Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Naakt model - Toneelspel in drie bedrijven
Author: Adama van Scheltema, Carel Steven
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Naakt model - Toneelspel in drie bedrijven" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



[Illustration]



NAAKT MODEL

TOONEELSPEL IN DRIE BEDRIJVEN

DOOR

C. S. ADAMA VAN SCHELTEMA



ROTTERDAM MCMXVII

W. L. & J. BRUSSE'S UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ



PERSONEN


  Henri van Bergen                       kunstschilder
  Helena van Dijk                   leerling van Henri
  Nellie                                         model
  Herman ten Kate                        kunstschilder
  Oompje                  kunstschilder } benedenburen
  Cor                     zijn vrouw    }    van Henri
  Marie van Bergen                    zuster van Henri
  Jules Scheffer                         kunstschilder
  Frits Boogaert                         kunstschilder
  Tootje                                         model

Het stuk speelt in het atelier van Henri van Bergen.

Voor de eerste maal opgevoerd door de N.V. "Tooneelvereeniging" te
Amsterdam op 23 December 1916. In de tooneelmatige opvoering zijn enkele
coupures aangebracht.

_Alle rechten voorbehouden_



EERSTE BEDRIJF


_Atelier van Henri van Bergen. Achterwand rechts deur naar trapportaal,
links deur naar slaapkamer, in 't midden oud-Hollandsche kast. Aan
rechterwand kleerenhanger enz., op voorplan deur naar
keukentje-rommelkamer. Rechts boven onderscheidt men een glazen dak, rechts
op voorplan tafel met stoelen, op tafel pot met penseelen en schildergerei.
Linkerwand schoorsteenmantel met potkachel enz. In 't midden groot karpet
met rustbank, waarop kussens en lappen; klein schut daarachter waarover
sjaals. Links voorplan ezel met een groot doek. Op het doek valt rechts een
halfliggende, bijna voltooide naaktfiguur te onderscheiden, links een
vluchtig aangezette pendant daarvan -- in het midden vaag een gelaat, de
drie afdeelingen zijn door grauw-zwarte strepen als voor een drieluik
gescheiden. Rondom een paar ezels met schilderstukken er op en er naast,
sommige met, andere zonder lijst, daartusschen oude sjaals, koper,
aardewerk enz., aan den wand schetsen, teekeningen enz. Het geheel niet
overladen, maar warm en smaakvol._


EERSTE TOONEEL

_Henri, daarna Oompje._

_Henri (ongeveer dertig, niet groot, maar flink van postuur, donker haar,
heldere, sprekende oogen. Hij zit met een pijpje in zijn hand fluitend voor
zijn ezel de rechtsche figuur te keuren)._ Goed -- goed -- , maar het ìs er
nog niet! -- nee -- -- (_er wordt geklopt_) ja!

_Oompje (bij de zestig, klein van gestalte, een witte vooruitstekende sik;
hij maakt met zijn eenigszins schorre stem en zijn verdacht rooden neus een
ietwat verloopen indruk, maar zijn knijpende, waterig bijziende oogjes
hebben hun glans nog niet verloren. Hij schuift grinnikend naar binnen)._
Hm! -- goeie morgen -- goeie morgen!

_Henri_ (_opstaande_). Morgen oompje, -- komt u eens kijken?

_Oompje._ Hm -- precies! ik wou es even boven komen, hè.

_Henri_ (_buigend_). Vereerd, vereerd!

_Oompje_ (_komt voor den ezel zitten_). Ik wou je es komen vragen -- hm
(_voor de schilderij zijn sikje beplukkend_) jullie schildert er
tegenwoordig toch maar op los, hoor -- sakkerloot! (_hij knipt met zijn
oogjes naar een plek en met zijn vinger wijzend, spottend_) -- en dát?

_Henri._ Dat -- ? dat is een heup, een Fransche hooge heup, -- prachtig,
het licht op een heup!

_Oompje._ Precies, -- maar wij schilderden dat toch anders. In ónzen
tijd...

_Henri_ (_even geprikkeld_). Ach ja, natuurlijk, dat zeggen alle oude
heeren; "in ónzen tijd -- in ónzen tijd!" -- maar het is nou weer een
àndere tijd!

_Oompje._ Hm, tja -- precies, dat denk je zoo, m'n jongen -- maar de tijd
gaat altijd in een kringetje (_met zijn wijsvinger in de lucht teekenend_)
en eer je 't weet, komen ze weer achterop en sta je weer aan 't eind van
het kringetje. Natuùrlijk: wij oudjes zijn niks meer waard -- maar dat
dachten wij in ónzen tijd immers precies zoo! De wereld is immers altijd
precies zoo -- ! (_Als Henri nadrukkelijk zijn hoofd schudt_). Jawel, jij
denkt: die oompje met zijn genrestukjes, dat beteekent niks meer -- maar ik
heb er verleden toch maar weer eentje verkocht! (_Henri haalt zijn hoofd
op_). Precies! (_hem met den vinger dreigend_). Pas jij maar op, jongeheer!
(_zich weer naar de schilderij draaiend_). Tja -- pas jij maar op met je
Fransche heupen! In ónzen tijd, toen beteekende dat nog wat, hè -- wij
leerden nog "teekenen", zie je.

_Henri._ Ach, jawel.

_Oompje._ Precies! -- Wij -- toen wíj nog jong waren, leerden wij eerst
teekenen. Maar jullie -- jullie kunt eigenlijk heelemaal niet meer teekenen
-- (_zijn sik beplukkend voor de schilderij_) hm, eigenlijk kunnen jullie
ook heelemaal niet meer schilderen, -- hm, eigenlijk kunnen jullie
heelemaal niks, -- hm -- tja -- en toch zijn jullie soms zoo verdekseld
knappe jongens -- -- tenminste jij.

_Henri_ (_glimlachend_). Ah zoo -- ah zoo!

_Oompje_ (_zich naar hem toedraaiend_). Maar wacht maar mijn jongen, als je
oud wordt -- dan laten ze je in je hemmetje staan -- -- als je oud wordt,
dan laten ze je alleen!

_Henri._ Ach oompje, wij jongeren zijn als kind al alleen -- en dat is nog
heel wat erger: als kind alleen, en als mensch alleen -- en als kunstenaar
alleen! In úw tijd, toen leefden ze nog samen voor één ding; voor teekenen
en voor schilderen en -- nou ja, ieder in zijn "genre"; in úw tijd -- weet
u, het lijkt me soms of het leven toen nog zoo eenvoudig was als "tweemaal
twee vier" -- en nou -- -- nou zijn het allemaal breuken -- ha, ha:
repeteerende breuken! (_hij mompelt wat in zich zelf door, terwijl oompje,
maar half luisterend, is opgestaan en een andere schilderij bekijkt; dan,
zijn gedachtengang afbrekend_). Maar -- waar kwam u eigenlijk voor?

_Oompje._ -- Hm -- precies! (_naar een schilderij gebogen, zijn sikje
beplukkend_). Dat -- dat snoepie, dat je hier verleden had -- je weet wel,
dat kleine zwarte ding -- hoe heet dat ook weer -- ?

_Henri._ Tootje ? -- -- (_begrijpend waar oompje heen wil_) Ah -- -- !

_Oompje._ Precies! -- Tootje, dàt zal 't zijn, precies -- (_voor de
schilderij_). Kijk: dat is nou toch verduiveld knap, zie je -- dat
halsje..., hm, die had je toch weer voor vanmiddag besteld, hè -- ?

_Henri_ (_kijkt even schuddend glimlachend naar oompje, die in de
schilderij verdiept schijnt_). Jawel -- .

_Oompje._ Nou stuur haar dan es eventjes naar beneden, hè -- ? Ik kan haar
zoo goed even gebruiken -- enkel maar voor de handjes, zie je, (_opkijkend
van zijn kunstbeschouwing_) enkel maar even voor de handjes: --
allerliefste handjes, hè... ik stuur haar onmiddellijk weer terug hoor.

_Henri_ (_nog glimlachend_). Dat komt goed uit, want ik krijg onverwacht
een nieuwe leerling -- vanmiddag voor 't eerst, ik moet Tootje toch
wegsturen.

_Oompje._ Precies!

_Henri._ En tante Cor -- ?

_Oompje._ Mijn wijfie gaat uit.

_Henri_ (_lachend_). Ah...!

_Oompje_ (_zijn sik streelend_). Cornelia moet met de trein.

_Henri._ Cornelia -- ? Noemt u haar tegenwoordig Cornelia?

_Oompje_ (_grinnikend_). Wel nee, wel nee -- dat is alleen maar voor
Zondags en voor feestelijke gelegenheden (_grinnikend zijn sik
uitstrijkend_) Cor-ne-lia... heette niet zoo'n helleveeg uit zoo'n stuk van
Shakespeare ook Cornelia?

_Henri._ Cornelia -- ? Cor -- Cordelia bedoelt u misschien? -- maar dat was
geloof ik juist geen helleveeg.

_Oompje._ Zoo -- dat is jammer. Och, mijn Cor is nou wel niet bepaald zoo'n
helleveeg, zie je -- een goed wijf -- maar -- hm -- (_als hij Cor op dat
oogenblik juist in de deur ziet_) precies!


TWEEDE TOONEEL

_Henri, Oompje, Cor._

_Cor_ (_een nog wel flinke, maar ietwat te veel opgemaakte vrouw uit het
volk van in de veertig, vrij zwaar gebouwd, met volle buste. Zij schijnt op
haar Zondags aangedaan, met wat erg bloemigen hoed, een paraplu en een
ouderwetsche reistasch. De deur, welke aanstond, heeft zij opengestooten en
komt nu wat hijgend, met opgestreken zeil binnen_). Hoe heb ik het nou! --
O, neem me niet kwalijk mijnheer Henri, maar de deur stond an -- (_tot
oompje_). Nou maar jij bent ook een lievert! (_weer tot Henri_). Daar zal
ik nou net op reis gaan, en hij loopt naar boven! Aardig moet ik zeggen --
héél aardig hoor -- !

_Oompje._ Mijn goeie mensch, ik was juist even naar boven geloopen, om me
voor te bereiden op het afscheid, hè (_met een knipoogje naar Henri,
terwijl Cor hem dreigt met haar vinger_).

_Henri._ En waarheen gaat de reis?

_Cor._ Ach, dat is niet voor pleizier mijnheer Henri -- naar mijn kind
natuurlijk hè, -- waarheen zou ik anders op reis gaan! Daar is altijd een
heele dag mee gemoeid, -- maar hij heeft het goed in 't gesticht -- de
stumper.

_Henri._ En gaat het nog niet beter?

_Cor._ Och dat wordt immers nooit beter, hè -- idioot blijft idioot -- dat
zeggen de heeren doktoren ook.

_Oompje._ Tja!

_Cor_ (_tot Oompje_). Doe jij nou maar niet of jij je er wat van aantrekt
-- al is het van je eigen!

_Oompje_ (_maakt schouderophalend een afwerend gebaar_).

_Cor._ 't Is me wat moois, zoo naar boven te loopen, net dat ik weg moet!
Over een uur gaat de trein al, godnogantoe -- en dat zal je nou altijd
gebeuren als ik er heen moet, hè; als het op het nippertje loopt, is ie
nooit te vinden. Een fatsoenlijk man brengt zijn vrouw naar de trein! En
biecht jij nou es op: -- wat had je hier boven nou op eens weer uit te
voeren, net dat ik weg moet, hè? 't Is hier bij mijnheer Henri niks gedaan
voor zoo'n oude snoeper als jij!

_Henri_ (_wuift afwerend geruststellend met de hand_).

_Oompje._ Me lieve mensch, ik had eenvoudig een nieuw doekie noodig
(_grinnikend over den rug van zijn hand wrijvend_) een nieuw velletje.

_Cor._ Ajasses, schei toch uit met je "nieuwe velletjes"! Als je zoo bent,
kan ik je eenvoudig niet uitstaan.

_Oompje._ Tja -- het was anders voor jou, melieve: -- ik zou toch nog zoo
graag es een nieuw koppie van je maken.

_Cor._ Hoor nou zoo'n ouwe slampamper! Hij houdt me weer rejaal voor de gek
-- o, 't is zoo'n rakkert! (_oompje bij zijn mouw vattend_). Nou maar zeg
es ouwe heer -- nou gaan we subiet naar beneden hoor.

_Henri._ -- -- Nou, wat de oogen aangaat (_half tegen oompje, half tegen
Cor_) -- ze heeft nog een paar mooie oogen.

_Cor_ (_oompjes mouw weer loslatend_). O zoo! mijnheer Henri, mijn oogen...

_Oompje._ Tja -- maar voor naakt model -- dat gaat toch niet meer.

_Cor._ Hoor hem! -- hoor dat nou! (_zij slaat zich op de gespannen buste_).
Daar kunnen die jonge brutale krengen van tegenwoordig niet tegenop, hoor
-- die platvisschen! Dat mag nog gezien worden, mijnheer Henri! En dat
wisten de heeren aan de Academie vroeger ook wel: -- ze hadden mij er o zoo
graag gehad voor naakt model, -- maar ik wou niet hè -- altijd particulier
model bij de jongens geweest -- en altijd in alle eer en deugd, hoor.

_Henri_ (_voor zich heen_). De uitzonderingen daargelaten.

_Cor_ (_hem maar half verstaande, dreigt hem met den vinger_). Ja, gelooft
u dat maar niet, mijnheer Henri! In ónzen tijd, toen was het nog een mooi
vak, in ónzen tijd toen was het nog "echt", hè, -- maar tegenwoordig halen
de jongens maar alles van de straat -- van die meiden, die niet eens een
dramatische stand kunnen houden -- -- afijn, ik trek me van de heele
beweging niks meer an, hoor. Maar hij -- ! -- zoo'n oude snoeper, hè --
wilt u wel gelooven, dat ie nog wel es graag de kat in 't donker zou willen
knijpen? (_oompje weer bij den mouw vattend_). Zult u vandaag een oogje op
hem houden, mijnheer Henri?

_Henri._ Dat beloof ik.

_Cor_ (_oompje aan zijn sik trekkend_). Ga je mee, ouwe doordraaier?

_Oompje_ (_zijn arm om haar heenslaande_). Precies! -- zoo'n snoepertje --
en nog zoo elegant! -- (_zij gaan samen, elkaar uitgeleidend, naar de deur,
waar oompje zich nog even tot Henri keert, met den vinger naar beneden
wijzend_). Dus -- ?

_Henri_ (_knikt lachend. Cor en oompje af_).


DERDE TOONEEL

_Henri, daarna Nellie._

_Henri_ (_klopt glimlachend zijn pijpje uit, en gaat schouderophalend weer
voor zijn ezel zitten; voor zich heen mompelend_). "In ónzen tijd" -- "in
ónzen tijd!" -- (_zijn hoofd schuddend_) en dan zóó te blijven hangen! (_er
wordt geklopt_). Ja! (_over zijn schouder omkijkend_). Ah!

_Nellie_ (_mooi figuurtje van omstreeks twintig, trouwhartige oogopslag in
een niet heel sterk geteekend, maar jong en levendig gezichtje, stadsteint
bij donkerbruin haar. Naar binnen trippend_). Daar ben ik!

_Henri._ Nou, het werd ook hoog tijd hoor, -- ik zit te wachten -- ìk
wacht! (_opspringend_) en nou gaan we meteen beginnen!

_Nellie_ (_rustig voor den schoorsteenmantel haar hoed afdoend_). Wel, wat
heb je weer een haast -- ik mag toch wel even uitblazen? (_ze gaat op de
bank zitten_).

_Henri._ Nee: -- één zoen, en dan beginnen! (_hij komt naast haar zitten,
zoent haar, neemt haar handje en zoent in haar hals_).

_Nellie._ Nou -- ! nou!

_Henri._ Dat is om op streek te komen! -- Oompje was hier, en Cor.

_Nellie._ Die ouwe draak óók? -- en wat hadden ze?

_Henri._ Oompje kwam eerst, hè -- vragen of ik Tootje stuurde -- je weet
toch, dat ik Tootje voor vanmiddag besteld had, om es te probeeren voor de
linksche figuur -- ? Alleen maar es om een indruk -- (_als Nellie betrekt_)
-- nou daar hoef je niet zoo van op te kijken, want ik kan haar juist niet
gebruiken, omdat die nieuwe leerling van me komt, -- ik had de heele Tootje
vergeten. Nou, dan kan ze meteen naar oompje -- -- tante Cor moest weer uit
stad -- je begrijpt! -- en toen kwam zij hem zelf halen, hoor. (_zij lachen
samen_). Ja hè, om er zoo in te loopen: haar te trouwen! Ofschoon: zij
zorgt goed voor hem -- hij verdient eigenlijk niet beter, -- maar toch --
(_haar van terzij aanziend, terwijl hij met een lachje opstaat_). Nee
Nellie -- "trouwen" dat doen we lekker niet, hè?

_Nellie_ (_wat betrokken_). 't Wordt je ook niet gevraagd.

_Henri._ Nou ja, dat is toch onzin, je kan het toch samen goed hebben, je
kan toch van elkaar houden -- maar: trouwen, (_voor zich heen_) die
schildershuwelijken met...

_Nellie._ 't Wordt je ook niet gevraagd.

_Henri._ Verduveld, daar heb ik het toch al zoo dikwijls met je over gehad!
Dat heb je toch zelf wel meegezegd: liefde moet vrij zijn -- en kunst moet
vrij zijn, -- dat kun je niet binden. Als liefde vrij is, dan is ze juist
het zekerst en het mooist Nel, dan is ze echt, -- maar trouwen -- ? -- dan
zet je je liefde onder een stollepie -- dat is immers onzin!

_Nellie._ 'k Weet wel, dat je niet van me houdt.

_Henri._ Wel God nog toe -- "niet van je hou" -- ! Ach meid, ik houd immers
juist veel te veel van je -- hè? (_verliefd_). Klein dierage, dat me
telkens er uit haalt! -- Ik moest juist wat minder van je houden, dan ging
het werk beter -- want telkens zie ik jou en niet mijn werk: dàn ben ik er
in -- en dàn weer lig je me aan te kijken met je bruine oogen -- dan zie ik
niks dan je oogen -- o, jullie -- jullie! -- -- En dat weet je ook bliksems
goed!

_Nellie_ (_gauw bijgetrokken_). Nou, ik mag er toch ook wel wàt van hebben.
(_aanhalig_). Ik ben nou toch alleen maar voor jou, -- en als ik nog es
voor anderen zit, is het toch alleen maar gekleed -- -- en als jij het niet
wilt, dan doe ik dàt ook niet!

_Henri._ Je bent een snoes! -- Wacht: (_hij haalt uit de kast een papiertje
met bonbons_) kijk eens -- , dat heb ik voor je bewaard, van Zondag, bij
mijn familie -- -- verjaardag van m'n zuster.

_Nellie._ Oh -- ! -- dat is nou weer lief van je -- je bènt wel lief!

_Henri._ En nou gaan we beginnen!

_Nellie._ (_geeft hem een zoen, en begint haar blouse los te maken_).

_Henri._ Nee, vandaag alleen de kop -- ik moet nou eerst de kop nog wat
beter hebben. (_hij gaat voor den ezel zitten_).

_Nellie._ O -- (_zij neemt een half liggende pose aan als op de schilderij,
met de armen onder haar hoofd_). Zoo -- nietwaar?

_Henri._ Ja -- nee, wacht: (_hij staat op en verlegt haar hoofd wat,
waarbij hij haar kriebelt_).

_Nellie_ (_met een gilletje opvliegend_). Hè nee! -- nou maak je 't zelf
weer in de war! ik lag goed -- (_zij gaat weer liggen_).

_Henri_ (_de kussens schikkend_). Zoo -- ja -- zoo, (_hij gaat weer voor
den ezel zitten en kijkt nog eens_) zoo is 't goed. (_hij schildert.
Stilte_).

_Nellie_ (_voor zich heen_). -- Zoo -- was die Cor hier -- -- wat een
mensch, hè.

_Henri_ (_schilderend_). Nou -- (_stilte_).

_Nellie._ Ik kan niet begrijpen, dat die model is geweest -- hè -- -- ?

_Henri._ Nee -- (_stilte_).

_Nellie._ En oompje, -- aardige man wel -- wèl aardig -- maar mìjn man is
toch nog veel aardiger -- (_stilte. Voor zich heen, terwijl zij telkens met
haar schoentje een wip in de lucht geeft_) -- Hénri -- Hárri -- Hánni --
Hénk -- Hénnie -- nee: Hánnie, dat vind ik het leukst (_vleierig_) --
"Hánnie" -- !

_Henri_ (_schilderend_). Nee: "Henri" (_even korzelig opkijkend met
nadruk_) "Hén-rì"! (_stilte_).

_Nellie_ (_in zijn zelfden toon_). Hén-rì -- -- en Nél-liè -- . (_stilte_).
Zeg, heb ik je wel es verteld, dat ik een neef heb, die ook Henri heet? --
maar die noem ik Henk.

_Henri._ Nou ja, maar houd nou es je mond! (_stilte. Er wordt geklopt_). Ja
-- !


VIERDE TOONEEL

_Henri, Nellie, Herman._

_Herman_ (_van ongeveer eenzelfden leeftijd als Henri, maar blijkbaar uit
armer stand afkomstig. Met z'n bleeke, aldoor klamme voorhoofd, zijn
vlas-rossig haar, en zijn ietwat te hooge schouders, maakt hij een niet
heel gezonden indruk. Hij draagt een ouderwetsche, groen geworden pelerine.
Voorzichtig de deur openend en naar binnen ziend_). Mag ik binnen komen --
?

_Henri_ (_omziende_). O, ben jij het! -- kom binnen! -- (_schilderend_).
Lang niet gezien!

_Herman_ (_verrast ook Nellie te vinden, komt aarzelig binnen_). Nee -- hoe
gaat het, -- (_drukt Henri, daarna ook Nellie de hand_) zoo -- dat tref ik!

_Nellie_ (_heeft bij Hermans binnenkomen even opgezien, maar dadelijk
dezelfde pose bewaard, waarin zij zich, totdat Henri opstaat, niet meer
beweegt, -- hem de hand drukkend_). Dag. -- !

_Henri_ (_wenkt met penseel_). Ga zitten -- ga zitten.

_Herman_ (_blijft achter Henri staan en ziet beurtelings naar de schilderij
en naar Nellie_). Lief -- lief -- !

_Henri._ Nee, heelemaal niet lief -- "lief" wordt het heelemaal niet!

_Herman_ (_verward_). Nee -- ik bedoel -- de -- het -- ik bedoel -- (_hij
keert zich wat verlegen om en zoekt een stoel_).

_Henri_ (_schilderend_). Jawel -- jij zou er wel iets liefs van maken.

_Nellie_ (_vergoelijkend_). Nou maar hij heeft laatst een heel mooi van me
gemaakt, vroeger -- gekleed -- met die blauwe blouse -- (_met haar oogen
tot Herman_) weet je nog wel?

_Herman_ (_onhandig_). Ik bedoel -- je model: het model is lief. (_Nellie
zet een pruimemondje en Henri lacht meesmuilend. Met den rug van zijn hand
over zijn voorhoofd vegend, zich herstellend_). Ik kwam eigenlijk juist om
Nellie, hè -- dat wil zeggen: (_tot Nellie_) ik had het nieuwe adres na je
verhuizing nog niet -- enne -- nou kwam ik hier es even oploopen -- ik
dacht, dat Henri het nummer misschien wel zou weten, -- ik wist wel: zelfde
straat...

_Nellie._ Honderd-drie-en-veertig twee hoog.

_Herman._ O -- wacht: (_hij noteert zorgvuldig in een notitieboekje_)
"honderd-drie-en-veertig -- twee hoog", -- -- ik had idee, zie je...

_Henri_ (_schilderend_). Ja -- maar ik kan haar niet missen, hoor!

_Herman._ Nou ja, het is natuurlijk alleen om maar al vast af te spreken;
(_achter hem staande_) ik zie, je bent met haar nou toch betrekkelijk gauw
klaar -- en dan----

_Henri._ "Mee klaar"? -- (_hij duwt palet en penseelen weg, opspringend_)
"mee klaar"? -- ik kom er nooit mee klaar! Telkens ben ik er weer uit: dan
dít, dan dàt, aldoor weer wat anders -- ik kan er verduveld nòòit
inblijven!

_Herman._ O -- maar als ik ongelegen kom... (_hij maakt beweging om te
vertrekken_).

_Henri._ Wel nee, wel nee kerel -- nee, dat is de bedoeling niet. Ik wil
alleen maar zeggen in 't algemeen, hè: ik wou er juist es wat moois van
maken, zie je -- ik dacht, misschien voor een expositie, of zoo, -- en de
opzet was zoo allemachtig goed -- en nou raak ik vast en zit ik er op te
sabbelen...

_Herman._ Nee maar... (_maakt opnieuw beweging voor afscheid_).

_Henri_ (_hem terughoudend_). Och nee kerel, heusch -- -- , maar dat weet
je immers zelf ook wel (_met een zucht_): van den mooien opzet tot het
mooie eind, hè -- dat is de choos! (_naar Nellie kijkend, die uit haar pose
is op gaan zitten en een bonbon eet_) en Nellie is een goed model -- (_met
een schuin oogje naar Herman_) je kent haar -- prachtig, uitstekend voor de
pose, en mooi genoeg waarachtig, maar...

_Nellie._ Wat "maar" -- ?

_Henri_ (_haar op haar neus tikkend_). Jij hebt een mooi figuurtje Nel, en
een mooi gezichtje -- nou -- maar soms wil ik meer hebben, hè: -- het
"ideale" model, hoe zal ik zeggen, dat zou zelf moeten leven, zie je, ik
bedoel "meeleven" -- ik bedoel als 't ware "meeschilderen", enfin: de ziel
aan 't stuk geven, hè -- een lijf is niet genoeg -- .

_Herman_ (_fijntjes_). Ja, jij wil altijd alles hebben, hè -- het lijf en
de ziel -- en het hart -- .

_Nellie_ (_opspringend_). Ja, hij wil altijd alles hebben! -- en geef ik je
dan niet alles -- ? (_tot Herman_) maar hij is toch zoo'n moeilijke vent,
hè -- ik begrijp soms niet, wat ie eigenlijk wil.

_Henri._ Nee, dat is het juist; (_peinzend_) het "ideale" model -- "hèt"
model -- -- maar... (_op zijn horloge ziend_). O! maar het is ook al --
God, en dat is waar ook: Jules en Frits zouden op de koffie komen! (_tot
Herman, die weer aanstalten maakt tot vertrekken_). Nee, dan blijf jij
natuurlijk ook -- nee maar dan gaan we een complete lunch op touw zetten!
(_hij rolt den ezel wat terug, verschikt de stoelen enz. terwijl Herman
zijn hoed en jas ophangt_).

_Nellie_ (_die weer op de bank is gaan zitten en een bonbon eet, lang
uithalend_) "Lùnch" -- "lùnchen" -- hà wat klinkt dat leuk, zeg -- wat zegt
ie dat leuk: "lùnchen" -- , wat is eigenlijk "lùnchen" -- ?

_Henri_ (_haar nadoend_). "Lùnchen" -- ? dat is jou een zoen in je halsje
geven! (_hij zoent haar; dan, in zijn handen klappend_). En nou aan 't werk
jongens! (_hij telt op zijn vingers_). Brood is er -- maar niet genoeg --
eieren, kaas, koffie -- dat vind je allemaal in het keukentje Nellie, --
dan ga ik wat sigaren halen -- en nog wat brood -- en sardines (_op zijn
manchetten noteerend_).

