Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Het Leven der Dieren - Derde Deel, Hoofdstuk 1 tot 4, De Kruipende Dieren
Author: Brehm, Alfred Edmund, 1829-1884
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Het Leven der Dieren - Derde Deel, Hoofdstuk 1 tot 4, De Kruipende Dieren" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                          Het Leven der Dieren

                                  Door
                              A. E. Brehm.

     Naar den tweeden druk der volksuitgaaf voor Nederland Bewerkt
                                  Door
                            S. P. Huizinga.



          Tweede druk--met ongeveer 1200 fraaie afbeeldingen.

                              Derde Deel.

        Kruipende Dieren.--Visschen.--Insecten.--Lagere Dieren.


                      Zutphen.--P. van Belkum Az.



ALGEMEENE BESCHOUWINGEN OVER DEN BOUW EN DE LEVENSWIJZE DER KRUIPENDE
DIEREN.


De naam Amphibia ("aan weerszijden"--zoowel in 't water als op het
land--"levende") of Tweeslachtigen werd door Linnaeus, den grondlegger
van de hedendaagsche wetenschappelijke dierkunde, gekozen tot
aanduiding van een groep van Gewervelde Dieren, die men vroeger deels
tot de "Viervoetigen", deels tot de "Wormen" rekende. Cuvier verving
den naam Amphibia door dien van "Kruipende Dieren"--"Reptilia". Latere
onderzoekers hechtten aan de verschillen van vorm, van lichaamsbouw
en vooral van ontwikkelingsgang, die bij deze wezens voorkomen,
grootere waarde dan hieraan tot dusver was toegekend en verdeelden
hen in twee klassen, die zij met de reeds vroeger uitgedachte namen
"Reptiliën" of "Kruipende Dieren" en "Amphibiën" of "Tweeslachtige
Dieren" bestempelden. Deze verdeeling wordt tegenwoordig algemeen
aangenomen. De scheiding tusschen beide groepen is zelfs scherper
geworden: de klasse van de Kruipende Dieren wordt nog tot de Hoogst
ontwikkelde Gewervelde Dieren gerekend, terwijl de Amphibiën met de
Visschen als de Laagst ontwikkelde groep van de eerste en belangrijkste
hoofdafdeeling van het dierenrijk worden beschouwd.

De Kruipende Dieren (Reptilia) zijn "koudbloedige" Gewervelde
Dieren, die in alle levenstijdperken door longen ademen, dus geen
gedaantewisseling ondergaan, een hart bezitten, waarvan de voorkamers
of boezems meestal volledig, de kamers daarentegen meestal onvolledig
gescheiden zijn en welker lichaam bekleed is met door de huid gevormde
schubben en platen van hoorn of van hoorn en been. Met de uitdrukking
"koudbloedig" wordt bedoeld, dat de temperatuur van het bloed steeds
afhangt van die der omgeving en slechts weinig hooger is dan deze;
men zou ze dus eigenlijk "dieren met veranderlijke temperatuur"
moeten noemen. De gestalte der Kruipende Dieren is zeer verschillend;
sommige hebben een rondachtig of schijfvormig afgeplat lichaam,
bij andere is het in de lengte gerekt en wormvormig; bij gene wordt
het gesteund door pooten, bij deze niet; pooten vindt men ook bij
die, welke den overgang vormen tusschen de genoemde uitersten. De
hals is bij sommige zeer kort en onbeweeglijk, bij andere lang en
buigzaam. Zij, die met pooten voorzien zijn, hebben er gewoonlijk vier.

Het geraamte van de Kruipende Dieren is bijna geheel verbeend;
het biedt echter, wat de samenstelling der deelen betreft, zooveel
verscheidenheid aan, dat er weinig in 't algemeen van gezegd kan
worden. De schedel is min of meer afgeplat; veel sterker ontwikkeld
dan deze afdeeling van het skelet is dat van 't aangezicht en meer
bepaaldelijk dat van de kaken.

De wervelkolom is bij allen verbeend en duidelijk in wervels
gescheiden; hun aantal wisselt in verband met de lichaamslengte
buitengewoon sterk af; bij de Schildpadden bedraagt het weinig meer
dan 30, bij sommige Slangen daarentegen meer dan 400. Het aantal ribben
varieert eveneens zeer sterk; deze beenderen zijn steeds zeer volkomen
ontwikkeld, bij de Slangen zelfs tot op zekere hoogte volkomener
dan bij de overige dieren daar zij in alle richtingen bewogen kunnen
worden, bij de Schildpadden daarentegen vergroeien zij onderling en
maken een hoofdbestanddeel uit van het beenig rugpantser.

De mond is op zeer verschillende wijzen gewapend. De Schildpadden
hebben geen tanden: scherpe hoornlijsten bekleeden bij haar de randen
der kaken; bij de overige leden der klasse is het aantal tanden meestal
aanzienlijk en zijn niet slechts de kaakbeenderen, maar soms ook de
gehemeltebeenderen, vleugelbeenderen (zelfstandig geworden deelen van
het wiggebeen) en het ploegschaarbeen er mede bezet. Bijna algemeen
dienen de tanden uitsluitend voor het grijpen en vasthouden, zelden
voor het fijnmaken van het voedsel.

Ook de spijsverteringsorganen zijn zeer ongelijk. Bij enkele Reptiliën,
b.v. bij de Krokodillen, is de tong eenvoudig een vlakke verhevenheid
op het midden van de onderkaak; bij andere, b.v. bij de Schildpadden,
is zij vleezig, kort en dik; bij nog andere, de Hagedissen, nu
eens eivormig plat, dan weer in een scheede besloten, soms geschikt
om met kracht te worden uitgestoken, of, evenals die der Slangen,
gevorkt, in 2 lange, draadvormige punten gesplitst. De Schildpadden
onderscheiden zich door het bezit van een ondertongsklier, tal van
Hagedissen en Slangen door de aanwezigheid van lipklieren. Vele
Slangen hebben bovendien nog in de slaapstreek een groote klier, die
bij de leden van verscheidene familiën gif afscheidt, dat door een
buis aan een groeve op of aan een kanaal in de giftanden toegevoerd
wordt. De wijde slokdarm kan zich bij eenige verbazend sterk uitzetten
en gaat dan zonder scherpe begrenzing in de ruime, dikwandige maag
over, die door een plooi of klep van den darm gescheiden is. Deze
is wijd, weinig gekronkeld en kort; bij de Landschildpadden, die
van plantaardige stoffen leven, is hij het langst, n.l. 6 à 8 maal
zoo lang als het lichaam. De einddarm leidt, evenals bij de Vogels,
naar een kloak, die, behalve het afval van 't spijsverteringsproces,
ook de inhoud van de urineleiders en van de eileiders in zich opneemt
en deze--hetzij door een ronde opening (Krokodillen en Schildpadden)
of door een dwarse spleet (Slangen en Hagedissen)--naar buiten voert.

Het hart heeft twee volledig gescheiden voorkamers; de twee kamers
staan bij de Krokodillen niet met elkander in gemeenschap; bij alle
overige Reptiliën zijn zij door een meer of minder groote opening
verbonden, waardoor het bloed van de linkerkamer zich met dat van de
rechter vermengt.

De hersenen zijn veel minder volkomen dan die der Zoogdieren en Vogels,
maar veel beter ontwikkeld dan die der Amphibiën en Visschen. Onder
de zintuigen neemt het oog steeds den eersten rang in, hoewel
het bij eenige zeer klein is en soms geheel door de huid overdekt
wordt. Verscheidene familiën en groepen van familiën onderscheiden
zich door een eigenaardige wijze van beschutting van het oog. Het
eenvoudigst is zij bij de Slangen, waar de oogleden schijnbaar geheel
ontbreken, in werkelijkheid echter met elkander vergroeid zijn; het
vóór de pupil gelegen deel van de huid, dat de lichtstralen doorlaat,
gelijkt op een horlogeglas, dat in een plooi van de omringende huid
is gevat. Bij nagenoeg alle overige Kruipende Dieren is het bovenste
ooglid weinig ontwikkeld; gewoonlijk bestaat het eenvoudig uit een
stijve, half-kraakbeenige huidplooi. Het onderste ooglid daarentegen
is veel grooter en beweeglijker en kan de geheele vrije voorvlakte
van het oog bedekken; soms is het deel, dat voor de pupil komt te
liggen, doorzichtig en glad. Bovendien hebben de meeste Hagedissen,
de Schildpadden en Krokodillen een derde ooglid, het "wenkvlies",
dat, van den voorsten of binnensten ooghoek uitgaande, meer of minder
ver over het oog kan worden geschoven. Geheel op zichzelf staan onder
de Kruipende Dieren de Kameleons, die een kringvormig ooglid hebben,
dat tegen het uitpuilende gedeelte van het oog nauwsluitend aanligt
en slechts een kleine opening overlaat.

Een van de merkwaardigste gebeurtenissen, die in het laatste
vijftiental jaren op wetenschappelijk gebied hebben plaats gehad, is
de ontdekking van een overblijfsel van een zintuig, dat pineaal oog
of pariëtaal oog wordt genoemd. Het is midden op de kruin gelegen en
wordt bedekt door de huid, die zich hier door vorm en kleur dikwijls
duidelijk onderscheidt van haar omgeving. Sommige onderzoekers zijn
van oordeel, dat dit oog bij de Hagedissen en bij de Snavelhagedis ook
thans nog, hoewel in beperkte mate als gezichtsorgaan dienst doet;
anderen beschouwen het als een orgaan voor temperatuurwaarneming,
nog anderen meenen, dat het zijn vroegere beteekenis als zintuig
geheel verloren heeft.

Het gehoor van de Reptiliën is duidelijk lager ontwikkeld dan dat van
de Zoogdieren en Vogels: de gehoorschelp ontbreekt en de bestanddeelen
van het middenoor en het binnenoor zijn veel eenvoudiger dan bij de
warmbloedige dieren. Dat de huid van de Reptiliën gevoelig is, blijkt
uit hun voorliefde voor een ligplaats, waar zij aan de zonnestralen
blootgesteld zijn; daarentegen toonen zij in andere gevallen een
gevoelloosheid, die te recht verbazing wekt. De tastzin bereikt bij
sommige een zeer hoogen trap van ontwikkeling. Het hiervoor dienende
werktuig is vooral de tong, die, naarmate zij geschikter is voor 't
tasten, haar beteekenis als smaakzintuig meer en meer verliest. Ook
de reukzin is bij de Reptiliën niet bijzonder scherp, althans niet
tot waarnemingen op eenigen afstand in staat.

De meeste Kruipende Dieren ontstaan uit eieren, welke in de meeste
opzichten op die der Vogels gelijken, doordat zij een grooten,
vetrijken dooier en een meer of minder aanzienlijke laag eiwit
bevatten, omgeven door een lederachtige, dikwijls rekbare schaal,
waarop zich een zekere hoeveelheid kalk afzet. De ontwikkeling der
eieren begint meestal reeds vóór het leggen, in den eileider der
moeder; bij enkele wordt zij hier ook ten einde gebracht: het jong
verlaat dan reeds in den eileider de eischaal en wordt dus levend
geboren.

De Kruipende Dieren hebben hun bloeitijd achter den rug. Uit hetgeen
thans van de dieren der voorwereld bekend is, blijkt, dat geheele orden
van deze klasse uitgestorven zijn. Slechts vier orden--de Geschubde
Reptiliën, de Krokodillen, de Schildpadden en de Brughagedissen--zijn
tot in den tegenwoordigen tijd blijven bestaan. De versteende
overblijfselen van vroeger levende leden dezer klasse, die tot in
onzen tijd bewaard zijn gebleven, maken ons bekend met eene lange
reeks van zeer verschillende, buitengewoon merkwaardige dieren, die
door hun lichaamsbouw en hun uitwendig voorkomen gedeeltelijk aan de
Zoogdieren, gedeeltelijk aan de Vogels, gedeeltelijk aan de Amphibiën
en Visschen herinneren.

Toch bedraagt het aantal verschillende soorten van levende Kruipende
dieren nog omstreeks 3500, waarbij ongeveer 1645 Hagedissen, 55
Kameleons, omstreeks 1575 Slangen, 23 Krokodillen, 201 Schildpadden
en 1 Snavelhagedis; geen jaar gaat er voorbij, zonder dat, vooral
aan de groepen der Hagedissen en Slangen, vormen worden toegevoegd,
die tot dusver onbekend waren.

Verreweg de meeste Reptiliën bewonen de vlakten der keerkringsgewesten,
want meer dan van alle overige klassen van Gewervelde Dieren, neemt van
deze het aantal soorten af, naarmate men de polen nadert. Hetzelfde
verschijnsel merkt men op bij het vergelijken van de verschillende
hoogtegordels. Warmte is voor de Kruipende Dieren onmisbaar: zij zijn
des te talrijker in een gewest vertegenwoordigd, naarmate het heeter
is; hoe kouder het land, des te minder soorten van Reptiliën worden
er gevonden. Zeer weinige overschrijden den poolcirkel. Behalve
warmte verlangen vele soorten een vochtig klimaat. Afrika is
betrekkelijk arm aan Kruipende Dieren; Zuid-Azië daarentegen en
(in nog meerdere mate) Amerika vertoonen den grootsten rijkdom
van vormen en waarschijnlijk ook het grootste aantal leden van
dezelfde soort. Tusschen het sterk vertegenwoordigd zijn der klasse
en de grootte van de individuen bestaat in zooverre verband, dat de
grootste soorten de keerkringsgewesten bewonen, terwijl in de gematigde
aardgordels bijna geen andere dan kleine soorten gevonden worden.

Alle soorten dezer klasse zijn in meerdere of mindere mate aan
een zelfde terrein gebonden; bij geen enkel Kruipend Dier, de
Zeeschildpadden misschien alleen uitgezonderd, kan van "trekken" sprake
zijn in de beteekenis, die dit woord bij de Vogels heeft. Ofschoon
de Schildpadden van het stroomgebied, waarover zij verbreid zijn, ook
wel naar naburige wateren kunnen verhuizen, is toch een uitgestrekte,
waterlooze landstreek tusschen het door haar bewoonde gebied en een
anderen stroom voor haar onoverkomelijke hinderpaal. Hetzelfde geldt
van de soorten, die op het droge leven: reeds door een smalle zeeëngte
wordt haar verdere verbreiding tegengegaan. Toch komt het voor, dat
Reptiliën van dezelfde soort in nagenoeg gelijken getale aangetroffen
worden op terreinen, die door hindernissen van dezen of dergelijken
aard vaneengescheiden zijn; in dit geval is men wel genoopt aan te
nemen, dat de grenzen, die thans een scheiding teweegbrengen, in
vroegere tijden niet bestonden. Tot op zekere hoogte bevordert de zee
natuurlijk ook de verspreiding van deze dieren en stelt hen zelfs in
staat tot reizen, die men met het "trekken" der Vogels kan vergelijken.

De verblijfplaatsen der Reptiliën zijn zeer verschillend; over 't
geheel genomen kan men ze echter landdieren noemen. Slechts eenige
Schildpadden en Slangen bewonen voortdurend de zee; de overige leven op
het land, bij voorkeur in vochtige gewesten. Van de vele in zoetwater
voorkomende soorten, verlaten de meeste op bepaalde tijden het natte
element om zonnewarmte en rust te zoeken op het droge; slechts weinige
slapen in het water. Veelvuldiger nog dan in moerassen en rivieren
ontmoet men de Reptiliën in bosschen. Hier leven zij op en onder den
grond, tusschen struiken en wortels, op stammen, takken en twijgen van
boomen. Enkele eindelijk vestigen zich in droge, zonnige of rotsachtige
gewesten: vele Hagedissen en Slangen ontmoet men alleen in de steppe;
onbegrijpelijk is het, hoe sommige op de dorre plekken van de woestijn,
die zij tot woonplaats kozen, aan den kost kunnen komen.

De kloof, die de Kruipende Dieren van de Zoogdieren en Vogels
scheidt, is zoo buitengewoon diep, dat men de handelingen van deze
ternauwernood met die van gene vergelijken kan. In verband met de
geringe ontwikkeling hunner hersenen en de onvolkomenheid van hun
bloedsomloop leiden zij om zoo te zeggen maar een half leven. De
Reptiliën kruipen, loopen, klauteren, springen en zwemmen; enkele
soorten kunnen zelfs een weinig zweven, d. w. z., met behulp van een
vlieghuid, die als een valscherm wordt gebruikt, over groote afstanden
heenspringen; dit orgaan is echter niet in staat om hen omhoog te
heffen, altijd bewegen zij zich in benedenwaartsche richting. De
Kruipende Dieren verdienen hun naam, want zelfs hun gaan en loopen
is eigenlijk niets anders dan kruipen. De meeste laten den buik over
den grond sleepen; juist bij die, welke zich het vlugst bewegen, valt
dit het duidelijkst in 't oog. Het is niet waarschijnlijk, dat een
van hen gedood zou kunnen worden door hem in 't water te werpen. De
geringe behoefte aan lucht voor de ademhaling maakt zelfs voor hen,
die aanhoudend op het droge leven, een voortdurend verblijf in 't
water mogelijk. Zelfs de logge Landschildpadden, die als steenen naar
den bodem zinken, kunnen hier geruimen tijd in het leven blijven.

Vele Reptiliën kunnen behendig klauteren. Sommige Hagedissen loopen
even snel bij gladde boomen en rotsen omhoog, als andere zich op den
bodem bewegen. Niet weinige Hagedissen bezitten hoogst doelmatige
werktuigen om zich aan allerlei voorwerpen vast te hechten of er
aan vast te kleven; vele hebben voor dit doel spitse, sikkelvormig
gekromde klauwen, sommige schijfvormig verbreede, van onderen met
bladvormige dwarslijsten uitgeruste teenen, waarmede zij zelfs even
veilig als Vliegen langs den onderkant van horizontale takken of
rotswanden kunnen loopen.

Alle Kruipende Dieren ademen langzaam en kunnen gedurende zeer langen
tijd versche lucht ontberen; hun ademhaling geschiedt op een meer
willekeurige wijze dan bij de warmbloedige dieren: zij pompen hunne
groote longen vol lucht, wanneer zij hiertoe in de gelegenheid zijn
en verbruiken dezen voorraad bij kleine hoeveelheden te gelijk. Een
echte stem hebben de Krokodillen, de Gekko's en eenige Hagedissen;
alle overigen Reptiliën brengen geene andere dan blazende of sissende
geluiden voort. Het hart zendt slechts een klein deel van het bloed
naar de haarvaten van de longen, om daar van koolzuur gezuiverd en met
zuurstof voorzien te worden; het zuurstofrijke bloed wordt op zeer
verschillende wijzen vermengd met het koolzuurhoudende; een gevolg
hiervan is, dat de temperatuur van 't lichaam niet aanmerkelijk boven
die van de omgeving verhoogd wordt. Hierbij komt nog, dat de werking
van het ruggemerg in betrekkelijk hooge mate onafhankelijk is van die
der hersenen; met de hieruit voortvloeiende ongevoeligheid staat een
buitengewone taaiheid van 't leven in verband. Een Ringslang bleef in
een luchtledige ruimte nog meer dan 11 uren in leven. Schildpadden,
dien men den kop had afgesneden, bewogen nog na 11 dagen de pooten. Bij
Hagedissen groeit in plaats van den afgehouwen staart een nieuwe. Bij
Reptiliën genezen wonden, die voor hoogere dieren stellig doodelijk
zouden zijn.

Alle levensverrichtingen van de Reptiliën geschieden des te krachtiger,
naarmate de temperatuur van de omgeving hooger is, mits zij een
zekere grens niet overschrijdt; daarom gedraagt een Slang op een
warmen zomerdag zich op geheel andere wijze dan bij koel weer. Daar
de ademhalings- en bloedsomloopsorganen niet in staat zijn om de
temperatuur van haar lichaam aanmerkelijk te verhoogen, is deze min of
meer afhankelijk van die der omgeving. Hierin is de verklaring gelegen
van het feit, dat alle soorten, die koude gewesten bewonen, om niet
van koude te sterven, gedurende de wintermaanden een schuilplaats
moeten opzoeken, waar zij in winterslaap vervallen.

Dat de geestvermogens van de Reptiliën buitengewoon gering zijn,
staat in nauw verband met de reeds genoemde feiten. Van alle hoogere
eigenschappen zijn bij hen in 't gunstige geval slechts flauwe sporen
voorhanden; zij zelve zijn in meerdere of mindere mate machines
zonder wil. Vele leden van deze klasse openbaren ternauwernood eenig
onderscheidingsvermogen. De werkzaamheid van hun geest bepaalt zich
tot een zekere plaatszin, tot een beperkte geschiktheid om eetbare
voorwerpen, of ook vijandige wezens, te herkennen en tot zinnelijken
hartstocht. Behoudens het uitkrabben van gaten voor het bergen der
eieren, of het bijeenbrengen van bladen voor hetzelfde doel, worden
bij hen geenerlei bewijzen waargenomen van de kunstvaardigheid, die
aan hoogere dieren eigen is. Gebruik makend van de gelegenheden tot
huisvesting, die de door hen bewoonde streek aanbiedt, bijvoorbeeld
van gaten, spleten of andere holen, kiezen zij deze tot woning of
rustplaats; zij geraken aan een bepaalden schuilhoek gewoon en keeren
hierin na hunne rooftochten telkens weder terug; deze hebbelijkheid
is echter van veel lager allooi dan de gehechtheid van de Zoogdieren
en Vogels aan hunne opzettelijk naar eigen inzichten en behoeften
vervaardigde woningen. Evenmin kan men de voorzorgsmaatregelen,
die de Kruipende Dieren met het oog op hun nakomelingschap nemen,
op één lijn stellen met de werkzaamheden, die de Zoogdieren en Vogels
in het belang van hun kroost verrichten. Hoewel ook het Kruipend Dier
in oorden, waar het vervolgingen te verduren heeft, mettertijd schuw
en angstvallig wordt, leert het zelden of nooit een onderscheid maken
tusschen werkelijke en denkbeeldige gevaren. Zelfs hoog ontwikkelde
Reptiliën letten ternauwernood op een mensch, die zich volkomen stil
houdt; zij herkennen hem eerst dan als een vijand, zoodra hij zich
beweegt of gedruisch veroorzaakt. De hooger ontwikkelde dieren wijzigen
hun aard in verband met de omstandigheden; uitwendige prikkels brengen
verandering in hun gedragslijn en gemoedstoestand, maken hen vroolijk,
opgeruimd, opgewekt, geneigd tot schertsen en spelen, of stemmen hen
treurig, verdrietig en knorrig. Niets van dit alles vindt men bij de
Kruipende Dieren: zij spelen en stoeien niet, vinden geen behagen en
vermaak in de werkingen van hun eigen geest, en kennen hoogstens het
genot, dat hun door het verzwelgen van een overvloed van voedsel of
door het liggen op een zonnig plekje ten deel valt.

Van een geestelijk leven kan dus bij de Reptiliën ternauwernood
sprake zijn, eerder nog van een zinnelijk leven; een zekere
geschiktheid tot het opdoen en gebruik maken van ervaringen kan
men hun echter niet ontzeggen. De Vergiftige Slang, wel bekend met
de werking van haar doodelijk wapen, wacht rustig de gevolgen van
haar beet af; de Niet-vergiftige Slang, de Schildpad, de Krokodil,
de Hagedis nadert sluipend den buit, na dezen opgespoord of in een
hinderlaag afgewacht te hebben, schiet dan plotseling voor den dag en
tracht hem te grijpen. Ieder Kruipend Dier eindelijk kan in zoover
getemd worden, dat het langzamerhand gewoon geraakt aan den mensch,
van wien het voedsel ontvangt; waarschijnlijk ziet het echter geen
onderscheid tusschen zijn verzorger en een anderen persoon; het kent
dezen slechts in zijn kwaliteit van voedsel-leverancier. Kruipende
Dieren, die het vermogen bezitten om hun verzorger kwaad te doen,
blijven altijd gevaarlijk, zelfs wanneer zij getemd heeten te
zijn; men kan in 't geheel geen gehechtheid van hen verwachten,
maar moet eerder op valschheid en boosaardigheid dan op vriendschap
rekenen. Vriendschap sluit het Reptiel zoomin met de andere leden
zijner klasse als met eenig ander dier; hoogstens kan men het zoo
ver brengen, dat het geen vrees meer gevoelt of ophoudt jegens een
ander schepsel onverschillig te zijn. Niet eens echte gezelligheid
merkt men bij deze laag georganiseerde wezens op: Schildpadden ziet
men bij honderden te zamen zwemmen, Krokodillen met hun twintigen of
dertigen naast elkander in de zon liggen; elk van deze dieren denkt
echter slechts aan zichzelf, zoolang de aandrift tot paring niet in het
spel komt; eigenbelang is de eenige drijfveer van zijne handelingen;
het bekommert zich niet om zijne buren; het geheele gezelschap treedt
niet op als beschermer van een der leden.

Het dagelijksche, huiselijke en gemeenschappelijke leven der Reptiliën
is buitengewoon eentonig. Onder de Schildpadden zijn die, welke op
het land leven, over dag, de meeste Zoetwaterschildpadden echter bij
voorkeur 's nachts werkzaam; de Krokodillen jagen hoofdzakelijk in de
duisternis, ofschoon zij ook over dag een gunstige gelegenheid om een
buit te verkrijgen, niet laten voorbijgaan. Alleen de Hagedissen en een
groot aantal Niet-vergiftige Slangen kunnen als dagdieren aangemerkt
worden, terwijl de Gekko's en bijna alle Vergiftige Slangen benevens
een even groot aantal Niet-vergiftige Slangen na zonsondergang op roof
uitgaan. Ook voor de Reptiliën geldt de regel, dat de waterbewoners
niet zoo veel verschil maken tusschen dag en nacht als de dieren,
die op het land verblijf houden, hoewel ook zij voor 't meerendeel
's nachts de meeste opgewektheid toonen.

Met uitzondering van de Landschildpadden, eenige Zoetwaterschildpadden
en een Zeeschildpad moet men alle Reptiliën Roofdieren noemen; enkele
kunnen zelfs met de vreeselijkste leden van dit gilde wedijveren. Zij
ontleenen hun prooi aan nagenoeg alle klassen van het dierenrijk. De
Krokodillen vallen alle Zoogdieren aan, die kleiner of niet grooter
zijn dan Honden of Zwijnen, en verschoonen den mensch evenmin als
de kleine Roofdieren, die aan den waterkant komen; zij maken echter
hoofdzakelijk jacht op waterdieren en vooral op Visschen. Ook de
Schildpadden vervolgen Visschen en bovendien kleine Zoogdieren, Vogels,
andere Kruipende Dieren, Amphibiën, Koppootige Weekdieren, Slakken,
Insecten, Schaaldieren, Wormen en Kwallen. De Hagedissen voeden zich
met Zoogdieren, Vogels, leden van haar eigen orde, Amphibiën, Visschen,
Gelede dieren en allerlei larven en Wormen. De Slangen zoeken haar buit
voornamelijk onder de Gewervelde Dieren, hoewel geheele familiën van
deze orde uitsluitend van Wormen en Gelede Dieren leven. Bijna alle
verslinden hun buit in zijn geheel; weinige, vooral Schildpadden en
Krokodillen, verdeelen hem vooraf in grove stukken, gelijk ook de
planteneters dezer klasse doen. Voor het doorslikken wordt daarom
niet zelden een aanmerkelijke krachtsinspanning vereischt. De meeste
Kruipende Dieren drinken. Naarmate de temperatuur hooger wordt, neemt
ook hun eetlust toe; gedurende het warme jaargetijde verzamelen zij als
't ware voorraadstoffen voor het geheele overige jaar. In verhouding
tot hun grootte vreten zij echter veel minder dan de Zoogdieren en de
Vogels. Zij verzwelgen kolossale brokken te gelijk en blijven daarna,
totdat de spijsvertering afgeloopen is, dagen lang in trage rust
nagenoeg op dezelfde plaats liggen; desnoods kunnen zij maanden lang
zonder voedsel leven. Als zij een overvloed van voedsel gebruiken,
worden zij eenigszins gezet, enkele werkelijk vet; dit geschiedt
echter in veel geringere mate dan bij de Zoogdieren en Vogels.

Bij de Schildpadden en Krokodillen schilfert de opperhuid op de zelfde
wijze af als bij de Zoogdieren en Vogels; de overige Kruipende Dieren
vervellen, d. w. z. het verhoornde gedeelte van de opperhuid geraakt
bij lappen (of min of meer als een geheel) los en wordt afgestroopt;
bij eenige geschiedt dit zoo volledig, dat het volk terecht van
"slangenhemden" spreekt. Na het vervellen jagen zij bijzonder ijverig
en zijn zeer vraatzuchtig, daar zij het door hen geleden verlies
moeten aanvullen.

Met het begin van de lente ontwaakt ook bij de Kruipende Dieren de
aandrift tot voortplanting. De bewoners van noordelijke landen komen
in de eerste warme dagen van de lente uit hunne winterkwartieren te
voorschijn; die, welke in de gematigde luchtstreek of in de tropische
gewesten verblijf houden en zich gedurende den drogen tijd in den
grond begraven, worden door de eerste regenbui naar buiten gelokt. De
hartstocht vervoert ook hen soms tot hevigen strijd. Ter geschikter
tijd zoekt het wijfje, tenzij het hare jongen levend ter wereld
brengt, een geschikte bergplaats voor de eieren, welker aantal
afwisselt van 2 tot 150. Deze hebben soms een perkamentachtige,
soms een harde, kalkachtige schaal. De meeste Reptiliën leggen ze
in reeds aanwezige of door hen zelf gegraven gaten in den grond of
tusschen mos en bladen op vochtige, warme plaatsen, bekommeren zich
er verder niet om, maar laten ze uitbroeden door de zon of door de
warmte, welke bij de rotting der omgevende plantaardige stoffen vrij
wordt. Enkele Slangen en Krokodillen vormen een uitzondering op dezen
regel. De jongen ontwikkelen zich betrekkelijk snel, gewoonlijk reeds
na weinige weken of maanden en volgen, zoodra zij het ei verlaten
hebben, de levenswijze hunner ouders.

Wanneer de winter nadert, in de dorre streken der keerkringsgewesten
in het begin van het droge jaargetijde, begraven de Kruipende Dieren
zich in den grond of verbergen zich in diepe holen en vervallen hier
in een op den dood gelijkende verstijving, die met den winterslaap van
sommige Zoogdieren overeenstemt. Alle Reptiliën, die de noordelijke
en de zuidelijke grensstreken bewonen, beveiligen zich op deze wijze
tegen den nadeeligen invloed van het ongunstige jaargetijde; in de
warmste gedeelten van de gematigde gordels en in de keerkringsgewesten
komt dit alleen voor bij die soorten, welke zich aan de wisseling der
jaargetijden niet kunnen onttrekken. In het vochtige Brazilië blijven
de Landschildpadden het geheele jaar door in beweging; die, welke in
het gebied van den Orinoko leven, verbergen zich daarentegen, naar
A. von Humboldt heeft opgemerkt, in den tijd van groote zonnehitte
en droogte onder steenen of in gaten, die zij zelf gegraven hebben;
uit deze schuilplaatsen komen zij eerst te voorschijn, wanneer
zij bespeuren, dat de lucht in hun omgeving of de grond onder hen
vochtig wordt. In waterrijke stroomen houden de Krokodillen geen
winterslaap, wel echter in rivieren, die gedurende het ongunstige
jaargetijde uitdrogen; hier wachten zij, onder het slijk verborgen,
den terugkeer van het water af.

Enkele Kruipende Dieren leven gedurende den winterslaap als 't ware in
een droom en behouden op zekere hoogte het vermogen om zich te bewegen
of herkrijgen het schielijk, zoodra de omstandigheden veranderen;
andere daarentegen zijn geheel verstijfd en blijven zonder eenige
beweging liggen. Ratelslangen, die in dezen toestand opgeraapt
en in den weitasch gestoken worden, ontwaken binnen korten tijd
door de warmte van het vuur, waarbij de jager zich neerzet, maar
vervallen spoedig weer in hun verstijfden toestand, na gebracht te
zijn in een ruimte, waar een lage temperatuur heerscht. Door een al
te strenge en langdurige koude worden de Reptiliën gedood. Uit de
gewichtsvermindering, die zij gedurende den winterslaap ondergaan
en die bij een Schildpad nagenoeg een vierde gedeelte van haar
oorspronkelijk gewicht bedroeg, valt af te leiden, dat er bij het
schijndoode dier wel degelijk stofverbruik plaats vindt. Het is bij
zijn ontwaken volstrekt niet krachteloos, maar in tegendeel levendiger
dan gewoonlijk.

Alle Reptiliën zonder eenige uitzondering groeien zeer langzaam;
ook hieruit blijkt de traagheid van hunne levensverrichtingen. Zij
kunnen een zeer hoogen ouderdom bereiken. In de gevangenschap
hebben Schildpadden omstreeks honderd jaar en volgens sommige
berichten nog langer geleefd. Krokodillen, die aan de een of de
andere eigenaardigheid kenbaar waren, vertoonden zich volgens het
getuigenis van Afrikaansche inboorlingen, zoolang het hun heugde,
steeds op dezelfde plaats. Waarschijnlijk worden ook de groote
soorten van Slangen zeer oud. Ziekten schijnen onder deze dieren
zeer zeldzaam te zijn, maar zijn toch soms bij gevangen exemplaren
opgemerkt; het is nog niet gebleken, dat zij aan ouderdomszwakte,
en verval van krachten, bezwijken; de meeste sterven door toedoen
van roofdieren of althans ten gevolge van uitwendige invloeden.

De meest geschikte wijze om bekend te worden met de levenswijze van
Kruipende Dieren, die men in de vrije natuur moeielijk kan nagaan,
is, ze te plaatsen in terrariën, in kleine serres, waaruit zij niet
kunnen ontsnappen. Een doelmatig ingericht, goed onderhouden terrarium
kan voor den eigenaar en voor alle andere toeschouwers een rijke bron
van leering en tijdverdrijf opleveren en bovendien een sieraad zijn
van het vertrek en zelfs van het geheele huis, waarin het geplaatst
is. De onderzoeker vindt hier een schoone gelegenheid tot aanvulling
van de kennis, die hij verkreeg door een vluchtige beschouwing
van opgestopte of in spiritus bewaarde Reptiliën. De verbleekte en
daardoor van hun grootste aantrekkelijkheid beroofde exemplaren uit
het naturaliën-kabinet ziet men hier in hun volle pracht, in levenden
lijve voor zich, zoodat men in de gelegenheid is hunne handelingen
te bespieden, hun aard en hunne gewoonten na te gaan.

In vergelijking met het voordeel, dat de Gewervelde Dieren van andere
klassen ons verschaffen, is het nut der Kruipende Dieren buitengewoon
gering. Van de Alligators gebruikt men de huid voor het bekleeden en
versieren van verschillende voorwerpen. Een belangrijk handelsartikel
is het schildpad, dat uit de hoornplaten van het pantser van sommige
dieren van dien naam bestaat en de grondstof is voor een industrie,
die aan vele handen werk verschaft; bovendien gebruikt men het
vleesch en de eieren van eenige dezer wezens. Indirect nuttig zijn
de Reptiliën en meer bepaaldelijk vele Hagedissen door het verslinden
van schadelijke Insecten en dergelijk gedierte. Dit geringe voordeel
wordt echter verre overtroffen door de schade, die de Kruipende Dieren
ons veroorzaken. Wij herinneren slechts terloops aan de rooverijen,
waaraan zelfs kleine Schildpadden en ook verscheidene Slangen zich
schuldig maken en waarvan de Visschen en hun gebroed de slachtoffers
zijn; maar willen vooral de aandacht vestigen op het ontzaglijk aantal
menschen en huisdieren, die ieder jaar gedood worden door Vergiftige
Slangen en Krokodillen. Een aansporing tot het sparen van het leven
dezer dieren zou een misdaad zijn, een zonde jegens ons zelf. Toch
mogen en moeten wij ten gunste van de groote menigte onschuldigen,
die zoo dikwijls voor de fouten van een klein aantal schuldigen hebben
te boeten, een woordje in 't midden brengen. Het is onze bedoeling
niet, en 't staat trouwens ook niet in onze macht, te verlangen,
dat de in warme gewesten voorkomende Reptiliën met welwillendheid
behandeld zullen worden. Wel willen wij de sierlijke Hagedissen,
Hazelwormen en Moerasschildpadden, die ons door hare bewegingen,
haar opgewektheid en zorgeloosheid bekoren,--die velden, bosschen en
eenzame meren verlevendigen, in uw gunst aanbevelen. Raadzaam achten
wij het, aan te dringen op het dooden van de Slangen, die men niet
met zekerheid als onschadelijk herkent; wenschelijk is het echter om,
bij wijze van boete voor dezen moord, het gedoode dier steeds mede
te nemen en in spiritus te bewaren, om het bij gelegenheid aan een
deskundige te laten zien en van hem inlichtingen over de vergiftigheid
of onschadelijkheid van het bedoelde exemplaar te vragen.

In overoude tijden bewezen de menschen goddelijke eer aan de Kruipende
Dieren, die door hen gevreesd werden. De oude Egyptenaars hielden
tamme Krokodillen in de nabijheid van hunne tempels en balsemden met
zorg de lijken van deze dieren. De bewoners van Oost-Azië, vooral de
Chineezen en Japaneezen, stelden hunne goden voor in de gedaante van
Hagedissen en Slangen. De Grieken en Romeinen hechtten aan de Slangen
een zinnebeeldige beteekenis en schreven haar in fabels en gedichten
list en schranderheid, profetische gaven en andere eigenschappen
toe. Ook in onze overleveringen spelen zij een zeer belangrijke
rol. Tot in den tegenwoordigen tijd worden Krokodillen en Slangen
door onbeschaafde volken vereerd en aangebeden.



EERSTE ORDE.

DE GESCHUBDE REPTILIËN (Squamata).



Eerste Onderorde: HAGEDISSEN (Lacertilia).


De bevallige Zandhagedis, die ieder waarschijnlijk wel door eigen
aanschouwing zal kennen, kan als type van alle Hagedissen aangemerkt
worden. In den regel kan men bij de leden dezer onderorde duidelijk
kop, hals, romp en ledematen onderscheiden; de pooten kunnen echter
rudimentair zijn of geheel ontbreken, in welk geval de bedoelde
dieren op Slangen gelijken; deze overeenkomst is evenwel slechts
oppervlakkig en verdwijnt bij nader onderzoek. Kenmerkend voor alle
Hagedissen is haar kleed, dat uit hoornachtige schubben bestaat met
of zonder beenplaten er onder; voorts hebben zij een beweeglijke tong
en tanden, die nooit in tandkassen bevestigd, maar aan den bovenrand
van de kaakbeenderen of aan de binnenzijde van een daar aanwezige,
beenige lijst vastgegroeid zijn. De oorschelp, bij de Krokodillen
vertegenwoordigd door een klep, die het trommelvlies kan bedekken,
is hier geheel afwezig; het trommelvlies is op gelijke hoogte met de
omringende huid of op den bodem van een zeer korte gehoorgang gelegen,
bij uitzondering ook wel door de gewone huid overdekt; de oogleden
zijn meestal beweeglijk, de neusgaten gescheiden.

De tong komt in velerlei vormen voor, die voor de onderscheiding
der familiën van belang zijn: zij is met schubjes of met dradige
wratjes bedekt, dik gevleescht, bijna niet uitgesneden of afgerond,
kort en aan den wortel verdikt, dunner uitloopend en van voren meer
of minder ver gespleten, enz.

De Hagedissen, die de soortenrijkste groep van de geheele klasse
vormen, zijn over alle deelen der wereld verbreid met uitzondering van
den kouden aardgordel; zij hebben de meest verschillende woonplaatsen;
haar bij het zeestrand beginnend gebied strekt zich uit tot aan de
grenzen van de eeuwigdurende sneeuw, omvat vruchtbare landauwen zoowel
als wildernissen en woestijnen, waterrijke oorden zoowel als gewesten,
die geheel van water verstoken zijn. In de koudste gedeelten van den
gematigden aardgordel leven slechts weinige leden van deze onderorde;
bij 't naderen van den evenaar neemt het aantal soorten en tevens de
verscheidenheid van vormen en hun kleurenpracht op verrassende wijze
en in klimmende mate toe. Weinige soorten zijn waterdieren, die op de
wijze der Krokodillen, alleen dan aan land gaan, als zij kans zien
een daar aanwezigen buit te grijpen of als zij slapen en zich in de
zon koesteren willen. De meeste zijn landbewoners in de strengste
beteekenis van 't woord en mijden zelfs vochtige terreinen. Niet
weinige leven op boomen, verreweg de meeste echter op den vasten
grond of op rotswanden. Uit de gedaante van haar lichaam kan men
reeds van te voren afleiden, waar zij zich ophouden. De van boven
naar onderen platgedrukte vormen bewonen meestal zandige vlakten en
zoeken onder steenen, tegen muren of in holen een schuilplaats; die,
welker romp zijdelings samengedrukt is, leven in het struikgewas of
tusschen de twijgen; die met een rolrond lichaam eindelijk houden
verblijf in gaten van den grond, of van boomen. De pootlooze, op
Slangen gelijkende Hagedissen ontmoet men op den grond, de wormvormige
onder de oppervlakte der aarde. Ook op dezen regel zijn echter vele
uitzonderingen.

De mensch is vriendschappelijk gezind jegens de Hagedissen en zij
verdienen deze voorkeur. Zonder eenig voorbehoud mag men ze tot de
meest begaafde leden harer klasse rekenen. In geen enkel opzicht staan
zij, wat hare talenten betreft, bij hare verwanten uit andere groepen
achter. Hare bewegingen zijn veelzijdig, behendig, doelmatig en meestal
zeer vlug. De meeste laten bij 't gaan den romp bijna over den bodem
slepen, loopen zeer snel, hoewel met slangsgewijze kronkelingen. Door
den staart met kracht tegen den grond te drukken, kunnen zij zich ook
boven de oppervlakte verheffen en tamelijk groote sprongen doen. De
weinige soorten, die in het water leven, zwemmen en duiken uitmuntend,
hoewel hare voeten niet met zwemvliezen voorzien zijn; ook andere, die
het water angstvallig mijden, weten, wanneer zij toevallig in dit haar
vijandige element geraken, zich hier vrij goed te redden; zij die op
rotswanden en muren rondklauteren of zich in boomen bewegen, doen dit
meestal met een waarlijk verrassende behendigheid. De Boomhagedissen
gebruiken haar langen staart met goed gevolg tot het behouden van het
evenwicht; zij kunnen bijna met dezelfde snelheid, als hare verwanten
op den bodem ten toon spreiden, over de takken loopen of van de eene
twijg op de andere springen. Andere worden door hare schijfvormig
verbreede, van onderen met een oneffene huid bekleede teenen in
staat gesteld om in alle mogelijke houdingen, met den kop naar boven
of naar onderen, even veilig op de boven- als op de onderzijde der
twijgen te loopen. Enkele eindelijk hebben aan de huid van de zijden
van den romp, die door beweging van de ribben kan worden uitgespreid,
het vermogen te danken om als 't ware vliegend te springen, d. w. z.,
van hoog gelegen takken op lagere neer te schieten. De Hagedissen met
rudimentaire of geheel ontbrekende ledematen bewegen zich meestal op
dezelfde wijze als de Slangen, hoewel in dit geval de ribben bij deze
een belangrijker rol spelen dan bij gene.

Een echte stem komt slechts bij weinige Hagedissen voor. De meeste
laten, als zij toornig zijn, hoogstens een blazend gesis hooren; enkele
soorten echter, vooral die, welke een nachtelijke levenswijze hebben,
brengen afgeronde, klinkende tonen voort, geluiden, die niets gemeen
hebben met het gebrul van de Krokodillen, maar veeleer aan de stem
van Kikvorschen of aan die van Sprinkhanen en Krekels herinneren;
men kan bij haar spreken van "piepen" of "klokken", minder dikwijls
van "ratelen" of "sjirpen".

Bij alle zonder uitzondering neemt het gezichtsorgaan den eersten
rang in onder de zintuigen. Dan volgt het gehoor, dat bij verreweg
de meeste fijn mag heeten. Meer bepaaldelijk letten alle soorten, die
een stem bezitten, op geluiden, die zoowel onmiddellijk door de lucht
als door trillingen van den bodem tot hen komen. Minder ontwikkeld
is de reukzin en nog minder de tastzin. Gelijk de Slangen gebruiken
vele Hagedissen haar tong meer als tast- dan als smaakorgaan.

Waarschijnlijk staan de Hagedissen, wat verstand betreft, bij geen
enkel ander Kruipend Dier achter. Zij doen ervaringen op en toonen
dit door hare handelingen. De inheemsche soorten beschouwen ieder
wezen, dat haar in grootte overtreft, en vooral den mensch, als een
gevaarlijken vijand. In de meer zuidwaarts gelegen landen gaan zij
gemeenzamer met den mensch om, komen driest tot in zijn onmiddellijke
nabijheid, noodigen zich als 't ware te gast in zijn woning en worden
eindelijk echte huisdieren, hoewel zij ook op deze plaats voor andere
vijanden in de hoogste mate bevreesd zijn. Alle dierenliefhebbers,
die deze bevallige schepsels in de kooi houden, zijn van oordeel, dat
hunne voedsterlingen hen leeren kennen; hoewel dit niet beteekent,
dat zij haar verzorger van andere menschen onderscheiden, blijkt
hieruit toch, dat zij tot een wijziging van haar oorspronkelijk gedrag
genoopt worden door de ervaring, die zij opdoen. Zij behagen ons door
haar voorkomen; grootendeels te recht beschouwt men ze als beelden
van onschuldige vroolijkheid en opgewektheid; zij zijn levendig,
bedrijvig, voorzichtig en in verhouding tot haar grootte buitengewoon
moedig. Als roofdieren maken zij zich soms schuldig aan handelingen,
die wij van ons eenzijdig standpunt veroordeelen: o. a. zien zij er
volstrekt geen bezwaar in, hare eigene jongen op te eten, en verslinden
de leden van groote soorten hunne kleinere verwanten. Ondanks dit
alles kan men bij haar altijd nog eerder dan bij andere Reptiliën van
gezelligheid spreken: wanneer men ze in grooten getale bijeen vindt,
hetwelk dikwijls voorkomt, kan men opmerken, dat tusschen de leden
van dit gezelschap gedurende geruimen tijd een zekere betrekking
blijft bestaan.

Eenige Hagedissen voeden zich met plantaardige stoffen, zonder evenwel
afkeerig te zijn van een buit uit het dierenrijk; alle overige zijn
roofdieren, die aan verschillende klassen van dieren haar voedsel
ontleenen. De grootste soorten maken jacht op allerlei Gewervelde
Dieren, overvallen kleine Zoogdieren en Vogels en worden, naar men
zegt, soms zelfs voor betrekkelijk groote exemplaren gevaarlijk; zij
plunderen nesten en vervolgen allerlei Reptiliën, minder dikwijls ook
Amphibiën en Visschen; bovendien verslinden zij alle ongewervelde
Dieren, die zij kunnen vangen. De kleine Hagedissen voeden zich
hoofdzakelijk met de laatstgenoemde wezens: vele bij voorkeur met
Gelede Dieren, andere met Wormen en Slakken.

Het dagelijksch leven van de Hagedissen biedt meer afwisseling aan dan
dat van de andere leden harer klasse; over 't geheel genomen is het
echter eentonig. Het bedrijvigst zijn zij in de heete landen onder
de keerkringen, vooral daar, waar alle jaargetijden in hoofdzaak op
elkander gelijken en zij dus niet door ongunstige weersgesteldheid
genoodzaakt worden om voor een tijd een schuilplaats op te zoeken. Hier
beginnen zij reeds in de vroege morgenuren hun dagwerk, blijven
tot omstreeks zonsondergang ijverig bezig en ruimen daarna tot
aan den volgenden ochtend het veld voor hare bij nacht werkzame
verwanten. De eerste en de laatste uren van den dag worden aan de
jacht, de voor- en namiddaguren aan ontspanning, d. w. z. aan het
gezellig samenzijn gewijd; gedurende den heetsten tijd verkeeren zij
in een half-sluimerenden toestand, daar zij het felle branden van de
zon evenzeer schuwen als de koude. In gematigde gewesten ziet men ze
in de middaguren behagelijk uitgestrekt liggen op plaatsen, die voor
de zonnestralen toegankelijk zijn; in de keerkringsgewesten geven zij
op dezen tijd van den dag in den regel aan beschaduwde plaatsen de
voorkeur. Iedere Hagedis vestigt zich in een bepaald gebied en kiest
er een voor haar geschikten schuilhoek uit, of richt dezen naar hare
behoeften in. Van deze plek, die men als de woning van de Hagedis kan
aanmerken, verwijdert zij zich nooit ver en keert bij dreigend gevaar
zoo schielijk mogelijk daarheen terug. Ook die, welke in het water of
op boomen leven, vormen hierop geen uitzondering. Naar het schijnt,
toont iedere Hagedis, bij het kiezen van haar woonplaats, een zeker
overleg, door er voor te zorgen, dat de kleur van de omgeving met de
hare overeenstemt. Hier loert zij op haar prooi, iedere soort op een
eigenaardige wijze. Alle vatten het door haar gekozen slachtoffer
scherp in 't oog, schieten er, zoo noodig met een grooten sprong,
op toe, pakken het, kneuzen het tusschen de tanden en zwelgen het
door, waarbij zoo mogelijk de kop voorgaat. Na een overvloedigen
maaltijd worden ook de Hagedissen traag; nooit echter vervallen
zij, als de Slangen, in een toestand van volkomen afmatting en
onverschilligheid. Met zonsondergang keeren de Daghagedissen geregeld
in hare schuilhoeken terug; bij ongunstige weersgesteldheid blijven
zij hier dikwijls dagen, ja zelfs weken lang. Alle soorten, die niet in
de landen, waar een eeuwige lente heerscht, op boomen of in het water
leven, brengen het ongunstige jaargetijde door in een toestand, die in
hoofdzaak gelijkt op den winterslaap der Zoogdieren. Alle inheemsche
Hagedissen verbergen zich in den herfst in diepe gaten onder den grond,
verslapen hier den winter en ontwaken weer in 't begin van de lente;
dezelfde soorten echter, die bij ons 5 maanden slapend doorbrengen,
bleven in Noord-Europa of in hooge bergstreken 6 à 8 maanden lang in
dezen toestand van verstijving. Dat een dergelijk verschijnsel ook in
de keerkringsgewesten voorkomt, valt af te leiden uit de tot dusver
nog niet zeer talrijke, maar volkomen overeenstemmende waarnemingen
van kundige reizigers.

Kort na haar ontwaken in de lente vangt voor de Hagedissen de
voortplantingstijd aan. Eenige weken later zijn de 2 à 30 eieren,
die het wijfje ter wereld brengt, voor 't leggen gereed. De moeder
heeft intusschen, niet zonder moeite en zorgvuldig overleg, een nest
ingericht, door in den lossen grond of in het mos, in het vermolmde
hout van oude boomstammen, in woningen van Mieren of Termieten,
enz. een gat te graven; de hierin gelegde eieren worden met een lichte
bedekking voorzien. De eieren zelve verschillen weinig van die van
andere Reptiliën; zij hebben, evenals deze, een taaie, weinig kalk
bevattende, lederachtige, buigzame schaal, een grooten, vetrijken
dooier en een zeer vloeibaar eiwit. Weinige weken of maanden nadat de
eieren gelegd zijn, komen de jongen er uit, zonder eenige hulp van
den kant hunner ouders, welker levenswijze zij van den eersten dag
af volgen. Op den zooeven genoemden regel vormen sommige Hagedissen
een uitzondering, door levende jongen ter wereld te brengen; bij haar
blijven de eieren in het lichaam van de moeder, totdat de ontwikkeling
van de kiem afgeloopen en deze tot een geheel zelfstandig leven in
staat is; het jong verbreekt de eischaal, terwijl het zich nog in den
eileider bevindt en verlaat dezen kort daarna. In de noordelijke landen
vervellen de jongen, die in den nazomer ter wereld komen nog eenmaal,
voordat zij een geschikte plaats voor den winterslaap opzoeken.

Meer dan alle overige Kruipende Dieren hebben de Hagedissen last
van vijanden. Tal van roofdieren van allerlei aard maken jacht
op haar. Door spierkracht en moed zijn de groote soorten tamelijk
veilig tegen de aanvallen van andere dieren; de kleine echter vallen
Civetkatten, Marters en Stinkdieren, Gieren, Arenden, Valken en
Buizerden, Uilen, Raven, Hoenderen, moeras- en watervogels, Slangen
en de sterkste leden van haar eigen soort ten buit, zoodat men
zich er eigenlijk over verwonderen moet, dat zij ondanks zoovele
vervolgingen kunnen blijven bestaan. Ook de mensch treedt hier en
daar als tegenstander en vervolger van deze onschadelijke dieren
op, dikwijls slechts uit baldadigheid, uit ruwe moordlust. Eenige
worden ten onrechte voor giftig gehouden, andere voor Slangen
aangezien. Er bestaat maar één giftige Hagedis, n.l. het Dzjila-dier
van Noord-Amerika, en ook deze is voor menschen slechts in beperkte
mate gevaarlijk. Een voordeel, dat iets te beteekenen heeft, brengen de
Hagedissen ons niet; maar zij richten ook geen schade aan. Het vleesch
van eenige groote soorten wordt gegeten en valt zelfs bij Europeanen
in den smaak; andere bekoren ons door haar sierlijke behendigheid
in de vrije natuur of door de bevalligheid van hare bewegingen in de
kooi. Bovendien voeden de meeste zich met dieren, die ons onaangenaam
zijn; slechts weinige worden lastig, doordat haar roofzucht de tamme
Vogels en hunne eieren niet verschoont; anderen jagen schrikachtige
menschen vrees aan door haar overeenkomst met Slangen en door het
verdachte ritselen van de bladen bij haar beweging. Redenen om haar
te vervolgen bestaan er dus niet.



Weinige Kruipende Dieren hebben aanleiding gegeven tot zoovele
fabelachtige verhalen als de Hechtvingers of Gekko's, nachtelijk
levende, hagedisachtige dieren van eigenaardige gedaante, die
in de warme gewesten van alle werelddeelen gevonden worden. Door
de ouden werden zij "Stellio" genoemd, omdat hun rug met kleine,
stervormige vlekken geteekend is. Aristoteles bericht, dat de Stellio
zich in vensters, kamers en grafgewelven ophoudt, langs de muren
klautert, dikwijls naar beneden op de tafel en in het eten valt, in de
voerkribben slaapt, in de neusholten van de Ezels kruipt, hen hindert,
terwijl zij eten en hen door zijn beet vergiftigt, gedurende de vier
koude maanden van het jaar in een schuilhoek verborgen ligt en geen
voedsel gebruikt, in het voor- en najaar echter vervelt en daarna zijn
eigen vel opeet. Tot in den laatsten tijd werden dergelijke sprookjes
verhaald. Zoowel uit Indië als uit Egypte, Peru en Zuid-Europa wordt
bericht, dat uit de platte teenen der Gekko's een vergiftige stof
vloeit. Overal wekken de Gekko's wantrouwen en afschuw, hoewel zij
deze in 't geheel niet verdienen. Wegens hun onbevallig voorkomen en
hun nachtelijke levenswijze gaat van hen dit kwaad gerucht; zij zijn
echter volkomen onschadelijk.

De Hechtvingers (Geckonidae) zijn voor 't meerendeel kleine,
plomp gebouwde Hagedissen van sombere kleur. Hun kop, die van
voren eindigt in een langwerpige, onder het voorhoofd een weinig
ingedrukten, verderop ronden, afgeplatten snoekensnuit met ver zich
uitstrekkende mondspleet, trekt onmiddellijk de aandacht door de
groote, een nachtelijke levenswijze verradende oogen, welker pupil
zich bij blootstelling aan 't licht tot een lijnvormige, vertikale
spleet vernauwt en waaraan de oogleden schijnen te ontbreken. Echte
oogleden komen slechts bij enkele geslachten van deze familie voor;
bij de overige breidt, evenals bij de Slangen, de huid zich over de
oogen uit. Voor zoover zij het oog bedekt, is de huid doorzichtig en
door een ringvormige plooi begrensd, die aan onontwikkelde oogleden
doet denken. Het trommelvlies is aan het einde van een korten,
uitwendigen gehoorgang gelegen. De tanden zijn met de binnenzijde van
de kaakbeenderen vergroeid. De tong is met haar achterste gedeelte
aan den bodem der mondholte vastgehecht, kort, vleezig, afgerond,
van voren met een ondiepe insnijding voorzien. De hals is zeer kort
en dik, de romp gedrongen, afgerond, maar van boven naar onderen als
't ware platgedrukt, soms aan de zijden franjeachtig ingekorven, de
zeer brooze staart middelmatig lang, dik, aan den wortel afgerond of
eveneens platgedrukt, soms aan weerszijden met een huidzoom voorzien;
de pooten onderscheiden zich door hun kortheid, de teenen door hun
zeer vreemdsoortig maaksel, dat als het hoofdkenmerk van de familie
moet worden beschouwd. Bij de meeste soorten zijn zij betrekkelijk
kort en verschillen onderling weinig in lengte; zeer dikwijls zijn zij
door een vlies vereenigd, dat zich meer of minder ver uitstrekt. Aan
de onderzijde is iedere teen voorzien met een hechtkussen, een
zijwaartsche uitbreiding van de huid, met dwars gerichte, vliezige
plaatjes van verschillende grootte, vorm en stand bezet, waardoor
het dier in staat gesteld wordt, langs zeer gladde wanden te loopen,
onverschillig welke richting zij hebben. De huid, die het overige
lichaam bekleedt, vertoont aan haar oppervlakte zeer klein, naast
elkander geplaatste korreltjes of schubjes, waartusschen dikwijls
grootere schubben gelegen zijn.

De familie der Hechtvingers bestaat uit ongeveer 50 geslachten. Voor
ons doel zal een korte beschrijving van drie soorten, die ieder een
geslacht vertegenwoordigen, voldoende zijn.



Halfvingers (Hemidactylus) heeten die soorten, welker hechtkussen
met twee rijen van dwarsplaatjes voorzien is en zich slechts over
de wortelhelft der teenen uitstrekt, zoodat het voorlaatste en het
laatste teenlid er buiten uitsteken.

In Zuid-Europa wordt dit geslacht vertegenwoordigd door den
Schijfvinger (Hemidactylus turcicus), een Gekko van slechts 9 of
10 cM. lengte. Boven de overigens fijnkorrelige huid van den rug
verheffen zich onduidelijk driehoekige, op 14 à 16 overlangsche reeksen
geplaatste wratjes, die deels wit, deels zwartachtig zijn. Ook door
de grijsachtig bruin gevlekte, vleeschroode kleur der bovendeelen
onderscheidt hij zich van zijne overige Europeesche verwanten;
de onderdeelen zijn wit. Men merkt bij dit dier eigenaardige
kleurveranderingen op: in het donker is het bijna melkwit en
doorschijnend; aan 't licht blootgesteld gaat de kleur van den rug
door lichtbruin in donkerbruin over. Het bewoont dezelfde landen
als de Muurgekko; zuidoostwaarts strekt zijn verbreidingsgebied zich
evenwel uit tot aan de oevers van de Roode Zee.

De Huidplooigekko's (Ptychozoon) zijn gekenmerkt door een breede
huidplooi aan weerszijden van het lichaam, die zich ook langs de
staart als een gelobden zoom uitstrekt en doordat de teenen over hun
geheele lengte door een vlies vereenigd zijn.

De eenige bekende soort, de Huidplooigekko (Ptychozoon homalocephalon),
een van de vreemdsoortigste leden der geheele familie, is ongeveer 18
of 20 cM. lang. De bovenzijde is op geelgroenachtig olijfkleurigen,
aan de zijden in roodbruin overgaanden grond met bruine of zwarte
dwarsbanden geteekend, die figuren vormen of zigzagswijs loopen.

Behalve op Java komt deze soort ook voor op Sumatra, Borneo en het
Maleische schiereiland, alsmede op de Ljoe-kjoe-eilanden.



Bij het geslacht der Breedvingers (Tarentola) strekt het hechtkussen
zich over de geheele ondervlakte der teenen uit en is met doorloopende,
niet in tweeën verdeelde dwarsplaatjes voorzien.

Hiertoe behoort de Muurgekko, in Italië Tarantola, in Spanje Carapata,
door de oude Grieken Ascalobotes, door de oude Romeinen Stellio genoemd
(Tarentola mauritanica), een diertje van slechts 12 à 16 cM. lengte,
waarvan de helft op den staart komt. De onderzijde is vuil geelachtig
wit; de kleur van de bovendeelen wisselt af van lichtgeelachtig grijs
door grijs, bruin en zwartbruin tot dofzwart. De kop is zeer oneffen,
de rug met wratten bezaaid, de buikzijde daarentegen met schubben
bekleed en glad. Het verbreidingsgebied van deze soort omvat de
landen, die de Middellandsche Zee omgeven; bijzonder veelvuldig is
zij in Spanje, op de eilanden van Italië en in Noord-Afrika.



Alle Gekko's hebben ongeveer dezelfde verblijfplaats en dezelfde
levenswijze. Zij bewonen rotswanden en boomen, gruishoopen en muren,
zeer gaarne ook menschelijke woningen van den kelder tot aan het
dak. De soorten, die een groene kleur hebben, houden zich uitsluitend
in boomen op; andere worden zoowel hier als op muren en in huizen
gevonden. Zij komen op deze plaatsen in den regel in grooten getale
voor en verraden haar aanwezigheid door geluiden, hetgeen merkwaardig
is, daar zij nagenoeg de eenige Hagedissen zijn, die een stem bezitten.

Verreweg de meeste Gekko's zijn nachtdieren en vallen over dag
weinig in 't oog. Reeds bij zonsopgang zoeken zij een schuilhoek op,
die hen zooveel mogelijk aan de waarneming onttrekt, kruipen weg
onder steenen of losgeschilferde boomschors, in spleten en reten;
slechts dan blijven zij kleven aan een muur of aan een boomstam,
wanneer deze in kleur met hen overeenkomt, of wanneer de ervaring hun
de goede gezindheid heeft leeren kennen van de bewoners der huizen,
waarin zij zich ophouden. Toch worden ook zij, evenals alle Kruipende
Dieren, aangelokt door de verwarmende stralen der middagzon; op muren,
die er slechts tijdelijk aan blootgesteld zijn, bewegen zij zich met
de voortschrijdende schaduw verder. In gewesten, waar hun geen leed
wordt gedaan, ziet men ze bij honderden op een muur, bij dozijnen op
denzelfden boom. Hoewel niet bijzonder vredelievend gezind jegens
soortgenooten, houden zij van gezelligheid, leeren langzamerhand
de meest geschikte woonplaatsen in hun gebied kennen en verzamelen
zich hier in groote menigte. Met het invallen van den nacht worden
zij wakker; dan begint hun jacht op allerlei kleine dieren; vooral
Vliegen, Muggen, Spinnen, Kevers, kleine rupsen, enz. weten zij met
verrassende snelheid te vangen. Het begin van hun werkzaamheid kondigen
zij gewoonlijk aan door een luid, in ieder geval goed hoorbaar,
kort geschreeuw, dat door de woorden "zjekko" of "tokkie" ongeveer
nagebootst kan worden. Hoewel alle overige Gekko's keelgeluiden
maken, heeft de in Middel-Azië levende Wonder-gekko (Teratoscinus)
de zonderlinge gewoonte te sjirpen met den staart, welks bekleeding
uit platen bestaat, die elkander dakpansgewijs bedekken, ongeveer op
dezelfde wijze als een Boktor door het wrijven van den kop langs het
borstschild geluid maakt. A. Strauch meent, dat dit dier hierdoor de
Sprinkhanen kan lokken, waarmede het zich voedt.

De meeste Gekko's blijven gedurende den geheelen nacht aan 't werk;
hun bedrijf is wel geschikt om de aandacht te trekken. Een merkwaardig
schouwspel levert dit dier, wanneer het met bewonderenswaardige
behendigheid, zonder ooit een misstap te doen, omhoog klautert bij
loodrechte, gladde wanden, die het plotseling verlaat om langs den
zolder te loopen met even groote zekerheid, als bevond het zich op den
vloer. Minuten lang blijft het soms op dezelfde plaats en schiet dan
weer haastig vooruit, waarbij het den dikken staart onbeholpen heen en
weer slingert en met slangachtige kronkelingen van het lichaam zich
voortbeweegt. Intusschen merkt het alles op, wat er in de nabijheid
voorvalt en kijkt met de nu groote en schitterende oogen om zich heen,
of het niet ergens een buit bespeurt. Te verwonderen is het niet, dat
het onooglijke dier, waarvan de reiziger overal kwaad hoort spreken,
bij hem aanvankelijk een onaangenamen indruk wekt en zelfs een gevoel
van walging doet ontstaan: dit gevoel behouden echter alleen zij, die
zich de moeite niet geven om de werkzaamheid van het dier na te gaan.

Weken en maanden heb ik huizen bewoond, waarin de Gekko's zich
in grooten getale ophielden; de eerste exemplaren, die ik zag,
heb ik met verwondering waargenomen; weldra echter hield ik veel
van deze eigenaardige en onschadelijke dieren; menigmaal hebben
zij mij op aangename wijze den tijd gekort. Huisdieren zijn zij
in de rechte beteekenis van het woord, trouwer nog dan de Muizen
en stellig nuttiger. Over dag zijn hunne bewegingen echter niet
vrij van onhandigheid, vooral wanneer men hen bedreigt en zij zoo
schielijk mogelijk naar hunne schuilhoeken vluchten; bovendien maakt
het op den toeschouwer geen aangenamen indruk, als hij ziet, hoe de
Gekko's zich in hun angst plotseling, op gelijke wijze als sommige
Kevers, op den grond laten vallen en daarbij gewoonlijk den staart
verliezen. Zoodra echter hun werktijd aanvangt, d. w. z. wanneer
de duisternis ingevallen is, zullen zij, naar ik vertrouw, iederen
onderzoeker zoo niet bekoren, dan toch boeien. Het was ons steeds
een groot genoegen 's nachts te Kaïro, Dongola, Khartoem of elders
in het Nijlland, in het donkere van leem gebouwde huis, zoowel als
in de stroohut, het eerste geschreeuw van de Gekko's te hooren en
daarna hun werkelijk spookachtige bewegingen te bespieden, te letten
op hunne met den grootsten ijver ondernomen jachttochten, kortom van
al hunne handelingen getuige te zijn.

Tallooze malen heb ik Gekko's gevangen, ze in de hand gehad
om hen en hunne hechtschijven te bekijken, nooit echter heb ik
eenig nadeel ondervonden van het aanraken en hanteeren dezer ten
onrechte vergiftig genoemde dieren; het was trouwens niet mogelijk
eenige stof, die vergiftig zou kunnen wezen, waar te nemen;
daar het "kleverige vocht", waaraan sommige het hechtvermogen
der vingers toeschrijven, in 't geheel niet bestaat. Reeds Home,
die de hechtorganen grondig onderzocht, is tot de slotsom gekomen,
dat de Gekko daaronder een luchtledige ruimte doet ontstaan en zich
op deze wijze vasthecht. Dit is dan ook werkelijk het geval. Hoewel
de aanraking van de hechtschijven de gewaarwording van kleverigheid
veroorzaakt, werd van de aanwezigheid van een lijmachtigen stof, die
dan een vergiftige werking zou kunnen uitoefenen, stellig nog nooit
door een onderzoeker, die zijne persoonlijke ervaringen mededeelt,
melding gemaakt. Als zulk een lijm voorhanden was, zou de Gekko zijne
voeten weldra niet meer voor het aanhechten kunnen gebruiken, daar
zij eerder met stof en vuil bedekt zouden worden, dan aan den muur
kleven. Het is eenvoudig de drukking der lucht, die het dier doet
kleven aan de voorwerpen, waarbij het opklautert; het kan zelfs bij
het gladste spiegelglas, bij marmeren platen enz. omhoog klimmen.

Om andere Reptiliën of Gewervelde Dieren in 't algemeen bekommert
de Gekko zich slechts in zoover, dat hij in ieder sterker wezen een
vijand vermoedt. In Zuid-Europa is het niet gemakkelijk Gekko's waar
te nemen, waarschijnlijk omdat zij hier bijna overal op noodelooze
wijze vervolgd en schuw gemaakt worden; in Afrika daarentegen gedragen
zij zich dikwijls vriendschappelijk jegens den mensch, d. w. z.,
toonen een gemeenzaamheid en een goed vertrouwen, dat zeer innemend
is. Zoo goed echter, als de herinnering aan doorgestane vervolgingen
hun bijblijft, zoo goed geraken zij aan andere dieren en zelfs aan
den mensch gewoon: men kan ze eenigermate temmen. "In de kamer,
waarin de vrouwen van mijn gezin den avond doorbrachten," verhaalt
Tennent, "had eens een van deze tamme en gezellige diertjes de ruimte
achter een schilderijlijst tot rustplaats gekozen. Zoodra de kaarsen
aangestoken waren, verscheen de Gekko aan den muur om het voedsel,
dat men hem gaf, in ontvangst te nemen. Wanneer men hem vergat, liet
hij nooit na door een schel, luid klinkend "tsjiek tsjiek tsjiek" de
aandacht van de aanwezigen op zich te vestigen. In een officierswoning
van de vesting Colombo had men een anderen Gekko gewend dagelijks
aan het souper deel te nemen. Hij verscheen precies op zijn tijd,
zoodra de schotels op tafel werden gezet. De familie verliet haar
woning voor eenige maanden en gedurende haar afwezigheid werd het
geheele huis in orde gebracht. De muren werden opnieuw aangestreken,
de plafonds gewit, het dak vernieuwd, enz. Iedereen dacht natuurlijk,
dat de kleine bewoner door deze ingrijpende verandering verdreven zou
zijn; dit bleek echter niet het geval te zijn. Bij de terugkomst van
zijne oude vrienden verscheen hij met zijn gewone stiptheid, zoodra
de tafel gedekt was, en bedelde als naar gewoonte om voedsel."

Men zou op grond van feiten als de zooeven genoemde kunnen verwachten,
dat de Gekko overal een gewilde gast zal zijn; het tegendeel is echter
waar; het volkomen noodelooze vervolgen en dooden van dit onschadelijke
dier levert, gelijk Prins Lucien Bonaparte zeer te recht opmerkt,
"een duidelijk voorbeeld van de ondankbaarheid der wereld. De Gekko
heeft geen ander doel dan de woning, die hij tegelijk met ons bewoont,
van Spinnen, Muggen en andere lastige Gelede Dieren te bevrijden; voor
deze weldaad krijgt hij geen ander loon dan lasterlijke beschuldiging
en vervolging!"

Het is ongelukkig zeer moeielijk om Gekko's in een kooi te houden
en ze vooral hier te lande door den winter te brengen. Zij zijn
buitengewoon teer; dit blijkt reeds, als men ze vangen wil; bij een
eenigszins ruwe aanraking breekt de staart dadelijk af, alsof hij
uit glas bestond. Dit is echter geen groot verlies; want reeds na
weinige dagen komt aan het overgebleven stompje een uitspruitsel,
dat zich tot een nieuwen staart ontwikkelt en reeds na verloop van
een maand het gewone uitzicht heeft verkregen, met dit verschil, dat
de huid glad blijft, geen doornachtige knobbels vertoont en dat het
nieuwe gedeelte op de plaats, waar het aan het oude vastzit, verdikt
is. In een beperkte ruimte blijft de Gekko steeds vreesachtig en
schuw; voordat hij getemd is, breekt de voor hem meestal noodlottige
winter aan. Daarom ziet men bij liefhebbers van dieren zoo zelden
levende Gekko's.



In het zuiden en oosten van de Oude Wereld leeft de talrijke familie
van de Agamen (Agamidae), die uit Hagedissen van zeer verschillenden
vorm bestaat: de romp is bij sommige gedrongen, bij andere langwerpig,
nu eens van boven naar onderen, dan weer van weerszijden samengedrukt,
over 't algemeen echter krachtig gebouwd; de kop is kort en breed,
de staart bij eenige soorten kort, bij andere lang en spits, in
geen geval echter zoo broos als bij de leden der vorige familie;
de ledematen zijn goed ontwikkeld. De tanden zijn aan den bovenrand
der kaakbeenderen vastgegroeid; in den regel steekt een van hen bij
wijze van een hondstand voorbij de overige uit. De vleezige tong,
die hoogstens aan den top een ondiepe insnijding vertoont, is over
haar geheele lengte met den bodem der mondholte vergroeid en kan dus
niet uitgestoken worden.



"Naar mij gezegd werd," verhaalt Herodotus, "is bij de stad
Butus in Arabië een oord gelegen, waar men vliegende Slangen
aantreft. Ik bezocht dit oord en zag er een ongeloofelijk groote
hoeveelheid beenderen en graten tot tallooze groote en kleine hoopen
opeengestapeld. Het ligt in een door bergen ingesloten dal, dat met
de uitgestrekte Egyptische vlakte in gemeenschap staat. Ik vernam,
dat de gevleugelde Slangen in de lente van Arabië naar Egypte vliegen,
maar, bij den uitgang van het dal Ibissen ontmoetend, door deze om 't
leven worden gebracht, om welke reden de Ibissen bij de Egyptenaren
in hoog aanzien staan. De gedaante dezer Slangen is als die der
Waterslangen; hare vleugels hebben geen veeren, maar komen in maaksel
met Vleermuis-vleugels overeen."

Welke dieren de "vader der geschiedenis" hier op het oog heeft, kan nu
niet meer uitgemaakt worden. Misschien zou men uit hetgeen hem verteld
werd, kunnen afleiden, dat zijn zegsman had hooren spreken over de
kleine Oost-Indische Boom-agamen, die onder den naam van Draken (Draco)
bekend zijn, daar deze, zij het dan ook geen vleugels, een valscherm
bezitten. Deze onschadelijke diertjes hebben met hunne peten, de Draken
en Lintwormen van de fabelleer, die men in de gedaante van gevleugelde
Reuzenslangen of Krokodillen voorstelde, niets dan den naam gemeen.

De meest in 't oog loopende eigenaardigheid van de Draken is
ongetwijfeld hun valscherm, dat door de ribben wordt gesteund. Op
eenige ware ribben (die zich van de wervelkolom tot aan het borstbeen
uitstrekken) volgens 5 of 6 paar valsche ribben, die niet naar de
borst gekromd, maar zijwaarts verlengd en recht zijn. Als baleinen
van een parapluie spannen zij de huid van de zijden van den romp
tot een halfkringvormige schijf uit, die aan weerszijden tusschen
de pooten uitsteekt, doch deze geheel vrij laat en niet door hen
gesteund wordt, zooals het voor 't zelfde doel dienende orgaan der
Vliegende Eekhoorns. In den toestand van rust wordt het valscherm
door het achterwaarts richten der ribben opgevouwen.



De meest bekende soort van dit geslacht is de Vliegende Draak (Draco
volans). Dit bekoorlijke dier bereikt een totale lengte van niet
meer dan 20 cM. Door een beschrijving kan men van zijn schoonheid
slechts een zeer onvoldoende voorstelling geven. De kop van het
levende dier is metaalachtig bruin of groen van kleur en prijkt met
een zwarte vlek tusschen de oogen; de rug en de binnenste helft van
het valscherm zijn deels donkerbruin met metaalachtigen weerschijn,
deels rozerood, welke beide kleuren bij enkele exemplaren onderling
afwisselen en dwarsbanden vormen, die met talrijke zwarte vlekken
en korte lijnen van onregelmatigen vorm geteekend zijn. De keelzak
heeft bij het mannetje een levendig oranjegele, bij 't wijfje een
blauwachtige kleur; de borst heeft zwarte stippels op gelen grond.

Alle Draken zijn Boomhagedissen in de volste beteekenis van 't woord;
zonder er toe gedwongen te zijn, komen zij waarschijnlijk nooit op
den grond; meestal leven zij in de boomkronen. Hunne prachtige kleuren
vallen daarom volstrekt niet in het oog. Men merkt deze dieren, terwijl
zij in de schaduw der bladen liggen of tegen den stam aangeplakt zijn,
eerst op, als men zeer dicht bij hen komt en ziet ook dan niets anders
dan een mengelmoes van bruin en grijs, dat zeer veel op boomschors
gelijkt. In deze omstandigheden wordt zelfs bij nauwkeurige beschouwing
geen ander bewijs van leven opgemerkt dan het rusteloos rondwaren der
oogen, die voorbijvliegende Insecten beloeren. Als een dergelijke prooi
dicht bij den Draak komt, breidt hij plotseling zijn valscherm uit,
maakt, hierdoor gedragen, een grooten luchtsprong, grijpt met bijna
onfeilbare gewisheid den buit en zet zich weder op een andere twijg
neer. De op deze wijze afgelegde weg is steeds schuins van boven naar
beneden gericht en bedraagt soms 6 à 10 Meter. Daar de Draken met hun
"vlieghuid" slechts weinig kunnen stijgen, moeten zij hooger gelegen
punten klimmend langs de takken bereiken; zij doen dit niet, zooals
de andere Boomhagedissen, rennend, met snel opeenvolgende passen,
maar door een aantal meer of minder groote sprongen.



Echte boomdieren zijn ook de Galeoten (Calotes), van welk geslacht
19 soorten het vaste land van Zuid-Azië en zijne groote en kleine
eilanden bewonen. Over 't algemeen zijn zij slank gebouwd; de romp
is zijdelings samengedrukt, de kop heeft den vorm van een korte,
vierzijdige piramide, de staart is lang en rond, de pooten zijn slank
en de voeten hebben zeer lange teenen. De schubben van den rug zijn
regelmatig op schuine rijen geplaatst en vormen in 't midden een kam.

Als de meest bekende soort noemen wij den Bloedzuiger der Singalezen
(Calotes versicolor). Zijn lengte bedraagt 41 cM., waarvan bijna drie
vierde op den staart komt. Het dier onderscheidt zich door zijschubben,
die achter- en bovenwaarts gericht zijn, door twee groepen van stekels
boven iederen gehoorgang en door een matig hoogen kam op den hals en
het voorste deel van den rug, veel meer echter nog door de plotselinge
kleursveranderingen, die een groot deel van zijn huid ondergaat. Soms
heeft het geheele dier een glinsterend roode kleur met zwarte vlekken;
in enkele gevallen blijft de kleursverandering tot den kop beperkt,
in andere strekt zij zich ook over den romp en den staart uit.

De Bloedzuiger is een van de algemeenste Zuid-Aziatische Hagedissen,
want zijn verbreidingsgebied strekt zich van Afghanistan over geheel
Voor- en Achter-Indië tot Zuid-China uit. Op heete, zonnige dagen ziet
men hem met geopenden bek, gewoonlijk eenzaam, op een twijg, soms ook
wel op een muur, in de zon zitten. Na een regenbui echter wijdt hij
zich met den grootsten ijver aan de jacht op allerlei Gelede Dieren;
bij zulk een weersgesteldheid komt hij ook dikwijls op den grond,
waar hij zich anders gewoonlijk niet vertoont. Het wijfje legt 5 à
16 eieren van gewonen vorm, doch met zachte schaal, in holle boomen
of in gaten, die zij zelf in den zachten grond graaft; na acht of
negen weken komen de jongen uit.



Op den grond leven de Slingerstaarten (Stellio), die zich van de
overige Agamen onderscheiden door hun gordelvormig met stekelige
schubben bekleeden staart. De nagenoeg driehoekige kop is plat, in de
teugelstreek uitgehold, in de wangstreek flauw gezwollen; de romp is
nu eens meer dan weer minder forsch ontwikkeld, van boven naar onderen
afgeplat, de tamelijk korte hals met onregelmatige plooien voorzien en
dunner dan de achterkop, de middelmatige lange staart aan den wortel
afgeplat, overigens echter rond; de pooten zijn betrekkelijk lang en
forsch gebouwd.

Van de 5 tot dusver bekende soorten van dit geslacht is de Doornhagedis
of Hardoen (Steltio vulgaris), voor ons de belangrijkste, omdat zij
ook nog in Europa aangetroffen wordt, n.l. in Europeesch Turkije
en op eenige eilanden van de Egeïsche Zee. Bovendien is zij over
het grootste deel van Klein-Azië, Syrië, Noord-Arabië en Egypte
verbreid. In volwassen toestand bedraagt haar lengte 28 cM., waarvan
17 cM. op den staart komen. Haar kleur en teekening zijn, evenals
bij vele andere Hagedissen, tamelijk uiteenloopend. De bruingele
kleur van de bovenzijde kan verdonkeren tot zwartachtig grijs of
verbleeken tot isabel; de teekening bestaat uit groote, lichtgele
plekken op het midden van den rug en zwarte stippels. De onderzijde
is op geelachtigen grond donker gevlekt en geteekend, de onderzijde
van den staart evenwel effenkleurig: vuiloranje of okergeel.

Veel talrijker dan in Europa ontmoet men deze Hagedis in
Noordoost-Afrika. De "Hardoen", gelijk de Arabieren haar noemen,
is een algemeen bekend dier. Hem ziet men bijna overal, dikwijls
bij dozijnen te gelijk of in nog grooter aantal op steenen, rotsen,
muren en in huizen, bij welker wanden hij even behendig op en neer
klautert als bij hellende steenmassa's. Hoewel hij een eenigszins
plomp voorkomen heeft, staat hij, wat vlugheid van beweging betreft,
nagenoeg niet achter bij onze Hagedissen.

Het voedsel van den Hardoen bestaat hoofdzakelijk, zoo niet uitsluitend
uit groote Insecten, vooral Vliegen, Vlinders en verschillende soorten
van Vliesvleugeligen. Zoo verdienstelijk hij zich maakt door het vangen
van gene, zoo schadelijk blijkt hij te zijn door het verslinden van
Bijen, gelijk o.a. op de Grieksche eilanden herhaaldelijk gebleken is.

In Egypte wordt de Hardoen, evenals alle groote soorten van Hagedissen,
door de Slangenbezweerders gevangen en aan het publiek vertoond.



De Doornstaarten (Uromastix) zijn groote, plompe Agamen, die woeste
landstreken van Noord-Afrika en Zuid-Azië bewonen. De driezijdige,
platte kop, welks korte snuit stomp afgerond is, herinnert aan
dien van een Schildpad; talrijke, gekronkelde huidplooien omgeven
den hals; de korte, plompe, breede en lage romp is met kleine,
gelijkvormige, afgerond vierzijdige schubjes bedekt; de schubben
van den eveneens afgeplatten staart zijn vooral aan de bovenzijde
gordelsgewijs gerangschikt en eindigen van achteren in een doorn. De
korte, krachtige pooten hebben tamelijk lange teenen, die met sterk
gekromde klauwen gewapend zijn.

De Doornstaart of Dabb der Arabieren (Uromastix spinipes) kan
een lengte van 46 cM. bereiken, waarvan ongeveer 19 cM. op den
staart komen; zijn kleur is tamelijk effen, van boven grijsbruin
of olijfkleurig met onregelmatige, bruine vlekken, van onderen
geelachtig, gedurende den paartijd van boven glanzig grasgroen,
van onderen groenachtig geel.

De Doornstaart is minder plomp van beweging dan van uitzicht;
naar het schijnt, toont hij dit vooral gedurende de schemering. Hij
bewoont woeste, steenachtige gewesten, zonder evenwel de nabijheid
van de door menschen bewoonde plaatsen te vermijden. In de echte
zandwoestijn komt hij niet voor; geregeld ontmoet men hem echter
in alle vlakten, die door den nu en dan vallenden regen met een,
zij het dan ook zeer armoedig, plantenkleed bedekt zijn. Over dag
ziet men hem soms onbeschut op de rotsen zitten, blootgesteld aan de
verwarmende zonnestralen; gewoonlijk echter is hij half verborgen in
de breede spleten van het gesteente. In zeer gunstig gelegen oorden,
dus in zulke, die hem ontoegankelijke schuilplaatsen verschaffen,
merkt men deze dieren soms in aanzienlijken getale op: ik herinner mij,
ze bij dozijnen in één rotsspleet te hebben gezien. Waar dergelijke
toevluchtsoorden ontbreken, graaft hij holen in 't zand, die hij
over dag slechts dan verlaat, als hij zich in de zon wil koesteren,
in de heete middaguren echter weer opzoekt.

Bij het ontmoeten van een mensch snelt de Doornstaart met
vreemdsoortige, slangsgewijze kronkelingen van den korten en plompen
romp en den stijven staart naar zijn hol. Zoolang hij den mensch nog
niet heeft opgemerkt, begeeft hij zich langzaam met waggelende schreden
daarheen, intusschen den kop nu eens naar de eene, dan weer naar de
andere zijde wendend, als om de grootst mogelijke voorzichtigheid
te betrachten. In zijn schuilhoek houdt hij zich na het bereiken
van een zekere diepte volkomen stil; daar hij schijnt te weten,
dat men hem hier niet volgen kan. Als men hem toevallig opzettelijk
den weg naar zijn woning afsnijdt, blijft hij staan, laat een dof
geblaas hooren en maakt zich tot den aanval gereed. Zijn voornaamste
wapen is de staart, waarmede hij krachtige en gevoelige slagen kan
toebrengen. Zelden maakt hij van zijn gebit gebruik; wanneer dit
geschiedt, laat hij het gegrepen voorwerp niet licht weer los, al
zou men hem de kaken stukbreken.

Alle Doornstaarten zijn planteneters, die zich met allerlei bladen
en bloemen, graszaden en andere droge vruchten voeden en slechts bij
uitzondering dierlijke stoffen gebruiken. Bij de Arabieren ziet men den
Dabb nu en dan in gevangenschap, omdat zijn tegenwoordigheid beschouwd
wordt als zegenrijk voor het huis; bovendien worden de 21 ringen
van zijn staart in verband gebracht met de een of andere legende,
waarin het genoemde getal een rol speelt. De Bedoeïnen echter maken
jacht op den Doornstaart, dien zij vetmesten en vervolgens opeten.



Tot de Agamen behoort ook nog een van de vreemdsoortigste Hagedissen,
die men kent, n.l. den Moloch (Moloch horridus), een bewoner van
Zuid- en West-Australië. De kop is zeer klein en smal, de romp forsch
gebouwd, plat, aan dien van een Pad herinnerend; de afgeronde staart
is iets korter dan de romp, aan het einde afgeknot. De pooten zijn
tamelijk stevig, de teenen buitengewoon kort en dik en met lange
klauwen gewapend. Op het midden van den hals komt een langwerpige
bult voor, met groote, zijwaarts gerichte doornen. De kop, de hals
en de romp zijn met schilden van onregelmatigen vorm bekleed, ieder
eindigend in een stekel, die op een rozendoorn gelijkt. De lengte
en de kromming van deze stekels is verschillend. De onderzijde
is oneffen, maar niet stekelig. De kleur van dit dier maakt een
aangenamen indruk, van boven kastanjebruin met drie streepvormige,
overlangsche vlekken. Totale lengte 18 à 22 cM.

Eerst in den laatsten tijd is men bekend geworden met de levenswijze
van dit dier, dat door de kolonisten "Stekelhagedis" of "Doornduivel"
wordt genoemd. Het bewoont zeer zandige terreinen. Uit de kleinheid
en verborgen ligging van zijne oogen, zoowel als uit zijn geheele
uiterlijk, kan men afleiden, dat het over dag werkzaam is en misschien
nooit, althans zeer zelden, 's nachts zijn rustplaats verlaat. Het kan,
gelijk gebleken is, vlug loopen, maar beweegt zich in den regel zeer
langzaam. Zijn voedsel schijnt hoofdzakelijk uit Mieren te bestaan,
nu en dan ook wel uit plantaardige stoffen.

De Moloch verdient zijn naam, die aan de sombere godenleer van de
Kanaänieten ontleend is, slechts ten halve; ondanks zijn schrikwekkend
uiterlijk, is hij zachtzinnig van aard. Hij heeft geen andere
verweermiddelen dan zijne stekels en ook deze zijn zoo zwak, dat een
behendige vanger zich niet licht er aan kwetsen zal. Hij kan niet
bijten, zooals reeds uit de kleinheid van zijn bek valt af te leiden.



De familie van de Legoeanen (Iguanidae) neemt in Amerika de plaats
in van de tot de Oude Wereld beperkte Agamen, maar omvat een veel
grooter aantal soorten; bovendien vertoonen deze meer verscheidenheid
van vorm. Van de Agamen verschillen zij vooral, doordat hunne aan
den wortel ronde, nader bij de spits breedere en meer samengedrukte
tanden bevestigd zijn aan de binnenzijde van een beenige lijst,
die den rand van de kaak vormt.

De Legoeanen zijn in hooge mate karakteristiek voor Zuid-
en Midden-Amerika en worden hier overal in zeer grooten getale
aangetroffen; hun verbreidingsgebied strekt zich ook over de warmste
gedeelten van Noord-Amerika uit. Verscheidene soorten zijn belangrijk
wegens haar vleesch en hare eieren, die gaarne door den mensch
gegeten worden.



In alle warme gewesten van Amerika wordt in wouden, bosschen en
tuinen een talrijk geslacht van allerliefste Hagedissen gevonden, die
den naam Anolis (Anolis), welke zij op de Antillen dragen, in onze
taal behouden hebben. Een belangrijk kenmerk van deze dieren is het
maaksel van den voet. De voorpooten zijn korter dan de achterpooten,
doch overigens even goed ontwikkeld als deze. De groote voet heeft vijf
teenen van zeer ongelijke lengte, welker middelste leden, evenals bij
de Gekko's, verbreed en op de zool van fijne dwarsplooien voorzien
zijn. De huid van deze dieren prijkt met prachtige kleuren en bezit
(in veel hoogere mate dan die van den meer algemeen bekenden Kameleon)
de eigenschap om van kleur te veranderen.

Iedere wetenschappelijk ontwikkelde reiziger, die een deel van Zuid-
of Midden-Amerika doorzoekt, voegt eenige vroeger niet beschreven
leden toe aan deze groep, die thans reeds uit meer dan 100 soorten
bestaat. Anolis vindt men overal, in ieder woud, in ieder bosch,
in ieder plantsoen; soms verlaten zij de boomen en verschijnen op
en in de huizen, in de galerijen en zelfs in de kamers; zij trekken
dus zeer de aandacht en kunnen hoogstens alleen in de dichte wouden
onopgemerkt blijven. Het is wel mogelijk, dat men in 't donkere
oerwoud slechts bij toeval een van deze dieren te zien krijgt,
terwijl het stil en bewegingloos op een tak zit; in de nabijheid
van bewoonde plaatsen is de mensch in zekeren zin gedwongen om op
hen te letten. Buitengewoon levendig, behendig, vlug en vaardig,
maken zij jacht op allerlei Gelede Dieren, vangen hier een Mug,
een Vlinder, een Kever, onderzoeken ginds een spleet, die aan een
Spin tot schuilplaats dient, en maken zich meester van dit dier; als
roofdieren loeren zij op hun prooi, schieten er bliksemsnel op toe,
als een Kat die een Muis vervolgt, en grijpen haar met nagenoeg nimmer
falende zekerheid. Aanhoudend leven zij op voet van oorlog met hunne
soortgenooten. "Zoodra een Anolis", verhaalt Nicolson, "een ander
dier van zijn soort bemerkt, spoedt hij zich naar dezen concurrent,
die hem als een dappere held afwacht. De beide duellanten keeren en
wenden zich vóór den strijd bijna als hanen, bewegen snel en hevig den
kop op en neer, blazen de keel op en kijken elkander met fonkelende
blikken aan. Door een onverhoedschen, woedenden aanval tracht de een
den anderen te overrompelen. Als beide tegenstanders even sterk zijn,
komt er aan den strijd, die meestal in de boomen uitgevochten wordt,
niet spoedig een einde".

Daar deze dieren onschadelijk zijn en een vriendelijken indruk maken,
beschouwt men ze nergens met tegenzin, op sommige plaatsen zelfs
met welwillendheid, misschien wel uit erkentelijkheid voor de goede
diensten, die zij door het vangen van Insecten bewijzen. Alle soorten
kunnen, als zij goed behandeld worden, de gevangenschap geruimen tijd
verdragen; het is niet moeilijk ze levend naar Europa te brengen.



Als vertegenwoordiger van dit geslacht zullen wij den Roodkeeligen
Anolis (Anolis carolinensis) beschrijven. Bij het levende dier is de
bovenzijde glanzig groen, de onderzijde zilverwit, de vuurroode keelzak
met witte schubben bedekt, de slaapstreek zwart, een groote oogvlek
boven de okselholte blauw en de staartstreek met zwarte stippels
geteekend. Het groen heeft echter dikwijls een min of meer bruinachtige
tint of is door bruin vervangen; ook andere kleurswijzigingen komen
veelvuldig voor. De lengte, die bij de mannetjes en wijfjes verschilt,
bedraagt 14 à 22 cM., waarvan twee derde op den staart komt.

In Louisiana, Carolina en op Cuba is de Roodkeelige Anolis een van de
meest gewone Hagedissen; men vindt hem hier op boomen, omheiningen
van tuinen, aan den buitenkant van woonhuizen en niet zelden ook
daarbinnen. Op de boomen beweegt hij zich verwonderlijk snel en vlug,
met sprongen twaalfmaal zoover als zijn lichaam lang is, van den
eenen tak of boom op den anderen. Ieder blad, dat hij aanraakt, kan
hem een voldoenden steun verschaffen; daar zijne breede vingers zich,
evenals die der Gekko's, oogenblikkelijk hechten aan de voorwerpen,
waartegen zij aangedrukt worden, hoe glad deze ook zijn, glad gewreven
hout en glas niet uitgezonderd; zelfs kan hij langs den zolder van
een vertrek loopen. Gevangen exemplaren worden na zeer korten tijd
tam en komen daarom zelfs bij lieden, die overigens geen groote
liefhebbers van Kruipende Dieren zijn, dikwijls voor. Niet zelden
worden zij levend naar Europa gebracht.

Basiliscus noemden de oude Grieken en Romeinen een fabelachtig monster,
dat op een Slang geleek, met bovennatuurlijke krachten begaafd was, een
zeer afschrikwekkend voorkomen had, op onnatuurlijke wijze ontstaan was
en onheil bracht over allerlei levende wezens, zelfs over menschen. De
huishaan, de Slang en de Pad speelden een rol bij het voortbrengen
van dit monster. Wanstaltige eieren, door een haan gelegd, werden
door Slangen en Padden medegenomen en uitgebroed. De Basiliscus had
vleugels aan den romp, een kroon op den kop, vier pooten als die van
een haan en een staart als een Slang; de vergiftige blikken van zijne
fonkelende oogen hadden een nog schadelijker werking dan het "booze
oog", waarvoor de hedendaagsche bewoners van Zuid-Europa en van het
Oosten zoo bevreesd zijn. Het van hem uitgaande gif verspreidde zich,
naar gezegd werd, door de lucht en doodde alle levende wezens, die er
mede in aanraking kwamen; de vruchten vielen verrot van de boomen,
gras en kruiden verschroeiden, de Vogels tuimelden dood ter aarde,
paard en ruiter bezweken. Slechts één dier was in staat om den
Basiliscus te verjagen en onschadelijk te maken: een van de dieren,
waardoor hij werd voortgebracht, n.l. de huishaan. Zijn gekraai, dat
de spoken verjaagt, noopte ook de Basilisken om naar het binnenste
van de aarde de wijk te nemen.

Met den naam van dit monster wordt door de dierkundigen een geslacht
van Legoeanen aangeduid. Het mannetje is gekenmerkt door het bezit
van een hoogen, vliezigen helm op den achterkop en van een vliezigen
kam, die door de doornuitsteeksels van de wervels gesteund wordt,
op den rug en op het begin van den staart.

De Helmbasiliscus (Basiliscus americanus), heeft op den kop een
spits toeloopende kap, van buiten met gekielde schubben bekleed en
van binnen door een kraakbeenige lijst gesteund. Het levende dier
heeft waarschijnlijk een groene kleur; bij de in spiritus bewaarde
exemplaren is de bovenzijde roodachtig bruin, de onderzijde vuilwit;
onregelmatige, afgebroken dwarsstrepen loopen van den rug langs de
zijden; achter het oog en bij den mondhoek komt een witte streep
voor. Totale lengte 80 cM., staartlengte 56 cM. Het vaderland van
deze soort is Panama en Costarica. Haar voedsel bestaat, voorzoover
men weet, uitsluitend uit plantaardige stoffen.



De Galapagos-eilanden hebben een zeer eigenaardige fauna en flora: de
daar levende planten en dieren worden voor 't meerendeel nergens anders
gevonden. Men vindt er o. a. vier soorten van Hagedissen, die tot de
Legoeanen behooren, waarbij twee, die hoogst merkwaardige afwijkingen
vertoonen. Geen van beide is vlug van beweging; haar voedsel bestaat
uit planten; de eene leeft op het land, de andere behoort in 't water
thuis en is de eenige Hagedis, die recht heeft op den naam van zeedier,
de eenige, die uitsluitend van waterplanten leeft.



De Zeehagedis (Amblyrhynchus cristatus), een zeer groote Legoeaan,
met een totale lengte van 135 cM., waarvan 80 cM. op den staart
komen, kan een gewicht van 12 KG. bereiken. De geheele bovenzijde van
den kop is bekleed met een mozaïek van schilden van veelhoekigen,
meestal 4- à 6-zijdigen vorm en van ongelijke grootte. Het lichaam
is grootendeels zeer krachtig gebouwd en op hals, nek en rug voorzien
van een zijdelings samengedrukten kam, die zich tot aan de spits van
den staart uitstrekt.

De kleur en de teekening veranderen met den leeftijd. Op den rug
wisselen vuilgrijze en zwarte vlekken, die meer of minder regelmatige,
dwarse strepen of reeksen vormen, met elkander af. De kop is van
onderen donker vuilgrijs, de keelstreek zwart, de buikzijde overigens
vuil geelbruin, de kam op den rug met afwisselende, gele en zwarte,
of grijze en zwarte strepen geteekend. Bij uitzondering ontmoet men
zuiver zwarte exemplaren.

Op de Galapagos-eilanden is het aantal Zeehagedissen zeer groot. Op
het land houden zij zich steeds aan de rotsachtige kust op; nooit
ziet men ze meer dan tien schreden van de zee verwijderd.

Zij zwemmen zeer snel en zonder inspanning met slangsgewijze
kronkelingen van den romp en den afgeplatten staart; de voeten
worden bij deze beweging niet gebruikt, maar tegen de zijden van den
romp aangedrukt. Een matroos liet een Zeehagedis, die met een groot
gewicht bezwaard was, in de zee zakken, in de meening haar op deze
wijze oogenblikkelijk te zullen dooden; tot zijn verwondering had
het dier niets geleden, toen hij het na verloop van een uur weer
boven water bracht. De ledematen zijn met sterke klauwen gewapend
en hierdoor uitmuntend geschikt voor het kruipen over de oneffene
oppervlakte der verbrokkelde lavamassa, waaruit de kust bestaat. Op
zulke plaatsen, eenige meters boven de branding ziet men deze niet
fraaie Reptiliën bij troepjes van 6 of 7 op de zwarte rotsen zitten,
waar zij zich met wijd uitgestrekte pooten in de zon koesteren.

Opmerkelijk is het, dat dit dier niet in het water vlucht, wanneer
het beangst wordt gemaakt. Men kan het licht op een in de zee
vooruitstekende plaats drijven; hier evenwel laat het zich eerder bij
den staart grijpen, dan dat het in 't water springt. Het verdedigt
zich niet tegen den mensch.



De andere vreemdsoortige Hagedis van de Galapagos-eilanden, die wij
Klierenkop (Conolophus subcristatus) zullen noemen, is zoo mogelijk
nog plomper en logger van beweging dan de vorige. Zij is even leelijk
als deze en heeft wegens den kleinen gelaatshoek een buitengewoon
dom voorkomen. De meer of minder helder citroengele kleur van den
kop gaat op den rug naast den kam in steenrood of roestrood, verder
zijwaarts door roodbruin in vuil donkerbruin over. Dit dier bereikt
een lengte van 107 cM., waarvan 54 cM. op den staart komen. Zijne
bewegingen zijn traag en slaperig. Het bewoont holen, die het soms in
hoopen lavagruis, vaker evenwel op vlakke plaatsen van het zachte,
vulkanische gesteente graaft. Het zoekt zijn voedsel over dag en
verwijdert zich niet ver van zijn woning. Als men het bevreesd maakt,
zoekt het op zeer linksche wijze zijn schuilhoek weer op. Wegens den
steilen stand zijner pooten kan het zich niet snel bewegen, tenzij bij
een helling naar beneden. Het toont geen vrees, als men het nadert,
maar kromt den staart omhoog, richt het voorste deel van het lichaam
op door het strekken van de voorpooten, maakt met den kop snelle,
knikkende bewegingen in loodrechte richting en trekt een zeer boos
gezicht, hierover behoeft men zich echter niet veel te bekommeren,
daar het voldoende is met den voet op den grond te stampen om dezen
planteneter te nopen den staart te laten zakken en zoo snel mogelijk
het hazenpad te kiezen.



