Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Oorlogsfilosofie
Author: Polak, Leonard
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Oorlogsfilosofie" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



Libraries)



  +----------------------------------------------------------------+
  |                                                                |
  |                 OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:                   |
  |                                                                |
  | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele,     |
  | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te      |
  | moderniseren.                                                  |
  |                                                                |
  | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het  |
  | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn  |
  | verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing.      |
  |                                                                |
  | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als      |
  | _cursief_. Vette tekst is weergegeven als #vet#;               |
  |                                                                |
  | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn       |
  | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: met/zonder  |
  | koppelteken.                                                   |
  |                                                                |
  | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de           |
  | aangebrachte correcties.                                       |
  |                                                                |
  | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit    |
  |                                                                |
  +----------------------------------------------------------------+



OORLOGSFILOSOFIE.



                            OORLOGSFILOSOFIE

                                  DOOR


                               LEO POLAK

  _Privaat-docent in de Kennisleer aan de Universiteit van Amsterdam._


                                    „De Eik is de Koning der bomen”,
                                    zei de Mens.

                                    „Precies”, zei het Varken, „aan de
                                    vruchten kent men de boom”.


                             [drukkersmerk]


                    AMSTERDAM.—1915.—W. VERSLUYS.



   BOEK- EN KUNSTDRUKKERIJ V/H ROELOFFZEN-HÜBNER & VAN SANTEN, AMST.



[Decoratieve illustration]



OORLOGSFILOSOFIE.[1]

[1]  Voor de druk ietwat uitgewerkte Openbare Les, waarmee de schrijver
     zijn colleges heeft geopend op 30 Oktober 1914.



I. INLEIDING. TEGEN STEINMETZ' METHODE.

De Amsterdamse Fakulteit van Letteren en Wijsbegeerte is op
tweeërlei speciale wijze bij de oorlog betrokken: Prof. GUSTAVE COHEN
demonstreert in Frankrijk als landsverdediger, in levenden lijve naar
wij hopen, de onberekenbare verspilling van begaafdheid en geestelike
vermogens, aan het huidig oorlogvoeren eigen en Prof. STEINMETZ gaf
in zijn „_Die Philosophie des Krieges_” wel de beste principiële
verdediging van de oorlog. Een en ander gaf mij aanleiding om de nieuwe
cursus te openen met een overdenking van het oorlogsvraagstuk aan de
hand van STEINMETZ' werk, dat hier dan tevens zijn weerlegging vinde,
zover dit in zo kort bestek mogelik is.

Want wie bij het woeden van de krijgsmoloch de zoete verzoenende
troost van diens verborgen, dieper redelikheid, rechtvaardigheid en
menslievendheid voor een gevaarlike illusie houdt, voor hem is het
plicht en ook een weinigje gemoedsbevrediging bij het dageliks gevoel
van materiële machteloosheid, hem altans geestelik zijn recht van
bestaan voor de toekomst te betwisten.

Men verwachte niet al te veel van onze titel, die slechts een terugslag
is op die van bovengenoemd boek—en op een algemener spraakgebruik:
de oorlogsverdediging nl. pleegt zich oorlogsfilosofie te noemen.
Geschiedde dit alleen op de gronden, die STEINMETZ voor zich aanvoert
in zijn voorrede: „nicht eine Streitschrift zu liefern war mein Ziel,
sondern eine Philosophie, d. h. eine Anstrengung nach allseitiger
und tiefster Erfassung der Probleme”, we zouden er vrede mee kunnen
hebben. Maar meest is wel een andere bijgedachte mee in 't spel: onder
filosofie plegen buitenstaanders een leer te verstaan, die vrede heeft
met alles, zelfs met oorlog, immers: alles heeft z'n vóór en z'n
tegen, alles ligt op zijn manier in de rede—en zo spreekt men dan
wèl van filosofiese berusting, onverschilligheid of kalmte, maar niet
van filosofiese opstandigheid... een eenzijdigheid, die de filosofie
zich niet mag laten aanleunen. Zo hoopt dan onze overdenking van het
oorlogsprobleem en onze kritiek op de „oorlogsfilosofie” niet minder
„filosofies” te zijn, dan deze zelf—al weten we wel, dat men van de
wijsbegeerte, de „Koningin” der wetenschappen, niet hoog genoeg kan
denken en dat haar alzijdigheid en diepte, haar beschouwing der dingen
„sub specie aeternitatis”, in het licht der eeuwigheid, een slechts van
verre te benaderen ideaal blijft.

Splitsen wij de wijsbegeerte naar de trant in Kennisleer, Metaphysica
en Ethica, dan zullen wij over „Oorlog en Kennisleer” heden niet
spreken, al brengt oorlog ons in aanraking met al de problemen van
methode, van biezondere wettelikheid in „natuur” en „geschiedenis” en
derg. En over „Oorlog en Metaphysica” wil ik hier slechts één opmerking
maken:

Hoezeer deze oorlog ons ook moge schokken, ons geestelik evenwicht
moeten wij er niet bij verliezen. Men heeft mij van geenszins
oppervlakkige zijde gevraagd, of mijn wereldbeschouwing tegen dit
gebeuren bestand was, er raad mee wist. En nu zou ik willen antwoorden:
wanneer deze oorlog iemands wereld- en levensbeschouwing geschokt
heeft, dan heeft hij aan hem een goed werk gedaan, dan is hij de
rechtvaardige rechter over het voze, vermolmde geweest, waarvoor
zijn verdedigers hem ook in de wereld daarbuiten houden. Want of wat
troepjes mensenkinderen op ons waanwijs aardbolletje elkaar eens weer
bestoken in oorlog dan wel in vrede, daar draait ons zonnestelsel
rustig om door, onze buurzonnen bekommeren er zich allicht nog minder
om en de kosmos blijft de kosmos, zinne-beeld van dezelfde eeuwige
werkelikheid. Maar ook van zuiver geestelik-menselik standpunt is er in
onze „vreedzame” maatschappij met haar worsteling om het bestaan zoveel
ontbering en verkwijning, zoveel stervens- en dervensellende, zoveel
wreedheid, onverdiend leed en triumferend onrecht, dat het probleem
van „het kwaad”, van „de zonde”, van levenstragiek en wereldbeschouwing
door oorlog of vrede niet gewijzigd, niet eens geraakt wordt. Zulke
problemen liggen dieper dan het slechts betrekkelik verschil tussen
chronies vredes- en akuut oorlogswee. In die zin heeft inderdaad oorlog
met wijsbegeerte niets te maken.

       *       *       *       *       *

Over „Oorlog en Ethica” zullen wij het in hoofdzaak moeten hebben. We
raken hier de grote problemen van fatum en menselike wil, fatalisme en
determinisme, causaliteit en doelstelling, individu en gemeenschap, de
verhouding van nuttigheid en zedelikheid, sociaal utilisme en autonome
gezindheidsmoraal. Over dit alles zullen wij niet in den brede spreken,
maar in de loop van ons betoog zal het zich vanzelf doen gelden.
Doch op één punt moeten wij uitdrukkelik wijzen: de erkenning van
het oorzakelikheidsbeginsel, ook voor het terrein van het geestelik
en maatschappelik leven, m. a. w. het determinisme en de daaruit
voortvloeiende noodzakelikheid van alle gebeuren brengt geenszins
fatalisme mee, sluit 's mensen wil, menselik beraad en beleid, niet
buiten de oorzakelike faktoren van 's werelds verloop. Integendeel,
ons willen en bewust ingrijpen is evenzeer oorzaak als gevolg. Het
determinisme, wel verre van 's mensen verantwoordelikheid op te
heffen, is er grondslag en vooronderstelling van. En hoe sterk ook
de verleiding moge zijn om een verschijnsel als de oorlogsbanjir die
over hele volkeren losbreekt met elementair geweld, te beschouwen als
een natuurramp, als een fataliteit, die boven alle mensenmacht en 's
mensen aansprakelikheid uitgaat, uitdrukkelik dient hier vastgesteld:
oorlog is mensenwerk; niet door de natuur buiten de mens, maar door
verantwoordelike mensen wordt oorlog voorbereid, georganiseerd,
verklaard. Daarom heeft de mens, al is hij hier nog meer dan elders de
toverleerling, die de krachten, door hem zelf opgeroepen niet vermag
te bannen, rekenschap te vragen en te geven van 's oorlogs goed recht
en waardij. Of zoals STEINMETZ het uitdrukt: „Dem Kriege wird der
Prozess gemacht, der Gewaltige muss sich zur Verantwortung bequemen.”

De oorlog is als maatschappelik verschijnsel (zij het ook maatschappelik
zó als het onrecht een rechtsverschijnsel is) een probleem van de
_sociologie_, de „Sozialphilosophie” of maatschappijleer, de leer van
de menselike samenleving.

De oude spreuk van HERAKLEITOS, πόλεμος πατὴρ πάντων, strijd is de
vader van alles, door HEGEL en de zijnen reeds gebezigd voor hun
leer van begripsontwikkeling (tegenstrijdigheid als beginsel van
alle verandering en voortgang), heeft door de moderne evolutieleer,
door het Darwinisme, een geheel nieuwe zin en betekenis gekregen
voor de wetenschap van de levende natuur, met haar struggle for
life („strijd om 't bestaan”), haar natural selection („natuurlike
teeltkeus”) en haar survival of the fittest (het overblijven van de
best aangepasten), als de beginselen, die heel de ontwikkelingsgang van
de levende wezens beheersen, dank zij de vervulling dier drie algemene
ontwikkelingsvoorwaarden: variabiliteit, erfelikheid en isolement.

De sociologie nu, een betrekkelik jonge wetenschap, in hoofdzaak
evenzeer uit de 2e helft van de 19e eeuw afkomstig als het Darwinisme,
was reeds in oorsprong sterk naturalisties en biologies georiënteerd.
AUGUSTE COMTE, de grote positivist, was een van de grondvesters en de
peetvader der „sociologie”, die hij ook de „_physique sociale_” noemde,
terwijl ze voor een ander deel haar bloei te danken had aan het Engels
positivisme van HERBERT SPENCER en de zijnen. Tot in onze dagen is de
sociologie, tot haar eigen schade, overwegend naturalisties gebleven;
namen als GUMPLOWICZ en NIETZSCHE, DE LAPOUGE en zijn volgeling AMMON,
RATZENHOFER en HAYCRAFT spreken hier letterlik boekdelen. Tot het
inzicht in de eigen wettelikheid van het geestelik en maatschappelik
leven in tegenstelling tot de wetten der ruimtelike, kultuurloze
„natuur” begint de sociologie gelijk de psychologie zich eerst in de
laatste tijd op te werken (GIDDINGS, WUNDT, BARTH, RICKERT, SIMMEL,
TARDE, EISLER, ADLER). In plaats daarvan heeft zij te voren veelal
zonder bedenking de „natuurwetten” der ontwikkeling overgebracht
en toegepast op haar beschouwing van de maatschappij en aldus met
name zich verzet tegen de heersende „christelike” of „abstrakte”
zedeleer van algemene naastenliefde, van medelijden en „hulp aan het
zwakke”. De natuur „leert”, dat de zwakken en zieken moeten ondergaan,
en niet op de been gehouden, hygiëne leidt tot rasontaarding, is
wreedheid in plaats van mededogen; kracht en strijd, niet zwakheid
en liefde zijn nodig voor het geluk van het nageslacht, voor de
wetenschappelike „Enkelkult” die de oude „Ahnenkult” moet vervangen.
Een zeker amoralisme kenmerkt dit naturalisme: geen gemoraliseer,
geen vage mensheidsidealen en utopieën, maar de natuur, de harde,
konkrete werkelikheid zelf, de velerlei levende zeden, (on)deugden en
tegenstellingen van onderscheiden volkeren en rassen.

In deze geest werd door tal van sociologen dan ook de oorlog op
„Darwinistiese” gronden verdedigd. Die leer in een notedop levert ons
b.v. AMMON, die in „_Die Gesellschaftsordnung_” over „Der Krieg und
die natürliche Auslese” schrijft: „Der Krieg wird von vielen Uebeln
begleitet, aber man sollte die Schilderung derselben nicht übertreiben.
In seiner Gesamtwirkung ist der Krieg eine _Wohlthat_ für die
Menschheit, da er das einzige Mittel bietet, um die Kräfte von Nation
zu Nation zu messen und der tüchtigsten den Sieg zu verleihen. Der
Krieg ist die höchste und _majestätischste_ Form des Daseinskampfes
und kann nicht entbehrt, daher auch nicht abgeschafft werden.”[2]

[2]  Vgk. b. v. ook E. V. HARTMANN, _Das sittliche Bewusstsein_,
     bl. 534/5.

In deze denksfeer nu beweegt zich gedeeltelik ook de dieper en
veelzijdiger oorlogsverdediging van STEINMETZ in zijn boek: „_Die
Philosophie des Krieges_” van 1907 en enige kleinere geschriften.[3]
Als sociaal-utilist weegt hij daarin zorgvuldig de essentiële voor- en
nadelen van oorlog tegen elkaar af om aldus zijn rekening, zijn „Fazit”
op te maken. „Das Verhältnis von Vorteil und Opfer entscheidet alles.”

[3]  _Der Krieg als soziologisches Problem_, 1899 en _Die Bedeutung des
     Krieges bei den Kulturvölkern_ (in Zeitschr. f. Sozialwissenschaft,
     Mei en Junie 1914).

Tegen deze methode zelf doemen al dadelik twee grote bezwaren op.
Een _praktiese_ bedenking en een principieel _ethies_ bezwaar, beide
gericht tegen de beslissende, dwingende waarde van haar resultaten.

Vooreerst dan het prakties bezwaar tegen de geluksbalans van de
oorlog: we hebben hier te doen met louter _imponderabilia_, onweegbaar
op zichzelf, hoeveel te meer onopweegbaar tegen elkander. Wie wil,
om slechts enkele voorbeelden te noemen, de waarde van de levens
der gesneuvelden (waarbij eeuwig onvervangbare genieën en heroën
kunnen zijn), de slagveldellende, de angsten, zorg en schrik van
naastbestaanden, het leed van gebroken levens en gezinnen, „die
Demoralisation im Kriege und im Heere” wegen of vergelijken met de
nuttige lessen, die de nederlaag kan geven aan een verslagen volk of
met de mogelike zegeningen van oorlogs teeltkeus en richterschap?
Hoezeer zal dus elke utilistiese behandeling globaal moeten blijven,
meer letten op algemene strekking en richting van voor- en nadelen,
dan op de nooit overzienbare gevolgen in concreto. En hoe weinig
wetenschappelikheid, objektiviteit zal zelfs dan nog bereikbaar zijn,
hoe overwegend zal de rol blijven van levensaanschouwing, temperament,
algemene denk- en gevoelsfeer, subjektieve waardering. In elk geval
dienen dus alle kleine toevalligheden en bijkomstigheden die vóór of
tegen pleiten, buiten beschouwing te blijven en alleen de grote van
oorlog als zodanig onafscheidelike, inherente voor- en nadelen mee te
tellen. Deze nadelen zijn zo gruwelik, zo onloochenbaar, zo evident,
dat oorlog met goed geweten, zij 't ook met een bezwaard gemoed,[4]
slechts door hem kan worden verdedigd, die daartegenover verborgen,
slechts door dieper onderzoek en inzicht te bespeuren _onmisbare_
voordelen, een onvervangbare kulturele funktie voor de oorlog acht
weggelegd. En we vergeven zo iemand gaarne z'n kregeligheden tegen
„die gefühlsseligen Vorleuchter der öffentlichen Meinung”, tegen het
„hitzige Mitleid”, tegen de „sentimentale oberflächliche populäre
Beurteilung” der gevoelige wreed-kortzichtige zieltjes, die (de
vergelijking is reeds van LUTHER) een chirurgiese operatie wraken
om de pijn en het bloed! Neen, met hem willen wij een door de rede
beheerst gevoel—willen we zo nuchter en krities mogelik nagaan, of
inderdaad de oorlog voor zijn „unendliches Weh” en zijn stromen van
bloed het goed recht van de chirurg—zij het ook een chirurg tegen wil
en dank—kan opeisen en op welke gronden STEINMETZ het medelijden,
„das höchste dem Menschen zuträgliche Mitleid”, inroept... ten gunste
van de krijg. Maar wat STEINMETZ zelf in zijn artikel van 1914 weer
ietwat eenzijdiglik getuigt van de _voordelen_ van oorlog: „Ich halte
sie in ihrer unermesslichen Vielseitigkeit für unberechenbar gross”
(bl. 396)—kunnen wij datzelfde niet met hetzelfde recht zeggen van de
_nadelen_... en is daarmee niet reeds alle gemeet en gereken ten deze
veroordeeld?

[4]  Zie de voorrede van STEINMETZ' boek. Wanneer we van schrijver
     vernemen (bl. 157): „ich bin ein Feind der Jagd, weil sie mir
     keinen adaequaten Gewinn im Tausche für die Leiden der Tiere und
     die Verrohung der Menschen zu bieten scheint” begrijpen wij, wat
     het hem moet kosten, een vriend van de oorlog te zijn.

Na ons prakties tans het ethies bezwaar: Het sociaal utilisme moge
vooralsnog de heersende leer zijn, ik acht het niet twijfelachtig
of deze eerste en grootse poging om tot een niet-dogmatiese,
wetenschappelike moraal te komen, is bestemd om te wijken voor
zuiverder ethiese methode, die de maatstaf van goed en kwaad, de
wetten van het behoorlike, van het „Sollen”, niet zoekt in enig
„Sein”, in enige werkelikheid buiten en behalve het oordelend zedelik
bewustzijn zelf, het methodies verhelderd zedelik zelfbesef. „De
zuivere ethica”, zo schreef ik in 1912, „is even vrij van naturalismen
en supranaturalismen, even exakt, empiries, algemeen geldig en
autonoom als de zuivere logica. Haar enig gebrek is, dat zij nog
niet bestaat. ‚Die Gesetze und Elemente des sittlichen Bewusstseins’
wachten nog op hun schrijver.” Tans hebben we, sinds 1914, al vast de
„_Einführung in die Ethik_” van HEYMANS, waarin het Utilisme wordt
overwonnen door een even zuiver als edel Objektivisme—dat trouwens
alom in opkomst is—in Duitsland bij menig Neokantiaan en de dezer
dagen overleden LIPPS, in Frankrijk o.a. bij FOUILLÉE en PARODI. La
vérité est en marche—rien ne l' arrêtera. Zo zal het utilisme wijken
voor de zekerheid, het klare weten, dat zedelikheid iets anders is en
blijft dan nuttigheid, ook daar, waar beide samenvallen, en dat, om een
voorbeeld te noemen, het recht van één onschuldig veroordeelde, hoe
weinig nuttig of sympathiek hij voor de rest moge zijn, gaat boven het
groepsbelang van duizenden (ik denk hier aan de Dreyfus-zaak), dat er
heroieke waarheid schuilt in het oude _fiat justitia, pereat mundus_,
dat KANT niet tenonrechte toornt tegen de „pharisäischen Wahlspruch:
‚es ist besser, dass ein Mensch sterbe, als dass das ganze Volk
verderbe’; denn wenn die Gerechtigkeit untergeht, so hat es keinen
Werth mehr, dass Menschen auf Erden leben.” Voor het zedelik oordeel
is zedelike grootheid en waarde, zedelike schoonheid en kracht, het
hoogste belang, zedelike verwerpelikheid het grootste kwaad. Zoveel
over ethiek en sociaal utilisme in het algemeen.

En wat nu de toepassing op oorlog en zijn geluksbalans in het biezonder
betreft—ik ben het eens met wat daaromtrent HEYMANS opmerkt[5]: Gelijk
de prostitutie een kwaad zou blijven, ook al kon worden aangetoond,
dat ze niet alleen het algemeen genotsaldo verhoogt, maar ook als
veiligheidsklep de gemiddelde zedelikheid bevordert, zo zou ook de
oorlog een kwaad blijven, welke ook de gevolgen waren, die daarvan voor
de mensheid kunnen worden verwacht. Immers, de oorlog is principieel
_een beslechting van geschillen, niet door het recht, maar door de
macht_. „En wat is omgekeerd de geheele strekking onzer zedelijke
cultuur, zoo niet deze: overal de heerschappij der macht door de
heerschappij van het recht te vervangen?” In de oorlog is _het recht
als zodanig uitgeschakeld_. Als het, toevallig, overwint, dan niet
omdat het recht is, maar omdat het de macht aan zijn zijde heeft. „Of
met één woord: _de oorlog negeert het recht_. Daarmede is de oorlog
zedelijk veroordeeld.”

[5]  Zie „_De Oorlog en de Vredesbeweging_”, bl. 7/8.

Is daarmee nu ook STEINMETZ reeds weerlegd? Ja.... en neen. Neen, in
zover ook STEINMETZ recht wil boven macht, maar juist aan de oorlog een
„immanente”, „natuurlike” gerechtigheid meent te moeten toeschrijven,
veelzijdiger, rechtvaardiger dan alle beperkte, bevangen mensenrecht.

De redenering, die tot dit resultaat hem leidt en voorts tot de
gevolgtrekking, dat het even onmogelik als ongewenst is, ooit
rechtspraak te doen treden in de plaats van oorlog, heel dat redebeleid
hebben wij dus in de voornaamste plaats met alle vereiste zorg uiteen
te zetten en te toetsen.



II. DE OORLOGSRECHTVAARDIGING.


1. De Oorlogsnadelen. Gestoorde illusies.

Over de _nadelen_ van de oorlog kunnen wij kort zijn. Ze spreken
zelf luid genoeg. STEINMETZ wijdt er zes paragrafen aan waarin hij
achtereenvolgens bespreekt

 1. De opzettelik geofferde mensenlevens.

 2. De niet-opzettelik gemaakte slachtoffers, het indirekt door oorlog
 veroorzaakt leed.

 3. De ekonomiese nadelen: Zowel de akute (verwoestingen enz.) als de
 chroniese (de oorlogsbudgetten en derg.).

 4. De ekonomiese ontredderingen (Verwirrungen).

 5. De demoralisatie onder dienst en in oorlog.

 6. Het militarisme als steun van feodaliteit en absolute monarchie.

Een afzonderlik hoofdstuk wordt dan nog aan het belangrijk nadeel der
„_contra-selektie_”[6] gewijd.

[6]  D. w. z. verkeerde selektie, die uitroeit wat men wil kweken en
     kweekt wat dient uitgeroeid.

Over dit alles slechts enkele opmerkingen. Hoewel het moeilik is een
oordeel te vellen over een oorlog die nog in volle gang, ja misschien
nog eerst in z'n begin is, mogen we toch nu reeds zeggen, dat deze
oorlog het er vóór alles op schijnt aan te leggen, de troostrijke
illusies te verstoren, door STEINMETZ gekoesterd omtrent „Der künftige
Krieg”.

Het sub 6 genoemde zal volgens hem in de toekomst nagenoeg verdwijnen;
een gezonde demokratie duldt geen voor haar zelf gevaarlik leger. Soit.

Ook het onder 5 genoemde is volgens STEINMETZ bestemd om te
verdwijnen. Al kunnen we dat ook voor de demoralisatie onder
dienst in vredestijd toegeven, het zal nog wel enige tijd duren
eer het leger met z'n epidemies kruipen voor meerderen en trappen
op minderen, met z'n soldatenmishandelingen en schrikbarende
zelfmoordstatistieken, met z'n geslachtsziekten en z'n kazerneleven
het ideële volksopvoedingsinstituut geworden is, dat STEINMETZ met
V. LISZT e. a. er van verwacht. En voor de demoralisatie door de
oorlog zelf schijnen mij de reeds in deze oorlogsperiode voorgevallen
feiten stellig van dien aard dat ik STEINMETZ' uitspraak niet zou
durven onderschrijven, dat de Verrohungswirkung des heutigen Krieges
„unbedeutend” is of dat die Demoralisation bij een oorlog van
beschaafde volken „fast wegfallen” muss. Zijn gunstige verwachtingen
steunen in hoofdzaak op de criminaliteitstatistieken na de oorlogen uit
de laatste tijd; we zullen ook nu die statistieken moeten afwachten,
zonder te vergeten, hoe veel, en daarbij van het allerergste, ten
eeuwigen dage buiten alle berechting, buiten alle statistiek valt.

En één nadeel altans heeft STEINMETZ heel en al vergeten: de
demoralisering, de ontaarding van heel een volksgeest tegenover
het vijandelik volk als zodanig. Het is zeker erg, wanneer daar,
als bij het fort Loncin, één welgemikt mortiersprojektiel een
achthonderd jonge mannen tot lillend puin vergruizelt of wanneer
een paar torpedoschutters met gretig beleid een paar duizend man
doen verdrinken, om van het opzettelik verminken en vermorzelen der
duizenden en tienduizenden in de loopgraven nog te zwijgen, maar niet
minder erg is het krijsend leedvermaak, die „jubelende vreugde” over
zulk „schitterend succès”, als gold het giftig ongedierte in plaats van
onschuldige, zedelik gelijkwaardige, ja kultureel verwante medemensen.
Ik weet wel, dat dit leedvermaak minder de vijanden, dan de vijandelike
zaak geldt.... doch dat is juist het diep-onzedelike van oorlog, dat de
ene zaak door gemiddeld precies even goede mensen wordt gediend als de
andere, dat niet goed of kwaad, recht of onrecht, gelijk of ongelijk de
plaats in het ene gelid of het andere bepaalt, maar toevallig, van wil
of waarde onafhankelik nationaliteits-, of neen, staatsverschil.[7]

[7]  Wee de onverlaat, die naar recht en geweten z'n plaats zou willen
     kiezen.... aan de overzijde! Op straffe van eerloosheid en
     dood wegens „landverraad” eist oorlog van hem gewetenloos
     rechtsverraad: right or wrong, my country!

En zie nu die psychologie der oorlogsberichten, waarin de vijandelike
verliezen de zoete troost zijn voor elk échec, en pest, cholera,
tyfus, verraad, opstand, hongersnood kwistig over de vijand worden
uitgestrooid, dewijl de wens de vader is der gedachte.

Ja, bij STEINMETZ fungeren zelfs de „Grausamkeitsgenüsse” van de oorlog
als voordelen in de Lustbilanz! Men behoeft nog geen askeet te zijn om
dit hedonisties amoralisme te wraken en onzedelik genot te beschouwen
als een kwaad. Want geen ander leedvermaak is zedelik gerechtvaardigd
dan de verheuging over falende slechtheid, over teleurgestelde,
onbevredigde gemeenheid. En toch is haat, algemene, distinktieloze
haat, die aan onschuldige „vijanden” dood en verderf toewenst en
toedient nodig in en voor de oorlog; hoe feller die haat wordt
gestookt, desnoods met leugen en laster, des te vuriger het élan. Wat
hadden de Duitsers tegen de Belgen toen zij hen overvielen? Op z'n best
schaamte. Maar daar kwamen de verzonnen „Abschlachtungen der Deutschen
in Antwerpen”, kindermoord, vrouwenmishandeling, kerkhofschending,
bestialiteit... het spel kon beginnen. En we denken aan de gretig
geloofde en gekolporteerde putvergiftiging met cholerabacillen in Metz,
besmetting van de Müggelsee, dum-dums of ontplofbare kogels over en
weer, marteling van gevangenen en gewonden, kortom aan al wat nodig is
om de stemming op peil, op oorlogspeil, te houden.... hoewel dan „die
heutigen Kriege keinen erheblichen Verrohungseinfluss mehr ausüben.”

Omtrent het sub 3 en 4 genoemde, de ekonomiese nadelen, het
kapitaalverlies, de verwoestingen enz. erkennen we dat het oordeel of
de oorlog zijn kosten dekt en zelfs bovenmatig „goedkoop” moet heten
geheel afhankelik is van de waarde die men aan z'n voordelen hecht; het
enige waarop we moeten wijzen is dat altans deze oorlog nu reeds een
ontwrichting en ontreddering van het ekonomies leven, een werkeloosheid
en een volksverarming heeft gebracht als wel geen oorlog te voren.
En we zijn waarschijnlik nog maar aan het begin. Geen opleving, geen
herstel na de oorlog kan het nu geleden leed te niet doen. Maar laat
ons bij betrekkelike kleinigheden niet te lang stilstaan! Daar zijn
b.v. de verwoestingen. „Zum Glücke ist es wahrscheinlich, dass die
Zerstörungen im Kriegs-interesse jetzt erheblich geringer sind als sie
in früheren Jahrhunderten waren”... Oost-Pruisen, Noord-Frankrijk,
Russies Polen en België,—Leuven, Mechelen, Aerschot, Dinant, Namen,
Reims... We gaan verder.