_Nellie._ Hè ja, sardines! -- maar dat kan ìk toch wel doen?

_Henri._ Nee, jij hebt de vorige keer heelemaal verkeerde meegebracht! Maak
jij nou alles klaar en zet de koffie -- en dan kun je straks meteen de
omelet maken, -- dat kun je nou immers zoo mooi.

_Nellie._ Piekfijn -- (_tot Herman_) dat heeft ie me zelf geleerd, zeg --
-- (_dringend tot Henri_) maar toe, laat mij dat nou halen.

_Henri_ (_naar de deur gaand en zijn hoed nemend, terwijl Nellie mee naar
de deur loopt_). Nee, zet jij nou klaar en maak koffie -- ik moet toch zelf
voor sigaren naar beneden, en het is vlak bij. (_af_).


VIJFDE TOONEEL

_Nellie, Herman._

_Nellie_ (_komt aarzelig terug van de deur, scharrelt wat aan de tafel,
verdwijnt in het keukentje en begint klaar te zetten_).

_Herman_ (_naast de tafel zittend volgt haar met de oogen; hij zucht;
stilte_). Is 't nog altijd zoo an -- ?

_Nellie._ Och Henkie, begin daar nou niet weer over.

_Herman_ (_loopt pijnlijk rond en blijft voor den ezel staan_). Ik kwam
zeggen -- ik kwam vragen, of je -- na dit ding -- nog es kwam -- voor een
nieuw stuk; (_zich tot haar wendend_) wit! en grijs en blauw -- een nimf,
als een droom in een bosch.

_Nellie_ (_aldoor bezig_). Ja, later misschien, hè -- maar nou kan ik niet.
(_naar de schilderij knikkend_). Dàt moet eerst af -- enne -- -- ik ben nou
van hem, hè.

_Herman_ (_met afwerend gebaar, dan met den rug van zijn hand zich het
voorhoofd wisschend_). Maar -- jouw figuur is immers toch bijna af, -- en
dan beloof je me toch -- dan kom je weer -- voor de nimf -- ik moet je dan
hebben, zie je -- (_hij gaat weer zitten en dringt nader_) ik moet -- .

_Nellie_ (_tegenover hem, brood snijdend_). Och Henkie, zit nou niet te
zeuren -- ik ben nou hier.

_Herman._ "Hier" -- "hier" (_bitter_) hier zijn er al zooveel geweest.

_Nellie_ (_geprikkeld_). Och wat -- "hier veel geweest" -- en wat weet jij
daar nou van! Dat is nou maar enkel, omdat je jaloersch bent. (_stilte_).
En wat dan nòg? -- ik ben toch maar een model! -- ik ben toch vrij!
(_stilte_). Och Henkie, toen ik bij jou kwam, was ik nog maar een schaap.

_Herman_ (_opspringend_). Ja -- ja, dàt is het! Ik was de eerste hè -- en
dan zie je niet zoo nauw! en nu je de smaak beet hebt, nu wil je ook de
anderen leeren kennen! -- -- Nou leer ze dan maar kennen! allemaal -- den
een na den ander -- dan zul je zien, wat voor een egoïsten het zijn!
egoìsten! egoìsten! -- -- de heele wereld is egoïst! (_stilte, weer naar
haar toekomend, zachter_). Maar wat ìk voor je voelde, zie je -- dat zal je
niet weer vinden -- zie je. (_hij komt weer zitten, terwijl zij brood
snijdt. Stilte_). Weet je nog -- zoo snee je bij mij ook altijd brood,
Nellie, -- we hadden 't toch goed samen, Nel, -- -- hou je dan heelemaal
niet meer van me -- zeg -- ?

_Nellie_ (_zachter_). Och ja jongen -- och jawel -- . (_Zij zet koffie, en
legt daarbij haar arm over de tafel_).

_Herman_ (_haar hand vattend_). We hadden het zoo goed samen, zeg -- kon
het niet zoo blijven -- ? kan het niet meer zoo worden, Nel -- ? Ik heb je
zoo noodig zeg -- ik kan je niet meer missen -- ! ik kàn niet buiten je!

_Nellie_ (_haar hand terugtrekkend_). Och nee Henkie -- toe! Ik kom wel es
-- ja, ik kom nog wel es -- voor poseeren -- misschien, (_jagend_) maar noù
niet -- noù ben ik hier, noù ben ik van hem -- en ik hoù van hem! -- ik heb
hem lief -- daàr: ik hoù van hem!

_Herman._ St -- ! St! -- niet zoo hardop! -- (_hij staat op, loopt kreunend
rond, -- dan bij de tafel terug_). Hoe kun je dàt nou tegen me zeggen!

_Nellie_ (_een beetje verschrikt over haar eigen uitval_). Nou ja --
(_luisterend, -- opgelucht_). Daar komen ze -- !

_Herman_ (_haastig_). Je spreekt hem toch nooit over -- ons -- ?

_Nellie._ Och wel nee.


ZESDE TOONEEL

_Nellie, Herman, Henri, Frits, Jules._

(_Rumoer op de trap. Henri komt met Frits en Jules druk in de deur. Herman
is opgestaan en wischt zich het voorhoofd, terwijl Henri vluchtig een
nieuwsgierigen blik op hem en Nellie werpt_).

_Henri._ Ziezoo: -- daar zijn we alle drie! Ik ontmoette ze juist bij de
voordeur. (_tot Frits en Jules_). Kom binnen, kom binnen! (_naar Herman_)
Jullie kent elkaar -- (_tot Nellie_) en jij kent ze ook Nellie? -- mijnheer
Frits ken je...

_Nellie._ Ja, mijnheer Frits ken ik wel.

_Henri._ En dat is nou mijnheer Scheffer: Jules Scheffer -- juffrouw
Nellie.

_Jules_ (_wat jonger dan de anderen, levendig, gladgeschoren gezicht,
modieus gekleed met kleurig dasje en met een bloemetje in 't knoopsgat_).
"Enfant terrible", juffrouw Nellie, onder al die kwasten.

_Frits_ (_wat ouder dan de anderen, rustiger, met iets van den arrivist
over zich, maar toch joviaal met zijn puntbaard_). Ja, jij bent een fijn
nummer!

_Jules._ Hij bedoelt een "fijn penseel" juffrouw Nellie.

_Henri_ (_zet het gehaalde op tafel, terwijl de anderen met Herman naar den
ezel komen_). Nou Nel, hier is brood, en sardines en zoo -- is alles klaar?

_Nellie._ Ja, maar ik moet natuurlijk de omelet nog maken.

_Henri._ O -- , maar dan gauw hè, dan kunnen we beginnen.

_Nellie._ Ja -- ja -- (_zij verdwijnt in het keukentje, waarvan de deur
openblijft, terwijl Henri bij de anderen voor den ezel komt_).

_Frits._ Knap werk, -- maar wat bedoelt ie er eigenlijk mee?

_Jules._ Wel, zie je dat niet -- dat is je reine duidelijke symboliek: twee
violen en een baspartij -- twee naakten op den voorgrond, als de lichte
noten, en een soort kop op den achtergrond als de zware noot -- -- Henri is
altijd een "Schwerenöter" geweest -- wat jij, ouwe jongen.

_Henri_ (_glimlachend_). Ach jij met je onzin! Natuurlijk is 't symbolisch,
-- maar toch bijna reëel hè, (_uitleggend_). Ik wou er een soort drieluik
van maken, een synthese zoeken, zie je -- daar moeten we toch weer heen: --
de twee naakten op het voorplan als het veelvuldige, het dualistische --
bijvoorbeeld ook het anti-monogame in ons...

_Jules._ A ha!--

_Henri._ De eeuwige tweestrijd, zie je -- enfin. En daarachter, in het
midden: "het gelaat" -- als het symbool van het monistische hè, het ideaal
achter de dingen -- als het beeld van de ziel, zie je, die zich losmaakt
van de naakte werkelijkheid... (_Nellie is onderwijl in het keukentje aan
het klutsen gegaan, wat Henri afleidt_). Nou is ze daar waarachtig aan het
klutsen! -- (_naar de open deur van het keukentje gaande_). Nellie -- wat
is dat nou voor manier van doen!

_Nellie_ (_met een schotel in de deur_). Ik moet toch klutsen voor de
omelet!

_Henri._ Nou maar doe dan de deur dicht -- (_zij schijnen nog wat te
harrewarren, waarna Henri de deur sluit_).

_Frits_ (_onderwijl met de anderen voor den ezel_). Dat rechtsche naakt
staat er mooi op -- maar de idee van die kop in het midden lijkt me wat erg
vaag.

_Jules._ De baspartij speelt altijd min of meer in het obscure -- dat noem
je: "tremolo in oscuro."

_Herman._ De idee vind ik juist mooi.

_Henri_ (_intusschen weer bij hen gekomen_). Zie je: dat linksche naakt
moet de tegenstelling van het rechtsche worden -- een naakt van hooger orde
-- meer bezield, meer het geestelijke tegenover het lichamelijke naakt --
-- enfin, daar ben ik nog niet aan toe, daar heb ik nog niet eens een model
voor. En dan het gelaat als de bevrijding -- bevrijding uit de banden van
liefde en kunst, -- de vrijheid----

_Frits_ (_plagend_). A ha, nou begrijp ik Henri: "de vrije liefde en de
vrije kunst" -- en de vrije liefde op den voorgrond! (_de anderen lachen,
terwijl Henri glimlachend zijn schouders ophaalt_).

_Jules._ Ik voel voor de vrijheid! Maar waarom zet je haar dan in
afdeelinkjes? -- en dan nog een lijst er om! -- Dan zijn wij, modernen,
toch consequenter; de lijst, dat heeft zijn tijd gehad: decoratief en
fresco vadertje -- dat is de toekomst, wat ik je brom. (_Henri blijft in
gedachten voor zijn ezel staan, terwijl de anderen meer naar de rustbank
komen_).

_Frits._ En waarom ga jìj dan niet es voor, met je praatjes?

_Jules._ Ik wacht ouwe heer: het gaat me momenteel wat te gauw. Ik wacht
tot er stagnatie komt, en dan sticht ik eenvoudig een nieuwe richting -- je
zult nog van me hooren -- -- , maar mijn theorie is nog niet heelemaal
klaar.

_Herman_ (_verontwaardigd_). En vroeger zei je precies andersom, dat je
nooit moest schilderen naar een theorie!

_Jules._ "Andersom?" -- nou natuurlijk: een mensch moet toch niet altijd
hetzelfde zeggen! Dat zou waarachtig een vervelende boel worden! Mijn
hemel, laat een mensch toch wat spatie in zijn particuliere meeningen!

_Frits._ Ach wat, al dat getheoretiseer en geïdealiseer -- jullie leeft
allemaal veel te veel in de wolken! De kunst is een vak als een ander: --
als jong broekje zie je er hoog tegen op -- maar kunst is talent en werken,
en als je eerst maar een beetje gerangeerd bent en je vak verstaat----

_Jules_ (_met zijn duimen in de armsgaten_). Ah jawel: als je "gerangeerd"
bent, dan merk je eerst "wie leicht sich's leben lässt!"

_Henri_ (_die zich uit zijn gedachten voor den ezel weer bij de anderen
voegt_). Ja, jij hebt mooi praten -- jij bent tegenwoordig maar het heertje
met je portretten!

_Jules_ (_tot Frits_). Nee maar ouwe heer, nou stel je je zelf toch weer te
plat voor, nee--

_Herman._ Hoe kun je het idealistische in kunst ontkennen!

_Frits_ (_wat in 't nauw gebracht_). Dat zeg ik ook niet, volstrekt niet,
ik zeg alleen, dat jullie te veel in de wolken leeft en te weinig practisch
bent -- en te weinig werkt misschien ook -- , tegenwoordig is er geen
respect meer voor talent en voor arbeid.

_Jules._ Jawel vadertje, "arbeid" -- nou ja, alle respect, en "talent" --
nog mooier, maar: "een chique kunstziel" zie je, dàt is eigenlijk de
quintessens van het neodandinisme in de kunst! -- en "rood", vadertje,
rood! de toekomst is aan de rooden: "sociaal-monumentaal!"

(_Nellie komt intusschen uit de keukendeur nog een paar dingen klaar
zetten, waarop Herman ook bij de tafel komt scharrelen om haar te helpen_).

_Henri._ O ja "rood" -- dat ben ik eigenlijk ook.

_Frits._ Een "chique kunstziel" en "rood" -- "wie reimt sich das zusammen?"

_Jules._ Dat is eenvoudig ordinair achterlijk, om dat niet te laten rijmen!

_Frits._ Nou ja, op die manier zijn we allemaal rood, (_lachend met een
knikje naar Herman_) Herman is ook rood.

_Jules._ Maar de nuance -- de nuance vadertje!

_Frits._ "De nuance?" -- ja, wat weet jullie tegenwoordig nog van nuancen
-- ! -- je zet de hoofdkleuren maar fel tegen elkaar...

_Henri._ Ik niet! Nee daar heb je gelijk in: de nuance is eigenlijk alles.
Kijk hier: (_hij haalt de anderen weer bij zijn ezel_) -- dat vleesch, --
en de atmospheer van dat heele lijf -- God, wat is levend naakt anders dan
"nuance!" Nuance is de "idealiteit" van het naakt!

_Frits_ (_gekscherend_). En de realiteit?

_Nellie_ (_met de omelet uit het keukentje komend_). De omelet is klááaar
-- !

_Jules._ Ah -- !

_Frits._ Zie je: -- de omeletten en de modellen, dat zijn de aangenaamste
realiteiten van het leven!

_Jules._ En de omeletjès -- ?!

_Frits_ (_maakt afwerend gebaar; allen gaan lachend aan tafel en bedienen
zich, terwijl Nellie koffie schenkt, waarbij Herman helpt. Nellie zit
rechts, aan haar rechterhand Herman, dan Jules, Henri tegenover haar, Frits
links vooraan_).

_Henri_ (_het gesprek weer opvattend_). Maar dat is het beroerde hè -- :
het ideale losse naakt, dat vind je niet -- je zit altijd met modellen!

_Frits._ Tja, ik heb in 't buitenland eens een bekend "Berliner" gesproken,
die nam altijd zijn modellen -- zijn naaktmodellen -- uit "die
Gesellschaft" -- zooals hij zei. "Ik neem nooit van die beroepsmodelletjes,
of ateliermeisjes of zoo," zei hij -- "alleen maar die Damen aus der
Gesellschaft, mijnheer -- die kunnen zich veel beter bewegen, die begrijpen
je altijd dadelijk."

_Jules._ "Compris"! -- maar daar moet je zoo een fijne puntbaard voor
hebben als jij!

_Henri._ Nou maar dat is opsnijerij!

_Herman._ Nee -- ik vind juist: die eenvoudige modellen, dat is het liefst
wat je hebt -- -- (_schouderophalend_) wat zijn nou "die Damen aus der
Gesellschaft"!

_Henri._ Maar mijn God, ze zijn dan ook zoo onhandig, de meeste modellen!

_Jules_ (_tot Herman_). Ken jij dan zoo goed "die Damen aus der
Gesellschaft"? -- Nee vadertje, Frits heeft schoon gelijk: (_met een
knipoogje naar Nellie_) die modellen moesten eenvoudig afgeschaft worden
voor "die Damen aus der Gesellschaft"!

_Nellie_ (_die door het drukke bezoek en in 't bijzonder door de zorg voor
de omelet wat zenuwachtig is geworden_). Nou, ben ik dan zoo slecht model
-- !? (_tot Henri_). En je hebt juist zoo dikwijls gezegd, dat ik zoo goed
model was! -- (_met tranen in haar stem_). Nou heb ik een uur voor die
omelet staan zorgen, en nou -- -- O! wat zijn jullie mannen toch
ondankbaar! Weet je wat jullie zijn -- ? -- "egoïsten"! dát zijn jullie --
egoïsten! (_zij pruilt met haar hoofd in haar hand; allen willen sussen en
troosten; Herman neemt schuchter haar andere hand, Frits staat op en geeft
haar van achter een zoen in haar halsje_).

_Henri._ Ajasses, wees nou niet zoo flauw! -- nee -- daar kan ik heelemaal
niet tegen----

_Herman._ Ach, dat bedoelt ie niet zoo erg.

_Frits._ De omelet is eenvoudig prachtig!

_Henri_ (_tegen Frits, als hij Nellie weer een zoen in haar halsje geeft_).
Wil je daar wel es afblijven!

_Jules_ (_met zijn kop koffie opstaande_). Ik drink op de modelletjes in
het algemeen -- en op juffrouw Nellie's halsje in het bijzonder!

_Nellie_ (_weer bijtrekkend_). Nou jongens -- zoo is 't genoeg hoor -- ,
zoo is 't genoeg. (_allen gaan weer lachend zitten en eten_). -- -- Zeg,
jongens: Tootje komt straks.

_De anderen._ Tootje -- !?

_Jules._ Het nieuwe sterretje! (_Een Fransch wijsje neuriënd_)

  "Un poète m'a dit
  Qu'il savait une étoile,
  Où on aime toujours -- "

_Herman_ (_tot Frits_). Jouw Tootje?

_Frits_ (_zijn schouders ophalend_). Mijn Tootje -- !? -- -- Nou maar het
is een aardig snoetje hoor.

_Nellie._ Ajakkes, hoe kun jullie die nou zoo aardig vinden -- ! Zoo'n
brutaal nest! -- dat komt nauwlijks onder en boven 'r broek uit!

_Jules_ (_effen_). Nou, als ze de broek maar uitkomt.

_Nellie._ O, hoor dat! (_hem met den vinger dreigend_). Ik geloof, dat u
een erg gevaarlijke man bent, mijnheer Jules.

_Frits_ (_voor zich heen_). Nee, zulke "erg" gevaarlijke mannen, zijn juist
nooit zoo erg "gevaarlijk".

_Henri._ Ja, maar ze moet dadelijk weer weg, want ik krijg een leerling.

_De anderen._ Een leerling -- !?

_Nellie._ Ja jongens, hoe vindt jullie: Henri heeft een nieuwe leerling --
en wat een fijne, hè Han?

_Henri._ Nou.

_Nellie._ En ze heeft hem ook een brief geschreven -- nee, die moet jullie
toch eens hooren!

_De anderen._ Laat hooren! -- laat hooren!

_Henri_ (_protesteerend_). Ach, wel nee -- nee, nee!

_De anderen._ Toe -- toe!

_Jules_ (_plagend_). Laat es zien, of het waar is.

_Henri_ (_een beetje gevleid glimlachend_). Nou, es kijken -- één zinnetje:
-- ik weet geen eens, of ik hem bij me heb -- (_hij haalt den brief meteen
uit zijn binnenzak; hem inziende_) Nou maar -- e...

_De anderen._ Draai af! -- draai af!

_Henri._ Hm -- (_lezend_). "Zeer geachte heer" -- -- (_hij mompelt eerst
een paar zinnen door_) -- -- "ik houd van uw werk, als van een vriend -- --
zag het vaak -- en bewonder de idealistische kuischheid van uw naaktfiguren
-- -- ik -- " nou maar met de rest heb jullie ook verder niets te maken.

_Frits._ "Hear! hear! hear!"

_Jules._ Heel pikant!

_Frits_ (_zich den geur van de enveloppe, waar Henri den brief weer
ingestopt heeft, toewuivend_). Nou -- nou!

_Nellie._ Ja jongens -- nou moet jullie es ruiken!

_Henri_ (_na eenig protest_). Nou netjes hoor! -- netjes! (_de enveloppe
gaat langs de neuzen_).

_Herman_ (_ruikend_). Nee, daar houd ik niks van.

_Jules_ (_snuivend_). Beslist idealistisch kuische geur! (_aan Henri
teruggevend_). Nou maar dan is ze bij jou wel aan het goede adres!

_Nellie_ (_haar vingers nog naruikend_). Een fijne dame! -- Maar ik vind
dat toch een gekke brief voor een dame hoor, -- -- zou ze mooi zijn?

_Jules._ Natuurlijk is ze mooi! -- Pas maar op!

_Nellie._ O, mijnheer Jules, u bent een nare vent -- een reuzeplaag!

_Herman._ Och, zulke dames zijn nooit mooi.

_Frits._ Nee, Herman heeft schoon gelijk Nellie: idealistisch kuische dames
zijn nooit mooi -- mooi zijn alleen de realistisch onkuische modelletjes!

_Nellie_ (_niet goed wetend hoe het op te nemen, pruilend_). Nou maar, ik
vind jullie niks lief, hoor. (_Frits geeft haar een handkus_).

_Henri_ (_op zijn horloge ziend, zenuwachtig_). Zeg es lui, we moeten
voortmaken: over een half uurtje zou ze al kunnen komen -- en dan moet
jullie weg wezen, hoor.

_Jules._ En hij moet zich eerst nog prepareeren!

_Nellie._ Nou, jullie zijn ook klaar, hè?

_Henri._ Hier zijn sigaren. (_hij en Herman steken een pijp op, Frits een
sigaar_).

_Jules_ (_een cigaret aanstekend_). De moderne sleutel van alle hooge
inspiratie is de cigaret. (_er wordt geklopt_).

_Henri._ God! dat kan ze toch nog niet zijn!? -- (_allen staan op_).


ZEVENDE TOONEEL

_De vorigen, Tootje._

_Tootje_ (_om de deur_). Mag ik binnenkomen -- ?

_Henri._ O -- 't is Tootje. Ja, kom maar binnen! -- Maar je moet dadelijk
weer weg -- ik kan je niet gebruiken, hoor: ik krijg een leerling, en
oompje -- die mijnheer van beneden -- heeft om je gevraagd, -- --
(_rondwijzend_) je kent de heeren toch?

_Tootje_ (_pruilig coquet rondkijkend_). Nou, of ik de heeren ken, van
haver tot gort, hoor -- (_Frits bemerkend_) alleen mijnheer Frits ken ik
heelemaal niet -- (_zij gaat meteen wat uitdagend op Frits' knie zitten_).

_Jules_ (_zich kwasi gechoqueerd afwendend_). Nu niet zoo familiaar!

_Tootje._ "Niet zoo familiaar" zeit ie! (_Jules aankijkend, kwasi
verschrikt_). O, maar ù ken ik echt niet!

_Frits._ Heb je mijnheer Jules dan nooit bij me ontmoet?

_Jules_ (_neuriënd_). "Och Toosje, mijn Roosje, mijn suikerdeprij -- "

_Tootje._ Nou maar, nou mag ìk wel zeggen: "niet zoo familiaar!" -- (_zij
ziet Jules' cigarettenkoker, en haalt er brutaal een uit_). Daar heeft u
zeker eentje voor mij in bewaard? (_zij steekt haar cigaret op aan Frits'
sigaar; Herman ziend_). En daar heb je Herman ook! Hoe gaat het ouwe
jongen?

_Herman._ Kleine rakker!

_Tootje_ (_tot Henri_). En wat zei u nou van "naar beneden?" (_pruilend_).
Ik zal hier toch wel mogen blijven?

_Henri._ Nee -- : ik krijg plotseling een leerling, en nu heeft juist
oompje, van beneden, om je gevraagd.

_Tootje._ Nou maar dat is wat moois -- wie is dat nou: -- mijnheer "oompje"
-- daar heb ik nooit van gehoord!

_Jules._ O, dat is een heel aardige jonge man.

_Henri._ Veel aardiger dan ik.

_Herman._ Pas maar op: 't is een oude doordraaier, hoor!

_Frits._ Een groote bok met een groote sik!

_Tootje._ Ajakkes! -- Nou maar ik blijf veel liever hier, -- waarom moet ik
naar beneden toe? (_boozig verwijtend tot Henri_). U heeft me besteld!

_Henri._ Nou nou, zoo erg is het niet; troost je maar voor dezen keer, --
(_hij neemt een bonbon uit het zakje van Nellie, waar deze juist zelf een
uitgenomen heeft, en steekt die Tootje in haar mond_) de anderen moeten
straks toch ook allemaal weg.

_Nellie._ Dat zijn mìjn bonbons!

_Tootje_ (_met uitdagend zuigend snoetje_). Ze smaken niet slecht -- ,
(_met een oogje van Nellie naar Henri_) jij weet ook wel, waar de lekkerste
bonbons zijn te krijgen!

_Nellie_ (_haalt verontwaardigd haar schouders op_).

_Herman_ (_voorzichtig plagend_). En wat een mooie hoed -- !?

_Tootje_ (_coquet haar hoed schikkend_). Ja, vind je niet -- ? die heb ik
gister ook pas gekre... (_met een oogje naar Frits_) gekocht. Mooi hè, met
die bos veeren, -- en ze wapperen zoo!

_Frits_ (_laat haar paardje rijden en blaast in de veeren_). Kijk ze
wapperen! (_Hij klapt met de tong_).

_Henri_ (_neuriënd_) "... En wie zal dat betalen..."

_Tootje._ Nee Frits, schei nou uit, zeg. -- Nou, je moet toch als model
goed gekleed gaan! -- de mannen willen toch, dat je altijd wat knaps
aantrekt, altijd "gekleed" bent!

_Jules_ (_voor zich heen_). Integendeel!

_Tootje._ De mannen willen toch niet die pruldingen uit een modebazar.

_Nellie_ (_geërgerd_). Ach kind, jij met je "mannen" -- je komt nauwlijks
kijken! wat weet jij nou van de mànnen -- ? -- wat weet jìj nou van de
mannen!

_Tootje_ (_schamper_). "Ik van de mannen -- ?" -- nee: dat zal ik aan joù
vertellen! -- ha, ha -- wat ìk van de mannen weet!

_Jules._ Ktsch! Ktsch!--

_Tootje_ (_tot Jules_). Poeh -- , -- zij gééft in ieder geval meer om de
mannen dan ik, hoor: -- ik geef niets om de mannen -- daar: geen cent hoor!

_Jules._ Als de mánnen maar centen geven!

_Henri._ En hoeden. (_Nellie lacht_).

_Tootje_ (_tot Jules_). Mijnheer ... hoe heet u ook weer -- ?

_Frits._ Mijnheer Jules.

_Tootje._ Nou -- mijnheer Jules, ik geloof, dat u een impertinent mensch
bent.

_Jules._ Integendeel -- ik mis die deugd!

_Henri._ Lieve Tootje, nu moet je heusch naar beneden hoor.

_Tootje._ Maar ik wil niet naar dien ouden vent toe! -- ik vind het hier
veel te leuk -- -- ofschoon jullie heelemaal niet aardig zijn, dat moet ik
zeggen.

_Henri._ Het is een hééle lieve man -- en heel royaal!

_Tootje_ (_ongeloovig, nieuwsgierig_). Heel royaal -- ?

_Herman._ En hij houdt veel van de meisjes.

_Nellie._ Dat komt goed uit -- jij geeft immers geen cent om de mannen!

_Tootje._ Ach, bemoei jij je er niet mee -- ga jij dan!

_Nellie_ (_haalt haar schouders op_).

_Henri._ Nee, hij heeft expres naar jou gevraagd -- "om je mooie handjes".

_Tootje_ (_half pruilend, half gestreeld haar handjes bekijkend_). Om mijn
mooie handjes -- ? (_opstaand van Frits' knie_) Ach wat -- ! Dag -- dag
(_zij neemt vluchtig afscheid en gaat schoorvoetend naar de deur_).

_Henri._ 't Is hier vlak beneden: eerste deur links, -- en-ne -- netjes
gedragen hoor!

