Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De zoon van Kazan
Author: Curwood, James Oliver
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De zoon van Kazan" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



  +----------------------------------------------------------------+
  |                                                                |
  |                 OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:                   |
  |                                                                |
  | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele,     |
  | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te      |
  | moderniseren.                                                  |
  |                                                                |
  | De in het origineel als uitgespatieerde tekst is weergegeven   |
  | als ~uitgespatieerd~.                                          |
  |                                                                |
  | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de           |
  | aangebrachte correcties.                                       |
  |                                                                |
  | Dit e-boek is een vertaling vanuit het engels van „Baree,      |
  | Son of Kazan”, welke ook als e-boek no. 4748 beschikbaar is    |
  |                                                                |
  +----------------------------------------------------------------+



DE ZOON VAN KAZAN

door

JAMES OLIVER CURWOOD

HOLLANDSCHE BEWERKING van T. M. E. EASTON

VIERDE DRUK



[drukkersmerk: NIMMER DRALEND]

Nijgh & Van Ditmar's Uitgevers-Maatschappij
Rotterdam · MCMXXII



I.

Het groote onbekende.


Voor Baree bestond, vele dagen nadat hij geboren was, de wereld uit
een groote, schemerige spelonk. Gedurende deze eerste dagen van zijn
leven was zijn tehuis in het hartje van een groep omgewaaide boomen,
waar Wolvin, zijn blinde moeder, een veilig nest gevonden had voor
zijn prille jeugd en waar Kazan, haar maat, slechts nu en dan kwam,
met oogen, die in de duisternis glommen als groenachtige ballen vuur.
Het waren Kazan's oogen, die Baree voor het eerst den indruk gaven,
dat er nog iets bestond buiten zijn moeder, en zij brachten hem ook de
ontdekking van het gezicht. Hij kon voelen, hij kon ruiken, hij kon
hooren—maar in dat donkere hol onder de omgewaaide boomen had hij
nooit _gezien_ voordat deze oogen kwamen. Eerst joegen zij hem schrik
aan, toen verbazing en daarna veranderde zijn vrees in ontzaglijke
nieuwsgierigheid. Hij placht ernaar te liggen kijken, tot zij
plotseling verdwenen waren. Dit gebeurde als Kazan zijn kop omdraaide.
En dan flikkerden zij hem opnieuw tegen met zulk een schrikaanjagende
onverwachtheid, dat hij onwillekeurig dichter tegen zijn moeder
aankroop, die altijd op een eigenaardige manier begon te trillen
en te huiveren, wanneer Kazan binnenkwam.

Baree zou natuurlijk nooit hun geschiedenis te weten komen. Hij zou
nooit weten, dat Wolvin, zijn moeder, een volbloed wolvin was en dat
Kazan, zijn vader, een hond was.

De natuur was bij hem al bezig haar wonderwerk te verrichten, maar zij
zou toch nooit buiten zekere grenzen gaan. Zij zou hem, op haar tijd,
de ervaring brengen, dat zijn mooie wolvinnemoeder blind was, maar hij
zou nooit iets vernemen van een zeker verschrikkelijk gevecht tusschen
Wolvin en een lynx, waarbij zijn moeder's gezicht verwoest was. De
natuur kon hem niets vertellen—zij kon hem alleen maken tot een zoon
van Kazan.

Maar in het begin, vele dagen lang, bestond voor hem alleen zijn
moeder. Zelfs nadat zijn oogen open waren gegaan en hij het gebruik
van zijn pootjes ontdekt had, zoodat hij wat rond kon strompelen in de
duisternis, bestond er voor Baree niets, buiten zijn moeder. Toen hij
oud genoeg was om met stokjes en stukken mos te spelen, buiten in den
zonneschijn, wist hij nog steeds niet, hoe zij er uitzag. Maar voor hem
was zij groot en zacht en warm en zij likte zijn snoetje met haar tong
en praatte tegen hem op een zachte, klagerige manier, wat eindelijk
de oorzaak werd, dat hij zijn eigen stem vond, met een klein, schril
blafje. En toen kwam die wonderbaarlijke dag, dat de groenachtige
ballen vuur, die Kazan's oogen waren, nader en nader kwamen, langzaam
aan en heel voorzichtig. Tot vóór dezen dag had Wolvin hem uit de buurt
gehouden. Alleen te zijn was de eerste wet van haar wild geslacht,
gedurende den eersten tijd van haar moederschap.

Zij behoefde maar even te snauwen en Kazan had zich altijd
teruggetrokken. Maar dezen dag kwam het niet tot een waarschuwenden
snauw in Wolvin's strot, het stierf weg in een zacht gejank. Er was een
klank in van eenzaamheid, van blijdschap, van groot verlangen. „Het is
in orde, nu,” zeide hij hiermee tot Kazan. En Kazan—nog even wachtend
om heelemaal zeker te zijn van zijn zaak—antwoordde met een zacht
gebrom, diep in zijn strot.

Nog steeds langzaam, alsof hij niet zeker was van wat hij ontdekken zou,
kwam Kazan naderbij en Baree nestelde zich dichter tegen zijn moeder
aan. Hij hoorde hoe Kazan zwaar op zijn buik neerviel, dicht naast
Wolvin. Hij was niet bang en vreeselijk nieuwsgierig. Hij snoof. En in
het duister spitste hij de ooren. Na een poosje begon Baree te bewegen.
Langzaam kroop hij van Wolvin's zijde weg. Wolvin lag heel stil, maar
elke spier in haar lenig lijf was strak gespannen, als staaldraad. Het
was weer haar wolvenbloed, dat haar waarschuwde. Er dreigde gevaar voor
Baree. Zonder geluid te geven trok zij haar lippen weg, zoodat haar
slagtanden bloot kwamen. Het begon te trillen in haar strot, maar het
geluid plantte zich niet voort. Uit de duisternis, twee meter van haar
af, kwam een zacht jongehondjesgejank en het liefkoozend geluid van
Kazan's tong.

Baree ondervond de siddering van zijn eerste groote avontuur. Hij had
zijn vader ontdekt.

       *       *       *       *       *

Dit alles viel voor in de derde week van Baree's leven. Hij was juist
achttien dagen oud, toen Wolvin Kazan toestond, met zijn zoon kennis
te maken. Zonder Wolvin's blindheid en de herinnering aan dien dag op
de Zonnerots, toen de lynx haar voor altijd het licht in de oogen had
benomen, zou Baree in de open lucht geboren zijn en zijn pootjes zouden
dadelijk sterk geweest zijn. Hij zou de zon gekend hebben en de maan en
de sterren, hij zou het gerommel van den donder begrepen hebben en de
bliksemstralen gezien hebben aan den hemel.

Maar zooals de zaken nu stonden, viel er voor hem in dat donkere hol
onder de omgevallen boomen niets te doen dan wat rond te waggelen en
met zijn klein rood tongetje aan de afgekloven beenderen te likken, die
overal om hem heen verspreid lagen. Meermalen had hij alleen moeten
blijven. Hij had zijn moeder hooren komen en gaan en bijna altijd was
het geweest in antwoord op een blaf van Kazan, welk geluid tot hem kwam
als een verwijderde echo. Hij had nooit sterk het verlangen gevoeld,
haar te volgen tot op dien dag, waarop Kazan's groote, koele tong zijn
snoetje geliefkoosd had. Op deze oogenblikken was de natuur weer bij hem
aan het werk. Dit instinkt was nog niet geheel geboren vóór dien dag. En
wanneer Kazan wegging, hen alleen achterlatend in het duister, jankte
Baree voor zijn terugkomst, juist zooals hij gejankt had om zijn moeder,
wanneer deze hem zoo nu en dan verlaten had, de roepstem volgend van
haar maat.

De zon stond recht boven het bosch, toen, een paar uren na Kazan's
bezoek, Wolvin wegsloop. Tusschen Baree's nest en den hemel lag veertig
voet hout, boomstammen en takken, waardoor geen enkele lichtstraal heen
kon breken. Deze duisternis beangstte hem niet, want hij had nog niet
geleerd, wat het licht beteekende. De dag, en niet de nacht, zou hem
zijn eersten grooten schrik aanjagen. Dus begon hij, onbevreesd, maar
even jankend tegen zijn moeder, dat zij op hem wachten moest, te volgen.
Als Wolvin hem al hoorde, zij sloeg geen acht op hem en het kletteren
van haar klauwen op de dorre takken stierf spoedig weg.

Ditmaal bleef Baree niet staan voor den acht decimeterlangen boomstam,
die altijd op deze plek de wereld voor hem had afgesloten. Hij klom
er bovenop en liet zich toen aan den anderen kant er overheen rollen.
Hierachter begon het groote avontuur en hij wierp er zich moedig
middenin.

Hij had een heelen tijd noodig om de eerste twintig meter af te leggen.
Toen kwam hij over een gedeelte, dat heelemaal plat getrapt was door de
pooten van Wolvin en Kazan, en, telkens stilstaand om een jammerenden
kreet te uiten, voor zijn moeder bestemd, ging hij hoe langer hoe
verder. Terwijl hij voortliep kwam er langzamerhand een zonderlinge
verandering in dat wereldje van hem. Hij had nooit iets anders gekend
dan de duisternis. En nu scheen die duisternis te veranderen in vreemde
vormen en schaduwen. Eens zag hij een schelle streep vlak boven
zich—een zonnestraal—en daar schrikte hij zóó van, dat hij zich plat
uitstrekte en een halve minuut lang zich niet bewoog. Toen liep hij
weer door. Een hermelijn piepte, ergens beneden hem. Hij hoorde het
snelle geritsel van een eekhoorn en een vreemd whoet, whoet, whoet! dat
in het minst niet leek op één van de geluiden, die zijn moeder ooit
gemaakt had. Hij was het spoor bijster. Het hout was nu niet langer
plat getrapt en hij moest een helling beklimmen, die hoe langer hoe
steiler werd en zich gaandeweg vernauwde. Hij begon te janken. Zijn
zacht neusje zocht vergeefs naar den warmen reuk van zijn moeder. Het
einde kwam plotseling, toen hij zijn evenwicht verloor en viel. Hij
uitte een scherpen kreet van schrik, toen hij zich voelde uitglijden
en viel toen in de diepte. Hij moest wel nogal hoog geklommen zijn,
want het was voor Baree een geweldige val. Zijn teer lichaampje bonsde
van boomstam op boomstam en toen hij eindelijk liggen bleef, had hij
bijna geen adem meer over. Maar hij stond snel overeind op zijn vier
trillende pootjes—en knipte met de oogen. Een nieuwe angst hield hem
vastgeworteld. In een oogwenk was de heele wereld veranderd. Het was een
stroom van zonlicht. Overal waar hij heenkeek, zag hij vreemde dingen.
Maar de zon joeg hem de meeste vrees aan.

Het was de eerste maal, dat hij vuur zag en het stak hem in de oogen.
Hij stond op het punt, zich terug te trekken in het liefderijke duister
van het hol, maar juist kwam Wolvin opdagen, gevolgd door Kazan. Zij
besnuffelde Baree vroolijk en Kazan kwispelstaartte, zeer bepaald op
hondenmanier. Dit kenteeken van den hond zou voortaan Baree's deel zijn.
Hoewel hij voor de helft wolf was, zou hij toch kunnen kwispelstaarten.
Hij probeerde het maar vast eens. Misschien zag Kazan deze eerste
poging, want hij gaf een gesmoorden blaf van goedkeuring, terwijl hij
zitten ging.

Of misschien zeide hij tot Wolvin:

„Zoo, nu hebben wij toch eindelijk dien kleinen rakker buiten het hol
gekregen, niet?”

Voor Baree was het een groote dag geweest. Hij had zijn vader ontdekt
en—de wereld.



II.

Het eerste gevecht.


En het was een wereld vol wonderen—een wereld van uitgestrekte
eenzaamheid, niets buiten de schepselen der wildernis leefde er. De
dichtstbijzijnde Hudson Baai-post lag een honderd mijlen er van af en
de eerste stad van beschaving was zeker wel een driehonderd mijlen
zuidwaarts.

Twee jaren te voren had Tusoo, de strikkenzetter, een Indiaan van
den stam der Cree's, er zich gevestigd. Het was zijn domein en in
zijn bezit gekomen volgens de wet der wouden, na een lange reeks van
voorvaderen, maar Tusoo was de laatste geweest van zijn uitstervend
geslacht en hij was gestorven aan de kinderpokken en zijn vrouw en
kinderen waren er eveneens aan gestorven. Sedert dien tijd had er
niemand meer gewoond. De lynx had er zich vermenigvuldigd. De elanden
en kariboe's waren niet achtervolgd door den mensch. De bevers hadden
ongestoord hun kasteelen gebouwd. De voetsporen van den zwarten beer
waren even diep als die van de herten, meer naar het zuiden. En waar
eens de vallen en het giftaas van Tusoo de oorzaak waren geweest, dat de
wolven niet al te talrijk werden, nu bestond deze bedreiging voor hen
niet meer.

Op de zon van dezen dag vol merkwaardigheden volgden de maan en de
sterren van Baree's eersten werkelijken nacht. Het was een schitterende
nacht en een volle, roode maan zeilde over de bosschen, de aarde
overstroomend met een nieuw soort licht, zachter en, voor Baree's smaak,
veel mooier. Zijn wolvenaard sprak sterk in hem en hij was rusteloos.
Hij had dien dag geslapen in de warmte van de zon, maar hij kon niet
slapen in dezen maneglans. Hij snuffelde, niet op zijn gemak, om Wolvin
heen, die plat op haar buik lag; haar mooie kop was vol levendigheid,
zij luisterde verlangend naar de geluiden van den nacht en wachtte op
het liefkoozend likken van Kazan, die als een schaduw was weggeslopen om
te jagen.

Een half dozijn malen hoorde Baree, terwijl hij in de buurt van de
gevallen boomen rondscharrelde, een zacht gesuis boven zijn hoofd en
eens of twee keer zag hij een grijze schaduw, die geruischloos en snel
door de lucht schoot.

Het waren de groote uilen van het noorden, die neer kwamen dalen om
hem te bekijken en als hij een konijn was geweest, in plaats van een
jong wolfshondje, zou deze nacht onder den blooten hemel zijn laatste
nacht geweest zijn; want in tegenstelling met Wapoos, het konijn, was
hij niet voorzichtig. Wolvin paste niet buitengewoon op hem. Haar
instinkt zeide haar, dat er in deze bosschen geen groot gevaar dreigde
voor Baree, behalve van den kant der menschen. Door zijn aderen stroomde
wolvebloed. Hij jaagde op alle mogelijke andere dieren, maar geen
enkel wild dier maakte jacht op hem. Gedeeltelijk begreep Baree dit
ook. Hij was niet bang voor de uilen. Hij was niet bang voor de
zonderlinge bloed-verstijvende kreten, die zij uitstootten, in de
zwarte sparretoppen gezeten. Maar één keer kreeg de vrees toch vat
op hem en hij spoedde zich terug naar zijn moeder. Dit gebeurde toen
een van de gevleugelde jagers zich stortte op een sneeuwschoenkonijn
en de doordringende doodskreten van het veroordeelde dier zijn hartje
deden kloppen als een hamer. Hij voelde in deze kreten de nabijheid van
die eene, altijd tegenwoordige tragedie van de wildernis—den dood.
Hij voelde het opnieuw, dezen nacht, toen hij, dicht tegen Wolvin
aangekropen, luisterde naar het heftig gehuil van een wolventroep, die
een jongen kariboe-stier op de hielen zat. En de beteekenis van dit
alles en de wilde siddering ervan ondervond hij in de vroege schemering,
toen Kazan terugkeerde, tusschen zijn kaken een dik konijn houdend, dat
nog steeds schopte en worstelde om zijn leven.

Dit konijn vormde den climax van het eerste hoofdstuk van Baree's
opvoeding.

Het was alsof Wolvin en Kazan het zoo hadden uitgedacht, om hem op
deze manier zijn eerste les te geven in de kunst van het dooden. Toen
Kazan het had laten vallen, naderde Baree het vette konijn behoedzaam.
De ruggestreng van Wapoos was gebroken; zijn ronde oogen waren glazig
geworden en hij voelde geen pijn meer. Maar voor Baree's gevoel was hij
nog springlevend, toen hij zijn scherpe tandjes in het bont begroef, dat
welig onder Wapoos' kin groeide. De tandjes drongen niet door tot in het
vleesch. Met de onstuimigheid van een jong hondje hield Baree vast. Hij
dacht, dat hij bezig was te dooden. Hij kon de laatste stuiptrekkingen
van Wapoos voelen. Hij kon de laatste hijgende zuchten hooren, die
het warme lijfje verlieten en hij gromde en rukte tot hij eindelijk
achterover viel, met zijn bekje vol konijnebont. Toen hij tot den aanval
terugkeerde, was Wapoos heelemaal dood en Baree ging voort met grommen
en bijten, totdat Wolvin er bij kwam met haar scherpe slagtanden en het
konijn in stukken scheurde. Daarna volgde het festijn.

Op deze manier kwam Baree tot de ontdekking, dat eten beteekende:
dooden, en naarmate de dagen en nachten elkaar opvolgden, groeide zijn
honger naar vleeschvoedsel aan. In dit opzicht was hij een ware wolf.
Van Kazan had hij weer andere en nog sterkere karaktertrekken geërfd,
van den hond. Hij was van een prachtige zwarte kleur, wat hem in later
jaren den bijnaam bezorgde van Kusketa Muhekun—den zwarten wolf. Op
zijn borst prijkte een witte ster. Ook aan zijn rechteroor was een wit
vlekje. Zijn staart was, toen hij zes weken oud was, ruig en hing laag.
Het was een wolvestaart. Zijn ooren waren als die van Wolvin, scherp,
spits en altijd bedacht op onraad. Zijn voorschouders beloofden krachtig
te worden als die van Kazan en als hij stond, leek hij op een speurhond,
behalve dan, dat hij altijd zijwaarts stond van het punt of voorwerp,
dat hij betuurde. Dit nu, was weer een eigenschap van den wolf, want een
hond gaat altijd recht in de richting staan. Op een schitterenden nacht,
toen hij twee maanden oud was, en de hemel wemelde van sterren, toen de
Juni-maan zoo helder was, dat zij nauwelijks hooger leek te staan dan de
sparretoppen, ging Baree rechtop zitten en huilde. Het was zijn eerste
poging. Maar men kon zich in den klank ervan niet vergissen. Het was
wolvengehuil. Maar een oogenblik later, toen Baree naar Kazan toesloop,
alsof hij zich diep over deze eerste poging schaamde, kwispelstaartte
hij op een onmiskenbaar verontschuldigende manier. En hierin kwam weer
de hondennatuur tot uiting. Als Tusoo, de nu gestorven Indiaansche
strikkenzetter, hem had kunnen zien, zou hij hem beoordeeld hebben naar
dat kwispelstaarten. Het openbaarde het feit, dat in 't diepst van zijn
hart—en in zijn ziel, als wij toegeven, dat hij er een bezat—Baree een
hond was. Ook in een ander opzicht zou Tusoo hem tot hond gestempeld
hebben. Als een wolvejong twee maanden oud is, is het vergeten hoe het
moet spelen. Het is dan reeds een halfvolwassen dier der wildernis, het
werkt en jaagt op dieren, die kleiner zijn dan hijzelf en hulpeloozer.
Baree speelde toen nog. Op zijn tochten buiten het hol onder de
omgevallen boomen was hij nooit verder gegaan dan tot aan de kreek, een
honderd meter van de plek, waar zijn moeder lag. Hij had meegeholpen
menig dood en stervend konijn in stukken te scheuren; hij verbeeldde
zich, zoo hij al ooit over deze zaak nadacht, dat hij buitengewoon flink
en moedig was. Maar hij was al in zijn negende week, toen hij zijn
sporen verdiende en dat verschrikkelijke gevecht voerde met den jongen
uil, aan den zoom van het dichte woud.

Het feit, dat Oohoomisew, de groote sneeuwuil, zijn nest had gemaakt
in een afgeknakten boomstam, niet ver van de omgevallen boomen, was de
oorzaak van een verandering in Baree's levensloop, zooals het blind
worden dien van Wolvin veranderd had en de knuppel van den Man dien van
Kazan. De kreek liep dicht in de buurt van dien boomstam, die door den
bliksem was getroffen en deze boomstam stond op een stille, donkere plek
in het woud, omringd door hooge, donkere sparren en zelfs bij het volle
daglicht in schemer gehuld. Meermalen was Baree tot aan den zoom van dit
geheimzinnige stuk bosch geloopen en had er nieuwsgierig naar binnen
gegluurd, met een groeiend verlangen. Op den dag waarop hij dit groote
gevecht hield, was de verlokking ervan overweldigend. Stapje voor stapje
ging hij er in; zijn oogen schitterden en zijn ooren waren gespitst, om
elk geluid op te vangen, dat er maar uit op kwam klinken. Zijn hartje
klopte sneller. De schemering omwikkelde hem meer en meer. Hij vergat
het hol en Kazan en Wolvin. Hier vóór hem lag het groote avontuur. Hij
hoorde vreemde geluiden, maar heel zacht, alsof zij werden voortgebracht
door zachtgezoolde pooten en donzige veeren en zij vervulden hem met
een opgewonden verwachting. Onder zijn pooten groeiden niet langer
grassen, kruiden of bloemen—hij liep op een prachtig bruin tapijt van
zachte naalden. Het was een lekker gevoel aan zijn pooten, zij waren zoo
fluweelzacht, dat hij zijn eigen bewegingen niet hooren kon.

Hij was ruim driehonderd meter van de omgevallen boomen af, toen
hij langs Oohoomisew's boomstam kwam en in een dicht gewas van jonge
balsemstruiken. En daar—midden op zijn pad—kroop het monster!

Papayuchisew „de jonge uil” was niet meer dan een derde van de grootte
van Baree. Maar hij zag er uit als een schrikaanjagend voorwerp. Voor
Baree leek hij niets dan kop en oogen. Hij kon heelemaal geen lichaam
aan hem ontdekken. Kazan had nooit iets thuisgebracht, dat hierop leek
en een volle halve minuut lang bleef hij het aanstaren, bespiegelend.

Papayuchisew bewoog geen veertje. Maar toen Baree voorzichtig, voetje
voor voetje naderbij kwam, werden zijn oogen al grooter en grooter en
de veeren bovenop zijn kop gingen overeind staan, alsof zij door den
wind bewogen werden. Hij stamde van een vechtlustige familie, deze
kleine Papayuchisew—een woeste, onverschrokken, moordende familie en
zelfs Kazan zou ontzag gehad hebben voor deze overeind staande veeren.
Met een tusschenruimte van twee voet maten het wolfshondje en het jonge
uiltje elkaars krachten. Op dit oogenblik zou Wolvin, als zij hem had
kunnen zien, tot Baree gezegd hebben: „Neem je pooten op en ren!” en
Oohoomisew, de oude uil, zou tot Papayuchisew gezegd hebben: „Jou kleine
dwaas, gebruik je vleugels en maak dat je wegkomt!”

Zij deden dit echter geen van de twee en het gevecht nam een aanvang.

Papayuchisew begon en met een enkelen woesten kreet viel Baree om,
terwijl de snavel van den jongen uil als een roodgloeiende schroef
in het zachtste gedeelte van zijn neus knelde. Die eene schreeuw van
verbazing en pijn was Baree's eerste en laatste in het gevecht. De
wolf ontwaakte in hem, woede en verlangen om te dooden beheerschten
hem. Onder het vasthouden maakte Papayuchisew een eigenaardig sissend
geluid en terwijl Baree omrolde, tandeknarsend en worstelend om zich
te bevrijden van dien verbazingwekkenden greep op zijn neus, stegen
er woedende bromgeluiden op uit zijn kleinen strot. Een volle minuut
lang miste hij het gebruik van zijn kaken. Toen, bij toeval, duwde hij
Papayuchisew in een boschje struiken, die laag bij den grond groeiden en
kwam zijn neus een oogenblik vrij. Hij had nu weg kunnen hollen, maar
in plaats daarvan was hij weer bovenop den kleinen uil, met de snelheid
van het weerlicht. Floep! lag Papayuchisew op zijn rug en Baree begroef
zijn naaldfijne tandjes in diens borst. Het was alsof hij probeerde
door een kussen heen te bijten, zoo dik zat hij in de veeren. Dieper en
dieper zonken Baree's tanden en juist toen zij de huid van het uiltje
begonnen te schrammen, pakte Papayuchisew, die in het wilde gepikt had,
met een snaveltje, dat telkens met snappend geluid sloot, hem bij het
oor. De pijn, die deze greep hem bezorgde, was voor Baree niet om uit te
houden en hij deed een nog wanhopiger poging om met zijn tanden door de
dikke veer-wapenrusting van zijn vijand heen te komen. In hun worsteling
rolden zij tot onder de lage balsemstruiken naar den rand van het
ravijn, waardoor de kreek liep. Zij vielen over de steile helling heen
en bij deze tuimeling liet Baree los. Papayuchisew daarentegen klemde
zich standvastig aan hem vast en had Baree's oor nog steeds in zijn
macht.

Baree's neus bloedde en het was alsof zijn oor van zijn kop getrokken
werd en op dit ongemakkelijke oogenblik deed Baby Papayuchisew de
ontdekking, dat zijn vleugels een groote hulp waren in den strijd. Een
uil is niet werkelijk aan het vechten, zoolang hij zijn vleugels niet
gebruikt en met een vroolijk gesis begon Papayuchisew zijn tegenstander
zoo hard en zoo aanhoudend te slaan, dat Baree er verblind door werd.
Hij was genoodzaakt, zijn oogen te sluiten en hij hapte in het wilde
rond.

Voor de eerste maal sedert den aanvang van het gevecht, voelde Baree
een sterken drang om te vluchten. Hij trachtte zich te bevrijden met
zijn voorpooten, maar Papayuchisew, die lang werk had gehad om tot
de ontdekking te komen, maar nu ook des te vuriger was, klemde zich
aan zijn oor vast als met den ijzeren greep van het noodlot. Op dit
beslissende oogenblik, terwijl Baree snel het gevoel van een nederlaag
kreeg, redde het toeval hem. Zijn kaken sloten zich om een van
Papayuchisew's teere pooten. Het uiltje gaf plotseling een schreeuw.
Het oor raakte ten laatste los en met een triomfantelijken snauw gaf
Baree een geweldigen ruk aan Papayuchisew's poot.

In de opwinding van het gevecht had hij niet het rumoer van het
stroomende water onder hen gehoord en over een kleine rots heen
tuimelden Papayuchisew en hij tezamen in de kreek. Het kille water
smoorde een laatsten snauw en een laatst gesis van de twee kleine
vechtersbazen.



III.

Een nacht vol angst.


Wat Papayuchisew betreft, voor hem was, na de eerste gulp water, die hij
binnenkreeg, de stroom bijna even veilig als de lucht, want hij zeilde
over de oppervlakte met de luchtigheid van een meeuw, zich verbazend in
zijn langzaam-werkend brein, waarom hij zich zoo gemakkelijk en prettig
bewoog, zonder dat hij er zelf moeite voor behoefde te doen.

Maar voor Baree was het een andere zaak. Hij zonk naar beneden als
een steen. Een geweldig gebulder vervulde zijn ooren, het was donker,
benauwend, afschuwelijk. Hij werd om en om geworpen. Hij was twintig
voet diep onder water. Toen steeg hij naar de oppervlakte en begon
wanhopig met zijn pooten te slaan. Het hielp hem niet veel. Hij kreeg
alleen maar den tijd om een paar maal met de oogen te knippen en wat
lucht in zijn longen te halen, toen hij in een kolk verdween, die als
een molentocht tusschen twee boomstammen draaide en eenigen tijd lang
konden de scherpste oogen huid noch haar van hem ontdekken. Toen kwam
hij weer boven bij een miniatuur Niagara en vijftig of zestig meter lang
werd hij als een harige bal in het rond geworpen. Daarna werd hij in
een ijskouden poel gesmeten en toen, half dood, krabbelde hij, op een
steenige zandbank, uit het water.

Langen tijd bleef hij daar liggen in een vloed van zonneschijn, zonder
zich te bewegen. Zijn oor deed hem pijn en toen hij eindelijk zijn neus
ophief, was deze heelemaal ontstoken en voelde zoo branderig aan, alsof
hij hem in vuur gestoken had. Zijn pooten en lichaam waren pijnlijk en
toen hij zich over den steenigen zandbodem rond begon te sleepen, was
hij het rampzaligste jonge hondje ter wereld. Hij was ook totaal den weg
kwijt. Tevergeefs keek hij rond naar een herkenningsteeken—naar het
een of ander, dat hem den weg naar huis terug kon wijzen. Maar alles
was hem even vreemd. Hij wist niet, dat het water hem aan land geworpen
had aan den verkeerden kant van de kreek en dat hij, om het hol onder
de omgevallen boomen te bereiken, deze weer zou moeten oversteken. Hij
jankte halfluid om zijn moeder. Wolvin had hem niet kunnen hooren als
hij geblaft had, want haar hol was meer dan twee honderd vijftig meter
stroomopwaarts. Maar het wolveninstinkt legde Baree al vanzelf het
zwijgen op na dit zachte gejank.

Langs den oever loopend, begon hij den stroom te volgen. Elke stap,
dien hij in deze richting deed, bracht hem nu verder van huis. Telkens
bleef hij stilstaan om te luisteren. Het bosch werd dichter. Het
werd hoe langer hoe donkerder en geheimzinniger. De stilte ervan was
schrikaanjagend. Na verloop van een half uur zou hij zelfs Papayuchisew
met blijdschap verwelkomd hebben. En hij zou hem toen niet bevochten
hebben. Hij zou hem, zoo dit mogelijk ware geweest, den weg naar huis
hebben gevraagd.

Hij was volle driekwart mijl van zijn hol gekomen, toen de kreek zich
splitste in twee kanalen. Hij kon er maar één kiezen om te volgen—het
stroompje, dat een weinig zuidoostwaarts liep. Dit gedeelte liep niet
zoo snel. Het was niet gevuld met glinsterende rotsblokken, waardoor
het water zong en schuimde. Het was zoo zwart als het bosch. Het was
geruchtloos en diep. Plotseling bevond Baree zich aan den rand van een
diepen, donkeren poel, waarin het water zoo roerloos lag als olie en
zijn hartje sprong hem naar de keel, toen een sluik, glimmend beest te
voorschijn sprong, bijna vlak onder zijn neus uit en met een geweldig
geplas in het midden van den poel terecht kwam. Het was Nekik, de otter.
Hij had Baree niet gehoord en een oogenblik later werd hij gevolgd
door Napanekik, zijn wijfje, met drie jongen achter zich aan, die vier
sporen achterlieten in het olieachtig-uitziende water. Wat er daarna
voorviel, deed Baree bijna vergeten, dat hij verdwaald was. Nekik was
onder de oppervlakte verdwenen en steeg weer naar boven, vlak onder zijn
nietsvermoedend wijfje, met zoo'n kracht, dat zij half uit het water
gelicht werd. Oogenblikkelijk verdween hij weer en Napanekik zette hem
woedend achterna. Voor Baree zag het er niet uit als spel. Twee van de
jonge otters hadden zich op den derden gestort en het leek, alsof deze
zich wanhopig verweerde. Baree voelde geen kou en geen pijn meer. Zijn
bloed stroomde hem opgewonden door de aderen, hij kon zich niet meer
inhouden en er ontsnapte hem een blaf. In een oogwenk waren de otters
verdwenen. Eenige minuten lang was het water in beroering en dat was
alles. Na een poosje trok Baree zich in de struiken terug en vervolgde
zijn weg.

Het was ongeveer drie uur in den namiddag en de zon behoorde nog hoog
aan den hemel te staan. Maar het werd gestadig donkerder en het vreemde
hiervan en de angst gaf aan Baree's pooten grooter spoed. Hij bleef
telkens stilstaan om te luisteren en bij een van deze tusschenpoozen
hoorde hij een geluid, dat hem een vroolijk jankend antwoord ontlokte.
Het was een verwijderd gehuil—een wolvengehuil, recht voor hem uit.

Baree dacht niet aan wolven, maar aan Kazan en hij bleef door het
sombere bosch rennen, tot hij buiten adem was. Het wolvengehuil werd
echter niet meer hoorbaar.

In plaats daarvan rolde er van uit het westen een somber gerommel
aan. Door de toppen der boomen flitste een heftige bliksemstraal. Een
kreunend gefluister van den wind deed dienst als voorrijder van den
storm en een tweede bliksemstraal scheen Baree's schuilplaats te willen
uitvorschen, terwijl hij daar stond te huiveren onder een baldakijn
van hooge sparren. Dit was zijn tweede storm. De eerste had hem een
vreeselijken angst aangejaagd en hij was weggekropen tot in den versten
hoek van het hol. Het beste wat hij nu kon vinden, was een kuil onder
een grooten boomwortel en daar kroop hij in en begon zachtjes te huilen.
Het was een kinderlijk huilen om zijn moeder, om zijn tehuis, om
warmte, om iets zachts en beschermends, waartegen hij zich zou kunnen
aannestelen en terwijl hij daar lag te huilen, barstte de storm los over
het woud.

Baree had nooit tevoren zooveel lawaai gehoord en hij had nooit het
weerlicht in zulke stralen zien neerschieten, zooals bij dit noodweer
in Juni gebeurde. Het leek van tijd tot tijd wel, of de heele wereld
in brand stond en de aarde scheen te trillen onder de geweldige
donderslagen. Hij hield op met jammeren en maakte zich zoo klein
mogelijk onder den boomwortel, die hem gedeeltelijk beschermde tegen den
striemenden regen, die in stroomen neerviel. Het was nu zoo pikdonker,
dat, behalve wanneer het hemelvuur groote lichtgaten in de lucht reet,
hij de boomstammen op twintig voet afstands niet kon onderscheiden.
Een veertig voet van Baree af stond een groote, doode boomstronk, die
elken keer, wanneer de bliksemstralen door de lucht kliefden, daartegen
afstak met de somberheid van een geest, alsof hij die vlammende handen
daarboven uitdaagde om toe te slaan—en eindelijk sloeg er een toe!
Een blauwe tong van knetterend vuur gleed langs den ouden stam en toen
hij de aarde aanraakte, ontstond er een geweldige ontploffing boven de
boomtoppen. De massieve stronk sidderde en brak toen door, als geveld
door een reusachtige bijl. Hij smakte neer, zoo dicht bij Baree, dat er
aarde en takjes bovenop hem vielen en hij uitte een heftigen schreeuw
van schrik en trachtte zich nog dieper in het nauwe holletje onder den
boomwortel te wringen.

Met de verwoesting van den ouden ceder schenen donder en bliksem hun
kwaadwilligheid botgevierd te hebben. De donder trok verder, naar het
zuiden en oosten, met het gerommel van tienduizend zware karrenwielen
over het bladerdak en de bliksem volgde hem. De regen viel gestadig.
Nog wel een uur, nadat Baree den laatsten bliksemstraal gezien had,
bleef hij onafgebroken neervallen. Het gat, waarin hij een schuilplaats
gezocht had, was drijfnat. Hij was geheel doorweekt. Zijn tanden
klapperden, terwijl hij afwachtte wat er verder gebeuren zou.

Hij kreeg een langen wachttijd. Toen de regen opgehouden was en de lucht
wat opgeklaard, viel de nacht in. Door de toppen der boomen heen zou
Baree de sterren hebben kunnen zien, als hij naar boven had gekeken.
Maar hij kwam zijn hol niet uit. Uur na uur verstreek. Uitgeput, half
verdronken, pijnlijk en hongerig bleef hij onbeweeglijk liggen. Ten
laatste viel hij in een onrustigen slaap, een slaap, waarin hij telkens
droevig jankte om zijn moeder. Toen hij zich eindelijk buiten zijn
schuilhoek waagde, was het morgen en de zon scheen.

Eerst kon Baree ternauwernood staan. Hij had kramp in zijn pooten, elke
pees in zijn lichaam scheen verrekt, zijn oor was stijf van geronnen
bloed en toen hij probeerde, zijn gewonden neus te rimpelen, gaf hij
een scherp blafje van pijn. Als zoo iets mogelijk ware, zag hij er nog
ellendiger uit dan hij zich voelde. Zijn haar was gedroogd in modderige
klonters, hij was vuil van kop tot staart en terwijl hij gisteren nog
mollig en glanzend van huid was geweest, zag hij er nu zoo mager en
ongelukkig uit als het noodlot maar had kunnen bewerken. En hij was zoo
hongerig daarenboven. Hij had nooit tevoren geweten, wat het beteekende,
werkelijk honger te hebben.

Toen hij verder ging, in dezelfde richting loopend als den vorigen dag,
bewoog hij zich ontmoedigd voort. Kop en ooren liet hij hangen en hij
was heelemaal niet nieuwsgierig meer. Hij was niet alleen hongerig naar
voedsel. Hij hongerde bovenal naar moederliefde. Hij verlangde naar zijn
moeder, zooals hij nog nooit naar iets verlangd had. Hij verlangde zijn
huiverend lijfje tegen haar aan te kunnen vlijen en haar liefkoozende
tong te voelen. Hij verlangde naar haar liefkoozend moederlijk geteem.
Ook verlangde hij naar Kazan en het oude hol onder de omgevallen boomen
en die groote blauwe plek in den hemel, recht er boven. Hij zeurde er
om als een klein kind, dat pruilt en hij begon weer den oever van de
kreek te volgen.

Het bosch werd na eenigen tijd minder dicht en dit wekte hem een beetje
op. En de warmte der zon deed de pijn uit zijn lichaam verdwijnen. Hij
werd hoe langer hoe hongeriger. Hij was totnogtoe ten opzichte van
voedsel geheel afhankelijk geweest van Wolvin en Kazan.

Baree's ouders hadden hem, in sommige opzichten, te veel als een
onmondig jong behandeld. Voor een deel was Wolvin's blindheid hiervan
de oorzaak; sedert Baree's geboorte was zij niet meer met Kazan op de
jacht gegaan en het was dus heel natuurlijk, dat Baree zich het meeste
aan haar gehecht had, ofschoon hij meer dan eens een vurig verlangen
had gevoeld om Kazan te volgen. De natuur deed nu al haar best, deze
nadeelige eigenschap te verbeteren. Zij deed al haar best, Baree aan
zijn verstand te brengen, dat hij nu voortaan zelf voor zijn voedsel
moest gaan zorgen. Dit feit drong langzaam maar zeker tot hem door
en hij begon te denken aan de drie of vier oesters, die hij eens bij
de kreek, in de nabijheid van het ouderlijk hol, verorberd had. Hij
herinnerde zich ook de open mossel, die hij gevonden had en hoe heerlijk
van smaak het zachte beetje daar binnenin geweest was. Een nieuwe
opwinding maakte zich van hem meester. Hij werd, van den beginne af aan,
een jager.

Naarmate het bosch minder dicht werd, versmalde zich ook de kreek.
Zij begon weer over zandplaten en steenen te stroomen en Baree ging
langs den oever snuffelen. Een tijdlang had hij hiermee geen succes.
De weinige oesters, die hij ontdekte, waren buitengewoon goed in
leven en gesloten en al de mosselen hielden hun schelpen zóó vast op
elkaar geklemd, dat zelfs Kazan's geweldige kaken moeite zouden gehad
hebben, ze te verpletteren. Het was bijna middag, toen hij zijn eerste
rivierkreeftje ving, een beestje ongeveer zoo groot als de voorvinger
van een man. Hij verslond het met woede. De smaak van voedsel gaf hem
nieuwen moed. Hij ving nog twee van deze kreeftjes, in den loop van den
middag. De schemering begon al in te vallen, toen hij een jong konijn
opjoeg van uit zijn schuilplaats onder het hooge gras. Als hij een maand
ouder geweest was, had hij het kunnen vangen. Hij had nog steeds ergen
honger, want drie rivierkreeftjes, verdeeld over een heelen dag, hadden
er niet veel toe bijgedragen, de leegte te vullen, die er in zijn maag
gestadig begon aan te groeien.

Bij het aanbreken van den nacht keerden zijn angsten en zijn gevoel van
eenzaamheid terug. Vóór het daglicht geheel was weggestorven, had hij
een schuilplaats gevonden onder een groote rots, waar een warm, zacht
bedje van zand lag. Sedert zijn gevecht met Papayuchisew had hij een
heel eind gereisd en de rots, waar hij zich voor dien nacht legerde,
was ten minste acht of negen mijlen verwijderd van het hol onder de
omgevallen boomen. Het was dicht bij den oorsprong van de kreek, met
het donkere bosch van sparren en ceders aan weerszijden en toen de
maan opkwam en de sterren den hemel vulden, kon Baree uitkijken en
het water van den stroom in den maneglans zien glinsteren, alsof het
helder dag was. Vlak tegenover hem, afgaande naar den oever, lag een
breed karpet van wit zand. Over dit zand trad een half uur later een
groote zwarte beer. Voor Baree de otters in de kreek had zien spelen,
was zijn voorstellingsvermogen omtrent de afmetingen der dieren niet
verder gegaan dan die van zijn eigen ras en zulke kleinere wezens
als uilen, konijnen en kleine vogels. De otters hadden hem niet veel
vrees aangejaagd, omdat hij nog steeds alles beoordeelde volgens de
grootte en Nekik was niet half zoo groot als Kazan. Maar de beer was
een monster, waarbij vergeleken Kazan een dwerg was. Hij _was_ dan ook
groot. Als de natuur het noodzakelijk vond, Baree te doen begrijpen, dat
er dieren in het bosch huisden van grooter belang dan wolven en honden
en uilen en rivierkreeften, legde zij er wel wat al te erg den nadruk
op. Want Wakayoo, de beer, woog zeshonderd pond, zoo zeker als wat. Hij
was dik en rond, na een maand lang van visch gesmuld te hebben. Zijn
glanzende huid leek wel zwart fluweel in het maanlicht en hij liep met
een zonderlingen, waggelenden gang, zijn kop hing laag bij den grond.
Het vreeselijkste van alles was, dat hij staan bleef midden op het
zandtapijt, niet meer dan tien voet van de rots verwijderd, waaronder
Baree lag te rillen, alsof hij de koorts had.

Klaarblijkelijk had Wakayoo hem geroken. Baree kon hem hooren snuiven,
hij kon hem hooren ademen; hij zag het sterrenlicht schitteren in zijn
roodbruine oogjes, toen deze argwanend naar de groote rots gekeerd
werden. Als Baree had kunnen weten, dat _hij_—zijn eigen onbeduidend
persoontje—dit monster hevig zenuwachtig maakte, zou hij een luiden
blaf van blijdschap gegeven hebben. Want Wakayoo was, in weerwil van
zijn lichaamsgrootte, tamelijk laf, als het op wolven aankwam. _En
Baree verspreidde den wolvenreuk!_ Deze drong sterker in Wakayoo's
neusgaten en juist op dit oogenblik, als om de onrust in hem nog te doen
aangroeien, kwam er van uit de bosschen achter hem een lang en klagelijk
gehuil. Met een hoorbaar geknor ging Wakayoo er van door. Wolven waren
een ware plaag, redeneerde hij. Zij wilden niet behoorlijk vechten. Zij
bleven uren aan een stuk achter je aan janken en naar je hielen happen
en waren zoo vlug als de wind buiten je bereik, wanneer je je naar hen
omdraaide. Waarom hier te blijven rondhangen als er wolven in de buurt
waren op zulk een mooien avond? Hij ging er vastberaden vandoor. Baree
kon hem zwaar door het water van de kreek hooren plassen.

Toen eerst waagde hij het, adem te halen. Het was bijna een verzuchting.
Maar de avonturen waren voor dien nacht nog niet geëindigd. Baree had
zijn bed uitgekozen op een plek, waar de dieren gewoon waren te komen
drinken en waar zij elkaar kruisten op hun wegen. Niet lang nadat de
beer verdwenen was, hoorde hij het zand zwaar kraken en hoefgekletter
tegen de steenen en een elandstier, met een geweldig vertakt gewei,
trad over een open vlakte in het maanlicht. Baree's oogen puilden hem
haast uit den kop, want wanneer Wakayoo zeshonderd pond gewogen had, dit
reusachtige dier, welks pooten zoo lang waren, dat het op stelten scheen
te loopen, woog zeker tweemaal zooveel. Een wijfjeseland volgde. En
daarop een jong. Dit jong scheen enkel en alleen uit pooten te bestaan.
Dit was te veel voor Baree en hij kroop hoe langer hoe verder weg onder
de rots, totdat hij eindelijk in elkaar gerold lag als een sardine in
een blikje. En daar bleef hij liggen tot aan den morgen.



IV.

Een hongerig zwerver.


Toen Baree zich bij het aanbreken van den volgenden dag van onder zijn
rots uit waagde, was hij een heel wat ouder wolfshondje dan toen hij
Papayuchisew, den jongen uil, op zijn pad ontmoet had, dicht bij zijn
oude hol. Als ondervinding de plaats van ouderdom in kan nemen, was
hij gedurende de vier en twintig uur maanden ouder geworden. Het is
een feit, dat hij nu bijna volwassen was geworden. Hij ontwaakte met
een nieuwe en veel duidelijker voorstelling van de wereld. Het was een
uitgestrekte plaats. Zij was vol voorwerpen, waaronder Kazan en Wolvin
lang niet de eerste plaats innamen.

De monsters, die hij op dat door de maan verlichte zandplekje gezien
had, hadden een nieuwe voorzorg in hem gewekt en een van de grootste
en eerste instinkten—het begrip, dat de sterke aast op den zwakke.
Totnogtoe had hij, wat zeer natuurlijk was, kracht gemeten naar
lichaamsgrootte en ook den omvang van het gevaar schatte hij daarnaar.
En zoo was de beer dus schrik-aanjagender voor hem dan Kazan en de
elandstier was weer vreeselijker dan de beer. Het was maar heel gelukkig
voor hem, dat zijn instinkt nog niet dadelijk tot aan de grenzen ging en
hem duidelijk maakte, dat zijn eigen ras—de wolf—het meest gevreesde
dier was in de wildernis, van alle gehoefde, geklauwde en gevederde
schepselen, die er huisden. Anders zou het hem wel eens hebben kunnen
vergaan als den kleinen jongen, die zich verbeeldde te kunnen zwemmen
nog vóór hij den slag te pakken had, te diep dook en er het leven bij
liet.

Heel opmerkzaam, terwijl al het haar van zijn rug overeind stond en
onderdrukt grommende, berook hij de groote voetsporen van den beer
en den eland, die hij gisteren op zijn zwerftochten ontmoet had. Dat
berenspoor maakte hem aan het brommen. Hij volgde het tot aan den oever
van de kreek. Daarna vervolgde hij zijn tocht en ook zijn jacht op
voedsel.

Twee uren lang was zijn zoeken vergeefsch, hij vond niets, zelfs geen
rivierkreeft. Daarna kwam hij van het groene bosch uit aan den zoom van
een verbrand gedeelte. Hier was alles zwart. De boomstammen leken wel
verkoolde stokken. Het was een groote boschbrand geweest, die op deze
plaats gewoed had, den vorigen herfst, en de asch was nog zacht onder
Baree's pooten. Recht door deze verbrande streek stroomde de kreek en er
boven stond de blauwe lucht, waarin de zon scheen.

Het was een heele verzoeking voor Baree. De vos, de wolf, de eland en
de kariboe zouden teruggekeerd zijn uit dit doode land. Over een jaar
zou het een goed jachtveld zijn, maar nu was het volkomen levenloos.
Zelfs de uilen zouden hier niets eetbaars hebben kunnen vinden. Maar
het waren de blauwe hemel en de zon en de zachte grond onder zijn
pooten, die Baree verlokten. Het was hier prettig reizen, na zijn
pijnlijke ondervindingen van den vorigen dag. Hij ging voort, den
stroom te volgen, ofschoon er weinig kans was, dat hij er iets van
voedsel vond. Het water was donker en modderig geworden en hier en daar
versperd door houtafval, die er in was geraakt en de oevers waren ook
modderig en week. Na een poosje, toen Baree stilstond om eens rond te
kijken, zag hij het groene bosch niet langer. Hij was geheel alleen in
die troostelooze wildernis van verkoolde boomlijken. Er heerschte ook
doodsche stilte. Geen vogelgetjilp verbrak de stilte. In de zachte asch
kon hij zijn eigen bewegingen niet hooren. Maar hij was niet bang. Hij
voelde de rust hier van veiligheid.

Als hij maar iets eetbaars kon vinden! Dit was de hoofdgedachte, die hem
beheerschte. Zijn instinkt had hem nog niet meegedeeld, dat alles, wat
hij om zich heen zag, de dood was. Hij liep voort, vol hoop naar voedsel
zoekend. Maar ten laatste, terwijl de uren verstreken, begon de moed hem
te begeven. De zon zonk in het westen. De hemel werd minder blauw, een
zachte wind begon over de toppen van de boomen te rijden en nu en dan
viel er een met veel gekraak.

Baree kon niet verder loopen. Een uur voor het donker was, lag hij in de
vlakte uitgestrekt, zwak en uitgeput. De zon verdween achter het bosch.
De maan klom naar boven, vanuit het oosten. De hemel glinsterde van
sterren en gedurende dien heelen nacht lag Baree zoo roerloos alsof hij
dood was. Toen de morgen aanbrak, sleepte hij zich naar den stroom, om
eens te drinken. Met zijn laatste krachten liep hij nog wat verder. Het
was zijn wolvenbloed, dat hem dwong, te worstelen voor zijn leven. Zijn
hondenhart zou hem aangedreven hebben te gaan liggen en te sterven. Maar
de wolf was het sterkst in hem. En dit gedeelte van zijn karakter won
het. Een halve mijl verder bereikte hij het groote groene bosch weer.

In het bosch, zoowel als in de groote steden, heeft het lot vele
grillen. Als Baree zich een half uur later het bosch in had gesleept,
zou hij dood geweest zijn. Hij was al veel te ver weg om naar een
rivierkreeft te visschen of zelfs maar den zwaksten vogel te dooden.
Maar hij kwam juist op het oogenblik, waarop Sekoosew, de hermelijn—de
meest bloeddorstige kleine vrijbuiter ter wereld—zijn prooi aan 't
bespringen was.

Dit gebeurde ruim honderd meter van de plek af, waar Baree onder een
sparreboom lag uitgestrekt, gereed om den geest te geven. Sekoosew was
een machtig jager in zijn soort. Zijn lichaam was zoowat anderhalven
decimeter lang, zijn klein staartje eindigde in een zwarte punt en hij
woog misschien vijf ons. Een klein-kinderhandje had hem overal tusschen
zijn vier pooten kunnen omsluiten en zijn scherp kopje met zijn zwarte
kraaloogjes kon gemakkelijk door het kleinste gaatje. Eeuwen lang had
Sekoosew meegeholpen, de geschiedenis te vormen. Hij was het, die—toen
zijn huid honderd dollars in het goud des Konings waard was—de eerste
scheepslading van Heeren Avonturiers over zee lokte, met Prins Rupert
aan het hoofd; het was de kleine Sekoosew, die de aanleiding werd van
de vorming van de groote Hudson Baai Compagnie en de ontdekking van
half een werelddeel; bijna drie eeuwen lang had hij om zijn bestaan
gevochten met den strikkenzetter. Hij was de slimste, de meest woeste en
onbarmhartigste van alle dieren, waaruit zijn wereld bestond.

Terwijl Baree daar onder zijn boom lag, was Sekoosew bezig zijn prooi
te besluipen. Zijn doel was een flink, vet patrijshoen, dat onder een
wilden kruisbessenstruik stond. Geen levend schepsel had eenig geluid
kunnen hooren van Sekoosew's bewegingen. Hij leek wel een schaduw—nu
eens een grijs hoopje bont hier, dan een voorbijschietend streepje
daar—nu eens was hij verborgen achter een stok, niet dikker dan
een manspols, kwam het eene oogenblik voor den dag, om het volgend
oogenblik te verdwijnen alsof hij nooit bestaan had. Op deze manier
was hij van vijftig tot drie voet genaderd. Dit was zijn geliefde
mik-afstand. Zonder mis te rekenen wierp hij zich aan de keel van
den slaperigen patrijs en zijn naaldfijne tandjes zonken door de
veeren in zijn vleesch. Sekoosew was voorbereid op wat er nu volgde.
Het gebeurde altijd, wanneer hij Napanao, den woudpatrijs aanviel.
Hij bezat machtige vleugels en zijn eerste aandrift, wanneer hij
hem aanviel, was te vluchten. Hij steeg nu recht naar boven met een
geweldig vleugelgedonder. Sekoosew klemde zich stevig vast, zijn
tandjes begroeven zich diep in zijn vleesch en zijn kleine klauwtjes
omsloten hem als handen. Door de lucht snorde hij met hem, steeds dieper
doorbijtend, totdat Napanao, honderd meter vanaf de plek, waar dat
verschrikkelijke moordwerktuig zich aan zijn keel had vastgeklemd, weer
op den grond neersmakte.

De plek waar hij viel was geen tien voet van Baree af. Een paar
oogenblikken lang bleef hij kijken naar die worstelende veerenmassa,
nog niet volkomen begrijpend, dat er eindelijk en ten laatste voedsel
binnen zijn bereik kwam. Napanao lag te sterven, maar hij worstelde
nog steeds krampachtig met de vleugels. Baree stond omzichtig op en, na
een oogenblik, waarin hij al zijn nog overgebleven krachten verzamelde,
rende hij op hem toe. Hij begroef zijn tanden in zijn borst—en toen
ontdekte hij Sekoosew pas. De hermelijn had zijn kopje opgeheven, na den
doodelijken greep in Napanao's keel te hebben losgelaten en zijn woeste
roode oogjes staarden één oogenblik lang in die van Baree. Hier zag hij
iets, te groot voor hem om te dooden en met een woedenden schreeuw ging
hij er van door. Napanao's vleugels vielen neer en hij gaf een laatsten
snik. Hij was dood. Baree hield hem stijf vast, totdat hij daar volkomen
zeker van was. Toen begon hij zijn festijn.

Met moordlust in zijn hartje bleef Sekoosew in de buurt, overal
rondsnorrend, maar nooit naderbij komend dan een half dozijn voet tot de
plaats, waar Baree lag. Zijn oogjes waren rooder dan ooit.

Baree at een derde deel van den patrijs op en de overblijvende twee
derden verborg hij heel zorgvuldig aan den voet van een grooten spar.
Toen haastte hij zich naar de kreek om te drinken. De wereld had nu
een heel ander aanzien voor hem gekregen. Alles bijeengenomen hangt
iemand's geschiktheid om geluk te voelen veel af van de diepte van het
ongeluk, dat hij tevoren gehad heeft. Zoo ging het met Baree. Acht en
veertig uur tevoren zou een volle maag hem geen tiende part zoo gelukkig
gemaakt hebben als hij nu was. Toen was zijn grootste verlangen naar
zijn moeder geweest. Sedert dien tijd had een veel grooter begeerte hem
vervuld—de begeerte naar voedsel. In zeker opzicht was het gelukkig
voor hem, dat hij bijna van uitputting en honger was omgekomen, want
deze ondervinding had meegeholpen om een man van hem te maken—of een
volwassen wolfshond—al naar men het noemen wil. Hij zou nog langen
tijd zijn moeder blijven missen. Maar hij zou haar nooit meer zoo hevig
missen als deze laatste twee dagen.

Dien middag deed hij een flinken dut, vlak bij zijn bewaarplaats. Daarna
groef hij den patrijs weer op en deed zijn avondmaal. Toen voor de
vierde maal de nacht aanbrak, verborg hij zich niet, zooals hij de drie
vorige nachten gedaan had. Hij was wonderlijk goed wakker. Onder de maan
en de sterren dwaalde hij rond bij den zoom van het bosch en in het
sombere zwarte gedeelte er van. Hij luisterde met een nieuwe opwinding
naar het wolvengehuil, dat in de verte weerklonk. Het was een troep, die
op jacht was.

