Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Duizend en één Nacht, Tweede deel - Arabische vertellingen
Author: Anonymous
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Duizend en één Nacht, Tweede deel - Arabische vertellingen" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



  +----------------------------------------------------------------+
  |                                                                |
  |                 OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:                   |
  |                                                                |
  | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele,     |
  | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te      |
  | moderniseren.                                                  |
  |                                                                |
  | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het  |
  | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn  |
  | verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing.      |
  |                                                                |
  | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als      |
  | _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als            |
  | ~uitgespatieerd~; vette tekst als #vet#.                       |
  |                                                                |
  | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn       |
  | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: met/zonder  |
  | accent, met/zonder koppelteken, met/zonder extra spatie).      |
  |                                                                |
  | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de           |
  | aangebrachte correcties.                                       |
  |                                                                |
  | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van  dit   |
  |                                                                |
  | Van „Duizend en één Nacht” zijn ook 3 andere delen als e-boek  |
  |                                                                |
  +----------------------------------------------------------------+



DUIZEND EN ÉÉN NACHT.



                         Duizend en één Nacht.

                               ARABISCHE
                             VERTELLINGEN.

             NAAR DE BESTE BRONNEN VOOR ONZEN TIJD BEWERKT.


                             _TWEEDE DEEL._


                               AMSTERDAM,
                             Gebrs. KOSTER.
                                 1882.



GESCHIEDENIS VAN DE VIJF DAMES VAN BAGDAD.


GESCHIEDENIS VAN ZOBEÏDE.

„Beheerscher der geloovigen,” ving Zobeïde aan, „de geschiedenis, welke
ik uwe Majesteit heb te verhalen, is eene der zonderlingste, waarvan men
ooit gehoord heeft. De twee zwarte honden en ik, wij zijn drie zusters
van de zelfde ouders, en ik zal u mededeelen, door welk vreemd toeval
zij in honden veranderd zijn.

De twee dames die bij mij wonen, en die gij hier bij mij ziet, zijn ook
mijne zusters van (den zelfden) vader, maar van eene andere moeder. Zij,
die den boezem vol lidteekens heeft, draagt den naam van Amine, de
andere heet Safie, en ik Zobeïde.

Na den dood van onzen vader werd zijne nalatenschap onder ons verdeeld,
en toen mijne beide half-zusters haar aandeel ontvangen hadden,
scheidden zij van ons, en gingen afzonderlijk wonen met hare moeder.
Mijne eigene zusters en ik bleven bij onze moeder inwonen tot aan haren
dood; zij liet ieder onzer duizend sequinen na.

Korten tijd daarna traden mijne beide oudste zusters, want ik ben de
jongste, in den echt, volgden hare mannen, en lieten mij alleen achter.
Niet lang na haar huwelijk, maakte de man van mijne oudste zuster al
zijne goederen tot geld, en vertrok met zijne vrouw naar Afrika. Hier
verkwistte hij spoedig, door goede sier te maken en door een losbandig
leven te leiden, zijn eigen geld en dat wat mijne zuster mede ten
huwelijk had gebragt. Toen hij zich tot de diepste armoede gebragt zag,
zocht hij naar een voorwendsel om haar te kunnen verstooten, en joeg
haar weg.

Na eene lange reis, waarop zij met bijna ongeloofelijke rampen had te
worstelen, kwam zij in Bagdad terug, en zocht bij mij hare toevlugt in
eenen toestand zoo medelijdenswaardig, dat het hardste gemoed er door
zou zijn bewogen geworden. Ik ontving haar met al de toegenegenheid,
welke zij van eene zuster kon verwachten, en vraagde haar, door welke
omstandigheden zij in zulk een' ongelukkigen toestand was gebragt. Zij
begon daarop bitter te schreijen, en maakte mij bekend met het slechte
gedrag van haren man, en met de onwaardige wijze waarop hij met haar
had gehandeld. Ik was zoo getroffen over haar ongeluk, dat ik niet kon
nalaten met haar te weenen. Vervolgens deed ik haar in het bad gaan, gaf
haar eenige van mijn eigene kleederen en zeide: „Lieve zuster! gij zijt
ouder dan ik en ik beschouw u als mijne moeder. In uwe afwezigheid,
heeft de hemel de weinige goederen, die mij ten deel waren gevallen,
vermeerderd, en het aankweeken van zijdewormen, heeft mij goede winsten
opgeleverd. Verlaat er u op dat ik niets heb, wat niet tevens het uwe
is, en waarover gij niet even als ik kunt beschikken.”

Wij woonden te zamen en leefden gedurende vele maanden in de volmaaktste
eensgezindheid. Dikwijls spraken wij over onze derde zuster, en het
bevreemdde en verontrustte ons, dat wij niets van haar vernamen.
Op zekeren dag echter stond zij eensklaps voor mij, en dit in een'
even ellendigen toestand, als waarin ik mijne oudere zuster had
teruggevonden. Haar man had haar op eene gelijke wijze behandeld en
eindelijk weggejaagd. Ik nam haar met liefde in mijne woning op.

Op zekeren tijd kwamen mijne zusters bij mij, en er zich op beroepende,
dat zij vreesden mij tot last te zijn, zeiden zij, plan te hebben om te
hertrouwen. Ik gaf haar te kennen dat, indien zij geene andere reden
hadden, dan vrees van mij tot last te zijn, zij gerust bij mij konden
blijven, daar mijn vermogen en mijne verdiensten toereikend waren, om
ons alle drie, overeenkomstig onzen stand, te onderhouden. „Maar,”
voegde ik er bij, „ik vrees veeleer; dat gij werkelijk lust hebt te
hertrouwen. Indien dit zoo is, moet ik bekennen, dat het mij zeer
verwondert. Hoe toch kunt gij, na hetgeen gij in uw eerste huwelijk
hebt ondervonden, naar een tweede haken. Het is u immers gebleken, hoe
bezwaarlijk het is een' man te vinden, die onze liefde in alle opzigten
waardig is. Gelooft mij, het zal beter voor u en ook voor mij zijn,
indien wij te zamen blijven wonen, en voortgaan elkander het leven zoo
aangenaam te maken, als mogelijk is.”

Alles wat ik mogt inbrengen, bleef echter zonder uitwerking. Zij hadden
besloten te hertrouwen en volvoerden haar voornemen. Maar na verloop van
slechts eenige maanden kwamen zij terug, en vraagden mij duizendmaal
verschooning, omdat zij mijnen raad niet hadden gevolgd. „Gij zijt onze
jongste zuster,” zeiden zij, „maar gij zijt verstandiger dan wij. Indien
gij de goedheid wilt hebben, ons andermaal in uwe woning te ontvangen,
zoo beschouw ons als uwe slavinnen, en wij zullen ons in het vervolg
wel wachten, wijzer te willen zijn dan gij, en ons eigen dwaas hoofd te
volgen.” „Lieve zusters,” zeide ik, „onze laatste scheiding heeft aan
mijne genegenheid voor u niets veranderd; gij zijt mij welkom, en wat ik
bezit, beschouwt dat ook als het uwe.” Ik omhelsde haar, en wij bleven
weder te zamen wonen.

Gedurende een jaar leefden wij in volkomene eendragt; door de gunst des
hemels nam mijn klein kapitaal zoo zeer toe, dat ik mij in staat zag
gesteld, een handel van meer omvang te ondernemen. Tot dat einde begaf
ik mij met mijne zusters naar Balsora, waar ik een tot de reis geheel
uitgerust schip voor zeer matigen prijs aankocht, en met de goederen,
welke ik uit Bagdad ontbood, bevrachtte. Wij gingen met een' gunstigen
wind onder zeil, en weldra kwamen wij door de golf van Perzië in de
ruime zee. Hier zetten wij koers naar Indië, en na twintig dagen zeilens
zagen wij land. Het was een zeer hooge berg, aan wiens voet wij eene
stad bemerkten, die ons zeer groot en aanzienlijk toescheen. Daar er
eene frissche koelte woei, liepen wij nog vóór den avond de haven
binnen, waar wij het anker lieten vallen.

Ik had niet zoo lang geduld, tot mijne zusters zich gereed gemaakt
hadden, om mij te vergezellen. Ik liet mij aan wal zetten en ging regt
op de stadspoort aan. Hier vond ik eene talrijke wacht van soldaten, van
welke sommige zaten en andere stonden, en die alle met knuppels gewapend
waren. Het voorkomen dezer lieden was zoo afschuwelijk, dat ik er van
schrikte. Daar ik evenwel spoedig bemerkte dat zij zich niet bewogen, en
zelfs de oogen niet verdraaiden, herstelde ik mij, trad nader bij, en
ontdekte dat zij versteend waren.

Ik ging de stad binnen en verscheidene straten door, doch de menschen
die ik zag waren, even als de schildwachten aan de poort, levenloos
en versteend. In den bazar vond ik bijna alle winkels gesloten, en
in de weinige, die hierop eene uitzondering maakten, waren de zich
daarin bevindende kooplieden en winkelbedienden ook in steenen beelden
veranderd. Ik zag nu naar de schoorsteenen, maar geen enkel rookwolkje
steeg daaruit op, hetgeen mij tot de overtuiging bragt, dat de geheele
bevolking dezer stad, zoo wel binnen als buiten de huizen, door eene
voor mij onverklaarbare oorzaak, in één oogenblik des tijds, te midden
van hare bezigheden in steen was veranderd.

Door nieuwsgierigheid gedreven, kwam ik eindelijk op een groot plein in
het midden der stad. Hier zag ik eene groote en hooge poort, waarvan de
deuren, die met gouden platen belegd waren, openstonden. Boven de poort
hing eene gouden lamp en voor den ingang van het portaal bevond zich een
zijden voorhangsel, dat mij belette naar binnen te zien. De prachtige
geheel uit wit marmer opgetrokken voorgevel van dit trotsche gebouw,
liet mij evenwel geen' twijfel over, of ik bevond mij voor het paleis
van den regerenden vorst. Ik ligtte het voorhangsel op; de lijfwachten
des konings, die zich in het voorhof bevonden, en zich in verschillende
standen aan mijn verwonderd oog vertoonden, stonden zaten of lagen als
steenen beelden, en konden mij dus den toegang naar het binnenste van
het paleis niet beletten. Eerst kwam ik in een ruim voorhof; hier
bevonden zich eene groote menigte hofdienaren van welke de een scheen te
komen, de andere te gaan, zonder dat echter een hunner zich van zijne
plaats bewoog, daar ook zij versteend waren. Ik ging over een tweede en
derde binnenhof, maar overal heerschte de stilte van het graf en eene
doodschheid, welke mij deed huiveren.

Het vierde binnenhof overgegaan zijnde, bevond ik mij tegenover een zeer
schoon gebouw, waarvan de vensters van massief gouden traliën voorzien
waren. Dit scheen mij toe het verblijf van de koningin te zijn. Ik trad
het gebouw binnen, en het eerste wat ik zag was de zwarte wacht, vóór
de vertrekken van de vorstin. Zij belette mij niet mijn onderzoek te
vervolgen, en ik kwam nu in eene zeer prachtige zaal. Hier lag op eene
sofa eene dame van uitstekende schoonheid, maar ook in steen veranderd.
De gouden kroon, welke zij op het hoofd had, en het snoer parels,
grooter dan hazelnoten, om haren hals overtuigden mij dat dit de
koningin was.

Mijne oogen konden zich niet verzadigen aan al den rijkdom en al de
pracht van dit vertrek. Het tapijt, de kussens en de sofa waren met goud
gestikt, en dit met zooveel kunst, dat ik nooit iets dergelijks gezien
had.

Van het vertrek der koningin kwam ik in eene andere zaal, welke de
vorige nog ver in pracht overtrof. Ik zag daar eene verhevenheid van
massief goud met smaragden ingelegd, waarop een praalbed van de rijkste
stof, overdekt met eene sprei van de fijnste zijden en met paarlen
geborduurd. Doch hetgeen mijne verbazing in nog hoogere mate opwekte
was, een fel licht, gelijk dat der zon op hare middag-hoogte, hetwelk
mij van het rustbed in de oogen flonkerde. Nieuwsgierig naar de oorzaak
van dit wonderlijke licht, klom ik de trappen op, die naar die
verhevenheid geleidden, en voorover buigende, zag ik op een voetbankje
een' diamant liggen, zoo groot als het ei van een' struisvogel, en
met zoo veel kunst geslepen, dat de bekwaamste juwelier dit werk als
onverbeterlijk had moeten prijzen. Toen ik den steen in mijne hand
nam en tegen het daglicht hield, schitterde hij zoo, dat ik er als
door verblind, en het licht van twee aan het hoofdeneinde van het
rustbed brandende flambouwen er door verduisterd werd. Deze laatste
bijzonderheid echter deed mij de opmerking maken, dat zich in dit
paleis, hoe vele versteenden ik daar ook had aangetroffen, toch nog
een levend wezen moest bevinden, daar ik niet kon gelooven dat deze
flambouwen door eigen kracht ontstoken waren.

Toen nu de hoop bij mij verlevendigd werd dat ik eindelijk in deze
eenzaamheid een mensch zou aantreffen, zette ik mijn onderzoek met
vernieuwden ijver voort. Ik kwam nog in verscheidene vertrekken, het
eene al prachtiger dan het andere, maar wat ik ook zocht, een levend
wezen ontmoette ik nergens. Intusschen spoedde de dag ten einde, en
ofschoon ik door mijne nieuwsgierigheid mij zelve, mijn schip en mijne
zusters had vergeten, begon ik thans toch te begrijpen dat het hoog tijd
werd, om naar boord terug te keeren. Ik wilde nu langs denzelfden weg
heengaan, maar daar het reeds donker werd, verdwaalde ik in dien doolhof
van vertrekken, en het was reeds geheel duister, toen ik weder te regt
kwam in de zaal, waar zich het praalbed, de diamant en de brandende
flambouwen bevonden.

Ik bevond mij in groote verlegenheid; van twee kwaden echter het
kleinste kiezende, besloot ik den nacht in deze zaal door te brengen, en
den volgenden morgen naar mijn schip terug te keeren. Ik legde mij op
het praalbed neder, doch de doodsche stilte die mij omgaf, verontrustte
mij, zoodat ik den slaap niet kon vatten.

Het zal omstreeks middernacht geweest zijn, toen ik tot mijne verbazing,
en ik moet er bijvoegen tot mijne vreugde eene menschelijke stem hoorde,
die overluid in den koran las. Het moest dus iemand van mijn geloof
zijn, wat mij nog meer verblijdde. Ik stond dadelijk op, nam eene der
flambouwen, en ging op het geluid af door eene lange rij van vertrekken,
tot dat ik aan een kabinet kwam, waaruit de stem scheen te komen. Ik
doofde mijne flambouw uit, en mijn oog voor het sleutelgat houdende,
bespeurde ik dat het een bidvertrek was. Ik zag er, even als in onze
moskeën, eene nis, welke aanwees, naar welken kant de bidder zich moest
wenden, om het gelaat naar Mekka gekeerd te hebben, waar zich het graf
van den grooten profeet bevindt. Ook ontdekte ik eenige aan de zoldering
hangende lampen, en twee op kandelaars brandende waskaarsen.

Maar wat mij de grootste belangstelling inboezemde, was een jongeling
van een zeer innemend uiterlijk, die op een tapijt nedergehurkt in den
koran las, welken hij op een' lessenaar voor zich had liggen. Ten
hoogste verbaasd in eene stad, waarvan de geheele bevolking versteend
was, dezen jongeling in leven te zien, twijfelde ik niet, of met hem
moest een groot wonder hebben plaats gehad.

Daar de deur van het bidvertrek niet geheel gesloten was, opende ik die
zonder gedruisch te maken, plaatste mij tegenover de nis, en sprak met
luider stem het volgende gebed uit: „Geloofd zij Allah! die ons met
eene gelukkige zeereis heeft begunstigd! Dat het hem behage, ons ook op
de terugreis te beschermen, en ons behouden in het vaderland terug te
brengen! Hoor mij, Heer, en laat mijn gebed bij u verhooring vinden.”

De jongeling dus eensklaps gestoord, en zeker hier niemand verwachtende,
zag mij met eenige verbazing aan. „Mijne goede dame!” zeide hij, „heb
de beleefdheid mij te zeggen, wie gij zijt, en wat u heeft bewogen in
deze verwoeste stad te komen. Tot dank daarvoor ben ik bereid u te
zeggen, wie ik ben, wat met mij is gebeurd, hoe de inwoners van deze
stad in den toestand zijn gebragt waarin gij ze gevonden hebt, en
waarom juist ik alleen in deze algemeene ramp ben gespaard gebleven.”

Ik verhaalde nu den jongeling in weinige woorden, wat mij tot mijne
zeereis had bewogen, en hoe ik, na eenen togt van twintig dagen, met
mijn schip in de haven was aangekomen. Eindelijk gaf ik hem mijne
verbazing te kennen over hetgeen ik in deze stad had gezien, en
herinnerde hem aan zijne belofte om dit raadsel voor mij op te lossen.

„Lieve Dame,” sprak nu den jongeling, „heb een oogenblik geduld.” Dit
zeggende, rolde hij den koran op, borg ze in eenen kostbaren koker en
plaatste dezen in de nis. Deze oogenblikken nam ik waar, om hem met
aandacht te beschouwen, en hij kwam mij zoo schoon en zoo bevallig
voor, dat in mij een gevoel opkwam, waaraan ik tot dusverre vreemd was
gebleven. Hij deed mij naast zich plaats nemen, en ik was mij zelven
zoo weinig meester dat ik, vóór hij nog begon te spreken, mij niet kon
weêrhouden tot hem te zeggen, en wel met een' blik die hem de teedere
gevoelens moest doen kennen, welke hij mij reeds op het eerste gezigt
had ingeboezemd: „Beminnenswaardig jongeling! geliefde van mijn hart!
niemand kan met meer ongeduld dan ik de opheldering afwachten van zoo
vele wonderlijke zaken, die mij zijn voorgekomen, van het oogenblik af,
dat ik mijne voeten in deze stad heb gezet, tot nu toe. Spreek dus, ik
bid er u om, en zeg mij door welk wonder gij alleen in leven zijt van de
vele duizenden, die zulk een' vreeselijken dood gestorven zijn.”

[Illustratie: Geschiedenis van Zobeïde.

                                                       Dl. II, pag. 13.]

„Mejufvrouw!” zeide de jongeling, „door het gebed, dat gij in mijne
tegenwoordigheid tot Allah hebt opgezonden, is het mij gebleken, dat
gij den waren God kent. Gij zult van zijne goedheid en almagt een
merkwaardig voorbeeld vernemen. Laat mij u vooraf zeggen dat deze stad
de hoofdplaats is van een magtig koningrijk, waarover mijn vader den
scepter zwaaide. Deze vorst, zijn geheele hof, de inwoners van deze stad
en al zijne onderdanen waren toovenaars, aanbidders van het vuur en van
Nardoun, den ouden koning der reuzen, opstandelingen tegen Allah.

Hoewel uit afgodische ouders geboren, is mij echter het geluk te beurt
gevallen, dat ik in mijne kindschheid werd toevertrouwd aan eene
gouvernante, welke het ware geloof was toegedaan, en den koran uit
het hoofd kon opzeggen en verklaren. „Prins!” zeide zij dikwijls tot
mij, „er is maar één ware God; wacht u dus de afgoden te dienen en te
aanbidden.” Zij leerde mij het Arabisch lezen, en het boek dat zij mij
gaf, om mij in die taal te oefenen, was de koran. Zoodra ik er vatbaar
voor was, beijverde zij zich mij dit voortreffelijk boek uit te leggen,
hetgeen echter buiten weten van mijn' vader of iemand anders plaats had.
Eindelijk werd zij mij door den dood ontrukt, doch ik had reeds zoo
veel nut van haar onderwijs getrokken, dat ik van de waarheid van het
Mahomedaansche geloof ten volle overtuigd was. Na haren dood ben ik
daarbij gebleven, en had een' grooten afkeer van den afgod Nardoun en
van de aanbidding van het vuur.

Na drie jaar en eenig maanden geleden,” vervolgde de jonge prins, „had
er hier eene zeer zonderlinge en opmerkenswaardige gebeurtenis plaats.
Boven in de lucht liet zich eene stem hooren als van eene bazuin, die
door het geheele land vernomen werd en welke sprak: „Inwoners verlaat de
dienst van Nardoun en van het vuur. Aanbidt den eenigen God, die den
hemel en de aarde heeft geschapen en al wat daar in is.”

Drie achtereenvolgende jaren liet zich deze stem hooren, maar niemand
gaf er gehoor aan of bekeerde zich van de dienst der afgoden. Ja,
sommigen dreven er den spot mede, tot dat op den laatsten dag van het
derde jaar, des morgens tusschen drie en vier uren, alle inwoners in
één' oogwenk in steenen werden veranderd, en in de zelfde houding
bleven, waarin zij op dat tijdstip gingen, lagen of stonden. Den
koning mijn' vader trof hetzelfde lot; hij werd in een' zwarten steen
veranderd, zoo als hij nog in een der vertrekken van dit paleis te zien
is. Ook mijne moeder de koningin deelde in het gods-oordeel. Ik ben de
eenigste, die door de barmhartigheid van Allah van deze algemeene en
verschrikkelijke straf gespaard bleef. Van dat oogenblik af heb ik Hem
met verdubbelden ijver gediend, en ik ben overtuigd, mijne schoone dame,
dat Hij het is, die u hier heen heeft gezonden om mij te troosten. Ik
dank Hem daarvoor met geheel mijn hart, want ik wil u wel bekennen, dat
deze eenzaamheid voor mij zeer onaangenaam is.”

Door dit verhaal, en vooral door zijne laatste woorden had de jongeling
mijn hart geheel en al gewonnen. „Prins!”, zeide ik tot hem, „wij
mogen er niet aan twijfelen, of het is de Voorzienigheid welke mij in
deze haven heeft gevoerd, ten einde u in de gelegenheid te stellen dit
rampzalige oord te verlaten. Het schip, waarmede ik mij hier bevind
en dat mijn eigendom is, zal u het bewijs leveren, dat ik in mijne
woonplaats Bagdad in eenig aanzien ben; ook heb ik daar nog vrij
aanzienlijke bezittingen achtergelaten. Ik bied u een' verblijf
ten mijnent aan, tot dat de magtige Beheerscher der geloovigen, de
plaats-bekleeder van den grooten Profeet, in wien ook gij gelooft,
u, naar uwe verdiensten beloond en eene andere plaats aangewezen zal
hebben. Deze beroemde vorst heeft zijn verblijf te Bagdad, en zoodra
uwe aankomst in zijne hoofdstad te zijner kennis zal zijn gekomen, zal
hij er op bedacht zijn u regt te laten wedervaren, en u in zijne gunst
te doen deelen. Het is niet mogelijk, dat gij langer in eene stad
blijft, waar elk voorwerp dat gij aanschouwt voor u ondragelijk moet
zijn. Mijn schip is tot uwe dienst, en gij kunt er over beschikken
naar uw welgevallen.” De prins nam mijn aanbod met vreugde aan, en wij
bragten het overige van den nacht door met alles te bespreken, wat op
onze inscheping betrekking had.

Zoodra het dag werd, verlieten wij het paleis en gingen naar de haven
en naar mijn schip. Ik vond mijne zusters en den kapitein in groote
ongerustheid over mijne voor hen onverklaarbare afwezigheid. Ik stelde
den prins aan mijne zusters voor, en deelde haar mede, wat mij had belet
den vorigen avond weder aan boord te komen.

De matrozen bragten verscheidene dagen door met het ontschepen van
de koopmans-goederen, welke ik aan boord had, en het inladen van het
kostbaarste, wat het paleis aan edelgesteenten, goud en zilver bevatte.
De meubelen en vele andere dingen van groote waarde moesten wij, bij
gebrek aan scheepsruimte, achterlaten. Om al de kostbaarheden, die wij
zagen, naar Bagdad over te brengen, ware wel eene geheele vloot noodig
geweest. Nadat wij het schip bevracht hadden met eene lading, zoo rijk
als wij slechts konden wenschen, werden de watervaten gevuld, en namen
wij vele van de beste levensmiddelen mede, zonder daaraan juist behoefte
te hebben, want de voorraad waarvan ik mij te Balsora had voorzien, was
meer dan voldoende voor onze terugreis. Toen alles gereed was gaf ik den
kapitein last het anker te doen opwinden, en daar de wind gunstig was
gingen wij nog dien zelfden dag onder zeil.

Gedurende de eerste dagen van onze terugreis leefden wij, de prins,
mijne zusters en ik, in de beste eendragt, en wij bragten den tijd zeer
genoegelijk door. Maar, helaas, dit duurde niet lang. Mijne zusters
konden de verstandhouding, die tusschen mij en den jongen prins bestond,
niet zonder jaloerschheid aanzien. Zij vraagden mij op een' hatelijken
toon, wat wij bij onze aankomst te Bagdad met dien prins uit de
versteende stad zouden aanvangen. Ik bemerkte zeer wel, dat zij met deze
vraag geen ander doel hadden, dan om mijne gevoelens uit te vorschen.
Daarom nam ik den schijn aan de zaak als scherts te willen behandelen,
en gaf haar ten antwoord, dat ik hem tot mijnen man zoude nemen. Mij
daarop tot den prins wendende, zeide ik: „Prins! ik bid u daarin toe te
stemmen. Mijn plan is, zoodra wij te Bagdad zullen zijn, u mijne persoon
aan te bieden, ten einde uwe zeer nederige slavin te zijn, bereid om u
te dienen, en u te erkennen als Heer en meester van mijn' wil en mijne
wenschen.”

„Mejufvrouw!” antwoordde de prins, „ik weet niet of dat uwe meening is,
maar wat mij aangaat, ik verklaar u in vollen ernst, hier in bijzijn van
uwe zusters, dat ik uw aanbod met geheel mijn hart aanneem, evenwel wil
ik u niet als slavin beschouwen, maar wel als gebiedster, wier minste
wenschen ik mij steeds zal gelukkig achten te kunnen vervullen.” Bij dit
antwoord van den prins, dat, naar den toon waarop hij sprak, genoegzaam
bleek ernstig gemeend te zijn, verbleekten mijne zusters, en van dat
oogenblik af kon ik aan alles bemerken, dat ik hare genegenheid had
verloren, en zij mij geen goed hart toedroegen. Wij waren reeds in de
golf van Perzië, en bij den gunstigen wind dien wij hadden hoopte ik,
dat wij den volgenden dag de haven van Balsora zouden bereiken. Maar in
dienzelfden nacht, terwijl ik in een gerusten slaap lag, grepen mijne
zusters mij onverhoeds aan, en wierpen mij over boord. Met den prins
handelden zij op dezelfde verraderlijke wijze; hij zonk dadelijk naar de
diepte en verdronk. Ik wist mij eenigen tijd boven water te houden, en
bij geluk of liever als door een wonder voelde ik eensklaps grond onder
mijne voeten. Ik liep op goed geluk voort; het water, dat mij eerst
tot aan den hals stond, nam langzamerhand in diepte af, en reikte mij
weldra nog slechts tot aan de knieën. Spoedig bevond ik mij nu op het
drooge, en toen de dag aanbrak en ik de voorwerpen kon onderscheiden,
bemerkte ik, dat ik op een klein onbewoond eiland was. Nadat ik mijne
kleederen in de zon gedroogd had, wandelde ik dieper landwaarts in. Al
voortgaande, vond ik verscheidene soorten van vruchten en eindelijk ook
eene bron van zoet water, hetgeen mij hoop gaf, mijn leven zoo lang te
zullen kunnen rekken, totdat ik door den een' of anderen visscher, die
dit eiland aandeed, om zich van versch water of van vruchten te
voorzien, uit mijne ballingschap verlost werd.

Vermoeid van het omdolen, zette ik mij in de nabijheid van de bron onder
het lommer van een' boom neder. Eensklaps zag ik nu eene gevleugelde
slang van verbazende dikte en lengte op mij afkomen. De slang scheen
echter geen kwaad tegen mij in den zin te hebben, maar wrong en
kronkelde zich in allerlei bogten, hetgeen mij deed denken, dat zij
door het een of ander ongemak gekweld werd. Ik rigtte mij op, en nu
bespeurde ik, dat deze slang bij den staart werd vastgehouden door
eene andere, nog veel grooter, die haar trachtte te verslinden. Dit
maakte mijn mededoogen gaande, en in plaats van te vlugten, had ik de
tegenwoordigheid van geest en den moed, een' grooten steen, dien ik in
mijne nabijheid zag, op te rapen en met alle kracht naar de grootste
slang te werpen. Ik trof haar juist aan den kop, die geheel verpletterd
werd. Toen de andere slang bespeurde, dat zij van hare vijandin bevrijd
was, spreidde zij dadelijk de vleugels uit en vloog weg. Ik zag haar
eenigen tijd in de lucht na, als een voor mij vreemd verschijnsel, doch
toen ik haar uit het gezigt had verloren, zette ik mij weder in de
schaduw van den boom neder, en de vermoeijenis deed mij weldra
inslapen.

Bij mijn ontwaken zag ik tot mijne groote verwondering eene zwarte
vrouw voor mij, welke twee zwarte honden bij zich had, die even als
brakken met een' ketting aan elkander waren gebonden. De vrouw had
niets afschrikwekkends in haar wezen, maar hare oogen, die zij op
mij gevestigd hield, flonkerden als sterren bij helder weder. Ik
ging overeind zitten, en vraagde haar wie zij was en wat zij van mij
verlangde? „Ik ben,” antwoordde zij, „de slang, welke gij niet lang
geleden van hare wreedste vijandin hebt verlost. Ik meende de dienst,
welke gij mij hebt bewezen, niet beter te kunnen erkennen, dan op de
wijze, zoo als ik dit gedaan heb. Het trouweloos verraad van uwe zusters
was mij bekend, en ik besloot u deswege wraak te verschaffen. Zoodra
ik mij door uwe hulp in vrijheid bevond, nam ik eene menigte mijner
gezellinnen mede, die even als ik toovergodinnen zijn. Gezamentlijk
hebben wij de lading van uw schip naar Bagdad in uwe magazijnen
overgebragt, zonder dat er iets aan ontbreekt, en daarna deden wij het
schip vergaan. Deze twee zwarte honden zijn uwe zusters, aan welke ik
die gedaante heb gegeven. De straf is echter niet voldoende, en het is
mijne begeerte, dat gij er mede zult handelen, zoo als ik u zeggen zal.”

Bij deze laatste woorden, sloeg de toovergodin den regter arm om mijne
middel, en de beide honden onder den linker nemende, verhief zij zich in
de lucht, en bragt ons in een oogwenk naar Bagdad in mijne woning over.
En werkelijk vond ik in mijne magazijnen al de kostbaarheden terug,
waarmede mijn schip bevracht was geweest. Vóór dat zij van mij scheidde,
gaf de toovergodin de twee honden aan mij over, met de woorden: „Ik wil
en ik beveel u, in naam van hem, die de zee beroert en bruischen doet
als een' borrelenden tooverpot, dat gij iederen nacht aan elke van uwe
zusters honderd zweepslagen zult geven, om haar te straffen voor de
misdaad, welke zij aan u en aan den jongen prins hebben begaan, die
dit met den dood heeft moeten bekoopen. Schiet gij hierin te kort,”
vervolgde de toovergodin op dreigenden toon, „scheldt gij haar slechts
een' enkelen slag kwijt, zoo zult gij even als zij in eenen hond worden
veranderd, en ik zelve zou u aan die straf niet kunnen onttrekken, want
hij, die het mij bevolen heeft, is magtiger dan ik.”

Er bleef mij alzoo niets anders over dan haar bevel te volgen, want al
had ik mij ook voor mijne zusters willen opofferen, zij zouden daarbij
geene baat gevonden hebben. Doch gij zijt getuige geweest, Sire! van die
strafoefening, en ook hoe ik met mijne zusters geweend heb, omdat ik
gedwongen ben, haar dus te mishandelen, niettegenstaande mijn hart er
onder bloedt, en ik haar reeds lang heb vergeven. Uwe majesteit kan dus
zelve oordeelen, of ik niet meer te beklagen ben dan te verachten. Is er
echter nog iets, dat mij betreft, Sire! en dat gij moogt wenschen te
weten, mijne zuster Amine zal er u in het verhaal van hare lotgevallen
de opheldering van geven.”

       *       *       *       *       *

Toen de kalif Zobeïde met bewondering had aangehoord, liet hij de
bevallige Amine door zijn' groot-vizier verzoeken, hem nu op hare beurt
bekend te maken met de oorzaak van die vele en diepe likteekenen, welke
hij bij haar, tot zijne groote verbazing, had opgemerkt.


GESCHIEDENIS VAN AMINE.

„Beheerscher der geloovigen!” zoo ving zij haar verhaal aan, „ten
einde uwe majesteit niet te vervelen, door in herhaling te vervallen
omtrent zaken, welke u reeds bekend zijn uit de geschiedenis van mijne
zuster, zal ik u alleen zeggen, dat mijne moeder, voor zich zelve een
afzonderlijk huis betrokken hebbende, waarin zij haren weduwenstaat
wilde doorbrengen, mij uithuwelijkte aan een' der rijkste kooplieden
van deze stad, terwijl zij mij als bruidschat mijn vaderlijk erfdeel
uitkeerde.

Ik was naauwelijks een jaar gehuwd, toen ik weduwe werd en in het volle
bezit kwam der nalatenschap van mijn' man, welke zeer aanzienlijk was
en meer dan negentig duizend sequinen beliep. Alleen de rente van dit
kapitaal was voor mij voldoende, om op een' goeden voet te leven. Zoodra
de eerste zes maanden van mijn' rouw voorbij waren, liet ik mij tien
verschillende kleederdragten maken, zoo prachtig, dat elk kleed mij op
duizend sequinen te staan kwam, en na verloop van een jaar begon ik die
te dragen.

Op zekeren dag, dat ik geen gezelschap had, en mij met eenige
huisselijke zaken onledig hield, kwam men mij zeggen, dat er eene dame
was, die mij verlangde te spreken. Ik gaf last haar binnen te laten.
Het was eene reeds hoog bejaarde vrouw. Zij groette mij door met het
hoofd ter aarde te buigen, en op hare knieën liggende, sprak zij mij
met deze woorden aan: „Mevrouw, ik bid u, mij de vrijheid te vergeven,
die ik neem door u lastig te vallen. Het vertrouwen, dat ik in uwe
edelmoedigheid stel, is alleen in staat, mij zoo stoutmoedig te maken.
Ik moet u dan zeggen, mijne hooggeëerde dame, dat ik eene kleindochter
heb, eene wees, welke heden in het huwelijk zal treden. Wij zijn hier
echter vreemdelingen, en hebben in deze stad volstrekt geene kennissen.
Dit brengt ons in groote verlegenheid, want wij wenschen aan de
aanzienlijke familie, waarmede wij ons verbinden zullen, te doen
gevoelen, dat ook wij hier geene onbekenden zijn en eenige achting
genieten. Het is daarom, mijne edelmoedige dame, dat wij ons ten hoogste
aan u verpligt zouden rekenen, indien gij goed kondet vinden ons op de
bruiloft met uwe hooggeachte tegenwoordigheid te vereeren. Gij zoudt
ons daardoor hoogst gelukkig maken, omdat de familie, met welke wij ons
zullen verbinden, niet anders dan goede gedachten van ons zal kunnen
hebben, zoodra zij zien zal, dat eene dame van uwen rang, het niet
beneden hare waardigheid heeft geacht, ons hare tegenwoordigheid te
schenken. Maar helaas! indien gij onze nederige bede afslaat, welk eene
teleurstelling zal dit voor ons zijn! Wij zouden dan niet weten, tot wie
anders ons te wenden.”

Deze toespraak, welke de goede dame deed vergezeld gaan van hare tranen,
bewoog mij om medelijden met haar te hebben. „Mijne goede moeder,” zeide
ik, „ik wil u het genoegen wel aandoen, waarom gij mij verzoekt; zeg
mij slechts, waar ik moet wezen; ik verlang niet meer tijd, dan noodig
is, om mij daarvoor te kleeden.” De oude dame was door dit antwoord van
vreugde opgetogen, en kuste mijne voeten, eer ik dit kon beletten.
„Mijne edelmoedige dame,” hernam zij, zich weder oprigtende, „Allah zal
u de goedheid vergelden, welke gij voor uwe dienstmaagd hebt, en uw
hart verblijden, gelijk gij het onze verblijdt. Het is echter niet
noodig, dat gij u de moeite geeft naar onze woning te zoeken, of dat
gij u overhaast; het is voldoende, dat gij tegen den avond gereed zijt,
wanneer ik zelve u zal komen afhalen. Ontvang de betuigingen van mijnen
eerbied, Mevrouw,” voegde zij er bij, „ik hoop u weldra weder te zien.”

Zoodra zij mij had verlaten, nam ik uit mijne garderobe dat kleed,
hetwelk ik meende, dat mij het bevalligst stond, benevens een kostbaar
parelsnoer, braceletten, ringen en oorhangers die van diamanten
fonkelden. Het was, als of ik een voorgevoel had van hetgeen mij te
wachten stond.

Reeds begon het avond te worden, toen de oude dame zich liet aanmelden.
De vreugde stond op haar gelaat te lezen. Zij kuste mij de hand en
zeide: „Lieve dame, de bloedverwanten van mijn' aanstaanden schoonzoon
zijn reeds allen in mijne woning bijeengekomen; zij behooren tot de
aanzienlijksten van deze stad, en het zal hun voorzeker eene groote
vreugde zijn, u in hun midden te zien. Mag ik thans de eer hebben u ten
mijnent te geleiden?”

Wij begaven ons zonder verwijl op weg; zij ging vooruit en ik volgde
haar met een groot aantal mijner slavinnen, welke allen sierlijk
uitgedost waren. Wij hielden stil in eene breede straat, voor een
sierlijk gebouw met eene dubbele poort, door eene groote lantaarn
verlicht, bij wier licht het mij niet moeijelijk viel, het met gouden
letters boven de poort geplaatste opschrift te lezen: „_Hier is het
verblijf van eeuwigdurende vreugde en van vermaak._” De oude dame
klopte aan en oogenblikkelijk werden de vleugeldeuren geopend. Men
bragt mij over het binnenhof naar het hoofdgebouw en geleidde mij in
eene prachtige zaal, waar ik werd ontvangen door eene jonge dame van
onvergelijkelijke schoonheid. Zij kwam naar mij toe, omhelsde mij en
deed mij naast zich plaats nemen op eene sofa, onder een' troonhemel van
kostbaar hout en met gouden platen en kostbare edelgesteenten ingelegd.
„Mevrouw!” sprak zij op een' innemenden toon, „men heeft u verzocht hier
te komen, om eene bruiloft bij te wonen, maar ik hoop, dat die bruiloft
van anderen aard zal zijn, dan gij u dit hebt voorgesteld. Ik heb een'
broeder, van wien ik zonder overdrijving durf zeggen, dat hij de
schoonste en welgemaaktste van alle mannen is. Hij is zoo opgetogen door
den lof van uwe schoonheid, dat zijn lot in uwe handen is, en dat hij
zeer ongelukkig zal zijn, zoo gij geen medelijden met hem hebt. De rang,
dien gij in de wereld bekleedt, is hem bekend, en ik kan u verzekeren,
dat de zijne daarbij niet behoeft achter te staan. Indien mijne bede,
mevrouw, iets op u vermag, zoo voeg ik die bij de zijnen, en ik smeek u
het aanbod van zijn hart en van zijne hand, dat hij u door mij laat
doen, niet af te wijzen.”

Sedert den dood van mijn' man, had ik nog aan geen tweede huwelijk
gedacht, maar ik had de kracht niet aan eene zoo schoone en beminnelijke
jonge dame iets te weigeren. Zoodra had ik niet door een veel
beteekenend zwijgen en door het rood, dat mijne wangen kleurde, mijne
toestemming gegeven, of zij klapte in de handen en uit een zijvertrek
trad een jongeling te voorschijn van zulk een belangwekkend voorkomen en
van eene zoo mannelijke schoonheid, dat ik er door getroffen werd. Hij
zette zich bij mij neder, en in het gesprek, dat wij voerden, liet hij
zooveel geest en kennis doorstralen, dat ik de overtuiging bekwam, dat
zijne zuster, zijne verdiensten prijzende, nog verre beneden de waarheid
was gebleven.

Toen de jonge dame zag, dat wij over elkander tevreden waren, klapte
zij andermaal in de handen en een kadi[1] trad binnen. Deze stelde
zonder verwijl ons huwelijks-contract op, teekende het, en liet het ook
teekenen door de vier getuigen, die hij tot dat einde had medegebragt.
De eenige zaak, welke mijn nieuwe echtgenoot van mij begeerde, was dat
ik nimmer met een' anderen man zou spreken, en mijn gelaat alleen voor
hem ontsluijeren. Hij zwoer mij, dat ik, onder die voorwaarden, alle
reden zou hebben over hem tevreden te zijn. Op deze wijze werd ons
huwelijk gesloten en voltrokken, zoodat ik de voornaamste persoon werd
op eene bruiloft, waarop ik alleen als genoodigde dacht te verschijnen.

[1] Een _kadi_ is een Turksche regter of regtsgeleerde.

Eene maand na ons huwelijk verzocht ik aan mijn' man verlof om te mogen
uitgaan, ten einde op de bazar eenige inkoopen te doen. Hij stond mij
dit toe, en tot gezelschap, nam ik de oude dame mede, van wien ik reeds
gesproken heb, en die tot ons huis behoorde, benevens twee van mijne
slavinnen.

Toen wij op de bazar kwamen, zeide de oude dame tot mij: „Mijne
goede meesteres, daar gij naar eene zijden stof zoekt van groote
zeldzaamheid, zal het 't best zijn, dat ik u breng bij een' jongen
koopman, dien ik ken. Zijn magazijn is zeer ruim voorzien van de rijkste
stoffen. Gij zult bij hem, zonder dat gij u de moeite behoeft te geven
van den eenen winkel in den anderen te gaan, zeer zeker vinden, wat gij
zoekt, beter dan ergens anders.” Ik liet mij geleiden, en wij traden
den winkel binnen van een' jongen koopman, die er vrij wel uitzag. Ik
zette mij neder, en liet hem door de oude dame zeggen, dat hij mij
eenige stukken zijde, van de allerfijnste en kostbaarste die hij in
zijnen winkel had, zou laten zien. De oude wilde, dat ik zelve hem deze
vraag zou doen, maar ik weigerde dit, en zeide tot haar, dat eene der
voorwaarden van mijn huwelijk was, dat ik met geen' man, behalve met
mijn' echtgenoot, zou spreken, en dat ik mij daaraan ook getrouw wilde
houden.

De koopman liet mij verscheidene stukken zijde zien, en toen mijne keus
bepaald was, liet ik hem naar den prijs vragen. Hij gaf aan de oude
vrouw ten antwoord: „Uwe meesteres heeft een' goeden smaak; dit is de
schoonste en kostbaarste stof, die ik in mijn magazijn heb; ik wil ze
haar noch voor zilver, noch voor goud verkoopen; maar ik zal haar het
stuk ten geschenke geven, indien zij mij wil toestaan haar een' kus op
de wang te geven.” Ik beval aan de oude vrouw hem te zeggen, dat hij wel
vermetel was, om mij zulk een voorstel te doen. In plaats echter van te
gehoorzamen, hield zij mij voor oogen, dat, hetgeen de koopman vraagde
juist geene zaak van aanbelang was; dat niet van mij werd gevorderd om
tot hem te spreken, maar dat ik niets te doen had dan hem mijne wang
aan te bieden, en dat een zoen spoedig gegeven, en even spoedig weder
vergeten is. Mijne begeerte om de stof, die ik voor geen geld kon
bekomen, in mijn bezit te hebben, was zoo sterk, dat ik onnoozel
genoeg was mij te laten overhalen. De oude dame en de beide slavinnen
plaatsten zich voor mij, opdat geen nieuwsgierig oog mij van de straat
zou kunnen bespieden. Ik schoof mijnen sluijer op zijde, doch in plaats
van mij te kussen, beet de koopman mij in de wang, dat zij bloedde.

De smart en nog meer de schrik deden mij in zwijm vallen. Men droeg mij
naar buiten, en de koopman, van de verwarring gebruik makende, sloot
zijn' winkel en ontvlugtte. Toen ik weder tot bewustzijn kwam, voelde
ik dat mijne wang geheel bebloed was. De oude dame en mijne slavinnen
hadden inmiddels zorg gedragen, om mijn gelaat met mijn' sluijer te
bedekken, opdat de menschen, die ons omringden, in den waan zouden
blijven, dat ik slechts eene flaauwte had gekregen.

De oude vrouw was geheel ter neêrgeslagen over een voorval, waartoe zij
door haren onvoorzigtigen raad aanleiding had gegeven. Zij trachtte mij
echter, zoo veel in haar vermogen was, gerust te stellen omtrent de
gevolgen van mijne dwaze toegeefelijkheid. „Mijne goede meesteres!”
sprak zij met tranen in de oogen, „ik moet u duizendmalen om vergiffenis
vragen, daar ik oorzaak ben van dit ongeluk. Ik heb u bij dezen koopman
gebragt, omdat het een landgenoot van mij is, en nooit zou ik hem in
staat hebben geacht tot eene zoo boosaardige handelwijze, waarvan ik te
vergeefs de reden tracht te gissen. Maar geef u niet te zeer aan uwe
droefheid over; haasten wij ons om naar huis te gaan, ik ben in het
bezit van een kostbaren balsem, die de kracht heeft uwe wond in drie
dagen tijds zoo volkomen te genezen, dat er niet het minste lidteeken
van zal achterblijven.”

Mijne flaauwte had mij zoo verzwakt, dat ik naauwelijks kon gaan.
Ondersteund door mijne slavinnen, bereikte ik echter mijne woning;
doch naauwelijks bevond ik mij op mijne kamer, toen mij eene nieuwe
bezwijming overviel. De oude dame verzuimde inmiddels niet, eene
pleister met hare wonderzalf op mijne wang te leggen; ik kwam weder tot
mij zelven, en begaf mij terstond te bed. Het was reeds nacht, toen mijn
man bij mij kwam. Zoodra hij bemerkte, dat mijn hoofd met een' doek was
omwonden, vraagde hij met belangstelling wat mij scheelde. Ik gaf voor
hoofdpijn te hebben, en vleide mij dat het daarbij zou blijven. Maar
ik had mij vergist. Mijn echtgenoot nam eene waskaars van eene der
candelabers, en toen hij bijlichtte, bespeurde hij de wonde aan mijne
wang, of liever de daarop liggende pleister. „Van waar deze wonde?”
vraagde hij. Hoewel ik niet zeer schuldig was, kon ik echter niet
besluiten voor de waarheid uit te komen; het gebeurde aan een'
echtgenoot te belijden, dat scheen mij met de welvoegelijkheid te
strijden. Ik vertelde hem, dat ik naar de bazar gaande, waartoe hij mij
verlof had gegeven, op weg een drager had ontmoet, die eene zware vracht
hout op het hoofd droeg, en zoo digt langs mij heen ging, dat een
vooruitstekende tak mij het gelaat had opengekrabt, doch dat het weinig
te beduiden had.

Mijn echtgenoot ontstak daarover in hevigen toorn. „Die daad,” zeide
hij, „zal niet ongestraft blijven. Zoodra de dag zal zijn aangebroken,
zal ik den officier van politie bevel geven, dat hij al die onbeschofte
dragers van de straat doe opvatten en aan de hoogste galg hangen.”
Daar ik vreesde de oorzaak te zullen zijn van den dood van zoo vele
onschuldige menschen, antwoordde ik hem: „Mijn geliefde man, het zou mij
zeer bedroeven, indien gij zulk eene groote onregtvaardigheid begingt,
ik bid u, doe dit niet. Ik zou het mij nimmer kunnen vergeven, indien ik
daartoe aanleiding had gegeven!” „Zeg mij dan in opregtheid,” hernam
hij, „wat ik van uwe wonde moet denken.”

Ik antwoordde hem, dat ik die wond had gekregen door den ezel van een'
bezemverkooper. De man, op zijn' ezel gezeten, was mij, zoo gaf ik voor,
achter op komen rijden, en daar hij het hoofd omgewend had, kon hij mij
niet zien, waardoor hij verzuimde zijn: „Plaats! berg u!” te roepen. De
ezel was mij nu zoo ruw tegen het lijf geloopen, dat ik gevallen was,
en mijne wang aan eene glasscherf, die op de straat lag, gekwetst had.
„Als dat zoo is,” zeide nu mijn man, „dan zal de zon niet aan den hemel
verrijzen of de groot-vizier Giafar zal van deze onbeschoftheid kennis
dragen, en al deze bezemverkoopers doen dooden.” „Bij Allah,” viel ik
hem in de rede, „ik bezweer u, het dezen ongelukkigen niet toe te
rekenen, zij zijn onschuldig.” „Hoe, Mevrouw!” antwoordde hij, „wat zal
ik ten laatste moeten gelooven? Spreek, ik wil volstrekt de waarheid uit
uwen mond hooren.”—„Beste man,” hernam ik, „ik kreeg eene duizeling en
ben gevallen; ziedaar de geheele zaak.”

Dit laatste gezegde deed mijn' echtgenoot het geduld verliezen. „Ha!”
riep hij, „reeds te lang heb ik uwe leugens aangehoord!” Dit zeggende,
klapte hij in de handen en drie zwarte slaven traden binnen. „Neem
deze dame van haar bed,” beval hij, „en leg haar in het midden van dit
vertrek op den grond.” De slaven volvoerden zijn bevel, en terwijl de
een mij bij het hoofd, de andere bij de voeten hield, beval hij aan den
derden slaaf een zwaard te halen. Toen de slaaf daarmede terugkwam,
riep mijn echtgenoot: „Sla toe, scheid haar ligchaam in twee stukken
en werp die in de Tigris tot spijs voor de visschen! Zoo straf ik de
trouweloosheid van haar, aan wien ik mijne liefde heb geschonken.”

Toen mijn man zag, dat de slaaf geen haast maakte, om aan dit wreede
bevel te gehoorzamen, herhaalde hij het, zeggende: „Sla toe dan! wat
weêrhoud u, waarop wacht gij?” „Mevrouw!” zeide toen de slaaf tot mij,
„gij hebt nog slechts een oogenblik te leven; bezin u wel of gij, vóór
dat de dood u treft, ook nog iets hebt te bevelen.”