_Tootje_ (_bij de deur uitdagend omziende_). Als jullie je hier maar netjes
gedragen, (_met een nijdigen blik naar Nellie_) en jìj vooral, met je
"mánnen"! (_af_).


ACHTSTE TOONEEL

_De vorigen, behalve Tootje._

_Henri_ (_op zijn horloge ziend_). Zoo -- nu kunnen we nog een pijp rooken,
en dan moet jullie ook weg, hoor.

_Herman._ Dat is me der ook eentje!

_Frits._ Laat haar maar gaan.

_Henri._ Die brengt het nog ver -- in de liefde.

_Nellie._ Liefde -- !? -- wat weet zìj nou van liefde!

_Jules._ Lieve juffrouw Nellie: sommige vrouwen brengen het in de liefde
juist het verst zonder de liefde.

_Herman._ Hoor nou! hoor nou! Nee -- liefde is alles!

_Henri._ En schoonheid.

_Herman._ Ja -- maar liefde is toch meer.

_Henri._ Hoe kun je dat zeggen, als kunstenaar -- ! -- Nee, schoonheid is
alles.

_Nellie_ (_met de ellebogen op tafel en de kin in haar handen_). Waarom --
?

_Henri_ (_korzelig_). Waarom -- !?

_Nellie_ (_merkend, dat Henri wat geprikkeld is_). Jullie zijn allemaal
aardige jongens, en ik geloof, dat jullie allemaal altijd een beetje gelijk
hebben.

_Frits_ (_plagend_). Maar Henri toch het meest -- ?

_Nellie_ (_lachend afwerend_). Och -- ! (_zij staat op en begint de tafel
af te ruimen_).

_Henri._ En wat zeg jij er van Jules -- ?

_Herman._ Ja, wat zeg jij er van?

_Jules_ (_met dichtgeknepen oogen de rook van zijn cigaret opblazend_). Nee
-- als jullie er ernst van gaat maken----

_Frits._ Nou, biecht nu eens op!

_Henri en Herman._ Nou -- ? -- Nou -- ?

_Jules._ Wel -- -- ik zou zeggen: de theoretische quintessence van alle
schoonheid en van alle liefde, dat is de "inspiratie", -- en de practische
quintessence van de kunst en de liefde, dat is: "je doe maar!" -- Ik houd
me aan de inspiratie.

_Henri._ Maar je moet toch werken! toch ploeteren, toch doen!?

_Herman._ Ja -- anders kom je er niet.

_Jules._ Maar ik heb nergens te "kommen", ik wil nergens "kommen"! -- ik
houd me eenvoudig aan de inspiratie, die is altijd veel mooier dan alle
uitwerking. Verbeel je eens, wanneer Onze Lieve Heer het alleen maar bij de
inspiratie had gelaten, en niet tot zoo'n miserabele uitwerking was gekomen
-- dàt zou een artiest zijn geweest! -- Tegen een liefde en tegen een
schoonheid en tegen een kunstwerk en tegen de wereld kun je redeneeren --
maar de inspiratie blijft overeind: -- ik houd me aan de inspiratie en aan
den beredeneerd negatieven kant van de kunst!

_Herman._ Ja, jij hebt makkelijk praten: jij hoèft niet te schilderen: jij
hebt geld, dan kun je wel leven van de inspiratie en negatief zijn -- dat
is makkelijk genoeg!

_Jules_ (_met dédain_). O man, dat is veel moeilijker dan je denkt!

_Henri._ Nou maar dat noem ik eenvoudig met je welnemen: "artistieke
luierij".

_Jules._ Mis vadertje! -- dan leef ik juist, dan zie ik, dan schilder ik,
dan werk ik, dan "be-leef ik de idee"!

_Frits._ Maar bovendien is je uitgangspunt verkeerd: de uitwerking is niet
minder dan de inspiratie, integendeel: -- ik ben bij mijn portretten altijd
weer opnieuw verbaasd, dat ik er nog zooveel van terecht breng! Nee hoor:
bij wie de uitwerking altijd beneden de inspiratie staat -- ik geloof, dat
dàt de ware broeders niet zijn.

_Jules_ (_allengs zich opwindend_). Ja, jawel: jullie hebt allemaal een
gearrangeerde werkelijkheid noodig -- een interieurtje of een bloemetje of
een kippie of een hippie -- en als je er dan lang genoeg aan gesabbeld
hebt, ben je zelf verbaasd, dat de kopie nog zooveel op de werkelijkheid
lijkt. Maar dat is 't juist: ik neem alle willekeurige werkelijkheid aan,
en arrangeer ze in mijn eigen ziel tot iets prachtig moois -- dàt is kunst,
dàt is inspiratie! -- àlles is schoonheid, àlles is mooi -- als je zelf
maar mooi bent -- ! -- Dààr! (_hij gooit wat kopjes, schoteltjes en
eetgerei, die Nellie nog niet weggenomen heeft, door elkaar op een hoop,
zoodat enkele breken_) dààr, dààr -- ! is dàt niet mooi!? Daar zie ik nou
schoonheid in, in al die witte lichtvlakken tegen elkaar: dat ronde boven
die punt, en dan dwars die hoek en dan een breed vlak, -- dat is een
harmonie van disharmonieën, dat is voor mij nou een schoonheid, een genot
-- een "genòt!" -- In me zelf heb ik daar nou al een prachtig ding van
gemaakt -- en dat hangt nou al in den hemel -- in mìjn galerij! Voilà! dàt
is kunst, dàt is inspiratie -- en dat is voor mij genoeg -- -- (_weer heel
nuchter_) en nou steek ik een cigaret op. (_de anderen zwijgen even, wat
verbluft_).

_Frits._ Ja -- dat is nu juist jullie symbool: je slaat den boel maar kapot
-- en dan heb jullie iets moois gedaan!

_Herman._ Dat is eenvoudig egoïsme, dat is anarchie!

_Nellie_ (_die juist de scène, uit de keuken komend, heeft aangezien,
verontwaardigd_). En mìjn koppen -- !

_Frits._ O! ze zegt "mìjn koppen!" -- Is 't al zòò ver, juffrouw Nellie?

_Nellie_ (_haalt boozig haar schouders op en ruimt verder weg, waarna zij
op de tafel gaat zitten_). 't Is wat moois!

_Henri_ (_korzelig uithalend_). Ach -- ! -- ach -- ! -- ach -- ! -- (_hij
wendt zich schouderophalend af en neemt een mandoline, die aan een ezel
hangt; hij grijpt in de snaren en probeert te spelen, maar haspelt_).

_Jules_ (_klapt in de handen_). Juist vadertje! je hebt gelijk: muziek, dat
is de opperste uiting van alle inspiratie: -- de edelste praktijk van "je
doe maar", dat is de moderne muziek.

_Henri_ (_spottend_). Ja -- maar ik houd eigenlijk juist zoo van de
romantische.

_Jules._ Jammer -- jammer voor jou, -- ja, jullie zijn eigenlijk allemaal
veel te sentimenteel, (_hij blaast peinzend de rook van zijn cigaret naar
boven_) dat is jullie grondfout. (_even toekijkend_). Ik mag het anders zoo
graag, zoo'n mandoline, hè -- een viool is mooier, maar zoo langademig:
(_hij gooit zijn hoofd op zij en doet alsof hij een lange vioolstreek
maakt_) -- , maar zoo'n ding, daar zit iets van het moderne leven in: (_hij
buigt zich over een denkbeeldige mandoline en grijpt zenuwachtig heen en
weer, met zijn hoofd en heele lichaam in beweging_) pang-pang-pàng --
pang-pang-pàng!--

_Henri_ (_probeert nog verder, geeft dan de mandoline aan Herman_). Nee,
verduiveld, dat kan jij beter Herman: je weet, dat leuke ding van "Een
lieve meid."

_Herman_ (_speelt en zingt, -- allen vallen in en zingen mee_).

  Een lieve meid,
  Een mooi model,
  Dat mag ik bliksekaters wel--
  Ti rá la la,
  Ti rá la la,
  Ti rá la la la lá!

(_Voor het tweede couplet aarzelt Herman even_). Hoe is 't ook weer -- ?

_Nellie_ (_van de tafel springend en, met haar hand aan haar oor, zich naar
den vloer buigend_). Ik geloof waarachies, dat ik Tootje beneden hier kan
hooren lachen -- !?

_Henri._ O, dat kan best -- dat is toch zoo'n gemeene vloer: je zou er soms
bijna doorheen kunnen zien -- (_hij legt opeens een vinger op den mond_)
wacht -- ! (_terwijl de anderen luisteren, schuift hij de rustbank opzij en
slaat een grooten hoek van het vloerkleed om, -- dan legt hij weer een
vinger op den mond_) -- nee, nee: we moeten juist doorspelen! Speel nou
door, Herman! Speel nou door! (_zij liggen met handen en knieën op den
grond, links, tegenover de deur, Henri, rechts, met de deur achter zich,
Jules en Nellie, tusschen hen Frits, gebukt_).

_Herman_ (_naast Nellie staande en op haar neerziend, speelt verder en
zingt nu alleen, een beetje sentimenteel uithalend_).

  Eens, 's avonds, in
  De Kalverstraat
  Zoo'n snoepekoppie langs me gaat--
  Ti rá la la,
  Ti rá la la,
  Ti rá la la la lá!

(_Henri probeert eerst te kijken, dan dringt Nellie op, doch zij schijnen
niets te zien_).

_Henri_ (_probeert nog eens_). Ik geloof waarachtig, dat ik wat zien kan
(_even opkijkend_) speel nou door Herman!

_Herman._

  Wij bleven zoo
  Bij toeval staan,
  En zage' elkaar beteuterd aan--
  Ti rá la la
  Ti rá la la
  Ti rá la la la lá!

_Henri_ (_kijkend, maar niets ziende, voor de grap uithalend_). Oh -- !
(_op dit oogenblik verschijnt Helena in de deur, welke zij nog onder
Herman's zingen heeft geopend, een moment door niemand gezien, daar allen,
behalve Henri, die juist voorover op den grond ligt, met hun rug naar de
deur zijn gekeerd en door 't zingen van Herman niets gehoord hebben; als
Henri, opkijkend, nog eens_ "Oh!" _roept, ziet hij haar vanzelf recht
tegenover zich_). -- Ah -- !


NEGENDE TOONEEL

_De vorigen, Helena._

_Helena_ (_rijzige gestalte, achter in de twintig, donker haar met donkere
wenkbrauwen en lange wimpers, waaronder lichte oogen, zuiver gesneden
gelaat, met wat bleek teint; haar verschijning contrasteert tegen de groep
door een zekere bewuste vrijheid van aristocratischen huize; zij draagt een
eenvoudig maar gedistingeerd costume-tailleur. Weifelend in de deur_).
Neemt u me niet kwalijk, maar ik had al een paar maal geklopt -- ik ben
hier toch terecht bij mijnheer van Bergen -- ?

_Henri_ (_die op een knie haar eerst nog een oogenblik verbaasd heeft
aangezien, opstaand_). Ah! -- pardon -- pardon! Zeker -- neemt u me niet
kwalijk: -- wij zochten juist naar iets... naar iets, dat verloren was
(_hij wijst verward op den grond, zich dan bezinnend slaat hij 't kleed
weer recht en trekt de rustbank op haar plaats, terwijl de anderen zich
naast de tafel retireeren, waar Nellie, die ook een oogenblik op haar
knieën Helena's verschijning heeft aangestaard, zich bij hen voegt. Zich
thans beheerschend, op zijn horloge kijkend_). Ach, maar ik was ook
heelemaal den tijd vergeten: -- ik heb toch het genoegen met juffrouw van
Dijk te spreken -- ?

_Helena_ (_knikt_).

_Henri._ O, ja -- (_met uitgestoken hand haar tegemoet gaand_) komt u
binnen; wij waren eigenlijk allemaal den tijd vergeten, en mijn vrienden
hebben zich wat verlaat: -- (_voorstellend_) mijnheer Boogaert, mijnheer
Scheffer, mijnheer ten Kate, juffrouw Nellie -- juffrouw van Dijk.

_Frits._ Ja, we hebben ons verlaat: het is onze tijd.

_De anderen._ Ja -- ja. (_zij buigen vluchtig naar Helena en gaan_).

_Nellie_ (_gaat het laatst, nadat zij Henri een hand heeft gegeven_). Dag
-- ! (_zij maakt een stijf buiginkje naar Helena en kijkt bij de deur nog
even nieuwsgierig verwonderd om_).


TIENDE TOONEEL

_Helena, Henri._

_Henri_ (_hoffelijk Helena naar de rustbank wijzend_). Ik maak mijn
excuses, dat ik u in zoo'n herrie ontvang, -- maar ik had juist een paar
vrienden hier... (_Nellie komt nog even terug, en haalt rustig haar hoed,
-- Henri ziet haar wat korzelig na, waarop zij in de deur van het keukentje
verdwijnt_). Dat is een modelletje -- -- een mo-dèlletje, -- ze moet daar
nog wat redderen.

_Helena._ Een modelletje -- ? Och -- maar gaat die nu weg voor mij? -- had
u haar maar laten blijven.

_Henri_ (_licht verwonderd over haar vrije manier_). O -- pardon juffrouw
van Dijk, maar het is toch beter onze eerste lessen -- later kunnen wij
misschien naar het model werken. (_nog wat geaffaireerd opruimend_). Ik
hoop, dat u mij niet kwalijk neemt, dat u zoo'n gezelschap hier vond --
maar, het was een afspraak -- en u hadt zoo laat geschreven -- -- en dan
die tabaksrook -- hindert u die lucht niet -- ?

_Helena_ (_met iets van teleurstelling over Henri's conventioneelen toon_).
O nee mijnheer van Bergen, volstrekt niet -- dat vind ik juist aardig, ik
houd juist van tabakslucht -- ik rook zelf ook wel.

_Henri_ (_haar nog even verwonderd van terzijde opnemend, biedt cigaretten
aan_).

_Helena_ (_een oogenblik aarzelend_). O -- ! -- nee, dank u -- nu niet --
later.

_Henri._ O maar dat vind ik anders heel sympathiek: moderne dames, die
rooken. Daar ligt iets heel gracieus in: "de dame met de cigaret", (_een
elegant rookgebaar makend_) ik zou bijna zeggen -- daar ligt iets
artistieks, iets voor een schilder in: een mooie lijn -- .

_Helena_ (_meer geanimeerd_). Juist, ja -- de lijn, dàt is, geloof ik, wat
me daar altijd in aantrekt; (_lachend_) kijk, daar geeft u me al een eerste
les: "de lijn van het rooken"!

_Henri._ Maar de meeste dames vinden het rooken toch aantrekkelijk om
andere redenen.

_Helena._ Waarom dan?

_Henri._ Ja, dat is niet zoo makkelijk te zeggen, dat is een kwestie van
sentiment -- ze zoeken er -- ja, hoe zal ik dat zeggen -- ze zoeken er een
tikje van het scabreuze in. O, een tikje maar! een druppeltje -- een
homoeopatisch druppeltje misschien -- begrijpt u?

_Helena._ Ja -- of eigenlijk nee, niet precies: ik voel dàt er nu niet zoo
in -- of misschien... (_uit haar gedachtengang opkijkend_) maar ik ben
volstrekt niet zoo tegen het scabreuze mijnheer van Bergen -- -- wat
verstaat u eigenlijk precies onder het "scabreuze" -- ?

_Henri_ (_wat in de war gebracht, en opnieuw lichtelijk verbaasd_)
"Scabreus" -- ? Wel, scabreus -- dat is bijvoorbeeld een modelletje, (_zich
verbeterend_) of nee, niet alle modelletjes natuurlijk -- dit (_met een
gebaar naar het keukentje_) was een lief modelletje, volstrekt niet
scabreus -- maar de meeste modelletjes zijn toch een beetje "scabreus"; of
laat ik zeggen, met verlof: een "cocotte" nietwaar, pardon, dàt is
"scabreus".

_Helena._ O -- maar ik heb toch wel cocottes gekend, die heelemaal niet
scabreus waren.

_Henri_ (_die bij de tafel was gaan zitten, springt verbaasd op en staart
haar even vragend aan_). U zegt -- ? -- O -- ja.

_Helena_ (_glimlachend_). Ja, daar verbaast u zich natuurlijk over, dat ik
cocottes heb gekend, -- dat was een toeval, en dat waren ook maar enkelen,
-- (_met een half spottend, half nieuwsgierigen blik naar hem_) u zult er
ongetwijfeld meer gekend hebben dan ik -- , maar enfin die -- die vrouwen
waren niet wat ik meen dat "scabreus" is. -- Wilt u wel gelooven mijnheer
van Bergen, dat mij dat bijzonder aantrekt -- ik bedoel bijzonder
intrigeert: "het scabreuze" -- ?

_Henri_ (_die haar aldoor met verbazing heeft aangehoord, ziet haar nu ook
wat achterdochtig aan_). Hoe bedoelt u -- ?

_Helena_ (_die zijn gedachten raadt, lachende_). O nee! ik ben zelf heusch
geen cocotte mijnheer van Bergen -- en heelemààl niet scabreus -- "helaas",
zou ik bijna zeggen -- maar begrijpt u niet, dat dàt ons, moderne vrouwen,
juist interesseert, die streken van het leven, die altijd zoo gesloten voor
ons zijn, en waarmee we eigenlijk toch zoo veel te maken hebben -- --
althans zijdelings?

_Henri_ (_van zijn verbazing bekomend_). O ja -- o ja -- maar...

_Helena._ Maar u vindt 't eigenlijk niet te pas komen, dat ik daar maar zoo
dadelijk over redeneer, -- ik dacht anders juist, dat ik met u...

_Henri_ (_met warmte_). O nee, zeker, zeker, dat interesseert me allemaal
bizonder! Nee, integendeel, gaat uw gang. Maar, eerlijk gezegd, maakte u me
even wat in de war met zoo te spreken, -- u -- ja, hoe zal ik dat
uitdrukken: -- u haalt om zoo te zeggen verschillende kringen door elkaar
-- de dames uit uw kringen zijn anders niet...

_Helena._ Maar ik ben juist een dame uit geen enkele kring, ziet u. Ja, ik
begrijp wel, dat u dat maar niet zoo dadelijk aan kunt nemen: -- u vindt,
dat er verschillende kringen moeten zijn, en u had me vooraf alvast
gerangschikt onder de nette, artistiek conventioneele dames! En nu raakte u
even uit uw humeur, omdat u zich in de conversatie wat gedesoriënteerd
voelde -- . O! de mannen zijn zulke huichelaars -- nog veel erger dan wij
vrouwen: -- de vrouw is tenminste sòms heelemaal waarachtig eerlijk, maar
de mannen zijn 't geloof ik nooit zóó heelemaal -- -- daarom irriteert het
ze zoo van een vrouw waarheden te hooren.

_Henri_ (_meer en meer geïnteresseerd, gaat naast haar zitten_). Ik ben nu
heusch heelemaal niet meer uit mijn humeur. (_pogend het gesprek een andere
wending te geven, om zijn autoriteit te herstellen_). Maar juffrouw van
Dijk, nu ik u zoo hoor, ben ik toch nieuwsgierig, waarom u juist tot mij
komt om lessen -- ?

_Helena._ O, noemt u me alsjeblieft niet juffrouw van Dijk: dat klinkt zoo
-- dat klotst -- haha, dat klotst, zooals een biljartbal! Ik heet Helena --
of Lena -- of hoe u maar wilt.

_Henri._ O, ik wil graag zeggen wat u 't prettigst vindt: juffrouw Helena
-- of Lena -- of Helena--

_Helena_ (_weifelend_). Nee -- ik geloof dat dat wat te familiaar is om mee
te beginnen, -- zegt u dan maar liever juffrouw Lena.

_Henri._ Juffrouw Lena -- (_haar aanziende_) nee, dat gaat toch niet goed:
"juffrouw Helena" -- dat past veel beter. En noemt u mij dan ook
alsjeblieft bij mijn voornaam: Henri.

_Helena._ "Henri", "Mijnheer Henri" -- nee: mijnheer van Bergen en juffrouw
Helena -- dat klotst tenminste iets zachter.

_Henri_ (_met een aai door de lucht_). Laten wij zeggen: dat "klutst". Maar
juffrouw van... juffrouw Helena, nu heeft u me nog heelemaal niet gezegd,
waarom u juist naar mìj gekomen bent, om lessen te nemen -- ?

_Helena._ Kijk, daar heb je nu de mannelijke ijdelheid! want u voelt zich
al vooraf gestreeld door de redenen.

_Henri_ (_wat onthutst_). O -- nee -- -- het is louter nieuwsgierigheid.

_Helena._ En dààr heb je de mannelijke huichelarij!

_Henri_ (_een weinig geraakt_). U bent -- -- u heeft wel een slechte
meening van de mannen!...

_Helena_ (_als ze hem wat geraakt ziet, invallend_). Och -- dat moet u niet
zoo ernstig opvatten! -- (_lachend_) u moet me niet al te serieus nemen.
Maar ik dacht dat alleen zoo, omdat de reden, waarom ik juist naar u kom,
betrekkelijk zoo eenvoudig is: -- ik had bij professor Muller van de
Academie geïnformeerd, die mij ook uw naam noemde -- en de rest heb ik u
geschreven; -- (_eenvoudig_) ik houd van uw werk, vooral van dat nevelig
kuische in uw naaktfiguren -- dat boeit me.

_Henri_ (_die zich, gevleid, toch even den meerdere voelt_). En -- heeft u
al eens lessen gehad? u teekent zeker?

_Helena_ (_schalks bescheiden_). O ja -- zoo heelemaal niets niemendal ben
ik niet: ik heb veel geteekend, en ook wel geschilderd, en -- (_met een
lichte zucht_) veel gezien, -- een matig talentje, mijnheer van Bergen --
een matig talentje, maar toch heusch wel eenig talent. Ik hield ook van uw
schilder"wijze", en daarom ook kwam ik naar u.

_Henri_ (_nog even in den toon van den leeraar_). Dus -- 't is vooral voor
het eigenlijke schilderen -- ?

_Helena_ (_peinzend zijn woorden herhalend_). Ja -- "vooral voor het
eigenlijke schilderen" -- (_levendig_). O ja, maar 't is dat niet alleen --
het is de "sfeer", die me altijd zoo aantrekt, ziet u; ik heb veel gereisd:
Noorwegen, Italië, Amerika -- maar het is "de sfeer", die me altijd
aantrekt en die ik wil begrijpen en doordringen -- het is het "leven" --
ja: het "leeren leven" ziet u -- -- (_zij rekt zich traag_).

_Henri._ "Leeren leven?" -- (_glimlachend_) "leeren leven!" -- iemand, die
zich zoo vrij beweegt -- vrijer dan al die losse schilders hier -- maar: u
beweegt u nog veel vrijer dan ik!

_Helena_ (_even glimlachend_). Nóg vrijer -- ? -- Ach nee, dat lijkt maar
zoo, mijnheer van Bergen; al die vrouwen, die zich zoo vrij bewegen -- !
Nee, ik ben niet zoo vrij -- -- of misschien ook tè vrij -- (_haar
gedachten afschuddend_). Maar -- ik zit hier maar te praten -- (_zij kijkt
onwillekeurig zoekend rond en ziet de schilderij op den ezel; verrast_). O
-- ! -- is dat uw laatste werk? Ach, dat heb ik nog heelemaal niet gezien!
(_zij staat op en gaat er belangstellend voor staan, loopt dan terug en zet
zich ten slotte op een stoel voor den ezel_).

_Henri_ (_komt naast haar staan, terwijl zij even beiden zwijgend toezien;
dan met ijver, maar toch met een lichten schijn van nonchalance,
uitleggend, terwijl hij den indruk op haar bespiedt_). Ziet u: -- in de
beide naaktfiguren heb ik het dualisme, de tweespalt in ons leven willen
uitdrukken -- de polen van het natuurlijke en het gecultiveerde in ons
leven, -- u ziet: de tweede naaktfiguur heb ik nog maar aangezet -- er is
zoo moeilijk een model voor te vinden, omdat ik er al het edele,
geestelijke mee wil uitdrukken tegenover het primitieve, natuurlijke van de
andere figuur. En dan op den achtergrond "het gelaat" -- het zielsgelaat,
als een beeld van het standvastig blijvende, dat als een stille lamp voor
ons uitschijnt -- -- enfin...

_Helena_ (_met warmte_). Ja -- ja -- ! dat is mooi gedacht, dat vind ik
mooi gevoeld, -- daarin herken ik u weer -- uw kunst.

_Henri_ (_lachend_). Beter dan in den persoon?

_Helena._ O nee, dat niet -- (_hem glimlachend aanziend_) daaraan mag ik
nog niet toe zijn, -- (_weer naar de schilderij gekeerd_) maar ja, in het
algemeen geloof ik wel, dat de kunst zuiverder is dan de kunstenaar zelf.

_Henri._ O ja -- ze vallen tegen in 't gebruik!

_Helena._ Och, dat zegt u nu maar alleen, om een complimentje te krijgen --
maar mijn beste compliment is toch mijn belangstelling voor uw kunst --
want dat is toch in ieder geval het beste in een kunstenaar.

_Henri._ Nee maar zeker, zeker -- dat geloof ik ook, -- en daarom kan een
kunstenaar zelf nooit meevallen: het beste in hem kennen de menschen al.

_Helena_ (_nog in de schilderij verdiept, mijmerend_). Toch misschien niet
altijd, -- (_zich plots omkeerend_) maar mijnheer van Bergen: wij vergeten
de les! (_zij doet haar hoed af, legt haar handschoenen weg en bereidt zich
ijverig voor op den arbeid; even vrouwelijk vleiend_). Misschien zou ik
mogen beginnen met een schets van uw eigen werk -- ? dat zou ik graag --
dan zoudt u mij meteen daar juist enkele dingen in kunnen wijzen...

_Henri_ (_die haar reeds een portefeuille en papier heeft gegeven, dat zij
op haar schoot neemt, zet een tabouret met verdere benoodigdheden bij
haar_). Dat is best -- ja, dat is best. -- (_Helena begint nu te teekenen,
voor de schilderij gezeten, terwijl Henri achter haar is komen staan, met
één voet op een spaak van de tabouret, terwijl hij, over haar heengebogen
en enkele hoofdpunten aanwijzend, tevens met verwondering en
nieuwsgierigheid op haar neerziet; op dat oogenblik komt Nellie met stoffer
en blik uit de keukendeur om een rest van de gebroken koppen op te vegen,
-- zij ziet even naar hen beiden, die haar niet opmerken, knielt dan om te
vegen, waarop Henri bij het geluid van het blik verstoord omkijkt en haar
met een barschen wenk terugwijst; aarzelend wijkt Nellie naar het
keukentje_).


_Scherm._



TWEEDE BEDRIJF


_Het zelfde atelier. De rechtsche figuur op de schilderij schijnt voltooid,
de houding van de linksche figuur is duidelijker aangegeven._


EERSTE TOONEEL

_Henri, daarna Marie._

_Henri_ (_hij heeft juist iets op den achtergrond der rechtsche figuur
voltooid, legt zijn penseelen neer en bekijkt aandachtig de schets aan de
linker zijde, dan haalt hij een kanten zakdoekje uit zijn binnenzak, ruikt
er even aan en speelt er mee. Hij neuriet zacht: "l'Amour est enfant de
Bohème" als juist geklopt wordt. Hij schrikt op, steekt het zakdoekje weer
in zijn binnenzak en neemt weer een penseel ter hand_). Ja!