Nog een dag en een nacht bleef Baree in de nabijheid van zijn
bewaarplaats. Toen het laatste been was af gekloven, trok hij verder.
Hij betrad nu een streek, waar zijn levensonderhoud geen raadsel meer
voor hem was. Hier hielden de lynxen huis en waar er lynxen rondzwerven,
daar zijn ook veel konijnen. Wanneer de konijnen schaarscher worden,
verhuizen de lynxen naar een beter terrein. Daar het sneeuwschoenkonijn
het heele jaar door jongen werpt, bevond Baree zich in een land van
belofte. Het kostte hem geen moeite, de jonge konijnen te vangen en te
dooden. Een week lang deed hij zich te goed en werd met den dag dikker
en sterker. Maar al dien tijd trok hij, gedreven door dien zoekenden,
onrustigen geest, nog steeds hopend zijn vroeger tehuis en zijn moeder
te vinden, naar het noorden en oosten.

Hij had het heimwee en voelde zich alleen en zijn hartje dorstte naar
de warmte van gezelschap en den troost van moederliefde. Alleen in de
wereld te zijn was allerminst een gewenschte staat van zaken. Soms
beving Baree zoo'n heimwee naar het gezicht van Wolvin's grijzen snoet
en Kazan's prachtig lichaam, dat het _pijn deed_.

Op dit oogenblik werd de wolf in hem overheerscht door den hond. Hij was
alleen maar een bedroefd klein hondje. En zijn tehuis, met Wolvin en
Kazan, leek ver, ver weg.

Wanhopig dwaalde hij verder, het Onbekende in....



V.

De wolf in hem spreekt.


Pierrot had, tot vóór twee jaren, gemeend, dat hij een van de
gelukkigste menschen was in de uitgestrekte wildernis. Dat was vóór
La Mort Rouge—de Roode Ziekte—uitbrak. Hij was een halve Franschman
en had de dochter getrouwd van een opperhoofd der Cree's en in hun
houten hut bij de Grijze Fuut hadden zij vele jaren geleefd in
grooten voorspoed en geluk. Pierrot was trotsch op drie zaken in zijn
onmiddellijke omgeving, hij was ontzaglijk trotsch op Wyola, zijn vrouw
van koninklijken bloede; hij was trotsch op zijn dochter en hij was
trotsch op zijn reputatie als jager. Totdat de Roode Ziekte kwam, was
het leven volmaakt voor hem geweest. Daarna—nu twee jaren geleden—was
zijn vrouw aan de pokken gestorven. Hij bleef wonen in zijn hutje bij
de Grijze Fuut, maar hij was een andere Pierrot geworden. Zijn hart was
zwaar in hem. Hij zou gestorven zijn, als zijn dochter er niet geweest
was, Nepeese. Zijn vrouw had haar Nepeese genoemd, wat beteekent „de
Wilg”. Nepeese was waarlijk opgegroeid als een wilg, slank en buigzaam
als een riet en met al haar moeders wilde schoonheid had zij toch ook
zichtbaar Fransch bloed in de aderen. Zij was bijna zeventien jaar, had
groote, prachtige, donkere oogen en haar zoo weelderig, dat een agent
van een maatschappij uit Montreal, die in hun buurt was gekomen, het
eens had willen koopen. Het viel in twee glanzende vlechten, elk van de
dikte van een manspols, bijna tot aan haar knieën.

„Non, M'sieu,” had Pierrot gezegd, terwijl er iets schitterde in zijn
oogen, toen hij de uitdrukking op het gelaat van den agent gewaar werd.
„Ze zijn niet te koop.”

Baree geraakte op zijn zwerftochten op het gebied, waar Pierrot zijn
vallen uitzette, en bleef daar. Het was een ideale plek om te jagen.
Twee dagen later kwam Pierrot thuis met een bekommerd gezicht.

„Er is een beest in de buurt, dat de jonge bevers doodt.” vertelde
hij in het Fransch aan Nepeese. „Een lynx of een wolf. Morgen....” Hij
haalde zijn magere schouders op en glimlachte tegen haar.

„Wij gaan op de jacht,” lachte Nepeese vroolijk, in haar zacht klinkend
Indiaansch.

Wanneer Pierrot op deze manier tegen haar glimlachte en begon met
„morgen”, beteekende dit altijd, dat zij met hem mee mocht gaan op
avontuur.

Nog een dag later, tegen het eind van den middag, stak Baree de
Grijze Fuut over, over een bruggetje van drijfhout, dat zich gevormd
had tusschen twee boomstammen. Dit lag in noordelijke richting.
Vlak tegenover dit bruggetje was een kleine open vlakte en aan den
rand hiervan bleef Baree stilstaan, om naar de laatste stralen van
de ondergaande zon te kijken. Zooals hij daar bewegingloos stond en
luisterde met gespitste oortjes, hangenden staart en den reuk van het
onbekende gebied opsnuivend, was er geen enkele boschbewoner, die hem
niet voor een wolvejong zou hebben gehouden.

Achter een boschje jonge balsemstruiken, een honderd meter verder,
hadden Pierrot en Nepeese hem het bruggetje over zien gaan. Nu was het
tijd en Pierrot legde zijn geweer aan. Toen pas raakte Nepeese zacht
zijn arm aan. Zij haalde opgewonden adem, terwijl zij fluisterde:

„Nootawe, laat mij schieten. Ik kan hem ook wel raken!” Met een zacht
gegrinnik gaf Pierrot haar zijn geweer over. Hij rekende het jong al
dood. Want Nepeese kon op dezen afstand een kogel zenden in een doelpunt
van een centimeter in het vierkant. En Nepeese, zorgvuldig mikkend op
Baree, trok met haar bruinen wijsvinger stevig aan den trekker.

Terwijl zij dit deed, maakte Baree een luchtsprong. Hij voelde de kracht
van den kogel, nog vóór hij het geweer hoorde afgaan. Hij viel ervan
om en rolde door alsof hij een verschrikkelijken slag met een knuppel
ontvangen had. In 't eerste oogenblik voelde hij geen pijn. Toen sneed
zij door hem heen als een mes van vuur en door die pijn overheerschte
zijn hondenhart al zijn overige gevoelens en hij liet een klagelijk
jongehondjesgejank hooren terwijl hij om en om tuimelde.

Pierrot en Nepeese waren van achter de balsemstruiken te voorschijn
gekomen. De mooie oogen van de Wilg straalden van trots over de
juistheid van haar schot. Maar plotseling hield zij haar adem in.
Krampachtig omklemde zij den loop van haar geweer. Het gegrinnik van
voldoening bestierf Pierrot op de lippen, toen Baree's jammerkreten de
lucht vervulden.

„Uchi Moosis!” hijgde Nepeese in haar eigen taal.

Pierrot nam zijn geweer terug.

„Wat! Een hond! Een jong hondje!” riep hij uit.

Hij zette Baree achterna. Maar in hun verbazing hadden zij een paar
sekonden verloren laten gaan en Baree's verdoofde zintuigen hadden
zich hersteld. Hij zag hen duidelijk zooals zij daar over de vlakte
kwamen—een nieuw soort bosch-monsters! Met een afscheidsjank sprong hij
in de schaduw van de boomen.

De zon was nu bijna onder en hij haastte zich naar het donkere bosch
in de nabijheid van de kreek. Hij had gerild bij het gezicht van
den beer en den eland, maar voor de eerste maal begreep hij nu de
werkelijke beteekenis van het gevaar. En het was hem op de hielen. Hij
hoorde het gedruisch, dat die tweepootige dieren maakten, terwijl zij
hem achtervolgden; vreemde kreten klonken vlak achter hem—en toen
plofte hij onverwachts in een gat. Het gaf hem een schok toen hij zoo
plotseling den grond onder zich voelde wegglijden, maar hij jankte niet.
Hij was nu weer geheel en al wolf. Hij kreeg de aandrift zich niet te
bewegen, geen geluid te geven, ternauwernood te ademen. Hij hoorde de
stemmen nu vlak boven zich, de vreemde voeten trapten bijna in het gat
waar hij lag. Uitkijkend uit zijn donkeren schuilhoek kon hij een van
zijn vijanden zien. Het was Nepeese, de Wilg. Zij stond zoo, dat de
laatste zonnestralen op haar gelaat vielen. Baree kon zijn oogen niet
van haar afhouden. Hij werd, ondanks zijn pijn, wonderlijk geboeid.

En toen bracht het meisje de beide handen aan den mond en met een stem
die zacht en klagelijk en wonderlijk troostend was voor zijn verschrikt
hartje riep zij:

„Uchimoo—Uchimoo—Uchimoo!”

En toen hoorde hij een andere stem en ook deze was lang zoo
verschrikkelijk niet als de meeste geluiden, die hij in het bosch
gehoord had.

„Wij kunnen hem niet vinden, Nepeese,” zeide hij. „Hij is weggekropen om
te sterven. Hij is zwaar gewond. Kom maar mee.”

Op de plek waar zij Baree hadden zien staan hield Pierrot even stil
en wees naar een berkeboompje, waarvan de stam doorboord was door het
schot van de Wilg. Nepeese begreep hem. Het stammetje, niet dikker dan
haar duim, had de richting van den kogel een weinig doen veranderen en
daardoor Baree gered van een onmiddellijken dood.

Zij keerde zich nochmaals om en riep:

„Uchimoo—Uchimoo—Uchimoo!”

In haar oogen stond nu geen moordlust meer te lezen.

„Hij zou dat toch niet begrijpen,” zeide Pierrot, doorloopende. „Hij is
verwilderd—stamt van de wolven af. Misschien is hij wel een jong van
die teef van Koomo, die verleden winter weg is geloopen om met de wolven
mee op jacht te gaan.”

„En nu zal hij sterven—”

„Ayetun—ja, hij zal sterven.”

Maar Baree dacht er niet over om dood te gaan. Hij was veel te taai om
doodelijk gewond te worden door een kogel, die het zachte vleesch van
zijn voorpoot doorboorde. Want dat was gebeurd. De kogel was tot op het
been toe doorgedrongen, maar het been zelf was niet geraakt. Hij wachtte
tot de maan was opgekomen voor hij het gat uitkroop.

Zijn poot was nu stijf geworden; hij bloedde niet meer, maar zijn heele
lijf werd gemarteld door een vreeselijke pijn. Bij elke beweging die
hij maakte, flitste die door hem heen en toch bleef hij zich bewegen.
Instinktmatig begreep hij, dat hij door uit deze streek weg te gaan
buiten gevaar raakte. En het was maar goed ook, dat hij dit deed, want
een tijdje later kwam er een stekelvarken langs, op zijn dwaze manier
tegen zichzelf babbelend en viel met een harden plof in het gat. Als
Baree erin gelegen had, zou hij zóó vol stekelvarkenspennen geraakt
zijn, dat hij er zeker aan gestorven was.

En in een ander opzicht was de beweging goed voor hem. Het gaf zijn
wond geen gelegenheid om te „ustao”, zooals Pierrot het zou hebben
uitgedrukt, want in waarheid was zij meer pijnlijk dan gevaarlijk.
Gedurende de eerste honderd meter hobbelde hij op drie pooten voort en
naderhand bemerkte hij, dat hij den vierden ook wel kon gebruiken als
hij er wat voorzichtig mee was. Hij volgde een halve mijl lang de kreek.
Wanneer er een struik of plant langs zijn wond schuurde, grauwde hij
daar woedend tegen en wanneer hij weer zoo'n pijnscheut kreeg, begon hij
te grommen en te tandenknarsen in plaats van te janken, zooals in het
begin. Nu hij uit het gat was gekropen, had het schot van de Wilg elken
droppel van zijn wolvenbloed in beroering gebracht. Er groeide iets in
hem—een gevoel van woede, niet tegen een voorwerp in het bizonder,
maar tegen alles. Het was niet de sensatie, waarmee hij Papayuchisew,
den jongen uil, bevochten had, dien dag, dat hij er voor het eerst
alleen op uit getrokken was. Dezen nacht was zijn hondennatuur geheel
ingesluimerd. Een opeenstapeling van ongelukken was over hem gekomen
en door deze ongelukken—waarbij de pijn, die hij nu had, kwam—was de
wolf in hem opgestaan, woest en wraakzuchtig. Het was voor het eerst
dat hij bij nacht reisde. Hij was, op dit oogenblik bang voor niets,
wat er uit de duisternis te voorschijn zou kunnen komen. De zwartste
schaduwen hadden hun griezeligheid verloren. Zijn eerste groote gevecht
tusschen de twee naturen, die in hem waren, den hond en den wolf, was
geleverd en de wolf had overwonnen. Nu en dan bleef hij stilstaan om
zijn wond te likken en onder het likken gromde hij, alsof hij die wond
een persoonlijken wrok toedroeg. Als Pierrot hem had kunnen zien zou hij
spoedig begrepen hebben wat dit beteekende en hij zou gezegd hebben:
„Laat hem maar doodgaan. De knuppel zal er dien duivel bij hem toch
niet uitkrijgen.”

In deze stemming bereikte Baree een uur later, uit het donkere bosch bij
de kreek komend, het meer open gedeelte van een kleine vlakte, die langs
een heuvelrug liep. In deze vlakte jaagde Oohoomisew. Oohoomisew was
een groote sneeuwuil. Hij was de patriarch van alle uilen in Pierrot's
vallengebied. Hij was zoo oud, dat hij zoo goed als blind was. Daarom
ging hij niet op de jacht zooals andere uilen dat doen. Hij verborg zich
niet in de toppen der donkere dennen of balsemstruiken, noch dreef hij
zachtjes door de nachtlucht, gereed in een oogwenk neer te schieten op
zijn prooi. Zijn gezicht was zoo armzalig, dat hij uit den top van een
boom een konijn heelemaal niet zou hebben kunnen zien en hij zou een vos
voor een muis gehouden hebben. Daarom verschanste de oude Oohoomisew,
door ondervinding wijs geworden, zich in een hinderlaag. Hij placht op
den grond neer te hurken, met Jobsgeduld te wachten tot er iets zijn
kant uitkwam, dat hem als voedsel kon dienen. Nu en dan beging hij een
fout. Twee keer had hij een lynx aangezien voor een konijn en in den
tweeden aanval had hij er een poot bij verspeeld, zoodat hij, wanneer
hij overdag te dommelen zat, zich met één poot aan zijn tak vast moest
klemmen. Hoewel kreupel, bijna blind en zoo oud, dat hij al lang geleden
de bosjes veeren over zijn ooren verloren had, was Oohoomisew toch nog
een reus van kracht en wanneer hij boos was, was het snappen van zijn
snavel op twintig meter afstand te hooren.

Drie nachten lang was hij onfortuinlijk geweest en vannacht al
buitengewoon. Twee konijnen waren langs hem gekomen en hij had beiden
aangevallen. Het eerste had hij heelemaal niet te pakken kunnen krijgen;
het tweede was hem ontsnapt, na hem een snavelvol haar achter te hebben
gelaten—en dat was al. Hij was totaal uitgehongerd en scherpte in een
allerslechtst humeur zijn snavel toen hij Baree hoorde naderen. Zelfs
al had Baree onder den struik kunnen kijken en Oohoomisew in zijn
schuilhoek zien loeren, valt het te betwijfelen of hij wel veel opzij
gegaan zou zijn. Zijn eigen vechtlust was ontwaakt. Hij, eveneens, was
bereid tot den strijd, zoo hij zijn vijand maar even aan kon.

Heel onduidelijk zag Oohoomisew hem door de kleine vlakte naderkomen.
Hij kromp in elkaar. Zijn veeren gingen overeind staan tot hij een bal
geleek. Zijn bijna lichtlooze oogen gloeiden als twee blauwachtige
vuurpoelen. Tien voet van hem af stond Baree stil om zijn wond te
likken. Oohoomisew wachtte, uit voorzorg. Baree liep door en ging bijna
rakelings den struik langs. Met een snel gehuppel en een plotseling
gedonder van zijn machtige wieken was de groote uil boven op hem.

Ditmaal gaf Baree geen geluid van pijn of schrik. De wolf is
„kipichimao”, zooals de Indianen zeggen. Geen jager heeft ooit een in de
val geraakten wolf om genade hooren huilen als hij den kogel ontving of
met den knuppel werd afgemaakt. Hij sterft, terwijl hij zijn slagtanden
toont. Oohoomisew viel dezen nacht het jong van een wolf aan en geen
hondenjong. De eerste aanval van den uil deed Baree omver tuimelen en
een oogenblik werd hij half gesmoord onder de uitgespreide, groote
vleugels, terwijl Oohoomisew, hem onder houdend, al zijn best deed
hem met zijn eenigen goeden klauw te pakken te krijgen en er met zijn
snavel heftig op los hakte. Eén houw van dien snavel ergens in zijn kop
en een konijn zou dood geweest zijn, maar Oohoomisew kwam al dadelijk
tot de ontdekking, dat het geen konijn was, dat hij daar onder zijn
vleugels hield. Een snauw, die hem het bloed deed verstijven, was het
antwoord, dat hij kreeg en Oohoomisew herinnerde zich den lynx, zijn
verloren poot en de moeite, die hij gehad had om te ontkomen. De oude
vrijbuiter had den aftocht kunnen blazen, maar Baree was niet langer de
onervaren kleine Baree van toen hij Papayuchisew bevocht. Ondervinding
en ontberingen hadden hem gehard en wijzer gemaakt: zijn kaken en tanden
waren snel van den been-likleeftijd tot den been-vermorzelleeftijd
gegroeid—en vóór Oohoomisew er vandoor kon gaan (zoo hij er al over
dacht) sloten Baree's kaken zich met een geduchten knauw om zijn eenigen
goeden poot.

In de stilte van den nacht weerklonk er een nog veel krachtiger
vleugelgedonder en eenige oogenblikken moest Baree de oogen dichthouden
om niet verblind te worden door Oohoomisew's woedende slagen. Maar hij
hield stevig vast en toen zijn tanden in het vleesch sneden van den
ouden vrijbuiter leek zijn nijdig gegrom Oohoomisew een onheilspellende
uitdaging toe. Een gelukkig toeval had gemaakt, dat hij dien poot te
pakken had gekregen en Baree wist, dat overwinning of nederlaag ervan
afhing of hij dien wist vast te houden.

De oude uil had geen anderen klauw om hem mee in bedwang te
houden en het was hem onmogelijk—door de wijze waarop hij werd
vastgehouden—Baree met zijn snavel te wonden. Daarom bleef hij maar
steeds doorslaan met zijn vleugels, die vier voet spanning hadden.
Zij maakten wel veel lawaai, maar deden Baree geen pijn. Hij beet nog
dieper door. Hij begon hoe langer hoe nijdiger te grommen, toen hij
Oohoomisew's bloed proefde en meer en meer groeide de begeerte in hem,
dit monster van den nacht te dooden, alsof hij door de vernietiging van
dit dier de gelegenheid kreeg zich te wreken voor al de pijn en al de
ontberingen, die hij geleden had nadat hij zijn moeder verloren had. En
het was merkwaardig, dat Oohoomisew nooit tevoren zoo'n grooten angst
gevoeld had. De lynx had maar eens naar hem gehapt en had hem met één
poot achtergelaten. Maar de lynx had niet op zoo'n wolvenmanier tegen
hem gegromd en had zich niet aan hem vastgeklemd. Duizend en één nacht
had Oohoomisew geluisterd naar het wolvengehuil en zijn instinkt had hem
de beteekenis ervan verteld. Hij had den troep snel voort zien glijden
in de duisternis en altijd wanneer zij langs kwamen had hij zich in de
zwartste schaduwen verborgen. Voor hem, evenals voor alle andere wilde
schepselen, stond dat wolvengehuil gelijk met den dood. Maar nu, nu
Baree's tanden om zijn poot geklemd waren, begreep hij pas ten volle den
angst voor den wolf. Die had jaren noodig gehad om in zijn dommen suffen
kop door te dringen—maar nu hij begreep, was hij erdoor bezeten als
nooit tevoren door iets in zijn leven. Plotseling hield hij op met zijn
geklapwiek en wierp zich de lucht in. Als reusachtige waaiers sloegen
zijn machtige vleugels door de lucht en Baree voelde zich plotseling de
hoogte ingaan.

Maar hij hield vast en een oogenblik later kwam hij met een smak weer
neer.

Oohoomisew probeerde het nog eens. Ditmaal slaagde hij beter en steeg
volle zes voet op met Baree. Zij vielen opnieuw terug. Een derde maal
trachtte de oude bandiet zich te bevrijden van Baree's greep en daarna,
uitgeput, bleef hij liggen, met zijn reusachtige vleugels uitgespreid,
sissend en klappend met zijn snavel. Onder deze vleugels werkte Baree's
brein met het snelle instinkt van den moordenaar. Plotseling veranderde
hij van taktiek en begroef zijn tanden in het onderlijf van Oohoomisew.
Zij zonken diep in de veeren. Behendig als Baree geweest was, Oohoomisew
was er even snel bij, om gebruik te maken van zijn voordeel. In een
oogwenk steeg hij opwaarts. Een hevige ruk, veeren, die naar alle kanten
neervielen—en Baree bleef alleen op het slagveld achter.

Hij had niet gedood, maar hij had toch de overwinning behaald. Zijn
eerste groote dag—of nacht—was gekomen. De wereld was vol beloften
voor hem. En na een oogenblik ging hij rechtop zitten, snoof den reuk
in van zijn verslagen vijand en toen—als om het gevederde monster, dat
hij zoo goed zijn deel gegeven had, uit te dagen terug te komen en het
gevecht voort te zetten tot den dood toe—hief hij zijn spits snuitje op
naar de sterren en zond zijn eerste baby-wolfsgehuil den nacht in.



VI.

De kreet van het eenzame hart.


Zijn gevecht met Oohoomisew was een goed geneesmiddel voor Baree. Het
gaf hem niet alleen groot zelfvertrouwen, maar deed ook die leelijke
koorts in zijn bloed verdwijnen. Hij gromde en beet niet langer naar de
voorwerpen waarlangs hij heenging. Het was een prachtige nacht. De maan
straalde helder en de hemel was bezaaid met sterren, zoodat het op de
open plekken wel dag leek, alleen was het licht zachter en mooier. Het
was heel stil. Er speelde geen windje door de toppen der boomen en het
scheen Baree toe, dat zijn gehuil wel tot het andere eind der wereld
was doorgedrongen. Nu en dan hoorde hij een geluid—en altijd bleef hij
dan staan, luisterend en oplettend. In de verte hoorde hij het gerekte,
zachte geloei van een wijfjeseland; hij hoorde een groot geplas in het
water van een klein meertje, dat hij naderde, en eens drong het scherpe
gekraak van hoorn tegen hoorn tot hem door—het waren twee bokken,
die een verschil van meening aan het beslechten waren, op een kwart
mijl afstands. Maar het was altijd opnieuw het wolvengehuil dat hem
deed neerzitten en het langste luisteren, terwijl zijn hart klopte met
een vreemde opwinding die hij nog niet ten volle begreep. Het was de
roepstem van zijn eigen geslacht, die hem zoo ontroerde; langzaam, maar
voortdurend drong die tot hem door.

Hij was nog steeds een zwerver—Pupamoo-tao noemen de Indianen dit.
Deze zwerfgeest neemt een tijdlang bezit van elk schepsel, dat in
de wildernis leeft, zoodra het oud genoeg is om voor zichzelf te
zorgen—waarschijnlijk geeft zijn instinkt hem dat in om, wellicht
gevaarlijke, al te nauwe familiebetrekkingen te voorkomen. Baree, die
als een echte jonge wolf een nieuw jachtgebied zocht, zooals de jonge
vos een nieuwe wereld zoekt te ontdekken, redeneerde niet bij deze
zwerftochten. Hij was eenvoudig „aan het reizen”—steeds doortrekkend.
Hij verlangde iets wat hij niet vinden kon. Het wolvengeluid bracht
het hem aan. De sterren en de maan vervulden hem met verlangen ernaar.
De verwijderde geluiden deden hem zijn eenzaamheid beseffen. En zijn
instinkt deed hem begrijpen, dat hij alleen door zoeken vinden kon.
Het was niet zoozeer Kazan en Wolvin die hij miste—niet zoozeer
moederliefde en tehuis, als wel gezelschap. Nu hij de wolfswoede
uitgevochten had in dezen strijd met Oohoomisew, kwam zijn hondennatuur
weer boven. En dit waren zijn liefste eigenschappen. Hij verlangde zich
te nestelen dicht tegen iets levends en bevriends, een klein dier, of
het nu veeren of bont droeg, klauwen of hoeven had.

Hij was pijnlijk na de gevolgen van den kogel van de Wilg, ook was hij
nog pijnlijk van zijn gevecht en tegen den ochtend ging hij liggen onder
de beschutting van eenige elzen aan den rand van een tweede meertje en
rustte daar tot aan den middag. Toen begon hij het riet te onderzoeken
en liep dicht langs de waterlelies aan den kant, om voedsel te vinden.
Hij vond een dooden snoek, gedeeltelijk opgegeten door een wezel, en
verorberde de rest.

Zijn wond deed veel minder pijn in den middag en toen de avond weer
inviel lette hij er nauwelijks meer op. Sedert hij bijna zoo tragisch
aan zijn eind gekomen was door Nepeese's hand, had hij gereisd in een
noordoostelijke richting, instinktmatig den loop van het water volgend,
maar hij had geen groote vorderingen gemaakt en toen de duisternis
neerdaalde was hij niet meer dan acht of tien mijlen verwijderd van het
gat, waarin hij gevallen was, nadat de Wilg op hem geschoten had. Hij
ging dezen nacht ook niet ver. Het feit, dat zijn wond gekomen was tegen
de schemering en zijn gevecht met Oohoomisew nog later, vervulde hem
met voorzorg. De ondervinding had hem geleerd, dat de donkere schaduwen
en zwarte plekken in het bosch hinderlagen konden zijn, waar het gevaar
huisde. Hij was niet bang meer, zooals vroeger, maar hij had voorloopig
genoeg van het vechten en daarom vond hij het wijzer zich van de gevaren
der duisternis te onthouden. Het was een vreemd instinkt, dat hem dreef,
voor dezen nacht zijn leger te zoeken op den top van een groote rots,
die hij met eenige moeite beklom.

Baree's rots was niet veel meer dan manshoogte. Zij was niet ver van
den oorsprong van de kreek en het dennenbosch. De eerste uren sliep
hij niet, maar lag met gespitste ooren te luisteren naar elk geluid,
dat er in de duistere wereld rondom hem opsteeg. Er was vannacht in
deze waakzaamheid van hem nog iets anders dan nieuwsgierigheid. Zijn
opvoeding was in een bepaalde richting zeer veel uitgebreid—hij had
geleerd, dat hij maar een heel klein deeltje was van de wonderbaarlijke
wereld, die onder de sterren en de maan lag en de wensch was levendig
in hem, haar beter te leeren kennen zonder verdere gevechten of wonden.
Vannacht begreep hij wat het beteekende, wanneer hij nu en dan grijze
schaduwen geruchtloos vanuit het bosch het maanlicht in zag drijven. Het
waren uilen—monsters van hetzelfde ras als waarmee hij gevochten had.
Hij hoorde het kletteren van hoeven en het vallen van zware lijven in de
struiken. Hij hoorde opnieuw het loeien van elanden. Stemmen drongen tot
hem door, die hij totnogtoe niet gekend had—het scherpe yap, yap, yap
van een vos, de bovenaardsche, lachende kreet van een grooten fuut op
een meer, een halve mijl verder weg het gekrijsch van een lynx, dat uit
de verte kwam aangolven; het zachte gekras van de nachtvalken, tusschen
hemzelf en de sterren. Hij hoorde zonderling gefluister in de toppen der
boomen—het gefluister van den wind en eens temidden van een doodelijke
stilte begon er, vlak achter zijn rots, een bok schel te fluiten, maar
eindigde zoodra hij den wolvenreuk in den neus kreeg in een verschrikten
uithaal en ging er als de wind vandoor.

Al deze geluiden hadden nu hun beteekenis voor Baree. Snel kwam hij
thuis in de wetenschap der wildernis. Zijn oogen glinsterden. Zijn bloed
klopte onstuimig. Soms bewoog hij zich bijna niet, minutenlang. Maar
van al deze geluiden, die tot hem kwamen, ontroerde hem het meest het
wolvengehuil. Steeds opnieuw luisterde hij er aandachtig naar. Soms
was het ver weg, zoo ver, dat het wel een gefluister leek en bijna
weggestorven voor het zijn ooren bereikte en dan weer kwam het tot hem
uit volle borst, heet van jachtadem, hem oproepend tot de roode koorts
van de jacht, tot het woeste festijn van uit elkaar gescheurd vleesch
en stroomend bloed—roepend, roepend, roepend. Dàt was het, het riep
hem tot zijn eigen ras, het was de roepstem van bloed tot bloed—van
de woeste, verscheurende troepen van zijn moeder's stam. Het was de
stem van Wolvin, naar hem zoekend in den nacht—Wolvin's bloed, dat hem
uitnoodigde deel uit te maken van de Broederschap van den Troep. En
hij sidderde terwijl hij er naar luisterde. Hij smoorde een beginnend
gejank. Hij schoof tot aan den steilen rand van de rots. Hij verlangde
erheen te gaan. De natuur spoorde hem aan te gaan. Maar zij stuitte bij
hem op moeielijkheden, want er school veel van den hond in hem, met zijn
geslachten van onderdrukte en sluimerende instinkten—en dien heelen
nacht hield Baree's hondenaard hem gekluisterd aan de rots.

Den volgenden morgen vond Baree veel rivierkreeftjes langs den oever der
rivier en hij smulde van hun sappig vleesch, tot hij het gevoel kreeg
alsof hij nooit van zijn leven meer honger zou kunnen krijgen. Niets had
hem meer zoo lekker gesmaakt, sedert hij dien patrijs opgegeten had,
ontnomen aan Sekoosew den hermelijn.

Later in den middag kwam Baree in een gedeelte van het bosch waar het
heel stil en vredig was. De kreek was dieper geworden. Op sommige
plaatsen was zij buiten haar oevers getreden en had kleine vijvers
gevormd. Twee keer had Baree een vrij grooten omweg moeten maken door
die vijvers. Hij trok nu heel langzaam voort, luisterend en rondkijkend.
Hij had zich, sedert dien noodlottigen dag waarop hij zijn oude hol
verlaten had, nog nergens zoo op zijn gemak gevoeld. Hij verbeeldde
zich, dat hij nu een land betrad dat hij kende en waar hij vrienden zou
aantreffen. Hij had een wonderlijk gevoel. Hij snoof de lucht in, alsof
hij daar bekende geuren rook. Het was maar een zuchtje, een niet te
verklaren belofte, dat hem iets deed verwachten, iets geheimzinnigs.

Het bosch werd dichter. Het werd wonderlijk mooi. Er groeiden hier geen
lage struiken en op deze wijze onder de boomen te loopen was alsof hij
in een uitgestrekt hol liep, vol geheimenissen, terwijl van boven hier
en daar zacht het daglicht doorsijpelde, nu en dan schitterend door een
gouden straal van de zon. Een mijl lang trok Baree zoo stilletjes door
het bosch. Hij zag niets dan een paar gevleugelde insekten of vogels;
bijna geen geluid was hoorbaar. Toen kwam hij aan een nieuwen vijver,
die tamelijk groot was. Rondom dezen vijver was een dicht gewas van
elzen en wilgen. De groote boomen waren schaarscher geworden. Hij zag
de namiddagzon in het water weerspiegeld—en toen hoorde hij plotseling
leven.

De oude Gebroken Tand lag te dommelen op den grooten dam van modder en
rijshout, waarvan hij de voornaamste aanlegger geweest was, toen Baree
zachtjes een hooge zandbank beklom, dertig of veertig voet van hem af.
Zoo geruchtloos had hij dit gedaan, dat geen van de bevers hem gehoord
of gezien had. Hij ging plat op zijn buik liggen, verborgen achter een
bos gras, en keek met gretige belangstelling toe. Gebroken Tand was
wakker geworden. Hij bleef een oogenblik staan op zijn korte pootjes,
daarna zette hij zich, stram en schrap als een soldaat in positie, op
zijn breeden, platten staart rechtop en dook met een plotseling gefluit
en met veel geplas in den vijver.

In een oogwenk scheen het Baree toe, dat de vijver wemelde van bevers.
Koppen en lijven verschenen en verdwenen en schoten door het water op
een manier, die Baree verbaasde en nieuwsgierig maakte. Dit was het
avondpretje van de kolonie. Staarten sloegen op het water of het planken
waren. Vreemd gefluit steeg op temidden van al het geplas—en toen,
even plotseling als het begonnen was, eindigde het spelletje. Er waren
misschien twintig bevers bijeen, de jongen niet meegerekend, en, alsof
zij een gemeenschappelijk signaal gekregen hadden—Baree had niets
gehoord—werden zij plotseling zoo stil, dat er bijna geen geluid meer
uit den vijver opsteeg. Een paar van hen zonken onder water en verdwenen
totaal, maar de meesten kon Baree zien, toen zij aan land klommen.
Zonder tijd verloren te laten gaan trokken zij aan het werk en Baree
sloeg hen gade, zonder zelfs maar een sprietje te bewegen van het gras,
dat hem verborg.

Hij probeerde te begrijpen. Hij trachtte deze vreemde en
gemoedelijk-uitziende dieren te rangschikken onder een categorie die hij
kende. Zij hadden hem geen vrees aangejaagd. Hij was niet verontrust
door hun aantal of grootte. Dat hij zich zoo stilhield was geen uiting
van takt, maar een verlangen beter bekend te raken met deze vreemde,
vierpootige broeders van hem, in den vijver. Zij hadden het groote bosch
al minder eenzaam voor hem gemaakt. En toen, vlak onder hem—niet verder
dan tien voet waar hij lag—zag hij iets, wat bijna zijn smachtend
verlangen naar gezelschap vervulde.

Daar, onder hem, op een effen gedeelte van den oever, waggelde de
dikke kleine Umisk en drie van zijn speelmakkers. Umisk was ongeveer
van Baree's leeftijd, misschien een paar weken jonger. Maar hij was
zeker even zwaar en bijna zoo breed als hij lang was. Er bestaat geen
aardiger viervoetig diertje dan een jong bevertje—of het zou een jonge
beer moeten zijn—en Umisk zou zeker den eersten prijs behaald hebben
op elke jonge bevertentoonstelling ter wereld. Zijn drie makkertjes
waren wat kleiner. Zij kwamen aanwaggelen achter een lagen wilg uit,
zonderling klokkende geluidjes makend en hun kleine platte staartjes
als sleetjes achter zich aan sleepend. Zij waren dik en goed in hun
bont en zagen er voor Baree's oogen heel goedaardig uit en zijn hartje
begon sneller te hameren van blijdschap. Maar hij bewoog zich niet. Hij
ademde ternauwernood. En toen wierp Umisk zich onverwachts op een van
zijn vriendjes en deed hem omver rollen. Oogenblikkelijk lagen de twee
anderen boven op Umisk en de vier kleine bevers tuimelden om en om,
schoppend met hun korte pootjes en slaande met hun staartjes, terwijl
zij voortdurend kleine, piepende geluiden uitstieten. Baree voelde,
dat dit geen vechten was, maar spelen. Hij ging overeind staan. Hij
vergat waar hij was—vergat alles in de wereld behalve, die donzige,
stoeiende ballen. Al de lessen die hij van de natuur ontvangen had, was
hij plotseling kwijt. Hij was geen vechtersbaas meer. Ook geen jager.
Hij was een jong hondje en er groeide een verlangen in hem, sterker
dan honger. Hij verlangde af te dalen naar de plek waar Umisk en zijn
vriendjes waren en mee te ravotten. Hij verlangde hun te vertellen—als
dit mogelijk ware—dat hij zijn moeder kwijt geraakt was en zijn tehuis
en dat hij daarna een heeleboel narigheid gehad had en dat hij nu zoo
erg graag bij hen zou willen blijven en bij hun vaders en moeders als
dat mocht.

Hij jankte héél even, maar zoo zacht, dat Umisk en zijn speelmakkers het
niet hoorden. Zij hadden het veel te druk met elkaar.

Voorzichtig deed Baree een stap in hun richting. En toen nog een—en
eindelijk stond hij niet meer dan zes voet van hen af. Zijn puntige
oortjes stonden naar voren en hij kwispelstaartte zoo hard hij maar kon
en elke spier in zijn lijfje trilde van spanning.

Toen pas zag Umisk hem en hij werd plotseling zoo onbeweeglijk als een
steen.

„Hallo!” zeide Baree, zijn heele lijfje heen en weer wiegelend en zoo
duidelijk sprekend als een menschentong maar zou kunnen doen. „Vinden
jullie het goed, dat ik meedoe?”

Umisk gaf geen antwoord. Zijn drie kameraadjes hadden nu ook Baree in
het oog gekregen. Zij maakten geen enkele beweging. Zij waren verstijfd
van verbazing. Vier paar stralende, verbaasde oogen waren op den
vreemdeling gevestigd.

Baree wendde een nieuwe poging aan. Hij strekte zijn voorpooten uit,
steeds met staart en achterlijf wiegelend en, in de lucht snuivend,
greep hij een stokje met zijn tanden vast.

„Kom—laat me meedoen,” drong hij aan. „Ik kan goed spelen!”

Hij wierp den stok in de lucht als om te bewijzen wat hij gezegd had en
gaf een kort blafje.

De vier bevertjes leken wel opgezet.

En toen kreeg plotseling nog een ander Baree in 't oog. Het was een
groote bever, die den vijver doorzwom met een stuk berkestam, dat voor
den aanleg van een nieuwen dam moest dienst doen. Oogenblikkelijk
liet hij zijn last vallen en toen, alsof er een geweer afging, volgde
de knal van zijn grooten, platten staart, op het water slaande—het
waarschuwingssignaal van den bever, dat bij stillen nacht wel een halve
mijl in het rond gehoord kan worden.

„Gevaar!” waarschuwde het. „Gevaar—gevaar—gevaar!”

Nauwelijks was dit signaal weggestorven, toen er aan alle kanten
staarten begonnen te knallen, in den vijver, in hun verborgen kanalen en
tusschen de wilgen en elzen. Voor Umisk en zijn makkertjes beteekende
dit:

„Loop wat je loopen kunt!”

Baree stond nu op zijn beurt verstijfd en bewegingloos. In verbazing zag
hij de vier bevertjes in den vijver plonsen en verdwijnen. Hij hoorde
het geluid van nog zwaardere bevers, die in het water doken. En daarop
volgde een vreemde en verontrustende stilte. Zachtjes begon Baree te
janken en het was bijna een gesnik. Waarom waren Umisk en zijn vriendjes
van hem weggeloopen? Wat had hij toch misdaan, dat zij geen vriendschap
met hem wilden sluiten? Een groote eenzaamheid wierp zich op hem—nog
grooter eenzaamheid dan hij gevoeld had dien eersten nacht dat hij van
zijn moeder was weggeloopen. De laatste stralen, van de zon vervaagden
terwijl hij daar zoo stond. Donkerder schaduwen gleden over den vijver.
Hij keek naar het bosch, waar de nacht aansloop—en met een laatsten
smartelijken kreet ging hij er binnen. Hij had de vriendschap niet
gevonden. Hij had geen speelmakkers kunnen krijgen. En zijn hartje was
gebroken.



VII.

Wakayoo's einde.


Gedurende twee of drie dagen brachten Baree's onderzoekingstochten naar
voedsel hem hoe langer hoe verder van den vijver af, waar hij Gebroken
Tand had gezien en kleinen Umisk en al die andere bevers, die aan het
spelen waren. Maar tegen den middag keerde hij er altijd weer terug—tot
op den derden dag, toen hij een nieuwe kreek ontdekte, en Wakayoo. Deze
kreek was volle twee mijlen dieper het bosch in. Het was een heel andere
stroom dan de eerste. Zij zong vroolijk, al glijdend over een bedding
van kiezelsteenen en tusschen rotskloven. Zij vormde diepe poelen en
schuimende draaikolken en op de plek waar Baree haar het eerst naderde
klonk het verwijderde gedonder van een waterval. Zij was veel aardiger
dan die donkere, stille Bever-vijver. Er scheen leven in te huizen en
het gedruisch en de beweging hiervan—het zingen en klotsen van het
water—gaf Baree geheel nieuwe gewaarwordingen. Hij liep er langzaam
en behoedzaam langs en omdat hij zich zoo langzaam en voorzichtig
voortbewoog kwam hij plotseling en onopgemerkt Wakayoo, den grooten
zwarten beer, overvallen, die druk aan het visschen was.

Wakayoo stond tot aan zijn knieën in een poel en had een buitengewoon
goede vangst. Juist op het oogenblik dat Baree zich wilde terugtrekken,
terwijl hem de oogen uit den kop puilden bij den aanblik van dit
monster, dat hij nog maar eens in zijn leven gezien had, in den nacht,
wierp Wakayoo's groote klauw een straal water hoog de lucht in en een
visch kwam terecht op den steenachtigen oever. Eenigen tijd tevoren
waren de karpers bij aantallen de rivier opgezwommen om kuit te schieten
en door het snelle vallen van het water waren zij in die kleine poelen
gevangen geraakt. Wakayoo's vet, glanzend lijf gaf getuigenis van het
voordeel dat hij van deze omstandigheid getrokken had. Ofschoon het al
over het „eerste” seizoen was voor berenhuiden was Wakayoo's vacht nog
prachtig dicht en zwart. Een kwartier lang bleef Baree toekijken hoe
hij de visschen uit den vijver sloeg. Toen hij eindelijk ophield lagen
er twintig of dertig visschen op de steenen, sommige waren dood, andere
spartelden nog. Van de plek waar hij lag, plat tusschen twee rotsen,
kon Baree het kraken van de graten hooren, terwijl de beer zijn maal
verslond. Het klonk _prettig_ en de doordringende lucht van versche
visch vervulde hem met een begeerte, die nooit in hem opgewekt was door
eenige rivierkreeft of zelfs patrijs.

In weerwil van zijn dikte en zijn omvang was Wakayoo geen gulzigaard en
nadat hij zijn vierden visch verorberd had klauwde hij al de overige op
een hoop, bedekte ze gedeeltelijk met zand en steenen en voleindigde
zijn verbergingswerk door een jongen balsemstruik af te knakken en er
overheen te leggen, zoodat de visschen geheel onzichtbaar waren. Toen
waggelde hij langzaam weg, in de richting van den gonzenden waterval.

Twintig sekonden nadat Wakayoo's achterlijf om een bocht van de kreek
verdwenen was zat Baree onder den balsemstruik. Hij sleepte een visch
voor den dag, waar nog wat leven inzat. Dien at hij op tot de laatste
graat en het smaakte hem verrukkelijk.

Baree was van oordeel, dat Wakayoo nu het voedselvraagstuk voor hem had
opgelost en hij keerde dien dag niet terug naar den bevervijver; den
volgenden evenmin.

De groote beer was zonder ophouden aan het visschen en dag na dag
hernam Baree zijn feestmaal. Het viel hem niet moeilijk Wakayoo's
opslagplaatsen te vinden. Al wat hij te doen had was langs den stroom te
loopen en goed te snuffelen. Sommige van die opslagplaatsen waren van
ouden datum en haar geur allesbehalve aangenaam voor Baree's neusgaten.
Deze ontweek hij dan ook. Maar hij wist zich vrij regelmatig tweemaal
daags op deze manier aan eten te helpen. Een week lang duurde dit
gemakkelijke leventje. Toen kwam het einde.

Dit einde kwam toen Baree, op zekeren dag om een rots heen loopend,
dicht bij den waterval, tegenover Pierrot, den jager kwam te staan—en
Nepeese, zijn dochter, het ster-oogige meisje, dat, vele dagen geleden,
in die vlakte op hem geschoten had. Haar zag hij het eerst. Als hij
Pierrot het eerst gezien had zou hij snel omgekeerd zijn. Maar het
hondenbloed van zijn vader klopte heftig in hem. Hij bleef stilstaan.
Nepeese was niet meer dan twintig voet van hem af. Zij zat op een rots,
in het volle licht van de vroege morgenzon en was bezig haar prachtig
haar uit te borstelen. Zooals zij daar zat bedekte het haar bijna tot
aan den grond, het glansde nog meer dan Wakayoo's fluweel-zwarte vacht
en temidden van deze donkere omlijsting keek zij strak naar Baree. Haar
lippen gingen vaneen. Haar oogen begonnen te schitteren als sterren.
In haar eene hand hield zij gitzwarte lokken. Zij herkende hem. Zij
zag de witte ster op zijn borst en het witte tipje aan zijn oor en zij
fluisterde:

„Uchi Moosis”—het jonge hondje! Het was de wilde hond, waarop zij
geschoten had en die, naar zij gemeend had, gestorven was! Er was geen
vergissing mogelijk. Hij was geheel en al hond, zooals hij daar naar
haar stond te kijken.

Den avond tevoren hadden zij zich een schuilplaats gebouwd van
balsemstruiken achter de groote rots en op een plek wit zand lag Pierrot
geknield over een vuur en maakte het ontbijt gereed, terwijl de Wilg
heur haar in orde bracht. Hij lichtte het hoofd op om tot haar te
spreken en zag Baree. Op dit oogenblik werd de betoovering verbroken.
Baree zag het manbeest en hij maakte beenen. Als een pijl uit den boog
ging hij er vandoor.

Maar hij kreeg ternauwernood eenigen voorsprong op Nepeese.

„Pache, _mon père_!” riep zij. „Het jonge hondje! Gauw!—”

In de golvende wolk van heur haar snelde zij Baree achterna. Pierrot
volgde haar en greep onder het loopen zijn geweer op. Het kostte hem
moeite de Wilg bij te houden. Zij leek wel een geest, haar kleine
met moccasins geschoeide voeten raakten nauwelijks het zand, terwijl
zij langs den oever liep. Het was verrukkelijk haar soepele, lichte
bewegingen te zien en dat prachtige haar glanzend in de zon.

Zelfs nu, in dit oogenblik vol opwinding, deed het Pierrot denken aan Mc
Taggart, den agent van de Hudson Baai Compagnie, te Lac Bain en aan wat
deze gisteren gezegd had. Den halven nacht had Pierrot wakker gelegen,
tandeknarsend terwijl hij er aan dacht, en dezen morgen, vóór Baree
was gekomen, had hij Nepeese nauwkeuriger bekeken dan ooit te voren in
zijn leven. Zij _was_ mooi. Zij was zelfs nog bekoorlijker dan Wyola,
haar moeder van vorstelijken bloede, die gestorven was. Dat haar—de
mannen staarden ernaar alsof zij hun oogen niet vertrouwen konden! Die
oogen—gelijk vijvers met schitterend sterrenlicht gevuld! Haar slank,
buigzaam lichaam als van een bloem! En Mc Taggart had gezegd—

Er golfde een opgewonden kreet naar hem terug.

„Gauw Nootawe! Hij is de doodloopende kloof ingegaan. Nu kan hij ons
niet meer ontsnappen!—”

Zij hijgde toen hij haar ingehaald had. Het Fransche bloed in haar
dreef een levendig rood naar haar wangen en lippen. Haar witte tanden
glinsterden.

„Daarin—” en zij wees ernaar.

Zij gingen erin.

Voor hen uit rende Baree om zijn leven te redden. Hij werd bezeten door
angst voor het man-beest. Dit was een vrees, die hem alle oordeel des
onderscheids ontnam. Een vrees, afwijkend van alle andere gevoelens, die
de natuur in hem vermocht op te wekken.

Zooals de beer, de wolf, de lynx—zooals alle dieren van het
woud, gehoefd en geklauwd—begreep hij instinktmatig, dat deze
wonderbaarlijke, tweebeenige schepsels, die hij daareven gezien had,
oppermachtig waren. En zij zetten hem achterna! Hij kon hen hooren.
Nepeese liep bijna even hard als hij. Plotseling kwam hij terecht in een
gleuf tusschen twee rotsen en zijn weg werd twintig voet versperd en
hij rende weer terug. Toen hij weer de kloof insprong, was Nepeese geen
twaalf meter achter hem en hij zag Pierrot bijna aan haar zijde. De Wilg
uitte een kreet.

„Mana—Mana—daar is hij!”

Zij hield haar adem in en sprong in een boschje jonge balsemstruiken,
waarin zij Baree had zien verdwijnen. Als een breed web bleven haar
losse haren tusschen de takken gespannen en met een aanvurenden
kreet naar Pierrot bleef zij stilstaan om het over haar schouder te
schudden en hij snelde langs haar heen. Zij liet niet meer dan een paar
oogenblikken verloren gaan en zette hem achterna. Plotseling schreeuwde
Pierrot een waarschuwing. Baree was teruggekeerd. Hij kwam langs
hetzelfde paadje terug en regelrecht op de Wilg af. Hij zag haar niet
intijds om zijn vaart in te houden of opzij uit te schieten en Nepeese
wierp zich op den grond. Hij voelde de massa van heur haar en den
greep van haar handen. Die lange haren, aan alle kanten om haar heen
hangende, speelden Nepeese parten, zij greep mis en Baree ging er met
een ruk vandoor en verdween opnieuw in de doodloopende kloof.

Nepeese sprong overeind. Zij hijgde—en lachte. Pierrot kwam terughollen
en de Wilg weer achter hem.

„Ik had hem—_en hij heeft me niet gebeten_!” zeide zij, snel ademend.
Zij wees nog steeds naar de kloof en herhaalde: „Ik had hem en hij heeft
me niet gebeten, Nootawe!”

Dat was merkwaardig. Zij had iets roekeloos' begaan en Baree had haar
niet gebeten! En toen, terwijl haar groote oogen schitterden en de
glimlach langzaam van haar lippen verdween, sprak zij zacht en bijna
eerbiedig het woord „Baree” uit.

Dit woord had de uitwerking van een schot op Pierrot. Hij klemde zijn
lenige handen ineen. Hij bleef Nepeese een oogenblik met groote oogen
aanstaren. Toen riep hij:

„Neen, neen, dat kan niet. Kom—of hij zal ons ontsnappen!”

Pierrot was nu vol zelfvertrouwen. De kloof had zich vernauwd en Baree
kon niet langs hen heen zonder gezien te worden. Drie minuten later kwam
Baree aan het eind van de kloof—een steilen rotsmuur. De overvloedige
vischmaaltijden en het vele slapen bij den bevervijver hadden bij hem
vet aangezet en hij was bijna buiten adem, terwijl hij tevergeefs naar
een uitgang zocht. Er was zelfs geen struik om zich achter te verbergen
en Pierrot en Nepeese zagen hem opnieuw. Nepeese kwam regelrecht op
hem af en Pierrot, voorziende wat Baree zou doen, plaatste zich ter
linkerzijde.

Rondom en tusschen de rotsen zocht Baree haastig naar een uitweg. Binnen
eenige oogenblikken bereikte hij het einde van de kloof.

Dit was een opening in den rotsmuur zoowat zestig voet wijd, die toegang
gaf tot een natuurlijke gevangenis, ongeveer een hectare in omvang. Het
was een mooi plekje. Aan de drie overige zijden was het door rotsen
omringd. Aan het uiterste einde verbrokkelde een waterval zich in kleine
huppelende stroompjes. Het gras was er welig en met bloemen bezaaid. In
deze val had Pierrot meer dan eens een hert gedood. Er was van daaruit
geen ontsnappen mogelijk zonder in het veld van zijn geweer te komen.
Hij riep Nepeese, toen hij Baree daar binnen zag gaan en zij beklommen
samen het rotsige pad.

Baree was bijna aan den rand van het weitje gekomen toen hij zoó
plotseling zijn vaart inhield, dat hij in zittende houding terecht kwam
en zijn hart hem in de keel scheen te springen.

Midden op zijn pad stond Wakayoo, de reusachtige zwarte beer.

Misschien een halve minuut lang weifelde hij tusschen de twee gevaren.
Hij hoorde de stemmen van Pierrot en Nepeese. Hij hoorde de steenen
kraken onder hun voet. En een groote angst vervulde hem. Toen keek hij
naar Wakayoo. De groote beer had zich niet bewogen. Ook hij stond te
luisteren. Maar bij hem waren het niet alleen de geluiden, die hem met
onrust vervulden. Het was de reuk, dien hij in den neus had gekregen.
De menschenlucht.

Baree, die hem gadesloeg, zag dat zijn kop langzaam heen en weer begon
te zwaaien toen de voetstappen van Nepeese en Pierrot dichterbij kwamen.
Het was voor de eerste maal dat hij tegenover den grooten zwarten
beer kwam te staan. Hij had naar hem gekeken, wanneer hij stond te
visschen. Hij was dik geworden door Wakayoo's arbeid. Hij had altijd
een buitengewonen eerbied voor hem gehad. Maar nu had de beer iets
over zich, dat Baree's vrees deed verdwijnen en plaats maakte voor
een nieuw, wonderlijk gevoel. Wakayoo, groot en prachtig, zou niet
wegloopen voor de tweebeenige dieren, die hem achterna zaten. Als hij
maar eenmaal langs Wakayoo heen was, was hij veilig. Hij sprong terzijde
en liep de open weide in. Wakayoo bewoog zich niet toen hij langs hem
heenstoof—hij nam niet meer notitie van hem dan wanneer hij een konijn
of een vogel geweest ware. Toen voerde de wind opnieuw de menschenlucht
aan, ditmaal sterker. En dit deed hem ten slotte tot bezinning komen.
Hij keerde zich om en begon Baree achterna te schommelen. En Baree, die
omkeek, dacht, dat hij hem ook al achtervolgde. Nepeese en Pierrot
kwamen juist voor den dag en zagen op hetzelfde oogenblik Wakayoo en
Baree.

Toen zij door de opening kwamen zwenkte Baree sterk naar rechts. Hier
was een groot rotsblok, aan den eenen kant de aarde niet heelemaal
aanrakend; het scheen een prachtige schuilplaats en Baree kroop eronder.

Maar Wakayoo hield steeds het midden van de weide.

Van waar hij lag kon Baree zien wat er gebeurde. Ternauwernood was
hij onder de rots gekropen toen Nepeese en Pierrot in de opening van
den rotsmuur verschenen en bleven stilstaan. Het feit, dat zij bleven
stilstaan, deed Baree sidderen. Zij waren bang van Wakayoo! De groote
beer was nu voor twee derden de weide overgestoken. De zon scheen vol
op hem, zoodat zijn huid glansde als zwart satijn. Pierrot bleef een
oogenblik naar hem staren. Het was laat in het seizoen. Het bont was
niet schitterend meer. Maar Wakayoo's vacht was nog prachtig! Pierrot
doodde niet uit lust tot moorden. Noodzaak deed hem soms tot dooden
overgaan, de dieren van het woud waren zijn voedsel, zijn kleeding, en
Wakayoo zou, had hij een ruige vacht gehad of was hij aan het verharen
geweest, veilig geweest zijn. Maar zooals de zaken nu stonden hief
Pierrot zijn geweer op.

Baree zag deze handeling. Hij zag, een oogenblik later, iets spuiten
uit den geweerloop en daarna hoorde hij dien oorverdoovenden knal, die
vergezeld was gegaan van zijn eigen pijn, toen de kogel van de Wilg door
zijn vleesch had gebrand. Hij wendde snel zijn oogen naar Wakayoo. De
groote beer was gestruikeld. Hij lag nu op zijn knieën. Hij scharrelde
overeind en waggelde verder. Het geraas van het geweer klonk opnieuw
en voor de tweede maal zonk Wakayoo op den grond. Pierrot kon niet
missen op dezen afstand. Wakayoo was een prachtige schietschijf. Het was
eenvoudig een slachting en toch was het voor Pierrot en Nepeese een zaak
van gewicht—voor hun levensonderhoud.

Baree lag te trillen. Het was meer van opwinding dan van angst, want hij
dacht niet aan zijn eigen vrees in de tragedie van deze oogenblikken.
Er rees een zacht gejank in zijn strot, toen hij naar Wakayoo keek, die
nu stil was blijven staan voor zijn vijanden; hij had een gapende wond
in zijn kaak, zijn kop slingerde langzaam heen en weer, zijn pooten
verzwakten onder hem, terwijl het bloed door zijn verscheurde longen
stroomde. Baree jankte, omdat Wakayoo voor hem gevischt had, omdat hij
hem als een vriend was gaan beschouwen en omdat hij wist, dat het de
dood was, die Wakayoo nu te wachten stond. Er knalde een derde schot.
Dit was het laatste. Wakayoo zonk in elkaar. Zijn groote kop plofte
tusschen zijn voorpooten. Baree hoorde hem een paar keer smartelijk
janken. En toen heerschte er stilte.

