Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De nijlbruid
Author: Ebers, Georg, 1837-1898
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De nijlbruid" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                              GEORGE EBERS

                              DE NIJLBRUID

                      IN HET NEDERLANDSCH BEWERKT

                                  DOOR
                            Dr. H. C. ROGGE



                              EERSTE DEEL

                              TWEEDE DRUK

                               AMSTERDAM

                        VAN HOLKEMA & WARENDORF



VOORREDE.


De "Nijl-bruid" behoeft geen voorrede. Alleen voor vakgenooten
merk ik op, dat ik op gezag van den hoogleeraar De Goeje besloten
heb bij mijn vermoeden te blijven, dat namelijk het woord Mukaukas
niet voor den naam, maar voor den titel gehouden moet worden van den
man, wien de Arabische bronnen, waarvan ik mij bediende, aanwijzen
als den persoon, die als Stadhouder van den Byzantijnschen Keizer
de hem toevertrouwde provincie overleverde aan de heerschappij der
Muzelmannen. Van Karabaceks onderzoekingen betreffende den Mukaukas,
heb ik helaas geen gebruik meer kunnen maken.

Dat ik den ouden Horus Apollon (Horapollon) plaats in de zevende eeuw,
zal terecht de bevreemding wekken van ieder, die den schrijver van
de Hiëroglyphica voor denzelfden persoon houdt als den gelijknamigen
Egyptischen geleerde, die volgens Suidas onder Theodosius leefde, en
van wien reeds Stephanus van Byzantium tegen het einde der vijfde eeuw
gewag maakt. Doch eerstgenoemde lexicograaf Suidas telt de werken van
Horapollon, den grammaticus en den commentator van Grieksche dichters
op, zonder de Hiëroglyphica te noemen, waarop hier alles aankomt,
en alle andere oude schrijvers, die den naam Horapollon vermelden,
laten ons de vrijheid--gelijk ook C. Leemans, de beste beoordeelaar der
Hiëroglyphica toegeeft--om twee Horapollons aan te nemen, van welke de
tweede zeer goed eerst in de zevende eeuw geleefd kan hebben, daar in
zijn tijd de nauwkeurige kennis van het hiëroglyphen-schrift reeds veel
meer verloren moest zijn, dan wij dit mogen aannemen voor de vierde
eeuw na Christus, wanneer wij in aanmerking nemen, dat er nog zeer
goede hiëroglyphische opschriften uit den tijd van Decius, 250 jaren
na Christus, bewaard zijn gebleven. Wij kunnen moeilijk aannemen,
dat de Egyptische commentator van Grieksche dichters een vertaler
noodig heeft gehad, terwijl de Hiëroglyphica eerst door Philippus in
het Grieksch schijnt overgebracht te zijn. Onze combinatie, volgens
welke de schrijver, in het Egyptisch Horus (zoon van Isis) genaamd,
afkomstig was van het Isis-eiland Philae, waar de heidensch-Egyptische
eeredienst zich het langst staande hield, en waar nog tot in later
tijd eenige kennis van het hiëroglyphen-schrift bewaard bleef, houdt
rekening met de juiste verhoudingen in het door ons gekozen tijdperk.


Tutzing am Starnberger See

1 Oct. 1886.                                             Georg Ebers.



EERSTE DEEL.


EERSTE HOOFDSTUK.


Er waren een paar jaren verloopen, sedert Egypte zich onderworpen
had aan de jeugdige maar met buitengewone kracht en snelheid zich
ontwikkelende macht der Arabieren. Het was aan eene kleine, goed
aangevoerde schare muzelmansche krijgslieden zonder veel moeite in
handen gevallen, en de schoone provincie, die nog kort geleden een
sieraad was van het Byzantijnsche keizerrijk, waar het christendom
zijne trouwste aanhangers vond, behoorde thans aan den Kalief Omar,
en moest er in berusten dat de halve maan zich overal naast het kruis
omhoog hief.

Over het ongelukkige land was een zomer voorbijgegaan, zoo heet als
men in lang niet beleefd had, en hoewel men als naar gewoonte het
wassen van den Nijl den 17den Juni in "den nacht van den regendruppel"
met feestelijke toebereidselen had gevierd, tot dusverre werd de
verwachting der Egyptenaren bedrogen, en de stroom daalde al lager
en lager, in plaats van te stijgen. In deze bange dagen, den 10den
Juli van het jaar 643, trok een karavaan, die van het noorden kwam,
Memphis binnen. De kleine karavaan wekte dadelijk aller aandacht
in de ontvolkte, vervallen pyramidenstad, die zich in den vorm van
een kolossaal rietblad slechts in de lengte uitbreidde, daar hare
uitzetting in de breedte tusschen den Nijl en de Libysche woestijn
beperkt was. In vroeger jaren zouden de Memphieten het nauwelijks
der moeite waardig hebben geacht het hoofd op te heffen, wanneer
onafzienbare met handelswaren bevrachtte wagentreinen, vrachtkarren
met flinke jukossen bespannen, sierlijk uitgedoschte keizerlijke
ruiterdrommen of afzienbare processies de meer dan mijlenlange
hoofdstraat stoffeerden.

Hij die als koopman op een dromedaris van uitgelezen ras vóor
de karavaan reed, was een magere muzelman, gehuld in een zijden
kleed. Een breede tulband bedekte zijn klein hoofd, en overschaduwde
voor een deel zijn fijnbesneden, oudachtig gelaat. De Egyptenaar,
die als gids op een stevigen ezel naast den koopman reed, zag telkens
en met blijkbaar welgevallen naar dit juist niet schoon gelaat, met
ingevallen wangen, dunnen ringbaard en grooten adelaarsneus, doch het
bevatte een paar heldere oogen waaruit vriendelijke bedachtzaamheid
en hartelijke welwillendheid straalden. Maar deze schrale oude heer,
op wiens gezicht smart en ziekten diepe sporen hadden achtergelaten,
wist ook te bevelen en zijn wil te doen eerbiedigen. Dit kon men zijn
fijnen, vastgesloten mond wel aanzien, en bleek ten overvloede uit de
stiptheid, waarmede die kloeke, gebaarde, tot aan de tanden gewapende
krijgslieden, die hem volgden, op zijne wenken gehoorzaamden. Zijn
Egyptische geleider, het hoofd van de hermeneuten of het gilde der
gidsen, een knorrige, bruine Memphiet, trok zich terug, wanneer hij
onvoorziens wat dicht kwam bij de op dromedarissen gezeten ruiters,
als vreesde hij een houw of stoot te zullen ontvangen, terwijl hij
den koopman Haschim, den eigenaar van de karavaan, zonder vrees te
woord stond, en praatziek, gelijk lieden van zijn stand, van alles
de verklaring gaf.

"Wat zijt gij hier te Memphis goed te huis," zeide de Egyptenaar,
nadat de oude heer zijne verbazing te kennen had gegeven over den
treurigen ommekeer en den achteruitgang van de stad.

"Dertig jaren geleden," antwoordde de koopman, "ben ik voor mijne zaken
vaak hier geweest. Hoevele huizen staan er leeg en zijn bouwvallig
geworden, waarin men toen voor grof geld nauwelijks een onderkomen
kon vinden! Overal ruïnen, waar men rondziet! Wie heeft deze schoone
kerk zoo jammerlijk vernield? Door mijne landgenooten, ik weet het
van den veldheer Amr zelven, is geen christelijk bedehuis aangevallen."

"Het was de hoofdkerk van de Melchieten, de dienaars van den keizer,"
zeide de gids als lag in die toevoeging tevens de verklaring van
het gebeurde.

Doch de koopman had hiermede geen vrede, en vraagde daarom: "Nu,
wat kwaad is er dan in hunne leer gelegen?"

"Wat kwaad?" herhaalde de Egyptenaar, terwijl zijne oogen van toorn
fonkelden; "wat kwaad? Zij verdeelen den goddelijken persoon des
Heilands en schrijven Hem verschillende naturen toe. Dit is niet
alles. Al die Grieken hier te lande hebben, voor de uwen aan dezen
gruwel een einde maakten, ons, de heeren des lands, als slaven
behandeld, steunende op de macht van den keizer. Zij dreven ons met
geweld in hunne kerken, en allen, die Egyptisch bloed in de aderen
hadden, werden als rebellen en melaatschen behandeld. Zij hebben ons
uitgelachen en verketterd, omdat wij geloofden aan de éene goddelijke
natuur van onzen Heiland."

"En daarom," zeide de koopman, weder het woord nemende, "hebt gij,
zoodra wij de Grieken verdreven hadden, u onverdraagzamer getoond
jegens hen en hunne tempels, dan wij, die gij ongeloovigen scheldt,
ons gedroegen jegens u!"

"Verdraagzaam, jegens hen?" hernam de Egyptenaar op minachtenden
toon, terwijl hij verstoord een blik sloeg op het half verwoeste
gebouw.--"Zij hebben geoogst wat zij gezaaid hadden, en wie thans in
Egypte--de Heiland zij geprezen!--niet aan uw eenigen God gelooft,
die gelooft in de éene natuur van onzen Heer Jezus Christus. Dat
Melchieten-rot hebt gij verdreven, daarna was het onze taak om de
handen te slaan aan de bedehuizen van hun erbarmelijken Heiland,
dien zij op de synode te Chalcedon--verdoemd mogen ze zijn!--van
zijne goddelijke waardigheid hebben beroofd."

"Maar die Melchieten blijven toch altijd uwe geloofsgenooten; zij
zijn christenen," zeide de koopman.

"Christenen?" herhaalde de gids, terwijl hij met minachting de
schouders ophaalde. "Ze mogen zichzelven daarvoor houden! Wat mij
betreft en allen hier te lande, groot en klein, wij zijn van meening
dat zij niet het minste recht hebben zich onze geloofsgenooten, zich
christenen te noemen. Vervloekt zijn ze allen, en zullen ze blijven
met hunne honderden ja duizenden duivelsche ketterijen, die onzen God
en Verlosser tot een ding zouden willen maken als dat godenbeeld aan
dien steenen deurpost. Van boven is het een koe en van onderen een
mensch; welk verstandig man, vraag ik u, kan zulk een tweeslachtig
monster aanbidden? Wij Jacobieten, Monophusieten, of hoe men ons
noemen wil, geven van de goddelijke natuur van onzen Heer en Heiland
geen tittel prijs, en als het eens uit is met het oude geloof, dan wil
ik een muzelman worden en mij bekeeren tot het geloof in uw grooten,
eenigen God. Want voordat ik de ketterij der Melchieten omhels laat
ik me liever met vrouw en kind in stukken houwen. Wie weet wat er
nog gebeuren zal! Wel beschouwd is het niet zoo onvoordeelig om tot
uw geloof over te gaan, want gij hebt de macht in handen en moogt
die behouden. Het is nu eenmaal ons lot door vreemden beheerscht
te worden, en wie betaalt niet liever den kleinen cijns aan den
wijzen en gezonden Kalief in Medina dan de grootere belasting aan het
Melchietisch en ziekelijk keizersgebroed in Konstantinopel? De Mukaukas
Georg is zeker geen slecht mensch; daar hij den tegenstand tegen u zoo
spoedig opgaf, is hij zeker van dezelfde meening geweest. Hij geeft
aan u, als rechtvaardige, vrome lieden, onze naburen, misschien wel
onze stamverwanten, de voorkeur--boven die Byzantijnsche ketters,
die menschenvillers en bloedhonden. Bovendien is de Mukaukas een
christen zoo goed als een onzer."

De Arabier had den Memphiet, die door zijn ambt gedwongen werd
zichzelven het zwijgen op te leggen, opmerkzaam en soms met een
glimlach aangehoord. De Egyptenaar liet de karavaan nu een straatje
inslaan, dat naar de met den stroom evenwijdig loopende hoofdstraat
voerde, waarin eenige deftige huizen stonden, door tuinen omgeven.

Zoodra de menschen en de dieren op den beter geplaveiden weg verder
trokken, zeide de koopman: "Ik heb den vader van den man, dien
gij daar noemdet, zeer goed gekend. Hij was een rijk en bovendien
welgezind man, en ook van zijn zoon vernam ik niets dan goeds. Mag
hij nog altijd den titel van stadhouder of--hoe zeidet gij daareven
ook?--van Mukaukas dragen?"

"Zeker, meester!" antwoordde de hermeneut. "Er is in Egypte geen
ouder geslacht dan het zijne, en was de oude Menas reeds een rijk
man, Mukaukas Georg is het nog meer, door hetgeen hij geërfd heeft
en door het huwelijksgoed zijner vrouw. Wij kunnen geen verstandiger,
rechtschapener stadhouder begeeren! Hij ziet de ondergeschikte beambten
ook streng op de vingers; doch zoo spoedig als vroeger worden de zaken
toch niet meer afgedaan. Wel is hij niet veel ouder dan ik, en ik ben
bijna vijftig, maar hij komt zijne ziekte niet meer te boven, want
sedert maanden heeft niemand hem meer zien uitrijden. Zelfs wanneer
uw stadhouder hem zien wil, komt hij niet verder dan van de eene zijde
der straat naar de andere. Het is jammer van den man! En wie heeft dat
edele lichaam ondermijnd? De Melchieten-honden hebben het gedaan! Vraag
maar aan den Nijl zoo lang als hij is naar de oorzaak van ons ongeluk,
en gij zult overal hetzelfde antwoord krijgen. Waar de Griek, de
Melchiet zijn voet zette, daar was het uit met den groei van het gras!"

"Maar den Mukaukas, den hoogsten beambte des keizers," begon de
Arabier te zeggen.

Doch de ander viel hem in de rede, zeggende: "Meent gij dat hij voor
hen veilig was? Zeker, zij hebben zijn persoon niet durven aantasten,
maar wat hem overkwam was nog erger, want bij een opstand van de
Melchieten tegen de onzen--het was in Alexandrië, en de gestorven
Grieksche patriarch Cyrus had mede de hand in het spel,--zijn twee
zijner zonen, twee schoone jonge mannen, in den bloei hunner jaren
als dolle honden doodgeslagen; en dat, dat heeft hem geknakt."

"Arme man!" zeide de Arabier met een zucht. "En hield hij geen andere
kinderen over?"

"Ja, heer, nog éen zoon, en de weduwe van den oudsten. Deze is echter
na den dood van haar man in een klooster gegaan, doch haar kind, de
kleine Maria, die nu zoowat tien jaar oud zal zijn, heeft zij bij de
grootouders gelaten."

"Dat is gelukkig," hernam de koopman, "dat zal wat zonneschijn in
huis gebracht hebben."

"O zeker, heer! Toch ontbrak het ook thans niet aan reden tot
blijdschap. De eenig overgebleven zoon, hij heet Orion, is eergisteren
uit Konstantinopel teruggekeerd, waar hij lang vertoefde. Dat was me
een vreugde! De halve stad was als gek van opgewondenheid. Duizenden
zijn hem te gemoet gesneld, alsof hij de Heiland was, eerepoorten
hebben ze voor hem opgericht, zelfs de mijnen deden mee--er viel niet
aan te denken dat iemand zich daaraan kon onttrekken. Allen wilden den
zoon en erfgenaam van den grooten Mukaukas zien, de vrouwen natuurlijk
in de eerste plaats!"

"Gij zegt dat op een manier, alsof de teruggekeerde zulk eene eer
niet waardig was," merkte de Arabier op.

"Zooals men het op wil vatten," hernam de Egyptenaar, terwijl hij de
schouders ophaalde. "Hij is nu eenmaal de eenige zoon van den eersten
man in het land."

"Laat het zich dan niet verwachten dat hij den vader gelijken zal?"

"O, ja!" antwoordde de ander. "Mijn broeder, een geestelijke, die
aan het hoofd staat van onze groote school, is zijn leermeester
geweest, en deze zegt nog nooit zulk een schrandere kop ontmoet te
hebben als Orion. Alles woei hem zoo maar aan, en daarbij was hij
zoo vlijtig als het kind van een arme. Wij, zijne ouders, en zijne
vaderstad Memphis hadden, zooals Marcus meent, niet dan roem en eer
van hem te wachten. Doch ik zie ook de schaduwzijde, en ik zeg u dat
de vrouwen hem het hoofd op hol brengen en hem eindelijk ten gronde
zullen richten. Het is een mooie man, hij ziet er nog schooner uit
dan de oude heer in zijne jonge jaren, en daar trekt hij partij van,
en waar hij iets aanminnigs tegenkomt--en dat ontmoet hij overal op
zijn weg--."

"Daar grijpt de jonge deugniet toe," zeide de muzelman lachend. "Nu,
als het niets anders is wat u beangst maakt, dan doet mij dit plezier
voor hem. Hij is jong, en zulke dingen komen terecht."

"Neen, heer, neen! Zelfs mijn broeder--hij is thans in Alexandrië
en nog altijd blind en bespottelijk ingenomen met zijn vroegeren
leerling--ziet hierin eene gevaarlijke klip. Wanneer daarin geen
verandering komt, zal hij al verder en verder afwijken van de geboden
des Heeren en schade lijden aan zijne ziel, want de gevaren omringen
hem aan alle zijden als brullende leeuwen. De kostelijke gave der
schoonheid en die om anderen voor zich in te nemen zullen hem nog
in het verderf storten; waarlijk ik wensch het niet, maar ik vrees
het...."

"Gij ziet het te donker in en oordeelt te hard," hernam de ander. "De
jeugd...."

"Ook de jeugd," antwoordde de gids, "bij den christen ten minste, moet
zichzelve weten te beheerschen. Zoo iemand, dan ben ik geneigd den
schoonen jonkman het beste te gunnen. Laat ik er maar voor uitkomen:
als hij mij groet dan ben ik te moede als ware mij een geluk te beurt
gevallen, en zoo is het met ontelbare andere mannen in Memphis en
met de vrouwen bovenal. Maar desniettemin heeft reeds menigeen vele
bittere tranen over hem gestort. Doch, bij alle heiligen, als men van
den wolf spreekt, dan..... Ziet ge wel, daar is hij!.... Halt, wat
langzaam aan, mannen!--Het is wel de moeite waard voor een oogenblik
onzen gang wat in te houden."

"Dat statige vierspan daar, bij die hooge tuinpoort, is dat van hem?"

"Het zijn de Pannonische dravers, die hij heeft meegebracht, snel als
de bliksem en daarenboven.... Maar dáar.... zie! Ach, nu verliezen
wij ze achter dien tuinmuur juist uit het oog; doch gij moet ze op uw
hooge dromedaris nog kunnen zien. Dat kleine meisje daar naast hem,
is de dochter van de weduwe Susanna, de eigenares van dezen hof en
van dat fraaie paleis achter die boomen."

"Eene heerlijke bezitting!" zeide de Arabier.

"Dat zou ik ook denken," antwoordde de Memphiet. "De hof strekt zich
uit tot aan den Nijl; en hoe goed wordt alles onderhouden!"

"Heeft hier niet vroeger de korenhandelaar Philammon gewoond?" vraagde
de koopman, als verlevendigden zich bij hem oude herinneringen.

"Juist! híj was de echtgenoot van Susanna en moet reeds een vijftiger
geweest zijn, toen hij haar vrijdde. De kleine is hare eenige dochter,
de rijkste erfgename in de geheele provincie, maar niettegenstaande
zij reeds zestien jaren telt niet flink opgewassen; het kind van een
ouden vader, begrijpt ge? Toch is ze dartel en vroolijk, een lachduif
in menschelijke gedaante, en zoo vlug en bewegelijk! Hare huisgenooten
noemen haar het kwikstaartje."

"Heel aardig en naar waarheid," hernam de koopman met welgevallen. "Ze
is klein, meer een kind dan een jong meisje, maar ik schep behagen in
dat aanvallige vroolijke schepseltje. De zoon van den Mukaukas--hoe
heet hij ook weer?"

"Orion, heer," antwoordde de ander.

"Drommels," zeide de ander meesmuilend, "ge hebt hem niet gevleid,
vriend! Een jongeling als dien Orion ziet men niet alle dagen! Welk
een lichaamsbouw! Wat staan die bruine lokken hem goed! Ja, ja,
zulk een jonkman wordt eerst door zijne eigene moeder vertroeteld,
en andere vrouwen volgen dan haar voorbeeld. Hij heeft een flink,
open gezicht, daar wat achter steekt. Maar hij had dien purperen rok
en dat gouden flikwerk in Konstantinopel moeten laten. Die dingen
zijn hier in deze sombere vervallen stad niet op hun plaats."

Onder de laatste woorden porde de Memphiet zijn ezel wat aan, maar
de Arabier hield hem terug, want wat er achter den tuinmuur plaats
greep trok al te zeer zijne aandacht. Hij zag dat de schoone Orion
een wit hondje, een zeer fijn zijdharig beestje, dat naar het scheen
hem toebehoorde, het kleine meisje op den arm gaf; hij zag hoe zij
het kuste en hem een langen grashalm om den hals sloeg, als wilde zij
daarmede hem de maat nemen. De oude merkte verder op hoe ze beiden
ondeugend lachten, hoe ze elkander in de oogen zagen en eindelijk
afscheid namen. Daarna verhief zij zich op de teenen naar een vreemde
struik, aan welks top twee heerlijke roode klokjes bloeiden; zij
plukte ze haastig en reikte ze hem toe, terwijl een blosje hare wangen
overtoog. Daarbij weerde zij de hand, waarmede hij haar bij het reiken
naar de bloemen ondersteund had, met een zwaai van haar arm lachend
terug, en op haar frisch gezichtje las hij de innige blijdschap die
zij gevoelde, toen hij de plek, die zij met haar vingers had getroffen,
kuste en daarna ook de bloemen aan zijne lippen bracht.

De oude heer zag dit alles met zooveel deelneming en vreugde aan,
als wekte het de liefelijkste herinneringen in zijn gemoed, en zijne
goedige oogen lachten toen Orion, niet minder schalksch en dartel als
zij, haar eenige woorden in het oor fluisterde, waarop zij de lange
grashalm uit haar gordel trok, hem haastig daarmede over het gezicht
streek, als wilde zij hem straffen, en vervolgens ijlings, snel als
eene ree, over gras en bloemperken naar het paleis vloog, zonder
zich te storen aan zijn herhaald roepen: "Katharina, allerliefste,
goede jonkvrouw Katharina!"

Dat was een klein opwekkend avontuur geweest, en de oude Haschim hield
de herinnering er aan vast, en verkneukelde zich daarin nog altijd,
toen hij met de zijnen reeds een tamelijk eind wegs had afgelegd. Hij
was Orion, den zoon van den Mukaukas Georg, dankbaar voor dit liefelijk
schouwspel, en toen hij het vierspan in langzamen draf de karavaan
hoorde naderen, keek hij er naar om en hield het in het oog.

Maar voordat de Pannonische rossen, den met allerlei in zilver
gedrevene figuren bedekte wagen en zijnen menner, die te zamen een
toonbeeld van buitengewone schoonheid en goeden smaak aanboden, hem
langzaam waren voorbijgereden, om daarna pijlsnel op de nu vrije straat
voorwaarts te rennen en in eene dichte stofwolk te verdwijnen, had
het gelaat van den koopman zijne vroolijke uitdrukking verloren. Er
lag iets diep weemoedigs in zijne stem, toen hij een der jonge
kameeldrijvers beval de bloemen, die achter hen in het stof lagen,
van den weg op te rapen en hem te brengen.

Hij had gezien hoe de schoone jonge man met een blik en eene beweging,
als ware hij boos op zichzelven, de vriendelijke gave in het heete
stof op straat had geslingerd.

"Uw broeder heeft gelijk," riep de oude den Memphiet toe. "Voor dezen
jongen man zijn de vrouwen eene gevaarlijke klip, en hij is het voor
haar, gelijk ik vrees.--Die arme kleine daar ginds!"

"Dat kwikstaartje, meent ge?" vraagde de gids. "O, met haar kon het
licht meenens worden. De lieve moeders maken de zaak al klaar. Zij
zitten beiden in het goud, en waar duiven zijn vliegen duiven
toe. Godlof, de zon staat al boven de pyramiden! Laten uwe lieden
gindsche groote herberg binnengaan. De waard is een schappelijk man,
en men vindt bij hem ook schaduw."

"Wat de beesten en de manschappen aangaat," antwoordde de koopman,
"mogen zij hier wat uitrusten. Ik, de aanvoerder van de karavaan
en nog eenige lieden, wij zullen ons wat versterken--en dan brengt
gij ons naar den stadhouder, met wien ik over een en ander spreken
moet. Het is niet vroeg meer..."

"Wees daarover niet bezorgd!" hernam de Egyptenaar. "De
Mukaukas ontvangt op zulk een gloeiend heeten dag het liefst na
zonsondergang. Als gij wat met hem te doen hebt, zijt ge bij mij aan
het rechte kantoor. Laat eenige goudstukken vliegen, dan verschaf ik
u nog heden gehoor door den huismeester Sebek, mijn neef. Terwijl gij
hier wat uitrust, rijd ik naar het stadhouderlijk verblijf en breng
u dan bericht."



TWEEDE HOOFDSTUK.


De herberg, waarin de koopman Haschim met de karavaan zijn intrek
nam, lag op eene hooge plek aan den weg, van alle zijden omgeven
door palmen. Vóor de verwoesting van de heidensche oudheden in het
Nijldal was dit een tempel van Imhotep, den Egyptischen Aesculapius,
den vriendelijken god der geneeskunde, die ook in de doodenstad eene
afzonderlijke plaats voor zijne vereering had gehad. Deze lag half
verwoest, half in het woestijnzand begraven, toen een ondernemende
herbergier den bevalligen tempel met het daarbij behoorende heilige
bosch voor eene billijke som aankocht. Sedert was het gebouw van de
eene hand in de andere overgegaan, tegen de stevig gebouwde tempelzaal
had men een groot houten huis opgetrokken, bestemd voor het opnemen
van reizigers, en in het palmbosch, dat tot aan den slecht onderhouden
oeverdam reikte, verhieven zich stallen en zag men omheinde plaatsen,
bestemd voor kudden, die hierheen werden gedreven. Het geheel had
aldus het aanzien van een veemarkt, en werkelijk kwamen de slachters
en paardenkoopers der stad gaarne hierheen om te vinden wat zij
zochten. Daarentegen trok het palmbosch, een der weinigen dat in de
nabijheid der stad bewaard was gebleven, de burgers van Memphis aan,
om een luchtje te scheppen en zich in zijne schaduw te verkwikken. De
waard had vlak bij den stroom tafels en banken doen opstellen, en in
de kleine haven op zijn erf kon men booten huren. Iedereen die van
de stad een pleiziertochtje te water maakte, legde hier gaarne aan en
liet zich onder de palmen van Nesptah een verfrisschenden dronk geven.

De twee rijen huizen welke deze plaats van bijeenkomst zoo voor
redelijke wezens als voor het redeloos vee vroeger van de groote
straat gescheiden hadden, en zich uitstrekten in de richting van
den Nijl, waren sedert lang ingestort en de waard had alles met
den grond gelijk gemaakt. Op dit oogenblik kon men zien hoe onder
de leiding van Arabische opzieners ettelijke arbeiders bezig waren,
om eene kolossale ruïne uit den tijd der Ptolomeën, die nauwelijks
tweehonderd schreden van het palmbosch verwijderd lag, af te breken
en de groote, zorgvuldig gehouwene kalksteen- en marmerblokken,
evenals de talrijke hooge zuilen die het dak van den Zeus-tempel te
Memphis gedragen hadden, in weerwil van de brandende middaghitte,
op ossenkarren te laden, om ze naar den dam en van daar op platte
booten naar den oostelijken Nijl-oever te brengen.

Dáar bouwde Amr, de veldheer en plaatsvervanger van den Kalief
zijne nieuwe residentie. De tempels der oude goden werden daartoe
als steengroeven gebruikt, en men vond daarin niet alleen keurig
afgewerkte ornamenten van den hardsten steen, maar ook Grieksche
zuilen van verschillende bouworden in menigte, die allen aan gene zijde
van den stroom weder opgericht werden. De Arabieren versmaadden geen
enkel bouwmateriaal; zij gebruikten bij het optrekken hunner moskeeën
alle steenblokken en zuilen, onverschillig of ze van heidensche of
christelijke tempels afkomstig waren.

In den herbergtempel van Imhotep waren de wanden en zolderingen
oorspronkelijk overal met godenbeelden en hiëroglyphische opschriften
bedekt geweest, maar de rook van het haardvuur had ze sedert lang
zwart gemaakt. Bovendien hadden de handen van geloofsijveraars ze
onophoudelijk geschonden, en over velen had men kalk gestreken, om
die plekken met christelijke symbolen en zeer wereldlijk gekrabbel in
Grieksche teekenen of in het volksschrift der Egyptenaars, te bedekken.

In de groote tempelzaal van weleer gebruikte de Arabier met de zijnen
den maaltijd. Allen onthielden zich daarbij van wijn, met uitzondering
van den aanvoerder der karavaan, die eigenlijk geen muzelman was,
maar tot de Perzische secte der Masdakieten behoorde.

Nadat de oude heer zich verzadigd had aan een afzonderlijk tafeltje,
riep hij dezen tot zich en beval hem de baal met het tapijt, vast
te binden op den draagstoel tusschen de beide groote lastkameelen,
maar zóo, dat hij gemakkelijk losgemaakt kon worden.

"Dat is reeds geschied," antwoordde de Pers, een prachtige kerel,
groot en breed als een eik, met een kop door blonde haren als met
leeuwenmanen omlijst, terwijl hij zijn zwaren snorbaard afveegde.

"Des te beter," antwoordde Haschim. "Kom met mij naar buiten!"

Dit zeggende ging hij den Masdakiet voor in het palmbosch.

De zon was inmiddels achter de pyramiden, de doodenstad en de
Libysche bergketen ter ruste gegaan, en haar schijnsel kleurde nog
slechts den oostelijken horizont en het naakte kalksteengebergte van
Babylon aan gene zijde van den stroom, met afwisselende verwen van
onbeschrijfelijke schoonheid. Het was als hadden alle soorten van
rozen, die de kunstigste hovenier in Arsinoë of Naukratis teelde,
van de goudgelen tot de purperen, en die schitteren met donkerrooden
naar het violet zweemenden glans, de kleuren geleverd, om de vlakke
zijden, de uitstekende punten en kloven van het gebergte, sneller
als zich laat denken, met tooverachtige tinten te overgieten.

Den ouden heer zwol de borst bij dit gezicht en terwijl hij diep
adem haalde, legde hij zijne zachte hand op den reuzenarm van den
Pers en zeide: "Uw meester Masdak leert: het is Gods wil dat de eene
mensch niet meer of minder zijn eigendom mag noemen dan de andere, en
dat er geen rijken noch armen mogen zijn, want dat alle bezittingen
gemeengoed zijn. Zie nu eens met mij naar dezen kant. Wie dit nog
nimmer aanschouwde heeft nog niets gezien. Er is hier beneden niets dat
dit schouwspel in schoonheid overtreft. En wien behoort het? Dien armen
eenvoudigen Salech daar, dien wij uit genade halfnaakt de kameelen
laten nadraven, beschouwt dit evengoed als zijn eigendom als gij en ik
en de Kalief. God heeft ons ten opzichte van zijne groote werken allen
op éen lijn geplaatst, zooals uw meester begeert. Hoeveel schoons is
er toch, dat ons geslacht gemeenschappelijk bezit! Laten wij daarom
dankbaar zijn, Rustem, want waarlijk, het is niet weinig.--Met het
eigendom, dat de mensch zich verwerven of dat hij verliezen kan, is
het echter geheel anders gelegen. Wij staan allen in dezelfde loopbaan,
en wat gij begeert zou vereischen, dat men hun die hard loopen kunnen
lood aan de voeten bond, opdat de een den ander niet vooruit zou
snellen; dat zou zooveel zijn als.... Maar geven we thans onze oogen
den kost en laten wij ons liever wijden aan het prachtige schouwspel
daarginds! Kijk eens, wat er zooeven uitzag als deze purperkleurige
bloemkelk, dat worden nu robijnen; wat schitterde als een viooltje is
donker amethyst geworden. Alles wordt heerlijk omlijst door dien gulden
rand van lichte wolken. En dat alles is het mijne, is het uwe, is
het onze, zoolang oog en hart zich daaraan te goed doen en verkwikken."

De Masdakiet barstte uit in een gullen, welluidenden lach en zeide:
"Ja meester, als ieder maar uwe oogen had! Waarlijk het ziet er daar
kleurig genoeg uit aan den hemel en tegen de bergen, en zulke roode
tinten neemt men bij ons zelden waar; maar wat hebben wij aan dat
betooverend gezicht? Gij ziet robijnen en amethysten daarginds, maar
ik?--De juweelen in uw tapijt zijn wat meer waard dan al dat gefonkel
aan den horizont! Gij moogt er over denken zoo ge wilt, maar voor dien
baal dáar gaf ik alle zonsondergangen op aarde present, en waarlijk
het zou mij niet berouwen!"--Wederom begon hij hartelijk te lachen,
waarna hij vervolgde: "Maar vadertje, gij zult er wel voor passen om
den koop te sluiten!--Wat ons Masdakieten aangaat, de goede tijd is
nog niet voor ons gekomen."

"En als die nu eens aangebroken was en gij bezitter werdt van dat
tapijt?"

"Dan verkocht ik het; ik voegde de opbrengst bij mijne spaarpenningen,
ik ging naar huis om daar land te koopen, ik nam een aardig wijfje
en begon kameelen en paarden te fokken."

"Jawel, en dan zouden overmorgen de armen komen, die niets bespaarden
en slechte zaken maakten met dat avondrood; ieder zou een stuk van
uw land, een kameel en een veulen verlangen; gij zoudt nooit meer een
heerlijken zonsondergang te zien krijgen, en uwe lieve vrouw moest met
u door de wereld trekken, om u te helpen met anderen te deelen. Beste
Rustem, laat de dingen blijven zooals ze zijn. De Allerhoogste moge
uw braaf hart bewaren, dwaze dweeper, die ge zijt!"

Terwijl de reus zich over den arm van zijn meester boog om hem dankbaar
te kussen, keerde de gids met een lang gezicht terug, want hij had te
veel beloofd. De Mukaukas Georg was,--een ongehoord geval--juist toen
hij voor den Arabier gehoor wilde vragen, in een gondel gedragen,
om met zijn zoon en de vrouwen van zijn huis een watertochtje te
maken. De terugkeer van Orion, zeide de huismeester, had den ouden
heer geheel verjongd. Haschim moest dus tot morgen wachten, en hij,
de gids zou hem raden in de stad te overnachten in de herberg van
Moschion, waar het hen aan niets zou ontbreken.

Doch de koopman verkoos hier te blijven. Het oponthoud hinderde
hem niet, daar hij toch een Egyptischen arts wilde raadplegen over
eene oude kwaal. Een beter en geleerder als de beroemde Philippus,
zoo verzekerde de hermeneut, was er in het geheele land niet te
vinden. Het was hier buiten zoo schoon, en op de banken aan den oever
kon men de komeet waarnemen, die sedert eenige dagen zich aan den
hemel vertoonde en zeker slechte tijden profeteerde. De geheele stad
was als stom van verslagenheid, dat bemerkte men zeer goed hier in de
herberg van Nesptah, want anders, als de avondkoelte kwam, zat het er
op de banken en rondom de tafeltjes vol van bezoekers, die in bootjes
kwamen; maar wie durfde in deze dagen van angst aan uitspanning denken?

De gids sprong weer op zijn ezel om den arts te halen, terwijl de oude
Haschim zich aan den arm van den Masdakiet naar de banken onder de
palmen begaf. Daar zat hij peinzend naar den sterrenhemel te staren,
terwijl zijn jongere metgezel droomde van zijn vaderland, waar hij
zonder het kostbare tapijt, en alleen van zijne spaarpenningen een stuk
weiland kocht en een huisje bouwde waarin hij zijn aardig vrouwtje zag
op en neer dribbelen. Zou ze er blond uitzien, of donkerbruin? Het
liefst had hij eene blonde.--Maar opeens ging zijn luchtkasteel in
rook op, want er naderde iets op den Nijl dat zijne aandacht trok,
en hem noopte er ook zijn meester opmerkzaam op te maken.

Voor hen lag de stroom als een breede band van donker zilverbrocaat. De
wassende maan spiegelde zich in zijne nauw merkbaar bewogen
oppervlakte, en waar zijne wateren zich rimpelden, daar omzoomde hij de
toppen der kleine golven met een helderen glans. Uit de richting van de
doodenstad schoten vledermuizen door de nachtlucht en streken over den
Nijl heen als lichte, door den wind bewogen schaduwen. Slechts enkele
driehoekige zeilen zweefden als blanke reusachtige vogels over het
donkere water, doch uit het noorden, van de zijde der stad, naderde
op den stroom een groot gevaarte het palmbosch, met twee glanzende,
van verre flikkerende lichten.

"Een statige boot, waarschijnlijk die van den Mukaukas Georg," zeide
de koopman, terwijl hij het vaartuig langzaam uit het midden der
rivier naar het boschje zag drijven. Onderwijl deed zich ook op den
landweg achter de herberg paardengetrappel hooren. Haschim keek om,
en zag fakkeldragers, die vóor een wagen liepen.

"De kranke," vervolgde de oude, "zal zeker tot hier varen en dan
met een wagen naar huis rijden, om de nachtlucht op het water te
vermijden. Zonderling, daar ontmoet ik nu heden voor de tweede maal
zijn zoon, waarvan ieder den mond vol heeft."

Spoedig naderde de staatsiegondel van den stadhouder het palmbosch. Het
was een groot, schoon vaartuig van cederhout, rijk met goud versierd
en met het beeld van Johannes, den beschermheilige der familie, op
de plecht. Aan den stralenkrans, die het hoofd van dit beeld omgaf,
hingen lampen, en groote lantaarnen verhieven zich daarnaast en aan
de achterzijde van de boot. Daar zat onder een baldakijn de Mukaukas
Georg en naast hem zijne gemalin Neforis. Tegenover hen zat hun zoon en
eene volwassene jonkvrouw, aan wier voeten een kind van tien jaar lag
neergehurkt, dat het vriendelijke kopje tegen haar liet rusten. Eene
meer bejaarde Griekin, de opvoedster van de kleine, was naast een
zeer groot man, den arts Philippus, gezeten op eene rustbank, die
niet meer door het baldakijn overhuifd werd. De heldere tonen van de
luit begeleidden de boot, en hij die met kunstvaardige hand de snaren
tokkelde was de onlangs teruggekeerde Orion.

Het geheel bood een vriendelijken aanblik; gaf het schoonste beeld te
aanschouwen van eene aanzienlijke familie, wier leden door den band
der liefde waren verbonden. Doch wie was die statige jonkvrouw aan
de zijde van den jongen Orion? Blijkbaar wijdde hij aan haar al zijne
aandacht, en telkens wanneer zijne hand krachtig in de snaren greep,
zocht hij hare oogen; bijwijlen scheen het als speelde hij voor haar
alleen. Zulk eene onderscheiding scheen zij wel te verdienen, want
toen het vaartuig de kleine haven invoer en Haschim hare trekken kon
onderscheiden, stond hij verbaasd over hare edele, zuiver Grieksche
schoonheid.

Thans stegen eenige rijkgekleede slaven, die met den wagen langs den
weg moesten gekomen zijn, in de boot, om den ziekelijken heer naar
het rijtuig te brengen, waarbij bleek dat de zetel waarin de lijdende
zat, van handvatsels voorzien was, die hen in staat stelden dezen op
te heffen en te dragen. Een groote, zwarte kerel greep den stoel aan
de achterzijde, en toen een ander zich gereedmaakte dezen van voren
aan te grijpen, drong Orion hem opzij, trad in zijne plaats, hief den
zetel met zijn vader op, en droeg dien over de landingsbrug, die het
vaartuig met den oever verbond, voorbij Haschim naar den wagen. De
jonge man verrichtte het werk van een drager met welgevallen, zonder
dat het hem inspanning kostte. Telkens keek hij vriendelijk naar zijn
vader om, en riep de andere vrouwen toe--alleen zijne moeder, die
den lijder zorgvuldig in doeken had gewikkeld, en de arts volgden den
kranke--dat zij uit zouden stappen en hem hier wachten; waarop hij bij
het licht der fakkels, die voor hem uitgedragen werden, verder ging.

"Arme man!" dacht de koopman, terwijl hij den zieken Mukaukas
nakeek. "Maar het treurigste en zwaarste lot verwaait als een
morgennevel voor den wind, wanneer men een zoon heeft, die iemand
zoo vriendelijk wegdraagt."

Het werd hem nu verklaarbaar, waarom Orion hedenmiddag de bloemen
had weggeworpen! ja, toen die jonkvrouw aan wal kwam, terwijl
het meisje haar zoo teeder aan den arm hing, moest hij bekennen,
dat de kleine dochter van de rijke weduwe Susanna bezwaarlijk den
toets der vergelijking kon doorstaan met deze hooge, koninklijke
verschijning. Welk eene gestalte had dit meisje, welk eene vorstelijke
houding, en wat klonk haar stem welluidend en lieflijk, toen zij het
kind de namen noemde van eenige sterrenbeelden, en op de komeet wees,
die juist opging. Haschim zat in 't donker, en kon ongezien waarnemen
wat er op de bank aan den oever, die door een der lantaarnen van het
schip beschenen werd, verder voorviel, en hij schepte behagen in deze
onverwachte afleiding, want alles wat den zoon van den Mukaukas betrof
wekte zijne deelneming en nieuwsgierigheid. Hij voelde zich getrokken
tot dien buitengewonen jongen man, over wien hij zich een oordeel
wilde vormen, en de aanblik van het mooie meisje daar op de bank
deed zijn oud hart goed. Dat kind was zeker Maria, de kleindochter
van den stadhouder.

De wagen zette zich thans weer in beweging, hij rolde over den weg
voort en een oogenblik later keerde Orion tot de wachtenden terug.

Arm, rijk dochtertje van de weduwe Susanna! Hoe geheel anders verkeerde
hij met deze schoone jonkvrouw dan met die kleine! zijne oogen hingen
als betooverd aan hare trekken; terwijl hij met haar sprak hield hij
nu en dan midden in zijn verhaal op; en wat hij zeide moest nu eens
ernstig en boeiend en dan weer geestig zijn; want niet alleen zij,
maar ook de opvoedster van de kleine luisterde met inspanning, en als
de jonkvrouw hartelijk lachte, klonk het welluidend en helder. Er
lag in haar wezen iets zoo voornaams, dat dergelijke uitingen van
gulle vroolijkheid verrasten en den indruk maakten als de geur van
een prachtige bloem, waarvan men tot dusver geloofde, dat zij alleen
geschapen was om het oog te behagen en niet ook de andere zintuigen
te streelen. En zij, tot wie alles gericht werd wat Orion zeide,
luisterde niet alleen aandachtig naar hem, maar de wijze waarop zij
het deed overtuigde den koopman, dat de verhaler zelf haar nog beter
beviel dan hetgeen hij zoo levendig wist mee te deelen. Wanneer dit
meisje het eens was met den zoon van den stadhouder, ja, dan zou het
een kostelijk paar zijn.

Daar verscheen de waardin Taous, eene kloeke, lijvige Egyptische van
middelbaren leeftijd. Zij droeg zelve hare beroemde spritskoeken,
die zij juist eigenhandig gebakken had, benevens melk, druiven en
ander ooft op, en hare oogen glinsterden daarbij van vreugde en
gestreelde eerzucht; want de zoon van den grooten Mukaukas, de trots
der stad, die vroeger zoo vaak op watertochten met lustige gezellen,
meest Grieksche officieren, die helaas allen gevallen of uit het land
verdreven waren, niet enkel om de koeken aan een bezoek bij haar de
voorkeur had gegeven, deed haar nu de eer aan om zoo spoedig na zijne
terugkomst weer bij haar te komen. Haar radde tong stond niet stil,
terwijl zij vertelde, dat ook zij en haar man hem waren te gemoet
gegaan tot de eereboog bij de Menespoort, terwijl Emau met haar
jonkske hen hadden vergezeld. Emau was namelijk sedert getrouwd,
en zij had dezen eersten kleine "Orion" genoemd.

Toen de jonge man daarop vroeg of Emau nog altijd zulk een aanvallig
schepseltje was en zoo op hare moeder geleek als vroeger, stak vrouw
Taous dreigend den vinger tegen hem op, vragende, terwijl zij op de
jonkvrouw wees, of de vroolijke vogel, wien zoo menigeen bij zijn
vertrek eene weemoedige zucht had nagezonden, eindelijk in een kooitje
zou gaan, en of misschien die schoone jonkvrouw daar...

Maar Orion stuitte haar woordenvloed door te zeggen, dat hij nog zijn
eigen meester was, hoewel hij den strik reeds om zijn hals voelde. Het
schoone meisje kleurde daarop nog sterker dan bij de eerste vraag
der waardin, maar hij overwon spoedig zijne eigene verlegenheid en
verzekerde op luchtigen toon, dat het dochtertje van de brave Taous
eens het aardigste kind van Memphis was, en dat zij niet minder werd
gezocht dan de spritskoeken van hare voortreffelijke moeder. Vrouw
Taous mocht het jonge moedertje van hem groeten.

De waardin ging daarop heen, geroerd en gestreeld door deze
woorden. Orion greep het snarenspeeltuig weer op, en terwijl de
vrouwen zich verkwikten, voldeed hij aan de uitnoodiging van de
jonkvrouw en zong op haar verlangen het lied van Alkaios met eene
welluidende doch zachte stem, onder meesterlijke begeleiding van de
luit. Het meisje hing met de oogen aan zijn mond, en het scheen dat
alleen om harentwil zijne hand in de snaren greep. Toen de tijd kwam
om op te breken en de vrouwen in het vaartuig stegen, ging hij in de
herberg om het gelag te betalen. Spoedig kwam hij alleen terug, en de
koopman zag hoe hij een doekje, dat de jonkvrouw op tafel had laten
liggen, opnam en haastig aan zijne lippen bracht, terwijl hij naar de
boot ging. Met de prachtige roode bloemen was het heden morgen minder
vriendelijk afgeloopen. Aan het meisje, dat daar op het water wegvoer,
behoorde het hart van den jongen man. Zijne zuster kon zij niet zijn;
maar in welke betrekking stond zij tot hem?

De koopman zou er weldra achter komen, want de gids kwam terug
en lichtte hem in.--Zij was Paula, de dochter van Thomas, den
wijdberoemden Griekschen veldheer, die de stad Damascus zoo hardnekkig
en dapper tegen de krijgsmacht van den Islam verdedigd had. Zij was
de nicht van den Mukaukas Georg, maar niet zeer bemiddeld, eene arme
verwante des huizes, die men na het verdwijnen van haar vader--want
men had zelfs zijn lijk niet gevonden--in het stadhouderlijk verblijf
uit genade en barmhartigheid had opgenomen; dus eene Melchietische. De
hermeneut was haar reeds daarom weinig genegen, en hoewel hij tegen
hare schoonheid niets had in te brengen, zoo verzekerde hij toch
te weten, dat zij trotsch en vol inbeelding was, en de kunst niet
verstond om iemands liefde voor zich te winnen. Alleen dat kind,
die kleine Maria, was aan haar gehecht. Het was een publiek geheim,
dat zelfs de gemalin van haar oom, de brave Neforis, de trotsche
nicht niet lijden mocht en haar slechts duldde ter wille van den
kranken man. Wat kwam die Melchietische ook te Memphis doen, in een
oprecht Jacobietisch gezin? Elk woord van den gids ademde den wrevel,
die menschen van minder afkomst en zielenadel zoo licht doen blijken
jegens hen, die de bescherming genieten van hunne eigene weldoeners.

Maar de schoone aristocratische dochter van een groot man had het
oude hart van den koopman gewonnen, en het oordeel van den Memphiet
wijzigde het zijne in geenen deele. Weldra zou hij ook steun vinden
voor zijne opvatting. De arts Philippus, dien de gids had geroepen,
was een dagelijksch bezoeker van het stadhouderlijk verblijf. Zijn
ernstig voorkomen boezemde den Arabier het grootste vertrouwen in,
en deze nu noemde Paula een dier heerlijke schepsels, welke de hemel
ter goeder ure heeft geschapen. Doch die daar boven troont scheen
zijn eigen meesterwerk vergeten te hebben, want sedert jaren leidde
zij een droevig leven.

De arts kon den ouden heer het uitzicht geven op vermindering zijner
smarten. Beide mannen begrepen elkaar zoo goed, dat het reeds laat
in den nacht was, toen zij als goede vrienden scheidden.



DERDE HOOFDSTUK.


Intusschen gleed de boot van den Mukaukas, door krachtige riemslagen
voortgedreven, rustig stroomopwaarts. Door hen die er in zaten werd
nu eens een zacht gesprek gevoerd, dan weer gezongen. De kleine Maria
was aan Paula's borst in slaap gevallen; de Grieksche opvoedster keek
het eene oogenblik naar de komeet, die haar angst aanjoeg, het andere
naar Orion, wiens schoonheid haar niet meer jeugdig gemoed verkwikte,
of naar de jonkvrouw, wie zij het voorrecht misgunde van door dezen
lieveling der goden aangebeden te worden. Het was eene heerlijke,
warme, stille nacht, en het maanlicht, dat de wateren der zee dwingt te
rijzen, doet ook den golfslag van het gevoel in de menschelijke borst
zwellen en stijgen. Wat Paula maar begeerde dat zong Orion, als ware
geen enkel lied hem vreemd van allen, die op de lier eens Griekschen
dichters weleer de thans zoo diep gezonken wereld in verrukking hadden
gebracht. Hoe langer zij voeren, des te helderder en schooner klonk
zijne stem, des te weeker en betooverender werd hare uitdrukking,
met des te vuriger verlangen wendde hij zich tot het hart van het
meisje. En zoo gaf Paula zich ten laatste aan deze zoete betoovering
gevangen, en toen hij de lier liet rusten en haar zachtkens vroeg:
of zijn vaderland in zulk eene nacht niet schoon mocht heeten? welk
lied het streelendst was voor haar? of zij begreep wat het voor hem
beteekende, dat hij haar in het ouderlijke huis had gevonden? liet
ook zij zich overhalen om hem op fluisterenden toon antwoord te geven.

Onder de dichte kronen der boomen van den stillen tuin bracht hij
hare hand aan zijne lippen en bevende liet zij het toe.--Zware,
moeielijke jaren lagen achter haar. De arts had maar al te zeer
waarheid gesproken. Op de harde slagen van het noodlot waren voor
haar, de trotsche dochter van een grooten vader, allerlei pijnigende
vernederingen gevolgd. Het leven van de wel-is-waar niet arme maar toch
verlatene aanverwante, die uit goedhartigheid in het huis van een rijke
familie was opgenomen, was reeds lang voor haar een pad vol doornen
geworden. Doch sedert eergisteren was dat alles veranderd. Orion was
gekomen! Als een heerlijk geschenk van het lot hadden het ouderlijk
huis en de stad zijne terugkomst gevierd, en ook zij had rijkelijk
haar aandeel gehad van de feestvreugde. Hij had haar begroet, niet
als de verlatene verwante, maar als de schoone jonkvrouw van edele
geboorte. Het was alsof er een zonneschijn van hem uitging, die
doordrong tot haar hart, en haar het hoofd opnieuw deed oprichten als
eene bloem, die men weder onder den vrijen hemel plaatst, nadat zij
langen tijd licht en lucht heeft moeten ontberen. Zijn frissche geest,
zijn vroolijke levensmoed verkwikten haar hart; de achting die hij
haar bewees versterkte haar onderdrukt zelfvertrouwen, en vervulde
hare ziel met warmen dank. En wat deed het haar goed zich dankbaar,
innig dankbaar te mogen gevoelen! En nu, nu was de avond van heden
gekomen, de schoonste, de heerlijkste, die zij sedert jaren genoten
had. Hij had haar weder geleerd, wat zij bijna vergeten scheen, dat
zij nog jong, zoo schoon was, dat zij het recht had nog gelukkig te
zijn, geestdrift te gevoelen en te wekken, ja misschien ook lief te
hebben en bemind te worden.

Zijn kus brandde nog op hare rechterhand, toen zij het koele vertrek
binnentrad, waar vrouw Neforis achter haar spinrokken, naast het
rustbed van haar kranken echtgenoot, die zich altijd laat naar bed
begaf, de terugkeerenden wachtte. Met een vol gemoed drukte Paula hare
lippen op de hand van haar oom, Orions vader. Mocht zij hem haar Orion
noemen? Daarop kuste zij--in hoelang was dat niet gebeurd!--ook hare
tante, zijne moeder, terwijl zij met de kleine Maria haar goeden nacht
wenschte. Neforis bleef koel, en terwijl zij hare verwondering over
deze hartelijkheid niet verheelde, sloeg zij een onderzoekenden blik
op Paula en haren zoon. Zeker vlogen haar daarbij allerlei gedachten
door het hoofd, maar zij achtte het geraden deze voorshands niet
uit te spreken. Als was er niets bijzonders gebeurd, liet zij de
meisjes heengaan, hield zij een oog op de lieden, die haar gemaal
naar het slaapvertrek droegen, gaf zij hem de witte pilletjes, die
hij gebruiken moest om te slapen, en schoof zij met onvermoeide zorg
de kussens zoolang terecht, tot hij naar zijn zin lag. Toen eerst, en
nadat zij zich overtuigd had dat een dienstknecht in het aangrenzende
vertrek waakte, verliet zij den kranke, en zocht zij haar zoon op. In
uitstel lag gevaar.

De groote, stevige, een weinig gezette vrouw was in hare jeugd een
statig, slank meisje, eene deftige verschijning, maar haar nuchter
en onbewegelijk gelaat nooit in het oog vallend schoon geweest. De
jaren hadden dat gelaat echter weinig veranderd; het was thans
een goed, vol matronengezicht geworden, zonder veel uitdrukking,
dat door de langdurige en inspannende verpleging van den kranke
zijne kleur had verloren. Hare geboorte en de plaats die zij innam
gaven haar een gevoel van zelfstandigheid, zekere zelfbewustheid,
doch er lag daarbij niets innemends, niets aantrekkelijks in haar
wezen. Zij deelde niet in het leed en de vreugde van anderen, toch kon
zij zich uit zelfopoffering moeite en bezwaren getroosten, en haar
hart was in staat om voor anderen te ontblaken in hartstochtelijken
gloed. Evenwel die anderen moesten hare naaste betrekkingen zijn
en ook dezen alleen. Er was dan ook geen trouwer en zorgvuldiger
gade, geen teederder moeder te vinden, maar wilde men de liefde
die in haar leefde bij een gesternte vergelijken, dan reikten hare
korte stralen niet buiten de sfeer van hare naaste bloedverwanten,
en dezen verheugden zich natuurlijk dankbaar over het buitengewoon
geluk van te worden opgenomen in den engen cirkel van de genegenheid
dezer onvrijgevige ziel.

Zij klopte nu aan Orions woonvertrek, en haar laat bezoek verraste hem
niet minder dan het hem genoegen deed. Zij kwam om iets gewichtigs
met hem te bespreken, en deed dit nu reeds, omdat de houding van
Paula en haar zoon haar drong haast te maken. Er was tusschen beiden
iets voorgevallen, en de nicht van haar gemaal stond verre buiten
den beperkten kring harer liefde.

Zij leidde hare toespraak in met te zeggen, dat zij zoo niet kon
gaan slapen. Zij had een wensch op het hart en zijn vader deelde
daarin. Orion kon wel begrijpen wat zij meende; reeds gisteren had zij
er met hem over gesproken. Zijn vader was hem vriendelijk te gemoet
gekomen, had zijne schulden betaald zonder een woord van berisping,
en nu stond het aan hem voor goed te breken met zijne ongebondene
levenswijze van weleer en eene eigene huishouding op te zetten. De
bruid, dat wist hij wel, was gevonden. "Susanna," zeide zij, "is
reeds bij ons geweest. Hebt gij, booswicht, zooals zij zelve zegt,
hare Katharina heden morgen niet het hoofd geheel op hol gebracht?"

"Helaas," haastte hij zich te zeggen op verdrietigen toon. "Het
aanhalen van vrouwen is eene gewoonte van mij geworden; doch het zal
hiermee van nu af uit zijn; het is beneden mij. Thans, lieve moeder,
thans gevoel ik...."

"Dat de ernst des levens begint," vulde Neforis aan, "dat is ook de
bedoeling van den wensch, die mij tot u doet komen. Gij kent dien, en
ik weet niet wat gij er tegen zoudt kunnen aanvoeren. Kort en goed,
laat mij morgen de zaak met vrouw Susanna in orde brengen. Van de
genegenheid harer dochter zijt gij zeker, zij is de rijkste erfgename
van het land, goed opgevoed, en ik herhaal het: zij heeft u haar
hartje geschonken."

"En zij mag het behouden!" zeide Orion lachend.

"Ik bid u uwe vroolijkheid te bewaren voor een anderen tijd en
voor komischer onderwerpen," hernam de moeder, verstoord over
dit antwoord. "Ik meen het zeer ernstig als ik zeg: het meisje is
lief en goed, en zal voor u, zoo God wil, eene trouwe, teedere gade
zijn. Of hebt gij misschien uw hart in Konstantinopel gelaten? Heeft
wellicht de schoone verwante van den senator Justinus... Maar dit
is dwaasheid! Gij zelf kunt toch vooruit wel begrijpen, dat wij deze
luchthartige Griekin...."

Opeens omhelsde Orion haar, en zeide op teederen toon: "Neen,
moedertje, neen! Konstantinopel ligt verre achter mij in grauwe
nevelen, aan gene zijde van het uiterste Thule; maar hier, hier vlak
bij, in het ouderlijk huis heb ik iets veel schooners en volmaakters
gevonden, als zij daar aan den Bosphorus ooit hebben gezien. Die
kleine past niet voor een zoon van ons groot, breedgeschouderd
geslacht. Ook onze toekomstige geslachten moeten zich in alle opzichten
fier verheffen boven het gemeene volk, en ik wil geen speelpopje
hebben tot gemalin, maar eene vrouw, zooals gijzelve in uwe jeugd
zijt geweest, een flinke, voorname, schoone vrouw. Mijn hart wordt
niet aangetrokken door eene elfenkoningin maar door eene waarlijk
koninklijke jonkvrouw. Wat behoef ik er nog veel woorden over te
verspillen: Paula, de kostelijke dochter van den edelen Thomas heb ik
uitverkoren. Heden avond is mij dit als door eene openbaring duidelijk
geworden. Ik bid u om uwen zegen over eene verbintenis met haar!"

Vrouw Neforis had haar zoon tot zoover door laten spreken. Wat
zij gevreesd had te zullen hooren, had hij haar rond en open te
verstaan gegeven. Hoe lang had zij zich ingespannen om zich in te
houden! Maar nu was het ook uit met hare zelfbeheersching. Bevende
van kwaadheid viel zij hem in de rede en zeide, terwijl een donkere
blos hare wangen overtoog: "Zwijg, ga niet verder! De hemel beware
ons, dat hetgeen ik daar uit uw mond moest hooren iets meer zou zijn
dan een vluchtige, dwaze inval! Hebt gij dan gansch en al vergeten
wie en wat wij zijn? Weet gij dan niet dat het de geloofsgenooten
van deze Melchietin waren, die uw twee geliefde broeders, onze twee
bloeiende zonen ombrachten? Wat zijn wij in het oog van de Grieken,
de Orthodoxen? Maar onder de Egyptenaars, die de alleen zaligmakende
leer van Eutuches aanhangen, onder de Monophusieten zijn wij de
eersten, en wij willen dat blijven en ooren en harten sluiten voor
ketters en hun bijgeloof. De kleinzoon van Menas, een broeder van twee
martelaren voor ons heerlijk geloof, verloofd met eene Melchietin! Deze
gedachte is heiligschennis, is godslastering; ik vind daarvoor geen
zachter woorden. Voor ik, voor uw vader daarin toestemt, willen
wij liever kinderloos sterven. Om der wille van deze vluchtelinge,
die niets anders bezit dan haar bedelaarstrots en het saamgeraapte
overblijfsel van een vermogen, dat nooit met het onze vergeleken kan
worden, om deze ondankbare, die zich nauwelijks verwaardigt mij hare
weldoenster, uwe moeder--bij God, ik spreek de waarheid!--ook maar een
'goeden morgen' te zeggen, waarmede ik zelfs de slaven vriendelijk
begroet, om harentwil moet ik, moeten uwe ouders den zoon verliezen,
den eenige dien de genadige hemel ons nog tot onze vreugde gelaten
heeft? Neen, neen, neen! Dat kan niet! En gij, Orion, mijn beste
jongen, gij zijt uw leven lang een drieste knaap geweest, maar gij
zult den dwazen moed niet hebben deze koude schoone te beminnen, die
gij in twee dagen maar enkele uren hebt gezien, en uwe oude moeder,
die u vier-en-twintig jaren lang teeder aan het hart heeft gedrukt,
tot der dood te bedroeven, en uw vader, wiens dagen geteld zijn,
den korten tijd dien hij nog te leven heeft, te vergiftigen. Neen,
mijn lieve jongen, daartoe hebt gij den moed niet, kunt gij den
moed niet hebben. En mocht gij in eene noodlottige ure het wagen,
mocht gij het durven doen, dan--ik ben gedurende uw gansche leven
uwe teeder liefhebbende moeder geweest--dan, zoo waar God mij en uw
vader zal bijstaan in onze laatste ure, dan ruk ik de liefde voor
u uit mijn hart als eene schadelijke giftplant, dan zou ik, ook al
moest mijn hart er bij breken..."

Maar Orion liet haar niet verder gaan. Hij trok de zenuwachtig
opgewondene vrouw, die zich reeds lang uit zijne armen had losgemaakt,
weder tot zich, legde zachtkens zijne hand op haren mond, kuste haar
op de beide oogen en fluisterde haar in het oor: "Neen, hij heeft
er den moed niet toe en zal dien ook bezwaarlijk vinden in zijn
leven." Daarop greep hij hare beide handen en vervolgde, terwijl hij
haar flink in het aangezicht zag: "Brrr! uw waaghals is nog nooit
zoo angstig te moede geweest als bij deze bedreigingen. Maar wat
hebt gij ook schrikkelijke woorden uitgesproken; en daar lagen u nog
erger op de tong! Moeder, moeder Neforis! Uw naam beteekent de goede,
maar hoe boos, hoe erg boos kunt gij toch zijn!"

Daarop omhelsde hij de geliefde vrouw nog hartelijker; in een aanval
van overmoed, de terugwerking van den schrik dien zij hem zooeven
had aangejaagd, kuste hij hare haren, slapen en wangen driftig
achter elkander, en toen zij hem verliet had hij haar de vergunning
gegeven voor hem aanzoek te doen om de hand van de kleine Katharina,
daarbij echter de belofte ontvangen, dat dit nog niet morgen, op
zijn vroegst overmorgen zou geschieden. Hij achtte het eene groote
overwinning, dat hij dit uitstel had verkregen, en toen hij alleen was
en nadacht over hetgeen hij gedaan en aan zijne moeder toegestaan had,
bloedde zijn hart uit wonden, waarvan hij zelf de diepte nog niet
kon peilen. Toch verheugde hij zich Paula nog niet vaster aan zich
verbonden te hebben. Met zijne oogen had hij haar reeds veel gezegd,
maar het woord 'liefde' was nog niet over zijne lippen gekomen, en
daar hing toch alles van af. Het stond den neef toch vrij om eene
schoone verwante een handkus te geven. Zij was en bleef voor hem het
voorwerp zijner wenschen, maar om der wille van een meisje hoegenaamd,
al gold het Aphrodite zelve, of eene der Muzen of Gratiën, met zijne
ouders te breken, dat was hem ondenkbaar. Er waren nog ontelbare
mooie vrouwen voor hem op aarde, maar slechts éene moeder, en hoe
dikwijls had zijn hart niet voor vrouwen sneller geklopt, had hij niet
veroveringen gemaakt en van de bekoring van het oogenblik genoten,
maar ook daarna weder gemakkelijk en gewillig allen vergeten.

Ditmaal echter scheen het hem dieper te hebben aangegrepen dan bij
vroegere gelegenheden, en zelfs die schoone Perzische slavin, om wier
wil hij, toen hij pas de school had verlaten, groote dwaasheden had
begaan, en de bekoorlijke Heliodora in Konstantinopel, aan wie hij
nog een aandenken schuldig was, hadden niet zulk een indruk op hem
gemaakt. Deze Paula prijs te geven, dat viel hem zwaar, maar het ging
niet anders. Morgen moest hij beproeven op een vriendschappelijken,
broederlijken voet met haar te geraken; want hij durfde niet hopen dat
zij zich, evenals die zachtaardige Heliodora, die in rang met haar
gelijk stond, alleen met zijne 'liefde' tevreden zou stellen. Hoe
schoon, hoe onuitsprekelijk heerlijk zou het toch geweest zijn aan
de zijde van deze schoone vrouw het leven door te zweven! Als hij
met haar door de hoofdstad reed, dan kon hij er zeker van zijn, dat
iedereen zou stilstaan en naar hen omzien. En als zij hem nu eens
waarlijk liefhad, en teeder de armen voor hem opende.... Ach waarom
had het grillige noodlot haar toch eene Melchietin gemaakt!--Doch het
kon wel zijn, helaas, dat er iets haperde aan haar eigen karakter;
anders had het haar toch moeten gelukken gedurende die twee jaren
de liefde te winnen van zijne voortreffelijke, teedere moeder, die
nu zulk een afkeer van haar had.--Alles wel beschouwd was het toch
goed, dat de zaken zoo geloopen waren. Doch Paula's beeld wilde niet
van hem wijken, het roofde hem den slaap en zijn verlangen naar haar
bezit kwam niet tot rust.

Vrouw Neforis ging intusschen niet terstond naar haar gemaal
terug, maar tot Paula. Deze zaak moest nog heden in allen deele
worden afgedaan. Had zij kunnen verwachten dat de door haar behaalde
overwinning den kranke onverdeelde vreugde zou hebben bereid, dan ware
zij met de blijde boodschap naar hem toegesneld, want zij kende geen
hooger genot dan hem een gelukkig oogenblik te verschaffen. De Mukaukas
had echter noode in hare keuze toegestemd, want ook hem kwam Katharina
te klein voor en te kinderlijk voor den grooten zoon, die hem in
menig langdurig onderhoud, dat hij na zijn terugkeer met hem had, tot
vreugde van zijn ouderhart de onloochenbaarste bewijzen had gegeven,
dat zijn geest tot vollen wasdom was gekomen. Het "kwikstaartje",
aan wie hij alles schoons en goeds toewenschte, voldeed hem niet als
gade voor Orion. Paula was voor hem altijd eene lieve nicht geweest,
en vaak had het hem goed gedaan, als hij zich haar voorstelde aan
Orions zijde. Maar zij was eene Melchietin, en hij wist bovendien
hoe kwalijk zijne vrouw jegens haar gezind was. Zoo verkropte hij
dezen wensch om de trouwe verpleegster, die voor hem leefde, voelde
en dacht, niet te krenken. Vrouw Neforis wist of vermoedde dit alles
en zeide tot zichzelve, dat het hem de nachtrust zou kosten, wanneer
hij heden reeds vernam wat Orion haar toegestaan had.

Met Paula stond het echter anders. Hoe eerder zij vernam dat zij
van haren zoon niets te wachten had, des te beter zou het voor haar
zijn. Aan den morgen van dezen dag hadden zij en Orion elkander
begroet als een paar verliefden, en zoo straks waren zij als bruid en
bruidegom van elkander gegaan. Zulk een ergerlijk schouwspel wilde
zij niet weder bijwonen, en daarom ging zij tot de Damasceensche,
om haar in vertrouwen mede te deelen hoe recht gelukkig zij was,
en welk eene vreugde haar zoon haar zooeven had bereid. Doch tot
overmorgen moest zij het zwijgen.

Reeds dadelijk bij haar binnentreden had Paula uit de blijdschap die
uit hare oogen straalde het besluit getrokken, dat zij eene voor
haar pijnlijke boodschap kwam brengen, en zoo wist zij zichzelve
te beheerschen. Met het masker eener koele onverschilligheid liet
zij de uitstortingen van het blijde moederhart over zich heengaan en
wenschte zij de verloofden geluk; maar zij deed het met een schamperen
lach, die vrouw Neforis kwetste. Zij was anders niet boos van aard,
maar tegenover dit meisje veranderde hare natuur, en het was haar
niet ongevallig weder eens te doen blijken, dat Paula bescheidenheid
voegde bij de plaats die zij innam. Dat alles zeide zij tot zichzelve,
toen Paula's kamer achter haar gesloten was, maar wellicht had deze
vrouw, die toch zooveel goeds had, berouw gevoeld, wanneer het haar
vergund was geworden in de volgende ure in het hart te lezen van de
aan hare zorgen toevertrouwde wees. Slechts eenmaal barstte Paula
in hevig snikken uit, toen droogde zij spijtig hare tranen, staarde
lang somber voor zich en schudde daarbij vaak het schoone hoofd, als
ware haar iets ongehoords bejegend, dat zij niet vatten kon. Eindelijk
legde zij zich ter ruste met een smartelijken zucht, en terwijl zij te
vergeefs trachtte te slapen, en de kracht zocht om te bidden en stil
te berusten, scheen haar de tijd eene oneindige steppe toe, het noodlot
een gruwzaam jager, waarbij zij zelve het wild was dat hij vervolgde.



VIERDE HOOFDSTUK.


Den volgenden avond reed de koopman Haschim met een klein deel zijner
karavaan het stadhouderlijk verblijf binnen. Een vreemdeling zou het
eer voor de woning van een rijk grondbezitter dan voor de residentie
van een aanzienlijk staatsambtenaar gehouden hebben, want binnen het
uitgestrekte terrein, dat door de bijgebouwen aan drie zijden werd
ingesloten, dreef men thans na het ondergaan der zon groote kudden
runderen en schapen binnen, een vijftigtal paarden van edel ras kwam
samengekoppeld uit de zwemplaats en bruine en zwarte slaven droegen
naar een door horden omsloten zandige plek het avondvoeder voor een
kudde kameelen.

Het woonhuis van den bezitter, buitengewoon groot in omvang, geleek
een sierlijk paleis uit den ouden tijd en was dus wel geschikt om
een stadhouder des keizers tot residentie te dienen. De Mukaukas
Georg, wien dit alles toebehoorde, had inderdaad dit ambt langen
tijd bekleed. Na de verovering des lands hadden de veroveraars hem
daarin bevestigd, en tegenwoordig leidde hij de aangelegenheden
zijner Egyptische landgenooten niet meer in naam van den keizer
te Konstantinopel, maar op gezag van den Kalief te Medina en zijn
veldheer Amr. De muzelmansche veroveraars hadden in hem een goedwillig
en verstandig vertegenwoordiger gevonden, en zijne geloofsgenooten
en stamverwanten gehoorzaamden hem als den voornaamsten en rijksten
heer hunner natie, als den zoon van een geslacht, wiens voorouderen
reeds bij de pharaonen in hooge eer stonden.

Alleen het woonhuis van den Mukaukas was Grieksch of liever
Alexandrijnsch; de hoven en bijgebouwen, die zich daarbij aansloten,
hadden daarentegen geheel het aanzien als behoorden ze aan het
machtig opperhoofd van een grooten oosterschen stam, aan een Erpaha of
gouwvorst, zooals de voorouders van den Mukaukas in den heidenschen
tijd genoemd en als hoedanig zij aan het hof en onder het volk
geëerd werden.

De gids had den koopman niet te veel verteld van het grondbezit
van dezen man. Zijne uitgestrekte landerijen waren in Opper- en
Neder-Egypte gelegen en werden bebouwd door eenige duizenden slaven
onder een aantal opzichters. Hier in Memphis was het middenpunt
van het bestuur van zijn bijzonder eigendom, en bij zijn eigen
rentmeesterskantoor sloten zich de schrijfvertrekken aan, die hij
als staatsbeambte noodig had. Goed onderhouden dammen en de breede
Nijlstraat, die op de haven uitliep, scheidden zijn uitgebreid terrein
te Memphis van den stroom, en langs den muur, die aan de noordzijde de
afsluiting vormde, liep een straatje. Hierop kwam de groote poort uit
die bij den dag wijd open stond om aan allen toegang te verleenen,
hetzij dienaars hetzij zaakgelastigden, die op het grondgebied
van den Mukaukas iets hadden uit te richten. De met Korinthische
marmeren zuilen versierde, altijd gesloten schoone hoofdpoort aan
de Nijlstraat, waardoor ook zij waren binnengekomen, die gisteren
het tochtje op de rivier hadden gedaan, werd alleen geopend voor de
familie en de hooggeplaatste bezoekers van den stadhouder. Bij de
dienstpoort in het straatje stond het wachthuis, dat door eene kleine
afdeeling Egyptische soldaten bewoond was, die hadden te waken voor
de persoonlijke veiligheid van den Mukaukas.

Zoodra zich na de hitte van den dag eene verfrisschende koelte verhief
uit de richting van den stroom, kwam er leven op het terrein achter
deze dienstpoort. Uit alle woningen van het dienstpersoneel kwamen
mannen, vrouwen en meisjes te voorschijn, om de frissche avondlucht in
te ademen. Sommige dienstmaagden en slaven schepten water uit verbazend
groote steenen bakken en droegen het in sierlijk gevormde kannen
weg, terwijl de overige beambten des huizes in groepen stonden te
praten, te spelen en te zingen, om zich te ontspannen van vermoeiende
bezigheden. Uit het slavenkwartier, dat een tweeden hof omsloot,
klonk het gezang van geestelijke liederen, het tot den dans opwekkende
schrille en doffe geluid van dubbele fluiten en handtrommels, getwist
en gelach, het gillen van een meisje dat tot dansen werd gedwongen
en het geschreeuw van een door den opzichter gegeeselden slaaf,
alles verward dooreen.

De poort voor het dienstpersoneel, die ter eere van den onlangs
teruggekeerden Orion nog rijk met bloemen en groene guirlandes versierd
was, stond ook thans wijd open, ten einde de schrijvers en boekhouders
gelegenheid te geven om uit te gaan, en de stedelingen, die hunne
vrienden in het stadhouderlijk paleis des avonds gaarne bezochten,
om binnen te komen. Want men vond daar steeds eenige hooger geplaatste
beambten van den Mukaukas bijeen, die van de jongste gebeurtenissen in
staat en kerk meer wisten dan andere lieden. Onder de houten galerij
vóor het huis van den hofmeester vereenigden zich dan ook weldra een
groot aantal mannen, die in druk gesprek geraakten. Ook zonder het
bier, dat de gastheer hun nog altijd op rekening van het welkomstfeest
voor den zoon zijns meesters liet aanbieden, beschouwden zij dit als
een bijzonder genot; want voor een Egyptenaar ging er niets boven
een twistgesprek, waarbij hij de pijlen van zijn geestigen spot op
aanzienlijke personen, die anders ongenaakbaar voor hem waren, alsmede
op andersdenkenden en vijanden des lands kon richten. Heden was er
ook zeker menig snedig woord, menige aardige scherts te hooren, want
het vroolijk gelach en de luide bijvalsbetuigingen in de voorgalerij
van den hofmeester schenen geen einde te nemen, en de bevelhebber der
wacht bij de poort sloeg nu en dan een afgunstigen en wreveligen blik
op het luidruchtig gezelschap, waaraan hij gaarne had deelgenomen, als
hij zijn post had durven verlaten. Maar daar stonden nog de gezadelde
paarden der boden, die op antwoord wachtten; daar kwamen af en toe
zaakgelastigden en lieden met verzoeken die wenschten toegelaten te
worden, en in het ruime voorvertrek van het stadhouderlijk paleis
waren nog vele personen bijeen, die den Mukaukas moesten spreken; want
geheel Memphis wist, dat de kranke stadhouder in de heetste maanden
alleen des avonds audiëntie verleende. De Egyptenaars stelden nog
weinig vertrouwen in de Arabische beambten, en iedereen trachtte te
voorkomen, dat hij naar de plaatsvervangers van den Mukaukas verwezen
werd; zoo verstandig en rechtvaardig als de oude heer was geen zijner
ambtenaren. Hoe de lijdende man kracht en tijd vond om ook dezen op
te vingers te zien, wist niemand te verklaren, maar het stond vast,
dat ieder besluit door hem werd nagezien.

De audiëntietijd was voorbij, en de bezorgdheid, die het uitblijven
van de overstrooming en de komeet wekten, had de wachtkamer heden met
meer personen die wat te vragen hadden gevuld, dan gewoonlijk. De
vertegenwoordigers der steden en de dorpshoofden waren bij groepen
toegelaten; zij die over hunne eigene belangen te spreken hadden
kwamen een voor een, en de meesten waren bevredigd of althans met
goeden raad heengegaan. Alleen een landman, wiens rechtvaardige
zaak reeds lang op afdoening wachtte, was achtergebleven en hoopte,
omdat hij van zijne armoede eenige drachmen ten offer had gebracht
voor den persoon die hem moest aandienen, nog heden de vrucht te
oogsten van zijn geduldig wachten, toen de huismeester hem beval
morgen terug te komen en de hooge deuren, die tot de vertrekken van
den Mukaukas leidden, onderdanig opende voor den koopman Haschim,
dank zij de goudstukken, die hij van zijn neef den gids ontvangen
had. Doch de Arabier had den landman opgemerkt, en drong er op aan,
dat deze hem voor zou gaan. Zoo gebeurde het dan ook, en na eenige
oogenblikken keerde de boer tevreden terug en kuste Haschim dankbaar
de hand. De huismeester liet daarna den ouden heer met zijne lieden,
die hem eene zware baal achterna hadden gedragen, in een prachtig
voorvertrek wachten, en zijn geduld werd zeer op de proef gesteld,
eer de uitnoodiging tot hem kwam, om den stadhouder zijn koopwaar
te toonen.

De Mukaukas had, nadat hij met een stillen wenk had goedgevonden den
braven koopman, die hem bijzonder was aanbevolen, later te ontvangen,
zijn rusttijd genomen, en zonder zich over den wachtende te bekommeren
verpoosde hij zich met het schaakspel. Hij lag op een divan, waarover
de gladde huid eener leeuwin was gespreid, terwijl zijne jeugdige
speelgenoote op een lagen zetel tegenover hem zat. De deuren aan
de Nijlzijde van het vertrek, waarin hij ook in liggende houding de
personen had ontvangen die ter audiëntie waren gekomen, stonden nu
half open, om de koelere maar altijd nog lauwe avondlucht binnen te
laten. Het groene velarium [1], dat overdag de zonnestralen belette om
door het in het midden geopende dak naar binnen te dringen, was nu op
zij geschoven, en maan en sterren schenen in het vertrek, dat geheel
beantwoordde aan zijne bestemming om in heete zomerdagen een dragelijk
toevluchtsoord te zijn. Want de wanden waren met koele, bonte tegels
bekleed, de bodem bestond uit een veelkleurig mozaïk van allerlei
figuren op een grond van verguld glas, en op het ronde middenstuk
van dezen kunstigen vloer verhief zich het voorwerp, dat eigenlijk
de frischheid aanbracht, een twee manslengten wijde schaal van bruin
met wit doorspikkeld porfier, waaruit een waterstraal opspoot, die
de geheele omgeving met fijne waterstof besproeide. Enkele zetels,
stoelen en kleine tafeltjes, allen van metaal, vormden het overige
ameublement van dit hoog, door vele lampen verlicht vertrek. Eene
zachte koelte drong door het open dak en de thans ontsloten deuren
binnen, bewoog even de vlammen der lampen en speelde met de bruine
lokken van Paula, die zich met geheel hare opmerkzaamheid aan het
schaakspel scheen te wijden.

Orion, die achter haar stond, had reeds meermalen te vergeefs
moeite gedaan om hare aandacht te trekken. Thans bood hij zich
dienstvaardig aan om een doek voor haar te halen, opdat zij geen tocht
mocht vatten. Maar zij sloeg het kortweg en bepaald af, ofschoon
eene vochtige lucht van de rivierzijde binnendrong en zij reeds
meermalen haar peplos dichter om de borst had samengetrokken. Bij
deze afwijzing beet de jonge man zich op de lippen; hij toch wist
niet dat zijne moeder haar had medegedeeld, wat hij haar gisteren
had ingewilligd, en vond geene verklaring voor Paula's veranderde
gezindheid. Sedert den vroegen morgen had zij hem ijskoud bejegend en
zijne vragen ternauwernood met een koel "ja" of "neen" beantwoord,
en deze verhouding werd hem, den verwenden lieveling der vrouwen,
al meer en meer ondragelijk. Moeder had dus wel juist over haar
geoordeeld. Zij liet zich gansch en al beheerschen door hare luimen,
en thans deed zij ook hem haar trots gevoelen, waarvan hij vroeger
niets bespeurd had. Ja, deze koude behandeling grensde aan lompheid,
en hij was niet genegen zich dit langer te laten welgevallen. Bitter
verdrietig volgde hij elke beweging harer hand, elke buiging van haar
hoofd en de afwisselende uitdrukking van haar gelaat, maar hoe meer
hij zich in de beschouwing van deze trotsche jonkvrouw verdiepte,
des te schooner scheen zij hem toe, des te dieper indruk maakten die
volmaakte vormen op zijn gemoed en des te hooger steeg zijn vurig
verlangen, om haar weer zoo lachende, zoo echt vrouwelijk teeder te
zien als gisteren. Thans geleek zij slechts op een voortreffelijk
marmeren beeld, doch hij wist maar al te goed dat dit beeld ook eene
ziel had. Welk een heerlijke taak zou het zijn om dit schepseltje, dat
zoo geheel door hare dwaze luimen beheerscht werd, te leeren zichzelve
te beheerschen, en haar, al moest het met hardheid geschieden, te
wijzen op hetgeen eene vrouw, eene jonkvrouw bovenal betaamt.

Onder deze afwisselende gewaarwordingen wijdde hij zijne aandacht meer
en meer uitsluitend aan Paula. Zijne moeder, die met vrouw Susanna op
tamelijken afstand van de spelenden op een rustbank zat, bespeurde
dit met toenemende ergernis; zij zocht hem door vragen en door hem
nu en dan eene kleinigheid te verzoeken, van haar af te trekken en
aan zijne kwalijk verholen gedachten eene andere richting te geven.

Wie had gisteren morgen kunnen denken, dat haar lieveling haar
weldra zulk een verdriet, zooveel zorgen zou geven! Hij was
teruggekeerd als een zelfstandig man, die het leven in de groote
wereld heeft leeren kennen, juist zooals zijn vader en zij het
gewenscht hadden. Wel-is-waar had hij in de hoofdstad alles genoten,
wat het hart van een jongeling uit hoogen stand aantrekt, maar
desniettemin--en hierover vooral verblijdde zich zijn vader--was
hij frisch gebleven en ontvankelijk ook voor het kleinste. Van die
oververzadiging, die onverschilligheid voor de gewone genietingen des
levens, waartoe zoovele jongelieden van zijn stand vervielen, vertoonde
zich bij hem geen spoor. Hij kon met de kleine Maria nog altijd even
dartel spelen, zich over eene zeldzame bloem of een nieuw fraai paard
nog even hartelijk verheugen als voor zijn vertrek. Daarbij had hij
echter zulk een diepen blik geslagen in de staatkundige verhoudingen
van zijn tijd, in den toestand van het keizerrijk en het hof, in
het staatsbestuur en de verschijnselen op godsdienstig gebied, dat
het zijn vader een genot was hem te hooren spreken, en deze aan zijne
gade de verzekering kon geven, dat hij van den jongen man veel leerde,
en dat Orion op weg was een degelijk staatsman te worden, die thans
reeds kennis genoeg bezat om zijne plaats geheel te kunnen innemen.

Toen de moeder haar echtgenoot de groote som had genoemd van de
schulden, die Orion in Konstantinopel had achtergelaten, greep de oude
heer met zekeren trots in zijn buidel. Hij verheugde er zich over,
dat de eenige hem overgebleven erfgenaam de kunst verstond om de groote
rijkdommen, die hem zelven meer tot last dan tot genot waren, evengoed
als hijzelf in zijne jeugd, te gebruiken, en zich te omgeven met een
glans, waarvan het schijnsel op hemzelven en zijn naam terugviel. "Bij
hem weet men," zeide de kranke, "waarvoor men zijne geldstukken laat
rollen. Zijne paarden kosten veel, maar hij weet er mee te overwinnen;
zijn optreden in de wereld verslindt aanzienlijke sommen, maar daarvoor
verschaft hij zich achting, waar hij zich ook vertoont. Hij brengt mij
een brief mede van den senator Justinus, en de waardige man erkent,
dat hij eene groote rol onder de voorname jongelieden van aanzienlijk
vermogen in de hoofdstad gespeeld heeft. Zulk een roem verwerft men
geenzins om niet, en ten slotte valt de rekening nog mee. Wat vraag
ik naar een honderd talenten meer of minder? En er ligt iets van
beteekenis in, dat hij den moed heeft gehad het ook niet te doen."

Hij die zoo sprak was geen levenslustige grijsaard, maar een man wiens
gezondheid was geknakt, en die zich verheugde dat zijn zoon alles,
waarvan het genot hem sedert lang was ontzegd, nu blijde en volop
genieten kon.

De vurige, pas de kinderschoenen ontwassen, hoogbegaafde jonkman,
dien hij met eenige bezorgdheid naar de keizerstad had gezonden, moest
dan toch in de hoofdstad een veel ingetogener leven hebben geleid,
dan men van hem verwacht had; daarvoor stonden hem borg de roode blos
op zijne een weinig gebruinde wangen, de kracht zijner spieren en de
dichtheid van zijne gladde doch met kunstvaardige hand gekroesde haren,
die in kort gesneden lokken, naar de mode van dien tijd, op zijn hoog
voorhoofd neerhingen, en hem ietwat deden gelijken op de beelden van
Antinous, den schoonen jongeling uit de dagen van keizer Hadrianus.

De moeder moest zelve bekennen, dat de wedergekeerde er uitzag als
een toonbeeld van gezondheid. Niemand van de keizerlijke familie
kon rijker, zorgvuldiger en meer naar de mode gekleed zijn dan haar
lieveling; maar ook in het eenvoudigst gewaad zou hij een schoon, een
krachtig jonkman, de trots eener moeder zijn geweest. Toen hij zijne
vaderstad met de residentie verwisselde, was hij niet vrij geweest van
zeker iets, dat den knaap uit de provincie verried, maar thans was hij
vrij van alle onbeholpenheid en waar hij zich vertoonde, ook aan het
hof, kon hij zeker zijn onder de eersten met bijval te worden begroet.

En wat had hij niet in die hoofdstad doorleefd! In de dertig maanden
van zijn verblijf aldaar waren de gebeurtenissen elkander zoo verbazend
snel opgevolgd, als had hij er een eeuw doorgebracht. Hoe grooter
prikkel, des te meer genot, dat was het wachtwoord van den tijd, en
ofschoon hij aan den Bosphorus in weelderige vermaken voor niemand
had ondergedaan, zoo waren al die gastmalen, die liefdesavonturen,
die wedstrijden met zijne eigene overwinnende vierspannen, van
welke genietingen hij zich niets had ontzegd, toch kinderspel
geweest in vergelijking met de zenuwachtige spanning, waarin hij
gebracht werd door de schrikkelijke gebeurtenissen, die zijne oogen
hadden aanschouwd. Wat een armzalig genot was dat wagenmennen in
Alexandrië! Wat deed het er toe of de paarden van Timon, van Ptolemeüs
of zijne eigene wonnen? Ook in den circus te Byzantium was het schoon
den krans te verwerven, maar daar waren nog andere dingen dan paarden
en wagens, die de gemoederen in beweging brachten! Daar was het om
kronen te doen, daar gold het het bloed en leven van duizenden! Wat
nam men voor indrukken mee uit de tempels in het Nijldal? Maar had men
den drempel van den Sophia-dom in Byzantium overschreden, dan kwam men
soms met bloedende wonden, ja, als een doode naar huis. Driemalen had
hij den scepter in andere handen zien overgaan; een keizer en eene
keizerin waren voor zijne oogen van het purper ontdaan en vermoord
geworden. Dáar kon men in die dagen eerst waarlijk genieten te midden
van tooneelen aangrijpend tot in merg en been. Wat het overige betreft,
ja ook aan het kleine had hij zijn hart opgehaald. Men had hem niet
ontvangen als andere Egyptenaars: half beschaafde philosophen, die
zich wijzen noemden en met geheimzinnige en aanmatigende deftigheid
optraden, astrologen, rhetoren, armzalige, maar vinnige en geestige
spotters, geneesheeren die met de wetenschap hunner vaderen pronkten,
fanatieke godgeleerden, die steeds gereed waren om bij elken
bitteren geloofsstrijd zich van andere wapenen dan van bewijzen en
dogmen te bedienen, droefgeestige, geestelijk zoowel als lichamelijk
verwaarloosde heremieten en kluizenaars, korenhandelaars en woekeraars,
met wie het gevaarlijk was zonder getuigen zaken te doen. Met al dit
volk had Orion niets uit te staan. Men had hem ontvangen als den
welopgevoeden, levenslustigen en geestigen zoon van den rijken en
voornamen stadhouder, den beroemden Mukaukas Georg, ja, als een soort
van gezant, en wat de rijkste jongelieden van de keizersstad zich
veroorloofden, dat mocht ook hij doen. Zijne beurs was niet minder
goed gespekt dan de hunne, zijne gezondheid en zijne veerkracht waren
wel twintigmaal sterker, en zijne paarden, die hijzelf bestuurde en
niet door betaalde agitatoren mennen liet, hadden driemaal de hunnen
geslagen. De "rijke Egyptenaar", de "nieuwe Antinous", de "schoone
Orion", zooals zij hem noemden, mocht bij geen feestmaal, bij geene
partij ontbreken. De eerste huizen der stad telden hem gaarne onder
hunne gasten, en in het paleis en de villa van den senator Justinus,
een vriend zijns vaders uit jonger jaren, verkeerde hij als een zoon
des huizes. Bij hem en zijne vriendelijke gade Martina leerde hij ook
de schoone Heliodora kennen, de weduwe van een neef des senators, en
de geheele stad had gewaagd van de teedere verhouding tusschen Orion
en het aanvallige jonge vrouwtje, wier strenge ingetogenheid niet
minder bewonderd werd dan heur blond haar en de groote edelgesteenten,
waarmede zij hare wel eenvoudige maar toch kostbare kleederen gaarne
opsierde. Reeds had menige schoone jonkvrouw uit Byzantium getracht
de gunst van den jongen Egyptenaar te verwerven, toen Heliodora ze
allen uit het veld had geslagen. Nochtans was het haar niet gelukt
Orion vast en op den duur aan zich te kluisteren, en toen hij zijne
moeder gisteren avond verzekerde, dat zij zijn hart niet bezat,
had hij de waarheid gesproken.

Zijn gedrag in de residentie was wel niet onberispelijk geweest, maar
hij had zichzelven toch nimmer vergeten en de achting genoten niet
alleen van de metgezellen zijner feestgelagen, maar ook van waardige
en ernstige mannen, die hij in het huis van Justinus had leeren
kennen, en die zijn verstand en zijne weetgierigheid roemden. Hij
die als knaap een vlijtig scholier was geweest, liet ook hier geene
gelegenheid voorbijgaan om te leeren. Vooral had hij zich in de
keizersstad toegelegd op de verdere ontwikkeling van zijn aanleg voor
de muziek, en het daar tot eene buitengewone hoogte gebracht in gezang
en snarenspel. Gaarne zou hij langer in de hoofdstad gebleven zijn,
maar ten slotte werd hem de bodem te heet onder de voeten, en wel
om zijns vaders wil. Want de overtuiging dat deze er veel toe had
bijgedragen, om Egypte van het Byzantijnsche rijk los te maken en
het in handen te spelen van de gehaatte maar onweerstaanbare macht
der Arabieren, had in de aanzienlijkste kringen geloof gevonden,
sedert Cyrus, de afgezette en inmiddels reeds gestorven Melchietische
patriarch van Alexandrië, zich persoonlijk naar Konstantinopel had
begeven. Reeds was tot zijne gevangenneming besloten, toen de senator
Justinus en andere vrienden hem waarschuwingen hadden doen toekomen,
waaraan hij bijtijds gehoor had gegeven.

De houding zijns vaders had Orion wel in ernstig gevaar gebracht,
maar hij was er niet verstoord over; integendeel, hij moest haar
in zijne ziel billijken. Immers was hij duizendmaal getuige geweest
van de verachting, waarmede de Grieken over de Egyptenaren, van den
haat en den afkeer waarmede de orthodoxen over het monophysitisch
geloof van zijn volk spraken. Het kostte hem moeite zijn toorn in te
houden, wanneer hij den spot en de smaadredenen moest aanhooren, die
aanzienlijke mannen en jongelieden, leeken en geestelijken over zijn
land en zijne stamgenooten uitstortten, zonder zich te storen aan zijne
tegenwoordigheid. Want zij hielden hem voor een der hunnen, voor een
Griek, wien al wat 'barbaarsch' was even stuitend en verachtelijk moest
voorkomen als hunzelven. Toch vloeide het bloed zijns volks door de
aderen van den 'nieuwen Antinous', die de Grieksche liederen zoo schoon
en met zulk een zuivere uitspraak wist voor te dragen. Elk smadelijk
woord dat tegen de zijnen was gericht wondde hem diep in het hart, elk
minachtend oordeel over zijn geloof riep den dag hem in het geheugen
terug, waarop de Melchieten zijne beide broeders hadden vermoord.

Deze bloedige daden en ontelbare geweldenarijen, waarmede de Grieken de
andersdenkende Egyptenaars gekweld, beleedigd, doodgemarteld hadden,
waren nu gewroken, gewroken door zijn vader. Dat deed hem de borst
zwellen, dat maakte hem trotsch, en hij vergunde den ouden man diep
in zijne ziel te lezen, en wat deze daar vond verraste en verblijdde
hem tegelijk. Immers hij had gevreesd dat Orion zich in Konstantinopel
niet zou hebben kunnen onttrekken aan den onweerstaanbaren invloed van
den Griekschen geest, ja, hij had er zich soms bezorgd over gemaakt
hoe zijn eigen zoon het zou misbillijken, dat hij, hoewel gedwongen,
de hem toevertrouwde provincie aan de Arabische veroveraars overgegeven
en met hen vrede gesloten had.

De Mukaukas gevoelde dat Orion eenstemmig met hem dacht, en nu en
dan wierp hij hem, van het schaakbord opziende, een teederen blik
toe. Vrouw Neforis deed inmiddels haar best om de moeder van de
toekomstige bruid haars zoons zoo goed mogelijk bezig te houden
en haar af te leiden, zoodat zij de vreemde houding van Orion niet
opmerkte. Dit scheen haar ook te gelukken, want vrouw Susanna luisterde
naar alles wat zij zeide. Dat zij echter daarbij een oog in het zeil
hield bleek uit de onverwachte vraag: "Zou de voorname nicht van uw
gemaal zich wel verwaardigen ons een woord toe te spreken?"

"O neen," antwoordde Neforis op bitteren toon. "Ik hoop maar dat
zij spoedig andere lieden vindt, met wie zij zich liever genadig zal
inlaten. Ik zal haar den weg daartoe wel banen, daar kunt ge zeker
van zijn!"

Zij bracht vervolgens het gesprek op Katharina en de weduwe vertelde,
dat haar zwager Chrusippos met zijne beide dochtertjes in Memphis
was. Morgen zouden ze weer vertrekken en haar kind had zich dus
aan die meisjes moeten wijden. "Zoo zit daar nu het arme schaap,"
dus besloot zij op medelijdenden toon, "en moet die twee kleine
babbelaarsters bezig houden, terwijl zij smacht om hier te zijn."

Orion had de laatste woorden gehoord; hij vraagde daarop naar de kleine
en zeide daarna op luchtigen toon: "zij heeft mij gisteren vroeg een
halsbandje beloofd voor dat witte beestje, dat ik als aandenken uit
Konstantinopel meebracht.--Foei, Maria! Gij moogt het arme diertje
niet kwellen."

"Ja, laat den hond los!" voegde de weduwe er bij, terwijl zij zich
tot het kleindochtertje van den Mukaukas wendde, die het dier dwingen
wilde tegen zijn zin hare pop te kussen. "Maar weet ge wel, Orion,
dat die kleine keffer eigenlijk veel te sierlijk is voor zoo'n groot
heer als gij zijt? Geef het beestje present aan een aardig meisje,
daar is het beter op zijn plaats. Katharina is echter reeds bezig
aan den halsband. Ik mag het eigenlijk niet verklappen, maar op den
blauwen grond komen gouden sterren."

"Omdat Orion een ster is," riep de kleine Maria, "stikt zij enkel
Orions."

"Gelukkig is er maar één gesternte dat mijn naam draagt," merkte
Orion op. "Zeg dat, bid ik u, aan uwe dochter, vrouw Susa."

De kleine klapte in de handen en riep lachende: "Hij wil geen ster
naast zich hebben!"

Maar de weduwe haastte zich te zeggen: "Die kleine wijsneus! Ik
ken lieden die het zelfs niet lijden kunnen, wanneer men bij hen
eenige overeenkomst met anderen waarneemt. Gij moet u dit echter
laten welgevallen Orion!--Ja, gij had zooeven wel gelijk, Neforis,
voorhoofd en mond zijn als uit het gezicht zijns vaders gesneden!"

Deze opmerking was zeer juist, toch kon men zich moeielijk twee
uiteenloopender menschen denken dan deze jongeling in de frischheid
der jeugd en die zwakke, oudachtige man op den divan, wien zelfs elk
der kleine bewegingen, die het spel medebracht, inspanning kostte. De
Mukaukas mocht eens op zijn zoon geleken hebben, maar dat was heel
lang geleden. Enkele grauwe vlokken haar bedekten thans slechts
ten halve zijn naakten schedel, en van zijne oogen, die voor dertig
jaren zoo helder schitteren mochten als die van Orion, was gewoonlijk
weinig en menigmaal niets te zien, want de zware oogleden vielen,
als hadden ze alle veerkracht verloren, voortdurend er overheen en
gaven het welgevormde doodsbleeke gelaat iets dat aan een uil deed
denken. Toch was hij niet gemelijk, maar veeleer vereenigden zich in
zijn gelaat smartelijke en vriendelijk welwillende trekken, die het
eene weemoedige uitdrukking verleenden. De mond en de slap neerhangende
wangen waren bewegingloos en als gestorven; de verlammende handen van
kommer, angst en zorg schenen daarover heen gegaan te zijn en hun spoor
daarop achtergelaten te hebben. Hij zag er uit als een doodvermoeid
man, die alleen nog leefde, omdat het noodlot hem de gunst ontzegde
van te sterven. Ja hij was door de zijnen reeds dikwijls voor een
lijk gehouden, als hij al te dikwijls in het doosje van bloedjaspis
had getast en te veel gebruikt had van de witte opiumpilletjes, van
welke hij er ook onder het schaakspel met lange tusschenpoozen telkens
een op de kleurlooze lippen legde. Langzaam en als sliep hij bijna
verplaatste hij met half geslotene oogen stuk voor stuk, en toch kon
zijne tegenpartij het niet tegen zulk een bedreven speler uithouden, en
was zij reeds ten derden male door hem geslagen, ofschoon de Mukaukas
zelf haar een goede speelster noemde. Men kon het haar hoog gewelfd
voorhoofd en hare donkerblauwe klare oogen aanzien, dat zij verstandig
kon denken en diep gevoelen. Maar zij scheen wel wat eigenzinnig te
zijn en geneigd tot tegenspraak, althans heden, want als Orion hare
aandacht vestigde op dezen of genen zet, volgde zij zelden zijn raad
en verschoof zij de kleine figuur met op elkaar geklemde lippen naar
haar eigen en zelden beter inzicht. Men bespeurde duidelijk dat het
haar hinderde door dezen raadsman te worden terecht gewezen.

De wrevelige houding van het meisje zoowel als Orions ijverige pogingen
om haar in vriendelijker stemming te brengen, moesten door alle
aanwezigen worden opgemerkt, en daarom verheugde zich vrouw Neforis,
toen hij, die de bezoekers aandiende, nadat de Mukaukas de derde partij
had gewonnen en de op het bord overgebleven stukken met den rug van
zijn hand door elkaar wierp, zijn meester kwam herinneren aan den
Arabier, die buiten met toenemend ongeduld wachtte. In plaats van te
antwoorden gaf de Mukaukas een wenk, trok dan den langen kaftan van den
fijnsten wol wat vaster om het lijf, en wees naar het dak en de deuren
van het vertrek. Zijne familie had reeds lang die vochtige nachtlucht,
die het vertrek van de rivierzijde binnendrong, gehinderd, maar daar
zij wisten dat vader niets onaangenamer was dan de zomerhitte, hadden
zij allen gewillig den tocht verdragen. Orion riep nu de slaven en vóor
de vreemdelingen binnentraden, waren deuren en dakopening gesloten.

Paula stond op, de Mukaukas bleef daartegen roerloos zitten en hield
de oogen voortdurend met zijne oogleden bedekt, doch hij moest toch
door eene onmerkbare opening kunnen waarnemen wat hem omgaf, want hij
wendde zich eerst tot haar en dan ook tot de andere vrouwen met te
zeggen: "Is het niet vreemd, anders zoeken ouden en kinderen de zon,
en de laatsten spelen, de eersten rusten gaarne in de hitte. Maar
ik.... Daar is mij jaren geleden iets overkomen, dat weet ge, en
toen is mij het bloed in de aderen gestold. Nu wil het niet meer
warm worden, en ik gevoel de tegenstelling tusschen de koude hier
binnen en de hitte daarbuiten zeer sterk, bijna smartelijk. Hoe meer
de jaren klimmen, des te liever laat men aan de jeugd over, wat ons
zelven eens goed deed. Het eenige wat wij oudjes ons niet gaarne laten
ontnemen is een aangenaam lichamelijk gevoel, en ik dank u dat gij
zoo geduldig draagt wat u hindert, en dat gij het mij zoo aangenaam
maakt. Een verschrikkelijke zomer! Gij, Paula, weet van den Libanon
wat ijs is. Vaak wensch ik mij een bed van sneeuw. Mijn hoogste wensch
zou zijn met de frissche koude éen te worden. De koele avondlucht,
die gij vreest, doet mij goed. De warmte der jeugd verzet zich tegen
alles wat kil is."

Dit was de eerste maal sedert den aanvang van het spel, dat de Mukaukas
lang achtereen had gesproken. Orion liet hem eerbiedig uitspreken,
maar toen nam hij de vrijheid er lachende bij te voegen: "Er zijn
intusschen ook jeugdige menschenkinderen, die er een welbehagen in
vinden koel en koud te zijn. God weet om welke reden!"

Hij zag daarbij haar, tegen wie deze woorden gericht waren, flink
in de oogen. Maar zwijgend en trotsch wendde zij zich van hem af,
en het was als trok er een donkere schaduw over hare schoone trekken.



VIJFDE HOOFDSTUK.


Nadat den Arabier toegang verleend was tot den Mukaukas, spreidden
zijne dienaars een stuk tapijt voor den kranke uit. De reusachtige
Masdakiet was bij dit werk de hoofdpersoon. Maar zoodra de Mukaukas
den kolossalen man zag, met zijne verwilderde haren, die hem als
manen langs het hoofd hingen, met dien dolk en dien slachtbijl in zijn
gordel, riep hij angstig uit: "Voort, voort met dezen kerel, weg met
die wapens.... Ik wil het tapijt niet zien voor deze uit de voeten is!"

De handen van den lijder beefden, en de koopman beval terstond zijn
trouwen Rustem, de onschuldigste ziel van de wereld, heen te gaan. De
stadhouder, wiens prikkelbaar zenuwgestel, na een moordaanslag door een
uit Egypte verbannen Griek tegen hem gepleegd, nu en dan onderhevig
was aan dergelijke aanvallen van angst, kwam echter spoedig weer tot
bedaren, en keek met bewondering naar het tapijt, waarom ook de zijnen
zich schaarden. Ieder stemde toe zoo iets nog nooit gezien te hebben,
en de levendige weduwe Susanna wilde hare dochter Katharina laten
roepen met de kinderen die bij haar op bezoek waren, doch omdat het
zoo laat en haar huis zoo ver van het stadhouderlijk verblijf gelegen
was, zag zij er van af.

Vader en zoon hadden reeds van dit kunstwerk gehoord, hetwelk door het
overwinnend leger der Arabieren bij de verovering van het Perzische
rijk in het "witte slot", het koninklijk paleis der Sassaniden in de
residentie Madain buit was gemaakt. Zij wisten dat het oorspronkelijk
300 ellen lang en 60 breed was geweest en hadden met schrik vernomen,
dat de Kalief Omar, die altijd nog als een eenvoudig aanvoerder eener
karavaan leefde, zich kleedde en voedde, en op zulk een prachtstuk
met minachting neerzag, dit onschatbaar kunstwerk in stukken gesneden
en onder de strijdgenooten van den profeet verdeeld had.

De koopman verklaarde nu, dat dit stuk tapijt het aandeel in den
buit geweest was van Ali, den schoonzoon van den profeet. Hij had
het kunstwerk in zijn geheel in Madain, waar het in de prachtige
troonzaal aan den wand hing, en later andermaal in Medina vóor de
verdeeling gezien.

Alle aanwezigen verzochten nu dringend, dat hij eene beschrijving zou
geven van het ontbrekende gedeelte. Maar hij scheen niet op zijn gemak
te zijn; herhaaldelijk keek hij naar zijne naakte voeten, die op den
vochtigen mozaïekbodem nabij de fontein stonden; want overeenkomstig de
zeden zijns volks had hij zijne sandalen in het voorvertrek gelaten. De
stadhouder had de bewegingen van den ouden heer gevolgd, die zijne
hand vaak aan zijne lippen bracht, en een zijner slaven iets in het
oor gefluisterd, terwijl zijne vrouw, Orion en de weduwe, Haschim met
vragen bestormden. De slaaf was terstond daarop teruggekeerd en had
op bevel zijns meesters eene langwerpige strook tapijt voor de bruine,
welgevormde maar teedere naakte voeten van den Arabier uitgespreid.

Terwijl dit geschiedde had er in de houding van den koopman eene
eigenaardige verandering plaats. Met eene waardigheid, door niemand
der aanwezigen verwacht van den man, die het vertrek zoo deemoedig was
binnengetreden en zijne kostbare koopwaar met welsprekende woorden
aangeprezen had, richtte hij zich op; zijn kalm, zachtmoedig gelaat
nam een uitdrukking aan van tevredenheid, om zijn mond speelde een
beminnelijk lachje, en zijne goedige oogen fonkelden als die van
een kind, dat men bijzonder pleizier aandoet. Daarna boog hij voor
den Mukaukas, terwijl hij met de vingertoppen zijner rechterhand het
voorhoofd, den mond en de borst aanraakte, om daarmee te kennen te
geven: "wat ik denk, spreek en gevoel is u gewijd," en zeide: "Heb
dank, zoon van Menas! Dit was eene daad een muzelman waardig!"

"Een christen," verbeterde Orion haastig; doch zijn vader schudde
daarop even het hoofd en zeide met nadruk en langzaam: "Slechts
een mensch!"

"Een mensch," herhaalde de koopman, waarop hij nadenkend liet volgen:
"Een mensch! ja, dat is waarlijk het hoogste, zoolang we zijn wat we
zijn moeten: evenbeelden van den eeuwigen God. Wie is barmhartiger
dan Hij, en ieder barmhartige uit eene vrouw geboren is Hem gelijk."

"Wederom een christelijk woord," zeide Orion, hem in de rede
vallende. "Gij zijt een vreemde muzelman!"

"En toch," hernam Haschim met kalme waardigheid, "komt dit woord
voor woord overeen met de leer van den besten der menschen, onzen
profeet. Ik behoor tot hen, die hem hier op aarde gekend hebben. De
geringste smart van den broeder vervulde zijn teergevoelig hart met
innig medelijden. Zijn voorschrift verlangt barmhartigheid ook voor
het boompje aan den weg, en noemt het doodzonde dit te schenden. Ieder
muzelman heeft dit voorschrift te volgen. Barmhartigheid te betoonen
heet in het boek van den profeet...."

Hier werd de koopman plotseling en ruw gestuit, want Paula, die
tot hiertoe, tegen een der zuilen van den wand geleund, het tapijt
bewonderd en het gesprek zwijgend gevolgd had, liep met een paar
driftige schreden op den Arabier toe, wees, terwijl een hooge blos
hare wangen kleurde en hare oogen vlammen schoten, op hem en riep
met trillende stem, zonder zich te storen aan de verbazing en de
ontevredenheid der aanwezigen, noch om het hondje, dat vinnig tegen den
Arabier begon te keffen: "Gij, gij, de aanhanger van den leugenprofeet,
gij de gezel van den bloedhond Chalid, gij zoudt barmhartig zijn! Ik
ken u, ik weet wat gij in Syrië hebt uitgericht! Ik heb u en uwe
bloedlekkende vrouwen met deze oogen gezien en het schuim van woede
op uwe lippen! Hier sta ik als getuige tegen ulieden en roep u in
het aangezicht toe: Gij hebt in Damascus verdragen verbroken en de
slachtoffers van uw bedrog--mannen niet alleen maar ook weerlooze
vrouwen en teedere kinderen--met het zwaard vermoord en met de
handen geworgd. Gij, gij, een apostel der barmhartigheid! Hebt gij
dan niets van Abyla gehoord? Gij vriend van uw profeet, wat hadden u,
die zegt dat gij zelfs geen boom aan den weg zult deren, wat hadden u
die onschuldige lieden in Abyla gedaan, dat gij ze worgdet als wolven
die een schaapsstal binnendringen? En gij zoudt barmhartig zijn!"

Het hartstochtelijke meisje, wien niemand barmhartigheid bewees,
wien dit woord als een smaad in de ziele had gegrepen, dat uren lang
gemarteld door een pijnigend gevoel van spijt, met moeite ingehouden,
thans zich verlicht gevoelde, nu het den vrijen loop kon laten aan
het wee dat hare ziel kwelde--het meisje barstte uit in een bitteren
lach en zwaaide met de hand, als wilde zij een bijenzwerm verdrijven.

Welk eene vrouw! Orion hield de oogen met huivering en toch
vol geestdrift op haar gericht. Ja, zijne moeder had haar wel
doorgrond. Zoo lacht geen goed en teergevoelig meisje; maar zij was
toch groot, heerlijk, bewonderenswaardig in haar toorn. Zij deed hem
denken aan het beeld van de godin der wraak van Apelles' hand, dat
hij in Konstantinopel had gezien. Zijne moeder zag schouderophalend
de weduwe aan met een blik die zeide, dat zij elkander begrepen. Doch
ook zijn vader werd onrustig nu hij van dit tooneel getuige was. Hij
wist wat haar aandreef, doch hij begreep dat hij haar niet mocht laten
begaan en bracht het opgewonden meisje tot bezinning, door haar op
half verwijtenden half meewarigen toon eerst zacht, daarna luider en
strenger bij den naam te roepen.

Toen verschrikte zij als eene slaapwandelaarster, die plotseling uit
hare halve sluimering ontwaakt, streek met de hand over hare oogen
en zeide, terwijl zij zich voor den stadhouder boog: "Vergeef mij,
oom! Het doet mij leed dat ik mij zoo liet medesleepen, maar ik
kon mij niet inhouden. Gij weet wat achter mij ligt, en als men mij
daaraan herinnert, als ik den lof moet hooren verkondigen van die
afschuwelijken, die mijn vader en mijn broeder...."

Een luid snikken belette haar eensklaps verder te gaan, en de kleine
Maria drukte zich weenend tegen haar aan. Orion moest zich bedwingen om
niet naar haar toe te snellen en haar te omarmen. Hoe goed stond haar,
die zoo groot scheen, deze vrouwelijke zwakheid, hoe trok zij thans hem
aan! Maar Paula bleef niet lang in dien toestand, want reeds terwijl
de stadhouder haar met vriendelijke woorden geruststelde, werd zij hare
innerlijke ontroering meester, en zeide zacht, terwijl de tranen langs
hare wangen biggelden: "Laat mij, bid ik u, naar mijne kamer gaan."

"Goeden nacht dan, kind!" zeide de Mukaukas hartelijk, en daarop
richtte zij na een zwijgenden groet aan de anderen, hare schreden naar
de deur. De muzelman hield haar echter terug, zeggende: "Ik weet wie
gij zijt, edele dochter van Thomas, en ik heb vernomen dat uw broeder
de bruidegom was, die naar Abyla was gekomen, om daar bruiloft te
vieren met de dochter van den prefect van Tripolis. Ach, dat ik,
terwijl ik op reis voor mijne zaken daar ter jaarmarkt ging, het zelf
moest beleven, zelf moest aanzien hoe eene waanzinnige bende van mijne
geloofsgenooten de vreedzame stad overviel. Arm, arm kind! Uw vader
was de grootste en wakkerste onder al onze vijanden. Hetzij hij nog
op aarde leeft of in den hemel, hij eert gewis ons zwaard, gelijk wij
het zijne. Maar uw broeder, die als bruidegom werd vermoord, hij heeft
stervende ons vervloekt, en gij zijt de erfgename van zijn toorn en
wanneer uwe verontwaardiging zich over mij, den muzelman, uitstort,
dan kan ik niet anders doen dan mij buigen en boeten voor de schuld
dergenen, die van mijn bloed zijn en wier geloof ik belijd. Ik weet
niets aan te voeren, edele jonkvrouw, neen niets, wat de daad van
Abyla verontschuldigen kan, en dáar, dáar was het mijne grijze haren
beschoren--geloof mij, meisje, het heeft mij pijn gedaan--mij over de
mijnen te schamen. De krijg, de herinnering aan menigen gesneuvelden
vriend, aan roof en plundering had de hartstochten ontbonden, en waar
deze de vleugels uitslaan, hetzij in den strijd om het mijn en dijn,
hetzij om andere goederen, heeft sedert Kaïn en Abel altijd en overal
hetzelfde plaats."

Paula, die den ouden man tot dusverre roerloos had aangehoord,
schudde het hoofd en zeide bits: "Dat alles geeft mij mijn vader en
mijn broeder niet weder. Gij zelf ziet er uit als een zachtaardig man,
maar als gij even rechtvaardig zijt als goed, zoo overtuig u in het
vervolg eerst met wien gij spreekt, voor gij de barmhartigheid van
uwe geloofsgenooten roemt."

Zij herhaalde daarop haar groet en verliet het vertrek. Orion ging
haar achterna; wat er ook van komen mocht, hij moest haar volgen. Doch
weinige oogenblikken later keerde hij terug, terwijl hij na een diepen
zucht de tanden vast op elkaar klemde. Hij had hare hand gegrepen,
haar alles te verstaan gegeven, wat een beminnend hart zeggen kan,
maar hoe scherp, hoe ijskoud was hij afgewezen, en met welk een
onverdragelijk verachtelijk gebaar had zij hem den rug toegekeerd! En
nu hij zich weder onder de zijnen bevond, hoorde hij nauwelijks hoe
zijn vader aan den ouden heer zijn leedwezen te kennen gaf, dat zulk
eene pijnlijke bejegening hem onder zijn dak was ten deel gevallen,
en hoe de Arabier verklaarde zeer goed te begrijpen, dat de weeze van
Thomas zich niet had kunnen inhouden. Het gebeurde te Abyla was door
niets te verontschuldigen.

"Maar komt niet in elken strijd iets dergelijks voor?" zoo ging
de oude heer voort. "Ook de christen is niet altijd zichzelven
meester. Ook gijzelf hebt, zooals ik weet, twee bloeiende zonen
verloren, en wie waren de moordenaars? Het zijn christenen geweest,
uwe eigene geloofsgenooten...."

"De bitterste vijanden van mijn eigen geloof," antwoordde de stadhouder
langzaam, en iedere syllabe weerlegde koel en uit de hoogte de meening
van den muzelman, alsof het geloof dergenen, die zijne kinderen
vermoord hadden, ook het zijne was, en daarbij openden zich zijne
oogen wijd en kregen het aanzien der harde, dof glanzende steenen,
welke zijne voorvaderen den zuilenbeelden als sterren om te zien
in het aangezicht zetten. Opeens sloten zij zich plotseling weder
en vervolgde hij op onverschilligen toon: "Hoe hoog schat gij uw
tapijt? Want ik heb lust het te koopen. Geef mij den naasten prijs op,
want afdingen stuit mij tegen de borst."

"Ik wilde er vijfmaal-honderdduizend drachmen voor vragen," hernam
de koopman. "Met vierhonderdduizend zal ik tevreden zijn."

De vrouw van den stadhouder sloeg bij deze som hare handen in elkaar,
waarschuwde haar gemaal door gebaren en schudde nog eens ontevreden
het hoofd, toen Orion, die bijzonder zijn best deed om te toonen,
dat ook hij zijn aandeel nam aan dezen buitengewonen koop, zeide:
"Driemaal-honderdduizend is het wel waard."

"Viermaal-honderdduizend;" herhaalde de koopman kalm. "Uw vader heeft
verlangd den uitersten prijs te weten, en ik vraag niet meer dan
billijk is. De robijnen en granaten, die dezen druiventros vormen,
die paarlen hier in de mirten, die turkooizen in de bloeiende
vergeet-mij-nietjes, die diamanten daar boven, die als dauwdroppels
aan de grashalmen hangen, en de smaragden die den glans van het groen
der bladeren verhoogen--en vooral die eene reusachtige groote--hebben,
als men ze er af nam, eene zeer hooge waarde."

"Waarom hebt gij ze dan niet uit het weefsel gesneden?" vroeg vrouw
Neforis.

"Omdat ik het niet over mij verkrijgen kon," antwoordde de muzelman,
"dit edele werk te schenden. Ik verkoop het zooals het is, of in het
geheel niet."

Bij deze woorden gaf de stadhouder zijn zoon een wenk, zonder
acht te geven op de afkeuring die zijne vrouw niet ophield te doen
blijken, liet zich een tafeltje geven, dat bij het schaakbord lag,
schreef eenige woorden daarop en zeide, terwijl hij het den koopman
overhandigde: "De koop is door ons gesloten. Morgen vroeg zal de
rentmeester Nilus op dit bewijs het bedrag voldoen."

Orion geraakte opnieuw in geestdrift, en onder het uitroepen van
"heerlijk! heerlijk!" vloog hij naar zijn vader toe en kuste hij
hem onstuimig de hand. Daarna wendde hij zich tot zijne moeder,
wier oogen baadden in tranen van verdriet, beurde haar hoofd op,
kuste haar voorhoofd en zeide trotsch en gelukkig: "Zoo handelen wij
en de keizer."

Hierop ging hij naar den muzelman, zeggende: "Als de vader de
grootmoedigste aller menschen is, dan zinkt de zoon er licht bij
weg. Hij is er niet minder om, waardige heer! Wat uw tapijt aangaat,
het mag kostbaarder zijn dan alle schatten van Kroisos, maar iets moet
gij ons nog op den koop toegeven, voor gij uwe kameelen met ons goud
belaadt: hoe heeft dit kunstwerk er uitgezien, vóor het verdeeld werd?"

De muzelman, die het kostbare tafeltje kalm in zijn gordel had
geschoven, voldeed onverwijld aan deze uitnoodiging. "Gij kent," zoo
begon hij, "zijne oorspronkelijke verbazende lengte en breedte. De
zaal, welker wand met dit pronkstuk bedekt was, kon duizenden gasten
bevatten, terwijl aan beide zijden van den troon plaats was voor
honderden lijfwachten. Zooveel wevers, borduurders en juweliers als
er dagen in het jaar zijn, moeten een heel menschenleven aan dit
tapijt gewerkt hebben. Het ongeschonden weefsel stelde het paradijs
voor, zooals de Perzen zich dat denken, geheel vervuld met groene,
bloeiende en vruchtdragende boomen. Hier ziet gij nog een stuk van
de koele bron, die bezaaid met diamanten, saffieren en smaragden,
als men het behangsel van verre bekeek, er uitzag als glinsterend,
frisch water. Die paarlen hier zijn het witte schuim eener golf. Die
doorgesneden bladeren daarginds maakten deel uit van een rozestruik,
die aan Edens bron bloeide, voor de drup van den eersten regen de
wereld bevochtigde. Oorspronkelijk droeg hij enkel witte bloemen,
doch toen de ledematen der eerste vrouwen grooter blankheid vertoonden
dan zij, bloosden de witte bloemen van schaamte en sedert zijn er
ook roode rozen. Zoo vertellen de Perzen."

"En wat was dit, ons stuk?" vroeg Orion verder.

"Het heeft," antwoordde de koopman, terwijl hij den jongeling met
welgevallen aanzag, "behoord tot het middendeel van het tapijt. Aan
de linkerzijde zag men het Oordeel bij de brug Tschinvat. Men had
de verdoemden niet afgebeeld maar wel de gevleugelde Fravaschi, de
genieën, die volgens het geloof der Perzen iederen sterveling in zijne
eigene gestalte, met hem vereenigd maar toch niet onafscheidelijk
verbonden, als schutsgeesten door het leven geleiden. Men zag hen
voor zich, zooals zij in wilde vaart de verdoemde misdadigers,
de werktuigen van den zwarten Angramainjus, die men zich als eene
vluchtende schare voorstellen moest, vervolgden. Zegepralend trokken
de zalige, reine, waarachtige vrienden van den lichtgod Ahouramasda
zingend het bloeiende paradijs binnen, en aan hunne voeten zag men
hen, die niet geheel verdoemd maar ook niet ten volle zalig verklaard
konden worden, met gebogen hoofd, deemoedig en stil in een donker
woud verdwijnen. In behagelijke rust genoten de reinen de gaven van
het paradijs. Een priester der vuuraanbidders heeft mij dit alles
verklaard. Hier ziet gij een reusachtige druiventros, waarnaar een
gezaligde grijpt. Zijne hand bleef onbeschadigd, zooals gij ziet,
maar de arm is, helaas! doormidden gesneden. Van de bloemen- en
vruchtenkrans, die het geheel omlijst, bleef hier aan de bovenzijde
een prachtig stuk bewaard. De smaragd, die daar den bloemknop vormt,
hoe hoog schat gij dien steen wel?"

"Een prachtig edelgesteente!" zeide Orion, "Zelfs Heliodora bezit
een dergelijke niet. Nu vader, wat mag die wel waard zijn?"

"Veel, zeer veel," antwoordde deze, "en toch zou het geheele,
ongeschonden kunstwerk nog te gering zijn voor hem, wien ik het
heb toegedacht."

"Den veldheer Amr?" vraagde Orion.

"Neen, mijn kind," antwoordde de stadhouder op stelligen toon. "Den
hoogen, ondeelbaar goddelijken persoon van Jezus Christus en zijne
kerk."

Bij deze woorden sloeg Orion teleurgesteld de oogen neder. De gedachte
stuitte hem tegen de borst, dat hij dezen heerlijken steen op een
reliquiënkistje in eene donkere kast zou zien verdwijnen. Hij zou er
veel vriendelijker bestemming aan hebben weten te geven.

Doch zijn vader zoomin als zijne moeder bemerkten hoezeer hij ontstemd
was; want vrouw Neforis was naar het rustbed van haar gemaal gevlogen,
daarvóor op de knieën gezonken en fluisterde, terwijl zij de koude
fijne hand van den kranke met kussen overlaadde, zoo welgemoed, als
had dit besluit hare ziel van een zwaren last bevrijd: "Onze zielen,
onze zielen, Georg! Wacht maar--terwille van zulk een geschenk--zal
u alles vergeven worden en zult gij uwe zielsrust terug erlangen."

De stadhouder haalde zwijgend de schouders op, liet het tapijt oprollen
en door Orion in het tablinum [2] wegsluiten. Ten laatste beval hij
den huismeester, dat hij den Arabier en zijne lieden voor dezen nacht
een kwartier zou aanwijzen.



ZESDE HOOFDSTUK.


Zielsangst en gewetenswroegingen waren het inderdaad geweest, die
den stadhouder hadden doen besluiten het tapijt te koopen, en het
zou hem daarom misschien verheugd hebben, wanneer het nog duurder was
geweest. Hoe grooter de gave, des te vaster mocht hij verwachten dat
hij, die het geschenk ontving, hem zijne genade en gunst niet zou
onthouden. Hij had wel reden om zich te verontrusten en zich af te
vragen of hij goed gehandeld had. Wraak te oefenen was geen christelijk
werk, maar ongestraft te laten wat de Melchieten hem hadden aangedaan,
terwijl zich de gelegenheid aanbood om het hun betaald te zetten,
dat had hij niet van zich kunnen verkrijgen. Maar welke vader zou
dit mogelijk zijn geweest, als men twee zijner bloeiende zonen
had vermoord? Deze vreeselijke slag had den hartader zijns levens
getroffen. Sedert had hij zijne lichaamskrachten langzaam voelen
afnemen, en ook dat gevoel van zwakheid, die aanvallen van angst,
die gebreken en smarten, welke hem meer en meer kwelden, meende hij
op rekening te mogen schrijven van de Melchietische geweldenaars.

Het kwijnende leven van dezen man werd alleen staande gehouden door
zijne natuurlijke kracht en door zijn brandenden dorst naar wraak,
en de omstandigheden hadden hem in staat gesteld dezen laatsten op
eene wijze te stillen, die ten slotte hem, die anders vreedzaam van
aard was, al te zeer geschokt had.

Het mocht dan niet door zijne schuld zijn, het was toch met zijne
medewerking, dat het Byzantijnsche rijk eene rijke provincie verloor,
die de keizer aan zijne hoede had toevertrouwd. Hij was er getuige
van dat de Grieken en allen die den naam van Melchieten droegen uit
Egypte werden verdreven, en dat zij, hoewel hij het gaarne verhinderd
had, op vele plaatsen door het opgeruide volk, hetwelk de muzelmannen
als bevrijders begroette, gelijk dolle honden werden doodgeslagen. Al
het kwaad, dat hij den moordenaars zijner kinderen, den verdrukkers
en uitzuigers  van zijn volk had toegewenscht, was over hen gekomen
en zijne wraak maar al te volkomen geweest. Doch te midden van de
vreugde over deze onverwachte vervulling van een vurigen wensch,
dien hij jaren lang had gekoesterd, was de stem van zijn geweten
ontwaakt en had zich eene te voren ongekende angst van hem meester
gemaakt. Om als een held of een hervormer op te treden, daartoe
ontbrak het hem aan geestkracht. Wat de nieuwe veroveraars hadden
tot stand gebracht was van te veel beteekenis, de rampen die zij over
duizenden hadden gebracht waren te vreeselijk, het christelijk geloof,
dat hij zoo hoog stelde, was te zeer door hen in gevaar gebracht,
dan dat hij de gedachte rustig zou hebben kunnen verdragen hiervan de
oorzaak te zijn. De verantwoordelijkheid van dit alles was voor zijne
schouders te zwaar, en hoe vaak hij het zichzelven ook herhaalde,
dat hij de Arabieren niet in het land had geroepen, dat het hem
aan macht had ontbroken hen af te weren, zoo hoorde hij zich toch
van alle zijden aanwijzen als de man, die hun zijn vaderland had
overgeleverd. Van alle kanten zag hij zich bedreigd, en hij geloofde
hen die hem vertelden van sluipmoordenaars, welke de Byzantijnen tegen
hem hadden uitgezonden. Maar nog kwellender was zijne vrees voor den
toorn des hemels over hen, die een christelijk land aan de ongeloovigen
hadden overgeleverd. Het bewustzijn dat hij levenslang een weldenkend,
rechtvaardig man was geweest, kon hem van dezen angst niet verlossen,
en er was maar éen middel dat zijn gezonken moed staande hield,
namelijk de witte pilletjes, die hem sedert lang even onontbeerlijk
waren als lucht en water.

De oude, zachtmoedige bisschop Plotinos van Memphis en zijn
geestelijkheid hadden voor alles vergeving. De patriarch Benjamin,
die gedurende zijne verbanning uit de woestijn op de Arabieren had
gewezen als verlossers van de tyrannie der Melchieten, was vooral
door zijn toedoen teruggeroepen en in zijn ambt hersteld. Hij had dus
op diens goedkeuring gehoopt; maar deze had hem als een verlorene,
eeuwig verdoemde bejegend, en hoewel hij, de Mukaukas, ook doorzag,
welke bijzondere bedoelingen de kerkvorst hierbij had, zoo geloofde
hij toch dat Benjamins herdersambt hem de macht verleende, voor elk
schaap zijner kudde de hemelpoort te sluiten. Hoe meer hij zag dat de
Arabieren zich in zijn vaderland vastnestelden, hoe verstandiger zij
daar alles inrichtten, hoe meer Egyptische christenen hij eindelijk
van het kruis tot de halve maan zag overgaan, des te grooter scheen
hem zijn schuld. En nu, na zich volledig gewroken te hebben, hetgeen
de Grieken "dubbel verraad" noemden, nu hem in plaats van de straf
Gods alles ten deel viel, wat de menschen geluk en gunst van het lot
noemen, bekroop  den geloovigen man de vrees, dat dit de vergelding
des duivels was, omdat de vrede die hij zoo haastig met de muzelmannen
had gesloten, hem zoo vele christenzielen in de armen had gedreven.

Twee groote erfenissen waren hem onverwacht ten deel gevallen. Zijne
schatgravers in de doodenstad hadden meer goud uit de oude heidensche
groeven opgedolven dan alle overigen te samen. De muzelmansche Kalief
en zijn plaatsvervanger hadden hem in zijn ambt gehandhaafd en bewezen
hem vriendschap en eer. De bouleuten [3] der stad hadden hem onder de
toejuiching van de geheele burgerij den bijnaam van den "rechtvaardige"
toegekend. Zijne goederen hadden nooit meer rente afgeworpen. Van de
weduwe van zijn vermoorden oudsten zoon kreeg hij uit het klooster
brieven, gewagende van het groot geluk dat zij gevonden had in
deze nieuwe levensbestemming, en haar dochtertje, zijn kleinkind,
groeide zoo voordeelig op, dat ook vreemden in het vroolijke kind
behagen schepten. Eindelijk hadden de talrijke brieven van zijn zoon
uit Konstantinopel hem bewezen, dat deze zich in alle opzichten
ontwikkelde en geen oogenblik zijne ouders vergat; want van alle
genietingen die hij smaakte, van alle overwinningen die hij behaalde,
had hij zich steeds beijverd uit eigen beweging dadelijk mededeeling
te doen. Ook in den vreemde bleef hij met vader en moeder voortleven
en hen beschouwen als het beste en liefste wat hij op aarde bezat.

En Paula? Zij wist zijne gade niet voor zich in te nemen, maar hij
beschouwde hare tegenwoordigheid als eene goede beschikking, waaraan
hij--niet enkel bij het schaakspel--menig aangenaam uur te danken had.

Dit alles kon wel een geschenk van den satan zijn, maar was dit
het geval, dan wilde hij, Georg de Mukaukas, den booze nu toonen,
dat hij niet hem maar den Heiland toebehoorde en op diens genade
hoopte. Hoe was zijne ziel met innige dankbaarheid vervuld jegens
den Allerhoogste voor den terugkeer van zulk een zoon! Al wat in hem
was drong hem dit gevoel uit te spreken, en zoo waren het zielsangst
en erkentelijkheid beide, die hem ertoe gebracht hadden zulk eene
groote som op te offeren, om aan de kerk van Christus een geschenk
te geven zonder weerga. Hij verbeeldde zich een krijgsgevangene te
zijn voor wien het losgeld wordt voldaan, toen hij het tafeltje met
de lastgeving tot betaling aan den koopman overhandigde; en nu men
hem ter ruste bracht en zijne gade niet ophield hem te danken voor
zijn vroom plan, gevoelde hij zich zoo verlicht en blijmoedig gestemd,
als in geen jaren het geval was geweest.

In den regel hoorde hij Paula, die boven zijn slaapvertrek huisde,
heen en weer loopen; want zij ging laat te bed en verdiepte zich
gedurende de nachtelijke stilte misschien in zoete en smartelijke
herinneringen. Hoeveel had het bittere noodlot haar niet ontroofd:
een vader, een broeder, hare meeste bloedverwanten en vrienden,
allen tegelijk, allen door de hand der muzelmannen, aan wie hij zijn
vaderland had overgegeven zonder het te verdedigen! "Men hoort Paula
heden niet," zeide hij, naar boven ziende, als zocht hij iets. "Het
arme meisje zal zich na het gebeurde van zoo straks tijdig ter ruste
gelegd hebben."

"Laat haar rusten," sprak vrouw Neforis, die ongaarne hare
blijmoedige stemming zag verstoren, terwijl zij onwillig de schouders
ophaalde. "Hoe heeft zij zich weer misdragen! Wij hebben zooeven veel
te veel over barmhartigheid gehoord; ik zal over de mijne niet roemen,
hoewel ik haar gaarne wil betoonen; bovendien is het mijn plicht eene
verlatene verwante van u goed te behandelen. Doch dit meisje--neen, zij
maakt het mij al te zwaar, en ik ben toch ook maar een mensch! Ik kan
niet vroolijk zijn als ik haar zie; komt zij het vertrek binnen, dan is
het mij als trad het ongeluk zelf over den drempel. En dan--gij hebt
voor zulke dingen geen oogen, maar Orion bemoeit zich met haar veel
meer dan goed is. Ik zou wel willen dat wij haar de deur uit hadden."

"Neforis," zeide haar echtgenoot op een toon van zacht verwijt. Gaarne
had hij haar in sterker bewoordingen terecht gewezen, maar sedert
hij een slaaf van de opium was geworden, wilde het hem niet meer
gelukken, noch in kleine noch in groote dingen, zich krachtig tegen
haar te verzetten.

Weldra lag de Mukaukas onrustig te dommelen, terwijl hij van tijd tot
tijd de oogen opende. Hij hoorde den zachten tred niet boven zijn
hoofd, waaraan hij sedert twee jaren gewoon was. Toch was zij, die
meestal de eerste helft van den nacht nog in beweging was, niet ter
ruste gegaan, gelijk hij meende. Na hetgeen er was voorgevallen had
zij wel met gloeiende wangen en brandende oogen haar kamer opgezocht,
maar de slavinnen, die weinig acht sloegen op een gast, die men
slechts scheen te dulden en die door de vrouw des huizes met den nek
werd aangezien, hadden het voorschrift om de luiken harer kamer na
zonsondergang te openen, ten einde de koelere avondlucht binnen te
laten, niet nagekomen, en thans vervulde eene bedwelmende, drukkende,
zwoele atmosfeer het vertrek. De houten blinden, ja zelfs de linnen
lakens op haar wollen rustbed voelden warm. Het water in haar aarden
kruik en ook de handdoek waarnaar zij greep waren lauw. Voor eene
Egyptische was dit niets ongewoons, maar de Damasceensche had elken
zomer in het schoone landhuis haars vaders, op de zonnige helling van
den Libanon, in schaduwrijke koelte doorgebracht, en heden scheen
de warmte haar overal ondragelijk toe. Buiten was het aangenaam,
dat had zij beneden gevoeld, en daarom stootte zij, zonder zich lang
te bedenken, de luiken open, omsluierde haar hoofd met een langen
donkeren doek, sloop de steile trap af en ging vervolgens door een
poortje voor het dienstpersoneel, dat haar bekend was, naar den
open hof. Daar haalde zij vrij adem en strekte de armen wijd uit,
als verlangde zij niets vuriger dan van hier weg te vliegen; doch
weldra liet zij ze zinken, terwijl zij rondom zich keek.

Zij was niet enkel naar buiten gegaan om koelte te zoeken, neen, zij
verlangde bovenal haar onstuimig en beangst gemoed aan anderen lucht
te geven, en in de woningen der dienaren bevonden zich twee menschen,
van welken eene haar begreep, kende en liefhad, terwijl de ander aan
haar gehecht was als een trouwe hond, en zaken voor haar verrichtte,
die voor den stadhouder en zijn gezin een geheim moesten blijven. Een
van dezen was hare voedster, die haar naar Egypte was gevolgd, de
tweede was de vrijgelaten stalmeester van haar vader, die met zijn
halfvolwassen zoon de vrouwen had geleid en beschermd, toen zij na het
bloedbad van Abyla uit hun schuilhoek waren te voorschijn gekomen, en
na zich een tijdlang in een dal van den Libanon te hebben opgehouden,
niet beter hadden weten te doen, dan naar Egypte te vluchten, ten einde
zich daar onder de bescherming te stellen van den Mukaukas Georg,
wiens zuster de eerste gemalin haars vaders was geweest. Zijzelve
was gesproten uit den tweeden echt met eene aanzienlijke Syrische
jonkvrouw, eene bloedverwante van keizer Heraclius, die op jeugdigen
leeftijd kort na hare geboorte gestorven was.

Sedert hare komst alhier waren beiden van haar gescheiden. De
vrouw van den stadhouder had in de voedster Perpetua terstond eene
buitengemeen kunstvaardige weefster gezien, en haar gebruikt om aan
het hoofd te staan van de huisslavinnen, die zich met het weefgetouw
bezighielden. De oude vrouw had zich gaarne met die taak belast,
ofschoon zij van geboorte eene vrije was; doch voor haar was er
alles aan gelegen in de nabijheid te blijven van haar dierbaar
pleegkind. Ook de stalmeester Hiram was met zijn zoon onder de
lieden van den Mukaukas opgenomen, allereerst om te zorgen voor de
vijf schoone paarden uit den stal haars vaders, die de vluchtenden
naar Egypte hadden medegebracht, vervolgens ook--want men had zijne
bekwaamheden spoedig ontdekt--om als veearts en bij het aankoopen
van paarden met zijn raad te kunnen dienen.

Paula moest met beiden spreken en zij wist nauwkeurig waar zij
te vinden waren, maar zij kon hen niet bereiken zonder zich aan
onaangenaamheden bloot te stellen, want de vrije bedienden van den
Mukaukas, haar vriend, en nu na het sluiten van de poort ook de
soldaten van de wacht, zaten nog altijd in verschillende groepen bij
elkaar te praten, en zij gingen zeker vooreerst nog niet uit elkander,
want eenige slaven brachten daar juist aan de manschappen van de wacht
hun avondmaal. In den hof hield het komen en gaan nog niet op, want
ieder wien dit vrij stond genoot van de nachtelijke koelte. Alleen
de slaven behoorden hiertoe niet, daar zij terstond na het sluiten
van de poort voor het dienstpersoneel in hunne woningen gedreven
waren. Doch ook uit hun kwartier lieten zich nog stemmen vernemen.

Met een kloppend hart zocht Paula alles, wat hare scherpe oogen en
ooren bereiken kon, op te vangen. De hooger stijgende maan verlichtte
de eene helft van den hof, de andere lag, zoover de schaduw van het
stadhouderlijk paleis reikte, in het donker. In het midden van den
eersten halven kring, waarin de vrije dienaars zich bijeen geplaatst
hadden, brandde een vuur, dat flikkerlichten wierp op hunne bruine
aangezichten, en wanneer het opnieuw met pijnappels gevoed werd hoog
opvlamde, en ook de donkere ruimte van de groote plaats voor haar
verlichtte. Dit vermeerderde de bezorgdheid van de luisterende,
die den hof moest oversteken en toch niet opgemerkt mocht worden;
want hoe natuurlijk en onschuldig alles ook was wat zij voorhad,
zoo wist zij toch dat de vrouw van haar oom aan haren nachtelijken
gang eene smadelijke uitlegging zou geven.

In den beginne had Neforis haar gemaal opgewekt, Paula bij hare
nasporingen naar haren vader, van wiens dood niemand eenige zekerheid
kon geven, behulpzaam te zijn, doch de aanmoediging van de vrouw des
stadhouders was overbodig geweest, want hij had uit eigen beweging een
jaar lang alles gedaan, om bij christenen en muzelmannen omtrent het
leven of den dood van den verlorene berichten in te winnen. Sedert
de laatste maanden was echter iedere verdere bemoeiing in deze
zaak eerst door vrouw Neforis voor dwaas verklaard, en weldra had
haar onzelfstandige gemaal deze zienswijze gedeeld en den verdwenen
bloedverwant opgegeven. Van de goederen haars vaders had de Mukaukas
niet zonder persoonlijke opofferingen veel voor haar gered, de
grondbezittingen ten haren bate verkocht, uitstaande gelden zoo
mogelijk ingevorderd, en haar afrekening willen geven van alles wat
hij teruggekregen had. Maar zij achtte haar eigendom in zijne hand
wel bewaard, en zij stelde zich tevreden met de mededeeling, dat zij,
hoewel niet rijk in den zin van den Egyptischen Kroisos, toch een vrij
aanzienlijk vermogen bezat. Toen zij een en andermaal een deel ervan
vroeg, om de nasporingen voort te zetten, liet de Mukaukas haar het
verlangde terstond uitbetalen, doch voor de derdemaal weigerde hij
echter zeer bepaald aan haar wensch gehoor te geven, en wel met de
beste bedoeling. Hij verklaarde bij die gelegenheid haar kurios [4]
en natuurlijke voogd te zijn, en achtte zich verplicht haar te beletten
ter wille van een hersenschim--want anders was dat vruchteloos zoeken
toch sedert lang niet meer--een geheel vermogen te verkwisten dat
haar later welkom, ja wellicht van groot nut kon zijn. Wat hij tot
hiertoe uitgaf, had hij uit zijne eigene kas betaald. Zij erkende dit
als eene edele daad, maar zij drong toch telkens weder bij hem aan om
haar zin te doen, hoewel sedert lang te vergeefs; want onverbiddelijk
legde hij de hand op dat hem toevertrouwde goed, en schonk haar geen
enkele solidus meer om dat eenigst en dierbaarst doel van haar leven
te bereiken.

Schijnbaar onderwierp zij zich, maar haar voornemen om er alles aan
te wagen, ten einde het spoor van den verdwenen vader te ontdekken
werd in haar vastberaden gemoed niet tot wankelen gebracht. Voor de
opbrengst van een parelsnoer, dat zij nog bezat, had haar trouwe
Hiram een verre reis ondernomen, en daarna een aantal boden naar
verschillende landstreken gezonden. Nu kon althans éen hunner zeer goed
met nieuwe berichten teruggekeerd zijn, en zij moest den vrijgelatene
spreken. Maar hoe hem ongezien te bereiken? Een poos lang tuurde en
luisterde zij, om een gunstig oogenblik tot het oversteken van den
hof waar te nemen.

