Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Goden- en Heldensagen
Author: Hoffmann, E. T. A. (Ernst Theodor Amadeus)
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.

*** Start of this LibraryBlog Digital Book "Goden- en Heldensagen" ***


                         GODEN- EN HELDENSAGEN

                            NAAR HET DUITSCH
                                  VAN
                             ERNST HOFFMANN

                   Omgewerkt door Dr. J. S. THEISSEN
              Leeraar aan het Sted. Gymnasium te Groningen


                                7e DRUK.
                  Met 25 illustraties buiten den tekst
                      P. NOORDHOFF—1917—GRONINGEN.



INHOUD.


                                                bladz.
    Het ontstaan der wereld en der goden            1
    De regeering van Oeranos                        1
    De regeering van Kronos                         2
    Zeus en de Giganten                             4
    Typhoëus                                        5
    De godenwereld                                  6
    De heldentijd                                  11
    De vier tijdperken                             11
    Prometheus en Epimetheus                       12
    Deucalion en Pyrrha                            13
    Midas                                          15
    Orpheus en Euridyce                            17
    Phaëton                                        18
    Sisyphus                                       20
    Bellerophontes                                 21
    Meleager en Atalanta                           23
    Danaos                                         25
    Perseus                                        26
    Heracles                                       29
    Theseus                                        37
    Tantalos en zijn geslacht                      40
    Tantalos                                       40
    Niobe                                          42
    Pelops                                         43
    Kadmos en zijn geslacht                        45
    Kadmos                                         45
    Oedipus                                        47
    De Argonautentocht                             54
    
    De Trojaansche oorlog                          58

        I.      De bruiloft van Peleus en Thetis   58
        II.     Priamos en Paris                   59
        III.    De schaking van Helena             61
        IV.     Iphigeneia in Aulis                63
        V.      Achilles en Agamemnon              64
        VI.     Paris en Menelaos                  67
        VII.    De hervatting van den strijd       70
        VIII.   Hector en Andromache               71
        IX.     Hector en Ajax                     73
        X.      De vorderingen der Trojanen        75
        XI.     Patroclos                          77
        XII.    Hector’s dood                      78
        XIII.   Priamos lost het lijk van Hector   82
        XIV.    Troje’s verwoesting                85

    De zwerftochten van Odysseus                   89
                                                
        I.      Penelope                           89
        II.     Telemachos in Pylus en Sparta      91
        III.    Calypso                            93
        IV.     De schipbreuk                      94
        V.      Odysseus bij de Phaiaken           96
        VI.     Het wederzien                     111
        VII.    De moord der vrijers              115

    Orestes en Pylades                           121
    
    Aeneas                                       127

        I.      De aankomst in Carthago          127
        II.     Aeneas en Dido                   130
        III.    Op weg naar Latium               132
        IV.     De strijd om Italië              134

    De sage der Nibelungen                       137

        I.      Siegfried                        137
        II.     Chriemhilde en Brunehilde        138
        III.    Siegfried’s dood                 140
        IV.     Chriemhilde’s wraak              143



VOORWOORD VOOR DEN 6EN DRUK.


Bij dezen nieuwen druk zijn enkele verhalen geheel opnieuw bewerkt,
andere herzien. Er is niet gestreefd naar meerdere volledigheid; eerder
is het aantal namen nog iets beperkt. Een werkje als dit behoeft m.i.
geen opheldering te geven van iederen naam uit mythologie of sagen,
dien men kan tegenkomen; daartoe kan een woordenboek van eigennamen
geraadpleegd worden. Bij te veel namen kan bovendien de eisch van
werkelijk kennen van den inhoud niet gesteld worden; bij beperking
daarentegen is dat wel mogelijk.

Getracht is, vooral met het oog op Gymnasiasten, naar nauwere
aansluiting aan de lezing van het verhaal, die tot grondslag voor de
bewerking diende. Waar één bepaalde overlevering van nabij werd
gevolgd, is de bron nu opgegeven. Ook zijn de boeken van Ilias, Odyssee
en Aeneïs in margine aangegeven; dat kan de keuze voor eigen lectuur
vergemakkelijken.

Ook H.B. Scholieren en leerlingen aan andere inrichtingen van
onderwijs, waar literatuurstudie op het programma staat, zullen tot
goed begrip van heel wat lectuur eenige vertrouwdheid moeten bezitten
met de bekendste goden- en heldensagen, met den inhoud van de groote
epische producten van Oudheid en Middeleeuwen en van de meest gelezen
treurspelen der Grieksche tragici. De hoop, dat het boekje ook buiten
het gymnasium lezers en gebruikers zal blijven vinden, heeft het ook nu
weer onmogelijk gemaakt consequentie in de spelling der eigennamen te
betrachten. Waar een Grieksche lezing aan het verhaal ten grondslag
ligt, is in het algemeen aan de Grieksche schrijfwijze de voorkeur
gegeven; waar een Latijnsche schrijver is gevolgd, is de Latijnsche
spelling geprefereerd. Dreigde echter zoo een veel voorkomende naam
minder goed herkenbaar te worden, dan is, om duidelijkheidsredenen, van
dezen regel afgeweken. Verder is de klemtoon nu in den tekst door
accenten aangewezen. De namen zijn, als vroeger, waar ze voor de eerste
maal voorkomen, gecursiveerd.

Eindelijk is het werkje van illustratie’s voorzien, waarnaar in den
tekst hier en daar is verwezen. Daarbij is niet gezocht naar het minder
bekende; ik meen, dat allereerst de meest voorkomende navolgingen van
producten van klassieke beeldhouwkunst gekend moeten worden.

Een alphabetisch register van eigennamen, met verwijzing naar de
bladzijden, is aan het boekje toegevoegd, en zal, naar ik hoop, de
bruikbaarheid verhoogen.


Groningen, Mei 1914.                                    J. S. THEISSEN.



VOORWOORD VOOR DEN 7EN DRUK.

Na de algeheele omwerking van den vorigen druk, scheen het mij niet
noodig nu reeds weer wijzigingen van beteekenis aan te brengen, te
minder, omdat geen opmerkingen werden gemaakt, die mij daartoe
aanleiding zouden kunnen geven. Enkele storende drukfouten zijn
verbeterd, een paar illustratie’s verplaatst, zóó, dat ze beter bij den
tekst aansluiten; overigens bleef het werkje gelijk.


Groningen, December 1916.



HET ONTSTAAN DER WERELD EN DER GODEN.


DE REGEERING VAN OERANOS (URANUS)

(HESÌODUS: THEOGONIE).


Allereerst is, naar de voorstelling van de Grieken, de Chaos ontstaan,
de wijdgapende oneindigheid, de raadselachtige oorsprong van heel de
bezielde en onbezielde wereld. Daaruit ontstonden Gaia (Gaea), de
aarde, en de Tàrtaros, de afgrond diep onder de aarde; ook Eros, de
liefde, de macht die alles verbindt. Uit den Chaos kwamen eveneens
voort de Duisternis en de Nacht; zij werden op hun beurt de oorsprong
van het Licht en van den Dag. Verder werden uit Gaia nog geboren
Oèranos, de hemel, de gebergten der aarde en Pontos, de zee.

Aarde en hemel huwden elkaar en kregen achttien kinderen. Daarvan waren
er drie met honderd armen en vijftig koppen; boven de hoogste bergen
staken zij uit, en zij waren afgrijselijk om te zien. Drie andere
hadden ieder maar één oog, rond van vorm en midden in het voorhoofd
geplant. De honderdarmigen heetten Hekatoncheiren, de éénoogigen:
Cyclopen. De twaalf vroeger geborenen, zes jongens en zes meisjes,
waren goed gevormd; zij heetten Titanen.