Het was een bloedbad geweest—maar noodzakelijk voor Pierrot.

Een minuut later zeide Pierrot tot Nepeese, terwijl hij zich over
Wakayoo boog:

„_Mon Dieu_, dàt is nog eens een mooie huid, _Sakahet_! Die is wel
twintig dollars waard in Lac Bain!”

Hij trok zijn mes en begon het te slijpen op een steen, dien hij in den
zak droeg. Nu had Baree weg kunnen kruipen van onder zijn rots en uit
de kloof kunnen ontsnappen. Een poosje lang was men hem vergeten. Toen
herinnerde Nepeese zich hem, terwijl haar vader de berenhuid begon af
te stroopen en sprak met dienzelfden wonderlijken stemklank opnieuw het
woord „Baree” uit.

Pierrot, die geknield op den grond lag, keek op.

„Waarom zeg je dat toch?” vroeg hij. „Waarom Nepeese?”

De oogen van de Wilg rustten onderzoekend op de weide.

„Om de ster op zijn borst en om zijn witte oor en omdat hij me niet
gebeten heeft!” zeide zij.

Er flikkerde een nieuwe gloed in Pierrot's oogen, zooals het opvlammen
van een vuur, dat bijna uitgebrand is.

„Neen, dat kan niet,” zeide hij toen, alsof hij die woorden tot zichzelf
sprak, en boog weer over zijn werk.

Maar Nepeese bemerkte, dat de hand, waarin hij het mes hield, beefde.

Terwijl Nepeese naar den rotsigen muur van de kloof staarde, de
gevangenis waarin zij Wakayoo en Baree gedreven hadden, keek Pierrot
weer op van zijn werk en prevelde iets, dat niemand behalve hijzelf
had kunnen hooren. „Neen, het is niet mogelijk,” had hij een oogenblik
tevoren gezegd, maar voor Nepeese was zij wèl mogelijk—de gedachte die
zij met zich omdroeg. Het was een wonderlijke gedachte. Ze deed haar
ontroeren tot in het diepst van haar ongebreidelde, mooie ziel. Zij
bracht een gloed in haar oogen en een dieper rood van opwinding in haar
wangen en lippen. Zij fluisterde opnieuw het woord, dat Pierrot zoo
ontroerd had. „Baree!” Waarom zou het niet mogelijk zijn?

Terwijl zij de weide onderzocht, om een spoor te vinden van het jonge
hondje, vloden haar gedachten snel terug. Twee jaren geleden hadden zij
haar moeder begraven onder de hooge sparren, dicht bij hun hut. Dien dag
was Pierrot's zon voorgoed ondergegaan en haar eigen leven vervuld met
een groote eenzaamheid. Er hadden er drie aan het graf gestaan, dien
middag toen de zon onderging—Pierrot, zijzelf en Baree. Baree was een
hond, een groot, ruig dier, met een witte ster op zijn borst en een wit
vlekje aan zijn oor. Hij was de lieveling geweest van haar gestorven
moeder, van zijn prilste jeugd af. Hij vormde haar lijfwacht—was altijd
bij haar—liet zelfs zijn kop rusten op den rand van haar bed, toen
zij lag te sterven. En dien nacht, den nacht volgende op den middag
van haar begrafenis, was Baree verdwenen. Hij was verdwenen even stil
en spoorloos als haar geest. Niemand had hem daarna ooit meer gezien.
Het was vreemd en voor Pierrot een mirakel. Diep in zijn hart koesterde
hij de overtuiging, dat Baree met zijn geliefde Wyola ten hemel gevaren
was. Maar Nepeese had drie winters doorgebracht op de zendingsschool
te Nelson House. Zij had daar veel geleerd over blanke menschen en den
werkelijken God en zij wist, dat dit denkbeeld van Pierrot onbestaanbaar
was. Zij geloofde, dat haar moeders Baree òf dood was, òf naar de wolven
gegaan. Waarschijnlijk was hij naar de wolven gegaan. Daarom—was het
niet onmogelijk, dat dit jong, waarop zij en haar vader jacht gemaakt
hadden, van hetzelfde vleesch en bloed was als haar moeders lieveling!
Het was heel wèl mogelijk. De witte ster op zijn borst, de witte vlek
aan zijn oor—het feit, dat hij haar niet gebeten had, terwijl hij
gemakkelijk zijn slagtanden had kunnen begraven in het weeke vleesch van
haar armen! Zij was er zeker van. En terwijl Pierrot den beer vilde,
begon zij jacht te maken op Baree.

Baree had zich geen duim bewogen onder zijn rotsblok. Hij lag alsof
hij verdoofd was, met zijn oogen strak gericht op de plaats, waar de
tragedie van zooeven zich in de weide had afgespeeld. Hij had iets
gezien wat hij nooit meer vergeten zou—zooals hij nooit zijn moeder zou
vergeten, of Kazan, of het oude hol onder de omgewaaide boomen. Hij was
getuige geweest van den dood van een schepsel, dat volgens zijn meening
oppermachtig geweest was. Wakayoo, de groote beer, had niet eens den
strijd aangebonden. Pierrot en Nepeese hadden hem gedood _zonder hem aan
te raken_ en nu sneed Pierrot in hem met een mes, dat zilveren stralen
uitschoot in het zonlicht. En Wakayoo maakte geen enkele beweging. Het
deed Baree rillen en hij kroop nog wat verder onder het rotsblok, waar
hij al zoo stijf in elkaar gedrukt lag, alsof een krachtige hand hem er
onder geschoven had.

Hij kon Nepeese zien. Zij ging staan dicht bij de opening in den
rotswand en was nu niet meer dan twintig voet van de plaats, waar
hij zich verborgen had. Nu zij op een plek stond, waar hij haar niet
ontsnappen kon, begon zij haar glanzend haar in twee dikke vlechten
te weven. Baree had zijn oogen van Pierrot afgewend en sloeg haar
nieuwsgierig gade. Hij was nu niet bang. Zijn zenuwen tintelden. Er
worstelde in hem een zonderling en groeiend verlangen, het raadsel op
te lossen, waarom hij zich gedrongen voelde, van onder zijn rots te
voorschijn te kruipen en dat wonderbaarlijke wezen te naderen, met haar
schitterende oogen en glanzend haar. Hij voelde begeerte dit te doen.
Het was als een onzichtbare snaar, die in hem trilde. Het was Kazan, en
niet Wolvin, die iets in hem wakker riep, het was een roep, even oud als
de Egyptische pyramiden en misschien nog tienduizend jaar ouder. Maar
daartegenover verzette zich Wolvin, uit de eeuwenoude bosschen. Dit
maakte, dat hij zich stil en onbeweeglijk hield. Nepeese keek om zich
heen. Zij glimlachte. Een oogenblik wendde zij haar gelaat naar hem toe
en zag hij de witte schittering van haar tanden en haar mooie oogen, die
hem schenen toe te stralen.

En toen viel zij plotseling op haar knieën neer en tuurde onder de rots.

Hun oogen ontmoetten elkaar. Een halve minuut lang was er geen enkel
geluid te hooren. Nepeese bewoog zich niet en haar ademhaling kwam zoo
licht, dat Baree haar niet hooren kon.

En toen zeide zij, zoo zacht, dat het nauwelijks boven een gefluister
uitkwam:

„_Baree! Baree! Upi Baree!_”

Het was de eerste maal, dat hij zijn eigen naam had gehoord en er was
zoo iets zachts en geruststellends in den klank er van, dat hij er
op antwoordde met een zacht gejank. De Wilg bracht langzaam haar arm
naar voren. Deze was bloot en rond en zacht. Hij kon gemakkelijk er op
afschieten en er zijn tanden in begraven. Maar er was iets, dat hem
weerhield. Hij wist, dat zij geen vijand van hem was, hij wist, dat die
stralende, donkere oogen geen verlangen uitdrukten, om hem kwaad te
doen; en de stem, die zoo zacht tot hem kwam, was hem als ontroerende
muziek.

„Baree! Baree! Upi Baree!”

Nog eens en nog eens riep de Wilg tot hem en trachtte verder onder de
rots te kruipen. Zij kon hem niet bereiken. Zij kon zich niet verder
naar binnen dringen. En toen zag zij, dat er aan den anderen kant van de
rots een holte was, afgesloten door een steen. Als zij dien steen had
weggeschoven en langs dien kant was binnengekomen—

Zij trok zich weer uit de opening terug en stond opnieuw in den
zonneschijn. Haar hart sidderde. Pierrot was druk bezig met zijn beer
en zij wilde hem niet roepen. Zij deed een poging om den steen van zijn
plaats te krijgen, maar deze zat vastgeklemd. Toen begon zij te graven
met een stok. Als Pierrot in de buurt geweest was, zouden zijn scherpe
oogen de beteekenis gezien hebben van dien steen, die niet grooter was
dan een wateremmer. Eeuwenlang had hij daar waarschijnlijk gelegen, door
zijn steun het rotsblok tegenhoudend in zijn val, zooals het gewicht van
een ons de weegschaal kan doen overslaan. Nog vijf minuten en zij zou
den steen van zijn plaats kunnen brengen. Zij rukte er aan. Centimeter
bij centimeter trok zij hem naar zich toe, tot hij ten laatste aan haar
voeten lag. Toen keek zij opnieuw naar Pierrot. Hij was nog steeds bezig
en zij lachte zachtjes, terwijl zij een grooten rood-en-witten halsdoek
afdeed. Hiermee zou zij zich van Baree verzekeren. Zij viel op haar
knieën, ging daarna plat op den grond liggen en begon in de opening te
kruipen.

Baree had zich bewogen. Met zijn kop tegen de rots gedrukt, had hij
iets gehoord, wat Nepeese niet gehoord had, had hij een langzame,
aangroeiende drukking gevoeld en hij had zich aan die drukking
onttrokken en die drukking was hem gevolgd. De rotsmassa begon te
verschuiven! Nepeese zag niet en hoorde niet en begreep niet. Zij riep
smeekend tegen hem:

„Baree! Baree! Baree!—”

Haar hoofd en schouders en beide armen waren nu onder de rots. De
schittering van haar oogen was dicht bij Baree. Hij jankte. Een groot,
naderend gevaar maakte hem onrustig. En toen—

Op dit oogenblik voelde Nepeese de drukking van de rots op haar
schouders en een blik van ontzetting kwam in haar oogen. En toen stiet
zij een kreet uit, die niet geleek op eenig geluid, dat Baree ooit in
de wildernis gehoord had—een woesten kreet, doordringend, van vrees
bezeten. Pierrot hoorde dien eersten kreet niet. Maar hij hoorde den
tweeden en derden en daarna het aanhoudende geschreeuw, toen het teere
lichaam van de Wilg langzaam verpletterd werd onder de verschuivende
massa. Hij vloog er naar toe, snel als de wind.

De kreten werden zwakker, begonnen weg te sterven. Hij zag Baree van
onder de rotsen uit komen worstelen en de kloof in rennen en op
hetzelfde oogenblik zag hij een stukje van de japon van de Wilg en haar
in mocassins gestoken voeten. De rest van haar lichaam was gevangen in
deze doodsval. Als een krankzinnige begon Pierrot te graven. Toen hij
Nepeese eenige oogenblikken later van onder de rotsblokken te voorschijn
haalde, was zij wit en doodelijk stil. Haar oogen waren gesloten. Zijn
hand kon niet ontdekken of zij nog leefde en een gekerm van angst steeg
op uit zijn ziel. Maar hij wist hoe men vechten moest om iemands leven.
Hij rukte haar japon open en bemerkte dat zij niet gekneusd was, zooals
hij gevreesd had. Toen snelde hij weg om water te halen. Toen hij
terugkwam, had de Wilg haar oogen geopend en snakte zij naar adem.

„Allen Heiligen zij dank!” snikte Pierrot, op zijn knieën naast haar
vallend. „Nepeese, mijn Nepeese—”

Zij glimlachte tegen hem met haar beide handen op haar bloote borst
en Pierrot drukte haar tegen zich aan, heelemaal het water vergetend,
waarom hij zoo hard geloopen had.

Nog later, toen hij op zijn knieën ging liggen en onder de rots tuurde,
werd hij doodsbleek en zeide:

„_Mon Dieu_, als die kleine holte in de aarde er niet geweest was,
Nepeese—”

Hij huiverde en ging niet verder. Maar Nepeese, gelukkig over haar
redding, maakte een beweging met haar hand en zeide glimlachend:

„Dan zou ik—_zóó_—geweest zijn. Ah, _mon père_, ik hoop, dat ik nooit
een minnaar zal hebben, zooals die rots!”

Pierrot's gelaat werd somber, terwijl hij zich over haar heenboog.

„Neen!” zeide hij ontstuimig. „Neen! Nooit!”

Hij dacht weer aan Mc Taggart, den agent van Lac Bain, en hij balde zijn
vuisten, terwijl zijn lippen het haar van zijn dochter aanraakten.



VIII.

Eindelijk vrienden.


Voortgedreven door het vreeselijke gillen van de Wilg en het gezicht
van Pierrot, als een dolle op hem afstormend, terwijl hij het lijk van
Wakayoo in den steek liet, bleef Baree doorrennen, tot hij volkomen
ademloos was. Toen hij stilstond, was hij veilig de kloof uit en in
de buurt van den bevervijver. Bijna een week lang was Baree niet bij
den vijver geweest. Hij had Gebroken Tand en Umisk en de andere jonge
bevertjes niet vergeten, maar Wakayoo en zijn dagelijksche vangst van
versche visch was een te groote verleiding voor hem geweest. En nu
was Wakayoo weg. Hij wist, dat de groote zwarte beer nooit meer zou
visschen in de rustige poelen en schemerige draaikolken en dat er, waar
vele dagen lang vrede en overvloed geheerscht hadden, nu groot gevaar
dreigde en, zooals hij tevoren naar zijn oude hol zou gevlucht zijn om
zich in veiligheid te brengen, zoo vluchtte hij nu in zijn wanhoop naar
den bevervijver. Waarvoor hij zoo bang was, is moeilijk te zeggen, maar
Nepeese was er zeker niet de oorzaak van. De Wilg had hem nagejaagd. Zij
had zich op hem geworpen. Hij had den greep van haar handen gevoeld en
het verstikkende gevoel van heur haren _en toch was hij van haar niet
bang_! Als hij zoo nu en dan stil stond en omkeek, was het om te zien
of Nepeese hem soms volgde. Hij zou niet hard weggeloopen zijn voor
haar—_alleen_. Haar oogen, stem en handen hadden een ontroering in hem
gewekt; hij was nu vervuld met een nog grooter verlangen en nog grooter
eenzaamheid en dien nacht droomde hij benauwde droomen. Hij maakte zich
een leger onder een sparrewortel dicht bij den bevervijver en dien
heelen nacht lang was zijn slaap vervuld met onrustige droomen—droomen
van zijn moeder, van Kazan, het oude hol onder de omgewaaide boomen,
van Umisk—en Nepeese. Eens, toen hij wakker werd, dacht hij dat de
sparrewortel Wolvin was en toen hij ontdekte, dat zij er niet was,
zouden Pierrot en de Wilg hebben kunnen zeggen waarom hij begon te
jammeren. Telkens en telkens had hij visioenen van de opwindende
gebeurtenissen van dien dag. Hij zag de vlucht van Wakayoo over het
weitje, hij zag hem weer sterven. Hij zag den glans van de oogen van de
Wilg vlak bij de zijne, hoorde haar stem—zoo liefelijk en zacht, dat
zij als vreemde muziek voor hem was—en hoorde opnieuw haar vreeselijk
gegil.

Hij was blij toen de dag aanbrak. Hij ging niet op zoek naar voedsel,
maar daalde af naar den vijver. Zijn houding duidde op weinig hoop of
verwachting. Hij herinnerde zich, dat Umisk en zijn speelmakkertjes,
zoo duidelijk als dit in de dierentaal maar mogelijk was, hem aan
zijn verstand hadden gebracht, dat zij niets met hem te maken wilden
hebben. En toch nam het feit, dat zij daar waren, al iets van zijn
eenzaamheid weg. Niets was erger dan eenzaamheid. De wolvenaard in hem
was overheerscht door de hondennatuur. En in dergelijke oogenblikken,
wanneer zijn instinkten van wild dier sluimerden, werd hij gedrukt door
het groeiende, schoon nog niet geheel geopenbaarde bewustzijn, dat hij
niet zuiver van dat wilde bloed was, maar een vluchteling temidden der
roofdieren en aan alle kanten door onbekende gevaren bedreigd.

Diep in de bosschen van het Noorden werkt en speelt de bever niet alleen
in de duisternis, maar gebruikt den dag zelfs nog meer dan den nacht
en verscheidene leden van Gebroken Tand's familie waren wakker, toen
Baree lusteloos langs de oevers van den vijver begon te zoeken. De
jonge bevertjes waren nog met hun moeders in de groote woningen, die er
uitzagen als koepels van modder en stokken in het midden van het meer.
Er waren drie van deze woningen en een er van was zeker wel twintig voet
in doorsnee. Baree had eenige moeite, de zijde van den vijver te blijven
volgen. Toen hij terugkeerde te midden van de wilgen, elzen en berken,
kruisten dozijnen van kanalen zijn pad. Sommige van die kanalen waren
een voet breed en andere drie of vier voet en alle waren vol water. Geen
land ter wereld had ooit een beter verkeerssysteem dan dit bever-domein,
waarlangs zij hun werkmaterialen en voedsel naar de hoofdbewaarplaats,
den vijver, brachten. In een van de grootste kanalen verraste Baree
een bever, die een stuk berkebast meesleepte, wel vier voet lang
en in die eene lading een dozijn maaltijden met zich meevoerde. De
schors van den berkeboom zou men het brood en de aardappelen van het
bevermenu kunnen noemen, terwijl de hooger aangeschreven basten van den
wilg en den jongen els de plaats innemen van vleesch en pastei. Baree
rook nieuwsgierig aan den berkebast, nadat de oude bever dien bij een
haastigen aftocht in den steek gelaten had en ging toen verder. Hij deed
een poging, zich te verbergen, ditmaal, en ten minste een half dozijn
bevers konden hem op hun gemak bekijken, voor hij de plaats bereikte
waar de vijver zich vernauwde, bijna een halve mijl van den dam af. Toen
liep hij weer terug. Dien heelen morgen dwaalde hij rond den vijver,
zich openlijk vertoonend.

In hun groote vesting van modder en rijshout hielden de bevers
krijgsraad. Zij wisten niet wat zij er van denken moesten. Er waren
vier vijanden, die zij vreesden boven alle andere—de otter, die in den
winter hun dammen vernielen kwam en hun den dood bezorgde door de koude
en door hun waterstand zoo laag te maken, dat zij hun voedsel niet meer
konden bereiken; de lynx, die loerde op allen, hetzij jong of oud, en de
vos en de wolf, die uren lang in een hinderlaag konden liggen, om dan op
de heel jonge bevers af te schieten, zooals Umisk en zijn speelmakkers.
Wanneer Baree een van deze vier geweest was, zouden de slimme oude
Gebroken Tand en zijn lotgenooten wel geweten hebben, wat hun te doen
stond. Maar Baree was zeker geen otter en als hij een vos was, of een
wolf, of een lynx, waren zijn handelingen tenminste zonderling te
noemen. Een half dozijn malen had hij zijn prooi kunnen bespringen, als
hij dat van plan was. Maar hij had in 't geheel geen voornemen getoond,
hen kwaad te doen.

Het kan zijn, dat de bevers den toestand lang en breed met elkander
bespraken. Het is mogelijk, dat Umisk en zijn speelmakkertjes hun ouders
vertelden van hun avontuur en dat Baree geen beweging gemaakt had om
hen kwaad te doen, terwijl hij hen toch gemakkelijk had kunnen vangen.
Het is ook meer dan waarschijnlijk, dat de oudere bevers, die voor Baree
op de vlucht gegaan waren, dien morgen een verslag uitbrachten van hun
ondervindingen en den nadruk legden op het feit, dat de vreemdeling,
hoewel hij hun grooten schrik aangejaagd had, geen neiging had vertoond,
hen aan te vallen. Dit alles is zeer wel mogelijk, want als bevers
een groot deel van de geschiedenis van het vasteland kunnen maken en
ingenieurswerken aanleggen, alleen door dynamiet te verwoesten, is het
redelijk, te veronderstellen, dat zij op de een of andere manier met
elkaar praten.

Hoe het ook zij, de dappere oude Gebroken Tand nam het op zich, de
onzekerheid op te heffen.

Het was vroeg in den namiddag, toen Baree voor de derde of vierde maal
een wandelingetje ging maken op den dam. Deze dam had een lengte van
ruim tweehonderd voet, maar op geen enkele plaats spoelde het water er
overheen, daar het overtollige vocht een uitweg vinden kon door nauwe
sluisjes. Een paar weken tevoren had Baree over dien dam den vijver
kunnen oversteken, maar nu waren aan het andere einde Gebroken Tand en
zijn ingenieurs bezig een nieuw stuk aan den dam toe te voegen, en om
hun werk gemakkelijker te kunnen verrichten, hadden zij ruim vijftig
meter van den grond, waarop zij bezig waren, doen onderloopen. Deze
voornaamste dam had een groote aantrekkingskracht voor Baree. Hij droeg
den bevergeur in sterke mate. De bovenkant er van was hoog en droog
en er waren dozijnen kleine uithollingen in, waarin de bevers hun
zonnebaden hadden genomen. In een van deze holten strekte Baree zich
uit, met zijn oogen op den vijver gevestigd. Geen rimpeling verbrak zijn
fluweelige oppervlakte. Geen geluid verstoorde de slaperige middagrust.
De bevers hadden dood kunnen zijn of slapend, zoo weinig beweging
maakten zij. En toch wisten zij, dat Baree op den dam was.

Waar Baree lag, bescheen de zon hem met vollen gloed en hij voelde zich
zoo lekker, dat het hem na een poosje moeite kostte, zijn oogen open te
houden. Toen viel hij in slaap.

Hoe Gebroken Tand dit merkte, is een raadsel. Vijf minuten later
kwam hij bedaard, zonder eenig geluid of geplas, tot op vijftig meter
afstands van Baree. Eenige oogenblikken bewoog hij zich ternauwernood
in het water. Daarna zwom hij heel langzaam evenwijdig met den dam den
vijver over. Aan den overkant klauterde hij aan wal en bleef een tijdje
zitten, zoo onbeweeglijk als een steen, met zijn oogen gevestigd op dat
gedeelte van den dam, waar Baree lag. Geen der andere bevers bewoog en
het was al gauw klaarblijkelijk, dat Gebroken Tand maar één ding op het
oog had—Baree eens van naderbij te bekijken. Toen hij het water weer
inging, zwom hij vlak langs den dam voort. Tien voet beneden Baree begon
hij aan land te klimmen. Hij deed dit uiterst langzaam en voorzichtig.
Eindelijk bereikte hij den top van den dam.

Een paar meter van hem af lag Baree, geheel in de holte verborgen.
Gebroken Tand kon slechts een klein gedeelte van zijn glanzend, zwart
lichaam ontdekken. Om beter te kunnen kijken, spreidde de oude bever
zijn platten staart uit en verhief zich tot een zittende houding op
zijn achterdeelen, terwijl hij zijn twee voorpooten over zijn borst
liet hangen als een eekhoorn. In deze houding was hij ruim drie voet
hoog. Hij woog waarschijnlijk veertig pond en hij deed denken aan
een goedigen, ouden, weerzinwekkenden hond. Maar zijn brein werkte
met verbazingwekkende snelheid. Plotseling gaf hij met zijn staart
een enkelen klap op de modder van den dam—en Baree zat rechtop.
Oogenblikkelijk zag hij Gebroken Tand en bleef hem aanstaren.
Gebroken Tand keek hem ook strak aan. Een halve minuut lang bewoog
geen van beiden zich ook maar een haarbreedte. Toen stond Baree op en
kwispelstaartte.

Dat was genoeg. Op zijn voorpooten neervallend, waggelde Gebroken Tand
op zijn doode gemak naar den waterkant en liet er zich overheen glijden.
Hij was nu niet voorzichtig meer en haastte zich ook niet.

Hij maakte veel beweging in het water en zwom stoutmoedig onder Baree
heen en weer. Toen hij dit verscheidene malen gedaan had, ging hij
regelrecht op de grootste van de drie woningen af en verdween. Vijf
minuten na Gebroken Tand's heldendaad was het onder de kolonie algemeen
verspreid: de vreemdeling—Baree—was geen lynx. Hij was geen vos.
Hij was ook geen wolf. Daarbij kwam nog, dat hij heel jong was en
onschadelijk. Het werk kon weer voortgezet worden. Ook het spel. Er
dreigde geen gevaar. Zoo luidde Gebroken Tand's uitspraak. Als iemand
deze feiten in de bevertaal met een roeper geschreeuwd had, had het
antwoord niet sneller kunnen gegeven worden. Opeens leek het Baree, of
de vijver stampvol bevers was. Hij had er nooit tevoren zooveel bij
elkaar gezien. Zij kwamen aan alle kanten opduiken en sommige zwommen
doodbedaard vlak onder hem heen en weer en keken nieuwsgierig naar hem
op. Misschien vijf minuten lang schenen de bevers niets in 't bizonder
van plan te zijn. Toen stevende Gebroken Tand op den dam af en klom
naar boven. Anderen volgden hem. Een half dozijn van zijn werklieden
begaven zich in het struikgewas van de wilgen en elzen. Verlangend keek
Baree uit naar Umisk en zijn vriendjes. Eindelijk zag hij hen—zij
kwamen uit een van de kleinere woningen zwemmen. Zij klommen weer op hun
speelplaats van den vorigen dag. Baree kwispelstaartte zoo hard, dat
zijn heele lijfje er van schudde, toen haastte hij zich langs den dam
naar beneden.

Toen hij op het vlakke gedeelte van den oever kwam, trof hij daar Umisk
alleen aan; hij knabbelde aan zijn avondmaal, een versch afgeknaagd stuk
wilgebast. De andere jonge bevers waren in de elzestruiken verdwenen.

Ditmaal liep Umisk niet weg. Hij keek op. Baree hurkte neer, zich
wringend op zijn allervriendelijkste manier. Eenige oogenblikken bleef
Umisk hem aankijken. Er viel nu niets te vreezen. Wat dit ook voor een
raar beest mocht wezen, het was jong en onschadelijk en scheen werkelijk
graag goede maatjes te willen worden bovendien. Hij staarde Baree
oplettend aan.

Toen zette hij heel rustig zijn avondmaal voort.... En Baree wist, dat
hij niet langer zonder vrienden was.



IX.

De redding van Umisk.


Juist zooals in het leven van ieder mensch een groote beperkende factor
is, hetzij in goede of kwade richting, zoo was in Baree's leven de
bevervijver van grooten invloed op zijn lot. Waarheen hij gegaan zou
zijn, als hij dezen niet gevonden had, kan men slechts gissen. Maar de
plek trok hem onweerstaanbaar aan. Zij begon de plaats bij hem in te
nemen van het oude hol onder de omgevallen boomen, dat eens zijn tehuis
geweest was, en de bevers werden hem een gezelschap, dat hem eenigszins
het verlies van Kazan en Wolvin vergoedde. Dat wil zeggen, zij waren hem
tot gezelschap, in zekeren graad. Met elken nieuwen dag die verstreek,
gewenden de oude bevers er meer aan, Baree te zien. Na afloop van twee
weken zouden zij Baree gemist hebben, als hij was weggegaan, maar niet
in dezelfde mate als waarin Baree de bevers zou gemist hebben. Het was
van hun kant eenvoudig goedhartige verdraagzaamheid. Maar met Baree was
het een andere kwestie. Hij was nog altijd „uskahis”, zooals Nepeese
Pierrot het genoemd zou hebben; hij had feitelijk nog moederzorg noodig;
hij had nog de verlangens van het heel jonge dier, want hij had nog geen
tijd gehad, daar bovenuit te groeien en als de nacht aanbrak, zou hij
het liefst in de groote beverwoning zijn gekropen, bij Umisk en zijn
kameraadjes, en daar geslapen hebben.

Wel veertien dagen lang na die heldendaad van Gebroken Tand op den dam
gebruikte Baree zijn maaltijden bij de kreek, zoowat een mijl verderop,
waar volop rivierkreeft zat. Maar de vijver was zijn tehuis. 's Nachts
was hij daar altijd te vinden en ook een groot gedeelte van den dag.
Hij sliep aan het uiteinde van den dam, of, bij bizonder heldere
nachten, er bovenop en de bevers ontvingen hem als voortdurenden gast.
Zij werkten in zijn tegenwoordigheid alsof hij niet bestond. Baree was
geboeid door dit werk en werd nooit moede er naar te kijken. Het wekte
zijn belangstelling en verbazing op. Dag aan dag zag hij hen hout vlot
maken en snel door het water stuwen naar den nieuwen dam. Hij zag den
dam steviger worden onder hun zwoegen. Op zekeren dag lag hij op twaalf
voet afstands van een ouden bever, die bezig was een boom te vellen
van anderhalven decimeter doorsnee. Toen de boom viel en de oude bever
haastig maakte, dat hij wegkwam, ging Baree ook op den loop. Later kwam
hij terug en ging snuffelen op de plek, waar de boom doorgeknaagd was,
nieuwsgierig, waarvoor dit diende en waarom Umisk's oom, of grootvader,
of tante zich zooveel moeite op den hals haalde.

Hij kon nog altijd Umisk en de andere jonge bevers er niet toe krijgen,
hem mee te laten spelen en nadat hij daar eenige keeren moeite voor
gedaan had, staakte hij zijn pogingen. Om de waarheid te zeggen, hun
spel verbaasde hem al evenzeer als het dammen-maken van de oudere
bevers. Umisk bijvoorbeeld was er dol op, in de modder te spelen aan
den rand van den vijver. Hij was net een kleine jongen. Terwijl zijn
familieleden boomstammen van een voet in doorsnee naar hun grooten dam
stuwden, bracht Umisk takjes en twijgjes van geen grooter omvang dan
een potlood naar zijn speelterrein en bouwde een kinder-dammetje voor
zijn eigen plezier. Hij kon een uur lang aan dezen speel-dam werken,
met evenveel ijver als zijn vader en moeder aan den grooten dam werkten
en Baree lag dan plat op zijn buik, niet ver van hem af, naar hem te
kijken, in de grootst mogelijke verbazing. En door de half droge modder
groef Umisk ook zijn miniatuurkanalen, precies zooals een kleine jongen
zijn rivieren zou gegraven hebben en zijn zee, door roovers bevolkt,
ergens op een ondergeloopen stuk land. Met zijn scherpe tandjes velde
hij zijn boomstammen—wilgeloten, nooit meer dan een paar centimeter
dik—en wanneer deze takjes naar beneden tuimelden, voelde hij
ongetwijfeld een even groote voldoening als Gebroken Tand, wanneer hij
een berk van zeventig voet krakend in den vijver had doen storten. Baree
kon het grappige hiervan niet inzien. Hij begreep, dat er reden kon zijn
om aan stokken te knabbelen—hij hield er zelf ook van, zoo nu en dan
eens zijn tanden te scherpen—maar hij vond het al heel raar, dat Umisk
zoo zorgvuldig de schors van den stam afschilde en ze daarna inslikte.

Een andere manier van spelen ontmoedigde Baree nog sterker bij zijn
poging tot toenadering. Op kleinen afstand van de plek, waar hij Umisk
het eerst gezien had, helde de oever tien of twaalf voet naar het water
af en deze oever werd door de jonge bevers als glijbaan gebruikt.
Hij was glad en hard geworden door veelvuldig gebruik. Umisk had de
gewoonte, den oever te beklimmen op een plek, waar hij niet al te steil
was. Bovenaan de glijbaan gekomen, spreidde hij zijn staart plat achter
zich uit en, zich afzettend, schoot hij de helling af en kwam met een
grooten plons in het water terecht. Bij tijden waren er wel zes of tien
jonge bevers met deze sport bezig en nu en dan kwam een van de ouderen
naar boven waggelen en gleed eens een baantje mee met de jongelui. Op
zekeren middag, toen de glijbaan buitengewoon nat en glibberig was,
omdat zij pas gebruikt was, klom Baree langs het beverpaadje naar boven
en stelde een onderzoek in. Nergens had hij de beverlucht zoo sterk
geroken als op die glijbaan. Hij begon ze op te snuiven en was zoo
onvoorzichtig, zich te ver te wagen. In een oogwenk schoten zijn pooten
onder hem uit en met een enkelen woesten schreeuw vloog hij pijlsnel
de helling af. Voor de tweede maal in zijn leven worstelde hij onder
de oppervlakte van het water en toen hij zich een paar minuten later
door de weeke modder naar land sleepte, had hij zeer zeker een goed
beschrijfbare opvatting gekregen van het spelen der bevers. Misschien
had Umisk hem gezien. Het is ook mogelijk, dat al heel spoedig het
verhaal van zijn avontuur bekend was bij al de inwoners van Bever-Stad.
Want toen Baree Umisk dien avond naderde, terwijl deze zijn avondmaal
gebruikte van elzebast, week hij geen duimbreed van zijn plaats en voor
het eerst beroken zij elkanders neuzen. Tenminste Baree snoof hoorbaar
en de dappere kleine Umisk zat als een rolronde sfinx. Dit was de
bevestiging van hun vriendschap—van Baree's kant. Hij ravotte eenige
oogenblikken buitensporig in het rond en vertelde Umisk, hoeveel hij
van hem hield en dat ze groote vrienden zouden zijn. Umisk praatte in 't
geheel niet. Hij maakte geen beweging, voor hij weer doorging met zijn
maal. Maar met dat al zag hij er uit als een gezellig klein baasje en
Baree had zich sedert den dag, waarop hij zijn hol verlaten had, niet
zoo gelukkig gevoeld.

Deze vriendschap, hoewel zij uiterlijk geheel van één kant leek te
komen, was bepaald een groot belang voor Umisk. Wanneer Baree bij den
vijver was, bleef hij altijd zoo dicht mogelijk in Umisk's buurt.

Op zekeren dag lag Baree half slapend in het gras terwijl Umisk druk
bezig was met eenige elzespruiten, dicht bij hem. Hij werd gewekt door
het waarschuwend knallen van een beverstaart en toen hoorde hij het nog
eens en nog eens, het leken wel pistoolschoten. Hij sprong op. Aan alle
kanten renden de bevers naar den vijver toe. Juist op dit oogenblik
kwam Umisk uit het struikgewas voor den dag en haastte zich, zoo vlug
als zijn korte, dikke pootjes hem dragen konden, naar het water. Hij
had bijna de modder bereikt, toen iets roods als een lichtstraal
langs Baree's oogen schoot in de middagzon en een oogenblik later had
Napakasew—de mannetjesvos—zijn scherpe tanden in Umisk's keel geklemd.
Baree hoorde den doodelijk verschrikten schreeuw van zijn vriendje;
hij hoorde het waanzinnige _flap, flap, flap_ van vele staarten en
zijn bloed klopte heftig van opwinding en woede. Even bliksemsnel als
de roode vos aangevallen had, schoot hij te hulp. Hij was even groot
en zwaar als de vos en toen hij Napakasew aanviel, deed hij dit met
een grauw, dien Pierrot aan den anderen kant van den vijver had kunnen
hooren en zijn tanden zonken als messen in den schouder van Umisk's
belager. De vos was van een struikrooversgeslacht, die hun slachtoffer
in den rug overvallen en dooden. Hij zou nooit een gevecht tegenover
elkaar aanbinden, tenzij hij in een hoek gedreven was en Baree's aanval
was zoo woest en onverwacht geweest, dat hij op de vlucht sloeg,
bijna even snel als hij Umisk overvallen had. Baree zette hem niet
achterna. Hij ging naar Umisk toe, die half in de modder lag en op een
zonderlinge manier jammerde en snoof. Zachtjes besnuffelde Baree hem en
na eenige oogenblikken krabbelde Umisk overeind op zijn gezwemvliesde
pootjes, terwijl zeker wel twintig of dertig bevers een geweldig
spektakel maakten in het water bij den oever.

Na dien tijd leek de bevervijver voor Baree meer dan ooit op zijn tehuis.



X.

Gepakt!


Terwijl Baree hoe langer hoe meer een familiestuk werd bij den
bevervijver en Pierrot en Nepeese aan den anderen kant er van allerlei
bedachten om hem te vangen, omdat zij door de witte ster op zijn
borst en het vlekje aan zijn oor herinnerd werden aan een anderen
Baree, waarvan zij veel gehouden hadden, smeedde Bush Mc Taggart zijn
eigen plannetje, daarginds op den post te Lac Bain, ongeveer veertig
mijlen naar het noordwesten. Mc Taggart was al zeven jaar lang agent
op Lac Bain geweest. In de annalen van de Compagnie te Winnipeg stond
hij geboekt als iemand, die buitengewoon veel voordeel aanbracht. De
uitgaven van zijn handelspost waren beneden het gemiddelde en zijn
halfjaarlijksch rapport omtrent de opbrengst van het bont stond altijd
in de eerste rijen. Achter zijn naam, die aan een snoer bewaard werd
in het hoofdkantoor, stond één aanteekening: „Weet van een dollar meer
te maken dan ieder ander, hier ten noorden van het Meer.” De Indianen
wisten wel waarom. Zij hadden hem den naam gegeven „Napao Wetikoo”—den
„mensch-duivel”. Maar zij zeiden dit nooit hardop, zij fluisterden het
woord somber in den gloed van hun kampvuren of zóó zacht, dat zelfs
de wind het niet tot aan Mc Taggart's ooren had kunnen overwaaien.
Zij vreesden hem. Zij haatten hem. Zij kwamen om, onder zijn bewind,
door honger en ziekten en hoe vaster Mc Taggart hen in zijn ijzeren
greep klemde, hoe gewilliger bogen zij voor zijn wil, naar het hem
voorkwam. Hij had een benepen ziel, zetelende in het lichaam van een
bruut, die zich verlustigde in het uitoefenen van macht. En hier—met de
onherbergzame wildernis aan vier kanten—kende zijn macht geen grenzen.
De groote Compagnie was hem altijd tot steun. Zij had hem tot koning
uitgeroepen van het domein, waarin weinig wetten waren, buiten zijn
eigene. En in ruil gaf hij de Compagnie balen vol pelterijen, boven haar
verwachting. Het was niet aan haar, verdenkingen te koesteren. Zij was
tienduizend mijlen of nog meer van hem verwijderd en elke dollar was er
één.

Gregson zou uit de school hebben kunnen klappen. Gregson was de
controleur van het distrikt, die Mc Taggart eens op een jaar bezocht.
Hij zou hebben kunnen vertellen, dat de Indianen Mc Taggart „Napao
Wetikoo” noemden, omdat hij hen maar half geld voor de geleverde huiden
gaf; hij zou de Compagnie ronduit hebben kunnen zeggen, dat hij het volk
aan de vallenlijn op het randje van den hongerdood hield, den heelen
winter lang; dat hij hen letterlijk op hun knieën neergedrukt hield met
zijn hand aan hun keel—om het zoo maar eens zacht uit te drukken—en
dat hij altijd een vrouw of een meisje, Indiaansche of halfbloed, op
den post bij zich had. Maar Gregson was te veel gesteld op dat bezoek
aan Lac Bain. Altijd kon hij rekenen op twee weken van walgelijke
uitspatting en bovendien droeg zijn eigen vrouwvolk thuis later een
schat van bont, hem op een achterbaksche manier door Mc Taggart in
handen gespeeld.

Op zekeren avond zat Mc Taggart bij het schijnsel van een olielamp
in zijn „magazijn”. Hij had zijn Engelsch klerkje, wiens gezicht zoo
gerimpeld was als een pippeling, naar bed gezonden en hij was nu alleen.
Zes weken lang werd hij al bezeten door een groote onrust. Het was
juist zes weken geleden dat Pierrot Nepeese voor de eerste maal mee had
genomen bij zijn bezoek aan Lac Bain, voor het eerst sedert Mc Taggart
daar agent was. Hij had naar adem gehijgd, toen hij haar bekoorlijke
gestalte voor het eerst zag. Sedert dien tijd had hij aan niets anders
meer kunnen denken dan aan haar. In die zes weken was hij twee keer
naar Pierrot's hut gereisd. Morgen zou hij weer gaan. Marie, het slanke
Cree-meisje, daarginds in zijn hut, was hij totaal vergeten, juist
zooals, vóór Marie, een dozijn anderen uit zijn geheugen geslipt waren.
Nu bestond alleen Nepeese voor hem. Hij had nooit iets gezien, zoo
volmaakt mooi als Pierrot's dochter.

Hardop schold hij Pierrot uit, terwijl hij naar een vel papier onder
zijn hand keek, waarop hij al wel een uur lang aanteekeningen had zitten
maken, uit veel gebruikte en stoffige grootboeken der Compagnie. Die
Pierrot stond hem in den weg. Volgens deze aanteekeningen was Pierrot's
vader een volbloed Franschman geweest. Dus was Pierrot nog half Fransch
en Nepeese voor een vierde deel, hoewel zij zoo mooi was, dat hij zou
willen zweren, dat er niet meer dan twee droppels Indiaansch bloed door
haar aderen stroomden. Als zij geheel en al Indiaansch was geweest, van
den stam der Chippeway's, Cree's, Ojibway's Honden Rib's of wat ook
maar—zouden er zich geen moeilijkheden hebben voorgedaan bij deze zaak.
Hij zou hen onder zijn macht gebogen hebben en Nepeese zou haar intrek
in zijn hut genomen hebben, zooals Marie het zes maanden geleden gedaan
had. Maar die vervloekte Fransche afkomst! Pierrot en Nepeese waren niet
als die anderen. En toch—

Hij glimlachte wreed en balde zijn vuisten. Was, alles welbezien, zijn
macht niet toereikend? Zou zelfs Pierrot hem durven weerstreven? Als
Pierrot tegenwerpingen maakte, zou hij hem uit het land verbannen—uit
de vallen-streek, die als erfenis op hem was overgegaan, na het beheer
van zijn vader en grootvader. Zelfs lang vóór dien tijd was zij
familiebezit geweest. Hij zou een zwerver van Pierrot maken en een
banneling, zooals hij zwervers en bannelingen had gemaakt van een aantal
anderen, die uit zijn gunst waren geraakt. Geen andere post zou ooit
meer aan Pierrot verkoopen of van hem koopen, als _la bête_—het zwarte
kruis, achter zijn naam gezet werd. Daarin bestond zijn macht—de wet
der agenten, die door alle eeuwen heen gehandhaafd was. Het was een
geweldige macht—ten kwade. Zij had hem Marie bezorgd, het slanke,
zwartoogige Cree-meisje, dat hem haatte en niettegenstaande haar haat,
„zijn huishouden deed”. Dit was de nette manier om haar tegenwoordigheid
uit te leggen, als er ooit een verklaring noodzakelijk was. Een
huishoudster!

Bush Mc Taggart keek opnieuw naar de aanteekeningen, die hij op het vel
papier gemaakt had.

Pierrot's vallen-distrikt, zijn eigendom volgens de wet der wildernis,
bracht veel geld op. Gedurende de afgeloopen zeven jaar had hij
gemiddeld duizend dollars per jaar ontvangen voor de levering van
pelzen, want Mc Taggart had er niet in kunnen slagen, Pierrot zoo af te
zetten als de Indianen.

Duizend dollars per jaar! Pierrot zou zich nog wel tweemaal bedenken,
voor hij dat opofferde. Mc Taggart grinnikte, terwijl hij het papier in
zijn hand verkreukelde en zich gereed maakte, het licht uit te draaien.
Onder zijn borstelige haar gloeide zijn roodachtig gelaat, verhit door
het vuur, dat in zijn bloed woedde. Het was een onaangenaam gezicht
om naar te kijken—het leek wel van staal en droeg een onbarmhartige
uitdrukking, de uitdrukking, die hem den bijnaam „Napao Wetikoo” bezorgd
had. Zijn oogen glinsterden en hij haalde snel adem, terwijl hij het
licht doofde. Hij grinnikte opnieuw, toen hij door de duisternis den weg
zocht naar de deur. Nepeese was al zoo goed als zijn eigendom. Hij wilde
haar bezitten, ten koste desnoods van—_Pierrot's leven_. En _waarom
niet_? Het was allemaal zoo gemakkelijk. Een schot in het eenzame
vallengebied, een enkele messteek en wie zou het navertellen? Wie zou
gissen waar Pierrot gebleven was? En het zou allemaal Pierrot's eigen
schuld zijn. Want de laatste maal, dat hij hem ontmoette, had hij hem
een eerlijk voorstel gedaan. Hij wilde Nepeese _trouwen_. Ja, dàt wilde
hij zelfs doen. Hij had het Pierrot voorgesteld. Hij had Pierrot ook
gezegd, dat hij hem, wanneer hij zijn schoonvader was, het dubbele voor
zijn huiden zou geven van den tegenwoordigen prijs. En Pierrot had hem
verstomd van verbazing aangestaard. Hij had naar hem gestaard met een
zonderlingen, verglaasden blik, als van een man, die verdoofd is door
den slag van een knuppel.

En dus—wanneer hij Nepeese niet kreeg zonder zwarigheden—zou het
allemaal Pierrot's eigen schuld zijn. Morgen zou hij opnieuw vertrekken
naar de landstreek van den halfbloed. En den volgenden dag zou Pierrot
hem zijn antwoord geven. Bush Mc Taggart grinnikte opnieuw, toen hij
naar bed ging. Dit deed Marie huiveren. Mc Taggart voelde—in den grond
van zijn hart—dat Pierrot's antwoord leven of dood beteekende, op den
langen duur—voor Pierrot.

       *       *       *       *       *

Tot op één na den laatsten dag zeide Pierrot aan Nepeese niets van wat
er tusschen hemzelf en den agent van Lac Bain verhandeld was. Toen
vertelde hij het haar.

„Hij is een beest—een duivel in menschengedaante,” zeide hij, toen hij
zijn verhaal geëindigd had. „Ik zag je nog liever daarginds—naast haar,
dood—” en hij wees naar den hoogen spar, waaronder haar moeder, de
prinses, begraven lag.

Nepeese had geen klank geuit. Maar haar oogen waren grooter geworden en
donkerder en er steeg haar een blos naar de wangen, zooals Pierrot er
nooit tevoren een gezien had. Zij stond op, toen hij geëindigd had en
zij scheen hem plotseling langer geworden. Nooit had zij zooveel op een
volwassen vrouw geleken en Pierrot's oogen werden verduisterd door vrees
en bange voorgevoelens, toen hij haar gadesloeg, terwijl zij tuurde naar
het Noordwesten—naar Lac Bain. Zij was prachtig om te zien, dit heel
jonge meisje, dat hij nog meer aanbad dan zijn God. Haar schoonheid
beangstigde hem. Hij had den blik in Mc Taggart's oogen gezien. Hij had
de opwinding in Mc Taggart's stem gehoord. Hij had de woeste begeerte
en den dierlijken lust op Mc Taggart's gelaat gelezen. Dit had hem
ontzetting aangejaagd, in het begin. Maar nu—nu was hij niet ontsteld
meer. Hij was onrustig—maar hij had zijn handen tot vuisten gebald. Er
smeulde een vuur in zijn hart. Nepeese keerde zich ten laatste om en
kwam weer bij hem zitten, aan zijn voeten. Pierrot legde een van zijn
harige handen op haar hoofd. Hij deed dat graag. Hij vond het heerlijk,
de warme liefkoozing te voelen van haar zijden lokken tusschen zijn
vingers.

„Hij komt morgen, _ma chérie_”, zeide hij, zijn oogen gevestigd houdend
op den rooden gloed van de ondergaande zon. „Wat moet ik hem antwoorden?”

De lippen van de Wilg waren rood. Haar oogen straalden. Maar zij keek
niet op naar haar vader.

„Niets, Nootawe—zeg hem alleen maar, dat ik degene ben, naar wie hij
toe moet komen—voor hetgeen hij zoekt.”

Pierrot boog zich voorover en betrapte haar op een glimlach. De zon ging
onder. En zijn hart zonk tegelijkertijd in hem, koud als lood.

       *       *       *       *       *

Van Lac Bain tot Pierrot's hut liep er een pad tot op een halve mijl
van den bevervijver, een dozijn mijlen van de plaats, waar Pierrot
verblijf hield en hier, bij een bocht van de kreek, waarin Wakayoo voor
Baree visch had gevangen, sloeg Bush Mc Taggart zijn kamp op voor den
nacht. Daar slechts twintig mijlen van de reis per kano gemaakt konden
worden en Mc Taggart het laatste gedeelte te voet aflegde, was zijn kamp
opslaan de eenvoudigste zaak ter wereld,—een stuk-of-wat afgekapte
balsemstruiken, een dunne deken, een klein vuur. Voor hij zijn avondmaal
gereed maakte, haalde de agent een aantal koperdraadstrikken uit zijn
pak voor den dag en besteedde er een half uur aan, deze uit te zetten
op de paadjes, die naar konijnenholen leidden. Deze methode om zich
vleesch te verschaffen was heel wat minder vermoeiend dan met warm weer
een geweer te moeten meesleepen en zij gaf vrij veel zekerheid. Een half
dozijn strikken leverden tenminste drie konijnen op en een van deze drie
was stellig wel jong en malsch genoeg voor de braadpan. Nadat hij zijn
strikken had uitgezet, plaatste Mc Taggart een pannetje met spek boven
het vuur en begon zijn koffie te koken.

Van alle geuren, die een kamp verspreiden kan, reikt die van gebakken
spek het verst, in het bosch. Hij heeft geen wind noodig. Hij drijft
vanzelf weg. Als het een stille nacht is, kan de vos hem op een
mijl afstands opsnuiven. Deze speklucht drong tot Baree door in zijn
holletje bovenop den beverdam. Hij werd naar hem toe gedreven op een
zacht windje, dat heerlijk koel was na den heeten dag en na een poosje
ging Baree overeind zitten en snoof de verlokking er van op. Sedert
zijn ondervinding, in de kloof opgedaan, en na Wakayoo's dood, was het
hem niet al te best gegaan. Uit voorzorg was hij in de buurt van den
vijver gebleven en hij had bijna alleen van rivierkreeften geleefd.
Deze nieuwe, heerlijke geur, die door den nachtwind naar hem toe werd
gedreven, wekte zijn honger op. Maar hij was grillig, die geur, nu eens
kon hij hem opsnuiven, het volgende oogenblik was hij verdwenen. Hij
verliet den dam en begon den oorsprong te zoeken van deze heerlijkheid,
in het bosch, tot hij hem, na een tijdje, heelemaal kwijt was. Mc
Taggart was klaar met het bakken van zijn spek en zat het nu op te eten.

Het was een schitterende nacht, die nu volgde. Misschien zou Baree zijn
blijven doorslapen in zijn warm leger op den beverdam, als die speklucht
geen nieuwen honger in hem had wakker geroepen. Na zijn avontuur in de
kloof had hij angst gekregen om zich in het hartje van de bosschen te
wagen, vooral bij nacht. Maar deze nacht geleek wel een bleeke, gouden
dag.

Hij was zonder maan. Maar de sterren flonkerden als een millioen lampjes
in de verte en overstroomden de wereld met een zachten, golvenden
lichtglans. Een zacht windgefluister maakte vriendelijke geluiden in
de toppen der boomen. Voor het overige was alles stil, want het was
Puskowepesim—Ruimaand—en de wolven gingen niet op jacht, de uilen
hadden hun stem verloren, de vossen slopen als schaduwen voorbij en
zelfs de bevers waren begonnen hun werk te staken. Het gewei van de
elanden, herten en kariboe's had een fluweelzacht omhulsel en zij
namen niet veel beweging en vochten in het geheel niet. Het was in het
laatst van Juli, de Ruimaand van de Cree's en de Stille Maand van de
Chippeway's.

Temidden van deze stilte ging Baree op jacht. Hij joeg een heel nest
half volwassen patrijzen op, maar zij wisten hem te ontsnappen. Hij
achtervolgde een konijn, dat vlugger was dan hij. Een uur lang liep
alles hem tegen. Toen hoorde hij een geluid, dat elke droppel bloed in
hem sneller deed vloeien. Hij was dicht bij Mc Taggart's kamp en wat
hij gehoord had, was een konijn, dat in een van Mc Taggart's strikken
geraakt was. Hij kwam terecht bij een open plek, vol sterrenlicht
en zag daar het konijn een allermerkwaardigste pantomime ten beste
geven. Het verbaasde hem en hij bleef staan, waar hij stond. Wapoos,
het konijn, was met zijn wolligen kop in den strik terecht gekomen en
door zijn eersten verschrikten sprong was het jonge boompje, waaraan
het koperdraad bevestigd was, teruggeveerd, zoodat hij nu half in de
lucht hing, alleen nog met zijn achterpooten den grond rakende. En
daar danste hij nu als een bezetene, terwijl de strik om zijn nek hem
langzaam worgde. Baree gaf een soort snik van verbazing. Hij kon in 't
geheel niet begrijpen, welke rol het koperdraad en het jonge boompje
speelden in dit zonderlinge spel. Al wat hij er uit op kon maken, was
dat Wapoos spartelde en danste op zijn achterpooten op een zonderlinge
manier, zooals hij dat van een konijn niet gewend was. Misschien dacht
hij wel, dat het een soort van spelletje was. Maar in dit oogenblik
beschouwde hij Wapoos niet zooals hij Umisk had beschouwd. Ondervinding
en instinkt zeiden hem, dat Wapoos een heerlijk hapje was en na een paar
oogenblikken van aarzeling sprong hij op zijn prooi toe.

Wapoos, al meer dood dan levend, worstelde bijna niet meer en onder den
glans der sterren maakte Baree hem af en smulde een half uur lang.

Bush Mc Taggart had geen enkel geluid gehoord, want de strik, waarin
Wapoos geraakt was, was het verst van zijn nachtverblijf verwijderd.
Bij zijn smeulend vuurtje zat hij, met zijn rug tegen een boom, zijn
zwart pijpje te rooken en begeerig over Nepeese te mijmeren, terwijl
Baree zijn nachtelijken zwerftocht voortzette. Baree verlangde nu niet
meer te jagen. Daarvoor had hij zijn buikje te rond gegeten. Maar hij
snuffelde rond op allerlei plekjes en genoot ontzaglijk van de rust en
het gouden maanlicht. Hij volgde een konijnenspoor, tot hij op een plek
kwam, waar twee stukken hout een opening vrij lieten, niet wijder dan
zijn eigen lichaam. Hij wrong er zich doorheen, er snoerde zich iets
om zijn keel, een knap!—en Baree werd zoo plotseling van den grond
gelicht, dat hij geen tijd had om zelfs maar te gissen wat er met hem
gebeurde. De schreeuw, dien hij uiten wilde, stierf in zijn strot weg
tot een gegorgel en het volgende oogenblik bood hij denzelfden aanblik
als Wapoos zooeven, die zich nu in zijn maag op hem wreekte. Baree kon
onmogelijk laten te springen en te dansen, terwijl het koperdraad vaster
en vaster om zijn keel knelde. Wanneer hij er naar hapte en het heele
gewicht van zijn lichaam tegen den grond wierp, gaf het gewillig mee,
maar dan kreeg hij bij den terugslag een ruk, die hem geheel van den
grond lichtte. Woedend worstelde hij. Het was een wonder, dat het dunne
draad tegen al dat geweld bestand was. In een paar oogenblikken zou het
moeten knappen, maar Mc Taggart hoorde hem! De agent greep zijn deken en
wapende zich met een zwaren stok, voor hij naar den strik snelde. Een
konijn kon zooveel lawaai niet maken—dat wist hij. Misschien was het
een marter, een lynx, een vos, een jonge wolf—

Hij dacht het eerst aan een wolf, toen hij Baree aan het eind van
het koperdraad zag. Hij liet de deken vallen en hief den knuppel
in de hoogte. Als de hemel bewolkt was geweest, of de sterren
minder schitterend, zou Baree het leven er bij gelaten hebben, even
onvermijdelijk als Wapoos had moeten sterven. Maar terwijl hij den
knuppel boven zijn hoofd hief, zag Mc Taggart nog net bijtijds de witte
ster, het witte vlekje aan zijn oor en de gitzwarte kleur van Baree's
huid.