We krijgen nu de dodenlijsten van de oorlog en al wat aan ellende
daarmee samenhangt. We betreden het terrein van de „_contraselektie_”,
die de gezonde gave normale jonge mannen, de keur en bloem der
volken wegmaait en de zieken, zwakken en gebrekkigen, het misgewas en
het uitgebloeide laat leven en telen. De lichting is kieskeurig...
de kogel niet, „Die Kugel wählt nicht”. Kogel, bom of granaat heeft
voor begaafdheid of genie, voor geest of gemoed, voor kennis of
karakter niet meer respekt dan voor elk willekeurig stuk levend
vlees. „Ja, die Besten, die Tapfersten sind hier gewiss besonders
im Nachteil”. We begrijpen, dat voor een selektionist deze „helaas
niet te schatten of te berekenen” contraselektie inderdaad „_ein sehr
bedeutender Uebelstand_” moet zijn, al pleit hij enige kwantitatieve
„mildernde Umstände”: het geringe percentage edelen en begaafden
(„Grob und ordinair sind meist die Toten, grob und ordinair auch die
Zurückbleibenden”, een schrale troost, vooral voor de betrokkenen),
de geringe afwijkingen, die voor afkeuring voldoende zijn, het feit,
dat volgens VON BLOCH (_Der Krieg_) in de laatste oorlogen door
ziekten en ontberingen—dus door seligerende faktoren—wel driemaal
zo velen omkwamen als door wapengeweld (maar blijkt niet reeds tans
en wordt niet voortdurend deze verhouding ongunstiger door de
verbetering enerzijds van de wapentechniek, anderzijds van verzorging
en verpleging?), het aantal vaders, dat sneuvelt, na dus zijn
selektie-dienst reeds te hebben verricht—een troost intussen, die
bij de met stijgende kultuur stijgende huweliksleeftijdsgrens steeds
geringer dreigt te worden.. Edoch: „_Der Haupttrostgrund ist aber, dass
am Ende doch nur relativ Wenige dem Kriege zu Opfer fallen, wenigstens
in den Kriegen civilisirter Grossstaaten_”. Veel of weinig is altijd
„relatief”. Wijsbegeerte noch wetenschap zal daarover twisten. Maar
welke maatstaf legt STEINMETZ aan—op wat voor verliescijfers is zijn
oordeel gebouwd? Op die van de oorlogen in Europa in de 2e helft van
de 19e eeuw, als de Pruisies-Oostenrijkse oorlog van 1866, waarin het
aantal doden wordt geschat op bijna 11000 Pruisen en ongeveer 3 maal
zoveel Oostenrijkers, de „bloedige” Krimoorlog, die 175000 doden en
gewonden opleverde (LEVASSEUR), doch inzonderheid de Frans-Duitse
oorlog, waarin de Duitse verliezen op ± 40.000 worden gesteld, de
Franse op ± 140.000, voor Duitsland dus 1 op de duizend inwoners! En
voor de toekomstoorlog heeft BERNDT („_Die Zahl im Kriege_” 1897)
STEINMETZ overtuigd, „dass Millionenschlachten sehr unwahrscheinlich
sind... dass die Verlustprozente keine grösseren sein werden als im
letzten grossen Kriege”. VON BLOCH's verwachtingen over de ungeheure
Verluste bij het moderne wapentuig in een toekomstige krijg acht
STEINMETZ „gründlich widerlegt” („vollständig verfehlt”) door zijn
beschouwing: „Die Bewaffnung ist gar kein Faktor in der Verlustgrösse
des Krieges”... „Je schrecklicher die Waffen, je blutiger die
Schlacht, um so kürzer und weniger blutig der Krieg”. Beschaafde
volken willen immers elkander niet meer verdelgen, ausmorden, maar
slechts onschadelik maken, demoedigen, een „vorteilhaften Frieden”
afdwingen. Geen volk zal méér lijden dan het dragen kan, men make
zich niet nodeloos ongerust, „Wenn die Verlustgrenze (elders: „die
Widerstandschwelle”) erreicht ist wird nachgegeben”. „_Verlustmaxima_”
zijn bereikt in de Russies-Japanse oorlog—maar daar stond „der Muschik
gegenüber dem Samurai, die wenig übertünchte Barbarei gegenüber dem
kaum verlassenen Mittelalter”—en die „maximale” verliezen bedroegen:
ruim 80.000 Japanners en ruim 30.000 Russen!

Wat leert ons nu de werkelikheid van de tans losgebroken oorlog?
Hoe onbarmhartig drijft hij de spot met STEINMETZ en BERNDT, hoe
grondig weerlegt hij hun illusies![8] Niet bij tienduizenden, bij
honderdduizenden, ja naar de laatste berichten reeds bij kwart en
halve millioenen dienen de verliezen geteld... in deze weinige maanden
tijds. De officiële Duitse verlieslijsten die ik zag, hadden reeds
vóór half Oktober, vóór de bloedbaden aan de Yser, bij Yperen en
Dixmuiden en vóór de terugtocht van Warschau een bedrag van meer dan
470.000 bereikt! Reeds tans zijn de verliescijfers _meer dan 10 maal
zo hoog_ als in '70/'71! Waar blijft nu STEINMETZ' Haupttrostgrund?
En we zijn, naar het schijnt, nog pas aan 't begin. Wat zal het
einde zijn? „Mürbe” gemaakt is nog geen der tegenstanders—wat zal
er deze winter overblijven van al die kostelike millioenen, van die
keur der keurvolken in de moordende, slopende loopgraven, in west en
oost? Ziet iemand redding of uitkomst? Zou STEINMETZ tans nog „die
ganze Sache wohl ein bischen zu sehr aufgebauscht” noemen? Parfois le
vraisemblable est l'ennemi du vrai: de werkelikheid heeft STEINMETZ'
„waarschijnlikheid” verslagen met JOTEYKO's „Phantasie”: „entre la
guerre d'hier et la guerre de demain un abîme est creusé”!

[8]  Vgk. hoe STEINMETZ onder de „soziale Sukzessionsgesetze... induktiv
     und einwandsfrei demonstriert”... zijn „Gesetz der abnehmenden
     Kriegsverluste” opneemt, _Ph. d. Kr._ bl. 66 vv.


2. Oorlogs onmisbare kultuurfunktie.

Of in deze afgrond met STEINMETZ' Haupttrostgrund ook zijn
oorlogsgeestdrift verzonken is? Ik moet het betwijfelen. Want al
wekt zijn behandeling van het probleem, zijn wikken en wegen der
oorlogsnadelen de schijn—en al waant wellicht de schrijver zelf
in gemoede—, dat de betrekkelike zwaarte dier nadelen voor hem
gewicht in de schaal legt, zijn houding mede bepaalt[9]—dat alles
is niet meer dan schijn, zelfbedrog, oppervlakte-psychologie.
Immers, wanneer men met STEINMETZ de van oorlog onafscheidelike,
essentiële _voordelen_ ziet als eenvoudig _onmisbaar_, wanneer de
oorlog een even _onvervangbare_ als _onontbeerlike_ kulturele funktie
vervult—dan zinkt daartegenover elke eindige, d.w.z. elke voor volk
of mensdom _nog draagbare_ nadeelskwantiteit, ja voor STEINMETZ immers
„geradezu unendlich viel Entsetzliches”.... eenvoudig in 't niet.
Geen sentimentele illusies. Grote dingen moeten we groot zien.[10]
Oorlog, dat wil voor STEINMETZ zeggen leven en vooruitgang, de zedelike
verheffing van het mensdom—zonder oorlog stilstand, bederf, marasme,
dood. Ziedaar de voordelen, het heil, de zegen van de krijg.

[9]  „Auch kommt es gerade und allein auf unsere Schätzung der dem
     Kriege inhärenten Nachteile bei der schliesslichen Abwägung seiner
     guten und schlechten Folgen an” (_Ph. d. Kr._ 13).

[10] De felle schets van 1899 (_Der Krieg als soziologisches Problem_)
     is zuiverder van toon en opzet dan het breed uitgewerkt boek van
     1907, dat met minutieus feiten- en cijfermateriaal toch slechts
     voor de leus rekening houdt.

Wat VOLTAIRE van God zeide, zegt STEINMETZ van de oorlog: „Wenn es
keinen Krieg gäbe, müssten wir ihn erfinden!”

Betreden wij tans de weg die naar deze apologie, neen apotheose van de
oorlog leidt.

De kwintessens van het betoog luidt: _Oorlog is het enig middel tot
kollektieve selektie, de enige, die _(in tegenstelling tot de
selektie van individuen)_ zedelik werkt_.

De gedachtengang is deze:

De oermens is een aggressief wezen, d.w.z. hij heeft de drang tot
zelfbehoud (Selbstbehauptung, verweer) en tot machtsuitbreiding
(Selbsterweiterung, aanval) en de kracht en de wil (moed, wreedheid,
hebzucht) om die desnoods met geweld te veroveren op dierenwereld
en medemens. Zo heeft hij de strijd om het bestaan met roofdier en
mens-vijand kunnen en moeten voeren en winnen—en dank zij die
strijd met z'n survival of the fittest heeft hij al zijn vermogens,
heel zijn superioriteit tot ontwikkeling gebracht, niet alleen z'n
lichaams- en intellektuele krachten, maar ook z'n zedelike (sociale)
gevoelens, dank zij de groepvorming en groepselektie. Want in de
strijd geldt nu eenmaal het recht van de sterkste—Recht hat wer
gewinnt—en de zwakke individuen verenigen zich van oudsher tot sterke
groepen, horden, die dezelfde aggressiviteit, krijgszucht behoeven
en vertonen, en tot zelfbehoud (defensief) en machtsversterking of
bezitsverrijking (offensief) onderling oorlog voeren. Binnen de
groep ontstaat tussen de individuen zelf solidariteit en gevoel van
samenhorigheid, arbeidsverdeling, orde, gezag, vreedzame wedijver;
recht begint te treden in de plaats van macht en geweld—en heel de
hogere kultuur is aan die vorming en groei van groepen te danken, wier
hechtste cement de krijg tegen vijandelike groepen was. Want liefde,
meegevoel, gemeenschapszin was alleen mogelik jegens een betrekkelik
kleine kring van „naasten”, „eigen volk”, in tegenstelling tot de
vreemdelingen-vijanden (hostes) rondom—algemene mensenmin was (en is)
een ijdele frase.—Ziedaar de „kulturele funktie” van de oorlog als
„Triebkraft” der ontwikkeling voor het verleden, voor de geschiedenis
der mensheid. En meteen het inzicht voorbereid in zijn onmisbare
„wesentliche” funktie, die... „für alle Zeiten gültig ist”, zijn
zedelike noodwendigheid.

Immers: Wat is het principieel _zedelik_ verschil tussen de
individuele en de groepselektie? Het individu heeft om te winnen
zuiver individualistiese, egoïstiese eigenschappen nodig: zelfzucht,
hebzucht, haat jegens anderen, afgunst, geweldenarij, list en bedrog,
meedogenloosheid—de groep heeft om te zegevieren tal van belangrijke
_zedelike_ faktoren nodig—want winnen zal de hechtste, rijkste,
machtigste groep; de leden moeten derhalve trouw zijn aan elkaar,—er
moet verdraagzaamheid heersen, gemeenschapsgevoel, solidariteit,
toewijding, opofferingsgezindheid, eerlikheid, betrouwbaarheid en
vertrouwen, orde, gezonde organisatie, arbeidsverdeling,—en wat dies
meer zij. Derhalve moeten er zelfstandige, gescheiden, geïsoleerde
groepen zijn—zonder isolement geen groep, maar amalgamering en
atomisering en louter individuele selektie. En het enig middel tot
dergelijke voldoende isolering is onderlinge strijd, is _oorlog_. Die
alleen stoot enerzijds voldoende af en houdt anderzijds voldoende
bijéén, wekt de opperste solidariteit, doordien hij alle krachten
van het geheel en van de leden vergt, zelfs het leven. Dit laatste
vermag alleen de _staat_ met zijn dwang, niet een vrije vereniging van
gelijkgezinden voor beperkte doeleinden. Derhalve moeten er staten
en oorlogen zijn, die elkander vooronderstellen: zonder oorlog geen
staat, zonder staat geen oorlog. En zó wordt dan bij de statenstrijd,
in tegenstelling tot de kamp en wedstrijd der individuen, de „Messung
der Kräfte” tot een zedelik heil, macht tot recht.[11] Want als àlle
gemeenschapskrachten in het spel zijn, en dat is bij de krijg het
geval, is de beslissing ook alzijdig, wordt zegepraal of nederlaag het
eindresultaat van heel het staats- en volks-verleden, de straf voor
alle staatszonden, het loon voor alle staatsvoortreffelikheden, een
waar „Godsoordeel”, om te spreken met de Hegeliaan LASSON. Zo wordt de
oorlog de grote rechter, „der Krieg das Weltgericht”, hoog verheven
boven de rechtspraak der eenzijdige wijsneuzige mensjes: „Jeder Richter
urteilt einseitig, der Krieg allseitig”.

[11] Even oppervlakkig als onbillik tegenover STEINMETZ, is dus alle
     verweer in deze trant: „Tegenover het ethisch nihilisme, dat macht
     en recht doet saamvloeien, klemmen wij ons vast aan den Christus
     Gods, die het verlorene zoekt en zich over het zwakkere ontfermt.”
     Juist op gerechtigheid en barmhartigheid beroept zich STEINMETZ'
     oorlogsfilosofie.

De oorlog vervult de wereldhistoriese roeping, te zorgen „dass ein
tüchtiges Volk an die Stelle eines schlaffen tritt”. Welbeschouwd
vergt oorlog, mits niet te frequent, en van enige militaire,
sociale en politieke fouten gezuiverd (volksleger in plaats van
kaste-militarisme), niets dan „eine sogar sehr billige Bezahlung für
seine ungeheueren Wohlthaten”.

Ten slotte: Nooit kan en mag—zo zou STEINMETZ antwoorden op het
betoog, dat oorlog de negatie van het recht is—nooit kan en mag
rechtspraak, mensenrecht, het immanent recht van oorlog vervangen.
Want het _recht_ slaat op het _verleden_, doet _behouden_, wat reeds
verworven was, de oorlog regelt en bepaalt de _toekomst_, zorgt voor
_nieuwe_ verwerving, het recht konstateert, de oorlog konstitueert,
het recht is een beginsel van stilstand en behoud, de oorlog een
stuwkracht in dienst der Selbsterweiterung, een beginsel van groei en
machtsontplooiing. Of, om met MAX SCHELER te spreken[12], het recht is
„_statisch_”, de oorlog „_dynamisch_”. En stilstand, rust wil zeggen
ontbinding, Verfaulung. Leven is groei, ontwikkeling. Zo wordt de
gedachte: scheidsgerecht in plaats van strijd, „zu blödsinnig, zu
hässlich um ernste Bestreitung zu verdienen”. Het is in het belang
der mensheid, dat geschillen tussen volken „Machtfragen bleiben und
keine Rechtsfragen werden”. Kracht en inspanning moeten beslissen,
niet „etwa Anciennetät”. Wat volgens STEINMETZ het socialisme zou
betekenen voor het individu, dat spiegelt de wereldvrede voor aan de
staten: „der ewige Schlaf des Menschheitspensionats”, een leventje
„ohne Kampf, ohne Anstrengung, ohne Verantwortung, ohne Ausmerzung!
Ein hehres Greisenideal: Verfaulung im Lehnstuhl!”—Zonder strijd,
zonder zelfhandhaving en aggressiviteit „Zurückdrängung des Besseren,
Erniedrigung des Typus, Tod.”—

[12] _Die Idee des Krieges_ (Neue Deutsche Rundschau, Okt. '14)

Zo luidt het pleit van de oorlog en zolang dit overeind staat kunnen
geen oorlogsslachtoffers, hoe talrijk ook, meetellen, mag geen
oorlogsmisère, hoe intensief en extensief ook, meewegen. Hic Rhodus,
hic salta.



III. DE KEPER.


1. „Staties” Recht en „dynamiese” Oorlog.

Wat hebben wij nu tot deze dingen te zeggen?

Allereerst richt ik mij tegen het imponerend betoog, dat recht
niet kan en mag in de plaats treden van oorlog. Het berust op een
onzuivere, valse tegenstelling: Tegenover de oorlog als stuwkracht,
verovering en geweld als middel en wijze van krachtsontplooiing en
bezitsverwerving staat niet het recht, dat nooit zulk een dynamiese
funktie voor zich heeft opgeeist, maar staan de _vele vreedzame
stuwkrachten_ en wijzen van bezitsvermeerdering en machtsverwerving,
van leven en wasdom, die de dynamiek der geschiedenis kent, bij
individuen, groepen, steden en staten: _tegenover roof en krijg_
staat, neen niet het recht, maar: rechtens en zedelik geregelde en
geoorloofde _arbeid_, _eerlike wedstrijd_, staat bij de volken het
gebruik van al hun kulturele, dus alle ekonomiese, wetenschappelike,
artistieke, morele krachten. Die vreedzame _wedijver met àlle
krachten_ maakt eenlingen en gemeenschappen groot en sterk—en de
geschiedenis der laatste eeuwen is het levend bewijs, hoe enkelingen,
geslachten, steden, verenigingen, industrieën, kerken en partijen
kunnen opkomen en ondergaan, veldwinnen, groeien en bloeien zonder roof
of verovering, zonder wapengeweld. Sinds hoe lang heeft Amsterdam of
Berlijn of b.v. Chicago geen oorlog gevoerd? Dus stilstand, bederf,
ontbinding, dood? Het lijkt er vooralsnog niet naar. Zeker, strijd
is nodig, wedstrijd en selektie—daarover zijn wij het eens, dat is
de waarheid in STEINMETZ' betoog. Maar allerminst is het recht, is
arbitrage in de plaats getreden van de stedenoorlog als stuwkracht
der ontwikkeling! En misplaatst is dus de spot van STÖRK met de
voorstanders van internationale arbitrage: „das Weltgericht setzt
fortan Weltgeschichte”, misplaatst STEINMETZ' apostrofe: „Ist dieser
Gedanke nicht der verrückteste, der je ausgeheckt wurde: die Zukunft
der Rassen und Völker, der ganzen Menschheit durch Richterspruch nach
Schätzung und Gesetzesparagraphen gelenkt! Wie wenig zeugt diese
entsetzliche Illusion von Ehrfurcht vor den höchsten Interessen der
Menschheit, vor der Zukunft der Völker!”

Welk een wonderlik eenzijdige, povere geschiedbeschouwing! Neen, wat
de wereldgeschiedenis maakt, wat de rassen en volken leidt zonder
statenoorlog, zonder wapengeweld, zal evenmin recht of arbitrage
zijn, als rechtspraak tans de drijfkracht is die de machts- en
bezitsverhoudingen der enkelingen en groepen wijzigt, hun opkomst,
aanzien, eer en ondergang bepaalt, waar alle fysiek geweld, alle
doodslag en roof hun rechtens en feitelik is ontzegd. Gebleven is
immers de strijd om 't bestaan. Gebleven is, en blijven moet, de zegen
van „Gefahr, Not und Kampf”, van inspanning, wedijver en wedstrijd,
kortom van selektie. Andere dan fysieke krachten konden zich doen
gelden en beslissend worden, op edeler vermogens seligeerde de strijd,
waar organisatie en samenwerking anarchie en verdeeldheid verving.
Veranderd is alleen de wijze en het terrein van strijdvoeren, zijn
alleen de middelen van Selbstbehauptung en Selbsterweiterung. Het recht
vervangt niet, maar vervormt de strijd. Selektie wordt door recht niet
opgeheven, maar verschoven. En wat is zelfs het socialisme anders dan
het streven, de anarchiese strijd om individuele, materiële winst met
zijn verderfelike selektie-gevolgen door middel van organisatie te
vervangen door een des te heviger, immers algemener strijd van hoger
selektief allooi op alle terreinen der kultuur?

De vraag is dus alleen of 't in strijd is met de dynamiek der historie,
dat ook de staten hun „Selbsterweiterung” ééns zullen moeten zoeken
zonder wapengeweld en verovering. Daarop luidt dus ons antwoord:
neen—_arbeid_ met alle kulturele vermogens en vreedzame, recht en
rechten eerbiedigende _wedijver_ is in de plaats getreden van roof
en geweld bij individuen, stammen, gemeenten, steden, provincies,
staatjes en verenigde staten; in het histories karakter van „dynamiese”
oorlog en „staties” recht ligt niets hoegenaamd wat ons noopt te
geloven aan een verbreking van deze historiese lijn. Integendeel.
Dezelfde historiese machten en invloeden voorspellen gevolgen in
dezelfde richting. Dezelfde ekonomiese en kulturele faktoren, die de
rechtsgemeenschappen, waarbinnen militaire grenzen zijn uitgewist, en
met de militaire zelfstandigheid oorlogsmogelikheid, oorlogsaanleiding
en oorlogsbelang zijn verdwenen, steeds omvattender hebben gemaakt,
zullen ook voortaan de volken- en staten-kringen uitbreiden, waarbinnen
arbeid, recht en vrede zullen treden in plaats van roof, geweld en
krijg. De gelegenheid maakt de dief—de gelegenheid maakt de oorlog,
gelijk alleen de duelzede (b.v. in Duitse studentenkorpsen) dageliks
duelaanleiding, duelbelang, duelnoodzakelikheid schept.

En ook dit dienen wij hier te bedenken, dat de „dynamiese”
oorlog—de _veroveringsoorlog_ is, de belangenoorlog, die door
regeringen en volken reeds tans om 't hardst wordt verloochend met
leuzen van zelfverdediging en geschonden heilig recht, die nog
slechts door verdwijnende minderheden van belanghebbenden met hun
buitensporig, verouderd en ten dode gedoemd machtsoverwicht wordt
gewild, en doorgedreven tegen het belang, de wil, de rechtszin
van de kultuurvolken zelf, in hun overgrote meerderheid, die hem
verfoeit, die hem zedelik te boven, er te redelik en te goed voor
is. Van deze „dynamiese”, „expansieve”, dus op roof en buit beluste
volksgeweldpleging geldt inderdaad en letterlik, wat SCHOPENHAUER
schreef in algemener zin: „Diese Raubthiere des menschlichen
Geschlechts sind die erobernden Völker, welche wir, von den ältesten
Zeiten an bis auf die neuesten, überall auftreten sehn, mit wechselndem
Glück, indem ihr jeweiliges Gelingen und Misslingen durchweg den
Stoff der Weltgeschichte liefert, daher eben Voltaire Recht hat zu
sagen: Dans toutes les guerres il ne s'agit que de voler. Dass sie
sich der Sache schämen geht daraus hervor, dass jede Regierung laut
betheuert, nie anders als zur Selbstvertheidigung die Waffen ergreifen
zu wollen. Statt aber die Sache mit öffentlichen, officiellen Lügen zu
beschönigen, die fast noch mehr, als jene selbst, empören, sollten sie
sich, frech und frei, auf die Lehre des Machiavelli berufen.”—Zoveel
over de veroveringsoorlog—waarbij ik nog buiten bespreking laat het
Norman-Angellisme, voor zoverre dat betoogt, hoe „verovering” ook
ekonomies een onding is geworden, waarbij meer verloren dan gewonnen
wordt, dank zij het moderne krediet-systeem en de steeds inniger en
veelzijdiger internationale ekonomiese afhankelikheid, zodat „The great
Illusion” dient overwonnen, als zoude militaire en politieke macht
een volk commerciële en sociale voordelen schenken of als ware het
ekonomies nog mogelik, kolonies te „bezitten”, de rijkdom van een ander
volk met wapengeweld inplaats van ekonomiese mededinging duurzaam te
bemachtigen of te vernietigen. „Die Menschenseele hat kein theureres
Gut als die Illusion” zegt ergens MAX NORDAU. Volgens NORMAN ANGELL
is wel de duurste van al die illusies the great illusion. „War does
not pay”. Bevestigt dieper ekonomiese studie deze beschouwing, dan is
daarmee het ekonomies doodvonnis over de oorlog geveld.

Maar genoeg van de veroveringsoorlog en zijn gewaande
histories-dynamiese noodzakelikheid.


2. De kollektieve selektie.

En nu het allesbeheersend, beslissend punt: _de kollektief-selektoriese
funktie_, de oorlog als onmisbaar opvoeder en volkenrichter.

Vooraf nog tweeërlei opmerking tot voorkoming van misverstand: wij
miskennen niet het belang van strijd, van wedijver en selektie voor
maatschappij zowel als natuur, voor heel de geschiedenis èn de
toekomst der kultuur, al zal geen bezonnen evolutionist zover gaan, de
fittest, de best-aangepasten, reeds daarom als de besten, de edelsten
te beschouwen, de martelaar te verachten voor zijn geweldenaar; de
hoogste aanpassing aan het milieu is aanpassing van het milieu; en
edele persoonlikheid gaat liever onder, dan zich aan te passen; „Es
ist das Unkraut, das überall gedeiht” (SCHELER).—En voorts: men kan
de zegeningen der fysieke krachtmeting tussen mens en roofdier, mens
en mens (het oude homo homini lupus), stam en stam, volk en volk, de
zegeningen van het vuistrecht, familieveten, bloedwraak en oorlog
dankbaar erkennen, de geschiedenis dier krachtmetingen zien als
iets anders dan een „lelike domheid, waarvan slechts de proporties
groot zijn”—en toch als historicus het historisme voldoende te
boven zijn, om te beseffen, dat deze dankbaarheid evenmin voor het
behoud, voor de toekomst van de oorlog pleit, als tegen de historiese
vervanging van clanveten, bloedwraak en stamverantwoordelikheid
door strafrechtspleging en persoonlike schuld. Ook vrouwenroof en
mensenoffers, slavernij, adel, inquisitie hebben hun plicht gedaan...
en hun tijd gehad. En mocht dus ook de oorlog eens de weg der
bloedwraak gaan—dan zal de geschiedenis zelf hem uitluiden met haar
lijfspreuk: „Der Mohr hat seine Schuldigkeit getan—der Mohr kann gehn.”

Tans ter zake. Om de kollektieve oorlogselektie op de keper te
beschouwen—en te wijzen A: op de door STEINMETZ vergeten _zedelik_
werkende faktor der _individuele_ selektie en daarnaast op de gunstig
werkende faktoren van de vreedzame maatschappelike strijd, en B: op de
door STEINMETZ vergeten faktoren, die de _oorlogselektie deels zedelik
bederven deels te niet doen_.

Beide punten samen zijn nodig en voldoende om aan oorlog selektief en
zijn onontbeerlikheid en zijn recht van bestaan te ontnemen.


A. Gunstige individuele selektie. Groepenstrijd en selektieverbetering
zonder oorlog.

Aanvaardt men de met goede gronden gestaafde leer van SCHOPENHAUER en
HEYMANS, dat het individueel karakter, de zedelike persoonlikheid,
gegeven in de onderlinge machtsverhouding van zedelike en onzedelike
neigingen, vrijwel onveranderlik is, dan krijgt de selektie voor de
zedelike vooruitgang een allesbeheersende betekenis: fundamentele
zedelike verbetering is niet mogelik van het verdwijnend individu,
maar slechts van de blijvende mensheid, doordien en in zoverre de
minderwaardigen geringer kansen hebben op voortplanting en propagering
van hun eigenschappen in de nakomelingschap dan de hogerstaanden,
indien derhalve het percentage dezer laatsten wast, hoe weinig ook,
met elk nieuw geslacht. Voldoende zorgt voor deze percentsgewijze
uitroeiing van de slechtere elementen zeer zeker noch de huidige
overheersende ekonomiese wedstrijd, waarin factoren van intellekt
(kennis, scherpzinnigheid, tegenover onwetendheid en domheid)
en temperament (aktiviteit en bezonnenheid tegenover luiheid en
wispelturigheid) nog wèl, maar van karakter niet, of altans niet minder
ten kwade (ruim geweten, zelfzucht, meedogenloosheid) dan ten goede
de doorslag geven, noch de weinig betekenende opzettelike eliminering
door het strafrecht, zelf weer voor een belangrijk deel afhankelik van
non-selektieve ekonomiese faktoren.