Oèranos echter koesterde maar weinig vaderlijke gevoelens ten opzichte
van zijn kinderen; zoo gauw er een geboren was, stopte hij het weg in
diepe duisternis in het binnenste der aarde. Toen verzon Gaia een list
om zich van de geweldenarijen van haar man te bevrijden; zij maakte
een groote sikkel en sprak tot haar kinderen: „Als ge nu wilt, zullen
wij ons gemakkelijk op Uw vader kunnen wreken.” Allen zwegen, vol
ontzetting; alleen Kronos, de jongste der Titanen, bood zich aan om de
vreeselijke daad te volbrengen. Gaia verborg hem nu in een hinderlaag,
gaf hem de scherpgetande sikkel in handen en toen in donkeren nacht de
hemel zich uitbreidde over de aarde, greep Kronos hem aan, verminkte
hem op afschuwelijke wijze en verdreef hem uit zijn heerschappij. Uit
het bloed, dat neerdruppelde, kwamen de Erìnyen (Furiën) voort, de
godinnen van de wraak, de geweldige Giganten en de melische nymphen;
„melia” is de esch, uit welks hout de bloedige lans werd gemaakt. En
terzelfder tijd baarde ook de nacht allerlei vreeselijke wezens: het
noodlot, den dood, den slaap en zijn benauwende droomen, den haat en de
tweedracht, die de moeder werd van laster, van strijd en van moord.



DE REGEERING VAN KRONOS (SATURNUS)

(HESÌODUS: THEOGONIE).


Kronos regeerde nu; zijn zuster Rhea nam hij zich tot vrouw. Toen hij
echter van Gaia vernam, dat ook hij door zijn eigen zoon verdreven zou
worden, verslond hij zijn kinderen, zoodra zij hem geboren werden. Een
vijftal ondergingen dit vreeselijk lot: Hera, Demèter en Hestia, Hades
en Poseidon. Maar toen het zesde kind geboren zou worden, wendde zich
Rhea om raad tot haar ouders. Op hun aanwijzing ging zij naar Creta;
daar werd Zeus geboren en in een grot neergelegd, waar de geit Amalthèa
hem voedde met haar melk, terwijl gewapende mannen met de lansen
sloegen op hun schilden, opdat Kronos het schreien van het kind niet
zou vernemen. Aan den vader werd een steen gereikt, zorgvuldig, als een
zuigeling, in doeken gewonden; hij slokte hem op, in de meening dat hij
zijn pasgeboren zoon verslond. Deze, intusschen, groeide voorspoedig op
en werd de mooiste en de sterkste van alle goden. Toen hij volwassen
was, dwong hij, geholpen door de listen van Gaia, Kronos zijn
opgeslokte kinderen weer te voorschijn te brengen; eerst kwam de steen
eruit; toen volgden goden en godinnen, in de volgorde, waarin hij ze
verslonden had. Een hevige strijd ontspon zich nu tusschen de oude en
de jonge goden; de eersten verschansten zich op den berg Othrys, de
laatsten op den Olympus. Tien jaar reeds was er gevochten, toen Zeus,
op raad van Gaia, de Hekatoncheiren uit hun donker verblijf aan het
licht bracht; vroeger al had hij de Cyclopen bevrijd, die, bedreven in
alle smidswerk, uit dankbaarheid bliksem en donder voor hem smeedden.
En ook op de honderdarmigen werd nu niet te vergeefs een beroep gedaan.
Geweldig was de botsing van de vijandelijke scharen; de zee bruischte
hoog op, de aarde dreunde, de wijde hemel raakte geheel in beroering en
de machtige Olympus sidderde tot op zijn grondvesten; tot in de diepte
van den Tàrtaros toe waren de zware voetstappen van de aanstormende
goden, was de doffe slag van de neerkomende rotsblokken, waarmee de
honderdarmigen den vijand bestookten, duidelijk verneembaar. En
onophoudelijk slingerde Zeus zijn bliksems, knetterend kraakten de
donderslagen, bosschen raakten in brand, rivieren begonnen te koken, in
een dichten damp werden de Titanen gehuld.

Eindelijk behaalden de jonge goden de overwinning; de oude werden in
den Tàrtaros geworpen, zóóver onder de aarde, als de hemel er boven is,
opgesloten binnen een metalen omheining, omgeven door driedubbelen
nacht, streng bewaakt door de honderdarmigen en de éénoogigen.



ZEUS EN DE GIGANTEN.


Toen Zeus nu de regeering in handen had gekregen, koos hij zich zijn
zuster Hera tot vrouw. Aan ieder van zijn broeders gaf hij een deel der
heerschappij; Poseidon werd de beheerscher van de zee, Hades de vorst
van de onderwereld. Ook de geit Amalthèa werd niet vergeten; Zeus
maakte een van haar horens tot een wonderhoren: wie deze bezat, kon
wenschen, wat hij goed vond en zeker zijn van de vervulling; sedert
spreekt men van den „Hoorn van overvloed.”

Maar Gaia, ontstemd over de opsluiting der Titanen, zette nu de
Giganten op tot strijd tegen de goden. Met forsche kracht wierpen zij
groote rotsblokken tegen den hemel: de goden echter spotten met hun
geweld, de steenen rolden, zonder uitwerking, terug, en geen berg was
hoog genoeg om van daar uit een bestorming te kunnen ondernemen. Toen
scheurden de reuzen den Pelion uit den grond en wentelden dien boven op
den Ossa. Te vergeefs echter; Zeus slingerde een geduchten bliksem
tegen den berg, zoodat hij kantelde en naar beneden rolde. Daarop
stormden de goden, onder een vervaarlijk krijgsgeschreeuw, van den
Olympus af en begonnen een gevecht. De Giganten waren zeer sterk en de
slag duurde een geheelen dag; eindelijk werden zij overwonnen en
gevangen genomen.

Om ze nu goed in bedwang te houden, werd op iederen Gigant een zwaar
rotsblok gewenteld, zóó, dat ze niet meer aan opstaan konden denken.
Een der reuzen trachtte over de Middellandsche Zee te ontvluchten. Maar
de dochter van Zeus, de krijgshaftige Athene, die ook een groot aandeel
aan den strijd had genomen, bemerkte die poging, scheurde een
ontzaglijk, driehoekig stuk land los en wierp dat den vluchteling
achterna. De worp was raak, en de Gigant werd midden in zee onder de
aarde bedolven. De aarde zelve bleef daar liggen, droeg langzamerhand
bosschen en steden, en heet tegenwoordig Sicilië. Soms roeren de
Giganten zich nog onder hun last en trachten dien van zich af te
schudden; dan wordt door de menschen een aardbeving gevoeld. En als zij
in hun ongeduld erg driftig worden, blaast hun vurige adem door de
rotsblokken heen en werpen zij gesmolten erts en steenen uit.

Een voorstelling van de gigantomachie kwam voor op het altaar van
Pergamum en op een deel der metopen van het Pàrthenon.



TYPHOEUS

(HESÌODUS: THEOGONIE).


Na de overwinning op de Giganten gaf Gaia het nog niet op, maar schiep
een ontzettend monster, den Typhon. Krachtig waren zijn armen; zijn
voeten onvermoeibaar en uit zijn schouders staken honderd vuurspuwende
drakenkoppen op. Ieder van die koppen had zijn eigen geluid; nu eens
klonk het als de taal der goden, dan weer als het loeien van een stier
of het brullen van een leeuw, soms ook als het geblaf van honden of het
gesis van een slang. Haastig greep Zeus zijn bliksemschichten en ging
het ondier te lijf; van de zware donderslagen dreunden de aarde, de
hemel en de zee, ja zelfs de donkere diepten van den Tàrtaros. Hoog
bruiste het water op en weer sidderde de Olympus; van een lichtenden
vuurgloed werd alles vervuld; Hades huiverde in zijn duister rijk en de
Titanen werden bevreesd door het ontzaglijk tumult van dien woedenden
strijd. Eindelijk gelukte het Zeus het monster neer te slaan; zijn
koppen zengde hij hem af met bliksem op bliksem, en toen hij ten
slotte, verlamd, op den bodem lag uitgestrekt, stegen rossige vlammen
op uit het doorboorde lichaam. De aarde dampte over een groote
uitgestrektheid en begon te smelten als tin in den smeltkroes; toen
greep Zeus hem beet en slingerde hem toornig in de diepte van den
Tàrtaros.