Met een snelle beweging verruilde hij den knuppel voor de deken.



XI.

Gekastijd, maar niet onderworpen.


Een half uur later vlamde Bush Mc Taggart's vuur weer helder op. In den
gloed er van lag Baree, ingepakt als een Indiaansche papoes[1], tot
een ballonvormigen bal gebonden met een leeren riem, zijn kop alleen
stekend door een gat, dat zijn overweldiger voor hem in de deken gemaakt
had. Hij was een hopelooze gevangene, zoo stijf gebonden, dat hij
ternauwernood een spier kon bewegen. Eenige passen van hem verwijderd
was Mc Taggart bezig, een bloedende hand te baden in een kom water. Er
liep ook een straaltje rood opzij van Mc Taggart's stierennek.

[1] Zuigeling.

„Jou kleine duivel!” snauwde hij tegen Baree. „Jou kleine duivel!”

Hij boog zich voorover en gaf Baree's kop een hevigen slag met zijn
zware hand.

„Ik moest eigenlijk je kop kapot ranselen en ik geloof dat ik het doen
ga ook!”

Baree keek naar hem, terwijl hij een stuk hout naast zich opraapte—een
stuk brandhout. Pierrot had jacht op hem gemaakt, maar voor het eerst
was hij dicht genoeg bij het man-monster, om den rooden gloed in zijn
oogen te zien. Zij waren niet als de oogen van dat mooie wezentje, dat
hem bijna in den sluier van heur haren gevangen had en dat hem onder
het rotsblok achterna was gekropen. Het waren de oogen van een beest.
Zij maakten, dat hij in elkaar kromp en trachtte zijn kop onder de
bescherming van de deken te trekken, toen de stok opgeheven werd. Maar
tegelijkertijd gromde hij. Zijn witte slagtanden glinsterden bij het
vuurlicht. Zijn ooren lagen plat op zijn kop. Hij verlangde zijn tanden
in die roode keel te zetten, waaruit hij al bloed had laten sijpelen.

De stok kwam neer en nog eens en nog eens en toen Mc Taggart ophield,
lag Baree half versuft; zijn oogen waren gedeeltelijk gesloten door de
slagen en er liep bloed uit zijn bek.

„Dat is de goede manier om den duivel uit een wilden hond te krijgen,”
grauwde Mc Taggart. „Ik denk, dat je dat bijt-kunstje nu wel niet meer
zoo gauw probeeren zult, hè, baasje? Alle duivels—het scheelde maar
weinig, of je had tot op het been van mijn hand doorgebeten!”

Hij begon de wond opnieuw uit te wasschen. Baree's tanden waren diep
doorgedrongen en de agent keek bezorgd. Het was Juli. Een kwade maand
voor beten. Uit zijn reismand haalde hij een kleine kruik met whisky
voor den dag en droppelde wat van dezen sterken drank op de wond, op
Baree vloekende, toen hij in zijn vleesch brandde. Baree's halfgesloten
oogen bleven strak op hem gevestigd. Hij wist, dat hij nu eindelijk zijn
doodsvijand ontmoet had. En toch was hij niet bang. De knuppel in Bush
Mc Taggart's hand had zijn temperament niet gedood. Hij had zijn vrees
gedood. Hij had een haat in hem gewekt, zoo heftig als hij nog niet
gekend had—zelfs niet toen hij met Oohoomisew, den uilenvrijbuiter,
vocht. De wraakgierige kracht van den wolf brandde nu in hem, vereenigd
met den woesten moed van den hond. Hij deinsde niet terug, toen
Mc Taggart hem opnieuw naderde. Hij probeerde op te staan, om dat
man-monster aan te vliegen. Bij deze poging rolde hij om, ingewikkeld
als hij was in de deken en lag daar nu als een lachwekkend bundeltje. De
aanblik hiervan werkte op Mc Taggart's lachspieren en hij lachte. Hij
ging weer zitten met zijn rug tegen den boom en stopte zijn pijp.

Baree hield geen oog van hem af terwijl hij rookte. Hij keek naar
hem, toen hij zich op den kalen grond uitstrekte en ging slapen. Hij
luisterde nog later naar het afschuwelijke gesnork, dat het monster
voortbracht. Telkens opnieuw gedurende dien langen nacht trachtte hij
zich vrij te maken. Hij zou dien nacht nooit meer vergeten. Het was
afschuwelijk. In de dikke, warme plooien van de deken werden zijn
ledematen zoo verstikt, dat het bloed hem haast stilstond in de aderen.
Toch jankte hij niet. Maar toen de morgen aanbrak, lag zijn kop plat op
den grond. Mc Taggart merkte dit feit met voldoening op.

„Ik denk, dat je ons nu wel geen moeite meer geven zult op weg naar
Pierrot,” bromde hij.

Zij begonnen te reizen, nog vóór zonsopgang, want al stond Baree's
bloed bijna stil, dat van Mc Taggart stroomde wild van begeerte en
verwachting. Hij maakte zijn laatste plannen, terwijl hij vlug door
het bosch liep, met Baree onder den arm. Hij zou Pierrot dadelijk naar
Vader Grotin sturen in het Zendelingenstation, zeventig mijlen naar
het Westen. Hij wilde Nepeese trouwen. Dat zou Pierrot streelen. En
hij zou _alleen_ zijn met Nepeese, terwijl Pierrot op weg was naar den
zendeling. Deze gedachte deed zijn bloed branden als heete whisky.
In zijn verhit, onredelijk brein kwam geen oogenblik de gedachte op,
aan wat Nepeese er van zeggen mocht, of wat zij er van denken zou.
Hij bekommerde zich niet om haar ziel. Het was haar vleesch en haar
bloed, dat hij verlangde, haar prachtig lichaam, hare schoonheid, die
zijn grove ziel vervuld hadden met razernij. Zijn vuist balde zich en
hij lachte wreed, toen even het denkbeeld bij hem opkwam, dat Pierrot
haar misschien niet zou willen afstaan. Pierrot! Bah! Het zou niet de
eerste maal zijn, dat hij een man uit den weg ruimde. De tweede ook
niet. Een moord was zoo moeilijk niet, als men het maar goed aanlegde.
Niemand zou het weten. Het zou eenvoudig een verdwijning zijn—hij zou
op zekeren dag zijn hut verlaten en er nooit weer in terugkeeren. Hij
lachte opnieuw en stapte nog vlugger door. Er bestond geen kans dat hij
verliezen zou—geen kans voor Nepeese om van hem af te komen. Hij—Bush
Mc Taggart—was heer van deze wildernis, meester van zijn bewoners,
heerscher over hun lot. Hij verpersoonlijkte de Macht—en de Wet. En
Nepeese zou met hem teruggaan naar Lac Bain, al zou hij er ook Pierrot's
graf voor moeten delven.

De zon stond al een heel eind aan den hemel, toen Pierrot, voor de deur
van zijn hut staande met Nepeese, naar een helling van het voetpad
wees, een vierhonderd meter weg, waar Bush Mc Taggart juist verscheen.

„Daar komt hij—”

Hij keek naar Nepeese, zijn gelaat scheen in dezen nacht verouderd te
zijn. Weer zag hij den donkeren glans in haar oogen en het diepere rood
op haar lippen en zijn hart deed hem pijn van vrees. Was het mogelijk—

Zij wendde zich naar hem toe met schitterende oogen en trillende stem.

„Denk er aan, Nootawe—u moet hem naar mij toesturen voor zijn
antwoord,” riep zij snel en verdween in de hut.

Met een koud, grauwbleek gelaat stond Pierrot tegenover Bush Mc Taggart.



XII.

Mc Taggart ontvangt zijn antwoord.


Achter het venster, haar gelaat verborgen door de plooien der gordijnen,
die zij er zelf voor gemaakt had, zag de Wilg, wat er buiten gebeurde.
Nu glimlachte zij niet. Haar adem ging snel en zij rekte haar lichaam
uit; Bush Mc Taggart bleef stilstaan, een paar meter van haar venster
af en drukte Pierrot, haar vader, de hand. Zij hoorde Mc Taggart's ruwe
stem, zijn luidruchtige begroeting en zag hem Pierrot toonen wat hij
onder den arm droeg. Zij verstond duidelijk zijn verhaal, hoe hij het
dier gevangen had in een konijnenstrik. Toen wikkelde hij de deken los.
Nepeese uitte een kreet van verbazing. In een oogwenk stond zij buiten,
naast hen. Zij keek niet naar Mc Taggart—liet haar oogen geen sekonde
rusten op zijn rood gelaat, gloeiend van voldoening en opwinding.

„Het is Baree!” riep zij.

Zij nam het bundeltje uit Mc Taggart's arm en wendde zich tot Pierrot.

„Vertel hem, dat Baree van mij is,” zeide zij.

Zij haastte zich weer naar binnen. Mc Taggart keek haar na, verstomd van
verbazing. Toen keek hij naar Pierrot. Zelfs een halfblinde had kunnen
zien, dat deze even verbaasd was als hijzelf. Nepeese had niet tegen hem
gesproken, tegen hem, den agent van Lac Bain! Zij had zelfs niet naar
hem _gekeken_! En zij had den hond van hem afgenomen met even weinig
omslag, alsof hij een man van hout geweest was. Zijn gelaat werd hoe
langer hoe rooder, terwijl hij van Pierrot naar de deur keek, waardoor
zij verdwenen was en die zij achter zich gesloten had.

Op den vloer van de hut viel de Wilg op haar knieën en maakte de deken
heelemaal open. Zij was niet bang van Baree. Haar oogen lachten. Haar
lippen waren geopend. En toen, terwijl Baree als een in elkaar gekromd
hoopje over den grond rolde, zag zij, dat zijn oogen dicht zaten en dat
er geronnen bloed kleefde aan zijn kaken en het licht verdween van haar
gelaat even snel als wanneer de zon door een wolk verduisterd wordt.

„Baree,” riep zij zachtjes. „Baree, Baree!—”

Zij lichtte hem met beide handen van den grond. Baree's kop zakte
machteloos opzij. Zijn lichaam was zoo stijf, dat hij zich bijna niet
bewegen kon. Zijn pooten waren gevoelloos. Hij kon nauwelijks uit zijn
oogen kijken. Maar hij hoorde haar stem! Het was dezelfde stem, die
tot hem gekomen was, dien dag, dat hij gewond was; de stem, die hij
gehoord had, toen hij zich omstrikt had gevoeld door heur haren in de
kloof—dezelfde stem, die hem had willen overreden, onder het rotsblok
uit te komen! Zij deed hem beven. Zij scheen het trage bloed opnieuw op
te jagen door zijn aderen en hij opende zijn oogen wijder en zag weer
die prachtige sterren, die hem zoo zacht tegengeglansd hadden op den dag
van Wakayoo's dood. Een der lange vlechten van de Wilg viel over haar
schouder en hij snoof weer den geur van heur haar op, terwijl zij hem
streelde en tegen hem praatte.

Toen stond zij plotseling op en verliet hem en hij bewoog zich in 't
geheel niet, terwijl hij op haar wachtte. Zij was dadelijk weer terug
met een kom warm water en een doek. Zacht waschte zij hem het bloed
uit oogen en bek. En Baree verroerde zich nog steeds niet. Hij ademde
nauwelijks. Maar Nepeese zag, dat er huiveringen door zijn lichaam
schoten, terwijl haar hand hem aanraakte, als elektrische schokken.

„Hij heeft je met een knuppel geranseld,” prevelde zij, haar donkere
oogen vlak bij die van Baree. „Hij heeft je geslagen! Zoo'n beest!”

Zij werden gestoord. De deur ging open en Mc Taggart stond naar hen te
kijken, met een grijns op zijn roode tronie. Oogenblikkelijk liet Baree
blijken, dat er nog leven in hem zat. Hij sprong van onder Nepeese's
hand uit met een plotselingen snauw en keerde zich naar zijn vijand. Het
haar op zijn rug stond overeind als een borstel, zijn tanden glinsterden
dreigend en zijn oogen gloeiden als kolen vuur.

„Er zit iets duivelsch in hem,” zeide Mc Taggart. „Hij is woest—uit de
wolven geboren. Je moet voorzichtig zijn, of hij zal je hand afbijten,
_Ka Sakahet_!” Het was de eerste maal, dat hij haar dezen liefkoozenden
naam gaf, die in de Cree-taal „liefste” beteekent! Haar hart klopte
onstuimig. Zij boog een oogenblik het hoofd over de samengeklemde
handen, en Mc Taggart, die dit gebaar voor verlegenheid aanzag, legde
zijn hand liefkoozend op heur haar. Door de open deur had Pierrot het
woord verstaan en nu zag hij de streeling en hij hief de hand op, als om
een ontheiliging uit zijn gezicht te verbannen.

„_Mon Dieu!_” hijgde hij.

Het volgende oogenblik uitte hij een kreet van verbazing, die vermengd
werd met een gil van pijn, door den agent geuit. Snel als het weerlicht
was Baree naar voren gesprongen en had zijn tanden in Mc Taggart's been
geklemd. Zijn scherpe tanden beten diep in het vleesch, voor deze zich
door een geweldigen schop wist te bevrijden. Met een vloek trok hij zijn
revolver uit den bolster. De Wilg was hem echter voor. Zij sprong met
een lichten kreet op Baree toe en nam hem in haar armen. Toen zij naar
Mc Taggart opkeek, waren haar zachte hals en half ontbloote schouder
vlak bij Baree's slagtanden. Haar oogen bliksemden den agent tegen.

„U hebt hem geslagen!” riep zij. „Hij haat u—haat u!”

„Laat hem loopen!” schreeuwde Pierrot in doodsangst. „_Mon Dieu!_—hoor
je me niet!—laat hem los of hij zal je verscheuren!”

„Hij haat u—haat u—haat u!” herhaalde de Wilg nog steeds in het
gezicht van den verstelden Mc Taggart. Toen, plotseling, wendde zij zich
tot haar vader. „Neen, hij zal me niet verscheuren,” riep zij. „Kijk!
Het is Baree. Heb ik het u niet gezegd? Het is Baree! Is het niet het
beste bewijs, dat hij mij verdedigde—_tegen hem_!”

„Tegen mij?” hijgde Mc Taggart, terwijl zijn gelaat betrok.

Pierrot trad naar voren en legde zijn hand op Mc Taggart's arm. Hij
glimlachte.

„Laten we het hen maar tusschen hen beiden laten uitvechten, M'sieu,”
zeide hij. „Het zijn twee kleine heethoofden, die twee en wij zijn hier
niet veilig. Als zij gebeten wordt—”

Hij haalde de schouders op. Er was een groote last van hem afgewenteld.
Zijn stem was zacht en overredend. En nu was de boosheid geweken van
het gezichtje van de Wilg. Zij wierp Mc Taggart eerst een blik toe, vol
coquetterie en zij glimlachte even tegen hem, toen zij tegen haar vader
sprak.

„Ik kom dadelijk bij u, mon père,—bij u en M'sieu den agent van Lac
Bain!”

Er waren twee onmiskenbare kleine duiveltjes in haar oogen, dacht Mc
Taggart—duiveltjes, die hem vol toelachten, terwijl zij dit zeide, zij
zetten zijn hersens in brand en deden zijn bloed golven. Die oogen—vol
dansende heksen! Wat zou hij ze temmen en er mee spelen—nu al heel
spoedig! Hij volgde Pierrot, geheel onder de bekoring van deze vrouw,
die spoedig zijn eigendom zou zijn. In zijn opwinding voelde hij de pijn
van Baree's tanden niet meer.

„Ik zal u mijn nieuwe dog-cart laten zien, die ik in elkaar getimmerd
heb voor van den winter, M'sieu,” zeide Pierrot, terwijl hij de deur
achter hen sloot.

       *       *       *       *       *

Een half uur later kwam Nepeese de hut in. Zij kon zien, dat Pierrot
en de agent over iets gepraat hadden, wat haar vader onaangenaam was.
Zijn gelaat stond strak. Zij ontdekte in zijn oogen een gloed, dien
hij trachtte te dooven, zooals men vlammen onder een deken smoort. Mc
Taggart's kaken waren op elkaar geklemd, maar zijn oogen flikkerden van
blijdschap, toen hij haar zag. Zij wist, waar het om ging. De agent van
Lac Bain had Pierrot's antwoord gevraagd en Pierrot had hem gezegd, op
haar aandringen—dat hij daarvoor bij _haar_ moest zijn! En nu zou hij
komen! Zij keerde zich om, terwijl haar hart sneller klopte en haastte
zich een klein paadje af. Zij hoorde Mc Taggart's stappen achter zich
en wierp hem over haar schouder een vluchtigen glimlach toe. Maar zij
klemde haar tanden op elkaar. Haar nagels waren in haar handpalmen
gedrukt.

Pierrot bleef onbewegelijk staan. Hij keek hoe zij verdwenen aan den
zoom van het bosch, Nepeese nog steeds eenige passen voor Mc Taggart
uit. Er steeg een zucht uit zijn borst op.

„Par les mille cornes du diable!” vloekte hij binnensmonds. „Is het
mogelijk, dat zij glimlacht, van harte glimlacht tegen dien ellendeling?
Neen! dat kan zij niet meenen. En toch, als het eens zoo was....”

Een van zijn bruine handen klemde zich krampachtig om het hoornen heft
van het mes, dat aan zijn gordel hing en langzaam begon hij hen te
volgen.

Mc Taggart maakte geen haast om Nepeese in te halen. Zij volgde een smal
paadje, dat tot diep in het bosch doorliep en daar was hij blij om. Zij
zouden alleen zijn—ver van Pierrot af. Hij bleef tien passen achter
haar en opnieuw glimlachte de Wilg tegen hem, over haar schouder. Zij
bewoog haar lichaam met snelle golvende bewegingen. Zij mat voortdurend
den afstand tusschen hen beiden, maar Mc Taggart giste niet, dat zij
daarom telkens zoo naar hem omkeek. Het was hem voldoende als zij maar
door bleef loopen. Toen zij van het smalle weggetje afweek en een
zijpad insloeg, dat nog ternauwernood gebaand was, sprong zijn hart op
van verwachting. Als zij zoo doorging, zou hij haar heel spoedig voor
zich alleen hebben—op geruimen afstand van de hut. Het bloed vloog hem
naar het gezicht. Hij zeide geen woord, uit vrees, dat zij zou blijven
stilstaan. Voor zich uit hoorde hij het gekabbel van water. Het was de
kreek, die door den afgrond stroomde.

Nepeese ging regelrecht op dit geluid af. Met een lachje zette zij het
op een holletje en toen zij aan den rand van den afgrond stond, was Mc
Taggart volle vijftig meter achtergebleven. Twintig voet recht onder
haar was een diepe poel tusschen de rotswanden, een poel, zoo diep, dat
zij wel blauwe inkt leek. Zij keerde haar gelaat naar den agent van Lac
Bain. Nooit had hij haar zoo volkomen een rood dier toegeschenen. Tot op
dit oogenblik was zij niet bang geweest. Maar nu—in een sekonde joeg
hij haar angst aan. Voor zij zeggen kon, wat zij zich had voorgenomen,
was hij naast haar en had haar gelaat tusschen zijn twee groote handen
genomen, terwijl zijn ruwe vingers krampachtig wroetten tusschen haar
zijden lokken.

„Ka Sakahet!” riep hij hartstochtelijk. „Pierrot heeft gezegd, dat je
mij je antwoord zoudt geven. Maar ik heb geen antwoord meer noodig! Je
bent van mij! Van mij!”

Zij uitte een kreet. Het was een hijgend, gebroken geluid. Zijn
armen omknelden haar als ijzeren banden, die haar teeder lichaam
verbrijzelden, haar den adem benamen, de wereld bijna zwart voor haar
maakten. Zij kon niet worstelen, noch gillen. Zij voelde den heeten
hartstocht van zijn lippen op haar gelaat, hoorde zijn stem—en toen
kwam er een oogenblik vrijheid en kon zij weer lucht halen in haar
benauwde longen. Pierrot riep haar. Hij was den tweesprong genaderd en
riep den naam van de Wilg!

Mc Taggart bracht zijn heete hand over haar mond.

„Geen antwoord geven,” hoorde zij hem zeggen.

Kracht, woede, haat vlamden in haar op en heftig sloeg zij die hand
naar beneden. Er was iets in haar mooie oogen, dat macht had over Mc
Taggart. Zij brandden als het ware in zijn ziel.

„_Bête noire!_” hijgde zij, terwijl zij zich geheel van hem bevrijdde.
„Beest! Zwart beest!” Haar stem trilde en haar gelaat gloeide. „Kijk—ik
wilde je mijn poel laten zien—en je vertellen wat je van me weten
wilde—en jij—jij hebt gekneld als een beest—je hebt me platgedrukt
_als een groote rots_! Kijk—daar beneden—daar is mijn poel!”

Zij had niet gedacht, dat het op deze wijze zou gebeuren. Ze had zich
voorgesteld, te glimlachen, zelfs hardop te lachen in dit oogenblik.
Maar Mc Taggart had ze in de war gestuurd—al haar zorgvuldig overlegde
plannen! En toch, terwijl zij naar beneden wees, keek de agent van Lac
Bain een oogenblik in de diepte. En toen begon zij te lachen—lachend
gaf zij hem plotseling een duw in den rug.

„En dat is nu mijn antwoord, M'sieu le Facteur van Lac Bain!” riep zij
schamper, toen hij hals over kop in den diepen poel tuimelde tusschen de
rotsen.



XIII.

De verlokking der Vrouw.


Op een open plek staande, had Pierrot gezien wat er gebeurd was en hij
hijgde naar adem. Hij trok zich terug tusschen de balsemstruiken. Dit
was geen geschikt oogenblik om zich te vertoonen. Zijn hart klopte als
met hamerslagen, maar zijn gelaat straalde van vreugde.

Op haar handen en knieën gebogen, tuurde de Wilg over den rand van de
kloof. Bush Mc Taggart was verdwenen. Hij was weggezonken als een groot
blok hout en het water van den poel had zich boven zijn hoofd gesloten
met een plonsend geluid, dat wel een uiting van triomf leek. Hij kwam
nu weer boven en begon met armen en beenen te slaan, om zich drijvend
te houden, terwijl de stem van de Wilg in schampere kreten tot hem
doordrong.

„_Bête noire! Bête noire!_—Beest!—Beest!—”

Zij wierp driftig kleine stokjes en kluitjes aarde op hem en opkijkend,
nadat hij zijn evenwicht had herkregen, zag Mc Taggart haar zóo ver
over den rand leunen, dat zij bijna leek te vallen. Haar lange vlechten
glansden in de zon, haar oogen lachten en terwijl haar lippen hem
uittartten, zag hij het blikkeren van haar witte tanden.

„_Beest! Beest!_”

Hij begon te zwemmen, steeds naar haar opkijkend. Op honderd meter
afstand stroomde het water over een leisteenbodem en zou hij aan land
kunnen klimmen en een heel eind liep zij met hem mee, lachend en
schimpend, terwijl zij takjes en kiezelsteentjes naar hem mikte. Hij
merkte op, dat geen van deze stokjes en steentjes groot genoeg waren om
hem pijn te doen. Toen hij eindelijk zijn voet op vasten bodem zette,
was zij verdwenen.

Snel liep Nepeese terug langs het paadje en bijna in Pierrot's armen.
Zij hijgde en lachte toen zij een oogenblik stilhield.

„Ik heb hem het antwoord gegeven, Nootawe! Hij is in den poel!”

Zij verdween als een vogeltje tusschen de balsemstruiken. Pierrot deed
geen poging, haar terug te houden of te volgen.

„Tonnerre de Dieu!” grinnikte hij—en ging juist den tegenovergestelden
kant op.

Nepeese was buiten adem, toen zij de hut bereikte. Baree, die met
een leeren riem aan een tafelpoot vastgebonden lag, hoorde haar een
oogenblik bij de deur stilstaan.

Toen trad zij binnen en kwam regelrecht op hem toe. Gedurende het halve
uur van haar afwezigheid had Baree zich ternauwernood bewogen. Dat halve
uur en de weinige minuten, die er aan vooraf waren gegaan, hadden een
ontzaglijken indruk op hem gemaakt. Natuur, erfelijkheid en instinkt
waren aan het werk, brachten orde in zijn verwarde gevoelens en deden
een nieuw begrip tot hem doordringen. Een snelle en woeste ingeving
had hem Mc Taggart doen aanvliegen, toen deze zijn hand op het hoofd
van de Wilg had gelegd. Het was geen verstand geweest. Het was een
teruggaan tot het oudste verleden van den hond, tot op dien dag, lang
geleden, toen Kazan, zijn vader, om soortgelijke redenen, een bruut van
een man gedood had in een tent. Het was het stille verbond tusschen den
hond—_en de vrouw_. En hier was weer de vrouw in het spel. Zij had
den grooten, verborgen hartstocht wakker geroepen, die in Baree was en
dien hij van Kazan geërfd had. Hij wist, dat hij dit schepseltje, dat
nu door de deur binnengetreden was, geen leed mocht doen. Hij beefde,
toen zij opnieuw bij hem neerknielde en, door de lange reeks van jaren,
overheerschte Kazan's bloed, zijn wolvennatuur onderdrukkend, zijn
woesten aard en—met zijn kop plat op den grond, jankte hij zachtjes
_en kwispelstaartte_.

Nepeese gaf een kreet van vreugde.

„Baree!” fluisterde zij, zijn kop tusschen haar twee handen nemend.
„Baree!”—

Haar aanraking deed hem rillen. Zijn lichaam schokte en zij voelde de
siddering en het bracht een dieperen glans in haar oogen. Zacht streelde
haar hand zijn kop en rug. Het scheen Nepeese toe, dat hij geen adem
haalde. Onder deze liefkoozing sloot hij zijn oogen. Het volgende
oogenblik praatte zij tegen hem en op den klank van haar stem sprongen
zijn oogen open.

„Hij zal hier komen—die ellendeling!—en hij zal ons willen
vermoorden,” zeide zij. „Hij zal jou doodmaken, omdat je hem gebeten
hebt, Baree! Oef! Ik wilde, dat je grooter en sterker was, dan kon je
zijn hoofd voor me afbijten!”

Nepeese was bezig, ingehouden lachend, den leeren riem los te maken van
den tafelpoot. Zij was niet bang. Het was een geweldig avontuur—en
zij sidderde van opwinding bij het denkbeeld, dat monster van een man
verslagen te hebben, op haar eigen manier. Zij zag hem weer in den poel,
worstelend en spartelend als een groote visch. Hij zou op het oogenblik
zeker bezig zijn, naar boven te klauteren in de kloof—en zij lachte
opnieuw, terwijl zij Baree onder haar arm opnam.

„O—Oopi—Nao—wat ben je zwaar!” hijgde zij. „En toch moet ik je wel
dragen, want we moeten hollen!”

Zij haastte zich naar buiten. Pierrot was nog niet teruggekomen en zij
sprong snel tusschen de balsemstruiken aan den achterkant van de hut,
met Baree in haar arm gekneld, die wel een volle zak leek, in het midden
met een touw dichtgebonden. Zoo zou hij zich hebben uitgedrukt, als hij
had kunnen praten. Maar hij voelde toch geen neiging om zich los te
wringen. Nepeese snelde zoo met hem voort, tot haar arm pijn deed. Toen
bleef zij stilstaan en zette hem neer, stevig den riem vasthoudend, die
om zijn nek gebonden was. Zij was voorbereid op een grooten ruk, waarmee
hij zijn vrijheid zou trachten te herwinnen. Zij verwachtte, dat hij een
poging daartoe zou doen en bleef naar hem kijken, terwijl Baree, voor
het eerst weer buiten, om zich heen keek. En toen begon de Wilg zachtjes
tot hem te spreken.

„Je gaat me niet wegloopen, Baree. Neen, je blijft bij mij en wij zullen
dat beest van een man vermoorden, als hij me nog eens durft aandoen,
wat hij vandaag gedaan heeft. Bah!” Zij wierp het losse haar naar
achteren, van haar gloeiend gelaat, en voor een oogenblik vergat zij
Baree, terwijl zij zich die halve minuut aan den rand van de kloof weer
voor den geest haalde. „Neen, je mag niet wegloopen—je moet me volgen,”
fluisterde zij. „Kom!”

De riem snoerde zich vaster om Baree's nek, terwijl zij hem dwong, haar
te volgen. Hij voelde zich, alsof hij opnieuw in den konijnenstrik
gevangen zat en hij zette zich schrap en liet heel even zijn tanden
zien. De Wilg trok niet aan. Zonder vrees legde zij haar hand opnieuw op
zijn kop. In de richting van de hut hoorde zij iemand roepen en op het
geluid hiervan nam zij Baree weer op onder haar arm.

„_Bête noire!—Bête noire!_” riep zij minachtend, maar zoo zacht, dat
het maar over een kleinen afstand te hooren was. „Ga terug naar Lac
Bain—Owases—jij wild beest!” Zij baande zich snel een weg door het
bosch. Het werd dichter en donkerder en er waren geen paden meer.
Drie maal in het volgende half uur bleef zij stilstaan, om Baree neer
te zetten en haar arm rust te geven. Elken keer trachtte zij hem
liefkoozend over te halen, haar te volgen. Den tweeden en derden keer
wiegelde Baree zich kwispelend heen en weer, maar verder dan deze uiting
van zijn voldoening over den keer, dien de zaken genomen hadden, wilde
hij niet gaan. Wanneer de riem zich vernauwde om zijn nek, zette hij
zich schrap, en gromde hij en beet woedend naar den riem. Dus ging
Nepeese er mee voort hem te dragen. Eindelijk kwamen zij aan een open
plek. Het was een kleine weide in het hartje van het bosch, niet meer
dan drie- of viermaal zoo groot als de hut; het gras vormde hier een
groen, zacht tapijt en was bezaaid met bloemen. Dwars door deze oase
vloeide een stroompje, waar de Wilg overheen sprong met Baree onder haar
arm en aan den anderen oever van dit beekje stond een kleine tepee,
vervaardigd van versch-afgesneden balsem- en dennetakken.

Baree drong zich tegen den muur van de tepee aan en keek nauwlettend
toe bij wat er nadien gebeurde. Geen beweging van de Wilg ontging hem.
Zij straalde van geluk. Zij wierp haar armen in de lucht en haar lach,
welluidend als een vogeltriller, deed Baree verlangen, met haar mee in
het rond te springen tusschen de bloemen. Een tijdlang scheen Nepeese
hem te vergeten. Haar wild bloed golfde onstuimig van vreugde over de
overwinning op den agent van Lac Bain. Zij zag hem weer in den poel
spartelen; stelde zich hem nu voor in de hut, doorweekt en woedend,
vragend aan „Mon Père”, waar zij naar toe was gegaan. En „Mon Père”
zou hem schouderophalend antwoorden, dat hij het niet wist, dat zij
waarschijnlijk het bosch ingeloopen was. Het kwam niet in haar hoofd op,
dat zij, door Mc Taggart deze poets te bakken, met dynamiet speelde. Zij
voorzag niet het gevaar, dat, had zij het begrepen, in een oogwenk den
blos van haar wangen zou hebben weggevaagd en het bloed in haar aderen
doen stollen—; zij giste niet, dat Mc Taggart nu een doodelijker
bedreiging voor haar geworden was dan alle wolven uit het bosch tezamen.
Want de agent had haar in zijn armen gehad, hij had haar hart tegen het
zijne voelen kloppen, de warme zachtheid van haar lippen en gelaat, de
zijden streeling van heur haar—en dit had de hitte van zijn verlangen
opgevoerd tot het kookpunt. Nepeese wist, dat hij boos was. Maar wat
had zij te vreezen? „Mon Père” zou ook boos zijn, als zij hem vertelde,
wat er aan den rand van de kloof gebeurd was. Maar zij zou het hem niet
vertellen. Hij zou hem anders best kunnen vermoorden. Een handelsagent
was een persoon van gewicht. Maar Pierrot, haar vader, was nog
machtiger. Zij had in hem een onbegrensd vertrouwen, dat zij van haar
moeder geërfd had. Op het oogenblik zou zij hem zeker terug sturen naar
Lac Bain, zeggende, dat hij daar zijn eigen zaken maar moest behartigen.
Maar zij wilde niet naar de hut teruggaan, om zelf te kijken. Zij zou
hier wachten. „Mon Père” zou wel begrijpen en hij wist, waar hij haar
vinden kon, wanneer Mc Taggart weg was. Maar het zou zoo grappig zijn,
hem stokjes na te werpen!

Na een poosje keerde zij naar Baree terug. Zij bracht hem water en gaf
hem een stukje rauwe visch. Urenlang waren zij alleen en met de uren
groeide het verlangen bij Baree aan, het meisje te volgen bij elke
beweging die zij maakte, naar haar toe te kruipen op de plek waar zij
zat, haar japon, haar hand aan te raken—en haar stem te hooren. Maar
hij toonde dit verlangen niet. Hij was nog een wild beest, half wolf,
half hond en hij bleef stil liggen. Met Umisk zou hij gespeeld hebben.
Met Oohoomisew zou hij gevochten hebben. Aan Bush Mc Taggart zou hij
zijn slagtanden getoond hebben en ze diep in zijn vleesch begraven
hebben, als hij er de kans toe kreeg. Maar met het meisje was het iets
anders. Hij was begonnen haar te vereeren. Als de Wilg hem losgemaakt
had, zou hij niet weggeloopen zijn. Als zij hem verlaten had, zou hij
haar gevolgd zijn—op een afstand. Zijn oogen weken nooit van haar af.
Hij keek toe, terwijl zij een klein houtvuurtje begon te bouwen en een
stuk visch kookte. Hij keek naar haar, terwijl zij haar middagmaal
gebruikte. Het was al heel laat in den middag, toen zij dicht bij
hem kwam zitten, met haar schoot vol bloemen, die zij tusschen haar
glanzende vlechten begon te steken. Toen begon zij Baree speelsch met de
punt van een dier vlechten te slaan. Hij schrok terug onder die zachte
aanraking en Nepeese, met dat zachte keellachje, trok zijn kop in haar
schoot, waar de bloemenafval lag. Zij praatte tegen hem. Haar hand
streelde zijn kop. Toen bleef deze stil liggen, zóó dicht bij hem, dat
hij zijn warme, roode tong wel had willen uitsteken en haar liefkoozen.
Hij ademde den bloemengeur in en lag doodstil. Het was een heerlijk
oogenblik. Nepeese, die op hem neerkeek, zag hem onbeweeglijk liggen.

Zij werden gestoord. Het was een droge stok, die knapte. Pierrot was
door het bosch komen aansluipen, geruischloos als een kat, en toen zij
opkeek, stond hij aan den rand van de open plek. Baree wist, dat het
niet Mc Taggart was. Maar het was toch een man-dier! Oogenblikkelijk
verstrakte zijn lichaam onder de hand van de Wilg. Hij trok zich
langzaam en voorzichtig terug van haar schoot en toen Pierrot naar voren
kwam, gromde hij. Dadelijk was Nepeese opgesprongen en naar Pierrot
toegesneld. De uitdrukking op zijn gelaat joeg haar schrik aan.

„Wat is er gebeurd, mon père?” riep zij.

Pierrot haalde zijn schouders op.

„Niets, Nepeese—behalve dat je duizend duivels hebt opgeroepen in het
hart van den agent van Lac Bain, en dat—”

Hij zweeg toen hij Baree zag en wees naar hem.

„Vannacht, toen M'sieu de agent hem in zijn strik gevangen heeft, heeft
hij in M'sieu's hand gebeten. M'sieu's hand is zoo opgezwollen, dat zij
nu tweemaal zoo dik is als anders, ik kan zien, dat zijn bloed zwart
wordt. Het is _pechipoo_.”

„_Pechipoo!_” hijgde Nepeese.

Zij keek Pierrot in de oogen. Zij waren donker en er lag een sombere
gloed in—van opwinding, dacht zij.

„Ja, het is bloedvergiftiging,” vervolgde Pierrot. Hij knikte en wierp
haar over zijn schouder een loozen blik toe. „Ik heb de medicijn
weggestopt en hem gezegd, dat hij zoo gauw mogelijk naar Lac Bain
terug moest gaan. En hij is bang—die duivel! Hij wacht nog steeds.
Terwijl die hand zwart wordt, is hij nog bang om alleen terug te reizen
en dus ga ik met hem mee. En—luister eens, Nepeese. Wij zullen bij
zonsondergang vertrekken en er is iets, wat je weten moet, voor ik
wegga.”

Baree zag hen daar, vlak bij elkander, in de schaduwen, die de
hooge sparren afwierpen. Hij hoorde het zachte gemurmel van hun
stemmen—voornamelijk die van Pierrot—en ten laatste zag hij hoe
Nepeese haar beide armen om den hals van haar vader sloeg en Pierrot
weer wegging door het bosch. Baree dacht, dat de Wilg daarna nooit weer
zijn kant uit zou zien. Langen tijd bleef zij staren in de richting,
waarin Pierrot verdwenen was. En toen zij eindelijk bij hem terugkwam,
geleek zij in 't geheel niet meer op de Nepeese, die zich bloemen in
het haar had gestoken. De lach was van haar gelaat en uit haar oogen
verdwenen. Zij knielde naast hem neer en nam met plotselinge heftigheid
zijn kop tusschen haar handen.

„Het is _pechipoo_, Baree,” fluisterde zij. „Jij bent het
geweest—jij—die dat vergif in zijn bloed gebracht hebt—en ik hoop,
dat hij eraan sterven zal! Want ik ben bang—bang!”

Zij huiverde.

Misschien deed in dit oogenblik de Groote Geest der dingen Baree
begrijpen—dat zijn dag thans gekomen was, dat de zon voor hem in 't
vervolg niet aan den hemel stond, maar verpersoonlijkt werd door dit
meisje, wier hand op zijn kop rustte. Hij jankte zachtjes en voetje voor
voetje kroop hij dichter naar haar toe, totdat eindelijk zijn kop weer
in haar schoot rustte.



XIV.

De dochter van den storm.


Langen tijd bewoog Nepeese zich niet. Zij bleef stil zitten, op dat open
plekje in het bosch, haar schoot vol bloemen, terwijl Baree's oogen met
ware hondentrouw op haar gelaat gericht bleven.

Enkel en alleen door de macht van haar zachtheid en teederheid en haar
vertrouwen in hem had zij Baree voor zich gewonnen. Hij vereerde haar nu
als een slaaf. Hij was bereid, zich ten allen tijde te voegen naar haar
wil.

Toen zij opkeek, stapelden zich zwarte wolken langzaam op boven de
sparretoppen. De duisternis viel in. In het gefluister van den wind en
de doodsche stilte van de verdichtende schemering sprak het opkomen van
onweer. Vanavond zou er geen zonsondergang te zien zijn. Men zou niet
bij het licht der schemering de paden kunnen volgen; er zouden geen maan
en geen sterren schijnen; en indien Pierrot en de agent van Lac Bain
al niet vertrokken waren, zouden zij zich zeker niet op weg begeven te
midden van den zwarten nacht, die spoedig over het land gespreid zou
liggen. Nepeese huiverde en stond op. Voor het eerst stond Baree ook op
en stelde zich aan haar zijde. Boven hen sneed een bliksemstraal als een
mes van vuur door de wolken, oogenblikkelijk gevolgd door een geweldigen
donderslag. Baree kromp ineen alsof men hem een slag toegebracht had.
Hij had wel een schuilplaats willen zoeken onder de tepee, maar toen
hij naar de Wilg keek, had zij iets over zich, dat hem vertrouwen
inboezemde. De donder dreunde opnieuw. Maar hij ging niet op de vlucht.
Zijn oogen bleven op haar gericht.

Zij stond daar, tenger en recht, in de toenemende duisternis, die door
het hemelvuur gespleten werd, het mooie hoofd in den nek geworpen,
de lippen geopend, de oogen gloeiend van begeerige verwachting—als
een gebeeldhouwde godin, die met ingehouden adem de aanstormende
hemelkrachten verwelkomt. Misschien kwam dit, omdat zij geboren was
in een nacht van noodweer. Meermalen hadden Pierrot en haar gestorven
moeder haar dit verteld—dat zij ter wereld gekomen was op een nacht,
toen storm en onweer de wereld tot een hel maakten, toen de rivieren
buiten haar oevers getreden en de boomen bij duizenden gevallen waren
en het kletteren van den regen op het dak van hun hut haar moeders
smartkreten en haar eigen eerste geschreeuw overstemd had. In dien nacht
was de Geest van den Storm zeker in haar geboren. Zij hield er van, er
naar te kijken, zooals zij het thans deed. Het deed haar alles vergeten
buiten de ontzaglijke macht der natuur; haar natuur-ziel sidderde bij
dit geweld en dikwijls had zij haar bloote armen omhoog geheven en
gelachen van blijdschap als het noodweer boven haar hoofd losbarstte.
Ook nu zou zij in de vlakte zijn blijven staan tot de regen begon te
vallen, wanneer een janken van Baree haar niet had doen omzien. Toen de
eerste dikke droppels als looden kogeltjes begonnen neer te vallen, ging
zij met hem in den schuilhoek van balsemtakken.

Nog eens tevoren had Baree een dergelijken nacht meegemaakt—dien
nacht, toen hij zich verborgen had onder een boomwortel en een boom
zag splijten door het weerlicht; maar nu had hij gezelschap, en de
zachte druk van Nepeese's hand op zijn kop en nek vervulden hem met een
zonderlingen moed. Hij gromde zachtjes tegen het lawaai van den donder.
Hij wilde naar het weerlicht bijten om _haar_ te beschermen. Nepeese
voelde zijn lichaam verstijven onder haar hand en eens, toen het een
oogenblik stil werd, hoorde zij zijn tanden zenuwachtig op elkaar slaan.
Toen begon de regen te vallen. Hij was niet als andere regens, die hij
had meegemaakt. Het was een overstrooming, neerploffend uit pikzwarte
lucht. Binnen vijf minuten was het takkenhutje totaal doorweekt, na een
half uur was Nepeese tot op haar huid toe nat. Het water liep in beekjes
langs haar rug en borst, het sijpelde uit haar vlechten, droppelde van
haar wimpers en de deken, waarop zij zat, leek wel een natte dweil.
Baree voelde zich bijna even ellendig als na zijn bad, volgend op het
gevecht met Papayuchisew en rolde zich hoe langer hoe meer in elkaar
onder den beschuttenden arm van de Wilg. Het scheen eindeloos te duren
voor de donder naar het Oosten wegrolde en het licht begon weg te
sterven tot het zoo nu en dan nog maar in de verte opflikkerde. Zelfs
daarna bleef de regen nog wel een uur lang vallen. Toen hield hij op,
even plotseling als hij begonnen was. Lachend en hijgend sprong Nepeese
op. Het water klokte in haar mocassins toen zij naar buiten liep. Zij
lette niet op Baree—en hij volgde haar. Door de opening tusschen de
boomtoppen zag zij de laatste donkere wolken wegdrijven. Er glinsterde
een ster. Daarna nog een en de Wilg bleef naar den hemel kijken tot er
zooveel waren, dat zij ze niet meer tellen kon. Het was nu niet donker
meer. Een verrukkelijke sterrenlucht overstroomde den hemel na de
inktzwarte duisternis van den storm.

Nepeese keek weer neer en zag Baree. Hij stond volkomen los, met de
vrijheid aan alle kanten om zich heen. Toch liep hij niet weg. Hij
wachtte, zoo nat als een waterrat, met zijn oogen op haar gericht.
Nepeese maakte een beweging naar hem toe en aarzelde.

„Neen, je zult niet wegloopen, Baree. Ik wil je los laten. En nu moeten
we een vuur gaan aanleggen!”

Een vuur! Iedereen, met uitzondering van Pierrot, zou gezegd hebben, dat
zij krankzinnig was. Geen stam of twijg in het bosch, die niet droop van
het nat! Zij konden het water aan alle kanten hooren neervallen.

„Een vuur,” zeide zij weer. „Laten we wat _wuskwi_ gaan zoeken, Baree.”

Met haar druipnatte kleeren aan haar lichaam klevend, geleek zij wel
een tengere schaduw, zooals zij de doorweekte open plek overstak en
zich tusschen de boomen begaf. Baree volgde haar nog steeds. Zij ging
regelrecht naar een berk, dien zij dien dag in de buurt ontdekt had,
en begon de losse schors af te trekken. Een armvol van dezen berkebast
droeg zij tot dicht bij de tepee en daar bovenop hoopte zij lading na
lading nat hout, tot zij een hoogen stapel had. Uit een flesch, die in
de tepee stond, haalde zij een drogen lucifer en bij de eerste aanraking
met het kleine vlammetje daarvan laaide de berkebast op als papier,
gedrenkt in olie. Een half uur later zou men het vuur van de Wilg—zoo
het niet door het omringende bosch verborgen was geweest—in de hut op
een mijl afstands hebben kunnen zien. Zij staakte haar houtopgooien
pas, toen de vlammen twaalf voet in de lucht reikten. Toen dreef zij
stokken den grond in en spreidde over deze stokken de deken uit, om haar
te laten drogen. Daarna begon zij zich te ontkleeden.

Naakt stond zij in den rooden gloed van het vuur. Zij was wonderbaar
slank en blank—schoon als een zeenimf, die, om een oogenblik adem te
scheppen, uit de groene golven van den oceaan was komen opduiken, en
een tijd lang bleef zij staan, het hoofd achterover gebogen en met
uitgestrekte armen, alsof daar hoog tusschen de sterren een of andere
geest huisde, dien zij toewenkte, zwijgend. En toen, terwijl Baree
naar haar keek en de warmte van het vuur kleine stoomwolkjes uit haar
kleeren deed trekken, begon zij haar doornatte vlechten los te maken.
Zij vormden een prachtig gewaad van schitterend git om haar lichaam en
bedekten haar tot de knieën, behalve dat er soms een glimp van haar
armen en borst te zien kwam, wanneer zij het rondom zich schudde,
opdat het gauwer drogen zou. De regen had de lucht afgekoeld en de
verkwikking daarvan, vermengd met den zoeten geur van balsemstruiken en
sparren, deed het bloed van de Wilg dansen in haar aderen. Zij vergat
de ongemakken van den stortregen. Zij vergat den agent van Lac Bain en
wat haar vader haar over hem verteld had. Alles bijeengenomen, zij was
als een vrije vogel uit de bosschen, met mooie bloemen onder haar bloote
voeten; en in de heerlijkheid van de uren, die nu volgden, kon zij niets
zien en aan niets denken, dat haar zou kunnen schaden. Zij danste om
Baree heen, en schudde haar zee van haren, waardoor haar naakte lichaam
heenglansde, haar oogen schitterden, haar lippen lachten in uitzinnige
blijdschap—de blijdschap, te leven, de geuren van het bosch in haar
longen te kunnen drinken, de sterren en den prachtigen hemel boven zich
te zien. Zij bleef voor Baree stilstaan en riep lachend, terwijl zij de
armen uitstrekte:

„Heisa, Baree—als jij eens zoo gemakkelijk je huid af kon gooien als ik
het mijn kleeren doe!”

Zij haalde diep adem en haar oogen straalden door een nieuwe ingeving.
Langzaam vormde zij haar mond tot een roode, ronde O en zich nog meer
naar Baree toebuigend fluisterde zij:

„Het zal diep zijn—en heerlijk—vanavond. _Ninga_—ja, we zullen gaan!”

Zij riep hem zachtjes, terwijl zij in haar natte mocassins slipte en
het beekje volgde, het bosch in. Een honderd meter van de open plek af
bereikte zij een poel. Hij was diep en boordevol, dezen avond driemaal
zoo vol als hij vóór het noodweer geweest was. Zij kon het murmelen van
het inloopende water hooren. In zijn woelige oppervlakte weerspiegelden
zich de sterren. Een paar oogenblikken stond zij op een rots te
overwegen, met de koele diepte een paar meter beneden zich. Toen wierp
zij heur haar naar achteren en schoot als een slanke witte pijl door het
sterrenlicht naar beneden. Baree zag haar gaan. Hij hoorde den plons van
haar lichaam. Een half uur lang lag hij aan den rand van den poel naar
haar te kijken. Soms was zij vlak onder hem en dreef geluidloos voort,
terwijl heur haren een wolk vormden donkerder dan het water rondom haar,
dan doorkliefde zij de oppervlakte bijna zoo snel als hij dat van de
otters gezien had, en dan dook zij plotseling naar beneden en verdween,
zoodat Baree's hart sneller begon te kloppen, terwijl hij wachtte tot
zij terug zou komen. Eens bleef zij geruimen tijd onder water. Toen
jankte hij. Hij wist, dat zij geen familie was van den bever of van den
otter en hij was ontzaglijk opgelucht toen zij weer boven kwam.

Op deze wijze ging hun eerste nacht tezamen voorbij—de storm, die
koele, diepe poel, het groote vuur, en later, toen de kleeren van de
Wilg en de deken gedroogd waren, een paar uur slaap. Bij zonsopgang
keerden zij terug naar de hut. Zij slopen voorzichtig er naar toe. Er
kwam geen rook uit den schoorsteen. De deur was gesloten. Pierrot en
Bush Mc Taggart waren vertrokken.



XV.

Nepeese laat zich gelden.


Het was begin Augustus—„Uitvliegmaand”—toen Pierrot van Lac Bain
terugkeerde, en over drie dagen zou Nepeese haar zeventienden verjaardag
vieren. Hij bracht van allerlei voor Nepeese mee—haarlinten, echte
schoenen, die zij zoo nu en dan droeg, in navolging van de twee
Engelsche vrouwen, die in Nelson House woonden en—het mooiste van
alles—een lap prachtig rood goed voor een japon! In de drie winters,
die zij op de Zendingsschool had doorgebracht, hadden deze vrouwen zich
veel met Nepeese bemoeid. Zij hadden haar leeren naaien, zoowel als
schrijven, lezen en bidden en er waren tijden, dat de Wilg aandrift
kreeg, te doen zooals zij. Zij werkte daarom dan ook drie dagen lang
hard aan haar nieuw gewaad en op haar verjaardag vertoonde zij zich
aan Pierrot's oogen in een kleederdracht, die hem deed verstommen van
bewondering. Zij had heur haar in groote glanzende torsades en in
vlechten op de kruin van haar hoofd gelegd, zooals Yvonne, de jongste
der Engelsche vrouwen, haar dit geleerd had en in het rijke gitzwart
daarvan was een takje van de gloedroode vuurbloem half verborgen.
Hieronder en onder den gloed van haar oogen en den rooden blos van haar
wangen en lippen, kwam de nieuwe roode japon, aansluitend aan haar
sierlijk, slank lichaam volgens een model, dat twee jaar geleden mode
geweest was op Nelson House. En onder die japon, die ternauwernood tot
over haar knieën reikte—Nepeese had heelemaal vergeten welke lengte ze
hebben moest, of anders had zij te weinig stof gehad—stak de _coupe de
maître_ van haar toilet uit, echte kousen en de prachtige schoentjes met
hooge hakken!

Nepeese was een visioen, bij het zien waarvan de boschgoden in
verrukking geweest zouden zijn. Pierrot draaide haar om en om, zonder
een woord te zeggen, al maar glimlachend. Maar toen zij hem verliet, een
beetje kreupel loopend door de nauwsluitendheid van haar schoenen, door
Baree gevolgd, werd die glimlach van zijn gelaat weggevaagd en was dit
bleek en strak.

„_Mon Dieu!_” prevelde hij, met een gedachte, die hem pijn deed. „Zij is
niet van haar moeders bloed—neen. Zij is Fransch. Zij ziet er uit als
een—als een engel.”

Er was een verandering over Pierrot gekomen. Gedurende de drie dagen
waarin zij aan haar japon naaide, was Nepeese te opgewonden geweest
om deze verandering te bemerken en Pierrot had zijn best gedaan, haar
voor haar verborgen te houden. Hij was tien dagen weggebleven op
zijn uitstapje naar Lac Bain en hij had Nepeese het heuglijk nieuws
meegebracht, dat M'sieu Mc Taggart heel ziek was van de _pechipoo_—de
bloedvergiftiging—nieuws, waarover de Wilg van blijdschap in de handen
geklapt had. Maar hij wist, dat de agent beterende was en dat hij weer
terug zou komen in hun hut bij den Grijzen Fuut. En als hij nu kwam—

Het was deze gedachte, die hem zoo ongerust deed kijken. En hij kon haar
niet van zich afzetten op dezen dag, terwijl haar lach tot hem kwam als
een vogellied. _Dieu!_ In weerwil van haar zeventien jaren was zij nog
heelemaal een kind! Zij kon zijn vreeselijke visioenen niet vermoeden.
En de vrees, haar voor altijd op te wekken uit die mooie kinderdroomen,
weerhield hem, haar de heele waarheid te vertellen, zoodat zij alles zou
begrijpen. Neen,—dat zou niet gebeuren. Zijn ziel was vervuld van een
groote, zachte liefde voor haar. Hij, Pierrot Du Quesne, zou over haar
waken. En zij zou lachen, en zingen, en spelen en geen deel hebben aan
de zwarte voorgevoelens, die zijn leven kwamen bederven.

Vandaag kwam uit het zuiden Mac Donald, de Gouvernements-kaartenmaker.
Hij was een grijze man, met een frisschen lach en een rein hart. Twee
dagen bleef hij bij Pierrot. Hij vertelde Nepeese over zijn dochters,
thuis; over haar moeder, wie hij een grooter vereering toedroeg, dan
welk schepsel ook ter wereld; en voor hij terugkeerde van zijn onderzoek
naar den groei van een zekere dennensoort, nam hij fotografieën van de
Wilg, zooals hij haar voor het eerst gezien had op haar verjaardag, met
hoog kapsel, de roode japon en de hooggehakte schoentjes. Hij nam de
negatieven met zich mee en beloofde Pierrot, dat hij er hem op de een of
andere wijze een afdruk van zou laten bezorgen. Aldus gaat het Lot te
werk, op zijn zonderlinge en oogenschijnlijk onschuldige wijze, terwijl
het web van zijn tragediën gespannen wordt.

Er volgden nu weken van kalmte en rust bij den Grijzen Fuut. Het waren
heerlijke dagen voor Baree. In het begin was hij achterdochtig tegenover
Pierrot. Na een poosje duldde hij hem en eindelijk begon hij hem te
beschouwen als een deel van de hut en van Nepeese. Hij werd letterlijk
de schaduw van de Wilg. Pierrot merkte deze aanhankelijkheid met groote
voldoening op.

„Ah! nog maar een paar maanden—als hij dan M'sieu den agent naar de
keel vloog!” prevelde hij op zekeren dag.

In September, toen hij zes maanden oud was, was Baree bijna even groot
als Wolvin—zijn beendergestel was zwaar, zijn slagtanden lang, zijn
borst breed, en met zijn kaken kon hij een been verbrijzelen alsof
het een stok was. Nepeese bewoog zich nooit zonder dat hij bij haar
was. Zij zwommen samen in de twee poelen—den poel in het bosch en den
poel tusschen de rotsige wanden van de kloof. In het begin was Baree
geschrokken als Nepeese van de rots sprong, waarvan zij Mc Taggart naar
beneden had geduwd, maar na afloop van een maand had zij hem geleerd,
haar na te springen. Laat in Augustus zag Baree voor het eerst leden van
zijn eigen geslacht, buiten Kazan en Wolvin. Gedurende den zomer liet
Pierrot zijn honden vrij rondloopen op een eilandje, in het midden van
een meer, twee of drie mijlen verwijderd, en twee keer per week zette
hij zijn netten uit om visch voor hen te vangen. Nepeese vergezelde hem
op een van deze uitstapjes en nam Baree mee. Pierrot droeg zijn lange
kariboedarmzweep. Hij verwachtte een gevecht. Maar er kwam er geen.
Baree vloog met den troep mee op de visch af en at met hen mee. Dit
beviel Pierrot.