Daar viel een lichtstraal op een gelaat, het was dat van Hiram. Thans
barstte de vroolijke troep in luid gelach uit; zij nam haastig een
besluit, trok den hoofddoek vaster om haar hoofd, doorliep in allerijl
het in de schaduw liggende deel van den hof, en snelde in gebukte
houding door den maneschijn naar het slavenkwartier. Aan den ingang
ervan bleef zij ademloos en met een kloppend hart staan. Had men
haar opgemerkt? Neen! Geen roepstem weerklonk, geen schrede naderde,
de honden kenden haar allen; de wachters, die anders hier stonden,
hadden hunne posten verlaten en zaten met hunne gezellen bij het vuur.

Het lange huis aan hare linkerzij was de weverij en op de
bovenverdieping woonde Perpetua, hare voedster.

Voor alles diende zij ook hier omzichtig te handelen, want de gemalin
van den stadhouder kwam vaak op deze plaats, om bevelen te geven aan
de arbeidsters, om op den arbeid toe te zien en te beoordeelen wat er
gewerkt werd op de honderd weefgetouwen, die van 's morgens vroeg tot
's avonds laat in beweging waren. Als men haar hier opmerkte, konden
de weefsters haar nachtelijk bezoek licht verraden.

Zij waren nog niet ter ruste gegaan, want uit de groote, aan alle
zijden opene, alleen met een dak gedekte schuur, waar de kuipen
der ververs stonden klonk haar een luid gelach te gemoet. Ook dit
gedeelte van de dienstdoenden genoot na de gloeiend heeten dag van
de nachtelijke koelte. De meisjes hadden bovendien een vuur aangelegd.

Paula moest hen in de maneschijn voorbijgaan, doch het rechte oogenblik
daartoe was nog niet gekomen, en zij bleef zoo dicht mogelijk bij
het strooien afdak, dat de groote aarden waterkruiken bedekte, die
hier geplaatst waren ten behoeve van de slavinnen. Dat afdak wierp
eene donkere driehoekige slagschaduw op den zandigen, helder door
het maanlicht verlichten grond, en deze maakte haar onzichtbaar voor
de oogen der weefsters, hoewel zij alles zag en hoorde wat er in de
schuur gebeurde.

Een moeilijke, pijnlijke dag, die met een schrillen wanklank geëindigd
was, lag achter haar, en daarachter weder eene reeks van zalige uren,
die nieuw geluk schenen te voorspellen. Ze waren gevolgd op een
langen tijd van deemoediging, de nasleep van het smartelijk ongeluk,
dat haar had getroffen. Hoe zonnig en vroolijk was hare kindsheid
geweest, hoe kostelijk hare vroegste jeugd! Zij had jaren gekend,
waarin elke morgen haar tot nieuwe vreugde had gewekt, waarin zij
elken avond ter ruste ging met dankgebeden, die zoo natuurlijk en vrij
uit hare ziel opwelden als de geur uit de rozen stijgt. Vaak had zij
toen ongeloovig en verdrietig het schoone hoofdje geschud, wanneer de
aarde een jammerdal en het levenslot van den mensch beklagenswaardig
werden genoemd. Thans, ja thans wist zij het beter, en in vele eenzame
uren, in elken slapeloozen nacht vroeg zij zichzelve af, of het een
goed en liefderijk God kon zijn, die een kind deed geboren worden
en opwassen, en daarna vervulde met de schoonste verwachtingen, om
het vervolgens alles wat het lief had gekregen en wat het begeerlijk
achtte, ja zelfs de hoop te ontnemen. Maar de ongelukkige, die eene
godsdienstige opvoeding had gehad, geloofde nog altijd, en nog onlangs
scheen het wel als wilde de hemel haar geven, waarnaar haar warm
gemoed het meest verlangde, de liefde namelijk van een ander, dien
zij liefhebben kon en die hare liefde ten volle waardig was. En nu,
hoe was zij teleurgesteld! Daar stond zij in het troosteloos gevoel
van hare verlatenheid, en was haar toestand beklagenswaardig geweest
vóor de terugkomst van Orion, hij was het thans nog meer. Want van
eene vergetene was zij eene bedrogene geworden, zij, de dochter van
Thomas, de bloedverwante, de gast van de rijkste familie in het land;
en naast haar klonk in de ruw getimmerde smerige verversschuur, uit
de borst van armzalige slavinnen, die door de zweep van den opzichter
werden geregeerd, een zoo luid, levenslustig en jolig gelach, dat zij
er naar luisteren moest en het oog richten op deze jeugdige wezens,
die zulk een overvloed van blijmoedigheid schenen te bezitten dat er
de mond van overliep.

Onder de met palmtakken gedekte wijde ruimte van de ververij waren
vele meisjes bijeen, aardige en leelijke, bruine en blanke, kleine
en groote, recht opgegroeide en anderen wier ruggen reeds gekromd
waren door den zwaren arbeid in de weefstoelen sedert hunne prille
jeugd. Allen waren nog jong, geen hunner telde meer dan achttien
jaren. De slaven waren een kapitaal, waarvan de arbeid die zij leverden
en de kinderen die zij kregen de renten vertegenwoordigden. Elk
onvrij meisje werd spoedig, nadat zij volwassen was, uitgehuwelijkt
aan een slaaf. In de weverij werkten vrouwen en meisjes, doch de
eersten sliepen in een eigen kwartier bij hunne mannen en kinderen;
de nog ongehuwde arbeidsters daarentegen overnachtten in slaapzalen,
die aan de werkplaatsen grensden. Thans was het hun rusttijd en hadden
zij zich in twee groepen verdeeld. De eene had zich geschaard rondom
een Egyptisch meisje, dat allerlei krabbels op eene tafel maakte, de
andere vermaakte zich met een eenvoudig spel, daarin bestaande, dat
ieder meisje op hare beurt den schoen over het hoofd wierp. Vloog deze
nu over zekere krijtstreep, waarnaar zij met den rug gekeerd stond,
dan beteekende dit, dat haar liefje weldra haar man zou worden; bleef
de schoen tusschen haar en de op den grond getrokken lijn liggen,
zonder deze te bereiken, dan moest zij nog wat geduld oefenen, of
werd zij verbonden met een lotgenoot, dien zij niet lijden mocht.

Het meisje dat, wel door een twintig anderen omringd, op de tafel
krabbelde, moest de voorbeelden voor de weefsels afteekenen, en
bezat de gave, die zij van hare heidensche voorvaderen geërfd had,
om elk gelaat van ter zijde gezien met enkele strepen zoo weer te
geven, dat het, ofschoon de trekken wat komisch verwrongen waren,
gemakkelijk te herkennen was. Zij verrichtte dit kunstwerk met behulp
van een wastafeltje en een koperen stift, en gaf dan aan anderen te
raden wie zij bedoeld had.

In den uitersten hoek van de schuur zat een meisje geheel alleen
neergehurkt, dat zwijgend voor zich keek.

Paula overzag dat alles en begreep tevens wat er gebeurde, ofschoon
er geen samenhangende volzin gesproken werd en er niets te hooren was
dan een luid, hartelijk en onweerstaanbaar gelach. Wierp een meisje
den schoen ver genoeg, dan lachte de jonge bende uit volle borst,
en ieder riep vroolijk den naam van hem, dien zij aan hare gezellin
tot man wilden geven. Viel de schoen vóor de streep, dan ging het
nog luidruchtiger toe en riep men den naam uit van den oudsten en
onoogelijksten der slaven. Aan eene bruine Syrische was het niet gelukt
de grenslijn te bereiken, maar zij greep ondeugend het stuk krijt
en trok eene nieuwe lijn tusschen haar en den schoen, zoodat deze nu
toch achter eene streep kwam te liggen. Hierop steeg de vroolijkheid
ten top, want velen wierpen zich op de valsche streep om haar uit te
wisschen. Een overmoedig Nubisch kroeskopje smeet de schoen in de
lucht en ving haar weer op, terwijl anderen over deze aardige grap
bijna niet tot bedaren konden komen, en den naam luide uitriepen van
hem, om wiens wil hare gezellin met de fortuin een loopje had genomen.

Het was of een vroolijk kaboutermannetje in de tochtige schuur
zijn kwartier had opgeslagen, want rondom de teekenares ging het
niet minder lustig toe dan bij het andere groepje. Werd een portret
herkend, dan hadden allen plezier; zoo niet, dan riepen de deernen
de namen van allerlei personen, die het voorstellen kon. Met welke
uitgelatene bijvalsbetuigingen werd de goedgelukte karikatuur van den
slavenopzichter beloond! Elk die het zag hield zich den buik vast
van lachen, en hoe dol en uitgelaten werden ze toen een meisje der
teekenares het tafeltje uit de handen rukte, en anderen haar op het
lijf vielen, om het veroverde weder machtig te worden.

Paula had dit tooneel aanvankelijk met bevreemding en hoofdschuddend
aangezien. Hoe kon men zich met zulke nietige en onzinnige dingen
vermaken! Wel-is-waar, toen zij nog klein was, had zij ook om
nietswaardige dingen kunnen lachen, en waren deze volwassene meisjes
in onwetendheid en bekrompenheid van geest niet allen nog kinderen? De
muren van het stadhouderlijk verblijf omsloten hare gansche wereld,
haar blik reikte niet verder dan het tegenwoordig oogenblik, evenals
bij de kleinen en zoo konden zij ook lachen als dezen. "Het lot,"
dacht Paula, "stelt haar nu schadeloos voor het ongeluk harer geboorte
en voor ontelbare zure dagen, en straks gaan zij moede en vroolijk
gestemd naar bed. Ik kan die arme schepseltjes benijden! Als ik het
doen kon, begaf ik mij onder hen en gevoelde mij nog eens een kind!"

Zie daar was het geestig portret van den opzichter klaar, en een
klein dikkertje barstte boven alle anderen in zulk een uitbundig en
aanhoudend lachen uit, dat zoo natuurlijk uit de diepste diepte van
haar borst opwelde, dat Paula, die waarlijk niet hierheen was gegaan
om vroolijk te zijn, er door werd aangestoken, en of zij wilde of niet
meelachen moest. Kommer en ellende waren opeens vergeten, zij overwoog
en peinsde niet meer, en gedurende eenige oogenblikken gevoelde zij
niets dan dat zij lachte, hartelijk en onophoudelijk lachte, als een
jong en gezond menschenkind. Dit was zij inderdaad, en hoe goed deed
het haar een wijle zichzelve te vergeten! Zij zeide het wel niet,
maar zij voelde het en lachte nog steeds door toen de slavin, die
alleen in een hoek had gezeten, zich bij de anderen voegde om het
luidruchtig troepje wat toe te roepen, dat door Paula niet verstaan
werd, maar dat aan de dartelheid der anderen nieuw voedsel gaf.

Het stille meisje met die slanke gestalte stond nu bij het
vuur. Paula had haar nog niet kunnen zien, thans bleek dat zij
verreweg de schoonste van allen was. Maar zij zag er niet vroolijk
uit en denkelijk had zij pijn, want zij droeg, als had zij kiespijn
een doek om het hoofd, die op den schedel over het zware blonde
haar was vastgeknoopt. Het gezicht van dat meisje bracht Paula tot
bezinning, en zoodra zij weder begon te denken, was het uit met de
vroolijkheid. Doch de slavinnen bleven in dezelfde stemming, hoewel
haar gelach niet meer zoo onschuldig en rein klonk als zooeven. Zij
hadden een voorwerp voor hare scherts gevonden, dat zij liever met
rust moesten laten.

Het meisje met het verbonden hoofd was ook eene slavin des huizes, maar
eerst sedert kort en nadat het eenigen tijd bij twee oude slavenweduwen
handenarbeid had verricht, was zij bij de weefsters toegelaten. Eene
legerbende van Heraklius had haar aan de borst harer moeder na de
overwinning van Chosroes II uit Perzië naar Alexandrië gebracht, waar
beiden voor den Mukaukas gekocht werden. De Perzische vrouw stierf,
toen de kleine, die niet in slavernij geboren was, den leeftijd van
dertien jaren bereikt had. Het kind wies op tot een lieftallig meisje
met een lelieblanke huid en dik goudgeel haar, dat thans bij het licht
van het vuur heerlijk glansde. De jonge Orion had haar vóór hij op
reis ging opgemerkt, en bekoord door de schoonheid der jonge Perzische,
wenschte hij haar te bezitten. Gewetenlooze dienaars en beambten hadden
hem om strijd de behulpzame hand geboden, door haar naar een landhuis
van den Mukaukas aan gene zijde van den Nijl over te brengen; dáár had
hij haar ongestoord kunnen bezoeken, zoo vaak zijn hart begeerde. De
nauwelijks zestienjarige onervarene slavin, die niemand had om haar te
waarschuwen en te beschermen, had zich tegen den schoonen zoon haars
meesters niet durven of kunnen verzetten. Toen Orion luchthartig,
en nadat hij genoeg had van een meisje, hetwelk hem niet anders kon
aanbieden dan hare schoonheid, naar Konstantinopel was vertrokken,
vernam vrouw Neforis wat zij voor haren zoon was geweest, en beval
zij den overste van de slavenopzichters, dat hij de ongelukkige zou
beletten, om verder voor verleidster te spelen. De man had aan deze
opdracht voldaan, door aan de Perzische, volgens een oud gebruik,
de beide ooren te doen afsnijden. Na deze gruwzame straf verviel de
schoone verminkte tot zwaarmoedigheid en waanzin, en niettegenstaande
de kerkelijke exorcisten en andere duivelbanners vergeefsche moeite
deden om de demonen van den waanzin te verdrijven, bleef zij, wat zij
altijd geweest was, een gedienstig en vriendelijk schepsel, dat zich
onder hare vroegere opzichtsters en ook in de algemeene werkplaats
gedurende de uren van den arbeid stil en vlijtig betoonde. Alleen
wanneer zij niets te doen had kwam haar waanzin voor den dag, en deze
gaf de andere weefsters aanleiding om zich met haar te vermaken.

Zij hadden thans Mandane naar het vuur getrokken en haar onder allerlei
dwaze betuigingen van eerbied uitgenoodigd, zich op haar troon, eene
ledige verfton, neer te zetten; zij toch verkeerde in den zonderlingen
waan, dat zij de vrouw was van den Mukaukas Georg. Lachend kwam elk
haar huldigen, verzocht haar om eene gunst, of vroeg haar naar de
gezondheid van haar gemaal en den staat harer bezittingen. Zeker
gevoel van betamelijkheid had deze arme onwetende schepsels lang
teruggehouden den naam van Orion voor haar uit te spreken, doch
heden liep eene negerin, een schraal boosaardig ding, naar haar toe
en vraagde met allerlei leelijke grimassen: "O gebiedster, hoe maakt
het uw zoontje Orion?"

Het gelaat der waanzinnige vertrok niet bij deze vraag, maar zij
antwoordde ernstig: "Ik heb hem in Konstantinopel aan de dochter des
keizers uitgehuwelijkt."

"Wel kijk eens," riep de zwarte, "welk een voornaam huwelijk! Weet ge
ook dat de jonge heer weer hier is? Hij zal zeker zijne hooge gemalin
aan u voorstellen, en dan zullen we purperen gewaden en kronen zien."

Deze woorden deden de geesteskranke het bloed naar het hoofd
stijgen. Angstig drukte zij de handen tegen het verband om de
afgesneden ooren en vroeg: "Waarlijk? Is hij terug?"

"Nog niet zoo lang," zeide eene andere goedige slavin, als om haar
te troosten.

"Geloof haar niet," hernam de zwarte. "En als gij het nieuwste nieuwtje
wilt weten: gisteren avond is hij met de groote Damasceensche op den
Nijl gaan spelevaren. Mijn broeder, de bootsman, was bij de roeiers,
en hij was heel lief voor de jonkvrouw, dat verzeker ik u, heel lief.."

"Mijn gemaal, de groote Mukaukas?" vroeg Mandane, terwijl zij hare
gedachte verzamelde.

"Neen, uw zoontje Orion, die met des keizers dochter gehuwd is,"
zeide de zwarte lachend.

De waanzinnige stond op, keek met dwalende blikken rond en vroeg nog
eens aarzelend, als had zij de laatste woorden niet goed verstaan:
"Orion? De schoone Orion?"

"Uw lieve zoontje, Orion!" riep de andere nog eens, en zoo luide,
alsof zij met eene doove te doen had.

Daarop bracht de anders zoo zachtaardige slavin de eene hand aan
het verminkte oor, en sloeg met de andere haar kwelgeest zoo heftig
tegen de breede negerlippen, dat het klapte. Vervolgens begon zij te
schreeuwen en riep met eene gillende stem: "Mijn zoon, hebt ge gezegd,
mijn zoon Orion! Alsof ge het niet wist! Hij is mijn liefje geweest;
ja hij heeft mij gezegd dat hij het was, en daarom zijn zij gekomen en
hebben mij gebonden en mij de ooren--Maar ik, ik mag hem niet lijden;
ik zou, ik zou..." Daarbij balde zij de vuisten, knarste met hare
witte tanden en ging hijgend voort: "Waar is hij? Wilt ge het mij niet
zeggen? Wacht maar, wacht! O, ik ben zoo dom niet; ik weet het al,
ge hebt hem hier!--Waar is hij dan?--Orion, Orion, waar zijt gij?"

Bij deze woorden vloog zij op, rende door de schuur, schoot van ieder
verfvat het deksel weg, en boog onder luid gelach der overigen diep
over den rand, als zocht zij hem daar.

De meeste meisjes grinnikten van plezier over deze dwaze vertooning,
maar anderen stond dit blijkbaar niet aan. De smartelijke kreet van de
ongelukkige had haar pijn gedaan en zij trokken zich weder in groepen
terug. Reeds had een hunner een nieuw spel voorgesteld, toen eene
kleine, net gekleede vrouw de schuur binnentrad en riep, terwijl zij
in de vleezige handen klapte: "Ge hebt nu genoeg gelachen! Komaan,
bijtjes, naar bed! Morgen vroeg is de nacht voorbij en na zonsopgang
moeten de weefgetouwen weer klepperen. Komt, de eene hier, de andere
daarheen, net als de muizen, wanneer de kat ze overvalt! Gaat ge haast,
nachtvogels? Nu, gaat ge?"

De meisjes hadden gehoorzaamheid geleerd, en terwijl zij hare
opzichtster voorbij ijlden naar de slaapzaal, spitste Perpetua,
eene vrouw, die de vijftig nauwelijks voorbij was en op wier gelaat
verstand en goedheid beide te lezen stonden, de ooren en luisterde
in de stilte van den nacht. Uit de richting van de watertent had zij
een eigenaardig, langgerekt, maar niet luid "Ohuio!" vernomen, en
dat teeken was haar goed bekend; want de prefect Thomas was gewoon op
deze wijze in zijn landhuis op den Libanon de in den tuin verspreide
huisgenooten saam te roepen. Thans maakte Paula er gebruik van,
om de voedster op hare nabijheid opmerkzaam te maken.

Deze schudde echter bezorgd het hoofd. Wat bewoog haar lieve kind om
zoo laat in den avond tot haar te komen? Er moest wel iets bijzonders
zijn voorgevallen, en met tegenwoordigheid van geest, als altijd,
riep zij, om te kennen te geven dat Paula's roepstem haar niet ontgaan
was: "Haast je wat, meisjes! Zijt ge klaar? Ohuio! Komaan, Ohuio! Een,
twee, drie!"

Daarop volgde zij de laatste slavinnen naar de slaapzaal, en toen zij
zich overtuigd had, dat er geen werd gemist behalve de waanzinnige,
vroeg zij waar deze zijn kon. Allen zeiden haar zooeven nog in de
schuur gezien te hebben. Perpetua wenschte de meisjes goeden nacht
en verliet ze, den schijn aannemende alsof zij de achtergeblevene
ging zoeken.



ZEVENDE HOOFDSTUK.


Paula ging de kamer binnen van hare voedster, die, nadat zij
vruchteloos een oogenblik naar de waanzinnige had omgezien, Mandane
niet zonder eenige gewetenswroeging aan haar lot overliet.

In het vertrek van Perpetua hing eene keurig gepolijste koperen
lamp aan de zoldering, en deze kleine ruimte beantwoordde volkomen
aan hare bewoonster, want beiden waren helder en netjes, eenvoudig
en degelijk. Het bed van de voedster was omgeven door sneeuwwitte,
doorzichtige gordijnen tegen de muggen; boven het hoofdeinde der
legerstede was een kunstig gesneden crucifix geplaatst, en de zetels
waren allen met goede stoffen van allerlei kleur, afval uit de weverij,
overtrokken. Fijn gevlochten stroomatten bedekten den grond, en op de
vensterbanken evenals in een hoek van het vertrek, waar een van klei
geboetseerd beeld van den goeden herder op het beddetafeltje neerzag,
stonden bloemstruiken, die het eenvoudige vertrek met een aangenamen
geur vervulden.

Nauw was de deur gesloten, of Perpetua zeide: "Maar mijn kind wat
hebt ge mij doen schrikken! Op zulk een laat uur!"

"Ik moest komen," verzekerde Paula; "ik kon niet langer wachten."

"Wat zie ik, tranen?" zeide de voedster met een zucht, terwijl hare
verstandige, kleine oogen ook vochtig begonnen te worden. "Arme ziel,
wat is er nu weer gebeurd?"

Daarbij naderde zij de jonkvrouw, om haar te streelen; maar deze
vloog aan hare borst, sloeg hartstochtelijk beide armen om haar hals,
en barstte in een luid en smartelijk weenen uit.

De kleine matrone liet haar eene poos begaan, daarna maakte zij zich
los uit hare omhelzing, droogde hare eigene tranen en die van hare
groote lieveling, die op hare gladde grijzende haren waren gevallen,
greep Paula met eene vaste hand bij de kin, keerde haar gelaat naar
zich toe en zeide vol deelneming maar op vasten toon: "Zoo, nu is het
genoeg! Ween wat mij betreft maar uit, want dat verlicht het hart,
maar vergeet niet dat het zoo laat is. Is het weder het oude lied:
heimwee, verdriet en dergelijken, of is er wat anders gebeurd?"

"Helaas," antwoordde het meisje, en zij vervolgde hevig opgewonden,
terwijl zij haar doek in de handen verfrommelde: "Mijn geduld is ten
einde; ik kan het daar in huis niet meer uithouden; het gaat niet
langer zoo! Ik ben niet van steen, en als men 's avonds vreest voor
den nacht en 's morgens weer voor den dag, waaraan geen doorkomen
zal zijn, zóó ellendig, zóo onverdragelijk...."

"Men dient toch redelijk te zijn, mijn hartje, en tot zichzelve
te zeggen, dat het verstandig is om van twee kwaden het minste te
kiezen. Wat ik u reeds zoo dikwijls in bedenking gaf, dat krijgt ge
nu opnieuw te hooren: Als wij dit veilig toevluchtsoord prijs geven
en ons werkelijk daarbuiten in den vreemde wagen, zullen we dan wat
beters vinden?"

"Misschien slechts eene hut met eene bron onder een paar palmen! Ik
zou er mede tevreden zijn, als ik u maar behouden mocht en vrij was,
geheel vrij van die anderen!"

"Wat is dat? Hoe heb ik 't nu met u?" prevelde de oude, terwijl zij
bedenkelijk het hoofd schudde. "Eergisteren waart ge geheel op uw
gemak; dus moet er zeker weer iets...."

"Ja, dat is zoo, daar is ook wat gebeurd," viel het overprikkelde
meisje haar in de rede. "De zoon van oom--gij waart er bij, niet waar,
toen hij hier zijn intocht deed, en ik dacht, ja, ook ik heb geloofd,
dat hij zulk een ontvangst verdiende... Ik, Betta, ik.... Ach, heb
medelijden met mij, ik.... gij weet niet welk een onweerstaanbaren
invloed die man op een hart kan uitoefenen.... En ik--ik stelde
vertrouwen in zijne blikken, zijne woorden, zijn gezang en--ja,
alles moet mij maar van het hart--ook in zijne kus op deze hand! Ik,
ik... Maar dat alles was valsch, was gelogen, was een schandelijk
spel met een zwak eenvoudig hart; misschien nog iets ergers, iets
afschuwelijkers! Kortom, terwijl hij al zijne krachten inspande om
mij in zijne strikken te vangen--zelfs de slaven in de boot hebben
het opgemerkt--was hij op hetzelfde tijdstip--ik weet het van vrouw
Neforis, die het zeker vertelde om er mij mede te krenken--bezig
dat popje--gij kent haar wel--die kleine Katharina te vrijen. Zij is
zijne bruid, en intusschen waagt die onbeschaamde het zijn spel met
mij voort te zetten, heeft hij de brutaliteit..."

Paula begon opnieuw luide te snikken; de oude vrouw wist ditmaal niet
hoe zij haar tot bedaren zou brengen en mompelde in zichzelve: "Ach,
't is erg.... Moest ook dit er nog bijkomen?.... Lieve hemel!...." Maar
weldra kwam zij tot bezinning en zeide op vastberaden toon: "ja,
dat is een nieuw onverwacht ongeluk; maar wij hebben zwaarder en
nog gansch andere rampen te dragen gehad. Dus het hoofd omhoog,
en wat daar binnen nog pleiten mocht voor den verleider, dat moet
uitgerukt en vertreden worden. Uw trots zal u wel helpen, en als gij
eens weet wat die Orion voor een heer is, dan dankt gij God misschien,
dat het tusschen u niet verder kwam!"--Zij deelde haar nu alles mede,
wat zij wist van de waanzinnige Mandane en hoe Orion de oorzaak was
van haar ongeluk, en toen Paula duidelijk liet blijken hoezeer haar
dit schrik aanjoeg, voegde zij er bij: "Ja, mijn kind, hij is een
hartenbreker, een gewetenloos geluksverwoester, en het ware misschien
mijn plicht geweest u voor hem te waarschuwen; doch daar hij overigens
toch niet slecht is--hij heeft den broeder van de teekenares Hathor,
die ge wel kent, met eigen levensgevaar uit het water gehaald--en
ik bovendien bij zijne terugkomst meende, dat ge met hem althans op
een vriendelijken voet zoudt verkeeren, heb ik het gelaten.... En
dan... ik oude gekkin hield uw trotsch hart voor gepantserd, doch het
is toch ook maar een zwak meisjeshart als dat van anderen, en nu het
op een-en-twintigjarigen leeftijd voor het eerst de liefde van een
man beantwoordt...."

Hier viel Paula haar in de rede, zeggende: "Ik bemin den bedrieger
niet meer, neen, ik haat hem, ik haat hem meer dan ik zeggen kan! En
ook de anderen! Van allen, allen heb ik een afkeer!"

"Helaas, dat het zoo zijn moet!" zeide de voedster met een zucht. "Gij
hebt zeker een hard lot. Over hem, Orion, zullen we maar zwijgen, maar
zou het met de anderen niet beter kunnen worden, vraag ik mijzelve
dikwijls af? Als gij het hun zoo moeilijk niet gemaakt hadt, mijn
kind, dan zouden zij u nu moeten liefhebben, dat kan niet anders;
maar sedert ge hier in huis zijt gekomen, gevoeldet ge u ongelukkig en
hebt gij gewenscht, dat men u aan uzelve overliet, en zij, zij hebben
aan uw verlangen voldaan en nu vindt ge het moeielijk te dragen, dat
de toestand geworden is zooals gij die wildet. Ja, mijn kind, zoo is
het, gij moet mij niet tegenspreken. Wij moeten heden eens oprecht
met elkander spreken: wie kan liefde vinden, als hijzelf geen liefde
betoont en mismoedig anderen voorbijziet? Ja, als ieder de menschen
waarmede hij omgaat zelf maken kon! Het leven eischt gebiedend, dat
wij hen nemen zooals zij zijn, maar van deze waarheid, mijn hartje,
neen, daar zijt gij niet van doordrongen!"

"Ik ben nu eenmaal zooals ik ben!"

"Zeker, en van alle goeden zijt gij de beste; maar wie kan dat in
huis vermoeden? Elk mensch vertoont een zeker karakter. En gij? Is
het te verwonderen, dat zij in u altijd de ongelukkige zien? Ik zeg
het duizendmaal: het is God geklaagd dat gij zoo ongelukkig zijt. Maar
wien doet het genoegen altijd een somber gelaat te zien?"

"Ik heb aan niemand daarginds nog ooit met een enkel woord geklaagd
wat ik lijd!" zeide Paula, terwijl zij zich trotsch oprichtte.

"Juist, daar hebt gij het," antwoordde de voedster. "Zij namen u
op, en meenden dus zekere rechten te hebben op uw persoon en ook op
hetgeen u bekommerde. Misschien verlangden zij u te troosten, want
daarin ligt--geloof mij mijn kind--daarin ligt iets streelends. Wie
iemand medelijden betoont, die voelt er altijd bij, dat hijzelf het
beter heeft dan een ander. Ik ken het leven! Hebt gij nooit tot uzelve
gezegd, dat gij uwe bloedverwanten daarginds eene vreugde ontrooft,
ja hen misschien beleedigt, door uw hart voor hen te sluiten? Gij
gaat geheel op in uwe smart, die gij hun van verre toont, maar waar
het u pijn doet, dat verbergt gij zorgvuldig. Ieder goed mensch wil
gaarne heelen waar hij eene wonde ziet bloeden, maar uw geheele wezen
roept hun toe: 'Blijft waar gij zijt en laat mij met rust.'--Voor uw
oom tenminste waart ge goed."

"En dat ben ik nog, en honderdmaal gevoelde ik een drang om hem alles
toe te vertrouwen, maar--"

"Maar?"

"Zie hem slechts aan, Betta, hoe marmerkoud, stijf en ongevoelig hij
daar ligt, meer dood dan levend. In den beginne zweefden mij vaak
vertrouwelijke woorden op de lippen...."

"En thans?"

"Thans ligt al dat smartelijke zoo verre achter mij! Ik geloof dat
ik het recht verloren heb hem te klagen wat mij neerdrukt."

"Hm," liet Perpetua hooren, die hierop zoo dadelijk geen antwoord
wist. "Kom eens goed tot bezinning, meisjelief. Orion heeft reeds
dadelijk opgemerkt hoever men bij ons gaan kan. Gij kunt uw hoofdje
gerust omhoog houden en kalm rondom u zien. Verdraag wat niet te
veranderen is, en wanneer eene stem in mijn binnenste mij niet
bedriegt, dan zal hij, dien wij zoeken..."

"Ook daarom ben ik tot u gekomen. Is er nog geen bode teruggekeerd?"

"Ja! de kleine Nabateër," antwoordde de voedster met eenige aarzeling,
"en hij heeft ook... Maar om Godswil, mijn kind, vlei u toch niet
met ijdele hoop! Even na zonsondergang is Hiram bij mij geweest--"

"Betta!" riep de jonkvrouw met verheffing van stem, terwijl zij
de voedster bij haar arm greep. "Wat is hij te weten gekomen, welk
bericht brengt hij?"

"Niets, niets! Wil toch niet met het hoofd door den muur loopen! Wat
hij vernam is zoo goed als niets. Ik kon Hiram maar een enkel oogenblik
spreken. Morgen vroeg wil hij den man zelven bij mij brengen. Het
eenige wat hij mij zeide...."

"Bij Christus' wonden, wat was het?"

"Hij zeide dat de bode van een ouden kluizenaar had hooren spreken,
die eens een groot krijgsheld geweest was."

"Mijn vader, mijn vader!" riep de jonkvrouw luide. "Hiram zit met de
anderen bij het vuur. Dadelijk, ja dadelijk moet ge hem hier brengen;
ik beveel het u, Perpetua, hoort gij!--O liefste, eenige Betta,
kom mede; wij moeten hem spreken!"

"Geduld toch, mijn hartje, heb wat geduld!" zeide de oude vrouw
medelijdend. "Ach, lieve arme ziel, ach, het zal weer op niets
uitloopen, en als wij den verkeerden weg andermaal blijven volgen,
geeft het niets dan teleurstelling."

"Dat doet er niet toe, gij gaat met mij mede!"

"Naar het dienstpersoneel bij het vuur, en op dit uur? Dat zou wat
wezen! Maar... Evenwel... Wacht hier even meisje. Ja, zoo zal het wel
gaan. Ik zal Jozef wakker maken, Hirams jongen. Hij slaapt ginds bij
de paarden, en deze zal dan zijn vader roepen. Ach, dat ongeduld, dat
onstuimig en hartstochtelijk zieltje! Doe ik niet wat gij verlangt,
dan doet ge heden nacht geen oog dicht, en dwaalt morgen als een
droomende rond... Bedaar, bedaar maar, ik ga al."

De oude vrouw had den hoofddoek reeds omgeslagen en ijlde naar
buiten. Paula zonk voor het kruisbeeld boven het bed op hare
knieën en bad innig, tot de voedster terugkwam. Weldra lieten zich
mannelijke voetstappen op de trap hooren en Hiram trad binnen. Hij
was een stevige vijftiger met twee goedige blauwe oogen in het grove
alledaagsche gezicht. Wie zijn breede borst zag, begreep dadelijk,
dat als hij ging spreken men eene krachtige basstem zou hooren; doch
Hiram stotterde van kindsbeen af en in zijn dagelijkschen omgang met
paarden had hij zich het gebruik van allerlei natuurgeluiden aangewend,
die hij met eene schrille stem uitstiet. Hij sprak ook niet gaarne.

Toen hij tegenover de dochter van zijn weldoener en heer stond, boog
hij zich voor haar neder, zag haar met de trouwe oogen als die van
een jachthond, onderworpen en tevens teeder aan, en kuste eerst haar
gewaad, daarna de hand, waarmede zij hem wilde oprichten.

Aan de met moeite uitgebrachte verzekering, hoe blijde hij was haar
weder te ontmoeten, maakte Paula goedhartig maar toch spoedig een
einde, en toen hij eindelijk begon te vertellen, sprak hij veel te
langzaam voor haar ongeduld. De Nabateër, die de hoopvolle tijding
had gebracht, zoo deelde hij mede, was niet ongenegen het gevonden
spoor verder te vervolgen; hij kon echter slechts tot morgen middag
wachten en had hooge eischen gesteld.

"Alles kan hij krijgen, alles wat hij verlangt," haastte Paula zich
te zeggen.

Hiram smeekte haar nochtans, meer met zijne blikken en onverstaanbare
uitroepen dan met duidelijke woorden, toch niet al te veel te
verwachten. De Nabateër Dousare, dus vulde hij de mededeeling van
de voedster aan, had van een kluizenaar te Raïthou aan de Roode zee
vernomen, dat een groot krijgsheld van Grieksche afkomst, sedert twee
jaren bij de vrome broeders op den heiligen berg Sinaï in alle stilte
een boetvaardig leven leidde. Zijn wereldlijke naam had de bode niet te
weten kunnen komen, maar onder de kluizenaars werd hij Paulus genoemd.

"Paulus?" herhaalde het meisje, terwijl haar boezem zwoegde. "Een naam
die hem aan moeder herinnert en aan mij, ja, ook aan mij! Bovendien,
hij, de held van Damascus, heeft in de wereld Thomas geheeten, en
nu hij zeker gelooft dat ook ik om het leven ben gekomen, wijdt hij
zich geheel aan den dienst van God en Christus; even als Saulus, die
andere man van Damascus, noemt hij zich, nu hij de weg ter zaligheid
gevonden heeft, Paulus. O Betta, o Hiram, gij zult het zien, hij is
het, hij moet het zijn! Twijfelt gij nog?"

De Syriër schudde bedenkelijk het hoofd en stootte een langgerekt
"Huust" uit. Perpetua sloeg de handen in elkaar en zeide op meewarigen
toon: "Heb ik het niet gedacht? Het vuur dat herders in den nacht
ontsteken om zich de handen te warmen houdt zij voor de opgaande zon,
wapengekletter voor den donder des Allerhoogsten! Hoeveel duizenden
heeten er Paulus! Bij alle heiligen, kindlief, blijf bedaard en poog
niet uit ijle nevelen u een feestkleed te weven! Bereid u voor op het
ergste, dan zijt gij tegen teleurstelling gewapend en behoudt gij het
recht om te hopen! Zeg haar toch, Hiram, zeg haar wat de bode verder
heeft bericht; want er is niets zekers, alles zweeft nog als stof in
de lucht."

De vrijgelatene deelde nu mede, dat de Nabateër een man was op wien
men staat kon maken, veel geschikter om op zulke onderzoekingstochten
uit te gaan dan hijzelf, want deze verstond behalve zijne eigene
taal ook Egyptisch, Grieksch en Arameesch; desniettemin was het ook
hem niet mogelijk geweest te Tor, waar monniken uit het klooster op
den Sinaï zich hadden neergezet, iets naders omtrent den kluizenaar
Paulus te vernemen. Later had hij echter op den zeetocht naar Kolzoum
van monniken vernomen, dat er nog een tweede Sinaï was. Het klooster
dáar--en nu zette Perpetua het verhaal voort, dat den stotteraar het
zweet op het voorhoofd deed parelen--dat klooster in de oase aan den
voet van den spitsen, hemelhoogen berg was wegens de ketterij der
monniken gesloten geworden, doch in de kloven van dat berggevaarte
huisden nog altijd vele kluizenaars in een klein coenobium [5],
in lauren [6] en in enkele rotsholen, en Paulus kon wellicht tot
dezen behooren. Men was wel op den goeden weg en zij en Hiram
waren reeds besloten in deze richting verder te onderzoeken, maar
de voormalige krijgsman was toch waarschijnlijk een vreemde, en zij
beiden huiverden bij de gedachte haar bloot te stellen aan zulk eene
smartelijke ontgoocheling.

Doch hier nam Paula het woord en zeide met blijde opgewektheid:
"En waarom zal mij ook niet eens wat anders ten deel vallen dan
teleurstelling?.. Wat geeft u den moed om mij de hoop te ontnemen,
waarmede dit arme hart zich voedt? Maar ik laat mij die hoop niet
ontrooven. Uw Paulus aan den voet van den Sinaï is de verlorene, ik
heb er een voorgevoel van. Als de laatste paarlen niet reeds verkocht
waren, dan moest de Nabateër... Maar wacht, zoo.... Wanneer kunt gij
vertrekken, Hiram?"

"Voor over veer--veertien dagen in ge--geen geval," antwoordde
deze. "Ik--ik ben nu eenmaal in dienst van den sta--ad--stadhouder en
o--overmorgen zal in Ni--i--kou--juist--de groote pa--paardenma--markt
zijn. Voor den jongen hee--heer zijn daar nieuwe he--engsten te koop,
en onze veu--lens brrr...."

"Ik zal er morgen bij oom op aandringen, dat hij u vrij laat," zeide
Paula. "Ja, ik werp mij aan zijne voeten..."

"Hij zal hem niet loslaten," viel de voedster haar in de rede. "De
huismeester Sebek heeft hem vóor de audiëntie uit mijn naam alles
gezegd en getracht om Hiram vrij te krijgen."

"En wat was het bescheid?"

"Vrouw Neforis noemde de tijding een nieuw dwaallicht en de
meester stemde met haar in. Uw oom verbood Sebek daarna iets aan u
te verklappen en liet mij weten, dat hij na de paardenmarkt Hiram
misschien naar den Sinaï zou zenden. Heb dus geduld, mijn hartje! Wat
beteekenen veertien dagen, op zijn langst drie weken, en dan....

"Maar zoolang kan ik het niet uithouden!" riep Paula. "De Nabateër,
zegt gij, is hier, en bereid om te gaan?"

"Ja, meesteres!"

"Zoo nemen wij hem in dienst," zeide Paula vastbesloten.

De voedster, die de zaak blijkbaar reeds ernstig met haar landsman
overlegd had, schudde treurig het hoofd en zeide: "Hij is ons te
duur!" Vervolgens verklaarde zij, dat de man die zoo veel talen
kende, reeds uitgenoodigd was eene karavaan naar Ktesiphon te
geleiden. Dat gaf hem brood voor een geheel jaar. Hij was niet
ongenegen de onderhandelingen met den koopman Hanno af te breken en
geheel Petreïsch Arabië voor haar te doorzoeken, maar op voorwaarde
dat hij tweeduizend drachmen ontving.

"Tweeduizend drachmen?" herhaalde Paula, terwijl zij blozende en
terneergeslagen voor zich keek. Maar spoedig was zij zichzelve weer
meester, zij hief het hoofd op en zeide verstoord: "Hoe, durven
zij mij onthouden, wat mij toekomt? Weigert mijn oom mij, wat ik
vorderen mag en moet, dan gebeure wat ik niet vermijden kan en mij
om zijnentwil leed genoeg doen zal; dan geef ik mijne zaak in handen
van de rechters."

"Van de rechters?" herhaalde de voedster lachende. "Om te klagen
hebt gij een kurros [7] noodig, en uw oom is de uwe. Voorts eer zij
een oordeel vellen, kan de bode reeds uit het verafgelegen Ktesiphon
terug zijn."

De voedster smeekte haar nu nog eens om zich tot na den afloop der
paardenmarkt stil te houden; maar zij staarde als verslagen naar den
grond. Opeens verschrikte Perpetua en ook Hiram deed eene schrede
achterwaarts, want onverwacht riep zij luide en jubelend uit: "Vader
in den hemel, ik heb gevonden wat wij noodig hebben!"

"Hoe, mijn kind, wat?" vraagde de voedster met de hand op het hart.

Paula gaf haar geen uitsluitsel, maar wendde zich haastig tot den
Syriër zeggende: "Is de eerste binnenhof weer vrij? Zijn de lieden
uit elkander gegaan?"

Het antwoord luidde bevestigend. De vrije dienstknechten waren met
Hiram tegelijk opgebroken. De heeren gingen nog wel zoo spoedig niet
uiteen, maar hen kon men gemakkelijk voorbijkomen.

"Nu goed," sprak het meisje. "Gij, Hiram, gaat mij voor en wacht
op mij bij het dienstpoortje. Ik haal van mijne kamer iets wat
de vordering van den Nabateër wel tienvoudig kan dekken.--Zie mij
niet zoo angstig aan, Betta! Hij krijgt de groote smaragd uit het
halssieraad mijner moeder."

De voedster sloeg de handen ineen en riep op droevigen, waarschuwenden
toon: "Kind, kind, dit heerlijke stuk, dit erfgoed der familie,
deze steen, die afkomstig is van den heiligen keizer Theodosius,
wilt gij dezen verkoopen, neen wegsmijten, niet om uw vader te redden
maar--ja, mijn kind, zoo is het!--maar alleen omdat gij geen geduld
hebt om twee ellendige weken te wachten?"

"Dat is hard, dat is onbillijk geoordeeld, Betta!" hernam het meisje
op verwijtenden toon. "Het is om een maand te doen, en hoe alles hier
van den bode afhangt, weten wij allen. Hebt gij vergeten hoe Hiram de
geschiktheid juist van dezen man op den voorgrond stelde? En moet ik,
die zooveel jonger ben, u dan herinneren aan de onzekerheid van een's
menschen leven? Eén oogenblik beslist over leven en dood, en mijn
vader is een oud man, die reeds vóor de belegering met vele litteekens
bedekt was. Het kan hier gelden hem al of niet weer te zien."

"Ja, ja," antwoordde de oude vrouw op zachten toon, "misschien hebt
gij gelijk, en als ik...."

Maar Paula sloot haar den mond met een kus en beval daarop den Syriër
den steen van haar in ontvangst te nemen en morgenochtend zeer vroeg
aan den jood Gamaliël, een rijk en redelijk man, te verkoopen, maar
niet onder twaalfduizend drachmen. Als de goudsmid niet zooveel ineens
betalen kon, mocht Hiram zich voor het oogenblik met de tweeduizend
drachmen voor den bode tevreden stellen, om de rest later te ontvangen.

De Syriër ging haar voor, en toen zij na een lang afscheid van de
voedster het vriendelijke vertrek verliet, had Hiram reeds aan haar
eerste bevel voldaan, door haar aan het dienstpoortje te wachten.



ACHTSTE HOOFDSTUK.


Zooals Hiram wel vermoedde, zaten de hoogere beambten nog altijd met
hunne vrienden bijeen, en ook de gids en de voornaamste begeleiders van
den koopman Haschim. Rustem de Masdakiet, alsmede diens secretaris en
tolk, hadden zich bij dit gezelschap aangesloten. De hier verzamelden
waren, uitgenomen de joodsche goudsmid Gamaliël en de lieden uit
het gevolg van den Arabier, allen christenen, en niet zonder eenigen
tegenzin hadden dezen de muzelmannen--de jood was sedert jaren een
welkom medelid van hun avondgezelschap--in hun kring opgenomen. Toch
had men het gedaan, en zelfs met zekeren ijver, omdat de heer bevolen
had hen goed te ontvangen en men met grond verwachten kon dat zij, die
van zooverre waren gekomen, veel nieuws te vertellen hadden. Daarin
had men zich echter bedrogen, want de tolk was zeer gesloten en de
Masdakiet sprak het Egyptisch in het geheel niet en het Grieksch maar
zeer slecht. Nadat men bij herhaling vruchteloos gepoogd had hen aan
het spreken te krijgen, sloeg men verder geen acht meer op hen en
liet men den secretaris van Orion aan het woord.

Deze man had reeds gisteren veel nieuws van het keizerlijk hof
verteld, dat allen boeide; doch heden praatte hij uitvoeriger over de
schitterende levenswijze van zijn jongen meester in Konstantinopel,
wien hij derwaarts vergezelde. Hij beschreef de drie overwinningen,
die hij met zijne eigene paarden in de renbaan had behaald; schilderde
met levendige kleuren hoe deze zich bij een volksoploop, gevolgd door
slechts vijf vrienden, te midden van honderden verwoede opstandelingen,
een weg had gebaand uit het paleis naar de Sophia-kerk, en roemde
verder de veroveringen die Orion had gemaakt bij de schoone vrouwen
van de hoofdstad. "De koningin van allen," zeide hij met bijzondere
zelfvoldoening, "was Heliodora, geene fluitspeelster of een meisje
van dat slag, neen, eene rijke, voorname, deugdzame patricische
vrouw, de weduwe van Flavianus, een neef van den senator Justinus,
die aan de keizerlijke familie verwant is. Geheel Konstantinopel
sloeg begeerig het oog op deze partij; zelfs de groote Gratianus had
haar voor zich trachten te winnen, maar natuurlijk te vergeefs. In
geheel Egypte, zelfs in Alexandrië is er geen paleis gelijk het
hare. Dit stadhouderlijk verblijf--want de grootte doet er niet
toe--is daarbij vergeleken maar eene boerenwoning, eene armzalige
schuur. Bij eene volgende gelegenheid vertel ik u eens hoe het er
uitziet in dit weelderig kabinetje. Dag en nacht stonden er slaven
en vrijgelatenen voor de deur, die bloemen en vruchten, buitengewone
geschenken en roerende gedichten op welriekende, rooskleurige zijde
moesten overbrengen; doch hare gunst was niet te koopen, tot Orion
haar leerde kennen. Gij zult het niet willen gelooven, maar sedert
zij hem voor de eerste maal in de villa van Justinus ontmoet had,
was zij haar hart kwijt. Zij was er geweest, hoor, zij was weg, zij
was de zijne, zoo goed als die ring hier aan mijn vinger de mijne is!"

De ijdele man wees bij deze woorden zijne toehoorders op den gouden met
een waarlijk kostbaren steen versierden ring, dien hij aan de mildheid
van zijn jongen meester te danken had, en vervolgde in geestdrift:
"Van nu aan zweefden de namen Orion en Heliodora op aller lippen,
en hoe vaak heb ik de menschen niet in verrukking gezien over de
schoonheid van dit goddelijk paar! In den circus, in het theater,
bij spelevaarten op den Bosphorus, overal zag men ze samen, en in
die akelige, bloedige dagen der snelle troonsverwisselingen leefden
zij met elkander als in een paradijs. Vaak haalde hij haar in zijnen,
zij hem in haren wagen af."

"Houdt zulk een wijf ook paarden?" vroeg de opperstalmeester op een
toon van minachting.

"Wijf?" riep de secretaris. "Eene aanzienlijke dame! Alleen glanzende
bruine paarden houdt zij, groote van Armenisch ras en kleine, vlugge
dieren van het eiland Sardinië, die in een vierspan als opgejaagde
vossen met den wagen daarheen jagen. Altijd droegen hare paarden
rosetten en fladderende linten aan de gouden hoofdstellen, en ik
verzeker u, haar voerman wist ze te mennen.--De geheele wereld dacht,
onze meester en die schoone weduwe zullen een echtpaar worden, en dat
er niets van gekomen is, ging die arme Heliodora--zij ziet er uit als
eene heilige en is zacht als een katje--bitter aan het hart; want ik
was bij het afscheid tegenwoordig, en het was om diep medelijden te
krijgen, zooveel tranen als zij stortte. Maar zij kon niet boos zijn
op haar afgod, dat weeke, teedere poesje; zij gaf hem tot aandenken
dat zijdharig hondje, dat gij gezien hebt. Ik geef er u mijn woord op
dat het een liefdepand was, want aan dat kleine beest hing haar hart
als aan een eigen kind. Doch het afscheid is ook hem zwaar gevallen,
zoo zwaar--maar ik ben geheimsecretaris, en het zou mij niet passen uit
de school te klappen. Bij het laatst vaarwel drukte hij dat hondje
aan het hart, en beloofde daarbij, dat hij haar wederkeerig een
aandenken zou zenden, dat haar bewijzen zou op hoe hoogen prijs hij
hare liefde stelde. Dat dit geen aalmoes zijn zal, daarop kan ieder
die mijn meester kent wel een duren eed zweren.--Zeg eens, Gamaliël,
is hij misschien reeds bij u geweest?"

De aangesprokene, dezelfde wien Hiram Paula's smaragd te koop moest
aanbieden, was een rijk Alexandrijn, vroolijk van aard. Zoodra
hij na den inval der Saracenen begrepen had, dat het niet geraden
was in Alexandrië te blijven, terwijl ook het grootste deel zijner
geloofsgenooten de havenstad ontvluchtte, had hij zich naar Memphis
begeven, omdat hij daar op de bescherming van zijn machtigen
begunstiger, den Mukaukas Georg, mocht rekenen. Hij schudde op die
vraag ontkennend den grijzen kroeskop en blies een oogenblik later
den secretaris in het oor: "Wij hebben wat hij noodig heeft. Als
ge mij de koe brengt, krijgt gij het kalf, en zelfs een met twaalf
pooten.--Tevreden?"

"Twaalf percent van de winst? Dat 's dus afgesproken!" antwoordde
de secretaris even zacht en met een sluw lachje, ten teeken dat hij
Gamaliël begreep, en toen een boekhouder hem wat later vroeg, waarom
Orion de schoone geliefde, die toch ook een aanzienlijken naam droeg,
niet als schoondochter mede naar huis had gebracht, antwoordde hij
dat zij eene Griekin en natuurlijk de Melchietische geloofsbelijdenis
toegedaan was. Die reden was afdoende voor de aanwezigen, en toen nu
eenmaal het gesprek op het geloof was gekomen, ontspon zich, gelijk
gewoonlijk op zulke gezellige avonden, een dispuut over dogmatische
vragen. Daarbij waagde een kanselarijbeambte de meening uit te spreken,
dat, wanneer het hier niet de zoon van den Mukaukas, bij wien van zoo
iets geen sprake kon zijn, maar een eenvoudig Jacobietisch burger en
zijne Melchietische geliefde gold, er toch wellicht een middenweg te
vinden was geweest. Beiden hadden dan maar moeten besluiten, ofschoon
hij voor zoo iets zou bedanken, de Monotheletische leer aan te nemen,
waarvoor het keizerlijke hof en ook de gestorven patriarch Cyrus van
Alexandrië warm hadden gestreden, welke leer rustte op het geloof,
dat Christus wel twee naturen had, maar dat in beiden maar éene
gemeenschappelijke wil woonde. Dit geloof splitste wel-is-waar de
natuur van den Heiland, maar handhaafde toch de eenheid in een bepaald
opzicht, waarop het toch voornamelijk aankwam. Zulk een kettersch
voorstel werd natuurlijk door de hier verzamelde Jacobieten luide
afgekeurd. Het verschil van meening kwam al duidelijker en scherper
uit, en weldra werd uit de vreedzame gedachtenwisseling een onstuimige
twist geboren, die met handtastelijkheden dreigde te eindigen.

Reeds onder het begin van dit gesprek was het Paula gelukt om
onopgemerkt den hof over te steken. Zij wenkte Hiram zwijgend haar
te volgen; deze trok behoedzaam zijne schoenen uit, die hij onder
de steile trap voor het dienstpersoneel schoof, en stond eenige
oogenblikken later in het vertrek van de jonkvrouw. Zij deed haastig
hare kist open, nam daaruit het kostbaar met paarlen bezet halssieraad
en gaf dit den Syriër, met het verzoek om den grooten smaragd, die in
het midden hing, uit de gouden kas te lichten. De stevige handen van
den vrijgelatene verrichtten dezen arbeid spoedig en gemakkelijk met
behulp van een mes, en, terwijl hij den steen--die grooter was dan een
walnoot en nu, uit het half geopende gouden omhulsel genomen waarin
hij aan den keten had gehangen, vrij fonkelde en stralen schoot--in
de hand woog, herhaalde Paula nog eens alles omtrent den verkoop,
wat zij hem in tegenwoordigheid van de voedster gezegd had.

Zoodra de trouwe man zijne lieve meesteres verlaten had, maakte zij
het zachte, maar toch dikke en lange haar los, en glimlachte daarbij
vol blijde hoop; doch zij was nog niet begonnen zich te ontkleeden,
toen er zacht werd aangeklopt. Zij verschrikte, snelde naar de deur,
grendelde deze toe en vraagde, op het ergste voorbereid: "Wie is daar?"

"Hiram," luidde het zacht gefluisterde antwoord, en nadat zij de deur
weder geopend had, vernam zij, dat de huispoort inmiddels gesloten
was, en dat hij geen anderen weg kon vinden in het groote huis,
waarin hij zelden iets te doen had.

Wat nu te beginnen? De Syriër kon niet wachten tot de poort weder
geopend werd, want hij moest morgen vroeg zijn last volvoeren, en
betrapte men hem en hield men hem maar een halven dag vast, dan nam
de Nabateër den anderen dienst aan.

Spoedig was een besluit genomen; zij bond het haar weder op, sloeg een
doek om haar hoofd en zeide: "Kom mede; de maan schijnt nog altijd,
het zou gevaarlijk zijn eene lamp te gebruiken. Ik ga vooruit en
gij moet vlak achter mij blijven. Als er niemand meer in de keuken
is, kunnen wij ongezien in het viridarium [8] komen. Indien de
beambten in den hof nog bijeen zijn, dan staat de groote hofdeur
open, want velen hunner wonen toch in huis. In elk geval moet gij
door de voorhal. Uit het viridarium kan men den weg daarheen wel
niet missen. Maar wacht! vóor het tablinum [9] ligt de groote Beki,
de booze hond van Hermonthis. Hij kent u niet, want hij komt nooit
buiten's huis, maar mij volgt hij. Wanneer ik de hand omhoog hef,
blijft gij wat achter. In tegenwoordigheid zijner meesters is hij
rustig en onbekenden doet hij niets wanneer wij er bij zijn. Geen
woord worde van nu aan gewisseld. Worden wij ontdekt, dan kom ik voor
de waarheid uit, vindt men u alleen, dan kunt gij zeggen.... dan zegt
gij, dat gij op Orion hebt gewacht, om heel vroeg met hem te spreken
over de paardenmarkt in Nikou."

"Er we--werd me dezen middag nog een--een he--hengst aangeboden."

"Goed zoo; ge zijt dus in de voorhal gebleven, om met den heer te
spreken, vóor hij zou uitgaan. Over enkele uren zal het reeds gaan
schemeren. Maak nu ook voort."

Haastig en met zekeren tred daalde Paula de trap af. Bij de onderste
trap nam Hiram zijne schoenen weder op en hield ze in de hand,
om geen tijd te verliezen, terwijl hij zijne meesteres op den voet
volgde. Zwijgend ging zij voort, tot zij in de tastbare duisternis aan
de keuken kwamen. Hier keerde zij zich om en fluisterde den Syriër toe:
"Is hier iemand, dan zeg ik dat ik gekomen ben om water te halen; is er
niemand, dan kuch ik even en volgt ge mij. De deur blijft in elk geval
open, zoodat ge hooren kunt wat er gebeurt. Als ik moet omkeeren, dan
loopt ge mij haastig vooruit langs den weg dien wij gekomen zijn. In
dat geval begeef ik mij naar mijne kamer en wacht gij daarvoor tot het
dag wordt en men de dienstpoort weder opent. Als men u mocht vinden,
laat dan aan mij over van uwe aanwezigheid de verklaring te geven. Ga
nu wat meer achteruit en verberg u daar in dien hoek."

Dadelijk hierop opende zij met zachte hand de deur van de keuken. Daar
deze met geen dak gedekt was, werd de ruimte door het licht der
ondergaande maan en den glans der sterren beschenen. Zij bleek geheel
ledig te zijn; er lag alleen eene kat op de bank bij den grooten
haard en eenige vledermuizen fladderden met onhoorbaren vleugelslag
in de groote ruimte heen en weer. Onder het braadspit gloeiden nog,
als de oogen van loerende roofdieren, de glimmende kolen in de asch.

Paula kuchte zacht en zoodra zij Hirams schreden achter haar hoorde,
zette zij met een van angst kloppend hart hare wandeling voort. Eerst
ging zij eenige trappen op, dan door een donkeren gang, waarin de
vledermuizen vlak langs haar hoofd scheerden, eindelijk moest de
breede van boven opene eetzaal dwars worden overgestoken. Deze kwam
uit in het viridarium, een vierkanten open hof, die langs de kanten
geplaveid was, terwijl de middenruimte door sierplanten en een
fontein werd ingenomen. Aan beide zijden verhief zich een vleugel
van het stadhouderlijk paleis. Het was stil en verkwikkend in deze
afgeslotene ruimte, overwelfd door den donkerblauwen hemel, die bezaaid
was met millioenen sterren. De maan naderde reeds den bovenrand van
de gegroefde lijst, die het dak van het gebouw kroonde. De groote
bladplanten in het midden van het viridarium wierpen wonderbare,
spookachtige schaduwen over de vochtige graszoden; het water van
de fontein plaste luider dan overdag, doch het eentonig geluid,
dat nu en dan door korte ongelijkmatige pauzen werd afgebroken, had
iets geruststellends. Het marmer der zuilen glinsterde als heldere
sneeuw, en dunne dampwolkjes, die van de vochtige zoden opstegen,
dwaalden, door den zachten nachtwind bewogen, als geesten in lange
golvende sleepgewaden in allerlei bochten zacht en statig heen en
weer. Nachtvlinders wiegden zich rondom en boven de plantengroepen
op en neer, en de geheele stille, verkwikkende ruimte was vervuld
door den zoeten geur van de lotusbloemen in het marmeren bekken van
de fontein, en van de bloesems der weelderige struikgewassen en der
saprijke tropische planten die haar omgaven. Op een anderen tijd zou
het een lust zijn geweest hier te toeven, rond te zien en zich over te
geven aan de stille betoovering van den nacht, doch de ziel van Paula
was thans voor dit heerlijk genot gesloten. De diepe stilte die haar
omgaf deed het opgewonden twistgesprek in den hof, dat in afgebroken
toongolven zijn weg hierheen vond, te bedenkelijker klinken, en met
bange zorg merkte zij op dat hier niet alles in orde was, want vóor het
tablinum, dat steeds door den hond of door een wachter bewaakt werd,
kon haar scherpziend oog noch dier noch mensch bespeuren. En--neen,
zij bedroog zich niet--de met brons beslagene deur ervan was open,
en het maanlicht glinsterde tegen het blanke metaal van den eenen
half aanstaanden vleugel.

Zij bleef staan en Hiram achter haar deed desgelijks. Beiden luisterden
met zulk eene inspanning, dat de aderen hun op het voorhoofd zwollen,
want uit het tablinum, dat zij met een dertig schreden bereiken konden,
lieten zich enkele, niet goed te onderkennen, zachte geluiden vernemen,
die geheel overstemd werden door den wilden strijd daarbuiten.

Er verliepen eenige lange, bange oogenblikken, tot de vleugel die
aanstond, opeens werd geopend, en een man daaruit te voorschijn
kwam. Het was Paula of haar het bloed in de aderen stolde, maar
haar oog hield niet op scherp te turen, en toen zij duidelijk gezien
had en vast overtuigd was, dat hij die den drempel van het tablinum
overschreed Orion was en geen ander, vloog de groote ruige hond van
Hermonthis haar voorbij, stak zijn neus in de lucht en schoot daarna
onder woest geblaf op de beide wachtenden toe. Bevende en met de tanden
op elkaar geklemd, maar altijd toch volkomen meesteres van zichzelve,
liet zij hem komen, riep Beki bij zijn naam op zachten, liefkoozenden
toon, en pakte, toen hij haar herkende en ophield te blaffen, het
beest bij zijn harigen kop, om het achter de ooren te krauwen, dat
het zoo gaarne had. Zij zelve en die haar vergezelde stonden achter
een pilaar in de donkere schaduw. Orion werd hen dus niet gewaar,
ook had het geblaf Paula's liefkoozend geroep overstemd. Toen de hond
zweeg en kwispelstaartend bij haar bleef staan, floot hij hem en het
waakzame gehoorzame dier ijlde zijn meester vroolijk te gemoet. "Ouwe,
domme kattenjager!" riep hij het beest toe en duwde het daarna weder
spelende van zich af. Daarop sloot hij de deur dicht en begaf zich
naar de gebouwen, die op den hof uitkwamen.

"Om in zijne woning te komen moet hij langs dezen weg terugkeeren,"
zeide Paula tot haren geleider, terwijl zij weder vrij adem
haalde. "Laten wij hier wachten. Maar nu ook geen oogenblik
verloren! Vooruit tot aan de deur van het tablinum! De hond herkent
mij nu van verre en zal niet dadelijk weder aanslaan."

Hierop liepen beiden haastig verder, en toen zij gekomen waren bij
de deur, die achter breede posten in de donkere schaduw lag, vroeg
Paula haren geleider: "Hebt gij den man die hieruit kwam herkend?"

"Onze heer Orion," luidde het antwoord. "Hij ke--keerde terug uit de
sta--ad, toen ik u voor--voorging."

"Zoo?" vraagde zij schijnbaar onverschillig, staarde in den tuin,
terwijl zij tegen het koele metalen beslag van de deur stond gedrongen,
en begreep dat zij nu terug kon keeren. Maar ter rechter tijd dacht zij
aan den hond. In elk geval moest zij den vrijgelatene den eenvoudigen
weg beschrijven, dien hij van hier had in te slaan. Doch zoover kwam
zij niet, want uit de ruimte die de voorhal van het viridarium scheidde
hoorde men eerst de schelle stem eener vrouw en daarna de zwaardere
van een man, en nauwelijks hadden beiden eenige woorden gewisseld of
het woedend geblaf van den hond overstemde alles, en terstond daarop
trof haar luisterend oor eerst het gillen en schreeuwen uit den mond
eener vrouw en daarna een gedruisch als van een zwaar vallend voorwerp.

Wat was daar gebeurd? Het moest iets vreeselijks, iets afgrijselijks
zijn, daar viel niet aan te twijfelen. Het vermoeden van Paula werd
weldra bevestigd, want door de deur aan de zijde van de plaats waar
de schrikkelijke gebeurtenis moest voorgevallen zijn, stormde Orion
naar buiten en vloog met den hond achter zich over de graszoden van
het viridarium, die als een heiligdom met zooveel zorg werden in orde
gehouden, en ijlde naar den vleugel van het huis aan de Nijlzijde,
waar zich zijne woning en die der familie bevond.

"Nu is het tijd," sprak Paula, en ging den Syriër snel voor.

Ademloos doorliep zij met haastigen tred de eerste ruimte en
overschreed den drempel van het niet overdekte voorhuis, maar zij
was nog niet in het midden gekomen, toen zij een schreeuw gaf, want
voor haar lag in het schijnsel der maan een roerloos lichaam lang
uitgestrekt op den harden marmeren vloer.

"Vlucht, Hiram, vlucht!" riep zij den vrijgelatene toe. "De deur
staat maar aan, is open, ik zie het!"

Dit zeggende knielde zij bij de levenlooze neder, hief haar hoofd op,
en zag--in het schoone, doodsbleeke gelaat van de waanzinnige Perzische
slavin! Zij voelde hoe het bloed, dat door het zware, blonde haar van
de ongelukkige heendrong, hare eigene hand bevochtigde, en eene rilling
voer haar door de leden. Maar zij overwon alle gevoel van ontzetting
en afkeer, en toen zij ook op den gescheurden peplos donkere vlekken
bemerkte, trok zij dit kleed weg en zag in de schoone blanke borst
van de ongelukkige de gapende wonden, die de gruwzame tanden van den
woedenden hond in het teere vleesch hadden gebeten.

Paula's gemoed werd overmand door toorn, zoowel als door smart en
medelijden. Hij, wien zij gisteren nog gehouden had voor een toonbeeld
van mannelijke deugd, Orion, droeg de schuld van deze gruweldaad! Hij,
van wiens stouten moed, die zichzelven niet verschoonde, zij zooveel
had vernomen, hij was gevlucht als een lafaard, hij had het offer
in den steek gelaten, dat hij tweemaal ten gronde had gericht. Doch
er was hier wat anders te doen dan te klagen, zich boos te maken,
zich af te vragen, hoe in de ziel van denzelfden mensch naast zooveel
edels en schoons, zooveel wreedheid en boosaardigheid kon wonen. Hier
moest raad geschaft worden, zij moest trachten te redden, want Mandanes
boezem bewoog zich nog zacht onder hare bevende vingers.

De vrijgelatene had een te goed hart, dan dat hij Paula en de verwonde
dadelijk zou hebben kunnen verlaten. Hij wierp de schoenen, die hij
nog altijd in de hand had, op den grond, tilde de bewustelooze op en
zette haar tegen een der zuilen van de gaanderij, die dezen voorhof
omgaf. Eerst op herhaald bevel zijner meesteres ijlde hij naar buiten.

Paula keek hem na en zoodra zij de zware deur van het atrium hoorde
dichtvallen, riep zij, zonder acht te geven op haar eigen bedenkelijken
toestand, met zulk eene luide en gillende stem om hulp, dat het bij de
nachtelijke stilte in alle richtingen van het huis weerklonk, zoodat
weldra van hier en daar een slaaf, eene dienstmaagd, een beambte,
een kok, een wachter kwamen toeschieten.

Het eerst van allen verscheen Orion, en wel zoo snel, dat hij zich op
haar geroep reeds op weg moest hebben bevonden. Het lichte nachtgewaad
dat hij droeg moest, dacht zij, den schandelijken belager zeker
het aanzien geven, als had hij juist zijn bed verlaten. Was hij het
werkelijk? Was deze man met die hoogroode kleur, met die starende
oogen, dat verwarde haar, die heesche stem dezelfde lieveling der
fortuin, wiens blijmoedig gelaat, wiens edele houding, wiens zonnige
blik, wiens hartroerend gezang haar gemoed hadden betooverd? Wat
beefden zijne handen, toen hij haar en de verwonde naderde, hoe gemaakt
en verlegen klonk zijne vraag wat hier gebeurd was, en hoe schuw keek
hij haar aan, toen hij verlangde te weten wat haar op dit late uur
naar het voorhuis voerde. Zij bleef hem het antwoord schuldig. Toen
echter spoedig daarop zijne moeder verscheen en op scherpen toon
dezelfde vraag tot haar richtte, antwoordde zij, die nog nooit een
leugen op de lippen had genomen, haastig en op stelligen toon: "Ik
kon niet slapen. Het geblaf van den hond en de jammerkreten drongen
mij naar beneden te gaan."

"Dat noem ik zijne ooren te spitsen!" zeide Neforis, ongeloovig de
schouders ophalende. "In elk geval zou ik u raden in het vervolg bij
dergelijke aanleidingen wat minder spoedig bij de hand te zijn. Sedert
wanneer vertrouwt een meisje, als er moord wordt geroepen, op hare
eigene kracht?"

"Gij hadt u ten minste wel mogen wapenen, schoone
heldendochter!" voegde Orion erbij. Maar hij had die woorden nauwelijks
geuit of hij gevoelde bitter berouw, want met welk een blik zag Paula
hem aan! Het ergerde haar zich door hem, juist door hem en op dit
oogenblik--het was voor de eerste maal--spottend, ja sarcastisch te
hooren toespreken en op zulk eene wijze aan haren vader herinnerd
te worden. Trotsch en op bijtenden toon gaf zij ten antwoord: "Het
dragen van wapenen laat ik over aan krijgslieden en moordenaars!"

"Aan krijgslieden en moordenaars," herhaalde Orion, die deed
alsof hij den zin dezer woorden niet verstond, met een gedwongen
lach. Doch hij vervolgde op bitteren toon, begrijpende dat hij zich
verweren moest: "Waarlijk, dat klinkt als kwam het uit den mond van
een teergevoelig meisje! Maar ik bid u wat nader bij te komen en u
gerust te stellen. Deze treurige wond hier aan den schouder van het
arme ongelukkige schepseltje, dat mij, verzeker ik u, meer ter harte
gaat dan u, heeft een viervoetige moordenaar haar toegebracht, die
zijne wapenen van de natuur heeft. Ja, zoo is 't gebeurd! De ruige
Beki houdt de wacht voor het tablinum. Hoe het arme schepsel hier
gekomen is, weet ik niet, maar in elk geval heeft het beest haar
geroken en toen aangevallen."

"Of ook niet," zeide opeens vrouw Neforis, terwijl zij een paar
mansschoenen opnam, die naast de gewonde op den grond lagen.

Orion werd doodsbleek, nam zijne moeder het gevondene snel uit de
handen, en zou die schoenen het liefst door het open dak weggeslingerd
hebben. Hoe kwamen ze hier? Wien behoorden ze toe? Wie was dezen avond
hier geweest? Voor hij zich naar het tablinum begaf, had hij de deur
van het atrium gesloten, en later was hij teruggekeerd om haar voor de
lieden die daar buiten waren te openen. Eerst na dit gedaan te hebben
was hij door de waanzinnige overvallen, die hem reeds bij zijn eersten
gang door het atrium moest hebben opgewacht, maar toen misschien niet
den moed had gehad hem in den weg te treden. Toen zij daarna hem op
het lijf was gevallen, had de hond haar op den grond gesleurd, eer hij
het verhinderen kon. Ja, hij zou haar zeker dadelijk bijgesprongen
en geholpen hebben, wanneer hij daardoor niet zijn binnendringen in
het tablinum verraden had. Hij had tegenwoordigheid van geest genoeg
gehad om naar zijne kamer te ijlen, zijn nachtgewaad aan te schieten
en naar de plaats des onheils terug te keeren. Toen Paula begon te
roepen, was hij reeds op weg naar de gewonde, en met welk een gevoel!

Zoo verward, zoo ontsteld, zoo diep ontevreden met zichzelven had
hij zich nog nooit gevoeld, en heden, tegenover Paula, was het
hem voor de eerste maal gebeurd, dat hij een medemensch niet in
de oogen kon zien. En dan deze schoenen! De eigenaar ervan moest
de waanzinnige begeleid hebben, en had deze hem het tablinum zien
binnengaan en verried hij wat hij, Orion, daar gedaan had, hoe zou
hij dan zijne ouders weder onder de oogen durven komen? Hij had niet
anders in den zin gehad dan eene grap, en nu was het zoo bitteren
ernst geworden! Doch het kostte wat het wilde, hij moest voorkomen
dat zijn nachtelijke gang ontdekt werd. Liever opnieuw onrecht, zelfs
het zwaarste, gepleegd, dan zijne eer te laten aantasten.--Maar wien
behoorden dan toch die schoenen? Opeens hield hij ze in de hoogte en
riep met luider stem tot de lieden, die waren toegesneld: "Behooren
deze zoolen ook aan een van ulieden, aan den deurwachter misschien?"

Toen allen zwegen en de portier zijne vraag ontkennend beantwoordde,
bleef hij nadenkend staan en ging voort met trotschen blik en op
luchthartigen toon: "Dus heeft een inbreker, die hier overvallen
is, ze laten staan. Ons huisstempel staat op het leder, ze zijn in
onze werkplaats gemaakt, en zij rieken,--overtuig er u maar van,
Sebek!--ze rieken naar den stal. Neem ze mede, man, morgen vroeg
zullen we onderzoeken wie ons dit verdacht geschenk in het atrium
heeft neergelegd. Gij zijt het eerst hier ter plaatse geweest,
schoone Paula. Hebt gij geen man hier opgemerkt?"

"Ja," antwoordde zij, terwijl zij hem vijandig en uitdagend aanzag.

"En waar is hij heen gegaan?"

"Als een vluchtende lafaard liep hij dwars door het viridarium, en
om haastiger weg te komen zelfs over de fraaie graszoden, en verdween
daarginds in de woonvertrekken."

Orion beet zich bij deze woorden op de lippen en voelde een bitteren
haat bij zich opkomen tegen dit raadsel in vrouwengestalte, in welks
hand het scheen te liggen hem te vernietigen, welks oogen vlamden van
nijd en den wil verrieden om hem te wonden. Wat voerde zij tegen hem in
het schild? Hoe kon een mensch op aarde het wagen hem, die door groot
en klein verwend was, zóo aan te zien? Want in hare blikken lag niet
enkel weerzin, maar zelfs verachting. Wie ter wereld had het recht hem
iets te verwijten, dat grond kon geven tot zulk een gevoel? Nooit,
neen nooit was hij zoo vijandig bejegend en allerminst van de zijde
van een meisje. Hij zou dat hooghartige, ongevoelige, onrechtvaardige
schepsel, dat hem zulk eene onverdiende vernedering aandeed, nadat
hij getoond had hoe zijn hart voor haar klopte; dat hem, den man die
tallooze malen zijn moed had bewezen, thans dwong het te vreezen--hij
zou het hebben willen verpletteren, en hij moest zich geweld aandoen
om niet te vergeten dat zij eene vrouw was.--Wat had dit alles toch
te beteekenen? Welk een demon dreef hier zijn duivelsch spel? Wat
was er sedert een half uur in hem zoo veranderd, dat zijn geheele
karakter hem als omgekeerd voorkwam, en men hem zóo durfde bejegenen?

Zijne moeder bemerkte dadelijk hoe de gelaatstrekken van haren
lieveling veranderden, toen Paula verzekerde dat een man zich
haastig begeven had naar de woonvertrekken. Zij verklaarde die
woorden op hare wijze en riep ernstig bezorgd: "Een inbreker  is den
Nijlvleugel van het huis binnengedrongen, de kamer misschien waar uw
vader slaapt? Barmhartige God, als hier eens weder een verraderlijk
plan was gesmeed! Spoedig, Sebek, snel! Met gewapenden naar den
rivierkant! Het geheele huis moet van boven tot beneden doorzocht
worden! Misschien pakt ge den booswicht, die het grasperk heeft
vertreden. Ge moet hem--hij mag niet ontkomen!"

De huismeester vloog weg, doch Paula beval den hovenier, die ook
was toegeschoten, met kloppend hart, terwijl hare blikken wederom de
oogen van den jongeling zochten, het voetspoor van den vluchteling,
dat nog merkbaar moest zijn in de natte zoden, met den gevonden schoen
te vergelijken.

Wederom kromp Orion van schrik ineen, en terwijl hij zich naar het
viridarium begaf, zeide hij: "Dat is mijne zaak!" Toch schaamde hij
zich voor zichzelven, en had hij een gevoel alsof hem de keel werd
dichtgeschroefd. Hij beschouwde zich als een betrapten dief, als
een bedrieger, als een ellendig wezen, en begon te begrijpen dat hij
inderdaad niet meer was, die hij geweest was vóor dien noodlottigen
gang naar het tablinum.

Paula zag hem na met een beklemd gemoed. Zou hij zoo diep gezonken
zijn, om zijne bevinding te loochenen en te verklaren, dat de breede
zool van den vrijgelatene paste in het spoor van zijn kleinen
welgebouwden voet? Zij haatte hem, maar zij smeekte toch dat hij
dit ten minste niet doen mocht, en toen hij terugkwam en verlegen
verklaarde, dat hij niet zeker was van zijne zaak, daar de schoen niet
juist in de platgetreden sporen scheen te passen, haalde zij weder
ruimer adem en begaf zij zich met den arts, die juist verschenen was,
naar de gewonde.

Eer vrouw Neforis haar volgde, trok deze Orion tot zich en vroeg hem
bezorgd wat hem toch scheelde, daar hij er zoo bleek en ontdaan uitzag;
waarop hij bedremmeld antwoordde: "Het ongeval van het arme meisje,"
en hij wees daarbij op Mandane, "gaat mij zoo aan het hart."

"Arm, teergevoelig hart! Evenals toen ge nog een knaap waart!" hernam
de moeder om hem te troosten. Zij had tranen in zijne oogen zien
glinsteren, deze golden echter niet het Perzische meisje, maar iets
geheimzinnigs, waarvoor hijzelf geen naam kon vinden, dat hem in deze
ure ontnomen was en waarvan het verlies hem onuitsprekelijk smartte.

Doch het gesprek tusschen moeder en zoon werd weldra afgebroken,
want het eerste onheil van dezen nacht werd terstond door een
ander gevolgd. De trouwe Perzische aanvoerder der karavaan, Rustem,
de bloeiende jonge man met zijne schoone kloeke gestalte, werd als
levenloos in den voorhof gedragen. Een woedende Jacobiet had hem, toen
hij met eenige spottende opmerkingen aan den geloofsstrijd deelnam,
met een stuk hout eene diepe, misschien doodelijke wond toegebracht. De
arts wijdde dadelijk zijne zorgen aan den ongelukkige, en velen uit
de met elkander fluisterende menigte, die zich door nieuwsgierigheid
of uit begeerte om te helpen in het ruime atrium verdrongen, ijlden in
allerlei richtingen, om de bevelen van den heelmeester uit te voeren.

Zoodra hij de wond van den Masdakiet onderzocht had, zeide hij barsch:
"Een Egyptische slag, want hij is van achteren toegebracht.--Wat
doen toch al die lieden hier? Weg, gij allen, die hier niets te maken
hebt!--Allereerst hebben wij twee draagstoelen noodig. Vrouw Neforis
wijze ons twee vertrekken, een voor dat arme lieve schepsel daar,
en een voor dezen flinken knaap, met wien het echter spoedig gedaan
zal zijn, als er geen wonder gebeurt."

"Aan de noordzijde van het viridarium," antwoordde Neforis, "zijn
twee vertrekken ter uwer beschikking."

"Dáar niet!" hernam de arts. "Ik heb vertrekken noodig met frissche,
vrije lucht, vertrekken die op den Nijl uitzien."

"Er zijn ook nog geschikte vertrekken op de verdieping voor de gasten,
waar de nicht van mijn gemaal woont. Meermalen zijn zieken uit de
familie daar verpleegd; maar zulke eenvoudige lieden--verstaat ge?"

"Neen, ik ben doof aan dat oor," zeide de arts.

"Nu ja, ik weet het wel," antwoordde Neforis met een lachje, "maar
die vertrekken zijn werkelijk pas nieuw ingericht voor aanzienlijke
gasten."

"Voornamere dan deze doodelijke zieken zijn er moeielijk te vinden,"
haastte Philippus zich te zeggen. "Zij staan dichter bij God en den
hemel dan gij, tot uw voordeel geloof ik. Heidaar mannen! Draag deze
kranken naar de verdieping voor de vreemdelingen."



NEGENDE HOOFDSTUK.


"Het is niet mogelijk, werkelijk niet mogelijk!" riep Orion opeens van
zijne schrijftafel opstaande. Wat hij gedaan had beschouwde hij als
een ongeluk, niet als eene schuld. Hij wist toch zelf niet, hoe hij
tot alles gekomen was. Ja, er waren demonen, booze, nijdige demonen,
en die moesten hem tot deze onzinnige daad gedreven hebben.

Gisteren avond, nadat de koop van het tapijt was gesloten, had hij
op verzoek zijner moeder de weduwe Susanna naar huis gebracht. Daar
had hij den broeder van haar overleden man, den rijken Chrysippus van
Alexandrië, een vroolijk, levenslustig man aangetroffen, en toen het
gesprek gekomen was op het tapijt en het voornemen van den Mukaukas,
om het kunstwerk met al de heerlijke juweelen die het versierden aan
de kerk te schenken, had die oude heer de handen in elkaar geslagen,
in Orions afkeuring gedeeld en lachend uitgeroepen: "Ei wat, gij
zijt de zoon, en u komt in elk geval een deel van de edelgesteenten
toe! Niet waar, Katharina? Een diamantje of een opaaltje kan er toch
voor het aardsch geluk van den jongen wel afvallen, wanneer de vader
voor zijn hemelsch welzijn zorgt. Wees toch niet gek! De maag van de
kerk is vol genoeg, en waarachtig u komt ook een hapje toe!" Bij die
gelegenheid was er veel kostelijke wijn gedronken, en ten laatste
had de oude heer, om wat beweging te nemen in de koele nachtlucht,
Orion naar huis gebracht. Hij liet een draagstoel volgen, die hem
terug moest brengen, en langs den geheelen weg had hij den jonkman aan
het verstand gebracht, dat hij zijn vader moest bewegen toch niet den
geheelen schat in den muil der kerk te werpen, maar ten minste eenige
steenen voor een schooner doel aan hem over te laten. Hij had daarbij
braaf gelachen; Orion had Chrysippus in zijn ziel gelijk gegeven
en daarbij gedacht aan Heliodora, hare liefhebberij voor groote en
fraaie edelsteenen, en aan het aandenken dat hij haar nog schuldig
was. Evenwel lag het voor de hand dat vader noch moeder aan de kerk
éen steen zouden onthouden, maar haar het geheele geschenk wilden
wijden. Doch aan hem, den zoon, kwam inderdaad toch wel iets toe
van dien overvloed, en een schooner geschenk als die groote smaragd
liet zich niet denken. Ja, dien moest zij hebben en hoe blijde zou
zij er mee zijn! Hem kwam reeds de hoofdgedachte in den zin voor de
dichtregelen, waarmede hij haar dit geschenk wilde toezenden.

Hij droeg den sleutel bij zich van het tablinum, waar het tapijt
lag, en toen hij bij zijne terugkomst de beambten nog rondom het
vuur zag zitten, sloot hij de deur van het woonhuis af, waarbij hem
eene zekere huivering overviel, die hij het laatst had gevoeld, toen
hij met zijne broeders tegen het ouderlijk verbod de vruchtboomen
had geplunderd. Bijna had hij zijn dwaas voornemen laten varen, en
terwijl hem in het tablinum andermaal die innerlijke angst bekroop,
stond hij reeds op het punt om terug te keeren, toen hij zich
Chrysippus en diens aansporing weder herinnerde. Het zou eene daad van
lafheid zijn geweest thans weg te loopen. Heliodora moest den grooten
smaragd hebben met zijne verzen erbij, de rest mocht zijn vader naar
welgevallen weggeven. Toen hij met zijn mes in de hand bij het tapijt
lag geknield, had die akelige angst van zooeven hem voor de derdemaal
overvallen, en als de groote smaragd hem niet bij den eersten greep
in de hand was gevallen, zou hij de baal stellig weder opgerold en
het tablinum onverrichter zake verlaten hebben. Doch de booze demon
had hem geholpen, hem het juweel terstond in de hand gespeeld, en
gezorgd dat twee messteken voldoende waren, om het uit het weefsel
te lichten. Zoodra het edelgesteente hem in de hand was gerold en
hij zijne zwaarte gevoeld had, was elke bezorgdheid van hem geweken
en had hij enkel met welgevallen gedacht aan het gelukken van dezen
kostelijken streek, dien hij morgen natuurlijk onder het zegel der
geheimhouding aan den ouden Chrysippus wilde mededeelen.

Hoe geheel anders vertoonde zich nu, bij het nuchtere daglicht, deze
zijne overijlde waanzinnige daad; hoe zwaar was hij thans daarvoor
gestraft en welke gevolgen kon zij nog na zich sleepen? Zijn haat
tegen Paula groeide meer en meer aan; zij had zeker alles bespied
en zou zich niet ontzien, dat had zij gisteren avond getoond, hem te
verraden. Zij had hem openlijk den oorlog verklaard, en met fonkelende
oogen deed hij de gelofte, dat hij voor haar niet wijken zou. Hij kon
zich daarbij echter niet verheelen, dat hij haar nooit schooner had
gezien dan heden in de vroegte, toen zij dreigend met half loshangend
haar tegenover hem gestaan had. "Wij moeten elkander liefhebben of
haten," mompelde hij in zichzelven; "daartusschen ligt niets. Zij
heeft het laatste gekozen. Goed! Tot hiertoe had ik alleen met mannen
te strijden, maar ook dit koude, hooghartige, overmoedige meisje,
dat elke uiting van vriendelijkheid afwijst, is geene tegenpartij
om te versmaden. Het geldt hier mij te verweeren. Doet zij mij het
ergste aan, dan heeft zij niets beters van mij te wachten.--Doch wie
is de eigenaar van de schoenen geweest? Ik heb alles voorbereid om hem
uit te vinden. Het is schande, ja meer dan schande, dat men zichzelven
niet met opgeheven hoofd in den spiegel kan aanzien! Heliodora was een
lief schepsel, een engel van goedheid. Zij heeft mij innig liefgehad,
maar dat--dat--! Ook voor haar is dit offer te groot!"

Na deze woorden sloeg hij zich met de vuist tegen het voorhoofd en
wierp zich op den divan neder. Hij begon zich vermoeid te gevoelen,
want hij had in meer dan dertig uren geen oog gesloten en heden
vroeg reeds allerlei in orde moeten brengen. Aan den huismeester
Sebek en den commandant der Egyptische wacht was bevel gegeven den
eigenaar der sandalen met behulp van de honden uit te vinden en te
grijpen. Vervolgens had hij getracht den Arabischen koopman Haschim
uit eigen beweging,--want zijn vader sliep gewoonlijk eerst tegen
den morgen in, en had zijn slaapvertrek nog niet verlaten,--wat neer
te zetten wegens de slechte bejegening Rustem, den aanvoerder der
karavaan, onder zijn dak aangedaan, hoewel met weinig gevolg. Ten derde
had de jonkman, die tegen de zwaarste lichamelijke en geestelijke
inspanningen opgewassen was, zijn verlangen bevredigd om voor de
schoone Heliodora te Konstantinopel eenige verzen te dichten. De
gedachte die hem gisteren inviel, voor hij het tablinum betrad,
had hij niet vergeten; het gelukte hem ook in zijne tegenwoordige
stemming haar in een gedicht over te brengen, dat aldus luidde:


    Gaarne verbindt zich gelijk met gelijk, zoo zegt steeds het volk,
    Hoe dan? Uw teeder gemoed siert zich met 't harde gesteent?
    Maar hij is edel en schoon, een steen van onschatbare waarde.
    Heerlijk trekt hij ons aan, zoo Heliodora ook gij,
    Neem gij dus den smaragd en weet dat schittrender vuurgloed
    Dan dit kleinood vervult, gloeit in de ziel van uw vriend.


Met vliegende stift waren deze regels neergeschreven, en daarbij
had hem, hij wist zelf niet waarom, het gevoel bezield, dat elk
woord een slag was in het aangezicht van Paula. Gisteren nacht was
hij voornemens geweest den kostbaren steen, op eene waardige wijze
in goud gevat, aan de schoone weduwe toe te zenden, maar heden
zou het een dolzinnig waagstuk zijn geweest het kleinood te laten
opmaken. Het moest onverwijld weggezonden worden, en hij had het
haastig en met eigen hand tegelijk met de dichtregelen ingepakt en ter
hand gesteld aan den chusaar, den dienaar van een paardenkooper te
Konstantinopel, door wien zijn Pannonisch vierspan naar Memphis was
overgebracht. Deze vertrouwde man, die in het geheel geen Egyptisch
en zeer weinig Grieksch verstond, had hij zooeven zelf weggezonden
en zich met een gevoel van voldoening naar huis begeven, toen diens
paard in het stof van den weg naar Alexandrië verdwenen was. Van de
havenstad staken herhaaldelijk schepen naar Konstantinopel in zee,
en de chusaar had bevel ontvangen op het eerste het beste plaats te
nemen. Hij had die verkeerde daad dus niet tevergeefs gedaan en toch
zou hij, als hij haar ongedaan had kunnen maken, bereid zijn geweest
een jaar van zijn leven prijs te geven.

"Onmogelijk" en "verwenscht" waren de woorden, waarvan hij zich
bij het terugzien op den verloopen nacht en dezen morgen het meest
bediende. Wat had hij zich bij dezen zonnegloed moeten haasten en
jagen, en het gevoel, dat hij daarbij gedwongen was geweest alles in
het geheim te doen, scheen hem, die tot hiertoe niets verricht had
wat niet te rechtvaardigen zou zijn voor de oogen van rechtschapen
mannen, zoo vernederend, dat het zweet hem van het gloeiend voorhoofd
droop. Hij, Orion, moest als een dief voor ontdekking vreezen! Die
gedachte was onuitstaanbaar, en hij vreesde werkelijk voor de eerste
maal sedert hij de kinderschoenen ontwassen was.

Zijne geluksster, die hem in de hoofdstad zoo vriendelijk had
beschenen, bleek hem in dit armzalig nest ontrouw geworden te zijn. Wat
had die Perzische, met wie hij eens wat had geliefkoosd--en welke
knaap van zijne jaren was er blind voor de schoonheid van aardige,
jonge huisslavinnen--toch in hare krankzinnige hersens gehaald,
dat zij hem als een woedend roofdier op het lijf was gevallen? Zij
was een lieftallig kind geweest, en tot zijn leedwezen, ja tot zijne
ergernis schandelijk verminkt geworden. Herstelde zij van het gebeurde,
en dat hoopte hij hartelijk, dan was het natuurlijk zijne zaak voor
haar te zorgen. Maar hoe? Als hij billijk was moest hij erkennen, dat
zij alle recht had om hem te haten.--Maar die Damasceensche? Hij had
haar niets dan vriendschap bewezen, en hoe duidelijk had zij hem toch
hare vijandschap getoond. Hij zag haar daar voor zich staan met dat
"moordenaar" op de bevende lippen. Dat woord had hem getroffen als
een lanssteek. Welk eene hatelijke, nietswaardige, onrechtvaardige
aanklacht lag er in dien uitroep! Zou hij zich dat ongestraft laten
aanleunen?

Was zijzelve dan even schuldeloos als hoogmoedig en koud? Wat had
haar bewogen bij nacht naar het viridarium te gaan? Want daar moest
zij geweest zijn, vóor die ongelukkige hond Mandane had ter aarde
geworpen. Van eene vertrouwelijke samenkomst met den eigenaar der door
zijne moeder ontdekte schoenen, die aan een der lagere staldienaars
toebehoorden, kon geen sprake zijn. De liefde, dit moest hij erkennen
was hier bij uitzondering niet in het spel, doch toen hij tehuis
kwam had hij een man over den hof zien loopen, die geleek op haren
vrijgelatene, den paardrijder Hiram. Waarschijnlijk had zij met den
stotteraar eene samenkomst gehad, om, om... hier was maar éen ding
mogelijk.--Zij had plan om te vluchten uit zijn ouderlijk huis en
daarbij had zij de hulp van een man noodig.

Dat haar het leven door zijne moeder juist niet aangenaam werd gemaakt,
had hij reeds in de eerste uren na zijne terugkomst opgemerkt, en toch
was zijn vader wellicht aan haar wensch te gemoet gekomen om een nieuw
verblijf voor haar te zoeken. Maar waarom haastte zij zoo om weg te
komen, waarom wilde zij vluchten? Op dat watertochtje en daarna bij den
terugkeer naar huis had hij er op willen zweren, dat zij hem liefhad,
en de herinnering aan die uren deed zijn gevoel voor haar weder zoo
krachtig spreken, dat zij de gedachte aan de wraak die hij nemen,
aan eene straf die hij haar toedienen wilde, geheel uitwischte. Daarop
kwam de kleine Katharina hem voor den geest, die zijne moeder bestemd
had voor zijne gade; en terwijl hij aan haar dacht glimlachte hij
even. Hij had in den keizerlijken tuin te Konstantinopel een vreemden
Indischen vogel gezien, klein van kop en lijf, maar met een verbazenden
staart, schitterende van zilver en parelglans. Dat was een beeld van
Katharina. Zijzelve was eenvoudig niets, maar als een staart sleepten
haar achterna, uitgestrekte grondbezittingen en enorme kapitalen,
en daarop alleen had zijne moeder het oog gericht. Maar had hij dan
nog meer noodig dan hij reeds bezat? Hoe rijk moest zijn vader wel
zijn, dat hij zulk eene verbazende som voor een offer aan de kerk kon
uitgeven, even onverschillig als men een bedelaar een aalmoes schenkt!

Katharina en Paula! Ja, die kleine was een vroolijk aardig ding, maar
de dochter van Thomas... Welk eene tooverkracht lag er in hare oogen,
welk eene majesteit in haren gang, hoe--betooverend en welluidend
kon hare stem, ja hare stem--in--

Bij deze gedachte sliep hij in, door de warmte en vermoeidheid
overmand. In een droom zag hij Paula, rustende op een bed met rozen
bestrooid; het was echter geen peluw maar een blauwe zacht bewogen
waterstroom. Rondom haar ruischten wonderbare tonen, die het hart in
verrukking brachten. Hij wilde haar naderen maar plotseling schoot een
groote zwarte adelaar op haar neder, die hem met de breede vleugels
in het aangezicht sloeg en, terwijl hij half verblind de handen voor
zijne oogen bracht, de rozen van het rustbed der slapende wegpikte,
gelijk een haan graan en gerstkorrels. Hij werd boos, wierp zich op
den vogel en greep met de handen naar hem; doch zijn voet was als
in den grond vastgegroeid, en hoe meer hij zich inspande om zich
vrij te bewegen, des te krachtiger werd hij teruggehouden. Als een
waanzinnige worstelde hij tegen de kracht die hem vasthield tot zij
hem plotseling losliet. Hij voelde het nog toen hij tegelijkertijd
ontwaakte en de oogen opende, terwijl het zweet langs zijne slapen
gutste. Naast hem stond zijne moeder, die de handen op zijne voeten
gelegd had om hem te wekken.

Zij zag er bleek en bezorgd uit en bad hem haar dadelijk te volgen naar
zijn vader, die zeer ongerust was en verlangde hem te spreken; waarop
zij hem haastig verliet. Terwijl hij vlug zijne haarlokken ordende en
zich de schoenen liet aanbinden, verdroot het hem dat hij, nog geheel
bevangen door zijn dwazen droom en maar half wakker, zijne moeder had
laten gaan, zonder onderzoek te doen naar de omstandigheden, die zulk
eene ongerustheid bij zijn vader hadden gewekt. Zouden zij betrekking
hebben op hetgeen er in den afgeloopen nacht was gebeurd? Maar neen,
als men hem in verdenking had gebracht, dan zou zijne moeder hem zeker
hiervan onderricht en gewaarschuwd hebben. Het moest iets anders
zijn. Misschien was de reusachtige aanvoerder van de karavaan des
ouden koopmans aan zijne wonde gestorven, en zijn vader zou hem over
den Nijl willen zenden naar den Arabischen regent van het Nijldal,
om dezen vergiffenis te vragen voor het vermoorden van een muzelman,
en dat wel in het stadhouderlijk paleis. Deze manslag kon inderdaad
bedenkelijke gevolgen na zich sleepen. Doch misschien gold het ook
gansch andere zaken.

Zoodra hij zijne kamer had verlaten, drukte hem de bijzonder zwoele
lucht, die boven het huis broeide, en een pijnlijk gevoel als van
schaamte greep hem aan, toen hij het viridarium doorliep en een blik
wierp op het grasperk, waarin hij voor het aanlichten van den dag,
dank zij de kwalijk gemeende waarschuwing van de Damasceensche, elk
zijner voetsporen zorgvuldig had uitgewischt. Hoe laf, hoe gemeen
was dat alles! Het hoogste goed: de eer, de achting voor zichzelven,
het trotsche bewustzijn dat hij een brave kerel was, dat alles had
hij op het spel gezet en prijsgegeven voor niets! Hij had zich in
het aangezicht willen slaan of luide uitweenen als een kind, dat zijn
mooiste speelgoed gebroken heeft. Maar wat hielp dat alles? Aan het
gebeurde viel niets te veranderen, en hij had nu de oogen maar goed
open te houden om, hoe diep ook gezonken in zijne eigene schatting,
toch voor anderen nog te blijven die hij tot hiertoe geweest was.

In de door gebouwen omgevene opene ruimten was het gloeiend heet,
geen mensch vertoonde zich, het huis was als uitgestorven; de bonte
vlaggestokken en hekwerken, evenals de ter eere van zijne tehuiskomst
opnieuw geverfde zuilen van de veranda, die nog altijd met guirlandes
en kransen getooid waren, verbreidden een onaangenamen geur van
smeltend lak, van drogend vernis en van verwelkte bloemen. De lucht
trilde, al voelde men ook geen ademtocht; dit scheen wel veroorzaakt
te worden door de brandende zonnestralen, die alles wat zij ontmoetten
als pijlen troffen. De boven de planten en bloemen zwevende kapellen
en insecten schenen Orion de vleugeltjes al trager te bewegen, en
de fontein in het middenstuk van het viridarium zich langzamer en
lager dan anders te verheffen. Alles rondom hem was heet, zwoel en
beklemmend, en de zelfstandige jonge man die op de handen gedragen,
sedert jaren het leven doorgevlogen was, beschermd door alle goede
geesten en door geen hinderpalen gestuit, gevoelde zich thans
belemmerd, beangstigd en als in de engte gedreven.

In de koelere fonteinzaal zijns vaders schepte hij weder vrijer adem,
doch slechts voor een oogenblik; want weldra werd hij doodsbleek,
en moest hij al zijne krachten verzamelen om zijn vader kalm en op
gewone wijze een morgengroet te brengen. Daar lag voor den divan,
waarop de stadhouder zich als gewoonlijk had neergevleid, het Perzische
tapijt, en daarbij stonden zijne moeder en de Arabische koopman. De
huismeester Sebek wachtte op den achtergrond in deemoedige, voor zijn
ouden rug vrij pijnlijke houding de bevelen zijns meesters, die hem
anders nooit lang in deze houding liet staan. Orion bemerkte het en
gaf hem een wenk om zich op te richten.

Diepe ernst lag er heden in de zachte trekken van den Arabier, en
uit zijne vriendelijke oogen sprak eene droeve bezorgdheid. Bij het
binnentreden van den jongeling, dien hij reeds in de vroegte ter loops
gesproken had, boog hij zich even. De stadhouder, die daar lag met
eene vale kleur en bleeke lippen, opende de oogen ter nauwernood bij
de begroeting van zijn zoon. Het was alsof er in het naaste vertrek
een lijkbaar stond, terwijl de rouwdragenden hier waren saamgekomen.

Orion bemerkte op het half uitgerolde tapijt terstond de plek
waar het hoofdsieraad, de groote smaragd ontbrak, die--iets wat
niemand buiten hem weten kon--zich reeds op weg naar Konstantinopel
bevond. Zijn diefstal was dus ontdekt. Hoe vreeselijk, hoe noodlottig
kon deze gebeurtenis afloopen! "Moed, moed gehouden," zeide hij
tot zichzelven. "Als ge maar uwe tegenwoordigheid van geest niet
verliest! Wat is u een leven waard zonder eer? De oogen dus open en
alles er aan gewaagd! Orion!"

Het gelukte hem spoedig geheel tot kalmte te komen en op een toon,
die maar weinig verschilde van zijne gewone manier van spreken,
zeide hij: "Wat ziet gij er allen bedrukt en verlegen uit! Het is
een onheil dat de hond het arme meisje zoo jammerlijk gebeten heeft,
en dat onze lieden zich zoo schandelijk hebben misdragen. Doch ik heb
het u zoo straks reeds gezegd, waardige heer, de schuldigen zullen
het aan lijf en leven boeten. Mijn vader laat het zeker aan u over
hen naar goedvinden te straffen. Gelukkig is onze arts Philippus,
niettegenstaande zijne jeugd, een tweede Hippokrates, dat verzeker ik
u! Hij naait den prachtigen kerel, den aanvoerder van uwe karavaan
meen ik, weder netjes aan elkaar, en wanneer er sprake is van eene
schadevergoeding, dan zal mijn vader, dat weet gij, niet afdingen..."

"Ik bid u," dus viel de koopman hem in de rede, "om bij het onrecht,
dat mij in dit huis is aangedaan, niet nog beleedigingen te voegen. Er
is geen som te noemen, waarmede men mijn toorn over het vergoten bloed
van een vriend--want dat was Rustem voor mij--een vrije en wakkere
knaap, kan bezweren. Ik zal eischen dat de daders gestraft worden,
want bloed eischt bloed. Zoo denken wij er over, en hoewel uwe leer
het tegendeel gebiedt, gij handelt toch, zoover ik weet, niet anders
dan wij. Aan uw arts gun ik alle eer, maar het doet mij leed, ja,
het ergert mij te zien dat zulke dingen gebeuren in het huis van een
man, aan wien de Kalief het wel en wee der Egyptische christenen heeft
toevertrouwd. Gij, die u op uwe zachtmoedigheid beroemt, gij hebt een
braven, zij het ook eenvoudigen man, in vollen vrede doodgeslagen,
of waarschijnlijk voor zijn gansche leven ongelukkig gemaakt. Wat
uwe eerlijkheid betreft, ze schijnt mij...."

"Wie waagt het haar aan te tasten?" vroeg Orion.

"Hij, jonge heer," antwoordde de koopman met de kalmte van een man
op rijper jaren, "die de koopwaar gisteren door hem verkocht, heden
beroofd ziet van haar kostelijkst sieraad."

"Men heeft heden nacht den grooten smaragd uit het tapijt gesneden,"
voegde vrouw Neforis ter verklaring erbij. "Gij vergezeldet gisteren
avond de lieden die de baal wegdroegen, en liet haar onder uwe oogen
in het tablinum leggen."

"In het kleed, waarin uwe eigene lieden het tapijt hebben gewikkeld,"
zeide Orion. "De oude, brave Sebek daar was erbij. Wie heeft de
baal heden morgen vroeg van hare plaats genomen, hierheen gebracht
en uitgerold?"

"Tot ons geluk kan ik verklaren," antwoordde de koopman, "uwe moeder
in eigen persoon, die man daar, uw huismeester als ik mij niet vergis,
en uwe eigene slaven."

"Waarom liet men het tapijt niet waar het was?" vraagde Orion,
terwijl hij duidelijk de ontevredenheid liet blijken, die hem op dit
oogenblik vervulde.

"Omdat ik," antwoordde de Arabier, "uw vader op goede gronden
verzekerde, dat de schoonheid van dit edele kunstwerk en de
kostbaarheid der steenen die het versieren, bij dag en in het zonlicht
nog veel beter gewaardeerd kunnen worden dan bij het schijnsel van
lampen."

"Uw vader verlangde dit pas verworven stuk nog eens te zien,"
vulde vrouw Neforis weder aan, "ook om den verkooper te vragen hoe
men de juweelen het best uit het tapijt zou kunnen losmaken, zonder
het weefsel zelf te bederven. Daarop ben ik met Sebek het tablinum
binnengegaan."

"Maar ik heb den sleutel er van!" zeide Orion, terwijl hij in de
borstplooien van zijn gewaad tastte.

"Dat hadden wij niet bedacht," vervolgde de vrouw des huizes. "Wij
konden er, helaas! ook zonder sleutel in, want het tablinum, stond
open."

"Ik heb het gisteren avond toch gesloten; gij zijt erbij geweest,
Sebek!"

"Ik heb reeds aan mijne meesteres gezegd," antwoordde de huismeester,
"dat ik mij zeer goed herinner het knippen van het stevige slot goed
gehoord te hebben."

Orion haalde de schouders op, terwijl zijne moeder vervolgde: "Doch in
den nacht moet de metalen deur met een looper of een ander instrument
geopend zijn; want een gedeelte van het tapijt was uit het doek
getrokken waarin het gewikkeld was, en toen wij nader onderzochten
bleek, dat men den smaragd uit het weefsel had gereten."

"Dat is schandelijk!" riep Orion.

"Eene onwaardige daad!" voegde de stadhouder erbij, terwijl hij
zich driftig van zijn leger oprichtte. Groote onrust en martelende
angst hadden hem overvallen; want zijn Heer en Heiland, wien hij het
kostelijk juweel had toegedacht, scheen hem voor te gering of te zondig
te houden, om het uit zijne hand als een geschenk aan te nemen. Doch
mogelijk wilde de satan hem beletten met zulk eene kostelijke gave den
Allerhoogste te naderen. Menschelijke boosheid was in elk geval hier
mede in het spel en daarom vervolgde hij streng en ernstig: "Men zal de
zaak onderzoeken en in den naam van Jezus Christus, wien de steen reeds
toebehoorde, zal ik niet rusten, voor ik den dader in handen heb."

"En in naam van Allah en de profeet," voegde de Arabier erbij,
"zal ik u daarin bijstaan, al moest ik den veldheer Amr, die de
vertegenwoordiger is van den verheven Kalief hier te lande, ter hulp
roepen. Men heeft zich hier een woord laten ontvallen, dat ik niet
vergeten kan of mag, en de toon waarop gij, jonge man, gesproken
hebt, scheen uit dezelfde bron te wellen; de oude vos, zoo zeide men,
heeft een onechten steen van verbazende grootte in het tapijt gezet
en dien laten stelen, opdat zijn bedrog niet aan den dag zou komen
als de goudsmid het juweel in het zonlicht onderzoekt. Dat was te
veel. Ik ben een eerlijk man, geëerde gastheer, ik wil het hier wel
bekennen, een rijk man bovendien, en wie aan mijn goeden naam, dien ik
gedurende mijn gansche leven ongeschonden heb bewaard, in mijne oude
dagen afbreuk zou willen doen, die zal tot zijne schade ondervinden,
dat den ouden Haschim grooter en machtiger vrienden ter zijde staan
dan u lief zullen zijn."

Onder het uitspreken van deze bedreiging waren de zachte oogen van den
koopman vochtig geworden, want het griefde hem dat hij onrechtvaardig
werd verdacht, en dat hij den Mukaukas, wien hij achting toedroeg
en die zijn medelijden opwekte, zoo hard moest bejegenen. Uit den
toon zijner woorden viel op te maken, dat hij inderdaad een machtig
man was, die het uiterste op het spel zou zetten, en daarom haastte
Orion zich met warmte te zeggen: "Wie heeft het gewaagd zoo gering
over u te denken?"

"Tot mijn spijt uwe eigene moeder," antwoordde de muzelman bedroefd,
waarbij hij op oostersche wijze treurig en ontevreden de schouders
hoog ophaalde.

"Val er haar niet hard om," smeekte de Mukaukas. "God weet het, de
vrouwen zijn zachtaardiger van gemoed dan wij, en toch zijn zij eerder
geneigd kwaad te denken van hare medemenschen en de vijanden van haar
geloof. Daarentegen zijn zij ook voor het goede sneller ontvankelijk;
het haar eener vrouw is lang, maar haar verstand is kort, zegt het
spreekwoord."

"Wat gij ons vrouwen al niet ten laste legt," hernam Neforis. "Scheld,
scheld maar op mij, als u dit verlichten kan." Daarna ging zij voort,
terwijl zij liefdevol het kussen voor haar man recht legde en hem
opnieuw een wit pilletje toestak: "Heden zal ik mij ook het ergste
laten welgevallen, want ik heb ongelijk. Ik heb u reeds vergeving
gevraagd, waardige Haschim, en ik doe het andermaal, ik doe het
van harte!"

Bij deze woorden naderde zij den Arabier en gaf hem de hand; doch
deze nam haar slechts even aan om haar dadelijk weer los te laten,
zeggende: "Het valt mij niet zwaar te vergeven, maar het zou mij niet
mogelijk zijn onder u, en nergens ook maar een stofje op mijn reinen
en onbevlekten naam te laten kleven. Ik zal, zonder mij aan iets of
iemand te storen, deze zaak zonder verschooning onderzoeken. En nu nog
eene vraag: Die hond, die voor het tablinum lag, is een waakzaam dier,
dat van zich afbijt, niet waar?"

"Hoe hij bijten kan, heeft hij heden aan de arme Perzische slavin
getoond, en zijne waakzaamheid is in het geheele huis bekend,"
zeide Orion.

"Maar ik," sprak vrouw Neforis, "bid u en zeker in ons aller naam,
waardige heer, ons met uwe ervaring te helpen. Ik zelve... Wacht
maar, wacht! Eene vrouw heeft ondanks haar lange haren en haar klein
verstand menigmaal een gelukkigen inval. De inbreker, dat is zoo
klaar als de dag, moet onder de huisgenooten schuilen, omdat de hond
hem niet heeft aangevallen. Aan Paula, de dochter van Thomas, die de
Perzische zoo wonderbaar snel ter hulp kwam, mag men niet denken...."

Hier viel haar gemaal haar in de rede en riep haar knorrig toe:
"Dat meisje, vrouw, moet ge buiten spel houden!"

"Alsof ik haar voor eene spitsboeve hield!" antwoordde Neforis geraakt,
terwijl zij de schouders ophaalde, waarop Orion zacht verwijtend
uitriep: "Maar moeder, bedenk toch...."

Voor hij verder kon gaan vroeg de koopman: "Bedoelt gij de jonkvrouw,
die mij gisteren zoo hard bejegende?--Nu dan, voor hare onschuld
sta ik borg met mijn geheele vermogen. Dit schoone, hartstochtelijke
meisje kan zulk eene oneerlijke daad niet bedreven hebben."

"Hartstochtelijk?" zeide Neforis lachend, "haar gemoed is koud en
hard als de gestolen smaragd; dat hebben wij ondervonden."

"En toch," sprak Orion, "is zij tot eene laagheid niet in staat."

"Wat kunnen mannen zich toch warm maken voor een paar schoone
oogen!" zeide de moeder. "Doch ik denk in de verte niet aan haar;
ik had wat anders op het oog. Er werden gisteren bij de verwonde een
paar mansschoenen gevonden. Hebt gij daarmede gedaan, Sebek, wat de
heer Orion u bevolen heeft?"

"Terstond, vrouwe," antwoordde de huismeester, "en ik wacht reeds
lang op den bevelhebber van de wacht, Psamtik...."

Hier werd hij gestoord, want de man van wien sprake was, die reeds
sedert twintig jaren de huiswacht van den Mukaukas commandeerde,
werd in de zaal gebracht en begon, nadat hij eenige voorloopige
vragen beantwoord had, bericht te geven van zijne bevinding met zoo
luide stem, dat het den stadhouder pijn deed en diens gemalin hem
moest verzoeken wat zachter te spreken. De speur- en dashonden waren
losgelaten, nadat men ze de zolen onder den neus had gehouden, en een
paar beesten hadden spoedig den weg naar de dienstpoort gevonden,
waar Hiram op Paula gewacht had. Vervolgens waren zij voor de trap
blijven staan, hadden daar links en rechts gesnuffeld en waren eenige
treden naar boven gesprongen.

"En die trap leidt naar Paula's kamer," merkte Neforis schouderophalend
op.

"Maar de dassen waren op een valsch spoor," haastte de bevelhebber
zich te zeggen. "Die giftige padden hadden nog onschuldige zielen in
verdenking kunnen brengen. De blaffers vlogen weldra allen te zamen
in den heerenstal naar onze edele rossen, en renden daar op en neer
als de satan, als hij eene verdoemde ziel op de hielen zit. Den knaap
van den vrijgelatene, die met de dochter van den grooten Thomas van
Damascus hier gekomen is, had de bende spoedig overhoop geworpen, en
in de woning van zijn vader ging het er eerst recht op los. Hemel en
aarde wat een geblaf, een gejank, een gebrul! In elken ouden lap hebben
zij de neuzen gestoken, en nu wisten wij waar het gat van den wijnzak
was. Het doet mij leed voor den man; hij is een vervloekte stotteraar,
maar als ruiter en paardenkenner komt hem alle eer toe. Aan Hiram
behooren de zolen, zoowaar ik twee oogen in mijn hoofd heb. Doch wij
hebben hem nog niet gevonden. Hij moet over den stroom zijn gegaan,
want er werd een bootje gemist, en daar waar het gelegen had, begon
het gehuil opnieuw. Als de ongeloovigen aan de overzijde hem niet in
bescherming nemen, dan krijgen wij hem zeker te pakken!"

"Dan hebben wij den booswicht!" riep Orion, en hij haalde daarbij zoo
diep adem, alsof hem een pak van het hart was genomen. Daarna ging
hij voort op bevelenden toon, en zijne stem klonk daarbij zoo boos,
dat de blos, die zooeven zijne wangen had gekleurd, bezwaarlijk een
gevolg kon zijn van deze laatste goede tijding: "Indien hij twee uren
na den middag niet terug is, dan zet gij hem na met al uwe manschappen
en levert hem over. Mijn vader zal u een volmacht geven en dan zullen
de Arabieren daarginds u bijstaan. Misschien is de dief reeds eerder
in onze handen, en met hem de smaragd, wanneer het den schurk niet
gelukt het juweel te verstoppen of te verkoopen." Daarop daalde zijne
stem en vervolgde hij op meewarigen toon: "Jammer van den man! Wij
hebben geen beter paardenkenner in den stal! Ziedaar moeder, uw woord
weer bevestigd: om goed bediend te zijn, moet men spitsboeven koopen."

"Eigenlijk," merkte vrouw Neforis nadenkend op, "behoort Hiram in
het geheel niet tot ons gezin. Hij is eene vrijgelatene van Thomas
en kwam met zijne dochter hierheen. Ieder roemt zijne bruikbaarheid
in den stal, en had deze inbraak niet plaats gehad, wij zouden hem
levenslang gehouden hebben. Als het meisje zich in het hoofd had
gezet ons te verlaten en hem mede te nemen, hadden wij hem niet kunnen
terughouden. Gij moogt zeggen wat gij wilt, mij lasteren en smaden,
ik bezit nu eenmaal niet wat gij verbeeldingskracht noemt en zie de
dingen naakt zooals zij zijn; maar een zekeren samenhang tusschen
het meisje en den dief moet er toch bestaan."

"Gij zult eindelijk over deze dwaasheden zwijgen," voer haar
gemaal uit, en hij zou nog meer gezegd hebben, als niet op hetzelfde
oogenblik de aandiener gehoor had gevraagd voor den joodschen juwelier
Gamaliël. De man was gekomen om inlichting te geven omtrent den
verloren edelsteen.

Op dit bericht werd Orion doodsbleek en keerde zich van den koopman af,
terwijl de Israëliet binnentrad, die den vorigen avond met de beambten
bij het vuur had gezeten. Onverwijld begon hij zijn bericht, en wel op
den hem eigenen vroolijken toon. Hij was zoo rijk, dat hem het verlies
dat hij stond te lijden niet schelen kon, en zoo eerlijk, dat hij zich
verblijdde gestolen goed aan den rechtmatigen bezitter terug te kunnen
geven. Heel vroeg in den morgen, zoo deelde hij mede, was de stalknecht
Hiram bij hem geweest, om hem een wonderbaar grooten en schoonen
smaragd te koop aan te bieden. De vrijgelatene had verzekerd, dat het
juweel behoorde tot de nalatenschap van den beroemden Thomas, zijn
vroegeren meester. Het had gezeten aan het hoofdstel van den hengst,
waarop de held van Damascus het laatst had gereden, en zóo was het in
zijn bezit gekomen. "Ik bood hem," ging de man voort, "wat mij billijk
scheen, en gaf hem tweeduizend drachmen als voorschot; hij verzocht
mij de rest voorloopig nog te bewaren. Ik ging op zijn voorstel in,
maar weldra bereikte een verdacht geluid mijn oor. Daar joegen me de
drijvers de speurhonden de stad in. God beware me, wat een gekef! Dat
vee stelde zich aan als wilde het mijn arme huis aan stukken blaffen,
gelijk de bazuinen, weet ge, de muren van Jericho omverbliezen. 'Wat
brengt ge voor nieuws?' vroeg ik den heer hondendrijver, en ziedaar,
mijne achterdocht was zoo echt geweest als de smaragd, en hier, heer
stadhouder, breng ik het steentje, en wijl ieder zuigeling in Memphis
reeds van de min hoort, als zij niet stom is, welk een rechtvaardig
man de groote Mukaukas Georg is, zult gij mij wel teruggeven wat ik
den stotterenden boef voorschoot. Gij maakt daarbij nog goede zaken,
edele heer, want ik verlang voor de twee uren, gedurende welke het
juweel mijn eigendom was, niet eens bewaargeld of interest."

"Hier met den steen!" riep opeens de Arabier, wien de schertsende
toon van den jood begon te vervelen. Hij ontrukte hem den smaragd,
woog hem in de hand, bracht hem dicht onder de oogen, hield hem
daarna weder op een afstand, beklopte hem met een hamertje, dat hij
uit zijne borstzak haalde, paste hem in de opene plek van het tapijt,
en onderzocht den steen met scherpen, nu eens achterdochtigen dan
weer bevredigenden blik.

Terwijl dit plaats had veranderde Orion herhaaldelijk van kleur en de
zweetdroppels parelden hem thans op het schoone bleeke aangezicht. Was
hier een wonder geschied? Hoe kon deze steen, die op weg was naar
Alexandrië, in handen van den jood gekomen zijn? Of zou de chusaar
het pakketje geopend en den inhoud aan Hiram en door dezen aan den
juwelier verkocht hebben? Hij moest weten wat er van was en terwijl
de Arabier den steen nog onderzocht, naderde hij den goudsmid en
vroeg: "Hebt gij stellig en zeker--het geldt hier de gevangenis of
de vrijheid--den steen van den Syrischen paardrijder Hiram gekocht
en van geen ander? Ik bedoel: kent gij den man zoo goed, dat hier
geen vergissing kan plaats hebben?"

"God zal me liefhebben!" antwoordde de jood, terwijl hij een stap
terugtrad van Orion, die hem met fonkelende oogen aanstaarde. "Hoe
kan de jonge heer er aan twijfelen! Uw geëerde vader kent mij sedert
dertig jaren, en ik, ik zou den Damascener niet kennen? Wie anders
in Memphis kan zoo goed stotteren? Heeft hij me niet met uwe razende
hengsten de helft mijner kinderen bijna om het leven gebracht? Elk kind
toch, zeg ik, heeft hij me half dood gemaakt van schrik. Springlevend
zijn ze allen nog, God beware ze, maar gezonder zijn ze door dien
paardrijder niet geworden, want de frissche lucht doet de kinderen
goed, en uit vrees voor zijne gevaarlijke kunststukken, heeft mijne
lieve Rebecca ze in de kamer gehouden, tot hij weer tehuis was."

"Alles goed!" zeide Orion, hem in de rede vallende, "op welk uur heeft
hij u den smaragd aangeboden. Zeg het precies! Bezin u goed! Wanneer
is het gebeurd? Gij zult het toch wel weten."

"Adonai, hoe zou ik?" antwoordde de jood. "Maar wacht, heer, misschien
kan ik het toch zeggen. Bij deze hitte staan we op vóor de zon opgaat;
dan wordt het morgengebed gedaan, de soep gegeten en..."

"Geen praatjes!" zeide Orion, ongeduldig.

Doch Gamaliël ging voort, zonder zich van de wijs te laten
brengen. "Dan springt de kleine Ruth mij op den schoot en trekt me
de witte haartjes uit, die me telkens aan den neus groeien, en juist
toen het kind er mee bezig was en ik 'o weh' riep, had de zon de
steenen bank bereikt, waarop dit gebeurd is."

"En wanneer bereiken de zonnestralen die bank?" vraagde Orion.

"Juist twee uren na zonsopgang," antwoordde de jood, "namelijk in dit
jaargetij. Bewijs mij morgen vroeg de eer van bij mij te komen; het
zal u zeker niet berouwen, want gij zult schoone waren, beeldschoone
zelfs te zien krijgen--en kijk dan zelf naar de schaduw."

"Twee uren na zonsopgang," prevelde Orion zacht binnen 's monds,
waarop hij met vernieuwde verbazing tot zichzelven zeide, dat hij wel
vier uren later het pakje aan den chusaar had toevertrouwd. Aan de
verklaring van den jood viel niet te twijfelen. Deze rijke, eerlijke
en vroolijke man loog niet, derhalve kon het door hem verzondene en
door Hiram verkochte kleinood in geen geval hetzelfde zijn. Maar hoe
dan alles te verklaren? Het was om het verstand te verliezen! En dan
niet te mogen spreken, terwijl reeds zijn zwijgen bedrog was, bedrog
jegens vader en moeder! Wanneer de ongelukkige stotteraar slechts wist
te ontkomen! Kreeg men hem in handen, dan--dan, genadige hemel! Maar
neen, het was niet denkbaar. Vooruit dan, volgehouden! In het uiterste
geval--de eer van honderd stalknechts kon toch op verre na niet opwegen
tegen die van Orion alleen--dan moest de man, hoe ontzettend het ook
was, dan moest hij prijsgegeven worden! Hij wilde en kon er altijd
voor zorgen, dat hij weder vrij kwam en zijn leven gespaard bleef.

Intusschen was de koopman aan het einde van zijn onderzoek en toch
niet tot volle zekerheid gekomen. Orion had hem gaarne afgeleid,
want als de koopman allen twijfel varen liet en den teruggebrachten
steen als den gestolene erkende, was er veel gewonnen, en daarom
wendde hij zich weder tot hem met te zeggen: "Laat mij, bid ik u,
den smaragd nog eens zien; het zal toch wel niet mogelijk zijn een
tweeden te vinden, aan dezen geheel gelijk?"

"Dat zou ik niet durven verzekeren," antwoordde de Arabier
ernstig. "Deze steen gelijkt dien uit het tapijt op een haar, doch hij
heeft hier eene kleine verhevenheid, die ik bij den smaragd nooit heb
opgemerkt. Ongetwijfeld werd hij nooit uit zijne omgeving losgemaakt,
en misschien heeft dit kleine knobbeltje op het weefsel gelegen;
en toch, toch--Zeg eens, goudsmid, gaf de dief u den smaragd geheel
naakt, zonder eenig omhulsel?"

"Zoo naakt als Adam en Eva, voor zij den appel hadden gegeten,"
antwoordde de jood.

"Dat 's jammer, zeer jammer!" hernam de koopman. "Het komt mij voor
als ware de steen in het tapijt ook een weinig langer geweest. In
dit geval is het bijna dwaas en ondenkbaar dat er twijfel zou kunnen
bestaan, en toch vraag ik mijzelven: Zou dit werkelijk de steen zijn,
die in den bloemknop heeft gezeten?"

"Maar om 's hemels wil," riep Orion, "de dubbelganger van zulk een
eenig juweel valt toch niet op hetzelfde oogenblik uit de lucht in
hetzelfde huis neder! Verblijden we ons, dat het verloren schaap is
wedergevonden. Ik zal het kleinood thans in de ijzeren kist sluiten,
vader, en zoodra gij den roover beet hebt, moet ik geroepen worden,
verstaat gij, Psamtik?"

Hierop groette hij zijne ouders met een wenk, bood den Arabier de hand
en wel op eene wijze, die ieder goed moest doen en ook den ouden heer
opnieuw voor hem innam, en verliet het vertrek.

De goede naam van den koopman was gered, doch de nauwgezette man
gevoelde zich verontrust door den twijfel, dien hij maar niet
onderdrukken kon. Toen hij van den Mukaukas afscheid wilde nemen,
was deze zoo diep in zijn kussen gezonken en hield hij de oogen zoo
vast gesloten, dat niemand weten kon of hij waakte of sliep, en zoo
verliet de Arabier hem zonder groet, daar hij hem in het laatste
geval niet wilde storen.



TIENDE HOOFDSTUK.


Paula had zich na de aandoeningen van den laatsten nacht met
een kloppend hart op het rustbed geworpen. Zij kon den slaap maar
niet vatten, en een paar uren na zonsopgang was zij opgestaan om de
vensterluiken te sluiten. Daarbij had zij naar buiten gekeken en gezien
hoe Hiram in een der booten van den Mukaukas was gesprongen en het
lichte vaartuig van den oever had gestooten. Zij durfde roepen noch
wenken, maar nadat de trouwe man midden op den stroom was gekomen,
had hij omgekeken, het gezicht naar haar venster gewend, haar in
het witte morgengewaad herkend, en den roeiriem hoog en sierlijk
in de hoogte gehouden. Dat kon alleen beteekenen dat hij zijn last
volvoerd en het kleinood verkocht had. Hij stak nu den Nijl over,
om den Nabateër aan te werven.

Nadat zij de luiken gesloten en het vertrek duister gemaakt had, legde
zij zich nog eens neder, en nu deed de jeugd hare rechten gelden;
de zwaar vermoeide viel in een diepen slaap, die niet door droomen
werd verontrust. Toen zij ontwaakte, terwijl het zweet haar op het
voorhoofd parelde, was de zon nog maar weinig van de middaghoogte
verwijderd, moest er nog slechts een uur verloopen voor het tijdstip
van het ariston, het Grieksche ontbijt, dat gemeenschappelijk werd
gebruikt, evenals de hoofdmaaltijd, die tegen den avond volgde. Zij
was nog nooit daarbij gemist en haar uitblijven zou ditmaal opzien
baren. Evenals in alle voorname Egyptische huizen, zoo ging het ook
in dat van den Mukaukas meer Grieksch dan Egyptisch toe en dat niet
enkel ten aanzien van de maaltijden, maar ook in vele andere dingen,
inzonderheid de taal. Van den heer des huizes tot aan het jongste
lid van de familie sprak men onder elkander Grieksch en alleen met
de dienstboden Koptisch, de oude landtaal, waarin echter sedert lang
talrijke Helleensche woorden en spreekwijzen waren overgenomen.

Het kleindochtertje van den stadhouder, de aardige tienjarige Maria,
had gemakkelijker Grieksch dan Koptisch zonder fouten leeren spreken,
maar bij Paula's komst had zij het nog zoover niet gebracht, dat
zij de taal der Hellenen zuiver schrijven kon. Deze hield veel van
kinderen, verlangde naar bezigheid en had daarom uit eigene beweging
de taak op zich genomen om de kleine in deze kunst te onderrichten,
over welken dienst hare familiebetrekkingen zich aanvankelijk schenen
te verheugen. Doch zeer spoedig ontstond er tusschen vrouw Neforis
en de nicht van haar gemaal de droevige verhouding, die zou blijven
bestaan, en thans had de eerste aan die lessen een einde gemaakt en
als grond voor deze beleedigende handelwijze aangevoerd, dat Paula haar
discipeltje geheele stukken had gedicteerd uit een Grieksch gebedenboek
van hare orthodoxe geloofsbelijdenis. Werkelijk was dit gebeurd,
maar zonder eenige bijbedoeling, en de stukken door haar uitgekozen,
behelsden enkel gedachten die ieder christen, onverschillig van welke
geloofsbelijdenis, het hart konden verheffen.

De kleine was bij de machtspreuk harer grootmoeder in tranen
uitgebarsten, en hoewel Paula het zeer ernstig opnam met de lesuren,
had Maria de oudere vriendin hartelijk lief, met het dwepend
gevoel van een halfvolwassen meisje--want dat was eene tienjarige
in Egypte--hetwelk met al de hartstocht van haar gemoed zich hecht
aan eene schoone jonkvrouw, die in elk opzicht hare meerdere is. En
Paula's armen waren wijd geopend voor het kind, dat zonlicht bracht
in de sombere, kille levenslucht, die haar in het huis van haar oom
omgaf. Maar vrouw Neforis zag in de vurige liefde van het kind voor de
Melchietische bloedverwante iets overdrevens, iets ongezonds, ja iets
dat de geloofsovertuiging van het meisje in gevaar kon brengen, en het
scheen haar toe als had Maria onder den invloed der Damasceensche het
hart van haar afgewend, om dezen met meer teederheid aan te hangen. De
bewijzen lagen voor de hand, dat dit geen bloot vermoeden was, want
het kind, dat bijzonder gevoelig was op het punt van rechtvaardigheid,
kon het niet verdragen dat hare vriendin werd miskend, teruggezet,
zelfs vaak in het openbaar ongunstig en stellig valsch beoordeeld;
weshalve Maria zich verplicht achtte zoo veel in haar vermogen was
goed te maken, wat hare grootmoeder misdreef ten opzichte van eene
huisgenoote, die in haar oog volmaakt was.

Neforis was nochtans niet de vrouw om zich deze houding van de kleine
te laten welgevallen. Maria was hare kleindochter, de eenige dochter
van haar overleden zoon, en niemand mocht zich plaatsen tusschen hen
beiden. Zoo verbood zij het meisje, Paula zonder bepaalden last op
hare kamer te bezoeken, en toen er eene Grieksche opvoedster voor
het kind in dienst was genomen, ontving deze de bijzondere opdracht
om hare kweekelinge zooveel mogelijk van de Damasceensche verwijderd
te houden. Dit alles gaf echter voedsel aan den hartstocht van het
kind, en hoewel de grootmoeder het telkens met teederheid tot zich
trok en Maria van hare zijde ook niet uit het oog verloor wat zij
aan deze verschuldigd was, toch wilde het tusschen beiden niet tot
warme toegenegenheid komen; en daarvan was Paula zeker de schuld,
zij het ook tegen haar zin, en alleen omdat zij hier woonde. Vrouw
Neforis gaf de nicht van haar gemaal zoowel openlijk als door
ontelbare bedekte toespelingen te voelen, dat zij de kleindochter van
haar vervreemdde, en dus bleef Paula niet anders over dan het kind,
waartoe zij zich zoozeer getrokken gevoelde, op een afstand te houden
en het alleen in buitengewone gevallen de volheid harer liefde te doen
gevoelen. Ten slotte had het leven haar zooveel verdriet opgeleverd,
dat het haar niet meer mogelijk was zich als vroeger eenvoudig aan
een onschuldig schepseltje over te geven, en kind met het kind te
zijn. Maria bespeurde dit wel en schreef de verandering, die er bij
Paula plaats had toe, aan het leed dat zij gevoelde over de harde
behandeling van hare grootmoeder.

Voor etenstijd kon Maria het meest met hare vriendin alleen spreken,
want dan lette niemand op haar en grootmoeder had haar nog nooit
verboden de jonkvrouw aan tafel te noodigen. Een bezoek bij deze
vriendin was voor het kind het grootste genot, reeds omdat het verboden
was, maar niet minder omdat Paula zich op hare kamer geheel anders
vertoonde dan onder de overige huisgenooten; omdat zij haar kussen kon
en daarbij zeggen mocht hoe lief zij haar had. Daar vertelde het haar
ook al wat oorbaar was van hetgeen zich in haar kleinen levenskring
voordeed, doch haar de vertrouwde te maken van hare ongehoorzaamheid
of van onschuldige kinderstreken, daarvan werd het levenslustige en
soms overmoedige kind teruggehouden door de bewondering voor haar,
die in hare oogen zooveel grooter, edeler en voornamer was dan alle
andere menschen.

Juist was Paula met haar toilet gereed, toen Maria, die anders met
eene vaart alsof ze een jongen was de vertrekken van hare grootmoeder
binnenstormde, bescheiden aan de deur klopte. Zij vloog haar niet
om den hals, gelijk zij bij de weduwe Susanna en haar speelziek
dochtertje Katharina deed, maar zij kuste alleen haar blanken arm
met innige teederheid en kleurde daarna tot over de ooren van geluk,
toen Paula zich naar haar nederboog, haar een kusje gaf op lippen,
haar en voorhoofd, en daarna hare vochtige, bloeiende wangen wat
afdroogde. Zij nam daarop Maria's kopje vriendelijk tusschen de handen
en zeide: "Wat ziet ge er uit wildzang!"

Het aardige, aanvallige gezicht van de kleine zag inderdaad vuurrood
en hare oogen waren zoo gezwollen, alsof zij juist hard geweend had.

"Het is zoo vreeselijk heet," antwoordde Maria. "Eudoxia"--zoo heette
hare Grieksche opvoedster--"zegt dat Egypte in den zomer een vurige
oven is, eene hel op aarde. Zij is doodziek van de hitte, ligt daar
als een visch op het zand, en het eenige goede daarvan is...."

"Dat zij u heeft laten loopen en u geen les heeft gegeven?"

Maria bevestigde dit door even met het hoofd te knikken, maar toen zij
hierop geene terechtwijzing ontving, wendde zij het kopje opzij, en zag
hare vriendin met groote schelmsche oogen ter sluiks in het aangezicht.

"En toch hebt gij gehuild, en erg ook! Zoo'n groot meisje!"

"Ik? Ik gehuild?"

"Ja zeker, gehuild! Ik kan het aan uwe oogen zien. Wat is er gebeurd?"

"Zult gij niet boos op mij zijn?"

"Stellig niet!"

"Nu dan. Eerst was het zoo prettig, zoo erg prettig, gij kunt het u
ternauwernood voorstellen, en de hitte hinderde mij niets; maar toen
die wilde jacht voorbij was wilde ik naar grootmoeder, en dat werd
mij verboden. In de fonteinzaal, weet ge, daar had wat bijzonders
plaats, en toen ze er allen weer uit waren, ben ik Orion in het
tablinum achterna geslopen. Daar liggen zulke wondermooie dingen;
en ik wilde hem een beetje aan het schrikken maken; wij hebben
meermalen met elkander grappen gemaakt. Eerst merkte hij niets, maar
toen hij zich nederboog over het tapijt, waaruit ze den edelsteen
hebben gekaapt--ik geloof dat hij de juweelen telde in dat oude,
versleten ding--vloog ik hem een-twee-drie op zijn rug dat hij er van
schrikte, geweldig schrikte, dat verzeker ik u. Toen is hij tegen mij
uitgevaren als een kemphaan, en... heeft hij mij een klap om de ooren
gegeven, ik zeg u een... ach, het brandt mij daar nog--en het werd mij
daarbij bont en blauw voor de oogen. Eerst was hij altijd zoo goed en
vriendelijk tegen mij en ook tegen u, en daarom--hij is bovendien mijn
oom--daarom mocht ik hem gaarne lijden. Maar een klap, een oorveeg,
zooals de kok aan zijn jongen bij het braadspit geeft, daarvoor ben
ik toch te groot, dat behoef ik me niet te laten welgevallen. Na
mijn laatsten verjaardag moeten alle slaven en beambten mij als
meesteres behandelen en voor mij buigen. En nu?.... Hier heeft hij
mij geslagen... Hoe durfde hij?" En wederom barstte zij in tranen uit
en ging snikkende voort: "Maar daarmede was het nog niet gedaan. Hij
heeft mij in het donkere tablinum opgesloten en mij daar..."--de
tranenvloed belette haar geregeld door te praten--"daar--daarin
laten zitten! Het was er zoo akelig en ik zat er misschien nog, als
ik geen stuk bladgoud had gevonden, en met mijn overgrootvader--het
zilveren beeld, weet ge, van Menas--er duchtig op had los geslagen
waarbij ik brand schreeuwde. Dat hoorde Sebek, die Orion haalde, en
toen heeft hij mij vrijgelaten en mij op allerlei wijze geliefkoosd
en gekust. Maar wat helpt mij dat, want grootvader zal boos zijn;
ik heb in mijn angst zijn zaligen vader den neus bijna plat geslagen."

Paula had het kind nu eens ernstig dan weder lachend aangehoord; doch
toen het zweeg wischte zij het nog eens de oogen af en zeide: "Uw oom
is een man, waarmede gij niet moogt spelen als met uws gelijken. De
herinnering, die gij van hem gekregen hebt, is in elk geval wel wat
hard uitgevallen; maar Orion heeft getracht dat alles weer goed te
maken. Doch gij hebt van een wilde jacht gesproken, wat was dat?"

Bij deze vraag helderden Maria's oogen plotseling weer op. In
een ommezien was al het leed dat haar weervaren was en zelfs de
platgeslagen neus van haar voorvader vergeten, en onder een vroolijk
schaterlachen, dat uit het diepst harer ziel kwam, zeide zij: "Ja, dat
hadt ge moeten zien! Daar zoudt ook gij plezier in gehad hebben. Zij
hebben den deugniet willen vangen, die den smaragd uit het tapijt heeft
getrokken. Hij had zijne schoenen verloren, die de honden onder den
neus werden gebracht, en nu braken ze los! Eerst vlogen ze hier naar
de trap, toen in den stal, daarna in de woning van den paardrijder; ik
er altijd bij, altijd de dassen en de andere keffers achterna. Daarop
hielden ze raad, en ten laatste ging het de poort uit de stad in. Ik
mag den hof niet verlaten, maar--gij moet er niet boos om zijn--het
was te plezierig. Ze renden de poort uit door het Hapistraatje,
over de Taanchplaats en eindelijk naar de goudsmedenstraat, en daar
stormde de geheele bende den winkel binnen van den jood Gamaliël,
dien grappigen man. Terwijl hij met de anderen sprak, bracht zijne
vrouw mij abrikozentaartjes, zoo lekker als ze bij ons niet zijn."

"En hebben zij den man, dien ze vervolgden, gekregen?" vroeg Paula,
die onder het verhaal van het kind telkens van kleur verschoot.

"Dat weet ik niet," antwoordde Maria verlegen; "er was eigenlijk
niemand, dien men achterna ging. De honden hielden de neuzen altijd
naar den grond, en wij liepen ze achterna."

"Alleen om een ongelukkige te vangen, die met den diefstal niets te
maken heeft. Denk eens na, Maria; de schoenen gaven de honden de lucht,
en men liet ze los om den man te pakken, die ze gedragen heeft en nog
door geen rechter verhoord is. Men heeft ze in de voorzaal gevonden;
misschien liet hij ze daar toevallig liggen of bracht een ander ze
daarheen. Verplaats u nu eens in den toestand van zulk een onschuldig
mensch, een christen als wij, die men met jachthonden achterna zet
als een roofdier. Is dat niet verschrikkelijk? Een goed mensch moest
daarover niet lachen."

Paula zeide dit met zooveel ernst en nadruk, zoo medelijdend, en hare
geheele houding deed zoo duidelijk blijken, hoe zeer het gebeurde haar
verontrustte, dat het kind haar bezorgd aankeek, met betraande oogen
naar haar toeliep en terwijl zij haar gelaat in haar kleed verborg,
uitriep: "Ik wist niet dat zij een arm mensch achternazaten, en als
u dat weder zoo verdrietig maakt, zou ik er niet bij hebben willen
zijn! Maar is het dan waarlijk zoo erg? Gij zijt zoo dikwijls bedroefd,
als wij anderen lachen." Daarbij zag zij met de groote vochtige oogen
tot Paula op.

Deze drukte haar tegen zich aan, kuste haar hartelijk en zeide dan met
weemoedige vriendelijkheid: "Hoe gaarne zou ik vroolijk willen zijn
als gij! Maar ik heb te veel beleefd wat mij bedroefd maakt. Lach
maar en verheug u naar hartelust, waarlijk ik gun het u wel; doch
wat dien armen man aangaat, dien men achterna zette: ik vrees dat
het mijns vaders vrijgelatene is, de trouwste en eerlijkste mensch
ter wereld. Heeft men bij die vroolijke jachtpartij niemand uit den
goudsmidswinkel meegepakt?"

Het kind schudde ontkennend het hoofd, vragende: "Zou het uw
stotterende Hiram, den paardrijder zijn, dien zij vervolgen?"

"Ik vrees het."

"Ja, ja," zeide de kleine. "Wacht eens... het... Ach God, het
zal u weer bedroeven, maar ik geloof.... ze zeiden de schoenen
hadden--ik lette er niet zoo op--ze hadden... Men sprak altijd van
een paardrijder, een vrijgelatene, een stotteraar."

"Dan hebben zij zeker een onschuldige nagezeten," zeide Paula met
een zwaren zucht, terwijl zij zich weder aan hare kaptafel neerzette,
om haar toilet te voltooien.

Terwijl hare handen zoo ijverig mogelijk in de weer waren, verzonk
zij in gedachten; zij gaf het kind maar halve antwoorden, en liet
het in haar open kist snuffelen. Maria haalde het van zijn sieraad
beroofd kleinood er uit en deed het om haar hals.

Op dit oogenblik werd er aan de deur geklopt en Katharina, het
dochtertje van de weduwe Susanna trad de kamer binnen. Het meisje,
aan wie de gade van den Mukaukas haar volwassen zoon wilde uithuwen,
reikte Paula nauwelijks tot aan de schouders, maar zij zag er keurig
netjes uit; alles was in de puntjes, en zij had een frisch, vroolijk en
allerliefst gezichtje. Als zij lachte zag men hare kleine, sneeuwwitte
ver uit elkander staande tandjes glinsteren, en hare heldere oogjes
keken zoo lustig rond, als hadden ze in de wereld niets dan blijmoedige
dingen te zoeken of onschuldige grappen te verzinnen. Ook zij wilde
Paula tot vriendin hebben, maar zij jaagde dit doel niet na met zooveel
zelfverloochening en dweepte niet altijd met haar als Maria. Soms
betoonde Katharina haar zulk eene hartstochtelijke teederheid, dat de
oudere jonkvrouw haar intoomen moest; dan weder keerde zij deze met
trotschen weerzin, boos en grommend den ruw toe, omdat zij meende
door de Damasceensche koel bejegend of bij Maria achtergesteld te
zijn. Het lag wel-is-waar in Paula's hand om aan dat "boos zijn"
van het "kwikstaartje", dat gewoonlijk een grappigen bijsmaak had,
door een goed woord of een kus een einde te maken, doch zonder zulk
eene vriendelijke tusschenkomst zou Katharina in staat zijn geweest
tot aan haar laatsten snik aan die boosheid toe te geven. Heden viel
zij haar om den hals, en toen Paula op meer afgemeten toon dan anders
verzocht, te wachten tot zij eerst haar toilet voltooid zou hebben,
ging zij, zonder zich in het minst gevoelig te toonen, naar de kleine
Maria toe en nam haar het halssieraad uit de handen, om dit zichzelve
om te doen. Het keurig bewerkt en met paarlen bezet kleinood beviel
haar bij uitstek, alleen de ledige kas, waaruit Hiram den smaragd
met zijn mes had gelicht, bedierf den indruk van het geheel. Toch was
het nog een vorstelijk sieraad, en nadat zij ook een grooten waaier
van struisvederen uit de kist genomen had, vertoonde zij voor hare
kleine vriendin met grappige en stijve bewegingen, hoe de keizerin en
de prinsessen aan het hof buigen en hare onderdanen genadig groeten;
hetgeen veel stof tot lachen gaf. Toen Paula gekleed was, en zij
Katharina verzocht het halssieraad af te doen, bleef het ledige, door
Hiram wat verbogen bladgoud aan het fijne kantwerk van haar bovenkleed
hangen. Maria maakte den halsketen los, dien de Damasceensche daarna
weder in de kist borg.