Maar wij hebben gelukkig één grote blijvende kracht, die er op gericht
blijkt, de zedelike minderwaardigheid verhoudingsgewijs uit te roeien:
dat is de groter aantrekkelikheid van het goede boven het slechte,
gelijk die tot uiting komt in de _sexuele teeltkeus_. Hier werkt de
zielkundige waarheid, dat werkelike goedheid, karakterschoonheid,
edele persoonlikheid aantrekt en echte slechtheid, gemeenheid,
laagheid afstoot... zowel de slechten als de goeden. Want slechtheid
is niemands einddoel, is enkel middel. „Auch des Egoist wertet die
Liebe höher als die Selbstsucht, auch der Unzuverlässige zicht die
Wahrheit der Lüge vor: aber sie nehmen Selbstsucht und Lüge gleichsam
mit in den Kauf, um irgend welche Genüsse oder Vorteile zu erzielen.”
(HEYMANS) Deze waarheid en de daarop gegronde verwachting, dat ook bij
de huwelikskeuze, hoe zeer ook dikwerf resultaat van hartstocht of
berekening, van uiterlikheden, van allerlei raison en tort, toch het
zedelik goede van weerszijden „ceteris paribus” voorrang en voorkeur
zal vinden boven het minderwaardige, toch het liebens-würdigste ook
het liebenswürdigste, het beminnenswaardigste het beminnelikste zal
blijken, die verwachting vindt haar bevestiging in het enig daaromtrent
ingesteld wetenschappelik onderzoek, van HEYMANS en WIERSMA[13].
Voor tal van zedelike eigenschappen werd een hoger percentage bij
gehuwden dan bij ongehuwden gekonstateerd, zodat, in verband met een
onderzoek omtrent de biezondere erfelikheid dezer eigenschappen uit de
gevonden cijfers „auf eine Zunahme sittlich wertvoller und eine Abnahme
sittlich verwerflicher Eigenschaften von 1 bis 1.5% pro Generation
geschlossen werden kann”.[14] Zo ziet dan HEYMANS in deze kracht der
sexuele selektie, die stijgt met elk bereikt resultaat, met de steeds
hoger waardering der persoonlikheid boven stand en bezit, met de
steeds vrijer, natuurliker en veelzijdiger omgang van meisjes en jonge
mannen, met verdiept en verhelderd zielkundig onderscheidingsvermogen,
de grote waarborg van een steeds sneller en ongestoorder zedelike
vooruitgang—van „_de zelfopvoeding der mensheid_”.[15] En wij voor
ons konkluderen uit dit betoog: het huwelik is een bolwerk tegen de
oorlog.—Hier wordt het wonder werkelikheid, das Unzulängliche hier
wird es Ereigniss: deugden die het individu schaden in de strijd om
het bestaan: onbaatzuchtigheid, opofferingsgezindheid, eerlikheid,
waarheidsliefde... die dus hun eigen graf graven—ze bouwen ook hun
eigen huis, houden de soort en zich zelf in stand.

[13] _Beiträge zur speziellen Psychologie_, 9: Die selektorische
     Wirkung der Ehe, Z. f. Psych. 62.

[14] Wat ook op deze cijfers moge zijn af te dingen, de richting van
     betoog, en onderzoek schijnt mij onaanvechtbaar.

[15] Zie _Einführung in die Ethik_, 1914, §32.

Voor het karakter zelf, dus voor het diepste zedelik wezen van de
mens, zijn innerlike, eigenlike, zedelike wil en waarde blijft dus
_erfelikheid_ en _dodelike_ selektie: uitsluiting van de voortplanting,
van overwegend belang, indien we wijziging uitgesloten, zedelikheid
niet aan- of afleerbaar, opvoeding _hier_ dus machteloos achten. Het
tegendeel echter is het geval met het zedelik levensgedrag, het doen
en laten van de mens, zijn karakteropenbaringen, de levensresultaten
van zijn zedelike aanleg, die immers evenzeer als de aangeboren
geestelike, intellektuele begaafdheid zowel in z'n ontwikkeling
belemmerd, verstikt worden, eeuwig latent en kiem blijven kan als tot
z'n volle recht en ontplooiing komen. We betreden hier het terrein
van levenservaring en levensmilieu, van opvoeding en onderwijs, van
verleiding en bekering, die de voorstellingswereld, de denkbeelden,
de beweegredenen, wijzigen en beheersen, heel het motievenspel, dat
de sluimerende neigingen wakker roept, het karakter doet reageren met
wil en besluit. Hier heerst de zgn. _naboots_-selektie, die zonder
erfelikheid (ideeën, denkbeelden worden niet aangeboren) en zonder
lichamelike krachtmeting en uitroeiing door geestelik propageren
en elimineren, door evenzeer opzettelik als automaties aankweken,
door heel het maatschappelike systeem van denkbeeldverspreiding en
ideeënstrijd, van bewuste en onbewuste invloedoefening des te sneller
en zekerder voor de kulturele vooruitgang zorgt. Tot dit gebied behoort
alle verworven kennis en deugd, intellektuele en zedelike bekwaamheid,
alle begrip en inzicht, dus ook alle aanleerbare „socialiteit” (VAN
EMBDEN), gemeenschapszin als „inzicht in het nut van en toewijding aan
krachtig gemeenschapsleven”, de kunst, te gehoorzamen en te leiden,
verdraagzaamheid, ontvankelikheid voor lof en blaam, eer en schande,
solidariteitsgevoel en stiptheid, ijver en volharding, „altruïsme” als
belangstelling in andermans lief en leed, trouwe plichtsvervulling
en al wat ooit scholing en beproeving zal vermogen, al wat ooit
de levenstrijd aan morele kracht en het gemeenschapsleven aan
maatschappelikheid kan schenken.

Heel die verworvenheid nu, hoewel niet erfelik, is voor het
kultuurpeil, voor de zedelike en geestelike vooruitgang van het mensdom
van niet te overschatten belang—want al moet hier elk jonggeborene
en elke nieuwe generatie van voren af aan beginnen, evenwel—dank
zij enerzijds de „nabootszin” en „suggestibiliteit”, anderzijds het
veelzijdig georganiseerd maatschappelik stelsel van onderwijs en
opvoeding in gezin en school, bond en kerk, stad en staat, omgang
en verkeer, mondeling en in geschriften—kan één mensenleeftijd
het gemiddeld peil bereiken en verwerven waarvoor de mensheid alle
voorafgaande geslachten nodig heeft gehad. Het door de eeuwen
opgestapeld kapitaal aan kennis en maatschappelike deugd, aan zeden en
gewoonten, idealen en overtuigingen, instellingen en organisaties, aan
recht en kunst, wetenschap en wijsheid, al die schatten der kultuur, ze
liggen voor elk geslacht gereed:

    „Was du ererbt von deinen Vätern hast
    Erwirb es um es zu besitzen.”

Die _verwerving_, waarop dus na de _overerving_ en tezamen met de
_scheppende voortbrenging_ alle voortbestaan en vooruitgang berust,
vereist _arbeid_, _inspanning_, _strijd_, van enkelingen en groepen,
zowel tegen onpersoonlike machten: de eeuwige strijd tegen de natuur
(honger, ziekten, mikroben), tegen domheid en gemeenheid, tegen
verslapping en ontmoediging, verleiding en bederf, als tegen andere
enkelingen en groepen, in één woord: tegen onze vriend de vijand, die
ons de nodige noden en gevaren, de zegen der ontbering, vooralsnog niet
doet ontberen. Deze strijd noopt tot steeds intensiever en extensiever
groepvorming. Zie de ekonomiese worsteling, met wereldomspannende
ondernemingen en maatschappijen, trusts, kartels, werkgeversbonden
en arbeidersorganisaties, zie de politieke strijd der partijen, de
godsdienstige kamp der kerkgenootschappen onderling en met hun zich
organiserende tegenstanders, zie die duizendvoudig georganiseerde
speciale strijd tegen afzonderlike maatschappelike euvelen en kwalen
en voor al die biezondere belangen en behoeften, die tot vereniging en
groepsgewijze botsing leiden.

Welke krachten nu deze groepenstrijd gaande houden—welke
belangeneenheid en tegenstelling voor de groepvorming zelf, voor
binding en isolering zorgt, behoeft hier niet nader onderzocht—immers
dit ene staat vast: oorlog, militaire krachtmeting, is het niet. En
dezelfde sociale deugden die de staat behoeft om sterk te zijn en
zijn oorlog te winnen, die vergt het vrije verenigingsleven en de
vrije vreedzame groepenstrijd met zijn eisen van verdraagzaamheid,
toewijding, vertrouwen en betrouwbaarheid, solidariteit, ijver,
onbaatzuchtige krachtsinspanning, payer de sa personne, in één woord
maatschappelikheid. Niemand blijft buiten alle groepsverband, niemand
kan slagen in volkomen isolement, ieder ondergaat de eisen en de
reakties van het gemeenschapsleven, van kennissenkring en openbare
mening, met hun seligerende machtsmiddelen van onverschilligheid,
verachting, af-keer, schande, boykot, en daartegenover vriendschap,
sympathie, hulp, eer, aanzien, invloed, macht. De sluwsten,
zelfzuchtigsten en schijnheiligsten hebben ook tans reeds niet
overal en niet voortdurend succès—in het dageliks omgangs- en
maatschappelik leven werkt en seligeert ook tans reeds mee—hoe
honderdvoudig overvleugeld ook—diezelfde reine voorkeur, die de
geslachtelike teeltkeus adelt. Maar machtiger werkt stellig ook nu
reeds—trots alle straks aan te duiden gebreken—de wedijver der vrije
groepen. Deze vrije verenigingen heten „kleiner”, „eenzijdiger” dan de
staat. Het voordeel schijnt mij groter dan het nadeel, dat door hun
verscheidenheid nog wordt gereduceerd. Ze bieden des te beter waarborg
voor eensgezindheid en geestverwantschap, voor echte vrijwillige volle
toewijding. Maar de staat kan alles, zelfs het leven van zijn burgers
opeisen? Och ja—voor de staat _offert_ men, desnoods, zijn vermogen,
zijn gaven, zijn leven.... aan gezin, partij, kerk, wetenschap, kunst,
_wijdt_ men zijn vermogen, zijn gaven, zijn leven. Voor de staat kan
men sterven, maar wie kan leven voor de staat? Maar dwang en tucht
zijn onmisbaar: „Der freie Verein verhält sich paedagogisch zum Staate
wie das Concubinat der freien Liebe zur Ehe.” Een matig gelukkig
beeld: Wee het huwelik bij de gratie zijner onontbindbaarheid. Tucht
en dwang willen wij evenmin missen als huwelik en staat. Maar het
huwelik, dat zich zonder dwang en de staat die zich zonder oorlog
niet kan handhaven, is ons noch dwang noch oorlog waard. En de vraag
van STEINMETZ: Waartoe zonder oorlog nog de staat, „der ja nichts
tun darf”? zou waarlik het „mangelnde Verständnis für das Wesen des
Staates” verraden, dat hij de vredesvrienden verwijt, indien we
niet wisten, dat hier als elders slechts de pleiter voor de oorlog
vergeet, wat de socioloog beter weet dan de meesten. De staat is het
gezagsorganisme van een volksgeheel,—dat in dienst kàn worden gesteld
van velerlei volksbelang—maar altijd en uiteraard één eigen funktie
heeft: rechtsbedéling: verwezenliking en handhaving der rechtsorde.
Zonder gezag geen recht, maar anarchie, d.w.z. het „recht” van de
sterkste, van brute macht en geweld,—zo in de volkerenverhouding en in
het ekonomies leven. Daarom zijn we vóór de staat op dezelfde grond als
we tegen de oorlog zijn—wanneer ons blijken zal, dat groepsmacht en
staatsgeweld allerminst pseudoniem zijn van gerechtigheid.

Hebben we dus, na de zedelike faktor der individuele selektie, gewezen
op de gunstig-gerichte faktoren van de vrije groepenstrijd,—we willen
in de 3e plaats nog opmerken, dat heel deze vreedzame maatschappelike
evolutie selektief vooralsnog erbarmelik slecht is—doch voor radikale
principiële verbetering vatbaar. Zegenrijk toch zal deze selektie eerst
dan ten volle zijn, wanneer de besten de meeste kans van slagen hebben,
wanneer de edelsten en begaafdsten, de hoogste, kloekste, vrijste,
fijnste geesten en karakters, de vinders en scheppers, de denkers en
zieners, maar ook de mannen en vrouwen van de daad, de organisatoren,
de durvers en de kundigen... de leiders en overwinnaars worden, dus
aanhang, invloed, macht en eer verwerven.

Tans echter beheerst vooralsnog de ekonomiese worsteling, de
inkomensverwerving, het maatschappelik ontwikkelingsproces; deze werkt
slechts gedeeltelik selektief (armoede, ondergang zonder persoonlike
„schuld”, rijkdom, succès zonder persoonlike „verdienste”: gouden wieg)
en kweekt voor zover selektief naast goede zeer slechte hoedanigheden
en bederft door haar gebreken al de andere selekties; derhalve dient
deze ekonomiese strijd verdrongen (van staatswege verstrekking
van kosteloos onderwijs, ook middelbaar en hoger; kosteloze
openbare boekerijen en leeszalen, kosteloze gezondheidsverzorging,
rechtsbescherming, kiesrecht zonder welstandseisen, presentiegeld
enz.) en vervangen door ekonomiese samenwerking, koöperatie,
socialisering—en zover dat niet of nog niet mogelik is, altans
gezuiverd van non-selektieve „voorgiften” (erfrecht enz.) en tot
ietwat minder laakbaar selektief gehalte („ekonomisering” van de
gemeenschapszin) gelouterd[16].—Zo leiden ook hier vele wegen naar
het selektief maatschappelik ideaal van „loon naar verdienste”, van
het Saint-Simonisties: A chacun selon ses capacités, à chaque capacité
selon ses oeuvres.[17]

[16] Zie deze punten bij D. VAN EMBDEN, _Darwinisme en Democratie_
     en daarnaast de sociaal-demokratiese maatschappijkritiek en
     program-eisen.

[17] STEINMETZ zelf geeft op een weinig enthousiast ogenblik—_of bij
     wijze van palinodie_?—toe, dat de „eeuwige vrede”, het vervallen
     van oorlog en kollektieve selektie, niet ontaarding en dood,
     maar slechts vertraging van vooruitgang zou brengen: „Es gäbe
     dann weiter nur Personalauslese. Ich behaupte gar nicht, dass
     diese bloss egoistische oder höchstens egotistische Eigenschaften
     züchtet, ich verkenne auch die Möglichkeit keineswegs, sogar ohne
     alle Selektion zu einer gewissen, wenn auch wahrscheinlich nicht
     erblichen Erhöhung unserer Kollektiveigenschaften, nur auf dem
     Wege der Erfahrung und Erziehung zu gelangen”... „Sonst sehnt man
     sich mit Recht nach grösserer Schnelligkeit des Fortschritts,
     warum sollte man jetzt auf ein Beschleunigungsmittel Verzicht
     leisten?” (blz. 215, _Ph. d. Kr._)


B. Wat oorlogs kollektieve selektie verhindert en bederft.

En tans de faktoren, die de kollektieve oorlogselektie deels zedelik en
geestelik bederven, deels te niet doen.


a. Geen groepsuitroeiing meer.

Ware het noodzakelik gevolg van de oorlog „dass ein tüchtiges Volk
an die Stelle eines schlaffen tritt”—dan zou deze respektabele
prestatie mogelik met alle oorlogsoffers niet te duur betaald zijn.
Maar hoorden we niet juist, dat onze geciviliseerde oorlogen gelukkig
(want het was minder wreed) geen uitroeiingsoorlogen meer zijn—dat
het overwonnen volk wel gedemoedigd, niet meer verdelgd wordt? Wat
blijft er dan over van die fraaie fraze? Eigenlik niets. Geen van de
huidige volken of staten van Europa heeft niet z'n oorlog of oorlogen
gehad de laatste paar eeuwen: vernietigd, vervangen is er geen.
Toegegeven, een ogenblik, dat het verliezend volk „slap”, het winnende
„flink” was—Boeren en Engelsen, Engelsen en Nederlanders, Grieken
en Turken, Turken en Russen, Russen en Japanners, NAPOLEON's volken
en Russen, Zweden en Russen, Noren en Zweden, Zweden en Denen, Denen
en Duitsers, Duitsers en Fransen (NAPOLEON), Fransen en Duitsers,
Italianen en Oostenrijkers, Oostenrijkers en Italianen, de Balkanstaten
onderling (de daar wisselende flinkheid en slapheid valt moeilik bij
te houden), de Krimoorlogsvolken (wie was daar slap?)—wie van al deze
flinke bekwame zegevierders is in de plaats getreden van een van al
deze slappe minderwaardige verslagenen? Hoeden wij ons dus voor de
_misleidende schijn_, als zoude de oorlogselektie _de zwakkere_ (dus
naar wij nog een ogenblik toegeven: minderwaardige) _groep vernietigen,
dodelik seligeren, „ausmerzen”_.[18] Maar dan wordt dadelik heel
de richting der selektie twijfelachtig: zal en moet die zwakke,
minderwaardige groep van de nederlaag nòg zwakker, nog ellendiger, nog
minder waard worden, dan wel juist sterker, zedelik en geestelik beter?
Is het gevolg van de nederlaag groepverzwakking, dan is dat tevens
een verergering, verslechtering—is het gevolg opleving, versterking
der onbekwame groep, dan wordt doelbereiking en voortplanting van
betrekkelik minderwaardigen door oorlog weer niet belemmerd, maar
zelfs bevorderd.[19] Selektief gunstig kan oorlog dus in elk geval nog
slechts daardoor werken, dat het percentage zedelike en geestelike
kracht na de oorlog bij winnaar en verliezer samen genomen groter
is dan te voren—wat moeilik met goede gronden zou zijn te staven,
gegeven ook de individuele contra-selektie—en waarbij het dan nog
twijfelachtig zou blijven, welke betrekkelike vermeerdering van het
deugdelik element opweegt tegen de volstrekte dodelike vermindering,
die bovendien met het aantal mededingers de waarde van het selektief
produkt doet dalen.—Het dradenweefsel der werkelikheid is inderdaad te
subtiel voor globale machtspreuken.

[18] Vgk. _Ph. d. Kr._ 255, oorlogen tussen kultuurvolkeren kunnen
     „keine ausmerzende Wirkung üben”.

[19] STEINMETZ zelf laat nu eens herhaalde nederlagen „Verfall und
     Verderben” brengen (p. 255), elders weer de nederlaag voor beide
     behoeden—gelijk de zege zowel een zegen kan zijn als zelfs „dem
     Sieger zum Verderben werden” (257). Het kan gebeuren „dass die
     Sieger den Besiegten weichen müssen”!

     „Bei steigender Kultur und zunehmender Volksmasse verlaufen alle
     diese Prozesse der Auslese immer subtiler” (258). Wat blijft er
     dus over van het eenzijdig schema, van de globale frase?


b. Contraselektieve faktoren?

We resumeren nog even: de (gewelddadige) groepenkrachtmeting is slechts
dan „recht”, oorlog slechts dan te rechtvaardigen, wanneer (militaire)
groepsovermacht uitsluitend berust op, leidt tot superioriteit van de
leden.

Wij erkennen het element van waarheid in het betoog, dat de talrijkheid
en grootte, de rijkdom, de wapenmacht van een volk niet zo „materieel”,
niet zo onafhankelik van zijn zedelik en geestelik peil zijn, als het
oppervlakkig schijnt: zedelike krachten, sociale deugden zijn nodig om
een groot volk bijeen te brengen en te doen blijven, om de bevolking
gezond en op peil te houden, om volkswelvaart (bloei van landbouw,
handel, industrie) te verwerven en te handhaven; zelfs het bemachtigen
en exploiteren van de gunstigste, vruchtbaarste bodem gaat niet om
buiten alle persoonlike hoedanigheden, zij het dan ook veelal van
verre voorvaders; en voldoende bewapening vergt niet te onderschatten
offers, intelligentie, organisatie; ondeugden als korruptie, luiheid,
nepotisme, volksverdomming en volksuitmergeling, machtsmisbruik,
rechteloosheid, kortom, al wat rot is in het groot organisme, verzwakt
een staat ook militair...

Dat is één zijde van de zaak.

Nu de keerzijde.

Genoemd dient allereerst, al acht ik voor mij het punt nog niet
beslissend, dat in de groepskrachtmeting niet alleen (het zal ons
hoofdargument worden) non-selektore faktoren heersen, maar dat de
hooggeroemde kollektieve selektie zelfs faktoren van _contra-selektie_
schijnt te bevatten: er zijn belangrijke zedelike eigenschappen, die
de zeer grote groepsmacht tegenwerken, fnuiken, en kleine groepen voor
opgaan in grotere massa's behoeden en stand doen houden: dat zijn de
individualisties gerichte deugden van „autonomie”: zelfstandigheid,
eigen oordeel en objektiviteit, onafhankelikheid, fierheid,
zelfrespekt, oppositiemoed... al wat indruist tegen de kuddegeest en
de massamacht. En ik herinner mij, eens gelezen te hebben, „_dat de
groep wel steunen kan, maar niet sterker maakt, integendeel, en dat te
meer, naar mate zij grooter en machtiger is. De sterkste meest helpende
groep maakt haar leden het zwakst._” Zo zou de zege der sterkste
groep—dus de kollektieve krachtmeting (die oorlog heet)—de zwakste,
afhankelikste individuen kweken! Welk een contraselektie, voor ieder,
wiens ideaal de „sterken, edelen, kloeken, vrijen” zijn! En toch was
die dat schreef ook een groot socioloog, wiens autoriteit door Prof.
STEINMETZ wel niet zal worden gewraakt. Het was Prof. STEINMETZ.
Maar toen was niet de verdediger van de oorlog, van de groepsmacht
aan het woord, die zich keert tegen gebrek aan „Staatsgefühl”,
tegen „den übertriebenen Individualismus unserer Kulturvölker”,
maar... de individualistiese bestrijder van socialistiese groeps- en
staatsmacht![20] Wie van beiden heeft nu gelijk? Ik zou zeggen, geen
van beiden in zijn eenzijdigheid. Beide tendenties dienen erkend.
De werkelikheid en de sociologie en Prof. STEINMETZ blijken ruimer
en wijzer dan zijn oorlogsfilosofie.[21] De vraag is nu maar, of de
contraselektore dan wel de gunstige faktoren der kollektieve selektie
de overhand hebben. Wie durft dat eens en voor al, of zelfs maar
globaal beslissen? Wie zonder zekerheid ten deze nog oorlogsverdediger
zijn?

[20] „_Kritiek op de proletarische Moraal van Mevr._ ROLAND HOLST.”

[21] En zelfs deze erkent nog even (bl. 216): „Die grössere kollektive
     Kraft fällt durchaus nicht immer mit der grösseren Kraft der
     Individuen zusammen”. Zie onder, bl. 54. noot.

Vervalt zo reeds elke waarborg, dat de machtigste groep de zedelik
en geestelik sterkste, hoogststaande leden heeft—ook bij de
„groepsmachtmeting” zelf, bij het krijgvoeren, komt nog de zedelike
contraselektie in het spel: hier als elders kan ruimer geweten ruimer
kans van winnen geven: minder schroom voor onverhoedse aanval zonder
oorlogsverklaring, voor krijgsplan en strategie via woordbreuk en
schending van volkenrecht, voor verraderlike spionnage en omkoperij,
voor valse stemmingmakerij (blinde haat, woede, verbittering),
voor wreedheid (terrorisering), arglist en bedrog, kortom voor
allerlei voordelige Rücksichtslosigkeit in plaats van ridderlikheid,
rechtsontzag, humaniteit en dergelijke „sentimentaliteiten”. Zo kàn
ongunstiger volkskarakter, lager peil van oorbaarheid tot de zege
bijdragen. Misschien is de hoop niet ijdel, dat wassende machten
tegen „contraselektie” van deze kant waken: al te schennend optreden
kan reeds door de reaktie die het wekt (het élan van heilige
verontwaardiging; haat, boykot enz., ook bij de niet onmiddellik
betrokkenen) een misslag worden waarvan geldt: „c'est plus qu'un crime,
c'est une faute”[22]. Maar het blijft zelfs de vraag in hoeverre
krijgsleiding en „landsverdediging” zich de weelde van ridderlikheid
en geweten mag veroorloven ten koste van eigen volk en eigen zaak,
dus, naar men gaarne gelooft, van de hoogste en heiligste belangen
der mensheid—al zou men individueel nòg zo zeer geneigd zijn, ook
van deze luxe VOLTAIRE's woord te laten gelden: Le superflu, chose
très-nécessaire.

[22] Vgk. reeds HUGO DE GROOT, _De Jure Belli ac Pacis_, Proleg. 27:
     „Etiam ad amicitias conciliandas, quibus ut singuli ita et
     populi ad multas res opus habent, multum valet opinio de bello
     non temere nec injuste suscepto, pieque gesto. Nemo enim se iis
     facile adjungit quibus jus, fas, fidem vilia putat”: Ook voor de
     vriendschap, die volken evenzeer als enkelingen voor tal van zaken
     nodig hebben, is het van groot belang, dat men de oorlog niet
     roekeloos noch onrechtvaardig ondernomen acht en waardig gevoerd.
     Want men sluit zich niet licht aan bij wie men beschouwt als
     verachters van recht, fatsoen en goede trouw.

De machtspreuk, dat in elk geval „_Kräfte_ und keine _Schwächen_” tot
overwinning leiden, vergeet, dat er onzedelike „kracht” is, of liever,
dat „kracht” en „zwakheid” hun zin verliezen, wanneer men er andere dan
fysieke en intellektuele, dus ook zedelike waarden onder verstaat. Want
dan rijst de vraag of voordeelverzakende zedelike schroom, rechtszin,
ridderlikheid, goede trouw enerzijds—krijgswinst-gevende wreedheid,
ruwheid, ruim geweten anderzijds „kracht” dan wel „zwakheid” moeten
heten.

Het oordeel over „selektie” of „contraselektie” is alles behalve
eenvoudig.[23]

[23] STEINMETZ zelf erkent, „dass es sehr schwierig, wenn nicht
     unmöglich sein dürfte zu bestimmen, was selektorisch, was
     kontraselektorisch zu heissen verdient. Es nützt nicht viel ob
     wir die Ausmerzung der starken Konvarianten, die Auslese und
     Erhaltung der Schwachen ‚Kontraselektion’ nennen, denn es bleibt
     die Frage, was wir auf dem wenig bekannten, kaum vorurteilsfrei
     zu betrachtenden Gebiete der menschlichen psychischen
     Eigenschaften—und auf diese kommt es uns hier doch hauptsächlich
     an—schwach und was stark nennen.” (_Ph. d. Kr._ blz. 267).

In elk geval moeten we betwijfelen, of in 't algemeen de
zachtmoedigste, fijnzinnigste, ruimstdenkende volken het
schrikwekkendst, bruikbaarst materiaal zullen vormen voor het ietwat
ouderwets heetbloedig handgemeen of biezondere gemoedsbegaafdheid
zullen tonen voor het modern machinaal beulsbedrijf in koelen bloede.
M.a.w. of niet ook waardeerbare zedelike karaktertrekken de ware
krijgsmansdeugdelikheid zouden kunnen schaden?


c. De non-selektieve faktoren: het oorlogstoeval.

Doch heel deze contra-selektie der gewelddadige groepsmachtmeting
kunnen we laten voor wat ze bij gezette studie zal blijken te zijn—om
tans over te gaan tot ons afdoend argument:

de niet uit te schakelen _non-selektieve_ faktoren:

De selektieverijdelende faktor bij uitnemendheid, die de beweerde
rechtvaardigheid der groepenkrachtmeting eenvoudig illusoir maakt en
in één slag te niet doet is: het _toeval_; toeval, voeg ik er in één
adem bij, niet in de causale betekenis van het woord, als tegenstelling
tot noodzakelikheid of wettelikheid, of in de psychologiese zin van
het onvoorspelbare, onberekenbare, onbedoelde, niet verwachtbare,
van wil en weten onafhankelike (schijnbaar of niet-adaequaat causaal
verband), maar in de _zuiver selektieve zin_ van: faktor, onafhankelik
van de persoonlike te seligeren hoedanigheden, onpersoonlik
(„toevallig”) verworven onpersoonlike strijdkracht. Bijvoorbeeld: in
de ekonomiese strijd om het bestaan schakelt het „toeval” der geboorte
met zijn „voorgiften” de selektie op ekonomiese begaafdheid uit;
bij sollicitaties kan winnen, wie „toevallig” een kruiwagen heeft;
het „toeval” van weers- of terreinsgesteldheid kan voor een match
beslissend zijn.

Toeval in selektieve zin is dus voor de oorlogselektie:

I. al wat een staat op een gegeven ogenblik militair (over)machtig
maakt onafhankelik van de zedelike en geestelike vermogens der
inwoners, en

II. al wat bij de krijgvoering zelf onafhankelik van deze morele en
intellektuele krachten over nederlaag of zege beslist.