„Hij zal een pracht van een sledehond zijn,” grinnikte hij. „Het zou
het beste zijn, hem een week met den troep samen te laten, Nepeese.”

Weerstrevend gaf Nepeese haar toestemming. Terwijl de honden nog druk
aan hun visch bezig waren, trokken zij er stilletjes tusschenuit. Hun
kano was al een heel eind weg, toen Baree ontdekte welke poets zij hem
gespeeld hadden. Oogenblikkelijk sprong hij het water in en zwom hen
achterna en de Wilg hielp hem in de kano te komen.

In het begin van September gaf een voorbijreizende Indiaan Pierrot
bericht van Bush Mc Taggart. De agent was heel ziek geweest. Hij was
op den dood af geweest door bloedvergiftiging, maar nu was hij weer
beter. Bij het begin van den herfst drukte een nieuwe vrees Pierrot.
Maar hij zeide er niets van aan Nepeese. De Wilg was den agent van Lac
Bain bijna vergeten, want de heerlijkheid van den herfst zat haar in
het bloed. Zij ging met Pierrot mee op lange tochten en hielp hem, een
nieuwe vallenlijn aanleggen, die in gebruik zou genomen worden bij het
vallen der eerste sneeuw en op deze tochten werd zij altijd door Baree
vergezeld. Het meerendeel van haar vrijen tijd gebruikte zij om hem op
te leiden voor sledehond. Zij begon met een leeren riem en een stok. Het
kostte haar een heelen dag voor zij er Baree toe kreeg, den stok achter
zich aan te sleepen, zonder dat hij zich ieder oogenblik omkeerde om er
naar te bijten of te grommen. Daarna maakte zij nog een tweeden riem aan
hem vast en liet hem twee stokken voortsleepen. Op deze wijze bereidde
zij hem voor op het sledetuig, totdat, na veertien dagen, hij alles
achter zich aansleepte, wat zij verkoos aan hem vast te binden. Pierrot
bracht twee honden van het eiland mee naar huis en Baree werd met deze
aan het oefenen gezet en hielp mee, de ledige dog-car voorttrekken.
Nepeese was verrukt. Toen de eerste sneeuw viel klapte zij in de handen
en riep tot Pierrot:

„Over een paar maanden zal ik den besten hond van den troep aan hem
hebben, _mon père_!”

Nu was de tijd voor Pierrot aangebroken om te zeggen wat hij op het hart
had. Hij glimlachte. _Diantre_—wat zou die gemeene agent van Lac Bain
woedend zijn als hij merkte hoe hij er tusschen genomen was! En toch—

Hij probeerde zijn stem gewoon en kalm te doen klinken.

„Van den winter stuur ik je weer naar school op Nelson House, _ma
chérie_,” zeide hij. „Baree zal helpen je er heen te trekken, door de
eerste zware sneeuw.”

De Wilg was bezig een knoop te leggen in Baree's riem en zij kwam
langzaam overeind en keek Pierrot aan. Haar oogen waren groot en donker
en kalm.

„Ik ga daar niet heen, _mon père_!”

Het was voor het eerst, dat zij Pierrot tegensprak—op deze manier. Het
ontroerde hem. En hij had moeite haar blik uit te houden. Hij was niet
knap in het overbluffen. Zij zag, waar hij aan dacht,—zij scheen in
zijn hart te lezen—het leek of zij grooter werd. Haar adem kwam sneller
en hij zag haar borst hijgen, Nepeese wachtte zijn antwoord niet af.

„Ik ga daar niet heen, _mon père_!” herhaalde zij met nog grooter
beslistheid en boog zich opnieuw over Baree.

Schouderophalend sloeg hij haar gade. Alles bijeengenomen, had hij geen
reden om blij te zijn? Zou het zijn hart geen pijn gedaan hebben als zij
blij geweest was, bij de gedachte, hem te verlaten? Hij kwam naast haar
staan en legde met groote teederheid zijn hand op haar glanzend haar. De
Wilg glimlachte naar hem op. Zij hoorden het geklik van Baree's tanden,
toen hij zijn snoet op den arm van de Wilg deed rusten. Voor het eerst
sedert weken was de wereld met zonneschijn voor Pierrot vervuld. Toen
hij naar de hut terugkeerde hield hij zijn hoofd hooger. Nepeese wilde
hem niet verlaten! Hij lachte zachtjes. Hij wreef zich de handen. Zijn
vrees voor den agent van Lac Bain was verdwenen. Staande bij de deur der
hut keek hij nog eens om naar Nepeese en Baree.

„Alle Heiligen zijn geloofd!” mompelde hij. „Nu—_nu_—weet Pierrot Du
Quesne wat hem te doen staat!”



XVI.

De stem van zijn ras.


Tegen het eind van September kwam Mac Donald, de kaartenmaker, in Lac
Bain. Tien dagen lang was Gregson, de controleur, Bush Mc Taggart's
gast geweest op den Post en in dien tijd was tweemaal het denkbeeld bij
Marie opgekomen hem in zijn slaap te overvallen en te vermoorden. De
agent zelf nam weinig notitie van haar, den laatsten tijd, een feit,
dat haar gelukkig gemaakt zou hebben als Gregson er niet geweest was.
Deze was bekoord door de schoonheid van het ranke Cree-meisje, en Mc
Taggart, zonder jaloersch te zijn, moedigde hem aan. Hij had genoeg van
Marie. Hij zeide dit aan Gregson. Hij zou graag van haar af willen en
als Gregson haar soms met zich mee kon nemen, zou hij hem daarmee een
grooten dienst bewijzen. Hij legde hem uit, waarom. Over een poosje, als
de zware sneeuw zou beginnen te vallen, zou hij de dochter van Pierrot
du Quesne gaan halen. In de vertrouwelijkheid van hun liederlijke
vriendschap vertelde hij hem van zijn bezoek, van de manier, waarop hij
ontvangen was, van het voorval bij de kloof. Maar ondanks dit alles,
verzekerde hij Gregson, zou Pierrot's meisje spoedig te Lac Bain haar
intrek nomen. Juist in dezen tijd kwam Mac Donald. Hij bleef maar één
nacht over en zonder te weten, dat hij voedsel gaf aan een vuur, dat al
gevaarlijk aan het gloeien was, liet hij het portretje achter, dat hij
van Nepeese gemaakt had. Het was een uitstekende gelijkenis.

„Als u het soms aan het meisje kunt laten bezorgen zult u mij een groot
plezier doen,” had hij tot Mc Taggart gezegd. „Ik heb er haar een afdruk
van beloofd. Haar vader heet Du Quesne—Pierrot Du Quesne. U kent hem
misschien wel. En het meisje—”

Mac Donald maakte zich warm bij de beschrijving hoe mooi zij er dien
dag had uitgezien in dat roode japonnetje, dat er op de fotografie
zwart uitzag. Hij vermoedde niet, hoe dicht bij het kookpunt Mc
Taggart's bloed was. Den volgenden dag vertrok Mac Donald naar Norway
House. Mc Taggart liet het portretje niet aan Gregson zien. Hij verborg
het en, dien nacht, bij het schijnsel der lamp, bekeek hij het met
gedachten, die hem met koortsachtige onrust vervulden en—een groeiende
vastberadenheid. Er was maar één manier. Hij had dit plan al weken met
zich omgedragen en dit portretje gaf den doorslag. Hij durfde zijn
geheim zelfs Gregson niet toefluisteren. Maar het was de eenige manier.
Zij zou hem Nepeese geven. Maar—hij zou moeten wachten op de zware
sneeuw, tot het midden in den winter was. Deze sneeuw begraaft tragediën
het diepst. Hij was blij, toen Gregson den kaartenmaker naar Norway
House volgde. Uit beleefdheid begeleidde hij hem een dagreis ver. Toen
hij terugkwam, kwam hij tot de ontdekking, dat Marie hem ontvlucht was.
Daar was hij ook blij om. Hij zond een renbode met een vracht presenten
naar haar familie en de boodschap: „Sla haar niet. Houd haar bij u. Zij
is vrij.”

Tegelijk met de drukte en de beweging, die de aanvang van het
vallen-seizoen meebracht, begon Mc Taggart zijn huis in orde te maken
voor Nepeese's komst. Hij kende haar smaak, waar het netheid en een paar
andere kleinigheden betrof. Hij liet de muren wit schilderen met de
verf, die voor zijn booten bestemd was geweest. Sommige gedeelten werden
afgebroken, andere nieuw opgetrokken; de Indiaansche vrouw van zijn
voornaamsten boodschapper maakte gordijnen voor de ramen en hij sleepte
een kleine gramofoon in de wacht, die doorgezonden had moeten worden
naar Lac la Biche. Hij koesterde geen twijfel en telde de dagen.

Daarginds bij den Grijzen Fuut hadden Pierrot en Nepeese het druk met
allerlei zaken tegelijk, zoo druk, dat Pierrot dikwijls zijn vrees voor
den agent van Lac Bain vergat en de Wilg er heelemaal niet meer aan
dacht. Het was Jachtmaand en het winterjachtseizoen naderde. Nepeese
drenkte zorgvuldig een honderdtal vallen in kokend kariboevet, met
bevervet vermengd, terwijl Pierrot nieuwe klemmen gereedmaakte en
uitzette. Als hij langer dan een dag uit de hut dacht weg te blijven
nam hij haar altijd met zich mee. Maar in de hut zelf viel ook heel wat
te doen, want Pierrot, zooals de gewoonte was bij al zijn broeders in
het noorden, begon niet aan zijn toebereidselen voor de herfst in de
lucht zat. De sneeuwschoenen moesten hersteld worden, hout gehakt, om
het bij de hand te hebben tegen het aanbreken van den winterstorm; de
hut goed nagezien worden en dichtgestopt, nieuw tuig gemaakt, de messen,
die bij het afstroopen van huiden gebruikt werden, opnieuw geslepen en
winter-mocassins vervaardigd—honderd-en-één zaken moesten geregeld
worden, zoo bijvoorbeeld ook het vleeschrooster in orde gemaakt, aan de
achterzijde der hut, waar, van het invallen der koude af tot aan het
einde toe, de bouten van het wildbraad, van den kariboe en den eland
zouden hangen, als winterprovisie voor hun gezinnetje en later, als de
visch schaarscher zou worden, ook het rantsoen voor de honden. In de
drukte van dit alles kon Nepeese onmogelijk zooveel aandacht aan Baree
schenken als in de voorafgegane weken. Zij speelden niet zoo veel, ook
zwommen zij niet meer samen, want elken morgen lag er ijzel op den grond
en ook het water werd ijskoud; zij dwaalden niet meer tot diep in de
bosschen, op zoek naar bloemen en bessen. Urenlang lag Baree nu aan de
voeten van de Wilg en keek hoe haar slanke vingers de sneeuwschoenen
verstelden en nu en dan hield Nepeese op en boog zich voorover om haar
hand op zijn kop te leggen en even tegen hem te praten—soms in haar
zoetvleiend Cree, soms in het Engelsch of in haar vader's Fransch. Het
was haar _stem_, die Baree had leeren begrijpen en de beweging van haar
lippen, haar gebaren, de houding van haar lichaam, haar veranderende
stemmingen, die schaduw of zonlicht op haar gelaat teweeg brachten. Hij
wist, wat het beteekende, wanneer zij glimlachte; hij schudde zich en
sprong soms vroolijk in het rond, wanneer zij lachte; haar geluk was
een deel van hem en een bestraffend woord van haar erger dan een slag.
Twee keer had Pierrot hem geslagen en beide malen was Baree achteruit
gesprongen en had hem met een woedenden grauw en ontbloote slagtanden
geantwoord, terwijl de haren op zijn rug als een borstel overeind
stonden. Als een van de andere honden hem dit geleverd had zou Pierrot
hem half vermoord hebben. Het zou opstand beteekend hebben en de man
moest het gezag in handen hebben. Maar Baree was altijd veilig voor hem.
Een lichte aanraking van Nepeese's hand, een enkel woord van haar en de
haren op zijn rug zegen weer neer en het grommen in zijn strot bedaarde.

Pierrot was er volstrekt niet boos om.

„_Dieu!_ ik zal nooit zoo ver gaan om te probeeren dàt uit hem te
ranselen,” mompelde hij. „Hij is en blijft een woesteling—een wild
dier—en toch haar slaaf. _Voor haar zou hij een moord begaan!_”

En zoo kwam het dus door Pierrot zelf—en zonder dat hij er de reden
voor opgaf—dat Baree niet tot een sledehond opgevoed werd. Hij mocht
zijn vrijheid behouden. Hij werd nooit vastgebonden zooals de anderen.
Nepeese was er blij om, maar zij giste haar vader's beweegreden niet.
Pierrot grinnikte in zichzelf. Zij zou nooit weten, waarom hij er voor
zorgde, dat Baree altijd achterdocht voor hem bleef koesteren, die
aan haat grensde. Het had veel overleg en slimheid van zijn zijde tot
grondslag. Hij redeneerde aldus:

„Als hij mij haat, zal hij alle andere _mannen_ haten. _Mey-oo!_ Dat is
best.”

Zoo keek hij in de toekomst—voor Nepeese.

En toen brachten de laatste herfstnachten en de eerste vriesnachten
van de Jachtmaand de groote verandering bij Baree teweeg. Het was
onvermijdelijk. Pierrot wist, dat het gebeuren zou en den eersten nacht
toen Baree zijn kop achterover wierp en omhoog huilde tegen de maan
bereidde hij er Nepeese op voor.

„Hij is een wilde hond, Nepeese,” zeide hij tot haar. „Hij is een halve
wolf en hij zal hun neigingen krijgen. Hij zal het bosch in willen en
nu en dan zal hij er van door gaan. Maar we moeten hem niet vastleggen.
Hij zal terugkomen. Ja,—hij zal terugkomen!” En hij wreef zich in het
maanlicht de handen tot zijn gewrichten kraakten.

De roepstem kwam tot Baree, zooals een dief langzaam en voorzichtig
naar een verboden plaats toesluipt. Hij begreep haar eerst niet. Zij
maakte hem zenuwachtig en rusteloos, zoo zenuwachtig, dat Nepeese hem
meermalen in zijn slaap zachtjes hoorde huilen. Hij wachtte op _iets_.
Wat was het? Pierrot wist het en glimlachte op zijn ondoorgrondelijke
manier. En toen gebeurde het. Het was nacht—een prachtige nacht, vol
maan- en sterrenlicht en de aarde werd met een vlies van ijs overdekt.
En heel uit de verte drong zij tot hem door—_de roepstem van den
troep_! Nu en dan, gedurende den zomer had hij het gehuil gehoord van
een eenzamen wolf, maar dit was _de troep_—en toen dit gehuil op hem af
kwam golven, door de uitgestrekte stilte en de geheimzinnigheid van den
nacht als een woeste zang, die bij elke Jachtmaand gedurende ontelbare
eeuwen was teruggekomen, wist Pierrot, dat voor Baree eindelijk en ten
laatste datgene was gekomen, waarop hij gewacht had. In een oogwenk
besefte Baree het. Zijn spieren spanden zich strak als dikke koorden
toen hij zich oprichtte en in het maanlicht stond, kijkend in de
richting, vanwaar dit geheimzinnige en opwindende geluid gekomen was.
Zij konden hem zachtjes hooren janken en Pierrot, zich voorover buigend
om zooveel mogelijk van het licht van den nacht gebruik te kunnen maken,
kon hem zien rillen.

„Het is _mee—koo_!” sprak hij fluisterend tot Nepeese.

Dàt was het—de stem des bloeds, die tot Baree sprak; niet alleen de
stem van het tegenwoordige geslacht, maar die van Kazan, Wolvin en van
tallooze van hun voorzaten. Het was de stem van zijn _geslacht_. Dit
had Pierrot gefluisterd en hij had gelijk. In den gouden nacht wachtte
de Wilg, want zij had het hoogste ingezet en zij zou dus het meeste
winnen of verliezen. Zij gaf geen geluid, antwoordde niet op het gezegde
van haar vader, op zachten toon geuit, maar hield haar adem in en
sloeg Baree gade toen hij langzaam, voetje voor voetje, in de schaduw
weggleed. Een paar oogenblikken later was hij verdwenen. Toen wierp zij
het hoofd in den nek en, terwijl haar oogen met de sterren wedijverden
in glans, riep zij:

„Baree! Baree! Baree! Baree!”

Hij moest pas aan den zoom van het bosch geweest zijn, want binnen
eenige sekonden was hij terug aan haar zijde. Maar hij was regelrecht
op haar aan komen rennen, als een pijl uit den boog en hij jankte, naar
haar gelaat kijkend. Nepeese legde haar handen op zijn kop.

„U hebt gelijk, _mon père_,” zeide zij. „Hij zal nu met de wolven
meegaan, maar hij komt zeker terug. Hij zal nooit lang van me
wegblijven.” Met haar eene hand nog steeds op zijn kop, wees zij met de
andere naar de pikzwarte duisternis van het bosch. „Ga maar naar hen
toe, Baree!” fluisterde zij. „Maar je moet terugkomen. Je moet, hoor
_Cheamao_!”

       *       *       *       *       *

Zij trad met Pierrot de hut weer binnen, zij sloten de deur achter zich
en Baree bleef alleen. Er heerschte een lange stilte. In deze stilte
kon hij de zachte geluiden van den nacht hooren, het rammelen van de
kettingen, waarmee de honden vastgeklonken waren, het onrustige woelen,
dat zij deden, het gesuis der vleugels van een voorbijvliegenden vogel,
den adem van den nacht zelf. Want deze nacht, zelfs in zijn groote rust,
scheen voor Baree te leven. Hij begaf er zich opnieuw in en dicht bij
het bosch bleef hij weer stilstaan om te luisteren. De wind was gedraaid
en de klagelijke, opwindende kreet van den troep werd er op voortgestuwd.

Ver in het westen wendde een eenzame wolf zijn snoet hemelwaarts en
antwoordde op den verzamelkreet van zijn stam en toen kwam uit het
oosten een dergelijk geluid, zoo ver van de hut verwijderd, dat het wel
een echo leek, die wegstierf in de uitgestrektheid van het duister. Er
smoorde een geluidje in Baree's strot. Hij wierp den kop omhoog. Recht
boven hem stond de Roode Maan, hem uitnoodigend de geheimzinnige wereld
te gaan bewandelen. Het geluid in zijn strot zwol aan en langzaam nam
het toe in kracht, totdat zijn antwoord opsteeg naar de sterren. In de
hut hoorden Wilg en Pierrot het. Pierrot haalde de schouders op.

„Hij is weg,” zeide hij.

„Ja, hij is weg, _mon père_,” antwoordde Nepeese door het venster turend.



XVII.

De uitgestootene.


Het donkere bosch hield niet meer zooals vroeger verschrikkingen in voor
Baree. Dezen nacht was zijn Jachtkreet opgestegen naar de sterren en
de maan en met dien kreet had hij voor het eerst duisternis en ruimte
getart, het was zijn waarschuwing voor alle bewoners der wildernis, zijn
toetreden tot de Broederschap. In dien kreet, en in de antwoorden, die
hij er op ontving, voelde hij een nieuwe macht—de zekerheid, hem door
de natuur geschonken, dat de bosschen en de dieren, die er in huisden,
niet langer vreesaanjagend voor hem waren, maar dat _alles hem vreesde_.
Daarginds, ver buiten het gebied, dat bij de hut behoorde, en onder
Nepeese's invloed uit, was alles, wat zijn wolvenbloed op het oogenblik
het meest verlangde: gezelschap van leden van zijn eigen geslacht, de
opwinding van het avontuurlijke, het roode, zoete bloed van de jacht—en
de paring. Dit laatste was het sterkst in hem van al die onbekende
verlangens en toch begreep hij er het allerminste van.

Hij liep recht het donkere noordwesten in, laag onder de struiken
doorsluipend, met hangenden staart en gespitste ooren—geheel en al de
houding van den wolf, zooals hij er bij nacht op uittrekt. De troep was
het noorden ingetrokken en reisde sneller dan hij, zoodat hij na een
half uur hem niet meer kon hooren. Maar het gehuil van den eenzamen wolf
uit het westen was naderbij gekomen en drie maal gaf Baree er antwoord
op. Na verloop van een uur hoorde hij den troep opnieuw, die naar het
zuiden zwenkte. Pierrot zou gemakkelijk begrepen hebben, waarom. Hun
prooi had zich in veiligheid weten te brengen in een meer, of aan den
overkant er van en de _muhekuns_ waren achter een nieuw spoor aan. Nu
was Baree niet meer dan een kwart mijl van den eenzamen wolf verwijderd,
maar deze was een oud gediende, trok, door ondervinding geleid, in de
richting van den troep voort, zijn weg zóó uitkiezend, dat hij dien
steeds wat vóór bleef. Dit was een kunstje van de Broederschap, dat
Baree nog leeren moest, en de uitslag van zijn onwetendheid en gebrek
aan doorzicht was, dat hij binnen het volgende half uur vlak bij den
troep raakte, tot tweemaal toe, en hem toch niet wist te bereiken.
Eindelijk volgde een lange stilte, die bleef aanhouden. De troep had
zijn prooi gedood en gaf geen enkel geluid meer, nu hij aan zijn
feestmaal was.

De rest van den nacht zwierf Baree alleen rond, tenminste tot het
tijdstip, waarop de maan sterk begon te verbleeken. Hij was nu ver
weg van de hut en zijn weg was onregelmatig en met vele zwenkingen
gegaan, maar hij werd ditmaal niet gekweld door het troostelooze
gevoel, verdwaald te zijn. De laatste twee of drie maanden was zijn
oriënteeringsvermogen sterk ontwikkeld, dat „zesde zintuig”, dat de
duif onfeilbaar den weg doet vinden, dien zij nemen moet en een beer
regelrecht doet afgaan op de plek, waar hij het vorige jaar zijn
overwinteringshol gevonden heeft. Hij had Nepeese niet vergeten.
Meermalen had hij zijn kop omgedraaid en gejankt en altijd had hij het
gedaan in de richting, waar de hut lag. Maar hij keerde niet terug.
Naarmate de nacht voortduurde, bleef zijn zoeken naar dat geheimzinnige
iets, wat hij niet gevonden had, aanhouden. Zijn honger was, zelfs
toen de maan verbleekte en de grauwe dageraad aanbrak, niet hevig
genoeg om hem naar voedsel te doen zoeken. Het was koud en het leek nog
kouder toen de glans van de maan en de sterren wegstierf. Onder zijn
zachtgekussende pooten had zich, vooral op open plekken, een dik wit
tapijt gevormd, waarin zoo nu en dan duidelijk de sporen van zijn nagels
te zien waren. Hij had urenlang gestadig doorgereisd en hij was moe,
toen het begon te dagen. En toen kwam het oogenblik, dat Baree, met een
scherp toeklappen van zijn kaken, stokstijf staan bleef.

Eindelijk was zij dan toch gekomen—de ontmoeting met datgene waarnaar
hij gezocht had. Het gebeurde op een open plek, die verlicht werd door
het koude morgenlicht, op een kleinen heuvel, die op het Oosten uitzag.
Met haar kop naar hem toegewend en naar hem uitkijkend, toen hij van
uit de schaduw te voorschijn kwam, zijn reuk in haar neusgaten, stond
Maheegun, de jonge wolvin. Baree had haar niet geroken, maar hij zag
haar dadelijk, toen hij van uit de balsemstruiken op de vlakte trad.
Hij bleef stilstaan en een volle minuut lang bewoog geen van beiden een
spier of scheen ook maar te ademen. Zij scheelden geen paar weken in
leeftijd, maar toch was Maheegun verreweg de kleinste van de twee; haar
lijf was langer, maar ook slanker; zij stond op tengere pooten, die
wel vossepooten geleken en de welving van haar rug was als een licht
gekromde boog, wat aanduidde, dat zij zich zoo snel als de wind kon
voortbewegen. Zij stond gereed op de vlucht te slaan, zelfs toen Baree
zijn eerste passen in haar richting deed en toen ontspande zich haar
lijf heel langzaam en toen hij dichter naderde stonden haar ooren niet
meer zoo achterdochtig overeind en vielen eindelijk plat neer. Baree
jankte even. Zijn eigen ooren stonden recht overeind, zijn kop was vol
levendigheid, zijn staart was ruig en stond omhoog. Slimheid, zoo al
geen listigheid, maakte al deel uit van zijn mannelijk overwicht en hij
zette niet te veel haast achter de zaak, in het begin.

Hij was op vijf voet afstand van Maheegun gekomen toen hij, als bij
toeval, zich van haar afwendde en naar het oosten begon te turen, waar
fijne roode en gouden lijntjes de komst van den dag aankondigden.
Eenige oogenblikken bleef hij snuiven en rondkijken en stak zijn
neus in den wind met grooten ernst, alsof hij zijn nieuwe kennis
aan het verstand wilde brengen—zooals zoo menig tweebeenig dier
vóór hem gedaan heeft—dat hij toch eigenlijk een persoon van zoo
buitengewoon veel belang was in de wereld. En Maheegun geraakte er
naar behooren van onder den indruk. Baree's bluf werkte even doelmatig
als de bluf van tweebeenige dieren. Hij snoof met zulk een opgewonden
en achterdochtigen ijver de lucht op, dat Maheegun's ooren zich
opnieuw spitsten en zij mee begon te snuiven; hij keerde zijn kop zoo
nadrukkelijk van punt tot punt verder, dat vrouwelijke nieuwsgierigheid
haar er toe aandreef hetzelfde te doen en toen hij even jankte,
alsof hij iets geheimzinnigs in die lucht ontdekte, wat zij met geen
mogelijkheid begrijpen kon, klonk er een antwoordend geluidje in haar
strot, maar dit was gesmoord en zacht, zooals de uitroep van een vrouw,
die niet weet of zij haar heer en meester mag storen of niet. Toen
Baree's scherpe ooren dit geluid opvingen stevende hij op haar af,
met lichte, trippelende passen en het volgende oogenblik beroken zij
elkanders neus.

       *       *       *       *       *

Toen de zon opging, een half uur later, bevonden zij zich nog steeds
op het heuvelachtige gedeelte in die open plek, met den zoom van het
bosch beneden hen en in de verte een vlakte, die er, in zijn mantel van
vorst, uitzag als een lijkwade. De eerste roode gloed van den dageraad
vertoonde zich en naarmate de zon hooger rees werd het uitzicht van de
vlakte minder doodsch.

Baree noch Maheegun voelden neiging, zich te bewegen en een paar uren
lang bleven zij zich koesteren op de helling, met wijdgeopende oogen
rondkijkend in de hier en daar met bosch bedekte, uitgestrekte vlakte,
die het voorkomen had van een groote zee. Maheegun had ook getracht,
den jagenden troep te bereiken en, evenals Baree, was het haar mislukt.
Zij waren moe, een beetje ontmoedigd en hongerig—maar toch aan den
anderen kant opgewonden door verwachting en rusteloos door de nieuwe
en vreemde gewaarwording, een gezel gevonden te hebben. Wel zesmaal
stond Baree op en begon om Maheegun heen te snuffelen, terwijl deze in
de zon lag, zachtjes tegen haar jankend en haar zachte huid met zijn
snoet aanrakend, maar een tijdlang lette zij weinig op hem. Eindelijk
stond zij op en volgde hem. En dien geheelen dag zwierven en rustten zij
tezamen. Wederom viel de nacht in.

Deze was zonder maan en sterren. Grijze wolkenmassa's gleden langzaam
uit het noorden en westen langs en er was ternauwernood een zacht
gefluister van den wind in de boomtoppen. De sneeuw begon tegen de
schemering zwaar te vallen en vormde een dikke laag. Het was niet koud.
Maar het was windstil. Zoo stil was het rondom, dat Baree en Maheegun
na elke paar meters dat zij waren voortgeloopen stil bleven staan om
te luisteren. Op deze wijze trokken alle nachtelijke zwervers uit het
bosch, als zij van verblijfplaats veranderden. Het was het begin van de
Groote Sneeuw. Voor de vleeschetende dieren uit de bosschen, geklauwd
en gevleugeld, beteekende de Groote Sneeuw het begin van de winterpret,
bestaande uit slachting en vreetpartijen, uit woeste avonturen in de
lange nachten, uit onbarmhartige gevechten op de bevroren paden. De
dagen van het voortbrengen, van moederschap—de vrede van lente en
zomer—waren voorbij; uit de lucht kwam het ontwaken in het Noorden, de
roepstem van alle vleeschetende schepselen om zich klaar te maken voor
de Lange Jacht en in de eerste siddering er van bewogen de dieren zich
nog maar weinig, dien nacht, en dan nog achterdochtig en waakzaam.

Hun jeugd maakte dit alles nieuw voor Baree en Maheegun; hun bloed
stroomde snel, hun pooten vielen zacht op den grond neer, hun ooren
waren gestemd tot het opvangen van het geringste geluid. Bij het begin
van de Groote Sneeuw voelden zij den opwindenden harteklop van een nieuw
leven. Het verlokte hen, steeds verder te gaan. Het verleidde hen, op
avontuur uit te gaan in die witte, stille geheimzinnigheid en gedreven
door de onrust en verlangens der jeugd, trokken zij door. De sneeuw
werd dieper onder hun pooten. Op open plekken moesten zij er tot aan
de knieën doorwaden—en zij bleef doorvallen in een uitgestrekte witte
wolk, die gestadig uit den hemel viel. Het was bijna middernacht toen
zij ophield. De wolken dreven weg van de maan en de sterren en langen
tijd stonden Baree en Maheegun onbeweeglijk op een helling neer te
kijken op een verrukkelijk mooie wereld.

Nooit hadden zij zoover kunnen zien, behalve bij daglicht. Onder hen
was de vlakte. Zij konden de bosschen zien, alleenstaande boomen,
die als schaduwen uit de sneeuw opstaken, een riviertje—nog niet
bevroren—schitterend als glas waarin vuur weerspiegeld wordt. Baree
ging op dit riviertje aan. Hij dacht niet meer aan Nepeese en hij jankte
van onderdrukte blijdschap toen hij halverwege staan bleef en zich
omkeerde om Maheegun te besnuiven. Hij verlangde in de sneeuw om-en-om
te rollen en met zijn gezellin te stoeien; hij verlangde te blaffen,
zijn kop op te gooien en te huilen, zooals hij tegen de Roode Maan
gehuild had, daarginds bij de hut. Maar er was iets, dat hem weerhield,
deze dingen te doen. Misschien was het Maheegun's gedrag. Zij nam zijn
vriendelijkheden stokstijf in ontvangst. Een paar keer leek zij wel bang
te worden; tweemaal had Baree haar tanden op elkaar hooren klikken,
sedert zij den heuvelrug beklommen waren.

Gedurende den vorigen avond en den nacht was hun vriendschap intiemer
geworden, maar nu begon Maheegun een merkwaardig koele houding aan te
nemen. Pierrot zou dit hebben kunnen verklaren. Met de witte sneeuw
onder en rondom zich, en de schitterende maan en sterren boven zich,
had Baree, evenals de nacht, een verandering ondergaan. Zijn vel zag
er uit als gepolijst git. Elk haar van zijn lijf glinsterde zwart.
_Zwart!_ Dat was het. En de natuur trachtte Maheegun te doen gevoelen,
dat van alle schepselen, die haar ras haatte, _zwarte_ dieren de meest
gehate en gevreesde waren. Zij wist dit niet door ondervinding, maar
door instinkt—dit sprak tot haar van de eeuwenoude veete tusschen den
grijzen wolf en den zwarten beer. En Baree's vel was in het maanlicht
en de sneeuw zwarter dan Wakayoo's vacht ooit geweest was, zelfs in de
goede vischdagen van Mei. Voordat zij de groote vlakte bereikt hadden,
was de jonge wijfjeswolf Baree zonder aarzelen gevolgd; nu was er een
groeiende onzekerheid en besluiteloosheid in haar manieren en tweemaal
stond zij stil en deed alsof zij Baree zonder zich wilde laten verder
gaan.

Een uur nadat zij de vlakte betreden hadden, kwamen plotseling uit het
westen de geluiden van den wolventroep tot hen. Zij waren niet ver af,
misschien een mijl, en het snelle, korte blaffen, dat na hun eerste
wilde uitbarsting volgde, gaf er blijk van, dat de langtandige jagers
plotseling een prooi gezien hadden—een kariboe of een jongen eland—en
dien nu dicht op de hielen zaten. Toen zij de stem van haar eigen stam
hoorde, legden Maheegun's ooren zich plat op haar kop en ging zij er
vandoor als een pijl uit den boog. De onverwachtheid van deze beweging
en de snelheid van haar vlucht gaven haar een grooten voorsprong op
Baree, toen zij over de vlakte stoven. Zij rende in den blinde voort,
begunstigd door het geluk. Voor een tusschenpoos van misschien vijf
minuten was de troep zoo dicht bij hun doel, dat zij geen geluid gaven
en de jacht nam een zwenking en kwam regelrecht op Baree en Maheegun af.
Baree was niet meer dan zes lichaamslengten achter de jonge wolvin, toen
een gekraak in het kreupelhout vlak naast hen, hen zóó plotseling stil
deed staan, dat zij de sneeuw openreten met hun schrapgezette pooten.
Tien sekonden later brak de jonge kariboe door het struikgewas heen
en schoot pijlsnel de vlakte over, op nog geen twintig meter afstands
van de plek, waar zij stonden. Zij konden hem hooren hijgen toen hij
verdween. En daarna volgde de troep.

Bij het gezicht van deze snelbewegende grijze lijven, sprong Baree's
hart hem naar de keel. Hij vergat Maheegun en dat zij van hem was
weggeloopen. De maan en de sterren verdwenen uit zijn bestaan. Hij
voelde niet langer de koude van de sneeuw onder zijn pooten. Hij was
wolf—geheel en al wolf. Met den warmen reuk van den kariboe in zijn
neusgaten en den hartstocht om te dooden als vuur in zich brandend,
zette hij den troep achterna. Zelfs hierbij was Maheegun hem nog wat
vóór. Hij miste haar niet—in de opwinding van zijn eerste jacht
voelde hij niet langer de begeerte, haar aan zijn zijde te hebben.
Al heel spoedig kwam hij tot de ontdekking, dat hij zijde aan zijde
voortdraafde naast een van de grijze monsters van den troep; een halve
minuut later schoot een nieuwe mede-jager uit de struiken te voorschijn
en toen een tweede en daarna een derde. Nu en dan rende hij schouder
aan schouder met zijn nieuwe metgezellen; hij hoorde hun onderdrukt
gejank van opwinding; het dichtklappen van hun kaken—en in het gouden
maanlicht voor hem uit het zware neerploffen van den kariboe, als hij
over heesters en omgevallen boomstammen sprong, in dezen jacht op leven
en dood. Het was alsof hij altijd bij den troep had behoord. Hij had
er zich als vanzelf sprekend bijgevoegd, zooals andere losse wolven
dit gedaan hadden; zij hadden er geen drukte over gemaakt, zij hadden
hem niet, zooals Maheegun in de vlakte, welkom geheeten, maar hem ook
geen vijandigheid betoond. Hij behoorde bij deze schrale, snelvoetige
uitgestootenen der oude bosschen en zijn eigen kaken klapten ook op
elkander en zijn bloed golfde heet, toen de reuk van den kariboe sterker
werd en het geluid van zijn neerploffend lichaam duidelijker.

Het scheen den kariboe toe, dat zij hem vlak op de hielen zaten, toen
zij weer de vlakte inzwenkten, een dorre vlakte, zonder een boom of
struik, schitterend in het licht van maan en sterren. Over het nog
onbetreden sneeuwtapijt spoedde de kariboe zich voort, nauwelijks
honderd meter voor den troep uit.

Nu volgden de twee aanvoerders niet langer recht in het spoor, maar
maakten een hoek, naar rechts en links van den achtervolgde en als
goedgeoefende soldaten verdeelde de troep zich en spreidde zich
waaiersgewijs uit, voor den laatsten aanval. De twee uiteinden van den
waaier kromden zich en sloten den kariboe in, totdat de aanvoerders
op gelijke hoogte met hem meerenden, met vijftig of zestig voet
tusschenruimte. Op deze wijze vormde de troep, handig en snel en met
vreeselijke nauwkeurigheid, een hoefijzervormige linie van slagtanden,
waaraan maar op één manier te ontkomen was en wel door rechtuit te
blijven gaan. Het beteekende den dood voor den kariboe, als hij ook maar
een halven graad te veel naar rechts of links hield. Het was de plicht
van de aanvoerders, de uiteinden van het hoefijzer dichter naar elkaar
toe te leiden, zoo dicht tot zij beiden den noodlottigen uitval naar de
kniepeezen konden doen. Daarna was de zaak eenvoudig genoeg. De troep
zou den kariboe eenvoudig op het lijf vallen als een overstrooming.

Baree had een plaats gevonden aan het breedste gedeelte van de linie,
zoodat hij tamelijk wel in de achterhoede was, toen de climax kwam. De
vlakte ging plotseling schuin naar beneden. Recht vooruit zag de kariboe
water glinsteren—een zachte schittering onder den sterrenglans en bij
het gezicht daarvan spande hij zijn laatste, hem begevende krachten in.
Veertig sekonden zouden beslissen over zijn leven of dood. Baree voelde
sterk de spanning van deze oogenblikken en spoedde zich naar voren,
terwijl een van de aanvoerders een sprong deed naar de kniepeezen van
den jongen stier. Hij miste. Een tweede wolf probeerde hetzelfde. Beiden
hadden hun sprong gemist. Er was geen tijd voor anderen, om hun plaatsen
in te nemen. Aan het verbrokkelende gedeelte van den hoef hoorde Baree
den zwaren plons, toen de kariboe in het water plofte. Terwijl hij
zich weer bij den troep voegde, een razende, schuimbekkende horde, was
Napamoos, de jonge kariboestier, middenin de rivier en zwom gelijkmatig
naar de overzijde.

Toen stond Baree plotseling weer naast Maheegun. Zij hijgde, haar
roode tong hing haar uit de open kaken, maar toen zij zijn nabijheid
bemerkte, bracht zij ze met een klap weer op elkander en sloop haastig
midden tusschen de teleurgestelde wolvenbende, die geheel buiten adem
was. De wolven waren in een kwaad humeur, maar Baree was hiervan niet
doordrongen. Nepeese had hem geleerd, als een otter in het water te
springen en hij begreep niet, waarom dit smalle riviertje hen tot
stilstand gebracht had. Hij liep langs den oever naar beneden en stond
tot aan zijn buik in het water, een oogenblik opkijkend naar de woeste
bende boven zich en zich er over verbazend, dat zij hem niet volgde. En
hij was zwart—_zwart_. Hij klom weer naar boven en voegde zich bij hen
en voor het eerst merkten zij hem op.

Hun onrustige bewegingen bedaarden. Zij bleven stokstijf staan van
verbazing en belangstelling. Hun tanden sloten zich knarsend op elkaar.
Een eindje verder zag Baree Maheegun staan, met een grooten grijzen wolf
naast zich. Hij ging weer naar haar toe en ditmaal bleef zij staan,
haar ooren plat op haar kop liggend, totdat hij haar nek besnuffelde.
En toen, met een vinnigen grauw, beet zij naar hem. Haar tanden zonken
diep in het zachte vleesch van zijn schouder en verschrikt door het
onverwachte van haar aanval, gaf hij een schreeuw. Het volgende
oogenblik wierp de groote grijze wolf zich op hem.

Opnieuw overvallen en onverwachts viel Baree op den grond, met den
wolf aan zijn keel. Maar hij had het bloed van Kazan in zich, den
lichaamsbouw en de spieren van Kazan en voor het eerst van zijn leven
vocht hij zooals Kazan gevochten had, dien verschrikkelijken dag op de
Zonnerots. Hij was jong; hij moest de sluwheid en de krijgslisten van
dezen veteraan nog leeren; maar zijn kaken waren als de ijzeren klampen,
die Pierrot gebruikte voor zijn berenvallen en er was een plotselinge
blinde woede in zijn hart, en begeerte om te dooden, die alle gevoelens
van pijn of vrees overheerschte. Dit gevecht zou, als alles eerlijk
toegegaan was, geëindigd zijn met de overwinning van Baree, ondanks
zijn jeugd en onervarenheid. De troep had behooren af te wachten; het
was de wet van den troep—totdat een van de twee het opgaf. Maar Baree
was _zwart_. Hij was een vreemdeling, een indringer, een schepsel, dat
zij ontdekt hadden op een tijdstip, dat hun bloed kookte van woede en
teleurstelling, omdat zij hun prooi gemist hadden.

Een tweede wolf kwam er bij, Baree verraderlijk van opzij aanvallend
en terwijl hij daar in de sneeuw lag en den voorpoot van zijn eersten
vijand duchtig knauwde, wierp de heele bende zich tegelijk op hem. Zulk
een aanval zou den jongen kariboestier in minder dan een minuut het
leven gekost hebben. Elke tand zou raak gebeten hebben. Het werd Baree
door de omstandigheid, dat hij onder zijn eerste twee aanvallers lag,
bespaard, dadelijk in stukken gescheurd te worden. Hij wist, dat hij
voor zijn leven vocht. De wilde horde rolde grauwend over hem heen; hij
voelde de brandende pijn van tanden, die zich in zijn vleesch begroeven;
hij werd half gesmoord, honderd messen schenen in hem te steken en toch
gaf hij geen geluid, geen smartkreet ontsnapte hem in de ontzetting en
hopeloosheid van dit alles. Het zou spoedig afgeloopen geweest zijn,
als de worsteling niet vlak bij den oever geweest was. Een gedeelte van
den zanderigen grond bezweek en Baree rolde met den halven troep op zich
de helling af. Oogenblikkelijk flitste de gedachte aan den kariboe, die
zich door het water had weten te redden, door zijn brein. Voor een enkel
oogenblik had deze zandinstorting hem van de bende wolven bevrijd en in
die tusschenruimte nam hij een grooten sprong, over de grijze ruggen van
zijn vijanden heen en kwam in het diepe water van den stroom terecht.
Achter hem klapten een half dozijn kaken dicht—in de lucht. En zooals
het den kariboe gered had, redde dit water, glinsterende onder het licht
van maan en sterren, ook Baree het leven.

Het riviertje was niet meer dan honderd voet in oppervlakte, maar Baree
kon toch maar met de uiterste krachtsinspanning den overkant bereiken.
Vóór hij zich aan land sleepte, had hij den omvang van zijn wonden nog
niet gevoeld. Zijn eenen achterpoot kon hij niet gebruiken, zijn linker
schouder lag open tot op het been, zijn kop en lijf waren opengehaald en
terwijl hij langzaam wegkroop van den waterkant, vormde hij een spoor in
de sneeuw, dat rood zag van het bloed. Het druppelde van zijn hijgende
kaken, waartusschen ook zijn tong bloedde; liep langs zijn pooten en
flanken en buik en druppelde van zijn ooren, waarvan één zoo gehavend
was, alsof men er met een mes van afgesneden had. Zijn instinkten waren
verdoofd, zijn gezicht beneveld, alsof er een mist voor zijn oogen hing.
Hij hoorde niet het teleurgestelde huilen van den wolventroep aan den
anderen kant der rivier eenige minuten later en hij bemerkte niet langer
het bestaan van maan en sterren. Half dood sleepte hij zich verder, tot
hij bij toeval een groepje dwergsparren ontdekte. Hier sleepte hij zich
in en viel toen neer, volkomen uitgeput.

Verminkt, met litteekens die fel hem brandden, lag hij door de hevig
opvlammende koorts op het randje van den dood.

Toch overwon het leven; de koorts verminderde en tegen den middag stond
hij op. Hij was zwak en wankelde op zijn pooten. Zijn eene achterpoot
sleepte hem nog steeds na en hij werd door pijn gemarteld. Maar het was
een schitterende dag. De zon was warm. De sneeuw was aan het smelten.

De hemel geleek een groote blauwe zee en de levensvloed stroomde weer
warm door zijn aderen. Maar nu waren, voor altijd, zijn verlangens
veranderd en zijn voortdurend zoeken was geëindigd. Een roode woestheid
blonk in zijn oogen, terwijl hij gromde in de richting, waar zijn
gevecht met de wolven den vorigen nacht had plaats gehad. Zij waren niet
langer van hetzelfde ras als hij. Zij waren niet langer van hetzelfde
bloed. Nooit zou de jachtroep meer aantrekkingskracht op hem uitoefenen
of de stem van den troep dat oude verlangen bij hem opwekken. Er was
iets nieuws in hem geboren, een onvernietigbare haat tegen al wat wolf
was, een haat, die zou aangroeien tot bijna een organisch ongemak, iets
dat hij nooit heelemaal kwijt was en dat om weerwraak riep. Den vorigen
nacht was hij tot hen gekomen als een kameraad. Vandaag was hij een
uitgestootene. Gewond en verminkt, litteekens met zich meedragend, die
nooit meer zouden verdwijnen, had hij zijn les van de wildernis geleerd.
Morgen en overmorgen, en tallooze dagen daarna, zou deze les hem versch
in het geheugen blijven.



XVIII.

De agent neemt zijn besluit.


In de hut bij den Grijzen Fuut was Pierrot aan het rooken van zijn
pijpje, na een stevig avondmaal van kariboe-lende, die hij had
meegebracht, den vierden avond na Baree's vertrek, en Nepeese luisterde
naar zijn verhaal over de merkwaardigheid van zijn schot, toen een
geluid aan de deur hen storen kwam. Nepeese opende haar en Baree kwam
binnen. De welkomstkreet bestierf het meisje op de lippen en Pierrot
keek alsof hij niet gelooven kon, dat dit dier, dat teruggekeerd was, de
wolfshond was.

Drie dagen en drie nachten van honger, waarin hij niet had kunnen
jagen, omdat hij nog steeds met zijn eenen poot sleepte, hadden hem
totaal verzwakt. Met litteekens bezaaid en bedekt met klonters geronnen
bloed, dat nog steeds aan zijn lange haren kleefde, bood hij zulk een
jammerlijken aanblik, dat Nepeese naar adem snakte. Een zonderlinge
glimlach verspreidde zich over Pierrot's gelaat, terwijl hij in zijn
stoel voorover leunde en toen stond hij langzaam op, bekeek Baree van
naderbij en zeide tot Nepeese:

„_Ventre saint gris!_ Ja! Hij is bij den troep geweest, Nepeese, en de
troep heeft hem aangevallen. Het was geen tweegevecht! Het moet de heele
troep geweest zijn. Hij is op vijftig verschillende plaatsen gebeten.
En—_mon Dieu_—hij heeft er het leven afgebracht!”

In Pierrot's stem klonk groeiende verbazing. Hij was ongeloovig en
toch kon hij niet twijfelen aan hetgeen zijn oogen hem zeiden. Wat er
gebeurd was, grensde aan een wonder en een tijdlang sprak hij niet meer,
maar bleef zwijgend toekijken, terwijl Nepeese, uit haar verbijstering
gewekt, Baree begon te verzorgen en hem voedsel gaf. Nadat hij als een
razende gegeten had van koude maispap, begon zij zijn wonden te betten
met warm water en daarna zalfde zij ze met berenvet, voortdurend tegen
hem pratend in haar zachtklinkend Cree. Na de pijn en den honger en de
verraderlijkheid van den aanval was dit een verrukkelijke thuiskomst
voor Baree. Hij sliep dien nacht aan den voet van Nepeese's bed. Den
volgenden morgen werd zij gewekt door de liefkoozing van zijn koele tong
op haar hand.

En zoo hervatten zij vanaf dezen dag hun kameraadschap, die afgebroken
was geweest door Baree's tijdelijke afvalligheid. De gehechtheid was
van Baree's kant grooter dan ooit. Hij had uit eigen beweging de Wilg
verlaten, om de roepstem van den troep te volgen, en het leek soms wel
alsof hij den omvang van zijn trouweloosheid begon te bevatten en nu
zijn best deed, het weer goed te maken.

Ongetwijfeld was er een groote verandering over Baree gekomen. Hij
volgde Nepeese als een schaduw. In plaats van 's nachts te gaan slapen
in het warme nest van sparregroen, dat Pierrot voor hem gemaakt had,
groef hij zichzelf een gat, dicht bij de deur der hut. Pierrot dacht,
dat hij begreep waarom, en Nepeese dacht, dat zij het nog veel beter
begreep, maar in werkelijkheid berustte de sleutel van dit geheim bij
Baree zelf. Hij speelde nu niet meer, zooals hij gespeeld had vóór hij
het bosch introk. Hij vloog niet meer op takjes af en rende niet meer
tot hij buiten adem was, enkel en alleen om het plezier van het rennen.
Zijn jonge hondjes-tijd was voorbij. In plaats daarvan trad een groote
vereering en een pijnlijke bitterheid, een liefde voor het meisje en een
haat jegens den wolventroep en al wat er mee te maken had. Wanneer hij
wolvegehuil hoorde, bracht dit een woedend gegrom teweeg in zijn strot
en hij ontblootte zijn slagtanden, totdat zelfs Pierrot hem uit den weg
ging. Als de hand van het meisje hem even aanraakte, bedaarde hij.

Binnen een paar weken begon de sneeuw zwaarder te vallen en Pierrot
begon zijn tochten te maken over het vallengebied. Nepeese had een
gewichtige overeenkomst met hem aangegaan, dezen winter. Pierrot had
haar als firmant opgenomen. Elke vijfde klem, elke vijfde val en elk
vijfde giftaas zou haar eigendom zijn en al wat daarin gevangen of
gedood werd, zou haar een beetje nader brengen tot de verwezenlijking
van een schoonen droom, die in de ziel van Nepeese groeide.

Pierrot had haar een belofte gedaan. Als zij een voordeeligen winter
hadden, zouden zij tegen het einde van het sneeuwseizoen naar Nelson
House reizen en het kleine orgel koopen, dat daar was aangeboden; en als
het orgel soms al verkocht was, zouden zij nog een winter werken om een
ander te koopen. Dit plan gaf Nepeese een levendige en hartstochtelijke
belangstelling in de vallenlijn. Het was van Pierrot een soort van
krijgslist geweest. Hij zou alles hebben willen geven, om Nepeese dat
orgel te kunnen geven; hij had zich vast voorgenomen, dat zij het
krijgen zou, of die vijfde klem en val en giftaas aan zijn bestemming
voldeed of niet. Die overeenkomst tusschen hen beiden had, wat dat
betrof, niets te beteekenen. Maar het gaf Nepeese in zeker opzicht het
gevoel van mee zaken te doen en mee te werken. Dit had Pierrot haar
ingeprent, met een bedoeling. Hij wilde haar bij zich hebben als hij
niet in de hut was. Hij wist, dat Bush Mc Taggart weer naar den Grijzen
Fuut zou komen, waarschijnlijk wel meer dan eens, gedurende dezen
winter. Zijn honden liepen snel en het was een korte reis. En als Mc
Taggart terugkwam, moest Nepeese niet in de hut zijn—alleen.

Pierrot's jachtgebied liep naar het Noorden en Westen, alles
bijeengenomen een oppervlakte van vijftig mijlen beslaande en gewoonlijk
volgden twee klemmen, één val en een giftaas op elkander. Het was een
gebied vol kronkelingen, nu en dan opzettelijk langs water geleid ter
wille van wezels, otters en marters, dan weer door het dichtst van het
bosch voor de lynxen en over dorre open plekken, waar giftaas uitgezet
kon worden voor vossen en wolven. Halverwege dit gebied had Pierrot
een kleine houten hut gebouwd en een eind verder nog een, zoodat het
werk van één dag vijf en twintig mijlen omvatte. Dit was gemakkelijk
genoeg voor Pierrot en viel Nepeese niet zwaar, na de eerste paar
dagen. Gedurende de heele maand October, November en het grootste
gedeelte van December maakten zij deze uitstapjes geregeld, zij deden
elke zes dagen de ronde, rustten één dag in de hut bij den Grijzen
Fuut en één dag in de hut aan het einde van hun gebied. Voor Pierrot
beteekende dit alles zijn gewone werk, den arbeid van velen van zijn
voorgeslacht, voor Nepeese en Baree was dit een vroolijk avontuur, dat
hen geen dag verveelde. Zelfs Pierrot bleef niet geheel ongevoelig voor
hun opgewektheid. Zij was aanstekelijk en drie maanden lang was hij
gelukkiger dan hij geweest was sedert den dag, waarop hij zijn vrouw
begroef.

Het waren prachtige maanden. De pelzen waren dik en het was gestadig
koud, zonder sneeuwstormen. Nepeese droeg niet alleen een pakje op de
schouders, om Pierrot's last te verlichten, maar wende er ook Baree
aan, een paar kleine manden te dragen, die zij vervaardigd had. In deze
manden droeg Baree het aas. Een derde gedeelte van het aantal vallen
bevatte altijd wel, wat Pierrot noemde „kleingoed”: konijnen, uilen,
Vlaamsche gaaien en eekhoorns. Dezen vormden, geplukt of gestroopt, weer
nieuw lokaas voor de volgende vallen.

In het begin van December, toen zij terugkeerden naar den Grijzen
Fuut, bleef Pierrot, die Nepeese eenige passen vooruit was, plotseling
stilstaan en keek naar de sneeuw. Een derde sneeuwschoenspoor had zich
bij het hunne gevoegd en wees in de richting van hun hut. Een halve
minuut lang bleef Pierrot zwijgen en bewoog nauwelijks een spier,
terwijl hij naar den grond staarde. Het spoor kwam regelrecht uit het
Noorden—en daar lag Lac Bain. Het waren groote sneeuwschoenen en
blijkbaar had er een lange man op geloopen. Voor Pierrot iets gezegd
had, had Nepeese al begrepen, waaraan hij dacht.

„M'sieu de agent van Lac Bain!” zeide zij.

Baree snuffelde achterdochtig aan dit vreemde spoor. Zij hoorden hem
onderdrukt grommen en Pierrot's schouders trokken zich samen.

„Ja, de M'sieu,” zeide hij.

Het hart van de Wilg klopte sneller toen zij verder gingen. Zij was niet
bang van Mc Taggart, niet lichamelijk bang tenminste, maar toch rees er
een onrust in haar gemoed, als zij er aan dacht, hem weer te zien bij
den Grijzen Fuut. Waarom was hij daar? Pierrot behoefde geen antwoord
te geven op deze vraag, zelfs al had zij die gesteld. Zij wist het zelf
wel. De agent van Lac Bain had niets in hun hut te maken—hij kwam
alleen om haar te zien. Het bloed brandde haar rood in de wangen, toen
zij weer dacht aan dat oogenblik aan den rand van de kloof, toen hij
haar bijna verpletterd had in zijn armen. Zou hij dat nog eens wagen?
Haar vader, diep verzonken in zijn eigen sombere gedachten, hoorde
nauwelijks den eigenaardigen lach, dien zij plotseling deed hooren.
Baree had opnieuw gegromd. Het was een zacht geluid geweest, maar
schrikaanjagend. Toen zij nog maar een halve mijl van de hut verwijderd
waren, maakte zij de manden van zijn schouders los en droeg ze zelf.
Tien minuten later zagen zij een man hun tegemoet komen.

Het was Mc Taggart niet. Pierrot herkende hem en met een hoorbaren
zucht van verlichting wuifde hij hem toe. Het was De Bar, die zijn
jachtterrein had in het Onvruchtbare Land ten noorden van Lac Bain.
Pierrot kende hem goed. Zij ruilden dikwijls vergiften met elkaar. Zij
waren vrienden en er was blijdschap in hun handdruk.

Daarna staarde De Bar in bewondering naar Nepeese.

„_Tonnerre_, zij is een vrouw geworden!” riep hij en als een ware vrouw
keek Nepeese hem strak aan en de kleur werd donkerder op haar wangen,
toen hij diep voor haar boog, met een hoffelijkheid, dagteekenend uit
vroeger eeuwen.