_Marie_ (_een paar jaar ouder dan Henri; een wat magere en spichtige, doch
nog niet onaannemelijke huwelijkscandidate; zij heeft een lange dunne
parasol met een handtaschje in de eene hand en houdt met de andere de deur
half open; -- naar binnen rondkijkend_).

_Henri_ (_daar hij niets hoort binnenkomen, omziende_). Oh -- ! -- ? (_hij
legt palet en penseelen neer en draait zich van den ezel af_).

_Marie_ (_verder binnenkomend_). Hè -- goddank ben je alleen, ik was bang
zoo'n model of zoo'n schilder bij je te vinden.

_Henri_ (_luchtig_). O, daar hoef je je anders niet voor te geneeren.

_Marie_ (_verontwaardigd_). Mij "geneeren" -- ? Ik mocht hèn eens geneeren,
m'n beste.

_Henri_ (_als boven_). O, daar is geen kans op.

_Marie_ (_haalt kribbig haar schouders op en loopt even aarzelend
nieuwsgierig een paar schilderijen langs_). Hè, wat schilder jij
tegenwoordig toch verschrikkelijk immoreel -- ! (_onder het kijken, terwijl
Henri haar spottend met de oogen volgt_). Vroeger hield ik zoo van je
stukken, maar nou -- -- kijk nou -- ! (_voor een brutale naaktfiguur_).
Nee, maar Henri! (_oprecht verontwaardigd_) nee, maar dat kan je toch niet
-- dat -- dat exposeer je toch niet -- met je eigen naam -- met -- -- oh!
(_zij keert zich met een snellen blik over een paar andere schilderijen af
en gaat op de rustbank zitten_).

_Henri_ (_met de armen over elkaar_). Je komt toch niet alleen voor
kritiek, lieve zus?

_Marie_ (_met wat meer warmte_). Nee -- ik kom om te praten, -- we moeten
es samen praten.

_Henri._ "Samen praten?" -- (_even verrast slaat hij op, en zet zich half
spottend, half gemeenzaam naast haar_).

_Marie._ Ja, Henri -- we moeten es samen praten (_zij prikt met haar
parasol in 't kleedje_). Ik heb juist gisteravond met mama een gesprek
gehad -- een gesprek over jou, en -- -- over mij. (_Henri spitst zich en
ziet haar van schuin op zij aan_). -- Ja, als ik je nou een verzoek mag
doen, wees dan alsjeblieft ernstig.

_Henri._ Maar ik ben volkomen ernstig! -- Ik hoor!

_Marie_ (_vertrouwlijker_). Henri, je wordt nu gauw dertig...

_Henri._ Ah -- !--

_Marie_ (_zachter_). En ik -- -- (_zij prikt met haar parasol in 't
kleedje_).

_Henri_ (_haar laatste woorden niet hoorend, luchtig_). Dertig -- nou, dat
is een mooie leeftijd!

_Marie._ Je weet wel wat ik bedoel, Henri, een man van dertig moest
eigenlijk getrouwd zijn.

_Henri_ (_met een hoofdknik opstaande, alsof hij wel wist wat haar bezoek
bedoelde, in denzelfden toon van haar voortgaande_). En een vrouw, een
vrouw van...

_Marie_ (_hem gegriefd aankijkend, bitter_). Ja -- een vrouw natuurlijk ook
-- een vrouw -- -- maar dat is niet mooi van je, om dat zoo te zeggen! Jij
bent een man, en voor een man is dat wat anders. Wij vrouwen moeten
wachten, en jullie -- jullie kunt uitzien en zoeken -- (_bitterder_). O,
jullie mannen kunt doen wat je wilt, jullie leeft er maar op los -- jullie
geniet maar!

_Henri_ (_schamper_). Genieten -- genieten -- !

_Marie._ Zeker "genieten". Maar natuurlijk erken je dat niet en ben je er
niet dankbaar voor -- daarvoor ben je een man. Je mocht er mama wel op je
knietjes voor danken, dat je door haar hulp je altijd zoo vrij hebt kunnen
bewegen, en altijd alles hebt kunnen doen. Jìj hebt je niet te bekommeren
om de wereld, jìj hebt niet -- jij hebt niet -- -- (_zich inhoudend en
zenuwachtig met haar parasol in het kleed prikkend_). Ach -- jullie!

_Henri_ (_zachter_). En kom je me dat nu eigenlijk vertellen?

_Marie_ (_zich herstellend_). Nee, -- ik kom je iets vragen: -- ik kom je
vragen om met mama en mij een invitatie van tante Jet aan te nemen, om de
volgende maand een paar weken op haar buiten te komen logeeren. Lientje --
je weet wel, waar je vroeger zoo dol op was, (_zachter_) en waarvan ik
weet, dat ze jou erg, héél erg graag mag lijden, -- Lientje is nu uit 't
buitenland voor goed bij tante terug, en Arie komt er ook over een paar
weken, met verlof uit Indië, -- -- het zou heel aardig kunnen zijn -- héél
aardig!

_Henri._ Arie -- ? Arie -- van wien ze zeggen, dat hij in Indië zoo zwaar
geleefd heeft -- !?

_Marie_ (_afwerend_). Ach, dat is allemaal onzin! -- Ze leven daar in Indië
misschien wat -- wat vrijer, maar daarom hoef je nog niet aan al die
lasterpraatjes te gelooven! -- Maar (_ietwat vleiend_) -- zeg nou es Henri,
is dat nou werkelijk niet een aardig plan? Je weet, tante is altijd
bizonder op jou gesteld -- de invitatie geldt misschien in de eerste plaats
jou! -- de heele logeerpartij hangt van de aardige stemming af -- en van
jouw komen vooral -- , zou 't niet aardig kunnen zijn, zeg -- ?

_Henri_ (_kregel_). Ach! mama en jij met jullie plannetjes! Ik ben niet
voor die dingen; en Arie...

_Marie_ (_in de rede vallend_). Papa had ook altijd zoo met tante en
Lientje op.

_Henri_ (_ernstig_). Laat papa er maar buiten Marie, -- je weet heel goed,
hoe papa over zoo'n plannetje zou denken; en wat Arie betreft...

_Marie_ (_in de rede vallend_). En Lientje! -- jij wàs toch altijd zoo op
haar, voor ze naar 't buitenland ging?

_Henri_ (_schouderophalend_). Lientje was een lief gansje, en zal dat wel
altijd gebleven zijn. Ik bèn niet geschikt voor die dingen -- ik moet
wérken, ik heb toch waarachtig wel beter dingen te doen, mooier dingen --
belangrijker dingen!

_Marie_ (_met een blik naar de schilderij_). Waarom "belangrijker" -- ?

_Henri._ Wel godallemachtig -- "waarom?" "waarom?"

_Marie_ (_verbeten zuchtend_). Ach ja, natuurlijk weer bezwaren -- altijd
bezwaren, wanneer 't geldt mama en mij es een pleizier te doen! (_na een
pauze op anderen toon_). En jij zelf Henri -- je moet toch ook aan je zelf
denken. De tijd van partijtjes en dineetjes is nou toch voor ons voorbij --
en (_spijtig_) van mijn vriendinnen heb je je nooit iets aangetrokken, --
Lientje...

_Henri_ (_schamper in de rede vallend, door de kamer stappend_). Nee, dat
zal waar zijn -- wat heb ik ooit aan die vertooningen gehad -- met die
droge vriendinnen van jou. Mijn hemel (_hij bromt wat voor zich heen_) --
en dat teint, en die conversatie -- nou!

_Marie_ (_opspringend_). Henri, ik verbied je zoo te spreken! Ik heb genoeg
aardige meisjes in huis gebracht, -- maar als Jeanne, als Tilde -- -- ha!
jij mocht willen dat...

_Henri._ "Als Jeanne, als Tilde"? (_zijn schouders ophalend_). Ik heb er
nooit wat bizonders aan opgemerkt. Ach maar beste Marie, wat heb jij nou
ooit voor aardigs en bizonders in huis gebracht?

_Marie._ En jij, jij -- ? wat heb jij dan in huis gebracht? jij, met je
onmogelijke kornuiten, met "die schilders"! Mama geeft me daarin volkomen
gelijk -- en papa zou me zeker ook gelijk geven.

_Henri._ Neen, papa zou je zeker niet gelijk geven -- als papa nog leefde.

_Marie_ (_na korte pauze_). Nu, denk er nog eens over Henri, het hoeft ook
niet dadelijk beslist, het is pas voor de volgende maand, maar mama en ik
hopen hartelijk, dat je gaat (_een flacon uit haar taschje nemend_). Mama
heeft me wat voor je meegegeven, en gezegd, dat ik 't zelf op je waschtafel
moest zetten (_naar de slaapkamerdeur gaande_). Mag ik dan meteen eens
zien, of alles daar in orde is -- ?

_Henri._ Heel lief -- heel lief.

_Marie_ (_even weifelend bij de deur_). Kan ik -- ?

_Henri._ O zeker, ga je gang, -- ga je gang -- geen geheimen hoor. (_Marie
verdwijnt in de slaapkamer, terwijl Henri met zijn handen in zijn
broekzakken voor den ezel gaat zitten en zingt_):

  "l'Amour est enfant de bohème
  Elle n'a jamais connu des lois
  Et quand je t'aime prends gàààrrde..."


TWEEDE TOONEEL

_Henri, Nellie, daarna Marie._

_Nellie_ (_heeft, als Henri begint te zingen, haar hoofdje om de deur
gestoken, en is op haar teenen naar binnen gekomen en tot vlak achter hem
genaderd, als hij juist met een operastem "prends garde" zingt, -- waarbij
ze als verrassing haar eene hand voor zijn oogen, de andere voor zijn mond
houdt. Hij spartelt even wanhopig maar voorzichtig, om geen leven te maken,
tegen, waarbij Nellie hem juist op zijn kruin zoent, als Marie uit de
slaapkamer komt, een grasgroen directoire broekje tusschen duim en vingers
voor zich uithoudend_).

_Marie._ Maar Henri -- ! Wat is dat -- !? (_Nellie ziende_). Oh -- ||
(_algemeene ontsteltenis, waarbij Marie het broekje op de rustbank laat
vallen en naar haar parasol grijpt, terwijl Nellie zich achter Henri bij
den ezel opstelt_).

_Henri_ (_die zich half zenuwachtig, half ingehouden vroolijk, op de lip
bijt_). Mag ik eens voorstellen...

_Marie_ (_hem voorkomend_). O -- neem me niet kwalijk -- ik wist niet -- ik
-- (_met een vluchtig stijf buiginkje naar de deur gaande, waar Henri haar
inderhaast uitgeleidt_).


DERDE TOONEEL

_Henri, Nellie._

_Nellie_ (_verbaasd_). Wat was dat voor een mensch -- ?

_Henri_ (_uit zijn humeur_). Dat mensch was mijn zuster.

_Nellie_ (_wat onthutst_). Oh -- ! je zuster -- ! -- ?

_Henri._ Ja, wat duvel kom je dan ook zoo binnen! -- Waarom kom je nù al --
je zou toch komen na de les? -- Je hebt hier nog heelemaal niet te zijn!

_Nellie._ Nou, word maar niet zoo boos, -- dat kan ìk toch niet helpen, dat
juist dat men... dat je zuster hier was. Ik kwam maar even oploopen, omdat
ik in de buurt moest wezen bij Mien -- 't is nou toch nog geen tijd voor je
les met die leerling, -- die -- hoe heet ze ook weer -- ?

_Henri._ In ieder geval had je eerst kunnen kloppen, dan had ik je kunnen
zeggen, dat er iemand was.

_Nellie._ Och, je was toch aan 't zingen -- ! en--

_Henri_ (_opnieuw verontwaardigd over de scène van daar straks_). En dan
ook altijd die uitbundige manieren van jou! (_het broekje op dezelfde
manier als zijn zuster tusschen duim en vingers nemend_). Dat is van jou,
geloof ik.

_Nellie._ "Geloof ik" -- ? "geloof ik" -- ! Ja natuurlijk is dat van mij --
dat weet je toch waarachtig ook wel! -- Ha! het moest ook eens niet van mij
zijn! -- "Geloof ik" -- ! -- Draagt je nieuwe leerling ze dan ook zoo -- ?

_Henri._ Hou je mond! Wat is dat nou weer voor ordinairheid! -- Wat duvel,
jij met je grove manieren! -- Wees toch een vrouw! Wees toch een nette
vrouw! Probeer toch eens eindelijk een "dame" te zijn! (_hij heeft het
broekje onderwijl verfrommeld en gooit het op de rustbank_).

_Nellie_ (_wat kleintjes_). Ja, zoo'n "dame" als je nieuwe leerling kan ik
niet wezen.

_Henri._ Dat is onzin! Die nieuwe leerling heeft er niets mee te maken, --
iedere vrouw kan een "dame" zijn -- als ze maar wil.

_Nellie._ Och Henri, hoe kan ik nou een "dame" zijn, voor een "dame" moet
je geld hebben, en fatsoenlijk wezen -- dàt is een "dame!"

_Henri._ Ach, jij met je eeuwige gezanik over fatsòènlijk en ónfatsoenlijk!
-- Er bestaat eenvoudig geen fatsoen -- wat is nou fatsoen -- ! Het eenige
kenmerk van een fatsoenlijke vrouw is, dat je nooit aan haar kunt zien, dat
ze niet fatsoenlijk is -- begrijp je?

_Nellie._ Nee, dat begrijp ik heelemaal niet.

_Henri._ Dat is toch anders zoo eenvoudig als ik weet niet wat: -- je kunt
toch wel "spélen!" Je kunt je toch wel fatsoenlijk bewegen! en fatsoenlijk
spreken! en fatsoenlijk doen! -- -- toch nàdoen?

_Nellie._ Nee -- nee -- ik kán niet spelen en ik wìl niet spelen -- en ik
ben zooals ik ben!

_Henri._ Dat is onzin -- dat is naïeve aanstellerij: je hèbt eenvoudig niet
altijd te zijn zooals je bent! Iedereen speelt een rol, en een vrouw...
mijn hemel, wat is nou een vrouw, die geen comedie kan spelen! Dat is zelfs
het kenmerk van beschaving -- (_doceerend_): het kenmerk van beschaving is,
dat iedereen "netjes speelt."

_Nellie._ Och, dat is flauwe kul!

_Henri_ (_haar niet hoorend, tevreden zijn vondst bij zichzelf herhalend_):
"netjes speelt" -- juist: "netjes speelt" -- (_tot Nellie_). Wat zei je?

_Nellie._ Och Henri, je weet wel, dat ik voor die dingen geen begrip heb.

_Henri._ Nee, dat is het juist: "je hebt geen begrip!" -- Geen begrip van
comedie tenminste, -- daarom zit er ook geen kunst in je. God! ìk zou wel
voor "dame" kunnen spelen -- (_hij doet gemaakt aanstellerig zijn zuster na
en tript met een stijf buiginkje voor Nellie nuffig naar de deur_).

_Nellie_ (_lacht_). Gekke vent!

_Henri_ (_komt meelachend op de rustbank naast haar zitten. Stilte_).

_Nellie._ Zeg Han, hoeveel maal komt die leerling nou wel in de week?

_Henri._ Denk je, dat ik dat opschrijf! -- Zij komt -- wanneer ze komt.

_Nellie._ Nou -- Herman had net zoo goed leerlingen, -- die heeft er wel
drie, en die kwamen op een vast uur -- en die schreef het wel degelijk op,
hoor.

_Henri._ Zoo -- nou maar ik ben Herman niet.

_Nellie._ Maar, je moet het toch ook opschrijven voor -- voor de rekening?

_Henri_ (_proestend_). De rekening! "de rekening!" Ha, ha! die is goed!

_Nellie._ Nou -- is dat zoo gek?

_Henri._ Ach mensch, ze kon mij net zoo goed een rekening sturen! -- Ik
geef haar soms wat les, jawel, maar ze weet er waarachtig genoeg van --
theoretisch tenminste -- en ik leer zèlf, ik heb zelf veel aan haar (_heen
en weer loopend, meer voor zich redeneerend_). Dat is nou eens een nieuwe,
een bizondere vrouw -- dat is een verschijning! -- Een mensch moet altijd
weer nieuwe ideeën, nieuwe gevoelens op zich laten inwerken, als een
sproeibad -- dat heb ik noodig! Een mensch moest eigenlijk telkens weer in
nieuwe vormen kunnen opleven -- -- niet na je dood -- maar zóó: je moet je
altijd metamorphoseeren (_voor haar staan blijvend_). Zie je Nellie, dat
noem je metamorphose: "mètàmòrphóse" -- (_afbrekend_) enfin, dat begrijp je
toch niet!

_Nellie._ Dat begrijp ik best! dat begrijp ik best! je wil eenvoudig weer
eens wat anders! Je hebt genoeg van mijn poseeren, en nou komt die
opgemaakte madam hier over de vloer, en zit je met haar te zaniken en thee
te zetten -- en -- dat mensch komt hier tegenwoordig elke dag!

_Henri._ En wat zou dat? -- Je vergeet eenvoudig -- omdat je daar geen
begrip van hebt -- dat ik schilder ben, "schilder!" -- begrijp je dat
Nellie? (_naar de schilderij gaand_). Dààr geef ik om, dààr leef ik voor,
dààr gaat het hier om! -- Ik heb die vrouw noodig, ik zie daar dingen in,
die ik kan gebruiken -- dat is een gezicht, dat is een "gelaat, dat
strààlt" begrijp je: "waar licht uit komt!" Ik heb lìcht noodig -- en die
vrouw is mooi, begrijp je -- mooi -- "mooi"!

_Nellie_ (_even wat onthutst_). Mooi? mooi -- ? Ben ik dan niet mooi
genoeg? Heb je niet altijd opgegeven over mijn haar, en mijn lijf? Heb je
dan altijd weer anderen noodig voor je schilderijen? (_zich opeens
herinnerend_). En je hebt zelf verleden nog gezegd, dat ik er telkens zoo
anders uitzag! -- -- "Mooi?" -- nou, maar je maakt mij niet wijs, dat dat
mensch hier altijd alleen om te schilderen komt!

_Henri_ (_in den grond gevleid_). Poeh! wat een ideeën -- wat een ideeën!
-- En al kwam hier de heele wereld over de vloer, dan had je daar nog niks
niemendal mee te maken! Dacht je dan, dat ik altijd maar naar een en
hetzelfde gezicht kon zitten schilderen!? -- Och, dat is immers eenvoudig
te gek om los te loopen! -- Nee, lieve Nellie, sinds jij hier bent, komen
hier veel te weinig vrouwen -- dàt is de kwestie! Ik kàn niet schilderen
zonder vrouwen -- een schilder moet vrij zijn -- "vrij!"

_Nellie_ (_voor zich uit starend_). Je bent een harde man.

_Henri._ Hard -- !? Ha, ik wou, dat ik hard wàs! Ik ben juist heelemaal
niet hard -- niet hard genoèg. Ach God, ik ben juist veel te zacht: een
kunstenaar moèt hard zijn -- alle groote kunstenaars waren hard!

_Nellie._ En Herman dan?

_Henri._ Herman -- ? (_hij haalt zijn schouders op_).

_Nellie._ Nou, is Herman dan geen kunstenaar?

_Henri_ (_kregel_). -- Ach! -- (_luchtiger_). Ach ja, jullie, modellen,
snappen ook juist nooit iets van kunst, -- en van de moderne schilderkunst
nog minder, -- en van mij heelemaal niets.

_Nellie._ Nou, en je bent toch een harde man.

_Henri._ Maar God mensch, waar moet ik nou hard om zijn?

_Nellie._ Je bent voor vroùwen hard. Je hoèft niet altijd over vrouwen te
praten en over "vrij" zijn, -- als je van iemand houdt, dan màg je niet...
heelemaal vrij meer zijn! Nee! -- Jij doet maar, jij leeft maar, jij moet
maar vrij zijn -- en van mìj wil je niet, dat ik ergens meer poseer: ik mag
niet meer bij Herman komen, ik mag niet naar Willem, niet naar mijnheer
Hendriks -- .

_Henri_ (_na een kleine pauze_). God, ga je gang hoor.

_Nellie_ (_even in de war, dan driftiger_). Wat -- "ga je gang" -- ? -- Wat
zeg je -- ? -- O! dus het kan jou niets schelen hè, waar ik zit en wat ik
uitvoer! -- O ja -- dan ben jij des te vrijer hè? (_bijna in tranen_). Om
mìj heeft ie zich niet te bekommeren, als hìj maar doen en laten kan, wat
ie wil! -- Heb je dan nog niet genoeg gehad, vroeger -- met al die meiden?
O! jullie mannen hebt 't maar makkelijk -- jullie hebt geen gevoel, dàt is
't: jullie hebt geen gevoel!

_Henri_ (_wat onthutst over den uitval en de opkomende tranen_). Nou, nou
-- "makkelijk"! ìk "makkelijk"! (_hij zet zich op den stoel voor den
ezel_). Nee -- dàt kan je waarachtig niet van me zeggen hoor. Ik mag
misschien niet zoo zwaar op de hand zijn als jouw Herman...

_Nellie_ (_opstuivend_). "Mìjn Herman" -- !?

_Henri._ Nou ja -- als Herman dan, en sommige anderen -- maar makkelijk
(_hij draait zich om naar de schilderij_). Goddorie nee. Hoe lang zit ik
nou al aan dat ding, en ik kan er maar niet verder mee komen, nou ik met
jou haast klaar ben, -- hoe lang zoek ik al naar dat tweede naakt? En ik
kan 't toch niet zonder model -- ik kan 't toch niet uit mijn duim zuigen!
-- Maar ik zal zoeken, zoeken tot ik 't vind -- tot ik heb wat ik wil! Ah!
jij met je "vrouwen" -- ! Vrouwen? Ja natuurlijk -- dáárvoor, dáárvoor heb
ik ze noodig! -- ik kàn niet schilderen zonder vrouwen! -- Maar voor mezelf
-- ? (_zich weer tot Nellie keerend_). Ach lieve Nellie, ze zeggen zoo
dikwijls van mij, dat ik zoo op vrouwen ben, en -- er zooveel gehad heb. --
(_opstaande_). Ach, ik zou me misschien schamen om te zeggen "hoe weinig"
-- hoe weinig of ik waarachtig -- -- ha! als al die zoogenaamde Don Juans
eens dorsten opbiechten hoe weinig... (_hij blijft voor haar staan, en
opeens heftiger met saamgeknepen vuisten_). Maar begèèrd, begèèrd, zie je,
ja dàt heb ik -- altijd -- altijd -- "begeerd!" (_moedeloos weer op den
stoel voor den ezel vallend_) -- -- en daarom is 't leven zoo vermoeiend.

_Nellie_ (_verteederd, legt haar arm om zijn schouders_). Maar Han, nou
toch niet meer, nou heb je toch mij! nou hoef je toch niet meer zoo
onrustig te zijn. Kijk es, hoor nou es: als ik nou eens een heel nieuwe
pose aanneem -- je laat me ook altijd maar zóó liggen, maar...

_Henri_ (_zich wrevelig losmakend_). Ach nee, dat begrijp je niet. Het gaat
maar niet zoo om een willekeurig lijf! God, die zijn er genoeg, maar om een
nieuw "aspect," om een nieuw wézen -- om een "ziel," om iets dat bè-zièlt,
lieve Nellie, -- dát heb ik noodig!

_Nellie_ (_nadenkend_). Nou zal ik dan nog eens rondzien, en bijvoorbeeld
vragen of Ant es aankomt, die met dat mooie rooie haar, hè? die heb je hier
nog nooit gehad. Dàt is een mooie vrouw Han -- tenminste, voor een
schilder...

_Henri_ (_uitvallend_). Ach verdomd nee, dat bête gezeur over Ant en Lien
en -- -- Goddorie nog an toe, wat geef ik om de heele zooi! Dacht je dan,
dat ik daarmee opschoot, of ik de eene of de andere dooie hark daar heb
liggen!--

_Nellie_ (_geprikkeld_). O, ik begrijp 't heel goed hoor! ik begrijp 't
best: -- dat nieuwe mensch maalt je door je hoofd, en nou zijn wij -- nou
ben ik niet genoeg, hè! Nou maar...

_Henri._ En nou is 't uit met "dat mensch" dìt en "dat mensch" dàt! Ik
verbied je eenvoudig...

_Nellie._ Verbieden! verbieden! (_heftig, met weer opkomende tranen_). Ja,
ik zal me door jou laten verbieden! -- verbeel je! -- (_er wordt geklopt,
beiden kijken om_).


VIERDE TOONEEL

_Henri, Nellie, Oompje._

_Oompje_ (_zijn witte sik om de deur stekend_). Hm -- precies! precies, --
zoo hard aan 't vrijen? (_naar binnen schuivend_). Zijn jullie ook al zoo
ver me kinders? hè?

_Nellie_ (_naar hem toegaande en bij een mouw vattend_). Nou, hoort ù nou
es!

_Henri_ (_half gekscherend de andere mouw vattend_). Ja, hóórt u nou es!

_Oompje_ (_naar voren gehaald, kijkt hen de een na den ander over zijn
schouders aan en schudt zijn hoofd_). Nee, oompje heeft niets meer te
hooren (_zijn beide oogjes dichtknijpend_) Oompje weet er alles van, hm, --
hij heeft het zijn heele leven al gehoord -- dat is zoo de spe... (_hij
niest_) de specerij van de liefde me kinders, hm, -- maar dat komt terecht
-- gerust: dat komt altijd weer terecht! (_met een zucht_) àltijd weer
terecht.

_Nellie_ (_nog opgewonden_). Nou maar hìj--

_Henri_ (_spottend in denzelfden toon_). Nou maar zìj--

_Oompje_ (_hen om beurten aankijkend_). Hm, "nou maar ik!" Precies! ik mag
wel zeggen "nou maar ik" -- want oompje zit er leelijk tusschen.

_Henri en Nellie._ Wat is er dan? Wat is er dan?

_Oompje._ Oompje heeft geen centen mekinders (_ze laten hem los_). Nee! Het
is niet voor mìj hoor, -- jullie weet hoe ik leef hè: kalmpjes an met m'n
pijpie, en, (_zijn neus wrijvend_) een heel enkele keer mag 't es een
borreltje zijn (_de een na den ander aankijkend_) -- ja, God, in mìjn tijd
hè, toen waren we nog niet zoo geheelonthouders hè, toen lustten we 'm nog
wel es, zie je -- maar afijn -- -- nee, waarachtig voor mij is 't niet. Hm.

_Henri_ (_meesmuilend_). Nee natuurlijk, dat weten we wel.

_Oompje._ Precies! Voor mij is 't niet -- maar voor Cor. (_vertrouwelijk
tot Henri_). Hm, Cor vraagt, of je misschien es eventjes tijd had, om
beneden te komen. Ze zou je zoo graag es effen spreken, -- (_hem met den
vinger dreigend_) ja jongeheer, zij heeft een zwak voor jou! -- 't Is voor
hààr, zie je -- of eigenlijk is het voor ... e, voor dat kind, zie je. Ze
heeft berichten gekregen -- hm, het is nou op eens weer minder goed
geworden, en nou maakt ze zich zoo belabberd over dat wurm en nou wil ze er
met alle macht heen -- dat is de choos. Maar oompje heeft geen centen --
dat is m'n zwakke punt, hm, en nou maakt ze zich zoo overstuur -- enne --
afijn -- als je nou misschien es een oogenblikkie had, om naar beneden te
komen en haar wat te kalmeeren -- enne...