Keurden wij de oorlog uitsluitend op zijn _zedelike_ selektiewaarde,
wat misschien ons recht of zelfs onze plicht ware, dan hadden wij
het pleit nog veel gemakkeliker gewonnen—want dan zouden zelfs alle
_intellektuele_ faktoren, die een volk militair machtig maken en in de
krijg zelf doen zegevieren—non-selektief toeval zijn. Maar zó streng
behoeven we niet eens met de oorlogselektie in het gericht te treden.

I. De sterkste legermacht heeft op een gegeven ogenblik in 't algemeen,
ceteris paribus, de staat met de talrijkste bevolking—met het
meeste en geschiktste levend en dood oorlogsmateriaal. Talrijkheid
der bevolking, staatsoppervlak en bevolkingsdichtheid—van hoe
velerlei „toeval” leren ons geschiedenis en aardrijkskunde niet hun
afhankelikheid! Daar is de bodem- en klimaatgesteldheid, die zonder
„schuld” of „verdienste” der eenmaal opwonenden, rijkdom (nooit
vermoede mijnschatten, natuurlike verkeerswegen enz.) en verarming
(uitdroging, overstroming, misoogst, hongersnood) bracht, ziekten
heeft gekeerd of verspreid. Daar zijn die soms reeds in dubbele zin
„historiese” machten, die met volken en landen als met legblokken
hebben gespeeld: dynastieke huweliken, erfopvolging en verdragen, om
slechts één groep te noemen; daar is verschil in rasvruchtbaarheid en
derg. bij gelijk moreel en intellektueel peil; cultus, die hele stammen
door zelfopoffering en zelfverarming decimeerde, en hier verbrokkelend,
ginds weer bindend werkte; toevallige nabuurschap van machtiger of
kleiner, hoger ontwikkelde of minderwaardige, assimileerbare of
assimilerende, sterkend of verderfelik werkende stammen en kulturen;
dan vooral de oorlogsuitslagen zelf met al hun aanstonds te noemen
toevalligheden—kortom dat alles, wat in elk geval tot resultaat had de
werkelikheid, die tans vóór ons ligt: kleine en grote staten, militaire
dwergen en militaire reuzen op gelijk of overeenkomstig kultuurpeil:
Zwitserland, België, Nederland, Denemarken naast Frankrijk, Duitsland,
Italië, de Verenigde Staten—en krasser nog: staatjes, die zedelik
en geestelik aan de spits der wereldbeschaving staan en militair in
't niet zinken bij de grootste volkrijkste staten met een kultureel
achterlike, ja ten dele nog barbaarse bevolking: China, Rusland naast
Nederland, Finland. Hoe overwegend moeten de contra-selektieve
en non-selectieve faktoren zijn van grote-staten-vorming, om tot
dergelijke resultaten te kunnen leiden! Hoe ongenadig logenstraft en
weerlegt de werkelikheid het keurig eenzijdig betoog van het edel
selektief gehalte van militaire staatsmacht. Wee, zo Nederland zich
militair moest meten met Rusland. Maar een vergelijking op al die
bovengenoemde faktoren, op volks- en staats-gezondheid, op welvaart en
ontwikkeling enerzijds—en anderzijds op korruptie, luiheid, nepotisme,
volksverdomming, machtsmisbruik, rechteloosheid... zou wel niet al
te sterk pleiten voor de superioriteit van de grootste, militair
machtigste staat.[24] Gelukkig is hier een militaire krachtmeting
niet waarschijnlik. Maar dat is een gelukkig... „toeval” van ligging,
nabuurschap. Neem Finland. En STEINMETZ zelf geeft u toe, dat hier „ein
sittlich reines, begabtes, liebenswürdiges Volk durch ein rohes, aber
starkes und grosses unterdrückt wird.”

[24] Men leze STEINMETZ' eigen oordeel over Rusland, _Ph. d. Kr._
     bl. 176 vv.: „Weder im Frieden noch im Kriege kommen durch die
     prinzipielle Korruption der russischen Verwaltung die rechten
     Leute an die rechte Stelle. Hofgunst und Cliquenwesen entscheiden
     hier alles, und wie niederdrückend muss eine solche Sachlage
     auf die Entfaltung alles Charakters und aller Anlage wirken!
     Verschleuderung des Menschenmaterials ist hier die Regel. Wie
     verderblich ist eine solche Regierung, wie tief steht ein Volk,
     das sie duldet!”

Kom, laat mij u zijn menselike verontwaardiging niet onthouden over
Finlands rampzalig lot: „Das humane Gefühl empört sich schmerzlich
in einem solchen Falle von rücksichtsloser Unterdrückung durch die
grobe Uebermacht, tiefes Mitleid mit den ihrer freien Selbstbestimmung
Beraubten drängt sich auf, besonders wenn ein freies, gebildetes
Volk in dieser Weise in die Herde der rohen, geknechteten Barbaren
zurückgedrängt wird.”[25] STEINMETZ zelf erkent „offen” de
„moeilikheid”... en bewijst zijns ondanks de onmogelikheid, „einen
solchen Fall noch günstig zu deuten”. Immers, de capitulerende vraag:
„Warum sollte es keine Ausnahmen geben?” schijnt mij al even weinig
troostrijk voor de overweldigde uitzonderingsgevallen en ons beledigd
rechtsgevoel, als de blijmoedige variaties op het thema: men kan
nooit weten waar het goed voor is.[26] Maar wat men wel weten kan
en moet is dit: met de toegegeven mogelikheid en werkelikheid van
„uitzonderingen” valt reeds elke waarborg van het selektief recht, de
„innere Gerechtigkeit” van elke bepaalde groepsmachtmeting, van elke
bepaalde oorlog. Oorlog die deze rechtvaardigingsgrond mist... het is
een rechter over leven en dood, over het lot van volken—in een vlaag
van waanzin!

[25] _Der Krieg_ p. 23.

[26] Zie p. 24: „Ist es gar nicht möglich, dass schliesslich die
     Einverleibung Finnlands durch Russland bedeutend mehr Gutes als
     Schlechtes verursacht haben wird?... War die Zerstörung von
     Jerusalem, welche die vielen eifrigen, aktiven Juden wie einen
     Sauerteich in das mittelälterliche Europa verbreitet hat, kein
     Glück für die Welt? Kann die Amalgamirung der Finnen durch die
     Russen nicht ebenso nützlich für Russland wirken?... Es ist sehr
     schwer in die Zukunft zu blicken”. M. a. w.: _utilisties is elk
     oordeel voorbarig_ en Satan mogelik een respektabel heer.

II. Edoch—al geven we voor een ogenblik eens toe, dat de militaire
macht van een staat een maatstaf is voor het zedelik en geestelik
peil, voor de kultuurwaarde der bevolking—of stel, dat in het
allergunstigste geval de legermachten eens ten naaste bij aan
dit ideaal beantwoordden—dan komt nog weer de oorlog zelf, de
krijgskans met al z'n non-selektieve faktoren, met z'n „toeval”
alle selektiewaarborgen verijdelen: want selektief _toeval_ is

1º. heel het _veldheergenie_. Het is niets dan een gelukkig toeval
voor een volk, onafhankelik van zijn gemiddeld kultureel peil, op
een gegeven ogenblik een geniaal legeraanvoerder ter beschikking te
hebben. Zelfs de groter bekwaamheid of eendracht der krijgsleiding
is niet alleen van selektieve faktoren (meer of minder korruptie,
kastebevoorrechting en derg.), maar ook van allerlei „toeval”
afhankelik (ziekte, dood, al wat tot plotselinge vervanging leidt).

Van selektief standpunt is het dus niet te betreuren maar nog een
geluk, wanneer buitengewone beslissende superioriteit of genialiteit
bij de krijgvoering vergeefs op zich laat wachten.. Maar uit te
schakelen schijnt ook voor de toekomst trots de steeds betere
verkenningsdienst en geringer (maar door uitvindingen weer te
vergroten) verrassingskans, noch deze faktor noch zijn non-selektief
gehalte, zolang nog staten of volken hun toekomst, hun bestaan dusdanig
roekeloos op het spel, het krijgspel zetten.

2º. alle _oorlogsbondgenootschap_. Hoe wordt reeds principieel het
keurig selektie-schema door deze faktor omvergekegeld! Want laat nu
de grote militair-machtige staat betekenen het superieure volk... de
vele inferieure volkjes, tot grote-groepvorming onmachtig—ze kunnen
samen strijdend door tijdelike eendracht macht en overmacht maken; en
precies zó als de lichamelike faktoren, die het individu sterk maken
bij de fysieke worsteling tussen individuen worden uitgeschakeld door
groepshulp—zó worden al die kulturele deugden, waar de staatsmacht van
heet af te hangen—buiten geding geschoven door oorlogsbondgenootschap.
Vele kleinen maken—en breken—een grote.

Dat is de negatieve principiële zijde. En nu de positieve kant der
praktijk—de faktoren die in de plaats treden van het uitgeschakelde,
de voorwaarden, die tot bondgenootschap leiden: kan men zich die
„toevallig”, futiel, onkultureel genoeg denken? Waar blijft in heel
dat diplomatenspel, die wisseling van wereldpolitieke konstellaties,
kombinaties en machinaties het verband met zedelik of geestelik
kultuurpeil? Of met dieper geest- of rasverwantschap, volks-antipathie
of rassenhaat, karakterverschil of -overeenstemming?

Turk en Pruis en Oostenrijker hier, Rus en Engelsman, Fransman en
Japanner ginds—ze gaan nu broederlik samen, Brit en Duitser, Pruis
en Rus ze zijn nu geslagen vijanden. Maar is er iets oppervlakkigers
dan wapenbroederschap en oorlogsvijandschap? Vijanden waren binnen de
laatste eeuw (een moment in het volkerenleven) Fransen en Engelsen,
Engelsen en Russen, Russen en Fransen, Pruisen en Oostenrijkers,
Noord- en Zuid-Duitsers, Russen en Japanners,—wapenbroeders Fransen
en Duitsers, Duitsers en Russen, Oostenrijkers en Russen, Engelsen en
Duitsers.... ja, ware niet nog BISMARCK's hoogste triomf geweest een
bondgenootschap met Rusland, en wordt niet zelfs tans nog, tijdens
de oorlog, aan een nieuwe Drie-keizers-bond, een nieuwe „Heilige
Alliantie” gedacht? Wel heilig en diep is wat die partijgroepering heel
de geschiedenis door heeft beheerst...

Voor de krijg van staat tot staat heet oorlogsaanleiding of -oorzaak
selektief van weinig of geen belang: „Die Veranlassung des Krieges kann
empörend ungerecht oder lächerlich oberflächlich sein”.... de sterkste
(dus naar de leer de waardigste!) wint; het zij zo, maar voor de hier
behandelde bondgenootschappelike groepering wordt de futiliteit, ja
frivoliteit die daar heerst en beslist, heel die van oorlog, van
statenmachtmeting onafscheidelike karakterloze diplomatieke strategie,
die nauweliks een ander gebod toelaat dan samenspanning om overmacht,
selektief tot de grote _toevalsfaktor, die de zege der kwaliteit_
(toegegeven dat de groep kwantiteit stempelt tot kwaliteit—want daar
komt de verdediging van het groepsgeweld eigenlik op neer) _wederom
verijdelt door kwantiteit_: niet meer de sterkste (edelste!) maar
het overmachtig aantal zwakkeren (minderwaardigen!) wint! En al is
de sterkste—die tegenwerping verwacht ik—weer de meest begeerde
bondgenoot (maar allicht ook de meestbelaagde vijand)—altijd zullen
de zwaksten weer naar verhouding het meest geneigd en genoopt zijn tot
samenspanning, tot „evenwichtvorming”, tot kwantitatieve vergoeding
van hun kwalitatief te kort: wie niet sterk is moet slim zijn[27].

[27] Al is een staat zo „vollständig faul” als Turkije, oorlog,
     immers bondgenootschap, kàn hem op de been helpen en houden,
     i.p.v. „zermalmen”! En bondgenootschap kàn het „korrupte” Rusland
     zelfs over Duitsland doen zegevieren!

Maar de oorlogsapologie heeft zover ik weet dit punt vergeten.

3º. Gelijksoortig selektieverijdelend toeval als het
bondgenootschappelik _gelijktijdig_ is het niet-eens verenigd maar
_opeenvolgend aantal_ vijanden: Heeft de sterkste (zeg superieure)
van twee staten het eindelik gewonnen, dan kan hij, nog uitgeput of
verzwakt, door een nieuwe, weliswaar inferieure, maar kersverse vijand
worden aangevallen en verslagen.... in strijd met alle regelen der
oorlogsapologie! Langs een omweg van tijd wordt dus ook hier weer
kwaliteit door kwantiteit, recht door macht overweldigd![28]

[28] STEINMETZ zelf laat op deze manier wel even terloops de voordelen
     van de zege verloren gaan, doch staat er niet verder bij stil:
     „Der Sieg war ein gar zu kompliziertes Resultat gar vieler
     Faktoren, ausserdem ist er nur das Ergebnis einer Kräftemessung
     zwischen zwei Völkern, das siegende Volk kann sofort aller Gewinne
     seines Sieges verlustig gehen, wenn es im Vergleiche mit neuen
     Gegnern den kürzeren zieht. So Japan nach der Besiegung Chinas”.
     (bl. 257, _Ph. d. Kr._)

Zo wordt aan oorlog een hogere historiese gerechtigheid voltrokken, dan
van oorlog zelf te wachten valt: zijn vitium originis—geweld boven
recht—blijkt zijn noodlot, dat hem altijd weer achterhaalt en waaraan
zijn eigen recht te gronde gaat.

4º. Behalve die diplomatieke konstellatie is selektief krijgs_toeval_:
de oorlogspolitieke positie tengevolge der _ligging_ (België, dat de
zonde begaan heeft, bufferstaat te zijn; vgk. de militaire positie van
Nederland, Zwitserland, IJsland, Skandinavië, Finland); de _terreins-
en weersgesteldheid_: vernamen we niet onlangs, hoe _mist_ of _nevel_
NAPOLEON bij Waterloo een halve dag te laat en BLÜCHER zodoende trots
de _slechte wegen_ nog op tijd heeft doen komen? En heeft niet _water_
en _ijs_ reeds tal van krijgskansen doen keren? Denk eens, aan welke
soort machten hier door oorlog het volkerenlot (indien en voorzover
daarover oorlog beslist) blindelings wordt overgeleverd!

5º. Voorts het toeval der groter of geringer _ekonomiese
onafhankelikheid_ van _bepaalde_ vijanden en het daardoor gegeven
_uithoudingsvermogen_. Bodemgesteldheid, klimaat, oogst enz.
beslissen, in hoever een staat zich zelf min of meer bedruipen kan,
weer trots zijn zedelik of intellektueel peil; daar is b.v. de
toevallige voorraad kali of chilisalpeter of koper—_het is geenszins
ondenkbaar dat zulk een faktor: gebrek aan ammunitie, aan kunstmest,
voor een oorlog beslissend werd!_[29]

[29] Deze faktor schijnt van toenemende betekenis, ook naarmate meer
     staten aan een oorlog deelnemen; belangrijk toevalselement
     blijft hier mede de wisseling van bondgenoot en vijand; tegen
     internationale ekonomiese afhankelikheid kan men zich enigszins
     wapenen; maar het is van wereldekonomies standpunt jammerlike
     krachtsverspilling, waardeverlies, lijnrecht indruisend tegen
     de ontwikkeling van het mensheidsorganisme, die steeds groter
     onderlinge afhankelikheid der organen, arbeidsverdeling,
     specificering en circulering (vrij ruilverkeer) vereist en
     meebrengt. Gelukkig mogen we verwachten, dat deze ontwikkeling
     meer tegen oorlog zal vermogen dan deze reaktionaire
     oorlogstendentie tegen de ontwikkeling.

6º. Het veelsoortig toeval, dat de _stemming_, het élan van
legers en volk beheerst: aanvankelik succès of échec, de pakkende
leus, de welkome grief en wat niet al; de binnenlandse politieke
konstellatie: overgangsperioden of gevestigd evenwicht, meer of
minder gelukkig bewind; de populariteit van de oorlog, met een
wellicht contraselektieve faktor: hoe zelfstandiger, objektiever,
rechtvaardiger, ruimer, onchauvinistieser de geesten, des te meer
kans op kritiek, gewetensbezwaar, oppositie en op edelmoedigheid en
verzoenlikheid.[30]

[30] Men zie, welke machten STEINMETZ zelf, wel niet zonder tegenzin,
     te hulp moet roepen tegen „te” lange oorlogsduur: „Friedensliebe,
     Cosmopolitismus, commercielle Bedürfnisse, Geldmangel,
     internationales Vereinsleben (Socialdemokratie) und ähnliche
     Umstände werden den Drang zum schnellen Frieden noch bedeutend
     verstärken.” (_Der Krieg_, p. 48; vgk. _Ph. d. Kr._ p. 287 vv.)

7º. Eindelik het huiveringwekkend toeval, dat bij de _bewapening_
alle selektieve faktoren van rijkdom, industrieel en technies
peil kan verslaan: ik bedoel nog niet, welke staat op een gegeven
ogenblik „toevallig” (want wat bepaalt niet al het moment der
oorlogsverklaring?) het best „klaar” en dus allicht in dubbele
zin de „meestgerede” partij was (vgk. ook hier weer de rol
van binnenlandse politieke verhoudingen: macht en drijven van
oorlogsbelanghebbenden)—maar wat ik bedoel is de rol, voor
_uitvindingen_ weggelegd. Laat de schrik der 42-cM.-mortieren uit
taktiek overdreven zijn—waarom zou de wedstrijd tussen vestingwal of
pantserplaat en projektiel niet door zulk een mortier of hypermortier
beslist kunnen wezen—en een nederlaag voorkomen, een oorlog gewonnen?
Of stel, dat één der partijen z'n vijand verrast met hyperbommen, die
hun tienduizenden verslaan[31], of met een onderzeeër of luchtschip
waartegen geen weermacht bestand blijkt... Het ingenieurspeil kan
hier en ginds op precies dezelfde hoogte staan—en het selektief
toeval van een beslissende of beslissing-wijzigende uitvinding, een
luguber geniale inval, mogelik van een vreemdeling, wie weet, uit
het later „vijandelik” land, door de meestbiedende of de eerste de
beste gekocht... maakt alle technies meesterschap te schande, te
schande kultuurpeil en volkskracht en heldenmoed en groepselektie en
oorlogsapologie. En terwijl militair en diplomatiek krijgsbeleid hun
noodlottige toevalsrol vooral in het verleden hebben gespeeld, opent
juist de toekomst, naar het schijnt, voor de gruwel van het technies
uitvindingstoeval onbegrensde mogelikheden...

[31] Om zijn stelling te verdedigen: „Je schrecklicher die Waffen, je
     blutiger die Schlacht, um so kürzer und weniger blutig der Krieg.”
     oppert STEINMETZ (_Ph. d. Kr._ 291): „Wenn es möglich wäre, gleich
     im Anfang des Feldzuges durch irgend eine verborgene Mine 50000
     Mann in die Luft zu sprengen, so würde der ungeheuere Schrecken
     _den ganzen Krieg mit einem Male beenden_, und damit all sein
     Jammer und Elend. _Das entsetzliche Sprengmittel wäre somit eine
     grosse Wohltat_” (ik cursiveer).

Hoe nu?—een grote weldaad, die ons in één slag van de zegeningen des
oorlogs, van zijn onmisbare selektieve funktie, van zijn alzijdig
richterschap berooft? Of springt zo'n beslissende mijn alleen voor
de machtigste staat of het edelste volk? Hoe ondoorgrondelik zijn uw
wegen, o oorlogsapologie!

       *       *       *       *       *

Nemen wij nu in aanmerking, dat juist het krijgskansspel tot dusver
in de geschiedenis een hoofdrol heeft gespeeld bij de bepaling der
staatsgrenzen, dan begrijpen wij, hoe staatsmacht en oorlogsverloop
in één vicieuse cirkel, één draaikolk, hun beider toevalsfaktoren
rondwentelen, de rode maalstroom van het oorlogstoeval, waarin alle
oorlogsrecht en oorlogsredelikheid verdwijnt.

En in die maalstroom moeten wij het lot der volken werpen?

„Von Zufälligkeiten hängt das Geschick der Völker nicht ab”, zegt
BELOCH en met begrijpelike graagte zegt STEINMETZ het hem na.[32]

[32] _Ph. d. Kr._ bl. 184 en _Der Krieg_, bl. 22.

Dat klinkt overtuigend, voor wie bij „toeval” denkt aan wat in strijd
zou zijn met historiese noodwendigheid. Maar het wordt een vrome
wens of een met de werkelikheid vloekend optimisme, wanneer men (met
BELOCH) „toeval” neemt in onze zuiver selektieve zin van zegefaktor,
onafhankelik van 's volks zedelik en geestelik peil—en oorlog het lot
van volken beslist.

Want de werkelikheid, de resultante van alle selektieve,
contra-selektieve en non-selektieve faktoren, die ik heb genoemd en die
ik heb vergeten—toont ons onder de staten nu eenmaal militaire reuzen,
korrupt, voos en barbaars en militaire dwergen, kerngezond, fysiek,
moreel en intellektueel in 't voorste gelid[33]—zo goed als omgekeerd.
En het verwondert ons niet—want reeds om de boven aangewezen faktoren
zou het een wonder wezen zo het anders ware.

[33] Mij dunkt, geschiedenis, kunst en wetenschap van Nederland
     bewijst wel, dat de kleinheid van een volk nog niet wil zeggen
     „Zwerghaftigkeit der Interessen”.


d. Besluit: Oorlog als wereldgericht. Des Pudels Kern.

Zo heeft dan ons betoog in overeenstemming met de werkelikheid bewezen:
_Oorlog mist, _theoreties en prakties, feitelik en in wezen,_ elke
waarborg van selektieve rechtvaardigheid, van kultureel gunstig in
plaats van verderfelik selektief effekt._ Daarmee is zijn vonnis ook
ten deze geveld. De zekerheid van oorlogsrampen en oorlogsoffers zonder
zekerheid van kultuurgewin, ja, met kans op kultuurverlies—het is een
onverdedigbare gruwel.

Wij hebben gezien, historiese noodzakelikheid kan selektief toeval
en doemwaardig onrecht zijn. En wij zullen ons niet overgeven
aan een _historisme_, dat spreekt van „_onvermijdelik—derhalve
rechtvaardig_”[34]—dat van enkelingen, volken en staten verkondigt:
„Was uns und sie als Ausfluss der Vergangenheit trifft, muss als
Folge hingenommen werden.”[35] Een historisme, dat zich niet alleen
tegen „onhistories radikalisme” maar ook tegen „actualisme” keert,
omdat het in de grond berust op een fatalisties _naturalisme_, bewust
en metterdaad reeds lang verloochend, maar onbewust nawerkend en
doorbrekend in een tragies pessimisme ten aanzien van de „kleine”,
„domme” mens, zijn geest en zijn macht, gepaard aan een even tragies
optimisme ten aanzien van de „grote” wijze natuur.[36] Vandaar dat
smalen op het recht der mensen met hun „ehrfurchtloses Eingreifen”,
„ausgeklügelte Mittelchen” van „uns und unseren Machenschaften”,
„den optimistischen Wahn, die Menschenwelt duren unsere berechneten
Eingriffe gestalten zu können”... en vandaar anderzijds die dithyramben
op de oorlog als „Richter und Reformator”: „Und gerade seine
Gerechtigkeit, ohne Gericht und Richterspruch, ist die allerhöchste,
weil die allersicherste, sie beruht _nur_ [ik cursiveer] auf der
inneren Notwendigkeit, der Gerechtigkeit der Natur, die der äusseren,
der vom Menschen eingesetzten so unendlich weit vorzuziehen ist”[37];
de oorlog „der Staatenhenker wie kein anderer”, voltrekt het vonnis
der „historische Gerechtigkeit”... „Es giebt nichts Grossartigeres,
nichts Erhebenderes und nichts Nützlicheres als dieses unerbittliche
Urteil!”....

[34] _Ph. d. Kr._ bl. 171: „Die Grösse des Staates ist also die
     natürliche, unvermeidliche und daher gerechte Folge seiner ganzen
     Vergangenheit.”

[35] ibidem.

[36] „Dieser Zug der Naseweisheit geht durch unsere ganze Zeit;
     den dummen Menschen wird Vertrauen, den natürlichen Prozessen wird
     Misstrauen entgegen-gebracht”. (236)

[37] bl. 222. Vgk. even kras bl. 283: „Die Gerechtigkeit des
     Krieges ist eine unfehlbare[!], nie aussetzende, eben weil
     sie eine automatische ist, eine, die in der Natur der Dinge
     unwandelbar begründet und keines Richterspruchs bedürftig ist.”

     Heilige oorlog—vlees geworden onfeilbare gerechtigheid—hoe moet
     uw belijder u vereren!

Ziedaar kern en wezen van die „Philosophie des Krieges”.

Een natuur-optimisme, dat ons even roekeloos dunkt, „verrucht” zou
SCHOPENHAUER zeggen, als ons die „statenbeul” reeds is gebleken.
Wij hebben de waarborgen van gerechtigheid, die hij bood, gewogen
en te licht bevonden—hij bleek te verschalken door list, veil voor
toevallige macht, zonder beginsel en zonder geweten.

Natuurlik en histories noodwendig is ook het veile, gewetenloze,
rechtsverkrachting zo goed als het nog-niet-rechtelike. Ook het
onredelike „ligt in de rede”; wat werkelik is kan onredelik, wat
redelik is onwerkelik zijn.

„Die Weltgeschichte ist das Weltgericht”... dewijl de levende winnaars
en overweldigers de geschiedenis schrijven en Tote stille Leute zijn.
Maar de Waldenzen en Albigenzen aller tijden en al die nooit geweten en
vergeten martelaren, al die ware roemloze helden van de nog ongeboren
of verloren zaak, al die gesmoorde vermoorde minderheden—welk een
wereldgericht zouden zij houden over de wereldgeschiedenis! Gloria
victis!

De „oude Dessauer” moge gelijk hebben: „Der liebe Gott ist immer mit
den stärksten Bataillonen”—de „oude Cato” had geen ongelijk: Victrix
causa deis placuit sed victa Catoni.[38]

[38] De goden kozen partij voor de winnende—voor de verloren zaak Cato.

De minderheid heeft niet altijd gelijk en het succès niet altijd
ongelijk—maar wij wraken meerderheid, overmacht en geschiedenis, god
Bonus Eventus, als richter over goed en kwaad, recht en onrecht.

„Alles rächt und lohnt sich”—op het toneel.

En wanneer dit optimisties en fatalisties naturalisme zich blindelings
neerlegt bij „Sieg und Niederlage” als „Endpunkte naturnotwendiger
Prozesse” en zich rauweliks keert tegen 's mensen Urteilssprüche
als „Ergebnisse menschlichen Nachdenkens, menschlicher Vorurteile
und Neigungen”, dan verzaakt het niet alleen menselike rede voor
onmenselike natuur, maar ook zich zelf. Want zijn deze laatste
Ergebnisse niet evenzeer „naturnotwendig”, evenzeer „Endpunkte
naturnotwendiger Prozesse”? En zou niet van alle machten der natuur,
der werkelikheid de bewuste rechtswil en het rechtsbesef (rechtsgevoel
en rechtsbegrip) juist datgene zijn, wat het zekerst gericht is op
verwezenliking der gerechtigheid, op terzijdestelling van vooroordeel
en partijdige neiging, op kering van machtsmisbruik, willekeur en blind
onrechtvaardig toeval?

Wij overschatten niet taak en betekenis van rechtspraak en
scheidsgerecht voor enkelingen en volken. Wij hebben boven reeds
betoogd, waarom zonder oorlog „de toekomst van rassen en volken en
heel de mensheid” evenmin „durch Richterspruch nach Schätzung und
Gesetzesparagraphen” zal worden bepaald, als tans de toekomst van
burgers en gezinnen, steden en geestesstromingen door wetsartikeltjes
wordt beheerst of vastgesteld. Maar zo als het recht hier de
„naturnotwendige” en aan „tiefgewurzelte Neigungen” te danken fysieke
geweldpleging, mishandeling, roof en doodslag heeft uitgeschakeld naar
vermogen, zo kan en moet het helpen om diezelfde „naturnotwendigen
Prozesse” te verdrijven uit volkerenverkeer en statenverhouding.
Want ook hier heerst niet recht, maar de gewetenloze „Riese Zufall”
(NIETZSCHE) zolang de „natuur” met haar oorlog er heerst.

Zo wraken wij dus de „innere Gerechtigkeit der Natur” in het algemeen
en de oorlog als rechter in het biezonder.

Daarmee is het pleit feitelik beslecht. Alle andere deugden van de
oorlog hangen aan zijn selektieve rechtvaardigheid.