DE GODENWERELD.


De heerschappij der jongere goden was nu voor goed gevestigd.

Zeus (Jùpiter) was de oppergod, de god van den hemel, de verzamelaar
der wolken, die de bliksemschichten slingerde en donderslagen deed
rollen. Hij was bekleed met het opperste gezag; aan hem ontleenden de
vorsten hun macht; door hem werden beschermd, wie bijzondere
bescherming noodig hadden. In zijn prachtig paleis op den Olympus zat
hij voor bij de vergaderingen der goden en bevestigde het genomen
besluit door zijn stevigen hoofdknik. Feestmalen werden hier gehouden;
dan bediende Hebe en soms ook Hephaistos; nectar en ambrozijn werden
gebruikt en een groote vroolijkheid uitte zich vaak in een gullen lach.

Ook op den berg Ida, in de nabijheid van Troje, mocht Zeus graag
vertoeven.

In het bijzonder werd Zeus geëerd op Creta, waar hij immers opgevoed
zou zijn. Een oud heiligdom van Zeus bevond zich in Dodòna; daar gaf
hij orakels; uit het ruischen der bladeren van een aan hem gewijden eik
wist men zijn wil af te leiden. Maar vooral Olympia was aan Zeus
gewijd. Hier stond binnen de altis, het heilige terrein, de groote
Zeustempel met het kolossale Zeusbeeld in goud en ivoor, door Phidias
vervaardigd. Hier werden ter eere van Zeus om de vier jaar de beroemde
Olympische spelen gegeven. Hier eindelijk, evenals in Dodòna, konden
orakels worden verkregen.

Elische munten hebben de voorstelling bewaard van het groote Zeusbeeld
te Olympia. Het bekendste beeld is nu de Zeus van Otricoli.

Onder de dieren was de adelaar aan Zeus gewijd.

Boven Zeus nog stond de macht van het noodlot, de Moira, het Fatum,
waarvan Zeus de voltrekker was.

Hera (Juno) was de vrouw van Zeus, de koningin van den hemel, de
beschermgodin van het huwelijk. Vooral in Argos werd zij geëerd, waar
in een aan haar gewijden tempel een groot beeld van Polykleitos
voorkwam. Ook in Olympia was het Heraion een bekende tempel. De meest
verspreide voorstelling in beeld is de Hera Ludovisi.

Pallas Athene (Minerva), een dochter van Zeus, uit zijn hoofd geboren,
was oorspronkelijk ook een hemelgodin. Later was zij de godin van den
tactischen krijg, gewapend met helm en schild en speer: zóó stond zij
op het plateau van de Acròpolis te Athene. Zij was verder de godin van
de wijsheid en de beschermster van alle kunstvaardigheid, vooral van de
vrouwelijke handwerken. Om de vereering van de stad Athene had zij met
Poseidon moeten kampen; wie het nuttigste geschenk zou geven zou de
gevierde zijn. Toen deed Poseidon een bron ontstaan; Pallas Athene
schonk den olijfboom en kreeg den prijs. Op de Acròpolis stond het
Pàrthenon, een groote tempel, aan haar gewijd; op de gevelvelden waren
haar geboorte en haar wedstrijd met Poseidon afgebeeld. In het
Erechtheion werd een oud, houten beeld van Athene bewaard, dat uit den
hemel heette gevallen te zijn; ieder jaar, bij gelegenheid van het
feest der Panathenaeën, werd in plechtigen optocht aan dit beeld een
nieuw kleed gebracht. Een voorstelling van dien optocht was afgebeeld
op het fries van het Pàrthenon en bevindt zich nu in het Britsch Museum
te Londen.

Een kleine copie van de Athene Parthenos bevindt zich in Athene; ook
andere verre copieën van Phidias’ werk zijn bewaard; zoo b.v. de Athene
Farnese te Napels.

Uil en olijfboom waren aan Pallas Athene gewijd.

Apollo en Àrtemis (Diana) waren kinderen van Zeus en Leto (Latòna).
Apollo, oorspronkelijk vooral in Klein-Azië en op de eilanden geëerd,
was de god van het licht, de beschermer van dichtkunst en zang, het
hoofd van de Muzen op Helicon en Parnassus. Op Delos was hij geboren;
daar o.a. stond een heiligdom van hem. Maar vooral Delphi met zijn
grooten Apollo-tempel was hem gewijd; hier gaf de Pythia, zijn
priesteres, orakels, die langen tijd zeer gezien waren in Griekenland
en daar buiten; hier werden groote wedstrijden te zijner eere gehouden.

Gewoonlijk wordt Apollo afgebeeld met boog en pijlen of met een lier;
bekend zijn de Apollo van Belvedère, de Apollo als zanger bij de lier,
en de Apollo Sauròktonos, hagedissendooder, de laatste van Praxìteles.

Aan Apollo was de laurierboom gewijd; met lauwerkransen werden de
overwinnaars in de Delphische spelen beloond.

Àrtemis was de godin der maan, de godin ook van de jacht, met hoog
opgeschort kleed om des te sneller te kunnen loopen. Haar bekendste
beeld is de Artemis van Versailles.

Hephaistos (Vulcanus) was de god van het vuur en de smid der goden. De
mooi bebeitelde deuren van de woningen van sommige onsterfelijken, de
bliksems, die Zeus hanteerde, de wapenrustingen van godenkinderen als
Achilles en Aenèas, kwamen uit zijn werkplaats. Nu en dan hielp hij ook
bedienen op den Olympus.

Hestia (Vesta) was de godin van den huiselijken haard, voor wie te Rome
van staatswege door de Vestaalsche maagden voortdurend een vuur werd
brandende gehouden.

Ares (Mars) was de god van den woesten krijg; bekend is de Ares
Ludovisi.

Aphrodìte (Venus) was de godin van schoonheid en liefde; vooral
Praxìteles heeft getracht haar in beeld te brengen en velen hebben hem
nagevolgd. Bekend is de Aphrodìte van Knidos; bekender nog de Venus van
Milo.

Eros (Amor, Cupido) was geworden tot Aphrodìte’s zoon, de god van de
liefde, gewoonlijk voorgesteld met pijl en boog.

Hermes (Mercurius) was de bode der goden, toegerust met vleugelschoenen
en herautstaf, de geleider der dooden naar de onderwereld, de god van
den handel en de beschermer van de reizigers. In Olympia werd, voor een
groot gedeelte nog gaaf, de Hermes van Praxìteles gevonden; bekend is
ook het beeld van den rustenden Hermes van Napels.



Poseidon (Neptunus) was de opperste zeegod, gehuwd met Amphitrìte, een
dochter van Nereus. Zijn wapen was een drietand, waarmeê hij gewoonlijk
wordt afgebeeld. Aan hem werden ook wel toegeschreven de vulkanische
bewegingen van de aarde; de „Aardschudder” werd hij bijgenaamd. Hij
reed met zijn wagen over de golven der zee, omstuwd van Tritonen en
Nereïden; hij bewoonde in de diepte een prachtig paleis. Paard, stier
en dolfijn waren hem gewijd. Op de landengte van Corinthe werden de
Isthmische spelen te zijner eere gevierd.

Zeegoden van minderen rang waren Nereus, de oude vader der vijftig
Nereïden en Proteus, een god, die de toekomst kon voorspellen.

Verder dachten zich de Grieken in elke rivier een stroomgod, zonen van
Okèanos (Oceanus), den wereldstroom, die de geheele aarde omspoelde.