Ik vraagde verlof om een woord te mogen spreken. Dit werd mij
toegestaan. Daarop mijn hoofd opheffende, en mijn echtgenoot teeder
aanziende, barstte ik in tranen uit en klaagde: „Helaas! tot welk een'
toestand ben ik gebragt! Zal ik dan in de schoonste dagen van mijn nog
jeugdig leven moeten sterven!” Ik wilde voortgaan, maar mijne tranen
en mijne zuchten beletten mij verder het spreken. Niets van dit alles
kon mijn' echtgenoot bewegen. Integendeel, hij deed mij de hevigste
verwijten, die ik niet noodig acht voor uwe majesteit te herhalen. Ik
nam nu mijne toevlugt tot smeekingen en gebeden, maar hij wilde er niet
naar hooren, en beval den slaaf zijn' pligt te doen.

Op dat ogenblik stormde de oude dame de kamer binnen, wierp zich aan
de voeten van mijn' echtgenoot, wiens voedster zij geweest was, en
beproefde zijn' toorn te doen bedaren. „Mijn zoon!” zeide zij, „aan
mijne borsten hebt gij gezogen, met mijne melk heb ik u gevoed, en ik
heb u in uwe jeugd verzorgd als eene teedere moeder; ik vraag daarvoor
van u geen ander loon dan dat gij aan deze ongelukkige vergiffenis
schenkt. Bedenk, dat volgens de wet van onzen grooten Profeet, de
doodslager niet onschuldig geacht zal worden; dat hij, die doodt, zelf
gedood zal worden, en dat gij gevaar loopt uw goeden naam en de achting
van alle weldenkende menschen te verliezen. Wat zal men zeggen van een'
toorn, die zich alleen door bloed laat stillen!” Deze woorden, die zij
door hare tranen deed vergezeld gaan, en haar smeekende op hem gerigte
blik, maakten op mijn' echtgenoot een' diepen indruk. „Welaan,” zeide
hij tot zijne voedster, „om uwentwil schenk ik haar het leven. Maar ik
wil, dat zij haar leven lang teekenen zal dragen, die haar aan haar
misdrijf zullen herinneren.”

Op deze woorden bragt een der slaven mij met eene rotting zoo vele en
zulke harde slagen in mijne zijde en op mijn' boezem toe, dat vel en
vleesch er werden afgescheurd, en ik door pijn en bloedverlies geheel
buiten kennis geraakte. In dien toestand liet hij mij door zijne slaven
opnemen en naar een afgelegen huis vervoeren. De oude dame, welke verlof
had gekregen om mij te verplegen, droeg inmiddels de grootste zorg voor
mij. Vier maanden moest ik het bed houden. Eindelijk herstelde ik, maar
de likteekens, welke uwe majesteit in den vorigen nacht mijns ondanks
gezien heeft, heb ik altijd behouden.

Zoodra ik mij sterk genoeg gevoelde om te kunnen uitgaan, wilde ik naar
het huis, dat ik van mijn' eersten man had, terugkeeren, doch ik vond
slechts de plaats waar het eenmaal gestaan had. Mijn tweede echtgenoot
had, in de hevigheid van zijnen toorn, niet alleen mijne woning, maar
de geheele straat omver laten halen. Deze daad van geweld is voorzeker
ongehoord, en kan door niets verschoond worden; maar tegen wien zou ik
mijne klagt indienen? De bewerker van die willekeurige handelwijze had
zijne maatregelen zoo goed genomen, dat ik hem niet op het spoor kon
komen. De oude dame, van wie ik moest veronderstellen, dat zij beter met
den waren naam en den eigenlijken stand van mijn' wreeden echtgenoot
bekend was dan ik zelve, wilde zich daarover niet uitlaten. Bovendien,
al ware ik er ook in geslaagd, hem te ontdekken, was het mij niet
duidelijk genoeg, dat de behandeling mij aangedaan, het werk was van
eene onbeperkte magt? Zou ik zelfs wel den moed hebben, mij daarover te
beklagen?

Mistroostig en van alles ontbloot, nam ik mijne toevlugt tot mijne
geliefde zuster Zobeïde, en ik verhaalde haar, onder het storten van
een' vloed van tranen, mijne ongelukken in mijn tweede huwelijk. Zij
ontving mij met hare gewone goedheid, en moedigde mij aan om mijn lot
met lijdzaamheid te dragen. „Lieve zuster!” zeide zij, „gij hebt veel
ondervonden en veel geleden, maar zoo is de loop dezer wereld; niets is
hier bestendig; heden zijn wij rijk en gelukkig, en morgen van alles
beroofd. De dood ontneemt ons onze vrienden of een' dierbaar voorwerp,
in wiens liefde wij ons verblijden, en met wien wij ons in de toekomst
een' hemel van zaligheid droomden.” En om mij een bewijs te geven, dat
zij bij ondervinding dus mogt spreken, maakte zij mij bekend met hare
liefde voor den jongen prins, dien zij in de versteende stad had
aangetroffen, en die een zoo treurig einde ten deel was gevallen door de
jaloerschheid onzer zusters. Zij vertelde mij ook hoe deze, tot hare
straf, in honden veranderd waren, en dat zij haar, op bevel van de
toovergodin, elken nacht op het strengste moest kastijden, eene taak,
die haar zeer zwaar viel. Na mij nog vele bewijzen van hare liefde
gegeven te hebben, stelde ik mij ook voor aan hare jongste zuster, welke
sedert den dood van onze moeder bij haar inwoonde.

Wij danken Allah, dat hij ons op eene zoo zonderlinge wijze bij elkander
had gebragt, en wij namen ons voor onze vrijheid te behouden, en niet
weder te scheiden, vóór dat de dood ons daartoe noodzaken zou. Reeds
lang hebben wij te zamen een rustig leven geleid, en daar ik belast ben
met de huishoudelijke uitgaven, heb ik er vermaak in, de levensmiddelen,
die wij noodig hebben, zelve in te koopen. Met dat doel was ik gisteren
uitgegaan, en daar de drager, van wien ik mij bediende om de waren,
welke ik in onderscheidene winkels gekocht had naar huis te brengen,
blijken gaf van een geestig en in den omgang aangenaam mensch te zijn,
hielden wij hem bij ons, om ons met hem te vermaken. De avond was
reeds gevallen, toen deze calenders ons verzochten hen voor dien nacht
huisvesting te geven. Wij namen hen in, echter onder ééne voorwaarde,
die zij aannamen. Nadat wij hen aan tafel gul onthaald hadden,
vergastten zij ons op een concert, toen er andermaal aan de deur werd
geklopt. Ditmaal waren het drie kooplieden van Moussoul. Zij deden ons
een gelijk verzoek als de calenders, en werden onder dezelfde voorwaarde
in ons gezelschap toegelaten, want hun voorkomen was zeer gunstig, en
deed ons de beste gedachten van hen koesteren. Doch deze heeren hielden
hunne belofte evenmin als de anderen. Wij hadden de magt en waren in ons
goed regt hen daarvoor te straffen, maar wij vergenoegden ons, met hen
hunne geschiedenissen te laten vertellen, en wij namen geene andere
wraak, dan hen vervolgens weg te zenden, en hun eene wijkplaats te
ontzeggen, welke zij verbeurd hadden.”

       *       *       *       *       *

De kalif Haroun-al-Raschid was zeer tevreden, dat aan zijne
nieuwsgierigheid voldaan was, en betuigde openlijk zijne bewondering
over de verhalen van al de vreemde gebeurtenissen, die hij had
aangehoord.

Deze groote monarch liet het echter hierbij niet blijven. Hij besloot
aan de drie calenders, koningszonen, en aan de drie dames een doorslaand
bewijs te geven van zijne grootmoedigheid. Zonder zich ditmaal van de
tusschenkomst van zijnen groot-vizier te bedienen, rigtte hij zelf het
woord tot Zobeïde: „Mejufvrouw,” zeide hij, „heeft de toovergodin,
welke zich eerst aan u in de gedaante van eene slang vertoonde, en
u later zulk een' zwaren taak opdroeg, niet gezegd, waar gij haar des
verlangende kunt vinden; of liever, heeft zij u niet beloofd terug te
komen, om na zeker tijdsverloop aan uwe twee in zwarte honden veranderde
zusters hare natuurlijke gedaante terug te geven?”

„Beheerscher der geloovigen!” antwoordde Zobeïde, „ik heb nog vergeten
aan uwe majesteit te zeggen, dat de toovergodin mij een pakje met
haar heeft ter hand gesteld, met de verzekering, dat, mogt hare
tegenwoordigheid door mij verlangd worden, ik daarvan slechts twee
haartjes behoefde te verbranden, dan zou zij oogenblikkelijk bij mij
zijn, al ware zij op dat tijdstip aan gene zijde van den berg Kaukasus.”
„Mejufvrouw,” hernam de kalif, „waar hebt gij dat pakje met haar?”
Zobeïde antwoordde, dat zij dit van het oogenblik af, dat het haar
door de toovergodin werd gegeven, altoos als een kostbaar voorwerp in
een medaillon om haren hals had gedragen. Dit zeggende, nam zij het
medaillon, dat zij aan een gouden kettingje op haren boezem had hangen,
opende het en toonde het pakje. „Welnu,” sprak de kalif, „doe de
toovergodin hier komen; gij zoudt haar op geen voegzamer tijdstip kunnen
ontbieden, omdat ik het zoo begeer.”

Zobeïde verzocht dat men haar een komfoor met vuur zou brengen. In
plaats van twee haartjes legde zij er het geheele pakje met haar op,
dat terstond ontvlamde. Op het eigen oogenblik schudde het paleis op
zijne grondvesten, en de toovergodin verscheen voor den kalif, onder
de bekoorlijke gedaante van eene schoone en prachtig gekleede dame.
„Beheerscher der geloovigen!” sprak zij, „zie mij gereed uwe bevelen te
ontvangen. De dame, welke mij op uw bevel heeft ontboden, heeft mij
eenmaal eene gewigtige dienst bewezen. Om haar daarvoor mijn' dank te
betoonen, heb ik haar wraak verschaft over het verraad van hare zusters,
door deze in honden te veranderen, doch als uwe majesteit het begeert,
ben ik bereid haar hare vorige gestalte terug te geven.”

„Schoone nimf,” antwoordde de kalif, „gij zoudt mij geen grooter
genoegen kunnen doen; bewijs haar die gunst. Daarna zal ik middelen
bedenken om haar te troosten over de harde straf welke zij ondergaan
hebben. Maar vooraf heb ik u nog een verzoek te doen, ten gunste van
eene dame, hier tegenwoordig, welke door haar' man op eene barbaarsche
wijze werd mishandeld. Daar gij vele zaken weet, die voor ons
stervelingen verborgen zijn, zoo vertrouw ik, dat gij mij ook in deze
zaak kunt helpen; verpligt mij alzoo door mij den naam te zeggen van
den barbaar, die, niet tevreden haar dus mishandeld te hebben, haar nog
beroofd heeft van al wat zij van haar' eersten man bezat. Het verwondert
mij, dat zulk eene onregtvaardige en onmenschelijke daad, waardoor mijn
gezag werd beleedigd, niet te mijner kennis is gekomen.”

[Illustratie: Geschiedenis van Sindbad den Zeeman.

                                                       Dl. II, pag. 33.]

„Om uwe majesteit genoegen te geven,” antwoordde de toovergodin, „zal ik
de beide honden hare vorige gestalte hergeven. De dame, door u bedoeld,
zal ik genezen van hare likteekens, zoodat daarvan niet het geringste
spoor zal overblijven, en vervolgens zal ik u ook hem noemen, die haar
dus heeft mishandeld.”

De kalif beval daarop de honden uit Zobeïde's woning te halen. Zijn
bevel werd met den meesten spoed volbragt. De toovergodin vroeg nu eene
kom met water, sprak daarover eene reeks onverstaanbare woorden uit,
en vervolgens eenige droppelen van dit water nemende, wierp zij die
op Amine en op de beide honden. Naauwelijks was dit geschied, of de
laatsten veranderden in twee dames van uitstekende schoonheid, en de
likteekens van Amine waren verdwenen.

Toen zeide de toovergodin tot den kalif: „Beheerscher der geloovigen, er
blijft mij nog over u den onbekenden echtgenoot van deze dame te noemen.
Hij bestaat u van zeer nabij want het is uw oudste zoon, de prins
Amindar. Het gerucht van Amine's schoonheid deed den prins in liefde
voor haar ontsteken; hij wist haar naar zijne woning te lokken, en heeft
haar gehuwd. De mishandeling, welke hij haar heeft doen ondergaan, is
eenigzins te verontschuldigen. Mevrouw zijne echtgenoot had zich te
veel vrijheid veroorloofd, en de verontschuldigingen, die zij inbragt,
droegen het kenmerk der onwaarheid, en moesten hem doen denken, dat zij
zich aan eene veel grootere misdaad had schuldig gemaakt, dan inderdaad
het geval was. Had zij hem hare fout beleden, de zaak zou zoo ver niet
gekomen zijn, maar wie zich door een' leugen zoekt te redden, zal
daarbij nimmer wel varen. Dit is alles, wat ik uwe majesteit te zeggen
heb, om haar verlangen te bevredigen.” Na deze woorden groette zij den
kalif en verdween.

Deze monarch, opgetogen van verwondering, en tevreden ever hetgeen door
zijne tusschenkomst had plaats gehad, deed daden, waarvan de late
nakomelingschap nog met lof zal spreken. Eerst liet hij den prins
Amindar, zijn' zoon, ontbieden, en zeide hem, dat hij met zijn geheim
huwelijk bekend was, terwijl hij hem te gelijk mededeelde, bij welke
gelegenheid Amine de wond aan hare wang had bekomen, en dat alleen
schaamte over hare onbezonnen daad haar had weêrhouden, hem dit te
belijden en zijne vergiffenis af te smeeken.—De prins liet zijnen vader
niet verder voortgaan, hij wachtte niet tot deze er van sprak, van haar
weder in gunst aan te nemen, maar hij deed dit terstond uit eigen
beweging. Vervolgens verklaarde de kalif, dat hij zijn hart en zijne
hand aan Zobeïde schonk. Hare drie zusters bestemde hij voor de drie
calenders, koningszonen, die dit geschenk met vreugde aannamen. Hij wees
aan elk hunner een prachtig paleis in Bagdad tot woning aan, verhief hen
tot de eerste waardigheden in zijn rijk en gaf hun zitting in zijnen
raad. Zoo verwierf zich de beroemde kalif Haroun-al-Raschid duizend
zegeningen, door zoo vele menschen gelukkig te maken, die met
ongeloofelijke rampspoeden hadden te worstelen gehad.



GESCHIEDENIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.


Onder de regering van denzelfden Haroun-al-Raschid, leefde er te Bagdad
een arme drager, Hindbad genaamd. Op een' zeer heeten dag moest hij eene
zware vracht dragen van het eene einde der stad naar het andere. Daar
hij door den langen weg, dien hij reeds had afgelegd, zeer vermoeid was,
zocht hij eene schaduwrijke plaats, legde zijne vracht af en ging daarop
zitten, ten einde een weinig uit te rusten. Hij bevond zich tegenover
een prachtig paleis, uit welks openstaande vensters hem eene fraaije
muzijk tegenklonk! Werd hierdoor het gehoor van onzen drager gestreeld,
zijn neus ging niet minder te gast aan den lekkeren reuk van gebak en
gebraad, welke hem uit een der keukenvensters tegenkwam. „Hier geeft
men een feest en leeft men zonder zorgen,” dacht onze arme drager,
„wie zou toch de gelukkige bewoner van dit paleis zijn?” Om zijne
nieuwsgierigheid te bevredigen trad hij naderbij, en vroeg aan een' der
prachtig uitgedoschte lakkeijen, die hij aan de deur zag staan, den naam
van zijn' heer. „Hoe,” zeide de lakkei, op een' toon van verwondering,
„gij zijt een inwoner van Bagdad, en gij weet niet, dat dit de woning is
van Sindbad den zeeman, van den beroemden reiziger, die alle zeeën en
landen, welke door de zon worden beschenen, bezocht heeft!” Onze drager
had van den onmetelijken rijkdom van dezen Sindbad dikwijls hooren
spreken en benijdde een man, die in zijne oogen even zoo gelukkig moest
zijn, als hij zelf te beklagen was. Met deze ontevreden gedachten
bezield, blikte hij ten hemel, en sprak, luide over zijn lot morrende:
„O Allah! Schepper en Bestierder der geloovigen, waartoe toch het
onderscheid tusschen dezen Sindbad en mij? Ik moet dagelijks hard
werken, hitte en koude verduren, om een schamel stukje brood voor mij
en mijn gezin te verdienen, terwijl deze gelukkige zijne schatten in
ledigheid verteert en een vrolijk en weelderig leven leidt. Wat heeft
hij gedaan, dat Gij hem met zulk een gelukkig lot bedeelt? En wat heb ik
misdreven, om zulk een hard leven te moeten leiden?” Bij deze laatste
woorden stampte hij met den voet op den grond, en sloeg zich met de
vuist voor het hoofd.

Nog was de drager in deze wanhopige gedachten verdiept, toen een der
knechten uit het paleis hem naderde, hem bij den arm greep en zeide:
„Haast u en volg mij. Mijnheer Sindbad, mijn meester, wil u spreken.”

Hindbad gevoelde zich bij deze toespraak niet zeer op zijn gemak. Hij
werd bevreesd, dat men zijne voor den heer des huizes niet vleijende
gezegden had gehoord, en dat Sindbad hem nu liet ontbieden, om hem
daarover door te halen of te straffen. Hij verontschuldigde zich dus,
dat hij zijne vracht niet onbewaakt op straat kon laten liggen, maar de
lakkei zeide, dat men daarvoor zorg zou dragen, en drong zoo sterk bij
hem aan, dat de drager, hoewel schoorvoetende, zich naar binnen liet
geleiden.

De lakkei bragt hem in eene groote zaal, waar een aanzienlijk gezelschap
aan tafel zat. Op die tafel stond eene keur der heerlijkste spijzen te
dampen. Aan het boveneinde zat een nog krachtvol grijsaard van een
ernstig en, door zijn' langen witten baard, achtbaar voorkomen. Achter
zijn' prachtigen zetel stonden eene menigte bedienden, die allen zich
beijverden om op zijne wenken te letten. Deze zoo gevierde persoon was
Sindbad.

Het gezigt van zulk een aanzienlijk gezelschap en de pracht, die alom
heerschte, bragten den armen drager zoo van zijn stuk, dat hij als een
misdadiger stond te beven. Sindbad wenkte, dat hij naderbij zou komen,
zette hem aan zijne regterhand, diende hem van het lekkerste dat op
zijne tafel stond, en deed hem inschenken van den fijnen wijn, waarmede
het buffet als overladen was.

Toen nu de drager goed gegeten en gedronken had, en ook de overige
gasten verzadigd waren, nam de gastheer het woord, en zich tot Hindbad
wendende, zeide hij, de zeden der Arabieren volgende, als zij zeer
gemeenzaam met iemand spreken: „Broeder! mag ik uw' naam weten, en ook
welk beroep gij uitoefent?” „Heer,” luidde het antwoord, „ik heet
Hindbad en ben drager van beroep.” „Het verheugt mij u hier te zien,”
hernam Sindbad, „en ik durf u de verzekering geven, dat gij ook mijnen
gasten aangenaam zijt, maar ik wensch uit uw' eigen mond te vernemen,
wat gij daar zoo even op straat gezegd hebt. Voor mijn raam staande, heb
ik eenige woorden daarvan opgevangen, en daarom stel ik er belang in,
hiervan meer te weten.”

Op deze vraag nam de verlegenheid van Hindbad toe; hij sloeg de oogen
neêr, en zeide op een' toon, die zijne ontsteltenis verried: „Mijnheer,
ik moet u ronduit bekennen, dat ik, in de misnoegde stemming, waarin ik
mij bevond, eenige onwelvoegelijke woorden heb geuit, ik smeek u mij dit
te vergeven.” „Stel u gerust, broeder,” hernam Sindbad, „vrees niet,
dat ik daarover geraakt ben. Integendeel ik kan mij zeer goed in uw'
toestand verplaatsen, en in plaats van u over uwe morrende taal eenig
verwijt te doen, beklaag ik u veeleer! Mijne wensch is alleen u uit eene
dwaling te helpen, waarin gij omtrent mij schijnt te verkeeren. Gij
verbeeldt zeker, dat ik het aangename en rustige leven, dat ik thans mag
leiden, zonder moeite of arbeid heb verkregen; hierin tast gij mis. Ik
ben eerst zoo gelukkig geworden na eene reeks van jaren meer gewerkt
en meer doorgestaan te hebben, dan gij of iemand anders zich kan
verbeelden. Ja, mijne heeren!” vervolgde hij, zich thans tot het geheele
gezelschap wendende, „ik kan u verzekeren, dat mijne werkzaamheden en
rampen van zulk een' buitengewonen aard waren, dat zij in staat zouden
zijn den begeerigsten den lust te ontnemen om de schatten, die zij in
hun vaderland niet kunnen vinden, over zee en in verre gewesten te gaan
zoeken. Gij zult waarschijnlijk slechts bij gerucht gehoord hebben van
mijne zonderlinge lotgevallen en van de tallooze gevaren, die ik op
mijne zeven zeereizen heb doorgestaan. Vermits zich daartoe thans de
gelegenheid voordoet, wil ik er u een getrouw verslag van geven. Ik durf
mij zelfs vleijen, dat gij geen berouw zult hebben, mij een aandachtig
oor te hebben verleend.”

Daar Sindbad met het verhaal zijner geschiedenis hoofdzakelijk beoogde,
den drager van zijne dwaling te overtuigen, gaf hij last, dat men zijn
pak binnenshuis halen en bergen zou, ter plaatse waar Hindbad dit mogt
verlangen. Toen ving hij aldus aan:


EERSTE REIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.

„Ik had van mijne familie een aanzienlijk vermogen geërfd; doch in
mijne jeugd bragt ik daarvan het grootste gedeelte op eene onbezonnen
wijze door. Eindelijk echter kwam ik van mijne verblinding terug en
begon in te zien, dat ook de grootste rijkdom niet onuitputtelijk is,
en dat alzoo bij mijne verkwistende levenswijze mijn erfdeel weldra
verteerd zou zijn. Ik overwoog ook, hoe dwaas het was den kostbaren
tijd, die nimmer terugkeert, in ijdelheid en in een ongeregeld leven
door te brengen, in plaats van die te besteden tot mijn eigen heil
en tot nut van mijne medemenschen. Nog kwam het mij als een dreigend
spookbeeld voor den geest, dat er geene grootere ellende op deze aarde
is, dan arm te zijn in den dag des ouderdoms. Ik herinnerde mij daarbij
de woorden van den wijzen Salomo, die ik van mijn' vader meermalen
gehoord had: „Het is beter in het graf te zijn dan in armoede.”

Al deze overwegingen maakten een' diepen indruk op mij, en ik besloot
het overschot van mijn erfdeel bijeen te verzamelen en daarmede mijn
voordeel te doen. Ik liet al mijne kostbare meubelen in het openbaar aan
de meestbiedenden verkoopen. Ik vereenigde mij met eenige kooplieden,
die op zee handel dreven, en vraagde raad aan verstandige lieden, die
met den handel goed bekend waren. Ik besteedde het weinige dat mij van
mijn kapitaal overbleef, om er die waren voor in te koopen, waarop,
volgens hun zeggen, eene goede winst te verwachten was. Ik liet die naar
Balsora overbrengen, alwaar wij ons inscheepten op een groot schip, dat
wij voor gezamentlijke rekening hadden aangekocht en uitgerust.

Wij gingen onder zeil en zetten koers naar Oost-Indië door den
Perzischen zeeboezem, die ten Westen begrensd wordt door de kust van
Gelukkig Arabië en ten Oosten door die van Perzië, wiens grootste
breedte naar het algemeen gevoelen, slechts zeventig zeemijlen bedraagt.
Van daar kwamen wij in de Indische zee, welken ten Westen wordt begrensd
door de kusten van Abyssinië, en eene lengte heeft van vier duizend een
honderd mijlen tot de eilanden van Vakvak.

Wij deden op onze reis verschillende eilanden aan, waar wij onze
koopwaren met voordeel verkochten of tegen andere inruilden. Op zekeren
dag werden wij door windstilte overvallen, zoodat het schip bijna niet
verder kwam en de zeilen en winpels slap bij de masten hingen. Wij
bevonden ons toen op de hoogte van een klein eiland, dat bijna met het
water gelijk was, en zich aan ons door zijne groene kleur als eene in
de zee drijvende weide vertoonde. De kapitein liet zeilen reven, en wij
passagiers kregen verlof ons aan wal te begeven. Ik bevond mij onder
hen, die dit eiland gingen bezoeken.

Wij hadden in onze sloep al het noodige voor een landelijk maal
medegenomen, en legden een vuur aan van eene ledige teerton; de matrozen
kookten onze spijs, wij maakten goede sier, en dronken op onze gelukkige
landing. Eensklaps begon het eiland te schudden en wij voelden
onderscheidene schokken als die van eene aardbeving.

Ook op het schip had men deze schudding van het eiland waargenomen,
en men riep ons met den scheepsroeper toe, dat, indien wij niet allen
wilden vergaan, wij ons moesten haasten aan boord te komen, daar,
hetgeen wij voor een eiland hadden aangezien, niet anders was dan de
bovenwater uitstekende rug van een' zeer grooten walvisch, die zich in
de zon koesterde en zijn middagslaapje hield. De vlugsten van ons redden
zich in de sloep, anderen sprongen in zee en trachten zich door zwemmen
te redden. Wat mij betreft, ik bevond mij nog op het eiland, of liever
op den walvisch, toen het monster naar de diepte ging, zoodat ik slechts
tijd had om mij op een groot stuk hout te plaatsen, dat wij hadden
medegebragt, om er het vuur mede aan te stoken. De lieden uit de
sloep kwamen behouden aan boord, en eenige der rondzwemmenden werden
opgevischt; terwijl andere in de diepte wegzonken en verdronken. Op mij,
hoe luid ik ook riep, scheen men geen acht te slaan, en daar de wind
inmiddels opstak, zag ik tot mijn' schrik, dat de kapitein, die mij
zeker voor verloren hield, de zeilen liet hijschen en wegvoer, zoodat
mij alle hoop benomen werd, om het schip te bereiken. Ik bleef dus
alleen achter, overgelaten aan de willekeur der golven, welke mij dan
hier dan herwaarts slingerden. Ik betwistte haar echter mijn leven
gedurende dien ganschen dag en den daarop volgenden nacht. Met het
aanbreken van den dag waren mijne krachten geheel uitgeput, en reeds
zag ik den dood voor oogen, toen ik eensklaps door eene groote golf
opgenomen en tegen een eiland geworpen werd.

Het strand was hoog en steil, doch de doodsangst gaf vleugelen aan mijne
voeten, en met behulp van eenige vooruitstekende boomwortels, die tot
mijn behoud daar bewaard schenen te zijn, bevond ik mij weldra op het
drooge en meer dan honderd voet boven de oppervlakte der zee. Ik strekte
mij op den met gras bedekten bodem uit, en bleef voor half dood liggen,
tot dat de zon met hare koesterende stralen mij uit mijne sluimering
wekte.

Hoewel ik mij zeer zwak gevoelde door de vermoeijenissen welke ik, op
zee drijvende, had uitgestaan, stond ik echter, door den honger gekweld
op, en sleepte mijn uitgeput ligchaam voort, om eenige kruiden of
vruchten te zoeken. Ik had het geluk weldra te vinden wat ik zocht, en
tevens ontdekte ik eene bron met zoet water, dat niet weinig tot mijne
verkwikking toebragt. Zoodra mijne krachten eenigzins hersteld waren,
ging ik het eiland dieper in, zonder te weten waarheen ik mijne schreden
moest rigten. Eindelijk kwam ik in eene grasrijke vallei, en in de verte
bespeurde ik een paard, dat liep te grazen. Ik werd op dit gezigt door
vrees en hoop geslingerd, want ik was in het onzekere of ik mijn' dood
te gemoet ging, door in de handen van wreede wilden te vallen, dan of ik
op redding kon hopen. Intusschen ging ik steeds voort, en naderbij
komende werd ik gewaar, dat het eene schoone merrie was, welke met een
lang touw aan een' staak was vastgebonden. Terwijl ik het paard bezag,
hoorde ik onder mij spreken. Niet lang daarna kwam er een man als voor
mijne voeten uit den grond op, die mij vraagde, wat ik daar te doen had,
en wie ik was. Daar hij in eene mij bekende taal sprak, stelde ik mij
gerust, en deelde hem mijne lotgevallen mede. Hij stak mij de hand toe,
en bragt mij in eene grot, waar zich verscheidene mannen bevonden, die
niet minder verwonderd waren _mij_ daar te zien, dan _ik_ het was er hen
aan te treffen.

Ik gebruikte een weinig van de spijzen, die zij mij voorzetten, en
vraagde hun op mijne beurt met welk doel zij zich op deze plaats
bevonden, die mij toescheen niet anders dan eene wildernis te zijn. Zij
antwoordden mij, dat zij stalknechten waren van den koning Mihradhan,
onder wiens heerschappij dit eiland stond. Dat zij elk jaar omtrent den
zelfden tijd naar deze vlakte kwamen, ter verkrijging van paarden voor
's konings stal, hetwelk echter met veel moeite gepaard ging, door dat
zich in de nabijheid een zeepaard bevond, die hunne paarden zocht te
verslinden. Ook deelden zij mij nog mede, dat zij den volgenden morgen
weder vertrokken en dat, ware ik slechts één dag later gekomen, het zeer
slecht met mij zou zijn afgeloopen, daar de bewoonde zijde van het
eiland zeer ver van hier was, en ik daar zonder gids nimmer zou zijn
gekomen.

Terwijl zij dus met mij spraken, steeg, zoo als zij mij gezegd hadden,
het zeepaard uit de zee op, wierp zich op de merrie, en wilde haar
verslinden, doch verschrikt door het geschreeuw dat de stalknechten
maakten, liet het zijne prooi los, en stortte zich weder in zee.

Den volgenden morgen namen zij met de merriën de terugreis aan naar de
hoofdstad van het eiland, en welwillend namen zij mij in hun gezelschap
op. Bij onze aankomst werd ik aan den koning Mihradhan voorgesteld, hij
vraagde mij door welk toeval ik mij in zijne staten bevond. Zoodra ik
zijne nieuwsgierigheid door het verhaal van mijne lotgevallen bevredigd
had, betuigde hij mij, dat hij zeer veel deel in mijn ongeluk nam.
Te gelijker tijd gaf hij last, dat men de grootste zorg voor mij zou
dragen en mij van alles, wat ik noodig mogt hebben, voorzien. Dit bevel
werd op zulk eene wijze nagekomen, dat ik alle reden had over zijne
edelmoedigheid en over den ijver van zijne dienaren tevreden te zijn.

Daar ik koopman was, zocht ik de lieden van mijn vak op, doch
hoofdzakelijk de vreemde kooplieden, ten eerste om eenig nieuws uit
Bagdad te vernemen, en ten tweede om naar gelegenheid uit te zien, onder
hen iemand aan te treffen, met wien ik naar mijn geboorteland zou kunnen
terugkeeren, want de hoofdstad van den koning Mihradhan ligt aan de
zee, en heeft eene zeer schoone haven, waar dagelijks uit verschillende
oorden der wereld schepen binnen loopen. Ook zocht ik het gezelschap
der Indische wijzen, en vond er vermaak in hen te hooren redekavelen.
Bij dit alles verzuimde ik echter niet geregeld aan het hof te komen,
om mij met 's konings landvoogden en met de koningen, welke aan hem
schatplichtig waren en die zich aan zijn hof ophielden, te onderhouden.
Zij deden mij duizenden vragen over mijn geboorteland, terwijl ik van
mijn' kant er naar streefde, mij met de zeden en wetten in hunne staten
bekend te maken, om dusdoende mijne kennis te vermeerderen.

Onder de heerschappij van den koning Mihradhan bevond zich nog een ander
eiland, Cassal genaamd. Dit eiland was onbewoond, en werd alleen door de
schepelingen bezocht, om zich van versch water te voorzien of kokosnoten
in te laden, die daar in overvloed te vinden waren. Men verzekerde mij,
dat zich op dat eiland iederen nacht het geluid van keteltrommen liet
hooren, hetgeen den matrozen deed denken, dat aldaar een demon zijn
verblijf hield, die zij Deggial noemden. De lust bekroop mij van dit
wonder oorgetuige te zijn. Op mijne reis derwaarts zag ik visschen, die
eene lengte van honderd tot twee honderd ellen hadden. Deze waren zoo
vreesachtig, dat men slechts op eene plank behoefde te kloppen om ze te
verjagen. Ik zag nog andere visschen van slechts eene elleboogslengte,
maar wier koppen veel overeenkomst hadden met die van nachtuilen.

Toen ik bij mijne terugkomst, aan de haven op en neêr wandelde, liep er
een schip binnen. Zoodra dit voor anker lag, werd er een begin gemaakt
met het lossen der koopwaren, en de kooplieden, aan wie deze goederen
behoorden, lieten ze in de pakhuizen aan het havenhoofd opslaan. Terwijl
ik hierover mijne oogen liet gaan, meende ik op eenige balen mijn merk
te zien. Bij een naauwkeurig onderzoek bleef mij geen twijfel over; het
waren de zelfde balen, welke ik te Balsora had ingeladen. Ik herkende
ook den kapitein, doch overtuigd, dat men mij voor verdronken hield,
sprak ik hem aan zonder mij dadelijk bekend te maken, en vraagde hem,
aan wie de balen, welke ik met den vinger aanwees, toebehoorden. „Ik
had,” antwoordde hij, „bij mij aan boord een' koopman van Bagdad,
Sindbad genaamd. Op zekeren dag, dat wij ons in de nabijheid van een ons
zoo toeschijnend klein eiland bevonden, liet hij zich met meer andere
passagiers aan wal zetten. Dit gewaande eiland was evenwel niets anders
dan een walvisch van schrikbarende grootte, die met den rug even boven
de oppervlakte der zee lag te slapen. Het monster voelde echter niet
zoodra de hitte van het vuur, dat men op zijn' rug had aangelegd, om de
spijs toe te bereiden voor het middagmaal, of het begon zich te bewegen
en verdween in de diepte der zee. Velen van hen, die zich op den rug van
den visch bevonden, zijn verdronken, en onder deze ongelukkigen was ook
Sindbad. Deze balen behooren hem, en ik heb besloten daarmede handel
te drijven, totdat ik iemand van zijne familie aantref, aan wien ik
rekening en verantwoording kan doen.” „Kapitein,” zeide ik nu tot hem,
„ik ben die Sindbad, welke gij meent dat dood is; deze koopmansgoederen
zijn mijn regtmatig eigendom.” „Bij Allah,” riep de kapitein, toen hij
mij aldus hoorde spreken, „in wien zal men tegenwoordig nog vertrouwen
stellen? De goede trouw onder de menschen bestaat niet meer! Ik heb met
eigen oogen dezen Sindbad zien omkomen; de passagiers zijn daar ook
getuige van geweest, en gij zegt, dat gij die Sindbad zijt? Welk eene
vermetelheid! Op het eerste gezigt, meende ik een eerlijk man voor mij
te hebben; maar gij schroomt niet u van eene verfoeijelijke leugen
te bedienen, om in het bezit te geraken van goederen, die u niet
toebehooren.” „Heb slechts een weinig geduld,” hernam ik, „en bewijs mij
de gunst om aan te hooren, wat ik u te zeggen heb.” „Welaan!” luidde het
korte antwoord van den kapitein, „ik luister, wat hebt gij te zeggen?”
Ik verhaalde hem nu op welke wijze ik aan het mij dreigende doodsgevaar
was ontkomen, en mijne ontmoeting met de stalknechten des konings
Mihradhan, die mij aan zijn hof hadden gebragt.

De kapitein wist nu niet meer wat hij zou gelooven; doch weldra werd hij
overtuigd, dat ik geen bedrieger was, door de komst van een drietal
kooplieden, met wien ik aan boord zeer gemeenzaam had omgegaan, en die
mij, niettegenstaande mijne gehavende kleeding, terstond herkenden, en
hunne vreugde betuigden mij levend terug te zien. Ten laatste herkende
ook de kapitein mij en zich om mijn' hals werpende, riep hij uit:
„Geloofd zij Allah! dat hij u uit zulk een groot gevaar gered heeft. Ik
kan u niet zeggen hoeveel genoegen mij dit doet. Zie hier uwe goederen;
neem en handel er mede naar uw welgevallen.” Ik bedankte hem, prees
zijne eerlijkheid en tot een bewijs van mijne dankbaarheid verzocht ik
hem eenige balen, die ik hem aanwees, van mij ten geschenke te willen
aannemen, maar hij weigerde en ik kon hem er niet toe overhalen.

Ik nam nu het kostbaarste uit mijne balen, dat ik den koning Mihradhan
als geschenk aanbood. Daar deze vorst met mijn ongeluk bekend was,
vraagde hij mij niet zonder eenige verbazing, hoe ik aan die fraaije en
kostbare zeldzaamheden kwam. Ik verhaalde hem nu door welk geluk ik
mijne goederen had terug gekregen. Hij had de goedheid, mij daarover
zijne vreugde te betuigen en mijn geschenk aan te nemen, maar hij deed
dit laatste niet, zonder mij een tegengeschenk te geven, dat het mijne
in waarde verre overtrof. Hierop nam ik afscheid van den grootmoedigen
vorst, en na mijne koopmansgoederen tegen voortbrengselen van dat land
verruild te hebben, liet ik alles aan boord brengen van het zelfde
schip, waarmede ik van Balsora was uitgezeild. Wij gingen weldra onder
zeil, en onze terugreis was zeer voorspoedig. De lading, welke ik had
medegebragt, bestond in aloë- en sandelhout, kamfer, muskaatnoten,
foelie, kruidnagelen, peper en gember, te zamen voor eene waarde van
bijna honderdduizend sequinen. Mijne familie ontving mij met alle
teekenen van toegenegenheid, en ik was van mijn' kant zeer verblijd
allen in welstand weder te zien.

Ik kocht landgoederen, slaven en slavinnen, liet mij een prachtig paleis
bouwen, en maakte goede sier met mijne vrienden. In één woord, ik
besloot de herinnering aan mijne geleden ongemakken door een onbezorgd
en vrolijk leven uit mijn geheugen te verbannen.”

       *       *       *       *       *

Sindbad brak hier zijn verhaal af, en beval de muzijkanten zich op nieuw
te laten hooren. Men hield aan met eten en drinken tot dat de avond
inviel, en de tijd om te scheiden daar was. Sindbad deed zich nu eene
beurs met honderd sequinen geven, en stelde die aan den drager ter hand.
„Neem dit voor u, Hindbad,” zeide hij, „ga naar uwe woning, en kom
morgen terug om het vervolg van mijne lotgevallen te hooren.” De drager
vertrok zeer verlegen met de eer, die hem was te beurt gevallen, en
verheugd over het geschenk, dat hij ontvangen had. Het verslag, dat hij
bij zijne tehuiskomst van het een en ander aan zijne vrouw en kinderen
deed, stemde de harten dezer arme lieden tot vreugde en tot dankbaarheid
aan de Voorzienigheid, welke hun door tusschenkomst van Sindbad zulk een
onverwacht geluk had geschonken.

Den volgenden dag droeg Hindbad zorg, zich veel zindelijker te kleeden
dan daags te voren, en verzuimde niet zich op het bestemde uur aan het
paleis van den milddadigen reiziger te doen vinden. Sindbad ontving
den drager met een vriendelijk lachje, en bewees hem alle mogelijke
beleefdheid. Zoodra alle genoodigden bijéén waren, werd de tafel
aangerigt, en men bleef ditmaal zeer lang aanzitten. Nadat de maaltijd
was afgeloopen, nam de gastheer het woord en zich tot zijn gezelschap
wendende, zeide hij: „Mijne heeren! ik verzoek u mij uwe aandacht te
schenken bij het verhaal van mijne lotgevallen op mijne tweede reis. Ik
durf u de verzekering geven, dat zij uwe opmerkzaamheid meer waardig
zijn, dan die van mijnen eersten togt.” Er heerschte terstond eene
algemeene stilte, en Sindbad ving aldus aan.


TWEEDE REIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.

„Zoo als ik u gisteren mededeelde, had ik na mijne eerste reis het
besluit opgevat, mijne verdere levensdagen te Bagdad en op mijne
landgoederen in rust en in genot door te brengen. Het duurde echter niet
lang, of dit werkelooze leven baarde mij verveling; de lust om ter zee
te reizen en handel te drijven greep mij weder aan. Ik voorzag mij van
die koopwaren, welke mij het geschiktste voorkwamen voor de reis, die ik
mij had voorgesteld, en ik verliet voor de tweede maal mijn geboorteland
met eenige andere kooplieden, wier braafheid ik kende. Wij voeren
ditmaal van eiland tot eiland, en dreven op die wijze een' zeer
voordeeligen handel; daar wij telkens, en steeds met voordeel, onze
waren tegen andere inruilden. Op zekeren dag lieten wij ons aan wal
zetten op een eiland, dat zeer rijk was van vruchtdragende boomen,
maar overigens zoo eenzaam, dat wij er noch menschen, noch eenige
menschelijke woning bespeurden. Wij volgden den loop van eene beek,
die door eene met welig gras en bloemen bedekte vlakte kronkelde.

Terwijl de een zich vermaakte met bloemen, de ander met vruchten te
plukken, zette ik mij onder een' grooten en schaduwrijken boom in het
gras neder, haalde den voorraad, dien ik had medegenomen en die uit
vleesch, brood en wijn bestond, te voorschijn, meenende hier eens een
regt landelijk maal te doen, iets wat voor den zeeman een bijzonder
genot heeft. Ik at dan ook zeer smakelijk en dronk er een' stevigen teug
wijn bij. Of de geest van den wijn mij min of meer had bevangen, weet
ik niet, maar mijne oogleden werden zwaar, en ik lag weldra in een'
gerusten slaap. Hoe lang deze geduurd heeft, is mij onbekend, doch bij
mijn ontwaken, zag ik geen schip meer voor anker liggen.

Ik was hierover zeer verwonderd. Ik stond op en zag naar alle kanten
rond, maar ik ontdekte geen' der kooplieden, die met mij aan land waren
gegaan. Ik zag alleen het schip, maar reeds zoo ver in zee, dat ik het
weldra geheel uit het oog verloor.

Gij kunt u verbeelden, hoe ik te moede was. Ik meende van droefheid
te sterven, schreeuwde vol wanhoop, sloeg mij voor het hoofd en wierp
mij ter aarde, waar ik een' geruimen tijd bleef liggen, bestormd door
gedachten, de eene al treuriger dan de andere. Ik verweet het mij zelven
wel honderd malen, dat ik mij niet had tevreden gesteld met mijne eerste
reis, die mij voor altoos had moeten afschrikken. Maar al dit klagen en
de verwijtingen, die ik mij deed, bragten mij geene hulp aan, en mijn
berouw kwam te laat. Wat baat het den put dempen, als het kalf er reeds
in verdronken is?

Eindelijk koos ik de wijste partij; ik onderwierp mij aan mijn noodlot,
en zonder te weten wat er van mij moest worden, besloot ik al het
mogelijke te beproeven, dat tot mijne redding zou kunnen dienen. Ik klom
in een' hoogen boom en zag naar alle kanten uit om te ontdekken, of ik
niet het een of ander kon bespeuren, dat mij eenige hoop op uitkomst
kon geven. Eerst wendde ik mijne oogen naar den zeekant, maar zag daar
slechts lucht en water; aan de landzijde schitterde echter iets wits
mij in de oogen. Ik klom uit den boom, en de levensmiddelen, die ik had
overgehouden, mede nemende, ging ik op dit witte voorwerp af, hoewel ik
door den grooten afstand niet kon onderscheiden, wat het eigentlijk was.

Eerst toen ik tot op een' kleinen afstand was genaderd, bemerkte ik,
dat het een bijna ronde bal was van verbazende grootte en omvang. Ik
ging echter voort, en op de plaats aangekomen, betastte ik den bal.
Ik liep er om heen om te zien, of er ook ergens eene opening was,
maar ik kon er geene ontdekken, en de bal was zoo glad, en zoo vast
ineengesloten, dat ik geene kans zag om er op te klimmen. Ik vergenoegde
mij dus rondom den bal te loopen, en moest daarvoor vijftig passen doen.

De zon was nog niet ondergegaan, toen eensklaps de lucht verduisterd
werd; het was alsof eene donkere wolk, als een gordijn, voor de zon werd
geschoven. Maar hoe zeer mij deze plotselinge overgang van licht tot
donker verwonderde, nog hooger klom mij de verbazing, toen ik bespeurde,
dat dit verduisteren veroorzaakt werd door een' buitengewoon grooten
vogel, die met uitgespreide vlerken kwam aanvliegen.

Ik herinnerde mij nu dat ik de matrozen dikwijls had hooren spreken van
een' vogel, Rok genaamd, en vermoedde dat de groote bal, dien ik zoo
zeer had bewonderd, het ei van dezen vogel was. En inderdaad de Rok
daalde klapwiekend en langzaam neder, en zette zich zeer voorzigtig op
het ei neder, als wilde hij het uitbroeijen. Toen ik den vogel zag
komen, had ik mij zoo digt mogelijk tegen het ei aangedrongen, zoodat
een zijner pooten, dikker dan een boomstam, voor mij kwam te staan. Ik
nam den linnen doek van mijn' tulband, en bond mij daarmede stevig vast
aan den poot van den Rok, en dit deed ik in de hoop dat, als de vogel
den volgenden morgen zijne vlugt hervatte om voedsel te gaan zoeken, hij
mij met zich voeren en uit dit woeste eiland naar elders overbrengen
zou. Ik zag mij hierin niet teleurgesteld. Den nacht bragt ik in den
treurigsten toestand en geheel niet op mijn gemak door; doch zoodra de
dag aanbrak, spreidde de Rok zijne vlerken uit, en voerde mij zoo hoog
in de lucht, dat ik de aarde niet meer zien kon. Daarop schoot hij met
zulk eene snelheid naar beneden, dat mij hooren en zien vergingen. Toen
de Rok zich nederzette en ik grond voelde, ontknoopte ik schielijk den
doek, om mij van hem te ontslaan. Naauwelijks had ik mij los gemaakt, of
hij viel met zijn' snavel op eene slang van ongehoorde lengte aan. Hij
pakte de slang op, en vloog terstond met zijne prooi weg.

De plaats, waar hij mij achterliet, was eene zeer diepe vallei, geheel
ingesloten door eene keten van bergen, wier kruinen tot in de wolken
reikten. Ik zocht te vergeefs naar een' weg, om uit deze gevangenis
te geraken, want de rotswanden gingen loodregt opwaarts, en nergens
was eene opening te ontdekken of eene vooruitstekende verhevenheid,
waarop ik mijne voeten kon zetten. Dit bragt mij op nieuw in groote
verlegenheid, en mijne tegenwoordige gevangenis met het woeste eiland
vergelijkende, kon ik niet zien, dat ik bij deze plaatsverwisseling iets
gewonnen had.

Toen ik mijn verblijf wat naauwkeuriger onderzocht, bespeurde ik, dat
de bodem van dezen afgrond als bezaaid lag met diamanten, waaronder van
eene verbazende grootte. Ik vermaakte mij eenige oogenblikken met dit
inderdaad prachtige gezigt, doch weldra zag ik iets, waardoor mijn
kortstondig genoegen vergald werd, en dat mij een' hevigen schrik
aanjoeg. Ik bemerkte eene ontelbare menigte slangen, zoo dik en zoo
lang, dat de kleinste met gemak een' olifant zou hebben ingeslokt. Des
daags kropen zij in hare holen en hielden zich schuil, uit vrees voor
haren gevaarlijksten vijand den vogel Rok; doch des nachts kwamen zij
weder te voorschijn.

Ik bragt den dag door met de vallei om te wandelen, waarbij ik echter
van tijd tot tijd eens ging zitten rusten. Intusschen ging de zon onder,
en zoodra het donker begon te worden, begaf ik mij in de grot, welke ik
tot mijn nachtverblijf gekozen had. Om tegen de slangen beveiligd te
zijn, stopte ik den ingang, die zeer lang en eng was, met een' grooten
steen digt, echter zoo, dat er eenig licht binnen kon dringen. Ik deed
mijn avondmaal met een weinig van mijn' nog overgeschoten voorraad,
en legde mij toen neder om te rusten. Hiervan echter kwam niets; het
schuifelen en blazen der slangen, die voor mijne grot kropen, en zich,
hoewel te vergeefs, den toegang zochten te verschaffen om mij te
verslinden, hield den slaap uit mijne oogen, en deed mij beven. Ik
was regt blijde, toen de dag aanbrak, en de slangen naar hunne holen
terugkeerden. Ik waagde mij nu weder naar buiten, maar ik rilde over
mijn geheele ligchaam, en ik kan u verklaren, mijne heeren, dat ik
een' geruimen tijd over een' vloer van diamanten ging, zonder de
minste begeerte daarnaar te hebben. Eindelijk zette ik mij neder, en
niettegenstaande mijne ongerustheid en de gedachte, wat er toch van mij
moest worden, viel ik, na mijn ontbijt te hebben gebruikt, vermoeid van
het nachtwaken in slaap. Naauwelijks was ik ingesluimerd, toen er iets
met groot gedruisch naast mij nederviel en ik verschrikt ontwaakte. Wat
mij deze ontsteltenis had veroorzaakt was een groot stuk versch vleesch;
en terwijl ik er over nadacht van waar dit mogt komen, zag ik, hoe nog
verscheidene stukken aan verschillende kanten van de rotsen kwamen
rollen, en hier en daar in de vallei nederploften.