3. Oorlog als hervormer en opvoeder.

Met de oorlog als Rechter valt de oorlog als Reformator. Om dezelfde
onbetrouwbaarheid. Zijn dure lessen kunnen verkeerd uitvallen: de
nederlaag kan verzwakken en in stand houden, de overwinning verslappen
en winst brengen (ook aan de verkeerde kant), het krijgskansspel luidt
nu eens qui perd gagne, dan weer qui gagne perd. We zagen dat boven.
En erkent niet STEINMETZ zelf, dat mensenverlies en contraselektie
door oorlogen „fataal” kan worden, dat immers oorlogen „abnorm häufig,
blutig und ohne entsprechenden Gewinn für die Entwicklung und die
Expansion des betreffenden Volkes stattfinden” kunnen?[39] Neen, de
werkelikheid pleit ook niet ondubbelzinnig voor de opvoederstalenten
van oorlog. Zijn de Turken, van ouds de krijgers bij uitnemendheid,
pioniers der beschaving? Bij al hun oorlogen zijn Rusland of Turkije
of de andere Balkanstaten tamelik voos en achterlik gebleven, bij al
hun vrede bleven Nederland en Skandinavië nog tamelik gezond en op
peil.[40] Exaktheid van berekening of bewijsvoering is hier natuurlik
weer uitgesloten; de geschiedenis kent bloei en verval na nederlagen
evenzeer als na overwinningen: propter of ondanks? Om 't even. In geen
geval betekent vrede: stilstand, bederf. Staten en volken bloeien
en kwijnen in vredestijd, zonder oorlog, als gezinnen en steden,
ondernemingen en partijen—nooit is vrede strijdeloosheid, integendeel,
arbeid en wedijver, het eigenlik ekonomies, politiek en geestelik
_leven_, produktie, wetenschap, kunst ze vereisen vrede—ze staan
stil, liggen lamgeslagen tijdens oorlog. De zgn. „Godsvrede” juist is
stilstand van produktieve, levenwekkende strijd—wee zo hij lang zou
duren. En gelijk de vrede beschikt over een gezondhoudende dynamiek
zo heeft hij ook zijn genezende, zuiverende, bederfkerende dynamiese
faktoren: al wat ziekelik of verkeerd of onvoldoende funktioneert in
volk of staat, al wat voos of rot is—wekt leed, ellende, misnoegen,
ontevredenheid, verontwaardiging („Empörung”:), verzet („Erhebung”:)
tot opstand toe, reformatie of revolutie. Ziedaar het richtend en
hervormend automatisme, bestemd en geschikt voor de taak waarin
oorlog jammerlik te kort schiet.[41] Van de Russies-Japanse oorlog
lezen wij: „die Russen der höchsten und gebildetsten Kreise begehrten
die Niederlage ihrer Heere, da sie wussten, dass die Auferstehung
ihres Volkes hierdurch am besten gefördert würde.”[42] De oorlog
bracht de nederlaag. Maar de hervorming of omwenteling bracht hij
niet. Als een „onfeilbaar” middel tegen alle kwalen bij geval niet
helpt, ligt dat niet aan het middel, maar aan de patiënt: „Wie
gewissenlos, wie tierisch abgestumpft muss eine Regierung sein, die
durch solche Stimmung der besten Bürger nicht bewogen wird, die
gründlichste Reformation durchzuführen”.—Wij ontkennen niet, dat ook
oorlog een kata-strofe is, in de dubbele zin van het woord, ramp en
ommekeer,—en als zodanig z'n goede zijde heeft—wel allereerst deze
negatieve, zich te keren tegen zich zelf, z'n eigen einde telkens te
verhaasten naarmate hij ergerliker woedt—en op de duur zich zelf
ondragelik en onmogelik te maken, maar tegenover de zeer onzekere
kans op een versnelling van vooruitgang, die zijn schok, zijn keer
kàn brengen, staat hier wederom de zékerheid van stage vertraging
door zijn gewapende vrede, met z'n milliardenoffers, jaar in jaar uit
onttrokken aan sociale, produktieve, levenreddende, leedopheffende,
volkskracht en volksverheffing dienende doeleinden.[43] _Wel zwaar is
de verantwoordelikheid van wie voor zó onzeker een goed zó zeker een
kwaad aanvaardt!_ Ik laat nu nog buiten geding de naar het schijnt
nog lang niet overal uitgespeelde rol van leger en militarisme als
bolwerk van behoud en reaktie, van „feodaliteit”, als rem voor
stoffelike en geestelike volksbevrijding—en ik herinner er hier
slechts terloops aan, dat het beste, wat van de oorlog als opvoeder
der soldaten en officieren die er aan deelnemen kan worden gezegd,
nog dit is, dat de te verwachten „Zunahme von Roheit, Grausamkeit,
Missachtung fremden Eigentums und Lebens, Selbstüberhebung, Missachtung
fremder, besonders weiblicher Ehre und Persönlichkeit”... niet zodanige
afmetingen aanneemt, dat de kriminele statistiek er ondubbelzinnig
van getuigt... „Selbstverständlich bleiben die meisten Folgen solcher
Neigungen verborgen oder können sie wenigstens nicht recht objectiv
studiert und verglichen werden.”... In elk geval is de richting dezer
oorlogspedagogie onmiskenbaar, worden dergelijke ruwheid, wreedheid,
brutaliteit „aufs sorgfältigste gezüchtet, es gilt die umgekehrte
Moral von sonst, was soll es uns wundernehmen, dass so die Charaktere
verdorben, die Handlungen verbrecherisch werden. Das Schlimmste
muss hier zur Selbstverständlichkeit herabsinken”.—Aan de zedelike
hervorming en opvoeding van het in oorlog gewikkeld volk in z'n geheel,
de zegeningen van uiterste krachtsinspanning en offervaardigheid, van
oorlogsolidariteit en oorlogsheroïsme, dus wat we kunnen noemen de
volkspsychologie van de oorlog, zullen wij straks nog afzonderlik onze
aandacht wijden.

[39] _Der Krieg_ bl. 41.

[40] STEINMETZ' oorlogsfilosofie weet (zonder oorzakelik onderzoek) van
     de Nederlanders: „die zu lange Friedensperiode erschlaffte ihre
     gute Anlage”! Nederland verzuime dus niet de gelegenheid tot een
     versterkend oorlogskuurtje—à la België.

[41] Zo noemt STEINMETZ zelf „die künstliche Züchtung der
     Sozialdemokratie” in Duitsland „een soort straf” voor „das
     persönliche Regiment” en „die Junkerprivilegierung, die beide in
     einem Volke von gebildeten Menschen unduldbar sind” (_Ph. d. Kr._
     227).

[42] _Ph. d. Kr._ 176/7.

[43] Vgk. weer _Ph. d. Kr._ bl. 100, wat met „den Unsummen, die der
     Krieg im Frieden verschlingt” niet al kon worden bereikt: „Alle
     staatliche Werkstätten könnten zu Musteranstalten werden, das
     Bildungswesen könnte die jetzt überhaupt mögliche Vollkommenheit
     erreichen, sogar die Arbeiterversicherung aller Arten brauchte des
     Geldes wegen nicht eingeschränkt zu werden, jeder Staat könnte
     seine drückenden Schulden ablösen, die Gemeinden hätten Geld, ihre
     hygienischen und ästhetischen Veranstaltungen, die so unendlich
     viel zur Verschönerung des Lebens beitragen, auszudehnen. Alles,
     alles fast könnte getan werden ohne neuen Druck aufzulegen.”


4. Oorlogs alzijdigheid. Strijd met álle middelen?

Wat blijft nu bij nader beschouwing van 's oorlogs _alzijdigheid_
over? Niets. Het schema was mooi en eenvoudig genoeg: Oorlog meet àlle
krachten; alle kulturele waarden, kunst, wetenschap, godsdienst komen
in oorlog ten oordeel: ze helpen een volk verslappen of versterken![44]

[44] „Im Kriege werden die vollständigen Resultanten _aller_ Kräfte
     der betreffenden Staaten mit einander gemessen”.... „Alles wirkt
     mit zum Siege oder zur Niederlage, aber eben Alles”..., „Man kann
     getrost behaupten, dass keine einzige Kraft des Ganzen im Kriege
     unbenutzt bleibt.” enz.

Maar weggeblazen wordt dat schema, wordt heel die alzijdigheid door
elk der boven aangewezen faktoren, die militair succès en volkskracht
scheiden, die nederlaag of overwinning onafhankelik maken van zedelik
en geestelik volkspeil.

Zeker, de godsdienst is lang niet zonder militair belang, al voeren
wij geen godsdienstoorlog meer. Maar als de Turken en hun bondgenoten
het winnen—heeft dan de Islam gelijk gekregen boven de godsdienst van
hun tegenpartij? Zelfs komt het mij twijfelachtig voor of velen onzer
de Islam met zijn „heilige oorlog” tegen de ongelovige honden en zijn
soldatenhemel zullen vereren b.v. boven het zachtmoedig, onbaatzuchtig,
verdraagzaam Boeddhisme. Neen, onze godsdienstkritiek is nog iets
anders dan krijgsgeschiedenis.

Ook als kunstkriticus moeten wij de oorlog wraken. Zeker, zelfs voor
de kunst kan wie zoekt nog wel enig selektief verband met oorlog
vinden: een slap en week aesthetendom kan misschien de militaire kracht
schaden! Maar kan zéker geen grote kunst voortbrengen! Dekadentie
straft zich zelf onmiddellik in haar produkten, allereerst in de
kunst. Dekadentie gaat zonder oorlog aan zich zelf te gronde—waar
oorlogspolitiek desnoods zelfs dekadentie beschermt en overeind houdt
(Turkije, Portugal). Wat een volk voor de kunst en de kunst voor een
volk betekent, dat zou in oorlog blijken, alzijdig,—beter blijken dan
in vrede? Voorwaar, wij kennen oorlog ook als kunstrechter: Reims,
Yperen, Mechelen, Leuven enz. Van de bouwkunst wordt altans gemeten,
in hoeverre sommige van haar produkten verschansingen, sein- of
observatieposten leveren en tegen bombardement bestand zijn—maar wat
van de schilderkunst, skulptuur, muziek? Een wereldkunst kan bloeien
bij een klein, militair onaanzienlik volk (Vlaanderen!). Wee het
kunstvonnis van militaire machtmeting!

Neen, al moge dan groepsgeweld minder eenzijdig zijn dan individuele
geweldpleging, verre van alzijdig, in eenzijdigheid geboren en
tot eenzijdigheid gedoemd is de wedstrijd, welk volk, neen welke
volkengroepering ad hoc, op een gegeven tijdstip het meeste en
geschiktste levend en dood moord- en vernielingsmateriaal oplevert,
welke partij de andere het eerst het ondragelikst vermag te knauwen.
Juist al wat aan een volk zijn eigen karakter, zijn biezondere waarde,
zijn betekenis voor de mensheid geeft, de volksziel, de volksgeest,
zoals die zich uit en onderscheidt in zijn taal, zijn letteren, zijn
zang en muziek, zijn beeldende, scheppende kunst, zijn geestelik besef,
zijn dichten en denken, levenshouding en levensstijl—al die fijner
en hoger kulturele waarden, die in vredestijd wedijveren en hun
geestesstrijd strijden—dat alles komt in oorlog op soortgelijke wijze
tot zijn recht als op het slagveld de biezondere gaven en ontwikkeling,
kunst en wijsheid, karakter en kennis der enkelingen, die als „troepen”
worden misbruikt.

Oorlogvoeren, bruikbare, kostelike troepen leveren, met haat en
dapperheid uitgerust en geld en wapentuig bijeenbrengen, dat kunnen
vooralsnog al onze kultuurvolken—het spel kan zijn gang gaan—maar een
lid van de bijeengekonkelde volkengroep, die het dan op een bepaald
tijdstip van de andere „wint”, toont daarmee nog geen eerbiedwaardige,
laat staan alzijdige superioriteit boven enig lid der verliezende
groep. Al „winnen” de Duitsers en Hongaren het met de Turken en
Toearegs—vermoedelik zullen er zelfs nog Duitsers zijn, die voor
de Franse genius, voor Franse kunst en wetenschap, Frans karakter,
kultuurpeil, staatsbestel nog meer eerbied hebben dan voor Turkse
kunst, wetenschap, kultuur en staat. En al „wint” de Triple Entente met
haar bondgenoten—zelfs een Fransman zal allicht de Duitse dichters en
denkers, Duitse werkkracht en organisatie, zeden en ontwikkelingspeil
niet stellen onder die van Servië of Montenegro, of de Russiese
administratie gezonder achten dan de Duitse, of de „vitaliteit” en
„volkskracht” van Duitsland zwakker dan die van Portugal. Ja, zou wel
iemand onzer, zou zelfs STEINMETZ de positieve of negatieve graad van
zijn eerbied of genegenheid jegens een der betrokken volken of rassen
wijzigen naar overwinning of nederlaag? Ik geloof het nauweliks. Tenzij
dan juist de nederlaag sympathie zou wekken of verinnigen, haat of
antipathie dempen en verzoenen.

Neen, wij hebben gezien, eerbiedwaardig _hoeft_ een overwinning niet
te zijn en nederlaag geen schande,—alzijdig _kan_ geen oorlogsuitslag
wezen.

       *       *       *       *       *

Met de kollektief-selektieve rechtvaardiging en de kulturele
alzijdigheid van oorlog valt nu ook het principieel verschil tussen het
ruw, grof eenzijdig, „_niet-beslissend_” individueel geweld, dat tot
„abnormaliteit, misdaad” werd en de naar het heette niet grove, niet
ruwe, alzijdige, dus „_beslissende_” staatsgeweldpleging.

Ja, zolang men het schone schema kon aanvaarden: bloedige
worsteling—het grofste, slechts op brute kracht seligerend middel
van individuele konkurrentie, maar het enig en onmisbaar want op
geestesadel, op „altruïsme”[45] seligerend middel van kollektieve, van
staten-wedijver!

[45] „Der Krieg ist der einzige altruistische Kampf.”

Maar zelfs toegegeven, dat „staten” _als zodanig_ alleen konkurreren
in en door oorlog (dus niet ekonomies en via hun onderwijs,
recht, verkeer, gezondheidszorg enz.) en dat er geen andere
groepsgewijze strijd bestaat (klassenstrijd, vakverenigingen contra
werkgeversorganisaties, talenstrijd, politieke partijenstrijd enz.) dan
nog zou die enige „kollektieve” oorlogselektie naar wij betoogden èn
misbaar èn wegens haar onbetrouwbaarheid onduldbaar zijn.

Dat schema zal dus wel niet meer imponeren.

Noemen wij nu „_alzijdig_” (derhalve rechtvaardig) en dus „_beslissend
in laatste instantie_”, „onaanvechtbaar” een meting van _alle_
kulturele krachten (behalve de lichamelike ook de intellektuele,
morele, artistieke vermogens) dan heet _terecht_ de bloedige
tweestrijd, „das physische Gefecht zwischen Einzelnen”, _nicht
entscheidend_.... maar evenmin mag dàn oorlog entscheidend heten, mag
men dàn Kriege „vollgültige Entscheidungen, unanfechtbare Messungen”
noemen: te veel kulturele waarden worden daarbij òf toevallig in 't
geheel niet òf eenzijdig en verkeerdelik naar een ongepaste, met hun
wezen niet strokende maatstaf gemeten.

Doch nu tracht die nieuwe term „beslissend” ons te vangen in een
misleidende dubbelzinnigheid. Want „alzijdig” en „beslissend in laatste
instantie” kan men ook noemen, en noemt STEINMETZ ook—de strijd _met
àlle, ook en inzonderheid de alleruiterste middelen_, de strijd, die
geen wapen ongebruikt laat, of de strijd, „om het uiterste”, op leven
en dood.—Wie àlle middelen, dus ook geweld, bedrog en dergelijke,
heeft uitgeput, moet zich wel bij de beslissing neerleggen—indien hij
niet reeds is... neergelegd.

Maar in deze zin is weer individueel geweld tussen enkelingen op z'n
minst _even beslissend_ als oorlog tussen staten. Een uit de weg
geruimd mededinger heeft het definitief afgelegd op elk gebied.

De tweeërlei „alzijdigheid” of „beslissendheid”: enerzijds _meting
van àlle krachten_ en anderzijds _strijd met àlle middelen_ (ook
de uiterste van geweld enz.) mag niet verhaspeld; in plaats van
één te zijn vormen zij een tegenstelling,—hoe meer en hoe eer het
geweld beslist, des te minder meting aller vermogens, zowel bij de
statenstrijd als bij de individuele wedijver.

Ook verwarre men niet „uiterste krachtsinspanning” met „meting van
àlle krachten”, wanneer men verneemt, dat alleen oorlogen laatste
beslissingen zijn, waarbij zowel staten als enkelingen „sich beruhigen
können, sich beruhigen müssen, weil es nun einmal keine andere,
grössere Anstrengung gibt. Es wurden ja alle Kräfte verwendet.”

We zijn tans dunkt me voldoende gewapend tegen de aanprijzing van
beslissend geweld, van strijd met alle middelen, die ik hier letterlik
laat volgen:

  „Streit ohne Benutzung der besten, letzten Waffen ist aber gar kein
  Streit, keine Messung _aller_ Kräfte, keine _äusserste_ Anstrengung:
  die Bedeutung des Streites liegt gerade hierin. Wer würde sich für
  besiegt halten, der sich bewusst wäre noch eine unverwendete Waffe zu
  bezitzen?

  Wenn es also den Individuen erlaubt bleiben soll, die Kräfte ihrer
  Gesammtheiten zu benutzen, und das ist doch selbstverständlich, so ist
  es unmöglich ihnen den Krieg zu verbieten. Das hiesse ja den Kampf mit
  einem festgebundenen Arm vorschreiben, und ein solcher Kampf ist keine
  Entscheidung. Wenn die geistigen und moralischen Kräfte erschöpft
  sind, bleiben hier noch die physischen; wer durch die erstern besiegt
  ist, muss zu den letzten greifen, sonst wäre er noch gar nicht
  besiegt. Wer sich wahrhaftig behaupten will, muss alle, thatsächlich
  _alle_ Mittel verwenden”. (_Der Krieg_, p. 14/5) „Wer diese äussersten
  Mittel noch nicht erschöpft hat, der ist noch gar nicht besiegt, der
  kann seinen Gegner noch niederwerfen.” (_Ph. d. Kr._ p. 217).

Wanneer uit deze redenering _niet_ volgt—en het volgt er gelukkig
ook voor STEINMETZ _niet_ uit!—dat enkelingen met àlle geestelike
en „fysieke” wapens moeten of mogen konkurreren en vechten, dus als
alle andere, „tamme”, middelen faalden tot bloedig geweld, bedreiging,
mishandeling, doodslag, of „veelzijdig” „intellektueel” bedrog, roof
en derg. hun toevlucht moeten of mogen nemen, daar ze anders niet
„overwonnen” zijn, nog niet de „zwakste” zijn gebleken—dan volgt _uit
deze redenering_ datzelfde _evenmin_ ten aanzien van de staten. Wie te
veel bewijst, bewijst niets! Aldus STEINMETZ, die als volgt voortgaat:

  „Wenn der Staat seine[n] Bürger[n] in jeder Weise geholfen hat,
  moralisch und geistig, und die [zahmen, _Ph. d. Kr._] Hilfsmittel der
  Diplomatie erschöpft sind, da muss er das letzte Mittel angreifen, den
  Krieg, sonst liefert er seine Bürger unbesiegt, unnötig, dem Gegner
  aus, der sich dann gar nicht als der wirklich Stärkere erwiesen hat”.
  (_Krieg_ p. 15.)

Ge voelt wel: hier is reeds ondersteld, dat oorlog een geoorloofd
middel van wedijver, verrijking of geschilbeslechting is—en over het
al of niet toelaatbare van strijd met àlle of zelfs met bepaalde
middelen, zo voor enkelingen als staten, kan niet op deze wijze, moet
op heel andere gronden worden beslist.

Waarom nu mogen enkelingen niet met alle middelen „konkurreren”, niet
met alle wapens strijden? Waarom mag de enkeling zijn mededinger niet
meer mishandelen, bedriegen, beroven, vermoorden? Soms omdat hij deze
bevoegdheid aan de staat heeft overgedragen en deze 't nu voor hem
doet?[46] Neen, in plaats van zich daartoe te lenen, heeft juist de
staat tot taak, tegen al dergelijk strijdbeleid te waken. Is het dan
misschien, omdat die uiterste middelen, als de bloedige worsteling op
leven en dood, niet afdoende, niet beslissend zouden zijn? Of zijn
ze te eenzijdig, te grof, te fysiek? Maar ze kunnen, als oplichting,
bedrog en dergelijke, zeer veelzijdig, fijn en „intellektueel” zijn.
Dan soms, omdat er offers bij vallen? Neen, die vallen ook in de
ekonomiese strijd met oorbare middelen dag in dag uit. Om het „leed”
dus al evenmin.

[46] Men zou het bijna denken, wanneer men bij STEINMETZ leest:
     „Das äusserste Mittel darf nicht aus dem Arsenale verschwinden.
     Die Einzelpersonen haben den Kampf mit allen Mitteln nur deshalb
     an den Staat übertragen, weil der Staat ihnen mit seinen Mitteln
     Hilfe leisten kann.... Die Individuen, die ihr äusserstes
     Kampfmittel an den Staat abtraten und darauf den Volksgenossen und
     den Einzelnen gegenüber ganz Verzicht leisteten, mussten dafür
     im äussersten Falle auf den Staat mit seinen vollen Machtmitteln
     rechnen können.” (_Ph. d. Kr._ 215). Waar we belanden met zulk
     een beroep op de staat, niet als rechtshandhaver, maar juist als
     geweldenaar? Wel, zegt STEINMETZ, wie individueel wedijverend met
     alle zedelike en geestelike krachten het onderspit moeten delven,
     kunnen nog door kollektief geweld winnen. Dus altans intellektueel
     contraselektie? Nu ja, dat is een ander hoofdstuk. Maar waarom
     zouden de zwakkeren, individueel minderwaardigen, heet het nu,
     van hun kollektief wapengeweld afstand doen? Als de individuele
     Rus het zonder geweldpleging zou afleggen van de individuele
     Jood, dan heeft hij nog zijn Russies staatsgeweld, dat kan en
     moet bijspringen, terwijl een Joodse staat ontbreekt. „Da ist es
     wohl sehr begreiflich, dass der Jude keine[?!] staatliche Hilfe
     verlangt und meist kein Freund der Kriegsgefahr ist [de niet-jood
     wel?], und dass umgekehrt der Russe auf die grosse kollektive
     Kraft seines Staates nicht gerne verzichtet, auch nicht seinen
     individuell stärkeren Gegnern zuliebe.” (216). Waarom zou dus,
     zo vervolg _ik_, de staat zijn Russen niet met Jodenontrechting,
     pogroms en derg. mogen steunen? „Weshalb sollte doch nur” zo
     vervolgt STEINMETZ „diese Kategorie von Kräften unbenutzt bleiben?
     Weil sie Opfer fordert? aber tut das die individuelle Konkurrenz
     vielleicht nicht? Den Schwächeren in dem letzteren Kampfe darf man
     diese Waffe nicht versagen und die Sieger dürfen nicht verlangen,
     dass ihre Gegner, die sonst unterliegen würden, ihnen zu Gefallen
     diese letzte Wehr wegwerfen” (ibidem).

     Wanneer dus weer dit redebeleid _niet_ voor echt-Russiese
     pogroms van staatswege pleit—en ik kan mij niet voorstellen,
     dat het er naar STEINMETZ' bedoeling voor zou pleiten—waarom
     pleit het dan wèl voor oorlog—of liever—pleit het niet even
     sterk tégen zulk een oorlogsverdediging als het vóór zulke
     pogroms pleit? Wederom—wie te veel bewijst, bewijst niets, of
     liever, pleit zich zelf ad absurdum!

Zou het niet zijn, omdat enkelingen onderling rechtens een minimum
en zedelik een maximum van _objektiviteit_ hebben te betrachten,
die eens anders „gelijk recht” erkent,—dus _rechten_ eerbiedigt,
een „rechtsorde” schept en daarmee voor ieder een zekere sfeer van
persoonlike en zakelike _onschendbaarheid_ verlangt en waarborgt, aan
ieder een zekere _integriteit_ van zijn lichamelike, geestelike en
zedelike vrijheid, van eer en leven en gezondheid, van eigendom en
huisvrede verzekert?—

Daarom alleen mogen enkelingen niet met alle middelen konkurreren, is
moord en mishandeling, dwang, afpersing en afdreiging, roof, inbraak,
brandstichting en derg. ook t.a.v. vreemdeling of persoonlike vijand
tot ongeoorloofde _schennis van rechten_ geworden, waartegen de staat
als rechtshandhaver waakt.

Waarom nu mogen staten niet met alle middelen „konkurreren”?

Vooreerst: omdat ook staten onderling rechtens een minimum en
zedelik een maximum van objektiviteit hebben te betrachten, die eens
anders „gelijk recht” erkent—dus verworven _rechten_ eerbiedigt,
een internationale „rechtsorde” schept en daarmee voor iedere staat
een zekere sfeer van _onschendbaarheid_ verlangt en waarborgt,
_integriteit_ van grondgebied, onafhankelikheid, „soevereiniteit”—die
evenzeer inmenging in binnenlandse aangelegenheden (rechtspraak,
wetgeving, administratie) als gewelddadige aanranding van grenzen
of domein of ook van vrijheid, leven of bezit der staatsburgers
verbiedt als zedelik en volkenrechtelik ongeoorloofde _schennis van
rechten_.—Daarom alleen reeds mogen staten niet met alle middelen
„konkurreren”, niet met het georganiseerd geweld, dat „oorlog”
heet, winstbejag zoeken ten koste van anderen, niet dus voor hun
burgers elders staatsinbraak of landsvredebreuk plegen („inval”
„raid”, „bezetting”) of op roof („verovering”, „annexatie”) en
afpersing („requisitie”, „schatting”) uitgaan, of zich aan afdreiging
(„ultimatum” dat inbreuk op soevereiniteit of op neutraliteit eist)
schuldig maken.

En vervolgens: is het niet een absurdum morale, een zedelike
gruwel, wanneer diezelfde staat, die rechtshandhaver, die alle
„konkurrentie” van enkelingen met nog zo geringe geweldpleging tegen
leven, vrijheid, eigendom verbiedt en wreekt—zelf voor diezelfde
enkelingen gaat „konkurreren” met al dat rechtschennend geweld, ja
zelfs hen organiseert en dwingt (desnoods tegen hun geweten in) tot
zodanige „wedijver” met behulp van mensenslachting, vrijheidsberoving,
brandstichting en vernieling, kortom tot schending en verachting van de
hoogste rechtsgoederen?

Men voelt wel algemeen, dat het gebruik van zulk soort „uiterste”
middelen slechts één rechtvaardiging, één verontschuldiging
kent—gelijkelik voor enkeling en staat—: _nood_ of _noodweer_, geweld
als énig middel van levensredding, rechtshandhaving of rechtsherstel.
En hier blijkt nu inderdaad een groot verschil tussen enkeling en
staat: terwijl tegen rechtschennis door enkelingen de staat als
rechtshandhaver waakt en derhalve gewelddadig verweer slechts in het
uiterste geval en tegen „oogenblikkelijke” wederrechtelike aanranding
der hoogste rechtsgoederen nodig en geoorloofd zal zijn, ontbreekt
vooralsnog een boven alle statenwillekeur verheven bevoegde rechtspraak
en rechtsmacht ter handhaving der internationale rechtsorde, zodat
de objektiviteit van het volkenrecht, slechts heersend bij de gratie
van subjektieve willekeur, geschonden niet alleen maar uitgeschakeld
wordt door nagenoeg elk volkenrechtelik onrecht—en vervangen door
de rechteloze „natuurtoestand”, waarin gewelddadige zelfverdediging
(zgn. „eigenrichting”) niet het uiterste, maar het enig middel is
tot rechtshandhaving en rechtsherstel, dus recht bukt en wijkt voor
macht. Zo wordt hier alom gewelddadig verweer voorbereid ook tegen het
verst verwijderd gevaar—en ontstaat het monstrum van een wederzijdse
_noodweer met voorbedachten rade_, die op zijn best (d.w.z. bij
uitsluiting van elke aggressieve en offensieve, dus wederrechtelike
bedoeling) slechts dient tot het scheppen van de te keren nood!

Dat is de „gewapende vrede”, voorbereiding en voorwaarde van oorlog,
een vrede, wiens paleis slechts deze gevelspreuk verdient: #SI VIS
BELLUM. PARA PACEM#—wilt gij oorlog, wapen u ten vrede!