Als goden van de aarde werden vooral geëerd: Dionỳsos (Bacchus), de god
van den plantengroei, van den weelderigen wijnstok in het bijzonder.
Nymfen en Satyrs, die velden, bosschen en bergen bevolkten, kwamen voor
in zijn gevolg. Tot groote uitgelatenheid, heet het, bracht hij zijn
vereerders; berucht zijn bacchanaliën en bacchanten. Uit de groote
feesten ter eere van Dionysos heeft zich waarschijnlijk het tooneelspel
ontwikkeld. Verder Demèter (Ceres), de godin van den landbouw en:

Persèphone (Prosèrpina), haar dochter, die geschaakt werd door Hades,
den god van de onderwereld. Na lang zoeken en vragen vernam Demèter
waar zij was; toen werd een overeenkomst gesloten: de eene helft van
het jaar zou Persèphone bij haar moeder op aarde zijn, de andere bij
haar man in de onderwereld.

Ter eere van Dionysos, Demèter en Persèphone werden te Eleusis
bijzonder plechtige feesten gevierd, de Eleusinische mysteriën.



Hades (Pluto, Dis) ten slotte was de beheerscher van de onderwereld,
waar in den Tàrtaros de boozen hun straf ondergingen, op de Elyseesche
velden de goeden een gelukkiger leven leidden. Een drietal rechters,
Minos, Aeacus en Rhadamanthys, velden vonnis over de schimmen.



DE HELDENTIJD.

IN VIER TIJDPERKEN.

(OVIDIUS: METAMORPHOSEN I reg. 89 vlgg.)


Onder de regeering van Kronos werden de menschen geschapen; men
beleefde toen het gouden tijdperk. Er heerschte eeuwige lente op aarde
en een zachte wind streelde in de zoele lucht de bloemen, die zonder
zaaien geworden waren. De bodem droeg vrucht ook zonder dat hij bewerkt
werd, en zwaar hingen de aren over den ongeploegden akker. Zonder dwang
van wetten en bepalingen deden de menschen wat goed en rechtvaardig is;
vrees voor straf bestond niet en toch was ieder, zonder de bescherming
van een overheid, veilig. Geen schepen, op jacht naar winst, bevoeren
nog de zee, geen grachten omgaven de steden, krijgstrompet en harnas
waren onbekend; in rustigen vrede bracht men zijn leven door.

Toen Kronos echter naar den Tàrtaros was verbannen en Zeus de regeering
had aanvaard, maakte dit gouden tijdperk plaats voor het zilveren. De
jaargetijden ontstonden en de korte lente werd nu gevolgd door den
zomer, door herfst ook en winter. Huizen werden gebouwd, voren
getrokken, en in moeizamen arbeid moest de oogst aan den bodem
ontworsteld worden.

Als derde volgde het koperen tijdperk, reeds geneigd naar de wapens te
grijpen, maar aan eigenlijke misdaad toch nog vreemd.

Eindelijk brak als vierde het ijzeren tijdperk aan. Toen weken
schaamtegevoel en zin voor waarheid en goede trouw; list en bedrog en
inhaligheid deden hun intocht. Het verlangen om hun schatten te
vermeerderen dreef de menschen op zee en in de diepten der aarde; het
harde ijzer en het verderfelijke goud werden aan de oppervlakte
gebracht. Schrikkelijke wapens werden nu gesmeed en bloedige oorlogen
volgden elkaar op. Men leefde van roof; de vriend was voor den vriend,
de broeder voor den broeder niet meer veilig. Ook de eerbied voor de
goden was verdwenen, en diep verontwaardigd wendden dezen zich af van
het menschelijk geslacht.



PROMETHEUS EN EPIMETHEUS.

(HESÌODUS: „THEOGONIE” EN „WERKEN EN DAGEN”).


Er leefden echter twee broeders van goddelijk geslacht, wier vader, als
Titaan, tegen Zeus had gestreden; zij woonden onder de menschen en
waren hun zeer goed gezind. De een heette Prometheus, dat wil zeggen:
die vooruit denkt; de ander Epimetheus, de man, die achterna denkt.
Zeus, boos op de menschen, wilde hun het vuur onthouden; toen besloot
Prometheus het hun te verschaffen; heimelijk, in een rietstengel,
roofde hij het weg van den Olympus. Hevig toornde Zeus, toen hij den
hellen gloed van het vuur op aarde zag lichten. Toch ontnam hij het den
menschen niet, maar het goede, dat zij er door gewonnen hadden, deed
hij van veel kwaad vergezeld gaan. Aan Hephaistos gaf hij last uit klei
een mooie, jonge vrouw te vormen en haar stem en leven te geven; Athene
leerde haar aan den weefstoel kunstigen arbeid verrichten en Aphrodìte
omgaf haar met lieflijke bevalligheid. Maar Hermes schonk haar listigen
zin en de zucht om te behagen. Pandòra, de al-begiftigde, werd zij
genoemd.

Zeus gaf nu aan zijn bode last haar aan Epimetheus over te geven.
Prometheus had zijn broer gewaarschuwd voor elk geschenk van Zeus; maar
de zorgelooze, die steeds nadacht, als het te laat was, stoorde zich
daar niet aan en nam het meisje dankbaar aan. Te laat pas bemerkte hij,
hoe dwaas hij gehandeld had. Want Pandora lichtte, nieuwsgierig, het
deksel op van het vat, waarin alle onheilen waren geborgen. Toen
stormden zorgen en rampen er uit en verspreidden zich onder de
menschen, ziekten en kwalen, nood en ellende, waarvan zee en aarde vol
zijn. Alleen de hoop bleef boven aan den rand van het vat hangen en
vloog er niet uit, daar Pandora snel het deksel weer sloot.

En ook Prometheus, de trotsche beschermer der menschen, die het gewaagd
had zich tegen den wil van Zeus te verzetten, ontging zijn straf niet.
Twee goden kregen bevel hem naar den Kaukasus te brengen en Hephaistos
smeedde hem met sterke ketenen aan een rotsblok vast. Iederen dag kwam
een geweldige adelaar, boorde zijn scherpen snavel in het lichaam van
den weerlooze en pikte hem de lever uit; iederen nacht sloot de wonde
zich weer en groeide de lever weer aan, opdat den volgenden dag het
wreede spel opnieuw kon beginnen. Duldelooze pijnen leed Prometheus;
maar standvastig bleef hij weigeren het trotsche hoofd voor Zeus te
buigen en nooit kwam berouw bij hem op, dat hij het vuur had geroofd en
aan de aardbewoners had geschonken. Geduldig droeg hij zijn lijden,
totdat eindelijk Heracles den adelaar doodde en Zeus Prometheus van
verdere straf ontsloeg.



DEUCALION EN PYRRHA.

(OVÌDIUS: METAMORPHOSEN I, reg. 244 vlgg.)


Het menschelijk geslacht was ten gevolge van dat alles verwilderd, en
zoozeer gewoon geraakt aan misdaad en kwaad, dat er geen hoop op
beterschap meer bestond en Zeus het besluit opvatte het te verdelgen.
Dichte regenstroomen deed hij neerdalen uit den hemel en Poseidon, de
beheerscher van zeeën en rivieren, deed met forsch geweld zijn wateren
uit de diepte losbreken, zoodat spoedig de geheele aarde overstroomd
werd. De menschen zochten redding op heuvels en bergen, op schepen en
vlotten; ze dreven rond op de plaats, waar zij nog kort te voren den
ploeg hadden gedreven door de vruchtbare akkers; zij voeren over de
daken heen van hun ondergedompelde huizen. Velen werden, tot zelfs op
de hooge toppen der bergen, door den wassenden vloed verzwolgen; en wie
door het water gespaard werd, kwam om door gebrek aan voedsel.