"Twee soorten van bloeiende ingas" (Amerikaansche boomen van
de familie der mimosaceën) "hadden een buitengewoon groot aantal
Legoeanen aangelokt. Telkens als onze roeiriemen in het water plonsden,
stortten 3 of 4 van deze groote dieren zich uit de boomen in 't water,
of verdwenen, merkwaardig vlug van de eene twijg op de andere sluipend,
in het dichte gebladerte van de kroon, welk toevluchtsoord hen echter
niet tegen het scherpziende oog van de Indianen en hunne wis treffende
pijlen beschutten kon. Er volgde een tooneel vol leven en beweging,
waarbij ieder zich beijverde om van dit kostelijke wild de grootst
mogelijke hoeveelheid te verkrijgen. De jacht met geweren leverde
minder goede uitkomsten dan die met pijlen; de met hagel geschoten
Legoeanen storten zich oogenblikkelijk in 't water, voor zoover zij
niet doodelijk gewond waren, en kwamen niet weder te voorschijn; door
de lange pijlen werd dit echter verhinderd. Wij schoten verscheidene
exemplaren van 2 M. lengte en 30 cM. dikte. In weerwil van het
schrikwekkend voorkomen dezer dieren is hun vleesch uitmuntend en
zijn hunne eieren zeer smakelijk. Dat zij steeds zeldzamer worden,
is voor een groot deel toe te schrijven aan hun eetbaarheid; vooral
is dit het geval in de kuststreken, waar niet alleen inboorlingen,
maar ook Europeanen, kleurlingen en zwarten jacht op hen maken."

Met deze woorden beschrijft Schomburgk een ontmoeting met den Legoeaan
(Iguana tuberculata), de meest bekende vertegenwoordiger van het
uit twee soorten bestaande geslacht en in zekeren zin het type
van de familie van dien naam. Het geslacht kenmerkt zich door den
langwerpigen, zijdelings samengedrukten romp, den grooten vierzijdigen
kop, met korten hals, de stevig ontwikkelde pooten, de zeer lange
teenen en den zeer langen staart, die zijdelings samengedrukt en
met gelijkvormige, gekielde schubben bedekt is; het voorste deel van
den grooten, hangenden keelzak draagt een stekeligen kam; de rugkam,
die uit lange, op zaagtanden gelijkende schubben bestaat, reikt van
den nek tot aan de spits van den staart.

De Legoeaan bereikt een lengte van 1.4 à 1.6 M., waarvan 1 M. of
meer voor den staart. De fraaie bladgroene kleur van zijn huid gaat
op sommige plaatsen in blauw, donkergroen, bruin en grijs over; de
onderzijde en de pooten zijn gestreept; de staart is met verscheidene
duidelijke, breede, donkere banden omgeven. De kleur kan trouwens
zeer verschillen, te meer, omdat de huid van den Legoeaan, evenals
die van den Kameleon, chromatophoren bevat.

Alle Legoeanen bewonen het tropische deel van Zuid-Amerika en de
landen om en in de Golf van Mexico, dus ook de Antillen; alle leven
op boomen, bij voorkeur op die, welke aan den waterkant staan. Hier
bewegen zij zich met groote behendigheid, springend en klimmend van
de eene twijg op de andere. Zeer goed weten zij zich tusschen de
bladeren te verbergen en onzichtbaar te maken voor het ongeoefende
oog. Tegen den avond dalen zij niet zelden op den bodem af en zoeken
hier voedsel. Een gevaar ontvluchten zij, indien dit mogelijk is,
in de kroon van een hoogen boom, of, zooals hierboven reeds gezegd
werd, op den bodem van het water, waar zij even goed thuis zijn, als
de Waranen. Hoewel men hen in de vrije natuur en in de gevangenschap
nu en dan Insecten heeft zien eten, lijdt het geen twijfel, dat
plantaardige stoffen hun hoofdvoedsel zijn.

Gewoonlijk vluchten zij bij 't zien van den mensch, hun gevaarlijksten
vijand; in 't nauw gebracht stellen zij zich evenwel moedig te weer,
blazen den keelzak op om een schrikwekkend voorkomen te verkrijgen,
sissen, blazen, springen op hun tegenstander toe, trachten hem te
bijten en laten hetgeen zij eens met hun krachtig gebit gegrepen
hebben, zoo licht niet meer los. Bovendien kunnen zij met den
krachtigen staart hevige en pijnlijke, ja zelfs gevaarlijke slagen
toebrengen.

Hoewel in West-Indië vrij algemeen beweerd wordt, dat het vleesch
van de Legoeanen ongezond is, en meer bepaaldelijk, dat het sommige
ziekten verergert, stoort niemand zich aan deze meening en tracht ieder
integendeel zich dit smakelijk gerecht te verschaffen. Catesby zegt,
dat de Legoeanen een courant handelsartikel zijn en op het vasteland
door voorname lieden voor hooge prijzen gekocht worden. Het vleesch
wordt gemakkelijk verteerbaar, voedzaam en smakelijk genoemd; men
eet het gebraden, maar vaker nog gekookt. De eieren, die bijna geen
eiwit bevatten en bij het koken niet hard worden, dienen gewoonlijk
voor het bereiden van soep. Het opsporen van dit eigenaardige wild is
het werk van een bepaald soort van jagers, die verschillende wijzen
van vangst in praktijk brengen. Gewoonlijk gebruiken zij Honden,
die voor deze jacht zijn afgericht.

Gevangen Legoeanen zijn aanvankelijk onhandelbaar en zeer valsch,
trachten hun meester te bijten en bedreigen ieder dier, dat in hun
nabijheid komt; niet zelden dooden zij kleine huisdieren of hunne
medegevangenen. Langzamerhand vermindert hun woede: na verloop van
eenige weken laten zij zich aanraken. Zij kunnen zoo tam worden,
dat men ze vrij in den tuin of in huis kan laten loopen. In Europa
ziet men ze soms in diergaarden.



Tot de Legoeanen rekent men tegenwoordig ook de Padhagedissen
(Phrynosoma), die zich kenmerken door een korten, dikken, platten romp,
een zeer korten kop en een platten staart, die korter dan het overige
lichaam, en vooral bij den wortel zeer breed is. Zeer vallen zij in
't oog door de gedoornde schubben, die aan den achterkop en aan de
zijden van den romp tusschen de overige, kleinere opperhuidsvormingen
gelegen zijn.

De bekendste vertegenwoordiger van dit geslacht, de Tapayaxye
(Phrynosoma cornutum), een plomp, leelijk dier van 10 cM. lengte
(waarbij 3.8 cM. voor den staart), bewoont Mexico en de zuidwestelijke
Vereenigde Staten. Het wordt tegenwoordig vaak levend naar Europa
gebracht en in terrariën gehouden, waar het vooral bij felle
zomerwarmte zeer bedrijvig wordt. Men voedt het met levende Insecten,
daar het doode dieren versmaadt.



De Gordelhagedissen (Zonuridae) zijn o.a. kenbaar aan een diepe, met
kleine schubben bekleede huidplooi, die achter de voorste ledematen
begint, zich tot aan de achterpooten uitstrekt en een scheiding vormt
tusschen de rug- en de buikzijde van den romp. Haar lichaam is met
dikke schildjes en schubben bedekt. Deze vormen een soort van pantser,
welks beweeglijkheid bevorderd wordt door de genoemde groeve en door
de regelmatige plaatsing van de harde huidbekleedselen op dwarse
reeksen of gordels.

Sommige leden van deze familie komen in vorm en levenswijze met de
Hagedissen overeen; andere gelijken door de groote lengte van den
romp, de geringe ontwikkeling of het ontbreken der ledematen en de
bewegingswijze op Slangen. Zij bewonen de tropische gewesten van
Afrika tot Kaapland en Madagaskar. Hunne bewegingen zijn verrassend
snel; die, welker ledematen rudimentair zijn, kronkelen hun lichaam op
hoogst bevallige wijze, misschien iets langzamer dan onze Ringslang,
maar toch vlug en behendig; evenals hunne familieverwanten in 't
algemeen, maken zij een aangenamen indruk. Eenige komen uitsluitend
op den vlakken grond voor, of kunnen zich hoogstens langs hellende
vlakken naar boven bewegen; andere daarentegen zijn rotsbewoners en
ervaren klimmers. Hun voedsel ontleenen zij aan het dierenrijk. Van
hun voortplanting is nog niet veel bekend; men weet echter, dat zij
niet veel van die der Hagedissen verschilt.



De tot deze groep behoorende Gordelstaarten (Zonurus), gelijken
door hun kort ineengedrongen gestalte op de Slingerstaarten; zij
hebben vier pooten, een platten, driezijdigen kop en een dikken,
middelmatig langen staart. De bovenhals en de rug zijn bekleed met
groote, vierzijdige, schilden of schubben, die dwarse reeksen vormen,
de onderdeelen met groote, plaatvormige schilden, de ledematen aan de
bovenzijde met gekielde schubben, die elkander dakpansgewijs bedekken;
kransgewijs geplaatste stekelschubben beschutten den staart.

Het door den Gordelstaart (Zonurus cordylus) bewoonde gebied strekt
zich van het Kaapland noordwaarts tot aan de Kunene-rivier uit. Dit
dier is 18 cM. lang en zeer ongelijk van kleur. Bij de meeste
exemplaren zijn de rug en de staart vuil oranjegeel, de kop en de
pooten lichter geel, de onderdeelen wit; andere hebben zwartbruine
bovendeelen; bij nog andere zijn deze op bruinen grond donkerder
gestreept, enz. Alle Gordelstaarten bewonen rotsachtige gewesten, bij
voorkeur steile, moeielijk toegankelijke hellingen. Hier loopen zij
tamelijk langzaam rond en zoeken voedsel of warmte, totdat het een of
ander gevaar hen opschrikt en noopt hun schuilplaats op te zoeken. Zij
zijn niet gemakkelijk te vangen, zelfs wanneer men hun woonplaatsen
kan bereiken; zij klemmen zich buitengewoon stevig vast; als men ze
losrukken wil, houdt men vaker den staart dan het dier in de hand.



Nauw verwant aan de leden der vorige groep zijn de Slanghagedissen
(Anguidae), die zich van de Gordelhagedissen hoofdzakelijk
onderscheiden, doordat haar huid beenplaten bevat, waarin
onregelmatige, vertakte of straalsgewijs gerangschikte kanalen
voorkomen en doordat zij het voorste deel van de tong in een scheede
van het achterste deel terugtrekken kunnen. Alle leden van deze
familie leven op den grond, slechts weinige soorten beklimmen ook
wel lage struiken en scheefstaande boomen.



In schaduwrijke dalen van de steppen Nazyn en Koeman aan den Wolga,
later ook bij de rivieren Terek en Sarpa, ontdekte Pallas een groote
Slanghagedis; de Russen noemen haar Scheltopoesik, evenals alle op
Slangen gelijkende dieren. Andere onderzoekers vonden deze soort in
Hongarije, Istrië, Dalmatië, Griekenland, Klein-Azië, Syrië, Perzië,
Transkaukasië, Transkaspië en Toerkestan. Erber ontmoette haar het
veelvuldigst in de nabijheid van het Lago di Bocagnazzo bij Zara in
Dalmatië, maar ook elders bijna in het geheele land. Hare liefste
verblijfplaatsen zijn dalen, die dicht begroeid zijn met struikgewas;
deze verschaffen haar zulke uitmuntende schuilhoeken, dat zij, ondanks
haar aanzienlijke grootte, niet licht wordt opgemerkt, vooral omdat
zij, bewust van haar weerloosheid, bij de nadering van den mensch
geregeld vlucht. Allen, die de levenswijze van deze Hagedis hebben
nagegaan, prijzen haar als een van de nuttigste Reptiliën, daar zij
zich hoofdzakelijk met schadelijke dieren voedt. Haar gewone buit
bestaat uit Muizen en Slakken; de laatstgenoemde worden met schelp
en al verzwolgen; zij maakt echter ook jacht op Adders, die zij doodt
en verslindt, zonder zich te bekommeren om de voor andere Hagedissen
noodlottige giftanden. Toen Erber eens een Scheltopoesik in het hok van
een Adder plaatste, nam zoowel deze als gene onmiddellijk een dreigende
houding aan, hoewel beide de tegenwoordigheid van andere Slangen met
onverschilligheid hadden gadegeslagen. Daar de genoemde onderzoeker
slechts één Scheltopoesik bezat, wilde hij dezen niet in gevaar brengen
en nam hem weer weg. Toch wordt, waarschijnlijk op grond van latere
proeven, de Scheltopoesik door Erber een der bedrijvigste verdelgers
van Adders genoemd. Ondanks zijn geschiktheid voor 't rooversbedrijf
komt het niet in hem op tegen den mensch zijne wapenen te gebruiken;
hij bijt nooit, laat zonder vrees toe, dat men hem in de handen
neemt en schijnt zelfs mettertijd een zekere genegenheid voor zijn
verzorger op te vatten. Van andere Hagedissen onderscheidt hij zich
zeer gunstig door zijn bedrijvigheid. Hij is aanhoudend in beweging,
kruipt met bevallige kronkelingen voortdurend in zijn kooi rond,
beweegt tastend de tong heen en weer en onderzoekt zeer zorgvuldig
iedere holte, iedere spleet tusschen de steenen en het mos. Als men
hem in de kamer vrij laat rondkruipen, begint hij onmiddellijk jacht
te maken op allerlei ongedierte; de leelijke Kakkerlakken, die in
zoovele woningen voorkomen, zoekt hij in al hunne schuilhoeken op en
vervolgt ze zelfs in den schoorsteen.

Merkwaardig is de wijze, waarop de Scheltopoesik een Muis, een Mol
of dergelijk dier vangt en doodt. Direct na het grijpen van den buit
begint hij zich met ongeloofelijke snelheid rond te wentelen; deze
beweging wordt voortgezet, totdat het slachtoffer zoo suf en duizelig
is, dat het zijn vijand niet meer ontkomen kan. Nu eerst verbrijzelt
de Scheltopoesik den kop van zijn buit en begint hem te verslinden;
hiervoor wordt een geruimen tijd vereischt, daar hij zijn prooi
steeds stuksgewijs verzwelgt en zijn gebit niet scherp genoeg is om
de huid en de pezen door te snijden. Voor Hagedissen is hij een zeer
lastige buurman, daar hij haar den staart afbijt en dezen verslindt;
van het overige lichaam schijnt hij niet te houden.

De Scheltopoesik (Ophisaurus apus, Pseudopus Pallasii) vertegenwoordigt
het geslacht der Gepantserde Slanghagedissen, dat zich door de volgende
kenmerken onderscheidt: De romp, welke op dien van een Slang gelijkt,
is lang, rolvormig, een weinig zijdelings samengedrukt en bijna even
dik als de hals; de duidelijk begrensde, vierhoekige kop eindigt in
een spitsen snuit en is bijna even lang als hoog; de dunne, in een
punt uitloopende staart is iets langer dan het overige lichaam. Van
de voorpooten is geen spoor aanwezig; de achterste ledematen zijn
door knobbeltjes aan weerszijden van de kloakopening aangeduid. De
oogen hebben een ronde pupil en volkomen leden; de gehooropeningen
zijn als kleine, overlangsche spleten duidelijk zichtbaar.--De gewone
kleur van de genoemde soort is vuil roodbruin of donker stroogeel: de
kop is een weinig lichter, de benedenzijde van den romp bruinachtig
vleeschrood. Oude exemplaren zijn na de vervelling van boven donker
koperrood, op den kop roodachtig groen. De jongen zijn op grijzen
grond donkerbruin gevlekt en met dwarsbanden geteekend; soortgelijke,
donkere, dwarse strepen bevinden zich aan de zijden van den kop. Van
de totale lengte, die 1.1 M. bedraagt, komen 65 cM. op den staart;
de rudimentaire achterpooten zijn ongeveer 1 cM. lang.



Niet slechts van de voorste, maar ook van de achterste pooten is
uitwendig geen spoor meer te zien bij een soort, die de oostelijk
Vereenigde Staten en Mexico bewoont en door de Anglo-Amerikanen
Glasslang (Glasssnake) wordt genoemd (Ophisaurus ventalis); aan
het geraamte merkt men echter een weinig ontwikkelden schouder-
en heupgordel op. Als Hagedis is dit dier uitwendig kenbaar
aan de oogleden, die voor beweging geschikt zijn, en aan het
trommelvlies. Zijn kleur is zeer verschillend. Enkele exemplaren
zijn helder groen met zwarte en gele vlekken, andere bruinachtig met
donkerbruine strepen op de zijden, nog andere hebben oogvlekken op
bruinen grond. De lengte bedraagt ongeveer 80 cM.

De Glasslang bewoont bij voorkeur zeer droge terreinen, maar steeds
zulke, die haar geschikte schuilplaatsen aanbieden. De wortels van een
ouden boom of stronk, holen in heuvelhellingen, enz. verschaffen haar
een toevluchtsoord, waarin zij na elke storing zoo spoedig mogelijk de
wijk neemt. Zij komt zeer vroeg in 't voorjaar, vroeger dan de Slangen,
te voorschijn en houdt zich reeds ijverig met de jacht bezig, terwijl
deze nog in winterslaap verkeeren. Haar voedsel bestaat uit Insecten
en kleine Reptiliën, vooral jonge Hagedissen en dergelijke dieren.

Deze door fraaie teekening en zachtzinnigen aard aanbevelenswaardige
soort kan niet gemakkelijk in onbeschadigden toestand gevangen worden,
omdat zij bij aanraking buitengewoon licht breekt en dus haar naam
met volle recht draagt. Dit zal wel de reden zijn, waarom men haar
zoo zelden in een terrarium te zien krijgt.



Aan het ontbreken van de groeve aan weerszijden van den romp, het gemis
van voorste en achterste ledematen, de kleine en meestal verborgen
gehooropening en de lichaamsbekleeding, die uit kleine zeszijdige,
gladde, glanzige schubben bestaat, welke overlangsche reeksen, aan de
zijden van 't lichaam echter dwarse rijen vormen, zijn de Hazelwormen
(Anguis) uitwendig kenbaar. Een algemeen bekende vertegenwoordiger van
dit geslacht is de Hazelworm, die in Gelderland ook wel Blindslang
wordt genoemd (Anguis fragilis). Bij ons treft men deze soort in de
zandstreken van alle oostelijke provinciën aan, niet in de duinstreken
(Ritzema Bos).

De bovendeelen zijn gewoonlijk fraai loodkleurig grijs, de zijden
roodachtig bruin; de buik is blauwachtig zwart en prijkt dikwijls met
geelwitte stippels; het zal echter moeielijk zijn twee Hazelwormen te
vinden, die volkomen gelijke kleur hebben. O. Lenz verhaalt, dat er
bij de 33 exemplaren, die hij eens in den tijd van een halfuur op een
terrein van ongeveer 600 schreden omvang buit maakte, geen twee waren,
die in kleur en teekening volkomen overeenstemden. Zeer oude exemplaren
hebben op de bovenzijde dikwijls groote of kleine, op overlangsche
reeksen geplaatste, fraaie, blauwe vlekken en stippels. De jongen
zijn aan de rugzijde zilverwit, aan de buikzijde zwart en van boven
met één breede of twee smalle, donkerzwarte strepen geteekend. Het
mannetje en het wijfje verschillen niet in kleur; beide zijn echter
in staat van kleur te veranderen. De iris is geelrood. Het volwassen
dier heeft een lengte van 43 cM., met inbegrip van den staart, die
ruim 23 cM. lang is.

De Hazelworm bewoont bijna geheel Europa, van 't zuiden van Zweden
tot Griekenland en Spanje, voorts Kaukasië en Georgië, ja zelfs
bijna geheel West-Azië. Hij wordt overal gevonden, in vlakten en in
bergstreken, zelfs nog op bergen van 1450 M. hoogte, op vochtigen
grond echter meer dan op drogen. Hoewel hij de meest verschillende
terreinen tot woonplaats kiest, houdt hij zich het liefst op in
beukenbosschen, vooral daar, waar dicht struikgewas en hoog gras,
of desnoods losse steenen, den bodem bedekken. In verband met de
gesteldheid van het terrein zijn de plaatsen, waar hij rust en zich
verschuilt, verschillend. In den lossen grond graaft hij een meer of
minder diep gat; in streken, die dicht begroeid zijn met mos of gras,
verbergt hij zich tusschen deze planten in het struikgewas onder
wortels op glooiende rotsachtige terreinen onder waterpas liggende,
platte steenen. Vooral de laatstgenoemde ruimten zoekt hij gaarne op;
dikwijls is hij er de commensaal van Mieren, welker gezelschap hij
zoo weinig schuwt, dat hij soms in mierenhoopen zijn intrek neemt.

In het midden of in het einde van October kruipen de Hazelwormen in
reeds aanwezige of door hen zelf gegraven holen om hier winterslaap
te houden. Het graven geschiedt door borende bewegingen met den
kop. Soms is het winterverblijf een zeer nauw gat en slechts 7 tot
30 cM. diep, soms een gebogen gang van ongeveer 1 M. lengte, welker
opening van binnen met gras en aarde gesloten is. Hier zijn zij
soms met hun twintigen of dertigen bijeen, alle geheel verstijfd,
sommige met half opgerold lichaam, andere dooreengekronkeld of
recht uitgestrekt. Het dichtst bij den uitgang liggen de jongen;
daarop volgen al grootere exemplaren; in het achterste deel van het
hol hebben een oud wijfje en een oud mannetje hun winterbed. Welken
invloed verlaging van temperatuur op hen heeft, blijkt uit de door
Lenz genomen proeven. Bij 1.4 à 2° boven nul waren zij tamelijk stijf,
maar verroerden zich nog, als men ze opnam; ook bleven zij eenigen
tijd langzaam rondkruipen, nadat men ze in de kist met zemels, die hun
tot winterverblijf diende, teruggebracht had. Alle hielden de oogen
stijf dicht; slechts twee openden ze een weinig, toen zij in de hand
genomen werden; de overige sloten ze onmiddellijk weer, nadat men ze
met geweld geopend had. Toen de temperatuur gedaald was tot 3° onder
nul, lagen alle verstijfd in de zemelen; geen enkele bevroor echter,
hoewel verscheidene echte Slangen, die met de Hazelwormen dezelfde
kist bewoonden, door de koude bezweken. Tegen een nog strengere koude
zijn ook zij echter niet bestand. In de lente komen zij bij gunstig
weder reeds in 't midden van Maart weer voor den dag.

Het voedsel van den Hazelworm bestaat bijna uitsluitend uit Naakte
Slakken en Regenwormen; bovendien eet hij onbehaarde rupsen; het is hem
niet mogelijk dieren buit te maken, die zich sneller bewegen. De door
Lenz verzorgde exemplaren naderden zonder eenigen haast de Wormen,
die hij hun toewierp, betastten deze meestal vooraf met de tong,
sperden dan langzaam den bek open en hapten eindelijk toe. De roover
wachtte nu tot zijn prooi, die zich aanvankelijk zoo krachtig mogelijk
kronkelde, eenigszins afgemat was en verzwolg haar vervolgens zonder
overhaasting; dit geschiedde met afwisselende bewegingen van den kop
naar rechts en naar links, waarbij telkens de tanden een eind verder
in den buit geslagen werden. Het doorslikken van een Regenworm duurde
5 à 6 minuten; één of twee exemplaren van middelmatige grootte zijn
trouwens voldoende voor een maaltijd. Water drinkt de Hazelworm even
dikwijls en op dezelfde wijze als de Hagedissen.

Het is mogelijk, dat de Hazelworm ook wel over dag een buit, die
hem voor den bek komt, grijpt en verzwelgt, in den regel echter gaat
hij eerst in de schemering op de jacht. Over dag ligt hij, evenals
andere Reptiliën, uren lang in den zonneschijn en houdt gewoonlijk
den kop naar den grond gericht. V. Gredler noemt den Hazelworm een
betrouwbaren weerprofeet, wiens verschijning onmiddellijk vóór en
gedurende een weersverandering in verband zou kunnen staan met het
gelijktijdig omhoogstijgen van de Regenwormen.

De bewegingen van den Hazelworm zijn langzaam en gelijken zoo min op
die van de Hagedissen als op die van de Slangen. Bij een helling naar
beneden kruipt hij tamelijk snel, op den vlakken bodem zoo langzaam,
dat men, gewoon stappend, hem gemakkelijk bijhouden kan; naar boven
beweegt hij zich nog minder vlug. Op een stuk vensterglas kost het
hem zeer veel moeite vooruit te komen; langzamerhand gelukt hem dit
echter door zijwaartsche kronkelingen van het lichaam. Op dezelfde
wijze redt hij zich vrij goed uit den nood, als men hem in het
water werpt, dat hij vrijwillig nooit bezoekt. Gewoonlijk houdt het
dier den kop boven water en richt soms ook de buikzijde naar boven;
altijd echter tracht het zoo schielijk mogelijk weer op het droge te
komen. Hoewel de Hazelworm soms "Blindslang" wordt genoemd, is zijn
gezichtsorgaan goed ontwikkeld en neemt zonder eenigen twijfel onder
zijne zintuigen den eersten rang in. Moeielijk is het over het gehoor
een bepaald oordeel uit te spreken, hoewel proeven bij gevangen
dieren schijnen te bewijzen, dat de Hazelworm ook in dit opzicht
niet misdeeld is. Hij laat geen schuwheid blijken; nog minder kan
men list bij hem opmerken. Gewoonlijk ontkomt hij aan zijne meeste
vijanden door zich, wanneer hij gegrepen wordt, buitengewoon heftig
te bewegen; in den regel heeft dit het afbreken van een stuk van den
staart ten gevolge. "Terwijl het afgebroken stuk", zegt Lenz, "nog vol
leven ronddanst en door den vijand gegrepen wordt, maakt het verminkte
dier van de gelegenheid gebruik om te vluchten. Dit feit zal men vaak
opmerken bij de voedering van allerlei dieren met Hazelwormen." Het
heeft aanleiding gegeven tot hun wetenschappelijken naam (= Brooze
Slang). Gewoonlijk laten zij zich vangen zonder zich op eenigerlei
wijze te verdedigen; slechts bij uitzondering maken zij in dit geval
als verweermiddel gebruik van hun gebit, hoewel zij hiermede geen
hunner vijanden kunnen afschrikken. Mettertijd schikken zij zich in de
gewijzigde omstandigheden van het leven in de gevangenschap. Dat zij in
de kooi verdraagzaam zijn jegens Slangen, Vorschen en Hagedissen, is
licht te begrijpen. Zelfs volwassen exemplaren laten zich gewoonlijk
niet lang nooden, wanneer men hun voedsel aanbiedt; zij verduren
bij doelmatige behandeling jaren lang het leven in de kooi. Wanneer
deze voor een deel met aarde gevuld en bovendien met steenen en mos
voorzien is, voldoet zij aan alle eischen, die de Hazelwormen aan een
dergelijke verblijfplaats stellen. Het houden van deze dieren is wel
aan te bevelen; zij zullen den dierenvriend veel genoegen verschaffen.

Bij den Hazelworm is de volledige ontwikkeling van de kiem in de
eischaal reeds tot stand gekomen, voordat deze het lichaam van de
moeder verlaat. De geboorte van de jongen heeft plaats in de tweede
helft van Augustus of in de eerste helft van September; de eieren
worden met tusschenpoozen van verscheidene minuten gelegd; onmiddellijk
daarna verlaten de jongen de vliezige, dunne, doorzichtige eischaal.

Ook thans nog ziet het groote publiek in den Hazelworm een Slang
en "dus" een hoogst vergiftig dier, dat daarom fel vervolgd en
zonder mededoogen gedood wordt, waar het zich ook vertoont. Het
zou verstandiger zijn deze Hagedis te sparen. Zelfs verdient het
aanbeveling haar in den tuin te houden en te beschermen.



Een Hagedis, die door het maaksel van hare tanden overeenkomt met
de Groeftandige Slangen en, evenals deze, haar prooi vergiftigt,
was reeds aan Hernandez, den lijfarts van Philips II, bekend. Zoowel
aan de bovenkaak als aan de onderkaak heeft zij tanden, die aan de
voorzijde een groeve vertoonen; alleen die van de onderkaak staan
aan haar wortel in gemeenschap met de afvoerbuis van een gifklier,
overeenstemmend met de ondertongsklier van onze Hagedissen. Volgens
Sumichrast (1825) gaat dit dier op den rug liggen, voordat het bijt
en worden op deze wijze misschien ook de bovenkaakstanden met gif
voorzien. De ervaring heeft de juistheid aangetoond van de meening
der inboorlingen, dat de beet van deze Hagedis ook voor den mensch
doodelijke gevolgen kan hebben. Zij is het eenige bekende lid van
haar onderorde, dat deze eigenschap bezit.

Het Dzjila-dier (Heloderma horridum) ontleent zijn naam aan een der
landstreken, waar het voorkomt, het stroomgebied van de Rio Gila
(spreekt uit: Dzjila), een bijrivier van den Colorado in Arizona. Het
wordt tot een afzonderlijke familie, die der Korsthagedissen
(Helodermatidae), gebracht welke slechts één geslacht met twee
soorten omvat, die Mexico en de aangrenzende deelen van de Vereenigde
Staten bewonen. De kleur van dit merkwaardige dier herinnert aan die
van onzen Landsalamander. De huid van de bovendeelen is donker- of
aardbruin en met kleine vlekken bezaaid, welker kleur van geelachtig
wit, door oranjegeel tot roodachtig geel afwisselt; de staart is met
verscheidene gele ringen geteekend; de onderzijde heeft op vuilbruinen
grond geelachtige vlekken.

Men ontmoet het Dzjila-dier uitsluitend aan de westzijde van de
Cordillera en niet anders dan in droge gewesten. Het heeft een
nachtelijke levenswijze, beweegt zich langzaam en plomp, maakt jacht
op allerlei kleine dieren--ongevleugelde Insecten, Regenwormen,
Duizendpooten, kleine Kikkers enz.--, die het hoofdzakelijk op
boschpaden vangt; ook graaft het soms de eieren van de Legoeanen op
en versmaadt zelfs rottende stoffen niet.

Sumichrast heeft eenige proeven genomen, die de vergiftige werking van
den beet van dit Reptiel boven allen twijfel verheffen. Hij liet door
een zeer jong en slecht gevoed Dzjila-dier een Hoen in de zijde bijten;
de Vogel stierf onder duidelijke vergiftigings-verschijnselen. Een
groote Kat, die in den achterpoot gebeten werd, verviel, na hevige
pijn geleden te hebben, in een toestand van uitputting, waarvan zij
weer herstelde, hoewel zij ook daarna uiterst mager en stompzinnig
bleef. Deze bij Vogels en Zoogdieren verkregen uitkomsten werden
aangevuld door een ervaring, die J. Stein persoonlijk betrof. Hij
werd bij het overbrengen van een Dzjila-dier in een andere kooi in
den vinger gebeten. Dit lichaamsdeel en de geheele arm zwollen sterk
op onder de hevigste pijnen, hetgeen met een belangrijke verstoring
van den gezondheidstoestand gepaard ging. Nog lang daarna was de huid
van den gekwetsten arm geel en perkamentachtig.



De Waranen (Varanidae) ontleenen hun naam aan het Arabische woord
"waran", dat "Hagedis" beteekent en waarmede eenige van de meest
bekende Egyptische soorten dezer familie aangeduid worden. Met
de overige Hagedissen stemmen zij overeen, door den langgerekten
vorm van het lichaam, den breeden rug zonder kiel (of overlangsche
verhevenheid) en de volkomen ontwikkelde voor- en achterpooten, welker
vijf teenen met krachtige nagels gewapend zijn. Zij verschillen
van hunne verwanten o. a. door hun lange tong, die, evenals bij
de Slangen, in twee draadvormige spitsen uitloopt en in een scheede
teruggetrokken wordt. Ook de kop is niet ongelijk aan dien der Slangen,
naar verhouding langer dan bij de overige Hagedissen; de hals, de
romp en vooral de staart zijn eveneens slanker. De tanden zijn groot,
kegelvormig, aan de binnenzijde van den bovenrand der kaakbeenderen
vastgegroeid en tamelijk ver van elkander verwijderd. De bovenzijde
van den kop is met kleine schilden bekleed, het overige lichaam met
vierhoekige, op regelmatige dwarsreeksen gerangschikte plaatschubben,
die op den rug klein en knopvormig, op den buik weinig grooter zijn.

De Waranen bewonen het oostelijk halfrond, vooral Afrika, Zuid-Azië,
Australië en Oceanië. Eenige soorten zijn volslagen landdieren en zelfs
woestijndieren, die een voor hen geschikt hol tot schuilplaats kiezen,
in welks nabijheid sommige zich over dag, andere meer in de schemering
of zelfs des nachts met de jacht bezig houden. Verscheidene Waranen
moeten waterdieren genoemd worden; daar zij zich uitsluitend in de
nabijheid van 't water, in moerassen of aan rivieroevers ophouden
en bij gevaar steeds zoo schielijk mogelijk in het water hun heil
zoeken. Alle zijn buitengewoon vlug van beweging. Over den vasten bodem
loopen zij met groote, slangsgewijze kronkelingen van het lichaam snel
genoeg, om kleine Zoogdieren of zelfs Vogels in te halen; ondanks
hun grootte klimmen zij uitmuntend. Die, welke in 't water thuis
behooren, zwemmen en duiken behendig en lang achtereen, hoewel zij geen
zwemvliezen bezitten. Hoewel de Waranen, wat voorkomen, bewegingen,
aard en gewoonten betreft, niet aan de Krokodillen, maar aan de
Hagedissen herinneren, zijn zij, in overeenstemming met hun meerdere
grootte en lichaamskracht, roofzuchtiger, moediger en strijdlustiger
dan hunne kleinere verwanten. Voor den mensch, en waarschijnlijk
ook voor andere groote dieren, nemen zij steeds de vlucht, voor
zoo ver dit mogelijk is: de landbewoners trachten bliksemsnel hunne
holen te bereiken, de waterbewoners zoeken even haastig hun gewone
verblijfplaats op. Wanneer de weg daarheen hun wordt afgesneden,
stellen zij zich zonder aarzeling te weer; de pooten en de krachtige
staart stellen hen in staat hoog boven den grond op te springen om
een fellen aanval te doen op het gelaat en de handen van hun vijand.

De Waranen gebruiken allerlei dieren als voedsel. De Nijlwaraan, die
reeds aan de oude Egyptenaren bekend was, zooals uit afbeeldingen van
dit dier op oude gedenkteekenen blijkt, werd vroeger beschouwd als
een der gevaarlijkste vijanden van den Krokodil, wiens eieren en pas
geboren jongen hij, naar men onderstelde, opzoekt en verslindt. Hoewel
men als zeker mag aannemen, dat de Waranen bij voorkomende gelegenheden
werkelijk de jongen van den Krokodil verslinden en evenmin de eieren
van dit reusachtig Reptiel sparen, valt een dergelijke buit hun
slechts zelden ten deel. Die, welke op den vasten grond leven, maken
jacht op Muizen, Vorschen, Gelede Dieren en Wormen; de waterlievende
leden der familie voeden zich waarschijnlijk vooral met Vorschen,
maar versmaden stellig geen zwak Zoogdier, dat, aan den waterkant
loopend, de voorzichtigheid uit het oog verliest,--geen Vogel,
die de behendigheid mist om aan de aanslagen der in 't water op hem
loerende vijanden te ontkomen. Op plaatsen waar men geen jacht op
hen maakt, of waar het hun niet moeielijk valt zich te verbergen,
worden de Waranen algemeen gevreesd en gehaat wegens de opruiming,
die zij houden onder de hoendereieren en kuikens.

De eieren der Waranen worden, naar het schijnt, in vrij groot
aantal te gelijk in den grond gelegd; soms vindt men ze in een
Termieten-nest. Ze zijn omstreeks 5 cM. lang, rolvormig, aan beide
einden afgerond en vuilwit van kleur. Zij smaken zeer goed; hetzelfde
geldt van het vleesch van den Waraan, dat met kalfsvleesch vergeleken
wordt. Zoowel wegens het voordeel, dat zij op deze wijze opleveren,
als wegens de door hen aangerichte schade spelen de Waranen in hun
vaderland geen onbelangrijke rol in de huishouding van den mensch.



De Nijlwaraan (Varanus niloticus) onderscheidt zich van de overige
leden zijner familie door den zijdelings samengedrukten staart, die aan
de bovenzijde een duidelijke kiel vertoont, door den vorm der tanden,
die voor in den bek kegelvormig zijn, verder achterwaarts een stompe
kroon hebben, voorts door de plaatsing der ronde neusgaten. Een
volwassen exemplaar is 1.7 M. lang, waarvan 1 M. op den staart
komt. De grondkleur is geelgroen; de teekening bestaat uit zwarte
vlekken, uit hoefijzervormig gerangschikte, gele stippels tusschen de
schouders en de flanken en uit reeksen van groenachtig gele punten;
vóór iederen schouder ziet men een zwartachtigen, halfcirkelvormigen
band; op het eerste derde deel van den staart komen geelgroene, op
het overige stuk geelachtige ringen voor. De onderzijde is geel met
meer of minder duidelijke, zwarte dwarsbanden.

Naar het schijnt, komt de Nijlwaraan in alle rivieren van Afrika voor,
met uitzondering van het noordwestelijke deel. In Egypte vindt men
deze Hagedissen veel meer dan in Nubië; in Oost-Soedan worden zij
op sommige plaatsen in aanzienlijken getale aangetroffen, maar dan
steeds eenzaam, niet in troepen. In den regel wordt de aanwezigheid
van het dier opgemerkt, wanneer het zich begint te bewegen en naar de
rivier snelt: in het water houdt het zich meestal verborgen; op het
land ligt het gewoonlijk bewegingloos in de zon. In tegenstelling met
den Krokodil kiest het tot rust- en slaapplaats een bij een waterplas
vooruitstekend deel van den steil afhellenden oever, bij voorkeur
een rotsterras, dat aan dezen eisch voldoet; soms ontmoet men het
in het struikgewas langs den oever, zelden op aanmerkelijken afstand
van het water, waarin het woont.

Het is wel mogelijk, dat de oude Egyptenaren den Waraan hebben leeren
kennen als verdelger van de door hen als goden vereerde Krokodillen
en hem daarom op hunne gedenkteekenen een eereplaats waardig keurden;
in den tegenwoordigen tijd echter weet dit dier zich ook zonder jonge
Krokodillen zeer goed te redden. Het maakt jacht op kleine Zoogdieren
en Vogels, die in Egypte overal, en dus ook in de onmiddellijke
nabijheid van den stroom, in groote getale voorkomen, misschien ook
op jonge, weekhuidige Schildpadden, hoofdzakelijk echter op Visschen;
het plundert nesten van strandvogels, bezoekt zelfs duiventillen
en hoenderhokken en vangt tevens Insecten. De gevangene Waranen,
waarvan Geoffroy Saint-Hilaire melding maakt, waren zeer roofzuchtig
en overvielen met moorddadige bedoelingen alle kleinere dieren,
die men in hun kooi bracht.

Daar de Waraan, evenals de meeste Hagedissen, zich zeer goed schikt in
gewijzigde omstandigheden, is het niet moeilijk gevangen exemplaren in
't leven te houden. Wanneer het hok op doelmatige wijze ingericht is,
zullen de handelingen van den bewoner, die zich zoowel op 't droge
als in 't water uitmuntend thuis gevoelt, zoo niet een aantrekkelijk,
dan toch een opmerkelijk schouwspel opleveren.



Op het vasteland van Indië, in het zuiden van China en op alle
eilanden tot aan de noordkust van Australië, vooral echter op de drie
groote Soenda-eilanden, ontmoet men den Dubbelgestreepten Waraan,
de Kabaragoya der Singalezen (Varanus salvator, V. bivittatus). De
bovenzijde vertoont op zwarten of bruinen grond dwarse reeksen van
gele stippels of oogvlekken; de onderzijde is effen geel, een zwarte
band strekt zich langs de slapen uit, aan weerszijden van den hals ziet
men een geelachtig witte, overlangsche streep, die aanleiding gegeven
heeft tot den soortnaam van het dier. Het kan 2.2 M. lang worden.

"Men vindt het allerwege in eenigszins wilde streken", schrijft
S. Müller, "met uitzondering echter van de hoogere gedeelten der
groote bergen en over het geheel van de groote bergbosschen, welke
het zelden tot verblijf kiest. Bij voorkeur houdt het zich op in meer
bewoonde gedeelten van het land, en wel het liefst in de nabijheid
van het water, het moge zoet zijn of zout, en in zulke streken,
die met wild struikgewas begroeid zijn, waarin het evenzeer een
geschikte hinderlaag als, bij vervolging, een veilige schuilplaats
vindt. Deze Waraan is waakzaam, schuw en behendig in de vlucht;
zijn loop is eenigszins waggelend. Ontbreekt hem op het land de
gelegenheid zich aan het oog van een naderenden vijand te onttrekken,
en vindt hij een rivier, een meer, moeras of zoetwaterplas in zijn
nabijheid, dan richt hij zijn loop dadelijk derwaarts, stort zich
in den vloed of de dras en verdwijnt. Minder gaarne werpt hij zich
in zeewater, hetwelk alleen in den hoogsten nood zijn toevlucht
schijnt te zijn. Hij zwemt en duikt zeer goed en daar hij tevens
eenige kromstammige boomen met gelijk gemak beklimt, vereenigt hij
in zijn levenswijze alle kenmerken in zich van een waar zoogenaamd
tweeslachtig dier. Somwijlen strekt hij zich vrij langs de takken
uit en vlijt zich ter ruste, doch, wordt hij onverhoeds door den
mensch verrast, dan verlaat hij onmiddellijk zijn rustplaats en
springt ter aarde. Hij zoekt steeds gedurende den dag naar voedsel,
bestaande in allerlei Insecten, vooral Sprinkhanen, Kevers enz. en
hunne larven, zooals ook Schaaldieren, Visschen, Kikvorschen en andere
Hagedisachtige dieren, Vogels en kleine Zoogdieren, en het vleesch van
krengen en andere overblijfselen van dierlijke zelfstandigheden. Op
zekeren tijd schoten wij aan het zeestrand ter westkust van Sumatra
een voorwerp van ruim zes voet lengte, waarover zich eenige Maleiers
uit de nabijheid zeer verheugd toonden, vermits dit dier hun reeds
meer dan een dozijn Hoenders had ontroofd en zij reeds dikwijls
tevergeefs getracht hadden het te dooden. Wij vonden de maag van dit
voorwerp gevuld met pas verslonden kleine Visschen, voornamelijk van
het geslacht Equula, die door de visschers bij duizendtallen op het
zand worden uitgelegd om hen later gedroogd te verkoopen. De jacht op
Vogels, Hoenders, Muizen enz. wordt door dezen Waraan uitgeoefend, door
deze dieren op de wijze der Katten eerst te bekruipen en vervolgens
plotseling te bespringen. De volwassen voorwerpen van den "Biejwakh"
zijn meestal rijkelijk van vet voorzien, hetwelk door de inlanders,
gelijk dat der Krokodillen, als zeer heilzaam wordt beschouwd voor
allerlei huidziekten, rheumatieke aandoeningen enz., tot welk einde
zij de ziekelijke deelen daarmede inwrijven. Geen der inlanders,
welke Mahomedanen zijn, gebruiken het vleesch van deze dieren tot
voedsel; doch sommige heidensche volken en bepaaldelijk de inwoners
van de eilanden Nias en Batoe bewesten Sumatra, mitsgaders sommige
Dajakkers op Borneo en onderscheidene Alfoersche volksstammen in
de Molukken, toonen zich in meerdere of mindere mate liefhebbers
daarvan. Deze Waraan is, evenmin als een der overige soorten van het
geslacht, waartoe hij behoort, eigenlijk valsch of boos van aard. In
gevangenschap zal hij dan alleen naar iemand bijten, wanneer hij
getergd en verontrust wordt. Komt men hem te na, dan opent hij wel
den scherp getanden bek en keert zijn grooten muil den mensch dreigend
tegen, maar een aanval waagt hij zelden. Voor het overige speelt hij,
gelijk men het noemt, onophoudelijk met zijn tong, welke als die der
Slangen, lang is en in twee punten uitloopt, door haar in gedurige
beweging ver buiten den mond uit te steken en dan weder in te trekken."

De leden van de lagere kasten in Indië maken zich van dezen Waraan
gewoonlijk meester door hem op te graven uit zijn hol; zij eten daarna
met smaak het vleesch van den dus verkregen buit. Veel belangrijker
echter is voor de Indiërs de rol, die hij speelt bij de bereiding
van de doodelijke vergiften, die de Singaleezen, zelfs in den
tegenwoordigen tijd, maar al te vaak gebruiken en waarvan slangengif
en arsenikum de werkzame bestanddeelen zijn. De onschuldige Hagedis
is tengevolge van dit hokuspokus der gifmengers in zulk een kwaden
naam gekomen, dat men voor haar tegenwoordig algemeen een belachelijke
vrees koestert.



In Amerika worden de echte Hagedissen (en, zoo men wil, ook de Waranen)
vertegenwoordigd en in zekeren zin vervangen door de Tejuhagedissen
(Tejidae). Ten deele evenaren deze hare verwanten in de Oude
Wereld wat grootte betreft, ook komen zij met hen in lichaamsbouw
overeen; belangrijk echter is het verschil in schedelvorm, gebit
en schubbenkleed. De vorm van de hoogst ontwikkelde leden dezer
familie herinnert duidelijk aan die onzer inheemsche Hagedissen. Bij
andere is het aantal teenen tot vier verminderd. Ook zijn er, welker
ledematen rudimentair zijn. Enkele, die uitwendig geen spoor van
achterste ledematen vertoonen, herinneren door haar voorkomen aan
de Wormhagedissen.

Alle soorten leven in de warme gewesten van Amerika, de grootste
natuurlijk tusschen de keerkringen. Enkele komen slechts op heete
zandvlakten voor, andere tusschen de hooge grassen der weidegronden,
nog andere in wouden, enkele hebben een half-onderaardsche
levenswijze. Haar woning is een door de natuur gevormd of door haar
zelf gegraven hol, waarin zij bij dreigend gevaar haar toevlucht
zoeken. Door aard en bewegingen herinneren zij zoowel aan de
Waranen als aan de echte Hagedissen, sommige ook aan de Woel- en
Wormhagedissen. Zij zijn zeer vlug en levendig; de grootste voor
't rooven zeer geschikte soorten maken niet slechts op Gelede Dieren,
Wormen en Slakken, maar ook op kleine Gewervelde Dieren jacht, soms tot
schade voor den mensch. Hoewel zij groote vijanden en meer bepaaldelijk
den mensch zoo lang mogelijk ontwijken, gaan zij echter, na in 't nauw
gebracht en tot toorn vervoerd te zijn, moedig op hare aanvallers los
en kunnen dan zelfs aan groote Honden moeite veroorzaken. De eieren
worden in holle boomstammen gelegd. Eenige soorten, vooral de grootste,
worden als smakelijk wild beschouwd en althans in sommige oorden,
geregeld gejaagd; de overige laat men met vrede.



De Teju's (Tupinambis) kenmerken zich door den ronden, voorbij het
midden eenigszins samengedrukten staart en de talrijke huidplooien
van den hals.

De meest bekende soort van dit geslacht, die door de Indianen van
de zeekust Tejuixin of bij verkorting Teju, door de Portugeesch
sprekende Brazilianen Lagardo, in Suriname Salompenter wordt genoemd
(Tupinambis teguixin), heeft een lengte van 92 cM., waarvan trouwens
bijna drie vijfde op den staart komt, en is tamelijk bont van kleur. De
grondkleur is bruinachtig zwart met zwakken, blauwachtigen weerschijn;
de teekening bestaat op den nek uit witachtig gele, op de zijden van
hals en kop uit reeksen van witachtige vlekken; de rug vertoont 9 à 10
dwarse, uit ronde, gele vlekken samengestelde strepen; op den staart
merkt men onregelmatig verspreide, gele vlekken en enkele reeksen
van vlekken op; de pooten zijn aan de buitenzijde met geelachtige
stippels bezaaid; op de roodachtig gele onderdeelen komen afgebrokene,
zwarte dwarsbanden voor; ook op de keel en den onderhals vindt men
dwarsstrepen; deze zijn hier echter geel met zwartachtigen rand.

De Teju is over het grootste deel van Zuid-Amerika, van Guyana tot
Uruguay, verbreid, bewoont ook de West-Indische eilanden en is in de
meeste dezer landen zeer veelvuldig, meer echter, naar het schijnt,
in de kuststreken dan in het binnenland. In bebouwde streken zoekt
hij bij voorkeur de suikerplantages en de hieraan palende wouden
op; in Brazilië bewoont hij droge, uit zand- of kleigrond bestaande
gewesten en leeft hier in het struikgewas, in voorwouden of zelfs in
de groote oerwouden van het binnenland. Elk dezer dieren gebruikt
als woning een gat in den grond, dat het onder boomwortels graaft
en met een wijde opening voorziet. Naar dit hol neemt het de wijk,
zoodra het vervolgd of door een ongewoon verschijnsel verschrikt wordt.

De Teju is sterk en zeer vlug, maar buitengewoon schuw; in bewoonde
gewesten kan men hem zelden tot op korten afstand naderen; hij bijt
uiterst fel, zelfs door dikke laarzen heen en tracht de Honden,
die hem aanvallen, met zijn stevigen, gespierden staart geweldige
slagen toe te brengen. Zittend, houdt hij den kop hoog, hetwelk hem
een eigenaardig voorkomen verschaft en zeer goed staat, een indruk,
die nog versterkt wordt door het vurige oog; loopend, ijlt hij pijlsnel
voor zich uit, waarbij de romp en de lange, over den grond sleepende
staart slangsgewijs bewogen worden. De tong is aanhoudend in beweging;
zij wordt uitgestoken en ingetrokken, zelfs wanneer hiervoor volstrekt
geen reden schijnt te bestaan.

Het voedsel van den Teju bestaat uit alle levende wezens, die in
grootte bij hem achterstaan, vooral uit Muizen, Vorschen, Wormen,
Gelede Dieren, maar ook uit eieren en dergelijke spijzen.

Over de voortplanting van dit dier geeft Schomburgk eenige
inlichtingen. "De eieren", zegt hij, "vond ik dikwijls in de groote,
kegelvormige nesten, die een soort van Termieten, niet slechts in de
wouden, maar ook in plantages, in stompen van afgehouwen boomen aanlegt
en tot op een diepte van 1 M. onder de aardoppervlakte uitbouwt. De
Salompenter holt deze nesten uit, verslindt de bewoners en legt zijne
eieren ten getale van 50 à 60 in de dus gevormde ruimte, in welker
wand hij een groote, ronde opening heeft gemaakt, zoodat hij, bij den
boomstam opklimmend, er gemakkelijk kan binnensluipen. De witte eieren
hebben een zeer harde schaal; die van groote, oude wijfjes zijn bijna
zoo lang als duiveneieren, maar dunner en aan beide einden stomp."

De Teju behoort tot de schadelijke dieren wegens zijn driestheid
en roofzucht; dikwijls komt hij dicht bij menschelijke woningen en
plundert de hoenderhokken. De schade, die hij aanricht, maar meer nog
de smakelijkheid van zijn vleesch, geeft aanleiding tot een algemeene
en felle vervolging; met Honden, die voor deze jacht afgericht zijn,
wordt dit wild in het woud opgezocht en in zijn hol gedreven, waarna
men het uitgraaft en doodslaat of met hagel schiet, indien het den
jager er den tijd toe laat. Het vleesch komt na een goede bereiding
het meest met dat van Hoenderen overeen, is wit van kleur, lekker
van smaak en daarom zeer gezocht.



De Ameiven (Ameiva) zijn Teju-hagedissen met ronden staart zonder kam
en kleine, kegelvormige, zijdelings samengedrukte tanden met twee-
of driespitsige kroon. Zij nemen in Midden- en Zuid-Amerika de plaats
in van onze Hagedissen, hebben in hoofdzaak dezelfde levenswijze en
dragen in Brazilië denzelfden naam.

De algemeenste en meest bekende soort--de Ameive (Ameive
surinamensis)--wordt 38 à 53 cM. lang. Haar rug is grasgroen; de
zijden van den romp zijn op groenen of bruinachtigen grond met zwart
en geel gevlekte dwarsstreepen geteekend.

De Ameive komt in geheel Zuid-Amerika voor, noordwaarts tot Nicaragua;
zij is in de meeste landen zeer algemeen en bewoont er ongeveer
dezelfde plaatsen als de Teju; met deze stemt zij door gewoonten,
levenswijze, voeding en voortplanting overeen: om kort te gaan, zij is
een Teju in miniatuur. Al hare bewegingen zijn bevallig en vlug. Als
zij zich vrij beweegt, maakt haar romp elegante kronkelingen; door
schrik bevangen, vlucht zij zoo merkwaardig snel, dat de toeschouwer
haar eerder voor een Vogel dan voor een Hagedis zou houden.



Sommige leden van de vorige familie zijn met rudimentaire pooten
uitgerust. Aan deze zijn de Ringhagedissen (Amphisbaenidae) het
naast verwant. Door haar lichaamsbouw tot graven geschikt, leiden
zij gedeeltelijk een onderaardsch leven.

Op Wormen gelijken deze dieren door hun lang, rolvormig lichaam, dat
overal nagenoeg dezelfde dikte heeft en niet met schubben bekleed
is, maar met een taaie, lederachtige huid, die door ringvormige en
overlangsche groeven, welke elkander rechthoekig snijden, in een
groot aantal kleine, langwerpige vierhoekjes is verdeeld. Zelden
zijn tusschen deze vierhoekige huidafdeelingen grootere, veelhoekige
schilden geplaatst; geregeld vindt men echter op den kop grootere
huidplaten. Eén geslacht kenmerkt zich door de aanwezigheid van voorste
ledematen: bij andere merkt men onder de huid sporen van een schouder-
en een heupgordel op. Alle missen een uitwendig zichtbaar gehoororgaan;
de oogen zijn bijna geheel naar boven gericht, hebben geen leden en
zijn hoogst onvolkomen; hoogstens schemeren zij als donkere vlekjes
door de lichaamshuid, die zich ook over hen uitstrekt, heen.

Alle Ringhagedissen zonder uitzondering zijn gravende dieren; de
meesten houden zich bijna voortdurend in Termieten-woningen op. Bij
vele soorten kan de staart als grijporgaan dienst doen. Haar voedsel
bestaat uit kleine Insecten, vooral Mieren en Termieten, ook uit
Wormen.



De Chiroten (Chirotes) onderscheiden zich van alle overige
Ringhagedissen door het bezit van voorpooten met vier teenen, die,
hoewel rudimentair, toch klauwen dragen. Een duidelijke zijdestreep
strekt zich aan weerszijden van den romp, van den schouder tot aan
den aars uit.

De eenige soort van dit geslacht, de Chirote (Chirotes canaliculatus),
die Mexico, Californië en het gebied van de Platte rivier (Wyoming,
Colorado, Nebraska) bewoont, wordt ongeveer 20 cM. lang, is aan de
bovenzijde bruinachtig vleeschkleurig, aan de onderzijde witachtig.



Van het geslacht der Wormhagedissen (Amphisbaena) zijn tegenwoordig
27 soorten bekend, die in de tropische gewesten van Afrika en Amerika
leven. Een der meest bekende, de Ibijara der Brazilianen (Amphisbaena
alba), heeft een lengte van 52 cM., waarvan 2 cM. op den kop en 5
cM. op den staart komen. De bovendeelen zijn glanzig geelbruin, de
zijden lichtgeel, de onderdeelen geelachtig wit; de kop is lichter
gekleurd dan de rug. Haar wetenschappelijke naam alba (= wit) kreeg
deze soort naar de verbleekte exemplaren onzer musea.

De Wormhagedissen leven in den grond en vertoonen zich uitsluitend
's nachts en bij donker weer aan de oppervlakte. Hare gewone
verblijfplaatsen zijn de nesten van Termieten en Mieren, welker
larven zij verslinden. In Suriname heeten zij daarom "Mierenkoningen",
aan den Amazonenstroom "Mierenmoeders", terwijl men ze in de overige
landen van Amerika "Tweekoppige Slangen" noemt. In sommige oorden,
vooral in het binnenland van Zuid-Amerika, schijnen zij veelvuldig
te zijn; wegens haar vreemdsoortige levenswijze blijven zij echter
licht onopgemerkt, zoodat men van haar aantal, haar aard en hare
werkzaamheden geen juiste voorstelling verkrijgt. De bewoners van
de oeverlanden van den Amazonenstroom en ook andere Zuid-Amerikanen
zeggen, dat de Wormhagedissen door de Mieren verzorgd en gevoederd,
kortom met de meeste voorkomendheid behandeld worden. Volgens
hun meening zouden, zoodra de bedoelde Hagedissen een mierennest
verlaten, ook de bouwmeesters van deze woning uittrekken en zich in
alle richtingen verstrooien. Waarschijnlijk is het er net andersom
mede gesteld: de Wormhagedissen volgen vermoedelijk de Mieren,
wanneer deze zich genoopt zien haar nest prijs te geven.

De bewegingen van deze dieren zijn vreemd; dit zal wel aanleiding
gegeven hebben tot de in Zuid-Amerika algemeen heerschende meening,
dat zij voor- en achteruit kunnen kruipen. "De exemplaren, die ik
gevonden heb," zegt de Prins Von Wied, "bewogen zich nagenoeg niet,
tenzij men ze aanstootte, en kropen dan ongeveer als Wormen over den
grond, hetgeen als een bewijs voor de zwakheid van hun gezichtsvermogen
kan gelden." Het langzaam kruipen belet hen niet, behendig in den
grond door te dringen, waarbij het groote snuitschild hun belangrijke
diensten schijnt te bewijzen.



Van de familie der Ringhagedissen werden tot dusver op het oostelijk
halfrond weinige vertegenwoordigers aangetroffen. Een daarvan, de
Grauwe Networmhagedis (Blanus cinereus), wordt 22 cM. lang en heeft
een grijsbruinachtige kleur; zij kenmerkt zich door den vorm van
de schilden op den kop en den betrekkelijk langen, kegelvormigen
staart. Zij werd in Spanje, Portugal, Marokko en Algerië gevonden
en leeft onder de aardoppervlakte, vooral onder steenen en in
mierenhoopen. Aanvankelijk zou men dit dier licht voor een Regenworm
kunnen houden; zijn ware aard blijkt, wanneer het zich beweegt, daar
dit niet door samentrekking en uitzetting van het lichaam, maar door
zijdelingsche kronkelingen geschiedt. Het voedt zich hoofdzakelijk
met kleine Duizendpooten.



De Echte Hagedissen (Lacertidae) hebben een langwerpig rolvormigen
romp; de grenzen tusschen kop en hals vallen duidelijk in 't oog;
de spits eindigende, brooze staart is zeer lang; de vier ledematen
zijn alle met vijf teenen voorzien. Het trommelvlies is uitwendig
zichtbaar; de oogleden zijn goed ontwikkeld en kunnen meestal bewogen
worden. De opperhuid vormt op den kop beenharde, veelhoekige schilden,
op den rug en de zijden korrelige schubben (nooit gesteund door
in de lederhuid gevormde beenplaten), op den buik overlangsche en
dwarse reeksen van vierhoekige schilden. Kegelvormige, holle tanden
met twee- of driespitsige kroon zijn in een groeve van de boven-
en onderkaaksbeenderen vastgegroeid; de tong is plat en gevorkt,
d. w. z., loopt in twee spitsen uit.

Alle echte Hagedissen zijn bewoners van de Oude Wereld; ook in Europa
worden zij door vele soorten vertegenwoordigd. Met uitzondering
van den Hazelworm, behooren alle inheemsche Hagedissen tot deze
familie. In Zuid-Europa is het aantal soorten veel grooter; vooral
Afrika is er rijk aan. De weinige soorten, die Oost-Azië bewonen,
munten uit boven hare verwanten door haar merkwaardige snelheid van
beweging en de buitengewone lengte van den staart, welke het vier-
of vijfvoud is van de lichaamslengte. In 't geheel heeft men ongeveer
100 soorten beschreven, die over 17 geslachten verdeeld zijn. Voor
ons doel zal een beschrijving van de drie inheemsche en van twee
Zuid-Europeesche soorten voldoende zijn.



De inheemsche Hagedissen kiezen hellingen van zonnige heuvels,
muren, steenhoopen, ruimten onder boomwortels, heggen, omheiningen
en struikgewas, zonnige weiden, enz. tot verblijfplaats, graven hier
een hol of maken gebruik van een reeds in den grond aanwezig gat;
zelden verwijderen zij zich ver van dit middelpunt van hun gebied. "Een
eigenaardigheid, die de Hagedissen met zeer veel lagere dieren gemeen
hebben," zegt Leydig, "is haar innige gehechtheid aan het plekje
grond, waar zij ter wereld kwamen. Men zal in streken, die men door
herhaald bezoek goed kent, opmerken, dat de Hagedissen zich jaar
op jaar aan bepaalde oorden houden, zonder zich te verbreiden over
omgevende terreinen, die oogenschijnlijk even goed voor haar geschikt
zijn. Verhuizingen komen eerst dan voor, als het geboorte-oord geen
ruimte genoeg meer aanbiedt."

Bij warm weder vindt men de Hagedissen buiten haar woning; bij
voorkeur liggen zij op een zonnige plek op de loer; hare fonkelende
oogen waren rond naar allerlei buit, vooral vliegende Insecten;
op koele en regenachtige dagen houden zij zich verborgen in hare
holen. Zij zijn in de ware beteekenis van 't woord afhankelijk van
de zon, vertoonen zich, als deze aan den hemel staat en verdwijnen,
zoodra zij zich verbergt. Om zich in de zon te koesteren zoeken zij
steeds de plaatsen uit, die het best toegankelijk zijn voor de warmte
en klimmen daarom bij boomstammen, palen en dergelijke voorwerpen
omhoog. Door de ribben op te lichten en hiermede de huid uit te
spannen, verbreeden zij den romp en maken hem zoo plat mogelijk, als
om geen enkele straal van het levenwekkende hemellichaam verloren te
laten gaan. Hoe feller de zon schijnt, des te duidelijker openbaren
zich haar bedrijvigheid en haar moed. In de morgen- en avonduren zijn
zij soms traag en bijzonder zachtmoedig; op het midden van den dag
merkt men bij haar niet slechts een buitengewone levendigheid, maar
dikwijls ook moed op; soms zelfs zoeken zij ruzie. Hoe meer het einde
van den herfst nadert, des te langer blijven zij in hare holen. Hier
te lande betrekken zij in het begin van October hare winterkwartieren,
die zij niet voor den aanvang van de lente verlaten.

De tijd, waarin zij haar winterslaapplaats opzoeken, hangt niet
slechts af van de door haar bewoonde landstreek, maar is ook voor
verschillende soorten ongelijk en loopt ook uiteen in verband met
leeftijd en sekse: de oude mannetjes verdwijnen in den herfst eerder
dan de oude wijfjes en deze weer eerder dan de jongen. Daarentegen
verschijnen in 't voorjaar de laatstgenoemde het eerst; op hen volgen
de mannetjes, zoodat de wijfjes het laatst voor den dag komen. In
het winterkwartier zijn zij meestal gezellig bijeen; zij liggen er
bewegingloos, met gesloten oogen, doch met geopenden bek, herleven
echter, zoodra men ze verwarmt, beginnen zich te bewegen, te ademen,
openen de oogen en worden langzamerhand geheel wakker.

Bijna alle Hagedissen dragen aanmerkelijk bij tot verfraaiing van
de landstreek, die zij bewonen. In ons vaderland bemerkt men hiervan
niet veel, reeds in Zuid-Europa echter spelen zij in het landschap een
niet onbelangrijke rol. Haar talrijkheid blijkt uit het geschuifel en
geritsel, dat men hier overal hoort; zij verlevendigen iederen muur,
iedere straat, bijna iederen weg. Een werkelijk schitterende pracht
bekoort het oog, wanneer het deze fraai gekleurde, glinsterende dieren
in de middaguren, als haar levenswerkzaamheid de grootste hoogte
heeft bereikt, schijnbaar spelend ziet ronddartelen. Als een snoer
van edelgesteenten kronkelt zich, volgens Erhard, het slangvormige
lichaam van de Smaragdhagedis, dat met de kleur en den glans van
koper, brons en goud prijkt, door de tusschenruimten der twijgen en
bladen van de vijgen- en karoebenboomen der overigens zoo stille
en eentonige Cycladen. In welk ander oord van het zuiden men ook
vertoeft, overal flikkert van het sierlijke schubbenkleed der daar
levende soorten van Hagedissen de glans van juweelen den bezoeker te
gemoet. In welwillendheid en bewondering verandert weldra het angstige
gevoel, dat aanvankelijk door het geritsel en geschuifel dezer dieren
bij vreesachtige personen werd opgewekt. Zelfs wanneer men nog geen
kennis heeft gemaakt met de aantrekkelijke inborst en verrichtingen
dezer Reptiliën, zal men genegenheid voor hen opvatten.

Alle Echte Hagedissen zijn vlugge, wakkere, levendige, met fijne
zintuigen begaafde en betrekkelijk schrandere dieren. Als zij zich
niet in de zon koesteren, doorkruisen zij gaarne het door haar
bewoonde gebied, kortom zij zijn steeds bezig. Duidelijk openbaren
zij dan de veelzijdigheid van haar bewegingsvermogen. Alle kunnen
uiterst vlug loopen, behendig klimmen en, zoo noodig, ook zonder
merkbare inspanning zwemmen; de vaardigheid, welke zij bij ieder
van deze verrichtingen toonen, is echter bij de eene soort en
de andere zeer verschillend. Zoo lenig hare gewrichten zijn, zoo
voortreffelijk ontwikkeld zijn hare zintuigen. De levendigheid van
de oogen getuigt van een scherp gezicht; het vermogen om te hooren
is zoo goed, dat reeds het geringste gedruisch haar aandacht trekt;
een fijn gevoel blijkt uit haar voorkeur voor een warm plekje, een
uitmuntend tastvermogen uit het voortdurend uitsteken en terugtrekken
van de tong. Dit orgaan schijnt echter bovendien nog gevoelig voor
smaakprikkels; alle Echte Hagedissen zonder uitzondering houden
veel van zoete vruchtensappen, honig of suiker en onderscheiden
deze lekkernijen zeer goed van ander voedsel; hierbij bewijst echter
ook de reukzin goede diensten. Geëvenredigd aan de volkomenheid van
hare zintuigen is ook de ontwikkeling van hare geestvermogens. Wat
het verstand betreft, staan zij stellig bij geen ander lid van haar
klasse ten achter; maar overtreffen ook in dit opzicht de meeste van
hare verwanten.

De Hagedissen zijn flinke roovers. Zij maken ijverig jacht op Insecten,
Regenwormen en Landslakken, overvallen soms kleine Gewervelde Dieren,
plunderen nesten uit en verslinden o.a. ook eieren van andere Kruipende
Dieren. Spinnen lusten zij gaarne; gretig verslinden zij Naakte
Tuinslakken; minder begeerig zijn zij naar Regenwormen. Vlinders,
Krekels, Sprinkhanen, Kevers en hunne larven schijnen haar
lievelingskost te zijn. Zij maken echter wel degelijk verschil
tusschen de eene soort en de andere, al gelijken beide zooveel op
elkander, dat een ongeoefend mensch het onderscheid niet opmerkt. In
den gevangen staat geraken de meeste soorten gewend aan rauw vleesch,
mierenpoppen en ei, sommige ook aan vruchten; ook dan echter geven
zij aan levende dieren de voorkeur boven ieder ander voedsel. Zij
vatten haar slachtoffer plotseling aan, dikwijls na een grooten sprong,
kneuzen het met de tanden en slikken het daarna langzaam door. Groote
Insecten grijpen zij met den bek en bedwelmen hen door langdurig heen
en weer schudden; soms laten zij haar prooi dan een oogenblik los,
kijken er naar en vallen er op nieuw op aan. Naar Reptiliën-aard
vervolgen, dooden en verslinden zij ook hare eigene jongen zonder
mededoogen. Op warme, zonnige dagen drinken zij veel; dit geschiedt
door de tong langzaam, maar vele malen achtereen in de vloeistof te
doopen. Gretig en met blijkbaar genot slikken zij honig en suiker op
en verorberen het sap van zoete vruchten, waaruit misschien valt af
te leiden, dat zij in de vrije natuur vruchten niet geheel versmaden.

In de lente, kort na het verlaten van het winterverblijf, ontwaakt in
haar de aandrift tot voortplanting; de mannetjes zijn dan buitengewoon
strijdlustig; vol woede vervolgt het sterkere dier het zwakkere, heft
den romp zoo hoog mogelijk op door het strekken der stijf gehouden
pooten en doet met naar onderen gerichten kop een aanval op zijn
tegenpartij; deze ziet den vijand een tijdlang aan, om vervolgens,
zoodra hij zich overtuigd heeft van diens meerdere sterkte, zijn
heil in de vlucht te zoeken. De aanvaller snelt den vluchteling met
den grootst mogelijken spoed na en is soms zoo toornig, dat zelfs
het wijfje, wanneer het hem in den weg komt, gevaar loopt gebeten
te worden. Den vluchteling tracht hij bij den staart te pakken; een
verminking van dit lichaamsdeel wordt bij de Hagedissen dikwijls
opgemerkt. Ongeveer 4 weken na de eerste paring, gewoonlijk des
nachts, legt het wijfje 6 à 12 eieren; deze hebben de grootte van
boonen, zijn langwerpig rond en vuilwit van kleur. De wijze waarop de
eieren verborgen worden, hangt van de plaatselijke omstandigheden af;
dikwijls dient hiervoor een zonnig plekje in het zand of tusschen de
steenen; soms worden de eieren in het mos gelegd of in de woningen
van de groote zwarte Mieren, die het haar toevertrouwde pand niet
aanraken. De jongen komen in het midden van den zomer uit de eischaal
te voorschijn, zijn dadelijk even vlug van beweging als hunne ouders,
vervellen nog in den herfst van het eerste levensjaar en zoeken daarna
een schuilplaats op voor hun winterslaap.

De oude dieren vervellen in den loop van den zomer herhaaldelijk; dit
geschiedt op onbepaalde tijden; hoe dikker, grooter en beter gevoed
zij zijn, des te vaker heeft de vernieuwing van de opperhuid plaats.

Van Hagedissen in de kooi kan men veel genoegen smaken; ieder die
zich met deze dieren bemoeit, wint reeds na weinige dagen, wel is
waar niet hun genegenheid, maar toch hun vertrouwen. Aanvankelijk
vluchten zij bij de komst van hun verzorger angstig naar den meest
verborgen hoek van hun kooi; later steken zij nieuwsgierig het
kopje buiten hun toevluchtsoord en kijken naar den verstoorder
van hun rust; eindelijk gaan zij bij diens komst niet meer op den
loop, laten toe, dat hij hen aanraakt en streelt, en nemen hem het
hun voorgehouden voedsel behendig en netjes tusschen de vingers
weg. Sommige exemplaren, die op gevorderden leeftijd gevangen zijn,
worden trouwens nooit tam. Een vermakelijk schouwspel verschaft men
zich door aan verscheidene Hagedissen slechts één enkelen, langen Worm
te geven; zij trachten dan elkaar den buit te ontstelen, vatten dezen
op verscheidene plaatsen te gelijk aan en scheuren hem heen en weer,
totdat hij breekt, of de eene hem de andere uit den bek rukt.



Het typische geslacht der Halsbandhagedissen (Lacerta) heeft de
volgende kenmerken: De meer of minder slanke romp is rolvormig of een
weinig van boven naar onderen samengedrukt; de piramidevormige kop
heeft loodrecht benedenwaarts gerichte zijvlakken; de hals is ongeveer
zoo lang als de kop en niet zeer duidelijk begrensd; de staart is
steeds langer dan de romp, slank kegelvorming, dikwijls zeer lang, dun
en spits. De bekleeding bestaat op den kop en den buik uit schilden,
overigens uit schubben, die op den romp ringsgewijs gerangschikt zijn,
aan den staart kransen vormen, aan den hals zich door buitengewone
grootte onderscheiden en tot een ringkraag vereenigd zijn. De vijf
teenen zijn zeer verschillend van lengte en dragen sikkelvormige
zijdelings samengedrukte klauwen, die aan de onderzijde een groeve
vertoonen.



In het zuidwesten van Europa leeft de grootste soort, tevens een
van de prachtigste leden der geheele orde: de Parelhagedis (Lacerta
ocellata). Zij bereikt een lengte van 41 à 61 cM. De schubben zijn
bij haar aanmerkelijk kleiner dan bij de overige leden van haar
geslacht. De kop is van boven bruinachtig en met schilden bedekt; de
zijden van den kop zijn groen; de rug is op donkeren grond zoo dicht
bezaaid met groene of geelachtige, dooreengekronkelde lijnen, dat de
lichte kleur dikwijls de overhand heeft; iedere zijde is bovendien met
ongeveer 25 blauwe, zwart gezoomde vlekken geteekend, hieraan dankt
deze soort haar naam; het onderlijf is effen licht geelachtig groen;
alle overige lichaamsdeelen zijn meer of minder levendig groen of
groengrijs. De jonge dieren verschillen van de oude door hun somber
olijfbruine kleur en de talrijkheid van de witte of blauwachtige,
zwart gezoomde oogvlekken.

De Parelhagedis bewoont het Iberische schiereiland, maar komt ook
voor in het zuiden van Frankrijk en aan de noordwestkust van Afrika;
haar verbreidingsgebied strekt zich noordwaarts even ver uit als dat
van den olijfboom. In Zuid- en Middel-Spanje is zij overal gemeen.

Haar voedsel stemt nagenoeg overeen met dat der inheemsche Hagedissen;
wegens haar aanzienlijke grootte maakt zij echter bij voorkeur jacht
op grootere dieren, vooral op andere Hagedissen, jonge Slangen en
Muizen; bovendien eet zij druiven, versche vijgen en andere zoete
vruchten. "Als zij een buit bemerkt", zegt Schinz, "blijven hare
vurige blikken onafgebroken gericht op het slachtoffer, dat met
groote snelheid besprongen, met de tanden gegrepen en vervolgens door
het hevig schudden van den kop eenige malen heen en weer geslingerd
wordt; daarna glijdt het gevangen en gekneusde dier langzaam door den
slokdarm. Vervolgens lekt zij zich in hoogst genoegelijke stemming den
bek af met de tong, gelijk een Kat doet na het drinken van melk". Duges
heeft haar ook Vogels en Kruipende Dieren, ja zelfs leden van haar
eigen soort zien verslinden.

De Parelhagedis wordt, daar zij zich goed verweren kan, door minder
vijanden bedreigd dan hare kleinere verwanten. Hare gevaarlijkste
tegenstanders zijn de Roofvogels, vooral de Slangenarend en de
Buizerden, die bij dit bedrijf ook de Raaf tot concurrent hebben. De
Spanjaarden houden de Parelhagedis voor vergiftig, zijn bespottelijk
bang voor dit dier en toonen vaker dan wenschelijk is, hun vrees door
het te dooden.



De Smaragdhagedis of Groene Hagedis, de Grüneder der Duitsche
wijnbouwers, de Gruenz der Tirolers (Lacerta viridis), komt in ons
vaderland niet voor, maar neemt onder de in Duitschland levende
soorten den eersten rang in door haar grootte en schoonheid. Zij
bereikt bij onze buren een lengte van 30, in Zuid-Europa van 43 cM. De
levendige, dikwijls iriseerende, groene kleur van het mannetje vertoont
verschillende tinten, die van blauwachtig groen door smaragdgroen tot
seladongroen afwisselen, en gaat op de onderdeelen in groenachtig
geel over. Zwarte stippels, die zich op den kop soms tot vlekken
vergrooten, versieren de bovenzijde; de onderzijde daarentegen is
(met uitzondering van de keel en de onderkaak, die dikwijls blauw
zijn) steeds effenkleurig. Het wijfje komt niet zelden in kleur
met het mannetje overeen, heeft dikwijls ook een blauwe keel, maar
overigens in den regel een meer of minder naar bruin zweemend kleed,
dat aan de zijden met geelachtige, zwart gezoomde, op overlangsche
reeksen geplaatste vlekken prijkt.

De landen ten oosten en ten noorden van de Middellandsche zee moeten
als het vaderland van de Smaragdhagedis beschouwd worden. Zij is
in Portugal en Spanje veelvuldig, komt in Frankrijk voor tot bij
Parijs, bewoont Italië, met uitzondering van het eiland Sardinië,
voorts het zuiden en westen van Zwitserland en het zuiden van Tirol;
zij is op het Balkan-schiereiland een van de algemeenste soorten,
bewoont eveneens het Donaugebied en Zuid-Rusland, Perzië zoowel als
Kaukasië, Klein-Azië, Syrië en Palestina; in geringen getale vindt
men haar bovendien hier en daar in Duitschland en Oostenrijk.



De eenige soort, die algemeen in ons land voorkomt en daarom Gewone
Hagedis wordt genoemd (Lacerta agilis), bereikt een lengte van
hoogstens 25, meestal slechts van 20 of 21 cM., waarvan ongeveer de
helft op den staart komt. Haar kleur kan zeer uiteenloopen. "Het
mannetje is gewoonlijk aan de rugzijde bruinachtig met twee
lichtgele strepen en eenige rijen zwarte vlekken, aan de buikzijde
groenachtig. De rug van het wijfje is gewoonlijk ook bruinachtig,
maar deze kleur gaat op de zijden in blauwgrijs over, terwijl de
buikzijde groengeel of zelfs zuiver geel is. Ook bij 't wijfje is de
rugzijde met zwarte vlekken geteekend; over 't midden van den rug
loopt een zwarte streep, die zich voortzet op den staart, waar zij
aan weerskanten vergezeld wordt door twee andere zwarte strepen"
(Ritzema Bos). Bij sommige exemplaren is de kleur met meer groen
gemengd; in Duitschland heeft men mannetjes van deze soort gevonden,
die, wat kleur en teekening betreft, op de Smaragdhagedis geleken.

De gewone Hagedis (die soms ook Zandhagedis, in de Hollandsche
duinstreken Eidas, in Gelderland en Overijsel meestal Everdas,
in het land van Kuik Egetis wordt genoemd) bewoont Noord-, Middel-
en Oost-Europa, van de Alpen tot het zuiden van Engeland en Zweden,
van den Kaukasus tot aan de Finsche Golf en westwaarts tot aan het
midden van Frankrijk. Hellingen van zonnige heuvels, vooral als
zij met kreupelhout begroeid zijn, heiden, steenglooiïngen, heggen,
woudzoomen, randen van wegen en vooral spoordammen zijn hare meest
geliefde verblijfplaatsen; zij ontbreekt echter ook niet op schrale
weiden en in niet al te vochtige moerassen; zij vestigt zich overal,
waar zij op buit kan rekenen. Bij ons vindt men haar in alle droge,
zandige streken, zoowel op diluvialen zandgrond als in de duinen,
het meest daar, waar kreupelhout groeit.

Met graagte verslinden deze Hagedissen Vlinders, vooral Witjes; zij
bewijzen hierdoor den tuinman een dienst. Boettger verhaalt, dat zijne
tamme Hagedissen, terwijl hij voor haar Witjes ving in den tuin, hem
met hare blikken volgden en alle met opgeheven kop, aan de naar hem
toegekeerde zijde van de kooi, om voedsel bedelden. Om de Vlinders
te grijpen, die hij haar toestak door de mazen van het draadnet,
waarmede de kooi bedekt was, sprongen zij omhoog als Honden. De
Gewone en Kleine Hagedis bewonen nooit hetzelfde oord, zooals licht
verklaarbaar is voor ieder, die waargenomen heeft, hoe fel gene op
de jongen van deze jacht maakt.

Onder de bijna tallooze vijanden van de Gewone Hagedis en van hare
kleinere verwanten verdienen de Gladde Slang en de Adder misschien
wel den voorrang. Verscheidene soorten van Marters, Valken, Raven,
Eksters, Vlaamsche Gaaien, Klauwieren, Huishoenderen, Kalkoenen,
Pauwen, Ooievaars en Eenden maken eveneens jacht op haar en verslinden
haar, oogenschijnlijk met smaak.

De Kleine Hagedis (Lacerta vivipara) komt in ons vaderland zelden
voor. Zooals reeds gezegd werd, ontmoet men haar nooit in oorden,
waar de Gewone Hagedis zich ophoudt. Bij Arnhem, bij Leiden en bij
Nijmegen werd zij in bosschen onder droge bladen gevonden. Haar lengte
bedraagt 15 à 18 cM., waarvan 10 à 11 cM. op den staart komen. De kop,
de romp en de teenen zijn bij haar een weinig tengerder en fijner
gebouwd dan bij de Gewone Hagedis. De donkerbruine grondkleur van de
rugzijde kan in leikleur overgaan, doch vormt steeds donkerder strepen
op het midden van den rug en op iedere zijde. De onderzijde is op
bruinachtig of blauwachtig grijzen, geelachtig witten, safraangelen of
steenrooden grond zwart gestippeld of gevlekt; de keel is blauwachtig,
niet zelden echter rozerood.

Het verbreidingsgebied van de Kleine Hagedis omvat verreweg het
grootste deel van Noord- en Middel-Europa en strekt zich bovendien uit
over geheel Noord-Azië tot aan den Amoer en het eiland Sachalin. Bij
voorkeur houdt zij zich op in de nabijheid van water, in bergstreken
daarom in vochtige kloven, bij bergbeken, bij of in kanalen tot
het afleiden van het water, in dalen echter op vochtige weiden,
in moerassen en bij dammen.

Den naam vivipara (levendbarend) ontleent deze soort aan de plaats waar
hare jongen zich soms ontwikkelen; soms n.l. verlaten zij de eischaal
reeds vóór de geboorte, meestal echter kort daarna. In Zuid-Duitschland
geschiedt dit gemiddeld in het einde van Juli en altijd 's nachts;
het aantal jongen bedraagt 8, hoogstens 10; nog door de eischaal
omgeven komen zij met tusschenpoozen van 2 minuten ter wereld en
zijn een half uur later er in geslaagd zich te bevrijden. De moeder
bekommert zich volstrekt niet om hen, maar loopt weg, zoodra zij het
laatste ei gelegd heeft. De jongen groeien schielijk; die, welke bij
de geboorte 15 mM. lang waren, hadden na 20 dagen reeds een lengte van
27 mM. Leydig voedde ze met Bladluizen, die gretig verslonden werden.

Nog zeldzamer dan de vorige soort is bij ons de even sierlijke als
behendige Muurhagedis (Lacerta muralis), die op droge, steenachtige,
zonnige plaatsen leeft en enkele malen nabij Nijmegen aan den voet
der walmuren, aan de randen van grindkuilen en greppels op de heide;
bovendien in en bij Groningen aan muren gevonden werd. In Zuid-Italië
bereikt deze soort een lengte van 20 à 24 cM.; in de noordelijke landen
wordt zij slechts 18 à 19 cM. lang. Van hare verwanten onderscheidt
zij zich zoo duidelijk door de slankheid van den romp, den langen
kop met smallen snuit en den zeer spitsen staart, waarvan de lengte
meer dan de helft van de totale lengte bedraagt, dat het bijna niet
mogelijk is haar met een van deze te verwarren. Volgens Leydig is de
grondkleur van den rug bij de in Duitschland gevangen exemplaren bruin
of groen; bij goede verlichting, vooral in 't zonlicht, vertoonen zij
duidelijk een bronsgroenen weerschijn; voorts kan men er een donkerder,
reeds bij den kop beginnende zijdestreep en een uit vlekken of wolkjes
bestaande teekening aan waarnemen. De grensscheiding tusschen zijde en
buik wordt aangewezen door een overlangsche reeks van blauwe vlekken;
de kleur van den buik is meer of minder donkerbruin en wisselt af van
melkwit door geel tot koperrood; soms is zij effen, dikwijls echter
met wolkjes of vlekken geteekend. Van deze soort komen talrijke
kleurverscheidenheden voor.

De Muurhagedis wordt in alle landen, die de Middellandsche Zee omgeven,
zoo niet veelvuldiger dan iedere andere soort van haar familie,
dan toch buitengewoon talrijk en overal gevonden. Van Zuid-Europa
uit heeft zij zich, naar 't schijnt, langzamerhand over 't midden
van ons werelddeel verbreid.

Hare bewegingen en gewoonten, haar aard en levenswijze komen nog
het meest met die van de Smaragdhagedis overeen. Al hare bewegingen
geschieden plotseling, veel vlugger en behendiger dan die van hare
inheemsche verwanten, maar zijn toch niet onbevallig. Voor een
Reptiel is haar verstand opmerkelijk groot; zij toont dit duidelijk
bij iedere gelegenheid door een juiste beoordeeling van den mensch
en van de omstandigheden, waarin zij verkeert: inniger dan eenige
andere soort komt zij met den mensch in aanraking; de ervaring leert
haar, in welke gevallen zij den mensch vertrouwen kan, en wanneer
niet. Toch laat ook zij zich soms op een bijna onbegrijpelijke wijze
verschalken. Eimer leerde, toen hij niet naar wensch slaagde bij de
vangst van Muurhagedissen, die op Capri zeer veelvuldig, maar ook zeer
schuw zijn, van de knapen van dit eiland een bijna nimmer falend middel
om deze vlugge en behendige dieren in handen te krijgen. Hiervoor
is niets anders noodig dan een lange grashalm, welks dunste uiteinde
tot een strik wordt vervormd, die zóó met speeksel wordt bevochtigd,
dat dit als een dun plaatje de opening van de lus vult. Bij 't zien
van de Hagedis gaat de jager op den grond liggen of zitten, brengt
in deze houding zoetjes aan de strik nader bij het diertje en houdt
het eindelijk met ver uitgestrekten arm de lus vlak voor den kop. De
Hagedis blijft als betooverd staan en kijkt verwonderd naar het
onbekende voorwerp; uit nieuwsgierigheid laat zij haar beschroomdheid
varen en volgt den achteruit bewogen strik, die plotseling haar
over den kop geworpen en toegetrokken wordt. Eimer, die aanvankelijk
meende, dat het bonte kleurenspel van het speekselplaatje of het zien
van haar spiegelbeeld de Hagedis aanlokte, bemerkte later, dat het
dier zich ook wel laat verschalken door een strik zonder dergelijk
toevoegsel. Met schitterend succes werd zijn jacht bekroond, toen hij
na deze ontdekking bij latere uitstapjes gebruik maakte van de hulp
van knapen, die in deze wijze van vangst ervaren zijn. Een tot heden
gespaard, prachtig beeld uit ouden tijd (de Sauroktonos) bewijst,
dat deze verrassende kunstgreep niet nieuw is; zij was reeds voor
2000 jaar aan de Zuid-Italiaansche knapen bekend.



De Skink- of Woelhagedissen (Scincidae) vormen een zeer soortenrijke
familie, waarin niet minder verscheidenheid van gestalte wordt
waargenomen dan in die der Teju- en Gordelhagedissen; ook hier vindt
men door het rudimentair worden der ledematen en de verlenging van den
romp allerlei overgangen van den typischen Hagedis-vorm tot dien der
Slangen. De pooten zijn, voorzoover aanwezig, steeds kort. Regelmatige
schilden bekleeden den kop, gelijksoortige schubben den rug, den buik
en de zijden. Een zijdegroeve is hier niet aanwezig.

De Skinkhagedissen bewonen alle werelddeelen van de uiterste grenzen
van den gematigden gordel tot aan den evenaar; zij zijn vooral in
Australië, op de Zuidzee-eilanden, in Oost-Indië en in Afrika talrijk,
in Europa en Amerika daarentegen schaars vertegenwoordigd.



Kleine Woelhagedissen, welker doorzichtige oogleden onbeweeglijk en
met elkander vergroeid zijn, zoodat zij, als die der Slangen, bij
wijze van een horlogeglas het oog bedekken, vormen het geslacht der
Naaktoogigen (Ablepharus), welks vertegenwoordigers in de tropische en
zuidelijke landen van Afrika, Australië en Zuidwest-Azië, maar ook in
Zuidoost-Europa leven; één soort heeft een zeer ongewone verspreiding,
daar zij de tropische gewesten van beide halfronden bewoont.

Vermelding verdient vooral de Sint-Jans-hagedis (Ablepharus
pannonicus), omdat zij tot in Hongarije aangetroffen wordt. Dit
aardige diertje heeft een langwerpig rolvormigen romp, die zoomin van
den hals als van den langen, ronden, langzamerhand dunner wordenden
staart duidelijk gescheiden is; de voorste ledematen zijn ver van
de achterste verwijderd en korter dan deze; het kleed bestaat uit
tamelijk gelijksoortige, gladde schubben. De bovenzijde is grootendeels
bronskleurig olijfbruin, op 't midden van den rug dikwijls met twee
zwarte, overlangsche lijnen geteekend; de zijden van het lichaam zijn
iets donkerder; een zwartachtige, aan weerszijden lichter gezoomde
streep begint bij het neusgat, loopt door tot achter het oog en
zet zich achterwaarts voort als een langzamerhand flauwer wordende,
donkere zijdestreep; de onderzijde is groenachtig zilverkleurig. Van
de lengte, die 9 à 11 cM. bedraagt, komt juist de helft op den staart.

De Sint-Jans-hagedis wordt vooral in Hongarije en hier meer
bepaaldelijk op met kort gras begroeide hellingen gevonden; zij komt
echter ook in andere landen van Zuidoost-Europa, bijvoorbeeld in
Griekenland en Turkije, voorts in Klein-Azië, Syrië en Noord-Arabië
voor, zeer zeker veelvuldiger dan men gewoonlijk veronderstelt. In
het Stadsboschje te Pest en aan de hellingen van de Vestingbergen
van Ofen moet zij niet zeldzaam zijn.



Eén Woelhagedis--de Skink (Scinus officinalis), de Adda der
Arabieren--heeft zich in den ouden tijd een grooten roem verworven
en heeft dezen lang weten te behouden. Bijna alle lichaamsdeelen van
dit dier werden als wonderdadige geneesmiddelen beschouwd, die bij
alle mogelijke ziekten een gunstige werking heetten te oefenen. Als
natuurlijk gevolg van deze meening, die thans ook nog bij enkele
Mahomedanen bestaat, werden de bedoelde diertjes zoo ijverig mogelijk
vervolgd en bij duizenden gevangen. Een drukke handel werd gedreven met
hunne gedroogde of tot asch verbrande lichamen. Met dat al weten wij
slechts weinig van hun levenswijze. Terwijl de andere leden van dit
geslacht over de steppen en woestijnachtige Gewesten van Senegambië,
Noord-Afrika, Arabië, Perzië en Sind verbreid zijn, bewoont de gewone
Skink de Sahara en de woeste gewesten langs de oevers van de Roode
Zee. In Egypte en Nubië is hij niet zeldzaam, in de Algerijnsche en
Tripolitaansche Sahara zeer veelvuldig. Ondanks zijn snellen gang zal
hij zich bij dreigend gevaar niet loopend trachten te redden, maar
onder het zand kruipen; dit geschiedt zoo wonderbaarlijk vlug, dat
hij reeds na weinige oogenblikken een afstand van verscheidene meters
onder den grond heeft afgelegd. Volgens de berichten der Arabieren
verslindt hij, behalve allerlei Insecten, niet zelden ook Schorpioenen.

De Skink heeft een zeer gedrongen lichaamsbouw en korte ledematen. Alle
vier pooten dragen vijf ongelijk lange, van boven naar onderen plat
gedrukte teenen, die aan de zijden als 't ware met franjes bezet en tot
aan den oorsprong vaneengescheiden zijn. De bovenzijde is grijsgeel en
dikwijls met verscheidene dwarsbanden geteekend, die bij het levende
dier paars, na den dood bruin zijn. De onderdeelen zijn effen wit met
paarlmoerglans. In geheel volwassen toestand is deze Skink 21 cM. lang.

In lengte en dikte komt de Koperslang, de Chalcis der Grieksche, de
Seps der latere Romeinsche schrijvers (Chalcides tridactylus), ongeveer
overeen met onzen Hazelworm; op eenigen afstand gezien gelijkt zij
er ook wel eenigszins op; bij nadere beschouwing kan men haar echter
onmiddellijk herkennen aan hare vier rudimentaire pootjes. De kop
wordt naar voren smaller en lager en eindigt in een stompen snuit;
de romp is rolvormig en zeer langwerpig; de staart neemt tot aan
zijn zeer fijne spits gelijkmatig in dikte af. Het lichaam is bedekt
met kleine, tegen de huid aangedrukte, glanzige schubben van fraaien
vorm, die op den kop door groote schilden vervangen worden en hier
een tamelijk groot middelschild omgeven. De bovendeelen zijn glanzig
bronskleurig bruin of zilverkleurig grijs, de onderdeelen witachtig
en paarlmoerglanzig. Volwassen exemplaren kunnen een lengte van 42
cM. bereiken.

De kustlanden van de Middellandsche zee, die door de Koperslang bewoond
worden, zijn Italië, Sicilië, Sardinië, Tunis en Algerië. In sommige
gewesten komt zij zoo talrijk voor, "als het verdroogde gras op het
land," naar Cetti zegt. Bij voorkeur houdt zij zich in vochtige
weilanden op, omdat zij hier het gemakkelijkst haar voedsel kan
verkrijgen, dat uit Gelede Dieren, kleine Naakte Slakken en Wormen
bestaat.

Het volk beschouwt dit dier als een Slang, daar het op gelijke wijze
zich beweegt en om te rusten ineenkronkelt. De kleine pootjes, die
in dit geval onopgemerkt blijven, zijn echter niet nutteloos; bij
het kruipen zijn zij voortdurend in beweging. Meer dan hare verwanten
schuwt zij de koude; nog eerder dan de Schildpadden begeeft zij zich
naar haar winterkwartier; na het begin van October krijgt men haar
niet meer te zien; men kan haar dan alleen vinden door ter rechter
plaatse diep in den grond te graven. Niet voordat het werkelijk lente
geworden is, komt zij weder voor den dag en vangt haar zomerleven
aan. Zij brengt levende jongen ter wereld.

Evenals onze Hazelworm heeft de Koperslang vele vijanden. Allerlei
Zoogdieren, Vogels en Reptiliën maken jacht op haar. Bij de talrijke
schaar van belagers, die haar verslinden, voegt zich uit vrees de
mensch, die ook thans nog deze onschuldige dieren voor zeer vergiftig
houdt en zich verplicht acht er zooveel mogelijk van te dooden.



Tweede Onderorde: WORMTONGIGEN (Rhiptoglossa).


De onderorde van de Wormtongigen (Rhiptoglossa) omvat slechts één
enkele familie, die der Kameleons (Chamaeleontidae). Door den bouw
van den schedel verschillen zij aanmerkelijk van de leden der vorige
onderorde. Ook hun uiterlijk wijkt in belangrijke opzichten af van dat
der Hagedissen. Hun romp is smal, zijdelings zeer sterk samengedrukt,
het midden van den sterk gebogen rug verheft zich tot een scherpen,
overlangschen kam. De kop is piramidevormig naar boven uitgegroeid
of platgedrukt en draagt gewoonlijk een met kammen versierden
helm; de snuit is dikwijls door vreemdsoortige, beenige spitsen en
vliezige lobben verlengd. De hals is zoo kort, dat de groote kop
onmiddellijk op den romp schijnt te volgen. De pooten zijn lang,
mager, rolvormig en alle nagenoeg even lang; de korte teenen, ten
getale van vijf aan iederen poot, zijn tot aan het voorlaatste lid
door een gemeenschappelijke huid bedekt en zóó geplaatst, dat er
steeds twee tegenover de drie andere komen te staan; zij vormen dus
een soort van tang, die aan de binnenste oppervlakte met een korrelige
huid bekleed is en derhalve vast en stevig de twijg omklemt. De overal
even krachtige bevestiging van het lichaam aan de standplaats wordt
zeer bevorderd, doordat de teenen niet uitsluitend aan de buitenzijde
of alleen aan de binnenzijde, maar afwisselend aan deze en aan gene
zijde met hun drieën aan elkander verbonden zijn; aan de achterpooten
vormen de drie buitenste, aan de voorpooten de drie binnenste het
krachtigste blad van de tang. De pooten van de Kameleons zijn in
dit opzicht eenig in hun soort. De rolvormige, stevige staart is
een grijporgaan, neemt naar de spits zeer gelijkmatig in breedte en
dikte af en kan, van daar te beginnen, slakkehuisvormig ineengerold
worden. De buitenste huidlaag draagt, in plaats van schubben, kleine
korrelige verhevenheden, die door fijne plooien vaneengescheiden zijn;
deze inrichting laat een aanzienlijke uitzetting van de huid toe.

Nog opmerkelijker dan de genoemde lichaamsdeelen schijnen, zelfs bij
oppervlakkige beschouwing, de oogen van den Kameleon. Zij worden
door dikke oogleden als door een doos omhuld en laten slechts een
zeer kleine, ronde opening voor de pupil vrij. Beide oogen zijn
in hunne bewegingen volkomen onafhankelijk van elkander, zoodat
b.v. het rechteroog naar voren of naar boven, het linker te gelijker
tijd naar achteren of naar beneden kan kijken. Door deze, bij geen
ander Reptiel voorkomende beweeglijkheid is de Kameleon in staat om,
ook zonder dat hij zich beweegt, den geheelen omtrek te overzien en
zijn buit op te sporen.

Het inwendige samenstel van dit dier is niet minder merkwaardig dan
zijn uitwendig voorkomen en herinnert in vele opzichten aan dat van
de voorwereldlijke Dinosauriërs en van de Vogels. De zonderlinge,
voor de levenswijze van dit dier buitengewoon belangrijke tong
verdient een afzonderlijke beschrijving. In den toestand van rust
ligt zij teruggetrokken in de keelholte; bij het gebruik kan zij 10
cM. ver en verder, althans over een grooteren afstand dan een halve
lichaamslengte, uitgestoken worden. Zoodra dit geschied is, heeft zij
de dikte van een ganzeschacht, blijkt bij het betasten elastisch te
zijn, laat zich slechts weinig samendrukken en ziet er in het midden
rood uit; een witte band bevindt zich aan weerszijden op ongeveer 2
cM. afstand van de spits, nader bij deze ziet men voorts eenige aders,
die met bloed overvuld zijn. Door negen paar spieren, die zich van de
borstkas tot aan de hoornen van het tongbeen uitstrekken, wordt de tong
teruggetrokken. Uitgestoken wordt zij door de drukking van het bloed,
dat in hare vaten doordringt, maar niet door het inpersen van lucht,
gelijk men vroeger onderstelde. Deze bloedvaten vullen zich ongeveer
even snel als die van de wangen van een blozend mensch; de tong kan
dus onverwijld dienst doen.

De zonderlinge gestalte en het ernstig voorkomen van den Kameleon,
die langzaam op hooge pooten komt aanstappen en plotseling met zijn
vreemdsoortig werktuig een prooi overmeestert, zijn wel geschikt om
de aandacht te trekken; zij hebben misschien aanleiding gegeven tot
den naam "Chamai-leoon" (= Kleine Leeuw) dien het dier reeds ten
tijde van Aristoteles droeg. Eerder dan aan deze eigenaardigheden
herinnert de naam Kameleon ons echter aan een ander verschijnsel,
dat reeds in overouden tijd de belangstelling van geleerden en leeken
wekte en hen ook thans nog boeit, n.l. aan de kleursveranderingen,
die dit dier ondergaat. Vroeger meende men, dat het zich iedere kleur
kon geven, die het verkoos, en o.a. overal die van zijn omgeving
aannam om zich voor zijne vijanden te verbergen. "Kameleon" noemt
men daarom een mensch, die door eigenbelang gedreven van meening
verandert; de Kameleon is het zinnebeeld geworden van oogendienst,
van de slaafsche onderworpenheid van vleiers en hovelingen.

De kleur van het dier hangt af van tweeërlei cellen met gekleurden
inhoud (pigmentcellen), die in zijn huid voorkomen. Die van de eene
soort vormen de onderste lagen van de opperhuid en zijn grootendeels
wit, aan de buitenzijde echter meer of minder duidelijk geel. De
andere pigmentcellen, ook wel "chromatophoren" genoemd, komen over de
geheele dikte van de huid verspreid voor; zij zijn vertakt, wandloos
en sterk samentrekbaar; in den rusttoestand zijn zij ingekrompen en
worden wegens haar kleinheid niet opgemerkt. Onder den invloed van
de eerstgenoemde pigmentcellen vertoont de huid in dit geval een
witte of lichtgele kleur. Daar uiterst fijne zenuwvezeltjes met
de chromatophoren in gemeenschap staan en haar beweging regelen,
breiden deze cellen zich bij prikkeling van de huidzenuwen uit
en overdekken als 't ware met haar donkere kleurstof den lichteren
ondergrond. Al naar de graad van verwijding, die de cellen ondergaan,
en de eigenaardigheden van de haar bedekkende huidlagen is de tint,
die de huid op deze wijze verkrijgt, verschillend. Door opeenvolgende
verwijding en inkrimping der chromatophoren wisselt de kleur van
de huid af: sommige tinten komen te voorschijn, terwijl andere
verdwijnen. De kleur van den Kameleon kan varieeren van stroogeel tot
lichtgroen, donkergroen, olijfkleur, violet, donkerblauw en zwart. De
kleur van beide zijden kan gelijk zijn of ongelijk; er kunnen vlekken
optreden, rond of hoekig, dicht opeengedrongen of meer verstrooid,
al of niet tot dwarse of overlangsche reeksen vereenigd, donker op
lichten grond of licht op donkeren grond, kortom, het uitzicht van
het dier is aan groote afwisseling onderhevig.

Men onderscheidt ongeveer 55 soorten van Kameleons, die alle het
oostelijk halfrond bewonen. Meer dan de helft van deze behooren thuis
op Madagaskar en de naburige eilanden, de andere helft in de heete en
gematigde gewesten van Afrika. Slechts één soort ontmoet men in het
gebied van de Middellandsche zee, een tweede op het eiland Socotora,
een derde in Zuid-Arabië en een vierde in Indië en op Ceylon. Voor ons
doel is het voldoende de soort, die o.a. ook in Europa aangetroffen
wordt, te beschrijven.