Ik had het tot dus verre altijd voor een sprookje gehouden, wat de
matrozen en andere lieden mij verteld hadden van de diamant-vallei en
van het kunstje, dat door eenige kooplieden in het werk werd gesteld,
om deze kostbare edelgesteenten uit den afgrond op te halen en in hun
bezit te krijgen. Thans echter moest ik bekennen, dat men mij de zuivere
waarheid gezegd had. Inderdaad, mijne heeren,” vervolgde Sindbad, „deze
kooplieden begeven zich, in den tijd dat de arenden jongen hebben, naar
de rotsen, die de diamant-vallei omgeven. Zij werpen dan groote stukken
vleesch in de vallei. Door den zwaren val, en het geweld, waarmede die
stukken nederploffen, hechten zich de diamanten, vooral die eenigzins
hoekig zijn in het weeke vleesch, en de arenden, die aldaar zeer
menigvuldig en sterker zijn dan ergens elders vallen op dezen stukken
vleesch aan, en voeren ze naar hunne nesten op de toppen der rotsen, om
er hunne jongen mede te spijzigen. Zoodra de kooplieden, die zich in de
nabijheid der nesten schuilhouden, dit zien, loopen zij haastig en met
groot geschreeuw derwaarts om de arenden te verjagen, en maken zich
meester van de diamanten, die in het vleesch zitten. Zij bedienen zich
van deze list, omdat er geen ander middel bestaat om de diamanten uit de
vallei op te halen, daar het voor de menschen volstrekt onmogelijk is in
dien peilloozen afgrond neder te dalen.

Ook ik achtte het voor onmogelijk immer uit dien afgrond te geraken, en
had hem reeds als mijn graf beschouwd, doch hetgeen ik nu zag, deed mij
een middel uitdenken om mijn leven te behouden.

Mijn eerste werk was nu de grootste en schoonste diamanten, die mij
voorkwamen, op te rapen, en daarmede den ledigen zak te vullen, die
gediend had om er mijne mondbehoeften in te bergen. Daarna zocht ik een
der langste stukken vleesch uit, en bond dit om mijne middel met het
linnen van mijn' tulband stevig vast. Den zak met diamanten bevestigde
ik aan mijn' gordel, en wel zoo, dat ik geen gevaar liep, dien te
verliezen. Vervolgens ging ik op mijn' buik liggen, en onthield mij van
elke beweging. Naauwelijks had ik mij aldus nedergelegd, of de arenden
kwamen in grooten getale aanvliegen, en maakten zich ieder van een der
stukken vleesch meester. Een der grootste en sterkste viel op het stuk
aan, dat ik om mijne lendenen had gebonden, sloeg er zijne klaauwen in,
en mij medevoerende, bragt hij mij op den kruin van een' berg, tot in
zijn nest. De kooplieden bleven niet in gebreke door hun geschreeuw de
arenden te verschrikken.—Zoodra zij hen hadden genoodzaakt hunne prooi
te laten varen, liep een van hen naar het nest, waarin ik mij bevond
maar deed, toen hij mij zag, van schrik eene trede achterwaarts.
Zich weldra hersteld hebbende, begon hij, zonder eerst de zaak te
onderzoeken, mij uit te maken en te verwijten dat ik een dief was,
en hem zijn eigendom wilde ontrooven. „Mijn goede vriend!” zeide ik
bedaard, „gij zult spoedig op een' anderen toon spreken, als gij mij
beter hebt leeren kennen. Troost u over uw gewaand verlies, ik heb
diamanten genoeg voor u en voor mij, in grooteren getale en van meer
waarde, dan die van al de andere kooplieden te zamen. Zoo wij ze hebben,
is dit slechts bij geluk, maar ik had ze alleen voor het kiezen en
oprapen op den bodem der vallei, en heb er dezen zak mede gevuld.”
Dit zeggende, toonde ik hem den leêren zak, dien ik van mijn' gordel
losmaakte. Ik had nog niet uitgesproken, toen ook de andere kooplieden
kwamen aanloopen en ons omringden, niet weinig verwonderd iemand te
zien, die niet tot hun gezelschap behoorde. Die verwondering steeg
nog hooger, toen ik hun verhaalde wat er met mij gebeurd was. Zij
bewonderden evenzeer de list, welke ik tot mijne redding had uitgedacht,
als mijne stoutmoedigheid, om er de proef van te nemen.

Zij namen mij mede naar de herberg, waar zij te zamen hun' intrek
hadden genomen, en toen ik daar in hunne tegenwoordigheid mijn' zak
openmaakte en uitstortte, waren zij ten hoogste verbaasd over de grootte
van mijne diamanten, en verklaarden eenparig, aan alle vorstenhoven,
welke zij bezocht hadden, niet een' gezien te hebben, die daarbij was
te vergelijken. Ik verzocht den koopman, aan wien het nest behoorde,
waarin de arend mij gebragt had (want ieder koopman heeft een eigen
nest), er voor zijn aandeel zoo vele uit te kiezen, als hij verkoos.
Hij vergenoegde zich met er slechts één te nemen en niet eens den
grootste. Toen ik er op aandrong, dat hij er nog eenigen zou nemen,
zonder beschroomd te zijn mij daardoor te benadeelen, zeide hij: „Neen,
deze steen heeft waarde genoeg, om mij een bestaan te verzekeren, zoodat
ik geene reizen meer zal behoeven te doen.”

Ik bragt den nacht in het gezelschap van deze kooplieden door, en moest
mijne zonderlinge lotgevallen voor de tweede maal vertellen, om hen te
bevredigen, die bij het eerste verhaal daarvan niet tegenwoordig geweest
waren. Intusschen kende mijne blijdschap geene grenzen, dat ik aan zoo
vele en zoo groote gevaren op eene zoo wonderbare wijze was ontkomen.
Somtijds scheen mij zulks toe slechts een bedriegelijke droom te zijn,
en ik kon mij naauwelijks voorstellen, dat ik thans niets meer had te
vreezen.

Daar de kooplieden zich reeds een' geruimen tijd hier hadden opgehouden,
en ieder hunner tevreden scheen te zijn met de diamanten, die hem ten
deel waren gevallen, vertrokken wij reeds den volgenden morgen. Onze weg
liep aanvankelijk over hooge bergen, waar wij slangen zagen van eene
verbazende lengte, aan wie wij het geluk hadden te ontkomen. Eindelijk
bereikten wij eene havenplaats, van waar wij naar het eiland Rohan
overstaken. Hier groeit de kamferboom, wiens bladrijke takken zich zoo
ver van den stam uitbreiden, dat meer dan honderd menschen onder zijn
looverdak beschutting kunnen vinden tegen het branden der zonnestralen.
Het sap loopt uit eene opening, welke men boven in den boom maakt, en
wordt in eene kan of in een' aarden vat opgevangen, waarin het dan aan
de werking der lucht is blootgesteld. Langzamerhand wordt dit sap dik en
komt dan later onder den naam van kamfer in den handel. De kamferboom,
op deze wijze van zijne beste sappen beroofd, verdort weldra en sterft.

Op dat zelfde eiland vindt men ook den rhinoceros, een dier, een weinig
kleiner dan de olifant, en grooter dan de buffel. Hij heeft op den neus
een' hoorn van bijna twee ellebogen lengte, waarmede hij veel kracht
kan uitoefenen. Men ziet daarop eenige lichte strepen, die te zamen de
gedaante van een gewapend man vrij wel voorstellen. Als de rhinoceros
met den olifant strijdt, tracht hij hem met zijn' neushoorn den buik
te doorboren, ligt hem van den grond op, en draagt hem dan als een
zegeteeken op zijn' kop mede. Als nu het bloed en het vet van den
olifant hem in de oogen loopen en het gezigt benemen, gebeurt het niet
zelden, dat hij met zijne vracht nedervalt, en wat ieder verwonderen
moet, dan worden dikwijls beiden, olifant en rhinoceros, door den vogel
Rok opgenomen, die ze in zijne klaauwen wegvoert om er zijne jongen mede
te voeden.

De verdere bijzonderheden van dit eiland zal ik, om mijn verhaal niet
te rekken, stilzwijgend voorbijgaan. Ik verruilde er eenige van mijne
diamanten voor andere koopwaren. Wij bezochten nog verscheidene
eilanden, totdat wij ten laatste, na ook vele koopsteden op het
vasteland aangedaan te hebben, behouden te Balsora aankwamen. Van daar
spoedde ik mij naar Bagdad. Mijn eerste werk was groote aalmoezen uit
te deelen, en van het overige mijner met zoo vele gevaren verkregen
schatten leidde ik een vrolijk leven.”

Aldus eindigde Sindbad het verhaal van zijne tweede reis. Hij deed
aan Hindbad andermaal honderd sequinen geven en noodigde hem uit den
volgenden dag terug te komen, om het verhaal van zijne derde reis te
hooren.

De gasten gingen eindelijk ook naar huis, en kwamen den volgenden dag op
het gewone uur terug. Zoo deed ook de drager, die zijne vroegere armoede
reeds bijna vergeten scheen te hebben. Men zette zich aan tafel, en
nadat de maaltijd was afgeloopen, vraagde Sindbad eenige oogenblikken
gehoor, en ving het verhaal van zijne derde reis aan.


DERDE REIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.

„Bij het rustige en genoegelijke leven, dat ik na mijne terugkomst te
Bagdad leidde, had ik de vreeselijke gevaren en de ongemakken, welke ik
op mijne beide vorige reizen had doorgestaan, weldra vergeten. Ik was in
de kracht mijns levens; het verveelde mij niets om handen te hebben, en
zonder veel te denken aan de nieuwe gevaren, welke ik ging trotseren,
vertrok ik uit Bagdad met de kostbaarste koopwaren van het land, die
ik naar Balsora liet vervoeren. Daar scheepte ik mij met eenige andere
kooplieden in. Wij deden eene lange reis, en legden in verscheidene
havens aan, alwaar wij een' belangrijken handel dreven.

Op zekeren dag in volle zee zijnde, werden wij door een'
verschrikkelijken storm overvallen, waardoor wij uit den koers
geraakten. De storm hield vele dagen aan en dreef ons naar de haven
van een eiland, dat onze kapitein gaarne zou hebben vermeden, maar het
schip was zoo ontredderd, dat wij wel gedwongen waren het anker te laten
vallen. Toen men de zeilen had geborgen, kwam de kapitein naar ons toe,
en zeide: „Mijne heeren, tot mijn leedwezen moet ik u zeggen, dat dit
eiland en eenige andere in de nabijheid bewoond worden door eene soort
van ruigharige wilden, die niet zullen nalaten ons aan te vallen.
Hoewel het slechts dwergen zijn, is er toch, helaas! voor ons aan geen'
wederstand te denken, want dit volk is nog talrijker dan de sprinkhanen;
en indien het mogt gebeuren, dat wij een van hen dooden, zoo kunt gij
zeker zijn, dat zij allen te zamen ons aanvallen en vermoorden zullen.”
Deze woorden van den kapitein bragten eene groote ontsteltenis te weeg
onder al de schepelingen, en wij ondervonden welhaast dat, hetgeen hij
ons gezegd had, maar al te waar was. Wij zagen weldra eene ontelbare
menigte afzigtelijke wilden van alle kanten te voorschijn komen. Hunne
lengte ging de twee voet niet te boven; hun ligchaam was geheel met
rosachtig en stoppelig haar begroeid, en in plaats van een' neus hadden
zij eene soort van snavel, waarboven een paar groene diep in het hoofd
liggende oogen glinsterden, zoodat hun gelaat veel geleek op dat van den
katuil.

Zij gingen bij menigte te water en zwommen naar ons schip, dat zij
weldra omringden. Zij riepen ons toe, maar het was ons niet mogelijk een
enkel woord te verstaan; want hunne spraak had meer van het gesnater
van een troep ganzen, dan van eene menschelijke stem. Zij wachtten
echter niet, tot wij hun verlof gaven om aan boord te komen, maar zij
klauterden als katten en apen tegen de touwen en planken van het schip
op, zoodat het scheen, alsof zij geene plaats noodig hadden om de voeten
te zetten, en dit alles met eene vlugheid, die ons versteld deed staan.
Weldra wemelde het dek van dit kleine gespuis, en zij waren er volkomen
meester, zonder dat wij den moed hadden er ons tegen te verzetten. Zij
ontplooiden de zeilen, en zonder zich moeite te geven om het anker op te
winden, kapten zij het ankertouw. Na eene korte vaart zetten zij het
schip aan land, en dwongen ons door teekenen en door bedreigingen om aan
wal te gaan. Nu alleen meester van het schip, vertrokken zij daarmede
naar een ander eiland.

Het eiland, waar zij ons achterlieten, was zeer gevaarlijk, ja doodelijk
voor allen, die het ongeluk hadden, door schipbreuk op die kust te
worden geworpen, gelijk gij weldra zult hooren.

Wij verlieten het strand, en het eiland dieper indringende, vonden wij
eenige vruchten en kruiden, waarmede wij een sober maal deden, om ons
leven zoo lang mogelijk te rekken, want wij allen wachtten niet anders
dan een' zekeren dood. Verder voortgaande, zagen wij in de verte een
groot gebouw, waarheen wij onze schreden rigtten. Het was een paleis,
dat er vrij goed uitzag, en dat voorzien was van eene zeer hooge poort
met vleugeldeuren van ebbenhout. Daar deze niet gesloten waren, was de
toegang voor ons vrij. Wij waagden het naar binnen te gaan, kwamen eerst
in een zeer ruim voorhof en vervolgens in een groot vertrek. Wij zagen
hier weinig huisraad, doch in plaats daarvan lag aan de eene zijde een
hoop doodsbeenderen, en aan den anderen kant in de nabijheid van den
schoorsteen hing tegen den muur een rek met braadspeten. Op dit gezigt
voer ons eene koude rilling door de leden, doch wij waren zoo afgemat
van het gaan, dat de beenen ons onder het lijf knikten, en door een'
doodelijken schrik getroffen, vielen wij als bedwelmd op den grond. Zoo
bleven wij een' geruimen tijd bewegingloos liggen. De zon ging onder,
toen wij van onze bedwelming bijkwamen, maar op het zelfde oogenblik
werd de deur van het vertrek, waarin wij ons bevonden, met groot
gedruisch open gestooten, en hetgeen wij nu zagen was niet geschikt om
ons gerust te stellen. Vóór ons stond een zwarte reus van een vreeselijk
voorkomen en zoo lang als een palmboom. Hij had slechts één oog, dat in
het midden van zijn breed voorhoofd stond, en als eene kool vuurs scheen
te branden; zijne voortanden, die zeer lang en puntig waren, staken
hem, even als de slagtanden van een wild zwijn, buiten den mond, die
veel geleek op den muil van het zeepaard. Zijn onderlip hing hem tot
de borst. Zijne ooren waren die van een' olifant en bedekten zijne
schouders. De nagels zijner vingers waren lang en puntig, gelijk de
klaauwen van een' roofvogel. Op het gezigt van dezen verschrikkelijken
reus, vielen wij op nieuw in zwijm en bleven voor dood liggen.

Toen wij weder bijkwamen, zagen wij den reus bij den schoorsteen zitten,
waaronder hij een groot vuur had aangelegd. Zijn oog was alleen op ons
gerigt. Nadat hij ons naauwkeurig bezigtigd had, stond hij op, en nader
tredende strekte hij de hand naar mij uit, greep mij in den nek, ligtte
mij van den grond en bekeek en betastte mij aan alle kanten, even als
een slagter een vet schaap doet. Daar ik echter zeer mager was, en hij
niets dan vel en been aan mij vond, liet hij mij weder los, en nu kwam
een ander aan de beurt; die het zelfde onderzoek moest ondergaan. De
kapitein werd het laatst gegrepen, maar tot zijn ongeluk was hij van ons
allen de vetste. De reus scheen goed verstand van vet menschenvleesch te
hebben, want zonder zich lang te bedenken, nam hij een' braadspit van
het rek en reeg hem daaraan. Wij slaakten een' kreet van ontzetting,
weinig minder pijnlijk dan het gegil van onzen armen kapitein, want was
het heden zijn lot aan het spit te worden gebraden, morgen zou de beurt
aan een ander van ons komen, tot dat ook de laatste zijn graf in den
maag van den reus zou hebben gevonden. Dat was ons vooruitzigt.

Gij kunt u dus voorstellen, mijne heeren!” vervolgde Sindbad, „hoe wij
te moede waren, toen de reus zijn menschengebraad toebereidde en er
zijn avondmaal van deed; het kille doodzweet brak ons uit. Toen hij het
laatste beentje schoon afgekloven had, grabbelde de reus de overgebleven
beenderen van onzen gewezen kapitein bijeen, en wierp ze bij den hoop,
waarvan ik reeds melding heb gemaakt. Alleen het bekkeneel zonderde hij
af, en plaatste het op den schoorsteenmantel, waarmede, zoo als ik tot
mijne ontzetting tellen kon, het derde dozijn juist voltallig werd.
Waarschijnlijk waren deze bekkeneelen bestemd tot drinkschalen, als hij
met zijne reuzenvrienden een feestmaal hield. Na zijn' afschuwelijken
maaltijd verliet de reus het vertrek, begaf zich naar het voorhof en
legde zich voor de poort neder, zoodat, al hadden wij daartoe lust
gevoeld, wij het paleis niet zouden hebben kunnen verlaten zonder over
zijn ligchaam te gaan. Kort daarop hoorden wij hem ronken, en wel zoo
hard, dat wij in den aanvang dachten, dat het begon te donderen. Het
was ons niet mogelijk een oog te sluiten; wij bragten den nacht in de
vreeselijkste ongerustheid door. Met het aanbreken van den dag ontwaakte
de reus; wij hoorden hem hoesten en rogchelen, en wij dachten niet
anders of hij zou komen, om een' van ons tot zijn ontbijt uit te kiezen.
Ditmaal echter kwamen wij met den angst vrij, want kort daarop ging hij
uit en liet ons alleen in het paleis achter.

Zoodra wij konden denken, dat hij ver genoeg verwijderd was, om ons niet
te kunnen hooren, verbraken wij het stilzwijgen, dat wij den geheelen
nacht bewaard hadden. Wij klaagden elkander onzen nood en deden het
paleis van onze weeklagten weêrgalmen. Hoewel wij sterk genoeg in getal
waren en slechts met een' enkelen vijand te doen hadden, kwam het ons
niet in de gedachten ons van hem te ontslaan. En toch, al mogt dit ook
eene gevaarlijke onderneming zijn, het was het eenige natuurlijke
redmiddel, dat ons overbleef te beproeven.

Maar wij waren te neêrslagtig om een kloek besluit te nemen, en al onze
beraadslagingen liepen op niets uit. Daar de reus het niet noodig achtte
ons op te sluiten, ja zelfs de poort had opengelaten, haastten wij ons
echter dit doodelijke verblijf zoo spoedig mogelijk te verlaten. Wij
bragten den dag door met op het eiland rond te loopen en stilden,
even als den voorgaanden dag, onzen honger en dorst met de vruchten
en kruiden die wij vonden. Te vergeefs echter zochten wij naar een
onderkomen; berghol noch grot boden ons eene schuilplaats aan tegen de
slangen, leeuwen, tijgers en andere bloeddorstige dieren, wier sporen
wij ontdekt hadden. Wilden wij dus niet allen eene prooi worden van
deze verscheurende dieren, die, zoodra het donker begon te worden, een
vreeselijk gehuil aanhieven, zoo bleef ons niets anders over dan naar
het paleis van den reus terug te keeren. En het schijnt dat hij hierop
had gerekend, toen hij ons de vrijheid liet om te gaan, waar wij wilden.

De reus bleef niet in gebreke om terug te komen en met een' van ons
zijn avondmaal te doen, waarna hij zich te slapen legde en snurkte tot
de dag aanbrak. Weder ging hij toen uit en liet ons achter, gelijk daags
te voren. Onze toestand was zoo verschrikkelijk, dat sommigen onzer het
wanhopige voorstel deden om in zee te springen, daar zij een' spoedigen
en zachten dood verkieselijker achtten, dan den een na den ander aan
den reus tot spijs te verstrekken, na alvorens aan een spit gestoken
en gebraden te zijn. Doch een van ons nam nu het woord op. „Het is ons
verboden,” zeide hij, „de hand aan ons eigen leven te slaan; maar al
hadden wij daartoe vrijheid, is het dan nog niet verstandiger, dat wij
bedacht zijn op een middel, om ons te ontslaan van dezen barbaar, die
ons voor zulk een vreeselijk lot heeft bestemd?”

Na eenig nadenken kwam mij een middel voor den geest, dat, mijns
inziens, uitvoerbaar was. Ik maakte er mijne lotgenooten mede bekend, en
allen hechtten er hunne goedkeuring aan. „Broeders!” zeide ik vervolgens
tot hen, „gij zult gezien hebben, dat er aan het strand veel hout ligt,
dat de zee heeft aangespoeld. Wilt gij nu mijn' raad volgen, zoo laat
ons eenige vlotten maken, voldoende in getal om ons allen te kunnen
dragen, ten einde daarvan gebruik te maken, zoodra wij zulks dienstig
zullen achten. Inmiddels kunnen wij het plan, dat ik heb voorgesteld om
ons van den reus te ontslaan, beproeven; slaagt dit, zoo zullen wij met
geduld kunnen afwachten tot een of ander voorbij zeilend schip ons van
dit noodlottige eiland afhaalt; mist integendeel onze aanslag, zoo
kunnen wij ons naar onze vlotten begeven en daarmede in zee steken. Ik
kan niet ontkennen dat wij, door ons met deze zwakke vaartuigen aan de
golven prijs te geven, ons leven in groot gevaar zullen brengen, maar
indien wij toch den dood niet ontgaan kunnen, is het dan niet altoos
verkieselijker, dat wij ons graf in de diepte der zee vinden, dan in
de ingewanden van dit monster, dat reeds twee van onze makkers heeft
verslonden?” Mijn voorstel droeg de algemeene goedkeuring weg, en wij
maakten nog dien eigen dag onderscheidene vlotten, die ieder drie
personen konden dragen.

Met den avond keerden wij naar het paleis terug, en kort na ons
verscheen de reus. Wij moesten nogmaals een van onze kameraden zien
braden. Maar hoor nu op welke wijze wij wraak namen over de wreedheid
van den reus. Na zijn verfoeijelijk maal legde hij zich op den rug en
sliep in. Zoodra wij hem, volgens zijne gewoonte, hoorden snurken, namen
ik en nog negen van de stoutmoedigsten onder ons, elk een braadspit.
Wij legden onze speten met de punt in het vuur, en toen deze gloeijend
waren, staken wij die allen te gelijk in het oog van den reus en rukten
het hem uit.

De smart deed den reus met een' vreeselijken kreet ontwaken. Hij sprong
eensklaps overeind, en de armen uitbreidende, tastte hij naar alle
kanten rond om een van ons te vatten en aan zijne woede op te offeren;
maar wij hadden den tijd ons buiten zijn bereik te begeven, en wij
gingen op den grond liggen, ter plaatse waar wij geen gevaar liepen
onder zijne voeten vertrapt te worden. Na ons te vergeefs gezocht te
hebben, vond hij, met zijne handen langs den muur tastende, ten laatste
de poort en verwijderde zich onder een verschrikkelijk gebrul.

Ook wij verlieten het paleis en begaven ons naar het strand, ter plaatse
waar wij onze vlotten hadden. Wij bragten die terstond te water om
dadelijk in zee te kunnen steken, als de reus, geleid door een' gids
van zijn ras, ons mogt vervolgen. Evenwel besloten wij den dag af te
wachten, in de hoop dat, indien hij zich vóór dien tijd niet liet zien,
en wij zijn gebrul, dat nog altoos aanhield, niet meer hoorden, zulks
een teeken zou zijn, dat hij aan zijne wond was gestorven, in welk geval
wij besloten op het eiland te blijven, tot dat wij een veiliger middel
zouden vinden om het te verlaten. Doch naauwelijks begon het licht te
worden, of wij zagen onzen wreeden vijand aankomen, geleid door twee
andere reuzen, die bijna zijne lengte hadden, en voorafgegaan door een
aantal andere, die uit alle magt liepen.

Toen aarzelden wij niet langer om ons op de vlotten te begeven, en wij
roeiden met alle kracht ten einde ons van het strand te verwijderen.
Doch de reuzen, die ons reeds hadden ontdekt, raapten zware steenklompen
op, liepen naar het strand en ter halve lijf in de zee, van waar zij
ons met steenworpen begroetten. De meesten troffen zoo juist, en de
steenklompen waren zoo zwaar, dat al de vlotten, behalve dat, waarop ik
mij bevond, verbrijzeld werden, zoodat allen, die er op waren, hun graf
in de golven vonden. Wat mij en mijne twee makkers betrof, wij hadden
ons behoud alleen te danken aan het snelle roeijen, waardoor wij ons
reeds verder in zee en buiten bereik van de steenworpen bevonden.

Toen wij in volle zee kwamen, konden wij echter ons vlot niet meer
besturen, en wij waren genoodzaakt het aan wind en golven prijs te
geven, die ons dan hier, dan herwaarts heen stuwden. Gedurende dien
dag en den daarop volgenden nacht verkeerden wij in de vreeselijkste
onzekerheid omtrent ons lot. Toen de dag weder aanbrak, hadden wij het
geluk tegen een eiland aan te drijven, en waren ten hoogste verblijd,
dat wij het strand weder onder onze voeten hadden. Wij vonden op dit
eiland heerlijke vruchten, die ons goed te pas kwamen om onze verloren
krachten te herstellen.

Met den avond legden wij ons aan het strand te slapen, maar wij werden
daarin gestoord door het geratel van eene slang, zoo lang en zoo dik als
een palmboom, die met hare geschubde huid over het zand schuifelde. De
slang was reeds zoo nabij, dat zij, toen wij het gevaar, waarin wij ons
bevonden, ontdekten, reeds een' van mijne beide makkers gevat had, en
niettegenstaande zijn gegil en zijne wanhopige pogingen om zich van het
monster te ontslaan, zich om zijn lijf kronkelde, hem drukte dat de
ribben kraakten, en eindigde met hem in te slokken. Mijn makker en ik
namen ijlings de vlugt, en hoewel wij ons reeds op een' vrij grooten
afstand bevonden, hoorden wij na eenigen tijd een geluid, waaruit wij
opmaakten, dat de slang de beenderen van den ongelukkige, welke zij
verslonden had, weder uitwierp. En inderdaad, toen wij den volgenden
morgen die plaats bezochten, zagen wij met afschuw, dat wij ons niet
vergist hadden. „O Allah!” riep ik toen uit, „wat lot hebt gij ons
beschoren! Gisteren verblijden wij ons ontkomen te zijn aan de wreedheid
van een' reus en aan de woede der golven, en nu verkeeren wij in een
niet minder groot gevaar.” Dien dag bespeurden wij echter bij onze
rondwandeling een' dikken en zeer hoogen boom. Wij namen ons voor er den
nacht op door te brengen, ten einde ons tegen de slang in veiligheid
te stellen. Wij deden, gelijk den vorigen dag, onzen maaltijd met de
vruchten, die op dit eiland in grooten overvloed voorhanden waren, en
toen het avond werd beklommen wij onzen boom. Het duurde niet lang, of
wij hoorden de slang, die ons reeds geroken had, al blazende om den
voet des booms, waarop wij ons bevonden, rondkruipen. Wij dachten in
veiligheid te zijn, maar eensklaps rigtte zich de slang, op haren staart
leunende, tegen den stam op, en mijn' makker die lager zat dan ik, eerst
ontmoetende, opende zij haar' wijden muil, slokte hem in een' hap op, en
trok zich terug.

Ik bleef op den boom totdat de dag aanbrak, en verliet toen meer dood
dan levend mijne schuilplaats. In waarheid, ik kon geen ander lot
verwachten, dan hetgeen mijnen beiden makkers was te beurt gevallen,
en dit denkbeeld deed mij ijzen. De haren rezen mij te berge. Ik deed
eenige schreden voorwaarts, met het voornemen om mij met het hoofd
voorover in zee te storten; maar daar het leven zoet is, weêrstond ik
aan deze ingeving mijner wanhoop, en onderwierp mij aan den wil van
Allah, die naar zijn welbehagen over ons leven beschikt.

Ik deed echter wat in mijn vermogen was om mijn leven te beschermen. Ik
verzamelde eene groote menigte kleine houten en doorntakken, en maakte
daarvan verscheidene takkebossen, die ik stevig in elkander werkte en
als eene verschansing om den boom optrok. Hier legde ik eenige lange
bossen dwars over heen, teneinde een dak boven mijn hoofd te hebben.
Zoodra het avond werd, begaf ik mij in mijne schuilplaats, met den
treurigen troost, dat ik niets verzuimd had, wat zou kunnen strekken,
om mij te vrijwaren voor het droevige lot, dat mij dreigde. De slang
verzuimde niet terug te komen en om den boom rond te kruipen, zoekende
hoe zij mij het best zou bereiken en verslinden; maar zij kon door de
verschansing, die ik gemaakt had, haar doel niet bereiken. Eindelijk
brak de dag aan en de slang verwijderde zich. Ik had intusschen den moed
niet mijne wijkplaats te verlaten, vóór dat de zon hoog aan den hemel
stond.

Ik was zoo afgemat door de slapeloosheid, waarin de slang mij gedurende
den ganschen nacht had gehouden; ik had zoo veel te lijden gehad van
haren verpestenden adem, dat de dood mij verkieselijk scheen boven
al deze verschrikkingen. Mijne onderworpenheid van den vorigen dag
vergetende, verwijderde ik mij van den boom en liep naar het strand, met
het voornemen om mij in zee te storten.

De hemel echter,” vervolgde Sindbad, „werd bewogen met mijne wanhoop.
Op den oogenblik dat ik gereed stond in zee te springen, bespeurde ik
in de verte een schip. Ik riep uit al mijne magt, teneinde mij te doen
hooren, en ik ontrolde het linnen van mijn' tulband, en zwaaide zooveel
mogelijk daarmede, in de hoop dat men mij zou opmerken. Dit laatste
middel had het gewenschte gevolg; eenige der matrozen hadden mij gezien,
en de kapitein liet de sloep uitzetten om mij af te halen. Zoodra ik aan
boord was, zag ik mij omringd door kooplieden en schepelingen, die zeer
nieuwsgierig waren te vernemen, door welk toeval ik op dat woeste eiland
was gekomen. Ik voldeed aan hun verlangen door het verhaal van mijne
lotgevallen. Allen betuigden mij hunne vreugde, dat ik aan zulke
vreeselijke gevaren was ontkomen, en beijverden zich, niet twijfelende
of ik zou wel eetlust hebben, mij te onthalen op het beste, wat zij
hadden. De kapitein, bemerkende dat mijne kleeding zeer gehavend was,
had de edelmoedigheid, mij eenige zijner eigene kleederen te geven, die
nog zoo goed als nieuw waren.

Wij zetten onze reis voort, zeilden voorbij verscheidene eilanden, en
kwamen eindelijk aan het eiland Salahad, beroemd door het sandelhout,
dat daar in menigte groeit en in de geneeskunde veel wordt gebruikt. Wij
liepen de haven binnen en lieten het anker vallen. De kooplieden maakten
een begin met hunne handelswaren te ontschepen en die te verkoopen, of
tegen de voortbrengselen van dat land te verruilen. Inmiddels liet de
kapitein mij bij zich komen en zeide tot mij: „Broeder, ik heb eenige
handelswaren onder mijne berusting, welke toebehooren aan een' koopman,
die kort geleden op mijn schip heeft gevaren. Daar deze man voor
eenigen tijd overleden is, wil ik die goederen te gelden maken, en bij
gelegenheid daarvan aan zijne erfgenamen verantwoording doen.” Hij
toonde mij de balen, die reeds op het dek stonden, en vervolgde: „Zie
hier de waren, waarvan ik spreek; gij zoudt mij eene dienst bewijzen,
indien gij u wildet belasten daarmede, tegen eene behoorlijke belooning,
handel te drijven.” Ik stemde hierin toe, en bedankte hem, dat hij mij
in de gelegenheid stelde, mijn' tijd nuttig te kunnen besteden. De
scheepsschrijver, die aanteekening hield van al de waren, die van boord
gingen, en van de namen der kooplieden, wien zij toebehoorden, vraagde
de kapitein op wiens naam hij de balen moest te boek stellen, die mij
ter verkoop werden opgedragen. „Schrijft die,” antwoordde hij, „op naam
van Sindbad den zeeman.” Ik was niet weinig verwonderd mijn' eigen naam
te horen noemen, en den kapitein strak aanziende, herkende ik hem voor
degene, die mij, op mijne tweede reis, achter liet op het eiland, waar
ik bij de beek in slaap was gevallen, en die onder zeil ging zonder op
mij te wachten, of naar mij te laten zoeken. Ik had hem in het eerst
niet herkend, daar hij, sedert ik bij hem aan boord was, zeer verouderd
en veranderd was.

Dat hij _mij_ niet herkend had, was eerder te begrijpen, daar hij in de
stellige overtuiging verkeerde, dat ik mij reeds lang in het rijk der
dooden bevond. „Kapitein,” zeide ik, „is het zeker, dat de koopman, wien
deze balen toebehooren, Sindbad heette?” „Ja,” antwoordde hij, „zoo
noemde hij zich; hij was van Bagdad, en heeft zich te Balsora op mijn
vaartuig ingescheept. Eens, dat wij aan een eiland aanlegden, om water
en eenige ververschingen in te nemen, en hij zich met andere kooplieden
aan wal begaf, is hij achtergebleven, en wij misten hem niet, vóór
dat wij reeds eenige uren onder zeil waren. De wind maakte het ons
onmogelijk den steven te wenden en hem af te halen.” „En gij meent dat
hij dood is?” hernam ik. „Daarvan ben ik zoo goed als zeker,” antwoordde
hij. „Welnu! kapitein,” ging ik voort, „open dan uwe oogen eens goed. Ik
ben die Sindbad, welken gij op dat onbewoonde eiland hebt achtergelaten.
Ik had mij bij eene beek nedergezet en was in slaap gevallen. Bij mijn
ontwaken zag ik niemand meer van hen, die met mij aan land waren
gegaan.” Nadat ik dit gezegd had, zag de kapitein mij sterk aan.

Hij bleef eenigen tijd in die houding staan, en hield zijne oogen
onafgewend op mij. Eindelijk echter scheen hij zich mijne gelaatstrekken
te herinneren, en tot de overtuiging te komen, dat ik werkelijk die
Sindbad was, dien hij voor dood had gehouden. „Allah zij geprezen,”
riep hij uit, viel mij om den hals, „ik ben opgetogen van vreugde, dat
ik door mijn' misslag niet schuldig ben aan uw' dood. Zie hier uwe
goederen; zij zijn niet verminderd, maar vermeerderd, daar ik er een'
gelukkigen handel mede heb gedreven, opdat uw kapitaal niet renteloos op
uwe erfgenamen zou overgaan. Ik geef u alles met de daarop verkregen
winst terug.”

Van het eiland Salahad vertrokken wij naar een ander, waar ik eene goede
lading kruidnagelen, kaneel en andere specerijen insloeg. Op onze
terugreis zagen wij een' haai van twintig ellebogen lengte; alsmede een'
anderen visch die veel op eene koe geleek. Zijne huid is zoo dik en
hard, dat men er schilden van maakt, waardoor geen pijl kan dringen.
Eindelijk liepen wij, na eene lange reis, te Balsora binnen. Van daar
keerde ik naar Bagdad met een' grooten rijkdom aan geld en goederen
terug. Wederom schonk ik daarvan een aanzienlijk deel aan de armen, en
kocht nog verscheidene nieuwe landgoederen.”

Aldus eindigde Sindbad het verhaal van zijne derde reis. Hij deed
Hindbad weder honderd sequinen geven en noodigde hem tegen den volgenden
dag op het middagmaal, om het verhaal van zijne vierde reis aan te
hooren. Zoodra de maaltijd op den volgenden dag afgeloopen was, nam
Sindbad het woord, en zette aldus het verhaal van zijne hoogst
zonderlinge lotgevallen voort.


VIERDE REIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.

„De genoegens, die ik na mijne derde reis in ruime mate mogt smaken,
hadden toch voor mij zoo veel bekoorlijks niet, dat daardoor mijne
lust, om verre landen te bezoeken en vreemde dingen te zien, kon worden
uitgebluscht. Ik stelde dus orde op mijne zaken, voorzag mij van een'
goeden voorraad van allerlei kostbare koopwaren, en vertrok. Ditmaal
voegde ik mij bij eene karavaan, die naar Perzië ging. Ik doorreisde
verscheidene provinciën van dat uitgestrekte rijk, totdat ik eene
zeehaven bereikte, waar ik mij inscheepte. Wij gingen onder zeil, en
reeds hadden wij verscheidene havens aan het vasteland en eenige
eilanden in de Indische zee bezocht, toen wij door een' orkaan werden
overvallen, zoodat de kapitein zich verpligt zag de zeilen te strijken,
en maatregelen te nemen om het gevaar af te wenden, waarmede wij
bedreigd werden. Al onze voorzorgen waren echter vruchteloos; de bevelen
van den kapitein werden niet goed of te langzaam uitgevoerd, de zeilen
vlogen los en aan stukken, het roer werd weggeslagen en het nu niet
meer te besturen schip stiet op een rif en berstte. Vele passagiers
verdronken, en de lading ging geheel verloren. Eenige der kooplieden
en matrozen,” vervolgde Sindbad, „en ik, wij hadden het geluk, ons aan
planken of andere drijvende overblijfselen van het uiteengeslagen schip
vast te klemmen, en wij werden door den vloed, die zeer sterk was, op de
kust geworpen van het eiland, dat voor ons lag. Wij vonden daar vruchten
en eene bron van zoet water, wat ons zeer te stade kwam om onze krachten
te herstellen. Wij bragten den nacht door op de plaats, waar de zee ons
had aangespoeld, zonder nog te hebben nagedacht over hetgeen ons verder
te doen stond. Onze verslagenheid over de ramp, die ons getroffen had,
was daartoe te groot.

Den volgenden dag echter, zoodra de zon opkwam, verwijderden wij ons
van het strand, en het eiland dieper ingaande, zagen wij spoedig eenige
woningen, waarheen wij nu haastig onze schreden rigtten. Bij onze komst
in het gehucht, dat uit een twintigtal hutten bestond, kwamen vele
zwarten naar ons toeloopen. Zij omringden ons, maakten zich van onze
goederen meester, en na die onder elkander verdeeld te hebben, bragten
zij ons naar hunne woningen.

Met vijf van mijne kameraden kwam ik in het zelfde huis. Men deed ons
nederzitten, diende ons een zeker kruid voor, en noodigde ons door
teekenen uit om daarvan te eten. Het geregt zag er niet onsmakelijk uit
en had een' aangenamen geur. Mijne makkers hierdoor verlokt, en alleen
hunne hongerige magen raadplegende, vielen dadelijk aan, zonder op te
merken, dat zij, die het ons voorzetten, er zelven niet van aten. Wat
mij aangaat, door een voorgevoel gedreven, dat er welligt achter deze
gastvrijheid der zwarten iets anders mogt schuilen, ik nam den schijn
aan van te eten, maar zette er den mond niet aan. Ik bevond er mij wel
bij, want weldra bleek het, dat mijne kameraden geheel buiten zinnen
waren, en niet meer wisten wat zij zeiden.

Vervolgens diende men ons rijst voor, toebereid met kokosolie, en mijne
van hun verstand beroofde makkers aten er duchtig van. Ik gebruikte
slechts zeer weinig, naauwelijks genoeg om mijn' honger te stillen.

En raadt nu eens, mijne heeren!” vervolgde Sindbad, „waarom die lieve
zwarten ons eerst dat kruid toedienden, en ons vervolgens op rijst
onthaalden? Het eigenbelang speelde hier de hoofdrol, de gastvrijheid
kwam niet in aanmerking; het waren menscheneters. Het bedwelmende kruid
moest dienen, om ons het bewustzijn te benemen van het lot, dat ons te
wachten stond (want te veel verdriet vermagert), en zij gaven ons rijst
om ons vet te maken. Met mijne makkers hadden zij hun doel bereikt: zij
hadden geen besef van hunnen toestand, aten zooveel zij maar konden en
werden dagelijks dikker en vetter. Wat mij betreft, ik werd, in plaats
van vet, nog magerder dan ik ooit geweest was.

De vrees voor zulk een' afgrijselijken dood, waardoor ik onophoudelijk
gekweld werd, benam mij niet alleen den eetlust, maar deed de weinige
spijzen, die ik gebruikte, in vergift veranderen. Ik kwijnde weg, en
tot mijn geluk; want toen de zwarten mijne makkers geslagt en opgegeten
hadden, lieten zij het daarbij niet blijven. Omdat zij zagen, dat ik
mager, ontvleescht en ziek was, verschoven zij mijn' dood.

Intusschen genoot ik veel vrijheid, en men sloeg zoo weinig acht op
mijne handelingen, dat dit mij in de gelegenheid stelde de woonplaats
van mijne zwarte vrienden te verlaten. Een grijsaard, die mij zag gaan,
en mijn voornemen giste, schreeuwde mij luidkeels na, dat ik terug moest
komen. Maar wie zoo gek was, Sindbad de zeeman niet! Ik liep er slechts
te sneller om, en was weldra buiten zijn gezigt. Die grijsaard was op
dat tijdstip mijn eenige gevangenbewaarder, want al de anderen waren van
huis en werden eerst tegen den avond terug verwacht: iets dat meermalen
plaats had. Zij zouden dus bij hunne terugkomst het vogeltje gevlogen en
de kooi ledig vinden, zonder veel kans te hebben mij te achterhalen;
en daarop had ik gerekend. Men moet echter zijn' vijand niet te ligt
achten; die zwarten kunnen loopen als windhonden en hebben een' scherpen
reuk. Ik gebruikte dan de meest mogelijke voorzorg om uit hunne handen
te blijven, want hiervan was ik zeker, vet of mager, zij zouden mij
thans niet meer sparen. Ik liep den geheelen dag door; eerst des avonds
gunde ik mij een weinig rust, en versterkte mij door eenige spijs te
nemen van den kleinen voorraad, dien ik bij mijne vlugt had medegenomen.
Gelukkig scheen de maan en flikkerden de sterren helder aan den blaauwen
hemel, zoodat ik ook 's nachts kon voortgaan. Zoo liep ik zeven dagen
lang, vermeed alle bewoonde plaatsen, en leefde, toen de voorraad
verteerd was, van kokosnoten, wier kern mij tot spijs en wier melk mij
tot drank verstrekte. Op den achtsten dag bereikte ik het strand;
eensklaps bevond ik mij nu onder blanken, die peper plukten, welke op
dat eiland in menigte groeit. Zoodra die lieden mij zagen, kwamen zij
naar mij toe. Zij vraagden mij in het Arabisch wie ik was en van waar
ik kwam. Verblijd dat ik mijne moedertaal hoorde spreken, voldeed
ik bereidwillig aan hunne nieuwsgierigheid en verhaalde hun, hoe ik
schipbreuk geleden had en op dat eiland was gekomen, waar wij in handen
van wilden waren gevallen. „Maar die zwarten,” zeiden zij, „zijn
menscheneters. Door welk wonder zijt gij aan hunne wreedheid ontkomen?”
Ik deelde hun mede, wat u reeds bekend is, en zij waren ten hoogste
verwonderd, dat ik, na het doorstaan van zoo vele gevaren en
vermoeijenissen, nog in leven was.

Ik bleef bij hen totdat zij eene genoegzame hoeveelheid peper hadden
ingezameld, waarna ik mij met hen inscheepte op het vaartuig, dat hen
hier had gebragt, en waarmede zij nu naar het eiland terugkeerden. Zij
stelden mij voor aan hun' koning, die een zeer menschlievend vorst was.
Hij luisterde geduldig naar het verhaal van mijne rampen, en beklaagde
mij. Hij deed mij kleederen geven, en beval, dat men mij in alles
verzorgen zou.

Zijn eiland was sterk bevolkt en rijk aan allerlei voortbrengselen,
waarmede de inwoners een' grooten handel dreven. Dit aangename oord en
de goedheid van den edelmoedigen vorst troostten mij eenigzins over mijn
ongeluk. Daar ik bij den koning in gunst stond, beijverde bijna een
ieder zich om mij genoegen te doen, en beschouwde men mij niet langer
als vreemdeling, maar als inboorling van het eiland.

Ik merkte inmiddels iets op, dat mij zeer vreemd voorkwam. Als de koning
of een zijner onderdanen te paard reed, gebruikte hij noch zadel, noch
toom of stijgbeugels. Dit deed mij de vrijheid nemen zijne majesteit
te vragen, waarom men zich bij het paardrijden niet van deze gemakken
bediende. Hij antwoordde mij, dat ik hem daar over dingen sprak waarvan
het gebruik, ja zelfs de naam, in zijn rijk onbekend was.

Dadelijk ging ik nu naar een' bekwamen werkman, en liet hem van hout
een' zadel maken, naar het model, dat ik hem gaf. Deze gereed zijnde
omkleedde ik hem met leder, vulde dit op met haar en versierde hem met
gouden passementwerk. Daarop vervoegde ik mij bij een' slotenmaker, die
mij, volgens mijne opgave, een gebit en stijgbeugels maakte.

Toen alles gereed was, bood ik den koning mijn werk aan, en legde den
zadel op het paard, dat hij had laten voorbrengen, om een' rid te maken.
De vorst steeg, terwijl ik den stijgbeugel vasthield, volgens mijne
aanwijzing op, en zette zich in den zadel. Hij was over mijne uitvinding
zeer voldaan, en deed mij dit door een rijk geschenk blijken. Ik moest
nu ook voor zijne staatsdienaren, en de voornaamste officieren van zijn
hof zadels maken, waarvoor zij mij geschenken gaven, die mij in korten
tijd tot een rijk man maakten. Ook de aanzienlijkste inwoners der
stad, kwamen er mij om vragen, en behalve ruime betaling, verwierf ik
bovendien eene groote vermaardheid en genoot ik de algemeene achting.

Ik bleef inmiddels den koning getrouw bezoeken. Eens zeide hij tot mij:
„Sindbad! ik heb u lief, en ik weet, dat gij bij al mijne onderdanen
bemind zijt. Ik heb eene bede en ik wilde gaarne, dat gij mij die
toestondt.” „Sire,” antwoordde ik, „ik ben bereid alles te doen om uwe
majesteit mijne gehoorzaamheid te bewijzen; haar minste wensch zal voor
mij steeds een bevel zijn.” „Ik wil u uithuwelijken,” hernam de koning,
„opdat gij, door dien echt aan dit land verbonden, moogt vergeten ooit
een ander vaderland gehad te hebben.” Daar ik mij tegen den bepaalden
wil van den vorst niet durfde verzetten, kreeg ik eene zijner hofdames
van voorname geboorte, schoon, deugdzaam en rijk, tot echtgenoot. Na de
voltrekking van ons huwelijk nam ik mijn' intrek bij mijne vrouw, met
welke ik eenigen tijd in volkomen eendragt, leefde. Evenwel was ik met
mijn' toestand niet erg tevreden, ik kon mijn' geboortegrond, ik kon
Bagdad niet vergeten, een onweêrstaanbaar verlangen naar mijn vaderland
en mijne achtergelaten betrekkingen en vrienden liet mij dag noch nacht
rust, en ik besloot, zoodra zich de gelegenheid aanbood, in stilte te
vertrekken.

Met dit denkbeeld was ik bezield, toen de vrouw van een' mijner beste
vrienden ziek werd en stierf. Toen ik mijn' vriend een woord van troost
wilde toespreken, vond ik hem radeloos bedroefd. „Allah zij u genadig!”
sprak ik binnentredende, „en Hij schenke u troost en een lang leven!”
„Helaas!” antwoordde hij, „wat wenscht gij mij toe? Ik leef geen uur
meer.” „Kom!” hernam ik, „haal u zulk eene treurige gedachte niet voor
den geest; men sterft zelden van verdriet, en de tijd zal ook uwe
wonde wel weêr heelen. Vergeet niet, dat gij een' vriend hebt, die in
uw ongeluk deelneemt, en nog jaren zich in uwe vriendschap hoopt te
verblijden.” „Ik wensch u een lang leven,” hernam hij, „doch wat mij
betreft, het is met mij op deze wereld gedaan, want nog heden zal
men mij met mijne vrouw begraven. Dit gebruik, door onze voorouders
ingesteld, is steeds ongeschonden bewaard gebleven. De levende man wordt
met zijne doode vrouw, de levende vrouw met haren dooden man begraven.
Niets kan mij redden; wij zijn allen aan deze wet onderworpen.”

Terwijl mijn vriend mij met deze barbaarsche gewoonte bekend maakte, en
dit nieuws mij eene rilling aanjoeg, kwamen de bloedverwanten, vrienden
en buren om de begrafenis bij te wonen. Het lijk der vrouw werd, als
ging zij ter bruiloft, met hare kostbaarste kleederen omhuld, en men
versierde het met alles, wat zij ooit bij haar leven aan goud, zilver,
paarlen en diamanten had gedragen. Toen werd het lijk in eene doodkist
zonder deksel, als op een praalbed, gelegd, en de stoet stelde zich in
beweging. De man ging achter de lijkbaar, aan het hoofd der lijkstatie.
Men sloeg den weg in naar een' hoogen berg. Daar aangekomen, werd eene
zware zerk afgewenteld, die op de opening van een' diepen put lag.
Hierin liet men nu de kist neder met het lijk, zonder dit van zijn' tooi
te ontdoen. De man omhelsde zijne bloedverwanten en vrienden, en liet
zich zonder tegenstand te bieden in eene doodkist leggen, met eene kruik
water en zeven kleine brooden bij zich. Men liet hem op dezelfde wijze
neder als zijne doode vrouw. Daarna werd den steen weder op den put
gelegd en de begrafenis was afgeloopen. Ik was bij dit alles zeer
treurig gestemd, en mogten ook de anderen weinig aandoening verraden,
omdat hun gevoel door de kracht der gewoonte verstompt was, mij werd het
benaauwd om het hart. Bij mijne terugkomst sprak ik met den koning over
dit gebruik. „Sire,” zeide ik, „ik kan mij niet genoeg verwonderen over
de vreemde gewoonte, die in uw rijk plaats heeft, om de levenden met de
dooden te begraven. Ik heb veel gereisd, vele volkeren bezocht, doch
nooit heb ik van eene zoo wreede wet hooren gewagen.” „Wat zoudt gij dan
willen, Sindbad!” antwoordde de koning, „het is eene algemeene wet,
waaraan ook ik, zoo wel als ieder mijner onderdanen, onderworpen ben.
Indien de koningin vóór mij komt te sterven, zal ik levend met haar
worden begraven.” „Maar, Sire,” hervatte ik, „veroorloof mij aan uwe
majesteit te vragen, of ook de vreemdelingen hieraan onderworpen zijn.”
„Wel zeker,” hernam de koning met een' spotachtigen lach (want hij
raadde mijne bedoeling), „zij zijn daarvan niet vrijgesteld, zoodra zij
hier een huwelijk hebben aangegaan.” Met dit antwoord keerde ik, alles
behalve opgeruimd, naar mijne woning terug. De vrees, dat mijne vrouw
eerst mogt sterven, en dat men mij dan levend met haar zou begraven,
maakte mij zeer treurig. Maar wat was er aan te doen? Ik moest geduld
hebben en afwachten wat Allah over mij besloten had. Evenwel was
er, sedert ik met die barbaarsche wet bekend werd, geen bezorgder
echtgenoot, dan Sindbad de zeeman. Als mijne vrouw maar eene verkoudheid
had gevat, als ik haar maar hoorde kugchen, werd het mij reeds bang om
het hart, en hadde ik vleugelen gehad, de koning zelfs, al hadde hij mij
tot zijn' eersten staatsdienaar willen maken, zou mij geen uur langer op
zijn eiland hebben gezien. Zonder een' traan te storten of een' zucht
te laten, zou ik van mijne lieve vrouw zijn weggevlogen. Ik had mij
voorgenomen te ontvlugten, maar de dood voorkwam zulks. Hij was vlugger
dan ik; mijne vrouw werd ziek, en was binnen weinige dagen een lijk.