Twee menschen slechts, Deucalion en zijn vrouw Pyrrha, ontkwamen aan
den algemeenen ondergang. Zij hadden steeds eerbied voor de goden
getoond en met innige vroomheid hun gebeden opgezonden en hun offers
gebracht. Eenzaam dobberden zij rond op den onmetelijken plas en
bereikten eindelijk den top van den Parnassus, die alleen nog boven de
watervlakte uitstak. Toen zag Zeus hen en besloot hen te redden. Hij
deed het water zakken en ook Poseidon kalmeerde de opgeruide stroomen;
de zeeoevers werden weer zichtbaar; de rivieren trokken zich binnen
haar beddingen terug, en weldra vertoonde zich ook de oppervlakte der
aarde. Maar eenzaam lag zij daar, in groote verlatenheid; de velden
waren met slik bedekt, de boomen onder het water verstikt. Woest en
onbewoond strekte zij zich voor het oog der geredden uit; geen mensch,
geen dier vertoonde zich aan hun zoekenden blik.

Treurig overzagen beiden het tooneel der ellende. Zij besloten naar de
ruïne van een nabijgelegen heiligdom te gaan en daar de godheid om
herstel van het menschelijk geslacht te vragen. In vurig gebed wierpen
zij zich neer op den killen, steenen bodem; toen klonk een stem hun
tegemoet: „Gaat heen uit den tempel, omsluiert uw hoofd en werpt de
beenderen van uw groote moeder achter u.” Verwonderd hoorden beiden het
orakel aan en wisten niet wat het beduidde. Eindelijk echter sprak
Deucalion: „De woorden van de godheid bedoelen geen kwaad. Onze groote
moeder is de aarde, en de steenen zijn haar gebeente, dat wij achter
ons moeten werpen.” Wel achtte Pyrrha deze oplossing bedenkelijk, maar
men kon het, meende ze, licht eens probeeren. En zie, de steenen, die
zij nu, gesluierd, achter zich wierpen, verloren hun hardheid en namen
menschelijken vorm aan: het werden mannen of vrouwen, naarmate
Deucalion of Pyrrha ze geworpen had. Zoo is een nieuw geslacht van
menschen ontstaan, hard en opgewassen tegen zwaren arbeid, een
geslacht, dat in zijn werken zijn oorsprong nooit verloochent.

Deucalion intusschen heerschte nog langen tijd als een wijs en
rechtvaardig koning over zijn nieuwe onderdanen. Zijn zoon Hellen werd
de stamvader der Hellenen of Grieken.



MIDAS.

(OVÌDIUS: METAMORPHOSEN XI, reg. 85 vlgg).


Toen de God van den wijn, Dionysos, nog op de aarde verkeerde om de
menschen te leeren hoe zij den wijnstok planten en uit de druif den
kostelijken wijn konden persen, kwam hij ook in het rijk van Midas, den
rijken vorst van Phrygië. In zijn gevolg bevond zich de oude Silènus,
die op bevel van Zeus den jongen god had opgevoed. Toevallig raakte
deze verdwaald en werd door onderdanen van Midas voor den koning
gebracht. Welwillend nam deze hem op, onthaalde hem vele dagen lang met
groote gastvrijheid en gaf hem toen aan Dionysos terug. Verheugd stond
de god aan Midas toe, zich een geschenk te kiezen. „Laat dan alles, wat
ik aanraak, in goud veranderen!” bad de vorst. En zijn wensch werd
vervuld; de tak, dien hij met de hand beroerde, de steen, dien hij
opraapte, de halmen, die hij afbrak en de vrucht, die hij plukte, ze
werden alle van goud. Maar ook het eten, dat hij aan den mond wilde
brengen, veranderde in goud, goud werd de wijn, dien hij aanraakte met
zijn lippen. Toen begreep hij het dwaze van zijn vraag; angstig en
beschaamd snelde hij naar Dionysos terug en bad vurig dat hem het
heillooze geschenk weer zou worden ontnomen. „Ga u dan baden in de bron
van den Pactolus, waar die het rijkelijkst vloeit,” antwoordde de god,
„en duik ook met uw hoofd onder water.” Midas deed het, de verleende
gave werd hem ontnomen, maar sedert dien tijd voert de Pactolus
goudkorrels mee in zijn stroom.

Eens waagde de herdersgod Pan het met Apollo een wedstrijd in muziek
aan te gaan. Toen de eerste zijn fluitspel geëindigd had, greep de
laatste zijn lier en ontlokte zulke wonderschoone tonen aan het
instrument, dat hem de prijs werd toegekend. Ieder was het met de
beslissing eens: alleen Midas achtte haar onrechtvaardig. Toen rekte
Apollo zijn ooren uit, deed ze met grijzige haren begroeien en maakte
ze beweeglijk: ezelsooren droeg voortaan koning Midas. Door het dragen
van een muts trachtte hij zijn schande te verbergen; alleen zijn
barbier moest de verandering bemerken, maar streng werd hem verboden
over de zaak te spreken. Hij kòn echter niet zwijgen en toch durfde hij
het geheim niet zoo maar openbaren. Hij groef daarom een gat in den
grond, fluisterde nauw hoorbaar zijn bevinding daarin, en maakte toen
het gat weer dicht. Dàt gaf opluchting! Maar toen op die plek later
biezen groeiden, klonk het dikwijls zacht in den wind: „Koning Midas
heeft ezelsooren!” en zoo is het geheim onder de menschen gekomen.



ORPHEUS EN EURYDICE.

(OVÌDIUS: METAMORPHOSEN, X reg. 1 vlgg.)


Wonderlijke gaven bezaten de menschen van dien overouden tijd. De
zanger Orpheus zong zoo heerlijk bij den klank der lier, dat wilde
dieren zich als lammeren neervlijden aan zijn voeten, dat boomen hun
wortels uit den grond scheurden om de zoete tonen te volgen, dat zelfs
steenen door zijn gezang tot in hun binnenste werden geroerd. Zijn
echtgenoote was de nymf Eurỳdice. Toen deze eens met haar vriendinnen
op een weide speelde, werd zij door een giftige slang gebeten en stierf
aan haar wonden. Toen waagde Orpheus het naar de onderwereld af te
dalen en den troon van Hades te naderen. Met snarenspel begeleidde hij
zijn weemoedigen klaagzang. Toen weenden de schimmen, Tàntalus vergat
zich naar het water te bukken, Sìsyphus zat luisterend op den steen,
die niet meer wegrolde en zelfs de Erìnyen vergoten haar eerste tranen.
Toen werd Eurỳdice geroepen en aan haar man teruggegeven; hij mocht
haar meevoeren naar de bovenwereld, mits hij niet naar haar om zou
kijken vóór hij het schimmenrijk zou hebben verlaten. En reeds waren
zij dicht bij den uitgang gekomen, toen Orpheus, bang dat zij hem toch
nog zou ontgaan en vol verlangen om haar te zien, den blik naar
achteren wendde; dadelijk ontvlood zij; toen hij de armen naar haar
uitstrekte, ontmoetten zij niets dan ijle lucht; een nauwelijks
hoorbaar vaarwel bereikte alleen nog zijn ooren. En toen hij haar wilde
volgen, weigerde Cerberus hem door te laten. Treurig zat hij zeven
dagen en zeven nachten aan den oever van den Styx, de rivier, die het
rijk van Hades omgeeft; toen pas keerde hij naar de aarde terug.
Eenzaam zette hij zijn leven voort, en trouw aan de gestorvene, vermeed
hij den omgang met vrouwen; door woedende Bacchanten, die rondzwierven
door de gebergten van Thracië, werd hij daarom verscheurd. De vogels
beklaagden den dood van den zanger, treurend lieten ook de boomen hun
takken hangen en met droef gemurmel stroomden beken en rivieren,
Orpheus werd thans echter voorgoed met zijn vrouw hereenigd.



PHAËTON.

(OVÌDIUS. METAMORPHOSEN II, reg. I vlgg.)