De Bar liet geen tijd verloren gaan met het uitleggen van het doel
zijner komst en voor zij de hut bereikten, wisten Pierrot en Nepeese,
wat hij bij hen kwam doen. M'sieu de agent van Lac Bain zou over vijf
dagen op reis gaan en hij had De Bar speciaal gezonden om Pierrot te
verzoeken, gedurende zijn afwezigheid den klerk en den halfbloed, die
op het magazijn moest passen, te komen bijstaan. Pierrot vroeg geen
verklaring, in het begin, maar hij dacht na. Waarom had Mc Taggart
juist _hem_ laten halen? Waarom had hij niet iemand uitgekozen, dichter
in zijn eigen buurt? Niet voordat er een flink vuur knapperde in de
plaatijzeren kachel in de hut en Nepeese druk bezig was met het bereiden
van het avondmaal, stelde hij deze vragen aan den vossenjager.

De Bar haalde de schouders op.

„Hij vroeg eerst aan mij, of ik kon blijven. Maar ik heb een vrouw met
zwakke longen, Pierrot. Zij heeft de ziekte opgedaan met de vorst van
verleden jaar en ik durf haar niet lang alleen laten. Hij heeft groot
vertrouwen in jou. Bovendien ken jij alle strikkenzetters, die in de
boeken van de Compagnie staan. Daarom heeft hij een boodschap naar jou
gestuurd en hij zegt, dat je je maar niet moet bekommeren over je eigen
vangst, want dat hij je het dubbele zal betalen van wat je anders zou
krijgen, in den tijd dat je op den Post bent.”

„En—Nepeese?” vroeg Pierrot. „Verwacht M'sieu, dat ik haar mee zal
brengen?”

Bij de kachel boog de Wilg het hoofd om te luisteren en zij haalde
verruimd adem bij De Bar's antwoord.

„Daar heeft hij niets van gezegd. Maar—het zal wel een groote
verandering voor de kleine m'selle wezen.”

Pierrot knikte.

„Misschien, Netootam.”

Zij praatten dien avond niet langer over de zaak. Maar den heelen nacht
bleef Pierrot er over liggen denken en honderd maal vroeg hij zich
hetzelfde af—waarom had Mc Taggart _hem_ juist laten halen? Hij was
niet de eenige man, die de strikkenzetters van de Compagnie goed kende.
Daar had je bijvoorbeeld Wassoon, den halfbloed-Skandinaviër, wiens hut
maar vier uur reizens van den Post was, of Baroche, den witgebaarden
ouden Franschman, die zelfs nog dichterbij woonde en wiens woord even
betrouwbaar was als de Bijbel. Het moest wel zijn, besloot hij ten
laatste, dat M'sieu _hem_ had laten halen, omdat hij, door den vader
van Nepeese te bevoorrechten, de vriendschap van Nepeese zelf dacht
te winnen. Want ongetwijfeld was het als een groot eerbewijs voor hem
bedoeld. En toch, op den bodem van zijn hart leefde nog achterdocht.

Toen De Bar den volgenden morgen afscheid nam, zeide Pierrot:

„Zeg maar aan M'sieu, dat ik overmorgen naar Lac Bain vertrek.”

Nadat De Bar vertrokken was, zeide Pierrot tot Nepeese:

„En jij moet hier blijven, _ma chérie_. Ik neem je niet mee naar Lac
Bain. Ik heb een droom gehad, dat M'sieu niet op reis gaat, maar dat
hij gelogen heeft en dat hij _ongesteld_ zal zijn als ik op den Post
aankom. En toch, als je soms graag mee wilt—”

Nepeese richtte zich plotseling rechtop, zooals een riet, dat door den
wind gegrepen is.

„Neen,” riep zij, zoo heftig, dat Pierrot lachte en zich in de handen
wreef.

Zoo gebeurde het, dat twee dagen na het bezoek van den vossenjager
Pierrot naar Lac Bain reisde en Nepeese hem aan de deur bleef nawuiven
tot hij uit het gezicht was.

Op den morgen van dienzelfden dag stond Mc Taggart op, toen het nog
geheel donker was. De tijd was gekomen, het uur en de dag, waarop hij
gewacht en gerekend had, en dien heelen nacht had hij de oogen niet
geloken in slaap. Twintig maal had hij het mooie portretje van Nepeese
in den gloed der lamp gehouden en telkens had het gezicht er van gewerkt
als olie op vlammen. Al de krachten van zijn natuur waren versmolten in
één grooten hartstocht en lang en zorgvuldig had hij aan de vervulling
daarvan gewerkt. Hij had geaarzeld voor een moord—voor een uit den
weg ruimen van Pierrot en hij had er iets beters op bedacht. Nepeese
kon hem op die manier niet ontsnappen. Hij zou haar alleen aantreffen,
hulpeloos en volkomen in zijn macht. En daarna—hij lachte en balde zijn
groote handen in opwinding. Ja—daarna—zou Nepeese gewillig zijn vrouw
worden. Zij zou niet willen, dat zij bij de bewoners van de wildernis
bekend werd als _La Bête Noire_. Neen! Zij zou uit vrije beweging tot
hem komen. En Pierrot zou er nooit achter komen, wat er in de hut was
voorgevallen, want zou Nepeese hem dàt vertellen? Het was een prachtig
plan, zoo gemakkelijk uit te voeren en de uitslag zoo onafwendbaar in
zijn voordeel. En Pierrot zou al dien tijd in de meening verkeeren, dat
hij weg was, op een zending naar het Oosten!

Hij gebruikte zijn ontbijt en ging op weg, toen het nog niet heelemaal
licht was. Met opzet hield hij oostwaarts, zoodat Pierrot, uit het
zuidwesten komend, de sporen van zijn slede niet ontdekken zou. Want hij
wilde er zeker van zijn, dat Pierrot het nooit te weten kon komen en
zelfs geen vermoeden had; al kostte het hem nog zooveel mijlen, hij zou
dezen omweg maken en den Grijzen Fuut pas den tweeden dag bereiken. Het
was misschien ook maar beter, een dag later te komen, daar het mogelijk
was, dat Pierrot opgehouden was. Daarom deed hij geen poging om snel te
reizen. Hij genoot al van tevoren van de voldoening, die hij smaken zou.
Hij liep geen kans, teleurgesteld te worden. Hij was er van overtuigd,
dat Nepeese haar vader niet vergezeld had op zijn reis naar Lac Bain.
Zij zou in de hut bij den Grijzen Fuut zijn—en alleen. Zijn gelaat werd
donkerder rood, telkens wanneer hij daaraan dacht.

De eenzaamheid wekte bij Nepeese geen gedachte aan gevaar op. Er waren
nu tijden, dat het denkbeeld, alleen te zijn, aantrekkelijk voor haar
was; dat zij verlangde, te kunnen droomen, ongestoord, dat zij zich
visioenen voorstelde, in welker geheimzinnigheid zij zelfs Pierrot
niet in kon wijden. Zij was bezig op te groeien tot een vrouw—zij
was nog maar een bloem in knop—nog maar een meisje, met het zachte
fluweel der maagdelijkheid in de oogen, maar het geheim der ontwakende
vrouwelijkheid beroerde reeds zacht haar ziel, alsof de Groote Hand
aarzelde en niet goed wist, of zij haar zou wekken of nog wat langer
laten sluimeren. Bij zulke gelegenheden, als zij een paar uur voor
zichzelf wist te ontfutselen, trok zij haar roode japon aan en kapte
haar prachtige haar volgens de aanwijzingen der tijdschriften, die
Pierrot tweemaal 's jaars uit Nelson House werden toegezonden. Den
tweeden dag van Pierrot's afwezigheid kleedde zij zich weer zoo, maar
nu liet zij heur haar los om zich heen golven, in glanzenden tooi en om
haar voorhoofd bond zij een rood lint. Maar hiermee was zij nog niet
klaar. Vandaag had zij heerlijke plannen. Tegen den muur, vlak bij den
spiegel, had zij een groote plaat geprikt uit een modeblad en op deze
plaat prijkte een allerliefst kopje, vol krullen. Er onder stond de naam
„Mary Pickford”. Vijftienhonderd mijlen ten noorden van het zonnige
Californische atelier, waarin de fotografie genomen was, worstelde
Nepeese met pruilende lippen en gerimpeld voorhoofd om het kunststuk
van „kleine Mary's” krullenkapsel te volbrengen!

Zij keek in haar spiegel, haar wangen gloeiden en haar oogen schitterden
in de opwinding, om een van de zoo vurig verlangde krulletjes te maken,
toen de deur achter haar geopend werd en Bush Mc Taggart naar binnen
stapte.



XIX.

Een vergeefsche worsteling.


De Wilg stond met haar rug naar de deur, toen de agent van Lac Bain de
hut binnentrad en het eerste oogenblik keerde zij zich niet om. Haar
eerste gedachte was aan haar vader. Om de een of andere reden was hij
zeker teruggekeerd, maar terwijl deze gedachte nog nauwelijks bij haar
was opgekomen, hoorde zij een woesten snauw in Baree's strot, die haar
op deed schrikken en naar de deur kijken.

Mc Taggart was niet onvoorbereid binnengetreden. Hij had zijn bagage,
zijn geweer en zijn zware overjas buiten gelaten. Hij stond nu tegen de
deur geleund en staarde naar Nepeese—in het mooie rood van haar japon
en haar golvende lokken—alsof hij verstomd was van verbazing over dit
schouwspel. Het Noodlot, of het toeval, was ditmaal tegen Nepeese. Als
er maar een sprankje sluimerende ridderlijkheid of zelfs barmhartigheid
in Mc Taggart's ziel was overgebleven, werd het gedoofd door wat hij nu
zag. Nooit was Nepeese mooier geweest, zij was zelfs nog bekoorlijker
dan op dien dag, dat Mac Donald, de kaartenmaker, haar portret genomen
had. Het was de manier, waarop het zonlicht, door het venster naar
binnen stroomend, haar prachtig haar bescheen, zoodat haar blozend
gelaat in die donkere omlijsting een getinte camee geleek, die hem een
tijdlang den adem deed inhouden van bewondering. Hij had droomen gehad.
In de begeerte van zijn brute natuur had hij zich Nepeese afgeschilderd
in al de liefelijkheid, die een door hartstocht bewogen verbeelding aan
de werkelijkheid kon toevoegen. Maar hij had zich niets kunnen droomen,
dat geleek op dit wezentje, zooals het daar vóór hem stond, de oogen
wijd opengesperd van angst en met een blos, die van haar gelaat week,
terwijl hij naar haar keek. Het duurde niet lang, dat hun oogen op
elkander bleven rusten in deze verschrikkelijke stilte—verschrikkelijk
voor het meisje. Woorden waren overbodig. Eindelijk en ten laatste
begreep zij het—begreep, welk gevaar zij geloopen had, dien dag aan den
rand der kloof—toen zij zonder argwaan den spot gedreven had met de
bedreiging, die daar nu weer tegenover haar stond. Zij stond te lezen op
Mc Taggart's gelaat, onbeschrijfelijk—in de afschuwelijke, opvlammende
vreugde in zijn oogen, de glinstering van zijn brokkelige tanden, het
roode bloed, dat hem naar het gelaat steeg, terwijl hij naar haar keek.
In een oogwenk had zij de waarheid begrepen. Het was een poets, die hij
haar gespeeld had—en Pierrot was weg.

Een zucht, die wel een snik geleek, kwam van haar lippen.

„M'sieu!” trachtte zij te zeggen. Maar er kwam slechts een gehijg voort,
een poging. Zij dacht te zullen stikken.

Duidelijk hoorde zij de bout van den ijzeren grendel, waarmede hij de
deur sloot. Mc Taggart deed een stap naar voren.

Het was maar één stap. Baree was op den grond blijven liggen,
onbeweeglijk als een steenen beeld. Hij had zich niet verroerd. Hij
had, na dat waarschuwende gegrom geen geluid gegeven—totdat Mc Taggart
dien stap deed. En toen, snel als het weerlicht, was hij opgesprongen
en stond vóór Nepeese; alle haren stonden hem recht overeind en bij het
woedende grommen, dat hij hooren deed, leunde Mc Taggart achterover
tegen de gegrendelde deur. Een woord van Nepeese en het zou bedaard
zijn. Maar er ging een oogenblik verloren—voor zij een kreet uitte. In
dat oogenblik werkten de hand en de geest van een man onbegrijpelijk
snel en terwijl Baree Mc Taggart naar de keel sprong, kwam er een
vuurstraal en een oorverdoovende uitbarsting, bijna in de oogen van de
Wilg. Het schot was lukraak geweest, een schot van de heup af met Mc
Taggart's automatisch pistool. Baree viel, voor hij zijn doel bereikte.
Hij kwam met een bons op den vloer terecht en rolde daarna tegen den
muur aan. Er was geen beweging meer in hem te zien. Mc Taggart lachte
zenuwachtig, terwijl hij het pistool weer in den holster schoof. Hij
wist, dat alleen een schot in de hersens deze uitwerking kon hebben.

Met haar rug tegen den verst verwijderden muur, stond Nepeese af te
wachten. Mc Taggart kon haar hijgende ademhaling hooren. Hij naderde
haar halfweg het vertrek.

„Nepeese, ik ben gekomen om je tot mijn vrouw te maken,” zeide hij.

Zij antwoordde niet. Hij kon zien, dat zij bijna stikte van benauwdheid.
Zij bracht haar hand aan haar keel. Hij deed nog twee stappen in haar
richting en bleef toen staan. Hij had nooit zulke oogen gezien—neen,
zelfs niet als hij had toegekeken bij andere gemartelde vrouwen—nooit
had hij zulk een ontzettenden schrik gezien, bij leven of dood. En het
was niet alleen schrik. Er stond nog iets anders in die oogen te lezen,
iets dat hem aan de plaats geboeid hield en hij zeide opnieuw:

„Ik ben gekomen om je tot mijn vrouw te maken, Nepeese. Hier, op deze
plaats,—vandaag nog, vanavond—en morgen ga je met me mee naar Nelson
House en dan naar Lac Bain—voor altijd”. Hij voegde er deze laatste
woorden aan toe als een nagedachte. „Voor altijd”, herhaalde hij. „Ik
bedoel niet, zooals Marie. Die is teruggegaan naar haar eigen stam.”

Mc Taggart nam geen blad voor den mond. Zijn moed en vastberadenheid
groeiden aan, toen hij haar tegen den muur zag aanvallen. Zij was
machteloos. Zij was de zijne. Waarom nu nog woorden te verspillen?—hij
had haar aan het verstand gebracht, dat zij hem toebehooren zou—voor
immer. Het kookte in zijn hersens toen hij op haar toetrad om haar
in zijn armen te nemen, zooals hij haar aan den rand van de kloof in
zijn armen genomen had. Er was geen ontsnappen mogelijk. Pierrot was
vertrokken. Baree was dood. Zij waren alleen en de deur was op slot.

Hij had niet gedacht, dat eenig levend wezen zich zóó snel kon bewegen
als de Wilg deed, toen hij de armen naar haar uitstrekte. Zij gaf geen
geluid, toen zij onder een van zijn armen doordook. Hij greep naar
haar, met kracht, en zijn vingers pakten in heur haar. Hij hoorde het
afknappen, toen zij zich vrij maakte en naar de deur vloog. Zij had
den grendel al weggeschoven, toen hij haar bereikte en met zijn armen
omvatte. Hij sleepte haar terug en nu begon zij te schreeuwen—zij riep
in haar wanhoop om haar vader, om Baree, om een wonder van God, dat haar
zou kunnen redden. En zij vocht. Zij wrong zich in zijn armen, tot zij
hem in het gezicht zag. En hoe meer zij vocht, hoe meer zij hem in het
gelaat sloeg en krabde, hoe sterker haar zijn ruwe armen klemden, totdat
zij het gevoel kreeg of haar rug zou breken. Zij kon niet meer zien. Zij
werd half verstikt in de massa van heur haar. Het bedekte haar gelaat en
borst en bovenlichaam, haar handen en armen verwarden er zich in, maar
toch bleef zij worstelen. In deze worsteling struikelde Mc Taggart over
Baree en zij vielen op den grond. Nepeese was volle vijf sekonden eerder
op dan de man. Zij zou de deur hebben kunnen bereiken. Maar opnieuw was
het heur haar, dat een beletsel werd. Zij bleef stilstaan om het naar
achteren te werpen, opdat zij zou kunnen zien en Mc Taggart was eerder
bij de deur dan zij.

Hij grendelde deze niet meer, maar stond tegenover haar. Zijn gelaat
was vol krabbels en bloedde. Hij was geen man meer, maar een duivel.
Nepeese was geheel gebroken—een zacht snikken vermengde zich met haar
ademhaling. Zij bukte en raapte een stuk hout op. Mc Taggart kon zien,
dat haar krachten bijna uitgeput waren. Zij omklemde den stok, toen hij
haar opnieuw naderde. Maar Mc Taggart had alle bezinning verloren. Hij
had haar tegen zich aan voelen hijgen en worstelen en alle menschelijke
gevoelens vereenigden zich in hem tot een woest verlangen, haar te
bezitten. Hij besprong haar als een dier. Het stuk hout viel op den
grond. En weer was het Lot tegen het meisje. In haar ontzetting en
wanhoop had zij den eersten den besten stok opgeraapt—een dun stuk
brandhout. Met haar laatste krachten sloeg zij hiermee naar Mc Taggart.
Hij deinsde even achteruit, toen de slag op zijn hoofd neerkwam, maar
liet haar niet los. Voor zij opnieuw kon toeslaan, had hij haar weer in
de schroef van zijn armen gekneld. Zij gaf een schreeuw van pijn en de
stok vloog over zijn schouder heen, het vertrek door.

Vruchteloos vocht zij nog met hem—niet langer om hem te slaan of te
ontsnappen—maar om haar adem te herkrijgen. Zij trachtte wederom te
schreeuwen, maar ditmaal kwam er geen geluid over haar hijgende lippen.
Enger en enger omsloten zijn armen haar. Zij waren vreeselijk, die
armen, en als een bliksemstraal schoot Nepeese de herinnering te binnen
aan dien dag, toen zij bijna bedolven was onder die groote rots. Het
was een zonderlinge gedachte om op dit oogenblik te krijgen—maar zij
kreeg haar nu eenmaal—en Mc Taggart's armen drukten erger dan de rots!
Zij verpletterden haar! Haar rug brak er van! En zij leunde slap tegen
Mc Taggart's borst. Met een uitzinnigen triomfkreet liet hij haar los
en zij viel achterover in zijn armen, haar lange haren sleepten over
den vloer. Haar oogen waren nog half open. Zij had niet geheel het
bewustzijn verloren, maar was volkomen hulpeloos.

Hij lachte weer en terwijl hij lachte, hoorde hij de deur open gaan.
Deed de wind dit? Hij keerde zich om, haar nog steeds in zijn armen
houdend.

In de open deur stond Pierrot.



XX.

Nepeese doet haar keus.


Het korte tijdsverloop, dat nu volgde, kort, gemeten volgens den
harteklop van den mensch, scheen in de hut bij den Grijzen Fuut een
eeuwigheid te duren, een eeuwigheid, die soms tusschen leven en dood
schijnt te liggen.

Pierrot bewoog zich niet, in de deur staande. Mc Taggart, met
het volle gewicht van Nepeese in zijn armen, staarde Pierrot aan,
eveneens bewegingloos. Maar de oogen van de Wilg werden geopend. Een
stuiptrekking ging door Baree, die nog steeds tegen den muur lag. Men
hoorde geen enkele ademhaling. En toen klonk er door die stilte een
hijgende snik van Nepeese.

En dit scheen Pierrot tot het leven terug te doen keeren. Evenals Mc
Taggart had hij zijn jas en wanten buiten gelaten. Hij sprak en zijn
stem geleek niet op die van Pierrot. Het was een vreemd geluid, dat hij
voortbracht.

„De Groote God heeft me bijtijds terug doen keeren, m'sieu,” zeide hij.
„Ik ben ook in oostelijke richting gereisd en zag uw spoor hierheen
leiden.”

Neen, dit geleek niets op Pierrot's stem! Mc Taggart ontzette er van,
thans, en langzaam liet hij Nepeese los. Zij viel op den grond. Langzaam
nam hij een strakke houding aan.

„Is het niet waar, m'sieu?” vroeg Pierrot opnieuw. „Ik ben nog op tijd?”

Welke macht was het—welke groote vrees wellicht, dreef Mc Taggart er
toe, te knikken en met zijn dikke lippen heesch de woorden: „Ja, op
tijd,” te vormen?

En toch was het geen vrees. Het was iets grooters, iets almachtigers
dan dat. En Pierrot zeide, met dezelfde zonderlinge stem: „Ik dank den
Grooten God!”

De oogen van een razenden man ontmoetten die van een anderen razende.
De Dood was tusschen hen. Beiden zagen het. Beiden dachten, dat zij de
richting zagen, waarin zijn beenige vinger wees. Beiden waren er zeker
van. Mc Taggart's hand dwaalde niet naar het pistool in zijn holster
en Pierrot raakte niet aan het mes in zijn gordel. Toen zij aanvielen,
vlogen zij elkander naar de keel, er waren twee beesten, in plaats van
één, want Pierrot had nu de kracht en de woede in zich van den wolf, de
kat en den panter.

Mc Taggart was de grootste en zwaarste van de twee mannen, een reus van
kracht, maar toch werd hij bij Pierrot's eersten woesten uitval tegen
de tafel aangeworpen en kwam met een smak op den vloer terecht. Hij had
meermalen in zijn leven gevochten, maar hij had nooit een greep aan
zijn keel gevoeld als de greep van Pierrot's handen. Zij persten bijna
dadelijk alle leven uit hem. Zijn nek kraakte—als het nog wat langer
duurde zou hij breken. Hij sloeg in den wilde naar Pierrot en wrong
zich, om het gewicht van den halfbloed van zich af te krijgen. Maar
Pierrot had zich aan hem vastgeklemd, zooals Sekoosew, de hermelijn,
zich aan de keelader van den patrijs had vastgeklemd en Bush Mc
Taggart's mond werd langzaam geopend en zijn gelaatskleur ging van rood
in paars over.

Koude lucht, die door de open deur naar binnen stroomde, Pierrot's stem
en het lawaai van het gevecht hadden Nepeese tot haar bewustzijn terug
doen keeren en haar de macht gegeven, van den grond op te staan. Zij was
vlak bij Baree neergevallen en toen zij haar hoofd oprichtte, rustten
haar oogen een moment op den hond, voor zij zich naar de vechtende
mannen wendden. _Baree was nog levend!_ Er gingen stuiptrekkingen door
zijn lijf, zijn oogen waren geopend, hij deed een poging, zijn kop op te
heffen, terwijl zij naar hem keek.

Toen scharrelde zij overeind, op haar knieën en keek naar de mannen en
Pierrot moest zelfs, te midden van zijn bloedroode woede om te dooden,
den scherpen vreugdekreet gehoord hebben, dien zij uitte, toen zij
ontdekte, dat de agent van Lac Bain onder lag. Met geweldige inspanning
wist zij geheel op te staan en eenige oogenblikken stond zij zoo, in
wankelende houding, terwijl zij haar best deed, haar lichaam en geest
meester te worden. Juist terwijl zij keek naar het zwartblauwe gelaat,
waaruit Pierrot's vingers het leven knepen, tastte Mc Taggart's hand
in den blinde naar zijn pistool. En hij vond het. Zonder dat Pierrot
het zag, trok hij het uit zijn holster. Een der zwarte duivels van
het noodlot begunstigde hem weer, want in zijn opwinding had hij, na
het schot op Baree, den haan niet in de rust gezet. Hij had nog juist
kracht genoeg, den trekker over te halen. Twee keer trok hij. Twee keer
ontstond er een doodelijke ontploffing, vlak bij Pierrot's lichaam.

Aan Pierrot's gelaat zag Nepeese wat er gebeurd was. Haar hart stond
stil van ontzetting, toen zij de snelle en vreeselijke verandering
gadesloeg, daar door plotselingen dood op teweeg gebracht. Langzaam
verstijfde Pierrot's houding. Zijn oogen stonden wijd geopend en strak.
Hij gaf geen geluid. Zij kon zijn lippen niet zien bewegen. En toen
viel hij naast haar neer, zoodat Mc Taggart's lichaam van hem bevrijd
werd. Blindelings en met een smart, die te hevig was voor woord of
kreet, wierp zij zich naast hem neer. Hij was dood. Hoe lang zij daar
lag, hoe lang zij wachtte tot hij zich weer zou bewegen, zijn oogen
openen, ademen, zou zij nooit weten. In dien tusschentijd was Mc
Taggart opgestaan en stond tegen den muur geleund, met het pistool in
zijn hand, zijn verdooving was aan het verdwijnen, zijn hartstochten
herleefden, toen hij zijn overwinning begreep. Wat hij gedaan had, deed
hem niet ontstellen. Zelfs in dit tragisch oogenblik, terwijl hij daar
tegen den muur leunde, maakte hij zijn verdediging—zoo hij er ooit
een noodig mocht hebben—al gereed. Pierrot, de halfbloed, had hem met
moordlustige plannen aangevallen—zonder reden. Uit zelfverdediging had
hij hem daarop gedood. Hij was immers handelsagent te Lac Bain? Zouden
de Compagnie en de Wet niet meer geloof slaan aan zijn woord dan aan
dat van het meisje? De oude opwinding maakte zich weer van hem meester.
Het zou nooit zoover komen—tot een verraden van de aanleiding tot de
worsteling en dood in deze hut—nadat hij met haar had afgerekend! Zij
zou niet voor altijd bekend willen zijn als _La Bête Noire_. Neen, zij
zouden Pierrot begraven en daarna zou zij met hem mee teruggaan naar
Lac Bain. Als zij tevoren al hulpeloos geweest was, nu was zij nog
tienmaal hulpeloozer. Zij zou nooit spreken over wat er in de hut was
voorgevallen, nadat hij met haar had afgerekend!

Hij vergat de aanwezigheid van den dood, toen hij naar haar keek, zooals
zij daar over haar vader heen gebogen lag, terwijl heur haar hem bedekte
als een zijden lijkwade. Hij stak het pistool weer in zijn holster
en haalde diep adem. Hij stond nog wat onvast op zijn beenen, maar op
zijn gelaat lag weer een duivelsche uitdrukking. Hij deed een stap naar
voren en toen hoorde het meisje een geluid, dat haar deed opschrikken.
In de schaduw van den muur was Baree overeind gekrabbeld, en nu gromde
hij. Langzaam lichtte Nepeese het hoofd op. Een macht, die zij niet
weerstreven kon, dreef haar er toe, de oogen op te slaan en Bush Mc
Taggart aan te zien. Zij had bijna het feit, dat hij tegenwoordig was,
vergeten, haar zintuigen waren verdoofd en het was alsof haar eigen
hart had opgehouden te kloppen, gelijktijdig met dat van Pierrot. Maar
wat zij las op het gelaat van den agent, deed haar ontwaken uit de
verdooving van haar verdriet en den omvang van het gevaar begrijpen,
dat zij zelf liep. Hij stond over haar heen gebogen. Op zijn gelaat
stond geen medelijden te lezen, geen grijntje afschuw over wat hij
gedaan had—alleen een krankzinnige opwinding bij het kijken, niet naar
Pierrot's lijk, maar naar _haar_. Hij strekte zijn hand uit en liet die
rusten op haar hoofd. Zij voelde zijn grove vingers woelen in heur haar
en zijn oogen gloeiden als vonken, onder een vochtig waas. Zijn vingers
openden en sloten zich, zij kon zijn adem hooren, toen hij zich dieper
naar haar overboog en zij worstelde om op te rijzen—maar hij hield haar
neergedrukt.

„Groote God!” hijgde zij.

Zij gaf geen ander geluid, uitte geen bede om genade, het was enkel
een droge, hopelooze snik. Op dit oogenblik zagen noch hoorden zij
Baree. Tweemaal, terwijl hij den vloer der hut overstak, hadden zijn
achterpooten hem begeven. Nu was hij dicht bij Mc Taggart. Hij verlangde
een enkelen sprong te nemen op den rug van den bruut en zijn dikke keel
kapot te knauwen, zooals hij een kariboe-been gekraakt zou hebben. Maar
hij had geen kracht daartoe. Hij was nog gedeeltelijk verlamd, zijn
achterlijf tenminste. Maar zijn kaken waren als van ijzer en zij sloten
zich woest om Mc Taggart's been. Met een gil van pijn liet de agent de
Wilg los en zij strompelde overeind. Een kostbare halve minuut lang was
zij van hem verlost en terwijl de agent schopte en stompte om zich van
Baree te bevrijden, rende zij de deur der hut uit en kwam in het volle
daglicht. De koude lucht sneed in haar gelaat en vulde haar longen met
nieuwe kracht en zonder nog recht te weten, waar zij redding zou vinden,
rende zij door de sneeuw het bosch in.

Mc Taggart verscheen aan de deur, nog juist intijds om haar te zien
verdwijnen. Zijn been was opengereten op de plaats waar Baree zijn
tanden gezet had, maar hij voelde geen pijn, toen hij het meisje
achterna zette. Zij kon niet ver meer gaan. Een opgewonden kreet,
onmenschelijk, kwam uit zijn naar adem snakkenden mond, toen hij zag,
dat zij van zwakte wankelde onder het loopen. Hij was halverwege den
zoom van het bosch toen Baree zich over den drempel sleepte. Zijn bek
bloedde, daar Mc Taggart hem verscheidene malen geschopt had, voor hij
zijn been had weten te bevrijden. Tusschen zijn ooren was een gezengde
plek, alsof er een roodgloeiende pook tegenaan was gehouden. Hier was
Mc Taggart's kogel langs gegaan. Een halven centimeter dieper en hij
zou dood geweest zijn. Maar nu had hij het gevoel gehad, alsof hij
een geweldigen slag met een knuppel gehad had, die hem verdoofd en
machteloos tegen den muur geworpen had. Hij kon nu weer loopen zonder te
vallen en langzaam volgde hij het voetspoor van den man en het meisje.

Terwijl zij vluchtte, wist Nepeese, dat zij geen genade te wachten had.
Er bleven haar nog slechts eenige minuten—sekonden wellicht—en haar
geest werd plotseling helder en zij kon weer overleg plegen. Zij sloeg
het nauwe pad in, waarlangs Mc Taggart haar al eens eerder gevolgd
had, maar vlak voordat zij de kloof bereikte, zwenkte zij scherp naar
rechts. Zij kon Mc Taggart zien. Hij liep niet hard, maar won toch
voortdurend op haar, alsof hij zich vermeide in het aanschouwen van
haar hulpeloosheid, zooals hij zich daar vroeger op een andere wijze
in verlustigd had. Tweehonderd meter verder dan de diepe poel, waarin
zij den agent indertijd geduwd had,—vlak achter de zandbank, waarop
hij zich toen in veiligheid had weten te brengen, was het begin van
de Blauwe Veer Kolk. Een verbijsterende gedachte vormde zich in haar
brein en werd met elke nieuwe hijgende ademhaling, die zij uitstiet, tot
een grootere en heerlijke hoop. Eindelijk bereikte zij de kolk en keek
naar beneden. En terwijl zij dit deed, welde er uit haar ziel naar haar
trillende lippen de Zwanenzang van haar moeder's stam:

    _Onze vaders—komt!
    Komt uit de vallei.
    Geleidt ons, want heden sterven wij.
    En de winden fluisteren van den dood._

Zij had de armen opgeheven. Tegen de witte verlatenheid achter zich stak
zij af, lang en tenger, heur haar reikend tot aan de knieën, glansde
in het zonlicht. Vijftig meter achter haar bleef de agent van Lac Bain
plotseling stilstaan. „God!” fluisterde hij. „Is zij niet prachtig?” En
achter hem aan, sneller en sneller loopend, kwam Baree.

Opnieuw keek de Wilg omlaag. Zij stond aan den rand van den afgrond,
want zij kende geen vrees in deze ure. Meermalen had zij haars vaders
hand vastgegrepen, als zij over den rand in de diepte keek, want wie
daarin viel, kon er onmogelijk het leven afbrengen. Vijftig voet beneden
haar klotste het water, dat nimmer bevroor, zich tot schuim tusschen de
rotsen. Het was diep en zwart en afschuwwekkend, want tusschen de nauwe
rotswanden kon geen enkele zonnestraal het bereiken. Het geraas er van
dreunde in de ooren van de Wilg.

Zij keerde zich om en wachtte Mc Taggart af.

Zelfs toen giste hij nog niet wat zij van plan was, maar kwam weer naar
haar toe, zijn armen uitstrekkend, alsof hij haar lichaam er al mee kon
omvatten. Vijftig meter! Dat was niet veel en de afstand minderde snel.

De lippen van de Wilg bewogen zich nog eens. Het is de ziel van onze
moeder, die ons vertrouwen schenkt, wanneer wij de eeuwigheid ingaan,
zelfs al is zij heidensch, en het was de geest van haar moeder, dien
Nepeese aanriep in dit uur des doods. Met dezen Roep op de lippen
stortte zij zich in den afgrond, terwijl haar fladderende haren een
glinsterende lijkwade vormden.



XXI.

Alleen!


Een oogenblik later stond de agent van Lac Bain aan den rand van de
kloof. Hij had een heesch gebrul voortgebracht—een woesten kreet
van ongeloovigheid en afgrijzen, die Nepeese's naam vormde, toen zij
verdween. Hij keek naar beneden, zijn groote roode handen in elkaar
klemmend en staarde, bleek van onzekerheid, naar het kokende water en de
zwarte rotsen in de diepte. Er was niets te zien, geen enkele aanduiding
waar zij verdwenen was in het witte schuim. En zij was _daartoe_
overgegaan—om zich voor hem te redden!

De ziel van den bruut werd er door geschokt, zoo zelfs, dat hij
achteruit deinsde, met beneveld oog en wankelend op zijn beenen.
Hij had Pierrot vermoord en dit was een triomf geweest; zijn heele
leven lang had hij de rol van wreedaard gespeeld, zonder eenige
gewetenswroeging—en nooit was hij zoo door zijn gevoel overweldigd; het
scheen hem op de plaats te verlammen. Hij zag Baree niet. Hij hoorde
niet het gejank van den hond aan den rand van den afgrond. Een paar
oogenblikken scheen de wereld voor hem in zwart gehuld en toen, zich
herstellend van zijn verbijstering, begon hij zenuwachtig langs den rand
van de kolk te loopen, overal rondkijkend of hij ook maar een glimp van
haar kon ontdekken. Eindelijk begon hij de hoop op te geven. Zij was
weg, voor goed,—en zij had dat gedaan om aan hem te ontsnappen!

Hij mompelde dit telkens weer in zichzelf, stom weg, met een dikke tong,
alsof zijn trage hersens buiten dit feit niets meer bevatten konden.
Zij was dood. En Pierrot was ook dood. En _hij_ had dit alles in eenige
minuten bewerkt.

Hij keerde terug naar de hut—niet het pad nemend, waarlangs hij
Nepeese vervolgd had, maar recht door het dichte struikgewas. Groote
sneeuwvlokken waren beginnen te vallen. Hij keek op naar de lucht;
uit het Zuidoosten kwamen donkere wolken aandrijven. De zon werd
onzichtbaar. Er was een storm op til—een zware sneeuwstorm. De groote
vlokken, neerdalend op zijn bloote handen en gezicht, brachten hem weer
aan het denken. Deze sneeuwstorm was een goed ding voor hem. Hij zou
alles bedekken, zelfs de versche voetsporen en het graf, dat hij voor
Pierrot zou delven. Een man van zijn karakter had niet veel tijd noodig
om zich te herstellen van een geestelijken schok. Toen hij de hut in
't gezicht kreeg, was zijn geest weer aan het werk—om uit te maken,
wat er in de tegenwoordige omstandigheden gedaan moest worden. Het
vreeselijkste van alles was niet, dat Pierrot en Nepeese beiden dood
waren, maar dat zijn droom, de verwachtingen, die hij gekoesterd had,
verstoord waren. Het deed hem geen verdriet, dat Nepeese dood was, maar
dat _hij_ haar verloren had. Dit was zijn bitterste teleurstelling. Over
de rest—zijn misdaad—zou hij wel gauw heen komen.

Het was geen weekhartigheid, die hem er toe bracht, Pierrot's graf vlak
naast dat van zijn vrouw te maken. Dàt hij een graf voor hem groef, was
louter uit voorzichtigheid, niet uit edeler gevoelens. Hij gaf Pierrot
een fatsoenlijke begrafenis, zooals de eene blanke man die een anderen
bereidt.

Daarna goot hij Pierrot's petroleumvoorraad uit op de plaatsen, waar
hij er het meeste nut van zou hebben en bracht er een lucifer bij. Hij
bleef aan den zoom van het bosch staan tot de hut niet meer was dan een
vlammenmassa. De sneeuw viel dicht. Het versch-gegraven graf vormde een
wit heuveltje en ook de paden zagen al wit. Voor zijn waarneembare daden
gevoelde Mc Taggart geen vrees, terwijl hij naar Lac Bain terugkeerde.
Niemand zou ooit het graf van Pierrot Du Quesne openen. En als zulk
een wonder al gebeurde, zou niemand hem kunnen verraden. Maar van één
herinnering zou zijn zwarte ziel zich nooit kunnen bevrijden. Altijd zou
hij het bleeke gelaat van de Wilg voor zich zien, zooals zij hem in haar
oogenblik van triomf had aangezien, den dood verkiezend boven hem, toen
hij had uitgeroepen: „God, is zij niet prachtig!”

Zooals Bush Mc Taggart Baree vergeten had, zoo had Baree ook hem
vergeten. Terwijl Mc Taggart langs den rand van den afgrond liep, was
Baree op de plek gebleven waar Nepeese het laatst gestaan had, zijn
voorpooten schrap zettend, terwijl hij in de diepte keek. Hij had haar
den sprong zien doen.

Dezen zomer had hij haar meermalen gevolgd op haar moedig duiken in het
diepe, kalme water van den poel. Maar dit was een ontzaglijke afstand.
Op een dergelijke plaats was zij nog nooit gedoken. Hij kon de zwarte
toppen van de rotsen zien, verschijnend en weer verdwijnend in het
klotsende schuim, als zeemonsters, die aan het spelen zijn; het geraas
van het water dreunde in zijn ooren; hij zag verbrokkeld ijs snel
voortglijden tusschen de rotswanden. En zij was daarin gesprongen.

Hij gevoelde een groot verlangen, haar te volgen, haar na te springen,
zooals hij haar altijd nagesprongen was. Zij was stellig daar beneden,
al kon hij haar niet zien. Misschien speelde zij wel tusschen de rotsen
en verstopte zich onder het witte schuim, zich afvragend waarom hij niet
kwam. Maar hij aarzelde—aarzelde, met kop en nek over den rand van den
afgrond, terwijl zijn voorpooten wat meegaven in de sneeuw. Krachtig
drong hij zich weer achteruit en jankte. Hij rook den verschen reuk van
Mc Taggart's mocassins in de sneeuw en het janken veranderde langzaam
in een langen, woedenden grauw. Hij keek weer over den rand. Nog steeds
kon hij haar niet zien. Hij blafte—het korte, scherpe signaal, waarmee
hij gewoon was haar te roepen. Geen antwoord. Hij blafte nog eens en nog
eens en altijd was het eenige geluid, dat hem antwoordde, het geraas van
het water. Daarna bleef hij eenige oogenblikken stilstaan en luisterde,
terwijl zijn lijf sidderde door den vreemden angst, die hem bekroop.

De sneeuw viel nog steeds en Mc Taggart was naar de hut teruggekeerd.
Na een poosje begon Baree het voetspoor van den man te volgen langs
den afgrond, en waar Mc Taggart stil was blijven staan, om over den
rand te kijken, hield Baree ook even op. Een tijdlang werd zijn haat
onderdrukt door het verlangen, de Wilg te vinden en hij bleef langs
het water voortgaan tot op een kwart mijl waar de agent het laatst was
blijven staan; toen kwam hij aan een nauw paadje, waar Nepeese en hij
dikwijls op zoek geweest waren naar boschviooltjes. Het kronkelende
paadje, dat naar de rots leidde, was geheel volgesneeuwd, maar Baree
baande er zich een weg door, tot hij ten laatste bij het nog onbevroren
stroompje stond. En Nepeese was hier evenmin. Hij jankte en blafte
opnieuw, maar ditmaal was er een ongeruste klank in zijn roep aan haar,
alsof hij wel verwachtte, geen antwoord te krijgen. Daarna bleef hij
wel vijf minuten lang in de sneeuw zitten, onbeweeglijk als een rots.
Wat er uit de sombere geheimzinnigheid van het water tot hem kwam,
welk geestgefluister der natuur hem de waarheid deed begrijpen, blijft
onverklaarbaar. Maar hij bleef luisteren en toekijken en zijn spieren
bewogen zich krampachtig, terwijl het begrip van de waarheid in hem
groeide; en ten laatste hief hij langzaam den kop op, totdat zijn zwarte
snoet naar den hemel wees, waaruit nog steeds een gordijn van sneeuw
zakte en uit zijn strot kwam het jammerende, langgerekte gehuil, dat de
hond in de wildernis aanheft, buiten de tent, waarin zijn pas gestorven
meester ligt.

Mc Taggart, juist op den terugweg naar Lac Bain, hoorde dit gehuil en
rilde.

De rooklucht, die steeds sterker werd, bereikte eindelijk ook Baree's
neusgaten en deed hem naar de hut terugkeeren. Er was niet veel meer van
overgebleven, toen hij de open plek bereikte. Waar eens de hut gestaan
had, lag nu een roodgloeiende, smeulende puinhoop. Lang bleef Baree er
naar kijken, nog steeds wachtend en luisterend. Hij voelde niet langer
de uitwerking van den kogel, die hem verdoofd had, maar zijn zinnen
ondergingen nu weer een verandering, even onwezenlijk als hun worsteling
tegen den dood, zooeven in de hut. In een kleine tijdsruimte, van niet
langer dan een uur, was de wereld voor Baree geheel veranderd. Toen
zat de Wilg nog voor haar spiegeltje in de hut, praatte tegen hem en
lachte vroolijk, al worstelend met haar nieuw kapsel, terwijl hij in
volmaakte tevredenheid op den vloer lag uitgestrekt. En nu bestond er
geen hut meer, geen Nepeese en geen Pierrot. Bedaard worstelde hij om
dit alles in zich op te nemen. Het duurde nog een poos voor hij onder
de dichte balsemstruiken uitkwam, want een groeiende achterdocht begon
zijn handelingen al te leiden. Hij naderde de smeulende overblijfselen
van de hut niet dichter, maar ging omzichtig langs de open plek, naar
de hondenverblijfplaats. Zoodoende kwam hij onder de hooge sparren.
Een volle minuut bleef hij hier staan en snuffelde aan het nieuwe
heuveltje onder zijn mantel van sneeuw. Toen hij verder ging, sloop hij
nog dichter langs den grond en lagen zijn ooren plat op zijn kop. De
hondenverblijfplaats stond open en was leeg. Daar had Mc Taggart voor
gezorgd. En opnieuw ging Baree zitten en joeg zijn doodsgehuil de lucht
in. Ditmaal was het voor Pierrot bestemd. De klank er van verschilde
met het gehuil aan den rand van den afgrond. Er klonk overtuiging in.
Zekerheid. Bij den afgrond was er nog eenige twijfel in geweest—een
vragende hoop—en in zijn smart had zoo iets bijna menschelijks
geklonken, dat Mc Taggart er een rilling van gekregen had. Baree _wist_
wat er in dat versche, door sneeuw bedekte graf lag. Een schamele drie
voet aarde kon dat geheim niet voor hem verbergen. Hier was de dood,
onherroepelijk. Maar wat Nepeese aangaat—hij hoopte en zocht nog steeds.

Tot den middag toe bleef hij in de buurt van de hut, maar niet meer dan
ééns naderde hij den zwarten hoop hout, waar de sneeuw nog op neerviel
en snuffelde er aan. Telkens en telkens weer liep hij de open plek rond,
steeds in de buurt van het struikgewas blijvend, snoof in de lucht en
luisterde. Tweemaal ging hij terug naar den afgrond. Laat in den middag
kreeg hij plotseling een inval, die hem snel door het bosch deed loopen.

Hij deed het nu niet openlijk; voorzichtigheid, achterdocht en vrees
hadden opnieuw de wolf-instinkten in hem gewekt. Met zijn ooren plat
op zijn kop liggend, zijn staart neerhangend, zoo laag, dat de punt er
van door de sneeuw sleepte en zijn rug doorbuigend op die eigenaardige
wolvenmanier, kwam hij ternauwernood uit de schaduw der balsemstruiken
en sparren. Hij aarzelde niet, welken weg hij nemen zou, hij ging
recht op zijn doel af, het bosch door en kwam tegen het invallen van
de schemering op de open plek, waarheen Nepeese met hem gevlucht was,
dien dag, toen zij Mc Taggart in het water had geduwd. Inplaats van het
hutje van balsemstruiken, stond er nu een van waterdichten berkebast,
dat Pierrot en de Wilg in den afgeloopen zomer gemaakt hadden. Baree
ging er recht op af en stak zijn kop naar binnen met een zacht gejank,
vol verwachting. Er volgde geen antwoord. Het was donker en koud in
het hutje. Hij kon duidelijk de twee dekens onderscheiden, die er
altijd lagen; de rij groote blikken doozen, waarin Nepeese hun provisie
bewaarde en de kachel, die Pierrot geimproviseerd had uit resten van
ijzer en blik. Maar Nepeese zag hij niet. En hij kon buiten evenmin
een spoor van haar ontdekken. De sneeuw was onbetreden, behalve door
hemzelf. Het was donker geworden toen hij naar de afgebrande hut
terugkeerde. Hij bleef den heelen nacht in den omtrek van de verlaten
hondenverblijfplaats en de sneeuw bleef nog aanhoudend vallen, zoodat
hij, toen hij bij het aanbreken van den morgen zich naar het open
gedeelte begaf, er tot aan zijn schouders inzonk.

Maar de hemel klaarde toch op. De zon kwam op en de wereld bood een
bijna te schitterenden aanblik voor de oogen. Zij verwarmde Baree's
bloed door nieuwe hoop en verwachtingen. Zijn brein worstelde nog
heviger dan den vorigen dag om te begrijpen. Vast en zeker zou de
Wilg nu spoedig terugkeeren! Hij zou haar stem weer hooren. Zij zou
plotseling uit het bosch te voorschijn komen. Hij zou een teeken van
haar krijgen. Eén van deze dingen, of alles tegelijk, _moest_ gebeuren.
Hij bleef oogenblikkelijk staan zoodra hij maar een geluid hoorde
en snoof den wind in, in alle richtingen. Hij trok onophoudelijk
voort. Hij liet diepe sporen achter in de sneeuw, rondom en over den
grooten witten heuvel, waar eens de hut gestaan had; zij liepen van de
hondenverblijfplaats naar de hooge sparren en zij waren zoo talrijk als
de sporen van een geheelen wolventroep, een halve mijl in den omtrek van
den afgrond.

Dien tweeden dag, 's middags, kreeg hij zijn tweeden grooten inval. Het
was geen zuiver instinkt en toch ook weer niet geheel beredeneerd. Het
was een worsteling er tusschenin, de primitieve geest, die zijn best
deed, iets abstracts te begrijpen—iets, dat niet door het oog gezien
kon worden of door het oor gehoord. Nepeese was niet in de hut, omdat er
geen hut meer was. Zij was ook niet in het kleine hutje. Hij kon geen
spoor van haar meer ontdekken bij den afgrond. Zij was ook niet bij
Pierrot in het graf onder de hooge sparren.

Daarom ging hij, zonder er redenen voor te kunnen opgeven, maar volkomen
zeker van zijn zaak, de oude vallenlijn volgen, het noordwesten in.



XXII.

Een winter van wachten.


Niemand heeft nog ooit begrepen, hoe de hond in de noordelijke streken
ingewijd wordt in de geheimenissen van de nabijheid des doods. Zij
schijnen tot hem te komen door den wind, meestal _moeten_ zij hem
door den wind worden meegedeeld en toch zouden zeker wel tienduizend
meesters willen zweren, dat hun honden voor de nabijheid van den dood
gewaarschuwd hebben, uren voor deze er in werkelijkheid was en menigeen
van deze duizenden weet bij ervaring, dat hun spannen stilstaan op
een kwart mijl afstands van een onbekende hut, waarin een doode nog
onbegraven ligt.

Gisteren had Baree den dood geroken en hij wist, zonder verder
ophelderend proces, dat die doode Pierrot was. Hoe hij dit wist en
waarom hij dit feit als onveranderlijk beschouwde, is weer een van die
raadselen, die soms een uitdaging schijnen voor hen, die aan het dier
geen verstand toeschrijven, buiten het instinkt. Maar van één ding was
hij overtuigd. Hij zou Pierrot nooit terugzien; hij zou diens stem nooit
meer hooren; hij zou nooit meer het _slip_, _slip_, _slip_ hooren van
zijn sneeuwschoenen op het pad, dat nu vóór hem lag, en daarom keek hij
op de vallenlijn in 't geheel niet uit naar Pierrot. Pierrot was weg,
voor altijd. Maar hij had nog niet Nepeese in verband gebracht met den
dood. Hij was vervuld met een groote onrust; daar, aan den rand van den
afgrond, had hij gesidderd van angst en onzekerheid, hij voelde toen
vaag iets vreemds, iets dat hem boven het hoofd hing en toch, toen hij
dat doodsgehuil had aangeheven, moest het voor Pierrot geweest zijn.
Want hij geloofde, dat Nepeese nog in leven was en hij was er nu even
vast van overtuigd, dat hij haar zou inhalen op de vallenlijn, als hij
er den vorigen dag op gerekend had, haar in het hutje van berkebast te
zullen aantreffen.

Sedert zijn ontbijt met de Wilg, den vorigen dag, was hij steeds
doorgeloopen zonder te eten; zijn honger te stillen, beteekende, dat hij
zou moeten jagen en hij was te veel met gedachten aan Nepeese vervuld om
dat te doen. Hij zou dien heelen dag zijn blijven hongerlijden, als hij
niet, drie mijlen van de hut verwijderd, een val ontdekt had, waarin een
groot sneeuwschoenkonijn gevangen zat. Het konijn leefde nog, hij maakte
het af en at zijn bekomst. Tot het donker werd, liep hij regelmatig alle
klemmen af. In een er van zat een lynx, in een andere een marter en in
een heuveltje van sneeuw, midden op het bevroren meer, besnuffelde hij
het lijk van een rooden vos, gedood door Pierrot's giftaas. De lynx en
de marter waren beiden nog springlevend en de stalen ketenen van hun
klemmen rinkelden, toen zij zich voorbereidden op een gevecht met Baree.
Maar Baree stelde geen belang in hen. Hij haastte zich voort, terwijl
zijn onrust begon aan te groeien naarmate de dag vorderde en hij geen
spoor van de Wilg kon ontdekken.

Het was een buitengewoon heldere nacht, die volgde op dezen sneeuwstorm;
koud en schitterend en de schaduwen teekenden zich zoo scherp af, dat
zij wel levende wezens geleken. Nu kreeg Baree zijn derden inval. Hij
had—zooals alle dieren—nooit meer dan één gedachte tegelijk, alles
werd bij hem overheerscht door één hoofdgedachte. En de inval, dien
hij kreeg onder den schitterenden sterrenhemel, was, zoo snel mogelijk
het eerste van de twee hutjes te bereiken, door Pierrot vervaardigd
op de vallenlijn. Dààr zou hij Nepeese vinden! Hij begon vallen over
te slaan, in zijn haast om dien afstand af te leggen—om de hut te
bereiken. Van Pierrot's afgebrand tehuis tot aan die eerste hut vergde
vijf en twintig mijlen en Baree had er, toen de nacht inviel, tien
afgelegd. De overgebleven vijftien waren het moeilijkst. Op de open
plekken zakte hij tot aan zijn buik in de zachte sneeuw; meermalen zonk
hij in een sneeuwhoop weg en werd er eenige oogenblikken geheel onder
begraven. In het begin van den nacht hoorde Baree driemaal den woesten
lijkzang der wolven. Eens was het een woest triomflied, toen de jagers
hun slachtoffer hadden neergeveld, een halve mijl dieper het bosch in.
Maar hun stem oefende geen aantrekkingskracht meer op hem uit. Zij was
zelfs terugstootend voor hem geworden. Een stem, waaruit verraad sprak.
Iederen keer, dat hij haar hoorde, bleef hij staan en gromde, zijn rug
krommend.

Het was middernacht toen hij het kleine heuvelachtige terrein bereikte,
waar Pierrot hout geveld had voor de eerste hut. Wel een minuut lang
bleef Baree aan den rand der open plek staan, zijn ooren gespitst, zijn
oogen schitterend van verwachting, terwijl hij de lucht opsnoof. Er was
geen rook, geen geluid, en geen lichtschijnsel te zien door het eenige
venster der houten hut. De teleurstelling daalde al op hem neer, terwijl
hij daar nog stond; opnieuw voelde hij sterk zijn eenzaamheid, het
twijfelachtige van den uitslag op zijn onderzoek. Hij baande zich een
weg door de sneeuw naar de deur, in ontmoedigde houding.

Baree had vijf en twintig mijlen aan een stuk doorgereisd en was
uitgeput, maar hij had zijn vermoeidheid niet gevoeld tot op dit
oogenblik. De sneeuw lag hoog opgehoopt tegen de deur en hier ging Baree
zitten en begon te janken. Het was nu niet langer het zenuwachtige,
vragende janken van eenige uren geleden. Er sprak hopeloosheid uit en
diepe wanhoop. Een half uur bleef hij zitten, tegen de deur gedrukt en
zijn kop in de richting van de door de sterren verlichte wildernis, en
toch bleef hem nog een flauwe hoop, dat Nepeese hem achterna zou reizen.
Toen groef hij zich een gat in de diepe sneeuw en bracht de rest van den
nacht door in een onrustigen slaap.

Bij het aanbreken van den dag zette hij zijn reis voort. Hij was
niet zoo opgewekt, dezen morgen. Hij liet zijn staart neerslachtig
hangen—dit teeken noemen de Indianen de _akoosewin_—, het bewijs
dat een hond ziek is. En Baree was ziek—niet naar lichaam, maar naar
geest. Zijn hoop was niet heel levendig meer en hij verwachtte niet
langer de Wilg te vinden. Toch werd zijn hart getrokken naar de tweede
hut, aan het einde der vallenlijn, maar hij ging er niet met zooveel
moed naar toe als bij de eerste. Hij legde zijn weg langzaam af en met
tusschenpoozen, de opwinding van zijn onderzoek had weer plaats gemaakt
voor achterdocht omtrent het donkere bosch. Hij naderde elke klem en
val van Pierrot omzichtig en twee keer toonde hij zijn slagtanden—eens
aan een marter, die een uitval naar hem deed van onder een boomwortel,
waarheen hij de klem, waarin hij gevangen zat, gesleept had en den
tweeden keer aan een vetten sneeuwuil, die aas had willen stelen en
nu gevangen was aan het eind van een stalen ketting. Misschien zag
Baree hem aan voor Oohoomisew en herinnerde hij zich nog levendig den
verraderlijken aanval en het hevige gevecht, dien nacht, toen hij nog
maar een heel jong hondje was en zich pijnlijk en vermoeid en angstig
had voortgesleept onder de hooge boomen. Want hij ging verder dan het
vertoonen van zijn tanden. Hij reet den sneeuwuil in stukken.