Zonder die geweldplegingsorganisatie, zonder leger en vloot, zou de
meeste, de eigenlike, gevaarlike, tot gewelddadig verweer nopende
volkenrechtschennis eenvoudig onmogelik zijn—van oorlog als middel
tegen dit soort schennis moeten wij zeggen: het middel schept de kwaal.

Wie dus volkenrecht wil, moet oorlog, niet slechts als rechtaanrandend
middel van rechts_verwerving_, maar ook als rechtuitschakelend middel
van rechts_behoud_ verfoeien; zal volkenrecht gelden, meer zijn dan
zoete waan en vrome wens—dan dient schennis voorkomen of berecht,
geschil beslecht in plaats van uitgevochten. Voorkoming schijnt
hier eer bereikbaar dan berechting: zelfstandige staten zullen zich
gemakkeliker tot een rechtsgemeenschap aaneensluiten, waarbinnen
_met de militaire grenzen niet slechts oorlogsmogelikheid, maar ook
oorlogsbelang verdwenen_ is (vgk. de Verenigde Staten of Duitsland),
dan bij behoud van militaire zelfstandigheid, oorlogsaanleiding en
oorlogsbelang hun internationale willekeur onderwerpen aan hoger
internationale rechtsoevereiniteit, al laat die hun „soevereiniteit
in eigen kring”, hun „eigen-meesterschap” even ongeschonden als
bondstaatvorming.

Maar wie het volkenrecht voldoende veracht om aan de staat, de
rechtshandhaver, zelfs wedstrijd, winstbejag „met alle middelen” ook
met het rechtschennend geweld, dat oorlog heet, te vergunnen—met welk
recht, op welke grond weigert hij hem _oorlog met àlle middelen_?
Waarom dan de zuivere kollektieve machtmeting bedorven door hinderlike
kleingeestige onderscheidinkjes tussen staat en volk, militair en
burger, combattant en non-combattant[47], al of niet of voorwaardelik
kontrabande, al of niet effektieve blokkade, partikulier en gemeente-,
dan wel staatseigendom, al of niet „open” steden en waarschuwing bij
bombardement, bommen en handgranaten of dum-dums en ontplofbare kogels,
„krijgs-list” of „krijgs-streek”, al of niet geven van kwartier en
wat dies meer zij? Nog klinkt het in ons na: „Das hiesse ja den Kampf
mit einem festgebundenen Arm vorschreiben, und ein solcher Kampf ist
keine Entscheidung”... „Wer sich wahrhaftig behaupten will, muss alle,
thatsächlich _alle_ Mittel verwenden”... En we herinneren ons: hoe
onmenseliker, hoe schrikwekkender de oorlog, des te korter, des te
menslievender. Wat moet, wat wil dus zogenaamd „oorlogsrecht”? En wat
vermag het? Oorlog trapt op de fijne onderscheidingen tussen verboden
en toegelaten onmenselikheid, verscheurt allereerst de papieren
muilkorven van recht en traktaat, „declaratie” en „conventie”...
dat is zijn recht, zijn „raison”: hij huichelt geen humaniteit of
rechtsontzag, die aan zijn doel en wezen vreemd zijn.[48] Wie hem wil
moet hem nemen zoals hij is, niet zoals brave naiveteit of geveinsdheid
hem op papier fatsoenneert. „Oorlogsrecht” strijdt met oorlog's recht.
Altans bij beschaafde volken. Want die vechten alleen nog uit nood. En
nood breekt wet, ja Not kennt kein Gebot.

[47] Getuigt de gehechtheid aan deze „essentiële” tegenstellingen
     niet van een ietwat bijziende gevoeligheid? Alsof niet gemiddeld
     elk schot, elke steek, die een man verminkt of vermoordt,
     door het hart ging van een moeder of vader of vrouw of meisje
     (gezwegen nog van de kinderen), die veelal liever zelf waren
     gewond of neergelegd—en alsof combattanten niet even „weerloos”
     aan onverhoedse lucht- of onderzeeaanvallen of andere moderne
     machinale slachtmethodes waren overgeleverd. Ridderlikheid is
     sparen van zwakheid, vloekt dus met krachtmeting. En zou niet
     oorlog van korter duur, dus humaner zijn, wanneer op de vrouwen
     en kinderen niet via de mannen, maar rechtstreeks en eerlik werd
     gemikt?

[48] Gelijk de oude deskundige krijgsfilosoof CLAUSEWITZ verbiedt,
     oorlog door een beginsel van „matiging” te bederven, zo zegt
     admiraal JOHN FISHER: „Het wezen der oorlogvoering is geweld;
     gematigdheid is domheid. Sla toe, sla hard en sla waar ge kunt.”


5. Oorlog als Genotmiddel.

Ontzeggen dus _rechtszin_ en _zedelik besef_—afgezien van alle
„medelijden”—aan volk en staat oorlog als wedijver met „àlle”, met de
„uiterste” middelen, is oorlog misdadig[49], dan zal men vergeefs ons
oorlog qua _uiterste kollektieve krachtsinspanning_, diepste kollektief
_gevaar_ en _leed_, aanprijzen als... _hoogste kollektief genotmiddel_,
als weg tot ondermaanse „_zaligheid_”.

[49] Het behoeft nauweliks opgemerkt, dat deze zedelike blaam slechts
de instelling treft en niet van haar onschuldige tot oorlogvoeren
gedoemde slachtoffers „misdadigers” maakt: slavernij, gewetensdwang,
ketterverbranding, bloedwraak noemen wij tans terecht misdadig—maar
die deze instellingen gehanteerd hebben kunnen hoogst achtenswaardige
mensen geweest zijn.

Vergeefs dan houdt men ons voor (bl. 220) „die tiefgehende
Bedeutung der Kontrastwirkung für die Steigerung der Lust”: „Um
himmelhoch jauchzen zu können, muss man erst zu Tode betrübt gewesen
sein”. Vergeefs dan raadt men ons oorlog aan als middel tegen
„Lebensüberdruss”, plaatst men ons voor het hedonisties dilemma:
vrede—„veiligheid en verveling”, of oorlog—„gevaar en zaligheid”.
Vergeefs dan roemt men ons (bl. 210) als heerlike ruil voor „die im
Kriege zerschossenen Glieder und die verschwundenen Milliarden” de
vreugden van het oorlogspatriottisme als „beglückender Leidenschaft”,
„diesem die Millionen beseelenden und beseligenden Gefühle”, ja,
noemt het de ergste misdaad, ons leven te beroven van zulk een „üppig
springender Glücksquelle”!

„Himmelhoch jauchzend—Zum Tode betrübt”... het is de stemmingswisseling
der verliefdheid, die GOETHE bij monde van Egmont's Clärchen aldus
bezingt—zonder deze climax van het „Freudvoll und leidvoll” al te
tragies te bedoelen: het liedje vervolgt en besluit: „Glücklich allein
ist die Seele die liebt”—Hier bij STEINMETZ daarentegen wordt het
bloedige, tragiese ernst:

/#
  „Wir verwehren uns gegen das letzte, deshalb wird das erste uns
  selbstverständlich versagt. Wir ziehen Sicherheit und Langeweile der
  Gefahr und der Seligkeit vor.

  Die Richtigkeit dieser Lebenspolitik scheint mir nicht so sehr über
  jeden Einwurf erhaben, dass man berechtigt wäre, sie auch auf die
  Völker anzuwenden”.
#/

Mij schijnt de juistheid van die andere, ietwat avontuurlike, ik zou
haast zeggen hysteriese levenspolitiek, die speelt met dodelik leed
en gevaar, een „politiek”, waar niemand leven of geluk van de zijnen
of zichzelf aan waagt, niet zó zeer boven alle bedenking verheven,
dat men zelfs zuiver hedonisties het recht zou hebben, er volken
aan prijs te geven. Hoe troostrijk en verheffend het ook weze voor
de verminkten en de achtergebleven weduwen en bruiden, ouders en
kinderen der gesneuvelden, dat hun leed en verlies en het lijden en
sterven van hun dierbaren tot hoogste genotmiddel dient voor vijand en
volksgenoot, ik vrees, dat geen volk, wanneer het zelf de beschikking
in handen neemt over oorlog en vrede, verlicht genoeg zal zijn om zijn
zonen, goed en bloed te offeren voor de kans op hemelhoog gejuich. Mij
dunkt, zelfs voor zuivere, door recht noch plicht geplaagde genotzucht
wordt oorlog's korte kontrastzaligheid nog vergald door een hinderlik
lijkenluchtje en een wee smaakje naar bloed en tranen.

Maar al kon men tegenover het „oneindig” oorlogswee „oneindig”
oorlogsgenot stellen, ongerechtvaardigd bleef het oorlogsonrecht.
En een mensheid, zó levensarm en geesteloos, dat zij oorlog als
levensprikkel zou behoeven of hanteren, deed beter te gronde te gaan,
zich dood te vervelen.


6. Staat en volk, isolement en liefde zonder oorlog.

Verwerpelik was oorlog als rechtsverloochening, onrecht als aanranding
van de grenzen en rechten, de vrijheid en zelfstandigheid van staten
en volken. Maar moet niet wie _staten_ en _volken_ wil, oorlog willen,
als het enige, wat voldoende _isoleert_ en _bindt_? Zonder oorlog
geen isolement, dus geen staat—zonder oorlog geen liefde, geen echte
innige zelfopofferende gemeenschapsliefde, zonder oorlog „endosmose”,
„Atomisirung der Menschen”. Zo luidt het schema—dat voor de
werkelikheid weer geen stand houdt.

Isolement en liefde—toetsen we beide.

„_Isolement_” was nodig voor het ontstaan der soorten, de term
behoort tot de inventaris van het Darwinisme. Een zeker isolement is
ongetwijfeld ook voor instandhouding van groepen, van volken vereist,
wier rijke verscheidenheid van fijngedifferentieerde kulturen niet
zonder grote schade kon worden gemist. Maar voor dit „isolement”
der volken, der nationaliteiten zijn niet eens staten, voor het
„isolement” van staten geen oorlogen nodig. STEINMETZ noemt oorlog
een middel, zelfs het enige middel voor staten om „sich gegenseitig
abzuschliessen”, om „die Staaten und die Völker einigermaassen
zu isoliren”, en doet het dan voorkomen, als ware oorlog, of
oorlogsmogelikheid, een soort middel tot wering van immigratie, van
vreemdelingen, die zich bij „vollständige internationale Freizügigkeit”
overal „einnisten” konden[50]. Het verband tussen oorlogsmogelikheid
en dit soort „isolering” ontgaat mij. Tegen „transfusie” door
verhuizing—voor onze kultuurstaten, naar het mij voorkomt, een niet al
te dreigend gevaar—waken uitsluitend en afdoende beperkingsbepalingen
op de immigratie, voor de rest is ieder tans reeds even vrij om naar
een andere staat te verhuizen, als naar een andere provincie. Heel
wat meer Ieren trekken naar Amerika dan naar Engeland. Verhuizing
naar aangrenzend anderstaats doch gelijktalig gebied kan heel wat
makkeliker zijn dan naar afgelegener andertalig eigenstaats gewest.
Wat verplaatsing op grote schaal belemmert ook binnenslands of
bevordert ook buitenstaats zijn niet militaire grenzen, maar heel
andere, voornamelik ekonomiese faktoren en het volksverbindend en
volkenscheidend middel bij uitnemendheid, de taal. „Im Princip muss
jedes staatlich organisirte Volk das Recht behalten sich auf seinem
Territoir abzuschliessen”. Natuurlik. Maar geen volk is zo dwaas, van
dit recht gebruik te maken—en elk volk houdt dit recht ook zonder
oorlog. Ja, zonder oorlog zou ieder ongewenst „indringer” te weren,
„overstroming” niet meer te duchten zijn. Gaan we na, wat isoleert
en bindt, dus voor afzonderlik groepsbestaan zorgt, dan moeten we
onderscheiden, wat de oorlogsfilosofie meest dooreenhaspelt: staat en
volk. Dat _staten_ voor onderlinge afscheiding en afzonderlik bestaan
geen militaire grenzen, dus oorlog noch oorlogsmogelikheid behoeven,
wordt niet alleen reeds door de werkelikheid bewezen (Beieren,
Wurtemberg, Pruisen zijn op z'n minst even welgescheiden organismen als
de Middel- of Zuid-Amerikaanse Staten) maar ligt ook voor de hand: heel
het staatsbestel is afbakening: afzonderlike rechtsbedéling, wetgeving
en politiek leven, bestuur en administratie. Van „transfusie” geen
sprake... dan alleen juist zover oorlog in 't spel komt.—Hoe staat
het nu met de _volken_? Hier zijn de isoleringsfaktoren van ietwat
ander gehalte; maar ook hier komt oorlog, die immers voor STEINMETZ een
zeer zeldzame kortstondige uitzonderingstoestand behoort te worden,
nauweliks in aanmerking, terwijl oorlogsmogelikheid, dus militaire
grensafscheiding, in werkelikheid al weer niet nodig blijkt (waar woedt
de nationaliteitenstrijd, het volken-antagonisme feller dan binnen de
staat Oostenrijk-Hongarije? De Vlamingen onderscheiden zich van de
Walen binnen België, de Ieren van Schotten en Engelsen, hoeveel feller
is de tegenstelling tussen Oostpruisiese Polen en Pruisen, dan tussen
Duitse en Russiese Polen, hoeveel volken handhaven zich niet in de
Nederlandse of eerst in de Engelse kolonies!) en weliswaar strijdige
belangetjes, meer van ondergroepen dan van volken schept (havens en
riviermonden, kolonies en derg., „imperialisme”), maar in 't niet
zinkt, vergeleken bij de diepe, wezenlike, volkenschiftende faktoren:
_ekonomiese honkvastheid_ gepaard aan _taalverschil_ (eigentaalse
literatuur, pers, onderwijs, kultuur), versterkt dan dikwels nog door
ras- en geloofsverschil en statelike of gewestelike gezagsorganisatie
(die taalgrenzen weer zoveel scherper helpt afbakenen: plots andere
officiële bestuurs- en onderwijstaal enz). De taal is zó belangrijk en
overheersend, dat de ethnografiese grenzen en de taalgrenzen overal
nagenoeg samenvallen: men kijke b.v. weer naar Oostenrijk Hongarije,
met z'n Tsjechen en Magyaren, België met z'n Vlamingen, Rusland met
z'n Finnen en z'n Polen, om van z'n tientallen andere welonderscheiden
nationaliteiten te zwijgen, Spanje met z'n Basken, Engeland met z'n
Ieren enz. enz. Vooral Vlaanderen, met z'n eigen taal, kultuur, kunst,
eigen geest en karakter, trots en boven z'n altijd wisselende militaire
samenhorigheid (bij Spanje, Frankrijk, Oostenrijk, Nederlanden, België,
om 't even) illustreert treffend mijn bedoeling. Eigen taal is eigen
volk—trots ras en geloof en staat. Zorgden voor taalafscheiding en
taalbehoud niet de genoemde volkenisolerende faktoren buiten oorlog,
oorlog zou tegen taal- en volkenmenging niets vermogen, daar oorlog
met z'n oppervlakkige telkens wisselende staatsgewijze groepering van
vijand en bondgenoot om taal noch volk noch ras zich bekommert—met
dezelfde blinde redeloosheid taalbroeders, volksgenoten, stamverwanten
tegen elkaar injaagt, waar er maar militaire grenzen zijn (denk aan
al de Duitse staatjesoorlogen, laatstelik nog Pruisen en Oostenrijk,
aan Middel-Amerika nog altijd, aan Italië en de Verenigde Staten
vóór hun éénwording, aan de Polen, die aan weerskanten mee moeten
doen in deze krijg), als hij taalstrijd, nationaliteitsverschil,
kultuurtegenstellingen zo nodig verdoezelt en verdringt (b.v. tans in
Oostenrijk-Hongarije en België).

[50] „Der Staat muss sich gegen fremde, unerwünschte Personen
     abschliessen können. Ein Staat, der sich überfliessen lässt, läuft
     Gefahr zu zerfliessen, und damit würde seine Existenz aufhören”
     (196). Hoe denkt men zich dit „gevaar”, dit overstromen... zonder
     oorlog, zonder georganiseerd wapengeweld?

En nu de _liefde_, die groepen bindt en samenhoudt, gemeenschapszin en
samenhorigheid—is daarvoor oorlog nodig? Ja—zo de mens een onsociaal,
een niet-maatschappelik wezen ware, dat alleen door kollektieve
vijandschap en haat tot de kollektieve solidariteit van het bedreigd
groepsegoïsme kon komen! Gelukkig is dit pessimisties schema weer eens
in strijd met de werkelikheid, gelukkig zijn er positieve bindende
faktoren, ten dele reeds in de vorige alinea aangeduid. Want wat naar
buiten isoleert, bindt naar binnen. Laten we de kleinere en kleinste
groepen hier buiten beschouwing—de gezinnen met hun weergaloze
eenheid en opofferingsgezindheid, de dorpsaanhankelikheid en liefde
tot de geboorteplaats, die onuitroeibaar wortelt in de diepten der
jeugdindrukken[51], de verenigingsbanden, de partijsolidariteit en de
geloofsgenootschap—dan is het weer bovenal de _taal_gemeenschap die
gepaard met territoriaal verband en verkeer een volkseenheid schept
en onderhoudt boven alle ras- en geloofs- en staatsverdeeldheid,
eenheid van letteren, geschiedenis, kunst, kultuur, eenheid van
zeden en gewoonten, van volkszang en volksgeest, met echt en diep
samenhorigheidsgevoel, innige, vurige volksliefde: zó het Pools, het
Hongaars, het Provençaals, het Bretons, het Vlaams, het Fries, het
Zigeuners, het Baskies, het Fins.

[51] Volgens STEINMETZ' schema ook geen „hete” dorpsliefde zonder
     oorlogje: „Nur noch kleine Dörfer, die sich mitunter einmal mit
     den Nachbardörfern herumschlagen, dürften echte[!] heisse Liebe im
     Herzen der Insassen erwecken, und nur solche[!] feurige Liebe...
     nimmt eine Stelle in unserem Leben ein” (197).

Wanneer dit alles zich kon handhaven zonder oorlogsmogelikheid, of
zelfs zonder staatsafscheiding, zou dan de Nederlandse, Franse,
Duitse, Noorse taal, kunst, geest, kultuur zonder oorlogsgevaar
vervloeien, bij behoud van dezelfde isolerende en bindende faktoren,
bovendien nog gesteund door de wetgevende, politieke, rechtsbedélende,
staathuishoudkundige, bestuurlike staatsafbakening? Hier als ginds
is wedstrijd en tegenstelling, botsing of zelfs verongelijking
nodig om de gevoelens fel te doen oplaaien—hier noch ginds zijn
voor die strijd de schennende „wapenen der barbaren” vereist. Ja,
zou men zonder oorlog niet eer voor te veel dan voor te weinig
nationaliteitendom en taalparticularisme moeten vrezen? Zeker,
indien daar niet de grote, horizonverruimende, steeds wassende
transnationale verbindings- en scheidingsmachten waren: belangen
en tegenstellingen, die over alle volks- en staatsgrenzen heen
vliegen: ondernemerdom en arbeidersorganisatie (kapitalisme en
socialisme), verkeer, krediet, al die internationale verenigingen
en geestesstromingen, hygiene, wetenschap, om slechts een paar
grepen te doen.—Maar de staat, die niet een taal- of volks-eenheid
is, zal hij liefde kunnen wekken zonder oorlog, de Russiese staat,
Oostenrijk-Hongarije, Zwitserland? Het is mogelik, dat een „individu”
als de Russiese staat zich niet zonder wapengeweld, zonder oorlog zou
kunnen handhaven. Maar dat pleit dunkt mij minder vóór oorlog dan tegen
de Russiese staat. Een staat, die alleen door oorlog en vijandschap,
door „nood en gevaar” de toewijding en liefde van zijn burgers zou
kunnen winnen, zou liefde noch toewijding, laat staan levensopoffering,
waard zijn. Moet de Russiese intellektueel, die zijn volk liefheeft,
de Russiese staat beminnen, omdat de Russiese bureaukratie, de
regering, de tsjinownik een oorlog onderneemt tegen Japan of elders?
Voor wie is de tijdelike eenheid, die niet dieper wortelt dan in
een negatieve haat- en gevaarsolidariteit, de oorlogsoffers waard?
Geen beter toets-steen dan de vrede. Schijn- en dwang-eenheid, tegen
vrede niet bestand, verdwijne. Zonder vrijheid geen liefde, ook geen
vaderlandsliefde, die naam waardig. Zelfs het oorlogspatriottisme,
zover het meer is dan maakwerk en roes, dan massa-psychose, dan blinde
kollektieve opwinding van overprikkelde vijandig verhitte gemoederen,
zover het elementen van geestdrift, van gemeenschapszin, van liefde
inhoudt, geldt niet het abstractum „staat”, maar de konkrete „Heimat”,
„huis en hof”, recht, macht, eer van eigen doorleefde kultuur en
daardoor op z'n hoogst handhaving of herstel van geschonden recht als
zodanig. De oorlogsfilosofie, die slechts oog heeft voor staten als
militaire eenheden, kent als vaderlandsliefde slechts liefde jegens de
„staat”, met miskenning van heel het onderscheid ten deze tussen staat
en volk. Zo wordt dan de staat verpersoonlikt tot een „individu”,
met eigen wil en karakter, die geen „krachtig”, geen „lebenswertes,
intensives” leven kan leiden, zonder „gevaar en nood”, zonder
„aggressiviteit”, zonder te willen „worstelen” met andere „individuen”,
dat wil hier dus zeggen, zonder oorlogs- en roofzucht, het enige, wat
hem de „hete liefde” der zijnen kan doen winnen, nodig om dezen uit
hun suf, eng egoïsme op te stuwen tot ruim en vurig kollektief leven
(196–200). Wie voor de staat zulk soort „leven”, zulk soort „liefde”
vindiceert, moet zich wel beklagen, dat er „zu allen Zeiten nur wenige”
waren, „von der echten Liebe zum Staate ergriffen” en in staat
„wahrhaft staatlich zu denken”.

Levens- en liefdesvoorwaarden zijn nu eenmaal voor een staat niet
alleen anders dan voor een enkeling[52], maar ook anders dan voor een
volk. Wat volksliefde, hoofdelement van vaderlandsliefde, werkelik
en mogelik maakt zonder oorlog, hebben we reeds gezien. Hoe de staat
zich verknochtheid kan en moet verwerven zonder oorlog, door wijsheid
en rechtvaardigheid in staatsbestel en staatsbestuur, door opheffing
aller bevoorrechting, STEINMETZ zelf wijdt daaraan welsprekende
ontboezemingen.[53] Onderscheiden we dus liefde voor volk en
staat—ongetwijfeld kan niet slechts het een ten koste van het ander,
maar kunnen ook beide door oorlog intenser worden. Intenser, maar niet
zuiverder. En als ideaal beschouwen wij niet „die höchste Steigerung
des menschlichen Lebens” (199) door de felste, de sterkste, de
heftigste, maar door de zuiverste, de edelste en hoogste gevoelens.

[52] „Elemente und Gesammtheiten sind aber nicht dasselbe: es ist ein
     grosser Irrthum, die selben Lebensbedingungen bei den Staaten
     als bei den Individuen vorauszusetzen und ihnen vorzuschreiben”
     (_Krieg_ p. 25).

     Met analogie bewijst men alles en niets. Vervang boven „staat”
     door „kerk” en ge geeft aan een „aggressieve” ecclesia militans,
     die zich wil en moet handhaven en uitbreiden, recht en plicht tot
     wapengeweld, brandstapel en godsdienstoorlog. Zonder deze geen
     „intensief” kerkelik leven, geen echte kerkliefde.

     Hier zij nog opgemerkt, dat reeds de R. K. kerk STEINMETZ'
     definitie van „staat” te schande maakt: „Der Staat ist die
     weiteste reelle und lebendige Organisation der Menschen, die
     existiert.”

[53] „O wenn er einmal wirklich wollte, wenn er einmal mit dem alten
     Schlendrian bräche! wenn er z. B. bei seinen eigenen zahllosen
     Anstellungen einmal nur auf die Befähigung acht gäbe, und diese
     nicht konventionell beurteilte!.... Denken wir uns einmal eine
     Regierung wie einen klugen, edlen Weisen! Das ganze sittliche
     Milieu, das von viel grösserer Bedeutung ist als das physische,
     würde anders werden. Stolze, vornehme Naturen würden dort erzogen
     werden, selbständig im Urteilen, noch im Fühlen, stark im Wollen;
     wie solche den fremden Völkern schwere Konkurrenz machen würden!”
     enz. (201). Let op, hoe het slot plots detoneert! Man merkt die
     Absicht... Vgk. ook over „die Abneigung gegen den Staat” bl. 208:
     „Die ungeheueren Rückständigkeiten in manchen Verfassungen, die
     vielen Reste absolut unberechtigten, veralteten Ständewesens geben
     diesem Hasse einen sehr festen Grund.” Hoe goed wordt hier staat
     en volk onderscheiden!

Tegenover het eng persoonlik egoïsme laat STEINMETZ slechts de keus:
òf de echte levende werkelikheid van „_vaderlandsliefde_”, dus staat
en oorlog, òf de dode schijn van „_mensheidsliefde_”, meest niets meer
dan een „onbeschaamde frase”. Doch we behoeven en begeren tegen het
egoïsme noch een onwezenlik, bloedeloos humanisme noch een bloedig en
bloeddorstig nationalisme. We hebben beters. Het is waar, de „mensheid”
laat de meesten van ons nog tamelik koud; voor het wel en wee van
wildvreemden (ook al zijn het kultuur-, volks- of zelfs stadgenoten)
zijn we gematigd onverschillig, lezen we van verongelijking of
mishandeling, dan zijn we nog het eerst vatbaar voor een niet
onverdeeld onaangenaam gevoel van verontwaardiging en meewarigheid,
al blijft dit meest slapper, dan bij de waargenomen marteling van
een dier. Maar anderzijds is „vaderlandsliefde” een vlag, die lading
dekt van zeer verschillend allooi. Hoe velerlei patriottismen zijn
er niet, beminnelik en onschuldig of groots en diep of hatelik en
gevaarlik—schoolpatriottisme, societeits-, ambtenaars, officiers-,
politiek (soms feodaal, soms revolutionair), commercieel-industrieel,
dynastiek-imperialisties, kunstzinnig kultureel, grens- en
ballingschaps-patriottisme. Meest is het een mengsel van allerlei
gevoelens, hoog en laag. Van biezondere belangzucht afgezien, bovenal
een soort dankbaarheid, inzonderheid voor zoete jeugdherinnering, die
het diepst ontroert. Wie zijn jeugd moet vloeken zegent niet licht
zijn vaderland. Maar alle patriottisme zal, trots zijn principiële
begrensdheid, zo men wil bekrompenheid, te zuiverder en edeler zijn,
naarmate het minder negatief, dus minder onverdraagzaam, laatdunkend,
ijdel en heerszuchtig is—bijgevolg in de dubbele zin van de woorden
minder „offensief”, minder „terugstotend” optreedt—en meer positieve
elementen van liefde, gemeenschapszin, geestdrift voor geestelike
waarden bevat. STEINMETZ zelf prijst vaderlandsliefde als „die hohe,
selbstverständlich echte, tiefernste Begeisterung für ein grosses
Ganze”. De „hoogheid” echter van die geestdrift hangt niet af van
de kwantitatieve grootte van het geheel, waarvan men toevallig deel
uitmaakt, maar van de kwalitatieve grootheid van haar grond, doel
en ideaal. Zo is gemeenschap van hoge overtuigingen en idealen,
zuivere _geestverwantschap_ het beste, wat ooit vaderlandsliefde
inhoudt. Maar zulke geestverwantschap gaat bovendien alle nationale
beperktheid te boven, gaat hoog uit boven alle nationalisme zowel als
boven alle kleurloos humanisme. Het is de menselikste, menswaardigste
verwinning van het egoïsme—de innigste, diepste verknochtheid, die
alle vriendschap en alle liefde, zelfs tussen man en vrouw, eerst
adelt, die meer is, vrijer, bezonnener, redeliker, dan bloed- en
stam- en ras- en taal-verwantschap, en over alle eeuwen en alle
landen en alle scheidsmuren heenreikt, die met haar geestesstrijd de
heiligste geestdrift en doodsverachting doet ontbranden en met haar
geestesvrijheid neerziet op geweld en oorlog als op een ver verleden
van dierlike redeloosheid. O, STEINMETZ zelf kent en erkent ze wel,
„den hohen Enthusiasmus im Menschen”, „die echte, starke Begeisterung
für wirkliche Ideale”, wanneer hij het tegenover KIDD vanzelfsprekend
noemt, dat niet alleen de religie hoge, „opferfreudige” geestdrift
wekt, en uitroept: „Hat denn nicht jede Überzeugung, jede grosse
Liebe ihre Märtyrer gefunden? Besitzen die Besten unserer heutigen
Sozialdemokraten und Anarchisten keine tatkräftige Liebe für ihr Ideal?
Beruht die russische Reformationsbewegung, soweit sie ihren Ursprung
in bewussten absichtlichen Anstrengungen hat, nicht hauptsächlich auf
dem herrlichen, rein idealen Streben des besten Teils der russischen
Gebildeten?”