Phaëton was de zoon van den zonnegod Helios en van een sterfelijke
koningsdochter. Aan zijn goddelijke afkomst werd echter getwijfeld;
daardoor gekrenkt, besloot hij zelf zijn vader op te zoeken en zich
zekerheid te verschaffen. Hij ging op weg naar de schitterende
zonneburcht, door Hephaistos met groote kunstvaardigheid gemaakt; rijk
was het materiaal, maar rijker nog het drijfwerk, waarmeê het versierd
was. Op een troon, schitterend van edelgesteenten, zat Helios, gekleed
in purperen gewaad; om hem heen stonden de eeuwen, de jaren, de maanden
en de dagen en ook de jaargetijden: de jonge lente, de zomer met een
krans van aren om het hoofd, de herfst, rood van druivensap, en de
koude winter met zijn ruige, grijze haren. Op grooten afstand bleef
Phaëton staan; hij kon den glans van het licht van meer nabij niet
verdragen. Toen nu zijn vader den stralenkrans, die hem de oogen
verblindde, had afgezet en hem naar de oorzaak van zijn komst had
gevraagd, vertelde hij die en vroeg om een onderpand, dat zijn afkomst
ontwijfelbaar zou kunnen bewijzen. Toen stond, ten teeken dat hij
werkelijk zijn zoon was, de zonnegod hem toe welke gunst ook te vragen
en bezwoer hem bij de goden van de onderwereld, dat hij die in zou
willigen. En Phaëton vroeg voor één enkelen dag het bestuur over den
zonnewagen. Bedenkelijk schudde Helios het hoofd, wees hem op de
gevaren, aan de reis verbonden en zocht met dringende woorden hem te
bewegen, iets anders te kiezen. ’t Was alles te vergeefs; Phaëton bleef
bij zijn verzoek.

Dus werd hij door zijn vader naar den wagen gebracht. Ook deze was door
Hephaistos gemaakt, de as en de dissel en de velgen uit goud, de spaken
uit zilver, en schitterende edelgesteenten versierden het juk. De
Horen, de eeuwig jeugdige godinnen van de jaargetijden, spanden de
paarden aan. Toen zette Helios zijn zoon den lichtenden stralenkrans op
het hoofd, gaf hem allerlei aanwijzingen ter herkenning van den weg,
allerlei wenken ter vermijding van gevaren, en liet hem, toen de tijd
van vertrek was gekomen, met bezwaard hart gaan. Hinnekend worstelde
het vurige vierspan met den slagboom, die het tegenhield; toen die weg
was genomen, schoten ze vooruit, de wolken door, den oostenwind
voorbij, die in dezelfde richting zich bewoog. Maar de wagen was
lichter dan hij anders placht te zijn; als een boot op de hooge zee
slingerde hij heen en weer. Ook misten de paarden de vaste hand van hun
gewonen bestuurder; zij dwaalden af van de voorgeschreven baan. Phaëton
werd bang; hij wist niet waarheen hij de teugels zou wenden, wist niet,
hoe hij zijn paarden weer meester zou worden. En toen hij zoo heel diep
beneden zich de aarde zag liggen, verbleekte hij van schrik; te midden
van zooveel licht kwam duisternis over zijn oogen. Hij speurde naar
redding om zich heen, maar ver achter hem lag het oosten, even ver voor
hem nog het westen en dreigend verhieven zich om hem heen de woeste
gestalten van de teekens van den dierenriem. De schorpioen strekte zijn
giftige scharen naar hem uit; toen liet hij de teugels glippen en in
onstuimige vaart sleurden de paarden hem met zich mee. Nu eens
verhieven zij zich hoog in de lucht, dan weer naderden zij tot vlak bij
de aarde; de wolken begonnen te verdampen, het gras verdorde, boomen
raakten in brand, heele steden gingen te gronde, rivieren droogden uit
en zelfs tot in de onderwereld drong het verblindende licht van den
zonnewagen door. Driemaal trachtte Poseidon zich te verheffen uit zee,
maar driemaal, door de hitte teruggeschrikt, dook hij weer onder. Toen
erbarmde zich Zeus over de bedreigde aarde en met een bliksemschicht
stortte hij den ongelukkigen Phaëton van zijn wagen. Als een ster, die
verschiet, tuimelde hij neer in de onmetelijke diepte. Treurend rouwde
de vader om zijn zoon; een geheelen dag bleef hij verborgen in zijn
paleis, een geheelen dag bleven de menschen van het zonlicht verstoken.

De aarde heeft van Phaëtons tocht de sporen bewaard. Afrika is voor een
groot gedeelte uitgedroogd en tot woestijn geworden. En de bevolking
van dat werelddeel heeft nog steeds een verbrande, zwarte huid.



SÌSYPHUS.


Corinthe, de groote handelsstad aan de smalle landengte tusschen Hellas
en den Peloponnesus, werd gesticht door Sìsyphus, een zeer listig man.
Als onverschrokken zeeman steeds bedacht op winst, wist hij door
sluwheid en bedrog onmetelijke rijkdommen te verwerven. Zijn hebzucht
verleidde hem zelfs tot verraad jegens de goden. Toen zond Zeus den
Dood, om hem naar de onderwereld te brengen. Maar de sluwerd was niet
licht te vangen. Hij bemerkte de nadering van den Dood, wist hem door
slimheid in zijn macht te krijgen en bond hem met sterke banden. Een
tijdlang stierf er toen niemand op aarde.

Eindelijk verscheen echter de krijgsgod Ares, bevrijdde den Dood en
leverde Sìsyphus aan hem over. Maar vóór hij naar de onderwereld ging,
droeg hij zijn vrouw op de gebruikelijke doodenoffers voor hem niet te
brengen. Toen nu Hades zich erover beklaagde, dat hij de gewone
geschenken niet ontving, wist hij verlof te krijgen zijn vrouw op dat
verzuim opmerkzaam te gaan maken. Eenmaal boven, toonde hij niet veel
lust naar het schimmenrijk terug te keeren. Hij bleef dus op aarde; tot
Hermes verscheen en hem voorgoed naar de onderwereld overbracht. Daar
werd voor straf hem opgelegd een zwaar rotsblok tegen een berg op te
wentelen. Telkens, als hij bijna boven is, ontsnapt hem de steen, en
altijd weer opnieuw, in eindelooze afmatting, moet hij met zijn
vergeefschen arbeid beginnen.



BELLEROPHONTES.

(HOMERUS: ILIAS VI reg. 155 vlgg.)


Een kleinzoon van dezen Sìsyphus was Bellerophontes. Hij had het
ongeluk op jacht zijn broeder te dooden en moest daarom uit Corinthe
vluchten. Zoo kwam hij bij den koning van Tiryns, die hem gastvrij
opnam. Hier zocht de koningin de liefde te winnen van den jongen man,
wien de goden schoonheid en kracht hadden verleend. Hij versmaadde haar
echter en zij, geërgerd, klaagde hem nu aan bij haar man: hij zou,
omgekeerd, met opvallenden ijver haar vriendschap hebben gezocht. De
koning geloofde de lasterlijke beschuldiging; maar daar hij hem zelf
niet wilde dooden, zond hij hem naar zijn schoonvader, koning Iobates
van Lycië, en gaf hem een wastafeltje mee, dat in geheime teekens het
verzoek bevatte den overbrenger te dooden. Iobates ook weer ontving hem
vriendelijk; negen dagen lang onthaalde hij hem feestelijk, en negen
stieren werden geslacht voor het maal. Den tienden dag echter vroeg hij
hem naam en afkomst; toen gaf Bellerophontes hem het tafeltje over, dat
hij mee had gekregen. De koning deinsde terug voor de bloedige
opdracht; liever zond hij zijn gast op ondernemingen uit, die hij bijna
zeker met den dood zou bekoopen. Eerst gaf hij hem last de Chimaira te
bestrijden, van voren een leeuw, van achteren een draak en een geit in
het midden; hij doodde het monster. Daarna droeg hij hem op de Solymers
te bevechten, een naburigen volksstam, die strooptochten maakte in het
Lycische land; hij overwon hen. Verder werd hij uitgezonden tegen de
Amazonen; zegevierend keerde hij terug uit den kamp. Eindelijk versloeg
hij nog een bende Lyciërs, tegen hem in hinderlaag gelegd. Toen begreep
Iobates dat zijn gast een bijzondere lieveling van de goden was; hij
gaf hem een van zijn dochters tot vrouw en deelde met hem zijn rijk.