De Gewone Kameleon (Chameleon vulgaris) kenmerkt zich door een
slechts voor de helft getanden, overigens gaafrandigen rugkam, door
het ontbreken van een (bij andere soorten van de kin tot den aars
reikenden) buikkam en door den driezijdigen, stomp piramidevormigen
helm op den achterkop; gelijksoortige, kleine schubben bekleeden
den romp, die van den kop zijn grooter. Van de totale lengte (24
à 28 cM.) komt de helft op den staart. Het verbreidingsgebied van
deze soort strekt zich van Zuid-Spanje over een groot deel van het
kustgebied der Middellandsche zee uit: zij bewoont Andalusië, alle
landen van Noord-Afrika, van Marokko tot Egypte, voorts Arabië, Syrië,
Cyprus, Samos, Chios en Klein-Azië.

Alle Kameleons houden zich uitsluitend op in gewesten, waar het van
tijd tot tijd regent, of iederen nacht sterk dauwt, zoodat zij te allen
tijde een hunner dringendste behoeften, die van water te drinken,
kunnen bevredigen. Hoog opschietende planten, boomen of struiken,
kunnen zij evenmin ontberen, want zij zijn volslagen boomdieren, die
slechts bij uitzondering op den bodem afdalen. Men ziet hen, gewoonlijk
in kleine troepen van 3 à 6 stuks, op een struik of in de kroon van een
boom zitten, zonder beweging, als waren zij aan den tak vastgegroeid;
met de vier klemvoeten en den staart houden zij zich aan een of meer
twijgen vast. Dagen achtereen bepaalt hun beweging zich tot het gaan
liggen op den tak, dien zij tot rustplaats kozen en het opstaan door
het strekken van de pooten; er moet iets bijzonders gebeuren om hen
te nopen niet slechts van stand, maar ook van plaats te veranderen.

De Luiaard en ieder ander op boomen levend dier beweegt zich meer
en vaker dan de Kameleons, wanneer men de oogen en de tong buiten
rekening laat, want gene veranderen onophoudelijk van richting en deze
wordt uitgestoken, zoodra een buit binnen haar bereik komt. Geen der
overige Gewervelde Dieren loert met zooveel volharding op zijn buit
als de Kameleon; men zou hem in dit opzicht kunnen vergelijken met
de laagst ontwikkelde Ongewervelde Dieren, die als het ware aan de
rotsen vastgegroeid zijn. Ieder, die het geluk heeft, een van deze
dieren, welke zoo licht onopgemerkt kunnen blijven, te vinden, zal
zien, dat de beide oogen voortdurend, bij rukken en onafhankelijk
van elkander, in allerlei richtingen gedraaid worden. De Kameleon
behoudt, wanneer zijn zeer krachtige eetlust niet aangewakkerd is
door langdurig vasten, ook bij het zien van Insecten zijn gewonen
stand en blijft rustig wachten, tot een dezer diertjes zich op een
twijg of een blad heeft neergezet. Zoodra dit het geval is, wordt de
kop naar het Insect gedraaid, beide oogen richten zich naar voren, de
mond wordt langzaam geopend, de tong schiet soms wel 20 cM. ver naar
buiten, treft den buit, die er aan vastkleeft, en wordt in den bek
teruggetrokken; een oogenblik slechts merkt men een snelle kauwende
beweging van de kaken op en het Reptiel is weer in zijn vroegeren,
bewegingloozen toestand teruggekeerd. Een Kameleon, die in lang geen
voedsel heeft genoten, zal wel het Insect, dat in zijn nabijheid komt,
over een afstand van eenige meters vervolgen, maar in geen geval den
struik verlaten, waarop hij zich op dat oogenblik bevindt.

Dikwijls wordt beweerd, dat een Kameleon, zelfs wanneer hij zijn best
doet, in den loop van een dag slechts weinige schreden vooruit kan
komen. Dit is echter volstrekt niet het geval. Als hij wil, kan hij
reeds in den tijd van een uur een betrekkelijk grooten weg afleggen.

Van de kleursverandering van de huid maakt men zich dikwijls een
verkeerde voorstelling. Men meent, dat het dier plotseling de meest
verschillende tinten en nuances van alle denkbare kleuren op zijn huid
te voorschijn kan brengen, dat het zonder eenige beperking zijn kleur
in overeenstemming kan brengen met die van het voorwerp, waarop het
zich toevallig bevindt, dat het in staat is willekeurig iedere kleur,
welke dan ook, aan te nemen. Dit alles is echter in meerdere of mindere
mate onjuist. Hoewel het dier in den regel groenachtig is en dus bij de
bladen weinig afsteekt, kan het zijn kleur volstrekt niet gelijk maken
aan die van ieder voorwerp, waarop men het zou willen plaatsen. Van der
Hoeven heeft dit verschijnsel zeer nauwgezet nagegaan en Kameleons na
allerlei kleurswijzigingen laten schilderen. Steeds ziet men op deze
afbeeldingen twee breede, lichte, overlangsche strepen en daartusschen
donkere, roode stippels, die zich van den kop tot aan den staart en
van den rug tot aan den buik uitstrekken en meer dan andere plaatsen
aan kleurswisseling onderhevig zijn.

Des morgens, als het dier zich stil houdt, is de huid gewoonlijk
geelachtig en zijn de beide strepen roodachtig; men ziet dan van
de stippels weinig of niets. Later op den dag heeft de huid nog
weinig verandering ondergaan; de strepen zijn echter witachtig en
de stippels donkergroen geworden; bovendien komen langs den rugkam
donkere schaduwen te voorschijn. Als men het dier 's morgens in de
handen neemt, ziet men de groene vlekken eveneens verschijnen. In
geprikkelden toestand wordt de rug groenachtig, de buik blauwachtig,
terwijl de strepen een witachtige, de vlekken een zwarte kleur
aannemen. Dikwijls is het dier roodachtig bruin met heldere strepen en
zijn de stippels en schaduwen bijna geheel afwezig. Bovendien kunnen
nog allerlei andere kleurswisselingen bij deze dieren voorkomen. Bij
hevige aandoeningen heeft men ze melkwit, en ook wel bijna geheel zwart
zien worden; andere exemplaren worden lichtrood met purperkleurige en
violette stippels. Over 't algemeen loopen de kleur en de teekening
des te duidelijker in 't oog, naarmate het dier gezonder en meer
opgewonden is. Ook op dezen regel komen echter uitzonderingen
voor. Dat licht en warmte op de kleursverandering een belangrijken
invloed oefenen, blijkt o. a., wanneer men slapende Kameleons met een
brandende kaars nadert tot op een afstand van 6 à 10 cM. Na eenige
minuten ziet men, uitsluitend aan de verlichte zijde van het dier,
op de geelachtige, ongevlekte huid lichtbruine vlekken ontstaan, die
allengs donkerder, ten slotte bijna zwart worden en na het wegnemen
van het licht langzamerhand verdwijnen. Jegens zijne soortgenooten is
de Kameleon niet verdraagzamer dan andere Reptiliën, zooals blijkt,
wanneer een enkele keer zijn onverschilligheid jegens ieder wezen,
dat niet als buit kan dienen, plaats maakt voor een ander gevoel. Iets
dergelijks geldt van zijn verhouding tot andere dieren. Zoowel bij
de nadering van een vijand als bij een ontmoeting met een niets
kwaads bedoelenden Vogel is hij gewoon zich op te blazen, zoodat
zijn romp bijna cirkelrond wordt, en vervolgens een sissend geblaas
te laten hooren. De Kameleon hapt soms naar de hand, waarmede men
hem omvat; hij kan met zijn gebit onze huid een weinig knijpen,
maar niet doorboren. Intusschen ondergaat de Kameleon allerlei
kleursveranderingen en verkrijgt zijn lichaam door het opblazen een
geheel anderen vorm; alle ribben puilen uit en de romp wordt min of
meer doorzichtig, zoodat men soms de takken of de staven van de kooi
als donkere strepen er doorheen ziet schemeren.

Evenals de meeste Kruipende Dieren, kan de Kameleon weken en misschien
maanden lang zonder voedsel in 't leven blijven; tegen dorst is hij
minder goed bestand.

Herhaaldelijk is men getuige geweest van het eierleggen van den
Gewonen Kameleon, voor zoover mij bekend echter steeds bij gevangen
exemplaren. "Een van mijne Kameleons", verhaalt Vallisnieri, "toonde
een buitengewone onrust en begaf zich eindelijk langzaam, zonder af
te wijken van zijne gewone luiheid, uit het boompje in zijn hok naar
den bodem, liep hier besluiteloos rond, bleef ten slotte staan in een
hoek, waar geen zand of stof, maar niets dan harde aarde lag en begon
met één voorpoot te graven. De harde grond bood zooveel weerstand,
dat het dier twee dagen achtereen werken moest om een gat te graven
van 10 cM. middellijn en 15 cM. diepte. In dezen kuil afgedaald,
legde het, naar mij bij onderzoek bleek, meer dan 30 eieren. Nadat
deze arbeid met de grootst mogelijke zorgvuldigheid verricht was,
krabde het de kuil met één achterpoot weer vol zand, juist zooals de
Katten doen, als zij hun drek verbergen willen. Hiermede nog niet
tevreden, sleepte het droge bladen, stroo en dorre rijsjes aan en
bedekte hiermede het reeds gevormde heuveltje." De 25 à 35 eieren van
den Kameleon zijn eirond en effen wit; hun schaal is perkamentachtig.

"Een Kameleon, die gezien wordt, is een verloren Kameleon", beweert
een Spaansch spreekwoord zeer te recht, want het beschuttingsmiddel
van dit dier tegen het tallooze heir van vijanden, die het vervolgen,
is de kleur, die, ondanks alle veranderingen, waaraan zij onderhevig
is, weinig in 't oog valt. Niet slechts alle kleine viervoetige
roofdieren en de meeste Roofvogels, maar ook Raven en Hoornvogels,
Reigers en Ooievaars, benevens de groote soorten van Slangen zijn
vijanden van deze weerlooze dieren. De mensch wijdt hun overal een
grootere aandacht dan goed voor hen is. Vermoedelijk worden zij
nergens vergiftig of gevaarlijk geacht; maar hun vreemdsoortige
gestalte valt overal zoozeer in 't oog, dat ieder zich beijvert om
het dier te vangen.

Aanvankelijk toonen de gevangen Kameleons zich zeer prikkelbaar:
zij sissen en blazen als men hen nadert, trachten zelfs te bijten,
kortom, willen van hun verzorger niets weten; weldra echter verandert
hun gedrag: zij zijn aan den mensch gewend geraakt en laten zich nu
zeer veel welgevallen. Bij doelmatige behandeling kan men ze maanden
lang in den gevangen staat in 't leven houden. In de eerste plaats
hebben zij een gelijkmatige temperatuur noodig. Het best blijven
zij gezond in broeikassen, welker standvastige warmtegraad hen
zelfs in staat stelt een langdurigen vastentijd te verduren. Aan een
voldoenden voorraad voedsel mag het hun nooit ontbreken: zij hebben
voor hun onderhoud een aanmerkelijke hoeveelheid Vliegen, Meelwormen,
Spinnen, Sprinkhanen en dergelijke dieren noodig. Nooit nemen zij een
dood Insect aan, hoe smakelijk het er ook moge uitzien. Geen andere
levende wezens worden door hen verslonden. Bovendien zijn een vochtige
lucht en gelegenheid om te drinken hoofdvereischten voor hun welvaren.

In 't zuiden van Spanje houdt men den Kameleon geenszins tot
tijdverdrijf in de kamer, maar trekt partij van zijne eigenaardige
talenten. Men hangt een pot met honig op aan den zitstok van dit dier,
dat nu als kamerjager dienst doet en op onverbeterlijke wijze werkzaam
is tot het verdelgen van de zoo lastige Vliegen.



Derde Onderorde: SLANGEN (Ophidia).

Het belangrijkste kenmerk van de Slangen is de merkwaardige
beweeglijkheid der aangezichtsbeenderen, die het buitengewoon sterk
verwijden van den bek mogelijk maakt. Verscheidene andere Kruipende
Dieren komen, zooals reeds gebleken is, met haar in vorm overeen;
eerst nadat men deze heeft buitengesloten, mag men als kenmerk
eenige waarde hechten aan den langwerpigen, wormvormigen, door een
stevig, zoogenaamd schubbenkleed omsloten romp, die zoomin van voren,
bij den kop, als van achteren, bij den staart, eenige bijzonder in
't oog loopende begrenzing vertoont. Volgens de overtuiging van de
hedendaagsche dierkundigen is de groep der Slangen een eigenaardig
ontwikkelde zijtak van de orde der Geschubde Reptiliën; het verschil
tusschen haar en de tot dusver behandelde Kruipende Dieren wettigt
geen scherpere scheiding, dan die, welke in de plaatsing dezer wezens
in verschillende onderorden opgesloten ligt.

De kop van de Slangen is nooit zeer groot, in den regel echter
breeder dan het daarop volgende deel van den romp, van dezen slechts
bij weinige soorten zeer scherp gescheiden, maar toch duidelijk
herkenbaar, van boven gezien eivormig of driehoekig, gewoonlijk in
verticale richting samengedrukt, d. i. van boven en van onderen
afgeplat. De mondspleet strekt zich dikwijls zoover uit, dat de
mondholte zich nog achter de uiterste grenzen van den kop schijnt
voort te zetten. De gehooropeningen zijn steeds afwezig. De oogen zijn
ongeveer boven het midden van de mondspleet, aan de zijden van den
kop en dicht bij den rand van de bovenkaak gelegen. De neusopeningen
zijn steeds vooraan, dikwijls in de onmiddellijke nabijheid van de
spits van den snuit geplaatst. De bekleeding van den kop verschilt in
meerdere of mindere mate van die van den romp. Een eigenlijke hals
is niet aanwezig; de romp begint bijna onmiddellijk achter den kop
en gaat eveneens op een van buiten bijna onmerkbare wijze in den min
of meer verlengden en hierdoor spits- of stomp-kegelvormigen staart
over. De gezamenlijke lengte van romp en staart is het twintig-
à negentigvoud van de dikte. De kop, de romp en de staart zijn
met een stevige huid bekleed, die een samenhangend geheel vormt;
men kan er duidelijk een lederhuid en een deze bedekkende opperhuid
aan onderscheiden. De lederhuid is niet overal even dik; ook is zij
niet effen; maar met verhevenheden bezaaid met vrij uitstekenden
achterrand, zoodat plooien ontstaan in den vorm van schubben,
die elkander dakpansgewijze bedekken. Daar de opperhuid ook deze
verdubbelingen van de lederhuid volgt, zich op de naar buiten gerichte
oppervlakte verdikt en daarentegen dunner wordt daar, waar zij in de
plooien doordringt, komen de schubben duidelijker uit. Naar den vorm
onderscheidt men: "schubben," welker lengte de breedte overtreft,
dikwijls in 't midden een overlangsche kiel bezitten en vooral aan de
rugzijde van het dier voorkomen;--voorts "schilden," die meestal een
zes- of vierhoekige gedaante hebben, dikwijls breeder zijn dan lang
en vooral op den kop en aan den buik waargenomen worden. Eigenaardig
voor de slangen zijn de "groefschilden", die gewoonlijk ten getale van
twee paar achter elkander aan de "kingroeve" gelegen zijn en de twee
"onderlipsschilden", die meestal in het midden achter het "kinschild"
liggen, en, aan weerszijden vóór de groefschilden geplaatst, de
begrenzing van de kingroeve van voren voltooien.

De kleur en de teekening van de huid bieden een buitengewoon groote
verscheidenheid aan, zoodat hiervan niets in 't algemeen gezegd
kan worden. Er zijn effen gekleurde en bont gevlekte, met ringen,
traliën, strepen, banden, stippels en wolken geteekende Slangen. Enkele
soorten hebben een zeer bescheiden voorkomen, andere prijken met de
prachtigste tinten. Altijd echter harmonieeren teekening en kleur min
of meer met het terrein, dat door de Slang als verblijfplaats wordt
gekozen. Hoewel de kleur en de teekening niet willekeurig veranderd
kunnen worden, zijn zij toch slechts binnen zekere grenzen bestendig,
want, wel beschouwd, vertoonen beide veelvuldige variaties, bij enkele
soorten meer, bij andere minder. Zoo draagt onze Adder bv. wel een
dozijn namen, omdat vroegere onderzoekers de verscheidenheden, die
zij opmerkten, als afzonderlijke soorten meenden te moeten beschouwen
en benoemen. In vele gevallen hebben leeftijd en geslacht hierop meer
invloed, dan men gewoonlijk aanneemt.

De eenvoudigheid en gelijkmatigheid van den lichaamsbouw is in
overeenstemming met den bouw van het beenderenstelsel. Dit bestaat
n.l. alleen uit schedel, wervelkolom en ribben, want de rudimentaire
heupbeenderen en voetstompjes, die bij enkele familiën voorkomen
en de achterste ledematen der overige Reptiliën vervangen, zijn er
slechts onduidelijke sporen van. Toch verdienen zij onze aandacht,
wijl hieruit blijkt, dat de Slangen in vroegere tijdperken uit
vierpootige, hagedisachtige dieren ontstaan moeten zijn. Het
belangrijkste deel van het skelet en tevens dat, waarvan de bouw en
de vorm het eigenaardigst zijn, is de schedel. De tusschenkaaks- en
de neusbeenderen zijn onbeweeglijk met elkander verbonden, daarentegen
zijn de bovenkaaks-, de vleugel- en de gehemeltebeenderen bij de meeste
Slangen zeer beweeglijk en kunnen zoowel naar de zijden als naar
voren verschoven worden. Een niet minder groote verschuiving kunnen
de bestanddeelen van de onderkaak ondergaan. Het tepelbeen hangt
slechts door banden en spieren met den schedel samen en draagt aan
zijn uiteinde het staafvormige vierkantsbeen, waaraan de onderkaak
door een gewricht verbonden is. Deze bestaat gewoonlijk uit twee
volledig vaneengescheiden, staafvormige helften, die van voren slechts
door rekbare, losse vezels onderling vereenigd zijn. Deze inrichting
stelt de Slang in staat haar bek aanmerkelijk te verwijden en een
veel grooteren buit te verzwelgen dan met oog op de grootte van de
mondopening bij gesloten bek mogelijk schijnt. Op den schedel volgt
onmiddellijk de romp, daar er bij de Slangen geen onderscheid tusschen
hals-, borst-, lende- en heiligbeenwervels bestaat. Reeds de 2e, 3e of
4e wervel achter den schedel draagt, evenals iedere volgende wervel van
den romp, een paar ribben, die zich van de verder achterwaarts gelegen
paren slechts door een iets geringere grootte onderscheiden. Bij den
schedel te beginnen, hebben alle wervels ongeveer denzelfden bouw. De
ribben bewijzen aan de Slangen een eigenaardigen en buitengewoon
belangrijken dienst, daar zij tot op zekere hoogte de ontbrekende
ledematen vervangen. Zij eindigen aan de buikzijde in een spierlaag,
die met de groote buikschilden samenhangt, en drukken, als zij van
voren naar achteren bewogen worden, de vrij uitstekende achterranden
dezer schilden tegen de oppervlakte, waarover het dier zich beweegt;
men vindt hier dus een zeer groot aantal hefboomen, die, hoewel zij
geen pooten zijn, toch een soortgelijken arbeid verrichten. De ribben
worden aan den staart al kleiner en kleiner en komen aan de laatste
wervels in 't geheel niet meer voor. Het aantal wervels loopt bij
Slangen van verschillende soort en ongelijke grootte zeer uiteen;
het schijnt slechts bij uitzonderingen minder dan 200 te bedragen
en stijgt bij enkele soorten tot boven 430. Alle Slangen missen het
borstbeen; men bemerkt bij haar geen spoor van een schoudergordel of
van voorste ledematen.

Niet minder opmerkelijk dan het geraamte is het gebit. De
tanden kunnen een belangrijk verschil in maaksel vertoonen,
hetwelk aanleiding geeft tot de onderscheiding van familiën
en onderfamiliën. Tanden vindt men niet alleen aan de boven-
en onder-, maar dikwijls ook aan de tusschenkaaks-, meestal ook
aan de gehemelte- en vleugelbeenderen. Steeds zijn zij aan het hen
dragende been vastgegroeid en worden vervangen, zoodra het noodig is,
doordat een nieuwe tand zich achter of naast den ouden ontwikkelt. Men
onderscheidt drieërlei soort van tanden: massieve, gevoorde, (die aan
de convex gekromde voorzijde voorzien zijn met een diepe, gootvormige
groeve, welke zich van den wortel tot aan de spits uitstrekt) en holle
(die aan de voorzijde bij den oorsprong een gat en vóór de spits een
spleetvormige opening vertoonen, met elkander in gemeenschap staande
door een "giftkanaal", dat den geheelen tand doorboort). Alle zijn
haakvormig naar achteren gekromd en zeer spits, kunnen slechts voor
het bijten en vasthouden van den buit dienen en zijn ongeschikt om
een prooi te verscheuren of om voedsel te kauwen. De massieve tanden
zijn kegelvormig; het harde tandbeen, waaruit zij bestaan, is met
een dunne emaillaag bedekt; de gevoorde tanden zijn te beschouwen
als onvoltooide doorboorde tanden, daar het gifkanaal ontstaan is
door de vereeniging der randen van een vroeger aanwezige groeve.

Voor de levenswijze der Slangen zijn de klieren in den kop van zeer
groot belang; bij de giftige soorten der onderorde kunnen zij een
buitengewoon sterke ontwikkeling bereiken. In 't geheel heeft men
zes paar klieren en één onparige klier opgemerkt. Hoewel zij bij
hetzelfde dier niet altijd voltallig aanwezig zijn, heeft iedere
Slang er toch steeds verscheidene: de voorste ondertongsklieren,
de achterste ondertongsklieren, de neusklier, de traanklieren,
de onderste en de bovenste wang- of lipklieren en eindelijk de
gifklieren. De laatstgenoemde, die zich bijna altijd achter en onder de
oogen en boven de bovenkaak bevinden, zijn langwerpig en zeer groot;
bij enkele soorten strekken zij zich zoover naar achteren uit, dat
zij voor een deel op de ribben rusten. Zij bestaan uit een bladerig
weefsel en bevatten een groote holte. Bovendien onderscheiden zij
zich van alle overige genoemde klieren door haar lange afvoerbuis,
die langs de buitenste oppervlakte van de bovenkaak naar voren loopt,
om hier vóór en boven den giftand uit te monden in de vliezige scheede,
die deze tand omgeeft, zoodat het gif door het in den tand aanwezige
kanaal kan afvloeien. De gifklier is omhuld door een zeer dikke
spierlaag, die (met de kauwspier) dient om haar samen te drukken. Zulke
gifklieren komen voor bij alle Slangen met doorboorde tanden; die
van de Groeftandigen zijn niet met een dichte spierlaag bedekt; zij
kunnen hoogstens door de voorste slaapspier een weinig samengedrukt
worden en zijn dus minder geschikt om het gif in de wonde te brengen.

Onder de zintuigelijke organen staan ongetwijfeld die van het
gevoel, en meer bepaaldelijk de tastzintuigen, bovenaan. De van
oudsher gevreesde tong, die door onkundigen ook thans nog voor het
aanvalswapen van de Slangen wordt gehouden, dient niet als smaakorgaan,
maar uitsluitend voor het tasten en is hierdoor juist van buitengewoon
groot belang voor het dier. Zij is zeer lang en dun, van voren in twee
draadvormige, spitse helften gespleten en met een hoornachtig laagje
bedekt. Zij ligt verborgen in een onder de luchtpijp voorkomende,
gespierde scheede, die op korten afstand vóór deze, dicht bij de spits
van de onderkaak, zich opent. De tong kan geheel in deze scheede
teruggetrokken, maar ook ver buiten den bek uitgestoken worden en
onderscheidt zich door een buitengewone beweeglijkheid. Door een inham
van de bovenkaak, die zelfs bij gesloten mond nog als een opening
zichtbaar is, kan de tong zich gemakkelijk en snel afwisselend naar
buiten en naar binnen begeven. Het oog is, na de voor 't tasten zoo
uitstekend geschikte tong, het bruikbaarste orgaan voor het doen
van waarnemingen, hoewel het zeer zeker minder volkomen is dan bij
de overige Reptiliën. Een belangrijke eigenaardigheid van dit orgaan
is zijn schijnbare onbeweeglijkheid, waardoor het een glazig uitzicht
verkrijgt. Een doorzichtig vliesje neemt de plaats van de beweeglijke
oogleden in en is bij wijze van een horlogeglas in een plooi van den
rand der ronde oogholte vastgehecht; de hierdoor begrensde doos bevat
den oogbol en staat aan haar binnenzijde door het wijde traankanaal in
gemeenschap met de neusholte. De buitenste laag van dit doorzichtig
vliesje, het verhoornde deel van de opperhuid, wordt verwijderd,
als het geheele lichaam vervelt; gedurende het tijdperk tusschen de
eene vervelling en de andere neemt de doorzichtigheid van de huid,
die het oog bedekt, allengs af. De pupil is bij de dagslangen rond,
bij de Nachtslangen langwerpig: soms dwars, soms verticaal geplaatst.

De eigenaardige bewegingswijze van de Slangen is een gevolg van haar
lichaamsbouw, die, gelijk licht te begrijpen is, tot op zekere hoogte
ook een verklaring levert van haar levenswijze; daar de begaafdheden
der dieren, indirect althans, uit hun lichaamsbouw voortvloeien. Hoewel
de Slangen meer dan de meeste overige leden harer klasse den naam
"Kruipende" Dieren verdienen, is haar bewegingsvermogen veelzijdiger
dan menigeen meent. Het kruipen geschiedt niet uitsluitend op een
vlakken bodem, maar ook bij een helling naar boven en naar beneden,
bij de stammen der boomen omhoog en naar alle richtingen in de
kroon, voorts over den waterspiegel, op den bodem van het water en
tusschen beide door; zij kruipen, klimmen, zwemmen en duiken dus,
en doen dit alles nagenoeg even vlug en behendig. Het kruipen gaat
niet met verticale krommingen, maar met horizontale golvingen van
het lichaam gepaard. Het klimmen is eigenlijk niets anders dan een
opkruipen bij loodrechte vlakken. Een boomstam, die door een Slang
omstrengeld kan worden, levert voor haar volstrekt geen moeielijkheden
op, tenzij de schors zeer glad is: zij schuifelt naar boven met
schroefvormige windingen van het lichaam, dat natuurlijk voortdurend
slangsgewijze bewogen wordt, en doet dit zeer snel, daar zij het
naar beneden glijden met de scherpe achterranden der buikschilden
voorkomen kan. Op de takken kronkelt zij zich bijna even veilig
en snel voort als op den vlakken bodem, vooral wanneer de twijgen
talrijk zijn. Geheel op dezelfde wijze gaat zij bij het zwemmen te
werk, hoewel in dit geval ongetwijfeld de staart de belangrijkste
rol vervult. Vermoedelijk kunnen alle soorten van Slangen zwemmen;
zij, die niet in 't water leven en het gewoonlijk niet opzoeken,
worden echter door de beweging in deze voor haar vreemde middenstof,
naar het schijnt, spoedig vermoeid.

De snelheid van de Slangen werd dikwijls overdreven voorgesteld en
schijnt door het telkens wisselen der kronkelingen grooter dan zij is;
slechts weinige menschen geven zich de moeite de zaak nauwkeuriger te
onderzoeken. Lenz zegt: "Geen slang beweegt zich zoo vlug, dat men haar
niet met een flinken pas, zonder hard te loopen, kan bijhouden. Zij
komt naar verhouding langzamer vooruit dan Hagedissen, Vorschen,
Muizen en dergelijke dieren. Het snelst is haar beweging op mos en
korte heide, waar de veerende onderlaag medehelpt, minder snel op
den naakten grond. Het kruipen over een stuk vensterglas kost haar
zeer veel moeite. Langs steile bergwanden schiet zij vliegensvlug
naar beneden, soms zoo snel, dat het niet mogelijk is te bepalen,
tot welke soort zij behoort en hoe groot zij is."

Bij de ademhaling van de Slangen, die geregeld, zonder tusschenpoozing,
geschiedt, merkt men duidelijk de beweging van de ribben op, die
beurtelings opgeheven worden en dalen. Toch is zij over 't geheel
genomen niet zeer krachtig en wordt eerst bij toenemenden toorn
versneld. Een heesch, lang aanhoudend gesis, dat de ontbrekende
stem vervangt, verraadt deze gemoedstoestand. In verband met den
langwerpigen vorm van het lichaam is slechts één van de longen goed
ontwikkeld, de andere is zeer klein of ontbreekt geheel.

Behalve de tastzin (en bij enkele soorten het gezicht) zijn alle zinnen
van de Slangen zwak. Het orgaan voor den tastzin is de tong. Hoewel
deze een geheel andere rol speelt dan de ouden zich voorstelden, is
zij van 't hoogste belang, zoo zelfs, dat een Slang, die de tong mist,
geen voedsel meer gebruikt, niet in 't leven gehouden kan worden. Een
feit is het, dat iedere Slang, die niet rust, onophoudelijk en in
alle richtingen de tong beweegt om de voorwerpen in haar nabijheid
te onderzoeken, dat zij nooit drinkt of zich te water begeeft,
zonder vooraf den waterspiegel met de tong aan te raken; op dezelfde
wijze onderzoekt zij den reeds gedooden buit vóór het verzwelgen,
en zoo mogelijk ook haar slachtoffer, vóórdat zij het dooddrukt of
vergiftigt. Wanneer er reden bestaat voor de vrees, dat de prooi,
die zij op het oog heeft, haar zal ontsnappen, geeft zij toch vóór
den aanval, door vele malen achtereen de tong uit te steken en weer
terug te trekken, de bedoeling te kennen om de gewone onderzoekingen
te verrichten. Het telkens weer terugtrekken van de tong geschiedt
blijkbaar met het doel om haar door bevochtiging gevoeliger te maken.

De ervaring leert, dat de Slangen, ondanks haar dikke huid, zelfs voor
een zwakke aanraking gevoelig zijn. Evenals andere Reptiliën, vinden
zij warmte aangenaam, daar zelfs die, welke 's nachts werkzaam zijn,
over dag haar schuilplaats verlaten om zich het genot te verschaffen
van door de zon beschenen te worden.

Toch mag men zeggen, dat er over 't algemeen sterke prikkels noodig
zijn om bij de Slangen gevoel te wekken. Eerder dan van gevoeligheid
kan men bij haar van gevoelloosheid spreken. De Slangen zijn even taai
van leven als de andere Reptiliën en verdragen martelingen, die hooger
ontwikkelde wezens schielijk zouden dooden. De bewegingen van Slangen,
die gewond of zelfs aan stukken gehouwen zijn, wekken de verbazing
van den onderzoeker: een afgehouwen kop van een Adder beweegt de tong
op de gewone wijze en kan ook bijten en het gebeten dier vergiftigen.

Uit alle bekend geworden feiten kan men afleiden, dat het gezicht
bij alle Slangen, met uitzondering van eenige Boomslangen, zwak
en onbeduidend is, hoewel de glans en de grootte van het oog het
tegendeel doen vermoeden. Woedende Slangen, zoowel vergiftige als
niet-vergiftige, bijten zelfs naar een schaduw, en missen dikwijls
het voorwerp, waarop zij doelen, indien het niet groot is.

Van de uitdrukking van het slangenoog heeft men meer ophef gemaakt dan
de zaak verdient. "Sprekend, zooals weinige oogen van dieren zijn,"
meent Linck, "spiegelt zich in 't oog van de Slang niet slechts haar
inborst af, maar ook de gemoedsstemming, waarin zij op een gegeven
oogenblik verkeert. Rustig en zacht, doch niet zonder glans, is
het bij de vreedzame leden der onderorde, onheilspellend bij die,
welker wapens wonden, doch niet dooden kunnen; dreigend is het bij
het woedende dier; vreeswekkend is de gloed van het oog der Adder,
die met de spits van hare tanden den dood veroorzaakt. Iets vreemds
verkrijgt echter het oog, zelfs van de zachtaardigste Slang, door
de glasachtige huid, die zich er over heen welft en ook door de
geringe veranderlijkheid van de pupil, die zich slechts moeielijk en
met zichtbare, plotselinge rukken vergroot en vernauwt." De laatste
opmerking is volkomen juist, de eerste laat ik geheel voor rekening
van den aangehaalden schrijver, die zooals meermalen geschiedt,
in het oog iets waarneemt, wat hij er zelf in heeft gelegd. Het oog
van de Slang heeft niets bijzonders, behalve het glazige uitzicht;
de dreigende en onheilspellende uitdrukking is minder een eigenschap
van het oog zelf dan een gevolg van zijn ligging onder de schubben
en schilden, die het overschaduwen; deze zijn bij de Slangen, die
's nachts werkzaam zijn, bijzonder ontwikkeld, steken een weinig
vooruit en brengen denzelfden indruk teweeg als b.v. de vooruitstekende
wenkbrauwbeenderen van een Roofvogel.

Voor zoover wij er over kunnen oordeelen, is de scherpte van het
gehoor nog geringer dan die van het gezicht; uitwendig is er van het
gehoororgaan der Slangen niets te zien; eerst na het verwijderen
van de schubben aan de zijden van den kop bemerkt men er iets
van, daar de korte gehoorgangen geheel onder de huid verborgen
liggen. Het trommelvlies, de trommelholte en de Eustachiaansche
buis ontbreken. Proefnemingen hebben geleerd, dat de Slangen zich
om verschillende muzikale tonen weinig bekommeren, tenzij deze in de
lucht of in den bodem sterke trillingen teweeg brengen.

Niet minder moeielijk is het, zekerheid te verkrijgen over de mate van
ontwikkeling van den reukzin. Boettger, die vele Slangen met ether-
of chloroformdamp verdoofde, voordat hij ze in den spiritus bracht, nam
onmiddellijk na het werpen van het propje watten, waarop de vluchtige
vloeistof gedroppeld was, in de glazen flesch, onder de hierin
aanwezige Slangen een hevige opgewondenheid waar. Zelfs de traagste
Adder begon zich krachtig te bewegen en zocht naar een uitweg om aan
den bedwelmenden damp te ontkomen. Dit doet vermoeden, dat de reukzin
bij de Slangen niet geheel ontbreekt. Een duidelijker bewijs voor deze
stelling is gelegen in het door Fr. Werner waargenomen feit, dat een
Ringslang te midden van een groot aantal soorten van Amphibiën, zelfs
in een donkere ruimte, zonder zich te vergissen steeds die soorten
van Kikvorschen koos, welke haar lievelingsvoedsel uitmaken. Daar
de smaakzin hierbij niet in 't spel kan komen, moet deze verrassende
uitkomst wel aan de werking van den reukzin toegeschreven worden.

Gemakkelijker dan over alle andere verrichtingen van zintuigen,
behalve die van het tastzintuig, kunnen wij een denkbeeld verkrijgen
van den omvang van den smaakzin, omdat wij met zekerheid kunnen
beweren, dat dit vermogen zoo goed als geheel ontbreekt. Dit blijkt
zoowel uit het maaksel van de tong als uit proeven, die met levende
dieren genomen zijn. Aristoteles, overigens zulk een uitmuntend
waarnemer, had ongelijk, toen hij beweerde, dat de Slangen de
grootste lekkerbekken zijn onder de dieren; even onjuist is zijn
mededeeling, dat zij bij 't gebruik van wijn geen maat houden en
zich bedrinken. Waarschijnlijk doet men de Slangen geen onrecht aan
door aan te nemen, dat zij onder de zoo laag ontwikkelde Reptiliën
de laagst ontwikkelde zijn. Hoewel zij bij haar jacht een zekere list
toonen, jegens vijanden zich soms schijnbaar verstandig, jegens haar
verzorger eenigszins voorkomend gedragen, openbaren zij echter in
geen enkele omstandigheid meer verstand dan andere Kruipende Dieren:
zij zijn niet slechts stompzinnig, maar ook stomp van geest.

In alle werelddeelen komen Slangen voor, in het eene echter veel
meer dan in het andere. De wetten, volgens welke de verbreiding der
overige Reptiliën plaats heeft, gelden ook voor haar: hoe hooger de
breedtegraad is, des te schielijker neemt zoowel het aantal soorten als
het aantal individuen af; deze getallen zijn echter voor verschillende
plaatsen, die op denzelfden breedtegraad liggen, volstrekt niet gelijk.

Van de 635 soorten van Slangen, die Günther in het jaar 1858
opnoemde, leven 40 in het Noordelijke Rijk van de Oude Wereld, 80 in
't Ethiopische Rijk, 240 in het Oostersche, 50 in het Australische,
75 in het Noord-Amerikaansche en 150 in het Zuid-Amerikaansche Rijk.

Behalve een rijkelijke voeding, verlangen de Slangen geschikte rust-
en schuilplaatsen en vermijden daarom gewesten, waar zij deze niet
vinden. Over 't algemeen kan men ook van de Slangen zeggen, dat zij
des te talrijker zijn in een streek, naarmate deze meer afwisseling
aanbiedt. Zelden komt het voor, dat zij in een gewest geheel ontbreken;
zij bewonen de woestijn zoowel als het woud, bergstreken zoowel als
vlakten. Een vochtige warmte bevalt haar beter dan droge hitte; toch
bieden zij ook hieraan beter weerstand dan men zou verwachten. Het
gemis van pooten belet haar niet een geschikte verblijfplaats te
bereiken: deze op den vlakken grond, gene op steile hellingen, sommige
in moerassen, andere in het water van meren en rivieren, eenige in de
zee, enkele zelfs onder den grond, niet weinige in boomkronen. Het
oord, waar zij zich eens gevestigd hebben, verlaten zij niet licht,
met andere woorden, hare omzwervingen blijven tot een zeer klein
gebied beperkt. Wel doen ook zij soms kleine reizen, trekken over
rivieren en andere wateren om zich aan den tegenovergestelden oever of
op eilanden te vestigen, begeven zich uit het woud of uit de steppe
naar dorpen en steden, over 't algemeen echter houden zij niet van
omzwerven, maar kiezen zich een standplaats, bij voorkeur zulk een,
die een geschikte schuilplaats bevat; in den omtrek loeren zij op
buit. Er is eenige reden om aan te nemen, dat zij alleen gedurende den
paartijd en bij 't naderen van den winter zich vrijwillig van haar
standplaats verwijderen. Tot het verlaten van de door haar bewoonde
streek worden zij gedwongen, wanneer hier veranderingen plaats vinden,
waardoor zij hare schuilhoeken verliezen of de gelegenheid om te
jagen of de mogelijkheid om zich door de zon te laten verwarmen. In
den regel houden ook zij zich ver van menschelijke woningen op;
dit geschiedt echter alleen, omdat de mensch haar door vervolging
uit de nabijheid van de door hem bewoonde oorden verdrijft; want,
wel verre van de nabuurschap van haar aartsvijand te vreezen, dringen
zij zich dikwijls op zeer ongewenschte wijze aan hem op. Ook bij ons
ontmoet men niet zelden Slangen in tuinen midden in steden; dikwijls
is het moeielijk te verklaren, hoe zij er gekomen zijn; misschien zijn
zij ontgleden aan Ooievaars op weg naar hun nest, of met een lading
brandhout overgebracht. In zuidelijke streken brengen zij zeer tegen
den zin van de bewoners soms bezoek aan de huizen. Vooral de Slangen,
die een nachtelijke levenswijze hebben, dus juist de gevaarlijkste,
zijn hierdoor dikwijls buitengewoon lastig.

In landstreken, die het geheele jaar nagenoeg hetzelfde uitzicht
vertoonen, kunnen de Slangen voortdurend ongeveer op dezelfde wijze
hare behoeften bevredigen; deze oorden moeten haar een voldoende
hoeveelheid voedsel, een prettige temperatuur en water om te baden
leveren. Een natuurlijk gevolg hiervan is, dat zij het geheele jaar
door ongeveer dezelfde levenswijze hebben. Deze zal daarentegen
afwisseling vertoonen overal, waar een merkbaar verschil tusschen de
jaargetijden bestaat. In alle gewesten, die een kouden winter of een
heet en droog seizoen hebben, zijn de Slangen genoodzaakt zich tegen
den invloed van de koude of van de droogte te beschutten. Alle Slangen,
die het noordelijk deel van onzen gematigden gordel bewonen, zoeken
vóór den aanvang van den winter diepe schuilhoeken op en brengen hier
het ongunstig jaargetijde in verstijfden toestand door. Hetzelfde
verschijnsel komt voor in de landen onder den keerkring, misschien
alleen bij die soorten, welke, zoo niet in 't water, dan toch in
vochtige oorden leven en last hebben van de droogte. Enkele soorten
komen bijeen om in elkanders gezelschap winterslaap te houden;
misschien geschiedt dit alleen, omdat geschikte schuilhoeken schaars
en moeielijk te vinden zijn, zoodat eenige weinige slaapplaatsen
voor verscheidene, over een bepaald gebied verstrooide Slangen
moeten dienen.

Bij warm, stil weder ziet men op onze breedte in Maart weder Slangen,
die haar winterkwartier verlaten hebben om zich door de zon te laten
verwarmen en waarschijnlijk 's avonds weer naar denzelfden schuilhoek
terugkeeren. Aan jacht en voortplanting denken zij dan echter nog
niet, want hun eigenlijk zomerleven vangt eerst in het begin van April
aan. Toen zij zich in den herfst ter ruste begaven, waren zij vet;
als zij in de lente weer te voorschijn komen, is ongeveer de helft
van haar vet verbruikt.

Verreweg de meeste niet-vergiftige Slangen zijn dagdieren, vele van de
verdachte Groeftandige Slangen en nagenoeg alle Gifslangen daarentegen
nachtdieren. De eerstgenoemde zoeken, zoodra de duisternis invalt,
hare schuilhoeken op, brengen hier in trage rust den nacht door en
komen eerst geruimen tijd na zonsopgang weer voor den dag. Hoewel de
Gifslangen zich over dag dikwijls vertoonen, verkeeren zij dan steeds
in een toestand van slaperige rust; zij beginnen hare werkzaamheden
eerst, als de avondschemering aanvangt. Wanneer men op plaatsen,
waar Gifslangen veelvuldig voorkomen, des nachts een vuur aansteekt,
zal het spoedig blijken, dat het adderengebroedsel tot de nachtdieren
behoort. Van alle kanten komt het op het schijnsel van 't vuur af,
zoodat de jager, die zich over dag te vergeefs beijverde om op deze
plaats een enkele Adder, Aspis of Zandadder te vangen, 's nachts een
rijken buit kan verkrijgen. Ieder, die Gifslangen in gevangenschap
houdt, ondervindt, dat deze dieren, zoo niet uitsluitend, dan toch
in den regel 's nachts eten, dat zij vrijwillig niet anders dan
's nachts werkzaam zijn en op roof uitgaan.

Zonder eenige uitzondering voeden alle Slangen, welker levenswijze
men heeft leeren kennen, zich met andere dieren, hoofdzakelijk,
maar niet uitsluitend, met die, welke door henzelf gevangen of
gedood zijn. De wijze, waarop zij haar buit overmeesteren, is zeer
verschillend. Sommige, waarschijnlijk wel de meeste, gaan op de loer
liggen en overvallen plotseling het slachtoffer, dat in de nabijheid
komt; zij brengen het een doodelijken beet toe en wachten, totdat de
werking van het gif zich openbaart, of vatten de prooi en verslinden
haar, soms dadelijk, soms nadat zij haar vooraf hebben doodgedrukt.

Al naar de soort en de grootte der Slangen zijn de dieren, waarop zij
jacht maken, zeer verschillend. Naar men zegt, kunnen de reuzen uit
deze onderorde werkelijk dieren ter grootte van een Ree verzwelgen:
Falkenstein en Pechuel-Loesche b.v. haalden uit het lichaam van een
door hen geschoten Python een nagenoeg volwassen Draaihoorn-antilope,
die wel is waar, tot ieders bevreemding, den kop miste, maar waarvan
overigens geen enkel been gebroken was. De overige Slangen zijn met
een kleineren buit tevreden en verslinden vooral Knaagdieren, kleine
Vogels, allerlei Reptiliën (de Schildpadden misschien uitgezonderd)
en Visschen; de lagere dieren dienen waarschijnlijk alleen tot voedsel
aan de Worm-, Dwerg- en Dikkopslangen en misschien aan de jongen van
verscheidene soorten, die op lateren leeftijd op Gewervelde dieren
jacht maken. Hoewel het aantal gegevens over de voeding der Slangen
nog zeer onvoldoende is, mag men het er voor houden, dat iedere
soort in meerdere of mindere mate de voorkeur geeft aan een bepaalde
diersoort en zich, zoo mogelijk, geheel tot deze bepaalt. Dat enkele
Slangen vogeleieren eten, wordt reeds bericht door Plinius, wiens
mededeelingen door later waargenomen feiten gedeeltelijk bevestigd
worden. Hieruit blijkt ten duidelijkste, dat sommige Slangen werkelijk
eieren stelen, wegvoeren, verzwelgen, in hun lichaam stukdrukken
en verteren. Vooral de Afrikaansche Keeltandslangen, de Eiervreters
van de Nederlandsch sprekende kolonisten (Dasypeltis scaber), en de
leden van het Indische geslacht Elachistodon zijn, naar het schijnt,
geheel voor het gebruiken van dit voedsel ingericht. Hare tanden zijn
rudimentair, maar de onderste doornuitsteeksels van de voorste wervels
hebben een merkwaardige wijziging ondergaan. Bij beide geslachten
zijn deze uitsteeksels buitengewoon sterk verlengd en eindigen in
een naar voren gericht, met email overtrokken, tandvormig haakje,
welke haakjes ten getale van omstreeks zeven het met hen vergroeiende
deel van den slokdarm doorboren en zoodoende een rij van echte
slokdarmtanden vormen, die bij geen ander dier voorkomen. Zoodra het
ei in dit deel van het spijskanaal doorgedrongen is, verkeert de bek
reeds weer in gesloten toestand, zoodat van den vloeibaren inhoud van
den nu verbrijzelden dop niets verloren kan gaan. Behalve Gewervelde
Dieren, eten sommige Slangen ook ongewervelde, enkele misschien zelfs
Weekdieren en Schaaldieren.

Tot in den laatsten tijd hebben zelfs natuuronderzoekers niet
geschroomd de uitdrukking "betoovering" te gebruiken voor de wijze,
waarop de Slangen een buit bemachtigen. Men heeft n.l. opgemerkt,
dat sommige dieren, b.v. Muizen en Vogels, geen vrees toonen, als zij
Slangen naderen en hierdoor gemakkelijk gevangen worden; ook heeft
men gezien, dat Vogels met kenteekenen van den grootsten schrik om
Slangen fladderden, die hun kroost of henzelf bedreigden, ten slotte
een verkeerde beweging deden en eveneens gegrepen werden. Daar nu,
zoo schijnt men geredeneerd te hebben, het instinct, waardoor het
dier gewaarschuwd wordt tegen de gevaren, die het bedreigen, in
beide gevallen gefaald heeft, moet het genoemde verschijnsel aan de
werking van een bovennatuurlijke kracht toegeschreven worden. Deze
onderstelling heeft in 't geheel geen reden van bestaan; wel zijn
de feiten op zich zelf beschouwd juist, maar de daaruit afgeleide
gevolgtrekkingen deugen niet. Uit mijne tallooze herhaalde waarnemingen
blijkt de ware toedracht van de zaak; zij komt eenvoudig hierop neer,
dat de dieren het groote gevaar, waarmede de Slang hen bedreigt, niet
kennen. Niet ieder Zoogdier--zij het een onnoozel Konijn of een oude
geslepen Rat--, niet iedere Vogel--zelfs niet altijd de wantrouwige,
door vele ervaringen wijs geworden Musch--weet wat een Slang is. Indien
zij al op haar letten, naderen zij haar plomp nieuwsgierig, bekijken
of besnuffelen haar, laten toe, dat de Slang haar met de tong betast
en deinzen eerst dan een weinig terug, als dit orgaan haar op de een
of andere gevoelige plaats krieuwelt. Oude sterke Ratten, die men
bij groote Slangen brengt, toonen volstrekt geen vrees, maar geven
soms een bewijs van driestheid, dat men van haar niet verwacht zou
hebben. Een Rat, die ik aan een gevangen Ratelslang als slachtoffer
aanbood, bekommerde zich in 't geheel niet om het dreigende geratel en
gesis van de Slang, maar vrat, toen zij honger kreeg, een gat in het
lichaam van het vergiftige dier, dat hierdoor ellendig om 't leven
kwam. Een andere, even ongedwongen verklaring kan gegeven worden van
het angstig fladderen van verscheidene Vogels om hun nest, wanneer
zij een Slang zien naderen. Iedere natuuronderzoeker weet, dat zwakke
Vogels in zulke gevallen dikwijls gebreken veinzen en hiermede in den
regel iederen niet bijzonder ervaren vijand, zelfs den verstandigen
mensch, om den tuin leiden. Het zullen verschijnselen van dezen aard
zijn geweest, die men aan "betoovering" heeft toegeschreven.

Daar de Slangen haar voedsel niet verscheuren en soms dieren
verslinden, die tweemaal zoo dik zijn als haar kop, wordt voor het
verzwelgen van den buit een aanzienlijke krachtsinspanning vereischt
en heeft deze verrichting langzaam plaats. Bijna altijd pakken zij
den buit bij den kop aan, houden hem met de tanden vast, schuiven
de eene zijde van den kop vooruit, slaan de haakvormig naar achteren
gekromde tanden een eind verder weer in de prooi, handelen vervolgens
op dezelfde wijze met de zooeven voor het vasthouden dienende helft
van den kop, welker taak intusschen door de andere wordt vervuld
en halen op deze wijze, beurtelings met de linker en met de rechter
tandenreeksen, haar buit verder naar binnen, totdat deze geheel en al
door het keelgat gestuwd is. De buitengewoon groote drukking brengt een
zeer overvloedige afscheiding van speeksel teweeg; dit vergemakkelijkt
de beweging van de prooi door de mondholte, die allengs tot de uiterste
grenzen van rekbaarheid wordt uitgezet. Gedurende het verzwelgen van
een zeer grooten buit wordt de kop op wanstaltige wijze uitgezet en
ieder been van het kaakskelet zoo ver mogelijk verschoven; zoodra
echter de prooi er door is, herkrijgt de kop spoedig zijn gewonen
vorm. Het gebeurt wel eens, dat Slangen dieren grijpen en trachten te
verslinden, welker omvang voor haar ongeloofelijk rekbaar kaakskelet
te groot is; in dit geval liggen zij uren lang op dezelfde plaats
met den buit in den bek, de luchtpijp zoover naar voren bewogen,
dat de ademhaling ongehinderd kan plaats hebben. Soms zijn al hare
pogingen vruchteloos en gelukt het haar niet de prooi door te slikken;
dan verwijderen zij de tanden weer uit haar slachtoffer en werpen
dit weg door den kop te schudden. Geheel onjuist is de bewering,
dat de Slang den eens gegrepen en verzwolgen buit niet meer kan
uitspuwen en soms aan een te groot stuk stikt.--De Gifslangen pakken
haar slachtoffer eerst, nadat het bezweken is, met de kaken aan; zij
doen dit dan met een zekere voorzichtigheid, men zou bijna geneigd
zijn van teederheid te spreken. Bij het doorslikken gebruiken zij
hare giftanden niet, maar leggen deze zooveel mogelijk tegen het
gehemelte aan, door de bovenkaaksbeenderen, die de giftanden dragen,
naar achteren te draaien; de onderkaakshelften spelen in dit geval bij
het doorslikken de hoofdrol.--De spijsvertering geschiedt langzaam,
maar is zeer krachtig. De onverteerbare overblijfselen van de prooi,
vooral veeren en haren, worden door de kloak verwijderd, slechts in
enkele omstandigheden, waarschijnlijk alleen door zwakke of ziekelijke
Slangen, als ballen uitgespuwd. De Slangen verzwelgen een groote
hoeveelheid voedsel te gelijk, maar kunnen daarna weken en zelfs
maanden lang vasten.

Duméril, die zijn geheele leven aan de studie van de Slangen wijdde,
greep eens op een wandeling een Adder, in de meening dat hij een
onschadelijke Adderkleurige Zwemslang (Tropidonotus viperinus)
voor zich had; hij werd gebeten en verkeerde verscheidene
dagen in levensgevaar. Dit feit kan niet genoeg in herinnering
gebracht worden, omdat het duidelijk bewijst, hoe onbetrouwbaar de
uitwendig waarneembare kenmerken ter onderscheiding van vergiftige en
niet-vergiftige Slangen kunnen zijn. Het is onmogelijk, door uitwendig
onderzoek iedere Gifslang, zonder kans op vergissing, als zoodanig te
herkennen. Dit geldt echter niet voor alle soorten of familiën; daar de
Zeeslangen, Ratelslangen en Adders ook uitwendig tot op zekere hoogte
kenbaar zijn; maar juist de Gewone Adder, die het geoefende oog van
een onderzoeker als Duméril bedroog, behoort tot het laatstgenoemde
geslacht! Deze opmerking moet noodzakelijk aan een beschrijving van
de Slangen voorafgaan, om hen, die zich met de studie van de Slangen
willen bezighouden, tegen het roekeloos aanvatten van deze gevaarlijke
dieren te waarschuwen.

Als men bedenkt, hoe groot het aantal menschen is, die ieder jaar door
Gifslangen hun leven verliezen, hoe vele, zelfs, in onze streken,
aan haar een langdurige ziekte te wijten hebben, begrijpt men
den schrik, dien ieder onervaren mensch bij het zien van een Slang
bevangt; dan worden ook de over Slangen handelende verhalen, sagen en
fabels, die bij volken uit vroegeren en lateren tijd voorkomen, ons
duidelijk. Vooral uit tropische gewesten komen dikwijls schrikbarende
berichten over sterfgevallen tengevolge van slangenbeten. Volgens
statistische bescheiden verliezen alleen in Indië ieder jaar nagenoeg
20.000 menschen door deze Reptiliën het leven. Deze groote getallen
schijnen evenwel geloofwaardiger dan zij zijn. In werkelijkheid zijn
zij het uitvloeisel van een mystificatie op groote schaal. Mannen, die
als onderzoekers en jagers een grondige bekendheid met Indië hebben
opgedaan, weten geen mededeelingen te doen, die eenige bevestiging,
hoe onvolledig dan ook, van de bedoelde officieele opgaven leveren
kunnen. R. Garbe verhaalt, dat er, nadat hij in de eerste dagen
van zijn verblijf in Indië eenige Gifslangen had gezien, meer dan
een jaar voorbijging, voordat hij op zijne tochten er weer eens een
ontmoette, die hij met een stokslag doodde. Van de gevreesde dieren
in Indië in 't algemeen sprekend, zegt hij eenvoudig: "Al deze dieren
zijn in de werkelijkheid niet zoo boosaardig als in de boeken over
natuurlijke geschiedenis." Geloofwaardige geneeskundigen op Java,
Sumatra en Hongkong, waarheidslievende planters en reizigers in
Nederlandsch-Indië, Cochinchina, Kambodsja en op Ceylon hebben
schriftelijk en mondeling verklaard, dat de genoemde statistieke
opgaven onjuist zijn en dat daaraan niet de geringste bewijskracht
kan worden toegekend.

Waarschijnlijk zal men in andere landen, waar de Gifslangen talrijk
zijn, door dergelijke nasporingen, als op Java verricht werden,
zoo niet tot gelijke, dan toch tot weinig afwijkende uitkomsten
geraken. Dit blijkt o.a. uit hetgeen door Tschudi van Brazilië,
door Hasse, Büttikofer, Pechuel-Loesche en anderen van Afrika, door
Mackleay van Australië bericht wordt. Allen verklaren eenstemmig,
dat het gevaar van door vergiftige Slangen gebeten te worden in deze
deelen van haar verbreidingsgebied betrekkelijk gering is.

Bij alle verscheidenheid van vorm, lichaamsbouw en levenswijze
hebben de Gifslangen in hare giforganen een kenmerk, waaraan zij
zonder fout--en door eenigermate geoefende onderzoekers ook met vrij
geringe moeite--van de niet-vergiftige Slangen onderscheiden kunnen
worden. Alle hebben n.l. aan de bovenkaak groote, doorboorde tanden,
die bij sommige alleenstaan, bij andere van kleinere, massieve
tanden vergezeld zijn. Bij de over dag werkzame Gifslangen is deze
giftand steviger aan het bovenkaaksbeen bevestigd, dan bij die, welke
's nachts wakker zijn; bij deze, zoowel als bij gene is hij echter
niet met een wortel, maar slechts door verbeenend bindweefsel met het
bovenkaaksbeen verbonden. De giftand zelf kan eigenlijk niet bewogen
worden: dat de Adders hem tegen het gehemelte aanleggen kunnen, is
een gevolg van de beweeglijkheid van het bovenkaaksbeen, dat stevig
aan den tand is vastgehecht. In den regel is aan iedere zijde van de
bovenkaak slechts één giftand volkomen ontwikkeld. Daar er echter aan
elk bovenkaaksbeen steeds verscheidene (1 à 6) meer of min volledig
ontwikkelde reserve-tanden gevonden worden, kan het voorkomen, dat
twee van deze, in elke groeve één, op denzelfden trap van ontwikkeling
verkeerend, te gelijker tijd in functie treden. De reserve-tanden
zijn niet stevig aan het been gehecht; de meest ontwikkelde is altijd
het naast bij en achter den giftand geplaatst. Aan weerszijden van
den giftand merkt men een vliezige plooi van het tandvleesch op,
waardoor een scheede wordt gevormd, welke den tand omsluit, wanneer
de kaken in den toestand van rust verkeeren. Van alle overige tanden
onderscheiden de giftanden zich door hun aanzienlijker grootte
en duidelijk priemvormige gedaante; bij alle Gifslangen zijn zij
volgens hetzelfde grondplan gebouwd. Behalve een bij den oorsprong
aanwezige, aanvankelijk met een bloedrijk weefsel gevulde holte, die
voor de voeding van den tand dient en bij alle slangentanden zonder
uitzondering voorkomt, bevat iedere giftand nog een overlangsch kanaal,
dat steeds aan de bolle voorzijde van den tand gelegen is en hier twee
openingen vertoont. De eene opening, die een afgeronden vorm heeft,
bevindt zich dicht bij de basis van den tand. Wanneer bij het openen
van den bek het bovenkaaksbeen, en hierdoor ook de giftand, opgericht
wordt, komt de bedoelde opening van het gifkanaal tegenover het einde
van de afvoerbuis van de gifklier te liggen, waardoor het gif in den
hollen tand zal doordringen; de onderste opening, die boven de spits
van den giftand ligt, is spleetvormig. Bij de meeste Gifslangen zijn
deze beide openingen door een fijne spleet met elkaar verbonden en
is het gifkanaal van voren dus niet geheel gesloten; bij de overige
soorten is het gifkanaal volkomen gesloten en wordt de spleet hoogstens
door een fijne lijn vervangen. Hiernaar onderscheidt men "gevoorde" en
"gladde" giftanden. Deze wapens hebben, al naar de soort en de grootte
van het individu, een verschillende lengte; alle Gifslangen, die over
dag jagen, bezitten betrekkelijk kleine, alle, die een nachtelijke
levenswijze hebben, betrekkelijk groote giftanden. Bij onze Adder
bereiken de giftanden een lengte van 3 à 4, hoogstens van 5 mM., bij
de Lanskopslang worden zij 25 mM. lang. Zij zijn zoo hard en broos
als glas, maar buitengewoon spits, en dringen daarom even gemakkelijk
als een scherpe naald in zachte voorwerpen, zelfs in zacht leer door;
van harde glijden zij daarentegen dikwijls af, of breken, wanneer de
stoot, die de Slang er mee toebrengt, krachtig is. Als een van deze
tanden verloren is gegaan, komt de onmiddellijk daarachter gelegen
reserve-tand er voor in de plaats; zulk een wisseling schijnt echter
ook zonder eenige uitwendige oorzaak met een zekere regelmatigheid
plaats te vinden, ieder jaar éénmaal, misschien vaker.

Iedere gifklier scheidt een betrekkelijk geringe hoeveelheid vocht
af: die van een bijna 2 M. lange Ratelslang hoogstens 4 à 6 druppels;
een klein gedeelte van zulk een druppel is trouwens voldoende om in
het bloed van een groot Zoogdier binnen weinige minuten een noodlottige
verandering teweeg te brengen. De gifklier is overvuld met gif, wanneer
de Slang in geruimen tijd niet gebeten heeft; het gif heeft in dit
geval een krachtiger werking dan wanneer de voorraad gif gering is;
het vernieuwen van den verbruikten voorraad heeft echter zeer schielijk
plaats; ook het versch bereide gif is in de hoogste mate schadelijk.

Het gif zelf kan met speeksel vergeleken worden, of verdient dezen
naam geheel; het is zoo helder als water, dun, doorzichtig, licht
geelachtig of groenachtig van kleur; het zakt naar den bodem, wanneer
het bij water wordt gevoegd, maar vermengt zich er ook wel mede tot een
zwak troebele vloeistof; het kleurt blauw lakmoespapier rood en heeft
dus een zure reactie. Het bevat, volgens Mitchell's onderzoekingen,
een eiwitachtige stof (het werkzame bestanddeel), een dergelijke stof
van gecompliceerder samenstelling, die geen werking uitoefent, een
gele kleurstof en een niet nader te bepalen bestanddeel, voorts vet en
vrij zuur en eindelijk zouten, waarin een zeker gehalte aan chloor en
phosphorus. Het gif verdroogt gemakkelijk; het vormt een vaste korst,
wanneer het op een voorwerp wordt gestreken en gelijkt dan op een
glanzig vernis; jaren lang behoudt het zijne noodlottige eigenschappen.

In de laatste jaren hebben Weir Mitchell en E. Reichert talrijke
proeven met slangengif genomen. Volgens hen is de behandeling van de
wonde met overmangaanzure kali de beste geneeswijze; in mindere mate
zijn voor dit doel ijzerchloride en jodiumtinctuur aan te bevelen;
ook door het gebruik van bromiumpreparaten werden goede uitkomsten
verkregen. De plaatselijke verschijnselen na den beet zijn meestal
buitengewoon hevig: in de eerste plaats heeft een sterke zwelling
plaats door het uittreden van vocht of bloed uit de haarvaten; hierop
volgen ettering en koudvuur. Bij een langzamer verloop zijn ook aan
andere lichaamsdeelen zeer duidelijk vergiftigings-verschijnselen waar
te nemen; de overgang van bloed uit de haarvaten in het celweefsel
strekt zich zeer ver over het geheele lichaam uit en gelijkt op dien,
welke in sommige gevallen van bloedvergiftiging optreedt. Men heeft
opgemerkt, dat dit bloed de eigenschap van te stollen verloren heeft
en dat de roode bloedlichaampjes eigenaardige veranderingen ondergaan
hebben.

De dood door slangengif kan volgens de bedoelde onderzoekers op
verschillende wijzen verklaard worden; de oorzaak kan zijn een
verlamming van die deelen der hersenen, welke de ademhaling regelen,
of een hartverlamming, of bloeduitstorting in het verlengde merg,
misschien ook wel een groote verandering van de roode bloedlichaampjes.

Slechts wanneer de maag ledig is, wordt het ingeslikt gif in het
bloed opgenomen; gedurende de spijsvertering evenwel wordt het door
de werking van het maagsap onschadelijk gemaakt.

Welke bloedontledende stof eigenlijk in het slangengif aanwezig is,
weet men nog niet, hoewel hierover verscheidene onderzoekingen zijn
ingesteld; onze kennis van het gif bepaalt zich tot zijn uitwendig
voorkomen en zijn werking.

In 't algemeen kan hiervan nog gezegd worden, dat de
vergiftigings-verschijnselen des te heviger zijn, naarmate de Slang
grooter en de temperatuur van de omgeving hooger is; bovendien bestaat
er eenig onderscheid tusschen de werking van het gif van verschillende
Slangen. Hoe sneller en volkomener de bloedsomloop van het gebeten
dier is, des te schielijker openbaren zich de gevolgen van den beet;
warmbloedige dieren blijven na zulk een verwonding minder dikwijls
gespaard en sterven na een korter tijdsverloop dan Reptiliën,
Amphibiën of Visschen; de ongewervelde dieren schijnen er minder
nadeel van te ondervinden. Twee Gifslangen van dezelfde soort kunnen
elkander bijten, zonder dat er vergiftiging plaats vindt. Woedende
Slangen bijten dikwijls zichzelf in den staart, zonder hierdoor te
lijden. De uitslag is geheel anders, wanneer de vergiftige Slangen,
die elkander bijten, tot verschillende soorten behooren; in een
dergelijk geval heeft het gif op de slachtoffers in vele gevallen
dezelfde uitwerking als op andere dieren.

Naar men beweert, zijn enkele Zoogdieren en Vogels tegen de werking
van het slangengif op een voor ons onbegrijpelijke wijze bestand;
o.a. wordt dit van den Mol, den Bunzing en den Egel bericht. Het is
echter zeer de vraag, of de gevolgtrekkingen, die uit de talrijke
proeven van den slangenkenner Lenz afgeleid worden, werkelijk op
goede gronden berusten; daar nieuwere proeven--b.v. die, welke
door C. Struck bij Egels genomen zijn--lijnrecht tegenovergestelde
uitkomsten opleverden. Een Egel, die door een Gifslang aan de lip
gebeten werd, bezweek. De Mungo, die ook tegen slangengif bestand heet
te zijn, zal wel degelijk sterven aan de gevolgen van een flinken beet.

Over 't algemeen openbaart de werking van het slangengif zich bij alle
dieren min of meer op dezelfde wijze, hoewel de verschijnselen, die
op den beet volgen, verschillen kunnen of althans ongelijk schijnen
te zijn. Daar ook in onzen tijd ongelukkig maar al te vaak gevallen
van vergiftiging van menschen door Slangen voorkomen, zijn wij niet
alleen met de zichtbare gevolgen van den beet, maar ook met het lijden
en de gewaarwordingen van den vergiftigde nauwkeurig bekend. Op het
oogenblik van de verwonding gevoelt het slachtoffer gewoonlijk een
hevige, onvergelijkelijke pijn, die snel als een elektrische schok
door het geheele lichaam trekt; in vele gevallen echter komt in
zoover het tegendeel voor, dat de gebetene een gewaarwording krijgt,
alsof hij zich aan een doorn geprikt heeft. De onmiddellijk daarop
volgende vermoeidheid in alle lichaamsdeelen, een buitengewoon snelle
krachtsvermindering, aanvallen van duizeligheid en telkens herhaalde
flauwten zijn de eerste onbedriegelijke kenteekenen van de plaats
hebbende verandering van het bloed; zeer dikwijls komen brakingen voor
(ook van bloed), bijna even dikwijls diarrhee, soms bloedingen uit
mond, neus en ooren. De krachtsvermindering openbaart zich verder
door een bijna onweerstaanbare slaperigheid en het merkbaar afnemen
van de hersenwerkzaamheid; vooral de verrichtingen van de zintuigen
worden veel zwakker, zoodat b.v. volslagen blindheid en doofheid
kunnen optreden. Naarmate de krachten afnemen, vermindert het gevoel
van pijn, zoodat, wanneer het einde van den vergiftigde nadert, deze
geen pijn meer schijnt te gevoelen, maar in een doffe bewusteloosheid
verzonken is. Niet altijd echter lijdt de patiënt op deze wijze:
dikwijls wordt hij uren achtereen door de hevigste pijnen gekweld
en is zijn zenuwstelsel zoo overprikkeld, dat iedere beweging, ieder
gedruisch in zijn omgeving hem onverdragelijke smarten veroorzaakt. Op
het erbarmelijk gejammer van den gebeten mensch, op het uren lang
aanhoudend, klagend gehuil van den gebeten Hond, volgt ook dan een
toestand van bewusteloosheid, waarin de lijder betrekkelijk kalm den
laatsten adem uitblaast.

Geen der tallooze geneesmiddelen, waarvan men bij vergiftiging
door slangenbeten gebruik maakt of maakte, kan de veranderingen
tegengaan, die het gif, wanneer het eens in den bloedstroom is
opgenomen, in het bloed en in de centrale deelen van het zenuwstelsel
teweegbrengt. Gerust kan men de talrijke tegengiften, waarop men
vroeger vertrouwde, terzijdestellen. Volgens Weir Mitchell's zeer
nauwgezette onderzoekingen geldt dit ook voor den alcohol. "Het
eerste uitwerksel van het slangengif, de plotselinge vermindering van
de hartwerking, gaf aanleiding den patiënt het gebruik van groote
hoeveelheden alcoholische dranken aan te bevelen, hoewel door dit
middel geen der overige, veel schadelijker gevolgen van het venijn
worden tegengegaan. Ondanks de algemeen heerschende meening, dat
alcohol bij personen, die door Slangen gebeten zijn, een gunstigen
invloed oefent, is het thans vrij wel uitgemaakt, dat vele van deze
patiënten bezweken zijn door de werking van den alcohol, die hun
als geneesmiddel gegeven werd. Er zijn gevallen bekend van menschen,
die terwijl zij smoordronken waren door het gebruik van brandewijn,
door vergiftige Slangen gebeten werden, en toch door de werking van
het gif bezweken." "Van groot nut bij de behandeling van dergelijke
verwondingen zijn alle maatregelen, waardoor de verspreiding van
het gif door het geheele lichaam wordt tegengegaan of althans
vertraagd. Uit vele gevallen van genezing blijkt, dat er in het
organisme werkingen plaats vinden, die het vergiftigde bloed vernieuwen
en de beschadigde weefsels herstellen. Dikwijls is mij gevraagd,
wat ik zou doen, indien ik door een vergiftige Slang gebeten werd en
niet onmiddellijk hulp kon krijgen. In bepaalde gevallen, b.v. als
de verwonding aan den vingertop plaats had, zou ik niet aarzelen
mij van het vergiftigde lichaamsdeel te ontdoen door amputatie of
de wonde met een gloeiend ijzer uitbranden. Indien dit niet kan
geschieden, is het raadzaam om, terwijl er hulp gezocht wordt, het
gif tot het gebeten lichaamsdeel te beperken, door boven de wonde,
dus op een nader bij den romp gelegen plaats, twee banden aan te
brengen, die stijf genoeg aangehaald worden, om de circulatie van het
bloed te verhinderen. Om de verzwakking van de hartwerking tegen te
gaan en den patiënt in staat te stellen, naar huis terug te keeren,
kan het op dit tijdstip nuttig zijn van een alcoholischen prikkel
gebruik te maken. Ten spoedigste moet de wonde behandeld worden
met middelen, die het venijn vernietigen, waarvoor een oplossing
van overmangaanzure kali in water aanbeveling verdient. Door de
weefsels te drukken en te kneeden, wordt het in aanraking komen
van het venijn met het tegengif bevorderd. Tevens is het noodig,
de banden losser te maken om het koudvuur te voorkomen. Natuurlijk
zal dan eenig venijn in den bloedstroom kunnen geraken; maar na
weinige oogenblikken zal men opnieuw de banden kunnen toehalen en
moet men nogmaals het plaatselijk werkend tegengif aanwenden. Als een
dergelijk middel niet of eerst na geruimen tijd beschikbaar is en de
wonde een groote hoeveelheid venijn bevat, kunnen alleen het mes en
het gloeiend ijzer afdoende hulp verschaffen. Bemoedigend is echter
de herinnering, dat in Amerika een slangenbeet zelden doodelijke
gevolgen heeft. Van 9 Honden, die door 9 verschillende Gifslangen
gebeten werden, bezweken slechts 2." Het uitzuigen van de wonde heeft
dit voordeel, dat het onmiddellijk kan geschieden; de lijder of ieder
ander, die deze bewerking verricht, moet echter zeker zijn van de
afwezigheid van wondjes, hoe onbeduidend ook, in de mondholte; daar
hierdoor het gif in het bloed zou kunnen doordringen. Te sterk zuigen
kan bloeding van het tandvleesch veroorzaken en op deze wijze voor den
helper gevaarlijk worden. Volgens Kaufmann verdient bij adderbeten het
inspuiten van een 1-percents oplossing van chroomzuur in de wonde de
voorkeur boven de (door Lacerda Filho te Rio de Janeiro aanbevolen)
1-percents oplossing van overmangaanzure kali, ofschoon ook deze een
nuttige werking scheen te hebben. Op Braziliaansche plantages wordt
van het laatstgenoemde middel tegen slangenbeten een dosis van 1 1/2
à 4 cM3 ingespoten, al naar het geval meer of minder ernstig schijnt,
naar men zegt, met goed gevolg. In den laatsten tijd wordt voor de
behandeling van adderbeten, behalve een oplossing van overmangaanzure
kali (2 percent), ook carbol (5 percent) aanbevolen.

Alle Slangen drinken, sommige zuigend, met volle teugen, onder
duidelijk zichtbare bewegingen der kaken, andere door met de tong
water of dauwdroppels op te nemen, of althans de tong er mede te
bevochtigen. Verscheidene soorten verkwijnen zichtbaar en bezwijken
ten slotte, wanneer zij geen water krijgen; andere daarentegen schijnen
de behoefte aan vocht dagen, ja zelfs maanden lang met eenige weinige
druppels te kunnen bevredigen. Belangrijker nog dan het ruien voor
het leven der Vogels, is voor het leven der Slangen de vervelling;
deze werkzaamheid is een van de eerste, welke het jong na het verlaten
van het ei verricht; door het volwassen dier wordt zij ieder jaar
verscheidene malen herhaald. De vervelling neemt een aanvang met
het losraken van de fijne, doorzichtige opperhuid van de lippen,
waardoor een groote opening ontstaat. In de vrije natuur maken de
Slangen gebruik van mos, heide en andere planten of van oneffenheden
in 't algemeen om haar "hemd" uit te trekken en loopt de vervelling
zeer spoedig af; in de kooi moeten zij zich dikwijls lang tevergeefs
inspannen, voordat zij haar doel bereikt hebben en komt het zelden
voor, dat zij haar huid afwerpen, zonder deze te scheuren.

Volgens de nasporingen van Lenz heeft de eerste vervelling van de
inheemsche Slangen tegen het einde van April of in het begin van
Mei plaats, de tweede in 't laatst van Mei en het begin van Juni,
de derde in het laatst van Juni, de vierde in het einde van Juli en
het begin van Augustus, de vijfde eindelijk van het einde van Augustus
tot het begin van September. Iets dergelijks wordt van de Slangen in
tropische gewesten bericht.--Weinige dagen na de eerste vervelling in
de lente begint de voortplanting. Na ongeveer 4 maanden zijn de eieren,
waarvan het aantal in den regel 6 à 40 bedraagt (bij de Reuzenslangen
echter soms wel 100), voor 't leggen geschikt; de moeder laat ze op
een vochtige, warme plaats achter. Bij enkele soorten ontwikkelen
de jongen zich in den eileider zoover, dat zij onmiddellijk na het
leggen van het ei of reeds in het lichaam van de moeder de eischaal
verbreken. Slechts van eenige Reuzenslangen is het bekend, dat zij
hare eieren uitbroeden. Bij het verlaten van de eischaal worden de
jongen niet door hun moeder geholpen; deze bekommert zich trouwens
ook overigens weinig of niet om haar kroost. De Slangen groeien zeer
langzaam, maar misschien wel gedurende geheel haar leven, op lateren
leeftijd natuurlijk veel minder sterk dan in de jeugd. Waarschijnlijk
kunnen zij zeer oud worden.

De Slangen spelen in de dierenwereld een zeer ondergeschikte
rol. Eenige zijn ons nuttig door het vangen van Muizen en andere
schadelijke Knaagdieren. Het voordeel, dat zij den mensch op deze
wijze verschaffen, wordt ruimschoots opgewogen door de schade, die zij,
althans de Gifslangen, aanrichten: voor den haat, waaronder de geheele
onderorde te lijden heeft, bestaan zeer gegronde redenen. Het is te
prijzen, wanneer men de onschadelijke Slangen niet met de vergiftige
veroordeelt, vervolgt en doodt; de onderscheiding van de Gifslangen van
hare niet-vergiftige verwanten vereischt echter zulk een nauwkeurige
bekendheid met de geheele groep, dat het moeilijk te verdedigen zou
zijn, niet-deskundigen aan te raden sommige Slangen te sparen. Wel is
het geen moeielijke zaak de eenige inheemsche Gifslang van de beide,
ons vaderland bewonende, onschadelijke Slangen te onderscheiden; in
andere landen van West-Europa wordt echter een Slang aangetroffen,
die zooveel op onze Adder gelijkt, dat zelfs de op dit gebied zeer
ervaren Duméril, zich in de herkenning van de soort kon vergissen. In
alle andere werelddeelen komen Slangen voor, waarvan men ook thans
nog niet weet, of zij al dan niet vergiftig zijn. Ieder, die voor de
onschadelijke Slangen in de bres wil springen, moet duidelijk doen
uitkomen, dat het verzoek om deze dieren te sparen, geen andere dan
inheemsche soorten betreft, daar het anders verkeerde gevolgen zou
kunnen hebben.

De Slangen spelen een belangrijke rol in de sagen en bovenzinnelijke
voorstellingen der volken. Niet slechts in de joodsch-christelijke
overlevering, maar in de mythen van ieder volk treden zij op en wekken
soms vrees en afschuw, soms liefde en vereering. De Slang gold als
zinnebeeld van snelheid, van sluwheid, van de geneeskunde en zelfs
van den tijd. Voorheen werd aan Slangen goddelijke eer bewezen en
ook thans nog ontmoet men deze eeredienst bij eenige onbeschaafde
volken. De Indiërs vereerden haar als zinnebeeld van wijsheid;
voor andere volken waren valschheid, list en verleiding in haar
belichaamd; nog andere beschouwden de Slangen als vertegenwoordigers
van Goden. Daar haar goede en ook wel slechte eigenschappen werden
toegedicht, stelde zij soms een god, soms een duivel voor. Men dichtte
haar niet slechts eigenschappen toe, die zij niet bezitten, maar ook
vleugels, pooten en andere haar ontbrekende lichaamsdeelen, een kroon
op den kop en dergelijke tot tooi dienende aanhangselen; de phantasie
hield zich meer met haar bezig dan het waarnemingsvermogen. Daar
Slangen een buitengewonen indruk maken op de lichtgeloovige menigte,
gaven kwakzalvers en ook geneeskundigen zich veel met deze dieren
af. Plinius en andere Romeinsche (ook Grieksche) schrijvers vermelden
verscheidene geneesmiddelen, tooverdranken en dergelijke artsenijen,
waarvoor het lichaam of enkele lichaamsdeelen van verschillende
Slangen de grondstoffen leverden. Aan de Grieken en Romeinen danken
wij de uit Adders bereide pharmaceutische mengsels, die nog lang na
de Middeleeuwen in gebruik zijn gebleven. Nog in de laatstverloopen
eeuwen werden de tot het Addergeslacht behoorende Slangen bij
honderdduizenden in Europa, vooral in Italië en Frankrijk, voor de
apotheken ingezameld. Daar Europa niet genoeg Slangen kon leveren om
aan de vraag naar dit artikel te voldoen, werden zelfs uit Egypte
Gifslangen in zeer grooten getale aangevoerd. Reeds Antonius Musa,
een beroemde arts ten tijde van Keizer Octavianus Augustus, gebruikte
Adders als geneesmiddel. Andromachus van Kreta, de lijfarts van
dezen keizer, vond het "theriacum" uit, dat nog in de vorige eeuw
in bijna alle Europeesche apotheken bereid werd onder toezicht van
pharmaceuten en geneeskundigen, die de talrijke, daarin voorkomende
stoffen onderzoeken moesten. Vooral Venetië was wegens haar theriacum
beroemd. Nog in den tegenwoordigen tijd wordt aan de geneeskracht
van het addervet geloof geslagen; goede gevolgen had dit geloof in
zoover, als het aanleiding gaf tot een ijverige jacht op Adders en
veel bijdroeg tot vermindering van haar aantal.

Tot geruststelling van ieder, die voor Slangen bevreesd is, kan
dienen, dat zij een zeer groot aantal vijanden hebben. Hier te lande
maken Katten, Vossen, Marters, Bunzingen, Wezels, Egels en Zwijnen
jacht op haar, in zuidelijker gewesten de Civetkatten, vooral de
Mangoesten, in Zuid-Afrika ook sommige Hagedissen. Even krachtdadig
worden zij vervolgd door Slangenarenden en Schreeuwarenden, Buizerden,
Raven, Eksters en Gaaien, Ooievaars en andere Moerasvogels benevens
hunne plaatsvervangers uit de Vogelklasse in warme landen. Als
de uitmuntendste van alle slangenverdelgers wordt de Secretaris of
Kraangier beschouwd; ook andere leden zijner orde ontwikkelen echter in
deze richting een grooten ijver; vooral geldt dit van de Edel-, Tand-,
Zing- en Slangenhaviken, van de Sperwerarenden, Berghanen, Giervalken,
Koningsgieren en Raafgieren. Bovendien zijn vele Hoendervogels en
Stapvogels niet gering te schatten als bondgenooten in den strijd tegen
de Slangen. Zij alle verdienen de waardeering en de bescherming van
den mensch; want voor 't meerendeel verslinden zij, behalve Slangen,
ook de door haar vervolgde schadelijke dieren; het nuttige deel van
den arbeid der Reptiliën, die zij buiten staat stellen om kwaad te
doen, wordt dus door hen overgenomen.

De meeste Slangen gewennen licht aan het leven in gevangenschap; vele
verdragen dit jaren, andere althans maanden lang. Voor het welzijn is
warmte, en meer bepaaldelijk vochtige warmte, een volstrekt vereischte;
vooral mag in haar hok een bak met water, die als badinrichting
dienst kan doen, niet ontbreken. In den eersten tijd moet men haar
levende dieren als voedsel geven; als zij er zich aan gewend hebben
deze te grijpen en te verslinden, gelukt het dikwijls ook wel, haar
te leeren zich met doode dieren te behelpen, en zijn zij later zelfs
met stukken vleesch tevreden.

Langzamerhand ontstaat er tusschen de Slangen en haar verzorger een
zekere vriendschappelijke verhouding; zij nemen het voedsel aan,
dat hij haar met de handen of met een tang voorhoudt, laten zich
aanraken, opnemen, ronddragen en zelfs eenigermate africhten. Van
werkelijke gehechtheid aan haar meester blijkt echter niets; eerder
zou men nog van het tegengestelde gevoel kunnen spreken bij soorten,
die sterk, of althans door het bezit van giftanden weerbaar, zijn. De
verhouding van den mensch tot de prikkelbare, kwaadaardige Gifslangen,
die hij gevangen houdt, wordt slechts bij uitzondering langzamerhand
iets minder gespannen. Toch bijten deze dieren soms ook dan nog,
als zij reeds maanden lang voor getemd werden gehouden; in ieder
geval blijft de omgang met hen steeds gevaarlijk en vereischt zooveel
voorzichtigheid, dat ik, op mijn ervaring afgaande, niemand aanraden
mag, zich met hen in te laten.



De Wormslangen, zoo genoemd wegens haar vorm en levenswijze, wijken
even sterk af van de overige Slangen als de Ringhagedissen van
de overige Hagedissen; vroeger werden zij bij de laatstgenoemde
onderorde gevoegd. Haar belangrijkste kenmerk is het bezit van
tanden in slechts één van beide kaken--hetzij in de onderste, bij de
Smalmuiligen (Stenostomidae), of in de bovenste, bij de Hagedisslangen
(Typhlopidae)--en de ongeschiktheid van haar bek om verwijding te
ondergaan. Steeds zijn bij haar overblijfselen van den heupgordel
aanwezig. Men verdeelt ze in twee familiën (hierboven genoemd).



Bij de Hagedisslangen is de grens tusschen romp en kop onduidelijk,
de staart kort, het oog klein, door een doorzichtig schildje overdekt,
de tong duidelijk gevorkt. Kleine, rondachtige, gladde, dakpansgewijs
geplaatste schubben bekleeden het lichaam, met uitzondering van het
voorste deel van den kop, dat grootere schilden draagt. Deze familie is
over de keerkrings-gewesten van de Oude en de Nieuwe Wereld verbreid;
in het Noordelijke Rijk van de Oude wereld wordt zij door een gering
aantal soorten vertegenwoordigd, die, naar het schijnt, uitsluitend,
Zuidoost-Europa, West-Azië en Japan bewonen. Alle leven onder den
grond als de Wormen, waarmede zij zich voeden en planten zich voort
door betrekkelijk zeer groote, langwerpige eieren, welker aantal
gewoonlijk gering is. De grootste soort, die men kent, wordt ongeveer
70 cM. lang en heeft een middellijn van 3 cM.



Bij het Zwakoog (Typhlops vermicularis), den eenigen Europeeschen
vertegenwoordiger van zijn familie, hebben beide einden van het
lichaam gelijke dikte; het onderscheiden van den snuit en den staart
kost werkelijk moeite; daar men den mond voor de kloakopening zou
kunnen houden, tenzij men acht geeft op de grootere schilden, die
den afgeronden snuit bekleeden. Het oog schemert als een nauwelijks
zichtbaar stipje door het oogschild heen. De kleur is meer of minder
glanzig geelbruin, van boven donkerder, van onderen lichter; op den rug
en den staart komt een teekening voor, bestaande uit een donkerbruin
stipje op iedere schub bij de spits. Lengte hoogstens 33, dikte 0.8 cM.

Van de levenswijze van dit dier, dat in Griekenland en op verscheidene
Grieksche eilanden, in Klein-Azië, Syrië, Steenachtig Arabië en de
Kaukasuslanden aangetroffen werd, zijn tot dusver geen bijzonderheden
van eenig belang bekend.



Sterk vertegenwoordigd is dit geslacht in het Oostersche en
Australische Rijk. Als voorbeeld noemen wij Typhlops nigro-albus,
een op de Soenda-eilanden levende soort, die door de Maleiers
Oelar-balang (Bonte Slang) wordt genoemd. Snelleman noemt haar:
"een klein, zeer beweeglijk Slangetje, dat op den grond voorkomt,
maar ook opgerold ligt op de bladen van pisangboomen en andere laag
bij den grond staande struiken. In Indië wordt deze soort algemeen
als zeer schadelijk beschouwd en haar beet voor gevaarlijk gehouden,
hoewel zij inderdaad zeer onschuldig is en zich met Insecten voedt."



Zonder eenigen twijfel hebben de ouden met hunne Draken onze
tegenwoordige Reuzenslangen bedoeld. De opmerkelijke grootte van
deze dieren, hun spierkracht en de algemeen heerschende vrees
voor iedere Slang maakt de overdrijving, waaraan de schrijvers der
oudheid zich schuldig hebben gemaakt, verklaarbaar. Van een mensch,
die zich bedreigd acht door verschrikkelijke monsters en zich te
zwak gevoelt om hen te weerstaan, kan het ons niet bevreemden, dat
hij aan de bedoelde wezens een veel aanzienlijker grootte toedicht
dan zij werkelijk hebben, en zelfs ledematen, die niet bestaan. De
zoogenaamde "aarsklauwen" der Reuzenslangen, die men thans als
sporen van achterpooten heeft leeren kennen, werden door de ouden
niet opgemerkt; daarentegen begiftigde de phantasie deze door hen
zoo gevaarlijk geachte schepselen met vreemdsoortige pooten en
wonderbaarlijke vleugels. Het wondergeloof der middeleeuwen breidde
de attributen der Draken hoe langer hoe meer uit. In dien tijd was
de herinnering aan de Reuzenslangen zoo goed als geheel verloren
gegaan en ontwikkelden de onbepaalde voorstellingen der Oostersche
sprookjes zich allengs tot gestalten, waarin het oorspronkelijk type
bijna geheel onkenbaar is geworden.

Tot overdrijving waren echter niet alleen de ouden geneigd, ook bij
hedendaagsche berichtgevers vindt men er vele bewijzen van. Ook
thans nog wordt gesproken van Reuzenslangen van 15 M. lengte en
schroomt men niet te verhalen van Paarden, Runderen en dergelijke
dieren, die door deze monsters aangevallen, gedood en verzwolgen
zouden zijn. Hoewel men de mogelijkheid kan onderstellen, dat de
Reuzenslangen vroeger een aanzienlijker grootte bereikten dan thans,
nu de mensch beter uitgerust is voor den strijd met zijne vijanden en
met zijne vreeselijke wapens hun leven verkort, is het aan geen twijfel
onderhevig, dat zulke Slangen, als door de ouden beschreven worden,
nooit bestaan hebben. Uit eigen ervaring weet ik, hoe buitengewoon
moeielijk het is de lengte van Slangen zonder meting bij benadering te
bepalen. Niet zelden geschiedt dit reeds foutief bij kleine Slangen,
die men rustend voor zich ziet liggen en dus goed kan opnemen. Maar
al te vaak zal het bij nader onderzoek blijken, dat een lengte
van b.v. één meter ruim een derde hooger was geschat; bij Slangen
van 3 M. lengte is de moeielijkheid twee- of driemaal zoo groot en
bestaat er nog veel grooter verschil tusschen de werkelijkheid en
de schatting. Deze is zelfs gladweg onmogelijk, zoodra het dier zich
beweegt. Het kan dus geen verwondering wekken, dat de inboorlingen van
zuidelijker landen, met hun levendige phantasie veel verder gaande in
overdrijving, afmetingen opgeven, die twee- of driemaal zoo groot zijn
als de ware. Dezelfde Indiër of Zuid-Amerikaan, die met den schijn van
volkomen betrouwbaarheid over een ongeveer 15 M. lange Reuzenslang
spreekt, welke hij beweert zelf gezien of geschoten te hebben, zal
den nauwkeurig metenden onderzoeker, die een dier van 6 M. doodde,
verzekeren, dat dit exemplaar alle wezens van dezelfde soort, die
hij vroeger heeft gezien, in grootte ver overtreft.



De familie der Aarsklauwslangen (Boidae), die de "Reuzenslangen"
onder hare leden telt, is kenbaar aan de volgende eigenschappen: De
platte van achteren meer of minder duidelijk begrensde, driehoekig
of langwerpig eivormige kop heeft meestal een zeer grooten muil;
de krachtig gespierde romp is zijdelings samengedrukt, de staart
betrekkelijk kort; sporen van achterste ledematen zijn aanwezig:
aan weerszijden van de kloakopening komt meestal een hoornachtige
aarsklauw voor. De bekleeding van den kop bestaat uit schilden,
soms uit schubben; de rugzijde van den romp is bedekt met kleine,
zeshoekige schubben, de buikzijde met korte, maar breede schilden,
die aan den staart soms een enkele, soms een dubbele reeks vormen. Bij
zorgvuldige ontleding van het dier merkt men duidelijke overblijfselen
van een uit vier beenderen samengestelden heupgordel op. Massieve
tanden komen voor aan beide kaakbogen en aan de gehemeltebeenderen. Het
oog is betrekkelijk klein en heeft een vertikaal gerichte pupil.

Met uitzondering van de Woel-boa's (Erycinae)--een uit 6 soorten van
middelmatige grootte bestaande onderfamilie, welker verbreidingsgebied
zich van Zuid-Europa over Noord- en West-Afrika en in Azië tot Sikhim
uitstrekt en die wij verder buiten rekening zullen laten om alleen
de Reuzenslangen te bespreken--behooren alle Aarsklauwslangen in de
tropische gewesten thuis, overschrijden althans de keerkringen niet
ver. Tegenwoordig bewonen zij alle heete en waterrijke landen van
de Oude en de Nieuwe Wereld, bij voorkeur groote wouden; veelvuldig
zijn zij vooral in boschrijke gewesten, die veel water bevatten;
enkele soorten komen echter ook in droge streken voor. Er zijn
echte waterdieren bij, die met geen ander doel dan om zich in de
zon te koesteren en te slapen de door haar bewoonde rivieren, meren
en moerassen verlaten; maar steeds in het water, of althans aan den
waterkant, jagen; andere schijnen het water te mijden. De inrichting
van de oogen verraadt een nachtelijke levenswijze. Wel ziet men de
Reuzenslangen in hare wouden ook over dag zich bewegen en soms jagen;
haar eigenlijke werkzaamheid begint echter eerst, als de schemering
invalt, en eindigt bij 't krieken van den morgen. Des daags liggen
zij, op de meest verschillende wijzen ineengekronkeld, bij voorkeur
op een zonnige plek te rusten. Enkele kiezen als ligplaats een
rotsblok, een zandbank of een boven het water uitstekenden tak;
andere beklimmen een boom, hechten zich met haar grijpstaart aan
den tak, waarop het lichaam als een kluwen ineengekronkeld is of
waarvan het als een touw naar beneden hangt; nog andere zoeken een
open plek in het woud, een rotsterras of een helling op en strekken
haar lichaam geheel of gedeeltelijk lang uit of kronkelen het tot
een vlakke spiraal ineen. Alle bewegen zich niet meer dan noodig is,
eigenlijk alleen dan, wanneer zij een gevaar duchten of dit trachten
te ontwijken, of wanneer zij lang tevergeefs gejaagd hebben en nu
een buit opmerken. Plotseling ontrolt zich dan het kolossale dier,
om zich met inspanning van al zijn kracht op het begeerde slachtoffer
te werpen, dat, door de stevige tanden gegrepen en door het gespierde
lichaam omstrengeld, spoedig den laatsten adem uitblaast.

Hoewel de Reuzenslang in staat is een buitengewoon groote prooi te
verzwelgen, is de rekbaarheid van hare kaken toch volstrekt niet
onbegrensd. De vreeselijke geschiedenissen, die van haar verhaald
en geloofd worden, zijn onwaar: geen enkele Reuzenslang kan een
volwassen mensch, een Rund, een Paard, een groot Hert door haar
slokdarm stuwen; reeds het doorslikken van een dier ter grootte van
een Ree is, zelfs voor de grootste leden dezer familie, een zeer
moeielijke arbeid. Geheel uit de lucht gegrepen is het praatje, dat
een Reuzenslang bij het verzwelgen van groote dieren wacht, totdat
het deel, dat zij niet kan inslikken, door ontbinding verweekt is,
en de daarbij gevoegde opmerking, dat het speeksel van de Slangen
de rotting zeer bespoedigt. Zeker is het, dat deze dieren, evenals
alle overige Slangen, na een overvloedig maal in een toestand van
traagheid vervallen, welke aanhoudt, totdat de vertering grootendeels
afgeloopen is.

De wijze waarop een Reuzenslang een prooi beloert, besluipt, doodt
en verzwelgt, wordt door verschillende afbeeldingen, die Mützel
naar de natuur geteekend heeft, aanschouwelijk voorgesteld. Tot
toelichting diene de volgende op eigen waarneming berustende
beschrijving: Zoodra een Reuzenslang, die meestal 's nachts, doch
ook wel over dag of in de schemering jaagt, gedurende haar rust een
onbezorgd naderenden buit opmerkt, verheft zich haar kop boven den
stompen kegel, die door de spiraalwindingen van haar lichaam gevormd
wordt. De pupil, die onder den invloed van 't licht tot een smalle
spleet was ingekrompen, verwijdt zich, de tong geraakt in beweging,
wordt beurtelings uitgestoken en teruggetrokken, nu eens naar deze,
dan weer naar een andere zijde gericht; ook uit de beweging van het
puntje van den staart blijkt, evenals bij loerende Katten, dat het
verlangen naar een prooi in de Slang levendig is geworden. Mützel
heeft een Boa constrictor in dezen toestand voorgesteld. Zorgvuldig
bespiedt de Slang haar slachtoffer. Nadat dit eenigen tijd, soms
lang, soms kort geduurd heeft, ontrolt zij zich en begint haar
prooi te besluipen, zooals men in de afbeelding van den Anakonda
kan zien. Langzaam wordt het voorste deel van het lichaam voorbij
de kronkelingen geschoven, die gedurende den rusttoestand naast en
boven elkander liggen; langzaam, doch aanhoudend volgen andere deelen
van den wormvormigen romp. Alle spieren zijn in werking, alle ribben
zijn tegen den grond gedrukt om de zware massa vooruit te schuiven:
tastend onderzoekt de nooit rustende tong het te volgen pad, terwijl
de oogen voortdurend op den buit gericht zijn; meer en meer nadert
het roofdier zijn doel. Het slachtoffer is onbewust van het dreigende
gevaar; daar het de steeds dichterbijkomende Slang niet herkent, als de
vreeselijke vijand, die eenige oogenblikken later de oorzaak zal worden
van zijn dood. Verbluft door het nog nimmer voorgekomen schouwspel,
dat waarschijnlijk zijn nieuwsgierigheid prikkelt, blijft het zitten
en doet hoogstens eenige stappen of maakt eenige sprongen, als 't ware
om de Slang niet te hinderen bij het vervolgen van haar weg. Het komt
weer tot rust en blijft kalm, terwijl de roover, wiens opgewondenheid
meer en meer toeneemt, in de onmiddellijke nabijheid van den begeerden
buit door het bijtrekken van den romp den hals in kronkels legt om
dezen de noodige lengte voor den aanval te geven. Niet zelden blijft
het slachtoffer zelfs dan nog zitten, als de spitsen van de gevorkte
tong zijn lichaam aanraken. Dikwijls heb ik gezien, dat Konijnen,
als 't ware om deze begroeting te beantwoorden, ook van hun zijde
nieuwsgierig de Slang besnuffelden. Eensklaps schiet de slangekop
vooruit; eerst dan wordt de bek geopend; voordat het slachtoffer
weet, in welk gevaar het verkeert, is het gegrepen en door één of
twee ringen van de Slang omstrengeld. Dit geschiedt zoo bliksemsnel,
dat de toeschouwer vaak geen juiste voorstelling kan verkrijgen van
de ware toedracht der gebeurtenis. De Slang grijpt het dier en rolt in
't zelfde oogenblik het voorste gedeelte van haar lichaam op, door den
kop met den buit naar voren te richten en met beide zoovele kringen te
beschrijven, als zij kronkelingen om haar slachtoffer wil leggen. Vóór
het einde van de seconde, bij welker aanvang de stoot plaats had, is
de doodelijke omstrengeling van den gegrepen buit reeds een voldongen
feit. Zelden hoort men hem schreeuwen; zoo dit voorkomt, wordt het
geluid waarschijnlijk op geheel passieve wijze voortgebracht door de
lucht, die tengevolge van de vreeselijke drukking op de longen uit
de luchtpijp ontwijkt. Hoe onweerstaanbaar deze drukking is, blijkt
uit de gelaatstrekken van het omstrengelde dier. De oogen treden
uit hunne kassen, een pijnlijke trek verwringt de lip, krampachtig
trillen de (toevallig niet omstrengelde) achterpooten. Reeds na
weinige oogenblikken echter verliest het slachtoffer zijn bewustzijn;
al naar het een meer of minder taai leven heeft, begint de verflauwing
van den hartslag vroeger of later; ten slotte staat het hart stil en
is het einde daar. Nadat de Slang zich overtuigd heeft van den dood
van haar slachtoffer, ontwikkelt zij langzaam hare kronkelingen en
onderzoekt nu met de tong den buit, in den regel zonder hem geheel
los te laten. Nooit heb ik gezien, dat zij vóór het verzwelgen met
de prooi speelde, zooals de ouden beweerd en enkele berichtgevers
uit lateren tijd herhaald hebben. Het kwam mij altijd voor, dat het
betasten met de tong ten doel had de geschiktste aanvangsplaats voor
het verzwelgen van de prooi te zoeken. De bedoelde plaats is de kop;
wanneer deze het eerst in den bek komt, zal het groote stuk, dat
onverdeeld doorgeslikt moet worden, den geringsten weerstand bieden. Na
een langdurige onderzoeking met de tong, wordt het geworgde dier op
nieuw gegrepen en met zoo wijd mogelijk opengesperden bek neemt de
moeitevolle arbeid van het verzwelgen een aanvang. Beurtelings wordt de
eene en de andere kaakhelft vooruitgeschoven, de reeks van achterwaarts
gekromde tanden telkens op nieuw in de prooi gedrukt om haar vast te
houden, die van den anderen kant vervolgens door een voorwaartsche
beweging van de kaakhelft losgemaakt en verderop weer ingehaakt. Door
deze vele malen herhaalde, kleine rukken wordt langzamerhand het lijk
naar binnen gewerkt. Men ziet intusschen de beide onderkaaksbeenderen
eerst van achteren, later ook van voren meer en meer uiteenwijken,
waarbij de hen vereenigende banden sterk uitgerekt worden. Van den
vroeger slanken vorm van den kop bemerkt men niets meer, slechts
het bovenste deel behoudt ongeveer zijn oorspronkelijke gedaante:
de huid van onderkaak en keel zet zich verbazend uit, en vormt ten
slotte, zoo als door de afbeelding van bladz. 53 wordt toegelicht,
een wijden zak met een stijven ring aan zijn bovensten rand, welke aan
den totebel van den Pelikaan herinnert. Naarmate de onderkaak zich
uitzet, treedt de luchtpijp verder naar voren. Alle speekselklieren
scheiden een overvloed van vocht af en bevochtigen de haren of veeren
van het slachtoffer, voor zoover dit reeds in het achterste deel van
de mondholte is doorgedrongen. Bij het verzwelgen van groote dieren
vereischt de doorgang van de schouderbladen of van de vleugels een
sterk vermeerderde inspanning. Zoodra de Slang deze moeielijkheid
overwonnen heeft, gaan de overige lichaamsdeelen van de prooi
opmerkelijk snel door 't keelgat naar binnen. Nu herkrijgt de kop zijn
gewonen vorm. De uiteengerukte gewrichtsvlakten komen weer bij elkaar
en nadat de Slang eenige malen den muil geopend en gesloten heeft,
als om te gapen, is alles weer in orde. Van buiten kan men duidelijk
zien, hoe opeenvolgende spierwerkingen de prooi intusschen verder en
verder door den slokdarm stuwen, totdat zij in de maag is aangekomen.