Levend begraven te worden, leek mij niet minder vreeselijk toe, dan
het lot mijner makkers bij de menscheneters. Ik moest mij evenwel
onderwerpen. De koning, van zijn geheele hof vergezeld, wilde mijne
uitvaart met zijne hooge tegenwoordigheid vereeren; en al de
aanzienlijke ingezetenen der stad woonden mijne begrafenis bij.

Toen alles tot de plegtigheid gereed was, legde men het lijk van mijne
vrouw, getooid met al hare juweelen en met hare kostbaarste kleederen,
in de kist. De optogt nam een' aanvang. Ik, als de tweede hoofdpersoon
in dit treurspel, was de eerste achter de lijkbaar. Ik stortte vele
tranen en beklaagde mijn ongelukkig lot. Vóór wij den berg bereikt
hadden, wilde ik nog eene poging aanwenden om het gemoed der
toeschouwers te treffen. In de eerste plaats rigtte ik mij tot den
koning, en vervolgens tot allen, die mij omgaven, en met het hoofd ter
aarde gebogen, den zoom hunner kleederen kussende, smeekte ik hun,
medelijden met mij te hebben. „Neemt toch in aanmerking,” zeide ik, „dat
ik een vreemdeling ben, die aan deze gestrenge wet niet onderworpen
behoort te zijn, en dat ik in mijn vaderland eene andere vrouw en
kinderen heb.” Ik mogt deze woorden op een' smeekenden toon uitspreken,
niemand werd er door getroffen, integendeel, men haastte zich het lijk
van mijne vrouw in den put neder te laten, en een oogenblik daarna liet
men ook mij af in eene opene doodkist, met eene kruik water en zeven
brooden. Naauwelijks had de kist den grond bereikt, of men trok de
touwen op, en sloot de opening van den put, door er den steen weder op
te leggen, zonder dat men zich aan mijne wanhopige kreten stoorde.

In het afdalen kon ik, bij het weinige licht, dat van boven door de
opening viel, mij eenig begrip maken van de plaats, die mij tot een
levend graf moest verstrekken. Het was eene grot van grooten omvang in
eene rots van wel vijftig ellebogen hoogte. De onverdragelijke reuk der
half verteerde lijken, die ik regts en links van mij op den grond zag
liggen, deed mij walgen, en ik meende nog de laatste zucht te hooren van
sommigen, die kort geleden levend in dit hol waren neêrgelaten. Zoodra
ik beneden was, verliet ik de kist, en de neus digt houdende verwijderde
ik mij van deze plaats zoo ver mogelijk, niet zonder nu en dan over een
lijk of over eene geraamte te struikelen. Ik wierp mij wanhopig op den
killen grond, ik schreide en zuchtte, en duizenden gedachten dwarrelden
mij door het hoofd. Daarna meer geregeld over mijn rampzalig lot
nadenkende, zeide ik tot mij zelven: „Het is waar, dat Allah over ons
beschikt volgens de besluiten zijner Voorzienigheid; maar, arme Sindbad,
hebt gij het niet aan u zelven te wijten, dat gij zulk een' ellendigen
dood moet sterven? Ach, mogt het Gode behaagd hebben, dat gij bij de
vele schipbreuken, waaraan gij ontkomen zijt, uw graf in de golven
haddet gevonden! Gij zoudt dan niet gedoemd zijn tot zulk een' langzamen
en in alle opzigten verschrikkelijken dood. Maar gij zelf hebt u dien op
den hals gehaald door uwe verwenschte hebzucht. Ach! ongelukkige waarom
zijt gij niet gebleven in uw land, waar gij het goed hadt, en waar gij
in rust de vruchten van uwen arbeid hadt kunnen genieten!”

Van deze nuttelooze klagten deed ik de grot weêrgalmen, gaf mij aan
de wanhopigste gedachten over, en sloeg mij, als een razende, met de
vuisten voor het hoofd en op de borst. Evenwel, hoe rampzalig ik mij ook
gevoelde, de liefde tot het leven deed hare stem in mij hooren; ik was
er dus op bedacht dat zoo lang mogelijk te rekken. Ik sloop, den neus
digt houdende, en als een blinde rondtastende naar de plaats waar mijne
kist stond, om mijn brood en water te halen. Hoe groot ook de duisternis
was, die in de grot heerschte, zoo zelfs dat men den dag niet van den
nacht kon onderscheiden, vond ik echter mijne kist terug; en het scheen
mij nu toe, dat de grot nog veel grooter was, en meer lijken bevatte,
dan ik aanvankelijk dacht. Ik leefde eenige dagen van mijn' brood en
water maar eindelijk niet meer over hebbende, bereidde ik mij voor om te
sterven.

Ik verwachtte ook niet anders dan den dood, want reeds werd ik op eene
vreeselijke wijze door den honger en door den dorst gekweld, toen ik den
steen van den put hoorde afnemen. Men liet een doode en eene levende af.
De doode was een man. Het is niet onnatuurlijk, dat men op uiterste
redmiddelen bedacht is, als men in zulk een' toestand verkeert als de
mijne. Terwijl men de vrouw liet zakken, naderde ik de plek, waar de
kist moest nederkomen, en zoodra ik bemerkte dat men den steen weder op
den put legde, bragt ik de ongelukkige twee of drie zware slagen op het
hoofd toe met een groot doodsbeen, dat ik had opgeraapt. Zij bleef
ogenblikkelijk dood. Ik nam vervolgens de kruik met water en het brood
uit hare kist, en kon mij nu daarmede weder eenige dagen voeden. Na
verloop daarvan liet men weder een lijk af, ditmaal eene vrouw; de
levende man volgde, die ik op gelijke wijze doodde. Tot mijn geluk
heerschte er toen in de stad eene buitengewone sterfte. Ik nam steeds
tot het zelfde middel mijne toevlugt, en had bij gevolg geen gebrek aan
levensmiddelen. Eens, toen ik weder eene vrouw gedood had, hoorde ik in
mijne nabijheid blazen en loopen. Ik ging naar den kant van waar het
gerucht kwam, dat bij mijne nadering verdubbelde. Het kwam mij voor,
als of ik iets zag vlugten. Ik volgde deze soort van schim, die nu en
dan stil stond, doch als ik naderde, al blazende verder liep. Na lang
geloopen te hebben, schemerde mij een licht als eene ster in de oogen.
Op dat licht ging ik nu af; meermalen verloor ik het uit het oog, doch
telkens zag ik het terug. Eindelijk naderde ik eene opening in de rots,
ruim genoeg om mij een uitgang te verschaffen.

Bij deze ontdekking was ik zoo aangedaan, dat ik eenige oogenblikken
roerloos bleef staan. Daarop liep ik snel naar de rotsspleet, wrong er
mij door, en bevond mij in de vrije lucht aan het strand der zee. Mijne
vreugde was zoo groot, dat ik bijna mijne oogen niet geloofde, en meende
dat het slechts een droom was. Eindelijk kwam ik tot de overtuiging
dat het geen spel mijner verbeelding, maar werkelijkheid was, en dat
ik waarschijnlijk mijne vrijheid te danken had aan het een of ander
zeedier, dat door de rotsspleet in de grot kwam, om zich aan de lijken
te vergasten. Ik onderzocht nu den berg, en bevond dat deze gelegen was
tusschen de zee en de stad. Het strand was aan de landzijde geheel door
steile rotswanden afgesloten, en lag alleen open aan den zeekant. Ik
wierp mij met het gelaat ter aarde, om Allah te danken voor de genade,
die hij mij had bewezen. Na dit dankgebed keerde ik naar de grot terug
om van daar brood te halen, waarmede ik in de vrije lucht mijn' maaltijd
deed, met een' eetlust, zoo als ik dien sedert mijne begrafenis in dit
doodshol niet gekend had.

Ik ging vervolgens nogmaals in de grot, en nam uit de doodkisten al de
juweelen, al het goud en al de kostbare kleederen, die ik in handen
kreeg. Ik bragt dit alles aan het strand, maakte er balen van, en
bediende mij daartoe van de touwen, die bij het aflaten der doodkisten
gebruikt werden, en dus in groote menigte voorhanden waren. Ik liet
mijne goederen aan het strand, tot dat zich, gelijk ik hoopte, een schip
zou vertoonen en mij aan boord nemen; want ik behoefde niet bang te
zijn, dat mijne waren door den regen bederven zouden, daar het den tijd
van den droogen mousson was.

Na verloop van twee of drie dagen zag ik werkelijk een schip, dat zoo
even de haven had verlaten en het strand, waar ik mij bevond, op niet
grooten afstand voorbij zeilde. Ik maakte het linnen van mijnen tulband
los, waaide daarmede, en schreeuwde uit alle magt om mij te doen hooren.
Men had mij spoedig opgemerkt, en de sloep werd uitgezet om mij af te
halen. Op de vraag der matrozen door welk ongeluk ik mij op die eenzame
plaats bevond, gaf ik ten antwoord, dat ik voor vier dagen op deze kust
schipbreuk had geleden, en dat ik met mijne goederen, die aangespoeld
waren, hier moest blijven, omdat ik niet over de steile rotsen kon
komen. Gelukkig voor mij, stelden deze eenvoudige lieden zich hiermede
tevreden, en namen mij, zonder eenig onderzoek te doen, met mijne balen
in hunne sloep op.

De kapitein, die het druk had met zijne bevelen uit te deelen, nam mij
aan boord, zonder mij met vragen lastig te vallen, die mij in groote
verlegenheid hadden kunnen brengen. Hij betuigde mij alleen zijne
blijdschap, dat hij aan een' schipbreukeling eene dienst had kunnen
bewijzen, en hij was onbaatzuchtig genoeg, om de juweelen, welke ik hem
voor mijne reiskosten aanbood, niet aan te nemen.

Wij zeilden voorbij verscheidene eilanden en ankerden onder anderen bij
het Klokken-eiland, gelegen omstreeks tien dagreizen van Serendib en zes
dagreizen van het eiland Kela. Op dit eiland vindt men loodmijnen en
uitmuntende kamfer.

De koning van het eiland Kela is zeer rijk en magtig; hij is tevens
gebieder van het geheele Klokken-eiland, dat eene uitgestrektheid, heeft
van twee dagreizen, en welker bewoners nog zoo barbaarsch zijn, dat zij
menschenvleesch eten. Wij dreven daar echter een' aanzienlijken handel,
gingen toen weder onder zeil en deden nog verscheidene andere havens
aan. Eindelijk kwam ik behouden te Bagdad in het bezit van onschatbare
rijkdommen, te veel om hier op te sommen. Ten einde Allah mijn' dank te
betuigen, dat hij mij uit zoo vele doodsgevaren gered, en behouden in
mijn vaderland en bij mijne betrekkingen had terug gebragt, deelde ik
groote giften uit, zooveel aan de moskeeën als aan de armen. Ik wijdde
mij nu geheel en al aan mijne bloedverwanten en vrienden, vermaakte mij
met hen en maakte goede sier.”

Met deze woorden besloot Sindbad het verhaal van zijne vierde reis,
dat de verbazing van zijne hoorders in nog hoogere mate opwekte, dan
dat zijner drie voorgaande reizen. Hij deed aan Hindbad op nieuw een
geschenk van honderd sequinen uitreiken, en noodigde hem uit den
volgenden dag terug te komen om bij hem te eten, en het verhaal van
zijne vijfde reis aan te hooren. Toen het gezelschap den dag daaraan
zich weder ten zijnen huize bevond en de maaltijd was afgeloopen, ving
Sindbad aldus aan:


VIJFDE REIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.

„Het genoegelijke leven, dat ik met mijne vrienden leidde, wischte
weldra de vermoeijenissen en rampen, die ik had doorgestaan, uit mijn
geheugen, zoodat ik na eenigen tijd reeds weder lust gevoelde om nieuwe
reizen te doen. Ik kocht alzoo weder eene menigte koopwaren, die ik in
balen pakte en op wagens liet laden, en waarmede ik mij naar de naaste
zeehaven begaf. Om niet van den kapitein afhankelijk te zijn, liet ik
op eigen kosten een schip dusdanig bouwen en uitrusten, als ik dit
verlangde. Zoodra het schip gereed was, deed ik mijne goederen daarin
laden en begaf mij aan boord, eenige kooplieden met hunne waren
medenemende.

Met den eersten gunstigen wind ligtten wij het anker, en bevonden ons
weldra in de ruime zee. Wij waren reeds eenige weken onder zeil geweest,
toen wij gebrek aan drinkwater kregen, en voor een onbewoond eiland het
anker lieten vallen om onze watervaten te vullen. Hier vonden wij een ei
van gelijke grootte en omvang als dat, wat ik u vroeger heb beschreven.
Het bevatte een' jonge rok, die spoedig zou uitkomen, en waarvan de bek
reeds zigtbaar was. De kooplieden, die zich aan boord van mijn schip
bevonden, en met mij aan land waren gegaan, hakten met een' bijl in
het ei en maakten daarin eene opening, waardoor zij den jongen rok bij
gedeelten te voorschijn haalden, en dien zij daarna lieten braden. Ik
had hen ernstig gewaarschuwd, dat zij het ei onaangeroerd zouden laten,
maar zij wilden naar mijn' raad niet hooren.

Naauwelijks hadden zij hunnen maaltijd geëindigd, of er vertoonden
zich in de lucht op een' vrij grooten afstand twee donkere wolken.
De kapitein, dien ik gehuurd had om mijn schip te besturen, bij
ondervinding wetende, wat dit te beduiden had, zeide dat het de vader
en de moeder van den jongen rok waren. Hij drong er op aan, dat wij
terstond aan boord moesten gaan om, zoo mogelijk, het ongeluk, dat hij
voorzag, te voorkomen. Wij volgden zijn' raad en gingen dadelijk onder
zeil.

Intusschen naderden de twee rokken met een groot geschreeuw, dat nog
verdubbelde toen zij bemerkten in welken toestand zich het ei bevond.
Daarop vlogen zij weder weg naar den kant, van waar zij gekomen waren.
Wij verloren hen voor een' korten tijd uit het oog, en de kapitein liet
alle zeilen bijzetten, ten einde het gevaar te ontkomen, dat ons
bedreigde.

De beide vogels kwamen terug, en wij bemerkten, dat elke rok een stuk
rots, zoo groot als een' kleinen berg, in zijne klaauwen medebragt. Toen
zij vlak boven mijn schip waren, staakten zij hunne vlugt, en op hunne
wieken drijvende, liet de eene zijn stuk vallen, doch door de handigheid
van den stuurman, die het roer omwierp en het schip deed zwenken, viel
het in zee. Het water week, zoodat wij bijna den grond konden zien. Tot
ons ongeluk liet echter de andere rok zijn stuk rots zoo juist op het
midden van het schip vallen, dat het aan duizend stukken werd geslagen.
De matrozen en de kooplieden werden allen door de rots verpletterd en
zonken in de diepte der zee. Ook ik zonk eenige vademen diep, doch hield
mijn' adem in, kwam weder boven, en had het geluk mij vast te klemmen
aan een in mijne nabijheid drijvend stuk van het wrak. Mij nu eens met
de eene, dan weder met de andere hand vasthoudende, werd ik, daar wind
en stroom mij gunstig waren, eindelijk op een eiland geworpen. De kust
was hoog en steil, doch ook deze zwarigheid kwam ik te boven. Ik zette
mij in het gras om een weinig van mijne vermoeijenis te bekomen; en
zoodra ik mij sterk genoeg gevoelde, stond ik weder op en ging dieper
landwaarts in, om het eiland te verkennen. Dit viel mij mede; want
overal bevond ik mij te midden van een' lusthof, vol van de schoonste
vruchtboomen, allen beladen met rijp en half rijp ooft, de grond
geleek een bloemtapijt, waardoor zich beekjes van het helderste water
kronkelden. Ik plukte en at van de heerlijke vruchten, dronk van het
heldere water, en ik gevoelde mij, zelfs in mijn ongeluk, gelukkig.

Toen ik mij aldus verkwikt had en mijne wandeling verder voortzette,
zag ik aan den oever van ene beek een' grijsaard zitten, die mij
toescheen zeer gebrekkig te zijn. Ik dacht in het eerst dat hij, gelijk
ik, hier schipbreuk had geleden. Ik ging naar hem toe, en groette hem,
waarop hij alleen met eene hoofdbuiging antwoordde. Ik vraagde hem
vervolgens, wat hij daar deed, doch in plaats van te antwoorden, gaf hij
mij een teeken, dat ik hem op mijne schouders nemen en door de beek zou
dragen, ten einde aan de overzijde, zoo als hij verder te verstaan gaf,
eenige vruchten te gaan plukken.

Ik meende, dat hij er werkelijk behoefte aan had, dat ik hem deze dienst
bewees, en daarom nam ik hem zonder dralen op mijnen rug, en waadde met
hem door de beek, die zeer ondiep was. „Klim af,” zeide ik nu, en kromde
mij om hem het afstijgen gemakkelijk te maken. Doch in plaats van zich
te laten afglijden (ik moet nog lagchen zoo dikwijls ik er aan denk),
sloeg deze verduivelde grijsaard, dien ik voor gebrekkig had aangezien,
zijne beide beenen met vlugheid om mijn' hals, en ik zag nu, dat het vel
daarvan veel geleek op eene gedroogde koehuid. Terwijl ik deze opmerking
maakte, zette hij zich op mijne schouders, gelijk een schoenmaker op
zijn' driestal, en wrong mij de keel zoo digt, dat ik niet anders dacht,
of hij verworgde mij. Een plotselinge schrik beving mij, en ik viel in
zwijm. De lastige grijsaard bleef altoos aan mijn' hals hangen; alleen
ontsloot hij zijne beenen een weinig, ten einde mij gelegenheid te
geven om weder tot mij zelven te komen. Toen drukte hij den eenen voet
krachtig tegen mijne maag, en schopte mij met den anderen zoo lang in
de lenden dat ik, mijns ondanks, verpligt was op te staan. Zoodra ik
weder overeind was, dwong hij mij voort te gaan en vruchten voor hem te
plukken. Hij verliet dien geheelen dag mijne schouders niet, en toen ik
mij des nachts ter ruste wilde begeven, legde hij zich met mij op den
grond neder, zonder mijn' armen hals een oogenblik los te laten. Elken
morgen wekte hij mij, door mij met de hielen in de lenden te schoppen,
en dwong mij dan, door mij den hals bijna toe te knijpen, om op te
staan, en hem te dragen, waarheen hij wezen wilde. Stelt u mijn'
toestand voor, mijne heeren! dag en nacht zulk een' last te moeten
dragen, zonder er mij van te kunnen ontslaan.

Eens vond ik op mijn' weg verscheidene drooge pompoenen, die van een'
boom waren gevallen; ik zocht er eene der grootste uit, die ik mede nam.
Na hem goed gereinigd te hebben, perste ik eenige druiven uit, liet het
sap in mijne soort van flesch loopen, en vulde ze tot aan den hals. Ik
verborg nu mijne met druivensap gevulde kalebas, en wist het zoo aan te
leggen, dat wij na eenige dagen weder langs die plaats kwamen. Nu nam
ik mijne kalebas, bragt die aan den mond, en dronk een' overheerlijken
wijn, die mij zoo opwekte, dat ik bijna mijn treurig lot vergat. Ik
gevoelde mij zoo opgeruimd, dat ik begon te zingen, en met mijne vracht
op den rug meer danste dan liep.

Toen de grijsaard bemerkte, dat die drank mij vrolijk maakte, en ik
hem met veel meer gemak en lust droeg dan gewoonlijk, gaf hij mij door
teekenen te verstaan, dat ik ook hem moest laten drinken. Ik reikte
hem mijne kalebas toe, hij nam die, en daar mijn wijn hem zeer lekker
smaakte, dronk hij haar tot den laatsten droppel ledig. Er was nog
genoeg in om hem dronken te maken, en hij werd het ook. Terwijl de
dampen van den wijn hem meer en meer naar het hoofd stegen, ving ook hij
aan op zijne wijze te zingen, en op mijne schouders eene soort van dans
uit te voeren. Door dit hotsen gaf zijne maag terug, wat hij te gulzig
had gedronken, en werden zijne beenen allengskens losser. Zoodra ik dit
bemerkte, wierp ik hem met een' duchtigen schok van mijne schouders in
het zand, waar hij bedwelmd bleef liggen. Ik nam nu een' grooten steen
op en verpletterde hem de hersenpan. Mijne blijdschap was zeer groot,
toen ik mij van dezen verwenschten grijsaard had verlost. Ik ging naar
het strand, en tot mijne niet minder groote vreugde ontmoette ik eenige
matrozen, die daar met hun schip voor anker lagen, om versch water in
te nemen. Zij waren zeer verwonderd, toen zij mij zagen, en nog meer,
toen zij mijne lotgevallen vernamen, waarmede ik hen in weinige woorden
bekend maakte. „Gij waart,” zeiden zij, „in handen gevallen van den
grijsaard van de zee, en gij zijt de eerste, dien hij niet heeft
verworgd; nooit heeft hij den ongelukkige, van wien hij zich had meester
gemaakt, weder losgelaten, dan na hem gestikt te hebben. Hij heeft dit
eiland berucht gemaakt door het groote aantal lieden, die hij gedood
heeft; en de vrees, die hij aan alle zeevarenden inboezemt, is zoo
groot, dat matrozen en kooplieden, alleen in groot gezelschap, voet
aan land durven zetten.”

Toen zij mij dit gezegd hadden, namen zij mij mede aan boord van hun
schip. De kapitein ontving mij zeer vriendelijk; en als hij vernam, wat
mij was overkomen, betuigde hij mij, verheugd te zijn, dat ik aan zulke
gevaren ontsnapt was. Hij ging weder onder zeil, en na eenige dagen
lieten wij het anker vallen voor eene groote stad met steenen huizen,
die anders gewoonlijk slechts van hout of van bamboes zijn gemaakt.

Een der kooplieden van het schip, die zich mijner in vriendschap had
aangetrokken, nam mij met zich naar de stad en bragt mij in een huis,
ingerigt om schipbreukelingen of vreemde kooplieden zonder vermogen op
te nemen. Hij gaf mij vervolgens een' grooten zak, en beval mij aan in
de bescherming van eenige lieden, die allen van dergelijke zakken
voorzien waren; hij verzocht hun, dat zij mij zouden medenemen om
kokosnoten in te zamelen. „Ga,” zeide hij nu tegen mij, „met deze
lieden; doe, gelijk gij hen zult zien doen, en draag zorg u niet van hen
te verwijderen, gij zoudt anders uw leven in gevaar brengen.” Hij gaf
mij ook levensmiddelen voor dien dag, en ik vertrok met die menschen.

Wij kwamen in een groot bosch van regt opgaande en hemelhooge boomen,
wier stammen zoo glad waren, dat er voor den besten klimmer geene
mogelijkheid bestond, zelfs de onderste takken, waaraan zich de vruchten
bevonden, te bereiken. Het waren allen kokosboomen, met wier noten wij
onze zakken wenschten te vullen. De apen, waarvan wij eene groote
menigte zagen, waren echter betere klimmers dan wij, want zoodra deze
dieren ons vernamen, vlugtten zij in de boomen, en klauterden met eene
verwonderlijke vlugheid tegen de gladde stammen op.

De lieden, die bij mij waren, namen steenen op en wierpen die uit
alle magt naar te toppen der boomen en naar de apen, die daar hunne
wijkplaats hadden genomen. Ik deed gelijk de anderen, en nu bemerkte ik,
dat de apen ons goede diensten bewezen, want in hunnen toorn gingen zij
met verbazende vlugheid aan het plukken, en wierpen ons de noten toe,
die wij nu maar hadden op te rapen en in onze zakken te doen. Nu en dan
wierpen wij weder met steenen om de apen aan het werk te houden, en door
deze list vulden wij spoedig onze zakken met vruchten, wat ons anders
onmogelijk zou zijn geweest. Toen een ieder onzer zijn' zak gevuld had,
keerden wij naar de stad terug, en de koopman, die mij naar het bosch
had gezonden, betaalde mij de waarde voor de kokosnoten, die ik had
medegebragt.

„Ga,” zeide hij, „elken dag naar het bosch tot dat gij genoeg verdiend
zult hebben, om de kosten voor de terugreis naar uw vaderland te kunnen
betalen.” Ik bedankte hem voor zijn' goeden raad, en verzamelde zoo vele
kokosnoten, dat ik eene aanzienlijke som kon opleggen. Ik wachtte nu
slechts op eene gunstige gelegenheid om naar mijn geboorteland terug te
keeren, en zoodra deze zich opdeed, liet ik mijne kokosnoten aan boord
brengen. Vervolgens nam ik afscheid van den koopman, aan wien ik zoo
veel verpligting had, en ging scheep.

Daar de wind gunstig was, gingen wij dadelijk onder zeil, en zetten
koers naar een eiland, waar de peper in grooten overvloed groeit. Van
daar gingen wij naar Comara, waar de beste aloé wordt gevonden. Bij de
bewoners dier eilanden is het eene wet, zich van wijn en van alle
uitspattingen te onthouden.

Hier verruilde ik mijne kokosnoten tegen peper en aloéhout. Ook ondernam
ik met andere kooplieden de parelvisscherij. Ik nam eenige duikers aan,
die eene menigte groote en zeer schoone parelen voor mij opvischten.
Verheugd over zulk eene rijke vangst, scheepte ik mij in op een schip,
dat regelregt naar Balsora zeilde, waar ik behouden aankwam. Van daar
vertrok ik onmiddelijk naar Bagdad, en verkocht er mijne peper, mijn
aloéhout en mijne parelen zeer duur. Het tiende deel van mijne winst
deelde ik uit aan aalmoezen en zocht mijne doorgestane vermoeijenissen
in een genoegelijk leven te vergeten.”

Bij het eindigen van deze woorden deed Sindbad weder honderd sequinen
aan Hindbad geven. Den volgenden dag kwamen de zelfde gasten nogmaals
bij den rijken Sindbad ter maaltijd, en na hen even als de vorige dagen
heerlijk onthaald te hebben, begon hij het verhaal van zijne zesde reis.


ZESDE REIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.

„Mijne Heeren!” zeide hij, „gij zult moeijelijk kunnen begrijpen hoe ik,
na het doorstaan van zoo vele rampen, en na vijf malen schipbreuk te
hebben geleden, kon besluiten nieuwe gevaren te gaan zoeken. Als ik
er wel over nadenk, ben ik zelf verwonderd over mijne dwaasheid, maar
mijn noodlot dwong er mij voorzeker toe. Hoe dit zij, na een jaar rust,
maakte ik aanstalten om eene zesde reis te ondernemen. Wat ook mijne
bloedverwanten en vrienden mogten zeggen, om mij van mijn voornemen af
te brengen, het was te vergeefs!

Wederom nam ik mijn' weg door Perzië en Indië, tot dat ik eene zeehaven
bereikte. Hier ging ik scheep met een' kapitein, die voornemens was
eene zeer lange reis te doen. Zij was in waarheid lang, maar tevens zoo
ongelukkig, dat de kapitein en de stuurman van den koers afdwaalden, en
volstrekt niet meer wisten, op wat lengte of breedte wij ons bevonden.
Toen zij dit eindelijk ontdekten, was het waarlijk voor ons geene
aangename zaak. Verbeeldt u onzen schrik, toen wij den kapitein
eensklaps zijn' post zagen verlaten, terwijl hij in wanhoopskreten
uitbarstte. Hij was als zinneloos, wierp zijn' tulband op het dek, rukte
zich den baard uit, en sloeg zich met de vuisten voor het hoofd. Wij
vraagden wat hem zoo wanhopig maakte. „Ik moet u zeggen,” antwoordde
hij, „dat wij ons op de gevaarlijkste plaats der zee bevinden. Een
zeer sterke stroom voert het schip mede, en eer een kwartier verloopen
is, zijn wij misschien allen kinderen des doods. Bidt Allah, dat hij
medelijden met ons hebbe, en ons uit dit gevaar redde, of wij zijn
verloren.” Te gelijk beval hij alle zeilen bij te zetten, maar ook dit
mogt niet baten; de stroom sleepte het schip met onweerstaanbare kracht
mede naar eene ongenaakbare rots, waar tegen het aan stukken stiet.
Wij hadden echter den tijd, niet alleen ons leven, maar tevens onzen
voorraad en onze kostbaarste goederen te bergen, alvorens het schip
uiteensloeg. Nu dachten wij het gewonnen te hebben, maar de kapitein
zeide: „Wat verblijdt gij u! Wij bevinden ons hier op eene rots, van
waar nog nooit een schipbreukeling levend is afgekomen. Zijn wij al
niet in de golven omgekomen, er blijft ons niets over dan hier onze
graven te maken en te sterven.” Deze woorden van den kapitein stortten
ons in eene diepe droefheid; wij omhelsden elkander met tranen in
de oogen en betreurden ons ongelukkig lot, dat ons aan een zoo
onherbergzaam strand had geworpen.

De rots, aan wier voet wij waren, bevond zich aan de kust van een
uitgestrekt eiland, maar zij was zoo hoog en zoo steil, dat er geene
mogelijkheid bestond, haar te beklimmen, en had een onzer hieraan nog
getwijfeld, de geraamten en de beenderen der schepelingen, die vóór ons
hier aan het strand waren geworpen en er hun' dood hadden gevonden,
zouden er hem het overtuigendste bewijs van hebben gegeven. De geheele
kust lag als bezaaid met wrakken van schepen. Ongeloofelijk groot was
de rijkdom aan koopmansgoederen, die hier aangespoeld waren. Dit alles
strekte echter slechts om onze wanhoop te vergrooten. Wat toch baten
alle schatten der aarde, indien men er geen gebruik van kan maken, en
een zekere dood ons voor oogen staat! Ik ontdekte nu ook, waardoor de
schepen naar deze noodlottige kust werden gedreven. In de rots, die uit
kristal, robijnen en andere edelgesteenten bestond, was eene breede
grot, waarin zich de zee met geweld als in een' afgrond nederstortte;
hierdoor ontstond die sterke stroom. Van de rots stroomde in de zee eene
bron, wier water zwart van kleur was en geheele stukken pek of jodenlijm
met zich voerde, die door de visschen ingeslikt en als stukken barnsteen
uitgeworpen, door de golven aan strand werden gespoeld. Eindelijk vonden
wij er ook aloëhout, niet minder deugdzaam dan dat, hetwelk op het
eiland Camara groeit. Maar iets, om ons leven mede te rekken, zooals
vruchten, eetbare wortels, schildpadden of schelpdieren ontbraken er
geheel. Waren alzoo onze levensmiddelen, die wij geborgen hadden,
opgeteerd, dan stond ons de hongerdood met al zijne ijsselijkheden voor
oogen. Dit maakte ons half zinneloos; en dagen lang zaten wij elkander
zwijgend en wanhopig aan te staren.

Reeds in den aanvang hadden wij onzen voorraad onder elkander verdeeld,
en zoo bezweek ook de eene vroeger dan de andere, naar mate hij een zwak
of sterk gestel had, of van zijn' voorraad met meerdere of mindere
spaarzaamheid had gebruik gemaakt. Die het eerst stierven, werden
door de nog levenden begraven. Ik bewees die laatste eer aan al mijne
lotgenooten.

Dit, mijne vrienden, moet u niet bevreemden. Ik was met den mij
toegedeelden voorraad zeer zuinig geweest. Bovendien had ik mij aan
boord nog van het een en ander voorzien, en hiervan liet ik mijnen
makkers niets blijken. Dit moge onbarmhartig schijnen, maar wat
beteekende dat weinige voor ons allen! Ik wil evenwel niet ontkennen,
dat de wensch om mijn leven zoo lang mogelijk te rekken, mij zelfzuchtig
maakte. En toch toen ik den laatsten mijner medgezellen ter aarde had
besteld, bleef mij zoo weinig voorraad over, dat ik er aan begon te
denken ook mijn eigen graf te graven, met het doel om mij daarin te
werpen, als ik den dood voelde naderen. Bij dezen treurigen arbeid dacht
ik er onwillekeurig aan, dat ik zelf de schuld van mijn ongeluk was,
door niet naar den raad van mijne vrienden te hebben geluisterd. Het
berouwde mij nu, dat ik mijne zesde reis ondernomen had. Ik trok mij de
haren uit het hoofd, en liep als een waanzinnige naar de grot, om mij in
den stroom te storten, en zoo een einde aan mijn leven te maken. Maar
Allah had anders over mij besloten; hij deed mij op eene gedachte komen,
die mij weder hoop gaf. „Deze rivier,” dacht ik, „die onder de rots
doorloopt en zich in de zee uitstort, moet een begin hebben. Indien ik
nu eens een vlot maak en mij aan den loop van dit water overgeef, zal ik
mogelijk een bewoond land bereiken. Kom ik hierbij om, het zal slechts
eene andere soort van dood zijn, dan die mij hier te wachten staat.
Blijf ik integendeel behouden, dan zal ik niet alleen het treurige lot
van mijne makkers ontgaan, maar welligt op nieuw in de gelegenheid komen
om mij te verrijken. Wie weet, of het geluk mij niet wacht aan de andere
zijde van deze noodlottige plaats, om mij mijne schipbreuk met woeker te
vergoeden.”

Dit was met regt kasteelen in de lucht bouwen, maar ik was reeds zoo
dikwijls aan niet minder groote gevaren ontkomen, dat ik, als 't ware,
op mijn geluk steunde. Ik ging met ijver aan het werk, en daar het mij
niet aan materialen ontbrak (want planken en touwwerk had ik maar voor
het uitkiezen) maakte ik in korten tijd een stevig vlot, en een paar
riemen. Toen een en ander gereed was, belaadde ik het met balen
robijnen, smaragden, rotskristal, amber en andere kostbare stoffen.
Vervolgens maakte ik mijn vlot los, en de hulp van Allah inroepende,
gaf ik mij aan den stroom over.

Zoodra ik onder het gewelf van de grot kwam, was ik door een' donkeren
nacht omgeven, en het water voerde mij mede, zonder dat ik van mijne
riemen behoefde gebruik te maken. Ik dreef eenige dagen in deze
duisternis voort. Op één punt was het gewelf zoo laag, dat ik bijna mijn
hoofd gestooten en gewond zou hebben. Van mijn' voorraad gebruikte ik
niet meer dan noodig was om in leven te blijven, maar hoe zuinig ik
het ook aanlegde, eindelijk had ik het laatste stukje scheepsbeschuit
gebruikt. Toen overviel mij de slaap, zonder dat ik mij daartegen kon
verzetten. Hoe lang mijn slaap geduurd heeft, kan ik u niet zeggen,
maar bij mijn ontwaken bevond ik mij in het vrije veld aan den oever
eener rivier, terwijl mijn vlot was vastgemaakt. Eene menigte zwarten
omringden mij. Zoodra ik hen zag, rigtte ik mij op en groette hen. Zij
spraken mij aan, maar ik verstond hunne taal niet.

Ik was zoo verheugd, dat ik in het eerst niet wist, of ik waakte of
droomde. Maar eindelijk overtuigd, dat ik niet sliep, riep ik in het
Arabisch uit: „Roep den Allerhoogste aan, Hij zal u ter hulpe komen, en
gij hebt niet te vreezen. Sluit uwe oogen, en in den slaap zal Hij het
kwade van u afwenden en u het goede geven.”

Een der zwarten, die het Arabisch verstond, en mij dus hoorde spreken,
naderde mij en zeide: „Broeder, wees niet verwonderd ons te zien. Wij
wonen in deze landstreek en zijn hier gekomen, ten einde het water van
deze rivier door kleine kanalen af te leiden, om onze rijstvelden te
besproeijen. Wij bemerkten, dat er iets op het water dreef, en toen
wij nader kwamen, zagen wij dat het een vlot was met goederen beladen.
Een van ons heeft zich toen te water begeven en het vlot naar den
wal gestuurd, waar wij het, zoo als gij ziet, hebben vastgelegd, in
afwachting dat gij zoudt ontwaken. Wij verzoeken u ons uwe geschiedenis
te verhalen, die hoogst zonderling moet zijn. Zeg ons, hoe gij u met
zulk een zwak vaartuig op dezen stroom hebt durven begeven, en van waar
gij komt.” Ik antwoordde, dat zij mij eerst wat eten moesten geven, en
dat ik daarna hunne nieuwsgierigheid zou bevredigen.

Zij verschaften mij onderscheidene soorten van spijzen, en zoodra ik
mijn' honger gestild had, deed ik hun een getrouw verhaal van hetgeen
mij was overkomen. Zij luisterden met verbazing naar mij, en toen ik
met spreken ophield, zeide de zwarte, die het Arabisch verstond, en
mijne woorden vertolkt had, uit aller naam tot mij: „Dit is eene hoogst
wonderlijke geschiedenis. Het is noodig, dat wij u bij onzen koning
brengen, want uwe lotgevallen zijn te merkwaardig, om ze uit een'
anderen mond dan den uwe te vernemen.” Ik verklaarde bereid te zijn
om alles te doen, wat zij van mij verlangden.

De zwarten zonden nu iemand uit hun midden om een paard te halen, en
zoodra dit er was, verzochten zij mij op te stijgen. De togt ving
dadelijk aan. Eenigen der zwarten liepen voor mij uit, terwijl anderen
mijn vlot, zoo beladen als het was, op hunne schouders namen, en
volgden. Aldus gingen wij voort tot aan de stad Serendib (dit was ook de
naam van het eiland, waarop ik mij bevond). De zwarten stelden mij aan
hun' koning voor. Ik naderde den troon, waarop hij zat, en wierp mij
ter aarde naar de wijze, waarop men gewoon is de Indische koningen te
begroeten. De vorst beval mij op te staan, en ontving mij op eene zeer
heusche wijze. Hij wenkte mij nader te komen, deed mij aan zijne zijde
plaats nemen, en vraagde mij naar mijn' naam. Ik zeide hem, dat ik
Sindbad de zeeman werd geheeten, om de vele zeereizen, die ik gedaan
had, en dat ik in Bagdad geboren was. „En door welk toeval,” vervolgde
hij, „zijt gij in mijne staten gekomen, want dit eiland is alleen aan
deze zijde der kust genaakbaar.”

Ik verborg niets voor den koning, en verhaalde hem mijne zonderlinge
lotgevallen. Hij was hierover zoo verwonderd en verrukt, dat hij beval
mijne ontmoetingen met gouden letteren op te schrijven, om als eene
bijzonderheid in de archieven van zijn rijk bewaard te worden. Inmiddels
bragt men ook het vlot, en men opende de zich daarop bevindende balen in
zijne tegenwoordigheid. De koning was verbaasd over den grooten rijkdom,
welke zich aan zijne oogen vertoonde, zoo van aloëhout als van amber
en kostbare zijden stoffen; maar bovenal bragten de smaragden hem in
verrukking, daar hij in zijne schatkamer niet een' enkelen had, die
daarbij was te vergelijken.

Toen ik bemerkte, dat de koning mijne edelgesteenten met vermaak
aanschouwde, en hij zelfs eenige der schoonste, stuk voor stuk in handen
nam om ze met meer naauwkeurigheid te bezien, wierp ik mij voor zijne
voeten, en zeide: „Sire! niet alleen mijn persoon is ten dienste van uwe
majesteit maar ook de schatten, welke mijn vlot bevat; ik verzoek u,
daarover als uw regtmatig eigendom te willen beschikken.” „Sindbad,”
antwoordde de vorst lagchende, „ik zal mij wel wachten u iets te
ontnemen, van hetgeen Allah u gegeven heeft. In plaats van uwe
rijkdommen te verminderen, door daaraan eene hebzuchtige hand te slaan,
zal ik trachten die te vermeerderen, en ik wil niet, dat gij mijne
staten zult verlaten, zonder de blijken van mijne mildheid met u te
dragen.” Ik antwoordde hierop alleen door zijne edelmoedigheid te
prijzen en met de bede, dat het een zoo grootmoedig vorst steeds wel
mogt gaan. Hij belastte een' zijner officieren zorg voor mij te dragen,
en gaf mij eenige van zijne lieden om mij op zijne kosten te bedienen.
Zij kwamen de bevelen van hun meester getrouw na, bezorgden mij eene
voortreffelijke woning, waar ik op kosten des konings heerlijk werd
onthaald. Ook mijne balen werden aldaar bezorgd, zonder dat er iets aan
ontbrak.

Ik ging dagelijks op vastgestelde uren naar het hof, en den tijd,
die mij overbleef, besteedde ik om de stad te bezigtigen, en alles
te beschouwen, wat mijne aandacht waardig was. Het eiland Serendib
ligt onder de evennachtslijn, en is tachtig mijlen lang en breed. De
hoofdstad is aan het einde van eene schoone vallei, aan den voet van
een' hoogen berg gelegen. Deze berg is zoo hoog, dat men hem drie
dagreizen ver in zee zien kan. Hij bevat vele robijnen, smaragden en
andere edelgesteenten en metalen. Op het eiland groeijen vele kostbare
boomsoorten, onder andere de kokosboom; in de valleijen treft men
diamanten aan, en op de kusten zijn parelvisscherijen.

Toen ik van mijn' togt door het eiland in de stad terug kwam, verzocht
ik den koning naar mijn vaderland te mogen terugkeeren, hetgeen hij mij
op de beleefdste wijze toestond. Hij dwong mij zelfs een rijk geschenk
uit zijne schatkamer aan te nemen. Als ik afscheid van hem nam, gaf
hij mij nog andere geschenken met een' brief voor den Beheerscher der
geloovigen, onzen heer en meester, en zeide: „Sindbad! gij zult mij
verpligten deze geschenken en dezen brief den kalif Haroun-al-Raschid
ter hand te stellen, en hem de verzekering te geven van mijne
hoogachting en van mijne vriendschap.” Ik nam het geschenk en den brief,
en beloofde zijne majesteit de bevelen, waarmede het haar behaagde
mij te vereeren, met stiptheid te zullen nakomen. Vóór dat ik mij
inscheepte, ontbood de vorst den kapitein en de kooplieden, met wie
ik de reis zou doen, bij zich, en beval hun mij met de meeste
onderscheiding te bejegenen.

De brief des konings was geschreven op het vel van een om zijne
zeldzaamheid zeer kostbaar dier. De letters hadden eene hemelsblaauwe
kleur, en de inhoud, in de Indische taal geschreven, luidde aldus:

      _„De koning van Indië, vóór wien duizend olifanten uitgaan,
          die in een paleis woont, waarvan het dak schittert
            van den glans van honderd duizenden robijnen;
              en die in zijne schatkamer heeft twintig
                   duizend kroonen, verrijkt met
                     diamanten, aan den Kalif
                       Haroun-al-Raschid._

_Hoewel de geschenken, die wij u zenden, van geringe waarde zijn,
zoo hopen wij echter, dat gij die, als een broeder en vriend van onze
hand zult aannemen, uit hoofde van de vriendschap, welke ons hart u
toedraagt, en waarvan wij verheugd zijn u een bewijs te kunnen geven.
Wij vragen van u eene gelijke vriendschap, omdat wij meenen, die waardig
te zijn, daar wij met u in rang gelijk staan. Wij noodigen u daartoe uit
in naam van onze broederschap. Wees gegroet.”_

De geschenken bestonden ten eerste in een' beker, vervaardigd uit een'
enkelen robijn, een halve voet hoog en een duim dik, en gevuld met fijne
ronde paarlen, die door elkander een halve drachme wogen; ten tweede, in
een slangenvel met schubben, zoo groot als een gewoon goudstuk, dat de
eigenschap bezat, om hen, die daarop sliepen, voor ziekten te vrijwaren,
ten derde, in aloëhout ter waarde van vijftig duizend drachmen, benevens
dertig greinen kamfer van de grootte van eene pimpernoot, en eindelijk
in eene slavin van verblindende schoonheid, wier kleeding met
edelgesteenten als bezaaid was.

Het schip ging onder zeil, en na eene lange doch gelukkige reis kwamen
wij te Balsora aan, van waar ik mij onmiddelijk naar Bagdad begaf. Bij
mijn aankomst aldaar was mijn eerste werk, mij te kwijten van den mij
opgedragen last.

Ik nam den brief van den koning van Serendib, en begaf mij naar de
poort van het paleis van den Beheerscher der geloovigen, gevolgd door de
schoone slavin, en door alle leden van mijne familie, die de geschenken
droegen. Zoodra ik de deurwachters, met de reden van mijne komst bekend
had gemaakt, bragt men mij voor den troon van den kalif. Ik wierp mij
aan den voet des troons neder, en na eene zeer korte aanspraak, bood ik
den kalif den brief en de geschenken aan. Nadat hij den brief gelezen
had, vroeg hij mij, of de koning van Serendib inderdaad zoo rijk en
magtig was, als hij in dit geschrift te kennen gaf. Ik wierp mij
andermaal voor den troon en na mij te hebben opgerigt, antwoordde ik:
„Beheerscher der geloovigen! Ik kan uwe majesteit de verzekering geven,
dat de koning niet te hoog opgeeft van zijne grootheid en van zijn'
rijkdom; ik ben er getuige van geweest. Niets is bewonderenswaardiger,
dan de pracht van zijn paleis. Wanneer deze vorst zich in het openbaar
vertoont, plaatst men een' gouden troon op een' witten olifant, waarop
hij zich nederzet; terwijl hij aan weêrszijden omgeven wordt door twee
rijen staatsdienaren en hovelingen, allen op olifanten gezeten. Vóór
hem, op den zelfden olifant, houdt een officier eene gouden lans in de
hand; achter den troon staat een ander, die een' gouden staf draagt, aan
welks boveneinde een smaragd is, bijna een halve voet lang en een duim
dik. Vóór hem uit, gaat eene garde van duizend man, gekleed in goudlaken
en zijde, en gezeten op rijk geharnaste olifanten. Gedurende den togt
des konings, roept de officier vóór op den olifant, van tijd tot tijd
met luider stem:

„Zie hier den grooten monarch, den magtigen en gevreesden sultan van
Indië wiens paleis bedekt is met honderd duizenden robijnen, en die
twintig duizend diamanten kroonen bezit! Zie hier den gekroonden
monarch, grooter dan ooit Soliman en de groote Mihrage waren!”

Daarna roept de officier achter den troon op zijne beurt:

„Deze zoo groote en magtige monarch moet sterven, moet sterven, moet
sterven!”

De voorste officier neemt dan weder het woord en roept uit:

„Lof zij hem, die leeft en niet sterft!”

Overigens is de koning van Serendib zoo regtvaardig, dat hij geene
regters in zijne hoofdstad en in zijne staten heeft; zijn wil is
voor zijne volken de eenige wet. Zij hebben, even als hun vorst, de
regtvaardigheid lief, en wijken nooit van hun' pligt af.” De kalif was
over mijne woorden zeer voldaan. „De wijsheid van dien koning,” zeide
hij, „blijkt reeds uit zijn' brief, en, na hetgeen gij mij daarvan
gezegd hebt moet men toestemmen, dat zijne wijsheid zulke onderdanen
waardig is, en dat zijne onderdanen waardig zijn zulk een' vorst te
bezitten.” Met deze woorden gaf hij mij mijn afscheid, en liet mij met
een rijk geschenk vertrekken.”

Hiermede eindigde Sindbad zijn verhaal, en zijne gasten vertrokken, ook
Hindbad, nadat hij zijne honderd sequinen had ontvangen. Toen zij den
volgenden dag terug kwamen, verhaalde Sindbad hun zijne zevende en
laatste reis.


ZEVENDE EN LAATSTE REIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.

„Na mijne zesde reis kwam het niet in mijne gedachten op, weder eene
nieuwe te ondernemen. Behalve dat ik op mijn' leeftijd naar rust
verlangde, had ik stellig voorgenomen mij niet weder aan gevaren bloot
te stellen. Ik had het besluit genomen, mijne overige dagen in rust
door te brengen. Toen ik eens een groot aantal mijner vrienden bij mij
ten eten had en wij ons vrolijk maakten, kwam een mijner bedienden mij
zeggen, dat een officier van den kalif mij verlangde te spreken. Ik
stond van tafel op, en ging naar hem toe. „De kalif,” zeide hij, „heeft
mij gelast u mede te deelen, dat hij u begeert te spreken.” Ik ging met
den officier naar het paleis, hij bragt mij onmiddelijk bij den vorst.
Ik wierp mij aan zijne voeten, doch hij deed mij opstaan. „Sindbad!”
zeide hij, „gij moet mij eene dienst bewijzen. Ik heb besloten de
beleefdheid des konings van Serendib te beantwoorden, en gij moet mijn'
brief en mijne geschenken aan hem overbrengen.” Dit bevel van den kalif
klonk mij als een donderslag in de ooren. „Beheerscher der geloovigen!”
zeide ik, „ik ben bereid te doen, wat uwe majesteit mij bevelen zal,
maar ik bid haar zeer nederig te bedenken, dat ik een oud man ben, en
nog gebukt ga onder de vermoeijenissen, die ik op mijne vele reizen heb
doorgestaan. Ik heb zelfs eene gelofte gedaan Bagdad niet weder te
verlaten.” Vervolgens nam ik hieruit aanleiding, hem een breedvoerig
verhaal van al mijne lotgevallen te doen, en hij had het geduld mij ten
einde toe aan te hooren!