Ziedaar dan wat groepen bindt en scheidt, de liefde, de geestdrift
die geen bloed begeert, geen geweld behoeft, geen dwang zelfs
duldt. Zuivere geestverwantschap, die machtige, statenkruisende
internationale gemeenschappen vormt, is een nog betrekkelik jong, een
modern verschijnsel, met een grote, grootse toekomst, symptoom van
de vooruitgang der mensheid: Dwang, instinkt, erfelikheid, sleur,
traditie, ééns overmachtig en onontbeerlik voor de kudden, wijken
alom voor vrijheid, inzicht, rede, persoonlike verantwoordelikheid
en keuze. Zo bij het huwelik, waar tans ook voor de vrouw reeds met
haar ekonomiese en maatschappelike bevrijding het persoonlikheidsrecht
begint te gloren.[54] Zo bij geloof en wereldbeschouwing. Bij stand
en beroep. Bij omgang en verkeer. Bij alle groepvorming, van gezin tot
wereldbond. Erfvijandschap behoort in dubbele zin tot de historie.
De machten van het verleden, geschiedenis, voorvaderen, mos worden
verdrongen door de krachten van heden en toekomst: eigen begrip en wil,
zelfverworven overtuiging en ideaal. De romanticus mag het betreuren
en MAETERLINCK ons terecht vermanen, dat oud en blind instinkt soms
wijzer is en meer ziet dan de jonge ziende rede, heel het verleden komt
ons voor als een duistere drang naar onze nieuwe bewustwording en we
beklagen ons niet, dat wij niet eer, wel dat we te vroeg zijn geboren
voor de festijnen van de geest, die komende geslachten zullen vieren in
de tuin der mensheid.

[54] „Den Verein wählt man nach seinem Geschmack, in den Staat wird
     man hineingeboren, man muss sich mit ihm abfinden, wie es
     eben geht. Wie unendlich erhöht das den Wert des Staates als
     Lebensschule, als Lebensgemeinschaft! Jede andere Gemeinschaft
     ist Spielerei neben ihm, er ist der Ernst des lebens, den man
     nicht wählt, sondern würdig und tapfer trägt. Er ist die Ehe,
     alle freien Vereine sind Konkubinate.” Dit is niet door een
     Chinees geschreven ter handhaving van de gedwongen echt en tegen
     de vrije huwelikskeuze. Evenmin door een Russies pope, die van
     „staat” sprak, maar kerk bedoelde, noch zelfs door een middeleeuws
     voorstander van landshorigheid of verbieder van Freizügigkeit!
     Maar door STEINMETZ ter verdediging van een „staatsliefde”, die
     dwang, traditie en—oorlog behoeft (_Ph. d. Kr._ 197).

Geestverwantschap is tot oordeel des onderscheids gekomen gemeenschap.
Wij zijn ontgroeid aan de oude distinktieloze kollektieve haat
en liefde, gelijk wij ontgroeid zijn aan de oude distinktieloze
kollektieve schuld en aansprakelikheid[55]. Een Chinees bokser kan nog
om wat een Engelsman of Rus of ander Europeaan hem of een der zijnen
misdeed een willekeurig Westerling—Fransman of Duitser, dat doet er
niet toe, als het maar een van de „vreemde duivels” is—haten en doden.
Met de kreet „de Joden hebben Jezus gekruisigd” kan een door staat,
kerk en wodki voldoende verstompt Moezjik nog altijd worden opgehitst
tegen de nakomelingen van het volk van Jezus. Waar ook nog stamwraak en
vendetta mogen heersen—onze rechtspraak en ons zedelik bewustzijn zijn
niet meer in staat, iemand te straffen of te verachten omdat zijn broer
of vader of voorvader zich misdragen of verachting verdiend heeft[56].
Wie onzer is nog grof genoeg om de Fransen, de Duitsers, de Joden, de
Russen, de Rooms-Katholieken te kunnen haten of liefhebben? Wij hebben
geleerd—en het behoort tot het kostelikste wat we geleerd hebben,
tot onze nieuwe humaniteit—de mensen met de nodige onderscheiding
te bejegenen. Maar de oude met waarheid en recht strijdige
kollektieve grofheid en onzuiverheid—het is de ware oorlogsfeer:
zij alleen heeft oorlog oorspronkelik mogelik gemaakt en wat is het
oorlogsnationalisme anders dan de vernederende, beschamende terugval in
deze geestesgesteldheid? Oorlog mist alle distinctie—daarom vloekt hij
met ons kultuurpeil, daarom is hij een leugen voor onze kultuurvolken,
met zijn valse solidariteit zonder geestverwantschap, zonder zedelike
eenheid en zijn valse haat zonder geestelik tegenstanderschap.—In een
roerende brief „An die Freunde in Fremdland”, waarmee de dichter STEFAN
ZWEIG, vertaler van VERHAEREN, afscheid neemt für lange Tage van zijn
kunstvrienden en geestesbroeders in Frankrijk, België en Engeland, het
fijnste, wat ik van Duitse oorlogstemming tot dusver las, schrijft
hij, hoe hij zijn persoonlike liefde en haat, zijn vriendschap en zijn
vrienden tans verloochenen moet: „Meine eigene Sache ist jetzt nicht
mehr, ich kenne keine Freundschaft, ich darf keine kennen, als die
des ganzen Volkes, meine Liebe und mein Hass gehören mir nicht mehr
zu. Und ich bin nur dann ganz wahr, wenn ich euch einzelne verleugne:
der geringste plattdeutsche Bauer, der kaum ein Wort meiner Sprache
versteht und sicherlich kein Wort meines Herzens, steht mir näher in
diesen Stunden als ihr, ihr Lieben, denen ich so oft mich hingab mit
meiner innersten Empfindung, immer von Verständnis umfangen, immer von
Vertrauen umfasst... Ich muss vergessen, was ich von euch empfing, um
besser fühlen zu können was alle anderen deutschen Leute empfinden.
Nicht euch muss ich verleugnen und die Liebe zu euch, sondern mich
selbst, jeden einzelnen Gedanken knicken, der nicht aufschiesst in
der grossen deutschen Saat”. We zullen straks zien, hoe ZWEIG niet
alleen z'n kunstzinnig, maar ook z'n zedelik zelf, z'n gerechtigheid
bewust ten offer brengt. Doch wij moeten ZWEIG's dilemma nog een
weinig zuiveren en verdiepen. De vaderlandse boerenpummel kan nog
zedelik meer waard zijn, dan de uitheemse kunstbroeder. Maar zou
ook de verachtelikste Duitse schurk of vlegel ZWEIG nader staan in
deze dagen dan de nobelste Franse karakterheld? Ik vrees van ja. Zo
weinig kieskeurig, zo onpersoonlik en amoreel—of moet ik zeggen
onzedelik?—is nu eenmaal de oorlogs-, de gevaarsolidariteit en
de nationale oorlogshaat. Een ZWEIG kan zich eigenlik niet zo ver
vergeten. „Ich habe nicht vergessen, was ihr mir ward und zutiefst noch
seid, aber ich bin in diesen Tagen nicht der Gleiche, der mit euch
sass, mein Wesen ist gleichsam umgewandt, und das, was in mir deutsch
ist, überflutet mein ganzes Empfinden”... „Und diesen Hass gegen
euch—obzwar ich ihn nicht empfinde—ich will ihn doch nicht mässigen,
weil er Siege zeugt und heldische Kraft”.—Oorlog bindt en scheidt met
feloplaaiende massa-driften, volkshartstochten, zonder matiging—en
zonder diepte. Oorlog is voor de volken wat storm is op zee—een
oppervlakteverschijnsel. Huizenhoog steigeren golven van geestdrift
en kolken van haat woelen de wateren om tot op de bodem—zo schijnt
het. Maar tien of twintig meter onder het zeeoppervlak dringt geen
storm ooit door—oermachtig en onwrikbaar volgen de diepzeestromen hun
eeuwige baan en voeren het wrakhout en de lijken mee die er resten van
reeds lang vervlogen orkanen.

[55] Daarvoor omvangt ons een nieuwe zedelik-maatschappelike
     verantwoordelikheid: wij allen zijn de dragers van onze
     tijd—wij allen profiteren van de toestanden en instellingen,
     die oorlog (gelijk prostitutie of proletariaat) onvermijdelik
     hebben gemaakt—en straks in vrede van de offers, voor die vrede
     gebracht... zo heeft ieder onzer zijn deel van de schuld te dragen
     en te delgen.

[56] Merkwaardigerwijze reageert STEINMETZ tegen „unsere eng-private
     Schuldauffassung”! (_Krieg_, p. 26).

Wat de geesten waarlik scheidt en bindt zijn geestestromingen, die wel
voor een ogenblik vergeten, maar niet verdrongen kunnen worden door
oppervlakkig stormend oorlogsgeweld. Geest smeedt beter dan bloed en
ijzer. En wat wij met millioenen gemeen hebben zonder geestverwantschap
kan nooit veel biezonders zijn, tenzij het tot die algemeen-menselike
biezonderheid behoort, die boven alle grenzen van tijd en ruimte de
eenheid van het mensdom vormt, de geesteswettelikheid van ons denken
met zijn ene, eeuwige waarheid, van ons zedelik oordeel met zijn ene
eeuwige heiligheid en van gevoel en aanschouwing met hun ene eeuwige
schoonheid.

Oorlog sprak bij monde van Keizer WILHELM in de Rijksdag: „Ik ken
geen partijen meer—ik ken slechts Duitsers.” Plots treedt een man
de zaal in en roept: „Ik ken geen Duitsers en geen vijanden—alleen
naasten, die ik liefheb als mijzelf.”—Gesis, gefluit, tumult—„grober
Unfug” wordt geroepen, verstoring van een histories moment! Men
wil de zonderling te lijf, die er uitziet als een jood. „Lafaard!”
„Vaterlandsloser Gesell!”, schreeuwt men hem toe. Daar klinkt weer zijn
stem over alles heen: „Ik ben de grootste, de volmaakte patriot, want
mijn vaderlandsliefde kent geen grenzen.” Men wil hem grijpen, maar hij
is verdwenen. De leden hernemen hun plaats, de wijding en orde keren
terug—en de Keizer vervolgt zijn rede: „Laat dus uw harten slaan voor
God, Keizer en Vaderland, en uw vuisten op de vijand.” Het smakeloos,
ergerlik incident der verschijning van die dwaas is vergeten—en
geschrapt door de censuur.



IV. OORLOGSPATRIOTTISME EN OORLOGSHEROÏSME. EEN GROTE TIJD?


Verwijlen we tans nog een ogenblik bij de psychologie van
oorlog,—inzonderheid bij wat ons deze „echtste” aller oorlogen
daaromtrent leert—bij oorlogstemming en oorlogsdeugd:
oorlogspatriottisme en oorlogsheroïsme, die ons als de beste, hoogste
voortbrengselen van oorlog worden geprezen. Van stemming moeten we
spreken—tot karakterwijziging is oorlog weer niet in staat: men
_verliest_ zijn egoïsme niet, maar _vergeet_ het door oorlog... een
wijle.[57] Vooral kleine bekrompen zielen, voor wie in vrede geen
gemenebest bestond—ze beleven in oorlogstijd een ongekende wijding
en verheffing—ze worden letterlik boven zich zelf uitgeheven—zijn
beter, ruimer, groter dan ze zijn. Heel die massa, die van ouds
door haat en woede—de officiële krijgsterm is „heilige toorn”—eer
ontvlamt dan door verering en liefde, allen die bovendien ongevoelig
genoeg zijn voor het eindeloos triest en onherstelbaar leed, dat elke
oorlogsdag over de duizenden gezinnen neerzwaddert—zij kunnen in
oorlogsdagen een levensvolheid, een „Lebenserweiterung”, een zaligheid
genieten als nooit te voren, vooral na zegepralen, wanneer de vreugde
nog gekruid wordt door kontrast, kollektieve trots en leedvermaak. De
besten zullen het nooit verder kunnen brengen dan tot een elegiese
stemming, een weemoedige blijdschap. Maar de meesten zullen inderdaad
hun eng-persoonlike belangetjes, beslommeringen en verheugingen
kleiner zien dan anders, zich gedragen voelen, opgestuwd door een
machtige stroom van gemeenschapsleven. De betrekkelike waarde daarvan
ontkennen we niet—al is de oorlogsolidariteit slechts troebel
surrogaat van zuivere kultuurgemeenschap, en al werkt deze kollektieve
gemoedsberoering en aandachtbepaling als bewustzijnsvernauwing zeker
niet minder ten kwade dan ten goede. Allerlei frivoliteit schijnt
weggevaagd door de ernst van de tijd. Parijs en Berlijn heten „solide”
geworden. Maar laat ons van de nood geen deugd maken. Het Luna-park
werd lazaret. De neigingen zijn dezelfde gebleven, ook waar ze
tijdelik zijn verdrongen. En dan nog... Het krantenlezend publiek zou
vreemd opkijken, wanneer het las, hoe een der grote geneeskundige
tijdschriften (Frans, Duits of Engels, dat doet er hier niet toe)
klaagt over het schrikwekkend toenemen van geslachtsziekten onder
de troepen op het oorlogspad... over het door afschuwelike cijfers
geïllustreerd deernengevaar voor de strijdende legers zelf en voor
de gezinnen thuis. Ook tegen alkoholuitspattingen zijn in oorlog
de strengste verboden nodig—en ontoereikend. Maar met het nodig
voorbehoud erkennen we, dat oorlog, als alle nood, gevaar en smart,
de lust tot allerlei ijdel en wuft vermaak beneemt, allerlei klein
gehaspel, gekijf en gedoe aan kant zet. Het levensgevaar stemt ernstig,
het landsgevaar bovendien solidair, maatschappelik, offervaardig.—Zo
levert oorlog, nog boven pest en aardbeving, vermoedelik zelfs in
Nederland, de tekst voor menige waarlik niet onstichtelike preek over
„het nut der tegenspoeden”. En hij heeft daarenboven z'n verheffende,
soms zelfs verheven momenten. Want men offert dan toch z'n leven, z'n
man, z'n kinderen menigmaal zelfs min of meer vrijwillig. Ik weet
van een moeder, die vier zoons verloor en zich slechts beklaagt over
de vijfde, die zich niet heeft opgegeven als vrijwilliger. Dat zijn
ongetwijfeld „hoge gevoelens” ik zou niet eens durven zeggen, gelijk ik
ergens geschreven zag, „van lager orde”. Laat men offeren aan een waan,
blinde liefde kan groter zijn dan verstandige berekening. Toch blijft
oorlogstemming zóver beneden ware grootsheid, ware wijding, dat wij
geen volk er om zouden benijden, ook al was ze zonder oorlogsellende
te krijg. Te zeer is ze razernij, zelfs van haar deugden, te zeer
is vijandschap, haat de grondtoon, zelfs van haar solidariteit. De
verhitting der gemoederen en geesten is een bewustzijnsvernauwing,
die kritiekloos, uitzinnig, ontoerekenbaar maakt, als in roes, droom
of hypnose. Vals en krijsend zijn de geluiden uit oorlogsland, die
het volk zelf houdt voor zuivere bezielde muziek. Welk een walmen van
leugen en laster, geschimp en geschamper slaan ons tegen uit de pers!
Vergiftigd blijkt heel de atmosfeer. Iets poenigs is in de geesten
gevaren, iets van de „miles gloriosus” onzaliger gedachtenis, met
z'n chauvinisme, z'n eigengerechtigheid, z'n zelfoverschatting, „die
fruchtbarste Mutter der Laster” (STEINMETZ). Zo wordt het patriottisme
de doodsvijand van rechtszin en objektiviteit, en culmineert in het
bewust en schaamteloos _right or wrong, my country_![58] „Objektivität
wird da fast unmöglich, ja, sie gilt manchem als Verbrechen” schrijft
de vrij bezonnen gebleven KAUTSKY in de _Neue Zeit_[59] van 2
Oktober. De wijsgerige taal-kriticus FRITZ MAUTHNER getuigt in een
artikel over _Die Philosophie und der Krieg_: „Der gute Krieg ist
es, der jede Sache heiligt”.... „Auch unser moralisches Urteil ist,
ob wir wollen oder nicht, unwiderstehlich national und patriotisch
geworden. Das angeblich[!] wissenschaftliche und unparteiische Gerede
über völkerrechtliche Fragen widersteht uns”... „Die eigentliche
Philosophie, die nüchterne Erkenntniskritik, hat vorläufig zu
schweigen”. Maar fijner en erger is, wat STEFAN ZWEIG schrijft in
zijn bovengenoemd opstel. Voorbij nu de heerlike vriendschap, m'n
lieve vrienden, ik moet met m'n volk meehaten, „was in mir deutsch ist
überflutet mein ganzes Empfinden. _Noch vermöchte ich, euch gerecht zu
sein, aber ich finde den Willen nicht mehr, gerecht zu sein._ Heute
ist das Mass verwandelt” enz. (zie boven; ik cursiveerde). Blinde haat
is nu nodig, ik mag m'n soldaten niet door de stem van recht en rede,
die ik in mij hoor, die ge hier van mij hoort, vermurwen! „Erwartet
darum nicht, dass ich heute für euch spreche, dass ich sage, Belgiens
Menschen sind nicht Meuchelmörder und Schänder von Verwundeten, die
solche Taten tun, gehören in jene Unterschicht, die in jeder Masse
den trüben Bodensatz bilden und von den Ereignissen emporgeschüttelt
das Bild einer ganzen Nation trüben. Dass ich sage, Frankreich ist
friedlich und nur verleitet, und nicht jeder Engländer sei perfid
und pharisäisch, [laakt niet] dass ich nichts tue, mich mit Worten
jener Welle von Zorn entgegenzuwerfen, die Deutschland heute gegen
ihre Bedränger schleudert. Ich weiss, es wäre gerecht, dies laut zu
sagen, und weiss, wie schön es ist, auch in der Leidenschaft gerecht zu
sein. Aber für die Schönheit ist heute kein Raum in der Zeit”... „Wer
noch nicht mitkämpft, darf den anderen zumindest nicht in die Waffen
fallen”... „Aber glaubt nicht darum, ihr Lieben, es sei mir leicht,
dieses Schweigen!” Maar het moet terwille van de natie en haar eenheid.
„Unsere Freundschaft ist vergeblich, solange unsere Völker in Waffen
sind, aber sie wird zwiefach wertvoll nach jenem grossen Ringen. Denn
dann wird statt jenes heiligen Zornes viel kleine Bitterkeit, viel
niederer Groll, viel erbarmliche Gehässigkeit in der Welt sein, dann
wollen wir unser Samariterwerk beginnen, die Wunden zu heilen, die
unsere Brüder geschlagen haben. Wir wollen versuchen, soweit unsere
Kräfte reichen, unsere menschliche Freundschaft vorbildlich zu machen
für eine der Völker”... Dat is smartelike, bijna edele verzaking van
recht en waarheid, waartoe het patriottisme deze voorname, nobele geest
verleidt.

[57] Vgk. STEINMETZ, 206: „Nie wird der natürliche Egoismus durch
     Hunderttausende so vollständig vergessen als eben im Kriege.”

[58] Toch twijfelt bij de keuze tussen gerechtigheid en patriottisme
     het zedelik besef geen ogenblik: het heeft van ouds de
     gerechtigheid gemaakt tot attribuut van de Godheid en het
     patriottisme zelfs voor een stam- of krijgsgod niet goed genoeg
     geacht. Ook de God van Duitsland of van Rusland of van Turkije zal
     wel een God zijn van „waarheid en gerechtigheid”.

[59] Dit tijdschrift heeft merkwaardig weinig van de oorlogstemming
     geleden. Zie b.v. hoe ECKSTEIN er het befaamde manifest der 93 in
     beoordeelt onder het motto: _Der Fachmann als Laie_ (16 Okt. '14).

Soortgelijke bewuste rechtvaardigheidsverzaking horen wij uit
Frankrijk, wanneer b.v. de oud-communard ALBERT GOULLÉ schrijft in zijn
_Le Salut Social_: „Als de jonge mannen van mijn land aan het vechten
zijn tegen de jonge mannen van een ander land, dan kan en wil ik niet
onpartijdig zijn. De onzen zijn helden. Zij die de onzen willen doden
zijn bandieten.—Ik schaam me er in het geheel niet over, dat ik te
hunnen aanzien vol haat en onrechtvaardigheid ben.”

En welk een vergroving en verruwing in het algemeen, ook en juist van
hen, die we gewend waren, als de grootsten en de besten van hun volk
te beschouwen, welk een ziekelike zelfverheerliking, en welk een lomp
smaden en schelden zonder billikheid en zonder matiging—eenzijdig,
klein en bekrompen. Belangwekkend en kenschetsend in deze zijn ook
de lagere regionen—zo bereiken de spotbladen bijvoorbeeld tans
een mate van ordinairheid, die zelfs in het eigen land weerzin en
verontwaardiging wekt—maar corruptio optimi pessima, het bederf van
de besten is het ergst. Onder de geestelike keurbenden woedt een
patriottiese verdwazing, die in haar al te kompromitterende uitingen
(ten onzent denke men aan het geval LASSON) door eigen landgenoten
als „intellektuele oorlogs-neurose” en als on-nationaal wordt
gedesavoueerd, maar in niet minder beklagenswaardige vertolkingen de
volksstemming maar al te zeer in 't gevlei komt. Wie had ooit van een
zo universeel wetenschappelik denker als WUNDT een pamflet verwacht
als zijn rede „_Über den wahrhaften Krieg_”? Alleen de eigen groep
(nu dus stellig ook Turkije) voert een waarachtige, een „_heilige_
oorlog”—de vijanden „den unwahren, den trügerischen und lügenhaften
Krieg”, hun oorlog is „ein ehrloser räuberischer Überfall, dessen
Mittel Mord, Piraterie und Flibustiertum sind, nicht der offene,
ehrliche Kampf mit den Waffen”. Vraagt men bij het vernemen, dat
de „wahrhafte Krieg” „nur die Abwehr fremder Vergewaltigung zum
Zweck hat” schuchter: dus België? dan luidt het antwoord: „Was
kümmern uns demgegenüber [sc. Engeland] die Belgier, die in ihrer
waghalsigen Verblendung diesen Krieg geführt haben, um vor aller
Welt endgültig ihre Existenzunfähigkeit als Staat zu beweisen?” Een
WUNDT, de psycholoog, die geen onderzoek behoeft om de berichten „über
angebliche Gewalttaten, die unseren wackeren Kriegern aufgebürdet
werden” voor leugens te verklaren en van de vijanden elke laagheid
te geloven: „Schweigen wir von den Greueln der Belgier, die zum
Teil weinigstens auf die bestialische Wut Einzelner zurückgeführt
werden mögen, wenn auch Anzeichen genug dafür vorhanden sind, dass
die Mörder im bürgerlichen Rock mit ihrer Regierung und Heerführung
konspirieren”.[60] Een WUNDT, de ethicus, die het Engels volkskarakter
smaadt met een beroep op het utilisme van BENTHAM, hier geduid als
de leer, wier grondstellingen luiden: „Jeder tue, was ihm selbst
nützlich ist” en „Das Gut, das mehr Geld kostet, ist das höhere Gut”!
Van deze laatste moraalregel verklaart WUNDT: „Diesen Grundsatz teilen
zwar keineswegs alle[!] utilitarischen Philosophen Englands, aber der
Dutzendengländer lebt nach diesem Rezept, und offenbar teilt ihn auch
die englische Regierung” etc. Zo staan tegenover het Engels geldzuchtig
utilisme „wij Duitsers” met ons heilig „idealisme”... Een WUNDT, die
als doel van de door Duitsland te dikteren vrede na „die Millionen
und Milliarden, die wir uns für die Not und das Elend dieser Wochen
als Kriegsentschädigung zahlen lassen” allereerst stelt: het kleine
Engeland te ontlasten van zijn „te veel” aan kolonies![61] Verder komen
de Balten en de Russiese Polen onder Duitsland en Oostenrijk, Finland
mag als zelfstandige staat Duitsland voor zijn bevrijding dank weten,
een „mitteleuropäische Föderation” zal met de Verenigde Staten de vrede
handhaven en zorgen, dat het Duitse volk „die führende Stellung gewinne
und bewahre, die ihm gebührt”, „der Revanchegedanke muss den Franzosen
für immer unmöglich gemacht werden”, terwijl België wordt overgeslagen
en blijkbaar is ingelijfd.

[60] Omtrent de dum-dum-kogels: „England und Frankreich benutzen diese
     Geschosse”... enz. enz.

[61] Ik spot niet. „Von England freilich wird es wohl heissen: wem
     viel gegeben ist, von dem kann man viel fordern. England trägt
     ausserdem für einen kleinen Inselstaat allzu schwer an seinem
     kolonialen Besitz. Es wird uns reichlich zahlen müssen von dem,
     was es zu viel hat, wenn aus diesem Krieg eine gerechte Verteilung
     der kolonialen Kulturarbeit der Nationen hervorgehen soll”.

Ziedaar wat de oorlog van een WUNDT heeft gemaakt, het was mij niet
mogelik, het u zonder zijn eigen woorden te doen beseffen. Er mag een
weinig overwinningsroes der eerste weken bij in 't spel zijn[62]—het
zijn nu eenmaal sterke benen, die de weelde van een zegepraal kunnen
dragen en hoeveel kwaad bloed heeft niet reeds overwinnaarshoogmoed
gezet sinds '70/'71—in 't algemeen hebben we hier een zuiver
voorbeeld, dat met tientallen zou zijn aan te vullen, van de wijze
waarop oorlog de geesten knauwt. Vertaal WUNDT's oordeel over de oorlog
der vijanden in het Engels—spreek dus van „a war of assassination,
pillage and destruction”—en ge hebt het algemeen Engels oordeel
over... Duitslands oorlog—letterlik aldus geformuleerd door WILFRID
WARD[63]. De Duitsers voeren „a campaign of systematic cruelty”.
„Chivalry, honour, and humanity seem to have almost disappeared from
the German army”... „the white flag has been constantly violated” enz.
en zo is zijn slotsom: „The spirit fostered by the war has brought out
in the one race an outburst of Christian virtue; in the other cruelty,
excess, and treachery”, waarnaast we weer eens stellen een woord
van de fijne Graecus en oud-grenadier WILAMOWITZ-MOELLENDORFF[64]:
„Ja, der Krieg ist darum etwas Grosses, weil er die Herzen wägt;
er bringt ans Licht, was in jedem Herzen ist”... zo heeft hij in
het Duitse volk onthuld dapperheid, eendracht en trouw tot in de
dood... „Und sehen Sie, was der Krieg enthüllt hat bei den anderen!
[Zie, dat wordt goed, denkt men; die heeft dus oog gehouden voor
hetzelfde verschijnsel buiten de grens]. Was ist herausgekommen aus
der belgischen Seele? [Bravo, men kan het kleine volk, dat men uit
nood moest overrompelen, altans z'n heroïsme nageven] Wie hat sie sich
offenbart als eine Seele der Feigheit und des Meuchelmordes!” enz.
Ieder weet „dass unsere Krieger unfähig sind zu den Gemeinheiten, zu
dem Meuchelmord, zu der Hinterlist, mit der sich die Feinde [hier
zijn het weer Fransen] nicht nur an unseren Soldaten, sondern auch an
unseren Ärzten und Pflegeschwestern vergreifen, und unsere Verwundeten
verstümmeln und abschlachten. Wir wissen, das kann ein deutscher
Soldat einfach nicht übers Herz bringen. Es ist schon schrecklich,
dass er es ahnden muss. Unsere Leute erfüllt es mit Ekel, wenn sie
die Bestien aufhängen müssen. Aber sie müssen es wohl oder übel tun.
Gebe Gott, dass unsere guten Leute draussen duren dieses scheussliche
Handwerk nicht selbst verroht werden und gezwungen niedersteigen auf
den tieferen Standpunkt der Zivilisation, dessen unsere Feinde sich
wohl gar berühmen.” enz. Men leze nu daarnaast weer het in December
gepubliceerde officiële Franse rapport van de 23 September benoemde
commission d'enquête omtrent het gedrag van de vijand in Frankrijk,
een rapport, dat voor een nuchter neutraal lezer niet meer en niet
minder vertrouwen verdient, dan de soortgelijke Duitse rapporten—en
men weet... nauweliks wat feller tegen de oorlogsgeest getuigt, de
mentaliteit die zich in zulke daden of die zich in zulke woorden uit.
Hoezeer het oorlogspatriottisme de geesten bezoedelt en de stemming
vergiftigt—laat ons de persoonlike voorbeelden verder sparen, alleen
nog opmerken, dat de Duitsers niet minder grof beledigd worden, b.v.
door een MAETERLINCK of een BERGSON, dan zij bij monde van een EUCKEN
of een SOMBART hun vijanden bejegenen. De grote namen vallen het meest
op. Maar in alle kringen woedt de „ziekte”.