Terwijl Paula deze sloot vroeg zij Katharina, of zij Orion ook
ontmoet had.

"Orion?" vraagde zij op een toon, als had niemand buiten haar het
recht naar hem te vragen. "Wij kwamen samen de trap op; hij wilde
naar de gewonden gaan kijken. Hebt gij hem wat te zeggen?"

Daarbij kreeg zij een kleur en keek Paula wantrouwend aan, die echter
niets antwoordde dan "misschien," waarop zij liet volgen, terwijl
zij het koordje met den sleutel van de kist om haar hals hing:
"Komt meisjes, het is tijd om te ontbijten; ik ga heden niet mede
naar beneden."

"Ach," zuchtte Maria teleurgesteld. "Grootvader is zeer ziek en
grootmoeder blijft bij hem, en komt gij ook niet, dan--dan moet ik
alleen met Eudoxia eten; want de wagen van Katharina staat te wachten,
en zij rijdt dadelijk weder naar huis. Ach toe, kom! Doe het mij ten
gevalle. Gij weet niet hoe knorrig die Eudoxia zijn kan, als het zoo
heet is."

"Ga toch mede!" verzocht ook Katharina; "wat toch wilt ge langer
hierboven doen? Tegen den avond kom ik zeker met mijn moedertje weer."

"Best," antwoordde Paula, "maar ik moet eerst naar de zieken."

"Mag ik mede?" vroeg het kwikstaartje, de jonkvrouw vleiend over den
arm streelende.

Doch Maria klapte in de handen en riep: "Zij wil alleen naar Orion,
want zij houdt zooveel van hem..."

Katharina sloot het kind haastig den mond, doch als Paula haar
eenigszins gejaagd aan het verstand had gebracht, dat zij zeer
ernstige dingen met Orion te bespreken had, keerde Katharina haar
met eene haastige en trotsche beweging den rug toe en ging spijtig de
trap af, terwijl Maria zich langs de leuning liet afglijden. Weinige
dagen geleden zou het nauwelijks zestienjarige kwikstaartje haar zeer
gaarne op dezelfde wijze gevolgd zijn.

Intusschen klopte Paula aan het eerste ziekenvertrek en betrad
het daarna even zacht toen de pleegzuster, eene non uit het
St. Katharina-klooster, de deur voor haar geopend had.

Orion dien zij zocht, was hier geweest, maar had zich juist weder
verwijderd.

In het eerste vertrek lag de verwonde aanvoerder van de karavaan, in
het tweede de waanzinnige. In eene aan het eerste vertrek grenzende
zaal, die voor hooge gasten bestemd en daarom met vorstelijke pracht
gemeubeld was, zaten twee mannen in druk gesprek, namelijk de Arabische
koopman en de arts Philippus, een zeer groote, grof gebouwde jonge
man van nauwelijks dertig jaren, wiens kleeding uit eene nette maar
grove stof bestond, zonder eenig sieraad. Hij had een verstandig
bleek gezicht, waarin twee zwarte goedige maar toch scherpe en
levendige oogen glinsterden. Zijne stevige kaakbeenderen stonden
te veel naar voren; het onderdeel van zijn aangezicht was klein,
leelijk en als ingedrukt, terwijl zijn hoog en breed voorhoofd den
kop van een denker vertoonde, en als een heerlijke koepel een niet
zeer fraai en onaanzienlijk gebouw kroonde.

Deze man, die weinig aantrekkelijkheid bezat en toch door het sterk
sprekend karakter van zijne uitwendige verschijning moeielijk,
zelfs niet in een kring van personen van beteekenis, over het hoofd
gezien kon worden, was juist in een levendig gesprek gewikkeld met
den Arabier, die gedurende de kennismaking van deze twee dagen eene
bijzondere belangstelling had opgevat voor zijn persoon, iets wat
wederkeerig bij hem het geval scheen te zijn. Het laatst was thans
Orion het onderwerp van hun gesprek geweest, en de heelmeester
een onvermoeid arbeider, die niemand lijden mocht die werkeloos en
alleen voor zijn genot leefde, had den jonkman, bij alle waardeering
van zijn schitterenden aanleg en zijn welbesteeden leertijd, veel
harder beoordeeld dan de oude heer. Den arts was elk menschelijk
wezen heilig, en al wat een mensch naar lichaam of ziel dreigde te
benadeelen, moest naar zijn oordeel weggenomen worden. Het was hem
bekend welk eene ramp Orion over de ongelukkige Mandane had gebracht,
hoe lichtvaardig deze had gespeeld met de harten van andere vrouwen,
en dat maakte hem in zijne oogen tot een gevaarlijk en strafwaardig
medelid der samenleving. Voor hem was het leven eene plichtsvervulling,
en met arbeid verbonden, onverschillig welke, wanneer deze maar
het algemeen ten goede kwam, voldeed men aan deze roeping. Doch de
jonge heeren van het slag van Orion erkenden die verplichting niet
alleen niet, maar gebruikten het leven geheel en onverdeeld tot lage,
zelfzuchtige doeleinden. Voor den ouden muzelman daarentegen was het
leven een droom, waarvan ieder het schoonste deel, de jeugd, met een
ontvankelijk gemoed genieten moest, terwijl hij slechts had te zorgen
bij het ontwaken, hetwelk met den dood begon, te kunnen hopen op de
toelating tot het paradijs. Hoe weinig vermocht een mensch te doen
tegen het ijzeren geweld van het noodlot! Ook door ingespannen arbeid
kon dit niet bezworen worden, het kwam er maar op aan daar tegenover
het juiste standpunt in te nemen en het waardig onder de oogen te
zien. Orion's noodlot had zijne levensboot tot dusverre te licht
belast; bij schoon weder bewoog zij zich in de richting, waarheen
de wind haar dreef. Hijzelf had er voor gezorgd zijn vaartuig goed
uit te rusten, en wanneer het lot het eens zwaar belaadde en tegen
de klippen slingerde, dan eerst zou het blijken, wie en wat hij was;
hij, Haschim, geloofde zeker, dat hij dan zijn karakter voortreffelijk
zou toonen. Bij een schipbreuk blijkt wat een man waard is.

Hier viel de arts hem in de rede om te bewijzen, dat niet het noodlot
den mensch beheerscht, maar de mensch zelf zijn levensschip stuurt,
doch Paula keek in de zaal en maakte hierdoor aan het onderhoud een
einde. De koopman boog eerbiedig, Philippus groette met achting, maar
tevens met eenige terughouding, gelijk men het van een zelfstandig
man als hij was verwachten kon. Sedert jaren was hij een dagelijksche
gast in het stadhouderlijk verblijf, en hoewel hij Paula in den beginne
weinig belangstelling had betoond, trok hij, sedert vrouw Neforis haar
koel bejegende, hare partij, zoo vaak dit voegzaam geschieden kon. De
gesprekken met hem, welker harde, scherpe toon haar aanvankelijk niet
aanstond, en die haar vaak zoo in de engte hadden gedreven, dat zij
het nauwelijks verdragen kon, waren haar echter sedert lang lief en
tot eene behoefte geworden. Zij hielden haren geest wakker in een
kring, die zich enkel bezighield met de kleine familieaangelegenheden
der in verval gekomen stad, of met dogmatische strijdpunten; want de
Mukaukas nam zelden deel aan het onderhoud der vrouwen.

De arts onderhield zich nooit met haar over dagelijksche voorvallen,
maar sprak voor haar zijn oordeel uit over de meeningen van anderen,
of over ernstige levensvragen en boeken, die zij beiden kenden,
en wist zoo hare tegenspraak uit te lokken, waarop hij geéstig en
scherp antwoordde. Langzamerhand had zij zich gewend aan zijne stoute
denkbeelden en aan de openhartigheid waarmede hij, zonder zich aan
iets te storen, de waarheid uitsprak, en het begaafde meisje verkoos
thans het gesprek met hem boven elk ander onderhoud, daar zij erkend
had dat in dezen denker, in dit vat vol van alle wetenschap eene ware
kinderziel huisde, en dat hij daarbij eene mate van zelfverloochening
bezat zonder wederga. Aan de gemalin van haar oom mishaagde alles
wat zij deed, en zoo ook haar vertrouwelijken omgang met dezen man,
wiens uitwendig voorkomen waarlijk niets aantrekkelijks had voor
een jong meisje.--Eene aanzienlijke familie had een arts, om voor
de gezondheid harer leden te zorgen of om hen te genezen, en het
voegde den huisgenooten niet met hem als met iemand van denzelfden
stand vertrouwelijke gesprekken te voeren. Zij verweet Paula, die
zij vaak over haar trots berispte, dat zij zich tegenover Philippus
op eene ongepaste manier vernederde, doch het meest verdroot haar,
dat de Damasceensche op menig halfuur voor zich beslag legde, hetwelk
Philippus anders zou hebben gewijd aan haar gemaal, wiens persoon en
gezondheid voor haar boven alles gingen.

De Arabier, dien zij gisteren zoo had aangevallen, herkende haar
terstond, en nadat de goede verstandhouding spoedig tusschen hen
hersteld was en Paula had toegegeven, dat het verkeerd van haar was een
enkel welgezind man voor het misdrijf van een geheel volk aansprakelijk
te maken, en Haschim weder geantwoord had, dat een rechtgevoelend hart
altijd het ware vindt, bracht zij het gesprek ook op haren vader,
en de arts deelde den Arabier mede, dat zij altijd nog niet moede
was den verlorene te zoeken.

"Dat is veeleer mijne eenige levensroeping," zeide de jonkvrouw.

"Ten onrechte, zou ik meenen," merkte de arts op, doch de koopman
weersprak hem, want er waren dingen, die een mensch te kostbaar zijn
om ze prijs te geven, ook wanneer de hoop om ze weer te vinden zoo
wankel en zwak werd als een verteerde stroohalm.

"Dat ondervind ook ik," hernam Paula, "en hoe kunt gij, Philippus,
mij tegenspreken? Heb ik niet uit uw eigen mond gehoord, dat gij
bij uwe kranken de hoop niet opgeeft, tot de dood er een einde aan
maakt? Ik houd vast aan mijne verwachting, thans meer dan ooit,
en ik gevoel dat dit goed is. Mijne laatste gedachte, mijn laatste
sestersie wijd ik eraan om mijn vader te vinden, wat mijn oom en
zijne vrouw er ook van zeggen, hoe zij mij ook tegenspreken."

"Maar eene jonkvrouw kan in dergelijke zaken bezwaarlijk de hulp
van een man ontberen," zeide de koopman. "Ik kom veel in de wereld,
spreek met allerlei vreemdelingen uit verre landen, en wilt gij mij
de eer bewijzen, kies mij dan tot uw helper, en vergun mij bij het
opsporen van den edelen verlorene uw bondgenoot te zijn."

"Dank, innigen dank!" antwoordde Paula, terwijl zij blijmoedig en met
warmte de hand van den muzelman drukte. "Houd hem, dien ik verloren
heb, waarheen gij ook trekt, in gedachtenis. Ik ben een arm verlaten
meisje, maar als gij hem vindt..."

"Dan zult gij weten, dat er ook onder de muzelmannen zijn die...."

"Die gaarne barmhartigheid oefenen en verlatene vrouwen vriendelijk
ter hulp komen," vulde Paula aan.

"En als Allah het zoo beschikt, met goed gevolg," ging de Arabier
voort. "Zoodra ik eenig spoor vind, zult gij van mij hooren, thans moet
ik echter aan gene zijde van den stroom naar den veldheer Amr. Ik ga
getroost, want ik weet dat mijn arme, brave Rustem in goede handen is,
vriend Philippus! Reeds dadelijk in Fostat zal het eerste onderzoek
beginnen, verlaat u daarop, mijne dochter!"

"Dat doe ik," antwoordde Paula van blijdschap aangedaan. "Wanneer
zien wij elkaar weer?"

"Morgen, op zijn allerlaatst overmorgen vroeg."

Hierop ging het meisje naar hem toe en fluisterde hem in het oor:
"Wij hebben thans een spoor gevonden, heer, ja ik hoop, dat de bode
reeds onderweg is. Hebt gij nog even tijd mij aan te hooren?"

"Eigenlijk moest ik reeds lang aan de overzijde van de rivier Zijn;
heden dus niet, maar zoo ik hoop morgen." Daarop reikte de Arabier
haar en den arts zijne hand en ging haastig heen.

Paula bleef in gedachten staan; toen viel haar in, dat de vervolgde
Hiram zich aan de overzij bevond onder het bereik van de Arabische
macht, en dat de koopman misschien zich voor hem in de bres kon
stellen, wanneer zij hem openhartig alles mededeelde wat zij wist. Zij
stelde bijzonder vertrouwen in den ouden heer, wiens goedige en
deelnemende blik haar nog altijd voor oogen zweefde; en zonder verder
op den arts te letten, liep zij ijlings naar de deur van het eerste
ziekenvertrek. Daarnaast hing een crucifix, en de non lag daarvoor
nedergeknield, om voor den ongeloovigen kranke te bidden en den
goeden herder te smeeken zich ook te ontfermen over het schaap,
dat niet tot zijne kudde behoorde.

De jonkvrouw waagde het niet de biddende te storen, die voor den
smallen uitgang lag, en zoo verliepen er eenige oogenblikken, tot de
arts hare groote onrust opmerkte, de zaal verliet, de non even op
den schouder tikte en haar zacht, maar recht vriendelijk verzocht:
"Eén oogenblik, lieve zuster! Uw vroom gebed wordt altijd gehoord,
maar deze jonkvrouw heeft haast."

De non stond dadelijk op, ging ter zijde en zag Paula met een
onvriendelijken blik na, toen deze haastig de trap afging.

Aan de hofpoort zocht het oog van de jonkvrouw den Arabier te
vergeefs. Zij ondervroeg daarop een slaaf en vernam, dat het paard
van den koopman hier lang had gewacht, dat hij zooeven de poort
was doorgerend en zeker reeds op de schipbrug zou zijn, die Memphis
met het eiland Roda en dit weder met het fort Babylon en het nieuw
ontstaande Fostat verbond.



ELFDE HOOFDSTUK.


Vol onrust en ontevreden op zichzelve klom Paula de trap weder
op. Was het de hitte van dezen dag, die haar zoo mat maakte en haar
de tegenwoordigheid van geest deed verliezen, waarover zij anders
beschikken kon? Zij begreep nu zelve niet waarom zij de gelegenheid
om bij Haschim voor den trouwen dienaar te pleiten niet terstond had
aangegrepen. Misschien had de koopman zich het lot van Hiram kunnen
aantrekken. De slaaf aan de poort had haar gezegd, dat men hem nog
niet in handen had gekregen; de tijd om iets voor hem te doen was
dus nog niet gekomen. Zij wilde het doen, wilde de boosheid harer
verwanten op zich laden, desnoods alles verraden wat zij in dien nacht
gezien had, om den trouwen dienaar te redden. Dat was haar plicht,
maar vóor zij het deed, vóor zij Orion zoo diep vernederde, wilde
zij hem waarschuwen. De gedachte hem van zulk eene ergerlijke daad te
moeten beschuldigen, kwelde haar niet minder dan de noodzakelijkheid
om zichzelve leed te berokkenen. Zij haatte hem, maar zij had liever
het schoonste kunstwerk aan stukken geslagen, dan hem gebrandmerkt,
hem wiens schoon en innemend beeld nog altijd hare ziel vervulde.

In plaats van Maria aan het ontbijt op te zoeken of den afgematten
oom aan te bieden eene partij met hem te schaken, begaf zij zich weder
naar het ziekenvertrek. Eene ontmoeting met vrouw Neforis of met Orion
zou haar pijnlijk aangedaan, zelfs geërgerd hebben. In lang had zij
zich niet zoo vermoeid en afgemat gevoeld. Misschien zou een gesprek
met den arts haar wat opwekken. Na de afwisselende aandoeningen van
de laatste uren verlangde zij naar iets, wat het ook zijn mocht,
dat haar kon opbeuren en over iets anders doen denken.

In het eerste ziekenvertrek vraagde de non haar koel wat zij verlangde
en wie haar verlof had gegeven om aan de verpleging deel te nemen. De
arts, die juist het verband om het hoofd van den Masdakiet opnieuw
bevochtigd had, wendde zich daarop tot de kloosterzuster en bracht haar
duidelijk aan het verstand, dat hij de jonkvrouw als helpster bij zich
wilde hebben, en wel bij de behandeling van beide kranken. Daarop ging
hij Paula voor in de zaal en zeide haar met eene zachte stem: "Voor
het oogenblik is alles in orde. Zetten wij ons hier een poosje neer."

Zij nam nu plaats op den divan, hij op een zetel tegenover
haar. Philippus begon het gesprek met te zeggen: "Gij hebt zoo straks
den schoonen Orion gezocht, thans moet gij..."

"Wat?" vroeg zij ernstig. "Gij moogt het wel weten: de zoon des huizes
staat mij niet nader dan zijne moeder. Met dat 'schoone Orion,' hebt
gij iets willen zeggen, dat ik niet weder verlang te hooren. Ik moet
hem echter nog heden over eene gewichtige aangelegenheid spreken."

"Wat geeft mij dan de vreugde, u hier weder te zien? Eerlijk gezegd,
had ik niet op uwe terugkomst gehoopt."

"En waarom niet?"

"Vergun mij het antwoord schuldig te blijven. De menschen hooren niet
gaarne onaangename dingen. Als iemand onzer een ander voor niet geheel
gezond houdt...."

"Wanneer dat op mij slaan moet," zeide het meisje, "kan ik u
verzekeren: het eenige wat mij in mijzelve nog bevalt is juist
mijne gezondheid. Spreek maar uit wat gij op 't hart hebt. Zeg wat
mij aangaat het ergste. Ik heb heden iets noodig wat mij opheft uit
dezen toestand van verslapping, zelfs wanneer het mij boos maakt."

"Goed zoo," hernam Philippus; "doch ik begeef mij in een gevaarlijk
vaarwater.--Om uwe gezondheid, of wat men gewoonlijk zoo noemt, kan
elke visch u benijden; maar die hoogere gezondheid, die der ziel,
daarop, vrees ik, kunt gij niet roemen."

"Dat begin is bedenkelijk," antwoordde het meisje. "Uit uw verwijt
schijnt te volgen, dat ik u of iemand anders onrecht heb aangedaan."

"Was dat het geval maar!" zeide de arts. "Niets, niet het minste is
mij uwerzijds bejegend. Ik ben die ik ben, denkt gij voor uzelve en
wat geef ik om de anderen?"

"Het is de vraag wat gij onder die anderen verstaat."

"Niets minder dan allen, die u hier in huis, in deze stad, op deze
wereld tegenwoordig omringen. Zij zijn voor u lucht en nog minder dan
dit; want de lucht is een stof, wier kracht zeilen vult en schepen
tegen den stroom opstuwt, welker afwisselende natuur op de gunstige
of ongunstige gesteldheid van ons lichaam inwerkt...."

"Ik heb mijne wereld hierbinnen," hernam Paula, terwijl zij de hand
op het hart legde.

"Zeer juist! De geheele schepping kan daar eene plaats vinden;
want wat men gemeenlijk een menschenhart noemt, hoeveel kan dat
niet omvatten! Hoe meer men meent dat het in zich bevatten kan,
des te gewilliger neemt het alles op. Het is gevaarlijk het slot
ervan te laten roesten, want als dat gebeurt en men wil het openen,
dan helpt geen rukken en trekken meer. En dan... maar ik wil u niet
kwetsen... gij hebt u gewend altijd op het verledene terug te zien...."

"Wat verblijdends ligt er dan vóor mij? Uwe berisping is hard en
bovendien niet rechtvaardig. Hoe weet gij toch in welke richting
ik zie?"

"Omdat ik u met het oog van een vriend heb gevolgd. Waarlijk Paula,
gij hebt verleerd om u heen en vooruit te zien. Wat achter u ligt,
wat voor u verloren ging, dat is de wereld waarin gij leeft. Ik heb
u eens op een afgebrokkelden papyrusrol van mijn ouden pleegvader
Horus Apollon een heidenschen demon getoond, die vooruit loopt,
terwijl de kop hem zoo op den hals zit, dat het geheele gezicht en
de oogen achterwaarts zien."

"Dat herinner ik mij zeer goed."

"Nu, gij gelijkt reeds lang op zulk een demon. Alles vloeit, zegt
Herakleitos, en gij zijt gedwongen met den grooten stroom voort te
zwemmen. Of wilt gij een ander beeld: gij moet op het pad des levens
voorwaarts loopen naar het doel dat allen nastreven. Doch uw oog
ziet daarbij achterwaarts, waar het zich vermeit in eene schoone,
rijke ouderlijke woning, in de liefde en teederheid van zoovelen,
en in een gelukkig maar helaas vervlogen bestaan. Daarbij treedt gij
voorwaarts, en wat moet nu het gevolg zijn?"

"Dat ik struikel, denkt gij, en val...."

Het verwijt van den arts had Paula te dieper getroffen, naarmate
zij zich minder verhelen kon, dat het veel waarheid bevatte. Zij
was gekomen om zich wat te laten opbeuren, maar nu vergalde deze
aanklacht zelfs haar blij gevoel van gezondheid. Waarom liet zij
zich door dezen toch nog geenzins bedaagden man in het verhoor nemen
als een schoolmeisje? Als dat zoo voort ging, dan zou hij moeten
hooren... Doch nu volgde zijn antwoord; dat verfrischte haar weder en
bevestigde haar in de overtuiging, dat hij voor haar een waarachtig
welmeenend vriend was.

"Dat misschien niet," luidde zijn wederwoord, "omdat--omdat--nu ja,
de voorzienigheid heeft u gezegend met de schoonste evenredigheid,
en als de dochter van een held schrijdt gij met zelfbewustzijn
voorwaarts. Vergeten we niet, dat ik van uwe ziel spreek, en deze
handhaaft hare aangeborene fierheid onder zooveel dat klein en laag
bij den grond is."

"Waarom moet ik dan vreezen achterwaarts te zien, wat mij zoo goed
doet?" vroeg zij opgewekt, den arts opnieuw vertrouwelijk in het
aangezicht ziende.

"Omdat gij op die manier anderen licht op den voet trapt! Dat doet
pijn, zij worden boos op u, en zij leeren u, die inderdaad meer liefde
gevoelt dan zij allen, knorrig te zijn!"

"Dat is niet zoo, want ik ben mij bewust zoolang ik leef geen mensch
met opzet bedroefd of beleedigd te hebben."

"Dat weet ik, maar onbewust is het duizendmaal gebeurd."

"Dan zou het beste zijn, dat ik ze allen voor goed ontvluchtte."

"Neen, duizendmaal neen! Wie zich terugtrekt uit zijne omgeving en
zich in de eenzaamheid opsluit, meent iets verdienstelijks te doen en
zich te plaatsen boven een bestaan dat hij veracht. Denk er maar eens
goed over na. De zelfzucht, de eigenliefde drijft hem in een grot of
kluis; in elk geval bereikt hij niet wat hij voor zijn geluk houdt, en
verzuimt hij de voornaamste plichten jegens de menschheid, of zeggen
wij liever jegens de samenleving waartoe wij behooren. Zij is een
groot lichaam en ieder mensch op zichzelven moet zich beschouwen als
een deel ervan, moet trachten het te dienen en nuttig te zijn, en als
het noodig blijkt zich bereid toonen daarvoor een offer te brengen. De
zwaarste mogen niet te zwaar zijn. Maar wie zich terugtrekt, maar
gij--neen, hoor mij, bid ik u, ten einde, want ik waag het misschien
niet voor de tweede maal om mij aan het gevaar bloot te stellen u te
vertoornen--gij wilt een lichaam op uzelve zijn. Wat Paula beleefd
en bezeten heeft, dat houdt zij in de schatkamer harer herinneringen
achter slot en grendel verborgen. Wat Paula is, dat meent zij juist
te moeten zijn; en voor wie? Wederom alleen voor diezelfde Paula. Zij
heeft groot leed ondervonden en daarvan leeft hare ziel; maar dat
voedsel is verwerpelijk, is ongezond, is slecht."

Zij wilde opstaan, maar vol ijver en geheel overtuigd dat hij dit
gesprek niet mocht laten afbreken, boog hij zich naar haar toe,
raakte even haar arm aan, als wilde hij haar op den divan vasthouden
en ging zonder zich van zijn stuk te laten brengen voort: "Gij voedt
u met het oude leed. Heel goed! Honderdmaal heb ik gezien, dat de
smart veredelen kan. Zij kan wakkere zielen in staat stellen om het
lijden van anderen dieper te gevoelen, zij kan in hen het verlangen
wekken, om het leed van anderen door blijmoedige zelfopoffering te
lenigen. Wie smart en beproevingen bij ervaring kent, die geniet
voorspoed en geluk met dubbele vreugde; de lijdende leert ook het
geringste levensgenot te waardeeren. Maar gij? Reeds lang heb ik mij
trachten aan te gorden, om het u te zeggen--gij trekt uit de smart
geen voordeel, omdat gij haar in uzelve opsluit, als kostbare  zaden,
die men in een zilveren doos bij zich draagt. Men moet ze aan de
aarde toevertrouwen, opdat ze ontkiemen en vruchten dragen. Doch
ik wil niet berispen, ik verlang alleen te raden als uw trouwste
en beste vriend. Leer u toch een lid te gevoelen van het lichaam,
waaraan het lot u nu eenmaal heeft toegevoegd, het moge u bevallen
of niet. Wees erop bedacht aan dat lichaam de diensten te bewijzen,
waartoe uw aanleg u in staat stelt. Gij zult wel ontdekken in welk
opzicht gij dat doen kunt; het zal u gelukken iets voor dat lichaam te
zijn, en dan opent gij de doos en met verbazing en blijdschap zult gij
waarnemen, dat de zaadkorrel, die gij in de aarde strooit, opschiet,
dat hij bloeit en vruchten geeft, waaruit brood gemaakt kan worden
of artsenij voor u en anderen! Laat dan, gelijk in den bijbel staat,
de dooden hunne dooden begraven, en wijd aan de levenden de rijke
krachten, de schoone gaven, die als het erfdeel van een aanzienlijken
vader en eene edele moeder, ja, van eene eerbiedwaardige rij van
voorvaderen op de waardige kleindochter zijn overgegaan. Dan zult
gij wedervinden wat gij verloren hebt: de vreugde namelijk over een
bestaan, dat wij mogen genieten, waarmede wij ons voordeel hebben
te doen, omdat het ons eene verplichting oplegt, die wij maar eens
in staat zijn te vervullen. De goede voorzienigheid heeft u boven
duizenden met gaven toegerust om bemind te worden, en wanneer gij
niet vergeet, dat gij haar daarvoor dank schuldig zijt, dan zullen
de harten, die zeker niet aangetrokken worden door een boom, welke
zich kunstmatig omgeeft met afwerende stekels of de twijgen laat
hangen gelijk de treurwilgen aan den Nijl, zich voor u openen, en
gij zult een nieuw leven beginnen, gelukkig voor uzelve en gelukkig
voor anderen. Gij zult een doodsch en eenzaam bestaan, dat gij hier
voortsleept tot niemands vreugde en allerminst tot uwe eigene,
veranderen in een vruchtbaar leven, dat uzelve voldoening geeft,
dat als het zonlicht geluk en zegen rondom zich verspreidt. Wanneer
gij hier gekomen zijt om deze beklagenswaardige zieken te verplegen,
dan hebt gij reeds de eerste schrede gezet op den nieuwen weg tot uw
waarachtig geluk, dien ik u wijzen wil. Ik had u hier niet verwacht,
maar ik ben u dankbaar dat gij gekomen zijt, omdat ik weet dat het
binnentreden door deze deur u op den weg kan brengen tot eene nieuw
ontwaakte levenslust, wanneer gij vastbesloten zijt dien weg te
betreden. Dan zoudt gij, goddank, gered zijn!"

Na deze woorden stond de arts op, en terwijl hij de zweetparelen
van zijn voorhoofd droogde, zag hij angstig naar Paula, die zwaar
ademhaalde, en zoo ontsteld en besluiteloos, als hij haar nog nooit
gezien had, op hare plaats was blijven zitten. Zij liet haar voorhoofd
op hare hand rusten en staarde zwijgend in haar schoot, als worstelde
zij tegen een gevoel van smart. De jonge man sloeg de armen over
elkander als een arbeider, wiens handen verstijven in den kouden
wintertijd, en zeide pijnlijk bewogen: "Ja, ik heb het uitgesproken
en gevoel er geen berouw over dat het gebeurd is, maar wat ik vreesde,
dat zie ik nu gebeuren. Ik zal de beste vreugde moeten verliezen, die
mij verkwikte bij mijn dagelijkschen arbeid. Het is een schoon gebod:
Plato lief te hebben, maar meer nog dan Plato de waarheid; doch wie het
opvolgt moet er op voorbereid zijn, dat die waarheid de vrienden uit
de onaangename nabijheid van den armen apostel der waarheid wegjaagt."

Dit hoorende rees Paula op, en gehoor gevende aan de inspraak van haar
edel gemoed, stak zij den arts hartelijk de rechterhand toe. Hij greep
haar met beide handen, drukte haar zoo stevig, dat het der jonkvrouw
bijna pijn deed, en sprak met vochtige van blijdschap stralende oogen:
"Dat had ik gehoopt; dat is goed, dat is edel! Mocht ik toch uw broeder
zijn, voortreffelijk meisje! Komaan, zoo onder ééne verpleging, dan
kan dat arme, waanzinnige, zwaar gewonde, schoone schepseltje daar
onder de uwe genezen!"

"Ik kom," antwoordde zij met warmte, en daar lag iets gezonds,
iets opwekkends in haar wezen, toen zij naar het ziekenvertrek
toeliep. Doch halverwege veranderde de uitdrukking van haar gelaat,
en na een oogenblik nadenken deed zij de vraag: "Aangenomen dat wij
haar doen herstellen: waartoe zal dit goed voor haar zijn?"

"Daarvoor, dat zij ademt en het zonlicht mag genieten," antwoordde
de arts, "dat zij u dankbaar kan zijn en eindelijk weder voor hare
samenleving doen kan wat zij vermag, dat zij, alles saamgenomen,--dat
zij leeft! Want te leven--mocht gij het met mij gevoelen en
ervaren!--te leven is toch het hoogste."

Paula zag den man, die met zooveel geestdrift had gesproken, verbaasd
in het leelijk aangezicht. Welk eene blijdschap straalde haar daaruit
tegen! Niemand had op dit oogenblik durven beweren, dat het niet fraai
was en alle aantrekkelijkheid ontbeerde. Hij geloofde aan hetgeen
hij met zooveel warmte had gezegd, en toch was het in tegenspraak
met de zienswijze, die hij nog gisteren was toegedaan en zoo vaak had
verdedigd, dat namelijk het leven op zichzelf beschouwd een ellendig
ding is voor ieder, die het niet krachtig weet aan te grijpen om er
iets goeds van te maken. Op dit oogenblik was het voor hem werkelijk
het hoogste.

De jonkvrouw ging hem voor en zijn oog hing aan haar als dat van
den vromen pelgrim aan het heiligenbeeld, waarheen hij met doorwonde
voeten ter bedevaart ging over berg en dal. Zij naderden thans het bed
van de kranke. De non ging voor hem uit den weg en maakte hare eigene
gevolgtrekkingen over de verandering in het voorkomen van den arts,
en de zalige, kinderlijke blijdschap, waarmede hij Paula verklaarde
waarin het gevaar voor de kranke lag, welk plan hij gemaakt had om
het arme schepseltje te redden, hoe zij de compressen moest maken en
de geneesmiddelen toedienen, en hoe noodig het was, zoolang de koorts
aanhield, met de schijnvoorstellingen van de waanzinnige mede te gaan
en te doen alsof het verstandige denkbeelden waren.

Ten laatste moest hij zich verwijderen om andere kranken te
bezoeken. Paula bleef aan het hoofdeinde van het ziekbed zitten en keek
de ongelukkige in het aangezicht. Wat was zij schoon! En deze roos
had Orion als knaap gebroken en smadelijk vertreden! Dit meisje had
zeker hetzelfde voor hem gevoeld als zij. En thans? Zou zij niets meer
voor hem voelen dan haat, of zou haar hart zich, evenals haar eigen,
ondanks toorn en minachting, toch niet geheel vrij hebben kunnen maken
van de betoovering, waarin hij het eenmaal had gevangen? Doch wat was
dit eene zwakke gevoeligheid! Zijne vijandin wilde en moest zij zijn!

En nu sloeg zij nadenkend een blik op dat ijdele, ledige leven,
hetwelk zij sedert eenige jaren had geleid. De arts had waarlijk den
vinger op den wond gelegd; ja, hij was eer te zacht dan te streng
geweest. Zij wilde thans beginnen hare kracht nuttig te gebruiken;
maar hoe, op welke wijze, hier onder deze menschen? Hoe straalde het
gelaat van den armen Philippus van blijdschap, toen zij hem de hand
had geboden, en hoe medeslepend was de stroom zijner woorden! "Hoe
onjuist," dacht zij, "is toch de spreuk: het lichaam is de spiegel der
ziel. Als dat opging moest Philippus er uitzien als Orion, en Orion
als Philippus." Maar zou dan het hart van den eerste geheel verdorven
zijn? Neen, dat was niet mogelijk, en alles in haar verzette zich
tegen deze opvatting. Zij moest hem liefhebben of haten, hier was
geen middenweg; maar beide gewaarwordingen worstelden en streden tegen
elkander op pijnlijke wijze. De arts wilde een broeder voor haar zijn
en bij de gedachte daaraan moest zij glimlachen. Zij zou misschien
rustig en tevreden met hem, hare Betta en zijn ouden geleerden
vriend en huisgenoot, van wien hij haar dikwijls verteld had, kunnen
samenwonen, hem volgen bij zijne studiën, hem helpen bij zijn beroep
en met hem vele wetenswaardige dingen bespreken. Zulk een leven, dat
moest zij erkennen, zou duizendmaal te verkiezen zijn boven dat in
de nabijheid van vrouw Neforis. Zij had een vriend in hem gevonden,
en dat zij hem gaarne als zoodanig beschouwen wilde, daarin lag zeker
de eerste vervulling zijner belofte, want het toonde dat haar hart nog
altijd bereid was om zich voor dat van een ander vriendelijk te openen.

Te midden van al deze overwegingen vervulde haar nog altijd de
bezorgdheid voor den bedreigden Hiram, en daarbij drukte haar
loodzwaar de overweging dat, als het tusschen haar en Orion tot
het uiterste kwam, het gedaan was met haar verblijf in het huis
van den stadhouder. Hoe vaak had zij niets vuriger gewenscht dan
deze omgeving te kunnen verlaten, maar heden zag zij er tegen op,
want te scheiden van den oom sloot tevens in voor goed afscheid te
nemen van diens zoon. Zij haatte hem, maar hem geheel uit het oog te
verliezen, dat zou haar bitter zwaar vallen. Philippus te volgen om
hem als eene zuster ter zijde te staan, dat scheen haar ondenkbaar
en ten eene male verkeerd.

Onder al deze overwegingen luisterde zij naar de ademhaling der kranke
en behandelde haar naar het voorschrift van den arts, wiens terugkomst
zij met verlangen te gemoet zag. Doch in zijne plaats kwam de non bij
het bed, legde de hand op het voorhoofd van het zieke meisje, voelde
haar den pols en fluisterde haar vriendelijk toe, zonder op Paula
acht te geven: "Goed zoo, mijn kind, maar slapen, altijd slapen! Hoe
zij toch zoo rusten kan! Moge het zoo blijven! Het hoofd is koeler
geworden; Philippus zou zeker zeggen: bijna geen koorts meer! God
zij gedankt, het ergste gevaar is zeker voorbij."

"O, hoe verheugt mij dit!" zeide de jonkvrouw, en in die woorden lag
zooveel oprechtheid en warmte, dat de non haar toeknikte en haar van
nu aan de kranke gerust en gewillig overliet.

In lang had Paula zich niet zoo gelukkig gevoeld. Het kwam haar voor,
alsof hare tegenwoordigheid eene goede uitwerking had op de kranke,
als ware Mandane door hare korte verpleging reeds op den drempel van
een nieuw leven gekomen. Paula, die zich nog kort geleden voor een door
het noodlot vervolgd schepsel hield, herademde bij de gedachte, dat
zij ook geluk kon aanbrengen. Vroolijk en met oprechte teederheid zag
zij Mandane in het meer dan lieftallige gelaat, schikte het verband,
dat wat verschoven was, zorgvuldig over de verminkte ooren en drukte
zacht een kus op hare lange zijden wimpers. De Damasceensche begon
aan de verstandige non meer en meer te bevallen, en toen het uur voor
het gebed weder daar was, nam zij Paula, de wees in het vreemde huis,
de Griekin die overeenkomstig Gods ondoorgrondelijk raadsbesluit
buiten haar zaligmakend geloof was geboren, mede daarin op.

Eindelijk keerde Philippus terug, verheugde zich over het blijmoedige
uitzicht van zijne nieuwe vriendin en bevestigde, dat Mandane onder
hare behandeling het ergste gevaar te boven was gekomen, en haar
toestand allen grond gaf om te verwachten, dat zij langzaam, zoo hij
hoopte geheel zou herstellen.

Nadat Paula het compres ververscht had, waarbij hij haar met opzet
de handen vrij liet, zeide hij opgewekt: "Wat hebt gij deze dingen
spoedig aangeleerd! Ziedaar, het meisje slaapt alweer, de liefdezuster
waakt en wij kunnen onze patiënte voor het oogenblik niet van dienst
zijn, want eene zachte sluimering is voor haar beter dan eten of
drinken. Bij ons beiden, ten minste bij mij, is het anders. Er moeten
nog wel twee uren verloopen voor den grooten maaltijd, mijn ontbijt
staat daarginds nog onaangeroerd, en met het uwe zal het wel niet
anders gelegen zijn, wees dus mijn gast. Zij sturen altijd zooveel,
dat men zes scheepssjouwers er mee verzadigen kan."

Dit voorstel was Paula niet onwelkom, want de honger had reeds lang
bij haar aangeklopt. Aan de non werd opgedragen spoedig nog een paar
borden te halen, aan bokalen was overigens geen gebrek, en zoo zaten
de nieuwe vrienden weldra etende tegenover elkander, ieder aan zijn
tafeltje. Hij sneed de eend voor en de gebradene kwartels, diende haar
van de salade en de dampende artisjokken, die de non op verlangen van
den kok, wiens eenig knaapje de arts had gered, mede boven gebracht
had, wees op de kleine pasteitjes, de vruchten en koeken, die ook
nog daar waren, vervulde de rol van schenker, en terwijl zij het zich
goed lieten smaken, ontspon zich tusschen hen een levendig gesprek.

Paula vroeg heden voor het eerst naar de jeugd van Philippus, en hij
begon met een tafereel op te hangen van zijn tegenwoordig leven,
dat hij met den ouden wonderlijken Isis-dienaar en onderzoeker
Horus Apollon deelde, schilderde zijn ingespannen arbeid overdag en
zijne stille studiën des nachts, en wist dit alles zoo geestig op
te sieren, dat zij vaak luide moest lachen. Maar weldra kreeg zijn
verhaal eene weemoedige tint, toen hij haar mededeelde hoe vroeg
hij vader en moeder had verloren, zoodat hij, zonder bloedverwanten,
op eigen voeten moest staan met niet anders dan een armzalig geërfd
kapitaaltje. Want zijn vader was een taalgeleerde geweest, die uit
Athene naar Alexandrië was geroepen, en hij had zich gedwongen gezien
zichzelven een weg door het leven te banen, dat er voor hem uitzag als
een verwilderd bosch van papyrusriet en biezen. Ieder uur van zijn
leven moest aan den arbeid worden besteed, en zulk een leelijke,
lange Goliath als hij was, had niet zoo gemakkelijk beschermers
gevonden, die hem voorthielpen. Aan de hoogescholen te Alexandrië,
Athene en Caesarea had hij door onderricht te geven en door het
bereiden van geneesmiddelen uit planten, die hij zelf had gezocht,
zich in het leven trachten te houden met water in plaats van wijn,
met brood en vruchten in plaats van kwartels en pasteien. Toch had
hij menig goed vriend gevonden, maar zich eene vriendin te verwerven,
dat ging niet gemakkelijk met een gezicht als het zijne.

"Zoo ben ik dan wel de eerste?" vroeg Paula, die oprechte achting
gevoelde voor den man, die zich door zijne eigene kracht had opgewerkt
tot de hooge plaats, welke hij sedert lang niet enkel te Memphis maar
onder alle Egyptische heelmeesters innam.

Hij knikte toestemmend en met zulk een zalig lachje, dat het haar
was als viel er een zonnestraal in hare ziel.

Hij bemerkte het terstond, hief zijn beker op en zeide tot haar met
hoogroode wangen: "Wat anderen vroeg ten deel valt, heb ik eerst later
verworven, maar daarvoor vind ik ook eene vriendin zonder weerga."

"Ik hoop althans dat zij nog niet zoo slecht is, als gij haar zooeven
hebt geteekend. Als onzen vriendschapsbond maar niet een spoedig
einde bedreigt!"

"Oho," riep de arts; "elke bloeddruppel in deze aderen..."

"Zoudt gij bereid zijn voor mij te plengen," vulde Paula aan met
een pathetisch gebaar, dat zij den eersten speler in de tragedie
op het theater te Damascus had afgezien. "Maar wees niet bezorgd,
er is geen sprake van leven of dood. Hoogstens jagen ze mij uit dit
huis en uit Memphis."

"U?" vroeg Philippus opeens met schrik. "Wie zou dat durven wagen?"

"Zij, voor wie ik zoo zonderling vreemd bleef, gelijk gij straks zoo
treffend hebt geschilderd. En hebben zij hun zin gekregen, dan, mijn
beste nieuwe vriend, zal het ons gaan als den geleerden Dionusios
van Kurene."

"Van Kurene?"

"Ja! Ik heb dat verhaal van mijn vader. Toen deze Dionusios zijn
zoon naar Athene op de hoogeschool zond, zette hij zich neder om een
boek voor hem te schrijven over alles wat een student op de academie
doen en laten moet. Hij wijdde zich aan dezen arbeid met allen ijver,
en toen hij na vier jaren onder het laatste blad van de rol schreef:
'zoo is dan dit boek gelukkig ten einde,' keerde de jongeling, voor
wiens studie dit werk een leiddraad moest zijn, als een volmaakt
geleerde naar Kurene terug."

"En zoo hadden wij onze vriendschap gesloten...."

"En alles voor een vaster verbond in de toekomst voorbereid, om weldra
uit elkander te gaan."

Plotseling sloeg Philippus met de vuist op het tafeltje, dat voor de
rustbank stond, en riep: "Dat zal ik weten te beletten! Doch wilt ge
mij in vertrouwen mededeelen, wat er tusschen u en die hier beneden
weder heeft plaats gehad?"

"Gij zult het tijdig genoeg vernemen."

"En wie denkt, dat men u zonder komplimenten den stoel voor de deur
kan zetten, en dat daarmee ook alles tusschen ons uit is, die zou zich
kunnen vergissen!" hernam de arts, terwijl zijne oogen fonkelden van
toorn. "Ik heb hier in huis ook een woordje mee te spreken, en zoo
ver zijn wij nog lang niet, zoo ver zal het stellig niet komen. Gij
moet hen verlaten, ja, dat moet gij, maar alleen vrijwillig en met
opgerichten hoofde.."

Daar werd de deur van het eerste ziekenvertrek driftig geopend en
een oogenblik later stond Orion op den drempel van de aangrenzende
zaal, zag beiden, die zooeven hun maal geëindigd hadden, met groote
bevreemding aan en zeide somber: "Ik zie dat ik u stoor."

"Volstrekt niet," antwoordde de arts. Doch de jongeling begreep
dat het laf en te dezer plaatse weinig voegzaam zou zijn, indien
hij aan een aanval van ijverzucht lucht gaf, en antwoordde lachend:
"Ik wenschte dat het mij geoorloofd was geweest als derde aan dit
sumposion deel te nemen!"

"Wij hadden aan elkander volkomen genoeg," antwoordde de arts.

"Hij zou van de zaligheid zeker zijn, die aan alle leerstukken van
de kerk zoo gemakkelijk gelooven kon als aan deze bewering," zeide
Orion, lachend. "Ik ben anders geen spelbreker, geëerde vrienden, maar
ditmaal, het doet mij oprecht leed, moet ik toch een rustverstoorder
zijn. Het betreft," en nu gevoelde hij zich weder in staat den
schertsenden toon te laten varen, die zoo slecht te rijmen was met
zijne stemming--"het betreft eene zeer gewichtige zaak. Het geldt
niemand minder dan uw vrijgelatene, mijne schoone jonkvrouw."

"Is Hiram terug?" vroeg Paula, en zij gevoelde daarbij dat zij
bleek werd.

"Zij hebben hem opgebracht," hernam Orion. "Mijn vader heeft de
rechters terstond doen samenroepen. De gerechtigheid heeft bij ons
vlugge beenen, het doet mij leed voor den man, doch ik kan niet
verhinderen dat het recht zijn loop heeft. Ik moet u verzoeken bij
het verhoor tegenwoordig te zijn als men u roept."

"Men zal de volle waarheid vernemen," antwoordde Paula op vasten
strengen toon.

"Natuurlijk," hernam Orion. Daarop wendde hij zich tot den arts. "U,
voortreffelijke arts, zou ik willen verzoeken mijne verwante en
mij een oogenblik alleen te laten. Ik heb haar een raad te geven,
die haar zeker voordeelig kan zijn."

Philippus zag zijne vriendin vragend aan, zij antwoordde echter
luide en beslist: "Ik heb met u geene geheimen, wat ik vernemen moet,
mag ook deze hooren."

Orion haalde de schouders op en deed als wilde hij heengaan; doch
voor den drempel keerde hij zich om en zeide gejaagd, vol werkelijke
bezorgdheid: "Wanneer gij mij niet hooren wilt om uwentwil, zoo doe
het, hoe kwalijk ge mij ook gezind zijt, omdat ik u smeek mij deze
gunst niet te ontzeggen. Hier staat het leven van een mensch op
het spel en het geluk, de zielsrust van een ander.--Zeg niet neen,
ik vraag niets onbillijks, Philippus! Vervul mijn wensch en laat ons
eenige oogenblikken alleen."

Andermaal vroegen de oogen van den arts aan de jonkvrouw wat te doen,
en ditmaal antwoordde zij: "Ga!" waarop haar vriend zich dadelijk
verwijderde.

Terstond daarop sloot Orion de deur en zeide, terwijl zijne borst
hijgde: "Wat heb ik u toch gedaan, Paula, dat ge mij sedert gisteren
vliedt als een melaatsche, dat gij het er op toelegt mij in het
verderf te storten?"

"Ik wil mij voor het leven van een trouw dienaar in de bres stellen,
meer niets," antwoordde zij gelaten.

"Op het gevaar af mij ongelukkig te maken?" vroeg Orion bitter.

"Ja, op dit gevaar af, als gij den vloekwaardigen moed hebt uwe eigene
schuld op de schouders te laden van dezen eerlijken man."

"Gij hebt mij in den afgeloopen nacht bespied!"

"Alleen het toeval heeft gewild, dat ik u uit het tablinum..."

"Ik onderzoek thans niet wat u zoo laat daarheen voerde," zeide de
jongeling haar in de rede vallende. "Want het stuit mij tegen de
borst van u iets anders dan het beste, het reinste te gelooven. Maar
gij? Wat hebt gij anders van mij ondervonden dan vriendschap, ja--het
zou dwaasheid zijn hier iets te verbergen--dan wat een minnaar zijne
geliefde....."

"Zijne geliefde?" viel Paula verstoord in. "Een minnaar, durft gij te
zeggen, gij die hand en hart aan eene andere hadt geschonken, gij...."

"Wie heeft u dat gezegd?" vroeg Orion verslagen.

"Uwe eigene moeder."

"Dat! dat is het dus!" riep de jongeling, terwijl hij de handen
krampachtig in elkander wrong. "Nu eerst versta ik, begrijp
ik.... Maar wacht... Als het dat is wat u aandrijft om mij te haten,
mij te vervolgen, dan moet gij mij liefhebben, dan hebt gij mij lief,
meisje, en dan, gij fiere, eenige jonkvrouw..."

Bij deze woorden had hij de hand naar haar uitgestoken, maar zij stiet
hem terug en sprak met bevende stem: "Vergis u niet! Ik behoor niet
tot de zwakke lammeren, voor wie gij uwe gaven en voorrechten misbruikt
hebt, en die zich beijverden u de handen te kussen. Ik ben de dochter
van Thomas, en de bruidegom van een ander die mij op den weg ter
bruiloft nog zou willen omarmen, die zal tot zijne schade ondervinden
dat er vrouwen zijn, die zijne waanzinnige wenschen afwijzen en den
smaad haar toegedacht weten te straffen. Ga nu tot uwe rechters! Gij
valsche aanklager, noemt mijn Hiram; maar ik noem u, u, den zoon van
dit huis den dief. Laten wij zien wien zij gelooven zullen!"

"Mij!" hernam Orion en zijne oogen begonnen een niet minder toornigen
en verterenden gloed te vertoonen dan de hare. "Mij, den zoon van den
Mukaukas! O, dat gij geene vrouw waart! Ik zou u op de knieën willen
werpen en dwingen mij om vergeving te vragen. Hoe durft gij het wagen
op een man, wiens wandel tot dusver zoo vlekkeloos rein was als uw
blank gewaad, met den vinger te wijzen, alsof hij een nietswaardige
was? Ja, ik ben in het tablinum gegaan, ik heb den smaragd uit het
tapijt gerukt, maar het is in eene overmoedige luim geschied en in de
overtuiging dat het goed mijns vaders ook het mijne is. Daarna heb ik
den steen weggeslingerd, om aan de zonderlinge liefhebberij van een
vluchtigen inval te voldoen. Vervloekt zij de ure waarin het geschied
is, niet om de daad zelve, maar om de gevolgen, die zij na zich sleepen
kan door uw waanzinnigen haat. IJverzucht, kleingeestige onwaardige
ijverzucht is het die hem deed ontstaan! En tegen wien is hij gericht?"

"Tegen niemand, ook niet tegen uwe bruid Katharina," zeide Paula
met gedwongene kalmte. "Wat zijt gij nog voor mij, dat ik, om u eene
deemoediging te besparen, het leven van den braafsten man op het spel
zou zetten? Het blijft daarbij: de rechters mogen beslissen."

"Neen, dat zullen zij niet!" herhaalde Orion met kracht, "ten minste
niet in uw zin! Wees gewaarschuwd, pas op dat gij mij niet tot het
uiterste drijft! Nog zie ik in u de vrouw die ik liefhad, nog bied
ik mij aan om te doen wat in mijn vermogen is, om ook voor u alles
ten beste te keeren..."

"Voor mij? Ben ook ik dan bestemd uw schuld mede te dragen?"

"Hebt gij zoo straks beneden het geblaf der honden vernomen?"

"Ik hoorde honden keffen."

"Welnu, de vrijgelatene is opgebracht, de jachthonden hebben hem
door hun reuk gevonden en werden toen in huis en in de nabijheid van
het tablinum gebracht, de honden zijn niet van den drempel geweken,
en de lieden hebben daar later op den wit marmeren dorpel aan het
rechter einde, de sporen van eens mans voet in het stof ontdekt. Die
voet was op eene bijzondere wijze gevormd; in plaats van vijf teenen
waren er maar drie te herkennen. Uw Hiram werd binnen gebracht en bij
hem werden evenveel teenen gevonden als op het marmer, niet minder en
niet meer. In den stal uws vaders heeft eene hengst hem vroeger op
den voet getrapt en de arts hem twee zijner teenen moeten wegnemen;
dat heeft men met moeite uit den stotteraar gekregen. Aan de andere
zijde van den dorpel was een kleiner spoor; de honden mochten er
weinig acht op geven, ik heb het opgemerkt en stellig uitgemaakt--hoe,
behoeft gij niet te weten--dat gij het geweest zijt, die daar hebt
gestaan. Hij, die geen recht heeft ons huis te betreden, is in dezen
nacht ons tablinum, onze schatkamer binnengedrongen. Verplaats u
in het gemoed van de rechters! Hoe zwaar kan wel tegenover zulke
daadzaken het enkele woord van eene jonkvrouw wegen, van wie ieder
weet dat zij het met mijne moeder alles behalve eens is, en die alles
op het spel moet zetten om haar dienaar te redden."

"Dit alles doet er niets toe," zeide Paula. "Maar Hiram heeft den steen
niet gestolen. Gij zelf weet het al te goed wie het gedaan heeft. De
smaragd, dien hij verkocht, was mijn eigendom, en al gelijken die
beide steenen zoo op elkander, dat zelfs de verkooper....."

"Ja, ja, hij kon ze niet onderscheiden. Booze demonen zijn bij dit
alles in het spel, duivelsche, helsche geesten. Mijn verstand zou er
bij stilstaan, als het leven niet zoo vol van wonderen was. Gijzelve
zijt wel het grootste wonder! Hebt gij den Syriër gelast den smaragd
te koop te bieden, om met het geld uit dit huis te vluchten?--Gij
zwijgt? Dus heb ik het geraden. Wat geeft gij om mijn vader! Mijne
moeder hebt gij niet lief, en den zoon--Paula, Paula, misschien
doet gij hem toch onrecht!--Gij haat hem, het is u een lust hem
te benadeelen."

"Noch u, noch niemand anders wil ik kwaad doen," antwoordde het meisje,
"en uw vermoeden is valsch. Uw vader ontzegt mij de hulpmiddelen om
den mijnen te zoeken...."

"En gij hebt u geld willen verschaffen, om verder onderzoek te doen
naar den sedert lang gestorvene. Zelfs mijne moeder stemt toe, dat
gij de waarheid liefhebt. Heeft zij gelijk en schept gij er waarlijk
geen behagen in mij in het verderf te storten, hoor dan naar mij,
volg mijn raad, vervul mijne bede! Ik vraag niet te veel."

"Spreek dan!"

"Weet gij wat de eer voor een man beteekent? Behoef ik u te zeggen dat
ik een verloren, een geschandvlekt man ben, wanneer ik om deze daad
van de meest hersenlooze lichtzinnigheid door de rechters van mijn
eigen huis word veroordeeld? Het kan mijn vader het leven kosten,
als hij verneemt dat het 'schuldig' over mij wordt uitgesproken, en
ik--ik--wat er van mij worden zal als dat geschieden moet, dat kan
ik niet indenken.... Ik.... God, God, behoed mij voor waanzin! Maar
bedaard, bedaard, de tijd dringt.... Hoe anders staat het met uw
dienaar; hij schijnt reeds nu bereid de schuld op zich te nemen,
want hoe men hem ook ondervraagt, hij bewaart het stilzwijgen. Doe
hetzelfde, en leggen de rechters bijzonderen nadruk op het onderhoud,
dat gij dien nacht met den Syriër hebt gehad--de honden hebben zijn
spoor gevonden op uwe trap--spreek dan het vermoeden uit, dat de trouwe
man zich van den smaragd kan hebben meester gemaakt, ten einde aan
uw verlangen te voldoen tot het doen van verdere nasporingen naar uw
vader, zijn geliefden meester. Kunt gij besluiten dit zware offer te
brengen--helaas, dat ik het vragen moet!--dan zweer ik u bij alles
wat mij heilig is, bij uzelve en bij het hoofd mijns vaders, dat ik
Hiram uiterlijk binnen drie dagen, ongeslagen en ongefolterd, met een
vorstelijk geschenk uit de gevangenis ontsla, en dat ikzelf hem den
weg zal banen om te vluchten waarheen hij wil, of als gij dit begeert,
om verder te zoeken naar uw overleden vader.--Zwijg dus, houd u gelaten
op den achtergrond, dat is alles wat ik verlang, en dat ik woord zal
houden, daaraan ten minste, niet waar, daaraan twijfelt gij niet?"

Diep bewogen had zij hem aangehoord. Zij had medelijden, innig
medelijden met hem, zooals hij daar smeekend en door gewetenswroeging
gemarteld voor haar stond, als een misdadiger die nog maar altijd niet
begrijpen kon dat hij het was, en die bouwde op het vertrouwen, dat
hij gisteren nog gerechtigd was van iedereen te vorderen. Hij stond
daar voor haar als een schoone, trotsche boom, waarin de bliksem was
geslagen en die nu waggelend en met gespleten stam bij een volgend
onweder ter aarde moet vallen, als de hovenier hem niet stut. Het
liefst zou zij alles wat haar door hem aangedaan was vergeten en zijne
hand vriendelijk gegrepen hebben om hem te troosten, maar haar diep
gekrenkte trots deed haar de koele ontwijkende houding bewaren, die
zij tot hiertoe tegenover hem had kunnen aannemen. Aarzelend en met
afgemeten woorden stemde zij toe te zullen zwijgen, zoolang hij woord
hield. Niet zoozeer om zijn maar om zijns vaders wil was zij bereid
zich tot medeplichtige te maken. Doch daarmede was alles tusschen
hen uit, en zij zou de ure zegenen, die haar voor eeuwig van hem en
de zijnen zou scheiden.

Dit laatste gedeelte van haar antwoord klonk bijzonder hard en
afwijzend, en zij moest op zulk een toon spreken om niet te verraden
hoe diep zijn ongeluk en het ondergaan van den zonneschijn in zijn
persoon, die ook een wijle haar gemoed zoo zalig had verwarmd, haar
aangreep; doch voor hem was het of in die woorden, waaruit ergerlijke
minachting en vijandige gezindheid schenen te spreken, een ijskoude
wind hem tegenwoei. Hij had moeite om zichzelven meester te blijven,
ten einde niet andermaal zich te laten medesleepen tot een heftigen
uitval. Het deed hem bijna leed haar zijn geheim toevertrouwd, haar
om genade gebeden, aan de zaak niet haar loop gelaten en haar, als
het tot een uiterste was gekomen, met zich in het verderf gesleurd te
hebben. Liever wilde hij eer en rust prijsgeven, dan zich andermaal te
verootmoedigen voor deze vijandin zonder erbarmen, met zulk een ijskoud
hart. Op dit oogenblik haatte hij haar werkelijk, en hij wenschte wel
met haar een tweegevecht te kunnen aangaan, om haar trots te breken en
de verwonnene om genade smeekende aan zijne voeten te zien. Terwijl
het bloed hem naar het aangezicht steeg, bracht hij met moeite ten
laatste deze woorden uit: "Van u te scheiden, van u, is voor ons
allen het beste. Houd u gereed, weldra zullen de rechters u roepen."

"Goed," luidde het antwoord, "ik zwijg, en gij zorgt voor de redding
van den Syriër; ik heb uw woord!"

"En zoolang gij het uwe getrouw blijft, zal ik het houden; anders,"
luidde het van zijne van woede trillende lippen, "anders strijd tot
met het staal!"

"Tot met het staal!" herhaalde zij met fonkelende oogen. "Nog eens
zeg ik u, ik heb bewijzen dat de smaragd, dien men bij Hiram heeft
gevonden, aan mij behoort; bij alle heiligen, die heb ik!"

"Des te beter voor u," hernam hij op somberen toon, "wee over ons
beiden, als gij mij dwingt te vergeten dat gij eene vrouw zijt!" Daarop
verliet hij met haastige schreden de zaal.



TWAALFDE HOOFDSTUK.


Met gebalde vuisten en kwaadaardigen blik daalde Orion de trap af. Het
was hem of zijn hart zou bersten. Wat had hij gedaan, en wat was er
van hem geworden! Zoo durfde eene vrouw hem bejegenen, eene vrouw,
die hij zijne liefde had gewijd, de schoonste en edelste der vrouwen,
de hoogmoedigste, wraakzuchtigste en hatelijkste tegelijk! Hij had eens
ergens gelezen: "Wie eene laagheid heeft begaan, waarvan ook een ander
weet, die draagt het doodsoordeel van zijne zielsrust in de plooien van
zijn gewaad." Hij gevoelde het gewicht van dit oordeel, en de andere
die mede alles wist was Paula, was zij van wie hij bovenal gewenscht
had dat zij tot hem mocht opzien! Gisteren hield hij het nog voor de
grootste zaligheid op aarde haar te omarmen, haar de zijne te mogen
noemen; thans kende hij maar één wensch, haar te vernederen, haar te
straffen. Helaas, dat hem de handen gebonden waren, dat hij als een
veroordeelde van hare genade afhing! Hij kon niet onder woorden brengen
hoe onverdragelijk hem deze gedachte was. Maar zij zou hem leeren
kennen! Als een blanke zwaan was hij tot nu toe het leven doorgegaan;
als deze noodlottige ure, als deze vrouw hem tot een gier maakte,
was het niet zijne, was het hare schuld! Weldra zou blijken wie de
sterkste was van hen beiden. Hij moest haar straffen op eene wijze
zooals men eene vrouw slechts tuchtigen kan, al moest hij ook langs
den weg der misdaad en der ellende zijn doel bereiken. Hij vreesde
niet dat de arts hare genegenheid had gewonnen, want hij voelde met
onbetwistbare zekerheid dat, hoe zij hem hare vijandschap ook deed
gevoelen, haar hart hem en hem alleen behoorde. "De gouden munt
der liefde," zeide hij tot zichzelven, "heeft twee zijden: teeder
verlangen en bitteren haat; thans toont zij mij deze laatste zijde,
maar hoe verschillend ook het beeld en het schrift van de munt mogen
zijn, wanneer men haar laat klinken geeft zij toch maar éen toon,
en die toon ligt ook in hare beleedigende taal."

Aan de familietafel verontschuldigde hij Paula en at zelf zeer weinig,
want de rechters waren sedert lang vergaderd en wachtten op hem.

Reeds aan de voorvaderen van den Mukaukas, machtige gouwvorsten,
was het recht verleend over leven en dood, en zij hadden zich daarvan
zeker al bediend onder de Psamtikiden, aan wier heerschappij de Pers
Cambyses zulk een gruwzaam einde had gemaakt. Als eerwaardige symbolen
van dit recht prijkten thans nog uraeusslangen, adders wier beten
den snelsten dood ten gevolge hebben, en de drakendooder St. George
boven de paleizen van den Mukaukas te Memphis en te Lucopolis in
Boven-Egypte. Op beide plaatsen stond het aan het hoofd der familie
vrij, nadat Justinianus en het laatst keizer Heraclius die oude
bevoegdheid opnieuw bevestigd hadden, om aan de onderhoorigen des
huizes en de inwoners van het district, waarover hij gesteld was,
eigenmachtig de doodstraf te doen voltrekken. De ridder St. George
was tusschen de oude slangen geplaatst, om het heidensch symbool
door een christelijk te vervangen. Vroeger had de ridder het hoofd
van een sperwer, dat wil zeggen van den god Horus gedragen, die om
zijn vader te wreken den boozen Seth Typhon had verslagen, doch reeds
een paar honderd jaren geleden was de heidensche krokodillendooder
in den christelijken overwinnaar van den draak veranderd geworden.

De Arabieren hadden na de verovering des lands de oude instellingen en
rechten en zoo ook die van den Mukaukas gehandhaafd. Het gerechtshof,
dat in zaken betreffende het huispersoneel werd saamgeroepen, bestond
uit de hoogere privaatbeambten van het stadhouderlijk huis. Het ambt
van opperrechter bekleedde de Mukaukas zelf en zijn volwassen zoon
was zijn natuurlijke plaatsvervanger. Gedurende Orions afwezigheid
had het hoofd van de rentmeesters, Nilus, een verstandig en bezadigd
Egyptenaar, de plaats van zijn lijdenden meester vaak vervuld, maar
heden was aan Orion opgedragen het voorzittersgestoelte in te nemen
en het onderzoek te leiden.

De zoon van den stadhouder haastte zich uit de eetzaal naar het
slaapvertrek zijns vaders te gaan, en vroeg hem om zijn ring als
teeken der volmacht, die hij op hem had overgedragen. De Mukaukas liet
zich dezen gewillig van den vinger halen, en drukte den jongeling
op het hart, dat zonder toegevendheid en gestreng moest worden
gevonnisd. Hij was anders tot zachtheid geneigd, doch op een inbraak
in zijn huis stond de dood, en in dit geval was het om der wille van
den Arabischen koopman geraden geen vergiffenis te schenken. Orion,
indachtig aan zijne overeenkomst met Paula, verzocht nu zijn vader hem
de handen geheel vrij te laten. De oude muzelman was een rechtvaardig
heer, die onder zekere omstandigheden ook een zacht vonnis zou
billijken. Bovendien was de misdadiger eigenlijk geen huisgenoot,
maar hij stond in dienst bij eene bloedverwante. De Mukaukas prees
het verstandig inzicht van zijn zoon. Als hij zich maar wat beter
gevoelde, zou hij gaarne de zitting willen bijwonen, ten einde hem
voor de eerste maal een ernstigen plicht te zien vervullen, die zijne
geboorte en zijn stand waardig was. Orion kuste zijn vader met warmte
en weemoedige ontroering de hand, want ieder woord van waardeering
uit den mond van dezen geliefden man deed hem innerlijk goed, doch hij
beschouwde het als eene ramp, dat hij zijn rechtersloopbaan, waarvan
hij den ernst en de heiligheid gevoelde, aldus--aldus beginnen moest.

Zachtmoediger gestemd, in gedachten verzonken en overwegende hoe
Hiram te redden en Paula's naam liefst geheel buiten de zaak te
houden zou zijn, begaf hij zich naar de gerechtszaal, en vond vóor
den ingang de voedster Perpetua in een levendig gesprek met den
rentmeester Nilus. De oude vrouw was radeloos. Door haar arbeid aan de
weefgetouwen had zij tot zooeven niets van al het gebeurde vernomen,
en zij bezwoer thans de onschuld van den ongelukkigen Hiram. De steen,
dien hij verkocht had, was het eigendom geweest van hare meesteres,
en daarvoor ontbrak het goddank niet aan bewijzen, want de kas van den
smaragd lag goed bewaard in de kist van hare meesteres. Gelukkig was
het nog mogelijk geweest haar even te spreken, maar dat men haar, de
dochter van Thomas, als ieder burger- of slavenkind voor het gerecht
wilde dagen, dat was ongehoord, dat was schandelijk!

Opeens stoorde Orion barsch dit onderhoud; hij gelastte den ouden
deurwachter haar onverwijld te brengen naar het magazijn naast het
tablinum, waar de voor het gebruik des huizes bestemde geweven stoffen
bewaard werden, en haar daar tot nader order goed te bewaken. De toon
waarop hij dit bevel gaf was zoo meesterachtig, dat zelfs de voedster
niet tegensprak; ook de rentmeester gehoorzaamde zwijgend zijn gebod,
om zich weder bij de rechters te voegen. Nilus kwam verbaasd en angstig
in de rechtzaal terug. Zóo had hij den zoon zijns meesters nog nooit
gezien. Bij de mededeeling van de voedster waren hem de aderen op
zijn jeugdig nog ongerimpeld voorhoofd sterk gezwollen, hadden zijne
neusvleugels zich snel en krampachtig bewogen, was de welluidende klank
uit zijne stem verdwenen en hadden zijne oogen dreigend gefonkeld.

Nu was Orion alleen en hij knarste op de tanden van boosheid. Ondanks
de gegeven belofte had Paula hem verraden, en hoe verachtelijk was
de vrouwenlist, waarmede zij dit gedaan had. Voortreffelijk! Voor
de rechters kon zij nu zwijgen, gerust zwijgen tot aan het einde der
zitting; de voedster, haar spreekbuis, had aan Nilus, den ernstigsten
en scherpzinnigsten man in het geheele college, de bewijzen
toevertrouwd, die voor haar en tegen hem getuigden. Ongehoord,
schandelijk! Een smadelijk, bij uitstek nijdig verraad! Maar
nog had zij haar doel niet bereikt, nog had hij de handen vrij,
om deze boozen aanval met een tegenstoot af te weren. Welke deze
zijn moest, dat was hem reeds bij de mededeeling van de voedster
duidelijk geworden, maar zijn geweten, zijne aangeboren neiging, de
langdurige gewoonte om zich te houden binnen de perken van wat recht,
goed en betamelijk is, dat alles verzette zich daartegen. Niet alleen
had hijzelf nooit eene laaghartige gemeene daad begaan, maar het had
zijne ergernis opgewekt, zoo vaak hij het had gezien van anderen; en
het eenige wat hij ondernemen kon om Paula's verraad onschadelijk te
maken, het was--hij kon het niet loochenen--het was wel ongehoord en
stout, maar niet minder verachtelijk en schandelijk. Doch hij wilde
en mocht in dezen strijd niet onderliggen. De tijd drong, hij kon
onmogelijk lang wikken en wegen, en plotseling ontwaakte in hem een
kwaadaardige, woeste strijdlust, en gevoelde hij zich als in de dagen
van de wedrennen in den circus, wanneer hij zijn vierspan aanzette
om de anderen vooruit te komen. Vooruit dan, vooruit, al moest het
voertuig in splinters slaan, al moesten de paarden er bij neervallen
en de raderen van zijn wagen de strijdgenooten in het zand van de
arena verbrijzelen!

Met een paar haastige schreden bereikte hij het kamertje van den
deurwachter, een wakker man, die sedert veertig jaren dit ambt
bekleedde. Vroeger was hij smid geweest en thans gebruikte men hem
om kleine herstellingen te doen aan het gewone huisraad. Orion
was als kind een aardige knaap, die ieders hart wist te stelen,
en dus ook de lieveling van dezen man geweest. Vaak had hij zich in
diens kamertje opgehouden en hem de kunstgrepen van zijn handwerk
afgezien. Met een bijzonderen aanleg voor werktuigkunde begaafd,
had hij zich een leerzaam scholier van den oude betoond en het
zoover gebracht, dat hij zijne ouders op hunne geboortedagen, die in
Egypte bijzonder feestelijk gevierd en door het geven en ontvangen
van geschenken opgeluisterd werden, met sierlijke kastjes en banden
voor gebedenboeken kon verrassen, die hij met eigen hand gesneden en
van sloten voorzien had. Hij kon alle instrumenten hanteeren en koos
thans fluks de zoodanigen uit, die hij meende noodig te hebben. Op
de vensterbank van het kamertje stond een bloemruiker, dien hij
gisteren avond voor Paula bestelde, maar op dezen schrikkelijken dag
vergeten had te halen. Met dezen in de hand en de instrumenten in de
borstplooien van zijn gewaad snelde hij naar de trap.

"Voorwaarts, altijd voorwaarts!" riep hij zichzelven toe, toen
hij Paula's kamer binnendrong, de deur grendelde, en zich op de
knieën neerliet bij hare kist, na de bloemen uit de handen te hebben
gelegd. Als hij ontdekt werd, dan heette het dat hij naar hare kamer
was gegaan om dezen ruiker te brengen.

"Voorwaarts, steeds voorwaarts!" dacht hij altijd, terwijl hij
de scharnieren losschroefde, waarmede het deksel aan de kist was
verbonden. Zijne handen beefden, zijne ademhaling versnelde, maar
het werk vorderde toch. Op deze manier moest het hem gelukken,
want het kunstslot van de kist liet zich niet openen zonder het te
vernielen. Daar lichtte hij het deksel en--als ondersteunden hem
vriendelijke machten--bij den eersten greep in de kist hield hij de
halsketen met de ledige kas in de hand. Het hulsel van bladgoud hing
aan het kunstig gewerkt halssieraad; dit los te haken en bij zich te
steken was het werk van een oogenblik.

Maar nu ging het niet meer, al riep hij zich het "voorwaarts" nog zoo
luide toe. Dat was een diefstal, daarmede ontroofde hij iets aan haar,
die hij, als zij maar gewild had, bereidwillig met alles zou hebben
overladen, waarmede het lot hem zoo overrijk gezegend had. "Neen,
dat, dat..."

Daar schoot hem plotseling eene zonderlinge gedachte door het hoofd,
eene gedachte die hem, te midden van den vreeselijken ernst van deze
ure een glimlach om de lippen plooide. Zonder verwijl voerde hij
haar uit; hij greep diep in zijn onderkleed en haalde een edelsteen
te voorschijn, die aan eene gouden keten op zijne borst hing. Dit
kleinood, het meesterwerk van een groot Grieksch steensnijder uit
den heidenschen tijd, was hem vereerd door zijn besten vriend in
Konstantinopel, als tegengeschenk voor een vierspan, dat dezen
bijzonder beviel, en de steen bezat inderdaad hooger waarde dan een
half dozijn edele paarden. Als in een roes, half waanzinnig, volgde
Orion dien ontstuimigen drang van zijn gemoed, en het verheugde hem
dat hij een kostbaar stuk bij de hand had om in de plaats van het
armzalig bladgoud te hangen. Met een paar handgrepen was alles in orde,
maar het weder aanschroeven van de scharnieren vorderde meer tijd,
want zijne vingers beefden sterk, en hoe nader het oogenblik kwam,
waarop hij Paula zijne overmacht wilde laten voelen, des te sneller
klopte zijn hart, des te moeielijker viel het hem zijn geest tot
kalme overweging te dwingen.

Nadat hij de deur ontgrendeld had, moest hij weder als een dief de
lange gang van de verdieping der gasten bespieden. Dit verhoogde
zijne opgewondenheid tot verbittering tegen de wereld en het
noodlot, en het meest tegen haar, die hem tot zulk eene smadelijke
zelfvernedering dwong. De renner hield de teugels en den prikkel in de
hand. Voorwaarts nu, voorwaarts! Evenals toen hij nog een jongen was,
vloog hij de trappen af, telkens een drietal treden overspringende,
en toen hij in de voorzaal de Grieksche opvoedster Eudoxia aantrof,
die hare wilde kweekelinge Maria juist in huis trok, wierp Orion haar
den bloemruiker toe, dien hij weder had meegebracht, en ijlde, zonder
acht te geven op de smachtende blikken waarmede de bedaagde jonkvrouw
hare dankzegging begeleidde, naar het kluisje van den deurwachter
terug, waar hij zich haastig ontdeed van alle gereedschappen.

Weinige oogenblikken later betrad hij de rechtzaal. De rentmeester
Nilus wees op den hooger geplaatsten opperrechterszetel van zijn vader,
maar eene sterke huivering weerhield hem dit eerwaardig gestoelte te
bezetten. Met gloeiend hoofd en somberen blik, zoodat alle aanwezigen
hem verbaasd en schuw aanzagen, opende hij met driftig uitgestoote
woorden deze zitting. Nauw wist hijzelf wat hij sprak, en hij hoorde
zijne eigene toespraak niet duidelijker dan het geruisch der zee uit
de verte. Toch gelukte het hem klaar uiteen te zetten wat er gebeurd
was, hij toonde den rechters den geroofden steen, dien men den dief
afhandig had gemaakt, berichtte op welke wijze men dezen weder in
bezit had gekregen, verklaarde den vrijgelatene van de dochter van
Thomas schuldig aan inbraak, en beval hem tot zijne verantwoording
aan te voeren wat hij vermocht.

Doch de aangeklaagde wist er slechts met moeite stotterende uit te
brengen, dat hij onschuldig was. Het was zijne zaak niet zichzelven
te verdedigen, maar misschien zou zijne meesteres iets tot zijne
rechtvaardiging in het midden willen brengen.

Daarop streek Orion zijne verwarde haren uit het aangezicht, wierp
het verhitte hoofd trotsch in den nek en zeide, zich tot de rechters
keerende: "Zij is eene aanzienlijke jonkvrouw, eene verwante van ons
huis, het is betamelijk haar buiten deze treurige zaak te houden. Hare
voedster heeft Nilus bovendien medegedeeld, wat misschien in staat is
om dezen ongelukkige te redden. Wij willen niets daarvan onopgemerkt
laten, maar gij, die minder goed met de verhoudingen tusschen de
verschillende personen bekend zijt, moet dit wel in het oog houden,
om niet op een dwaalspoor te geraken. Zij is aan den beschuldigde
gehecht, en hem en Perpetua schat zij hoog als het eenige wat haar
uit het ouderlijk huis is overgebleven. Verder moet het mij en u niet
verwonderen, wanneer eene edele vrouw als zij het waagt de schuld van
een ander op zich te nemen, en zichzelve in een twijfelachtig licht
te plaatsen, om een dienaar te redden, die altijd trouw en eerlijk
is geweest. De voedster is bij de hand, zullen wij haar roepen, of
heeft zij u Nilus alles toevertrouwd, wat hare meesteres ten gunste
van den vrijgelatene aanvoerde?"

"Perpetua heeft mij, en ten deele ook u eene geloofwaardige mededeeling
gedaan," antwoordde de rentmeester, "maar ik vermag haar toch niet
zoo juist weer te geven als zijzelve, en ik dacht daarom dat het goed
zou zijn de vrouw te laten voorkomen."

"Men brenge haar voor," beval Orion, terwijl hij over de hoofden der
rechters somber en ongenaakbaar in de ruimte staarde.

Na een langdurig en pijnlijk zwijgen in de zaal verscheen de oude
vrouw. Overtuigd van het goed recht harer zaak, trad zij onbeschroomd
binnen, zag eerst den ongelukkigen Hiram niet zeer vriendelijk aan,
omdat hij zoo lang gezwegen had, en vertelde daarop dat Paula, om
zich het noodige geld ter opsporing van haren vader te verschaffen,
door den vrijgelatene een kostbaren smaragd uit hare halsketen had
laten nemen, en hoe door het verkoopen van dit kleinood haar landsman
helaas in verdenking was gekomen.

Deze verklaring van de voedster scheen het meerendeel der rechters
gunstig voor den aangeklaagde te stemmen, doch Orion liet hun geen
tijd om onder elkander van gedachten te wisselen, want nauwelijks had
Perpetua haar verhaal geëindigd, of Orion greep den smaragd, die voor
hem op tafel lag, en zeide driftig en verstoord: "Dus zou een steen,
die zijn verkooper zelf, een der grootste kenners van juweelen,
verklaard heeft eenig in zijne soort te zijn en dezelfde die in
het tapijt heeft gezeten, opeens als door een wonder der natuur een
dubbelganger gevonden hebben? Booze geesten drijven ook heden ten dage
nog hun spel met de menschen, doch het is bezwaarlijk te gelooven
dat zij dit doen in dit christelijk huis. Gij weet wat het woord
'bakersprookjes' in onze taal beteekent, en wat de voedster daar in het
midden heeft gebracht moet blijkbaar daartoe gerekend worden. Dat mag
men den jood Apelles doen gelooven, zooals de Romein Horatius zeide,
maar zijn geloofsgenoot Gamaliël"--waarbij hij zich tot den juwelier
wendde, die op de bank der getuigen zat,--"zeker niet, en nog minder
mij, die dit weefsel doorzie. De dochter van den edelen Thomas heeft
zich vernederd om met behulp van deze kunstenares in het weven dit
sprookje op het getouw te zetten en voor ons te ontrollen, ten einde
ons rechters op een dwaalspoor te brengen en haren trouwen dienaar te
redden van gevangenisstraf, dwangarbeid of den dood. Zoo zit de zaak
in elkaar. Dwaal ik, vrouw, of blijft gij volharden bij uwe bewering?"

De voedster, die gemeend had in Orion een verdediger te vinden voor
hare meesteres, had zijne woorden gevolgd met klimmende verbazing. Uit
zijne oogen fonkelden haar nu eens spot, dan groote verbolgenheid
tegen, doch terwijl bij dezen onverwachten uitval de tranen haar in
de oogen waren geschoten, bewaarde zij toch hare tegenwoordigheid van
geest en verzekerde, dat zij evenals altijd zoo ook thans de waarheid
had gezegd. De kas waarin de smaragd harer meesteres had gezeten,
zou dit ten overvloede kunnen bewijzen.

Hierop haalde Orion de schouders op, beval de voedster hare meesteres
te roepen, wier persoonlijke tegenwoordigheid thans onvermijdelijk
was geworden, en zeide tot den rentmeester: "Geleid haar, Nilus! Een
dienaar brenge de kist hierheen, opdat deze door de eigenares zelve
voor onze oogen geopend worde, vóor een ander de hand aan den inhoud
kan slaan. Ik zou niet geschikt zijn voor deze boodschap, want
niemand in dit Jakobietische huis, ik vrees zelfs niemand onder u,
heeft genade gevonden in de oogen van deze schoone Melchietin. Mij is
zij helaas bijzonder kwalijk gezind, en zoo moet ik aan anderen elken
maatregel overlaten, die tot misverstand zou kunnen leiden. Breng
haar hierheen, Nilus, natuurlijk met al de onderscheiding, die aan
eene jonkvrouw van hooge geboorte toekomt."

Zoodra de afgezondenen zich verwijderd hadden, doorliep Orion de
rechtzaal met haastige, rustelooze schreden. Maar eens bleef hij voor
de rechters staan, zeggende: "Ook zelfs wanneer de kas van den smaragd
gevonden wordt, hoe verklaren wij dan de aanwezigheid van twee, ik
zeg twee steenen, elk eenig in zijne soort? Het is om zijn geduld te
verliezen! Een teergevoelig meisje waagt het eene ernstige rechtbank
op een dwaalspoor te brengen, ten gunste, ten gunste van...." Hij
ging niet verder, maar stampte driftig met den voet op den grond en
zette daarna stilzwijgend zijne wandeling voort.

"Hij is nog een nieuweling," dachten de rechters, die zijne groote
gejaagdheid opmerkten, "anders zou hij zich de dwaze poging om een
aangeklaagde schoon te wasschen niet zoo aantrekken, en zich door
zoo iets niet uit zijn humeur laten brengen."

Het verschijnen van Paula maakte eindelijk aan dat op- en neerloopen
van Orion een einde. Hij ontving haar met eene afgemetene buiging
en verzocht haar plaats te nemen. Vervolgens noodigde hij Nilus
uit haar mede te deelen wat uit het onderzoek en de behandeling van
de zaak tot hiertoe was gebleken, en te vragen wat haar naar zijne
meening en die der overige rechters had kunnen bewegen den gestolen
smaragd voor den hare te verklaren. Hij zou het zooveel mogelijk
aan anderen overlaten haar te verhooren, want zij wist maar al te
goed in welke verhouding zij tot elkander stonden. Voor dat hij
de rechtzaal binnenkwam, had zij hare verklaring van den diefstal
door Perpetua aan den rentmeester Nilus laten mededeelen; hij--en
hier verhief hij zijne stem--zou het passender gevonden hebben,
en meer overeenkomstig de verwantschap die er tusschen hen bestond,
wanneer zij hemzelven, Orion, had toevertrouwd, wat zij dacht ten
gunste van den vrijgelatene te doen; dan zou het hem mogelijk zijn
geweest haar te waarschuwen. Dit wegcijferen van zijn persoon bij
hare handelingen moest hij beschouwen als een nieuw bewijs van haar
afkeer, en de gevolgen ervan zou zij aan zichzelve te wijten hebben;
want nu moest het rechtsgeding onverbiddelijk zijn loop hebben.

De toornige gloed zijner oogen verried haar wat zij van hem te wachten,
en dat hij den kamp met haar aangenomen had. Zij hield zich overtuigd,
volgens zijne opvatting de kort te voren gegeven belofte verbroken
te hebben; doch zij had Perpetua geenszins opgedragen zich in deze
aangelegenheid te mengen, zij had de voedster integendeel verzocht haar
in het uiterste geval zelve de bewijzen te laten aanvoeren. Orion moest
in den waan verkeeren, dat hem harerzijds een onrecht was aangedaan;
maar zou hij daarom zichzelven zooverre kunnen vergeten, dat hij
zijne bedreiging uitvoerde en een onschuldige, om alle verdenking van
zich af te wenden, te gronde richtte, waarbij hij haar als valsche
getuige zou brandmerken? Ja, ook voor dit uiterste schrikte hij
niet terug! Zijn vlammend oog, zijne heftige gebaren, het geweldig
hijgen van zijne borst, dit alles sprak het duidelijk genoeg uit. De
strijd moest dus worden aanvaard. Liever ware zij op dit oogenblik
gestorven, dan dat zij het zou hebben willen wagen hem door een woord
van verontschuldiging zachter te stemmen. Zij voelde hoe zijn gemoed
kookte, en zou zich aan zijne voeten hebben willen nederwerpen, om hem
te smeeken toch tot bedaren te komen, ten einde zich te hoeden voor
eene nieuwe misdaad; doch zij bewaarde hare trotsche waardigheid,
en de blik waarmede zij den zijnen beantwoordde was niet minder
toornig en uitdagend dan die van hem. Als twee jonge adelaars, die
strijdlustig de veeren opsteken, de vleugels verder uitspreiden en de
halzen rekken, stonden zij daar tegenover elkander, zij zeker van hare
overwinning, in het bewustzijn van de rechtvaardigheid harer zaak,
doch meer beangst voor hem dan voor zichzelven, hij bijna blind voor
het eigen gevaar, maar als een gladiator, die in de arena tegenover
zijn doodvijand staat, meer bedacht om dezen te vellen, dan om eigen
lijf en leven te beschermen.

Terwijl de rentmeester haar mededeelde wat zij ten deele reeds
wist, en daarop de verdenking herhaalde, dat zij zich had laten
verleiden tot het geven van een valsch getuigenis om haar dienaar,
die misschien uit liefde voor zijn verdwenen meester de inbraak had
gewaagd, het leven te redden, zag zij meer naar Orion dan naar den
redenaar. Deze laatste wees ten slotte op de kist, die tegelijk met
Paula uit hare kamer in de zaal was gebracht, en gaf haar te kennen,
dat de gezamenlijke rechters bereid waren alles aan te hooren en te
onderzoeken, wat zij tot hare verdediging in het midden zou brengen.

Orions gejaagdheid bereikte thans haar toppunt. Hij voelde dat hij
doodsbleek werd en kon niet meer geregeld denken. De rechters, de
aangeklaagde, zijne vijandin, alles wat binnen de wanden van de groote
rechtzaal besloten was, lag daar voor hem als in grauwe kronkelende
nevels gehuld. Al wat hij zag scheen hem als met helder smaragdgroen
gekleurd. Het haar, de aangezichten, de gestalten der aanwezigen,
alles schemerde en glinsterde in dien groenachtigen glans. Toen Paula
echter trotsch en met vasten tred naar de kist toeliep, een kleinen
sleutel uit haar gewaad haalde, dezen aan een beambte overhandigde en
daarna als eenig antwoord op de mededeeling van Nilus, ja, als ware
dit reeds te veel van haar gevergd, met koele hoogheid zeide: "Open de
kist!," toen zag hij weder dat glanzig bruine haar, den vurigen gloed
harer blauwe oogen, de afwisselende bleekheid en blos harer wangen,
het heldere gewaad, dat hare heerlijke gestalte in fraaie plooien
omsloot, en haar zegepralenden glimlach. Hoe schoon, hoe begeerlijk
was deze vrouw! Weldra zou zij onderliggen in den strijd met hem,
maar deze overwinning zou hem te staan komen op het verlies van haar,
en met haar van alles wat er reins en goeds zijner voorvaderen waardig
in hem was. Eene stem in zijn binnenste riep het hem toe, maar hij
bracht haar tot zwijgen met de voorwaartskreet van den agitator. Ja,
vooruit tot het doel bereikt was, altijd voort over puin en steenen,
door bloed en stof, tot zij den trotschen nek buigt, tot zij overwonnen
en gebroken om genade smeekt.

Daar sprong het deksel van de kist open. Paula bukte zich, ze haalde
de halsketen te voorschijn en vertoonde die aan de rechters, zij
hield de beide einden ver uit elkander, en... Wat was dat voor een
akelige, hartverscheurende kreet van vertwijfeling! Zelfs Orion zou
gewenscht hebben zoo iets nooit meer te hooren.--Daar wierp zij het
halssieraad voor de rechters op tafel en met den uitroep: "Schandelijk,
laaghartig!" trad zij terug en greep zich aan de trouwe Betta vast;
want hare knieën begonnen te knikken en zij gevoelde dat zij op het
punt stond in elkaar te zijgen. Orion vloog naar haar toe om haar te
ondersteunen, maar zij stootte hem terug, en daarbij trof hem een blik
zoo vol smart, toorn en verachting, dat hij roerloos voor haar bleef
staan en de hand op zijn hart drukte.--En deze laaghartige daad,
die twee menschenkinderen zoo diep zou grieven, had hij met een
glimlach begonnen! Deze vertooning, die een doodsoordeel bevatte,
tot welk een ontzettend einde kon zij leiden?

Paula was intusschen zonder verder eenig geluid te geven op een
zetel neergezonken, en ook hij zag zwijgend voor zich tot in de rij
der aanwezige rechters een luid gelach opging en de oude Psamtik, de
bevelhebber van de hoofdwacht, die sedert geruimen tijd in de rechtbank
zitting had, uitriep: "Bij mijn ziel een kostelijke steen! Dat is de
heidensche liefdegod Eros, dien zijn gevleugeld schatje Psyche in het
aangezicht ziet. Hebt gij dien mooien roman van Apulejus niet gelezen,
'de gouden ezel' geheeten? Dit stukje komt daarin voor. Heilige Lukas,
wat is dat fijn gesneden! De edele jonkvrouw heeft zeker den verkeerden
halsketen gegrepen. He, Gamaliël, waar moet aan dat ding"--en hij wees
hierbij op den gesneden steen--"dat groene duivenei gezeten hebben?"

"Nergens," antwoordde de jood. "De edele jonkvrouw...."

Doch Orion legde dien getuige barsch het zwijgen op, waarna de
rentmeester Nilus den steen in handen nam en dien opmerkzaam van alle
zijden bekeek. Daarop ging de ernstige, rechtvaardige man, op wiens
bijstand Paula zeker gerekend had, naar haar toe, haalde medelijdend
de schouders op, en vroeg of er zich in de kist ook nog eene andere
halsketen kon bevinden, met zulk eene gouden kas als waarvan zij
gesproken had.

Eene rilling voer haar door de leden, want het scheen wel dat hier
een wonder was geschied. Maar neen, bij dezen slag die haar werd
toegebracht waren geen hoogere machten in het spel. Orion meende dat
zij hare belofte om hem te verschoonen en te zwijgen gebroken had, en
dit was nu zijne wraak. Hoe en langs welken weg hij haar volvoerd had,
dat was haar een raadsel. Welk een slag! Ja, ze had getroffen! Zou zij
zich dien laten welgevallen as een geduldig kind? Neen, duizendmaal
neen! Opeens herkreeg zij hare veerkracht, de haat staalde haar zwakken
wil, en gelijk hij zich in den geest verplaatst had te midden van
de wedrennen in de arena, zoo verbeeldde zij zich aan het schaakbord
gezeten te zijn; en het was haar als streed zij met hem om te winnen,
niet als met zijn vader om bloemen, kleine geschenken of de eer van
het spel alleen, maar om een geheel anderen inzet, om dood of leven.

Alles wilde zij er aan wagen om hem te overwinnen, en toch, neen--wat
er ook van komen mocht--niet alles. Liever wilde zij de nederlaag
lijden, dan hem overtuigen van diefstal, dan te verraden, wat zij in
het viridarium had bespied. Zij had beloofd dat te zullen verzwijgen
en den zoon te bewaren voor dezen smaad, dat zou het loon zijn dat
zij den vader betaalde voor zijne goedheid. Hoe heerlijk, hoe groot
had Orions beeld voor hare ziel gestaan! Met deze schandvlek wilde
zij hem noch voor zichzelve noch voor de wereld bezoedelen. Maar in
geen enkel ander opzicht mocht zij hem ontzien, en zij moest alles
doen om hem de zegepraal te betwisten en Hiram te redden. Elk wapen
was geoorloofd, alleen dit verraad wilde en mocht zij niet tegen hem
plegen. Hij moest gevoelen dat zij edeler gezind was dan hij, dat
zij in de moeielijkste omstandigheden des levens trouw bleef aan haar
woord. Haar besluit was genomen, en zij begon dieper adem te halen,
er kwam weer leven in haar oog, ofschoon het nog een wijle duurde,
eer zij het rechte woord vond om den strijd te beginnen.

Orion zag welk een bangen strijd zij voerde, hij gevoelde dat zij zich
tot weerstand wapende, en had haar willen aanmoedigen om den eersten
uitval te doen. Nog geen woord van verbazing of verontwaardiging,
nog geen enkel verwijt was over hare lippen gekomen. Wat voerde zij in
het schild, waarover peinsde zij? Hoe verrassender en gevaarlijker de
uitval bleek te zijn, des te beter; hoe moediger zij zich verweerde,
des te verder zou bij hem de pijnlijke gedachte op den achtergrond
treden, dat hij strijd voerde tegen eene vrouw. Ook helden hadden
roem gedragen op overwinningen over Amazonen behaald.

Eindelijk stond zij op en ging naar Hiram toe. Men had hem aan den
schandpaal gebonden en toen een smeekende blik uit zijne trouwe
oogen haar trof werd haar tong ontboeid, was zij zich opeens bewust,
dat zij zich niet enkel te verweren maar ook een ernstigen plicht
te vervullen had. Nadat zij met enkele haastige schreden de tafel
genaderd was, waarom de rechters in een halven cirkel gezeten waren,
legde zij de linkerhand ten steun op het tafelvlak, en zeide, terwijl
zij de rechter omhoog hief: "Gij zijt het offer van een afschuwelijk
bedrog, en iemand heeft aan mij een schurkachtigen streek begaan om
mij in het verderf te storten! Ziet die man daar aan den schandpaal er
uit als een roover? Geen heer heeft ooit trouwer, eerlijker dienaar
kunnen vrijlaten, en de dank dien Hiram daarvoor aan mijn vader
verschuldigd is, heeft hij op zijn dochter overgedragen,  daar hij
uit liefde tot mij eigen huis, vrouw en kind verliet, om mij, de wees,
naar den vreemde te volgen. Verlangt gij echter de waarheid te hooren,
niets dan de waarheid en deze ten volle..."

"Spreek!" riep Orion haar toe. Maar zij ging voort, zich tot Nilus
en de overige rechters wendende, terwijl zij hem met voordacht over
het hoofd zag. "Uw hoofd, de zoon van den Mukaukas, weet dat ik in
plaats van beschuldigde eene aanklaagster zou kunnen worden, als ik
wilde. Maar ik versmaad dit middel uit liefde voor zijn vader en omdat
ik edeler denk dan hij. Hij zal mij wel begrijpen! Wat dezen smaragd
aangaat, de vrijgelatene Hiram heeft hem gisteren avond voor mijne
oogen met zijn mes uit het gouden hulsel gelicht; doch behalve wij,
hebben, gode zij dank, ook nog anderen de kas zien hangen aan de keten,
waartoe hij behoorde. Heden middag bevond zij zich nog op de plaats
waar het eene misdadige hand later gelukt is dezen gesneden steen te
bevestigen. Ik heb die, dat bezweer ik u bij Christus' wonden, zooeven
voor het eerst gezien. Het is een kostbaar stuk. Alleen een rijk man,
de rijkste onder u allen, schenkt zulk een schat weg, onverschillig
met welk doel, laten wij zeggen: om een vijand in het verderf te
storten. Gamaliël," en daarbij wendde zij zich tot den juwelier,
"hoe Gamaliël, schat gij den onyx?"

De Israëliet liet zich den steen nog eens overhandigen, draaide
dien in alle richtingen en zeide ten laatste meesmuilende: "Ja,
schoone jonkvrouw, wanneer mijne zwarte broeihen zulke eieren legde,
zou ik het kippetje enkel met koeken van Arsinoë en vette oesters van
Kanopus voederen. Dat ding is een landgoed waard, en al ben ik geen
rijk man, ik betaal daarvoor ieder oogenblik twee groote talenten,
al moest ik ze borgen."

Deze verklaringen misten hare krachtige uitwerking op de rechters
niet. Doch Orion haastte zich te zeggen: "De wonderen vermenigvuldigen
zich op dezen merkwaardigen dag. De edelmoedigheid, tot een ijdelen
klank geworden, schijnt onder ons weer te ontwaken. Een verkwistende
demon maakt uit een waardeloos stukje bladgoud een kostbaren onyx. Mag
men vragen, jonkvrouw, wie die kas aan uw keten heeft gezien?"

Zij geraakte in verzoeking om ook het laatste ontzag voor zijn persoon
te laten varen en antwoordde met bevende stem: "Waarschijnlijk uw
medehelpers, of gijzelf; want gij, gij alleen hebt reden..."

Doch hij liet haar niet verder spreken, maar sneed haar de woorden af,
door te zeggen: "Dat is te veel! O dat gij een man waart! Thans heb
ik gezien hoever uwe edelmoedigheid gaat! Ook de haat, de bitterste
vijandschap...."

"Zij zouden het recht hebben u geheel te vernietigen!" riep zij
diep verontwaardigd. "En wanneer ik u van deze afschuwelijke misdaad
betichtte...."

"Dan zoudt gij een misdaad begaan tegen mij, tegen uzelve en tegen
dit huis," hernam hij dreigend. "Neem u in acht meisje! Kan uwe
verblinding zoover gaan, dat gij mij, mijzelven als getuige oproept,
opdat ik het sprookje, dat gij ons opdischt.."

"O neen, neen; dan zou ik nog iets edels van u moeten kunnen
verwachten," sprak zij, hem luid in de rede vallende. "Ik heb geheel
andere getuigen: Maria, de kleindochter van den Mukaukas Georg."

Haar oog zocht bij die woorden het zijne, maar hij zeide: "Dat kind,
welks hartje u toebehoort, en dat u volgt als een schoothondje!"

"En buiten haar nog Katharina, de dochter van de weduwe Susanna,"
haastte zij zich er bij te voegen, met blozende wangen en zeker van
hare overwinning. "Zij is althans geen kind meer maar eene jonkvrouw,
dat weet gij! Doch," en nu keerde zij zich weder tot de rechters,
"van u vorder ik, dat gij uw ambt waardig zult vervullen, door mij
recht te laten wedervaren en de beide getuigen te doen voorkomen om
haar te hooren."

Terstond antwoordde Orion, terwijl hij alle moeite deed om bedaard
te blijven: "De grootouders mogen beslissen of men het weekhartige
kind aan de verzoeking mag blootstellen door eene verklaring
voor de rechters, zij moge dan luiden hoe zij wil, hare afgodisch
beminde vriendin te redden. Haar leeftijd ontneemt overigens aan hare
getuigenis alle waarde, en het stuit mij ook tegen de borst een kind
van dit huis in deze pijnlijke zaak te mengen. Daarentegen is het de
plicht van het gerechtshof de jonkvrouw Katharina voor te laten komen;
en ikzelf bied mij aan haar te gaan roepen."

Paulas' poging om hem weder in de rede te vallen wees hij ten
stelligste af, men zou haar later in tegenwoordigheid der getuige
geduldig aanhooren. De onyx was misschien afkomstig uit het huis haars
vaders. Opnieuw werd Paula door rechtvaardige toorn overmeesterd en
buiten zichzelve riep zij: "Neen, duizendmaal neen! Een ellendige
booswicht, een uwer helpers, ik herhaal het, is mijne kamer
binnengedrongen en heeft, terwijl ik bij de kranke vertoefde, het
slot van mijne kist verbroken of met een valschen sleutel geopend."

"Dat kan onderzocht worden," zeide Orion, en hij was blijkbaar zeker
van zijne zaak, toen hij beval de kist op tafel te zetten en een der
rechters verzocht als zaakkundige zijn oordeel uit te spreken.

Paula kende den man zeer goed. Hij behoorde tot de aanzienlijkste
beambten des huizes en was de eerste werktuigkundige van den Mukaukas,
wiens taak het was maten en gewichten, wateruurwerken en andere
instrumenten te onderzoeken en te herstellen. Deze kundige man ging
dadelijk over tot het onderzoek van het slot, dat hij in de beste
orde bevond en van eene bijzondere samenstelling bleek te zijn, ook
de kunstig vervaardigde sleutel had door geen looper vervangen kunnen
worden, terwijl Paula moest toegeven de kist heden middag gesloten
en den sleutel sedert dien tijd om haar hals gedragen te hebben.

Orion hoorde deze verklaring schouderophalend aan en beval toen, vóór
hij Katharina ging roepen, Paula en de voedster, van elkaar gescheiden,
in aangrenzende vertrekken te brengen. Om in deze zaak tot klaarheid
te komen, was een eerste vereischte verdere afspraken tusschen haar
onmogelijk te maken. Zoodra de deur achter de vrouwen gesloten was,
ijlde hij naar den tuin, waar hij Katharina hoopte te vinden.

De rechters zagen hem na, terwijl ieder het zijne dacht. Zij stonden
hier voor raadselen, die moeielijk waren op te lossen. Niemand achtte
zich gerechtigd om te twijfelen aan de goede gezindheid van den zoon
huns rechtvaardigen meesters, dien zij eerden als een hoogbegaafd en
grootmoedig jonkman. Zijn strijd met Paula had hen pijnlijk aangedaan
en ieder vroeg zich af hoe het gekomen was, dat het dezen lieveling
der vrouwen niet scheen gelukt te zijn andere gevoelens, dan die van
haat te wekken bij eene der schoonste van haar geslacht. De groote
vijandschap tegen Orion, die zij niet verheelde, benadeelde hare
zaak in de oogen der rechters, die maar al te goed wisten op welk
een gespannen voet zij stond met vrouw Neforis. Het was meer dan
vermetel van haar den zoon van den Mukaukas te beschuldigen de kist
te hebben opengebroken; haat alleen had haar deze aanklacht op de
lippen kunnen leggen. Toch lag er iets in haar wezen dat pleitte
voor de deugdelijkheid van hare verklaringen, en als Katharina
werkelijk kon betuigen de kas van den smaragd aan het halssieraad
gezien te hebben, dan bleef er niets anders over dan het rechtsgeding
van eene andere zijde aan te vangen en onderzoek te doen naar een
anderen huisdief. Maar wie zou zulk een kostbaar stuk als dezen
gesneden steen voor iets zonder waarde hebben weggesmeten? Neen, dat
was ondenkbaar en de werktuigkundige Ammonius had gelijk toen hij
beweerde, dat eene door haat bezielde vrouw tot alles in staat is,
ook tot wat ongelooflijk schijnt.

Intusschen was het volmaakt donker geworden en de gloeiend heete dag
door een heerlijken, lauwen avond vervangen. De Mukaukas had zijn
vertrek nog altijd niet verlaten, terwijl zijne gemalin benevens de
weduwe Susanna en hare dochter, de kleine Maria en hare opvoedster in
de opene gaanderij aan de zijde van den tuin en den Nijl een luchtje
schepten en praatten. De vrouwen hadden hare hoofden omhuld met kanten
sluiers, deels tegen de muggen, die van de rivierzijde, door het licht
aangetrokken, bij zwermen kwamen toevliegen, deels tegen de dampen,
die uit de Nijlvlakte opstegen. Zij wilden zich juist verkwikken met
de zooeven gebrachte koele vruchtensappen, toen Orion verscheen.

"Hoe is het afgeloopen?" riep zijne moeder hem bezorgd toe; want uit
zijne verwarde haren en zijne hoogroode kleur maakte zij op, dat in
de zitting niet alles glad van stapel was geloopen.

"Ongehoorde dingen zijn er gebeurd," was zijn antwoord. "Paula vecht
als eene leeuwin voor den vrijgelatene haars vaders...."

"Om ons te krenken en in verlegenheid te brengen," hernam Neforis.

"Neen, neen, moeder," ging Orion met gejaagdheid voort. "Maar zij heeft
een hoofd van ijzer, zij is eene vrouw die niets ontziet als het geldt
haar wil door te zetten, en daarbij gaat zij met eene slimheid te
werk, waardig den grootsten advocaat dien ik ooit op het tribunaal
van de hoofdstad eene netelige zaak heb hooren bepleiten. Daar
komt bij dat hare voorname houding en hare goddelijke schoonheid
de hoofden van onze arme hofbeambten op hol brengen. Het is zeker
braaf en edel zooveel ijver aan den dag te leggen voor een dienaar,
doch dat alles kan haar niet helpen, want de bewijzen die tegen haren
stotterenden vriend voor de hand liggen zijn volkomen overtuigend,
en wanneer hare laatste bewering ontzenuwd is, zal de zaak beslist
zijn. Zij geeft voor het kind en ook u, aanvallige Katharina, een
halssieraad getoond te hebben."

"Getoond?" riep het kwikstaartje. "Ze heeft ons dat afgenomen, niet
waar Maria?"

"Maar wij hadden den keten zonder haar verlof weggenomen," antwoordde
de kleine.

"En verlangt zij," vroeg vrouw Neforis verstoord, "dat onze meisjes
voor de rechtbank worden gebracht, om getuigenis af te leggen voor
hare hoogheid?"

"Dat verlangt zij," bevestigde Orion. "Maar Maria's uitspraak geldt
niet bij de rechters...."

"En ook al ware het anders," hernam zijne moeder; "het kind mag in
geen geval in deze nietswaardige zaak betrokken worden."

"Omdat ik voor Paula spreken zou!" riep Maria, terwijl zij driftig
van haar zetel opsprong.

"Gij zult uw mond houden!" riep de grootmoeder haar toe.

"En wat Katharina betreft," zeide de weduwe, "het komt niet bij mij
op, haar voor al die heeren ten toon te stellen."

"Heeren!" zeide het meisje. "Mannen zijn het, kleine beambten en
dergelijken meer. Ze kunnen lang op mij wachten!"

"Maar gij zult toch aan hun verlangen moeten voldoen, trotsch meisje,"
zeide Orion lachende, "want gij zijt goddank geen kind meer, en
het staat der rechtbank vrij ieder volwassene als getuige voor de
tafel te roepen. U zal niets geschieden, want gij staat onder mijne
bescherming. Kom ga gerust met mij mede! Men moet in het leven alles
leeren kennen. Hier helpt geen tegenstreven. Overigens behoeft gij
slechts te zeggen wat gij gezien hebt en geleid ik u, als gij het mij
vergunt, weder zorgvuldig aan dezen arm naar uwe moeder terug. Gij
moet mij reeds heden uw kleinood toevertrouwen, vrouw Susanna, en
de eerwaardige getuige zal u daarna zeggen, wat er verder met mij
gebeuren zal."

Katharina begreep de beteekenis van die laatste geheimzinnige woorden,
en het verheugde haar met den schoonen zoon van den stadhouder, den
eersten man voor wien haar klein hartje klopte, alleen te mogen zijn;
zij sprong dus vroolijk op, doch Maria klemde zich hartstochtelijk aan
haar arm vast en verlangde zoo onstuimig en hardnekkig om meegenomen
te worden, ten einde voor Paula te kunnen spreken, dat de opvoedster
en vrouw Neforis haar slechts met moeite dwingen konden gehoorzaam
te zijn en het paartje alleen te laten trekken.

Beide moeders zagen hen met voldoening na en de gemalin van den
stadhouder fluisterde de weduwe toe: "Heden voor het gerecht, en zeer
spoedig, zoo God wil, voor het altaar in de kerk."

Om in de gerechtzaal te komen kon men of door het huis gaan,
of buiten om loopen. Gaf men de voorkeur aan den laatsten weg,
dan moest men allereerst door den tuin, en Orion koos dezen. In
tegenwoordigheid van de vrouwen had hij zich geweld aangedaan, om
de onrust die hem vervulde meester te blijven, en nu voelde hij hoe
de strijd, dien hij had aangebonden en waaruit hij zich niet meer
terugtrekken kon noch wilde, hem al verder en verder dreef en hem
dwong het jonge schepseltje, dat nu--de teerling rolde al--zijne
vrouw moest worden, op den schandelijken weg mede te sleepen, dien
hij was opgegaan. Toen hij zijne moeder beloofd had niet morgen maar
overmorgen om Katharina's hand te zullen vragen, had hij gehoopt
in dat tijdperk van uitstel hem toegestaan haar te kunnen bewijzen,
dat de kleine toch niet de rechte vrouw voor hem was; en nu--welk een
spot van het noodlot!--zag hij zich gedwongen, in alle opzichten juist
het tegendeel te doen van datgene waartoe zijne neiging hem dreef. De
vrouw die hij liefhad, ja nog altijd liefhad, hij bestreed haar als
eene doodvijandin, en het meisje dat hem geheel onverschillig was,
haar moest hij zijne hand reiken. Het was om krankzinnig te worden,
maar het moest gebeuren, en met een herhaald "voorwaarts" besloot hij
tot het schandelijk waagstuk, om het onervaren meisje aan zijn arm,
zoo aan zich te verbinden, dat zij bereid was om zijnentwil onrecht
te plegen. Zijn hart klopte of het springen moest, doch het was niet
mogelijk langer te dralen of terug te treden; het gold, overwinnaar
te blijven; dus voorwaarts, altijd voorwaarts!

Zoodra zij buiten het licht der lantaarnen in de schaduw waren gekomen
greep hij, blijde dat de duisternis zijne trekken onzichtbaar maakte,
de tengere rechterhand van de naast hem wandelende kleine met beide
handen en drukte zijne lippen op hare teedere vingertoppen.

"Maar, Orion," zeide zij schuchter, doch liet hem begaan.

"Ik vorder wat mij rechtmatig toekomt, gij zonneschijn mijner
ziel!" zeide hij op vleienden toon, "wanneer uw hartje zoo hevig klopt
als het mijne, dan kunnen de moeders daarginds het hooren."

"Ja het klopt al," zeide zij gelukkig, terwijl zij het krullekopje
opzij hield.

"Maar het mijne doet het toch sterker," antwoordde hij met een zucht,
terwijl hij haar handje tegen zijne borst drukte. Hij kon het gerust
wagen want het krampachtig kloppen van zijn hart dreigde hem te
doen stikken.

Maar zij antwoordde blij te moe: "Ja, waarlijk, dat bonst..."

"Zij mogen het daar ginds ook vernemen," antwoordde hij met een
gedwongen lachje. "Of uw moedertje niet reeds lang in onze harten
gekeken heeft?"

"Natuurlijk," antwoordde zij zacht. "Zoo vroolijk als sedert uwe
terugkomst heb ik haar zelden gezien."

"En gij, kleine tooveres?"

"Ik? Natuurlijk ben ik ook vroolijk geweest; zij waren het allen. En
uwe ouders..."

"Neen, neen, Katharina! Ik wil weten wat gijzelve bij mijne terugkomst
gevoeld hebt."

"Ach kom, hoe kan men zoo iets beschrijven?"

"Zou dat niet kunnen?" vroeg hij, haar arm vaster in den
zijnen drukkende. Hij moest haar winnen, en zijne dichterlijke
verbeeldingskracht hielp hem, om wat hij nooit gevoeld had met
gloeiende verven te schilderen. Hij liet haar zoete liefde-woordjes
hooren en zij geloofde hem gaarne. Op zijn wenk ging zij vertrouwelijk
zitten op een houten bank in de oude laan, die naar de noordzijde van
het huis leidde. Aan verschillende heesters bloeiden daar heerlijke
bloemen, die de lucht vervulden met een zoeten, bedwelmenden
geur. De maneschijn drong door de dichte kronen der sykomoren en
deed flikkerende strepen en kringen van licht spelen over het loof,
op de stammen der boomen en den donkeren grond. Het loofdak boven
hunne hoofden had de hitte van den dag teruggehouden, zoodat de
lucht nog altijd zwoel en drukkend was. Het was op deze plaats dat
hij haar voor het eerst zijn eenig bruidje noemde en haar hartje in
ketenen sloeg. In elk zijner gloeiende woorden trilde de onstuimige,
bange gejaagdheid, die zijne ziel martelde, zoodat zij klonken als
waren ze innig en oprecht gemeend.

De bloemengeur bedwelmde daarbij haar jong en onervaren gemoed en
gewillig bood zij hem hare lippen tot een kus. Innig gelukkig gevoelde
zij hier de eerste zaligheid eener jeugdige liefde die wederliefde
vindt, levenslang zou zij met hem verbonden willen zijn. Doch reeds
na eenige oogenblikken sprong hij op, verlangende aan de teedere
minnekoozerij een einde te maken, die ook hem begon te betooveren en
zeide luid en driftig: "O dat verwenschte rechtsgeding! Maar dat is
het lot van den man! Zijn plicht roept en hij moet midden uit alle
vreugde van het paradijs naar de aarde terugkeeren. Geef mij uw arm,
gij mijne eenige, mijn alles!"

Katharina gehoorzaamde en liet zich als in een roes van blijdschap over
het onverwacht geluk, dat haar wedervoer, door hem meetroonen. Zij
hoorde echter vreemd op, toen hij haar zeide: "Na deze hemelsche
zaligheid moeten wij aan de nuchterste van alle zaken denken. Hoe
afkeerig ben ik van datgene waarom het nu te doen is; hoe geweldig
stuit het mij tegen de borst. Gaarne zou ik voor Paula een vriend,
een trouw beschermer zijn, in plaats van haar tegenstander!"

Bij deze woorden gevoelde hij hoe de linkerarm van het meisje op den
zijnen zich onrustig bewoog, en dit was hem een prikkel om verder te
gaan op den weg der misdaad. Katharina zelve wees hem de richting
aan, die hij volgen moest om zijn doel te bereiken, en terwijl hij
voortging om haar ijverzucht te doen ontvlammen terwijl hij Paulas
schoon en edel voorkomen prees, verontschuldigde hij zich voor zijn
geweten met deze drogreden, dat hij als bruidegom gerechtigd was
zijne bruid te dwingen zijn geluk en zijne eer te redden. Toch had
hij bij elk vleiend woord het gevoel als vernederde hij zichzelven,
als beging hij daarmede tegen Paula een nieuw onrecht. Het viel hem
maar al te gemakkelijk haar lof te verkondigen.

Doch terwijl hij dit deed met toenemende warmte, tikte zij hem op
den arm en zeide half schertsend, half op ernstig verdrietigen toon:
"O deze godin! Ben ik, of is zij uwe geliefde? Pas op dat ge mij niet
jaloersch maakt, hoort ge!"

"Klein gekkinnetje!" antwoordde hij vroolijk, en om haar gerust te
stellen liet hij erop volgen: "Zij is als de koele maan, en gij zijt
de lichtende, verwarmende zon. Ja, Paula! wij willen haar overlaten
aan een der Olympische goden of aan een aartsengel, maar ik zing den
lof van mijn klein levenslustig meisje, dat met mij het leven genieten
zal en al zijne vreugde."

"Ja, dat willen wij!" juichte zij, meenende den horizont harer toekomst
in het glansrijkste zonlicht te aanschouwen.

"Goede hemel," dus brak hij als verrast dit onderhoud af. "Het licht
schijnt al in die rampzalige rechtzaal. O de liefde, de liefde! Door
hare betoovering hebben wij het doel van onzen gang vergeten. Zeg nu
eens, schatje, weet gij nog precies hoe het halssieraad er uitzag,
waarmede gij en Maria heden middag gespeeld hebt?"

"Het was zeer kunstig bewerkt, alleen hing in het midden een leelijk
verbogen stuk bladgoud."

"Gij zijt ook eene kenster van kunstwerken! Hebt gij dan den keurig
gesneden steen over het hoofd gezien, die in deze onaanzienlijke kas
besloten was?"

"Neen, waarlijk niet!"

"Ja toch, klein wijsneusje!"

"Neen, mijn lieve!" en toen zij dit uitsprak, sloeg zij de oogen
vroolijk op, als ware haar een waagstuk gelukt. "Wat gesneden
steenen zijn weet ik zeer goed. Vader heeft eene groote verzameling
ervan nagelaten, en moeder zegt dat zij volgens het testament mijn
toekomstigen man zullen toebehooren."

"Dan zal ik u, mijn heerlijk juweel, in eene lijst van louter onyxen
kunnen zetten."

"Neen, neen," antwoordde zij vroolijk, "geef mij later maar een kastje,
want ik ben zulk een vluchtig ding. Doch het mag niet anders zijn,
neen niet anders dan uw hart!"

"Deze goudsmidsarbeid is al verricht! Maar nu in ernst, kindjelief,
wat aan Paulas halsketting hing was een onyx, en gij, kleine keurster
van juweelen, hebt den steen slechts van achteren bezien; dáar heeft
hij een rug zooals gij beschrijft, een eenvoudig hulsel van bladgoud!"

"Maar Orion!"

"Hebt ge mij lief, hartediefje, weerspreek mij dan niet verder. Later
zal ik u altijd naar uw oordeel vragen, maar in dit geval kan mij
uwe dwaling in groote moeielijkheden brengen en mij dwingen aan Paula
toe te geven en haar tot mijne bondgenoote te maken.--Hier zijn wij
er, maar blijven wij nog een oogenblik staan! En nu nog over dien
steen. Ziet gij: wij kunnen beiden dwalen, ik zoowel als gij, maar
ik geloof zeker gelijk te hebben, en wanneer gij in dit geval iets
anders verklaart dan ik heb gedaan, dan sta ik als een leugenaar voor
de rechters. Wij zijn nu toch bruid en bruidegom, dus één, geheel één,
en wat een onzer treft of verheft, dat vereert of verlaagt tegelijk de
andere. Zegt gij, die mij liefhebt en van wie de lieden al mompelen,
dat gij eerlang als meesteres in dit paleis gebieden zult, iets anders
dan ik, zoo zullen zij het zeker gelooven. Zie, gij zijt zoo door en
door goed, maar nog te jong en te rein om alle eischen te begrijpen
eener almachtige liefde, die alles gelooft en verdraagt. Als gij in
dit geval niet gaarne aan mijn verlangen gehoor geeft, dan hebt gij
mij zeker niet lief, zooals gij mij zoudt moeten liefhebben. En is
het dan zoo iets moeilijks wat ik van u vraag? Ik wensch van u niet
anders, dan dat gij voor de rechters zult verklaren, dat gij heden
middag Paulas halsketting gezien hebt, en dat daaraan een gesneden
steen hing, een onyx met Amor en Psyche. Verder niets!"

"Moet ik dat getuigen voor al die rechters?" vroeg Katharina met een
bedenkelijk gezicht.

"Dat moet gij doen, vriendelijke engel!" hernam Orion teeder. "Zoudt
gij het aardig vinden, als eene bruid hare geliefde de eerste bede
knorrig weigerde, omdat zij er eenig bezwaar tegen heeft of meent
alleen gelijk te hebben? Neen, neen, als er maar een vonkje liefde
voor mij in uw hartje gloort, als gij mij niet dwingen wilt Paula te
verzoeken, dat zij genade met mij zal hebben..."

"Maar waarom is het dan toch te doen? Wie kan er zooveel waarde aan
hechten of een gesneden steen of een eenvoudig stuk bladgoud..."

"Dat zal u later alles omstandig verklaard worden," voegde hij haar
haastig toe.

"Toe, doe het nu dadelijk..."

"Dat gaat niet; wij hebben het geduld der rechters reeds veel te lang
op de proef gesteld. Er is geen oogenblik te verliezen!"

"Nu goed dan, maar ik zal van verlegenheid en schaamte bezwijken,
wanneer ik voor de rechters een getuigenis afleg..."

"Dat waar is," zoo drong hij verder aan, "en waarmede gij mij toonen
kunt, hoezeer ge mij liefhebt."

"Wat is dat verschrikkelijk!" zeide zij angstig. "Bind mij ten minste
den sluier vast om het aangezicht. Al die gebaarde mannen..."

"Als de struisvogel," zeide Orion met een glimlach, terwijl hij aan
haar verlangen voldeed. "Indien gij er werkelijk anders over denkt
dan uw... hoe hebt gij daareven ook gezegd? Herhaal het nog eens!"

"Uw liefste!" zeide zij blozende en innig, terwijl zij Orion hielp
haar den sluier dubbel voor het gezicht te binden, en zij weerde
hem niet af, toen hij haar in het oor fluisterde: "Laat eens zien
of een kus ook door zulk eene vermomming nog goed smaakt!--Kom nu,
in weinige oogenblikken is alles gedaan."

Na deze woorden leidde hij haar snel het voorportaal van de rechtzaal
binnen en verzocht haar een oogenblik te wachten. Aan de rechters
deelde hij haastig mede, dat vrouw Susanna hem haar dochtertje slechts
had toevertrouwd onder voorwaarde, dat hij haar onverwijld bij hare
moeder zou terugbrengen, nadat zij hare verklaring als getuige had
afgelegd. Vervolgens liet hij Paula roepen en noodigde haar uit zich
neer te zetten.

Katharina was met loome schreden en een beklemd hart het voorportaal
van de rechtzaal binnengegaan. Zij had zich menigmaal door kleine
omwegen uit de verlegenheid weten te redden om eene berisping te
ontgaan, maar zij had nog nooit ernstig gelogen, en nu begon alles
in haar zich te verzetten tegen het voornemen om iets te verklaren
wat stellig onwaar was. Maar kon het dan slecht zijn wat Orion, de
edelste van alle mannen, de afgod van de gansche stad, zoo dringend
van haar begeerde? Maakte de liefde, volgens zijne opvatting, het
haar niet tot plicht om alles te doen, wat hem voor nadeel en schade
kon bewaren? Wel-is-waar kwam dit haar niet geheel billijk voor,
maar misschien begreep zij het nog niet genoeg, omdat zij zoo jong en
onervaren was. Het beangstigde haar ook dat haar geliefde, wanneer zij
tegen zijn wil handelde, gedwongen zou zijn met Paula een verbond aan
te gaan. Aan zelfbewustzijn ontbrak het haar niet, en zij zeide tot
zichzelve, dat zij voor geen meisje in Memphis behoefde onder te doen,
alleen die schoone, trotsche, groote Damasceensche stond, dit gevoelde
zij, verre boven haar, en zij kon niet vergeten hoe eergisteren,
toen Paula met haren bruidegom in den tuin op en neder wandelde,
de overste van Memphis had uitgeroepen: "Welk een buitengewoon
mooi paar!" Vaak had zij gedacht, dat er geen schooner, minzamer,
lieftalliger schepsel op aarde leefde dan de dochter van Thomas, en
kon zij hunkeren naar een blik, een vriendelijk woord van haar. Maar
sedert dat zeggen van den stadsoverste was zekere verbittering tegen
Paula in hare ziel ontwaakt, die daarna van verschillende zijden
rijkelijk voedsel had gekregen. Paula bejegende haar altijd als een
kind, niet als een volwassen meisje, dat zij toch was. Waarom had zij
heden middag haren bruidegom, want zoo mocht zij Orion thans noemen,
willen opzoeken en haar van hem afhouden? En wat was de reden dat
Orion, terwijl hij de bekentenis aflegde dat hij haar liefhad,
telkens meer dan met warmte, met geestdrift van die jonkvrouw had
gesproken? Neen voor deze verleidster moest zij op hare hoede zijn,
en wanneer men sprak van een groot geluk dat haar weervaren was,
Paula zou het haar zeker niet gunnen, want Katharina voelde en
wist, dat deze haren geliefde met alles behalve onverschillige oogen
aanzag. Zij bezat op de wereld geene andere vijandin dan Paula en van
deze mededingster had hare liefde alles te vreezen. Opeens vroeg zij
zich af, of het bladgoud dat zij gezien had toch niet een gesneden
steen zou hebben kunnen zijn. Zij had immers de halsketen maar een
oogenblik opmerkzaam bekeken? En waarom zou zij scherper hebben gezien
dan de groote wonderschoone oogen van Orion?

Zeker, hij had gelijk, gelijk zooals altijd. De meeste gesneden steenen
hadden eene ovale gedaante, en ovaal was ook dat ding waaromtrent
zij getuigen moest. Het was van Orion niet te denken, dat hij iets
leugenachtigs van haar verlangen zou. In elk geval was het de plicht
zijner bruid om hem voor schande te behoeden en te verhinderen, dat
hij een verbond zou sluiten met die schoone sirene. Zij wist wat zij
te zeggen had en reeds wilde zij een gedeelte van den sluier losmaken,
om Paula recht goed in het aangezicht te zien, toen Orion terugkeerde
om haar naar de rechtzaal te voeren.

Tot zijne vreugde, ja tot zijne verbazing sprak Katharina hier
zonder aarzelen uit, dat er heden middag een gesneden steen in Paulas
halssieraad had gehangen, en toen men haar den onyx toonde en vroeg
of zij zich dezen herinnerde, antwoordde zij kalm: "Deze kan het
geweest zijn of ook niet; ik herinner mij alleen nog de ovale gouden
achterzijde. Voor het overige liet deze jonkvrouw haar kleinood maar
enkele oogenblikken in mijne handen."

Toen de rentmeester Nilus haar uitnoodigde, om de voorstelling
van Amor en Psyche nader te bekijken en haar geheugen te scherpen,
antwoordde zij ontwijkend: "Ik mag zulke heidensche voorstellingen
niet; wij Jacobietische meisjes dragen andere sieraden."

Daar rees Paula op, en trad met een blik vol streng verwijt haar
te gemoet, en nu verblijdde de kleine Katharina zich, dat zij op
het denkbeeld was gekomen om zich het hoofd te bedekken met een
dubbelen sluier. Maar de groote verlegenheid waarin zij gebracht
werd door den scherpen blik der Damasceensche, duurde slechts kort,
want toen deze haar waarschuwend toeriep: "Gij legt nadruk op uwe
getuigenis, maar gij hebt niet minder dan ik der waarheid de eere
te geven. Bedenk wat er van uwe uitspraak afhangt; dat bezweer ik u,
kind," viel de kleine hare tegenpartij in de rede en zeide verstoord,
met hartstochtelijke gejaagdheid: "Ik ben geen kind meer, ook niet
voor u, en vóor ik spreek bedenk ik mij, zooals mij dat geleerd werd!"

Daarop wierp zij het kopje trotsch in den nek en herhaalde nog eens
stellig: "Deze onyx heeft in het midden van de keten gehangen."

"Gij schandelijke leugenaartser!" riep de voedster, zichzelve niet
meer meester, haar in het aangezicht.

Katharina verschrikte hevig en zag om, als had haar een adder gebeten
naar haar die het gewaagd had haar zoo gruwelijk en onbeschaamd te
beleedigen. Hulpeloos, terwijl zij op het punt was in tranen uit te
barsten, keek haar oog naar bijstand rond, en zij behoefde niet lang
op een wreker te wachten, want Orion gaf dadelijk bevel Perpetua
wegens hare valsche verklaring naar de gevangenis te brengen, de
Damasceensche te ontslaan, omdat zij niet had gezworen en alleen uit
goede bedoeling een ongelooflijk verhaal had verdicht, en de kist
weder naar hare kamer te dragen.

Daar trad de jonkvrouw nog eens voor de tafel, maakte den onyx van de
keten los, wierp dien den jood Gamaliël toe, die hem opving, en zeide:
"Dien schenk ik u, man! Misschien koopt de schurk, die hem aan mijn
keten heeft gehangen, u dien weer af. Mijne grootmoeder heeft dit
halssieraad van den heiligen keizer Theodosius ontvangen, en eer ik
het verder door het geschenk van een ellendeling laat bezoedelen,
werp ik zelve het in den Nijl. Op u arme, bedrogene rechters ben ik
niet toornig, doch ik beklaag u! Mijn Hiram"--en hier wees zij op
den vrijgelatene--"is een eerlijk man, dien ik met dankbare liefde
gedenken zal tot in den dood; maar deze onrechtvaardige zoon van een
rechtvaardigen vader, die daar...." Dit roepende wees zij op Orion;
doch de jongeling ontnam haar het woord door haar toe te duwen:
"Genoeg!"

Zij trachtte al hare krachten te verzamelen en zeide: "Ik zal doen
wat gij verlangt, want uw geweten zal u honderdmaal herhalen, wat
ik verzwijg. En nu nog een woord!" Daarop ging zij naar hem toe en
fluisterde hem in het oor: "Ik heb de overwinning op mijzelve behaald,
om het scherpste wapen tegen u ongebruikt te laten, overeenkomstig
mijn gegeven woord. Wanneer gij niet de ellendigste zijt van alle
ellendigen, gedenk dan het uwe en red Hiram!"

Een zwijgend hoofdknikken was zijn antwoord. Zij bleef op den drempel
nog even staan en zeide tot Katharina: "U, kind, want meer zijt gij
nog niet, u zal de zoon van den Mukaukas voor den dienst hem bewezen
met onbeschrijfelijke smarten beloonen."

Met deze woorden verliet zij de zaal, besteeg met wankelende schreden
de trap, en toen zij weder naast de legerstede van de arme waanzinnige
neerzat, schonk de goede God haar den lenigenden balsem van te kunnen
weenen. Haar vriend, de arts, vond haar weenende en stoorde haar niet,
tot zij zelve hem bij haar riep en hem toevertrouwde, wat haar op
dezen moeielijken dag overkomen was.

Orion en Katharina hadden hunne blijmoedige stemming verloren
en begaven zich ernstig naar de zuilengaanderij terug. Toen zij
onderweg bij hem op verklaring aandrong, waarom hij haar verleid had
dit getuigenis af te leggen, troostte hij haar met een uitstel tot
morgen. Zij vonden vrouw Susanna alleen, want zijne moeder was bij
haar gemaal geroepen, wiens lijden was verergerd, en had de kleine
Maria medegenomen. Nadat hij de weduwe begroet en haar met Katharina
naar den wagen geleid had, keerde hij naar de rechtzaal terug.

Daar gekomen zette hij den rechters de geheele toedracht der zaak
en alles wat tegen den vrijgelatene getuigde nog eens in een kort
bestek uiteen. Daarop werd het oordeel geveld. De trouwe Hiram werd
ter dood veroordeeld. Alleen de stem van den rentmeester Nilus had
er zich tegen verklaard. Orion beval de voltrekking van het vonnis
op te schorten en keerde niet weder in huis terug. Hij liet zijn
wildsten hengst zadelen en reed geheel alleen de woestijn in. Hij
had overwonnen, maar het was als ware hij bij die wedstrijd in het
slijk geraakt en moest hij daarin stikken.



DERTIENDE HOOFDSTUK.


Wat de arts door Paula vernomen had van de gebeurtenissen in
den afgeloopen dag, van Orions houding en het einde van het
rechtsgeding, wekte in de hoogste mate zijne verontwaardiging, en
zonder tegenspraak billijkte hij het besluit van het meisje om dit
schandelijk rooversnest, dit huis van boosheid en bedrog, van bloode
rechters en valsche getuigen te verlaten.

Het kwam nog niet tot een rustig gesprek tusschen hun beiden, want in
het ziekenvertrek had Philippus weldra de handen vol. De Masdakiet
Rustem, die tot dusverre bewusteloos had gelegen, was ingevolge een
nieuw medicament uit zijne verdooving ontwaakt en verlangde onstuimig
naar zijn meester Haschim. Toen deze niet verscheen en men hem zeide,
dat hij eerst morgen verwacht kon worden, richtte de reus zich in
zijne kussens op, hield de gespierde armen strak achterwaarts op de
kanten van het bed, keek met verbijsterden blik links en rechts en
schudde den grooten kop, waarvan men de haarlokken had weggesneden,
als een getergde leeuw. Daarbij riep hij den arts met zijne ver
klinkende borststem smadelijke woorden in zijne moedertaal toe, die
niemand der aanwezigen verstond, en terwijl Philippus het verband
opnieuw vruchteloos op de diepe wonde trachtte te bevestigen, liet
Rustem plotseling de handen van het bed los, sloeg zijne armen om het
lichaam van den arts en trachtte in zijne razernij, met het schuim
op de lippen, hem neder te trekken. Brullende als een roofdier trok
hij zijn tegenpartij heen en weer, maar ook thans verloor Philippus
geen oogenblik zijne tegenwoordigheid van geest, doch beval de non
twee stevige slaven te halen.

Terwijl deze wegsnelde was Paula getuige van eene vreeselijke
worsteling, want de arts had de polsen van den reus met zijne handen
omkneld, en met eene kracht, die men wel den grooten, grof gebouwden,
maar bezwaarlijk den eenigermate gebogen man van studie zou hebben
toegeschreven, hield hij de handen van den Pers van zijne heupen
verwijderd, wrong daarna zijne vingers tusschen die van Rustem,
dwong hem in zijn kussen terug te zinken, zette de knie op zijne
bronzen legerstede en bracht hem zóo onder zijne macht, dat de gewonde
zich niet weder vermocht op te richten. Toch spande Rustem nog alle
krachten in om zich van zijn tegenstander te bevrijden, maar deze
was nu sterker dan hij, want het bloedverlies en de koorts hadden
den aanvoerder der karavaan verzwakt.

Paula zag deze worsteling van de verstandige sterkte tegen de
dierlijke kracht van een razenden reus bevend en met luid kloppend
hart aan. Zij kon den vriend niet helpen, maar aan het hoofdeinde
van het bed staande, volgde zij elk zijner bewegingen, en zag
hoe hij den kolossalen man, voor wien haar oom uit kinderachtige
vrees gesidderd had, gekluisterd hield. Zij moest zijne mannelijke
schoonheid bewonderen, want zijne oogen straalden thans met vurigen
glans, en het korte onderdeel van zijn aangezicht scheen langer te
worden bij de geweldige inspanning waartoe hij zich dwong, en bracht
dat gedeelte in harmonie met het groote voorhoofd en het overige van
zijn gelaat. Innerlijk beefde zij voor hem, en zij meende in hem, wien
zij vroeger alleen geacht had om zijn groot verstand, iets groots,
iets van een held te zien.

Eenige oogenblikken had de strijd geduurd, toen Philippus gevoelde
dat de armen van den Pers verslapten, en nu riep hij Paula toe
hem een doek, een koord of wat ook te brengen, om den razende te
binden. Haastig en zich volkomen bewust van hetgeen haar te doen
stond, ging zij naar het aangrenzend vertrek, greep haar hoofddoek,
trok den zijden gordel van haar gewaad, ijlde met beiden naar de
kampplaats terug, en hielp den arts met mannenmoed de handen van
den waanzinnige binden. Elk woord, iedere terechtwijzing van den
vriend verstond zij, en toen de slaven, die de non geroepen had, de
ziekenkamer binnentraden, vonden zij Rustem met vastgebonden handen
terug en hadden niet anders te doen dan te verhinderen, dat hij uit bed
sprong of zich op zijde wierp. Philippus naar adem hijgende schreef
nu de slaven voor hoe zich verder te gedragen, en toen hij daarna
naar de artsenijkast ging en Paula opmerkte hoe zijne blauwroode,
gezwollen vingers daarbij trilden, nam zij de fleschjes eruit waarop
hij wees, mengde het geneesmiddel naar zijn voorschrift en ontzag
zich niet het met hulp der slaven den woesten man tusschen de met
geweld geopende tanden te gieten. De weldadige druppels brachten
den kranke in weinige oogenblikken tot rust, en weldra kon de arts
met eigene hand onder bijstand van de ervarene non de wond van den
karavaan-aanvoerder reinigen en verbinden.

Intusschen was ook de waanzinnige door het gebrul van den Pers
wakker geworden en vroeg angstig of de hond, de booze hond er weder
was. Doch zij liet zich dadelijk door Paula neerzetten en beantwoordde
de vragen, die deze tot haar richtte, zoo verstandig en bedaard, dat
hare verpleegster den arts erbij riep, en deze Paula's hoop deelde,
dat er in den zielstoestand van de waanzinnige een gewichtige ommekeer
zou kunnen plaats hebben.

Paula deed opmerken hoe Mandane weemoedige doch vriendelijke woorden
uitte, waarop de arts zeide: "Op het ziekbed leert men de menschen
kennen. Dit wilde meisje, dat den zoon des huizes misschien met een
moorddadig plan op het lijf viel, toont thans haar waren, zachten
aard. Wat den jongen man hiernaast aangaat, dat is een stevige,
maar ook een brave kerel, daarop geef ik mijne tien vingers ten pand."

"Wat geeft u dat vertrouwen?"

"Zelfs in de koorts heeft hij niet eene enkele maal gekrabd of
gebeten, maar zich geweerd als een ordentelijk jongmensch... Mijn
dank nu voor uwe hulp; indien gij hem dat koord niet om den handen
hadt geslagen, zou het spel misschien anders afgeloopen zijn."

"Zeker niet," antwoordde Paula op stelligen toon. "Want gij zijt sterk,
Philippus! Men zou bang voor u kunnen worden."

"Gij?" lachte de arts. "Ge behoeft nu niet bang meer te zijn; toevallig
hebt gij gezien dat uw beschermer niet zwak is! Puuh! Een weinig rust
zou nu goed doen!"

Zij reikte hem daarop haar eigen doek toe, en terwijl hij daarvan
dankbaar gebruik maakte om zich het voorhoofd af te drogen, en met
moeite de begeerte onderdrukte om dien aan zijne lippen te brengen
zeide hij welgemoed: "Met zulk eene helpster moet alles gelukken. Sterk
zijn is geen verdienste, ieder kan het blijven die met gezond bloed
en stevige spieren ter wereld komt, de ledematen, gelijk ik als knaap
en jongeling heb gedaan, flink oefent en zijn vaderlijk erfdeel niet
doorbrengt met slecht te leven. Nochtans voel ik die worsteling nog
in mijne armen; maar in de zaal is nog heerlijke wijn, twee of drie
bekers zouden mij wel goed doen."

Vervolgens begaven zij zich naar de aangrenzende zaal, waar de meeste
lampen reeds uitgedoofd waren. Paula schonk het druivensap voor hem
in en bood hem den beker aan, dien bij met volle teugen ledigde. Het
was hem echter niet vergund ook den tweeden beker op haar welzijn
uit te drinken, want nauwelijks had hij dien aan de lippen gebracht,
toen er gerucht ontstond in de kamer van den Masdakiet en vrouw
Neforis verscheen.

De zorgzame gemalin van den Mukaukas was niet geweken van het rustbed
van haar gemaal, en zelfs het gebrul van den Pers had haar niet bewogen
haar post te verlaten; toen zij echter van de slaven had vernomen,
wat daar boven te doen was geweest, en dat Paula nog altijd met den
arts bij de kranken vertoefde was zij, zoodra haar gemaal haar missen
kon, naar de verdieping der gasten gegaan om Philippus te spreken,
de Damasceensche onder het oog te brengen wat betamelijk was,
en om onderzoek te doen naar het vreemd gedruisch, dat het anders
op dit uur zoo doodstille huis scheen te vervullen. Het kwam uit
de ziekenkamers, en werd mede veroorzaakt door den terugkeerenden
Orion en den rentmeester Nilus, wien deze bij zich ontboden had,
niettegenstaande de nacht reeds den morgen naderde. De gemalin van den
stadhouder meende, in verband met dezen akeligen dag, die bovendien
als een onheilaanbrengenden in den kalender stond aangeteekend, dat
gevaren dreigden van alle zijden; daarom was zij vergezeld van den
wachthebbenden dienaar haars gemaals, en met een klein reliquiënkastje
in de hand, waaraan zij de kracht toeschreef om booze geesten te
bezweren, de trap opgegaan.

Haastig en zacht trad zij de krankenvertrekken binnen en onderwierp
daar allereerst, bezorgd en niet op haar gemak, gelijk ieder die
gedurende den nacht in zijne rust gestoord wordt, de non aan een
streng verhoor. Daarna kwam zij in de zaal, waar Philippus juist
zijne vriendin een tweeden beker toedronk, terwijl Paula met
halfverwarde haren en ongegord gewaad tegenover hem stond. Dat
alles was zedenkwetsend, dat wilde zij in haar huis niet dulden,
zij beval dus de nicht van haar gemaal kort en goed zich ter ruste
te begeven. Na alles wat men haar heden, neen gisteren reeds had
kwijtgescholden, zeide zij, zou het haar beter voegen in hare kamer
in stilte over zichzelve na te denken, ten einde de leugengeesten
die haar beheerschten te bannen en haren Heiland om vergiffenis te
bidden, dan hier voor ziekenverpleegster te spelen en het drinkgelag
met een jongen man voort te zetten, dat zij, zooals de non zoo even
had medegedeeld, reeds in de middag had aangevangen.

Paula hoorde haar zwijgend aan, doch haar gelaat verschoot meermalen
van kleur: toen echter Neforis met den vinger op de deur wees, zeide
zij met al den trots, waarover zij beschikken kon, wanneer zij zag
dat men haar onwaardig verdacht: "Uwe bedoeling is gemakkelijk te
doorzien. Ik zou u geen antwoord waardig achten, indien gij niet
de gade waart van den man, dien ik, voor gij hem tegen mij hadt
ingenomen, gaarne mijn gastheer en beschermer noemde, die bovendien
mijn bloedverwant is. Evenals altijd zoo verdenkt gij mij ook nu
van kwaad. Indien gij mij de deur wijst van deze heilige plaats,
van dit ziekenvertrek, dan verjaagt gij mij tegelijk uit uw huis,
dat gij en uw zoon--het moet mij eens van het hart--mij thans tot
een hel gemaakt hebben."

"Ik, ik, en waarmede... Neen, dat, dat is..." riep de matrone naar
adem hijgende, de beide handen kruiselings slaande over haar onstuimig
bewogen borst, terwijl haar vaal gezicht met een gloeiend rood werd
overtogen en hare oogen van toorn fonkelden. "Dat is.... duizendmaal,
ja duizendmaal te veel, hoort gij? En ik, ik verwaardig u nog met een
antwoord! Wij hebben u van de straat opgeraapt en u als eene dochter
behandeld, onzinnige uitgaven voor u betaald, en nu..."

Deze woorden waren meer tot den arts gericht dan tot het meisje. Paula
nam echter de uitdaging aan en antwoordde op een toon van diepe
minachting: "En thans verklaar ik u bepaald als jonkvrouw die mondig
ben en over mijzelve vrij kan beschikken, dat ik morgen vroeg met
alles wat mijn eigendom is dit huis verlaat, al moest ik ook gaan
bedelen, dit huis waarin men mij smadelijk beleedigd, mij en mijn
trouwen dienaar valsch veroordeeld heeft, terwijl men op het punt
staat hem gruwelijk te vermoorden."

"En waar men u...." duwde Neforis met krijschende stem het meisje toe,
dat hare kalmte bewaarde, "waar men u veel te zachtmoedig voor het
lot van den roover, dien gij ons huis hebt binnengesmokkeld, bewaard
heeft! Om een inbreker te redden hebt gij--het is ongehoord!--hebt
gij het gewaagd den zoon van uw weldoener als een onrechtvaardig
rechter..."

"Dat is hij!" riep Paula toornig. "En nog meer! Dat kind dat gij zelve
voor hem tot vrouw bestemd hebt, heeft hij verleid, schandelijk verleid
om een valsch getuigenis af te leggen. Nog meer, nog veel meer zou
ik kunnen zeggen, als mij in uw persoon de moeder niet heilig was,
en als uw echtgenoot aan mij niet verdiend had dat ik hem spaarde."