_Henri_ (_korzelig_). Jawel, jawel -- ik zal wel even meegaan (_hij reddert
wat bij den ezel en veegt een paar penseelen uit_).

_Nellie._ Och, is Cor zoo overstuur? Is 't kindje dan zoo erg ziek? Zou 't
dood gaan, denkt u?

_Oompje._ Ach, ze zit beneden te grienen om dat wurm, of 't heel wat is,
maar 't is zoo dikwijls ziek, -- ik voor mij, ik moet zeggen, zie je -- ik
mag lijden dat -- -- hm...

_Nellie_ (_die onderwijl in haar beursje gezocht heeft, aarzelend_). Zou u
dat misschien aan Cor willen geven -- ? Dan kan ze er misschien wat van
meenemen voor 't kindje, hè -- wil u -- ?

_Oompje_ (_het geldstukje nemend_). O -- dat is heel lief me kind -- heel
lief, hoor (_hij bekijkt het geldstukje met zijn bijziende, knippende oogen
en steekt 't in zijn vestjeszak_). Ik zal er aan denken hoor, hm -- . Heel
lief! (_hij heeft Nellie's hand genomen en geeft er een zoen op_) heel
lief!--

_Henri_ (_klaar met zijn penseelen_). Nou, zal ik dan even meegaan?

_Oompje._ Precies!

_Nellie_ (_oompje naroepend, die vóór Henri de kamer uitgaat_). Doet u mijn
groeten aan Cor -- ? en het beste met 't kindje, hoor -- ! zal u 't aan
haar zeggen -- ?

_Henri_ (_zich in de deur nog bedenkend, tot Nellie_). O ja, als -- e --
(_aarzelend_) als intusschen die leerling van me mocht komen, dan -- e --
dan doe jij wel open!

_Nellie_ (_verward_). O! -- ja -- wel -- ik zal wel open doen.


VIJFDE TOONEEL

_Nellie, daarna Helena._

_Nellie_ (_komt langzaam van de deur terug en blijft nadenkend voor de
schilderij op den ezel staan, dan gaat ze snikkend op de rustbank zitten,
en veegt met het broekje, dat daar nog is blijven liggen, haar tranen weg.
Er wordt geklopt, zij krimpt ineen, -- als er voor de tweede maal geklopt
wordt, springt zij op, veegt gauw over haar gezicht, ziet dan naar het
broekje in haar handen en gooit het verfrommeld in een hoek achter een
ezel, dan kijkt ze angstig naar de deur en roept weifelend met een klein
stemmetje_) Binnen!

_Helena_ (_in vroeg voorjaarstoilet met bonten boa. Na even een aarzelenden
blik in 't rond_). O -- bent u zoo vriendelijk mij te ontvangen voor
mijnheer Henri?

_Nellie_ (_terwijl Helena het atelier binnenkomt, wat terugwijkend_). Hij
komt dadelijk.

_Helena._ Ach -- u bent zeker (_zich kalm op de rustbank vlijend, met een
oog over de schilderij op den ezel_) -- ik geloof, dat ik u herken als de
trouwe helpster van mijnheer Henri?

_Nellie._ Ik ben zijn model.

_Helena._ Ach ja, hij heeft mij van u gesproken: juffrouw -- juffrouw
Nellie, niet waar? Ja (_haar vriendelijk opnemend_) u heeft ook wel een
bizonder figuur voor poseeren -- ja, ik schilder zelf ook, -- en poseert u
al lang?

_Nellie._ O -- ja.

_Helena._ En -- bevalt het u te poseeren? Houdt u er van te poseeren?

_Nellie._ O -- jawel.

_Helena_ (_met warmte pogend haar aan 't praten te krijgen, naar de
schilderij ziende_). Ziet u, juffrouw Nellie, dat lijkt mij nu het bizonder
mooie van het poseeren: -- u helpt als het ware mee, om iets moois te
scheppen -- u geeft iets moois van u zelf aan een kunstenaar -- iets moois,
dat hij zonder u niet kan verwerkelijken, -- -- weet u wel dat ik eigenlijk
heel jaloersch op u moest zijn?

_Nellie_ (_heeft van de rechtsche tabouret haar hoed genomen, dien zij voor
het spiegeltje, op zij van den ezel hangend, wil opzetten; ongeloovig
verrast_). Op mij -- ?

_Helena._ Ja zeker, op u -- (_merkend dat zij zich gereed wil maken te
vertrekken_). Nee maar, wilt u mij nu al alleen laten juffrouw Nellie --
dat vind ik heelemaal niet aardig! Toe, houdt u me nog wat gezelschap --
(_op haar aandringen en terwijl zij zelf zich van hoed en boa ontdoet, gaat
Nellie met den hoed in haar handen bij de tafel zitten_). Ik stel belang in
uw werk en in dat van mijnheer Henri; ik zou graag met u -- ik zou graag
weten -- -- o! ik zou graag een heeleboel van u willen weten! Ik
interesseer mij voor uw vak ziet u, en voor alles wat een schilder raakt.

_Nellie_ (_met een wantrouwenden blik_). Wat komt u hier dan eigenlijk
doen?

_Helena_ (_glimlachend_). Wat ik doen kom? Wel, ik kom les nemen -- ik
schilder zelf, maar ik kan nog heel wat van mijnheer Henri leeren. O, ik
bewònder zijn kunst! hij schildert prachtig het naakt -- en de heele
verbeelding, die hij daarin legt -- , en het naakt is toch eigenlijk het
hoogste in de schilderkunst. Ja, en een deel van die schoonheid dankt hij
zeker aan -- aan zijn model, aan u -- en daarom stel ik ook belang in u.

_Nellie._ Maar -- mijnheer Henri heeft het heel druk! -- hij moet veel
werken, en -- hij moet véél werken!

_Helena_ (_op haar spraakzaam worden met denzelfden toon ingaande_). O ja,
maar ik kom ook -- ik mag ook maar niet zoo dikwijls komen! Nee, daar zorg
ik wel voor: wij moeten bij een kunstenaar zijn tijd respecteeren. Maar --
(_lachend den aanval keerend_) ik hoor mijnheer Henri zoo dikwijls over ù
spreken: -- respecteert u zèlf zijn tijd wel?

_Nellie._ Ik -- ?

_Helena._ Ja, ja, dat mag ik wel vragen: -- als ik mijnheer Henri zoo
dikwijls hoor zeggen, dat hij u wacht...

_Nellie._ Maar ik ben zijn model!

_Helena._ Jawel -- maar hij zal toch niet altijd schilderen? En verleden
hoorde ik hem zelf klagen over heeren en dames, die hem telkens zoo van
zijn werk afleidden -- ja, en ik geloof de dames vooral!

_Nellie_ (_minachtend_). Maar ik ben volstrekt geen "dame"!

_Helena_ (_zich even verslagen voelend_). Geen... nee -- o, maar in dien
zin ben ik ook eigenlijk volstrekt geen dame, juffrouw Nellie. Nee, nee, u
moet mij heelemaal niet als zoo'n "dame" beschouwen. U meent zeker, dat ik
zoo'n rijke vreemdelinge ben, zoo'n Amerikaansche juffrouw of zoo, hè? Nee
-- u moet maar denken, dat ik -- dat ik een zwerfster ben door de
kunstenaarswereld -- zoo maar een verschietend sterretje -- een -- ziet u,
ik ben eenvoudig zelf schilderes -- en ook wel eens model -- -- enfin,
eigenlijk net zooals u.

_Nellie._ Poseert u dan ook?

_Helena._ O dikwijls! dikwijls! Ja, daar weet ik alles van; die vermoeiende
standen, hè -- en op 't laatst weet je je niet meer te houden, en dan wil
je tòch, hè? En dan de heerlijkheid van er even uit te komen -- -- (_zij
rekt zich behagelijk. Als Nellie haar ongeloovig aanziet_). Gelooft u me
niet?

_Nellie._ Poseert u dan ook voor naakt model. -- ?

_Helena_ (_een moment verwonderd_). Nee-ee, nee dat nu niet -- dat niet
bepaald, -- maar dat vind ik nu eigenlijk van minder belang, is 't niet:
gekleed of ongekleed.

_Nellie_ (_met geringschatting_). Oh!

_Helena._ Maar ik schilder zelf veel naar naakt model, ziet u. Ja --
eigenlijk had ik u juist willen vragen, of u niet eens voor mij zoudt
willen poseeren?

_Nellie._ Ik -- !? (_zij staat verontwaardigd op en wil haar hoed opzetten
om te vertrekken_).

_Helena._ Maar daar moogt u toch niet zoo verwonderd over zijn, juffrouw
Nellie? Ik schilder heusch al zoo lang -- wij zijn toch, om zoo te zeggen,
van hetzelfde vak.

_Nellie._ Ik poseer niet voor dames.

_Helena._ Maar ik heb u immers al daareven gezegd, dat ik heelemaal niet
zoo'n "dame" ben, ik ben...

_Nellie._ En bovendien wil Henri -- wil mijnheer Henri volstrekt niet, dat
ik voor iemand anders dan voor hem poseer -- volstrèkt niet!

_Helena._ O maar wat dat betreft, dat zal -- mijnheer Henri wel goed
vinden.

_Nellie_ (_dringend_). En dat wou ik u in vertrouwen nog wel even zeggen:
mijnheer Henri is gevaarlijk -- een gevaarlijke man voor vrouwen, voor
dames, past u maar op voor hem!

_Helena_ (_glimlachend_). Gevaarlijk!? -- Ja, dat heb ik ook al wel gemerkt
(_lachend_). Ja, een beetje gevaarlijk is hij misschien wel -- .

_Nellie._ Ja, daar hoeft u niet zoo om te lachen -- hij is een echte
vrouwenverleider, hoor!

_Helena_ (_haar poging om Nellie voor zich in te nemen opgevend, --
langzaam met een spottenden glimlach_). En als ik nu juist eens verleid
wilde worden -- ?

_Nellie_ (_versteld_). Wat zegt u -- ! -- ?


ZESDE TOONEEL

_Nellie, Helena, Henri._

_Henri_ (_binnenkomend_). Ach! neem me niet kwalijk, ik wist niet...

_Helena_ (_nog lachend om haar laatste woorden op hem toegaand_). Ah -- !
mijn vriend!

_Henri_ (_innemend_). Neem me niet kwalijk, maar ik moest juist even
beneden bij een kennis zijn. Heeft Nellie je goed ontvangen? (_gekscherend
tot Nellie_). Heb je de "honneurs" goed waargenomen Nellie?

_Helena._ O, juffrouw Nellie heeft me heel lief gezelschap gehouden -- wij
hadden het juist over jou.

_Henri._ Over mij -- ?

_Helena._ Ja -- juffrouw Nellie waarschuwde me ernstig voor je
gevaarlijkheid -- (_lachend_) voor je mànnelijke gevaarlijkheid!

_Nellie_ (_ziet haar verontwaardigd aan; zij is intusschen op de rechtsche
tabouret naast den ezel gaan zitten en steekt het haar wat vaster om haar
hoed op te zetten, waardoor zij, met opgeheven armen en wat
achterovergebogen, een overeenkomstige houding heeft met de rechtsche
naaktfiguur, -- terwijl Helena gedurende de volgende woorden op de linksche
tabouret naast den ezel gaat zitten en, met de handen in haar schoot naar
Henri opziende, een houding heeft, die eenigszins met de schets der
linksche naaktfiguur overeenstemt_).

_Henri_ (_die tusschen hen voor den ezel is komen staan, half korzelig,
half gevleid glimlachend_). Ach, wat een onzin! -- Nee, wat een onzin! Ik
gevaarlijk?! (_boozig tot Nellie_). Wat heb je juffrouw Helena nou voor
gekkigheid op de mouw gespeld? Ik gevaarlijk! -- Nee (_tot Helena_): er
bestaat maar één groot algemeen gevaar -- en dat is de vròùw -- , dè vrouw!
-- (_hij kijkt van hen naar de schilderij en ziet plotseling in hun houding
zijn naaktfiguren; verrast_). Kijk! -- Ah! -- Blijf zoo zitten -- blijf
zitten! (_een stap terugdoend_). Ah! dat is -- -- (_Helena en hij zien
elkaar, na een snellen blik van haar naar de schilderij, een oogenblik
strak aan en alle drie begrijpen zij tegelijk de plotselinge gedachte. Een
moment zijn alle drie verward, dan haalt Henri een schetsboekje uit zijn
zak, en doet nog een stap terug_). Even! -- éven maar! -- blijf zitten --
(_hij maakt een vlugge krabbel van Helena, terwijl Nellie stil opstaat en
naar de deur treedt, hetgeen Henri ternauw bemerkt, en slechts even met de
hand doet terugwenken_). Nee, blijf nou zitten (_doorteekenend_) -- zoo
zitten (_hij teekent verder_) zoo -- zoo (_Helena en hij zien eerst verrast
terzijde, als Nellie de deur achter zich sluit_).


ZEVENDE TOONEEL

_Helena, Henri._

_Henri_ (_wat onthutst zijn boekje opbergend_) Ah -- ! -- ? (_hij doet een
paar stappen naar de deur, maar wendt zich dan tot Helena_). "Voilà la
femme!"

_Helena._ "Voilà l'hòmme!" -- jullie zien altijd de vrouwen als theoretisch
allemaal 't zelfde.

_Henri._ Maar in de practijk proeven wij ze apart!

_Helena._ Nee -- wees nu niet zoo cru.

_Henri_ (_wrevelig voor zich heen_). En wat valt er nu aan haar te proeven
(_half tot Helena_). Wat heb je aan die modellen après tout!

_Helena._ Dat mag je niet zeggen! Ik vind dat een heel lief, naïef kind.
Het was een heel ding voor haar me hier gezelschap te houden -- nee, je mag
niet zoo cru zijn!

_Henri._ Juist cru! De dingen zeggen, zèggen -- en niet alleen dènken! Wat
zou de wereld verder zijn, als iedereen maar zei wat hij dacht --
(_zachter, met een zucht_) en wat zouden wìj verder zijn.

_Helena_ (_ontwijkend_). O nee -- nee, de menschen zouden veel te veel
schrikken.

_Henri._ Laat ze dan maar eens schrikken en door elkaar geschud worden! O,
die eeuwige conventie! -- Het is soms als watten, als een wolk die op de
wereld ligt, -- zij hangt over de menschen en dekt ze toe -- ons allemaal!
Zie je, ik voel me soms als mensch en als kunstenaar te kort gedaan door de
conventie, beschadigd, gekortwiekt aan mijn vrije ziel -- gedeukt en
gedrukt -- ja, gedrukt vooral! als een dier gevangen onder een net! Wij,
conventioneele menschen, kunnen de wereld en de hemel, en Onze Lieve Heer
er bij, alleen nog maar zien door de mazen van het net -- door vierkantjes!
-- alles door vierkantjes!

_Helena._ Ja -- zoo voel ik het ook dikwijls, daar heb je gelijk in.

_Henri._ En, zie je, ik geloof soms, dat dat de eenige taak, de hoogste
taak van een kunstenaar is -- of van 't genie in 't algemeen: het
dóórbreken van de conventie. Wat hebben alle grooten eigenlijk anders
gedaan, alle genieën en denkers en kunstenaars, dan een scheur te geven in
het net, en er boven uit -- -- o! er boven uit te komen!

_Helena._ Ja, ja -- dat moet jij ook!

_Henri_ (_peinzend_). En dat is 't mooie van de vrouw: jullie zijn soms
meer dan wij "er boven uit" -- jullie dùrven soms meer.

_Helena_ (_onzeker_). Ja -- soms.

_Henri_ (_haar onzekerheid bemerkend_). Tenminste -- ja, zie je, dàt is nou
wel 't mooie van zulke modellen, als die Nellie nou bijvoorbeeld, -- ah!
zulke kinderen kennen geen conventie, hè.

_Helena._ O nee Henri, zeg dàt niet -- nee, nee dàt is niet waar: juist
zij, juist die standen zitten vol met conventie en duffe begrippen!

_Henri._ Maar ik kèn haar toch, ik weet toch, hoe de meesten van hen denken
-- hoe vrij zìj bijvoorbeeld is, hoe...

_Helena._ Ah! ja, jij denkt alleen aan -- jawel, jawel in dat ééne opzicht:
het diertje, het ... nee, nee daarin ben je nu weer de echte man, die de
vrouwen maar allemaal over één kam scheert en te laag taxeert! Nee: juist
bij de vrije, zelfstandige en moderne vrouwen, juist in die tusschenlagen,
of hoe je 't noemen wil, vind je een eerlijkheid en een vrij zijn van
conventie...

_Henri_ (_onstuimig in de rede vallend_). Juist niet! juist niet! hoe kùn
je dat nu zeggen Helena! -- En jìj dan -- jij -- ! O, hoe zou je me kunnen
helpen! (_hij grijpt haar hand_) als je maar woudt -- en als jij óók maar
niet vastzat aan een conventie!

_Helena_ (_haar hand terugtrekkend, onzeker aanvallend_). Niet zoo cru,
Henri! niet zoo -- dat kan ik niet hebben -- ik ben nu eenmaal níet zoo'n
model -- ik voel nu eenmaal -- -- anders.

_Henri_ (_ietwat verschrikt aflatend_). O nee -- nee, natuurlijk. (_stilte,
dan zuchtend voor zich heen_). Ach! wat zijn jullie vrouwen subliem
onlogisch!

_Helena_ (_onzeker_). Wij zijn misschien spontaan -- maar er is een
vrouwlijke spontaniteit, die hooger gaat dan jullie mannelijke logica.

_Henri_ (_met zijn handen in de zakken voor de schilderij_). Nou ja, dat
zijn per slot maar woorden (_stilte_). Zie je, (_naar de figuur van Nellie
wijzend_) dat is af, aan haar kan ik niet meer doen. Dat is het naakt op
zichzelf hè, waar een kunstenaar niets meer bij te voegen heeft -- het
aesthetisch physieke naakt. Daarachter ligt niet meer iets anders -- je zou
bijna zeggen: "daar ligt geen ziel meer achter", -- het "classieke" naakt,
dat is 't eigenlijk!

_Helena._ Classiek?

_Henri._ Nou ja, dat is natuurlijk als een moderne impressie geschilderd,
maar in heel algemeenen zin toch "classiek". Het naakt, dat leeft, dat
ademt -- maar ook niet meer, hè, -- ja, als "soort" van kunst kun je 't
natuurlijk impressionistisch noemen. -- Nou, dat is af -- dat is af. Maar
nu dat andere! Dat is het naakt met een sluier, met een sfeer, of liever
met een ziel -- dat is de "romantiek" van het naakt! Dat eerste is het
lichaam als verschijning, hè, maar dàt moet het lichaam als ziel worden,
als een wonder -- als iets waar zoo veel nog àchter ligt, -- het naakt als
een levend bloembed, waar de warme hemel over trilt!

_Helena_ (_zacht_). Ja, dat is juist wat ik in je stukken altijd zoo mooi
vind, -- (_weifelend, naar de rechtsche figuur_) dat ligt daar misschien
niet zoo in -- .

_Henri._ Maar dat heb ik nog nooit heelemaal bereikt, dat wat ik wil!
Zooiets groeit met je leven als schilder, en zelf groei je er naar toe; en
in zoo'n groot ding als dit groeit dat onderwijl -- (_mismoedig_) groeit
alles wat je zou willen je over je hoofd.

_Helena_ (_voorzichtig_). Maar -- dat alles, wat je er in ziet, dat leg jij
er in, dat is toch van jou, van jou eigen -- en dat alles kan je toch zien
-- in elk mooi model?

_Henri._ Nee! nee! juist niet -- hoe kun jij dat nu zeggen, jij, die toch
weet wat kunst is! Er moet toch een wisselwerking zijn, je kan toch niet
alles uit je zelf alleen phantaseeren -- er moet toch een bezieling uitgaan
van iets, waar je een ziel in wil leggen! En zulke modellen zijn dood --
dood. Om dat te bereiken wat ik wil, moet ik in een roes zijn Helena --
moet ik betooverd zijn! betooverd! (_vurig aandringend_). En nou zie ik
voor me, wat ik zoo lang heb gezocht! nou zie ik jou Helena! -- nou zie ik
jou, die betoovert en me dàt kan geven!

_Helena_ (_die teruggeweken is op de rustbank en naar de schilderij staart,
terwijl Henri aan haar voeten gaat zitten en haar hand neemt_). En het
gelaat -- ? het gelaat -- ?

_Henri_ (_zich afwendend_). Het gelaat? -- O, daar ben ik nog niet aan toe.
Dat is het eind, het symbool van de beide anderen -- dat wat de beide
anderen opheft in een louter geestelijke sfeer. (_glimlachend naar de
schilderij_). Ik noem het wel eens hun "hemelvaart" zie je -- ja, maar daar
ben ik nog niet aan toe, dat komt later.

_Helena._ Misschien kan ik je daar ook aan helpen -- ?

_Henri_ (_afgetrokken_). Daarbij? -- Nee -- ja, misschien, -- maar dat is
voor later, ik zie je nu alleen zóó.

_Helena_ (_zich werktuiglijk een zijden sjaaltje dat zij draagt vaster om
de schouders trekkend_). Maar -- hoe weet je, dat ik mooi zou zijn, hoe
weet je, dat al mijn vormen -- en de kleur...

_Henri._ Maar dat zie ik Helena! Ik heb toch oogen! Dacht je, dat ik je
niet zag -- dacht je, dat ik niet wist hoe mooi je bent -- ? Ik ben toch
schilder! -- Ach, dat spreekt zich immers in alles uit, dat verschil van
jou met -- met al die anderen. -- Kijk nou je haar alleen (_op Nellie's
figuur wijzend_) dat is haar -- nou ja, dat is mooi haar, mooi als kleur,
mooi als noot tegen die blanke huid -- maar het is per slot niet meer dan
een mooie kleurvlak. Maar jouw haar, dat heeft een glans, een wrong, een
golving -- dat is meer dan schildermooi, zie je, dat leeft -- ! (_allengs
meer koel ontledend_) En dan -- jouw hals bijvoorbeeld: -- zoo die lijn van
jouw hals naar je schouder -- o! dat vind je zoo zelden, dat is altijd
onzuiver: (_met zijn handen aan haar teekenend_) dat is altijd te recht, of
dan weer te kort, -- -- en trouwens: je huid, dat soort van heel licht
olijf...

_Helena_ (_onwillekeurig uitroepend_). Maar zoo zie je me alleen als
schilder!

_Henri_ (_zich vaag bij het doel voelend, maar niet wetend in welke
richting hij moet antwoorden_). Als -- als schilder? Ja -- wil je dan -- --
je weet Helena, dat ik je ook in andere -- opzichten bewonder, dat ik...

_Helena_ (_verward haar uitroep pogend te herstellen_). O nee, nee dat
bedoel ik niet -- ik wil alleen zeggen, dat -- ja, omdat je daarnet juist
uitlegde, dat je in mij, in mijn figuur, meer dan 't schildermooi zag --
iets daar boven uit -- je sprak toch over "meer dan schildermooi", dat zei
je toch?

_Henri._ Ja, natuurlijk -- maar dat moet hier toch ook berusten op een
lichamelijk schoon.

_Helena._ Jawel, jawel, maar -- zie je, jij trekt die grens altijd zoo
scherp, ik begrijp eigenlijk niet, dat je dat altijd zoo scherp kunt
scheiden -- als mensch en als schilder.

_Henri_ (_opstaand, geprikkeld over wat hem verward schijnt_). O, jullie
vrouwen! jullie speelt altijd -- speelt met kunst, en met leven, en liefde
-- jullie spéélt! -- -- En als 't er op aankomt dan dùrven jullie niet!

_Helena_ (_gekwetst, tegenover hem_). Ik speel niet, dat is niet waar, --
en "durven"? -- wat is daar voor durven aan -- voor mij! Maar je begrijpt
een vrouw niet, je begrijpt niet, dat sommige gevoelens van een vrouw nu
eenmaal -- anders zijn, dat een vrouw zich nooit zuiver als een
schilderselement kan voelen! Zie je; als het er op aankomt, dan hebben wij
juist meer ziel -- meer menschelijkheid -- !

_Henri._ Maar dat begrijp ik, dat respecteer ik, dat...

_Helena_ (_een beweging makend of zij de hand op zijn mond legt_). Ik wil
alleen zeggen, dat -- als je me schildert -- als je me zou schilderen -- je
me alleen moet zien, zooals je me zelf zei, als een -- een model, dat
"bezielt" -- -- een model met een ziel...

_Henri_ (_in vervoering_). O maar -- -- wìl je! -- wìl je! -- je wilt
Helena!?

_Helena_ (_ziet hem aan en stemt zwijgend toe_).

_Henri._ Je wilt! -- (_hij kust hartstochtelijk haar hand_). O, ik zal niet
aan je komen -- ik zal je niet aanraken Helena!

_Helena_ (_wat ontsteld door zijn hartstocht en door zijn woorden,
verwijtend_). Henri -- !

_Henri_ (_zich herstellend_). O! -- nee, vergeef me, vergeef me, -- het was
alleen maar uit dankbaarheid, het was alleen uit vreugde!

_Helena_ (_nu weer zekerder van zichzelf_). En -- wanneer?

_Henri._ Vandaag! -- Nu! (_ronddenkend_). Nee, nu kan 't niet meer -- ik
geloof, dat Nellie nog terug zou komen. (_op zijn horloge ziend_). Ja, de
tijd is om -- ze zou nog wel terugkomen, geloof ik -- , (_zich bezinnend_)
maar -- nee, vandaag kan 't niet meer.

_Helena_ (_wat gejaagd_). O komt ze nog terug ? Ja, dan is 't beter, dat ik
nu maar ga, hè. (_zij neemt haar hoed en maakt zich haastig klaar_).

_Henri._ Ja, misschien is 't dan ook beter, dat je nu maar gaat -- voor 't
geval -- -- (_blij_) maar dan hebben we morgen ook den heelen dag, den
héélen dag voor ons! Ik zal haar dan afzeggen, en wij zijn alleen, den
heelen dag voor òns -- den heelen dag Helena!

_Helena_ (_hem de hand drukkend en snel afscheid nemend_). Tot morgen -- !
(zij ziet nog even naar de schilderij en gaat dan snel heen).

_Henri_ (_haar uit de deur geleidend_). Tot morgen Helena, tot morgen! tot
morgenochtend!


ACHTSTE TOONEEL

_Henri, daarna Nellie._

_Henri_ (_hij blijft even in gedachten, en komt dan langzaam, neuriënd naar
voren, terwijl hij de aria van het champagnelied uit Mozart's "Don Juan"
tracht te zingen. Daar hij niet muzikaal is, wil het niet best. Hij
probeert nog eens de wijs te vatten, zich in den kleinen spiegel naast den
ezel beziende en daarbij met het zakdoekje van Helena manoeuvreerend, als
d'Andrade met de handschoenen. Juist wanneer hij het zakdoekje bij het
overmoedige slot triomfantelijk ophoudt, ziet hij in 't spiegeltje Nellie
achter zich de deur openen. Hij blijft even, zich bedenkend, in dezelfde
houding, en keert zich dan kalm om_). Tja -- (_het zakdoekje wegbergend_).
Ja, je zou nog terugkomen, hè -- dat is waar ook (_neuriënd_). Ken je die
wijs nog uit de "Don Juan", Nellie? (_hij tracht de laatste noten van de
aria te herhalen_).

_Nellie_ (_is stil op de bank gaan zitten en zwijgt_).