Er waren volop konijnen in Pierrot's vallen en Baree behoefde dus niet
hongerig verder te gaan. Hij bereikte de tweede hut der vallenlijn in
den laten namiddag, nadat hij tien uur voortgetrokken was. Hem wedervoer
hier geen groote teleurstelling, want hij had niet veel verwacht. De
sneeuw lag tegen deze hut nog hooger dan bij de eerste, zij lag drie
voet hoog tegen de deur en het venster vertoonde een dikke vorstlaag.
Op deze plek, die dicht bij een woestenij was en zonder de beschutting
van de dichte bosschen, had Pierrot een opslagplaats voor zijn brandhout
gemaakt en hier koos Baree tijdelijk zijn verblijf. Den heelen volgenden
dag bleef hij in den omtrek van die opslagplaats, bleef aan den rand
van het onbeschutte gedeelte en stelde een onderzoek in langs de kleine
zijlijn, die een stuk of twaalf vallen bevatte, die Pierrot en Nepeese
hadden uitgezet in een moeras, waar vele sporen van een lynx te zien
waren. Pas den derden dag keerde hij terug naar den Grijzen Fuut.

Hij haastte zich niet, gebruikte twee dagen om den afstand van vijf en
twintig mijlen tusschen de beide hutten af te leggen. Bij de tweede hut
bleef hij drie dagen en pas op den negenden dag bereikte hij den Grijzen
Fuut. Hier was niets veranderd. Er waren geen sporen in de sneeuw te
zien, behalve zijn eigene, negen dagen geleden gemaakt. Zijn zoeken naar
Nepeese werd nu langzamerhand onwillekeurig, een soort van dagelijksche
sleur. Een week huisde hij in de verlaten hondenverblijfplaats en ten
minste tweemaal per dag ging hij een kijkje nemen in het berkebasthutje
en aan den rand van den afgrond. Zijn spoor, spoedig in de sneeuw
vastgevroren, was even regelmatig als Pierrot's vallenlijn. Het ging
recht door het bosch naar Nepeese's hutje, week daarna een weinig
oostelijk af, zoodat het de bevroren oppervlakte van den zwempoel van de
Wilg kruiste. Van het hutje beschreef het een cirkel door een gedeelte
van het bosch, waar Nepeese dikwijls armenvol vuurbloemen ingezameld had
en daarna weer naar den afgrond. Hier ging het de helling af en weer
op en dan weer recht door terug naar de hondenverblijfplaats. En toen
bracht Baree er plotseling een verandering in. Hij bracht een nacht
door in het hutje. Naderhand, telkens wanneer hij bij den Grijzen Fuut
was, ging hij in dat hutje slapen. De twee dekens vormden zijn bed—en
zij waren een deel van Nepeese. En daar, den heelen langen winter door,
bleef hij wachten.

Als Nepeese in Februari was teruggekeerd en Baree onverwachts had
overvallen, zou zij hem geheel veranderd gevonden hebben. Hij was steeds
meer op een wolf gaan lijken, toch huilde hij nooit meer op wolvenmanier
en altijd gromde hij, diep in zijn strot, wanneer hij den roep van den
troep hoorde. Wekenlang had de oude vallenlijn hem van voedsel voorzien,
maar nu ging hij weer jagen. Het hutje, van binnen en er buiten, was
bezaaid met konijnebont en beenderen. Eens—maar ook niet meer dan
eens—ving hij een ree, toen de sneeuw hoog lag, en doodde haar. En ook
achtervolgde hij bij noodweer in Februari een jongen kariboestier zoo
van dichtbij, dat deze over een rots naar beneden viel en den nek brak.
Hij leidde een goed leventje en in lichaamsgrootte en sterkte werd hij
snel een van de grootste van zijn geslacht. Binnen zes maanden zou hij
even groot zijn als Kazan en zijn kaken waren nu al bijna even geweldig.
Dezen winter had hij driemaal een gevecht geleverd, eens met een lynx,
die hem besprongen had, terwijl hij bezig was een pas gedood konijn
op te eten, en tweemaal met losloopende wolven. De lynx havende hem
duchtig, vóór hij de vlucht nam. Den jongsten der beide wolven doodde
hij; het andere gevecht bracht hij er op het kantje af. Hij werd hoe
langer hoe meer een uitgestootene, eenzaam levend in zijn droomen en
smeulende verwachtingen. En hij droomde voortdurend. Meermalen hoorde
hij, terwijl hij in de hut lag, de stem van Nepeese in zijn verbeelding.
Hij hoorde haar zachte roepstem, haar lach, den klank van zijn naam
en dikwijls sprong hij overeind—een paar oogenblikken weer de oude
Baree—om weer neer te zinken op zijn leger, met een zacht, droevig
janken. En altijd wanneer hij een tak hoorde knappen, of een ander
geluid in het bosch, kwam de gedachte aan Nepeese het eerst bij hem op.
_Den een of anderen dag zou zij terugkeeren._ Dat geloof was een deel
van zijn bestaan, evengoed als de zon, de maan en de sterren.

De winter ging voorbij, de lente kwam en nog steeds ging Baree voort,
zijn oude tochten af te leggen, zelfs ging hij soms wel tot aan de
eerste hut op de vallenlijn. De klemmen waren verroest en kapot, de
dooiende sneeuw bracht beenderen en veeren aan den dag, die er in
overgebleven waren; in de valkuilen lagen stukken berenhuid en op het
ijs van de meren skeletten van vossen en wolven, die van het giftaas
hadden gegeten. De laatste sneeuw smolt. De gezwollen riviertjes zongen
in de bosschen en kloven. Het gras werd groen en de eerste bloemen
kwamen.

Stellig, nu was het tijd voor Nepeese om terug te komen! Hij keek vol
vertrouwen naar haar uit. Hij ging steeds vaker naar hun zwempoel
in het bosch en bleef dicht in de buurt van de afgebrande hut en de
hondenverblijfplaats. Tweemaal sprong hij in den poel en jankte terwijl
hij er in rondzwom, alsof hij verwachtte, dat zij spoedig mee zou
komen doen in hun waterspelletje. En nu, terwijl de lente verging en
de zomer kwam, zonk er langzaam de groote somberheid en ellende van
hopeloosheid op hem neer. De bloemen waren nu alle uitgekomen en zelfs
de bakneeshwingerd gloeide als rood vuur in de bosschen. Heele tapijten
van groen begonnen den verkoolden hoop hout te bedekken, waar eens de
hut had gestaan, en zelfs de blauwbloemige wingerd, die het pad van
Nepeese's moeder bedekte, reikte nu ook tot aan Pierrot's graf, alsof
de geest van zijn vrouw daarin voortleefde. Dit alles was gebeurd en de
vogels hadden gepaard en genesteld en nog steeds was Nepeese niet thuis
gekomen! En ten laatste brak er iets in Baree's binnenste, zijn laatste
hoop—misschien wel zijn laatste droom—was verstoord en op een goeden
dag zeide hij den Grijzen Fuut vaarwel.

Niemand kan zeggen wat het hem kostte, te vertrekken; niemand kan zeggen
hoe heftig hij streed om zich los te maken van alles wat hem aan het
hutje bond en den ouden zwempoel, de bekende boschpaden en de twee
graven, die nu zoo eenzaam waren onder de hooge sparren. Hij vertrok.
Hij had er geen reden voor, maar hij ging eenvoudig weg. Mogelijk is
er een Meesterhand, die het dier leidt, zoo goed als den mensch en wij
weten juist genoeg van deze leidende hand om haar instinkt te noemen.
Want door zich hier vandaan te sleepen, ging Baree het Groote Avontuur
tegemoet.

Het wachtte hem daarginds, in het Noorden—en hij trok het Noorden in.



XXIII.

Naar het Noorden.


Het was begin Augustus toen Baree den Grijzen Fuut verliet. Hij had
geen bepaald plan. Maar er was in zijn brein nog flauw de herinnering
achtergebleven aan zijn vroegere dagen, zooals de indrukken van licht
en schaduw op een negatief. Zaken en gebeurtenissen, die hij bijna
vergeten was, kwamen hem nu weer te binnen, terwijl hij zich hoe
langer hoe verder van den Grijzen Fuut verwijderde; en zijn vroegere
ondervindingen werden nu weer werkelijkheid voor hem, hij zag ze weer
vóór zich, nu hij de laatste banden verbroken had, die hem bonden
aan het tehuis van de Wilg. Onwillekeurig volgde hij den draad dezer
gebeurtenissen en langzamerhand hielpen zij hem, nieuwe belangstelling
bij zich wakker te roepen. Een jaar van zijn leven beteekende voor hem
een heelen tijd—stond wel gelijk met tien jaren van een menschenleven.
Het was meer dan een jaar geleden, sedert hij Kazan en Wolvin en het
hol onder de omgewaaide boomen verlaten had en toch kwamen nu duidelijk
de herinneringen aan zijn allervroegste jeugd terug, aan de kreek,
waarin hij getuimeld was en aan dat woedende gevecht met Papayuchisew.
Het waren zijn avonturen uit den laatsten tijd, die deze herinneringen
bij hem opwekten. Hij kwam aan de doodloopende kloof, waar Nepeese en
Pierrot hem achterna gejaagd hadden. Dat scheen pas gisteren gebeurd
te zijn. Hij ging naar de kleine weide en stond naast de groote rots,
waaronder Nepeese bijna verpletterd was en toen herinnerde hij zich, dat
Wakayoo, zijn groote vriend de beer, hier den dood gevonden had onder
Pierrot's geweerschoten—en hij ging Wakayoo's verbleekte beenderen
besnuffelen, die verspreid lagen in het groene gras, terwijl aan alle
kanten de bloemen er omheen bloeiden. Een dag en een nacht bracht hij
in deze weide door, voor hij de kloof weer uitging en op zoek naar den
poel, waarin Wakayoo voor hem had staan visschen. Er was nu een andere
beer aan den rand daarvan, die eveneens stond te visschen. Misschien
was hij wel een zoon of kleinzoon van Wakayoo. Baree rook waar hij zijn
opslagplaats voor de vangst had gemaakt en drie dagen leefde hij op
visch, voor hij naar het Noorden koers zette.

Nu zette, voor het eerst sedert vele weken, een restje van de oude
vurigheid bij Baree er den spoed in en zooals hij naar den Grijzen Fuut
zou zijn teruggekeerd met een gevoel van naar huis te gaan als Nepeese
daar geweest was, zoo keerde hij nu terug naar den ouden bevervijver.

Het was het mooiste uur van den zomerdag—zonsondergang—toen hij dien
bereikte. Hij bleef staan op ongeveer honderd meter afstand, toen hij
den vijver nog niet zien kon, snoof de lucht op en luisterde. Want de
_vijver_ lag daar. De welbekende reuk drong tot hem door. Maar Umisk en
Gebroken Tand en de anderen? Zou hij hen weervinden? Hij scherpte zijn
ooren, om een bekend geluid op te vangen en na een paar oogenblikken
kwam dit—een licht plassen in het water. Hij ging bedaard tusschen
de elzestruiken door en stond ten laatste dicht bij de plek, waar hij
het eerst met Umisk had kennis gemaakt. De oppervlakte van het water
was lichtelijk gerimpeld; twee of drie koppen kwamen boven; hij zag de
torpedo-achtige golf, voortgebracht door een ouden bever, die een stok
naar de overzijde stuwde—hij keek naar den dam en die was nog bijna
precies als hij hem een jaar geleden verlaten had. Hij liet zich niet
zien, in den beginne, maar bleef staan, verborgen achter de elzen.
Hij voelde een onrust in zich groeien, een verslapping na de lange
gespannenheid van de eenzame maanden, gedurende welke hij op Nepeese
gewacht had. Met een diepen zucht legde hij zich neder tusschen de
elzen, zijn kop zoo gericht, dat hij goed kon uitkijken. Terwijl de
zon begon te dalen, kwam er leven in den vijver. Op den oever, waar
hij Umisk eens gered had van den vos, kwam nu een nieuw geslacht jonge
bevers—drie ervan waren dik en waggelend. Heel zacht jankte Baree.

Dien heelen nacht bleef hij tusschen de elzen liggen. De bevervijver
werd weer zijn honk. De omstandigheden waren veranderd, natuurlijk,
en naarmate de dagen weken werden, toonden de inwoners van Gebroken
Tand's kolonie niet in het minst, dat zij den volwassen Baree bij zich
duldden, zooals zij dat den kleinen Baree van lang geleden gedaan
hadden. Hij was nu groot, zwart en wolfachtig—een langtandig en
verschrikkelijk-uitziend beest en ofschoon hij geen geweld uitoefende,
werd hij door de bevers met een diepgewortelde vrees en achterdocht
gadegeslagen. Aan den anderen kant voelde Baree ook niet meer het
jonge-hondjesachtig verlangen om met de kleine bevers mee te spelen
en dus deed hun koele houding hem geen verdriet, zooals indertijd.
Umisk was nu ook volwassen, een dikke, voorspoedige baas, die zich
juist dit jaar een wijfje gekozen had en het op het oogenblik geweldig
druk had met het inzamelen van zijn winterrantsoen. Het is volkomen
aannemelijk, dat hij het groote zwarte dier, dat hij nu zag, niet in
verband bracht met den kleinen Baree, wiens neus hij besnuffeld had, een
heelen tijd geleden en het is ook heel waarschijnlijk, dat Baree Umisk
niet herkende, tenzij als een onderdeel van de herinneringen, die hem
bijgebleven waren.

De heele maand Augustus door maakte Baree den bevervijver tot zijn
hoofdkwartier. Zoo nu en dan maakte hij tochten, waardoor hij twee of
drie dagen wegbleef. Deze reisjes gingen altijd in noordelijke richting,
soms een weinig oost- of westwaarts, maar nooit meer het zuiden in.
En eindelijk in het laatst van September verliet hij den bevervijver
voorgoed.

Vele dagen lang koos hij op zijn zwerftochten geen bepaalde richting.
Hij ging op jacht, leefde voornamelijk op konijnen en op de domme
patrijssoort, bekend onder den naam „het onnoozele hoen”. Dit diëet werd
natuurlijk wel eens afgewisseld door andere gerechten, naarmate hij
die op zijn weg aantrof. De wilde aalbessen en aardbeien waren aan het
rijpen en Baree was er dol op. Hij hield ook van de bittere bessen van
den bergesch, welke, evenals de zachte balsem- en sparrenhars, waaraan
hij zoo nu en dan likte, een uitstekend geneesmiddel voor hem waren.
In ondiep water ving hij wel eens een visch en een enkele maal bond
hij zeer voorzichtig den strijd aan met een stekelvarken en als hij
overwon, smulde hij van het fijnste en zoetste vleesch dat zijn menu
kon opleveren. In September doodde hij tweemaal een ree. De terreinen,
waarop groote boschbranden gewoed hadden, joegen hem nu geen vrees meer
aan en in deze dagen van overvloed vergat hij den tijd, toen hij er
hongerig rondgedwaald had. In October trok hij zoo ver naar het westen,
dat hij de Geikie Rivier bereikte en toen naar het noorden tot aan het
Wollaston Meer, hetwelk een goede honderd mijlen ten noorden lag van den
Grijzen Fuut. In de eerste week van November sloeg hij weer naar het
zuiden af, volgde de Kano Rivier een tijd lang en wendde zich daarop
weer naar het westen, een kleine kreek volgend, die het kleine zwarte
Beertje zonder staart heette.

Gedurende deze weken kwam Baree meer dan eens in den omtrek van den
mensch, maar, met uitzondering van den Cree-jager aan het bovengedeelte
van het Wollaston Meer, had niemand hem gezien.

Terwijl hij de Geikie Rivier volgde, lag hij driemaal in een
kreupelboschje, terwijl er kano's langskwamen; in de stilte van den
nacht snuffelde hij meermalen rondom hutten en tenten, waarin hij leven
hoorde en éénmaal kwam hij zoo dicht bij den Hudson-Baai Compagnie Post,
dat hij het blaffen van de honden en het schreeuwen van hun meesters
hooren kon. En altijd zocht hij—zocht hij naar hetgeen uit zijn leven
verdwenen was. Hij berook de drempels der hutten, draaide in een nauwen
kring om de tenten heen, met den wind mee, keek vol hoop in alle
kano's. Eens dacht hij, dat de wind hem den reuk van Nepeese aanvoerde
en oogenblikkelijk voelde hij zijn pooten onder zich verzwakken en
scheen zijn hart op te houden met kloppen. Het duurde maar een paar
oogenblikken. Zij kwam uit een tent—een Indiaansch meisje met haar
handen vol wilgetakken—en Baree sloop weer weg, ongezien.

Het was bijna December, toen Lerue, een halfbloed uit Lac Bain, Baree's
voetsporen zag in de verschgevallen sneeuw en hem een oogenblik later
tusschen het kreupelhout verdwijnen zag.

„Mon Dieu, ik verzeker u, hij had pooten zoo groot als mijn hand en hij
is zoo zwart als een ravenvlerk, waar de zon op schijnt!” riep hij uit,
in het magazijn van de Compagnie te Lac Bain. „Een vos? Neen! Hij is
half zoo groot als een beer. Een wolf—ja! En zoo zwart als de duivel,
m'sieus.”

Mc Taggart was onder degenen die hem hoorde. Hij was juist bezig zijn
handteekening te plaatsen onder een brief, dien hij aan de Compagnie
geschreven had, toen Lerue's woorden tot hem doordrongen. Hij bleef zoo
plotseling steken, dat er een droppel inkt op den brief gespat werd.
Er liep hem een vreemde siddering door de leden, terwijl hij naar den
halfbloed keek. Juist op dit oogenblik kwam Marie binnen. Mc Taggart had
haar opnieuw weggehaald van haar stam. Haar groote, donkere oogen hadden
een treurige uitdrukking en er was nogal wat verloren gegaan van haar
schoonheid.

„Hij was er vandoor in minder dan—dit!” zeide Lerue, met zijn vingers
knippend. Hij zag Marie en bleef steken.

„Zwart, zeg je?” vroeg Mc Taggart achteloos, zonder zijn oogen op te
slaan van zijn schrijfwerk. „Leek hij niet wat op een hond?”

Lerue haalde de schouders op.

„Hij was als de wind er van door, m'sieu. Maar het was een wolf.”

Zoo zacht, dat de anderen bijna geen geluid konden opvangen, had Marie
iets in het oor van Mc Taggart gefluisterd en zijn brief opvouwend,
stond Mc Taggart haastig op en verliet het magazijn. Hij bleef een uur
weg. Lerue en de anderen verbaasden zich hierover. Het gebeurde niet
dikwijls, dat Marie in het magazijn kwam, het kwam zelfs zelden voor,
dat zij haar zagen. Zij bleef meestal verscholen in het houten huis van
den agent en iederen keer, dat hij haar zag, verbeeldde Lerue zich, dat
haar gezichtje weer wat magerder geworden was en dat haar oogen grooter
waren en steeds hongeriger uitdrukking kregen. In zijn eigen hart was
een groot verlangen. Menigen nacht ging hij onder het venstertje door,
waaronder hij wist, dat zij lag te slapen; dikwijls tuurde hij naar
boven, in de hoop een glimp van haar bleek gelaat te zien en het eenige
geluk in zijn leven was, te weten, dat Marie hem begreep, en dat er een
ander licht in haar oogen kwam, wanneer hun blikken elkander ontmoetten.
Niemand anders wist er van. Het geheim bestond tusschen hen beiden—en
geduldig wachtte Lerue en keek uit. „Eens,” hield hij zich voor.
„Eens”, en dat was alles. Deze woorden besloegen een wereld vol hoop.
Als die dag dan eindelijk aangebroken was, zou hij Marie regelrecht
meenemen naar den zendeling, daarginds op Fort Churchill, en zij zouden
zich daar laten trouwen. Dit was een droom—een droom, die maakte,
dat hij de lange dagen en de nog langere nachten op de vallenlijn
geduldig doormaakte. Nu waren zij nog beiden onder slavernij van de hen
omringende Macht. Maar—eens—

Lerue dacht hieraan, toen Mc Taggart na verloop van een uur terugkwam.
De agent kwam regelrecht op het half dozijn mannen af, die om de groote
houtkachel[2] zaten en schudde met een geknor van voldoening de sneeuw
van zijn schouders.

[2] Box-stove--houtkachel. Deze vierkante kachel heeft geen rooster, van
    voren is een deur, maar het heele bovenstuk, waarin kookdeksels,
    kan er worden afgenomen. Er kunnen korte stukken boomstam in
    gestookt worden.

„Pierre Eustach heeft het aanbod van het Gouvernement aangenomen en
zal de kaartenmakers naar het Onvruchtbare Land brengen, dezen winter,”
kondigde hij aan. „Je weet, Lerue,—hij heeft zoowat honderdvijftig
klemmen en vallen uitgezet en een groot giftaas-terrein. Een goede lijn,
hè? En ik heb haar van hem gehuurd, voor dit seizoen. Het zal me juist
het werk in de buitenlucht geven, dat ik noodig heb—drie dagen heen en
drie dagen terug. Nu, wat zeg je van zóó'n koop?”

„Het is een goede,” zeide Lerue.

„Ja, een goed plan,” zeide Roget.

„Een uitgestrekt vossenland,” zeide Mons Roule.

„En gemakkelijk te bereizen,” prevelde Valence, wiens stem wel die van
een vrouw geleek.



XXIV.

Op het spoor.


De vallenlijn van Pierre Eustach liep dertig mijlen vlak westwaarts
van Lac Bain. Zij was niet zoo lang als die van Pierrot geweest was,
maar zij geleek de hartslagader, die door het hart van een rijk
pelterij-terrein liep. Zij had aan Pierre Eustach's vader toebehoord,
en aan zijn grootvader en aan zijn overgrootvader en vóór dien tijd had
zij, naar Pierre beweerde, reeds aan een der oudste, edelste geslachten
van Frankrijk toebehoord. De boeken op Mc Taggart's Post gingen niet
verder terug dan tot den overgrootvader, daar de oudere bezit-bewijzen
te Churchill berustten. Het was het mooiste wild-terrein tusschen
Rendierland en het Onvruchtbare Land. In December kwam Baree hier aan.

Opnieuw trok hij naar het zuiden, op een langzame manier, voedsel
zoekend in de diepe sneeuw. De _Kistisew kestin_ of Groote Storm was
dezen winter vroeger gekomen dan andere jaren en een week daarna bewoog
zich ternauwernood een dier. Baree begroef zich niet, zooals anderen dit
deden, in de sneeuw, om te wachten tot de lucht opklaarde en zich een
ijskorst vormde. Hij was groot en machtig en rusteloos. Bijna twee jaar
oud, woog hij ruim tachtig pond. Zijn pooten waren breed en wolfachtig.
Zijn borst en schouders geleken op die van een Malemoet en waren toch
gespierd voor groote snelheid. Er was meer ruimte tusschen zijn oogen
dan dat bij den wolfshond het geval is en zijn oogen waren grooter en
geheel zonder _wuttooi_, het bloedvlies, dat den wolf kenmerkt en ook
in zekeren graad den grooten hond uit het noorden. Zijn kaken waren als
die van Kazan, misschien zelfs nog geweldiger. Die heele week lang, dat
de storm voortduurde, trok hij voort, zonder voedsel. Vier dagen viel
de sneeuw zwaar en woei er een scherpe wind, daarna kwamen drie dagen
van doordringende koude, waarin elk dier in zijn warm holletje onder
de sneeuw bleef. Zelfs de vogels hadden zich ingegraven. Men zou over
de ruggen van kariboe's en elanden hebben kunnen loopen, zonder het te
bemerken. Baree zocht een schuilplaats toen de storm het hevigst woedde,
maar hij stond niet toe, dat de sneeuw op hem liggen bleef.

Elke vallenzetter, van Hudson Baai tot aan de streek der Athabasca,
wist, dat de uitgehongerde pelsdieren na afloop van den Grooten Storm
voedsel zouden gaan zoeken en dat er dan de meeste kans was van het
heele jaar, dat de klemmen en vallen gevuld werden. Eenigen van hen
trokken er den zesden dag op uit, anderen den zevenden en weer anderen
den achtsten. Op den zevenden dag vertrok Bush Mc Taggart naar Pierre
Eustach's lijn, die voor dit seizoen de zijne was. Hij had twee dagen
noodig om de klemmen op te graven en ze van de sneeuw te ontdoen, de
vallen weer op te zetten en het aas weer in orde te brengen. Den derden
dag was hij weer terug te Lac Bain.

Juist op dezen dag kwam Baree bij de hut aan het einde van Mc Taggart's
lijn. Mc Taggart's spoor was nog versch in de sneeuw rondom de hut en
zoodra Baree er aan snoof, scheen elke droppel bloed hem plotseling
sneller door het lichaam te jagen. Hij had misschien een halve minuut
noodig om den reuk, die in zijn neusgaten drong in verband te brengen
met het gebeurde van eenigen tijd geleden, maar toen hij het gedaan had
rees er een diep en onheilspellend gegrom uit zijn borst. Een tijdlang
bleef hij stilstaan, als een zwarte rots te midden van de sneeuw, en
keek naar de hut.

Daarna begon hij er langzaam in een kring omheen te draaien, steeds
naderbij komend, totdat hij ten laatste den drempel besnuffelde.
Geen geluid of reuk was er binnen, maar hij kon den _ouden_ reuk van
Mc Taggart herkennen. Toen keek hij de wildernis in, in de richting
waarin de vallenlijnen terugvoerden naar Lac Bain. Hij rilde, zijn
spieren trokken krampachtig. Hij jankte. Er verzamelden zich allerlei
voorstellingen in zijn brein—het gevecht in de hut, Nepeese, de
wilde jacht door de sneeuw naar den rand van den afgrond—zelfs de
herinnering, nu al zoolang geleden, aan zijn worsteling, toen Mc Taggart
hem in den konijnenstrik gevangen had. In dit gejank klonk een groot
verlangen, bijna verwachting. Toen stierf het langzaam weg. Alles
bijeengenomen, deze reuk in de sneeuw herinnerde hem aan iets, dat hij
haatte en verlangde te dooden en niet aan iets, dat hij lief had. Het
janken stierf weg om opnieuw plaats te maken voor dat onheilspellende
gegrom.

Langzaam volgde hij het pad en een kwart mijl van de hut af kwam hij bij
de eerste klem. De honger had zoo bij hem huisgehouden dat zijn flanken
ingevallen waren. In de eerste klem had Mc Taggart bij wijze van lokaas
het achterdeel van een sneeuwschoenkonijn geplaatst. Baree ging er
voorzichtig op af. Hij had veel geleerd op Pierrot's vallenlijn; hij had
geleerd wat het dichtknappen van een klem beteekende; hij had de wreede
pijn van haar stalen kaken ondervonden; hij wist beter dan de sluwste
vos, wat er gebeuren ging, wanneer een val was dichtgesprongen—en
Nepeese in eigen persoon had hem geleerd, nooit een giftaas aan te
raken. Daarom zette hij zacht zijn tanden in het konijnenvleesch en trok
het weg, even handig als Mc Taggart zelf dit zou gedaan hebben. Hij
bezocht nog vijf klemmen voor het duister inviel en at van alle vijf het
lokaas op, ongedeerd. De zesde was een val. Hier bleef hij in een kring
omheen draaien totdat hij een pad in de sneeuw gevormd had. Toen maakte
hij zich een nachtleger in de warme balsemstruiken.

Den volgenden dag had het begin van de worsteling plaats, die nu volgde
tusschen het brein van mensch en dier. Voor Baree beteekende het
berooven van Mc Taggart's vallenlijn geen strijd, maar het ging om zijn
levensonderhoud. Zij moest hem voedsel verschaffen, zooals Pierrot's
lijn hem weken lang voedsel opgeleverd had. Maar hij gevoelde zeer
goed, dat hij in dit geval een wetsovertreder was en tegen een vijand
moest opwerken. Als het weer goed voor de jacht was geweest zou hij
misschien verder getrokken zijn, want de onzichtbare hand, die zijn
zwerftochten leidde, bracht hem, langzaam maar zeker, weer terug naar
den ouden bevervijver en den Grijzen Fuut. Maar op 't oogenblik, nu
de diepe, zachte sneeuw onder zijn pooten lag, zoo diep, dat hij er
soms tot over zijn ooren inzonk, was Mc Taggart's vallenlijn als een
pad vol manna, aangelegd voor zijn bijzonder gebruik. Hij volgde het
spoor van de sneeuwschoenen van den agent en doodde in de derde klem
een konijn. Toen hij dit verslonden had, lag er op de sneeuw niets dan
wat haren en een paar bloedplekken. Hij had een waren wolvenhonger,
daar hij in dagen niets gegeten had en voor de dag ten einde was had
hij twaalf van Mc Taggart's klemmen leeggeplunderd. Driemaal kwam hij
aan giftaas,—kariboevet, waarin een dosis strychnine verborgen was en
telkens ontdekte zijn gevoelige neus het gevaar. Pierrot had meermalen
het verwonderlijke feit opgemerkt, dat Baree de aanwezigheid van vergif
ontdekte, zelfs al was dit nog zoo handig verstopt in het bevroren
karkas van een hert. Vossen en wolven aten van vleesch, waarvan zijn
bovenmate gevoelige zintuigen hem oogenblikkelijk zeiden, dat het
vergiftigd was. Dus ging hij Mc Taggart's vergiftige lekkernijtjes
voorbij, ze besnuffelend en de geschiedenis van zijn achterdocht
achterlatend in zijn voetsporen. Waar Mc Taggart halt had gehouden om
tegen den middag zijn maal te koken, had Baree diezelfde voorzichtige
cirkelpassen beschreven.

Den tweeden dag, toen hij minder hongerig was en des te ontvankelijker
voor den gehaten reuk van zijn vijand, at Baree minder, maar stuurde
den boel des te erger in de war. Mc Taggart was er niet zoo knap in
als Pierrot, den reuk van zijn handen af te houden van zijn klemmen en
vallen en telkens drong Baree die reuk sterk in den neus. Dit bracht bij
Baree een heftigen hartstocht te weeg, een steeds aangroeienden haat,
terwijl hij een paar dagen tevoren dien haat al bijna vergeten was. Er
gaat wellicht in het brein van het dier een berekeningsproces om, dat
iets heeft van redeneering, het is dit niet geheel en al, maar toch
ook niet zuiver instinkt te noemen. Baree telde niet twee en twee bij
elkander op, om vier als slotsom te krijgen, hij ging niet stap voor
stap terug om zichzelf te bewijzen, dat de man, aan wien deze vallenlijn
toebehoorde, de oorzaak was van al zijn verdriet en moeilijkheden—maar
met dat al werd hij bezeten door een hartgrondigen haat jegens hem. Mc
Taggart was het eenige schepsel, buiten de wolven dan, dat hij ooit
gehaat had. Mc Taggart had hem gepijnigd, hij had Pierrot gedood, door
hem was hij zijn geliefde Nepeese kwijt geraakt—_en Mc Taggart was op
deze vallenlijn_!

Als hij tevoren gedwaald had zonder einddoel of bestemming, nu had hij
een roeping gevonden. Deze was, de vallen achtereenvolgens na te gaan,
om zich met den inhoud ervan te voeden. En bovendien onder de hand zijn
haat te kunnen luchten.

Den tweeden dag trof hij midden op een meer een dooden wolf aan, die
gestorven was door het eten van giftaas. Een half uur lang mishandelde
hij het beest, tot er van diens huid niets dan reepen over waren. Hij
raakte zijn vleesch echter niet aan. Het was weerzinwekkend voor hem.

Maar het was zijn wraakneming op het wolvengebroed. Hij bleef stilstaan
op een half dozijn mijlen van Lac Bain en keerde terug. Op deze plek
namelijk kruiste het pad een bevroren stroompje, waarachter zich een
vlakte uitstrekte en over die vlakte kwamen—als de wind in die richting
was—de rook en de reuk van Lac Bain. Den tweeden nacht lag Baree met
een volle maag in een boschje pijnboomen; den derden dag trok hij weer
westwaarts, de vallenlijn langs.

Dezen morgen vertrok Bush Mc Taggart in de vroegte om zijn vangst
te gaan inzamelen en toen hij het stroompje overstak, op zes mijlen
afstands van Lac Bain, zag hij voor het eerst Baree's sporen. Hij
bleef staan om ze te onderzoeken met een plotselinge en ongewone
belangstelling, viel eindelijk op de knieën, stroopte den handschoen af
van zijn rechterhand en raapte een enkel haar op.

„De zwarte wolf!”

Hij sprak deze woorden uit op een zonderlingen harden toon en
onwillekeurig werden zijn oogen getrokken in de richting van den Grijzen
Fuut. Daarna bekeek hij nog zorgvuldiger een der sporen in de sneeuw.
Toen hij opstond, droeg zijn gelaat de uitdrukking van iemand die een
onplezierige ontdekking gedaan heeft.

„Een zwarte wolf!” herhaalde hij en trok de schouders op. „Bah! Lerue
is niet wijs. Het is een hond.” En na een oogenblik voegde hij er bij,
nauwelijks luider dan een gefluister: „_Haar hond._”

Hij reisde verder, het spoor van den hond volgend. Een nieuwe opwinding
maakte zich van hem meester, die niet alleen de opwinding van de jacht
was. Daar hij een mensch was, genoot hij het voorrecht, twee en twee
bij elkander te kunnen optellen en de samenvoeging van die twee en twee
was—Baree. Hij twijfelde maar weinig. De gedachte er aan was dadelijk
bij hem opgekomen, toen Lerue over den zwarten wolf gepraat had. Hij
was er van overtuigd, nu hij de voetsporen gezien had. Het waren de
indrukken van een hond en die hond was zwart. Toen kwam hij bij de
eerste klem, die van haar lokaas beroofd was.

Hij vloekte binnensmonds. Het aas was verdwenen en de klem niet
dichtgesprongen. De gepunte stok, waarmee het aas was vastgezet, was er
keurig uitgetrokken.

Den heelen dag lang volgde Mc Taggart den weg waarlangs Baree gegaan
was. Klem na klem trof hij ledig aan. Op het meer zag hij den
mishandelden wolf liggen. Zijn ontstemming na de eerste ontdekking van
Baree's tegenwoordigheid veranderde langzamerhand in woede en deze
woede steeg, naarmate de dag vorderde. Hij was niet onbekend met de
viervoetige beroovers van de vallenlijn, maar gewoonlijk plunderde een
wolf of een vos of een hond, die handig geworden was in deze dieverij,
slechts een aantal klemmen. Maar in dit geval was Baree van klem tot
klem getrokken en zijn sporen in de sneeuw toonden aan, dat hij bij alle
was blijven staan. Hij was, zoo kwam het Mc Taggart voor, met een bijna
menschlijke duivelachtigheid te werk gegaan. Hij ontweek alle vergif.
Geen enkele maal was hij met kop of poot op de plekken gekomen waar het
gevaar was. Oogenschijnlijk om geen enkele reden had hij een prachtigen
wezel totaal verminkt, wiens glanzende pels nu in waardelooze vodjes
over de sneeuw verspreid lag. 's Middags bereikte Mc Taggart een val,
waarin een lynx gedood was. Baree had de zilverige flanken van dit dier
met zijn tanden opengereten totdat de vacht niet meer de helft van hare
waarde had. Mc Taggart vloekte hardop en zijn adem was heet.

Tegen de schemering bereikte hij het hutje, dat Pierre Eustach
halverwegen zijn vallenlijn had opgetrokken en nam een overzicht van de
opbrengst van zijn pelswerk. Het was niet meer dan een derde deel van
wat hij gewoon was; de lynx was half bedorven, de wezel eenvoudig in
tweeën gerukt. Den tweeden dag vond hij nog grooter verwoesting, nog
meer beroofde vallen. Hij werd als krankzinnig. Toen hij de tweede hut
naderde, in den laten namiddag, waren Baree's voetsporen nog geen uur
oud. Dien nacht hoorde hij den hond tot driemaal toe huilen.

Den derden dag keerde Mc Taggart nog niet naar Lac Bain terug, maar
begon omzichtig jacht te maken op Baree. Er was tamelijk veel sneeuw
gevallen en als om zijn vijand uit te tarten, had Baree in een straal
van honderd meter om de hut heen, duidelijk zijn sporen gezet. Het
duurde een half uur voor Mc Taggart de eigenlijke richting te pakken had
en hij volgde Baree twee uur lang tot aan een dicht boschje. Baree liep
met den wind mee. Nu en dan kreeg hij den reuk van zijn vervolger in
den neus: wel tienmaal wachtte hij, totdat deze zoo dichtbij was, dat
hij de takken onder zijn voeten kon hooren knappen of het metaalachtig
getik van twijgen, die tegen zijn geweerloop sloegen. En toen draaide
hij, met een plotselinge ingeving, die Mc Taggart opnieuw aan het
vloeken bracht, in een wijden cirkel rond en keerde weer terug naar
de vallenlijn. Toen de agent hier aankwam, ongeveer tegen twaalf uur
's middags, was Baree er al aan het werk geweest. Hij had een konijn
gedood en opgegeten, hij had over den afstand van een mijl drie vallen
leeggeplunderd en was nu weer regelrecht op weg naar den Post van Lac
Bain.

Den vijfden dag keerde Mc Taggart naar zijn standplaats terug. Hij
was in een kwade bui. Van de vier Franschen trof hij alleen Valence
aan en Valence hoorde zijn verhaal aan en hoorde hem ook naderhand
Marie uitschelden. Zij kwam, wat later, in het magazijn, grootoogig
en angstig, één van haar wangen zag donkerrood, waar Mc Taggart haar
geslagen had. Terwijl de magazijnmeester het blikje zalm voor haar
opzocht, waarmede Mc Taggart zijn maal wenschte te doen, vond Valence de
gelegenheid, haar zacht iets in het oor te fluisteren.

„M'sieu Lerue heeft een zilvervos gevangen,” zeide hij met lichten
triomf. „Hij, _mon ami_, heeft je lief en hij zal tegen het voorjaar een
prachtige vangst gemaakt hebben—en hij zendt je deze boodschap, uit
zijn hut bij het kleine zwarte Beertje zonder Staart: „_Houd je gereed
om te vluchten, zoodra de zachte sneeuw valt!_””

Marie keek hem niet aan, maar zij had hem verstaan en haar oogen
straalden zóó als sterren, toen de jonge magazijnmeester haar de zalm
overreikte, dat hij na haar vertrek tot Valence zeide.

„Zij kwijnt langzaam weg, maar zij kan toch zoo nu en dan nog wel mooi
zijn, Valence!”

En Valence knikte toestemmend met een eigenaardigen glimlach.



XXV.

Baree maakt het Mc Taggart lastig.


Tegen het midden van Januari was de strijd tusschen Baree en Bush
Mc Taggart meer dan een voorval geworden—meer dan een voorbijgaand
avontuur voor het dier en meer dan een ergerniswekkende gebeurtenis
voor den man. Hij maakte voorloopig eenvoudig de reden van hun bestaan
uit. Baree bleef steeds in den omtrek van de vallenlijn. Hij bezocht
haar steeds alsof hij een ronddwalende geest was en iederen keer, dat
hij opnieuw den reuk van den agent van Lac Bain opsnoof, voelde hij
te sterker, dat hij zich op zijn doodsvijand wreekte. Telkens opnieuw
verschalkte hij Mc Taggart; hij ging er mee voort, de klemmen en vallen
van hun lokaas te berooven; de stemming om te verwoesten verergerde,
telkens als hij bij een pelsdier kwam; zijn grootste genoegen lag niet
in het verslinden van het aas, maar in het verwoesten er van. Het
vuur van zijn haat vlamde steeds hooger op, tot hij ten laatste tegen
de sneeuw begon te grauwen en er in te bijten, wanneer Mc Taggart er
overheen geloopen had. En al dien tijd had hij, onafhankelijk van deze
razernij, een visioen van Nepeese, dat hoe langer hoe duidelijker scheen
te worden.

Die groote eenzaamheid—die eenzaamheid gedurende de lange dagen en
nog langere nachten, toen hij wachtte en zocht in den omtrek van den
Grijzen Fuut, drukte hem weer, zooals zij hem gedrukt had in de eerste
dagen na haar verlies. In sterren- en maannachten zond hij opnieuw zijn
jammerkreten voor haar de lucht in en er liep Bush Mc Taggart, wanneer
hij deze hoorde, een vreemde huivering over den rug.

De haat van den man verschilde van dien van het dier, maar was misschien
nog onverzoenlijker. Bij Mc Taggart was het niet alleen haat. Er was een
onbeschrijfelijke en bijgeloovige vrees in gemengd, waarom hij lachte
en waarover hij vloekte, maar die hem bijbleef, even zeker als de reuk
van zijn eigen voetspoor in Baree's neusgaten drong. Het was Baree niet
alleen, waarmee hij te maken had, maar _Baree nam het voor Nepeese op
bovendien_. Deze gedachte zette zich steeds meer bij Mc Taggart vast.
Er ging nooit een dag voorbij, waarin hij niet aan de Wilg dacht, nooit
kwam en verstreek er een nacht, waarin hij haar gelaat niet duidelijk
voor zich zag. Hij verbeeldde zich zelfs, op een stormachtigen nacht,
dat hij haar stem hoorde in het geweeklaag van den wind—nauwelijks een
minuut later hoorde hij flauwtjes een gehuil in het bosch. Dien nacht
was zijn hart vervuld met een loodzware vrees. Hij trachtte haar van
zich af te zetten. Hij rookte pijpen, totdat de kamer in zijn hut in
een blauwen nevel gehuld was. Hij schold op Baree en den storm, maar
hij bezat den overbluffenden moed van vroeger niet meer. Hij had niet
opgehouden Baree te haten—hij haatte hem nog steeds, heviger dan hij
ooit een mensch gehaat had—maar hij had nu een nog grooter reden, hem
dood te wenschen. Eerst kwam zij tot hem in den slaap, in een onrustigen
droom en daarna leefde de gedachte voor hem, leefde de gedachte, _dat
Nepeese's geest Baree geleidde bij het verwoesten van zijn vallenlijn_!

Na een poosje praatte hij niet meer op den Post over den zwarten
wolf, die zijn gebied plunderde. Het pelswerk, door Baree's tanden
beschadigd, hield hij apart en hij bewaarde zijn geheim. Hij leerde
elke list en uitvinding, die de jagers gebruikten om vossen en wolven
te dooden in het Onvruchtbare Land. Hij probeerde drie verschillende
vergiften, waarvan er één, zoo sterk was, dat een droppel er van den
dood bracht; hij bracht strychnine aan in capsules van gelatine, in
hertenvet, in kariboevet, in elandslever en zelfs in het vleesch van
het stekelvarken. Ten laatste doopte hij bij het bereiden der vergiften
en vóór het aanraken van het vleesch zijn handen in beverolie, zoodat
er geen menschenreuk bij kon komen. Vossen, wolven, ja zelfs wezels
en hermelijnen stierven er aan, maar Baree kwam er altijd dichtbij,
maar toch nooit dicht genoeg. In Januari vergiftigde Mc Taggart het
aas van al zijn vallen. Dit had tenminste één goed resultaat voor
hem. Van dien dag af raakte Baree nooit meer aan het lokaas, maar at
alleen de konijnen op, die hij doodde in de klemmen. In Januari kreeg
Mc Taggart voor het eerst Baree te zien. Hij had zijn geweer tegen een
boom geplaatst en was er juist een paar meter vandaan. Het leek wel of
Baree dit wist en speciaal kwam om hem te tarten, want toen de agent
onverwacht opkeek, stond Baree nog geen twintig meter van hem af, een
eind buiten de dwergsparretjes; zijn witte tanden glinsterden en zijn
oogen brandden als kolen vuur. Even bleef Mc Taggart naar hem staren of
hij versteend was. Het was Baree wel degelijk. Hij herkende de witte
ster, het witgevlekte oor en zijn hart bonsde in zijn borst als een
hamer. Heel langzaam begon hij naar zijn geweer toe te kruipen. Hij
strekte er de hand naar uit, toen Baree verdween, snel als het weerlicht.

Dit bracht Mc Taggart op een nieuw denkbeeld. Hij baande zich een
anderen weg door het bosch, die evenwijdig liep met zijn vallenlijn,
maar op ten minste vijfhonderd meter afstand. Maar overal waar hij
een klem of val had uitgezet maakte dit tweede pad een scherpen hoek,
zooals de punt van een V, zoodat hij de oude vallenlijn onopgemerkt kon
bereiken. Door deze list geloofde hij, dat hij den een of anderen dag
den hond onder schot zou kunnen krijgen. Het was de man, die redeneerde,
en de man, die verslagen werd. Den eersten dag dat Mc Taggart dit nieuwe
pad volgde, deed Baree het eveneens. Eerst begreep hij niet, wat dit te
beteekenen had. Driemaal maakte hij een verbindingspad tusschen de oude
en de nieuwe lijn. Daarna weifelde hij niet langer. Het nieuwe pad was
het laatst beloopen en hij volgde de voetstappen van den agent van Lac
Bain. Mc Taggart vermoedde niet wat er gebeurde voor hij terugkeerde
en het in de sneeuw aangetoond zag. Baree had een bezoek gebracht aan
elke klem en zonder uitzondering was hij elken keer genaderd langs de
omgekeerde V. Na een week van nutteloos achternajagen, van op wacht
liggen, van besluipen uit iedere richting—gedurende welk tijdsverloop
Mc Taggart zich bijna razend gevloekt had, kreeg hij weer een ander
plan. Het was een ingeving, dit laatste plan, en zóó eenvoudig, dat het
onbegrijpelijk was, dat hij er niet vroeger aan gedacht had.

Twee dagen later was Mc Taggart weer terug, bij het aanbreken van
den dag. Ditmaal droeg hij een pak, waarin een half dozijn stevige
wolfsklemmen zaten, pas in beverolie gedoopt, en een konijn, dat hij den
vorigen nacht gestrikt had. Nu en dan keek hij angstig naar de lucht.
Deze bleef helder tot in den laten namiddag, toen donkere wolkenbanken
uit het oosten kwamen aandrijven. Een half uur later begonnen er een
paar sneeuwvlokken te vallen. Mc Taggart liet er een op zijn want vallen
en bekeek haar nauwkeurig. Zij was zacht en donzig en hij gaf uiting aan
zijn voldoening. Het was juist wat hij verlangde. Vóór den volgenden
morgen zou er een decimeter sneeuw liggen en alles bedekken. Hij bleef
staan bij de eerste val en ging snel aan het werk. Eerst wierp hij het
vergiftigde lokaas weg en verving het door het konijn. Toen begon hij
zijn wolfsklemmen uit te zetten. Drie er van plaatste hij vlak bij het
deurtje van de val, waardoor Baree zijn kop zou moeten steken om het aas
te bereiken. De overblijvende negen verspreidde hij op afstanden van een
voet ongeveer, zoodat, toen hij klaar was, een heele linie van klemmen
de val omringde. Hij maakte de kettingen niet vast, maar liet ze los in
de sneeuw liggen. Als Baree in de eene klem kwam, raakte hij vanzelf
in de volgende en hij behoefde haar dus niet eens vast te leggen.
Nadat hij zijn werk afgedaan had, haastte Mc Taggart zich door de zich
verdichtende schemering naar zijn hutje terug. Hij was buitengewoon in
zijn schik. Ditmaal kon er geen sprake zijn van een mislukking. Hij had
elke klem over zijn heelen weg naar Lac Bain dicht laten springen en
Baree zou nergens iets vinden om te eten voordat hij den „kring” der
wolfsklemmen bereikte.

Dien nacht vier er veel sneeuw en de heele wereld scheen in een
prachtig wit gewaad gehuld. De sneeuw hing als golven van veeren aan
de boomen en struiken; zij gaf hooge witte mutsen aan de rotsen en zij
was zoo week onder de voeten, dat een patroon, die men uit de hand
liet vallen, er in wegzonk tot op den grond. Baree was al vroeg op de
vallenlijn. Hij was voorzichtiger, dezen morgen, want de reuk van Mc
Taggart's sneeuwschoenspoor was er niet, om hem den weg te wijzen. Hij
bereikte de eerste klem ongeveer halfweg Lac Bain en het hutje, waarin
de agent in afwachting gebleven was. Zij was dichtgesprongen en er
zat niets in. Klem na klem zocht hij op en alle zaten dicht en waren
zonder lokaas. Hij snoof argwanend de lucht in, te vergeefs trachtend
rook of menschenlucht te ontdekken. Tegen den middag naderde hij den
„klemmenkring”—de twaalf verraderlijke klemmen, die met gapende kaken
op hem wachtten, een halven voet diep onder de sneeuw. Een volle minuut
lang bleef hij staan, buiten het gevaarlijke terrein, snuivend en
luisterend. Hij zag het konijn en zijn kaken klapten hongerig dicht. Hij
kwam een stap dichterbij. Nog steeds was hij achterdochtig—om de een
of andere onverklaarbare reden vermoedde hij gevaar. Gretig zocht hij
er naar, met oogen, neus en ooren. En rondom heerschte groote stilte
en vredigheid. Zijn kaken klapten opnieuw op elkaar. Hij jankte zacht.
Wat verontrustte hem toch? Waar was dan het gevaar, dat hij zien noch
ruiken kon? Langzaam cirkelde hij om de val heen, driemaal, en bij elken
cirkel, dien hij beschreef, kwam hij wat dichterbij—totdat zijn pooten
bijna de uiterste klemmenlinie aanraakten. Nog even bleef hij stilstaan,
ondanks den heerlijken geur van het konijn in zijn neusgaten, trok er
hem iets vandaan. Bijna was hij er vandoor gegaan, maar plotseling
kwam er vlak van achter de val een heftig rat-achtig gepiep en het
volgende oogenblik zag Baree een hermelijn, nog witter dan de sneeuw,
dat hongerig aan het konijnevleesch rukte. Hij vergat dat zonderlinge
voorgevoel van gevaar. Hij gromde woedend, maar zijn moedige kleine
mededinger liet zijn buit niet los.

En toen sprong hij middenin den vallenkring, dien Bush Mc Taggart voor
hem aangelegd had.



XXVI.

Mc Taggart's triomf.


Den volgenden morgen hoorde Bush Mc Taggart een gerammel van kettingen,
toen hij nog wel een kwart mijl van den vallenkring verwijderd was.
Was het een lynx? Was het een marter? Was het een wolf of een vos? _Of
was het Baree?_ Hij legde den overigen afstand rennend af en toen hij
eindelijk op een punt kwam, vanwaar hij zien kon, sprong zijn hart op
van blijdschap, toen hij bemerkte, dat hij zijn vijand gevangen had. Hij
kwam naderbij, zijn geweer gereed houdend om te vuren, voor het geval de
hond zich mocht weten te bevrijden.

Baree lag op zijn zijde, hijgend van uitputting en rillend van pijn.
Een heesche kreet van vreugde ontsnapte Mc Taggart's lippen, toen hij
dichterbij kwam en naar de sneeuw keek. Zij lag stijf vastgetrapt om
den val heen, waar Baree had liggen worstelen, en zag rood van bloed.
Het bloed was meerendeels uit Baree's bek gevloeid. Die droop er nog
van, terwijl hij zijn vijand aangluurde. De stalen kaken hadden hun
onbarmhartig werk goed verricht, verborgen onder de sneeuw. Een van zijn
voorpooten was stevig vastgekneld, tot aan het eerste gewricht toe,
zijn beide achterpooten zaten eveneens gevangen; een vierde klem had
zich om een zijner flanken gesloten en in zijn worsteling om zich ervan
te bevrijden had een stuk huid losgelaten ter grootte van Mc Taggart's
halve hand. De sneeuw deed het verhaal van zijn wanhopigen strijd den
heelen nacht lang; zijn bloedende kaken toonden hoe hij te vergeefs
getracht had zich met zijn tanden van het omklemmende staal te ontdoen.
Hij hijgde naar adem. Zijn oogen waren met bloed doorloopen. Maar
zelfs nu, na al deze uren van ellende, was zijn moed, noch geestkracht
gebroken. Toen hij Mc Taggart zag, probeerde hij met een ruk overeind
te komen, maar viel bijna oogenblikkelijk weer in de sneeuw neer. Maar
hij zette zijn voorpooten schrap. Hij hield kop en borst op en de grauw,
dien hij voortbracht, was tijgerachtig in zijn woestheid.

Hier stond nu eindelijk en ten laatste, niet meer dan een paar meter
van hem af, het eenige wezen in de heele wereld, dat hij heftiger haatte
dan het wolvengebroed. En weer was hij hulpeloos, zooals hij indertijd
hulpeloos was geweest in den konijnenstrik.

De woestheid van zijn grauwen wekte ditmaal geen angst bij Bush Mc
Taggart. Hij zag dat de ander volkomen aan zijn genade was overgeleverd
en met een lach van voldoening zette hij zijn geweer tegen den boom aan,
trok zijn wanten uit en begon zijn pijp te stoppen. Dit was de triomf,
waarnaar hij verlangd had, de marteling, waarnaar hij had uitgezien. Er
was een haat in zijn ziel, even doodelijk als die van Baree, de haat
dien een man kon voeden tegenover een anderen man. Hij had zich eerst
voorgenomen, den hond een kogel door den kop te jagen. Maar dit was nog
beter—hem langzamerhand te zien sterven, hem te kwellen zooals hij een
menschelijk wezen gekweld zou hebben, om hem heen te loopen, zoodat hij
het gerammel van den ketting hoorde en het versche bloed te zien vloeien
als Baree zijn gemarteld lijf en ledematen wrong om hem met de oogen te
kunnen blijven volgen. Het was een schitterende wraakneming. Hij was
er zoo in verdiept, dat hij de nadering van sneeuwschoenen achter zich
niet hoorde. Het was een stem, een mannenstem, die hem plotseling deed
omkijken.

De man was een vreemdeling en wel tien jaar jonger dan Mc Taggart. Ten
minste, hij zag er niet ouder uit dan vijf- of zes-en-dertig, ondanks
zijn blonden, kortgeknipten baard. Hij had een voorkomen, dat in het
algemeen iedereen aangenaam moest aandoen; hij had iets jongensachtigs
en was toch volkomen een man; met heldere oogen keek hij vrij onder
den rand van zijn bonten muts uit, zijn lichaam was lenig als dat van
een Indiaan en zijn gelaat droeg niet de harde lijnen, in de wildernis
opgedaan. Toch wist Mc Taggart, nog vóór hij gesproken had, dat deze
man in de wildernis thuis hoorde, dat hij er met hart en ziel deel
van uitmaakte. Zijn muts was van marterbont. Hij droeg een jas, tegen
weer en wind bestand, van zacht gelooid kariboeleer, om het middel
opgehouden door een lange ceintuur, op Indiaansche manier met franje
versierd. Zijn jas was met bont gevoerd. Hij droeg een broek van zwarte
stof, zooals de inwoners van Hudson Baai dragen, en had mocassins aan.
Hij reisde op lange, slanke sneeuwschoenen, speciaal gemaakt voor het
houtland; zijn ransel op de schouders gebonden, was klein en stevig
samengepakt en hij droeg zijn geweer in een laken overtrek. En van het
hoofd tot de voeten zag hij er verreisd uit. Mc Taggart zou op den gis
gezegd hebben, dat hij in de laatste paar weken wel duizend mijlen
afgelegd had. Deze gedachte was het echter niet, die hem een plotselinge
siddering door de leden joeg, maar de vrees, dat op geheimzinnige wijze
een gefluister van de waarheid zijn weg gevonden mocht hebben, ver
naar het zuiden—de ware lezing van hetgeen er voorgevallen was bij
den Grijzen Fuut—en dat deze vreemdeling onder zijn kariboeleeren jas
het insigne van de Koninklijke Noordwestelijke Bereden Politie droeg.
Deze angst maakte zich eenige oogenblikken van hem meester en hij bleef
sprakeloos staan.

De vreemdeling had alleen een verbaasden uitroep geslaakt. Nu zeide hij
met zijn oogen op Baree gevestigd: „God zegen' ons, u hebt dien armen
drommel daar leelijk in 't nauw gebracht, niet?”

Er was iets in zijn stemklank, dat Mc Taggart geruststelde. Er klonk
geen achterdocht in en hij kon zien, dat de vreemdeling meer belang
stelde in het dier dan in hem. Hij haalde diep adem.

„Een vallendief,” zeide hij.

De vreemdeling bekeek Baree nog scherper. Hij stak zijn geweer
ondersteboven in de sneeuw en kwam naderbij.

„Hemel nog toe, het is een hond!” riep hij uit.

Achter hem stond Mc Taggart en keek naar hem met oogen als van een fret.