"Hem sparen, sparen!" herhaalde Neforis op honenden toon. "Gij
zoudt ons sparen! De aangeklaagde ontvangt genade en verschoont,
verschoont zijn rechter! Maar gij zult gedwongen worden, ja gedwongen
te spreken. En wat gij, misdadige, van dat valsch getuigenis gezegd
hebt..."

"Dat zal uwe eigene kleindochter," sprak de arts, haar in de rede
vallende, "wanneer gij u niet weet in te toomen, edele vrouw, voor
de geheele wereld bevestigen moeten."

Neforis begon opeens krampachtig te lachen en ging voort, buiten
zichzelve van woede: "Zoo staan dus de zaken! Het heiligen
ziekenvertrek wordt tot een tempel van Bachus en Venus gemaakt;
en alsof dit vergrijp op zichzelf niet reeds ergerlijk genoeg was,
sluit gij een verbond, om een geacht huis en zijne hoofden met smaad
en schande te overladen!" Daarop zette zij de linkerhand met het
reliquiënkastje op de heup en zeide driftig: "Zoo zult gij dan uw zin
hebben. Ga, waarheen gij wilt! Wanneer ik u, ondankbaar en boosaardig
schepsel, na morgen middag nog in het stadhouderlijk paleis vind,
dan laat ik u door de manschappen van de wacht op straat zetten. Want
ik--ik wil mijn arm gefolterd hart eindelijk eens luchten--ik haat
u, ik heb een afkeer van u, uwe tegenwoordigheid alleen ergert me en
brengt ongeluk over mij en ons allen;--bovendien ik heb de smaragden
die wij bezitten te lief..."

Met dit allergrievendst woord, dat zij tegen de inspraak van
haar beter gevoel had uitgestooten, scheen zij hare ziel van een
centenaarsgewicht bevrijd te hebben, want zij haalde diep adem en
op veel zachter en bedaarder toon wendde zij zich tot den arts met
te zeggen: "Maar wat u betreft, Philippus, mijn man heeft u noodig;
gij weet wat wij u aanbieden en kent de mildheid van Georg. Misschien
komt gij tot betere gedachten en zult gij leeren inzien..."

"Ik?" viel de heelmeester met een waardigen glimlach haar in de
rede. "Kent gij mij waarlijk zoo slecht, vrouw Neforis? Aan uw man,
dat geef ik toe, ben ik gehecht, en als hij mij noodig heeft zal hij
mij wel laten halen. Ongeroepen overschrijd ik echter dezen drempel
niet meer, waar men het recht met voeten treedt, de weerlooze onschuld
beschimpt en tot vertwijfeling brengt.--Ja, zie mij maar verbaasd
aan! Uw zoon heeft den rechterstoel van zijn vader ontwijd en het
bloed van den onschuldigen Hiram komt over zijn hoofd. Ga maar voort
uwe smaragden te koesteren; Paula zal ze niet aanroeren; zij draagt het
hart te hoog om u den naam te noemen van hem, voor wien gij wel zoudt
doen ze in den diepsten kelder weg te sluiten. Wat ik daareven uit
uw mond heb gehoord, verscheurt elken band, dien de tijd tusschen ons
knoopte. Ik verlang van mijne vrienden niet, of laat ik liever zeggen
van hen, die mijne naaste bekenden zijn, dat zij rijk zijn, dat zij
zich toeschietelijk of voorkomend betoonen, dat zij gaven van geest
of lichaam bezitten; maar wij moeten op één gemeenschappelijken bodem
staan, namelijk dien eener waardige gezindheid. Zulk eene gezindheid
is u niet aangeboren, of ge hebt haar verloren, en ik wil, ik moet van
dit oogenblik een vreemde voor u zijn. Ik wensch u niet weder te zien,
tenzij bij uw echtgenoot, als hij mijne hulp verlangt."

Deze laatste woorden werden met zulk eene waardigheid, zoo
onherroepelijk uitgesproken, dat Neforis verschrikte en geheel
hare tegenwoordigheid van geest verloor. Als eene der verachting
prijsgegeven onwaardige had de man haar behandeld, op wiens stand zij
uit de hoogte neerzag, dien zij echter altijd voor een der braafste,
openhartigste en reinste menschen had gehouden, een man van eer,
dien haar gemaal niet missen kon, wijl hij zijne pijnen wist te
verzachten en hem af te houden van het overmatig gebruik van zijn
verdoovingsmiddel. Wijd en zijd in den omtrek was hij de eenige arts
van groote bekwaamheid. Ook deze nuttige helper, die het leven van
de kleine Maria en van zoo vele dienaars behouden had, dreigde haar
ontroofd te worden door die gehate Damasceensche, en zij, die vast
overtuigd was een brave, degelijke echtgenoote en moeder te zijn,
zij stond daar nu, door dezen boozen geest van haar huis gemaakt tot
een verachtelijk wezen, voor hetwelk een braaf mensch uit den weg
moet gaan.

Dat was te veel, en door toorn, ergernis en oprechte bekommering
gekweld, zeide zij op klagenden toon en met betraande oogen: "Maar
wat beteekent dit alles nu? Gij die mij kent, die mij hebt gezien
in mijn dagelijksch leven en werken, gij keert mij in mijn eigen
huis den rug toe en wijst mij met den vinger na? Ben ik dan mijn
gansche leven niet eene trouwe gade geweest, die haar man jarenlang
verpleegd, zijn ziekbed niet verlaten en aan niets gedacht heeft dan
om zijn leed te verzachten? Als eene kluizenares heb ik mij bij hem
opgesloten uit louter plichtgevoel en trouwe liefde, terwijl andere
vrouwen, die het minder gemakkelijk kunnen doen, goeden sier maken en
feesten bezoeken. En waar werden de slaven rijkelijker onderhouden
en menigvuldiger vrij gelaten dan bij ons? Waar was de bedelaar
zoo zeker zijn aalmoes te krijgen dan in ons huis, iets wat ik, ik
alleen uit vroomheid aanhoud? En nu zou ik plotseling om der wille
van dit ondankbaar liefdeloos schepsel niet meer waard zijn dat mij
de zon beschijnt, en een braaf man als gij zegt mij in een ommezien
de vriendschap op, omdat, omdat,--hoe noemdet gij het--omdat mij het
verstand ontbreekt, of hoe hebt gij dat ding genoemd, dat men hebben
moet om u..."

"Het heet de gezindheid," hielp haar de arts, die medelijden
kreeg met de beangstigde vrouw, in wie hij inderdaad veel goeds had
opgemerkt. "Is dit woord u werkelijk geheel vreemd, vrouw Neforis? Zulk
eene gezindheid is zeker iets aangeborens, maar met een vasten wil
kan men eene van minder hoogen aanleg veredelen, terwijl zwakheid
van karakter waar het eigene gebreken geldt eene van nature goede
gezindheid kan bederven. En als mij mijn voorgevoel niet bedriegt,
dan zullen op den jongsten dag niet de daden worden geoordeeld, maar
de gezindheid. Hoe zou het mij vrij staan u te berispen? Het is mij
geoorloofd u te beklagen, want ik bespeur bij u eene zielekrankheid,
die niet ongelijk is aan den kanker hij het lichaam...."

"Ook dat nog!" zeide Neforis.

"Deze krankheid," vervolgde de arts, zonder zich van zijn stuk te
laten brengen, "de haat namelijk, daarvoor moest eene vrome christin
zich weten te behoeden! Als een dief in den nacht is hij in uw hart
gedrongen, heeft overal ingevreten, uw bloed bedorven, u verleid om
ten opzichte van deze door een zoo zwaar ongeluk getroffene wees te
handelen als iemand die een blinde steenen en balken in zijn weg werpt,
om hem te doen vallen. Hecht gij, gelijk het schijnt, inderdaad een
weinig aan mijne meening, bid dan Paula, vóór zij dit huis verlaat,
om vergeving voor den haat, waarmede gij haar jaren lang leed hebt
berokkend, waarbij gij zoo even nog die eene ongehoorde beleediging
heb gevoegd, waaraan gij zelve niet gelooven kunt."

Thans keerde Paula, die tot hiertoe de toespraak van den arts gevolgd
had, het gelaat naar vrouw Neforis, maakte de handen los, die zij
in den schoot gevouwen hield, om, hoewel zij vast besloten bleef de
woning van den stadhouder te verlaten, de rechterhand te geven aan
de gemalin van haar oom, wanneer deze de hare wilde toesteken.

De vrouw des stadhouders voerde intusschen in haar binnenste een zwaren
strijd. Zij erkende Paula vaak onvriendelijk behandeld te hebben;
dat er omtrent den diefstal van den smaragd nog altijd een pijnlijke
onzekerheid bestond, had zij vóor haar bezoek in het ziekenvertrek
met weerzin ervaren; zij wist haar gemaal een grooten dienst te kunnen
doen, wanneer zij de Damasceensche bewoog te blijven; den arts wilde
zij maar al te gaarne voor haar huis behouden. Maar hoe diep was zij,
was haar zoon zoo even nog door dit hoogmoedig schepsel beleedigd! Zou
zij zich voor haar, die zoo veel jonger was, vernederen en haar de
hand reiken; zou zij in...

Daar klonk het zilveren bekken, waarin haar gemaal een kogel wierp,
wanneer hij haar noodig had. Zij zag in hare verbeelding zijn bleek
en lijdend gelaat, zij hoorde hem vragen naar zijne speelgenoote aan
het schaakbord, zij bespeurde zijn weemoedigen, verwijtenden blik,
als het morgen zou heeten: zij, Neforis, had zijne nicht, de dochter
van den edelen Thomas, uit het huis gejaagd; en zij volgde de neiging,
die opeens bij haar opkwam, door met het reliquiënkastje in de linker-
en de uitgestrekte rechterhand naar Paula toe te gaan en op zachten
toon te zeggen: "Geef mij dan de hand, meisje! Menigmaal had ik
anders jegens u kunnen zijn, maar waarom hebt ook gij nooit, zelfs
in het minste niet naar mijne liefde gevraagd? God is mijn getuige,
dat ik aanvankelijk genegen was u als eene dochter te beschouwen,
maar gij--maar spreken wij daar niet over! Thans doet het mij leed,
dat ik u... wanneer ik u smart heb aangedaan."

Reeds bij de eerste woorden had Paula hare hand in die van de matrone
gelegd. De hare was koud als marmer, die van de stadhoudersvrouw was
heet en klam, en het was als voelden beide handen tegelijk denzelfden
afkeer van elkander als hunne harten, tengevolge waarvan zij slechts
een oogenblik in elkaar bleven. Toen Paula de hare terugtrok, bewaarde
zij beter hare kalmte dan de oudere vrouw, en zeide bedaard maar
met gloeiende wangen: "Zoo willen wij dan beproeven om zonder toorn
van elkander te scheiden, en ik dank u dat ge mij dit mogelijk hebt
gemaakt. Morgen vroeg zal het mij, hoop ik, vergund zijn van oom,
die mij lief is, en van de kleine Maria afscheid te nemen."

"Maar gij behoeft thans niet meer heen te gaan, ik bid u veeleer
dringend te blijven," zeide de stadhoudersvrouw met aandrang. "Georg
laat u niet gaan; gij weet toch hoe hij aan u gehecht is."

"Vaak was hij als een vader voor mij," hernam Paula, en nu werd ook
haar oog vochtig. "Daarom had ik het gaarne bij hem uitgehouden tot
het einde. Toch blijft het zoo, dat ik heenga."

"En wanneer uw oom zijne bede bij de mijne voegt?"

"Dan zal het toch tevergeefs zijn."

Vrouw Neforis greep nog eens de hand van de jonkvrouw, en deed in
oprechtheid al haar best om haar tot andere gedachten te brengen,
doch Paula bleef onvermurwbaar en volhardde in haar besluit, om reeds
morgen het stadhouderlijk paleis te verlaten.

"Doch waar vindt gij zoo dadelijk een geschikt verblijf," zeide
Neforis, "een tehuis, dat voegt aan uw stand?"

"Dat zal mijne zaak zijn," zeide de arts. "Geloof mij, edele vrouw,
voor alle partijen is het beter, dat Paula eene andere woning
betrekt. Alleen dit wensch ik, dat zij te bewegen zal zijn althans
voorloopig te Memphis te blijven."

"Bij ons," zeide daarop Neforis, "alleen bij ons is haar natuurlijk
tehuis. Misschien verandert God uw hart om uws ooms wil, en dan
beginnen wij allen te zamen een nieuw, gelukkig leven."

Paula schudde als antwoord met het hoofd, maar Neforis zag het niet
meer; want ten derdemale hoorde zij de metalen roepstem en haar plicht
gebood die te volgen.

Zoodra zij de kamer verlaten had, haalde Paula diep adem en zeide: "O
God, o God! hoe zwaar is mij dit gevallen! Haar niet in het aangezicht
te verwijten met welke misdaden haar gewetenlooze zoon.... Neen, neen,
daartoe had niets mij kunnen bewegen; doch ik kan u niet zeggen hoe
het zien alleen van deze vrouw mij ontroert, en hoe mijn hart zich
verlicht gevoelt, sedert ik de brug heb afgebroken, die mij met dit
huis, met Memphis verbindt."

"Met Memphis?" vroeg de arts.

"Ja," antwoordde Paula opgewekt. "Ik wil weg, ver van hier, uit
de nabijheid van deze vrouw en haar zoon. Waarheen? Of naar Syrië
terug, of naar Griekenland, het is mij onverschillig welke weg mij
van hier voert."

"En ik, uw vriend?" vroeg Philippus weder.

"De herinnering aan u neem ik mede in mijn dankbaar hart."

De arts glimlachte als gebeurde er iets, wat hij wel verwacht had;
na een oogenblik te hebben nagedacht zeide hij: "En waar en hoe zal
de Nabateër u vinden, wanneer hij in den kluizenaar van den Sinaï
werkelijk uw vader erkent?"

Deze vraag verraste en verschrikte Paula, en Philippus spande al
zijne krachten in om haar te overtuigen van de noodzakelijkheid om
in de pyramidenstad te blijven. Allereerst moest de voedster bevrijd
worden en daarbij kon de arts haar zijne hulp beloven. Bij alles
wat hij verder in het midden bracht, nam hij met zooveel overleg de
omstandigheden in aanmerking, waarmede hier rekening moest gehouden
worden, alsmede de feiten die voor de hand lagen of zich konden
voordoen, dat zij zich verwonderen moest over de heldere inzichten en
den practischen zin van een man, met wien zij gewoonlijk over andere
dan wereldsche zaken gesproken had. Om der wille van haar vader en
van Perpetua, doch ook in de verwachting van verder zich te kunnen
verblijden in den omgang met dezen man, willigde zij in ten minste
vooreerst te Memphis te blijven en haar intrek te nemen in het huis
van een vriend en geloofsgenoot van den arts, dien zij reeds lang
uit zijne gesprekken kende, ten einde daar den verderen loop der
dingen af te wachten. De vurigste wensch van haar hart was Orion te
ontwijken en hem nooit, neen nooit, weder te zien. Elke plaats dacht
haar goed waar zij niet behoefde te vreezen hem te ontmoeten. Zij
haatte hem, doch zij wist dat haar hart niet tot rust kon komen,
zoolang een samentreffen mogelijk was. Zij wilde zich ook losmaken
van het onweerstaanbaar verlangen, dat telkens en telkens weder met
wonderbare kracht in haar opwelde, om zijne verdere lotgevallen te
volgen. Daarom en daarom alleen begeerde zij weg, zeer ver weg te
gaan, en daarom voldeed haar nauwelijks de verzekering van den arts,
dat haar nieuwe gastheer elk bezoeker van haar verwijderd zou weten
te houden, dien zijzelve niet wenschte te ontvangen. Het zou zijne
zaak zijn, dus besloot Philippus, haar voor indringers te beveiligen,
wanneer zij hem liet roepen.

Toen beiden van elkander scheidden steeg de zon achter de bergen in
het oosten op, en bij het afscheid zeide Paula: "Zoo zal dan morgen
voor mij een nieuw leven beginnen, waarvan ik mij kan voorstellen dat
het met uwe hulp vriendelijker zal zijn dan hetgeen achter mij ligt."

"Voor mij," antwoordde de arts bewogen, "is dat nieuwe leven reeds
gisteren aangevangen."



VEERTIENDE HOOFDSTUK.


In den voormiddag van den volgenden dag zat de kleine Maria op een
laag rieten stoeltje onder dezelfde sykomoren, die gisteren het jonge
en korte liefdesgeluk van het kwikstaartje hadden overschaduwd. Naast
haar had de opvoedster Eudoxia plaats genomen, onder wier opzicht zij
uit een Griekschen catechismus de tien geboden moest afschrijven. De
leerares was door de toenemende hitte en den bloemengeur rondom
zich ingedommeld en hare leerlinge liet de schrijfstift rusten. Met
bekreten oogen staarde zij op de schelpen, die over het pad gestrooid
lagen, en gebruikte hare lange liniaal eerst om er in te woelen,
vervolgens om de woorden "Paula" en "Paula Maria's geliefde" met
groote beginletters erin te griffelen. Een kapelletje alleen, dat de
bewegingen van het stokje volgde, bracht nu en dan een vriendelijken
trek op haar gezichtje, waarvan de droeve geest der bekommernis
gelukkig de vroolijkheid nog niet geheel had kunnen verjagen. Toch
deed het hartje haar pijn. Even stil als in hare omgeving was het
in den geheelen tuin en ook in huis; want vóor zonsopgang was de
toestand van grootvader veel ernstiger geworden, en elk gedruisch
moest uit zijne nabijheid worden geweerd.

Maria dacht juist aan den armen kranke, hoe zwaar hij lijden moest
en hoezeer het ook hem pijn zou doen van Paula te scheiden, toen zij
in de laan Katharina zag aankomen. De zestienjarige deed heden haar
bijnaam van kwikstaartje weinig eer aan, want hare kleine voetjes
sleepten door het schelpzand; haar kopje hing van vermoeidheid
voorover, en als een der duizende kleine insecten, die zich in de
zonnige morgenlucht wiegden, haar te nabij kwam, sloeg zij knorrig
naar het beestje met haar waaier.

Toen zij bij Maria was gekomen riep zij haar het gewone "Verblijd
u!" toe, doch de kleine beantwoordde dezen groet met een onwillig
hoofdknikje, keerde haar vervolgens den rug toe en ging voort met in
de schelpen te schrijven.

Katharina lette echter nog niet op deze koele ontvangst, maar ging
voort op deelnemenden toon: "Het moet met uw armen grootvader niet
best gesteld zijn."

Maria haalde de schouders op.

"Men zegt zelfs dat hij zeer bedenkelijk ziek is; ik heb Philippus
zelf gesproken."

"Zoo?" zeide Maria, zonder de oudere vriendin aan te zien, terwijl
zij hare bezigheid voortzette.

"Orion is bij hem," ging Katharina voort. "En Paula, wil zij het
stadhouderlijk paleis werkelijk verlaten?"

Het meisje knikte zwijgend met het hoofd, terwijl er opnieuw tranen
in hare oogen welden. Het kwikstaartje merkte nu op, dat de kleine
er treurig uitzag en haar met opzet niet te woord stond. Op een
ander tijdstip zou zij zich dit weinig hebben aangetrokken, maar
heden hinderde haar dat zwijgen, ja het werd haar te benauwend, en
daarom plaatste zij zich tegenover Maria, die de liniaal rusteloos
heen en weer bewoog, en zeide luid en gekrenkt: "Het schijnt wel dat
ik sedert gisteren in ongenade ben gevallen. Nu dat moet gij weten,
maar zulk eene onfatsoenlijke bejegening, dat zeg ik u, laat ik mij
niet welgevallen."

De opvoedster, die wakker was geworden door de schelle stem van
Katharina, had de laatste woorden verstaan, en terwijl zij eene
waardige houding aannam, vroeg zij op strengen toon: "Hoe heeft men
zich jegens lieve gasten te gedragen, Maria?"

"Die zie ik hier niet," antwoordde het kind, spijtig de lip
optrekkende.

"Maar ik wel," zeide de opvoedster. "Gij gedraagt u als het dochtertje
van een barbaar, niet als een Helleensch opgevoed meisje. Katharina
is geen kind meer, al verwaardigt zij zich menigmaal om met u te
spelen. Kom, ga dadelijk tot haar en vraag haar vergiffenis voor dit
onbetaamlijk woord."

"Ik?" vroeg het kind, en in die vraag lag zeer duidelijk opgesloten,
dat zij aan dit bevel niet dacht te voldoen. Daarna sprong zij op en
zeide met fonkelende oogen: "Wij zijn geene Griekinnen, gij noch ik,
en als gij het nog eens hooren wilt: Zij is, neen zij is niet meer
mijne lieve gast, mijne vriendin; neen, wij hebben niets, volstrekt
niets meer met elkaar te maken!"

"Zijt ge gek geworden?" riep Eudoxia, en haar lang gezicht kreeg eene
dreigende uitdrukking, terwijl zij ondanks de toenemende warmte van
den dag uit haar diepen zetel oprees en zich gereed maakte naar hare
leerling toe te gaan, ten einde haar met geweld te dwingen vergeving
te vragen. Doch Maria was vlugger dan de bejaarde Griekin en vloog
gezwind als eene gazel de laan af naar den stroom.

Eudoxia beproefde haar te volgen, doch de hitte verlamde weldra
hare schreden; toen zij uitgeput en hijgend bleef staan, zag zij hoe
Katharina, die nu opeens weder het oude kwikstaartje was geworden,
haar voorbij vloog en het kind met eene snelheid volgde, dat zij
ervan huiverde.

Maria merkte spoedig op dat zij alleen door Katharina gevolgd werd,
matigde haar loop en wachtte in de schaduw de verstooten vriendin af.

Weldra stond Katharina met vuurroode wangen tegenover haar,
greep hare beide handjes en zeide boos: "Wat hebt gij daarginds
gezegd? Gij... Gij... Wist ik niet wat eigenzinnig wijsneusje ge zijt,
dan zou ik in staat zijn..."

"Dan zoudt gij in staat zijn mij valsch te beschuldigen! Maar nu zult
ge me loslaten, of ik bijt u!" En toen Katharina op deze bedreiging
hare handjes losliet, ging zij nog heftiger voort: "O, o, ik ken u
sedert gisteren! En als ge het nog eens hooren wilt: ik bedank voor
zulk eene vriendin! Gij moest u schamen en diep in den grond zinken
voor de zonde die gij begaan hebt. Ik ben pas tien jaren maar eer
ik zoo iets deed, liet ik mij liever in dat heete hok opsluiten met
de arme Perpetua, liet ik liever mij dood maken, gelijk gij van plan
zijt--foei, 't is schande!--het den armen eerlijken ruiter Hiram te
laten doen!"

Katharina's blozende wangen verbleekten bij deze woorden en daar zij
niets hiertegen inbrengen kon, wierp zij het hoofdje in den nek en
antwoordde zoo trotsch en bedaard als zij maar kon: "Wat weet zulk een
kind van dingen, waarover zelfs groote menschen zich het hoofd breken?"

"Groote menschen!" lachte Maria, die nauwelijks drie vingerbreedten
kleiner was dan hare tegenpartij. "Groei eerst flink uit de kluiten en
noem u dan groot! Over twee jaren komt gij juist tot aan mijne oogen."

Nu steeg het driftige Egyptische meisje het bloed naar het hoofd,
en zij gaf het kind met de vlakke hand een klap in het gezicht. Maria
bleef als verstijfd voor haar staan, en nadat zij enkele oogenblikken
zonder eenig geluid te geven de oogen naar den grond had geslagen,
keerde zij Katharina den rug toe, en ging zwijgende naar de
schaduwrijke laan terug.

Katharina volgde haar met betraande oogen. Zij gevoelde dat Maria
het recht had af te keuren wat zij gisteren gedaan had, want zijzelve
had er niet van kunnen slapen en was meer en meer tot de overtuiging
gekomen, dat zij slecht, ja onvergeeflijk gehandeld had. Thans had zij
zich weder aan iets onverantwoordelijks schuldig gemaakt. Zij gevoelde
dat zij het kind verdriet had gedaan en dat deed haar oprecht leed. Als
eene dienstmaagd volgde zij Maria zwijgende op een afstand. Gaarne had
zij haar bij haar kleedje teruggehouden, haar goede woordjes gegeven,
haar zelfs om vergeving gebeden, en toen zij de plaats naderde,
waar de opvoedster zich weder als het ongelukkige slachtoffer van
de Egyptische hitte in den gemakkelijken stoel had neergevlijd,
riep zij Maria bij haar naam.

Het kind weigerde haar aan te hooren, waarop zij haar de hand op
de schouder legde en op deemoedigen, ja, smeekenden toon zeide:
"Vergeef me dat ik mijzelve zoover heb vergeten; maar wat kan ik er
tegen doen dat ik klein ben. Gij weet het, wanneer iemand daarmee
den spot drijft..."

"Dan wordt gij boos en slaat," antwoordde het meisje en liep weder
door. "Gisteren had ik misschien nog om zoo'n oorveeg gelachen, want
het is de eerste niet geweest, of misschien had ik er een teruggegeven;
maar heden--het was mij zoo even," en hier voer haar onwillekeurig
eene rilling door de leden, "zoo even was het mij alsof de leelijke
hand van eene zwarte slavin mij over het gezicht was gegaan. Gij zijt
ook niet meer die gij geweest zijt; gij zet uwe voeten heel anders
neer en ziet er--dat verzeker ik u--in het geheel niet zoo netjes en
vroolijk meer uit als vroeger. Ik weet ook waarom: Gij hebt gisteren
avond eene groote zonde begaan."

"Maar lieve schatje," zeide de andere op smeekenden toon, "gij moet
niet zoo hard zijn. Wellicht heb ik voor de rechters niet alles gezegd
wat ik wist, doch Orion, die mij zoo liefheeft, en wiens vrouwtje ik
toch worden zal..."

"Hij heeft u tot die zonde verleid," hernam de kleine. "Ja, ook hij is
goed en vroolijk en vriendelijk geweest tot gisteren, maar sedert... O
die ongelukkige dag!"

Hier viel de opvoedster Eudoxia haar in de rede, om haar met een vloed
van verwijten te overladen en haar eindelijk te bevelen weder aan haar
werk te gaan. Het kind deed zonder tegenspraak wat haar gezegd werd,
doch het had nauwelijks het wastafeltje voor zich gelegd of Katharina
was weer aan hare zijde en fluisterde haar in het oor, dat Orion
zeker gezegd had wat hij voor waarheid hield, en dat zij werkelijk
in twijfel had verkeerd of een gesneden steen met een gouden rug,
dan wel een ledig stuk bladgoud aan Paulas keten had gehangen.

Opeens keerde Maria zich naar haar toe, zag haar flink in de oogen
en zeide, om niet door Eudoxia verstaan te worden in hare Egyptische
moedertaal, waarvan de Griekin het beneden zich had geacht ook maar
een enkel woord te leeren: "Een armzalig aan den rand omgebogen
stuk bladgoud heeft aan de keten gehangen, dat ten overvloede nog
aan uw kleed bleef haken. Ik zie het nog voor mij! En als gij voor
de rechters hebt gezegd, dat het een onyx is geweest, dan hebt gij
gelogen. Daar zie maar, dat zijn de wetten die de goede God zelf op
den heiligen berg Sinaï heeft gegeven, hier staat het geschreven:
'Gij zult geen valsche getuigenis geven tegen uw naaste', en wie dat
gebod overtreedt, heeft de presbyter mij geleerd, die maakt zich aan
eene doodzonde schuldig, waarvoor geen vergeving is op aarde noch in
den hemel, dan alleen door zware boete en door de bijzondere genade
van onzen Verlosser. Zoo staat er geschreven, en hebt gij werkelijk
voor de rechters kunnen verklaren wat valsch is en onwaar, en wat
anderen in het verderf moet storten?"

De jeugdige aangeklaagde, in verwarring gebracht, keek bedremmeld
naar den grond en zeide aarzelende: "Orion heeft het zoo stellig en
zeker beweerd en dan--ik weet zelve niet hoe het zoo gekomen is--maar
ik werd zoo boos op haar, zoo... Ik zou haar hebben kunnen vermoorden!"

"Wie?" vroeg Maria verbaasd.

"Dat weet gij wel, Paula!"

"Haar?" vroeg Maria, en wederom welden er tranen in hare groote
oogen. "Hoe is het mogelijk! Hebt gij haar niet even lief gehad als
ik? Hebt gij niet menigmaal als eene klis aan haar gehangen?"

"Ja, dat heb ik. Doch voor de rechters was zij zoo afgrijselijk
trotsch, en dan... Maar dat alles kunt gij, geloof mij, Maria!.. kunt
gij wezenlijk en waarlijk nog niet verstaan..."

"Niet?" vroeg het kind, de armen over elkander kruisende. "Voor hoe
onnoozel ziet ge mij dan wel aan? Gij zijt op Orion verzot,--en hij
is ook een man zooals er weinigen zijn--verliefd tot over de ooren,
en daar Paula er naast u als eene koningin uitziet en veel grooter
en schooner is dan gij, en Orion--ja, ik heb het wel opgemerkt--tot
gisteren duizendmaal meer werk maakte van haar dan van u, zijt gij
ijverzuchtig en nijdig op haar geworden. O, ik weet alles! Ik weet ook
dat alle vrouwen verliefd op hem worden, dat zij Mandane om zijnentwil
de ooren hebben afgesneden, en dat zijn schatje in Konstantinopel hem
dat witte hondje gegeven heeft. De slavinnen vertellen mij alles wat
zij weten en wat ik maar hooren wil. Gij hebt wel reden om op Paula
jaloersch te zijn, want als zij het erop aan wilde leggen, lieve God,
hoe spoedig zou Orion u zelfs niet meer aanzien! Zij is het schoonste,
verstandigste, beste meisje op de geheele aarde, en waarom zou zij
niet trotsch zijn? Het valsche getuigenis dat gij gegeven hebt, zal
den armen Hiram het leven kosten. De goede Heiland moge het u eens
vergeven! Dat is uwe zaak en dat gaat mij niet aan, maar dat Paula om
uwentwil het huis verlaat, dat ik haar nooit, nooit weder zal zien,
ik geloof niet dat ik u dit ooit vergeven kan, doch ik wil er God
om bidden."

Hierop barstte zij uit in snikken en tranen; de opvoedster stond
reeds op, om aan dat gebabbel, waarvan zij geen woord verstond en
dat haar daarom hinderde en verontrustte, een eind te maken, toen
het kwikstaartje zich voor het kind op de knieën wierp, het met
beide armen omvatte en evenzeer onder een vloed van tranen uitriep:
"Maria, lieve Marietje, [10] vergeef mij. O als gij wist wat ik al heb
uitgestaan voor ik hier kwam. Vergeef mij, Maria, wees weder goed op
mij, Marietje! Zeker, zeker, gij zijt veel beter dan ik. Goede Heiland,
waartoe ben ik gisteren avond gekomen, en dat door hem, door hem dien
ieder mensch liefhebben moet, door Orion alleen! Geloof mij, ik weet
nog niet eens waarom hij mij tot deze zonde verleid heeft. Maar ik
moet beproeven niet meer goed op hem te zijn, hem geheel te vergeten,
hoewel, hoewel... Denk eens, dat hij mij zijn bruidje heeft genoemd;
maar nu hij mij zoo bedrogen heeft, mag ik het nu nog wagen zijne vrouw
te worden? Het heeft mij den geheelen nacht geen rust gelaten. Ik
heb hem lief, gij weet niet hoe innig, maar ik kan toch zijne vrouw
niet worden; ik ga liever in een klooster, of werp mij in den Nijl,
en dat alles wil ik nog heden aan mijne moeder zeggen."

De Griekin had het meisje verbaasd aangekeken en het was inderdaad
een vreemd gezicht deze jonkvrouw voor dit kind geknield te zien. Zij
luisterde naar den tintelenden stroom van voor haar onverstaanbare
woorden en overwoog hoe zij hare kweekelinge, desnoods met hulp van
hare grootmoeder, ertoe brengen zou, om fatsoenlijke Grieksche vormen
aan te nemen. Daar kwam Paula de laan in. De slaven, die haar met
enkele kisten en pakken op een groote berrie gevolgd waren, liepen
door naar den Nijl, waar de boot gereed lag, die haar naar het nieuwe
verblijf zou overbrengen.

Zwijgend en onopgemerkt liet zij de oogen een tijdlang rusten op
dat roerend tafereel der beide meisjes, van welke de eene de andere
omkneld hield, en ving de laatste woorden op van dat lieftallig jonge
schepseltje, hetwelk haar zooveel leed had berokkend. Zij vermoedde
alleen wat hier voorgevallen was doch het stuitte haar tegen de borst
langer te luisteren en daarom riep zij Maria. Toen deze opvloog en
met onverdeelde, onstuimige teederheid haar om den hals vloog, bedekte
zij haar kopje en haar aangezicht met kusjes. Daarna maakte zij zich
los uit de omarming van het kind en zeide zacht met betraande oogen:
"Vaarwel mijne lieveling! Over weinige oogenblikken behoor ik niet
meer tot de uwen, en een ander, een vreemd huis zal mij opnemen. Blijf
mij liefhebben en vergeet mij niet; weet dat gij op aarde geen trouwer
vriendin hebt dan mij."

De tranen rolden Maria opnieuw langs de wangen en het kind bezwoer
haar niet te gaan, haar niet te verlaten. Doch Paula sloeg deze bede
af, geroerd en verbaasd, dat zij aan deze plaats, waar zij zoo weinig
liefde had gezaaid, toch zooveel warme liefde had geoogst. Vervolgens
reikte zij de opvoedster de hand tot afscheid en toen zij zich
tot Katharina wendde, om ook haar, de moordenares van haar geluk,
vaarwel te zeggen, hoe zwaar het haar ook viel, zonk het kwikstaartje,
badende in tranen van berouw, aan hare voeten, bedekte hare knieën
en handen met kussen en bekende dat zij schuldig was aan de grootste
misdaad. Maar Paula liet haar niet uitspreken, kuste haar op het
voorhoofd en zeide, dat zij begreep hoe zij tot deze zonde gekomen was,
en evenals Maria zou trachten haar te vergeven.

Bij de met vele roeiers bemande boot van den stadhouder, waarheen
de meisjes haar vergezelden, vond zij Orion. Hij had dezen morgen
tweemaal tevergeefs getracht gehoor bij haar te vinden en zag er bleek
en ontdaan uit. Met een heerlijken bloemruiker in de hand groette hij
Maria en zijn bruidje vluchtig, en merkte niet eens op dat Katharina
zwijgend en aarzelend wedergroette. Daarop naderde hij Paula, deelde
haar in stilte mede dat Hiram gered was, en bezwoer haar, zoo zij
voor zichzelve op vergeving harer zonden hoopte, hem slechts enkele
oogenblikken gehoor te geven. Toen zij echter met een stilzwijgend
schouderophalen dit verzoek weigerde en naar de boot ging, strekte
hij zijne hand uit om haar te helpen; doch met opzet wendde zij haar
blik terzijde en reikte den arts hare rechterhand.

Orion sprong haar in de boot na en fluisterde haar met bevende stem in
het oor: "Een ellendige, een ongelukkige smeekt u om genade. Gisteren
was ik waanzinnig. Ik heb u lief, ja ik heb u lief, meisje, hoe--dat
zult ondervinden!"

"Genoeg!" riep zij luide, hem belettende verder te gaan, rechtop
staande in de waggelende boot.

Philippus steunde haar terwijl zij zich nederzette, doch Orion legde
den ruiker in haar schoot en zeide, zoodat allen het hooren konden:
"Uw vertrek zal mijn vader zeer smartelijk aandoen. Hij is zoo ziek,
dat wij u niet mochten toestaan van hem afscheid te nemen. Hebt gij
hem nog iets te zeggen...."

"Dan kies ik mij een anderen bode," zeide zij met straffen blik.

"En als hij vraagt naar de oorzaak van uw plotseling vertrek?"

"Dan zullen uwe moeder en Philippus hem het antwoord geven."

"Maar hij was uw voogd, en ik weet, uw vermogen..."

"Is bij hem veilig bewaard."

"En bevestigt zich wat de arts vreest?"

"Dan eisch ik het op door mijn nieuwen kurios."

"Gij zult het ook zonder dezen ontvangen. Weet gij dan niet van
erbarmen, van vergeving?"

Tot antwoord wierp zij den ruiker, dien hij haar gegeven had, in
het water, waarop Orion aan land sprong, hij woelde, zonder op de
aanwezigen te letten, met de hand door het haar, en drukte die daarna
tegen zijn gloeiend voorhoofd.

De boot stak van wal, de roeiers haalden de riemen krachtig aan. Orion
staarde haar na en zijn boezem zwoegde onder diepe ademhalingen,
tot eene kleine hand de zijne greep en Maria's teedere kinderstem
hem toeriep: "Wees bedaard, oom! Ik weet wel wat u kwelt."

"Wat weet gij?" vroeg hij norsch.

"Gij hebt er berouw van dat gij en Katharina gisteren avond tegen
haar en den ongelukkigen Hiram..."

"Dwaasheid!" riep hij op heftigen toon. "Waar is Katharina?"

"Ik moest u zeggen, dat zij u heden niet zien kon. Zij heeft u zoo
lief, maar, weet gij, zij gevoelt zoo bitter berouw."

"Dat kan zij zich besparen," voer de jonkman uit. "Als er een schuld
te boeten is, zoo rust dit op mij, en dat martelt mij dood. Maar dat
alles... haal mij de satan, wat gaat dit een kind aan! Maak dat ge
weg komt! Eudoxia breng het meisje bij haar werk!"

Daarop nam hij het kopje van de kleine tusschen zijne handen, kuste
haar met onstuimige teederheid op het voorhoofd, en gaf haar daarop
aan de opvoedster over, die bereidwillig de kleine met zich voorttrok.

Zoodra Orion zag dat hij alleen was, leunde hij zich tegen een boom
en begon te stenen als een gewond wild. Zijn hart deed hem pijn of
het moest bersten. "Weg, weg!" riep hij. "Verspeeld, verloren, het
beste wat ik had op aarde!" Hij legde zijne handen tegen den boom
en drukte zijn voorhoofd erop tot het hem pijn deed. Hij wist geen
raad van smart en gramschap tegen zichzelven. Het was hem of hij in
dronkenschap zijn eigen huis in brand had gestoken. Hoe dat alles had
kunnen gebeuren, hij wist het zelf niet meer. Na zijn nachtelijken rit
had hij den rentmeester Nilus laten wekken en hem opgedragen Hiram
heimelijk los te laten. Maar eerst door het zien van zijn door een
beroerte getroffen vader, was hij geheel tot bezinning gekomen. De
ontzettende ernst van den dood had hem aan die legerstede vlak in het
aangezicht gezien, en het was hem geweest als kon hij den geliefden man
niet uit het leven zien scheiden, voor hij zich met Paula verzoend,
voor hij vergiffenis ontvangen had van haar, die zijn vader zoo lief
was, voor hij haar bij diens sponde had gebracht om zijn zegen af te
smeeken over haar en zichzelven.

Tweemalen was hij uit het ziekenvertrek naar hare kamer gesneld, om
haar te laten verzoeken hem gehoor te verleenen, maar vruchteloos;
en hoe ontzettend was nu dit afscheid geweest! Hard, onverbiddelijk,
gruwzaam had zij hem bejegend, en wanneer hij zich hare houding, haar
wezen voor den geest bracht, zooals die waren voor deze breuk, moest
hij erkennen dat er in hare handelwijze iets onnatuurlijks was. Deze
onmenschelijke hardheid, neen niet het hart had haar voorgeschreven
aan de schoone vrouw, wier genegenheid hij had bezeten en die nu
zijne bloemen in het water had geslingerd; veeleer was het volgens een
welberekend plan, dat zij hem dus haar toorn had doen gevoelen. Waarom
had zij, de door en door gekrenkte, niet aan de rechters verraden,
dat zij hem had betrapt, toen hij den smaragd roofde? Nog was niet
alles verloren en vrijer ademhalende ging hij naar huis terug, waar
de plicht en de zorg voor zijn vader hem riepen. Daar dreef zijn
ruiker op den stroom. "De haat heeft hem weggeworpen," dacht hij,
"doch voor hij verdwijnt in zee zullen er zich nog vele bloemen in
openen, die nog knoppen waren toen zij ze wegwierp. Een ander dan
mij kan zij niet liefhebben, dat voel, dat weet ik. Sedert wij voor
het eerst elkander in de oogen zagen, was het lot voor ons beider
harten beslist. Wat zij in mij haat is mijne waanzinnige misdaad,
wat haar allereerst van mij vervreemdde was haar billijke toorn,
omdat ik Katharina het hof maakte. Maar die misdaad is een droom
in mijn leven geweest, die niet zal terugkeeren; en wat Katharina
aangaat--eens heb ik ten opzichte van haar gezondigd, maar ik wil
daarmede niet voortgaan mijn heele leven lang. Ik heb straffeloos
zooveel met de liefde kunnen spelen, dat ik eindelijk haar macht te
gering schatte. Lachende gaf ik mijne liefde prijs voor den wensch
mijner moeder, en daaruit, daaruit alleen zijn al die schrikkelijke
dingen voortgekomen. Maar neen, neen, alles is nog niet verloren! Paula
zal mij hooren, en wanneer zij ziet wat er in mijn gemoed omgaat,
wanneer ik haar alles beleden heb, het goede zoowel als het kwade,
wanneer zij eens weet dat mijn hart op een dwaalspoor is geweest en
nu tot haar wederkeert, die mij geleerd heeft, dat de liefde geen
scherts is, maar diepe ernst, die den ganschen mensch beheerscht,
dan zal alles--alles een anderen keer nemen."

Bij deze gedachte verhelderde zich zijn gelaat, waarop eene edele
verrukking stond te lezen, en voortgaande dacht hij verder: "Mag ik
haar de mijne noemen, dan weet ik dat alles zich in mij zal ontwikkelen
wat ik groots van mijne voorvaderen heb geërfd. Toen moeder mij straks
aan vaders ziekbed riep, zeide zij: 'Kom Orion, het leven wordt ernstig
voor mij en u en ons huis, vader....' Ja, ernstig wordt het, wat ook de
uitkomst zij van deze dingen. Paula te winnen, haar te verzoenen, haar
tot mij weder te brengen, aan hare zijde groote daden te verrichten
mijner waardig, dat is een levensdoel zooals ik het noodig heb. Met
haar, ja zeker, éen met haar kan ik het bereiken, zonder haar of met
het gulden speelgoed Katharina zou de ouderdom mij niets brengen dan
oververzadiging, ontnuchtering en teleurstelling, of om het bij zijn
christelijken naam te noemen: bitter berouw. Gelijk Anteos nieuwe
kracht won, zoo vaak hij de moeder aarde aanraakte, ja, vader, zoo
voel ik mijn vermogen aangroeien, als ik maar aan haar denk. Paula
is het heil, de eer, de andere het verderf, de vernietiging mijner
toekomst. Arme lieve vader, gij zult, gij moet dezen slag overleven,
om alles vervuld te zien, wat gij van uw zoon zoo blijmoedig hebt
verwacht. Paula is u altijd lief geweest, misschien zult gij het
zijn die haar verzoent en tot mij brengt, en hoe dierbaar zal zij u
worden en, zoo God wil, ook mijne moeder, wanneer gij haar aan mijne
zijde ziet arbeiden als sieraad van dit huis, deze stad, dit land,
als eene koningin en als zegenverspreidende schutsengel van uw zoon!"

Opgewekt en gedragen door deze gedachten had hij het viridarium
bereikt. Daar wachtte de huismeester Sebek zijn jongen meester en
zeide zacht: "De heer slaapt nog, zooals de arts voorspeld heeft,
maar zijn gelaat... Ach, of Philippus toch weder terug ware!"

"Hebt gij den wagen met den harddraver naar het Caeciliaklooster
gezonden?" vroeg Orion haastig, en toen Sebek een toestemmend antwoord
gaf en in het huis verdween, zonk de jonge man, door smart overmand,
naast eene zuil waaraan een crucifix hing op de knieën en verhief
hart en handen tot een innig gebed.



VIJFTIENDE HOOFDSTUK.


De arts had Paula haar nieuwe verblijf binnengeleid en haar spoedig
bekend gemaakt met hen, die haar voortaan beschermen en haar een
aangenaam leven bereiden zouden. Slechts weinige oogenblikken
was het hem vergund zich aan haar en hare huisgenooten te wijden,
want nauwelijks had hij haar in de met bloemen rijk versierde ruime
vertrekken gevoerd, die haar tot verblijf waren aangewezen, toen twee
boden tegelijk werden aangemeld, die verlangden hem te spreken. Zij
wist hoe bedenkelijk de toestand van haar oom was, en met het dreigend
verlies van dezen man voor oogen werd haar eerst recht duidelijk
wat zij in hem bezeten had. Hare eerste gezellin was dus de smart,
die door het behagelijke van de nieuwe, luchtige, schoone woning des
te scherper uitkwam.

Van de boden was de éen een jonge Arabier, die van de overzijde
des Nijls kwam en aan Philippus een brief van den koopman Haschim
overhandigde. De oude heer deelde hem daarin mede, dat hij tengevolge
van een zwaren val van zijn oudsten zoon zich gedwongen zag terstond
naar Dschidda aan de Roode zee op te breken. Hij bad Philippus verder
te zorgen voor zijn gewonden karavaan-aanvoerder, die hem na aan het
hart lag, en dezen, wanneer hij dat goedkeurde, uit het stadhouderlijk
paleis te laten vertrekken, om hem op eene stillere plaats geheel te
doen herstellen. De zaak van de edele dochter van Thomas zou hij niet
uit het oog verliezen. Een buidel met goudstukken overladen begeleidde
dit schrijven.

De tweede bode moest Philippus onverwijld op den wagen met den
harddraver naar den ernstig zieken Mukaukas terugbrengen. Onverwijld
gaf hij aan deze roepstem gehoor en het vlugge dier, dat door den
menner niet ontzien werd, bracht hem snel naar het paleis. Een
enkele blik op den lijder deed hem zien dat het begin van het einde
was gekomen, doch getrouw aan zijn beginsel om de hoop nooit op te
geven, eer het hart van den lijder ophield te kloppen, richtte hij,
zonder acht te geven op Orion, die aan het hoofdeinde van het bed op
zijne knieën lag, de bewustelooze wat op, wenkte de in het verplegen
van zieken zeer bedrevene diakones, legde nieuwe compressen op het
voorhoofd en in den nek van den door eene beroerte getroffen man,
en deed hem eene aderlating.

Met moeite sloeg de Mukaukas de zware oogleden op, keek angstig in
alle richtingen, en toen hij zijn zoon, die geknield bleef liggen,
zijne in tranen badende gade en den arts herkend had, stamelde hij
onduidelijk en dof, want zijne half verlamde tong weigerde hem den
dienst: "Twee pilletjes, Philippus!"

De arts voldeed zonder tegenspraak aan deze bede van den stervende,
die nu de oogen weder sloot, doch om ze weldra opnieuw te openen en
met dezelfde inspanning als zoo even en tegelijk met hetzelfde helder
bewustzijn te stamelen: "Het loopt ten einde! De zegen der kerk... De
bisschop, Orion!"

De jonge man verliet terstond het vertrek om den prelaat, die reeds
met twee diakenen, een exorcist en een misdienaar voor het dragen
van het noodige kerkgereedschap, in het viridarium wachtte, bij den
kranke te brengen. Deze liet zich kalm en gelaten het laatste avondmaal
toedienen, zag en hoorde naar den exorcist, die met handbewegingen en
vrome spreuken den duivel bande en de booze geesten uitdreef. Doch hij
was niet meer bij machte den wijn en het volgens Jacobietisch gebruik
daarmede vermengde brood door te slikken. Orion deed het in zijne
plaats, en daarbij prevelde de stervende met een glimlach: "U bid ik
allen zegen toe, mijn jongen! De Heer, zoo schijnt het, weigert mij
zijn kostbaar bloed, en toch--toch--laat ik het nog eens beproeven."

Ditmaal gelukte het hem wat wijn en eenige broodkruimels door te
krijgen. De bisschop Plotinos, een zachtmoedig grijsaard met een
schoon, eerwaardig uiterlijk, troostte hem nu en vroeg hem of hij
boetvaardig stierf in het vaste geloof in de genade van zijn Heer en
Heiland, of hij berouw had over zijne zonden en zijn vijanden vergaf.

De kranke deed zijn best om even met het hoofd te knikken en te
stamelen: "Ook de Melchieten, die mijne kinderen vermoord hebben,
ook het hoofd onzer kerk, den patriarch, die liefst door mij liet
volbrengen, wat hijzelf te gevaarlijk achtte. Dat... dat... Maar
Plotinos--gij eerwaardig en wijs dienaar des Heeren--antwoord mij naar
uwe beste overtuiging: Mag ik ook op mijn sterfbed nog gelooven, dat
het geen misdaad is geweest, toen ik vrede sloot met de Arabieren,
die de Grieken verdreven; mag ik de Melchieten ook in deze ure nog
houden voor belijders van een ander geloof?"

De grijze prelaat, wiens rug nog niet door ouderdom was gekromd,
richtte zich op in al zijne lengte, en zijne zachte trekken namen
eene hoog ernstige uitdrukking aan toen hij zeide: "Gij kent de
woorden, die op de Synode van Ephesus gesproken zijn en die in de
borst van elken recht geaarden Jacobiet als in marmer en metaal
gegrift moeten staan. Mogen zij, die Christus verdeelen,--en dat
doen de Melchieten--met het zwaard door midden gedeeld, mogen zij in
stukken gehouwen, mogen zij levend verbrand worden! Zulk een vloek
heeft nog geen hoofd der kerk over de muzelmannen, de aanbidders van
den eenigen God uitgesproken!"

De lijder haalde nu diep adem, doch spoedig daarop zeide hij
fluisterend: "Toch hebben de patriarch Benjamin en Johannes van Nikou
mijne ziel beangst gemaakt. Ook gij, Plotinos, draagt den kromstaf en
ik wil u wel bekennen: uwe ambtsbroeders, de herders der Jacobietische
kudde, hebben mij ontelbare dagen en nachten in vrees en wroeging doen
doorleven, zoodat ik er bijna toe kwam hen te vloeken. Maar voor het
nacht werd verlichtte de Heer mijne ziel en ik vergaf hen; en daarom
bid ik hen door u om hunne vergeving en hun zegen..--De kerk heeft
in deze laatste jaren niet dan met weerzin de deur voor mij geopend,
maar welke knecht kan boos zijn op zijn meester, van wien hij alle
genade verwacht! Zoo hoor mij dan. Als een getrouw en geloovig dienaar
der kerk sluit ik de oogen, en om dit te bewijzen wil ik haar naar
vermogen begiftigen, wil ik haar versieren met rijke, kostbare gaven,
wil ik... Doch ik... ik kan niet verder. Spreek gij in mijne plaats,
Orion. Gij weet het... de edelgesteenten... het tapijt..."

De zoon deed den bisschop nu opening van de rijke schenking van
onschatbare juweelen, die zijn vader aan de kerk had toegedacht. De
stervende wenschte voor de grafkapel van zijne voorvaderen in de
Doodenstad ingezegend en daarna in de Johanneskerk te Alexandrië
naast zijn vader begraven te worden. Voor de gebeden, die voor hem
gedaan zouden worden, had hij in zijn testament eene afzonderlijke
som bepaald. De geestelijken vernamen dit alles met welgevallen,
verleenden hem geheele absolutie, zonder eenig voorbehoud, zegenden
hem toen met bijzondere warmte en verlieten daarna het vertrek.

Philippus haalde vrijer adem, toen de geestelijken vertrokken waren,
vernieuwde meermalen de compressen, terwijl de stervende langen tijd
zwijgend en met gesloten oogen bleef liggen. Daarna wreef hij ze, en
alsof de levensgeest weder ontwaakte, hief hij het hoofd met behulp van
den arts een weinig omhoog, sloeg de oogleden weder op en zeide: "Haal
den ring van mijn vinger, Orion, en draag dien met eere. Waar is de
kleine Maria? Waar is Paula? Ook van hen verlang ik afscheid te nemen."

De jonkman en zijne moeder zagen elkander verlegen aan, doch de laatste
bezon zich spoedig en zeide: "Wij hebben Maria reeds laten halen;
maar Paula,--gij weet dat zij zich bij ons niet tehuis gevoelde--en
sedert het gebeurde van gisteren..."

"Nu?" vroeg de kranke.

"Heeft zij ons huis overhaast verlaten, en--dit moogt gij erbij
weten--is in vrede van mij gescheiden. Doch zij is nog in Memphis
en heeft zeer liefderijk over u gesproken, en u willen zien en nog
vele groeten aan u opgedragen. En wanneer gij erop gesteld zijt haar
te zien..."

De kranke beproefde met het hoofd te knikken, doch tevergeefs, hij
stond er ook niet op haar te laten roepen, doch een diepe weemoed
verspreidde zich langzaam over zijne trekken, en zacht ruischte het van
zijne lippen: "De dochter van Thomas! Edeler en schooner dan allen!"

"Edeler en schooner dan allen!" herhaalde Orion luid met eene zware
stem, die trilde van oprechte aandoening, waarop hij den arts en
de diakones verzocht hem eenige oogenblikken alleen te laten met
zijne ouders.

Zoodra de vreemden zich verwijderd hadden, zeide de jonkman zacht
en met geestdrift aan het oor van den kranke. "Gij hebt het rechte
woord gesproken, vader, zij is beter en edeler, zij is schooner en
denkt verhevener dan iedere andere jonkvrouw. Ik heb haar lief en
wil niets onbeproefd laten om haar hart te winnen.--God, God! Goede
hemel! Dat verheugt u, dat vindt gij goed, vader? Liefste beste vader,
ik kan het u aanzien!"

"Ja, ja, ja," stamelde de kranke; hij richtte zijne geelachtige
oogen, waarin zich groote bloedaderen vertoonden, naar boven, en
prevelde verder met groote inspanning: "Zegen, mijn zegen, over u
en Paula...! Dat moet gij haar herhalen. Had zij den ouden man iets
vroeger haar vertrouwen geschonken, dan zou de vrijgelatene in ons
huis geen dief zijn geworden.--Eene brave ziel; wat heeft zij voor den
armen man gestreden! Ik wil alles later nog eens uitvoeriger hooren,
als mijne krachten het toelaten. Waarom is zij nu niet hier?"

"Zij had u zoo gaarne vaarwel gezegd," antwoordde Neforis, "maar
gij sliept...."

"Had dat gaan dan zoo'n haast?" vroeg haar gemaal met een bitteren
lach. "Is misschien ook vrees voor den smaragd hier in het spel? Maar
hoe kon ik boos op haar zijn? Hiram heeft zeker zonder haar voorkennis
gehandeld, niet waar? Nu, ik wist het! Ach dat schoon, lieftallig
gezicht! Dat nog eens weer te mogen zien! De troost mijner oogen, mijn
tegenpartij aan het schaakbord! Trouw hart! Hoe hing het aan den vader,
voor wien het alles wilde opofferen! Maar gij, gij, mijne oude... Doch
thans geen verwijt! Gij, moeder, gij mijne Neforis... dank, duizendmaal
dank voor zooveel liefde en goedheid. Welke geheimzinnige tooverbanden
knoopt toch zulk eene christelijke echt! Merk het op, Orion! En gij,
moeder--het beangstigt mij--doe gij het meisje niet weder smart
aan. Zeg--het maakt mijn einde licht--zeg, dat gij den bond zegent:
Paula, Orion, wij beiden, beiden... Ik durfde het vroeger niet... Wat
kunnen wij beiden beters wenschen?"

De matrone vouwde de handen samen en zeide snikkende: "Alles, alles
wat gij maar wenscht. Maar vader, maar Orion, ons geloof en--lieve
Heiland!--die arme kleine Katharina!"

"Katharina?" herhaalde de stervende, en een medelijdende
glimlach zweefde over zijne slappe lippen. "Onze jongen en dat
kwik... kwik... Gij weet, wat ik bedoel."

Daarop verhelderden zich zijne oogen, en zacht, maar zoo opgewekt,
als was de dood nog verre, zeide hij: "Georg, de zoon van den Mukaukas
heet ik, ik ben de groote Mukaukas; en ons geslacht: krachtige mannen
zijn het, trotsch van aard, allen, allen; mijn vader, mijn oom, onze
gestorven zonen en hier onze Orion--enkel palmen en eiken! En nu zulk
eene dwerg, zulk een niets dan een rijsje aan den ouden, grooten,
heerlijken stam! Wat daaruit geboren wordt, o--o--beklagenswaardige
schepseltjes! Maar Paula--die ceder van den Libanon--Paula, zij
verjongt dat oude, groote geslacht."

"Maar het geloof, het geloof!" zeide Neforis met een zucht. "En gij,
Orion, weet gij dan, hoe zij over u denkt?"

"Ja, en neen; zwijg daarover in deze ure," smeekte de diep bewogen
jongeling. "O, vader, als ik weet dat uw zegen...."

"Het geloof, het geloof," haastte de Mukaukas zich te zeggen met
gebrokene stem.

"Ik bewaar het mijne!" zeide Orion, terwijl hij de hand zijns vaders
aan zijne lippen bracht. "Denk u en stel u het voor, hoe Paula en
ik dit huis bewonen, en hoe een nieuw geslacht daarin opwast, den
grooten Mukaukas en zijne vaderen waardig!"

"Ik zie het, ik zie het," stamelde de kranke, waarop hij als levenloos
in zijn kussen achterover zonk.

Onverwijld werd de arts geroepen en tegelijk met dezen kwam de
kleine Maria weenende de kamer binnen. De vernieuwde pogingen van den
arts om het leven te wekken bleven niet zonder gevolg; de stervende
opende nogmaals de oogen en zeide meer verstaanbaar en krachtiger
dan te voren: "Het riekt hier naar muskus--dat is de geur, die den
doodsengel voorafgaat."

Daarna bleef hij lang zwijgend en roerloos liggen. Zijne oogen
waren gesloten, maar zijn gerimpeld voorhoofd bewees, dat hij met
inspanning nadacht. Eindelijk haalde hij weder dieper adem en sprak
nauw verstaanbaar: "Zoo was het, zoo is het: De Griek heeft de mijnen
willekeurig als honden, als slaven behandeld; ook de muzelman is een
vreemdeling, maar hij handelt rechtvaardig. Aan wat gebeurd is, kan
ik niets veranderen, maar het is goed, goed zooals het geloopen is!"

Hij herhaalde dat "goed" nog eenige malen, waarop eene huivering hem
overviel en hij klaagde: "Mijne voeten zijn zoo koud, maar laat het
blijven, ik houd van de koelte."

De arts en de diakones maakten zich terstond gereed om hout te
verhitten, ten einde zijne voeten te verwarmen. De kranke zag hen
dankbaar na en vervolgde: "Bij de kerk, in Gods huis, heb ik vaak
de heerlijkste verkoeling gevonden, en thans maakt zij mij door
hare vergeving het sterven gemakkelijk. Gij, mijn zoon, blijf haar
trouw. Een lid van ons huis mag geen afvallige worden. Het nieuwe
geloof--met eene onbegrijpelijke macht onderwerpt het rijk aan
rijk--eer- en winzucht drijft het duizenden in de armen. Maar wij,
wij blijven Jezus Christus trouw en wij zijn geen verraders! Had
ik, ik de Mukaukas, willen doen wat de Kalief van mij verlangde,
dan zou ik als een vorst, met purper bekleed in zijn naam dit land
regeeren. Hoevelen zijn er tot de muzelmannen overgeloopen! De
verzoeking zal ook tot u komen, en hun geloof bezit veel wat de
groote menigte aantrekt. Zij stellen zich een paradijs voor met
onuitsprekelijk bekoorlijke genietingen, maar, nietwaar mijn zoon,
wij zien elkander in onzen hemel weder?"

"Ja, ja, ja, vader!" riep de jonkman. "Ik blijf christen, ik sta vast
en trouw..."

"Genoeg, het is goed!" viel de kranke hem in de rede. Hij wilde er
met opzet niet aan herinnerd worden, dat zijn zoon eene Melchietin
tot vrouw begeerde en vervolgde haastig: "Paula... Maar niets meer
daarover... Het geloof... Blijf het uwe trouw... Anders... Overigens,
mijn kind, zoek uw eigen weg; gij zijt... wandelt op den rechten, en
omdat, juist omdat ik dit weet sterf ik zoo gerust. Voor uw tijdelijk
welzijn heb ik rijkelijk gezorgd. Een goed echtgenoot en liefhebbend
vader--nietwaar mijn Heiland! nietwaar Neforis?--ben ik geweest. En
wat mijn beste, zekerste troost is--vele, vele jaren lang heb ik recht
gesproken in dit land en niet eene enkele maal--gij mijn schild en
trooster, gij zijt mijn getuige!--was ik--o, dat doet goed!--was ik
willens en wetens een onrechtvaardig rechter. De arme en de rijke, de
machtige en de hulpelooze weduwe, ze waren voor mij allen gelijk. Wie
zou gewaagd hebben..."

Hier hield hij op, en terwijl zijne oogen onbestemd door het vertrek
dwaalden, ontmoetten zij de kleine Maria, die tegenover Orion aan de
andere zijde van het hoofdeinde voor het sterfbed op de knieën was
gezonken. De man, die gereed stond van de aarde te scheiden en juist
de slotsom opmaakte van een langdurig werkzaam leven, hield opeens
zijne gedachten in, en zoodra het kind zag, dat hij zich tevergeefs
inspande om het stramme hoofd naar haar toe te keeren wierp zij zich
met hartstochtelijke, smartelijke opgewondenheid op den stervende,
kuste hem zonder vrees voor den starenden blik zijner oogen en de
verandering van kleur op zijn bemind gelaat, zijn mond en zijne wangen
en zeide: "Grootvader, lieve grootvadertje, verlaat ons toch niet,
o ik bid u, blijf bij ons!"

Om zijne droge lippen scheen een glimlach te spelen, en al de
teederheid, die hem over dit jonge lieflijke rozenknopje vervulde,
wilde hij in zijne woorden leggen; doch hij kon slechts klankloos
stamelen: "Maria, mijn lieveling! Om uwentwil zou ik nog gaarne lang
leven, zeer lang; maar die andere wereld... ik sta, sta op den drempel,
het afscheid... ik moet afscheid nemen."

"Neen, neen, ik wil bidden, o zoo innig bidden, tot gij beter wordt,"
riep het kind.

"Neen," was zijn antwoord. "De Heiland heeft mijne hand reeds
gegrepen. Vaarwel, nog eens vaarwel! Hebt gij uwe Paula... hebt
gij haar--ik zie haar niet--hebt gij haar niet medegebracht,
hartje? Zij... is zij knorrig van ons weggeloopen? Als zij maar
wist... Uwe Paula heeft ons toch onrecht gedaan."

Het meisje, vervuld van de schrikkelijke dingen, waartegen haar
oprecht gemoed in verzet kwam, die haar den vorigen avond, den
ganschen nacht en den geheelen morgen geen oogenblik rust hadden
gelaten, bracht haar kopje dicht bij het hoofd van den ouden, besten,
meest geliefden vriend. Jarenlang was hij haar tot een vader geweest,
en nu zou hij sterven, haar voor altijd verlaten! Maar zij kon hem
niet zien heengaan met een verkeerd oordeel over de vriendin, aan wie
zij gehecht was met al de liefde van een warm kinderhart, en daarom
riep zij hem met eene gedempte stem, maar toch met aandrang in het
oor: "Dit eene, grootvader, moet gij nog weten, vóor de Heiland u in
zijne hemelsche zaligheid opneemt. Paula heeft de waarheid gezegd, en
nooit, ook niet ter wille van haren Hiram gelogen. Een stukje bladgoud,
geen gesneden steen, hing er gisteren middag aan haar halssieraad. Wat
Orion ook zegt, ik heb het gezien en mij niet vergist, zoowaar ik u en
mijn armen vader daarboven hoop weer te zien. En Katharina, zij is zoo
straks ook tot inkeer gekomen en heeft mij beleden, dat zij een groote
zonde begaan en een valsch getuigenis voor de rechters afgelegd heeft,
om den zin te doen van haar lieven Orion. Ik weet niet, wat Hiram
haar heeft aangedaan, maar op het getuigenis van Katharina hebben de
rechters hem ter dood veroordeeld, en Paula--dit moet gij weten--heeft
met den diefstal van den smaragd niets, volstrekt niets uit te staan."

Orion was veroordeeld in zijne geknielde houding elk woord, dat die
kleine met zooveel vuur den vader influisterde, te hooren, en ieder
woord trof zijn hart als een dolksteek. Herhaaldelijk had hij de
handen over het bed willen slaan en haar voor de oogen zijns vaders
op den grond willen werpen, doch bij de smart en de verrassing,
die hem gansch en al verlamden vond hij zelfs de kracht niet haar
met een enkel woord in de rede te vallen. Het gesprokene was geuit;
als verpletterd klemde hij zich vast aan den rand van het bed, en
toen zijn vader zich tot hem wendde en rochelend met moeite vroeg:
"Zoo heeft het gerecht, ons eigen gerechtshof een valsch oordeel
geveld?" knikte hij verslagen met het hoofd.

Hierop stamelde de stervende nog onduidelijker en zonder samenhang
de vraag: "Steen.... uit het tapijt.... Gij... misschien.... Hebt
gij... hebt gij, gij zelf den smaragd.... Ik kan niet...."

Orion hielp zijn vader, die tevergeefs worstelde om het onzalige woord
uit te spreken en antwoordde deemoedig en zacht, want hij had liever
met den heengaande willen sterven dan hem in deze ure voor te liegen:
"Ik, vader, heb den steen weggenomen, maar zoo waarachtig als ik u
en mijne moeder liefheb, de eerste lichtvaardige daad mijns levens,
die zulke ontzettende gevolgen na zich moest slepen, zal...."

"Ook de laatste zijn," had hij er willen bijvoegen, maar reeds toen
hem dat "ik heb den steen weggenomen" over de lippen was gekomen,
begon de stervende over zijn gansche lichaam te beven, er kwam eene
akelige verandering in den blik zijner oogen en nog voor de zoon
zijne gelofte had afgelegd, richtte de ongelukkige vader zich met eene
buitengewone krachtsinspanning op, en riep den bleeken, luid snikkenden
en naar adem hijgenden jonkman toe, zoo haastig als zijne zware, bijna
verlamde tong het toeliet, met een gorgelende van toorn bevende stem:
"Gij! Gij! De smaad van het oude, smettelooze gerechtshof! Gij! Weg van
hier! De laatste kleinzoon van Menas een roover, een onrechtvaardig
rechter, een vervalscher van een getuigenis! Kon ik u nog met deze
handen.... Gij... Gij.... Weg van mij, knaap!"

Na deze onstuimige uitbarsting zonk Georg, de zachtmoedige en
rechtvaardige Mukaukas, achterover in zijn kussen; zijne bloederige
oogen staarden ongesloten in de ruimte; de geopende mond scheen telkens
en telkens weder al zachter en zachter dat "knaap" te herhalen; de
gezwollen handen trokken zich krampachtig samen in het dunne dek,
dat over hem gespreid lag; een vreemd, schel geluid kwam over zijne
bleeke lippen; de laatste krachten begaven hem en het ontzielde
lichaam van den waardigen stadhouder zonk aan Orions zijde ineen,
als een gevelde palmboom.

Als razend, met verwilderde haren en vuurroode oogen richtte Orion
zich op, schudde het lijk als wilde hij het dwingen te herleven, om
zijne gelofte te vernieuwen, de tranen van zijn berouw te zien, hem
te vergeven en de verschrikkelijke woorden terug te nemen, waarmede
hij scheidende hem, den veelgeliefden, verwenden zoon, had verstooten.

Onder deze wilde uitingen van zijne vertwijfeling keerde de arts terug,
wierp een blik op het verwrongen gelaat van den afgestorvene, legde
zijne hand op de plaats van het hart en zeide, terwijl hij de kleine
Maria van de legerstede wegtroonde, ernstig en weemoedig: "Deze brave
en rechtvaardige man heeft opgehouden onder de levenden te wandelen."

Orion slaakte een bangen kreet en stootte Maria van zich af,
die hem genaderd was, omdat zij, hoe jong ook, gevoelde, dat zij
onbedacht het schrikkelijkst oordeel over haar oom had gebracht,
en dat het nu haar plicht was hem liefde te bewijzen. Daarop liep
het kind naar hare grootmoeder, maar ook deze duwde haar opzij, en
viel bij den vertwijfelden zoon op de knieën om met hem te weenen
en den ontroostbaren, van wien zij nog weinige oogenblikken geleden
de beste troost voor zichzelve had verwacht, met warme woorden op te
beuren. Doch de moederlijke toespraak scheen geen weerklank te vinden
in zijn gebroken gemoed.



ZESTIENDE HOOFDSTUK.


De arts had toen hij Paula verliet haar gezegd, dat de Mukaukas elk
oogenblik kon sterven, maar het was ook mogelijk, dat hij nog weken
lang met den dood zou worstelen. Dat uitzicht scheen haar te troosten,
want de gedachte dat de eenige ware vriend, dien zij in Memphis had
bezeten, voor zij Philippus nader had leeren kennen, voor altijd zou
heengaan, zonder hare rechtvaardiging te hebben gehoord, kwam haar
onverdragelijk voor. Het was allesbehalve waarschijnlijk dat men in
de omgeving van vrouw Neforis, met uitzondering van de kleindochter,
haar in liefde zou gedenken, en zij verlangde er ook niet naar; maar de
achting, die zij zich ook in het stadhouderlijk verblijf verworven had,
wilde zij niet verliezen. Indien het den vriend gelukte de dagen van
haar oom nog te verlengen, dan kon zij, wanneer de ware toedracht der
zaak openlijk te zijner kennis werd gebracht, zijne oude vriendelijke
gezindheid en zijn goedgunstig oordeel herwinnen.

Zij beschouwde haar tegenwoordig verblijf als eene plaats van overgang,
een wachtstation op den woestijntocht van haar eenzaam bestaan,
en wat zij geleerd had onder hare Memphietische verwanten, daarvan
wilde zij hier partij trekken. De hoop was thans meesteres in haar
hart over smart en teleurstelling. Alleen de nabijheid van Orion hing
als eene dreigende hagelwolk boven het bloeiende graanveld van haren
innerlijken vrede, en toch was er niets, behalve de noodzakelijkheid
van den bode hier af te wachten, dat haar vaster aan Memphis verbond,
dan de mogelijkheid van ten minste uit de verte den verderen loop
zijns levens te kunnen volgen. Wat zij voor hem gevoelde--zij zelve
noemde het diepen afkeer--maakte, al wilde zij dit zichzelve ook niet
toegeven, een wezenlijk deel uit van haar innerlijk leven.

Haar nieuwe gastheer had haar als eene lieve huisgenoote opgenomen en
het schenen wel geen arme lieden te zijn; hun huis was zeer ruim en
zij het ook wat ouderwets en zonder opschik, toch gemakkelijk en met
fijnen kunstzin ingericht. Zij was er door verrast dat de tuin zoo
keurig onderhouden werd; een gebochelden tuinman en eenige kinderen
had zij er druk in zien werken. Het bleken zonderlinge helpers te
zijn, want evenals hun scheefgegroeide meester, bezaten ze allen een
of ander lichamelijk gebrek.

Het stuk grond, dat reikte tot aan de langs den Nijloever aangelegde
straat voor voetgangers, wagens en sleepers van Nijlschepen, was smal
en grensde aan weerszijden aan grootere eigendommen, en niet ver van
de plaats waar het den stroom naderde, begon de schipbrug, die Memphis
met het eiland Roda verbond. Aan de rechterzijde van deze bezitting
lag het haar welbekende schoone huis, een paleis mocht men het wel
noemen, van de weduwe Susanna; aan de linkerzijde een wijd uitgestrekt
bosch, waarin slanke palmen, sykomoren met breede bladerenkronen
en dicht opeen gegroeide blauwgroene tamarisken hunne schaduwen
verspreidden. Tusschen deze vereeniging van prachtig opgeschoten
planten en oude boomen lag een langwerpig geel, met een torentje
gekroond gebouw verscholen, dat haar evenzeer niet onbekend was;
want men had er ten huize van den stadhouder dikwijls over gesproken,
en zij was hier reeds eenige malen geweest in het gezelschap van
Perpetua. Dit was het Cæcilia-klooster, dat de laatste nonnen van haar
orthodox geloof herbergde, die in Memphis nog geduld werden. Terwijl
alle andere zusters van hare geloofsbelijdenis sedert lang uit de
stad waren verdreven, mochten zij in hare oude woonstede blijven,
niet alleen omdat men haar waardeerde als goede ziekenverpleegsters,
een voorrecht waarop ook andere Melchietische orden konden roemen,
maar veelmeer, omdat de verarmde stad de rijke belasting niet wilde
missen, die zij jaarlijks betaalden. Die belasting vertegenwoordigde
de renten van een aanzienlijk kapitaal, hetwelk een der voorvaderen
van den Mukaukas aan het klooster had vermaakt, en wel met deze
voorzichtige door Theodosius II met zijn keizerlijk zegel bekrachtigde
bepaling, dat deze stichting, zoodra het klooster zou worden opgeheven,
tegelijk met de landerijen en wat daarop gebouwd was--die het coenobium
insgelijks aan de vrijgevigheid van den stichter te danken had--aan
den regeerenden christelijken keizer in eigendom zouden overgaan.

De overleden Mukaukas, had, niettegenstaande zijne stellige afkeer van
al wat Melchietisch was, zich wel gewacht om de nuttige nonnen iets
in den weg te leggen en hare groote bezittingen aan zijne verarmde
vaderstad te onttrekken, ten einde ze den rijken muzelman in handen
te spelen. De oorkonde, waarop de zusters haar recht grondden, was
deugdelijk, en de rechtsgeleerde en verstandige stadhouder had haar
niet enkel onaangetast gelaten, al was hij in de laatste jaren ook
meer beangst geworden voor zijn eigen persoon, maar was zelfs zonder
vrees voor wien dan ook, bepaald en onbewimpeld tegen het machtig
opperhoofd der Jacobietische kerk voor hare rechtsgeldigheid in de bres
gesprongen. Natuurlijk billijkte de Senaat van de vroegere hoofdstad
Memphis zijne beslissing en duldde niet alleen de zusters die tot
een ander geloof behoorden, maar verleende haar ook menigmaal bijstand.

De Jacobietische geestelijkheid van de stad zag deze instelling door
de vingers en richtte alleen omstreeks paschen haar oog naar het
klooster, want op den voorafgaanden Zaterdag moesten de nonnen,
overeenkomstig eene voor het monophusietisch schisma gemaakte
bepaling, geborduurde priestergewaden, wijn van de voortreffelijkste
wijnbergen bij Kochome in de nabijheid van de trappen-pyramide, en
eene aanzienlijke hoeveelheid bloemen en gebak aan de Christus-kerk
opbrengen. Zoo bleef het oude vrouwenklooster bestaan, en ofschoon
geheel Egypte thans alleen Jacobietisch of Mohammedaansch was,
en menige oude zuster in het laatste jaar het tijdelijke met het
eeuwige verwisseld had, vroeg toch niemand er naar hoe het kwam,
dat het aantal nonnen altijd op dezelfde hoogte bleef, totdat de
Jacobietische aartsbisschop Benjamin in plaats van den Melchiet Cyrus
den patriarchalen zetel innam. Dezen kerkvorst waren de kettersche
vrouwen in Memphis, de havikken in de duiventil, zooals hij ze noemde,
een gruwel, en hij meende de oude schenkingsoorkonde zoo te kunnen
uitleggen, dat, aangezien er geen zuiver christelijk keizer meer was,
terwijl het woord "christelijk" uitdrukkelijk in de oorkonde stond,
het klooster bij zijne opheffing aan het eenig christelijk opperhoofd,
dat het land thans bezat, dat wilde zeggen aan hem en zijne kerk
moest vervallen. De kwade gezindheid van den patriarch tegen den
Mukaukas was door den tegenstand, die hij in dit opzicht bij dezen
had gevonden, tot openbare vijandschap geworden.

Uit dit klooster vernam Paula thans een welluidend klaaggezang. Was
de waardige abdis der nonnen gestorven? Neen, dit treurlied moest
betrekking hebben op een ander sterfgeval, want door de vensters van
hare hoekkamer, die op den Nijl uitzagen, vernam zij van de straat,
de schipbrug en uit eenige booten op den stroom de vreemde, schrille
klaagtonen van Egyptische vrouwen. Geen Jacobietisch bewoner van
Memphis zou het gewaagd hebben om bij den dood eener Melchietische op
zulk eene wijze aan zijne droefheid lucht te geven, en toen het aantal
klagenden bleek toe te nemen, huiverde zij bij de gedachte, dat haar
oom en vriend de vriendelijke, vermoeide oogen had gesloten. Diep
bewogen en met betraande oogen bemerkte zij, hoe oprecht de dood van
dezen rechtschapen man door al zijne medeburgers werd betreurd. Ja,
hem alleen en geen ander Egyptenaar kon deze groote en levendige
droefheid gelden. Weeklagende vrouwen op straat bestreken zich de
borst en het voorhoofd met het Nijlslib van den oever; mannen bleven
bij groepen staan en sloegen zich met hartstochtelijke gebaren voor het
hoofd en op de borst. Op de schipbrug hield de een den ander staande,
en ook van daar drongen weemoedige klaagtonen haar in de ooren.

Eindelijk verscheen Philippus om te bevestigen wat zij wel vreesde. De
dood van den stadhouder had hem niet minder getroffen dan haar, en
hij moest Paula thans alles mededeelen wat hij wist van de laatste
ure van den afgestorvene.

"Bij al dezen jammer," dus besloot de arts, "heb ik toch iets goeds
opgemerkt. Wie zou er gaarne dwalen? En toch verheugt ons niets zoozeer
dan het inzicht van zich in een mensch en zijne gezindheid tot zijn
nadeel bedrogen te hebben. Deze Orion, die zich zelven zoo vergeten
en zich zoo jegens u bezondigd heeft, is toch geen verloren mensch."

"Niet?" vroeg Paula haastig. "Zoo heeft hij dan ook u misleid?"

"Misleid?" vroeg de arts. "Dat zou niet licht gebeuren. Ik heb
helaas aan vele, zeer vele sterfbedden gestaan; want in den regel
roept men mij eerst, wanneer de dood den kranke reeds met den vinger
wenkt. Duizende bedroefden heb ik op zulke plaatsen des lijdens
aangetroffen, en ik verzeker u, dat zijn de beste scholen, de beste
akademiën voor iedereen, die het binnenste van zijne medemenschen
wenscht te leeren kennen. Hier en op de markt, waar 't om het mijn
en dijn te doen is, ziet men onder ons mannen, die vaak wat edel en
groot in ons is even zorgvuldig voor de wereld verbergen als anderen
het gemeene en onbeduidende, ziet men, zeg ik, den mensch in zijn
open gemoed. Na vele stervenden te hebben gezien en anderen die rouw
over hen dragen, zou ik, al ben ik geen Menander of Lucianus, eene
breede rij van menschenbeelden kunnen teekenen, die zoo waarachtig
zijn als hadden zij hun binnenste buiten gekeerd."

"Dat stervenden zich voordoen gelijk zij zijn," hernam Paula,
"dat neem ik gaarne aan. Zij hebben zich niet meer voor anderen te
ontzien; maar de rouwdragenden? Reeds het fatsoen vordert van hen,
dat zij zich verslagen toonen en tranen storten."

"Ja, aan de sterfbedden heerscht droefheid," vervolgde de arts, "maar
het doodenvertrek is als eene kerk. De dood wijdt het en wie hem in
het aangezicht ziet, die laat vaak het masker vallen, waarmede hij
anders zijne medemenschen bedriegt. Dan ziet men aangezichten die ons
doen huiveren, maar ook andere, die wij niet kunnen beschouwen zonder
dat ze ons opnieuw met achting vervullen voor dat ellendig geslacht,
waartoe we ons anders moeten rekenen."

"En voor zulk eene troostrijke figuur houdt gij Orion, den roover,
den vervalscher der getuigen, den onrechtvaardigen rechter?" vroeg
Paula, die van verbazing zich niet kon inhouden.

"Wel zie nu eens!" zeide de arts lachend. "Net als alle andere
vrouwen! Een goochelkunstje, en in een oogwenk is purper wat zoo even
nog rozenrood was! Neen, tot zulk kleurverwisselingen heeft de zoon
van den Mukaukas het nog niet gebracht, maar--en dit stel ik reeds
hoog--hij heeft nog een hart dat voelt en voor indrukken vatbaar
is. Het is voor mij boven allen twijfel verheven, dat hij met warme,
ja hartstochtelijke liefde aan zijn vader gehecht was, ofschoon ik
anders grond genoeg heb om het ergste van hem te denken. Zoolang ik
tegenwoordig kon zijn bij dit sterven, was ik er getuige van, dat
vader en zoon in vriendschap, ja teeder van elkander afscheid namen,
en toen het arme hart van den braven, ouden man stilstond, vond ik
Orion in een toestand weder, zooals wij die verwachten kunnen van
geliefden, die verloren wat hun het dierbaarst op aarde was."

"Comediespel!" riep Paula, haar vriend in de rede vallende.

"Voor zulk een spel, lieve vriendin, ontbrak het aan
toeschouwers. Zulke aandoeningen dringt een Orion zich niet op voor
zijne moeder en de kleine Maria."

"Maar hij is een dichter, en nog wel een hoogbegaafde. Hij zingt bij
de lier heerlijke liederen, die hijzelf heeft gemaakt. Zijn geoefende,
levendige geest verplaatst hem gemakkelijk in die stemming. Maar zijne
ziel is verdorven, als eene spons met water zoo is hij verzadigd met
goddeloosheid. Hij is een vat met schoone gaven, maar al wat er goeds
en groots in hem was heeft hij verloren, alles!"

Het verontwaardigde meisje had deze woorden haastig uitgesproken. De
toorn had hare wangen doen kleuren en zij meende den arts tot hare
zienswijze te hebben overgehaald. Doch deze schudde ernstig het hoofd
en zeide: "Uwe rechtmatige boosheid voert u te ver. Hoe vaak hebt gij
mij over mijn scherp oordeel en mijn twijfel berispt? Doch nu verzoek
ik u mij te veroorloven u te doen deelen in eene ervaring, waartegen
gij waarschijnlijk eergisteren nog niets zoudt hebben ingebracht. Ik
heb booswichten van allerlei slag ontmoet. Denk maar eens hoeveel
moorden door vergiftiging ik had te onderzoeken!"

"Homeros noemde reeds Egypte het gifland," zeide Paula, "en het
is onbegrijpelijk dat het christendom hierin nog niets veranderd
heeft. Meer boosheid, bedrog, haat en wangunst dan hier, heeft zelfs de
wijze Kosmas, die de geheele wereld doorreisde, nergens aangetroffen."

"Gij ziet nu in welk eene goede school mijne ervaringen over het booze
in den mensch gerijpt zijn," zeide de arts lachend, "en zij leeren
mij dat er geen misdadiger, zondaar of booswicht is, hoe verhard en
verdorven, hoe gruwelijk en gewetenloos hij ook zijn mag, in wien nog
niet eene of andere goede eigenschap is overgebleven. Herinnert gij
u nog die afschuwelijke gifmengster Nechebt, die hare beide broeders
en haar eigen vader om het leven bracht? Het is nog pas drie weken
geleden gebeurd. En datzelfde beest in menschelijke gedaante heeft
voor haar ontaarden zoon, die in het keizerlijke leger diende, honger
en dorst geleden, zoodat zij bijna was omgekomen; zij is eindelijk
eene gifmengster geworden, niet om haar eigen jammerlijken toestand te
verbeteren, maar om den schandelijken jongen middelen te verschaffen
voor nieuwe zwelgerijen. Ontelbare voorbeelden van dien aard zou ik
kunnen aanvoeren, doch ik wil u alleen nog iets vertellen van een der
bloeddorstigste en wreedaardigste roovers, die ontelbare malen aan de
veiligheidsbeambten wist te ontkomen, tot hij hun eindelijk in handen
viel. En waardoor? Omdat hij gehoord had dat zijn oud moedertje zwaar
ziek was, en het verlangen hem te machtig was geworden om het rimpelige
wijfje nog eens weer te zien, haar nog eens te kussen, gelijk toen
hij een kind was.--Nu, zoo heeft Orion, voor hoe verdorven wij hem
anders ook houden mogen, in elk geval eene eigenschap, die wij moeten
erkennen: eene teedere liefde voor zijn vader en zijne moeder. Uwe
spons verzadigt zich niet geheel met hetgeen gij goddeloosheid noemt:
daar blijven altijd nog poriën open, die weerstand bieden. En als
bij hem, gelijk bij anderen, het hart hiertoe behoort, dan zeg ik vol
hoop met den Romein Horatius: 'Nil desperandum!' het zou onrecht zijn,
indien wij hem geheel wilden opgeven."

Paula wist op deze verzekering geen antwoord te geven, ja de gedachte
kwam bij haar op dat Orion, als hij niet gelogen had, alleen ter wille
van zijne moeder, het kwikstaartje had gevrijd, met haar beeld in
zijn hart. Juist begon de arts, die het gesprek liever op een ander
onderwerp wilde brengen, weder te spreken over de laatste levensuren
van Mukaukas, toen eene der mismaakte dienstmeisjes eene vrouw kwam
aanmelden, die de dochter van Thomas verlangde te spreken. Weinige
oogenblikken later lag het meisje aan de borst van hare oude, trouwe
vriendin, de voedster, en deze juichte zoo vroolijk en lachte en
weende zoo hartelijk uit louter blijdschap, als ware haar geen kwaad
overkomen, terwijl Paula, de jongere, wie het gebeurde zielsleed had
gedaan, de gedachte daaraan niet van zich kon zetten.

Perpetua begreep haar en duidde haar die kalmte niet euvel, ofschoon
zij zelve als dronken was van vreugde. Zij was, zoo vertelde zij,
in hare heete gevangenis goed verzorgd, en een half uur geleden had
de jonge heer, Orion zelf, de deur voor haar geopend. Hij was zeer
genadig geweest, terwijl hij er bleek en ontdaan uitzag. De overmoedige
jonge man was geheel verouderd, zijne bekreten oogen hadden haar,
Perpetua, tot tranen geroerd. Wat Orion Paula en haarzelve gisteren
had aangedaan, dat mocht God hem vergeven. Zeker was hij door booze
geesten bezeten, want hij was zichzelf niet; maar hij bezat een
vriendelijk goed hart, en ofschoon hij zich ook voor de rechters
hard en onrechtvaardig jegens den armen Hiram had betoond, zoo had
hij toch heden vroeg alles weder goed gemaakt. Hij had dezen niet
alleen uit zijne gevangenis doen ontslaan, maar hem, zooals zij van den
rentmeester Nilus had vernomen, met zijn jongen, twee paarden en rijke
geschenken naar Damascus gezonden. Wie zelf verlangt dat zijn naaste
hem vergeven zal, die mocht ook dezen jonkman gaarne vergeven. De
groote Augustinus was in zijne jeugd zeker geen toonbeeld van deugd
geweest en toch een licht der kerk geworden, en zoo zou de zoon van
den Mukaukas ook wel in de voetstappen zijns vaders treden. Hij was
zeker een goed en schoon jonkman, die ieder stof tot vreugde kon
geven. Heden had hij zich zoo ernstig en plechtig gedragen als een
bisschop, en misschien wandelde hij reeds op beter wegen. Wat Paula
er van zeggen mocht: hijzelf had haar naar den wagen zijner moeder
gebracht, en den menner bevolen haar hierheen te rijden. Haar boeltje
zou morgen aan haar afgegeven en onder hare eigene oogen ingepakt en
weggezonden worden. De rentmeester Nilus was met haar medegekomen,
om eene boodschap aan Paula over te brengen. Hij was eerst naar het
Caecilia-klooster gegaan.

Paula verzocht haar hem vandaar te gaan halen, en zoodra Perpetua
het vertrek verlaten had, zeide zij tot den arts: "Gij hebt reeds
iemand gevonden, die het met u eens is. Wat zijn de menschen toch
veranderlijk. Gisteren avond vond mijne kloeke Betta geen afgrond
der hel diep genoeg voor onzen vijand; en nu! Ja, het is vleiend
door zulk een heerschap in eigen persoon naar den wagen gebracht te
worden; en hoe ras heeft mijn oudje al haar leed vergeten, hoe rustig
en tevreden is zij, nu haar genadig verlof werd gegeven om de nette
zaakjes, waaraan zij zoo gehecht is, eigenhandig in te pakken. Gij
hebt mij eens gezegd dat de Jacobieten van den heidenschen god Osiris
een heiligen Orion hebben gemaakt, en zoo ziet mijne Betta reeds in
den zoon van den Mukaukas een toekomstigen Augustinus. Ik zie reeds
hoe zij hem tot haar schutspatroon maakt, en mij, als wij eerst weer
in Syrië zijn, smeekt om met haar eene bedevaart naar hem te doen."

"En misschien doet gij het haar ten gevalle," zeide de arts, die
sedert zijn hart in liefde voor haar ontbrand was, Paula heden
voor het eerst niet zoo gestemd vond, als een man meent te mogen
verwachten van de vrouw die hij aanbidt. Tot hiertoe had hij niets
in haar opgemerkt, van haar gehoord of ondervonden, wat niet waardig
en edel was, maar hare laatste woorden waren op heftigen, bitteren,
sarcastischen toon geuit, en berisping en bespotting, die niet ten doel
hadden te verbeteren maar te krenken, waren naar zijne overtuiging
een edel vrouwelijk wezen onwaardig. Dat honend gelach, waarmede
zij hare woorden besloot, had hem maar al te duidelijk geopenbaard,
welk eene breede klove er gaapte tusschen hare en zijne inzichten. Hij
was, dat kon hij zich niet ontveinzen, soms groffer, en niet zoo fijn
ontwikkeld als Paula, en hij spotte meer dan goed was. Tot hiertoe had
juist deze zijne gewoonte haar mishaagd, en dat had hem aangemoedigd,
dat was geheel overeenkomstig het ideaal, hetwelk hij zich gevormd had
van de vrouw naar zijn hart. En nu verviel zij tot eene spotternij,
die haar niet schertsend over de lippen kwam, maar hartstochtelijk
opwelde uit haar innig verstoord gemoed, en deze opmerking deed den
menschenkenner leed en maakte hem tegelijk bezorgd.

Paula kon het hem aanzien, dat hij hare laatste woorden afkeurde, en
gevoelde dat die volzin: 'misschien doet gij het haar ten gevalle',
eene diepere beteekenis had. De mannen, dacht zij, worden boos, wanneer
zij hunne zienswijze zeer duidelijk hebben uitgesproken en wij vrouwen
het wagen er onverwijld eene andere tegenover te stellen. Daar zij
den vriend, aan wien zij zooveel goeds te danken had, voor geen prijs
wilde krenken, zeide zij vriendelijk: "Ik wil de bedoeling van uwe
zonderlinge profetie niet nasporen. Goddank is door uwe vriendelijke
en verstandige tusschenkomst thans elke band tusschen mij en den zoon
van mijn armen oom afgesneden. Spreken wij daarom over wat anders;
wij hebben ons reeds te veel met hem beziggehouden!"

"Zoo denk ook ik er over," zeide de arts. "Overigens verzoek ik u mijn
'misschien' te vergeten. Ik ben een man van het tegenwoordige en geen
profeet, maar dat zie ik toch aankomen, dat Orion alle pogingen in
het werk zal stellen, om--het koste wat het wil--"

"Welnu?"

"Om eene toenadering te bewerken, uwe vergeving te verwerven, uw hart
te treffen, u...."

"Dat hij het beproeve!" sprak Paula, terwijl zij de rechterhand
dreigend ophief.

"En wanneer hij, de in ieder opzicht zoo veel begaafde, weder geheel
tot zichzelven komt, en als een gelouterd man, die zich de achting
van alle weldenkenden weet te verwerven...."

"Dan toch zal ik nooit vergeven wat hij misdreven en mij aangedaan
heeft. Meent gij, dat ik uw gesprek met Neforis nu reeds vergeten
ben? Gij verlangt van uwe vrienden niets anders dan eene wakkere
gezindheid, die aan de uwe beantwoordt, en wat anders dan juist die
gezindheid heeft mij van Orion vervreemd? Ontelbaren hebben hunne
handelwijze veranderd, maar ook--antwoord mij oprecht--ook hetgeen
wij onder 'gezindheid' verstaan?"

"Ook deze," antwoordde haar de arts met diepen ernst, "ook deze
kan veranderen. Of wilt gij u aan de zijde van den koopman en zijne
muzelmansche geloofsgenooten scharen, die den mensch beschouwen als
een speelbal van het blinde noodlot? Wat ons, volgens de opvatting
onzer godgeleerden tot iets voorbestemd, dat is het kwade, hetwelk
wij mede ter wereld brengen; de inwendige wedergeboorte, zooals zij
het noemen, kan het onschadelijk maken en ten goede leiden. Maar aan
wien gelukt het midden in het gewoel van de wereld, in den zin waarin
de kerk het bedoelt, zichzelven te dooden, als levend te sterven
en als nieuw mensch weder op te staan? Het gewaad van een boeteling
past niet voor een Orion; doch er zijn voor hem andere mogelijkheden
om het pad terug te vinden, dat hij verlaten heeft. Het lot heeft
zijn verwenden lieveling tot heden zooveel vreugde geschonken, dat
hij te midden van zooveel genot en stof tot dankbaarheid geen tijd
vond om over het leven na te denken. Thans toont het hem zijn ernst
en verlangt van hem dat hij zich bezinnen zal, en als hij een vriend
vindt die hem toeroept, wat mijn vader mij reeds in een brief leerde,
dien hij zijn eenigen kleinen jongen naliet, en hij genegen is dien
te hooren, dan houd ik hem voor gered."

"En hoe luidt dat woord, die raad?" vroeg Paula in spanning.

"In het kort aldus: Het leven is geen maaltijd, die de voorzienigheid
ons voorzet om er van te genieten, maar een dienst dien zij ons te
vervullen geeft met onze beste krachten. Ieder onderzoeke zijn aard en
zijne gaven, en hoe beter het hem gelukt die aan te wenden tot heil
en zegen van de maatschappij, waarvan hij als lid ter wereld kwam,
des te meer zal hij zich innerlijk gelukkig gevoelen, des te zekerder
zal hij eene heerlijke zielsrust verwerven, des te minder vrees zal de
dood hem aanjagen. In het bewustzijn van ook zaden voor de toekomst
te hebben uitgestrooid, sluit hij als een trouw huismeester aan den
avond van elken dag en aan het einde van de laatste hem verleende
levensure de oogen. Ziet Orion dat in, is hij bereid zich niet te
onttrekken aan de verplichting die zijn bestaan hem oplegt, wijdt
hij daaraan met oprechten ernst al zijne krachten, dan kan er een
dag komen, waarop ik zelf met waardeering, ja met bewondering tot hem
zal opzien. De schipbreuk, waarvan de Arabier sprak, is gekomen. Zien
wij toe hoe hij zich uit de golven redt en na de stranding gedraagt."

"Zien wij toe," herhaalde Paula, "en laten wij wenschen dat hij een
raadsman zal vinden! Toen ik u daar hoorde spreken kwam de gedachte
bij mij op als rustte op mij de verplichting.... Maar neen, neen! Hij
zelf heeft door zijn roekeloos gedrag alle aanspraak op medelijden
verloren, die ik na zulk een schrikkelijken slag ook voor een vijand
zou mogen gevoelen. Hij, hij kan en zal niets voor mij zijn tot het
einde der dagen. U ben ik dankbaar, dat deze vreedzame haven zich voor
mij geopend heeft, help mij om al het vijandige te verbannen, dat zou
kunnen naderen om de rust in dit toevluchtsoord te verstoren. Waagt
Orion het, met welk doel dan ook, zich toegang te verschaffen tot dit
huis of het binnen te sluipen, dan verlaat ik mij op u, mijn vriend
en redder!"

Bij deze woorden bood zij Philippus de hand, en terwijl hij de hare
greep vloeide hem het bloed weder sneller door de aderen, en zeide hij
blijmoedig: "Mijne kracht en mijn hart behooren u. Beschik daarover,
en wanneer uwe ziel de vurige liefde van een trouw en eenvoudig man..."

"Niet verder, neen, neen, Philippus!" sprak Paula, hem met angstige
opgewondenheid in de rede vallende. "Laat ons als vrienden, als
broeder en zuster innig aan elkander verbonden blijven."

"Als broeder en zuster?" herhaalde hij dof en met een weemoedig
lachje. "O ja, ook de vriendschap is schoon. Doch--laat mij
uitspreken--ik had van liefde gedroomd, hier, hier binnen voelde
ik de branding van den golfslag der hartstochten, en ik voel haar
nog.... Maar man, man...." en hier drukte hij de vuist tegen zijn
voorhoofd--"hebt gij dwaas dan uw spiegelbeeld vergeten, weet gij niet
meer dat gij een leelijke, grove gezel zijt, dat voor u de prachtige
bloem, waarnaar gij streeft...."

Bij dien heftigen uitval van vertwijfeling ging Paula eenige schreden
terug, maar dadelijk liep zij haar vriend weer tegemoet, en terwijl
zij moedig zijne hand greep, zeide zij met warmte: "Niet zoo,
Philippus, mijne lieve, trouwe, eenige vriend. De prachtige bloem
die gij verlangt, noch ik, noch iemand kan u haar schenken. Ik bezit
haar niet meer, want toen zij zich eens hier binnen had ontplooid,
zijn er voeten gekomen die haar roekeloos vertraden. Smaad niet dat
spiegelbeeld, noem u zelven geen grove gezel. Zooals gij zijt, zoo
kan ook de beste, de schoonste trotsch zijn op uwe liefde. Ben ik
niet reeds trotsch en zal ik het niet blijven op uwe vriendschap?"

"Vriendschap, vriendschap!" herhaalde hij heftig, zijne hand uit de
hare rukkend. "Dit brandende, smachtende hart dorst naar gansch andere
gevoelens! O vrouw, vrouw! Ik ken de ellendeling, die de bloem der
bloemen in uw hart heeft vertreden, en ik dwaas ben zijn lofredenaar,
zijn verdediger en--het koste wat het wil--zal het blijven, zoolang
gij... Misschien schiet die prachtige bloem nieuwe wortels in den
bodem van den haat, en ik, ongelukkige, die haar begoot, kan toezien."

Paula vatte nog eens beide handen van den arts en zeide in diepe
smartelijke zielsangst: "Ik bid, ik bezweer u, ga zoo niet voort,
hoe kan ik zonder mijzelve in gevaar te brengen van de grenzen der
betamelijkheid te overschrijden, die het zedelijk gevoel eener
jonkvrouw gebiedt te eerbiedigen; en hoe kan ik hier onder uwe
bescherming in dagelijksche gemeenschap met u rustig leven, wanneer
gij de grenzen niet ontziet, die eene trouwe, oprechte vriendschap
afbakenen? Ik ben een verlaten meisje, en zou vertwijfelen en
mijzelven prijsgeven, wanneer het geloof mij niet beschutte, dat ik
mij op mijzelve verlaten kan. Vergenoeg u met hetgeen ik u thans kan
aanbieden, en God zal u er voor beloonen! Laten wij beiden de achting
waardig blijven, die wij, den hemel zij dank, met goed recht voor
elkander gevoelen."

De arts boog zich bewogen tot haar neder, drukte, zichzelven bijna
niet meester, de lippen op hare blanke en krachtige hand, terwijl
Perpetua juist met den rentmeester de kamer binnen kwam.

De eerlijke beambte, een eenvoudig man, van middelbare grootte en nog
niet oud, met een bleek, fijn, verstandig gelaat, waarin de zorgen,
de zware arbeid en de last der verantwoordelijkheid diepe sporen
hadden gegroefd, sloeg haastig een scherpen blik op beiden en legde
daarna eene belangrijke som in goudstukken voor Paula neder. Zijn
jonge meester zond dit geld overeenkomstig den wil van zijn overleden
vader, om in de eerste behoeften te voorzien; het overige of grootste
gedeelte van haar vermogen zou haar tegelijk met de afrekening
uitbetaald worden, na de begrafenis van den Mukaukas. Wat het bedrag
harer bezitting aanging, dit kon Nilus reeds nu ongeveer opgeven, en
het bleek dat dit zoo groot was, dat Paula hare ooren niet gelooven
kon. Zij zag zich nu gevrijwaard voor alle verdere zorgen, ja, zij
was zoo welgesteld, dat zij in staat geweest zou zijn om in overdaad
te leven.

De arts was getuige geweest van dit onderhoud, en het had zijn hart
angstig doen kloppen. De gedachte had hem zoo gelukkig gemaakt, dat
hij voor de arme wees Paula alles zou zijn en hij haar voor uitwendig
gebrek zou hebben kunnen bewaren. Hij was bereid geweest alles op
zich te nemen, om de Damasceensche een behoorlijk onderkomen te
verschaffen en haar te voorzien van alles wat zij noodig kon hebben,
en nu bleek het dat zijne beschermeling niet alleen voornamer, maar
ook rijker was dan hij. Het was hem als had Orions bode hem van eene
schoone levensvreugde beroofd; en nadat hij haar gebracht had bij haar
wakkeren ouden gastheer en de zijnen, verliet hij met gebogen hoofd
het huis van Rufinus. Toen de tijd kwam om zich ter ruste te begeven,
mocht Perpetua hare lieve meesteres weder helpen ontkleeden. Doch
Paula kon den slaap niet vatten, en toen zij den volgenden morgen zich
bij hare nieuwe vrienden voegde, moest zij erkennen dat zoo ergens
hier de plaats was, waar zij den verloren vrede terug kon vinden,
dat zij echter nog veel zou hebben te worstelen en een langen weg
moeten afleggen, voor zij dien bereiken kon.



ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.


Ter zelfder tijd als zij was Orion naar zijne vertrekken
teruggekeerd. Naast aan de zijnen grensde de slaapkamer van de
kleine Maria, die hij niet had wedergezien, sedert hij de plaats
verliet, waar zijn vader gestorven was. Hij wist dat zij daar lag
met de koorts, maar hij kon het niet over zich verkrijgen naar
haar te vragen. Kwam de gedachte aan haar bij hem op, dan balde hij
onwillekeurig de vuisten. Hij was getroffen tot in het diepst zijner
ziel, buiten zichzelven en als tot twijfeling gebracht. Geene andere
gedachten beheerschten hem dan deze dat hij de ongelukkigste was van
alle menschen, dat de vloek zijns vaders hem had getroffen, dat het
gebeurde met niets was goed te maken, dat eene ruwe, onafweerbare
macht den trouwsten van zijn vrienden hem tot vijand had gemaakt
en zóo van zijne zijde had weggescheurd, dat er geen mogelijkheid
bestond hem nog te verzoenen, hem tot woorden van vergiffenis, tot
een vriendelijken blik te bewegen. In zulk een stemming liep hij
met versnelde schreden het groote vertrek op en neder, wierp zich
nu eens van den divan op den grond en drukte dan weder zijn gloeiend
aangezicht in het zachte kussen. Soms gelukte het hem te bidden, doch
telkens hield hij weder op, want er was immers geen macht in hemel
of op aarde, die dit gebroken oog weder kon openen, dit verstijfde
hart weder kon doen kloppen, deze verlamde tong kon doen spreken, om
hem, den verstootene dat te verleenen, waarnaar zijn ziel smachtte,
zonder hetwelk hij meende te moeten bezwijken namelijk: vergiffenis
van zijn vader, vergiffenis, vergiffenis!

Soms sloeg hij zich als een waanzinnige met de vuist tegen de borst en
het voorhoofd, en slaakte daarbij kreten van angst, verwenschingen en
bittere klachten. Omstreeks middernacht--er waren eerst twaalf uren
verloopen sedert die vreeselijke gebeurtenis had plaats gegrepen, en
toch kwam het hem voor als waren het even zoovele dagen geweest--wierp
hij zich in het donkere rouwgewaad, dat hij van woede en vertwijfeling
zich half van het lijf had gescheurd, op den divan neder en brak
in zulk een luid snikken los, dat hijzelf er in de stilte van den
nacht van schrikte, en aangegrepen door medelijden met en afkeer van
zijn eigen grievend leed zich met het gelaat naar den wand keerde,
om zijne oogen te onttrekken aan het volle reine maanlicht, dat hem
enkel dingen toonde die hij niet zien wilde en die hem kwelden.

Eindelijk werd die zielemarteling hem ondragelijk. Zijn gemoed werd
gepijnigd en als vaneen gereten, en de gedachte kwam bij hem op om
zijn scherpste zwaard te grijpen, zich als een razende Ajax of een Cato
daarin te storten en zoo aan deze duldelooze overweldigende pijniging
een einde te maken. Opeens rees hij overeind, want de deur--het was
geen zinsbedrog, geene begoocheling--de deur van zijn vertrek werd
zacht geopend en eene witte, spookachtige gedaante bewoog zich met
zachte onhoorbare schreden naar hem toe. Eene kille huivering voer
door de leden van den anders zoo moedigen man, doch weldra herkende
hij in die nachtelijke bezoekster de kleine Maria.

Zonder eenig geluid te geven naderde zij in het heldere maanlicht,
maar barsch riep hij haar toe: "Wat moet dat? Wat wilt gij?"

Het kind verschrikte, bleef angstig staan, strekte de handen
smeekend naar hem uit en stamelde daarbij schuchter: "Ik hoorde u
steeds klagen. Arme, arme Orion! En ik ben het, die u dit alles heb
aangedaan. Ik kon niet langer in bed blijven, ik--ja ik moest...."

Hier werd zij zoo bedroefd, dat zij niet verder kon gaan; doch Orion
riep haar toe: "Nu, het is goed! Ga naar uwe kamer terug en slapen,
ik wil trachten wat zachter te klagen."

Deze laatste woorden klonken wat minder hard, want hij bespeurde dat
het kind, hoewel zelf ziek, hem op bloote voeten en in haar nachthemd,
rillende van kou, aandoening en droefheid, had opgezocht. Maria
bleef echter staan, schudde het hoofd en antwoordde, altijd nog zacht
weenende: "Neen, neen, ik blijf hier en ga niet weg, nu ik weet dat
gij... Ach God, vergeven kunt gij mij wel niet, maar ik moet het toch
zeggen, ik moet..."

Daarop vloog zij, eene ingeving van het oogenblik volgende, recht
naar hem toe, sloeg hare armen om zijn hals, drukte haar hoofd tegen
het zijne en toen hij haar niet afweerde, kuste zij zijne wangen en
zijn voorhoofd.

Er had een vreemde verandering bij hem plaats; hij wist niet wat er
met hem gebeurde, maar het was hem als werd er iets in zijn binnenste
week gemaakt en opgelost, en het waren niet enkel de heete tranen
van het kind, het waren ook zijne eigene, die zijne oogen en zijn
aangezicht bevochtigden.

Zoo verliepen er eenige oogenblikken van diepe stilte; eindelijk maakte
hij de armen der kleine van zijn hals los en zeide: "Wat gloeien uwe
handen en wangen, arm kind! Gij hebt de koorts; de koele nachtlucht
stroomt binnen, en gij zult door dezen onzin nog verkouden worden."

Met moeite was hij zijne tranen meester geworden, en terwijl hij
deze woorden uitbracht, sloeg hij het zwarte overkleed, dat hij
afgeworpen had, zorgzaam over haar heen en zeide daarna vriendelijk:
"Wees nu bedaard, ook ik zal trachten mijzelven te beheerschen. Gij
hebt het zeker niet kwaad bedoeld en ik zal het u niet verwijten. Ga
nu heen! Ge kunt zonder gevaar voor de trekking door de voorzaal
gaan.--Nu, gaat ge?"

"Neen, neen," antwoordde zij ernstig. "Gij moet mij laten uitspreken,
anders kan ik niet slapen. Ziet ge, ik heb er in 't geheel niet
aan gedacht dat ik u leed zou doen, zulk een vreeselijk, zulk een
schrikkelijk leed; neen zeker niet! Ik ben boos op u geweest, omdat
gij--maar toen, ach, lieve Heiland! toen heb ik waarlijk in het geheel
niet aan u, maar enkel aan die arme Paula gedacht. Gij weet niet half
hoe goed zij is, en grootvader had haar zoo lief voor gij terugkwaamt,
en daar lag hij en zou haast sterven, en ik wist dat hij Paula voor
een dievegge, voor eene leugenaarster hield. Dat ik hem in zulk
een dwaling, zulk eene ongerechtigheid de oogen zou zien sluiten,
dat vond ik toen zoo afschuwelijk, zoo onverdragelijk, niet alleen
om grootvader maar ook om Paula, dat ik--ach Orion, de barmhartige
Heiland is mijn getuige--dat ik... En al had ik het moeten besterven
ik kon toen niet anders; ik zou bezweken zijn als ik gezwegen had!"

"Misschien is het ook goed geweest dat gij gesproken hebt," zeide
de jonkman, terwijl hij diep adem haalde. "Ziet gij, meisje; de arme
broeder van uw gestorven vader is een verloren mensch en aan hem is
niet veel gelegen; maar Paula, die duizendmaal beter is dan ik, aan
haar is ten minste recht gedaan, en daar ik haar liefheb, meer dan
gij u in uw klein hartje kunt voorstellen, wil ik gaarne weer goed op
je zijn en je nog liever hebben dan vroeger. Dat is nu geen groote,
geen edelmoedige daad, want ik heb liefde noodig, veel liefde, om het
leven dragelijk te vinden. Ik dwaas heb de beste liefde verspeeld,
en ik kan de uwe, arm, braaf kind, ik kan de uwe niet missen! Zoo,
daar hebt ge mijne hand, geef mij ook nog een kus, en ga dan naar
bed om te slapen."

Doch Maria wilde altijd nog maar niet gehoorzamen; zij dankte hem
met warmte en vroeg daarna met heldere oogen: "Dus is het waar? Gij
hebt Paula zoo lief?" Doch hier hield zij eensklaps op en zeide:
"En de kleine Katharina..."

"Spreek daar niet over, kind," zeide hij met een zucht, "en neem er een
les uit voor uzelve. Zie, in eene noodlottige ure heb ik lichtvaardig
iets gedaan wat niet goed is, en om dat te verbergen, moest ik er
wederom kwaad aan toevoegen, totdat de ongerechtigheden tot een berg
waren opgestapeld, op mij neervielen en mij verpletterden. Thans ben
ik de ongelukkigste der menschen, en ik zou wellicht de gelukkigste
kunnen zijn. Door mijne eigene lichtzinnigheid, mijne eigene
zwakheid en schuld heb ik mijn geheele leven bedorven, heb ik ook
Paula verloren, die mij liever is dan alle menschen op aarde te zamen
genomen. Ja, Maria, als zij de mijne was geworden, uw arme oom had een
benijdenswaardig jonkman, een degelijk mensch, een groot man kunnen
worden, die wat uitricht in de wereld; maar zoo? Weg is weg! Ga ter
rust mijn kind, eerst als gij ouder zijt zult gij dit alles verstaan!"

"O ik versta het nu reeds, ja nu en veel beter misschien dan gij
denkt," riep de tienjarige hem toe. "En wanneer gij Paula inderdaad
zoo liefhebt, waarom zou zij uwe liefde niet beantwoorden? Gij zijt
zoo schoon, gij kunt zooveel, ieder mag u gaarne lijden, en Paula
zal wel weer goed op u worden, wanneer gij maar.... Zult gij niet
boos op mij zijn als ik het u zeg?"

"Spreek maar gekkinnetje!"

"Zij kan u niets meer verwijten wanneer zij weet, hoe vreeselijk
gij lijdt om harentwil en dat gij zoo innig goed zijt en maar eene
enkele maal iets gedaan hebt--dat weet ge! Voor gij terugkwaamt heeft
grootvader wel honderdmaal gezegd, hoeveel vreugde gij hem zijn leven
lang bereid hebt, en nu, nu.. Gij zijt mijn oom en ik ben maar een dom
schepseltje, maar ik weet toch dat het met u gaat als den verloren zoon
uit den bijbel. Grootvader en gij zijt toornig van elkander gegaan."

"Hij heeft mij gevloekt," riep Orion op doffen toon.

"Neen, neen! Mij is geen van zijne woorden ontgaan. Alleen uw daad
heeft hij veroordeeld met schrikkelijke woorden en u van zijn sterfbed
weggejaagd."

"Welk onderscheid ligt daarin: vervloekt of verstooten?"

"O, een zeer groot onderscheid! Hij had reden om boos op u te zijn,
maar de verloren zoon in den bijbel werd daarna de meest geliefde
van zijn vader, zoodat hij een kalf voor hem liet slachten en hem
alles vergaf, en zoo zal dan grootvader u ook in den hemel vergeven,
wanneer gij weder zoo goed wordt als gij vroeger waart jegens hem en
ons allen. En Paula zal u evenzeer vergeven; ik ken haar--gij zult het
wel zien..... Katharina had u ook wel lief, maar zij.... Lieve God,
zij is haast nog even kinderachtig als ik, en wanneer gij maar altijd
vriendelijk tegen haar zijt, en zij wat moois van u ten geschenke
ontvangt, zal zij zich wel troosten. Voor haar valsche getuigenis
heeft zij toch zeker wel wat straf verdiend, doch uwe straf komt
zeker niet in vergelijking met de hare."

De woorden uit den mond van een onschuldig kind vielen in den van
smart doorploegden akker van 's jonkmans ziel als zaadkorrels, en
waren als morgendauw voor zijn gemoed. Toen Maria reeds lang weder
was ingeslapen dacht hij er nog altijd over na.



ACHTTIENDE HOOFDSTUK.


De inzegening van het lijk van den Mukaukas Georg had den daarop
volgenden dag plaats gehad. Sedert de geestelijkheid de voormalige
heidensche balseming verboden had en in den tijd der Antonijnen ook
de lijkenverbranding had opgehouden, moesten de gestorvenen spoedig
na het overlijden ter aarde besteld worden; alleen de aanzienlijken
werden een weinig gebalsemd en in kerken of kapellen bijgezet,
waaraan zij schenkingen hadden gedaan. Overeenkomstig zijn uitersten
wil moest het lijk van den Mukaukas Georg naar Alexandrië gebracht
en aldaar in de kerk van den heiligen Johannes naast dat van zijn
vader worden bijgezet, doch de duif die den brief had overgebracht,
waarin den patriarch werd kennis gegeven van den dood des stadhouders,
was teruggekomen met het bevel, dat er bezwaren bestonden om aan
deze begeerte van den overledene te voldoen, en dat men zijn lijk
voorloopig in het familiegraf te Memphis moest bijzetten.

Sedert menschenheugenis was daar zulk eene lijkstatie niet
gezien. Zelfs de muzelmansche gouverneur van het land, de groote
veldheer Amr, was met zijne voornaamste legeraanvoerders en
burgerlijke beambten van genen oever van den Nijl overgekomen, om
den hooggeschatten en rechtvaardigen stadhouder de laatste eer te
bewijzen. Hunne gespierde bruine gestalten en schoone karakteristieke
aangezichten, hunne gouden met edelsteenen bezette helmen en
pantserhemden, afkomstig uit den krijgsbuit na den vernielenden strijd
tegen het Perzische rijk en Syrië, hunne prachtige, kostbaar opgetuigde
paarden en het gebiedende en trotsche van hunne houding hadden op de
menigte een diepen indruk teweeggebracht. Statig en langzaam waren
zij verschenen, om zich daarna te verwijderen als een onweerswolk
door den stormwind voortgezweept. Van het kerkhof waren zij langs de
Nijlstraat en vervolgens over de schipbrug teruggedraafd, zoodat de
grond onder hen dreunde. Uit de witte stofwolken, die hen omgaven,
kwamen oogverblindende, flikkerende bliksems te voorschijn, zoo vaak
de zonnestralen hun gouden wapenrusting troffen. Ja, aan deze ruiters,
van welken ieder wel een vorst geleek, kon het niet zwaar zijn gevallen
de machtigste rijken der wereld te vernietigen.

Mannen zoowel als vrouwen, allen hadden deze ruiterij met zeker
ontzag bewonderd en wel het meest de heldengestalte en het schoone,
bruine, mannelijke gelaat van den veldheer Amr en den zoon van den
afgestorvene, die op bevel van den Arabier van af het stadhouderlijk
paleis aan zijne zijde reed, in een donker rouwgewaad op een
gitzwarten, vurigen hengst. De schoone jongeling en de kloeke,
krachtvolle man vormden een paar, waarvan de vrouwen ongaarne de
oogen afwendden, want beiden deden in edele houding niet voor elkaar
onder, beiden vertoonden dezelfde krachtige lichaamsbouw, beiden
waren even geschikt om hunne vurige paarden in bedwang te houden,
beiden schenen tot heerschen geboren. Op menig Memphiet maakte dat
op een langen, prachtigen hals rustende hoofd van den beroemden
overwinnaar in zoo vele veldslagen, zijn fijnbesneden gelaat met den
adelaarsneus en de zwarte, fonkelende oogen een dieper indruk dan
de meer gelijkmatige gelaatstrekken en dat schoone licht krullende
haar van den stadhouderszoon, den laatsten spruit van het oudste en
edelste geslacht in geheel Egypte.

Vast en gebiedend keek de Arabier recht voor zich uit en ook de blik
van den jonkman dwaalde niet ter zijde af, alleen zag hij enkele
malen om, ten einde de deelnemende menigte te overzien. Toen hij
ook Paula ontdekte onder de vrouwen, die het lijk volgden, overtoog
een glans van vreugde zijn bleek gelaat, en zijne wangen bloosden
even. Het vooruit staren deed hem het voorhoofd rimpelen en gaf aan
zijne trekken eene onheilspellende uitdrukking, zoodat menig Memphiet
zacht tot zijn buurman zeide: "Uit dezen vroolijken, levenslustigen
jongen heer zal zeker een streng gebieder groeien."

Wat hem hinderde was zijn begeleider zoo min als der menigte
ontgaan. Hij alleen wist dat de patriarch het overbrengen van het
stoffelijk overschot zijns vader naar Alexandrië verboden had; doch
iedereen merkte op, dat bij deze buitengewone begrafenis het grootste
gedeelte van de geestelijkheid van Memphis werd gemist. Alleen de
bisschop Plotinos liep met den geleerden en moedigen presbyter Johannes
en eenige koorknapen, die het crucifix droegen, psalm zingende vóor de
door zes vurige paarden getrokken slede, waarop de kostbare sarcophaag
naar oud gebruik naar het kerkhof werd gevoerd. Daar aangekomen stegen
allen van hunne paarden, en knapen op bloote voeten in dienst van de
Arabieren waren aanstonds bij de hand om de paarden te houden. De
bisschop sprak aan het graf een warm woord van waardeering, waarna
het magere en weinig plechtige gezang der koorknapen een armelijk
figuur maakte. Doch nauwelijks was dit geëindigd of de menigte viel
met duizenden stemmen in, en hief een klaagzang aan, die zoo luid en
indrukwekkend over het kerkhof klonk, als nog nimmer op deze plaats
was gehoord. De overige ceremoniën werden, daar de hiertoe noodige
geestelijken niet verschenen waren, spoedig en onvolledig volbracht.

De veldheer Amr, wiens valkenoog niets ontging, merkte dadelijk op
wat hier ontbrak, en riep Orion zoo luid en openlijk toe, dat het
rondom gehoord kon worden: "De doode moet hier boeten voor hetgeen
de levende als verstandig man ten beste voor zijn land hand aan hand
met ons muzelmannen gedaan heeft."

"Op bevel van den patriarch," antwoordde Orion met bevende stem,
terwijl de aderen op zijn voorhoofd van toorn hoog opzwollen. "Maar
bij de ziel van mijn vader," en bij deze woorden balde hij de vuist,
"als er een rechtvaardig God is, zal het Benjamin niet gelukken voor
den braafsten aller braven de hemelpoort te sluiten."

"Wij dragen den sleutel tot den ingang van onzen hemel in onzen eigen
gordel," antwoordde de veldheer, terwijl hij met zelfvoldoening
lachend op zijne hooggewelfde borst sloeg en de jonkman met
welgevallen aanzag. "Kom Zaterdag bij mij, jonge vriend, ik wil met
u spreken! Tegen zonsondergang wacht ik u aan de overzijde in mijn
huis. Als ik tegen donker nog niet terug ben, wil dan op mij wachten."

Daarbij greep Amr de manen van zijn hengst, waarbij Orion zich gereed
maakte om hem te helpen, doch de vijftigjarige veldheer voorkwam hem,
zwaaide zich behendig als een jongeling in het zadel en gaf daarmede
aan de zijnen het teeken om op te breken.

Paula, die met vrouw Neforis het allernaast bij het open familiegraf
had gestaan, was geen woord ontgaan van het kort gesprek tusschen
beide mannen. Zooals hij daar gestaan had, doodsbleek, in kostbare,
maar eenvoudige, lang afhangende rouwkleederen gehuld, door een
heiligen mannelijken toorn aangegrepen, was het onmogelijk geweest
niet te erkennen, dat de laatste dagen een verbazenden invloed hadden
gehad op den afgedwaalden jonkman. Nadat Paula de bleeke, verslagene
stadhoudersweduwe, die met droge oogen alles had aangezien, naar
haren wagen had gebracht, en daarna met Perpetua alleen naar huis was
gegaan, had haar het beeld van den schoonen, verontwaardigden jonkman,
die den gespierden arm met die stevig gebalde vuist in de hoogte hief,
steeds voor oogen gestaan. Het was haar niet ontgaan dat hij haar, die
tegenover hem stond aan de geopende groeve, had opgemerkt, en het was
haar gelukt zijn blik te ontwijken; maar haar zwak hart klopte daarbij
zoo hevig, dat zij het nog voelde in hare borst, en het was haar niet
gelukt geheel en onverdeeld aan de geliefde afgestorvene te denken.

Orion had tot dusverre noch haar vreedzaam verblijf opgezocht, noch
ook een bode gezonden om haar te brengen wat haar toekwam; en zij vond
dit natuurlijk, want niemand behoefde haar te zeggen wat er in deze
dagen van hem gevorderd werd. Doch was zij vóor de begrafenis vast
besloten geweest zijn bezoek af te wijzen, en had zij aan de voedster
reeds volmacht gegeven haar goed uit zijne hand in ontvangst te nemen,
zoo scheen haar zulk eene houding na de teraardebestelling van haar
oom niet voegzaam meer; ja, bij de gedachte aan den ontslapene achtte
zij het haar plicht Orion niet te weren, wanneer hij haar om vergeving
kwam vragen. Ook nog iets anders was zij haar oom schuldig. Zij wilde
het zijn, die zijn zoon in de geest van Philippus er op wees, dat het
leven als een plicht, als een dienst moest worden opgevat. Opende hij
zijn hart voor deze vermaning, dan... neen, ook dan moest alles uit
zijn tusschen hen, uit als het vuur van een uitgebrande houtmijt,
als de zeepbel die in de wind berst, als de toon die weggestorven
is--uit, geheel uit. En de vermaning die zij hem, tot wien zij eens
had opgezien, wilde geven? Wie gaf haar het recht hem dezen toe te
dienen? Zag hij er niet uit als een man, die zijn leven uit eigen
kracht weet te leiden en te besturen?--Haar hart dorstte naar hem,
alles wat in haar was verlangde hem weder te zien, zijn stem weder
te hooren, en deze begeerte, dit heimwee noemde zij plicht en bracht
zij in verband met den dank, dien zij den afgestorvene verschuldigd
was. Geheel door deze overwegingen en twijfelingen beheerscht, hoorde
zij nauwelijks wat de spraakzame Perpetua zeide, die naast haar liep.

De oude vrouw had volstrekt geen vrede met zulk eene begrafenis;
want hoe geheel anders was het hier toegegaan dan gewoonlijk
te Memphis geschiedde bij eene teraardebestelling! Er waren geen
priesters bij geweest; terwijl anders de nabestaanden, gelijk overal
gebruikelijk was, het stoffelijk overschot te voet volgden, had men
hier een lijkstoet te paard, ruiters in rouwgewaad, en daaronder
de zoon van den overledene! Een krekelgegons van kwajongens aan de
groeve van zulk een doode, en dan dat onbetamelijk geschreeuw uit
duizend kelen van de volksmenigte, waarvan haar trommelvlies bijna
gesprongen was! Doch dit kon men de Memphieten nog vergeven, want
het was geschied ter eere van den afgestorvene! Deze gedachte trof
zelfs haar fijngevoelig hart en deed tranen in haar oogen wellen,
maar het wekte ook haar wrevel op; want zij had geringer lieden met
meer plechtigheid en met waardiger ceremoniën zien begraven, dan de
groote, goede Mukaukas Georg, die zulk eene belangrijke schenking
aan de kerk had gedaan. Ja, die Jakobieten! Zoo ondankbaar konden
zij alleen handelen, zulk een wandaad kon alleen hun kettersch hoofd
begaan! In het Caecilia-klooster wist ieder, van de abdis tot de
jongste novice, dat de patriarch den bisschop door een brief per
postduif verboden had zijne geestelijkheid aan de plechtigheid te
doen deelnemen. De brave Plotinos was zeer verstoord over dit bevel,
doch daar hij niet bij machte was zich hiertegen te verzetten, had hij
den lijkstoet althans persoonlijk vergezeld en den presbyter Johannes
niet verboden hem te volgen. De jonge heer Orion had er overigens
niet uitgezien, als ware hij voornemens zulk eene beleediging van zijn
vader ongestraft te laten. Doch wiens arm was zoo lang, dat die reikte
aan den stoel van den patriarch? Tenzij... Doch dat was onmogelijk;
bij de gedachte alleen voer haar een rilling door de leden. Maar
toch... Hoe genadig had die groote veldheer van gene zijde met hem
gesproken! Hemelsche vader, als hij maar niet als zoovele gewetenlooze
Egyptenaars het heilige geloof afzwoer en de zondige leer van den
Arabischen leugenprofeet aannam! Het was voor slechte mannen wel
verlokkend een half dozijn vrouwen in huis te mogen nemen, zonder
zich te bezondigen. Een heer als Orion kon ze wel onderhouden, want
de abdis had gezegd, dat de groote Mukaukas door de geheele wereld
wel voor een zeer rijk man was gehouden, maar dat het opperhoofd
van de stad zelfs ongerust was over den ongehoord grooten omvang van
zijne nalatenschap. Ja, ja, Gods wegen waren ondoorgrondelijk! Waarom
begroef hij den een onder een gouden regen, terwijl hij aan duizenden
armen te weinig gaf om hun honger te stillen?

Deze ontboezemingen namen een einde, toen de vrouwen te huis waren,
en hier eerst kwam Paula's gemoed tot rust. Het moest uit zijn met
den hartstocht, hetzij deze haat of liefde heette, die haar nog altijd
wilde beheerschen; dan eerst zou zij de vrijheid en het stille geluk in
het schoone verblijf, dat zij aan de zorg van den arts te danken had,
recht genieten kunnen, wanneer alle betrekking tot Orion had opgehouden
en de laatste band verscheurd was, die haar aan het stadhouderlijk
paleis verbond. Kon zij meer begeeren dan het tegenwoordige haar
aanbood? Zij was werkelijk eene vreedzame haven binnengeloopen, waar
het haar aan niets ontbrak wat zij voor zich begeeren kon, na hetgeen
Philippus haar zoo ernstig op het hart had gedrukt. Hier waren goede
menschen, die haar begrepen, hier vond zij allerlei bezigheden,
die voor hare krachten berekend waren en beantwoordden aan hare
neigingen, en bovendien ruimschoots gelegenheid om liefde te betoonen
en wederliefde te ontvangen. Voorts lag in de nabijheid het klooster,
dat zij door eene schaduwrijke laan in weinige schreden bereiken kon,
en waar zij onder hare eigene geloofsgenooten evenals in hare kindsheid
dagelijks de godsdienstoefening kon bijwonen. Sedert lang verlangde zij
naar zulke spijze voor haar gemoed, en hoe overvloedig wist de abdis,
eene voorname patricische weduwe uit Konstantinopel, die hare ouders
gekend had, haar die te geven! Hoe gaarne vertelde die levendige oude
vrouw van de goedheid en vorstelijke schoonheid der jonggestorvene,
waaraan zij het leven te danken had! Zij kon haar bedrukt gemoed
ontlasten voor deze gevoelvolle matrone, die haar behandelde als eene
dierbare dochter, op hoogen leeftijd haar geschonken.

En hare huisgenooten! Wat waren dat innig goede, merkwaardige en in
hun soort veelbeteekenende menschen! Zij had er nooit van gedroomd,
dat er hier op aarde nog zulke zonderlinge en tegelijk beminnelijke
schepsels gevonden werden. Daar was vooreerst de oude Rufinus, het
hoofd des huizes, een krachtige grijsaard met de frischheid der jeugd,
die er met zijne lange sneeuwwitte, zijden hoofd- en baardharen
uitzag half als de apostel Johannes in zijn ouderdom, en half als
een in den krijgsdienst vergrijsd legeraanvoeder. Hoe beminnelijk
was hij, hoe kinderlijk goed van hart, ondanks den barschen toon,
die hij soms kon aannemen! Wanneer hij in zijn verkeer met mannen tot
den strijd werd geprikkeld, toonde hij zich vroolijk en ondeugend,
als zijne inzichten in tegenspraak waren met de hunne. Tevredener
ziel, openhartiger gemoed had zij nog niet leeren kennen, en zij
gevoelde wel hoe het juist dezen man verontrusten en kwellen moest,
ten minste in éen opzicht dagelijks iets anders te moeten schijnen
dan hij was. Ook hij behoorde tot hare kerk, liet zijne vrouw en
dochter deelnemen aan de godsdienstoefening in het Caecilia-klooster,
en moest toch den schijn aannemen van een Koptisch Christen te zijn,
en het daarom voor lief nemen op zekere feestdagen met de zijnen de
kerk der Jacobieten te bezoeken, wier leelijke eeredienst hem zeer
tegen de borst stuitte.

Het vermogen van Rufinus was voldoende om hem en de zijnen in staat
te stellen fatsoenlijk te leven; toch werkte hij op zijne manier van
's morgens vroeg tot 's avonds laat. Daar echter zijne bezigheden
niet alleen niets inbrachten maar eischen deden aan zijne kas, begreep
ieder dat hij een bemiddeld man moest zijn; en deze omstandigheid zou
hem vervolging, verjaging en waarschijnlijk verbeurdverklaring zijner
goederen op den hals gehaald hebben, als een der verspieders van den
patriarch in hem een Melchiet herkend had. Hij moest dus voorzichtig
zijn, en als de oude man maar een kooper voor zijn huis en tuin had
kunnen vinden in eene stad, waar men tienmaal meer leegstaande dan
bewoonde huizen zag, dan zou hij reeds lang zijn opgebroken, om voor
zich en de zijnen een nieuw verblijf te zoeken. De arts Philippus had
den vriend, wiens bekwaamheid en rijpe ervaring hij zeer waardeerde,
uitgenoodigd naar Memphis te komen; hij toonde ook trouw zijn omgang
op prijs te stellen, en beide mannen steunden elkander bij den arbeid.

De meeste oude lieden, die wat driftig zijn van aard maar wat
minder snel van begrip, bedienen zich van stopwoorden, bij wijze van
remschoen of rustpunt voor hunne gedachten. Zoo bediende Rufinus zich
bij voorkeur van twee volzinnen, waarvan de eene luidde: "Zoo waar de
mensch de maatstaf is aller dingen!" en de andere--met betrekking tot
zijn huis--: "zoo waar ik van die rommelzoo verlost wilde zijn!" Maar
'die rommelzoo' bestond uit een goed gebouwd, zeer ruim woonhuis met
een tuin, die alleen reeds wegens zijne ligging vlak aan den stroom in
vroeger tijd zeer duur verkocht was. Hijzelf had trouwens, kort voor
den inval der Arabieren in Egypte, huis en tuin voor een spotprijs
overgenomen en nog wel--zoo spoedig veranderden de tijden--van een
Jacobietisch christen, dien de toenmalige Melchietische patriarch
Cyrus tot eene overhaaste vlucht had gedwongen, omdat het hem gelukt
was de orthodoxe slaven in zijn dienst tot zijn geloof te bekeeren.

De gade van Rufinus, een teer, zwak vrouwtje met een smal eenigzins
ingevallen gelaat, dat vroeger zeer aantrekkelijk en aanvallig geweest
moest zijn, had wel voor zijne dochter kunnen doorgaan, en zij was
ook werkelijk twintig jaren jonger dan hij. Men kon het haar aanzien,
dat zij zeer veel beproevingen in het leven had gehad, maar dat zij
ze geduldig gedragen en er haar voordeel mede gedaan had. De grootste
zorgen en angsten had haar rustelooze echtvriend haar bereid, hoewel
zij al hare krachten inspande om hem het leven aangenaam te maken. Zij
wist elke hinderpaal, iedere ongeriefelijkheid voor hem uit den weg te
ruimen, en met een buitengewoon instinct te gissen wat hem nuttig en
aangenaam kon zijn of vreugde kon verschaffen. De arts beweerde dat
de voorovergebogene houding van haar hoofd en de zoekende blik van
hare levendige, zwarte oogen een gevolg ervan waren, dat zij altijd
uitkeek naar den stroohalm, die Rufinus in gevaar kon brengen er zijn
vereelten wandelaarsvoet aan te stooten.

Hare dochter Pulcheria werd, kortheidshalve, gewoonlijk Pul genoemd,
wanneer de oude man niet den voorkeur gaf aan den titel van "het
arme kind". In de verhouding van Rufinus tot zijne dochter lag iets
medelijdends, want zelden zag hij haar aan zonder zich af te vragen,
wat er van dat lieve wezentje wel worden moest, wanneer hij, die
zooveel ouder was, de oogen sluiten en zijne Johanna hem zeker
spoedig volgen zou; en Pulcheria, die hare moeder zoo voor haar
vader zag zorgen, dat haar zelve niets voor hem te doen overbleef,
beschouwde zich als het meest overbodige schepsel op aarde, dat ten
allen tijde bereid was voor hare ouders, voor de abdis, voor haar
geloof, voor den arts en thans ook voor Paula, ofschoon zij haar eerst
sedert twee dagen kende, het leven op te offeren. Toch was zij een
aardig, flink opgewassen meisje, met groote, schoone, opene oogen,
waarin iets dweepends lag, terwijl hare prachtige, rossig blonde
haren bijna haars gelijken niet hadden in Egypte. Haar vader was
sedert lang bekend met haar wensch om in het Caecilia-klooster als
novice en toekomstige krankenverpleegster te worden opgenomen, en
hoewel hijzelf uit innerlijken drang zijn gansche leven aan zulk eene
roeping wijdde, had hij haar verzoek reeds meer dan eenmaal bepaald
afgewezen; want hij zou weldra verzameld worden tot zijne vaderen, en
dan had moeder, zoolang zij hem overleefde, iemand anders noodig, om
liefderijk te verplegen. Thans verlangde Pul echter minder dan vroeger
om den sluier aan te nemen, want zij had in Paula iemand gevonden,
in wier tegenwoordigheid zij zich recht klein moest gevoelen, tegen
wie hare ziel, die naar het hoogste streefde en verlangde, zonder
nijd, geheel bevredigd en in verrukking kon opzien. Bovendien waren
er sedert eergisteren in haar eigen huis twee kranken opgenomen, die
zeer verpleging behoefden, namelijk Rustem, de gewonde Masdakiet, en de
Perzische slavin. Vrouw Neforis, die sedert de ontzettende ure, waarin
haar gemaal den laatsten adem had uitgeblazen, als verpletterd was,
zich uit het dagelijksch leven geheel had teruggetrokken en aan niets
anders dacht dan aan den afgestorvene, had de verdere behandeling van
de beide zieken buiten haar huis volgaarne aan den arts overgelaten.

Op denzelfden avond, dat Paula hier haar intrek had genomen, had
de arts met zijne vrienden onderhandeld over de opname der nieuwe
gasten. Toen Philippus begon te spreken over de vergoeding, die voor
deze gastvrijheid betaald zou worden, had de oude Rufinus vol vuur
geantwoord: "Zij zijn mij allen welkom. Als zij wonden hebben, zullen
wij ze dwingen toe te groeien, is hun hoofd verdraaid, dan schroeven
wij het weer recht, ziet het er donker uit in hunne zielen, dan zullen
wij daarin een licht ontsteken. Als die schoone Damasceensche het bij
ons voor lief wil nemen, mag zij met haar oudje hier blijven, zoolang
het haar en ons behaagt. Wij hebben haar van harte welkom geheeten,
maar daarom hoort ge, moet ons het vaarwel zeggen evengoed vrijstaan
als haar. Men weet nooit wat men aan zulke voorname lui heeft, en zoo
waar ik van deze rommelzoo verlost wilde zijn, zou het mij op een
goeden dag wel eens in den zin kunnen komen, dit nest aan de uilen
en jakhalzen over te laten en mijn wandelstaf op te nemen. Gij kent
mij. Met die schadevergoeding zijn wij spoedig klaar. Daar achter
de kranken een volle buidel hangt en de gezonde tienmaal meer bezit
dan zij noodig heeft, mogen zij betalen. Bepaal gij het bedrag, maar
maak het schappelijk--dat meen ik ernstig--voor de vrouwen. Gij weet
waarvoor ik de mammon noodig heb, en het is ook goed als Johanna de
zilverstukken voor de huishouding niet zoo angstvallig behoeft om te
draaien. Waarschijnlijk zal de Damasceensche het aangenamer bij ons
vinden, als zij het hare bijdraagt voor eten en drinken. Het is ook
niet betamelijk dat de dochter van Thomas bij trekvogels als wij zijn
iederen avond naar bed gaat met een: 'ik ben u zeer verplicht'. Als
ieder het zijne inbrengt, dan staan wij op den voet van geven en
ontvangen, en wanneer de een den ander een bijzonder bewijs van
hartelijkheid geeft, dan behoeft dit niet onder 'dank je', ''t is
u gegund' en zoo meer begraven te worden; het behoudt zijn waarde,
en ieder geniet er van."

"Amen," had de arts geantwoord, en Paula was recht gelukkig geweest
over de schikkingen van haar vriend.

Reeds den volgenden dag had zij zich een lid van dit huis gevoeld, waar
zij toch uur aan uur dingen zag, die hare bevreemding moesten wekken.



NEGENTIENDE HOOFDSTUK.


Toen Paula na de begrafenis met Rufinus en de zijnen--de voedster
was er niet toe te brengen met hare meesteres aan dezelfde tafel
te eten--den maaltijd gebruikt had, ging zij met den ouden man en
Pul in den tuin wandelen. De zon daalde reeds ter westerkim, doch
hare laatste lichtstralen deden de kleuren der bloemen en den glans
der metaalachtige bladeren der zuidelijke planten, voor zoover de
zonnehitte en de droogte ze niet had doen verdorren, bijzonder goed
uitkomen. Een bonte bultos en een ezel brachten het scheprad in
beweging, waardoor het frissche water uit den Nijl werd uitgestort
in een grooten waterbak, waaruit het weder werd overgebracht in
kleine kanalen, die de verschillende perken bevochtigden. Dit werk
vereischte thans zeer veel moeite, want de stroom was tot zulk een laag
peil gedaald, dat het zelfs in den tijd van den laagsten waterstand
bezorgdheid moest wekken. De verschillende ruigharige vogels, die met
staafjes aan hunne pooten of droevig hangende koppen in kooien zaten,
die aan hooge masten vrij in de lucht zweefden, om veilig te zijn voor
de klauwen van katten en andere roofdieren, maakten zich gereed om te
gaan slapen, en Rufinus sprak tot elk diertje een vriendelijk woordje,
of floot het met de lippen een opwekkend wijsje toe. Aromatische geuren
en echt landelijke stilte omzweefden den tuin, alles, zelfs de rug van
den waterscheppenden neger en het wit en geel gevlekte vel van het rund
glinsterden met een lichten goudglans, en door het schaduwrijke boschje
van het Caecilia-klooster ruischte het reine gezang van het nonnenkoor.

Pul luisterde er aandachtig naar, terwijl zij het hoofd naar dien kant
richtte en de armen over de borst kruiste; haar vader wees Paula op
haar en zeide zacht: "Daarheen trekt haar hart. Zij mag altijd haar
God voor oogen hebben, dat toch ligt in den aard der vrouw, doch
hier onder ons moet de leuze zijn: uit liefde voor den Allerhoogste
alles te zijn voor den naaste op aarde! Zou de rechtvaardige Vader
in den hemel wel verlangen, dat te zijner eer de broeder den broeder,
en in ons geval, het kind zijne ouders vergat?"

"Zeker niet," antwoordde Paula. "Wat mij betreft, ik werd alleen
door de hoop op het wedervinden van mijn vader teruggehouden om den
sluier aan te nemen, en evenals uwe Pulcheria heb ook ik vaak met
verlangen gedacht aan den vrede des kloosters. Zie eens hoe vroom en
in heilige verrukking uwe dochter daar staat! Welk een lieflijk en
roerend gezicht! In mijn hart zag het er zoo donker en woest uit, doch
hier onder u komt er helderheid, en zoo ergens dan vind ik hier weder
wat ik daarginds verloor. Gelukkig kind! Is het niet, zooals zij daar
staat in het avondlicht, als straalde die vrome zin die haar vervult
van haar uit? Vreesde ik niet haar te storen en achtte ik mijzelve
daartoe waardig, hoe gaarne vereenigde ik dan mijn gebed met het hare."

"Ongetwijfeld bekleedt gij daarin toch eene plaats," zeide de oude man,
lachend. "Op dit oogenblik draagt hare heilige Caecilia zeer zeker
uwe gelaatstrekken. Laten wij het haar vragen en gij zult het zien."

"Neen, laat haar!" bad zij blozende en trok Rufinus met zich voort
naar eene andere zijde van den tuin.

Weldra waren zij gekomen bij de plaats, waar eene hooge heg van
doornstruiken het grondgebied van Rufinus scheidde van dat der weduwe
Susanna. Hier spitste de oude heer zijne ooren en zeide knorrig:
"Zoo waar ik deze rommelzoo kwijt wilde zijn, daar snijden ze weer in
mijne heg. Reeds gisteren avond heb ik een der slaven van hiernaast
betrapt, terwijl hij bezig was in mijn struikgewas, maar ik kon dien
zwarten rekel door de doornen niet pakken. Het zal een kijkgat moeten
worden voor nieuwsgierigen en spionnen, want de patriarch weet zich
ook van vrouwvolk te bedienen. Maar ik zal ze! Loop, bid ik u, voort,
alsof gij niets gehoord en gezien hadt, inmiddels haal ik de zweep."