Later verhaalde men, dat Bellerophontes zijn overwinningen behaalde,
gezeten op het paard Pègasus; uit den romp van de door Perseus gedoode
Medusa zou dit dier zijn ontstaan. Nog nimmer had het een menschelijken
ruiter gedragen; toen gaf Athene Bellerophontes een met goud beslagen
teugel, dien het ros zich gewillig liet aanleggen. Pijlsnel vloog het
voort, tot boven de rotskloof, waarin de Chimaira huisde, die nu door
Sìsyphus’ kleinzoon werd afgemaakt.

Jaren lang leefde Bellerophontes in ongestoord geluk. Maar de voorspoed
maakte hem overmoedig; hij begeerde zich met de goden op één lijn te
stellen. Om nu door te dringen tot het paleis van Zeus op den hoogen
Olympus, besteeg hij opnieuw den Pègasus. Toen trof de toorn van den
hemelvader den verblinden sterveling; het paard, door Zeus wild
gemaakt, steigerde hoog in de lucht en wierp den driesten ruiter ter
aarde, zoodat hij jammerlijk omkwam.



MELEAGER EN ATALANTA.

(OVÌDIUS, METAMORPHOSEN VIII, reg. 260 vlgg.)


In de stad Calydon regeerden koning Oineus en zijn vrouw Althea. Bij
een oogstfeest had de vorst verzuimd ook op het altaar van Artemis te
offeren. Toen zond de vertoornde godin een geweldigen ever in het land.
Hoog, als lansen, stonden de borstels op zijn lijf; de oogen schoten
vuur, en een paar geweldige slagtanden staken hem ver uit den muil. De
korenvelden werden vertrapt, de vruchtboomen vernield of verschroeid
door zijn heeten adem, het vee verminkt; angstig vluchtte men van het
land binnen de muren der steden. Nu besloot Meleager, ’s konings
dappere zoon, met een schare uitgelezen jonge mannen het monster te
dooden. Velen namen deel aan de jacht; onder hen ook een meisje,
Atalanta genaamd. Door haar vader, uit boosheid omdat zij geen jongen
was, in een eenzame bergstreek te vondeling gelegd, door een berin
gezoogd, door jagers gevonden en opgevoed, was ze een hartstochtelijke
jageres geworden. Meleager bewonderde haar en kreeg haar lief.

Negen dagen lang vermaakten zich de jagers aan het hof van koning
Oineus; op den tienden dag werd de jacht gehouden. Het dal, waarin de
ever placht te huizen, werd van alle kanten omsingeld; toen werd het
ondier opgejaagd uit zijn verborgen verblijfplaats. Woedend stoof het
op zijn belagers los; takken kraakten en braken om hem heen en de
honden, die hem in den weg kwamen, werden op zijn scherpe slagtanden
links en rechts ver weg geslingerd. Tevergeefs wierpen de jagers hun
speren; ze stuitten af op zijn borstelige huid of misten hun doel.
Zware wonden werden hun door den ever toegebracht; meer dan één van hen
zonk bloedend ter aarde. Nu echter wondde Atalanta het eerst hem met
een pijl in den nek. Toen Meleager het donkere bloed zag vloeien, wees
hij haar den prijs toe: de huid van den ever, als die geveld zou zijn.
De mannen schaamden zich en drongen nog onstuimiger op het monster aan;
maar toen er één de buik werd opengereten, durfden zij nog slechts uit
de verte hun wapens werpen. Eindelijk echter stiet hem Meleager zijn
speer midden in den rug en terwijl het dier razend in de rondte
draaide, bijtend naar de schacht, bracht hij het van dichtbij de
doodelijke wonde toe. Zijn makkers begroetten hem als overwinnaar; maar
hij zelf gaf huid en kop aan Atalanta over. Een gemompel van
ontevredenheid ging door geheel den stoet; en toen twee ooms van
Meleager, die deel hadden genomen aan de jacht, het meisje den
eereprijs trachtten te ontrukken, werd de jonge man driftig en doodde
hen beiden in de worsteling, die volgde.

Op weg naar den tempel, om er de goden te danken voor de overwinning
van haar zoon, zag Althea de lijken van haar broeders wegdragen. Toen
zij hoorde, dat Meleager de oorzaak was van hun dood, besloot zij hem
te straffen. Kort na de geboorte van haar jongen waren de
schikgodinnen, de Moiren, die ’s menschen levensdraad spinnen, meten en
afsnijden, haar kamer binnengetreden. Zij hadden een blok hout op den
haard gelegd: het knaapje zou leven, zoo lang dat blok zou bestaan. Zoo
gauw zij verdwenen waren, had de moeder het hout uit het vuur genomen,
gebluscht en zorgvuldig weggeborgen. Nu haalde ze het te voorschijn, en
gaf het, hoewel aarzelend, aan de vlammen prijs. Van een inwendig vuur
voelde Meleager plotseling zijn lichaam branden: onder heftige pijnen
zonk hij neer, en toen het houtblok geheel in asch uit elkaar viel,
blies ook hij den laatsten adem uit. Toen werd Althea door bittere
spijt toch nog bevangen; het leven werd haar, te midden van den rouw
van haar omgeving, een ondragelijke last; zelve maakte zij er een einde
aan.

Van Atalanta wordt ook wel verteld dat zij, evenals Artemis, zich had
voorgenomen, ongehuwd te blijven. Zij had daarom bepaald dat alleen
hij, die haar in den wedloop overwon, haar man zou worden, maar dat
sterven zou, wie overwonnen werd. Zij gaf dan een voorsprong en
doorboorde met haar speer de tegenpartij, die zij inhaalde. Reeds
hadden velen hun leven verloren, toen het tenslotte aan Meilanion
gelukte, de zege te behalen. Drie gouden appels, die hij van Aphrodite
gekregen had, liet hij bij tusschenpoozen vallen; Atalanta raapte ze op
en intusschen bereikte Meilanion het doel, dat voor den wedkamp was
gesteld.



DANAÖS.


Koning Belos van Lybië liet bij zijn sterven zijn rijk aan zijn beide
zonen na: Aigyptos kreeg het naar hem genoemde Aegypte, Dànaös erfde
het overige land; de eerste was vader van vijftig zonen, de laatste van
een vijftigtal dochters. Aigyptos, niet tevreden met zijn deel,
trachtte zich van het geheele gebied, waarover zijn vader geheerscht
had, meester te maken. Hij bestreed zijn broeder en overwon hem. Toen
begeerden zijn vijftig zonen de vijftig dochters van den overwonnene
tot vrouw. De Danaïden weigerden haar toestemming en vluchtten met hun
vader over zee naar Argos. Daar werden de vluchtelingen vriendelijk
opgenomen; de burgers van Argos riepen Dànaös zelfs tot hun koning uit,
toen een wonderteeken hun beduid had, dat dit de wil der goden was.

Ondertusschen rustten de zonen van Aigyptos schepen uit en landden in
Argos. Zij gaven voor met vreedzame bedoelingen te komen, maar zij
vielen intusschen hun oom zoo lastig, dat deze tenslotte voor hun
aandrang bezweek en hun zijn dochters ten huwelijk gaf. Dànaös echter
wantrouwde ook nu nog zijn neven en wrokte over zijn gedwongen vlucht
uit Afrika. Daarom gaf hij aan de meisjes dolken meê en liet haar
zweren dat zij in den nacht, die zou volgen op het bruiloftsfeest, haar
echtgenooten in den slaap zouden vermoorden.

Alle Danaïden volbrachten de daad; Hypermnestra alleen maar spaarde
haar man. Zij beiden regeerden, na Dànaös’ dood, over het rijk van
Argos; machtige helden stammen van hen af, o.a. Perseus en Hèrakles
(Hercules).