„Ja, een hond,” antwoordde hij. „Een wilde hond, ten minste voor de
helft wolf. Hij heeft me zeker voor duizend dollars bestolen dezen
winter.”

De vreemdeling hurkte bij Baree neer, zijn handen, in wanten gestoken,
rustten op zijn knieën en zijn witte tanden glinsterden in een halven
glimlach.

„Arme bliksem!” zeide hij medelijdend. „Zoo ben jij nu een vallendief?
Een vogelvrij verklaarde? En—de politie heeft je te pakken gekregen?
En—'t is me wat moois—ze heeft je geen mooie poets gebakken, hoor!”

De vreemdeling stond op en keek Mc Taggart aan.

„Ik moest wel een heeleboel klemmen uitzetten om hem te vangen,”
verdedigde de agent zich, een weinig blozend onder den strakken blik van
de blauwe oogen van den vreemdeling. Plotseling kwam zijn verbittering
weer boven. „En hij zal hier sterven. Ik zal hem hier doodpijnigen en in
de klemmen laten vergaan als straf voor wat hij uitgehaald heeft.” Hij
nam zijn geweer op en voegde er bij, met zijn oogen op den vreemdeling
gevestigd en zijn vinger aan den trekker: „Ik ben Bush Mc Taggart, de
agent van Lac Bain. Trekt u dezen weg langs, m'sieu?”

„Een paar mijl nog maar. Ik trek door naar daarginds, het Onvruchtbare
Land.”

Mc Taggart voelde weer die zonderlinge onrust.

„Gouvernement?” vroeg hij.

De vreemdeling knikte.

„Van—de politie misschien,” hield Mc Taggart aan.

„Zeker, ja—natuurlijk—van de politie,” zeide de vreemdeling, den agent
strak aankijkend. „En nu, m'sieu, ga ik u verzoeken, als een groote
gunst aan de Wet toegestaan, om een kogel te jagen door den kop van dat
dier, vóór wij verder gaan. Wilt u? Of zal ik het doen?”

„Het is de wet van de vallenlijn,” zeide Mc Taggart, „om een vallendief
in zijn eigen val te laten vergaan. En dit beest was een duivel. Luister
eens—”

Snel, en toch geen enkele kleinigheid weglatend, vertelde hij van de
worsteling tusschen hem en Baree, die weken en maanden geduurd had, van
de krankzinnig makende nutteloosheid van al zijn listen en plannen en
van de nog verwonderlijker slimheid van het dier, dat hij eindelijk en
ten laatste had weten te vangen.

„Hij was een duivel—wat listigheid aangaat,” riep hij heftig, toen hij
zijn verhaal geëindigd had. „En zegt u me nu eens zelf—zoudt u hem
neerschieten, of hem langzaam laten sterven, zooals zijn verdiende loon
is?”

De vreemdeling keek nog steeds naar Baree. Hij wendde zijn gelaat van Mc
Taggart af. Hij antwoordde:

„Ik geloof, dat u gelijk hebt. Laat hem maar vergaan. Als u in de
richting van Lac Bain gaat, m'sieu, ga ik een eindje met u mee. Het zal
me een paar mijlen kosten om weer in mijn koers te komen.”

Hij raapte zijn geweer op. Mc Taggart ging vooruit. Na een half uur
bleef de vreemdeling staan en wees naar het noorden.

„Daar moet ik heen—nog een goede vijfhonderd mijl,” zeide hij, luchtig
sprekend, alsof hij dienzelfden avond nog zijn tehuis dacht te bereiken.
„Ik ga u hier verlaten.”

Hij maakte geen gebaar om hem de hand te geven. Maar onder het weggaan
zeide hij:

„U zult misschien wel willen rapporteeren, dat John Madison langs
gekomen is.”

Daarna trok hij recht naar het noorden voort, een halve mijl lang door
het dichte bosch. Toen sloeg hij af naar het Westen, maakte een scherpen
hoek naar het Zuiden en een uur nadat hij Mc Taggart verlaten had zat
hij weer gehurkt, bijna op armslengte van Baree af.

En hij zeide, alsof hij tegen een menschelijk gezel sprak:

„Zoo, ben jij dat geweest, ouwe jongen? Een vallendief, hè? Een
_vogelvrij verklaarde_ ben je dus? En ben je hem twee maanden lang de
baas gebleven bij dat spelletje? En om die reden, omdat je een beter
beest bent dan hij in zijn soort, wou hij je zoo langzaam mogelijk
doodmartelen. Een _vogelvrij verklaarde_!” Hier barstte hij uit in een
hartelijken lach—een lach, die ieder goeddoet, zelfs een beest. „Dat
is grappig. We staan precies gelijk, jongen—voor den drommel, dat doen
we! Jij bent ontembaar, zegt hij. Nu, ik ook. 'k Heb hem verteld dat
ik John Madison heette. Maar dat is niet zoo. Ik ben Jim Carvel. En,
Heer!—ik zei alleen maar: „van de politie”. En dat was een goede zet.
Het was geen leugen. Ik ben een lieveling van de politie—elke agent
tusschen de Hudson Baai en de Mackenzie Rivier verlangt er naar, mij in
handen te krijgen. Houd je ferm, kerel. We zijn in hetzelfde schuitje en
het doet me plezier dat ik je ontmoet heb!”



XXVII.

Vriendschap.


Jim Carvel strekte zijn hand uit en de grauw, die in Baree's strot was,
stierf weg. De man stond op. Hij bleef staan kijken in de richting
waarin Mc Taggart verdwenen was en grinnikte op een eigenaardige,
voldane wijze. Er klonk vriendelijkheid uit dat gegrinnik. Er was ook
vriendelijkheid in zijn oogen en in de glinstering van zijn tanden
toen hij weer naar Baree keek. Hij had iets opwekkends over zich, dat
den grijzen dag scheen te verhelderen, dat de koude lucht scheen te
verwarmen—een vreemde gloed ging er van hem uit, vroolijkheid en hoop
en kameraadschap uitstralend, zooals een kachel warmte uitstraalt.
Baree voelde dit. Voor de eerste maal sedert de twee mannen bij hem
gekomen waren, verloor zijn door de klemmen gemarteld lijf iets van
zijn gespannenheid; zijn rug boog door; zijn tanden klapperden toen hij
rilde in zijn pijn. Aan dezen man verried hij zijn zwakheid. In zijn
met bloed beloopen oogen was een hongerende blik toen hij Jim Carvel
gadesloeg—die evenals hij vogelvrij verklaard was—naar hij bekend had.
En Jim Carvel hield opnieuw zijn hand uit—ditmaal veel dichterbij.

„Arme bliksem,” zeide hij, terwijl de glimlach van zijn gelaat week.
„Arme bliksem!”

Deze woorden waren als een liefkoozing voor Baree—de eerste, die hij
ondervond sedert het verlies van Nepeese en Pierrot. Hij liet zijn kop
vallen tot hij plat in de sneeuw lag. Carvel kon langzaam het bloed uit
zijn bek zien droppelen.

„Arme bliksem!” herhaalde hij.

Er was geen vrees in de manier waarop hij zijn hand uitstrekte. Het
gebeurde in het vertrouwen van groote oprechtheid en diep medelijden.
Zij raakte Baree's kop aan en beklopte dien broederlijk en daarna ging
zij—langzaam en wat behoedzamer—naar de klem, waarin Baree's voorpoot
gevangen zat. In zijn halve verdoofdheid deed Baree zijn uiterste best,
dit alles te begrijpen en de waarheid drong tot hem door toen hij de
stalen kaken van de klem open voelde gaan en zijn verminkten poot er
uit trok. Toen deed hij iets, wat hij nooit bij eenig schepsel buiten
Nepeese gedaan had. Heel even schoot zijn heete tong uit en likte
Carvel's hand. De man lachte. Met zijn krachtige handen opende hij de
overige klemmen en Baree was vrij.

Eenige oogenblikken bleef hij liggen zonder zich te bewegen en met zijn
oogen op den man gevestigd. Carvel was gaan zitten op een met sneeuw
bedekten berkestam en stopte zijn pijp. Baree keek er naar, hoe hij deze
aanstak; hij keek met een nieuwe belangstelling naar de eerste purperen
rookwolk, die Carvel's mond verliet. De man was niet meer dan twee
vallenkettingen-lengten van hem verwijderd—en hij grinnikte tegen Baree.

„Kom, flink wat, ouwe jongen,” moedigde hij hem aan. „Geen beenderen
stuk. Alleen een beetje stijf. Misschien doen we maar beter—weg te
gaan.”

Jim wendde zijn gelaat in de richting van Lac Bain. Hij argwaande, dat
Mc Taggart terug zou keeren. Misschien vermoedde Baree hetzelfde, want
toen Carvel weer naar hem keek, was hij opgestaan, wat wankelend op zijn
pooten om zijn evenwicht te bewaren. Het volgende oogenblik zwaaide
Carvel zijn ransel van de schouders af en opende hem. Hij trok er een
stuk rood, rauw vleesch uit.

„Vanmorgen geschoten,” legde hij aan Baree uit. „Een éénjarige stier,
zoo malsch als een patrijs—en dit is een zwezerik, zoo lekker als
zoo'n dier hem maar kan hebben. Proef maar eens!”

Hij wierp het vleesch naar Baree toe. Er viel niet aan te twijfelen hoe
deze het ontvangen zou. Baree was uitgehongerd—en het vleesch werd hem
toegeworpen door een vriendenhand. Hij zette er zijn tanden in. Zijn
kaken vermaalden het. Er kwam nieuw vuur in zijn bloed, terwijl hij zich
te goed deed, maar geen oogenblik verlieten zijn roodgeworden oogen het
gelaat van den ander. Carvel gespte den ransel weer op zijn rug. Hij
stond op, nam zijn geweer op, gleed in zijn sneeuwschoenen en keek het
noorden in.

„Kom mee, jongen,” zeide hij, „we moeten er vandoor.”

Het was een zakelijke uitnoodiging, alsof zij al langen tijd samen
gereisd hadden. Het was misschien niet alleen een uitnoodiging, maar
half een bevel. Baree begreep er niets van. Een halve minuut bleef hij
onbeweeglijk staan en keek naar Carvel's rug, terwijl deze naar het
noorden toeschreed. Carvel keek niet om. Een plotselinge kramp trok
door Baree heen; hij draaide zijn kop in de richting van Lac Bain,
daarna keek hij weer naar Carvel en een gejank, nauwelijks boven zijn
ademhaling uitkomend, rees uit zijn strot. De man was juist op het punt
om in het dichte sparrenbosch te verdwijnen. Hij stond stil en keek om.

„Kom je, jongen?”

Zelfs op dezen afstand kon Baree hem vriendelijk zien grinniken; hij zag
de uitgestrekte hand en de stem wekte nieuwe gewaarwordingen bij hem op.
Zij was niet als Pierrot's stem. Hij had nooit van Pierrot gehouden.
Ook was zij niet zacht en vriendelijk, zooals die van Nepeese. Hij had
in zijn leven maar een paar menschen leeren kennen en hen allen met
wantrouwen beschouwd. Maar deze stem ontwapende hem. Zij was verlokkend
in haar vraag. Hij verlangde er op te antwoorden. Hij kreeg een groot
verlangen, geheel onverwachts, om den vreemdeling op de hielen te
volgen. Voor het eerst in zijn leven verlangde hij naar de vriendschap
van een man. Hij zette zich niet in beweging voor Jim Carvel het
sparrenbosch binnenging. Toen begon hij te volgen.

       *       *       *       *       *

Dien nacht kampeerden zij in het dichte gewas van ceders en
balsemstruiken, tien mijlen ten noorden van Mc Taggart's vallenlijn. Het
had een paar uren gesneeuwd en hun voetspoor was bedolven. Het sneeuwde
nog voortdurend, maar geen witte vlok drong het dichte baldakijn van
takken door. Carvel had zijn kleine zijden tent opgezet en een houtvuur
gebouwd; hun avondmaal was afgeloopen en Baree lag op zijn buik, den
vogelvrij verklaarde aan te kijken, bijna binnen het bereik van diens
hand. Met zijn rug tegen een boom zat Carvel heerlijk te rooken. Hij
had zijn muts en jas afgeworpen en in den warmen vuurgloed zag hij er
bijna jongensachtig jeugdig uit. Maar zelfs in dezen gloed verloor zijn
gelaat niets van zijn scherpe lijnen, noch zijn oogen van hun heldere
levendigheid.

„'t Lijkt wel eens prettig om met iemand te kunnen praten,” zeide hij
tegen Baree. „Tegen iemand, die je begrijpt en toch zijn mond houdt. Heb
jij wel eens verlangd om te huilen, terwijl je niet durfde? Nu, zoo is
't bij mij 't geval. Soms heb ik op het punt gestaan te barsten, omdat
ik met iemand praten wou en niet durfde.”

Hij wreef zijn handen en hield die toen bij het vuur. Baree keek naar
elke beweging, die hij maakte en luisterde aandachtig naar ieder geluid,
dat hij voortbracht. Zijn oogen verrieden nu een soort vereering, zijn
blik verwarmde Carvel's hart en deed hem de uitgestrekte eenzaamheid en
ledigheid van den nacht vergeten. Baree had zich dichter naar de voeten
van den man toegesleept en eensklaps boog Carvel over en klopte hem op
den kop.

„Ik ben slecht, ouwe jongen,” grinnikte Carvel. „Maar jij neemt het
me niet kwalijk—geen sikkepit. Wil je weten wat er gebeurd is?” Hij
wachtte een oogenblik en Baree staarde hem strak aan. Toen vervolgde
Carvel, alsof hij tegen een mensch sprak: „Laat eens zien—het is
nu vijf jaar geleden, in December, juist tegen Kerstmis. Had een
vader. Een knappe ouwe man, die vader van me. Geen moeder—alleen dien
vader maar, en als je ons bij mekaar optelde, vormden we maar Eén.
Begrepen? En toen kwam er een schoelje, Hardy heette hij, en heeft
hem neergeschoten op een goeien dag, omdat Vader hem tegengewerkt had
in de politiek. Niks meer of minder dan moord was 't. En zij hebben
dien schoelje er niet voor opgehangen! Neen, m'n waarde, ze hebben hem
niet opgehangen. Daarvoor had hij te veel geld en te veel vriendjes
bij zijn politieke partij en ze hebben hem alleen maar twee jaar
hechtenis gegeven. Maar hij is niet in de gevangenis terecht gekomen.
Nee—waarachtig niet!”

Carvel wrong zijn handen zoo hevig, dat de gewrichten kraakten. Een
vroolijke glimlach verhelderde zijn gelaat en zijn oogen gingen weer
naar het vuur. Baree slaakte een diepen zucht, puur toevallig, maar het
oogenblik was er spannend genoeg voor.

„Nee, hij is niet in de gevangenis terecht gekomen,” vervolgde Carvel,
Baree weer strak aankijkend. „Ondergeteekende wist wel, wat dat te
beteekenen had, ouwe jongen. Hij zou binnen het jaar gratie gekregen
hebben. En daar lag mijn vader, de grootste helft van mezelf, in
zijn graf. Daarom ging ik op dien schoelje af, waar alle rechters en
advocaten bij waren en al zijn dierbare familieleden en vrienden—_en
vermoordde hem_! En toen ontsnapte ik. Was al uit 't raam gesprongen
vóór ze bekomen waren van hun verbazing, maakte, dat ik de bosschen in
kwam en heb sinds dien tijd geleefd van het wild, dat ik vangen kon.
En ik denk zoo, dat God me goedgezind was, kerel. Want hij deed een
merkwaardig ding om me te helpen, voorverleden zomer, juist toen de
Beredene me op de hielen zat en 't er kwaad voor me uitzag. Een man
werd verdronken gevonden in het Rendierland, juist op een plek waar ze
dachten mij in 't nauw gedreven te hebben, en nu had de goede God het
zóó beschikt, dat die man zooveel op mij leek, dat ze hem onder mijn
naam begraven hebben. Dus daarom ben ik nu officieel dood, ouwe jongen.
Ik hoef nergens meer bang voor te zijn, zoolang ik me niet te veel
onder de menschen begeef, den eersten tijd, en nu heb ik zoo bij mezelf
uitgemaakt, dat God nogal met me op heeft, omdat hij me op die manier
uit de klem heeft geholpen. Wat denk jij er van, hè?”

Hij boog zich voorover, als om een antwoord te ontvangen. Baree had naar
hem geluisterd. Misschien had hij zelfs gedeeltelijk begrepen. Maar er
was een ander geluid dan Carvel's stem, dat hem nu in de ooren klonk.
Met zijn kop dicht bij den grond hoorde hij het duidelijk. Hij jankte en
het janken eindigde in een grauw, zoo zacht, dat Carvel maar heel even
de waarschuwing er in opmerkte. Hij nam een strakkere houding aan. Toen
stond hij op en keek het zuiden in. Baree stond naast hem, met gespannen
pooten en alle haren op zijn rug overeind.

Na een oogenblik van diepe stilte zeide Carvel:

„Familie van jou, ouwe jongen. Wolven.”

Hij ging de tent binnen om zijn geweer en patronen te halen.



XXVIII.

De lokstem van het Zuiden.


Baree stond, stokstijf, alsof hij uit steen gehouwen was, toen Carvel
de tent weer uitkwam en eenige oogenblikken bleef Carvel zwijgend naast
hem staan en sloeg hem nauwlettend gade. Zou de hond antwoorden op de
stem van den troep? Hoorde hij er bij? Zou hij weggaan—nu? De wolven
kwamen nader. Zij trokken niet in kringen voort, zooals een kariboe
of hert dat gedaan zou hebben, maar recht vooruit—zij kwamen in een
rechte lijn op hun kamp af. De beteekenis van dit feit was voor Carvel
duidelijk genoeg. Dien heelen middag door hadden Baree's pooten een
reuk van bloed in zijn spoor nagelaten en de wolven hadden dit spoor
ontdekt in het diepst van het bosch, waar de sneeuw het niet bedekt had.
Carvel ontstelde niet. Meer dan eens had hij in die vijf jaren zwervens
tusschen de Noordpool en den Kop van het Land, dit spelletje met de
wolven te spelen gekregen. Eens had hij bijna verloren, maar dat was op
de vlakte geweest, in het Onvruchtbare Land. Vannacht had hij een vuur
en voor het geval hij geen hout genoeg had om het brandende te houden,
waren er nog altijd boomen, waarin hij klimmen kon. Zijn bezorgdheid
gold op het oogenblik voornamelijk: Baree. Als de hond wegliep, zou
hij weer alleen achterblijven. Daarom zeide hij, zijn stem zoo gewoon
mogelijk houdend:

„Je gaat toch niet weg, zeg, ouwe jongen?”

Baree gaf geen blijken, hem verstaan te hebben. Maar Carvel, die hem
nog steeds nauwkeurig bekeek, zag, dat het haar op zijn rug borstelig
opstond en toen hoorde hij—langzaam zwellend in Baree's strot—een
grommen, waaruit woeste haat sprak. Het was een dergelijk gegrom als
datgene, dat den agent van Lac Bain achteruit had doen gaan en Carvel,
den grendel van zijn geweer openend, om te zien of alles in orde was,
grinnikte blij. Misschien hoorde Baree dit. Het kan zijn, dat hij er een
beteekenis aan gaf, want hij draaide plotseling zijn kop om en keek zijn
metgezel aan; zijn ooren lagen plat op zijn kop.

De wolven waren stil geworden. Carvel wist, wat dit beduidde en was
op zijn hoede. In de stilte klikte de veiligheidsdop op zijn geweer
met metaalachtige scherpte. Minutenlang hoorde hij niets dan het
knapperen van het vuur. Plotseling schenen Baree's spieren te kraken.
Hij sprong achteruit en bleef staan, gewend in de richting waarheen
Carvel's rug gedraaid was; zijn kop ter hoogte van zijn schouders,
zijn centimeterslange slagtanden glinsterden toen hij grauwde tegen de
donkere spelonken van het bosch, juist achter den rand van het vuur.
Carvel had zich omgedraaid met de snelheid van een schot. Het was wel
schrikaanjagend, wat hij te zien kreeg. Een paar oogen, brandend van
groenachtig vuur, en toen nog een paar en daarna zooveel paren, dat
hij ze niet had kunnen tellen. Hij hijgde naar adem. Zij geleken op
kattenoogen, maar waren veel grooter. Sommige, door het licht van het
vuur ten volle beschenen, waren rood als vurige kolen, andere vlamden
blauw en groen op—levende voorwerpen, zonder bijbehoorend lichaam. Met
een snellen blik keek hij den zwarten boschrand langs. Zij waren daar
ook, maar op de plek waar hij ze het eerst gezien had, was hun aantal
het grootst. In deze eerste oogenblikken was hij Baree vergeten en onder
den indruk, aan verstomming grenzend, van deze monster-linie van oogen,
den dood voorspellend, die hen omringde.

Er waren zeker vijftig, misschien wel honderd wolven daarginds, nergens
bang voor, behalve voor vuur. Zij waren genaderd zonder het geringste
geluid van zachtgezoolde pooten of knappende twijgen. Als zij later
gekomen waren en zij in slaap geweest waren en het vuur gedoofd—

Hij huiverde en een oogenblik werkte dit denkbeeld op zijn zenuwen.
Hij was niet van plan geweest te schieten, tenzij uit noodzaak, maar
ineens was zijn geweer bij zijn schouder en zond hij een stroom van vuur
op de plek waar de oogen het dichtst waren. Baree wist wat schieten
beteekende en, bezeten door het razend verlangen, een van zijn vijanden
naar de keel te springen, rende hij hun richting uit. Carvel gaf een
schreeuw van schrik toen hij hem zag gaan. Hij zag Baree's lichaam
vooruitschieten, zag het verdwijnen in de duisternis en hoorde op
hetzelfde oogenblik het doodaanbrengend geklik van slagtanden en den
schok van lijven op elkaar. Een wilde opwinding maakte zich van hem
meester.

De hond had den aanval in zijn eentje gewaagd en de wolven hadden hem
afgewacht. Er was slechts één afloop mogelijk. Zijn viervoetige kameraad
was regelrecht in de kaken van den dood geloopen!

Hij kon het woedende dichtklappen van kaken hooren, daarginds in de
duisternis. Het was griezelig. Zijn hand greep fluks de automatische
revolver, die aan zijn gordel hing en wierp zijn afgeschoten geweer op
de sneeuw. Met de groote revolver van 38 m.M. kaliber voor zijn oogen
wierp hij zich de duisternis in en uit zijn mond kwam een geschreeuw,
dat op een mijl afstands gehoord kon worden. Tegelijk met dit geschreeuw
spatte een gestadige stroom van vuur te midden der vechtende dieren. Er
zaten elf schoten op de revolver en niet voordat hij deze alle gebruikt
had, hield Carvel met zijn geschreeuw op en trok zich weer terug in de
bescherming van het vuur. Hij luisterde, diep ademend. Hij zag geen
oogen meer in de duisternis en hoorde ook geen geluid meer van bewegende
lijven. De onverwachtheid en woede van dezen aanval had de wolvenhorde
op de vlucht gedreven. Maar de hond! Hij hield zijn adem in en keek zoo
scherp mogelijk uit. Een schaduw sleepte zich in den lichtcirkel. Het
was Baree. Carvel rende op hem toe, sloeg zijn armen onder de schouders
om hem heen en bracht hem bij het vuur.

Een tijdlang was er een vragend licht in Carvel's oogen. Hij herlaadde
geweer en revolver, deed nieuwe brandstof op het vuur en haalde uit zijn
bagagepak een stuk linnen voor den dag, waarmee hij drie of vier van de
ergste kwetsuren in Baree's pooten verbond. En telkens vroeg hij op een
peinzende manier:

„Maar wat drommel, waarom deed je dat toch, ouwe jongen? Wat heb _jij_
nu tegen de wolven?”

En dien nacht sliep hij in 't geheel niet, maar hield de wacht.

       *       *       *       *       *

Hun ondervinding met de wolven verbrak het laatste restje onzekerheid,
dat er tusschen man en hond bestaan kon hebben. Dagen er na, terwijl
zij langzaam naar het noordwesten trokken, verpleegde Carvel Baree,
zooals hij het een ziek kind gedaan zou hebben. Ter wille van de
kwetsuren van den hond, legden zij niet meer dan een paar mijlen per
dag af. Baree begreep het en er groeide sterker en sterker een groote
liefde in hem voor den man, wiens handen even zacht waren als die van
de Wilg en wiens stem hem verwarmde met een onmetelijke vriendschap.
Hij voelde geen vrees of achterdocht meer voor hem. En Carvel, van
zijn kant, deed waarnemingen. De uitgestrekte ledigheid van de wereld
rondom hem gaf hem de gelegenheid, over onbelangrijke kleinigheden na
te denken en iederen dag sloeg hij Baree nauwkeuriger gade. Hij deed
ten slotte een ontdekking, die hem veel belang inboezemde. Altijd,
wanneer zij stilstonden, bleef Baree naar het zuiden kijken; wanneer
zij hun kamp opgeslagen hadden, snoof hij het veelvuldigst de lucht op
uit het zuiden. Dit was heel natuurlijk, dacht Carvel, want zijn oude
jachtterrein lag in die richting. Maar terwijl de dagen verstreken,
begon hij nog andere dingen op te merken. Nu en dan jankte Baree
zachtjes, kijkend in de richting vanwaar zij gekomen waren en zoo'n dag
was hij vervuld met een groote onrust. Hij gaf er geen blijk van, dat
hij Carvel wilde verlaten, maar meer en meer begon Carvel te begrijpen,
dat de een of andere geheimzinnige aantrekkingskracht voor hem bestond,
in het zuiden.

Het was het voornemen van den zwerver, af te slaan naar de streek van
den Grooten Slaaf, een goede achthonderd mijlen naar het noordwesten,
vóór de natte sneeuwval kwam. Daar vandaan—het water ontdooide er in de
lente—wilde hij per kano naar het westen trekken, naar de Mackenzie en
ten slotte naar de bergen van Britsch-Columbia. Zijn plannen veranderden
echter in Februari. Zij werden aan de plaats geboeid door een grooten
sneeuwstorm in Wholdaia-Meerland en juist toen de fortuin hun het
ongunstigst toescheen, kwam Carvel aan een hut, midden in het dichte
sparrenbosch en in die hut lag een doode man. Hij was blijkbaar al
verscheidene dagen dood en stijf bevroren. Carvel hakte een gat in de
aarde en begroef hem.

Deze hut werd een schat voor Carvel en Baree, voornamelijk voor den
man. Blijkbaar had zij geen anderen bewoner bezeten dan den man, die
gestorven was; zij was vol gemakken en ruim van voorraad voorzien; en
meer dan dat, haar eigenaar had een prachtigen buit aan pelterijen
gemaakt, voor de vorst zijn longen aangreep en hij stierf. Carvel
onderzocht het bont zorgvuldig en met groote blijdschap.

Het was wel duizend dollar waard op elken handelspost en hij zag niet
in, waarom dit alles nu voortaan niet aan hem zou toebehooren. Binnen
een week had hij de door sneeuw bedolven vallenlijn van den doode weer
duidelijk zichtbaar gemerkt en gebruikte die voor eigen jacht.

Dit was tweehonderd mijlen ten noordwesten van den Grijzen Fuut en
Carvel merkte al spoedig op, dat Baree niet recht naar het zuiden keek,
in de oogenblikken, waarin de zonderlinge lokstem tot hem kwam, maar
naar het zuidoosten. En nu, terwijl de zon iederen dag wat hooger rees,
werd het al warmer in de lucht, de sneeuw werd weeker en de lente was in
aantocht. Toen kwam het oude verlangen weer in Baree, het verlangen naar
de eenzame graven, daarginds bij den Grijzen Fuut, naar het verlaten
hutje in den omtrek van den poel—en naar Nepeese. In zijn slaap zag hij
van dit alles visioenen. Hij hoorde weer haar zachte, lieve stem, voelde
de aanraking van haar hand, was weer met haar aan het spelen tusschen de
donkere schaduwen van het bosch—en Carvel zat naast hem en keek naar
hem, terwijl hij de beteekenis trachtte te begrijpen van hetgeen hij zag
en hoorde.

In April bracht Carvel zijn verzameling pelswerk op zijn schouders
naar den post van de Hudson-Baai Compagnie te Lac la Biche, dat nog
noordelijker lag. Baree ging tot halfweg met hem mee en toen—tegen
zonsondergang—ging hij plotseling terug. Na een week keerde Carvel naar
de hut terug en trof hem daar aan. Hij was zoo overvol van blijdschap,
dat hij den kop van den hond in zijn armen nam en hem liefkoosde. Zij
bleven in de hut wonen tot Mei. De knoppen begonnen toen te zwellen en
de geur van groeiende planten steeg uit de aarde op.

Carvel vond op zekeren dag de eerste vroege blauwe bloemen.

Dien avond begon hij te pakken.

„Het wordt onze tijd om verder te gaan reizen,” kondigde hij Baree aan.
„En ik ben een beetje van plan veranderd. We gaan terug—dien kant uit.”

En hij wees naar het zuiden.



XXIX.

Het einde van den zoektocht.


Een vreemde gril had zich meester gemaakt van Carvel, toen hij zijn reis
naar het zuiden begon. Hij geloofde niet in voorteekens, goede noch
kwade. Het bijgeloof had een kleine rol in zijn leven gespeeld, maar
hij bezat nieuwsgierigheid en lust in het avontuurlijke en de jaren
van eenzaam zwerven hadden hem een merkwaardig heldere visie gegeven
in sommige gevallen, wat men een zeer werkzame verbeeldingskracht zou
kunnen noemen. Hij wist, dat de een of andere onweerstaanbare kracht
Baree naar het zuiden trok—dat hij erheen getrokken werd, niet alleen
langs een zekere streek van het kompas, maar naar een bepaald punt
ervan. Om geen reden in het bijzonder begon het geval hem meer en meer
belang in te boezemen en daar zijn tijd waardeloos was en hij geen vaste
bestemming voor oogen had, begon hij zijn proef te nemen.

De eerstvolgende paar dagen gaf hij de leiding aan Baree over, en
gedurende dien tijd registreerde hij de richting, die de hond nam,
volgens het kompas. Zij gingen recht het zuidoosten in. Den derden
morgen sloeg Carvel met opzet scherp af naar het westen. Hij merkte snel
de verandering in Baree op—zijn onrust in den beginne en daarna de
terneergeslagen houding, waarin hij hem op de hielen volgde. Tegen den
middag veranderde hij zijn richting weer naar het zuidoosten en bijna
oogenblikkelijk herkreeg Baree zijn oude opgewektheid en rende voor zijn
meester uit.

Daarna, dag in, dag uit, volgde Carvel den hond.

„Ik lijk eigenlijk wel gek, ouwe jongen,” verdedigde hij zich op zekeren
avond. „Maar 't is toch nogal grappig—en ik moet in de buurt van de
spoorlijn komen, voor ik de bergen over kan. Dus wat doet het er toe? Ik
ben tot je beschikking—zoolang je me niet terugbrengt naar dien kerel
van Lac Bain. Maar—wat duivel! Wil je naar de vallenlijn om af te
rekenen? Als dat zoo is—”.

Hij blies een rookwolk uit zijn pijp, terwijl hij Baree aankeek en
Baree, met zijn kop tusschen zijn voorpooten, keek hem eveneens aan.

Een week later antwoordde Baree op Carvel's vraag door naar het westen
af te slaan en daardoor een heel eind uit de buurt van Lac Bain te
blijven. De middag was al half verstreken, toen zij het pad overstaken,
waarlangs Bush Mc Taggart zijn klemmen en vallen uitgezet had. Baree
bleef zelfs geen oogenblik stil staan. Hij trok voortdurend naar het
zuiden en wel zoo snel, dat Carvel hem soms uit het gezicht verloor.
Een onderdrukte maar hevige opwinding maakte zich van hem meester en
hij begon te janken, zoodra Carvel maar even stil bleef staan om te
rusten—altijd de lucht opsnuivend in zuidelijke richting. Het voorjaar,
de zoete geuren in de lucht brachten hem dat groote Gisteren weer terug,
toen hij aan Nepeese behoord had. In zijn onberedeneerd brein bestond de
winter niet meer. De lange maanden van koude en honger waren voorbij,
waren vergeten, nu nieuwe droomen hem vervulden. De vogels en de bloemen
en de blauwe luchten waren teruggekomen en tegelijk hiermee moest de
Wilg stellig ook teruggekeerd zijn en zij zou op hem wachten, daarginds,
vlak achter den zoom van dat groene bosch.

Er begon zich iets van Carvel meester te maken, belangrijker dan
eenvoudige nieuwsgierigheid. De gril van een oogenblik werd tot een
vaste en diepere gedachte vervormd en wekte ten slotte een verwachting,
die met onderdrukte opwinding vergezeld ging. Toen zij den ouden
bevervijver bereikten, had het mysterie van dit zonderlinge avontuur
ook vat op hem gekregen. Na Gebroken Tand's kolonie bezocht te hebben,
leidde Baree hem naar de kreek, waarlangs Wakayoo, de groote zwarte
beer, gevischt had en vandaar regelrecht naar den Grijzen Fuut.

Het was in den vroegen namiddag en prachtig weer. Het was zoo stil
rondom, dat het kabbelende water der lente, zingend in duizend beekjes
en stroompjes, de bosschen vervulde met een gonzende muziek. In de
warme zon gloeide bloedrood de bakneesh. Op de open plekken geurden
blauwe bloemen. In de boomen en struiken bouwden de vogelpaartjes hun
nestje. Na den langen winterslaap arbeidde de Natuur weer in al haar
glorie. Het was _Unekepesim_—paarmaand—en Baree ging naar huis terug.
Enkel en alleen maar om Nepeese te vinden. Hij wist, dat zij daar nu
was, misschien vlak aan den rand van den afgrond, waar hij haar het
laatst gezien had. Zij zouden samen gaan spelen, zooals zij gisteren
gespeeld hadden en eergisteren en vooreergisteren en in zijn blijdschap
blafte hij naar Carvel op en zette hem aan tot grooter spoed. Toen
kwamen zij aan de open plek en weer stond Baree zoo onbewegelijk als
een rots. Carvel zag de verkoolde overblijfselen van de verbrande
hut en even later de twee graven, onder de hooge sparren. Hij begon
te begrijpen en zijn oogen gingen langzaam naar den hond, luisterend
in afwachtende houding. Er zwol aandoening in zijn keel en na eenige
oogenblikken zeide hij zacht en met moeite:

„Jongen, ik geloof, dat je hier thuis bent.”

Baree hoorde hem niet. Met opgeheven kop en zijn neus in de lucht stond
hij te snuiven. Wat was er toch, dat hem zoo aandeed in de geuren van
bosch en weide? Waarom beefde hij zoo, terwijl hij daar stond? Wat zat
er dan in de lucht? Dit vroeg Carvel zich af en zijn onderzoekende
blik trachtte deze vragen te beantwoorden. Niets. Hier heerschte de
dood—dood en verlatenheid, dat was al. En toen, geheel onverwacht, gaf
Baree een schreeuw—bijna menschelijk in zijn uiting—en ging er vandoor
als de wind.

Carvel had het pak van zijn schouders afgeworpen. Hij wierp er nu ook
zijn geweer naast en volgde Baree. Hij rende. Recht over de open plek,
tusschen de dwerg-balsemstruiken en over het pad, eens uitgesleten door
de vele voetsporen, waar nu gras tierde. Hij rende tot hij naar adem
hijgde en bleef toen stilstaan om te luisteren. Hij kon geen gerucht van
Baree hooren. Maar dat verwaarloosde pad liep door onder de boomen van
het bosch en hij volgde het.

Dicht bij den diepen, donkeren poel, waarin de Wilg en hij zich zoo
dikwijls vermaakt hadden, was Baree blijven staan. Hij kon het kabbelen
van het water hooren en zijn oogen schitterden, terwijl hij uitkeek naar
Nepeese. Hij verwachtte haar daar te zien, haar slank, blank lichaam
te zien glanzen in de schaduw van de overhangende sparretakken, of te
zien blinken, wit als sneeuw, in de warme zonlichtplekken. Zijn oogen
zochten haar op hun oude schuilplaatsen; de groote gespleten rots aan
den overkant, de glooiende zandbank vanwaar zij als otters naar beneden
plachten te duiken, de sparretakken, die zich voorover bogen tot zij het
wateroppervlak raakten en waartusschen de Wilg haar naakt lichaam zoo
gaarne placht te verstoppen, terwijl hij den poel afzocht om haar te
ontdekken. En eindelijk drong het tot hem door, dat zij hier niet was,
dat hij nog verder zou moeten gaan.

Hij ging verder, naar het hutje toe. De kleine open plek, waar hun
verborgen tepee stond, was overstroomd met zonneschijn, brekend door een
open plek van het bosch. Het hutje was er nog. Het scheen voor Baree
niet veel veranderd. En opstijgend van den grond, vlak vóór het hutje,
zag hij, wat hij al flauwtjes geroken had in de stille lucht—den rook
van een klein vuur. Er boog zich iemand over dit vuur en het kwam Baree
heelemaal niet verwonderlijk of onverwacht voor, dat die iemand twee
glanzende vlechten op haar rug droeg. Hij jankte en bij dit janken van
hem scheen zij plotseling te verstijven en draaide zij zich langzaam om.

Zelfs toen leek het hem de natuurlijkste zaak der wereld, dat zij
Nepeese bleek te zijn en niemand anders. Hij had haar pas gisteren
verloren. Vandaag vond hij haar terug. En in antwoord op zijn gejank
welde een snik regelrecht uit de ziel van de Wilg.

       *       *       *       *       *

Carvel vond hen daar, eenige minuten later; de Wilg had den kop van den
hond tegen haar borst geklemd en schreide—schreide als een klein kind,
haar gezicht afgewend van hem op Baree's nek. Hij stoorde hen niet,
maar wachtte; en terwijl hij stond te wachten scheen een zeker iets in
haar snikken en in de stilte van het bosch rondom hem een gedeelte der
geschiedenis toe te fluisteren van de verbrande hut en de beide graven
en de beteekenis van de Roepstem, die tot Baree gekomen was, uit het
zuiden.



XXX.

De rekening wordt vereffend.


Dien nacht brandde er een nieuw kampvuur op de open plek. Het was geen
klein vuur, opgebouwd in de vrees dat anderen het zouden zien, maar een
vuur, dat zijn vlammen hoog de lucht inzond. In den gloed er van stond
Carvel. En zooals het vuur deze verandering had ondergaan van een kleine
vlammenmassa, waarboven de Wilg haar middagmaal gekookt had, zoo was ook
Carvel, de officieel dood verklaarde balling, veranderd. Hij droeg geen
baard meer; hij had zijn kariboeleeren jas afgeworpen; zijn mouwen waren
tot aan de ellebogen opgestroopt en er lag een gloed op zijn gelaat,
een blos, die niet alleen aan de inwerking van weer en wind moest
toegeschreven worden en een glans in zijn oogen, die er in vijf jaren
niet in geweest was en misschien wel nooit tevoren. Zijn oogen waren
op Nepeese gevestigd. Zij zat dicht bij het vuur, een weinig voorover
leunend, haar prachtig haar glanzend in den gloed. Carvel bewoog zich
niet, zoolang zij in deze houding bleef. Hij scheen nauwelijks te
ademen. De glans in zijn oogen werd dieper—de vereering van een man
voor een vrouw. Plotseling keerde Nepeese zich om en zag hem aan, voor
hij den blik af kon wenden. In haar eigen oogen lag evenmin iets om
te verbergen. Er sprak, gelijk uit haar gezicht, hoop en hernieuwde
blijdschap uit. Carvel ging naast haar zitten op den berkestam en nam
een der dikke vlechten in zijn hand en liefkoosde die onder het praten.
Aan hun voeten lag Baree en keek naar hen.

„Morgen of overmorgen ga ik terug naar Lac Bain,” zeide hij, met een
ondertoon van bitterheid in zijn stem van halve vereering. „En ik kom
niet terug voor ik hem gedood heb.”

De Wilg keek strak in het vuur. Een tijdlang werd de stilte alleen
verbroken door het knapperen van de vlammen en in die stilte weefden
Carvel's vingers de zijden haarstrengen van de Wilg dooreen. Zijn
gedachten gingen terug. Wat een prachtige kans was hij misgeloopen,
dien dag op Mc Taggart's vallenlijn—als hij het toen maar geweten had!
Zijn kaken werden op elkander geklemd, toen hij, in het roodgloeiende
hart van het vuur turend, zich de gebeurtenissen van den dag te binnen
bracht, waarop de agent van Lac Bain Pierrot gedood had. Zij had hem de
heele geschiedenis verteld. Haar vlucht. Haar sprong in het ijskoude
water van den afgrond, waarin zij zoo zeker gedacht had, den dood
te zullen vinden. Hoe zij zich, wonderbaarlijk genoeg, had weten te
redden—en hoe zij gevonden was, bijna dood, door Tuboa, den tandeloozen
ouden Cree, wien Pierrot uit medelijden toegestaan had, in een gedeelte
van zijn gebied te jagen.

Hij voelde scherp de wanhoop en schrik van dit ééne uur, waarin de zon
voorgoed was ondergegaan in de wereld van de Wilg, en in de vlammen
kon hij den trouwen ouden Tuboa zien, die zijn laatste krachten had
ingespannen om Nepeese te dragen, al die lange mijlen, die tusschen den
afgrond en zijn hut lagen; hij zag de weken van honger en nijpende koude
voor zich, die hierop gevolgd waren, waarin het leven van de Wilg aan
een zijden draad gehangen had. En ten laatste, toen de sneeuw het hoogst
lag, was Tuboa gestorven. Carvel's vingers klemden Nepeese's vlecht
steviger. Een diepe zucht rees uit zijn borst en hij zeide, nog steeds
in het vuur starend:

„Ik ga morgen naar Lac Bain.”

Een oogenblik bleef Nepeese nog zwijgen. Zij keek eveneens in de
vlammen. Toen zeide zij:

„Tuboa was van plan, hem te dooden, zoodra de lente kwam en hij zou
kunnen reizen. Toen Tuboa stierf wist ik, dat ik hem nu zelf zou moeten
dooden. Daarom ben ik hier gekomen, met Tuboa's geweer. Het is opnieuw
geladen, gisteren. En—M'sieu Jeem.—Zij keek naar hem op, een glans van
triomf in de oogen, terwijl zij er bij voegde, bijna fluisterend: „Je
moet niet naar Lac Bain gaan. _Ik heb een boodschapper gestuurd._””

„Een boodschapper.”

„Ja, Ookimow Jeem—een boodschapper. Twee dagen geleden. Ik heb laten
weten, dat ik niet dood was, maar hier—en op hem wachtte—en dat ik
_iskwao_ wilde zijn, zijn vrouw. O—o—hij zal komen, Ookimow Jeem—zoo
gauw hij kan. En je moet hem niet vermoorden. _Non!_” Zij glimlachte
tegen hem en Carvel's hart klopte als met hamerslagen. „Het geweer is
geladen,” zeide zij zacht. „_Ik_ zal schieten.”

„Twee dagen geleden,” zeide Carvel. „En van Lac Bain is het—”

„Hij zal morgen hier zijn,” antwoordde Nepeese hem. „Morgen, als de zon
ondergaat, zal hij de vlakte oversteken, daarginds. Ik weet het. Mijn
bloed heeft het den heelen dag gezongen. Morgen—morgen—want hij zal
zich haasten, Ookimow Jeem. Ja, hij zal spoedig komen.”

Carvel had het hoofd gebogen. De zachte vlechten tusschen zijn vingers
werden aan zijn lippen gebracht. De Wilg, die weer in het vuur staarde,
zag dit niet. Maar zij _voelde_ het—en haar ziel fladderde, als door
vogelwieken bewogen.

„Ookimow Jeem,” fluisterde zij—het was een zuchtje, een beweging der
lippen, zoo zacht, dat Carvel geen geluid hoorde.

       *       *       *       *       *

Als de oude Tuboa er dien nacht geweest was, had hij misschien vreemde
waarschuwingen gehoord in den wind, die nu en dan in de boomtoppen
fluisterde. Want het was zulk een nacht; een nacht, waarin de Roode
Goden zacht onder elkander fluisteren, een carnaval van heerlijkheid,
waarin zelfs de schaduwen en de hooge sterren schijnen te huiveren
van leven in hun machtige taal. Het is heel waarschijnlijk, dat de
oude Tuboa, met zijn negentig jaren achter zich, iets zou begrepen
hebben, of ten minste vermoed, van hetgeen Carvel in zijn jeugd en
goed vertrouwen niet zag. Morgen—hij zal morgen komen! De Wilg in
haar blijdschap, had dit gezegd. Maar aan ouden Tuboa zouden de boomen
toegefluisterd hebben, _waarom niet vannacht_?

Het was middernacht toen de volle maan boven de open plek in het bosch
stond. In het hutje sliep de Wilg. In de schaduw van balsemstruiken
achter het vuur sliep Baree en nog verder weg, bij een sparrenboschje,
lag Carvel. Hond en man waren vermoeid. Zij hadden dien dag veel en hard
geloopen en geen geluid drong tot hen door.

Maar zij hadden niet zooveel, noch zoo hard geloopen als Mc Taggart.
Tusschen zonsopgang en middernacht had hij veertig mijlen afgelegd,
toen hij de kleine vlakte naderde, waar Pierrot's hutje gestaan had.
Aan den zoom van het bosch had hij tweemaal geroepen en nu, daar
hij geen antwoord kreeg, bleef hij stilstaan en luisterde, in het
maanlicht. Nepeese had gezegd, hier op hem te zullen wachten. Hij was
vermoeid, maar de uitputting vermocht niet het vuur te dooven, dat in
zijn bloed brandde. Den heelen dag had het opgevlamd en nu—zoo dicht
bij de verwezenlijking van zijn wensch en zijn triomf—golfde de oude
hartstocht als bedwelmende wijn in zijn aderen. Op de een of andere
plek, dicht in de buurt waar hij nu stond, _wachtte Nepeese op hem_.
Opnieuw riep hij en zijn hart klopte van heftige verwachting terwijl hij
luisterde. Er volgde geen antwoord. Hij hield een oogenblik den adem in.
Hij snoof de lucht op—en flauwtjes kwam de rook van een vuur in zijn
neusgaten.

Met het instinkt van den man, die in de wildernis leeft, zocht hij de
windrichting op. Hij riep niet meer, maar haastte zich de open plek
over. Nepeese moest daarginds zijn—slapend naast haar vuur en een
zachte kreet rees er bij hem op, vol blijdschap. Hij bereikte den zoom
van het bosch; het toeval deed hem zijn schreden richten naar het
begroeide pad, hij volgde het en de rooklucht drong sterker tot hem door.

Het was weer het instinkt van den man der wildernis, dat hem
behoedzaam deed naderen. Voorzichtig, in de doodsche stilte van den
nacht. Er knapten geen takken onder zijn voeten. Hij werkte zich zoo
handig door het struikgewas, dat geen geluid hem verraadde. Toen hij
eindelijk de open plek bereikte, waar Carvel's vuur nog steeds een
spiraal, naar sparren geurenden, rook de lucht inzond, deed hij dit zoo
zacht sluipend, dat zelfs Baree er niet door gewekt werd. Misschien
sluimerde er nog iets van den ouden achterdocht in hem; misschien deed
hij het, omdat hij haar wilde naderen terwijl zij sliep. Het gezicht
van het hutje deed zijn hart sneller kloppen. Het was bijna zoo licht
als overdag, toen hij daar in het maanlicht stond en hij zag eenige
vrouwenkleeren buiten hangen. Hij naderde, zachtvoetig als een vos en
stond een oogenblik later aan den ingang der hut, met gebogen hoofd
luisterend of hij ook maar het geringste geluidje op kon vangen. Hij kon
haar ademhaling hooren. Even wendde hij zijn gelaat zóó, dat het door
het maanlicht beschenen werd. Er blonk een vuur van razernij in zijn
oogen. Toen, heel zacht, sloeg hij den voorhang bij de deur weg.

Het kon geen gerucht geweest zijn, dat Baree wekte, zooals hij verborgen
lag in de schaduw der struiken, een twaalftal passen van de deur der
hut. Misschien was het de reuk. Zijn neusgaten bewogen zich eerst,
toen ontwaakte hij. Een paar sekonden bleven zijn oogen rusten op de
gebogen figuur aan den ingang der hut. Hij wist, dat het Carvel niet
was. De oude reuk—de reuk van het _mensch-beest_ vulde zijn neusgaten
als een gehaat vergif. Hij sprong op en bleef staan, zijn vier pooten
stevig geplant en zijn lippen langzaam wegtrekkend van zijn lange
slagtanden. Mc Taggart was verdwenen. Maar binnen in de hut klonk een
geluid; een plotseling bewegen van lichamen; de verschrikte uitroep
van iemand, die uit den slaap ontwaakte—en daarna een kreet, een half
gesmoorde verschrikte kreet, en in antwoord hierop schoot Baree onder
de balsemstruiken uit, met een geluid in zijn strot, dat den dood
voorspelde.

Aan den rand van het sparrenbosch rolde Carvel zich onrustig in zijn
slaap heen en weer. Vreemde geluiden deden hem ontwaken, die in zijn
oververmoeidheid tot hem kwamen als in een droom. Ten slotte ging hij
overeind zitten en in plotselinge ontzetting sprong hij op en rende naar
het huisje toe. Nepeese stond buiten en riep den naam, dien zij hem
gegeven had—„_Ookimow Jeem—Ookimow Jeem—Ookimow Jeem!_” Zij stond
daar, blank en tenger, haar oogen hadden den glans der sterren en toen
zij Carvel zag, strekte zij de armen uit, nog steeds roepend:

„Ookimow Jeem—O—o,—Ookimow Jeem—”

In het hutje hoorde hij het razen van een dier en gekreun van een
mensch. Hij vergat, dat hij pas den avond te voren gekomen was en met
een kreet trok hij de Wilg aan zijn borst en de armen van de Wilg
klemden zich om zijn hals, terwijl zij kreunde:

„Ookimow Jeem—het is het mensch-beest, daarbinnen! Het mensch-beest van
Lac Bain—en Baree—”

De waarheid schoot door Carvel's brein en hij nam Nepeese in zijn armen
op en liep met haar buiten het gehoor van de geluiden, die afschuwelijk
werden. In het sparrenboschje zette hij haar neer. Haar armen waren
nog stijf om zijn hals geklemd; hij voelde de ontzetting rillen in
haar lichaam, haar adem kwam snikkend en haar oogen hingen aan zijn
gelaat, en plotseling drukte hij haar gelaat tegen het zijne en voelde
een oogenblik haar warme lippen tegen de zijne. En hij hoorde haar
fluisteren met zachte, trillende stem:

„O—o, _Ookimow Jeem—_”

       *       *       *       *       *

Toen Carvel naar de hut terugkeerde, alleen, met zijn revolver in de
hand, stond Baree er voor en wachtte hem op. Carvel raapte een stuk
brandend hout op en trad het hutje binnen. Toen hij weer buiten kwam,
was zijn gezicht wit als een doek. Hij wierp het stuk hout in het vuur
en ging naar Nepeese terug. Hij had haar in zijn dekens gewikkeld, en nu
knielde hij naast haar neer en sloeg zijn armen om haar heen.

„Hij is dood, Nepeese.”

„Dood, Ookimow Jeem?”

„Ja, Baree heeft hem gedood.”

Hij voelde haar adem bijna niet meer gaan. Zachtjes, met zijn lippen in
heur haar, fluisterde Carvel haar zijn plannen in voor hun toekomstig
paradijs.

„Niemand zal het weten, mijn lieveling. Vannacht zal ik hem begraven
en het hutje verbranden. Morgen gaan wij naar Nelson House, waar een
zendeling is. En daarna—zullen wij terugkomen—en ik zal een nieuwe
hut bouwen, op de plek waar de oude is afgebrand. _Heb je me lief, Ka
Sakahet?_”

„_Oui_—ja—Ookimow Jeem—ik heb je lief—”

Plotseling werden zij gestoord. Baree slaakte eindelijk en ten laatste
zijn triomfkreet. Die kreet rees naar de sterren; galmde over het
bladerdak uit en den stillen nachthemel in—een wolfachtig gehuil van
uitbundige blijdschap, van triomf, van wraak, die volbracht was. De echo
er van stierf langzaam weg en er heerschte opnieuw stilte. Een groote
vredigheid fluisterde in den zachten adem van de kruinen der boomen. In
het noorden klonk de paringskreet van een fuut. De armen van de Wilg
klemden zich vaster om Carvel's hals. En Carvel dankte God uit den grond
van zijn hart.



  +--------------------------------------------------------+
  |                                                        |
  |             OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:               |
  |                                                        |
  | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden  |
  | aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |
  | Voetnoten zijn verplaatst naar het eind van de alinea  |
  | met de verwijzing.                                     |
  |                                                        |
  | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel    |
  | zijn gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn          |
  | behouden: met/zonder koppelteken, met/zonder extra     |
  | spatie.                                                |
  |                                                        |
  |  De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht:  |
  |                                                        |
  |  Bron (B:) -- Correctie (C:)                           |
  |                                                        |
  |  B: deed kloppen als een                               |
  |  C: deden kloppen als een                              |
  |  B: vol konijnebout. Toen hij tot                      |
  |  C: vol konijnebonut. Toen hij tot                     |
  |  B: „Het jonge hondje! Gauw!—                          |
  |  C: „Het jonge hondje! Gauw!—”                         |
  |  B: niet meer ontsnappen!—                             |
  |  C: niet meer ontsnappen!—”                            |
  |  B: was de reuk. dien hij in den                       |
  |  C: was de reuk, dien hij in den                       |
  |  B: hij ontstuimig „Neen! Nooit!”                      |
  |  C: hij ontstuimig. „Neen! Nooit!”                     |
  |  B: woningen af en vedween. Vijf                       |
  |  C: woningen af en verdween. Vijf                      |
  |  B: zijn rug tegen een boom, zij                       |
  |  C: zijn rug tegen een boom, zijn                      |
  |  B: verhit, onredeijk brein kwam                       |
  |  C: verhit, onredelijk brein kwam                      |
  |  B: eind aan den hemell, toen Pierrot,                 |
  |  C: eind aan den hemel, toen Pierrot,                  |
  |  B: zij zachtjes. Baree, Baree!—”                      |
  |  C: zij zachtjes. „Baree, Baree!—”                     |
  |  B: oogen bliksemden den agent tegen                   |
  |  C: oogen bliksemden den agent tegen.                  |
  |  B: Baree!” fluisterde zij, zijn                       |
  |  C: „Baree!” fluisterde zij, zijn                      |
  |  B: de controleur, Bush Mc. Taggart's                  |
  |  C: de controleur, Bush Mc Taggart's                   |
  |  B: van het ranke Cree-meisje, en Mc.                  |
  |  C: van het ranke Cree-meisje, en Mc                   |
  |  B: Als hij mij haat, zal hij                          |
  |  C: „Als hij mij haat, zal hij                         |
  |  B: eigenaardigen lach. dien zij plotseling            |
  |  C: eigenaardigen lach, dien zij plotseling            |
  |  B: gedood door Pierrots' giftaas. De lynx             |
  |  C: gedood door Pierrot's giftaas. De lynx             |
  |  B: Marie en bleef steken                              |
  |  C: Marie en bleef steken.                             |
  |  B: besnuffelend en de geschiednis van zijn            |
  |  C: besnuffelend en de geschiedenis van zijn           |
  |  B: zoodra de zachte sneeuw valt!_”                    |
  |  C: zoodra de zachte sneeuw valt!_””                   |
  |  B: Mc. Taggart zich bijna                             |
  |  C: Mc Taggart zich bijna                              |
  |  B: Carvel op en zete hem aan                          |
  |  C: Carvel op en zette hem aan                         |
  |  B: heb een boodschapper gestuurd._”                   |
  |  C: heb een boodschapper gestuurd._””                  |
  |                                                        |
  +--------------------------------------------------------+





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De zoon van Kazan" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home