De oude man liep nu op een drafje weg en Paula wilde hem volgen;
doch nauwelijks was hij verdwenen of zij werd door eene opening in
de heg aangeroepen met eene hooge, vrouwelijke stem, en zoodra zij
omkeek, vertoonde zich in de gisteren door eene manshand met geweld
uit elkaar gerukte struiken een aardig meisjeskopje, als een portret
door een groene krans omlijst. Ondanks de schemering herkende Paula
dat gezichtje, en toen Katharina het krullekopje verder naar voren
drong en haar smeekend toeriep: "Mag ik bij u komen en wilt gij mij
hooren?" werd haar dit vriendelijk toegestaan.

Daarop wrong zich het kwikstaartje, zonder acht te geven op de
hulpvaardige hand die Paula haar toestak, zoo behendig door de
opening, dat men wel zien kon, het nog niet lang geleden moest zijn,
zij bij het spelen met Maria geleerd had, zulke hindernissen te boven
te komen. In een oogwenk stond zij weer op hare voetjes en breidde
de armen uit om de jonkvrouw te omhelzen; doch zij liet ze dadelijk
weer besluiteloos zinken en deed een paar schreden achterwaarts.

Paula zag hare verlegenheid; zij ging het meisje tegemoet, kuste haar
op het voorhoofd en zeide op vroolijken toon: "Inbreekster! Waarom
komt gij niet door de geopende deur? Daar komt mijn gastheer reeds
met de Nijlpaardenzweep aan! Halt, wakkere Rufinus, halt; de bres die
men in uwe bloeiende heg heeft gemaakt, bedreigt niet u maar mij met
een aanval. Hier ziet gij de vijandelijke macht en het zou mij zeer
verwonderen als gij uwe gebuur daarin niet zoudt herkennen?"

"Herkennen?" vroeg de oude heer, wiens toorn spoedig bezworen
was. "Kennen wij elkaar, jonkvrouwtje, ja of neen? Het is eene
openhartige vraag."

"Wel zeker!" zeide Katharina. "Van den muggentoren heb ik u honderdmaal
gezien."

"Daarbij zult gij minder plezier gehad hebben dan ik, oude man,
wanneer ik het geluk had u te ontmoeten. Een jaar zoowat geleden
zijn wij het meest met elkander in aanraking gekomen. Ik had toen
het genot u in mijn grooten perzikenboom te vinden, die zich heden
nog verstout tot over uw tuin te groeien."

"Ik was toen nog een kind," hernam Katharina lachende, die zich zeer
goed herinnerde hoe de oude heer met zijn mooi wit hoofd, waarnaar
zij altijd met welgevallen keek, haar in zijn boom betrapt en haar
met eene vriendelijke buiging toegeroepen had, dat zij het zich goed
moest laten smaken.

"Een kind," herhaalde Rufinus. "Maar thans zijn wij jonkvrouw geworden
en wagen we ons niet meer zoo hoog maar kruipen bescheiden door
's buurmans heg."

"Eigenlijk zijt gij elkaar dus vreemd?" vroeg Paula met
verbazing. "Hebt gij ook Pulcheria nooit ontmoet, Katharina?"

"Of ik Pul ontmoet heb?" vroeg de andere. "O, ik zou haar zoo gaarne
hebben toegesproken. Want men moet van haar houden, reeds op het
gezicht. Ontelbare malen was ik op het punt, maar mijne moeder..."

"Nu, wat heeft uwe moeder tegen de buren?" vroeg Rufinus. "Wij zijn
rustige lieden, zou ik meenen, die niemand iets in den weg leggen.

"Neen, neen, God beware! Maar, ziet ge, moeder heeft nu eenmaal hare
eigene inzichten; gij zijt toch vreemdelingen, en daar men ulieden
zoo zelden in de kerk ziet..."

"Daarom," hernam Rufinus lachend, "houdt zij ons natuurlijk voor
goddelooze menschen. Zeg haar nu dat zij dwaalt, en als de dochter van
Thomas uwe vriendin is en gij wilt haar bezoeken--maar fatsoenlijk door
de deur en niet door de heg, want die wordt morgen dichtgevlochten--dan
zult gij bevinden, dat wij veel te doen, veel te verplegen hebben:
enkel arme creaturen met menschenhuid of met vel en veeren, zooals
het uitkomt. Men dient toch ook den Heere God, wanneer men zijne
schepselen, die Hij allen lief heeft, op zijne wijze het leven
gemakkelijk maakt. Zeg dat aan uwe moeder, jonkvrouw kwikstaart,
en kom dan maar dikwijls terug."

"Dank u vriendelijk! Maar oude heer, mag ik u eens vragen; hoe zijt
gij die leelijke bijnaam te weten gekomen? Ik heb er een hekel aan."

"Van denzelfden," antwoordde Rufinus, "die u in het oor geblazen heeft
dat mijne Pulcheria 'Pul' heet." Hierop maakte hij eene buiging en
liet de meisjes alleen.

"Een beste oude heer," zeide Katharina. "O, ik weet precies hoe
hij zijne dagen doorbrengt. En zijne aardige vrouw en die Pul, ik
ken ze allen! Hoe dikwijls heb ik ze van daarginds beluisterd; ik
zal u de plaats eens wijzen. Wij kunnen den geheelen tuin overzien,
alleen niet wat nabij het klooster, aan gene zijde van het huis of
daar achter die boomen gebeurt. Mijne moeder, ach, gij kent haar,
als zij eens niet hebben wil.... Maar die Pul, weet ge, zou eene
goede vriendin voor mij zijn."

"Zeer zeker," antwoordde Paula. "Een meisje van uw leeftijd moet
grooter speelnooten kiezen dan de kleine Maria."

"O, van haar moogt gij niets zeggen!" zeide het kwikstaartje met
warmte. "Wel is zij pas tien jaren oud, maar menig grooter meisje is
lang niet zoo verstandig en rechtvaardig als zij; dat heb ik in deze
laatste moeielijke dagen ondervonden."

"Maar, arm kind," zuchtte Paula, met de hand over Katharina's lokken
strijkende.

Opeens en als vanzelf gaf Katharina in een smartelijk snikken aan haar
gemoed lucht. Zij trachtte dit met alle geweld te onderdrukken, terwijl
Paula haar hartelijk toesprak, maar het wilde haar niet gelukken. Het
had haar zoo hevig aangegrepen, dat zij geen woord kon uitbrengen,
totdat Paula haar bij eene rustbank bracht onder eene breedgetakte
sykomore, haar met zacht geweld dwong zich naast haar neer te zetten,
haar aan de borst drukte als een ziek kind en haar moed en vertrouwen
insprak.

Talrijke vogels gingen in het dichte loofwerk boven hen ter ruste;
uilen en vleermuizen begonnen hun nachtelijken rooftocht; het firmament
tooide zich met gouden en zilveren sterren; uit het westelijk gedeelte
der stad hoorde men het geblaf der jakhalzen, die in vervallen huizen
een onderkomen hadden gevonden, en nu op buit uitgingen; de vochtige
dauw begon in de lauwe avondlucht, zich neer te zetten op de bladeren,
het gras en de bloemen; de bloesems der boomen geurden sterker dan
overdag, en Paula gevoelde dat het tijd werd om eene beschutting te
zoeken voor de dampen, die uit den ondiepen stroom opstegen. Doch
zij wachtte geduldig tot de kleine alles in hare ziel had overgestort
wat haar neerdrukte, waarover zij berouw gevoelde, wat ze meende niet
meer goed te kunnen maken, en vervolgens wat haar was weervaren, wat
dreigde haar hart te zullen breken, en wat zij nu toch onderdrukken en
zich geheel uit het hoofd zetten wilde. Zij vertelde Paula, hoe Orion
haar gevrijd had, hoe zij hem liefhad, hoe de jaloezie jegens haar
heur arme hart had gemarteld, en hoe zij zich had laten verleiden om
voor de rechters zulk een valsche getuigenis af te leggen. Vervolgens
deelde zij Paula nog mede hoe Maria haar het eerst den afgrond had
getoond, die voor hare voeten gaapte.

Op den namiddag na den dood van den Mukaukas was zij met hare
moeder naar het stadhouderlijk paleis gegaan, om met de vrienden
te treuren. Zij had eerst naar Maria gevraagd, maar was niet bij
haar toegelaten, omdat zij nog met de koorts te bed lag. Daarop had
zij in het koele vertrek willen gaan, waar zij de stem harer moeder
hoorde. Naar den toon te oordeelen was deze niet droevig gestemd,
maar hevig opgewonden en toornig, zoodat zij het minder passend had
geoordeeld de kamer binnen te gaan, waarom zij zich naar de opene
zuilengaanderij aan de Nijlzijde had begeven. Voor geen prijs verlangde
zij een ontmoeting met Orion, waarvoor zij zeer bevreesd was. Zoodra
zij echter naar buiten kwam, waar het nog helder was, had zij hem
daar gevonden. Maar hoe? Hij zat daar geheel in zichzelven verdiept,
in een zwart rouwgewaad, en met het hoofd voorovergebogen in zijne
handen. Hij had hare komst in de gaanderij niet opgemerkt, maar zij
had diep medelijden met hem gevoeld; want hoewel het nog heet was,
beefde hij over al zijn leden, en scheen er telkens eene huivering
door zijn gansche lichaam te gaan. Toen had zij hem bij den naam
geroepen om hem te troosten, waarop hij van schrik was ineengekrompen
en opgesprongen. Hij had zijn verwilderde haren uit het aangezicht
gestreken en zag er zoo bleek, zoo vol vertwijfeling uit, dat zij weder
bang voor hem geworden was en voor niets ter wereld de vertroostende
woorden zou hebben willen uitspreken, die zij reeds bedacht had. Zoo
hadden zij een tijdlang geen woord tot elkander gesproken, eindelijk
had hij als met geweld al zijne krachten verzameld, was hij langzaam en
met een plechtige waardigheid, zooals niemand zeker te voren bij hem
had opgemerkt naar haar toegekomen, had zijne hand op haar schouder
gelegd, haar een poos aangestaard met zijne rood bekreten oogen en
daarna met een diepen zucht de woorden geuit: "Rampzalig kind!"

Dat klonk haar nog in de ooren, hij was van het hoofd tot de voeten
geheel anders geweest dan vroeger, alsof hij haar vreemd was. Ook zijn
stem klonk zonderling, veel dieper dan anders, toen hij op vasten,
kalmen toon had gezegd: "Kind, kind, wellicht heb ik velen in mijn
leven onbedacht leed gedaan, doch gij, gij hebt zeker het ergste
van mij ondervonden, want ik heb u, onschuldige, trouwe ziel, tot
mijn medeschuldige gemaakt. De groote zonde die wij begaan hebben,
komt alleen voor mijne rekening, en om harentwil ben ik gekastijd,
is mij een straf opgelegd, voor honderden, voor duizenden te zwaar
om te dragen!"

"Daarop," zoo ging Katharina voort, "bedekte hij zijn gelaat weder met
beide handen, wierp hij zich op de rustbank, steunde en zuchtte. Weldra
sprong hij andermaal op en riep zoo hartstochtelijk en luid, als moest
ik het van angst en medelijden besterven: 'Vergeef mij, als gij kunt,
vergeef mij gansch en al! Dat moet gij doen! Ik kan niet zonder die
vergiffenis!'--Ik wilde toen naar hem toesnellen, hem omarmen en alles
vergeven, want ik had zoo zielsmedelijden met zijne bittere smart; doch
hij wees mij zonder hardheid of ruwheid maar ernstig terug en zeide,
dat het uit was met liefde en verloving tusschen ons. Ik was jong, en
het zou mij wel gelukken hem te vergeten, hij wilde een trouw vriend
blijven voor mij en mijne moeder; en hoe zwaarder het zijn mocht wat
wij van hem verlangden, met des te meer vreugde zou hij ons dienen.

"Ik wilde hem antwoorden, maar haastig hield hij mij tegen om op
ernstigen, stelligen toon te vervolgen; 'Hoe zeer gij ook verdient
bemind te worden, ik kan u niet liefhebben zooals gij het waardig
zijt; want--het is mijn plicht u dit te zeggen--want ik heb eene
andere groote liefde in 't hart, mijne eerste en mijne laatste, en
al heb ik ook eens in mijn leven mij als een onwaardige gedragen,
ik wil dit niet andermaal doen. Liever wil ik uw toorn op mij laden
en u en mijzelven in deze ure pijn doen, dan dit onrecht nog langer
voort te zetten en u en die andere te bedriegen!'

"Toen kon ik mij niet langer inhouden en diep ontroerd vroeg ik:
Paula? Doch hij bleef mij het antwoord schuldig, boog naar mij over,
raakte mijn voorhoofd aan met zijne lippen, zooals zijn vader mij
menigmaal gekust had, en liep toen snel den tuin in.

"Daarop kwam mijne moeder, rood als een papaver en hijgende naar
mij toe, greep zwijgend mijn hand, trok mij achter haar in den wagen
en zeide daar, buiten zichzelve van boosheid--de toorn belette haar
zelfs te weenen--welk een smaad, welk eene ongehoorde behandeling,
hoe zal ik den moed hebben om u, onschuldig offerlam, te vertellen....?

"En zoo zou zij zijn voortgegaan; ik liet haar echter niet uitspreken,
maar zeide terstond dat ik alles wist, waarbij het mij gelukte
volmaakt kalm te blijven. Te huis gekomen doorleefden wij pijnlijke
uren, en toen gisteren na de opening van het testament Nilus tot ons
kwam en mij het fraaie gouden doosje met de turkooizen en paarlen
overhandigde, dat mij altijd zoo had aangetrokken en daarbij vertelde
dat de goede Mukaukas Georg het in zijn uitersten wil met eigen hand
bestemd had voor mij, zijne vroolijke kleine Katharina, stond moeder
erop, hoezeer ik ook bedelde en smeekte, dat ik het niet aannemen
maar vrouw Neforis terugzenden zou. Ik kom natuurlijk niet meer in
het stadhouderlijk paleis; ja, mijne moeder spreekt ervan Memphis
te willen verlaten, om zich te Konstantinopel te vestigen of in eene
andere stad waar christenen heerschappij voeren. Ons goed en keurig
ingericht huis moet dan zeker weggeschonken worden, maar onze heerlijk
aangelegde uitgestrekte tuin zou men aan boeren kunnen verkoopen,
zegt moeder. Met het schoone paleis van Memnon is het anderhalf jaar
geleden ook zoo gegaan. Van den hof hebben zij een korenveld gemaakt,
en de prachtige benedenzalen met dat mozaïek en het beeldwerk zijn
thans smerige koe- en schaapstallen geworden, en in de vertrekken
van Hathor en Dorothea worden nu zwijnen gemest. Lieve God, die beide
meisjes zijn mijne beste vriendinnen geweest. Met Maria mag ik niet
meer verkeeren; moeder geeft geen mensch een vriendelijk woord, ook
mij ternauwernood, en mijne oude voedster is zoo doof als een kwartel.

"Ben ik niet een arm, verlaten schepsel? En als gij, gij mij nu ook
terugwijst, wie is er dan in Memphis met wie ik vertrouwelijk spreken
kan? Maar, niet waar, zoo hard zult gij niet zijn? Lang zal het ook
niet duren want mijne moeder meent het ernstig met het heengaan. Gij
zijt ook ouder en zooveel ernstiger en verstandiger dan ik..."

"Ik wil heel goed voor u zijn, mijn kind; maar tracht u bij Pulcheria
aan te sluiten!"

"Zeer gaarne! Doch mijn moeder! Ik zou wel met mijzelve tevreden zijn,
wanneer niet... Gij hebt gehoord hoe Orion toen in de laan tot mij
gesproken heeft. Hij moet mij toch wel hebben mogen lijden! Wat
gaf hij mij toen aardige, teedere namen! Ach God, zoo kan toch
geen mensch jegens een ander zijn, als hij niet van hem weten
wil. Hij is zelf zoo rijk, mijn vermogen alleen kan hem toch niet
aangelokt hebben. En ziet hij er zoo uit, alsof hij zich een meisje
door zijne moeder klakkeloos zou laten opdringen? Hij is goed voor
mij geweest, altijd geloof ik, maar later heeft hij gedacht aan de
hooge plaats, die hij toch moest innemen, en mij daarvoor te klein,
te kinderachtig geoordeeld. Ach, wat heeft die ongelukkige kleinheid
mij al tranen gekost! Het kwikstaartje ben ik, en dat zal ik blijven;
uwe oude gastheer heeft mij ook al zoo genoemd, en wanneer een heer
als Orion zich een statiger vrouw wenscht, dan kan ik hem dit niet
euvel duiden. Die andere, die hij meent meer te kunnen liefhebben
dan mij is zeker groot, schoon, van vorstelijke gestalte als gij, en
dikwijls heb ik het mijzelve gezegd, dat zijne toekomstige gemalin
er moest uitzien als gij. Tusschen hem en mij is nu alles voorbij
en ik wil het gelaten dragen, maar ik moet daarbij kunnen denken dat
hij mij toch hij zijn terugkeer aanvallig en innemend heeft gevonden
en in zijn binnenste toch iets voor mij gevoeld heeft. Zoo is het,
ja zoo is het ook geweest! Doch toen heeft hij die andere gezien en
met haar kon ik mij niet meten. Zij was geheel en al de vrouw die
hij behoefde, en die andere, Paula, zijt gij, ja gij, zeer zeker,
eene inwendige stem zegt het mij. Ziet gij, ge moogt mij gelooven,
dat doet mij wel leed, maar het kan mij ook verblijden. Ieder ander
meisje, waaraan hij de hand reikt, zou ik kunnen haten, maar wanneer
gij die andere zijt, en gij zijne vrouw wordt..."

"Dwaasheid," zeide Paula opeens op vasten toon. "Bedenk eens wel,
heeft Orion, toen hij u tot meineed verleidde, getoond mijn vriend
te zijn, of wel mijn bitterste, onverzoenlijkste vijand?"

"Ja, toen voor de rechters ongetwijfeld!" antwoordde de kleine,
nadenkend het hoofdje latende zinken. Doch weldra richtte zij het
weer op, keek Paula vast en met fonkelende oogen in het aangezicht
en sprak ronduit zonder aarzelen: "En gij? Ondanks alles wat gij zegt
is hij zoo schoon, zoo verstandig, zoo mannelijk, dat het bijna niet
anders kan of: gij hebt hem lief!"

Daarop liet Paula den arm los, waarmede zij Katharina hield omvat
en antwoordde openhartig: "Tot heden, bij de begrafenis, heb ik
hem gehaat en verafschuwd, maar bij het graf zijns vaders is hij
mij toegeschenen een ander mensch te zijn geworden, en het viel mij
gemakkelijk hem hierbinnen in stilte te vergeven."

"Derhalve hebt gij hem niet lief?" vroeg Katharina, terwijl zij met
hare kleine vingers stevig den gevulden arm van de jonkvrouw greep.

Paula voelde hoe ijzig koud hare hand was en verschrikte.

De maan was sedert lang opgegaan, de sterren begonnen hooger en hooger
te stijgen en met een kort "kom!" stond zij op en zeide: "Het zal
wel geen uur van middernacht meer zijn; uwe moeder zal bezorgd over
u worden."

"Een uur voor middernacht!" herhaalde de kleine verschrikt. "Goede
God, wal zal moeder knorren. Zij zit zeker nog evenals elken avond
met bisschop Plotinos aan het schaakspel. Vaarwel dan voor heden! Door
de heg ben ik het spoedigst te huis!"

"Neen," zeide Paula bepaald, haar terughoudende; "gij zijt geen kind
meer, gij zijt eene jonkvrouw, en moet dat voelen en toonen. In plaats
van door de doornen te sluipen, gaat gij door de deur naar huis. Ik
geleid u met Rufinus en verklaar daar aan uwe moeder..."

"Neen, neen!" riep Katharina haastig en angstig. "Zij is even boos
op u als op de anderen en heeft mij nog juist gisteren verboden..."

"Mij op te zoeken?" vroeg Paula. "Zij gelooft..."

"Om uwentwil heeft Orion... Ja, het liefst gaf zij u de schuld van
alles. Maar nu ik met u gesproken heb... Ziet gij het licht daar? Dat
komt uit haar woonvertrek." En voor Paula het beletten kon liep zij
naar de heg en schoof behendig als eene wezel door de opening in
de doornstruiken.

Paula zag de kleine met gemengde aandoeningen na, en ging toen
spoedig naar huis en ter ruste. Het verhaal van Katharina weerde
geruimen tijd den slaap van hare sponde, en het vermoeden, ja de
zekerheid bijna dat zij het was, die eene "groote liefde" in het
hart van Orion had gewekt, liet haar geruimen tijd geen rust. En
als zij het werkelijk was? Ja, dan lag het in hare hand wraak te
nemen op den misdadiger en hem alle smarten te laten doorworstelen,
die hij hare arme ziel had doen lijden. Doch wie van beiden zou zulk
eene straf dieper wonden slaan, hem of haar? Opende de mededeeling
van de kleine ook niet voor haarzelve en haar smachtend gemoed eene
wereld van zaligheid? Maar neen, neen! Zich door dezelfde hand,
die haar zoo erbarmelijk had geslagen, ten hemel te laten heffen,
zou zelfvernedering zijn, ontrouw jegens haarzelve.

Te midden van deze afwisselende gevoelens en gedachten overmande
haar de slaap, en in den vroegen morgenstond had zij een droom,
waaraan zij den ganschen dag met bange huivering bleef denken. Orion
was haar tegemoet gereden, bleek als de dood, in donker rouwgewaad,
stapvoets op zijn donker zwarten hengst, had haar die geen kracht
had om te ontvluchten, zonder haar aan te zien of iets te vragen, als
een kind in de hoogte getild, en vóor zich op den rug van het paard
gezet. Zij had al hare krachten ingespannen om zich los te maken en
weder op den grond te komen, maar hij had haar met beide armen als
tusschen ijzeren klemmen vastgehouden en haar verzet gebroken. Al
moest het haar het leven kosten, zij wilde zich aan deze omarming
ontworstelen, maar hoe heftiger zij zich weerde, des te vaster en
dichter trok de stomme, onbarmhartige ruiter haar tot zich. Voor
hen stuwde de stroom zijne rimpelende wateren voort; Orion scheen
dien niet op te merken en stuurde, zonder zijne lippen te bewegen,
den hengst gelaten naar den oever. Radeloos van angst en ontzetting
smeekte zij hem om den gang van het ros eene andere richting te geven,
maar hij luisterde niet naar haar en dreef het dier kalm midden in den
vloed. Toen klom haar angst tot het uiterste en terwijl het paard haar
dieper en dieper in het water drong, sloeg zij de armen vrijwillig om
den hals van den ruiter. Daarop week de doodskleur van zijn aangezicht,
zijne wangen kleurden, zijne lippen zochten en vonden de hare; en zij
gevoelde te midden van den gruwzaamsten doodsangst een bedwelmend
genot, zooals zij nog nooit had ondervonden. Zij had zoo eeuwig in
het verderf willen rijden, en het ging inderdaad al dieper en dieper
in het water; zij gevoelde hoe het zijne en hare borst bereikte, maar
zij stoorde er zich niet aan. Zij hadden nog geen woord gewisseld,
maar opeens werd zij gedwongen het stilzwijgen te verbreken, en als
moest het zoo zijn vroeg zij hem: "Ben ik die andere?" Daar braken van
alle zijden de golven tegen hen los, het paard werd in een maalstroom
getrokken, die met het dier, haar en Orion in de rondte draaide; een
gierende windvlaag floot door de lucht, en terstond daarop riepen
de schuimende golven, de bruisende maalstroom, de huilende orkaan,
alles, alles rondom hen als uit éen mond een luid, alles overstemmend
en verdoovend: "gij!" Alleen Orion bleef stom, en toen een draaikolk
het ros greep en naar beneden trok, sleurde een golf haar van zijne
borst, en zij zonk, zonk al dieper en stak hem smachtend de armen toe.

Op dit oogenblik ontwaakte zij, terwijl het angstzweet haar op het
voorhoofd parelde, en hare voedster, die haar uit dezen angstigen
droom gewekt had zeide hoofdschuddend tot haar: "Kind, kind, wat was
dat? Gij hebt voortdurend, eerst in grooten angst en daarna teeder--ja
geloof mij, teeder--den naam van Orion uitgesproken."



TWINTIGSTE HOOFDSTUK.


In de zindelijke vertrekken, die de vrouw van Rufinus had ingericht
voor hare kranke gasten, heerschte op den middag de vreedzaamste
rust. Door de zware groene gordijnen, die het zonlicht tegen hielden,
drong een zachte schemering naar binnen en de verpleegsters hadden
kort geleden den morgenmaaltijd gebruikt. Paula goot nieuwe druppels
op het verband van den Masdakiet en Pul was in het aangrenzend vertrek
met Mandane bezig, die zich stil, verstandig en zonder eenig spoor
van waanzin aan de voorschriften van den arts onderwierp.

Paula verkeerde nog altijd onder den indruk van den afgeloopen
nacht. Zulk een onrust had zich van haar meester gemaakt, dat zij
geheel tegen haar gewoonte niet lang stil kon zitten, en als Pul
bij haar kwam, om haar dit of dat te vertellen, luisterde zij zoo
verstrooid en onverschillig toe, dat het bescheiden meisje uit vrees
van haar te storen, zich terugtrok bij hare kranke en dus geduldig
wachtte tot haar nieuwe afgod haar riep.

Thomas' dochter had inderdaad wel reden om zich eenigszins beangst te
maken, want heden zou Orion, wanneer zij zich niet in alles bedroog,
zich bij haar aanmelden, teneinde haar vermogen over te brengen,
en terwijl zij gisteren op den terugweg van het kerkhof tot de
overtuiging was gekomen, dat zij hem afwijzen moest en wilde, zoo
had de groote ontroering, die het gevolg was van Katharina's verhaal
en van haren droom, haar te meer in die overtuiging bevestigd. Hare
voedster wachtte beneden op Orion en wel met de opdracht hem niet bij
haar maar bij Rufinus te brengen, die volgaarne op zich had genomen
als haar gevolmachtigde het geld, dat zij verwachtte, in ontvangst
te nemen. Want de arts had Paula niet verzwegen, dat hij zijn vriend
in het algemeen bekend had gemaakt met de omstandigheden, die haar
hadden doen besluiten het paleis van den stadhouder te verlaten, en
hem Orion doen kennen als een man, dien zij niet zonder grond ontweek.

Tegen de tweede ure na den middag klom Paula's onrust zoo zeer, dat
zij nu en dan het ziekenvertrek, dat op den tuin uitzag, verliet om
uit de vensters van de voorzaal een blik te werpen in de Nijlstraat;
want hij kon evengoed van daar als van de andere zijde komen. Over
de bewaring van hare bezitting dacht zij niet, maar de vraag kwam
bij haar op, of zij niet te kort deed aan haar plicht, wanneer zij
zich onttrok aan de aandoeningen, die met het persoonlijk ontvangen
van den zoon haars ooms gepaard moesten gaan. Niemand was in staat
haar in dit geval te raden, ook Perpetua niet, want zelfs eene
moeder zou in deze aangelegenheid haar moeielijk hebben kunnen
begrijpen. Zij herkende zichzelve ternauwernood, want tot dusverre
had zij ook in de moeielijkste omstandigheden zonder lang overleg
en alleen geleid door een innerlijke stem, die haar nooit bedroog,
terstond geweten wat zij doen en laten moest, wat in een gegeven geval
recht of onrecht was. Doch heden was zij in haar eigen oog gelijk een
schommelend riet, een door den wind her- en derwaarts gedreven blad,
en zoo vaak zij de tanden op elkaar klemde en de handen samenkneep
om rustig na te denken, om kalm het "voor" en "tegen" te overwegen,
dwaalden hare gedachten toch weder af. De herinnering aan haar droom,
het beeld van Orion, zooals zij hem aan het graf zijns vaders had
gezien, Katharina's verhaal van "die andere", en de vreeselijke
straf die hij zou geleden hebben en zeker ook werkelijk geleden had,
dat alles doorkruiste hare gedachten als vogelzwermen op den Nijl,
wier vlucht haar vaak was als een fladderend gordijn tusschen haar
oog en wat het zocht aan genen oever van den stroom.

In de derde namiddagure--zij was weder tot de kranken
teruggekeerd--meende zij hoefslagen in den tuin te hooren en ijlde
opnieuw naar het venster. Haar hart klopte niet heviger toen de
hond van Hermonthis in dien rampzaligen nacht op haar en Hiram
was toegevlogen, dan op dit oogenblik, daar zij het naderen van een
ruiter vernam, wiens gedaante niet zichtbaar was door het struikgewas
van den tuin. Dat moest Orion zijn; maar waarom sprong hij niet
uit het zadel? Neen, hij was het niet, want zijne hooge gestalte
zou zeker boven het niet al te hooge loof hebben uitgestoken. De
vrienden van haar gastheer kende zij nog niet, misschien was het
een van hen. Thans keerde het paard en sloeg het den weg in, die
tot den hoofdingang leidde. Daar ging haar gastheer den aangekomene
tegemoet en nu herkende zij niet Orion maar zijn kleinen schrijver,
die zich uit het zadel liet glijden van een haar goed bekend muildier,
de teugels aan een knaap toewierp, den oude heer iets overhandigde,
zich op eene rustbank neervlijde en daar geeuwend zijne beenen lang
uitstrekte. Terstond hierop zag zij Rufinus naar huis teruggaan.

Had Orion deze bode opgedragen haar over te brengen wat haar
toekwam? Zij vond in deze manier van handelen iets beleedigends en het
bloed vloog haar naar het hoofd. Doch hier was wel geen sprake van
het overhandigen van haar vermogen, want haar gastheer droeg niets
zwaars maar iets kleins in de hand, het geleek wel, ja waarlijk het
was een rol. Daar kwam hij reeds de smalle trap op, en dadelijk vloog
zij hem in het portaal tegemoet en bloosde daarbij over zichzelve,
als deed ze onrecht.

De oude heer merkte het op en zeide, terwijl hij haar den briefrol
overhandigde: "Gij behoeft niet bang te zijn, gij heldendochter! De
jonge heer is niet zelf gekomen; hij schijnt het verkieslijker te
vinden schriftelijk met u te onderhandelen, en zoo is het zeker voor
beide partijen het best."

Paula knikte toestemmend, nam de rol in ontvangst, en keerde hem
den rug toe, terwijl zij het koord uit het waszegel trok, want zij
gevoelde dat zij bleek werd en dat hare vingers beefden.

"De bode wacht op antwoord," zeide Rufinus, voor zij begon te
lezen. "Beneden sta ik elk oogenblik tot uw dienst gereed." Daarop
verliet hij haar.

Paula ging in de ziekenkamer terug, en begon, leunende tegen de
gordijnen voor de vensteropening, in de hoogste spanning te lezen:

"Orion, de zoon van den in God ontslapen Mukaukas Georg, brengt zijn
groet aan zijne nicht, de dochter van den edelen Thomas van Damascus.

"Menige brief aan u, die voor dezen geschreven werd, heb ik
vernietigd." Paula haalde ongeloovig de schouders op en las dan verder:
"Moge het mij in dit schrijven beter gelukken u te zeggen wat mij
voor uw heil en het mijne onvermijdelijk schijnt. Ik wil verzoeken
en raden te gelijk."

"Hij mij raden?" lispelde het meisje, terwijl zij de lip optrok en
verder las: "Moge het aandenken aan den man, die u als een dochter
liefhad, en op zijn sterfbed niets vuriger gewenscht zou hebben
dan u--ofschoon hij afkeerig was van uw geloof--als dochter, als
gemalin van zijn zoon te kunnen zegenen; moge de herinnering aan
dezen rechtvaardige uw verbolgen en verontwaardigd gemoed tot bedaren
brengen, opdat deze woorden van den armste der armen,--want dat ben ik
thans Paula!--door u niet ongelezen blijven. Sta mij dit laatste toe,
wat ik van u verzoek, ja om der wille mijns vaders vorder."

"Vorder?" herhaalde de jonkvrouw, en hare wangen gloeiden, er sprak
onwil uit den opslag harer oogen, en hare beide handen grepen reeds de
einden van het blad, als wilde zij het verscheuren. Doch de volgende
woorden; "Vrees niet," hielden haar terug van deze overijlde daad. Zij
streek het papyrus blad recht en las met toenemende opgewondenheid
verder:

"Vrees niet, dat ik u naderen zal als een minnaar, als de man voor wien
er maar éene op aarde zijn kan om lief te hebben en geene andere. En
dat die eenige juist zij moest zijn, die ik zoo onuitsprekelijk
zwaar beleedigd heb, tegen wie ik verwoeder, onbarmhartiger en met
ergerlijker wapenen gestreden heb dan tegen een vijand onder mijn
eigen geslacht!"

"Geene andere," prevelde de jonkvrouw in zichzelve, streek weder met
de hand over haar voorhoofd, en rondom hare lippen speelde een trek
van bevredigden trots toen zij verder las: "Ik zal u liefhebben,
zoolang een ademtocht deze arme ongelukkige borst beweegt."

Wederom geraakte het papyrusblad in gevaar, doch het bleef ook ditmaal
ongeschonden en Paula's trekken namen eene stille, vriendelijke
uitdrukking aan, terwijl zij Orions duidelijk schrift verder las:
"Doch ik ben mij bewust door eigene schuld alle aanspraak verbeurd te
hebben op uwe achting, ja op uwe goede gezindheid jegens mij, en als de
eeuwige liefde geen wonder wrocht in uw hart, het hoogste aardsch geluk
voor altijd verspeeld te hebben. Gij zijt aan mij gewroken, want alleen
om uwentwil--hoort gij het?--om uwentwil heeft mijn innig geliefde,
stervende vader in maar al te zeer gerechtvaardigden toorn over den
ellendige, die den rechterstoel zijns vaders had geschandvlekt, den
zegen, dien hij reeds in al zijne volheid over mijn berouwvol hoofd
had uitgesproken, in vloek veranderd."

Bij deze woorden verbleekte Paula. Dat was het dus waarover hij tot
Katharina had gesproken, wat hem naar het uiterlijk, misschien ook
innerlijk zoo wonderbaar veranderd had. En dit, ja dit droeg de stempel
der waarheid, dit kon niet gelogen zijn, en om harentwil had de vloek
van den vader het hoofd van den eigen zoon getroffen! Hoe was dit zoo
gebeurd? Had de arts het niet opgemerkt of het voor haar verzwegen
om het geheim van een ander te eerbiedigen? Arme, arme jonkman! Ja,
zij moest hem spreken! Zij kon geene rustige ure hebben voor zij
wist hoe haar oom, die teeder liefhebbende vader.... Maar verder,
spoedig verder:

"Alleen zooals ik ben, als een gebroken man, te jong om mijzelven
geheel op te geven en daarom vast besloten alles aan te wenden wat mij
aan wilskracht, aan geest en achting voor mij zelven nog van mijne
voorvaderen overgebleven is, ten einde mij haar waardig te maken,
verschijn ik voor u en smeek u mij een kort gehoor te schenken! Geen
woord, geen blik zal u verraden, wat in mij woelt en dreigt mij ten
gronde te richten.

"Wat nu volgt moogt gij niet ongelezen laten, want het handelt
over zaken, die voor u van hoog belang zijn. Allereerst zal u
worden ter hand gesteld wat de overledene van uw erfdeel gered
en door zijne vaderlijke voorzorg vermeerderd heeft. Het zal in
deze moeielijke tijden niet gemakkelijk zijn dit kapitaal zeker
en goed te beleggen. Bedenk, dat evenals de Arabieren gevolgd
zijn op de Byzantijnen, zoo kunnen de eersten weder plaats maken
voor de laatsten. Ook de ten onder gebrachte Perzen, de Avaren
of andere volken, wier namen zelfs tot nu toe in de geschiedenis
niet bekend waren, kunnen de opvolgers zijn van onze tegenwoordige
beheerschers, die een tiental jaren geleden voor een handvol woelige
kameelrijders, karavaan-aanvoerders en armzalige woestijnbewoners
werden aangezien. De plaatsing van uw vermogen zou zoo moeilijk
niet zijn, wanneer wij het, zooals vroeger hier de gewoonte was,
aan Alexandrijnsche groothandelaars toevertrouwden. Maar in die stad
valt het eene groote huis na het andere en men heeft daar volstrekt
geen zekerheid meer. Uwe bezittingen weg te bergen of in den grond
te begraven, gelijk de meeste Egyptenaars doen in deze moeielijke
tijden, is voor u niet geraden om dezelfde reden, die ons belet het
als rentegevend op bouwland te doen inschrijven in het kadaster;
want gij moet er ten allen tijde over kunnen beschikken, daar het
gebeuren kan dat gij verlangt met de uwen zoo spoedig mogelijk
Egypte te verlaten. Dit alles zijn zaken waarin eene vrouw niet is
ingewijd. Ik stel u derhalve voor deze aangelegenheid aan ons mannen
over te laten, den arts Philippus, uw gastheer Rufinus, die geroemd
wordt als een eerlijk oud man en onzen ervaren en stipten rentmeester
Nilus, dien gij kent als een onomkoopbaar rechter.

"Ik stel u voor de behandeling van deze zaak morgen ten huize van
Rufinus te doen plaats hebben. Gij kunt er naar verkiezing al of niet
bij tegenwoordig zijn. Wanneer wij mannen het eens zijn, dan verzoek,
dan smeek ik u mij zonder getuigen gehoor te willen schenken. Ons
onderhoud zal in weinige oogenblikken zijn afgeloopen, en daarbij zal
maar over eene zaak gesproken worden, een ruil, waarbij aan u iets
wat gij verloren hebt en waaraan gij gehecht zijt wordt teruggegeven,
om daarvoor zoo ik hoop uwe volle achting of althans een verzoenend
woord terug te ontvangen. Dat heb ik noodig, Paula, geloof mij, ik heb
het noodig als lucht om te leven, als het mij gelukken zal het werk
door te zetten, dat ik aan mijzelven heb begonnen. Geef den bode,
als gij over u hebt kunnen verkrijgen dezen brief geheel te lezen,
een eenvoudig 'ja' als antwoord mede, om mij te verlossen uit eene
kwellende onzekerheid. Volgt dit niet, wat God verhoede voor ons
beiden, dan brengt Nilus u heden nog wat u toekomt. Hebt gij van
deze regels kennis genomen, dan verschijn ik morgen twee uren voor
den middag, om met den rentmeester aan de samenkomst deel te nemen,
waarvan ik gesproken heb. God beware u en geve uwe trotsche, edele
ziel zachtmoedig te zijn!"

Paula haalde diep adem, liet de hand, waarin zij dit veelbeteekend
schrijven hield, zinken, en bleef langen tijd in ernstig nadenken
verdiept bij de vensterbank staan. Eindelijk riep zij Pulcheria,
verzocht haar om een poos op hare kranken te willen letten, en
toen deze haar daarop met hare heldere oogen dwepend aanzag en vol
deelneming vroeg, waarom zij zoo bleek was, kuste zij haar op mond
en oogen en zeide vriendelijk: "Goed, gelukkig kind!" Daarna begaf
zij zich naar hare vertrekken aan de andere zijde van de trap, en
herlas den brief andermaal.

Ja dat was hij, dat was weder de oude Orion, zooals zij hem gekend
had van het oogenblik zijner terugkomst tot dien onvergetelijken
watertocht op den Nijl. Maar hij was een dichter en de natuur zelve
had het hem zoo gemakkelijk gemaakt, om onvoorbereide gemoederen te
verleiden in hem te gelooven. Doch neen! Deze volzinnen waren oprecht
gemeend. Philippus kende de menschen en Orion had een hart, ja een warm
hart! Met een vloek, door een geliefden vader met een brekend oog hem
in het aangezicht geslingerd, kon zelfs de meest verharde booswicht
niet spelen. En toen zij dat gedeelte van den brief herlas, waarin
hij uitsprak, dat hetgeen hij als onrechtvaardig rechter tegen haar
misdaan had, den zegen van den stervende in een vloek had verkeerd,
overviel haar eene kille huivering en moest zij bekennen, dat de
verhouding tusschen hen was omgekeerd, dat hem namelijk door haar een
zwaarder en ondragelijker lijden was aangedaan dan haar door hem. Zijn
bleek gelaat, zooals zij het op het kerkhof gezien had, kwam haar weer
levendig voor den geest, en als hij op dit oogenblik voor haar gestaan
had, dan zou zij naar hem zijn toegevlogen, hem vol deelneming de hand
toegestoken en hem verzekerd hebben, dat het nameloos wee, hetwelk
door haar over hem gekomen was, het diepste medelijden bij haar wekte.

Heden morgen had de Masdakiet op haar vraag, of hij den hemel reeds
gebeden had hem spoedig te doen genezen, geantwoord: "De Perzen bidden
nooit om een enkel goed, maar altijd om het goede, want buiten de
hemelsche goden weet niemand wat den stervelingen dienstig is." Wat
was dat wijs. Zou hier niet het schrikkelijkste wat een zoon treffen
kan, de vloek zijns vaders, hem tot zegen kunnen zijn? Zeker was
het deze vloek die hem tot inkeer gebracht had, en hem den weg had
doen inslaan, dien hij thans bewandelde. Zij zag hem op dien goeden
weg, zij wilde aan zijne bekeering gelooven en deed het ook. In
zijn brief verklaarde hij dat hij haar lief had, vroeg hij zelfs
om hare hand. Gisteren zou dit haar toorn hebben doen ontvlammen,
heden vergaf zij hem gaarne, want den ongelukkige, den man die door
haar toedoen zulk een grievend leed had ondervonden, kon zij ook het
ergste vergeven. Haar hart klopte thans blijde in de hoop hem weder
te zien, ja het kwam haar voor als ware die gevierde, terugkeerende
jonkman, tot wien zij zich zoo onweerstaanbaar getrokken gevoelde,
door zijne zonde, zijne boete en zijn lijden gewassen en eerst nu
tot vollen mannelijken ernst gerijpt. En welk eene heerlijke taak,
dezen zoeker naar den rechten weg bij te staan, om dat te worden wat
hij zich voorgenomen had te zullen zijn.

Voor de verstandige wijze, waarop hij zich haar uiterlijk welzijn
aantrok, verdiende hij gewis haar dank. Wat zou hij wel bedoeld
hebben met den ruil, dien hij haar voorsloeg? Die "groote liefde"
waarover hij tot Katharina had gesproken, was overal tusschen de
regels van den brief te lezen, en iedere vrouw vergeeft elken man,
al ware hij een zondaar en een verachtelijk mensch tegelijk, de
vermetelheid haar lief te hebben. Mocht hij toch met geheel zijn hart
aan haar hangen! Het hare, ja, dat was niet te loochenen, gevoelde zich
geweldig tot hem getrokken. Maar wat haar drong wilde zij geen liefde
noemen, het mocht alleen eene heilige begeerte zijn, om hem het hoogste
levensdoel te wijzen en hem daartoe blijmoedig den weg te banen. Den
bleeken zwarten ruiter, die haar in den droom omarmd had, wilde zij
niet met zich naar de diepte trekken, neen, zij wilde hem vroolijk
dragen naar de hoogste hoogte, die een sterk en edel man bereiken kan.

Zoo dacht zij en bloosde daarbij. Spoedig was haar besluit genomen, zij
opende hare kist, haalde paryrusbladen, schrijfgereedschap en cachet
voor den dag, zette zich aan een kleine lezenaar, die Rufinus voor
haar bij het venster geplaatst had, ten einde aan hem te schrijven. In
haar ontwaakte een onweerstaanbaar, een brandend verlangen naar hem,
doch zij spande al hare krachten in om dit te beheerschen, en voelde
daarbij dat het haar onmogelijk zou zijn de rechte woorden te vinden
als zij hem schreef. Zoodra zij de bladen weer in de kist legde en
haar oog op het zegel viel, trof iets bijzonders hare aandacht; op den
ouden haar zoo welbekenden ring haars vaders viel haar de tusschen twee
gekruiste zwaarden zwevende ster op, misschien het Orionsgesternte,
dat omgeven was door het Grieksche randschrift: "Voor de deugd hebben
de onsterfelijke goden het zweet gezet", dat wilde zeggen: wie een
deugdzaam mensch wil worden, mag zweet noch moeite ontzien.

Met een tevreden lachje sloot zij het deksel van de kist, want in die
spreuk bij de ster lag zeker een goed voorteeken. Tevens nam zij zich
voor, Orion over dit devies, hetwelk een harer voorvaderen aan den
ouden Hesiodos ontleend had, te spreken. Vervolgens snelde zij de trap
af, ging Rufinus, zijne vrouw en den arts in den tuin voorbij, wekte
den reeds lang vast ingeslapen schrijver en droeg hem op zijn meester
het 'ja' over te brengen, waarop hij wachtte. Doch vóór de bode het
muildier besteeg, verzocht zij hem nog een oogenblik te toeven en ging
naar de mannen terug, want zij was op de gedachte gekomen, dat zij in
haar ijver vergeten had met hen over Orions voorslag te spreken. Beiden
kwam het voor de beraadslaging vastgestelde uur gelegen.

Terwijl Philippus den schrijver mededeelde, dat men zijn heer
morgen hier wachten zou, zag de oude man de jonkvrouw met onverholen
blijdschap in het aangezicht en zeide: "Wij hadden gevreesd, dat de
berichten uit het stadhouderlijk paleis uwe goede stemming zouden
bederven, maar goddank, gij ziet er uit als kwaamt gij zoo pas uit
een verfrisschend bad.--Wat denkt gij ervan Johanna? Een twintig jaren
geleden zou zulk eene huisgenoote u jaloersch hebben gemaakt: of is er
in uwe duivenziel geen plaats voor zulk eene afschuwelijke aandoening?"

"Loop heen!" antwoordde de matrone lachende. "Alsof ik al die mooie
meisjes gezien had, die gij vagebond in de wijde wereld, ver van ons
hebt nagekeken!"

"Neen oudje, doch zoo waar de mensch de maatstaf aller dingen is,
hoe ver eene plaats ik mij ook denk, eene godin als deze heb ik
nergens aangetroffen."

"En ik zeker niet in mijn slakkenhuis leventje," zeide vrouw Johanna
toestemmend, terwijl zij de heldere oogen met innig welgevallen op
Paula sloeg.



EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.


Aan den avond van dezen dag zat Rufinus met de zijnen en zijn vriend
Philippus in den tuin. Ook Paula was bij hen en liet van tijd tot
tijd haar hand op de goudgele zijden haren rusten van Pulcheria,
die zich aan hare voeten had neergezet met het hoofd tegen haar knie
geleund. Het was volle maan en zoo helder in den tuin, dat allen
elkander duidelijk konden zien, en het voorstel van Rufinus om hier
de maansverduistering af te wachten, die één uur voor middernacht
zou plaats hebben, vond onverdeelden bijval, omdat de lucht zoo
aangenaam was.

Het gesprek der mannen liep over het te verwachten verschijnsel
aan den hemel. Zij hadden er over geklaagd, dat de kerk, nog altijd
toegevende aan het bijgeloof der menigte, in zulke natuurverschijnselen
kwade voorteekenen zag en God ook heden avond door een bedestond
zou trachten te bewegen het onheil af te wenden. Rufinus noemde
het eene lastering van den Allerhoogste, verschijnselen, die uit
eeuwige wetten volgden en zich vooruit berekenen lieten, tegelijk
uit te geven voor dreigende vingers van het goddelijk wezen, alsof
de noodzakelijkheid van de bestraffing der menschen gelijken tred
zou houden met den loop van zon en maan. Ditmaal zouden de bisschop
en de geheele geestelijkheid van de plaats de processie voorafgaan en
daardoor eene zoo eenvoudige gebeurtenis in de gemoederen der menigte
opschroeven tot eene beteekenis, die zij niet hebben kon.

"En wanneer de kleine komeet, die mijn oude pleegvader reeds in
de vorige week ontdekt heeft, verder zoo toeneemt," voegde de arts
erbij, "en zijn staart zich over een gedeelte van den hemel uitbreidt,
dan zal de angst haar toppunt bereiken, en zie ik nog gebeuren dat
de lieden zich aanstellen als bezetenen."

"Een komeet voorspelt toch oorlog, hitte, pest en hongersnood,"
zeide Pulcheria uit volle overtuiging.

"Dat heb ik ook altijd geloofd," voegde Paula erbij.

"Geheel ten onrechte," antwoordde de arts. "Ontelbare bewijzen zijn
hiertegen aan te voeren, en het is ergerlijk dat men de menigte in
dit bijgeloof versterkt, het jaagt hun angst en schrik aan; en wilt
gij wel gelooven dat uit zulk eene verontrusting der gemoederen,
vooral in dezen tijd van lagen waterstand, wanneer er toch reeds
meer zieken zijn dan anders, de eene krankheid na de andere geboren
wordt? Wij zullen de handen vol krijgen, waarde Rufinus!"

"Ik ben tot uw dienst," antwoordde de oude, "doch ik had liever dat
die knaap daar met zijn staart, als hij toch kwaad moest stichten,
de lieden armen en beenen brak, dan dat hij hunne hersenen verdraaide."

"Welk een wensch!" zeide Paula. "Menigmaal zegt gij dingen en zie ik
andere in uwe omgeving gebeuren, waarvan ik het rechte begrip niet
heb. Gij hebt mij reeds gisteren beloofd..."

"U te verklaren waarom ik zoovele creaturen Gods, die met verdraaide
en gebroken ledenmaten de last des levens dragen, rondom mij verzamel."

"Juist!" antwoordde Paula. "Er is wel geen grooter bewijs van
barmhartigheid te geven, dan dat men zulke ongelukkigen het leven
dragelijk maakt."

"Maar daarom, denkt gij," zoo viel de bewegelijke grijsaard haar in
de rede, "uit zulk eene edele oorzaak alleen zal de oude zonderling
zijn stokpaardje wel niet berijden, en daaraan hebt gij gelijk. Van
kindsbeen heb ik bijzonder veel opgehad met het beenderstelsel
van menschen en dieren, en evenals een verzamelaar van herten-
en gazellengeweien, wanneer hij allerlei soorten van horens bezit,
er zich met bijzonderen ijver op toelegt om vreemde en ziekelijk
vergroeide horens te verzamelen, zoo stel ik er eene eer in, allerlei
vergroeiingen en verminkingen van dierlijke en menschelijke beenderen
te leeren kennen."

"En ze weer recht te maken," voegde de arts erbij. "Van zijne jeugd
af heeft hij zich aan dezen hartstocht overgegeven."

"En ze is toegenomen sedert ikzelf eens mijn been gebroken en
ondervonden heb, wat men daarbij gevoelt," zeide de oude man,
dit toestemmende. "Met behulp van mijn studiegenoot die daar staat
ben ik van een dilettant een wezenlijk wondarts geworden, en nog
wel een die Aesculapius dient voor eigene rekening. Overigens heb
ik nog bijbedoelingen, die er mij toe brachten zulk eene vreemde
omgeving te kiezen. Een mismaakte slaaf bijvoorbeeld is goedkoop,
en dan zijn er zekere waarnemingen, die mij een onschatbaar genoegen
verschaffen. Doch dat is niet voor u, meisje!"

"O, zeker!" zeide Paula. "Evengoed als ik Philippus versta als hij
mij iets op het gebied der natuurwetenschap uiteenzet..."

"Halt," hernam Rufinus lachend, "onze vriend zal zich wel wachten u
dat te verklaren! Hij acht het eene dwaasheid, en geeft alleen dit
eene toe, dat een heelmeester en waarnemer als ik ben zich geen
beter, gewilliger en onderhoudender huisgenooten kan denken dan
mijne kreupelen."

"Zij zijn u zeker dankbaar," merkte Paula op.

"Dankbaar?" vroeg de oude heer. "Dat komt wel eens voor, maar
erkentelijkheid is geen rente waarop een verstandig man rekent. Gij
weet nu genoeg, reeds om der wille van Philippus willen wij de rest
laten rusten."

"Neen, neen," bad Paula, en toen zij den grijsaard de handen toestak,
zeide hij vroolijk: "Wie zou u iets kunnen weigeren! Ik zal het kort
maken, doch gij moet mij opmerkzaam volgen. Nu dan: de mensch is de
maatstaf aller dingen! Hebt gij dit begrepen?"

"Wel zeker! Gij zegt het telkens. De voorwerpen, bedoelt gij, zijn
zooals zij ons toeschijnen."

"Ons, zegt gij, omdat wij, gij, ik en wij allen hier gezond zijn naar
lichaam en geest. Die voorwerpen, Gods eigen werk, moeten wij zooals
ze zijn onvoorwaardelijk als gezond en normaal beschouwen. Wij moeten
dus in de eerste plaats verlangen dat de mensch, die een maatstaf
van al het geschapene zal zijn, zelf normaal en gezond is. Of kan
een kastenmaker met eene kromme of scheeve liniaal rechte planken
pasklaar maken?"

"Zeker niet!"

"Dan zult gij ook begrijpen, hoe bij mij de vraag kon opkomen: Meet
de zieke, mismaakte, wanstaltige mensch de dingen ook met een anderen
maatstaf dan wij gezonde menschen? Zou het niet een dankbaar onderwerp
zijn om na te sporen welk een onderscheid er bestaat tusschen zijne
meetingen en de onze?"

"En hebben die onderzoekingen bij uwe kreupelen tot een resultaat
geleid?"

"Tot vele en groote," verzekerde de oude; doch de arts belette hem
verder te gaan door luide "Oho!" te roepen, en te verzekeren dat
zijn vriend veel te snel gereed was om uit enkele verschijnselen
wetten af te leiden. Velen zijner waarnemingen hadden ongetwijfeld
zeker belang....

Hier viel Rufinus hem weer in de rede en het gesprek zou in een strijd
ontaard zijn, als Paula zich niet in den redetwist had gemengd en haren
opgewonden gastheer had verzocht om ten minste een zijner resultaten
mede te deelen.

"Ik heb bevonden," antwoordde deze, zeker van zijn zaak, terwijl hij
zijn langen zwaren baard met zekere deftigheid uitstreek, "dat zij
niet alleen verstandig zijn, daar zij reeds vroeg de rede scherpen,
om door geestelijke gaven te vergoeden wat zij aan lichamelijke
missen. Zij zijn in den regel geestig, gelijk de fabeldichter
Aesopus en de Egyptische God Besa, die, zooals Horus, de oude vriend
van Philippus, aan wien wij al onze Egyptische wijsheid te danken
hebben, ons mededeelde onder de heidenen de god was van de grappen,
den scherts, de kwinkslagen en bovendien van het vrouwentoilet. Dit
getuigt van de fijne opmerkingsgaven der ouden, want de gebochelde,
wiens lichaam krom gegroeid is, meet de dingen ook met een krommen
maatstaf. Met behulp van zijn verstand leert hij meestal evenzoo
meten als de meeste menschen, waaronder hij leeft, dat wil zeggen
recht; doch op zekere tijden, wanneer hij aan zijne natuurlijke
neiging toegeeft, maakt hij het rechte krom en het kromme recht,
en zoo ontstaat de scherts, die toch in niets anders bestaat dan in
eene scheeve opvatting en voorstelling der dingen. Knoop maar eens
een onderhoud aan met mijn gebochelden tuinman Gibbus, of let eens
op hem. Wanneer hij zich 's avonds bij onze lieden neerzet lachen ze
al, zoodra hij den mond maar opent. Zijne natuur dwingt hem enkel in
paradoxen te spreken. Weet gij wat dat is?"

"Zeker!" antwoordde Paula.

"En gij, Pul?"

"Neen, vader."

"Gij zijt ook te recht van lijf en leden, ook wat uwe eenvoudige ziel
betreft, om voor zoo iets een zin te hebben. Luister dan! Een paradox
zou bijvoorbeeld zijn, als ik den bisschop bij de processie van heden
wilde toeroepen: 'Gij zijt goddeloos uit louter vroomheid,' of wanneer
ik mij bij de dochter van Thomas, met het oog op de vleierijen, welke
zij zoo straks van uwe moeder en uit mijn mond vernam, verontschuldigde
met te zeggen: 'onze wierook was bitter van louter zoetigheid.' Deze
paradoxen zijn, als men ze op den keper bekijkt, waarheden in verbogen
vorm, en daarom gaan ze den gebochelden het best af. Vat ge?"

"Ja zeker," antwoordde Paula.

"En gij, Pul?"

"Ik weet het niet recht, het zou mij beter bevallen als men eenvoudig
zeide: Wij hadden haar niet zooveel vleiende dingen moeten zeggen,
want dat kan een meisje hinderen."

"Bravo, mijn recht kind!" zeide de oude lachend. "Doch daar staat
de tuinman. Heidaar, mijn wakkere Gibbus! Stelt je eens voor dat
ge iemand zulke grove vleierijen hadt gezegd, dat hij in plaats van
zich te verblijden zich hierover ergerde, hoe zoudt ge u uitdrukken,
wanneer ge mij dat wildet mededeelen?"

De hovenier, een klein, dik man met een verbazenden hoogen rug doch
met een verstandig en goed gevormd gelaat, bedacht zich een oogenblik
en antwoordde toen: "Daar heb ik ezel hem rozen willen laten ruiken
en hem distels onder den neus geduwd."

"Voortreffelijk!" riep Paula, en toen Gibbus schaterlachend wegliep,
zeide de arts: "Men zou dien man om zijn bochel kunnen benijden,
maar--niet waar jonkvrouw Paula?--wij kennen ook lieden die recht
opgegroeid zijn en toch als het er op aankomt allerlei verdraaide
voorstellingen tot hunne beschikking hebben."

Gelukkig ontsloeg Rufinus Paula van het antwoord, door haar op zijn
geschrift over de verkrommingen der ziel en des lichaams te wijzen,
en daarna met warmte voort te gaan: "Ik roep u allen tot getuigen of
die lamme Baste--een harer beenen is veel korter dan het andere, en
wij hebben het met moeite zoover gebracht dat het haar draagt--haar
meten der dingen niet beperkt tot het laagste, tot de oppervlakte
der aarde? Zij moet altijd naar den grond kijken, wil zij niet
struikelen. En wat is daarvan het gevolg? zij kan u nooit zeggen
wat aan een boom hangt en zoowat drie weken geleden heb ik haar bij
helderen hemel en afnemende maan, en nadat zij avond aan avond tot laat
met de andere lieden in de open lucht had gezeten--het was omstreeks
den middag--gevraagd, of de maan gisteren aan den hemel had gestaan,
en zij is mij het antwoord schuldig gebleven. Ja, ik heb opgemerkt dat
zij redelijk groote mannen, die zij drie- en viermalen gezien heeft,
moeielijk weder herkent. Evenals haar been zoo is ook haar maatstaf
der dingen te kort uitgevallen; heb ik gelijk of niet?"

"In dit geval hebt gij gelijk," antwoordde de arts; "toch ken ik
gebrekkigen..."

Wederom ontstond er strijd tusschen de vrienden, doch Pulcheria maakte
er ditmaal een einde aan door met groote warmte uit te roepen: "Die
Baste is het beste en goedhartigste schepsel in het geheele huis!"

"Omdat zij ook in haar binnenste ziet," antwoordde Rufinus. "Zij
kent zichzelve, en daar zij weet hoe pijnlijk de smart is, behandelt
zij anderen met verschooning. Weet gij nog, Philippus, hoe wij na
de ontleedkundige voordracht, die wij in Caesarea te zamen gehoord
hadden, redetwistten..."

"Heel goed," viel de arts in, "en het leven heeft sedert mijne
inzichten van toen slechts bevestigd. Er is geen nadeeliger en
logenachtiger spreuk dan die Latijnsche: 'Mens sana in corpore sano',
wanneer men haar altijd als gewoonlijk overzet: 'Alleen in een gezond
lichaam kan eene gezonde ziel wonen'. Als wensch laat ik dit woord
gelden; ja menigmaal kwam ik in verzoeking om ook deze nog bedenkelijk
te vinden. Want juist in kranke lichamen heb ik vaak eene sterkte
van ziel gevonden, eene hoopvolle en ook voor het geringste dankbare
stemming, eene fijnheid van gevoel, eene verstandige zelfbetrachting en
eene onvoorwaardelijke overgave aan het hoogere, als ik bij gezonden
niet heb weergevonden. Het lichaam is wel de woning der ziel, en
evenals er in hutten en paleizen goeden en kwaden, wijzen en dommen
worden gevonden, en men in stulpen dikwijls meer goedhartigheid
aantreft als in de prachtige huizen der grooten, zoo vindt men edele
zielen in leelijke en schoone, gezonde in kranke lichamen, en in de
laatsten misschien menigvuldiger dan in de eersten. Maar met zulke
onjuiste spreuken, die de een den ander nazegt, moet men behoedzaam
omgaan, want zij kunnen hen kwetsen, die bovendien het in dit leven al
zwaar genoeg te verantwoorden hebben. Naar mijne opvatting denkt een
gebochelde even recht als een athleet; of meent gij dat, al brengt
eene moeder in een hol zoo gedraaid als een slakkenhuisje kinderen
groot, zij daarom niet rechtop naar den hemel kunnen groeien, zooals
toch met den mensch plaats heeft?"

"Deze vergelijking gaat mank!" zeide de oude heer met geestdrift,
"en moet recht gebogen worden. Willen wij niet in openbare tegenspraak
met elkander komen..."

"Gij zult vrede houden!" riep opeens vrouw Johanna haar man toe,
en voor deze nog een woord kon zeggen, vroeg Paula rondweg en op den
man af: "Hoe oud zijt gij, waardige gastheer?"

"De tweede dag van mijn zeventigste jaar werd daardoor gewijd,
dat gij toen ons huis juist voor de eerste maal hebt betreden,"
antwoordde Rufinus, deftig buigende.

Doch zijne vrouw stak dreigende den vinger tegen hem op en zeide:
"hebt gij ook misschien een geheime bochel, manlief? Zoo'n fraai
gedraaid antwoord..."

"Hij ziet zijne kreupelen de kunst af," schertste Paula. "Maar nu komt
gij aan de beurt, vriend Philippus. Uwe redeneering was die van een
bedaagden wijze, en heeft mij--om der wille van Rufinus zeg ik niet
'overtuigd', maar 'meegesleept'. Ik ben u eerbied schuldig, en toch
zou ik willen weten hoeveel jaren gij...."

"Ik zal weldra mijn een-en-dertigste intreden," zeide de arts, nog
voor zij haar vraag voleindigd had.

"Dat is een eerlijk antwoord," zeide vrouw Johanna, lachende. "Op uw
leeftijd klemt men zich gaarne aan het twintigste jaar vast."

"Waarom?" vroeg Pulcheria.

"Ach, daarom," antwoordde de moeder. "Er zijn meisjes die een dertiger
voor ouder aanzien dan hem lief is."

"Domme schepsels," hernam Pul. "Zij zullen bezwaarlijk een jonkman
vinden, die beminnelijker is dan onze vader, en wanneer Philippus, ja
gij Philippus, tien of twintig jaren ouder waart dan negen-en-twintig,
meent gij dat dit u minder verstandig en goed kon maken?"

"En minder leelijk in geen geval," voegde de arts erbij.

Daarop zeide Pulcheria knorrig, als hadden die woorden haar gekrenkt:
"Gij zijt in het geheel niet leelijk! Wie u daarvoor uitgeeft, heeft
in het geheel geene oogen! Gij zeidet het ook alleen om te hooren,
dat gij een deftig man zijt."

Terwijl het gevoelige meisje aldus den vriend tegen zichzelve
verdedigde, streek Paula haar over de gouden haren en zeide tot den
arts: "Pulcheria's vader heeft gelijk. Zij weet de menschen met den
waren maatstaf te meten. Vergeet dit niet, Philippus! Verder... Houd
mij de vraag ten goede, maar moet het niet mijne verwondering
wekken, dat een een-en-dertiger en een zeventiger te gelijkertijd de
hoogeschool hebben bezocht?--Het duurt nog lang eer de maan, die zoo
helder en blank daar voorttrekt, verduisterd wordt. Ook gij Rufinus
zijt zulk een wereldreiziger geweest, en wanneer gij mij een groot
genoegen wilt doen, dan vertelt gij ons iets uit uw leven, en hoe
gij hier te Memphis gekomen zijt."

"Zijn levensloop?" zeide vrouw Johanna. "Wanneer hij ons die vertellen
wil van het begin tot het einde met alle bijzonderheden, dan verloopt
de geheele nacht en wordt morgen ons ontbijt nog koud. Hij heeft een
leven gehad als dat van den avontuurlijken Odusseus. Doch verhaal
een en ander, man! Gij weet, wij luisteren met het grootste genot."

"Mij roept mijn plicht," zeide de arts, en nadat hij van de anderen
vriendelijk afscheid genomen en Paula meer afgemeten dan in de laatste
dagen vaarwel gezegd had, begon Rufinus aldus:

"Ik ben in Alexandrië geboren, in een tijd toen handel en nijverheid
er nog bloeiden. Mijn vader was een wapensmid en in zijne werkplaats
arbeidden wel tweehonderd slaven en vrijen. Hij had veel van het
beste erts noodig en dat ontving hij gewoonlijk uit Brittannië over
Massilia. Eens geleidde hijzelf het schip van zijn handelsvriend
naar het verre eiland, en daar leerde hij mijne moeder kennen. Haar
goudblond haar, dat onze Pul geërfd heeft, moet hem bekoord hebben,
en daar de schoone vreemdeling--want mijn vader was een man zooals er
weinigen meer zijn--haar goed beviel, werd zij om zijnentwil christin
en volgde hem bereidwillig. Zij hebben er beiden nooit berouw over
gehad, want ofschoon zij eene stille vrouw was, die het Grieksch
tot aan hare laatste ure sprak als eene vreemde, zeide de oude man
toch vaak, dat zij zijn beste raadgeefster was. Daarbij bezat zij
zulk een gevoelig gemoed, dat zij geen schepsel kon zien lijden,
en hoe ijverig zij ook aan den haard en aan den weefstoel dagelijks
bezig en op haar plaats was, zoo kon zij toch geen hoen, geen gans,
geen varken zien slachten. Haar hart--moet ik zeggen 'helaas' of
'goddank'?--heb ik geërfd. Ik had nog twee oudere broeders, die mijn
vader moesten helpen en later de zaak zouden voortzetten. Toen ik
tien jaren oud was, moest ik een beroep kiezen. Mijne moeder had
gaarne een geestelijke van mij gemaakt, en ik zou het met vreugde
geworden zijn, maar mijn vader stemde hierin niet toe, en daar wij
een oom hadden die rhetor was en met zijn ambt veel geld verdiende,
leende mijn vader het oor aan zijn voorslag, om mij voor dit beroep op
te leiden. Zoo ging ik dan van den eenen leermeester tot den anderen
en kwam in de school goed vooruit.

"Tot mijn twintigste jaar woonde ik altijd bij mijne ouders, en
gedurende mijne veelvuldige vrije uren kon ik doen en laten wat mij
het best aanstond, en dat waren, als het niet te voornaam klinkt,
louter geneeskundige zaken. Als twaalfjarige knaap was ik het eerst
begonnen mij daaraan te wijden, en wel door een toeval. Ik liep
natuurlijk gaarne in de werkplaatsen rond, en daar was eene ekster,
een potsierlijk beest, dat mijne medelijdende moeder opgevoed had. Het
dier kon 'jij domkop', mijn naam en nog andere woorden roepen, en
hield veel van lawaai; want waar de smeden en slotenmakers het drukst
hamerden en vijlden, daar fladderde het 't liefst heen en weer, en waar
het zich neerzette bij een aambeeld, keek het onder al dat kloppen,
knarsen en slijpen altijd vroolijk rond. Jarenlang was het dier zijne
gezelligheid goed bekomen, maar op zekeren dag geraakte het in een
schroefbank beklemd en zijn linkerpootje brak. Dat arme beestje!"

De oude bukte even, om heimelijk zijne oogen af te vegen, en ging
toen opnieuw voort: "De ekster viel op zijn rug en zag mij zoo
medelijdend aan, dat ik den blaasbalgtrekker, die hem uit medelijden
den genadeslag wilde geven, de tang uit de handen rukte, het beestje
voorzichtig aangreep en mij voornam het te genezen. Toen heb ik de
ekster op mijne kamer aan een kunstig bedacht toestelletje bevestigd,
opdat zij zich stil zou houden en zich geen pijn zou doen; ik heb het
pootje gezet, de gewonden einden in mijn mond verwarmd en bevochtigd,
en kleine houtjes als spalkjes daarom bevestigd. En ziedaar, het pootje
genas waarlijk, het beestje werd gezond, fladderde als vroeger in de
werkplaats rond, en als ik mij vertoonde vloog het op mijn schouder en
pikte met zijn spits snaveltje mij voorzichtig in het haar. Van dat
oogenblik af zou ik gaarne de hoenders in den hof de pooten gebroken
hebben om ze te genezen; doch ik kwam op een ander denkbeeld. Ik
ging naar de barbiers en zeide hen, dat wie een vogel, een hond
of eene kat met gebroken leden had, die mocht ze bij mij brengen,
ik verklaarde mij bereid ze om niet te heelen, dat konden ze aan
hunne klanten vertellen. Reeds den volgenden dag bracht men mij een
patiënt, een zwarten jachthond met gele vlekken boven de oogen, dien
eene afgedwaalde lans een poot verbrijzeld had; ik zie dat beest nog
voor mij! Op dezen volgden andere gevederde en viervoetige kranken,
en zoo was dan mijn heelmeesterswerk begonnen. Die lijdende vogels,
die daar aan de boomen hangen, dank ik weder aan mijne bondgenooten, de
barbiers. Met viervoeters houd ik mij thans slechts bij uitzondering
bezig. De lamme kinderen, die gij als helpers in den tuin ziet,
behooren aan arme ouders, voor wie de wondarts te duur is. Die
vroolijke krullebol die u onlangs de roos bracht, mag over weinige
dagen naar huis gaan. Maar wij moeten naar mijne jeugd terug!

"De hoogere beweeggronden, die aan mijn leven deze richting gaven,
hebben zich eerst later na mijn twintigste jaar en nadat ik de
hoogeschool reeds achter mij had, bij mij doen gelden, ja door hunne
kracht ben ik eerst aangegrepen, nadat mijn oom mij reeds menige
gelegenheid had verschaft om mij in mijn vak te oefenen. Zonder
ijdelheid mag ik zeggen, dat mijne voordrachten de lieden bevielen,
en ofschoon ik een afkeer had van gezwollenheid en bloemrijk gezwets
werd ik toch niet uitgefloten. Hoewel de ouders zich verblijdden als
ik uit Nikou, Arsinoë of uit andere plaatsjes in de provincie met
lauwerkransen en goudstukken terugkeerde, was ik in mijne eigene
oogen altijd een bedrieger. Doch om mijn vader waagde ik het niet
een ander beroep te kiezen, ofschoon het mij al meer en meer tegen
de borst stuitte lieden hemelhoog te verheffen, die ik noch liefhad
noch achtte, en tranen van ontroering te schreien, terwijl ik bereid
geweest zou zijn hartelijk te lachen.

"Vrije tijd had ik in overvloed, en daar het mij niet aan moed ontbrak
en ik zeer gehecht was aan onze Grieksche geloofsbelijdenis, was ik
er altijd bij als er verschillende geloofsgenooten met elkander in
opstand kwamen en handgemeen werden. Gewoonlijk liep het af met builen
en schrammen, doch soms werden ook de zwaarden getrokken. Eens waren
duizenden tegen duizenden in strijd geraakt, en de prefect had de
troepen--allemaal Grieken--laten uitrukken, om de rust met geweld te
herstellen. Dit gaf eene slachting, waarbij wel duizend vielen. Ik
kan u dit niet schilderen. Zulke dingen gebeurden niet zelden en
vaak richtten de woede en hebzucht der menigte, waarachter maar al te
dikwijls de overheid en de creaturen van den aartsbisschop stonden,
zich tegen de joden. Wat ik dan aanschouwen moest is zoo akelig,
zoo afgrijselijk, dat de tong weigert het te vertellen. Maar die
arme joodsche moeder, wier man door ellendige rekels--nog wel onze
geloofsgenooten--werd vermoord, die haar huis hadden leeggeplunderd
en daarna door een zwaargewapende bij de haren over den grond werd
gesleurd, terwijl een bloeddorstige kerel haar zuigeling voor hare
oogen bij de voetjes nam en den schedel tegen den muur verpletterde,
gelijk men een natten doek tegen een paal uitslaat--die schoone jonge
vrouw en haar kind heb ik nooit vergeten, en niet zelden verschijnen
ze mij bij nacht in den droom.

"Dat alles heb ik beleefd, en met afgrijzen zag ik, een schepsel Gods,
een redelijk wezen zijn medemensch verscheuren, vervolgen, diep
ongelukkig maken. En waarom? Barmhartige Heiland, waarom? Alleen
uit haat, alleen--zoo waar de mensch de maatstaf aller dingen
is--voortgezweept door eene gruwzame begeerte om zijn naaste, die
niet wilde zijn wat hij was, ja den naaste, die het waagde voor
zichzelven iets te zijn, te schaden, te krenken en leed te doen. En
deze woestelingen, deze legers die zich schaarden onder de banier
der onbarmhartigheid, der vernielingswoede, van den bloeddorst,
waren christenen, gedoopt in den naam van hem die gebood den vijand te
vergeven, die de liefde had uitgebreid van huis en stad en stal over de
menschheid, die de echtbreekster uit het stof ophief, die de kinderen
in zijne armen nam en zich meer wilde verheugen over éen zondaar die
zich bekeert dan over negen-en-negentig rechtvaardigen! Bloed wilden
zij zien, bloed, en was dan niet de leer van hem, op de belijdenis
waarvan zij zich verhieven, gesproten uit het bloed van den man, die
zijn leven had opgeofferd voor alle menschen, gelijk de lotusbloem
zich verheft uit het helder water van het marmeren bekken? En zij die
in de eerste plaats zulk eene leer der barmhartigheid door woord en
daad moesten verkondigen en verdedigen: de patriarch, de bisschop,
de presbyter en de diaken, zij hitsten de volkswoede aan, in plaats
van der menigte het beeld te toonen van den goeden herder, die het
afgedwaalde schaap opheft en vriendelijk naar de kudde terugdraagt.

"De eeuw waarin ik leefde scheen mij de jammerlijkste van alle eeuwen
en zij is het ook, zoo waar de mensch de maatstaf is aller dingen;
want in dezen tijd is de liefde veranderd in haat, barmhartigheid in
onverbiddelijke gevoelloosheid. Niet alleen de tronen der wereldlijke
vorsten, ook die der geestelijke gezagvoerders dropen van het bloed
van den naaste. Keizer en bisschop gaven het voorbeeld, het volk en de
leek deden het hun na. Evenals de grooten, de mannen van het zwaard,
zoo ook de kleinen, zoo ook de vreedzamen, die zochten naar geestelijke
goederen. Wat ik als man op straat zag gebeuren, dat had ik als knaap
en jongeling reeds op de lagere en hoogere scholen waargenomen. Elke
leer had hare aanhangers, en wie het met Cnejus eens was, die haatte
Cajus en deze sprak en schreef op zijn beurt met geen ander doel dan
om Cnejus te benadeelen, te vernederen, te kwellen. Elk tracht met
den meesten ijver de fouten van zijn evenmensch aan te toonen en hem
aan den schandpaal te binden, vooral wanneer deze voor grooter werd
gehouden dan hij, of dreigde hem boven het hoofd te wassen. Hoort de
meisjes aan de bron en de vrouwen bij het spinnewiel! Alleen hij is
zeker bijval te zullen vinden, die van andere mannen en vrouwen wat
kwaads kan vertellen. Wie vraagt naar den lof van zijn naaste? Wie
over het geluk van een ander hoort spreken wordt zijn benijder.

"Haat, overal haat! Overal de wil, de wensch, de hartstocht om een
ander te bedroeven en ten val te brengen, in plaats van hem op te
heffen, voort te helpen, te genezen! Dat is de geest van mijn tijd
en alles wat in mij is verhief zich daartegen met heiligen toorn,
en ik zwoer anders te zullen zijn en te handelen, en geen ander doel
te willen nastreven dan den ongelukkige bij te staan, den ellendige te
helpen, tot mij te trekken allen die een voorwerp waren van onbillijke
bespotting, bij mijn naaste recht te maken wat krom, heel wat gebroken
is, balsem te gieten in wonden en ze te genezen, ja te genezen!

"Gode zij dank, het is mij gelukt althans voor een deel die gelofte
te houden, en al paarde ik later aan mijn ijverig streven ook zekere
grillen en eene zonderlinge begeerte tot onderzoek, het groote
levensdoel waarover ik u sprak heb ik eerst onafgebroken in het
oog gehouden, nadat mijn vader gestorven was en mijn oom mij zijn
aanzienlijk vermogen had nagelaten. Toen hing ik den rhetorsmantel
aan den kapstok, doorreisde het westen en het oosten om het land
te zoeken, waar liefde de menschen aan elkander verbindt, en haat
als eene krankheid wordt beschouwd. Maar--zoo waarlijk de mensch de
maatstaf is aller dingen--tot heden is alle moeite om dat land te
vinden vruchteloos geweest. Inmiddels heb ik mijn huis zoo ingericht,
dat het een burcht der liefde is geworden. Daar waait eene lucht
waarin de haat niet kan tieren en in de kiem verstikt.

"Maar ondanks dit alles ben ik geen heilige geworden, en hoeveel
dwaasheden, hoeveel onrecht heb ik begaan; hoeveel geld en goed,
dat ik misschien beter voor de mijnen had kunnen bewaren, is mij
door de vingers gegleden, hoewel meerendeels bij het vervullen van
plichten die ik voor de edelste hield. Wilt gij 't wel gelooven,
Paula? Vergeef den ouden man, als hij de dochter van Thomas zoo
vaderlijk toespreekt. Nauwelijks vijf jaren na mijn huwelijk met
deze mijne beste vrouw, spoedig nadat wij onzen eenigen kleinen zoon
verloren hadden, heb ik haar en mijn dochtertje, deze Pul, verlaten,
voor meer dan twee jaren verlaten, om zonder opgeroepen te zijn,
geheel vrijwillig keizer Heraclius te volgen in den krijg tegen de
Perzen, die mij niets in den weg gelegd hadden. Trouwens ik ging
niet als krijgsknecht, maar als een leergierige wondarts. Eerlijk
gezegd, schepte ik evenzeer behagen in het zien en behandelen van
breuken, wonden en verminkingen bij menigte en in het groot, als
in het betoonen van mijne mildheid. Met een gebroken doch redelijk
samengelapt been keerde ik tot de mijnen terug, weinige jaren later
echter kon ik het niet langer op dezelfde plaats uithouden. De
trekvogel haalde vrouw en kind uit de rust van huis en tuin, en
sleepte ze mee naar de hoogeschool. De echtgenoot, de vader, de
grijskop maakte een wonderlijk figuur onder die jonge metgezellen,
die de lessen en verklaringen van den leeraar volgden. Maar zoo waar
de mensch de maatstaf aller dingen is, in vlijt en ijver stond ik
bij niemand hunner achter, hoewel menigeen mij in geest en gave verre
overtrof, en onze Philippus muntte uit boven allen. Ziedaar de reden,
edele Paula, waarom de grijsaard en de man in den bloei zijner jaren
studiegenooten zijn, doch de oude buigt zich heden nog gaarne voor
den jongeren kunstbroeder, die van denzelfden geest bezield is. Recht
maken, troosten, heelen dat is ook het doel van zijn leven, en vaak
lust het mij oudje, die het doel van Philippus zooveel eerder dan
hij heb nagestreefd, mij zijn leerling te noemen."

Hier zweeg Rufinus en stond op, ook de Damasceensche verhief zich
van haar zetel, drukte hem hartelijk de hand en zeide: "Ware ik een
man, ik sloot mij bij u beiden aan. Doch het is ook aan eene vrouw
geoorloofd, zooals Philippus mij leerde, in uw geest te werken. En
thans verzoek ik u nog, en gij zult mij deze gunst niet weigeren, mij
nooit anders dan Paula te noemen. Zoo gelukkig als ik thans ben bij u,
had ik niet gedacht mij nog ooit weder te zullen gevoelen. Mijn hart
wordt hier frisch en gezond. Vrouw Johanna, wees gij mij tot eene
moeder! Ik heb een besten vader verloren, en tot ik hem wedervind
zult gij Rufinus zijn plaats bekleeden."

"Gaarne, volgaarne!" riep de oude man, greep hare beide handen en ging
daarna opgewekt voort: "Daarvoor verzoek ik u echter, dat gij onze
Pul als eene jongere zuster aanneemt. Maak gij van het schuchtere,
menschenschuwe schepseltje een jonkvrouw naar uw voorbeeld.--Maar kom,
kinderen, spoedig den blik naar den hemel gericht, want daar begint,
zooals de oude heidenen van dit land zeiden, als de maan verduisterde,
Typhon reeds in de gedaante van een everzwijn het Horus-oog te
verslinden. Ziet hoe de schaduw de blanke schijf bedekt! Als de
vaderen dit zagen maakten zij geweld; zij schudden het sistrum met
zijne metalen ringen, zij trommelden, bliezen, tierden en raasden, om
den booze vrees aan te jagen en hem te verdrijven. Voor vierhonderd
jaren zal dat hier voor het laatst gebeurd zijn, en heden--trekt
de hoofddoeken wat vaster aan en volgt mij naar den stroom--heden
maken christenen zich bespottelijk door hetzelfde te doen. In welk
christelijk land ik ook geweest ben, overal heb ik hetzelfde schouwspel
aangetroffen. Onze heilige godsdienst heeft het geloof der heidenen
vernietigd, maar hun bijgeloof bleef leven en is door de voegen en
naden in onze gebruiken binnengedrongen. Daar trekken ze heen met den
bisschop aan het hoofd, en hoe luide overstemt het gejammer der vrouwen
en het huilen der mannen het gezang der geestelijkheid. Hoort maar! Ook
die liederen klinken zoo klaaglijk en zoo hartstochtelijk smeekend,
als voerde de oude Typhon nog in zijn schild de maan te verslinden,
en als stond de wereld het grootste onheil te wachten. Ja--zoo waar
de mensch de maatstaf is aller dingen--die beangstigde schepsels
daar beneden zijn geesteskrank, en hoe kan men hen vergeven, die het
wagen christenen, ja christenen, met de overblijfselen van heidensche
dwaasheid bang te maken en hun geestelijk oog te verblinden!"



TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.


Tot voor weinige dagen was de kleine Katharina een onzelfstandig
en gehoorzaam kind geweest, dat er eene eer in gesteld had niet
alleen hare moeder maar ook vrouw Neforis en, sedert hare eigene
Grieksche opvoedster het huis verlaten had, zelfs de bitse Eudoxia
zoo snel mogelijk en op haar wenk te gehoorzamen. Ook het kleinste
vergrijp tegen hetgeen haar bevolen was, ook eene ondeugendheid of
eigenmachtige handeling zou zij voor hare moeder en hare degelijke
opvoedster, waaraan zij gehecht was, niet verborgen hebben; ja het
was haar onmogelijk geweest in te slapen zonder voor het avondgebed
alles wat zij in haar eigen klein hart als niet volkomen in den haak
beschouwde, te bekennen aan eene andere die zij liefhad en van deze
volle vergeving te hebben ontvangen. Zorgeloos en met een geweten
zoo blank als de borst van hare witste duif was het kwikstaartje
avond aan avond ingeslapen, en het ergste wat zij overdag misdreven
had bestond in eene verbodene klauterpartij, en meestentijds in een
heftig of onvriendelijk woord.

Sedert Orion's kus onder den bedwelmenden geur der bloeiende boomen
had de eerste omkeering bij haar plaats gegrepen en bijna ieder
volgend uur had nieuwe wenschen en beschouwingen in haar gewekt. Wat
vroeger niet bij haar was opgekomen, namelijk zich een oordeel
over hare moeder aan te matigen, dat deed zij nu onophoudelijk. De
manier, waarop deze met de vrienden van het stadhouderlijk verblijf
gebroken had scheen haar verkeerd en onbetamelijk, en de hatelijke,
bittere uitvallen tegen de oude vrienden, waarvan vrouw Susanna's
mond overvloeide, ergerde Katharina en brachten haar eindelijk in
tegenspraak met haar, wier oordeel haar tot hiertoe onfeilbaar was
toegeschenen. Nadat het paleis van den overleden Mukaukas voor haar
gesloten was, bezat zij dus niemand, aan wie zij gaarne haar vertrouwen
had geschonken, en tusschen Paula en haar rezen scheidsmuren op,
tegen welker hoogte zij angstig opzag zoo vaak zij toegaf aan het
verlangen om ze te overschrijden. Zij was zeker de andere van wie
Orion gesproken had, en hoewel zij aan den avond na de begrafenis
van zijn vader heimelijk tot Paula was gekomen, zoo had minder een
brandend verlangen om vertrouwelijk te spreken met een deelnemend
gemoed haar daartoe gedreven, dan wel eene kwellende met ijverzucht
gepaarde nieuwsgierigheid. In een zonderling gemengde stemming van
teeder verlangen en doffe haat was zij door de heg geslopen, en toen
het tot eene tweede ontmoeting gekomen was, had zij zich aanvankelijk
geheel overgegeven aan het genot, om zich openhartig uit te spreken
en gehoor te vinden bij eene die zoo ver boven haar stond. Doch na
Paulas terughouding bij het antwoorden op hare rondborstige vragen,
waren haat en nijd weder in haar ontwaakt. Wie Orion niet haatte,
moest hem volgens haar inzicht liefhebben. Behoorden die twee reeds
bij elkander?

Misschien had Paula haar onder de sykomore slechts als een
lichtgeloovig kind behandeld en haar wat wijs gemaakt. Dit 'misschien'
martelde haar, en zij wilde althans beproeven er een einde aan te
maken. Een helper had zij tot hare beschikking in den persoon van
haar zoogbroeder, den zoon van hare doove voedster, en zij wist dat
deze blindelings al hare wenschen vervullen, ja als het haar aangenaam
kon zijn, zich midden onder de krokodillen van den Nijl werpen zou. De
jonge Anubis had in al hare kinderspelen gedeeld en op zijn veertiende
jaar was hij, nadat hij met haar lezen en schrijven had geleerd, op
voorspraak van hare moeder als leerling op het rentmeesterskantoor van
den stadhouder gekomen, om daar onder den voortreffelijken rentmeester
Nilus zich verder te bekwamen. Vrouw Susanna dacht hem later op hare
goederen te gebruiken of hem te Memphis aan het hoofdkantoor van
het bestuur over haar vermogen eene aanstelling te bezorgen, die aan
zijne bekwaamheden beantwoordde. De knaap woonde nog steeds bij zijne
moeder ten huize van de weduwe, doch bracht zijne werkdagen door in
het stadhouderlijk paleis, waar hij zich bij den arbeid zeer vlijtig
betoonde, terwijl hij zich in zijne vrije uren bezig hield met dingen,
die ver buiten zijn toekomstig beroep lagen. Op verzoek van Katharina
had hij eene duivenpost aangelegd tusschen het huis harer moeder en
het paleis van den stadhouder, en langs dezen weg was menig briefje
met kleine mededeelingen, uitnoodigingen, afspraken en dergelijken
van het kwikstaartje tot de kleine Maria en van deze weder tot haar
overgebracht. Anubis vermaakte zich bijzonder met die kleine diertjes,
en met goedkeuring van zijne meesters was de duivenslag op het dak
van het rentmeestersambt getimmerd. Maria lag nu op het ziekbed en
elke gemeenschap met haar was afgebroken; de goed ingerichte post
behoefde daarom niet ongebruikt te blijven en Katharina was begonnen
zich daarvan voor andere doeleinden te bedienen.

Orions schrijver was gisteren zeer lang opgehouden ten huize van haar
buurman, en door Anubis, wien niets ontging wat in het kantoor van
Nilus verhandeld werd, was zij te weten gekomen dat aan Paula eerlang
haar vermogen zou worden uitgekeerd, en waarschijnlijk wel door Orion
in persoon. Bij die gelegenheid moest een onderhoud plaats hebben,
en misschien was het haar vergund dit af te luisteren. Hoe dat kon
bewerkstelligd worden, was haar ten aanzien van 's buurmans huis
dikwijls genoeg op de proef gebleken; zij had alleen te zorgen ter
rechter tijd op de plaats te zijn.

In den morgen, die op den nacht der maansverduistering volgde,
omstreeks twee en een half uur voor den middag, bracht de kleine
duivenoppasser, die de gevleugelde boden in den slag voederde, haar een
briefje, waarop Anubis geschreven had, dat Orion zich gereed maakte
om heen te gaan. Deze tijding werd echter niet bijzonder vriendelijk
ontvangen, want dit tijdstip kwam haar zeer ongelegen. Heel in de
vroegte toch had de bisschop Plotinos hare moeder medegedeeld, dat
de patriarch Benjamin uit Alexandrië zich aan gene zijde van den Nijl
bij den Arabischen gouverneur Amr bevond, om wat later Memphis met een
bezoek te vereeren. De patriarch zou éen dag vertoeven, had voor elke
plechtige ontvangst bedankt, en het aan hem overgelaten een geschikt
kwartier te zoeken voor zijn persoon en voor hen die hem vergezelden,
daar hij niet wenschte af te stappen aan het stadhouderlijk paleis. De
ijdele weduwe had zich terstond volgaarne bereid verklaard, om den
hoogen gast onder haar dak te herbergen. Het bezoek van den kerkvorst
moest haar huis zegen aanbrengen, en zij dacht daaruit eenig voordeel
te trekken ook voor veel, dat haar thans bezighield. Den patriarch
moest eene prachtige ontvangst worden bereid. Daarvoor bleven haar
maar weinige uren over, en daarom begon zij, nog vóór de bisschop
van haar afscheid had genomen, hare bedienden samen te roepen en hare
bevelen te geven. Het geheele huis moest van boven tot beneden schoon
gemaakt worden; een deel van het keukenpersoneel moest haastig naar de
stad gaan om inkoopen te doen, terwijl een ander deel alles aan den
haard in gereedheid bracht. De tuinlieden plunderden de bloembedden
en heesters om guirlandes, kransen en ruikers voor de ontvangst in
orde te brengen. Van den kelder tot op den beganen vloer waren een
vijftigtal blanke, bruine en zwarte slaven met alle kracht in de
weer; want ieder meende door dezen dienstijver ter wille van den
patriarch op de bijzondere genade des hemels te mogen rekenen, en
daarbij schreeuwde hunne onvermoeide meesteres hun gestadig toe, wat
zij verlangde dat gedaan zou worden. Zij, die als meisje de oudste
dochter was geweest van een gezin dat rijk met kinderen gezegend,
maar minder met goederen bedeeld was, en zelf de handen had moeten
uitsteken, vergat heden dat zij eene rijke aanzienlijke vrouw was
geworden, wie het niet meer paste in persoon huis te houden, en zoo
was zij nu hier, dan daar, hield een oog op alles, op ieder groot en
klein, alleen niet op hare dochter.

Katharina was het fijne, Grieksch opgevoede popje des huizes, aan
wier ernstige hulp niet gedacht kon worden; ja, zij zou meer in
den weg hebben gestaan. Na het afscheid van den bisschop had zij
enkel den last bekomen, den patriarch in haar beste kleed met een
ruiker te ontvangen onder het linnen afdak aan de hoofddeur. Meer
verlangde Susanna van hare dochter niet, en deze dacht, terwijl zij de
trap opvloog die naar hare kamer geleidde: "Orion zal weldra komen,
vóor het middag is verloopen er nog ten minste twee uren, en wanneer
hij een half uur hier naast blijft, is het al lang. Ik zal nog tijd
genoeg overhouden om mij te kleeden, en uit voorzichtigheid zal ik
mij de nieuwe schoenen reeds dadelijk aan de voeten laten binden. De
voedster en de kamenier mogen mijne kamer niet meer verlaten Voor
het geval dat het wat later wordt moeten zij alles gereed houden,
want misschien hebben Paula en hij elkander veel te zeggen. Zonder
eene terechtwijzing laat zij hem niet gaan, tenzij zij hare verwijten
reeds op eene andere manier aan den man heeft gebracht."

Spoedig hierop sprong zij, met fraaie, met gouddraad doorstikte en
blauwe saffieren bezaaide sandalen aan de kleine voeten, op een met
zoden belegden aardheuvel, die zij reeds vroeger had laten maken
achter de heg, waardoor zij gisteren gekropen was, en zette zich
daar met een tevreden lachje op een zeteltje neer, als gold het eene
theatervoorstelling. Eenige bladplanten, die achter deze verborgen
zitplaats groeiden, beschutten haar eenigermate voor het branden der
zon, en terwijl zij op dezen uitkijk, waarvan zij zich niet voor de
eerste maal bediende, wachtte en luisterde, begon haar hartje steeds
sneller te kloppen, ja, zij vergat door hare groote gejaagdheid het
suikerwerk, dat zij, om den tijd te verdrijven, op een groot blad
in haar schoot had gestrooid. Tot haar geluk liet Orion niet lang
op zich wachten, hij kwam in de gesloten vierwielige carruca van
zijne moeder. Naast den voerman zat een dienaar, en op elk der beide
treden van de deuren van het voertuig zat een slaaf. De wagen werd
gevolgd door eenige nietsdoende mannen en vrouwen en eene schare van
halfnaakte kinderen. Maar de nieuwsgierigen hadden zich misrekend,
want de carruca bleef niet op straat stilstaan; zij reed den tuin van
Rufinus binnen, en de planten en boomen onttrokken haar aan de blikken
van het daarbuiten wachtende gepeupel, dat nu spoedig vrijwillig
uiteenging. Vóor de middendeur van het woonhuis steeg Orion en na hem
de rentmeester uit den wagen, en terwijl de oude heer den zoon van den
Mukaukas begroette, zag Nilus toe op het overbrengen van een tamelijk
aantal zware zakken in de schaduwrijke werkkamer van den ouden heer.

Bij dit alles was er voor Katharina niets merkwaardigs te zien dan het
aanzienlijk aantal en de grootte van de zeker met goud gevulde buidels,
en de man, waarom het haar vooral te doen was. Zoo schoon was Orion
haar nog nooit voorgekomen, want het laag neerhangende treurgewaad,
waarvan hij de einden in breede plooien over den schouder had geslagen,
deed de natuurlijke lengte van zijne gestalte nog beter uitkomen. Zijn
overvloedig thans ongekruld haar hing in rijke kunstelooze golvingen
langs zijn gelaat, dat er bleek en ernstig uitzag, hetgeen haar
tegelijk roerde en onweerstaanbaar aantrok. De gedachte, dat deze
uitmuntende jonkman eens hare hand gevraagd, haar bemind en gekust
had, hem bezeten en daarna voor altijd verloren te hebben, omdat hij
eene andere liefhad, deed haar pijn, als een gevoel van smart dat
van de borst uitging, en zich tot in de hersenen deed gevoelen. Nadat
Orion in het huis verdwenen was, meende zij hem nog altijd te zien,
en toen zijn beeld daarna ook voor haar zielsoog verflauwde, en zij
zich voorstelde hoe hij thans stond tegenover die andere, Paula, en
deze evenzoo aanzag als haar eenige dagen geleden, verdubbelde haar
zieleleed. Of die Damasceensche ook maar half zoo gelukkig was als zij
in die onvergetelijke ure? Ach het was haar zoo wee om het hart! Het
liefst ware zij over de heg gesprongen, om zich in 's buurmans huis
tusschen Paula en Orion te werpen.

Daar zat zij nu rusteloos en toch zonder zich te verroeren, geheel
beheerscht door booze gedachten, die maar zelden ter sluiks de ziel
van een goed mensch doorkruisen, daar zat zij te staren op het huis
van Rufinus. Dat lag daar doodstil in den gloeienden zonneschijn, als
was het ingeslapen. Ook in den tuin bewoog en verroerde zich niets
dan de dunne waterstraal, die uit het marmeren bekken opschoot met
zacht, eentonig en telkens afgebroken geplas, niets dan de kapellen,
vlinders, bijen en kevers, wier gegons zij niet hoorde en die de
bloemen zonder eenig geluid schenen te omfladderen. De vogels sliepen
zeker, want er vertoonde zich niet éen, geen enkele brak met zijn
tjilpen en fluiten de benauwende stilte af. De carruca stond als voor
de huisdeur vastgenageld, de voerman was van zijn zetel gestegen en had
zich naast de andere slaven neergevleid in de smalle schaduwstrepen
van de zuilen der veranda. Allen lieten het hoofd op de borst rusten
en niemand sprak een woord; alleen de paarden verroerden zich, als zij
met de volle staarten zich tegen de vliegen weerden, of beten naar de
brandende wonden die zij gestoken hadden. Soms hieven zij onrustig de
distelboom op, en als de wagen zich dan krakend achterwaarts bewoog
liet de slaapdronken voerman zijn "brrr!" hooren.

Katharina had een breed blad op haar schedel gelegd om zich te
beschutten tegen het branden der zon, want zij durfde noch een
zonnescherm noch een hoed gebruiken, uit vrees van gezien te zullen
worden. De planten rondom haar gaven maar bitter weinig schaduw en
de middaggloed kwelde haar, doch hoewel de eene minuut na de andere,
kwartier op kwartier met slakkengang voortkropen, hield de spanning
waarin zij verkeerde alle slaperigheid verre. Zij had geen zonnewijzer
noodig om den tijd te berekenen, immers zij wist precies hoe laat het
was wanneer de eene schaduw tot hier, de andere tot daar was getrokken,
en wilde zij de oogen aan het gevaar blootstellen om naar den vuurbol
boven haar op te zien, dan kon zij zich volkomen zekerheid verschaffen.

Thans moesten er hoogstens nog drie kwartier verloopen voor het
middag was en ginds in huis bleef alles even stil als te voren. De
patriarch moest echter op zijn tijd afgewacht worden, en van haar
geheele toilet had zij nog niet anders aangetrokken dan de gouden
sandalen. Zij nam een kort besluit, ijlde naar hare kamer, verbood
de kamenier haar kapsel opnieuw te ordenen en vergunde haar alleen
eenige rozen te steken in de natuurlijke lokken. Vervolgens liet
zij zich in vliegende haast haar zeegroen bombyxkleed, dat met fraai
geborduurde randen omzoomd was, over de schouders werpen, beval den
peplos te bevestigen met den eersten den besten haak, en toen zij
zichzelve een armband van kostbare saffieren wilde aandoen en het
slot daarbij brak, smeet zij het kleinood bij hare overige sieraden,
gelijk men een onrijpen appel bij de anderen werpt. Spoedig sloop haar
handje nu door een gouden spiraalveer, die haar halven arm bedekte,
en eindelijk greep zij de overige kleinoodiën bijeen, die zij zichzelve
buiten op den wachtheuvel wilde aandoen. De kamenier kreeg bevel haar
op het middaguur te komen roepen met den ruiker voor den patriarch,
en een kwartier nadat zij hare schuilplaats verlaten had, was zij
er weer terug. Zij kwam op het rechte tijdstip, want terwijl zij de
medegenomen sieraden aandeed kwam Nilus uit het huis, gevolgd door
slaven met een aantal lederen zakken, die zij weder in de carruca
legden. Hierna stegen de rentmeester en de arts Philippus in en de
wagen verliet den tuin.

"Paula vertrouwt Orion opnieuw haar vermogen toe," dacht
Katharina. "Zij zijn het nu eens, en van nu aan kan er eene geregelde
verstandhouding tusschen het huis van Rufinus en het paleis van den
stadhouder beginnen. Een slim overlegd spel, maar wacht eens, wacht!"

Daarbij klemde zij de kleine witte tandjes op elkaar, doch behield
tegenwoordigheid van geest genoeg, om niets over het hoofd te zien van
hetgeen verder gebeurde. Gedurende hare afwezigheid toch was Orions
zwarte hengst in den tuin gekomen, een ander ruiter te paard leidde
het dier daar rond, en terwijl zij met hare oogen de paarden volgde,
prevelde zij met een spottenden lach in zichzelven: "Hij neemt haar
dus in elk geval niet dadelijk mee."

Wederom verliepen eenige stille oogenblikken; eindelijk kwam Paula
uit het huis, en vlak achter haar, bijna aan hare zijde Orion. En hoe
zagen zij er uit! Zijne wangen waren niet bleek meer, neen zeker niet,
ze gloeiden evenals die van Katharina zelve! En hoe helder stonden
zijne oogen, waarin blijdschap en tevredenheid te lezen was! Zij had
wel eene slang willen zijn om beiden in de verzenen te steken! Bij
dit alles had de Damasceensche hare edele, trotsche houding niet
verloren. En hij?--Als een betooverde zag hij zijne geleidster
aan, en zij meende te zien dat de plooien van zijn rouwgewaad
zich boven zijn hart op en neder bewogen. Ook Paula droeg heden een
rouwkleed. Natuurlijk! Zij behoorden immers bij elkander en zijn leed
moest ook het hare zijn, hoewel zij het huis van den Mukaukas als eene
gevangenis was ontvlucht. O, die deugdzame schoone wist wel, dat haar
niets beter stond dan donkere kleuren. In houding, gang en grootte
schenen deze beiden twee bevoorrechte schepsels, die het lot zelf
voor elkander bestemd had; dat kon Katharina zich zelf niet ontveinzen.

Een nijdige demon, zij noemde hem een vriendelijke, voerde hen zoo na
aan haar voorbij, dat zij met hare scherpe ooren ieder woord verstond,
dat hij en zij, nu eens langzaam voortwandelende, dan stilstaande
spraken; en het vlugge kwikstaartje volgde hen, terwijl het langs de
heg onmerkbaar voortsloop.

"Ik heb u zooveel te danken," waren de eerste woorden, die zij
uit Orions mond opving, "dat ik schroom u nog één ding te vragen;
maar juist dit betreft ook u. Gij weet hoe zwaar de wond is, die de
kinderhand van Maria mij geslagen heeft, doch wat haar daartoe bewoog
was hare brave, oprechte gezindheid en hare afgodische liefde voor u."

"Gij wilt dat ik mij dit kind zal aantrekken?" vroeg Paula. "Deze
wensch is natuurlijk reeds dadelijk ingewilligd, alleen..."

"Alleen?" vroeg Orion.

"Alleen moet gij haar hierheen zenden, want gij weet dat ik het
stadhouderlijk paleis niet weder betreden wil."

"Helaas! Maar het kind is zwaar ziek geweest en zal het huis moeielijk
kunnen verlaten. En--dit moet ik er bijvoegen--mijne moeder ontwijkt
het op eene wijze, die het toch reeds overprikkelde kind verdriet
doet en telkens opnieuw beangstigt."

"Hoe kan vrouw Neforis haar hartediefje dat leed aandoen?"

"Bedenk toch eens," zeide Orion met een zucht, "wat mijne arme moeder
voor mijn vader geweest is! Thans is zij als verpletterd en als zij
het kind ziet, komt de laatste ure van haar ongelukkigen gemaal haar
weder voor den geest, en wat mijn vader en mij toen is aangedaan,
door Maria alleen. Zij ziet in die kleine de booze demon van ons huis."

"Dan moet men haar daaruit verwijderen," zeide Paula bewogen. "Zend
haar naar ons! Onder het dak van Rufinus huizen vriendelijke en
vertroostende geesten."

"Hartelijk dank! Ik zal mijne moeder zoo dringend mogelijk vragen...."

"Doe dat!" haastte Paula zich te zeggen. "Hebt gij Pulcheria, de
dochter van mijn waardigen gastheer gezien?"

"Ja, een eigenaardig lieftallig meisje."

"Zij geeft Maria dadelijk eene plaats in hare trouwe ziel."

"En onze arme kleine heeft eene vriendin noodig, sedert vrouw Susanna
hare dochter heeft verboden den voet over onzen drempel te zetten."

Nu kwam het gesprek op de beide meisjes en zij spraken over haar als
lieve, beklagenswaardige kinderen, en toen Orion opmerkte hoe ver
zijn nichtje in ontwikkeling hare jaren vooruit was, voegde Paula er
bij, op een toon van zacht verwijt: "Ook Katharina hebben de laatste
dagen gerijpt; uit het flinke kind is een meisje geworden, welks kort
geleden zoo luchtig hartje bezwaard is door pijnlijke ervaringen."

"Die last wentelt zij, als ik haar goed ken, weldra weder van zich
af," antwoordde de ander. "Zij is een lief, vroolijk, klein schepsel,
en onder al het kwaad, dat ik op dien vreeselijken dag heb begaan, heb
ik haar misschien het ergste leed aangedaan. Ik kan niets tot mijne
verontschuldiging aanvoeren, en toch: alleen om den lievelingswensch
van mijne moeder te vervullen, stemde ik toe om haar te vragen... Maar
spreken wij daarover niet verder! De groote schreden waarmede ik
van nu aan mijn weg verder vervolgen wil, moet zij kunnen volgen,
wie de liefde den moed geeft om mijne levensgezellin te worden!"

De laatste woorden had Katharina nog met alle inspanning verstaan,
thans sloegen de beluisterden een pad in dat, maar even door enkele
boomen voor de middagzon beschut, naar het waterbekken in het midden
van den tuin leidde, en zij verwijderden zich al verder en verder. Zij
verstond niet meer wat zij zeiden, doch zij had genoeg gehoord en kon
de rest er wel bij denken. Het hoofddoel van hare tegenwoordigheid aan
deze plaats was bereikt; zij meende nu zeker te weten wie die andere
was. En hoe hadden die twee over haar gesproken! Niet als over eene
verlatene bruid, wier goed recht men met voeten heeft getreden, maar
als over een kind, dat men de deur wijst, wanneer het lastig begint te
worden. Doch zij meende dat paar daarginds te doorzien en te weten,
waarom het dus over haar gesproken had. Paula moest voorkomen dat er
een nieuwe band tusschen haar en Orion geknoopt werd, en hij hield
het voor verstandig over haar, die hij toch eens met teederheid had
overladen, te spreken als over een kind, om zich te vrijwaren voor
de jaloezie van de andere die zoo gestreng oordeelde. Dat hij haar
althans op dien avond onder de boomen had liefgehad, daaraan hield
zij met onwrikbare taaiheid vast, aan deze overtuiging moest zij
zich vastklemmen, om niet het laatste steunpunt te verliezen. Hare
geheele natuur was in geweldigen opstand. Hare handen beefden, bij
deze middaghitte was haar mond als verdroogd. Zij wist dat er verdord
loof tusschen hare voeten en de sandalen was geraakt, en dat bladeren
en takjes in heure haren waren blijven hangen doch zij lette hierop
niet, en toen de de dichte struiken de wandelenden aan hare blikken
onttrokken, snelde zij naar haar uitkijk terug. Dáar kon zij hen
weder met het oog bereiken, en nu had zij het liefste en beste wat
zij bezat willen geven om dat te zijn, waarmede zij zich ongaarne
hoorde vergelijken: een kwikstaartje of een andere vogel.

Het middaguur moest nabij, zeer nabij zijn, misschien was het reeds
daar; zij maakte hare sandalen schoon, en gaf er geen acht op dat
eene roos op den grond viel, terwijl zij hare krullen weder in orde
bracht en zuiverde van de dorre bladeren. Alleen de handen, niet de
oogen waren met dit werk bezig. Plotseling verhelderde haar blik,
want het paar dat zij bespiedde, liep recht op de heg toe, en weldra
zou het haar mogelijk zijn hen weder te beluisteren.



DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.


Orion en Paula hadden over veel gesproken, sedert de eerste het huis
van Rufinus had betreden. De onderhandelingen over de bezorging van
het vermogen der Damasceensche hadden lang geduurd. Ten laatste hadden
hare raadgevers besloten, de eene helft te plaatsen bij den juwelier
Gamaliël en zijn broeder, die te Konstantinopel aan het hoofd stond
van eene groote zaak. Toevallig was deze te Memphis en beide broeders
hadden zich bereid verklaard, om het aangeboden kapitaal ieder voor
de helft tegen eene behoorlijke rente in ontvangst te nemen. Beiden
wilden gemeenschappelijk de verantwoordelijkheid op zich nemen zoodat
ieder borg bleef voor het geheel van het hun toevertrouwd vermogen,
wanneer de ander, om welke reden dan ook, zijne betalingen eens moest
staken. Nilus had op zich genomen te zorgen voor de rechterlijke
bekrachtiging van dit verdrag en de vereischte zestien getuigen. Het
andere deel van het vermogen zou, op voorstel van den arts Philippus,
de broeder van den Arabischen koopman Haschim ontvangen, die in
de nieuw gebouwde stad Fostat aan den oostelijken Nijloever een
wisselbank had opgericht, waarin ook de tapijthandelaar deel had. Deze
plaatsing had dit voor, dat het kapitaal onaantastbaar bleef, zoolang
de Arabieren in Egypte heerschappij voerden. Na deze onderhandelingen
ging Nilus heen met dat gedeelte van het vermogen, hetwelk aan den
muzelmanschen wisselaar morgen door Orion zou worden toevertrouwd.

Paula was getuige geweest van deze onderhandelingen der mannen, zonder
er echter aan deel te nemen; zij had alleen dankbaar hare toestemming
gegeven tot hetgeen besloten was. Het was haar niet ontgaan hoe klaar,
ernstig en beslist Orion zich getoond had bij deze overleggingen,
en hoewel de verstandige, korte, eenvoudig uitgesprokene opmerkingen
van den rentmeester altijd doeltreffend bleken te zijn, had zij toch
het meeste waarde gehecht aan de gronden en toelichtingen van Orion,
want het kwam haar voor als getuigden ze van grooter staatsmanswijsheid
en dieper inzichten dan die der overigen. Na het sluiten der zitting,
had men haar met Orion alleen gelaten.

Er volgden onvermijdelijk pijnlijke oogenblikken, waarin het hart van
den jonkman zoowel als het hare sneller klopten. Eerst toen de zoon
van den Mukaukas meer moed had gevat en om vergeving biddend aan hare
voeten was gezonken, was zij weder geheel tot kalmte gekomen en had
hem herinnerd aan zijn brief, die haar omtrent zijn persoon gerust
had gesteld. Doch het hart drong haar met onweerstaanbare macht tot
meerdere toenadering, en daaraan toegevende vroeg zij snel, wat hij
bedoeld had met den ruil, waarover hij geschreven had.

Hij was daarop met neergeslagen oogen tot haar gekomen, had uit de
borstplooien van zijn gewaad een doosje te voorschijn gehaald, hetwelk
de smaragd bevatte met de verborgen kas van bladgoud. Beiden had hij
haar smeekend toegestoken, en daarbij met zijne zware stem op zijn
eigenaardigen diepen toon gezegd: "Ziedaar uw eigendom! Neem het aan,
en schenk mij in de plaats ervan uw vertrouwen, uwe vergeving!"

Hierop was zij enkele schreden achteruit gegaan, had eerst hem, daarna
den steen en de kas verrast, blijde en ontroerd met wijd geopende
oogen aangezien. Het was den jonkman daarbij niet mogelijk geweest
een woord te spreken, en hij had haar het juweel en het eenvoudig
stuk bladgoud dichter en dichter onder de oogen gebracht, toegereikt
als een arme, die het waagt een trotsch, rijk en aanzienlijk man het
beste wat hij heeft ten geschenke aan te bieden, ofschoon de gave te
gering is voor hem die haar ontvangt.

Paula was niet lang besluiteloos gebleven, maar had naar zijne gave de
hand uitgestoken, en dankbaar met hare van vreugde stralende oogen het
verloren kleinood als verslonden. Eergisteren zou zij het als bezoedeld
en ontheiligd beschouwd hebben, het zou streelend zijn geweest voor
haar trots dezen kostbaren schat vrouw Neforis en haar zoon opeens
voor de voeten geworpen te hebben, om dien nimmer weder te zien. Zoo
bezwaarlijk geeft men het recht op, om hem te haten die op misdadige
wijze ons leven verbitterd en onze zielen gewond hebben. Doch heden
deed Paula vrijwillig afstand van een recht, dat zij nog kort geleden
voor niets zou hebben prijs gegeven, ja zij wees dien eisch af als een
drukkenden last, die de vrije ademhaling en het rustig kloppen van
het hart belemmert. In dit juweel zag zij thans weder het dierbaar
aandenken aan hare overledene moeder, het vereerend sieraad dat een
groot monarch aan een harer voorouders had geschonken, en zij was
blijde dat het haar weder toebehoorde. Deze herinneringen hadden
echter het warme, zonnige gevoel, dat haar thans doordrong, niet bij
haar doen ontwaken en zij waren ook de oorzaak niet dat het zoo snel
in kracht was toegenomen; neen, hare oogen letten nauwelijks op den
fraaien, blinkenden steen, maar staarden onafgebroken op het armzalig
bladgoud, waarin hij was gevat en dat haar zulk eene vreeselijke ure
had bereid.--Wel bezat dit ellendig verbogen voorwerp de macht zich
voor hare rechters en vijanden te rechtvaardigen; wel zou het haar
gemakkelijk zijn gevallen met dit ding in de hand hare aanklagers te
vernietigen; maar ook dit was het niet wat haar zoo onuitsprekelijk
goed deed. Het woord van den arts was haar voor den geest gekomen,
dat er namelijk geen grooter vreugde is dan te ervaren zich in een
mensch tot zijn nadeel bedrogen te hebben, en zij had den man die
daar voor haar stond eenmaal liefgehad. Hij stond daar diep bewogen
voor haar, wederom bereid tot alle goed, en het oordeel dat zij over
hem geveld had, was honderd-, ja duizendmaal te hard geweest! Alleen
een edele verwacht met vertrouwen edelmoedigheid van den vijand en
hij, hij gaf zich weerloos over in de handen van haar, die door deze
noodlottige, misschien eenige schandelijke daad zijns levens doodelijk
getroffen was. Met dit stuk bladgoud leverde Orion zich zelven uit,
als bezitster van dezen talisman stond zij tegenover hem als het
almachtige noodlot! En toen zij den blik naar hem opsloeg en zijne
groote oogen zag, waaruit geest en leven straalden en waarin tranen
blonken van innige ontroering, scheen het haar onbetwistbaar zeker,
dat deze lieveling der fortuin, die zoo zwaar gezondigd had, toch
in staat was het grootste en hoogste te bereiken wanneer een vriend
hem wees op den verhevensten eisch des levens, en hij bereid werd
bevonden diens wenk te volgen. En deze vriend wilde zij voor hem zijn!

Evenals Orion zoo kon ook zij eerst geen woorden vinden. Eindelijk
was hij zichzelven niet meer meester, naar haar toegesneld, en had
hij zijne lippen met warmen dank op hare rechter hand gedrukt. Zij
had het zich moeten laten welgevallen en zou ook niet in staat zijn
geweest het te beletten als hij haar driftig, gelijk in dien droom, in
de armen gekneld en aan zijn hart gedrukt had. Met geestdrift was zijn
brandende mond op hare hand blijven rusten, doch maar een oogenblik had
zij toegegeven aan de machtige ontroering, die haar had aangegrepen;
toen was zij door de wilskracht ten goede, die haar bezielde, haar
gevoel meester geworden, had hem bepaald maar toch niet onvriendelijk
teruggewezen, en hem op bewogen en liefderijk schalkschen toon,--iets
dat hem vreemd in haar voorkwam en hem nog meer in verrukking
bracht dan hare grootheid en trots--met dreigend opgeheven vinger
toegeroepen: "Neem u in acht, Orion! Ik behoud den steen en de kas,
ja ook de kas! Wacht de gevolgen maar af, gij onvoorzichtige man!"

"Spreek niet zoo," had hij in zalige stemming geantwoord. "Zeg liever:
gij dwaas, die eindelijk eens eene verstandige daad volbrengt. Wat ik u
hier uitlever is geen geschenk, maar altijd uw eigendom geweest. Voor
u kan het niet meer of niet minder gelden dan vroeger, doch voor mij
heeft het nu deze nieuwe, onschatbare waarde, dat het mij, mijne eer,
misschien ook mijn leven in uwe handen stelt, dat gij nu over mij
beschikken kunt gelijk de keizer over zijn armsten dienstknecht in
het paleis. Behoud en gebruik den steen en dit noodlottig nietswaardig
stukje goud, tot de dag komt, waarop mijn wél en wee het uwe zal zijn."

"Om der wille van den afgestorvene," had zij hem sterk blozende
geantwoord, "gaat dit wél mij thans reeds ter harte. Wie over
het hoofd van een ander den vloek eens vaders bracht, is het haar
plicht niet den zwaar belaste te helpen, om zich van dien vloek te
ontheffen? En misschien ligt dit in mijne macht, Orion, wanneer gij
het niet versmaadt den raad te volgen van een onwetend meisje."

"Spreek!" had hij met aandrang gebeden, doch zij had hieraan niet
dadelijk gehoor gegeven, maar hem verzocht met haar in den tuin te
gaan. Hem zoowel als haar was de sombere kamerlucht onverdragelijk
geworden, en zoodra toen zij het huis verlieten, hadden de bespiedende
blikken van Katharina het paar in het oog gekregen, waarbij het deze
niet ontgaan kon hoe beider wangen gloeiden. Daarbuiten temperde
een nauwelijks merkbaar zuchtje van de Nijlzijde den middaggloed, en
hier had Paula den moed gevonden hem uiteen te zetten wat Philippus
zijne levensopvatting noemde.--Deze was hem niet nieuw, ja zij was
in overeenstemming met de voornemens, die hij ten aanzien van zijn
toekomstig leven had opgevat. Dankbaar nam hij die levensopvatting
over; "het leven een ambt, een dienst, eene verplichting," dat was
als eene roepstem, die hem bij het doorzetten van zijne plannen voor
de toekomst behulpzaam zou zijn.

"En dit woord," zeide hij tot Paula, "zal mij bovendien lief zijn,
omdat het komt uit uw mond, doch voor mij het is niet meer noodig. Ook
de wijste en nuttigste levensregelen hebben nog geen mensch beter
gemaakt. Wie nam ze niet uit de school in de wereld mede? Woorden
helpen niets, als zich niet bij de vaart door het leven de mannelijke
wil aan het roer zet. Ik heb dien opgeroepen en deze zal mij tot het
doel leiden, want den stuurman zweeft eene heldere ster voor oogen,
die hem geleidt. Gij, meisje, kent haar, het is..."

"Het is datgene wat gij uwe liefde noemt," sprak zij blozende hem in
de rede vallende. "Uwe liefde voor mij, en ik wil aan haar gelooven."

"Gij wilt!" zeide hij met vuur. "Gij veroorlooft mij te hopen..."

"Hopen, hopen!" haastte zij zich weder te zeggen, "intusschen..."

"Intusschen," ging hij voort, "'dring thans niet verder aan',
wildet gij laten volgen. O, ik versta u, en voor ik niet voel dat gij
weder reden hebt om op te zien tot den dwaas, die u door eigen schuld
verloren heeft, spreek ik, die u eens als een doodvijand bestreden heb,
zelf het laatste woord niet uit, leg ik aan mijn smachtend verlangen
het zwijgen op, wil ik beproeven..."

"Zult gij beproeven mij te toonen, neen, zult ge mij toonen," hernam
Paula, "dat ik in u uit een vijand en vervolger den meest geliefden
vriend heb gewonnen. Wij weten nu wat wij aan elkander hebben, willen
verder steeds en blijmoedig op elkander bouwen en den Allerhoogste
danken, dat hij een nieuwen heerlijken levensweg voor ons geopend
heeft. Wij willen te zamen dezen dag..."

"Zegenen en onder de besten rekenen," viel Orion blijmoedig in,
en nu volgde het gesprek over de kleine Maria, dat Katharina had
afgeluisterd.

Toen zij zich weder uit het bereik van haar gehoor verwijderd
hadden, verklaarde Orion, dat de zaak van het kind tot morgen moest
blijven rusten, daar hij heden aan gene zijde van den stroom met den
veldheer Amr moest spreken. Zeer bepaald verklaarde hij zich tegen
hare bezorgdheid, dat hij zich door den muzelman tot zijn geloof zou
laten overhalen; want hoeveel lust hij ook had om den patriarch te
doen gevoelen, dat hij niet van plan was den smaad zijn vader aangedaan
lijdelijk te dragen, was hij toch te vast aan zijn geloof gehecht, wist
hij te goed wat hij aan de nagedachtenis van den afgestorvene en ook
aan haar verschuldigd was, om tot dit uiterste over te gaan. Vervolgens
schilderde hij haar met geestdrift, hoe hij in de toekomst zijne
beste krachten aan zijn arm onderworpen vaderland dacht te wijden,
hetzij in dienst van den Kalief, hetzij op andere wijze. Vol vreugde
liet zij zich medeslepen door zijne edele opgewondenheid, ging zij
op zijne plannen in en gevoelde weder met stil genot het meesterschap
van zijn geest en de groote veerkracht zijner ziel.

Toen het gesprek haar onwillekeurig op het verledene bracht, vroeg zij
hem zacht, op den man af en zonder hem aan te zien, waar de smaragd
uit het Perzische tapijt gebleven was.

Hij verbleekte, keek voor zich en antwoordde aarzelend, dat hij dien
naar Konstantinopel had gezonden om hem in goud te laten vatten en
op te maken tot een sieraad--waardig voor haar, die hij...

Doch eensklaps hield hij op, stampte boos met den voet op den grond
en zeide, terwijl hij de jonkvrouw flink in de oogen zag: "Leugen,
vervloekte, onwaardige leugen! Van kindsbeen af heb ik de waarheid
gehuldigd, maar het is als verlangde die verwenschte aller dagen iets
onwaardigs van mij, telkens wanneer ik er weer op terugkom. Ja Paula,
ja, de steen is op weg naar Byzantium, maar dat gestolen goed was
niet voor u bestemd, maar voor eene schoone, zachte vrouw, die zeker
niet verdient veroordeeld te worden, eene vrouw die mij haar hart
had geschonken. Zij is voor mij nooit meer geweest dan een aardig
speelgoed; toch zijn er uren geweest, waarin ik geloofde... Arme
ziel!... Eerst door u heb ik de liefde leeren kennen, geleerd hoe
groot zij is en hoe heilig. Ziedaar, dat is de waarheid!"

Hierna wandelden zij weder op en Katharina, die den samenhang dezer
verklaring niet had kunnen rijmen, verstond nu weder hoe Paula
met warmte en blijmoedig tot hem zeide: "Ja, dat is de waarheid,
ik begrijp het; en van nu aan zij er eene streep gehaald door dezen
heilloosten aller dagen, worde hij uit uw en mijn leven uitgewischt,
en wat gij mij verder ook zeggen wilt, ik zal het gelooven!"

Verder vernam het luistervinkje hoe de jonkman antwoordde met bevende
stem: "En gij zult u in mij niet bedrogen vinden! Ik ga thans, ik ga,
en bij al mijne ellende als een blijmoedig man, die op nieuw geluk mag
hopen. O meisje, dit alles ben ik aan u verschuldigd! En, niet waar,
als wij elkander wederzien, zult gij mij niet anders bejegenen dan
op dien avond bij die spelevaart na mijne terugkomst?"

"Zelfs met nog blijder vertrouwen," hernam Paula, waarbij zij hem
met eene edele aandrift, die het hart haar ingaf, de hand reikte. Hij
drukte haar een oogenblik vast aan zijne lippen en sprong toen in het
zadel, om in snellen draf den tuin te verlaten. Zijn slaaf volgde hem.

"Katharina, kindlief, Katharina!" zoo riep uit de richting van
het huis der weduwe Susanna eene krijschende vrouwenstem. Het
kwikstaartje verschrikte, en wierp, terwijl het de hand nog even over
het haar streek, een boozen blik op de Damasceensche, "die andere,"
die vleister, die haar onder de sykomore schandelijk bedrogen had,
en zij balde de kleine vuist, nu er niets meer te luisteren viel,
toen zij Paula den heengaanden Orion met van vreugde stralende oogen
zag nastaren.

Met een zalig gevoel, en als had zij vleugelen aangeschoten, ging
Paula naar haar huis terug, terwijl de arme, diep gekrenkte kleine
bij het eerste scheldwoord harer moeder, die allesbehalve tevreden
was met haar verfrommeld toilet, in heete tranen losbarstte en daarna
weerbarstig en korzelig zeide, dat zij den patriarch den ruiker niet
aanbieden maar op haar kamer blijven wilde, daar zij bijna stierf
van hoofdpijn. En zoo gebeurde het ook.



VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.


In den namiddag gaf Orion gehoor aan de roepstem van den Arabischen
gebieder over Egypte. Op zijn edel ros reed hij over de schipbrug. Twee
jaren geleden zag men ter plaatse waar nu de nieuwe residentie Fostat
zich aansloot bij het oude fort Babylon niets anders dan akkers en
tuinen, maar als door een wonder was zij op bevel van Amr als uit
de aarde opgeschoten, en thans verhief zich in de straten en op
de pleinen reeds het eene huis naast het andere, de haven lag vol
schepen en booten, op de markt heerschte groote bedrijvigheid, en
waar gedurende het beleg der vesting Babylon de winkel van een kramer
stond, omgaven nu reeds lange dubbele zuilenrijen de ruime bidzaal
van eene moskee. Van Egyptenaars en Egyptisch leven was hier weinig
te zien; het was als had een demon een deel van Medina uit Arabië
aan den Nijl verplaatst. De menschen, de dieren, de huizen, de kramen
droegen den stempel van hun vaderland, ofschoon de gebouwen bewezen,
dat de bouwmeesters ook andere dingen hadden gezien in de door hen
veroverde beschaafde landen van Azië. Waar Orion een landsman zag,
stond deze als arbeider of rentmeester in dienst van den vreemdeling,
die hier zoo spoedig vasten voet had verkregen.

Voor zijn vertrek naar Konstantinopel had daar, waar zich nu tegenover
de half voltooide moskee het woonhuis van Amr verhief, een palmentuin
van zijn vader gestaan. Waar thans honderden muzelmannen met den
tulband op het hoofd en in de kleederdracht van hun vaderland, die
reeds veel weelderiger was geworden door den in korten tijd geroofden
buit en het gemeenzaam verkeer met pronklievende natiën, zich heen en
weer bewogen, deels te voet, deels te paard, en lange rijen kameelen
gehouwen steenen droegen naar de bouwplaats, had hij weleer slechts
nu en dan een ossenwagen met knarsende raderen ontmoet, een ruiter
op een ezel of op den ongezadelden rug van een oud trekpaard, en van
tijd tot tijd ook eenige overmoedige Grieksche soldaten. In plaats
van de taal zijner voorouders en van de Grieksche overheerschers van
weleer vernam hij thans de harder en scherper klinkende van de zonen
der woestijn. Zonder den dienaar, die naast hem ging, zou hij zich
op zijn eigen vaderlijken grond niet hebben kunnen doen verstaan.

Het huis van Amr was spoedig bereikt en een Egyptisch schrijver
deelde hem hier mede, dat zijn heer op de jacht was en hem niet in
de stad maar op den Lichtenburg ontvangen zou. In dit schoone gebouw,
oorspronkelijk opgetrokken voor den prefect des keizers op eene goed
gekozen plaats van het kalkgebergte, dat zich achter het fort Babylon
en de nieuw verrijzende stad verhief, had Amr thans zijne vrouwen,
kinderen en lievelingspaarden geherbergd, en om goede redenen hield hij
zich daar liever op dan in het huis in de stad, te midden van al die
voor den dienst bestemde vertrekken. Bovendien benam hier de nieuwe
moskee het uitzicht op den Nijl, terwijl men van den Lichtenburg ver
in de rondte kon zien.

De zon neigde ten ondergang, toen Orion zijn doel bereikte; doch de
veldheer was nog niet van de jacht teruggekeerd en de poortwachter
verzocht hem wat te toeven. Den jongeling, die gewoon was door zijne
landgenooten als de erfgenaam van den eersten man des lands behandeld
te worden, steeg het bloed naar het hoofd, en het deed zijn Egyptisch
hart zeer, dat hij tegenover den Arabier zijn trots buigen en zijn
spijt verkroppen moest. Hij behoorde thans tot de onderworpenen,
en de gedachte dat éen woord uit zijn mond voldoende zou zijn,
om weder in de rij der heerschappij voerenden te worden opgenomen,
vatte opeens en met nadruk post in zijne ziel. Doch hij onderdrukte
haar met alle kracht en liet zich zwijgend naar het terras brengen,
dat door lange met wijngaardloof omrankte gaanderijen voor de
zonnehitte beschut werd. Hij nam plaats op eene der marmeren banken
bij de borstwering van dit groote tuinbalcon en liet zijn oog door de
ruimte weiden. Al wat hij daar zag was hem nauwkeurig bekend, immers
het was het tooneel zijner kindsheid en vroege jeugd. Dit tafereel
had zich wel honderdmaal voor zijne oogen uitgebreid, en toch maakte
het heden een gansch anderen indruk op hem dan vroeger. Zou er, vroeg
hij zich af, wel een vruchtbaarder, weelderiger land gevonden kunnen
worden dan het zijne? Hadden niet reeds de Grieksche dichters den Nijl
bezongen als de eerwaardigste aller rivieren? Had de groote Caesar het
ontdekken van zijn oorsprong niet zulk eene heerlijke taak geacht,
dat hij daarvoor, volgens zijne eigene uitspraak, de heerschappij
over de wereld zou hebben prijsgegeven?

Eeuwenlang had van de opbrengst dezer uitgestrekte akkers het geluk
en het ongeluk afgehangen van de grootste steden der aarde, ja het
keizerlijk Rome en het machtig Konstantinopel hadden gebeefd bij
de vrees voor naderenden hongersnood, wanneer een mislukte oogst
de hoop van den landman verijdelde. Was er eene vlijtiger bevolking
van landbouwers te vinden, en bestond er voorheen wel eene wijzer en
kunstvaardiger? Als hij terugzag op de lotgevallen en daden der natiën,
dan zag hij in het verst verwijderd verschiet, daar waar het spoor
der geschiedenis nog bijna niet te herkennen is, als eerste en oudste
gedenkteekenen van het menschelijk scheppingsvermogen de reusachtige
sphinx liggen, dezelfde pyramiden staan, die als oudste kunstmonumenten
daarginds, aan gene zijde van den Nijl en zijne vervallene vaderstad
Memphis, aan den voet van het Lybische gebergte zich altijd nog
onveranderd, even grootsch en trotsch als weleer verhieven en eerbied
afdwongen. Hij was een nazaat dergenen, die deze onvergankelijke
kunstwerken hadden opgericht, wellicht vloeide in zijne aderen nog
een druppel van het bloed der pharaonen, die in deze reuzenmausoleën
eeuwige rust gezocht, wier grootere nakomelingen aan het hoofd
hunner legerscharen de halve wereld onderworpen en bewondering en
gehoorzaamheid afgedwongen hadden. Hij, die zich zoo vaak gevleid had
gevoeld, wanneer men--niet enkel met het oog op de taalverbastering,
die zijn tijd kenmerkte--zijn zuiver Grieksch en zijne innemende
Helleensche manieren prees, hij gevoelde zich hier op dit oogenblik
trotsch op zijne Egyptische afkomst. Ruimer ademhalende rustte zijn oog
op het westen en de ondergaande zon scheen hem de onschatbare waarde
van zijn vaderland prachtig te willen verduidelijken, terwijl zij,
haar wondervol licht uitgietende over het geheele landschap, de akkers,
den stroom, de palmbosschen, de daken der stad, ja zelfs het naakte
woestijngebergte en de pyramiden in louter goud veranderde. Thans ging
zij achter den keten der Libysche hoogten ter rust. De naakte, heldere
kalkrots glinsterde als lichtende ijskristallen, en het was alsof de
vuurbol in het hart van het gebergte wegsmolt, terwijl zij achter zijn
kam verdween, als verbonden die laatste opwaarts schietende stralen
het dal zijner geboorte door millioenen gouden draden met den hemel,
de woning der godheid, die het boven alle andere landen gezegend had.

Dit heerlijk stukje grond en zijn volk van de overheerschers te
bevrijden, daaraan de macht en de grootheid weer te geven, die het
eens bezeten had; de halve maan te rukken van de tenten en gebouwen
daar beneden, in de plaats daarvan weer het kruis te planten, dat hem
van kindsbeen heilig was; den overmoed der muzelmannen te fnuiken aan
het hoofd van met geestdrift bezielde Egyptische mannen, en met dezen
het oosten te onderwerpen als die Sesostris, waarvan geschiedenis en
sage wisten te spreken, dat was eene taak, den kleinzoon van Menas, den
zoon van den grooten en rechtvaardigen Mukaukas Georg waardig. Tegen
zulk een plan zou Paula zich niet verzetten, ja zijne overprikkelde
verbeelding deed hem in haar aan zijne zijde eene tweede Zenobia zien,
bereid om zulk eene grootsche roeping te volgen, om te handelen,
hem bijstand te verleenen, te heerschen!

Geheel onder den indruk van deze bespiegelingen in de toekomst,
had hij zijn blik afgewend van het glanzend schouwspel van dezen
zonsondergang en voor zich gestaard; daar stoorden de stemmen van
menschen op den weg in de onmiddellijke nabijheid van het terras
zijne hoogvliegende droomen. Hij keek naar beneden en zag aan zijne
voeten ongeveer een twintigtal Egyptische arbeiders, vrije, door
geene teekenen van slavernij onteerde lieden, die met weerzien en
toch zwijgend gehoorzamende daarheen trokken en aan geen tegenweer of
vluchten dachten, ofschoon éen enkele Arabier hen in ontzag hield. Dit
gezicht trof zijn in hooge mate opgewonden gemoed, als eene wolkbreuk
het glimmend vuur, als een hagelslag het jonge groene graanveld. Zijn
oog, dat zooeven nog vol geestdrift fonkelde, zag teleurgesteld en
met minachting op de ongelukkigen neer, wie hetzelfde bloed door de
aderen stroomde. Een trek van bitteren spot speelde om zijn mond,
want die schare vrijwillige slaven achtte hij zijn toorn niet waard,
en des te minder hoe levendiger hij zich voorstelde wat zijn volk
eenmaal was geweest en wat het nu was. Eigenlijk dacht hij er niet
over na, maar terwijl de duisternis viel, kwam in zijne herinnering
het eene tooneel na het andere op, waarbij Egyptenaars zich smadelijk
gedragen en bewezen hadden, dat zij de vrijheid niet verdienden en
gewoon waren als knechten te bukken. Gelijk thans éen Arabier zoo
waren vroeger drie Grieken voldoende geweest, om eene geheele schare
zijner landslieden in bedwang te houden. Op de landgoederen en aan
het hof zijns vaders had hij tallooze voorbeelden gezien van eene
bijna blijmoedige onderdanigheid van Egyptische boeren, dorpshoofden
en beambten, enkel vrijgeboren lieden. Hadden ook in Alexandrië en
Memphis zijne stamgenooten het juk der vreemde overheersching niet
gewillig gedragen, en het zich laten welgevallen overal, evenals waren
zij van minder soort en afkomst, door de Grieken in de schaduw gesteld
en vernederd te worden, als men maar niet raakte aan de instellingen
en spitsvondige geloofsartikelen van hun godsdienst?--Alleen in
het laatste geval had hij hen zien opstaan en hun bloed vergieten,
doch ook dan nog met groot misbaar en veel belovend vertoon. Reeds
de eerste nederlaag was beslissend en een handvol goed geoefende
strijders bleek voldoende om hen zulk eene te doen lijden.

Voor dit volk, met dit volk en aan zijn hoofd iets groots te willen
ondernemen tegen een machtigen, stouten veroveraar zou waanzinnig
geweest zijn. Hem bleef niet anders over dan in dienst van den vijand
zijn volk mede te beheerschen en zijne beste krachten in te spannen,
om het lot zijner landgenooten dragelijker te maken. Daarom had ook
zijn wijze vader, een man van zooveel ervaring, het raadzamer gevonden,
om zijne landslieden van dienst te zijn als bemiddelaar tusschen hen
en de Arabieren op te treden, dan den muzelmannen een vruchteloozen
weerstand te bieden aan het hoofd der Byzantijnen. "Ellendig, ontaard
geslacht!" mompelde hij verstoord in zichzelven, terwijl hij overlegde
of hij den tuin verlaten en den overmoedigen Arabier toonen zou,
dat althans nog éen Egyptenaar den moed had om zich zijne minachting
niet te laten welgevallen, dan of hij ter wille van de goede zaak
blijven, zijn toorn onderdrukken en de rest afwachten zou. Neen,
zulk eene behandeling wilde en mocht hij, de zoon van den Mukaukas,
niet dulden. Hij wilde liever als rebel het leven laten of in de
wijde wereld gaan rondzwerven, om ver van zijne geboortegrond een
groot veld voor zijne werkzaamheid te zoeken, dan met den voet van
dezen vreemdeling op den vrijen nek.

Midden in deze overpeinzingen werd hij gestoord door voetstappen
in zijne nabijheid, en toen hij omkeek zag hij lantaarnen, die al
schommelende juist naar hem toekwamen. Dat moesten boden zijn van Amr,
om hem te geleiden tot hun meester die dan, daarvan hield hij zich
overtuigd, zoo genadig zou zijn, vermoeid van de jacht hem op zijn
rustbed te ontvangen, en hem zeer uit de hoogte, als had hij met een
vrijgelatene te doen, zou vragen wat hij begeerde.

Doch het waren niet enkel boden die kwamen, neen, de groote veldheer
zelf zocht hem op; de lampendragers moesten niet hem, Amr, maar "den
geliefden zoon van zijn gestorven vriend" voorlichten. De trotsche
plaatsvervanger van den Kalief was op dit oogenblik de voorkomende
gastheer, wien het gastrecht gebood den man, dien hij de hand had
gereikt om hem welkom te heeten, het verblijf onder zijn dak te
veraangenamen. In verstaanbaar Grieksch, dat hij reeds in zijne
jeugd geleerd had, toen hij eene karavaan naar Alexandrië geleidde,
verontschuldigde hij zich over zijn lang uitblijven, en sprak zijn
leedwezen uit Orion zulk een tijd te hebben laten wachten, hij berispte
zijne dienaars, die verzuimd hadden zijn gast in huis te brengen en
hem ververschingen aan te bieden. Op den weg door den tuin legde hij
zijn arm op den schouder van den jongeling, vertelde hem dat de leeuw
dien hij vervolgd had, hoewel door een zijner pijlen getroffen, hem
ontkomen was en voegde er dan opgewekt bij dat hij hoopte de schade
weer in te halen en in plaats van het ontsnapte roofdier heden een
nog edeler wild voor zich te winnen.

Den jongeling bleef niet anders over dan zooveel hoffelijkheid met
beleefdheid te beantwoorden, en dat werd hem gemakkelijk gemaakt, want
de welluidende stem van den veldheer, die getuigde van ongeveinsde
hartelijkheid, alsmede diens natuurlijke en voorname houding, deden
hem goed, streelden hem, boezemden hem vertrouwen in, en namen hem
onwillekeurig in voor den man op rijper jaren, die tegelijk een
beroemd held was.

In een helder verlichte, met kostbare Perzische tapijten behangen kamer
noodigde Amr zijn gast uit, om het eenvoudig jagersmaal met hem te
deelen en zich de Arabische gewoonten te laten welgevallen. En zoo nam
Orion plaats op de eene zijde van den divan, terwijl op de andere de
veldheer en zijn Wekil [11] Obada, een Goliath met het zwarte gelaat
van een Moor, naar de zeden huns volks meer hurkten dan zaten. De
donkerkleurige reus verstond, zooals Amr zijn gast mededeelde, geen
Grieksch en bracht slechts nu en dan iets in het midden, hetwelk de
veldheer, als hij het noodig oordeelde, voor Orion vertaalde, en dezen
beviel wat die zwarte tusschen het gesprek invlocht al even weinig als
zijne geheele houding en verschijning. Obada was in zijn kindsheid een
slaaf geweest en had zich door zijne eigene bekwaamheden weten op te
werken tot den hoogen rang, dien hij thans bekleedde. Het eten, dat hij
gulzig en op ruwe manier verslond, scheen hem geheel bezig te houden,
en toch moest hij, die geen Grieksch verstond, het gesprek zeer goed
kunnen volgen, gelijk bleek uit zijne opmerkingen. Wanneer hij opkeek
van de schotels, die op lage tafeltjes voor de spijzenden geplaatst
werden, om wat te zeggen, verdraaide hij zijne groote oogen zoo,
dat men alleen het wit ervan zag; richtte hij ze echter op Orion, dan
was het dezen of die kleine zwarte oogappels doordringende, brandende
stralen schoten, en zeiden dat hij hem zeer kwalijk gezind was.

De tegenwoordigheid van dezen man van wiens onvrije geboorte--in
het oog van den aanzienlijken jonkman iets om hem te minachten--van
wiens wilde dapperheid en groote scherpzinnigheid hij gehoord had,
beangstigde hem, en al verstond hij niet wat Obada sprak, er lag
toch in den toon zijner woorden iets wat hem het bloed naar het
hoofd deed stijgen en hem meer dan eens aanleiding gaf de tanden op
elkaar te klemmen. Hoe meer de houding en de taal van den veldheer
hem weldadig aandeden en innamen voor zijn persoon, des te meer
afkeer kreeg hij van zijn onbehagelijken plaatsvervanger, en hij
voelde dat hij zich vollediger en vrijer zou hebben uitgesproken,
menige vraag doeltreffender zou hebben beantwoord, als hij met Amr
alleen was geweest. In den beginne liet de veldheer Orion vertellen
van zijn verblijf te Konstantinopel en van zijn vader, en scheen met
bijzonder genoegen naar de mededeelingen van den jonkman te luisteren,
tot Obada hem opeens in de rede viel om een vraag tot zijn meester
te richten. Deze beantwoordde haar snel in het Arabisch en gaf weldra
aan het gesprek eene andere wending. De Wekil had gewenscht te weten,
waarom Amr den Egyptischen melkbaard zoo lang liet zwetsen eer de
hoofdzaak was behandeld, waarom hij hem geroepen had, waarop de
veldheer geantwoord had, dat hij meent het meest onderhoudend te
zijn, wien men gelegenheid geeft om zichzelven te hooren spreken;
overigens was de jonge man goed op de hoogte en wat hij vertelde was
bovendien gewichtig.