Doch naauwelijks had ik uitgesproken, of hij zeide: „Ik stem toe,
dat dit zeer buitengewone ontmoetingen zijn; maar zulks moet u niet
terughouden om, uit genegenheid voor mij, de reis welke ik u voorstel te
ondernemen. Het geldt hier alleen eene reis naar het eiland Serendib, om
u van den door mij aan u opgedragen last te kwijten. Daarna zal het u
vrij staan, onmiddelijk de terugreis aan te nemen.

Maar gij moet gaan, want gij zult inzien, dat het niet met de
welvoegelijkheid en met mijne waardigheid overeenkomt, iets aan den
koning van dat eiland schuldig te blijven.” Toen ik nu zag, dat het de
volstrekte begeerte van den kalif was, betuigde ik bereid te zijn hem
te gehoorzamen. Hij was hiermede zeer ingenomen, en liet mij duizend
sequinen geven, om de kosten van de reis te bestrijden.

Binnen weinige dagen was ik gereed, om te vertrekken. Zoodra ik de
geschenken en een' eigenhandigen brief van den kalif aan den koning van
Indië had ontvangen, vertrok ik naar Balsora, waar ik scheep ging. De
reis was zeer voorspoedig, en zonder eenige bijzondere ontmoeting kwam
ik in de hoofdstad van het eiland Serendib aan. Ik vervoegde mij aan
het hof, en verzocht, dat men mij dadelijk gehoor bij den vorst zou
verschaffen. Men bragt mij onder veel eerbetoon naar het paleis, en ik
begroette den koning door mij, volgens gebruik, voor hem neder te
werpen.

De koning herkende mij terstond, en was zeer verheugd, toen hij mij
weder zag. „Ha, Sindbad!” zeide hij, „wees welkom! Ik verzeker, dat ik,
na uw vertrek, nog menigmaal aan u gedacht heb. Gezegend zij deze dag,
waarop wij elkander wederzien.” Ik boog mij ter aarde, bedankte hem voor
zijne goedheid, en bood hem den brief en de geschenken van den kalif
aan.

De kalif zond hem een rustbed met toebehooren van goudlaken, ter
waarde van duizend sequinen, vijftig opperkleederen van zeer rijke
stof, honderd andere van het fijnste witte linnen van Caïro, Suëz en
Alexandrië, nog eene andere sofa van karmozijn, eene agaten vaas, ter
dikte van een vinger en minder diep dan wijd, op welker bodem men in
bas-relief een jager zag, die een' boog en een' pijl in de hand hield,
en gereed was om op een' leeuw te schieten. Ook zond hij hem nog eene
zeer prachtige tafel, die, volgens overlevering, van den grooten Salomo
afkomstig was. De brief van den kalif was van dezen inhoud;

       _„Gegroet, in naam van den alleen regtvaardigen Opperheer,
               van den magtigen en gelukkigen Sultan, van
                 Abdala Haroun-al-Raschid, dien God tot
                  de hoogste eereplaats heeft verheven
                         na zijne voorvaderen._

_Wij hebben uw' brief met vreugde ontvangen, en wij zenden u dezen,
voorzien met het zegel van onze verhevene Poort, den bloemhof der hooge
geesten. Wij hopen dat gij, daarop de oogen slaande, van onze goede
meening overtuigd zult zijn; en deze u aangenaam zal wezen. Wees
gegroet.”_

Het verheugde den koning van Serendib zeer, dat de kalif aan zijn
verzoek voldaan had. Kort na dit gehoor, verzocht ik, om naar Bagdad te
mogen terugkeeren, hetgeen mij slechts met veel moeite werd toegestaan.
Eindelijk liet de koning mij gaan, en gaf mij bij het afscheid een zeer
aanzienlijk geschenk. Ik scheepte mij nu dadelijk in, om regelregt naar
Bagdad te zeilen, maar Allah had anders over mij beschikt. Op den derden
dag van ons vertrek werden wij door zeerovers aangevallen, en daar ons
schip niet tot verdediging in staat was, viel het den zeeroovers niet
moeijelijk het te nemen. Sommigen van het scheepsvolk stelden zich te
weêr, wat hun het leven kostte. Ik en anderen, die zoo voorzigtig waren
geweest ons niet tegen onze overweldigers te verzetten, werden tot
slaven gemaakt. Nadat de roovers ons van alles beroofd hadden, bragten
zij ons naar een groot eiland, waar wij allen verkocht werden.

Ik werd het eigendom van een' rijken koopman, die mij medenam naar
zijne woning, waar hij mij goed eten voorzette, als slaaf kleedde,
en vraagde, of ik ook eenig handwerk verstond. Zonder hem met mijn'
naam en stand bekend te maken, gaf ik alleen te kennen, dat ik geen
handwerksman, maar een koopman was, en dat de zeeroovers mij van alles
hadden beroofd, wat ik op de wereld bezat. „Maar,” hernam hij, „kunt
gij niet met pijl en boog omgaan?” Ik antwoordde hem, dat ik dit reeds
in mijne jeugd had geleerd. Toen gaf hij mij boog en pijlen, en deed
mij achter zich op een' olifant stijgen. Bij bragt mij eenige uren
ver buiten de stad in een groot bosch. Hier hield hij stil, liet mij
afstijgen, en wees mij een' grooten boom aan. „Klim,” zeide hij, „in
dezen boom, en schiet op de olifanten, welke hier voorbij zullen
trekken, want dit bosch is zeer uitgestrekt en er zijn hier vele van die
dieren. Als er een olifant gevallen is, kom het mij dan zeggen.” Daarna
gaf hij mij eenige levensmiddelen en keerde naar de stad terug, terwijl
ik gedurende dien dag en den ganschen nacht in mijn' boom op den uitkijk
zat, zonder een' enkelen olifant te vernemen. Den volgenden morgen, bij
het opgaan der zon, zag ik echter een groot getal van die dieren met
statigen tred aankomen. Zij trokken vlak onder mijn' boom heen, en ik
schoot verscheidene pijlen op hen af. Eindelijk zag ik er een, doodelijk
getroffen, nedervallen. De anderen vervolgden hun' weg, zoodat ik gerust
naar de stad kon terugkeeren, om mijn' meester den goeden uitslag mijner
pogingen mede te deelen. Toen ik dit gedaan had, onthaalde hij mij op
eene voortreffelijke wijze, prees mijne handigheid en overlaadde mij
met loftuitingen. Daarna begaven wij ons naar het bosch, waar wij
een' grooten kuil maakten en den gedooden olifant begroeven, met het
voornemen om terug te komen, als het dier verteerd zou zijn, en het dan
de tanden te ontnemen.

Ik zette deze jagt gedurende twee maanden voort, en er ging geen dag
voorbij, waarop ik niet een' olifant doodde. Ik plaatste mij niet altoos
op den zelfden boom, maar nu op den eenen, dan op den anderen. Op een'
morgen, dat ik op de komst der olifanten zat te wachten, zag ik tot
mijne groote verwondering, dat zij in veel grooteren getale aankwamen,
en, in plaats van mij als naar gewoonte voorbij te trekken stil hielden,
terwijl zij zulk een verschrikkelijk gedruisch maakten, dat de grond
onder hunne pooten beefde. Zij naderden den boom, waarop ik mij bevond,
omringden dien met uitgestrekte tromp, en hielden de oogen op mij
gerigt. Op dit dreigend schouwspel, bleef ik bewegingloos zitten, en de
schrik beving mij zoodanig, dat boog en pijlen mij uit de handen vielen.

Mijne vrees was niet ongegrond. Toen de olifanten mij eenigen tijd
hadden aangestaard, als of zij mij met hunne dreigende ogen uit den boom
wilden kijken, sloeg een der grootste zijn' slurf om den stam, en spande
zich zoo in, dat hij hem met de wortels uit den grond rukte en ter aarde
wierp. Ik viel met den boom mede; het dier omvatte mij met zijn' snuit
en plaatste mij op zijn' rug. Meer dood dan levend, zette ik mij zoo
veel mogelijk vast, met mijn' pijlkoker op den schouder. De olifant
stelde zich nu aan het hoofd van den troep, legde een groot eind weegs
af, zette mij toen op den grond, en vertrok met zijne makkers zonder
mij eenig leed te doen. Verbeeldt u mijne verbazing. Ik meende eerst te
droomen, doch geene olifanten meer bespeurende, stond ik op, en zag, dat
ik mij op een' heuvel bevond van aanzienlijken omvang, en geheel bedekt
met beenderen en olifantstanden. Dit gaf mij veel stof tot nadenken. Ik
twijfelde of het was de algemeene begraafplaats der olifanten, en zij
hadden mij hier heen gebragt, om mij die aan te wijzen; opdat ik mogt
ophouden, hen om hunne tanden langer te vervolgen. Ik hield mij op den
heuvel niet op; maar keerde naar de stad terug, waar ik, na een' dag en
nacht geloopen te hebben, half uitgehongerd bij mijn' meester aankwam.
Ik had op mijn' weg geen' enkelen olifant ontmoet, hetgeen mij deed
denken, dat zij zich dieper in het bosch hadden begeven, om mij den weg
naar den heuvel vrij te laten, en nog bewonder ik het instinkt van deze
dieren, dat aan menschelijk verstand schijnt te grenzen.

Zoodra mijn meester mij zag, liep hij verblijd naar mij toe. „Ach!
Sindbad,” riep hij uit, „ik was zoo ongerust over u. Ik ben naar het
bosch geweest, vond daar een kortelings ontwortelden boom en uw' boog
en pijlen op den grond liggen. Ik heb u geroepen en gezocht, en ten
laatste ben ik, zonder hoop u immer te zullen wederzien, naar huis terug
gekeerd. Verhaal mij toch, als ik u bidden mag, wat u is overkomen.”
Ik voldeed aan zijn verlangen; en toen wij ons den volgenden dag naar
den heuvel begaven, zag hij tot zijne groote blijdschap, dat ik hem de
waarheid gezegd had. Wij belaadden den olifant, waarmede wij gekomen
waren, met zoo vele tanden, als hij dragen konde, en keerden vrolijk
naar de stad terug. „Broeder!” zeide nu mijn meester, „(want als
zoodanig wil ik u beschouwen, en niet meer als slaaf, na de dienst, die
gij mij hebt bewezen, door eene ontdekking, die mij tot een schatrijk
man zal maken), dat Allah u met goederen overlade, en u voorspoed geve
op al uwe wegen! Ik verklaar u ten Zijnen aanhooren, dat gij van dit
oogenblik af een vrij man zijt. Ik heb voor u verborgen gehouden,
hetgeen gij nu van mij zult vernemen.

[Illustratie: De drie Appelen.

                                                      Dl. II, pag. 105.]

De olifanten brengen jaarlijks een groot aantal slaven om het leven, die
wij naar het bosch zenden, om die dieren te dooden, en ons met hunne
tanden te verrijken. Welken raad wij hun ook geven, allen komen vroeg
of laat door de list der olifanten om. Allah heeft u voor hunne woede
beveiligd, eene gunst, die aan niemand vóór u is te beurt gevallen.
Dit is een bewijs, dat Hij u lief heeft, en gij een werktuig zijt
in zijne hand, om wel te doen in deze wereld. Gij brengt mij een
ongeloofelijk voordeel aan; wij konden tot heden geen ivoor bekomen,
zonder het leven van onze slaven in gevaar te stellen, doch door uw
toedoen zal onze geheele stad rijk worden. Geloof niet, dat ik mij zal
te vreden stellen met u de vrijheid te schenken, ik zal daaraan groote
goederen toevoegen. Ik zou de gansche stad kunnen oproepen om u rijk te
maken, en dit zou niet te vergeefs zijn; maar deze eer behoud ik mij
zelven voor; ik wil die met niemand deelen.”

Na deze verpligtende woorden, antwoordde ik, „Meester! Allah spare u
gedurende eene lengte van dagen! Maar de vrijheid, welke gij mij hebt
geschonken, is voldoende om u van de verpligting te kwijten, die gij aan
mij meent te hebben voor het voordeel, dat ik het geluk heb gehad, u
en uwe stad te kunnen bezorgen. Ik vraag u slechts verlof om naar mijn
geboorteland terug te keeren.” „Welnu,” hernam hij, „de mousson, die de
schepen hier aanbrengt, welke ivoor komen laden, zal weldra invallen. Ik
zal u dan eene scheepsgelegenheid verschaffen, en u voorzien van hetgeen
de reis voor u veraangenamen kan.” Ik bedankte hem op nieuw voor de
vrijheid, welke hij mij had geschonken en voor de goede voornemens, die
hij aan den dag legde. Ik bleef in afwachting van den mousson bij hem,
en gedurende dien tijd deden wij zoo vele reizen naar den heuvel, dat al
zijne pakhuizen met ivoor gevuld werden. De andere kooplieden, die in
ivoor handel dreven, deden hetzelfde, want eene zaak van dien aard kon
niet lang geheim blijven.

De schepen kwamen eindelijk aan, en mijn meester zocht zelf een schip
voor mij en bevrachtte dit met ivoor, waarvan de helft voor mij was.
Hij voorzag mij bovendien overvloedig van levensmiddelen, en dwong
mij onderscheidene zeldzaamheden uit dat land, die eene groote waarde
hadden, als een geschenk van hem aan te nemen. Nadat ik hem voor al
zijne weldaden bedankt en een heerlijk afscheid genomen had, scheepte
ik mij in. Wij gingen onder zeil, en gedurende de reis stond mij mijne
ontmoeting met de olifanten gedurig voor den geest; het geval was
daartoe ook wonderlijk genoeg.

Wij deden nog eenige eilanden aan, om ververschingen in te nemen. Doch
zoodra wij eene Indische haven van het vasteland bereikten, besloot ik,
ten einde de gevaren der zee tot aan Balsora te vermijden, daar voet
aan wal te zetten. Ik liet mijn aandeel van het ivoor ontschepen,
waarvoor ik eene groote som gelds maakte. Ik kocht eenige zeldzaamheden
tot geschenken voor mijne bloedverwanten en vrienden, en zoodra ik met
mijne uitrusting gereed was, sloot ik mij bij eene groote karavaan van
kooplieden aan. Wij waren lang onder weg, en ik had veel door te staan;
maar ik verdroeg mijn leed met geduld, bij de overtuiging, dat ik thans
geene stormen of zeeroovers te duchten had.

Eindelijk namen mijne vermoeijenissen een einde, en ik kwam gelukkig te
Bagdad aan. Ik vervoegde mij dadelijk bij den kalif, om hem rekenschap
af te leggen van mijne zending. Deze vorst zeide tot mij, dat mijne
lange afwezigheid hem verontrust had, doch dat de hoop, dat Allah mij
in zijne hoede zou nemen, hem echter nooit had begeven. Toen ik hem
het voorval met de olifanten verhaalde, was hij daarover zeer verbaasd,
en hij zou het voor eene fabel hebben gehouden, indien hij niet van
mijne waarheidsliefde overtuigd was. Hij vond deze geschiedenis en de
anderen, die ik hem verhaald had, echter zoo merkwaardig, dat hij zijn'
geschiedschrijver beval, ze met gouden letters op te schrijven, en ze
in zijne schatkamer te bewaren. Ik ging heen, zeer tevreden over de
genoten eer en de geschenken, die ik van hem ontving. Van dat oogenblik
af wijdde ik mij geheel toe aan mijne familie en aan mijne vrienden.”

Op deze wijze besloot Sindbad het verhaal van zijne zevende en laatste
reis; en zich vervolgens tot Hindbad wendende, zeide hij: „Welnu, mijn
vriend, hebt gij ooit van iemand gehoord, die zoo veel geleden en
doorgestaan heeft als ik, of dat een sterveling zich in zulke dreigende
gevaren heeft bevonden? Is het niet billijk, dat ik na zulk een werkzaam
en woelig leven een' genoegelijken en rustigen ouden dag geniet?” Zoodra
hij deze woorden geëindigd had, stond Hindbad op, trad nader, kuste
hem de hand en zeide: „Men moet toestemmen, heer! dat gij vreeselijke
gevaren hebt doorgestaan, en dat de moeijelijkheden, die ik ondervonden
heb, bij de uwe niet in vergelijking kunnen komen. Indien mijn last mij
somtijds zwaar viel, na volbragten arbeid vond ik troost in mijn gering
loon. Gij verdient niet alleen een rustig leven; ook de schatten, die
gij bezit, zijt gij waardig, omdat gij daarvan een zoo nuttig en
edelmoedig gebruik maakt. Ga dus voort, heer, in vreugde te leven tot
aan het uur van uw' dood.”

Sindbad deed hem nogmaals eene beurs met honderd sequinen geven, nam hem
op onder het getal van zijne vrienden, en zeide tot hem, dat hij van
zijn dragersberoep afzien en dagelijks bij hem ter maaltijd komen moest,
opdat hij reden mogt hebben, zich zijn leven lang Sindbad den zeeman te
herinneren.



DE DRIE APPELEN.


Op zekeren dag gelastte Haroun-al-Raschid den groot-vizier Giafar, dat
hij zich tegen den nacht aan zijn paleis moest bevinden. „Vizier!” zeide
hij tot hem, „ik wil eene wandeling doen door mijne stad Bagdad, om
met eigen oogen en ooren te vernemen, wat men van mij zegt, en in het
bijzonder, of men tevreden is over mijne regters. Indien er onder zijn,
over wie men regt heeft zich te beklagen, zullen wij hen afzetten en
anderen in hunne plaats aanstellen, die zich beter van hun' pligt
kwijten. Zijn er integendeel onder, over wie men met lof spreekt,
zoo zullen wij dezen in waarde houden naarmate zij het verdienen.”

De groot-vizier was op het bepaalde uur bij zijnen vorst, en toen hij en
de kalif met Masrour, den opperste der gesnedenen, zich verkleed hadden,
ten einde niet herkend te worden, verlieten zij door eene geheime deur
het paleis. Nadat zij eenige straten waren doorgegaan, ontmoetten zij
in eene enge steeg een' langen grijsaard met een' witten baard. Hij
droeg een groot vischnet op het hoofd, en had eene mand van gevlochten
palmbladen aan den eenen arm, en een' stok in de hand. Toen de kalif
dezen grijsaard zag, zeide hij: „Die man is zeker niet rijk, laat ons
hem staande houden en naar zijne omstandigheden vragen.”

„Goede vriend,” zeide de vizier, hem aansprekende, „wie zijt gij en wat
is uw beroep?” „Mijnheer,” antwoordde de grijsaard, „ik ben visscher,
maar voorzeker de armste en ellendigste van alle visschers. Reeds op
den middag ben ik van huis gegaan en nog heb ik geen' enkelen visch
gevangen. Ik heb eene vrouw en kleine kinderen en niets om hen te
voeden.” De kalif, hierdoor bewogen, nam nu het woord en zeide tot den
visscher: „Zoudt gij den moed hebben uwe netten nog eene enkele maal
uit te werpen? Wij zullen u honderd sequinen geven voor hetgeen gij
ophaalt.” Op dit voorstel vergat de arme visscher zijne vermoeijenis,
hield den kalif bij zijn woord, en keerde naar den Tigris terug, gevolgd
door de drie anderen, terwijl hij bij zich zelven zeide: „Die heeren
komen mij te fatsoenlijk voor, dan dat zij mij niet voor mijne moeite
zouden betalen, en al gaven zij mij ook slechts het honderdste deel van
hetgeen zij mij beloofd hebben, het zal voor mij altoos nog veel zijn.”

Zoo kwamen zij aan den oever van den Tigris. De visscher wierp zijne
netten uit, en toen hij deze daarna weder optrok, haalde hij een'
groot, welgesloten en zeer zwaar koffer op. De kalif liet door zijn'
groot-vizier den visscher onmiddelijk honderd sequinen toetellen, en
zond hem daarmee weg. Masrour nam op bevel van zijn' meester den koffer
op zijn' schouder, en daar de kalif zeer ongeduldig was, om met den
inhoud bekend te worden, keerden zij dadelijk naar het paleis terug.
Toen het koffer geopend was, vond men er eene baal van palmbladen in,
die met een' rooden draad was toegenaaid. Om aan het ongeduld van den
kalif te voldoen gunde men zich den tijd niet, den draad los te maken,
maar sneed dien met een mes door, en nu vond men in de baal een pak, in
een oud stuk tapijt gewikkeld, dat met touwen omwonden was. Nadat het
touw losgemaakt en het pak geopend was, zag men daarin met afgrijzen
het aan stukken gesneden ligchaam van eene jonge vrouw, zoo blank als
sneeuw.

Groot was, op dit gezigt, de verwondering van den kalif; maar deze
verbazing ging weldra in toorn over, en een' woedenden blik op zijn'
vizier werpende, riep hij uit: „Ha! ongelukkige, waakt gij op deze wijze
voor de veiligheid van mijne onderdanen! Straffeloos vermoordt men onder
uw beheer mijne onderhoorigen, tot zelfs binnen mijne hoofdstad, en men
werpt hunne lijken in den Tigris, opdat zij wraak tegen mij zouden
roepen op den dag des oordeels! Indien gij den dood van deze vrouw
niet spoedig wreekt, door haren moordenaar te straffen, zoo zweer ik
u, bij Allah en bij den grooten Profeet, dat ik u en veertig van uwe
bloedverwanten zal doen ophangen.” „Beheerscher der geloovigen,”
sprak de vizier, „ik smeek uwe majesteit mij tijd te vergunnen om den
misdadiger op te sporen?” „Ik geef u daartoe niet meer dan drie dagen,”
hernam de kalif, „denk daaraan.”

Hevig ontsteld over dit onredelijke bevel, keerde de vizier Giafar
naar zijne woning terug. „Helaas!” zeide hij, „hoe zal ik in eene zoo
groote en volkrijke stad als Bagdad, den bedrijver van dit gruwelstuk
ontdekken, die deze misdaad waarschijnlijk zonder ooggetuigen gepleegd,
en zich misschien reeds uit de stad verwijderd heeft. Een ander, in
mijne plaats, zou misschien een' ongelukkige uit de gevangenis halen, en
dezen doen sterven, om alzoo den kalif te misleiden en te bevredigen,
maar ik wil mijn geweten met zulk eene bloedschuld niet bezwaren: liever
den dood, dan mijn leven op zulk eene wijze redden!”

Hij gaf last aan alle onder hem staande beambten, om een naauwkeurig
onderzoek naar den misdadiger te doen instellen. Deze zonden hunne
geregtsdienaars uit, en waren ook zelven werkzaam, daar zij meenden
bij deze zaak bijna even veel belang te hebben, als de vizier. Maar al
hunne pogingen waren vruchteloos; er was van den moordenaar geen spoor
te ontdekken, en de vizier begreep, dat het, zonder tusschenkomst des
hemels, met zijn leven gedaan was.

Inderdaad, op den derden dag kwam een bode des kalifs bij den
ongelukkigen staatsdienaar, en gelastte hem om te volgen. De vizier
gehoorzaamde. Zoodra hij voor den kalif verscheen was diens eerste
vraag: „Hebt gij den moordenaar?” „Beheerscher der geloovigen,”
antwoordde de vizier met tranen in de oogen, „niemand heeft mij eenige
aanwijzing omtrent hem kunnen geven.” De kalif werd woedend, deed hem
scherpe verwijten, en gaf bevel, dat men hem en veertig der Barmeciden
voor de poort van het paleis zoude ophangen.

Terwijl men bezig was de galgen op te rigten, en de veertig Barmeciden
uit hunne woningen werden gehaald, riep op bevel van den kalif, een
omroeper op alle pleinen en aan alle hoeken der straten: „Wie lust heeft
den groot-vizier Giafar en veertig Barmeciden van zijn bloedverwanten te
zien ophangen, die kome op het plein voor het paleis.” Toen alles gereed
was, werden de groot-vizier en veertig zijner bloedverwanten door den
regter en door geregtsdienaren van het paleis naar buiten gebragt, en
onder de voor hen bestemde galgen geplaatst. Men deed hun den strop om
den hals, waaraan zij moesten worden opgetrokken. Het volk, dat het
geheele plein vervulde, kon dit treurige schouwspel niet met drooge
oogen aanzien, want de groot-vizier Giafar en de Barmeciden waren bemind
en geacht om hunne regtschapenheid, eerlijkheid en belangeloosheid, niet
alleen te Bagdad, maar door het geheele rijk.

Men was gereed, om het onherroepelijke bevel van den te gestrengen vorst
ten uitvoer te brengen, en men stond op het punt van een en veertig der
braafste mannen van Bagdad het leven te benemen, toen een welgekleed
jongman, van een zeer gunstig voorkomen, zich een' weg door de menigte
baande, tot bij den groot-vizier doordrong, hem de hand kuste en zeide:
„Oppermagtige vizier, hoofd der emirs van dit hof, toevlugt der armen!
gij zult niet sterven voor de misdaad van een ander. Ga van hier, en
laat mij boeten voor den dood der dame, die ik in den Tigris heb
geworpen. Ik ben haar moordenaar, en verdien daarvoor de straf te
dragen.”

Ofschoon deze bekentenis den vizier eene groote blijdschap veroorzaakte,
kon hij echter niet nalaten medelijden te gevoelen met den jongeling,
wiens uitzigt, in plaats van terugstootend te zijn, iets aantrekkelijks
had. Hij wilde hem antwoorden toen een lange man van reeds gevorderden
leeftijd insgelijks door de menigte heen drong, voor den vizier trad, en
tot hem zeide: „Heer! geloof niet, wat deze jongeling u zegt; niemand
anders dan ik, heeft de jonge vrouw, welke men in den koffer vond,
gedood.” „Bij Allah, ik bezweer U, Heer!” riep de jonge man op zijne
beurt, „straf den onschuldige niet voor den schuldige. Ik betuig u, en
wil het met een' eed bevestigen, dat _ik_ alleen deze slechte daad heb
begaan, en daarbij niemand tot medepligtige heb gehad.” „Mijn zoon!”
viel de grijsaard in, „het is de wanhoop, die u hier heen heeft gevoerd,
en gij wilt uw noodlot vooruit loopen; wat mij betreft, ik ben reeds
lang genoeg op deze wereld. Sta mij toe, mijn leven voor u op te
offeren. Heer!” vervolgde hij, zich tot den vizier wendende, „ik herhaal
het u, ik ben de moordenaar; doe mij sterven en draal niet.”

De tegenstrijdige verklaringen van den grijsaard en den jongeling
verpligtten den vizier hen, met verlof van den regter, voor den kalif
te brengen. Toen hij in tegenwoordigheid van den monarch verscheen,
boog hij tot zeven malen het hoofd ter aarde, en sprak op deze wijze:
„Beheerscher der geloovigen! Ik breng hier vóór u dezen grijsaard en
dezen jongen man, die elk voor zich beweren de moordenaar van de jonge
vrouw te zijn.” De kalif vraagde nu met een gestreng gelaat aan de
beschuldigden, wie van hen die dame op eene zoo barbaarsche wijze had
omgebragt en in den Tigris geworpen. De jongeling verzekerde, dat hij
het was; doch de grijsaard hield het tegendeel staande. „Ga!” beval de
kalif aan den groot-vizier, „doe hen beiden ophangen.” „Maar, sire,”
hernam Giafar, „indien slechts een van hen schuldig is, zoo zou het niet
regtvaardig zijn, ook den andere te doen sterven.”

Toen nam de jongeling het woord, en zeide, zijne vingers opstekende:
„Ik zweer, ten aanhoore van den Schepper van hemel en aarde, dat _ik_
het ben, die de dame gedood, aan vier stukken gesneden, en nu vóór vier
dagen in den Tigris heb geworpen. Ik mag geen deel hebben aan den dag
des oordeels, indien, hetgeen ik zeg, niet waarachtig is, daarom ben
_ik_ het, die gestraft moet worden.” De kalif was verbaasd over dezen
ongevergden en duren eed, en sloeg er geloof aan, vooral, omdat de
grijsaard daar niets tegen inbragt. Om die reden wendde hij zich tot den
jongen man, en zeide: „Ongelukkige! waarom hebt gij deze afschuwelijke
misdaad begaan, en wat kon u bewegen u zelven over te leveren?”
„Beheerscher der geloovigen!” antwoordde hij, „indien alles beschreven
werd, wat tusschen deze dame en mij is voorgevallen, het zou eene
geschiedenis zijn, leerzaam voor vele menschen.” „Verhaal ze ons dan,”
hernam de kalif, „ik beveel het u.” De jonge man gehoorzaamde, en begon
zijn verhaal op de volgende wijze.


GESCHIEDENIS VAN DE VERMOORDE DAME EN VAN DEN JONGEN MAN, HAAR
ECHTGENOOT.

„Beheerscher der geloovigen! uwe majesteit moet weten, dat de vermoorde
jonge dame mijne vrouw en de dochter van dezen grijsaard was, welke
laatste mijn oom van vaders zijde is. Zij was naauwelijks twaalf jaar,
toen hij haar aan mij ten huwelijk gaf, en sedert dien tijd zijn er nu
bijna elf jaren verloopen. Onze drie kinderen zijn allen nog in leven.
Ook moet ik mijne vrouw het regt laten wedervaren, dat zij mij nooit
de minste reden tot ongenoegen heeft gegeven. Zij was deugdzaam, van
eene zachte inborst, en zij stelde er hare hoogste vreugde in, om mij
genoegen te doen. Van mijne zijde beminde ik haar opregt, en ik voorkwam
al hare wenschen.

Het zal nu omstreeks twee maanden geleden zijn, dat zij ziek werd. Ik
droeg alle mogelijke zorg voor haar, en spaarde niets, wat tot hare
genezing strekken kon. Na verloop van eene maand werd zij iets beter
en wenschte op zekeren dag naar het bad te gaan. Vóór dat zij echter
van huis ging, zeide zij tot mij: „Lieve neef (zoo noemde zij mij uit
gemeenzaamheid), ik ben zeer belust op appels; gij zult mij een genoegen
doen, indien gij mij er eenigen bezorgt. Reeds lang heb ik daarnaar
verlangd, en ik mag voor u niet ontveinzen, dat dit verlangen zoo
toeneemt, dat ik voor kwade gevolgen vrees, indien daaraan niet spoedig
voldaan wordt.” „Van harte gaarne,” antwoordde ik, „ik zal mijn uiterste
best doen, ze u te bezorgen.”

Ik ging dadelijk om appels bij alle fruitverkoopers, doch, ofschoon
ik eene sequin voor het stuk bood, ik kon ze in de geheele stad niet
bekomen. Wat mijne vrouw aangaat, toen zij uit het bad terugkwam en de
appels niet zag, werd zij zoo verdrietig, dat zij den ganschen nacht
niet kon slapen. Ik stond met het krieken van den dag op, ging bij
alle tuinlieden rond, maar slaagde niet beter dan den vorigen dag.
Eindelijk ontmoette ik een' ouden tuinman, die mij verzekerde, dat ik
mij vergeefsche moeite gaf, en ze nergens zou vinden dan in den tuin
van uwe majesteit te Balsora.

Daar ik mijne vrouw hartstogtelijk lief had, en ik het verwijt niet
op mij wilde laden, iets verzuimd te hebben om haar genoegen te geven,
trok ik een ander kleed aan, en na haar mijn plan medegedeeld te
hebben, vertrok ik naar Balsora. Ik maakte zoo veel spoed, dat ik binnen
veertien dagen weder te Bagdad was, en drie appelen medebragt, die mij
eene sequin het stuk kosten. In den geheelen tuin waren er geene meer te
vinden, en de tuinman wilde ze mij daarom voor niet minder afstaan. Bij
mijne tehuiskomst ging ik terstond naar de slaapkamer van mijne vrouw,
en met een hart vol vreugde bood ik haar de appelen aan, maar haar
verlangen daarna had intusschen opgehouden; zij nam ze met blijkbare
onverschilligheid aan, en legde ze bij zich neer. Inmiddels was zij nog
altoos ziek, en ik wist niet meer, welk middel ik tegen hare kwaal zou
aanwenden.

Twee dagen na mijne reis bevond ik mij in mijn' winkel op de openbare
markt, toen ik een' zwarte slaaf, groot van gestalte en breed
geschouderd, maar van een slecht uitzigt, zag voorbijgaan met een'
appel in de hand, welke ik dadelijk herkende voor een' van die, welke
ik uit Balsora had medegebragt. Ik kon mij hierin niet vergissen, daar
ik wist, dat er noch in Bagdad noch in de tuinen, om de stad gelegen,
appelen te krijgen waren. Ik riep den slaaf. „Goede vriend,” zeide ik,
„verpligt mij, door te zeggen van waar gij dien appel hebt gekregen.”
„Het is,” antwoordde hij, al lagchende, „een geschenk van mijne beminde.
Ik heb haar heden een bezoek gebragt, en vond haar een weinig ongesteld.
Ik zag drie appelen bij haar liggen, en vraagde haar, van waar zij die
had, daar die vrucht thans in geheel Bagdad niet te vinden is. Zij gaf
mij ten antwoord, dat haar goede sukkel van een' man er eene reis van
veertien dagen voor gedaan had, om ze haar te bezorgen. Wij hebben een'
kouden maaltijd gedaan, en toen ik haar verliet, heb ik den appel, dien
gij hier ziet, medegenomen!” Dit verhaal bragt mij buiten mij zelven. Ik
stond van mijne plaats op, en na mijnen winkel gesloten te hebben, ijlde
ik naar huis, en ging terstond naar de kamer van mijne vrouw. Dadelijk
wierp ik een' blik op de plaats, waar de appels hadden gelegen, en
ziende, dat er slechts twee waren, vraagde ik waar de derde gebleven
was. Mijne vrouw wendde even het hoofd om naar de plaats, waar zij de
appels gelegd had, en er ook slechts twee ontwarende, zeide zij op
onverschilligen toon: „Neef! ik weet niet, wat er van dien derden appel
geworden is, ik zie alleen, dat hij weg is.” Op dit antwoord twijfelde
ik niet meer, of hetgeen de slaaf mij gezegd had, was overeenkomstig de
waarheid. Op het zelfde oogenblik aan eene vlaag van woedende jaloezij
gehoor gevende, trok ik het mes, dat in mijn' gordel stak, en stiet het
in de borst van deze trouwelooze. Vervolgens sneed ik haar het hoofd af,
en het ligchaam in vier stukken. Ik maakte hiervan een pak, hetwelk ik
in eene baal van palmbladen verborg, en waarvan ik de opening met een'
rooden draad toenaaide. Eindelijk sloot ik dit in een' koffer, en zoodra
het donker werd, nam ik dien op mijne schouders, om hem in den Tigris te
werpen.

Mijne beide jongste kinderen waren reeds te bed en in slaap; de derde
was nog op. Toen ik terugkwam, vond ik hem bitter schreijende voor de
deur zitten. Ik vraagde hem naar de reden van zijne tranen. „Vader,”
zeide hij snikkende, „ik heb dezen morgen van moeder, zonder dat zij
er iets van merkte, een der drie appelen, die gij voor haar hebt
medegebragt, weggenomen. Ik heb dien lang bewaard en speelde er op
straat met mijne broertjes mede, toen een leelijke zwarte slaaf hem mij
uit de hand greep en er mede wegliep. Ik liep hem na en vroeg den appel
terug; maar of ik al zeide, dat hij van mijne zieke moeder was, en dat
gij eene reis van veertien dagen gedaan had, om ze voor haar te halen,
niets mogt helpen, hij wilde hem mij niet teruggeven. Ik volgde hem al
schreeuwende, doch nu keerde hij zich om, sloeg mij, en liep vervolgens
weg, zoodat ik hem eindelijk uit het gezigt verloor. Toen ben ik zoo
lang buiten de poort gaan wandelen, tot de tijd daar was, dat gij te
huis komt; en nu wacht ik u hier, lieve vader, om u te verzoeken, dat
gij er niets van aan moeder zegt, uit vrees dat zij dan van verdriet nog
zieker zal worden.” Bij het eindigen dezer woorden, begon het kind op
nieuw te weenen.

Hetgeen mijn zoon mij verhaald had, ontroerde mij vreeselijk. Ik zag
de grootte van mijne misdaad in, en het berouwde mij, maar helaas te
laat, dat ik geloof had geslagen aan de bedriegelijke woorden van een'
ellendigen slaaf, die, van hetgeen hij van mijn' zoon vernam, de fabel
had verzonnen, die ik voor waarheid had gehouden. Inmiddels kwam mijn
oom, thans hier tegenwoordig, om zijne dochter te bezoeken, maar in
plaats van haar in leven te vinden, vernam hij uit mijn' mond, dat zij
niet meer was. Ik verborg niets voor hem, en zonder af te wachten,
dat hij mij veroordeelde verklaarde ik mij zelven voor den misdadigste
van alle mannen. Niettemin, in plaats van mij met regtmatige verwijten
te overstelpen, mengde hij zijne tranen met de mijnen. Hij beweende,
drie dagen lang, het verlies van eene geliefde dochter, en ik, dat van
eene vrouw, welke ik beminde, en van wie ik mij op zulk eene gruwelijke
wijze beroofd had, door ligtvaardig gehoor te geven aan een'
leugenachtigen slaaf.

[Illustratie: Noureddin Ali en Bedreddin Hassan.

                                                       Dl. II, pag 117.]

Ziedaar, Beheerscher der geloovigen! de openhartige bekentenis, welke
uwe majesteit van mij begeerd heeft. Gij kent thans mijne misdaad in al
hare bijzonderheden, en ziet tot welke gruweldaden de jaloezij een' man
vervoeren kan. Ik bid u zeer nederig thans mijn vonnis uit te spreken;
hoe gestreng dat ook zijn moge, ik zal er mij niet over beklagen, en het
zal altoos te ligt zijn voor mijne misdaad.”

De kalif was nu ten hoogste verwonderd over hetgeen de jonge man
hem mededeelde. Maar met zijn ongeluk bewogen, vond hij hem meer
beklagenswaardig dan misdadig. „De daad van dezen jongen man,” zeide
hij, „is vergevenswaardig bij God en bij de menschen. De boosaardige
slaaf is de eenige oorzaak van dezen moord; hij alleen moet gestraft
worden. Daarom,” vervolgde hij, zich tot den groot-vizier wendende,
„geef ik u drie dagen om dien misdadiger op te zoeken. Indien gij hem
binnen dien tijd niet voor mijn' troon brengt, zal ik u in zijne plaats
doen sterven.”

De ongelukkige Giafar, die zich reeds buiten gevaar waande, was zeer ter
neêrgeslagen over dit nieuwe bevel van den kalif, doch daar hij dien
vorst, wiens karakter hij kende, niet durfde tegenspreken, verliet hij
het paleis, en begaf zich schreijende naar zijn huis, overtuigd, dat
hij niet meer dan drie dagen te leven had. Hij was er zoo zeker van den
slaaf niet te zullen vinden, dat hij niet de minste moeite deed, om naar
hem te zoeken. „Het is niet mogelijk,” zeide hij, „in eene stad als
Bagdad, waar een oneindig aantal zwarte slaven zijn, den regten man uit
te vinden. Indien niet Allah mij hem doet kennen, gelijk hij mij reeds
den moordenaar heeft ontdekt, kan niets mij redden.”

Hij bragt de eerste twee dagen in droefheid door met zijne familie,
welke met hem treurde, en klaagde over de onregtvaardige gestrengheid
van den kalif. Toen de derde dag aanbrak, bereidde de vizier zich voor
om kloekmoedig te sterven, gelijk het een' staatsdienaar betaamt, die
zich niets te verwijten heeft. Hij deed den kadi met zijne getuigen
komen, en maakte zijn testament, dat zij in zijne tegenwoordigheid
onderteekenden. Daarna omhelsde hij zijne vrouw en kinderen, en
nam afscheid van hen. Allen smolten weg in tranen. Nooit zag men
aandoenlijker schouwspel. Eindelijk kwam er een geregtsdienaar van het
paleis, die hem zeide, dat de kalif ongeduldig werd om iets van hem
of van den zwarten slaaf, dien hij hem bevolen had op te zoeken, te
vernemen. „Ik heb last,” vervolgde hij, „u onmiddelijk voor den troon
van zijne majesteit te brengen.” De bedroefde vizier maakte zich gereed
om den geregtsdienaar te volgen; maar op het oogenblik van heengaan,
bragt men hem zijne jongste dochter, een kind van tusschen de vijf en
zes jaar. De vrouwen, met hare verzorging belast, gaven de kleine aan
haren vader over, opdat hij haar voor het laatst zou omhelzen.

Daar de vizier voor dit kind eene bijzondere genegenheid had, verzocht
hij den bode des kalifs hem een oogenblik tijd te geven. Nu nam hij het
kind op den arm en kuste het bij herhaling. Terwijl hij het meisje dus
omhelsde, bemerkte hij, dat zij eene dikte voor hare borst had. „Mijne
lieve kleine,” vraagde hij, „wat hebt gij daar in uwen boezem?” „Beste
vader,” antwoordde het kind, „dat is een appel, waarop de naam van
den kalif is uitgesneden. Rihan, onze slaaf, heeft hem mij voor twee
sequinen verkocht.”

Op de woorden van appel en slaaf, gaf de vizier een' kreet van
verbazing en vreugde, en de hand in den boezem van zijn dochtertje
stekende, haalde hij den appel te voorschijn. Hij liet den slaaf, die
niet ver van daar was, roepen, en zoodra deze voor hem verscheen, zeide
hij: „Schelm, waar hebt gij dien appel gestolen?” „Heer!” antwoordde de
slaaf, „ik zweer u, dat ik hem niet ontvreemd heb, noch bij u, noch uit
den tuin van den Beheerscher der geloovigen. Vóór eenige dagen over
straat gaande, trof ik daar drie spelende kinderen aan; een van hen had
dezen appel in de hand. Ik ontrukte ze hem en nam ze mede. Het kind liep
mij na, en vertelde mij, dat de appel niet van hem, maar van zijne zieke
moeder was, en dat zijn vader eene lange reis had gedaan, om haar te
bevredigen, en drie appels had medegebragt, waarvan deze er een was,
dien hij had weggenomen, zonder dat zijne moeder het wist. Hoe hij ook
daarom smeekte, ik gaf hem den appel niet terug. Te huis komende sneed
ik den naam van den kalif op den appel, en verkocht hem aan uwe kleine
dochter voor twee sequinen. Meer kan ik er u niet van zeggen.”

Giafar nam den slaaf, wiens guitenstreek oorzaak was geweest van den
dood eener onschuldige vrouw, en ook hem bijna het leven had gekost,
met zich, en toen hij voor den kalif kwam, gaf hij aan dien vorst een
naauwkeurig verslag van hetgeen de slaaf hem gezegd had en van het
toeval, waardoor hij met zijne misdaad bekend was geworden. Na het
aanhooren dezer mededeeling, zeide de verwonderde kalif tot den vizier,
dat deze slaaf, die tot eene zoo treurige dwaling aanleiding had
gegeven, ook eene voorbeeldige straf verdiende. „Ik kan dat niet
ontkennen, Sire!” antwoordde de vizier, „maar zijn misdrijf is eenigzins
te verschoonen. Ik ken eene nog veel vreemdere geschiedenis van een'
vizier te Caïro, Noureddin Ali genaamd, en van Bedreddin Hassan van
Balsora. Daar uwe majesteit vermaak schept in het aanhooren van
dergelijke geschiedenissen, zoo ben ik bereid ze u te verhalen, op
voorwaarde dat indien gij ze wonderlijker vindt dan deze, gij mijn'
slaaf genade zult verleenen.” „Dat neem ik aan,” hernam de kalif,
die thans in eene goede luim was, „maar gij neemt eene zware taak
op u, en ik geloof niet, dat gij uw' slaaf zult kunnen redden; want
de geschiedenis van de drie appels is al hoogst zonderling.”

Giafar nam nu het woord op en ving zijn verhaal aan als volgt


GESCHIEDENIS VAN NOUREDDIN ALI EN VAN BEDREDDIN HASSAN.

„Beheerscher der geloovigen! Er was eertijds in Egypte een sultan,
regtvaardig, weldadig, goedertieren en minzaam jegens zijne onderdanen.
Zijne dapperheid maakte hem gevreesd bij zijne naburen, zoodat zij
zijn rijk met rust lieten. De vizier van dezen sultan was een man van
veelomvattende kennis, wijs, voorzigtig, en bedreven in de fraaije
letteren en in alle wetenschappen. Deze minister had twee zonen, die
de voetstappen van hun' vader drukten; de oudste heette Schemseddin
Mohammed en de jongste Noureddin Ali. De laatste vooral bezat groote
verdiensten. Toen de vizier hun vader overleden was, deed de sultan hen
bij zich ontbieden, en na hen met den tabbaard van gewoon vizier bekleed
te hebben, zeide hij: „Ik neem innig deel in het verlies, dat gij
geleden hebt; ook mij heeft dit zeer getroffen, en daar het mij bekend
is, dat gij te zamen woont en in volmaakte eendragt leeft, zoo verhef ik
u beiden tot de zelfde waardigheid. Gaat, en volgt de deugden van uw'
vader na.”

De twee nieuwe viziers bedankten den sultan voor zijne gunst, en keerden
naar hunne woning terug, om zorg te dragen voor de begrafenis van hun'
vader, die met groote plegtigheid plaats had. Zij betreurden hem eene
geheele maand, en na verloop van dien tijd verschenen zij voor de
eerste maal in den raad van den sultan, dien zij nu in het vervolg
geregeld bijwoonden. Telkens als de sultan op de jagt ging, vergezelde
hem beurtelings een der broeders.

Op zekeren dag dat de oudste van de jagt terugkwam, en zij te zamen hun
avondmaal gebruikt hadden, zeide hij tot den jongsten: „Broeder, daar
schiet mij een zonderling denkbeeld te binnen. Wij zijn beiden nog
ongehuwd, en leven in de beste verstandhouding; laat ons nu op den
zelfden dag trouwen met twee zusters, die wij uit eene familie zullen
kiezen, zoo als dit het best met ons belang zal overeenkomen. Wat zegt
gij hiervan?” „Ik zeg, broeder!” antwoordde Noureddin Ali, „dat dit zeer
goed strookt met onze innige vriendschap. Gij zoudt geen beter denkbeeld
kunnen hebben; en, wat mij betreft, ik ben bereid alles te doen, wat u
behagen kan.” „Maar wij zijn er nog niet,” hernam Schemseddin, „mijne
gedachten gaan veel verder. Veronderstel dat uwe vrouw een' zoon, en
de mijne eene dochter krijgt, dan zullen wij ze te zamen laten huwen,
zoodra zij daartoe de jaren bereikt hebben.” „O!” riep Noureddin Ali,
„dit gedeelte van uw plan is waarlijk zeer schoon. Dit huwelijk zal de
kroon zetten op onze eensgezindheid en ik geef van ganscher harte mijne
toestemming. Maar, broeder!” voegde hij er bij, „zoo dit huwelijk mogt
plaats hebben, zoudt gij dan verlangen, dat mijn zoon eene huwelijksgift
aan uwe dochter gaf?” „Wel zeker,” hernam de oudste, „en ik ben
overtuigd, dat gij er niets tegen zult hebben om, behalve de gewone
bepalingen van het huwelijkscontrakt, ook te doen vaststellen, dat aan
mijne dochter zullen toekomen minstens drie duizend sequinen, drie
schoone landgoederen en drie slaven.” „Daar kan ik niet in toestemmen,”
zeide de jongste, „zijn wij niet broeders en ambtgenooten, bekleed
met de zelfde waardigheid? Bovendien, weten wij beiden niet wat regt
is? Het mannelijke geslacht bezit immers grootere voorregten dan het
vrouwelijke, en zoudt ge dus niet verpligt zijn, uwe dochter eene groote
huwelijksgift te geven? Maar, naar ik zie, zijt gij de man, om uwe
rekening te maken ten koste van anderen.”

Hoewel Noureddin Ali dit lagchende zeide, was zijn broeder echter niet
gestemd het voor scherts te houden, en gevoelde er zich door beleedigd.
„Ongeluk kome over uw' zoon,” riep hij driftig, „daar gij hem mijne
dochter durft voortrekken. Ik verwonderde mij reeds, dat gij de
stoutheid had, hem met haar gelijk te stellen. Gij moet uw verstand
verloren hebben, daar gij u met mij op ééne lijn durft plaatsen, door
te zeggen, dat wij ambtgenooten zijn. Weet, vermetele! dat ik nu mijne
dochter niet aan uw' zoon zou willen geven, al gaaft gij hem meer
schatten mede, dan in uw bezit zijn.”—Deze belagchelijke twist tusschen
de twee broeders over het huwelijk van hunne kinderen, die nog niet
geboren waren, had echter zeer ernstige gevolgen. Schemseddin Mohammed
werd zoo driftig, dat hij tot bedreigingen overging. „Indien ik morgen
den sultan niet vergezellen moest,” zeide hij, „zou ik u naar verdienste
straffen; maar bij mijne terugkomst zal ik u leeren of het den jongeren
broeder past zoo onbeschaamd tegen den ouderen te spreken.” Met deze
woorden ging hij naar zijn slaapvertrek, en zijn broeder begaf zich naar
het zijne.

Schemseddin Mohammed stond den anderen morgen vroeg op, en begaf zich
naar het paleis. Kort daarop vertrok hij met den sultan, die den weg
naar de pyramiden insloeg. Wat Noureddin Ali betreft, hij had den nacht
zeer onrustig doorgebragt. Allerlei denkbeelden woelden hem door het
hoofd. Hij zag de onmogelijkheid in om langer met een' broeder te leven,
die hem zoo uit de hoogte behandelde, daar zij toch gelijk in rang
waren, en hij besloot, tot voorkoming van verderen twist, hem uit den
weg te gaan. Hij liet een' goeden ezel optuigen, voorzag zich van geld
en edelgesteenten, alsmede van eenige levensmiddelen, zeide zijnen
bedienden, dat hij binnen twee of drie dagen dacht terug te komen, en
vertrok.