Hoe buitengewoon schielijk de spijsvertering plaats heeft, kan men bij
gevangen exemplaren waarnemen. Niet langer dan vier dagen duurt het,
vóór het grootste Zoogdier, dat men hun als voedsel gewoon is te geven,
op de haren na, die met den drek verwijderd worden, volkomen in het
bloed van de Slang is opgenomen. Hoewel zij dan weer eetlust toont,
kan zij zonder bezwaar weken en zelfs maanden lang honger lijden,
althans indien een onachtzame verzorger haar niet reeds vóór dien
tijd te lang heeft laten vasten.

Sommige Reuzenslangen zijn levendbarend; andere leggen eieren, waaruit
de jongen eerst na verloop van geruimen tijd te voorschijn komen. De
moeder bevordert de ontwikkeling van de kiem op een wijze, die bij
geen ander Kruipend Dier werd opgemerkt. Bij gevangen exemplaren
heeft men herhaaldelijk waargenomen, dat het wijfje de eieren met
haar lichaam bedekt en in zekeren zin uitbroedt. De levendbarende
soorten bekommeren zich om het kroost, dat zij ter wereld brengen,
even weinig als de andere Reptiliën om hunne eieren. De jongen
die bij de geboorte bijna 1 M. lang zijn en zoo dik als een duim,
beginnen onmiddellijk de levenswijze hunner ouders, hoewel zij
aanvankelijk tot kleine troepen vereenigd blijven, die nog geruimen
tijd een gemeenschappelijke woonplaats behouden, hetzij op den
grond of in de boomen. Bij gevangen Pythons, heeft men opgemerkt,
dat de groei gedurende de 4 eerste levensjaren het snelst is, daarna
langzamer en na het 14e jaar onmerkbaar wordt; hieruit leidt men af,
dat Reuzenslangen van 6 à 7 M. lengte minstens 28 jaar oud zijn.

De Reuzenslangen zijn, naar bij gevangen exemplaren niet zelden
gebleken is, wel bewust van hun sterkte en laten zich eerder dan vele
andere Slangen, tot drift vervoeren. Toch ontwijken zij in den regel
den mensch en vallen hem slechts bij uitzondering aan. Hoewel zulk een
aanval misschien af en toe in de vrije natuur voorkomt, blijkt echter
uit geen enkel volkomen betrouwbaar bericht, dat Reuzenslangen menschen
kunnen verslinden. Geen Zuid-Amerikaansche jager, geen schrandere,
in de jacht ervaren inboorling van Afrika is ernstig bevreesd voor
deze dieren, die ijverig vervolgd worden, omdat men hun vleesch,
hun vet en hun huid op velerlei wijzen gebruikt. Het vleesch wordt
alleen door de inboorlingen gegeten; aan het vet schrijft men algemeen
geneeskracht toe; de huid wordt tot allerlei versierselen verwerkt. De
jager doodt de Reuzenslang meestal met het geweer. Een schot hagel
in den kop is hiervoor overvloedig voldoende; daar deze Slangen veel
minder taai van leven zijn dan men van deze dieren van haar grootte
en lichaamskracht zou verwachten.

De Reuzenslangen, die reeds eenigen tijd in gevangenschap hebben
verkeerd, zijn beter geschikt om naar Europa verzonden te worden,
dan de sinds kort van hun vrijheid beroofde exemplaren. De
eerstgenoemde kunnen bij behoorlijke verzorging jaren lang in 't
leven blijven. Zoowel in Europa als in Noord-Amerika vinden zij altijd
willige koopers in de eigenaars van menagerieën; daar een beestenspel
zonder Reuzenslang een van zijne grootste aantrekkelijkheden zou
missen. Met angst en beving zien "boeren, burgers en buitenlui" den
"dierentemmer", nadat hij een van zijne onovertrefbare voordrachten
over de geheele dierenwereld heeft gehouden en het onvermijdelijke
drinkgeld ingezameld heeft, een lange kist openen en hieruit de in
wollen dekens gehulde Boa voor den dag halen, haar over zijn schouder
hangen, om zijn hals slingeren, kortom, met dit monster op zulk een
wijze omgaan, dat enkele toeschouwers er kippenvel van krijgen.



Wanneer men de minder belangrijke groep der Woelboa's (Erycinae)
buiten rekening laat, kan men de familie van Aarsklauwslangen
in twee onderfamiliën splitsen: de Python-slangen (Pythoninae)
en de Boa-slangen (Boinae). De eerstgenoemde zijn kenbaar aan
hare met tanden gewapende, bij alle overige Slangen tandelooze
tusschenkaaksbeenderen. Evenals de Boa-slangen hebben zij een
grijpstaart (deze komt bij de Woelboa's niet voor). Van de Erycinae
en Boinae verschillen zij door het bezit van een dubbele reeks van
schilden aan de onderzijde van den staart, die men ook bij nagenoeg
alle overige leden der onderorde aantreft. De Python-slangen
zijn geheel tot de Oude Wereld beperkt en vooral op de Molukken,
Nieuw-Guinea en Australië sterk vertegenwoordigd.

Het grootste deel van Indië wordt bewoond door de Peddapoda der
Bengaleezen, die ook wel Tijgerslang wordt genoemd (Python molurus);
zij vertegenwoordigt het geslacht der Rotsslangen, welks leden
slechts de voorste helft van den bovenkop met regelmatige schilden,
de achterste helft daarentegen met schubben bedekt hebben. De staart
is een echte grijpstaart.

Men heeft Tijgerslangen gemeten, die 6 M. lang waren; grootere
exemplaren zullen, zoo zij al bestaan, waarschijnlijk buitengewoon
zelden voorkomen; de meeste gaan een lengte van 3 1/2 M. niet te
boven. De kop is grijsachtig vleeschkleurig, op de kruin en het
voorhoofd licht olijfbruin, de rug lichtbruin, op het midden met
geelachtig grijze tint, de onderzijde witachtig; een olijfbruine
streep loopt van het neusgat door het oog en achter den mondhoek naar
beneden; een vlek van dezelfde kleur en van driehoekigen vorm bevindt
zich onder het oog, een groote, donkere, Y-vormige of (in plaats
van deze) een onvertakte, langwerpige vlek op den achterkop en den
nek. De rug prijkt met een reeks van groote, langwerpig vierzijdige,
roodachtig bruine vlekken, die zwart gezoomd zijn en een getanden
of rechtlijnigen rand hebben; sommige zijn in het midden hooggeel;
langs de zijden komen kleinere, overlangsche vlekken voor.

Het verbreidingsgebied van deze soort strekt zich over het geheele
Voor-Indische schiereiland tot aan den Himalaja uit. Op Java wordt
zij vervangen door den Dubbelgestreepten Python (Python bivittatus)
en de Netslang (Python reticulatis), die beide ook wel Oelar-sawa of
Rijstvelden-slang worden genoemd.

Onder de bewoners van Indië zijn ook thans nog verhalen over deze
Slangen in omloop, die aan de sprookjes der ouden herinneren. Uit
de nog altijd onvolledige berichten van de natuuronderzoekers en
reizigers, die zich beijverd hebben om volkomen betrouwbare feiten
mede te deelen, blijkt voldoende, dat de Zuid-Aziatische "Draken"
volstrekt niet gevaarlijker zijn dan hunne Amerikaansche verwanten,
nagenoeg dezelfde levenswijze hebben, duidelijk de voorkeur geven
aan het verblijf in moerassige gewesten, op overstroomde rijstvelden,
kortom, in de nabijheid van het water, hoewel zij droge, rotsachtige
oorden niet vermijden en hier zoowel als daar jacht maken op kleine
Zoogdieren en Vogels. Zeer groote exemplaren vergrijpen zich,
naar men zegt, soms aan jonge Muntsjaks en Zwijnsherten, hetgeen
waarschijnlijk aanleiding gegeven heeft tot de verhalen, die ons
willen doen gelooven, dat de Slangen dieren van de grootte onzer
Edelherten verzwelgen. Wel behooren de genoemde Herkauwers tot de
familie van de Herten, maar zij bereiken nog niet eens de afmetingen
van een Ree. Bovendien moet men hierbij in 't oog houden, dat de in
Zuid-Azië levende Dwergmuscusdieren niet slechts door de inboorlingen,
maar ook door de Europeanen gewoonlijk "Herten" worden genoemd. Kleine
Zoogdieren maken het hoofdvoedsel van deze Slangen uit en slechts
oude, volwassen exemplaren vergrijpen zich nu en dan aan biggen
of aan de jongen van kleine soorten van Herten. Groote Zoogdieren
en menschen loopen nooit gevaar door haar verslonden te worden en
zelfs de inboorlingen verzekeren, dat de Pythons niet eens kinderen
bedreigen. Mijns inziens hebben de soms voorkomende aanvallen van deze
Slangen op menschen nooit opzettelijk, maar bij vergissing plaats. Een
dergelijk avontuur is den oppasser Cop in den Londenschen dierentuin
overkomen. Hij hield een van zijne hongerige Pythons een Hoen voor,
zooals hij bij het voederen dezer dieren gewoon was te doen; de Slang
wilde het grijpen, miste het, waarschijnlijk doordat zij weldra
zou vervellen en de doorzichtigheid van de huid vóór hare oogen,
gelijk in dergelijke gevallen regel is, grootelijks was afgenomen;
zij greep daarentegen den linkerduim van den oppasser en wikkelde
zich in 't volgende oogenblik om zijn arm en hals. Cop was alleen,
maar verloor zijn tegenwoordigheid van geest niet; hij trachtte met
de andere hand het dier bij den kop te vatten om het tot loslaten te
nopen; ongelukkig had de Slang het hoofd van den oppasser omstrengeld,
zoodat deze zijn doel niet kon bereiken en genoodzaakt was op den
vloer van het hok te gaan liggen, in de hoop hier krachtiger met zijn
aanvaller te kunnen worstelen. Gelukkig schoten toen, nog juist te
rechter tijd, twee oppassers den man te hulp, dien zij niet zonder
inspanning bevrijdden van het volhardende dier, dat zijn slachtoffer
anders misschien het lot van Laokoon had doen ondergaan.

De voortplanting van de Zuid-Aziatische Pythons heeft men bij gevangen
exemplaren voor het eerst kunnen nagaan in den "Jardin des Plantes"
te Parijs. Daar legde een Pythonwijfje op 6 Mei 1841 achtereenvolgens
15 eieren in 3 1/2 uur en vereenigde ze tot een hoop, waarover zij
zich op zulk een wijze ineenrolde, dat de windingen van haar lichaam
gezamenlijk een plat gewelf vormden, welks hoogste punt door den kop
werd ingenomen. De Slang bleef bijna twee maanden in deze houding;
den 3en Juni kwamen 8 jongen van ongeveer 50 cM. lengte te voorschijn;
deze bereikten, zonder eenig voedsel te gebruiken, in de eerstvolgende
16 dagen een lengte van ongeveer 80 cM., vervelden voor de eerste maal
tusschen 13 en 18 Juli, deden dit nog viermaal tot December van genoemd
jaar en begonnen na de eerste vervelling te eten. In 't eerst gaf men
haar Musschen, die zij op de gewone wijze dooddrukten; later kregen
zij rauw vleesch en kleine Konijnen. Daar haar zooveel voedsel werd
gegeven, als zij verlangden, ontwikkelden zij zich zeer voorspoedig;
reeds in December van haar geboortejaar was haar lengte 1.50 à 1.55,
van één zelfs 2 M. Het laatstgenoemde exemplaar was op den leeftijd
van 20 maanden 2.34 M. lang en had in de 6 eerste levensmaanden ruim
13, gedurende het tweede levensjaar 22 KG. voedsel gebruikt.

De Pythons worden dikwijls gevangen en zijn bij sommige volken
van Zuid-Azië, o.a. bij de Chineezen, geen onwelkome gasten; op de
vaartuigen en in de huizen, waar men ze laat begaan, houden zij zich
ijverig met de vangst van Ratten bezig.



Van de vier Afrikaansche Pythonslangen zullen wij er twee beschrijven.

De Natalsche Python (Python natalensis) is tot het oostelijke deel
van Zuid-Afrika beperkt. De grondkleur van de bovenzijde is op het
voorste derde gedeelte van het lichaam fraai geelbruin, overigens
donker olijfbruin; de onderzijde heeft een bevallige, roodachtig
witte kleur; een groot deel van den bovenkop wordt ingenomen door een
zwartbruine vlek; een reeks van kettingvormig met elkander verbonden,
langwerpig vierhoekige, ongelijkmatig gerangschikte vlekken van
zwartbruine kleur strekt zich over de geheele bovenzijde uit en zet
zich (als een donkere streep tusschen twee gele, overlangsche banden)
ook over den staart voort.



Bij de Assala, Tenne of Hieroglyphenslang (Python sebae), die over
geheel West- en Middel-Afrika verbreid is, beslaat een donkerbruine
of zwartachtige pijlvlek bijna den geheelen bovenkop, zoodat er aan
weerszijden slechts een smalle, geelachtig witte streep overblijft. De
romp vertoont op geelachtig grijzen grond bruinachtige vlekken,
ook dwarsbanden, die, evenals de vlekken, uitgaan van de donkere,
overlangsche streep, waardoor het lichtgele veld, dat de onderzijde
inneemt, begrensd wordt.

De naam "Afgodslang", die gewoonlijk dient tot aanduiding van
de Boa constrictor, komt--zooals reeds door Bosmann opgemerkt en
door reizigers uit lateren tijd bevestigd werd--eigenlijk aan de
Assala toe. Eenige volksstammen aan de kust van Guinea bewijzen haar
goddelijke eer; volgens sommigen is dit de reden van een dergelijk
huldebetoon aan de Reuzenslangen in Zuid-Amerika door de hier levende
afstammelingen van Afrikaansche negers. In de Nieuwe Wereld zou dus
de aanbidding van een Slang vroeger niet bestaan hebben, maar met
het volk, dat haar vergoodt, ingevoerd zijn.

Naar het schijnt, worden de Natalsche Python en de Assala in het
door hen bewoonde gebied nergens veelvuldig aangetroffen, hoewel
zij er evenmin tot de zeldzaamheden behooren; uit de door menschen
bewoonde streken hebben zij de wijk genomen naar veiliger oorden. Oude
exemplaren van 6 of meer M. lengte komen zeer zelden voor. Het zou
kunnen zijn, dat het aantal dezer Slangen grooter is dan men meent,
daar zij zich meestal schuil houden in moeielijk toegankelijke,
met hoogopschietende kruiden en struiken begroeide terreinen en,
evenals hare verwanten, in den regel eerst na zonsondergang
op roof uitgaan. Gewoonlijk stilt de Assala haar honger met
Hazen, Aardeekhoorntjes, Ratten en andere op den bodem levende
Knaagdieren. Waarschijnlijk zijn, behalve deze Zoogdieren, verscheidene
op den grond verkeerende Vogels het meest aan hare vervolgingen
blootgesteld. In de maag van een Assala vond ik een Parelhoen. Drayson
bericht iets dergelijks van de Natalsche Reuzenslang. Eens zag hij een
kleinen Trap herhaaldelijk opvliegen en bemerkte, toen hij dien kant
uitreed, dat de Vogel hardnekkig vervolgd werd door een Python, die
het echter geraden achtte zich zoo schielijk mogelijk te verwijderen,
toen de Trap door een schot werd neergeveld. De ijverige jager,
die reeds lang gewenscht had een Reptiel van deze soort te vangen,
achterhaalde het na een kortstondige jacht en slaagde er in het met
een stokslag te dooden of althans te verdooven.

De Soedaneezen weten zeer goed, dat de Assala niet gevaarlijk is en
gebruiken bij de jacht op dit dier geen ander wapen dan een knuppel;
een enkele, krachtige slag op den kop van het dier is voldoende om
het te dooden. Zijn vleesch wordt in Oost-Soedan met evenveel smaak
gegeten als dat van den Krokodil; men kruidt het met zout en roode
peper; het is sneeuwwit van kleur, maar na het koken nog zoo taai,
dat wij het bijna niet konden kauwen; het smaakt goed, min of meer als
het vleesch van Hoenderen. Naar het schijnt, stellen de Soedaneezen
nog meer prijs op de bonte huid; deze wordt door hen en door de negers
uit het gebied van den Witten en den Blauwen Nijl op zeer smaakvolle
wijze tot allerlei versierselen verwerkt, die vooral tot verfraaiïng
van messcheeden, amuletrollen, brieftasschen, geldzakjes en dergelijke
voorwerpen dienen. Het Python-vet wordt door sommige volken, door
de Hottentotten e.a., zeer heilzaam geacht en zorgvuldig bewaard;
de zieken, die het innemen, vertrouwen vast op de geneeskracht van
dit middel en ondervinden er daarom dikwijls gunstige gevolgen van.

In de dierentuinen en beestenspellen krijgt men de Afrikaansche
Reuzenslangen, vooral de Assala, weinig minder vaak te zien dan hare
Amerikaansche verwanten. Naar het schijnt, geraken zij even licht als
deze aan haar verzorger gewoon, die haar bij doelmatige behandeling
niet minder lang in 't leven kan houden.



De meeste eigenlijke Reuzenslangen behooren tot de reeds vroeger
omschreven onderfamilie der Boa-slangen (Boinae); deze omvat niet
minder dan 20 geslachten met 52 soorten, die voor 't meerendeel de
Nieuwe Wereld bewonen; de overige soorten worden op Madagaskar en
Mauritius, Australië, Nieuw-Guinea en de Molukken, enkele in dorre
zandstreken van de Oude Wereld aangetroffen.



Geen der Reuzenslangen is meer algemeen bekend (althans bij name)
dan de Koning- of Afgodslang (Boa constrictor), een der fraaiste
leden van de geheele onderorde. Hoewel op haar huid slechts weinige,
eenvoudige kleuren voorkomen, vormen deze een zeer sierlijke en
bevallige teekening. De grondkleur is fraai roodachtig grijs; over
den rug loopt een breede, hoekige, overlangsche streep, bestaande
uit groote, bruine vlekken, die een twintigtal geelachtig grijze,
eironde velden insluiten; de kop vertoont drie donkere, overlangsche
strepen. Dit dier kan een lengte van 6 M. bereiken en, volgens sommige
berichtgevers, nog wel langer worden. "Eertijds," zegt de Prins Von
Wied, "hebben exemplaren van 20 à 30 voet en misschien nog wel grootere
bestaan; in geheel onbewoonde streken worden zij thans nog" (1825)
"gevonden. Zij zijn zoo dik als een mansdij en kunnen een Ree vangen
en dooddrukken." Ook Schomburgk spreekt van Reuzenslangen van 6 à 10
M. Geen der genoemde onderzoekers heeft echter zulk een exemplaar
gemeten: beide gronden hun meening blijkbaar geheel op berichten
van inboorlingen, welker geloofwaardigheid niet boven allen twijfel
verheven is.

Het niet goed onderscheiden van verwante soorten heeft dikwijls
aanleiding gegeven tot een onjuiste omschrijving van het
verbreidingsgebied der Koningslang, dat een geringere uitgebreidheid
schijnt te hebben dan er gewoonlijk aan toegekend wordt. Het strekt
zich ten noorden van Rio de Janeiro en Cabo Frio, over het midden en
noorden van Brazilië, geheel Guyana, Venezuela en eenige der kleine
Antillen uit; westwaarts omvat het de bovenste gedeelten van het
Amazonas-gebied tot aan de Andes van Peru en Ecuador. Volgens den
Prins Von Wied en Schomburgk houdt deze Slang zich uitsluitend op in
droge, heete gewesten, in wouden en kreupelhoutbosschen. Zij bewoont
holen in den grond en rotskloven, schuilhoeken tusschen boomwortels en
dergelijke verblijfplaatsen. Niet zelden wordt zulk een woning door 4,
5 of meer van deze dieren gemeenschappelijk gebruikt. Soms beklimmen
zij boomen en beloeren van hier hun prooi. In tegenstelling met hunne
verwanten, die zich bij voorkeur in 't water ophouden, blijven zij
altijd op het droge.

Indien men de Koningslang gedurende den nacht kon bespieden, zou
men waarschijnlijk van haar aard en levenswijze een geheel andere
voorstelling verkrijgen dan wij er nu van geven. Hoewel zij ook over
dag een goede gelegenheid om buit te behalen niet ongebruikt laat,
begint haar eigenlijke jachttijd ongetwijfeld eerst, als de schemering
valt. Dit blijkt duidelijk genoeg uit de wijze, waarop zoowel vrije
als gevangen exemplaren zich gedragen. Alle reizigers, die bij het
doortrekken van de Zuid-Amerikaansche wouden Koningslangen ontmoetten,
verklaren eenstemmig, dat deze dieren op dezelfde plaats bleven of,
indien zij zich bewogen, dit zeer traag deden; zij vluchtten eerst,
als hun vijand zoo dicht bij hen was, dat hij hen met een knuppel
had kunnen doodslaan. Schomburgk ontdekte op een van zijne tochten
een groote Afgodslang, die, hoewel zij hem en zijn Indiaanschen gids
stellig reeds sinds eenigen tijd had gezien, toch niet gevlucht,
maar onbeweeglijk op dezelfde plaats gebleven was. "Indien dit
voorwerp vroeger mijn aandacht had getrokken", zegt de reiziger,
"zou ik het voor het uiteinde van een vooruitstekenden tak gehouden
hebben. Ondanks de tegenwerpingen en de vrees van mijn begeleider en
den onwil van mijn Hond, was ik snel besloten om althans een poging
te doen tot het bemachtigen van dit dier. Een flinke stok, die als
aanvalswapen moest dienen, was spoedig gevonden. Nog altijd verhief
de kop van de Slang zich boven de struiken: voorzichtig trachtte ik
dicht genoeg bij haar te komen om met mijn wapen een bedwelmenden slag
te kunnen toebrengen; juist toen ik dit doen wilde, verdween het dier
tusschen het groene loover en kon ik uit het eigenaardige geritsel en
de beweging der varens opmaken, dat het de vlucht had genomen. Wegens
de dicht opeengegroeide planten was het vervolgen van de Slang niet
mogelijk; ik kon echter zien, welke richting zij nam; spoedig kwam
zij weer bij den rand van de wildernis, waarlangs ik liep, om in haar
nabijheid te blijven. Eensklaps hield de ritselende beweging van het
varenkruid op en kwam de kop van de Slang, die waarschijnlijk naar
zijn vervolger uitkeek, boven het groene gebladerte te voorschijn. Een
goed gemikte slag trof den kop van de Slang met zooveel kracht, dat zij
bedwelmd neerstortte; ik liet haar den tijd niet om weer tot bewustzijn
te komen, maar sloeg nog verscheidene malen. Als een Roofvogel op een
Duif schoot ik toe, ging met de knieën op mijn buit liggen en kneep
hem, met beide handen den hals omvattend, de luchtpijp dicht. Op
mijn geroep kwam, nu het gevaar geweken was, de Indiaan mij te hulp,
hij gebruikte een van mijne bretels om er een strik van te maken,
die hij boven mijn hand om den hals van het dier legde en vervolgens
zoo stijf mogelijk dichttrok. De krampachtige kronkelingen van de
Slang werden door het dichte struikgewas gestuit, zoodat zij het
overmeesteren van den buit niet zoo sterk bemoeielijkten, als anders
het geval had kunnen zijn".

De Prins Von Wied zegt, dat men in Brazilië de Koningslang gewoonlijk
met een knuppel doodslaat, of door een schot hagel neervelt. Ervaren
jagers in Brazilië lachen, wanneer men hun vraagt, of deze Slang
ook gevaarlijk is voor den mensch; dit praatje wordt alleen door
het onwetende volk verhaald en geloofd. Haar voedsel bestaat uit
allerlei kleine Zoogdieren en Vogels, vooral Agoetis, Pakas, Ratten en
Muizen. Dat zij eieren niet versmaadt, kan men afleiden uit het feit,
dat gevangen exemplaren er verlekkerd op zijn. Oude dieren durven,
naar men zegt, ook wel dieren aanvallen van de grootte van een Hond
of een Ree. De Prins Von Wied sprak een Braziliaanschen jager, wiens
Hond het slachtoffer werd van een Afgodslang. Op het geschreeuw van
dit dier afgaande, zag hij het in den poot gebeten en omstrengeld
door een groote Slang, die het zoo sterk samendrukte, dat het uit
den hals bloedde.

In de vrije natuur verslinden de Koningslangen ongetwijfeld geen
andere dieren dan die, welke zij zelf gevangen en gedood hebben,
doch geen aas; gevangen exemplaren kunnen echter langzamerhand ook
aan het laatstgenoemde voedsel gewend worden. Zoo voederde Effeldt
zijne Boa's steeds met doode Ratten, omdat de levende te veel last
veroorzaakten. Deze spijs werd door de Slangen nooit versmaad en
scheen haar zelfs nog beter te smaken, wanneer zij reeds eenigszins
tot ontbinding was overgegaan. Hieruit zou men kunnen afleiden,
dat deze dieren voor reukprikkels ongevoelig zijn.

Dat de Koningslangen zich soms ook in de gevangenschap voortplanten,
is o. a. in "Artis" gebleken. Hier heeft Westerman een zijner Boa's
achtereenvolgens verscheidene levende jongen en verscheidene eieren
ter wereld zien brengen.

In de oostelijke gewesten van Zuid-Amerika wordt van de gedoode Boa's
op velerlei wijze partij getrokken. Het vleesch wordt, naar men zegt,
door de negers gegeten, het vet als een beproefd geneesmiddel bij
vele ziekten gebruikt; de gelooide huid dient voor het vervaardigen
van laarzen, zadelbekleedingen en dergelijke artikels; ook wikkelen
de negers een boa-huid als middel tot het afweren van verschillende
ziekten om hun lichaam.

De naar Europa vervoerde, levende Afgodslangen worden gewoonlijk in
strikken gevangen, die men voor hare schuilplaatsen aanbrengt. Men kan
zien, dat een hol bewoond is, aan de gladheid van den ingang, waar het
dikke, zware lichaam steeds sporen achterlaat; voor deze opening wordt
een strik gezet. Het gevangen dier doet geweldige pogingen om zich
te bevrijden en kronkelt zich sterk; zelden loopt het echter gevaar
van zich te worgen, daar het tegen drukking en stooten tamelijk goed
bestand is, hoewel verwondingen dikwijls zijn dood veroorzaken. Dit
bleek o.a. bij de door Schomburgk gevangen Afgodslang, die, uit haar
bezwijming ontwaakt, den volgenden morgen vergeefsche pogingen deed
om de banden te verscheuren, waarmede zij voorzichtigheidshalve aan
de palen van de hut was bevestigd. Een schot maakte een einde aan
deze worsteling.

In de pakhuizen van de Braziliaansche planters en kooplieden bewijst
de Afgodslang goede diensten door het verslinden van Muizen en Ratten;
zij wordt hier bijna als een huisdier beschouwd en zoo weinig gevreesd,
dat men niet schroomt met haar in dezelfde ruimte te verkeeren en,
zoo noodig, zelfs den nacht door te brengen. Daar zij met weinig
voedsel tevreden is en maanden lang zonder bezwaar kan vasten, is
het niet moeielijk haar te verzenden; zij wordt eenvoudig in een
groote kist gepakt, die men dichtspijkert en met eenige luchtgaten
voorziet; onderweg wordt naar haar niet omgezien. Het dier is ten
gevolge van deze onheusche behandeling en van den honger, dien het
heeft moeten lijden, gewoonlijk zeer slecht geluimd, wanneer het na
aankomst op de plaats van bestemming eindelijk zijn nauwe gevangenis
verlaat. Het toont dan veel neiging tot bijten; soms blijft het een
geruimen tijd pruilen en het voedsel weigeren. In den regel vermindert
echter zijn prikkelbaarheid weldra. Nadat het begonnen is te eten,
geraakt het langzamerhand aan zijn oppasser gewend en laat zich ten
slotte diens behandeling welgevallen. Om gezond te blijven heeft
het een ruim en warm hok noodig met stammen en takken om er in te
klimmen en een in den vloer bevestigden, grooten waterbak, waarin
het kan baden. De kisten, die in de beestenspellen als woningen voor
Reuzenslangen dienst doen, zijn hiervoor volstrekt niet geschikt; de
wollen dekens, waarin men ze wikkelt, met het doel om ze te verwarmen,
brengen soms meer nadeel dan voordeel te weeg. Meer dan eens heeft men
n.l. opgemerkt, dat gevangen Reuzenslangen, misschien wel door honger
gedreven, haar deken inslikten. Een Afgodslang van den Berlijnschen
dierentuin behield de ingezwolgen wolmassa 5 weken en 1 dag in haar
maag; zij dronk in dezen tijd zeer veel en gaf duidelijke blijken van
onpasselijkheid; eindelijk begon zij 's nachts tusschen 11 en 12 uur
het onverteerbare weefsel uit te spuwen; de oppasser hielp haar bij
dezen arbeid, die voorspoedig ten einde werd gebracht.



In dezelfde landen als de Afgodslang ontmoet men ook de beroemde
Anakonda (Eunectes murinus), die een geheel andere levenswijze
heeft dan de genoemde "Landboa" en het geslacht der Waterboa's
vertegenwoordigt. Zij heeft een zeer eigenaardige kleur, waarvan
weinige afwijkingen voorkomen. De bovendeelen zijn donker olijfkleurig
zwart en van den kop tot aan het einde van den staart bezet met
twee reeksen van ronde of rondachtige, zwartbruine vlekken; op
den hals en bij het begin van den staart staan zij paarsgewijs,
overigens afwisselend, soms zeer dicht bij elkander; zelfs vloeien
enkele ineen. De zijden van den kop zijn olijfkleurig grijs, de
benedenranden van de kaken meer geelachtig; van boven de oogen tot
aan den achterkop reikt een breede, vuil geelroode, aan de bovenzijde
zwart begrensde streep; hierbij steekt een zwartbruine streep, die,
van het oog uitgaande, over den mondhoek scheef naar beneden loopt en
vervolgens weer eenigszins naar boven gebogen is, duidelijk af. De
onderdeelen van het dier zijn op lichtgelen grond met zwartachtige
vlekken bezaaid, die op sommige plaatsen twee afgebrokene, overlangsche
lijnen vormen. Aan weerszijden van het lichaam komen twee reeksen
van ringvormige oogvlekken voor; deze zijn geel met zwarten rand.

De Anakonda is de grootste van alle Reuzenslangen der Nieuwe
Wereld. Een door Günther gemeten Slang van deze soort was 29 voet
(8.29 M.) lang. I. von Fischer heeft exemplaren van 7.13 en 7.58
M. lengte gemeten. Kappler zegt, dat een door hemzelf geschoten
en gemeten Anakonda, zonder kop en staart 26 Rijnlandsche voeten,
in 't geheel dus bijna 30 voet lang was en een man van middelmatige
statuur in dikte evenaarde. Zooveel is zeker, dat de Anakonda kolossale
afmetingen kan bereiken en in dit opzicht, met de Indische Netslang,
alle overige leden van haar onderorde overtreft.

"Deze Slang," bericht de Prins Von Wied, "leeft meestal in het water
en kan het in de diepte zeer lang uithouden; zij komt echter dikwijls
aan den oever om zich door de zon te laten verwarmen en haar buit
te verteren. Met den stroom drijft zij de rivier af, houdt zich
met visschen bezig of vleit zich op een rotsblok neder, vanwaar zij
op Waterzwijnen, Agoetis, Pakas en dergelijke dieren loert. In de
Belmonte-rivier zagen mijne jagers de vier pooten van een Zoogdier,
dat zij voor een dood Zwijn hielden, boven den waterspiegel uitsteken;
toen zij naderbij gekomen waren, merkten zij een reusachtige Slang
op, die een groot Waterzwijn met verscheidene windingen van haar
lichaam omstrengeld en gedood had. Oogenblikkelijk losten zij twee
schoten op het monster en kreeg het van den Botokoede een pijl in
het lichaam. Nu liet de Slang haar prooi los en vluchtte; ondanks
hare wonden, geschiedde dit zoo snel, alsof haar niets overkomen
was. Mijne lieden vischten het nog versche, pas gedoode Waterzwijn op
en keerden terug om mij kennis te geven van het voorgevallene. Daar
ik zeer gesteld was op het bezit van de merkwaardige Slang, zond
ik de jagers onmiddellijk weer uit om haar te zoeken; alle moeite
was echter vruchteloos. De hagelkorrels hadden door het water hun
kracht verloren; de pijl werd gebroken teruggevonden aan den oever,
waar de Slang hem had losgeschuurd."

De Anakonda verkeert dikwijls op den bodem van 't water, waar zij ligt
te rusten of hoogstens den kop boven den waterspiegel verheft, om te
zien, wat er aan den oever voorvalt; soms zwemt zij met den stroom
mede de rivier af en loert op iedere soort van buit. De oeverbewoners
haten haar zeer wegens hare rooverijen: Schomburgk schoot er een,
die kort te voren een groote, tamme Muscuseend gegrepen en deze reeds
doodgedrukt had; op een plantage vernam hij, dat de Anakonda soms ook
viervoetige huisdieren, b.v. Zwijnen buitmaakt. Andere onderzoekers
bevestigen deze mededeelingen. "Terwijl wij," verhaalt Bates, "in de
haven van Antonio Malagueita voor anker lagen, werd ons een onwelkom
bezoek gebracht. Omstreeks middernacht werd ik gewekt door een hevigen
slag tegen de zijde van mijn boot, gevolgd door het gedruisch van
een in 't water vallend, zwaar lichaam. Zoo spoedig mogelijk stond
ik op, om te zien wat er gebeurd was; alles was echter reeds weer
rustig geworden; alleen de Hoenderen in onze voorraadskorf, die aan
de eene zijde van het schip, ongeveer 2 voet boven het water hing,
waren onrustig en kakelden. Ik kon niet gewaarworden, wat hiervan de
oorzaak was. Daar mijne manschappen aan den oever waren, keerde ik
naar de kajuit terug en sliep tot aan den volgenden morgen. Toen ik
ontwaakte, zag ik alle Hoenderen op het dek rondloopen en vond bij
nader onderzoek in de korf een groote opening. Een paar Hoenderen
ontbraken. Senhor Antonio verdacht van den diefstal een Anakonda,
die, naar hij zeide, eenige maanden geleden in dit deel van de
rivier gejaagd en een groot aantal Eenden en Hoenderen geroofd
had. Aanvankelijk was ik geneigd de juistheid van zijn verklaring
te betwijfelen en aan een Kaaiman te denken, hoewel wij er sedert
eenigen tijd geen meer in den stroom gezien hadden; eenige dagen later
kwam echter de juistheid van Antonio's verklaring aan het licht. De
jonge lieden van de naburige volksplantingen kwamen bijeen om op het
roofdier jacht te maken, begonnen het op geregelde wijze te vervolgen,
onderzochten alle kleine eilandjes aan beide zijden van den stroom
en vonden ten slotte de Slang bij de uitmonding van een slijkerig
riviertje in de zonneschijn liggen. Nadat zij haar met werpspiesen
gedood hadden, kreeg ik haar den volgenden dag te zien en vond,
na meting, dat het niet eens een buitengewoon groot exemplaar was,
daar het bij een lengte van 6 M. slechts een omvang van 40 cM. had."

Juist van de Anakonda wordt bericht, dat zij soms menschen
aanvalt. Schomburgk doet hierover het volgende verhaal: "Te Morokko
(een zendingspost in Guyana) had iedereen den mond vol van den
aanval van een Reuzenslang op twee bewoners van deze plaats. Een
daar woonachtige Indiaan was weinige dagen geleden met zijn vrouw den
stroom opgevaren om jacht te maken op Vogels. Een opgevlogen Eend was,
door een schot getroffen, op den oever neergevallen. Toen de jager zijn
buit wilde opzoeken, werd hij plotseling door een groote Komoeti-slang
(Anakonda) aangevallen. Daar hij geen enkel wapen had om zich te
verdedigen (het geweer had hij in de schuit achtergelaten), riep hij
zijn vrouw toe, hem zijn groot mes te brengen. Nauwelijks was de vrouw
hem te hulp gesneld, of ook zij werd door het monster aangegrepen en
omstrengeld; hierdoor kreeg de Indiaan echter gelukkig zooveel ruimte,
dat hij den eenen arm gebruiken en de Slang verscheidene wonden
toebrengen kon. Het hierdoor verzwakte dier liet zijne slachtoffers
varen en nam de vlucht. Dit is het eenige, mij bekende voorbeeld van
een aanval van de Anakonda op een mensch." Hoogst waarschijnlijk
was het de bedoeling van de Slang de Eend te grijpen en niet de
Indiaan, waarop zij, door roofzucht verblind, aanviel. Ik acht het
echter niet onmogelijk, dat er ook voorvallen te noemen zijn, die de
tegenovergestelde meening wettigen.

Wanneer het water, waarin de Anakonda verblijf houdt, uitdroogt,
begraaft hij zich onder het slijk en gaat in een toestand van
verstijving over. De eerste natuuronderzoeker, die van dit feit
melding maakte, was Humboldt. "Dikwijls," zegt hij, "vinden de
Indianen kolossaal groote Reuzenslangen in dezen toestand, die zij,
naar verhaald wordt, door plagerij of begieting met water trachten te
wekken." Zulk een winterslaap komt trouwens slechts in sommige deelen
van Zuid-Amerika voor, niet in die streken, welke zoomin door koude
als door onverdragelijke hitte en droogte voor verscheidene Reptiliën
tijdelijk onbewoonbaar worden.

Schomburgk zegt, dat de jongen van de Anakonda reeds in den eileider
de eischaal verlaten en dat hun aantal dikwijls ongeveer honderd
bedraagt. Kappler vond in het lichaam van de door hem gedoode Anakonda
"78 vliezige, 6 duim. (ruim 12 cM.) lange blazen; elke blaas bevatte
een Slang van 1 1/2 voet lengte en ter dikte van eens menschen
duim." Het schijnt, dat de jongen zich onmiddellijk na de geboorte
te water begeven, maar toch nog langen tijd gezellig bijeenblijven en
op de boomen van den naburigen oever gemeenschappelijk verblijf houden.

Het dooden van het groote exemplaar, welks afmetingen hierboven
opgegeven zijn, wordt door Kappler op de volgende wijze beschreven:
"Toen ik in November 1818 in een groot vaartuig, waarmede wij
het drinkwater hadden gehaald, dat voor de bezetting van den post
Nickerie noodig was, naar dezen post terugvoer, vestigden de roeiers
mijn aandacht op een groote Slang, die op den oever lag. Ik zag
aanvankelijk niets anders dan een met modder en aangespoelde bladen
bedekte verhevenheid; eerst toen de stuurman er met den roeiriem
in stak, kon men de gevlekte huid van het dier onderscheiden. Een
stoot, zoo krachtig als die, welke het dier ontving, zou voldoende
zijn geweest om een mensch de ribben te breken; het monster scheen
er niets van gevoeld te hebben. Eerst toen ik het een schot lichten
hagel toezond, hief het den kop, die in het midden van de tot een
kegel opeengestapelde spiraalwindingen gelegen was, een weinig op,
maar liet hem dadelijk weer zakken. Wij lagen vlak bij den wal en
waren slechts ongeveer 6 voet van de Slang verwijderd, toen ik voor
de tweede maal vuurde. Nu echter schoot de Slang, met een snelheid,
die men van zulk een traag dier niet verwacht zou hebben, wel 12
voet omhoog en met opengesperden muil op mij toe, waardoor wij van
top tot teen met modder bespat werden. De aanval kwam zoo onverwacht,
dat ik hals over kop in het vaartuig tuimelde. De stuurman, een neger
zoo sterk als een boom, verweerde zich met een roeiriem; het woedende
dier kronkelde zich om dit wapen en beet in het harde hout. Ik was
intusschen van den schrik bekomen, had mijn geweer opnieuw geladen,
schoot de Slang in den kop en doodde haar onmiddellijk. Met vereenigde
krachten trokken wij haar in het vaartuig, waar ik, omdat de negers
het dier anders niet medenemen wilden, wel genoodzaakt was het den
kop en den staart af te houwen en deze in 't water te werpen."

De Anakonda wordt zonder genade gedood, waar men haar ontmoet. Haar
groote, dikke huid wordt gelooid en dient dan ter vervaardiging van
paardedekken, laarzen en mantelzakken. Het witte vet, waarvan het
dier in bepaalde tijden van 't jaar een groote hoeveelheid bevat,
wordt veelvuldig gebruikt; de Botokoeden eten het vleesch, wanneer
het toeval hun zulk een dier in de handen voert.

In beestenspellen of in diergaarden ziet men levende Anakondas even
dikwijls als Afgodslangen.



Aan haar zijdelings samengedrukt lichaam danken vier soorten van
Reuzenslangen den naam Zwaardboa's (Xiphosoma); haar kenmerkt de
diepe groeve, die op ieder lipschild voorkomt.

De Hondskopslang (Xiphosoma canina) kan een lengte van 3 à 4
M. bereiken; exemplaren van deze grootte zijn echter zeldzaam. De
bovendeelen hebben een fraaie, bladgroene kleur, die op het midden een
donkerder tint vertoont, op de zijden met sterk in 't oog vallende,
zuiver witte dubbelvlekken of halve ringen geteekend is en op de
onderdeelen in geelachtig groen overgaat. Het veelvuldigst schijnt zij
te zijn in het gebied van den Amazonenstroom; noordwaarts is zij tot
in Guyana, zuidwaarts over het noorden van Brazilië verbreid. Haar
levenswijze komt vermoedelijk overeen met die van de in Suriname
algemeene, lichtbruine, donkerbruin gevlekte Tuin-boa (Xiphosoma
hortulana), welke zich op boomen, zelfs van plantsoenen, ophoudt en
voornamelijk jacht maakt op Vogels. Van de Hondskopslang werd echter
ook opgemerkt, dat zij uitmuntend zwemt, niet slechts in zoetwater,
maar ook in de zee. Zoo ontmoette Von Spix er een, die over de Rio
Negro zwom; een zeeofficier verzekerde aan Duméril, dat hij een Slang
van deze soort op de reede van Rio de Janeiro had zien zwemmen.



De Glimslangen (Ilysidae) herinneren door haar vorm aan de
Wormslangen; haar kop is klein en afgerond; de grens tusschen kop
en romp is uitwendig nagenoeg onmerkbaar; de staart is kort en
eindigt in een stompe spits; de mondopening is nauw, de bek (ook
het tusschenkaaksbeen) met stevige, onderling gelijke grijptanden
gewapend. De kleine oogen hebben een ronde pupil. Evenals bij de vorige
familie, zijn ook bij deze kleine, uitwendig zichtbare overblijfselen
van achterste ledematen aanwezig. Hare schubben zijn groot en glad.



Een van de veelvuldigst voorkomende leden dezer kleine familie is
de Koraalroode Rolslang (Ilysia scytale). Zij heeft een prachtige,
koraalroode kleur, waarop een groot aantal, langs den rand getande,
zwarte ringen of ringvormige dwarsstreepen zeer goed uitkomen. Haar
lengte bedraagt 60 à 70 cM.

Dit in Suriname menigvuldig voorkomend slangetje is langzaam van
beweging, verwijdert zich nooit ver van haar schuilplaats, die het
onder wortels van oude boomen, in gaten van den grond en dergelijke
holen vindt. Het maakt jacht op kleine Kruipende Dieren, o.a. op
Wormslangen, en brengt jongen ter wereld, die de eischaal reeds
verbroken hebben.

Men moet dit dier levend gezien hebben om in te kunnen stemmen met
de bewondering door zijn prachtige kleur gewekt; bij de in spiritus
geconserveerde exemplaren is zij verbleekt.



De Cilinderslangen (Cylindrophis) verschillen van de Rolslangen
door het gemis van tanden in het tusschenkaaksbeen en doordat de
lichaamshuid zich niet over hare oogen uitstrekt.

Gewoonlijk wordt de Roode Slang, de Oelar-riboe der Maleiers
(Cylindrophis rufa), als voorbeeld van dit geslacht gekozen. Deze van
Birma tot Cochin-China over het Maleische Schiereiland en den geheelen
Oost-Indischen archipel verbreide, vooral op Java veelvuldige, 78 à
83 cM. lange Glimslang heeft een bruine of zwarte kleur. Een band
om den hals is, evenals de onderzijde van den staart, koraalrood;
overigens is de onderzijde wit met onregelmatige, zwarte dwarsbanden.

De leden van dit geslacht leven onderaardsch, graven gangen, komen
slechts nu en dan aan de oppervlakte en voeden zich met Insecten,
Wormen en Wormslangen. Ook zij brengen hunne jongen levend ter wereld.



Linnaeus verdeelde alle hem bekende Slangen over de geslachten Boa,
Coluber en Crotalus; tot het eerste bracht hij de Reuzenslangen, tot
het derde de Adders en de Ratelslangen, tot het tweede de overige
Slangen. Onze indeeling komt in vele opzichten met die van den
grondlegger der wetenschappelijke dierkunde overeen; wij vereenigen
in één familie (Colubridae) alle Echte Slangen, de vergiftige zoowel
als de onschadelijke.

Een volle eeuw is noodig geweest om de natuuronderzoekers tot
het inzicht te voeren, dat een rangschikking, waarbij in de eerste
plaats gelet wordt op de giftigheid of onschadelijkheid der Slangen,
onnatuurlijk en onwetenschappelijk is. Een consequente toepassing
van dit middel tot indeeling is trouwens niet mogelijk, daar er vele
overgangsvormen bestaan, Slangen over welker giftige eigenschappen
men in het onzekere verkeert. Alle Groeftandigen n.l. komen wel is
waar door den bouw van haar lichaam met de Gladtandigen overeen, maar
gelijken door het maaksel en de verrichtingen harer tanden in zoover op
de Echte Gifslangen, dat de door haar toegebrachte wonden voor kleine
dieren bepaald doodelijk, voor menschen en groote Zoogdieren echter
niet gevaarlijk zijn. De gegroefde tanden verschillen van de doorboorde
alleen door hun minder ver voortgeschreden ontwikkeling en de hieruit
voortvloeiende geringere geschiktheid voor het vergiftigen van de
prooi. Van beide is de grondvorm volkomen gelijk; zij volgen denzelfden
ontwikkelingsgang; hun werking berust op hetzelfde beginsel. Ook aan
de zoogenaamde gifklier kunnen wij als klassificatie-kenmerk geen
waarde toekennen, nu het gebleken is, dat de gifklier van de Adder
en de achterste bovenlipklier van de Ringslang en hare verwanten,
wat plaatsing en bouw betreft, overeenstemmen.

Om een gemakkelijk overzicht te geven van de familie der Colubriden,
die alle overige familiën van Slangen in omvang verre overtreft en de
kern van de geheele onderorde uitmaakt, verdeelen wij haar in drie
onderling evenwijdige reeksen: de Gladtandigen, de Groeftandigen
en de Giftandigen. De Gladtandigen (Aglypha) hebben slechts één
soort van tanden, die zoomin een groeve vertoonen, als een kanaal
bevatten. Bij de Groeftandigen (Opisthoglypha) is minstens één van de
achterste bovenkaakstanden aan de voorzijde met een overlangsche groeve
voorzien; zij mogen als "verdachte" Slangen aangemerkt worden; van
eenige leden dezer groep is het reeds gebleken, dat zij in geringe
mate vergiftig zijn. Van de Giftandigen (Proteroglypha) hebben de
voorste bovenkaakstanden een gifgroeve of gifkanaal; alle hiertoe
behoorende Slangen zijn giftig; haar beet is meestal ook voor den
mensch gevaarlijk. Bij vergelijking van deze drie reeksen, valt
een merkwaardige overeenstemming tusschen de haar samenstellende
geslachten in 't oog, zoodat men deze in iedere reeks naar de
levenswijze harer leden splitsen kan in een groep van landbewoners
en een van waterdieren; deze groepen worden voor 't meerendeel als
onderfamiliën beschouwd.



De Gladtandigen, die gezamenlijk één onderfamilie uitmaken
(Colubrinae), kenmerken zich door een slanken romp, die in alle
richtingen even buigzaam is, een meer of minder duidelijk begrensden,
kleinen, langwerpigen, goed gevormden kop en een spits eindigenden
staart; de buitenste laag van de opperhuid bestaat uit gladde
of gekielde schubben, die dakpansgewijs de rugzijde van den romp
bedekken, en uit groote schilden aan de buikzijde. Boven vele andere
Slangen munten zij uit door vlugheid en opgewektheid. Men merkt bij
haar een voor dit slag van dieren betrekkelijk groote schranderheid
op. Misschien mag men haar in dit opzicht den hoogsten rang in de
onderorde toekennen; in alle gevallen behoeven zij bij de Reuzenslangen
niet veel achter te staan.

De leden dezer onderfamilie, die een duizendtal soorten omvat, zijn
over de geheele wereld verbreid, daar zij, hoewel in geringen getale,
zelfs dicht bij den poolcirkel gevonden worden en ook in Australië,
met inbegrip van de eilanden in den Stillen Oceaan, althans door
eenige soorten vertegenwoordigd zijn. Hunne verblijfplaatsen zijn zeer
verschillend. Vele soorten houden van vochtige streken en van water,
andere daarentegen geven aan droge terreinen de voorkeur. De meeste
zijn, zooals hun ronde pupil reeds doet vermoeden, hoofdzakelijk
dagdieren, die zich, als de nacht aanbreekt, naar hunne schuilplaatsen
begeven. Niet weinige echter gaan in de schemering op roof uit, of
zoeken, hiertoe in staat gesteld door hun spleetvormige, verticale
pupil, de hun tot voedsel dienende Hagedissen, gedurende den nacht
in hare schuilhoeken op. Tusschen vele soorten bestaat een niet
onbelangrijk verschil in levenswijze, zooals reeds af te leiden valt
uit de ongelijkheid van de terreinen, waarop zij jagen; ook zij hebben
echter vele eigenaardigheden gemeen. Zij kunnen zich op verschillende
wijzen flink bewegen; betrekkelijk snel kronkelen zij zich over den
bodem voort; alle kunnen zwemmen, sommige zelfs merkwaardig vlug;
ook in 't klimmen zijn zij meer of minder goed ervaren, enkele doen
dit zelfs uitmuntend.

De Gladtandigen voeden zich hoofdzakelijk met kleine vertegenwoordigers
van alle klassen van Gewervelde Dieren. Vooral de Reptiliën en
Amphibiën verschaffen haar een buit; enkele maken ook jacht op kleine
Zoogdieren, andere op Vogeltjes; verscheidene houden zich ijverig
met de vischvangst bezig en kunnen betrekkelijk groote exemplaren
overmeesteren. Sommige kleine soorten verslinden Wormen en Insecten,
de volwassen dieren zoowel als de larven.

In de koudste gedeelten van haar verbreidingsgebied zoeken de
Gladtandigen in 't najaar hare winterkwartieren op, vervallen hier in
een toestand van verstijving en komen eerst nadat de lente werkelijk
aangevangen is, weer voor den dag, vervellen en wijden zich daarna aan
de voortplanting. Het wijfje legt hare 10 à 30 eieren op vochtige,
warme plaatsen; de zon brengt de kiemen tot ontwikkeling; soms zijn
deze in 't lichaam van de moeder zoo ver gevorderd, dat de jongen
onmiddellijk vóór of kort na het leggen de eischaal verbreken en dus
levend geboren worden. In den eersten tijd van hun leven voeden deze
zich met kleine, tot verschillende klassen behoorende, ongewervelde
dieren, maar volgen weldra de levenswijze hunner ouders.

De Gladtandigen verschaffen den mensch geen voordeel, eerder nog
schade; ieder, die deze dieren gespaard wil hebben, mag niet uit het
oog verliezen, dat voor het aanprijzen van zulk een maatregel een
nauwkeurige bekendheid met de bedoelde soort een volstrekt vereischte
is. Vele soorten houden zich in de gevangenschap jaren lang goed, nemen
zonder aarzeling de gevangeniskost in ontvangst, geraken langzamerhand
aan hare verzorgers gewoon en kunnen zelfs eenigermate getemd worden.



De Glansslangen (Coronella) zijn betrekkelijk kleine of middelmatig
groote Gladtandigen met een krachtigen, eenigszins gedrongen,
rolvormigen, in het midden niet samengedrukten romp en middelmatig
langen staart; de korte, tamelijk platte kop eindigt in een afgeronden
snuit en is van achteren niet scherp begrensd; de tamelijk kleine
oogen hebben een ronde pupil.



In geheel Europa, van 't noorden van Noorwegen tot aan het zuiden,
ontmoet men op geschikte plaatsen, hier en daar zeer overvloedig de
Gladde Slang (Coronella austriaca, C. laevis), een van de sierlijkste,
flinkste Slangen van ons vaderland. Haar lengte bedraagt hoogstens
65 cM., waarvan 10 cM. op den staart komen. De grondkleur van de
bovenzijde is gewoonlijk bruin; de teekening bestaat uit een groote,
donkere vlek in den nek, die dikwijls van achteren in breede strepen
uitloopt, en uit twee reeksen van donkerbruine, soms paarsgewijs
verbonden vlekken bij het midden van den rug; een donkerbruine streep
is door het oog gericht en loopt langs de zijde van den hals naar
beneden. De onderdeelen zijn staalkleurig blauw of geelachtig rood
en witachtig; dikwijls komen ook hier donkere vlekken voor. Evenals
bij de meeste Slangen vertoonen de kleur en de teekening menigvuldige
afwijkingen; de kleur van de variëteiten, die men heeft leeren kennen,
wisselt af van grijs tot roodbruin.

Van de Adder, waarmede de Gladde Slang door onkundigen zoo dikwijls
verward wordt, is zij op het eerste gezicht te onderscheiden. Hare
schubben zijn glad en glanzig zonder eenig spoor van een overlangsche
kiel op het midden; bij de Adder zijn zij gekield. Haar kop is
zeer regelmatig met groote schilden bekleed; bij de Adder zijn de
kopschilden klein en zeer onregelmatig van vorm en schikking. Het
aarsschild is in het midden gespleten, bij de Adder onverdeeld. De
pupil is rond en niet, zooals bij de Adder, een vertikale spleet.

Hier te lande wordt de Gladde Slang op diluviale zandgronden
gevonden. In Noorwegen en Zweden komt zij, evenals alle leden harer
orde, uitsluitend op buitengewoon gunstig gelegen plaatsen en ook hier
in geringen getale voor; in het zuiden van Engeland ontmoet men haar
slechts op kalksteengebergten, waar de Hagedissen veelvuldig zijn;
in Duitschland is zij niet zeldzaam in de Hartz en het Thuringer Woud,
en evenmin in de verder zuidwaarts gelegen middelgebergten; hetzelfde
geldt van Oostenrijk, vooral van de Alpenstreken. Noord-Griekenland,
Italië, Noord-Frankrijk, Noord-Spanje en Portugal bewoont zij eveneens,
bovendien Koerland, Lijfland en Polen en bijna alle gouvernementen
van het midden en zuiden van Rusland. In de Duitsche Alpen vindt men
haar nog op een hoogte van 1200 M.

Zij vestigt haar verblijf op droge terreinen, zonnige, steenachtige
hellingen, verlaten steengroeven, bergterrassen, glooiingen, die met
dicht struikgewas begroeid zijn; bij uitzondering komt zij ook wel eens
in het laagland op veengrond voor. Volgens Lenz kruipt zij veel vaker
dan de Adder of de Ringslang onder gladde steenen; soms verschuilt
zij zich zoo onder het mos, dat alleen haar kopje er boven uitsteekt.

Over den aard van de Gladde Slang zijn de meeningen der waarnemers
verdeeld. Eenigen noemen haar zachtzinnig en goedaardig, terwijl
anderen juist het tegendeel beweren. "Dit opvliegend en boosaardig
diertje," zegt Lenz, "bijt niet slechts kort na de vangst vol woede om
zich heen, maar doet dit soms nog verscheidene weken, ja zelfs maanden
daarna. Als men haar een handschoen, een slip van een jas of zoo iets
voorhoudt, slaat zij er in den regel hare tandjes zoo stevig in, dat
zij wel eens 8 minuten of langer aan het voorwerp blijft hangen. Deze
tandjes zijn zoo klein en verheffen zich zoo weinig boven het weeke
tandvleesch, dat men ze bij levende exemplaren bijna niet zien kan;
toch haken hunne scherpe puntjes zich onmiddellijk vast. Hoewel de
Slang licht zoo toornig wordt, dat zij zich zelf, hare soortgenooten,
andere Slangen, enz. bijt, beproeft zij hare tanden niet gaarne
op steenen, ijzer of dergelijke voorwerpen. Als zij geplaagd wordt,
stelt zij zich bijna te weer als een Adder, kronkelt zich ineen, buigt
den hals terug, verbreedt den achterkop en spert bij 't bijten den
bek zoo wijd mogelijk open." Deze bewijzen van boosaardigheid hebben
haar een slechten naam verschaft; zij wordt voor vergiftig gehouden
en zeer gevreesd; inderdaad zou men haar in een dergelijk oogenblik
van drift licht voor een wijfjes-adder kunnen aanzien. De Gladde
Slang is echter niet altijd zoo slecht geluimd. "Soms," zegt Lenz,
"vooral bij nat en koud weder, laat zij zich vangen zonder tegenstand
te bieden; meestal echter tracht zij vlug te ontsnappen en beweegt
zich zeer flink, in allen gevalle veel behendiger dan de Adder en
de Ringslang; op den vlakken bodem kan men haar echter gemakkelijk
inhalen. Wanneer men haar bij de punt van den staart vasthoudt,
kan zij zeer gemakkelijk den kop tot aan de hand opheffen."

Soms ontmoet men haar met andere Slangen, b.v. met Ringslangen,
minder dikwijls met Adders, in denzelfden schuilhoek; ook in de
gevangenschap leeft zij geruimen tijd in vrede met deze dieren; de
goede verstandhouding wordt echter licht verstoord, vooral wanneer
de honger in 't spel komt. Aan de Kleine Hagedis geeft zij de
voorkeur boven iedere andere prooi; ook andere Hagedissen en kleine
Slangen vallen haar niet zelden ten buit; zelfs verslindt zij jonge
Adders, zonder zich aan hare giftanden te storen. De Gladde Slang is
levendbarend, d.w.z., uit de eieren, die in het laatst van Augustus
of het begin van September rijp zijn, komen onmiddellijk na het leggen
3 à 12 jongen te voorschijn; deze zijn 15 cM. lang en zoo dik als een
potlood, trachten bij gunstige weersgesteldheid nog eenig voedsel te
verkrijgen, maar verbergen zich weldra in een schuilhoek, waar zij
geen hinder hebben van de winterkoude.

In de gevangenschap wordt de Gladde Slang in den regel reeds na weinige
dagen zoo tam, dat zij haar verzorger niet meer bijt, als deze haar
in de hand neemt of tegen zijn lichaam houdt om haar te verwarmen;
enkele exemplaren echter blijven, zooals reeds opgemerkt werd,
geruimen tijd ongenegen om met haar verzorger vriendschappelijk om te
gaan. Aanvankelijk bijten alle; ofschoon zij met hare kaken slechts
een geringe drukking kunnen uitoefenen, dringen de scherpe tandjes
toch ver genoeg in en door de huid om bloeding te veroorzaken. Men
kan er echter staat op maken, dat zij, de eene vroeger, de andere
later, de lust om te bijten verliezen. Een andere goede eigenschap
van deze fraaie, vlugge en bevallige diertjes is, dat zij zeer goed
de gevangenschap verdragen, wanneer men ze behoorlijk verzorgt.



Bij de Bijtslangen (Zamenis) overtreffen de beide achterste
bovenkaakstanden de overige in lengte en zijn van deze door een
iets grootere tusschenruimte gescheiden; overigens gelijken zij
veel op de Gladde Slang. Dit geslacht wordt in Zuid-Europa door
verscheidene soorten vertegenwoordigd. Van de veelvuldigst voorkomende
soort--de Pijlslang (Zamenis acontistes)--kent men twee standvastige
verscheidenheden, die vroeger als soorten werden beschouwd. De eene--de
Geelgroene Pijlslang (Zamenis gemonensis)--bewoont het westelijke,
de andere--de Balkanslang (Zamenis trabalis)--het oostelijke deel
van het verbreidingsgebied der soort.



De geelgroene Pijlslang wordt, naar 't schijnt, hoogstens 1.9
M. lang, maar is gewoonlijk kleiner. De kop en de nek vertoonen op
grijsgelen, de rug en de staart op groenachtigen grond onregelmatige,
de onderdeelen op gelen grond regelmatigere, zwarte dwarsbanden; op
het achterste deel van het lichaam wordt deze uit vlekken bestaande
teekening door fijne, overlangsche strepen vervangen, die zich
onderling evenwijdig tot aan de spits van den staart uitstrekken. Bij
andere exemplaren heeft op de bovendeelen (in plaats van de groene)
een fraaie, groengele kleur de overhand, de onderdeelen zijn dan
kanariegeel. Bij nog andere is de bovenzijde olijfbruin en ongevlekt,
bij één variëteit (carbonaria) bijna geheel zwart, de buik grijs,
de geheele onderzijde, evenals de flanken, met staalblauwen glans.

De Balkanslang, die 2.3 M. lang wordt, is van boven op blauwachtig
of bruinachtig grijzen grond met vele, meer of minder duidelijke,
overlangsche strepen geteekend. De bovenzijde van den kop is
steeds bruinachtig en met gele en zwartachtige strepen en stippels
gemarmerd. De bovenlipschilden en de schilden voor en achter de oogen
zijn altijd licht van kleur, bruinachtig of geel, de eerstgenoemde met
smalle, donkere randen gezoomd; de onderdeelen zijn effen bruinachtig
geel of steenrood, een deel van den achterrand der buikschilden aan
de voorste helft van den romp is bij enkele exemplaren zwart gezoomd;
de schilden zelve zijn bovendien met grijze, nevelachtige vlekken
geteekend.



De Geelgroene Bijtslang is, van Hongarije te beginnen, westwaarts
over alle kustlanden van de Middellandsche Zee verbreid, alleen
in Frankrijk dringt zij tot benoorden de Alpen door. In Kroatië,
Krain, Zuid-Karinthië en Zuid-Tirol komt zij veelvuldig, in het
zuiden van Zwitserland daarentegen zelden voor; in vele gewesten
van Zuid-Frankrijk is zij niet ongemeen. In Italië ontmoet men haar
overal, in de omstreken van Rome zeer veelvuldig. Ten oosten van
Hongarije treedt de Balkanslang in haar plaats; deze is van hier
over geheel Zuid-Rusland, voorts van Griekenland over Klein-Azië,
Syrië en Perzië verbreid.

Al naar het door haar bewoonde terrein houdt de Geelgroene Bijtslang
zich op in struiken of langs omheiningen en wegen, in oude muren en in
steenhoopen, zoowel in vlakke als in heuvelachtige gewesten; bovendien
klimt zij in de boomen. Haar voedsel bestaat uit Hagedissen en Muizen,
waarschijnlijk echter ook uit andere Slangen, daar deze, naar bij
gevangen exemplaren gebleken is, door haar aangevallen worden. In allen
gevalle houdt zij, naar 't schijnt, meer van Reptiliën dan van Muizen.

Te recht beschouwt men haar als een van de bijtlustigste en
beweeglijkste der onschadelijke Europeesche Slangen. De geelgroene
verscheidenheid tracht steeds den persoon, die haar wil vangen, te
bijten. Hoewel de grootere Balkanslang bij de nadering van een mensch
gewoonlijk vlucht, is zij zelfs voor een Paard en diens berijder niet
bang; wanneer een ruiter haar onverhoeds aanvalt, aanvaardt zij zonder
aarzeling den strijd. Naar Pallas bericht, rolt zij zich in dit geval
tot een schijfvormige spiraal op, laat den tegenpartij tot op korten
afstand naderen en steekt dan plotseling den kop uit om te bijten,
soms klemt zij zich met de tanden aan de lippen der Paarden vast. Niet
te verwonderen is het daarom, dat deze dieren overal gevreesd worden.

Wegens haar neiging tot bijten kan men de Bijtslang niet gemakkelijk
levend vangen. Erber noemt haar bovendien listig en voorzichtig en
geeft deze eigenschap op als een van de redenen, waarom men haar
zoo zelden vangt. Hij zegt, dat de gevangen exemplaren altijd schuw
blijven.



De Panterslang (Ptyas pantherinus), die het Amerikaansche geslacht
der Renslangen vertegenwoordigt, bereikt een lengte van ongeveer
2 M. en kenmerkt zich door een weinig varieerende teekening. Bleek
vaalgeelachtig grijs is haar grondkleur; drie donkere dwarsbanden staan
op den voorkop, twee breede, overlangsche strepen op den achterkop en
den nek; de teekening van den rug bestaat uit een reeks van groote,
grijsbruine vlekken met zwarten rand; op den hals zijn zij ruitvormig,
overigens onregelmatig en ieder met twee zijdevlekken verbonden;
de geelachtig witte schilden van de kaakranden zijn zwart gezoomd;
een zwartbruine streep loopt achter ieder oog naar den mondhoek.

De Panterslang bewoont Guyana benevens de tropische en gematigde
gewesten van Brazilië tot Rio Grande do Sul. Zij houdt zich bij
voorkeur op in moerassen en drassige, met struiken begroeide
vlakten. Zij beweegt zich met matige snelheid en is op verre na
niet zoo behendig als andere soorten. Het kost daarom geen moeite
haar tot op korten afstand te naderen; zelfs dan geeft zij nagenoeg
geen blijken van onrust. Haar voedsel bestaat uit Padden en Vorschen;
naar het schijnt, komt haar levenswijze dus in hoofdzaak overeen met
die van onze Ringslang.



Tot hetzelfde geslacht rekent men de Zwarte Slang (Ptyas constrictor);
deze in de zuidelijke helft der Vereenigde Staten algemeen bekende
soort wordt 2 M. lang en dankt haar naam aan de blauwglanzige, zwarte
kleur der bovendeelen, die op de onderzijde in licht aschgrauw en op
de borst in witachtig grijs overgaat.

Ook zij geeft de voorkeur aan waterrijke oorden en houdt zich gaarne
op aan de oevers van stroomen, vijvers of meren, vooral daar, waar
het struikgewas meer of minder direct in het water groeit; soms
echter onderneemt zij reizen over het droge land en wordt bij deze
gelegenheid op de meest verschillende terreinen waargenomen. Naar
bericht wordt, munt zij boven al hare verwanten uit door geschiktheid
tot beweging. Zij kronkelt zich even behendig over moerassige, als
over droge en steenachtige terreinen, klimt zeer goed en beweegt
zich daarom gaarne op de takken van struiken en boomen; bovendien
is zij in het zwemmen en duiken zeer ervaren. Haar voedsel bestaat
uit Visschen, Amphibiën, Slangen, Vogels en kleine Zoogdieren; zij
maakt vooral jacht op jonge Ratelslangen en ook op Muizen en Ratten,
maar plundert tevens vele nesten van nuttige Vogels. In sommige
gewesten wordt zij beschouwd als een der werkzaamste verdelgers van
hare gevreesde verwanten, vooral van jonge Ratelslangen. Hoewel men
haar om deze reden nuttig acht, wordt zij op vele plaatsen niet gaarne
gezien, omdat haar roofzucht tamme Vogels niet verschoont, hier en daar
zelfs gevreesd, omdat zij, naar men zegt, buitengewoon strijdvaardig
is. Of zij, zooals men beweert, hierdoor voor menschen lastig wordt,
zullen wij in 't midden laten; dat zij den naam "Renslang" terecht
draagt, wegens de snelheid, waarmede zij zich op haar prooi werpt,
is wel mogelijk.

De Zwarte Slang schikt zich even goed in de gevangenschap als eenige
andere soort van haar familie en kan bij behoorlijke verzorging jaren
lang in 't leven blijven. Met andere Slangen houdt zij geen vrede;
op kleinere dieren past zij zonder eenig zelfbedwang het recht van
den sterkste toe, o. a. door nu en dan een van hare medegevangenen
te dooden en te verslinden.



De Klimslangen of Landslangen i. e. z. (Coluber) hebben een
langen, zijdelings sterk samengedrukten romp; de grens tusschen
den langwerpigen kop en den hals is duidelijk waarneembaar. Het
middelmatig groote oog heeft een ronde pupil. Dit soortenrijke geslacht
is over het grootste deel van Europa, Azië, Noord-Amerika en tropisch
Zuid-Amerika verbreid; het bestaat uit stevige, krachtige dieren,
die niet zoozeer op den grond als wel in boomen en struiken leven
en zich hoofdzakelijk voeden met kleine Zoogdieren en Vogels. Vele
houden zich gaarne in de nabijheid van water op en zwemmen uitmuntend.



Asklepios, de god van de geneeskunde, draagt, zooals men weet, ten
teeken van zijn werkzaamheid, een staf in den hand, die door een Slang
omstrengeld wordt. Welke soort de oude Grieken en Romeinen hiermede
bedoeld hebben, valt thans niet meer uit te maken; tamelijk algemeen
neemt men echter aan, dat het bedoelde dier een vertegenwoordiger van
het geslacht der Klimslangen is geweest en dat de Romeinen er veel toe
bijgedragen hebben om het te verbreiden. Dit zou de reden zijn van de
aanwezigheid van de Esculapius-slang in de nabijheid van badplaatsen
van landen, waar men deze soort overigens niet aantreft. Zoo ontmoet
men haar in Duitschland bij Schlangenbad, in Oostenrijk bij Baden
in de buurt van Weenen, in de Zwitsersche kantons Tessino en Wallis
bijna uitsluitend tusschen de puinhoopen van Romeinsche baden. Het
eigenlijke vaderland van deze Slang is Zuid-Europa, van de Pyreneën
tot aan den westelijken oever van de Kaspische Zee.

De Esculapius-slang, Geelachtige of Schlangenbader Slang (Coluber
aesculapius) is gemakkelijk te herkennen aan den kleinen, van
achteren niet duidelijk begrensden kop met afgeronden snuit,
den krachtigen romp, den langen, slanken staart en het eenvoudig
gekleurde kleed, dat aan de buikzijde en op den kop uit regelmatige
schilden, overigens uit gladde (aan de achterste lichaamshelft soms
onduidelijk gekielde) schubben bestaat. De bovendeelen zijn gewoonlijk
bruinachtig grijsgeel, de onderdeelen witachtig; op den achterkop
bevindt zich aan iedere zijde een geelachtige vlek, op den rug en
aan de zijden komen kleine, witachtige, x-vormige stippels voor. De
kleur vertoont trouwens vele afwijkingen: er zijn zeer lichte en bijna
zwarte Esculapius-slangen. Zij kunnen een lengte van 1.5 M. bereiken;
exemplaren van deze grootte ontmoet men echter alleen in Zuid-Europa.

Ieder, die dit dier in de vrije natuur of in gevangenschap heeft
nagegaan, zegt, dat het niet alleen door zijn uiterlijk, maar ook
door zijn aard bevallig is.

In Zuid-Europa houdt het bij voorkeur verblijf op een rotsachtig
of althans steenachtig, schaarsch met struikgewas begroeid terrein
en ontbreekt daarom in streken met een andere grondgesteldheid
dikwijls geheel. Bij Schlangenbad, de eenige woonplaats van dit dier
in Duitschland komt het veelvuldig voor en wordt het meestal op oude
muren aangetroffen. Op den bodem beweegt het zich niet bijzonder vlug
of behendig, misschien zelfs minder snel dan zijne verwanten; des te
beter is het in 't klimmen ervaren. In dit opzicht evenaart het bijna
de Boomslangen, die het grootste deel van haar leven in de boomen
doorbrengen. Gewoonlijk tracht de Esculapius-slang zich bij dunne
boomstammen, die zij omstrengelen kan, omhoog te kronkelen, totdat
zij de takken bereikt heeft, waarlangs en waartusschen zij daarna
haar weg vervolgt. In een dicht woud gaat zij van den eenen boom op
den anderen over en kan zich op deze wijze over een grooten afstand
verplaatsen. Bij een muur klautert zij onbegrijpelijk vlug omhoog,
daar ieder uitsteeksel, hoe klein het ook zij, haar een voldoenden
steun verschaft en zij op een waarlijk kunstige wijze van iedere
oneffenheid van het gesteente partij weet te trekken.

Haar voedsel schijnt hoofdzakelijk uit Muizen te bestaan, bovendien
maakt zij echter jacht op Hagedissen en vangt, als de gelegenheid
gunstig is, Vogels of plundert nesten uit. Toch kan het wel zijn,
dat zij te recht door hare vrienden wegens het verdelgen van Muizen
als zeer nuttig wordt beschouwd.

"Van alle Duitsche Slangen", zegt Linck, "brengt die van
Schlangenbad het geringste aantal nakomelingen voort. Met de
Ringslang is zij de eenige, welker kiemen na het leggen der
eieren nog een ontwikkelingstijdperk van verscheidene weken moeten
doorloopen. Gewoonlijk legt zij omstreeks 5 eieren, meestal in vermolmd
hout, soms ook in een dikke, droge moslaag en laat ze daarna aan hun
lot over. De eieren zijn langwerpig, doch een weinig minder buikig
dan die van Duiven en gelijken eenigszins op mierenpoppen in 't groot".

Geen enkele Duitsche Slang wordt zoo dikwijls gevangen als de
Esculapius-slang. In Schlangenbad is de vangst van dit dier een bron
van inkomsten voor arme lieden. Zij zoeken het op, zoodra het ontwaakt
is uit den winterslaap, temmen het en vermaken er de badgasten mede;
soms verkoopen zij ook wel een enkel exemplaar aan een liefhebber. Als
het badseizoen afgeloopen is, worden de gevangenen weer vrijgelaten,
daar zij in de kooi slechts zelden voedsel gebruiken; in Schlangenbad
althans houdt men het er algemeen voor, dat zij het nooit doen. Erber
verhaalt echter, dat twee Esculapius-slangen, die hij lang in de
kooi hield, gezamenlijk in den loop van een zomer 108 Muizen en 2
Hagedissen verslonden. Een exemplaar, dat 14 maanden achtereen geen
voedsel had gebruikt, intusschen echter geregeld vervelde en ondanks
deze hongerkuur niet merkbaar vermagerde, was ten slotte toch weer aan
't eten geraakt; kort daarna lag het dood in zijn hok; "dit was het
eerste dier van deze soort, dat ik door den dood verloor."

In het eerst is de gevangen Esculapius-slang zeer boosaardig en bijt
vol woede naar de hand van haar meester of naar Muizen, die in haar
hok gebracht worden. Soms duurt haar boosheid lang, of keert terug,
wanneer de schijnbaar getemde Slang in haar behagelijke rust gestoord
of na een langdurig uitstapje weer in haar hok teruggebracht wordt;
na eenige weken echter wordt de gevangene, wanneer men zich veel met
haar bemoeit, zoo tam en goedaardig, dat men werkelijk bij haar van
vriendschap voor haar verzorger kan spreken; nooit tracht zij dezen te
bijten, zelfs wanneer hij haar plaagt. Naar men beweert, keert zij, na
het herkrijgen van haar vrijheid, soms vrijwillig naar haar hok terug.

Van haar bekwaamheid in 't klimmen, lenigheid en neiging om uit haar
kooi te ontsnappen, verhalen Lenz en Linck aardige staaltjes. Linck
kreeg in 't begin van Juni een paar van deze dieren uit Schlangenbad,
nam ze uit de met mos en kruiden goed gevoerde kist en liet ze wegens
dringende bezigheden in een groote, goed gesloten kamer aan hun lot
over. Na verloop van een uur keerde hij naar zijne gasten terug,
maar vond ze niet meer. Alle hoeken werden doorzocht, alle mogelijke
schuilplaatsen doorsnuffeld,--vergeefsche moeite! Eindelijk ontdekte
hij het mannetje 3 M. boven den grond lang uitgestrekt op een stok
van een gordijn, in welks plooien hij zich van den grond af omhoog
heeft moeten werken; van hier keek hij rustig neer op wat er onder
hem voorviel. Naar het nog ontbrekende wijfje werd verder gezocht,
wederom lang vruchteloos, totdat eindelijk aan de zitting van een
stoel een onbeduidende beweging werd opgemerkt. Bij het omkeeren
van dit meubel zag men de vluchtelinge, die zich om de springveeren
van de zitting had gekronkeld en vast besloten was om zich in den
veroverden schuilhoek te handhaven, zooals uit verscheidene pogingen
om te bijten bleek. Het kostte veel moeite het dier los te wikkelen.



De Gestreepte Slang (Coluber quaterradiatus), een van de grootste
Europeesche Slangen, bereikt een lengte van 1.8 à 2 M. Van boven is
zij op olijfbruinachtigen, naar vleeschkleur zweemenden grond, aan
weerszijden met twee zwartbruine, overlangsche strepen geteekend,
van onderen daarentegen eenvoudig stroogeel. Van 't oog naar den
mondhoek loopt een zwarte streep. Van deze kleursverdeeling komen vele
afwijkingen voor. Erber ving enkele zuiver zwarte exemplaren. Andere
onderzoekers merkten op, dat de jongen regelmatige, zwarte dwarsstrepen
op den kop, aan de bovenzijde van den romp echter drie reeksen van
groote, bruine vlekken hebben, aan de zijden eveneens gevlekt zijn en
aan de onderzijde zwartachtig staalgrijze, vierkante velden vertoonen.

Het verbreidingsgebied van de Gestreepte Slang omvat een deel van
Zuid- en Zuidoost-Europa, het strekt zich van Onder-Italië en Dalmatië
minstens tot aan het binnenland van Klein-Azië uit. Behalve misschien
in de omstreken van Napels en op eenige Grieksche eilanden is deze
soort nergens veelvuldig; ongetwijfeld komt dit van de voortdurende
vervolging, die zij in de meeste landen te verduren heeft.

Volgens alle onderzoekers is zij een onschadelijk en zeer nuttig
dier; zelfs wanneer men haar vangt, bijt zij niet; in zeer korten
tijd geraakt zij aan haar verzorger gewoon. Verdienstelijk maakt
zij zich door het verslinden van Ratten, Muizen en kleine Slangen,
daarentegen vormen ook de nuttige Mollen, kleine Vogels en Hagedissen
een deel van haar buit. Erber zag een Gestreepte Slang achtereenvolgens
zeven kippeneieren uit een nest halen; nadat zij deze in hun geheel
verzwolgen had, brak zij ze, door haar lichaam tegen een boompje
te drukken. Toen hij daarna de Slang gevangen en in zijn stevig
dichtgeknoopten rokzak geborgen had, wreekte zij zich over het verlies
van haar vrijheid door het uitspuwen van de geheele eierenstruif.



Terwijl de tot dusver genoemde Colubriden zich slechts tijdelijk
in de boomen begeven om er voedsel te zoeken, zijn de Woudslangen
(Herpetodryas) reeds nagenoeg volslagen boomdieren. Hare oogen zijn
grooter dan die van de Klimslangen, dikwijls zeer groot, haar romp
is een weinig sterker zijdelings samengedrukt. Olijfgroene kleuren
hebben bij haar de overhand.



In de wouden van geheel Brazilië, Guyana en Venezuela en ook op
de Kleine Antillen leeft een tot dit geslacht behoorende soort, de
Sipo (Herpetodryas carinatus), die 2.3 M. lang wordt en een prachtig
voorkomen heeft. Volgens de beschrijving van den Prins Von Wied hebben
de bovendeelen een fraaie, zachte, meer of minder donkere, geelgroene
of olijfgroene kleur, die op den rug een bruinachtige tint vertoont;
de onderdeelen zijn deels groenachtig, deels hooggeel; de eerstgenoemde
kleur heeft gewoonlijk op den buik, de laatstgenoemde aan de onderzijde
van kop, keel, hals en staart de overhand. Tot metaalglanzig bruin
wisselen de tinten van de groen gekleurde lichaamsdeelen af; op het
midden van den rug bevindt zich een lichtere, overlangsche streep,
die dikwijls aan weerszijden door een donkerder rand begrensd wordt.

De Sipo is in Suriname en Brazilië een van de meest gewone Slangen;
zij bewoont vooral het op zandgrond groeiende struikgewas op korten
afstand van de zee. Van zandgrond schijnen deze Slangen veel te houden
en ook van vochtige en moerassige terreinen in de nabijheid van de
zee, die met biezen, riet en andere moerasplanten begroeid zijn en aan
onze weilanden herinneren. Hier vindt men ze veel in kreupelbosschen,
waarvan de recht opschietende, witbloeiende trompetboomen (Tecoma)
en de stijve, breedbladige Clusia's deel uitmaken; gewoonlijk
liggen zij op de bladen of op dikke takken, niet zelden echter op
den grond. Bij de nadering van een mensch vluchten zij zoo snel,
dat men haar ternauwernood volgen kan; het vlugst bewegen zij zich in
't gras, iets langzamer over het naakte zand. De Prins Von Wied vond
den slanken hals van deze Slang dikwijls buitengewoon sterk uitgezet
door de groote Padden, die haar slokdarm vulden; het schijnt, dat
zij zich hoofdzakelijk met Amphibiën voedt.

Men kan de Sipo met de handen grijpen; in tijd van nood stelt zij
zich echter ook tegen menschen te weer, gelijk uit het volgende
jachtavontuur van Schomburgk blijkt: "Op een van mijne jachttochten
zie ik een Slang van 2 M. lengte langzaam op mij afkomen; de
afstand is echter te groot om te onderscheiden, of zij giftig dan
wel onschadelijk is. De beide loopen van mijn geweer zijn geladen;
ik leg aan, schiet en zie het dier met krampachtige kronkelingen
in een kring ronddraaien. Door een gedruisch van vleugelslagen
in de twijgen van den boom, waaronder ik sta, wordt mijn aandacht
afgeleid, ik kijk op en zie twee fraaie, mij onbekende Papegaaien,
die hier in de schaduw hadden gezeten, en, na bekomen te zijn van
den door het schot veroorzaakten schrik, spoedig weer post vatten
op den uitersten top van een twijg. Daar de Slang doodelijk gewond
schijnt, laat ik door het tweede schot van mijn geweer een der beide
Vogels naar beneden tuimelen. Terwijl ik mijn geweer op nieuw laad,
zie ik de Slang met moeite naar een dichten struik kruipen en er
in verdwijnen. Na haar tevergeefs gezocht te hebben met het geladen
geweer in de hand, moest ik wel naderbij komen en voel nu plotseling
tegen den schouder een stoot van het gewonde dier, dat mijn nadering
bemerkt en zich tot een sprong voorbereid had; ik stuif met geweld
achteruit en blijf verstijfd van schrik staan, niet wetend of een
vergiftige Slang mij gewond heeft of niet; ik zie het dier nogmaals
zich gereed maken voor een sprong en voorkom dezen nog te rechter
tijd door een gelukkig schot. Bij nader onderzoek blijkt het, dat
ik in 't geheel niet gewond ben en herken ik mijn woedenden vijand,
niet als een vergiftige Slang, maar als een onschadelijke Sipo."



Het best bewerktuigd voor het leven in de boomen zijn waarschijnlijk
de Boomslangen (Dendrophis), welker langgerekte, dunne romp zijdelings
samengedrukt en dus hoekig is; de buikschilden (die, zooals gewoonlijk,
een enkele reeks vormen) vertoonen aan weerszijden een lijstvormige
verhevenheid of kiel. Daar zij om op haar prooi te loeren, zich
verschuilen tusschen de bladen van de boomen, die haar tot woonplaats
dienen, noemt men ze ook wel Bladslangen. Zij komen veelvuldig voor in
Zuid-Amerika, Middel-Afrika en Oost-Indië, zijn zeldzaam in Australië
en ontbreken geheel in de beide Noordelijke Faunistische Rijken.



Een zeer bekende vertegenwoordiger van dit geslacht is de Glansslang,
de Sjokari van de Hindoes (Dendrophis pictus), een prachtige Boomslang
van 1.14 M. lengte, waarvan niet recht een derde gedeelte op den
staart komt. De kleur van de bovendeelen is glanzig bronskleurig
bruin, welke kleur soms door een gele, overlangsche streep op het
midden van het voorste derde gedeelte van den rug beter uitkomt;
de zijden prijken met een gelen band; de effen gekleurde onderzijde
heeft een min of meer gele of lichtgroene tint.

Deze wijd en zijd verbreide soort komt in geheel Voor- en Achter-Indië
en op alle Indische eilanden voor. Snelleman zegt van haar "wellicht
de meest algemeene soort in Indië en den Archipel" en verder: "Het
fraaist gekleurd zijn voorzeker de Boomslangen; jammer slechts, dat
men haar te midden van zooveel boomen zoo zelden ziet! Haar groene
kleur in allerlei tinten is daaraan ongetwijfeld grootendeels schuld,
maar behalve dat hebben sommige soorten een eigenaardige wijze van
rusten, door namelijk met de punt van den staart een paar malen om een
boomtak geslagen met den kop naar beneden in het gras te hangen. Zulk
een houding is, in een land, waar vele boomen met luchtwortels groeien,
zeer bedriegelijk."

"Tot de Boomslangen behoort de soort of de soorten, die de Maleiers
"Oelar-poenei" noemen, en waarvan zij vertellen, dat zij zich
moeielijk bewegen en meestal opgerold op een boomstam liggen. Zij
zijn onschadelijk, zeggen zij, eten geen Vogels of andere dieren,
maar alleen het voedsel, dat haar gebracht wordt door de Duif, die in
het Maleisch "Poenei" heet en waaraan deze dieren haar inlandschen
naam ontleenen. Het exemplaar, dat men mij bracht, was op een zeer
bijzondere wijze gevangen, n.l. door het een bamboestok voor te houden
en te wachten, tot het dier zijn rustplaats verkoos te verlaten,
om zich om den stok te kronkelen."



De Zwemslangen (Tropidonotus) houden zich bij voorkeur in de nabijheid
van het water op en jagen zoowel in het vochtige element als op het
droge; haar voedsel bestaat grootendeels uit Visschen, Salamanders
en Vorschen; in tegenstelling met verscheidene Glansslangen en
Klimslangen verzwelgen zij haar prooi, zonder deze vooraf dood te
drukken. Haar wetenschappelijken naam danken zij aan de duidelijke
gekielde rugschubben, die elkander dakpansgewijs bedekken. Aan den
ronden, in een tamelijk langen staart eindigenden romp is door een
dunnen hals de platte kop verbonden, welks achterste grens duidelijk
kenbaar is en die zich onderscheidt door den wijdgespleten muil, de
zeer groote of middelmatig groote oogen met ronde pupil, de zijdelings
tusschen twee schilden gelegen neusgaten en de regelmatige bedekking
met schilden.



Een algemeen bekende vertegenwoordiger van dit geslacht is de Ringslang
of Heiaal (Tropidonotis natrix) "de Slang bij uitnemendheid voor ons
volk, de soort, die aanleiding heeft gegeven tot zijne oude sagen en
nieuwe wondersprookjes, het onschuldig slachtoffer van zijn vrees,
van zijn haat, van zijn verdelgingszucht", de meest verbreide van alle
inheemsche Slangen. In al onze landprovinciën komt zij voor, hier en
daar in tamelijk grooten getale; ook in Zuid- en Noord-Holland zijn nu
en dan exemplaren gevonden, doch deze waren er hoogst waarschijnlijk
(volgens Schlegel) met hooi gebracht; in de kuststreken komt zij niet
voor. Zij bewoont veelal zandige gronden, doch houdt zich steeds op
in de nabijheid van stilstaand water, waarin zij dikwijls zwemt. Zij
kan 1.58 M. lang worden, maar blijft, althans hier te lande, gewoonlijk
voluit een derde deel korter; de mannetjes zijn bovendien steeds korter
dan de wijfjes. Twee witte of gele (bij variëteiten uit zuidelijker
streken dikwijls levendig roodgele) maanvlekken achter de slapen--de
"kroon", waarvan de sagen en sprookjes gewagen--kenmerken haar
zoo duidelijk, dat zij nooit met andere inheemsche Slangen verward
kan worden. Voorts is zij op grijzen grond met 4 à 6 langs den rug
loopende reeksen van zwarte vlekken geteekend, verder benedenwaarts,
op de zijden, wit gevlekt en langs het midden van den buik zwart. De
kleur van den rug zweemt soms naar bruin, soms naar groen, soms naar
blauwgrijs; ook ontmoet men wel eens nagenoeg zwarte exemplaren,
waarop de donkere vlekken bijna geheel onzichtbaar zijn. De mannetjes,
wijfjes en jongen verschillen zeer weinig in kleur.

In het Zwitsersche heuvelland worden, volgens Tschudi, 2 of 3
verschillende, standvastige variëteiten waargenomen: een olijfkleurig
grijze, een meer roodachtig grijze en een gevlekte, die het midden
houdt tusschen deze beide. In het zuidoosten en oosten van Europa
ontmoet men bovendien nog: de Rouwringslang (T. natrix var. atra) uit
het Wolgagebied, die over het geheele lichaam donkerzwart is, behalve
aan de onderzijde van den kop, waar enkele lichte vlekken verspreid
staan, voorts de Gestreepte Ringslang (T. natrix var. persa), die
zich onderscheidt door twee smalle, in den nek beginnende en langs
den geheelen rug tot aan den staart reikende, overlangsche strepen
van gele of geelachtig witte kleur.

Het verbreidingsgebied van de Ringslang omvat geheel Europa (met
uitzondering van het hoogste noorden), voorts een zeer aanzienlijk deel
van Vóór-Azië en in Noord-Afrika Algerië. Met struiken begroeide oevers
van moerassen en broeklanden, langzaam stroomende beken en rivieren,
verwaarloosde dammen van vijvers, vochtige wouden, met biezen en
riet begroeide terreinen en het moeras zelf zijn de meest geliefde
verblijfplaatsen van de Ringslang, omdat zij hier haar meest gewenschte
voedsel vindt. Men ontmoet haar echter ook op tamelijk hooge bergen,
ver van ieder water; zij komt hier, volgens Lenz, volstrekt niet
toevallig, maar in elken tijd van 't jaar voor, zoodat er reden is
om aan te nemen, dat zij deze woonplaats niet verlaat. Niet zelden
komt zij dicht bij menschelijke woningen om zich te vestigen in
gaten, die zij in hoopen mest en afval zelf graaft, of in holen van
Muizen en Mollen of ook wel in kelders en stallen. Struck zag haar in
Mecklenburg de voorkeur geven aan eenden- en kippenhokken: vooral in de
eendenhokken vond hij oude en jonge Ringslangen bij dozijnen. In den
herfst ziet men de Ringslang bij goed en warm weer nog in November op
een zonnige plek liggen. Haar winterkwartier verlaat zij in het laatst
van Maart of in April, aanvankelijk, naar het schijnt, met geen ander
doel dan om zich aan de verkwikkende warmte der zonnestralen bloot
te stellen; zij doet dit gedurende eenige weken zonder zich met de
jacht bezig te houden en begint eerst daarna haar zomerleven.

Ieder, die de zeer algemeen heerschende, kinderachtige vrees voor
Slangen van zich afgeschud heeft, zal, als hij de Ringslang heeft
leeren kennen, haar lief en bevallig noemen. Zij maakt zelfs bij
vergelijking met de vlugste en beweeglijkste van hare verwanten
een goed figuur. Ook voor haar is het een groot genot zich in den
zonneschijn uit te strekken en uren lang in deze houding te blijven,
hetgeen echter niet belet, dat zij dikwijls rondzwerft, veel vaker
althans dan de arglistig loerende, trage Adder, die zelfs des nachts
hare uitstapjes tot het kleinst mogelijke gebied beperkt. Wanneer
men haar op den met struikgewas begroeiden oever van een stil
water bespiedt, zal men getroffen worden door haar levendigheid
en beweeglijkheid. Van den oever, aan welks rand zij zooeven in 't
zonnetje lag, laat zij zich zonder gedruisch in 't water glijden,
om zich met zwemmen te vermaken of een bad te nemen. Gewoonlijk
blijft zij zoo dicht bij de oppervlakte, dat haar kopje er boven
uitsteekt en beweegt zich met zijwaartsche kronkelingen, voortdurend
met de tong tastend, vooruit. Ook zwemt zij dikwijls tusschen den
waterspiegel en den bodem, werpt intusschen voortdurend luchtbellen
uit en onderzoekt met de tong de voorwerpen in welker nabijheid
zij komt. Wanneer men haar verschrikt en bevreesd maakt, vlucht zij
geregeld naar de diepte en zwemt hier, hetzij op, of althans dicht
bij den bodem, een goed stuk verder, totdat zij meent veilig weer
naar de oppervlakte te kunnen stijgen. Soms gaat zij op den bodem van
't water liggen en blijft hier geruimen tijd; uren lang kan zij zich
zonder bezwaar onder water ophouden.

Wanneer de Ringslang in 't water een grooten weg heeft af te leggen,
b.v. over een breeden stroom of over een meer moet zwemmen, vult zij
haar groote long zoo sterk mogelijk met lucht en vermindert hierdoor
aanmerkelijk haar soortelijk gewicht; telkens als zij onderduikt,
ledigt zij hare ademhalingsorganen. Dat zij werkelijk door groote
wateren haar weg neemt, is duidelijk genoeg gebleken. Schinz zag haar
bij stil weer midden in het Zurichermeer vlug rondzwemmen; Engelsche
onderzoekers hebben haar herhaaldelijk ontmoet in de zee tusschen
Wales en Anglesea. De Deensche scheepsgezagvoerder Irminger vond
er zelfs één in volle zee op een afstand van 23 KM. van de naastbij
gelegen kust, n.l. van het eiland Rugen. Daar zij pogingen deed om
aan boord te komen, liet hij een boot strijken, ving het dier en zond
het naar Eschricht te Kopenhagen, die het als een Ringslang herkende.

Op den bodem kruipt de Ringslang tamelijk snel; in de vlakte echter
kan men haar altijd wel inhalen, zonder zich buitengewoon in te
spannen. Langs hellingen schiet zij soms met zoo groote snelheid
naar beneden, dat men haar zeer goed met een voortgeschoten pijl
kan vergelijken. Ook in 't klimmen is zij volstrekt niet onervaren;
soms bereikt zij op deze wijze de kroon van tamelijk hooge boomen.

Men noemt de Ringslang een zachtzinnig dier, omdat zij tegen den mensch
slechts uiterst zelden haar gebit gebruikt en met andere Slangen (of
met Reptiliën in 't algemeen) en ook met Amphibiën in de vrije natuur
en in de gevangenschap in vrede leeft, met de Amphibiën althans zoolang
de honger haar niet kwelt. Als roovende Zoogdieren of Roofvogels haar
aanvallen, stelt zij zich sissend te weer; zij tracht hen te bijten,
maar raakt slechts zelden haar vijand; zoo mogelijk vlucht zij echter
voor wezens, die zij gevaarlijk acht, vooral voor die, welke haar
vervolgen om haar te verslinden. Tegen menschen gebruikt zij geen
ander verdedigingsmiddel dan haar buitengewoon stinkenden drek.

Aan Vorschen geeft de Ringslang de voorkeur boven iederen anderen
buit; vooral op den Landkikvorsch maakt zij ijverig jacht. Uit de
ervaringen van Lenz en Boettger blijkt, dat zij het meest houdt van
Boomkikvorschen, althans, dat men pas gevangen Ringslangen, die andere
Vorschen weigerden, gemakkelijk aan 't eten kan krijgen door haar
Boomkikvorschen te geven. In de vrije natuur kunnen zij zich deze
lekkernij slechts gedurende den paartijd van de bedoelde Amphibiën
verschaffen, daar deze zich dan naar den bodem begeven; gewoonlijk
zullen Land- of Waterkikvorschen wel haar hoofdvoedsel uitmaken.

Het is een opmerkelijk feit, dat de Ringslang, zelfs in 't donker,
de verschillende soorten van Vorschen en Padden goed herkennen en
er een keuze uit doen kan; waarschijnlijk wordt zij hierbij door de
reukzin geleid. Zonder fout onderscheidt zij de Zuid-Europeesche
Springkikvorsch (Rana agilis) van den ook bij ons inheemschen
Landkikvorsch (Rana temporaria), hoewel deze beide soorten zelfs door
kenners van Amphibiën niet gemakkelijk uit elkander gehouden kunnen
worden. Als zij niet genoeg Vorschen kan krijgen, behelpt zij zich
ook wel met Padden. Watersalamanders schijnt zij bijzonder graag te
eten; alle bij ons voorkomende soorten weet zij zoowel op het land
als in het water te vangen. Bovendien valt op te merken, dat zij,
evenals hare verwanten, met grooten ijver op kleine Visschen jacht
maakt en hierdoor werkelijk nu en dan schade veroorzaken kan.

De wijze, waarop de Ringslang haar buit verslindt, wekt den afkeer van
den toeschouwer, omdat zij zich niet de moeite geeft, haar slachtoffer
vooraf te dooden, maar het nog levend in haar maag begraaft. Wel
is waar tracht zij gewoonlijk den Kikvorsch bij den kop te pakken;
wanneer dit haar echter niet gelukt, grijpt zij het dier aan,
waar zij kan, b.v. bij de achterpooten en trekt het langzaam in
haar keel. Natuurlijk spartelt de Kikvorsch hevig tegen en kwaakt
erbarmelijk, zoolang zij den bek nog kan openen. Het vasthouden van
dit beweeglijk wild is voor de Slang geen gemakkelijk werk; toch
gelukt het den Kikvorsch slechts zelden zich aan haar onverbiddelijke
vijandin te ontworstelen, daar deze, als er niets tusschenbeide komt,
de ontsnapte prooi onmiddellijk achtervolgt en opnieuw aangrijpt. Het
verzwelgen van een grooten Kikvorsch is een zeer vermoeiende arbeid,
die soms vele uren vereischt. Kleine Kikvorschen worden met veel
minder moeite doorgeslikt; dikwijls pakt en verslindt de Ringslang,
als zij een flinke eetlust heeft, er wel een half dozijn, zonder af
en toe te rusten. Als de honger haar zeer kwelt, neemt zij in korten
tijd wel 100 kikvorschlarven of wel 50 kleine Kikvorschen, welker
gedaanteverwisseling juist is afgeloopen, voor haar maal. Wanneer
zij verschrikt wordt of angst gevoelt, spuwt zij, evenals andere
Slangen, het kort te voren doorgeslikte voedsel in den regel weer
uit, waarbij zij, als het in haar maag aanwezige dier zeer groot
is, den bek zeer wijd moet opensperren. Het verslinden van kleine
Zoogdieren of Vogels is voor haar waarschijnlijk een zeer ongewoon
werk; gevangen exemplaren althans versmaden in den regel Muizen of
Vogels en vogeleieren; dooiers van gebroken eieren daarentegen slikken
zij met blijkbaar welgevallen op. Het kan wel zijn, dat zij zich in
haar jeugd nu en dan met Gelede Dieren en Weekdieren moeten behelpen.

Lang heeft men gemeend, dat de Ringslang niet drinkt. Lenz heeft in
de maag van geen der door hem onderzochte exemplaren water gevonden,
hoewel hij kort voor het ontleden water in het hok had gebracht van het
dier, dat bij heet weer geruimen tijd zonder water was gelaten. Toch is
de hieruit afgeleide gevolgtrekking onjuist: een vriend van den zooeven
genoemden onderzoeker zag een van zijne gevangenen, die midden in den
zomer 14 dagen lang dorst geleden had, een bakje vol water schoon
leeg drinken; ook andere slangenvrienden hebben dezelfde ervaring
opgedaan. Behalve van water maken sommige exemplaren ook wel gebruik
van melk, althans wanneer zij geen ander vocht kunnen krijgen; het kan
wel zijn, dat die, welke eens aan deze vloeistof gewoon geraakt zijn,
er veel van beginnen te houden. Misschien berust hierop de algemeen
verbreide meening, dat de Ringslang aan de uiers van koeien en andere
melkgevende huisdieren zuigt om zich een voor haar leven noodzakelijk
genot te verschaffen.

Hoewel de Ringslang in gunstige jaren tegen het einde van Maart of in
het begin van April haar winterherberg verlaat en kort daarna voor het
eerst vervelt, paart zij zelden voor het einde van Mei of het begin
van Juni. Op het rijpen van de eieren schijnt de weersgesteldheid
niet zonder invloed te zijn; daar men versch gelegde eieren in
verschillende jaargetijden aantreft, de eerste in het einde van
Juli, de laatste in Augustus en September. Jonge wijfjes leggen
15 à 20, oudere 25 à 36 eieren. Deze komen in vorm en grootte met
die van de Huisduif overeen, maar verschillen er van, doordat zij,
evenals alle eieren van Reptiliën, een zachte, buigzame, dus weinig
kalkhoudende schaal hebben, die een geringe hoeveelheid eiwit bevat,
dat slechts een dunne laag vormt om den dooier. Aan de open lucht
drogen zij langzamerhand uit en vergaan; in het water bederven zij
evenzeer; beide verschijnselen komen voor tot groote schade voor de
vermenigvuldiging, die trouwens buitengewoon sterk zou zijn, indien
alle kiemen tot ontwikkeling kwamen. Gewoonlijk kiest het wijfje
met veel overleg de geschiktste plaatsen voor het bergen van hare
eieren: mestvaalten, hoopen bladen, run of zaagsel, losse aarde,
vermolmd hout, vochtig mos, enz.; op deze wijze zijn de eieren aan
de warmte blootgesteld en behouden toch geruimen tijd een matigen
graad van vochtigheid. Het eene ei volgt bij het leggen onmiddellijk
op het andere; alle eieren zijn bij wijze van een snoer kralen door
een geleiachtige massa verbonden. Zij hebben aanleiding gegeven tot
het sprookje van de "haneneieren", die volgens bijgeloovige lieden
tooverkracht bezitten. Drie weken na het leggen is de ontwikkeling van
de kiem afgeloopen; het jong boort een gat in de eischaal en begint
dadelijk de levenswijze van zijne ouders, tenzij een vroeg invallende
koude het dwingt om onverwijld beschutting te zoeken tegen het weder,
door zich te verschuilen in het voor winterherberg dienende gat. Bij
het verlaten van de eischaal zijn de jonge Ringslangen ongeveer 15
cM. lang; hare tandjes zijn echter reeds voor 't grijpen geschikt,
zij zelf dus voor een zelfstandig leven voldoende uitgerust. Als de
weersgesteldheid haar vóór den aanvang van den winterslaap het jagen
en buitmaken van voedsel belet, worden zij door het vet, dat zij uit
den kiemtoestand overhielden, en door haar aangeboren levenstaaiheid
tot aan het volgende voorjaar voor den hongerdood behoed. De moeder
bekommert zich na het leggen der eieren in 't geheel niet meer om
haar kroost.