Terwijl de muzelmannen zich geheel van het drinken onthielden, werd
Orion op den voortreffelijksten wijn onthaald, doch hij dronk weinig,
en toen Amr eindelijk over de begrafenis zijns vaders begon te spreken,
aan de vijandelijke houding van den patriarch herinnerde en erbij
voegde, dat hij dezen heden morgen gesproken en zich verwonderd had,
hoe hij zoo lijnrecht tegenover zijn gestorven geloofsgenoot had
kunnen staan, die toch vroeger zijn vriend was geweest, nam Orion het
woord. Hij zette den veldheer duidelijk uiteen waarom de patriarch
eene zoo in het oogvallende vijandschap tegen zijn overleden vader
had aan den dag gelegd, die wijd en zijd was opgemerkt. Benjamin was
er thans alles aan gelegen voor de oogen der overige christenen zich
te zuiveren van het verwijt, dat hij een land, hetwelk den godsdienst
van den Heiland aanhing, had overgeleverd aan hen, die de christenen
"ongeloovigen" noemen; daarom had hij het erop toegelegd zijn vader
voor te stellen als den man wien eenig en alleen de schuld trof van
zijn geboortegrond aan de muzelmannen in handen te hebben gespeeld.

"Juist, juist, dat begrijp ik," gaf Amr den jongeling ten
antwoord; en toen deze vervolgens mededeelde, dat het wegens het
Cæcilia-klooster,--welks goed recht de patriarch had willen bestrijden
door aan een oud, maar duidelijk document eene verkeerde uitlegging
te geven--tusschen den kerkvorst en den afgestorvene tot een openbare
vredebreuk was gekomen, wisselde de veldheer ras een blik met den
Wekil, en vroeg Orion: "Maar gij? Zijt gij voornemens u geduldig te
laten welgevallen wat deze onrustige grijsaard, die u zoowel als uw
vader kwalijk gezind is, tegen u en het aandenken van den waardigen
Mukaukas verkiest te doen?"

"In geenen deele," antwoordde de jonkman trotsch.

"Dat is goed," riep de veldheer, "dat had ik van u verwacht, doch
leer mij de wapenen kennen, waarmede gij, als Christen, den slimmen
en invloedrijken man denkt te trotseeren, aan wien gij u zoo als
ik weet--en dat niet alleen ten aanzien van het heil uwer zielen,
op genade of ongenade hebt overgegeven."

"Ik ken ze zelf nog niet," antwoordde Orion, en keek voor zich toen
zijn oog den honenden blik van den Wekil ontmoette.

Maar Amr stond op, ging naar hem toe en zeide: "Gij zult ook tevergeefs
daarnaar zoeken, jonge vriend! En al vondt gij ze, toch zoudt gij ze
niet kunnen gebruiken. Het is gemakkelijker op eene verlatene vrouw,
een aal of een vliegenden vogel los te slaan, dan op die buigzame,
zwakke, ongewapende langrokken, die liefde en vrede in den mond dragen,
hunne weerloosheid en lichamelijke onmacht als schild gebruiken en met
onzichtbare, vergiftige pijlen ieder treffen, op wien zij het voorzien
hebben. En tot de zoodanigen behoort gij in de eerste plaats, zoon
van den Mukaukas; ik weet het en raad u op uwe hoede te zijn. Denkt
gij er echter werkelijk over den smaad der nagedachtenis uws vaders
aangedaan mannelijk te wreken, dan kunt gij spoedig uw doel bereiken,
hoewel altijd onder eene voorwaarde."

"Wijs mij het middel aan!" zeide Orion, en zijne oogen schoten vuur.

"Kort en goed: word de onze!"

"Daarvoor ben ik hier gekomen. Mijn geest en mijn arm zullen van
heden af behooren aan hen die mijn vaderland beheerschen, aan u,
aan ons gemeenschappelijk opperhoofd, den Kalief."

"Ja salam! [12] Goed zoo!" riep Amr, terwijl hij zijne hand op
Orions schouder legde. "Er is geen God buiten God; en de uwe is de
onze, want hij heeft geen tweede naast zich. Gij zult als geloovig
muzelman weinig hebben prijs te geven, want uw Heer Jezus Christus
rekenen wij mede onder de geloovigen, en dat de laatste en de hoogste
onder hen Mohammed is, de ware profeet Gods, onze Heer Mohammed, moet
gij, moet ieder erkennen, die niet met opzet de oogen sluit voor de
gebeurtenissen, die onder zijne aanvoering en in zijn naam gebeurd
zijn. Uw eigen vader heeft toegestemd...."

"Mijn vader?"

"Hij heeft moeten toegeven, dat wij ernstiger, dieper, met meer
geestdrift van ons geloof doordrongen zijn dan gij, al zijne eigene
geloofsgenooten."

"Dat weet ik."

"En toen ik hem vertelde, hoe ik bevolen had in onze nieuwe moskee
den lezenaar van den koranvoorlezer weg te laten, omdat deze zoodra
hij die plaats beklimt boven de andere biddenden staat, heeft de
vreugde over deze mededeeling den vermoeiden man opgefrischt en hem
bewogen tot eene luide bijvalsbetuiging. Wij muzelmannen--dat was de
beteekenis van mijn bevel--willen allen gelijk zijn voor den eeuwigen,
barmhartigen God; de leider der gebeden mag zich boven de anderen
zelfs geen hoofdlengte verheffen, en de leer van den profeet toont
ieder den weg tot de vreugde van het paradijs; wij hebben om haar
te vinden, geen menschelijke gidsen noodig. Het geloof, onze wil ten
goede, onze daden, en geen sleutel in de hand eens priesters openen
of sluiten voor ons den hemel. Als een der onzen kan geen Benjamin u
de vreugde der aarde vergallen, kan geen patriarch u en uw vader het
recht op de zaligheid ontzeggen. Gij hebt eene goede keuze gedaan,
jonkman! Geef mij uwe hand, mijn nieuwe geloofsbroeder!"

Daarop stak hij Orion in blijde ontroering zijne rechterhand toe. Doch
deze nam haar niet aan, maar deed een schrede achterwaarts en zeide
bezorgd: "Versta mij niet verkeerd, groote veldheer, hier is mijne
hand en ik ken geen hooger eer dan haar in de uwe te leggen, daarmede
op uw bevel het zwaard te zwaaien, haar te gebruiken in den dienst
van u en van mijn heer, den Kalief; maar ik mag de trouw aan mijn
geloof niet breken!"

"Zoo laat u dan door Benjamin vertreden!" sprak Amr teleurgesteld
en met weerzin, terwijl hij eene minachtende beweging met de hand
maakte en zich tot den Wekil wendde, om dezen op een honenden uitroep
schouderophalend antwoord te geven.

Orion zag beiden zwijgend en besluiteloos aan, doch weldra kwam hij
weder geheel tot zichzelven en zeide op den toon eener bescheidene en
dringende bede: "Luister naar mij, heer, en wijs niet af, wat ik in
staat ben u aan te bieden. Wat kan de overgang tot uw geloof mij anders
aanbrengen dan voordeel? En toch weersta ik deze groote verzoeking,
maar evenals mijn geloof zal ik ook mijn woord aan u weten te houden."

"Tot de priester u dwingt het te breken," haastte de muzelman zich
er schamper bij te voegen.

"Neen, neen!" zeide Orion. "Ik weet dat Benjamin mijn vijand is;
doch ik heb een dierbaren vader verloren en geloof aan een wederzien
hiernamaals."

"Ik ook!" hernam de muzelman, "en er is maar éen paradijs en éene hel,
gelijk er maar éen God is."

"Hoe komt gij aan die zekerheid?"

"Door mijn geloof!"

"Vergeef mij dan wanneer ik aan het mijne vasthoud en mijn vader in
dien hemel hoop weer te zien..."

"Die, zooals gij dwazen meent, geene andere zielen opneemt dan de
uwe! En als die hemel nu eens enkel openstaat voor het onsterfelijk
deel der muzelmannen en voor de christenen gesloten blijft? Wat weet
gij dan wel van het paradijs? Ik ken uwe heilige geschriften: staat het
daarin geschreven? De algoede God heeft onzen profeet vergund een blik
daarin te slaan, en wat hem gegeven werd dáar te zien heeft hij zoo
geschilderd, als had de Allerhoogste zelf de schrijfstift bestuurd. De
muzelman weet wat hij van zijn hemel te wachten heeft... Gij, gij--uw
hel, die kent gij; het valt uw priesters gemakkelijker te vloeken
dan te zegenen! Wie maar een haar breed afwijkt van hunne leer, hem
duwen zij aanstonds naar de plaats der verdoemden: mij, de mijnen, de
Grieksche christenen en in de eerste plaats--geloof mij, jonkman--uw
vader en u!"

"Wist ik maar dat ik hem daar zou wedervinden!" riep Orion uit,
terwijl hij zich op de borst sloeg. "Het zou mij waarlijk niet
afschrikken hem daar te volgen. Ik moet hem wedervinden, weerzien,
al ware het in de hel?"

Bij deze woorden barstte de Wekil in luid gelach uit. Toen de veldheer
hem hierover zijne ontevredenheid betuigde, weerlegde de andere hem,
en nu ontspon zich tusschen beiden eene levendige woordenwisseling.

De hoon van den zwarte had Orions toorn gewekt, en alles wat in hem
was, dreef hem aan om den onbeschaamden spotter het zwijgen op te
leggen. Doch met inspanning van al zijne wilskracht hield hij zich in,
tot Amr zich weder tot hem wendde en op een toon van gezag maar niet
onvriendelijk zeide: "Deze scherpzinnige man spreekt een vermoeden uit,
dat ook bij mij is opgekomen. Een jong, wereldschgezind christen als
gij geeft geluk en welzijn hier op aarde niet gemakkelijk prijs voor
de onzekere vreugde van uw paradijs; en als gij het toch doet en alles
wat een man het dierbaarst moet zijn: eer, tijdelijke bezittingen,
een ruim veld van werkzaamheid en wraak over uwe vijanden afwijst om de
ziel van een afgestorvene aan gene zijde des grafs weer te ontmoeten,
dan moeten hiervoor bijzondere gronden bestaan. Tracht uzelve gerust te
stellen en geloof mijne verzekering, dat gij mij bevalt en in mij een
ijverig beschermer, een stilzwijgend vriend zult vinden, wanneer gij
mij open en naar waarheid de beweegreden van uw besluit blootlegt. Er
is ook voor mij veel aan gelegen onze ontmoeting te maken tot eene
vruchtbare voor ons beiden. Stel dus vertrouwen in den ouderen man,
die een vriend van uw vader was, en spreek!"

"In geen geval in tegenwoordigheid van dezen man," antwoordde Orion
met bevende stem. "Hij, die geen Grieksch heet te verstaan, volgt elk
mijner woorden met loerende oogen, ja hij heeft het durven wagen mij
uit te lachen, hij..."

"Hij is even verstandig als dapper en mijn Wekil," dus wees Amr hem
terecht. "Gij zult hem moeten gehoorzamen, wanneer gij een der onzen
wilt worden, en--vergeet dit niet jonkman--ik heb u laten roepen, om
u voorwaarden te stellen, niet om ze mij te laten voorschrijven. Ik
schenk u gehoor als heer van dit land, als plaatsvervanger van Omar,
uw en mijn Kalief."

"Zoo bid ik u mij te laten gaan; want voor dien man daar blijven mijn
hart en mijne lippen gesloten; ik voel dat hij mijn vijand is."

"Pas op, dat hij het niet wordt!" zeide de veldheer, terwijl Obada
met minachting de schouders ophaalde.

Orion begreep zijn gebaar, doch hoewel het hem ook ditmaal gelukte
zijne tegenwoordigheid van geest te bewaren, was hij toch niet zeker
meer van zichzelven, en daarom boog hij, zonder op den Wekil acht te
geven, eerbiedig en diep voor den stadhouder, en verzocht voor heden
hem te laten gaan.

Amr, wien de houding van Obada niet ontgaan was, en die te fijngevoelig
was om niet te begrijpen wat er bij den jonkman omging, hield hem
wel niet terug, maar veranderde van toon en werd opnieuw weder de
voorkomende gastheer. Ja hij noodigde Orion zelfs uit, daar het reeds
laat geworden was, den nacht onder zijn dak door te brengen. Doch
Orion sloeg deze uitnoodiging hoffelijk af, en toen hij eindelijk
heenging--andermaal zonder den Wekil een blik waardig te achten--deed
Amr hem uitgeleide naar de voorzaal. Hier greep hij de hand van
den jonkman en zeide hem op zachten, vermanenden toon, doch vol
oprechte vaderlijke deelneming: "Neem u in acht voor dien zwarte,
wien gij mannelijk maar niet verstandig hebt getoond, dat gij hem
doorziet. Wat mij betreft, ik meen het waarlijk goed met u."

"Dat geloof ik, dat weet ik," antwoordde Orion, wiens gekwetst gevoel
weldadig werd aangedaan door den warmen, diepen toon waarop de edele
Arabier hem toesprak, als drupte er balsem in zijne ziel. "En nu
wij alleen zijn, vertrouw ik u gaarne alles toe. Ik, heer, ik--mijn
vader--gij hebt hem gekend. In bittere verbolgenheid is hij--heeft
hij zijn eenigen zoon, voor hij de oogen sloot, den zegen onthouden."

De herinnering aan die verschrikkelijke ure zijns levens greep hem zoo
zeer aan, dat hij eenige oogenblikken niet spreken kon; maar weldra
ging hij weder voort: "Eene enkele daad van misdadige lichtzinnigheid
had den stervende in toorn doen ontsteken, doch onder mijn leed
en berouw dacht ik na over het leven dat achter mij lag en bevond,
dat het ijdel geweest was. Wanneer ik nu hierheen gekomen ben met
een vol gemoed en in blij vertrouwen, om u alles wat ik aan geestes-
en lichaamsgaven bezit te kunnen aanbieden, dan geschiedde dit, heer,
omdat ik grootsche, verheven, moeilijke, als het zijn moet onmogelijke
daden wensch te verrichten, omdat ik in een woord verlang nuttig
werkzaam te zijn..."

Amr liet hem niet verder gaan; hij legde zijn gespierden arm
op den schouder van den jonkman en zeide: "En omdat gij de ziel
van uw gestorven vader, dien rechtschapen man, toonen wilt dat
gij door een lichtvaardigen jongensstreek toch zijn zegen niet
onwaardig zijt geworden, omdat gij door wakkere daden hem dwingen
wilt de ontevredenheid in goedkeuring, de minachting in achting
te verkeeren..."

"Ja, ja, daarom, heer, juist daarom!" viel Orion met groote geestdrift
den veldheer in de rede.

Maar deze gaf hem dadelijk een wenk om wat zachter te spreken, als
vreesde hij dat iemand die hen beluisterde, hun gesprek op zou vangen,
en haastig fluisterde hij hem toe op een toon van warme toegenegenheid:
"En ik, ja ik zal uw helper zijn bij uw loffelijk streven. O, hoe doet
ge mij denken aan den zoon mijns harten, die gestruikeld was als gij,
en wien het vergund was alles, meer dan alles op het slachtveld door
den dood, den heldendood voor zijn geloof te boeten! Reken op mij, en
laat wat gij u hebt voorgenomen tot daad worden. In mij hebt gij een
helper gevonden. Ga thans, weldra zult gij weder van mij hooren. Nog
eens: terg den zwarte niet, neem u voor hem in acht, en als gij hem
weer ontmoet, toom dan uw trots in en neem den schijn aan, als zaagt
gij hem voor de eerste maal."

Daarbij zag hij Orion aan met een weemoedigen blik, als deed het zien
van dezen jonkman eene dierbare herinnering in zijne ziel ontwaken,
hij kuste hem op het voorhoofd en zoodra de zoon van den Mukaukas de
voorzaal verlaten had, schoof hij het zware gordijn, dat deze van de
eetzaal scheidde haastig terug. Enkele schreden daarachter vond hij
den Wekil, die bezig scheen te zijn met den bandelier van zijn zwaard,
en riep dezen verstoord toe: "Ge luistert! Man van geest, man van
de daad, een held in den slag en in den raad, een leeuw, een slang
en een pad tegelijk; wanneer zult gij eindelijk al dat erbarmelijke
en kleine uit uwe ziel rukken? Wees wat gij geworden zijt, niet wat
gij waart, en herinner hem die u groot gemaakt heeft niet dagelijks,
dat gij uit een slavin zijt geboren."

"Heer!" sprak de man, dien daar de les werd gelezen, knarsetandend,
terwijl het wit zijner oogen akelig afstak bij zijn donker gelaat.

Doch Amr belette hem verder te gaan, liet zich niet van zijn stuk
brengen en vervolgde op streng vermanenden toon: "Ge hebt u tegenover
dezen jonkman als een gek, als een potsenmaker op de jaarmarkt,
als een onzinnige aangesteld."

"Naar de hel met hem!" riep Obada. "Ik haat dat gouden gelukskind!"

"Nijdigaard! Terg hem niet! Alles kan verkeeren en er zou een dag
kunnen komen, waarop gij reden hadt hem te vreezen."

"Hem?" schreeuwde de andere. "Als een mug druk ik dien speelpop in
elkaar. Hij zal het ondervinden."

"Eerst gij, en dan hij!" zeide Amr, dreigend. "Van u beiden is
hij voor ons van de meeste beteekenis, hij, het gelukskind, die
speelpop! Hebt gij het gehoord? Hebt gij het verstaan? Als gij hem
éen haar krenkt, kost u dat neus en ooren! Vergeet geen oogenblik,
dat gij enkel leeft, ten onrechte leeft, omdat twee paar lippen tot
heden gesloten blijven! Gij kent ze. De vindingrijke kop blijft niet
langer op uw hals, als het hun behaagt. Houdt hem vast, man; gij hebt
er maar éen op het spel te zetten! Het was noodig, mijnheer de Wekil,
u hieraan weder eens te herinneren!"

De zwarte steende bij het hooren dezer woorden als een gewond dier
en bracht met moeite en doffe stem deze woorden uit: "Zoo beloont
men bewezen diensten; zoo dankt de muzelman zijn geloofsgenoot,
om der wille van een christenhond!"

"Dank hebt gij ontvangen, meer dan genoeg," antwoordde Amr op kalmen
toon. "Gij weet wat gij beloofd hebt, eer ik u, roover, terwille van uw
helder hoofd en uw zwaard tot mijn Wekil heb gemaakt; gij weet wat ik
vergeten moest eer ik het deed, niet om uwentwil, maar voor de groote
zaak van den Islam. Verlangt ge te blijven die ge zijt, geef dan uwe
onstuimige driften prijs! Zijt gij daartoe niet bij machte, dan zend
ik u liever heden dan morgen naar het leger, en maakt gij het te erg,
gebonden en met het doodsoordeel in den gordel naar Medina terug."

Onder deze woorden stiet de zwarte doffe geluiden uit; de veldheer ging
echter ongestoord voort: "Waarom gij dezen jongeling haat? Een kind
kan het doorzien. In den zoon en erfgenaam van den Mukaukas Georg
ziet gij den toekomstigen Mukaukas, terwijl gij den waanzinnigen
wensch koestert om zelf Mukaukas te worden."

"En waarom moet die wensch waanzinnig zijn?" riep de ander met
eene krijschende stem, terwijl zijne lippen brandden. "U er buiten
gelaten--wie is hier verstandiger en sterker dan ik?"

"Misschien geen muzelman; doch een Egyptenaar, een christen, en
niet gij of een ander geloovige zal den gestorvene in zijn ambt
opvolgen. Dit vordert de wijsheid en--zoo luidt het bevel van den
Kalief."

"En gebiedt deze ook den schoongelokten aap zijne millioenen te laten?"

"Verlangt gij daarnaar, onverzadelijke gierigaard, naar dat
geld? Drukt u nog niet zwaar genoeg, wat gij door hebzucht hebt
bijeengeschraapt! Goud, altijd meer goud, dat is het doel, het
walglijk doel uwer wenschen! Een vet hapje, die grondbezittingen van
den Mukaukas, zijne talenten goud, zijne edelgesteenten, slaven en
paarden; dat vind ik ook! Maar den barmhartigen God zij dank, wij
zijn geen dieven en roovers!"

"Wie heeft de millioenen te voorschijn gehaald, die de Egyptenaar
Petrus onder den waterbak had verstopt, en hem zelven in het gras
doen bijten?"

"Ik, ik! Maar alleen, zooals gij weet, om ze naar Medina te
zenden. Petrus had ze voor ons verborgen, eer wij hem terecht stelden;
de Mukaukas daarentegen en zijn zoon hebben alles wat zij bezitten
aangegeven tot op den laatsten dinar en den uitersten akker lands;
zij hebben de belasting stipt betaald, en dus blijft het hunne
hun eigendom, gelijk voor mij en u ons zwaard, ons paard, onze
vrouw. Waar zet uw nimmer verzadigde ziel u toch toe aan?--De hand van
den dolkgreep!--Geen koperstuk van hen daar ginds zal in uw hongerigen
muil vallen, zoowaar helpe mij de Almachtige! Gij werpt den zoon van
den Mukaukas niet andermaal een boozen blik toe! Stel mijn geduld niet
op te zware proef, anders,--houd uw kop maar vast!--anders hebt gij hem
weldra voor uwe voeten te zoeken. Wat ik daar zeide is gezegd. Goeden
nacht voor heden! Morgen vroeg zet gij in den divan uiteen, wat gij
ontworpen hebt ten aanzien van de nieuwe landindeeling. Mij wil dit
plan in zijn geheel en in zijne deelen niet best bevallen, en ik zal
ook nog andere ontwerpen laten uitwerken."

Hierop keerde de veldheer den Wekil den rug toe, en zoodra de deur
zich achter hem gesloten had balde Obada de vuist, en dreigde woedend
zijn heer en bedwinger, die tot hiertoe verzwegen had, dat hij een
deel van eene bezending goud had gestolen, die Amr hem bevolen had
naar Medina te geleiden, en liep toen driftig, hijgend en snuivend
op en neer, tot de slaven kwamen om het tafelgereedschap weg te ruimen.



VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.


Terwijl maan en sterren den nachtelijken hemel verhelderden nam Orion
den terugweg aan. Hij hield het hoofd fier opgericht, zoo vroolijk
en vol hoop als bij dezen rit had hij zich niet gevoeld sedert dat
watertochtje met Paula. Aan gene zijde van de schipbrug stuurde
hij zijn paard niet rechtstreeks naar het stadhouderlijk paleis,
de frissche nachtlucht deed hem zoo goed, zijn hart was zoo ruim,
dat hij zich niet dadelijk in een eng vertrek kon opsluiten. Met
nieuwe geestdrift bezield en van eene zwaren last bevrijd reed hij
in snellen draf naar het huis waar zijne geliefde gehuisvest was,
en hij stelde zich voor hoe verheugd zij zijn zou bij het bericht,
dat hij in Amr een helper bij de verwezenlijking zijner plannen, ja,
misschien een vriend gevonden had.

De veldheer, dien zijn vader zoo hoogschatte om zijn edel gemoed,
zijn verstand en zijne rechtvaardigheid was ook in zijn oog het
ideaal van een voortreffelijk man, en als hij hem vergeleek met
de voorname beambten en bevelhebbers over de troepen, die hij aan
het Byzantijnsche hof had gezien, moest hij glimlachen. Zij allen
stonden tot dezen waardigen en toch levenslustigen en deelnemenden
man in verhouding als de oude stijve godenbeelden zijner voorvaderen
tot de edele gestalten der Grieksche kunst. Thans zegende hij het
aandenken zijns vaders, die zijn geboortegrond bevrijd had van de
heerschappij van dit ontaard gebroed. Heden, dit wist hij zeker, zou de
afgestorvene, wiens beeld hem zoo levendig voor den geest stond, over
hem tevreden zijn, en dat gaf hem een gevoel van geluk dat hij wilde
vasthouden en nog verhoogen door hetgeen hij verder zou overleggen en
uitrichten. "Het leven een ambt, een dienst, eene verplichting," deze
tooverspreuk uit een zoo dierbaren mond, zou hem houden op den goeden
weg en hoe spoedig hoopte hij, zeker van zijne zaak, op mannelijke
daden te kunnen wijzen, die hem voor zichzelven het recht gaven,
om het lot van de edelste der vrouwen aan het zijne te verbinden!

Van zulke gedachten vervuld, was hij aan het huis van Rufinus
gekomen. De vensters van het hoekvertrek op de bovenste verdieping,
waarvan twee in de Nijlstraat, twee op den stroom uitzagen, waren
verlicht. Hij wist niet juist welke kamers Paula bewoonde, maar hij
keek toch naar boven in het onzeker vermoeden, dat dit licht bij
haar nog zoo laat brandde, en de vrouwelijke gestalte, die thans
zich vertoonde aan de door het maanlicht beschenen vensteropening,
zeide hem dat hij zich niet had bedrogen, want hij herkende in haar
Paula's voedster Perpetua. De hoefslag had haar uit nieuwsgierigheid
naar het venster doen gaan, doch zij scheen hem bij het matte licht
niet te herkennen. Langzaam reed hij voorbij en toen hij spoedig
daarop omkeerde en opkeek, in de hoop ditmaal zijne geliefde aan
het venster te zullen vinden, zag hij niemand meer. Maar hij merkte
eene lange donkere schaduw op, die zich van de eene zijde van het
vertrek naar de andere bewoog en die noch van de voedster, noch van
hare slanke meesteres afkomstig kon zijn. Het moest de schaduw zijn
van een bijzonder lang man, en terwijl hij stilhield en verontrust
door allerlei pijnlijke gewaarwordingen nog eens naar boven keek,
herkende hij duidelijk den arts Philippus.

Het middernachtelijk uur was reeds voorbij: hoe te verklaren dat
Paula hem thans ontving? Was zij ziek geworden? Of was dit vertrek
misschien niet het hare? Bevond de voedster zich toevallig met haar
en den arts in eene woonkamer van Rufinus?

Maar neen! De vrouw die thans voorbij het venster ging en zich met
uitgestrekte hand juist bewoog naar de schaduw van den man, was Thomas'
dochter en geene andere.

Zijn hart begon steeds sneller te kloppen en hem overviel eene
bezorgdheid, die tot hiertoe door zijne edelheid was teruggehouden,
ofschoon hij toch meermalen getuige was geweest van de vriendelijke
verstandhouding, die er tusschen Paula en den arts bestond. Misschien
was het meer dan vriendschap en onschuldig vertrouwen, dat de jonkvrouw
aanleiding gaf de bescherming en de hulp van dezen man zoo onverholen
in te roepen. Zou hij Paula's hart, hare liefde gewonnen hebben? Zou
dat mogelijk zijn? En waarom niet? Wat had zij bij Philippus anders
te vergeten dan zijn leelijk gelaat en zijne lage afkomst? Maar
hoeveel andere vrouwenharten hadden zich over gansch andere dingen
moeten heenzetten! De arts was nauwelijks vijf jaren ouder dan hij,
en zijne bezorgdheid klom als Orion zich den blik weer voor den geest
bracht, waarmede hij Paula heden morgen had aangezien. Ja, Philippus
had Paula lief!

Eene kleine omstandigheid, die hem eenklaps inviel, was voor hem,
die in zulke dingen maar al te veel ervaring had, voldoende om
dit als zeker te beschouwen. Reeds gisteren was het hem opgevallen
dat Philippus zich sedert den dood zijns vaders, dus sedert Paula
verhuisd was naar het huis van Rufinus, zich veel zorgvuldiger dan
vroeger gekleed had. "Daarin," dacht hij, "brengt een ernstig man
geen verandering, wanneer de liefde hem er geen aanleiding toe geeft."

Een pijnigend gevoel van angst en toorn overviel hem, toen hij de
lange schaduw weder bij het venster zag verschijnen. Voor de eerste
maal in zijn leven gevoelde hij de kwelling van den ijverzucht,
waarom hij zijne vrienden dikwijls had uitgelachen. Toch was hij niet
dwaas genoeg om zich er door te laten martelen, immers sedert heden
morgen kon hij zeker op zijne geliefde bouwen. Al moest hij, Orion,
voor een hoogeren rechter bij dezen achterstaan, voor een vrouwenhart
was hij gewis zijn meerdere. Desniettemin hinderde het hem te weten
dat de arts op dit uur bij Paula was, en korselig rukte hij aan den
teugel om het paard te doen keeren. Het beviel hem dat het edele,
vurige beest zich verzette tegen deze ongewone ruwe handeling en
een honderd passen voorbij dat verwenschte verlichte venster weder
de koppigheid toonde, die men het als veulen had afgeleerd. Orion
moest werkelijk een strijd beginnen met den hengst, en het deed
hem goed het dier met den toom en zijne beenen zijn overmacht te
doen gevoelen. Wel steigerde de hengst en draaide hij met hem in een
cirkel rond, maar de krachtige ruiter werd hem de baas, en nadat hij
het dier tot stilstaan en gehoorzaamheid gedwongen had, streelde hij
het langs den gladden hals en zag, tot verademing gekomen, nog eens om.

Naast hem verhieven zich boven de lage heg de dichte sombere
bosschages van den tuin der weduwe Susanna, en daarachter schemerde
uit de achterzijde van het huis die op de Nijlstraat uitzag, een nog
helderder licht als uit Paulas woning. Uit drie vensters straalde
het in den tuin, uit twee slechts met een mat schijnsel, misschien
het licht van eene enkele lamp. Dat alles kon hem onverschillig zijn,
toch bleef zijn oog gevestigd op het dak van de zuilengaanderij, die
onder de bovenverdieping heenliep, want daarop stond dicht tegen het
kozijn van een der verlichte vensters geleund, eene kleine vrouwelijke
gestalte, die het hoofdje zoover vooruitstak om te luisteren, dat het
licht schemerde door het golvende haar dat het omlijstte. Katharina
beluisterde het gesprek, dat de patriarch Benjamin, wiens gebaarde
apostelkop Orion goed onderscheiden kon, met den presbyter Johannes
voerde, een klein onaanzienlijk mannetje, van wien Orions vader
echter getuigde, dat hij den ouden bisschop Plotinos in geest en
kloekheid overtrof.

Het zou den jongeling niet moeilijk zijn gevallen elke beweging van
Katharina te volgen, doch dit was hem de moeite niet waard. Terwijl
hij doorreed zag hij in zijne verbeelding het kwikstaartje, hoewel
niet alleen, want het beeld der geliefde plaatste zich dadelijk
daarnaast, en hoe kleiner gene hem voorkwam, des te heerlijker kwam
de wasdom van deze uit. Ieder woord, dat hij heden vroeg van Paula's
lippen vernomen had, kwam hem weder voor den geest, en die schoone,
levendige herinnering verdreef alle bezorgdheid. De vrouw, die zich
nog dezen morgen bereid verklaard had met hem te hopen, alles van
hem te gelooven, zijne bescherming aan te nemen, de edele jonkvrouw,
aan wie hij gaarne had toegestaan het oog mede te richten op wat
hij zich in de toekomst ten doel had gesteld, wier reine blik zijn
hartstocht, zijn eigenwaan als met toovermacht in toom had gehouden
en hem nochtans het recht gegeven had naar haar bezit te streven,
dat trotsche heldenkind, dat zijn vader zoo gaarne als dochter aan
het hart had gedrukt, zou het mogelijk zijn dat zij hem misleidde
als eene behaagzieke schoone uit de hoofdstad? Kon zij ooit hare
waardigheid als vrouw vergeten? Neen, duizendmaal neen! Aan haar
te twijfelen was haar te beleedigen, was een onrecht tegen haar en
zichzelven. De arts had haar lief, doch wat haar ook aanleiding gaf
om hem zoo laat te ontvangen, eene andere beweegreden dan die van
vriendschap bestond er zeker niet. Schande over hem, wanneer hij de
lage verdenking van vroeger weder plaats gaf in zijne ziel.

Als van een last bevrijd haalde hij vrijer adem, toen zijn
dienstknecht verscheen, die bij de betaling van den bruggetol was
opgehouden. Terstond sprong hij uit het zadel en beval dezen het paard
naar huis te brengen, daar hij begeerde verder te voet te gaan, om
ongestoord zijne gedachten te kunnen vervolgen. Weldra wandelde hij
dan ook peinzend onder de sykomoren voort, en nog was hij niet ver
gekomen, toen hij aan de andere zijde van den thans stillen hoofdweg
iemand met groote, haastige schreden achter zich hoorde naderen,
die spoedig hem voorbijschoot. Zijn scherpziend oog deed hem in
den wandelaar den arts Philippus herkennen, en het verheugde hem
dezen te zien, want nu was het bewijs geleverd hoe dwaas en verkeerd
zijn twijfel was geweest, hoe weinig grond hij had om in den arts
een medeminnaar te zien. Die man daarginds zag er toch niet als een
gelukkige uit. Met gebogen hoofd, als ging hij gebukt onder een last,
ijlde hij voorwaarts, en thans bracht hij als iemand die vertwijfelt
de hand aan het voorhoofd. Neen, achter dien haastigen, nachtelijken
wandelaar lag geene zalige ure, en als zijne houding iets van hem
vroeg, dan was het niet nijd, maar medelijden.

De arts merkte hem niet op, want geheel in zichzelven gekeerd vloog
hij verder, terwijl nu en dan een zucht of eene doffe klacht zijne
borst ontsnapte. Voor enkele oogenblikken ging hij een huis binnen,
waaruit luide klaagtonen werden vernomen, en toen hij daarna zijn
weg vervolgde, schudde hij van tijd tot tijd het hoofd, als iemand
die allerlei tooneelen onder zijne oogen ziet afspelen, waarvan hij
het rechte begrip niet heeft. Het doel van zijne wandeling was een
gebouw, dat aan een paleis deed denken. Het pleister was voor een deel
afgevallen en de vensters van de bovenste verdieping waren tot groote
aan de zijden uitgebroken openingen verwijd. Weleer had dit huis de
stedelijke en districtbeambten voor de financiën geherbergd en de
benedenvertrekken waren toen zeer geschikt en doelmatig ingericht
voor den ideoloog, den hoofdbeambte van dezen tak van bestuur, die
gewoonlijk te Alexandrië verblijf hield, maar bij zijne inspectiereis
zich soms weken lang te Memphis moest ophouden. Doch de Arabieren
hadden het beheer der financiën van het geheele land verlegd naar de
nieuwe hoofdstad Fostat aan gene zijde van den stroom, en die van de
vervallen plaats was verbonden geworden met het stadhouderlijk ambt. De
senaat van Memphis had het te kostbaar gevonden om het groote gebouw te
sloopen, en was zeer blijde geweest toen men voor de benedenvertrekken
in den arts Philippus en den Egyptenaar Horus Apollon huurders had
gevonden. Beide geleerden bewoonden wel afzonderlijke vertrekken,
maar dezelfde slaven bezorgden het gemeenschappelijk huishouden en
moesten bovendien den helper van Philippus, een bescheiden en wel
onderwezen Alexandrijn, diensten bewijzen.

Toen de arts de hooge en ruime werkzaal van zijn grijzen vriend
betrad was deze nog wakker, en zat achter een groot aantal opene
schriftrollen zoo geheel verdiept in zijn arbeid, dat hij den
laat terugkeerenden vriend eerst vluchtig opmerkte, toen deze hem
een avondgroet toeriep. Het antwoord daarop bestond enkel uit een
onduidelijk gebrom, en nog eenige oogenblikken daarna bleef de oude
geheel in zijne handschriften verdiept. Eindelijk keerde hij het
gelaat naar Philippus en wierp daarbij het ivoren staafje, waarmede
hij de papyrusrollen openlegde en gladstreek, ongeduldig op de tafel,
en tegelijk begon zich daaronder eene donkere massa te bewegen, de
sedert lang ingeslapen slaaf van den grijsaard. De drie lampen op de
schrijftafel plaatsten den oude en zijne omgeving in het volle licht,
terwijl de arts, die zich op eene rustbank op den achtergrond van
het groote vertrek had neergevleid, in het donker bleef.

Wat dien arbeider bij nacht opschrikte was het zwijgen van den
teruggekeerde, waaraan hij niet gewoon was; dit hinderde hem als het
stilstaan der klepperende raderen den molenaar.

Hij zag nu den vriend verstomd en vragend aan, maar deze bleef stom
waarop de oude zich weder in zijne schriftrollen verdiepte. Toch had
hij zeker de noodige aandacht verloren, want zijne gebruinde hand,
waarop de aderen als blauwe knoopen en draden zichtbaar waren,
verschoof nu eens de rol, dan weer het ivoren staafje, en zijn
ingevallen mond, die eerst vast gesloten was, bleef voortdurend in
beweging. De uitwendige gedaante van dezen man bood een zonderlingen,
weinig opwekkenden aanblik, want zijne magere, bruinachtige gestalte
was van ouderdom gebogen, zijn echt Egyptisch gelaat met de breede
kaakbeenderen en de hoog opstaande ooren was gerimpeld als eikenbast,
zijn schedel had het laatste haar verloren, en zijn gezicht was
wel-is-waar pas geschoren, maar op de plaats van zijn baard wiesen in
de diepe rimpels van kin en wangen enkele grauwe haren als struiken,
die uit het enge bed van eene beek te voorschijn komen. Het scherpe
scheermes had die plaatsen niet kunnen bereiken, en die haren gaven aan
zijn geheele gelaat een onordelijk en verwaarloosd aanzien. Hiermede
was de kleeding van den grijsaard in overeenstemming, als het linnen
schort en het witte doek, dat sedert het ondergaan der zon over
zijne naakte schouders hing, zulk een naam verdiende. Doch niemand
op straat zou hem voor een bedelaar hebben gehouden, want het linnen
dat hij droeg was fijn en sneeuwwit, en uit zijne wijd uitpuilende
schitterende oogen, waarboven juist in het midden kleine maar lange
borstelige wenkbrauwen zonderling opstaken, spraken helder verstand,
krachtig zelfbewustzijn en afstootende norschheid, eigenschappen die
een ontvanger van aalmoezen even weinig pasten als de van wilskracht
getuigende, soms honende trek, die altijd om den mond van dezen man
scheen te spelen. Er lag in de trekken van dezen ouden man niets
aanvalligs, niets teeders of behagelijks, en wie zijn leven kende
kon zich niet verwonderen, dat de jaren niet in staat geweest waren
zijne ruwheid en onaangename zucht tot tegenspraak te breken, of
te verkeeren in die vriendelijke toegevendheid, die vaak een hoogen
leeftijd kenmerkt, als men zoo vaak gestruikeld is en zoovelen heeft
zien vallen.

Hij was voor tachtig jaren geboren op het schoone eiland Philae, aan
gene zijde van den katarakt in de nabijheid van den Isis-tempel,
dus bij het eenige Egyptische heiligdom, waarin de heidensche
eeredienst nog tot in zijne jeugd en nog wel openlijk kon worden
uitgeoefend. Sedert den grooten Theodosius hadden keizers en
"praefectus augustales" om strijd krijgslieden te voet en te paard
den katarakt laten overtrekken, om aan de afgoderij op het lieflijke
Nijleiland een einde te maken, maar allen waren door de dappere
Blemmyers, die in de woestijn tusschen den stroom en de Roode zee
huisden, tot de terugtocht gedwongen of vernietigd geworden, want
dit onrustig zwervend volk vereerde de Isis van Philae als zijne
schutsgodin, en volgens een oud verdrag werd het beeld hunner patrones
door hunne priesterschap jaarlijks in feestelijken optocht naar de
Blemmyers gebracht, om eenige weken in hun midden te verwijlen.

De vader van den grijsaard was de laatste horoscoop en zijn grootvader
de laatste opperpriester van Isis op Philae geweest. Zijn jongenstijd
had hij nog doorleefd op het eiland der godin. Toen was het echter
aan een Byzantijnsch legioen gelukt de Blemmyers te verslaan,
het eiland te omsingelen, het heiligdom uit te plunderen en te
sluiten. De Isis-priesters ontkwamen aan de keizerlijke vervolgers,
en Horus Appollon had zijne geheele jeugd met vader, grootvader en
twee jongere zusters op de vlucht doorgebracht, overal door groote
gevaren bedreigd. Haat tegen de vervolgers, de misdadigers die het
geloof zijner vaderen verachtten en vernietigden was de spijs geweest,
waarmede men zijn jeugdig gemoed had gevoed, en deze haat zou klimmen
tot onverzoenlijke bitterheid, nadat te Antiochië de zijnen door
keizerlijke soldaten overvallen en zijn grootvader benevens zijn beide
onschuldige zusters neergehouwen waren. Op aanhitsen van den bisschop
die in de vreemde familie Egyptische afgodendienaars had herkend en
wien de prefect des keizers, een overmoedig en trotsch patriciër,
de gewapende macht gewillig ter beschikking had gesteld, had deze
ontzettende gebeurtenis plaats gehad. Slechts aan een toeval of,
zooals de oude meende aan de 'groote Isis' was het te danken, dat
zijn vader gelukkig ontkwam met hem en de kostbaarheden, die de oude
opperpriester uit den tempelschat had medegenomen. Het ontbrak hun dus
niet aan middelen om onder vreemde namen te reizen en zich eindelijk
in Alexandrië neer te zetten. De vervolgde jongeling veranderde hier
zijn naam Horus in den Griekschen vorm ervan, en heette van nu aan
in huis en in de school Apollon. De begaafde jonkman gebruikte met
vurigen ijver de rijke leermiddelen van een stad als Alexandrië,
rusteloos verdiepte hij zich in elk gebied der Grieksche wetenschap
en verwierf daarbij onder de leiding zijns vaders al de kennis van
een Egyptischen horoscoop, die in dezen lateren tijd toch nog niet
geheel was te loor gegaan.

Te midden van de christenen der hoofdstad en hun geloofsstrijd bleven
vader en zoon heidenen en Isis-dienaars, en toen de oude priester
op hoogen leeftijd stierf, verhuisde Horus Apollon naar Memphis,
waar hij het stille afgezonderde leven van een onderzoeker leidde,
van tijd tot tijd vertoonde hij zich op de sterrewacht onder de
astronomen, astrologen en kalendermakers, of bezocht hij de laboratoria
der alchymisten, die ook in christelijk Egypte zich ijverig bleven
bezighouden met pogingen om onedele in edele metalen te veranderen. De
scheikundigen en sterrekundigen erkenden weldra de meerdere kennis
van den ouden man en ondanks zijne zwartgalligheid en de beleedigende
wijze waarop hij iemand kon afwijzen, vroeg men toch bij moeielijke
vraagstukken hem om raad. De roep die van hem uitging was ook tot
de Arabieren doorgedrongen, en toen het de vraag was hoe men aan de
gebedsnis in de nieuwe moskee van Amr de juiste richting naar Mekka
zou geven, werd zijne hulp ingeroepen en zijn advies was beslissend.

De arts Philippus was eenige jaren geleden aan het ziekbed van den
oude geroepen en had aan hem zijn meesten tijd en zijne beste krachten
gewijd, daar in die dagen nog maar weinigen een beroep deden op de
kunst van een pas beginnende. Er kwam bij dat Horus Apollon door
de degelijke beschaving en den ernstigen zin tot onderzoek van den
jongen geleerde werd aangetrokken en spoedig warme sympathie voor
hem had opgevat, ja, de warmste, die hij na den dood der zijnen voor
een zijner medemenschen had getoond. Eindelijk sloot de oudere den
jongeren man met zulk eene teederheid aan zijn hart, als beijverde
hij weer goed te maken wat hij in liefdebewijzen tot hiertoe was te
kort gekomen. Geen vader kon inniger, met meer zelfverloochenende
liefde gehecht zijn aan een zoon als de grijsaard aan den arts, en
toen eene ziekte hem opnieuw aan den rand des grafs bracht, maakte
hij Philippus tot zijn vertrouwde, openbaarde hij hem het geheim
van zijn uit- en inwendig leven van den aanvang af, en beloofde
hij den arts tot zijn erfgenaam te zullen maken, wanneer deze zich
verbond bij hem te blijven tot zijn einde. Philippus, wien de grijze,
geestrijke onderzoeker reeds van den beginne de grootste belangstelling
had ingeboezemd, nam dezen voorslag aan, nadat ook hij zich meer had
ingelaten met de studiën van den ouden man waaraan hij soms deelnam,
noodigde deze hem uit een werk te helpen voltooien dat hij voor
zijn dood wilde afmaken. Het handelde over het hiëroglyphenschrift
en moest de beteekenis der afzonderlijke teekens, voor zoover
deze nog was vast te stellen, verklaren en aan de nakomelingschap
overbrengen. De grijsaard, die alleen Egyptisch wilde schrijven omdat
hij het Grieksch niet genoeg machtig was, vertrouwde aan zijn jongen
vriend de vertaling zijner opteekeningen in deze taal toe, en het
samenleven van die twee in ouderdom en karakter zoo uiteenloopende,
maar in betrekking tot hun geestelijk streven verwante mannen, nam
een voor beide partijen aangenamen en voordeeligen vorm aan, ondanks
de velerlei zonderlingheden, de ruwheid en hardheid van den ouden man.

Horus Apollon leefde op de manier van een oud Egyptisch priester, daar
hij zich onderwierp aan veelvuldige wasschingen en scheringen, weinig
anders nuttigde dan brood, groenten en tamme vogels, zich onthield
van peulvruchten en het vleesch van alle viervoetige dieren en niet
alleen van de reeds aan zijne voorvaderen verbodene zwijnen, zich
van geen andere dan reine linnen gewaden bediende en zekere uren voor
zich hield tot het uitspreken van die heidensche gebedsformulieren,
welker magische kracht de goden moest dwingen aan het verlangen hunner
aanbidders te voldoen.

Zooals de oude aan Philippus zijn geheele vertrouwen geschonken had,
zoo verborg deze voor hem niets wat in hem omging. Deed hij het soms,
dan gevoelde de ander dit met wonderbare scherpzinnigheid. De arts
had den vaderlijken vriend vaak over Paula gesproken en hem hare
voortreffelijke eigenschappen geschilderd met al de warmte van
een liefhebbend hart; doch de oude was haar van den aanvang niet
genegen, reeds dadelijk omdat zij de dochter was van een patriciër en
prefect. Wie dezen titel voerde was voor hem een voorwerp van haat,
immers een prefect en patriciër droeg de schuld van het bloedig
einde dergenen, die hij het meest had liefgehad. Wel-is-waar had de
stadhouder van Antiochië enkel op last van den bisschop gehandeld,
doch het lustte den grijsaard--en zijn vader had er van den aanvang
af evenzoo over gedacht--alle schuld op den prefect te laden; want
de nazaat van een overoud priestergeslacht verheugde zich, dat hij
al de volheid van zijn toorn over een ander kon uitstorten dan over
een dienaar onverschillig van welke godheid.

Als Philippus Paula's groote gestalte, hare voorname houding, den
adel van hare vormen en van hare gezindheid prees, voer de oude
tegen hem uit en riep: "Zoo is dat 't! Pas op, knaap, wees op uwe
hoede! Hoogmoed, eigenwaan, zelfverheffing, teekent ge mij, maar
verguld met de schoonste namen. Het woord patriciër bevat alles in
zich, wat wij ons onder zelfzucht en onmenschelijkheid denken, en de
ergsten, onverschilligsten, hebzuchtigsten onder hen maken die apen in
purper, die de keizerstroon schandvlekken, tot hunne prefecten. Zooals
zijzelven zijn, is ook hun gebroed. Al wat zij in hunne aanmatiging
'klein' noemen, wordt door hen in 't stof geworpen en onder den voet
getreden; maar wij, gij en ik, allen die in het burgerlijk leven
arbeidzaam de handen roeren, wij zijn in hunne oogen de verachtelijke
kleinen. Let erop, knaap! Heden lacht de dochter van den stadhouder en
den patriciër u toe, omdat zij u noodig heeft, morgen werpt zij u weg,
gelijk ik mijn oud pantervel, dat in den winter mijne voeten verwarmt,
wegschop als de heete dagen van Maart komen."

Was hij de dochter van Thomas niet genegen, hij was even afkeerig
van den zoon van den Mukaukas, ofschoon hij hem nooit gezien had,
en toen de arts hem verteld had, dat groote verbolgenheid tegen
Orion zich had meester gemaakt van het hart zijner vriendin, was de
grijsaard in een hoonenden schaterlach uitgebarsten en had gezegd,
als bezat hij het vermogen om in de harten te lezen en in de toekomst
te zien: "Heden bijten zij elkaar, over drie dagen zullen zij elkaar
kussen! Haat en liefde zijn de eindpunten van denzelfden staf. Hoe
gemakkelijk draait men dien om! Die twee, ze zijn van hetzelfde bloed
en van denzelfden aard! De zoodanigen vliegen naar elkander toe als
de magneet naar het ijzer en het ijzer naar den magneet."

Maar soortgelijke vermaningen hadden op het gevoel van den arts
weinig invloed uitgeoefend, en zelfs door de afwijzing van zijn
warm aanzoek, nadat Paula haar intrek had genomen in het huis van
Rufinus, was zijne hoop van haar eindelijk geheel voor zich te winnen
niet geheel geschokt. Heden morgen bij de onderhandeling over het
vastzetten van het vermogen der geliefde, was Paula van harte bereid
geweest hem tot haren kurios, haar voogd aan te nemen, om in haar
plaats bij het gerecht op te treden; doch uit menig teeken meende
hij waargenomen te hebben, wat zijne ziel zoo pijnlijk aandeed,
dat zijn grijze vriend goed had gezien, dat de staf gekeerd en in
het hart der jonkvrouw haat in liefde veranderd was. Toch had Paula
hem nog nooit zulk eene warme genegenheid getoond, had hij hare stem
in het gesprek nooit zoo week en hartelijk hooren klinken dan heden
avond in den tuin van zijn vriend. Vroolijker en spraakzamer dan ooit
was zij niet moede geworden zich tot hem te wenden. Daarbij waren
langzamerhand zijne bezorgdheid en zielesmart geweken, en eindelijk
had hij gevoeld, hoe teedere aandoeningen opnieuw bij hem ontwaakten
en zijne eigene geestelijke kracht toenam... Ja, hij meende dat hij
aan zijne gedachten nooit schooner en beter uitdrukking had gegeven
dan in de laatst verloopen uren. Zij had hem ook haar bijval niet
onthouden, had blijmoedig hare instemming betuigd met elk zijner
stellingen, en toen hij zich een half uur voor middernacht met haar
naar de kranken had begeven, was er eene nieuwe heerlijke hoop in hem
ontwaakt. Gelukkig en als betooverd had hij aan haar wensch voldaan
om haar te volgen naar hare woonkamer, en dáar, op die plaats...

Arme, bitter teleurgestelde man! Daar zat hij in den donkeren hoek van
de ruime studeerkamer, waarin het verstand tot hiertoe het grootste
woord had gevoerd en naar de stem van het hart nooit was gevraagd. Hoe
hij den weg hierheen had gevonden, dat wist hij zelf niet meer. Dit
alleen herinnerde hij zich nog, dat hij, gehoor gevende aan zijn
plicht, het huis van een Memphiet was binnengegaan, wiens vrouw, eene
moeder van vele kinderen, in den namiddag stervende was; dat hij daar
een lijk en vele luid en oprecht weeklagende menschen had gevonden,
dat hij met hun en zijn eigen leed in het hart naar huis was gewaggeld
en zich daar niet naar zijne vertrekken, maar naar dat van den grijzen
vriend had begeven, omdat hij zichzelve niet vertrouwde. Het leven had
alle bekoorlijkheid, alle waarde voor hem verloren; doch hij schaamde
zich, dat hij door eene vrouw het edelst doel van zijn bestaan zich
geheel ontvreemden, door haar zijne blijmoedige stemming verstoren
liet, die hij niet missen kon om verder zijn beroep in den zin van
zijn vriend Rufinus te vervullen. Hij kende zijn ouden huisgenoot en
wist dat deze loog in zijn wonden zou gieten; maar daar had hij vrede
mee. De grijsaard had reeds zoo vaak getracht Paulas beeld van zijn
hoog voetstuk te werpen en te vernielen, maar altijd te vergeefs, en
het zou hem ook heden niet gelukken! Het vurig verlangen, de brandende
hartstocht naar haar, die door zijn aderen woelden sedert den nacht
waarin hij den woedenden Masdakiet had bedwongen, dat wilde hij te
niet doen, in het stof werpen, door alle winden laten verstrooien. De
grijsaard daar aan de tafel, wiens strenge en onvriendelijke trekken
door de drie lampen zoo helder verlicht werden, was geheel de man om
dit werk der vernietiging te volbrengen, en Philippus wachtte op zijne
eerste woorden als een zieke op den heelmeester, die het schroeiijzer
in het vuur houdt, waarmede hij de wond wil uitbranden.

Arme man, die na deze ontgoocheling de genezing zoozeer behoefde! Daar
lag hij op den divan en zag hoe de ander over de schriftrollen hem
bespiedde en daarbij heen en weer schoof in zijn leunstoel. Het
zwijgen van Philippus verontrustte den oude zichtbaar en de arts zag
aan de spichtige wenkbrauwen, die boven de oogen van den grijsaard
zich opzetten, dat hij zijn eigen oordeel vormde, dat zeker het ware
was. Weldra moest het zwijgen gebroken worden en Philippus verwachtte
den aanval. Hij was bereid de grootste moeielijkheid uit den weg te
ruimen, maar hoe zou hij over zich kunnen verkrijgen den pijniger
zijn werk te verlichten?

Zoo verliep er een geruimen tijd en evenals de arts op de toespraak van
den grijsaard, wachtte deze op zijn eerste woord. Doch het ongeduld
en de nieuwsgierigheid van den ouden man waren machtiger dan het
verlangen van den jongeren naar genezing, en opeens legde deze de
schriftrol neder, greep met eene onwillekeurige beweging het ivoren
staafje, dat hij zoo even had weggeworpen, gaf aan den zwaren stoel
met een voor zijn hoogen leeftijd verwonderlijk krachtigen ruk eene
andere richting, keerde Philippus zijn volle gelaat toe en vroeg luide,
terwijl hij met het staafje dreigend naar hem wees: "Het besluit van
het spel, niet waar? Het einde van een treurspel!"

"Niet geheel, want ik leef nog!" antwoordde de arts.

"Maar het bloedt daarbinnen, en die wond doet pijn," hernam de oude. Na
zich een oogenblik bedacht te hebben ging hij voort: "Wie niet hooren
wil moet voelen! Men heeft den vos den haak getoond, maar het lokaas
was te verleidelijk. Gisteren was het nog tijd geweest om de kluister
van den voet te strijken, men had slechts ernstig te willen, want men
was goed onderricht omtrent de gruwzame listen van den jager. Nu is
het gebeurd, men heeft geen enkel wapen waarover men te beschikken
had ontzien, en nu ligt het wild stom van smart en schaamte, en
verwenscht zijne eigene dwaasheid. Men schijnt heden het zwijgen te
verkiezen. Wil ik u eens vertellen, hoe dat alles gekomen is?"

"Ik weet het zelf maar al te goed," antwoordde Philippus.

"Doch ik, ik kan het mij wel voorstellen," gromde de oude. "Zoo
lang die patricische deerne het trekdier noodig had, heeft zij het
aangehaald, het gerst en dadels toegeworpen. Nu baadt zij zich in
het goud, woont onder een veilig dak, en flap! in eens krijgt de
uitgediende beschermer zijn afscheid. Evenals de hemel de zon laat
opgaan, wanneer de bleeke maan achter de bergen verdwijnt, zoo stelt
deze jonkvrouw, die gebied voert over de harten van ons zwakkelijk en
van vrijheid verzadigd geslacht, in de plaats van den armen, langen
arts den rijken Adonis uit het stadhouderlijk paleis. Als het anders
gebeurd is, heet het mij liegen!"

"Kon ik dat maar!" zuchtte Philippus. "Gij hebt goed gezien,
verwonderlijk goed, en toch zoo verkeerd als mogelijk is."

"Dat klinkt duister," zeide de grijsaard gelaten. "Maar ik kan ook in
den nacht zien. Het feit staat vast, doch gij zijt nog verblind genoeg,
om die beweegredenen niet te laten gelden. Overigens verheugt het mij,
dat uwe dwaling een zoo 'gelukkig' en wat mij betreft een zoo 'spoedig'
einde heeft genomen; de aanleiding--zooals gewoonlijk eene vrouw--is
mij onverschillig geworden. Waarom zou ik haar zonder noodzakelijkheid
van iets ergers verdenken, dan zij gedaan heeft? Alleen om uwentwil
zou ik dit gaarne vermijden, want rechtgeaarde zielen hechten zich
gaarne aan hen, die zij onrecht zien aandoen. Doch het staat aan u,
dacht ik, niet aan mij, om te spreken; ook zonder uw hardnekkig zwijgen
weet ik wel dat gij wijsgeer zijt; en wat mij betreft, ondanks mijne
tachtig jaren ben ik nog altijd niet vrij van nieuwsgierigheid."

Toen stond Philippus haastig op en terwijl hij nu eens in het groote
vertrek op en neer liep, dan weder voor den ouden vriend staan bleef,
vertelde hij hem met vuurroode wangen en levendige gebaren wat hij
gehoopt en geleden had, hoe Paula eerst nieuw vertrouwen bij hem gewekt
en hem daarna in hare woning ontboden had--om diep ontroerd, verbaasd
over zichzelve en toch niet bij machte en ook niet voornemens om de
zaligheid te verbergen die haar vervulde, hem in haar hart te laten
lezen. Gelijk eene beangstigde ziel voor den priester biecht, zoo had
zij hem, haren besten vriend, geopenbaard, wat sedert de begrafenis
van den gestorven Mukaukas in haar binnenste was omgegaan, en hoe
zij thans overtuigd was dat Orion na zijn zwaren misslag zichzelven
had wedergevonden.

"En daarover," viel de grijsaard hem in de rede, "was zoo groote
vreugde in den hemel, dat men niet wachten kon met den afgedankten
vrijer de weldaad te bewijzen, om ook daaraan deel te nemen."

"Veeleer heeft zij mij onder zwaren strijd beleden, wat het hart
van haar vordert; ja, ofschoon zij niets dan spot, waarschuwingen,
verwijten van mij verwachten kon, heeft zij toch haar binnenste voor
mij ontsloten."

"En waarom, met welk doel?" vroeg de oude met schrille stem. "Wil ik
het u eens zeggen? Omdat een vriend altijd nog zoo'n halve minnaar
is en de vrouwen ook niet een vierde van zulk een geliefde prijs
geven willen."

"Dat is niet waar!" haastte Philippus zich met afkeuring te
zeggen. "Zij heeft het gedaan omdat zij mij hoog schat, mij acht,
mij--ik ben niet ijdel--mij als een broeder genegen is, en het niet
verdragen kon mijn gevoel voor haar--het zijn hare eigene woorden--ook
maar een uur te misleiden. Dat is edel, dat is groot, is harer waardig,
en niettegenstaande alles wat in mij is zich daar tegen verzette, zag
ik mij toch gedwongen hare oprechtheid, hare trouwe vriendschap, hare
zelfverloochening en haar moed in het beheerschen van hare vrouwelijke
teergevoeligheid te bewonderen. Neen, val mij nu niet weer in de rede,
spot nu niet! Het beteekent niet weinig voor eene trotsche jonkvrouw,
die zich van hare waardigheid bewust is, de zwakheid van haar hart zoo
bloot te leggen voor een man, van wien zij weet, dat hij haar bemint,
op de wijze als zij dit gedaan heeft. Zij noemde mij haar weldoener,
zichzelve mijne zuster, en welke drijfveeren gij, die haar haat
om een oud vooroordeel, zonder haar zelfs te kennen, ook aan hare
handelwijze wilt toedichten, ik geloof haar en begrijp haar ook. Kon
ik anders doen dan de hand aannemen die zij mij bood, toen zij met
betraande oogen mij bad haar vriend, haar beschermer, haar kurios te
blijven? En toch, toch! Waar zal ik de kracht vinden om niets anders
van haar te verlangen, van haar tot wie ik mij door eene brandende
hartstocht getrokken gevoel, niets anders dan een vriendelijken blik,
een handdruk, een verstandig overwegen van hetgeen ik zeg? Hoe zal ik
mijne kalmte, mijne zielsrust, mijne zelfbeheersching bewaren, als
ik haar zie in de armen van den schoonen halfgod, dien ik gisteren
nog als een nietswaardig jongeling verachtte? Welk ijs kan den gloed
verkoelen van dit brandend gemoed? Welke lans doorboort den draak
van den hartstocht, die in mij woelt? Dit hart is gekomen tot aan
de grenzen van een menschenleeftijd, zonder toch naar de liefde te
smachten, waarvan onze dichters zingen. Alleen door hen of door de
klacht van een vriend, wiens zwakheid mij leed deed, heb ik zulk een
gevoel leeren kennen, en thans, nu de liefde mij zoo laat met al hare
onbedwingbare macht overvalt, aan zich onderwerpt en mij in ketenen
slaat, hoe kan ik mij van haar bevrijden? Hier, trouwe man, die mij als
uw zoon beschouwt, van wien ik het gaarne hoor, als gij mij 'knaap' en
'kind' noemt, die de plaats bekleedt van mijn vroeg gestorven vader,
hier blijft mij niets anders over dan u en deze stad te verlaten,
hare nabijheid te ontvluchten, een nieuw verblijf voor mij te zoeken,
ver van haar met wie ik zoo gelukkig zou hebben kunnen zijn als de
zaligen in het paradijs, en die mij nu nog ellendiger heeft gemaakt
als de verdoemden in het eeuwige vuur! Ik wil, ik moet van hier als
gij, die zooveel vermoogt, mij niet leert dezen hartstocht te dooden,
of dien te veranderen in eene koele, broederlijke vriendschap."

Philippus, die vlak bij den ouden man was blijven staan, sloeg de
handen voor het aangezicht, doch Horus was bij de laatste woorden van
zijn geliefden leerling met jeugdige kracht opgerezen. Met een stevigen
ruk trok hij diens rechterhand van het gelaat, en zeide driftig en
buiten zichzelven van verontwaardiging en groote bezorgdheid: "En
zegt ge mij dat in ernst? Zijt gij, verstandige man, zoo diep in de
dwaasheid verzonken? Is het u niet genoeg, uw eigen geluk om deze--hoe
zal ik haar noemen--verspeeld, verslingerd te hebben? Begrijpt gij
dan nu eindelijk waarom ik u voor dat patriciërgebroed gewaarschuwd
heb? Trouw, dankbaarheid, de liefde van een degelijk man--wat vraagt
zij daarnaar? Werp dien katvisch van den haak, smijt hem in het
zand! Daar komt reeds de vette wentelaar [13] aangezwommen, die zal
wel bijten! Wilt gij aan haar en dien ellendigen stadhoudersjongen
ook het heil en de hoop der laatste jaren van een grijsaard opofferen,
die zich gewend heeft u, die zulks verdient, als zijn eigen zoon lief
te hebben? Wilt gij, flinke arbeider, gij man met zulk een krachtigen
geest, zoo vol ijver in het vervullen van uw plicht, in wien de goden
een welgevallen hebben, wilt gij als een verlaten meisje wegloopen,
van de Leukadische rots springen als de door liefde verteerde Sappho
op het theater, waarover de toeschouwers zitten te schudden van het
lachen? Gij blijft, knaap, gij blijft! En ik, ik zal u toonen hoe
een man den hartstocht onder bedwang krijgt, die hem onteert!"

"Toon het mij," antwoordde Philippus met zachte stem. "Ik verlang
niets beters. Meent gij, dat ikzelf mij niet zou schamen over mijne
zwakheid? Zij staat mij toch slecht genoeg, mij vooral, wien het lot
eer tot alle andere dingen bestemd heeft dan tot een zuchtend minnaar
en dweper. Strijden wil ik, worstelen met al de kracht mijner ziel;
maar hier, hier in Memphis, hier in de nabijheid, als haar kurios, ben
ik dagelijks gedwongen haar weer te zien, moet ik dag aan dag nieuwe
smadelijke nederlagen lijden. Hier, altijd in hare nabijheid, put de
strijd mij uit, zie ik mijzelven ondergaan naar lichaam en ziel. Op
dezelfde plaats, in dezelfde stad is er geen ruimte voor ons beiden."

"Dan moet zij het zijn," riep de oude met schelle stem, "die plaats
maakt voor u."

Hierop richtte Philippus het gebogen hoofd omhoog en vroeg verrast
en op streng afkeurenden toon: "Wat bedoelt gij hiermede?"

"Niets," antwoordde de ander onverschillig, terwijl hij de schouders
ophaalde. Daarna ging hij vergoelijkend voort: "Memphis heeft in
elk geval van u meer nut te verwachten, dan van die patricische
deerne." Vervolgens schudde hij zijne leden, alsof hij het koud
had, sloeg met de hand op de borst en zeide: "Hier binnen is alles
in oproer, en ik kan thans helpen noch raden. Weldra begint het in
het oosten te schemeren; wij willen trachten wat te slapen. In den
zonneschijn kan men knoopen loswikkelen, die bij lamplicht niet
te ontwarren schijnen, en misschien toont de godin mij, terwijl
ik slapeloos op mijne legerstede lig, den weg, dien ik zoo straks
beloofde u te zullen wijzen. Een weinig meer luchthartigheid zou ons
beiden niet schaden. Tracht uw eigen leed te vergeten door te denken
aan dat van anderen; daarvan leert gij alle dagen genoeg kennen. Het
zou niet veel baten of ik u al een goeden nacht wenschte, maar moge
hij u wat tot kalmte brengen! Op mijne hulp kunt gij staat maken;
maar van weggaan, vluchten of iets dergelijks, daarvan zult ge mij,
arme man, niets meer laten hooren, niet waar? Neen, neen, dat--ik
ken u genoeg Philippus--dat leed doet gij uw eenzamen vriend niet aan!"

Deze laatste woorden waren de teederste, die de arts ooit uit den mond
van den grijsaard vernomen had, en het deed hem goed toen deze hem een
oogenblik omarmde en aan zijn hart drukte. Aan zijn woord: dat het aan
Paula stond om plaats te maken, dacht Philippus niet verder; doch de
oude man scheen het toch zeer ernstig gemeend te hebben, want zoodra
hij alleen was, wierp hij het ivoren staafje weder heftig op tafel
en prevelde met fonkelende oogen, eerst in toorn en dan spottend:
"Om dit trouwe hart, dezen besten aller arbeiders voor mij en de
wereld te behouden, zou ik een dozijn van die volbloed deernen naar
de Amenthe [14] willen sturen. Ei, ei, gij schoonste der schoonen,
de brave arts is voor ons te slecht, en men smijt hem weg als de
pit van een dadel, dien men opgegeten heeft? Een ieder naar zijn
smaak! Maar hoe zou het zijn, als de oude Horus u eens dwong hem te
leeren hoogschatten? Geduld, geduld! Met het doel voor oogen is het
mij nog altijd gelukt den weg te vinden; op het veld der wetenschap,
meen ik natuurlijk. Doch het leven, wat is het leven van den wijze
anders dan toegepaste wetenschap? Waarom zou de oude Horus niet nog
eens vóor zijn einde beproeven, wat zijn geest vermag uit te richten
op de markt van het leven der werkelijkheid? Hoe goed of het u ook bij
uw liefje in Memphis bevalt, gij breekster der harten, gij zult toch
plaats moeten ruimen voor den armen weggegooiden speelbal! Ja, dat
zult ge! Reken er op, mijne lieveling, dat zult ge!--Heidaar Anubis!"

Bij deze woorden gaf hij den slaaf, die onder de tafel rustig was
blijven doorslapen, een schop met zijn naakten voet, en terwijl
deze zijn meester voorlichtte naar het slaapvertrek en hem daar,
bij zijne zorgvuldige en langdurige wasschingen behulpzaam was,
hield de grijsaard niet op afgebroken volzinnen te prevelen, nu eens
verwenschingen uit te stooten en dan weer in ondeugend gelach uit
te barsten.



                       EINDE VAN HET EERSTE DEEL.



TWEEDE DEEL.


EERSTE HOOFDSTUK.


Evenmin als de arts Philippus, kon ook Orion dien nacht rustig
slapen. Hij twijfelde niet meer aan Paula, doch zijn geheele hart was
vervuld van vurig verlangen naar haar en naar de bevestiging dat zij
hem en hem alleen liefhad, en dat verlangen hield hem wakker. Bij het
krieken van den dag stond hij op, blijde dat de nacht voorbij was,
en stak den Nijl over om den wisselaar Salech, den broeder van den
ouden koopman Haschim, de helft toe te vertrouwen van het vermogen
der dochter van Thomas.

In Memphis was alles nog stil en wat hij daar zag, kwam hem heden
bijzonder oud, afgeleefd, traag en vervallen voor. Alles scheen niet
meer waard dan om onder te gaan, terwijl hij aan gene zijde van den
stroom, in het jonge Fostat, niet anders waarnam dan een frisch,
bedrijvig en krachtig jeugdig leven. Onwillekeurig vergeleek hij de
oude pharaonenstad achter zich met eene vergane mummie en de nieuwe
residentie van Amr met een jonkman, die dorst naar daden. Alles was
daar leven en beweging. Den wisselaar, die, als alle muzelmannen vroeg
opstond, "zoodra men een witten van een zwarten draad onderscheiden
kon," om zijn eerste gebed te verrichten, vond hij reeds bezig
met het uitbetalen van rollen goud en zilver, en hoe gezwind, hoe
knap en handig wist de Arabier deze zaak met hem en Nilus, die hem
vergezelde af te doen! Werwaarts hij het oog ook richtte, hij zag
niets dan oogen vol vuur, niets dan aangezichten, die van geestkracht,
kloekheid en ondernemingszucht getuigden, geen slaafs gebogen halzen,
geen trage suffers, geen blik van sombere berusting, zooals in zijne
vaderstad aan de andere zijde. Hier in Fostat vloeide het bloed hem
sneller door de aderen, dáar drukte het leven hem als een last. De
Arabieren trokken voor alles hem aan.

De kraam van den wisselaar bestond gelijk alle verkoopwinkels in de
bazar van het jonge Fostat uit eene houten tent, waarin de koopman
met zijn helpers verblijf hield. Door de opene zijde, die naar de
straat was gekeerd, onderhandelden zij met de bezoekers, die als de
onderhandelingen over een zaak wat langer moesten duren, door den
koopman binnen werden genoodigd, ten einde naast hem te gaan zitten
op de uitstallingsplanken. Ook Orion en Nilus hadden aan zulk eene
uitnoodiging gehoor gegeven, en terwijl zij bij hunne samenspreking
met den wisselaar daar zaten voor het oog van alle voorbijgangers,
stapte de Wekil Obada, welke zich over den afkeer die de zoon des
stadhouders hem gisteren avond betoond had zoo geweldig boos had
gemaakt, rakelings hen voorbij. Tot zijne verbazing groette deze
hem met bijzondere vriendelijkheid, en indachtig aan de waarschuwing
van den veldheer, beantwoordde hij dien groet van den gehaten man,
hoe zwaar het hem ook viel. Toen Obada echter andermaal en ten derde
male daar langs ging, gevoelde Orion dat hij bespied werd. Doch het
was ook mogelijk dat de Wekil insgelijks met den wisselaar zaken te
doen had en wachtte tot hij gereed zou zijn.

Intusschen zou Orion deze ontmoeting weldra vergeten, want tehuis
wachtten hem gewichtige zaken.

Zooals vaak geschiedt, had de dood van een enkel man, ofschoon zijn
huis door zijn verscheiden noch rijker noch armer was geworden,
en men daarin gedurende den laatsten tijd zijn afgezonderd leven
nauwelijks had waargenomen, dit huis geheel, ja bijna onherkenbaar
veranderd. De anders zoo levendige vertrekken waren nu stil en als
uitgestorven. Smeekelingen en aanklagers vulden niet meer de voorzaal,
en zij die hunne deelneming kwamen betuigen waren naar oud gebruik
op den dag na de begrafenis ontvangen. De zooveel gedruisch makende
bedrijvigheid van vrouw Neforis, haar roepen en het rinkelen harer
sleutels dat alles vernam men niet meer, want zij hield zich van allen
afgezonderd enkel in het slaapvertrek of in de koele fonteinzaal op,
welke laatste het lievelingsverblijf van haar gemaal was geweest,
wanneer zij ten minste niet in de kerk vertoefde, die zij dagelijks
tweemalen bezocht, Met hetzelfde afgematte en onverschillige gezicht
waarmede zij naar den tempel reed, keerde zij daaruit terug, en wie
haar werkeloos en in somber gepeins verzonken op den divan zag zitten,
die gewoonlijk de rustplaats was geweest van haar overleden gemaal,
zou in haar bezwaarlijk de altijd bezige, zorgvuldige vrouw van voor
weinige dagen hebben herkend, die zoo geheel vervuld was van hare
huishoudelijke beslommeringen. Zij treurde en klaagde eigenlijk niet
over het verlies van haar echtgenoot, en als had zij in den nacht na
de dagen van het sterven en begraven voor altijd uitgeweend, zoo had
zij thans geen tranen meer voor hare smart. Zij kon helaas niet komen
tot dien door vriendelijke herinneringen gewijden weemoed, waarin
vertroostende engelen, als men het eerste zieldoorvlijmend leed te
boven is, zoo vaak eenige verkwikkende druppels mengen. Zij gevoelde,
zij wist echter dat met haar gemaal een deel van haar eigen wezen van
haar was afgescheurd, al had zij ook nog niet begrepen dat dit deel
niets minder omvatte dan de hoofdbestanddeelen van haar innerlijk en
uiterlijk bestaan.

Haar vader en die van haar gemaal waren de eerste mannen in Memphis,
ja in Egypte geweest. Trotsch, gelukkig, met een hart vol liefde,
had zij den zoon van Menas de hand gereikt. Hij was niet alleen
maar verbonden met haar opgeklommen tot de hoogste waardigheden,
die een Egyptenaar bereiken kon, en zij had alles gedaan wat in haar
vermogen was, om hem te handhaven op zijn door velen benijd standpunt,
om hem dat schitterend en waardig te doen innemen. Na vele bij uitstek
gelukkige jaren had de smart over hunne vermoorde zonen de harten van
dit reeds innig verbonden paar nog vaster aan elkander gesloten, en
toen haar gade in een kwijnende ziekte verviel, vergezelde zij hem
blijmoedig in zijne afzondering, wijdde zij zich geheel aan zijne
verpleging, en deelde zij met hem in den twijfel en de bezorgdheid,
die zijne staatkundige handelwijze deed ontwaken. Het bewustzijn van
voor hem niet alleen veel maar alles te zijn, maakte haar trotsch
en gelukkig. De afkeer, die zij meer en meer voor Paula gevoelde,
was allereerst hier uit ontstaan, dat zij had opgemerkt hoe zij,
Neforis, niet meer onmisbaar was voor den lijdenden echtgenoot,
zoodra deze zijne schoone nicht tot gezelschap had. En thans? Thans?

Wanneer zij in een slapeloozen nacht ontwaakte uit de sluimering die
haar niet verkwikte, luisterde zij onwillekeurig naar eene zachte,
afgebrokene ademhaling, en toch was er in hare nabijheid geen borst
meer, die zich op en neer bewoog. Als zij in den vroegen morgen de
eenzame legerstede verliet, scheen de aangebroken dag haar een ledige,
dorre woestijn te zijn. Des nachts zoowel als overdag trachtte zij
herhaaldelijk zich het beeld van den afgestorvene voor den geest te
brengen; doch zoo vaak dit hare zwakke verbeeldingskracht voor een
oogenblik was gelukt, had zij hem enkel gezien zooals hij was in
de laatste oogenblikken zijns levens, hem gezien en gehoord met de
verwensching van zijn eigen zoon op de bevende lippen. Deze akelige
herinnering bedierf voor haar de laatste troost der treurenden en
het vriendelijk aandenken aan den ontslapene, en benam haar tegelijk
het trotsch en blijmoedig welgevallen in haar eenig kind. De jonkman,
die nog kort geleden de afgod harer ziel was geweest, stond daar voor
haar als besmet en geschandvlekt. De last, die de rechtvaardigste van
alle rechtvaardigen op Orion had gewenteld, mocht zij waarlijk niet
voorbijzien. Doch in plaats van met verdubbelde teederheid hem aan haar
hart te drukken, in plaats van het schrikkelijk oordeel, dat de vader
over hem geveld had, te verzachten en wat hem drukte te verlichten,
wist zij hem enkel te beklagen. Als Orion haar opzocht, streelde zij
hem over de krullende haren, en daar zij hem noch beleedigen wilde,
noch ongelukkiger maken, dan hij reeds was, berispte en vermaande
zij hem niet, en herinnerde hem nimmer aan den vloek zijns vaders. En
hoe verarmd was dit onvrijgevige hart, dat zich gewend had alles wat
het aan liefde bezat slechts aan enkelen, ja bijna aan een enkele
te wijden, die nu niet meer onder de levenden was. De vroolijke
kinderstemmen in huis waren voor haar aangename tonen geweest, zoolang
zij haar lijdendenden gemaal niet gestoord hadden; nu waren echter ook
dezen verstomd, en aan hare eigene kleindochter, die de zonneschijn
van hare zeer beperkte liefde nog niet ten volle had genoten, had
zij die liefde thans geheel ontzegd. Droeg niet de kleine Maria de
schuld van dat vreeselijk vonnis, dat in de laatste ure van haar
gemaal over haar en Orion was geveld? Ja, in het overprikkeld gemoed
van de treurende vrouw had de valsche voorstelling post gevat, dat
dit kind de booze demon van het huis was en een werktuig van den satan.

Sedert eergisteren had Neforis eenige betere uren gehad. Gedurende de
slapeloosheid, die haar als eene lichamelijke smart begon te kwellen,
was haar ingevallen, welk eene verlichting den afgestorvene juist
in onrustige nachten die witte opiumpilletjes hadden gegeven,
en zij had nog een pas aangebroken fleschje met deze artsenij
bij de hand. Leed ook zij niet ondragelijke pijn? Waarom zou zij
het middel niet gebruiken, dat de smarten van haar echtgenoot zoo
wonderbaar had gelenigd? Bij langdurig en al te veelvuldig gebruik
konden die pilletjes schadelijk werken, en zij had den overledene
vaak teruggehouden om er zich te rijkelijk van te bedienen; maar kon
haar leed dan nog verergeren? Moest zij dit geneesmiddel niet danken,
wanneer het dit ellendig leven voor haar verkortte? Zoo gebruikte
zij dus het proefhoudend bevonden middel, eerst aarzelende, dan
menigvuldiger en reeds op den tweeden dag met waar genot en blijde
verwachting. Het had haar niet alleen een goeden nacht bezorgd,
maar haar ook den volgenden morgen eene groote weldaad bewezen, want
de afgestorvene was haar voor het eerst na zijn dood niet als een
vloekende voor den geest gekomen, maar als een jong, levenslustig
man. Niemand in huis wist van welk een troostmiddel de weduwe zich
bediende en de arts zoowel als haar zoon hadden zich gisteren verheugd,
dat zij haar gelatener hadden aangetroffen.

Toen Orion, nadat hij te Fostat zijne zaken met den wisselaar had
afgedaan, naar huis terugkwam, moest hij aan de voorpoort zich een weg
banen door een aantal lieden, die van alle zijden waren saamgeloopen,
daar hij het binnenhof vol menschen en de wacht alsmede alle bedienden
in groote beweging vond. Niemand minder dan de patriarch was het
stadhouderlijk paleis een bezoek komen brengen en deze vertoefde thans
bij zijne moeder. Hij had, zoo deelde de huismeester Sebek hem mede,
ook naar hem gevraagd, en vrouw Neforis wenschte, dat hij terstond tot
haar zou komen, om den allerheiligsten vader zijn eerbied te betuigen.

"Wenscht zij dat?" vroeg de jongeling, en bleef besluiteloos staan,
terwijl hij een slaaf zijn reishoed toewierp. Hij was te veel kind
van zijn tijd, en de kerk en hare dienaars hadden een te grooten
invloed op zijne opvoeding uitgeoefend, dan dat hij het bezoek van den
grooten prelaat niet als eene groote eer zou hebben beschouwd. Toch
kon hij den smaad, die der nagedachtenis zijns vaders was aangedaan,
kon hij de vermaning van den edelen Arabischen veldheer om zich voor
de vijandschap van Benjamin te wachten, niet vergeten, en wellicht,
zeide hij tot zichzelven, was het beter om eene samenspreking met
den machtigen man te ontwijken, dan zich bloot te stellen aan het
gevaar van gedurende het onderhoud zich niet te kunnen inhouden en
nieuw voedsel te geven aan zijne eigene verbolgenheid.

Doch hem zou geen keuze worden gelaten, want de kerkvorst zelf trad uit
de fonteinzaal in het viridarium. De hooge gestalte van den grijsaard
was nog ongekromd, zijn trotsch hoofd was omgeven door sneeuwwitte
haren, en zijne grijze baard daalde in zachte golvingen af tot op
zijne borst. De scherpe blik van zijne krachtige oogen vestigde zich
op den jongen man, in wien hij terstond den heer des huizes herkende,
ofschoon hij hem het laatst als knaap had gezien. Terwijl Orion diep
voor hem boog, riep de patriarch hem met eene zware, welluidende
stem waaruit opgewektheid en waardigheid spraken, vroolijk toe:
"Wees welkom, zoon van mijn onvergetelijken vriend! Het kind is,
gelijk ik zie, een flinke man geworden. Ik heb een uurtje aan uwe
moeder gewijd, thans moet ik met den zoon belangrijke zaken bespreken."

"In de werkkamer mijns vaders!" riep Orion den huismeester toe, terwijl
hij den patriarch voorging, daarbij de vormelijke, uitnoodigende
beweging makende van de kamerheeren aan het keizerlijk hof.

Voor de patriarch hem volgde, gaf hij hen die hem vergezelden een
wenk, dat zij achter zouden blijven, en zoodra het vertrek gesloten
was, trad hij op Orion toe en zeide: "Andermaal breng ik u mijn
groet! Hier heb ik dus den kleinzoon voor mij van den braven Menas,
den zoon van den Mukaukas Georg, den algemeen gevierden afgod van
mijne Memphietische schapen, die bij den duizelingwekkenden dans der
aanzienlijke jongelieden te Konstantinopel hun de baas is gebleven! Een
zeldzaam meesterstuk voor een Egyptisch christen! Doch allereerst,
mijn kind, allereerst uwe hand!"

Daarbij stak hij hem de rechterhand toe en Orion gaf hem de zijne,
hoewel schoorvoetend. Want in die toespraak van den patriarch trilde
een toon van lichte bespotting, en hij vroeg zich af, of deze man hem
werkelijk zoo welgezind was, dat hij hem met een goed hart, gelijk
zijne ouders als "mijn kind" durfde aanspreken. Er viel niet aan te
denken hem de hand te weigeren. Toch had hij den moed om te antwoorden:
"Uw wensch, heilige vader, heb ik te gehoorzamen; intusschen weet
ik niet of het den zoon wel vrij staat de hand aan te nemen van een
vijand, dien zelfs de dood, die alles doet vergeten, niet verzoende,
die zijn vader, den braafsten man, en met dezen ook hemzelven op het
kerkhof, aan het gaf, den zwaarsten smaad heeft aangedaan."

De patriarch schudde met een gemaakt lachje het hoofd, legde Orion
de hand op den schouder, waarbij deze een gevoel had als ging er een
gloed door al zijne leden, en zeide met vriendelijken ernst: "Het valt
den christen niet zwaar den belager, den tegenstander, den vijand te
vergeven en het is hem eene vreugde het den zoon niet euvel te duiden,
dat hij zich in de ziel van zijn eigen vader gekrenkt gevoelt, hoe
kortzichtig en dwaas zijne boosheid ook zij. Uwe verontwaardiging
kan mij zoo weinig deren als den Allerhoogste in den hemel, en gij
zoudt daarover zelfs geene berisping verdienen, wanneer niet--doch
daarover spreken wij later--wanneer niet--gij moet het maar dadelijk
hooren--wanneer niet uit uwe houding juist zoo duidelijk en tastbaar
bleek, wat u nog ontbreekt om een oprecht christen, om een man te zijn,
gelijk hij moet zijn dien God in dit door ongeloovigen overheerschte
land op eene zoo hooge plaats heeft gesteld. Gij weet wat ik bedoel?"

Daarop liet de kerkvorst zijne hand van 's jonkmans schouder
glijden, zag hem vragend aan, en toen Orion, zonder een antwoord te
vinden verder van hem terugging, zeide de grijsaard met toenemende
opgewondenheid: "Deemoed, vrome en geloovige overgave, ziedaar, mijn
vriend, wat ik bij u mis. Wie ben ik? Maar als de plaatsvervanger,
het spraakorgaan van hem voor wien wij allen niets zijn dan wormen
in het stof, moet ik vorderen dat ieder, die zich een christen, een
Jacobiet noemt, mijn wil en mijn gebod, zonder er over te denken of
te morren, zoo onvoorwaardelijk en zonder tegenstreven gehoorzaamt,
als trof het heil of onheil hem van hooger hand. Waar zou het heen,
wanneer ieder zich durfde vermeten mij te weerstaan en zijn eigen weg
te gaan! Nog éen menschenleeftijd, en met den dood der ouderen, die nog
als ware christenen zijn opgegroeid, zou het uit zijn met de leer des
Heilands aan dezen stroom, zou overal in plaats van het kruis de halve
maan prijken, zouden zich weeklachten in den hemel doen hooren over
zoovele verlorene zielen. Leer u deemoedig en bescheiden te buigen
voor den wil des Allerhoogsten en zijne plaatsvervangers op aarde,
overmoedige knaap, en laat uwe houding tegenover mij u toonen, hoe
ver uw eigen oordeel reikt. Gij houdt mij voor een vijand uws vaders?"

"Ja!" antwoordde Orion op stelligen toon.

"En ik heb hem liefgehad als mijn broeder," hernam de prelaat op
gemoedelijken toon. "Hoe gaarne had ik onder tranen zijne lijkbaar
bestrooid met palmen des vredes, zooals alleen de kerk die schenkt."

"Toch hebt gij hem, dien gij uw vriend noemt," zeide Orion, "onthouden
wat de kerk den dief en den moordenaar niet weigert, wanneer hij
vergeving van zonden verlangt en die uit de mond eens priester heeft
ontvangen, zooals toch...."

"Zooals toch uw vader!" viel de grijsaard hem in de rede. "Wel
hem! Hij mag thans misschien de heerlijkheid van den Allerhoogste
aanschouwen. En desniettemin heb ik de geestelijkheid verboden hem
eer te bewijzen aan zijn graf. Waarom, om welke afdoende redenen is
dit bevel uit den mond van een vriend tegen een vriend uitgegaan?"

"Omdat gij hem," antwoordde Orion somber, "in het oog van de geheele
wereld wildet brandmerken als de man, die aan de ongeloovigen de
voorkeur gegeven en hen de overwinning gemakkelijk gemaakt heeft."

"Ziedaar, dat noem ik de kunst te verstaan om in de harten te
lezen!" zeide de prelaat, terwijl hij den jongeling aanzag met een
spottenden blik, die half van instemming, half van ontevredenheid
getuigde. "Welnu, knaap, nemen wij eens aan, dat ik de christenen van
Memphis had willen toonen welk lot hem wacht, die zijn land voor den
vijand opent en hand in hand met de ongeloovigen wandelt, zou ik dan
niet in mijn recht zijn geweest?"

"Heeft mijn vader de Arabieren hierheen geroepen?" vroeg de jongeling
op zijn beurt.

"Neen, mijn kind," antwoordde de bisschop, "de vijand is vanzelf
gekomen."

"En gij," ging Orion voort, "hebt uit de woestijn, nadat de Grieken
u in ballingschap hadden gezonden, voorspeld, dat de Arabieren zouden
komen om de Grieksche Melchietische vijanden van ons geloof overhoop
te werpen en uit dit land te verjagen."

"Zoo heeft de Heer gesproken door mijn mond," hernam de grijsaard,
terwijl hij deemoedig het hoofd boog. "En mij werden nog andere
dingen geopenbaard, toen ik bij mijne askese mijn lichaam kastijdde
in de brandende hitte der woestijnzon. Pas op, mijn kind, wees
voorzichtig! Volg mijn raad, opdat het niet vervuld worde, en het
huis van Menas verdwijne als de wolken, die de stormwind uit elkander
drijft. Ik weet het, uw vader heeft mijne profetie zoo uitgelegd,
als ware van mij aan hem de raad uitgegaan, om de ongeloovigen
te ontvangen als werktuigen des Allerhoogsten en hen te helpen de
Melchietische dwingelanden uit dit land te verjagen."

"Uwe voorspelling," hernam de jongeling, "heeft in elk geval een
diepen indruk op mijn vader gemaakt, en toen de zaak des keizers en
der Grieken verloren was, was uw woord, dat de Melchieten niet minder
ongeloovig waren dan de belijders van den Islam, hem tot grooten
troost. Zoo iemand, dan weet gij, hoe hij allen grond had hen te
haten, die twee zijner bloeiende zonen hadden vermoord. Wat daarna
geschied is, heeft hij gedaan om zijne en uwe ongelukkige broeders,
die aan zijne en uwe zorgen waren toevertrouwd, uit het verderf
te redden; en hier, hier in dezen lessenaar ligt het antwoord,
dat hij op de verwijten van den keizer heeft medegedeeld aan het
Grieksche gezantschap, die hem in ditzelfde vertrek rekenschap kwamen
vragen. Terstond na hun vertrek heeft hij het opgeschreven; wilt gij
het hooren?"

"Ik kan den inhoud van dat stuk wel raden."

"Neen, neen!" riep de jonkman vol vuur; opende in allerijl den
lessenaar zijns vaders, haalde bij den eersten greep eene wastafel
daaruit te voorschijn en zeide: "Aldus luidt het gegeven antwoord!"

Al lezende vervolgde hij: "De Arabieren zijn ondanks hunne minderheid
machtiger dan wij met onze menigte; éen man van hen is zooveel
als honderd van ons, want zij zoeken den dood, die hen liever is
dan het leven. Ieder hunner dringt vechtend vooruit, en zij kennen
geen verlangen om naar hun vaderland en hunne haardsteden weder te
keeren. Voor ieder dien zij dooden verwachten zij eene groote belooning
in den hemel en zeggen, wanneer zij in den krijg vallen, dat zich de
poorten van het paradijs voor hen openen. Zij hebben in deze wereld
niets te wenschen, wanneer zij hunne dringendste behoeften aan voedsel
en kleeding bevredigd zien. Wij daarentegen hebben het leven lief en
vreezen den dood; hoe zouden wij tegen hen stand kunnen houden? Ik
zeg u, dat ik den met de Arabieren gesloten vrede niet breken zal...."

"En wat blijkt uit dit antwoord?" vroeg opeens de patriarch, de
schouders ophalende.

"Dat mijn vader zich gedwongen zag vrede te sluiten, en dat hij--lees
maar verder--dat hij als wijs man den vijand de hand moest reiken."

"Den vijand, aan wien hij maar al te gewillig toegaf, en wien hij
grooter eer bewees, dan hem als christen betaamde! Klinken die woorden
niet als hadden onze verdoemde, bloeddorstige dwingelanden alleen het
recht de vreugde van het paradijs te verwachten? En dat muzelmansche
paradijs! Wat is het anders dan een poel, waarin zinnelijke driften
wellustig ronddartelen? De leugenprofeet heeft het bedacht om de zijnen
op te winden, opdat zij zijne valsche leer het eene volk na het andere
zouden opdringen, met geweld en woeste doodsverachting. Maar onze
Heer kwam als het menschgeworden woord op aarde, en won de geesten
en harten door de overtuigende kracht der eenige, eeuwige, tot daad
gewordene waarheid, die van hem uitgaat als het licht van de zon. Deze
Mohammed daarentegen is een menschgeworden zwaard! Ook mij blijft in
zeker opzicht niets over dan mij te onderwerpen aan de overmacht, maar
ik wil hun dwazen, zielen misleidenden waan haten en verafschuwen,
en dat doe ik, dat zal ik doen tot aan den laatsten slag van dit
oude hart, dat hoe eer hoe liever moge stilstaan. Maar gij? Maar uw
vader? Waarlijk, waarlijk, wie maar éen oogenblik vergeet ongeloof en
valsch geloof te haten, die heeft zich voor zijn geheele leven hier
en hiernamaals tegen het eenig waarachtig en zuiver geloof en hem die
het verkondigde bezondigd. Met misdadige, teerhartige lofredenen op de
vroomheid en gematigdheid van den vijand, den verderver van lichamen
en van zielen, den lichamelijken antichrist, heeft uw vader zijn hart
en zijne tong bezoedeld."

"Bezoedeld?" herhaalde de jonkman, terwijl zijne wangen
gloeiden. "Beiden heeft hij rein en eervol bewaard; want er is geen
woord van onwaarheid over zijne lippen gekomen. Gerechtigheid, ja
gerechtigheid tegenover ieder, ook tegenover zijn tegenpartij, dat
was de grondtrek, dat het richtsnoer van zijn vlekkeloos leven, en
zelfs de edelsten onder de heidensche Grieken hebben hem bewonderd,
die zichzelven zoozeer overwinnen kon, dat hij ook wat groot, waar
en goed is in den vijand erkende."

"En zij hadden gelijk," hernam de patriarch, "want zij waren nog niet
in het bezit der waarheid. In het wereldlijk leven mag ieder onzer ook
heden hen daarin navolgen. Doch wie hen vergeeft, die de hooge waarheid
aanranden, die het brood, het vleesch en den wijn onzer christen ziel
is, die bezondigt zich tegen deze waarheid. Is hij een leidsman der
menigte, zoo lokt hij daarmede ook hen, die naar hem opzien en maar
al te licht zijn voorbeeld volgen, in het eeuwige vuur. Waar uw vader
een onwillig gehoorzamend vijand had moeten zijn, daar is hij een
bondgenoot, en wat het hoofd der ongeloovigen aangaat--het heeft mij
heete tranen gekost--een vriend geworden. En naar hetgeen ons arme volk
zag gebeuren met zijn hoofd, heeft het--barmhartig God, schenk zijne
verleiders vergiffenis!--heeft het zijne verhouding geregeld. Vele
duizenden zijn van ons zaligmakend geloof afgevallen en overgeloopen
tot hen, die in hunne oogen wel geen ellendige verdoemelingen konden
zijn, daar zij hun wijzen en rechtvaardigen aanvoerder hand aan hand
met hen zagen wandelen en handelen. En, daarom, daarom alleen, om de
misleide menigte te waarschuwen, heb ik niet geaarzeld mijn eigen
hart pijn te doen, eene waarschuwende stem aan de groeve van een
dierbaar vriend te doen hooren, hem de eer en den zegen te onthouden,
die hij echter door een deugdzaam en rechtvaardig leven voor de wereld
waardiger was dan duizenden. Ik heb mij verklaard en nu moet er een
einde komen aan uwe dwaze verstoordheid, en zult gij zeker de hand,
die de wachter over de zielen der zijnen u andermaal reikt, gaarne
en met een gerust hart aanvaarden."

Wederom stak de grijsaard Orion zijn rechterhand toe, doch deze nam
hem ook ditmaal slechts aarzelend aan, en sloeg daarbij zijne oogen
verward en somber naar den grond, in plaats van den kerkvorst in het
aangezicht te zien. Doch de patriarch scheen het tegenstribbelen van
den jonkman niet op te merken en drukte hem krachtig de hand. Hij
bracht vervolgens het gesprek op Orions treurende moeder, den
achteruitgang van Memphis, de toekomstige plannen van den jongen man,
en eindelijk op de edelgesteenten, die de afgestorvene aan de kerk
vermaakt had. Het gesprek vloeide nu kalm en op den toon van een
gezellig onderhoud, de prelaat zat nu op den leuningstoel van den
gestorvene, en het klonk natuurlijk en ongezocht, toen hij zich bij
zijn lof op de juweelen de vraag naar den grooten smaragd ontvallen
liet. Orion antwoordde op denzelfden toon, dat deze steen eigenlijk
niet tot de schenking behoorde; doch de prelaat was van een ander
gevoelen.

Wat Orion sedert dien noodlottigen gang naar het tablinum gekweld en
beangstigd had, werd door dit gesprek weder levendig; toch strekte het
hem tot eenige geruststelling dat noch zijne moeder, noch vrouw Susanna
aan den prelaat scheen medegedeeld te hebben, welk eene schuld hij
als rechter op zich had geladen terwille van dien steen. De weduwe
had deze aangelegenheid naar het scheen verzwegen, om niet in de
noodzakelijkheid te komen van te spreken over het valsche getuigenis,
dat haar dochtertje daarbij had afgelegd. Doch hoe gemakkelijk konden
die onzalige dingen den strengen grijsaard ter oore komen, en daarom
scheen den schuldige geen offer te groot elke vraag naar dat ongelukkig
kleinood opzij te schuiven. Hij verzekerde daarom onverwijld, dat die
smaragd hem afhandig was gemaakt, doch hij verklaarde zich bereid de
volle waarde ervan te betalen. Benjamin mocht zijn waarde schatten en
hem naar believen elke som noemen, die hij voor een of ander weldadig
doel noodig had, hij zou hem, Orion, bereid vinden, deze onverwijld
te betalen.

Doch de patriarch stond dood bedaard op zijn eisch, gaf Orion in
bedenking ijverig naar den steen onderzoek te doen, en verklaarde dat
hij dien als eigendom van de kerk beschouwde, en de uitlevering van
dit kleinood, wanneer zijn geduld zou zijn uitgeput, zeer stellig met
alle middelen die hem ten dienste stonden zou vorderen. Orion bleef
dus niet anders over dan te verklaren, dat hij het onderzoek naar
den verloren smaragd wilde voortzetten; doch hij deed dit morrend,
als iemand die toegeeft aan een onbillijken eisch.

De patriarch hoorde dit eerst gelaten aan, doch toen hij daarna
opstond om afscheid te nemen, veranderde hij plotseling van houding
en zeide op strengen en ernstigen toon: "Ik ken u thans, zoon van
den Mukaukas Georg, en waarmede ik begonnen ben, daarmede besluit
ik ditmaal: de deemoed van den christen is u vreemd, de macht en
de waarde van ons geloof kent gij niet, maar gij weet ook niet
hoeveel liefde dat geloof bevat, welk een vurig verlangen om den
afgedwaalden zondaar terug te brengen op het pad des heils. Met
betraande oogen bekende uwe voortreffelijke moeder mij voor welk een
afgrond gij staat. Gij verlangt een verbond voor uw leven te sluiten
met eene ongeloovige, eene Melchietin. En daar is nog iets anders,
dat het vrome moederhart beangstigt en martelt met het oog op u en
uw heil. Zij heeft beloofd het mij in de kerk toe te vertrouwen, en
ik zal het bij mijn terugkeer weten uit te vorschen. Maar waarlijk,
wat het ook zij, uwe ziel kan in geen erger gevaar komen dan door eene
echtverbintenis met die Melchietin. Waaraan hangt uw hart? Enkel aan
het geluk dezer aarde? Gij dingt naar de hand des dochters van een
ongeloovigen ketter; gij rijdt--neen hoor mij verder!--rijdt naar de
overzijde, naar Fostat en biedt uw verstand en uw arm--gisteren is het
gebeurd--den ongeloovigen aan. Maar ik, ik, de herder mijner kudde,
zal het niet dulden, dat de aanzienlijkste van geboorte, de rijkste
van vermogen, de machtigste onder de Jacobieten door de klank van
zijn naam alleen, duizenden met zich afvallig maakt. Ik bezit den wil
en de macht om een dam op te werpen tegen zulk een onheil! Volg mij,
of het zal u met bloedige tranen berouwen."

De prelaat verwachtte Orion na deze woorden de knie te zien buigen;
doch deze deed niet wat hij verlangde, maar staarde hem met wijd
geopende oogen diep bewogen en besluiteloos aan.

Benjamin ging echter voort, met klimmenden aandrang: "Ik ben tot u
gekomen om mijn stem te verheffen, en ik verlang, ik vorder, ja ik
beveel: verbreek elken band met den vijand van uw volk en van ons
geloof daarginds, verban de liefde voor de Melchietische sirene,
die uwe onsterfelijke ziel bedreigt met een onherroepelijk verderf,
uit uw gemoed..."

Tot dusverre had Orion de vermaningen van den kerkvorst, die als
vloeken hem naar het hoofd werden geslingerd, zwijgend en met gebogen
hoofd aangehoord, Maar nu kwam al wat in hem was tegen den kerkvorst
in verzet, de kracht om zich in te houden begaf hem, en met eene
krachtige stem den prelaat in de rede vallende, zeide hij: "Nooit,
nooit, neen nooit zal ik dit doen! Smaad mij, als gij wilt! Wat ik ben,
dat zal ik blijven: een trouw lid der kerk, die de vaderen hebben
aangehangen en voor welke mijne broeders gestorven zijn. Deemoedig
belijd ik mijn Heer Jezus Christus. Ik geloof in hem, geloof in den
goddelijken meester, die gestorven is om ons te verlossen en die de
liefde in de wereld heeft geopenbaard. Onwrikbaar en trouw houd ik
vast aan de mijnen. Nooit, neen nooit zal ik haar opofferen, die mij
als een godsgezante, als mijne goede engel geleerd heeft den ernst
en de waarde des levens recht te begrijpen, die ook mijn vader heeft
liefgehad. Gij hebt de macht! Verlang billijke, bereikbare dingen
van mij en ik wil trachten mijzelve te bedwingen en ze te volbrengen;
doch trouweloos worden om u getrouw te zijn, dat wil, dat kan ik in
eeuwigheid niet, en wat de Arabieren aangaat...."

"Genoeg!" dus brak de prelaat zijne woorden af. "Ik ga naar
Opper-Egypte en bij mijn terugkeer hebt gij te kiezen. Tot zoo lang
geef ik u tijd om tot uzelven te komen, u te bezinnen en in alle
kalmte beveel ik: vergeet de Melchietin! Uwe, juist uwe verbintenis
met eene kettersche vrouw is een gruwel, die nooit te dulden is. Over
uwe verhouding tot de Arabieren en over de vraag of het voegzaam is
dat gij, als degene die gij zijt, bij hen dienst neemt, zullen wij
later nog spreken. Zijt gij als ik wederkeer, met betrekking tot die
vrouw tot betere gedachten gekomen--het staat u vrij de hand van elke
Jacobietische jonkvrouw te vragen--dan zal ik op een anderen toon met
u spreken. Ik bied u dan mijne vriendschap en hulp aan; in de plaats
van den vloek beloof ik u dan den zegen der kerk, de genade en de
vergeving van den Allerhoogste, den effen weg tot aan gene zijde des
grafs, en de zaligheid van het beangstigde gemoed eener bekommerde
moeder met nieuw leven te vervullen. Mijn laatste woord luidt aldus:
gij moet u losmaken van de vrouw, van wie gij niets te verwachten
hebt dan ellende."

"Toch kan, en wil en zal ik het niet doen!" antwoordde Orion op
stelligen toon.

"Dan moet en wil en zal ik u doen gevoelen hoe zwaar de vloek drukt,
dien ik in het uiterste geval niet aarzelen zal u naar het hoofd
te slingeren!"

"Dat zal aan u staan," hernam Orion. "Maar gaat gij tot het uiterste
over, dan dwingt gij mij den zegen, waaraan mijne ziel inniger behoefte
heeft dan gij bevroeden kunt, heer, dan dwingt gij mij het heil,
dat ik behoef, te zoeken bij hen die gij verdoemt, aan gene zijde
van den stroom."

"Waag het!" riep de patriarch, en verliet met gloeiende wangen en
vasten stap het vertrek.



TWEEDE HOOFDSTUK.


Orion bevond zich in het ruime vertrek alleen, en het was hem alsof
na storm en onweder de geheele wereld rondom in het ijdele niets
verzonk. Hij gevoelde in de eerste plaats, dat er iets verschrikkelijks
had plaats gehad, dat hem uit het bereik van alles dreigde te werpen,
waarvoor hij gewoon was te buigen, en dat hij tot hiertoe als heilig
had beschouwd. Hij had den patriarch den oorlog verklaard ter eere van
en uit liefde tot zijne goede engel, en de macht en invloed van dezen
man waren niet minder groot dan zijne gestalte. Doch voor het oog van
den jonkman verhief zich hoog en zegevierend het beeld van de geliefde,
en hij zag in zijn vader een bondgenoot bij den kamp, dien hij geheel
op eigene verantwoordelijkheid zou aangaan. Met behulp van zijn scherp
geheugen en zijne helderheid van geest herinnerde hij zich thans
ieder woord, dat hij uit den mond van den prelaat had vernomen. De
geweldige grijsaard, wiens gemoed van geloofsijver overliep, had met
hem gespeeld als een kat met een muis. Hij had getracht hem uit te
hooren en te doorgronden, voor hij met het laatste voor den dag kwam,
waarmede hij had moeten beginnen; daar hij van alles onderricht was,
toen hij hem voor de eerste maal, als had hij geen ernstig verwijt
tegen hem op het hart, de hand had gereikt. Orion nam zich voor,
ook zonder hem vast te houden aan zijn geloof en zich door hem de
beide andere hoogste goederen eener christenziel, liefde en hoop,
niet te laten ontrooven. Als door een wonder scheen zijne moeder,
ondanks den angst van haar bloedend hart, den kerkvorst nog niets
van den vloek des vaders te hebben medegedeeld, en welk een wapen
tegen hem zou zij Benjamin daarmede in de hand hebben gegeven! Met
innig medelijden dacht hij aan de arme, ongelukkige vrouw, en daarbij
bekroop hem de argwaan, dat de prelaat zich weder tot haar had begeven,
om hem aan te klagen en haar tot nieuwe bekentenissen te bewegen.

Sedert het vertrek van den patriarch was reeds eenige tijd verloopen,
en zonder hem uitgeleide te doen, iets wat opzien moest baren,
had Orion den hoogen gast laten vertrekken. In dit vergrijp tegen de
welvoegelijkheid, de ongeschreven wet der samenleving, zag de zoon van
een oud aanzienlijk huis, die de achting daarvoor als met de moedermelk
had ingezogen, eene beleediging, die hij zichzelven had aangedaan,
en om deze weder goed te maken, streek hij haastig met de hand zijne
verwilderde haren terecht en ijlde naar het viridarium terug. Daar werd
zijn vermoeden terstond bevestigd, want het gevolg van den patriarch
stond nog vóor den ingang van de fonteinzaal, waar zijne moeder zich
ophield en waaruit Benjamin zoo juist te voorschijn kwam.

Met hoffelijke waardigheid, en als had hij met Orion in der minne
onderhandeld, nam de grijsaard zijn geleide aan. In het viridarium
vroeg hij zijn jongen gastheer naar den naam van eenige zeldzame
gewassen en gaf hem den raad op zijne goederen zorg te dragen voor
het aanplanten van schaduwgevende boomen. In de voorzaal stonden
tegen de pilasters aan beide zijden van de hooge achterdeur de
marmeren beelden van de waarheid en de gerechtigheid, kostelijke
kunstwerken van den Alexandrijn Aristeas, die leefde ten tijde van
keizer Hadrianus. De gerechtigheid droeg de weegschaal en het zwaard
in de handen; de waarheid zag in een spiegel. Toen de patriarch deze
beelden naderde, zeide hij tot den priester die hem vergezelde: "Nog
altijd!" Hierop stond hij stil en zeide, zich half tot Orion en half
tot den geestelijke wendende: "Uw vader heeft, gelijk ik zie, geen acht
geslagen op mijn wenk, dat zulke heidensche beelden niet passen in een
christelijk huis, en allerminst in een, dat een officieel karakter
draagt. Wij weten wel welk karakter die symbolen aan deze beelden
geven, maar hoe licht kan de mindere man, die hier moet wachten,
die vrouw met den spiegel voor de ijdelheid houden terwijl die andere
met de weegschaal hem in koopmanstaal schijnt te zeggen: betaal wat
ons toekomt, anders--hierop doelt het zwaard--geldt het uw leven!"

Daarop liep hij lachend verder, op luchtigen toon tot Orion zeggende:
"Als ik terugkom--en gij weet wat ik hiermede bedoel--dan zal het
mij genoegen doen als mijne oogen niet meer beleedigd worden door
deze beelden uit den tijd der afgoderij."

"De waarheid en de gerechtigheid," antwoordde Orion met een gedempte
stem, "hebben bijna een vijftal eeuwen op deze plaats gestaan en in
dit huis heerschappij gevoerd."

"Het zou schooner en eervoller zijn," antwoordde de kerkvorst, "dat
gij dit kondet zeggen van den eenigen, dien in een christelijk huis
de eerste plaats toekomt; in zijn rijk gedijt elke andere christelijke
deugd vanzelf. De christen moet uit zijn huis elk beeldwerk verbannen,
alleen bij de deur zijns harten plaatse hij aan de eene post het
geloof en aan de andere de deemoed."

Onderwijl waren zij in den tuin gekomen ter plaatse waar de wagen van
de weduwe Susanna wachtte. Orion hielp den prelaat bij het instappen
en toen deze hem ten aanzien van eene menigte geknielde beambten en
slaven de hand tot een kus toestak, raakte de jonkman haar even met
zijne lippen aan. In diep gebogen houding bleef hij staan, zoolang de
heilige man door de opene zijde van de karos zijne handen zegenend over
de schare uitstrekte; daarna begaf hij zich haastig tot zijne moeder.

Hij had verwacht de ongelukkige vrouw uitgeput te zullen vinden door al
de aandoeningen, die het bezoek van den prelaat bij haar had opgewekt,
doch hij trof vrouw Neforis veel bedaarder aan dan hij haar sedert
zijns vaders dood gezien had; haar anders zoo kalm gelaat droeg de
uitdrukking eener dweepzieke opgewondenheid, die Orion verraste. Had
zij aan zijn vader gedacht? Was het den patriarch gelukt haar vroom
gemoed zoo te bezielen, dat zij zichzelve geheel vergeten kon? Zij
was gereed om naar de kerk te gaan en nadat zij de eer had geroemd,
die haar en haar huis door het bezoek van den allerheiligsten vader
ten deel was gevallen, verlangde zij van Orion dat hij haar naar het
godshuis zou begeleiden. Ofschoon hij deze uren voor geheel andere
dingen bestemd had, voldeed de liefhebbende zoon terstond aan haar
wensch, hief haar in den wagen, zeide den voerman dat hij langzaam
zou rijden, en plaatste zich aan hare zijde.

Onderweg vroeg hij haar wat zij den patriarch had medegedeeld,
en haar antwoord zou hem hebben gerustgesteld, indien het hem niet
in een ander opzicht met nieuwe bezorgdheid had vervuld. De anders
zoo verstandige, rustige geest dezer kalme vrouw scheen onder het
gewicht van het ongeluk geleden te hebben, want alles wat zij zeide
scheen zeer verward en begreep hij maar half. Doch dit eene bleek
hem duidelijk, dat zij den patriarch geen deelgenoot had gemaakt
van den vloek, waarmede zijn vader gescheiden was. De kerkvorst had
ook tegenover haar de houding van den gestorvene afgekeurd en dit
had haar zeker den mond gesloten. Zij beklaagde zich tegen Orion,
dat Benjamin den ontslapene nooit begrepen had, zoodat zij de
vurige begeerte had moeten onderdrukken om haar hart geheel voor
hem te ontsluiten. Eerst in de kerk, in tegenwoordigheid van den
Verlosser zelven, zou zij het over zich kunnen verkrijgen, dezen in
haar hart te laten lezen als in een open boek. In het huis Gods, dáar
alleen, zoo had eene inwendige stem haar gezegd, zou zij vrijspraak
vinden voor haar en haren zoon. Dag en nacht hoorde zij die stem,
en hoeveel leed het haar deed hem smart aan te doen, thans moest
hij het hooren: die stem liet niet af haar te bevelen den band te
verscheuren, die hem aan de Melchietin verbond. Gisteren geloofde
zij, dat het haar oudste gestorven zoon was die tot haar sprak,
hij die voor zijn Jacobietisch geloof het leven liet. Die stem klonk
als de zijne, en had haar toegeroepen, dat het oude huis van Menas
zou ondergaan, wanneer die Melchietin het reine bloed van haar stam
bezoedelde. Benjamin had hare bezorgdheid begrepen, en was andermaal
tot haar gekomen alleen om haar te bezweren het misdadig verlangen
van Orion naar de dochter van Thomas te bestrijden met al de kracht
van haar moederlijk gezag. Daar de patriarch denzelfden eisch stelde
als die stem, zoo kwam zij van God en moest hij haar gehoorzamen. De
oude boosheid tegen Paula was weder ontwaakt en men kon het aan hare
stem hooren, dat zij klom bij elken volzin, waarin zij haar gedacht.

Orion smeekte haar zich te matigen en herinnerde haar aan de belofte
hem gedaan bij het sterfbed van zijn vader, en toen zijne moeder hem
weenende en klagende begon te antwoorden, hield de wagen voor de kerk
stil. Thans spande hij al zijne krachten in om haar gerust te stellen,
en daar de weeke, teedere klank zijner stem haar goeddeed, knikte zij
hem vriendelijk toe, terwijl zij hem in het godshuis volgde. Achter
den narthex, het voorportaal van de kerk, waar zich bij een klein
marmeren waterbekken drie boetelingen ten aanzien van de binnentredende
menigte den rug met geeselslagen kastijdden, moesten zij van elkander
afscheid nemen; want de plaats voor de vrouwen bestemd bevond zich,
afgescheiden van die der mannen, achter een sierlijk gesneden houten
hekwerk. Terwijl vrouw Neforis in die richting voortschreed, schudde
zij zacht het gebogen hoofd. Zij dacht aan de keus, die Orion haar
stelde, om zich te schikken of naar de bevelen van den patriarch of
naar de wenschen van haren zoon. Hoe gaarne had zij dien zoon weder
vroolijk gezien, doch Benjamin had haar gedreigd met het verlies der
hemelsche zaligheid, wanneer zij hare toestemming gaf tot Orions
echtverbintenis met eene kettersche; de eeuwige zaligheid echter
bestond voor haar in een wedervinden, een wederbezitten, en daarvoor
wilde zij den zoon, benevens alles waaraan haar hart nog gehecht was,
volgaarne prijs geven.

Orion woonde de godsdienstoefening bij op de plaats zijner familie,
dicht bij het allerheiligste, waar het altaar stond en de priesters
de plechtigheden verrichtten. Het was gescheiden van het drieledige
hoofdschip door een muur, die met gebrekkig beeldwerk en dun
vergulde sieraden was getooid: even min als het geheele gebouw
wekte dit gedeelte een diepen, heerlijken of verheffenden indruk. De
oorspronkelijk rijk versierde basiliek was bij een treffen tusschen
Jacobieten en Melchieten door de laatsten geplunderd, en de verarmde
stad was niet in staat geweest om den ouden glans harer eerwaardige
hoofdkerk ook maar eenigermate te herstellen. Orion zag rond, maar
hij zag niets, dat hem tot eerbied kon stemmen.

De geheele gemeente moest de godsdienstoefening staande bijwonen, en
daar deze zeer lang pleegde te duren, steunden niet alleen de vrouwen
achter het hekwerk, maar ook vele mannen gevoelden zich als lammen
en kreupelen op krukken. Hoe leelijk klonk het Egyptisch gezang,
dat telkens werd afgebroken door den schrillen klank van den slag
op een metalen bekken, terwijl men daar tusschen het geruisch vernam
van babbelende lieden, die zoodra hun gepraat in twisten ontaardde,
door een priester luide en heftig tot de orde werden geroepen. In den
regel liep alles met deze liturgische oefeningen af, als het avondmaal
niet werd uitgedeeld; doch in deze dagen van angst besteeg sedert
eene week geregeld een priester of monnik dag aan dag den kansel.

Kort nadat de jonkman zijne plaats had ingenomen, begon de preek,
en met eene pijnlijke gewaarwording herkende hij in den holoogigen,
in lompen gehulden monnik, die haar hield, een geestelijke, dien hij
meer dan eens in de herberg van Nesptah zoo beschonken had gezien, dat
hij zijn bewustzijn geheel verloren had. En deze afzichtelijke kerel,
die zelfs op den kansel pronkte met de smerigheid en verwaarloozing
van zijn lichaam, donderde der sidderende gemeente in het oor, dat
het uitblijven van het wassen des Nijlwaters een gevolg was van hare
zonde en de straf Gods voor hare misdaden. In plaats van de beangstigde
gemoederen te troosten, op lieflijken toon tot geloof op te wekken, en
hen te vervullen met de hoop op betere tijden, stelde hij hun in vurige
taal voor welk eene straf hun wachtte voor hunne kleingeloovigheid. God
de Heer plaagde hen en het land met groote hitte, maar deze was een
koele noordenwind in den adventstijd vergeleken bij den gloed van den
helschen oven, dien de satan reeds voor hen stookte. De brandende zon
op aarde verlichtte den dag, maar die vlammen daar beneden verbreidden
geen licht, opdat de verschrikkingen dergenen geen einde zouden
nemen, die de dienaars van den duivel met lans- en gaffelsteken, met
knodsslagen en diepe beten in het vleesch over de smalle brug dreven,
die naar zijn afschuwelijk rijk voerde. In hun doodsangst en bij het
gedrang op dezen weg trapten moeders hare zuigelingen, vaders hunne
dochters onder den voet, en wanneer de verdoemden den stekeligen
drempel van de hellezaal betraden, kwam hun een akelige, giftige
stank te gemoet, die hen dreigde te doen stikken en hen toch als de
frissche lucht kracht verleende om nieuwe kwellingen te ondergaan met
verhoogde gevoeligheid aller zintuigen. Daar dreunde hun het jammerlijk
gehuil van den duivel in het oor, dat het gewelf der hel deed trillen,
en opeens greep hij hen met vreeselijk geknars van het rooster waarop
hij lag, perste en maalde hen fijn als druiven tusschen zijn ijzeren
gebit, en slikte hen door naar zijn brandend ingewand, zoo zij niet
door de knechten der satans in gloeiende ovens aan hunne tongen werden
opgehangen, of beurtelings door de vlammen of door het ijs werden
gesleept om eindelijk op het aambeeld der hel in stukken gebeukt,
of met doeken en stroppen dood geworgd en gewrongen te worden. In
vergelijking van zulk eene smart, die men dáar te lijden zou hebben,
was elke zielepijn zoet als de kus eener geliefde. De moeder hoorde
de kokende hersenen in den schedel harer zuigelingen borrelen....

Bij dit afgrijselijk woord van den monnik wendde Orion zich huiverend
van hem af. De vloek waarmede de patriarch hem bedreigd had, kwam
hem voor den geest, en het was hem als werd de heete met wierookdamp
bezwangerde lucht van het geheele sombere kerkgebouw vervuld met
fladderende uilen en akelige vleermuizen. Een diepe afschuw greep
hem aan en opeens ontwaakte de frissche moed der jeugd, de drang
naar vrijheid, de lust om te leven met alle kracht in zijne ziel,
en het scheen hem toe dat eene stem in zijn binnenste hem toeriep:
"Weg met elken dwang en alle ketenen, ontplooi uwe wieken, geest die
vleugelen draagt! Weg met dien god der verschrikking, die een andere
is dan de hemelsche vader, wiens liefde de menschheid omvat. Ga vrij
en ongebonden voorwaarts, steun op eigene kracht, begeef u kalm naar
buiten in het volle, zonnige leven, geleid door uw eigen wil! Wees
vrij, maar niet als de slaaf, die ternauwernood de boeien ontkomen en
op eigen beenen staande, zich weder begeeft in de dienstbaarheid der
zinnen; neen, om uit vrije aandrift, met het zweet op het voorhoofd
rusteloos te streven, ten einde het hoogste doel te bereiken, alles tot
ontwikkeling en tot zijn recht te brengen, wat er groots en goeds is
in uwe ziel. Ja, het leven is een dienst! Evenals de leerlingen van de
Stoa wil ook ik nastreven wat zij deugd noemden, met geen ander doel
dan omdat het schoon is, omdat het ongestoord genot geeft deugdzaam
te zijn. Geheel op eigene verantwoordelijkheid te zoeken wat het ware
is, te doen wat ik als goed en recht heb erkend, dat zij voortaan
het wit waarnaar ik jagen wil. Aan de beide groote wenschen van mijn
hart: de verzoening met mijn vader en het bezit van Paula, voeg ik
terstond als derde toe: het zoeken naar het hoogste doel dat voor mij
bereikbaar is, en het kalm worstelen, om het zoo nabij te komen als
mijne krachten toelaten. De weg, die daarheen leidt, is de arbeid,
de leidster, die ik te volgen heb, om niet af te dwalen, mijne liefde!"

Met gloeiende wangen en diep ademhalende keek hij rond, als zocht hij
eene tegenpartij om daaraan zijne krachten te meten. De ellendige preek
was ten einde en uit het gezang der gemeente klonken hem de woorden
in het oor: "Heer, straf mij niet voor mijne misdaden." Daar viel
de gedachte aan zijn misdrijf en bovenal de vloek zijns stervenden
vaders hem weer loodzwaar op het hart; hij liet het moede hoofd op
de borst zinken en zeide tot zichzelven, dat hij te zwaar belast
was om de stoute vlucht te wagen, waartoe hij de vleugels begon te
ontplooien. Nog was hij niet ontheven van dien banvloek, nog gevoelde
hij zich niet verlost van zijn last. Doch bij het woord "verlost"
kwam het beeld hem voor den geest van den Verlosser, die de zonden der
wereld op zich had genomen, en hoe meer hij zich verdiepte in het wezen
van dien Heiland, dien hij sedert zijn kindsheid had liefgehad, des
te vaster werd hij overtuigd, dat hij aan de vrijheid van zijn eigen
wil geen afbreuk deed, maar veeleer gehoor gaf aan zijn oud verlangen,
wanneer hij alles wat hem bezwaarde aan Jezus beleed; dat de liefde
tot en het geloof in hem ook voor zijne ziel eene verlossende kracht
bezat. En zoo verhief hij oog en hart tot hem; als aan een beproefd
vriend vertrouwde hij hem alles toe wat hem beangstigde en in den
weg stond en bad hem om zijn bijstand. In liefde tot Jezus wist hij
zich éen met Paula, ofschoon zij eene andere voorstelling van hem
had dan hij.

Zij zag behalve de goddelijke ook nog eene menschelijke natuur in
Christus, en over dit punt, waarin hare opvatting van de zijne
verschilde, begon hij te peinzen. Terwijl hij nadacht over eene
beschouwing, waarvan hij nog zoo kort geleden een afkeer had gevoeld,
kwam het hem voor dat de geheel eenige gestalte van den Verlosser,
wiens wezen liefde en waarheid ademde, hem nader stond, wanneer hij
zich dacht dat die vlekkelooze en volmaakte als een mensch had gevoeld,
dat hij de levenslust eens menschen in het hart had gedragen, dat ook
hij ontvankelijk was geweest voor het lief en leed dat stervelingen
kwelt, dat hij onder menschen had gewandeld, om zich met hen te
verblijden, dat hij uit reine liefde voor dat rampzalig geslacht uit
den hemel was neergedaald, om zich onuitsprekelijke vernederingen,
smarten, ja den dood te getroosten met een bloedend hart, dat toch
vervuld was van de blijmoedigste zelfverloochening. Ja, die Christus
kon ook zijn Verlosser zijn; hij die met almacht heerschappij voerde
werd voor hem een volmaakt en liefderijk vriend, een edele, zorgvuldige
en dierbare broeder, wien men gaarne zijn hart zou schenken, die alles
begreep, bereid was alles te vergeven, ook dat wat er omging in zijn,
Orions, gewond, naar loutering smachtend gemoed, omdat hij eens zelf
als mensch menschelijk had geleden. Heden waagde hij, de Jacobiet,
voor de eerste maal dit alles zichzelven te bekennen, en dat niet
enkel om Paula's wil....

Heftige slagen op een gebersten metalen schijf wekten hem met luid
gedruisch uit deze overpeinzing; evenals aan het slot van elke
belangrijke Jacobietische godsdienstoefening werd ook heden het
heilig avondmaal bediend. De bisschop plaatste zich voor de kast van
het Allerheiligste, goot wijn in een zilveren beker en brokkelde
daarin twee met het Koptische kruis gestempelde broodjes. Van dit
mengsel nam hij eerst zelf en reikte het daarna in een lepel uit
aan de leden der gemeente, die éen voor éen naderden. Nadat twee
ouderlingen hun deel hadden ontvangen, kreeg Orion ook het zijne. Ten
laatste reinigde de priester de bokaal door er water in te gieten,
en dronk ook dit, opdat er van den verlossenden drank niets verloren
zou gaan. Hoe had het hart geklopt van den aankomenden jongeling,
toen hij voor het eerst tot dit heiligste aller christelijke gebruiken
werd toegelaten! Hij kende den diepen, heerlijken zin ervan, hij had
de reinigende, verlossende, verkwikkende en tot alle goeds kracht
gevende werking van het avondmaal vaak ondervonden, als hij het met
zijne ouders en broeders te zamen genoot. Hoe waren zij verkwikt naar
lichaam en ziel, vaster dan ooit aan elkander verbonden, vaak hand aan
hand naar huis gegaan! Heden was het hem, die zich niet ergerde aan
de gebrekkige vormen der Godsvereering volgens de geloofsbelijdenis
zijner kindsheid, als werd door het brood en den wijn, het lichaam
en het bloed des Verlossers, het verbond betegeld, dat hij in stilte
met hem had gesloten, en als nam de Heiland met onzichtbare hand
de schuld en den vloek van hem weg, die hem zoo zwaar drukte. Hij
geraakte in eene hoog eerbiedige stemming, en het scheen hem toe,
dat zijn volgend leven hem Gode nader zou brengen dan vroeger, en
zijne liefde hem in staat zou stellen, ernstiger, vrijer en met meer
inspanning de gaven te gebruiken die de hemel hem had verleend.



DERDE HOOFDSTUK.


Orion had er tegen opgezien om met zijne moeder naar huis terug te
rijden; maar Neforis was, nadat zij zich beklaagd had over de weduwe
Susanna, die ook heden achter het vrouwenhek haar ongenoegen op
eene in het oog vallende wijze had getoond, opzij gezonken en daarna
vast ingeslapen. Met het hoofd geleund op den schouder van haar zoon
bereikte zij het stadhouderlijk verblijf en Orions bezorgheid over de
geliefde vrouw kreeg nieuw voedsel, toen het hem slechts met moeite
gelukte haar te doen ontwaken. Hij voelde hoe zij als dronken waggelde,
terwijl hij haar aan zijn arm niet naar de fonteinzaal maar naar het
slaapvertrek voerde, waar zij verlangde wat te rusten. Nauwelijks had
zij zich op de legerstede uitgestrekt of een diepe slaap overmande
haar.

Orion begaf zich vervolgens naar den juwelier Gamaliël, kocht van hem
een zeer kostbaren en grooten, maar eenvoudig in goud gezetten diamant,
en de broeder van den Israëliet nam op zich dezen mede te nemen naar
Konstantinopel en hem daar te overhandigen aan de weduwe Heliodora,
die bovendien tot zijne klanten behoorde. In het woonvertrek van den
juwelier schreef Orion vervolgens een brief aan zijne voormalige
geliefde, waarin hij haar in warme en dringende woorden bad, den
diamant aan te nemen en hem daarvoor den smaragd naar Memphis terug
te zenden door een betrouwbaren ijlbode, dien de goudsmid Simeon van
al het noodige zou voorzien.

Vermoeid en hongerig gebruikte hij wat later dan gewoonlijk het
middagmaal, evenals sedert de laatste dagen alleen met de Griekin
Eudoxia, de opvoedster van Maria. Het kind mocht de kamer nog niet
verlaten, tot groote vreugde van de paedagoge, althans in éen opzicht;
want het maaltijden onder vier oogen met den schoonen jongeling was
voor haar bedaagd gemoed een buitengewoon genot. Hoe beleefd was het,
dat deze rijke en aanzienlijke erfgenaam den slaven een wenk gaf om
haar vóor hem te bedienen; hoe vriendelijk, als hij geduldig naar haar
luisterde, wanneer zij vertelde van de aanzienlijke huizen, waar zij
vroeger onderwijs had gegeven! Zij zou voor haar dischgenoot in den
dood zijn gegaan; daar zich echter geene gelegenheid aanbood voor zulk
eene zelfopoffering, verzuimde zij althans niet hem opmerkzaam te maken
op de beste brokjes en te zorgen voor versche bloemen op zijne kamer.

Voor het overige trok zij zich op hoogst verdienstelijke wijze en met
zelfverloochenende liefde hare leerlinge aan, sedert deze krank was,
haar grootmoeder het hart van Maria had afgewend, en zij had opgemerkt
dat Orion met vaderlijke liefde zich aan de kleine nicht liet gelegen
liggen. De jongeling had heden nog geen tijd gevonden om naar Maria
te vragen, en de mededeeling van Eudoxia, dat zij zich minder rustig
dan gisteren toonde, maakte hem zoo bezorgd, dat hij, wat de Griekin
er ook tegen in bracht, zonder het nagerecht af te wachten opstond,
om zelf naar de kleine kranke te gaan zien.

Hij klom werkelijk bezorgd de trap op. Er was zooveel dat hem
bezwaarde, en terwijl hij Maria's kamer naderde, moest hij zichzelven
met een weemoedig lachje bekennen, dat hij, die in de residentie menig
aanzienlijk man en menige zeer gevierde vrouw ontweken had, omdat zij
aan zijne hooge eischen niet voldeden, hier buiten dit kind niemand
had, van wie hij zeker kon zijn begrepen te zullen worden. Tusschen
zijn kloppen en de uitnoodiging om binnen te komen verliep geruimen
tijd, gedurende welke hij achter de deur haastig hoorde heen en weer
loopen. Eindelijk vond hij Maria overeenkomstig het voorschrift van
den arts op een divan naast het wijd geopende en goed beschaduwde
venster. Hare legerstede was omgeven door bloeiende planten en op
het tafeltje voor haar stonden twee groote bloemruikers, een half
verwelkte en een frissche, die bijzonder fraai was.

Wat was het kind in de laatste dagen veranderd! De ronding der
wangen was verdwenen, en het geheele aardige smalle gezichtje werd
als beheerscht door de bovendien bijzonder groote oogen, die thans
nog sterker schitterden. Gisteren, toen zij zonder koorts was, had
zij er bleek uitgezien, maar heden gloeiden hare wangen, en daarbij
herhaalde zich dat trekken met de lippen en met den rechterschouder,
dat sedert den sterfdag van haar grootvader begonnen was, zoo vaak,
dat Orion zich bezorgd bij haar neerzette.

"Is grootmoeder bij u geweest?" luidde zijn eerste vraag, doch het
antwoord bestond slechts uit een treurig schudden met het hoofd. Alle
nieuwe bloemen die de kamer versierden waren zijn geschenk, zoo ook
de verwelkende ruiker. De andere, frissche, kwam niet van hem. Hij
deed dus onderzoek naar den gever en was niet weinig verwonderd te
zien, dat deze vraag zijne lieveling opnieuw onrustig maakte en in
verwarring bracht. Daar moest iets bijzonders schuilen achter dien
ruiker, dat lag voor de hand, en de jonge man, die hare overprikkelde
zenuwen niet onnoodig wilde kwellen en zijne vraag ook niet weder
intrekken kon, had er reeds spijt van haar gedaan te hebben, toen
de ontdekking van een vederen waaier, die hij met de woorden: "ei,
wat is dat?" opnam, hem uit de verlegenheid redde.

Opnieuw vloog Maria het bloed naar het aangezicht, en terwijl
zij hem met groote oogen smeekend aanzag, legde zij den vinger op
den mond. Doch hij knikte haar toe, als wilde hij zeggen dat hij
alles begreep, en vroeg zacht: "Was Katharina bij u? Zoo bindt de
hovenier van Susanna de bloemen. Die waaier... Toen ik klopte... Is
zij misschien nog hier?"

Hij had juist geraden en Maria wees zwijgende op de deur van het
aangrenzend vertrek.

"Maar om godswil kind," vroeg Orion met eene gedempte stem verder,
"wat wil zij hier nog doen?"

"Zij is heimelijk en in eene boot hier gekomen," fluisterde het
kind. "Door haar Anubis die op het rentmeesterskantoor is, heeft zij
mij laten vragen of zij komen mocht. Zij kon het zonder mij niet
langer uithouden, zij had mij toch geen kwaad gedaan. Toen heb ik
'ja' gezegd en zoodra ik daareven u aan het kloppen herkende, is zij
een-twee-drie naar de slaapkamer gevlucht."

"En wanneer grootmoeder haar nu ontmoet?"

"Ja dan--wat er dan van mij worden zal... Ach God, Orion als gij eens
wist, hoe dat..."

Over hare wangen biggelden twee dikke tranen, waarvan Orion de
beteekenis maar al te goed begreep. Hij streek haar vriendelijk over
de lokken en zeide zacht, terwijl hij telkens naar het slaapvertrek
keek: "Ik ben eigenlijk gekomen om u veel van Paula te vertellen. Zij
heeft u zoo lief en noodigt u uit om bij haar te komen en bij haar te
blijven. Maar dat moet gij stil voor u houden, meisje, en aan niemand
zeggen, ook niet aan Eudoxia en Katharina, want ik weet zelf nog
niet hoe het gelukken zal van grootmoeder vergunning te krijgen. In
elk geval moeten wij daarbij zeer verstandig en voorzichtig te werk
gaan, begrijpt ge? Ik neem u thans maar in het vertrouwen, opdat gij
bij voorbaat en ook bij nacht u daarop verheugen kunt, wanneer gij
weder zoo dom zijt om als de hazen de oogen open te houden, in plaats
van gerust te gaan slapen. Als alles meeloopt, dan zijt gij wellicht
morgen--denk eens aan!--ja morgen reeds bij Paula. Eerst had ik de hoop
reeds opgegeven om de zaak door te zetten, maar daareven--is het niet
grappig?--pas een paar minuten geleden, heb ik tot mij zelven gezegd:
'het zal wel gaan!', en zoo moet het dus doorgezet worden."

Een vloed van tranen goot zich over Maria's wangen uit; en hoewel
er geen einde aan scheen te komen, zoo behoefde zij niet te snikken
en haar borst bleef rustig. Ook hare lippen bewogen zich niet, maar
uit hare vochtige, heldere oogen straalde zulk een overvloed van
dankbaarheid en geluk, dat Orion de tranen in zijne eigene oogen voelde
wellen en blijde was iets te vinden, waardoor hij zijne ontroering
kon verbergen. Want toen Maria zijne rechterhand greep en daarop eene
lange warme kus drukte, bevochtigden hare tranen zijne hand en riep
hij: "Zie eens, geheel nat alsof zij uit een waterbekken kwam..."

Verder bracht hij het niet, want opeens vloog de deur van de slaapkamer
open, en de fijne, hooge stem der Griekin Eudoxia riep: "Maar waarom
wilt gij nog langer tegenstribbelen? Maria zal er zeker blijde om
zijn! Kind, kind, daar breng ik u uwe verlorene vriendin! Welk een
verrassing!"

Daarop verscheen het kwikstaartje, dat de opvoedster met alles behalve
zacht geweld voor zich uit over den drempel duwde. Eudoxias gelaat
straalde van zelfvoldoening, als had zij een heldendaad volbracht,
toch verschrok zij een weinig, toen zij Orion hier nog aantrof.

De gescheiden verloofden stonden tegenover elkander. Het gebeurde was
niet weder goed te maken; doch behalve dat hij haar met eene afgemetene
buiging ontving, en zij den waaier zachtkens voor haar gelaat heen
en weer bewoog, om hare verlegenheid te verbergen, gebeurde er niets,
wat een onkundige had kunnen opvallen. Ja, Katharina's gezichtje nam
een uitdagende uitdrukking aan, als hij vroeg naar zijn witte hondje,
en zij recht koel antwoordde, dat zij het beest in den hoenderhof
aan een ketting had gelegd, omdat de patriarch, haar gast, niet van
honden hield.

"Vele menschen vereert hij met dezelfde gevoeligheid," antwoordde
Orion.

"Wanneer zij het verdienen," antwoordde het kwikstaartje, zonder zich
lang te bedenken.

Op deze wijze werd het gesprek korten tijd voortgezet, doch de
jonkman was noch in eene stemming om de hatelijkheden van het meisje
lijdelijk aan te hooren noch om ze met gelijke munt te betalen, en
daarom maakte hij zich tot vertrekken gereed. Doch voor hij afscheid
had genomen, zeide Katharina, die uit het venster gezien en opgemerkt
had hoe laag de zon reeds aan den hemel stond: "Lieve hemel, wat is
het al laat! Ik moet weg, want aan den avonddisch mag ik niet gemist
worden! Mijn boot ligt in de visschershaven bij de uwe. Is de deur
van het rentmeesterskantoor nog niet gesloten?"

Orion keek naar den stand der zon en zeide: "Het is heden
Sanutius-dag!"

"Dat weet ik!" zeide Katharina. "Juist daarom had Anubis heden
middag vrij."

"En om dezelfde reden," voegde Orion er bij, "is er in het kantoor
geen schepsel meer aan den arbeid."

Dat was kwaad! Voor geen prijs wilde zij in het huis van den stadhouder
gezien worden en nu begon zij, die uit de dagen van haar spelen
met Maria elken schuilhoek van het paleis kende, te overleggen, en
haar fijn gezichtje verkreeg daarbij eene voor Orion geheel vreemde,
loerende uitdrukking, die hem mishaagde en tegelijk zijne bezorgdheid
wekte, niet voor zichzelven, maar voor Maria, voor wie uit den omgang
met deze speelgenoote niets goeds kon volgen. Dergelijke bezoeken
moesten zich niet vaak herhalen. In hare tegenwoordigheid wilde hij
er niet over spreken; maar aan Katharina moesten terstond de noodige
wenken worden gegeven. Zonder zijne hulp kon zij niet ongemerkt
buiten komen, en daarom brak hij hare overleggingen af, deelde haar
mede dat hij den sleutel van het rentmeesterskantoor bij zich droeg,
onderzocht of de voorzaal vrij was, en leidde haar terstond hierop
door allerlei gangen in het met het woonhuis verbonden kantoor. Dit
was op dit uur als uitgestorven, en toen Orion dicht naast haar voor
de achterpoort stond, die uitkwam op den weg naar de visschershaven,
en hij den sleutel reeds ophief, om die te openen, liet hij zijne hand
weder zakken, en brak voor het eerst het stilzwijgen af, dat beiden
gedurende dezen geheimen tocht in acht hadden genomen, en vroeg: "Wat
drong u toch om naar Maria te gaan, Katharina? Zeg het mij eerlijk?"

Haar hart, dat sneller klopte, sedert zij met hem alleen in het
doodsche, van menschen verlaten, huis vertoefde, begon nu onstuimig
te slaan en een groote angst overviel haar, zij wist zelve niet
waarvoor. Zij was om velerlei redenen naar de stadhouderlijke woning
gegaan, doch éene was van overwegend belang: Maria moest van haar
vernemen, dat haar jonge oom en Paula elkander liefhadden; want het
kind kon, gelijk zij uit ervaring wist, voor hare grootmoeder niets van
belang verzwijgen, en dat vrouw Neforis Paula niet lijden mocht was een
openbaar geheim. Zeker droeg deze nog geen kennis ervan, hoe ernstig
haar zoon het meende met zijne verliefdheid op de Damasceensche; doch
was vrouw Neforis eens hiervan onderricht, dan--daaraan twijfelde
zij niet--dan zou zij niets onbeproefd laten om Orion van Paula af
te houden. Zoo had zij dan de kleine ook medegedeeld, dat de lieden
reeds vertelden hoe deze twee een gelukkig bruidspaar waren, en
zijzelve had hen in den tuin van haar buurman zien minnekoozen. Tot
hare teleurstelling had Maria dit alles zeer gelaten aangehoord, en
scheen het meisje er volstrekt niet door getroffen te worden. Toen
Orion haar thans de vraag deed wat haar naar deze woning had gevoerd,
kon zij maar éen antwoord geven: "Onweerstaanbaar verlangen naar de
kleine Maria."

"Natuurlijk," sprak de ander, "doch ik zou u willen verzoeken om
aan uw vriendelijk verlangen niet te spoedig weer te voldoen. Uwe
moeder laat hare boosheid tegen de mijne maar al te openlijk blijken,
en deze zal nieuw voedsel ontvangen, wanneer zij verneemt dat wij u
aanmoedigen om tegen haar wil te handelen. Misschien zult gij weldra
in de gelegenheid zijn Maria meermalen te zien, maar juist dan verzoek
ik u haar niet over dingen te spreken, die haar te veel opwinden. Gij
hebt u kunnen overtuigen hoe prikkelbaar zij is en hoe zwak zij er
uitziet. Haar jong hartje en haar wat al te vroeg ontwikkeld gevoels-
en denkvermogen moeten tot rust komen, mogen niet door al te sterke
indrukken opnieuw in beweging worden gebracht, en gij zijt in staat
zulke indrukken te wekken. De patriarch is een vijand van mij en
dit huis, en gij--ik zeg het niet om u te krenken--hebt hem in den
afgeloopen nacht beluisterd en waarschijnlijk allerlei gewichtige
dingen uit zijn mond vernomen en daaronder ook zoodanige, die mij en
mijn huis betreffen".

Katharina stond doodsbleek tegenover den jongen man. Hij wist dat en op
welk tijdstip zij den patriarch beluisterd had; de schrik hierover en
het pijnlijk bewustzijn dat zij zichzelve in zijne oogen vernederd had,
bracht haar in verwarring. Zij gevoelde zich overrompeld, beleedigd en
bedreigd. Intusschen behield zij tegenwoordigheid van geest genoeg,
om haar tegenpartij spoedig te antwoorden: "Maak u niet bezorgd! Ik
zal niet wederkomen. Het zou bovendien niet geschied zijn, als ik
had kunnen voorzien..."

"Mij te ontmoeten?"

"Misschien; maar beeld u hiervan niet te veel in!... Wat mijn luisteren
aangaat... Nu ja, ik heb mij bij het venster geplaatst. Ik kon maar
halve woorden verstaan van hetgeen binnen besproken werd; en wie komt
niet in verzoeking te willen hooren, wat mannen van beteekenis met
elkander verhandelen? Zulk een man, wanneer ik uw vader uitzonder, heb
ik in Memphis niet weder ontmoet, sedert Memnon heenging. Wij vrouwen
hebben nu eenmaal wat nieuwsgierigheid van moeder Eva geërfd; maar
zoover brengen wij het zelden, dat wij in de kisten van onze gasten
naar halsketenen gaan zoeken. Ik heb als misdadige weinig geluk,
mijn lieve Orion! Reeds tweemaal verdiende ik die naam... Dank zij
het grootmoedig en ruim gebruik, dat gij van mijne onervarenheid hebt
gemaakt, heb ik zwaar, zoo verschrikkelijk zwaar gezondigd, dat het mij
nog altijd mijne levensrust beneemt. Ditmaal mocht het vergeeflijker
zijn, doch in beide gevallen werd ik betrapt, zooals gij weet."