_Henri_ (_niet goed wetend wat te zeggen, herhaalt nog eens neuriënd het
slot_). Hè -- ? -- dat is mooi -- ?

_Nellie._ Daar heb ik toch geen verstand van, -- je hebt me nooit
meegenomen naar de opera.

_Henri._ Nooit meegenomen! -- En we zijn laatst nog naar dat nieuwe
café-chantant geweest? (_als zij minachtend lacht_). Ja, God, dat gaat nu
eenmaal moeilijk! En bovendien heb ik daar geen tijd voor: -- ik kan niet
eeuwig naar de schouwburg loopen! -- O, maar dat is ook al zoo lang
geleden, die "Don Juan" -- ha, ik weet geen eens de wijs precies meer. Ze
zeggen wel eens, dat ik heelemaal niet muzikaal ben, -- onzin natuurlijk:
ieder mensch is eigenlijk muzikaal -- maar daarom hoef je nog niet dadelijk
zoo'n wijs te kennen -- (_hij probeert nog eens neuriënd_).

_Nellie_ (_die zwijgend voor zich uit is blijven kijken_). Moet ik nog
poseeren?

_Henri._ Poseeren -- ? -- Ja, dat is waar ook, hè: je komt -- -- (_hij gaat
voor den ezel zitten_). Ja, maar eigenlijk zijn we klaar, (_de figuur van
dichtbij bekijkend_) -- nee -- ik durf er voorloopig niet meer aan te
komen.

_Nellie_ (_opstaand_). Nou, dan zal ik maar gaan.

_Henri_ (_verward opkijkend_). Gaan -- ? Nee kind -- zet nog wat thee, --
dan drinken we een kop thee, hè? -- Je begrijpt: voorloopig moet dat nou
wat rusten, ik moet nu aan de linksche figuur -- .

_Nellie._ En daar heb je nou een ander voor.

_Henri._ Daar hebben we 't nu al eens meer over gehad, hè. Je weet, dat ik
je voor de linksche figuur nu eenmaal niet kan gebruiken.

_Nellie._ "Gebruiken" -- juist: nou die ander er is, kan je mij heelemaal
niet meer "gebruiken", hè?

_Henri._ Nou, nou, "gebruiken" -- dat zeg ik niet, wat is dat nou voor een
uitdrukking.

_Nellie_ (_uitbarstend_). Dat zeg je wèl -- en je bedoelt 't ook,
gemeenert! O, ik heb het altijd wel geweten, dat ik hier maar was tot je er
genoeg van zou hebben! (_naar de schilderij wijzend_). Dáárvoor had je me
alleen maar noodig, hè? en de rest was maar bijzaak -- en nou laat je me in
de steek, nou dat malle spook hier komt -- nou ben ik hier te veel, hè?

_Henri_ (_driftig_). Wel allemachtig, hoe heb ik 't nou! -- Wat is hier
gemeen -- ? Ik zou toch zeggen, dat dat werk voorgaat! -- Ik kan je hier
toch niet altijd over de vloer hebben, nou ik aan die tweede figuur begin!

_Nellie._ O, maak je maar niet ongerust hoor -- ik zal heelemaal niet meer
over je vloer komen. Je hebt al een ander, die je huishouden kan doen, hè?
die voor je brood zal zorgen en voor je kleeren, hè? -- nou, laat die fijne
madam dan maar je sokken stoppen en je vuile rommel redderen -- ìk zal mijn
voeten hier niet meer zetten hoor -- ik bedank je hier voor je meid te
spelen -- !

_Henri_ (_pogend te sussen_). Nou, nou Nellie -- zoo is 't niet bedoeld.
Mijn hemel wind je toch niet zoo op, -- ik heb alleen maar willen zeggen,
dat je niet meer zoo dikwijls -- niet meer zoo elke dag...

_Nellie._ O, ik weet heel goed wat je bedoelt! Zoo zachies aan kant gezet,
hè? Eerst wat minder komen, en dan voor goed de bons -- net als je vorige.
Nou maar, al ben ik dan niet veel -- daar ben ik toch nog te goed voor,
hoor! God, ik zal wel uit me zelf gaan! Maak je maar niet ongerust, ik zal
't je niet lastig maken hoor, -- als je dacht dat ik niet buiten je kon,
dan vergis je je -- ik gùn je dat malle mensch -- dààr: ik gun je er!

_Henri_ (_driftig opstuivend_). Hou je mond! Ik verkies niet, dat je hier
zoo over mijn leerling spreekt!

_Nellie_ (_heftig, tegenover hem_). "Jij verkiest" -- !

_Henri._ Ja zeker: "ìk verkies"! versta je dat!? ik verkiès niet, dat je
hier zoo over mijn leerling spreekt!

_Nellie._ "Zijn leerling" -- ! -- O! dat moet er nog bij komen, dat je me
uitscheldt! Wat heb ik je dan gedaan, dat je me zoo behandelt -- heb ik
niet alles gedaan, wat je van me wou -- àlles -- en nou -- (_in tranen
uitbarstend, aan de tafel_) o, maar ik heb lak aan je leerling, hoor! ik
heb lak aan je fijne madam! ik heb lak aan jullie!----

_Henri_ (_in de war, nog ingehouden driftig_). Ik verkies niet, dat je hier
zoo spreekt! ik verkies niet, dat je hier scènes maakt! ik verkies niet...

_Nellie_ (_snikkend_). O! ik zal wel gaan! -- ik zal wel gaan! -- ik zal
wel gaan!--

_Henri_ (_onder den indruk_). Ach -- Nellie -- toe--

_Nellie_ (_te erger snikkend_). Ik zal wel gaan! -- ik zal wel gaan!--

_Henri._ Ach Nel -- wees nou verstandig (_hij klopt haar op den schouder_).

_Nellie_ (_snikkend, zijn hand afschuddend_). Nee -- je hoeft me niet meer
aan te raken! -- je hoeft me niet meer aan te raken!

_Henri_ (_sussend_). Nou, maak je nou toch niet zoo overstuur.

_Nellie_ (_zich allengs beheerschend_). O wees maar gerust, ik zal je niet
meer tot last zijn.

_Henri._ Daar is geen kwestie van Nellie. Je weet wel, dat je mij volstrekt
niet tot last bent. Je weet toch, hoe graag ik je heb -- we hebben 't samen
toch altijd goed gehad. Maar denk je nu toch eens in de zaak, -- het is
toch zoo eenvoudig mogelijk: -- Ik moèt nu aan die andere figuur, -- iemand
wil me daaraan helpen -- nou, natuurlijk neem ik dat aan! -- Je weet toch
immers, hoe lang ik daar naar gezocht heb! In dien tijd kan jij nu
natuurlijk minder komen -- , -- later -- daarna...

_Nellie_ (_voor zich uit starend_). Herman had gelijk: -- egoïsten zijn
jullie! egoïsten! -- egoïsten!--

_Henri_ (_zijn schouders ophalend_). Ach, Herman -- wat kan die je nou
geven!

_Nellie_ (_uitdagend_). O, meer dan jij!

_Henri._ Wat?! -- Heb je hier dan niet alles gehad, wat je wilde? heb ik je
niet alles gegeven, waar je om vroeg? heb ik je niet altijd met je kleeren
geholpen, als je wat noodig had -- ?

_Nellie_ (_opstaande, trotsch tegenover hem_). En wat heb ìk je gegeven --
?

_Henri_ (_verbaasd, glimlachend_). Jij -- ? -- ach, wat kan jij me nu
geven, Nellie!

_Nellie._ Ik heb je àlles gegeven -- àlles, alles -- mijn lijf en mijn
alles!

_Henri_ (_geprikkeld door haar houding_). Ach wat "lijf"! -- wat is een
lijf! ik wil meer! -- het "ideàal" van een lijf, als je me dát kon geven,
ja...

_Nellie._ Ik heb je álles gegeven -- mijn lijf en mijn ziel en...

_Henri._ Ach -- "ziel" -- !--

_Nellie_ (_hem ontsteld aanziende_). God, ik wist niet, dat je zóó hard
was.

_Henri_ (_stampend, daar hij voelt het moreel te verliezen_). Dat is niet
hard, dat is wáár! Dat is een wáárheid! Maar de menschen willen geen
waarheid -- jullie kunt geen waarheid verdragen!

_Nellie_ (_zich terugtrekkend naar de deur_). Ik wist niet, dat je zóó hard
was.

_Henri._ Als ik zeg "meer", dan bedoel ik dat overdrachtelijk natuurlijk,
"ideëel" begrijp je -- ach nee, dat begrijp je natuurlijk niet. -- Dat is
het juist, dat je me niet begrijpt -- niet begrijpen kùnt -- !

_Nellie._ Ik wist niet, dat je zóó hard was.

_Henri_ (_met zijn armen naar den ezel wijzend_). Ik bedoel dàt, ik bedoel
mijn kunst, begrijp je! Ik wil alleen mijn kunst! dàt zoek ik achter een
lijf en een ziel en alles -- en dáárvoor moet al 't andere wijken --
begrijp je.

_Nellie_ (_in de deur_). Ik wist niet, dat je zóó hard was.

_Henri._ Nellie -- -- ! (_zij heeft de deur gesloten; hij weifelt een
oogenblik, zet zich dan op de rustbank en staart met het hoofd tusschen de
handen voor zich uit_).


_Scherm._



DERDE BEDRIJF


_Het atelier doet door een paar donkerroode lappen nog iets warmer, dan in
de beide vorige bedrijven; op de rustbank een goudbruin kleed; op de tafel
in een vaas witte rozen, naast den ezel een tuil roode anemonen. De
linksche figuur op de schilderij, waarom een losse donker-houten lijst
staat, is voltooid, terwijl van het gelaat de vage schets iets duidelijker
schijnt geworden. Als het scherm opgaat, helpt Henri Helena, die blijkbaar
juist geposeerd heeft, haar bloote armen in een peignoir van donkerpaarse
zijde te steken, waaronder haar bloote voeten in muilen uitkomen; zij staan
naar de schilderij gekeerd. Gedurende het begin van het gesprek heerscht er
een onuitgesproken weifeling tusschen hen, die weldra bij Henri's
enthusiasme verdwijnt, doch daarna terugkomt._


EERSTE TOONEEL

_Henri, Helena._

_Henri._ Zoo -- ?

_Helena._ Dank, dank je wel. Nou -- ik denk, dit zal dan wel de laatste
keer zijn geweest, hè, -- je bent nu toch heusch klaar met de figuur -- ?

_Henri._ Klaar!? -- Nog één keer, nee, ik moet je hiervoor nog één keer
hebben, Helena.

_Helena_ (_glimlachend_). Ach, jij zegt altijd, dat het de volgende maal de
laatste keer is, en dan komt er nog één keer bij! Je hebt er vandaag bijna
niets meer aan gedaan; (_naar de schilderij ziend_) en je màg er ook niets
meer aan doen: -- het is àf, het is mooi -- ja, het is mooi zoo -- je màg
er nìèts meer aan dòèn!

_Henri._ Ja -- maar dat: die achtergrond moet ik nog wat aanzetten -- en
dan, die eene voet nog een tikje lichter -- misschien.

_Helena._ O, maar daarvoor heb je mij niet meer noodig.

_Henri._ Niet noodig -- ?! -- En dan de kop -- ?

_Helena._ Maar dat is toch phantasie, die is toch klaar, voorzoover je er
mij bij noodig had?

_Henri._ Ja, natuurlijk -- maar ik bedoel het middenstuk, het gelaat.

_Helena_ (_warm_). Ja -- je moet nu aan het gelaat; dat moet de kroon, dat
moet de ziel er van worden! Hoe noemde jij 't ook weer -- ? -- de
hemelvaart -- nee, nog iets anders: het gelaat van herinnering...

_Henri._ En verlangen! Ja, zoo denk ik het dikwijls: een gelaat van
herinnering en van verlangen, die beide nooit tot waarheid werden, die zijn
opgelost...

_Helena_ (_peinzend herhalend_). "Een gelaat van herinnering en van
verlangen, die beide nooit tot waarheid werden" -- -- maar daarvoor heb je
mij niet meer noodig.

_Henri_ (_ziet haar van terzijde even onzeker aan, terwijl zij naar de
schilderij blijft kijken, en reddert dan aan zijn penseelen bij de tafel_).
Nou, daar spreken we nog wel over (_stilte_).

_Helena_ (_die onderwijl van naderbij de lijst heeft bekeken_). Die lijst
doet wel goed -- (_zij ruikt aan het hout_). Hè -- dat ruikt naar: -- naar
Arabië, naar een moskee -- !

_Henri._ O, heb jij dat ook? -- ik heb soms de heerlijkste verbeelding bij
een geur.

_Helena._ Ja, soms -- bijvoorbeeld als ik langs een drogist, of een
pakhuis, of een kelder kom -- dan ruik ik een heel stuk uit mijn eigen
jeugd, uit mijn eigen meisjesjaren. Maar waarom heb je eigenlijk die lijst
er om gezet -- je kunt de rest daar toch niet in schilderen?

_Henri._ O, sommigen schilderen wel in de lijst -- maar dat doe ik nooit.
Nee, ik heb er maar een proeflijst om gezet, die toevallig zoowat past. Zoo
voor de feestelijkheid, zie je, om 't eens "af" te zien.

_Helena._ Maar een lijst geeft toch wel dikwijls cachet aan een schilderij.

_Henri._ Natuurlijk! -- zoolang een schilderij een salonmeubel is, moet het
een lijst hebben. Het is eigenlijk net als met sommige vrouwen, hè: die
zijn pas voltooid, door de coiffure of de hoed en de kleuren, die ze
dragen...

_Helena_ (_lachend_). En de kleeren -- !

_Henri_ (_lachend_). Ja -- : ik schilder jou ook immers niet in lijst! --
O, er zijn maar zoo weinig vrouwen, die de lijst kunnen missen: -- de
meeste mooie vrouwen zijn maar "kostuumstukken"! -- Maar ik zou jou toch
ook zoo graag eens in de lijst schilderen, Helena (_vroolijk_). Dat zullen
we toch eens doen, nietwaar? (_haar beziende_). Kijk: wat staat dat nou
weer mooi -- -- wacht, wacht! (_hij neemt een paar takken witte rozen,
steekt ze in haar haar en dringt haar op de rustbank te liggen_).

_Helena_ (_laat hem glimlachend begaan_). Zoo -- ?

_Henri_ (_verrukt_). Kijk eens wat mooi -- o wat mooi! (_hij beziet haar
door zijn oogharen_). Maar kom hier, wacht es: -- dat groen, daar houd ik
zoo van. (_hij helpt haar weer op te staan, neemt een grasgroenen lap van
een anderen ezel, dien hij op de rustbank uitspreidt, en dringt Helena weer
te gaan liggen; dan, na het effect nog eens, eerst van dichtbij, dan op een
afstand bekeken te hebben_). Nee: wacht (_hij verwisselt de witte rozen,
die zij hem helpt wegnemen uit het haar, met den bos roode anemonen,
waarvan hij de rest over haar paarsen peignoir strooit_).

_Helena_ (_glimlachend_). Zoo -- ?

_Henri._ Ja -- (_als zij de rozen op haar schoot houdt_). Ja, dat wit kan
er wel bij, -- prachtig! prachtig! (_in zijn handen klappend_). O, zoo moet
ik je schilderen -- bizonder!

_Helena_ (_glimlachend voor zich heen_). Maar zoo kun je eigenlijk alles
wel mooi maken -- met bloemen en met kleuren. --

_Henri_ (_niet hoorend_). Kleuren wekken soms, net als geuren, allerlei
verbeeldingen, hè. (_haar nog eens door zijn oogharen bekijkend_). Zoo kan
ik allemaal mooie dingen in je zien: zoo zie ik je als één groote donkere
bloem in een land -- of een bloem, die drijft.

_Helena_ (_terwijl zij weer rechtop gaat zitten_). Waarom schilder je
eigenlijk nooit een landschap!?

_Henri_ (_naast haar op de rustbank, terwijl Helena met de rozen in haar
schoot speelt_). O maar dat zal ik zéker; daar denk ik dikwijls aan -- voor
later -- -- God, je moet zooveel doen! Maar dan niet als de gewone
impressionisten, zie je, maar 't "gestyleerde" landschap, het idealistische
landschap -- ik zal maar zeggen als Claude Lorrain of als Turner -- maar
dan toch weer heel anders natuurlijk -- fèller, zie je. En dan niet 't
landschap alleen, maar als omgeving van 't symbool -- een verbinding met de
idee! -- zie je.

_Helena_ (_die met graagte heeft geluisterd_). Ja, dat moet je doen -- dàt
moet je doen!

_Henri_ (_allengs onder de opwinding van zijn verbeelding rakend, teekent
hij met de handen zijn phantasie in de lucht, terwijl Helena, bekoord door
zijn woorden en hem met aandacht volgend, gedachteloos de rozen leegplukt,
waarvan zij de blaadjes op haar kleed en den grond strooit_). O, daar moet
een prachtig ding van te maken zijn. Ken je uit de Louvre dat schilderij
van die boot met allerlei figuren, die wegvaart in de nevel: "Verloren
Illusies" heet het -- .

_Helena_ (_ziet hem vragend aan_).

_Henri_ (_de woorden nastreelend_). "Verloren Illusies"! Weet je wel: die
boot met de gestalten der illusies -- van roem -- en van rijkdom -- en van
liefde, en zoo, -- en een oude man staart ze na -- -- , nou ja: dat is
natuurlijk wel wat academisch en conventioneel gedaan -- uit de oude doos
een beetje, hè -- maar de gedachte is toch mooi! En zoo wil ik ook, zie je
-- maar dan modern!

_Helena_ (_in gedachten de blaadjes van haar schoot vegend_). Hoe dan -- ?

_Henri_ (_opstaand_). Dat heb ik al lang in mijn hoofd gehad: -- Een
horizon van licht, een opgaande zonnehemel -- door en door vol licht, zie
je! En dan een donker laaiende stoet daar tegen in: -- een zwarte boot,
recht er tegen in over de golven, met de verbeeldingen van bloemen
daaromheen -- geen werkelijke bloemen, zie je, maar verbeeldingen van
bloemen -- en een rood spoor van gebroken kleuren. En in de boot de
gestalten van deze tijd, zie je: -- de vechtenden, die roeien -- roèien, --
en de verlangenden, die vooruitstaren, -- en de twijfelenden, die omzien,
-- en de wanhopigen en de ellendigen, die zinken, -- -- en al die bloeiende
illusies daaromheen, zie je -- . En voorop: voorop een vrouwengestalte --
donker, jong en naakt tegen de zon -- recht tegen den hemel aan, zie je: --
-- "de vaart naar het ideaal", zoo zal ik het noemen: "de vaart naar het
ideaal" -- !

_Helena._ Dat is mooi, dat is mooi! dat moet je doen! -- (_naar de
schilderij opziend_). Maar eerst moet je dat afmaken -- eerst het gelaat.

_Henri._ Ja -- eerst het gelaat.

_Helena_ (_peinzend_). O, als ik je zoo hoor spreken, dan geloof ik weer,
dat schoonheid eigenlijk alles is: het hoogste en het beste in het leven.

_Henri._ Maar natuurlijk Helena! daar gaat 't immers om: om de schoonheid,
om de kunst, de groote kunst van alle tijden, die altijd aan de menschheid
de weg heeft gewezen naar het ideaal!

_Helena_ (_voor zich heen_). "De vaart naar het ideaal".

_Henri._ Zoo zie ik het dikwijls: De vaart over de zee, over de donkere
wereld naar de toekomst -- . En de groote genieën en de kunstenaars zijn de
lichten geweest, de bakens, de vuurtorens, die op elkander volgden --
telkens weer, als een eindelooze keten van lichten naar de toekomst! -- O!
een licht te zijn in die keten Helena! Groot te zijn, en groot te doen! --
ik hunker soms naar het groote in ons kleine land!

_Helena_ (_opstaand_). Maar je bènt groot -- als schilder. Je moet groot
zijn -- dat hangt toch van je zelf af, wanneer je dat in je ziel hebt, en
het voelt, en je wilt.

_Henri_ (_die zich, uit zijn enthousiasme terugvallend, bij de tafel
neerzet_). Ja -- ja, -- maar die verdoemde werkelijkheid altijd om je heen!
-- dát haalt je naar beneden! Altijd die vrinden, die allemaal toch weer
anders denken -- en dan je familie -- en dan die vrouwen! O, altijd die
afleiding van die modellen, -- zie je: de vrouwen halen een kunstenaar naar
beneden -- -- een vrouw vermoordt een kunstenaar!

_Helena_ (_afwerend glimlachend om zijn overdrijving, afgetrokken_). Ja --
ik heb me ook dikwijls vreemd gevoeld, bij dat oppervlakkige in de
schilderswereld.

_Henri._ Dàt is 't: ik ben niet van die wereld -- mijn heele kunst drijft,
om er boven uit te komen! De jongens -- ach, dat is allemaal zoo gewoon hè,
als ze ouder worden: -- menschen die schilderen, nou ja -- behalve
misschien Jules -- maar die is ook nog jong. O, die sfeer om een schilder
is dikwijls zoo ordinair! zoo benauwd!

_Helena_ (_peinzend_). Ja -- ik heb er ook altijd maar korte tijd in
geleefd -- .

_Henri_ (_op eigen gedachten doorpratend_). Ach, daar verzuip je toch
altijd een beetje in! In je jeugd ken je alleen de meisjes uit de nette
burgerwereld; daar heb je nu bijvoorbeeld de vriendinnen van mijn zuster --
ja, mijn hemel: die zijn dan ook zoo heel erg fatsoenlijk, omdat ze
eigenlijk niet veel anders kunnen zijn, hè -- : voor een heeleboel vrouwen,
geloof ik, is het fatsoen het eenige, wat ze hebben! -- Nou, en dan later
die modellen: eerst "openbaringen" -- openbaringen van leven -- en dan --
-- ach God: het zijn toch maar "vrouwtjes zonder meer!"

_Helena_ (_als boven_). Ja -- "vrouwtjes zonder meer!"

_Henri_ (_haar afgetrokkenheid bemerkend en geheel van toon veranderend,
alsof hij ontwaakt uit zijn gedachtengang_). En nu kom jij, Helena! Met jou
voel ik verwantschap -- ! Nu kom jij, als een wezen uit een heel andere
sfeer, -- -- dàt is het, zie je: wij staan buiten die wereld, en zij staan
er binnen -- dàt is het verschil!

_Helena._ Nee, dat lijkt maar zoo, omdat ik een beetje intellectueeler ben,
of bewuster, en een beetje eerlijker -- misschien. Maar ik wou juist, dat
ik ook zoo'n vrouwtje was "zonder meer", -- zie je: dat "meer" doet juist
zoo'n pijn!

_Henri._ Nee, nee -- jij hoort niet bij hen, Helena -- en niet bij de
anderen: jij bent een -- een tusschending.

_Helena_ (_bitter_). Een "tusschending" -- !? Ah ja -- "een tusschending"
-- -- en daarom knelt het zoo.

_Henri._ Dat komt alleen, omdat je je vrij hebt gemaakt van de meeste
conventies en banden -- dan voel je juist de overblijvende des te meer: de
anderen voelen niets, juist omdat ze aan àlle kanten vastzitten.

_Helena._ Weet je: ik voel me soms als een "eeuwige vreemdeling" in het
leven.

_Henri._ Dat zijn we allebei! -- dat zijn we misschien allemaal een beetje:
vreemdelingen voor elkander, -- -- (_aarzelend_) maar wij toch voor elkaar
niet heelemaal meer -- ?

_Helena_ (_schijnbaar zijn laatste woorden niet hoorend_). Ik heb soms het
gevoel, dat ik altijd leef naar modellen, maar nooit zèlf leef: -- ik heb
soms het gevoel, als die Helen Keller, die blind en doof en stom is -- en
die tòch heeft leeren leven. Ik geloof, dat er tegenwoordig veel vrouwen
zoo leven -- . Maar dat ìs geen leven! ik wil iets zijn! -- iets doen! --
iets...

_Henri._ Maar dat kùn je -- ! dat zal je, Helena: je kunt mij helpen, met
mij samenwerken -- samen zullen wij mooie dingen maken!

_Helena._ Ach, ik kan in kunst toch nooit iets bereiken.

_Henri._ Dat hoeft ook heelemaal niet -- maar ík zal mooie dingen van jou
maken!

_Helena_ (_pijnlijk_). Ja, zoo zijn jullie mannen allemaal! Een man ziet
ons altijd als een middel: -- als hèt wijfje -- als zijn huishoudster -- of
weet ik wat, -- en dan vooral als de moeder van zìjn kinderen -- -- en jìj
als model!

_Henri_ (_opspringend_). Als model!? O, dat mag je niet zeggen -- dat meen
je niet! Als je wist wat ik voelde, toen je daareven zei, dat dit de
laatste maal zou wezen -- dat was je geen ernst? Nee, dat mag niet! Ik kan
me niet indenken, dat je hier niet meer zoudt komen -- dat is onmogelijk,
Helena! (_haar hand vattend, die ze weifelend in de zijne laat_). Ik heb
nog nooit een vrouw gevonden, die mijn werk zoo begreep, ik heb nog nooit
een ziel zoo als -- als kunstgelijke gevonden Helena, als -- als
zielsgelijke (_naar de schilderij ziende_). Hoe kan ik daaraan verder
werken zonder jou -- ?

_Helena_ (_haar hand zachtjes losmakend_). Ik geloof juist, dat je daaraan
alleen nog verder zult kunnen werken zònder mij, -- (_zacht_) je noemde het
zelf een "gelaat van -- herinnering en..."

_Henri_ (_verschrikt_). O maar nee -- waar denk je aan! Ik bedoelde alleen,
dat 't geen kopie naar een willekeurige kop zou zijn -- ik bedoelde: een
verbeelding, -- en bovendien: ik wil toch ander werk van je maken -- ? O,
ik zou je wel elke dag kunnen schilderen!

_Helena_ (_allengs onrustig_). Maar je kunst staat daar toch boven! je mag
je kunst toch niet afhankelijk stellen van een model -- een -- een vrouw,
-- en je zei zelf zoo pas nog, dat een vrouw je zoo afleidt, dat je kunst
het hoogste is en boven alles -- ?

_Henri_ (_zich allengs opwindend_). Niet boven -- -- ik kan niet schilderen
zonder een vrouw!

_Helena._ Dan zou je geen artiest zijn -- en dat ben je.

_Henri._ Wat zeg je -- ?

_Helena._ Nee: een artiest moet daarboven staan -- boven de vrouwen!

_Henri._ Dat is niet waar! O, dat is heelemaal niet waar! -- God, de helft
van een artiestenziel zelf is een vrouw!

_Helena._ Misschien daarom juist.

_Henri._ Ach, je begrijpt me niet Helena! Ik bedoel: de vrouw moet de
bezieling, de ondergrond -- ik bedoel: het leven in een kunstwerk zijn! En
dat leven zie ik telkens in jou, -- (_voor de schilderij, met aandrang_)
hebben we dat niet samen gemaakt? samen? -- o, daaraan zal je me verder
helpen -- ?

_Helena_ (_zacht_). Maar ik heb juist daarvoor alles gegeven, wat ik te
geven had.

_Henri_ (_uitbarstend, op zijn knieën haar kleed omvattend_). Dàt!? -- dàt
-- !? dat was een aalmoes Helena! -- je hebt me nog maar een aalmoes
gegeven! -- ik wil alles -- ! -- geef me alles -- ! geef me alles -- !