Men kan de Ringslang gemakkelijk in gevangenschap houden, wijl zij
zonder bezwaar gebruik maakt van het voedsel, dat men haar biedt. Daar
zij hoogst zelden bijt, kan men haar gerust laten verzorgen door
kinderen, die van dieren houden. Mij zijn voorbeelden bekend van
Ringslangen, die drie of vier jaren in de gevangenschap leefden,
hoewel haar geen bijzondere behandeling ten deel viel.



De Zuid-Europeesche Dambordslang (Tropidonotus tesselatus) komt in
grootte en vorm vrijwel overeen met de Ringslang; alleen de vorm
van den kop, de rangschikking der hierop voorkomende schilden en de
teekening verschillen. De meer of minder donkere, olijfkleurig grijze
grondkleur is op den kop nagenoeg onbevlekt; de bovenlipschilden
zijn echter geelachtig met zwarte randen. Op den romp ziet men vijf
overlangsche reeksen van zwarte, meestal vierhoekige, zelden afgeronde
vlekken, die als de velden van een dambord met elkander afwisselen. De
onderzijde heeft op witten, geelachtigen of oranjekleurigen grond
zwarte vlekken, die eveneens bij wijze van een dambord gerangschikt
zijn; soms heeft hier de lichte, soms de donkere kleur de overhand. Bij
een lengte van 1.2 M. bedraagt de middellijn van het dier 5 cM.

De Dambordslang bewoont een groot deel van het gebied van haar
inheemsche verwant, maar blijft meer tot het zuiden en oosten van
ons werelddeel beperkt en dringt niet verder noordwaarts door dan
Middel-Europa, waar zij slechts op enkele plaatsen aangetroffen
wordt; over 't algemeen is zij niet veelvuldig. Met uitzondering
van de eilanden ontmoet men haar in geheel Italië; van hier strekt
haar verbreidingsgebied zich oostwaarts uit tot Klein-Azië, Syrië,
de Kaukasus-landen en de kuststreken van de Zwarte, Asowsche en
Kaspische zeeën. Zij houdt zich veel in en bij het water op; haar
voedsel bestaat uit Visschen en Salamanders. Gevangen exemplaren
worden spoedig tam en kunnen lang in 't leven blijven, als zij hun
liefste voedsel in voldoende hoeveelheid ontvangen.



De Adderkleurige Zwemslang (Tropidonotus viperinus) heet zoo,
omdat op haar donkergrijze, geelachtig of bruin getinte huid een
duidelijk uitkomende, zwartbruine teekening voorkomt, welke dikwijls
een merkwaardige overeenkomst heeft met die van de Gewone Adder en
van de Aspis. De teekening begint met twee donkere, scheefhoekig
vierzijdige vlekken achter den kop, waarop een over den geheelen rug
voortloopenden zigzagband volgt, die zich op het laatste deel van
den staart in afzonderlijke vlekken verdeelt en hier snel in breedte
afneemt. Op elke zijde komt een reeks van ronde, donkere vlekken voor
met een kleine, witte of geelachtig witte stip in 't midden; deze
oogvlekken laten nagenoeg gelijke tusschenruimten over, maar vloeien
soms ineen en vormen dan figuren, die op een liggende 8 gelijken. De
onderzijde is geel, bij het midden van den buik donkergeel, verder
naar achteren wisselen zwarte, vierkante vlekken met roodachtig gele
vlekken van anderen vorm af; de onderkaak is witachtig geel.

Deze soort vervangt de vorige in het westelijke deel van
Zuid-Europa. Zij wordt op Sicilië en Sardinië en in het noordwesten
van Italië gevonden, bovendien in enkele oorden van 't Zuiden van
Zwitserland, in de Fransche kuststreken van den Middellandsche Zee,
voorts in nagenoeg geheel Spanje en Portugal en op de Balearen. Vooral
in het noordwesten van Afrika komt zij veelvuldig voor.

Deze Slangen maken slechts terloops jacht op Kikvorschen, maar voeden
zich hoofdzakelijk met Visschen, waaronder zij eene groote slachting
aanrichten.



Door haar uitwendigen vorm en de gekielde schubben stemmen de
Keeltandslangen (Dasypeltis)--welker eigenaardige, bij geen ander
dier voorkomende slokdarmtanden reeds vroeger ter sprake kwamen--met
de Zwemslangen overeen; over haar plaats in 't stelsel heerscht
echter verschil van meening. Hare zwakke kaken zijn slechts aan het
achtereinde met een gering aantal (4) kleine tanden gewapend. Dit
geslacht wordt door slechts twee soorten vertegenwoordigd, waarvan de
eene (Dasypeltis abyssinica) West-Afrika, de andere--bij de Kapenaars
onder den naam van Eiervreter (Dasypeltis scabra) bekend--Zuid-Afrika
bewoont.



Een tweede groep van Colubriden is met gegroefde tanden uitgerust. Bij
al hare leden zijn de achterste tanden van de bovenkaak grooter en
krachtiger dan de overige en aan hun voorste oppervlakte voorzien
met een diepe, gootvormige groeve. Alle mogen derhalve "verdacht"
genoemd worden; van verscheidene is reeds proefondervindelijk gebleken,
dat haar beet op de Gewervelde Dieren van alle klassen, die haar tot
buit dienen, in weinige minuten een doodelijke werking uitoefent. Deze
Groeftandigen (Opisthoglypha) kunnen over twee onderfamiliën verdeeld
worden: de Land-Groeftandigen (Dipsadinae) en de Water-Groeftandigen
(Homalopsinae).



Een van de weinig talrijke, Europeesche soorten van Landgroeftandigen,
de Katslang (Tarbophis vivax), is de eenige vertegenwoordiger van een
gelijknamig geslacht. Haar romp is cilindervormig, de kop eenigszins
afgeplat en van achteren duidelijk begrensd, de staart betrekkelijk
kort. De kleine oogen hebben een spleetvormige pupil. Op vuil
bruinachtig gelen of grijzen grond is zij met uiterst kleine, zwarte
stipjes geteekend; op de kopschilden komen bovendien kastanjebruine,
op den rug reeksen van zwart- of roodbruine vlekken voor, beginnende
met een groote vlek van dezelfde kleur in den nek. Een donkere streep
strekt zich van het oog naar den mondhoek uit, een reeks van kleine
vlekken over iedere zijde van den romp; de onderdeelen zijn geelachtig
wit en bruin gemarmerd. De lengte van deze Slang bedraagt hoogstens
1.08 M.

De Katslang is verbreid over verscheidene van de landen, die de
Middellandsche Zee omgeven. Men heeft haar aangetroffen in Istrië,
Dalmatië, Albanië, Turkije en Griekenland, maar ook in Egypte,
Palestina, Klein-Azië, de bergstreken aan de Zwarte Zee en verder tot
aan de Kaspische Zee. Rotswanden, met losse steenen bedekte hellingen,
zonnige glooiïngen en oude muren verschaffen haar verblijfplaatsen; zij
schuwt echter groote hitte zoowel als gevoelige koude en komt daarom
gedurende de heete maanden niet anders dan in de morgen- en avonduren
uit haar schuilhoek te voorschijn. Hare bewegingen zijn vlugger dan
die van de Adders, maar langzamer en trager dan die van de Gladtandige
Slangen. Haar voedsel bestaat uitsluitend uit Hagedissen. Duméril vond
in de maag van een door hem ontlede Katslang een half verteerde Gekko.

Wegens haar bijtlust wordt zij in de landen, waar zij voorkomt,
dikwijls voor een Adder gehouden, als zeer vergiftig beschouwd en zoo
ijverig vervolgd, dat zij tegenwoordig in Dalmatië reeds tamelijk
zeldzaam is geworden. Gevangen exemplaren gewennen zich schielijk
aan hun verzorger, maken zonder pruilen gebruik van het voedsel,
dat hun wordt aangeboden en blijven daarom bij doelmatige verzorging
verscheidene jaren leven. Hare bewegingen hebben veel overeenkomst met
die van de Gladde Slang. Zij is zeer ervaren in het klimmen en houdt
zich zoo stevig vast aan de takken, die zij eens omstrengeld heeft,
dat men haar niet losmaken kan, hoe zeer men haar ook plaagt en tot
toorn prikkelt. Haar buit doodt zij door zich er om heen te kronkelen,
geheel op dezelfde wijze als de Gladde Slang.

O. E. Eiffe heeft de giftige werking van den beet van de Katslang
waargenomen bij een kleine Hagedis, die na verloop van 1 1/2 minuut
bezweek. Deze uitkomst kon echter slechts éénmaal verkregen worden,
daar andere proeven van dezen aard een negatief resultaat opleverden.



Als vertegenwoordiger van de Nachtboomslangen of Takslangen (Dipsas)
kiezen wij de prachtig gekleurde en geteekende Dipsas dendrophila,
de Oelar-boerong der Maleiers. Bij de glinsterend zwarte grondkleur
steken 40 à 90 smalle, naar onderen breeder wordende, lichtgele,
ringvormige banden af; de lip- en keelschilden zijn eveneens geel,
maar hebben breede, zwarte randen; de buik is effen zwart of geel
gemarmerd. Volwassen exemplaren bereiken een lengte van 2 M., waarvan
ongeveer een vierde op den staart komt.

De Oelar-boerong is een bewoner van alle Nederlandsch-Indische
eilanden, maar komt ook voor op het Maleische Schiereiland en
Singapore. Op Java ontmoet men haar in alle wouden (hoewel niet in
grooten getale) en zelfs in den plantentuin te Buitenzorg. Bijtlustig
als al hare verwanten, maakt zij zich bij de nadering van een
vijand onmiddellijk tot den aanval gereed, kronkelt zich, gelijk de
Gifslangen, tot een schijf ineen, beweegt trillend den staart heen en
weer, buigt den kop zoo ver mogelijk naar achteren, zwaait hem naar
links en naar rechts onder aanhoudend uitsteken en terugtrekken van
de tong, ontrolt eindelijk eensklaps het voorste deel van den romp,
doet in scheve richting een stoot naar voren, maar mist, door het
licht verblind, zeer dikwijls haar doel. Op Java vreest niemand haar,
daar ieder weet, dat haar beet niet gevaarlijk is; daarentegen wordt
een van hare verwanten voor uiterst vergiftig gehouden.



De Holschubbigen (Coelopeltis) zijn Groeftandigen van gerekten,
krachtigen lichaamsbouw, welker rolronde romp bekleed is met schubben,
die ieder een overlangsche groeve vertoonen. De duidelijk begrensde,
groote en hooge kop is in de teugelstreek met een diepe groeve
voorzien; de oogen zijn groot en hebben een ronde pupil.

De eenige Europeesche vertegenwoordiger van dit geslacht is
de Hagedissenslang (Coelopeltis lacertina), die een lengte van
1.58 M. bereikt, waarvan 35 cM. op den staart komt. De olijfbruine
grondkleur van de bovendeelen zweemt bij jonge dieren min of meer naar
roodbruin; donkerbruine, geel gezoomde figuren van zeer verschillenden
vorm versieren den kop, kleine, langwerpige, zwartachtige vlekken met
gele randen de bovenzijde van den romp en den staart; de laatstbedoelde
vlekken vormen gewoonlijk vijf overlangsche reeksen en zijn op zulk
een wijze gerangschikt, dat iedere reeks met de naburige reeksen
afwisselt. Op de schubben van de beide buitenste, overlangsche reeksen
van iedere zijde vindt men bovendien een meer of minder groot aantal
witachtige of geelachtige vlekken; deze vereenigen zich soms tot een
onafgebroken golflijn; bij andere exemplaren is er slechts een smalle
zoom van over. De onderzijde van romp en staart is geelachtig wit of
bruinachtig geel. Bij deze soort komen vele kleurverscheidenheden voor.

Alle kustlanden van de Middellandsche Zee benevens Portugal, Arabië
en Perzië worden door de Hagedissenslang bewoond. Erber vond haar
in geheel Dalmatië overal tamelijk veelvuldig. "In de vrije natuur,
waar zij onder struiken op Muizen, Hagedissen of Vogels loert,
zou men haar dikwijls niet opmerken, als zij haar aanwezigheid niet
door een krachtig gesis verried. In de nabijheid van Zara ving ik het
grootste dier van deze soort, dat eveneens door een hevig gesnuif mijn
aandacht had getrokken. Ik vervolgde het van den eenen struik naar
den anderen en kon het gelukkig nog bij den staart vatten, toen het
in een gat van den grond sloop. Beschadigen wilde ik de Slang niet;
haar onbeschadigd uit den grond trekken was niet mogelijk, daar zij
altijd naar beneden trok. Het ging ook niet aan, haar los te laten
en vervolgens uit te graven, daar dit in den steenachtigen bodem
geen gemakkelijk werk zou zijn geweest. Zoo bleef ik dan, de Slang
voortdurend stijf bij den staart trekkend en haar in onrust houdend,
twee volle uren zitten. Duim voor duim liet het dier zich terugtrekken,
totdat het zich eindelijk snel naar buiten kronkelde. Zijn eerste
werk was, onder hevig gesis mij in 't gelaat te springen, waartegen
ik mij natuurlijk verweerde; onmiddellijk daarna ledigde het zijn
maag, waaruit een sinds kort verzwolgen Wielewaal, vier Muizen en
twee Smaragdhagedissen te voorschijn kwamen; weinige uren na deze
vermoeiende bezigheid stierf het."

Volgens Fischer bewoont de Hagedissenslang woeste, dorre streken en
voedt zich met kleine Zoogdieren, Vogels, Kruipende Dieren en zelfs
Sprinkhanen. Het gif van deze Slang doodt binnen 3 of 4 minuten
Hagedissen, Vogels en Vorschen; het werkt in de eerste plaats op
de ademhaling, daarna op de hartwerking en brengt ten slotte een
volslagen verlamming teweeg. Voor grootere dieren, Honden b.v., bleek
de beet niet gevaarlijk te zijn; de mensch heeft er nog minder last
van, omdat de werking van het gif zich eerst na verscheidene minuten
begint te openbaren; bovendien bijt de Slang slechts zelden.



Boomslangen, welker achterste bovenkaakstanden gegroefd zijn, komen
in de warme landen van beide halfronden in voor hen geschikte oorden
zeer talrijk voor. Bijna alle worden door de inboorlingen voor zeer
vergiftig gehouden en daarom gevreesd en geschuwd; de ervaring en
een zorgvuldig onderzoek van haar gebit hebben echter bewezen, dat
haar beet den mensch volstrekt niet schaadt. Deze Slangen wekken
door haar schoone gedaante en bevallige bewegingen in hooge mate de
belangstelling van den onbevooroordeelden onderzoeker, ook van de
Siameezen, zooals blijkt uit den dichterlijken naam "Zonnestraal",
dien zij aan een dezer Slangen geven.

De buit der Boomslangen schijnt uit zeer verschillende dieren te
bestaan. Zij eten Hazelmuizen, kleine Vogels, bij voorkeur echter
allerlei Hagedissen en Amphibiën, die met haar hetzelfde terrein
bewonen.

Tot de Groeftandige Boomslangen behoort het in Zuid-Amerika levende,
maar ook in West-Indië en op Madagaskar vertegenwoordigde geslacht
der Groene Slangen (Philodryas); een der meest verbreide soorten is
de 82 cM. lange Groene Slang (Philodryas viridissimus), die in Guyana
en het tropische gedeelte van Brazilië overal gevonden wordt. Dit
dier heeft een middelmatig grooten, platten kop, een zijdelings
samengedrukten romp en een langen staart. Schitterend is het effen
groen van de bovenzijde, iets doffer dat van de onderdeelen.

"In het midden van den zomer," schrijft Günther, "werden twee
Zuid-Amerikaansche Groene Slangen aan den Zoölogischen Tuin te Londen
te koop aangeboden. Hun levenswerkzaamheid was ondanks de destijds
zeer hooge temperatuur zeer gering; zij hielden zich zoo stijf, dat
men ze met eenigen schroom aanraakte om het slanke lichaam niet te
breken. In haar hok bewogen zij zich langzaam naar een hoek, hieven
hier het voorste deel van haar lichaam omhoog en bleven bewegingloos
in deze houding liggen. "Groene Slangen kan men niet in 't leven
houden", was het oordeel van den oppasser, die, naar het scheen, reeds
vele leden van verwante Indische soorten had verzorgd. De takken en
twijgen, waarmede hij steeds haar hok had voorzien, wilden zij niet
als rustplaats gebruiken. Daar het groene kleed van deze Slangen recht
gaf tot het vermoeden, dat zij zich alleen op levende en bebladerde
planten op haar gemak zouden gevoelen, werden twee flink ontwikkelde
hortensia's in haar hok geplaatst. Nauwelijks was dit geschied,
of een van de Slangen wendde haar kop naar de planten en scheen
achtereenvolgens iederen tak, ieder blad te onderzoeken. Plotseling,
zoodat men haar beweging nauwelijks met het oog kon volgen, schoot
zij op een van de heesters toe, kronkelde zich eenige malen door
de twijgen en rolde zich ten slotte ineen op een plaats, waar haar
lichaam bijna geheel op groene plantendeelen kon rusten. Dit alles was
zoo snel gebeurd, dat ik, naar de eene Slang kijkend, niet bemerkt
had, dat haar gezellin op dezelfde wijze in den anderen heester een
schuilplaats had gevonden; hoe klein de ruimte ook was, kon ik haar
eerst na eenig zoeken te midden van de bladen onderscheiden. Sedertdien
tijd verkeeren beide exemplaren in blakenden welstand; men heeft
ze nooit meer op den bodem gezien; slechts nu en dan steekt een der
Slangen het voorste deel van 't lichaam boven de plant uit en gelijkt
dan veel op een groenen, onbebladerden tak."



Nog duidelijker zijn de Zweepslangen of Snuffelslangen (Dryophis)
voor het leven te midden van de boomen ingericht. De romp en de staart
zijn buiten verhouding lang en slank; de zeer lange en smalle kop
eindigt in een spitsen, niet zelden slurfvormig verlengden snuit; de
mondspleet strekt zich tot ver achter de oogen uit; deze zijn groot
en hebben een horizontale, spleetvormige pupil; de kleine neusgaten
zijn zijdelings geplaatst. Alle bekende soorten van dit geslacht
bewonen de keerkringsgewesten van Azië.

De Zweepslangen dragen haar naam niet ten onrechte; zij kunnen
werkelijk het best vergeleken worden met het koord van een zweep,
zóó slank, zóó buitengewoon lang is haar romp. In verband met dezen
lichaamsbouw houden zij zich steeds te midden van de groene deelen
der boomen op en gevoelen zich nergens anders op haar plaats. Op den
bodem zijn hare bewegingen onbeholpen en langzaam, in de boomkroon
even bevallig als behendig. Zij maken jacht op Vogels, Hagedissen
en Boomvorschen, in haar jeugd ook op Insecten; haar vraatzucht en
bijtlust zijn buitengewoon groot; onverwachts schieten zij toe op
ieder wezen, dat in haar nabijheid komt en bijten in ieder voorwerp,
dat haar voorgehouden wordt; toch geeft men ze hier en daar als
speelgoed aan kinderen.



De Donkere Zweepslang (Dryophis pulverulentus), die op Ceylon en op de
Anaimalai-bergen van Zuid-Indië op ongeveer 570 M. hoogte leeft, is op
bruingrijzen grond van boven en van onderen purperkleurig gemarmerd
en met donkerbruine stippels geteekend. Daar de huid tusschen de
schubben deels wit, deels zwart is, zal het dier, als het zich strekt,
met onderling afwisselende ringbanden van deze kleuren geteekend zijn;
een bruine teugelstreep reikt tot aan het oog. Van de totale lengte,
die 1.67 M. kan bedragen, komt twee vijfde op den staart.



De Watergroeftandigen (Homalopsinae) verschillen van hare op het
land levende verwanten door de plaatsing der neusgaten, die naar
de bovenzijde van den snuit verschoven zijn, en door den vertikalen
stand van de spleetvormige pupil hare kleine oogen. Zij bewonen het
zuiden van China, Oost-Indië, de Molukken, Nieuw-Guinea en het noorden
van Australië en leven nagenoeg voortdurend in het water; slechts
nu en dan vindt men een enkel exemplaar op vlakke gedeelten van den
oever liggen. Verscheidene Indische soorten zwemmen de rivieren af
tot in zee en gedragen zich hier als echte Zeeslangen. Haar voedsel
bestaat uitsluitend uit Visschen en zwemmende Schaaldieren met zachte
huid. Deze volstrekt niet opvliegende of bijtlustige, kortom aanvallige
dieren zijn goedaardiger dan de meeste Colubriden en zouden tot sieraad
kunnen strekken voor onze aquariën, indien er kans bestond ze levend
over te brengen. Alle leden van deze onderfamilie brengen (evenals
alle overige in 't water levende Slangen) levende jongen ter wereld.



Tot het geslacht der Waterslangen (Homalopsis) behoort de
Boa-waterslang (Homalopsis buccata), die door haar uiterlijk
eenigszins aan een Boa herinnert, maar slechts 1 M. lang wordt. De
rug is met kleine, gekielde schubben bekleed en prijkt met breede,
donkerbruine, zwart gezoomde dwarsbanden, die met smalle, lichtbruine
tusschenruimten afwisselen. De kop is van boven met hoekige figuren,
aan weerszijden met een donkerbruine overlangsche streep versierd;
aan weerskanten van de witachtige onderzijde van den romp komt een
overlangsche reeks van bruine vlekken voor; de onderzijde van den
staart is eveneens bruin gevlekt. Deze soort bewoont Achter-Indië,
het Maleische Schiereiland en de Groote Soenda-eilanden; zij is vooral
op Java veelvuldig, waar men haar Oelar-ajar noemt, evenals andere
in zoet water levende Slangen, onverschillig of zij tot het geslacht
Homalopsis of tot het geslacht Tropidonotus behooren.



De Giftandigen (Proteroglypha) vormen de derde en laatste reeks van
de groote familie der Colubriden. Zij kenmerken zich door het bezit
van gegroefde tanden aan het voorste gedeelte van het bovenkaaksbeen;
bij sommige geslachten komen in dit been geen andere tanden voor dan
deze, bij de overige worden zij gevolgd door eenige kleinere, massieve,
ongevoorde tanden. Alle leden van deze groep, geen enkele uitgezonderd,
zijn vergiftig. Zij worden in twee onderfamiliën gerangschikt: de
Slangadders (Elapinae), die door haar lichaamsbouw voor het verblijf
op den grond of in boomen geschikt zijn, en de uitsluitend in zee
levende Zeeslangen (Hydrophiinae).



De Slangadders (Elapinae), zoo genaamd, omdat zij door haar gestalte
op niet-vergiftige leden van haar familie gelijken, zijn kleinkoppige
Slangen met een korten, tamelijk spits eindigenden staart; haar
lange romp is op de dwarse doorsnede nagenoeg cirkelvormig of door
het uitpuilen van het midden van de rugzijde afgerond driehoekig. De
neusgaten zijn aan de zijden van den afgeronden snuit gelegen; de
teugelschilden ontbreken altijd; de kop is op regelmatige wijze met
groote schilden bekleed; overigens is de bedekking van het lichaam
zeer verschillend.

Deze onderfamilie, die zoowel in de Oude als in de Nieuwe Wereld
vertegenwoordigd is, ontwikkelt op het oostelijk halfrond de grootste
verscheidenheid van vormen. De talrijke Gifslangen van Australië
behooren alle tot deze groep. Gelukkig bewoont geen van hare leden ons
werelddeel. Zij omvat bijna de helft van alle Gifslangen en daaronder
verscheidene van de allergevaarlijkste. Op weinige uitzonderingen
na leven alle Slangadders op den grond; enkele zijn echter ook in
staat om boomen te bestijgen, hoewel zij dit, naar het schijnt,
niet dikwijls doen. Alle maken jacht op kleine gewervelde Dieren;
haar buit bestaat vooral uit onschadelijke Slangen, maar ook uit
Hagedissen. De grootste overvallen haar slachtoffer van uit een
hinderlaag, maar vervolgen het soms ook over een korten afstand,
wanneer zij het niet dadelijk kunnen grijpen; na den beet wachten
zij de uitwerking van het gif af. De kleinere Slangadders schijnen
haar prooi op te sporen, te vangen en eerst gedurende het verzwelgen
te vergiftigen. De mededeelingen over haar voortplanting zijn nog
zeer onvolledig; wat men er van weet, wettigt het vermoeden, dat de
ontwikkeling van de kiem na het leggen der eieren haar beslag krijgt.



Hoewel men misschien mag aannemen, dat de Slangadders over 't
algemeen bij de niet-vergiftige leden harer familie in kleurenpracht
achterstaan, zijn er toch ook, die in dit opzicht naar den prijs kunnen
dingen. Het is zelfs niet onmogelijk, dat men de schoonheidsprijs aan
de Pronkadders (Elaps) zou moeten toekennen, al namen alle Reptiliën
aan den wedstrijd deel.

Dit geslacht, waarvan de meeste soorten in de warmste gewesten
van Amerika thuis behooren en de weinige overige Afrika bewonen,
bestaat uit kleine, maar lang uitgerekte, eenigszins plompe Slangen
met rolronden romp, platten, van achteren niet zeer duidelijk
begrensden kop en korten staart. De mondopening is zeer klein en de
onderkaakshelften kunnen slechts weinig uiteenwijken.

Aan het bovenkaaksbeen komen achter de groote tanden, die voor het
vergiftigen van de prooi dienen, geen massieve tanden voor. Over
de aanwezigheid van giftanden heeft langen tijd eenige twijfel
bestaan; daar bij sommige soorten geen gifkanaal of gifgroeve aan
den tand gevonden werd en bij andere soorten van hetzelfde geslacht
wel. Hoewel volgens de laatste onderzoekingen de Pronkadders niet
tot de gevaarlijkste Gifslangen gerekend moeten worden, is toch het
bewijs geleverd, dat het gif van deze dieren even krachtig werkt als
dat van andere, met gevoorde of doorboorde tanden uitgeruste Slangen
van gelijke grootte.



Een van de prachtigste soorten is de Koraalroode Pronkadder (Elaps
corallinus), een Slang van 60 à 70 cM. lengte, waarvan ongeveer 10
cM. op den staart komt. De schitterend vermiljoenroode grondkleur van
dit dier heeft een buitengewoon sterken, op den buik iets dofferen
glans. Aan den romp wordt zij op tamelijk regelmatige wijze afgebroken
door 16 à 19 zwarte, het geheele lichaam omgevende, ongeveer 10 à
14 mM. breede ringen, die nagenoeg gelijke tusschenruimten overlaten
en aan haar voor- en achterrand door een smallen, groenachtig witten
ring zeer zuiver gescheiden zijn van de rood gekleurde gedeelten. Alle
roode en groenachtig witte ringen zijn zwart gestippeld, daar iedere
schub hier een zwarte spits heeft. De voorste helft van den kop is
blauwachtig zwart; op de achterhoofdschilden begint een groenachtig
witte dwarsband, die zich achter het oog naar beneden ombuigt en de
geheele onderkaak kleurt; hierachter ligt een zwarte halsband. De
staart is gewoonlijk niet rood van kleur, maar vertoont op zwarten
grond ongeveer 8 witachtige ringen en heeft een korte, witte spits. Van
deze kleursverdeeling komen, naar het schijnt, weinig afwijkingen voor.

De Koraalroode Pronkadder bewoont de groote wouden en
kreupelhoutbosschen bij Rio de Janeiro, Cabo Frio en aan den Parahyba;
zij komt echter evenzeer in West-Indië en Argentinië en veel verder
westwaarts in Ecuador, Bolivia en de laag gelegen gewesten van het
noordoosten van Peru voor. Op geheel opene plaatsen treft men haar
zeldzamer aan, hoewel zij soms ook hier en zelfs in de nabijheid
van woningen gevonden wordt. Het schijnt, dat zij in moerassen
niet voorkomt en boven alle andere terreinen de voorkeur geeft aan
zandgrond of aan den koelen, vochtigen bodem van wouden, waar planten,
rottende afgevallen bladen en dergelijke stoffen haar een schuilplaats
verschaffen. "De jager, die deze wouden doorkruist, welker bodem met
een dikke laag van plantaardige overblijfselen bedekt is, blijft," zegt
de Prins Von Wied, "verbaasd en verheugd staan, zoodra hij te midden
van het groen, de vuurroode ringen van deze fraaie Slang ontwaart;
alleen de onzekerheid over het gevaar, waaraan hij zich blootstelt,
doet hem aanvankelijk schroomen, zijn hand naar het fraaie dier uit
te strekken. Het bleek ons echter spoedig, dat men zonder gevaar
deze Slangen kan opnemen en levend in den zak vervoeren. Haar voedsel
bestaat uit kleine Gewervelde Dieren: de geringe wijdte van mond en
keel veroorlooft haar niet een grooteren buit te verzwelgen."

"Vaak komt het voor, dat Brazilianen den vreemdeling op deze fraaie
Slang opmerkzaam maken, daar ook zij over den ongewonen gloed harer
kleuren verrukt zijn; evenals de meeste Slangen, wordt dit dier
door hen voor vergiftig gehouden; vele lieden meenen zelfs, dat het
een andere kleine Slang in den hals draagt, waardoor de beet wordt
toegebracht." De oorsprong van het laatstgenoemde verhaal is niet
moeielijk te raden: waarschijnlijk heeft men deze Slang dikwijls
waargenomen bij het verzwelgen van haar prooi, die uit Slangen,
Ring- en Woelhagedissen en andere kleine Reptiliën bestaat. Ook weet
men thans, dat de Brazilianen te recht de Koraalroode Pronkadder
vergiftig noemen.

Volgens een mededeeling van Seba wordt een andere soort van
Pronkadder--de Schootslang of Meisjesslang (Elaps hygiae)--door
vrouwen en meisjes in Zuid-Afrika in het warme jaargetijde als
verkoelend middel gebruikt; zij wikkelen zich dit dier om den hals,
daar het niet bijt. Ook de Prins Von Wied schijnt iets dergelijks
gezien te hebben, daar hij opmerkt: "Als men deze fraaie Slang, nadat
zij gedood is, om den donkeren hals van een Neger of van een Indiaan
gewikkeld ziet, wordt men herinnerd aan de bonte, van vogelveeren
vervaardigde halssnoeren, die de bewoners van Hawaii droegen, toen
Kapitein Cook hen bezocht."

Van de prachtige kleur dezer Slangen krijgt men geen juiste
voorstelling door het beschouwen van de exemplaren onzer musea. Als men
haar de huid aftrekt, verbleeken de fraaie, roode ringen zeer spoedig;
ook de in spiritus bewaarde exemplaren verliezen hun rood hoe langer
hoe meer en na verloop van eenige jaren geheel en al. Uit het feit
dat de vloeistof een lichtroode kleur aanneemt, schijnt te blijken,
dat de bedoelde huidkleurstoffen door den alcohol opgelost worden.

Bij het Aziatische geslacht der Buikklieradders (Adeniophis) zijn de
gifklieren buitengewoon sterk ontwikkeld, aan weerszijden strekken
zij zich over een derde gedeelte van de lengte van den romp uit;
zij zijn dus in de lichaamsholte gelegen, waardoor de ligging der
overige ingewanden een belangrijke wijziging ondergaat.

De meest bekende soort van dit geslacht, de Buikklieradder
(Adeniophis intestinalis), is 57 cM. lang en zeer bont van kleur;
zij komt in Birma, op het Maleische Schiereiland en op de eilanden
van den Oost-Indischen archipel, van Sumatra tot aan de Philippijnen,
veelvuldig voor.



Boengaroem of Boengar noemen de Indiërs eenige groote en uiterst
gevaarlijke Gifslangen van hun vaderland. Deze naam, tot Bungarus
vervormd, dient in de wetenschap tot aanduiding van een 8 soorten
omvattend geslacht, welks leden Oost-Indië en Zuid-China bewonen
en de volgende eigenschappen met elkander gemeen hebben. De kleine,
eivormige kop is weinig breeder dan de hals en eindigt in een stompen
snuit, de romp is op de dwarse doorsnede cirkelvormig of afgerond
driehoekig, tot aan den staart nagenoeg gelijk van dikte; de staart
is betrekkelijk kort. De mondopening is klein, de onderkaak een
weinig korter dan de bovenkaak en met zwakkere tanden gewapend dan
deze. Achter de giftanden, die aan de bolle voorzijde een duidelijke
groeve vertoonen, maar in verhouding tot de grootte van het dier zeer
klein zijn, vindt men 1 à 3 kleine, massieve tanden.



De Pama of Boengaroem-Pama der Indiërs, de Oelar-boelang der Javanen
(Bungarus fasciatus), de grootste soort van haar geslacht, bereikt
een lengte van 1.75 M.; de romp is op zwarten of blauwzwarten grond
geteekend met 25 à 35 gele ringen van ongeveer gelijke breedte,
die nagenoeg op gelijken afstand van elkander verwijderd zijn; de
blauwzwarte kop heeft een bruinen snuit; een vale streep begint op
het midden van het achterhoofdsschild en loopt aan weerszijden scheef
naar onderen en naar achteren, waardoor een halsband ontstaat.

Een tweede soort, de Paragoeda of Pakta-poela (Bungarus caeruleus),
bereikt een lengte van hoogstens 1.29 M. Haar kleur en teekening zijn
zeer ongelijk. In den regel is de bovenzijde blauwzwart of donkerbruin
en met een meer of minder groot aantal witte dwarsbanden geteekend,
welker breedte meestal niet grooter is dan de lengte van een schub
van den rug; soms zijn zij door kleine, witte vlekken vervangen;
de onderzijde is wit.

De Pama werd in geheel Voor-Indië, Assam, Birma, Siam, het zuiden
van China, op Sumatra en Java waargenomen; de Paragoeda schijnt
meer tot Voor-Indië beperkt te zijn en is reeds zeldzaam in Birma,
maar komt vooral in Bengalen en aan de kust van Malabar veelvuldig
voor. Beide soorten houden zich in droge streken op en maken hier
jacht op kleine Zoogdieren en Reptiliën, vooral op andere Slangen en
Hagedissen. Cantor zegt, dat zij, ondanks haar ronde pupil, zich over
dag dikwijls in hare schuilhoeken verbergen, den zonneschijn vermijden,
de schaduw opzoeken en zich op onvaste wijze bewegen; soms maken
zij zonder eenige aanleiding zeer onstuimige bewegingen. Sir Joseph
Fayrer daarentegen zegt uitdrukkelijk, dat zij dagdieren zijn. Zij
vluchten in den regel bij de nadering van een mensch, tenzij deze
haar tot toorn prikkelt; in dit geval kunnen zij even gevaarlijk
worden als iedere andere vergiftige Slang van gelijke grootte. Vóór
den aanval buigen zij, evenals de Adders, den kop ver achterover,
strekken daarna in scheeve richting den halven romp naar voren en
trachten haar vijand te bijten. De Indiërs beweren, dat de beet van
deze Slangen steeds den dood ten gevolge heeft en vreezen haar zeer;
wegens de kortheid van de giftanden is echter in dit geval de kans
op een gunstigen afloop iets grooter dan na den beet van een Brilslang.

De gevaarlijkheid van den beet der Boengaren is door proefnemingen
duidelijk gebleken. Een Hoen, dat door een zeer afgematte Pama
gebeten werd, stierf onder stuiptrekkingen na verloop van 25
minuten. Een groote, forsche Hond kreeg van een Paragoeda een beet
in de dij, schreeuwde luid op het oogenblik, dat hij gewond werd,
hoewel de wonde ternauwernood zichtbaar was, liep daarna echter rond,
schijnbaar zonder eenige last te ondervinden; 25 minuten na den beet
waren de beide achterpooten verlamd. Gedurende het tweede uur braakte
het gewonde dier herhaaldelijk en geraakte meer en meer in een staat
van verdooving; het viel overzijde, begon ongeregeld te ademen en
stierf voordat het uur om was.

Hoevele van de talrijke gevallen van vergiftiging door slangenbeten,
die ieder jaar in Indië voorkomen op rekening van de Boengaren moeten
worden gesteld, is moeilijk uit te maken; waarschijnlijk tast men niet
mis door haar na de Brilslang de gevaarlijkste van alle vergiftige
Slangen van Oost-Indië te noemen. "Op Java," schrijft Schlegel,
"verschuilen zij zich in aardholen, of zelfs onder de gebouwen ter
wille van de Muizen en Ratten, die, aldaar huizende, haar tot een
gemakkelijken buit verstrekken. Dit heeft zelfs in het lage gedeelte
van Batavia plaats en daar zij ook wel eens onder de bedden kruipen,
zoo heeft men gevallen, dat menschen, daaronder tastende zonder te
zien, van zoodanige Slangen gebeten werden. Haar beet schijnt meestal
en wel in zeer korten tijd den dood ten gevolge te hebben."



Toen de Portugeezen zich op Ceylon vestigden, maakten zij er kennis
met een zeer eigenaardige Slang, die door de inboorlingen Kover
Kapel werd genoemd, sanskritsche woorden, die "Koning der Slangen"
beteekenen. De bedoelde naam klonk ongeveer als Cobra de Capello of
"Slang met den hoed", bij verkorting Hoedslang, welke verbastering
meer algemeen in gebruik komend, den vroegeren naam van het dier in
vergetelheid heeft gebracht. Zij wordt ook gebezigd tot aanduiding van
verwante Slangen in Afrika. Hier had een nog zonderlinger vervorming
van den reeds verbasterden naam plaats; de Hollandsche kolonisten
in Zuid-Afrika noemden het dier naar den klank van de Portugeesche
woorden, waarmede zij het hoorden bestempelen, Koperkapel. Evenals de
Indische, waren de Afrikaansche "Hoedslangen" reeds sinds overouden
tijd bekend; meer bepaaldelijk had de in Noord- en Oost-Afrika levende
soort reeds bij de Oud-Egyptenaren grooten roem verworven.--De naam
Cobra de Capello is bovendien een zinspeling op een eigenaardigheid
van dit dier en van zijne verwanten. Het kan den hals schijfvormig
verbreeden door zijwaartsche beweging van de 8 voorste paren ribben,
die langer dan gewoonlijk en bijkans niet gekromd zijn. Dit geschiedt,
wanneer het voorste deel van het lichaam opgericht wordt; de kop is
dan steeds naar voren omgebogen, zoodat de Slang van achteren gezien
een groote, ronde hoed schijnt te dragen. Van voren beschouwd, maakt
de door ribben uitgespannen schijf veeleer den indruk van een schild;
uit dien hoofde zou de naam "Schildadder" het dier nog beter passen
dan de naam "Hoedslang". De wetenschappelijke geslachtsnaam van deze
dieren (Naja) is aan de volkstaal in Indië ontleend; op Ceylon worden
zij Negu (spreek uit: Neezjoe) genoemd.

Stel u een Hoedslang voor, die, verschrikt en geprikkeld door het
zien van een vijand, van een mensch, soms langzaam, soms snel den
verstoorder van haar rust nadert. Het voorste derde gedeelte van
haar lichaam heeft zij opgericht, haar schild uitgebreid; in deze
fiere houding houdt zij zich tot den aanval of althans tot tegenweer
gereed. Het opgeheven lichaamsdeel blijft steeds rechtstandig;
daarachter is iedere spier in werking. Wie bij dit schouwspel bedenkt,
dat de beet van deze Slang even snel den dood veroorzaakt als die
van de Ratelslang of van de Lanskopslang, zal beseffen, waarom de
Naja te allen tijde de aandacht van den mensch getrokken heeft.

De Cobra de Capello, ook wel eenvoudig Cobra (in Indië Tjinta-neezjoe)
genoemd (Naja tripudians), is 1.4 à 1.8 M. lang; de grondkleur van haar
kleed is rungeel en zweemt bij een bepaalde wijze van verlichting naar
aschgrauw; daar echter de tusschenruimten der schubben (en dikwijls
ook de hoeken van sommige dezer plaatjes) lichtgeel of wit zijn, is
de totale indruk van de kleur van het dier bleeker. In den nek hebben
lichtgeel of wit zoozeer de overhand, dat de donkerder gedeelten
er als vlekken uitzien; juist op deze plaats steekt een teekening,
die op een bril gelijkt, duidelijk tegen de lichtere omgeving af. Zij
wordt door twee zwarte lijnen gevormd, welke een veld omsluiten, dat,
met uitzondering van de zwarte vlekken of ringen, die de glazen van
den bril voorstellen, in den regel aanmerkelijk lichter is dan het
overige deel van den hoed- of schildvormig verbreeden hals. Aan deze
teekening dankt de Cobra den naam van Brilslang, waarmede gewoonlijk
ook de overige leden van het geheele geslacht Naja worden aangeduid,
al komt bij hen geen brilvormige teekening voor. De buikzijde van
de Cobra is vuilwit en op het voorste derde gedeelte van den romp
dikwijls met breede, zwarte dwarsbanden geteekend. Op grond van
vrij belangrijke kleurafwijkingen onderscheidt men een groot aantal
variëteiten, die ook bij de inboorlingen verschillende namen dragen.

De Brilslang bewoont geheel Indië, het zuiden van China, Birma,
Siam, het Maleische Schiereiland, de Groote Soenda-eilanden (met
uitzondering van Celebes), de Andamanen en Ceylon; westwaarts strekt
haar verbreidingsgebied zich uit over Afghanistan, het noordoostelijke
deel van Perzië en de zuidelijke districten van Toerkmenië tot aan
de Kaspische Zee. In den Himalaja vindt men haar tot op een hoogte
van 2500 M. Evenals de meeste overige Slangen, schijnt zij zich niet
tot een bepaald terrein te bepalen, maar zich overal te vestigen,
waar zij een geschikte schuilplaats en een voldoende hoeveelheid
voedsel vindt. Hare liefste woningen zijn verlaten nestheuvels van
Termieten, oude muren, opeenhoopingen van steenen of hout, leemen
wanden, waarin gaten voorkomen en allerlei andere verhevenheden met
holen of overdekte tusschenruimten, die voor schuilhoeken kunnen
dienen. Tennent vestigt de aandacht op het feit, dat, behalve een
soort van Gladtandige Slang--de Rattenslang (Ptyas Blumenbachii)--,
zij het eenige lid van haar onderorde is, dat de nabuurschap van
menschelijke woningen niet vermijdt. Zij wordt hierheen gelokt door de
voor woonplaats geschikte riolen en misschien ook door hoop op buit,
daar Ratten, Muizen en kleine kuikens van haar gading zijn. Zoolang
niemand haar stoort, ligt zij gewoonlijk lui en traag voor den ingang
van haar schuilplaats, neemt hierin bij de komst van een mensch ten
spoedigste de wijk en gaat alleen, na in 't nauw gebracht te zijn,
haar aanvaller te lijf.

"De zwartbruine Brilslang is," volgens Dr. S. Müller, "op de
Soenda-eilanden niet zeldzaam. De Soendaneezen op Java bestempelen
het jonge dier met den naam van Oraisindoek, d.i. Lepelslang, naar
den lepelvormig uitgezetten hals, het oude met dien van Orai-babi,
d. i. Varkenslang, naar de zwartblauwachtige kleur gelijk die van
een Chineesch Zwijn. De Maleiers in de Padangsche bovenlanden
van Sumatra kennen deze Brilslang vrij algemeen onder den haar
bijzonder kenmerkenden naam van Oelar-bieloedakh, d. i. Gifspuwende
Slang. Door de Bejadjoe Dajakkers op Borneo is ons voor haar de naam
Hantiepeh-poera, d. i. Dorpslang opgegeven, omdat men haar dikwerf
in bewoonde plaatsen en zelfs binnen de huizen aantreft. Zij kiest
bij voorkeur tuinen, velden en weilanden, de oevers van rivieren,
opene, met struiken begroeide vlakten en diergelijke tot verblijf;
gedurende den dag verbergt zij zich vaak in aardholen, onder oude,
omgevallen boomstammen en steenhoopen, in rotsholen, kelders enz.,
somwijlen ook kruipt zij midden op den dag heen en weder, naar voedsel
zoekende. Wordt zij vervolgd, dan tracht zij zich met snelle sprongen
door de vlucht te redden, doch is weldra afgetobd. In dit geval richt
zij zich plotseling in schier rechtstandige houding op, waarbij haar
staart tot steunpunt dient, zet den hals breed uit, blikt met waterpas
gerichten kop op den haar bedreigenden vijand, naar wien zij onder een
vervaarlijk gesis en voorwaartsche bewegingen met het bovenlijf, een
speekselachtig schuim uitwerpt. Haar voedsel bestaat uit Kikvorschen,
kleine Hagedisachtige dieren, Muizen en Vogels."

Alle onderzoekers noemen hare bewegingen langzaam; toch is zij
behendiger dan men gewoonlijk meent: zij kan niet slechts zwemmen,
maar ook tamelijk goed klimmen. Zoo doodde men aan boord van een
schip een Cobra, die er niet anders dan langs den ankerketting
heeft kunnen komen. Tennent bericht over een Brilslang, die gevonden
werd in de kroon van een palmboom, "aangelokt, naar men beweerde,
door het palmsap, dat juist afgetapt werd", waarschijnlijk echter,
omdat zij daarboven Vogels vangen of nesten plunderen wilde. Ook op
daken van huizen treft men haar niet zelden aan.

De Cobra eet geen andere dan kleine dieren, naar het schijnt, vooral
Reptiliën en Amphibiën; Tennent althans zegt, dat zij jacht maakt
op Hagedissen, Vorschen en Padden; volgens Fayrer vangt zij ook
Visschen en Insecten. Dat zij voor jonge Hoenderen, Muizen en Ratten
gevaarlijk kan worden, werd reeds gezegd; volgens Fayrer plundert zij
ook vogelnesten en tracht vooral uit hoenderhokken en duiventillen
eieren te rooven. Zij bekommert zich niet veel om andere Slangen en
maakt dus waarschijnlijk geen jacht op deze dieren. Zij drinkt veel,
maar kan ook lang zonder nadeel dorst lijden, zooals gebleken is bij
gevangen exemplaren, die weken en zelfs maanden achtereen niets te
drinken kregen.

Volgens Fayrer legt de Cobra hoogstens 18 witte, langwerpig eivormige
eieren met zachte schaal, zoo groot als die van onze Huisduif. Phipson
spreekt van 12 à 20 eieren. De Indiërs verhalen, dat men op plaatsen,
waar een Brilslang gevangen werd, na verloop van korten tijd ook een
tweede exemplaar van deze diersoort ziet verschijnen en schrijven dit
toe aan een zekere gehechtheid van het mannetje en het wijfje voor
elkander, aan een duurzamen band tusschen de leden van een paar. Iets
dergelijks berichten de schrijvers der oudheid van een verwante soort,
van de Uraeus-slang of Aspis. De Singaleezen beweren dat de jongen
vóór de eerste vervelling (die volgens hen op den 13en levensdag
plaats heeft) niet vergiftig zijn.

De Brilslang, die ook thans nog door de Hindoes met heilig ontzag
wordt bejegend en waaraan een bijna goddelijke vereering ten deel valt,
speelt in hunne godsdienstige overleveringen een belangrijke rol. Zoo
wordt verhaald, dat eens, toen Boeddha bij een bezoek aan de aarde in
de middagzon lag te slapen, een Cobra met haar schild het goddelijk
aangezicht overschaduwde. Bij zijn ontwaken was de god hierover
zoo verheugd, dat hij de Slang een buitengewone genade beloofde;
hij vergat echter zijn belofte, zoodat de Slang zich genoodzaakt
zag hem er aan te herinneren in een tijd, toen de Wouwen een groote
slachting aanrichtten onder de leden van haar geslacht. Om de Cobra
te beveiligen schonk Boeddha haar den bril, waarvoor de Roofvogels
bang zijn. De wijze, waarop de Indische slangenbezweerders met de
Cobra omgaan, is wel geschikt om zelfs den ongeloovigen Europeaan
een hoog denkbeeld te geven van hun bekwaamheid; de kunst, die zij
vertoonen, berust op hun nauwkeurige bekendheid met den aard en
de gewoonten van de Slang. Verscheidene schrijvers hebben beweerd,
dat de Cobra, evenals haar Afrikaansche zuster, vooraf onschadelijk
wordt gemaakt door het uitbreken van de giftanden. Reeds door Davy
werd deze bewering ten stelligste tegengesproken; latere onderzoekers
scharen zich geheel aan zijn zijde. Het komt misschien wel eens voor,
dat de slangenbezweerders aan de dieren, waarmede zij hunne kunsten
verrichten, de doodelijke wapens ontnomen hebben, in den regel echter
zijn deze aanwezig en zou de Slang er dus gebruik van kunnen maken,
daar de wijze, waarop zij afgericht wordt, zeer zeker niet in staat
is om haar het bijten af te leeren. De kunstenmaker voorkomt dit
gevaar, dat hij dikwijls, doch niet altijd, op een dolkoene wijze
uitlokt, uitsluitend door zijn behendigheid en oplettendheid. Het
is trouwens geen zeldzaamheid, dat een van deze lieden door een
beet van een Brilslang het leven verliest. "De slangenbezweerder,"
schrijft Davy, "prikkelt de Cobra door haar te slaan of door snelle,
dreigende bewegingen met de hand en kalmeert haar weder door zijn
stem, door met de hand langzaam kringen te beschrijven en door zachte,
streelende liefkoozingen. Als zij kwaad wordt, weet hij behendig haar
aanval te ontwijken, en wacht dan, tot zij weer bedaard genoeg is,
om met haar te spelen. Dan brengt hij den bek van het dier aan zijn
voorhoofd en strijkt zich er mede langs het gelaat. Het publiek meent,
dat de man werkelijk een toovermacht bezit, waardoor hij zonder gevaar
met de Slang kan omgaan; de ongeloovige toeschouwer steekt den draak
met deze meening en verdenkt den kunstenmaker van bedrog te plegen
met Brilslangen, die vooraf van de giftanden beroofd zijn: toch is
dit een dwaling en heeft het publiek gelijk. Ik heb zulke Slangen
onderzocht en gezien, dat hare tanden gaaf zijn. De slangenbezweerders
bezitten wel degelijk een toovermacht, al is het geen bovennatuurlijke,
n.l. zelfvertrouwen en moed. Zij kennen de gewoonten en de neigingen
van de Slang, weten, dat zij ongaarne haar doodelijk wapen gebruikt
en eerst na vele voorafgaande plagerijen zal bijten. Ieder, die even
omzichtig en vlug van beweging is als deze menschen, kan hun spel
nabootsen; ik heb het meer dan eens gedaan. Met elke Hoedslang kunnen
de slangenbezweerders hunne kunsten verrichten, om 't even of zij pas
gevangen werd of lang opgesloten is geweest; zij wagen het echter met
geen andere Vergiftige Slang". De waarheid van de mededeelingen van
Davy werd op Ceylon op een treurige wijze bevestigd door den dood van
een slangenbezweerder, die bij zijne voorstellingen met buitengewone
driestheid te werk ging; hij werd door een van zijne Slangen in de
borst gebeten en stierf nog op denzelfden dag.

Een zeer aanschouwelijke beschrijving van de slangenbezwering gaf
Rondot: "Tegen 6 uur 's avonds komt een Indische slangenbezweerder
aan boord. Hij is armoedig gekleed, zijn tulband is tot onderscheiding
met drie pauweveeren getooid. In zijne zakken draagt hij halsbanden,
amuletten en dergelijke voorwerpen, in een plat korfje een Cobra de
Capello. Hij maakt op het voordek toebereidselen tot het geven van
een voorstelling; wij zetten ons op de banken van het achterdek neer,
de matrozen zijn in een kring geschaard.

"Het korfje wordt neergezet en het deksel er af genomen. De
Slang ligt ineengekronkeld op den bodem. De kunstenmaker hurkt op
eenigen afstand van haar neer en begint op een soort van klarinet
een sleepend, droefgeestig, eentonig wijsje te spelen. De Slang
ontrolt zich gedeeltelijk, rekt zich uit en rijst omhoog. Zij
steunt als 't ware op den staart, die nog ineengekronkeld in het
korfje ligt. Na een poosje wordt zij eenigszins onrustig, maakt
bewegingen om, met de tong tastend, haar omgeving te onderzoeken,
ontplooit en verbreedt haar schild, geeft haar gramschap te kennen
door het voortbrengen van een meer snuivend dan sissend geluid,
door het versnellen van de tongbeweging en door zich herhaaldelijk
met kracht naar voren te krommen in de richting van haar meester,
alsof zij hem wil bijten, schiet intusschen dikwijls omhoog en
doet onbehouwen sprongen. Hoe meer zij haar schild beweegt, des te
breeder wordt het. De slangenbezweerder houdt de oogen voortdurend
op de Cobra gevestigd en kijkt haar buitengewoon strak aan. Nadat op
deze wijze ongeveer 10 of 12 minuten voorbijgegaan zijn, vermindert de
opgewondenheid van de Slang langzamerhand; eindelijk is zij tot bedaren
gekomen en wiegelt heen en weer, alsof zij onder den invloed komt van
de allengs verflauwende muziek van haar gebieder; de beweging van de
tong blijft echter nog altijd buitengewoon snel. Hoe langer hoe meer
schijnt de Cobra in een toestand van slaapdronkenheid en droomerigheid
te vervallen. Hare oogen, die aanvankelijk met onheilspellenden gloed
op den bezweerder waren gericht staren nu onbeweeglijk naar hem als
onder den indruk van een betoovering. De Hindoe, gebruik makend van
dezen toestand van wezenloosheid van de Slang, nadert haar langzaam,
zonder zijn spel te staken en drukt eerst den neus en dan de tong op
haar kop. Dit duurt niet langer dan één oogenblik; de Slang herkrijgt
onmiddellijk haar vroegere levendigheid en schiet met razende woede
op den bezweerder toe, die ternauwernood den tijd heeft om buiten
het bereik van het giftige dier te komen.

"Nadat de man opgehouden heeft te spelen, komt een van de
scheepsofficieren bij hem met den wensch om ook te zien, hoe de Hindoe
zijne lippen op den geschubden kop van het dier drukt. De arme drommel
begint opnieuw zijn eentonig wijsje te spelen en vestigt zijn starenden
blik weder op de Cobra. Al zijn moeite is echter tevergeefs. De Slang
verkeert in een toestand van buitengewone opgewondenheid; niets is
in staat haar te kalmeeren. Zij wil zelfs de korf verlaten, zoodat
men genoodzaakt is er het deksel op te doen.

"Het wil er niet bij ons in, dat de Cobra nog in het bezit is van
hare giftanden en dat er geen veinzerij schuilt achter de vrees,
die de Hindoe voor haar laat blijken. Wij verlangen daarom, dat
de man twee Hoenderen door het dier zal laten bijten en beloven
hem hiervoor een Spaanschen piaster. Een zwarte kip wordt de Slang
voorgehouden. Deze richt de helft van haar lichaam omhoog, bijt het
Hoen, na het een oogenblik aangestaard te hebben en trekt onmiddellijk
den kop terug. De losgelaten Vogel maakt van zijn vrijheid gebruik
door vol schrik de vlucht te nemen, braakt na verloop van 6 minuten,
strekt de pooten uit en sterft. Het tweede Hoen, dat tweemaal door
de Slang gebeten wordt, sterft na verloop van 8 minuten."

Graaf Karl von Görtz geeft in zijn "Reis om de Wereld" een eenigszins
andere beschrijving van de bedoelde vertooning. De Cobra's, waarmede
hij de slangenbezweerders te Madras kunsten zag verrichten, lagen
eveneens in platte korven ineengerold; de hoofdman van de troep vatte
ze echter een voor een bij den kop en begon, nadat hij ze eerst vrij
op den grond neergelegd had, een oorverscheurende muziek te maken op
een wonderlijk soort van klarinet, die aan haar einde met een kleinen
pompoen voorzien was. De Slangen richtten den kop en den hals omhoog,
keken haar meester stijf in 't gelaat en breidden haar schild sterk
uit, maar gaven geen andere bewijzen van opgewondenheid. Toen de man
haar de vuist voor den kop hield, maakte deze een beweging als om te
bijten; de bek werd echter niet geopend, ook niet bij het vervangen
van de vuist door den top van den neus en het puntje van de tong. De
kunstenmaker trachtte de Slangen niet te betooveren door ze stijf
aan te kijken; daarentegen hield hij de hand dikwijls achteloos in
de nabijheid van de dieren, die hij eindelijk zelfs om zijn hals
wikkelde. Er was niets te bespeuren van een dansende beweging der
Slangen; deze toonden duidelijk, dat zij nog even boosaardig en
woedend waren als gewoonlijk, maar ook, dat zij den slangenbezweerder
vreesden. Het was gemakkelijk te raden, dat men ze afgericht had door
ze in harde of heete voorwerpen te laten bijten. "Hare giftanden
waren gebroken; ik heb mij hiervan persoonlijk overtuigd en de
slangenbezweerders erkenden het gewillig."

"Op de Indische eilanden," zegt Dr. S. Müller, "wordt de Brilslang
volstrekt niet tot ten vermaak strekkende spelen (zoogenaamde dansen
enz.) gebruikt. De Slangen, waarmede de priesters op Java somwijlen
goochelkunsten, maar verschillend van die der Hindoe's, ten uitvoer
brengen, zijn doorgaans niet giftig. Het zijn gewoonlijk soorten van
de geslachten Python en Coluber."

Behalve de slangenbezweerders houden zich ook de brahminen
met de vangst en de africhting van de Brilslang bezig. Volgens
de mededeelingen van Johnson onderzoeken de vangers op geschikte
plaatsen alle holen in den grond en beginnen te graven bij die met
een door het in- en uitkruipen van de Slang gladgeschuurden ingang,
daar zij weten, dat deze plaats gewoonlijk oneffen is, wanneer het
hol bewoond wordt door dieren, die pooten hebben. Het op deze wijze
ontdekte hol van de Slang wordt voorzichtig geopend, totdat men
het dier bereikt heeft; dit tracht men met de linkerhand bij den
staart te vatten, terwijl de rechter een verder naar voren gelegen
deel van het lichaam omspant. Men trekt nu de Slang met de linkerhand
zooveel mogelijk door de rechter, totdat deze den nek tusschen duim en
wijsvinger heeft. Johnson verzekert, dat hij op deze wijze ook in de
open lucht Slangen heeft zien vangen. Zij die zich met dit werk bezig
houden, gaan trouwens nooit alleen op de jacht en hebben altijd de
benoodigdheden bij zich om een slangenbeet te kunnen behandelen. Zoo
draagt een van hen gewoonlijk een vuurpot, bestemd voor het gloeiend
houden van een klein ijzeren voorwerp, zoo groot als een tand van
een gewone vork en van den vorm van een slangetand, waarmede men,
als aan iemand het ongeluk overkomt van gebeten te worden, dadelijk de
gewonde plaats uitbrandt, nadat men eerst het bloed er uitgedrukt en
uitgezogen heeft, terwijl men tevens door een band om het gekwetste
lichaamsdeel te leggen de verbreiding van het gif tegengaat. Anderen
bepalen zich tot het plaatsen van een zoogenaamden "slangensteen" op
de wonde. Inwendig gebruikt men dikwijls met goed gevolg een aftreksel
"gongea" genaamd, van wilde hennep of tabak en bezoargeest.

Fayrer heeft gedurende drie opeenvolgende jaren een reeks van
onderzoekingen ingesteld, om de werking van het gif der Indische
Slangen en meer bepaaldelijk der Brilslang te leeren kennen. Als
proefdieren werden bij voorkeur Honden en Hoenderen, maar bovendien
Paarden, Runderen, Geiten, Zwijnen, Katten, Mungo's, Konijnen, Ratten,
Wouwen, Reigers, Hagedissen, onschadelijke en vergiftige Slangen,
Vorschen, Padden, Visschen en Slakken gebruikt. Het bleek, dat het gif
van de Brilslang op al deze dieren werkt en dat de werking buitengewoon
hevig en meestal ook merkwaardig snel is. Tegenmiddelen van den meest
verschillenden aard werden onderzocht; zij beantwoordden in 't geheel
niet of slechts in zeer geringe mate aan de verwachting. Het bleek,
dat beten, die een groot bloedvat treffen, onvoorwaardelijk den
dood ten gevolge hebben. Met volkomen zekerheid werd de onjuistheid
aangetoond van de meening, dat het slangengif alleen dan werkt,
wanneer het onmiddellijk in het bloed komt, maar dat het integendeel
ook door alle slijmvliezen opgenomen wordt en zelfs van uit de maag
in het bloed kan geraken.

Bij menschen openbaren de gevolgen van den slangenbeet zich dikwijls
op een andere wijze dan bij dieren; terwijl b.v. de mensch in dit
geval zoo koud wordt als een lijk, heeft men bij Honden juist het
tegendeel, n.l. een koortsachtigen toestand, opgemerkt. Daar in Indië
betrekkelijk vele lieden door Brilslangen gebeten worden en hierdoor
meestal ook het leven verliezen, is men met het verloop der ziekte
bij vergiftigde menschen voldoende bekend.

De inboorlingen van Indië, vooral de slangenvangers en bezweerders,
maken gebruik van vele geneesmiddelen bij slangenbeten. Een daarvan,
dat zeer sterk aanbevolen wordt, achten wij vermeldenswaardig, hoe
weinig baat men er ook bij zal vinden. Het is de "slangensteen," die
op Ceylon "pemboe keloe" wordt genoemd en welks gebruik de Singaleezen
waarschijnlijk overgenomen hebben van de slangenbezweerders, die van de
kust van Koromandel overkomen. "Meer dan één goed gestaafd geval van
genezing door dezen steen," zegt Tennent, "werd mij medegedeeld door
ooggetuigen. In Maart 1854 zag een mijner vrienden, terwijl hij met
een regeeringsbeambte in de buurt van Bintenne door den dsjungel reed,
een Tamil, die met een anderen persoon van den tegenovergestelden kant
kwam, plotseling in het woud springen en met een Cobra de Capello
terugkeeren, die hij met beide handen aan den kop en den staart
gegrepen had en vasthield. Hij riep zijn metgezel te hulp om de Slang
in een sluitkorfje te pakken, maar ging hierbij zoo onhandig te werk,
dat het dier hem in den vinger beet en dit lichaamsdeel eenigen tijd
met de tanden vasthield, alsof het niet in staat was den kop terug
te trekken. Het bloed vloeide uit de wonde en de gebetene scheen
onmiddellijk de hevigste pijn te lijden. Dadelijk opende de vriend
van den lijder zijn gordel en haalde er twee slangensteenen uit,
ieder ter grootte van een kleinen amandel, donkerzwart van kleur en
buitengewoon glad van oppervlakte; op iedere wonde werd een van deze
steenen gelegd; zij bleven er aan kleven en zogen al het bloed op,
dat uit de wonden vloeide; ongeveer 3 of 4 minuten bleven zij op hun
plaats, terwijl de metgezel van den lijder diens arm van den schouder
tot bij den vinger drukte en kneedde; eindelijk vielen zij vanzelf
af. Naar het scheen, was de pijn toen geweken. De patiënt bewoog
de hand, trok zich aan de vingers, totdat de gewrichten kraakten en
vervolgde zijn weg, zonder eenige bezorgdheid te toonen."

Volgens Johnson is de bereiding van de slangensteenen een geheim van
de brahminen, die hieraan belangrijke inkomsten te danken hebben. Voor
onze scheikundigen is de samenstelling van dit geneesmiddel echter geen
geheim gebleven. Zij hebben aangetoond, dat het uit gebrande beenderen,
kalk en een verkoold hars bestaat, welke stoffen vele tusschenruimten
overlaten, die door capillaire werking vloeistoffen, en dus ook
bloed of gif, in zich kunnen opnemen. Dat zulk een voorwerp bij de
behandeling van slangenbeten een gunstigen invloed kan oefenen, valt
niet te betwijfelen; stellig is deze echter van geringere beteekenis
dan die van een laatkop; gevallen van genezing door slangenbeten zooals
het hierboven aangehaalde, kunnen derhalve slechts voorgekomen zijn
bij licht gewonde en zwak vergiftigde patiënten.

Hoewel de berichten over het ontzettend groot aantal in Indië
voorkomende sterfgevallen door slangenbeten geen volkomen vertrouwen
verdienen, valt het niet te betwijfelen, dat ieder jaar vele menschen
door het gif van de Cobra het leven verliezen. Men zou kunnen meenen,
dat het bezit van zulk een gevaarlijk wapen het dier, dat er mede
uitgerust is, in vele gevallen vrijwaart tegen de aanvallen zijner
vijanden en hun aantal beperkt. Deze gevolgtrekking schijnt echter
onjuist te zijn. De Indiërs noemen een tamelijk groot aantal kleine
roovers uit de klasse der Zoogdieren op--waarvan de Mungo in de
eerste plaats vermelding verdient--, die, naar gezegd wordt, een
verdelgingsoorlog voeren tegen vergiftige Slangen. Bovendien wordt
bericht, dat men een belangrijke vermeerdering van het aantal Slangen
heeft opgemerkt in alle gewesten, waar veel jacht wordt gemaakt op
Pauwen en andere wilde Hoenderen en deze bijgevolg in talrijkheid
zeer afnemen. Hieruit zou dus blijken, dat deze groote en fiere
Vogels met de Brilslangen op dezelfde wijze handelen als onze tamme
Hoenderen met de Adders. Op Ceylon worden, naar men beweert, vele
Slangen verdelgd door Herten, die, met alle vier pooten te gelijk
opspringend, ze onder hunne hoeven verpletteren.



Soortgelijke voorstellingen als door de Indische slangenbezweerders
gegeven worden, kan men op elken feestdag op de openbare pleinen
van Kairo zien. Doffe, maar ver hoorbare tonen, voortgebracht op een
grooten kinkhoren, vestigen de aandacht op een man, die voornemens
is aan de zonen en dochters van de "roemrijke hoofdstad en moeder
der wereld" een voor hen buitengewoon aantrekkelijk schouwspel te
verschaffen. Weldra heeft zich een kring gevormd om den "hauï" en de
vermakelijkheid neemt een aanvang. Een schunnig gekleede jongen speelt
de rol van hansworst, een Mantelbaviaan vertoont zijne kunsten en de
levensgezellin van den straatartist gaat rond om het kleine kopergeld
in te zamelen, dat het karige loon is voor hetgeen ten tooneele wordt
gevoerd. Het merkwaardigste nummer van het program moet nog worden
vertoond: het zal ieder overtuigen, dat de man, die door velen met
eenige vrees wordt beschouwd, werkelijk tooverkunsten machtig is.

Bedrijvig loopen en springen de kunstenmaker, de hansworst en de
Aap rond: telkens moet nog het eene of andere voorwerp verschoven,
of aangebracht worden. Eindelijk neemt de "hauï" een van de lederen
zakken, waarin hij al zijne benoodigdheden bergt, werpt hem te midden
van den kring, opent de strik, die hem tot dusver gesloten hield,
neemt in plaats van den kinkhoren de "soemara", een instrument, dat
door muziekhatende demonen uitgevonden schijnt te zijn, en begint
een eentonig wijsje te spelen. Er komt leven en beweging in den zak;
deze komen al nader en nader bij de opening, ten slotte ziet men de
kleine eivormige kop van een Slang zich er boven verheffen. Op den
kop volgen de hals en het bovenlijf, die dezelfde houding aannemen
als zij bij de Brilslang hebben; vervolgens kronkelt het dier zijn
geheele lichaam uit den zak en begint dadelijk in een kring, die door
den bezweerder in zekeren zin omschreven wordt, zich langzaam op en
neer te bewegen; het kleine kopje wiegelt fier op den tot een schild
verbreeden hals, de fonkelende oogen volgen iedere beweging van den
man. Een algemeene ontzetting bevangt de toeschouwers, daar allen
weten, dat deze Slang de te recht gevreesde "Haje" is; bijna niemand
weet, dat de goochelaar zonder gevaar met de gramschap van dit dier
kan spotten, daar hij de voorzorg heeft genomen het van de giftanden
te berooven. Op soortgelijke wijze als wij dat van den dierentemmer in
het beestenspel gewoon zijn, laat de "hauï" de Slang in alle richtingen
draaien, om te toonen hoe tam zij is, vat haar bij den hals, spuwt haar
in 't aangezicht of bespat haar met water en drukt haar plotseling,
zonder dat de toeschouwer er iets van bespeurt, op een bepaald punt
in den nek. Op hetzelfde oogenblik strekt de Slang zich tot haar
volle lengte uit en wordt stijf als een stok. Door de drukking op
het ruggemerg in de nekstreek is zij in een toestand van verstijving
gebracht. Verklaarbaar wordt ons hierdoor het verhaal uit Exodus:
"En Aaron wierp zijn staf neder voor Pharao's aangezicht en voor het
aangezicht zijner knechten en hij werd tot een Slang. Pharao riep nu
ook de wijzen en de guichelaars, en de Egyptische toovenaars deden
ook alzoo met hunne bezweeringen. Want een iegelijk wierp zijnen staf
neder en zij werden tot Slangen".

De hier bedoelde Slang was onder den naam van "Aspis" reeds bij de
Grieken en Romeinen beroemd; voor de oude Egyptenaars, die haar
"Oera" ("de rechtstandige") noemden, was zij het zinnebeeld van
waardigheid; haar beeltenis ziet men aan de tempels, in steen gehouwen
aan weerszijden van den wereldbol; een nabootsing van haar gestalte
was het versiersel, dat de koning als teeken van zijn hoogen rang
en oppermacht aan het voorhoofd droeg; van haar oud-Egyptischen naam
is de nieuwere aanduiding "Uraeus" afgeleid. Hoe het raadselachtige
Nijlvolk er eigenlijk toe gekomen is om haar zoo hoog boven alle andere
dieren te verheffen, moeten wij in 't midden laten: misschien heeft
de eigenaardige houding, die zij soms aanneemt, hiertoe aanleiding
gegeven, of de dienst, dien zij aan den landbouw bewijst door het
verdelgen van Ratten en Muizen, of anders de vreeselijke werking van
hare giftanden. Bijna iedere Romeinsche of Grieksche schrijver weet ons
iets van de Aspis mede te deelen, van hare gewoonten en levenswijze,
van de vereering, die haar ten deel viel, van het gebruik, dat van haar
werd gemaakt. Ieder van hen mengt trouwens in zijne berichten waarheden
en fabelen, persoonlijke herinneringen en verdichtselen dooreen.

De Uraeusslang, Aspis, Haje of Egyptische Brilslang, die door de
kolonisten in Zuid-Afrika ook wel Spuwslang wordt genoemd (Naja
haje), is nog iets grooter dan haar Aziatische verwante, daar de
lengte van een volwassen exemplaar 2.25 M. kan bedragen. Van haar
kleur kan geen algemeen geldige beschrijving gegeven worden, evenmin
als van die der Brilslang. De meeste Aspiden, en meer bepaaldelijk
de Egyptische, zijn aan de bovenzijde effen stroogeel en hebben
lichtgele onderdeelen, hoewel hier in de halsstreek verscheidene
breede, donkerder dwarsbanden voorkomen, welke ieder zich over eenige
buikschilden uitstrekken. Er zijn echter tal van verscheidenheden:
de bovendeelen kunnen alle tusschen stroogeel en zwartbruin gelegen
nuances vertoonen, terwijl ook aan de onderdeelen zeer verschillende,
hoewel meestal iets lichtere kleuren waargenomen zijn. Enkele van
deze variëteiten heeft men wel als afzonderlijke soorten beschouwd;
de veranderlijkheid van de Uraeusslang is echter zoo groot, dat men,
volgens Günther, soms exemplaren ontmoet, welke men ternauwernood
van een Brilslang kan onderscheiden. Wanneer men alle Aspiden als
leden van één soort aanmerkt, omvat het verbreidingsgebied van
dit gevaarlijke dier geheel Afrika ten zuiden van den Atlas. In de
Nijllanden komt het op geschikte plaatsen zeer veelvuldig voor; in
Tunis en Zuid-Marokko ontmoet men het in kleinen getale, in geheel
Zuid-Afrika is het algemeen, aan de westkust ontbreekt het nergens;
in de binnenlanden hebben Livingstone en alle reizigers van den
nieuwsten tijd het herhaaldelijk waargenomen, of het als inheemsch
hooren aanduiden. De verblijfplaatsen van de Aspis zijn ongelijk. In
het boomlooze Egypte bewoont zij het bebouwde land en de woestijn;
zij zoekt tusschen puinhoopen en in rotsspleten een schuilplaats of
gebruikt het hol van een Renmuis of van een Springmuis tot woning; in
Soedan en in Zuid-Afrika houdt zij zich in het met struiken begroeide
land of in de steppe op, waar zij overal gelegenheid vindt om zich te
verbergen; in de gebergten (die zij volstrekt niet vermijdt) vindt zij
schuilplaatsen genoeg onder groote rotsblokken of zelfs in het dichte
struikgewas, dat hier den bodem bedekt. Zij is nergens zeldzaam, hoewel
men haar niet zoo dikwijls ontmoet, als men zou kunnen verwachten.

De Egyptenaars vreezen de Haje zeer en dooden haar, waar hun dit
mogelijk is. Hoewel zij in den regel bij 't zien van een mensch ten
spoedigste vlucht, zal zij zich, wanneer iemand haar in 't nauw
brengt, onmiddellijk oprichten en te weer stellen; ook in andere
gevallen geeft zij zeer duidelijke bewijzen van prikkelbaarheid
en woede. Niet zelden bepaalt zij zich tot zelfverdediging; soms
echter gaat zij aanvallenderwijs te werk. "Een van mijne vrienden,"
schrijft Anderson, "was bezig met het opzoeken van een zeldzame plant;
op eens schoot een Aspis op zijn hand toe. Hij had den tijd niet zich
om te draaien, maar liep achteruit zoo snel hij kon. De Slang volgde
hem echter op den voet en zou hem ingehaald hebben, indien de jacht
eenige seconden op deze wijze voortgeduurd had. In 't zelfde oogenblik
echter struikelde hij over een mierenhoop en viel ruggelings op den
grond. Terwijl hij lag, zag hij de Slang pijlsnel voorbijschieten."

De Haje komt, naar 't schijnt, door de wijze waarop zij zich
beweegt, en haar geschiktheid hiervoor volkomen overeen met de
Brilslang. Behendig kruipt zij over den bodem, gaat dikwijls en uit
eigen beweging te water, zwemt zeer goed en klimt als haar verwante.

De buit van de Aspis bestaat uit allerlei kleine dieren, vooral uit
Veld-, Ren- en Springmuizen, Vogels, die op den grond leven en hunne
jongen, Hagedissen, andere Slangen, Vorschen en Padden. Hoewel zij
over 't algemeen schadelijke dieren verslindt, kan de dienst, dien
zij hierdoor den mensch bewijst, bezwaarlijk van groote beteekenis
zijn, zoodat de ijverige vervolging, die zij tegenwoordig overal te
verduren heeft, volkomen gerechtvaardigd is.

Iedere Egyptische kunstenmaker vangt zelf de Aspiden, die hij voor
zijne voorstellingen noodig heeft en doet dit op een zeer eenvoudige
wijze. Gewapend met een langen, stevigen stok van mimosa-hout, "naboet"
genaamd, begeeft hij zich naar het terrein, waar de gewenschte buit
zich ophoudt en doorzoekt alle schuilplaatsen, waarvan de Hajes
gebruik maken, totdat hij er een te zien krijgt. Aan het eene einde
van den stok is een handvol lompen vastgemaakt; dit einde houdt hij
de Slang voor, zoodra zij zich dreigend opricht en aanstalten maakt
om van de verdediging tot den aanval over te gaan. Woedend bijt zij
in de lompen, dadelijk trekt de jager met een vlugge beweging den
stok terug om het dier de tanden uit te breken. Nooit echter bepaalt
hij zich tot één dergelijke poging, maar fopt en plaagt de Slang zoo
dikwijls, totdat zij vele malen gebeten heeft, hare giftanden stellig
kwijt geraakt en tevens geheel uitgeput is. Nu drukt hij haar kop met
den stok stijf tegen den grond, komt voorzichtig nader, pakt haar bij
den hals, drukt op de hem bekende plaats van den nek (waardoor zij in
een soort van stijfkramp vervalt) en onderzoekt haar bek om te zien,
of werkelijk de giftanden afgebroken zijn.

Over het leven van de Haje in de gevangenschap heeft Günther uitvoerige
en belangwekkende berichten gegeven, op grond van waarnemingen
door hem gedaan in den Londenschen dierentuin. "De beide prachtige
exemplaren van de zwarte variëteit van de Uraeusslang moeten, daar
zij levendig van aard en groot zijn, een vrij ruim hok bewonen. Men
heeft de glazen wanden tot op een derde van de hoogte met olieverf
ondoorzichtig gemaakt, zoowel om de Slangen, die anders wegens haar
prikkelbaarheid voortdurend in een toestand van opgewondenheid zouden
verkeeren, meer rust te verschaffen, als om haar, wanneer zij onrustig
worden, eerder te nopen zich op te richten en over het donkere deel
van het glas heen te kijken. Zij doen dit nu altijd bij de geringste
aanleiding. Wanneer zij bij zulk een gelegenheid of bij de voedering
te dicht bij elkander komen, is een gevecht onvermijdelijk: het
lichaam wordt dan hoog opgericht, de hals zoover mogelijk uitgebreid;
ieder tracht hooger te zijn dan de tegenpartij, intusschen doen
zij voortdurend haar best elkander te bijten. Verwondingen komen
opmerkelijkerwijze bij een dergelijken twist niet voor; toen echter
eenigen tijd geleden een derde exemplaar in hetzelfde hok werd
gebracht, had er een strijd plaats, waarbij de nieuweling gebeten
moet zijn, daar deze den volgenden morgen dood gevonden werd. De
dieren, die men in het hok van deze Slangen brengt, worden door
haar gedood, zelfs wanneer zij er niets van eten. De bijtbeweging
geschiedt buitengewoon snel; hoewel men de Slang met het dier in
aanraking zag komen, zou men toch kunnen meenen, dat het niet gebeten
werd, totdat men het eenige weinige seconden later na kortstondige
stuiptrekkingen ziet bezwijken. De bek wordt bij 't bijten slechts
zeer weinig geopend; de wonde is eerder een schram dan een steek. De
Hajes gaan dikwijls en gedurende geruimen tijd in 't water liggen;
's winters kruipen zij echter geheel onder het tapijt van haar hok."



Tot de Hoedslangen behoort ook nog de Zuid-Aziatische (ook op de
Soenda-eilanden voorkomende) Reuzenhoedslang (Naja bungarus),
het vreeselijkste, althans het grootste lid van haar geslacht,
die de voor een Gifslang buitengewoon groote lengte van 3.38 à
4.26 M. bereikt. Het voor verbreeding geschikte deel van den hals
is bij haar naar verhouding kleiner dan bij de overige Hoedslangen;
de kleur varieert zeer; de bovendeelen zijn in den regel olijfgroen,
de onderdeelen bleekgroen.

Het voedsel van de Reuzenhoedslang schijnt hoofdzakelijk uit andere
Slangen te bestaan. De jacht, die zij op Slangen maakt, heeft
aanleiding gegeven tot de in sommige streken van Indië verbreide
meening, dat haar door haarsgelijken koninklijke eer wordt bewezen.

De gevangen exemplaren, die Fayrer van slangenbezweerders kreeg,
misten hare giftanden en hadden daarom haar levendigen aard geheel
verloren; zij hadden zich, naar 't scheen, geschikt naar den wil
van haar gebieder en gedroegen zich geheel op dezelfde wijze als de
Brilslangen, waarmede de straatkunstenaar speelt.

Het gif van dit dier werkt zeer krachtig. Een Hond sterft ongeveer
14 minuten na gebeten te zijn, een mensch soms na 3 minuten. De
Reuzenhoedslang verdraagt de gevangenschap goed; een groot exemplaar
van deze soort heeft in den Londenschen dierentuin 12 jaar en 7
maanden geleefd en werd gedurende dezen tijd bijna uitsluitend met
Engelsche Slangen gevoederd.



Een van de gevaarlijkste Slangen van Australië is de beruchte
Zwarte Adder (Pseudechis porphyriacus), van het geslacht der
Schijnadders. Haar lengte bedraagt 1.6 à 2.5 M. De bovendeelen zijn
prachtig glanzig zwart of donker olijfbruin, de onderdeelen niet
minder fraai lichtrood, de zijden helder karmijnrood. Het wijfje
wordt wegens haar kleur Bruine Slang of Bruine Adder genoemd.

Volgens het eenstemmig getuigenis van alle deskundigen is er
geen werelddeel en zelfs geen land, dat naar verhouding zoovele
vergiftige Slangen voortbrengt als Australië. Minstens twee derde
van alle Slangen, die men tot dusver in de verschillende gedeelten
van dit vasteland gevonden heeft, zijn vergiftig; verscheidene van
deze behooren tot de gevaarlijkste leden van de geheele groep. "Waar
men zich ook bevindt", verzekert "the Old Bushman", "in het dichte
woud of op met struikgewas begroeide terreinen, in open steppen of
in broeklanden, aan de oevers van rivieren, plassen of waterkuilen,
overal kan men zeker zijn van een ontmoeting met de fel gehate vijandin
van den mensch, met de Zwarte Adder. Zij dringt tot in de tent of de
hut van den jager door en ligt ineengekronkeld onder zijn beddelaken:
nergens is men veilig tegen haar; men moet zich er over verwonderen,
dat zij niet veel meer menschen doet sneven, dan in werkelijkheid
door haar het leven verliezen." Volgens de berichten van denzelfden
opmerker, vallen alle Slangen van Zuid-Australië in winterslaap:
zij verdwijnen tegen het einde van Maart en komen in September weer
te voorschijn. De Zwarte Adder schijnt meer verbreid en veelvuldiger
te zijn, dan een der overige soorten; zij wordt althans vaker gezien;
hier draagt ook veel toe bij, dat zij over dag werkzaam is. Door de
veelzijdige ontwikkeling van haar bewegingsvermogen munt zij boven
de overige Australische Gifslangen uit; zelfs verlaat zij, naar men
bericht, niet al te zelden den vasten bodem en vervolgt klimmend of
zwemmend haar weg.

Daar de Vergiftige Slangen van Australië veel schade aanrichten
en menig ongeluk veroorzaken, worden zij algemeen gevreesd en
fel vervolgd. Vele van de Runderen en Schapen, die men des zomers
stervend of dood in de vlakte ziet liggen, zijn waarschijnlijk door
slangenbeten om 't leven gekomen, hoewel zij, de Schapen althans,
deze gevaarlijke schepsels dooden, door er met de vier pooten te
gelijk op te springen en ze zóó te verpletteren. De inboorlingen
zijn zeer bevreesd voor alle Slangen; maar worden zelden gebeten,
omdat zij onderweg steeds de grootst mogelijke voorzichtigheid in
acht nemen en hunne adelaarsoogen alles opmerken, wat zich voor hen
bevindt, om 't even of het zich beweegt of niet. Door de langdurige
gewoonte in hooge mate omzichtig geworden, loopen zij nooit door
een geul of stappen nooit in een kuil, die zij niet geheel overzien
kunnen. Zij eten de Slangen, die zij eigenhandig gedood hebben, nooit
echter die, welke in haar doodsstrijd zich zelf een beet toebrachten,
zooals dikwijls schijnt voor te komen.

In den regel vlucht de Zwarte Adder ten spoedigste, zoodra zij een
mensch hoort of ziet; in 't nauw gebracht of vertoornd door een
vervolging, valt zij dapper op haar belager aan; wegens de wijze
waarop zij dit doet, noemen de kolonisten haar "Springslang".

De zwarte oorspronkelijke bewoners van Australië beweren, dat de
beet van deze Slang zelden doodelijk is voor den mensch; ook Bennett
heeft eenige gevallen hooren noemen van menschen, die, na door
haar gebeten te zijn, genazen, zonder eenig geneesmiddel te hebben
gebruikt. Bedenkelijke gevolgen heeft zulk een beet altijd. Volgens
genoemden onderzoeker, "ging een kolonist aan de Clarence-rivier, toen
hij vernam, dat een Zwarte Adder zich in zijn huis bevond, met een stok
gewapend op het dier af om het te dooden; hij was echter niet handig
genoeg en werd aan den voet gebeten. De eerste gevolgen van den beet
waren een opmerkelijke versuffing en neiging tot slapen. De gewonde
gebruikte in- en uitwendig ammonia, insnijdingen werden gemaakt in
het gekwetste lichaamsdeel en boven de wonde werd een stevig verband
aangebracht; men liet den zieke heen en weer loopen, hoewel hij een
zeer groot verlangen om te slapen te kennen gaf en ook in andere
opzichten zich gedroeg, alsof hij met opium vergiftigd was. Uren lang
hield deze toestand aan; langzamerhand kwam er verbetering in." Op
soortgelijke wijze behandelen de zwarten een gebeten persoon. Uit de
dus verkregen genezingen mag men niet afleiden, dat het gif van deze
Slangen geen krachtige werking uitoefent, maar wel, dat niet zelden
de hoeveelheid gif onvoldoende is om den dood te veroorzaken.

Volgens de meening van jagers en inboorlingen neemt de Reuzen-ijsvogel
de voornaamste plaats in onder de natuurlijke vijanden van de
Zwarte Adder; bovendien wordt hiertoe gerekend een groote Hagedis,
waarschijnlijk een Warane.

Veel doeltreffender dan de werkzaamheid dezer vijanden is het vuur;
ieder jaar wordt het verdorde gras van de weidegronden in brand
gestoken om de vruchtbaarheid van den bodem te verhoogen door de
overblijvende asch: duizenden Vergiftige Slangen en andere schadelijke
dieren worden dan door het vuur gedood. Het is te verwachten, dat
het aantal Slangen verminderen zal, naarmate de bevolking toeneemt
en het land meer geregeld bebouwd wordt.



De tweede onderfamilie van de Giftandigen omvat de Zeeslangen
(Hydrophiinae). Zoo moeielijk het is de andere afdeelingen van
de onderorde der Slangen te begrenzen, zoo gemakkelijk kan men de
Zeeslangen herkennen en van alle overige onderscheiden: door haar
roeistaart kenmerken zij zich zoo duidelijk, dat zij onmogelijk
met andere verward kunnen worden. Bij oppervlakkige beschouwing
gelijken zij meer op Aalachtige Visschen, dan op Slangen. Haar kop is
betrekkelijk klein, het voorste deel van den romp bijna rolvormig,
het overige gewoonlijk zijdelings samengedrukt; de zeer korte,
van weerszijden buitengewoon sterk samengedrukte staart kan met een
loodrecht geplaatste roeiriem vergeleken worden. De neusgaten zijn
aan de bovenzijde van den snuit gelegen in groote neusschilden; de
kleine oogen hebben een ronde pupil. De kop is altijd met groote,
onregelmatige schilden, de romp met kleine schubben bekleed, die
elkander dakpansgewijs bedekken of met randen aaneengevoegd zijn en
zich aan de onderzijde slechts bij uitzondering in een smalle reeks
van buikschilden vervormen. Het gebit van de bovenkaak bestaat uit
korte, gegroefde giftanden, waarachter nog een aantal kleinere tandjes
voorkomen, de onderkaak is over haar geheele lengte met massieve
grijptanden gewapend.

Met het fabelachtige monster, dat niet in de zee, maar af en
toe in de verbeelding van de zeelieden spookt en vervolgens ook
in de nieuwsbladen de ronde doet, hebben de Zeeslangen van de
wetenschap niets gemeen. Geen enkele van de 50 soorten, die men heeft
onderscheiden, bereikt een lengte van 3.5 M.; die, welke meer dan 1
M. lang zijn, behooren reeds tot de zeer zeldzame uitzonderingen.

Met den opmerkelijken lichaamsbouw van deze Slangen staan haar
verblijfplaats en levenswijze in verband, zoodat deze onderfamilie in
alle opzichten een goed gesloten geheel vormt. Alle Zeeslangen leven,
zooals haar naam aanduidt, uitsluitend in de zee, komen (behoudens
enkele uitzonderingen) nooit op het land en zwemmen evenmin uit
eigen beweging de rivieren op. Alle brengen hare jongen levend
ter wereld. Zij bewonen den Indischen Oceaan en de Stille Zuidzee,
van de Kaap de Goede Hoop en de kusten van Madagaskar tot aan de
landlengte van Panama en van Nieuw-Zeeland tot Japan, vooral echter
die gedeelten van den Oceaan, welke tusschen de kust van Zuid-China
en die van Noord-Australië gelegen zijn. Naar het schijnt, komen zij
in aard, zeden en gewoonten onderling overeen.



Bij de Platstaarten (Platurus) is de romp bijna rolvormig, op den
rug dakvormig; haar schubben- en schildenkleed gelijkt op dat van de
andere Slangen.



Van de drie bekende soorten van dit geslacht komt de Geringde
Platstaart (Platurus laticaudatus) het veelvuldigst voor en is het
meest bekend. Haar lengte kan 1 M. bedragen. De grondkleur van de
bovenzijde is meer of minder helder blauwachtig of groenachtig zwart,
die van de onderzijde wisselt af van geelachtig tot guttegomgeel;
25 à 50 zwarte ringen omgeven het geheele lichaam; een zwarte vlek
op de kruin is aan weerszijden door een overlangschen band verbonden
met dwarse vlekken op den achterkop en den nek.

Volgens Cantor wordt deze soort in de Golf van Bengalen bij de kust
van Pondichery, in de buurt van de Nikobaren, Andamanen en Molukken,
van Timor, Celebes, Nieuw-Guinea en Zuid-China aangetroffen. Het
schijnt, dat zij niet uitsluitend de zee bewoont, daar men verscheidene
exemplaren op de kust gevonden heeft.



Bij de Pelamiden (Hydrus) is de kop plat, de snuit zeer lang, de hals
dik, de romp kort, sterk zijdelings samengedrukt, van boven stomp en
van onderen scherp en kort.



De Tweekleurige Zeeslang of Plaatjesslang (Hydrus bicolor), is van
boven donker bruinzwart, aan de onderzijde licht geelbruin, okergeel of
citroengeel; beide kleuren zijn scherp van elkander gescheiden, behalve
aan het staartgedeelte, waar zij banden of vlekken vormen. Zelden
wordt het dier meer dan 85 cM. lang.

Ook de Plaatjesslang is een van de algemeenste en meest bekende soorten
van haar onderfamilie, daar haar verbreidingsgebied zich uitstrekt
over den Indischen Oceaan en het tusschen de keerkringen gelegen deel
van de Stille Zuidzee. Zij komt veelvuldig voor in de nabijheid van de
kusten van Bengalen, Malabar, Sumatra, Java, Celebes en Zuid-China,
voorts in de Perzische Golf en aan de westkust van Midden-Amerika;
men heeft haar echter ook in de buurt van Japan, van Madagaskar en
zelfs van de Kaap de Goede Hoop waargenomen.



Bij de Roeistaartslangen (Distira) is de kop klein en langwerpig, de
romp lang, van voren dun en rond, van achteren dik en samengedrukt,
de staart breed. Het schubbenkleed is bij de verschillende soorten
ongelijk; de schubben aan het voorste derde deel van den romp zijn
altijd echter dakpansgewijs gerangschikt.



Vermelding verdient de Gestreepte Roeistaartslang (Distira
cyanocincta), daar ook zij een van de veelvuldigst voorkomende
Zeeslangen is. Zij kan 1.75 M. lang worden. De grondkleur van de
bovenzijde is olijfgroen; de onderdeelen zijn groenachtig geel. De
teekening bestaat uit 50 à 75 zwarte dwarsbanden, die zeer verschillend
kunnen zijn: de jongen hebben ringen, die dikwijls op het midden van
den buik ineenvloeien, maar, naarmate het dier ouder wordt, hoe langer
hoe meer van de buikzijde terugwijken en hier verflauwen of zich in
vlekken verdeelen, in den regel echter ten slotte tot de rughelft
beperkt blijven en op het midden van den romp het breedst zijn.

Het verbreidingsgebied van deze soort reikt van de Perzische Golf
tot aan de Japansche Zee.



Ervaren zeelieden, die den Indischen Oceaan herhaaldelijk doorkruist
hebben en steeds nauwkeurig acht gaven op de hier voorkomende
verschijnselen, beschouwen de aanwezigheid van Zeeslangen als een
kenteeken van de nabijheid van het land, daar deze dieren zich slechts
bij uitzondering ver van de kust verwijderen. Het liefst houden zij
zich op in de breede zeearmen tusschen de eilanden. Waarschijnlijk
trekt het betrekkelijk stille en niet al te diepe water, dat zij
hier vinden, haar zeer aan; de belangrijkste reden voor haar voorkeur
zal echter wel zijn, dat de dieren, die zij tot voedsel gebruiken in
deze gedeelten der zee in overvloed voorkomen. Wel is waar heeft men
ze soms in volle zee aangetroffen, maar dan steeds als afgedwaald
beschouwd. In het jaar 1837 werden de kolonisten van Nieuw-Zeeland
op hoogst onaangename wijze verrast door de ontdekking, dat zich
in de nabijheid van hunne eilanden een groot aantal Zeeslangen
ophielden. Gelukkig bleek de vrees, die door de verschijning van
deze vergiftige dieren opgewekt werd, ongegrond: de vreemde gasten
verdwenen spoedig weer; misschien zijn zij teruggekeerd naar de
plaatsen vanwaar zij kwamen, misschien in den vreemde omgekomen. Een
dergelijk verschijnsel werd, naar men zegt, ook in de nabijheid
van Panama en bij Kaapstad waargenomen. Voor zoover bekend, is tot
dusver nog nooit een dergelijke Slang naar den Atlantischen Oceaan
afgedwaald. Soms komt het voor, dat deze dieren door den vloed tot in
de kustrivieren worden gevoerd; ook hier neemt men ze echter altijd
slechts gedurende korten tijd waar, daar zij in zoet water niet kunnen
leven. Gevangen Zeeslangen sterven na 2 of 3, of hoogstens 10 dagen,
zelfs wanneer men ze in zeewater houdt. Ook uit andere waarnemingen
blijkt, dat deze Slangen in niet mindere mate zeedieren zijn dan de
Cetaceeën en de Oceaanvogels; buiten de zee kunnen zij niet bestaan.

Over haar levenswijze zijn, gelijk licht te begrijpen is, de
mededeelingen verre van volledig. In tegenstelling met hare verwanten
uit andere familiën ziet men de Zeeslangen gewoonlijk in grooten
getale bijeen, soms in troepen, die over een zekere uitgestrektheid
het water letterlijk vullen. Zij zwemmen hier met den kop boven water
en doen dit op soortgelijke wijze als andere Slangen; hoewel deze,
althans voorzoover zij slechts tijdelijk in 't water verblijf houden,
verre bij haar achterstaan, wat lichtheid, vlugheid en bevalligheid
van beweging betreft. Bij stil weder liggen zij schijnbaar slapend,
niet zorgeloos, maar toch ook niet schuw aan de oppervlakte. Soms laten
zij zich door een tusschen haar doorzeilend schip nauwelijks storen,
terwijl een andere maal het geringste gedruisch, dat haar verdacht
voorkomt, de nadering van een boot b.v., tot een algemeene vlucht
aanleiding geeft: terwijl zij naar de diepte duiken, ledigen zij de
longen; een aantal achtereenvolgens naar boven stijgende luchtbellen
is dan het eenige, waaruit haar aanwezigheid blijkt. Dat zij tot
aanzienlijke diepten afdalen, blijkt uit den inhoud van haar maag; ook
heeft men opgemerkt, dat zij geruimen tijd onder water kunnen blijven.

De Zeeslangen zijn zeer behendige, opvliegende en kwaadaardige dieren;
in haar element bijten zij even woedend als andere Gifslangen op het
land naar iederen werkelijken of denkbeeldigen vijand, zoodat ook zij
in haar drift soms zich zelf wonden toebrengen. Door de inboorlingen,
die het visschersbedrijf uitoefenen, worden zij te recht zeer gevreesd;
haar gif is even werkzaam als dat van de overige Giftandige Colubriden.

Het voedsel voor de Zeeslangen bestaat uit Visschen en Schaaldieren;
deze vallen aan de jongen, gene aan de volwassenen ten buit. Alle
Zeeslangen zijn zeer vraatzuchtig. Gewoonlijk zijn de bovenste
waterlagen haar jachtgebied; bij stormachtig weer echter jagen zij op
grootere diepten. Bij gevangen exemplaren heeft men kunnen waarnemen,
dat de pupil zich sterk kan vergrooten en verkleinen, zoodat het oog
op zeer verschillende diepten (bij velerlei lichtsterkten) dienst
kan doen. Het volle, niet door het water verzwakte daglicht oefent
een zoo hevige werking op haar oog uit, dat de pupil zich tot een
stipje samentrekt en zijzelf letterlijk verblind zijn, gelijk uit
hare onbeholpen bewegingen blijkt.

Van de voortplanting der Zeeslangen is nog niet veel bekend. De
drachtigheidsduur zal waarschijnlijk ongeveer 7 maanden bedragen. De
jongen verbreken de eischaal bij hun geboorte en beginnen dadelijk
de levenswijze hunner ouders.

Als vijanden van de Zeeslangen heeft men de Oost-Indische Zeearend en
de Haaien leeren kennen. In de maag van Haaien vond Peron geregeld
overblijfselen van Zeeslangen; deze worden hoogst waarschijnlijk
gedurende haar slaap door den Roofvisch gevangen en zonder eenige
vrees voor de giftanden door den wijden slokdarm gestuwd. Niet
minder gevaar loopen zij bij hevige stormen, waardoor zij dikwijls in
menigte op het land geworpen worden. De met ruig gekielde schubben
bekleede Zeeslangen zijn dikwijls begroeid met allerlei wieren,
Mosdiertjes enz. en voeren soms een drijvend woud mede, dat met
allerlei vastgehechte Schaaldiertjes bevolkt is. Dit eigenaardig kleed,
dat misschien haar te pas komt bij het verkrijgen van haar voedsel,
wekt in hooge mate onze belangstelling, daar het een der middelen is,
waarvan de natuur zich bedient om aan laag ontwikkelde zeeplanten en
zeedieren een grooter verbreidingsgebied te verschaffen. Naar het
schijnt, spelen de Zeeslangen hierbij een belangrijke rol en zijn
zij in staat om vele van de wezens, die haar lichaam als woonplaats
hebben uitgekozen, over een grooten afstand te vervoeren.



De laatste familie van de Slangen is die der Adders (Viperidae);
alle hiertoe behoorende soorten zijn vergiftig en brengen, voorzoover
men ze heeft kunnen nagaan, hare jongen levend ter wereld. Zij hebben
een dikken romp, een platten, dikwijls driehoekigen kop, een korten,
stompen staart, zeer korte bovenkaaksbeenderen, die geen andere
tanden dragen dan ongegroefde, doorboorde, haakvormige giftanden,
voorts oogen met spleetvormige, loodrecht geplaatste pupil. Door
deze kenmerken onderscheiden zij zich doorgaans van de Slangadders,
hoewel er overgangsvormen bestaan, die de omschrijving van deze beide
groepen bemoeielijken.

Duidelijk zijn de beide onderfamiliën, waarin men de Viperiden
verdeelt--de Echte Adders (Viperinae) en de Groefkopadders
(Crotalinae)--kenbaar aan de diepe groeve tusschen het neusgat en het
oog, die bij laatstgenoemde voorkomt. De Adders bewonen uitsluitend de
Oude Wereld en worden vooral in Afrika door een groot aantal soorten
vertegenwoordigd. Het verbreidingsgebied van de Groefkopadders omvat
Amerika van de Vereenigde Staten tot Patagonië en strekt zich verder
over Azië, westwaarts tot aan de grenzen van Europa uit.



Als type van het geslacht der Adders (Vipera) en van de geheele
onderfamilie beschouwen wij de inheemsche Adder (Vipera berus). Het
geslacht kenmerkt zich, doordat de kruin niet met schilden, maar
met schubben bekleed is en er (behoudens zeldzame uitzonderingen)
slechts een enkele reeks van schubben voorkomt tusschen het oog en
de hieronder gelegen bovenlipschilden. De kleur en teekening van
de genoemde soort varieeren zeer sterk: een donkere zigzagstreep,
die zich langs den geheelen rug uitstrekt, is bijna altijd aanwezig
en daarom als kenmerk van belang.