"Uwe verwijten zijn rechtvaardig," antwoordde Orion somber. "Maar
meisje, wij hebben beiden het lot te danken, dat wij niet lang op den
dwaalweg vertoefden. Reeds eenmaal heb ik u vergiffenis gevraagd en
ik doe het nog eens. Dat voldoet u niet, ik zie het aan uw gelaat, en
ik kan het u nauwelijks euvel duiden. Misschien is het u meer welkom,
wanneer ik u andermaal beken, dat geen misdaad harder en gruwzamer
kon bestraft worden dan de mijne."

"Zoo?" vroeg Katharina op gerekten toon, en ging daarop luchtig voort,
terwijl zij met haar waaier speelde: "Maar gij ziet er waarlijk
alles behalve geknakt uit, en het is u bovendien gelukt die bewuste
'andere',--Paula, als ik goed raad--voor u te winnen...."

"Zwijg daarover!" zeide Orion zeer beslist, haar belettende verder te
gaan, en bracht den sleutel reeds aan de deur, doch zij plaatste zich
voor hem en zeide, hem met den vinger dreigende: "Het is dus zoo! Nu
weet ik genoeg. Overigens hebt gij met uw plompe 'zwijg daarover'
groot gelijk. Over uwe liefdesgeschiedenissen bekommer ik mij niet
meer, doch naar iets anders mag ik wel vragen, want het gaat mij
alleen aan. Hoe hebt gij over onze heg heen kunnen zien? Anubis is
nauwelijks een hoofd kleiner dan gij..."

"En hij heeft er voor u de proef eens van genomen?" haastte hij zich
te zeggen, waarbij hij zich niet onthouden kon te lachen, daar hij
inzag dat zijn oprecht gemeende ernst bij Katharina zeer misplaatst
was. "Ondanks uwe loffelijke voorzorg verzoek ik u het volgende voor
toekomstige gevallen wel ter harte te nemen. Wat voor Anubis geldt
past niet op iedereen, en behalve voetgangers zijn er ook slanke
lieden op hooge paarden."

"Gij zijt dus die nachtelijke ruiter geweest!"

"Die het niet nalaten kon naar uw venster op te zien."

Bij deze woorden deed zij verschrikt eene schrede achterwaarts;
haar oog verhelderde, maar slechts voor een oogenblik; daarop vroeg
zij scherp, terwijl zij met beide handen de veeren van haar waaier
samenkneep: "Moet dat spot zijn?"

"Stellig niet," antwoordde hij gelaten, "want ofschoon gij grond
genoeg hebt om op mij verstoord te zijn..."

"Zoo heb ik u tot heden niet den minsten grond gegeven, zeker niet,"
ging zij opgewonden voort, "ik ben de gekrenkte, mishandelde, ik
geheel alleen, en gij moet toegeven, dat gij bij mij in schuld staat
en ik het recht heb iets van u te verlangen."

"Doe het," hernam Orion, "ik ben tot uw dienst."

Daarop zag zij hem vlak in het aangezicht en vroeg: "Vooreerst:
hebt gij reeds verder verteld dat ik..."

"Dat gij geluisterd heb? Neen--aan geen levende ziel."

"En belooft ge mij het niet te zullen verraden?"

"Gaarne!--Wat moet op dit 'vooreerst' nu in de tweede plaats volgen?"

Het antwoord op deze vraag liet op zich wachten, het viel het
kwikstaartje zichtbaar zwaar het te geven; doch eindelijk begon zij
met neergeslagen oogen: "Ik zou wel... Maar gij zult mij voor dwazer
houden dan ik werkelijk ben; intusschen... Ja ik vraag het u toch,
al haalt het mij eene nieuwe vernedering op den hals.--De waarheid
wil ik weten, en als u nog iets heilig is, dan moet ge mij, voor
ik u deze vraag doe, bij het heiligste zweren, dat ge mij juist zoo
zult antwoorden, als ware ik geen kinderachtig meisje, maar--verstaat
gij?--als ware ik de hoogste rechter ten jongsten dage!"

"Wat klinkt dat plechtig!" hernam Orion.--"Vergun mij echter op te
merken, dat er vragen zijn, die ons niet alleen betreffen, en wanneer
gij mij de zoodanigen.."

"Neen, neen," antwoordde Katharina, "wat ik bedoel gaat u en mij
alleen aan."

"Dan zie ik geen reden, waarom ik u niet ter wille zou zijn," zeide de
andere weder. "Doch ik zou u een wederdienst willen vragen. Evenals
u komt het ook mij wenschelijk voor te weten, waarover een man van
zooveel beteekenis als de patriarch met een ander spreekt, en daar
ik mij ter uwer beschikking stel..."

"Ik dacht," zeide zij, hem lachende in de rede vallende, "dat gij er
allereerst belang in zoudt stellen uw schuld aan mij althans voor een
deel af te doen. Doch ik verlang geene buitengewone grootmoedigheid,
en het weinige wat ik heb kunnen afluisteren is spoedig verteld. Het
zal u bovendien tamelijk onverschillig zijn... Ik vervul dus uw wensch,
en gij belooft mij daarentegen..."

"De volle waarheid te zeggen."

"Zoo stellig als gij op vergeving van zonden hoopt?"

"Zoo waar ik dit hoop!"

"Dat is goed!"

"Wat verlangt gij dan nu te hooren?"

Zij schudde het hoofd en zeide angstig: "Nog niet, neen, neen,
zoo kan het niet gaan! Laat mij het eerst aan de beurt, en doe dan
de deur open. Als ik weg wil, moet ge mij laten loopen, zonder een
woord verder te spreken of te vragen. Haal mij een zetel, ik moet
een oogenblik gaan zitten."

En zij scheen inderdaad rust noodig te hebben, want sedert de laatste
oogenblikken zag zij er bleek en afgemat uit en hare vingers beefden,
terwijl zij het gelaat met een doekje afveegde. Zoodra zij plaats
genomen had, begon zij te vertellen, en terwijl zij haastig en op
onverschilligen toon sprak, als gold het niets bijzonders, hoorde
Orion haar in groote spanning aan, want wat hij vernam, was voor hem
bijzonder belangrijk.

Men had hem op bevel van den patriarch nagegaan. Deze was reeds
omstreeks middernacht te weten gekomen, dat hij in Fostat was geweest
en daar den Arabischen veldheer had opgezocht. Anders was er niets over
hem gezegd, alleen had men de vrees geuit, dat hij het plan bij zich
omdroeg het geloof zijns vaders af te zweren en tot de ongeloovigen
over te gaan. Van meer gewicht was, wat Orion te weten kwam omtrent
de onderhandelingen van den prelaat met den vertegenwoordiger van den
Kalief. Deze had aangedrongen op de vermindering van kloosters, van
monniken en nonnen, die van vrome stichtingen en geschenken leefden,
naar den regel van Pachomius allerlei handwerken uitoefenden, en
omdat zij niet in hun onderhoud behoefden te voorzien in staat waren
de meeste voorwerpen voor het dagelijksch leven, van de matten in
huis tot de schoenen voor de voeten, veel goedkooper te leveren dan
de gewone handwerkers in stad en land. Het grootste deel van die arme
lieden was bij zulk eene concurrentie reeds ondergegaan, en Amr, die
zag dat ook de Arabische handwerkslieden, de lederwerkers, de wevers,
de touwslagers en dergelijken met hetzelfde lot bedreigd werden,
had besloten een flinken greep in dien kloosterarbeid te doen,
en deze zeer te beperken. De patriarch had met taaie en krachtige
volharding zich hiertegen verzet, maar ten slotte had hij toch bijna
de helft der monniken- en nonnencoenobiën prijs moeten geven. Hij
had echter niets afgestaan om niet, want Benjamin wist al te goed
hoe groote hinderpalen hij als hoofd der nieuwe kerk der regeering
in den weg kon leggen. Het was aan den patriarch dus overgelaten om
zelf de kloosters aan te wijzen, die tot opheffing bestemd werden,
en de prelaat had natuurlijk allereerst de hand gelegd op de laatste
Melchietische coenobiën, en onder dezen ook op het Caecilia-klooster
naast het huis van Rufinus. Deze inrichting moest reeds binnen drie
dagen ontruimd worden en vervallen aan de Jacobietische kerk. Dit
moest in alle stilte geschieden, daar men thans, terwijl ieder in
koortsachtige spanning verkeerde over het uitblijven van het wassen
van den Nijl, te vreezen had, dat het arme volk van Memphis in de bres
zou springen voor de rijke zusters, aan wie het zoovele weldaden, zulk
eene vriendelijke verpleging te danken had. Ook van den senaat der stad
had men verzet te verwachten tegen een maatregel, die de gestorven
Mukaukas als onrechtmatig en nadeelig voor het algemeen belang had
afgekeurd. De verdrevene orthodoxe nonnen zouden als leekenzusters,
zooals zulks meermalen pleegde te geschieden, bij Jacobietische
kloosters worden ingedeeld, doch de abdis moest naar een afgelegen
Ethiopisch coenobium worden vervoerd, waar geen mogelijkheid was
om te ontvluchten, daar zij én door hare hooge afkomst én door haar
kennis én door haren uitgebreiden invloed gemakkelijk de kerkvorsten
van het geheele oosten tegen Benjamin in opstand zou kunnen brengen,
wanneer men haar vrij liet.

Dit geheele verhaal had maar enkele oogenblikken in beslag genomen en
werd met tamelijke onverschilligheid medegedeeld. Wat gingen Katharina,
wat Orion, een broeder van twee slachtoffers der Melchietische
geweldenarij, de opheffing van orthodoxe kloosters en de verdrijving
van kettersche nonnen aan?

Orion liet ook niet blijken hoezeer het medegedeelde hem ter harte
ging en toen Katharina eindelijk opstond en uitgeput naar het slot
van de deur wees, zeide zij alleen, als had zij er spijt van zooveel
tijd verbeuzeld te hebben: "Dat is in hoofdzaak alles."

"Alles?" herhaalde Orion, terwijl hij het slot opende.

"Stellig en zeker alles," antwoordde zij angstvallig. "Wat ik
u vragen wilde.... of ik het te weten kom of niet.... het kan mij
niet schelen.... Ja, het ware wellicht beter .... O zeker .... Laat
mij heengaan!"

Doch hij deed niet wat zij verlangde, maar zeide vriendelijk: "Vraag
maar, ik antwoord gaarne."

"Gaarne?" herhaalde zij, ongeloovig de schouders ophalende. "Eigenlijk
moet gij u toch niet op uw gemak gevoelen, wanneer gij mij aanziet;
maar het gaat in Memphis en op de wereld nu eenmaal niet toe zooals
het behoort. Want wat bekommert gij mannen er u over wat gij van
een arm meisje gemaakt hebt? Meen niet dat ik u verwijten wil doen,
God beware mij! Ik ben niet eens boos op u. Zoo iemand, dan kan ik
het gebeurde wel dragen. Denkt gij het ook niet? Aan mij is het best
besteed; het kan mij niet deren! Ik ben zeer rijk en niet leelijk,
en er zullen nog wel honderd komen, die naar mijne hand dingen. O,
ik ben een benijdenswaardig schepsel! Eén vrijer heb ik reeds gehad,
en de eerstvolgende zal in elk geval trouwer zijn en mij niet zoo
koel opzij schuiven als de eerste; denkt gij dat ook niet?"

"Ik hoop het," antwoordde Orion ernstig, "hoe bitter de drank ook is
die gij mij reikt..."

"Nu?"

"Zoo kan ik toch slechts herhalen, dat ik dien drinken moet, omdat
ik ongelijk heb. Niets zou mij hartelijker verblijden, dan dat ik
althans in iets weder goed kon maken, wat ik jegens u heb misdaan."

"O neen!" zeide zij op minachtenden toon. "Zoover zullen onze wenschen
zich niet uitstrekken. Tusschen ons is alles voorbij, en als gij
ooit iets voor mij geweest zijt, thans zijt gij niets meer voor mij,
volstrekt niets. Een stukje verleden hebben wij met elkander doorleefd;
het was wel kort, maar--weet gij het ook?--het is zeer gewichtig voor
mij geweest. Het heeft het jonge ding, dat gij gisteren nog, gelijk ik
zeer goed weet, voor een echt kind hield, wonderbaar snel doen rijpen,
en daarbij veel slechter gemaakt, dan gij u kunt voorstellen."

"Dat zou mij leed doen tot in den diepsten grond mijns harten,"
antwoordde Orion. "Ik kan mijne houding met niets verontschuldigen,
maar dat weet gij zelve wel, dat in de eerste plaats de wenschen
onzer moeders..."

"Ons voor elkander bestemden, wilt gij zeggen? Gij hebt gelijk. En
hebt gij ook ter wille van vrouw Neforis mij toen onder de acacias in
de armen genomen, mij uw éen en alles, uw hartediefje, uw rozenknopje
genoemd? Hebt gij,"--en hier verhief zij hare stem en hare oogen
fonkelden van hartstochtelijke opgewondenheid--"hebt gij,--en ziehier
juist wat ik u vragen wilde en weten moet--hebt gij ook toen gelogen,
of hadt ge mij ten minste in die enkele oogenblikken daar onder de
boomen uit den grond uws harten lief, even lief als thans--ik mag
haar naam niet noemen--als thans uwe 'andere'? De waarheid, Orion,
de volle waarheid, gij hebt het gezworen!"

Hier sloten zich hare lippen, maar hare glinsterende, vochtige,
vragende oogen zeiden hem duidelijk en klaar, dat haar hart hem nog
altijd behoorde, dat zij staat maakte op zijne edelmoedigheid en een
bevestigend antwoord verwachtte. Zij drukte haar gevulden arm tegen
hare borst, als wilde zij op deze wijze het onstuimig kloppen van
haar hart beteugelen. Haar fijn gelaat werd met een nu eens donkeren,
dan weder lichteren blos gekleurd. Haar kleine mond, die zoo even nog
zulke bittere woorden had gesproken, lachte, als ware hij bereid eene
zoete belooning te schenken voor het vertroostend, bemoedigend woord,
waarnaar haar gansche wezen smachtte, en de verstandige oogen, waarin
nu tranen welden, lieten niet af zoo innig en roerend te smeeken! Welk
een betooverend beeld van hulpelooze, liefdevolle, genade smeekende
jeugd en lieftalligheid!

"Evenzoo lief als die 'andere'!" en "gij hebt het gezworen!" bleef het
voortklinken in 's jonkmans ooren. Zijn teergevoelig hart dreef hem aan
om weder goed te maken, wat hij tegen dit aanminnige, ongelukkige,
jonge schepseltje misdreven had; maar dat "evenzoo lief als die
'andere'!" en "gij hebt het gezworen!" gaven hem kracht standvastig
te blijven. Hij die zich hier geroepen gevoelde medelijden te hebben
en te troosten, strekte de handen naar haar uit, als smeekte hijzelf
om hulp, zeggende: "Ja, Katharina, zoo aanminnig, zoo betooverend
als thans zijt gij ook toen geweest; maar ik... Hoe goed ik ook voor
u was, er is nu eenmaal eene groote liefde, die mijn gansche wezen
vervult... Laat buiten spel, wat later gebeurd is... Stel uwe vraag
alleen wat anders, doe haar nog eens, of veroorloof mij u te zeggen..."

Maar hem bleef geen tijd om verder te spreken; want vóor hij haar
kon terughouden, was zij hem voorbij gesneld en als een vluchtend
wild naar buiten gevlogen, naar de visschershaven.



VIERDE HOOFDSTUK.


Orion was alleen en keek haar droevig na. Was dat de vloek zijns
vaders? Het scheen als moest ieder, die hem beminde, daarvoor smart
en ellende oogsten. Hij huiverde, doch zijn jeugdige moed en zijn
veerkracht waren sterk genoeg om deze pijnlijke gedachte te boven
te komen. Welk eene gelegenheid bood zich aan om zijne kracht te
toonen! Reeds onder het verhaal van Katharina had de kloeke jonkman,
die naar daden dorstte, zich tot taak gesteld om de kloosterzusters te
redden. Hoe grooter gevaren verbonden waren aan de oplossing van dit
vraagstuk, ja hoe onuitvoerbaarder dit scheen op het eerste gezicht,
des te meer was het hem thans welkom.

Blijmoedig en strijdlustig wierp hij de deur achter zich dicht en ging
naar den hof. Het begon reeds duister te worden. De arts moest thans
bij Maria zijn en hij had het plan opgevat het kind met zijne hulp uit
de stadhouderlijke woning te verwijderen. Eerst wanneer hij wist dat
Maria bij Paula in het huis van Rufinus veilig geborgen was, kon hij
met een vrij gemoed datgene ondernemen en doorzetten, wat hem voor den
geest zweefde. "De wagen met den Perzischen draver voor!" riep hij op
de trap een slaaf toe, en een oogenblik later trad hij tegelijk met
de slavin, die brandende lampen bracht, de kamer van de kleine binnen.

Noch het kind, noch Philippus merkte hem dadelijk op, en hij hoorde
hoe zij den arts, die haar pols tusschen zijne vingers hield, vroeg:
"Wat scheelt u toch heden? Mijn God"--het lamplicht viel juist helder
op zijn gelaat--"wat ziet gij er bleek en treurig uit! Wacht eens,
ik heb zoo straks een aardig kereltje van was gekneed...."

Met dit knutselwerk wilde zij den man, die altijd zoo vriendelijk
tegen haar was, wat opvroolijken, doch terwijl zij zich voorover boog,
om het te grijpen, bemerkte zij haar oom en riep: "Philippus komt hier
om mij te genezen, doch hijzelf ziet er uit als had hij een drankje
noodig. Pas op, gij krijgt die bittere, bruine medicijn van gisteren,
dan zult gij eens proeven, wat leelijk smaakt!"

Hoe vriendelijk deze uitroep ook gemeend was, geen van beide mannen,
die elkander zwijgend en met eene vormelijke buiging begroetten,
lette er op. Maar ook zonder de opmerking van het kind zou het
Orion zijn opgevallen, welke eene verandering er bij den arts sedert
gisteren had plaats gehad. Schijnbaar zonder acht te geven op hem die
was binnengekomen, deed hij Maria nog enkele korte vragen, verzocht
Eudoxia de vroegere voorschriften, ook verder in acht te nemen, en
bracht daarna haastig aan allen tegelijk een afscheidsgroet. Doch
Orion beantwoordde dien niet, maar vroeg met een liefdevollen blik
op de kleine: "Toch nog een enkel woord!"

Dit gaf ook Philippus aanleiding weder naar het kind terug te keeren,
en toen daarop de oogen der mede minnaars elkander ontmoeten, wisten
zij, dat zij althans in éen opzicht het eens waren en hetzelfde
gevoelden. Het was den arts niet onbekend gebleven, hoe vriendelijk
de jonge man zich het lot van Maria had aangetrokken; en daarom volgde
hij hem zwijgend naar het vertrek, dat hij thans bewoonde en vroeger,
zooals Philippus wist, de woning van Paula was geweest. "Gij zijt in
dienst van uw, plicht," herhaalde hij zich telkens, om kalm te blijven
en ten minste in het algemeen goed te verstaan, wat de klankvolle stem
van dien schoonen jonkman tot hem zeide, wat hij hem als een smeekeling
voordroeg met eene warmte, waarvoor hij hem niet in staat had geacht.

Philippus wist sedert lang, hoe de grootmoeder zich op
beklagenswaardige wijze van hare kleindochter had afgewend, en
vond Orions wensch, om het kind uit het stadhouderlijk paleis te
verwijderen, maar al te zeer gerechtvaardigd. Toen hij echter vernam,
dat zij aan Paulas hoede zou worden toevertrouwd, voer eene huivering
door al zijne leden en keek hij zoo somber voor zich, dat de ander
spoedig raadde wat er bij hem omging. Inderdaad, had de arts bij
zichzelven gezegd, dit kind moet den minnaar tot een voorwendsel
dienen, om meer bij zijn geliefde te kunnen komen, en reeds was
hij, niet bij machte om deze vrees te verkroppen, opgesprongen om
haar uit te spreken, toen Orion hem het woord van de lippen nam en
met neergeslagen oogen, bescheiden en oprecht zeide: "Om het kind,
alleen om Maria's wil--bij mijn zaligen vader..."

De arts schudde somber het hoofd, trad zijn medeminnaar nader en
prevelde op doffen toon: "Terwille van dit kind ben ik in staat
veel te doen en veel te laten. Beter dan bij Rufinus en Paula kan
het nergens onder dak worden gebracht: doch wanneer ik zou moeten
denken," en hier verhief hij zijne stem en zijne oogen verkregen een
onheilspellenden, dreigenden gloed "wanneer ik zou moeten denken:
de heilige, bedreigde onschuld is slechts eene brug...."

"Neen, neen!" haastte Orion zich met nadruk te zeggen. "Nog eens
geef ik u plechtig de verzekering, dat ik niets op het oog heb dan
de redding van het kind! En nu er toch zooveel gezegd is, komt het
op een woord meer of minder niet aan! Het huis van Rufinus staat
dag en nacht voor u open. Als alles gaat gelijk ik mij voorstel, dan
zal ik in den eersten tijd ver van hier van Memphis, van de dochter
van Thomas zijn. Er broeit iets schandelijks, een boevenplan meer
mag ik niet zeggen, en met gevaar van mijn leven wil ik trachten
dit te verijdelen. Dit ontneemt u het recht mij verder van dingen
te verdenken, die evenzeer tegen mijne natuur strijden als tegen
de uwe. Vergis ik mij niet, dan dingen wij beiden, gij en ik, naar
denzelfden prijs en zijn wij elkanders tegenstanders geworden, maar
waarom zou het kind daaronder lijden? Vergeet dit ter wille van Maria,
en dit vergeten zal uwe waarde slechts doen stijgen in hare oogen;
gij weet wie ik bedoel!"

"Mijne waarde?" vroeg de ander op spottenden toon. "Hier beslist geen
waarde, maar hoe de blinde deerne van het geluk hare gaven daarheen
strooit, maar alleen hoe een neus, eene kin, een oog gevormd zijn,
alleen wat zich toevallig in het weeke was van een meisjeshart
afdrukt, onverschillig of het misdadig of edel is. Maar," riep hij,
als buiten zichzelven den ander toe, "maar ik mag vervloekt zijn
als ik weet hoe wij op deze dingen komen! Heeft mijne dwaasheid dan
met ontblooten boezem op straat rondgeloopen, om zich aan iedereen te
vertoonen? Hoe weet gij, wat ik gevoel? Heeft zij u wellicht over dien
belachelijken minnaar gesproken? Maar wat raakt het mij: gij weet nu
reeds, of zult het morgen wel vernemen, wie het hanengevecht gewonnen
heeft. Kijk mij maar aan! Zij die harten breken zien er anders uit
dan dit Thersites-gezicht tegenover u. Veel geluk met uw overwinning,
en het andere--daar het wel zoo zijn moet, tot morgen!"

Hierop liep hij haastig naar de deur, doch Orion hield hem tegen,
smeekte hem zijn toorn althans voor dit oogenblik te vergeten,
bezwoer dat Paula hem met geen woord zijne neiging had verraden,
dat hij veeleer zelf door jaloezie was gekweld, toen hij Philippus
gisteren zoo laat bij haar had gezien, en bad hem bij al wat goed
was het onschuldige, lieve kind zijn bijstand niet te ontzeggen,
hij mocht dan met woorden hem mishandelen zooveel hij wilde, als dat
zijn gemoed verlichten kon.

Het menschlievend hart van den arts bleef voor deze bede niet gesloten,
en toen hij eindelijk zich gereed maakte tot heengaan, in de blijde
maar tevens smartelijke overtuiging, dat zijn gelukkiger medeminnaar de
geliefde waardiger was geworden, had hij met Orion afgesproken, dat hij
vrouw Neforis, bij wie hij eene lichte graad van geestverbijstering
meende waar te nemen, zou voorschrijven het kind toe te vertrouwen
aan een met hem bevrienden arts in de nabijheid der stad, omdat de
lucht in de stadhouderlijke woning voor Maria gevaarlijk was.

Zoodra Philippus het huis verlaten had, reed Orion naar Rufinus,
en toen hij met een paar woorden verklaarde dat iets ernstigs en
gewichtigs hem herwaarts deed komen, verzocht de grijsaard dat hij
hem zou volgen naar zijn werkkamer. Doch de jonkman hield hem hiervan
terug, ten einde met hem en de vrouwen eerst alles in orde te brengen,
wat de opneming van de kleine Maria betrof.

"Zoo wordt langzamerhand het geheele stadhouderlijk huis in onzen
tuin geplant!" zeide Rufinus. "Ik heb er vrede mee; en gij, oudje,
wat zegt gij ervan?"

"Dat ik het stellig goedvind," antwoordde zij. "Eigenlijk hebben gij
en ik hierin niets te zeggen; zij zal Paulas gast zijn."

"Ware zij maar reeds hier," zeide de jonkvrouw; "want wie kan weten
of uwe moeder, Orion.... Er waait hier eene bedenkelijke Melchietische
wind."

"Laat Philippus en mij daarvoor zorgen!" hernam hij. "Gij had eens
moeten zien hoe gelukkig het kind was!"

Daarop nam hij Paula ter zijde en vroeg haar haastig: "Hoop ik niet
te veel? Behoort uw hart aan mij? Mag ik, bij wat er ook gebeure op
u rekenen, op u en uwe liefde?"

"Ja, ja!" welde het op uit den diepsten grond van haar hart, waarop
hij, ruimer ademhalend, gerust en vroolijk den grijsaard volgde.

In de goed verlichte werkkamer onderrichtte hij Rufinus, zonder
Katharinas naam te noemen, van den aanslag van den patriarch tegen
het Caecilia-klooster. Waarom bekommerde hij zich over het lot van
deze Melchietische nonnen? Maar na dien kerkgang, waarbij een licht
voor zijne ziel was opgegaan, beschouwde hij het als zijn plicht
voor al wat recht was in de bres te springen en tegen alles te velde
te trekken, wat hij voor nietswaardig hield. Hij wist bovendien, hoe
warm en beslist zijn vader juist voor dit klooster tegen den patriarch
partij had gekozen. Eindelijk had hij ook gehoord, hoe zijne geliefde
aan dat klooster en de zusters die het bewoonden gehecht was, en vol
blijden moed maakte hij zich gereed, om door kloeke daden een einde
te maken aan dat mijmeren over zichzelven en zijne kracht te toonen.

De grijsaard hoorde hem aan met klimmende verbazing en schrik, en nadat
Orion zijne mededeelingen geëindigd had, stond hij radeloos op, de
handen wringende. Doch de jonkman sprak hem moed in en verklaarde, dat
hij niet gekomen was, om hem eene noodlottige tijding te brengen, maar
om met hem te overleggen hoe men de in gevaar verkeerende onschuldigen
redden zou. De grijze menschenvriend en zwerver spitste zijne ooren, en
evenals een oud strijdros voor den ploeg, wanneer het de trompet hoort
blazen, begint te steigeren en den hals trotsch en fier omhoog heft,
als onder het schitterend tuig van vroeger jaren, zoo richtte Rufinus
zich op in al zijne lengte. Zijne oude oogen begonnen te fonkelen, en
vol geestdrift en en verlangen om te handelen als een vurig jonkman
sprak hij: "Zoo is het goed, en ik ben mede van de partij, en dat
niet om te raden, neen, neen, met hoofd en hand en voet, ja met mijn
geheele lichaam! En gij, jonge man, gij! Ik heb het u van den beginne
wel aangezien, wat in u steekt, ondanks, ondanks... Maar, zoo waar de
mensch de maatstaf aller dingen is, hij die langs afgelegen paden en
omwegen in het rijk der deugd aanlandt, wordt daar dikwijls een beter
burger, dan wie midden in dat rijk ter wereld kwam.--Het is al laat,
doch het gebed voor den nacht is nog niet begonnen en ik zal de abdis
nog op vinden. Hebt gij een voorstel te doen?"

"Ja! Overmorgenavond om dezen tijd."

"Waarom niet dadelijk morgen?" vroeg de driftige grijsaard.

"Omdat wij met al de voorbereidselen, die noodzakelijk gemaakt moeten
worden, in twaalf daguren niet klaar komen."

"Goed, goed!"

"Overmorgenavond zal dus eene groote boot--niet een van de onzen--aan
den oever van den kloostertuin gereed liggen. Ik begeleid de vrouwen
tot Dumiat aan zee. Nog dezen nacht zend ik een renbode daarheen en
laat door mijn neef Columella, den grootsten reeder der stad, voor
de vluchtenden een zeeschip uitrusten. Dat zal de nonnen brengen
waarheen de abdis zal bevelen."

"Kostelijk, voortreffelijk!" riep de oude man in geestdrift. Hij greep
naar zijn hoed en zijn stok, en daarbij nam zijn van vreugde stralend
gelaat eene ernstige uitdrukking aan. Vol waardigheid trad hij naar
den verrasten jonkman toe, zag hem met vaderlijke vriendelijkheid
aan en zeide: "Ik weet wat uw huis door onze, door geloofsgenooten
dergenen wedervaren is, voor wie gij thans zoo kloekmoedig in de bres
wilt springen, en dat, jonge man, dat is edel, dat is groot! Bij u,
dien zij mij als een jongen wereldling met een ruim geweten hebben
afgeschilderd, moet ik voor de eerste maal vinden, wat ik onder de
vromen en deugdzamen van mijne jarenlange omzwervingen te vergeefs
heb gezocht: den wil namelijk, om met blijmoedige zelfopoffering,
den vijand, den andersdenkende uit groote gevaren te redden. Maar
gij zijt jong, Orion, en ik ben oud. Gij vindt voldoening in de
daad alleen, ik zie op de gevolgen. Weet gij wat u te wachten staat,
wanneer ontdekt wordt welk een bijstand gij verleent aan het wild,
dat de patriarch reeds meent in zijn net gevangen te hebben? Hebt gij
bedacht, dat Benjamin, de onverbiddelijkste en daarbij de machtigste
onder de Jacobietische geloofsbedrijvers, u dan als een doodvijand
vervolgen zal met al de verschrikkelijke middelen, waarover hij te
beschikken heeft?"

"Dat heb ik overwogen," antwoordde Orion.

Nu legde Rufinus de linkerhand op zijn schouder en de rechter op zijn
hoofd en zeide: "Zoo ontvang daarvoor bij voorbaat den zegen van een
oud man, ja van een vader."

"Van een vader," herhaalde Orion zacht, terwijl een gevoel van vreugde
zijn lichaam en zijne ziel doortrilde, en ontroerd zonk hij aan de
borst van den grijsaard.

Een oogenblik hielden zij elkander omvat, toen maakte Rufinus zich
uit zijne omarming los, om zich naar de abdis te spoeden. Orion hield
de vrouwen gezelschap, wier nieuwsgierigheid op het hoogst werd
gespannen, toen zij den grijsaard zagen verdwijnen door de poort,
die naar den kloostertuin leidde. Vrouw Johanna kon van innerlijke
onrust niet stilzitten, en Pul gaf verstrooide antwoorden, als Orion
en Paula, die elkander veel te zeggen en in te fluisteren hadden,
trachtten haar nu en dan in het gesprek te mengen. Eens slaakte zij
een diepen zucht en als hare vriendin haar vroeg: "Wat hebt gij,
mijn kind?" antwoordde zij met een beklemd gemoed: "Er moet iets
ernstigs op handen zijn, dat voel ik. Was Philippus maar hier!"

"Wij zijn, goddank, allen wel," antwoordde Orion.

"Ja, ja, den Heiland zij geloofd," antwoordde zij haastig, maar
zij dacht daarbij: "Gij denkt dat hij alleen goed is om zieken te
genezen, maar eerst als hij er is zal alles goed gaan en zich ten
beste schikken."

Ieder begreep dat er iets buitengewoons, iets noodlottigs op handen
was, en toen de grijsaard eindelijk terugkeerde, bevestigde zijn
uiterlijk dit vermoeden. Stil en ernstig ontdeed hij zich van hoed en
staf, trok zijne vrouw hartelijk naar zich toe en zeide: "Het komt
er nu op aan ons moedig en verstandig te toonen, oudje; ik heb een
zwaren plicht op mij genomen."

Vrouw Johanna was doodsbleek geworden, en terwijl zij zich vaster aan
haar man klemde en hem bad te spreken en haar niet langer te folteren,
beefde zij over haar gansche lichaam en biggelde dikke tranen langs
hare wangen. Zij vermoedde dat er iets was dat haar man weder ver van
haar en haar kind zou verwijderen, om andere menschen te dienen en
te helpen, en zij wist tevens dat zij hem niet tegenhouden kon. Maar
al had zij dit ook kunnen doen, zoo zou zij toch de kracht gevonden
hebben om hem niet te beletten zijn voornemen uit te voeren, daar
zij hem altijd begreep en met hem datgene als noodzakelijk voor zijn
inwendig geluk beschouwde, wat hem uit den engen kring van zijn huis
de wijde wereld indreef.

Hij zag wat bij haar omging, en het deed hem leed, maar hij liet er
zich niet door van zijn stuk brengen. Hij die er naar streefde elk
krank dier te genezen, had er zich aan gewend haar, die hij het meeste
liefhad, om zijnentwil te zien lijden. Hij hield zich overtuigd, dat
het huwelijk den man niet beletten mocht zijne innerlijke roeping te
volgen, en in dezen verhevenen waan wist hij vaak voor zichzelven
en zijne vrouw te rechtvaardigen, waartoe hem voornamelijk de lust
om te zwerven en de begeerte om te handelen aandreven. Ook zonder
deze neiging zou hij voor zijne bedreigde buren het zijne hebben
gedaan, maar thans vervulde zij hem met nog meer lust om het schoone,
gevaarlijke reddingswerk te volvoeren.

Het gruwzaam lot dat de arme zusters te wachten stond, en de gedachte
haar uit hunne nabijheid verbannen te zien, deed de vrouwen bitter
leed, en de mannen zagen vele tranen vloeien. Maar zij genoten ook
het verkwikkend schouwspel, drie vrouwelijke wezens op gelijke wijze
vast besloten te zien, om alles te wagen en hen, die zij liefhadden
alles te doen wagen, om eene daad te verhinderen, die haar met
weemoed en afgrijzen vervulde. Vrouw Johanna bracht er geen woord
tegen in toen haar echtgenoot verklaarde de vluchtende zusters te
willen begeleiden, en toen Rufinus met heldere oogen Orions overleg en
wakkere vastberadenheid prees, vloog Paula naar hem toe en reikte hem
vroolijk en trotsch beide handen. Het was den jonkman bij dit alles,
als schoot hij vleugelen aan, en deze onheilspellende avond werd voor
hem de gelukkigste zijns levens.

De abdis had in het plan toegestemd en het nog op enkele punten
uitgebreid. Twee leekezusters en eene non zouden terugblijven. De beide
eersten moesten elkaar afwisselen bij de verpleging der kranken in
huis, als gewoonlijk de klokken luiden en zingen, opdat het opbreken
der anderen niet zou worden opgemerkt; vrouw Johanna, Paula en Pull
zouden haar daarin bijstaan.

Toen de jonkman, het was reeds laat, wilde vertrekken, wierp Rufinus
de vraag op, of het onder gegeven omstandigheden wel aanging Maria in
zijn huis op te nemen; hijzelf twijfelde er aan. Ook vrouw Johanna was
deze zienswijze toegedaan, Paula verzekerde daarentegen, dat zij het
voor beter hield het kind bloot te stellen aan verwijderde gevaren,
waarvoor men nauwelijks beducht behoefde te zijn, dan het in de
stadhouderlijke woning naar lichaam en ziel te laten ondergaan. Pull
schaarde zich aan hare zijde, doch de meisjes moesten zich naar het
oordeel der anderen schikken.



VIJFDE HOOFDSTUK.


De arts Philippus ijlde na zijn gesprek met Orion de stad door,
en lette daarbij zoo weinig op de lieden die hem tegenkwamen, en op
de processie, die met luid gezang hem voorbijtrok, om den hemel te
smeeken den Nijl eindelijk te doen stijgen, dat hij meer dan een
voorbijganger tegen het lijf liep en menigeen hem scheldwoorden
achterna gaf. Hij ging enkele huizen binnen, maar noch de kranken,
noch hunne huisgenooten herkenden in den barschen en gejaagden
man den arts en vriend, die anders de lijdenden zoo deelnemend en
met zooveel opbeurende warmte toesprak, de kinderen omhoog tilde,
hen een kus gaf of vroolijk met hen gekscheerde. Heden kon hij zelfs
volwassenen schrik en angst aanjagen. De aangename plicht was hem voor
de eerste maal een zware last, hij zag in elken lijder een kwelgeest,
die met anderen tegen zijne rust samenzweerde. Wat liefs ondervond
hij van de menschen, dat hij zich om hunnentwil het genot des levens
ontzegde en zich bij nacht den slaap liet ontrooven? Rufinus had
gelijk, in dezen tijd leefde de een alleen om den ander te kwellen,
hoe zelfzuchtiger men was, als met een bord voor het hoofd, zonder
links of rechts te zien, des te verder kon men het brengen! Dwaas die
hij was, zich door eens andermans leed in zijne rust te laten storen,
zichzelven in zijn wetenschappelijk onderzoek te laten belemmeren!

Terwijl al zulke gedachten hem bestormden, betrad hij een net klein
huisje aan de haven, waar een braaf schipper, omgeven door zijne vrouw
en kinderen, op sterven lag. Dáar gevoelde hij zich eensklaps weer
de oude, dáar putte hij al zijn wetenschap uit om nog te genezen,
dáar openbaarde zich al de warme hartelijkheid van zijn gemoed,
en met een bloedend hart en een ledigen buidel verliet hij die
woning. Doch zoodra hij weer buiten was, keerde de vorige stemming
met verdubbelde bitterheid terug. Toch lag het voor de hand: ondanks
het stelligste voornemen om zich niet meer voor anderen op te offeren,
moest hij het toch doen! Deze drang was sterker dan hij. Evenmin als
een dronkaard het drinken, kon hij nalaten met de lijdenden te lijden,
het beste wat hij had te zaaien, om niets daarvoor te oogsten. Hij
was geschapen om alleen voor anderen alles te zijn; dat was zijn lot!

Met gebogen hoofd trad hij de werkkamer van zijn ouden vriend weder
binnen, die evenals gisteren achter zijne rollen en drie lampen voor
zijne schrijftafel zat, waaronder een slaaf lag te snorken, om op
zijne bevelen te wachten. Met den welluidenden Griekschen groet:
"verheug u!" die heden klonk als een: "gij moogt wat mij aangaat
stikken!" wierp hij zijn bovengewaad af, en op den tegengroet
van den grijsaard en diens bezorgden uitroep: "Wat ziet gij er uit
Philippus!" antwoordde hij knorrig: "als iemand die een trap verdient
in plaats van een welkomstgroet; als een onnoozele, die zich weer
bij den neus liet nemen; als een hond, die de hand nog lekt van den
vlegel, die hem schandelijk geranseld heeft!" Daarop wierp hij zich
op zijn rustbed en vertelde Horus Appollon welk eene ontmoeting hij
had gehad met Orion. "En het dolste ervan is nog," dus besloot hij,
"dat die kerel mij bijna bevallen is, dat hij werkelijk op den weg
schijnt te zijn om een fatsoenlijk mensch te worden, dat ik niet
meer noodig heb hem in mijne verbeelding in den kalkoven te werpen,
bij de gedachte alleen, dat hij de hand naar Paula zou kunnen
uitstrekken. Maar"--en nu stond hij haastig op--"maar al help ik
hem ook, om het arme kind te verwijderen uit de nabijheid van dat
in de hersens gekrenkte oude wijf, Maria's arts kan en wil ik niet
blijven! Er loopen kwakzalvers genoeg rond in dit lijkennest, en uit
dezen mag zij er een kiezen. Ik.... ik...."

"Gij zult de kleine verder behandelen," zeide Horus Apollon doodbedaard
hem in de rede vallende.

"Om te beleven dat mijn hart dagelijks met netels geslagen
wordt?" zeide de arts driftig, terwijl hij met heftige gebaren den
grijsaard naderde. "Gelooft gij, dat ik lust heb om het liefje van
den stadhoudersknaap dagelijks te ontmoeten, mij vaak tweemaal per
dag de weerhaken laten omdraaien in mijne bloedige wond?"

"Ik verwacht eene geheel andere werking van deze herhaalde bezoeken,"
zeide de ander. "Gij zult u gewennen Paula aan te zien voor wat zij
sedert gisteren slechts voor u zijn kan: een aardig meisje, zooals
er in Egypte duizenden zijn, de bruid van een ander."

"Ja, als dit hart een jachthond was, die gaat liggen als men 'koest'
roept!" hernam Philippus met een honenden lach. "Het blijft erbij, ik
moet weg, uit Memphis weg, of mijnentwege ook van deze erbarmelijke
aarde! Ik zou in hare nabijheid de rust--mijne kostelijke verlorene
zielrust!--kunnen wedervinden?"

"En waarom zou u dat niet gelukken? Voor ieder is elk ding slechts dat
waarvoor hij het aanziet. Hoor eens naar mij. Ik had een werk voltooid
over den ouden en nieuwen kalender, en mijn leermeester verlangde,
dat ik daarover eene voordracht zou houden in het Museum--indien de
tegenwoordige school van woordenvitters te Alexandrië nog dien naam
verdient--doch ik durfde dit niet op mij nemen omdat ik vreesde dat
de tegenwoordigheid van zoovele geleerde toehoorders mij verlegen
zou maken. Mijn meester gaf mij den raad het er voor te houden,
dat mijn auditorium niet uit menschen, maar alleen uit koolstruiken
bestond. Dat vond ik slim bedacht; ik volgde den raad, en zoo kwam
ik over mijne verlegenheid heen en mijne rede vloeide als olie."

"Een aardig verhaaltje," antwoordde Philippus, "maar ik zie niet
in...."

"Gij moet, wil ik hiermede zeggen," voegde de oude hem haastig toe,
"die allervoortreffelijkste geliefde, zoo al niet tot een koolstruik,
dan toch in uwe gedachten tot een wezen maken, zooals er twaalf in een
dozijn gaan, een schepsel waarmede uw hart niets heeft te maken. Wil
dit eens ernstig en het zal u gelukken."

"Als het hart een getal en de hartstocht kalendermakerij ware!" zeide
de arts. "Gij zijt een wijs man en uwe schriftrollen en tabellen
hebben u als wallen en muren tegen den hartstocht beveiligd."

"Wie weet!" hernam de ander. "In elk geval zou die hartstocht mij nooit
hebben gedwongen, om der wille eene vrouw, die mijne liefde versmaadt,
mijn vriend en vader de weinige dagen wreedaardig te vergallen, die
hem nog vergund worden onder de zon te wandelen. Wilt ge mij beloven
niet meer over die vlucht uit Memphis en dergelijken onzin te bazelen?"

"Leer mij eerst mijne veerkracht te meten."

"Wilt gij ten minste beproeven die te oefenen?"

"Ja, uit liefde voor u."

"Belooft ge mij het arme, kleine meisje dat ik gaarne mag lijden
ondanks hare afkomst, verder te behandelen?"

"Zoo lang ik kan uithouden dagelijks met haar te verkeeren...."

"Gij weet wie ik bedoel...."

"Ik houd u aan uw woord. Kom nu hier en laat ons nog een paar
hoofdstukken overzetten."

Tot laat in den avond bleven de vrienden bij den arbeid samen en
toen de grijsaard alleen was, dacht hij: Zoo lang hij het kind van
nut kan zijn, gaat hij niet heen, inmiddels zal het mij wel gelukken
voor die vervloekte sirene eene put te graven.



Orion had den volgenden morgen vroeg de handen vol werk. Voor de zon
opging, zond hij twee betrouwbare boden naar Dumiat en overhandigde aan
beiden een brief met de opdracht, om een zeilschip voor de vluchtenden
gereed te houden. De een zou drie uur later vertrekken dan de ander,
opdat het plan niet mislukken zou, wanneer een hunner een ongeluk
overkwam. Hijzelf ging het eerst naar de haven en het gelukte hem daar
spoedig eene goede, ruime Nijlboot uit Dumiat te huren. De kapitein,
een geschikt en betrouwbaar man, beloofde hem de afspraak geheim te
houden en morgen namiddag te zijner beschikking te zijn. Nadat hij
onderweg over alles had nagedacht, begaf hij zich terstond naar het
rentmeesterskantoor, om daar met hulp van Nilus een testament op te
maken, hetwelk den volgenden morgen in tegenwoordigheid van den notaris
en getuigen rechtsgeldigheid zou erlangen. Zijne moeder, de kleine
Maria en Paula benoemde hij tot zijne voornaamste erfgenamen. Verder
vermaakte hij als legaten vooreerst eene aanzienlijke som aan de
zieken- en weeshuizen des lands, alsmede aan de kerk, om voor het heil
zijner ziel te laten bidden, ten andere een aan "den rechtvaardigste
onder de rechters des huizes," den rentmeester Nilus. Ook de Griekin
Eudoxia, de opvoedster van Maria, werd bedacht en eindelijk gelastte
hij de vrijlating van alle huisslaven, en vermaakte hen, opdat zij
geen gebrek zouden lijden, een zijner grootste grondbezittingen in
Opper-Egypte, die zij als hun gemeenschappelijk eigendom moesten
bearbeiden. Voor de trouwe dienaars en vrijgelatenen der familie
vergrootte hij de rijke schenkingen, die zijn vader hun reeds
vermaakt had.

Dit laatste werk had eenige uren in beslag genomen, en Nilus, die
alles in de juiste vormen goot en opteekende wat Orion dicteerde,
was diep bewogen en verbaasd over het doorzicht en de goedheid van den
jonkman, dien hij, sedert hij hem den rechterstoel had zien ontwijden,
voor een verloren mensch had gehouden. Uit de bepaling van Orion,
dat het testament geopend moest worden ingeval hij vier weken na
het opstellen ervan nog niet was teruggekeerd van eene reis, die
hij morgen zou aanvaarden, begreep de trouwe beambte, dat de laatste
telg van het huis, in welks dienst hij vergrijsd was, zich aan groote
gevaren dacht bloot te stellen. Doch uit bescheidenheid waagde hij
het niet iets te vragen, en zijn heer nam hem niet in zijn vertrouwen.

Toen beide mannen de voorzaal betraden, stond daar de klerk Anubis,
de zoogbroeder en vriend van de kleine Katharina; doch Nilus sloeg
geen acht op hem. Terwijl hij Orion met vochtige oogen de hem ten
afscheid gebodene hand kuste en den jonkman beloofde morgen avond
voor zijn vertrek hem nog eens vaarwel te komen zeggen, opende de
jonge Anubis, die zich eerbiedig op een afstand had gehouden hoewel
hij zijne ooren spitste, gedienstig de zware met ijzer beslagene deur.

Uitgeput en hongerig vroeg Orion naar zijne moeder, en toen hij hoorde
dat zij zich te bed had begeven, ging hij naar de eetzaal om wat te
gebruiken. Ofschoon het uur van het ontbijt pas was aangebroken, kon
men het der Griekin Eudoxia toch aanzien, dat zij hem met ongeduld
wachtte. Er was een nieuwtje dat haar geen rust liet, en Orion had
ternauwernood den drempel overschreden en haar begroet of zij riep
hem toe: "Weet gij het al? Hebt gij het vernomen?"

Daarop begon zij, verblijd over zijne korte ontkenning, haastig te
vertellen, dat vrouw Neforis op verlangen van den arts, die er zoo
even geweest was, besloten had haar met hare kleindochter te zenden
naar een vriend van Philippus, waar de lucht beter was, en wel reeds
heden of op zijn laatst morgen.

Bij deze mededeeling schrikte Orion onwillekeurig. Hij had niet
verwacht dat de arts zoo vroeg zou komen en nu was juist door dezen
beschikt, wat sedert gisteren avond niet meer raadzaam scheen.

"Hoogst onaangenaam!" prevelde hij in zichzelven, terwijl een slaaf
hem een gebraden hoen en asperges diende.

"Niet waar? En wellicht moeten wij ver buiten de stad!" antwoordde
zij met een smachtende blik, terwijl zij een lange asperge door de
tanden trok.

Dit ziende en hoorende werd Orion te moede, alsof hij die oude gekkin
het goede gerecht misgunde, en het was op niet zeer vriendelijken toon
dat hij haar antwoordde: stad of land stonden in dit geval volkomen
gelijk, hier gold alleen de vraag wat het beste was voor de kleine.

Toen hij haar mededeelde, dat hij morgen avond op reis ging gaf
Eudoxia een gil, liet van schrik een asperge in haar schoot vallen
en zeide op klagenden toon: "O dan, dan is alles voorbij!..."

Maar hij voegde haar vermanend toe: "Dan vangt uw plicht eerst
recht aan, om u geheel aan het kind te wijden. Gij weet dat hare
eigene grootmoeder thans de tegenwoordigheid van Maria niet verdragen
kan. Schenk haar uwe liefde, gelijk gij reeds begonnen zijt te doen,
wees haar tot eene moeder, en als gij mij werkelijk genegen zijt,
toon het dan daardoor. Wat mij betreft zult gij ontwaren, dat ik u
hiervoor erkentelijk ben en dat niet enkel met woorden. Ga morgen
naar het rentmeesterskantoor, daar zal Nilus u het eenige geven,
waarmede ik thans mijne dankbaarheid toonen kan. Wijd nu gerust al
uwe kracht aan de verpleging van het kind; ik was er op bedacht voor
uwe ouderdom te zorgen."

Midden onder de dankzeggingen, waarmede de Griekin hem overlaadde,
stond hij op en begaf hij zich naar zijne moeder. Zij rustte nog
altijd, maar hij liet zich ditmaal toch aanmelden, en zij ontving hem
gaarne, ja zij had zijn bezoek reeds verwacht. In haar slaapkamer,
die goed beschut was voor de brandende zonnehitte, rustte zij in eene
halfliggende houding op een divan, en openbaarde den zoon haar besluit
om den raad van den arts te volgen en het kind toe te vertrouwen
aan een zijner vrienden. Dat alles zeide zij op slaperigen, gelaten
toon, doch zoodra Orion haar tegensprak en verzocht de kleine nog in
de stadhouderlijke woning te houden, werd zij levendiger en onder de
uitroepen: "Wenscht gij dat? Kunt gij dat van mij vorderen?" scheen zij
hem verstoord met de oogen te meten. Daarna ging zij klagende voort:
"Alles verkeert thans. De ouderdom vergeet niet, maar de jeugd heeft
een zeer kort geheugen. Gij hebt reeds lang gansch andere dingen
in het hoofd dan ik; ik denk er nog altijd aan wie hem, wie mijn
dierbaren afgestorvene in het aangezicht van den geopenden hemel de
laatste oogenblikken op aarde tot eene hel maakte!"

Een zacht snikken, zonder weenen, bracht hierop hare borst in eene
snelle, krampachtige beweging en Orion waagde het niet haar verder
te weerspreken. Met hartelijke woorden zocht hij haar tot rust te
brengen, en toen zij zich weder herstelde, deelde hij haar mede,
dat hij haar voor eenigen tijd dacht te verlaten, om naar het beheer
van hunne goederen te gaan zien. Deze mededeeling deed haar genoegen;
zij achtte het thans heerlijk alleen, geheel alleen en onopgemerkt
te zijn. De witte pilletjes gaven haar meer, verhieven hare stemming
beter dan elke omgang met menschen. Ze brachten haar in slapenden en
in wakenden toestand droomen, en deze waren duizendmaal schooner dan
het verlaten bestaan der werkelijkheid. Alles wat zij in het leven op
aarde verlangde was: geheel in herinneringen op te gaan, te bidden,
te droomen, zich te verplaatsen aan gene zijde des grafs te midden
van hare afgestorvenen, en bovendien te eten en te drinken, wat zij
dan ook gaarne en rijkelijk deed.

Toen Orion op eene nadere vraag zijner moeder antwoordde, dat
hij eerst naar Delta dacht te gaan, betreurde zij dit; want in
Opper-Egypte zou hij zijne schoonzuster, de moeder der kleine Maria
kunnen bezoeken. Daarbij rees zij overeind, wreef met de hand over het
voorhoofd en wees op het tafeltje aan het hoofdeinde van den divan,
waar naast een beker met vruchtennat, fleschjes, doozen en andere
dingen, ook een schrijftafeltje en een briefrol lagen. Zij greep
naar de laatste, overhandigde haar aan Orion en zeide: "Een schrijven
van uw schoonzuster! Het is gisteren avond gekomen, en ik begon ook
het te lezen, maar het ving aan met eene weeklacht over uw vader,
en dat--gij weet het--voordat ik ging slapen--ik kon met den besten
wil niet verder lezen, kon het niet lijden! En heden... Eerst de kerk,
toen de arts en zijn eisch betreffende het kind. Ik heb nog geen moed
gehad verder te lezen. Wat kan mij een brief ook anders dan kwaad
brengen. Weet gij iets dat voor mij een bron van vreugde zou kunnen
zijn? Maar thans... Ik bid u, lees mij den brief voor; maar niet weer
dat over uw vader; dat bewaar ik voor later, voor mij alleen."

Orion maakte het rolletje open en doorliep vluchtig met saamgetrokken
lippen de weeklacht der non over den afgestorvene. Elke volzin van den
brief der weduwe van den martelaar ademde wild fanatisme. Zij had in
het klooster gevonden wat zij zocht, zij verklaarde nu enkel in God en
in den God-Heiland te leven. Ook haar kind was voor haar slechts een
vreemd, jong schepseltje van God, en het gaf haar enkel vreugde er voor
te bidden. Toch achtte zij het haar plicht voor het zielenheil van het
kind te zorgen, en als het haar grootmoeder niet te zwaar viel van het
kind te scheiden, wenschte zij de kleine thans weder te zien. Zij was
kort geleden abdis van haar coenobium geworden, en niemand kon haar
beletten het kind bij zich te nemen. Doch zij vreesde dat overgroote
natuurlijke liefde haar weder aan de vleeschelijke wereld zou doen
hechten, waarmede zij voor eeuwig gebroken had, en daarom zou zij
Maria in een naburig klooster laten opvoeden, niet voor aardsche
ellende maar voor hemelsch geluk, niet tot levensgezellin van een
zondigen echtgenoot, maar tot eene reine bruid van Christus.

Orion gevoelde eene koude rilling door zijne leden, terwijl hij dit
schrijven voorlas, en toen hij het rolletje neerlag en zijne moeder
zeide: "Misschien heeft zij gelijk, misschien is het reeds nu onze
plicht het kind niet naar den vriend van den arts maar naar het
klooster te zenden, en het op den eenigen weg te brengen, die zonder
gevaar of hindernis ten hemel leidt!"--zeide Orion tot zich zelven,
dat het zijn plicht was dit levenslustige kind voor zulk een lot te
bewaren. Hij verzocht daarom zijne moeder te bedenken, dat het er
in de eerste plaats op aan kwam voor de gezondheid van het kind te
zorgen. Hij zag nu ook in, dat zij zoo straks gelijk had. Zijn vader
had zich ook altijd naar de voorschriften van Philippus gedragen,
en reeds daarom was het haar plicht diens raad te volgen.

Vrouw Neforis, die reeds eenigen tijd begeerig had gezien naar een
doosje dat naast haar stond, weersprak hem niet, en dienzelfden
avond bracht Orion de kleine Maria met hare opvoedster bij Rufinus,
die beiden, niettegenstaande zijne bedenkingen van gisteren, gaarne
opnam. Toen Maria dicht naast Paula's bed in het hare lag en de
jonkvrouw zich over haar heenboog, sloeg de kleine de armen om haar
hals, drukte het hoofdje tegen hare borst en voelde dat het daar
warm, zacht en veilig rustte. Maria weende, als ware zij uit kerker
en boeien verlost, en stortte al de smart en het lijden van haar diep
gewond hartje uit in de ziel harer vriendin.

Deze hoorde onder alles Orions stem in den tuin en met onweerstaanbare
kracht gevoelde zij zich tot den geliefde getrokken, dien zij bij
zijne aankomst maar vluchtig begroet had. Maar zij kon het niet over
zich verkrijgen het kind van haar boezem te weren, het juist nu te
verlaten.--Doch neen, neen, zij moest hem zien! Alles wat in haar
was, dreef haar naar hem heen en toen Pul de kamer binnenkwam, legde
zij Maria's hand in die van het meisje en zeide: "Zoo, nu sluit gij
beiden vriendschap en blijft bij elkander tot ik terugkom en u wat
moois vertel. Gij hebt Orion zoo lief, mijn meisje; nu, over hem en
mij zal mijn geschiedenisje handelen."

"Hij moest dadelijk weg," merkte Pul haastig op. "Op dit tafeltje
staat zijn groet. Hij verging bijna van ongeduld, en toen hij niet
langer wachten kon, schreef hij dit voor u op."

Met een klagende uitroep nam Paula den brief in handen, dien zij op
hare kamer las. Hij had even smachtend als zij op hare komst gehoopt,
doch eindelijk kon hij niet langer toeven. Hoe anders, heette het
in dit schrijven aan zijne geliefde, had hij gehoopt dezen dag te
besluiten, dien hij gewijd had aan de redding harer vriendinnen!

O, waarom, waarom had zij zich hier laten terughouden, waarom was zij
althans niet voor een oogenblik naar hem toegesneld, om hem voor zijne
goedheid en trouw te danken, en hem luid en open te hooren verklaren,
wat hij haar gisteren maar toegefluisterd had. Bedroefd en ontevreden
over zichzelve begaf zij zich naar het kind terug.

Orion had inderdaad zijn vertrek niet langer kunnen uitstellen, want
hij had het noodig geacht den vertegenwoordiger van den Kalief kennis
te geven van zijne reis en van zijn strijd met den prelaat. Van alle
beweeggronden, die hem aandreven de nonnen te helpen, was 'wraak'
de eenige, dien de Arabier het best zou begrijpen.



ZESDE HOOFDSTUK.


Terwijl Orion over den stroom naar Fostat reed, begaf hem de vroolijke
stemming, die hem nog kort geleden had bezield. Had Paula hem althans
niet een klein deel kunnen en moeten wijden van het uur, dat zij aan
het kind had geschonken? Hij was afgescheept met een vriendelijken
handdruk en een dankbaren blik, toen zij hem welkom had geheeten. Zou
zij hem niet blijde tegemoet zijn gevlogen, wanneer de liefde,
waarvan zij hem gisteren de verzekering had gegeven, haar hart zoo
innig en vurig doortintelde als het zijne? Was de trotsche ziel van
deze jonkvrouw, die zijne moeder koud en ongenaakbaar noemde niet
vatbaar voor warme zichzelve vergetende overgave? Was er geen middel
om het heilige vuur, dat in hem ontvlamd was, ook in haar aan te
blazen? Allerlei twijfelingen en het bittere gevoel van teleurstelling
kwelden hem, en een menigte bedenkingen drongen zich aan hem op, die
verre van hem gebleven zouden zijn, wanneer hij bij het wederzien,
haar blijmoedig: "ik bemin u" vernomen had, en zijne lippen gewijd
waren door haar eersten kus.

Ontstemd en verdrietig trad hij de woning van den veldheer binnen. In
de voorzaal ontmoette hij smeekelingen, die waren afgewezen, en met
een bitter lachje moest hij bekennen, dat hij zooeven op dezelfde
wijze onverrichter zake was weggezonden, weggezonden--en door wie?

Hij liet zich aanmelden en zijne stemming verbeterde een weinig toen
hij terstond toegelaten en met voorbijgang van vele wachtenden in
de ontvangkamer van den veldheer gebracht werd. Deze ontving hem
met vaderlijke hartelijkheid; en toen hij hoorde dat Orion met den
patriarch in openbaren strijd was geraakt, werd hij opgewonden en
riep hij met uitgestrekte handen: "Neem mijne rechterhand, vriend,
ga tot den Islam over, en met deze linker maak ik u, in naam van mijn
heer den Kalief, ondanks uwe jeugd, tot opvolger van uw vader. Weg
met alle bedenkingen! Sla toe, spoedig, spoedig! Het kwelt mij Egypte
te moeten verlaten, terwijl ik weet dat Memphis geen stadhouder heeft."

Een hooge blos kleurde Orions aangezicht. Zijns vaders opvolger! Hij,
de nieuwe Mukaukas! Hoe streelde dit zijne eerzucht, welke nieuwe wegen
openden zich tot werkzaamheid! Het schemerde hem voor de oogen en eene
geheimzinnige kracht drong hem zijn weldoener tegemoet te gaan, die hem
nog altijd zijne rechterhand toestak. Maar zijne levendige verbeelding
deed hem opeens het beeld van den Verlosser aanschouwen, met wien
hij in de kerk zwijgend een verbond had gesloten, hoe deze droevig
het zacht gelaat van hem scheen af te wenden. Hij herinnerde zich
wat hij beloofd had, alles was vergeten wat Paula hem had aangedaan,
hij greep wel is waar de hand van den veldheer, doch alleen om haar
aan zijne lippen te brengen en hem te danken. Vervolgens bad hij hem
met warmen, vriendelijken aandrang niet op hem te willen toornen,
wanneer hij standvastig bleef en in het geloof zijner voorvaderen en
van zijn vader volhardde. De veldheer werd niet boos, maar haastig en
niet met die blijmoedige hartelijkheid waarmede hij hem verwelkomd
had, waarschuwde Amr hem voor den patriarch op zijne hoede te zijn,
tegen wien hij niet bij machte was hem te beschermen, zoolang hij
volhield christen te blijven.

Toen Orion hem daarop mededeelde, dat hij voor korten tijd dacht
op reis te gaan en thans gekomen was om afscheid te nemen, liet de
veldheer hierover zijn leedwezen blijken. Ook hij moest van hier
naar Medina, en dat wel reeds overmorgen. "Daar ik u," zeide hij,
"te jong achtte voor den hoogen post van uw vader, was ook ik erop
bedacht een moeielijke taak voor u te vinden, bij het volbrengen
waarvan gij zoudt kunnen toonen, dat ik geene te hooge verwachtingen
van u koesterde. Gij blijft volharden bij uw besluit, doch ik kan
onmogelijk aan een christen van uwe jaren het zóo gewichtig ambt van
stadhouder te Memphis toevertrouwen; ofschoon wij het met den jongen
muzelman gewaagd zouden hebben. Doch ik wil u de taak, die ik u had
toegedacht, ook thans niet onthouden. Gelukt het u die te volvoeren,
dan zal het goed zijn voor uzelven en ben ik voornemens van uw dienst
partij te trekken in het belang der geheele provincie. Wat toch dringt
mij thans van hier te gaan, waar mijne tegenwoordigheid bij honderd
nieuwe onvoltooide scheppingen zoo noodig zou zijn, wat anders dan de
zorg voor het welzijn van dit land, waar ik maar een vreemdeling ben,
terwijl gij het moet liefhebben als uw vaderland en den geboortegrond
van uwe familie. Ik ga naar Medina, omdat de Kalief in den brief die
daar ligt mij verwijt, dat ik uit een zoo rijk land als Egypte te
geringe sommen in de schatkist breng. En toch komt geen dinar van
uwe belasting in mijn eigen buidel.

"Van die belasting houd ik honderd-vijftigduizend arbeiders op de been,
om de kanalen en waterwerken te herstellen, die mijne voorgangers,
de Byzantijnsche bloedzuigers, zoo schandelijk verwaarloosd hebben
en geheel lieten vervallen; daarvoor bouw en schep ik en strooi zaad
uit voor de toekomst. Dat kost geld! Dat verslindt het leeuwendeel
van de inkomsten. Ik begeef mij op weg, niet om mij te zuiveren van
beschuldigingen, maar om Omar te overreden mij ook voor het vervolg te
vergunnen niet als een roover huis te houden, maar het ware welzijn
der provincie niet uit het oog te verliezen. Ik doe het ongaarne om
ontelbare redenen, en gij, jonge man, zult, als uw vaderland u wat
waard is... Hebt gij het lief en wenscht gij uw geboortegrond het
beste toe?"

"Van ganscher harte!" antwoordde de jonkman.

"Welaan, dan moet gij thans, wanneer het eenigszins geschieden kan,
stil te huis blijven en u met alle kracht wijden aan het werk dat
ik u zal opgeven. Ik haat alle uitstel. Niet lang heen en weer
rijden en de paarden vermoeien, maar recht op den vijand los gaan,
dat is mijne grondstelling, en niet alleen in het veld. Neem die
les ter harte! Gij zult geen tijd te verliezen hebben, want wat ik
verlang is niet gemakkelijk. Gij moet, gesteund door uw kennis van
dit land en van zijne bewoners, alsmede met behulp van de lijsten
en aanteekeningen in de archieven van uw oud stadhouderlijkhuis,
waarover uw vader mij gesproken heeft, beproeven eene nieuwe indeeling
in districten te ontwerpen, waarbij gij inzonderheid zult hebben
te letten op hetgeen elk der districten zal kunnen opbrengen. Die
oude manier van belastingheffing deugt niet, dat ondervinden wij
dagelijks; gij zult speelruimte genoeg vinden voor verbeteringen van
allerlei aard. Werp al het bestaande omver, wanneer gij het noodig
acht. Ook anderen hebben hunne krachten beproefd aan eene indeeling
in districten en eene nieuwe wijze van belastingheffing. Het beste
ontwerp verdient de voorkeur en gij schijnt mij de man te zijn om
den prijs weg te dragen en u daarmede een schoon, ruim veld van
werkzaamheid voor de toekomst te openen. Als het geen verveling is,
of verlangen naar de genietingen van eene groote stad, waaraan gij
gewoon zijt, die u aandrijven dit treurige Memphis..."

"Neen heer," verzekerde Orion haastig. "Wat ik mij voornam komt
mijzelven niet eens ten goede, en als ik mij niet vast verbonden
had, dan vatte ik reeds morgen die heerlijke arbeid met beide handen
aan. Dat gij eene goede oplossing van zulk een gewichtig vraagstuk van
mij verwacht, is het schoonste geschenk, dat mij ooit ten deel viel. Om
mij uw vertrouwen waardig te maken, keer ik zoo spoedig mogelijk terug
en zal al wat ik aan verstand en scherpzinnigheid, aan volharding en
vaderlandsliefde bezit, aan dit werk ten koste leggen. Ik ben een
vlijtig scholier geweest, en schande over mij, wanneer dat, wat ik
als jongeling, was, den man verhinderde, den knaap te overtreffen."

"Goed gesproken," antwoordde de veldheer en stak Orion de hand
toe. "Doe uw best en gij zult ruimschoots gelegenheid vinden uwe
krachten te toonen. Onthoud mijne waarschuwing voor den patriarch
en den zwarten Wekil. Ik heb hier helaas niemand, die zijne plaats
vervullen kan uitgezonderd den wakkeren kadhi Othman, maar deze is
geen krijgsman en op zijne plaats onontbeerlijk. Obada moet mij dus
wel vervangen. Ontwijk hem en de Barmhartige zij met u..."

Toen Orion op den terugweg de schipbrug achter zich had, zag hij eene
versierde Nijlboot, zooals er thans hier maar zelden een landde, in de
haven voor anker liggen en op de Nijlstraat kwam hij twee draagstoelen
tegen, gevolgd door lastdieren en dienaars. Dat alles zag er prachtig
en voornaam uit; op een andere tijd zou het hem nieuwsgierig gemaakt
hebben; doch heden stelde hij zich maar vluchtig de vraag, wie zij
wel zijn zouden, die waren aangekomen, waarop hij verder nadacht
over het werk door Amr hem opgedragen. Uit den diepsten grond zijns
harten verwenschte hij de ure, waarin hij zich verbonden had voor
vreemden in de bres te springen; want hij, die na zoo lang werkeloos
te zijn geweest er naar snakte zijne krachten te beproeven, die zich
plotseling en als door een wonder geroepen zag op den weg, dien hij
zelf zich had gekozen, gevoelde zich thans belemmerd en afgetrokken
van eene taak, die hij hoopte voortreffelijk te kunnen volvoeren,
en waarmede hij zijn vaderland eene dienst zou bewijzen. Eene taak
bovenal die hem aantrok als met honderd magneten.

Nadat zijn testament den volgenden morgen rechtsgeldig was verklaard,
verzocht hij den rentmeester om een gesprek onder vier oogen. Hij was
tot de overtuiging gekomen, dat althans éen in dit huis en die eene
kon enkel Nilus zijn, kennis moest dragen van het plan dat hij ging
volvoeren. De rentmeester noodigde Orion dus uit hem te volgen naar
het impluvium van zijn bijzonder verblijf en deze uitnoodiging werd
door vele der aanwezige schrijvers vernomen, zonder dat zij zich in
hun arbeid lieten storen. Alleen de jongste van allen, een aardige
zestienjarige knaap, met een gebruind Egyptisch gelaat en verstandige
levendige gitzwarte oogen, die elk woord van den rentmeester en zijn
heer opmerkzaam gevolgd had stond zacht uit zijn neergehurkte houding
op, zoodra deze twee het kantoor verlaten hadden, en sloop ongemerkt
naar de voorzaal. Van daar ijlde hij naar de trapladder, die op de
duiventil uitkwam, waarvoor hij altijd zorg droeg; van het hooge
verblijf der gevleugelde boden liet hij zich haastig afzakken op het
dak van de benedenverdieping, en kroop op handen en voeten voorzichtig
tot aan het groote, opene vierkant, waardoor het impluvium licht en
lucht ontving. Vlug schoof hij met de hand het zeil een weinig opzij,
dat deze ruimte 'smiddags overschaduwde, en luisterde met inspanning
naar het gesprek, dat weldra beneden hem plaats had.

Deze knaap was Anubis, de zoogbroeder van het kwikstaartje, en het
scheen wel dat hij in de kunst om luistervink te spelen bij zijne
geliefde meesteres niet achter stond, want opmerkzamer dan hij kon
niemand de ooren spitsen. Hij wist ook wel waarom hij zich op het dak
blootstelde aan de gloeiende pijlen van de onbarmhartige Afrikaansche
zomerzon; zijne aangebodene speelnoote, die zijn jong hartstochtelijk
gemoed geheel beheerschte, had hem een hartelijken kus beloofd, wanneer
hij haar nadere inlichtingen kon verschaffen omtrent de gevaarvolle
reis van Orion. Anubis had haar reeds gisteren avond mededeeld, wat
hij in de voorzaal van het rentmeesterskantoor had afgeluisterd; maar
het kwikstaartje was met deze algemeene aanwijzingen niet tevreden
geweest. Zij wilde duidelijk zien, nauwkeurig weten wat er op het
getouw werd gezet, en zij bedroog zich niet door te onderstellen,
dat juist het loon hetwelk zij den knaap had toegezegd, hem zou
aansporen om zelfs het onmogelijkste te beproeven. Anubis had echter
niet gedacht, dat hij zoo spoedig zijn doel zou bereiken, hoe stout
zijne verwachtingen ook waren, want nauwelijks was het hem gelukt het
zeil op zijde te schuiven, toen Orion begon den rentmeester opening
te geven van alles wat hij dacht te doen.

Nadat deze zijne mededeelingen had geëindigd, wachtte de knaap het
antwoord van den rentmeester niet af, maar kroop, als bedwelmd door
den gelukkigen uitslag van zijn pogen en het uitzicht op het loon,
dat voor hem eene hemelsche zaligheid omvatte, naar de duiventil. Doch
hij kon den weg niet volgen waarlangs hij gekomen was, want bevond hij
zich weder in de voorzaal en trof een der andere beambten hem daar aan,
dan werd hij naar het schrijfvertrek verbannen. Hij kroop dus naar
de borstwering van het dak, die naar de zijde van de visschershaven
gekeerd was, boog er zich over heen en greep een gootpijp om zich
daarlangs te laten afglijden. Doch deze was helaas zeer oud en
verteerd, hetgeen niet was opgemerkt, omdat het te Memphis zoo zelden
regent; en nauwelijks volgde het lichaam van den knaap zijne handen,
of het halfvergane blik scheurde krakend van een. Met de brokken
van de gootpijp stortte de overmoedige jongen vier manshoogten naar
beneden; men hoorde op den geplaveiden vloer een zwaren, doffen slag en
jammerlijk gekerm, en kort daarna wist het geheele rentmeesterskantoor,
dat de arme, flinke duivenliefhebber Anubis bij de verpleging van
zijne diertjes van het dak was gevallen en zijn been gebroken had. De
beide mannen in het impluvium zouden eerst later het ongeval vernemen,
want er was bevel gegeven hen niet in hun onderhoud te storen.

Nilus had de vertrouwelijke mededeelingen van zijn jongen meester
met toenemende verbazing, weerzin en schrik aangehoord, en toen
Orion had uitgesproken, met al de overredingskracht van een trouw
hart, dat zich bezorgt maakt voor het heil van lichaam en ziel van
een geliefd persoon, bij hem aangedrongen om van dit waagstuk af te
zien, waaruit voor hem niet anders kon volgen dan afkeuring, nadeel en
vervolging. Nilus was een Jacobiet van ganscher harte en de gedachte,
dat zijn jonge meester op het punt stond voor Melchietische nonnen
het uiterste te wagen en den toorn, ja den vloek van den patriarch op
zich te laden, kon hij niet verdragen. De welgemeende waarschuwingen en
smeekingen van den trouwen beambte bleven op Orion niet zonder invloed,
doch hij volhardde in zijn besluit en bracht Nilus aan het verstand,
dat hij Rufinus zijn woord had gegeven en daarom niet meer terug kon
treden, ofschoon hijzelf geen lust meer had in de volvoering van zijn
plan. Het stuitte hem tegen de borst, ja het was hem onmogelijk den
ouden braven man alleen deze gevaarlijke reis te doen ondernemen.

Oprechte bezorgdheid maakt vindingrijk en nauwelijks had Orion
uitgesproken of Nilus deed hem een voorslag, die wel in staat was de
laatste bedenking van den jonkman op te heffen. De Grieksche opzichter
van de werf, Melampus, was een ijverig Melchiet, al durfde hij niet
openlijk voor zijn geloof uitkomen. Hij en zijne beide zonen, twee
frissche stevige scheepstimmerlieden, hadden reeds meermalen hunne
frissche, ondernemingszucht getoond, en Nilus twijfelde niet of zij
zouden maar al te gaarne aan een waagstuk deelnemen, dat de redding
van zoovele geloofszusters ten doel had. Zij moesten Orions plaats
vervangen en konden den ouden heer veel krachtiger ondersteunen
dan hij.

De jongeling stemde met dezen voorslag in zooverre in, dat hij
degelijke hulp verwachtte van de wakkere handwerkslieden, die hij
zeer goed kende; hij wilde ze dus wel meenemen, maar daarom niet
van zijne eigene medewerking afzien. Hij moest eindelijk Nilus,
die zoo taai bleef volharden bij zijne vermaningen, het zwijgen
opleggen. Desniettemin ging de bezorgde man met hem naar de werf, en de
oude meester, een goedhartige reus, toonde zich zoo van harte bereid om
zijne hulp te verleenen tot het redden der nonnen, "als ware elk hunner
zijne eigene moeder". De jongens zouden het als een feest beschouwen,
dat zij aan zulk een waagstuk deel mochten nemen. Het bleek weldra
dat hij zich daarin niet bedroog, want nadat men hen in het geheim
had ingewijd, zwaaide de een vol geestdrift met zijne bijl, en de
ander sloeg zoo vroolijk met zijne stevige vuist in de linkerhand,
als zou hij ten dans gaan. Onverwijld stapte Orion met alle drie in
eene boot en liet zich naar het huis van Rufinus roeien, om hen aan
dezen voor te stellen, en zij bevielen den ouden man voortreffelijk.

Orion bleef bij hem; hij had hem gisteren beloofd het ontbijt met hem
te gebruiken en dat stond gereed. Paula was reeds sedert een uur in
het klooster en kon, zooals vrouw Johanna verzekerde, elk oogenblik
terugkeeren. Men zette zich dus zonder haar aan tafel, de schotels
werden opgedragen, het maal liep ten einde en nog altijd was zij niet
terug. Orion had aanvankelijk zijne teleurstelling weten te verbergen,
maar eindelijk werd hij geheel door dit gevoel beheerscht, zoodat het
zijne gastvrouw moeite kostte, hem door vragen en wedervragen korte en
verstrooide antwoorden te ontlokken. Ook Rufinus werd bezorgd, maar
juist toen hij opstond om naar Paula te gaan uitzien, zag Pulcheria,
die aan het venster stond, haar komen en vloog met een vroolijk
"daar is zij!" naar buiten.

Weder verliep de eene minuut na de andere, van een kwartier werd
het een halfuur, en Orion wachtte nog altijd te vergeefs op de
jonkvrouw. Zijne blijde verwachting had reeds lang voor ongeduld,
het ongeduld voor het gevoel van gekrenkte waardigheid en dit voor
spijt en bitterheid plaats gemaakt, toen Pulcheria eindelijk in hare
plaats het eetvertrek binnentrad en hem uit naam van Paula verzocht
in den tuin te komen.

Buitengewoon lang was zij in het klooster opgehouden. Gelijk de
rook, die de ijmker in een bijenkorf laat trekken, had de treurmare
de stille, vrome zusters uit haar gewone rust opgeschrikt en allen
door elkander gejaagd. Zij moesten heden wat het meest van waarde was
bijeen pakken, en hoewel Orion gezegd had, dat maar een klein aantal
kisten en zakken in de boot plaats konden vinden, kwam de eene haar
bidstoeltje, de ander een groot heiligen beeld, een derden een koperen
vischketel, en een vierde, vijfde en zesde zelfs met de groote kast
met de gebeenten van den martelaar Ammonius aandragen, waaraan de
priesterkerk haren bijzonderen roep van heiligheid dankte. De abdis
had met al hare zeggingskracht en waardigheid tusschenbeide moeten
komen, om al dat overtollige terug te houden, en menige zuster, die
met hare dierbare maar al te omvangrijke bezitting werd afgewezen,
was weenende met haar schat afgetrokken. De overste van de nonnen
was eerst in de gelegenheid geweest zich geheel aan Paula te wijden,
nadat men een overzicht had kunnen nemen van de geheele bagage,
die zou worden medegevoerd. Zij had de jonkvrouw daarna naar haar
woonvertrek gebracht, dat met kostbare en degelijke voorwerpen keurig
versierd was, en haar met oprechte deelneming gelegenheid gegeven het
hart voor haar uit te storten. Wie deze twee te zamen had gezien, zou
licht hebben kunnen denken, dat een bekommerde dochter haar toevlucht
had gezocht aan het hart eener moeder, om raad bij haar in te winnen;
want de grijze abdis kon in hare jeugd veel gelijkenis hebben gehad
met de dochter van Thomas. De voorname en toch aanvallige houding der
jonkvrouw was alleen bij de matrone tot eene vorstelijke, nederbuigende
waardigheid geworden, en men kon het haar ernstig gesloten mond niet
meer aanzien, dat deze eens het aanminnig sieraad van haar gelaat
was geweest. Terwijl zij de mededeelingen van het meisje volgde,
veranderden hare rustige oogen telkens van uitdrukking, zij tintelden
enkel van fanatischen gloed, wanneer geloofsijver haar gemoed
vervulde. Zij kreeg van allerlei te hooren, want Paula beschouwde
dit onderhoud als eene biecht, en verzweeg voor hare moederlijke
en tegelijk priesterlijke vriendin niets van alles wat er in haar
uitwendig leven, in haar hoofd en hart was omgegaan, sedert zij het
huis van den Mukaukas had betreden. Zij hield niets in hare ziel
verborgen, trachtte niets te bemantelen of te vergoelijken, en toen
zij de mannelijke worsteling van haar geliefde schilderde om al den
ernst van het leven te begrijpen, werd zij door liefde en geestdrift
medegesleept ten einde zijn beeld, dat een oogenblik door eene donkere
schaduw verduisterd was, in des te helderder glans te laten schijnen.

Nadat Paula ten laatste hare biecht geëindigd had, was de abdis een
tijd lang zwijgende blijven zitten. Toen had zij het meisje tot zich
getrokken en op liefderijken toon gevraagd: "En thans? Niet waar,
alles wat in u is dringt en drijft u om den hartstocht, die op
zoo bijzondere wijze zich van u meester heeft gemaakt, zijn loop
te laten, den geliefden man in de wijdgeopende armen te snellen,
u aan hem over te geven en te zeggen: 'Hier hebt ge mij, ik ben de
uwe! Haal den priester, dat hij ons zegene!'--Is het zoo, zie ik goed?"

Paula had toestemmend geknikt met een blos op de wangen, doch de oude
vrouw had haar hoofd tegen haar borst gelegd en was op ernstigen toon
voortgegaan: "Ik zag hem toen hij met zijn vierspan mij voorbijreed, en
dacht daarbij aan menig beroemd beeldwerk van Grieksche heidenen. Hij
bezit schoonheid, geboorte, rijkdom, ja ook een geest van gaven,
kortom alles wat het hart van eene Paula winnen kan; en zij--dat zie
ik--geeft het hem gaarne."

Wederom had het meisje haar toegeknikt, en daarop was de grijze abdis
met een stille zucht, en als kostte het haar groote moeite om zich
in het onvermijdelijke te schikken, voortgegaan: "Elke waarschuwing
zou dus ijdel zijn.--Hij is in elk geval niet van ons geloof, hij..."

"Maar hoe hij dat hoogacht," zeide Paula, "dat toont hij, terwijl
hij voor u en de uwen vrijheid en leven op het spel zet."

"Zeg: voor de geliefde," antwoordde de abdis. "Doch wij willen
dit onderwerp niet verder aanroeren, hoezeer het mij ook smart
mij de dochter van Thomas als de gemalin van een Jacobiet voor te
stellen.--Gij zult hem niet prijsgeven, en de Vader der liefde leidt
trouwe liefde langs wonderbare paden naar het beoogde doel, al gaat
het soms langs omwegen, door kloven en afgronden."

Paula was haar om den hals gevallen, om haar dankbaar te kussen, doch
de abdis had het gelukkige meisje maar korten tijd laten begaan, en
haar daarna aan haar zijde doen neerzitten. Met Paulas rechterhand
in hare beide handen was zij toen overgaan op den toon van kalm
overleg. Zij en de zusters, zoo begon zij, waren Orion grooten dank
verschuldigd. Haar vurigste wensch was dat Paula als vrouw het hoogst
geluk op aarde zou vinden, doch daar zij om raad had gevraagd mocht
de abdis haar de oogen niet doen sluiten voor de gevaren die juist
dat geluk dreigden te ondermijnen. Achter haar, de abdis, lag een
lange reeks van allerlei ervaringen; zij had ontelbare jonge mannen
leeren kennen, die als groote zondaars door vader en moeder, door de
kerk en alle goede menschen waren opgegeven, en velen van dezen hadden
hun dag van Damascus gezien. Er was voor hen een keerpunt gekomen en
de verloren gewaande zonen waren uitnemende, vrome mannen geworden.

Onder dit verhaal was Paula met van vreugde stralende oogen nog
dichter bij haar gekomen; doch de abdis had ontkennend het hoofd
geschud, en terwijl haar gelaat eene steeds klimmende geestdrift
verried, vervolgde zij op hoog ernstigen toon: "Intusschen mijn kind,
bij deze allen had de genade gewerkt, was het wonder geschiedt,
dat wij wedergeboorte noemen. Zij waren dezelfde gebleven naar het
vleesch en de grondtrekken van hun wezen, maar hunne verhouding tot
de wereld en tot het leven was eene geheel andere geworden. Wat hun
vroeger wenschelijk voorkwam dat werd thans door hen verafschuwd,
wat vroeger van waarde scheen was voor hen nietig, het nietige van
waarde geworden. Hadden zij vroeger alles tot hunne eigene wenschen
teruggebracht, thans beschouwden zij alles in het licht van God en
zijn wil. De oude neigingen waren dezelfde gebleven, doch zij lieten
zich binnen de perken houden door de nooit sluimerende erkentenis,
dat zij niet den weg baanden tot blijvende vreugde, maar tot eeuwig
verderf. Deze wedergeborenen leerden de wereld te verachten, en
in plaats van naar het stof was hun blik opwaarts naar den hemel
gericht. Wie van hen struikelde, hij werd door den nieuwen geest
die in hem werkte gedwongen het evenwicht weer te vinden, alvorens
geheel te vallen.--Doch Orion? Uw geliefde? Naar ik zie stapt hij
over zijne schuld heen en wacht hij eene verzoening met God van het
volbrengen eener waardige levenstaak in deze wereld. Niet alleen
is zijne gezindheid dezelfde gebleven, maar ook zijne betrekking
tot het leven en tot al de goederen, die het den kinderen dezer
wereld aanbiedt. Zinnelijke liefde drijft hem aan, te streven naar
wat hoog en groot is, met ernstigen wil tracht hij het te bereiken,
doch hij kan en zal struikelen over elken steen, dien de duivel hem
in den weg werpt, en het zal hem zwaar vallen weder op te staan;
want het ongeluk heeft hem niet wedergeboren tot een nieuw leven in
God. Juist zulke jonge mannen zag ik ontelbare malen terugzinken in
de zonde, waaraan zij zich ontworsteld hadden, en voor wij ons geheel
en al mogen toevertrouwen aan een man, die, al is het ook maar eens,
zoo ver is afgedwaald van de wegen Gods, en bij wien de genade hare
krachtige werking nog niet heeft getoond, is het noodig zijn gang en
zijne handelwijze langer dan enkele dagen na te gaan. Gevoelt gij u
gedrongen om vast te houden aan de neiging uws harten, werp u dan niet
eer in de geopende armen van den geliefde, geef niet eer het reine
heiligdom van lichaam en ziel aan hem over, word niet eer de zijne,
voor hij eerst zich geheel standvastig heeft getoond."

"Maar ik geloof aan hem!" riep Paula onder een vloed van tranen.

"Gij gelooft, omdat gij liefhebt," antwoordde de abdis.

"En omdat hij het verdient."

"Sedert hoe lang?"

"En was hij niet een voortreffelijk jonkman vóor dien misstap?"

"Dat is ook menig moordenaar geweest. Eén oogenblik was voldoende om
zoovelen als misdadigers uit de samenleving te verbannen."

"Zijne omgeving draagt hem nog altijd op de handen."

"Als den zoon van den Mukaukas."

"En omdat hij door hetgeen hij is aller harten wint."

"Ook het hart van den Allerhoogste?"

"O moeder, moeder waarom meet gij hem naar den maatstaf uwer den hemel
gewijde ziel! Hoe weinig uitverkorenen worden de genade deelachtig,
waarvan gij spreekt!"

"Wie als hij gezondigd heeft, moet er met inspanning naar streven."

"Dat doet hij, moeder, op zijne wijze."

"Die verkeerd is, verkeerd voor allen die zulke zonden hebben
begaan. Alles, waarnaar hij streeft, zijn wereldlijke goederen."

"Neen, neen, hij staat vast in het geloof aan God en den Heiland. Hij
is geen bedrieger."

"En toch gelooft hij zich van de boete ontslagen te kunnen rekenen."

"Vergeeft de Heer ook niet alles, na oprecht berouw? En hij heeft
berouw gehad; hoe zwaar, hoe bitter zwaar heeft hij geleden!"

"Zeg liever: de striemen gevoeld, die de gevolgen waren van zijne
ongerechtigheden. Er volgen nog meer, en hoe zal hij ze dragen? De
verzoeking loert van alle zijden en hoe zal hij aan haar ontkomen? Als
een waarschuwende moeder ben ik verplicht u toe te roepen: houd zijn
en uw hartstocht nog in bedwang; ga voort hem te beproeven en sta
hem niet eerder zelfs het kleinste toe, jonkvrouw, voordat hij..."

"En tot wanneer, ja hoelang zal ik zoo onwaardig op wacht staan?" zeide
Paula, snikkende. "Is dat liefde, die niet vertrouwt, niet bereid is
ook saam te leven met hem, wiens schreden nog niet vast staan?"

"Ja, mijn kind, ja," antwoordde de grijze abdis. "Alles te dulden,
alles te verdragen is de plicht der ware liefde en ook de uwe;
doch eerst dan zult gij uzelve en hem door den onverbrekelijksten
aller banden laten binden, wanneer hij die wankelde een wandelaar is
geworden, die met vasten stap voorwaarts schrijdt. Volg elk zijner
schreden, sta hem met trouwe zorg ter zijde, twijfel niet aan hem
als hij zich anders voordoet dan gij had verwacht, tracht met een
vroom gemoed hem de genade waardig te doen worden, maar geef hem niet
overijld, niet nu reeds het jawoord."

Paula voegde zich niet gewillig naar deze vermaning, maar het kwaad
door Orion begaan, vervulde de abdis met groot wantrouwen. Zulk een
groot zondaar, wien de vloek eens vaders had getroffen had naar hare
overtuiging zich uit de wereld moeten terugtrekken, smachtende naar
genade en jagende naar de wedergeboorte in plaats van aan de zijde
van zulk eene bevoorrechte jonkvrouw als Paula, waaraan hij zoo innig
gehecht was, de zaligheid te zoeken, die zij enkel gunde aan hare
geloofsgenooten, aan wier wandel geen smet kleefde. Ja hoe gaarne
had zij, die na eene stormachtige jeugd midden in de wereld eerst in
het klooster zielsrust en waarachtig geluk had gevonden, het dierbaar
kind der vriendin als reine bruid van Christus aan hare zijde gezien,
misschien als hare opvolgster in de betrekking van abdis! Het vele
verdriet, dat zij zelf door de lichtzinnigheid van trouwelooze mannen
had ondervonden, had zij hare lieveling willen besparen, en daarom was
zij geen duimbreed afgeweken van den inhoud van haar goeden raad en
niet moede geworden de jonkvrouw met nadruk hoewel liefderijk op het
hart te drukken, dat zij zich daarnaar moest gedragen. Eindelijk had
Paula van haar afscheid genomen met de belofte, dat zij niet eer eene
verloving met Orion zou aangaan, vóor hij uit Dumiat was teruggekeerd
en de abdis haar schriftelijk had medegedeeld, welk oordeel zij zich
over hem gevormd had op de aanstaande vlucht.

Zooveel tranen als bij dit onderhoud had de jonkvrouw, die zooveel
geestkracht bezat, niet geweend sedert de noodlottige mis van Abyla,
waarbij zij haar vader en broeder had verloren, en met een zeer beweend
gelaat en hevige hoofdpijn was zij op den gloeiend heeten middag door
de brandende zon weergekeerd naar het huis van Rufinus en hare oude
Betta. Deze had er zeer op aangedrongen dat Paula wat zou gaan liggen,
en toen zij geen gehoor vond, had zij haar tenminste overgehaald het
hoofd te verkoelen met water zoo frisch als het bij zulk eene hitte
te vinden was, en zich het haar door hare vaardige hand opnieuw te
laten opmaken. Hare overleden moeder vond bij deze middelen altijd
baat, als zij hoofdpijn had.

Toen Paula eindelijk op een schaduwrijk plekje van den tuin tegenover
den geliefde stond, zagen beiden elkander schuchter en vreemd
aan. Hij was bleek en blijkbaar ontstemd, en hare rood bekreten
oogen en het gerimpeld voorhoofd, dat klopte en stak van pijn,
droegen er niet toe bij zijne stemming te verbeteren. Het stond aan
haar zich te verontschuldigen, en toen hij na zijn groet haar niet
dadelijk toesprak, zeide zij dan ook op zachten, innig smeekenden
toon: "Vergeef mij, dat ik zoo laat kom. Hoe lang hebt gij wel niet
moeten wachten! Maar het afscheid van mijne beste vriendin en tweede
moeder heeft mij zoo diep ontroerd, en was treuriger dan ik zeggen
kan. Toen ik terugkwam wist ik van de hevige hoofdpijn niet, waar ik
het zoeken zou, en thans.... Hoe gansch anders heb ik heden morgen
vroeg gehoopt u te zullen ontmoeten!"

"Reeds gisteren," zeide hij somber, "bleef er geen tijd
voor mij over.--En heden,--gij waart er bij toen Rufinus mij
uitnoodigde--heden!--Ik maak geen hooge aanspraken, en mijn God,
hoe zou ik dit durven doen tegenover u? Maar geldt het niet ook
van mij afscheid te nemen, misschien voor altijd? Waarom moest aan
eene vriendin zooveel van uw tijd en uwe kracht worden afgestaan,
dat er maar een klein overschot bleef voor den vriend? Dat noem ik
niet billijk verdeelen."

"Hoe zou ik het kunnen loochenen?" zeide zij droevig, "ja zeker, gij
hebt gelijk, maar ik kon gisteren avond het kind, terwijl het zijne
smart bij mij uitweende, niet terstond verlaten, en als gij wist
hoe zeer ik verschrikte, en hoe pijnlijk mijn hart werd aangedaan,
toen ik in plaats van u, een brief...."

"Ik moest naar den veldheer aan de overzijde," zeide Orion, haar in de
rede vallende. "Dit avontuur dwingt mij hier veel achter te laten, en
ik ben niet meer de meest vrije van alle vrijen van weleer. Gedurende
dit pijnlijk ontbijt heb ik als op naalden gezeten. Maar spreken wij
daarover niet meer. Met een hart vervuld van blijmoedige hoop kwam
ik hierheen. En nu? Ziet gij, Paula, deze onderneming verscheurt
voor mij meer banden, en laadt meer op mijne schouders dan gij u
denken of weten kunt. Dat verklaar ik u later. Zij brengt mij in eene
allergevaarlijkste verhouding, en om tegen alles bestand te zijn,
om den frisschen moed, den blijden zin, die ik daarbij noodig heb,
te bewaren, moet ik van éen ding zeker zijn, waarvoor ik zelfs nog
gansch andere gevaren en moeiten als een vroolijk spel op mij zou
kunnen nemen, moet ik weten..."

"Wilt gij weten," haastte zij zich te zeggen, "of mijn hart geheel
en al zich voor uwe liefde heeft ontsloten..."

"Of ik," sprak hij met klimmende geestdrift, "trots al het zware
lijden, dat deze arme ziel drukt, gelukkiger kan zijn dan de zaligen
in den hemel. O, Paula, eenig aangebeden meisje, mag ik..."

"Gij moogt," hernam zij luide en uit den diepsten grond harer
ziel. "Ik heb u lief, Orion, ik zal nooit, neen nooit meer ophouden
u van ganscher harte lief te hebben."

Daar vloog hij naar haar toe, zichzelven niet meer meester omvatte hij
haar met beide armen, drukte haar aan zijn hart, zonder acht te geven
op de nabijheid van het huis, waar zoovele oogen hen konden zien,
en overlaadde haar met vurige kussen, tot zij zich losmaakte uit
zijne omarming en hem smeekend toeriep: "niet zoo, neen, bid ik u,
niet zoo en nu nog niet."

"Nu, juist nu! Of wanneer anders?" vroeg hij onstuimig. "Doch hier, in
dezen tuin, daar hebt gij gelijk in, hier is de plaats niet voor twee
gelukkige menschenkinderen, die elkander gevonden hebben. Kom mede,
ga mij voor in huis, zoek ons daar een plaatsje, waar wij ongezien
en niet beluisterd alleen met ons geluk...."

"Neen, neen!" zeide zij gejaagd, terwijl zij met de hand streek over
het pijnlijke voorhoofd. "Kom mede op de bank onder de sykomore, daar
zitten we in de schaduw, daar kunt ge mij alles zeggen en daar zult
gij ook nog eens hooren, hoe machtig de liefde mij heeft aangegrepen."

Teleurgesteld en verwonderd keek hij haar aan, doch zij liep naar
de sykomore, zette zich daar neder en hij volgde haar langzaam. Zij
gaf hem een vriendelijken wenk zich naast haar neer te zetten, doch
hij bleef voor haar staan en zeide op doffen, treurigen toon: "Altijd
dezelfde, altijd die kalmte en koelheid... Is dat het ware Paula? Is
dat de machtige liefde waarvan gij spreekt? Moet dat het antwoord zijn
op de smachtende kreet van een harte ontgloeid in hartstochtelijke
liefde? Is dat alles wat liefde aan liefde betaalt, wat de bruid den
bruidegom verschuldigd is, die op het punt is haar te verlaten?"

Zij zag hem hierop met grooten angst aan en zeide diep geroerd en
innig: "O Orion, Orion! Hebt gij dan niet gehoord, gezien, gevoeld
hoe zeer ik u liefheb? Gij moet het gevoelen, en is dit zoo, stel u
dan daarmede tevreden. Gij, eenig geliefde, ik bezweer het u! Stel u
er mede tevreden dat dit hart u behoort, dat uwe, ja uwe Paula--daar
is zij, ik, ik ben het--aan niets denken, voor niets zorgen, bidden
en smeeken wil dan voor u, ja voor u, thans mijn een en mijn alles."

"Nu, kom dan met mij," zeide hij driftig, "en sta den verloofde toe,
waar hij recht op heeft!"

"Neen, neen, niet verloofde, nog niet!" riep zij smeekende uit den
diepsten grond harer beangstigde ziel. "Ook in mijne aderen vloeit
warm bloed, dat mij naar u doet smachten, ook ik verlang in uwe
armen te snellen en mijn hoofd tegen het uwe te laten rusten, maar
uwe bruid--heden, reeds heden mag en kan ik het niet worden!"

"En waarom niet? Laat mij weten waarom niet!" riep hij verstoord,
terwijl hij zijne gebalde vuist tegen de borst drukte. "Waarom wilt
gij mijne bruid niet zijn, als het waar is dat gij mij liefhebt? Waarom
verzint gij deze nieuwe, afschuwelijke foltering?"

"Omdat de wijsheid mij geleerd heeft," hernam zij met jagenden boezem,
snel en zacht, als vreesde zij hare eigene woorden te hooren, "omdat
zij mij geleerd heeft dat de tijd daarvoor nog niet gekomen is. Ach,
Orion, gij weet nog niet het verlangen, de wenschen te beteugelen,
die in u branden; gij hebt al te spoedig vergeten, wat achter u,
wat achter ons ligt, welk een berg er overschreden moest worden, tot
wij zoover gekomen zijn dat wij elkander vinden, tot ik--ja liefste,
ik moet het uitspreken--in staat ben u zonder boosheid of haat in het
aangezicht te zien. Eene wonderbare geheimzinnige beschikking heeft het
gewild, en ook gij hebt trouw het uwe daaraan toegebracht, dat alles
geheel veranderd is, dat het zwarte nu wit is, dat de kille noordewind
heeft plaats gemaakt voor een heeten wind uit het zuiden. Zoo wordt
gif tot artsenij en vloek tot zegen! Uit hartstochtelijke haat is in
dit dwaze hart eene even geweldige liefde ontstaan. Maar uwe bruid, uwe
vrouw kan ik thans nog niet zijn. Noem het wat mij terughoudt lauwheid,
noem het eene eigenzinnige bedenking, noem het zooals gij wilt. Ik noem
het 'wijsheid' en prijs het, ofschoon het deze arme oogen ontelbare
bittere tranen gekost heeft, alvorens hart en zin besloten waren zich
te voegen naar de waarschuwende stem. En gij, houd vast aan dit éene:
wat er ook gebeure, dit hart zal aan niemand anders behooren--ik ben
de uwe met lijf en ziel!--Uwe bruid wil ik eerst worden als ik met
even blijmoedig vertrouwen als warme liefde u mag toeroepen: 'Gij
zijt overwinnaar gebleven, neem mij tot u, ik ben de uwe!' Dan zult
gij voelen en erkennen, dat Paulas liefde niet koeler, niet zwakker
is... O God, Orion, leer, leer mij verstaan! Gij moet het leeren om
mijnent- en om uwentwil! Mijn hoofd, genadige hemel, mijn hoofd!"

Zij liet het hoofd zinken en drukte de beide handen tegen haar
gloeiend voorhoofd, maar hij legde bleek en huiverend de rechterhand
op haar schouder en zeide op afgemeten, drogen toon, als ware zijn
stem van haar klank beroofd: "De ingewijden verlangen dat hunne
leerlingen proeven ondergaan, alvorens zij de toegang verleenen tot
het mysterie. Wel zijn wij in Egypte, maar het komt mij toch vreemd
voor, als dit op de liefde wordt toegepast. Maar dat alles komt niet
uit uzelve. Wat gij 'wijsheid' noemt, is de stem der abdis uit het
klooster daarginds!"

"De stem der bezonnenheid," hernam Paula zacht. "Het verlangen des
harten had deze luide overstemd, en ik dank het aan die vriendin."

"Wat dankt gij haar?" vroeg de jonkman, diep verontwaardigd. "Om dezen
nietswaardigen dienst moest gij haar verwenschen, gelijk ik thans
doe. Kent zij mij eenigermate? Heeft zij ooit een woord uit dezen mond
vernomen? Als die neuswijze, die oververstandige beheerscheres der
nonnen wist hoe het er hier binnen uitziet, zou zij u anders hebben
geraden. Reeds als kind heeft men mij door vertrouwen en liefde er
toe gebracht het moeielijkste te volbrengen. Wat ik ook misdreven heb,
welwillend vertrouwen heb ik nooit geschonden. En wat u betreft, gij
wijze en bezonnene, zoo had ik, zalig door uwe liefde en alleen op
uwe goedkeuring bedacht, trotsch en gelukkig, dat ik ook uw laatsten
twijfel had overwonnen, voor u zon en sterren uit den hemel kunnen
halen en elke beproeving lachend in het aangezicht durven zien.--Maar
zoo, zoo! In plaats van mij te verheffen vernedert gij mij, stelt ge
mij voor mijzelven aan den schandpaal! Eén met u zou ik u vooruit
zijn geijld naar de sferen des lichts, waar de volmaaktheid woont;
maar zoo, zoo?--Welk eene taak, uwe koele liefde door goede daden
als met olijfboomenhout er toe te brengen om in vlam te geraken! Welk
eene bezigheid voor een man, zich voor zijne geliefde te onderwerpen
aan een proef! Dat is eene foltering, die mij tegen de borst stuit,
mij beleedigt, die ik niet kan verdragen, waartegen alles hier binnen
in verzet komt, waarvan gij zult en moet afzien, wanneer het waar is
wat ge mij zegt, dat gij mij lief hebt!"

"Ik heb u lief, ja ik heb u lief!" riep zij buiten zichzelve van
aandoening, terwijl zij zijne handen greep. "Misschien hebt gij
gelijk. Ik ... mijn God, wat zal ik doen?--Vorder thans geen ja of
neen! Ik ben niet in staat om over het eenvoudigste te denken! Gij
ziet het, hoe ik lijd!"

"Dat zie ik," antwoordde hij, terwijl hij medelijdend het oog sloeg
op haar bleek gelaat en zag hoe smartelijk zij het voorhoofd fronsde,
"en omdat het dan zoo zijn moet: tot heden avond! Zoek nu wat rust
en zorg voor uwe gezondheid,--maar dan..."

"Dan, gedurende de vaart, op de vlucht," zeide Paula, "herhaalt
gij voor de abdis, wat gij mij zoo even hebt gezegd. Zij is eene
voortreffelijke vrouw; zij zal u leeren liefhebben en begrijpen,
dat weet ik. Ook het woord geeft zij u zeker terug..."

"Welk woord?"

"Dat ik haar gaf, niet eer de uwe te zullen worden..."

"Voor dat ik de proef van de oningewijden heb doorstaan?" zeide
Orion gramstorig de schouders ophalend. "Ga nu wat rusten, ga! Wat de
schoonste ure van ons leven had moeten zijn, dat heeft eene vreemde
gemaakt tot eene droevige en onzalige. Gij zijt van uzelve, ik ben
van mij zelven niet zeker. Wat wij hier thans nog verder spreken,
daaruit kan voor u zoo min als voor mij iets goeds voortkomen. Ga
wat rusten, en vergeet in den slaap uwe smart. Wat mij betreft,
ik wil trachten te vergeten, ik wil... O, als gij wist hoe het hier
binnen uitziet! Vaarwel, tot een vriendelijker en gelukkiger weerzien,
ofschoon ik er nauwelijks op durf hopen."

Hierop keerde hij haar ijlings den rug toe, zij echter liep hem
klagende na: "Orion, vergeet het niet, Orion, gij weet dat ik
u liefheb!"

Doch hij hoorde haar niet meer, en liep zonder in het huis van Rufinus
terug te keeren, met haastige schreden de straat op.



ZEVENDE HOOFDSTUK.


Inwendig diep beleedigd, viel Orion te huis gekomen op den divan
neder. Zij had gezegd, dat haar hart hem toebehoorde, doch wat
was dat voor een armzalige, koele liefde, die niets vergunde voor
zij zich van alle zijden verzekerd zag! En hoe had Paula aan eene
derde kunnen toestaan, om zich te plaatsen tusschen hen beiden,
en haar handelingen en gevoelens te besturen? Wat tusschen hen was
voorgevallen, moest zij aan die derde verraden hebben. Voor deze
hem vijandig gezinde Melchietische non wilde, zou hij... het was om
zijn verstand te verliezen.... Doch hij kon niet terug, hij had zich
tegenover den waardigen grijsaard en tegenover haar tot dit onzinnig
avontuur verplicht. In plaats van de edele, trotsche beheerscheres
van zijn gansche wezen zag hij in zijne verbeelding thans eene in
tranen badende, onzelfstandige, koelhartige vrouw.

Daar lagen de kaarten en plannen, die hij zich door Nilus op zijn
kamer had laten brengen, om ze te bestudeeren voor de taak, die de
edele Amr hem had opgedragen, en toen zijn blik er op viel, sloeg
hij met zijn vuist tegen den wand, sprong hij op en liep als een
bezetene in dezelfde kamer op en neer, die door haar stil leven was
gewijd. Daar stond nog hare luit, die hijzelf opnieuw besnaard en
gestemd had. Om wat tot rust te komen, nam hij die op, greep naar
het plectrum en begon te spelen. Doch het instrument was slecht,
zij had zich met een armzalig ding tevreden gesteld. Hij wierp het
op het rustbed en nam zijn eigen speeltuig ter hand, een geschenk van
Heliodora. Hoe verstond zij de kunst om aan deze luit schoone en weeke
tonen te ontlokken! Ook nu gaven hare snaren een heerlijken klank,
langzamerhand begon hij er behagen in te scheppen, en de muziek bracht,
gelijk zoo vaak gebeurt, zijn onstuimig gemoed tot rust. Gevoelvol
en roerend klonk zijn spel, doch menigmaal greep hij zoo heftig in
de snaren, dat hun geweldig trillen en ruischen deed denken aan de
weeklachten en kreten van eene vertwijfelende ziel.

Daar sprong opeens, te midden van dit hartstochtelijk spel, met
dreunenden knal de kam op den bodem der luit, en op hetzelfde
oogenblik opende de secretaris, die hem in de hoofdstad vergezeld
had, in vroolijke opgewondenheid de deur en riep hem reeds op den
drempel toe: "Heer, denk eens aan! Daar komt een bode uit de herberg
van Sostratus en brengt u dit tafeltje over, het is open en ik heb
het gelezen. Begrijp eens, het is nauwelijks te gelooven! De senator
Justinus met zijne edele gemalin, de aanzienlijke matrone Martina,
zij zijn hier, hier te Memphis, en zij laten u uitnoodigen om hen te
bezoeken, ten einde gewichtige dingen met hen te bespreken. Heden nacht
zijn zij aangekomen, zeide de bode, en nu... Welk eene vreugde! Wat
hebt gij niet in hun paleis genoten! Kunnen wij hen in de herberg
laten? Zoolang er nog gastvrijheid in de wereld is, zou dit zonde
zijn!"

"Onmogelijk, volstrekt onmogelijk!" zeide Orion, die de luit uit de
hand had geworpen en nu zelf het tafeltje bekeek. "Waarachtig hij is
het, zijn eigen handschrift! En juist die twee, die zoo moeielijk
te bewegen waren om zich te verplaatsen, zijn in Egypte, hier te
Memphis! Bij Zeus"--zoo zwoeren de christelijke jongelieden van
hooger stand te Alexandrië en Konstantinopel nog altijd--"bij Zeus,
ik ben hun verschuldigd ze hier als vorsten te ontvangen! Wacht! Gij
zegt natuurlijk aan den bode, dat ik terstond zal komen, en laat het
nieuwe Pannonische vierspan voor den zilveren wagen zetten. Ik ga naar
mijne moeder, doch dat kan nog wachten. Gij beveelt Sebek terstond de
gastenverdieping, vanwaar de kranken nu gelukkig verdwenen zijn, voor
de aanzienlijke gasten in orde te laten brengen. Mijne tegenwoordige
kamer worde er bij genomen en ik ga naar mijn vroeger verblijf
terug. Zij hebben zeker een groot gevolg. Twintig, dertig slaven moeten
aan het werk, want op zijn langst binnen twee uren moet alles gereed
zijn. De beide zalen moeten bijzonder fraai gemeubeld worden. Wat er
ook ontbreekt, Sebek kan zonder bedenking over alles beschikken, wat
in het stadhouderlijk paleis is. Justinus hier in Egypte!--Doch maak
nu voort! Neen wacht even, hier neem die geschriften en plannen,--of
neen, zij zijn te zwaar voor u. Overhandig ze aan een slaaf en laat
ze naar Rufinus brengen, die ze bewaren moet tot ik kom. Zeg hem,
dat ik er onderweg gebruik van wilde maken; dan weet hij het wel."

De secretaris vloog de kamer uit, en Orion liet zich snel de haren
ordenen en zijn treurgewaad in nieuwe plooien leggen, waarop hij zich
naar zijne moeder begaf. Zij had dikwijls en veel van de hartelijke
ontvangst gehoord, die haar zoon en in vroegeren tijd haar gestorven
echtgenoot in het huis van den senator ten deel was gevallen, en zij
vond dus dat het vanzelf sprak de zoogenaamde gastenverdieping, waartoe
ook Paulas gewezen kamer behoorde, voor de reizigers in te ruimen;
doch zijzelve verlangde beschouwd te worden als te zeer lijdende, om
zich met de gasten bezig te houden. Zij gaf vervolgens Orion den raad
om zijne reis te verschuiven, ten einde zich geheel aan de vrienden
te kunnen wijden; hij verklaarde echter, dat hij zich door hen niet
kon laten terughouden. Men kon zich geheel verlaten op Sebek en de
overste-huishoudster, en de keizer zelf ontsloeg een kranke van de
verplichtingen eener gastvrouw. Zij zou evenwel het edele paar wel
toestaan, haar hunne opwachting te maken, doch ook dit sloeg vrouw
Neforis af, het was voldoende als de gasten dagelijks in haar naam
en met hare groete uitgelezen vruchten en bloemen en ten laatste
kostelijke geschenken ontvingen.

Orion oordeelde dit plan harer waardig en weldra rende hij met zijne
Pannoniërs den hof uit. Bij de haven ontmoette hij den kapitein van
het schip dat hij gehuurd had, hield hem haastig twee vingers voor en
deze gaf door herhaald hoofdknikken te kennen, dat hij de beteekenis
van dezen wenk: "twee uren voor middernacht wordt gij verwacht,"
verstaan had. Het zien van den door de zon verbranden schipper en het
vooruitzicht voorname vrienden hunne goedheid te kunnen vergelden,
wekte hem weder op, en hoezeer het hem leed deed juist deze gasten te
moeten verlaten, zoo begonnen de gevaren die hem wachtten toch weder
zijne zenuwen te prikkelen. Het zou hem niet zwaar vallen de abdis
onderweg voor zich te winnen, en Paula zou hij misschien heden avond
nog tot rede brengen. Justinus en zijne vrouw waren ook Melchieten,
en hij wist dat zij, die hij hoogschatte, met zijn plan zeker ingenomen
zouden zijn, als hij hen in zijn vertrouwen nam.

De herberg van Sostratus, een verbazend groot, vierkant gebouw,
dat een ruimen hof omsloot, was de voornaamste en grootste van de
stad. De oostzijde was naar de straat en den Nijl gekeerd en bevatte
de beste vertrekken van het huis, die de senator met zijne gemalin
en die hem vergezelden sedert den afgeloopen nacht bewoonden. Het
geratel van het vierspan lokte Justinus naar het venster, en zoodra
hij Orion herkende, zwaaide hij met een tafellaken, dat hij dadelijk
had gegrepen, in de straat, riep hem een vroolijk "welkom" toe,
en ging daarna snel in het vertrek terug.

"Daar is hij," zeide hij tot zijne gade, die slechts met de
noodzakelijkste kleedingstukken bedekt op een rustbed lag, zich door
een knaap wat koelte toe liet waaien, en van tijd tot tijd een beker
met vruchtensap aan de droge lippen bracht.

"Wel komaan, dat is goed!" antwoordde de matrone en beval hare kamenier
zoo spoedig mogelijk een overkleed, maar het dunste dat zij vinden
kon, te brengen. Vervolgens richtte zij zich tot een zeer lieftallig
vrouwelijk wezen, dat reeds bij den eersten roep van Justinus van den
divan was opgesprongen, en vroeg: "Wilt gij, dat hij u hier dadelijk
zal vinden, mijn hartje, of laat gij ons liever eerst met hem spreken
en hem vertellen, dat wij u hebben medegetroond?"

"Dat zal wel het beste zijn," antwoordde zij tot wie de vraag werd
gericht, met eene welluidende stem. Zij haalde diep adem, alvorens zij
angstvallig vervolgde: "Wat zal hij nu van mij denken? Men wordt oud,
maar die dwaasheid, die dwaasheid..."

"Neemt toe!" zeide de matrone lachende, "of wordt zij met de jaren
minder? Doch daar zal hij reeds zijn."

De jonge vrouw vloog naar eene zijdeur, waarachter zij verdween. Vrouw
Martina zag haar na, en terwijl zij met den vinger haar gemaal in de
richting wees, zeide zij: "Zij laat de deur op een kiertje staan. Lieve
God, bij deze hitte ook nog verliefd zijn, eene griezelige gedachte!"

Daar ging de deur open en nu volgde eene allerhartelijkste
begroeting. Men kon het den jonkman en dit bejaarde paar aanzien,
dat zij zich innig verheugden over dit wederzien.

Toen Justinus Orion omarmde riep de matrone: "Mij ook een kus!" en
nadat de jonkman spoedig en blijde aan haar wensch had voldaan, klaagde
zij zuchtende: "O mensch, o menschenkind, groote Sesostris! Hoe is uw
beroemde voorvader in staat geweest onder zulk eene zon groote dingen
tot stand te brengen! Wat mij betreft, ik verga, ik smelt hier als
boter; doch wat doet men al niet voor die men liefheeft!--Maar Syra,
Syra! Om godswil nog zoo'n kleinigheid, dat er als een kleedingstuk
uitziet. Hoe verstandig zijn toch de modes der Afrikaansche boeren, die
wij onderweg meermalen hebben ontmoet! Wanneer zij een doekje dragen
van een vinger of drie breed, dan meenen zij al zeer net aangekleed
te zijn.--Maar ga nu zitten, zitten hier aan mijne voeten! Een stoel
voor den heer, Argos, dan wat wijn, en het water in zulk eene vochtige,
aarden kruik, en zoo koel als straks. Manlief, ik vind dat de jongen
er nog aardiger uitziet. Maar lieve God, dat rouwgewaad! Hoe treurig
staat het hem! Arme, arme jongen; wij hebben het reeds te Alexandrië
gehoord!"

Zij droogde daarbij hare oogen af en tegelijk de zweetpaarlen op haar
voorhoofd, en haar gemaal voegde de betuiging van zijne deelneming
over den dood van den Mukaukas bij de hare. Het was een aangenaam,
vroolijk paar, die Justinus met zijne Martina: twee menschen,
die zich zoo recht te huis gevoelden in hun grooten, door erfenis
verkregen welstand, en die, ofschoon van hooge geboorte, nooit met
hun adeldom te koop behoefden te loopen, daar hun die in de oogen
van groot en klein toekwam. Zij hadden zich het recht veroverd,
om in de stijve vormen van de deftigste gezelschappen natuurlijke
menschen te blijven, en wie den vrijen toon van hun huis niet beviel,
die konden wegblijven. Hij, zonder eerzucht, senator ingevolge zijne
bezitting en zijn naam, was er steeds op bedacht van deze schijnbare
waardigheid nooit een ander gebruik te maken, dan om bevoorrechte
dienaars van het huis betrekkingen of de zijnen bij feestelijke
gelegenheden goede plaatsen te bezorgen, en toonde zich overigens een
gastvrij heer, een vriend zijner vrienden, die even gaarne prettig
leefde als leven liet. Martina was eene doodgoede matrone, die nooit
aanspraak had gemaakt op schoonheid, maar om wier hand toch velen
hadden gedongen. Sedert lang vond dit echtpaar het nergens heerlijker
dan in de hoofdstad of op hunne villa aan den Bosphorus, en het
versmaadde daarom het genot van andere voorname en rijke personen,
om baden te bezoeken of nu en dan op reis te gaan. Zij vonden er
hun genoegen in het goede vrienden in hun huis aangenaam te maken;
en aan de zoodanigen was nooit gebrek, vooral ook omdat zij, die aan
het Byzantijnsche hof den rug moede hadden gebogen, in hun ongedwongen
kring bijzonder behagen schepten.

De jeugd koos Martina gaarne tot haar vertrouwde en ook Heliodora,
de weduwe van haar eigen neef, was met haar harteleed tot haar
gekomen; zij toch had Orion in hun huis leeren kennen. Heliodora was
de lieveling van het oude paar, maar hoog, hooger dan zij, stond in
beider achting de jongere broeder van haar gestorven gemaal. Deze
was bestemd geweest hun erfgenaam te worden, doch zij hadden hem twee
jaren lang beweend, daar de tijding tot hen gekomen was, dat Narses
die als tribuun onder de keizerlijke ruiters had gestaan, in den
strijd tegen de ongeloovigen was gevallen. Intusschen was niemand in
staat nadere zekerheid te geven van zijn dood, tot hunne onvermoeide
nasporingen aan het licht hadden gebracht, dat hij door de Saracenen
gevangen was genomen, en in Arabië als slaaf diende. Door Orion en
zijn gestorven vader hadden zij de bevestiging van deze tijding en
weinige uren na de afreis van den jongen Egyptenaar een met bevende
hand geschreven brief van den verlorene ontvangen, waarin hij hun
smeekte zijne verlossing door Amr, den stadhouder van Egypte, te
bewerken. Het bejaarde paar was nu op reis gegaan en Heliodora had
het hare er toe bijgebracht om hen tot dezen stap te bewegen. Haar
verlangen naar Orion, wien zij een vol jaar had toebehoord met al de
toewijding van een teeder gemoed, was sedert zijn vertrek van uur tot
uur toegenomen, en zij had dit der matrone niet verheeld. Deze hield
het weder voor haar plicht het arme, minzieke kind bij te staan,
want Heliodora had haar echtgenoot, den neef van den senator, tot
aan zijn einde met roerende trouw en zorgvuldigheid verpleegd, en
bovendien was zij, Martina, het geweest, die den jongen Egyptenaar,
die "het haar gedaan had," de gelegenheid had aangeboden om de jonge
weduwe te ontmoeten. Die twee wáren immers voor elkander geschapen, en
te koppelen was haar grootste genot. Maar in dit geval hadden alleen
de harten, niet de handen elkander gevonden, en het was voor Martina
eindelijk zeer pijnlijk geworden, als zij Orion en Heliodora door de
geheele wereld en met alle recht een verloofd paar hoorde noemen.

Eens had zij den jongen Egyptenaar op hare innemende manier recht
ernstig aangesproken en ten antwoord ontvangen, dat zijn vader, een
Jacobiet, hem nooit zou vergunnen met eene vrouw van eene andere
geloofsbelijdenis te huwen. Daar had zij toen weinig tegen kunnen
inbrengen; doch zij had vaak gedacht, als ik Heliodora maar eens aan
den ouden Mukaukas voorstellen kon, dan zou hij, dien zij jaren geleden
in de hoofdstad had gekend als de schoone jonge vriend van aanminnige
vrouwen, zijn tegenstand wel hebben opgegeven. Haar lieveling bezat
inderdaad alles, wat in een vaderhart de oprechte wensch kon doen
opkomen haar met zijn zoon te verbinden. Zij was van goeden huize,
de weduwe van een aanzienlijk man, rijk, pas twee-en-twintig jaren
oud, en bezat eene schoonheid, die oud en jong in verrukking moest
brengen. Martina meende geen lieftalliger, zachter schepseltje te
kennen. Hare groote, smachtende oogen, ze noemde ze "biddende",
moesten een steen vermurwen, en haar blond, licht golvend haar
was zoo zacht als haar gemoed. Daarbij kwam hare gevulde, buigzame
gestalte, en de wijze waarop zij zich wist te kleeden, te zingen
en de luit te tokkelen! Niet zonder reden trachtte al wat jong en
voornaam was te Konstantinopel hare gunst te verwerven. Kon de oude
Mukaukas haar maar eens hooren lachen! Er was niets vroolijkers te
bedenken dan dit gelach, dat helderder klonk dan eene klok. Zij stond
in geestes-ontwikkeling nu juist niet bijzonder hoog, maar evenmin
kon men haar onnoozel noemen. Al te verstandige vrouwen vielen niet
altijd in den smaak van iedereen.

Toen tot de reis naar Egypte besloten werd, stond het van te voren
bij Martina vast, Heliodora mede te nemen en in Memphis de plagerij,
die hare lieveling op ieders tong had gebracht, tot ernst te doen
worden. Toen zij nu te Alexandrië vernam, dat de Mukaukas Georg
inmiddels gestorven was, hield zij het spel voor gewonnen. En nu waren
zij te Memphis, nu zat Orion voor haar en nu noodigde de jonge man
haar en haar geheele gevolg dat uit een twintigtal personen bestond,
bij zich in zijn huis. Het sprak vanzelf dat de reizigers aan dezen
eisch van het gastrecht gaarne gevolg gaven, en er werden terstond
toebereidselen gemaakt tot de verhuizing.

Justinus vertelde wat hem bewogen had naar Egypte te gaan en verzocht
Orion om zijne hulp. De jonkman had den neef des senators als een
der schitterendste en beminnenswaardigste jongelieden in de hoofdstad
gekend, en het deed hem oprecht leed, de vrienden te moeten mededeelen
dat de man, die de bevrijding van den gevangene gemakkelijk bewerken
kon, overmorgen naar Medina dacht te vertrekken, terwijl hijzelf zich
gedwongen zag nog hedenavond voor onbepaalden tijd op reis te gaan. Hij
bemerkte, hoe deze zeer stellig uitgesprokene verzekering het oude paar
teleurstelde en bedroefde, en op aandringen van den senator deelde hij
hem en zijne gemalin onder het zegel der gestrengste geheimhouding
mede, wat hem van hier riep en welk een gevaarlijk waagstuk hij op
zich had genomen te volbrengen. Hij had zijn verhaal begonnen in de
overtuiging, dat zijne orthodoxe gasten er mede ingenomen zouden zijn,
maar tot zijne verbazing keurden beiden zijn voornemen af, en dat,
gelijk zij verzekerden, niet alleen om hun zelven en de hulp die zij
van hem verwachtten.

De senator maakte hem opmerkzaam, dat hij het natuurlijk hoofd was
der Egyptische bevolking van zijn vaderland en dat hij door zulk een
onderneming zijn gezag ondermijnde bij hen, wier leiding hem toekwam
als de zoon van zijn vader. Zijne eerzucht moest hem voorschrijven
naar die leiding te streven, en in plaats van den patriarch door zulk
een avontuur in het aangezicht te slaan, was het zijn plicht, hand
aan hand met den prelaat, wiens macht hij veel te gering schatte,
zijne geloofsgenooten een dragelijk bestaan te bezorgen in dit door
de muzelmannen veroverde land.

Paulas naam werd in dit gesprek niet genoemd, doch Orion dacht aan
haar en bleef standvastig bij zijn besluit, ofschoon eene stem in
zijn binnenste zich er heftig tegen verzette. Om echter de vrienden
te toonen hoeveel er hem aan gelegen was hun welgevallig te zijn,
sloeg hij hun voor terstond met Justinus den stroom over te gaan en
zijne zaak den stadhouder Amr voor te dragen. Een blik naar buiten deed
hem zien, dat er voor zonsondergang nog ongeveer anderhalf uur moest
verloopen. De rit met zijn snelvoetige Pannonische rossen behoefde
niet meer tijd in beslag te nemen, en gedurende zijne afwezigheid met
Justinus kon de verhuizing plaats hebben. Reeds hielden vrachtwagens
uit het stadhouderlijk paleis voor de herberg stil, en andere wagens
waren later besteld, om de lieve gasten naar hun nieuw verblijf
te brengen.

De senator nam den voorslag van den jongeling aan, en terwijl beide
mannen zich verwijderden, riep mevrouw Martina Orion achterna: "Mijn
senator zal u onderweg wel bewerken, en wanneer gij zijn verstandig
voorstel aanneemt, ontvangt gij daarna eene schoone belooning. De
goudtalenten niet ontzien, oudje, tot de veldheer belooft voor de
bevrijding van den jongen te zullen zorgen.--Luister naar mij, Orion,
en laat die dwaze streek varen."

De zonneschijf was nog niet geheel achter de Lybische bergen verdwenen,
toen het snuivende met wit schuim bedekte vierspan het stadhouderlijk
hof weder binnenreed. De mannen hadden helaas niets uitgericht, want
Amr hield eene wapenschouwing over de troepen tusschen Heliopolis en
Oniou en werd eerst in den nacht of morgen vroeg terug verwacht. De
verhuizing uit de herberg was afgeloopen, en men zag de blanke
slaven van het senatorspaar reeds tusschen de bruine en zwarte van
het stadhouderlijk huis. Vrouw Martina was in verrukking over haar
nieuw verblijf, en over de prachtige haar ten deele onbekende bloemen,
waarmede de lijdende huisvrouw de beide groote ontvangzalen als een
welkomstgroet had laten opsieren, doch het mislukte bezoek in Fostat
viel als honingdauw op hunne vroolijke stemming.

Orion, zeide zij, moest dit ongelukkig gesternte als een godsoordeel
beschouwen. De hemel zelf verlangde, dat hij zijn avontuur zou opgeven
en zich tevreden stellen met de voorbereiding van dat edele werk, dat
ook zonder hem uitvoerbaar was, om een ander werk, waarbij zijne hulp
dringend noodig was, alleen uit vriendschap ten einde te brengen. Hij
echter gaf opnieuw zijn leedwezen te kennen, dat hij ondanks alles
zich moest vasthouden aan zijn genomen besluit, en als Martina hem
vroeg: "Ook wanneer mijn geschenk u bij uitnemendheid welgevallig is,"
antwoordde hij met een droevig hoofdknikje, als wilde hij zeggen,
"helaas, ook dan!"

"Dat zullen we zien," hernam zij op luchtigen toon, waarna zij met
ernst vervolgde: "Ieder mensch heeft iets eigenaardigs, wat zijn
bijzonder karakter uitmaakt en wat hem goed staat: zoo hebt gij uw
beminnenswaardig voorkomen, mijn zoon! Maar zoo vast op éen stuk te
blijven staan, dat past niet voor u, dat staat u zoo vreemd, en is
juist het tegendeel van hetgeen ik bij u beminnenswaardig noem. Wees
u zelf, ook in dit geval!"

"Dat wil dus zeggen, zwak en bereid om in te willigen, inzonderheid
wanneer goedhartige vrouwen..."

"Als oude vrienden u smeeken," verbeterde zij snel; doch voor zij
verder ging, wendde zij zich tot haar gemaal en zeide: "Lieve God,
man, kom eens hier aan het venster! Hebt gij ooit zulk een gloed
van purper en goud aan den hemel gezien? Het is waarlijk als
stonden die oude pyramiden en geheel Egypte in vlammen. Maar nu,
groote Sesostris"--zoo noemde zij Orion, als zij goed in haar humeur
was--"nu is de tijd gekomen, om u te laten zien wat ik voor u heb
medegebracht. Eerst deze ring," en daarbij overhandigde zij hem een
kostbaren armring, met gesneden steenen van oud-Griekschen arbeid
bezet, "en dan--neen, neen, nog geen dank--en dan... Het ding is nogal
groot, en bovendien... Volg mij maar." Met deze woorden liep zij uit
de ontvangzaal naar het voorvertrek, ging hem tot aan de deur van
de kamer vooruit, die eerst Paula en toen hemzelven gehuisvest had,
opende die even, wenkte hem binnen te gaan, en schoof Orion met een
vluchtig: "Ziedaar, daar hebt gij het" over den drempel.

Heliodora stond dicht bij het venster. De lichte weerschijn van de
ondergaande zon omscheen hare slanke en toch gevulde lenige gestalte;
hare smeekende oogen zagen hem met eerbiedige bewondering aan, en
de over de borst gekruiste blanke armen gaven haar het aanzien van
eene heilige, die met smachtend verlangen, in het vooruitzicht van
onuitsprekelijke zaligheid, deemoedig een wonder wacht.

Ook vrouw Martinas oogen waren op hem gevestigd en zag, hoe hij
bij den aanblik der jonge vrouw doodsbleek werd, hoe hij door een
zeker, zij wist niet welk, gevoel aangegrepen hevig verschrikte
en voor de met een krans van licht omgevene gestalte daar aan het
venster terugtrad. Zulk een uitwerking had de goede matrone niet van
deze verrassing verwacht. Behalve op het theater kon zij zich niet
herinneren ooit een man gezien te hebben, die zoo door de liefde
werd aangegrepen, want zij vermoedde niet dat het hem was als had
zich plotseling een gapende afgrond voor zijne voeten geopend. Met
eene behendigheid, die niemand van de matrone met haar zwaar, dik
lichaam verwacht had, keerde vrouw Martina daarop haastig naar haar
man terug, en riep hem reeds van den drempel toe: "Alles is goed,
alles is in orde! Bij haar aanblik was het, als had de bliksem hem
getroffen. Let op--daar wordt hier aan den Nijl nog bruiloft gevierd."

"Mijn zegen erop," antwoordde de senator, "maar bruiloft of geen
bruiloft, als zij dien kostelijken jongen maar zoo van de wijs brengt,
dat hij dit dolle avontuur uit zijn hoofd zet. Ik heb gezien dat
ook die bruine kerels bij de Arabieren voor hem ter aarde buigen,
en zoo iemand, dan overreedt hij den stadhouder voor Narses het zijne
te doen. Hij mag, neen, hij mag niet weg! Gij hebt Heliodora toch op
het hart gedrukt...."

"Dat zij hem vasthoudt?" zeide de matrone lachende. Ik zeg u, zij
nagelt hem hier vast, als het zijn moet."

"Nu dat is goed!" hernam Justinus. "Maar vrouw, het past toch
inderdaad niet, dat gij hen zoo aan elkaar opdringt, zou men kunnen
zeggen. Eigenlijk zijt gij toch zoowat haar vrouwelijke mentor,
hare moederlijke patrones."

"Lieve hemel!" antwoordde Martina. "In ons huis hebben zij ook geene
getuigen genoodigd bij hunne samenkomsten. Eerst moet dat arme,
verliefde volkje zich toch uitspreken en zich verblijden over het
wederzien! Daarna kom ik wel tusschenbeide en dan ben ik weer in allen
ernst de bezorgde moederlijke vriendin. Tinus, Tinus! Als het hier
nog tot eene bruiloft komt, God weet of ik dan nog niet barrevoets
eene bedevaart doe naar de heilige Agathe."

"En ik slechts op één schoen!" verzekerde de senator, "want--alles
wat betamelijk is--dat gebabbel over Dora ging ten laatste de grenzen
te buiten. Het ging niet langer, om die twee te zamen bij ons te
zien. Maar nu... neen in ernst! Ga nu naar hen toe...."

"Dadelijk, dadelijk!" antwoordde de matrone. "Maar eerst nog even
hier aan het venster! O die zon! Ja, nu is het te laat. Nog geen
twee minuten geleden zag de gansche hemel er uit als mijne roode
Syrische mantel. Nu ligt daaronder alles in het duister. Het huis,
de tuin zijn mooi, en alles is oud en degelijk: juist zoo heb ik mij
de bezitting van den rijken Mukaukas gedacht."

"Ik ook," hernam Justinus. "Maar nu zult gij gaan! Worden zij het eens,
dan mag Dora van geluk spreken."

"Dat zou ik meenen!" zeide vrouw Martina. "Maar hare villa behoeft
zij ook niet weg te stoppen, en daar zullen zij elken zomer wonen,
dat zal ik doorzetten. Wanneer die arme, beste jongen, Narses,
er het leven niet af brengt--want twee jaren als slaaf te dienen,
dat wil wat zeggen--dan zou ik in staat zijn...."

"Het testament te veranderen? Dit is zoo kwaad niet: doch daarmede
hebben we den tijd, nu moet ge terstond gaan!"

"Dadelijk, dadelijk! Men moet toch kunnen uitspreken. Ik voor mij
zou niemand weten, dien ik liever in de plaats van Narses stelde...."

"Als Orion en Dora? Nu, mij goed, maar thans..."

"Misschien is het zondig zich een levende reeds onder de dooden
te denken... De arme jongen mag in geen geval naar zijne ruiterij
teruggezonden worden."

"In geen geval; maar Martina..."

"Morgen zal Orion den Arabier onze zaak eens na aan het hart leggen..."

"Als hij maar hier blijft!"

"Willen we wedden dat zij hem vasthoudt?"

"Dan zou ik wel een gek zijn!" zeide de senator lachend. "Krijg
ik ooit iets van u als ik win? Maar thans, alle scherts ter zijde,
thans gaat ge, om naar beiden te zien!"

Ditmaal volgde de matrone het bevel van haar gemaal, en zij had de
weddenschap gewonnen, want waartoe Orion noch door den brief van zijne
schoonzuster, noch door de vermanende stem van zijn kinderlijk geloof,
noch door de trouwhartige waarschuwing van den eerlijken beambte,
noch door de overtuigende beweegredenen van den senator te brengen
was geweest, daartoe had de zoete vleierij van Heliodora hem verleid.

Hoe was de liefde in haar hart ontvlamd, toen zij had bemerkt dat haar
aanblik hem zoo diep had geschokt; met welk een roerende hartelijkheid
was zij in zijne armen gezonken; hoe ootmoedig en als verteerd door
zoete smart en zalige vreugde was zij neergegleden aan zijne voeten,
had zij zijne knieën omvat en hem met betraande, van dweepende
vereering sprekende oogen gebeden haar heden niet te verlaten,
ten minste nog tot morgen te blijven, om haar dan, als hij wilde,
in het stof te vertreden. Nu, juist nu, van hem te scheiden, terwijl
zij door smart en innig verlangen opgewonden, hem had weergevonden,
om zich te zien prijsgeven aan een onzeker lot, dat zou haar einde,
dat zou zeker haar dood zijn. En toen hij zich desniettemin trachtte
te verzetten, was zij hem om den hals gevlogen, had zij zijn mond
met brandende kussen gesloten en hem allerlei vleiende namen in het
oor gefluisterd, die hem eens zoo dierbaar waren geweest.

Waarom had hij nooit ernstig beproefd haar tot de zijne te maken,
waarom haar zoo snel vergeten? Omdat zij, die tegenover anderen hare
waardigheid streng wist te bewaren, zich aan hem na enkele ontmoetingen
zonder weerstand had overgegeven, als ware zij bedwelmd door eene
magische betoovering. De licht verworven kostelijke buit was hem
weldra toegeschenen van minder waarde te zijn. Maar heden deed juist
dat zijn liefdegloed ontvlammen, wat hem toen had afgekoeld. Zoo
wilde, zoo moest hij bemind worden, met geheele overgave, met een
hart dat enkel aan hem en niet aan zichzelve dacht, dat voor vurige
liefde niet anders vroeg dan liefde, dat zich niet angstig allerlei
grenzen stelde en vreemden bijstand inriep, om zich voor hem te
beveiligen. Deze schoone, jonge vrouw, die een en al hartstocht,
het banvonnis der samenleving, leed en smart op zich genomen had om
zijnentwil, van wien zij wist dat hij haar verlaten had, omdat hij
haar voor God en de menschen nooit tot de zijne kon maken, ja die
vrouw wist lief te hebben, en het beurde hem op, hem die in menige
ure aan zichzelven begon te twijfelen, zoo vereerd, zoo--hij kon het
zich niet ontveinzen--zoo 'vergood' te worden. En hoe aanminnig,
hoe recht vrouwelijk bleef zij bij dit alles! Die smeekende oogen
die hem te Konstantinopel verveeld hadden, omdat zij altijd dezelfde
roerende uitdrukking vertoonden, wanneer zij vol angst tot zijne ziel
riepen haar niet te verlaten, die verleidelijke oogopslag, waarmede
zij weleer hem verzocht haar den mantel om te hangen, waarmede zij
hem het eerst had aangetrokken, dat alles was thans weder nieuw voor
hem en oefende de vroegere tooverkracht op hem uit.

In deze oogenblikken van teeder samenzijn had hij beloofd, ten
minste in overweging te nemen, of hij zich niet los kon maken van de
verplichtingen die hij had aangegaan. Doch nauwelijks was dit gebeurd,
of de herinnering aan Paula werd weder in hem wakker en eene innerlijke
stem riep hem toe, dat zij tot eene hoogere menschensoort behoorde
dan deze zich overgevende, zwakke, hem geheel onderdanige vrouw, dat
zij zijne opkomst, Heliodora zijne ondergang beteekende. Eindelijk was
het hem gelukt zich uit de omhelzing der wedergevondene los te maken,
en na zijne eerste schrede uit dezen roes in het werkelijke leven had
hij als een ontwakende rond gezien, en was het hem als had een booze
geest den spot met hem gedreven, dat juist Paulas kamer het tooneel
was geweest van deze wederontmoeting en zijne zwakheid.

Haar vraag naar het witte hondje, dat zij hem tot een aandenken had
medegegeven, deed hem weder denken aan dien onzaligen smaragd, die
een tegengeschenk daarvan had moeten zijn, en toen hij om het antwoord
te ontwijken vertelde, dat hij, indachtig aan hare liefhebberij voor
zeldzame juweelen, haar een bijzonder schoonen steen had toegezonden,
waarover hij nog nader met haar spreken moest, gaf zij hare vreugde en
hare dankbaarheid op zulk eene kinderlijk aandoenlijke wijze lucht,
wist zij zoo welsprekend partij te trekken van zijn welgevallen
in hare teedere aanhankelijkheid, ten einde hem te overtuigen van
de noodzakelijkheid om te blijven, dat hij zelf daaraan begon te
gelooven en haar zin deed. Hoe meer dit besluit met zijne eigene
wenschen overeen kwam, des te gemakkelijker viel het hem er gronden
voor te vinden. De oude Rufinus had hem niet meer noodig, en had hij,
Orion, ook reden om zich te schamen over zijne wankelmoedigheid,
zoo mocht hij van den anderen kant toch zeggen, dat hij ondankbaar
en onvriendelijk zou handelen tegen zijne goede vrienden, wanneer hij
hen in den steek liet, juist nu hij hen van nut kon zijn. Het zou er
bij de nonnen op twee beschermende armen meer of minder niet aankomen,
terwijl de gevangen Narses, zonder zijne voorspraak bij den veldheer,
licht kon bezwijken, alvorens het gelukte hem los te koopen. In elk
geval was het meer dan tijd een vast besluit te nemen. Neen, hij kon
heden niet weg! Het was beslist! Rufinus moest terstond in kennis
gesteld worden van zijn veranderd besluit. Het scheen hem thans niet
mogelijk zich tot schrijven te zetten; de rentmeester moest in zijn
naam spreken, en hij wist wel hoe gaarne en met hoeveel ernst Nilus
zich van die taak kwijten zou.

Heliodora klapte in de handen, en juist toen vrouw Martina aan de deur
klopte, traden beiden de helderverlichte voorzaal binnen. Haar gelaat
straalde van geluk, en in hare kostbare, nieuwmodische, zorgvuldig
gekozen kleederen zag zij er zoo aanvallig en, niettegenstaande zij
slechts van middelbare grootte was, zoo vorstelijk prachtig uit,
dat zij ook in de hoofdstad de bewondering der mannen en de afgunst
der vrouwen zou hebben gewekt; hij was blijkbaar opgeruimd, maar om
zijne lippen speelde toch een ernstig lachje.

Nog had hij de deur niet gesloten, toen hij voor het vertrek,
dat aan Paulas vroegere kamer grensde, twee vrouwelijke wezens
opmerkte, die, terwijl vrouw Martina bij hare nicht aanklopte,
de voorzaal binnengekomen waren. Het was de kleine Katharina en
hare kamenier. Men had den jongen Anubis, nadat hij van het dak was
gevallen hier ondergebracht, en niettegenstaande dit gedeelte van het
huis voor de voorname gasten was ingericht, was de arts Philippus niet
te bewegen geweest de overbrenging van den kranke, die volstrekt rust
noodig had, naar de benedenverdieping toe te staan.

De moeder van den zwaar bestraften luisteraar, Katharina's voedster,
was bij hem. Het kwikstaartje vergezeld van hare kamenier had hem
opgezocht en zou zich gaarne vergewischt hebben of het haar zoogbroeder
gelukt was, vóor zijn val iets af te luisteren. Doch de arme knaap
was zoo zwak en leed zooveel pijn, dat zij geen moed vond, om hem
met vragen te kwellen. Haar gang uit Samaritaansche barmhartigheid
zou echter niet onbeloond blijven, want Orion met zulk een schoone,
voorname vrouw te zien komen uit Paulas vroegere kamer, dat was iets
buitengewoons, waarvoor het wel der moeite waard was de oogen wijd te
open te doen. Zij zou gaarne tweemaal den weg naar het stadhouderlijk
paleis hebben afgelegd, al ware het enkel om de kleederen en sieraden
van deze uit den hemel gevallene vreemdelinge te zien. Zoo iets raakte
in Memphis zelden verdwaald. Of niet deze bevallige, voorname dame
eigenlijk de "andere" was en niet Paula? Kon Orion niet evengoed met
de Damasceensche zijn spel gedreven hebben, als vroeger met haar? Daar
in die kamer moest een zalig wederzien zijn gevierd, dat verried elke
trek van het heiligen gelaat der blonde schoone. O die Orion! Zij
had hem kunnen verworgen, doch het deed haar genoegen, dat er buiten
haar nog anderen, en wel zulke edele en aanvallige anderen waren,
die hij bedroog.