_Helena_ (_verschrikt, pogend zich zacht los te maken_). Henri -- !--

_Henri._ Ik heb je lief Helena -- ! ik heb je aldoor lief gehad -- ! ik kan
niet meer buiten je -- -- ! Helena -- ?

_Helena._ Henri -- !--

_Henri._ Nee, ik kan niet meer buiten je -- blijf hier! blijf bij me! Ik
heb 't aldoor willen zeggen, maar ik wist niet hoe -- en ik was juist zoo
bang, dat je dan niet meer zou willen poseeren. O, het was dikwijls zoo
moeilijk, als ik naast je zat, als ik -- God, maar ik heb je aldoor lief
gehad Helena -- dadelijk al -- dàdelijk! -- Wil je blijven -- ? wil je met
me samenwerken -- samen mooie dingen maken -- samen -- (_hij springt op
eens, zich bang bezinnend, op en legt zijn hand op haar mond, -- gejaagd_).
Nee, antwoord niet! antwoord niet! -- ik heb je overvallen, ik heb je
verschrikt, ik ben te bruusk -- ik kan zoo moeilijk alles zeggen, wat ik
voel. (_nog eens haar hand vattend, wat zij toelaat, vragend_). Maar je
komt straks, je komt vanmiddag weer terug, nietwaar -- ? dan zullen we
spreken -- dan zullen we rustig praten -- Helena -- ?

_Helena_ (_die zich thans los heeft gemaakt, haar kleed om zich heen
trekkend, verward_). Ja -- maar ik moet me kleeden, ik moet weg, -- ze
wachten mij in 't pension.

_Henri._ Maar je komt terug -- ? je komt straks terug -- ?

_Helena_ (_hem aanziende, aarzelend_). Ja -- vanmiddag.

_Henri._ Dat is goed, dat is goed -- . (_hij volgt haar naar de slaapkamer,
waar Helena zich bij de deur omkeert en hem aanziet, -- hij begrijpt haar
bedoeling en treedt terug_). O, ja -- je hebt gelijk -- tot straks dan --
-- de deur naar de gang is los -- tot straks. (_Helena sluit de deur. Hij
komt terug, blijft even in gedachten voor den ezel staan, kijkt nog eens
weifelend naar de gesloten deur, draait vervolgens het slot van de trapdeur
weer open, en verdwijnt, na nog wat zenuwachtig geredderd te hebben, in het
keukentje, om voor zijn tweede ontbijt te zorgen_).


TWEEDE TOONEEL

_Oompje, daarna Henri._

_Oompje_ (_neuriënd achter de schermen; dan klopt hij, steekt zijn hoofd om
de deur en schuift, met schorre stem zingend, naar binnen_).

  "Toen ik nog Prins was van Arcadië,
  Leefde ik in rijkdom glans en pracht" -- hik!

(_hij sluit behoedzaam de deur en komt melancholisch verder zingend het
atelier op_).

  "Dat is nu allemaal veranderd,
  Sinds mij de dood heeft omgebracht."

(_midden op het tooneel voor de rustbank sentimenteel uithalend_).

  "Toen ik nog prins was van Arca-a-a-a-dië!" -- hik!

Tja -- ! (_hij valt zittend op de rustbank en blijft even behagelijk op en
neer wippen. Daarop ziet hij de witte rozenblaadjes op den grond, neemt er
een, ruikt er aan, stopt 't in zijn knoopsgat en laat een handvol tusschen
zijn vingers glijden_). Hik! -- precies! (_daarna, hikkend en zijn "Prins
van Arcadië" neuriënd, gaat hij de schilderijen langs, tot hij, zijn sik
uitstrijkend en grinnikend voor den ezel blijft zitten. Na een grinnik gaat
hij dan weer verder, en vindt op de tafel een kistje sigaren_). Precies! --
hik! (_hij stopt neuriënd een paar sigaren in zijn zak, en steekt er een
van op, den rook met aandacht insnuivend; juist als hij de eerste rookwolk
uitblaast en weer zijn "Prins van Arcadië" aanheft, treedt Henri met een
flesch melk en ontbijtgerei, tegenover hem uit de keukendeur_). Precies!--

_Henri_ (_in humeurige stemming_). Ja -- precies! -- geen kwaad sigaartje?!

_Oompje_ (_niet van zijn stuk gebracht en ook verder blijkbaar weinig van
Henri's stemming bemerkend_). Zeker niet, zeker niet -- ik ben maar zoo
vrij geweest, mijn jongen.

_Henri._ Zoo, zoo. (_hij schenkt een glas vol melk, en eet, naast de tafel
gezeten, een broodje_).

_Oompje._ Hm! -- "Toen ik nog prins was -- " -- hik! (_met een schuin oogje
naar Henri_). Dat is, geloof ik, een aardig snuitje, dat je hier
tegenwoordig te pakken hebt.

_Henri._ Is heelemaal geen snuitje -- een leerling van me -- heel
fatsoenlijk meisje.

_Oompje_ (_met een dichtgeknepen oog naar de schilderij_). O-o-o! -- ik
dacht anders, dat dat figuurtje -- hè -- -- ? Maar afijn -- . Nee-ee --
maar dan -- hm. Ach ja -- "Toen ik nog prins was van -- " hik! -- Tja! --
(_hij gaat voor den ezel zitten en bekijkt nog eens met behagen de linksche
figuur_). Nou maar, dat is in allen gevalle een knap vrouwspersoon mejonge
-- -- al heb je er dan een andere kop opgezet -- .

_Henri._ Nou ja! -- kwam u me wat vragen? (_hij overtuigt zich even aan
slaapkamer- en gangdeur, dat Helena vertrokken is_).

_Oompje_ (_zich onderwijl met groote oogen naar Henri omdraaiend_). Wablief
-- ? wat -- wat vragen? -- hm, zoo waarachtig, ik geloof het ook -- hik!
Wel verduiveld nog aan toe, wat kwam ik je ook weer vragen -- ?

_Henri_ (_luisterend_). Er wordt beneden geroepen -- ik geloof, dat Cor u
roept.

_Oompje._ Hm -- precies! -- mijn wijfie roept me, mijn Cor -- Cornelia --
Cordelia -- -- hoe is 't ook weer -- ? (_hij gaat wat onzeker naar de deur
en roept in 't portaal_). Ik kom melieve! -- mijn oudje schatteboutje!
(_weer naar binnen schuivend_). Ik -- ik -- hik! (_hij komt terug naar
Henri, die bij de tafel verder eet, waar hij uit de rommelpot een penseel
neemt en daarmee verder demonstreert_). En nou wou ik je es vragen -- -- hm
-- (_hij laat zich op de rustbank vallen en blijft weer behagelijk op en
neer wippen_). Ach, mijn jongen, het huwelijk is een goed ding -- een --
een heilig ding! hik! -- Toen ik nog zoo jong was als jij -- zoo'n sn -- sn
-- snotneus -- hik! -- neem me niet kwalijk -- toen mocht ik de meisies zoo
graag, hè -- precies! -- En toen dacht ik -- "me jonge" dacht ik, "trouw
niet -- loo-loop niet in de fuik!" -- Er zijn toch zooveel lieve meisies in
de wereld, hè -- en je kunt er maar ééntje van trouwen -- maar ééntje -- !
-- tja -- -- en dat was voor mijn doen te weinig, zie je, -- tja -- hik! In
mìjn tijd, zie je, toen hielden we bl-bl -- bliksems veel van de meisies --
afijn (_met het penseel dreigend_) afijn: jij bent ook zoo'n stille
snoeper, jongeman -- daar niet van -- maar in mìjn tijd...

_Henri_ (_die oompje nauwelijks aanhoort, heeft bij de laatste woorden, om
hem wat af te leiden, zijn leeggedronken glas weer met melk gevuld en
schuift het oompje plagender wijs toe_).

_Oompje_ (_van zijn chapiter gebracht, het glas met grotesk gebaar
opnemend_). Kostelijk vocht, jongeheer! -- dat zei mijn baker me al -- ha
ha ha! Maar (_met een wat benauwde beweging naar zijn maag_) voor zoo'n
oude rr-rrribbenkast als van mijn, is dat mo-momenteel gevaarlijk -- hik!
Die moet op mijn leeftijd met gr-grogjes gestookt worden -- begrijpt uwé
(_hij heft het glas op, strijkt zijn sik uit en hikt er tegen, dan zet hij
het met een plechtig afwerend gebaar weer op tafel_). Ik zal daar dus niet
van gebruiken -- hik! -- wablief -- ? Tja -- en wat wou ik nou ook weer
zeggen -- waar hadden we 't over -- ?

_Henri_ (_die intusschen zijn broodje heeft opgegeten_). Over het trouwen.

_Oompje._ Hm -- precies! -- Op dat cha-chapiter kan je nog heel wat van
oompje leeren, jongeheer! Ik zeg maar: loop niet te vroeg in de fuik,
zoolang je jong bent! Zoolang je jong bent: -- hik! -- nou afijn -- . Maar
als je een jaartje ouder wordt mijn jongen -- dan moet je een wijfie zoeken
-- dan moet je maken, dat je "binnen" bent mijn jongen, dan wordt het
huwelijk een hei-heilige zaak! Zie je -- zelfs zoo'n Cor-Cornelia -- 't is
geen ideaal -- hm -- maar, -- maar leer één ding van oompje: blijf de baas
in huis! Ik zeg altijd tegen mijn lieve Cor: -- "Cornelia," zeg ik, "wie is
de baas in huis" -- ? hik -- ! precies! o zoo.

_Henri_ (_heeft het glas leeggedronken en op het bord gezet en schuift het
wrevelig op zij_).

_Oompje_ (_tot wien het eindelijk doordringt, dat Henri niet in zijn humeur
is_). Hm -- maar ik geloof, dat uwes niet goed te spreken is (_hem met het
penseel op den schouder kloppend_). Ik zeg maar mijn jongen: als het aan de
liefde ligt -- -- (_zijn vinger aan den neus leggend_) hm -- verduveld, wat
wou ik je nou ook weer vragen -- ? -- -- afijn, ik zeg maar: trouw niet te
vroeg -- hik! -- en -- niet te laat -- -- dat is de kwet-kwet-kwetsie! Maar
dàt zeg ik -- en leer dàt van mij (_met een slag op tafel_): wees de baas
in huis! -- hik!


DERDE TOONEEL

_Oompje, Henri, Cor._

_Cor_ (_klopt en komt meteen binnen_).

_Oompje_ (_Henri met plechtig gebaar op Cor wijzend_). Precies! (_hij trekt
laconiek zijn sigaartje aan en houdt zich verder terzijde bij den ezel_).

_Cor_ (_in den beginne bij de deur blijvend. Over een ouden bonten rok met
blouse, heeft zij een zwarten boezelaar en zwarte sjaal geslagen, terwijl
ze een oud-model verlepten rouwhoed in de handen houdt; haar verschijning
heeft iets grotesk tragisch, maar uit haar woorden spreekt een diep leed_).
Ach mijnheer Henri, neemt u me alsjeblieft niet kwalijk, dat ik hem (_met
een minachtenden knik naar oompje_) naar boven heb gestuurd -- al heeft ie
weer een borreltje te veel op, de slampamper! -- maar ik dorst zelf
waarachtig niet komme, omdat ik de vorige maal ook al gevraagd had -- en
dan ben ik nog zoo van streek, -- maar nou, ziet u, in dit geval -- voor
dit geval -- zou u misschien voor dit geval...

_Henri_ (_wrevelig_). Wat is er dan nou weer?

_Cor._ Heeft -- heeft hij 't dan niet gezegd -- ? (_tot oompje_) heb jij
dan -- ?

_Oompje_ (_aan zijn sik plukkend_). Wablief -- ? -- Tja, ik was er nog niet
aan toe gekomen melieve (_met een knipoog naar Henri_) -- ik wou juist met
een aanloopie -- langs een omweg -- hik!

_Henri._ Wat is er dan -- ? is 't weer een rekening -- ?

_Cor._ Het is dood -- !

_Henri._ Het? -- Wat?--

_Cor._ Me kind is dood -- !

_Oompje_ (_voor zich heen_). Tja!

_Henri_ (_even in de war en deelnemend_). Ach -- -- dat is -- dat is --
jammer -- ! ja, dat is beroerd -- ! zoo -- God -- och -- ja, ja -- -- maar
misschien is 't maar beter zoo, hè?

_Oompje._ Hik!

_Cor._ Beter -- ? Ja, misschien is 't beter voor de stumper, dat Onze Lieve
Heer hem maar heeft weggenomen -- -- maar voor mij -- . Ik was toch z'n
moeder, ziet u -- ik heb 't toch zelf groot gebracht, hij was toch van me
eigen vleesch en bloed, -- en 't was 't eenige wat ik had. En ik had toch
ook nog zoo'n stille hoop, dat ie eens nog es beter zou worden -- -- hij
kon toch soms zoo lief uit z'n oogen kijken, hè -- en -- en er gebeuren
toch nog wel es meer wonderen in de wereld. Ziet u, ik hield toch zooveel
van de stakker, en ik wachtte altijd maar op die ééne dag in de maand, dat
ik hem op kon gaan zoeken -- dat was 't eenige wat ik had. En nou is 't uit
-- nou is 't uit -- -- en nou moet ik hem gaan begraven.

_Oompje._ Precies! -- dat had ik je willen vragen, jonge man -- hik!

_Cor._ Hou jij je er alsjeblieft buiten, leelijke zuiphannes! (_oompje
keert hun zijn rug toe, en blijft op den stoel voor den ezel, zijn sik
bestrijkend, de naaktfiguur bestudeeren_). Nou moet ik er morgenochtend
heen, mijnheer Henri -- en als ik alles bij mekaar leg, dan kom ik nog een
kleinigheid in de kosten te kort, ziet u. Als hij nou nog aan 't begin van
de maand gestorven was -- maar zoo op 't eind, ziet u -- -- (_wat onrustig
bij Henri's zwijgen_) maar ik zal 't u natuurlijk prompt terugbetalen --
dat vast hoor -- maar ik moet er heen! Ze hebben me vanmorgen pas bericht
gestuurd -- en morgen wordt ie al begraven (_allengs met tranen in haar
stem, zenuwachtig aan haar schort plukkend_). Ik heb de heele dag al mijn
rouwgoed bij mekaar gezocht, en nog een hoed geleend van m'n nicht -- en de
zenuwen vreten me op, hè, -- en dan hij er tusschendoor! (_met een knik
naar oompje_) -- -- En ik moet toch een klein kransie voor 'm meenemen, hè
-- het is de laatste maal, dat ik wat voor 'm doen kan -- -- en ik kan me
kind toch niet zoo kaal laten gaan -- en z'n eigen moeder met niks er
achter -- -- ik moet er heen! ik moet m'n kind gaan begraven! (_onder haar
spreken is Henri's zuster door de half opengebleven deur binnengekomen,
zonder dat de anderen haar dadelijk bemerken, zoodat zij 't laatste
gedeelte van Cor's woorden heeft aangehoord_).

_Henri_ (_dien de heele geschiedenis blijkbaar nog wreveliger heeft
gemaakt, in zijn zak tastend_). Ajasses -- dat vieze geld ook altijd! --
(_Marie ziende, voor zich heen_). Ah! -- daar heb je haar ook nog!


VIERDE TOONEEL

_De vorigen, Marie._

_Marie_ (_tot Cor, die zich verschrikt omwendt, terwijl oompje met een hik
uit zijn kunstbeschouwing ontwaakt_). Neemt u me niet kwalijk, maar de deur
stond aan, en ik hoorde u juist tegen mijn broer spreken, -- is er een --
kindje van u gestorven -- ?

_Cor._ Jawel juffrouw -- ik heb zoo juist een zwaar verlies geleden -- --
vanmorgen kreeg ik het bericht, dat mijn kind in het gesticht overleden was
-- . Dat is hard voor een moeder, -- hij werd er goed verpleegd, ziet u --
daar niet van -- maar wanneer je zelf je kind niet bij je hebt en het
sterft bij je vandaan -- dat is hard! Het was idioot, juffrouw -- het was
van -- (_zij maakt een gebaar naar oompje_).

_Marie_ (_haar met wat afwerend medelijden in de rede vallend_). Ach -- ,
-- als ik u van dienst kan zijn -- ? (_zij biedt aan Cor een paar
geldstukken uit haar beursje_). Ik had net uw vraag aan mijn broer gehoord
en -- misschien komt het hem nu juist niet zoo gelegen...

_Henri._ God, wat dat betreft: als ik in dit bijzondere geval, dit -- dit
treurige geval nog es helpen kan -- natuurlijk.

_Cor_ (_wat onthutst en gehaast om weg te komen_). Dank u zeer juffrouw --
ik dank u zeer. U begrijpt: het is voor me kind -- en voor de reis van
morgen -- en-ne -- met het begin van de maand zal ik het prompt aan
mijnheer voldoen, -- -- (_naar oompje_) kom ouwe!

_Oompje._ Wablief -- ! -- Ah, precies! (_hij komt met een onzeker loopje
langs Henri, voor wien hij het penseel, dat hij nog in handen heeft, aan
den neus legt_). Weet je wat jij bent, jongeheer -- ? jij bent een
wij-wijsneus! In míjn tijd...

_Cor_ (_hem bij een mouw meetrekkend_). En hou jij je mond nou maar stijf
dicht!

_Oompje_ (_de penseel in den pot mikkend_). Precies! -- (_voor Marie, na
haar even met zijn bijziende oogjes te hebben opgenomen, met een paar
stijve buiginkjes_). Aangenaam dame -- aangenaam -- hik!

_Cor_ (_in de deur tot Henri en Marie_). Och, neemt u het hem alsjeblieft
maar niet kwalijk: hij is weer -- (_zij wijst met de vinger naar haar
hoofd; tot Marie_). Ik dank u wel -- ik dank u wel vriendelijk -- ! (_af
met oompje, die in het portaal weer zijn "Prins van Arcadië" aanheft_).


VIJFDE TOONEEL

_Henri, Marie._

_Marie_ (_verschrikt verwijtend_). Ik geloof -- dat die man -- niet goed
wijs was -- !?

_Henri_ (_droog-af_). O: -- hij was dronken.

_Marie._ Wat zeg je? -- dronken!? -- -- Maar Henri, met wat voor menschen
ga jij dan toch om? (_zij komt naar voren en gaat bij de tafel zitten,
terwijl Henri den stoel voor den ezel neemt_).

_Henri._ Och -- : zoo nu en dan es dronken, hè.

_Marie_ (_verontwaardigd_). Nee! Henri, nee! -- -- O, dus wat ik dat mensch
gegeven heb, zal ook wel naar de kroeg gaan?

_Henri_ (_lachend_). Wel nee! je dubbeltjes zullen deze keer wel goed
besteed worden: -- ze had een idioot kind, dat buiten verpleegd werd, en nu
gestorven schijnt -- -- maar goed ook.

_Marie._ Dat is toch wel zielig.

_Henri._ Er is zoo veel zielig. -- Maar jij had dat niet zoo ostentatief
hoeven te geven, hoor: ik had ze 't ook wel voorgeschoten -- maar die
menschen komen den laatsten tijd zoo dikwijls vragen.

_Marie._ "Ostentatief" -- ! (_als Henri zijn schouders ophaalt, wil ze
uitvaren, maar zich het doel van haar komst herinnerend, houdt zij zich in;
op anderen toon_). Nou maar je moet toch ook wat voor zulke menschen doen
-- je moet toch voor elkander wat over hebben.

_Henri_ (_zich bij haar woorden herinnerend, waarvoor zij, na haar laatste
bezoek, waarschijnlijk komt, licht spottend_). Oh -- -- wat dat aanbelangt
-- .

_Marie_ (_zenuwachtig met haar parasol op den grond prikkend, weet niet
goed hoe te beginnen, zij kijkt Henri even schuins onderzoekend aan -- dan,
op de schilderij de voltooide tweede naaktfiguur bemerkend_). Ach -- heb je
daar nog een nieuwe figuur bijgeschilderd! (_kijkend_). Ja -- ik heb je
laatst ook al gezegd: ik vind, dat je tegenwoordig niet meer schildert met
die beschaafde smaak van vroeger, -- (_kijkend_) nee -- die twee, dat is
toch wel weer -- erg, dat is toch...

_Henri_ (_over zijn schouder omkijkend naar de schilderij_). Weet je wat:
-- als het je hindert om er op te kijken, kom dan hier zitten.

_Marie_ (_even weifelend_). Ja -- eerlijk gezegd, vind ik dat wel een
beetje -- hinderlijk. (_Henri biedt haar zijn stoel en zij verwisselen van
plaats_).

_Henri._ Zoo -- zoo is 't beter -- -- je doet zoo heel goed tegen die
achtergrond!

_Marie._ Och maak nu eens geen gekheid, -- ik kom voor ernstige dingen. Ik
kwam nog eens praten over die logeerpartij -- .

_Henri._ Oh -- -- wat dat aanbelangt -- .

_Marie._ Wij kunnen het nu niet langer uitstellen: tante heeft gister
geschreven of we decideerden, en je weet: -- het slagen van alles hangt
voor een groot deel van jou af.

_Henri._ Ik vrees, dat ik niet zal kunnen.

_Marie._ Hoe bedoel je -- je gaat toch -- ?

_Henri._ Lieve zus: ik kan onmogelijk -- juist nù ónmògelijk.

_Marie._ Nee -- dat meen je niet -- ?

_Henri._ Het spijt me waarachtig, maar ik kan niet: ik ben aan dat ding
(_naar de schilderij knikkend_) bezig, en 't komt er juist nu erg op aan.
Ik ben afhankelijk van modellen -- modellen, die maar een enkele keer komen
kunnen -- -- modellen, die -- enfin, -- en bovendien is dat heele plan van
die logeerpartij, met die Arie en die Lientje, mij hoogst onsympathiek.

_Marie_ (_zenuwachtig geprikkeld_). Dat zal je ons toch niet aandoen -- ?
Mama had zich er zooveel van voorgesteld, dat weet je -- en ik...

_Henri._ En ik zou ook volstrekt niet weten, waarom ik zoo noodzakelijk mee
moet!

_Marie._ Dat weet je heel goed, dat heb ik je de vorige keer duidelijk
genoeg gezegd -- dat is nu al veertien dagen geleden, en tante moest het
vóór 't eind van de maand weten! Je weet heel goed, hoe tante op je gesteld
is -- dat mocht je werkelijk wel meer apprecieeren -- en Lientje en Arie
ook.

_Henri_ (_proestend_). Arie! Nee die is goed! Ik ken die vent eigenlijk
geen eens -- en als ik hem kende -- -- dan zou ik hem liever niet kennen!
-- En dàt zeg ik je nog eens: die plannetjes van jou met die doordraaier
zijn mij, als je broer, hóógst onsympathiek!

_Marie_ (_fel_). Ach, wat weet jij daarvan! -- (_zich spijtig inhoudend
voor een laatste poging_). Toe -- bedenk je nog eens, -- je bent nu
misschien niet in een goede stemming...

_Henri_ (_nijdig_). Ik ben in een bèste stemming -- uitmúntende stemming!
(_kalmer_). Maar zoo is 't nu eenmaal: ik kàn niet -- -- en ik wìl ook
niet!

_Marie._ Je hebt dus niet dat kleine pleiziertje voor mama en mij over -- ?
(_nog een moment weifelend, of Henri ook nog op zijn weigering terug zal
komen -- dan, vóór hem staand_). Goed: blijf dan maar -- goed, doe jij dan
maar wat je wilt, hoor: wij zullen 't ook wel zonder mijnheer de artiest
kunnen stellen. Maar dat zeg ik je: die Arie, waar jij je een oordeel over
aanmatigt, terwijl je hem niet eens goed kent, daar heb jij dan ook verder
geen woord over mee te praten, of hij je sympathiek of niet sympathiek is
-- begrijp je! En jij, die de zedemeester uithangt over anderen, jij, met
je leventje hier, met die menschen en -- (_naar de schilderij knikkend_)
die dingen -- jij mocht wel eens in de eerste plaats op je zelf letten!...
(_er wordt geklopt, beiden zien verrast op_).

_Henri._ Binnen!


ZESDE TOONEEL

_Henri, Marie, Herman._

_Herman_ (_in zijn ouderwetsche pelerinejas bescheiden naar binnen
draaiend, en bij het zien van Marie ietwat gegeneerd in de deur staan
blijvend_). O -- als ik stoor -- ?

_Henri._ Nee, nee -- kom binnen, kom binnen! Mijn zuster was juist bezig
afscheid te nemen: -- (_tot Marie_) mag ik je eens voorstellen: mijn vriend
ten Kate -- mijn zuster.

_Marie_ (_even uit het veld geslagen, maakt een stijf buiginkje naar
Herman; dan, met nog een laatste poging, halfluid tot Henri_). Dus -- ?

_Henri_ (_zijn hoofd schuddend_). Onmogelijk.

_Marie_ (_hem vinnig toefluisterend_). Weet je wat jij bent: -- je bent een
egoïst -- dat ben je: een egoïst -- ! (_naar de deur gaande, tot Herman,
die opzij treedt_). Pardon mijnheer, -- (_in de open deur tot Henri_) en je
ziet me hier nooit meer terug! (_af_).


ZEVENDE TOONEEL

_Henri, Herman._

_Henri_ (_met opgeheven handen door 't atelier loopend, en zich wringend,
alsof hij iets van zich af wil schudden_). Ah -- ! ah -- ! ah -- ! -- (_dan
op eens tegenover Herman, die bij de deur is blijven staan, onrustig
nieuwsgierig_) En-ne -- kom je zoo es oploopen -- ?

_Herman_ (_zich zenuwachtig met den rug van zijn hand over 't voorhoofd
strijkend_). Nee -- .

_Henri._ Nee -- ?

_Herman._ Ik kwam -- ik kwam -- (_Henri aanziend_) ze heeft me gevraagd,
een paar dingen van haar te halen, die hier nog waren -- .

_Henri._ "Ze" -- ? -- (_zij staan een oogenblik zwijgend tegenover elkaar,
dan zet Henri, wiens stemming thans omslaat in een verbeten verdrietigheid,
zich op de rustbank_). Oh -- -- zoo -- -- , oh -- zoo -- .

_Herman_ (_voorzichtig een los papiertje uit een oud zakboekje halend_). Ja
-- ze had nog een en ander hier, hè: -- (_met aandacht lezend_). "Een
bruine boa, -- een paar gestikte muilen, met kraaltjes er op, -- een grijze
an-antoeka -- "?

_Henri._ Entoutcas.

_Herman._ Entoutcas -- ? -- wat is dat?

_Henri._ Een entoutcas is een parasol en een paraplu.

_Herman_ (_met een schuinen blik naar Henri, of deze hem niet voor den gek
houdt_). O -- , nou: (_verder lezend_) "een antoeka, -- een hoed met blauw
lint en rose ma-madeliefjes, -- -- en dan nog een groen broekje."

_Henri_ (_heeft met de ellebogen op zijn knieën en de handen onder zijn
hoofd geluisterd, en draait zich nu naar Herman om, niet goed wetend hoe
zich te houden, -- als hij deze ernstig ziet, neemt hij het geval in zijn
stemming ook maar ernstig_). Tja -- -- , nou: die sloffen staan, geloof ik,
daar in de hoek -- met die grijze parasol er bij, (_even spottend_) en de
entoutcas en de paraplu en de parasol.

_Herman_ (_steekt de sloffen in den zak van zijn pelerine en neemt de
entoutcas onder een arm_).