Door haar gestalte onderscheidt de Adder zich van de overige inheemsche
en de meeste Europeesche Slangen; hiervan zijn de naaste verwanten
van de Gewone Adder, de Aspisadder en de Zandadder, natuurlijk
uitgezonderd. De kop is van achteren aanmerkelijk breeder dan de hals,
tamelijk plat en van voren zacht afgerond, de hals duidelijk begrensd
en zijdelings een weinig samengedrukt, de romp merkbaar dikker dan
de hals en even breed als hoog, de rug eenigszins, de buik sterk
afgeplat; de betrekkelijk korte staart wordt in 't laatste derde
gedeelte van zijn lengte in 't oog vallend dunner en loopt in een
korte, harde spits uit. De romp neemt van den hals tot het midden van
't lichaam langzamerhand in dikte toe en wordt van hier weer dunner
tot aan den staart, waarin hij zonder duidelijk merkbare afscheiding
overgaat. Bij het mannetje is de romp korter en slanker, de staart
daarentegen betrekkelijk langer en dikker dan bij het wijfje. De
lengte van het volwassen mannetje bedraagt ongeveer 60 cM., zelden
5 cM. meer, meestal minstens evenveel minder; het volwassen wijfje
is in den regel niet meer dan 70, soms echter 81 cM. lang. Alle
schubben hebben een meer of minder duidelijke, overlangsche kiel, die
echter op de reeks, welke aan de buikschilden grenst, slechts flauw
aangeduid is; de onderzijden is met breede dwarsschilden bekleed, die
op den staart een dubbele reeks vormen. Een zeer belangrijk kenmerk
levert het schild, dat de kloakopening bedekt (het aarsschild),
daar het altijd ongedeeld is en dus niet uit twee schubben bestaat;
deze eigenaardigheid komt bij geen andere inheemsche Slang voor (en
onder de Duitsche Slangen alleen nog maar bij de Aspis-adder). Het
aantal en de vorm der kopschilden varieeren sterk.

Waarschijnlijk vindt men slechts bij weinige Slangensoorten even groote
individueele verschillen van kleur als bij de Adder. Als regel kan men
echter aannemen, dat de grondkleur van het mannetje met lichte, die
van het wijfje met donkere tinten genuanceerd is; bij genen hebben
dus witte, zilvergrijze, licht aschgrauwe, zeegroene, lichtgele
en lichtbruine, bij deze bruingrijze, roodbruine of olijfgroene,
zwartbruine en dergelijke kleuren de overhand. Hoe verschillend echter
de grondkleur ook zij, een donkere, overlangsche, getakte "rugband"
komt er merkbaar op uit en is slechts bij zeer donker gekleurde wijfjes
en bij de zuiver zwarte variëteit weinig of niet waarneembaar. Deze
band loopt zigzagswijs van den nek tot aan het puntje van den staart
over den geheelen rug, aan weerszijden vergezeld door een overlangsche
reeks van donkere vlekken. Behalve deze zigzagstreep verdient ook de
teekening op den kop, waaraan de Adder den Duitschen naam "Kreuzotter"
dankt, vermelding. Twee overlangsche strepen, omgeven door ongeregeld
geplaatste vlekken en streepjes, versieren het midden van de kruin
en komen hier dikwijls zoo dicht bijeen, dat zij elkander raken;
zij beginnen op het oogschild, loopen naar het midden van de kruin,
worden hier soms door een vlek van gelijke kleur verbonden, wijken
vervolgens weer uiteen en vormen verder achterwaarts een duidelijken
hoek, welks top naar voren is gericht; deze hoek neemt als 't ware den
eersten scheefhoekigen vierhoek van de rugteekening tusschen zijne
beenen op. De onderdeelen van de Adder zijn meestal donkergrijs of
zelfs zwart; ieder schild vertoont echter in den regel een aantal
geelachtige vlekken van buitengewoon verschillenden vorm.

Het groote, ronde, vurige oog krijgt door het vooruitstekende
bovenoogschild, waaronder het gelegen is, een eenigszins valsche
(of fiere) uitdrukking en draagt er werkelijk toe bij om de Adder
te kenmerken, vooral wanneer men niet vergeet, dat bij geen enkele
andere inheemsche Slang de pupil een scheeve, van voren en boven
naar onderen en achteren gerichte, overlangsche spleet is. Bij helder
zonlicht krimpt deze spleet tot een nauwelijks merkbare lijn ineen;
in het donker daarentegen verwijdt zij zich zeer sterk. De kleur van
het regenboogvlies is gewoonlijk helder vuurrood, bij donkerkleurige
wijfjes licht roodachtig bruin.

De donkere variëteit werd lang voor een afzonderlijke soort (Vipera
prester) gehouden. Zorgvuldiger onderzoekers vonden het echter vreemd,
dat bijna alle Adders van deze kleur wijfjes waren; toen het bovendien
bleek, dat hare jongen zich in geen enkel opzicht van de Gewone Adders
onderscheiden, kon er geen sprake meer zijn van soortverschil.

De Adder heeft een uitgestrekter verbreidingsgebied dan eenige andere
Europeesche Slang en zelfs dan eenige andere landslang, daar het van
Portugal in 't westen tot het eiland Sachalin in 't oosten reikt,
in Skandinavië den poolcirkel overschrijdt, terwijl de zuidelijke
grens aan de eene zijde door het midden van Spanje, aan de andere
door het noorden van Perzië loopt.

De Adder komt bij ons het meest voor in hooge veen- en droge
zandstreken van Groningen, Friesland en Drente; ook wordt zij in
Overijsel hier en daar, in Gelderland tusschen Arnhem en Wageningen
(tamelijk zeldzaam) en in de omstreken van Barneveld, in Utrecht in
de omgeving van Zeist en Driebergen, in Noordbrabant nabij Vught en
Boxtel aangetroffen.

In de Alpen ontmoet men haar nog op een hoogte van 2000 M., dus boven
de grens van den groei der loofboomen, in oorden, waar zij hoogstens
gedurende drie maanden van het jaar in de vrije natuur kan verkeeren,
drievierde deel van haar leven daarentegen in winterslaap moet
doorbrengen. Voorwaarden voor haar gedijen zijn goede schuilplaatsen,
een voldoende voeding en zonneschijn; andere eischen schijnt zij niet
te stellen aan de streek, die haar een woonplaats zal verschaffen. Al
wat noodig is voor haar leven, vindt zij op steenachtige hellingen
en rotswanden, indien deze met struikgewas begroeid zijn, op heiden,
in het kreupelhout van bosschen, voor zoover dit opene, door de
zon beschenen plekken bevat, vooral echter op hoogen veengrond of
in steppen. Hier en daar zijn de Adders in zulke oorden uiterst
veelvuldig: in het Brennerstädter-woud in Luneburg werden gedurende
den hooitijd binnen drie dagen op een terrein van slechts weinige
hectaren meer dan 30 van deze Slangen gedood. Om dezelfde reden zijn
sommige heidestreken in Noord-Duitschland berucht; in de omstreken
van Berlijn komen moerassige boschgronden voor, waar de vrouwen,
om zich tegen adderbeten te beveiligen, bij het grasmaaien steeds
hooge laarzen dragen. In het echte bergwoud vindt men geen Adders,
hoewel zij een met hooge boomen begroeid terrein niet vermijden,
wanneer de bodem er met heide begroeid is. Streken, waar zij vroeger
niet voorkwamen, worden langzamerhand door haar ingenomen, wanneer
de bodem er zulke veranderingen ondergaat, dat zij er veiligheid
en buit vinden; het tegenovergestelde verschijnsel heeft plaats,
wanneer de omstandigheden voor haar ongunstiger worden.

De eigenlijke woning van de Adder is een hol, dat zij in den grond
vindt onder boomwortels of in het gesteente, een gat van een Muis of
een Mol, een verlaten woning van een Vos of Konijn, een kloof of iets
dergelijks; de voorkeur geeft zij aan een schuilhoek met een klein,
open plekje in de buurt, geschikt om er haar naar warmte begeerig
lichaam aan de stralen van de zon bloot te stellen. Tenzij de aandrift
tot paring haar opwindt en tot omzwervingen op ongewone tijden noopt,
blijft zij over dag steeds in de nabijheid van haar woning, waarheen
zij in tijd van gevaar terugkeert met een door slaapdronkenheid en
traagheid gematigde haast. Wegens haar voorliefde voor zonneschijn
hebben sommigen de Adder ten onrechte een dagdier genoemd. Alle
nachtdieren, geen uitgezonderd, zijn liefhebbers van zonnewarmte,
hoewel zij het licht schuwen; de Kat en de Uil, die zich eveneens door
de zon laten koesteren, zijn hiervan duidelijke voorbeelden: gevangen
Uilen bezwijken, wanneer men hen gedurende geruimen tijd het genot
van zich aan de zonnestralen bloot te stellen geheel onthoudt. Ook
de Adder kan er niet buiten. Het is voor dit dier, welks temperatuur
met die van de omgeving rijst en daalt, een volstrekte behoefte,
uren achtereen languit in den zonneschijn te liggen, een genot om
aan het lichaam de warmte te verschaffen, die het traag omloopende
bloed niet kan leveren.

Eerst als de schemering aanvangt, begint de Adder haar arbeid, haar
kostwinning, haar jacht. Hiervan kan ieder zich overtuigen, die een
door Adders bewoond hok zóó inricht, dat men, zonder door de dieren
opgemerkt te worden, zien kan, wat zij doen. Ook blijkt dit, wanneer
men op plaatsen, waar Adders veelvuldig zijn, 's nachts een vuur
aansteekt. De ongewone verlichting trekt de aandacht van de Adders,
die, nu wakker zijnde, nader komen om het vreemdsoortige verschijnsel
te leeren kennen, dicht bij het vuur kruipen, verwonderd in den gloed
kijken en, naar het schijnt, slechts noode zich verwijderen. Des
nachts, met behulp van vuur, kan men veel gemakkelijker Adders vangen
dan over dag, zelfs op plaatsen, waar men ze 's middags tevergeefs
heeft gezocht.

Wie de Adder nooit anders dan over dag heeft nagegaan, noemt haar
te recht buitengewoon traag, van beweging afkeerig, stompzinnig
en geesteloos, zelfs wanneer men haar met geen andere dieren dan
Slangen vergelijkt; nadat men haar des nachts bespied heeft, zal men
van meening veranderd zijn. Hoewel de Adder ook dan in behendigheid
en snelheid niet wedijveren kan met de slank gebouwde Heiaal of met
de Gladde Slang, is toch van de traagheid, die zij over dag toont,
's nachts weinig te bespeuren. Zeer opgewekt en levendig kruipt
de gevangen Adder door haar hok of doorkruist, als zij in de vrije
natuur verkeert, in alle richtingen haar jachtgebied; in volkomen
tegenspraak met haar houding gedurende den dag, let zij op al wat er
in haar omgeving voorvalt. Uit waarnemingen en proeven is gebleken,
dat zij zich over een vlakken bodem tamelijk snel voortkronkelt; zij
kan niet klimmen, maar wel, zich bij scheef gegroeide stammen omhoog
werken en weet zich ook in 't water goed te redden. Het water mijdt
zij trouwens volstrekt niet in die mate, als gewoonlijk aangenomen
wordt. Zij is geen waterdier, zooals de Ringslang en hare verwanten,
maar schuwt toch het water in 't geheel niet; in een veenstreek,
waar zij niet anders dan zwemmend van de eene droge plek naar de
andere kan komen, gevoelt zij zich zeer goed thuis.

De aard van de Adder is, voor zoover wij haar kennen, alles behalve
innemend; de blinde, ontoombare woede, die zij in haar gramschap
toont, wekt inderdaad afschuw. "Eens", zegt Lenz, "heb ik een Adder
een vol uur achtereen geplaagd; zij hield niet op met te blazen
en naar mij te bijten en bleef nog doorrazen, toen ik er genoeg
van had. Zelfs na het wegnemen van het voorwerp, waarmede men haar
plaagde, bijt zij, door woede vervoerd, dikwijls in de lucht, in
hoopjes mos enz., op een door de zon beschenen plaats zelfs naar
haar eigen of een andere schaduw. Haar lichaam is in dit geval tot
een schijf ineengekronkeld; de hals wordt naar het midden van de
schijf teruggetrokken en bij elke beet 15, hoogstens 30 cM. ver
uitgestoken. Door het terugtrekken van den hals geeft zij altijd
het voornemen om te bijten te kennen; zij bijt bijna nooit zonder
zich op deze wijze voorbereid te hebben en trekt na het bijten even
schielijk den hals terug, tenzij dit onmogelijk is, doordat zij zich
vastgebeten heeft. Zelfs wanneer men haar een voorwerp van de grootte
van een Muis voorhoudt, bijt zij dikwijls mis; bijna alle Vergiftige
Slangen missen niet zelden haar doel. Als de Adder woedend wordt en
bijten wil, bepaalt zij zich niet tot het terugtrekken van den hals,
maar steekt ook (als het voorwerp, waardoor haar toorn wordt opgewekt,
niet in haar onmiddellijke nabijheid is en zij dus den tijd heeft om
zich te bedenken) de tong herhaaldelijk snel uit, ongeveer zoo ver
als de lengte van den kop bedraagt; intusschen gloeien hare oogen;
de tong, die vóór het bijten slechts zelden het voorwerp aanraakt,
blijft gedurende het bijten verborgen. De Adder zal, als zij plotseling
door een vijand verrast wordt en oogenblikkelijk bijt, slechts zelden
vooraf sissen; des te meer en des te heviger hoort men dit geluid,
indien zij meer bedenktijd heeft en haar toorn tot grooter hoogte
stijgt. Het sissen of blazen geschiedt in den regel met gesloten bek
en wordt veroorzaakt door een ongewoon krachtige uit- en inademing;
het bestaat uit twee verschillende en toch onderling overeenkomende
geluiden, die elkander ongeveer in dezelfde tijdruimte opvolgen
als het uit- en inademen van den mensch. Steeds blaast de Adder,
als zij toornig is, zich sterk op, zoodat zelfs magere exemplaren er
dik en vet uitzien. In nog hoogere mate geschiedt dit, wanneer men
haar in 't water werpt; in dit geval wordt door de opgenomen lucht
haar soortelijk gewicht verminderd. Zij is altijd op haar hoede en
onmiddellijk tot aanval en verdediging gereed. Daarom zal men haar
bijna altijd, zelfs bij de minst mogelijke stoornis, met scheef
opgeheven kopje te zien krijgen. Hoewel haar gezicht over dag zeer
slecht is, maakt zij toch wel degelijk verschil tusschen de voorwerpen,
die in haar nabijheid komen; men kan zich licht overtuigen, dat zij
het liefst naar warmbloedige dieren en van deze weder het liefst
naar Muizen bijt. Wanneer een Adder in een zeer helderen, glazen bak,
wordt opgesloten, zal men zien, dat zij veel liever den kop beweegt
naar de bloote hand, indien deze tegen den buitenkant van het glas
wordt gehouden, dan naar een mouw, een stokje, enz.

"Gevangen Adders, die een ruime kist bewonen, leven in vrede met
allerlei kleine dieren behalve met Muizen; Hagedissen, Vorschen en
Vogeltjes, die aan het gezelschap van den Adder gewoon waren geraakt,
heb ik dikwijls rustig op haar zien zitten om zich in de zon te
koesteren; ook in de vrije natuur heb ik wel Adders aangetroffen,
waarop Hagedissen zich hadden neergevleid. Andere Slangen en
Hazelwormen gaan eveneens gaarne naast, op en onder de Adder liggen
en behandelen haar dus als ware zij een soortgenoot. Dat Kevers over
haar lichaam loopen, schijnt haar niet te hinderen; van haar kop
schudt zij hen af, zonder boos te worden.

"Algemeen verbreid is de meening, dat de Adder springen kan en
in gramschap haar tegenstander zelfs over een grooten afstand
vervolgt. Zoomin ik als mijn slangenvanger hebben ooit iets van dien
aard gezien of vernomen van personen, die goed met Adders bekend
zijn. Wanneer de Adder plotseling overvallen wordt, terwijl zij
uitgestrekt op den grond ligt, kan het voorkomen, dat zij zich den tijd
niet gunt om het geheele lichaam schijfvormig op te rollen, maar zich
bepaalt tot het terugtrekken van den hals en onmiddellijk daarna met
het doel om te bijten den kop schielijk vooruitwerpt; het gebeurt soms,
dat deze beweging ook het overige lichaam een weinig vooruit doet gaan.

"De Adder, die tusschen gras of struikgewas verborgen ligt en door den
voorbijganger niet opgemerkt zou worden, indien zij zich stilhield,
verraadt dikwijls in blinde woede haar aanwezigheid door woest
te sissen en te bijten, zoodat de wandelaar haar dikwijls eerst
bespeurt, nadat zij hem in 't been of althans in den broek of in
de laarzen gebeten heeft. Soms vlucht zij na den eersten of tweeden
beet; soms sluipt zij weg zonder eenige daad van vijandschap, zoodra
zij menschen in haar nabijheid bemerkt. Des nachts, als zij volkomen
wakker is, handelt zij waarschijnlijk in den regel op de laatstgenoemde
wijze. Dit verklaart het opmerkelijk feit, dat gedurende den nacht
zulke aanvallen veel zeldzamer voorkomen dan men vermoeden zou,
al houdt men rekening met het minder drukke verkeer op de liefste
verblijfplaatsen der Adders na zonsondergang."

De Adder voedt zich bij voorkeur, maar niet uitsluitend met
warmbloedige dieren; Muizen heeft zij liever dan eenigen anderen
buit. Het meest hebben de Aard- of Akkermuizen van haar te lijden,
"daar zij de langzaamste en goedaardigste van alle inheemsche Muizen
zijn, veel minder de vlugge, sluwe Veldmuizen. Spitsmuizen worden
niet verschoond. Hoewel ik nog nooit een Mol in de maag van een
Adder heb gevonden, twijfel ik er volstrekt niet aan, dat zij bij
't ontdekken van een nestje vol jongen, smakelijk smullen zou van
dezen vetten buit." Dat zij de Muizen niet slechts boven, maar ook
onder den grond vangt, blijkt uit de onderzoekingen van Lenz, die
in de maag van de door hem ontlede Adders dikwijls jonge, volkomen
onbehaarde Muizen of Spitsmuizen vond, welke niet anders dan uit
het onderaardsche nest verkregen kunnen zijn. Het is volstrekt niet
onwaarschijnlijk, dat de Adder vele nesten plundert van Vogels, die
op den grond broeden. Men kan dit afleiden uit het geschreeuw en de
van groote onrust getuigende bewegingen der oude Vogels bij het zien
van een Adder. Vorschen eet de Adder vermoedelijk slechts in geval
van nood, Hagedissen alleen gedurende haar jeugd.

Evenals andere Slangen, kan de Adder zonder bezwaar geruimen tijd
vasten; des te meer voedsel gebruikt zij, wanneer haar jacht gelukkig
was.

Het zomerleven van de Adder begint eerst in April, ofschoon men haar
bij gunstige weersgesteldheid reeds omstreeks het midden van Maart
buiten haar winterherberg ziet; bij uitzondering, als het buitengewoon
zacht weer is, vertoonen enkele exemplaren zich reeds vroeger, zelfs
midden in den winter, in de open lucht. In de als winterverblijf
dienende holen vindt men in den regel tamelijk vele Adders bijeen. Een
arbeider te Ees bij Assen vond, terwijl hij bezig was veen te hakken,
den 7en December 1852, op een plekje grond ter grootte van 1 M2 56
Adders; achtereenvolgens werden op hetzelfde stuk land meer dan 500
Adders gedood. (Maitland.)

Volgens de onderzoekingen van Lenz paren de Adders eerst, als zij
bijna haar vollen wasdom bereikt hebben; geen van de exemplaren,
welker lichaam rijpe eieren bevatte, was korter dan 50 cM. Het
aantal jongen hangt af van den leeftijd en de grootte van het wijfje:
bij jonge wijfjes bedraagt het 5 of 6, bij anderen 12 à 14 of zelfs
16. Nauwelijks is het ei gelegd, of het daarin aanwezige jong strekt
zich, verscheurt de fijne eischaal en kruipt er uit. Bij de geboorte
heeft het lichaam een lengte van 18 à 23 cM. of nog iets meer en in
't midden een dikte van ongeveer 1 cM. De kop, de schilden, schubben,
tanden, tandscheeden, enz. hebben denzelfden vorm als bij de volwassen
dieren; het lichaam is echter met een zeer fijne, doorzichtige,
los aanliggende opperhuid bekleed, waardoor de kleur veel lichter
schijnt. Weinige minuten of uren na de geboorte wordt deze opperhuid
afgeworpen; de vervelling is dus de eerste belangrijke verrichting
van het zelfstandige dier. Uit proeven en waarnemingen blijkt, dat
Adders, weinige minuten nadat zij uit het ei zijn gekomen, reeds een
dier vergiftigen kunnen.

De Adder blijft in de vrije natuur boosaardig tot aan haar einde;
hetzelfde geldt van het gevangen dier. Hoewel zij haar zinnelooze
woede mettertijd eenigszins bedwingt en minder dikwijls bijt dan in
den beginne, laat zij zich nooit werkelijk temmen. Daar men haar
nooit kan leeren niet meer naar haar verzorger te bijten, blijft
de omgang met de Adder steeds gevaarlijk. Opmerkelijk is het, dat
gevangen exemplaren zelfs bij de zorgvuldigste verpleging slechts
bij uitzondering voedsel aannemen. Wel geschiedt dit soms, wanneer
men haar hok op zulk een wijze inricht, dat het zoo getrouw mogelijk
een van hare lievelingsplekjes in de vrije natuur nabootst. In den
regel echter wijden deze dieren zich aan den hongerdood; men kan ze
zelden langer dan 9 maanden behouden.

Hoewel van alle inheemsche Slangen de Adder het krachtigst medewerkt
tot de verdelging van schadelijke dieren, is niemand haar dankbaar
voor de diensten, die zij bewijst; ieder tracht haar te dooden waar en
hoe hij kan. Geen enkel inheemsch dier verdient deze onmeedoogende
vervolging zoozeer als de Adder. Nog steeds komen gevallen voor
van menschen, die aan de gevolgen van een adderbeet gestorven
zijn of hierdoor in gevaar hebben verkeerd. Vele van deze gevallen
blijven onbekend; hun aantal kan dus niet met juistheid opgegeven
worden. Linck, die het gemiddeld aantal sterfgevallen van menschen
door adderbeten voor Duitschland op 2 per jaar stelt en het aantal van
hen, die gebeten worden, maar er het leven afbrengen, op 40 begroot,
is waarschijnlijk niet ver van de waarheid. I. Blum deelt mede, dat,
volgens geloofwaardige door hem verzamelde berichten, gedurende
de jaren 1879-1888 in Duitschland 17 sterfgevallen tengevolge van
adderbeten voorgekomen zijn. Vergiftigingen zonder doodelijken
afloop komen zeer dikwijls voor; niet zelden brachten zij ernstige
ziekteverschijnselen en zelfs een langdurig lijden teweeg. Door een
enkel druppeltje addergif kan een lang leven vergiftigd worden.

Ieder, die uit overdreven genegenheid voor de dieren de Slangen in
bescherming neemt, bezondigt zich aan de menschen. Beter zou het zijn,
dat alle Slangen, de schuldige zoowel als de onschuldige, uitgeroeid
werden, dan dat één mensch door den beet van een vergiftige Slang
het leven verliest, of door haar helsch vergif tot een onafgebroken
lijden wordt gedoemd. Het is daarom dringend noodig, dat bescherming
worde verleend aan de natuurlijke vijanden van de Adder, vooral aan
de Bunzing, den Egel en den Slangenbuizerd, en dat geen kwartier
worde gegeven aan het venijnig ongedierte! Het is wenschelijk, dat
ieder onderwijzer zijne leerlingen bekend make met de Adder, hun
leere om zonder gevaar voor zichzelf zulk een dier te dooden, als zij
het vinden. Ieder vader zou zijne kinderen kunnen vertellen, dat een
enkele flinke slag met een stokje op de ruggegraat van de Adder haar
het leven doet verliezen, hoe taai dit overigens ook zij! Laten zij
echter nimmer de roekeloosheid begaan van het gevelde dier op te nemen,
wanneer zij onbekend zijn met de voorzorgsmaatregelen, die hierbij in
acht genomen moeten worden; het dier behoudt nog lang nadat het den
doodelijken slag ontvangen heeft, het vermogen om zich te bewegen;
de gevaarlijkheid van de giftanden blijft onverminderd bestaan,
nadat de kop van den romp gescheiden is. De afgehouwen slangenkop
bijt nagenoeg even woedend om zich heen als vroeger, toen de Slang
nog leefde; minuten, ja zelfs een half uur na de onthoofding richt
hij zich nog steeds naar de zijde, van waar hij zich bedreigd acht;
hieruit blijkt, dat de weinig omvangrijke en niet zeer ontwikkelde
hersenen nog zeer lang haar werkzaamheid behouden. Het gif verliest
zijn schadelijke werking volstrekt niet door den dood van het dier;
zelfs het gedroogde gif, dat weder geweekt werd, is nog in staat
om het bloed van een Zoogdier te bederven. Voorzichtigheid moet dus
ingeprent worden aan ieder, die den lust en den wil openbaart om mede
te werken tot vermindering van het aantal Vergiftige Slangen.

Over de behandeling van hen, die het ongeluk hadden door een Adder
gebeten te worden, verwijzen wij naar hetgeen hierover vroeger werd
medegedeeld.



In het zuidwesten van Europa wordt de Adder gedeeltelijk vervangen
door een verwante soort, die meer dan eenige andere aanspraak heeft
op den naam "Vipera", daar zij aan de Romeinen der oudheid het meest
bekend was en door hen "Vivipara" (de levendbarende) werd genoemd. Zij
wordt gewoonlijk als het type van het geslacht Vipera aangezien; de
eigenaardigheden, waardoor zij zich van onze Adder onderscheidt, zijn
echter van zoo ondergeschikt belang, dat men de slangenkenners, die
beide--de Gewone Adder en de Aspis-adder (Vipera aspis, V. Redii)--als
onderafdeelingen van dezelfde soort aangemerkt willen hebben, niet
terstond ongelijk kan geven. Terwijl bij de Gewone Adder de voorkop
met duidelijke schildjes bekleed is, bestaat bij de Aspis-adder de
bedekking van dit lichaamsdeel uit platte of een weinig dakvormig
uitpuilende schubben, waaronder er zelden meer dan één is, die zich
door haar grootte eenigszins van de overige onderscheidt. De Gewone
Adder heeft gewoonlijk één rij van kleine schubjes tusschen het oog en
de bovenlipschilden; bij de Aspis-adder komen altijd twee dergelijke
reeksen van schubjes voor. Bovendien is de spits van den snuit bij
de laatstgenoemde een weinig verheven en de kant van den snuit boven
de teugelstreek scherper. In deze opzichten verschillen beide Adders
standvastig van elkander, overigens komen zij overeen; slechts na
nauwkeurige onderzoeking en vergelijking vallen de kenmerken in
't oog, die ons veroorloven de eene van de andere te onderscheiden.

De Aspis-adder bereikt bijna volkomen dezelfde grootte als de Gewone
Adder, maar heeft meestal een eenigszins meer gedrongen lichaamsbouw
en een breederen kop. Op den rug ziet men niet, of althans veel
zeldzamer dan bij de Gewone Adder, een samenhangende, getakte band,
maar eenvoudig groote, vaneengescheiden vlekken, die echter geheel
op dezelfde wijze gerangschikt zijn als die, welke den rugband van
de Gewone Adder vormen. De grondkleur, waarop de donkere teekening
uitkomt, kan ook hier verschillende tinten vertoonen, van effen
witachtig grijs tot aschgrauw of grijsgroen en van lichtbruinachtig
tot koperrood of bruinzwart varieeren. Evenals bij de Gewone Adder,
zijn ook bij de Aspis-adder, de mannetjes gewoonlijk lichter van
kleur dan de wijfjes.

De Aspis-adder bewoont een groot deel van Frankrijk, komt in
Zwitserland veelvuldig voor in de Jura en in eenige deelen van de
kantons Waadtland, Wallis en Zuid-Tessino, is in Italië, met inbegrip
van Sicilië, doch met uitzondering van Sardinië de algemeenste van
alle Vergiftige Slangen, wordt echter reeds in Dalmatië en Griekenland
en in Noord-Afrika niet meer aangetroffen. Binnen de grenzen van
Duitschland beperkt zich haar verbreidingsgebied tot Lotharingen
en het zuiden van het Schwarzwald. In Oostenrijk heeft men haar met
zekerheid slechts in Tirol herkend.

In aard en gewoonten gelijkt de Aspis-adder zeer veel op de
Gewone. Hare bewegingen zijn langzaam en zeer plomp. Zij is
bevreesd voor den mensch, tracht hem te ontvluchten en maakt van
hare verdedigingsmiddelen alleen dan gebruik, wanneer men haar
vlucht verhindert, haar aanraakt of den voet op haar zet; ook bijt
zij in den stok of in andere voorwerpen, die men gebruikt om haar te
vangen. Waarschijnlijk gebruikt zij hetzelfde voedsel als de Gewone
Adder en maakt dus bij voorkeur op verschillende soorten van Muizen
jacht.

Ook in gevangenschap gedraagt zij zich als haar bij ons inheemsche
verwante. Nooit slaagt men er in haar eenigszins te temmen; hoewel na
een verblijf van eenige maanden in het hok haar opgewektheid verminderd
is, tracht zij nog een half jaar na het verlies van haar vrijheid haar
verzorger te bijten. Zelden kan men haar bewegen voedsel te gebruiken;
eenige van Wyders gevangenen bleven 16 maanden lang zonder voedsel,
hoewel zij dikwijls water dronken. Evenals de Gewone Adder spuwt zij,
kort nadat men haar gevangen heeft, het nog in de maag aanwezige
voedsel uit. Een zeer dik exemplaar, dat bij gebrek aan een andere
bewaarplaats in een herberg een waterkaraf tot woning kreeg, had tot
verrassing der toeschouwers den volgenden morgen een grooten Mol bij
zich. Het verwijderen van dit doode dier kostte meer moeite dan er
noodig was geweest om de Adder met den door haar verzwolgen buit in de
flesch te brengen. De Aspis-adder leeft in de vrije natuur zoowel als
in de kooi met andere Slangen in vrede; deze vreezen haar niet. Tegen
Huismuizen en Ratten neemt zij echter dadelijk een dreigende houding
aan. De door haar gebeten Muis sterft aan deze enkele wonde binnen
5 minuten, een Rat eerst na 20 minuten en zelden zonder vooraf wraak
te nemen op haar vergiftigen vijand.

Francesco Redi (in 1697 als lijfarts van den Groothertog van Toscane te
Pisa overleden) heeft de ongegrondheid aangetoond van de meeningen der
ouden, die de zetel van het vergif van de Aspis-adder in de galblaas,
het speeksel en zelfs in de spits van den staart zochten. Uit
zijne proeven bleek de vergiftige werking van het gele vocht, dat
bij levende en doode dieren in de slijmvliesscheeden van de groote
bovenkaakstanden gevonden wordt. Fontana heeft in het einde van de
18e eeuw deze onderzoekingen voortgezet. Hij liet meer dan 4000 dieren
bijten door Aspis-adders, waarvan meer dan 3000 exemplaren voor deze
proefnemingen dienst deden. Met alle bekende tegenmiddelen werden
proeven genomen, niet slechts bij een enkel dier, maar bij vele te
gelijk; de slotsom van al deze onderzoekingen was, dat strikt genomen
van geen der bedoelde middelen genezing kan worden verwacht. Fontana
was van oordeel, dat de beet van één Aspis-adder niet voldoende zou
zijn om een mensch te dooden, maar dat hiervoor wel 5 of 6 beten
vereischt worden: ongelukkig is deze meening onjuist gebleken; ons
zijn wel niet vele, maar toch eenige gevallen bekend van menschen,
die aan de gevolgen van één adderbeet stierven.



Een derde Europeesche Vergiftige Slang, de Zandadder (Vipera
ammodytes), is kenbaar aan een eigenaardigheid van de spits van den
snuit, die een met schubben bedekt, zacht hoornachtig verlengstuk
draagt, dat op een kegelvormige wrat gelijkt. Van onze Adder verschilt
zij, door de bedekking van den kop, waarop zich evenals bij de vorige
soort, behalve de bovenoogschilden, geen groote platen bevinden. Door
gestalte en zelfs door kleur en teekening vertoont deze Adder met de
beide vorige soorten een groote overeenkomst. Evenals bij deze, is ook
bij haar de grondkleur zeer veranderlijk, meestal geelbruinachtig, doch
ook wel grijsachtig wit, bij enkele exemplaren in meerdere of mindere
mate rood getint, bij sommige zelfs fraai rozerood. De teekening
bestaat uit een bruinen, getakten band, die in den nek begint, zich
over den geheelen rug en den staart uitstrekt en uit langwerpige,
ruitvormige vlekken is samengesteld, die ieder door twee overstaande
hoeken met de vorige en de volgende verbonden zijn. De rugband is
aan weerszijden begrensd door een zwarte lijn en komt hierdoor beter
uit. De schilden van de onderzijde zijn op geelachtigen grond zwart
gestippeld en gevlekt. De grondkleur kan zeer verschillend en de
rugband meer of minder duidelijk zijn, steeds echter is de Zandadder
gemakkelijk te herkennen aan het uitwas op haar neus. De staart is
van onderen bij de spits vurig steenrood van kleur. Exemplaren van
95 cM. lengte behooren tot de zeldzaamheden; toch is deze Adder over
't algemeen eenige cM. langer dan hare reeds genoemde verwanten.

De Zandadder bewoont Italië, het Oostenrijksche Alpengebied, Istrië,
Dalmatië, het zuiden van Hongarije en Zevenburgen, het Grieksche
schiereiland en nagenoeg alle Grieksche eilanden, Turkije, Syrië,
Klein-Azië en Turksch- zoowel als Russisch-Armenië.

E. Schreiber noemt de Zandadder een volslagen nachtdier; zelfs in
oorden, waar zij tot de algemeenste Slangen behoort, ontmoet men haar
over dag meestal slechts zelden. Het liefst nog verlaat zij over dag
haar schuilplaats na een warmen onweersregen, vooral wanneer deze
onmiddellijk gevolgd wordt door zonneschijn. Des nachts daarentegen
komt zij geregelder te voorschijn; vooral bij lichte maan kan men haar
op geschikte plaatsen dikwijls in grooten getale zien rondkruipen om
voedsel te zoeken. Niet overal trouwens kiest deze Slang hetzelfde
terrein tot woonplaats; in vele gewesten, o. a. in de Zuidelijke
Alpen en den Karst, treft men haar uitsluitend in kalksteengebergten
aan, vooral in dorre, met struikgewas schaars begroeide oorden; op
het Balkan-schiereiland daarentegen is zij vooral in de wijnbergen
veelvuldig. In de echte vlakten zal zij trouwens slechts zelden
voorkomen; meer algemeen ontmoet men haar althans in heuvelachtige
of bergachtige streken.

Volgens Erber voedt de Zandadder zich met Muizen, Vogels en Hagedissen;
de Vogels weet zij zeer listig te besluipen; de argelooze gevederde
zanger krijgt dikwijls te midden van zijn gezang een doodelijken
beet. "Meestal jammerlijk schreeuwend verheft de gewonde Vogel zich
nog eens in de lucht; onmiddellijk daarna stort hij echter ter aarde,
sterft binnen weinige minuten en wordt door de Slang verzwolgen."

De eerste Zandadders, die Effeldt kreeg, werden hem toegezonden met
de opmerking, dat zij in de gevangenschap nooit voedsel aannemen; het
tegendeel bleek echter juist bij deze exemplaren; één van hen greep en
verzwolg zonder aarzeling de Muis, die in het hok geworpen werd. Later
gebeurde hetzelfde herhaaldelijk; enkele exemplaren onderscheidden zich
zelfs door vraatzucht, ontnamen het voedsel aan hunne soortgenooten
en verwanten, scheurden zwakkere individuën onder woedend gesis de
half verzwolgen Muizen uit den bek en verzadigden zich, terwijl de
andere gebrek moesten lijden. Doode Muizen werden niet versmaad,
ten slotte geraakten de Slangen zoozeer gewoon aan dit voedsel,
dat zij het niet meer noodig achtten hare wapens te gebruiken bij
het grijpen van een Muis, om 't even of deze dood was of niet.

De Zandadder leeft in zeer goede harmonie met andere Slangen, ook met
de niet-vergiftige; over 't geheel genomen is zij een betrekkelijk
vreedzaam dier, dat zich om andere dieren, natuurlijk met uitzondering
van Muizen en Vogels, in 't geheel niet bekommert, zoolang men haar met
vrede laat. Jegens haar verzorger toont zij van den aanvang af minder
lust tot bijten dan de Gewone Adder; bovendien wijzigt zij haar gedrag
tot op zekere hoogte naar de omstandigheden, laat zich althans in
meerdere mate temmen dan haar inheemsche verwante en behoort derhalve
tot de weinige Vergiftige Slangen, die den dierenliefhebber werkelijk
eenige voldoening schenken. Toch blijft ook zij altijd gevaarlijk.

"Mijn ervaring over de werking van haar beet op menschen," verhaalt
Erber, "bepaalt zich tot één enkel geval, dat ongelukkigerwijs mijn
vrouw betreft. Ik deel deze gebeurtenis met hare eigene woorden
mede. "Gedurende de afwezigheid van mijn man had ik te zorgen voor
de voedering van de gevangen Reptiliën en Amphibiën en voor het
schoonhouden hunner hokken. Om de Zandadders met versch water te
voorzien, plaatste ik de drie kooien, waarin zij zich bevonden, op
een tafel, opende ze een voor een en stak aan de gevaarlijke dieren
met een langen tang hun waterbak toe. Intusschen werd er aan de deur
gescheld; ik verwijderde mij om de deur te openen, maar vergat in mijn
haast het hok van de Adders te sluiten. Toen ik weer in de kamer kwam,
zag ik tot mijn grooten schrik, dat een van de Zandadders reeds met
de helft van haar lichaam buiten de kooi was gekropen. Verschrikt en
beangst, wist ik niet, wat te doen, had niet zooveel overleg om met
de tang het gevaarlijke dier in de kooi terug te brengen, maar vatte
het onbedachtzaam met de hand aan en wierp het weer in het hok. Dit
duurde slechts een oogenblik; maar hoe vlug ik ook te werk was gegaan,
toch was de Adder, toen ik de kooi sloot, vergramd opgesprongen en
had mij in den linker arm gebeten. Ik werd door den plotselingen
aanval van de Slang zoo verschrikt, dat ik mijn wonde een tijdlang
wezenloos aanstaarde. In 't eerst was er niets bijzonders aan te
zien; het was eenvoudig een zeer kleine schram, zooals een naald
zou kunnen veroorzaken. Het volslagen afwezig zijn van pijn stelde
mij gerust; ik achtte de zaak niet gevaarlijk. Kort daarna werd ik
echter door een duizeling bevangen en gevoelde mij zoo onpasselijk,
dat ik moest gaan zitten; tevens gevoelde ik een hevige, stekende
pijn op de gebeten plaats; deze begon, gelijk ik toen eerst zag,
groenachtig te worden, tevens kromp de schram in 't midden van de vlek
in. Daar de pijn voortdurend toenam, kwam ik tot de overtuiging, dat
het geraden was een van de gewelddadige middelen aan te wenden, die
bij de behandeling van dergelijke wonden gebruikelijk zijn, namelijk
het uitsnijden, uitzuigen of uitbranden van de gebeten plek. Ik nam
dus met de tang een strijkijzerbout, die juist in het vuur lag, en
drukte dezen dapper tegen de wonde. Er ontstond op de gebrande plaats
een groote, donker gekleurde blaar, door vele kleinere, roodachtige
blaren omgeven. Daar de spanning van de huid weldra onuitstaanbaar
werd, knipte ik de blaar door; er kwam een vuil, zwartachtig vocht
uit, dat ik ondanks de hevige pijn zoo volledig mogelijk uit de wonde
drukte. Deze werd daarna zorgvuldig verbonden en was tot mijn niet
geringe blijdschap na verloop van 8 dagen volkomen genezen."

Dat niet alle gevallen zoo gunstig afloopen, blijkt uit de
mededeelingen van Erhard. "Voor de Grieksche wijngaardeniers, die
gewoonlijk barrevoets hun arbeid verrichten en meer bepaaldelijk voor
de kinderen wordt de Zandadder niet zelden noodlottig. Haar gif heeft
een veel heviger werking dan dat van de Italiaansche Aspis-adder,
zoodat van haar beet in 't warme jaargetijde voor een kind of een
zwak mensch doodelijke gevolgen te duchten zijn. Gelukkig is zij zeer
traag. Daar zij nooit uit eigen beweging aanvalt, maar alleen bijt,
wanneer men bij toeval op haar trapt, zou men haar onschadelijk kunnen
noemen, indien de menschen, ondanks hun vrees voor deze Slang, zich
niet met echt Grieksche onbezonnenheid aan hare beten blootstelden."



Een van de grootste, gevaarlijkste en meest bekende Adders van de
tropische en gematigde gewesten van Afrika is de Pofadder (Vipera
arietans). Zij bereikt een lengte van 1.47 à 1.63 M.; de laatstgenoemde
maat zal wel nooit door deze soort overschreden worden. Niet ten
onrechte wordt zij een van de leelijkste van alle Slangen genoemd;
dit geldt echter slechts van haar vorm, niet van haar kleur. Günther
zegt: "Men heeft de Adders de Padden onder de Slangen genoemd; deze
vergelijking wordt het best gerechtvaardigd door op de Pofadder te
wijzen." Werkelijk herinnert deze Slang door haar platten en breeden
kop met ver uitpuilende oogen en door haar wanstaltig dik lichaam
aan een Pad. Tot op zekere hoogte varieeren haar kleur en teekening;
bijzonder in 't oogvallend zijn deze afwijkingen echter niet, wanneer
men bedenkt, dat de Pofadder, evenals iedere andere Slang, kort na de
vervelling de zuiverste kleur vertoont. De aanvankelijk helder zandgele
grondkleur van den romp wordt tot aan de volgende vervelling allengs
donkerder; dit geschiedt in sommige gevallen sterker dan in andere. De
rug prijkt met hoefijzervormige, donkere banden, waartusschen lichte
velden overblijven; ook op den kop komen dergelijke teekeningen
voor. De onderzijde is lichtgeel met zwarte vlekken.

De Pofadder bewoont geheel Afrika bezuiden 17° N.B.; aan de westkust
is zij algemeen, in het zuidoosten nergens zeldzaam, in het binnenland
waarschijnlijk overal verbreid, nader bij de zuidspits komt zij minder
overvloedig voor.

De naam van deze Slang is ontleend aan het hevige gesis, dat zij
voortbrengt, zoodra zij gestoord of, wat op 't zelfde neerkomt, tot
gramschap vervoerd wordt. Zij blaast zich dan gewoonlijk zoo sterk
op, dat de omvang van haar romp bijna verdubbelt. Tevens verheft
zij den kop tot 30 cM. boven den bodem, volgt met gloeiende oogen
iedere beweging van den naderenden tegenstander en wacht het gunstige
oogenblik af om den kop naar voren te werpen.

Over het leven van de Pofadder in vrijen toestand is weinig bekend;
misschien levert het niet veel opmerkelijks op. Zij onderscheidt
zich door haar traagheid, beweegt zich uiterst langzaam en maakt
alleen als zij bijten zal, een bliksemsnelle beweging in de richting
van haar prooi, waarbij het lichaam meestal min of meer om zijn as
draait. Over dag ligt zij gewoonlijk stil in de struiken of in het
lange gras verborgen, des nachts kruipt zij rond en komt dan met
het doel om Muizen te vangen dikwijls in de nabijheid van woningen,
hetwelk niet zelden aanleiding geeft tot ongelukken. Een vrouw in
de Transvaal, die in het donker naar buiten ging, trapte bij het
verlaten van haar huis op een vóór de deur liggende Pofadder, werd
gebeten en stierf in den loop van den volgenden dag. Nog meer gevaar
levert deze Slang op voor het grazende, kleine vee of voor Jachthonden,
daar zij zich te weer stelt, als zij door struiken gedekt is.

De voeding, waarschijnlijk ook de voortplanting van de Pofadder, zal
wel niet veel verschillen van die der overige Adders. Ook zij maakt
uitsluitend jacht op allerlei soorten van klein wild, waarschijnlijk
vooral op Ratten, Muizen, Aardeekhoorntjes en dergelijke Knaagdieren;
nu en dan vangt zij ook wel een Vogel, die onbedachtzaam zijn
gevaarlijken vijand nadert.

Een woedende Pofadder levert een schrikwekkend schouwspel op. "Eens",
verhaalt Drayson, "zag ik een wijfje van deze soort op het toppunt
van woede. Zij was met hare jongen door eenige Kaffers uit haar
schuilhoek, een omgevallen boomstam, opgejaagd en was blijkbaar van
zins zich te verdedigen. De Kaffers besloten de geheele familie te
dooden, maar waagden het niet in de nabijheid van het woedende dier
te komen. Toevallig kwam ik kort na het vinden van het Slangennest
bij de toen nog besluitelooze mannen, leidde den aanval, liet hen
groote steenen aanbrengen en met deze den strijd aanvangen. Na
weinige minuten was het doldriftige dier met zijne jongen gedood;
alle werden op een hoop hout gelegd en verbrand, om te verhoeden,
dat een der barrevoets loopende mannen, toevallig op een adderkop
trappend, zich zou wonden aan de giftanden, die nog lang na den dood
hun doodelijke werking behouden".

Drayson noemt het een opmerkelijk feit, dat in Zuid-Afrika, waar het
krioelt van Vergiftige Slangen, deze dieren zoo zelden een ongeluk
veroorzaken. Voor een groot deel is dit misschien een gevolg van de
vreesachtigheid der Slangen; de Pofadder evenwel behoort niet tot die
soorten, welke haar heil in de vlucht zoeken, als een mensch haar
nadert: over dag laat zij dit na uit traagheid en des nachts uit
domheid of boosaardigheid, of omdat zij te zeer overtuigd is van de
onfeilbaarheid harer wapens. Meestal echter reist men in Zuid-Afrika
te paard of in een wagen en is hierdoor beter nog dan de inboorling
door zijn scherpzichtig oog tegen de Slangen beveiligd; bovendien zijn
de gevaarlijkste soorten van Slangen eerst na zonsondergang wakker
en wordt de reis slechts zelden gedurende den nacht voortgezet. In
't open veld overnachtend, wordt het kamp omringd met een kring van
vuren, die de Vergiftige Slangen wel is waar aanlokken, maar toch
het binnenste van het kamp tegen hen beveiligen; daar de dieren,
naar mij bij ervaring gebleken is, wijselijk omkeeren, als zij zeer
dicht bij de vlam gekomen zijn.

Van alle Adders, die men tot dusver in gevangenschap heeft gehouden,
neemt de Pofadder misschien het gemakkelijkst voedsel aan. Het is niet
moeielijk de eischen, die zij aan het leven stelt te bevredigen. Een
warm hok, welks vloer met zand of kiezelsteentjes bestrooid is en
af en toe een voor haar geschikte buit zijn voldoende. Men ziet haar
daarom zeer dikwijls in dierentuinen.



Geen der Vergiftige Slangen heeft naast de Aspis meer de aandacht
van de ouden getrokken dan de Egyptische Cerastes of Gehoornde Adder
(Cerastes cornutus), behoorende tot een gelijknamig geslacht, dat
zich van het vorige onderscheidt door de kleine, halvemaanvormige
neusgaten, het soms aanwezige, soms ontbrekende, stekelige hoorntje
boven het kleine oog, maar vooral door de schubben, die aan de zijden
van den romp op schuinsche rijen staan en ieder voorzien zijn met
een stompe, korte kiel, die den top van de schub niet bereikt. De
bedoelde, veelvuldig voorkomende en meest bekende soort bereikt een
lengte van hoogstens 65 cM. en verraadt zich op het eerste gezicht
als een kind der woestijn, daar de kleur van haar schubbenkleed als
't ware een afspiegeling is van die van het zand; zij is meer of
minder levendig geel met bruinachtige tint en prijkt met bruine,
hoekige of rondachtige dwarsvlekken.

Het beeld van den Cerastes komt in de heilige schrijftaal van de
oude Egyptenaars veelvuldig voor, daar zijn oorspronkelijke naam "Fi"
later gebruikt werd om de klank F voor te stellen.

Het verbreidingsgebied van deze Adder strekt zich uit over geheel
Noord-Afrika, met uitzondering van Marokko, en over Steenachtig en
Gelukkig Arabië; het reikt echter voorbij den woestijngordel. Zij
leeft hoofdzakelijk in de woestijn, over dag steeds geheel onder
het zand verborgen op plaatsen, waar wijd en zijd in 't rond geen
water te vinden is; haar kruipen veroorzaakt door het over elkander
wrijven der schubben een hoorbaar gedruisch. Dat zij een nachtslang
is vermoedde reeds Bruce; daar ook hij de ervaring opdeed, dat zij
's nachts op het kampvuur afkomt. Op geen van mijne jachttochten
in de woestijn of de steppe heb ik er een gezien; des nachts echter
heb ik mij dikwijls aan haar geërgerd. Men moet ervaren hebben, wat
het zeggen wil, een dagreis in de woestijn achter den rug te hebben,
om te begrijpen, hoe zeer men dan naar rust verlangt. Van 's morgens
vroeg tot tegen den middag en van 's namiddags tot zonsondergang heeft
men op den rug van een weerbarstigen Kameel gezeten, de aanhoudend
droge lippen met den lauwwarmen, stinkenden inhoud van de waterzakken
bevochtigend, de kwellingen van den honger tot zwijgen brengend met
een weinig rijst, met moeite weerstand biedend aan de hitte van den
dag en met smachtend verlangen uitziend naar het nachtleger in het
zand: eindelijk wordt de plaats bepaald, waar het reisgezelschap
den nacht zal doorbrengen. De Kameelen worden ontladen; over een
ondiepe kuil in den grond, die door het afgraven van de bovenste
zandlaag verkregen is, wordt een tapijt gelegd: ieder stopt zich
een pijp en gaat zitten bij het hoogopvlammend vuur, dat intusschen
is aangestoken. Ieders gemoed verkeert in een behagelijke stemming;
zelfs de kok, die ons schraal avondmaal begint gereed te maken, neuriet
zijn eentonig lijfdeuntje. Plotseling wordt dit door een luiden vloek
afgebroken. "Wat is er aan de hand, jongen?"--"Dat Allah ze verderve,
haar en haar vader en haar gansche geslacht en ze verbanne naar den
diepsten afgrond der hel! Een Slang, Heer; maar zij braadt al in
't vuur!"--Het geheele kamp komt in rep en roer; ieder wapent zich
met een tang, gaat zitten op een baal goederen of op een kist en
wacht hier de ongenoode bezoekers af. Daar komen ze aankruipen,
soms wel bij dozijnen. Wie had kunnen denken, dat er in den omtrek
zoovele Gehoornde Adders leven!--Voorzichtig gaat nu eens deze, dan
weer gene met een ijzeren tang in de hand het giftige gedierte na,
pakt het te rechter tijd in den nek en knijpt den tang stijf dicht,
opdat de buit hem niet zal ontkomen. Midden in het helder brandende
vuur werpt hij den vervloekten zoon der hel en bespiedt met boosaardig
genot zijn doodsstrijd.

Waarmede de Gehoornde Adder te midden van de woestijn zich eigenlijk
voedt, is moeilijk te zeggen. Mogelijk maken op plaatsen, waar geen
Muizen zijn, Hagedissen haar voornaamste voedsel uit. Zeker weet men,
dat zij ook op Vogels jaagt.

In de gevangenschap schikt de Gehoornde Adder zich even goed als een
van hare verwanten. Verbazend lang kan zij vasten: zonder bezwaar kan
zij een half jaar lang zonder voedsel blijven. In de kooi zoowel als
in de vrije natuur woelt zij, indien hiervoor gelegenheid bestaat,
haar geheele lichaam onder het zand, zoodat slechts de oogen, de beide
hoorntjes en misschien hier en daar nog eenige plaatsen van de ruglijn
zichtbaar blijven. Door eigenaardige, zijwaartsche bewegingen van de
ribben, door den romp afwisselend te verbreeden en samen te trekken
en bij elke verbreeding het zand op zijde te schuiven, bedelven zij
zich; deze bewegingen volgen echter zoo snel opeen, dat voor het in
den grond kruipen meestal niet meer dan 10, hoogstens 20 seconden
noodig zijn. Het is niet onwaarschijnlijk, dat kleine Vogels de maar
eventjes boven het zand uitstekende hoorntjes voor het uiteinde van
een Worm of van een larve aanzien en voor deze vergissing met hun
leven moeten boeten.



Een andere in Egypte voorkomende Adder--de Efa (Echis carinata)--,
die tot het geslacht der Zandrateladders behoort, zou op het eerste
gezicht licht met den Cerastes verward kunnen worden: bij beide is
het lichaam betrekkelijk slank en vormen de schubben op de zijden van
den romp schuinsche, op het midden van den rug rechte reeksen. In
hoofdzaak stemt de Efa met de leden der beide vorige geslachten
overeen; zij verschilt van hen vooral door de bekleeding van de
onderzijde van den staart, die uit één reeks van schilden bestaat,
terwijl deze bij de overige Adders twee reeksen vormen.

De Efa is een kleine, maar sierlijke Slang van hoogstens 60 cM. lengte
en een sterk varieerende zandkleur: op een meer of minder lichten,
bruingelen grond komen onregelmatige, donkerbruine of zwarte banden,
streepjes, stippels of andere teekeningen voor; de onderzijde
daarentegen is lichtgeel, effen of bruin gestippeld. Men heeft
deze soort aangetroffen in geheel Noord-Afrika, Palestina, Arabië,
Perzië, de Aralo-Kaspische steppen en Voor-Indië. Ook zij wordt door
de slangenbezweerders voor hunne vertooningen gebruikt.

De Efa, hoe klein zij ook is, behoort tot de prikkelbaarste,
opvliegendste en gevaarlijkste Adders. In enkele provinciën van Indië,
vooral in Sind, schrijft men aan haar de meeste van de sterfgevallen
door slangenbeten toe; vooral de veldarbeiders hebben veel van haar
te lijden. Haar grootte in aanmerking genomen, is zij buitengewoon
driftig en strijdlustig; zelfs wanneer zij slechts op zelfverdediging
bedacht schijnt, is zij steeds geneigd om een tegenstander, hoe groot
en sterk deze ook moge zijn, hare giftanden te laten voelen. Door
proefnemingen is de krachtige werking van haar gif gebleken; een door
haar gebeten Hoen stierf na 4 minuten, een ander binnen ongeveer 2
minuten, een Hond in 4 uren.



De Groefkopadders (Crotalinae) hebben aan weerszijden van den snuit
tusschen de neusgaten en de oogen een diepe groeve, een blinden zak,
die zoomin met den neus als met de oogen in verbinding staat. Bovendien
onderscheiden deze Slangen zich van de Echte Adders door den slankeren
vorm van het lichaam en meestal ook door de grootere lengte van
den soms voor 't klimmen geschikten staart. De kop is eivormig of
stompdriehoekig, van achteren verbreed, duidelijk van den hals afgezet;
de neusgaten zijn aan de zijden van den snuit gelegen; de middelmatig
groote oogen hebben een vertikaal geplaatste, spleetvormige pupil. Het
schubbenkleed stemt in hoofdzaak met dat van de Echte Adders overeen.

De Groefkopadders, waarvan men ongeveer 60 soorten kent, komen het
talrijkst voor in het Oostersche Rijk, ontbreken geheel zoowel in het
Ethiopische als in het Australische Rijk en worden in het Noordelijke
Rijk van de Oude Wereld slechts door weinige soorten vertegenwoordigd,
die Tartarye, Tibet, Noord-China, Japan en Formosa bewonen; een grooten
rijkdom van vormen ontwikkelt deze onderfamilie echter in de Nieuwe
Wereld, vooral in Noord-Amerika.

De levenswijze van de Crotalinen komt in hoofdzaak overeen met die
van de Adders, hare naaste verwanten; evenals deze, zijn zij volslagen
nachtdieren, die den dag slapend of sluimerend doorbrengen en dan in
hare schuilplaatsen verborgen blijven, of vóór deze gaan liggen om
zich aan den weldadigen invloed der zonnestralen bloot te stellen;
het schijnt echter, dat zij, althans sommige van haar, minder traag
zijn dan de Echte Adders. Verscheidene soorten van Groefkopadders
klimmen; enkele, die aan haar groene kleur als boomdieren kenbaar zijn,
brengen haar leven in de twijgen door; andere zijn in 't zwemmen
bijna even bekwaam als de Zwemslangen en maken vooral op Visschen
jacht; de meeste echter verlaten den bodem niet en voeden zich met
allerlei kleine Zoogdieren en Vogels. Haar voortplantingswijze komt
volkomen overeen met die der Viperinen, daar ook bij haar de eieren
zich in het lichaam van de moeder zoover ontwikkelen, dat de jongen
onmiddellijk na het leggen de eischaal verbreken.

Hoewel de Groefkopadders over het algemeen, wat gevaarlijkheid
en boosaardigheid betreft, wel niet veel boven de Echte Adders
zullen uitmunten, worden zij meer gevreesd dan alle overige Slangen;
werkelijk mag men hare giforganen het hoogst ontwikkeld achten. Het
gevaar, waarmede sommige den mensch bedreigen, moge overdreven
voorgesteld zijn, eenige, en wel vooral de vreeselijke Lanskopslang
en de Boschmeester, schijnen den schrik te rechtvaardigen, die door
haar naam verwekt wordt.



De meest bekende Groefkopadders zijn de Ratelslangen (Crotalus);
van alle overige onderscheiden zij zich door het aanhangsel, dat zij
aan het einde van den staart dragen, den zoogenaamden "ratel", over
welks beteekenis men tevergeefs allerlei gissingen heeft gewaagd. Zij
bestaat uit een meer of minder groot aantal ineengeschoven, een weinig
samengedrukte, hoornachtige, holle kegels; iedere kegel vertoont
aan zijn buitenste oppervlakte drie verhevenheden, is met de spits
naar het staarteinde gericht en wordt gedeeltelijk overdekt door
den daarachter gelegen kegel, die zich aan twee der drie genoemde
verhevenheden vasthecht, doch er zoo los mede verbonden is, dat alle
kegels bewegelijk zijn en over elkander wrijven kunnen. Blijkbaar
is deze ratel een opperhuidsvorming, ongetwijfeld niets anders dan
een reeks van overblijfselen van vroegere vervellingen. Met zijn
ontwikkeling en groei was men tot voor korten tijd niet voldoende
bekend. Bij gevangen Ratelslangen, die men verscheidene jaren achtereen
heeft nagegaan, werd wel een vergrooting, maar geen vermeerdering
van het aantal leden van den ratel waargenomen; het blijkt dus, dat
het aantal leden jaren lang onveranderd kan blijven. De onderstelling
van eenige onderzoekers, dat bij de vervelling een nieuw lid gevormd
wordt, doordat de opperhuid van het vóór den ratel gelegen deel van
de buikzijde van den staart zich omkrult en niet afvalt, maar zich
naar de reeds aanwezige kegels vervormt, is in overeenstemming met
de waargenomen feiten; niet bij elke vervelling echter schijnen de
voorwaarden voor de vorming van een nieuw lid van den ratel aanwezig
te zijn. In allen gevalle zijn voor de ontwikkeling van den ratel
vele jaren noodig. 15 à 18 kegels aan één ratel behooren reeds tot de
groote zeldzaamheden; ook is het niet zeker, dat een dergelijk dier
dit aantal nog zal kunnen vergrooten. De meest samengestelde ratel,
die men heeft waargenomen, telde volgens A. Günther 21 leden.

De overige eigenaardigheden van de Ratelslangen vallen veel minder in
't oog. Haar kop is van boven en van voren met meer of minder talrijke,
groote schilden, overigens echter, evenals het geheele bovenzijde van
den romp, met langwerpig ruitvormige, gekielde schubben bedekt; de
onderzijde is met breede schilden bekleed, de hals (evenals bij alle
Adders) duidelijk begrensd, de romp is krachtig en (in vergelijking
met dien van andere Vergiftige Slangen) tamelijk slank, de giforganen
zeer ontwikkeld.

De Ratelslangen komen uitsluitend voor in Noord- en Zuid-Amerika. Zij
bewonen bij voorkeur dorre, zandige, of steenachtige woestenijen,
vooral zulke, die met lage struiken begroeid zijn; hier houden zij
echter meer van de nabuurschap van waterstroomen dan van watervrije
plaatsen.

Evenals bij de meeste van hare verwanten, is ook bij de Ratelslangen
het geven van een algemeen geldige beschrijving van een soort
moeielijk; daar de kleur en de teekening van hare leden buitengewoon
vele afwijkingen kunnen vertoonen. Ter onderscheiding van de soorten
let men daarom vooral op de schilden van den kop.



De Noord-Amerikaansche Ratelslang (Crotalus durissus) heeft, behalve
de groote wenkbrauwschilden boven ieder oog, op het voorste gedeelte
van den snuit nog twee paar groote schilden, waartusschen kleinere
zijn ingeschoven. De grondkleur van de bovendeelen is dof grijsbruin;
de teekening bestaat soms uit drie rijen van groote, onregelmatige
vlekken, soms uit dwarsbanden, die van voren en van achteren hoekig
begrensd zijn en op den donker gekleurden staart onduidelijk worden;
de onderzijde is op geelachtig witten grond met kleine, zwarte
stippels geteekend. Zeer oude wijfjes bereiken, naar men zegt,
bijna 2 M. lengte; exemplaren van 1.6 M. behooren echter reeds tot
de zeldzaamheden.

Het verbreidingsgebied van de Ratelslang strekt zich van de Golf van
Mexico noordwaarts tot 46° N.B. uit. Alleen in de westelijke Vereenigde
Staten reikt het zoo ver; volgens alle berichtgevers komt deze Slang
aan de oostzijde hoogstens tot bij het Champlain-meer voor. "Men mag
aannemen", zegt Geyer, "dat zij niet meer thuis behoort in streken,
waar wegens veelvuldige nachtvorsten gedurende den zomer geen maïs
verbouwd kan worden".

Het liefst bewoont de Ratelslang gewesten, waar rotsachtige, zonnige of
in 't algemeen woeste terreinsverhoogingen aan vruchtbare, grasrijke
dalen, rivieren, beken of weiden met bronnen grenzen; alleen wanneer
een sterke dauw geregeld de uitgestrekte vlakte verfrischt, vindt
men haar in deze streken, anders niet. Voor weersveranderingen is
deze Slang zeer gevoelig: zij verandert daarom reeds in den loop
van den dag bijna ieder uur van verblijfplaats. Op den fraaien,
helderen morgen van een heeten dag baadt zij zich in den dauw en kiest
daarna een geschikt plekje uit op een pad of op een breeden steen
om zich door de zon te laten verwarmen of drogen. Later, gedurende
de middaghitte, zoekt zij droge, beschaduwde plaatsen op, waar zij
rustig kan liggen, maar verwijdert zich ook dan niet ver van het
door de zon beschenen terrein. Als het verscheidene nachten achtereen
niet gedauwd heeft, vindt men haar dikwijls aan den rand van poelen
en stroomen; doch alleen als zij aan 't jagen is, begeeft zij zich
werkelijk te water. Voor regen is zij zeer gevoelig. Hare woningen zijn
verschillend, al naar zij zich in bebouwde streken of in wildernissen
ophoudt. Hier woont zij gezellig in zoogenaamde "herbergen", daar
steeds afzonderlijk; hier neemt zij holen van andere dieren in bezit,
daar behelpt zij zich met schuilhoeken. De holen, waarvan zij gebruik
maakt, worden gegraven door Prairiehonden, Aardeekhoornen, Ratten,
Muizen en zelfs door Oeverzwaluwen, hoewel de laatstgenoemde voor de
groote Reptiliën bijna ontoegankelijk schijnen te zijn. De Ratelslang,
kan echter met de stevige schubben van kop en romp zeer gemakkelijk
in de vaste aarde of in losse zandsteen boren, als hierin reeds een
gang aanwezig is, die eenvoudig verwijd moet worden.

In de nabijheid van door menschen bewoonde oorden vindt men haar zelden
of nooit in grooten getale, tenzij gedurende den paartijd, in het
einde van April of het begin van Mei. Hier houdt zij zich op in spleten
en kloven van rotsen, in muren en onder gebouwen, in holle boomen en
onder platte steenen, in houtmijten en in takkebossen; zelfs vindt men
haar onder den vloer van woningen, in de schuilplaatsen van Ratten en
Muizen. Waarschijnlijk hangt de keuze van haar winterkwartier, evenals
bij andere Slangen, zeer dikwijls van toevallige omstandigheden
af. Het dier, dat door een warmen Octoberdag nog eens uit zijn
"herberg" gelokt en door de plotseling invallende koude verrast wordt,
ziet zich genoopt, de schuilplaats, die het naast bij de hand is, als
winterbed te gebruiken; daarom vindt men in de prairiën dikwijls onder
enkele steenen in 't open veld Ratelslangen, die hier met gevulde maag
den winter willen doorbrengen. Haar winterslaap gelijkt volkomen op
dien van andere Reptiliën, met dit verschil, dat deze, indien zulks
mogelijk is, een droge, afgesloten plaats tot winterkwartier kiezen.

De meeste onderzoekers noemen de Ratelslang buitengewoon traag en
langzaam van beweging; Palissot de Beauvois zegt zelfs, dat zij minder
kwaadaardig is dan de meeste andere Slangen, nooit uit eigen beweging
een dier aanvalt, dat zij niet als voedsel noodig heeft, en nooit bijt,
tenzij men haar opgeschrikt of aangeraakt heeft. "Dikwijls ben ik
haar op een afstand van slechts weinige centimeters voorbijgegaan,
zonder dat zij de geringste neiging toonde om mij te bijten. Ik
werd haar aanwezigheid steeds vooraf gewaar door het geluid van haar
ratel. Terwijl ik mij zonder haast verwijderde, verroerde zij zich niet
en liet mij den tijd een stok af te snijden om haar te dooden". Dit
bericht is slechts voorwaardelijk juist, daar het betrekking heeft op
de houding van de Slang gedurende haar rusttijd; als zij werkelijk
wakker is, gedraagt zij zich anders. "De Ratelslang", zegt Geyer,
"beweegt zich snel, zonder zich zeer te vermoeien, te krommen of
te buigen; hierdoor schijnt haar beweging langzamer dan deze blijkt
te zijn, wanneer men let op den weg, dien zij in een bepaalden tijd
aflegt. Op haar prooi werpt zij zich met toenemende snelheid, zoodat
deze ten slotte op die van een Vogel gelijkt. Zoo zag ik eens bij
een boerderij in Missouri een Ratelslang uit een boom naar beneden
schieten, een jong Hoen bij den vleugel grijpen en zoo snel naar een
kale rotspunt dragen, dat ik haar nauwelijks volgen kon. Een gemikte
steenworp bracht haar tot stilstand: zij kronkelde zich om haar
slachtoffer en liet het met den bek los, maar beet het, toen ik mij
stil hield, in den kop. Ten tweeden male door een steen getroffen,
liet zij haar buit nogmaals los, vatte hem vervolgens weer bij den
vleugel en hief hem tamelijk hoog op, als 't ware om zich te vermaken
met zijn doodsangst. Weldra toonde zij neiging om verder te gaan,
werd goed geraakt door een steen, liet het halfdoode Hoen varen en
kronkelde zich ineen om haar vijand het hoofd te bieden. Toen doodde
ik haar". Audubon's beschrijving stemt met dit bericht overeen en maakt
ook melding van de geschiktheid van de Ratelslang om te klimmen. Liever
nog dan in de boomen, begeeft zij zich te water, hoewel zij de
gelegenheid hiervoor waarschijnlijk niet zoekt. Dat zij soms over
meren of rivieren zwemt en zich in 't water zeer snel beweegt, werd
reeds veel vroeger door Kalm opgemerkt. "Zij ziet er dan als 't ware
opgeblazen uit en drijft ook als een blaas op den waterspiegel. Het
is niet raadzaam haar hier aan te vallen, daar de ervaring leert,
dat zij geneigd is om plotseling in het vaartuig te springen".

Het voedsel van de Ratelslang bestaat uit kleine Zoogdieren, Vogels
en Amphibiën, vooral Vorschen. Of zij werkelijk soms een door haar
gegrepen dier omstrengelt en het zonder te bijten op gelijke wijze
als een niet-vergiftige Slang dooddrukt, of integendeel, na het
bijten altijd rustig de uitwerking van haar gif afwacht, durf ik
niet beslissen; het laatste acht ik echter het waarschijnlijkst. Men
zegt, dat zij na een overvloedig maal een buitengewoon sterke,
onaangename lucht verbreidt, die niet slechts voor dieren met fijn
bewerktuigd reukorgaan, maar ook voor den mensch duidelijk waarneembaar
is. Verscheidene onderzoekers ontkennen dit, door anderen wordt het ten
stelligste bevestigd. Dat er iets van waar moet zijn, kan men afleiden
uit het feit, dat dieren met de aanwezigheid van Ratelslangen bekend
worden, zonder ze te kunnen zien; Paarden b.v. worden plotseling
schichtig en springen op zij, wanneer zij zulk een Slang op een
afstand van verscheidene schreden voorbijgaan.

In het begin van de lente komen de Ratelslangen, na van huid gewisseld
te hebben, schitterend met hare levendigste kleuren, levenslustig en
met gloeiende oogen, uit hare winterkwartieren te voorschijn. Mannetjes
en wijfjes zwerven over de opene, zonnige plekken van het bosch rond;
bij een ontmoeting omstrengelen zij elkander en vormen griezelige
kluwens, die uit 20, 30 of meer Slangen bestaan. De koppen zijn in
alle richtingen naar buiten gekeerd, de kaken opengesperd, een luid
gesis en geratel weerklinkt. In deze houding blijven zij verscheidene
dagen op dezelfde plaats.--De eieren worden in Augustus gelegd,
weinige minuten daarna verbreken de jongen de hen omhullende schaal,
zonder dat de moeder zich verder om haar kroost bekommert. "Slechts
éénmaal", schrijft Geyer, "was ik in de gelegenheid om het uitkomen van
jonge Ratelslangen waar te nemen. In de maand Augustus bij een bezoek
aan een verlaten Mormonen-kolonie aan den Missouri zag ik een oude
Ratelslang zich koesteren in de zon vóór den ingang van een hut. Bij
mijn komst kroop zij onder den drempel, waar ik een kleine Ratelslang
van ongeveer 15 cM. lengte opmerkte. Ik stiet met een stok onder
den drempel, hoorde, hoe het oude dier zich ratelend verwijderde,
maar zag verscheidene jongen en vond, nadat ik den drempel, een
groot blok hout, had weggewenteld, ongeveer 40 eieren tusschen eenige
steenen in den drogen grond; vele daarvan waren reeds door de jongen
verlaten. De eieren waren verschillend van vorm, iets kleiner dan
die van Duiven en vaal van kleur. De pas geboren Slangetjes toonden
reeds een opmerkelijken lust tot bijten. Dat de Ratelslang in tijd
van gevaar hare jongen in den bek neemt, is stellig een fabel; hier
zou zij reden gehad hebben om haar kroost op deze wijze te beschermen;
zij deed het niet, maar vluchtte".

"De ergste vijand van de Ratelslangen is een zeer strenge winter,
vooral wanneer deze vroeg en plotseling invalt. Uitgestrekte
overstroomingen gedurende het voorjaar zijn voor haar niet minder
nadeelig, zoo ook bosch- en steppenbranden. Het is wel eens gebeurd,
dat geheele districten door strenge winters, overstroomingen of brand
verlost zijn geraakt van de Ratelslangen, die zich hier vroeger in
grooten getale ophielden". Volgens vele berichten, ook uit lateren
tijd, zijn de Zwijnen in dezelfde richting werkzaam. "Zoodra een Zwijn
een Slang ziet", bericht Brown, "schiet het er luid knorrend op toe,
zet haar, nog voordat zij heeft kunnen bijten, een poot op den nek,
stampt met de overige pooten en vreet het verpletterde dier op. De
Indianen zijn met de vijandschap tusschen de Zwijnen en de Slangen
zeer goed bekend; meer dan eens heb ik een Indiaansche vrouw bij de
kolonisten om een stuk versch varkensvleesch hooren vragen, dat zij
zich bij het bessenplukken om de hand wilde binden, om zich tegen de
beten van Ratelslangen te beveiligen. Het zou zelfs kunnen zijn, dat
de dikke speklaag het Zwijn tegen het doordringen van het gif in het
bloed behoedt". Een beter beschuttingsmiddel acht Pechuel-Loesche de
slijkkorst, waarmede het Zwijn zich bij het wentelen in modderpoelen
bedekt en de door vuil en hars aaneenklevende borstels, die de huid als
't ware met een pantser voorzien. Wanneer evenwel het dier werkelijk
krachtig genoeg gebeten wordt, sterft het.

Volgens Geyer hebben de Wezels, Opossums en Dassen ten onrechte den
naam van Ratelslangen-verdelgers gekregen. "Niet minder onbetrouwbaar
zijn de verhalen over de jacht, die de Roofvogels op Ratelslangen
maken. Behalve de Buizerd of de Gier zijn de Roofvogels te zwak om
met goed gevolg dezen strijd te voeren. Een Valk met gaffelstaart,
die een ijverig vervolger van Ratelslangen heet te zijn, trof
ik veelvuldig aan op plaatsen, waar ik zelden een Ratelslang
zag; het is echter wel mogelijk, dat deze Vogel jonge Slangen
verslindt. Zeer vele Ratelslangen worden op de landwegen gedood,
zoowel toevallig als opzettelijk. Zij komen hier om zich in de
zon te koesteren, gaan in het wagenspoor liggen en worden onder de
wielen verpletterd. Ieder geeft zich gaarne de moeite van het paard
te stappen om het aantal dezer leelijke dieren te verminderen. In
hun nabijheid heb ik een zekere huivering nooit kunnen overwinnen,
hoewel ik dikwijls Ratelslangen ontmoet en er vele gedood heb,
slechts éénmaal, n.l. in de punt van den schoen, gebeten en dus nooit
gewond werd. Wie in Amerika voor een Ratelslang uit den weg gaat,
doet dit slechts met de bedoeling om een steen of een stok te zoeken
om haar te dooden. Zij wordt dus niet zeer gevreesd; zelfs kleine
knapen gaan haar te lijf. Deze onophoudelijke vervolging heeft haar
doel niet gemist; in de bewoonde gewesten van Noord-Amerika behooren
Ratelslangen tot de zeldzaamheden." Volgens Castelnau worden in alle
gewesten, die men in kultuur wil brengen, vooraf groote klopjachten
gehouden om er de Ratelslangen zooveel mogelijk uit te roeien. Bij
een dergelijke jacht werden, naar dezelfde reiziger bericht, in de
buurt van het Georges-meer op één dag 400 exemplaren gedood. Volgens
Geyer schuwen de aasetende dieren het lijk van de Ratelslang, met
uitzondering van een soort van Kevers. Onder de blanke bewoners van
Amerika vindt men enkele waaghalzen, die Ratelslangen met de bloote
hand aanvatten. Een zoon van den beroemden generaal Clarke, die deel
uitmaakte van de karavaan, waarmede Geyer het Rotsgebergte bezocht,
had steeds zijne zakken vol met ratels. Zoodra hij een Ratelslang zag,
liep hij haar na, zette haar den linkervoet op den kop, rukte haar
met de rechterhand den ratel af en liet haar vervolgens los; toch
werd hij nooit gebeten. Meer ontzag hebben de inboorlingen voor de
Ratelslang. De Sioux, Dacotas of Nadowessiërs dooden haar niet, maar
roemen haar list en beschouwen een ontmoeting met haar als een gunstig
voorteeken. Wegens deze slangenvereering hebben hunne erfvijanden hun
den naam "Naddowessjoe" gegeven, die Ratelslang beteekent. De naam
Sioux is eenvoudig de laatste lettergreep van dit woord. Bij geen der
andere Indianenstammen komt de bedoelde religieuse slangenvereering
voor, ook niet bij de Slangenindianen of Sjosjonen.

Vele dieren kennen en vreezen de Ratelslang. De Paarden en Runderen
schuwen haar en vluchten, zoodra zij haar opmerken; de Honden houden
haar staande, maar blijven op een eerbiedigen afstand; Vogels laten
een luid angstgeschreeuw hooren, zoodra zij haar opmerken.

Verscheidene waarnemers hebben beweerd, dat de Ratelslang steeds
gewoon is te ratelen, voordat zij bijt; dit is echter niet geheel
juist. "Bij het langzaam kruipende dier," zegt Geyer, "sleept de
ratel over den grond; de vluchtende Slang heft het uiteinde van
den staart op, maar maakt aanhoudend hetzelfde ratelende geluid
als vroeger; alleen als zij haar prooi vervolgt, hoort men hiervan
niets. Het ratelen klinkt als het gedruisch, dat een scharenslijper
voortbrengt en heeft een merkwaardige overeenkomst met het rammelen
van de zaden der wikke-peulen in het korenveld. In de prairieën
langs den bovenloop van de Missouri leven kleine Sprinkhanen, die
bij het wegvliegen hetzelfde gedruisch veroorzaken. De Ratelslang
waarschuwt niet altijd, maar alleen, wanneer zij verschrikt wordt, of
zich bedreigd acht. Zeer dikwijls zag ik zulk een dier liggen op een
plaats, vanwaar ik een oogenblik te voren slechts 10 cM. verwijderd
was." Voor zoover wij kunnen nagaan, is het ratelen eenvoudig een
bewijs van vermeerderde opgewektheid, die zich ook bij andere Slangen
door een hevige beweging van de spits van den staart verraadt.

De beet van de Ratelslang is altijd zeer gevaarlijk, omdat de
buitengewoon groote tanden zoo scherp zijn als naalden en ook door een
dichte bekleeding of een dik vel kunnen heendringen. "Zij bijt," zegt
Geyer, "met een kracht, die men bij haar niet vermoed zou hebben." De
werkingen van het gif openbaren zich op zeer verschillende wijzen,
al naar de Ratelslang meer of minder opgewonden is. Bij vochtig,
koel weder wordt de beet minder gevaarlijk geacht; als zeer vergiftig
beschouwt men den beet van dieren, die pas hunne winterkwartieren
verlaten hebben, en de wonde, die zij gedurende de hitte in Augustus
toebrengen. In dezen tijd is men nergens veilig voor de Ratelslang;
zij verkeert dan in de grootste opgewondenheid, is strijdlustig en
laat dikwijls reeds op een afstand van verscheidene schreden haar
geratel hooren.

Volgens sommigen verdient in gevallen van vergiftiging door een
Ratelslang het gebruik van groote hoeveelheden brandewijn of andere
sterk alcoholische dranken aanbeveling. "Op een avond van de maand
September van het jaar 1820," verhaalt Mayrand, "trok een luid
geschreeuw van een vrouw mijn aandacht; eenige minuten later werd ik
geroepen en vernam, dat de slaaf Essex door een Ratelslang gebeten
was en op sterven lag. Ik vond hem beweging- en sprakeloos; zijne
kaken waren gesloten, de pols sloeg onregelmatig en was nauwelijks
merkbaar. Menschelijkheid en eigenbelang noopten mij al het mogelijke
te doen tot redding van den patiënt. Ik had de gunstige werking van
alcoholische dranken hooren roemen en besloot de sterkste opwekkende
middelen, die ik bezat, aan te wenden, mengde daarom een theelepel
vol fijngestooten Spaansche peper met een glas brandewijn, liet de
kaken openhouden en goot den zieke dit mengsel in. De eerste dosis
en ook drie of vier van de volgende porties werden uitgebraakt; het
vijfde glas eindelijk bleef in de maag. De polsslag werd krachtiger,
nadat ik 5 of 6 glazen gepeperden brandewijn had ingegeven, maar
verminderde schielijk weder; ik begon daarom opnieuw brandewijn met
peper in te gieten. Hoewel ik nu vreesde, dat de groote hoeveelheid
opwekkende middelen doodelijke gevolgen kon hebben, moest ik er toch
mede voortgaan, omdat de pols spoedig weer zwakker werd, zoodra ik
het ingieten naliet. Nadat de zieke meer dan een liter brandewijn met
peper had verzwolgen, sprak hij met zijne landslieden; het ingeven
van het middel werd voortgezet, met dit gevolg, dat de gewonde
na 2 uren zoozeer versterkt was, dat ik hem aan eenige oppassers
kon overlaten. Den volgenden morgen was de toestand aanmerkelijk
verbeterd; toch was de patiënt nog buitengewoon slap. Ik gaf hem nu
ieder uur een matige dosis geest van hertshoorn in en ook versterkende
voedingsmiddelen. Gedurende den nacht werden 3 liter brandewijn
verbruikt; ongeveer een van deze werd echter vermorst. Een groot
stuk van het vleesch onder de kaken werd vurig en viel af, rondom de
wonde ging een stuk iets kleiner dan een rijksdaalder verloren; de
genezing, ondersteund door pappen en wasschingen met een afkooksel van
de schors van den rooden eik, volgde nu echter spoedig." Welk aandeel
in dit en dergelijke gevallen de alcohol aan de genezing heeft gehad,
moeten wij in 't midden laten. Indien werkelijk de alcohol zulk een
doeltreffend middel tegen slangenbeten is, als vroeger werd beweerd,
zouden de onderzoekers uit lateren tijd, welker meeningen reeds zijn
medegedeeld, een gemakkelijker taak hebben gehad, dan, blijkens hunne
ervaringen, het geval is geweest.

De Ratelslangen kunnen bij eenigszins doelmatige verzorging zeer goed
gevangen gehouden worden: van sommige is het bekend, dat zij 10 à 12
jaar in de kooi in 't leven zijn gebleven. Aanvankelijk verkeeren zij,
evenals hare verwanten, bijna voortdurend in geprikkelden toestand;
langzamerhand vermindert haar boosaardigheid; ten slotte leeren zij
haar oppasser werkelijk als een verzorger kennen, bijten althans
niet meer zoo onzinnig als vroeger naar hem en naar de menschen,
die bij haar hok komen. Met hare soortgenooten kan zij goed overweg.

Ook op Ratelslangen hebben de dierentemmers hunne kunsten
beproefd. Volgens een zekeren Neale is muziek een middel om deze
dieren te beheerschen; een zachte melodie zou voldoende zijn om de
weerbarstigste exemplaren te kalmeeren. Naar men zegt, heeft deze
man herhaaldelijk voorstellingen met werkelijk getemde Ratelslangen
gegeven. Hij kon ze als touwen om zijn hals slingeren, ze kussen,
ze den bek openen om de giftanden te laten zien, enz. Voor de
juistheid van deze berichten kunnen wij niet instaan. Dat de omgang
met Vergiftige Slangen altijd hoogst gevaarlijk blijft, leert de
geschiedenis van nagenoeg alle dierentemmers, die met dergelijke
dieren "werken"; de eene vroeger, de andere later begaat een
onvoorzichtigheid, waarvoor hij met zijn leven boet.



Van de zes bekende soorten van Ratelslangen behooren vier tot de
noordelijke helft van Amerika, slechts één van deze komt ook ten
zuiden van de landengte van Panama voor. Reeds in het zuiden van de
Vereenigde Staten wordt, behalve de reeds genoemde gewone soort,
de Ruiten- of Diamantratelslang (Crotalus adamanteus) gevonden;
verder zuidwaarts, in Midden-Amerika grenst haar verbreidingsgebied
aan dat van de Cascavella (Crotalus horridus), de eenige soort die
tot dusver in Zuid-Amerika werd aangetroffen.

De Cascavella, door de Brazilianen zoo genoemd, gelijkt op haar
Noord-Amerikaansche verwanten door den vorm en de rangschikking
van de schilden op den kop, met dit verschil, dat de 4 schilden
van het voorste deel van den snuit zich tot het midden van den kop
uitstrekken en elkander hier aanraken. Twee breede, donkerbruine
of zwarte, evenwijdige, overlangsche strepen, die ieder boven een
oog beginnen, loopen over den kop en den hals; de onderdeelen zijn
eenvoudig geelachtig wit. In afmetingen stemt de Cascavella met de
Gewone Ratelslang overeen.

"De Cascavella," zegt de Prins Von Wied, "is over het grootste deel van
Zuid-Amerika verbreid, bewoont het geheele binnenland van Brazilië,
wordt in Minas Geraës aangetroffen en komt verder noordwaarts tot in
Guyana en aan den Amazonen-stroom voor." Door andere onderzoekers
weten wij, dat zij ook in 't zuiden niet ontbreekt en o. a. in Rio
Grande do Sul en in de La-Plata-Staten leeft. "In de zeer vochtige
kustwouden schijnt zij zich niet op te houden; haar gebied begint
verder binnenwaarts, in de droge, meer steenachtige gewesten van
den sertong op ruige weiden, op nog niet ontgonnen landerijen, in
doornachtige, rotsachtige, droge en heete kreupelhoutbosschen, enz." In
Guyana bewoont zij de savanne en de hier voorkomende ijlere en minder
hoog opschietende kreupelbosschen, tot op een hoogte van 2000 M.,
doch ontbreekt, evenals in Brazilië, in de dichte wouden van de kust.

Over dag ontmoet men de Cascavella uitsluitend in rustenden
toestand. Zij blijft tot een schijf ineengerold, traag op dezelfde
plaats liggen en bijt alleen naar menschen of dieren, die in haar
onmiddellijke nabijheid komen. Dikwijls verliest een veefokker door
haar verscheidene dieren op één dag; alle worden op een bepaald
gedeelte van het pad of van de weide gebeten; naar de bewerkster
van dit onheil zoekend, vindt men de gevaarlijke Slang nog steeds
op dezelfde plaats. Wanneer men niet toevallig te dicht bij haar
komt of haar op een afstand van eenige schreden opmerkt, heeft men
niets te vreezen; want kort voordat zij bijten wil, brengt zij door
beweging van den staart het bekende, maar volstrekt niet luide en
daarom niet ver hoorbare geluid voort. Toch kan de grootst mogelijke
omzichtigheid niet altijd verhoeden, dat men te dicht bij zulk een
dier komt en in den voet gebeten wordt. Dit ondervonden niet slechts
blanken, maar ook inboorlingen, hoewel dezen niet licht iets ontgaat,
wat tot waarschuwing zou kunnen dienen.

Het voedsel van de Cascavella bestaat hoofdzakelijk uit kleine
Zoogdieren, in zuidelijke gewesten uitsluitend uit kleine Halfhoevige
Knaagdieren; bovendien maakt zij jacht op alle Vogels, die zij meent
te kunnen verschalken. Haar voortplanting verschilt waarschijnlijk
niet van die harer verwanten.

De gevolgen van haar beet kan men door het volgende bericht van
Schomburgk leeren kennen: "De zon naderde reeds tot de kim en nog was
Essetamaipoe niet teruggekeerd. Dit viel ons niet eerder op, dan toen
wij een anderen Indiaan met den meesten spoed over den heuvel naar ons
toe zagen komen: het zekerste teeken van een belangrijke nieuwstijding
of van een ongeluk, daar de Indianen zich in den regel met afgemeten
schreden naar een dorp begeven. De Indiaan had Essetamaipoe, door
een Slang gebeten, bewusteloos in de savanne gevonden. Met alle
beschikbare hulpmiddelen voorzien, snelden wij naar de plaats, waar
de ongelukkige lag. Een wonde boven den enkel van den rechtervoet,
die met een mes op een werkelijk vreeselijke wijze uitgesneden en
met een lap verbonden was, wees ons de plaats aan, waar de Slang haar
beet had toegebracht. Het been was opgezwollen en de hevigste krampen
schokten het geheele lichaam van den bewusteloozen lijder, die bijna
onkenbaar was wegens de verandering die de gelaatstrekken door de
krampen hadden ondergaan. Terwijl de arme Essetamaipoe door de savanne
ging, had hij op een Ratelslang getrapt, had haar uit wraakzucht
gedood en daarna eerst met echt Indiaansche ongevoeligheid voor
pijn de wonde uitgesneden en verbonden. Nadat dit op de hooggelegen
savanna was voorgevallen, had hij zich nog met moeite voortgesleept
tot in de nabijheid van het pad, waar hij meer kans had om gevonden te
worden en was hier bewusteloos neergezonken. Naar het gestolde bloed
te oordeelen, moest de verwonding reeds verscheidene uren geleden
plaats gehad hebben; het uitzuigen en uitbranden van de wonde kon
dus niets meer baten; daarom waschten wij haar eenvoudig met ammonia
uit en goten dit middel met water verdund den bewusteloozen patiënt
in. Dit hielp, naar het scheen. Het bewustzijn keerde terug en de
zieke, die over pijn in de borst en in de okselstreek en ook over
scheuten in de ledematen en in den rug klaagde, werd in zijn hangmat
naar Pirera vervoerd. Verscheidene dagen lang bleef het been tot aan
het heupgewricht gezwollen tot een vormelooze massa, die geheel stijf
was; tevens ondervond de lijder bij de geringste beweging ondragelijke
pijnen. Na 3 weken had een warme, verweekende pap van kawassa-brood
niet slechts de zwelling, maar ook de lijkachtige uitdrukking van het
gelaat en de pijnen verdreven; 5 weken later sloot zich de wonde en
kon de zieke den voet weer gebruiken."

Het is waarschijnlijk, dat sommige soorten van Marters en de als
slangenjagers bekende Roof- en Moerasvogels het leven van menige
Cascavella verkorten, daar zelfs Huiskatten met goed gevolg strijd
met haar voeren. De mensch doodt de Ratelslangen, waar hij ze ook
vindt, zonder ze verder te gebruiken. Geen enkele Zuid-Amerikaan,
niet eens de wilde Indiaan, eet slangenvleesch. De ratel wordt echter
niet weggeworpen, maar integendeel dikwijls voor een goeden prijs
verkocht, daar men hem als een middel tot genezing van velerlei
ziekten beschouwt.

In Zuid-Amerika scheppen alleen de Negers behagen in het houden
van Vergiftige Slangen. "De kunst om zulke Slangen te temmen,"
zegt Schomburgk, "schijnen de Negers uit hun vaderland medegenomen
te hebben; niet zelden komt het voor, dat Ratelslangen, die hare
giftanden behouden hebben, door hen zoo goed afgericht zijn, dat
zij ze zonder gevaar om den arm slingeren en met haar op den meest
vriendschappelijken voet verkeeren kunnen."



"Stomme Ratelslang" (Crotalus mutus) noemde Linnaeus een van de
vreeselijkste Groefkopadders van Zuid-Amerika, den Boschmeester
van de Nederlandsche kolonisten van Guyana, den Soeroekoekoe der
Brazilianen. Dit dier komt in de meeste opzichten met de Ratelslangen
overeen, doch heeft over het midden van de rugzijde een kielvormige
lijst, terwijl tevens de staart niet in een ratel eindigt, maar aan
de onderzijde 10 à 12 dwarsrijen van kleine, stekelvormige schubben
en aan de spits een doorn draagt. Op grond van deze eigenaardigheden
wordt de bedoelde Slang als vertegenwoordigster van een afzonderlijk
geslacht, dat der Lachesis-slangen (Lachesis) beschouwd.

De Boschmeester (Lachesis muta, L. rhombeata) bereikt een lengte
van 2.5 (volgens A. Kappler zelfs van 4) M. en is van boven op
roodachtig gelen grond geteekend met een overlangsche reeks van groote,
zwartbruine ruiten, die ieder twee kleinere, lichtere vlekken bevatten;
de onderzijde is bleek geelachtig wit met porseleinachtigen glans. De
kleur van den rug wordt op den hals donkerder; de teekening gaat op
den kop in onregelmatige vlekken van zwartbruine kleur over. Van het
oog tot aan den mondhoek loopt een breede, zwarte, overlangsche streep
op lichteren grond.

"Indien de Boschmeester veelvuldiger was dan hij is, en niet beperkt
bleef tot de wouden der bergstreken, waar hij over dag op den grond
ineengerold ligt, zou de reiziger," zegt Schomburgk, "geen stap kunnen
doen, zonder in doodsgevaar te verkeeren. Wel verre van, gelijk hare
verwanten, voor den mensch te vluchten, wacht deze Slang, volgens
de overeenstemmende berichten der Indianen, den naderenden reiziger
rustig af en schiet ter rechter tijd pijlsnel op hem toe. Zij is zonder
eenigen twijfel de vergiftigste en gevaarlijkste van alle in Guyana
voorkomende Groefkopadders; men zegt, dat haar beet steeds doodelijk
is." Alle overige onderzoekers zijn dezelfde meening toegedaan en
verzekeren, dat de Boschmeester veel meer gevreesd wordt dan de
Ratelslang.

"In Noord- en Middel-Brazilië," zegt de Prins Von Wied, "wordt deze
Slang overal gevonden. Zij is groot, fraai geteekend, bereikt, naar
men bericht, de dikte van een mansdij en houdt zich bij voorkeur op in
koele, schaduwrijke wouden, waar men haar gewoonlijk ineengerold op den
bodem ziet liggen. Zij klimt niet in boomen. Haar levenswijze en hare
gewoonten gelijken, naar het schijnt, veel op die van de Ratelslang. De
grootte en dikte van haar lichaam en hare voortreffelijke wapens
stellen haar in staat een tamelijk groot dier te overmeesteren. Men
zegt, dat haar beet zeer schielijk den dood veroorzaakt. Bij Rio de
Janeiro stierf een Neger na 6, een andere na 12 uur aan de gevolgen van
zulk een verwonding. Een van de vergiftigingsverschijnselen schijnt te
zijn, dat het bloed den lijder uit mond, neus en ooren vloeit. Naar men
verhaalt, komt genezing dikwijls voor, wanneer de behandeling spoedig
plaats heeft; het is echter moeielijk in deze berichten waarheid van
leugen te onderscheiden, daar hierover tal van fabels in omloop zijn."

Een merkwaardig geval van vergiftiging wordt door Schomburgk
medegedeeld: "Gedurende mijn eerste verblijf te Bartika-Grove vond ik
daar een kleurling, wiens zoon eenige weken vóór mijn aankomst door den
verraderlijken Boschmeester in den linker wang was gebeten. De vader,
die zijn zoon in bewusteloozen toestand vond en de wonde uitgezogen
had, gevoelde reeds na verloop van een kwartier een onlijdelijke pijn;
zijn hoofd zwol op tot een wanstaltige grootte; duidelijk vertoonden
zich verschijnselen van vergiftiging, die, naar het bleek, een gevolg
was van het binnendringen van een deel van het uitgezogen gif in een
holle kies. De knaap stierf en de vader was, toen ik nogmaals zijn
woonplaats bezocht, nog steeds niet genezen."

"De Indianen en Negers," zegt de Prins Von Wied ten slotte, "eten
soms het vleesch van de Soeroekoekoe, nadat zij hem snel den kop
afgehouwen hebben. Gewoonlijk waagt men een geweerschot aan deze Slang,
wanneer men haar ontmoet; daar zij wegens haar grootte en gevaarlijke
eigenschappen zeer gevreesd en gehaat wordt, doodt men haar te allen
tijde en overal. Soms wordt zij in slagvallen gevangen en blijft dan
gewoonlijk lang in 't leven."

Levend wordt de Boschmeester slechts zelden naar Europa gebracht.



Het geslacht der Driehoekskoppen (Ancistrodon) omvat Groefkopadders
zonder ratel, met een driehoekigen kop, een langen romp, die met
gekielde schubben bekleed is, en een zeer korten staart, die als
klimorgaan geen dienst kan doen.



Een van de meest bekende en verst verbreide Noord-Amerikaansche soorten
van dit geslacht is de Mokassinslang [Ancistrodon (Trigonocephalus)
contortrix]. Haar lengte bedraagt ongeveer 1 M. De grondkleur van de
bovendeelen is fraai koperbruin; de teekening bestaat uit ongeveer
16 roodachtig bruine, donkerder gezoomde dwarsbanden over den rug;
deze hebben aanleiding gegeven tot den naam der Slang, omdat zij aan
een "mokassin" (lederen kous) herinneren, Tusschen deze dwarsbanden
komen onregelmatige vlekken op de grondkleur voor. De buikschilden zijn
bleek koperrood en aan de zijden met groote vlekken geteekend. Op den
kop ziet men een breeden band, die zich van de spits van den snuit
tot aan den mondhoek uitstrekt.

Het verbreidingsgebied van de Mokassinslang strekt zich uit van
den 45en graad N.B. tot aan het zuidelijkste deel van de oostelijke
Vereenigde Staten. Hare verblijfplaatsen zijn moerassige streken,
vooral uitgestrekte, met hoog gras begroeide weidegronden; haar voedsel
bestaat uit Veldmuizen, Vogels en waarschijnlijk ook Vorschen. Hoewel
haar beet ongeveer even veel gevaar oplevert als die van de Ratelslang,
wordt zij wegens hare vluggere bewegingen door de Amerikanen veel
meer gevreesd.



Nauwkeuriger berichten dan over de Mokassinslang heeft men over haar
naaste verwante, de Wateradder of de Waterlanskopslang [Ancistrodon
(Trigonocephalus) piscivorus], die eveneens Noord-Amerika bewoont
en hier uitsluitend in moerassen en broeklanden, bij rivieren en
meren leeft. Ook zij is een groote Gifslang, daar haar lengte soms
1.5 M. bedraagt. Van de Mokassinslang onderscheidt zij zich door de
twee gladde schildjes, die achter de groote achterhoofdsschilden
voorkomen. Haar kleur varieert sterk. De teekening van de meeste
Wateradders bestaat uit meer of minder regelmatig gerangschikte,
donkere banden op glanzig groenachtig grijzen grond en gelijkt over
't geheel genomen op die van de vorige soort. Hare schuilplaatsen zijn
te vinden op de oevers en eilanden of eilandjes van meren, broeklanden,
moerassen, vijvers, rivieren en beken; op droog, dor land ontmoet men
haar niet. Des zomers liggen zij dikwijls in grooten getale op twijgen,
die boven het water uitsteken; zoodra haar een werkelijk of denkbeeldig
gevaar bedreigt, laten zij zich in het water vallen en zwemmen vlug
en haastig weg. Haar voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Visschen en
Amphibiën; zij verschoonen echter ook geen Zoogdieren en Vogels,
kortom geen Gewerveld Dier, tenzij het te groot is om verzwolgen
te worden. Deze Slangen zijn de schrik van de negers en van allen,
die zich met het verbouwen van rijst bezig houden; zij worden veel
meer gevreesd dan de Ratelslangen, die, naar men zegt, niet bijten,
tenzij haar gramschap wordt gewekt, terwijl de Wateradders daarentegen
zonder vooraf getergd te zijn, op ieder levend wezen, dat haar nadert,
aanvallen en het trachten te vergiftigen. Niet slechts de menschen
vreezen haar, maar ook alle dieren, die de moerassen bewonen of zich
in de nabijheid van het water ophouden.

Gemakkelijker dan alle overige Groefkopadders, ja zelfs dan alle
overige Vergiftige Slangen kan de Wateradder in gevangenschap gehouden
worden; zij neemt dadelijk zonder eenig bezwaar het haar verschafte
voedsel aan en plant zich in haar hok ook voort.



Het soortenrijkste geslacht van de geheele familie is dat der
Hartkopadders (Trimeresurus). Zij zijn betrekkelijk slank gebouwd,
hebben een driehoekigen kop, die, met uitzondering van de voorste
spits van den snuit en de wenkbrauwstreek, geheel met kleine schubben
en niet met schilden bekleed is; de staart is tamelijk lang, dikwijls
voor 't vasthouden geschikt en loopt in een fijne spits uit.

Dit geslacht omvat wel 25 soorten, die over Oost-Indië, Zuid-China,
de Lioe-kioe-eilanden en tropisch Amerika verdeeld zijn. Vele zijn,
zooals reeds uit haar rolstaart blijkt, echte boomslangen, die het
grootste deel van haar leven in de boomkronen of althans op planten
doorbrengen en slechts nu en dan op den bodem afdalen; andere leven
uitsluitend op den grond.