"Hij blijft!" had Heliodora reeds van den drempel de matrone
toegeroepen, en deze had den jonkman de hand toegestoken met een innig:
"Dat God het u loone!"

Zij verheugde zich ook over het gelukkig uitzicht van hare nicht;
doch bij dit alles waren de oogen van de levendige vrouw toch overal,
en toen zij Katharina opmerkte, die nieuwsgierig was blijven staan,
wendde zij zich tot haar, begroette haar vriendelijk en vroeg Orion:
"Eene zuster, of wel het nichtje, van wie gij ons verteld hebt?"

Hierop sprak de jonkman Katharina toe en maakte haar met zijne gasten
bekend. Zij vertelde harerzijds wat haar hierheen had gebracht en
deed het op zoo allerliefste en hartelijk medelijdende wijze--want
zij was haar zoogbroeder en speelnoot oprecht genegen--dat zij der
matrone en Heliodora zeer goed beviel en deze de hoop uitspraken
haar recht dikwijls weer te zien. Nadat zij zich verwijderd had,
zeide vrouw Martina: "Een bekoorlijk popje! Frisch en rein, als pas
uit den dop gekropen, flink en netjes; en wat babbelt zij aardig!"

"En bovendien de rijkste erfdochter van Memphis, misschien wel van
geheel Egypte," voegde Orion er bij. Daar hij echter bespeurde dat
Heliodora bij deze opmerking de oogen bedroefd neersloeg, ging hij
lachend voort: "mijne moeder had ons voor elkander bestemd, doch
wij verschillen te veel in lengte, en passen ook overigens niet
bij elkander."

Hierop nam hij afscheid van de vrouwen, begaf zich naar Nilus en gaf
hem kennis van zijn besluit. Het verzoek om zijn uitblijven bij Rufinus
te verontschuldigen en de dochter van Thomas voor hem te groeten,
alsmede aan haar de beweegredenen duidelijk uit een te zetten, die
hem terug hielden, had tot uitwerking, dat de stille, bescheidene
man buiten zichzelven raakte van vreugde en zich veroorloofde Orion
als een zoon te omarmen.

Tot omstreeks middernacht bleef de jonge gastheer met zijne gasten
bijeen, en toen vrouw Martina hare beschermelinge den volgenden
morgen een weinig vermoeid doch stil gelukkig wederzag, kon zij
haar mededeelen, dat de mannen den Nijl reeds waren overgegaan,
en waarschijnlijk met den stadhouder reeds alles in orde hadden
gebracht. Doch groot was hare teleurstelling toen beiden na eenigen
tijd terugkeerden en haar mededeelden, dat Amr na de wapenschouwing
bij Heliopolis, in plaats van naar Fostat terug te keeren, regelrecht
naar Alexandrië was gegaan. Daar moest hij nog gedurende eenige
dagen verwijlen, waarna hij zich naar Medina zou begeven. Er bleef nu
voor den senator niets anders over dan hem onverwijld na te reizen,
en Orion bood zich vrijwillig aan hem daarheen te vergezellen.

Heliodoras vluchtige poging om hem terug te houden, leed schipbreuk
op zijn ernstig en standvastig besluit. Deze reis moest echter alleen
dienen om zijne eigene zwakheid en deze schoone vrouw te ontvluchten,
die niets meer voor hem zijn kon en mocht. In den vroegen morgen
had hij tijd gevonden om Paula te schrijven, maar hij had meer dan
éen half voltooiden brief weggeworpen, voor hij de rechte woorden
had gevonden. Ze zeiden haar, dat hij haar en haar alleen liefhad,
en terwijl hij ze in het was grifte, had hij met ontevredenheid over
zijn eigen gedrag gevoeld, dat zijn hart inderdaad aan Paula behoorde,
was het besluit in hem gerijpt aan zijne betrekking tot Heliodora een
einde te maken, en zich niet eerder aan zijne geliefde te vertoonen,
vóór het hem gelukt was den band voor altijd te verscheuren, die hem
aan de jonge weduwe verbond.

De vrouwen hadden de reizigers naar den wagen gebracht, en toen
zij met gebogen hoofden, als verslagene krijgslieden, in de groote
voorzaal terugkeerden, ontmoetten zij daar het kwikstaartje met
hare kamenier. Martina wilde het meisje tegenhouden en overreden
mede te gaan naar haar verblijf; doch Katharina voldeed niet aan
haar verlangen en scheen groote haast te hebben. Zij kwam van haren
zoogbroeder Anubis, die heden minder pijn had dan gisteren en haar,
zoo goed het gaan wilde had medegedeeld wat hij vernomen had. Dat zij
naar het noorden zouden vluchten, stond bij haar vast; doch hij had
het reisdoel van de zusters of niet goed verstaan of vergeten. Zijne
moeder en verpleegster waren buiten de kamer gezonden, en toen had het
dankbare kwikstaartje zich over hem heen gebogen, zijn aardigen kop een
weinig opgeheven en hem twee zulke hartelijke kussen gegeven, dat de
arme jongen er waarlijk angstig van was geworden. Toen hij zich weder
alleen met zijne moeder bevond, gevoelde hij zich gaandeweg beter,
en de herinnering aan het onuitsprekelijk geluk, dat hem wedervaren
was, had de groote smarten, die hij om Katharinas wil leed, meer en
meer gelenigd.

Het kwikstaartje keerde niet terstond naar haar moeder terug,
maar begaf zich onverwijld naar den bisschop van Memphis, dien zij
alles vertelde wat zij vernomen had omtrent de bewoonsters van het
Caecilia-klooster, en wat men voor haar gedaan had. De zachtaardige
Plotinos geraakte bij deze mededeeling zeer in toorn, begaf zich,
zoodra zij hem verlaten had, naar Fostat, om de hulp van den
stadhouder, en daar deze afwezig was, van zijn Wekil in te roepen,
ten einde te bewerken dat deze de vluchtende nonnen zou vervolgen.

Toen Katharina op haar kamer alleen was, zeide zij stil tevreden tot
zichzelve, dat zij nu iets op het getouw had gezet, dat Orion zoowel
als Paula de vreugde van menigen dag bederven, ja zoo zij hoopte voor
beiden noodlottig worden zou.



ACHTSTE HOOFDSTUK.


De rentmeester Nilus had zich van zijn opdracht goed gekweten,
en Rufinus moest toegeven, dat Orion het zijne gedaan en de
voorbereidingen voor deze onderneming zoo voorzichtig en offervaardig
had uitgevoerd, dat zijne persoonlijke medewerking niet onontbeerlijk
scheen. Onder deze omstandigheden kon hij den jongeling nauwelijks
euvel duiden, dat hij zijn persoon ter beschikking stelde voor zijne
Byzantijnsche vrienden, maar zijn uitblijven verontrustte hem toch en
maakte hem gejaagd, minder om der wille van zich zelven en de goede
zaak als om Paula. Want het was noch hem noch zijne vrouw verborgen
gebleven, hoe haar hart tot den jonkman werd getrokken. Vrouw Johanna
ging het uitblijven van den jongen man nog nader ter harte dan hem, ja
zij had het liefst haar man geheel teruggehouden van de onderneming,
welker gevaren thans voor haar angstig gemoed vertiendubbeld
werden. Maar zij wist dat zij eerder den Nijl kon doen terugvloeien,
dan hem afbrengen van de belofte, die hij der abdis had gegeven, en
zoo dwong zij zichzelve althans oogenschijnlijk kalm te blijven. In
Paulas tegenwoordigheid verklaarde Rufinus, dat Orions uitblijven
gerechtvaardigd was en roemde zeer de vrijgevigheid waarmede hij
voor de Nijlboot en het zeeschip gezorgd, en de uitstekende mannen
die hij in zijne plaats gesteld had. Pulcheria verblijdde zich in de
onderneming haars vaders en het liefst ware zij meegegaan, om hem
te helpen hare dierbare nonnen te redden. De opzichter van de werf
was niet enkel met zijne zonen, maar met nog drie andere Grieksche
geloofsgenooten en handwerksgezellen verschenen, die bij den lagen
waterstand, waardoor de scheepvaart thans zeer beperkt was, zonder
werk rondliepen. Gaarne namen zij deel aan zulk eene goede zaak,
die bovendien beloofde winstgevend te zijn, daar Orion den ouden
meester rijkelijk van geld had voorzien.

Met de koelte, die na zonsondergang inviel, was er verbetering
gekomen in Paulas toestand. Zij begreep waarlijk niet wat zij van
Orions uitblijven te denken had. Nu eens maakte zij zich angstig,
dan weder verheugde zij zich, want misschien bleef hij bewaard voor
groote gevaren. Zij had hem in de eerste dagen na zijn terugkeer uit
Konstantinopel de goedheid en de gastvrijheid van het senatorenpaar
hooren roemen, terwijl de Mukaukas, wien alle herinneringen aan
de hoofdstad dierbaar bleven, met hem instemde. Het moest hem lief
zijn juist aan deze vrienden zijn bijstand te verleenen, en Nilus,
die haar van ganscher harte was toegedaan, had bijzonderen nadruk
gelegd op Orions groet aan haar. Mogelijk kwam hij morgen, en hoe
meer zij terugdacht aan zijn woord, dat hij vriendelijk vertrouwen
nog nimmer bedrogen had, des te levendiger gevoelde zij zich gedrongen
om, in strijd met den raad der abdis elke bedenking te laten varen de
neiging haars harten te volgen en vol vertrouwen en zaligheid reeds
nu de zijne te worden.

De afnemende maan was nog niet opgegaan en de nacht duister, toen de
nonnen begonnen op te breken. De groote Nijlboot kon, bij den lagen
stand van den stroom, alleen op tamelijken afstand van den oever,
bij den kloostertuin landen, en de zusters, die zich verkleed hadden
als Egyptische boerinnen, moesten een voor een aan boord gebracht
worden. Men wilde de abdis het laatst door het slikkige oeverwater
dragen en de oude opzichter van de werf had zich voorbehouden haar
dezen dienst te bewijzen. Vrouw Johanna, Pulcheria, de voedster en
ook de orthodoxe Grieksche opvoedster Eudoxia stonden rondom haar,
terwijl zij Paula bij het geven van den afscheidskus toefluisterde:
"God zegene u, mijn kind! Hij blijft nu bij u en dus zal het dubbel
noodig zijn aan uwe belofte indachtig te zijn," en toen Paula haar
fluisterende antwoordde: "Ik ben hem in de eerste plaats vriendelijk
vertrouwen schuldig," hernam de abdis: "En aan uzelve standvastigheid
en voorzichtigheid."

Rufinus bleef het laatst aan den oever staan, terwijl zijne vrouw en
dochter hem omarmden. "Neem een voorbeeld aan dit arme kind!" zeide
de grijsaard tot zijne gade, terwijl hij haar innig aan zijn hart
drukte. "Zoo waarachtig de mensch de maatstaf is aller dingen, oudje,
zoo zeker moet het ditmaal best met mij afloopen, wanneer de eeuwige
liefde daarboven niet sluimert. Tot wederziens, allerbeste vrouw, en
wanneer uw dwazen man eenig kwaad overkomt, erken dan altijd dat hij
het zich op den hals haalde, om een paar dozijn onschuldige menschen
voor het ergste te vrijwaren. In elk geval blijf ik op den weg, dien
ik mij heb aangewezen. Maar waarom is mijn Philippus niet hier bij
het afscheid?"

Vrouw Johanna begon bitter te weenen en zeide: "Dat, ook dat is
zoo treurig! Hoe komt het, dat hij zoo van ons vervreemdt en juist
nu?--Ach man, als gij mij lief hebt, neem dan Gibbus mede op reis?"

"Ja, heer, neem mij mede," voegde de gebochelde hovenier er
bij. "Tegen den tijd dat wij terug zijn stijgt de Nijl zeker en
intusschen kunnen de bloemen ook zonder mijne hulp verdorren. Ik heb
heden nacht gedroomd, dat gij een roos hadt afgebroken van den bult
hierachter. Zij zat er midden op als de knop op het deksel van een
pot. Dat heeft wat te beteekenen, en laat ge mij achter, wat wordt
er dan van de roos, dat wil zeggen, wat goeds kan ik dan voor u doen?"

"Draag dan, wat mij betreft, uw zonderling bloembed mede op het schip,"
zeide de oude lachend. "Zijt gij nu tevreden, Johanna?"

Nu omarmde hij haar en Pulcheria nog eens, en toen hem daarbij eene
traan uit het oog zijner vrouw op de hand viel, blies hij haar in
het oor: "Gij zijt de roos van mijn leven geweest, en zonder deze
geen heerlijk eden, geen paradijs."

De groote Nijlboot stak van wal naar de diepere bedding van den stroom
en de duisternis onttrok hen weldra aan de oogen der achterblijvende
vrouwen. Het gelui der kloosterklok klonk de vluchtelingen achterna,
het waren Pulcheria en Paula die deze in beweging brachten.

Geen windje woei er, zelfs het kleine zeil van het
stroomafwaartsvarende Nijlschip kon niet uitgezet worden, maar de
matrozen haalden de riemen aan met alle kracht en zoo gleed het
schip al verder en verder naar het noorden. De ervaren kapitein
stond met een boom op de plecht van de boot, om de diepte te peilen;
zijn ervaren broeder zat aan het roer. Het wenden van de boot ging
moeielijk bij dezen lagen waterstand, en ook de beste kenner van den
stroom kon gemakkelijk op onbekende ondiepten stooten, ontstaan door
nieuw slik, dat bij den geringen waterafvoer zich had vastgezet. Toen
de maan nauwelijks was opgegaan, zat het vaartuig dan ook eenige
stadiën onder Fostat vast, en de matrozen moesten te water, om het
onder luid gezang, met inspanning van al hunne krachten weer los te
wringen en vlot te krijgen. Zulk een oponthoud volgde meermalen tot
zij te Letopolis waren gekomen, waar zij bij de verdeeling van den
stroom, zoo mogelijk ongemerkt, de tolwachters voorbij moesten. Tegen
alle verwachting bleef het groote vaartuig onzichtbaar in de nevels,
die vóor zonsopgang van het watervlak opstegen. Zoowel de kapitein
als de manschappen, schreven dit toe aan de voorbidding van de vrome
zusters, en met nieuwen moed bezield stuurden zij het schip in den
Phatmetischen Nijlarm.

Bij helder daglicht waren de ondiepten gemakkelijk te ontwijken, maar
hoe smal was de waterader, die anders in deze maand zoo verbazend kon
zwellen! De boschjes van papyrusriet aan den zoom van het stroombed
stonden hier en daar op drogen bodem en hun spichtig groen was voor
een deel in geelachtig stroo veranderd. Het weeke oeverslib was tot
eene steenachtige massa verhard, en een witachtige stof werd daarover
gestrooid door den zachten westenwind, die begon op te steken, zoodat
men een zeil kon spannen. Op vele plaatsen was de grond gebarsten
en diepe spleten liepen er door de zwartachtige oppervlakte, die
als dorstige kelen ten hemel gaapten, begeerig naar drenking. De
schepraderen stonden op drogen bodem bezijden den stroom, die zich
uit hunne nabijheid had teruggetrokken en de akkers, die nog kort
geleden door hen begoten waren zagen er uit als de dorschvloer,
waarop men de vruchten dorscht, die zij gedragen hebben. De dorpen
en palmboschjes waren gehuld in een dichten damp, waardoor de heete
zonnestralen schitterden met geelachtigen glans, en de wandelaars op
de hooge dammen langs den oever, sleepten met gebogen hoofden hunne
voeten voort door het zware stof van den weg.

De zon goot meedoogenloos haar brandenden gloed van den wolkenloozen
hemel uit over de aarde, den stroom en de vluchtende nonnen, die witte
doeken over hunne hoofden hadden uitgespreid en in doffe gevoelloosheid
haar verder lot afwachtten. De aarden kruik met Nijlwater ging van
de eene hand in de andere over, doch hoe meer zij dronken, des te
hooger steeg het onaangenaam gevoel en het verlangen naar nieuwe
verfrissching. Op het etensuur keerden de schotels bijna onaangeroerd
naar de kleine kajuit terug. De abdis en Rufinus zochten de zusters
moed in te spreken, doch in den namiddag werd ook de grijze abdis
door een flauwte overvallen. In de kleine, bedompte kajuit, waarin
zij zich terugtrok, was het echter nog minder uit te houden dan op
het dek. Zoo verliep een lange, pijnlijke dag, de heetste die de
matrozen zich konden herinneren. Nochtans leden dezen er het minst
onder, hoewel zij met wonderbare volharding van den vroegen morgen
tot den laten avond aan de riemen zaten.

Eindelijk volgde de avond op deze schrikkelijke namiddaguren. Toen zich
even voor zonsondergang een koeler windje verhief en de voorhoofden
verfrischte, waarop de zweetdroppels parelden, ontwaakten de
neergedrukte en gemartelde vrouwen tot een nieuw leven. Dat pijnlijk
gevoel van het oogenblik had hen zoo beheerscht, dat zij onvatbaar
waren voor vrees of hoop en geheel buiten staat, om over de toekomst
te peinzen. Maar thans begonnen zij te denken aan den langen weg,
dien zij hunne vervolgers vooruit waren. De avondmaaltijd smaakte de
hongerenden, de abdis onderhield zich vriendelijk met den wakkeren
opzichter van den scheepstimmerwerf en begon met Rufinus een ernstig
gesprek aan te knoopen over Paula en Orion. De wensch van de oude
vrouw, om Orion een proeftijd op te leggen, wilde den ouden heer niet
bevallen. Aan de zijde van zulk een geliefde zou hij ook zonder dat
de degelijke jonkman toonen te zijn, waarvoor hij hem hield, ondanks
zijn wegblijven.

De gebochelde hovenier bracht met zijne grappen de jongere nonnen aan
het lachen, en na den maaltijd vereenigden de zusters zich tot een
gemeenschappelijk gebed. Ook de roeiers gevoelden zich krachtiger en
levenslustiger, en het was goed dat maar enkele onder de Grieksche
nonnen Egyptisch verstonden, want een grappenmaker onder de matrozen
begon een liedje te zingen op de schoonheid van zijn liefje, dat niet
voor vrouwenooren gemaakt was.

Al pratende dachten de zusters aan die zij achterlieten en menigeen
sprak vol hoop over het wederzien, dat hun in het vaderland wachtte,
maar eene oudere non verbood hun dit; want het was zondig, Gods genade
vooruit te loopen, en waar men zijne hulp nog zoo noodig had, te
spreken, als had hij haar in zijne barmhartigheid reeds verleend. Zij
moesten beangst zijn en bidden, want zijzelve wist bij ervaring dat
een dreigend onheil dan alleen ten beste wordt gekeerd, wanneer men er
zeer voor gevreesd heeft. Daarop begon eene andere zuster te berekenen,
of de vervolgers haar te voet of te paard zouden inhalen, en daar dit
laatste haar zeer mogelijk voorkwam, klopte hare harten weder beangst.

Doch daar ging de maan op en wat zich aan den zoom van den Nijlarm
verhief en zich in de gladde watervlakte weerspiegelde, nam weder
bepaalde vormen aan, en verloor daardoor het schrikaanjagende, dat de
gemoederen beklemde. Hoe verder zij voeren, des te dichter schenen
de papyrusboschjes langs den oever. Duizenden vogelen nestelden
daarin, maar zij sliepen allen, en eene diepe, tastbare duisternis
was zwijgend over het landschap uitgespreid. Als een reuzenlotus,
te midden van kleine, geurige lotusbloemen, die zij in glinsterende
blankheid nog overtrof, dreef het spiegelbeeld van de maan over het
donkere water. Het schip liet een lichtende streep achter zich, en na
elken riemslag schitterde het op den vloed en de zachte lichtstralen
weerspiegelden in glinsterende druppels. In de donzige pluimen van
de toppen der slanke papyrusstengels speelde het schijnsel der maan,
een dunne sluier als van fijn violet zilverbrokaat omhuifde de boomen,
en dagschuwe uilen vlogen met gelijkmatigen, onhoorbaren vleugelslag
van den eenen top naar den ander.

De betoovering van dezen nacht bij maneschijn greep ook de zielen der
nonnen aan. Zij staakten hare gesprekken; doch toen zuster Martha, de
jonge nachtegaal van het klooster, een vroom gezang aanhief, volgden
de anderen haar ongenoodigd. De schertsende liederen der matrozen
verstomden, en zacht als het wandelend maanlicht omzweefden het stil
voortglijdende schip de psalmen en hymnen der maagdelijke zusters,
die de hulp des Allerhoogsten inriepen. Urenlang en, wijl de komeet
aan den hemel stond, met bijzonderen ijver, gaven zij zich over aan
de geruststellende zielsverheffende vreugde van het zingen; doch
langzamerhand verloren die stemmen haar kracht, en zacht, droomerig
vermoeid ging met den stillen loop van den stroom haar vreedzaam lied
zeewaarts. Ieder zag voor zich of richtte het oog dweepend nu eens ten
hemel, dan weder naar het tintelende water en de lotusbloemen aan zijne
oppervlakte. Niemand lette op den oever, ook de mannen niet, die door
het zacht gezang in slaap waren gewiegd of meer droomden dan waakten.

De blik van den kapitein was op het bed van den stroom gericht,
toch bespeurde hij, toen de morgen niet ver meer was, aan den
oostelijken oever van tijd tot tijd bliksemende lichtstralen achter de
rietboschjes; toch was het of er nu en dan in het riet iets ruischte en
knakte. Zou er een jakhals in de dichte massa der woekerplanten zijn
gebroken, om het nest van een watervogel te overvallen, of zocht een
hyena zich door de rietstengels baan te breken? Die flikkerlichten,
dat knakken en nu weer die doffe slagen op den harden grond, dat
alles volgde de boot in dezen nacht als een haar onheilbrengende,
lichtende en hoorbare schaduw.

Opeens verschrikte de aanvoerder en richtte hij zijn blik naar het
oosten. Wat was dat? Misschien weidde er eene kudde runderen op de
akkers achter het riet, mogelijk waren het twee stieren, die met de
horens tegen elkaar stieten. De vloed was zoo laag en zijne oevers
zoo hoog, dat men volstrekt niet kon waarnemen wat daar gebeurde. Maar
eene schelle stem riep hem en de gebochelde hovenier zeide op gedempten
toon: "Dáar, dáar... daar flikkert het weer, en... ik wil mijn eigen
neus opeten, als dat niet... daar weder... Barmhartige God, ik vergis
mij niet; het is paardengetrappel! En daar... dat was hinniken. Ik
ken het... daar begint het in het oosten te dagen. Bij alle heiligen,
wij worden vervolgd!"

De kapitein zag met inspanning van al zijne zintuigen in de richting
van het oosten, en nadat hij een tijd lang gezwegen had, zeide hij
op zeer beslisten toon: "Ja!"

"Zoo stelt de vogelaar een net voor een zwerm kwartels," zeide de
hovenier met een zucht; doch de ander gaf hem knorrig door een teeken
te verstaan, dat hij zwijgen zou en tuurde opmerkzaam rond. Daarna
beval hij den bultenaar Rufinus en de werklieden te wekken, en de
nonnen in de kajuit te brengen.

"Zij zullen zich daar voelen als ingelegde dadels, die men in
doozen naar Rome stuurt," prevelde de hovenier in zichzelven,
terwijl hij Rufinus ging opzoeken. "Arme zielen, haar heilige moge
ze voor stikken bewaren! En ik, in waarheid, als vrouw Johanna niet
zulk een trouwe ziel was op twee beenen, en ik niet gezworen had
bij mijn meester te blijven, dan sprong ik nu in het water, om een
tijdlang de gastvrijheid van de flamingos en ooievaars in het riet
te genieten. Men moet zichzelven kunnen vernederen!"

Terwijl hij zijn last volbracht, overlegde de kapitein met zijn broeder
aan het roer. Er was in de nabijheid geen brug en dat was goed. Als die
ruiters daar ginds vervolgers waren, dan moesten zij door het water,
om bij hen te komen, en nauwelijks drie stadiën stroomafwaarts werd het
rivierbed breeder en vloeide de stroom door eene moerassige streek. Het
eenige diepe vaarwater was aan den westelijken oever, en mannen te
paard, die daar heen komen wilden, stelden zich bloot aan het gevaar
om in het slib weg te zinken. Gelukte het hen tot zoo ver te komen,
dan was er veel gewonnen. Moedig en op ernstige dingen voorbereid,
spoorde de schipper de matrozen aan om alle krachten in te spannen,
en weldra dreef het vaartuig dicht langs den westelijken oever van
den vloed en was van de oostelijke door eene breede uitgestrektheid
slib gescheiden.

Het begon nu te dagen en de oostelijke hemel verfde zich bloedig rood,
als wilde hij vooruit verkondigen, dat deze morgen bestemd was om
een geweldigen strijd en gapende wonden te zien. Het zaad van het
kwikstaartje begon te kiemen. De Wekil had op uitnoodiging van den
bisschop eene bende ruiters de nonnen achterna gezonden met het bevel,
de vluchtelingen naar Memphis terug te voeren en die haar begeleidden
gevangen te nemen. Daar de boot de tolwachten ongemerkt voorbijgekomen
was, hadden de ruiters zich moeten verdeelen, om ook langs den
anderen Nijloever te zoeken. Twaalf ruiters waren den Phatmetischen
arm gevolgd en deze waren naar alle berekening voldoende, om een paar
dozijn vrouwen en een hand vol matrozen, die waarschijnlijk wel geen
pogingen zouden doen, om zich te verweren, gevangen te nemen. De Wekil
had geen kennis gedragen van de aanwezigheid van den werfopzichter en
de zijnen. De vervolgers waren omstreeks den middag van den vorigen
dag opgebroken en hadden een paar uren voor het aanlichten van den
dag het schip in het gezicht gekregen. Doch hun aanvoerder achtte
het raadzaam den aanval eerst te ondernemen bij helderen zonneschijn,
opdat niemand ontvluchten mocht. Hij en zijne lieden waren Arabieren en
goed bekend met de richting van den Nijlarm, dien zij volgen moesten,
doch niet nauwkeurig met de eigenaardigheden ervan.

Zoodra de morgenster was ondergegaan, verrichtten de muzelmannen
hun ochtendgebed en kwamen daarna achter de papyrusboschjes te
voorschijn. Hun aanvoerder bracht de handen als spreekbuis aan den
mond en riep de afvarenden toe, dat de boot moest stilhouden. Hij
kwam op last van den stadhouder en had bevel gekregen die naar
Fostat terug te voeren. De vluchtende schenen hem inderdaad te willen
gehoorzamen, want de roeiers hielden de riemen in. De kapitein had
in den spreker den aanvoerder van de veiligheidsbeambten in Fostat
herkend, een streng man, en eerst nu werd het hem duidelijk in welk
eene levensgevaarlijke onderneming hij zich had gestoken. Gewoon,
om zich naar de bevelen der overheid te voegen, hare beambten wel te
misleiden, maar haar zoo min als het noodlot te weerstaan, verklaarde
hij het voor waanzinnig, om weerstand te bieden; er bleef niets anders
over dan zich te onderwerpen.

Doch Rufinus weersprak hem levendig en bracht hem aan het verstand,
dat dezelfde straf hem wachtte, hetzij hij de wapenen neerlegde of
zich verweerde; en de oude opzichter van de werf riep vol vuur hem
toe: "wij hebben uw boot gebouwd en ik ken u, Setnau; gij zult geen
Judas voor ons worden en wilt gij het toch zijn, dan vloeit hier op
dit dek christenbloed, voor wij de ongeloovigen de tanden toonen."

Doldriftig, terwijl zijn zuidelijk bloed begon te koken, sloeg
de kapitein zich tegen borst en voorhoofd, schold zichzelven
een bedrogene, een verloren man, en beklaagde zijne arme vrouw en
kinderen. Doch Rufinus maakte aan dat razen een einde; hij had met de
abdis gesproken en drukte den ongelukkigen man op het hart, dat hij
van de ongeloovigen in geen geval genade had te wachten, maar dat hij
gemakkelijk op christelijken bodem voor zich en de zijnen een goed
en zeker heenkomen kon vinden. De abdis beloofde hem, dat zij hem
en zijne familie mede zou nemen op het zeeschip en aan land zetten,
waar hij het begeerde.

Setnau dacht aan zijn broeder op Cyprus; doch het gold thans zijn huis
en tuin in Dumiat, waar thans aan een vijftal palmboomen de vruchten
rijpten, het gold, zijne nieuwe en stevige Nijlboot, waarmede hij voor
zich en de zijnen het brood verdiende, op te geven, en toen hij dit
den grijsaard voorhield, biggelden bittere tranen langs zijne bruine
wangen. Doch Rufinus verklaarde dat hij, wanneer het gelukte de nonnen
te redden, op schadeloosstelling aanspraak had. Hij kon dan zelf de
waarde van zijn have en goed opgeven, en men zou hem alle verlies uit
den kloosterschat, die in de zware kist aan boord was, niet alleen
vergoeden, maar hem bovendien nog eene mooie som uitbetalen voor al
wat hij had doorstaan.

Hierop wisselde Setnau een veelbeteekenenden blik met zijn broeder,
die ongehuwd was, en nadat hem was toegezegd, dat ook deze eene
plaats op het zeeschip zou ontvangen, gaf hij den ouden man zijne
rechterhand. Daarop schudde hij zijne leden als had hij wat af te
werpen dat hem knelde, duwde het lederen kapje op zijn geschoren hoofd
vermetel opzij, richtte zich in al zijne lengte op en riep den Arabier,
die hem en andere Egyptenaars toch reeds meer dan eens met kwetsenden
trots bejegend had, op hoonenden toon toe, dat als hij iets van hem
hebben wilde, hij het kon komen halen.

Het geduld der muzelmannen was al lang uitgeput, en na deze uitdaging
gaf de aanvoerder den zijnen een wenk en sprong hen vooruit in het
water. Maar weldra zonken de voorste paarden zoo diep in het slib, dat
het verder gaan onmogelijk bleek en het teeken moest worden gegeven
om terug te keeren. Daarbij steigerde een weerspannig paard en zijn
ruiter stikte in den modder. De verdedigers van het schip zagen hunne
vijanden met levendige gebaren raad houden, en de kapitein sprak de
vrees uit, dat zij het plan om de boot te nemen opgaven, maar naar
Dumiat rijden en hen daar, vereenigd met de Arabische bevolking van
die plaats, de vlucht afsnijden zouden. Doch hij had niet gerekend met
den krijgsmanstrots dezer mannen, die in ontelbare veldslagen gansch
andere hinderpalen te boven waren gekomen. De boot moest veroverd,
die er in waren moesten gevangen genomen en gestraft worden.

Van het schip zag men hoe zes ruiters, en onder hen de bevelhebber,
van hunne paarden stegen en ze aan elkander koppelden, om daarna
met hunne slagbijlen drie hooge palmen te vellen, terwijl de vijf
anderen naar het zuiden draafden. Deze moesten zeker om het moeras
heengaan, om op een gunstiger plek den stroom over te steken, ten
einde het schip van de westzijde aan te vallen, terwijl de vijf
anderen op de palmstammen van de oostzijde zouden naderen. Aan den
rechter, oostelijken oever van den rivierarm, waar de Arabieren
het vlot maakten, lag droog akkerland, waardoor de weg naar Dumiat
liep; aan den anderen oever in de nabijheid waarvan het schip lag,
breidde het moeras zich zeer ver uit. Eene onafzienbare wildernis van
papyrusriet en biezen, dat de droogte en de zonnehitte van dit jaar
tot stroo hadden verdroogd, bedekte hier den op de meeste plaatsen
uitgedroogden en harden moerasgrond, en toen er uit het noordoosten
een krachtige morgenwind opstak, kwam de kapitein op een gelukkigen
inval. Door deze verdorde en verschroeide plantenmassa hadden zich de
vijf tegen hem afgezonden ruiters een weg te banen. Bracht men vuur
in dat stroo langs een zijkanaal, dat de vlammen verhinderde zich
noordwaarts uit te breiden, dan dreef de wind den ruiters de rook in
het aangezicht. Zij mochten van geluk spreken, als zij niet stikten
of gedwongen werden in den stroom te springen, terwijl zij reddeloos
verloren waren, wanneer de vlammen hen bij het moeras bereikten.

Zoodra nu de scherpe oogen van den stuurman uit den top van den mast
de Arabieren een eind verder zuidwaarts den stroom zagen doorwaden,
werd het riet op verschillende plaatsen in brandgestoken en de vlammen
grepen snel en wild om zich heen. De morgenwind dreef ze zuidwaarts,
tegelijk met grijze rookwolken waarover de stralen der rijzende zon een
stroom van licht uitgoten. Als reusachtige gele en roode hagedissen
kropen, joegen en kronkelden zich de vlammen over den drogen bodem,
schoten hier op, en zonken daar neer. Zonder flikkering bij helderen
dag verslonden zij vraatzuchtig wat zij bereikten, en teekenden den weg
dien zij gegaan waren af door witachtig stof. Hun adem verhoogde de
hitte van den dag, die langzamerhand den middag naderde, en ofschoon
de rook, door den wind voortgezweept, naar het zuiden dreef, zoo
dwarrelden toch enkele wolkjes over de boot en benauwden de borst
van de nonnen en hare beschermers.

Een groot Nijlschip kwam van Dumiat de rivier op en zag den smalle
waterweg door het andere versperd. De kapitein was een bloedverwant
van Setnau, en toen deze hem toeriep, dat het hier een strijd gold
met Arabische roovers, volgde deze zijn raad, wendde zijn vaartuig
met groote moeite en ging bij het naaste vlek voor anker, ten einde
andere van het noorden komende booten te waarschuwen, om niet in
dit gevaarlijk avontuur bekneld te raken. Die van het zuiden kwamen
afdrijven werden vooreerst door den rook en het vuur teruggehouden.

De zes krijgslieden op den oosterlijken oever zagen met woede en
ontzetting den steeds toenemenden vuurgloed; doch zij hadden
de palmstammen reeds aan elkaar gebonden, en maakten zich
gereed met behulp van dit vlot de onbeschaamde weerspannigen de
verdiende tuchtiging te doen ondergaan. Maar dezen hadden ook
niet stil gezeten. Ieder man aan boord voerde wapenen en een der
scheepstimmerlieden was met een matroos uitgezonden om door het riet
te sluipen, verder noordwaarts den vloed over te steken, en als de
Arabieren den aanval begonnen hunne paarden af te maken, of zoo een
mocht beproeven langs den eenigen weg naar Dumiat te ontkomen, dezen
van het paard te halen.

Daar hingen de zes aan het luchtig saamgevoegde vlot, waarop hunne
bogen en pijlkokers lagen. Zij stuwden het voor zich uit en het
bleek hun op het watervlak te kunnen dragen, terwijl hunne voeten den
slikkigen bodem maar even aanraakten. Het waren allen echte krijgers,
echte zonen der woestijn en van hun volk, kerels als had de natuur,
toen zij hen schiep, aan haar meesterwerk onder de gevleugelde
schepselen, den adelaar, gedacht. Scherp van blik, stevig en toch
fijn van beenderen, zonder overvloedige vleeschvorming aan de
gespierde ledematen, met bruine, scherp besneden, karakteristieke
aangezichten, waarbij niet enkel de gebogen neus aan den koning
der vogels herinnerde, bezaten zij ook den moed en den bloedigen
strijdlust en roofzucht van den adelaar. De magere, gespierde
linkerarm van ieder klemde zich vast aan het vlot, en met het ronde
schild in de rechterhand vingen zij, zoodra zij de boot op een
schot afstand genaderd waren, de pijlen op, die van daar hun werden
toegezonden. Woedend knarsten zij met hunne witte tanden, en ook
het kleinste ontging niet aan hun valkenoog. Zij waren uitgegaan om
te vallen, ook wanneer het schip in plaats van met een twintigtal
matrozen en handwerkslieden, door vijftig Egyptische soldaten
verdedigd werd. Het moedige hart gevoelde zich door het pantserhemd,
de schrandere sneldenkende kop door den metalen helm beschut, en met
minachting en vreugde bemerkten zij, hoe de pijlen met een matten klank
op hunne schilden afstieten. Het was de begeerten hunner ziel den dood
te brengen; den dood te ondergaan, daarvoor beefden zij niet terug,
want in het geopende paradijs zag hunne gloeiende verbeeldingskracht
weelderige vrouwen, die hen met wijd uitgespreide armen en volle
bokalen de vervulling beloofden van al hunne wenschen.

Hun scherp oor verstond het zacht gefluister, waarmede de aanvoerder
zijne bevelen gaf, en toen zij ter zijde van het schip gekomen waren,
klemde éen zich vast aan het open venster van de kajuit, snel als
de wind sprong de aanvoerder op zijn schouder en vandaar op het dek
van het schip, nadat hij een matroos, die een bijl tegen hem zwaaide,
met een lans had doorboord. Een tweede Arabier volgde hem op den voet,
twee blanke kromsabels glinsterden in de zon, de schrille kreten van
het woedend krijgsgeschreeuw der muzelmannen doortrilden de lucht,
en als eerste offer van hun grimmigen strijdlust viel de kapitein, met
een wijdgeopende wond over voorhoofd en aangezicht, achterover op den
grond. Doch een oogenblik later stortte een zware ra op het hoofd van
den aanvoerder der muzelmannen neer en bracht hem ten val. De stuurman
had in zijne woede met dit wapen zijn gewonden broeder gewroken.

Een akelig geschreeuw, vermengd met het gegil en gejammer der vrouwen,
vervulde het schip. De tweede muzelman verbreidde met den moed en de
kracht der vertwijfeling den dood om zich heen, en het gelukte nog
drie zijner strijdgenooten de boot te beklimmen; den laatste stieten
de aangevallenen in het water. Van de scheepstimmerlieden waren reeds
twee, van de matrozen vijf gevallen. Rufinus had zich bij den kapitein
neergezet, die hevig bloedde, maar misschien nog te redden was. Hij
legde linnen strooken over de groote, gapende wonden van den man, die
zoo straks nog bezorgd over vrouw en kind had gesproken, en dien hij
voor de zijnen behouden wilde. Daar suisde een sabelhouw op hemzelven
neder en uit zijn achterhoofd en rug stroomde het donkere bloed. Doch
ook zijn moordenaar ontging de wraak niet; de oude opzichter van de
werf velde hem met zijne zware bijl.

Aan den oostelijken oever van den stroom maakten de uitgezonden
boden de paarden van de Arabieren af, om te verhinderen dat een die
ontkomen mocht naar Fostat zou vluchten of verder naar Dumiat rijden,
om het gebeurde te verraden.

Aan boord van het schip werd het stiller en stiller. Alle vijf
de Arabieren lagen op het dek en de woedende matrozen maakten de
gewonden onder hen zonder erbarmen af. Een matroos, die in den mast
was gevlucht, had gezien dat de vijf andere ruiters, om het vuur te
ontkomen, juist ter plaatse van het moeras in den stroom gesprongen en
in het water verdwenen waren. Zoo had van de muzelmannen zelfs niet
één zich kunnen redden, die het lot en de poëzie zoo gaarne sparen,
om de schrikkelijke tijding te verkondigen.

Langzamerhand waagden de vrouwen zich weder op het dek. Zij die
geoefend waren in de verpleging van kranken en gewonden schaarden
zich rondom de lijders en openden de artsenijkisten. Terwijl onder
leiding van den stuurman de vaart werd voortgezet, hadden allen
handen vol werk, en daar zij zich ijverig aan dezen arbeid wijdden,
verdroegen zij gemakkelijker de hitte van den dag. De lijken van de
vijf muzelmannen en acht christenen, waaronder zich twee der Grieksche
scheepstimmerlieden bevonden, werden in de nabijheid van een dorp,
van elkander gescheiden, aan den oever neergelegd, en de abdis
gaf den eenen een tafeltje in de hand, waarop zij de woorden had
geschreven: "Acht christenen, die uit noodweer als beschermers van
vrome vervolgden, dapper strijdende den dood hebben gevonden. Bidt
voor hen en begraaft hen, alsmede die anderen, die hen, gehoorzaam
aan het bevel van hun aanvoerder, het leven hebben benomen."

Nadat Rufinus, wiens hoofd in den schoot van den hovenier rustte,
die hem met het scherm der abdis voor den zonnebrand beschutte,
weder tot bezinning was gekomen en rondgezien had, zeide hij met een
blik op den scheepskapitein, die naast hem lag zacht in zichzelven:
"Ik had ook eene vrouw en een lief kind te huis, en toch.... Hoe
smartelijk is dat! Het geeft niet of men zich aftobt, om zulk eene
smart te lenigen. Het eenige hier beneden wat werkelijk bestaat,
is niet de vreugde het is de smart, de ellendige lichamelijke smart,
en wanneer het bovendien daarbinnen dan nog bijt en brandt.... Water,
een teug water.... Hoe goed zou ik het nu kunnen hebben bij mijne
Johanna in onze schaduwrijke woning.... En toch, toch..... heelen,
redden, onverschillig, wie hulp behoeft.... Nog een teug.... wijn en
water, wanneer het mag, eerwaarde vrouw!"

De abdis had bij de hand wat hij begeerde, bracht hem den beker
aan den mond, sprak hem vele hartelijke, vertroostende woorden van
dankbaarheid toe en vroeg hem wat zij, als zij ontkwamen, voor hem
en de zijnen doen kon.

"Heb de mijnen lief," zeide hij zacht. "Pul zal nu zeker in het
klooster willen. Maar zij mag haar moeder niet verlaten. Johanna,
Johanna..."

Meermalen herhaalde hij dien naam, alsof die welluidende klank zijn
oor en zijn hart streelde. Vervolgens schudde hij herhaaldelijk zijne
leden en prevelde: "Brrr! zoo'n koude huivering af en toe.... dat deugt
niet.... Die houw in mijn rug, die... Aan mijn hoofd doet het wel meer
pijn, maar die andere... 't Is leelijk, dat het links aankwam... Neen,
het is goed zoo; want had hij--zat het daar rechts, zoo... dan kon ik
niet schrijven, en ik wil, ik moet voor... het te laat is. Een tafeltje
en een schrijfstift! Dadelijk, dadelijk.... En als ik geschreven heb,
waardige vrouw, dan sluit gij het tafeltje goed, heel goed weg. Dat
belooft gij mij! Alleen hij mag het lezen, voor wien het bestemd
is.... Gij Gibbus! hoort gij, mijn Gibbus? Het is voor Philippus, den
arts Philippus, dien zult gij het brengen! Die droom van de roos op uw
bult.... Uit de ellende hier op aarde--verklaar ik het goed?--wassen
vrede en vreugde daarboven. Alzoo voor Philippus! En dan; te Dumiat
woont mijn oude schoolvriend, de arts Christodorus. Gij brengt mijn
lijk bij hem, Gibbus! Gij luistert toch? Hij moet het in een kist
met zand doen, om het voor bederf te bewaren, en te Alexandrië naast
mijne moeder begraven. Dan kunnen Johanna en het kind.... dan kunnen
ze mij bezoeken. Ik laat niet veel na. Wat dat alles kost...."

"Dat is mijne zaak, de zaak van het klooster!" zeide de abdis.

"Zoo erg is het nog niet gesteld," zeide de oude met een glimlach. "Wat
mij aangaat, dat betaal ik; het uwe behoort aan de armen, waardige
vrouw. Gij vindt hier in het taschje meer dan gij noodig hebt,
Gibbus! Maar nu.... spoedig, spoedig.... het tafeltje!"

Toen hij het met de stift in de hand hield, dacht hij eerst een
tijdlang na en schreef toen met bevende vingers en met inspanning
van al zijne krachten. Hoe groot zijne smart was, kon men zien aan
zijn saamgetrokken mond en zijne pijnlijke blikken. Doch hij liet zich
daardoor niet afleiden, hoe vaak de hovenier en de abdis hem ook baden
de stift uit de hand te leggen. Eindelijk haalde hij vrijer adem,
sloot het dubbele tafeltje, overhandigde het aan de abdis en zeide:
"Zoo... Goed wegsluiten! Aan den arts Philippus. Aan hem alleen
eigenhandig; hoort ge, Gibbus?"

Thans verloor hij zijn bewustzijn, doch nadat men zijn voorhoofd en de
wonden opnieuw verfrischt had, kwam hij weder bij en prevelde zacht:
"Ik heb van Johanna en het arme kind gedroomd. Zij brachten mij een
komisch masker. Wat zou dat wel beduiden? Dat ik mijn geheele leven
een nar was, omdat ik voor het leed van anderen mijzelven en de
mijnen vergat? Neen, neen! 'Zoo waar de mensch de maatstaf is aller
dingen,'--als dat zoo ware, dan zou dwaasheid het ware en rechte
zijn.--Ik, ik.... mijn wil, het doel waaraan mijn leven gewijd was...."

Hier bleef hij steken, daarna richtte hij zich plotseling in de hoogte,
sloeg de heldere oogen naar boven en riep luide en blijmoedig: "O
gij, mijn barmhartige Heiland! Ja, ja! Thans zie ik het in.... Dank,
dank!.... Wat ik heb nagestreefd, waarvoor ik heb geleefd, daarvoor,
o mijn Verlosser, die de liefde zelve zijt, daarvoor laat gij--o hoe
genadig is dat, hoe doet het mij goed!--daarvoor laat ge mij sterven."

Wederom verloor hij zijn bewustzijn; zijn hoofd begon heeter te
gloeien, zijn keel te rochelen, en over zijne droge lippen, die
zorgvuldige vrouwenhanden vaak bevochtigden kwamen telkens de namen
dergenen, die hij het meest lief had en onder hen ook die van Paula. Op
de vijfde namiddagure viel hij in den schoot van den bultenaar en had
uitgeleden. Een vriendelijk lachje breidde zich over zijne trekken
uit en het stille gelaat van den man, die zooveel had rondgezworven,
geleek in den dood dat van een kind.

Den hovenier was het, als had hij zijn eigen vader verloren en zijne
radde tong bleef stom, tot hij met de geredde zusters te Dumiat kwam,
en den laatsten wensch van zijn heer vervulde.

Het zeeschip der nonnen nam ook den verwonden bootskapitein Setnau,
zijne vrouw, zijne kinderen, zijn broeder, den stuurman en de in
leven gebleven scheepstimmerlieden aan boord.

Terzelfder ure, dat Rufinus de oogen sloot, verscheen de
veiligheidswacht van Memphis onder aanvoering van bisschop Plotinos,
en legde in naam van den patriarch Benjamin en van de Jacobietische
kerk beslag op het Melchietisch Caecilia-klooster en al de bezittingen
van de zusters-ziekenverpleegsters. Den volgenden morgen reisde de
bisschop naar Opper-Egypte af, om den kerkvorst van zijn wedervaren
bericht te geven.



NEGENDE HOOFDSTUK.


De arts Philippus stond haastig op van de rustbank, waarop hij naast
zijn ouden vriend het ontbijt had gebruikt. Voor den grijsaard stond
nog een half gevuld bord; hij had de spijzen minder haastig verslonden
dan de ander, en met een afkeurenden blik zag hij den man aan die
zooveel spoed maakte, dat hij den gemengden wijn staande door zijn
keel goot, bij het genot waarvan hij vroeger, na het einde van den
maaltijd, gaarne met Horus Apollon wat gepraat of een ernstig gesprek
gevoerd had. Dat was voor den grijsaard altijd de aangenaamste ure van
den dag geweest, maar thans gunde Philippus zich zelfs des avonds bij
het hoofdmaal nauwelijks den tijd, om zich behoorlijk te verzadigen.

Ongetwijfeld werd niet alleen zijne, maar ook de krachtsinspanning van
alle andere artsen in dezen tijd gevorderd. Bijna drie weken waren er
verloopen sedert de verjaging der nonnen, en de ontzettende hitte van
dezen zomer was sedert nog toegenomen. In plaats van te stijgen, daalde
de stroom nog altijd lager; de uit Aethiopië komende duivenboden,
die men dagelijks met verlangen en spanning te gemoet zag, wisten ook
niets te melden van eene zwelling der wateren op den bovenloop van
den stroom. Het bijna stilstaande, brakke water aan den oever begon
thans door zijne onwelriekende uitdampingen zeer schadelijk te worden
voor de gezondheid der geheele bevolking, inzonderheid in de nabijheid
daarvan vertoonde de vloed eene roodachtige kleur, en het anders zoo
reine, smakelijke water in de leidingen was van allerlei plantaardige
bestanddeelen en vreemde lichamen bezwangerd, vuil en walchelijk om
te drinken. De geringe lieden gaven zich gewoonlijk de moeite niet om
het te zuiveren, en de meesten hunner werden aangetast door een nog
onbekende, doodelijke, aanstekelijke ziekte. Het aantal offers nam
toe met den dag en de groei van de komeet hield gelijken tred met de
stijgende ellende van de stad. Ieder bracht het luchtverschijnsel in
verband met dezen zomergloed, het uitblijven van den Nijl-was en het
verschijnen van de pest. Over deze omstandigheid hadden de arts en
zijn grijze vriend soms harde woorden met elkander; want Philippus
wilde aan het gesternte geen invloed toekennen op het menschelijk
leven, terwijl Horus Apollon er aan geloofde, en zijne zienswijze
door eene lange reeks van voorbeelden wist te bekrachtigen. Voor
zijn tegenstander hadden die voorbeelden geen kracht van bewijs; hij
verlangde deugdelijke gronden, doch evenals iedereen zoo leefde ook
hij onder den invloed van den angst voor eene aanstaande schrikkelijke
gebeurtenis, die de aarde en de menschheid bedreigde.

Gelijk ieder gemoed in Memphis zich gedrukt en beklemd gevoelde
door zulke schrikbeelden van de naaste toekomst, en door den last
van het onheil, dat niet meer dreigde maar reeds begonnen was zijne
slagen uit te deelen, zoo lag op de wegen, de tuinen, de palmen en
sykomoren langs de straten eene zware massa grijs en alles verstikkend
stof. De hagen van tamarisken en ander struikgewas zagen er uit, als
uitgevreten muren van kleurlooze, ongebrande Nijltegels, zelfs in de
hoofdstraat omgaf den wandelaar eene dichte, grijze nevel, die door de
voetstappen werd opgejaagd. Reed er een wagen, draafde er een ruiter
door de heete straten, dan werden zij vervuld met grijze stofwolken,
die de voorbijgangers drongen mond en oogen te sluiten. De stad was
zoo stil, zoo ledig, zoo verlaten! Niemand verliet zijne woning tenzij
eene dringende noodzakelijkheid of vroomheid er hem toe aandreef. Elk
huis was een gloed uitstralende oven, en zelfs het bad gaf geene
verkwikking, omdat het water sedert lang niet meer koel was. Tot
overmaat van smart waren de rijpende dadels aan de boomen door eene
ziekte aangetast, zij vielen bij duizenden uit de spichtige bundels
onder de sierlijk gebogen bladerenkronen op den grond, en sedert
eergisteren begonnen er in toenemende hoeveelheid doode visschen
aan land te drijven. Ook onder de geschubde waterbewoners heerschte
eene doodelijke ziekte, en de arts verzekerde zijn vriend, dat dit
den mensch met nieuwe gevaren bedreigde, want wie zou den oever van
de doode visschen zuiveren, en hoe spoedig begonnen ze bij de hitte
te rotten.

De grijsaard ontveinsde zich niet, dat de arts het in zulk een tijd
zwaar, zeer zwaar te verantwoorden had, wilde hij zijn beroep met alle
nauwgezetheid vervullen. Maar hij kende zijn Philippus en had hem nu
twee jaren geleden gedurende pestmaanden altijd frisch, vroolijk en
geestig gezien, en nog meer opgewekt door de groote inspanning, die
van hem gevorderd werd. Wat hem thans zoo geheel anders deed zijn,
wat zijne ziel vergiftigde, hem martelde en als onder een banvloek
deed zuchten, het was niet de bijna bovenmenschelijke zelfopoffering,
die zijn plicht van hem vorderde, maar alles was een gevolg van de
rampzalige afdwaling zijns harten, waarvan hij zich niet bevrijden
kon. Intusschen hield Philippus de belofte, die hij aan den ouden man
had gedaan. Dagelijks ging hij naar het huis van Rufinus, dagelijks
ontmoette hij daar Paula, en evenals de wonden van een verslagene
gaan bloeden, wanneer de oogen van zijn moordenaar op hem vallen,
zoo ontwaakte daar telkens de oude pijn, wanneer hij haar ontmoette en
gedwongen was met haar te spreken. Ook voor dezen kranke was het noodig
de grondoorzaak van het lijden weg te nemen, door de Damasceensche
uit zijn levenskring te verwijderen; de grijsaard beschouwde het als
zijne roeping, als zijn plicht dit te bewerken.

De kleine Maria en de andere patiënten in het huis van Rufinus namen
in beterschap toe, maar er was nog veel wat eene sombere schaduw wierp
over deze verblijdende feiten. Vrouw Johanna en Pulcheria waren zeer
bezorgd over het lot van haar vader. Noch van hem noch van de nonnen
hadden zij sedert hun vertrek iets gehoord, en de verlatene gade en
hare dochter, die tot den arts opzagen als tot een goeden, trouwen,
alvermogenden beschermgeest, stortten voor Philippus al hare zorgen,
smarten en vrees uit. En haar angst klom te meer sedert reeds driemaal
Arabische beambten in haar huis waren gekomen, om onderzoek te doen
naar den man en vader en de plaats waar hij zich ophield. Al wat
de vrouwen zeiden werd opgeschreven, en vrouw Johanna, over wier
lippen nog nooit een leugen was gekomen, had zich gedwongen gezien
valsche opgaven te doen en te verklaren, dat haar man voor zaken naar
Alexandrië was gereisd, ja dat hij wellicht nog naar Syrië moest. Wat
beduidde dat uitvragen? Bleek daaruit niet dat men te Fostat kennis
droeg van Rufinus' aandeel in de ontvluchting der nonnen?

Men was daar echter beter onderricht dan de vrouwen konden vermoeden,
doch hield geheim wat men wist; want het onderdrukte volk mocht
niet te weten komen, dat het een handvol Egyptenaars gelukt was eene
gansche bende Arabische krijgers te vernietigen, en alleen een onzeker
gerucht gaf de Memphieten eenige kennis van het gebeurde. De arts had
van Rufinus' plan eerst gehoord, toen men met de uitvoering reeds te
ver gegaan was, om haar nog tegen te houden, en thans kwelde hem de
gedachte, dat zijn beste, oude vriend en de zijnen in het ongeluk
gestort konden worden ter wille van die vreemde zusters. Want hij
had in het geheim vernomen, dat het tusschen de verdedigers der
vluchtelingen en de muzelmannen tot een strijd was gekomen, die aan
vele strijders van beide zijden het leven had gekost.

En Paula? Had zij ten minste maar den indruk op hem gemaakt van
gelukkig te zijn! Doch zij was bleek geworden, en dat de naar lichaam
en ziel gezonde jonkvrouw hem thans niet te gemoet kwam met die
trotsche, vrije, zelfbewuste houding van weleer, het was niet door
de hitte, die alle schepselen neerdrukte, maar door eene smart die
haar inwendig verteerde, veroorzaakt door hem, aan wien zij gehecht
was met geheel haar hart, en die haar het vorstelijk geschenk harer
liefde vergold--op welk eene wijze!

Philippus moest nog voortdurend bezoeken afleggen in de stadhouderlijke
woning, en reeds een veertien dagen geleden had hij begrepen wat de
oorzaak was van den vreemden toestand der weduwe van den Mukaukas. Zij
gebruikte het opium van haar gestorven gemaal en dat in onzinnige
hoeveelheden, en wist zich telkens nieuwen voorraad te verschaffen
door een tweeden arts. Door klachten en smeekingen was het haar
gelukt Philippus te bewegen haar niet aan haar lot over te laten, en
daarom bleef hij haar bezoeken, in de hoop haar althans in het genot
van het vergif te beperken. Ook de vrouw van den senator, Martina,
noodigde hem uit het stadhouderlijk paleis niet te vermijden. Zij
was wel niet ziek maar leed vreeselijk van de hitte en was gewoon
haren waarden, ouden huisarts dagelijks te ontvangen, zich door hem
nieuwtjes te laten vertellen, en nu en dan wat te klagen, wanneer in
haar overigens zeer gezond lichaam soms iets niet in orde was. Nochtans
liet Philippus, die handen vol werk had, zich met praatjes niet in,
maar zijne raadgevingen waren goed en hielpen haar den gloed van dezen
hemel beter te verdragen. De levendige, verstandige, openhartige,
vaak wel-is-waar zeer scherpe en kort aangebonden man beviel haar, en
hare natuurlijke, aangename manier van doen trok ook hem aan. Somwijlen
gelukte het vrouw Martina, haren "Hermes Trismegistus" die gewoonlijk,
"zoo verbazend ernstig was, als ware er niets grappigs meer op aarde,"
een lachje af te dwingen en hem een antwoord te ontlokken, waaruit
bleek dat deze isegrim toch inderdaad een geestige kerel was en niet
verlegen, om den bal terug te kaatsen.

Heliodora bezat weinig aantrekkelijks voor Philippus. Er bestond
wel-is-waar tusschen hare smeekende oogen en die van Rufinus' dochter
eene onmiskenbare overeenkomst, doch in de laatste lag zielsverlangen
naar de genade en de liefde Gods, in de eerste warme begeerte naar de
toegenegenheid van menschen, die haar bevielen. Deze vrouw was zeker
aanvallig, maar hare volgzaamheid, die geen eigen doel had, die zelfs
geen poging deed om eene eigene zienswijze te hebben, sprak niet tot
zijn gemoed, dat wist wat het wilde; ja het verdroot hem wanneer zij,
nadat hij haar had tegengesproken, zijn laatsten volzin herhaalde om,
beschaamd over hare eigene dwaasheid, met hem in te stemmen. Haar
gezelschap scheen ook de verstandige matrone, in wier eigen huis
het eene bezoek het andere volgde, en voor wie de begrippen "avond"
en "een onderhoudend gesprek in een talrijk gezelschap" van dezelfde
beteekenis waren, niet te voldoen, want zij noemde zelfs zijne korte
bezoeken oasen in haar Egyptisch woestijnleven, en die van de kleine
Katharina beschouwde zij als eene weldaad.

Het kwikstaartje was haar dagelijksche gast geworden en bij deze hitte
was haar vroolijk, hoewel soms kwaadsprekend gebabbel voldoende,
om haar den tijd te korten. Katharinas moeder maakte geen bezwaren
tegen deze bezoeken, want Heliodora had haar in haar prachtigste
toilet bezocht, en haar met Katharina eene gastvrije ontvangst in de
hoofdstad aangeboden. Misschien ging zij daarheen, want te Memphis
bleef zij in geen geval, en dan was het een geluk door lieden als hare
nieuwe bekenden in de samenleving te worden binnengeleid. Natuurlijk
kreeg vrouw Martina ook veel van Paula te hooren, en hoewel dit zeer
partijdig gekleurd was en er niet dan tot haar nadeel werd gesproken,
zoo zou zij toch de dochter van den grooten en beroemden Thomas,
dien zij gekend had, gaarne persoonlijk ontmoet hebben. Overigens
vreesde zij van de Damasceensche, na alles wat zij vernomen had, niet
veel voor hare nicht. Zij moest buitengewoon schoon, maar hoogmoedig,
terugstootend, het tegendeel van beminnenswaardig zijn en daarbij eene
orthodoxe als Heliodora. Wat kon den 'grooten Sesostris' aanleiding
geven haar de voorkeur te schenken?

Ook Katharina bood de matrone aan haar met de Damasceensche in kennis
te brengen; doch niets kon vrouw Martina bewegen, zich uit haar
voor de zonnehitte zoo goed mogelijk beschut verblijf naar buiten te
begeven. Zij liet het aan Heliodora over, die sedert lang éen hart
en éene ziel met de kleine was en in zooveel dingen zich naar haar
wil voegde, om haar van de schoone heldendochter te vertellen. Dit
kon gebeuren, want het kwikstaartje had de stoutheid gehad de beide
mededingsters samen te brengen en wel nadat zij elk afzonderlijk had
medegedeeld, wat zij van Orions betrekking tot de andere wist. Dat was
eene kostelijke grap, maar in éen opzicht bereikte zij daarmede toch
haar doel niet; want Paula liet door niets blijken dat zij leed aan
de ziekte der ijverzucht, die zij in haar wilde opwekken. Heliodora
was echter bedrukt en beangst van de Damasceensche teruggekeerd;
want deze had haar koel en met hoffelijke vormelijkheid ontvangen,
en ook in het vervolg was de jonge vrouw zich tegenover haar steeds
bewust gebleven, dat deze buitengewone jonkvrouw zeer wel in staat
was haar beeld in Orions hart te verdonkeren, ja het daaruit geheel
te verdringen. Evenals een gekwetste, al doet het hem pijn, de wond
bevoelt, om zich van den toestand te overtuigen, gevoelde zij zich vaak
getrokken tot Katharina, alleen om uit haar tuin de mededingster te
zien, of om zich bij haar te laten brengen, ofschoon haar dan altijd
eene koele ontvangst ten deel viel.

Katharina had in den beginne medelijden gevoeld met de jonge vrouw,
in wie zij wat verstandelijke ontwikkeling betreft haar mindere
zag. Doch dit was ingevolge eene bepaalde aanleiding geheel voorbij,
en nu haatte zij ook deze jonge weduwe en gaf haar kleine steken zoo
vaak zij kon. Paula scheen echter niet te verwonden, en toch was er
geen leed dat Katharina haar niet gaarne zou hebben aangedaan, aan
wie zij de grootste vernedering in haar ongelukkig leven had te wijten.

Hoe liet het zich verklaren, dat de Damasceensche in de schoone
Heliodora geene gevaarlijke mededingster zag? Zij meende, dat Orion
deze vrouw niet voor zoo langen tijd had kunnen verlaten, wanneer hij
werkelijk hare liefde beantwoordde. Om de Byzantijnsche te ontwijken
en voor haar, Paula, te blijven, wat hij voor haar was en zijn
moest, bevond hij zich met den senator thans verre van Memphis. Deze
Heliodora--eene stem in haar binnenste riep het haar toe--was de arme,
bedrogene vrouw, waarmede hij in de hoofdstad gespeeld en voor wie
hij dien noodlottigen diefstal van den smaragd begaan had. Bracht
het lot hem slechts tot haar terug, en schonk zij den teruggekeerde
wat hij begeerde en waarnaar hare eigene ziel zoo vurig verlangde,
dan was zij geheel en alleen de koningin van zijn hart, dan moest zij
dat zijn, hieraan viel niet te twijfelen. En wanneer zij in weerwil
daarvan bezorgd en bezwaard het hoofd liet hangen, dan geschiedde dit
niet uit vrees van hem te zullen verliezen, maar uit zorg voor haar
vader en haar ouden, besten vriend Rufinus en de zijnen, die geheel
en al de haren waren geworden.

Zoo stonden de zaken, toen de arts Philippus den wijn na den maaltijd,
tot groot verdriet van zijn ouden vriend Horus Appollon, zwijgend
en haastig door zijn keel goot. Juist zette hij den beker neder,
toen de zwarte deurwachter een bultenaar aanmeldde, die den meester
terstond over eene gewichtige aangelegenheid begeerde te spreken.

"Gewichtige aangelegenheid?" herhaalde de arts. "Geef mij bij mijne
eigene nog vier andere beenen of een instrument om den tijd te rekken,
dan wil ik nieuwe patiënten aannemen, anders niet! Zeg den knaap...."

"Niets, niets van kranken, heer!" zeide de zwarte, hem in de rede
vallende. "Komt van heel ver, is de tuinman van den ouden Grieken-heer
Rufinus."

Philippus verschrikte. Hij vermoedde welke tijding die bode bracht
en met een angstig kloppend hart, beval hij, hem binnen te brengen.

Een blik op Gibbus zeide hem dat zijn vermoeden juist was geweest. De
arme kerel was nauwelijks te herkennen. Een dikke laag stof bedekte
hem van het hoofd tot de voeten en gaf hem het aanzien van een ouden
man, wiens hoofdhaar en baard vergrijsd waren. De sandalen hingen
gescheurd aan zijne voeten, in zijn met stof bestrooid gelaat had het
zweet diepe voren getrokken, en de tranen die hij vergoot, terwijl
de arts hem vragend de hand reikte, groeven nieuwe op zijne wangen.

Op Philippus' bange langgerekte uitroep: "Dood?" gaf een zwijgend
hoofdknikje het antwoord, en toen de arts den hovenier, met beide
handen aan zijne slapen, toeriep: "Dood! Rufinus, mijn arme, oude
Rufinus dood! Maar hoe, om godswil, hoe is dat gekomen? Spreek,
spreek toch man!" toen wees Gibbus op den grijsaard en zeide met
nadruk: "Kom met mij naar buiten heer; geen derde moet...."

Doch Philippus beduidde hem, dat hij die daar zat zijn ander ik was
en nu deelde de bultenaar mede, wat hij beleefd had en hoe zijn beste
heer gestorven was.

Horus Apollon had bij dit bericht verbaasd en met afkeuring het
hoofd geschud, terwijl de arts menige vloek uitstiet. Doch men had
het verhaal van den ongeluksbode niet afgebroken, en eerst toen hij
geëindigd had zeide Philippus, met gebogen hoofd en vochtige oogen:
"Arme, trouwe, oude vriend, dat hij juist zoo moest sterven; hem,
die hier het beste achterlaat, heeft het getroffen, en ik--ik!"

Daarbij slaakte hij een diepen zucht, maar de grijsaard wierp hem
een blik toe, die zeide, dat hij zulk een uitroep afkeurde en hem
beleedigde.

Terwijl Philippus het tafeltje, dat de abdis zoo zorgvuldig mogelijk
gesloten had, ontzegelde en begon te lezen, vroeg Horus Apollon den
hovenier: "En de nonnen? Zijn zij allen ontkomen?"

"Ja heer! Den volgenden morgen na onze aankomst te Dumiat stak een
triremis [15] met haar in zee."

De oude prevelde half binnen'smonds: "De werkbijen gedood en de
hommels gered!"

Maar Gibbus sprak hem tegen en roemde het moeitevol en arbeidzaam
leven der zusters, die ook hem eens hadden verpleegd.

Intusschen had de arts het laatste schrijven van zijn vriend
gelezen. Vol inwendige onrust draaide hij het om en om, liep met
groote stappen de kamer op en neer en bleef eindelijk staan voor
den hovenier, terwijl hij hem toeriep: "En wat nu? wie zal hen die
tijding overbrengen?"

"Gij, heer," antwoordde Gibbus, terwijl hij smeekend de handen naar
hem uitstrekte.

"Ik, natuurlijk ik!" hernam de arts, zich op de lippen bijtende. "Wat
moeielijk, pijnlijk, schier ondragelijk is, komt zooals vanzelf spreekt
op mijn hoofd neer. Maar ik kan, ik mag, ik wil het niet doen! Heb
ik dan dat dolle avontuur verzonnen en op mijne rekening? Merkt gij
het op vader? Wat die knaap gekookt heeft, ik, ik--daar zorgt het
lot wel voor--ik krijg dat weder te vreten!"

"'t Is zwaar, zeer zwaar, mijn kind!" antwoordde de oude. "Doch het
is uw plicht. Bedenk eens--wanneer hij, zooals hij daar voor ons
staat bij de vrouwen komt..."

Opeens viel Philippus hem in de rede: "Neen, neen, dat gaat
niet! En gij, Gibbus, gij--heden is er weder een Arabier bij
vrouw Johanna geweest, en als zij--gij valt door uw uiterlijk
zeer in het oog--wanneer zij ook maar vermoeden dat gij uw heer
vergezeldet... Neen, man, uw trouw verdient beter loon! Zij zullen u
niet vangen! Ik maak u vrij van uw dienst bij de weduwe en wij--wat
denkt gij er van, vader?--Wij behouden hem bij ons."

"Goed zoo!" antwoordde de grijsaard. "Eens moet de Nijl weder
stijgen. Blijf bij ons! Ik snak reeds lang naar zelfgekweekte
groenten."

Maar de bultenaar nam zeer bescheiden dien voorslag niet aan en
verklaarde, dat hij tot zijne oude meesteres terug wilde keeren. Toen
de arts hem daarop nog eens onder het oog bracht aan welke gevaren hij
zich blootstelde, en de grijsaard zijne beweegredenen van dit besluit
wenschte te weten, zeide de hovenier: "Ik heb mijn heer beloofd bij
de vrouwen te blijven en nu er buiten mij geen vrij man in huis is,
zal ik hen alleen laten, om mijn erbarmelijk leven te redden? Dan
liever een kromsabel tegen mijn hals. Is de kop eraf, wat er dan
overblijft dat brokje schoonheid gun ik de schurken."

Bij deze woorden, die hol en afgebroken uit een verdroogden mond te
voorschijn kwamen, vertrok de trouwe man zijn gelaat; men zag door
het stof zijne wangen verbleeken en Philippus moest hem steunen,
want de voeten weigerden hem den dienst. De lange wandeling door
de vreeselijke hitte had de krachten van den bultenaar uitgeput;
een dronk wijn bracht hem echter weldra weder bij en Horus Apollon
beval den slaaf hem mede te nemen naar de keuken en den kok zoo goed
mogelijk voor hem te doen zorgen.

Zoodra beide geleerden alleen waren, zeide de grijsaard: "Die oude,
wakkere waaghals, die daar gestorven is, stelt u buitengewone eischen;
men kon het u aanzien bij het lezen."

"Hier, lees!" antwoordde de arts, wederom door de kamer stappende,
terwijl de grijsaard het tafeltje ter hand nam. De beide zijden waren
met onregelmatige, golvend op en neer gaande schriftregels bedekt,
die aldus luidden:

"Rufinus met den dood voor oogen, aan zijn geliefden Philippus.

"De eene koude rilling volgt de andere, ik sterf zeker nog heden,
het gaat snel, het schrijven kost moeite. Als slechts het noodigste
gezegd wordt. Vooreerst: Johanna en het arme kind! Wees voor hen
zooveel gij kunt. Ik had meer voor hen zullen en kunnen zijn. Bescherm
hen als voogd en vriend. Zij hebben om van te leven en kunnen nog
anderen van het hare mededeelen. Mijn broeder Leonax bestuurt ons
vermogen, en hij is een eerlijk man. Johanna weet alles. Zeg haar en
het arme kind, dat ik hen duizendvoudig zegeningen en Johanna voor
zooveel goeds ontelbare dankzeggingen toezend. Gij, vriend: hoor
naar den oude! Maak uw hart los van Paula. Zij is niet voor u. Gij
weet het, de jonge Orion. Maar gij. Wat van de geboorte af op den
top stond, past slecht bij ons, die van onderen op naar de hoogte
zijn gekrabbeld. Wees haar vriend. Zij verdient het, maar laat het
daarmede genoeg zijn. Blijf gij niet alleen. Het schoonste, wat den
man ten deel kan vallen, brengt de vrouw in zijn leven. In den diepen
slaap vlecht zij vriendelijke droomen. Dat alles weet gij nog niet bij
ervaring. Ook uwe waardige, oude vriend, dien ik laat groeten, heeft
zich levenslang van de vrouwen teruggetrokken.--Voor u alleen. Dit
zegt een stervende. Laat ik u bekennen, dat het arme kind, onze Pul,
u houdt voor den volmaakste onder de mannen en u hoogschat gelijk geen
ander. Gij kent haar en ook Johanna. Betuig uw vriend: dat geen boos
woord ooit uit den mond komt van deze twee. Verre zij het van mij, u,
die het beeld van eene andere vrouw in uw hart draagt, te raden: tracht
dat kind voor u te winnen, zij is de vrouw die u past.--En dit voor u
beiden: vereenig u, ik geef maar een raad, vader en zoon, met moeder
en dochter, als goede trouwe huisgenooten en vrienden. Het zal beide
partijen niet berouwen. Dat heeft een stervende gezegd. Verder wil het
niet gaan. Gij, Philippus, zijt voogd over de vrouwen, een trouwe,
dat weet ik. Hetzelfde doel, dezelfde gezindheid, gij en ik, vele
heerlijke jaren... Zorg goed voor beiden, bid ik u, zorg er goed voor!"

Deze laatste woorden waren elk op zichzelf en buiten den regel als
over het tafeltje heengestrooid, en het viel den grijsaard niet
gemakkelijk ze te lezen. Gelijk zoo straks de arts, zoo keek hij nu
verlegen en besluiteloos op dit onverwacht schrijven.

"Welnu?" vroeg Philippus eindelijk.

"Ja, wat nu?" antwoordde de ander schouderophalend. Daarop zwegen
beiden geruimen tijd, tot de oude man opstond en leunende op zijn
staf eveneens de kamer op en neer wandelde en half tegen zijn jongeren
vriend, half in zichzelven prevelde: "Twee stille, verstandige vrouwen;
er zijn, denk ik, maar weinige van dat soort. Wat hielp die kleine
mij eens aardig op van dien lagen zetel in den tuin!" Daarbij lachte
hij stil in zichzelven, hield Philippus, die naast hem liep, tegen
en zeide terwijl hij hem zacht op den arm tikte, met een luchtigen
toon, die hem anders vreemd was: "Een mensch moet toch alles eens
beproeven. Vrouwelijke verpleging voor men ten grave daalt! En het
is ook waar, dat zij beiden kijven noch babbelen?"

"Dat zeker niet," antwoordde de arts.

"En welk een 'maar' zal hierop volgen?" vroeg de grijsaard. "Laat ons
eens lichtzinnig zijn, broeder! Ware het geval niet zoo duivelsch
ernstig, het zou om te lachen zijn! Als we uitrusten, de jonge
tegenover mij, de oude tegenover u, zoontje! Beter gewassen linnen,
geen gat in de kleeren, geen stof op de boeken, een vriendelijk
'verblijd u!' elken morgen en aan den disch... Kijk die vruchten daar
eens op dat bord liggen! Als haver, dat men de paarden voorwerpt! Bij
den oude lagen ze zoo netjes geschikt, gelijk bij ons te huis op
Philae; de avonddisch was een klein kunstwerk, een smulletje ook voor
het oog. Die Pul schijnt er den slag van te hebben, evenals mijne
arme gestorvene zuster. En dan: als men wil opstaan, zoo'n klein,
vriendelijk, jong handje om je te steunen! Onze woning staat mij reeds
lang tegen. In het slaapvertrek vallen kalk en stof van de zoldering;
hier gapen overal spleten in den grond--ik ben er gisteren nog over
gestruikeld--en onze krenterige huisheeren, de heeren bouleuten,
zeggen: wat wij willen laten herstellen, dat kunnen we zelven doen; zij
hebben er geen sestersie voor over. Bij den armen, ouden Rufinus was
alles in den besten staat." De grijsaard begon luide te schaterlachen,
en zich in de handen wrijvende, ging hij voort: "Als we nu eens éen
lijn trokken Philippus? Als we den wensch van den stervende eens
vervulden? Groote, genadige Isis! Een goed werk zou het zeker zijn,
en ik heb mij op niet vele te beroemen. Met wat voorzichtigheid--wat
denkt ge--tot wederopzeggens hij de maand, zou men er ten slotte de
proef van kunnen nemen."

Daarop werd hij weer ernstig, schudde het hoofd en zeide met
een bedenkelijk gezicht: "Neen, neen, men offert er zijne rust
bij op.... Een aardig droombeeld, maar het laat zich bezwaarlijk
uitvoeren."

"In elk geval vooreerst niet," zeide de arts. "Zoolang het lot van
de Damasceensche niet beslist is, bid ik u dit alles te laten rusten."

De oude man begon in zichzelven te vloeken en zeide toen, met een blik
van toorn en verontwaardiging: "Altijd en overal die patricische slang,
zij bederft alles! Doch wacht maar, wacht! Ik denk dat zij spoedig
voor ons uit den weg zal gaan, en dan... Neen, juist nu laat ik me
stellig niet ontnemen wat ons het leven kan veraangenamen, wat op
de weegschaal van het doodengericht mijn gewicht kan vergrooten. De
wensch van een stervende is heilig. Dat zeiden de vaderen reeds en zij
hadden gelijk. De wil van den oude geschiede. Ja, ja, ja! Nu staat het
vast! Zoodra alle bezwaren uit den weg geruimd zijn, vereenigen wij
onze huishouding met die der vrouwen. Ik wil het en heb het gezegd!"

Daar kwam de hovenier weder binnen en de grijsaard riep hem toe:
"Hoor eens man, ten slotte komen wij toch bij elkaar; bijzonderheden
nader. Tot het donker wordt blijft gij bij mijn volkje; maar mondje
dicht, want het zijn allemaal luistervinken en babbelaars. Thans
brengt heer Philippus de treurmare over aan de ongelukkige weduwe,
en gij kunt dan van nacht met haar spreken. Daar beneden mag niets
in het oog vallends gebeuren, en wat uw heer overkomen is, zelfs
dat hij dood is, moet voor de geheele wereld een geheim blijven,
behalve voor ons en de zijnen."

De hovenier wist wat er van zijn zwijgen afhing. Philippus keurde de
schikking van den grijsaard goed, doch vermeed met opzet, om over de
opneming der vrouwen te spreken. Toen hij ten laatste op weg ging, om
zich van zijne zware taak bij de weduwe te kwijten, riep Horus Apollon
hem toe: "Moed, moed, mijn zoon, en werp in het voorbijgaan een blik
in ons tuintje: het deed ons leed, toen die oude palm daar wegstierf,
en thans schiet uit zijn wortel een jong reeds groenend boompje op."

"Sedert gisteren laat het de waaiers hangen en zal wel wegkwijnen,"
antwoordde Philippus schouderophalend.

"Begieten Gibbus!" riep daarop de oude. "Men moet het jonge palmpje
terstond begieten."

"Gij hebt het water bij de hand," hernam de arts en hij stond reeds
op de trap, toen hij erbij voegde: "Als het met ieder zoo gesteld was!"

"Met geduld en goeden wil kan men het zoover brengen," mompelde de
grijsaard. Toen hij alleen was prevelde hij hem knorrig achterna. "Weg
nu met dien verdorrenden ouden palmstronk, zijn vroeger leven, voor
zoover het verbonden is aan die patricische deerne! In het vuur er
mee! Hoe krijg ik haar in mijne macht? Hoe zal ik het overleggen,
ja hoe zal ik?"

Daarop wierp hij zich in zijn leuningstoel en wreef zijn voorhoofd met
de vingertoppen. Hij was nog tot geen besluit gekomen, toen de zwarte
slaaf gehoor kwam vragen voor eenige bezoekers. Het waren de hoofden
van den senaat van Memphis, die men had afgezonden, om aan den oude
wijze raad te vragen. Zoo iemand, dan moest hij een middel vinden, om
het vreeselijk onheil, dat stad en land bedreigde, waartegen gebeden,
offeranden en processiën machteloos waren gebleken, af te wenden
of te verzachten. Zij waren besloten voor niets terug te deinzen,
ook al moest heidensche tooverij erbij in het spel komen.



TIENDE HOOFDSTUK.


In den jongstverloopen donkeren nacht was in Katharina het gevoel van
medelijden met Heliodora geheel uitgedoofd. Zij had haar in gezelschap
van hare kamenier en een ouden doofstommen stalslaaf heimelijk
begeleid naar eene waarzegster, die er te Memphis althans niet minder
gevonden werden dan toovenaars, alchimisten en scheikundigen. Men
had der jonge vrouw aangezegd, dat hare levenslijn opsteeg tot het
hoogste geluk en dat alle, zelfs de stoutste wenschen haars harten,
vervuld zouden worden. Met deze wenschen was het kwikstaartje maar
al te zeer vertrouwd, en de waarschijnlijkheid, dat deze werkelijk
de vervulling nabij waren, had hare jaloezie gaande gemaakt en haar
geleerd ook Heliodora te haten.

De weduwe was in eenvoudige, maar kostbare gewaden bij de toovenares
gekomen. In plaats van een gouden haak had een knop haar peplos op
den schouder saamgehouden, die overeenkomstig hare liefhebberij voor
kostbare edelgesteenten uit een saffier van buitengewone grootte
bestond. Der waarzegster was deze terstond in het oog gevallen en
had haar doen zien, dat zij met eene aanzienlijke en rijke vrouw te
doen had. Zij had de eenvoudig gekleede Katharina voor eene juffrouw
van gezelschap of eene arme vriendin der voorname dame gehouden en
haar daarom slechts voorspeld, dat zij na eenige bezwaren te boven
gekomen te zijn een gelukkig leven zou leiden aan de zijde van een
niet zeer jongen echtgenoot, alsmede dat zij rijk met kinderen gezegend
zou worden.

De zaak van deze vrouw scheen nogal wat op te brengen, want het
inwendige van haar huis stak zeer gunstig af bij de ellendige hutten,
die het overal omgaven in dit armelijk en berucht stadskwartier. Van
buiten onderscheidde het zich weinig van de aangrenzende woningen,
ja het werd met opzet verwaarloosd, om de overheden te bedriegen,
die op tooverij en de uitoefening van magische kunsten de doodstraf
hadden gesteld; maar de versiering van de kleine, opene zuilenzaal,
waarin zij hare bezweringen en voorspellingen pleegde te doen, had
niet weinig geld gekost. Aan de wanden hingen tapijten met magische
teekens; de zuilen waren met figuren beschilderd, die verbazing en
schrik moesten wekken; op kleine altaren rookten boven kolenbekkens
aarden potten en ketels van verschillende grootten, bekers, flesschen,
kannen, een rad, waarin een draaihals op en neer huppelde, wasfiguren
en daaronder mannen- en vrouwenbeelden met naalden in het hart, een
kooi met vleermuizen en glazen vol spinnen, kikvorschen, bloedzuigers,
kevers, schorpioenen, duizendpooten en andere afzichtelijke gedierten
stonden op voetstukken in de rondte, en aan eene der lange zijden
van de zaal liep eene korte lijnbaan, waarvan men zich bediende
bij zekere Thracische betoovering. Welriekende en scherpe dampen
vervulden de ruimte, en achter een gordijn, dat de muzikanten voor
het oog onzichtbaar maakte, liet zich het eentonig gezang van enkele
kinderstemmen, schellengeluid en doffe trommelslag hooren.

De tooveres Medea kon nog niet ouder zijn dan ongeveer zes-en-veertig
jaren, toch paste zij zeer goed in deze omgeving, zoo overvloedig
rijk aan vreemde, betooverende, weerzin, angst- en schrikwekkende
dingen; want haar gelaat was bleek en zijne ongewone lengte werd nog
verhoogd door den hoog opgekamden, pikzwarten haarbos midden op den
schedel. Bij het einde van het eerste bezoek der vrouwen, waardoor
zij verrast was geworden en waarbij een en ander op dit toovertheater
ontbroken had, wat heden eene bijzondere uitwerking deed, had zij
Heliodora uitgenoodigd over drie dagen terug te keeren. De jonge vrouw
was deze uitnoodiging gevolgd en op den bepaalden tijd verschenen
in gezelschap van Katharina. Men kon Egypte, het land der tooverij
en der magische kunsten, toch niet verlaten, zonder de proef er van
genomen te hebben. Zoo oordeelde ook vrouw Martina, hoewel zij voor
zichzelve op die waarzegging niet gesteld was. Zij was met haar lot
tevreden, en stonden er veranderingen tot haar nadeel voor de deur,
dan wilde zij zich door eene goede waarzegster niet bij voorbaat
laten beangstigen. Door eene slechte bedrogen te worden was nog minder
aanlokkend. Buitengewoon geluk kon zij niet meer gebruiken, dat zou
haar gestoord hebben in hare rust. Maar voor het jonge volkje, lag
het leven nog open, en als het een kijkje in de toekomst wilde nemen,
was zij de laatste, om dit euvel te duiden.

De jonge weduwe en het meisje betraden den drempel der tooveres in
zekere spanning, en van de twee was Katharina ditmaal wel het meest
ongerust, want in den namiddag had zij Philippus het huis van Rufinus
zien verlaten, terwijl spoedig daarop Arabische beambten het waren
binnengegaan. Vóor zonsondergang was Paula met betraande oogen in den
tuin verschenen, en toen een weinig later Pul met hare moeder bij haar
waren gekomen, was de Damasceensche vrouw Johanna om den hals gevallen,
en had zoo bitter geschreid, dat ook deze en hare dochter, "die altijd
de tranen spoedig bij de hand had", zich hadden laten meesleepen,
om met haar van droefheid te snikken. Daar was iets gewichtigs
voorgevallen, maar toen zij naar het huis van Rufinus was gegaan,
om wat naders te hooren, had de oude Betta, die altijd boos op haar
was haar kort en onheusch afgewezen. Verder hadden zij en Heliodora
op de straat eene zeer pijnlijke ontmoeting gehad, want de wagen van
vrouw Neforis, die hen aan de grens der doodenstad moest afzetten,
was onderweg door eene afdeeling Arabische ruiters aangehouden,
en zij hadden zich moeten laten welgevallen, dat de aanvoerder haar
allerlei vragen deed.

Zoo betraden zij dan ditmaal het huis der "lokken Medea", gelijk de
tooveres in de wandeling werd genoemd, met een angstig kloppend hart,
doch zij werden met zulk eene onderdanige hoffelijkheid ontvangen,
dat zij spoedig tot bedaren kwamen, en ook de uiterst vreesachtige
Heliodora weldra weder vrijer begon te ademen. De waarzegster wist nu
ook wie Katharina was, en bewees de eenige dochter der rijke weduwe
meer achting. Heden stond de smalle sikkel der nieuwe maan aan den
hemel, en deze omstandigheid, verzekerde Medea, veroorloofde haar
klaarder te zien als in den tijd van den Punaneger, zooals zij den
nacht zonder maneschijn noemde. Haar zielsoog was bij het eerste bezoek
onder de inwerking van vijandige machten overvallen door Typhonische
duisternis. Terstond nadat de vrouwen waren vertrokken, had zij dit
begrepen; maar heden zag zij des te helderder. Haar innerlijk oog
was nu blank als een zilveren spiegel, zij had het gereinigd door
drie dagen te vasten, en haar kon geen stofje ontgaan.

"Helpt," zoo ving zij aan, "Gij Horus-kinderen, helpt Hapi en
gij heilig drietal!"--"O gij schoonen, gij schoonen!" ging zij in
vervoering voort. "Honderden aanzienlijke vrouwen hebben mijne kunst
beproefd, doch zooveel gunst van het lot als boven de uwen, zag ik
nog nooit boven twee hoofden vereenigd. Hoort gij, hoe het borrelt
in de geluksketels? Daar worden de deksels opgestuwd. Buitengewoon,
buitengewoon!"

Zij strekte om te bezweren de hand naar de beide ketels uit en
riep plechtig: "Overmaat van geluk, overvloed, overvloed, berstende
schuren. Zefa-ou, Metramao... Keer terug tot de ware vlakte, ware
hoogte, ware diepte, de juiste maat! Uwe el Meï--afmeter, afweger,
gebruik ze, Techouti, gebruik ze, dubbele Ibis!"

Daarop beval zij beiden zich neer te zetten op sierlijke stoelen
tegenover de ketels, bond aan de ringvingers van ieder hunner den
"anoubischen draad", vroeg fluisterend en onder nauwelijks verstaanbare
bezweringen aan de weduwe en de jonkvrouw een haar, en nadat zij ze
beiden elk in een ketel had gelegd, riep zij met hartstochtelijken
ijver, en als hing van het kleinste verzuim het wel en wee harer
bezoeksters af: "De vinger met de anoubische draad op de plaats van het
hart gedrukt, de oogen op den ketel gericht en den damp, die opstijgt
tot de geesten des hemels, des lichts, tot den Groote in de hoogte!"

De vrouwen volgden met een kloppend hart het gebod der tooveres, en
deze draaide plotseling met duizelingwekkende snelheid op de teenen
in het rond; daarbij vloog de haarbos op haar schedel omhoog en de
tooverstaf in hare wijd uitgestrekte rechterhand beschreef een wijden,
zuiveren cirkel. Als door een schrik aangegrepen, hield zij daarna
plotseling op te draaien; op hetzelfde oogenblik gingen de lampen uit,
en de zaal werd door niets verlicht dan door de sterren aan den hemel
en de glimmende kolen onder de ketels. De doffe muziek stierf weg,
maar eene nieuwe, sterker geur drong door het gordijn in de zaal.

Medea wierp zich nu op de knieën, strekte de armen ten hemel, wierp
het hoofd met een alleen door haar uitvoerbaren snellen ruk zoover
terug, dat het geheele gelaat was gekeerd naar het firmament boven
haar, en haar blik, recht opwaarts ziende, de sterren waarnam. In
deze vreeselijke houding, met het blauwe hemelgewelf boven haar
hoofd, zong zij bezwering op bezwering met eene helder roerende,
smachtende stem. Haar borst welfde zich daarbij sterk omhoog, haar
haarbos stond niet meer op, maar was naar de vrouwen gekeerd, die
niet anders dachten dan dat deze den hemel aanroepende vrouw, door
de opstijging van het bloed achterover op den grond zou vallen. Doch
zij zong en bleef zingen, en hare witte tanden schitterden daarbij in
het sterrelicht, dat loodrecht op haar neerviel. Onder den overvloed
van demonische namen en magische woorden, die zij omhoog riep en liet
trillen door de lucht, deed zich uit de richting van het gordijn een
beangstigend, jammerend tweeledig rochelen, zuchten en klagen hooren;
het eene geluid scheen voort te komen uit de beklemde borst van een
door bitter lijden aangegrepen man, het andere was als het zacht,
half verstikt gekrijt van een kind, dat pijn lijdt. Het laatste
werd steeds luider en eindelijk hoorde men in het Egyptisch: "Water,
een slokje water!"

De vrouw verliet opeens hare schrikkelijke houding, rees op en riep:
"De klacht der beroofden en armen, van wie genomen werd, om aan de
in overvloed badenden te geven, de noodkreet dergenen, die door het
lot werden geplunderd om u gaven te schenken, genoeg voor honderden."

Na deze woorden, die zij op zalvenden toon in het Grieksch had
gesproken, keerde zij zich naar het gordijn en riep nu weder plechtig
in het Egyptisch terug: "Geef den dorstende te drinken, de gelukkigen
gunnen hem een dropje van hun overvloed. Geef den klagenden kinderdemon
den witten drank, om hem te vreden te stellen en te verdrijven. Laat
muziek klinken, om de klachten der jammerende geesten te overstemmen!"

Daarna keerde zij zich naar Heliodora's ketel en zeide ernstig,
als volgde zij een hooger bevel: "Zeven goudstukken, om het werk te
voleindigen," en terwijl de jonge vrouw haar beurs voor den dag haalde,
de tooveres de lampen ontstak en de munten in de kokende vloeistof
wierp, zong zij onophoudelijk: "Rein, blinkend goud, zonlicht, in
de bergen verborgen. Heilige zeven, schaschef, schaschef! Heilige
zeven! Vereenigt u! Smelt samen."

Zij goot hierop een dampende vloeistof, zoo zwart als inkt, uit
den ketel op een vlakken schotel, riep Heliodora aan hare zijde en
verklaarde haar wat haar oog op den blanken spiegel zag: het was
niets dan schoons, het gaf enkel hartverblijdende antwoorden op de
vragen der weduwe. Wat de tooveres zeide, moest het vertrouwen op hare
magische krachten versterken, want zij beschreef Orion zou nauwkeurig,
als zag zij hem in den inktspiegel voor zich en wel op reis met een
anderen heer. Maar daar kwam reeds zijn terugkeer op de blanke vlakte
te voorschijn, daar zag zij Heliodora aan de borst van den geliefde,
en nu welk een tafereel. Niet de bisschop van Memphis, maar een vreemde
legde hare en zijne hand in elkander voor het altaar in een grooten,
heerlijken dom en zegende hun verbond.

Katharina, wie het gezang van Medea en wat daarop gevolgd was met vrees
had vervuld en in stilte deed huiveren, volgde ieder woord der tooveres
met angstige spanning. Wat de vrouw zeide, de wijze waarop zij Orion
beschreef, het was wonderbaarder dan alles wat zij ooit voor mogelijk
had gehouden. En de dom, waarin het verliefde paar getrouwd zou worden,
was de Sophia-kerk te Konstantinopel, waarvan zij veel gehoord had. Het
hart werd haar als toegeknepen, maar met hoeveel aandacht zij ook de
woorden van Medea volgde, haar scherp oor hoorde toch voortdurend
het treurig rochelen en klagen achter het gordijn, dat beangstigde
haar, beklemde haar adem, en een diep martelend gevoel van ellende
overweldigde hare ziel. Dien krijtenden kindergeest daar achter,
van welks geluk haar een deel ten goede gekomen zou zijn, had zij,
juist zij, zeker niets ontroofd, want wie was er thans ongelukkiger
dan zij? Alleen die schoone, smachtende, jonge vrouw daar had het lot
met gaven, genoeg voor ontelbare anderen, zoo kwistig overladen. O als
zij haar de eene na de andere had kunnen ontrooven, van den grooten
robijn af, dien zij heden droeg, tot de liefde van Orion toe!

Bleek en overspannen gaf zij aan de roepstem der tooveres gehoor,
nadat ook zij zeven goudstukken geofferd had. Zij had daarvoor het
liefst eene moorddadige verwensching gekocht, om de gelukkige daar
er mede te verpletteren. Reeds begon de pikzwarte vloeistof in den
schotel te vloeien, waaruit een scherp riekende damp opsteeg, doch de
tooveres blies dezen opzij. Zoodra het donkere vocht een weinig was
afgekoeld en de oppervlakte niet meer troebel maar glad was, vroeg
Medea het meisje, wat zij het eerst begeerde te vernemen. Doch het
antwoord werd Katharina van de lippen genomen; een verschrikkelijk
geklop en gedreun deed plotseling het huis daveren, en met een luiden
gil liet de tooveres den schotel vallen, zoodat de inhoud omhoog
spatte, en lauwe, vuile druppels zich hechtten aan het kleed en de
armen van het meisje. Een onverwachte, ontzettende schrik bracht haar
geheel in verwarring, en Heliodora, die zelve nauwelijks op de been
kon blijven, moest haar steunen; want Katharina waggelde en dreigde
in elkaar te zakken.

De tooveres was verdwenen; in de zaal bevonden zich alleen een half
volwassen knaap, een jonge man en een lang opgeschoten, schamel gekleed
Egyptisch meisje. In alle richtingen heen en weervliegende wierpen zij
de voorwerpen, die hier en daar stonden, in eene opening van den vloer,
waarvan zij het luik hadden weggetrokken, goten water op de kolen,
doofden de lampen uit en dreven de vrouwen met gemeene scheldwoorden
in een hoek van de zaal. Daarna klommen de knapen zoo vlug als katten
naar het open dak, en sprongen naar buiten. Daar weerklonk een schel
gefluit door het huis, en een oogenblik later stormde de tooveres de
zaal binnen, vatte de beide bevende vrouwen bij de schouders en riep
hun toe: "Om Christus' wil hebt medelijden! Het is om mijn leven te
doen. Op tooverij staat den dood. Ik heb mijn best voor u gedaan. Gij
zijt--hoort gij wat gij zeggen moet?--gij zijt uit barmhartigheid
gekomen om de kranken te verplegen."

Daarop duwde zij beiden door het gordijn, waarachter nog altijd
klaagtonen werden gehoord, in een bedompt laag vertrek, en het
groote, magere meisje slenterde haar achterna. Daar lagen op armzalige
legersteden een oud man met donkere vlekken op zijne naakte borst en
zijn aangezicht, rillend over al zijne leden, en een vijfjarig kind,
welks hoogroode wangen van de koortshitte gloeiden. Heliodora dacht
in dit vertrek te stikken en Katharina klemde zich bevende aan haar
vast; doch de tooveres haalde hen van elkander zeggende: "Ieder voor
een bed; gij bij het kind, gij bij den oude!"

Werktuigelijk volgden beiden de vrouw, die van angst buiten adem
was. Het kwikstaartje, dat zich nog nooit om eene kranke bekommerd
had, werd van afschuw vervuld en wendde de oogen van de lijders
af. De jonge vrouw, die vele, vele nachten aan de lijdenssponde
van een geliefde gewaakt had en goedhartig,--want dat was zij van
nature--haar lijdende slaven vaak met eigene hand hulp had verleend,
zag het kind medelijdend in het vriendelijke, gloeiende gelaat,
en veegde het met den doek de zweetpaarlen van het voorhoofd.

Katharina huiverde bij alles wat zij zag, doch reeds werd hare
opmerkzaamheid door iets nieuws geboeid, want aan de andere zijde
van het huis hoorde men wapengekletter, de deur werd met geweld
opengestooten en de arts Philippus trad de kamer binnen. Hij beval
de veiligheidsbeambten, die hem vergezelden, buiten te wachten. Hij
verscheen op last der bouleuten, aan wie ter oore was gekomen, dat
zich door de pest aangetaste kranken bevonden in het huis van Medea,
en dat zij desniettemin voortging met bezoeken te ontvangen. Men
had reeds lang besloten haar de uitoefening van dit handwerk te
beletten; en heden was het bericht gekomen, dat zij in den avond
voorname bezoekers verwachtte. De beambten wilden haar op heeter daad
betrappen en de arts verlangde uit te maken, of haar huis tot de door
de ziekte aangetaste behoorde. In elk geval wenschte de senaat de
tooveres in de gevangenis ter zijner beschikking te hebben, hoewel
men aan Philippus van dit verlangen niets had medegedeeld.

Zij die binnenkwamen, hadden in het minst niet verwacht deze gasten
hier te vinden. Met een afkeurend hoofdschudden keek de arts hen aan,
legde de tooveres het zwijgen op met een barsch: "dat alles zal wel
blijken," toen zij haastig verzekerde, dat deze edele dames gekomen
waren, om uit christelijke barmhartigheid de arme lijders te troosten
en te helpen, en bracht de onvrijwillige krankenverpleegsters
onverwijld naar buiten. Daar deelde hij haar mede in welk een
schrikkelijk gevaar zij zich door hare lichtzinnigheid gebracht hadden,
en gebood haar ten stelligste zich terstond naar huis te begeven,
dáar, ondanks het late uur, een bad voor zich gereed te laten maken
en van kleederen te verwisselen.

Met knikkende knieën bereikten zij den wagen en nog voor deze zich
in beweging zette, barstte Heliodora in bittere tranen uit, terwijl
Katharina zich nijdig achterover in de kussens wierp en met een blik
op hare gezellin, die zoo geheel ontdaan was, dacht: "Het begin van het
ongehoord geluk, dat haar verspeld werd! Goed, als het zoo voortgaat."

Het was alsof demonen, die het kwikstaartje welgezind waren dezen
wensch vernomen hadden; want toen de wagen voorbij het wachthuisje
den eersten hof van het stadhouderlijk verblijf wilde inrijden, werd
hij aangehouden door vreemde gewapenden, met bruine krijgshaftige
aangezichten, en moest hij eenige oogenblikken hier wachten tot een
Arabisch bevelhebber verscheen, die verlangde te weten wie zij waren
en wat zij begeerden.

Zij antwoordden met bevende stem, waarop haar werd medegedeeld, dat
zoo even op last der Arabische regeering beslag was gelegd op het
stadhouderlijk paleis. Orion was van eene groote misdaad beschuldigd
en zijne gasten moesten morgen het huis verlaten. Katharina, die den
tolk kende, kreeg vergunning Heliodora naar de vrouw van den senator
te vergezellen, zich van den wagen te bedienen om terug te rijden en,
als zij dit begeerde, de Byzantijnsche met zich naar huis te nemen;
want in het stadhouderlijk verblijf zou het er in de eerste dagen
zeer oorlogzuchtig uitzien.

Zij hielden nu te zamen raad. Het kwikstaartje drong er op aan, dat
Heliodora haar terstond naar hare moeder zou vergezellen, want zij
hield zich en hare gezellin voor verpest; en hoe zouden zij, in dit
door soldaten bezet gebouw, een bad kunnen nemen? De jonge vrouw kon
en durfde in dezen toestand niet bij vrouw Martina blijven. Morgen
moest ook de matrone bij Katharina komen; hare moeder, zeide zij,
zou zich bijzonder verheugen over zulke lieve gasten.

De weduwe liet werktuigelijk alles met zich doen, en nadat vrouw
Martina gaarne had ingewilligd, om de uitnoodiging van hare "reddende
engel" te volgen, bracht de wagen beiden naar het huis der weduwe
Susanna. Deze was reeds lang te bed en hield zich vast overtuigd,
dat haar dochtertje in hare vriendelijke kamer lag te slapen en te
droomen. Katharina liet haar niet wekken en de badkamer was zoover
verwijderd van Susannas vertrekken, dat zij rustig doorsliep, terwijl
haar kind en hare nieuwe gast er gebruik van maakten.



ELFDE HOOFDSTUK.


Het was in de stadhouderlijke woning een ontzettende nacht. Vrouw
Martina vroeg zich af welke zonde zij begaan had, dat zij juist
uitverkoren was, getuige van zulk een ongeluk te zijn. En wat werd
er nu van hare huwelijksplannen? Eene verhuizing in deze ontzettende
hitte was zeker eene ware beproeving; maar zij had eenige malen uit het
eene verblijf naar het andere willen trekken en zich als een bal heen
en weer willen laten werpen, als zij daardoor haren lieven "grooten
Sesostris" uit dit verschrikkelijk gevaar had kunnen redden. Dit
alles was zeker het gevolg van die onzinnige, dolle geschiedenis
met de nonnen. En deze Arabieren! Zij namen maar wat hun behaagde,
en waren waarlijk in staat den zoon van den grooten Mukaukas uit te
plunderen en tot een bedelaar te maken. Eene fraaie geschiedenis! Nu
Heliodora had voor beiden genoeg, en zij en haar man behoefden haar
in hun testament niet te vergeten. Doch hier was misschien sprake
van geheel andere dingen: van leven of dood.

Bij deze gedachte voer eene rilling haar door de leden en hare vrees
zweefde niet in de lucht. De zwarte Arabier, die tot haar gekomen
was, om met haar te onderhandelen en haar ten slotte toe te staan
tot morgen in de stadhouderlijke woning te blijven, had haar dit
juist door den tolk doen weten. Een ongehoord, afgrijselijk onheil,
waarvoor geen naam was te vinden! En zij daar midden in, gedwongen
alles mede te beleven! En haar man, haar arme Justinus. Hoe moest
hem dit alles ter harte gaan! Hare oogen werden niet droog, en voor
zij insliep bad zij recht vurig, dat hare heilige en de goede moeder
Gods dit alles tot een verblijdend einde mochten brengen. Met de
gedachte: "Welk een ongeluk!" sloot zij de oogen en in den vroegen
morgen ontwaakte zij daarmee weder.

Toch was het ontzettendste, wat er in dezen noodlottigen nacht had
plaats gehad, niet tot hare ooren doorgedrongen. Eene schare Arabische
krijgslieden was bij het aanbreken van den nacht te voet, te paard en
in booten den Nijl overgestoken, en had, onder aanvoering van den Wekil
Obada, het stadhouderlijk paleis omsingeld. Nadat het stellig gebleken
was, dat Orion zich inderdaad op reis bevond, werd de rentmeester Nilus
gevangen genomen. Vervolgens hadden de zwarten in last de weduwe van
den Mukaukas van het gebeurde te onderrichten en haar aan te zeggen,
dat zij reeds morgen het huis moest verlaten. Dit moest geschieden,
omdat de Wekil met het eerwaardig verblijf van het oudste geslacht
in den lande iets zeer bijzonders in den zin had.

Vrouw Neforis was nog wakker en hield zich in de fonteinzaal op, toen
de tolk, als voorlooper van Obada, zich bij haar liet aandienen. Hij
vond haar een weinig onthutst, want ofschoon zij niet meer in
staat was regelmatig te denken, en haar de invallende gedachten als
bliksemschichten door de hersens schoten, als zij haar geest moest
inspannen, zoo had zij toch bemerkt, dat er iets bijzonders in hare
woning plaats had. Maar zoowel de huismeester Sebek als hare kamenier
hadden hare vragen ontweken en daarop in zooverre geantwoord, dat
naar zij zeiden de plaatsvervanger van Amr gekomen was, om met den
jongen heer te spreken. Het scheen eene belangrijke zaak te gelden,
misschien eene valsche aanklacht.

Orion, zoo berichtte de hermeneut, was aangeklaagd van eene onderneming
op het getouw te hebben gezet, die aan twaalf Arabische krijgers
het leven had gekost, en reeds de aanval op een enkelen muzelman van
de zijde eens Egyptenaars werd, gelijk zij wist, met den dood en de
verbeurdverklaring van het vermogen gestraft. Verder was haar zoon
van roof aangeklaagd. Aan het einde van zijne mededeeling, die vrouw
Neforis met strakke blikken, verbaasd en ten laatste als verpletterd
had aangehoord, vroeg de tolk gehoor voor den Wekil.

"Nog niet dadelijk, nog eenige oogenblikken," luidde het met moeite
uitgebracht antwoord van de weduwe, want zij moest zich eerst door
het genot van haar arcanum versterken. Zoodra dit gebeurd was, toonde
zij zich bereid Obada te ontvangen.

De zwarte vijand van haar zoon wenschte voor haar te verschijnen als
een mild en grootmoedig man, en deelde haar met vleiende onderdanigheid
mede, terwijl hij telkens zijne tanden liet glinsteren, dat zij
in den loop van den volgenden dag het huis verlaten moest, waarin
zij den langsten en gelukkigsten tijd haars levens doorgebracht
had. Op zijne verklaring, dat haar eigen vermogen niet aangetast zou
worden, en het haar vrijstond te Memphis te blijven of haar huis te
Alexandrië te betrekken, antwoordde zij gelaten, dat dit wel terecht
zou komen. Daarop vroeg zij, of de Arabieren haar zoon reeds in
handen hadden?

"Dat juist niet," antwoordde de Wekil, "doch wij weten waar hij
schuilt, en morgen of overmorgen hebben wij den beklagenswaardigen
jongeling in onze macht."

Bij de laatste woorden bemerkte de weduwe een glans van vergenoegen in
de oogen van den zwarte, die tot dusver getracht had zich medelijdend
te toonen, en met een zacht hoofdknikken ging zij voort: "Dus is het
hier een vraag van leven en dood?"

"Blijf bedaard, edele vrouw," luidde het antwoord, "alleen van
den dood."

Zij sloeg den blik ten hemel, bleef eenige oogenblikken in die houding
zitten, en vroeg dan verder: "En wie heeft hem van roof beschuldigd?"

"Het hoofd zijner eigen kerk..."

"Benjamin," prevelde zij binnensmonds, en haar mond vertrok zich tot
een eigenaardig lachje. Zij had gisteren haar testament opgesteld ten
gunste van den patriarch en de kerk. "Wanneer Benjamin het gelezen
heeft," had zij tot zichzelve gezegd: "verandert hij misschien van
gezindheid jegens u en de uwen, en laat hij ijverig voor ons bidden."

Daar zij verder niets zeide, zag de Wekil haar vragend en met eenige
verlegenheid aan, tot zij eindelijk opstond en niet zonder waardigheid
afscheid van hem nam met de opmerking, dat de zaken hiermede
afgehandeld waren en zij verder niets met hem te bespreken had.

Hiermede was dit onderhoud afgeloopen, en toen de Wekil de fonteinzaal
verlaten had, mompelde hij bij zichzelven: "Welk eene vrouw! Zij is
of van demonen bezeten en niet wel bij het hoofd, of eene buitengewone
heldin!"

Vrouw Neforis liet zich naar haar slaapkamer brengen, en nadat zij
zich te bed gelegd had, beval zij de kamenier zeker kastje uit hare
kist te nemen en het op het artsenijtafeltje aan het hoofdeinde van
haar legerstede te plaatsen. Toen zij alleen was haalde zij de beide
brieven, die de Mukaukas Georg haar als bruidegom geschreven had,
en een gedicht, dat Orion eens aan haar gericht had, daaruit te
voorschijn en beproefde ze te lezen. Doch het schemerde haar voor
de oogen, zoodat zij de bladen weer moest wegleggen. Daarop nam zij
een pakje ter hand, dat de lokken bevatte, die zij van de verstijfde
hoofden harer gestorven zonen en haars gemaals had gesneden. Met
dweepachtige teederheid beschouwde zij deze dierbare voorwerpen, en nu
begon het opium zijn uitwerking te doen. Met tastbare duidelijkheid
traden de beeltenissen van de afgestorvenen voor hare verbeelding,
en zij ging met hen om als stonden zij in vollen levenskracht aan
haar bed. Met de lokken in de hand sloeg zij daarna den blik omhoog,
en trachtte zich voor den geest te brengen wat heden had plaats gehad
en wat haar wachtte. Zij moest dit vertrek, deze breede legerstede,
dit huis, kortom alles verlaten, waaraan de dierbaarste herinneringen
verbonden waren van hen, die zij zoo liefhad. Men wilde haar daartoe
dwingen--maar voegde het haar zich te onderwerpen aan den wil van
dien zwarte, dien vreemdeling, hier waar zij te gebieden had? Met een
minachtend lachje schudde zij het hoofd en opende een glazen fleschje,
hetwelk nog voor de helft met opiumpilletjes gevuld was, nam eenigen
op den tong en sloeg den blik weer naar boven. Daar deed zich een
nieuw visioen voor hare verbeelding op; zij zag hem, van wien ook de
dood haar niet had kunnen scheiden, en hare gestorven zonen aan zijne
voeten. En nu steeg Orion uit de wolken op, gelijk een duiker uit de
golven van den stroom, en sprong op den oever van het eiland, waar
haar gemaal stond met de jongelingen. Zijn vader opende voor hem de
armen en drukte hem aan zijn hart, en zijzelve, of althans haar schim,
voegde zich bij de anderen, en ieder ging haar teeder te gemoet, en
ten laatste ook haar gemaal, aan wiens borst zij bleef rusten. Was
zij reeds geruimen tijd en lang voor de Arabieren haar overvielen,
half bewusteloos en als beneveld geweest, thans gevoelde zij eene
aangename, de leden verlammende slaperigheid, waaraan zij zich geheel
en al verlangde over te geven. Doch nauwelijks had zij de oogleden
gesloten of de gedachte vloog haar weer door het hoofd aan hetgeen
haar wachtte, en met inspanning van al haar wilskracht richtte zij
zich op, nam het water dat steeds op het tafeltje bij haar stond,
ten einde de rest van de pilletjes uit het fleschje er in te werpen
en den beker tot den bodem te ledigen.

Bij dit alles was hare hand rustig gebleven, en uit het tevreden lachje
om haar mond en den verlangenden blik van haar oog had men kunnen
opmaken, dat zij dorst gevoelde en zich een smakelijke drank gereed
maakte. Zij zag er allerminst uit als iemand, die in wanhoop de hand
aan zichzelve slaat, en zij gevoelde ook geen berouw, geen doodsangst,
geen drukkende last van een schuld, die zij op zich nam, maar eene
zoete vermoeidheid en hoop, zalige hoop op een leven zonder einde,
vereend met hare dierbaren. Maar nauwelijks had zij den doodelijken
dronk genoten, of eene ijskoude rilling ging door hare leden, half
opgericht riep zij de kamenier, die in het aangrenzend vertrek waakte,
en toen deze haar angstig in de strakke oogen zag, stamelde zij tot
haar: "Een priester, haastig--ik wil sterven!"

De dienares liep naar buiten en riep in het viridarium den huismeester
Sebek toe, die met den Wekil voor het tablinum stond, wat er gebeurd
was, en de zwarte stond hem toe aan het verlangen van zijne stervende
meesteres te voldoen en bracht hem zelf tot aan de voorpoort. Pas
buiten gekomen ontmoette de huismeester een diaconus, die zooeven aan
een pestzieke den zegen der kerk gebracht had, en eenige oogenblikken
later stonden zij aan de legerstede van de weduwe. Naast haar lagen
de lokken harer zonen, hare handen waren saamgevouwen rondom een
crucifix; doch hare oogen, die lang gestaard hadden op het aangezicht
van den Verlosser, waren thans weder met een glans van zaligheid naar
boven geslagen.

De priester riep haar bij den naam, doch zij vergiste zich in zijn
persoon; zij hield hem voor haar zoon en stamelde hem liefderijk toe:
"Orion, arm, arm kind! En gij, Maria, mijn hartje, mijn lieve kleine
schatje! Vader--ja, lieve jongen--vader, kom maar; hij is weder
goed en vergeeft u... Allen die ik heb liefgehad zijn weder bijeen,
en niemand--wie kan ons nog scheiden? Weet gij, man? Hoor, Georg!--"

De priester deed wat zijn ambt van hem vorderde, maar zij bleef in
de hoogte staren, zonder hem op te merken, en hare lachende lippen
bewogen zich daarbij onophoudelijk, hoewel het haar niet meer gelukte
duidelijke geluiden voort te brengen. Eindelijk kwamen zij tot rust, de
oogappels verdwenen achter de oogleden, de handen lieten het crucifix
los, zacht beefden hare leden, waarna zij zich uitstrekte en haar mond
opende, als om nog eens diep adem te halen. Maar hij sloot zich niet
weder, en toen de trouwe huismeester de lippen tot elkaar bracht was
haar gelaat reeds verstijfd en had haar hart opgehouden te slaan.--De
trouwe man snikte luide, en toen hij de treurmare aan den Wekil
overbracht, stiet deze een vloek uit en riep den onderbevelhebber,
die naast hem stond toe te zien, terwijl men eenige kameelen belaadde
met de schatten van het tablinum, spijtig toe: "Ik wilde die gekke,
oude vrouw grootmoedig ontzien, en nu speelt zij mij deze poets,
want die in Medina leggen mij haar dood ook nog ten laste als niet..."

Hier hield hij plotseling op, en terwijl hij zich weder tot de kameelen
en hun last keerde dacht hij: "Bij zulk een hoog spel komt het op
een paar goudstukken meer of minder niet aan. Er moeten nog eenige
koppen van den romp--die van den schoonen Egyptenaar voor allen.--Als
de saamgezworenen in Medina hun plicht maar doen! De ondergang van
Omar brengt ook Amr ten val, en daarmede komt alles terecht!"



TWAALFDE HOOFDSTUK.


Katharina had weinig geslapen en was volgens hare gewoonte zeer vroeg
opgestaan, terwijl Heliodora de morgenuren gaarne versliep. Deze waren
in zulk een gloeiend heeten tijd zeker de schoonste van den dag, en
het kwikstaartje had ze vroeger vroolijk genoten. Maar hoewel eene
groote Indische bloem in den afgeloopen nacht voor de eerste maal was
opengegaan, en de tuinopzichter haar deze met zekeren trots toonde,
kon zij er toch geen behagen in scheppen. De bloem mocht verdorren
en met haar de geheele wereld!

In 's buurmans tuin was nog geen beweging. Doch daar kwam de lange
arts Philippus op de straat aanloopen, om de vrouwen hiernaast te
bezoeken. Met enkele groote stappen ijlde zij naar de poort en riep
hem aan. Zij wilde hem verzoeken over de ontmoeting van gisteren te
zwijgen, doch hij bleef terstond staan en deelde haar mede, voor zij
nog tijd had gevonden hem haar wensch te openbaren, dat de weduwe van
den Mukaukas in dezen nacht, door schrik en ontzetting overmand haar
gemaal gevolgd was.

Er was een tijd geweest, waarin het kwikstaartje aan vrouw Neforis
als aan eene tweede moeder gehecht was, waarin het stadhouderlijk
paleis in haar oog het kort begrip was geweest van al wat groot,
eerwaardig en voornaam was; waarin zij er trotsch op was geweest
en er zich gelukkig in had gevoeld, daar in en uit te mogen gaan;
daar als een kind des huizes bemind te worden. De tranen, die bij
dit bericht in hare oogen welden, waren dus niet geveinsd, en het was
haar goed die vroolijke, trotsche en gelukkige houding te verlaten,
die zij als een masker had aangenomen, sedert het er in hare ziel
zoo duister, woest en ellendig uitzag.

De arts begreep hare droefheid, beloofde haar gaarne tegen ieder
te zullen zwijgen, berispte haar niet, bracht haar echter nogmaals
het gevaar onder de oogen, waaraan zij zich had blootgesteld, en
herinnerde haar met nadruk, dat elk kleedingstuk, hetwelk zij en
Heliodora gisteren gedragen hadden, moest worden weggedaan, daar de
fijne aanstekelijke stofdeeltjes aan alles bleven hangen, en ieder
kleedingstuk, dat een kranke had aangeraakt, zeer best in staat was om
het pestgif op anderen over te dragen en verder te verbreiden. Angstig
hoorde zij hem aan en zij kon hem gerust stellen, want alles wat
zij en de jonge vrouw gisteren gedragen hadden, was in den badoven
gestopt. De arts ging hierop verder, maar zij sloeg geen acht op
de hitte en wandelde rusteloos rond in de paden van den tuin. Haar
hart klopte met kleine, snelle, pijnigende slagen; een onzichtbare
last drukte en verhinderde haar vrij adem te halen. Daarbij steeg er
eene reeks kwellende gedachten ongeroepen bij haar op, die zich niet
lieten onderdrukken en hare beklemdheid vermeerderden.

Vrouw Neforis dood, de stadhouderlijke woning in handen der
Arabieren. Orion van al zijne goederen beroofd en aangeklaagd op
leven of dood! En dat vreedzame huis daar achter de heg! Wat stond
het te wachten, en zijn zilverharigen heer en diens onschuldige
vrouw en dochter? Er pakte zich boven hunne hoofden een onweder
samen, zij zag het naderen, en daarachter als eene nieuwe, donkere
met den dood dreigende wolk de pest, de vreeselijke pest!--En al
die schrikkelijke dingen had zij, zij, het kleine, zwakke meisje,
het vlugge kwikstaartje te voorschijn geroepen; zij was het geweest,
die de sluizen had geopend, waaruit thans het verderf links en rechts
van haar zich uitstortte. Zij zag den vloed wassen en stijgen, zag
dien reeds haar eigen huis, haar eigen voet begeerig omspoelen, en
zij werd zoo bevreesd, dat de gedachte hieraan alleen haar het zweet
op voorhoofd en handen deed uitbreken; en toch, toch! Al had zij
werkelijk de macht gehad, om het onweder in zijne wolken, de vloed
binnen zijne bedding terug te dringen, zij zou het toch niet gedaan
hebben. Het laatste wat zij wenschte, wat zij als vrucht van het
door haar gezaaide begeerde te zien opschieten en zich ontwikkelen,
was nog niet gekomen. Om dat te beleven was het waard veel te dulden,
ja als het zijn moest deze valsche, heete aarde vaarwel te zeggen,
die alle aantrekkelijkheid voor haar verloren had.

Boven Orions hoofd hing het zwaard, en vóor het hem trof zou hij
weten, wie het voor hem geslepen had. Misschien bracht hij er het
leven af, maar de Arabier gaf niet terug wat hij eens bezat, en
moest werkelijk de jonge, schitterende Kroisos als bedelaar uit de
gevangenis in het leven terugkeeren, dan, dan.... Maar Paula! Maar
Heliodora! Hare kleine hand had aan den adelaar van Zeus nu eenmaal
den bundel bliksemstralen ontwrongen,--dan vond zij ook voor deze een
schicht! Het gevoel harer geweldige macht, die reeds het eene offer
na het andere had doen vallen, bedwelmde haar. Zij wilde Orion, wilde
hem die haar bedrogen had, in het verderf gestort en aan ellende prijs
gegeven, als bedelaar aan hare voeten zien, en dat was het wat haar
den moed gaf, om ook het uiterste te wagen; dat, en dat alleen! En
wat haar dan zou lusten te doen, dat wilde zij zelve nog niet weten,
dat lag in den schoot der toekomst verborgen, dat kon misschien teeder,
barmhartig en liefderijk uitvallen.

Toen zij in huis terugkeerde waren angst en beklemming van haar
geweken; een nieuwe lust om te handelen vervulde hare ziel, en de
kleine luistervink en belaagster was in deze uren eene vreeselijke
vrouw geworden die voor geene misdaad terug zou deinzen en zich
volkomen bewust was van het doel, dat zij bereiken wilde.

"Arm schaapje!" dacht de arts Philippus, toen hij den tuin van
Rufinus inliep, "de ongelukkige zal ook haar kleine hartje leed genoeg
hebben gedaan!"

De tuin van zijn ouden vriend was ledig. Alleen onder de sykomore
zaten twee menschen, de reuzengestalte van een jonkman en een schoone,
teedere, wat bleeke, blondharige vrouw. De groote jonkman hield een
breede streng wol met de kolossale handen uit elkander en het meisje
naast hem wond den draad tot een kluwen. Het was de Masdakiet Rustem
en de schoone Mandane; beiden waren van hunne wonden hersteld, terwijl
de Perzische tot een nieuw, kalm, zelfbewust leven was ontwaakt.

Philippus had deze wonderbare herstelling met groote belangstelling
en deelneming gevolgd. Hij schreef haar allereerst toe aan de sterke
hoofdbloeding, vervolgens aan de goede lucht en de verpleging, die
zij genoten had. Het kwam er nu op aan haar ook verder voor onrust
en hevige gemoedsaandoeningen te bewaren. In den Masdakiet had zij
een vriend en gehoorzamen vereerder gevonden, en Philippus verheugde
zich in den aanblik van deze twee, met wie zijne kunst geen schande
had ingelegd. De groet, die hij beiden toeriep, klonk vroolijk en
hartelijk, en op Philippus' "hoe gaat het?" antwoordde de Masdakiet
blijmoedig: "Als een visch in het water!" en vervolgde, terwijl hij
daarbij op Mandane wees: "Mijne landgenoote evenzoo."

"Zijt gij het daarmee eens?" vroeg Philippus, en zij stemde toe met
een levendig hoofdknikken.

Philippus stak dreigend zijn vinger tegen den Pers op en zeide:
"Wikkel u hier niet vast, vriend! Wie weet hoe spoedig heer Haschim
u vanhier roept!"

Terwijl hij het herstelde paar vervolgens den rug toekeerde, prevelde
hij in zichzelven: "Toch altijd nog iets verkwikkends bij al de
ellende, zij en de kleine Maria!"

Voor zijn vertrek had Rufinus de vergroeide kinderen, die hij bij
zich had opgenomen, naar hunne ouders teruggezonden, en de arts vond
dus niemand in de voorzaal. Waarschijnlijk waren de vrouwen aan het
ontbijt in de spijszaal. Doch hij bedroog zich, want dit zou eerst
later beginnen en Pulcheria was nog bezig met de tafel gereed te
maken. Zij merkte hem, die binnentrad niet op, terwijl zij druiven en
granaatappelen, vijgen en vruchten, die in bundels uit den stam der
sykomoren ontspruiten en in smaak op moerbeziën gelijken, zorgvuldig
schikte tusschen bladeren, die door den gloed der laatste weken half
geel waren geworden. Het aardige bouwsel rondde zich reeds tot een
sierlijken kegel in vele geledingen. Doch hare gedachten waren niet bij
dezen arbeid, want herhaaldelijk biggelden haar tranen langs de wangen.

"Die gelden haar vader," dacht Philippus, terwijl hij in de deur
staande haar beschouwde. "Arm kind!" Hoe vaak had hij zijn vriend
haar dus hooren noemen! En voor hem was zij tot nu toe ook een kind
geweest. Heden moest hij haar echter met andere oogen aanzien, omdat
haar eigen vader het aldus had gewild; ook stond hij werkelijk
voor haar als voor een wonder. Wat was er uit die kleine Pul
geworden? En waarom merkte hij dit eerst heden op? Eene schoone,
volwassene jonkvrouw roerde daar voor hem de sneeuwwitte armen,
en kort geleden zou hij hebben gezworen, dat zij nooit andere dan
dunne kinderarmpjes had gehad, die zij hem zoo vaak om den hals had
geslagen, wanneer zij op hem, haar "edelen ruiter", in den tuin op en
neder had gereden. Hoe lang was dat geleden? Tien jaren! Zij telden nu
zeventien! En hoe teeder, slank en blank waren die handen geworden,
waarover de moeder haar zoo vaak berispt had, als zij zandhuisjes
had gebouwd en terstond daarop aan tafel was gaan zitten.

Nu legde zij een druiventros in sierlijke winding rondom eenige
granaatappels, en daarbij bedacht hij, hoe zijn oude vriend gisteren
hare huishoudelijkheid had geroemd. De gordijnen voor de vensters waren
gesloten, toch vonden enkele zonnestralen den weg in het vertrek en
vielen op hare goudblonde haren. Zulk een heerlijk gekleurde haartooi
hadden zelfs de blonde Boeotische meisjes niet gehad, die hij als
student van Athene uit in haar vaderland had bewonderd. Dat zij een
aardig, lief gezichtje had, wist hij sedert lang; doch toen zij de
oogen opsloeg, hem opmerkte en haar blik zoo maagdelijk schuchter,
zoo aangenaam verrast en tevens zoo vriendelijk de zijne ontmoette,
gevoelde hij dat hij eene kleur kreeg, en hij moest eerst eenige
oogenblikken tot bezinning komen, eer hij haar groet met iets
beters dan een gewonen wedergroet kon beantwoorden. En met welken
veelbeteekenenden volzin begon hij zijne toespraak, waarop hij zich
in deze pauze bedacht had?

"Ja, daar ben ik," luidde het woordelijk. Waarlijk dit verdiende niet
het hartelijk antwoord: "Goddank dat gij komt!", en de met zulk een
bevallige verlegenheid erbij gevoegde verklaring: "Al ware het enkel
om moeders wil!"

Daar kleurde hij andermaal, de man, die van jeugdige bedeesdheid
sedert lang niet meer wist, en vroeg naar den welstand van vrouw
Johanna en hoe zij haar leed droeg, en zeide eindelijk ernstig: "Wat
booze tijdingen bracht ik u gisteren, en heden kom ik weder als een
ongeluksraaf in huis fladderen."

"Gij?" vroeg zij vriendelijk, en in dit enkele woord lag zulk een
lieftallige twijfel aan zijne bedoeling, om iets kwaad te brengen,
dat hij erkennen moest, zijn vriend hem in dit kind, in deze jonkvrouw
het beste had nagelaten wat de eene sterveling den ander vermaken kan:
eene dierbare, trouwhartige, onschuldige dochter, neen, een zuster,
zoo rein, zoo aanminnig en beminnenswaardig, als alleen het kind van
zulke ouders zijn kon. En terwijl hij haar vervolgens vertelde, wat
er in de stadhouderlijke woning gebeurd was en bemerkte hoe zeer haar
om Paula's en Maria's wil de dood van de weduwe ter harte ging, die
haar overigens vreemd was, besloot hij Pulcherias moeder zoo spoedig
mogelijk met den wensch van haar overleden echtgenoot bekend te maken.

Doch dit alles stelde de vroegere gevoelens voor Paula in geenen deele
in den schaduw, neen, zij kwelden hem heden meer dan ooit en brandden
hem op het hart; maar hij erkende daarbij, dat zij hem ongelukkig
maakten, dat hijzelf zich daarmede schade berokkende en beleedigde,
daar zij niet beantwoord werden. Hij wist, dat hij in de nabijheid
van de Damasceensche, veroordeeld om met haar samen te leven, nooit
tot rust zou komen en leed op leed te verduren zou hebben. Alleen
ver van haar en onder éen dak met Johanna en hare dochter kon het
hem gegeven zijn een tevredener, gelukkiger mensch te worden. Toch
waagde hij nog niet deze gedachte onder woorden te brengen.

Pulcheria bemerkte, dat hij iets voor haar verzweeg en vreesde dat
hem opnieuw iets bekend was geworden, dat haar bedreigde, doch deze
bezorgdheid kon hij wegnemen door te verzekeren, dat hij veeleer iets
in het schild voerde, dat hem althans verblijdend toescheen. Maar
haar bekommerd en zeer beangstigd gemoed kon daaraan nauwelijks
gelooven en daarom smeekte hij haar de hoop op beter dagen niet te
laten varen en vroeg haar, of zij goed en vast vertrouwen in hem
stelde. Daarop antwoordde zij blijmoedig, dat hij dit wel voelen kon,
en terwijl vrouw Johanna en de anderen de kamer binnenkwamen, en
zij hare moeder, die zij reeds in de vroegte begroet had, toeknikte,
reikte zij hem de hand, greep de zijne en schudde die hartelijk. Dat
waren verkwikkende oogenblikken voor hem geweest, doch het zien van
Paula en wat hij haar had mede te deelen, bracht hem weder in de oude,
gedrukte, ongelukkige stemming.

De kleine Maria, die weder roode koonen had gekregen en er gezond
uitzag, vloog bij de booze tijdingen, die hij overbracht, snikkende
Paula om den hals. Deze hield zich echter bedaarder dan hij verwacht
had en wist zich te beheerschen. Wel-is-waar was zij eerst doodsbleek
geworden, doch weldra had zij rustig en kalm geluisterd en eindelijk
hare vrije, opgerichte houding weder aangenomen. Philippus moest de
hand aan het hart brengen toen hij haar zag, en zoodra het voegzaam
geschieden kon vertrok hij. Het was als moest hem nog eens duidelijk
en smartelijk voor oogen gesteld worden, wat hij in haar had kunnen
bezitten, want als gedragen door een hooger gevoel schreed zij
daarheen, en een fantastische glans verleende haar edel gelaat eene
betoovering, die hem evenzeer pijn deed als ze hem in verrukking
bracht.

Orion een van zijne goederen beroofde gevangene! Maar korten tijd
had deze gedachte haar schrik aangejaagd; doch daarna was het haar
geweest, als moest het juist zoo zijn, als ware datgene wat op het
eerste gezicht een vreeselijk onheil scheen, haar toegezonden, om
haar liefde geheel van het omhulsel te bevrijden, haar in al hare
grootte en reinheid in het licht te stellen, en daaraan met hulp
van den Algoede de rechte wijding te geven. Voor zijn leven was
zij niet bevreesd, want hij had haar gezegd en geschreven, hoe de
veldheer Amr hem met vaderlijke genegenheid tegemoet was gekomen,
en alles wat thans gebeurde was zeker een streek van den Wekil, van
wiens boosaardig en hatelijk voorkomen hij een afschrikwekkend beeld
had geteekend, terwijl Rufinus de abdis was gaan waarschuwen.

Toen het huis van den vriend achter Philippus lag, haalde hij weer
vrijer adem. Wat had hij die vrouwen geheel anders gevonden dan
hij verwacht had! Zijn oude vriend kende de menschen! Uit kleine
aanwijzingen was het den grijsaard gelukt zich een vollediger beeld van
Pulcheria te vormen, dan hij door jaren lange vertrouwelijke omgang
zou hebben kunnen verkrijgen. Ook dat had de oude vooruitgezien,
dat de gevaren, die des stadhouders zoon bedreigden, Paulas gevoelens
voor Orion als eene frissche koelte zouden aanwakkeren. En Johanna,
de teedere zwakke Johanna, hoe droeg zij als eene heldin het verlies
van hem, voor wien zij zoovele jaren in trouwe liefde had geleefd. Hij
kwam er vanzelf toe haar met de ongelukkige Neforis te vergelijken,
en wat was het, dat Johanna het zwaarste verlies zooveel waardiger
deed dragen dan deze? Zeker dit, dat het teeder gemoed harer Pulcheria,
hetwelk het leed zoo eenvoudig en stil met haar droeg, dat verlies zoo
gaarne en verstandig met haar deelde. Zulk een hart had der weduwe
van den Mukaukas ontbroken, en gelukkig wie zulk een hart het zijne
kon noemen. Met gebogen hoofd liep hij den tuin door, ditmaal zonder
ter zijde te zien.

De Masdakiet, die nog altijd met Mandane onder de sykomore zat en
even weinig als zij letsel had van de steeds toenemende zonnehitte,
keek hem na, wees op hem en zeide: "Daar gaat hij! Het was zeker
voor de eerste maal, dat hij u of mij een norsch woord toesprak;
of hebt gij het niet verstaan?"

"Wel zeker," zeide zij zacht, zonder de oogen van haar handwerk op
te slaan.

Zij spraken Perzisch met elkander; want zij hadden de taal nog
niet verleerd, die hunne moeders tot het laatst met hen gesproken
hadden. Het leven gelijkt soms op het wonderlijkste sprookje, en men
kon het bijna een wonder noemen, dat juist deze twee in de ziekenkamer
bij elkander gekomen waren, want zijn afgelegen vaderland was ook
het hare, en hij kende ook haar oom, den broeder haars vaders, en
de treurige geschiedenis van den laatste. Toen het Grieksche leger
zich van zijne landstreek had meester gemaakt, waren de mannen met
de kudden in de bosschen gevlucht, de vrouwen en kinderen in het
vestingwerk, dat den landweg verdedigde. Dit had maar korten tijd
tegen de Byzantijnen stand kunnen houden, en de vrouwen, waaronder
ook Mandane en hare moeder, waren onder de soldaten verdeeld als een
kostbare krijgsbuit. Haar vader had toen een gewapende bende rondom
zich vereenigd, om de vrouwen te bevrijden, doch was daarbij met
zijne gezellen om het leven gekomen. Men sprak nog heden ten dage
in dien streek over het treurige einde van den moedigen man, en zijn
jongeren broeder behoorde thans het goed en de heerlijke graslanden,
die gene eens bezeten had.

Zoo hadden beide herstellenden elkander veel van vroeger te vertellen
en het was merkwaardig, hoe vele herinneringen uit hare eerste
kindschheid Mandane waren bijgebleven. Met benevelde hersens was
haar gewond hoofd op het kussen in het ziekbed neergelegd, en gelijk
een onweder, dat de verstikkende lucht van een drukkenden zomerdag
zuivert, had het nieuwe leed den sluier weggenomen van de oogen harer
ziel. Zij verwijlde gaarne bij hare kindschheid, den tijd toen zij
hare moeder nog bezat, en bij het tegenwoordige; wat daar tusschen
lag was voor haar als de nachtelijke hemel; donker, maar verhelderd
door eene schrikwekkende komeet en schitterende sterren. Die komeet
was Orion. Wat zij met hem genoten en door hem geleden had, rekende
zij tot den tijd van haar waanzin; zij had zich gewend, dat alles toe
te schrijven aan de zinsbegoocheling, waarin zij toen bevangen was
geweest. Hare ziel was niet geschapen om te haten, en zij wilde en
kon den zoon des stadhouders niet vijandig gezind zijn. Zij stelde
zich hem voor als een die haar zonder boos opzet groot onrecht had
aangedaan, en aan wien zij zelfs niet meer denken mocht, zonder zich
aan gevaar bloot te stellen.

"Dat wil dus zeggen," begon de Masdakiet weder, "dat het ook u niet
onverschillig zal zijn, als Haschim mij terugroept?"

"Neen, Rustem, dat zou mij zeer leed doen."

"O!" riep de ander, terwijl hij zijne hand streek over zijn groot
hoofd, waarop het zware haar, dat men had afgesneden, weder begon
langer te worden. "Ja, dan, Mandane, dan.... Ik heb reeds gisteren
willen spreken, doch het kwam er nog niet uit; maar nu: Waarom doet
het u eigenlijk leed, dat ik vertrekken moet?"

"Omdat--ja wie kan dat zoo ineens zeggen--omdat gij altijd goed
voor mij waart, en omdat gij mijn landsman zijt en ik met u Perzisch
spreken kan, evenals met mijne moeder."

"Zoo, daarom dus alleen?" vroeg de ander op gerekten toon, terwijl
hij zich over het voorhoofd wreef.

"Neen, neen! Ook omdat.... Als gij ons eenmaal verlaten hebt, dan
zijt gij er ook al niet meer...."

"Ja, dat is het juist, dat is het! En als u dat leed doet, dan moet
het u hier toch bevallen hebben--zoo samen met mij."

"Waarom ook niet? Het was zeker heel prettig," zeide zij, terwijl
zij blozende zijn blik trachtte te ontwijken.

"Dat was het ook, en is het nog altijd!" zeide hij met de breede vuist
in zijne linkerhand slaande. "En juist daarom moet het er eens uit,
daarom moeten wij, als wij verstandig zijn, niet meer van elkander
scheiden."

"Maar uw heer zal u noodig hebben!" zeide zij, met toenemende
ongerustheid, "en wij kunnen die goede menschen hier toch niet altijd
tot last zijn. Ik mag nog niet weven, maar nu ik toch vrij ben en
het geschrift in handen heb dat mij de vrijheid wedergeeft, moet ik
naar werk omzien, en een krachtig, gezond man als gij zijt kan zich
toch ook niet altijd laten verplegen."

"Wat verplegen!" zeide de Masdakiet, terwijl hij vergenoegd lachte. "Er
moet gewerkt worden, gewerkt en wel voor drie!"

"Bij uw kameelen: altijd op reis?"

"Dat moet dan ophouden," antwoordde hij meesmuilend. "Wij gaan naar
ons land terug, ik koop mij daar een goed stuk weiland, want mijn
oudste broeder heeft ons goedje, en of ik de kameelfokkerij versta,
dat kunt gij aan Haschim vragen."

"Maar, Rustem, bedenk toch!"

"Bedenken! Denken voor en na! Willen en hebben daarop komt het
aan! En als gij meent dat er geld noodig is om te koopen, en dat
het haperen zal aan dat goedje, zoo kan ik u zeggen.... Kunt gij
lezen?--Neen?--Ik ook niet, maar hier in mijn taschje heb ik de
afrekening van mijn heer, met zijne eigene hand geschreven. Elfduizend
driehonderdzestig drachmen waren het aan loon, tot den laatsten
termijn, verstaat ge, en aan winst, waarin de heer mij liet deelen
sedert ik de karavaan leidde. Hij heeft bijna alles voor mij bewaard;
want voor mijn onderhoud behoefde ik niet te zorgen; van de koopwaren
viel altijd genoeg af om mij te dekken, en een slemper ben ik nooit
geweest. Elfduizend driehonderdzestig drachmen! He, mijn duifje,
zoo staat het; en wat zegt gij nu? Kan daarvoor ook iets gekocht
worden? Ja of neen?"

Hij zag haar zegevierend aan, doch zij antwoordde met warmte: "Wis
en zeker, en hij ons te lande, geloof ik, iets heel aardigs."

"En wij--gij en ik--wij--er zal nu een geheel nieuw leventje
beginnen. Ik was zeventien jaren oud, toen ik den meester volgde en
bij de laatste zonnestilstand ben ik zes-en-twintig geworden. Hoe
veel jaren was ik dus reizende?"

Beiden dachten een poosje na, waarop Mandane schuchter zeide: "Als
ik mij niet vergis zijn het er acht."

"Het zijn er reeds negen, geloof ik," hernam hij met nadruk. "Laat
eens zien; hier met het handje! Ziet ge met de zeventien begin ik--zoo
oud was ik toen ik in dienst trad. De kleine vinger eerst--wat een
lief fijn dingetje!--en nu de andere!"

Hij hield hare rechterhand vast en telde aan hare vingers verder, tot
hij aan den laatste der linkerhand gekomen was. De uitkomst deed hem
verbaasd opzien, en het hoofd schuddende zei hij: "Men heeft toch aan
de twee handen tien vingers, en tien jaren kunnen het nog niet zijn,
het zijn er hoogstens negen!"

En thans begon het tellen, dat hem zeer behaagde, van voren aan, doch
de uitkomst bleef dezelfde; zij verzekerde nochtans, dat het maar
negen waren; zij had het berekend, en hij gaf haar gelijk en meende,
dat hare vingers betooverd waren. Ja, het spel zou nog lang hebben
voortgeduurd, als zij niet op het denkbeeld was gekomen, dat men de
zeventien niet mee mocht tellen, maar dadelijk met achttien beginnen
moest. Rustem kon dat echter niet goed begrijpen, en toen hij niettemin
toegaf, liet hij toch hare hand niet los en ging vroolijk voort: "Ziet
gij, lief kind, deze kleine hand--gij moogt haar nu terugtrekken als
ge wilt--deze hand wil ik behouden, en met haar het aardige meisje,
en alles wat daartoe behoort. En ik neem u en de beide handen met de
betooverde vingers mede naar mijn huisje. Daar kunnen zij vlijtig weven
en borduren, en als man en vrouw zullen we nooit weer van elkander
scheiden. Eén leven zullen wij leiden--éen leven--de vreugde van
het Paradijs zal daarbij vergeleken zijn; als enkel slagen met een
knuppel van olijvenhout op den schedel; daar weet ik van te praten!"

Daarbij greep hij weder naar hare hand, doch zij trok haar terug en
zeide verlegen en met neergeslagen oogen: "Neen Rustem, ik heb reeds
gisteren gevreesd, dat iets dergelijks zou komen, doch dit kan nooit
gebeuren. Ik ben zoo dankbaar, o zoo dankbaar; maar neen, neen, dit
mag niet, daar blijft het bij. Uwe vrouw kan ik niet worden, Rustem!"

"Niet?" vroeg hij op doffen toon, en op zijn vermagerd voorhoofd
begonnen de aderen te zwellen. "Hebt gij mij dan vroeger voor den
gek gehouden? En wat gij daar bazelt van dankbaarheid..."

Hevig ontsteld stond hij op, doch zij greep hem bij den arm, trok hem
op de bank terug, waagde het hem met teederheid in de oogen te zien,
die niet lang boos konden kijken, en zeide: "Wat vliegt gij dadelijk
weer op! Het zal mij zeer stellig aan het hart gaan van u te scheiden,
en kunt gij het mij dan niet aanzien, dat ik u goed gezind ben? Maar
het gaat, waarlijk het gaat niet! Ik, ik... ach, kon ik maar weder
naar mijn vaderland terug, met u, juist met u! En uwe vrouw. Wat eene
verhevene, heerlijke gedachte is dat, en hoe gaarne zou ik voor ons
beiden de handen roeren, die vlijtig en bekwaam genoeg zijn, maar...."

"Maar?" vroeg hij terwijl hij zijn groot, vuurrood gezicht naar haar
toekeerde met eene uitdrukking, als wilde hij haar verslinden.

"Maar om uwentwil gaat het niet, en mag het niet gebeuren, neen,
waarlijk niet, want zoo slecht wil ik u voor al uwe goedheid niet
beloonen. Hebt gij dan geheel vergeten, wat ik was en wat ik ben? En
gij? Als vrij man gaat gij weldra met een mooi kapitaal naar huis
en kunt van iedereen achting en eerbied verlangen; doch dat alles
wordt anders, geheel anders, wanneer gij eene vrouw als ik ben met
u medesleept, eene,--al ware het maar alleen eene voormalige slavin!"

"Komt het dus daarop neer?" haastte hij zich te vrage