Buiten Caïro gekomen, sloeg hij den weg in naar de woestijn van Arabië.
Maar zijn ezel bezweek weldra, en nu zag hij zich genoodzaakt zijne reis
te voet voort te zetten. Bij geluk kwam hem echter een ruiter achter op,
die naar Balsora ging, en deze nam hem achter op zijn' drommedaris. Toen
zij na een' langen en snellen rid te Balsora kwamen, steeg Noureddin Ali
af, en bedankte den ruiter voor de hem bewezen dient. Terwijl hij door
de stad wandelde en naar eene geschikte herberg rond zag, ontmoette hem
een heer niet een talrijk gevolg. Hij bemerkte, dat men dien man groote
eer bewees, en stil bleef staan, tot hij voorbij was. Noureddin Ali deed
als de anderen. Het was de groot-vizier van den sultan van Balsora, die
door de stad ging, en zich aan de inwoners vertoonde, om door zijne
tegenwoordigheid orde en vrede te bewaren.

De vizier liet zijne oogen op Noureddin vallen, en vond zijn voorkomen
zoo gunstig, dat dit hem belangstelling inboezemde. Hij reed digt
voorbij hem heen, en ziende, dat hij in reisgewaad was, hield hij zijn
paard in, om hem te vragen wie hij was en van waar hij kwam. „Heer!”
antwoordde Noureddin Ali: „Ik kom uit Egypte, ben te Caïro geboren, en
heb mijn vaderland verlaten, omdat een mijner bloedverwanten mij zwaar
beleedigd heeft. Zulks doet mij zoo zeer leed, dat ik besloten heb
liever de gansche wereld te doorreizen, dan immer te Caïro terug te
komen.” De groot-vizier, een achtenswaardig grijsaard, hernam hierop
goedhartig: „Mijn zoon, neem u wel in acht, uw voornemen ten uitvoer te
brengen. Er is veel ellende in de wereld, en aan het reizen zijn groote
moeijelijkheden verbonden, die gij nog niet genoeg kent. Kom, volg mij
liever; misschien ben ik in staat u het leed, dat u uit uw vaderland
heeft verdreven, te doen vergeten.”

Noureddin Ali volgde den groot-vizier van Balsora. Deze, een groot
menschenkenner, ontdekte weldra de goede hoedanigheden van Noureddin,
en vatte zooveel genegenheid voor hem op, dat hij hem, na verloop van
eenigen tijd, onder vier oogen bij zich riep, en tot hem zeide: „Mijn
zoon! ik ben, zoo als gij ziet, reeds zeer hoog in jaren, zoodat mijn
leven waarschijnlijk nog van korten duur zal zijn. De hemel heeft mij
eene eenige dochter geschonken, die niet minder schoon is, dan gij
welgemaakt zijt, en die thans huwbaar is. Vele voorname hovelingen
hebben mij voor hunne zonen om hare hand gevraagd, maar ik heb niet
kunnen besluiten hun aanzoek toe te staan. Wat u betreft, gij zijt mij
lief, ik stel u boven al die anderen, en ik oordeel, dat gij mijne
dochter waardig zijt. Ik ben bereid u tot mijn' schoonzoon aan te
nemen. Is dit naar uw genoegen, zoo zal ik aan den sultan, mijn meester,
verklaren, dat ik u tot zoon heb gekozen, en ik zal hem smeeken, mij te
vergunnen, dat gij mijn opvolger moogt zijn als groot-vizier in het rijk
van Balsora. En daar ik in mijn' hoogen ouderdom behoefte aan rust heb,
zoo zal ik u niet slechts over al mijne goederen stellen, maar u tevens
het bestuur der staatszaken, zoo veel ik mag, opdragen.”

Naauwelijks had de groot-vizier van Balsora deze woorden vol goedheid en
edelmoedigheid gesproken, of Noureddin Ali wierp zich aan zijne voeten,
en betuigde hem zijne erkentelijkheid voor het geluk, dat hij hem
toedacht. De groot-vizier riep nu de voornaamste dienaren van zijn huis,
en beval hun, dat de groote zaal feestelijk versierd, en een' kostbaren
maaltijd aangerigt moest worden. Vervolgens liet hij de voornaamste
hovelingen en ingezetenen bij zich noodigen. Toen nu allen bijeen waren,
nam hij het woord op, en sprak, zich van eene onwaarheid bedienende om
degenen, die naar de hand van zijne dochter gestaan hadden, niet voor
het hoofd te stooten: „Ik ben zeer blijde, mijne heeren! u thans eene
zaak te kunnen mededeelen, welke ik tot hiertoe geheim heb gehouden. Ik
bezit een broeder te Caïro, die groot-vizier is aan het hof van den
sultan van Egypte, gelijk ik de eer geniet dit van onzen grootmagtigen
heer en meester te zijn. Deze broeder heeft slechts een' eenigen zoon,
dien hij aan het hof van Egypte niet wilde uithuwelijken, maar hier heen
gezonden heeft, om de echtgenoot mijner dochter te worden, ten einde
alzoo den band des bloeds, die ons vereenigt, nog naauwer toe te halen.
Deze zoon, dien ik voor mijn' neef erkend heb, en dien ik tot mijn
schoonzoon wil maken, is deze jongeling, welke ik u bij dezen voorstel.
Ik vlei mij, dat gij mij de eer zult aandoen op zijne bruiloft
tegenwoordig te zijn, welke ik besloten had heden te vieren.” Geen der
gasten kon het hem euvel duiden, dat hij de voorkeur gaf aan zijn neef,
boven al de goede partijen, die hem voor zijne dochter aangeboden waren,
en zij antwoordden daarom, dat hij groot gelijk had; terwijl zij met
genoegen als getuigen bij de trouwplechtigheid tegenwoordig wilden zijn.
Zij eindigden met den wensch, dat Allah hem nog een lang leven mogt
geven, om vele jaren getuige van dezen gelukkigen echt te kunnen zijn.

Nadat zij aldus hunne goedkeuring hadden gegeven aan het voorgenomen
huwelijk, ging men terstond aan tafel. Toen de confituren bij het
dessert werden opgedragen, nam ieder, volgens het aldaar bestaande
gebruik, daarvan zooveel als hij kon medenemen, en te gelijk trad de
kadi binnen met het huwelijks-kontrakt in de hand. De voornaamste gasten
onderteekenden het, waarna het gezelschap uit een ging.

Toen allen vertrokken waren, gelastte de groot-vizier, dat men Noureddin
Ali naar het bad zou geleiden. Nadat de bedienden hem gewasschen en
gewreven hadden, steeg hij uit het bad, trok een zeer prachtig daar
gereed liggend gewaad aan, liet zich met welriekende wateren besprengen,
en keerde in dezen staat naar den groot-vizier zijn' schoonvader terug.
Deze was verrukt over zijn mannelijk schoon voorkomen, deed hem naast
zich plaats nemen, en zeide: „Mijn zoon, gij hebt mij bekend gemaakt
met den rang, dien gij aan het hof van Egypte bekleeddet, gij hebt mij
ook gezegd, dat gij twist hebt gehad met uw' broeder, en dat gij om
die reden uw vaderland hebt verlaten, maar ik verzoek u mij uw volle
vertrouwen te schenken, door mij het onderwerp, waarover die twist
ontstaan is, mede te deelen. Nu wij in zulk eene naauwe betrekking tot
elkander staan, moet gij niets voor mij verbergen.”

Noureddin Ali verhaalde hem nu den twist met zijn' broeder tot in de
kleinste bijzonderheden. De groot-vizier kon dit verhaal niet aanhooren
zonder in lagchen uit te barsten. „Dit is nu,” zeide hij, „de vreemdste
zaak, waarvan ik ooit gehoord heb. Hoe is het mogelijk, mijn zoon,
dat uw twist over een ingebeeld huwelijk zoo hoog kon loopen? Het doet
mij leed, dat gij over zulk eene nietigheid met uw' broeder in onmin
zijt. Hij heeft evenwel ongelijk, dat hij uwe scherts als ernst heeft
opgenomen; en ik moet den hemel dankbaar zijn, omdat ik aan die
oneenigheid een' schoonzoon te danken heb. Maar,” vervolgde de grijsaard
met een' glimlach, „ik mag u niet langer ophouden; de nacht is reeds
ver gevorderd, en het wordt tijd zich ter ruste te begeven. Ga, mijne
dochter uwe gade, wacht u. Morgen zal ik u aan den sultan voorstellen.
Ik vlei mij, dat hij u op zulk eene wijze zal ontvangen, dat wij beiden
reden kunnen hebben daarover voldaan te zijn.” Noureddin Ali verliet
zijn' schoonvader, en begaf zich naar het vertrek van zijne vrouw.

Keeren wij nu tot zijn' broeder terug.

Eene maand nadat Noureddin Ali Caïro had verlaten, met voornemen er
nimmer terug te komen, kwam Schemseddin Mohammed te huis. De sultan had
zich zoo zeer door zijn' jagtlust laten vervoeren, dat hij gedurende
al dien tijd afwezig was gebleven. Schemseddin ging terstond naar de
vertrekken van zijn' broeder. Hij was zeer verwonderd te vernemen, dat
deze op den zelfden dag, dat hij met den sultan ter jagt was gegaan,
op een' ezel vertrokken was, voorgevende een reisje van twee of drie
dagen te gaan maken, terwijl men hem sedert dien tijd nog niet had
weder gezien. Schemseddin Mohammed werd door dit berigt zeer ontroerd,
daar hij begreep, dat de harde woorden, die hij zijn' broeder had
toegevoegd, de eenige oorzaak van zijne verwijdering konden zijn. Hij
zond onmiddelijk een' koerier, die over Damaskus naar Aleppo ging; maar
Noureddin was toen reeds te Balsora. De koerier kwam dan ook terug met
het berigt, dat hij niets van den vlugteling had kunnen vernemen, en er
bleef aan Schemseddin Mohammed niets anders over dan zijn' broeder
elders te zoeken.

Inmiddels begon hem het eenzame leven spoedig te vervelen, en hij
besloot eene vrouw te nemen. Hij huwde met de dochter van een der
voornaamste en magtigste ingezetenen van Caïro, op den zelfden dag, dat
zijn broeder te Balsora de dochter van den groot-vizier trouwde. Na
verloop van negen maanden beviel de vrouw van Schemseddin Mohammed te
Caïro van eene dochter.

Op den zelfden dag kreeg de echtgenoot van Noureddin Ali te Balsora
een zoon, die den naam ontving van Bedreddin Hassan. De groot-vizier
van Balsora toonde zijne blijdschap door het uitdeelen van aalmoezen,
en door het houden van openbare vermakelijkheden, ter eere van zijn'
kleinzoon. Om aan zijn schoonzoon een blijk te geven van zijne
tevredenheid, ging hij naar het paleis en verzocht den sultan, om
Noureddin Ali tot vizier te benoemen, opdat hij nog vóór zijn' dood de
vreugde mogt smaken, zijn' schoonzoon zijne plaats te zien bekleeden.

De sultan, die in Noureddin Ali, toen hij hem bij gelegenheid van
zijn huwelijk was voorgesteld, groot behagen had gevonden, en sedert
niets dan goeds van hem had hooren spreken, stond zijn' vizier met
veel welwillendheid de verlangde gunst toe, en deed hem in zijne
tegenwoordigheid den groot-viziers-tabbaard omhangen. De vreugde van
den grijzen staatsdienaar, toen hij den volgenden morgen zijn'
schoonzoon, in zijne plaats, in den raad des sultans zag voorzitten, was
onbeschrijfelijk. Noureddin Ali kweet zich zoo goed, als of hij zijn
leven lang het viziers-ambt bekleed had, hetgeen de verwondering opwekte
van den sultan en van allen, die niet wisten, dat hij te Caïro reeds als
vizier werkzaam was geweest. Hij verscheen nu in den raad, zoo vaak de
gebreken des ouderdoms zijn' schoonvader weêrhielden er te komen. Deze
goede grijsaard stierf in het vierde jaar na het huwelijk van zijne
dochter, met den troost haar onder de bescherming van een' man achter
te laten, die in staat was den luister van zijne familie op te houden.
Noureddin Ali bewees hem de laatste eer, met al die liefde en
dankbaarheid, welke hij hem verschuldigd was.

Zoodra Bedreddin Hassan zijn zevende jaar had bereikt, gaf zijn vader
hem een' voortreffelijken leermeester, die begon met hem overeenkomstig
zijne hooge geboorte op te voeden. Hij vond in dit kind een' vluggen en
vatbaren geest, in staat om van het onderwijs voordeel te trekken.

Binnen twee jaren kon Bedreddin Hassan niet alleen goed lezen, maar, zoo
goed was zijn geheugen, den geheelen koran reeds van buiten. Noureddin
Ali, zijn vader, gaf hem nu nog andere leermeesters, die zijn' geest met
allerlei kundigheden trachtten te verrijken, en op zijn twaalfde jaar
had hij zulke vorderingen gemaakt, dat hij toen hun onderwijs niet meer
behoefde. Zijne gelaatstrekken droegen de bewondering weg van allen,
die hem zagen, zoodat hij niet alleen in geestelijke, maar ook in
ligchamelijke gaven boven allen uitmuntte.

Daar zijn vader het voornemen had, hem eenmaal zijne plaats te doen
vervullen, onderrigtte hij hem in de moeijelijkste staatszaken en
verzuimde, in één woord, niets, wat strekken kon om het geluk van zijn'
eenigen en geliefden zoon te bevorderen. Reeds begon hij de vruchten van
zijn' arbeid te plukken, toen hij door eene zeer ernstige ongesteldheid
werd aangetast, en zijn einde voelde naderen. Hij vleide zich dan
ook met geene ijdele hoop, maar bereidde zich voor om als een opregt
muzelman te sterven. In deze voor hem kostbare oogenblikken, vergat hij
zijn' beminden Bedreddin niet. Hij liet hem bij zich roepen, en zeide:
„Mijn zoon, gij ziet aan mij, dat dit leven vergankelijk is; slechts
dat, waarin ik weldra zal overgaan, duurt eeuwig. Het is noodig, dat gij
er reeds van nu af aan op bedacht zijt, u in den zelfden toestand te
verplaatsen, waarin ik mij thans bevind, leg er u op toe dien overgang
zonder droefheid te kunnen doen, vervul uwe pligten als muzelman en als
braaf mensch, en uw geweten zal u niets verwijten. Wat uwe godsdienst
aangaat, gij zijt daarin genoegzaam onderwezen, door hetgeen gij van uwe
meesters geleerd, en door hetgeen gij daarover gelezen hebt. Wat den
braven mensch betreft, daaromtrent zal ik u eenige lessen geven, die u
nuttig kunnen zijn. Doch daar het noodig is zich zelven te kennen, en
gij die kennis niet kunt bezitten, zonder te weten wie ik ben, zoo zal
ik u zulks vooraf mededeelen.

Ik ben,” vervolgde Noureddin Ali, „geboren in Egypte; mijn vader, uw
grootvader, was eerste staatsdienaar bij den sultan van dat rijk. Ook ik
heb de eer gehad, te gelijk met mijn' anderen broeder, vizier van den
zelfden sultan te zijn. Zoo ver ik weet is uw oom, die Schemseddin
Mohammed heet, nog in leven. Ik was verpligt mij van hem te verwijderen,
en kwam in dit land, waar ik den post heb gekregen, dien ik tot dus
verre bekleedde. Maar gij zult al deze zaken breedvoerig kunnen vinden
in mijn dagboek.” Toen haalde Noureddin Ali eene rol papier uit zijne
borst, en gaf ze Bedreddin Hassan. „Neem dit,” zeide hij, „gij kunt het
op uw gemak lezen; en onder meer andere dingen, zult gij er den dag van
mijn huwelijk en dien van uwe geboorte in vinden aangeteekend. Dit te
weten kan u waarschijnlijk later noodig zijn, daarom zal het u aansporen
dit geschrift met zorg te bewaren.” Bedreddin Hassan bedroefd over den
toestand, waarin hij zijn' vader zag, en getroffen door zijne woorden,
ontving het geschrift met tranen in de oogen, en beloofde er zich nimmer
van te zullen ontdoen. Toen werd Noureddin Ali door eene flaauwte
overvallen, welke voor zijn leven deed vreezen. Hij kwam echter weder
bij, en nogmaals het woord opnemende, zeide hij: „Mijn zoon, de eerste
stelregel, dien gij in het oog moet houden, is: u niet te veel op
anderen te verlaten. Het beste middel om in vrede te leven is, met zich
zelven raad te nemen, en zich niet ligtvaardig uit te laten. Zonder dit
zult gij nimmer een goed staatsman worden.

De tweede is: tegen niemand geweld te plegen; want doet gij dit wel, zoo
zal een ieder tegen u opstaan, en gij behoort de wereld te beschouwen
als een schuldeischer, aan wien gij gematigdheid, mededoogen en
verdraagzaamheid schuldig zijt.

De derde is: zoo men u beleedigt, niet te antwoorden. Men is buiten
gevaar, zegt het spreekwoord, wanneer men weet te zwijgen. En het is
vooral in die omstandigheid, dat gij moet weten u zelven te beheerschen,
en dit in beoefening te brengen; want als het eene woord het andere
volgt, zal er twist ontstaan en de vijandschap meestal groot worden.
Te regt zegt daarom een van onze dichters, dat de stilzwijgendheid het
sieraad en de beschermster van ons leven is, en dat men, sprekende, niet
gelijk moet zijn aan een' stortvloed, die in zijn vaart alles medevoert
en beschadigt. Nooit heeft het iemand berouwd gezwegen te hebben, maar
het veel spreken heeft menigeen in leed gebragt.

De vierde is: geen wijn te drinken, want dit is de bron van vele
ondeugden.

De vijfde is: uwe goederen wel te bewaren. Indien gij ze niet verkwist,
zoo zullen zij u dienen, om voor gebrek bewaard te blijven. Men moet
echter niet gierig zijn, noch te veel naar rijkdom trachten, want de
gierigaard is een onnut schepsel voor zijne naasten, en die naar rijkdom
haakt, komt in vele verzoekingen. Hebt gij nogtans geld, en gij besteedt
dit op eene verstandige wijze, zoo zult gij u vele vrienden maken; maar
zoo gij integendeel groote schatten hebt, en daarvan een slecht gebruik
maakt, zal een ieder zich van u verwijderen.”

Om kort te gaan, Noureddin Ali liet niet na, zijn' zoon goede lessen te
geven tot aan zijn' laatsten ademtogt. Na zijn' dood werd hij met groote
pracht ter aarde besteld.

Bedreddin Hassan van Balsora (aldus genoemd, omdat hij in die stad
geboren was) was zeer bedroefd over den dood van zijn' vader. In plaats
van ééne maand, zoo als het gebruikelijk was, beweende hij hem twee
maanden lang, en bragt dien tijd in afzondering door, zonder zelfs
zijne opwachting bij den sultan te maken. Deze vorst was over zijne
nalatigheid zeer vergramd, en beschouwde zulks als een blijk van
minachting voor zijn' persoon en zijn hof. Hij liet in zijn' toorn den
groot-vizier, die hij na den dood van Noureddin Ali had aangesteld,
ontbieden, en beval hem zich naar het huis van den overledene te
begeven, al zijne bezittingen in beslag te nemen, en Bedreddin Hassan
voor hem te brengen.

De nieuwe groot-vizier begaf zich terstond op weg, om zijn' last te
volbrengen, gevolgd door een groot aantal wachters en geregtsdienaars
van het paleis. Een der slaven van Bedreddin Hassan, die zich onder de
menigte bevond, en het oogmerk des viziers vernomen had, liep vooruit om
zijn' meester van het hem dreigende gevaar te verwittigen. Hij vond hem
op het balkon van zijne woning zitten, zoo diep bedroefd, alsof zijn
vader pas gestorven was. Geheel buiten adem, wierp hij zich aan zijne
voeten, en na den zoom van zijn kleed gekust te hebben, zeide hij:
„Heer, red u, red u!” „Wat is er te doen?” vraagde Bedreddin, het hoofd
opheffende. „Heer,” antwoordde de slaaf, „er is geen tijd te verliezen;
de sultan is tegen u in vreeselijken toorn ontstoken, en men komt om al
uwe goederen in beslag te nemen, en zich van uw' persoon te verzekeren.”

Deze woorden van den getrouwen slaaf deden Bedreddin Hassan ontstellen.

„Maar,” hernam hij, „heb ik den tijd niet om naar mijne kamer te gaan,
en eenige edelgesteenten en geld mede te nemen!” „Neen heer!” antwoordde
de slaaf, „de groot-vizier zal in een oogenblik hier zijn. Vertrek
dadelijk en red u, of het is te laat.” Bedreddin Hassan rigtte zich
van zijne sofa op, en sloeg zijn kleed over het hoofd om zijn gelaat
te verbergen, en nam met overhaasting de vlugt, zonder te weten waar
heen, om het hem dreigende gevaar te ontgaan. De eerste gedachte, welke
hem inviel, was de naastbij gelegen stad te bereiken. Hij liep zonder
ophouden door tot aan de openbare begraafplaats, en daar de nacht
ophanden was, besloot hij dien bij de graftombe van zijn vader door
te brengen, een prachtig monument in den vorm van een' koepel, dat
Noureddin Ali nog bij zijn leven had doen stichten. Derwaarts gaande,
ontmoette Hassan een' rijken jood, die bankier en tevens koopman was. De
jood, die in de omstreken zaken gedaan had, keerde naar de stad terug.
Hij herkende Bedreddin op het eerste gezigt, bleef staan en groette
hem met den diepsten eerbied. „Heer!” sprak hij vervolgens, „mag ik de
vrijheid nemen u te vragen, waar gij in dit late uur alleen heen gaat?
Uwe gelaatstrekken zijn geheel ontstemd; is er iets, dat u hindert?”
„Ja,” antwoordde Bedreddin, „mijn vader is mij in den slaap verschenen.
Zijn gelaat was vreeselijk om aan te zien, en hij wierp een' toornigen
blik op mij. Ik werd van schrik wakker en ijlde hier heen om mijn gebed
op zijn graf te doen.” „Laat u die droom niet verontrusten, Heer!” zeide
de jood, „uw vader had u bij zijn leven lief als zijne oogappels. Het
is door de geheele stad bekend, dat gij een' zwaren rouw over hem hebt
gedragen; hoe zou hij dan na zijn' dood toornig op u kunnen zijn? Het
is mij een groote eer, dat gij den jood Izaäk veroorlooft, gemeenzaam
met u te spreken; mag ik u nog een woord zeggen?” Bedreddin Hassan gaf
een toestemmend teeken. „Wijlen de groot-vizier uw vader en mijn heer,
zaliger gedachtenis, heeft, dat weet ik, vele rijk geladen schepen in
zee, die u thans toebehooren; ik smeek u mij de voorkeur boven alle
andere kooplieden te geven. Ik ben in staat de lading van al uwe schepen
tegen kontant geld te koopen; en om een begin te maken, moest gij mij
de lading van het eerste uwer schepen, dat de haven binnenkomt, voor
duizend sequinen afstaan. Ik heb ze hier in eene beurs bij mij, en ben
bereid ze u vooruit te betalen.” Dit zeggende, haalde hij onder zijn
kleed eene groote beurs te voorschijn, met zijn cachet verzegeld, en
vertoonde die aan Bedreddin Hassan.

In den toestand, waarin deze zich bevond, verjaagd uit zijne
geboorteplaats, beroofd van alles, wat hij op de wereld had, beschouwde
hij dezen voorslag van den jood als eene gunst des hemels. Hij nam dien
dus met blijdschap aan. „Heer!” zeide nu de jood, „wij verstaan elkander
immers goed, gij geeft mij voor duizend sequinen de lading van het
eerste uwer schepen, dat deze haven zal binnenloopen?” „Ja, ik verkoop
u die voor duizend sequinen,” antwoordde Bedreddin Hassan, „en hiermede
is de zaak afgedaan.” De jood stelde hem nu onmiddelijk de beurs met
duizend sequinen ter hand, en bood aan die voor te tellen. Bedreddin
bespaarde hem die moeite, zeggende, dat hij hem wel vertrouwde. „Als
dat zoo is,” hernam de jood, „zoo heb de goedheid, heer ('t is maar bij
leven of sterven), mij van den door ons gesloten koop een schriftelijk
bewijs te geven.” Dit zeggende, nam hij uit den inktkoker, die aan zijn'
gordel hing, eene pen, benevens een strookje papier uit zijn zakboekje,
bood hem dit schrijfgereedschap aan, en leende zijn' rug tot lessenaar.
Bedreddin Hassan schreef nu deze woorden.

_„Dit geschrift dient tot bewijs, dat Bedreddin Hassan van Balsora
verkocht heeft aan den jood Izaäk, voor eene som van duizend sequinen,
die hij verklaart ontvangen te hebben, de lading van het eerste zijner
schepen, dat in deze haven zal binnenkomen._

                                    _Bedreddin Hassan van Balsora.”_

De jood, dit bewijs in zijn zakboekje gelegd hebbende, nam afscheid en
vervolgde, verblijd over een' zoo voordeeligen handel zijn' weg. Terwijl
Izaäk naar de stad ging, begaf Bedreddin Hassan zich naar het graf van
zijn' vader Noureddin Ali. Hier wierp hij zich met zijn aangezigt ter
aarde, en met de oogen vol tranen, klaagde hij over zijn ongelukkig lot.
„Helaas!” zuchtte hij, „ongelukkige Bedreddin, wat zal er van u worden?
Waar zult gij eene veilige schuilplaats vinden tegen de vervolgingen
van een' magtigen, maar onregtvaardigen vorst? Was het niet genoeg,
getroffen te worden door het verlies van een' geliefden vader? Moet ook
de fortuin mij den rug toekeeren en mijne smart vergrooten?” Lang bleef
hij in deze houding; doch eindelijk rigtte hij zich op, en met het hoofd
tegen de graftombe leunende, ging hij voort met klagen en zuchten, tot
dat de slaap magtiger werd dan zijne droefheid. Hij legde zich op de
zerk neder, strekte zich uit en sliep in.

Naauwelijks genoot hij het zoete van den slaap, toen een geest, die
zijn verblijf bij dag op het kerkhof hield, en den nacht gebruikte om
de wereld door te trekken, den jongeling gewaar werd bij de graftombe
van Noureddin Ali. Hij naderde, en daar Bedreddin op zijn' rug lag
te slapen, werd hij getroffen door de schoonheid van zijn gelaat.
„Ziedaar,” sprak de geest bij zich zelven, „in waarheid een engel uit
het paradijs, door Allah op aarde gezonden, om de wereld door zijne
schoonheid in verbazing te brengen.” Met deze gedachte bezield, ving hij
zijn' nachtelijken togt aan, en verhief zich hoog in de lucht, waar het
toeval hem eene toovergodin deed ontmoeten. Beiden groetten elkander, en
op de vraag van de toovergodin of hij ook iets nieuws wist, zeide hij:
„Indien gij mij wilt volgen naar het kerkhof, waarop ik mijn verblijf
houd, zoo zal ik u een natuurwonder laten zien, waarover gij u zult
verbazen.” De godin stemde toe, en in een oogenblik bevonden zij zich
op de aarde en bij de graftombe. „Welnu,” sprak de geest, haar op den
slapenden Bedreddin Hassan wijzende, „hebt gij ooit een schooner en
welgemaakter jongeling gezien dan deze?”

De toovergodin beschouwde Bedreddin met alle aandacht, en zich daarop
tot den geest wendende, gaf zij ten antwoord: „Ik moet u toestemmen, dat
hij zeer welgemaakt is; maar ik heb voor eenige oogenblikken te Caïro
iemand gezien, die in nog hoogere mate onze bewondering verdient. Hebt
gij lust mij aan te hooren, zoo zal ik er u meer van zeggen?” „Gij zult
mij daarmede verpligten,” antwoordde de geest. „Weet dan,” vervolgde
de toovergodin, „dat de sultan van Egypte een' groot-vizier heeft,
Schemseddin Mohammed genaamd. Deze vizier heeft eene achttienjarige
dochter, voorzeker de schoonste en bekoorlijkste maagd uit geheel
Egypteland. De sultan, met de uitstekende schoonheid van dit jonge
meisje bekend geworden, deed haar vader den groot-vizier vóór eenige
dagen ontbieden, en zeide tot hem: „Ik ben onderrigt, dat gij eene
huwbare dochter hebt, en ik wensch haar te huwen; gij zult mij zulks
immers wel toestaan?” De vizier, op een dusdanig voorstel niet bedacht,
geraakte eenigzins in verwarring, maar hij liet zich niet verblinden
door eene verbindtenis, die de meeste hovelingen voor eene groote eer
zouden hebben gerekend. „Sire!” antwoordde hij, „ik ben de eer niet
waardig, die uwe majesteit mij wil aandoen, en ik smeek haar zeer
onderdanig, mij van die gunst te verschoonen. Gij weet, sire, dat ik
een' broeder had, genaamd Noureddin Ali, die te gelijk met mij uw vizier
was. Wij kregen te zamen verschil, hetgeen ten gevolge had, dat hij
eensklaps verdween, zonder dat ik iets van hem kon te weten komen; eerst
vóór vier dagen heb ik vernomen, dat hij te Balsora als vizier van den
sultan aldaar overleden is. Hij heeft echter een' zoon nagelaten, en
daar wij ons vroeger verbonden hebben, onze kinderen te zamen te laten
trouwen (in de veronderstelling, dat wij die zouden krijgen), zoo ben
ik overtuigd, dat hij gestorven is met de gedachte aan dat huwelijk.
Daarom zou ik ook gaarne mijne belofte willen nakomen, en ik bezweer
uwe majesteit mij zulks te veroorloven. Er zijn aan dit hof vele
andere hovelingen, die volwassen dochters hebben, en die gij met
uwe verbindtenis kunt vereeren.” De sultan van Egypte was over deze
afwijzing en over de vrijmoedigheid van Schemseddin Mohammed zeer
gevoelig, en zich niet kunnende inhouden, zeide hij in toorn tot hem:
„Vergeldt gij op deze wijze de goedheid van uw' heer, die zich wil
vernederen om u tot schoonvader aan te nemen? Reken er op, dat ik mij
genoegdoening zal weten te verschaffen voor de voorkeur, welke gij aan
een ander boven mij, uw' heer, uw' meester en uw' weldoener, durft
geven. Ik zweer u, dat uwe dochter geen ander tot man zal hebben, dan de
geringste en de mismaaktste van mijne slaven.” Na deze woorden, zond hij
den vizier toornig weg. Deze keerde geheel verslagen en diep bedroefd
naar zijne woning terug.

Heden,” vervolgde de toovergodin, „heeft de sultan een' zijner
stalknechten bij zich doen komen, van voren en van achteren gebogcheld,
en zoo leelijk om er van te schrikken, en tot deze gezegd: „Ik heb
eene vrouw voor u.” Daarop heeft hij zijn' vizier ontboden, en dezen
gedwongen toe te stemmen in het huwelijk van zijne schoone dochter
met den gedrogtelijken slaaf; hij heeft het kontrakt in zijne
tegenwoordigheid doen opmaken en door getuigen laten onderteekenen. De
toebereidselen tot dezen bespottelijken echt zijn reeds gemaakt, en op
dit oogenblik bevinden zich al de slaven der Egyptische hovelingen, elk
met een' fakkel in de hand, aan de deur van het badhuis. Zij wachten
daar, tot dat de gebogchelde stalknecht uit het bad komt, om hem in
statigen optogt naar zijne echtgenoot te brengen, die reeds geheel
gekleed en gekapt is. Toen ik Caïro verliet, maakten de genoodigde
hofdames zich gereed de jonge vrouw, in vollen bruidstooi, naar de
zaal te geleiden, waar zij den gebogchelde ontvangen moet.”

Toen de toovergodin zweeg, zeide de geest tot haar: „Wat gij ook moogt
zeggen, zuster, ik kan niet gelooven, dat de schoonheid van die jonge
dame, die van dezen jongeling te boven gaat.” „Ik wil hierover niet met
u twisten,” hernam de nimf, „maar u gaarne bekennen, dat hij ten volle
waardig is, te trouwen met de schoone, welke voor dien bogchel bestemd
is. Het komt mij voor, dat wij eene goede daad zouden verrigten, als
wij ons verzetten tegen dezen onregtvaardigen dwang van den sultan, en
dezen jongman de plaats van dien mismaakten slaaf deden innemen.” „Gij
hebt gelijk,” hernam de geest, „en ik zeg u dank voor het gelukkige
denkbeeld, dat gij geopperd hebt. Ik stem er in toe; laat ons de wraak
van den sultan verijdelen, een' bedroefden vader troosten, en zijne
dochter zoo gelukkig maken, als zij nu meent beklagenswaardig te zijn.
Ik zal alle pogingen in het werk stellen om dit plan te doen gelukken,
in de overtuiging, dat gij mij behulpzaam zult zijn. Ik belast mij om
den jongeling, zonder dat hij ontwaakt, naar Caïro over te brengen, en
het blijft aan uwe zorg aanbevolen, om, als wij ons doel zullen bereikt
hebben, hem naar elders te vervoeren.”

Zoodra de toovergodin en de geest het aldus eens waren, nam de
geest Bedreddin zachtjes in zijne armen op, voerde hem met eene
onbegrijpelijke snelheid door de lucht, en legde hem neder voor de deur
van eene herberg in de onmiddelijke nabijheid van het bad, dat de
gebogchelde gereed was te verlaten met den slavenstoet, die op hem stond
te wachten.

Toen Bedreddin Hassan ontwaakte, wreef hij zich de oogen en, rond
ziende, was hij ten hoogste verbaasd, zich in eene hem onbekende stad te
bevinden. Hij wilde zich tot een' der omstanders wenden om te vragen,
waar hij was, doch de geest zijn oogmerk gissende, tikte hem op den
schouder zeide dat hij geen woord moest spreken, en gaf hem een' fakkel
in de hand. „Ga,” zeide hij, „meng u onder de slaven, die gij voor de
deur van dat badhuis ziet, en begeef u met hen in eene groote zaal, waar
men bruiloft houdt. De jong getrouwde man is een gebogchelde, zoodat gij
hem ligtelijk kunt kennen. Plaats u aan zijne regterzijde, en open de
beurs met sequinen, welke gij op uwe borst draagt, om den inhoud er van
gedurende den optogt onder de muzijkanten, dansers en danseressen uit te
strooijen. Als gij in de zaal zult zijn, verzuim dan niet het zelfde te
doen onder de slavinnen, welke de bruid omgeven, zoo dikwijls zij in uwe
nabijheid komen. Wees daarbij niet karig met uwe sequinen, maar strooit
ze met volle handen. Volg naauwkeurig, wat ik u gezegd hebt; draag zorg
uwe tegenwoordigheid van geest te bewaren; verwonder u over niets;
vreest niets en verlaat er u op, dat deze zaak door eene hoogere magt
in uw belang bestuurd wordt, en alzoo noodwendig een goed einde moet
hebben.”

De jonge Bedreddin, dus door den geest onderrigt omtrent hetgeen hij te
doen had, ging naar de deur van het badhuis, stak zijn' fakkel bij dien
van een' der slaven aan, mengde zich onder hen, even als of hij aan
eenig heer uit Caïro toebehoorde, stelde zich met hen in beweging, en
voegde zich bij den gebogchelde, die, uit het bad komende, een paard
besteeg uit de stallen van den sultan. Voorop gingen de muzijkanten, de
dansers en de danseressen, en Bedreddin Hassan deed nu en dan een' greep
in zijne beurs, en strooide zijne sequinen met milde hand uit. Hij deed
dit met zooveel bevalligheid en op zulk eene verpligtende wijze, dat
allen, die ze opraapten, de oogen op den strooijer vestigden, en hem zoo
welgemaakt en schoon vonden, dat zij hunne blikken niet meer van hem
konden afwenden.

Eindelijk bereikte men de woning van den vizier Schemseddin Mohammed,
die zeker niet vermoedde, dat zijn neef zich zoo digt in zijne nabijheid
bevond. De portiers, daar geplaatst om alle wanorde te voorkomen,
weigerden de slaven, die de fakkels droegen, binnen te laten. Zij wezen
zelfs Bedreddin Hassan af, maar de muzijkanten, voor wie de toegang
openstond, bleven staan, en verklaarden niet te zullen binnen gaan,
tenzij men ook Hassan toeliet. „Hij behoort niet tot het getal der
slaven,” zeiden zij, „gij behoeft hem slechts aan te zien, om daarvan
overtuigd te worden. Hij is buiten twijfel een jeugdig vreemdeling, die
zich uit nieuwsgierigheid bij ons heeft gevoegd, ten einde ooggetuige
te zijn van deze huwelijks-plegtigheden.” Dit zeggende, namen zij
hem in hun midden en drongen door zonder zich om den tegenstand der
deurwachters te bekommeren. Zij namen hem den fakkel af, gaven dien
aan den eersten slaaf den beste, en bragten hem vervolgens in de zaal,
waar zij hem plaats deden nemen naast den gebogchelde, die zich op een'
prachtigen troon nederzette, bij de dochter van den vizier.

De bruid was in hare kostbaarste kleederen gedost, maar op haar schoon
gelaat lag een waas van neêrslagtigheid, of liever eene doodelijke
droefheid verspreid, waarvan de reden niet moeijelijk te gissen was,
indien men slechts een' blik wierp op het gedrogt, dat aan hare zijde
zat, en hare liefde zoo weinig waardig was. De troon van deze zoo slecht
bij elkander passende echtgenooten was midden op eene groote sofa. De
vrouwen van de emirs, van de viziers en van de kamerheeren des sultans
zaten een weinig lager aan beide zijden, ieder naar haren rang, en allen
rijk en smaakvol gekleed, zoodat hare schoonheid op het voordeeligst
uitkwam, en men deze vrouwenschaar niet genoeg kon aanzien. Elk der
dames hield eene brandende waskaars in de hand.

Toen Bedreddin Hassan binnentrad, wierpen de dames een' blik op hem;
zijne vorstelijke houding en zijn schoon gelaat boeiden haar zoozeer,
dat zij de oogen niet van hem konden afhouden. Zoodra hij gezeten was,
bleef niet eene enkele terug, om hare plaats te verlaten en den schoonen
jongeling te naderen, ten einde hem van meer nabij te zien, en de meeste
der Caïrosche dames droegen, naar hare plaatsen terugkeerende, eene
teedere genegenheid in haar hart mede.

Het groote verschil tusschen Bedreddin Hassan en den gebogchelden
stalknecht liep zoo zeer in het oog, dat dit eene algemeene
ontevredenheid bij het gezelschap te weegbragt. „Aan dezen schoonen
jongeling,” riepen de dames, „en niet aan dien leelijken gebogchelde,
moest men onze bruid geven.” Het bleef daar niet bij, sommigen gingen
zoo ver zich in berispingen uit te laten tegen den sultan, omdat hij
zijne magt aldus misbruikte, door het schoone met het mismaakte te
vereenigen. Zij beschimpten den gebogchelde openlijk, en deden hem tot
groot vermaak van het gezelschap zijne bedaardheid verliezen. Het gelach
en gekuch, dat nu ontstond, bragt zelfs voor een oogenblik de muzijk tot
zwijgen.

Eindelijk begonnen de muzijkanten weder te spelen, en de vrouwen die
de bruid gekleed hadden, voegden zich bij haar, om haar te verkleeden,
hetgeen op de maat der instrumenten tot honderdmalen toe plaats had.

Telkens als de jonggehuwde van kleed had verwisseld, stond zij op en
ging, gevolgd door hare vrouwen, den gebogchelde voorbij, zonder hem
met een' blik te verwaardigen, terwijl zij staan bleef voor Bedreddin
Hassan, om zich aan hem in haren nieuwen tooi te vertoonen. De
gebogchelde meende razend te worden, en wierp haar nijdige blikken toe,
die hem nog afschuwelijker maakten. Dit had echter geen ander gevolg,
dan dat het gezelschap begon te lagchen. Inmiddels verzuimde Bedreddin
Hassan niet den raad van den geest te volgen, door zijne sequinen met
milde hand uit te strooijen onder de vrouwen, welke hare meesteres
vergezelden. Hij vergat ook de muzijkanten en de dansers niet, maar
wierp hun nu en dan een handvol sequinen toe. Het was vermakelijk om
te zien, hoe deze lieden elkander verdrongen, om de goudstukken op te
rapen. Zij betuigden hem bij herhaling hunnen dank, en gaven hem door
teekens hunnen wensch te verstaan, dat de jonggehuwde voor hem, en niet
voor den gebogchelde, bestemd mogt zijn. De vrouwen zeiden hem het
zelfde, zonder er zich om te bekommeren, of dit gehoord werd door den
gebogchelden stalknecht, wien zij menigen trek speelden, tot groot
vermaak der aanschouwers.

Toen de plegtigheid van het verwisselen der kleederen zoo dikwijls had
plaats gehad als gebruikelijk was, hielden de muzijkanten op met spelen
en verlieten de zaal, aan Bedreddin een teeken gevende, dat hij hen niet
volgen, maar blijven moest. De dames stonden mede op, en verwijderden
zich met allen die niet tot de huisgenooten behoorden. De bruid trad in
een zijvertrek, gevolgd door hare vrouwen, die haar moesten ontkleeden.
In de zaal bleven alleen de gebogchelde stalknecht, Bedreddin Hassan en
eenige bedienden. De gebogchelde, hevig gebeten op Bedreddin, die hem
den ganschen avond gehinderd had, zag hem van ter zijde aan, en vraagde
op barschen toon: „En gij, waar wacht gij op? Waarom vertrekt gij niet,
gelijk alle anderen? Pak u weg!” Daar Bedreddin geen voorwendsel
kon vinden om te blijven, zag hij zich in verlegenheid gebragt en
verwijderde zich. Naauwelijks echter bevond hij zich buiten de zaal, of
de geest en de toovergodin vertoonden zich en hielden hem tegen. „Waar
wilt gij heen?” vraagde de geest, „blijf gerust. De bogchel heeft de
zaal voor een oogenblik verlaten, keer terug, en begeef u naar de kamer
der bruid. Zoodra gij met haar alleen zijt, zeg' haar dan stout weg, dat
gij haar man zijt; dat de sultan geen ander voornemen heeft gehad, dan
zich ten koste van den gebogchelde te vermaken, en dat gij om dezen
gewaanden echtgenoot te vreden te stellen, hem in zijn' stal een' goeden
schotel room hebt laten toebereiden. Voeg er bij wat u voor den geest
zal komen om haar te overtuigen. Bij uw gunstig voorkomen zal u dit niet
moeijelijk vallen, en zij zal zich verheugen op eene zoo aangename wijze
bedrogen te zijn. Wij zullen inmiddels zorg dragen, dat de bogchel niet
terugkomt en u hindert.”

Terwijl de geest Bedreddin Hassan aldus aanmoedigde en hem onderrigtte,
wat hij doen moest, had de bogchel werkelijk de zaal verlaten. De geest
ging naar de plaats, waar heen hij zich begeven had, vertoonde zich
aan hem in de gedaante van eene groote zwarte kat, en begon op eene
verschrikkelijke wijze te maauwen. De gebogchelde stalknecht, de kat
willende verjagen, schreeuwde en klapte in de handen, doch in plaats van
de wijk te nemen, stelde zij zich op hare achterpooten, en zag hem met
vlammende oogen aan. Zij begon nog sterker te maauwen, en maakte zich
allengskens zoo groot als een ezelsveulen. Op dit gezigt wilde de
bogchel om hulp roepen, maar de schrik had hem zoo zeer bevangen,
dat hij met open mond bleef staan, zonder een enkel woord te kunnen
uitbrengen. Ten einde hem geen' tijd te geven om tot zich zelven te
komen, veranderde de geest zich terstond in een' buffel van vervaarlijke
grootte, en riep hem met brullende stem toe: „Leelijke bogchel!” Op deze
woorden viel de verschrikte stalknecht op den grond, bedekte zich het
hoofd met zijn kleed, ten einde het vreeselijke beest niet voor oogen te
hebben, en antwoordde bevende: „Opperste vorst der buffels, wat begeert
gij van mij?” „Wee u!” herhaalde de geest, „gij hebt de vermetelheid
gehad met mijne minnares te trouwen!” „Ach, mijn beste heer!” sprak de
bogchel, „ik smeek u mij te willen vergeven. Indien ik misdadig ben, dan
ben ik dit onwetend, want ik wist waarlijk niet, dat deze jonge dame
een' buffel tot minnaar had. Beveel wat u zal behagen, ik beloof u eene
onderdanige gehoorzaamheid.” „Bij hel en duivel!” riep de geest op
brullenden toon', „indien gij van hier gaat of uw' mond opent, vóór dat
de zon zal zijn opgegaan, of slechts een' kik geeft, zoo zal ik u den
kop verpletteren. Eerst als de zon op is, veroorloof ik u dit huis te
verlaten; maar doe het dan haastig en zonder achter u te zien. Zoo gij
de stoutheid hebt er immer weder een' voet in te zetten, zoo zijt gij
een man des doods.” Na deze woorden, nam de geest eene menschelijke
gedaante aan, greep den bogchel bij de beenen, zette hem op het hoofd
tegen den muur en vervolgde: „Indien gij u beweegt, vóór dat de zon is
opgegaan, gelijk ik u reeds gezegd heb, zoo zal ik u andermaal bij de
beenen nemen, en u tegen dezen muur den kop verpletteren.”

Doch laat ons thans tot Bedreddin Hassan terugkeeren. Aangemoedigd door
den geest en door de tegenwoordigheid van de toovergodin, was hij naar
de zaal teruggekeerd en onopgemerkt de bruidskamer binnen geslopen, waar
hij zich nederzette, in afwachting, hoe het zou afloopen. Na eenigen
tijd kwam de bruid, begeleid door eene oude vrouw, die bij de deur
staan bleef, en haar binnen liet, waarna zij de deur sloot, en vertrok.

De jonge echtgenoot was ten hoogste verrast, in plaats van den bogchel,
Bedreddin Hassan aan te treffen die zich met de grootste bevalligheid
aan haar voorstelde. „Hoe nu, lieve gast!” zeide zij, „gij hier en dat
op dit uur? Gij moet wel een groot vriend van mijn' man zijn.” „Neen,
mevrouw!” antwoordde Bedreddin, „ik behoor tot een' geheel anderen
stand, en heb met dien gebogchelden stalknecht geene verkeering.”
„Maar,” hernam zij, „weet gij wel, dat gij kwaad van mijn' echtgenoot
spreekt.” „Hij, uw echtgenoot, mevrouw!” hernam Hassan, „kondet gij
waarlijk zoo lang in dat denkbeeld verkeeren? Dwaal dan niet langer; zoo
vele volmaaktheden zijn niet bestemd om aan den verachtelijksten van
alle mannen te worden opgeofferd. Zie in mij den gelukkigen sterveling,
mevrouw! voor wien die bewaard zijn. De sultan heeft slechts zijn'
vizier, uw' geachten vader, eene poets willen spelen, en hij heeft mij
verkozen tot uw' wezentlijken echtgenoot. Gij hebt kunnen opmerken, hoe
de dames, de muzijkanten, de dansers, uwe vrouwen en al uwe huisgenooten
zich met deze komedie vermaakt hebben. Wij hebben den ongelukkigen
bogchel weggezonden, die op dit oogenblik in zijnen stal aan een'
schotel met room zit te smullen, waarmede hij zich troosten mag; want
gij kunt er staat op maken, dat hij u nimmer weder onder de oogen zal
komen.”

Na deze woorden veranderde het gelaat van de dochter des viziers. Bleek
en ontdaan, meer dood dan levend, was zij de bruidskamer binnengekomen;
maar thans verspreidde zich over haar aanminnig gelaat een blos van
vreugde, die haar zoo schoon maakte, dat Bedreddin geheel verrukking
werd. „Ik verwachtte zulk eene aangename verrassing niet,” zeide zij
op liefelijken toon, „integendeel ik dacht het overige van mijn leven
ongelukkig te zijn. Mijn geluk is echter thans zoo veel te grooter, daar
ik in u een' man zal bezitten, die mijne genegenheid ten volle waardig
is.” Dit gezegd hebbende, begaven zich beide ter rust.

Toen de jonge echtgenooten waren ingeslapen, zeide de geest tot de
toovergodin, welke hij weder had opgezocht, dat het thans tijd werd de
taak zij zoo goed aangevangen en bestuurd hadden, te voleinden. „Zorgen
wij nu,” ging hij voort, „dat de dag ons niet verrasse. Vervul thans uwe
taak en vervoer den jongen man, zonder hem wakker te maken.”

De nimf begaf zich in de kamer der gelieven, die beide in diepe rust
waren, nam Bedreddin Hassan op, en vloog, vergezeld door den geest, met
verwonderlijke snelheid naar Syrië tot voor de poort van Damaskus. Zij
kwamen er aan juist, toen de mahomedaansche priester het volk opriep tot
het morgengebed. De toovergodin legde Bedreddin bij de poort zachtjes op
den grond neder, en verwijderde zich met den geest.