Van de levenswijze der in Nederlandsch-Indië voorkomende Hartkopadders
zegt S. Müller in hoofdzaak het volgende: "Deze trage dieren, die,
naar het schijnt, geen vijand kennen en zeer zeker geen vijand
schuwen, brengen het grootste deel van hun leven, ineengerold tot
een kring, waarvan de kop het middelpunt uitmaakt, in een schier
onbeweeglijke rust door; slechts dan worden zij gevaarlijk, wanneer
mensch of dier onopmerkzaam te dicht bij hen komt of hun schijnbaren
doodslaap stoort. De twee Roodbruine soorten--bekend onder den naam
van Oelar-bedoedak of Orai-lemah (Trigonocephalus rhodostoma en
T. puniceus)--houden gaarne verblijf op sombere, min of meer duistere
en vochtige plaatsen, o.a. tusschen dicht bijeenstaande bamboeshalmen,
onder oude, omgevallen boomstammen, in holen onder den grond of van
rotsen, dichte struiken, doornige heiningen, enz. De eerste dezer
twee toeft steeds op den bodem, doch de andere slingert zich soms
door struiken, kruipt in kleine boomen en in bamboesriet en vlijt zich
tusschen de gaffels of op twijgen en bladeren ter ruste. Ditzelfde is
met alle groene soorten het geval, met dit onderscheid evenwel, dat
deze meer in droge en warme oorden behagen scheppen en zich dikwerf
vrij op de groene takken neervlijen, of wel, daaromheen geslingerd,
zich in de zonnehitte koesteren. Trigonocephalus puniceus daarentegen
geeft meest de voorkeur aan die lichte plaatsen, welker kleur met die
van zijn lichaam overeenkomt, zoodat hij slechts bij toeval opgemerkt
wordt. Doorgaans is de beweging van de Hartkopadders langzaam, van de
Gewone soorten evenwel minder dan van de Roodbruine. Bij het doen van
een aanval daarentegen zijn de bewegingen van alle zonder onderscheid
zeer snel; zulk een aanval geschiedt alleen door beweging van het
lichaam, nagenoeg zonder daarbij van plaats te veranderen. Zij beginnen
gewoonlijk met den kop bedaard, doch eenigszins trillend omhoog te
richten; na hun slachtoffer juist in het oog gevat te hebben, schieten
zij met geopenden muil pijlsnel er op af, slaan er hunne lange,
gevaarlijke giftanden met kracht in, maar trekken den kop spoedig weer
terug om hun vorigen stand te hernemen. Anders gaan zij te werk bij
het bespringen van Kikvorschen, kleine Hagedisachtige dieren (vooral
van het geslacht Scincus) of een dergelijken hun tot voedsel dienenden
buit; dezen houden zij dadelijk vast en beginnen hem onmiddellijk
te verzwelgen. De beet van de Groene soorten, meer bepaaldelijk van
den Oelar-biroe (Trigonocephalus viridis) schijnt minder gevaarlijke
gevolgen te hebben, dan die van de Roodbruine. Dr. Kühl was tijdens
zijn verblijf te Buitenzorg getuige van den dood van een inlander,
5 minuten nadat hij onder het grassnijden in den gouvernementstuin
door een grooten Trigonocephalus rhodostoma gebeten was. Ons echter
is geen voorbeeld van zulk een snelle doodelijke uitwerking van een
slangenbeet bekend, wel dat menschen en dieren één of meer uren na
de verwonding stierven. Trigonocephalus viridis echter wordt door
de inboorlingen van Timor voor geenszins zoo gevaarlijk gehouden;
inderdaad kwam ons noch op Timor, noch op Sumatra, waar deze soort
insgelijks verre van zeldzaam is, eenig voorbeeld ter oore, dat
een door deze Slang veroorzaakte verwonding doodelijke gevolgen
heeft gehad. Russell zegt hetzelfde op grond van het getuigenis der
bewoners van Koromandel. De Timoreezen noemen deze Gifslang Esau, de
Rottineezen Keisau, de bewoners van Poeloe Samauw en de zoogenaamde
Koepangneezen Smolo. Door de Maleiers aan de westkust van Sumatra wordt
zij met de 2 andere Groene soorten, die dit eiland bewonen en welker
beet veel gevaarlijker is, onder den algemeenen naam Oelar-biesa
(= Giftige Slang) samengevat. De bewoners van de Indische eilanden
kennen weinige hulpmiddelen tegen de schadelijke werking van het
slangengif in het dierlijk lichaam. Zij bepalen zich tot zulke kuren,
van welke alleen in lichte gevallen redding te verwachten is. Zij
besmeren gewoonlijk de gewonde deelen met sirie-kalk of gekauwde
kruiden en wortelen, dienen ook wel inwendig eenig afkooksel toe,
prevelen af en toe gebeden en stellen tooverkunsten in het werk. Het
meest vertrouwen zij echter op de zoogenaamde slangensteenen. Met
het uitsnijden of uitbranden der wonde laten de inlanders zich
zelden in; wel maken zij soms eenige insnijdingen of prikken in de
huid en zuigen het bloed met den mond er uit, hetwelk van alle door
hen aangewende middelen zeker wel het verstandigste en heilzaamste
mag heeten. Allerlei bijgeloovige meeningen zijn over de Slangen in
omloop. Zoo zouden sommige der Orai-lemah gedurende hun leven nooit
eenig voedsel nemen, maar afgezonderd als verworpenen op deze aarde
vertoeven en hunne oogen onafgebroken naar de zon gericht houden. Na
verloop van zeker tijdsbestek zouden deze boetelingen zich in de lucht
verheffen en booze geesten worden, die soms gedurende den nacht de
gedaante van groen-, geel- en rood-lichtende, vurige bollen aannemen,
op de woningen der menschen neerstrijken en daar allerlei onheilen,
vooral ziekte en sterfte, teweegbrengen."

De Boomadder, de Broedroe-Pam der Maleiers (Trimeresurus
gramineus)--hierboven o.a. Oelar-biroe genoemd en met haar vroegeren
soortnaam (Trigonocephalus viridis) aangeduid--bereikt een lengte van
71 cM., en is op de bovendeelen sapgroen of grasgroen, aan de zijden
iets lichter, op de onderdeelen groenachtig wit van kleur. Een witte
streep strekt zich soms van de eveneens witte bovenlip tot aan de
zijde van den hals uit. De staartspits is prachtig rood.

Het verbreidingsgebied van deze soort strekt zich van Voor-Indië
over de Oostindische eilanden en tot in China uit. Haar kleur gelijkt
zoozeer op die van de bladeren der boomen, dat het bijna niet mogelijk
is haar er van te onderscheiden. Het gif van de Boomadder, hoewel
algemeen niet zeer sterk werkend genoemd, kan toch wel degelijk den
dood van een mensch veroorzaken. Zoo maakt de zendeling Hänsel melding
van een door deze Slang gebeten vrouw, die hij binnen een half uur
aan de gevolgen van de wonde zag sterven.

Tot de Amerikaansche soorten van Hartkopadders, die den rolstaart
missen en welker leven dus streng aan den bodem gebonden is, behoort
o.a. de beruchte Lanskopslang (Trimeresurus lanceolatus). Deze bereikt
een lengte van 2 M. en de dikte van een mansarm. Haar kleur is zeer
verschillend; zelfs de jongen van één worp wijken in dit opzicht
uiteen. De meer of minder levendige, roodgeelbruine grondkleur kan
door bruin tot grijsbruin en zwart varieeren; de teekening bestaat
uit een van het oog naar den nek loopende, zwarte streep, die echter
niet zelden ontbreekt, en uit twee reeksen van onregelmatige, iets
lichtere, soms getijgerde dwarsvlekken langs den rug. Bij enkele
exemplaren hebben de zijden een prachtig roode kleur.

"Op de eilanden Martinique en Santa Lucia", zegt Rufz, "is de
heerschappij van de Lanskopslang in bosch en woud nog onbeperkt; zelfs
daar, waar de mensch een woning heeft en het land bebouwt, kan hij
zich niet zonder gevaar in de schaduw van een boom verfrisschen, kan
niemand zonder begeleiding van slaven door de velden trekken, niemand
in het bosch een pleizierwandeling doen, niemand zich door de jacht
ontspannen. Des nachts wordt men gekweld door benauwde droomen over de
Slangen, waarvan men des daags zooveel afgrijselijks hoort verhalen."

De Lanskopslang komt op de beide eilanden overal veelvuldig voor:
zij bewoont de bebouwde velden, de moerassen, de wouden, de oevers
der rivieren, kortom het geheele eiland van de zeekust tot aan de met
wolken gekroonde bergen; zij zwemt in den stroom, schommelt zich op
de twijgen, komt in de nabijheid van de steden en dringt op het land
niet zelden tot in de huizen door, wanneer deze met kreupelhout en
hoog gras omgeven zijn. De Sint-Pieters-bergen worden als hare meest
geliefde verblijfplaatsen beschouwd. Dit 1500 M. boven den zeespiegel
gelegen gebergte, is verscheurd door afgronden van vele honderden
meters diepte en dicht begroeid met boomen en struiken, honderdvoudig
doorvlochten met slingerplanten en als door touwen aaneenverbonden; het
gesteente is hier verborgen onder een dikke laag van losse teelaarde,
door de sinds onheugelijke tijden opeengehoopte, rottende plantendeelen
gevormd; stervende stengels en welig tierende, door prachtigen vorm en
schitterende kleuren het oog bekoorende planten zijn hier saamgeweven
tot een zoo dicht gewelf dat daaronder steeds een sombere schaduw
heerscht, dat muffe lijklucht er de overhand heeft en de frissche
adem des levens er niet kan doordringen. De doodsche stilte van het
woud wordt slechts zelden afgebroken door de eenvoudige tonen van een
Vogel, die den naam van Bergfluiter draagt; andere Vogels merkt men
hier zelden op. Deze voor menschen ondoordringbare, duistere wildernis
wordt bewoond door tallooze Lanskopslangen, welker heerschappij over
dit gebied door geen enkel levend wezen wordt betwist.

In het bebouwde land zijn de dichte suikerriet-aanplantingen de meest
geliefde verblijfplaatsen van de vreeselijke Slang; in allerlei
boschjes, die haar een schuilplaats kunnen verschaffen, komt zij
eveneens veelvuldig voor. Een rotsspleet, een holle boom, een door
Ratten of Landkrabben gegraven gat, dient haar tot woning; zij dringt
echter ook dikwijls door in de stallen en huizen der landlieden,
want des nachts zwerft zij ver rond, niet zelden gebruik makend van
de wegen, die over dag van menschen wemelen.

Gedurende den rusttijd, dus over dag, ligt zij ineengekronkeld tot een
schijf, waarvan de kop het middelste deel uitmaakt; bij de geringste
stoornis schiet de kop naar buiten, ongeveer half zoo ver als het
lichaam lang is, waarna het zich oogenblikkelijk weer kringsgewijs
ineenrolt. Wanneer men, terwijl zij zoo op den bodem rust, op eenigen
afstand om haar heengaat, draait zij voortdurend mede, zonder dat
men recht weet hoe, zoodat hare oogen steeds op den rustverstoorder
gevestigd blijven. Bij 't kruipen draagt zij den kop hoog en verkrijgt
hierdoor een sierlijk en fier voorkomen. Haar beweging is zoo licht,
dat men er aan zou kunnen twijfelen, of zij den bodem wel aanraakt;
men hoort niet het minste gedruisch en ziet niet het geringste spoor
op den grond. Het zwemmen kost haar geen merkbare inspanning.

De paring heeft in Januari plaats; de eieren worden in Juli gelegd. De
jongen verlaten onmiddellijk de eischaal. Vele, waarschijnlijk wel
de meeste, bezwijken in hun jeugd, daar zij door de moeder niet
beschermd en door allerlei, zelfs zwakke dieren, door Huishoenderen
b.v., gedood worden. Ruimschoots wordt dit verlies echter vergoed door
de groote vruchtbaarheid van de Lanskopslang, die 20 à 60 eieren legt.

Deze Slang voedt zich in haar prille jeugd met Hagedissen, later met
kleine Vogels, ten slotte hoofdzakelijk met Ratten, welk ongedierte,
door Europeesche schepen naar de eilanden overgebracht, zich hier
ontzettend vermenigvuldigd heeft. Zij zoekt echter ook onder het
pluimvee haar buit en kan in volwassen toestand Huishoenderen en
zelfs jonge Kalkoenen, ook Buidelratten, verzwelgen. Hoewel zij zich
verdienstelijk maakt door het aantal Ratten te helpen verminderen,
zal niemand haar willen sparen: door het vergiftigen van menschen
richt zij te veel onheil aan. "Dat zij den mensch bijt, die haar te na
komt, is zeker," zegt Rufz; "het komt echter waarschijnlijk nooit of
althans hoogst zelden voor, dat zij van verre op hem toeschiet en den
vluchteling vervolgt; anders zouden de eilanden, waar zij leeft voor
menschen onbewoonbaar zijn. Uit de berichten, die mij in 1843 door
geestelijken en ambtenaars verstrekt werden, blijkt, dat gemiddeld
in iedere gemeente van het eiland ieder jaar 1 à 3 sterfgevallen
door de Lanskopslang veroorzaakt worden. Het aantal personen, die,
na gebeten te zijn, in 't leven blijven is wel 10-maal grooter;
daar echter in dit gunstigste geval de beet een langdurige ziekte
en dikwijls ook verminking van ledematen tengevolge heeft, is er
reden om het verlies, dat de Lanskopslang aan de kolonie berokkent,
zeer hoog te schatten. In sommige jaren komen sterfgevallen door deze
oorzaak veel talrijker voor dan gewoonlijk; met name zijn in dit jaar
(1843) de beten zoo gevaarlijk, dat, naar Venancourt mij bericht,
in zijn gemeente binnen 7 maanden reeds 18 menschen aan de gevolgen
van een slangenbeet bezweken zijn.

"Bij het oogsten van het suikerriet, worden de negers gedurende den
arbeid steeds op een rij geplaatst, waarin zooveel mogelijk de mannen
met de vrouwen afwisselen; van tijd tot tijd spoort de opzichter allen
aan om zich voor de Slang in acht te nemen. Zoodra er een zichtbaar
wordt beginnen de vrouwen jammerlijk te schreeuwen en vlucht de
geheele rij; de moedigste neger keert vervolgens terug en doodt het
vergiftige dier, dat bij al die drukte op dezelfde plaats gebleven
of slechts weinig achteruit geweken is."

Bij 't bijten zet de Lanskopslang den bek ontzettend wijd open,
werpt den kop met kracht vooruit en bereidt zich dadelijk voor tot
een nieuwen aanval door zich na den beet snel ineen te kronkelen. In
buitengewoon kwaadaardige stemming bijt zij vele malen achtereen. De
gevolgen van den beet zijn vreeselijk: het gewonde lichaamsdeel zwelt
op, neemt weldra een blauwachtige kleur aan en wordt door koudvuur
aangetast; brakingen, stuiptrekkingen, pijn in de hartstreek,
een onoverwinlijke neiging tot slapen leiden na weinige uren of
dagen tot den dood; in 't gunstigste geval veroorzaakt de beet
ziekteverschijnselen van allerlei aard, die jaren lang aanhouden,
duizelingen, pijn in de borst, verlamming, verzweringen, enz. Tallooze
geneesmiddelen, voor 't meerendeel aan het plantenrijk ontleend,
heeft men beproefd. De gelukkige inval om den Afrikaanschen Secretaris
naar Martinique over te brengen heeft geen ander gevolg gehad, dan
dat de bewoners zich een tijdlang konden vermaken met op dezen Vogel
te schieten. Lenz heeft aangeraden, slangenverdelgende Zoogdieren,
vooral Bunzingen, Dassen en Egels, op het eiland te acclimatiseeren;
deze zouden niet slechts vele vergiftige Reptiliën dooden, maar ook
het aantal Ratten verminderen, die het voornaamste voedsel van de
Slangen uitmaken.



Twee andere leden van het geslacht der Hamerkopadders, die op het
Zuid-Amerikaansche vasteland leven en ongeveer even gevaarlijk zijn
als de Lanskopslang--de Sjararaka en de Labaria--komen in vorm, kleur
en aard zoozeer met elkander overeen, dat zelfs slangenkenners ze
moeielijk onderscheiden kunnen en sommigen ze als verscheidenheden
van één soort beschouwen.

De Sjararaka (Trimeresurus jararaca) wordt, volgens de metingen
van den Prins Von Wied 1.42 M. lang, maar kan, naar aan Tschudi werd
medegedeeld, een lengte van 1.8 M. bereiken. Op grijzen of grijsbruinen
grond is zij met tamelijk ver uiteenstaande, donkerbruine dwarsbanden
geteekend, die soms ieder in twee vlekken verdeeld en meestal door
een iets lichteren hof omlijst zijn. Van het oog naar den mondhoek
loopt een breede, zwarte, overlangsche streep. De buik is grootendeels
geelachtig wit.

De Labaria (Trimeresurus atrox) gelijkt door vorm en lichaamsbouw,
door de eigenaardigheden van het schubbenkleed en zelfs door de
verdeeling der kleuren op de Sjararaka, maar heeft op den rug donkere,
ruitvormige vlekken, die met X-vormige, donkere teekeningen afwisselen;
de buik is niet witachtig, maar donkerder en aan weerszijden met een
paar reeksen van witte vlekjes versierd.

De Sjararaka is de algemeenste Gifslang van Brazilië en
overal verbreid, daar zij zich even gaarne in het droge, heete
kreupelhoutgebied als in de hoogstammige, vochtige oerwouden
ophoudt. De Labaria komt in geheel Guyana voor, is even veelvuldig
aan de kust als in het binnenland en wordt hier en daar ook in de
open savanne aangetroffen, ofschoon zij ijle wouden boven de steppe
schijnt te verkiezen. Beide slangen worden zeer gevreesd en zijn ook
inderdaad uiterst gevaarlijk. "De Indianen en zelfs de Portugeesche
jagers," zegt de Prins Von Wied, "gaan altijd blootsvoets op de
jacht. Schoenen en kousen zijn hier duur en zeldzaam; de landman
gebruikt deze artikelen alleen op feestdagen en is daarom veel meer
blootgesteld aan den beet van Slangen, die dikwijls in de droge bladen
verscholen liggen; toch komen gevallen van verwonding zeldzamer voor,
dan men zou kunnen meenen. Den jager in tropische gewesten zij het
dragen van goede, sterke laarzen en zeer wijde broekspijpen aanbevolen,
daar zij hem tamelijk goed vrijwaren tegen den beet van Vergiftige
Slangen." Deze heeft wel niet altijd den dood, maar toch steeds
ernstige ziekteverschijnselen ten gevolge, wanneer niet oogenblikkelijk
doelmatige middelen tot verwijdering van het gif worden aangewend.



TWEEDE ORDE.

DE KROKODILLEN (Emydosauria).


Er is een tijd geweest, waarin de Kruipende Dieren op aarde
heerschappij voerden; de ontzaglijk groote Reptiliën, die toen de zee
en later ook de moerassen en rivieren bewoonden, zijn uitgestorven
en verdwenen zonder andere sporen van hun bestaan na te laten dan de
versteende beenderen van eenige weinige exemplaren, die in den bodem
voor ons bewaard zijn gebleven. Deze fossielen, die eigenaardigheden
van Walvisch en Vogel, van Krokodil en Slang in zich vereenigen,
bieden, ondanks de scherpzinnige theoriën, waardoor men de waargenomen
feiten heeft trachten te verbinden en te verklaren, nog steeds een
ruim veld voor onderzoekingen aan. Van enkele dezer monsters heeft
men zulke volledige geraamten gevonden, dat hun verwantschap met de
thans nog levende dieren aangetoond kan worden; van andere zijn tot
dusver zeer weinige overblijfselen ontdekt, ternauwernood voldoende
om het vermoeden te wettigen, dat zij aan Reptielen hebben toebehoord.

De naaste, thans nog levende verwanten van de Hagedisachtige reuzen uit
den voortijd--van de Ichthyosauriërs, die aan Walvisschen herinnerden,
van de Plesiosauriërs met vinnen en een Slangenhals, van de met
een vlieghuid uitgeruste Pterodactylen--zijn de Krokodillen. Hoewel
ook zij door de hoofdlijnen van hun gestalte op Hagedissen gelijken,
wijken zij van deze in zeer belangrijke opzichten af. Zij overtreffen
haar en alle overige leden der klasse zoo niet in zwaarte dan toch
in grootte. Niet op dezen grond berust echter de scheiding der beide
groepen; veel belangrijker redenen hiervoor zijn te vinden in het
inwendig samenstel, onder anderen in de ontwikkeling der tanden en
den bouw der tong.

De romp van de Krokodillen is gestrekt en veel breeder dan hoog,
de kop plat en laag, het snuitgedeelte zeer verlengd, de mondspleet
hoekig gebogen, de hals buitengewoon kort, de staart langer dan het
overige lichaam en zijdelings sterk samengedrukt, waardoor hij een
krachtig zwemorgaan vormt; de korte pooten hebben sterk ontwikkelde
voeten, de voorvoeten vijf tot aan den oorsprong gescheiden teenen,
de achtervoeten vier teenen, die door geheele of halve zwemvliezen
verbonden zijn en waarvan de drie binnenste duidelijke klauwen
dragen. De kleine oogen, die door drie leden beschut worden, liggen
tamelijk diep in hunne kassen, zijn eenigszins naar boven gericht en
hebben een vertikaal geplaatste, langwerpige pupil. De gehooropeningen
kunnen door een klepvormige huidplooi, de neusgaten door samendrukking
hunner randen gesloten worden. Harde en dikke, min of meer vierhoekige
hoornschubben en schilden bedekken de bovendeelen en de onderdeelen
van romp en staart. Die van den rug onderscheiden zich door een er
boven uitstekende, overlangsche lijst of kiel, die van den staart
vormen twee zaagvormig getande randen, die verder achterwaarts tot een
enkelen kam ineenvloeien; de schubben van de zijden van 't lichaam zijn
meer afgerond. Op den rug verbeent de lederhuid onder de hoornschilden,
waardoor de huid de aard van een pantser verkrijgt.

De tanden zijn in holten van de kaakbeenderen bevestigd en hebben
een open wortel; in de holte, die de pulpa bevat, dringt de tand
door, die later voor de eerst aanwezige in de plaats zal treden. De
kegelvormige kroon is zeer weinig naar achteren gekromd en zoowel aan
de voor- als aan de achterzijde met een scherpen rand voorzien. Over
't algemeen zijn de tanden gelijk van vorm, doch ten deele verschillend
van lengte; de eerste en de vierde van de onderkaak en de derde van
de bovenkaak zijn in den regel de langste en dikste. De tanden van
de onderkaak komen bij gesloten bek eenvoudig tusschen die van de
bovenkaak te liggen; een uitzondering hierop maken evenwel bij de
Echte Krokodillen de 1e en de 2e, bij de Kaaimans ook de 4e tand
van elke onderkaakshelft, daar deze in kuiltjes van de bovenkaak
passen. De tong is kort en plat, over haar geheele lengte aan den
bodem van de mondholte bevestigd en verschilt hierdoor zeer van de
tong der Hagedissen.--De rechter en de linker hartkamer zijn door
een volledig schot van elkander gescheiden. Uit de linkerkamer komt
het zuurstofhoudend bloed in den rechter aortaboog, den eenigen,
die de slagaders van de vóór het hart gelegen lichaamsdeelen
met bloed voorziet. Uit de rechterkamer wordt het zuurstofvrije,
koolzuurhoudende bloed zoowel in de longslagader als in den linker
aortaboog gestuwd. De beide aortabogen staan met elkander in
gemeenschap, waardoor een vermenging van de beide bloedsoorten tot
stand komt, welk mengsel zich naar de slagaders van de achter het hart
gelegen lichaamsdeelen begeeft, terwijl de voorste gedeelten van het
lichaam zuiver (of nagenoeg zuiver) zuurstofhoudend bloed ontvangen.

Men kent tegenwoordig 24 bepaald verschillende soorten van
Krokodillen, die in drie natuurlijke groepen gesplitst worden, welke
op eigenaardigheden van het gebit gegrond zijn.

De Krokodillen zijn over alle werelddeelen, met uitzondering
van Europa, verbreid: het door hen bewoonde gebied beperkt zich
tot de tropische gewesten en de daaraan grenzende deelen van den
gematigden aardgordel. Ieder werelddeel, Australië uitgezonderd, bezit
eigenaardige soorten van Krokodillen: Azië en Amerika hebben ieder
twee, nergens anders voorkomende geslachten; Afrika wordt bewoond
door één karakteristiek geslacht; in Australië en een aantal daarbij
behoorende eilandengroepen leven wel Krokodillen, doch uitsluitend
zulke, die ook in Azië voorkomen. Alleen de Krokodillen in de engste
beteekenis van 't woord zijn over alle vier genoemde werelddeelen
verbreid.



Snavelkrokodillen of Gavialen (Gavialis) noemt men die soorten, welker
bovenkaak in 't geheel geen kuiltjes bevat tot berging van tandspitsen
der onderkaak en uitsluitend van voren uitsnijdingen vertoont: aan
weerszijden drie, waarin de drie voorste onderkaakstanden bij gesloten
bek gelegen zijn. Het aantal tanden wisselt af van 27 tot 29 in elke
bovenkaakshelft en van 25 tot 26 in elke onderkaakshelft. De snuit is
buitengewoon smal en lang en aan het voorste einde knopvormig verbreed.



De meest bekende soort van dit geslacht, de Gaviaal of Ganges-gaviaal
(Gavialis gangeticus), is in de oogen van vele Indiërs een heilig dier,
aan Visjnoe, den schepper en beheerscher van het water gewijd. De
bovenzijde is donker bruingroen en vertoont bij jonge exemplaren
een teekening, die uit talrijke, kleine, donkerbruine vlekken of
dwarsbanden bestaat; de kleur van de onderzijde gaat door groengeel
in wit over. Volwassen exemplaren bereiken een lengte van 5.75 M.;
in de Europeesche verzamelingen vindt men er echter geen, die meer
dan 5 M. lang zijn.

De Gaviaal komt voor in den Ganges en den Brahmapoetra en hunne
bijrivieren, voorts in den Indus en volgens de nieuwste berichten
ook in den Mahanadi in Orissa en den Kaladyne in Arakan.

Uit den eigenaardigen vorm van den snuit kan men afleiden, dat dit
dier, zoo niet uitsluitend, dan toch hoofdzakelijk Visschen tot voedsel
gebruikt. Ook uit alle overige details van den lichaamsbouw blijkt,
dat het er geheel op ingericht is om in het water te verkeeren. Daar
geen voorbeeld bekend of althans voldoende gestaafd is van een
aanval van den Gaviaal op groote Zoogdieren of op den mensch, mag
men hem als een van de weinige ongevaarlijke Krokodillen beschouwen,
wien geen andere schadelijke werking kan worden ten laste gelegd dan
deze, dat hij door het verslinden van kolossale hoeveelheden visch
den voedselvoorraad vermindert van de menschen, die langs de oevers
van de door hem bewoonde rivieren gevestigd zijn.

De jongen zijn bij 't verlaten van de eischaal 40 cM. lang,
grijsbruinachtig van kleur en met donkere dwarsbanden op den rug en
den staart geteekend. Onmiddellijk na het uitkomen zag Andersson ze
merkwaardig snel wegloopen; een jong, dat hij van de schaal trachtte
te bevrijden, beet reeds flink om zich heen en verwondde hem aan
den vinger.



De Gaviaal van Borneo, de Boeaja-Sapit van de Maleiers, de
Bedjai-Sampit van de Bejadjoe-Dajakkers (Gavialis Schlegelii), mist
den vleezigen knobbel, die bij de vorige soort aan het vooreinde
van den snuit voorkomt; zijn snuit is minder versmald en nadert tot
die van de eigenlijke Krokodillen door de veel langere, tot aan de
tusschenkaaksbeenderen reikende neusbeenderen.

Salomon Müller, de ontdekker van dit merkwaardige dier, zegt van zijn
levenswijze het volgende: "Hij is in de binnenlanden van Borneo vrij
menigvuldig en bewoont bij voorkeur stille, eenzame meren. Vandaar
begeeft hij zich soms naar de zacht vlietende bijrivieren en de met
zwart, stinkend water voorziene kreeken, zelden echter in de grootere
stroomen, waar het water veel drift heeft. Zijn voedsel bestaat uit
Visschen, Waranen, Watervogels, Apen en andere viervoetige dieren. Voor
den mensch is hij veel minder gevaarlijk dan de Indische Krokodil.

"In September 1836 vonden wij bij het meer Lamoeda in Zuid-Borneo
een nest met 20 eieren. Het lag in het bosch, omtrent 10 passen van
den waterkant verwijderd, tegen een grooten boomstam aan. Het bestond
uit een eenigszins plat kegelvormigen hoop aarde, die rijkelijk met
verrotte bladeren en stukjes dor hout doormengd was. Deze mestachtige
hoop was derdehalf voet hoog en van onderen ongeveer 4 voet breed. In
het midden was een holte van omtrent 12 duimen doorsnede, in welke
de eieren lagen, die bijna een voet hoog overdekt waren. De eieren
worden door de broeiing en gisting dezer plantaardige stoffen verwarmd
en de jongen hierdoor uitgebroed, want, daar het nest geheel onder
den schaduw van den boom verborgen lag, kon geen zonnestraal het
bereiken. In de eieren werden bijkans volwassen jongen gevonden,
die, volgens het zeggen der ons verzellende inlanders, na 8 à 14
dagen uitgekomen zouden zijn. De eieren zijn langwerpig van vorm
en aan beide einden gelijkvormig afgerond, een weinig grooter dan
die van een Gans: 98 mM. lang en in 61 mM. breed. Zij verschillen
echter onderling een weinig in grootte en ook in vorm. Hun schaal
is sterk, ruw, met vele onregelmatig verdeelde poriën voorzien en
wit van kleur. Verscheidene Dajakkers en Maleiers verzekerden ons,
dat versche Krokodillen-eieren gansch niet slecht van smaak zijn;
voor velen van hen zijn zij een ware lekkernij".

Dezelfde of een nauw verwante soort werd in Noord-Australië
aangetroffen.



Meer bepaaldelijk wordt de naam van Krokodillen (Crocodilus) gegeven
aan die soorten, welke in 't voorste gedeelte van de bovenkaak (in
de tusschenkaaksbeenderen) twee diepe kuiltjes hebben tot berging van
de spitsen der beide voorste onderkaakstanden en verder achterwaarts,
in ieder bovenkaaksbeen, een halvemaanvormige insnijding, waarin bij
't sluiten van den bek de vierde onderkaakstand wordt opgenomen. Het
aantal tanden bedraagt 17 à 19 in elke bovenkaakshelft en 15 in elke
onderkaakshelft, in 't geheel dus 64 à 68.



De meest bekende Amerikaansche vertegenwoordiger van het genoemde
geslacht is de Spitskoppige Krokodil (Crocodilus americanus). Zijn
verbreidingsgebied omvat een niet onbelangrijk deel van Zuid- en
Midden-Amerika, en van West-Indië; hij bewoont bijna alle landen en
groote eilanden tusschen 30° N.B. en 5° Z.B.

A. von Humboldt zag deze Krokodillen in den Orinoko en diens
bijrivieren in grooten getale; op plaatsen, waar tusschen den waterkant
en het struikgewas een breede grondstrook overblijft, lagen zij
dikwijls bij troepjes van 8 à 10 stuks op het zand. "Bewegingloos,
den muil zoo ver opengesperd, dat de kaken een rechten hoek
vormen, rusten zij naast elkander, zonder eenige van de teekenen
van onderlinge genegenheid, die men bij gezellig levende dieren
gewoonlijk opmerkt. Zoodra zij zich te water begeven, gaan zij
uiteen. Deze kolossale Reptiliën zijn zoo talrijk, dat men den
geheelen stroom langs er bijna op ieder oogenblik 5 of 6 kon zien,
hoewel het wassen van het water in den Apoere toen nog slechts op
een nauwelijks merkbare wijze aangevangen was en dus honderden van
Krokodillen nog in het slijk van de savanne begraven lagen."

Ook in den Neveri wemelt het van deze monsters tot aan den mond dezer
rivier; zij begeven zich zelfs, vooral bij stil weder, tot ver in
zee. "Zij zwemmen uitmuntend en bewegen zich zonder groote inspanning
tegen de sterkste strooming op; het kwam mij echter voor, dat zij,
den stroom afzwemmend, niet snel omkeeren kunnen. Eens werd een groote
Hond, die ons van Caracas af op reis vergezelde, in den stroom door een
kolossalen Krokodil vervolgd; het monster was reeds zeer dicht bij den
Hond, doch deze ontkwam aan het gevaar door om te keeren en tegen den
stroom op te zwemmen. De Krokodil voerde dezelfde beweging uit, maar
deed dit veel langzamer dan de Hond, die gelukkig den oever bereikte."

De aard van den Spitskoppigen Krokodil is trouwens, gelijk Von
Humboldt op vele plaatsen uitdrukkelijk verzekert, zeer verschillend,
al naar de door hem bewoonde streek. In sommige rivieren vreest men
hem zeer, en anderen weinig of niet. "De gewoonten van dieren, die
oogenschijnlijk tot dezelfde soort behooren," zegt deze geleerde,
"vertoonen afwijkingen van plaatselijken aard, die moeielijk te
verklaren zijn. In de Boeritoeka-rivier werden wij gewaarschuwd
onze Honden niet toe te staan uit den stroom te drinken, omdat hier
buitengewoon wilde Krokodillen voorkomen, die niet zelden buiten
het water komen en de Honden tot op den oever volgen. Dat zij hier
met zooveel driestheid optreden, trekt te meer de aandacht, daar zij
in de Tisanao-rivier tamelijk schuw en onschadelijk zijn. Ook in de
Rio-Neveri, waar groote "Krokodillen met snoekenkop" talrijk zijn,
toonen zich deze niet zoo boosaardig als in den Orinoko.

"In de maag van een 3.6 M. langen Krokodil, die door Bonpland en
mij ontleed werd, vonden wij halfverteerde Visschen en ronde stukken
graniet van 8 à 10 cM. middellijn. Men mag niet onderstellen, dat de
Krokodillen deze steenen toevallig doorslikken, want bij 't grijpen
van de Visschen op den bodem van 't water rust hun onderkaak niet op
den grond. Ik geloof, dat zij groote steenen in hun maag opnemen,
om hierdoor het fijnmaken van het voedsel op soortgelijke wijze
te bevorderen, als vele Vogels doen en om tevens een overvloediger
afscheiding van maagsap teweeg te brengen. In den Apoere vinden zij
een rijken buit onder de Waterzwijnen, die bij troepen van 50 à 60
stuks aan den oever van den stroom leven. Deze ongelukkige dieren
hebben in 't geheel geen wapens om zich te verdedigen; wel zwemmen
zij iets beter dan zij loopen, maar toch worden zij in 't water een
prooi van den Krokodil, zooals op het land van den Jagoear. Het is
bijna onbegrijpelijk, hoe zij, ondanks de vervolgingen van twee zulke
gevaarlijke vijanden, zoo talrijk kunnen zijn. Tot onze verbazing
zagen wij een kolossalen Krokodil te midden van een troep van deze
Knaagdieren bewegingloos en slapend op den grond liggen; hij ontwaakte,
toen wij met onze "pirogue" naderden en ging langzaam op het water af,
zonder dat de Waterzwijnen onrustig werden. Onze Indianen schreven
de onverschilligheid dezer dieren aan domheid toe; waarschijnlijker
komt het ons echter voor, dat de Waterzwijnen door langdurige ervaring
weten, dat de Krokodil van den Apoere en den Orinoko hen op het land
niet aanvalt, tenzij een door hem begeerd dier zich, juist als hij
te water gaat, op zijn weg bevindt.

"Voor de bewoners van de Orinoko-oevers vormen de gevaren, waaraan zij
blootgesteld zijn, een onderwerp van dagelijksch gesprek. Zij hebben
de gewoonten van den Krokodil nagegaan, zooals de stierenbevechter de
gewoonten van den stier; zij weten de bewegingen van het gepantserde
Reptiel, de wijze, waarop het zal aanvallen, de driestheid, waarmede
het dit doet, als 't ware vooraf te berekenen. Als zij zich bedreigd
zien, nemen zij met de tegenwoordigheid van geest en vastberadenheid,
die den Indianen en Zambo's, kortom, den kleurlingen in 't algemeen,
eigen zijn, alle middelen te baat, die zij sedert hunne kinderjaren
hebben leeren kennen. In landen, waar de natuur zich zoo machtig en
verschrikkelijk toont, is de mensch voortdurend op zijn hoede tegen
gevaar. Een jong Indiaansch meisje, dat zich zelf uit de kaken van
den Krokodil bevrijd had, zeide: "Ik wist, dat de Kaaiman mij los zou
laten, als ik hem de vingers in de oogen drukte." Dit meisje behoorde
tot de behoeftige volksklasse, tot die kringen, waar de gewoonte aan
lichamelijken nood de geestkracht ontwikkelt."

"Daar de Krokodil wegens het maaksel van zijn strottenhoofd, van
zijn tongbeen en van de plooien der tong den buit onder water wel
grijpen, maar niet verzwelgen kan, zal dit dier zelden een mensch
doen verdwijnen, zonder dat men het zeer dicht bij de plaats,
waar het ongeluk voorviel, te voorschijn ziet komen om den buit
te verslinden. Toch wordt op deze gevaarlijke roovers zelden jacht
gemaakt. Zij zijn zeer sluw en daarom niet gemakkelijk te dooden. Een
kogel heeft slechts dan een doodelijke werking, als het dier in de
keel of in de okselholte getroffen wordt. De Indianen maken zelden
van vuurwapens gebruik, maar vallen den Krokodil met lansen aan, nadat
hij zich vastgebeten heeft aan een stevigen, scherpen, ijzeren haak,
die met vleesch als lokaas voorzien en met een ketting aan boomstammen
bevestigd werd; zij gaan echter het dier niet eerder te lijf, dan
nadat het zich lang tevergeefs heeft ingespannen om los te komen."

Van de gedoode Krokodillen weet men in Zuid-Amerika, naar het schijnt,
slechts weinig voordeel te trekken. Humboldt zegt hiervan niets anders,
dan dat men het vet van den Kaaiman als een uitmuntend purgeermiddel
beschouwt en dat het witte vleesch, in sommige streken althans,
voor een smakelijk gerecht wordt gehouden.

Behalve den mensch hebben de Spitskoppige Krokodillen weinig vijanden,
die voor hen gevaarlijk kunnen worden. Over 't algemeen zijn ook deze
Krokodillen volkomen onverschillig voor dieren, die hun niet tot
buit kunnen dienen. Humboldt verhaalt, dat zij kleine, sneeuwwitte
Reigers op hun rug en zelfs op hun kop laten rondloopen, zonder er
zich om te bekommeren; tusschen beide dieren schijnt een soortgelijke
betrekking te bestaan als tusschen den Afrikaanschen Krokodil en
zijn "wachter". De Krokodillen zijn echter afkeerig van dieren,
die in het water veel drukte maken: Humboldt zag hen onderduiken,
wanneer Dolfijnen in hun nabijheid kwamen. Oude Krokodillen zijn
natuurlijk tegen de aanvallen van andere dieren voldoende opgewassen;
verscheidene Moerasvogels en ook de Raafgieren maken echter met ijver
en behendigheid jacht op de jongen van het reusachtige Reptiel.

De Krokodillen leggen hunne eieren ieder afzonderlijk in gaten van
den grond; tegen het einde van den broedtijd komt het wijfje terug,
roept de jongen, wacht hun antwoord af en helpt hen meestal bij het
verlaten van den kuil. De jongen houden zich liever op in kleine
plassen en watergeulen dan in breede en diepe stroomen; soms zijn
zij in het met riet omzoomde water in zoo grooten getale aanwezig,
dat zij er, bij wijze van spreken, als Wormen dooreenkrioelen.

Uit de berichten van A. von Humboldt blijkt, dat de Krokodillen van
den Orinoko zomerslaap houden. "Beneden de plaats, waar de Rio-Arauka
haar water met dat van den hoofdstroom vermengt, vertoonden zich
meer Krokodillen dan wij vóór dien tijd zagen, vooral tegenover een
groot meer, dat met den Orinoko in gemeenschap staat. Van de Indianen
vernamen wij, dat deze Krokodillen uit het droge land komen, waar
zij in het slijk der savanne begraven hebben gelegen. Zoodra zij na
de eerste regenbuien uit hun verstijving ontwaken, begeven zij zich
troepsgewijs naar den stroom, waar zij zich weer verstrooien. Het
droge jaargetijde, dat ten onrechte wel eens als de zomer van
de keerkringsgewesten wordt beschouwd, is te vergelijken met den
winter van den gematigden aardgordel. Uit een physiologisch oogpunt
is het zeer merkwaardig, dat het tijdperk, waarin de Alligatoren van
Noord-Amerika wegens de koude in winterslaap verkeeren, hetzelfde is
als dat, waarin de Krokodillen in de Llanos hun zomerslaap houden. Men
wees ons een hut of liever een soort van afdak, waar onze gastheer
getuige was geweest van een hoogst merkwaardige gebeurtenis. Hij sliep
met een vriend op een met leder bekleede bank en ontwaakte vroeg in
den morgen door hevige schokken, een luid getier en het neervallen van
kluiten aarde, die in de hut geslingerd werden. Niet lang daarna kwam
een jonge Krokodil van 1 M. lengte uit den grond onder de slaapplaats
te voorschijn, schoot toe op een Hond, die bij den uitgang lag, kon
dezen wegens de onstuimige haast, die hij maakte, niet grijpen, snelde
naar den oever en stortte zich in de rivier. Men onderzocht den bodem
onder de slaapplaats en vond weldra de verklaring van dit zonderlinge
voorval. In het uitgedroogde, thans tot op groote diepte los gewoelde
slijk had de Krokodil in zomerslaap gelegen; het geraas van de menschen
en Paarden en misschien ook de lucht van den Hond hadden hem gewekt."



De meest bekende, sedert overouden tijd beroemde Krokodil, die den Nijl
bewoont, heeft reeds in Herodotus en in den dichter van het boek Job
beschrijvers gevonden; de eerstgenoemde geeft een getrouw verslag van
hetgeen hij gedurende zijn verblijf in Egypte zelf gezien en gehoord
heeft, door laatstgenoemde wordt, ondanks de beeldrijke taal, waarin
zijne voorstelling is ingekleed, de "Leviathan" uitmuntend geschetst.

"De Krokodil," verhaalt Herodotus, "bewoont het land en het water;
het grootste deel van den dag brengt hij door op het land, waar hij
ook zijne eieren legt en uitbroedt; des nachts echter houdt hij zich
in den stroom op, want het water is nu warmer dan de onbewolkte
hemel en de dauw. Meer dan alle andere dieren neemt hij sedert
zijn jeugd in omvang toe. De eieren zijn niet veel grooter dan die
van Ganzen en de jongen naar evenredigheid; in volwassen toestand
echter is hij 17 ellen lang. Hij heeft vier pooten, varkensoogen,
groote en uitstekende tanden, maar geen tong; ook beweegt hij niet de
onderkaak, maar de bovenkaak tegen de onderkaak, gelijk geen ander
dier doet. De klauwen zijn forsch, de geschubde huid kan op den rug
niet losgemaakt worden. In het water is hij blind, in de lucht echter
zeer scherpzichtig. Daar hij in het water leeft, heeft hij den muil
met Bloedzuigers gevuld. Alle Vogels en andere dieren ontvlieden
hem, met den vogel Trochylus echter leeft hij in vrede, omdat deze
hem nuttig is. Als hij aan land gaat en daar met den kop naar den
wind gekeerd met open muil nederligt, sluipt de Trochylus hierin en
pikt de Bloedzuigers op; uit blijdschap over den hem bewezen dienst,
doet hij den Vogel geen leed. Gedurende de vier strenge wintermaanden
gebruikt hij geen voedsel. In Egypte heet hij niet Krokodil, maar
Champsa; de Joniërs noemen hem Krokodil, omdat hij zooveel gelijkt
op de Hagedissen, die op de muren van hunne tuinen verblijf houden."

Andere schrijvers van de oudheid hebben eveneens over den Nijlkrokodil
geschreven en menige vermeldenswaardige opmerking medegedeeld; over
't algemeen hebben zij het slechts weinige onjuistheden bevattende
bericht van Herodotus weinig aangevuld, maar wel de eenvoudige
voorstelling met verscheidene overleveringen opgesierd.

De Gewone of Nijlkrokodil (Crocodilus niloticus, C. vulgaris) kan,
naar men zegt, 10 M. lang worden. Mijns inziens berust deze opgave
slechts op een schatting; werkelijke metingen hebben waarschijnlijk
nooit een grootere uitkomst dan 5 of hoogstens 6 M. opgeleverd. Van
de zeer nauw aan hem verwante Indische of Lijstenkrokodil (Crocodilus
porosus, C. biporcatus) uit Zuid-Azië en de even weinig afwijkende
Siameesche Krokodil (Crocodilus siamensis) onderscheidt hij zich
vooral door het ontbreken van ieder spoor van lijsten op het voorste
deel van den kop of den snuit. De donker bronsgroene grondkleur,
die op den rug kleine, zwarte vlekken vertoont, gaat op de zijden
van romp en hals in onregelmatig gerangschikte, donkere vlekken en
op de onderdeelen in vuilgeel over; naar het schijnt, komen echter
vele kleurverscheidenheden voor.

Het verbreidingsgebied van den Nijlkrokodil omvat de wateren van
het grootste deel van Afrika, van het kustgebied zoowel als van
het binnenland. In Egypte is hij tegenwoordig bijna uitgeroeid. Door
pijlen en slingersteenen is het niet mogelijk geweest hem te verjagen;
"hij acht ze als stoppelen," zooals Job zegt; men heeft dit doel
echter wel met geweerkogels kunnen bereiken. Ook voor hen is onze
Leviathan niet teruggeweken; heldhaftig hield hij stand in het
bedreigde deel van zijn gebied, totdat de laatste van zijn stam er
het leven moest laten in den strijd met den hedendaagschen mensch. De
voor hem zoo gelukkige toestanden van weleer zijn in Egypte nergens
meer te vinden; "zijne tijden zijn vervuld" sedert het in gebruik
komen van de moderne jachtgeweren, die zich aan zijn pantser niet
storen, sedert een kind den reus kan bedwingen. Reeds is de moedige
Ichneumon, de held der sage, een voorwerp van spot, zijn bedrijf een
mythe geworden. Het is voor Egypte niet meer noodig, dat hij eieren
van Krokodillen verslindt, den Krokodil zelf in den bek sluipt,
om, tot de ingewanden doordringend, hem het hart uit te vreten; de
weinige gepantserde Reptiliën, die kort geleden nog bestonden, zullen
intusschen wel door de kogels van reislustige Europeanen neergeveld
zijn; de Ichneumon moet dus nu, in plaats van krokodilleneieren,
wel hoendereieren eten, gelijk hij trouwens altijd gedaan heeft.

De eenige Krokodillen, die men thans nog in Egypte aantreft, zijn die
van de holen van Maabdes; hier vindt men ze bij duizenden, maar--in
den toestand van mummiën. Anders is het gesteld in Oost-Soedan en
in alle andere binnenlanden van Afrika, waar het geweer de overoude
wapens van de inboorlingen nog niet verdrongen heeft, vooral in die
stroomen, welker oevers door het oerwoud in beslag zijn genomen. Hier
kan men met volkomen zekerheid op iedere groote zandbank minstens één
groote Krokodil en wel een half dozijn van zijne soortgenooten van
verschillenden leeftijd en daaraan geëvenredigde lengte verwachten;
hier en in de broeklanden, meren en moerassen kan men de schoonste
monsters van dit slag met het grootste gemak nagaan. In Soedan is de
raad van den Hebreeuwschen dichter: "Indien gij de hand aan hem slaat,
bedenk, dat er een strijd is, dien gij niet kunt volbrengen," nog in
haar vollen omvang geldig, want men vindt daar bijna geen dorp, welks
bewoners niet een onheil weten te noemen, waaraan hij schuld draagt,
geen mensch, die niet de kracht van den "Timsach" bewondert en tevens
hem zelf vervloekt. De Soedanezen hebben trouwens voldoende redenen
om het monster te verwenschen, waartegen zij zoo goed als niets
vermogen; zonder weerstand te bieden moeten zij voor lief nemen,
dat de vreeselijke roover hunne verwanten en huisdieren medesleurt
onder den waterspiegel: zij kunnen hem ternauwernood bestrijden en in
't geheel niet verjagen.

Een zandbank, waarop de Krokodil het genot kan smaken van in de
zon te liggen, heeft den meesten invloed op de keuze van zijn
verblijfplaats. Gedruisch veroorzakende gedeelten van den stroom
worden door hem gemeden; in stroomversnellingen ontwaart men hem hoogst
zelden. Aan de eens gekozen standplaats is hij zeer gehecht en zoekt
haar met groote volharding steeds weder op. In den regentijd doet
hij soms kleine reizen in het omliggende land, steeds echter door
regengeulen of overstroomde boschachtige gronden.

Algemeen verbreid is de meening, dat de Krokodil zich niet vlug
beweegt; het tegendeel is waar. In het water toont hij een groote
behendigheid, zwemt en duikt zeer snel op iedere diepte en klieft
de golven, als een pijl de lucht. Zijn buitengewoon krachtige staart
is een uitmuntend roeiwerktuig; ook de goed ontwikkelde zwemvliezen
aan de achterpooten bewijzen hem voortreffelijke diensten bij iedere
beweging, die hij wil uitvoeren, bij iederen stand, dien hij in 't
water aanneemt. Uit woede of na een doodelijke verwonding, beukt hij
zoo hevig met den staart om zich heen, dat het gezegde van den ouden
dichter "hij doet de diepte zieden als een pot en brengt het water in
beroering zooals men een zalf mengt," nauwelijks overdreven kan worden
geacht. Ook op het land is zijn beweging volstrekt niet gebrekkig,
ofschoon hij hier slechts bij uitzondering een grooten weg aflegt. Als
hij op een zandbank kruipt, geschiedt dit in den regel zeer langzaam,
door den eenen poot na den anderen te verplaatsen en den romp, die
van achteren meer wordt opgeheven dan van voren, zoo laag te dragen,
dat de buik over het zand sleept; wanneer hij zich echter aan land op
eenigen afstand van den stroom bevindt en opgeschrikt wordt, snelt
hij zeer schielijk naar het water terug; even snel schiet hij uit
het water op het land om een hier aanwezigen buit te grijpen. Dat
het oude, bekende verhaal over de ongeschiktheid van den Krokodil
om een zigzaglijn te volgen, een sprookje is, zal iedereen opmerken,
die eens getuige is geweest van het aan land komen of te water gaan
van een Krokodil, daar het dier gewoon is bij het doorloopen van dezen
korten weg een kring te beschrijven, welks middellijn de lengte van
het lichaam slechts weinig overtreft.

Het is moeilijk een oordeel te vellen over de hoogere begaafdheden
van den Krokodil. Herodotus werd verkeerd ingelicht over het
gezichtsvermogen van dit dier, want het kan onder water uitmuntend
zien en op het land goed genoeg. Het gehoor van den Krokodil is beter
dan dat van andere, misschien wel van alle overige Reptiliën. Dat hij
het geringste gedruisch opmerkt, blijkt spoedig, wanneer men jacht
op hem tracht te maken; in verreweg de meeste gevallen redt hem bij
gevaar zijn scherp gehoor. De reuk, de smaak en het gevoel achten wij
daarentegen bij hem weinig ontwikkeld, zoo niet stomp. Een zekere mate
van verstand kan men hem niet ontzeggen. Doorgestane vervolgingen
worden niet vergeten en geven aanleiding tot voorzichtigheid,
wanneer hetzelfde gevaar hem later nogmaals bedreigt. Oude dieren,
die reeds vele jaren achtereen dezelfde zandbank bewonen, verlaten
haar na herhaalde verstoring van hun rust en kiezen dan, niet zonder
overleg, een ander plekje, waar zij genoegelijk slapen en zich in de
zon koesteren kunnen. Ook behouden zij een herinnering aan plaatsen,
die hun dikwijls een buit verschaften; zoo b.v. ziet men ze telkens
weer loeren op de naar den oever leidende wegen, die door het dorstige
vee of door de waterhalende vrouwen begaan worden. Zij kennen echter
geen verschil tusschen menschen, die voor hen gevaarlijk kunnen worden,
en die, waarvoor zij niet behoeven te vreezen, nemen daarom steeds
het wisse voor het onwisse en gaan te water, zoodra zij menschen
zien. Bij het overvallen van hun buit toonen zij wel degelijk list;
deze is echter niet te vergelijken met de sluwheid van een Zoogdier
of van een Vogel; plompheid, onervarenheid en geringe ontwikkeling
van het verstand blijken ook dan. De aard van den Krokodil verschilt
al naar de omstandigheden waarin hij verkeert. Op het land is hij
erbarmelijk lafhartig, in het water misschien wel niet moedig,
maar toch driest en ondernemend: het bewustzijn van de veiligheid,
die zijn eigenlijk element hem verschaft, schijnt te blijken uit
zijne handelingen. Met zijns gelijken leeft hij gezellig en in
goede verstandhouding; met soortgenooten van gelijke grootte houdt
hij buiten den paartijd vrede; voor kleinere exemplaren blijft hij
steeds gevaarlijk, daar de honger hem alle andere overwegingen doet
vergeten. Om andere dieren bekreunt hij zich alleen dan, als hij van
plan is er een te grijpen en te verslinden; in zijne onmiddellijke
nabijheid duldt hij alleen die, welke hij niet kan grijpen: vandaar
zijn schijnvertoon van vriendschap voor den Krokodilwachter.

De Krokodil is in staat tot het voortbrengen van geluiden, die op een
dof gebrul gelijken, maar laat zijn stem alleen hooren, wanneer hij
in zeer opgewonden toestand verkeert. Toorn geeft hij te kennen door
een blazend of dof sissend gesnuif. Jonge Krokodillen, die pas uit
het ei zijn gekomen, maken een eigenaardig kwakend geluid, gelijkend
op dat van Kikvorschen, die in tevreden gemoedsstemming verkeeren.

Gewoonlijk verlaat het dier tegen den middag den stroom om zich in de
zon te koesteren en te slapen. In 't water kan hij niet goed slapen,
omdat de ademhaling geregeld en met zorg moet plaats hebben, om te
verhoeden, dat hij naar de diepte zinkt, waar ademnood hem spoedig
zou wekken; half sluimerend kan hij echter op den waterspiegel
drijven. Voor zijn middagslaapje kruipt hij zeer langzaam en
voorzichtig op een weinig boven het water uitstekende zandbank, laat
zijne zeegroene oogen bedachtzaam rondwaren en maakt zich, na lang
rondgekeken te hebben, gereed om een uiltje te knappen. Na zich op
de gemakkelijkste wijze uitgestrekt te hebben, opent hij de deksels,
die de neusholten sluiten, snuift, gaapt en spert eindelijk den rijk
getanden muil zoo wijd mogelijk open. Na deze toebereidselen blijft
hij onbeweeglijk op dezelfde plaats liggen en schijnt spoedig in
te slapen. Zijn slaap is echter niet zeer vast; daar ieder ongewoon
gedruisch hem wekt en ijlings naar het water doet terugkeeren.

Wanneer het dier niet gestoord wordt, blijft het tot omstreeks
zonsondergang op het droge, waar soms een groot aantal soortgenooten
met hetzelfde doel bijeen zijn. Alle hebben echter de eilanden
ontruimd, zoodra de avondschemering begint; dan vangt hun jacht aan,
die den geheelen nacht en misschien ook een deel van de morgenuren in
beslag neemt. Hun buit bestaat hoofdzakelijk uit Visschen; deze, hoe
behendig zij ook zijn, worden in voldoende hoeveelheid door de groote,
zwaarlijvige, schijnbaar onbeholpen Krokodillen gevangen. Zij maken het
gewone voedsel van den Krokodil uit, die bovendien op alle groote en
kleine Zoogdieren, welke onvoorzichtig uit den stroom komen drinken,
en zelfs op Moeras- en Watervogels loert. Met groote bedachtzaamheid
nadert hij hunne drink- en rustplaatsen, zwemt, terwijl alleen de
neusgaten een weinig boven den waterspiegel uitsteken, langzaam en
zonder gedruisch op zijn doel af, neemt een gunstig oogenblik te baat,
schiet eensklaps bliksemsnel bij den oever omhoog en lijnrecht op
zijn slachtoffer toe. Nooit zal hij een tevergeefs besprongen buit
op het land vervolgen. De Vogels verschalkt hij door zich rustig te
houden en onverschilligheid te veinzen, en zich daarna, onverwachts
vooruitschietend, te midden van zijne slachtoffers te storten, of
door uiterst langzaam nader te kruipen en eerst nadat de afstand
zijns inziens voldoende verminderd is, tot den aanval over te gaan.

Zelfs op groote Zoogdieren maakt hij jacht; hij sleurt Ezels,
Paarden, Runderen en Kameelen met zich mede in den stroom. Aan de
beide hoofdaders van den Nijl verliezen de herders door zijn toedoen
in den loop van 't jaar geregeld verscheidene van de dieren, die
aan hunne zorgen zijn toevertrouwd. De herders in Oost-Soedan nemen
bij het laten drinken van hunne Kameelen steeds de voorzorg in acht,
ze onder groot geschreeuw bij groote troepen te gelijk in den stroom
te drijven om door getier en beweging de Krokodillen te verjagen. Om
kleiner vee, Runderen, Paarden, Ezels, Schapen en Geiten te drenken,
drijft men het nooit in den stroom, indien deze door gevaarlijke
Krokodillen bewoond wordt, maar laat het den dorst lesschen uit door
dammen omringde watervergaarbakken en vijvers, die naast den stroom
aangebracht zijn en waarin het water vooraf met groote moeite door
de herders moet worden overgeschept; soms omgeeft men een deel van
den stroom door dichte doornheggen en verkrijgt hierdoor een aan de
landzijde open, aan de waterzijde gesloten drinkplaats, waar het vee
tegen de gevreesde roovers beschut is.

Schadelijker nog dan door het rooven van vee wordt de Krokodil door
het dooden van menschen. In alle Soedaneesche gewesten hebben ieder
jaar dergelijke ongelukken plaats; de meeste komen voor bij het
waterscheppen uit den stroom. Het is gebleken, dat de Krokodillen
ook wel menschen uit kano's weghalen; dit behoort evenwel tot
de zeldzaamheden. Pechuel-Loesche was met den zendeling Comber
ooggetuige van zulk een voorval. Het gebeurde omstreeks den middag
bij het Belgische station Manyango aan den Kongo. Op een door klippen
beschutte, maar diepe plek van den stroom zat in een zeer klein,
uit een uitgeholden boomstam vervaardigd schuitje, welks rand zich
nagenoeg niet boven den waterspiegel verhief, een negerhoofdman te
hengelen. Plotseling werd hij door een Krokodil, wiens kop slechts voor
een oogenblik zichtbaar werd, in 't water gesleurd; dit geschiedde zoo
snel, dat de man geen tijd had om te schreeuwen; het eenige gedruisch,
dat de aandacht trok, werd door het omslaan van de schuit veroorzaakt.

Alle niet van schranderheid ontbloote dieren kennen den Krokodil en
zijn wijze van aanvallen. Honden, die in de dorpen aan den stroom
opgegroeid zijn, begeven zich steeds met de grootst mogelijke
voorzichtigheid te water, laten vooraf hunne blikken over den
waterspiegel zwerven, drinken haastig eenige druppels en keeren ten
spoedigste naar den oever terug, waar zij geruimen tijd wachten en
intusschen voortdurend de oppervlakte van het water bespieden, voordat
zij onder inachtneming van dezelfde voorzorgsmaatregelen nogmaals te
water gaan; zoo gaan zij voort, totdat hun dorst gelescht is. Hun
haat tegen den Krokodil blijkt, wanneer men hun een groote Hagedis
vertoont: onder woedend geblaf wijken zij terug als Apen voor een
Slang. Behalve levende dieren verslindt de Krokodil ook alle lijken,
die den stroom afdrijven.

Zoo driest als de Krokodil in 't water is, zoo erbarmelijk lafhartig
gedraagt hij zich op het land. Naar den rivieroever, vanwaar hij zich
hoogst zelden verder dan 100 schreden verwijdert, keert hij bij ieder
vermoeden van gevaar regelrecht terug. Bij het verschijnen van een
mensch neemt hij steeds met den grootst mogelijken spoed de vlucht;
nooit komt het in hem op een mensch, die zich verder landwaarts
begeeft, te vervolgen.

Waarschijnlijk doet de Krokodil nooit anders dan 's nachts tochtjes
over het land, misschien alleen met het doel om een ander water op te
zoeken. Om te jagen verlaat hij den stroom stellig niet. Gedurende het
regenseizoen volgt hij de regengeulen, die kort daarna uitdrogen, soms
zoover, dat hij, wanneer een snel intredende droogte de gemeenschap met
den hoofdstroom verbreekt, zich genoodzaakt ziet om, zoo goed mogelijk
verborgen, de eerstvolgende regenbuien af te wachten. Aanvankelijk
trekt hij nu van den eenen plas naar den anderen; later houdt hij
zich weken lang op in een poel, die nog eenig water bevat, al is deze
in het geheel niet geëvenredigd aan zijn grootte; men ziet daarom
soms in een onbeduidende, ondiepe kolk reusachtige exemplaren;
eindelijk, als ook hier het water verdampt is, begraaft hij zich
onder het slijk. Penney trok met zijne manschappen een regengeul
over, die ongeveer 20 KM. verder in den Blauwen Nijl uitmondde. Om
water te verkrijgen werd in het nu uitgedroogde bed van den geul een
put gegraven. Toen de gravers op een diepte van ongeveer 2,5 M. waren
gekomen, sprongen zij vol schrik weer uit den kuil naar boven en riepen
den alwetenden opperstafarts te hulp, omdat zich in den put een "grijs
ding" heen en weer bewoog. Bij nader onderzoek bleek dit de spits
van den staart van een levenden, zeer grooten Krokodil te zijn. Een
tweede put, die gegraven werd op de plaats, waar men den kop van het
monster verwachtte, maakte het mogelijk dit dier een lans in den nek
te stooten. Het bleek 5 M. lang te zijn, toen men het geheel uit den
grond gegraven had. Wegens dit voorval wordt de bedoelde regengeul
ook thans nog "Chor el Timsach" of Krokodilwater genoemd.

Krokodillen van 3,5 M. zijn reeds geslachtsrijp; wijfjes van deze
grootte leggen echter minder en kleinere eieren dan die, welke geheel
volwassen zijn. Hoe dit geschiedt blijkt uit de mededeelingen van
A. Voeltzkow over Oost-Afrika. Den 19en Januari vond deze onderzoeker
op een kale plek van den oever, 5 à 6 schreden van den waterkant,
op den bodem van een kuil van ongeveer 0,5 M. diepte 79 eieren, die
over 4 hoopen verdeeld waren. Het eierenleggen heeft slechts éénmaal
in 't jaar plaats, in de tweede helft van Januari en de eerste helft
van Februari. De moeder maakt geen eigenlijk nest maar toont toch
wel degelijk eenige zorg voor haar kroost, daar zij over dag boven de
eieren de wacht houdt, totdat na ongeveer 2 maanden de jongen uitkomen.

"De Sakalaven hadden mij verhaald," schrijft Voeltzkow uit Madagaskar,
"dat het oude dier tegen den tijd, dat de jongen rijp zijn voor
het uitkomen, den nestkuil opengraaft; ik had geen reden om dit te
betwijfelen, daar ik zelf talrijke kuilen had opgemerkt, waaruit het
zand verwijderd was en waarin gebroken eischalen lagen. Het was mij
echter een raadsel, hoe de moeder te weten komt, wanneer de kiemen
in de eieren ver genoeg ontwikkeld zijn, wanneer het tijd is ze op te
graven. Om het uitkomen van de jongen te kunnen waarnemen hield ik in
de werkkamer van mijn huis te Majunga krokodilleneieren in eenige met
zand gevulde kisten. Eens hoorde ik uit een dezer kisten een geluid
komen; in de meening dat het voortgebracht werd door een van de jongen,
die, de eischaal verlaten hebbend, gevaar liep in het zand te stikken,
groef ik de eieren op en bemerkte tot mijn groote verrassing, dat de
tonen in gave eieren ontstonden. Zij zijn zoo luid, dat men ze, als de
eieren bloot liggen, duidelijk in een naburige kamer hooren kan. Het
geluid geven van de jongen in het ei kan men te voorschijn roepen,
zoodra men wil, door te kloppen tegen de kist of er hoorbaar stappend
langs te gaan, ook door het ei in de hand te nemen en een weinig te
schudden: elke schok noopt het jong in het ei tot het voortbrengen van
geluiden. Daar de moeder, zooals reeds gezegd is, op het nest slaapt,
zullen hare bewegingen bij het loopen van het water naar het nest en
omgekeerd een dreuning van den grond teweegbrengen, die de jongen in
het ei, welke ver genoeg ontwikkeld zijn, aanleiding geeft om zich
te laten hooren. Het oude dier graaft dan het zand weg en na eenigen
tijd komen de jongen uit. Het voortbrengen van deze tonen geschiedt
met gesloten bek en gaat, naar het schijnt, gepaard met een sterke
samentrekking van de buikspieren, ongeveer zooals ons hikken, waarop
trouwens de klank van het bedoelde geluid eenigszins gelijkt."

Herodotus verhaalt, dat de bewoners van Beneden-Egypte in vroegere
tijden Krokodillen in gevangenschap hielden. "Sommige Egyptenaars,"
zegt de vader der geschiedenis, "beschouwen de Krokodillen als heilige
dieren, andere houden ze voor hunne ergste vijanden: gene wonen
rondom het Moeris-meer, deze bij Elefantine. De eerstgenoemden voeden
een Krokodil en maken hem zoo tam, dat hij zich laat streelen. Men
streeft er naar hem een heerlijk leven te verschaffen, hangt hem
gouden ringen met geslepen steenen in de ooren, versiert zijne
voorpooten met gouden armbanden en voedert hem met meelspijs en met
het vleesch van de offerdieren. Na zijn dood wordt hij ingebalsemd en
in een gewijd graf bijgezet. Zulke begraafplaatsen bevinden zich in
de onderaardsche vertrekken van het labyrinth aan het Moeris-meer,
niet ver van de Krokodillenstad." In den tegenwoordigen tijd denkt
in de Nijllanden niemand meer aan het temmen van Krokodillen.

De oude Egyptenaars vingen de Krokodillen op verschillende wijzen. De
jager wierp een groot stuk varkensvleesch, waarbinnen een haak
verborgen was, in den stroom en verschool zich aan den oever
in gezelschap van een big, die hij aan 't schreeuwen bracht. Dit
geschreeuw lokte den Krokodil naderbij, die het stuk vleesch verslond
en met den haak aan land getrokken werd. De jager smeerde hem hier
vooraf de oogen vol modder, om zich tegen zijn aanval te beveiligen
en maakte hem daarna zonder moeite af.

De Tentyriten hadden, naar Plinius verzekert, den moed een zwemmenden
Krokodil in 't water te vervolgen, hem een strik om den hals te werpen,
op zijn rug te gaan zitten en hem, als hij den kop ophief om te bijten,
een dwarshout in den muil te steken. Hierdoor bestuurden zij hun buit
als een aan den toom geleid Paard en dreven hem aan land.

In den tegenwoordigen tijd wordt een andere wijze van jagen gevolgd,
die weinig minder moed vereischt. E. Rüppell heeft haar voor 't eerst
beschreven; zijn verhaal stemt volkomen overeen met dat, hetwelk ik
van verschillende Afrikanen vernam. De jacht begint als de zandbanken,
waarop de Krokodillen slapen en zich door de zon laten beschijnen,
droog komen te liggen door het vallen van het water in den stroom. De
jager vorscht de plaats uit, waar de Krokodil zich gewoonlijk neervleit
en kan nu als schuilplaats voor zich zelf een kuil in 't zand graven,
zoo gelegen, dat het Reptiel bij den dan heerschenden wind niet de
lucht kan krijgen van zijn vijand; hier blijft hij liggen, totdat
de Krokodil het water verlaten heeft en ingeslapen is. Het wapen,
dat bij deze jacht gebruikt wordt, is een werpspies bestaande uit een
driezijdige, ijzeren, met weerhaken voorziene spits, die met behulp van
een ring en 20 à 30 stevige koorden aan een houten steel bevestigd is;
de koorden zijn op sommige plaatsen van elkaar gescheiden, op andere
echter onderling vereenigd; de steel is door een lang touw vastgehecht
aan een lichten, houten klos. "De jager moet in staat zijn om de spies
met zooveel kracht te werpen, dat het ijzer, na het pantser van den
Krokodil doorboord te hebben, ongeveer 10 cM. diep in het lichaam
dringt en hier blijft zitten. Zoodra het dier getroffen wordt, wijken
de houten steel van de lans en de ijzeren spits uiteen, daar het ijzer
slechts losjes in het hout werd gestoken. De gewonde reus slaat woedend
met den staart en tracht het samengestelde koord door te bijten, welks
bestanddeelen echter tusschen zijne tanden komen te liggen en daarom
niet of slechts gedeeltelijk stukgesneden worden. Op geringe diepten
wijst de op 't water drijvende stok, op grootere de lichte houten klos
den door het dier gevolgden weg aan. De jager volgt den Krokodil in
een bootje, totdat hij aan den oever een geschikte landingsplaats
gevonden meent te hebben. Hier trekt hij het dier, als de harpoen
stevig genoeg vastzit, met behulp van het koord naar de oppervlakte
van 't water, geeft hem met een scherpe lans den doodsteek in den
nek of sleept hem nog levend aan land. Indien ik het niet met mijn
eigen oogen gezien had, zou het mij ongeloofelijk voorkomen, dat twee
menschen een Krokodil van bijna 5 M. lengte uit het water trekken, den
snuit dichtbinden en de pooten op den rug aaneenkluisteren kunnen; zij
dooden hem vervolgens door met een scherp mes het verlengde merg door
te snijden." In netten wordt de Krokodil slechts bij toeval gevangen,
groote exemplaren uiterst zelden, omdat zij zich zoo hevig bewegen,
dat zelfs de sterkste vischnetten scheuren.

De Europeanen, de Turken en de bewoners van Middel-Egypte maken
met vuurwapenen jacht op den Krokodil. Hoewel ik meer dan honderd
Krokodillen een kogel toegezonden heb, is het mij nooit voorgekomen,
dat de kogel terugsprong, zooals naar men beweert, dikwijls
geschiedt. Een feit is het echter, dat slechts zeer weinige schotwonden
den Krokodil oogenblikkelijk dooden. Hij heeft een buitengewoon taai
leven, kan zelfs na een doodelijke verwonding meestal nog den stroom
bereiken en is dan voor den jager verloren. Eens loerde ik in een met
matten en zand overdekten kuil van een zandbank in den Blauwen Nijl op
Kraanvogels. Nog voordat de Vogels zich vertoonden, kwam, nauwelijks
15 schreden van mij verwijderd, een Krokodil van ongeveer 5 M. lengte
te voorschijn; deze kroop langzaam uit het water en vleide zich op
een afstand van ongeveer 6 M. van mijn schuilplaats op het zand neer
om te slapen. Om hem waar te nemen onderdrukte ik de wraakzuchtige
neigingen die mij vervulden, hoewel ik voornemens was hem na eenigen
tijd den welverdienden kogel toe te zenden. Een Kraan, die juist toen
onder schot kwam, redde voorloopig het leven van het monster; door
een kogel getroffen viel de Vogel ter aarde. De Krokodil had zich,
zonder te begrijpen vanwaar het schot kwam, bij het hooren van den
knal, zoo spoedig mogelijk te water begeven; nauwelijks echter had
ik den dooden Vogel opgeraapt en mijn geweer op nieuw geladen, toen
het gepantserde dier ten tweedenmale, op dezelfde plaats als vroeger,
voor den dag kwam. Ik mikte nu zonder overhaasting op zijne slapen,
schoot en zag tot mijn voldoening, dat het ondier na het schot een
kolossalen, vertikalen luchtsprong deed, log op den bodem neerplofte
en bewegingloos bleef liggen. Een bedwelmende muscuslucht verbreidde
zich in 't rond; mijn dienaar Tomboldo, die aan 't andere einde
van de zandbank nog in de schiethut zat, sprong juichend op uit
zijn schuilplaats met het verzoek: "Beste Heer, mij de klieren,
mij de muscus voor mijn vrouw; ik moet haar toch wat meebrengen
van de reis."--Wij stonden bij het gevelde dier, wiens geheele
lichaam nog schokte en trilde.--"Neem u in acht voor den staart,"
waarschuwde Tomboldo, "en geef hem liever nog een schot, opdat hij ons
niet ontkome."--Hoewel ik dezen laatsten voorzorgsmaatregel onnoodig
achtte, vervulde ik den wensch van mijn trouwen, zwarten dienaar, hield
den loop van mijn geweer bijna voor 't oor van den Krokodil en joeg
hem een tweeden kogel in den kop. Op hetzelfde oogenblik sprong hij
hoog op, wierp ons met den staart zand en kiezelsteenen in 't gelaat,
maakte stuiptrekkende bewegingen met al zijne lichaamsdeelen en rende
plotseling, alsof hij niet gewond was, naar den stroom, waardoor alle
uitzicht op het verkrijgen van de muscusklieren ons benomen werd.

Deze klieren verschaffen aan de hedendaagsche Soedaneezen het grootste
voordeel, dat zij uit het lichaam van een gedooden Krokodil weten
te trekken. Ten tijde van mijn verblijf in hun land verkocht men dit
artikel voor 4 à 6 "speciesthaler", voor welke som men zich destijds
in dezelfde streek twee halfwassen Runderen kon aanschaffen. Met deze
muscusklieren parfumeeren de schoonen van Nubië en Soedan de zalf,
waarmede zij zich het haar en het lichaam besmeren. Aan deze klieren
danken alle lichaamsdeelen van den Krokodil hun doordringende lucht;
het vleesch van de volwassen dieren wordt er oneetbaar door.

In den ouden tijd werden uit den gedooden Krokodil allerlei
geneesmiddelen verkregen. Zijn bloed werd als een voortreffelijk
tegengif beschouwd bij verwondingen door Vergiftige Slangen; het
verdreef ook de vlekken van de oogen; de tot asch verteerde huid
werd dienstig geacht voor het heelen van wonden; het vet was, naar
men zeide, een voorbehoedmiddel tegen koorts, kiespijn en muggebeten;
door een tand als amulet aan den arm te dragen, verkreeg men bijzondere
krachten. Ook hiervan hoort men thans niet meer spreken.



Onder de Aziatische soorten verdient de Indische of Lijstenkrokodil
(Crocodilus porosus, C. biporcatus) in de eerste plaats genoemd te
worden, daar hij de verst verbreide soort van de geheele familie
is. Door het ontbreken van de voorste nekschilden en vooral door twee
zeer lange, bijna van het oog tot aan de spits van den snuit reikende,
parelsnoervormig gelede, beenige lijsten onderscheidt de Indische
Krokodil zich duidelijk van alle overige soorten. De snuit is ook bij
deze soort lang, min of meer versmald en toegespitst, zijn lengte is
het dubbele van de breedte aan de basis, zijn bovenzijde gewelfd en
rijk aan plooien. De onderschenkel is met een getakten kam voorzien. De
kleur is donker olijfgroen, bij de jongen met donkere vlekken. Men
heeft exemplaren gemeten, die 8.6 M. lang waren; in de verzamelingen
behooren die van 5.25 M. lengte echter reeds tot de uitzonderingen.

De Lijstenkrokodil bewoont Zuidoost-Azië en de omliggende eilanden;
men ontmoet hem aan de oostkust van Indië, op Ceylon, in Bengalen,
Birmah, het zuidwesten van China en in geheel Insulinde, voorts in
Noord-Australië en zelfs op de Salomon- en Fidsji-eilanden. Men zou
hem den Krokodil van de zee kunnen noemen, daar hij, vaker dan eenige
andere soort, van de riviermonden uit de zee bezoekt en niet zelden
op een afstand van verscheidene zeemijlen van de kust of bij eb op
droog vallende zandbanken van middelmatig breede zeeëngten tusschen
de eilanden wordt gezien.

"De Indische Krokodil," zegt Schlegel, die Salomon Müller's
aanteekeningen in 't licht heeft gegeven in zijne "Verhandelingen over
de Natuurlijke Geschiedenis der Nederlandsche overzeesche bezittingen",
"wordt vooral in groote menigte aan de groote rivieren van Borneo
en Sumatra aangetroffen; hier komen door deze roofdieren jaarlijks
vele menschen om het leven. Zoo rekent men b.v., dat er alleen aan de
Palembangrivier op Sumatra jaarlijks omstreeks 150 menschen door deze
Krokodillen verslonden worden. Niet onmogelijk is het, dat op Java
en Sumatra veel meer menschen door Krokodillen het leven verliezen
dan door Koningstijgers.

"De Krokodillen liggen, ten einde levende viervoetige dieren of
Vogels te vangen, òf dicht bij den oever onder het water verborgen,
òf onbeweeglijk daarlangs uitgestrekt, op den loer. Zij bezigen dus
in het algemeen hetzelfde middel tot het erlangen van voedsel als de
Katten en vele andere Roofdieren, want ook zij overvallen hun buit
meest onverwachts uit een hinderlaag, waarbij zij met te meer list
en geduld te werk moeten gaan, daar hun sluipen buiten het water,
ook door de onbuigzaamheid van het lichaam, met meer moeite gepaard
gaat. Desniettemin vangen zij dikwerf Herten, Wilde Zwijnen, Honden,
Geiten, Apen en meer andere dieren, wanneer deze den waterkant naderen
om hun dorst te lesschen. De dieren, die veel onder het water leven,
gelijk de Otters en de Waranen of Monitors, zijn gedurig aan de
vervolgingen der Krokodillen blootgesteld, terwijl deze tevens van
hun vroegste jeugd af op alle soorten van Water- en Strandvogels
jacht maken. Hoe ondernemend, stout en gevaarlijk intusschen de
Krokodillen ook in het water zijn, toonen zij zich daarentegen er
buiten ongemeen vreesachtig en schuw. Bij het minste geruisch, dat
zij vernemen, of indien zij een mensch op 40, 60 tot zelfs 100 en
meer schreden afstands gewaarworden, hetzij op het land of in een
kano op het water, vluchten zij onverwijld naar den stroom, waar zij,
spoedig uit het gezicht verdwijnend, zich aan alle verdere vervolgingen
onttrekken. Zij zwemmen voortreffelijk, zoowel stroomop als stroomaf;
in het laatste geval laten zij zich dikwijls zonder merkbare beweging
met de golf wegdrijven. Nooit ziet men hen op een vroolijke of dartele
wijze door het water zwemmen en er buiten vertoonen zij zich nog
slaperiger. Blijken van onderlinge verstandhouding of wederzijdsche
gehechtheid hebben wij nooit bij hen opgemerkt; elk individu schijnt
veel meer van jongs af afgezonderd en voor zichzelf te leven, en
bijaldien men soms eenige hunner dicht bij elkander aantreft, dan
schijnt zulks meer aan hun groot aantal op een plaats te moeten worden
toegeschreven, dan wel naar de zucht om in gezelligheid met elkander te
leven. Wanneer dit roofzuchtig gedierte onder het water op buit loert,
steekt het gewoonlijk alleen de neusgaten boven den waterspiegel,
en in deze houding blijft de Krokodil niet zelden uren lang op een en
dezelfde plek liggen; zoodra hij echter eenig gevaar bemerkt, duikt
hij oogenblikkelijk naar beneden en komt dan een eind weegs verder op
nieuw boven. Minder stil is zijn vlucht van het land naar het water,
wanneer men hem onverwachts door een geweerschot uit den slaap doet
wakker schrikken; met den meest mogelijken spoed stort hij zich dan
op onstuimige wijze in het water; de hierdoor veroorzaakte plof wordt
veelal van eenige geduchte slagen gevolgd, welke hij al duikend met den
staart teweegbrengt. Op het land is de loop van deze dieren over het
algemeen traag en moeielijk, doch korte afstanden kunnen zij soms met
onbegrijpelijke snelheid afleggen. Zij worden echter schielijk moede,
daar hunne onevenredig kleine en zwakke pooten het zware lichaam niet
lang vermogen te dragen: het zakt weldra tot op den grond door en
schuift dan in slingerende beweging daarlangs voort. Het is bekend,
dat de Krokodillen in wilde, moerassige streken soms kleine tochten
over het land ondernemen, zoodat het wel eens gebeurt, dat men in
een geheel afgezonderd liggend moeras of ook in een grooten vijver,
plotseling een dezer dieren ontwaart, waar men hen vroeger nimmer
gezien had. Meerendeels geschieden die verhuizingen des nachts.

"Van alle zintuigen schijnt het gehoor bij de Krokodillen het meest
bevoorrecht te zijn. De scherpheid van het gehoor stelt hen in staat
om zelfs op vrij verren afstand onder het water alles te vernemen,
wat er buiten in den omtrek voorvalt. Zij komen gewoonlijk op ieder
gedruisch dadelijk af, doch altijd in de grootste stilte. Zijn het
menschen of dieren, die den oever betreden, zoo naderen zij bedaard
en houden zich zoolang onder de oppervlakte van het water verscholen,
tot zich een geschikte gelegenheid aanbiedt om een aanval te wagen,
die hun zelden mislukt, daar zij meestal niet eerder op het beloerde
voorwerp toeschieten, dan wanneer het zich genoegzaam zeker onder
hun bereik bevindt. Bij den uitval, het aanbijten en het wegrukken
van den roof zijn de bewegingen der Krokodillen pijlsnel: zelfs
zoo, dat wanneer menschen zulk een gewelddadigen dood ondergaan,
er slechts zelden eenig noodgeschrei of een kreet van angst of
schrik van hen vernomen wordt. De Krokodillen trekken hun buit
altijd onverwijld onder water, maar verschijnen korten tijd daarna,
soms reeds na weinige oogenblikken, op korter of grooter afstand
daarmede weder aan de oppervlakte. Is de prooi klein, dan verslinden
zij die dadelijk al zwemmende, waarbij zij dan alleen den kop boven
water houden; grootere dieren of menschen verslinden zij daarentegen
gewoonlijk eerst tegen den avond of in den nacht, tot welk einde
zij hun roof hier of daar op een eenzamen oever brengen, waar men
dan niet zelden overblijfsels van het lijk aantreft. Zij schijnen
hun prooi door haar hevig heen en weer te slingeren en tegen den
grond te slaan, gedeeltelijk te vermorzelen en verder in stukken te
scheuren. Stemgeluid hebben wij nooit van een Krokodil gehoord en
ook nergens van de inlanders vernomen, dat deze dieren ooit eenig
geschreeuw doen hooren. De Krokodillen zijn over het algemeen meer
nacht- dan wel dagdieren. Zij zijn, evenals de groote Katsoorten,
het gevaarlijkste in den avond en tegen middernacht, waarom dan ook
de inlanders na zonsondergang niet gaarne, doch indien zulks moet,
steeds met alle behoedzaamheid plaatsen langs de oevers der rivieren
en meren bezoeken, waar vele Krokodillen voorkomen. Overvalt hen soms
op een watertocht, dien zij met een kleine kano ondernemen, de nacht,
dan kiezen zij, zoodra het duister begint te worden, meer het middelste
gedeelte van den stroom, waar zich de Krokodillen zeldzamer ophouden
dan langs de stille en rustige oevers.--Toch gebeurt het niet zelden
in Indië en vooral op Borneo, dat er menschen van de oevers of uit de
vaartuigen door deze dieren worden weggehaald en zulks dikwijls zoo
zonder eenige beweging, dat zeer nabij zijnde personen er nauwelijks
iets van bemerken. Zeer oude Krokodillen slaan ook soms met hun staart
de kleine bootjes aan splinters, waarbij dan steeds een van de zich
daarin bevindende menschen tot buit van het roofdier wordt.

"Bij dag ontwaart men de Krokodillen dikwijls slapend aan den
waterkant, waar zij dan als een boomstronk uitgestrekt liggen en den
muil soms wijd geopend houden. Zij kiezen daartoe bijzonder effene
plekken uit, die, of tusschen hoog riet en gras, door een grooten,
afhangenden boomtak belommerd zijn, of ook wel geheel open en
vrij aan de stralen der zon zijn blootgesteld en waar deze dieren
veelal iederen dag komen rusten. Op deze rustplaatsen worden in
eenige streken van Borneo de Krokodillen op een eigenaardige wijze
gevangen. De Dajakkers leggen er eenige planken neer, die van boven
met een sterk klevende boomhars bestreken zijn. Wanneer zich nu een
Krokodil op zulk een plank neerlegt en daar eenigen tijd op gerust
heeft, geraakt de plank door de hars zoo stevig aan het lijf van het
dier vast, dat zij er alleen met moeite en kracht van afgetrokken kon
worden. Zoodra de inlanders zien, dat een Krokodil in dezen toestand
verkeert, gaan zij met pieken en zware houwers gewapend en voorzien
met eenige lange rottingen, die hun als bindtouw dienen, zoo te water
als te land er op af. Het beangstigde dier geeft zich alle moeite
om bij het naderende gevaar naar onderen te duiken, maar de plank
maakt dit onmogelijk; het wordt dan op de oppervlakte van 't water
ronddrijvend, onder een woest gespartel en geworstel afgemaakt. Deze
wijze van Krokodillen vangen laat zich voornamelijk op die plaatsen
met goed gevolg aanwenden, waar zij geen gebrek aan voedsel hebben en
daarom niet licht op lokazen afkomen. Waar echter minder voedsel is,
worden zij meerendeels met lokaas gevangen, daar deze handelwijze
minder oplettendheid vereischt en tevens met minder omslag en gevaar
bij het dooden der dieren gepaard gaat.

"Ofschoon men in sommige rivieren en baaien langs de kusten van Java
vrij veel Krokodillen heeft opgemerkt en zij zelfs op de reede van
Batavia niet zeldzaam zijn, brengen zij toch, daar en elders op dit
eiland, over het algemeen den mensch minder nadeel toe dan wel in
andere streken van den Oosterschen Archipel. De oorzaak daarvan laat
zich verklaren uit het overvloedige voedsel, dat zij in deze wateren
aantreffen. Doode paarden, Buffels, Geiten, Honden, kortom allerlei
krengen komen in deze zoo dicht bevolkte landstreken in menigte de
rivier afdrijven; bovendien wordt uit de talrijke schepen en inlandsche
vaartuigen, welke hier gedurig rondkruisen of op onderscheidene reeden
ten anker liggen, dagelijks een groote hoeveelheid ingewanden van
Kippen, Eenden en ander gedierte over boord geworpen; dit een en
ander schijnt toereikend te zijn om de vraatzucht der Krokodillen
te bevredigen.

"In het Maleisch, de meest verspreide taal van Oost-Indië, heeten
deze dieren Bowaja of Boeaja."

Even verklaarbaar als de felle vervolging, die deze dieren ook in Azië
ondergaan, is de vereering, die hun hier en daar ten deel valt. Op
de Soenda-eilanden merkte S. Müller geen eigenlijke vereering op,
wel komt deze echter op het Indische vasteland voor. In de gewesten
waar men den Krokodil voor zoo heilig houdt, dat men geen hoogeren
wensch kent dan na den dood in een Krokodil veranderd te worden,
vervolgt men dit dier nooit, maar tracht veeleer vriendschap met hem
te sluiten. Orlich bezocht in 1842 de heilige Krokodillenvijver in de
nabijheid van de stad Karratsjie, een beroemde bedevaartplaats voor
de inboorlingen. Hier leefden ongeveer 50 Krokodillen, waaronder
sommige van 5 M. lengte. De Brahmaan, die met de verzorging van
deze vertegenwoordigers van Visjnoe was belast, riep ze, terwijl de
reiziger er bij stond, tot zich, om ze te voederen. Orlich was niet
weinig verbaasd over de gehoorzaamheid der heilige dieren voor hun
aanbidder; uit het water gekomen, vormden zij een halven kring om hun
verzorger en wachtten met wijd opengesperden muil zijne bevelen af;
door aanraking met een rietstok lieten zij zich gewillig leiden. Een
Geit werd voor hen geslacht en de stukken onder hen verdeeld. Na den
maaltijd diende de rietstok om hen weer naar het water te drijven.

De gevangen Lijstenkrokodillen worden gewoonlijk doodgeslagen en
niet verder gebruikt. In sommige streken, o. a. van Borneo en Siam,
wordt hun vleesch gegeten.



Bij de Alligators (Alligator) is ook voor het bergen van de spits
van den vierden onderkaakstand aan weerszijden van de bovenkaak
een diepe kuil aanwezig. Het aantal tanden bedraagt minstens 17 in
iedere kaakhelft, maar kan boven tot 20, onder tot 22 stijgen en
dus in 't geheel 84 zijn. Het neusmiddelschot is verbeend; onder de
buikschilden bevinden zich geen huisbeenderen, of deze zijn zeer dun
en onbeduidend. Van dit geslacht zijn 3 soorten bekend, waarvan 2 in
Noord-Amerika en 1 in het zuidoosten van China. Het woord "Alligator"
is ontstaan door verbastering van het Portugeesche woord "el Lagarto",
dat "Hagedis" beteekent. De naam "Kaaiman", waarmede de leden van
dit en het volgende geslacht meestal aangeduid worden, is ontleend
aan de taal van sommige Amerikaansche negerstammen.



De Alligator of Kaaiman met den snoekenkop (Alligator mississippiensis,
A. lucius) is kenbaar aan den breeden, platten snuit, welke veel
gelijkt op dien van een Snoek en aan de schilden in den nek. Hij kan
4,5 M. lang worden, maar is reeds bij het bereiken van de helft dezer
lengte als volwassen te beschouwen. De bovendeelen zijn gewoonlijk
vuil olijfgroen, hier en daar met donkerder vlekken geteekend, de
onderdeelen zijn vuil lichtgeel.

Het verbreidingsgebied van den Alligator is beperkt tot de
zuidoostelijke Vereenigde Staten van Noord-Amerika en strekt zich
van den mond der Rio-Grande noordwaarts tot 35° N.B. uit. In bijna
alle stroomen, beken, meren en moerassen van Zuid-Carolina, Georgië,
Florida, Alabama, Mississippi en Louisiana ontmoet men hem zeer
algemeen; verder noordwaarts komt hij zeldzamer, in Noord-Carolina
slechts hier en daar voor. In de bedoelde stroomen ziet men de
Alligators op de slijkerige oevers en op groote, drijvende boomstammen
in de zon zich koesteren of zwemmend hun voedsel zoeken. In Louisiana
zijn alle moerassen, bochten, stroomen, vijvers, meren vol van deze
dieren; men merkt ze overal op, waar zooveel water is, dat zij zich
verbergen en voedsel vinden kunnen; evenzoo is het gesteld in de andere
hierboven genoemde staten tot aan den mond van den Arkansas, en ook
in de meer westwaarts gelegen stroomen. Op de Red-River waren zij,
voordat hier stoombooten voeren, zoo buitengewoon veelvuldig, dat men
ze bij honderden langs den oever of op de ontzaglijk groote massa's
drijfhout zag. De kleine lagen of zaten op den rug van de grootere;
soms hoorde men van hen een gebrul als dat van duizend wilde stieren,
die elkander willen bevechten. Evenals vele andere hier levende dieren
waren zij zoo weinig schuw, dat de bedrijvigheid op den stroom of aan
den oever nauwelijks eenige wijziging in hunne gewoonten bracht. Om
de booten, die hun op een afstand van weinige meters voorbijvoeren,
bekommerden zij zich niet, tenzij men op hen schoot. In brak water
waren en zijn zij zeldzamer.

Op het land beweegt de Alligator zich gewoonlijk langzaam en met
tegenzin. Zijn gang is een gebrekkig gescharrel; de eene poot
na den anderen wordt op plompe wijze naar voren verplaatst; het
zware lichaam schuurt intusschen over den grond en de lange staart
sleept over den bodem. Zoo komt hij uit het water, zoo kruipt hij
over de velden of in de wouden rond, om een andere woonplaats, waar
hij voedsel hoopt te vinden, of een geschikte legplaats voor zijne
eieren op te sporen. Op het land zijn deze dieren, waarschijnlijk
wegens hun onbeholpenheid, erbarmelijk lafhartig. Wanneer zij bij
het reizen van het eene water naar het andere een vijand bespeuren,
gaan zij zoo plat mogelijk op den bodem liggen, drukken den snuit er
tegen aan en blijven bewegingloos in deze houding, waarbij intusschen
de zeer beweeglijke oogen voortdurend op den tegenstander letten. Als
men nader bij hen komt trachten zij niet te vluchten en wagen evenmin
een aanval, maar verheffen zich eenvoudig op hunne pooten en blazen,
alsof zij een smidsblaasbalg in 't lijf hebben. Zonder eenig gevaar
te loopen, kan men ze nu doodslaan, wanneer men zich slechts op
een eerbiedigen afstand houdt van den staart, het meest gespierde
lichaamsdeel en in zekeren zin ook het beste wapen van dit dier. Door
een krachtigen slag met den staart kan het een mensch dooden.

In het water, zijn eigenlijke element, is de Alligator levendiger
en stoutmoediger. Soms komt het voor, dat hij hier zelfs den mensch
aanvalt. In den regel echter vermijdt hij den heer der schepping
angstvallig, vooral wanneer deze hem wil bestrijden. De "cowboys" of
herders van het rundvee waden in Noord-Amerika, wanneer zij bij een
door Alligators bewoond water komen, met knuppels gewapend hierin op,
om een weg voor hun vee te banen of om te verhoeden, dat het gedurende
het drinken lastig gevallen wordt door de vraatzuchtige Reptiliën. Als
zij regelrecht op den kop van den Alligator afgaan, hebben zij niets
te vreezen en kunnen zelfs zonder gevaar te loopen dien kop met
hun knuppel beuken, totdat het dier uit den weg gaat. Soms ziet men
menschen, Muildieren en Alligators dicht bij elkander in het water;
het vee doet angstige pogingen om de Krokodillen te ontwijken; de
herders zijn druk in de weer met hunne stokken; de Alligators kijken
met begeerige oogen naar de dieren, die zij zoo gaarne buit zouden
willen maken, maar houden zich uit vrees voor de pijnlijke slagen op
een eerbiedigen afstand.

Schapen en Geiten, die aan den waterkant komen drinken, Honden,
Herten en Paarden, die zwemmend de overzijde trachten te bereiken,
loopen gevaar door de Alligators verdronken en later verslonden
te worden; het eigenlijke voedsel van deze Krokodillen bestaat
echter uit Visschen. Wanneer de rivieren buiten hare oevers treden,
hetgeen in het door hen bewoonde gebied ieder jaar gebeurt, vullen
de groote, met haar samenhangende moerassen en ondiepe meren zich
niet slechts met water, maar ook met Visschen; op deze maken de
Alligators jacht. Bij afnemende waterstand, als de geulen, die deze
meren verbinden, droogvallen, worden de Visschen genoopt zich naar de
diepste plaatsen te begeven; de Krokodillen volgen hen en trekken van
den eenen kuil naar den anderen. Na zonsondergang is het gedruisch,
dat deze roovers met hun staart maken, ver hoorbaar; naderbij komend,
ziet men, hoe zij door hunne bewegingen het water beroeren en de
Visschen zoo beangst maken, dat deze bij honderden boven het water
uitspringen, met het doel, om hunne verwoede vijanden te ontwijken;
dikwijls echter worden zij juist door de staartslagen in de nabijheid
van den veeltandigen muil gedreven.

In den zomer legt het wijfje hare betrekkelijk kleine, witte, met
een harde kalkschaal bedekte eieren, welker aantal soms meer dan 100
bedraagt, in een eigenaardig nest. Zij bouwt dit op een hiervoor
geschikte, meestal 50 à 60 schreden van den waterkant verwijderde
plek in het dichte struikgewas of rietveld, voert in den bek bladen,
stokken en dergelijke materialen aan, legt de eieren en dekt ze
zorgvuldig toe. Van nu af houdt zij voortdurend in de nabijheid van
het nest de wacht en schiet woedend toe op ieder wezen, dat hare
eieren nadert. De temperatuursverhooging, die een gevolg is van de
rotting der plantaardige stoffen, waaruit het nest bestaat, bevordert
de ontwikkeling der kiemen; de jonge Alligators werken zich behendig
door de hen bedekkende plantenmassa heen en worden door de moeder naar
het water geleid, gewoonlijk eerst naar kleine, afgezonderde plassen,
om hen tegen de mannetjes en de groote Moerasvogels te beveiligen.

De jacht op den Alligator wordt bemoeilijkt door de taaiheid van
zijn leven; want ook deze Krokodil wordt slechts door een kogel,
die de hersenen of het hart doorboort, onmiddellijk gedood, beter
echter door een flink schot hagel. Vaker nog dan van geweren,
maakt men gebruik van groote netten; de plassen worden hiermede
leeggevischt, de gevangene exemplaren op den oever getrokken en met
bijlen doodgeslagen. Enkele negers vangen den Alligator zeer handig
in een strik, dien zij hem over den kop werpen, wanneer hij in de
nabijheid van den oever zwemt en waaraan zij hem vervolgens uit het
water trekken. Een door een schot gewonde Alligator, brengt onder
de medebewoners van den plas zulk een groote opschudding en vrees
teweeg, dat zij in den regel een andere woonplaats opzoeken, of zich
althans gedurende verscheidene dagen verborgen houden; zij letten
daarentegen veel minder op een metgezel, die door een kogel of een
schot hagel oogenblikkelijk gedood werd. Bij de Red-River werden in
vroegere jaren, toen schoenen, laarzen en zadels van alligatorleer
in de mode waren, duizenden van deze dieren gedood. D. Gronen schat
het aantal jonge Alligators, die ieder jaar in Florida ter wille van
hun huid, hunne tanden en hun op olie gelijkend vet gevangen worden,
op 6000. Er wordt een prijs van 25 dollars voor de 100 stuks betaald.

Het is deze soort van Krokodillen-familie, die men in dierentuinen
en beestenspellen het veelvuldigst te zien krijgt. Ieder jaar
worden verscheidene honderden levende Alligators op de Europeesche
wildedierenmarkt gebracht; alle vinden koopers: de kleine,
die de eischaal nog slechts sinds kort verlieten, worden door
dierenliefhebbers gekocht voor hun aquarium en zoover getemd, dat
zij ten slotte het voedsel, dat hun verzorger hun voorhoudt, uit de
hand nemen; de groote exemplaren komen in het bezit van eigenaars
van beestenspellen en worden door hen zoolang medegevoerd, totdat
zij door mishandeling, honger en koude bezwijken. Oud gevangen dieren
versmaden gewoonlijk het voedsel, dat men hun geeft; exemplaren van
1 1/2 M. lengte daarentegen geraken spoedig aan den gevangeniskost
gewoon, indien men hun slechts een ruime woning verschaft, bij voorkeur
een kleine vijver in een tuin. Met een levenden buit moet men ze aan
't eten brengen, b.v. door vleugellamme Musschen, levende Duiven,
Hoenderen enz. op het water te werpen; later nemen zij ook stukken
rauw vleesch aan, die men door een daaraan bevestigd touw in beweging
brengt; eindelijk sperren zij reeds, wanneer men hun dit voedsel toont,
den muil open en wachten onder vroolijk geklok, "tot de gebraden
Duiven hun in den bek vliegen." Oude Alligators hebben een geduchten
eetlust; zij kunnen per week 8 KG. vleesch verorberen. Bij zorgvuldige
behandeling kunnen zij ook in de open lucht jaren lang de gevangenschap
verduren; hiervoor is echter noodig, dat hun de gelegenheid wordt
verschaft om zich gedurende den winter behoorlijk tegen den invloed
van de koude te beveiligen, b.v. door zich onder het slijk te begraven;
indien dit niet geschiedt, komen zij den eersten winter niet door.



Het geslacht van de Kaaimans (Caiman) onderscheidt zich van dat
der Alligators door het ontbreken van het beenig neusmiddelschot
en door het bezit van een uit beweeglijke beenplaten samengesteld
buikpantser. De vijf bekende soorten van dit geslacht zijn tot Middel-
en Zuid-Amerika beperkt.



Zoowel bij den Jacare (Caiman latirostris) als bij den Gebrilden
Kaaiman (Caiman sclerops) zijn de bovenste oogleden voor een deel
verbeend, voor een deel vliezig en met een klein, naar boven gericht
hoorntje voorzien; bij beide zijn de voorranden der oogholten door
een halvemaanvormige, beenige dwarslijst verbonden, die met het
verbindingsstuk van een bril vergeleken wordt; bij beide zijn de
voorste nekschilden groot en op 2 (hoogstens 3) dwarsrijen geplaatst:
bij den Jacare echter vormen de achterste nekschilden 3 of 4, bij den
Gebrilden Kaaiman steeds 5 dwarsrijen. De Jacare bereikt een lengte
van 3.5 M.; de Gebrilde Kaaiman wordt hoogstens 2.8 M. lang; bij
dezen is de snuit betrekkelijk iets langer dan bij genen. Bij beide
zijn de bovendeelen donker olijfbruin, de zijden met grijsachtige
vlekken gemarmerd, de onderdeelen groengeelachtig wit.

De Jacare bewoont Zuid-Amerika ten oosten van de Andes, van den
Amazonenstroom tot de La-Plata-rivier, de Gebrilde Kaaiman geheel
Middel- en Zuid-Amerika van de landengte van Tehuantepec tot aan de
La-Plata-rivier op ongeveer 32° Z.B.

Azara en de Prins Von Wied hebben de levenswijze van den Jacare
met voldoende nauwkeurigheid beschreven. Hij houdt meer van stille
rivierarmen of stilstaande wateren dan van snel vlietende stroomen
en is daarom in de groote, moerassige bosschen van het binnenland
bijzonder talrijk. Zoolang deze vraatzuchtige roover, in het water
rustend, op buit loert, ziet men van hem niets anders dan het voorste
deel van den kop, die zoover opgeheven wordt, dat het hoogliggende
oog juist over den waterspiegel kan gluren en dat de neusgaten lucht
kunnen opnemen. In deze houding blijft hij over dag op dezelfde plaats,
of zwemt tegen den middag naar den oever of naar een rotsblok, waar
hij in de zon gaat liggen slapen; de nadering van een mensch of van
een Hond drijft hem echter onmiddellijk in het water terug.

"Het voedsel van den Jacare bestaat uit alle levende wezens, die hij
vangen kan. In de maag van een jongen Kaaiman vond ik hoofdzakelijk
overblijfselen van Visschen en Watervogels, bovendien kiezelsteentjes
en zand; ik vernam tevens, dat deze dieren soms groote steenen in de
maag hebben. De Braziliaansche visschers beweren, dat de Jacare soms
een zwemmend of badend mensch aanvalt; een hunner toonde mij zelfs
aan zijne beenen en armen litteekenen van door dit dier veroorzaakte
wonden. Over 't algemeen kan men echter deze Krokodillen niet als
gevaarlijk voor den mensch beschouwen. Alle die ik zag, waren zeer
schuchter en verdwenen onmiddellijk, zoodra men hen tot op een afstand
van 30 of 40 schreden naderde."

De bewoners van Paraguay maken ijverig jacht op den Jacare; de
Europeanen doen dit met vuurwapenen, de Indianen met een eigenaardige
soort van pijlen. De pijl wordt den Kaaiman in de zijde geschoten en
is zoo ingericht, dat de schaft afvalt, zoodra de ijzeren spits in
het lichaam doorgedrongen is; de schaft, die nu nog door een touw met
de spits verbonden is, wijst, op het water drijvend, de plaats aan,
waar het gewonde dier zich verborgen heeft. De Spanjaarden maken bij
deze jacht ook wel gebruik van een aan beide einden spits toeloopend
stuk hout, dat, aan een lijn vastgehecht, met runderlong omgeven, in
't water geworpen wordt; de Kaaiman slikt dit lokaas door en wordt
dan met geringe moeite op het land getrokken.