[62] Maar over „waarheid” en „leugen” treft ons uit alle oorlogslanden
     dezelfde verblinding. En nu pas nog, in Januarie, zegt Prof. REIN
     uit Jena, dat dit een „Krieg höherer Art” is, waarin Ormoezd, de
     heilige geest van licht en waarheid, staat tegenover Ahriman, de
     geest der duisternis en des leugens, een oorlog, die dus „die
     Entscheidung bringen soll über Wert und Unwert, Sinn und Unsinn,
     Kraft und Ohnmacht dieser Welt”.

     Precies zo, maar natuurlik in omgekeerde zin, noemen b.v. Engelse
     theosofen als ANNIE BESANT dit een oorlog van de „witte” tegen de
     „zwarte” krachten, van „Right against Might, Law against Force,
     Freedom against Slavery, Brotherhood against Tyranny”.

[63] _The war spirit and Christianity_, Fortnightly Review, XII '14.

[64] _Zwei Reden_: Krieges Anfang, Die geschichtlichen Ursachen des
     Krieges.

Normale waardering van 's vijands karakter wordt onmogelik, of
zwijgt, vermoedelik uit patriottisme, misschien ook door censuur. Wat
weet trouwens de gemiddelde Duitser van de gemiddelde Engelsman en
omgekeerd? Weinig meer dan niets. De taal isoleert deze volken nog
op een wijze, die wij polyglotten ons nauweliks kunnen voorstellen.
De onderlinge gezindheid is dus bijna uitsluitend oppervlakkig
persmaaksel. Maar zie, daar verschijnt in het Septembernummer van
Westermann's Monatshefte plots een artikel van Prof. Dr. ERNST SIEPER
(die te München Engelse filologie doceert, en jaren in Engeland heeft
gewoond) over „_Der Kulturwert Englands_”—men verwacht weer van
't uniform-laken een pak—en het blijkt van 't begin tot het eind
loutere, boven alle krijgsrumoer en vijandschappelike verdwazing
verheven hoogschatting van Engelse vrijheid en self-government (boven
dril en Massregelung), religieusheid en soberheid, karakterkracht,
„Kultur”... met getuigenissen als: „de Duitse docent heeft meer kennis,
de Engelse meer beschaving”... en waarin slechts één zinnetje aan
oorlog herinnert: ik schrijf allerminst om de Engelsen komplimentjes
te maken, maar ten dienste van mijn Duitsers, want ik houd het er
voor, dat men zelfs van z'n vijanden kan leren... Reeds voor gewone
tijden was het een weldadig-ruim, anti-chauvinisties artikel—tans
leek het mij groot—en groot het volk waarvan verwacht wordt, dat
het zulk een erkenning van 's vijands deugd verdraagt, als iets dat
van zelf spreekt. In het Oktobernummer verklaart de Redaktie: „Prof.
Ernst Siepers Aufsatz.... war, so gern wir das getan hätten, nicht
mehr zurüchzuhalten, als sich Englands wahres Gesicht durch die
Kriegserklärung vom 4 August vor uns enthüllte”... „nun die Tücke des
Feindes sich offenbart hat, wird das Schwert die Antwort geben und mit
dem Verbrechen des Gegners auch die eignen Irrtümer sühnen.” Zo spreekt
oorlog. En de schrijver zelf, aangevallen als een soort landverrader,
had reeds openlik zijn daad verloochend, zijn gebrek aan takt
betreurd.... het was een oud artikel geweest, dat tans niet had mogen
verschijnen... Sic transit...

En blijft de vergoding van eigen volk, zaak, stemming niet even
klein en onsmakelik als de kleinering van wat des vijands is? In één
adem wordt gewaagd van „die erhabene Weihe dieser heiligen Zeit”...
„wir kämpfen für das Göttliche”... en van „Verrat, Gemeinheit,
Verständnislosigkeit dreier Völker”. Alom is het patriottisme
geworden, „zur Kunst, mitzuheulen... zum Anreiz, grob absichtliche
Geschichtsfälschungen als Religion hinwegzunehmen und in diesem
Götzendienst seine Seele zu verraten” (SÄNGER). Hoor ook dat valse
pathos, dat in de talloze bundels „krijgspoëzie” de volksstemming
vertolkt, of in de krijgsretoriek tot uitbarsting komt. Neen, van een
gewijde, heilige tijd stellen wij ons ander geluid voor.

Maar halt, laat dan het oorlogspathos, laat ook de oorlogsleuzen vals
en voos wezen—oorlog is geen tijd van het woord, maar van de daad, en
erken, dat de daden subliem zijn, dat oorlog helden kweekt, heilige
offervaardigheid en stervensmoed. „Opferfreudige, sterbensbereite
Menschenliebe ist nun einmal keine Existenzbedingung unseres
gesellschaftlichen Lebens, Heroismus ist dagegen, wie alle Kriege bis
auf den letzten in erhöhtem Masse beweisen, die Bedingung des Sieges im
Völkerkampfe” (_Ph. d. Kr._ 205). „Ein Heer, in welchem der Heroismus
so selten wäre wie die todesfreudige Menschenliebe im Volke, ware der
Niederlage gewiss, es könnte kaum zum Kriege kommen.” (ib.)

Ik voel het, nuchtere kritiek doet hier, als zo dikwerf, aan als
heiligschennis. Maar laat ons hier als elders niettemin de moed der
waarheid hebben. En ik weet, gij mannen, die uw jonge levens en
gij ouders en vrouwen, die uw jongens hebt moeten offeren aan de
oorlogsmoloch, gij zult het mij niet euvel duiden, wanneer ik mij er
tegen verzet, dat hij uw offers zelf gebruikt als propaganda voor zijn
zaak.

Laat dan heroïsme één van de voorwaarden zijn van overwinning—ik
begin met de opmerking, dat alle oorlogen tot en met de allerlaatste
in verhoogde mate bewijzen, dat heroïsme zonder de nodige middelen het
aflegt tegen de nodige middelen zonder heroïsme, dat een kanon eer
een held of zelfs tal van helden uit de weg kan ruimen, dan dezen een
kanon. Al waren al die 800 mannen van het fort Loncin stervensvaardige
helden, de paar man, die het mortier bedienden, dat hen met één schot
verpletterd heeft, hadden geen heroïsme daarbij nodig.

En vanwaar dan, moet STEINMETZ zich toch afvragen, bij zo weinig
offervaardige mensenliefde in het volk, al die helden, al die
opoffering in de legers? Doet gevaar, doet nood wonderen? Neen. Nood
leert bidden—wie niet vroom is, nood leert geven wie niet gul is,
nood leert durven aan wie laf is. „Selber den Feigen erzeugt er den
Mut” zegt SCHILLER terecht van de krijg. En STEINMETZ zelf heeft
indertijd eens opgemerkt: „Vele... militairen zouden geen helden zijn,
als zij maar laf dorsten wezen”—waarbij men denkt aan een gezegde
van TH. GAUTIER: „Peu de gens ont le courage d'être lâches devant
témoins”. Zo is oorlogsmoed dan voor een deel de moed der lafheid,
die het niet gebracht heeft tot de lafheid van de moed. En voor de
rest geeft oorlog ook hier geen ander karakter, geen andere neiging,
maar ander motief en ander gedrag. Wie geen held is vóór de oorlog
wordt geen held door de oorlog—en wie een held was van te voren hoeft
het door oorlog niet te worden. Helden worden niet gekweekt, maar
geboren... en gedood. De enige helden, die oorlog kweekt, zijn de dode
helden van de luguber-panegyriese verlieslijsten, familieberichten en
grafschriften. En de levende helden, die we zo nodig hebben, zijn nog
zeldzamer dan te voren. Het is moeiliker, heroiek te leven, dan heroiek
te sterven. Het vereist soms meer moed, zich te laten uitlachen, dan
zich te laten sneuvelen. Doodsverachting is levensverachting. En
levensverachting kan een zeer hoge—maar ook een zeer lage trap van
zedelikheid bewijzen. Levensverachting kan het natuurlik gevolg zijn
van een verachtelik leven, van een leven, dat het leven niet waard is.
De desperado's met hun „moed der wanhoop”, de verloren levens, zij
die niets meer te verliezen hebben, die niets of niet veel zaaks op
het spel zetten, wanneer zij hun leven op het spel zetten, dat reeds
verspeeld en verspild is, die bij wijze van uitgestelde zelfmoord
uitgaan op supreem avontuur en dienst nemen ergens in den vreemde—dat
zijn de heldhaftigste soldaten, de dappersten der dapperen. Van
het vreemdelingenlegioen zegt de deskundige PIERRE MILLE: „Tout le
monde y est brave, et la lâcheté le seul crime impardonnable”. Hoe
dieper de levensernst en dus de levensvreugde wordt en hoe rijker en
inniger de levensbanden, des te minder wordt er met het leven—ook
van anderen!—gespeeld. Hoe lager het peil van een volk, des te
groter, naar het schijnt, zijn doodsverachting, d.w.z. de verachting
en onverschilligheid voor eigen en anderer leven. Hoe jong is in de
geschiedenis de eerbied voor het leven van het kind, van de vrouw,
van de arbeider. Wanneer wij ons trachten voor te stellen, welk een
erbarmelik waardeloos ding het leven voor de grote massa bij tal van
volken nog is in onze dagen, en daarbij denken aan de rol van het
geloof, dat verlossing belooft en eeuwige hemelse zaligheid, dan
begrijpen we de wellust, de vervoering van die inlandse poepoetans
waarvan ons VAN KOL vertelt, die opperste doodsverachting van de
barbaarse Derwisjen, waarvan STEEVENS („_With Kitchener to Khartoum_”)
verhaalt bij NORMAN ANGELL, die voor hun Mahdi even prachtig sterven
als zij hem schandelik verraden en beroven. En ik herinner aan
het Russiese „nitsjewo”, „het doet er niet toe”, die berustende,
fatalistiese levensonverschilligheid, die zich gedwee de krijg en
de dood in laat drijven, waaromtrent STEINMETZ zelf citeert (126):
„Es ist unnütz, sich dem Willen Gottes zu widersetzen, und auch eine
Sünde... Sind wir nicht auf der Erde zu einer kurzen und schmerzlichen
Prüfung? Selig der, den der Himmel zu sich ruft. Warum lebt man,
arbeitet man, geht in den Krieg, tötet, gehorcht? Wer befiehlt alles?
Wer kann das wissen? Die Vorgesetzten wissen es... So ist der Russe; so
haben sie ihn gemacht”. „Für ihn ist alles verboten. Etwas unternehmen,
verboten! Wünschen, verboten! Denken, verboten! Was hat er dafür zum
Ersatz? Den Himmel”... „Er weiss zu sterben, sonst nichts”.

Zo kan dus levensopoffering alles wezen—van het verhevenste
martelaarschap tot de genotzuchtigste spekulatie en de lafste
levensontvluchting—moedeloosheid en zwakheid evenzeer als moed
en kracht. Doodsverachting is derhalve geen bewijs van zedelike
grootheid en karakter. Allerminst in oorlog, met zijn fataal moeten,
zijn kollektieve zelfvergeten bezinningloosheid en zijn atmosfeer
van levensgevaar, waarvan de druk ten slotte niet meer wordt
gevoeld. Al verdienen ongetwijfeld tal van vrijwilligers onze volle
bewondering—wij moeten ons hoeden voor de romantiese overschatting
van het krijgsheldendom. Een volk van helden sans peur et sans
reproche is evenzeer krijgslegende als een volk van huichelaars of
van onmensen.[65] Gelukkig worden ons van alle strijdende legers
tans ongeveer dezelfde deugden en ondeugden gemeld—hoe minder reden
voor verhovaardiging en verwijt, des te meer kans op verzoening sans
rancune. Oorlog en romantiek zijn van ouds verwante leugenmachten
geweest. Wee de dubbele leugen der oorlogsromantiek! Want oorlog is
waarlik een te ernstige zaak om ons te laten verblinden en verzoenen
door de schone, de demonies schone schijn.

[65] Hoe er met het „heldendom” gesold wordt in oorlogstijd blijkt het
     best, wanneer b.v. een officier schrijft over de „heldendood”
     van de... paarden, of de hofdichter JOSEPH VON LAUFF zelfs een
     krijgspoëem aldus besluit:

         „Wird gewiss die fleissge Berta
         Unsre grösste Heldin sein!”

En laten wij het rustig dragen, wanneer men ons matig ontzag voor
het oorlogs-heroïsme en zelfs ons tegenstanderschap van oorlog in
het algemeen duidt, gelijk men pleegt te doen, als gebrek aan eigen
moed. Zo schrijft STEINMETZ van de reeks denkers, die oorlog hebben
veroordeeld, dat zij dat mogelik deden „aus eigenem Mangel an den von
uns angeführten Kriegsqualitäten” (sc. een zekere graad van egoïsme
en van meedogenloosheid benevens „Mut und Wagelust”), „was öfter als
man meint der Fall sein wird”. Een ander vurig oorlogsvriend noemt de
tegenstanders „alte Weiber in Männerhosen, die den Krieg fürchten und
_darum_ jammern, er sei grausig oder hässlich”[66] of „Stubenhocker,
die uns den Krieg verleiden wollen”, of „Friedensseuchler”, „weibische
Pazifizisten”... We willen hierop alleen antwoorden, dat de vrouw de
kunst, heldhaftig te leven, waarschijnlik beter verstaat dan de man,
dat harer is dat minder opzichtig, minder roemrucht, maar zuiverder en
verhevener heroïsme van het dageliks leven, het heldendom van de stille
glimlach, die andere moed, die ook in oorlog van haar wordt gevergd
en verwacht, „l'autre courage, dont le génie n'est qu'une longue
patience”, naar SARCEY's fijne variant. En voorts, dat „Stubenhocker”
soms meer moed behoeven en betonen dan ooit het „veld van eer”
vereist—dat mogelikerwijze bijvoorbeeld LUTHER zijn stellingen of
GIORDANO BRUNO, „de martelaar der nieuwe wereldbeschouwing”, zijn
denkbeelden achter de warme kachel heeft uitgebroed.

[66] Deze schrijver zegt: „Nein, der Krieg ist schön”—en behoort
     tot die ophitsers, die naar deze oorlog gesnakt hebben. In
     de „Jung-deutschland Post”, Wochenschrift für Deutschlands
     Jugend, schreef hij in het artikel van 25 Jan. 1913, waaraan
     het tekstcitaat is ontleend: Heidendom en Christendom leren,
     dat de zielen der doden geen rust hebben „bis ein Kampf mit
     Sieg und Triumph unserer Waffen geendet hat.” ....„Darum ist
     der Krieg die hehrste und heiligste Aeusserung menschlichen
     Handelns”... „Auch uns wird einmal die frohe, grosse Stunde eines
     Kampfes schlagen. In Tagen zweifelnder, vorläufig nur heimlich
     frohlockender Erwartung” klinkt dan de Ruf zur Schlacht en het
     volk zingt ‚Es braust ein Ruf wie Donnerhall’... „Ein echter
     Schlachtenchoral ist das Lied und doch klingt jauchzend des
     Deutschen Freude an Krieg und Heldensterben hinein”... „Ja, das
     wird eine frohe, eine grosse Stunde, die wir uns heimlich wünschen
     dürfen. Der laute Wunsch nach Krieg wird oft zu eitlem Prahlen und
     lächerlichem Säbelrasseln. Aber still und tief im deutschen Herzen
     muss die Freude am Krieg und ein Sehnen nach ihm leben”.... het
     is heerliker „auf der Heldentafel in der Kirche ewig fortzuleben,
     als namenlos den Strohtod im Bett zu sterben.” Volgt geestdriftig
     relaas van een soldatenlied, hoe de oude Fritz „im Wolkensaai
     droben” de gevallen helden met „Präsentiermarsch” ontvangt....
     „Das sei Jungdeutschlands Himmelreich. So sehne es sich, an
     unseres Herrgotts Tür zu klopfen.” (Aangehaald uit: _Der deutsche
     Chauvinismus_ van Prof. Dr. O. NIPPOLD, Veröffentlichungen des
     Verbandes für Internationale Verständigung, Heft 9).

       *       *       *       *       *

We moeten het er zelfs op wagen, te ontkennen, dat een grote oorlog
vanzelf betekent een „grote” tijd. Zeker, titanies zijn de krachten,
tans ontketend, tot verdelging, maar ook tot redding en behoud. Wat
titanies is, groot van afmetingen, wekt bewondering, imponeert. Groot
en groots, hoog en verheven hangen ook psychologies ten nauwste
samen. Maar hoeden wij ons wederom voor de schijnverhevenheid van
wat alleen door zijn afmetingen groot is en geweldig. Waarlik groot
en groots is een tijd van geestelik nieuw leven, nieuwe bezinning,
nieuwe verrijzenis, nieuwe schepping, nieuwe bevrijding—groot was de
Renaissance, de Hervorming, de Revolutie—maar niet een geesteloze tijd
van nieuwe verbittering, nieuwe verdwazing, nieuwe gebondenheid, die
geen hoger en ruimer idealen meer kent dan die van een verwoed geprangd
patriottisme. Zulk een tijd „heilig” te noemen is van een soortgelijke
frivoliteit als de hedendaagse fabricering van „heilige oorlog”. Neen,
groot is deze oorlogstijd nog lang niet, trots zijn grote momenten,
die we dankbaar erkennen[67]. Zeker, het is een tijd van katastrofe,
van ommekeer. Er kàn uit deze woeling en dit wee, uit deze baaierd
groots en blijvends te voorschijn komen... maar helaas, zowel ten kwade
als ten goede! Dat vergeet ons onverbeterlik illusionair, misschien
beminnelik maar stellig gevaarlik optimisme maar al te gaarne—en het
verkondigt al vast het hymnies geloof, „dat deze ontzettendste van alle
oorlogen een nieuwe aarde ons zal brengen, vernieuwing en verjonging
op elk gebied... uit georganiseerde krankzinnigheid, georganiseerde
gezondheid...”. Het kan zijn. Maar het kan ook zijn, dat tientallen
van jaren de volken op zichzelf en in hun onderling verkeer niet
weer kunnen brengen op het peil van vóór deze oorlog. Het kan
ook zijn, dat haat en wrok en wraakzucht blijven, wanneer de
noodsolidariteit al lang weer spoorloos is verdwenen. Het kan ook zijn,
dat deze oorlog voldoende verwikkelingen brengt (met het verre Oosten
bijvoorbeeld) voor tal van nieuwe oorlogen... Het kan ook zijn, al
klinkt het nog zo hard, dat al het bloed vergeefs is vergoten, dat voor
al wat onherroepelik verloren ging geen andere vergoeding ons wacht,
dan het trieste voordeel, dat deze oorlog ons altans verlost heeft—van
deze oorlog. Het kan zijn, zeer zeker, dat deze oorlog nu eens een
waarlik grote volksbeweging ontketent tegen die minderheidsmachten,
die de vreedzaam verkerende, stoffelik en geestelik wedijverende
volken in oorlog en vijandschap hebben gedreven: een aan vrede ziekend
militarisme, een feodale geheime onverantwoordelike diplomatie, een
„blint, van staetzucht aengevoert” chauvinisme, een veile stookpers en
last not least een deels dynastiek-militair, deels groot-kapitalisties
imperialisme. Maar het kan ook zijn, dat de volken de sukkels blijven,
van wie STEINMETZ profeteren kan: „nur ein bischen politische
Aufregung, die so leicht gemacht wird, und die Kriegsstimmung ist da!”
(337). De sukkels, die hun wereld door oorlog niet alleen met hun
bloed, maar telkens ook weer rijkelik met nieuwe oorlogskiemen laten
bezaaien voor kind en nageslacht. Nog altijd was oorlog het koren op de
molen van het militarisme; vulgair betekent nederlaag vóór alles: beter
bewapening, revanche—zegepraal: legerverheerliking. Zal het ditmaal
anders gaan? Zal men tans uit oorlogsroes en vijandschapswaanzin
ontwaken met een stille beschaming zonder overwinnaarsverwatenheid
en overwonnelingenwrok, tot een vrede, die geen wapenstilstand, maar
vergiffenis en verbroedering betekent? Zal er tans een machtig verzet
rijzen tegen oorlog als instelling, die met recht en geweten vloekt,
die hand en ziel bezoedelt met onschuldig broederbloed—tegen de
parasiet, die de volkskracht erger uitmergelt, jaar in jaar uit, dan
dat andere slechts voor de belanghebbenden „versterkende middel”, de
alkohol, en die van de resterende krachten dan nog het beste deel
verslindt in „krachtmetingen”, door onuitroeibaar redeloos „toeval”
bedorven? Zullen de volken, zal het volk eindelik waarborgen eisen en
nemen tegen overrompeling met „door niemand gewilde” krijg? Zullen zij
eindelik inzien, dat niet hun vijandschap of belangenstrijd oorlog
verwekt, maar juist omgekeerd oorlog alleen, oorlogsvoorbereiding en
oorlogskliek, hun belangen en hun gemoederen scheidt en hun geesten
verblindt voor hun wezenlike, bij stijgende kultuur steeds klaarder
besefte stoffelike en geestelike solidariteit? Ja, dàn zou dit waarlik
een grote tijd kunnen worden! _Maar zulk een grote tijd eist een groot
geslacht_—eist edelmoedigheid en wijsheid. En is niet oorlog de vijand
van deze deugden? Laat ons dus onze verwachtingen niet te hoog spannen.
Deze oorlog zal stellig niet de laatste zijn. Maar even stellig
zal oorlog wijken voor rechtsgemeenschap. Dat waarborgt ons heel de
ontwikkelingsgeschiedenis van enkeling en mensheid, die leidt „van
versnippering en strijd tot organisatie en eenheid”. Internationale
eenheid en organisatie is op komst in het ekonomies leven der
mensheid—internationale eenheid en gemeenschap straalt over de wereld
uit het rijk van de wetenschap (al verleidt oorlog zelfs hier tot
enkele persoonlike kleingeestigheden), van de kunst (al stempelt oorlog
waardering van een VAN GOGH, CÉZANNE, HOKUSAI tot „vaterlandsvergessene
Schwächlichkeiten”), van de wijsbegeerte, van zedelikheid en recht:
internationaal en één is de Objektieve Geest. Die zal de oorlog doden.
En het zal geen vloek zijn, maar een zegen.

    „Dan zal hij scheidsrechter zijn tussen talrijke volken,
    en sterke natiën hoe ver zij ook wonen terechtwijzen
    en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden
    en hun speren tot sikkelen,
    niet meer zal volk tegen volk het zwaard opheffen
    en zij zullen de krijg niet meer leren—
    maar ieder zal zitten onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom
    en niemand meer zal hen verschrikken”.

                                                         MICHA IV: 3, 4.

[67] Groot is bijvoorbeeld het antwoord van de Belgiese regering
     en het Belgiese volk op het ultimatum van de Duitse regering. Want
     „_De_ [Duitse] _Waarheid over den Oorlog_” heeft gelijk (bl. 67):
     „De Belgen zouden wijs gehandeld hebben, als zij vrijwillig den
     doortocht van de Duitsche troepen hadden toegestaan. Zij hadden
     daarmede de ongereptheid[?] van hun gebied verzekerd, en met de
     goed en contant betalende Duitsche troepen geen slechte zaken
     gedaan.” Heil de Belgen, die de dwaasheid van de plicht, al kost
     die het land en het leven, hebben verkoren boven de wijsheid van
     de goede zaken.



INHOUD.


                                                                   Blz.

  I. INLEIDING. TEGEN STEINMETZ' METHODE                              5

 II. DE OORLOGSRECHTVAARDIGING.

       1. De Oorlogsnadelen. Gestoorde illusies                      13

       2. Oorlogs onmisbare kultuurfunktie                           18

III. DE KEPER.

       1. „Staties” Recht en „dynamiese” Oorlog                      22

       2. De kollektieve selektie                                    25

          A. Gunstige individuele selektie. Groepenstrijd en
             selektieverbetering zonder oorlog                       26

          B. Wat oorlogs kollektieve selektie verhindert en bederft  32

              a. Geen groepsuitroeiing meer                          32

              b. Contraselektieve faktoren?                          33

              c. De non-selektieve faktoren: het oorlogstoeval       36

              d. Besluit: Oorlog als wereldgericht. Des Pudels Kern  44

       3. Oorlog als hervormer en opvoeder                           47

       4. Oorlogs alzijdigheid. Strijd met álle middelen?            49

       5. Oorlog als Genotmiddel                                     58

       6. Staat en volk, isolement en liefde zonder oorlog           59

IV.  OORLOGSPATRIOTTISME EN OORLOGSHEROÏSME. EEN GROTE TIJD?         70



Bij den Uitgever dezes is vroeger verschenen:


                               KENNISLEER

                                 CONTRA

                            MATERIE-REALISME

                 BIJDRAGE TOT „KRITIEK” EN KANT-BEGRIP

                                  DOOR

                         LEO POLAK, JUR. DOCTS.

          XVI+434 blzn., prijs [f]#3.90# ing., [f]#4.50# geb.

„De eerste pennevrucht van den heer Leo Polak is niet een boek, dat
gelezen, goed- of afgekeurd en daarna weder vergeten zal worden. Want
het is een boek van een denker”............ „In dien dubbelen zin zijn
er maar weinige denkers”........ „door zijn enorme belezenheid, zijn
goed begrip en zijn buitengewoon critisch talent was hij instaat een
boek te leveren van groote zelfstandige waarde”.

                        (Uit het art. van Prof. Dr. Jhr. VAN DER WYCK in
              _Onze Eeuw_, October 1913, over „Het Boek van Leo Polak”.)



                        BOEK- EN KUNSTDRUKKERIJ

                  V/H ROELOFFZEN-HÜBNER & VAN SANTEN,

                               AMSTERDAM.



  +--------------------------------------------------------+
  |                                                        |
  |             OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:               |
  |                                                        |
  |  De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht:  |
  |                                                        |
  |  Bron (B:) -- Correctie (C:)                           |
  |                                                        |
  |  B: wordt niet voordurend deze verhouding              |
  |  C: wordt niet voortdurend deze verhouding             |
  |  B: geen oorlogslachtoffers, hoe talrijk ook,          |
  |  C: geen oorlogsslachtoffers, hoe talrijk ook,         |
  |  B: verfoeit,die hem zedelik                           |
  |  C: verfoeit, die hem zedelik                          |
  |  B: zelfopvoeding der mensheid_”[15] En wij            |
  |  C: zelfopvoeding der mensheid_”.[15] En wij           |
  |  B: aanhang invloed, macht en eer                      |
  |  C: aanhang, invloed, macht en eer                     |
  |  B: oordeel over Rusland, _Ph. d Kr_                   |
  |  C: oordeel over Rusland, _Ph. d. Kr._                 |
  |  B: levenshouding en levenstijl—al die fijner          |
  |  C: levenshouding en levensstijl—al die fijner         |
  |  B: geestestrijd strijden—dat alles komt               |
  |  C: geestesstrijd strijden—dat alles komt              |
  |  B: of „veelzijdig” „intellektueeel” bedrog,           |
  |  C: of „veelzijdig” „intellektueel” bedrog,            |
  |  B: Wederom—wie te bewijst niets,                      |
  |  C: Wederom—wie te veel bewijst, bewijst niets, of     |
  |  B: en geestestromingen, hygiene, wetenschap           |
  |  C: en geestesstromingen, hygiene, wetenschap          |
  |  B: die geen „krachtig” geen „lebenswertes,            |
  |  C: die geen „krachtig”, geen „lebenswertes,           |
  |  B: „Van deze laatste moraalregel verklaart            |
  |  C: Van deze laatste moraalregel verklaart             |
  |  B: zijn, daat haat en wrok en wraakzucht              |
  |  C: zijn, dat haat en wrok en wraakzucht               |
  |                                                        |
  +--------------------------------------------------------+





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Oorlogsfilosofie" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home