Kort daarop werd de poort geopend, en de menschen, die hierop in grooten
getale wachtten, ten einde naar het veld te gaan, waren zeer verwonderd,
Bedreddin Hassan aldaar te zien liggen in zijn nachtgewaad. De een
zeide: „Hij heeft zeker zijn bed met zoo veel haast moeten verlaten,
dat hem de tijd ontbroken heeft om zich te kleeden.” „Zie,” sprak een
ander, „waartoe een mensch komen kan, als hij te diep in het glas
heeft gekeken; ik wil wedden, dat hij dronken is geweest; naar buiten
gegaan zijnde, heeft hij de deur niet terug kunnen vinden, is als een
nachtwandelaar voortgescharreld en hier voor de poort in slaap gevallen.
De koele nachtlucht zal hem wel goed gedaan en nuchteren gemaakt hebben;
stoot hem eens aan!” Anderen spraken er weder anders over; ieder had
wat te zeggen, maar niemand wist het regte. Juist ontblootte de wind
zijne borst, die witter was dan sneeuw. Alle omstanders waren zoo
verbaasd over deze bijzondere blankheid van vel, dat zij een' kreet
van verwondering slaakten, die den jongman deed ontwaken. Deze was
niet minder verwonderd, dat hij zich bevond bij de poort van eene
hem onbekende stad, en omringd werd door eene menigte, die hem met
nieuwsgierige blikken aanstaarde. „Mijne goede lieden,” zeide hij, „hebt
de goedheid mij te zeggen, waar ik ben, en wat gij van mij wilt hebben?”
Een uit hen nam het woord en antwoordde: „Jongeling! toen de poort
geopend werd, en wij ons naar buiten spoedden, vonden wij u in dezen
toestand. Hierover waren wij zoo verwonderd, dat wij zijn blijven staan
om naar u te zien. Hebt gij hier den nacht doorgebragt? En weet gij wel
dat gij aan eene der poorten van Damaskus zijt?” „Aan eene der poorten
van Damaskus!” herhaalde Bedreddin. „Gij drijft den spot met mij. Toen
ik mij dezen nacht ter rust begaf, was ik te Caïro.” „Het is jammer,”
zeiden eenige der omstanders op een' medelijdenden toon, „dat een zoo
welgemaakt jongeling zijn verstand heeft verloren.” En zij vervolgden
hun' weg.

„Mijn zoon,” sprak nu een goedhartige grijsaard, „gij bedenkt niet,
wat gij zegt, daar gij heden morgen te Damaskus zijt, hoe kunt gij dan
gisteren avond te Caïro geweest zijn, dat meer dan zestig dagreizen van
hier ligt. Dat is immers onmogelijk?” „En evenwel is het waarheid,”
bragt Bedreddin in, „even waar, als dat ik gisteren den ganschen dag te
Balsora heb doorgebragt.” Naauwelijks had hij dit gezegd, of allen, die
nog waren blijven staan, borsten uit in schaterend gelach; terwijl
sommigen riepen: „Het is een gek, het is een gek! Wat luisteren wij
langer naar hem.” Eenigen echter beklaagden hem om zijne jeugd, en een
man uit de menigte vooruit tredende, zeide tot hem: „Mijn zoon, gij moet
niet bij uw verstand zijn, want gij weet niet wat gij zegt; is het
mogelijk dat iemand gedurende den dag te Balsora, des nachts te Caïro,
en des morgens te Damaskus zijn kan? Gij zijt zeker nog niet goed
wakker; neem uwe zinnen eens bijeen.” „Wat ik u gezegd heb,” hernam
Bedreddin Hassan, „is even waar, als dat ik gisteren avond in de stad
Caïro met de dochter van den groot-vizier getrouwd ben.” Allen, die
vroeger gelagchen hadden, schaterden het nu uit. „Gij zult dat alles
gedroomd hebben, mijn zoon!” hernam de zelfde geduldige man, die hem
reeds had toegesproken, „en nu staan die beelden u nog levendig voor den
geest.” „Ik weet heel goed, wat ik zeg,” hernam Bedreddin, „maar zegt
gij mij dan, hoe het mogelijk is, dat ik in den droom naar Caïro ben
gegaan, waar men mijne echtgenoot, telkens in een nieuw kleed gedost,
tot zevenmalen aan mij heeft voorgesteld; en hoe ik eindelijk een'
afschuwelijken bogchel gezien heb, dien men haar tot man wilde geven,
en hoe niet hij, maar ik bij de bruid ben toegelaten. Verklaar mij ook,
wat er van mijn kleed, van mijn' tulband en van de beurs met sequinen is
geworden, die ik te Caïro had.”

Hoewel Bedreddin aldus bij herhaling verzekerde, dat al deze zaken
werkelijk zoo waren, dreven echter allen, die hem aanhoorden, er den
spot mede en lachten hem uit. Dit bragt hem zoo in de war, dat hij
eindelijk zelf niet meer wist, wat hij gelooven moest, van al hetgeen
hem was overkomen. Na eenigen tijd stond hij op, en ging de stad in,
gevolgd door de menigte, onder het geschreeuw van: „Een gek, een gek!”
Op dit geroep zag men hier een hoofd uit het venster steken, daar eene
deur open gaan, en anderen zich aansluiten bij degenen, die Bedreddin
omgaven, en even luid riepen: „Een gek, een gek!” zonder dat zij eens
wisten, wat er van de zaak was. Aldus voortgaande, kwam hij voorbij de
woning van een' pasteibakker, die juist zijn' winkel opende. Hij nam een
spoedig besluit en trad binnen, ten einde zich aan de schreeuwende
volksmenigte te onttrekken.

De pasteibakker was vroeger aanvoerder geweest van een troep stroopende
Arabieren, die er hun werk van maakten, om de karavanen uit te
plunderen, en ofschoon deze rooverhoofdman, sedert hij zich te Damaskus
had gevestigd, een bedaard leven leidde, en aan niemand reden tot klagen
gaf, was hij echter bij allen, die hem kenden, gevreesd. Het gevolg
hiervan was, dat een enkele donkere blik, dien hij op de volksmenigte
wierp, voldoende was, om die uit een te doen gaan. De pasteibakker
ziende, dat het volk zich verwijderde, deed den jongman, die in
zulk eene zonderlinge kleeding eene toevlugt bij hem had gezocht,
onderscheidene vragen; onder anderen, wie hij was, en hoe hij in zulk
een' vreemden toestand te Damaskus kwam. Bedreddin Hassan verborg
voor hem noch zijne geboorte, noch den dood van zijn' vader, den
groot-vizier. Hierop verhaalde hij hem, waarom hij Balsora had verlaten,
en hoe hij, na den vorigen nacht op de graftombe van zijn' vader in
slaap te zijn geraakt, zich bij zijn ontwaken te Caïro had bevonden,
alwaar hij eene zeer schoone jonge dame gehuwd had, en eindelijk, hoe
groot zijne verbazing was, toen hij zich naar Damaskus verplaatst zag,
zonder den sleutel van al deze wonderlijke gebeurtenissen te kunnen
vinden.

„Uwe geschiedenis is inderdaad zeer wonderlijk,” zeide de pasteibakker,
„doch indien gij mijn' raad wilt volgen, zoo spreek tegen niemand van
alles, wat gij mij thans hebt medegedeeld. Wacht geduldig af, tot dat
het den Hemel behagen zal, deze raadsels op te lossen en uwe rampen te
doen ophouden. Even als op regen, zonneschijn volgt, zoo komen ook na
treurige, vrolijke dagen. Gij kunt niet beter doen, dan bij mij te
blijven, tot dat die gelukkiger tijd voor u zal zijn aangebroken; en
daar ik geene kinderen heb, en uw voorkomen mij behaagt, zoo ben ik
bereid u, indien gij er in toestemt, tot zoon aan te nemen. Dan kunt gij
vrij door de stad gaan, zonder dat gij voor beleedigingen van het volk
behoeft te vreezen; want men heeft ontzag voor mij.”

Ofschoon nu deze aanneming tot kind van een' pasteibakker juist geene
eer was voor den zoon van een' groot-vizier, besloot echter Bedreddin
dit voorstel niet af te slaan. Hij oordeelde te regt, dat hij in den
ongelukkigen toestand, waarin hij verkeerde, niet te kiesch op het
punt van eer moest zijn. De pasteibakker liet hem behoorlijk kleeden,
nam getuigen mede, en legde voor den kadi de verklaring af, dat hij
Bedreddin Hassan tot zoon aannam. De jonge man bleef nu bij zijn'
aangenomen vader inwonen onder den eenvoudigen naam van Hassan, en
leerde het pasteibakken.

Terwijl dit te Damaskus voorviel, ontwaakte de dochter van Schemseddin
Mohammed, en Bedreddin aan hare zijde missende, meende zij, dat hij was
opgestaan, zonder haren slaap te willen storen, en dat hij wel spoedig
zou terugkomen. Zij wachtte nog op zijne terugkomst, toen haar vader,
de vizier Schemseddin Mohammed, verontwaardigd, over de beleediging,
welke hij geloofde van den sultan van Egypte ondergaan te hebben, aan
de deur van hare kamer tikte, met voornemen om haar treurig lot met
haar te beweenen. Hij riep zijne dochter bij haren naam, en zij, zijne
stem herkennende, haastte zich om op te staan en hem open te doen. Zij
kuste haren vader de hand, en ontving hem met een zoo blij gelaat, dat
de vizier, die verwachtte haar in tranen te zullen vinden, daarover ten
hoogste verbaasd werd. „Ongelukkige!” riep hij toornig uit, „verschijnt
gij aldus voor mij? Kunt gij, na het vreeselijke offer, dat gij hebt
moeten brengen, mij zulk een blij gelaat toonen?”

Toen de jonge vrouw zag, dat haar vader haar de vreugde verweet, waarvan
zij blijken gaf, zeide zij: „Lieve vader, bespaar mij, bid ik u, zulke
onverdiende verwijten. Ik ben niet met den gebogchelden stalknecht, dien
ik tot in den afgrond verwensch, ik ben niet met dat afschuwelijke
monster gehuwd. Men heeft hem zoo beschimpt en in verlegenheid gebragt,
dat hij gedwongen werd zich in zijn' stal te gaan verbergen, en dat
hij plaats heeft moeten maken voor een' schoonen jongeling, die mijn
ware echtgenoot is.” „Welk een fabeltje vertelt gij mij daar,” viel
Schemseddin Mohammed toornig in, „hoe, de bogchel zou niet uw man zijn?”
„Neen, vader,” antwoordde zij, „ik heb niemand anders tot man, dan den
jongeling met zijne schoone oogen en groote gitzwarte wenkbraauwen, van
wien ik u gesproken heb.” Op deze woorden verloor de vizier het geduld,
en voer in toorn tegen zijne dochter uit: „Onwaardige! wilt gij mij het
verstand doen verliezen met uwe laffe sprookjes?” „Gij zijt het, vader,”
hernam zij, „die mij zinneloos zoudt maken door uwe ongeloovigheid.”
„Het is dus niet waar,” hernam de vizier, „dat de bogchel....”

„Ach! laten wij den bogchel daar,” viel zij met drift in, „verwenscht
zij dat wezen! Zal ik dan altoos van dien bogchel hooren spreken? Ik
herhaal u nogmaals, vader, niet hij, maar de lieve man, van wien ik
u zoo even sprak, en die niet verre van hier kan zijn, is mijn man
geworden.” Schemseddin Mohammed, nu niet meer wetende, wat hij er van
denken moest, verliet het vertrek van zijne dochter, om dien lieven man
met zijne schoone oogen en gitzwarte wenkbraauwen, indien hij niet in
haren droom, maar in wezentlijkheid bestond, te gaan opzoeken; doch in
plaats van hem te ontmoeten, vond hij, tot zijne niet geringe verbazing,
den bogchel, die met het hoofd omlaag en de beenen omhoog tegen den muur
stond, in de zelfde houding, waarin de geest hem geplaatst had. „Wat
moet dit beteekenen?” vraagde hij, „wie heeft u in dezen toestand
geplaatst?” De gebogchelde, den vizier herkennende, gaf hem ten
antwoord: „Ach! gij zijt het dan, die mij wildet doen trouwen met de
minnares van een' buffel, het liefje van een' kwaadaardigen geest? Ik
zal zoo dwaas niet zijn, en gij zult mij niet beet hebben.”

Toen Schemseddin Mohammed den gebogchelde op dergelijke wijze hoorde
spreken, dacht hij, dat deze raaskalde, en zeide tot hem: „Keer je om,
en ga op je beenen staan, slaaf!” „Ik zal er mij wel voor wachten,”
hernam de gebogchelde stalknecht van den sultan, „eerst moet de zon zijn
opgegaan. Toen ik gisteren avond hier heen ging, stond er plotseling
eene zwarte kat voor mij, op zijne achterpooten, en met oogen, die als
kolen vuur glommen. Ik wilde haar wegjagen, maar ja wel, zij bleef, en
maakte zich van lieverlede zoo groot als een buffel. Ik heb nog niet
vergeten, wat deze tot mij gezegd heeft. Daarom, ga aan uwe bezigheden,
en laat mij hier.” In plaats van hieraan te voldoen, nam de vizier hem
bij de beenen, en zette hem met een' snellen draai op zijne voeten.
Terstond nam nu de bogchel een loopje en ijlde het huis uit zonder
achterom te zien, juist zoo als de geest hem had bevolen. Hij liep naar
het paleis en liet zich bij den sultan van Egypte aandienen, aan wien
hij, tot groot vermaak van dien vorst, zuchtende zijn beklag deed over
de behandeling, welke hij van den geest had ondergaan.

Schemseddin Mohammed nog meer in het onzekere gebragt, over hetgeen er
gebeurd was, keerde naar het vertrek van zijne dochter terug. „Welnu,
bedrogene dochter!” zeide hij, „kunt gij mij geene nadere inlichting
geven omtrent een voorval, dat mij verbaast en in verwarring brengt?”
„Heer,” antwoordde zij, „ik kan u niets anders mededeelen, dan hetgeen
ik reeds de eer heb gehad, u te zeggen. Maar zie hier de kleeding van
mijn' echtgenoot, welke hij op dezen stoel heeft achtergelaten.
Misschien kan zij u de opheldering geven, waarnaar gij verlangt.”
Dit zeggende bood zij haren vader den tulband van Bedreddin aan. De
vizier bezag hem naauwkeurig. „Ik zou hem,” zeide hij, „voor een'
viziers-tulband houden, indien hij niet naar de mode van Moussoul was.”
Bemerkende, dat er iets tusschen de stof en de voering zat, vraagde hij
eene schaar, en de voering losgetornd hebbende, vond hij een toegevouwen
papier. Dit was het geschrift, dat Noureddin Ali op zijn sterfbed
aan zijn' zoon Bedreddin had gegeven, die het, om het te zekerder te
bewaren, in zijn' tulband verborgen had. Toen Schemseddin Mohammed het
papier geopend had, herkende hij terstond het schrift van zijn' broeder
Noureddin Ali, en las dit opschrift:

                 _„Voor mijn' zoon Bedreddin Hassan.”_

Vóór dat hij over deze zaak kon nadenken, stelde zijne dochter hem
tevens de beurs ter hand, welke zij onder het kleed van haren man
gevonden had. Hij opende ook deze; die nog vol sequinen was, want hoe
mild Bedreddin Hassan ook was geweest, de geest en de toovergodin hadden
gezorgd, dat de beurs altoos gevuld was gebleven. Schemseddin las op een
briefje, dat aan de beurs gespeld was:

         _„Duizend sequinen toebehoorende aan den jood Izaäk.”_

En daar onder, hetgeen door den jood was geschreven, alvorens hij van
Bedreddin Hassan scheidde:

_„Terhandgesteld aan Bedreddin Hassan, voor de aan mij verkochte lading
van het eerste zijner schepen, dat de haven zal binnenloopen, en welke
schepen vroeger het eigendom waren van zijn' vader Noureddin Ali,
zaliger gedachtenis.”_

Toen de vizier deze woorden gelezen had, gaf hij een' gil en viel in
onmagt. Zoodra hij door de hulp van zijne dochter en van hare vrouwen,
welke zij geroepen had, weder bij zijne kennis kwam, zeide hij tot
haar: „Lieve dochter! verontrust u niet, over hetgeen mij is overkomen.
Als ik u zal gezegd hebben, wat daartoe aanleiding gaf, zult gij mij
naauwelijks kunnen gelooven. Verneem dan, dat dit geschrift mij het
bewijs geeft, dat uw' echtgenoot de eenige zoon van mijn' jongeren en
thans overleden broeder Noureddin Ali is. De duizend sequinen, die in
deze beurs zijn, herinneren mij een' twist, dien ik met dezen broeder
gehad heb; zij zijn ongetwijfeld bestemd tot een huwelijksgift, die hij
u doet toekomen. Allah zij geloofd!” Vervolgens sloeg hij de oogen op
het schrift van zijn' broeder, kuste dit herhaalde malen en bevochtigde
het met zijne tranen. „Ach!” riep hij uit, „mogt ik even als dit
geschrift van zijne hand, dat mij zoo veel vreugde schenkt, ook dien
lieven broeder zelven voor mij hebben, om mij met hem te kunnen
verzoenen.”

Hij las nu het geschrevene geheel door, en vond daarin de dagteekeningen
van de aankomst zijns broeders te Balsora, van diens huwelijk en van
de geboorte van Bedreddin Hassan. Het waren de zelfde dagen van zijn
huwelijk en van de geboorte zijner dochter te Caïro. Hij overwoog
daarbij, dat zijn neef werkelijk, zoo als hij eens met zijn' broeder
gedweept had, zijn schoonzoon was, en gaf zich geheel aan de vreugde
over. Hij nam het geschrift en het opschrift van de beurs, en begaf
zich daarmede naar den sultan. De vorst was zoo verrast over deze
onvoorziene gebeurtenis, dat hij zijn' vizier weder in genade aannam,
en zijne geschiedenis in geschrift liet brengen, opdat zij voor de
nakomelingschap bewaard mogte blijven.

Intusschen kon Schemseddin Mohammed zich de zonderlinge verdwijning van
zijn' neef en schoonzoon niet begrijpen, en na hem gedurende zeven dagen
te vergeefs terug te hebben verwacht, deed hij door geheel Caïro naar
hem zoeken. Maar hoeveel moeite hij zich gaf, hij kon niets van hem
vernemen. Dit baarde den vizier eene groote ongerustheid; wat reden kon
Bedreddin hebben, zijne schoone jonge vrouw dus te verlaten; was het
vrees voor den sultan, die hem naar elders de wijk had doen nemen? Hij
wist het niet, en moest de oplossing van dit raadsel aan de toekomst
overlaten.

In de onzekerheid, wat in het vervolg zou kunnen plaats hebben, achtte
de vizier het noodig, het voorgevallene op te teekenen, tot zelfs de
staat van zijne huishouding, de wijze waarop de zaal en de bruidskamer
van zijne dochter gemeubeld waren, en alles wat verder op dit
zonderlinge huwelijk betrekking had. Ook maakte hij van den tulband, de
beurs en de verdere kleedingstukken van Bedreddin een pakje en sloot dit
zorgvuldig weg.

Eenige maanden na haar huwelijk kreeg de dochter van den vizier een'
zoon. Men gaf het kind eene min, en vrouwen en slavinnen om het op te
passen. Zijn grootvader gaf hem den naam van Agib. Toen de jonge Agib
zijn zevende jaar had bereikt, zond de vizier Schemseddin Mohammed hem,
in plaats van een' huisonderwijzer te nemen, naar de school bij een'
leermeester, die in een' zeer goeden naam stond. Twee slaven moesten hem
dagelijks naar school brengen en terughalen. Agib was een levendige
jongen; hij speelde gaarne met zijne schoolmakkers, en daar deze allen
in rang beneden hem stonden, waren zij zeer voorkomend jegens hem. Zij
regelden zich daarbij naar den leermeester, die bij het kleinzoontje van
den vizier veel door de vingers zag, wat hij bij hen niet ongestraft
liet. Deze blinde toegevendheid, welke zoowel de meester als de
scholieren voor hem hadden, was voor Agib hoogst nadeelig; hij werd
daardoor hoogmoedig en vol dwaze inbeelding. Hij verlangde, dat zijne
makkers alles van hem moesten verdragen, zonder dat hij van hen iets
wilde verduren. Hij speelde bij elke gelegenheid den baas, en zoo een
zijner schoolkameraden den moed had zich tegen zijne dwingelandij te
verzetten, dan wierp Agib hem allerlei beleedigingen naar het hoofd, ja,
somtijds ontzag hij zich niet, hem te slaan. In één woord, hij werd zoo
onverdragelijk voor zijne medescholieren, dat zij zich gezamentlijk over
hem bij den leermeester beklaagden. Deze vermaande hen in den beginne,
om geduld met hem te hebben; maar toen hij zag, dat Agib daardoor in
het kwade gestijfd werd, en toen ook hij eindelijk het geduld begon te
verliezen, zeide hij tot zijne leerlingen: „Kinderen! ik zie wel, dat
Agib een onverbeterlijke en moedwillige knaap is. Ik wil u daarom een
middel aan de hand geven, waardoor gij hem zoo beschamen zult, dat hij u
daarna niet meer zal plagen; ik denk zelfs niet, dat hij weder school
zal komen. Als hij morgen komt, en gij te zamen zult spelen, vormt dan
een' kring om hem, en een uit u moet hardop zeggen: „Wij willen gaan
spelen, jongens, maar onder beding, dat allen, die wenschen mede te
doen, den naam van hunne ouders moeten opgeven. Die dit niet doen, mogen
niet met ons medespelen.””

Zoodra zij den volgenden morgen allen bijeen waren, omringden zij Agib,
en een van hen het woord opvattende, riep: „Laat ons gaan spelen,
jongens! maar onder beding, dat hij die den naam van zijne ouders niet
weet te noemen, niet mag medespelen.” „Goed zoo!” riepen allen en ook
Agib zelf. De knaap, die het voorstel gedaan had, ging nu den kring rond
en deed den eenen na den anderen de genoemde vraag. Allen voldeden
hieraan, uitgenomen Agib, die ten antwoord gaf: Ik heet Agib, mijne
moeder wordt genoemd, Parel van Schoonheid, en mijn vader, Schemseddin
Mohammed, vizier van den sultan. De scholieren barstten in een
schaterend gelach uit, en riepen: „Neen, neen, het is uw grootvader, en
gij moogt niet met ons spelen. Wij willen zelfs niet met u omgaan!” Dit
zeggende, verwijderden zij zich, bespotten hem, en gingen voort onder
elkander te lagchen. Agib werd zoo beschaamd over hunne spotternijen,
dat hij in tranen uitbarstte.

De leermeester, die alles afgeluisterd en aangehoord had, ging nu
naar den schreijenden knaap en zeide tot hem: „Agib, weet gij dan nog
niet, dat de vizier Schemseddin Mohammed uw vader niet is? Hij is uw
grootvader, de vader van uwe moeder, Parel van Schoonheid. De naam van
uw' vader is ons even onbekend als u; wij weten alleen, dat de sultan
uwe moeder heeft willen uithuwelijken aan een' gebogchelden stalknecht,
maar dat een geest zijne plaats bij uwe moeder heeft ingenomen. Dit is
ongelukkig voor u, en moet u leeren in het vervolg uwe schoolmakkers met
minder trotschheid te behandelen.”

Agib, gevoelig voor de plagerijen van zijne makkers, en niet bevredigd
door hetgeen de meester tot hem gezegd had, verliet norsch de school en
liep weenende naar huis. Hij ging dadelijk naar de kamer zijner moeder,
welke ontstelde, toen zij hem zoo droevig zag, en met aandrang naar de
reden daarvan vraagde. Hij kon slechts met half afgebroken woorden en
met tranen antwoorden, zoo overstelpt van droefheid was de knaap. Zijne
moeder moest hare vraag verscheidene malen herhalen, eer hij zich in
staat bevond, haar de beschamende reden van zijn schreijen mede te
deelen. „En,” vervolgde hij met drift, „zeg mij dan nu toch, moeder, als
ik u bidden mag, wie is mijn vader?” „Wel, kind,” antwoordde zij, „hoe
kunt gij nu zoo vragen, dit is immers de vizier Schemseddin Mohammed,
die zoo goed voor u is.” „Gij zegt mij de waarheid niet,” bragt Agib
in, „dat is mijn vader niet, maar de uwe. Maar wie is mijn vader?” Deze
vraag herinnerde de viziersdochter aan haren bruidsnacht, die door
een' zoo langen weduwe-staat gevolgd was, en zij kon hare tranen niet
bedwingen, bij de gedachte aan het grievende verlies van zulk een'
beminnelijken echtgenoot als Bedreddin.

Terwijl moeder en zoon om het hardst weenden, trad Schemseddin Mohammed
binnen, en wilde de reden van deze droefheid weten. Zijne dochter zeide
hem, welke beleediging Agib op de school ondervonden had, en de vizier,
hierover zeer getroffen, mengde zijne tranen met de hunne. Tevens
begreep hij, dat men in het openbaar niet meer met lof van zijne dochter
sprak. Dit denkbeeld alleen maakte den hooghartigen man wanhopig; hij
ging onverwijld naar het paleis van den sultan, wierp zich aan zijne
voeten, deelde hem het gebeurde mede, en verklaarde, dat het hem
onverdragelijk was te moeten hooren, dat de geheele stad de echtgenoot
van zijne dochter voor een geest hield. Hij smeekte hem uit dien hoofde
zeer eerbiedig naar Balsora en omliggende landen te mogen reizen, om
zijn' neef Bedreddin Hassan op te zoeken. De sultan nam deel in de smart
van zijn vizier, billijkte die, stond hem het gevraagde verlof toe en
liet hem gaan met den wensch, dat hij zijn doel mogt bereiken. Den
volgenden dag zond de sultan hem een' open brief, waaraan hij zijn
grootzegel gehecht had, en waarin hij de vorsten en overheden van de
plaatsen, waar Bedreddin zich mogt ophouden, verzocht hem aan zijn'
vizier uit te leveren.

Schemseddin Mohammed kon geene woorden genoeg vinden om den sultan voor
zijne goedheid, naar waarde, dank te zeggen. Hij wierp zich andermaal
voor de voeten van zijn' vorst neder, en de tranen, die in zijne oogen
stonden, waren de getrouwe getuigen van zijne opregte dankbaarheid.
Eindelijk nam hij afscheid van den sultan, na hem alle mogelijke heil te
hebben toegewenscht.

Toen de vizier in zijne woning terugkwam, was hij op niets anders
bedacht, dan om alles voor de reis gereed te maken. Hij wendde hierbij
zoo veel spoed aan, dat hij reeds den vierden dag vertrok, vergezeld
door zijne dochter Parel van Schoonheid en door zijn' kleinzoon Agib.

Schemseddin Mohammed sloeg den weg naar Damaskus in, en reisde negentien
dagen door, zonder zich ergens op te houden; maar op den twintigsten dag
eene schoone en grasrijke vlakte in de nabijheid van Damaskus bereikt
hebbende, liet hij daar zijne tenten opslaan aan den kant eener rivier,
welke midden door de stad liep, en wier oevers zeer vruchtbaar waren. De
vizier gaf te kennen, dat hij in deze schoone landstreek twee dagen rust
wilde houden, en dat hij eerst den derden dag de reis naar Balsora zoude
voortzetten.

Inmiddels gaf hij aan zijn gevolg verlof, Damaskus te bezoeken. Bijna
allen maakten hiervan gebruik; sommigen uit nieuwsgierigheid, anderen om
er de waren, die zij uit Egypte hadden medegebragt, te verkoopen. Parel
van Schoonheid verlangde, dat ook haar zoon Agib het genoegen mogt
smaken, die vermaarde stad te bezigtigen, en beval zijn' gouverneur,
een' zwarte, hem derwaarts te vergezellen en goed zorg te dragen, dat
hem niets kwaads overkwam.

Agib, prachtig uitgedost, begaf zich op weg met den slaaf, die een'
dikken rotting in de hand had. Zij waren naauwelijks binnen de stad
gekomen, of Agib, die zeer schoon was, trok aller aandacht tot zich.
Sommigen der bewoners verlieten hunne huizen om hem van meer nabij te
zien, anderen staken het hoofd uit de vensters, en zij, die hem op
straat ontmoetten, bleven niet alleen stilstaan, maar velen volgden hem,
ten einde hem langer te kunnen gadeslaan. Om kort te gaan, iedereen
bewonderde hem en noemde den vader en de moeder, die zulk een schoon
kind bezaten, duizendmaal gelukkig. Het toeval bragt den slaaf en Agib
voor den winkel van Bedreddin Hassan, en hier was de toeloop van volk
zoo groot, dat zij genoodzaakt waren te blijven staan.

De pasteibakker, die Bedreddin Hassan tot zoon had aangenomen, was
reeds voor eenige jaren overleden, en had hem zijn' winkel en al zijne
goederen nagelaten. Bedreddin was dus thans eigenaar van den winkel, en
hij kweet zich zoo goed van zijn beroep, dat hij door geheel Damaskus
als pasteibakker beroemd was. Toen hij zoo veel volk voor zijne deur
zag en bespeurde, dat aller oogen op den zwarten slaaf en Agib gerigt
waren, nam hij hen naauwkeurig op, vooral Agib, bij wiens aanblik hij
ontroerde.

Bedreddin Hassan werd echter niet zoo zeer getroffen door de
verblindende schoonheid van dit kind, zoo als de volksmenigte, een
teederder en onverklaarbaar gevoel greep hem aan; het was de stem des
bloeds, die in zijn hart sprak, zonder dat hij zich daarvan reden kon
geven. Op eene zoo onverklaarbare wijze aangetrokken, verliet hij zijne
bezigheden, naderde Agib, en zeide op innemenden toon tot hem: „Schoone
jongeling! Gij hebt mijn hart gewonnen; bewijs mij de gunst, in mijn'
winkel te komen en iets van mijn gebak te proeven, opdat ik het genoegen
smake, u op mijn gemak te aanschouwen.” Hij sprak deze woorden met zoo
veel vaderlijke teederheid, dat de tranen hem in de oogen kwamen. De
kleine Agib werd er door getroffen, en zich tot den slaaf wendende,
zeide hij: „Die goede man spreekt op zulk een' innemenden toon, dat ik
gaarne aan zijn verzoek zou voldoen. Laat ons bij hem binnen gaan, en
zijn gebak proeven.” „Het zou wat moois zijn,” antwoordde de slaaf, „dat
gij, de zoon van een' vizier, een' banketbakkers-winkel zoudt binnen
gaan, om u te laten onthalen. Meen niet, dat ik zulks zal toestaan.”
„Inderdaad, jongeling!” riep thans Bedreddin Hassan, „het is wel
hard, dat men u iemand tot leidsman heeft gegeven, die u met zoo veel
gestrengheid behandelt! En gij, goede vriend!” vervolgde hij, zich tot
den slaaf wendende, „vergun dezen jongen heer mij de gunst te bewijzen,
waarom ik hem verzocht heb; bedroef mij niet, door u daartegen te
verzetten. Bewijs mij liever de eer, met hem binnen te komen; gij zult
daardoor toonen, dat, al is uw vel zoo bruin als een kastanje, gij van
binnen blank zijt. Weet gij wel, dat ik de kunst versta,” ging hij
schertsende voort, „uwe zwarte huid blank te maken.” De slaaf begon te
lagchen en vroeg Bedreddin, hoe hij dat zou aanleggen. „Dat zal ik u
zeggen,” antwoordde hij, zeide vervolgens een vers op, tot lof van de
zwarte slaven, er bijvoegende, dat door hunne waakzaamheid de eer werd
gehandhaafd, zoowel van den sultan als van de vorsten en grooten des
rijks, die anders gemakkelijk bedrogen konden worden. De slaaf was met
dit lofdicht op zijn ras zeer ingenomen, en ging zonder langer het
verzoek van Bedreddin te weerstreven, met Agib den winkel binnen.

Bedreddin Hassan was zeer verblijd, toen hij zijn' wensch vervuld zag,
en zijn werk weder opnemende, zeide hij: „Ik ben bezig met roomtaartjes
te maken; gij moet mij de gunst bewijzen er eenigen te proeven; ik ben
zeker, dat gij ze voortreffelijk zult vinden, want mijne moeder, welke
dit uitnemend verstond, heeft mij geleerd, die te bereiden, en men
komt ze van wijd en zijd bij mij halen.” Bij deze woorden nam hij eene
roomtaart, zoo warm uit den oven, strooide er suiker en granaat-korrels
over en bood haar Agib aan, die ze overheerlijk vond. De zwarte slaaf,
aan wien Bedreddin mede zijn deel gaf, was van het zelfde gevoelen.

Terwijl beide zaten te eten, sloeg Bedreddin Hassan zijn' jeugdigen gast
met de grootste aandacht gade, en hem aanziende, kwam de gedachte bij
hem op, dat hij misschien ook wel zulk een' zoon had bij de bekoorlijke
gade, van welke hij op zulk een wreede wijze was gescheiden. Dit
denkbeeld deed hem de tranen in de oogen komen. Hij was voornemens aan
Agib eenige vragen te doen over de oorzaak van zijne reis naar Damaskus;
maar het kind had den tijd niet zijne nieuwsgierigheid te bevredigen,
daar de slaaf hem herinnerde, dat zij naar het kamp van zijn' grootvader
moesten terugkeeren, en, zoodra zij gegeten hadden, stond hij op en
vertrokken zij. Bedreddin Hassan vergenoegde zich met hen na te zien,
hij sloot haastig zijn' winkel, en volgde hen van nabij.

Toen zij aan de poort der stad kwamen, had Bedreddin hen ingehaald.
De slaaf hem ziende, zeide toornig: „Lastig mensch! wat verlangt gij
van ons?” „Goede vriend,” antwoordde Bedreddin, „word niet boos. Ik
herinnerde mij, dat ik buiten de stad eene boodschap te verrigten had,
die ik thans wil doen.” Dit antwoord bevredigde echter den zwarte niet,
en zich tot Agib wendende, zeide hij: „Dat hebt gij mij nu op den hals
gehaald. Ik heb wel voorzien, dat mijne inschikkelijkheid mij berouwen
zou. Gij wildet volstrekt den winkel van dien man binnen gaan, en ik ben
dwaas genoeg geweest, u dit te veroorloven.” „Misschien,” zeide Agib,
„heeft hij werkelijk iets buiten de stad te doen, en de wegen zijn
immers voor ieder vrij!” Hierop gingen zij voort, zonder om te zien, tot
dat zij in de nabijheid der tenten van den vizier kwamen, toen keerden
zij zich om, ten einde te zien, of de pasteibakker hen nog altoos
volgde. Agib bemerkende, dat hij naauwelijks twee schreden van hen
verwijderd was, werd door ontroering beurtelings rood en bleek. Hij was
beducht, dat zijn grootvader, de vizier, zou vernemen, dat hij bij een'
banketbakker was ingegaan en daar gegeten had. Door deze vrees gedreven,
raapte hij een' grooten steen op, die voor zijne voeten lag, en wierp
dien den lastigen vervolger vlak voor het hoofd, zoodat diens gelaat
met bloed overdekt werd. „Gij hebt slechts uw verdiend loon,” sprak
de slaaf, „wat behoeft gij ons te volgen.” En Agib een' wenk gevende,
liepen beide snel van daar, tot dat zij het kamp bereikt hadden.
Bedreddin keerde naar de stad terug, en zocht het bloed, dat uit zijne
wonde liep, met zijn voorschootje, dat hij in der haast had aangehouden,
te stelpen. „Ik heb ongelijk gehad,” mompelde hij in zich zelven, „mijn
huis te verlaten, om dit kind bang te maken, want hij zou mij zoo niet
hebben behandeld, als niet de gedachte bij hem was opgekomen, dat ik
iets kwaads in den zin had.” Te huis komende, liet hij zijne wonde
verbinden, en troostte zich over dit ongeval, met de gedachte, dat zich
op de wereld eene menigte menschen bevonden, die vrij wat ongelukkiger
waren dan hij.

Terwijl Bedreddin Hassan alzoo zijn beroep van pasteibakker te Damaskus
bleef uitoefenen, vertrok zijn oom Schemseddin Mohammed op den derden
dag weder van daar, en reisde over Aleppo, waar hij den Euphraat
overtrok, door Mesopotamië, naar Balsora. Terstond bij zijne aankomst
liet hij bij den sultan gehoor verzoeken. Deze, onderrigt van den hoogen
rang, dien Schemseddin Mohammed aan het hof van Egypte bekleedde,
ontving hem zeer vriendelijk, en vraagde hem naar de oorzaak van zijne
reis naar Balsora. „Sire!” antwoordde de vizier Schemseddin Mohammed,
„ik ben hier gekomen, om onderzoek te doen naar het verblijf van den
zoon mijns broeders Noureddin Ali, die de eer gehad heeft uwe majesteit
te dienen.” „Reeds lang is Noureddin Ali overleden,” gaf de sultan ten
antwoord. „Wat zijn' zoon betreft, al wat men er u van zeggen kan is,
dat hij, omstreeks twee maanden na den dood zijns vaders, plotseling
is verdwenen, en dat men hem sedert niet terug heeft gezien, hoeveel
moeite ik mij ook heb gegeven, om hem te doen opsporen. Zijne moeder
echter, welke de dochter is van een' mijner viziers, is nog in leven.”
Schemseddin verzocht hem nu verlof haar te mogen zien, en haar, indien
zij daar niet tegen had, mede naar Egypte te nemen. De sultan stemde
hierin toe, en Schemseddin, niet tot den volgenden dag willende
uitstellen, wat hij zoo vurig verlangde, liet zich de woning van zijne
schoonzuster wijzen, en ging haar onmiddelijk een bezoek brengen,
vergezeld door zijne dochter, Parel van Schoonheid, en door zijn'
kleinzoon Agib.

De weduwe van Noureddin Ali woonde nog altijd in het huis, dat haar
man tot zijn' dood betrokken had. Het was een zeer schoon gebouw, met
marmeren kolommen versierd; maar Schemseddin Mohammed hield zich niet
op, om het te bewonderen. Bij zijne komst zag hij bij de deur eene
marmeren plaat, waarop de naam van zijn broeder met gouden letters te
lezen stond. Zijn gemoed schoot vol, en hij kuste dien dierbaren naam.
Hij liet zich vervolgens bij zijne schoonzuster aandienen. Eene slavin
zeide hem, dat zij in den koepel was, die midden in den prachtigen tuin
stond, en welke zij hem aanwees. Inderdaad, deze teedere moeder had de
gewoonte een groot gedeelte van den dag in dezen koepel door te brengen,
dien zij had doen bouwen tot grafmonument voor haren geliefden Bedreddin
Hassan, welken zij, na zoo lang te vergeefs, op zijne terugkomst gewacht
te hebben, als dood beweende. Ook thans zat zij het verlies van dien
beminden zoon te betreuren, en Schemseddin Mohammed trof haar aan in
eene diepe droefgeestigheid. Hij groette haar, en na haar verzocht te
hebben, die tranen en zuchten te bedwingen, maakte hij zich bekend
als haar schoonbroeder, en zeide haar ook de reden, die hem had
bewogen Caïro te verlaten en naar Balsora te reizen. Hij deelde zijne
schoonzuster mede, wat te Caïro in den bruidsnacht zijner dochter
was voorgevallen, en hoe verwonderd hij geweest was, toen hij het
handschrift zijns broeders in den tulband van diens zoon Bedreddin had
gevonden; waarop hij haar zijn' kleinzoon Agib en zijne dochter, Parel
van Schoonheid, voorstelde.

Toen de weduwe van Noureddin Ali vernam, dat de geliefde zoon, dien
zij reeds zoo lang als dood betreurd had, nog wel in leven kon zijn,
verspreidde zich een glans van hoop en van vreugde over haar gelaat. Zij
stond op, breidde met moederlijke teederheid de armen naar Parel van
Schoonheid uit, en kon niet ophouden Agib te omhelzen en te liefkozen,
in wien zij de trekken van haren zoon Bedreddin Hassan herkende:
„Mevrouw,” zeide nu Schemseddin Mohammed, „gij ziet, dat thans de tijd
daar is, om uw rouwgewaad af te leggen, uwe tranen te droogen en om u
gereed te maken ons naar Egypte te vergezellen. De sultan van Balsora
heeft mij vrijheid gegeven, u met mij te nemen; en ik twijfel niet,
of gij zult daarin toestemmen, zonder dat ik u juist stellig kan
beloven, dat wij uw' zoon, mijn waarden neef, zullen wederzien. Mogt
dit gebeuren, dan zullen onze lotgevallen waardig zijn beschreven te
worden, en voor de nakomelingschap bewaard te blijven.”

De weduwe van Noureddin Ali hoorde dit voorstel met genoegen aan, en
liet dadelijk alle toebereidselen tot haar vertrek maken. Intusschen
verzocht Schemseddin Mohammed een tweede gehoor bij den sultan, om
afscheid van hem te nemen. Deze vorst overlaadde hem met eerbewijzen, en
gaf hem een kostbaar geschenk mede voor den sultan van Egypte. Daags
daarop verliet de vizier Balsora, en nam andermaal zijn' weg over
Damaskus.

Toen Schemseddin Mohammed in de nabijheid van Damaskus kwam, liet hij
zijne tenten opslaan voor de poort, waarbij zij aankwamen, en besloot
aldaar drie dagen te vertoeven, om zijn gevolg en zijne lastdieren
te laten uitrusten, en tevens een en ander te koopen, wat hem het
geschiktst zou voorkomen, om den sultan van Egypte, zijn' heer, aan te
bieden.

Terwijl de vizier zich onledig hield met het uitzoeken der kostbaarste
en zeldzaamste stoffen, welke de voornaamste kooplieden van Damaskus hem
in zijn kamp kwamen voorleggen, verzocht Agib, den zwarten slaaf, zijn'
leidsman, om met hem naar de stad te gaan, zeggende, dat hij de vorige
keer toch lang niet alles had kunnen bezien, en dat hij ook gaarne iets
zou willen vernemen van den pasteibakker, dien hij met een' steen gewond
had, en waarvan hij altijd nog spijt had gehad. De slaaf stemde hierin
toe, en ging met Agib naar de stad, toen deze van zijne moeder daartoe
verlof had gekregen. Zij gingen door de paleispoort, die het digtst
bij het kamp van den vizier Schemseddin Mohammed was, de stad in. Zij
bezochten al de markten en bazars, waar de schoonste en rijkste stoffen
waren uitgespreid; tevens bezagen zij de oude moskee der Ommiaden, juist
toen de geloovigen tot het middaggebed werden opgeroepen en in menigte
daarheen stroomden. Ten laatste kwamen zij ook voorbij den winkel van
Bedreddin Hassan, die weder druk bezig was, met roomtaartjes te maken.
„Gegroet,” zeide Agib, „bekijk mij eens en gij zult u herinneren, dat
gij mij niet voor de eerste maal ziet.” Bij deze woorden sloeg Bedreddin
de oogen op hem, en (o wonderlijke kracht van vaderlijk gevoel!) hij
werd, toen hij hem herkende, even ontroerd als de vorige maal. Hij stond
een' geruimen tijd, zonder een woord te kunnen uitbrengen. Eindelijk
tot zich zelven gekomen, zeide hij: „Schoone jongeling! bewijs mij
nogmaals de gunst met uw' leidsman in mijn' winkel te komen en van mijne
roomtaartjes te proeven. Ik smeek u, mij te vergeven, dat ik u zoo
lastig ben gevallen door u tot buiten de stad te volgen; ik was mij
zelven geen meester, en wist niet, wat ik deed. Gij trekt mij evenzeer
als de noordpool de magneet, zonder dat ik mij rekenschap kan geven van
mijne genegenheid, of liever van een mij onbekend teeder gevoel.”

Agib, verwonderd over hetgeen de pasteibakker zeide, gaf ten antwoord:
„Uwe vriendschaps-betuigingen zijn overdreven, en ik wil niet in uw huis
komen, of gij moet u met een' eed verbinden, mij niet weder te zullen
volgen. Indien gij mij dat belooft en als eerlijk man uw woord houdt,
kom ik u morgen weder bezoeken, terwijl de vizier, mijn groot-vader,
zich bezig houdt met inkoopen te doen voor een geschenk aan den sultan
van Egypte.” „Mijn goede jongeheer!” hernam Bedreddin Hassan, „ik zal
alles doen, wat gij mij zult bevelen.” Op deze verzekering van den
pasteibakker traden Agib en de slaaf den winkel binnen.

Bedreddin haastte zich hun eene roomtaart voor te zetten, welke niet
minder keurig was, dan die van vroeger. „Kom,” zeide Agib, „zet u naast
mij, en eet met ons.” Bedreddin liet zich dit geen tweemaal zeggen, hij
nam plaats naast Agib, en strekte de armen uit, om hem te omhelzen.
„Zacht wat,” sprak de kleinzoon van den vizier, hem wegduwende, „gij
wordt te gemeenzaam en uwe vriendschap is al te hartelijk. Wees blij,
dat ik bij u kom, en gij mij moogt onthalen.” Bedreddin gehoorzaamde,
en begon tot lof van Agib een lied te zingen, hetwelk hij zoo maar op
het eigen oogenblik vervaardigde. Overigens at of dronk hij niet, maar
hield zich uitsluitend bezig zijne gasten te bedienen. Toen zij met
eten gedaan hadden, bood hij hun een bekken met water aan, om zich te
wasschen, en een zeer fijn servet om de handen af te droogen. Hij kreeg
vervolgens eene kan met sorbet, goot daarvan een gedeelte in eene fijne
porceleinen kom, verkoelde dezen drank met ijs, en bood Agib de kom aan,
zeggende: „Proef dezen drank eens, het is sorbet, zoo heerlijk als deze
elders in de geheele stad niet te krijgen is.” Agib dronk met smaak, en
gaf de kom aan den pasteibakker terug, die ze nu ook den slaaf aanbood.
Goed voorgaan, doet goed volgen, zegt het spreekwoord; maar de zwarte
liet het daar niet bij. Hij verbeterde het werk van zijn' jongen
meester, en dronk met lange teugen, tot dat de laatste droppel uit de
kom was verdwenen.

Geheel verzadigd, verlieten Agib en de zwarte den winkel van hunnen
gullen en vriendelijken gastheer, en spoedden zich voort; want, terwijl
zij praatten, aten en dronken, was de tijd voorbij gevlogen, zoodat het
meer dan tijd voor hen was, om naar het kamp terug te keeren. Daar Agib
naar zijne moeder wilde gaan, opdat zij gerust mogt wezen, dat hij in
welstand uit de stad was teruggekeerd, rigtten zij zich, toen zij het
kamp van Schemseddin Mohammed bereikt hadden, het allereerst naar de
tent der vrouwen. De grootmoeder van Agib was ten hoogste verblijd, dat
zij hem terug zag, en hem met tranen in de oogen omhelzende, zeide zij:
„O mijn zoon! hoe groot zou mijn geluk wezen, indien ik ook uw' vader
Bedreddin Hassan zoo aan mijne borst mogt drukken!” Daar de tijd voor
den avondmaaltijd aangebroken was, zette men zich aan tafel, en Agib
moest naast zijne grootmoeder zitten, die hem een groot stuk roomtaart
op zijn bord legde. Ook den zwarte bood zij van haar gebak aan; maar
beide waren nog zoo verzadigd, dat zij niets meer gebruiken konden. Agib
brak een klein stukje af van hetgeen hem voorgezet was, en schoof toen
het overige weg, even als of hij er geen smaak in vond. Schaban (dus
heette de slaaf) handelde even zoo.

De weduwe van Noureddin Ali zag met weêrzin hoe weinig smaak haar
kleinzoon in hare taart vond. „Hoe, mijn zoon!” zeide zij, „versmaadt
gij aldus het door mij zelve toebereide gebak? Hoe kan dat mogelijk
zijn, daar ik u verzeker, dat niemand, behalve ik en uw' vader Bedreddin
Hassan, aan wien ik mijn geheim heb medegedeeld, in staat is zulke
lekkere roomtaarten te maken.” „O! lieve grootmoeder!” riep Agib
onbedachtzaam, „veroorloof mij u te zeggen, dat, indien gij geene
lekkerder roomtaarten kunt maken dan deze, er hier in de stad een
pasteibakker woont, die u in deze kunst overtreft. Wij hebben er zoo
even eene bij hem gegeten, die onverbeterlijk was.”

Op deze woorden zag de weduwe van Noureddin Ali den zwarte donker aan.
„Wat is dat, Schaban!” sprak zij toornig, „heeft men u het toezigt over
mijn' kleinzoon opgedragen, om met hem bij een' pasteibakker te gaan
eten, gelijk dit de burgerlieden doen?” „Mevrouw!” antwoordde de slaaf,
„wij hebben wel een' banketbakker ontmoet, en een kort onderhoud met hem
gehad, maar dit is geheel iets anders dan bij hem in te gaan en daar te
eten.” „Gij vergist u,” viel Agib in, „wij zijn wel degelijk in zijn'
winkel geweest, en hebben heerlijk van zijne roomtaart gegeten; mij
dunkt, zij smaakt mij nog goed!” Zonder een woord meer te zeggen, stond
nu de weduwe van Noureddin Ali van tafel op, en begaf zich naar de tent
van Schemseddin Mohammed, aan wien zij in niet zeer zachte woorden het
wangedrag van den slaaf mededeelde.

Schemseddin Mohammed, opvliegend van karakter, stond dadelijk op, liep
naar de tent van zijne schoonzuster, en een' toornigen blik op den slaaf
werpende, zeide hij: „Gij ellendeling! Maakt gij op deze wijze misbruik
van het in u gestelde vertrouwen!” Schaban, hoewel hij het getuigenis
van Agib tegen zich had, bleef echter de daad loochenen. Maar het kind
hield het tegendeel staande. „Grootvader!” zeide hij tot Schemseddin
Mohammed, „ik verzeker u, dat wij er beide zoo goed gegeten hebben,
dat wij het avondmaal wel kunnen missen. De pasteibakker heeft ons
daarenboven op eene groote kom sorbet onthaald.” „Hoort gij dit wel,
onbeschaamde slaaf,” riep de vizier, „zult gij nu nog ontkennen, dat
gij met mijn' kleinzoon bij den pasteibakker gegeten hebt?” Schaban
hield vol en zwoer, dat het niet waar was. „Gij zijt een hardnekkige
leugenaar,” zeide nu de vizier, „ik geloof mijn' kleinzoon meer dan u.
Niettemin, indien gij deze roomtaart die hier op tafel staat, in mijne
tegenwoordigheid opeet, zoo zal ik overtuigd zijn, dat gij mij de
waarheid gezegd hebt.”