_Henri_ (_terwijl Herman bezig is_). Heb je nog iets van Frits gehoord?

_Herman._ Weet je dàt niet -- !? die is er met Tootje van door.

_Henri._ Wat zeg je -- !?

_Herman._ Ja, met Tootje; -- ze zeggen, dat ze op een snoepreisje naar
Brussel zijn, -- al een week lang.

_Henri._ "Al een week lang?" -- nou dan zal hij wel gauw terugkomen; "naar
Brussel"? -- echt voor Frits: zoo es artistiek stiekem uit.

_Herman._ Nou, ik vind Frits toch anders weinig artiest, hoor.

_Henri._ Dat moet je niet zeggen: -- zooals Frits leeft, dat is op zichzelf
een kunst, man; (_bitter_) Frits "verstaat de kunst", de kunst van leven --
beter dan wij allemaal!

_Herman._ Nou ja, die kunst -- die verstaat zoo'n Tootje ook!

_Henri._ Juist! en daarom zal ze het waarschijnlijk heel wat verder brengen
dan -- dan sommige anderen.

_Herman_ (_met een zucht zijn papiertje hernemend_). " -- Een bruine boa --
".

_Henri._ "Bruine boa"? -- O ja: die hangt zeker in de kast. (_vanaf de
rustbank, waarop hij zich uitstrekt, dirigeerend_). Daar: -- ja -- (_als
Herman weifelt voor de kast_) ja, draai maar open.

_Herman_ (_haalt de boa uit de kast, en, niet wetend waar ze te laten,
hangt hij haar om den hals over zijn pelerine; op het gesprek
terugkomend_). Nou, Joop zei verleden van Frits: "die man past nou precies
in deze tijd" -- maar ik zei hem: "een werkelijk groot artiest past in àlle
tijden!"

_Henri._ "Is" van alle tijden! -- och ja, dat zeggen ze altijd, maar dat is
juist niet waar. Zulke artiesten als Frits, diè heb je juist altijd gehad:
die had je al in Egypte en Mesopotamië! Juist die "pasklaren" zijn van alle
tijden: de knappe portrettisten -- -- en de modelletjes, die er van door
gaan.

_Herman_ (_met een schuin oogje naar Henri zijn papiertje hernemend_). " --
Een hoed met blauw lint en rose madeliefjes".

_Henri._ O ja, die hoed -- die ligt, geloof ik, nog altijd boven op de kast
(_als Herman tegen de kast opziet, van de rustbank af dirigeerend_). Ja,
daar moet je een stoel bij halen.

_Herman_ (_sleept een stoel aan, en haalt met de entoutcas den hoed van de
kast, terwijl Henri er naar ligt te kijken; hij beziet, op den stoel
staande, den hoed met verheugde aandacht, blaast er omstandig slof van af,
en klimt voorzichtig omlaag; weer naar voren komend_). Nou, maar die Jules
past toch zeker niet voor alle tijden.

_Henri._ Nee -- die past eigenlijk heelemaal niet (_zuchtend_). Zoo heb je
er meer, zoo heb je er altijd gehad: -- je hebt die altìjd passen, en je
hebt die noòit passen.

_Herman._ Dat noemen ze de stille lichten.

_Henri._ De lichten onder de korenmaat.

_Herman._ Je weet toch zeker, dat hij op reis is?

_Henri._ Op reis -- ? -- Nee, -- ook al met een modelletje naar Brussel?

_Herman._ Nee: die is in z'n eentje naar Rome.

_Henri._ Wat -- ? naar Rome -- ?

_Herman._ "In z'n ééntje naar Rome".

_Henri._ Zoo -- ja; ach, eigenlijk verwondert me dat nou heelemaal niet.
Voor die ultra-modernen is de moderne wereld nooit modern genoeg, en dan
zoeken ze het per slot maar in een oude, in een gebruikte en versleten. --
Ach, dat zie je tegenwoordig immers op alle manieren: in kunst, in
politiek, in godsdienst -- : is 't nieuwe versleten, dan poetsen ze 't oude
nog maar eens op, -- nou en dat is ook dikwijls veel mooier! (_droog_).
Daarom heb je ook zooveel antiquiteitenwinkels tegenwoordig: antiquiteiten
worden ook weer nieuw: -- (_met zijn handen goochelend_) oud-nieuw --
nieuw-oud!

_Herman._ Ja, jij steekt er de draak maar mee.

_Henri._ Ach man, dat heb je in modes immers ook net zoo -- dat gaat altijd
in een kringetje: groote hoeden, kleine hoeden -- groote rokken, kleine
rokken -- groote broekjes, kleine broekjes -- -- nu dragen ze immers
allemaal weer directoire-broekjes!

_Herman_ (_met een zucht zijn papiertje hernemend_) " -- Een groen
broekje".

_Henri_ (_weer ernstig; glimlachend_). Tja -- dat ding, dat moet hier ook
nog ergens rondslingeren (_zij kijken rond, tot Henri het achter een ezel
bij Herman ziet_). O, daar! -- daar achter je!

_Herman_ (_het broekje over zijn arm nemend en aanstalten makend om te
gaan_). Nou -- -- ajuus hoor.

_Henri_ (_hem naziend en bemerkend, hoe gek hij er met zijn last uitziet_).
Hei -- ! -- je kan zoo toch niet over straat gaan! Wacht: ik zal je helpen.
(_naast Herman neemt Henri nu een voor een de dingen van hem over, beziet
ze een oogenblik, en helpt ze hem beter schikken: de sloffen in zijn zak,
de entoutcas onder zijn arm, de boa om zijn hals met de jas er over heen
dicht geknoopt, den hoed onder de pelerine; het broekje bekijkt hij langer,
-- dan kijken ze elkander een moment aan -- waarop Henri hem het broekje
geeft, terwijl beiden een anderen kant uitzien; Herman stopt het haastig
samengefrommeld in een zak van zijn jas_).

_Herman_ (_die nu weg wil gaan_). Nou-e--

_Henri_ (_weifelend_). Zoo-e -- komt ze dus -- tegenwoordig weer bij je?

_Herman_ (_trots_). Ze kòmt niet bij me, maar ze ìs bij me.

_Henri._ Zoo -- ?

_Herman._ En ze blìjft bij me -- , (_als Henri hem vragend aanziet_) wij
gaan trouwen.

_Henri_ (_half pijnlijk verrast, half spottend_). Trouwen -- !?

_Herman._ Ja -- is dat zoo gek?

_Henri._ "Gek" -- nee -- gek -- , maar-e, neem me niet kwalijk, maar -- hoe
wil je haar dan onderhouden? Hoe moet jullie dan leven?

_Herman._ Nou, ik geef toch al vijf lessen in de week, -- en dan heb ik
weer kans op een kopie -- en dan ben ik hard aan 't werk -- een nieuw stuk
voor de expositie: wit! -- en grijs en blauw -- een nymf, als een droom in
een bosch.

_Henri_ (_wil spottend uitvallen, maar Herman ziende, houdt hij zich in_).
Zoo -- zoo--

_Herman_ (_trots op zijn herovering, en met goedige belangstelling van zijn
kant, naar de schilderij gaande_). En jij bent ook weer bezig, zie ik --
een tweede figuur? (_kijkend_). Mooi werk, mooi werk, -- en dan die kop in
het midden -- ook symbolisch, hè -- ?

_Henri_ (_knikt vaag en gaat weer op de rustbank zitten_).

_Herman._ Ja, je hebt het toen laatst uitgelegd -- : mooie gedachte (_hem
voorzichtig op den schouder kloppend_). Weet je, wat jij eigenlijk bent --
? (_weifelend_) -- jij bent een "idealist"!

_Henri_ (_ziet hem spottend vragend aan_).

_Herman._ Ja: een idealist, (_hij blijft nog even aarzelend staan, dan
kijkt hij het papiertje nog eens door en knikt; dan, bij de deur zich nog
even omkeerend en met de entoutcas waarschuwend opgeheven_). Zie je: -- de
realiteit van het leven, dìe moet je niet vergeten -- ! -- (_als hij geen
antwoord krijgt_). Nou -- ajuus!

Henri (_dof_). Ajuus. (_Herman af_).


ACHTSTE TOONEEL

_Henri, daarna Helena._

_Henri_ (_heeft zich, terwijl Herman de deur sloot, weer op de rustbank
uitgestrekt en ziet hem nu als 't ware nog na, bij zichzelf, eerst lachend
dan bijna snikkend, herhalend_) "idealist" -- "idealist" -- "idealist"! --
(_dan zet hij zich voor den ezel en ziet een poos aandachtig naar zijn
werk, neemt een penseel op -- en legt het weer neer. Dan op eens,
verschrikt zich den tijd herinnerend, ziet hij op zijn horloge, springt op
en reddert gejaagd wat rond: hij brengt het eetgerei in het keukentje,
verschuift wat stoelen en verschikt de bloemen. Daar het onderwijl is
begonnen te schemeren, trekt hij het gordijn voor het glazen dak dicht,
waarop het donker wordt en hij een paar lampen en een Joodschen kandelaar
van den schoorsteenmantel aansteekt. Na een oogenblik nerveus de kamer op
en neer te zijn geloopen, neemt hij den kandelaar op en beziet zichzelf in
het spiegeltje aan den ezel. Er wordt duidelijk geklopt. Ontsteld brengt
hij den kandelaar op den schoorsteenmantel, -- als voor de tweede maal
geklopt wordt, keert hij zich naar de deur en roept onzeker_). Binnen!

_Helena_ (_in eenvoudig grijs tailor-made kostuum met reishoedje op en een
klein tuiltje viooltjes in haar jacquet. Als Henri vol verwachting op haar
toeloopt, schudt zij het hoofd, maar hij voorkomt haar eerste spreken;
rad_).

_Henri._ O nee -- nee, nee, nog niet spreken: laat mij eerst spreken -- je
mag niet iets besluiten, zonder dat we gesproken hebben, Helena! (_Helena
komt intusschen naar voren en zet zich daarna weifelend op de rustbank_).
Je hebt vanochtend gezegd, dat ik het gelaat niet direct naar jou moest
schilderen -- maar dat wil ik ook niet: -- ik wil alleen dingen, die ik in
jou zie, daarin brengen, begrijp je -- ik wil het met jou "bezielen",
Helena, dàt is 't -- maar daarvoor heb ik jou toch noodig -- dat wil
zeggen: ik kan toch geen liefde schilderen zonder -- -- die liefde, zonder
-- , ach ik kan niet goed spreken -- een schilder kan niet spreken.

_Helena._ O, ik begrijp je heel goed -- ik weet hoe je voelt.

_Henri._ Nee, ik geloof niet, dat je weet, hoeveel ik voor jou voel!

_Helena._ En voor je kunst.

_Henri._ Ja -- natuurlijk, voor beiden, -- en beiden te vereenigen, is dat
niet het hoogste?

_Helena_ (_weifelend verwijtend tot hem opziend_). Hoe kun je dan het
gelaat begeerend zien, dat je als een ideaal boven alle werkelijkheid uit
wilt schilderen?

_Henri_ (_even onthutst_). Dat kàn, dat kàn -- dat is juist het hoogste: de
vereeniging van een kunstenaarsideaal met menschelijke liefde!

_Helena._ En denk je dan, dat dat ideaal niet zou wijken -- dat je het niet
zelf zou dooden in je eigen handen -- ? een ideaal kun je niet grijpen.

_Henri_ (_naar de schilderij duidend_). Ik kan dàt ideaal niet schilderen,
als ik het niet geproefd heb met mijn lippen, als het niet van mij is --
van mijn ziel en mijn hart!

_Helena_ (_voor zich heen_). Een kunstenaarsideaal moet kuisch zijn, en --
en ongrijpbaar.

_Henri._ Maar mijn God, wat wil je dan -- ik kan je toch niet liefhebben
als een schim!

_Helena_ (_aanvallend_). Nee -- dat is het juist: je hebt me niet lief, al
verbeel je je dat en begeer je mij -- je hebt je ideaal, je kunst lief --
en mij wil je gebruiken -- gebruiken alleen.

_Henri._ O -- hoe kun je dat zeggen! -- ik -- ìk, die alles voor je
opgeofferd heb!

_Helena._ Opgeofferd -- ?

_Henri._ Nellie -- mijn zuster -- Herman -- !

_Helena._ Durf je zeggen, dat dat voor mìj was Henri?

_Henri._ En mijzelf dan! -- hoe heb ik mijzelf moeten verloochenen bij het
schilderen -- om niets te laten blijken!

_Helena._ Dat was toch wel het minste, wat ik van je eischen mocht! -- en
dat was mìjn opoffering: dat ik je oogen verdragen heb. O, ik wist, dat 't
zoo komen moest -- en 't is goed, dat 't nu gekomen is -- daarom haastte ik
zoo.

_Henri._ Wist je dan -- !?

_Helena_ (_glimlachend_). Och, ik geloof, dat een vrouw altijd eerder weet.
Hoe vaak heb ik hier alles overdacht, als jij alleen mijn lichaam zag, maar
het was altijd hetzelfde waar ik toe kwam: ik heb je alles gegeven, wat ik
te geven had. En het mooiste, wat ik je nog geven kan: het gelaat -- de
verbeelding, de bezieling daarvan -- dat kan ik je alleen waarachtig geven,
door het andere niet te geven -- -- door heen te gaan, -- dat weet ik, dat
voel ik.

_Henri._ Je kan me maar één groot ding geven -- je zelf, je hééle zelf!

_Helena._ Nee -- ik geloof van nee, -- het zou een vuur zijn, een... o! ik
ken jou, en ik ken nu ook beter mij zelf: -- het zou een misstap zijn --
(_schamper_) dat noemen ze een "faux-pas".

_Henri._ Een "faux-pas" -- ! Ah, hoe kun je dat woord gebruiken! Een
"faux-pas"! (_bitter_) O -- die zal jij nooit maken, Helena, een
"faux-pas"! Dat maken alleen naïeve, onschuldige vrouwen, -- -- enkel dat
woord bewijst, dat je nog conventioneel voelt!

_Helena._ Misschien; maar ik kan niet anders handelen, dan ik voel -- en
dàt heb ik gevoeld. Ik moet, ik moet zoo doen -- om jouw bestwil en om...

_Henri._ Om mijn bestwil -- ? mijn!? -- maar wat heb je met mijn bestwil te
maken! Ah ja -- de helft van jullie liefde is altijd een soort medelijden,
of ijdelheid, of...

_Helena_. En jullie liefde -- ? Wat is jullie liefde anders dan begeerte en
begeerte alleen -- !?

_Henri._ Nee Helena -- niet alleen begeerte, maar: (_zijn armen
uitbreidend_) verlangen -- ! verlangen -- !

_Helena._ En heb je wel gedacht aan mìjn verlangen -- ?

_Henri._ Ik zal je alles geven wat je verlangt -- alles! álles!

_Helena._ Nee -- ik geloof niet... O, er is zooveel door me heen gegaan bij
dat poseeren -- zooveel wat ik vroeger niet kende! Maar ik weet nu, dat ik
meer wil -- -- ik -- ik wil ànders: (_naar de schilderij duidend_) juist,
juìst omdat ik je dàt gegeven heb, juist omdat ik je model ben geweest --
je "ideale model" -- -- kan ik het andere niet meer worden, -- en -- en ik
wil ook geen schildershuwelijk.

_Henri_ (_gekrenkt_). O -- maar nu spreek je over heel iets anders dan
daarnet! Daarnet zei je: om mìj, om mijn werk, om mijn bestwil, en nu --
nee Helena, dat is niet eerlijk -- wees dan tenminste open -- -- ach,
jullie vrouwen maakt je zelf altijd dingen wijs! jullie -- jullie knoeit
met je ziel!

_Helena._ Misschien; maar dan is dat gekomen, omdat jullie ons het heele
leven dwingt te knoeien, -- maar in ieder geval heb ik mij nooit zoo
eerlijk gevoeld als nu: -- je hebt geen recht mij zoo iets te verwijten --
jij bent het, die je zelf bedriegt en de dingen niet durft zien als ze
zijn.

_Henri_ (_opgewonden_). Ik -- !? ik, die het alles zoo klaar en duidelijk
zie? Ik zie alleen jou, ik schilder jou -- ik heb je lief, ik wil alles
voor je zijn, alles voor je doen -- en jìj kunt niet om mìjn bestwil en
om...

_Helena._ Ja, en om mezelf: -- je hebt me straks niet laten uitspreken --
ook om mezelf. Je ziet: ik doe me niet mooier voor dan ik ben: -- ook om
mezelf, omdat ik niet kan en -- niet wil.

_Henri._ Niet...? -- O, je hebt me dus niet lief!

_Helena._ Misschien te veel als -- kunstenaar, misschien -- niet genoeg --
-- ik weet het niet.

_Henri._ Je "weet" het niet...? O nee -- dan heb je me dus niet lief!

_Helena._ Ach, jullie mannen, voor wie de liefde altijd maar zoo eenvoudig
is!

_Henri._ Maar 't ìs eenvoudig! Mijn God, jullie moderne vrouwen ziet liefde
zoo zwaar, zoo ingewikkeld!

_Helena._ Ja -- misschien; maar dat komt omdat voor ons, met alle
moderniteiten, liefde nog 't eenig waarachtige is, wat we bezitten.

_Henri._ En wat wil ik je dan anders geven -- ! en wat heb ìk dan anders
dan liefde, Helena!

_Helena._ Je kunst -- (_als hij zenuwachtig geringschattend glimlacht_) o,
daar moog je niet om lachen: je kunst is je meer dan je liefde, (_als hij
een gebaar maakt van heftige tegenwerping_). Goed -- in ieder geval zou ze
het weer worden, -- (_opstaande en op hem toetredend_) en dat moet ook
Henri, en dat wil ik ook, en -- ik wil je ook niet anders zien dan als
kunstenaar!

_Henri_ (_tegenover haar, hartstochtelijk_). Maar een kunstenaar is toch
ook een mensch! Ik heb toch ook een hart dat klopt, een hart met bloed --
voor jou, Helena! (_zij is voor zijn aandringen teruggeweken en weer op de
rustbank komen te zitten, en ziet, zijn hartstocht ontwijkend, naar de
schilderij, waar haar blik zich weer van de naaktfiguren afwendt_). Ja, dat
ook: wat is kunst waard zonder hart, zonder ziel -- zonder liefde! En die
liefde heb ik voor jou -- voor jou alleen! Help jij me dan -- help verder
me dàt te maken! Jij spreekt van het ideale van dat gelaat, maar voel je
dan niet, dat ik juist niets meer zal kunnen doen zonder jou! -- Jij moet
me helpen, Helena! blijf! -- altijd! -- altijd! -- (_hij knielt naast haar
schoot en grijpt haar handen_).

_Helena_ (_zich losmakend, eerst wat onzeker, allengs vaster sprekend_). Je
bedriegt je zelf, je bedriegt ons beiden -- maar 't is niet waar! Je kunt
die droom van dat gelaat alleen schilderen -- als het een droom blijft --
-- als ik ga. Dat voel ik, dat weet ik, Henri. Hoe zou je een droom kunnen
schilderen, als er het geheim van was afgevallen -- als het alles tot
werkelijkheid was geworden? Dat geheim wil ik bewaren, dat beeld wil ik zoo
laten in je ziel! -- dat zal het beeld zijn van mij -- van mìj -- -- omdat
ik een lichaam en een ziel voor je geweest ben, en toch niet een bezit heb
willen worden!

_Henri._ Maar waarom niet, Helena! -- waarom -- ? waarom -- ?

_Helena._ Omdat ik alles wil hebben -- álles, of alles wil opofferen, -- en
ik wil niet nemen van je -- en ik zou nemen: ik zou jou nemen, en je ziel,
en je kunst -- (_naar de schilderij duidend_) en dàt: dat gelaat, dat
levend is geworden in je, zou ik nemen -- -- en dat is het blijvende en al
het andere zou toch maar een -- een hersenschim zijn.

_Henri._ Maar waarom -- ? waarom -- !

_Helena._ Omdat ik die werkelijkheid in de verte te duidelijk zie -- en
omdat de werkelijkheid alle idealen verwoest -- -- (_zachter_) en jij zou
mijn ideaal van jou verwoesten -- dat ik nu nog -- heb bewaard.

_Henri_ (_tot haar opziende, bitter_). Ondanks alles -- ?

_Helena_ (_hem even schuchter over het haar strijkend_). Nee -- nee.

_Henri_ (_door haar aanraking ontroerd, opspringend_). O Helena, neem alle
idealen, die je van me hebt, weg -- neem mij! neem mìj, zooals ik ben --
die ééne arme werkelijkheid -- en geef mij die rijke werkelijkheid van jou!
-- dàt is geven -- dat is geven, Helena! En dat is leven! -- de kunst is
een ideaal -- een droom, ja -- maar het leven zelf is toch een
werkelijkheid -- (_met hartstochtelijken aandrang_). Neem het leven,
Helena! voor het voorbijgaat -- grijp het geluk, zoolang het duurt -- !
drink de beker, Helena, en werp hem dan weer weg -- -- daarna komt de kunst
-- komt de droom te mooier weerom!

_Helena_ (_opspringend tegenover hem_). Maar dat wil ik juist niet! maar je
spreekt tegen je zelf! Ik wil geen middel zijn alleen! -- ik wìl geen
tweede zijn bij je kunst! -- en ik wìl ook niet begeerd worden alléén! --
Ik wil vròùw zijn! -- vrouw! vrouw! -- Ik ben een bohème geweest -- ik heb
de bohème "gespeeld" -- -- maar nu weet ik, dat ik geen bohème-liefde wil!
-- (_zachter en triomfantelijk tegelijk, voor zich heen_) nu weet ik, dat
ik geen bohème-liefde wil!

_Henri._ Maar dat wil ik óók niet, dat vráág ik ook niet: -- ik heb met
anderen geleefd, (_met geringschatting zijn schouders ophalend_) o ja --
maar jou wil ik alles geven -- àlles!

_Helena_ (_langzaam schuddend_). Nee -- ook wat jij mìj te geven had, heb
je mij gegeven. Ik ben gekomen om te leeren -- en ik heb geleerd -- -- meer
en anders dan ik dacht. O -- er is zooveel door mij heengegaan, als ik daar
lag! -- -- jij spreekt van verlangen, Henri, maar ik heb zooveel verlangd
-- ! -- Misschien ben ik hier anders -- meer vrouw geworden -- -- ja -- en
soms ben ik jaloersch geweest op je kunst! (_bij een plotselinge beweging
van Henri_). Nee -- nee: (_naar de schilderij wijzend_) voor jou wil ik
alleen dat zijn, voor jou wil ik alleen een model en -- een bezieling zijn
geweest -- -- dàt is mijn liefde voor jou.

_Henri._ En de andere liefde -- ?!

_Helena._ Die zal ik gaan zoeken in de wereld -- -- misschien is het nog
niet te laat.

_Henri_ (_wanhopig_). Maar dat wil ik niet! -- ik wil je voor mij! -- voor
mij!--

_Helena._ O! -- maak het me niet moeilijk Henri!

_Henri_ (_bruusk haar beide armen grijpend_). Ik wil! -- ik wil! begrijp je
-- ik wil...

_Helena_ (_is door zijn greep een oogenblik teruggezonken op de rustbank,
maar staat dadelijk, na zich door een driftige beweging te hebben
losgemaakt, weer op; -- ontsteld verwijtend_). Nee -- -- zóó niet! -- zóó
niet!--

_Henri_ (_treedt verslagen terug, terwijl Helena zich herstelt en zich
gereed wil maken te vertrekken; -- na een oogenblik van stilte en
vertwijfeling, zwak_). O -- -- maar ik kan mijn kunst toch een tijd laten
rusten -- wij kunnen toch reizen, Helena -- samen, alleen voor elkaar --
ver weg reizen -- -- alleen voor elkaar -- -- ?

_Helena._ Ah -- ! laten we geen concessies doen -- laten we niet laf
worden!

_Henri_ (_voelend, dat thans alles verloren is, zinkt naast de rustbank
neer en verbergt zijn hoofd in zijn handen_).

_Helena_ (_zich na een oogenblik van weifelen bij hem zettend, zacht_). Ik
kàn geen concessies aan het leven doen, Henri -- ! ik heb het nooit gekund!
Ik weet wel: andere vrouwen zouden misschien anders doen -- ik zeg niet,
dat het beter of mooier is, wat ik doe -- maar ik moet doen zooals ik voel
-- -- ik kan niet anders.

_Henri_ (_snikkend_). Oh -- !--

_Helena._ Er zijn vrouwen, die alleen geboren schijnen, om kinderen voort
te brengen, -- en andere alleen om naast een man te leven -- als vriendin
of als verzorgster...

_Henri._ Of als verwoester!

_Helena_ (_hem even schuw over het haar strijkend_). En er zijn vrouwen,
die als wilde vlammen door het leven flikkeren, -- maar je hebt ook
vrouwen, die voor niets geboren schijnen -- of misschien voor iets, dat wij
nu nog niet kunnen zien -- -- en zoo een was ik. En nu heb ik iets bereikt,
iets gedaan -- iets gegeven! en voel ik mezelf rijker -- en misschien ook
rijper geworden, -- -- en daarvoor dank ik je Henri: ik dank je voor wat je
mìj gegeven hebt.

_Henri._ Helena -- !

_Helena._ In mij heb je het naakt gevonden, dat je zocht -- zou je dat nu
zelf weer willen -- vertroebelen? En ik ben de bron geweest, waarin je de
trekken zag van dat ideale droombeeld, dat je zocht en dat je nu in je ziel
voor oogen hebt -- -- als je het proefde, als je het dronk met je lippen,
zou het breken, -- en nu ik ga, zal het te mooier worden -- dàt weet ik!
(_opstaand en naar de schilderij duidend_). Dáár heb ik het gelaten -- daar
zal je dat droomgelaat schilderen -- dat zal je -- ! dat zàl je -- !

_Henri._ Helena -- ik heb je lief!

_Helena_ (_ontroerd, maar zich bedwingend_). Ik kàn niet -- ik mag niet --
het zou een diefstal zijn aan jou, aan je kunst -- aan ons beiden -- een --
-- een leugen.

_Henri_ (_aan de rustbank blijvend, terwijl Helena zich naar de deur
wendt_). En als -- als de leugen eens achteraf tot -- -- waarheid werd --
?!

_Helena_ (_zich omwendend en naar de schilderij wijzend_). Dan zal dàt toch
ons mooiste kind zijn geweest -- dat, wat je zelf de herinnering noemde: --
"het gelaat van herinnering en verlangen, die beide nooit tot waarheid
werden!"

_Henri._ Helena! -- ik heb je lief -- !

_Helena_ (_wil gaan_).

_Henri._ Helena! -- zeg me nog, dat -- -- dat je me hebt liefgehad!

_Helena_ (_neemt het boeketje viooltjes van haar borst en legt het op de
tafel_).

_Henri._ Helena -- !

_Helena_ (_haar ontroering bedwingend en zich aan de deur steunend, ziet
nog eenmaal om, -- dan gaat zij_).

_Henri._ Helena -- ! -- (_hij is opgestaan en grijpt den stoel voor den
ezel, waarop hij neerzinkt; daarna wenden zijn oogen zich langzaam af van
de deur naar de schilderij, die hij een oogenblik verbijsterd beziet, --
dan omklemt hij ze met beide armen, terwijl hij zijn snikkend hoofd aan de
lijst legt_).


_Scherm._





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Naakt model - Toneelspel in drie bedrijven" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home