De Prins Von Wied bezat verscheidene levende, jonge Jacares. Zij
gedroegen zich wild en onstuimig, bliezen den buik en de keel op,
als men ze aanraakte of plaagde, sisten tevens als een Gans op het
nest en openden den muil. Wanneer men ze van achteren aanraakte,
keerden zij zich buitengewoon vlug om, beten flink van zich af en
sloegen hevig met den staart. De onaangename muscuslucht der oude
dieren was ook bij hen reeds aanwezig.



DERDE ORDE.

DE SCHILDPADDEN (Chelonia).


Door haar eigenaardigen lichaamsbouw wijken de Schildpadden zoozeer af
van de andere leden harer klasse, dat zij er niet mede verward kunnen
worden. De gepantserde romp, de plompe kop, welks kaken, evenals
die van de Vogels, met hoornscheeden bedekt zijn en nooit tanden
dragen, de zuilvormige, op korte stompjes gelijkende of lange, smalle,
vinvormige pooten zijn kenmerken, welke niet met die van eenig ander
dier vergeleken kunnen worden. Het pantser bestaat uit twee deelen,
het boven- of rugschild en het onder- of buikschild. Het rugpantser is
min of meer bol, langwerpig, rondachtig of hartvormig, het buikpantser
schildvormig, eirond of afgerond kruisvormig. Deze beide deelen
hangen samen door een aanvankelijk kraakbeenig verbindingsstuk,
dat bij sommige gedurende het geheele leven buigzaam blijft, bij
andere verbeent. Gezamenlijk vormen zij dus een doos, die van voren
en van achteren open is voor het doorlaten van den kop, de pooten en
den staart, maar den romp meer of minder volkomen omhult. De kop is
gewoonlijk eivormig, van achteren afgeknot, de hals verschillend van
lengte, maar steeds zeer beweeglijk; de vier pooten zijn gang-, zwem-
of vinpooten; de lengte van den meestal korten, rol- of kegelvormigen,
meer of minder spits toeloopenden staart wisselt zeer sterk af. Het
grootendeels door huidverbeening gevormde pantser is met hoornplaten of
schilden, slechts bij weinige soorten met een lederachtig bekleedsel
bedekt; de eeltachtige huid van kop, hals, pooten en staart is
met plaatvormige schubben van verschillende grootte, met schilden,
knobbels of korrelige vormingen bezet en vertoont dikwijls op sommige
plaatsen eigenaardige sporen of stekels. De hoornplaten, die het
rugschild bekleeden, worden onderscheiden in 5 wervelplaten (boven
de rugwervels) 4 of 5 paar zijde- of ribplaten (boven de ribvormige
beenstukken) en 24 of meer kleinere randplaten, waarbij 1 nekplaat
en 1 of 2 staartplaten; de parige schilden aan de buikzijde van het
pantser heeten keel-, arm- (of bovenborst-), borst-, buik-, schenkel-
(of onderbuik-) en aarsplaten; bij den voorrand en den achterrand van
het verbindingsstuk tusschen rug- en borstschild liggen de oksel- en
de liesplaten. In den regel raken de platen elkander met de randen aan
en zijn dan door naden verbonden; soms echter zijn zij dakpansgewijs
geplaatst. Het aantal, de onderlinge verhouding en de rangschikking der
hoornplaten leveren belangrijke kenmerken op voor de onderscheiding
der soorten. Hare randen stemmen niet overeen met die der door haar
bedekte, platte beenderen, welke, door getande naden onbeweeglijk
verbonden, aan het pantser een groote stevigheid verschaffen.

De zeer beweeglijke halswervels zijn meestal 8 in getal; daarop
volgen 10 wervels, die ieder een paar ribben dragen en daarom
rugwervels heeten; met uitzondering van den eersten en den laatsten,
laten deze in 't geheel geen beweging toe en nemen, doordat hunne
doornuitsteeksels en ribben zich tot platen uitbreiden en met
verbeende gedeelten van de daarboven liggende lederhuid vergroeien,
aan de vorming van het rugpantser deel. De "schijf" van het beenige
rugschild bestaat dus uit 8 middelste stukken en 8 paar zijdelingsche
stukken. Slechts bij één soort ontbreken de wervelstukken. Meestal
strekken de ribben zich tot aan den "rand" van het rugschild uit; de
met haar vergroeide huidbeenderen reiken echter niet altijd zoover,
zoodat dan de uiterste gedeelten der ribben in het skelet als de
spaken van een wiel aan den omtrek van de "schijf" uitstralen en
tusschenruimten (fontanellen) overlaten, die bij het levende dier
door de huid zijn gevuld. Gewoonlijk is het rugschild voorzien van
een uit samenhangende huidbeenderen samengestelden "rand"; met deze
"randstukken" zijn de uiteinden der ribben verbonden, zoodat ook
een rugschild met spaakvormig verlengde ribben een volledigen rand
bezit; deze bestaat uit 10 à 13 paar huidbeenderen en is van voren
door een "nekstuk", van achteren door een "staartstuk" gesloten.--In
het buikschild komen niet anders dan huidbeenderen voor; het heeft
dus niets gemeen met het borstbeen, dat bij de Schildpadden geheel
ontbreekt. In den regel bestaat het uit 9 stukken; één aan den voorrand
en vier opeenvolgende paren er achter. Bij de Landschildpadden en vele
Moerasschildpadden vormen deze stukken een aaneengesloten geheel,
bij de Zeeschildpadden laten zij in 't midden een groote ruimte
of "fontanel" over, waar het borstschild dus eenvoudig uit een met
hoornplaten bedekte huid bestaat. Tusschen deze beide uitersten vormen
de overige Moerasschildpadden den overgang.

De zeer kleine schedelholte is gevuld met hersenen, welker massa
volstrekt niet geëvenredigd is aan die van het lichaam. Schildpadden
van 40 KG. hebben nauwelijks 4 G. hersenen; bij exemplaren van
1 KG. bedraagt het gewicht van de hersenen slechts 0.36 G. Het
oog heeft twee leden en een wenkvlies; de oogbol herinnert door
zijn samenstelling in vele opzichten aan dien van de Vogels. Uit
de inrichting der zintuigen kan men afleiden, dat de Schildpadden
tamelijk goed zien, een middelmatig scherp gehoor en tot op zekere
hoogte een fijnen reuk hebben; ook zijn zij tot het verkrijgen van
smaakgewaarwordingen in staat; over het tastgevoel durven wij geen
oordeel vellen.

Het aantal in 1888 bekende soorten beliep 201; het is niet zeer
waarschijnlijk, dat het veel zal toenemen. In warme, waterrijke
gewesten vertoonen de Schildpadden de grootste verscheidenheid van
vormen; in de richting van den evenaar naar de polen en bij toenemende
hoogte neemt het aantal soorten schielijk af.

Alle levensverschijnselen van de Schildpadden zijn traag, langzaam,
onregelmatig. Zij kunnen ongeloofelijk lang leven zonder te ademen,
zonder haar bloed te zuiveren, na de vreeselijkste verminkingen
zich nog maanden lang bewegen, en dus tot op zekere hoogte
handelingen verrichten, welke op die van de niet verminkte dieren
gelijken. Schildpadden zonder kop bewegen zich nog verscheidene
weken na de onthoofding, trekken b.v., als men ze aanraakt, de pooten
onder het rugschild terug; een exemplaar, welks hersenen door Redi
weggenomen waren, kroop nog 6 maanden lang rond; in de Parijsche
"Jardin des Plantes" leefde een Moerasschildpad 6 jaren zonder voedsel
te gebruiken.

Het ligt voor de hand, dat dieren, welker hersenen en zenuwen zoo
weinig ontwikkeld zijn, geestelijk niet hoog kunnen staan. En toch
toonen de Schildpadden zich in dit opzicht meer begaafd dan men van
haar verwacht zou hebben. Haar verstand is omvangrijker, haar geest
levendiger dan men zou vermoeden. Ook zij handelen met bewustzijn. Zij
ondervinden lust en onlust, herkennen zaken, die nuttig, en zaken, die
nadeelig voor haar zijn, onderscheiden bruikbare voedingsmiddelen van
onbruikbare, vreedzame en onschadelijke wezens van gevaarlijke, geraken
zelfs langzamerhand gewoon aan menschen, die haar welwillendheid
betoonen, gewennen zoo niet aan haar verzorger dan toch aan den
persoon, die haar voedsel verschaft, laten jegens dezen de plompe
schuwheid varen, die zij aanvankelijk toonden, kunnen in de handen
genomen, geprikkeld, tot gramschap vervoerd of gekalmeerd worden.

Hoewel de willekeurige bewegingen van de meeste Schildpadden eveneens
langzaam, traag en plomp geschieden, herinneren toch sommige leden
dezer groep door haar vlugheid aan andere Kruipende Dieren. Bij
't gaan zijn alle plomp en onbeholpen; bij 't zwemmen en duiken
openbaren de Zoetwater- en Zeeschildpadden de grootste mate van
levendigheid waarvoor zij vatbaar zijn; in deze opzichten echter is
hun begaafdheid vermoedelijk niet grooter dan die van eenig ander in
't water levend dier. Verbazing wekt de spierkracht, waarvan alle
soorten bewijzen geven.

De Landschildpadden voeden zich hoofdzakelijk met plantaardige
stoffen; vele eten echter tusschenbeide ook Insecten, Wormen
enz. De Zoetwaterschildpadden leven meestal van dierlijke stoffen;
sommige Indische geslachten zijn echter volslagen planteneters. De
Zeeschildpadden voeden zich gedeeltelijk met wieren en zeegrassen,
gedeeltelijk met Schaaldieren, Vinpootige Slakken, Kwallen en andere
lagere Zeedieren, ook wel met kleine Visschen. Enkele soorten van
Schildpadden zijn geweldige roovers. Zij eten eigenlijk alleen
gedurende de warme zomerdagen of in de keerkringsgewesten gedurende
den regentijd, mesten zich dan binnen weinige weken vet, houden
daarna allengs op voedsel te gebruiken en vervallen in verstijving
of winterslaap, wanneer hetzij de winter, hetzij het droge seizoen
aanvangt. Hetzelfde komt voor bij de weinige soorten, die zich
gedurende het geheele jaar in bosschen ophouden.

Kort na het ontwaken in de lente vangt de voortplanting aan. Het wijfje
graaft met eenige zorg gaten in den grond, gewoonlijk in het zand,
legt hierin eieren en dekt ze toe met een laag zand of modder. De
eischaal is in den regel bard en kalkachtig, alleen bij de familie
der Zeeschildpadden zacht en perkamentachtig; bij sommige soorten
zijn de eieren bolvormig, bij andere meer langwerpig; hun grootte
is betrekkelijk gering. Vele Schildpadden leggen niet meer dan een
dozijn, groote soorten ver over de 100 eieren. De moeder bekommert
zich na het eierenleggen niet meer om haar kroost. De jongen komen
na verloop van eenige maanden uit, kruipen meestal 's nachts uit den
grond en begeven zich dan naar een schuilplaats op het land of naar het
naastbij gelegen water. In tallooze menigte worden zij door Zoogdieren,
Vogels en Kruipende Dieren van andere orden opgezocht en verslonden; de
buitengewoon lange levensduur van de exemplaren, die dit lot ontgaan,
behoedt de meeste soorten echter voor geheele vernietiging.

De Schildpadden zijn voor ons de nuttigste van alle Reptiliën, daar
wij niet slechts de hoornplaten van het pantser der Zeeschildpadden
onder den naam van "schildpad" voor velerlei doeleinden gebruiken,
maar ook het vleesch en de eieren van nagenoeg alle soorten eten en
smakelijk vinden. Enkele soorten hebben een zoo sterke muscuslucht,
dat Europeanen althans geen smaak vinden in de van hun vleesch
bereide spijzen; andere leveren daarentegen, zooals bekend is,
werkelijk kostelijke gerechten.



De Schildpadden worden, volgens Dollo, verdeeld in twee onderorden: de
Mozaïekschildpadden< en de Echte Schildpadden. De Mozaïekschildpadden
(Athecae), die in de hedendaagsche periode slechts door één
familie--de Lederschildpadden (Sphargidae)--met één geslacht en één
soort vertegenwoordigd zijn, onderscheiden zich van alle overige
leden der orde, doordat de wervels en ribben vrij zijn, dus niet
vergroeid met het huidskelet. Het rugschild is zwak gewelfd en uit
talrijke, op reeksen geplaatste, veelhoekige beenplaten samengesteld;
het gebrekkig ontwikkelde buikschild bestaat uit smalle beenderen, die
door een zeer groote fontenel in 't midden vaneengescheiden zijn. De
ribben zijn meestal niet verbonden met echte randstukken. De geheele
romp is met een lederachtige huid bedekt. De neusopeningen zijn naar
boven gericht, de oogholten zeer groot. De ledematen zijn in groote,
vinvormige roeiwerktuigen veranderd, waaraan de nagels ontbreken,
hoewel de vingers van den voorvoet sterk verlengd zijn. De gewrichten
van de vingers en teenen laten geen beweging toe.



De eenige thans nog levende soort--de Lederschildpad of Luth
(Dermochelys coriacea)--is een reusachtig dier van nagenoeg 2 M. totale
lengte en 500 à 600 KG. gewicht. De voorste ledematen zijn meer dan
dubbel zoo lang als de achterste. Het volledig verbeende rugpantser is
van voren tamelijk afgerond en loopt van achteren in een staartvormige
spits uit; het is door 7 uitpuilende, overlangsche lijsten in 6 velden
verdeeld. Het onvolledig verbeende, zachte en buigzame buikschild
vertoont 5 overlangsche kielen. De kop, de hals en de pooten zijn bij
de jonge dieren met schildjes bekleed, die langzamerhand verdwijnen,
zoodat de huid van de oude dieren er glad uitziet en slechts de kop
nog kleine schildjes vertoont. De kleur is donkerbruin met lichter
bruine of gele vlekken.

De grootste van alle hedendaagsche Schildpadden wordt van jaar
tot jaar zeldzamer en kan als een uitstervende soort beschouwd
worden. Zij bewoont eigenlijk alle zeeën tusschen de keerkringen en
werd vroeger zoowel bij de Salomonseilanden van de Stille Zuidzee
als aan de kust van Arabië en in de Roode Zee, bij de Bermudas en
de zuidkust van Noord-Amerika, in de zeeën ten zuiden van Indië
zoowel als om Madagaskar geregeld aangetroffen. Nu en dan bezocht
zij ook de gematigde aardgordels. Door weer en wind uit den koers
gebracht, misschien ook door reislust gedreven, heeft zij zich in
den Atlantischen Oceaan bij Europa en de noordelijke Vereenigde
Staten, in de Stille Zuidzee bij Chili vertoond; op al deze kusten
werd zij herhaaldelijk gevangen. Enkele exemplaren zijn zelfs naar
de Middellandsche Zee en naar de Noordzee, misschien ook naar onze
kusten, afgedwaald [1].

Van de levenswijze der Lederschildpad is zeer weinig bekend. Haar
voedsel schijnt hoofdzakelijk uit Visschen, Schaaldieren en Weekdieren
te bestaan. Volgens berichten, die de Prins Von Wied ontving,
verschijnt ieder wijfje met tusschenpoozen van ongeveer 14 dagen
viermaal per jaar op de legplaatsen aan de zeekust en laat hier in
het zand telkens 18 à 20 dozijn eieren achter.

Uit de nieuwste berichten blijkt, dat de schilderingen, door vroegere
schrijvers gegeven van de kracht en de weerbaarheid der Lederschildpad
niet overdreven zijn. Haar vleesch wordt niet gegeten, omdat men aan
het gebruik daarvan slechte gevolgen toeschrijft.



Bij de Echte Schildpadden (Thecophora), die de tweede onderorde vormen,
zijn het rugschild en het buitenschild veel meer ontwikkeld dan bij
de Mozaïekschildpadden. De rugwervels en ribben zijn met elkander
onbeweeglijk verbonden en tot beenplaten verbreed, welke met die van
het huidskelet vergroeien en een echt pantser vormen.

Deze onderorde wordt in drie groepen verdeeld: de Halsbergers
(Cryptodira), de Halswenders (Pleurodira) en de Rivierlederschildpadden
(Trionychoidea). Vele leden van de eerste groep kunnen den kop
(evenals de pooten en de staart) onder het rugschild verbergen; de hals
wordt echter in dit geval teruggetrokken en niet zijwaarts gekromd;
de halshuid verkrijgt ringvormige plooien en bedekt mutsvormig het
achterste deel van den kop. Een belangrijk kenmerk van de Halsbergers
is, dat de bekkenbeenderen wel met het rugschild, doch nooit met
het buikschild verbonden zijn. Evenals bij de Halswenders is bij hen
het beenig pantser met hoornschilden bedekt; deze ontbreken bij de
Rivierlederschildpadden.



Bij de Alligatorschildpadden (Chelydridae) zijn de borstplaten door
een groote tusschenruimte van de randplaten gescheiden; het buikpantser
is zeer klein en van kruisvormige gedaante; de staart is steeds langer
dan de helft van de lengte van 't pantser.



Een monster, zoowel door haar gestalte als door haar aard, een
Krokodil met het pantser van een Schildpad, is de Bijtschildpad,
de Snapping Turtle der Anglo-Amerikanen (Chelydra serpentina). Men
kent twee soorten van dit geslacht, welks verbreidingsgebied zich
van Noord-Amerika over Midden-Amerika zuidwaarts tot in Ecuador
uitstrekt. De kop is groot, plat en driehoekig; de korte en spits
toeloopende snuit heeft buitengewoon krachtige en scherpe, aan de spits
haakvormig gekromde kaken; de hals kan ver uitgestoken worden. De
pooten zijn krachtig, de voorpooten hebben 5, de achterpooten 4
teenen, die door goed ontwikkelde zwemvliezen verbonden zijn. De
staart trekt de aandacht door zijn lengte, zijn aanzienlijke dikte
en den uit beenige spitsen bestaanden kam op het midden van de
bovenzijde. Het weinig gewelfde rugschild vertoont drie reeksen van
middelmatig groote knobbels. De huidkleur wisselt in allerlei tinten
van olijfgroen af. Het rugschild is vuil donker- of zwartbruin,
het borstschild geelbruin, bij de jonge dieren, als naar gewoonte,
lichter dan bij de oude. Deze kunnen een lengte van O.9 à 1 M. en
een gewicht van ongeveer 20 KG. bereiken.

Behalve met de verwante Gierschildpad (Macrolemmys Temminckii) kan
de Bijtschildpad met geen ander lid harer orde verward worden. Beide
soorten bewonen de stroomen en groote moerassen van de Vereenigde
Staten; in enkele gewesten zijn zij vrij talrijk; het liefst houden
zij zich op in water met een modderigen bodem; zelfs de stinkendste
poelen worden niet door haar versmaad. Gewoonlijk liggen zij op
den bodem van het diepe water in het midden van de rivier of van
het moeras; soms echter verschijnen zij dicht bij de oppervlakte,
houden de spits van den snuit er boven en laten zich met den stroom
afdrijven. Vooral in dicht bevolkte streken vluchten zij bij het
geringste gedruisch naar de diepte; in het schraler bevolkte zuiden
zijn zij minder schuw. Met recht worden zij gevreesd en gehaat; de
naam "Bijtschildpad" is goed gekozen: zij bijten naar al wat haar in
den weg komt en laten, wat zij eens gegrepen hebben, niet zoo licht
weer los. Het is geraden, voorzichtig met deze dieren om te gaan,
daar zij prikkelbaar en zeer boosaardig zijn. Het kan voorkomen, dat
zij een mensch, die zich in het door hen bewoonde water begeeft, vol
woede te lijf gaan en hem zeer gevaarlijke wonden toebrengen. Weinland
verzekert, dat het 1 cM. dikke, platte deel van een roeiriem door den
harden roofvogelsnavel van deze Schildpad als door een kogel doorboord
kan worden; andere waarnemers verzekeren, dat zij een tamelijk dikken
wandelstok zonder bezwaar doorbijt.

De Alligatorschildpadden zijn vlugger van beweging dan de meeste
van hare verwanten. Soms begeven zij zich aan land en weten dan
hare looporganen even goed te gebruiken als de Landschildpadden;
zwemmend verplaatsen zij zich zeer snel, vooral bij het vervolgen van
een buit. Haar voedsel bestaat uit Visschen, Vorschen en andere in
't water levende Gewervelde Dieren; zij bepalen zich volstrekt niet
tot een kleinen buit, maar vallen dikwijls ook betrekkelijk zeer
groote dieren, zooals Ganzen en Eenden aan. De landlieden klagen
zeer vaak over door haar gepleegde rooverijen, waarvan Eenden de
slachtoffers zijn; deze worden bij de pooten onder water getrokken
en na verdrinking verslonden.

Agassiz heeft bij zijne onderzoekingen over de
ontwikkelingsgeschiedenis der Schildpadden gebruik gemaakt van de
eieren dezer soort, welke met die van Duiven nagenoeg in grootte
overeenkomen, met een kalkachtige schaal omhuld zijn en zonder veel
moeite verzameld kunnen worden. Het wijfje legt ze ten getale van 20 à
30 in een gat, dat zij niet ver van den waterkant in den grond graaft
en met bladen bedekt. "Maanden lang," zegt Weinland, die aan deze
onderzoekingen een belangrijk aandeel had, "slopen dagelijks jonge
Schildpadden uit de in zand en mos gelegde eieren; merkwaardigerwijze
was de eerste beweging van het kopje, dat door een opening van de
schaal naar buiten gluurde, steeds die van happen en bijten."

Oud gevangen Bijtschildpadden weigeren gewoonlijk alle voedsel;
op jeugdigen leeftijd kan men ze aan den gevangeniskost gewennen.



Een van de vreemdsoortigste Schildpadden is ongetwijfeld de
Grootkoppige Schildpad (Platysternum megacephalum), de eenige
vertegenwoordiger van een gelijknamige familie (Platysternidae). Zij
kenmerkt zich vooral door de platheid van haar rugschild en van haar
zeer breed, uit een stuk samengesteld borstschild, de reusachtige
grootte van haar met een groot schild bekleeden kop, die toch onder
het pantser teruggetrokken kan worden en de buitengewone lengte van
haar geheel met schubben bekleeden staart. De kleur van de bovendeelen
is olijfbruin, die van de onderdeelen deels geel, deels lichtbruin;
een zwarte streep is door het oog gericht. Lengte 40.5 cM.

De Grootkoppige Schildpad bewoont de rivieren van Birmah en Siam en
wordt westwaarts tot in Pegu en Tenasserim gevonden; ook komt zij in
de westelijke gedeelten van de Zuid-Chineesche provinciën voor. Overal
is zij echter zeldzaam. Meer is van dit dier zijne verblijfplaatsen
en levenswijze niet bekend.



De meeste thans levende Schildpadden behooren tot de familie der
Landschildpadden (Testudinidae). Uitwendig zijn zij kenbaar aan
haar met hoornplaten bekleed pantser, welks borstplaten zonder
tusschenruimten over te laten met de randplaten verbonden zijn en
welks buikgedeelte steeds uit 11 of 12 schilden bestaat.

Landschildpadden leven in de heete en gematigde gewesten van alle
werelddeelen, met uitzondering van Australië. De leden dezer familie
vormen een nagenoeg onafgebroken reeks, die met volslagen waterdieren
aanvangt en eindigt met wezens, die uitsluitend voor het leven op het
land geschikt zijn. In deze volgorde zijn de soorten gerangschikt,
die hier vermeld zullen worden.

"Ieder die de vormenrijkdom van de orde der Schildpadden wil leeren
kennen door ze dagelijks in de vrije natuur na te gaan," zegt Weinland,
"moet Noord-Amerika bezoeken, het echte schildpaddenland, waar allerlei
soorten van deze dieren in zoo grooten getale plassen en rivieren,
bosschen en dalen verlevendigen, dat de dierkundige nog in lang niet
haar uitsterven heeft te duchten."

Alle Zoetwaterschildpadden bewonen uitsluitend vochtige gewesten,
de meeste het water van langzaam stroomende rivieren, van poelen en
meren. Voor het leven in het water zijn zij zeer goed uitgerust. Op
het land bewegen zij zich log en langzaam, hoewel aanmerkelijk
vlugger dan alle Echte Landschildpadden, in 't water daarentegen
buitengewoon snel en zeer behendig. Men ziet ze hier rustig aan de
oppervlakte liggen of rondzwemmen en bij het geringste gedruisch, dat
haar verdacht voorkomt, bliksemsnel naar de diepte duiken, waarin zij
op 't zelfde oogenblik zich in het slijk of onder wortels verborgen
hebben. Vooral bij het jagen bewegen zij zich verbazend vlug. De
Noord-Amerikaansche en Europeesche soorten voeden zich hoofdzakelijk
met dierlijke stoffen, n.l. met kleine Zoogdieren, Vogels, Reptiliën,
Amphibiën, Visschen en ongewervelde dieren, die zij steeds onder water
verslinden; verscheidene Indische soorten daarentegen zijn volslagen
planteneters. Met naar de diepte gerichte oogen, gelijk een naar
buit zoekenden Arend, zwemmen zij uren lang aan de oppervlakte van 't
water rond en zoeken den bodem af. Bij het zien van een prooi laten
zij eenige luchtbellen ontsnappen, roeien uit al haar macht naar de
diepte en happen gretig naar de haar lokkende spijs; deze wordt met
de scherpe, nooit loslatende kaken gegrepen en een oogenblik later,
na een krachtigen ruk van den plotseling naar voren gestrekten kop,
verzwolgen.

De ontwikkeling van hare geestvermogens moet natuurlijk geëvenredigd
zijn aan haar geschiktheid tot beweging en haar roofzucht. Hare
zintuigen zijn veel scherper dan die der Echte Landschildpadden;
haar verstand overtreft in alle opzichten dat van deze dieren. Zij
geven goed acht op de bezwaren, die zij op haar weg ontmoeten;
enkele toonen meer sluwheid en voorzichtigheid dan men bij haar
gezocht zou hebben, kiezen de gunstigst gelegen schuilhoeken uit en
doen op schrandere wijze haar voordeel met opgedane ervaringen. Zij
kunnen spoediger getemd worden dan alle overige Schildpadden en leeren
haar verzorger werkelijk kennen, zij het dan ook slechts in beperkte
mate. Zij geraken gewoon aan den omgang met menschen, hoewel zij ze
niet van elkander onderscheiden.

Bij 't naderen van den winter verbergen zij zich tamelijk diep in
den grond en brengen hier het ongunstige jaargetijde in schijndooden
toestand door.

De Noord-Amerikaansche Zoetwaterschildpadden houden zich in de
gevangenschap zeer goed, mits zij verstandig behandeld worden. Enkele
hebben, naar gezegd wordt, 40 of meer jaren op deze wijze geleefd. Een
behoorlijke warmtegraad is een hoofdvereischte voor het gezond blijven
van deze dieren; men kan in dit opzicht niet te nauwgezet zijn.

De Europeesche Zoetwaterschildpad (Emys orbicularis, E. europaea)
bereikt een totale lengte van 32 cM., waarvan 8 cM. op den staart
komen; het pantser is hoogstens 19 cM. lang. De ongepantserde
lichaamsdeelen zijn op zwartachtigen grond hier en daar geel
gestippeld; de teekening van de platen van het rugpantser bestaat uit
reeksen van gele stippels, die als 't ware gesprenkeld zijn op den
zwartgroenen grond; het buikschild is vuilgeel met een gering aantal
onregelmatig verdeelde, bruine stippels of straalswijs gerichte, bruine
vlammen; de kleur en de teekening zijn aan veel variatie onderhevig;
zelfs komen volslagen zwartbruine exemplaren voor.

Het eigenlijke vaderland van deze soort is waarschijnlijk het zuiden
en oosten van Middel-Europa. Zij is algemeen in Albanië, Dalmatië en
Bosnië, Italië, de lage landen langs den Donau en Hongarije, maar ook
in het zuiden van Frankrijk, Spanje, Portugal en Algerië benoorden
het Atlas-gebergte, niet minder in een groot deel van het Russische
Rijk. In Duitschland bewoont zij stroomende en stilstaande wateren in
Brandenburg, Posen, West- en Oost-Pruisen, Pommeren en Mecklenburg,
misschien ook een deel van Silezië: uitsluitend dus het stroomgebied
van den Oder en den Weichsel.

"In ons land," schrijft Schlegel, "werd slechts één voorwerp en wel
bij Leiden waargenomen, hetgeen denken doet, dat het toevallig op
deze plaats was aangeland."

Aan stilstaand, of langzaam stroomend, ondiep en troebel water geeft
zij de voorkeur boven snel vlietende stroomen en heldere meren. Over
dag houdt zij zich stil; kort voor zonsondergang begint zij haar
bedrijf, dat, naar het schijnt, gedurende den geheelen nacht wordt
voortgezet. Gedurende de wintermaanden blijft zij verborgen in
't slijk, komt in 't midden van April, indien de weersgesteldheid
het toelaat, hieruit te voorschijn en laat dan vaker dan gewoonlijk
een eigenaardig gefluit hooren. Zij is voorzichtig en duikt bij 't
geringste gedruisch onmiddellijk naar de diepte. In 't water beweegt
zij zich zeer vlug, maar ook op het land volstrekt niet gebrekkig,
veel sneller althans dan de Echte Landschildpadden. Zij voedt zich
met Wormen, Waterinsecten, Vorschen en Salamanders en de larven
dezer dieren; zij maakt echter ook op Visschen jacht en valt zelfs
tamelijk groote exemplaren aan; het slachtoffer wordt door beten in het
onderlijf afgemat en vervolgens geheel afgemaakt. De Visschen, die op
deze wijze overmeesterd zijn, worden onder water op de graten na geheel
verslonden. Daar bij het afkluiven van den buit de zwemblaas dikwijls
onbeschadigd afgebeten wordt en naar den waterspiegel omhoogstijgt,
kan men uit de op het water drijvende zwemblazen van Visschen de
aanwezigheid van Zoetwaterschildpadden afleiden. In gevangenschap kan
men ze vele jaren lang met Visschen, Regenwormen of rauw vleesch in
't leven houden; zij worden dan weldra zoo tam, dat zij uit de hand
van haar verzorger eten, geraken gewoon aan bepaalde ligplaatsen en
vervallen in een verwarmd vertrek niet in winterslaap; wanneer men
haar echter een kleinen vijver in een afgesloten tuin tot woonplaats
aanwijst, kruipen zij tegen den aanvang van het koele jaargetijde in
den grond.

De Europeesche Zoetwaterschildpad graaft het gat, waarin zij hare
eieren legt, op een voor dit doel geschikte, open plek aan den
oever. Om dit te kunnen doen, verweekt zij vooraf den bodem door het
uitwerpen van een aanzienlijke hoeveelheid water, boort vervolgens
met de spits van den staart een kegelvormig gat en verwijdt dit tot
een eivormige holte door beurtelings met den eenen en den anderen
achterpoot de aarde weg te krabben. Gewoonlijk legt zij 9 eieren;
deze worden onmiddellijk na het verlaten van den kloak één voor één
opgevangen door de achterpooten, die ze onbeschadigd op den bodem
van de holte laten glijden, daarna voorzichtig bedekt met aarde, die
door kloppende bewegingen met het achterste deel van het borstpantser
wordt vastgestampt. In Augustus of September komen de jongen uit den
grond te voorschijn.

Dat dit dier getemd kan worden, blijkt o. a. uit de volgende
merkwaardige mededeeling van Ph. C. Martin: "In mijn aquarium waren
vijf jonge Zoetwaterschildpadden, die nauwelijks de grootte van een
rijksdaalder hadden. Al dadelijk was de kleinste veel levendiger dan
de overige; terwijl deze rustig bleven liggen, wandelde zij wakker
rond. Dit dwergje toonde uit den aard der zaak niet slechts naar
het lichaam, maar ook naar den geest een grootere werkzaamheid dan
zijne lotgenooten. Veel eerder dan deze, liet het zijn natuurlijke
schroomvalligheid varen, en werd daarom de uitverkoren lieveling van
mijn vrouw, die het iederen dag eenige malen in de hand nam en het al
pratende liefkoosde, waarin het blijkbaar veel behagen schepte. Reeds
in de eerste dagen van deze kennismaking werd het August genoemd; al
dadelijk gedroeg het zich zeer verstandig, daar het niet, evenals
zijne dommere broertjes en zusjes bij iedere aanraking den kop
en de pooten onder het pantser terugtrok, maar spoedig toonde een
onvervaarde menschenvriend te zijn en op een echt schrandere wijze het
kopje in alle richtingen wist te wenden. Slechts weinige dagen waren
voorbijgegaan, toen August bewijzen gaf, dat hij zijn naam kende. Als
mijn vrouw nu bij het aquarium komt en alle vijf Schildpadden in
het water zijn, heeft zij slechts eenige malen August te roepen,
om den drager van dezen naam te nopen, zoo schielijk mogelijk op
de tufsteenrots te klimmen, hetwelk dikwijls met zulk een haast
geschiedt, dat hij hals over kop naar beneden tuimelt; onmiddellijk
hervat hij dan de klimpartij en zoodra hij boven is gekomen, bedelt
hij letterlijk om in de hand genomen te worden."

Het vleesch van de Europeesche Zoetwaterschildpad is eetbaar; het
geringe voordeel, dat zij hierdoor en door het verslinden van Slakken
en Wormen den mensch oplevert, weegt niet op tegen de schade, die
zij door het vernielen van de eieren en jongen van nuttige Visschen
aanricht.



Door aard en bewegingen een Landschildpad, in vorm echter
met de Zoetwaterschildpadden overeenkomend, mag de welbekende
Noord-Amerikaansche Doosschildpad (Cistudo carolina) als een overgang
van de in 't water levende tot de op 't land wonende soorten aangemerkt
worden. Het door haar vertegenwoordigde geslacht onderscheidt zich door
een zeer bol rugschild met nekplaat en dubbele staartplaat. Het uit
12 platen samengestelde, eironde borstschild is in twee beweeglijke
stukken verdeeld, die zoo groot zijn, dat zij voor en achter, na het
terugtrekken van kop, pooten en staart, dicht tegen het rugschild
aangedrukt kunnen worden; het dier gelijkt dan op een gesloten doos:
vandaar zijn naam. Het rugschild van de genoemde soort draagt een
stompe kiel in 't midden; overigens vertoonen hare leden, wat bouw,
kleur en teekening betreft, onderling velerlei verschil. In den
regel is de bovenzijde fraai bruin of bruinzwart met een uit gele,
onregelmatige vlekken en strepen bestaande teekening. Dikwijls ziet men
bij bruinzwarte individuën op iedere zijdeplaat een scherp begrensde,
fraai goudgele E. De platen van het borstschild zijn op gelen grond
bruin geaderd. Het pantser is 13 cM. lang en gewoonlijk 11 à 12
cM. breed. De langwerpig eironde kop heeft scherpe, gaafrandige kaken
en is, evenals de vóór- en achterpooten, bruin en geel gevlekt.

Het verbreidingsgebied van de Doosschildpad omvat het grootste deel
van de oostelijke Vereenigde Staten, van Maine tot Florida, en strekt
zich westwaarts uit tot Jowa, Missouri en Texas. In levenswijze stemt
zij met de echte Landschildpadden volkomen overeen. Zij wordt vaker
op droge, dan op vochtige plaatsen gevonden; wanneer men haar in een
vochtig oord bespeurt, kan men er zeker van zijn, dat zij door de een
of andere lievelingsspijs verlokt werd tot een bezoek aan dit overigens
voor haar zoo weinig aantrekkelijk terrein. Zoo kan men er op rekenen,
haar te zullen aantreffen in moerassige streken, waar Nachtreigers
hunne broedplaatsen hebben; omdat er onder de reigernesten steeds een
aantal halfverrotte Visschen liggen, die voor haar echte lekkernijen
schijnen te zijn. Behalve zulke overblijfselen, eet zij Insecten,
Slakken, Wormen, malsche paddestoelen en bessen, de laatstgenoemde
zelfs met een zekere voorliefde. Als een grooter dier haar nadert,
trekt zij den kop, de pooten en den staart onder het pantser terug en
sluit de openingen met het tweekleppige borstschild zoo stevig af,
dat zij tegen den aanval van gewone Roofdieren volkomen beveiligd
is. Wanneer zij getergd wordt, verdedigt zij zich echter door
te bijten; een eens gegrepen voorwerp wordt niet zoo licht meer
losgelaten.

Vervolging heeft de Doosschildpad eigenlijk niet te lijden. Haar
vleesch wordt niet gebruikt, hoewel het goed smaakt.



Alle warme landen der aarde, met uitzondering alleen van Australië
en Nieuw-Guinea, worden bewoond door Echte Landschildpadden; Afrika
bezit, voor zoover men er over kan oordeelen, de meeste soorten,
Europa slechts 2.

De Landschildpadden behooren tot de traagste en onverschilligste
leden van de geheele Reptiliën-klasse. Al hare bewegingen zijn plomp,
log en onbeholpen. Zij zijn in staat zonder te pauzeeren een tamelijk
grooten weg af te leggen, maar doen dit onvergelijkelijk langzaam;
traag verplaatsen zij één voor één hare pooten en schuiven het
zware lichaam als 't ware met tegenzin vooruit. Bij elke beweging
ontwikkelen zij echter een aanzienlijke kracht en toonen een groote
volharding. Landschildpadden, die in 't water geworpen of toevallig
te water geraakt zijn, zinken als steenen naar den bodem, strompelen
hier rustig verder en komen zoo na geruimen tijd weer aan den oever
zonder eenige schade geleden te hebben. Veel meer moeite kost het haar
weer op de pooten terecht te komen, wanneer zij door soortgenooten
of vijanden op den rug gewenteld zijn. Dikwijls wordt hiervoor een
langdurige arbeid van kop en staart vereischt, want de logge pooten
schieten voor deze taak te kort. Opmerkelijk is het, dat zij voor
een andere bewegingswijze, n.l. voor het klimmen, een zekere mate van
geschiktheid toonen. Een echte stem komt, naar het schijnt, bij haar
niet voor: het geplaagde dier laat hoogstens een snuivend geblaas,
maar geen klinkend geluid hooren. De hoogere vermogens dezer dieren
zijn geëvenredigd aan de kleinheid hunner hersenen; dat zij werkelijk
bestaan, blijkt echter uit hun gedrag.

De Landschildpadden voeden zich hoofdzakelijk met malsche
plantendeelen, die zij afplukken of liever afknippen. De grootste
soorten verslinden gulzig allerlei kruiden in aanzienlijke hoeveelheid;
de kleine kiezen met meer zorg deelen van bladen, uitspruitsels en
vruchten; de eerstgenoemde knijpen haar voedsel af, de laatstgenoemde
snijden het met de scherpe kaakranden uit of scheuren het gegrepen stuk
los door het plotseling terugtrekken van den kop. Als de gelegenheid
zich voordoet, eten zij ook allerlei diertjes, b.v. Slakken en
Aardwormen; aan grootere dieren wagen zij zich niet. Zij drinken
zelden, maar veel te gelijk.

Voor den mensch leveren de Landschildpadden geen noemenswaardig voedsel
op. Slechts in de huishouding van sommige wilde en halfwilde volken,
spelen de pantsers als kastjes en dozen voor allerlei huiselijke
doeleinden een zekere rol. Men kan het vleesch van de Landschildpadden
even goed eten als dat van vele Rivier- en Zeeschildpadden; slechts bij
uitzondering echter worden zij met deze bedoeling gevangen. Vaker nog
vangt men ze om ze in de kamer of in den tuin vrij te laten rondloopen.



Het geslacht der Landschildpadden in den engsten zin (Testudo) kenmerkt
zich door een gewelfd rugpantser, een uit 12 platen samengesteld
buikpantser en vergroeide teenen met 5 of 4 klauwen aan de voorpooten
en 4 klauwen aan de achterpooten. Alle hiertoe behoorende soorten
gaan op de teenen en zijn landdieren in de eigenlijke beteekenis van
het woord.



Uit Zuid-Amerika wordt tegenwoordig zeer dikwijls een Landschildpad
levend naar Europa vervoerd, die in Brazilië Sjaboeti heet: de
Woudschildpad (Testudo tabulata). Haar gestalte is tamelijk plomp;
het van boven platte rugschild helt van voren en van achteren sterk
af en is sterk verlengd; de kop is tamelijk groot, de rand van de
hoornachtige kaken fijn getand, de hals middelmatig lang en dik,
de staart zeer dik; de plompe voeten vallen in 't oog door haar
lengte. Het rugpantser is donkerbruin of zwart, iedere plaat met een
gele vlek in 't midden; het buikpantser is bruin en geel. De onbedekte
deelen hebben een zwartachtige kleur en zijn met velerlei oranjegele
of roode vlekken geteekend. De lengte van het pantser bedraagt 55 cM.

De Sjaboeti is over geheel tropisch Zuid-Amerika ten oosten van de
Andes verbreid, bewoont het grootste deel van Brazilië, Paraguay, alle
wouden van Guyana tot op een hoogte van 600 M. boven de oppervlakte
der zee en geheel Venezuela; ook komt zij voor op de Kleine Antillen,
die langs de noordkust van Zuid-Amerika liggen. Op voor haar geschikte
plaatsen schijnt zij zeer veelvuldig te zijn. Ook deze Schildpad
ontleent haar voedsel aan het plantenrijk. Zij eet hoofdzakelijk
afgevallen rijpe boomvruchten, waarvan in haar vaderland zoo velerlei
soorten voorkomen.

Naar men zegt, levert het volwassen dier, in weerwil van de stevigheid
van zijn pantser, dikwijls een buit aan de groote soorten van
Katten. De Indianen, die met de wouden en hunne verschijnselen goed
bekend zijn, verzekeren, dat de Once, als zij zulk een Schildpad vindt,
haar overeind plaatst en met de lange klauwen het vleesch bij stukjes
uit het pantser wegkrabt. De ledige pantsers, die men hier en daar in
het woud verstrooid vindt, zouden de overblijfselen van dergelijke
maaltijden zijn. Daar aan deze Schildpadden geen onaangename lucht
eigen is, worden zij door de Portugeezen, Negers en Indianen gegeten;
in sommige tijden van 't jaar zijn zij zeer vet. In eenige gewesten
worden zij daarom in kleine, ronde perken, die door loodrecht in den
grond geslagen palen begrensd zijn, bewaard, om ze bij de hand te
hebben, zoodra men ze wil gebruiken. In huis kan men ze verscheidene
jaren in 't leven houden; in het hok, dat men haar als woning aanwijst,
beginnen zij dadelijk haar lievelingskost, bananen, te eten, ook
bladen en allerlei vruchten. Wanneer men ze aanraakt, trekken zij
zich in haar pantser terug en blazen als de Ganzen uit de keel.

De Sjaboeti kan in Europa, indien haar 's winters een warme woning
wordt verschaft, verscheidene jaren in 't leven blijven. Haar aard
verschilt niet veel van dien der andere Landschildpadden. Daar zij
hooger op de pooten staat, beweegt zij zich iets sneller.



Opgravingen in de lagere gedeelten van het Himalaja-gebied, in
gronden, die tot de jongste afdeeling van het tertiaire tijdvak
behooren, hebben, nevens beenderen van voorwereldlijke Zoogdieren, de
overblijfselen van een reusachtig Reptiel aan 't licht gebracht. Dit
wezen (Colossochelys atlas) was aan de Landschildpadden verwant;
zijn pantser had een lengte van bijna 3 en een hoogte van bijna
2 M. Het is moeielijk, zich een juiste voorstelling te vormen
van zulke monsters, al vestigt men het oog op de hedendaagsche
Olifantschildpadden, die alle overige op het land levende soorten
der orde in grootte overtreffen. Ook deze zijn thans het uitsterven
nabij. Günther, die er een groot aantal exemplaren van onderzocht
en tot de slotsom kwam, dat hierbij verscheidene soorten moesten
worden onderscheiden, verhaalt haar geschiedenis ongeveer met de
volgende woorden: Bijna alle reizigers uit de 16e en 17e eeuw, die
van hunne ontmoetingen en ontdekkingen in den Indischen Oceaan en
in de Stille Zuidzee verslag gaven, maken melding van de tallooze
Reuzenschildpadden, die zij aantroffen op twee groepen van eilanden
tusschen den evenaar en den steenbokskeerkring. Eén daarvan omvat
de Galapagos-eilanden, de andere de Aldabra-eilandjes (ten noorden
van de Comoren), Réunion, Mauritius en Rodriguez. Beide hebben dit
gemeen, dat zij ten tijde van haar ontdekking zoomin door menschen
als door groote Zoogdieren bewoond werden. Voor de zeelieden van
weleer waren de Reuzenschildpadden van groot belang. Een reis,
die thans in weinige weken volbracht wordt, duurde toen maanden;
elk schip had een zeer talrijke bemanning, maar was slechts zeer
gebrekkig met leeftocht voorzien: de Reuzenschildpadden, waarvan men
binnen weinige dagen met geringe moeite zoovele exemplaren kon vangen,
als men verkoos, kwamen dus steeds goed te pas. Zij konden zonder
voedsel geruimen tijd in de een of andere bergplaats van 't schip in
't leven blijven en duurden dus, totdat men ze noodig had. Elk van
deze dieren leverde 40 à 100 KG. uitmuntend vleesch. Soms nam een
enkel schip op Mauritius of de Galapagos-eilanden 400 Schildpadden aan
boord. De Olifantschildpadden waren in 1691, toen Leguat het eiland
Rodriguez bezocht, hier zoo talrijk, dat men soms 2000 of 3000 van deze
reuzen bijeenzag, over welker ruggen men 100 schreden ver kon loopen,
zonder op den grond af te dalen. Verklaarbaar wordt het ontzaglijk
groot aantal dezer weerlooze dieren, wanneer men bedenkt, dat hun
gebied eertijds door geen enkele vijand bewoond of bezocht werd en de
meeste dus den merkwaardig hoogen ouderdom konden bereiken, waarvan
hun orde voorbeelden oplevert. De groote verandering, die in dezen
toestand gekomen is, heeft ten gevolge gehad, dat thans op Rodriguez,
Mauritius en Réunion geen Reuzenschildpadden meer gevonden worden. Op
de Aldabra-eilandjes heeft een klein, voortdurend verminderend troepje,
aanhoudend bestookt door den op buit belusten mensch, tot dusver den
strijd om het bestaan volgehouden.

Dezelfde lotwisseling als op de Mascarenen heeft deze diersoort
ondervonden op de Galapagos-eilanden, waar zij aanvankelijk zeer
sterk vertegenwoordigd was, zooals blijkt uit den naam, dien de
Spanjaarden gegeven hebben aan den door hen ontdekten, uit 13 tamelijk
groote en vele kleine eilanden bestaanden archipel. ("Galapagos"
beteekent "Schildpadden".) Hij bleef na de ontdekking in de 15e eeuw
lang onbewoond; nu en dan kwamen schepen hier hun voorraad water en
leeftocht vernieuwen. Hoewel de zeelieden bij dergelijke gelegenheden
een groot aantal Schildpadden buit maakten, vond Darwin in 1835
deze dieren nog op bijna alle door hem bezochte eilanden. Deze,
in 1832 geannexeerd en gekoloniseerd door de republiek Ecuador, van
welks kust zij ± 1000 KM. verwijderd zijn, hadden toen een bevolking
van eenige honderden personen. Later werd hier een strafkolonie
gevestigd, die ook niet lang bestaan heeft; thans wordt alleen het
Chatham-eiland nog bewoond. Om in hun onderhoud te voorzien, hebben
de bewoners tegen de Schildpadden een waren verdelgingskrijg gevoerd,
krachtdadig geholpen door de Zwijnen, die met hen op de eilanden
waren gekomen en er voor een deel verwilderden. Dit had ten gevolge,
dat reeds 11 jaren na Darwin's bezoek op sommige van de eilanden wel
talrijke troepen verwilderde huisdieren, Honden en Zwijnen, doch geen
Schildpadden meer gevonden werden. Deze komen thans slechts op een
enkel eiland in zeer verminderd aantal voor.

De onderstaande aanhalingen uit Darwin's reisverhaal, hebben betrekking
op de soort, die Günther meer bepaaldelijk Olifantschildpad (Testudo
elephantina) heeft genoemd. Zij kan 1.5 M. lang en bijna 1 M. hoog
worden; opmerkelijk zijn bij haar de lengte van den hals, de hoogte van
de pooten en de zwarte kleur van het pantser. Te midden van de zwarte
lava, de bladerlooze struiken en de groote cactussen herinneren deze
kolossale Reptiliën levendig aan dieren uit de voorwereld. Wanneer
zij zich ophouden in hoog gelegen streken van het midden der groote
eilanden, de eenige plaatsen waar bronnen voorkomen, maken boombladen,
een soort van zure en wrange bessen en bleekgroene korstmossen, die
festoensgewijs van de takken afhangen, haar voedsel uit. Zij bewonen
echter ook de lage, droge streken, waar, evenals op de waterlooze
eilanden, haar voedsel hoofdzakelijk uit sappige cactussen bestaat
en zij om het water te bereiken een grooten weg moeten afleggen. Door
het telkens heen en weer reizen zijn de breede en diep uitgeschuurde
paden ontstaan, die zich in alle richtingen van de bronnen naar de
zeekust uitstrekken. "De Schildpadden reizen dag en nacht door en
bereiken, naar gebleken was, door eenige exemplaren met een merkteeken
te voorzien, het doel van haar tocht veel eerder dan men verwachten
zou. Volgens de kolonisten konden de dieren een afstand van ongeveer
13 KM. in 2 of 3 dagen afleggen. Een groote Schildpad, die ik naging,
doorliep een weg van bijna 55 M. in 10 minuten, gelijkstaande met
bijna 6 1/2 KM. per 24 uur, indien het oponthoud, veroorzaakt door het
onderweg eten, op 4 uur geschat wordt. Bij 't gaan is het borstschild
ongeveer 30 cM. van den grond verwijderd. Iemand, die achter hen aan
loopt, schijnen zij niet te hooren. Als ik een van deze kolossen, die
bedaard zijn weg vervolgde, achterhaalde, was het grappig te zien,
hoe hij op 't oogenblik, dat ik hem voorbijstevende, den kop en de
pooten introk, een dof gesis liet hooren en met een luiden plof op
den grond viel, alsof hij dood was. Als ik dan op den rug van het
dier ging zitten, liet het zich door eenige slagen op het achterste
deel van het pantser overreden om op te staan en door te loopen; het
was echter moeielijk op dit rijdier het evenwicht te behouden. Bij de
bronnen zag ik vele Schildpadden. Sommige gingen met uitgestrekten
hals naar den waterkant; andere, die haar dorst gelescht hadden,
verwijderden zich langzaam van de drinkplaats. Zonder zich om den
toeschouwer te bekommeren, staken de pas aangekomen dieren den kop tot
over de oogen in 't water, slikten den eenen mondvol na den anderen
in en deden dit ongeveer tien maal in de minuut. Na een verblijf van
3 of 4 dagen in de buurt van de bronnen keeren de dieren weer naar de
lage streken terug. Zij leven echter ook op eilanden, waar de regen
slechts tijdelijk plassen doet ontstaan."

Evenals hare verwanten, zijn de Reuzenschildpadden traag, onverschillig
en ongevoelig; zij kunnen lang vasten: bij het slachten van dieren,
die 18 maanden achtereen zonder voedsel in het ruim van een schip
hadden gelegen, kon men geen vermagering bemerken. Het was daarom niet
moeielijk ze levend naar Europa over te brengen; vroeger geschiedde dit
dikwijls en kwamen zij niet zelden in dierentuinen en beestenspellen
voor. Gedurende den winter moest het hok goed verwarmd zijn, des zomers
liet men deze dieren op een grasperk naar verkiezing grazen; de dikke
bossen gras, die zij afbeten of afplukten, werden door de beweging van
de onderkaak tot ballen vervormd en, soms met zichtbare inspanning,
doorgeslikt. Het bleek niet duidelijk, dat zij haar verzorger van
andere personen onderscheiden; zij geraakten echter aan den omgang
met menschen gewoon, verloren haar schrikachtigheid en de gewoonte
om te sissen en lieten zich als rijdier gebruiken; soms was het niet
eens noodig haar door stokslagen aan 't loopen te brengen; zij kwamen
trouwens uiterst langzaam vooruit.

Het wijfje legt witte, ronde eieren van meer dan 5 cM. lengte in een
gat, dat zij zelf in zandgrond graaft en later weer met zand vult, of
in een rotsspleet. De jongen worden in grooten getale door Roofvogels
verslonden, de oude dieren hebben, behalve den mensch, geen voor
hen gevaarlijke vijanden. Overal waar Reuzenschildpadden voorkomen,
worden zij om haar vet en vleesch gevangen en gedood. Het vleesch
wordt versch gegeten of ingepekeld, uit het vet wordt een fraaie,
heldere olie bereid. Om te beoordeelen, of het dier vet genoeg is,
ging men op de Galapagos-eilanden op een zeer wreede wijze te werk:
naast den staart werd een gat in de huid gesneden, waardoor men het
bindweefsel onder het rugschild kon bereiken; indien dit niet aan de
verwachting beantwoordde, liet men het dier weer vrij; de wonde genas,
oogenschijnlijk zonder dat het dier er veel pijn van had. Enkele
exemplaren leverden niet minder dan 100 KG. vleesch op; er waren 6
à 8 man noodig om zulk een dier op te tillen. Volgens de Gebroeders
Rodatz kwamen in de eerste helft van deze eeuw op de Aldabra-eilanden
ieder jaar menschen om Schildpadden te vangen en deze vervolgens naar
Madagaskar of naar het vasteland van Afrika te brengen. Tot aan den
verzendingstijd werden zij in perken, door steenen muren omgeven,
bewaard en met gras en bladen gevoederd. In een van deze perken zagen
onze zegslieden 200, in een ander 300 Schildpadden. Een Hamburger
koopman verhaalde aan Kersten, dat nog in 1847 door 100 menschen,
de bemanning van twee schepen, op Aldabra binnen korten tijd 1200
Schildpadden werden buit gemaakt en dat sommige van deze een gewicht
van 400 KG. hadden.



Als vertegenwoordiger van de beide in Europa voorkomende soorten van
dit geslacht wordt gewoonlijk de Grieksche Schildpad (Testudo graeca)
gekozen. Haar pantser is over 't geheel genomen eivormig; het bolle,
middelmatig hooge rugschild is van achteren een weinig verbreed en
steiler afhellend dan van voren; het borstschild is bij 't wijfje plat,
bij 't mannetje een weinig binnenwaarts gedrukt, van voren afgeknot,
van achteren diep ingesneden. Iedere plaat van het rugschild is in
het midden zwart en verder met een gelen en zwarten zoom voorzien;
over het buikschild loopt een breede, onregelmatige, overlangsche
streep van geelachtige kleur; aan de zijden is het eveneens geel,
overigens zwart; de pooten, de hals en de kop zijn vuil groengeel. De
lengte van het pantser bedraagt 14, hoogstens 16 cM., het gewicht
zelden meer dan 0.5 KG.

Deze soort, die ook in Syrië zeer veelvuldig voorkomt, bewoont in ons
werelddeel Griekenland, de Grieksche eilanden, Dalmatië en Turkije,
de lage landen langs den Donau, Beneden-Italië, met inbegrip van de
eilanden Corsica, Sardinië en Sicilië, en ook de Balearen. Zij behoort
in dorre, dicht begroeide gewesten thuis en is in sommige streken zeer
talrijk. Het is voor haar een groot genot zich uren lang aan de stralen
van de middagzon bloot te stellen: Duméril vond deze dieren in Sicilië,
waar zij overal talrijk zijn, aan beide zijden van de wegen liggen, zoo
sterk verhit door den zonneschijn, dat hij gevaar liep zich te branden,
als hij de hand op haar pantser legde. Tegen den aanvang van den winter
kruipen zij diep onder den grond en brengen hier het koele jaargetijde
slapend door; in 't begin van April komen zij weer te voorschijn.

De Grieksche Schildpad voedt zich met verschillende kruiden en
vruchten; bovendien eet zij Slakken, Wormen en Insecten en wordt
daarom in haar vaderland dikwijls in tuinen gehouden om hier jacht te
maken op allerlei ongedierte; het gevolg hiervan is echter dikwijls,
dat zij de fraaiste en sappigste planten afbijt of platdrukt. Zij is
volstrekt niet keurig op haar voedsel. De gevangene dieren worden met
vruchten, salade, wittebrood (in melk of water geweekt), Meelwormen,
Aardwormen en rauw vleesch gevoederd; zij kunnen op deze wijze
gedurende verscheidene menschenleeftijden in 't leven gehouden worden,
wanneer men ze slechts tegen de werking van de koude beschut. Reeds
in Mei of Juni legt het wijfje 8 à 15 bolvormige, witte eieren met
harden schaal, die de grootte van een kleinen noot hebben. Op het
zonnigste plekje, dat zij vinden kan, graaft zij met de achterpooten
een kuiltje in den grond, legt er de eieren in en bedekt ze zorgvuldig
met aarde; de verdere zorg voor hare nakomelingschap laat zij aan den
grooten bron van warmte en licht over. Op een der eerste regendagen
van September komen de jonge Schildpadjes voor den dag; zij hebben
dan ongeveer de grootte van een halven notendop en zijn de aardigste
diertjes, die men zich voorstellen kan.

Hoe ongevoelig deze dieren ook zijn, toch kunnen zij een temperatuur
beneden het vriespunt niet verdragen; hieraan blootgesteld, bezwijken
zij spoedig. Geen nadeel lijden zij daarentegen door bijna een jaar
lang te vasten; de allervreeselijkste verminkingen verdragen zij met
een ons onbegrijpelijke onverschilligheid. Nadat haar de hersenen,
die ongeveer de grootte van een boon hebben, ontnomen zijn, loopen
zij nog wel 6 maanden rond; de afgesneden kop bijt nog na verloop
van een half uur; het hart klopt nog 14 dagen na de onthoofding.

Het vleesch van deze Schildpad, die men op Sicilië en in andere
gewesten van Italië geregeld ter markt brengt, wordt overal gegeten;
de daarvan bereide soep valt zeer in den smaak.



Door de tot vinnen vervormde pooten, waarvan de voorste aanmerkelijk
langer zijn dan de achterste, verschillen de Zeeschildpadden
(Chelonidae) van de overige leden harer orde. Het met hoornplaten
bekleede pantser onderscheidt hen van de Lederschildpadden, die
eveneens uitsluitend in zee aangetroffen worden en vroeger met
haar onder den naam van "Zeeschildpadden" werden samengevat. Alle
ledematen der Cheloniden zijn lange, platte vinnen geworden, die aan
de vinpooten der Robben herinneren. Eigenaardig is ook het maaksel van
het hartvormige, flauw gewelfde rugschild; dit is meestal onvolledig
verbeend: in het skelet bereiken wel de ribben, doch niet de daarbij
behoorende huidbeenderen den "rand," zoodat tusschen dezen en de
"schijf" groote fontenellen voorkomen, die natuurlijk bij het volledige
dier, evenals de groote fontenel in het midden van het borstschild,
door de onverbeende huid gevuld zijn. Eerst op lateren leeftijd komt
tusschen borstschild en rugschild een verbinding door een naad tot
stand. De hals en de kop kunnen slechts ten deele, de ledematen in
het geheel niet onder het rugschild teruggetrokken worden. Andere
kenmerken zijn: de kortheid en de dikte van den vierzijdigen kop;
de gladde, scherpe, soms aan den rand getande hoornscheeden, die de
kaken bekleeden, zijn aan de spits haakvormig gekromd; bij gesloten
bek is de ondersnavel geheel door den bovensnavel omgeven.

De vier soorten van Schildpadden, die tot deze familie behooren,
leven in de zee, soms op een afstand van honderden zeemijlen van de
kust, zwemmen en duiken voortreffelijk en bezoeken het land alleen
om er hare talrijke, weekschalige eieren te leggen.



De Soepschildpad (Chelone mydas), die 450 KG. zwaar kan worden en dan
een pantser van 1.1 M. heeft, kenmerkt zich, doordat de hoornscheede
van de bovenkaak van voren niet haakvormig gekromd, maar afgeknot
is, door de naast, niet over elkander liggende hoornplaten van het
rugschild en door het bezit van een enkel paar schilden tusschen de
neusgaten en het voorhoofdsschild. De niet zeer standvastige kleur
van de bovenzijde is in den regel dof bruinachtig groen, geelachtig
gevlekt of gemarmerd; de onderzijde is geelwit of vuilwit.

Deze soort, die alle zeeën van den tropischen en subtropischen
aardgordel bewoont, schijnt hier overal veelvuldig te zijn. In de
Middellandsche zee, waar zij door een andere soort (Chelone cephala)
vervangen wordt, komt zij slechts als dwaalgast voor. Deze Schildpadden
zijn, evenals hare verwanten, volslagen zeedieren. Zij houden zich
bij voorkeur in de nabijheid van de kust op, maar worden toch ook
dikwijls op zeer grooten afstand van het land, dikwijls midden in den
Oceaan, gevonden. Hier ziet men ze dicht bij de oppervlakte zwemmen,
soms ook wel oogenschijnlijk slapend, op den zeespiegel liggen;
bij de geringste storing verdwijnen zij echter oogenblikkelijk in
de diepte. Haar ronddartelen herinnert levendig aan het vliegen van
groote roofvogels, b.v. Arenden; de onverstoorbare volharding en de
bevalligheid van hare bewegingen zijn bewonderenswaardig. Deze dieren
paren kracht aan snelheid, kunnen op allerlei diepten even goed zwemmen
als duiken en nemen in het water alle denkbare houdingen aan. Daar
waar zij veelvuldig voorkomen, ziet men ze soms bij groote troepen;
over 't algemeen schijnen zij zeer gezellig te zijn.

In tegenstelling met de verwante Bissa, die een volslagen roofdier
is, eet de Soepschildpad zeeplanten, vooral wieren; daar waar zij
veelvuldig is, bedekken tal van plantendeelen, die door haar afgebeten
zijn, het water. Op bepaalde tijden verlaten de wijfjes den oceaan en
begeven zich naar vaste, haar sinds lang bekende plaatsen om er eieren
te leggen. Zij kiezen hiervoor zandige stranden van onbewoonde eilanden
of van kusten, die ver van het gewoel der menschen verwijderd zijn,
en bezoeken dezelfde legplaats ieder jaar, misschien wel gedurende
haar geheele leven, al moeten zij een weg van honderden zeemijlen
afleggen om deze plek, vermoedelijk haar geboortegrond, te bereiken.

De Soepschildpadden, die overigens tamelijk veilig zijn tegen vijanden,
verkeeren gedurende den tijd van 't eierleggen in een zeer gevaarlijke
positie. Groote roofdieren en menschen maken ijverig jacht op de dan
weerlooze dieren. De onbewoonde, woeste kusten van Brazilië, waar de
Schildpadden gewoon zijn aan land te komen, worden slechts zelden door
reizigers bezocht; in den legtijd komen hier echter alle Indianen uit
den omtrek bijeen. "Vele van de Schildpadden, die aan land komen om
eieren te leggen," zegt de Prins Von Wied, "vinden hier den dood,
daar haar langzaamheid en onbeholpenheid op den vasten grond niet
minder groot is dan haar vlugheid in 't water. De Indianen vangen
deze dieren, om door het uitkoken van hun vleesch olie te verkrijgen,
en verzamelen in groote korven de talrijke eieren, die reeds in het
zand gelegd, of nog in het lichaam van hunne slachtoffers aanwezig
zijn. Vele gezinnen bouwen hutten van palmbladen op het strand en
blijven hier verscheidene dagen of weken wonen, om iederen dag eieren
te kunnen zoeken."

Voorzichtig naderen de jagers van de landzijde de onbewoonde
kuststreken, waar de Zeeschildpadden eieren leggen; in kleine booten
begeven zij zich naar het strand van de hun als legplaatsen bekende,
onbewoonde eilanden; zij houden zich schuil, tot de schroomvallige
dieren aan land gekropen en ver genoeg van 't water verwijderd
zijn. Zoodra de Schildpadden onraad bespeuren, spoeden zij zich
onmiddellijk naar de zee om den vijand te ontkomen; op plaatsen,
waar het strand een voldoende helling heeft, slagen zij er dikwijls
in, zich snel om te draaien en zich over het zand naar beneden te
laten glijden. Wanneer de jagers echter op het juiste oogenblik hun
schuilplaats verlaten, verhinderen zij de vlucht van hun buit door
dezen om te wentelen, zoodat het rugschild op den grond rust. De
Zeeschildpad, die in dit geval verkeert, slaagt er nooit in haar
vrijheid te herkrijgen, hoewel zij woedend met de vinnen om zich
heen en op haar pantser slaat en zich zoo krachtig inspant, dat hare
met bloed doorloopen oogen ver uit hunne kassen puilen. In dezen
hulpeloozen toestand blijven zij liggen en komen ellendig om 't leven,
indien de jagers wreed genoeg zijn om meer Schildpadden om te wentelen
dan zij medenemen kunnen, zooals soms gebeurt. Voor het omwentelen van
zeer groote en zware dieren zijn hefboomen noodig. Vele exemplaren
worden in netten gevangen, andere met den harpoen buitgemaakt. De
jacht geschiedt altijd 's nachts; den volgenden morgen zoekt men
de gevangen dieren op en werpt ze in hiervoor bestemde bakken,
of brengt ze dadelijk op de schepen, waarmede zij vervoerd zullen
worden. In de bakken, die natuurlijk met zeewater gevuld moeten zijn,
zwemmen de gevangen dieren langzaam rond, dikwijls drie of vier
boven elkander. Zij nemen zelden voedsel aan, vermageren daarom snel
en verminderen in waarde. Die, welke men op de Europeesche markten
ziet, komen meestal uit West-Indië, vooral van Jamaica. Gedurende
de reis liggen zij, met touwen vastgebonden, op een geschikte plaats
van het dek op den rug; het stuk zeildoek, waarmede zij bedekt zijn,
wordt zoo dikwijls met zeewater overgoten, dat het voortdurend nat of
althans vochtig blijft; men steekt elk van deze arme stakkers een met
zeewater doortrokken stuk wittebrood in den bek en vertrouwt voor 't
overige op de buitengewone taaiheid van hun leven. In de Europeesche
havensteden bewaart men ze in groote kuipen met zeewater, dat om de
twee of drie dagen ververscht wordt. Het slachten geschiedt door het
dier den kop af te houwen en het 1 of 2 dagen lang zoo op te hangen,
dat al het bloed er uit druppelen kan. Eerst dan acht men het vleesch
geschikt voor de bereiding van de bekende, smakelijke soep.

In sommige tijden schijnt het vleesch van deze Schildpad schadelijke en
zelfs vergiftige eigenschappen te hebben. Te Pantoeroe ten zuiden van
Colombo werden in October 1840 28 personen, die schildpaddenvleesch
gegeten hadden, kort na den maaltijd zwaar ziek; 18 van hen stierven
in den volgenden nacht.



De Echte Karetschildpad of Bissa (Chelone imbricata), die met
de vorige soort door lichaamsbouw, gestalte en bewegingen veel
overeenkomst vertoont, bewoont nagenoeg dezelfde zeeën. Zij is
echter aanmerkelijk kleiner; haar bovenkaak is van voren sterk
haakvormig omgebogen; tusschen de neusgaten en het voorhoofdsschild
komen twee opeenvolgende paren schilden voor; de hoornplaten van het
rugschild zijn min of meer dakpansgewijs gerangschikt en liggen dus
gedeeltelijk over elkander heen. Van kastanjebruin tot zwartbruin
wisselt de grondkleur van deze met gele vlammen gekleurde platen af;
die van het borstschild zijn effen geel, de schilden van den kop en
van de ledematen zijn donkerbruin met gele randen. De lengte van het
pantser zal waarschijnlijk nooit meer dan 84 cM. bedragen.

De Bissa is een roofdier in de volste beteekenis van 't woord;
zij gebruikt geen ander dan dierlijk voedsel: behalve Weekdieren,
waarschijnlijk ook Visschen; door hare vlugge bewegingen is zij
misschien in staat om betrekkelijk groote en behendige waterbewoners
buit te maken. Ook zij wordt door den mensch fel vervolgd, echter
niet om haar vleesch--dat, naar men zegt, ziekteverschijnselen
veroorzaakt--en ook niet om hare eieren,--hoewel ook zij het meest
gevangen wordt, nadat zij zich aan land begeven heeft om voor haar
nakomelingschap te zorgen, waarvoor zij steeds dezelfde oorden
opzoekt. Het "schildpad", waarvan een volwassen Bissa 2 à 6 KG. kan
opleveren, geeft aanleiding tot de vangst van dit dier. Om dit product
te verkrijgen worden afschuwelijke wreedheden gepleegd. De hoornplaten
geraken alleen na een sterke verhitting van het rugpantser los;
het ongelukkige dier wordt daarom boven een vuur opgehangen en zoo
lang geroosterd, totdat het gewenschte doel bereikt is. De Chineezen,
inziende, dat het schildpad door droge warmte gemakkelijk bedorven kan
worden, maken tegenwoordig gebruik van kokend water om de hoornlaag
van het been af te scheiden. Nadat de bewerking afgeloopen is, wordt
de Bissa weer in vrijheid gesteld; men laat haar weer naar de zee
loopen, in de meening dat het schildpad weer aangroeit.

Het schildpad overtreft niet alleen door fraaiheid en kwaliteit
iedere andere soort van hoorn, maar kan ook gemakkelijker verwerkt
worden. Om dikke platen te verkrijgen, is het voldoende de ongelijk
dikke en brooze platen, die men van het dier verkrijgt, in kokend
heet water te verweeken en daarna tusschen metalen pletrollen samen te
persen. Bij een voldoende drukking kleven zij zoo vast aaneen, dat men
de samenstellende deelen niet meer onderscheiden kan; deze grondstof
behoudt den vorm, dien haar door drukking in verweekten toestand werd
gegeven, nadat men haar langzaam weer hard heeft laten worden; zij is
dus uitmuntend geschikt voor het vervaardigen van dozen en kammen. Het
afval wordt gebruikt tot aanvulling van de oneffenheden tusschen de
platen, die bij een behoorlijken warmtegraad zoolang geperst worden,
totdat alle deelen innig aaneenverbonden zijn.



De tweede groep van de Echte Schildpadden omvat de Halswenders of
Rivierschildpadden (Pleurodira); deze trekken den meestal langen
hals met den kop in tijden van gevaar niet terug, maar buigen hem
zijwaarts en achterwaarts om hem tusschen het rugschild en borstschild
te verbergen, zoodat de spits van den snuit op het schouderblad
komt te liggen. Een tweede eigenaardigheid van deze dieren is, dat
de bekkenbeenderen zoowel met het rugschild als met het borstschild
vergroeid zijn. De kop en de hals zijn gewoonlijk plat, de oogen bijna
boven op, in plaats van aan de zijden van den kop geplaatst, de kaken
nooit getand, de teenen door sterk ontwikkelde zwemvliezen vereenigd.

De eieren van verscheidene Zuid-Amerikaansche leden dezer groep
zijn voor vele volksstammen zeer nuttig; over 't algemeen is de
beteekenis dezer in moerassen en rivieren levende Schildpadden voor de
menschelijke huishouding niet gering. Wat haar levenswijze betreft,
kunnen wij volstaan met te verwijzen naar de onderstaande, aan een
der grootste natuuronderzoekers van alle tijden ontleende beschrijving
van één dezer dieren.



De bedoelde soort--de Arraoe (Podocnemis expansa) van het geslacht
der Beenplaatschildpadden (Podocnemis) en van de familie der
Pelomedusen (Pelomedusidae)--is een groot dier, welks pantser 77
cM. lang kan worden (het wijfje is ongeveer tweemaal zoo groot als
het mannetje). Zij bewoont het geheele tropische Zuid-Amerika ten
oosten van den Andes, waar ook de 4 overige leden van haar geslacht
voorkomen. Evenals deze, heeft zij de hals en de pooten bijna naakt
(het geslacht ontleent den naam aan een reeks van schubben op den
voorarm en aan de buitenzijde der achterpooten); groote en dikke
schilden bedekken den kop, waaraan een diepe en breede groeve tusschen
de oogen de aandacht trekt; van de kin hangen twee baarddraden naar
beneden; de rand van het matig gewelfde rugschild steekt in horizontale
richting uit.

"De Arraoe," schrijft Alexander von Humboldt, "is een groote
Zoetwaterschildpad met zwemvoeten, een zeer platten kop, twee vleezige,
zeer spitse aanhangsels onder de kin, 5 teenen aan de voorpooten en
4 aan de achterpooten, die van onderen gegroefd zijn. Het rugpantser
heeft 5 middel-, 8 zijde- en 24 randschilden, is van boven zwartgrijs,
van onderen oranjegeel; de lange pooten hebben dezelfde kleur als
het rugschild. Tusschen de oogen is een zeer diepe groeve. De nagels
zijn zeer dik en gebogen. De aarsopening bevindt zich aan het laatste
vijfde gedeelte van den staart. Het volwassen dier weegt 20 à 25 KG. De
eieren, welke in grootte die van een Duif overtreffen, hebben een
aangenamen smaak en zijn bij de bewoners van Guyana zeer gezocht; hun
kalkschaal is, naar men zegt, zoo stevig, dat de kinderen der Otomaten,
die veel van kaatsen houden, ze elkander kunnen toewerpen. (De Terekay
is kleiner dan de Arraoe; haar pantser bestaat uit evenveel platen,
doch deze zijn eenigszins anders verdeeld.) Deze schuwe, vreesachtige
dieren, houden bij 't zwemmen den kop boven water, maar verbergen hem
bij 't geringste gedruisch; zij mijden de door menschen bewoonde oevers
of de door booten verontruste gedeelten van den stroom. De oevers,
waar bijna alle Schildpadden van den Orinoco ieder jaar schijnen
bijeen te komen om eieren te leggen, liggen tusschen de uitmonding
van de Apoere in den Orinoco en de Raudales of groote watervallen;
hier komen de drie terreinen voor, die wegens hun eierenopbrengst het
meest beroemd zijn. De Arraoe gaat niet hooger op dan de watervallen;
de Terekay komt zoowel in den Boven-Orinoco als beneden de watervallen
voor, bovendien in de Apoere, de Oeritoeko en de kleine rivieren,
die door de Llanos van Caracas vloeien.

"Tegen 11 uur in den voormiddag kwamen wij met onze boot aan een
eiland midden in den stroom en stapten aan wal. Dit eiland, dat door de
Indianen van de zendingpost Oeroeana als hun eigendom wordt beschouwd,
is beroemd wegens haar Schildpaddenvangst of, zooals men hier zegt,
wegens den "eierenoogst", die hier jaarlijks gehouden wordt. Wij vonden
er meer dan 300 Indianen in hutten van palmbladen gelegerd. Behalve de
Goeanos en Otomakos uit Oeroeana, die beide voor wilde, onbedwingbare
stammen worden gehouden, waren hier ook Karaiben en andere Indianen
van den Beneden-Orinoco verzameld. Iedere stam had een afzonderlijke
legerplaats en was te onderscheiden aan de kleur, waarmede de huid
zijner vertegenwoordigers beschilderd was. Te midden van de tierende
menigte zagen wij eenige blanken, vooral kooplieden uit Angostura,
die de rivier opgevaren waren met het doel, om van de inboorlingen
schildpaddenolie te koopen. Ook ontmoeten wij hier de zendeling van
Oeroeana, die ons verhaalde, dat hij met de Indianen, die eieren
gingen zoeken, medegekomen was, om iederen morgen in de open lucht
de mis te lezen en om zich olie voor de altaarlamp te verschaffen,
vooral echter om den vrede te bewaren in dezen "vrijstaat van Indianen
en Kastilianen," waar ieder voor zich alleen wil hebben, wat God aan
allen schenkt.

"Vergezeld door dezen zendeling en door een koopman, die zich er
op beroemde, dat hij reeds tien jaren geregeld bij den eierenoogst
tegenwoordig was, gingen wij het eiland rond, dat op soortgelijke
wijze bezocht wordt, als bij ons de jaarmarkten. Wij kwamen op een
effene zandvlakte. Zoover het gezicht reikt, zeide men ons, liggen
de schildpaddeneieren onder de bovenste aardlaag van den oever. De
zendeling droeg een langen stok in de hand en toonde ons, hoe men
hiermede de uitgestrektheid van de eieren-bevattende laag bepaalt,
zooals de mijnbouwkundige de grenzen van een laag mergel, ijzeroer
of bruinkool onderzoekt. Als de stok loodrecht in den grond wordt
gestoken, wijst het plotseling ophouden van den weerstand aan, dat
men doorgedrongen is tot in de holte of tot in de losse aardlaag,
waarin de eieren geborgen zijn. Het bleek ons, dat deze laag over 't
algemeen zoo gelijkmatig verdeeld is, dat de stok over een plek van
20 M. middellijn rondom een gegeven punt haar overal bereikte. Men
spreekt daarom hier van vierkante roeden eieren, alsof men het heeft
over een terrein, waaronder een ertslaag ligt en dat in vakken is
verdeeld om het geregeld te exploiteeren. De eierenlaag strekt zich
echter op verre na niet over het geheele eiland uit, maar houdt op
overal waar de grond zich verheft, omdat de Schildpad naar deze kleine
hoogvlakten niet omhoogkruipen kan.

"De tijd, waarin Arraoe hare eieren legt, valt samen met dien
van den laagsten waterstand. Daar de Orinoco op den dag van de
lente-dag-en-nacht-evening begint te wassen, liggen de diepste
gedeelten van den oever van het begin van Januari tot den 29sten
Maart droog. De Arraoes vereenigen zich reeds in Januari tot groote
zwermen, verlaten het water en koesteren zich op den zandigen oever
in de zon. Gedurende de maand Februari vindt men de Arraoes bijna
den geheelen dag op den oever. In het begin van Maart vereenigen de
verspreide troepen zich en zwemmen naar de weinige eilanden, waar
zij gewoon zijn hare eieren te leggen: waarschijnlijk kiest iedere
Schildpad hiervoor ieder jaar denzelfden oever. Weinige dagen vóór
het leggen komen zij bij duizenden in lange reeksen op de oevers
van de eilanden Coecoeroeparoe, Oeroeano en Pararoema, strekken den
hals en houden den kop boven water, om te zien, of zij hier niet door
"Tijgers" of door menschen bedreigd worden. De Indianen, die er het
grootste belang bij hebben, dat de vereenigde zwermen bijeenblijven,
plaatsen wachten langs den oever om te verhinderen, dat de dieren
verstrooid worden en om te bevorderen, dat zij in vrede hunne eieren
kunnen leggen. Men beduidt de menschen op de vaartuigen, dat zij
't midden van den stroom moeten houden en de Schildpadden niet door
hun geschreeuw moeten verjagen.

"De Indianenkampen op drie bovengenoemde plaatsen worden in de laatste
dagen van Maart of in de eerste dagen van April geopend. De eierenoogst
heeft steeds op dezelfde wijze plaats. Als het kamp opgeslagen is,
benoemt de zendeling een plaatsvervanger, die de landstreek, waar
de eieren liggen, naar het aantal Indianenstammen, die aan den oogst
deelnemen, in afdeelingen splitst. Hij begint met op de reeds genoemde
wijze te onderzoeken, hoe ver de eierenbevattende laag zich in den
grond uitstrekt. Volgens onze metingen reikt zij tot 40 M. van den
oever en ligt op een gemiddelde diepte van 1 M. De hiervoor benoemde
persoon wijst aan, hoe ver iedere stam werken mag. Niet zonder
verwondering hoort men den eierenoogst schatten op gelijke wijze als
de opbrengst van een korenveld. Het komt voor, dat een terrein van
40 M. lengte en 10 M. breedte 100 kruiken (of voor 500 gulden) olie
oplevert. De Indianen graven den grond met de handen open, leggen de
ingezamelde eieren in kleine mandjes, "mappiri" genaamd, dragen ze
naar het kamp en storten ze uit in groote, met water gevulde, houten
troggen. Hier worden de eieren met schoppen vergruisd, omgeroerd
en aan de zon blootgesteld, totdat de bovendrijvende, olieachtige
bestanddeelen van den eidooier dik geworden zijn. De afgeschepte
olie wordt boven een flink vuur gekookt en blijft, naar men zegt,
des te beter van kwaliteit, naar mate zij sterker gekookt werd. Goed
toebereid, is zij reukeloos, helder en zeer licht geel van kleur. De
zendelingen achten haar gelijk aan de beste boomolie. Men gebruikt
haar niet uitsluitend als lampolie, maar ook (en wel bij voorkeur)
voor de spijsbereiding, daar zij aan de spijzen geen onaangenamen smaak
mededeelt. Het is echter moeielijk volkomen zuivere Schildpaddenolie te
verkrijgen; de meeste heeft een rotlucht, welke hierdoor veroorzaakt
wordt, dat in eenige van de eieren de jongen reeds tot ontwikkeling
waren gekomen.

"De geheele opbrengst van de oeverterreinen, waar ieder jaar eieren
ingezameld worden, kan men op 5000 kruiken begrooten. Daar 200
eieren een wijnflesch vol olie opleveren, zijn er 5000 noodig voor
een kruik. Als men aanneemt, dat iedere Schildpad 100 à 116 eieren
legt en dat een derde hiervan gedurende het leggen breekt, zoo komt
men tot het besluit, dat, om deze 5000 kruiken met olie te vullen,
330,000 Arraoe-schildpadden op de drie oogstplaatsen 33 millioen
eieren moeten leggen. Door deze berekening blijft men echter nog
ver beneden het werkelijke aantal Schildpadden in de rivier. De
hoeveelheid eieren, waarvan de jongen reeds uitgekomen zijn, voordat
de mensch aan 't inzamelen gaat, is zoo verbazend groot, dat ik bij
het kamp van Oeroeana den geheelen oever van den Orinoco bedekt zag
met een gewemel van jonge 2 1/2 cM. breede Schildpadjes, die met
moeite ontsnapten aan de hen najagende kinderen van Indianen. Voeg
hier nog bij, dat niet alle Arraoes op de drie genoemde eilanden
komen, dat vele tusschen den Orinoco-mond en de samenvloeiing met de
Apoere afzonderlijk en een paar weken later eieren leggen, zoo komt
men noodzakelijkerwijze tot de slotsom, dat het aantal Schildpadden,
die ieder jaar aan de oevers van den Beneden-Orinoco eieren leggen,
nagenoeg een millioen moet bedragen.

"De inzameling van de eieren en de bereiding van de olie duren 3
weken; slechts in dezen tijd staan de zendingsposten met de kust
en met naburige beschaafde landen in verkeer. De Franciskanen,
die ten zuiden van de watervallen gevestigd zijn, komen bij den
eierenoogst, niet zoozeer om zich olie te verschaffen, als wel om
blanke gezichten te zien. De oliehandelaars behalen een winst van
60 à 70 percent; daar de Indianen hun de kruik olie voor een harden
piaster verkoopen en de kosten van verzending slechts 2/5 piaster
per kruik bedragen. Alle Indianen, die aan den eierenoogst deelnemen,
nemen ook groote hoeveelheden in de zon gedroogde of zacht gekookte
eieren mede naar huis. Onze roeiers hadden ze in hunne korven of in
katoenen zakjes steeds bij zich. De smaak kwam ons niet onaangenaam
voor, zoolang zij nog onbedorven waren.

"Men wees ons groote, door Jagoears geledigde schildpaddenpantsers. De
"Tijgers" loeren op de Arraoes, wanneer deze aan den oever komen om
eieren te leggen, overvallen ze gedurende haar verblijf op het land en
wentelen ze op den rug om ze gemakkelijker te kunnen verslinden. De
in dezen toestand gebrachte Schildpadden kunnen niet weer overeind
komen; daar de "Tijger" er veel meer omwentelt, dan hij in één nacht
opeten kan, doen de Indianen dikwijls hun voordeel met zijn list en
boosaardige hebzucht.

"Wanneer men bedenkt, hoeveel moeite het den reizenden
natuuronderzoeker kost om het pantser van een Schildpad te ledigen,
indien hij het rugschild en het borstschild in hun verband wil laten,
kan men zich niet genoeg verwonderen over de behendigheid van den
"Tijger", die met zijne klauwen ditzelfde werk zoo flink verricht,
alsof de aanhechtingen van de spieren met het mes van een heelmeester
waren losgemaakt. De "Tijger" vervolgt de Schildpad zelfs in het water,
voor zoover dit niet zeer diep is, graaft ook hare eieren uit, kortom
is met den Krokodil, de Reigers en de Raafgieren de vreeselijkste
vijand van de pas uit het ei gekomen Schildpadden. Behalve de zooeven
genoemde wilde dieren doen ook de wilde Indianen veel afbreuk aan de
oliebereiding. Zoodra de eerste, minder belangrijke regenbuien (door
hen "schildpaddenregens" genoemd) voorkomen, trekken zij naar de oevers
van den Orinoco en dooden met vergiftigde pijlen de Schildpadden,
die met vooruitgestoken kop en uitgespreide pooten zich door de zon
laten koesteren."

Van Januari tot Juli bewonen de Arraoes de plassen en oevermeren van de
overstroomde wouden en eten bijna niets anders dan boomvruchten. Door
de felle vervolging, die zij te verduren hebben, is haar aantal reeds
merkbaar verminderd.



Een der vreemdsoortigste leden van de geheele orde is de Matamata
(Chelys fimbriata), de eenige vertegenwoordigster van het geslacht
der Franjeschildpadden (Chelys) en van de gelijknamige familie
(Chelydae). Het zeer weinig gewelfde rugschild vertoont drie
overlangsche reeksen van dikke, gekielde knobbels, die door diepe
groeven vaneengescheiden zijn. De kop is zeer plat en driezijdig;
de oogen zijn buitengewoon klein; de mondspleet strekt zich tot aan
de oorstreek uit; de neus is tot een middelmatig langen, dunnen snuit
verlengd, aan welks spits de neusgaten voorkomen: de hals is tamelijk
lang, maar zeer breed en plat, de staart kort, het zwemvlies tusschen
de vijf teenen van de voorvoeten en de vier teenen van de achtervoeten
sterk ontwikkeld. Boven elke gehooropening bevindt zich een dun,
tamelijk groot, naar boven gericht, driehoekig aanhangsel, dat aan
een oorschelp herinnert; de kin is met twee baarddraden voorzien, de
keel met een in franjes verdeeld aanhangsel; soortgelijke huidfranjes
zijn aan weerszijden van den hals op reeksen geplaatst. Zij bereikt
volgens Dumeril een totale lengte van 2.2 M., waarvan op het pantser
1.23 M. en op den hals 72 cM. komt. De bovenzijde is bijna effen
kastanjebruin, de onderzijde vuil groenachtig geel.

De Matamata is tot Guyana en Noord-Brazilië beperkt; men heeft haar in
den Amazonenstroom en de naburige stilstaande wateren, in de rivieren
Essequebo, Roepoenoeni en Takoetoe alsook in de meren en rivieren van
de savanna aangetroffen. Daar waar zij voorkomt, schijnt zij talrijk
te zijn. "Gewoonlijk," zegt Schomburgk, "had zij zich bij den oever
in 't zand gewoeld, zoodat het water ongeveer een vingerbreed hoog
boven haar rugschild stond, en scheen daar bewegingloos op een prooi
te loeren. Zij liet zich grijpen zonder beweging te maken; wegens den
onaangenamen reuk, dien zij verbreidde, deden wij dit echter slechts
zelden. Onze Karaïben vielen met een ware woede op haar vleesch
aan." Misschien dienen de vreemdsoortige aanhangsels aan den kop als
lokaas voor die Visschen, welke gemakkelijk te verschalken zijn.



De derde reeks van de Echte Schildpadden omvat
de Rivierlederschildpadden (Trionychoidea). Van alle overige
onderscheiden zij zich door het ontbreken der hoornplaten op haar
pantser; dit is slechts door een zachte huid bedekt. Het rugschild
is zwak gewelfd en onvolledig verbeend: het beenig schijfgedeelte
heeft een zachten, lederachtigen zoom, die hoogst zelden door eenige
randbeenderen gesteund wordt; in het midden van het borstschild komen
groote fontenellen voor. De kaken zijn met vleezige lippen voorzien,
doch hebben een hoornachtigen rand; de neusgaten zijn aan de spits
van een zachten, beweeglijken snuit geplaatst. De teenen hebben zeer
sterk ontwikkelde zwemvliezen; slechts de drie binnenste van elken
voet eindigen in scherpe klauwen. De kop en de hals kunnen onder het
pantser verborgen worden; bij sommige kan dit ook met de pooten en den
korten staart geschieden; ter beschutting van de teruggetrokken organen
zijn dan achter aan het borstschild links en rechts eigenaardige
kleppen aanwezig; ook het voorstuk is beweeglijk. Naar het schijnt,
kunnen de papillen van het slijmvlies, dat de keelholte bekleedt,
de rol van kieuwen vervullen; tusschen het bloed van de talrijke
haarvaten dezer organen en het hem omgevende water heeft dezelfde
uitwisseling van gassen plaats, als in de longen tot stand komt.



Bij de Drieklauwen (Trionyx) zijn in het geheel geen randbeenderen
aanwezig en kunnen de achterpooten en de staart niet onder het pantser
verborgen worden.

Hoewel de meeste soorten van dit geslacht het Oostersche rijk
bewonen en slechts enkele in Noord-China en Japan, in Afrika en in
Noord-Amerika gevonden worden, is nog steeds de Woeste Drieklauw
(Trionyx ferox), de grootste van de Noord-Amerikaansche soorten, ons
het nauwkeurigst bekend. Zij kan een gewicht van 35 KG. bereiken en is
dan 1.6 M. lang, waarvan 85 cM. op het pantser komen. Haar rugschild
is op donker leigrauwen grond met talrijke, groote oogvlekken en,
vooral aan den rand, met donkere stippels geteekend; de onderzijde
is vuilwit, de leikleurige kop van boven aan weerszijden donker
gevlekt, in de oogstreek met een tot aan den hals reikenden en hier
uitvloeiende, lichte, donker gezoomde slaapstreep versierd; de kin,
de voeten en de staart zijn zwart en wit gemarmerd; de iris is geel.

De Woeste Drieklauw wordt aangetroffen in de Savannah- en
Alabama-rivieren en in alle stroomen, die zich in de Golf van
Mexico uitstorten, dus in het zuidoosten van de Vereenigde Staten,
van Georgië tot West-Louisiana. In de meeste wateren van het door
haar bewoonde gebied is deze soort veelvuldig. Men ziet haar bij
stil weer in grooten getale aan de oppervlakte drijven, en in de
rivieren dikwijls talrijk op de rotsen verschijnen, om zich hier in
het ondiepe water door de zon te laten koesteren. Gewoonlijk ligt zij,
onder wortels en waterplanten verborgen, op buit te loeren. Zij maakt
jacht op Visschen, Amphibiën en Watervogels, zwemt langzaam op het
uitgekozen slachtoffer af, strekt dan bliksemsnel den betrekkelijk
langen hals en grijpt zonder fout haar prooi. Voor de boeren is zij
door het vangen van jonge Eenden en Ganzen lastig. Naar men zegt,
richt zij onder de jonge Alligators een groote slachting aan; door
de oude wordt zij echter opgegeten.

In Mei zoeken de wijfjes zandige plekken op aan den oever van het door
haar bewoonde water en beklimmen, hoewel zij zich overigens zelden
of nooit op 't droge begeven, in dezen tijd heuvels van meer dan 1
M. hoogte. Hare eieren zijn bolvormig en betrekkelijk broos van schaal.



VIERDE ORDE.

DE SNAVELHAGEDISSEN (Rhynchocephalia).


Deze merkwaardige dieren, die men bij oppervlakkig onderzoek
voor Hagedissen zou houden, geven bij ontleding eigenaardigheden
te aanschouwen, die tot de kenmerken van geheel andere orden en
zelfs van andere klassen behooren. Zij toonen o. a. verwantschap met
Hagedisachtige Amphibiën, die hun bloeitijd hadden, toen de lagen van
de steenkolen- en de daaropvolgende dyas- en triasformatie ontstonden,
maar vóór den aanvang van het juratijdperk volkomen verdwenen waren;
wij bedoelen de Labyrinthodonten of "Doolhoftandigen", de hoogst
ontwikkelde leden van de uitgestorven groep der "Dakschedeligen"
of Stegocephalen. De overblijfselen van deze meestal met een
pantser van beenplaten bedekte Amphibiën worden het meest gevonden
in de porphyrachtige zandsteenen en conglomeraten, die in Bohemen en
Saksen den ondergrond (het "liggende") vormen van de koperertshoudende
gesteenten en wegens hun roode kleur door de Saksische mijnwerkers het
"roodliggende" ("rotliegende") worden genoemd, een naam, die door
de aardkundigen overgenomen is. Niet slechts van Amphibie-achtige,
maar ook van Reptiel-achtige wezens uit den voortijd, o. a. van
de Plesiosauriërs, voorts van hedendaagsche Kruipende Dieren (van
Schildpadden en Hagedissen) komen verscheidene eigenaardigheden bij
de hier bedoelde diersoort, bij de Bruggenkop- of Wigtandhagedis
(Sphenodon punctatus, Hatteria punctata), vereenigd voor. De
allernaaste verwant van dit zonderlinge wezen is, merkwaardigerwijze,
het oudst bekende Reptiel: de Oerhagedis (Palaeohatteria) van het
Saksische "rotliegende". De Bruggenkophagedis moet dus beschouwd
worden als het laatste overblijfsel van den oudsten Reptiliën-stam,
als de eenige levende vertegenwoordiger van een sinds lang verdwenen
dierenwereld; zij kan op een langere reeks van voorouders bogen dan
eenig ander Gewerveld Dier.

Door zijn gestalte herinnert dit groote, eenigszins plompe Reptiel
aan sommige Legoeanen. Op den vierzijdigen kop volgt een gedrongen
romp met een samengedrukt driezijdigen staart van ongeveer gelijke
lengte. Aan elken poot komen 5 korte, met korte klauwen gewapende
teenen voor. Zijdelings samengedrukte doornen vormen den kam,
die zich over den nek, het midden van den rug en het midden van
den staart uitstrekt. Kleine schubben bedekken den kop, kleine en
groote dooreengemengd den romp, groote, vierhoekige, op dwarse reeksen
gerangschikte schilden de onderzijde. De somber olijfgroene grondkleur
is op de zijden en de ledematen met kleine, witte en grootere, gele
vlekken gestippeld; de stekels van den rugkam zijn geel, die van den
staartkam bruin.

Veel belangrijker eigenaardigheden dan de zooevengenoemde uitwendige
kenmerken komen bij de ontleding aan 't licht. Het vierkantsbeen,
dat bij alle Geschubde Reptiliën beweeglijk is, laat, evenals bij de
Kameleons, Schildpadden en Krokodillen, wegens vergroeiing met den
schedel geen beweging toe. Het geraamte van het aangezicht is door
twee beenige bogen, die als "bruggen" de slaapholte bedekken, met de
slaapstreek van den schedel verbonden; van daar de naam der soort. De
beide helften van het onderkaaksbeen zijn, als bij de Slangen, van
voren door een vezeligen band vereenigd. De bovenkaaksrand draagt
een reeks van driehoekige, zijdelings samengedrukte, spits eindigende
tanden, die zoo innig met de kaakbeenderen verbonden zijn, dat men ze
bijna voor getakte uitwassen van deze beenderen zou houden. Hieraan
evenwijdig is een reeks van soortgelijke, doch iets kleinere tanden
aan den buitenrand der gehemeltebeenderen; tusschen de beide reeksen
van bovenkaaksbeenderen blijft aan weerszijden een overlangsche groeve
over waarin de tanden van de onderkaaksbeenderen passen, zoodat de
bovenkaakstanden zijdelings, de onderkaakstanden spits afgeslepen
worden. De beide tusschenkaaksbeenderen hellen steil naar onderen af en
vormen een soort van snavel, met welks onderrand een paar eenigszins
getakte snijtanden zoo innig verbonden zijn, dat de grens tusschen
been en tand niet zichtbaar is. Deze eigenaardigheden van den kop
worden uitgedrukt door de namen "Snavel-" en "Wigtandhagedissen".--De
wervellichamen zijn van voren en van achteren trechtervormig uitgehold,
evenals bij vele Beenvisschen, eenige Amphibiën en verscheidene
voorwereldlijke Reptiliën. Beweegbare ribben, ten deele met haakvormige
uitsteeksels voorzien, zijn gehecht aan de 5 achterste van de 8
halswervels en aan alle 17 rompwervels. Alle ribben zijn valsch,
d. w. z. bereiken het borstbeen niet, met uitzondering van die der 3
voorste rompwervels. Achter deze komt aan de buikzijde van den romp
een "buikborstbeen" en een stelsel van "buikribben" voor, die in
aantal en ligging overeenkomen met de buikschilden der oppervlakte,
maar dubbel zoo talrijk zijn als de valsche ribben; iedere dwarsreeks
van buikschilden is dus te vergelijken met één buikschild van een
Slang en beter nog met één der deelen van het buikpantser van een
Schildpad. Het trommelvlies ontbreekt, evenals bij de Slangen. Men
mag dus de Bruggenkophagedis beschouwen als een Reptiel, dat over
't geheel genomen den vorm van een Hagedis heeft, in eenige zeer
belangrijke opzichten echter op den ontwikkelingstrap der Amphibiën is
blijven staan, en andere, minder gewichtige bijzonderheden vertoont,
die men bij de Schildpadden en Slangen terugvindt.

De berichten over de woonplaats en de levenswijze van dit dier,
dat nergens anders dan op Nieuw-Zeeland aangetroffen wordt, zijn tot
dusver zeer onvolledig. Het eerste komt voor in de beschrijving van
Cook's derde reis: "Naar men zegt, komen op Nieuw-Zeeland reusachtige
Hagedissen voor, 2.6 M. lang en zoo dik als het lichaam van een mensch;
het heet, dat zij soms menschen aanvallen en verslinden. Zij wonen
in gaten in den grond en worden gedood door voor den ingang van het
hol een vuur aan te steken."

Dieffenbach zegt, dat de inboorlingen deze Hagedis, die zij Toeatera
of Narara noemen, in hooge mate vreezen. Hoewel hij alle plaatsen,
waar zij heet voor te komen, onderzocht en een aanzienlijke belooning
uitloofde aan ieder, die hem er een bracht, werd zijn wensch eerst
weinige dagen voor zijn vertrek door de ontvangst van een enkel
exemplaar vervuld. "Zij was gevangen op het rotsachtig eilandje
Karewa, in Plenty-baai op een afstand van 2 mijlen van de kust
gelegen. Uit de verhalen, die mij gedaan werden, schijnt te blijken,
dat de Bruggenkophagedis indertijd op alle eilanden talrijk voorkwam,
in holen en dikwijls ook op zandige heuvels aan de kust leefde en
door de inboorlingen om haar vleesch vervolgd en gedood werd. Door de
jacht en ongetwijfeld ook door het invoeren van Zwijnen is dit dier
zoo zeldzaam geworden, dat vele sinds lang in het land gevestigde
personen het nooit gezien hebben".

Bennett bericht, dat deze Hagedissen in het jaar 1851 op enkele
eilandjes van de genoemde Plenty-baai nog in vrij groot aantal te
vinden waren. Een gezelschap van officieren ving hier in een half
uur tijds ongeveer 40 Bruggenkophagedissen van 8 à 60 cM. lengte,
die zich door de zon lieten koesteren. Van een exemplaar, dat in
1869 levend naar Engeland kwam, wordt gezegd, dat het met smaak
Meelwormen en andere Insecten at, buitengewoon traag, maar ook zeer
goedaardig was en zonder te bijten of op een andere wijze weerstand
te bieden, zich liet behandelen. Van andere gevangenen vernam men,
dat zij plantaardig voedsel niet versmaadden. Ook nog in onzen tijd
wordt de Bruggenkophagedis nu en dan van de eilandjes ten oosten van
het Noordeiland levend of dood naar Europa gebracht; zulke exemplaren
worden wegens hun zeldzaamheid duur betaald.



AANTEEKENING


[1] Hierover heeft Van Bemmelen het volgende aangeteekend: "In de
Kronyk van Medemblik (1736) vindt men, dat op 2 October 1707 een
voorwerp gevangen is in het Wijkermeer van 6 voet lengte en 400 à
500 pond zwaarte. In de Verhandelingen van het Zeeuwsch Genootschap
(Deel VI) wordt vermeld, dat een Zeeschildpad door Veersche visschers
aan de kust van Walcheren, nabij Domburg, op 17 Juni 1777 gevangen
werd en 3 Rijnlandsche voeten lang was. Zijn deze berichten juist,
dan is er alle waarschijnlijkheid, dat deze individu's behoorden tot de
soort Spargis coriacea. Het is echter mogelijk, dat zij ontsnapt waren
uit schepen. Evenwel zijn ook aan de naburige kusten Zeeschildpadden
gevangen. Zoo vermeldt De Selys Longchamps in zijn "Faune Belge", dat
twee voorwerpen van Chelonia caretta op de kust van Vlaanderen zijn
gevangen, doch dat deze soort zich daar zeer toevallig bevindt; evenzoo
maakt Fleming in zijn "History of British Animals" (1828) melding
van het vangen van Zeeschildpadden aan de Engelsche kusten. Lacépède
(Histoire naturelle des Quadrupèdes Ovipares) vermeldt de vangst van
2 Spargis coriacea aan de kusten van Languedoc en van een vrij groot
voorwerp van deze soort op de kusten van Cornwallis in Engeland in
1756; voorts bericht hij, dat in 1752 een Zeeschildpad te Dieppe en
vele groote individu's aan den mond der Loire gevangen zijn."





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Het Leven der Dieren - Derde Deel, Hoofdstuk 1 tot 4, De Kruipende Dieren" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home