Schaban, hoewel meer dan verzadigd, onderwierp zich aan deze proef;
hij nam een stuk van de roomtaart, maar moest het weder uit zijn'
mond nemen, daar het hem onmogelijk was het te eten. Hij loog echter
al voort, zeggende, dat hij den vorigen dag wat veel had gegeten en
daardoor ongesteld was. De vizier, vergramd over deze aaneenschakeling
van onwaarheden (want hij hield zich overtuigd van de schuld des
slaafs), deed hem nu op den grond werpen en stokslagen geven. Bij deze
gevoelige kastijding kon men de zwarte een kwartier uur ver hooren
schreeuwen. Zij perste hem dan ook de bekentenis der waarheid af.
„Genade, genade!” riep hij uit, „het is waar, dat wij bij een'
pasteibakker eene roomtaart gegeten hebben, en dat deze honderdmaal
lekkerder was dan die, welke hier op tafel staat.” De weduwe van
Noureddin Ali meende, dat Schaban de taart van den pasteibakker alleen
daarom boven de hare stelde, om haar te kwellen. Zij besloot er zich
van te overtuigen, en zeide tot hem: „Ik kan niet gelooven, dat de
roomtaartjes van dien pasteibakker beter zouden zijn dan de mijnen. Ik
wil weten, wat daarvan is. Gij weet zijne woning; ga terstond derwaarts,
en haal mij eene roomtaart.” Dit zeggende, liet zij den slaaf geld
geven, en hij vertrok om zijne boodschap te verrigten. „Nu zal dat
wijf, dat mij een pak slagen bezorgd heeft, beschaamd worden,” mompelde
Schaban in zich zelven, en den winkel van Bedreddin binnentredende,
groette hij hem, en zeide: „Goede vriend, hier is geld. Eene onzer
dames wil gaarne uwe roomtaarten proeven, omdat zij niet kan gelooven,
dat gij ze zoo lekker kunt bakken; geef er mij dus eene, en gij zult
uwe vermaardheid daarin bevestigen.” Bedreddin had juist nog warme en
versche, en zocht er de beste uit. „Neem deze,” zeide hij tot den slaaf,
„ik sta er voor in, dat zij overheerlijk is, en dat niemand ter wereld
ze dus kan maken, dan ik en mijne moeder, die misschien nog in leven
is.” Schaban haastte zich met zijne roomtaart naar het kamp, en bood
ze glimlagchende de weduwe van Noureddin Ali aan, als ware hij zeker
ditmaal in het gelijk gesteld te zullen werden. De weduwe brak nu een
stukje van de taart af, doch naauwelijks had zij dit in den mond
gestoken en geproefd, of zij gaf een' gil en viel in onmagt.

Schemseddin Mohammed, hierbij tegenwoordig, was zeer verbaasd over deze
uitwerking: hij haastte zich echter zijne schoonzuster ter hulp te
snellen, en besprenkelde haar gelaat met water. Zoodra de weduwe van
Noureddin Ali weder tot zich zelve kwam, riep zij in vervoering uit:
„Geloofd zij Allah! niemand kan deze taart gemaakt hebben, dan mijn
zoon, mijn lieve zoon Bedreddin Hassan van Balsora.”

Deze uitroep van zijne schoonzuster baarde den vizier Schemseddin
Mohammed eene groote vreugde; maar weldra bedenkende, hoe
onwaarschijnlijk het was, dat Bedreddin Hassan en de pasteibakker, die
deze taart had gebakken, een en de zelfde persoon was, zeide hij tot
haar: „Zuster, hoe komt gij toch op die gedachte? Kan er op de wereld
geen pasteibakker zijn, die even goede roomtaarten kan maken, als uw
zoon?” „Ik ontken niet,” antwoordde zij, „dat er misschien pasteibakkers
zullen zijn, die dat kunnen; doch daar ik ze op eene bijzondere wijze
maak, en dit geheim aan niemand dan aan mijn' zoon bekend is, zoo ben ik
ook ten volle overtuigd, dat hij en niemand anders deze taart gemaakt
heeft. Verheugen wij ons, broeder!” vervolgde zij in hare blijdschap,
„wij hebben eindelijk gevonden, wien wij zoo lang vergeefs zochten.”
„Zuster,” hernam de vizier, „wat ik u verzoeken mag, matig deze
blijdschap; wij zullen weldra weten wat wij daarvan moeten gelooven.
Wij behoeven den pasteibakker slechts hier te laten komen. Is hij dan
Bedreddin Hassan, zoo zult gij en mijne dochter hem spoedig herkennen.
Maar het is noodig, dat gij beide u verborgen houdt en hem ziet, zonder
door hem ontwaard te worden; want ik wil niet, dat deze herkenning te
Damaskus plaats hebbe. Mijn plan is, zulks uit te stellen tot onze
terugkomst te Caïro, waar ik mij voorstel u allen eene even verrassende
als aangename ontmoeting te verschaffen.”

Dit gezegd hebbende, liet Schemseddin Mohammed de vrouwen in hare tent,
en begaf zich naar de zijne. Hier ontbood hij vijftig mannen van zijn
gevolg, en beval hun het volgende: „Neem ieder een' knuppel en volg
Schaban, die u in deze stad hij een' pasteibakker brengen zal. In
diens winkel moet gij alles aan stukken slaan en verbrijzelen. Wil de
pasteibakker weten, om welke reden en op wiens bevel gij dit doet, zoo
vraagt hem slechts, of hij niet de roomtaart heeft gebakken, welke
kort te voren door Schaban bij hem is gehaald. Beantwoordt hij zulks
toestemmend, zoo moet gij u van zijn' persoon meester maken, en hem goed
gekneveld bij mij brengen. Neemt u echter in acht, hem niet het minste
leed te doen. Gaat en verliest geen' tijd.”

Het bevel van den vizier werd trouw nagekomen. Zijne bedienden, met
stokken gewapend en geleid door den zwarten slaaf, begaven zich met
spoed naar de woning van Bedreddin Hassan, drongen den winkel binnen en
begonnen alles aan stukken te slaan, wat hun voorkwam: schotels, ketels,
bakpannen, konfituurpotten, vazen enz., zoodat er in zijn' winkel, als
het ware, eene overstrooming plaats had van sorbet, room en konfituren.
Bedreddin Hassan, de weerlooze getuige van dezen moedwil, was ten
hoogste verbaasd en ontsteld. „Goede lieden,” sprak hij op smeekenden
toon, „waarom handelt gij dus met mijn goed? Wat heb ik gedaan?” „Hebt
gij niet de roomtaart gemaakt, die gij aan dezen zwarte hebt verkocht?”
zeiden zij. „Ja, ik zelf heb die gemaakt en gebakken,” gaf hij ten
antwoord, „wat heeft men er op te zeggen? Ik daag iedereen uit, wie
het ook zijn moge, eene betere te maken.” In plaats van hierop te
antwoorden, gingen zij voort alles stuk te slaan, zelfs de oven bleef
niet gespaard.

Inmiddels kwamen de buren op het gerucht toeloopen. Zij waren
niet weinig verwonderd, dat een vijftigtal met stokken gewapende
vreemdelingen zulk eene verwoesting aanrigtten en vraagden naar de
oorzaak van deze gewelddadigheid. Bedreddin wendde zich nogmaals tot de
plunderaars: „Zegt mij, wat ik u bidden mag,” sprak hij, „welke misdaad
heb ik bedreven, dat gij hier dus huishoudt en alles vernielt, wat ik
bezit?” „Hebt gij niet,” antwoordden zij, „de roomtaart gemaakt, welke
gij aan dezen slaaf verkocht hebt?” „Ja,” hernam hij, „die man ben ik,
en ik houd staande, dat de taart goed was, en ik de onregtvaardige
behandeling, welke gij mij aandoet, niet verdien.” Zonder hem langer
aan te hooren, maakten zij zich nu van zijn' persoon meester, rukten
het linnen van zijn' tulband af, bonden hem daarmede de handen op den
rug, sleurden hem uit zijn' winkel, en voerden hem in hun midden weg.

De bijeengestroomde menigte, medelijden met Bedreddin hebbende, trok nu
echter zijne partij en trachtte hem te ontzetten. Doch op dien oogenblik
verscheen de wacht van den gouverneur der stad, dreef het volk uiteen,
en bevorderde op die wijze de uitvoering van Bedreddin. De reden hiervan
was, dat Schemseddin Mohammed zich naar den gouverneur van Damaskus had
begeven, en hem zijne volmagt van den sultan van Egypte vertoond had.
De gouverneur, die in naam van den Egyptischen sultan het gebied over
geheel Syrië voerde, aarzelde geen ogenblik aan het bevel van zijn' heer
te voldoen, en zoo werd Bedreddin, niettegenstaande zijne klagten en
zijn geschreeuw, door de lieden van Schemseddin Mohammed weggevoerd en
naar diens tent gebragt. Hier liet men hem onder goede bewaking, tot dat
de vizier van zijn bezoek bij den gouverneur van Damaskus zou
terugkomen.

Zoodra Schemseddin in zijn kamp terugkwam, vraagde hij naar den
pasteibakker. Tot antwoord bragt men den gevangene voor hem. „Heer!”
sprak Bedreddin met tranen in de oogen, „ik bid u, mij te zeggen, waarin
ik u beleedigd heb?” „Ha, ongelukkige!” antwoordde de vizier, „zijt gij
het niet, die de roomtaart gemaakt hebt, welke men bij u gehaald heeft?”
„Die man ben ik,” zeide Bedreddin, „maar welke misdaad steekt daarin?”
„Ik zal u naar verdiensten doen straffen,” hernam Schemseddin Mohammed,
„gij hebt het leven verbeurd, omdat gij zulk eene slechte roomtaart
gebakken en verkocht hebt.” „Bij Allah!” riep Bedreddin, „wat moet ik
hooren? Is het dan eene zoo groote misdaad eene slechte taart te bakken,
indien gij ze dan toch voor slecht wilt houden?” „Ja,” antwoordde de
vizier, „en gij hebt van mij niets anders dan den dood te wachten.”
Onder dit gesprek beschouwden de vrouwen, die in een aangrenzend
gedeelte van de tent verborgen waren, Bedreddin met aandacht, en hoewel
zij hem in zoo vele jaren niet gezien hadden, herkenden zij hem echter
dadelijk. Hare vreugde was zoo groot, dat zij in zwijm vielen. Toen zij
weder tot zich zelve gekomen waren, wilden zij Bedreddin omhelzen, doch
de belofte, welke zij aan den vizier gedaan hadden, van zich niet te
vertoonen, weerhield haar, aan dit verlangen toe te geven.

Daar Schemseddin besloten had nog dien zelfden nacht te vertrekken, deed
hij de tenten opbreken en de wagens in gereedheid brengen. Bedreddin
werd in een' grooten reiskoffer, waarin men eenige luchtgaten gemaakt
had, gesloten, en op den rug van een' kameel geladen. Zoodra dit alles
gereed was, begaf men zich op weg en reisde het overige van den nacht en
den volgenden dag zonder ophouden door. Eerst den daarop volgenden avond
liet de vizier halt houden. Bedreddin Hassan werd nu uit zijne enge
gevangenis bevrijd, ten einde eenig voedsel te gebruiken, waarbij men
echter zorg droeg, hem buiten het gezigt van zijne moeder en van zijne
vrouw te houden. Zoodra men weder op weg ging, werd hij op nieuw in
zijn' koffer gesloten. Op deze wijze handelde men met hem gedurende de
twintig dagen, dat de reis duurde.

Toen men Caïro naderde, liet de vizier Schemseddin Mohammed zijne
tenten in den omtrek der stad opslaan, en Bedreddin andermaal voor
zich brengen. Daarop een' timmerman ontboden hebbende, zeide hij tot
dezen, in tegenwoordigheid van den ongelukkigen gevangene: „Ga, haal
hout, en rigt mij eene galg op!” „Wel, Heer!” sprak Bedreddin bevende,
„wat denkt gij met die galg uit te rigten?” „U er aan op te hangen,”
antwoordde de vizier, „en u zoo de gansche stad te laten ronddragen,
terwijl men voor u uit zal roepen: „Zie hier, hoe men handelen moet met
een' onwaardigen pasteibakker, die roomtaarten maakt zonder er peper in
te doen.”” „Groote hemel!” riep thans Bedreddin Hassan, op een' zoo
koddig jammerenden toon, dat Schemseddin Mohammed moeite had ernstig te
blijven, „omdat ik geene peper in eene roomtaart gedaan heb, zal men mij
zulk een' wreeden en schandelijken dood doen ondergaan!”

Bedreddin Hassan hield niet op met klagen. „Helaas!” vervolgde hij, „hoe
is het mogelijk, dat men in mijne woning alles vernielt en stuk slaat,
mij als gevangene in een' koffer opsluit, en mij nu aan de galg wil
hangen, alleen, omdat ik geene peper in eene roomtaart gedaan heb?
Regtvaardige hemel! Wie heeft ooit zoo iets gehoord! Zijn dat daden
van Muzelmannen, van lieden, die zich op vroomheid en geregtigheid
beroemen?” Bij deze woorden borst hij in tranen uit, tot hij weder
zijn kermen liet hooren. „Neen, nooit werd iemand zoo gestreng en zoo
onregtvaardig behandeld! Kan het mogelijk zijn, dat men een' mensch het
leven beneemt, omdat hij geene peper in eene roomtaart heeft gedaan?
Verwenscht mogen dan alle roomtaarten zijn, en verwenscht het uur,
waarin ik geboren werd! Mogt het den hemel behagen, dat ik op dit
oogenblik stierve!”

De troostelooze Bedreddin hield niet op met jammeren; en toen men de
galg bragt, en er hem aan vast wilde maken, schreeuwde hij het uit.
„O Allah!” kreet hij, „kunt gij toelaten, dat ik dus schandelijk en
smartelijk zal sterven? En voor welke misdaad? Het is niet om diefstal
of doodslag, of om het verloochenen van mijn geloof; het is om niets
anders dan, omdat ik in eene roomtaart geene peper gedaan heb!”

Daar het inmiddels donker was geworden, liet Schemseddin Mohammed zijn
schoonzoon Bedreddin weder in den koffer sluiten, en riep hem toe:
„Blijf daar tot morgen; die dag zal echter niet ten einde zijn, of gij
zult de doodstraf ondergaan hebben.” Terstond daarna gaf de vizier
last om op te breken en het was reeds geheel donker, toen hij te paard
gezeten, aan het hoofd van zijn gevolg, Caïro binnentrok met den kameel,
die den koffer droeg, waarin zijn neef zich bevond. Op dit late uur
waren er bijna geene menschen op straat, zoodat Schemseddin Mohammed
zijne woning bereikte, zonder dat er eenigen toeloop van volk plaats
had. Zoodra hij zich ten zijnent bevond, werd de koffer afgeladen en op
eene door den vizier aangewezen plaats gebragt, met streng verbod hem
zonder zijn bevel te openen.

Terwijl nu zijn gevolg de kameelen ontlaadde, nam de vizier de moeder
van Bedreddin Hassan en zijne dochter alleen, en zeide tot haar: „Allah
zij geloofd, mijne dochter, dat Hij ons zoo ongedacht uw' neef en man
heeft doen wedervinden. Gij zult u waarschijnlijk nog kunnen herinneren,
hoe uwe slaapkamer er uitzag, toen gij er den eersten huwelijksnacht
doorbragt; ga en laat alles weder in de zelfde orde brengen als zulks
toen geweest is. Mogt gij dit soms niet goed meer weten, zoo behoeft gij
mij slechts te vragen, want ik heb alles opgeteekend. Ik zal voor al het
overige zorg dragen.” Parel van Schoonheid deed met blijdschap, wat haar
vader bevolen had, en terwijl zij hiermede bezig was, droeg de vizier
zorg de groote zaal juist zoo te laten inrigten, als toen zich Bedreddin
Hassan daar bevond met den gebogchelden stalknecht van den sultan van
Egypte. Van het geschrift, waarop hij zijne aanteekeningen had, las
hij zijnen dienstboden voor, hoe en waar zij elk meubelstuk moesten
plaatsen. De troon en ontstoken waskaarsen werden hierbij niet vergeten,
en toen de zaal het zelfde feestelijk aanzien verkregen had, als voor
tien jaren, begaf Schemseddin Mohammed zich naar de kamer van zijne
dochter. Ook daar alles gereed vindende, legde hij de kleederen en de
beurs met sequinen van Bedreddin weder op den stoel vóór het bed. Hierop
zeide hij tot Parel van Schoonheid: „Ontkleed u, dochter, en leg u te
bed. Wanneer Bedreddin zal binnenkomen, moet gij u beklagen over zijn
lang uitblijven en zeggen, dat gij bij uw ontwaken zeer verwonderd
waart, hem niet aan uwe zijde te vinden. Dring er op aan, dat hij zich
weder bij u nederlegge, en morgen ochtend zult gij uwe schoonmoeder en
mij genoegen doen, door ons mede te deelen, wat er dezen nacht tusschen
u beiden is verhandeld.” Dit gezegd hebbende, verliet de vizier de kamer
zijner dochter, om haar verder ongestoord te laten.

Naar de zaal gaande, deed Schemseddin Mohammed al de dienstboden
vertrekken, slechts twee of drie uitgezonderd. Aan deze droeg hij den
last op, Bedreddin uit zijn' koffer te halen, van zijne bovenkleederen
te ontdoen, en hem zoo in de zaal te brengen, waar zij hem alleen
moesten laten, en de deur achter zich sluiten.

Bedreddin Hassan, hoezeer ook van droefheid overstelpt, was zoo vast
ingesluimerd, dat de dienstboden van den vizier hem uit den koffer
konden nemen en ontkleeden, zonder dat hij daardoor ontwaakte. Toen
namen zij hem op, en bragten hem zoo gezwind naar de zaal, dat hij, door
deze beweging uit zijn' slaap gewekt, den tijd niet had tot bezinning te
komen. Alleen in de zaal zijnde, liet hij, hoewel half verblind door het
licht der waskaarsen, zijne oogen overal rond gaan; alles wat hij hier
zag, herinnerde hem aan zijn' eersten huwelijksnacht. Hij zag met niet
geringe verwondering, dat hij zich in de zelfde zaal bevond, waar hij
den gebogchelden stalknecht had aangetroffen. Maar hoe zeer klom zijne
verbazing, toen hij, de zaal rondgaande, de deur van een aangrenzend
vertrek, dat hem even zeer bekend voorkwam, half open zag staan, en
naar binnen glurende, bij het aldaar brandende licht, op den stoel voor
een prachtig ledekant, zijne kleederen zag liggen, juist zoo als hij
deze in zijn' huwelijksnacht had afgelegd. „Goede hemel!” sprak hij in
zich zelven, „droom of waak ik?”

Nadat Parel van Schoonheid zich eenige oogenblikken met zijne
verlegenheid vermaakt had, opende zij eensklaps de gordijnen van het
ledekant, en stak haar hoofd er buiten. „Beste man!” sprak zij op
teederen toon, „wat doet gij daar bij de deur? Kom weder te bed! Gij
moet reeds een' geruimen tijd afwezig zijn geweest. Toen ik zoo straks
ontwaakte, was ik zeer verwonderd u niet bij mij te vinden.” Bedreddin
wist niet meer hoe hij het had. Was het tooverij of een blijde droom;
dit kon hij zich niet verklaren! Bedrogen hem zijn gehoor en gezigt
niet, dan kwam die liefelijke stem uit den schoonen mond van de zelfde
beminnelijke vrouw, bij wie hij zich herinnerde een zoo korten maar
aangenamen tijd te hebben doorgebragt. Hij trad de kamer binnen, maar
zijne gedachten waren zoo vervuld met alles, wat hem was overkomen, dat
hij maar niet begrijpen kon, hoe zoo iets in een' enkelen nacht kon
gebeuren. In plaats dus van zich te bed te begeven, liep hij naar den
stoel, waarop zijne kleederen lagen, en bezag die het een na het ander.
„Bij Allah!” riep hij eindelijk uit, „ziedaar zaken, waarvan ik niets
begrijpen kan; mijn verstand staat er bij stil!” Zijne echtgenoot
vermaakte zich met zijne verlegenheid. „Maar, lieve Bedreddin!” sprak
zij, „waarmede houdt gij u toch bezig? Moet ik u nogmaals verzoeken, u
weder ter ruste te begeven!” Nu naderde hij Parel van Schoonheid en
zeide: „Zeg mij toch in 's hemels naam, is het reeds lang geleden, dat
ik bij u was?” „Dit is eene zonderlinge vraag,” antwoordde zij, „is er
wel een uur verloopen, sedert gij van mijne zijde zijt weggegaan? Gij
moet zeer veel in het hoofd hebben, dat gij zoo verward van gedachten
zijt.” „Het is waar,” hernam Bedreddin, „dat het hoofd mij omloopt;
ik herinner mij, wel is waar, bij u te zijn geweest; maar het heugt
mij ook, dat ik sedert tien jaren te Damaskus heb gewoond. Indien ik
nu dezen nacht werkelijk bij u was, hoe kan ik dan zoo vele jaren van
u gescheiden zijn geweest? Dat zijn twee zaken, die niet te zamen
kunnen gaan; zeg mij dus, bid ik u, wat ik hiervan moet denken. Is
mijn huwelijk met u slechts een spel van mijne verbeelding, of is
mijne afwezigheid een droom?” „Gij hebt,” hernam Parel van Schoonheid,
„zeker gedroomd, dat gij te Damaskus waart.” „In dat geval,” riep
Bedreddin Hassan schaterend lagchend uit, „is niets wonderlijker, en
ik ben verzekerd, dat die droom u zeer vermakelijk zal toeschijnen.
Verbeeld u, dat ik mij, zoo als gij mij thans ziet, voor de poort van
Damaskus bevond; dat ik de stad binnen ging onder de bespotting eener
volksmenigte, welke mij volgde en allerlei smaad aandeed; dat ik de
wijk nam bij een pasteibakker, die mij, na mij tot zoon te hebben
aangenomen, zijn bedrijf leerde, en mij bij zijn overlijden al zijne
goederen naliet; dat ik hem in zijn beroep opvolgde, en daarmede veel
naam maakte, zoodat mijne roomtaarten door de geheele stad Damaskus
vermaard waren. In één woord, er zijn mij nog eene menigte zaken
overkomen, te veel om u te verhalen; het eenigste, wat ik u nog te
zeggen heb, is, dat ik zeer wijs heb gedaan met wakker te worden, daar
men mij zonder dit weldra aan de galg zou hebben vastgemaakt.” „En
waarom dat?” vroeg Parel van Schoonheid, de verwonderde spelende. „Gij
moet u dan wel aan eene vreeselijke misdaad schuldig hebben gemaakt?”
„Volstrekt niet,” hernam Bedreddin, „het was om de bespottelijkste zaak
der wereld. Mijne geheele misdaad bestond daarin, dat ik eene roomtaart
had verkocht, waarin ik geene peper had gedaan.” Parel van Schoonheid
lag in haar bed te schudden van lagchen. „Dan, dan,” stotterde zij
tusschen het lagchen door, „moet ik toestemmen, dat men u eene groote
onregtvaardigheid aandeed.”

„O! gij weet nog niet alles,” hernam Bedreddin, „om die verwenschte
roomtaart, waarin men mij verweet geene peper te hebben gedaan, heeft
men alles wat in mijn' winkel was stuk geslagen en vergruisd; men heeft
mij met touwen gebonden, en in een' koffer opgesloten, waarin ik zoo
eng zat, dat ik mij verbeeld, het nog aan mijne ineengedrongen leden
te kunnen voelen. Ten laatste deed men een' timmerman komen, en men
gelastte hem, in mijne tegenwoordigheid, eene galg, op te rigten, om er
mij aan op te hangen. Doch Allah zij geloofd, dat dit alles slechts
het werk van een' droom is!” „Wel is dat gelukkig,” zeide Parel van
Schoonheid, met een zoo beminnelijk lachje, dat Bedreddin voor het
oogenblik al zijn doorgestaan of, gelijk hij thans dacht, gedroomd
lijden scheen vergeten te hebben, en slechts aan zijn tegenwoordig geluk
dacht. Nogtans bragt hij den nacht niet zeer rustig door; hij ontwaakte
van tijd tot tijd, en vroeg telkens zich zelven af, of hij droomde
of waakte. Hij mistrouwde zijn tegenwoordig geluk, deed nu en dan de
gordijnen open, en liet zijne oogen door de kamer rondgaan. „Ik kan
mij niet bedriegen,” mompelde hij, „het is wel de zelfde kamer, waarin
ik, in plaats van den gebogchelde, ben binnen getreden, en het is de
voor hem bestemde schoone, die aan mijne zijde slaapt.” Maar alles
stond hem zoo verward voor den geest, dat zelfs de dag, die nu aanbrak,
zijne ongerustheid niet geheel kon wegnemen, toen zijn oom, de vizier
Schemseddin Mohammed, aan de deur tikte en onmiddelijk daarop binnen
trad, om zijne kinderen een' goeden morgen te wenschen.

Bedreddin Hassan was ten hoogste verwonderd, zoo plotseling den zelfden
man voor zich te zien, dien hij zoo wel kende, doch die hem nu niet met
het gelaat en de stem van een' gestrengen regter toesprak, maar hem
vriendelijk groette. „Ha!” riep hij uit, „gij zijt het dan, die mij zoo
onwaardig behandeld, en tot een' dood veroordeeld hebt, die mij nog
gruwen doet, om eene roomtaart, waarin ik geene peper had gedaan?” De
vizier begon te lagchen, en om hem uit den droom te helpen, verhaalde
hij hem, hoe hij door tusschenkomst van een' geest (want de mededeeling
van den gebogchelde had hem het geheele voorval doen raden) daar gebragt
was, en, in plaats van den gebogchelden stalknecht des sultans, zijne
dochter getrouwd had. Hij verzweeg ook niet, hoe hij hem, door het
handschrift van Noureddin Ali, had leeren kennen als de zoon zijns
broeders, en dat hij vervolgens van Caïro naar Balsora was gereisd om
berigt omtrent hem in te winnen. „En nu, beminde neef!” vervolgde hij,
hem teeder omhelzende, „moet ik u nog vergiffenis vragen voor alles,
wat ik u heb doen lijden, nadat ik u te Damaskus herkend had. Ik wilde
u hier brengen, alvorens u met uw geluk bekend te maken, hetwelk gij
op te hooger prijs zult stellen, naarmate het u moeite heeft gekost
het te verkrijgen. Troost u over al uw lijden en de uitgestane angst,
door de blijdschap, welke gij zult smaken, dat gij u terug ziet gegeven
aan allen, die u op aarde lief en dierbaar moeten zijn. Terwijl gij u
kleedt, zal ik uwe moeder, die van ongeduld brandt om u te omhelzen,
gaan waarschuwen; en ik zal u uw' zoon brengen, dien Agib, welken gij te
Damaskus gezien hebt, en voor wien gij zulk eene sterke genegenheid hebt
gevoeld, zonder den band des bloeds te kennen, die tusschen u en hem
bestaat.”

Het is met geene woorden uit te drukken, hoe groot de vreugde van
Bedreddin was, toen hij zijne moeder en zijn' zoon Agib zag. Deze drie
personen hielden niet op elkander te omhelzen en de teederste blijken
van genegenheid te geven, want de stem des bloeds sprak luide in hunne
blijde harten. De moeder van Bedreddin had de treffendste zaken mede te
deelen; zij sprak hem over de droefheid, welke zijne lange afwezigheid
haar veroorzaakt, en van de tranen, die zij om hem gestort had. In
plaats van, zoo als te Damaskus, de liefkozingen zijns vaders af te
wijzen, ontving de jeugdige Agib die thans met vreugde, en bewees ze hem
wederkeerig. Bedreddin Hassan gevoelde zich, na een tienjarig leven vol
zorgen en kommer, thans des te gelukkiger, en verdeelde zijne liefde
tusschen de drie personen, die hem zoo dierbaar waren: zijne moeder,
zijne vrouw Parel van Schoonheid, en zijn' zoon Agib. Voor zijn' oom
Schemseddin Mohammed koesterde hij de meeste achting; maar mogt hij hem
de verregaande kwellingen, hem gedurende de reis van Damaskus naar Caïro
aangedaan, vergeven, nooit werd hij zoo vertrouwelijk met hem, als men
anders van een' neef en schoonzoon zou mogen verwachten.

Inmiddels had de vizier zich naar het paleis van den sultan begeven, om
hem den gelukkigen uitslag zijner reis mede te deelen. De sultan was zoo
ingenomen met het verhaal van deze wondervolle geschiedenis, dat hij die
deed opschrijven en bij de archieven van zijn koningrijk liet bewaren.
Zoodra Schemseddin Mohammed in zijne woning terugkwam, zette hij zich
met zijne familie aan den feestelijk toebereiden disch, die met de keur
van de fijnste spijzen overladen was, en zijn geheele huis bragt dien
dag in vreugde door.”

       *       *       *       *       *

Nadat de groot-vizier Giafar de geschiedenis van Bedreddin Hassan aldus
ten einde had gebragt, zeide hij tot den kalif Haroun-al-Raschid:
„Beheerscher der geloovigen, ziedaar hetgeen ik uwe majesteit te
verhalen had.” De kalif vond deze gebeurtenissen zoo wonderbaar, dat hij
aan zijn' vizier de vergiffenis voor zijn' slaaf Rihan zonder aarzelen
toestond. Ook het lot van den jongen man trok deze vorst zich aan. Om
hem te troosten, dat hij zich zelven op zulk eene ongelukkige wijze van
eene vrouw beroofd had, welke hij teeder beminde, deed hij hem huwen
met eene van zijne slavinnen, overlaadde hem met goederen, en bleef hem
genegen tot aan zijn' dood.



INHOUD.


#TWEEDE DEEL.#

 ~Geschiedenis van de Vijf Dames van Bagdad~
     Geschiedenis van Zobeïde                                       1
     Geschiedenis van Amine                                        15

 ~Geschiedenis van Sindbad den Zeeman~                             30
     Eerste Reis van Sindbad den Zeeman                            34
     Tweede  „    „     „     „    „                               43
     Derde   „    „     „     „    „                               52
     Vierde  „    „     „     „    „                               64
     Vijfde  „    „     „     „    „                               77
     Zesde   „    „     „     „    „                               84
     Zevende „    „     „     „    „                               95

   ~De drie Appelen~                                              103
     Geschiedenis van de Vermoorde Dame                           109
     Geschiedenis v. Noureddin Ali en v. Bedreddin Hassan         116



  +----------------------------------------------------------+
  |                                                          |
  |              OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:                |
  |                                                          |
  |  De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht:    |
  |                                                          |
  |  Bron (B:) -- Correctie (C:)                             |
  |                                                          |
  |  B: even als ik kunt beschikken.                         |
  |  C: even als ik kunt beschikken.”                        |
  |  B: voegde ik er bij „ik vrees veeleer;                  |
  |  C: voegde ik er bij, „ik vrees veeleer;                 |
  |  B: als het uwe.” „Ik omhelsde haar,                     |
  |  C: als het uwe.” Ik omhelsde haar,                      |
  |  B: het andere, waar wat ik ik zocht, een                |
  |  C: het andere, maar wat ik ook zocht, een               |
  |  B: oog voor het sleutelgaat houdende,                   |
  |  C: oog voor het sleutelgat houdende,                    |
  |  B: De jongeling dus eenklaps gestoord, en               |
  |  C: De jongeling dus eensklaps gestoord, en              |
  |  B: verbazing aan. „Mijne geede dame!”                   |
  |  C: verbazing aan. „Mijne goede dame!”                   |
  |  B: mij u vooraf zegen dat deze stad                     |
  |  C: mij u vooraf zeggen dat deze stad                    |
  |  B: geschapen en al wat daar in is”                      |
  |  C: geschapen en al wat daar in is.”                     |
  |  B: onze inscheping betreking had.                       |
  |  C: onze inscheping betrekking had.                      |
  |  B: gebrek aan scheeps ruimte, achterlaten.              |
  |  C: gebrek aan scheepsruimte, achterlaten.               |
  |  B: toon waarop hij sprak, genoegzaan                    |
  |  C: toon waarop hij sprak, genoegzaam                    |
  |  B: het mij bovolen heeft, is magtiger                   |
  |  C: het mij bevolen heeft, is magtiger                   |
  |  B: dan ergens anders. Ik liet mij geleiden,             |
  |  C: dan ergens anders.” Ik liet mij geleiden,            |
  |  B: en aan de hoogste galg hangen.                       |
  |  C: en aan de hoogste galg hangen.”                      |
  |  B: ook nog iets hebt te bevelen.                        |
  |  C: ook nog iets hebt te bevelen.”                       |
  |  B: welke zij verbeurd hadden.                           |
  |  C: welke zij verbeurd hadden.”                          |
  |  B: bewoner van dit paleis zijn? Om zijne                |
  |  C: bewoner van dit paleis zijn?” Om zijne               |
  |  B: gezin te verdienen. terwijl deze gelukkige           |
  |  C: gezin te verdienen, terwijl deze gelukkige           |
  |  B: deze wanhopige gedachten, verdiept, toen             |
  |  C: deze wanhopige gedachten verdiept, toen              |
  |  B: zulk een aanzieniijk gezelschap en de                |
  |  C: zulk een aanzienlijk gezelschap en de                |
  |  B: neër, en zeide op een' toon,                         |
  |  C: neêr, en zeide op een' toon,                         |
  |  B: mijne heeren! vervolgde hij, zich thans              |
  |  C: mijne heeren!” vervolgde hij, zich thans             |
  |  B: zult waarschijnlijk slecbts bij gerucht              |
  |  C: zult waarschijnlijk slechts bij gerucht              |
  |  B: een getrouw verslag van geven Ik durf                |
  |  C: een getrouw verslag van geven. Ik durf               |
  |  B: oor te hebben verleend                               |
  |  C: oor te hebben verleend.”                             |
  |  B: Ik had van mijne familie                             |
  |  C: „Ik had van mijne familie                            |
  |  B: hoe dwaas het was, den kostbaren                     |
  |  C: hoe dwaas het was den kostbaren                      |
  |  B: had, antwoordde hij, „bij mij aan boord              |
  |  C: had,” antwoordde hij, „bij mij aan boord             |
  |  B: kapitein, „ik luister wat hebt gij te                |
  |  C: kapitein, „ik luister, wat hebt gij te               |
  |  B: leven uit mijn geheugen te verbannen.                |
  |  C: leven uit mijn geheugen te verbannen.”               |
  |  B: het woord en zich tot zijn gezeldschap               |
  |  C: het woord en zich tot zijn gezelschap                |
  |  B: koos ik de wijsste partij; ik onderwierp             |
  |  C: koos ik de wijste partij; ik onderwierp              |
  |  B: arenden te verschrikken—Zoodra zij hen hadden       |
  |  C: arenden te verschrikken.—Zoodra zij hen hadden      |
  |  B: eigendom wilde ontrooven „Mijn goede vriend!”        |
  |  C: eigendom wilde ontrooven. „Mijn goede vriend!”       |
  |  B: schatten leidde ik een vrolijk leven.                |
  |  C: schatten leidde ik een vrolijk leven.”               |
  |  B: echter, „vervolgde Sindbad,” werd                    |
  |  C: echter,” vervolgde Sindbad, „werd                    |
  |  B: het dek stonden, en vervolgde; „Zie                  |
  |  C: het dek stonden, en vervolgde: „Zie                  |
  |  B: waarvan ik spreek: gij zoudt mij eene                |
  |  C: waarvan ik spreek; gij zoudt mij eene                |
  |  B: dood had gehouden. Allah zij geprezen,”              |
  |  C: dood had gehouden. „Allah zij geprezen,”             |
  |  B: winst terug.                                         |
  |  C: winst terug.”                                        |
  |  B: lange reis, te Balsora binnen Van                    |
  |  C: lange reis, te Balsora binnen. Van                   |
  |  B: zonderlinge lotgevallen voort                        |
  |  C: zonderlinge lotgevallen voort.                       |
  |  B: De genoegens, die ik na mijne derde                  |
  |  C: „De genoegens, die ik na mijne derde                 |
  |  B: zij ons naar hunne woningen,                         |
  |  C: zij ons naar hunne woningen.                         |
  |  B: maar als inboorling van het eiland,                  |
  |  C: maar als inboorling van het eiland.                  |
  |  B: toestondt,” „Sire,” antwoordde ik,                   |
  |  C: toestondt.” „Sire,” antwoordde ik,                   |
  |  B: „Maar, Sire-” hervatte ik „veroorloof mij            |
  |  C: „Maar, Sire,” hervatte ik, „veroorloof mij           |
  |  B: tussshen de zee en de stad.                          |
  |  C: tusschen de zee en de stad.                          |
  |  B: Allah te danken voor de genade.                      |
  |  C: Allah te danken voor de genade,                      |
  |  B: met hen en maakte goede sier.                        |
  |  C: met hen en maakte goede sier.”                       |
  |  B: aan land durven zetten.                              |
  |  C: aan land durven zetten.”                             |
  |  B: uw leven in gevaar brengen. Hij gaf                  |
  |  C: uw leven in gevaar brengen.” Hij gaf                 |
  |  B: betalen. Ik bedankte hem voor zijn'                  |
  |  C: betalen.” Ik bedankte hem voor zijn'                 |
  |  B: naar een eiland; waar de peper in                    |
  |  C: naar een eiland, waar de peper in                    |
  |  B: in een genoegelijk leven te vergeten.                |
  |  C: in een genoegelijk leven te vergeten.”               |
  |  B: geleden, kon besluiten. nieuwe gevaren               |
  |  C: geleden, kon besluiten nieuwe gevaren                |
  |  B: maken en te sterven. Deze woorden van                |
  |  C: maken en te sterven.” Deze woorden van               |
  |  B: dagen lang zagen wij elkander                        |
  |  C: dagen lang zaten wij elkander                        |
  |  B: gewond zou he ben. Van mijn' voorraad                |
  |  C: gewond zou hebben. Van mijn' voorraad                |
  |  B: naam tot mij: Dit is „eene hoogst                    |
  |  C: naam tot mij: „Dit is eene hoogst                    |
  |  B: daarbij was te vergelijkeu.                          |
  |  C: daarbij was te vergelijken.                          |
  |  B: mogt gaan.” Hij belastte een' zijner                 |
  |  C: mogt gaan. Hij belastte een' zijner                  |
  |  B: dezen brief den kalif Haroun-al-Rachid               |
  |  C: dezen brief den kalif Haroun-al-Raschid              |
  |  B: van mijne vriendschap” Ik nam het geschenk           |
  |  C: van mijne vriendschap.” Ik nam het geschenk          |
  |  B: Haroun-al-Rachid._                                   |
  |  C: Haroun-al-Raschid._                                  |
  |  B: sterven!                                             |
  |  C: sterven!”                                            |
  |  B: een rijk geschenk vertrekken.                        |
  |  C: een rijk geschenk vertrekken.”                       |
  |  B: Na mijne zesde reis kwam het                         |
  |  C: „Na mijne zesde reis kwam het                        |
  |  B: naar hem toe. „De kalif, zeide hij,                  |
  |  C: naar hem toe. „De kalif,” zeide hij,                 |
  |  B: Abdala Haroun-al Rachid, dien God tot                |
  |  C: Abdala Haroun-al-Raschid, dien God tot               |
  |  B: heeft u voor hunne voede                             |
  |  C: heeft u voor hunne woede                             |
  |  B: gelastte Haroun-al-Rachid den groot-vizier           |
  |  C: gelastte Haroun-al-Raschid den groot-vizier          |
  |  B: zijn paleis moest bevinden „Vizier!” zeide           |
  |  C: zijn paleis moest bevinden. „Vizier!” zeide          |
  |  B: grijsaard zag: zeide hij. „Die man is zeker          |
  |  C: grijsaard zag, zeide hij: „Die man is zeker          |
  |  B: dat met touwen omwonden was Nadat                    |
  |  C: dat met touwen omwonden was. Nadat                   |
  |  B: zal doen ophangen. „Beheerscher der geloovigen,”     |
  |  C: zal doen ophangen.” „Beheerscher der geloovigen,”    |
  |  B: leven op zulk eene wijze redden!                     |
  |  C: leven op zulk eene wijze redden!”                    |
  |  B: onzerzoek naar den misdadiger te doen                |
  |  C: onderzoek naar den misdadiger te doen                |
  |  B: een bode des kaliefs bij den                         |
  |  C: een bode des kalifs bij den                          |
  |  B: voor den kalief verscheen was diens                  |
  |  C: voor den kalif verscheen was diens                   |
  |  B: woningen werden gehaald, riep, op bevel              |
  |  C: woningen werden gehaald, riep op bevel               |
  |  B: Oppermagtige vizier, hoofd der emirs                 |
  |  C: „Oppermagtige vizier, hoofd der emirs                |
  |  B: hof, toevlugt der armen?                             |
  |  C: hof, toevlugt der armen!                             |
  |  B: legde ze bij zich neer Inmiddels was                 |
  |  C: legde ze bij zich neer. Inmiddels was                |
  |  B: waar gij dien appel hebt gekregen,”                  |
  |  C: waar gij dien appel hebt gekregen.”                  |
  |  B: rooden draad toenaaide, Eindelijk sloot ik           |
  |  C: rooden draad toenaaide. Eindelijk sloot ik           |
  |  B: mij niet terruggeven. Ik volgde hem                  |
  |  C: mij niet teruggeven. Ik volgde hem                   |
  |  B: vader,” antwoorde het kind, „dat                     |
  |  C: vader,” antwoordde het kind, „dat                    |
  |  B: bedreigingen overging. Indien ik morgen den          |
  |  C: bedreigingen overging. „Indien ik morgen den         |
  |  B: vergezellen moest, zeide hij, zou ik u               |
  |  C: vergezellen moest,” zeide hij, „zou ik u             |
  |  B: Schemseddin-Mohammed stond den                       |
  |  C: Schemseddin Mohammed stond den                       |
  |  B: dat hij groot ge ijk had; terwijl                    |
  |  C: dat hij groot gelijk had; terwijl                    |
  |  B: waarna het gezeldschap uit een ging.                 |
  |  C: waarna het gezelschap uit een ging.                  |
  |  B: kleinste bijzonderheden De groot-vizier              |
  |  C: kleinste bijzonderheden. De groot-vizier             |
  |  B: „Dit is nu,” zeide hij, de vreemdste                 |
  |  C: „Dit is nu,” zeide hij, „de vreemdste                |
  |  B: van Bedreddin-Hassan. De groot-vizier van            |
  |  C: van Bedreddin Hassan. De groot-vizier van            |
  |  B: schoonzoon zijne plaats te zien bekleeden            |
  |  C: schoonzoon zijne plaats te zien bekleeden.           |
  |  B: muselman te sterven. In deze voor hem                |
  |  C: muzelman te sterven. In deze voor hem                |
  |  B: uwe pligten als muselman en                          |
  |  C: uwe pligten als muzelman en                          |
  |  B: vervolgde Noureddin Ali, geboren in Egypte;          |
  |  C: vervolgde Noureddin Ali, „geboren in Egypte;         |
  |  B: geboorte in vinden aangeteekend.” Dit te             |
  |  C: geboorte in vinden aangeteekend. Dit te              |
  |  B: zal er twist onstaan en de vijandschap               |
  |  C: zal er twist ontstaan en de vijandschap              |
  |  B: den dood van Noureddin-Ali had aangesteld,           |
  |  C: den dood van Noureddin Ali had aangesteld,           |
  |  B: dat in deze haven zal binnenkomen.”_                 |
  |  C: dat in deze haven zal binnenkomen._                  |
  |  B: _Bedreddin Hassan van Balsora,”_                     |
  |  C: _Bedreddin Hassan van Balsora.”_                     |
  |  B: toovergodin, dat de sultan van                       |
  |  C: toovergodin, „dat de sultan van                      |
  |  B: geringste en de mismaakste van mijne                 |
  |  C: geringste en de mismaaktste van mijne                |
  |  B: „Heden,” vervolgde de toovergodin,                   |
  |  C: Heden,” vervolgde de toovergodin,                    |
  |  B: dit oogenklik bevinden zich al de                    |
  |  C: dit oogenblik bevinden zich al de                    |
  |  B: en gaf hem een', fakkel                              |
  |  C: en gaf hem een' fakkel                               |
  |  B: stallen van den sultan Voorop gingen de              |
  |  C: stallen van den sultan. Voorop gingen de             |
  |  B: de fakkels droegen, binnen te laten Zij              |
  |  C: de fakkels droegen, binnen te laten. Zij             |
  |  B: passende echgenooten was midden op eene              |
  |  C: passende echtgenooten was midden op eene             |
  |  B: rapen Zij betuigden hem bij herhaling                |
  |  C: rapen. Zij betuigden hem bij herhaling               |
  |  B: ik dit ontwetend, want ik wist waarlijk              |
  |  C: ik dit onwetend, want ik wist waarlijk               |
  |  B: „Hij, uw echtgenoot, mevrouw¡” hernam Hassan,        |
  |  C: „Hij, uw echtgenoot, mevrouw!” hernam Hassan,        |
  |  B: komen”                                               |
  |  C: komen.”                                              |
  |  B: om zich te kleeden. „Zie,” sprak een                 |
  |  C: om zich te kleeden.” „Zie,” sprak een                |
  |  B: hier voor de poort in slaap gevallen                 |
  |  C: hier voor de poort in slaap gevallen.                |
  |  B: immers onmogelijk?” En evenwel is het                |
  |  C: immers onmogelijk?” „En evenwel is het               |
  |  B: Bedreddin Hassan, is even waar, als                  |
  |  C: Bedreddin Hassan, „is even waar, als                 |
  |  B: geest.” Ik weet heel goed, wat ik zeg.”              |
  |  C: geest.” „Ik weet heel goed, wat ik zeg,”             |
  |  B: vinden.”                                             |
  |  C: vinden.                                              |
  |  B: kustte haren vader de hand,                          |
  |  C: kuste haren vader de hand,                           |
  |  B: riep hij toornig uit, verschijnt                     |
  |  C: riep hij toornig uit, „verschijnt                    |
  |  B: geworden. Schemseddin Mohammed, nu                   |
  |  C: geworden.” Schemseddin Mohammed, nu                  |
  |  B: geplaatst?’, De gebogchelde, den vizier              |
  |  C: geplaatst?” De gebogchelde, den vizier               |
  |  B: huwelijk betrekking had Ook maakte hij van           |
  |  C: huwelijk betrekking had. Ook maakte hij van          |
  |  B: vol dwaze inbeelding Hij verlangde, dat              |
  |  C: vol dwaze inbeelding. Hij verlangde, dat             |
  |  B: had zich tegen zijne dwingelaudij                    |
  |  C: had zich tegen zijne dwingelandij                    |
  |  B: hem te slaan. In één woord hij                       |
  |  C: hem te slaan. In één woord, hij                      |
  |  B: niet met ons medespelen.”                            |
  |  C: niet met ons medespelen.””                           |
  |  B: voorzetten.                                          |
  |  C: voortzetten.                                         |
  |  B: opnemende, zeide hij; „Ik ben bezig met              |
  |  C: opnemende, zeide hij: „Ik ben bezig met              |
  |  B: wijd en zijd bij mij halen. Bij deze                 |
  |  C: wijd en zijd bij mij halen.” Bij deze                |
  |  B: bloed overdekt werd. Gij hebt slechts uw             |
  |  C: bloed overdekt werd. „Gij hebt slechts uw            |
  |  B: op wereld eene menigte menschen                      |
  |  C: op de wereld eene menigte menschen                   |
  |  B: overtrok, door Mesopotamie, naar Balsora.            |
  |  C: overtrok, door Mesopotamië, naar Balsora.            |
  |  B: de naam van zijn, broeder met gouden                 |
  |  C: de naam van zijn broeder met gouden                  |
  |  B: schoot vol, en hij kustte dien                       |
  |  C: schoot vol, en hij kuste dien                        |
  |  B: geschikst zou voorkomen, om den                      |
  |  C: geschiktst zou voorkomen, om den                     |
  |  B: de paleispoort, die het digst                        |
  |  C: de paleispoort, die het digtst                       |
  |  B: bezagen zij de oude moskée der                       |
  |  C: bezagen zij de oude moskee der                       |
  |  B: het kamp terug te keeren.. Daar                      |
  |  C: het kamp terug te keeren. Daar                       |
  |  B: het niet waar was. Gij zijt een hardnekkige          |
  |  C: het niet waar was. „Gij zijt een hardnekkige         |
  |  B: waarheid gezegd hebt.                                |
  |  C: waarheid gezegd hebt.”                               |
  |  B: riep hij uit, het is waar, dat                       |
  |  C: riep hij uit, „het is waar, dat                      |
  |  B: er de beste uit.” Neem deze,” zeide                  |
  |  C: er de beste uit. „Neem deze,” zeide                  |
  |  B: een' gil en viel in onmagt                           |
  |  C: een' gil en viel in onmagt.                          |
  |  B: Bedreddin Hassan van Balsora”                        |
  |  C: Bedreddin Hassan van Balsora.”                       |
  |  B: zoon?” Ik ontken niet,” antwoordde                   |
  |  C: zoon?” „Ik ontken niet,” antwoordde                  |
  |  B: te doen. „Gaat en verliest geen'                     |
  |  C: te doen. Gaat en verliest geen'                      |
  |  B: „Ha, ongelukkige!” „antwoordde de vizier,            |
  |  C: „Ha, ongelukkige!” antwoordde de vizier,             |
  |  B: verdiensten doen straffen” hernam Schemseddin        |
  |  C: verdiensten doen straffen,” hernam Schemseddin       |
  |  B: en verkocht heb.” „Bij Allah!”                       |
  |  C: en verkocht hebt.” „Bij Allah!”                      |
  |  B: rug van een' kaneel geladen. Zoodra                  |
  |  C: rug van een' kameel geladen. Zoodra                  |
  |  B: u uit zal roepen. „Zie hier, hoe                     |
  |  C: u uit zal roepen: „Zie hier, hoe                     |
  |  B: te doen.” „Groote hemel!”                            |
  |  C: te doen.”” „Groote hemel!”                           |
  |  B: beroemen? Bij deze woorden borst                     |
  |  C: beroemen?” Bij deze woorden borst                    |
  |  B: wilde maken, schreeuwde hij het uit                  |
  |  C: wilde maken, schreeuwde hij het uit.                 |
  |  B: zijnen diensboden voor, hoe en                       |
  |  C: zijnen dienstboden voor, hoe en                      |
  |  B: zijn.” „Het is waar,” hernam                         |
  |  C: zijt.” „Het is waar,” hernam                         |
  |  B: wat ik hiervan moet denken Is                        |
  |  C: wat ik hiervan moet denken. Is                       |
  |  B:                                                      |
  |  C: (Inhoudsopgave ingevoegd)                            |
  |                                                          |
  +----------------------------------------------------------+





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Duizend en één Nacht, Tweede deel - Arabische vertellingen" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home