De overige Danaïden moesten zwaar voor haar misdrijf boeten. In den
diepen, donkeren Tàrtaros moeten zij dag in, dag uit, water scheppen in
een vat, dat nimmer vol wordt, daar in den bodem tallooze gaten zijn
aangebracht.



PERSEUS.


Perseus was de zoon van Zeus en Danaë. Zijn grootvader Acrisius, koning
van Argos, had eens van een orakel de voorspelling ontvangen, dat hij
door de hand van zijn kleinzoon om zou komen. Daardoor verschrikt, liet
hij moeder en zoon in een gesloten kist in zee werpen. Maar Zeus redde
hen en liet hen drijven naar een eiland, waar een gastvrije koning
regeerde. Vriendelijk trok deze zich het lot der ballingen aan en
voedde Perseus op aan zijn hof.

Toen Perseus volwassen was en hij den koning lastig werd, gaf deze hem
de opdracht het hoofd van Medusa te halen. Zij was één der drie
Gorgonen, gevleugelde vrouwen met slangenhaar, en soms ook afgebeeld
met groote slagtanden in den mond. Schrik en ontzetting ging van dat
drietal uit; wie het aanzag, versteende.

Athene en Hermes wezen hem den weg naar haar verre woning aan den rand
van den Oceaan; bovendien werd hij door hun bemiddeling uitgerust met
vleugelschoenen, een zak en een helm, die het vermogen had onzichtbaar
te maken. Ruggelings naderde hij nu het slapende monster, vóór zich het
spiegelgladde schild van Athene. Hij trof het achter zijn rug met het
scherpe zwaard, dat Hermes hem had gegeven, deed snel den afgehouwen
kop in zijn tasch verdwijnen en vloog haastig weg op zijn
vleugelschoenen, onzichtbaar voor de zusters die hem vervolgden.

[Ovidius Metamorphosen. IV. reg. 630 vlgg.] Vermoeid van de lange
vlucht, wilde hij uitrusten bij koning Atlas, die het hemelgewelf op
zijn schouders torste. Maar gedachtig aan een orakel, dat hem
gewaarschuwd had voor een zoon van Zeus, die hem eens zou berooven van
het kostbaarste wat hij bezat, weigerde hij den afgematte op te nemen
en trachtte hem zelfs met geweld uit zijn nabijheid te verjagen. Toen
hield Perseus hem den Medusakop voor: Atlas werd steen; als een hooge
berg verheft hij zich nu nog op Afrika’s noordkust.

[Ov. Met. IV. reg. 662 vlgg.] Toen bond Danaë’s zoon zich de vleugels
aan de voeten en zweefde weldra weer door de lucht over de woonplaats
van vele volken heen. Gekomen aan het land der Aethiopiërs, werd hij
getroffen door een eigenaardig schouwspel: hij zag een jonge vrouw aan
een rots gebonden, die eenzaam uitstak boven de oppervlakte van de zee.
Een lichte wind bewoog zacht haar haren en tranen vloeiden langs haar
wangen; overigens scheen zij een beeld van marmer, zoo stil en zoo
bleek. Vol verbazing hield Perseus zijn vlucht in en vroeg haar naar
haar naam en naar de oorzaak van haar banden. Andròmeda heette zij;
haar moeder had de Nereïden beleedigd door zich mooier te achten dan
zij; die hadden bij Poseidon haar beklag gedaan en de beheerscher der
zeeën had een vloed doen opkomen en een ontzettend monster gezonden,
dat alle dagen uit zee opdook en mensch en dier verslond. Pas als de
dochter van de koningin aan het dier geofferd zou worden, zou de
bezoeking ophouden, had een orakel gezegd. En gedrongen door het volk,
was haar vader tot dien uitersten maatregel overgegaan.

Nauwelijks had zij dit verhaal gedaan, of een geruisch klonk op uit de
heftig bewogen zee; het ondier vertoonde zich en naderde zijn prooi.
Perseus echter nam aan het te dooden als Andròmeda zijn vrouw zou
worden. De wanhopige ouders aanvaardden hem op die voorwaarde gaarne
als hun schoonzoon. Toen verhief hij zich hoog in de wolken, schoot als
een arend op het monster neer en trof het diep met zijn zwaard tusschen
de schouders. Houw op houw volgde; en eindelijk, van een rotspunt af,
gaf hij het den genadestoot, dwars door het lichaam heen. Daarop werd
Andròmeda van haar boeien bevrijd en de blijde bruiloft voorbereid. In
droefheid zou echter de vreugde verkeerd zijn, als niet het Medusahoofd
weer uitredding had gebracht. Phineus, met wien Andròmeda vroeger was
verloofd geweest, trad plotseling met een aantal volgelingen de
feestzaal binnen en eischte de bruid op, die hij zelf had verlaten;
maar met zijn aanhang werd hij door Perseus in steen veranderd.

Nu keerde de held met zijn jonge vrouw naar zijn moeder terug. Maar nog
moest vervuld worden wat het orakel aan zijn grootvader Acrisius had
voorspeld. Toevallig troffen grootvader en kleinzoon elkaar bij een
wedstrijd zonder elkaar te kennen. Perseus deed een ongelukkigen worp
met een discus en trof Acrisius zoo forsch tegen het oog, dat de oude
man doodelijk gewond ter aarde zonk. Te laat werd Perseus gewaar wien
hij had gedood. Hij volgde zijn grootvader in de regeering over Argos
op en leefde verder rustig met zijn gemalin, niet langer vervolgd door
de slagen van het noodlot. Het hoofd van Medusa schonk hij aan Athene,
die het op haar borstharnas of op haar schild hechtte als een
vreeselijk wapen tegen haar vijanden.



HERACLES.


De sterkste held uit den Griekschen voortijd was Hèracles (Hercules),
de zoon van Amphìtryon en Alcmène. Zijn vader was uit Argos naar Thebe
gevlucht; daar werd Hèracles geboren. Om zijn geweldige kracht werd hij
ook wel voor een zoon van Zeus gehouden; daarom, zoo meent men, heeft
Hera hem zoo bitter gehaat en hem zijn geheele leven lang aan allerlei
gevaren en moeiten blootgesteld. Toen hij nog maar pas geboren was,
zond zij twee reusachtige slangen op hem af; het ventje greep ze dicht
onder den kop en wurgde ze met zijn stevige handjes.

Op zestienjarigen leeftijd zond zijn vader hem naar de kudden op den
berg Cithaeron. Hier versloeg hij den Cithaeronschen leeuw, die onder
het vee veel schade aanrichtte; huid en kop droeg hij als kleeding en
hoofdbedekking voortaan meê en als wapen een boog en een zware knods
(Zie de Farnesische Hèracles, het bekende beeld te Napels). Hier zou
hij ook, volgens een later verhaal, door bewuste keuze den loop van
zijn verder leven hebben bepaald. Twee vrouwen nl. traden op hem toe:
de eene waardig en eerbaar en ingetogen bij haar schoonheid; de andere
van een opvallend mooi, dartel en uitdagend. Toen de eerste hem toe
wilde spreken, drong de andere haar weg; zij, het Genot, beloofde hem
te voeren langs een weg van louter genietingen als hij haar wilde
volgen. De Deugd daarentegen stelde hem, als hij haar gezelschap koos,
een langen en bezwaarlijken weg in het vooruitzicht; want—zeide zij—de
goden verleenen de menschen zonder arbeid en moeite geen geluk; maar
vast en zeker zou hij zóó eenmaal komen aan het goede doel.—En Hèracles
koos den weg van de Deugd.

Niet lang nadat hij in Thebe was teruggekeerd, beval het Delphisch
orakel hem naar Mycene te gaan, om in dienst van koning Eurystheus
twaalf zware werken te verrichten; na de volbrenging daarvan zou hem de
onsterfelijkheid ten deel vallen. Allereerst werd hem opgedragen den
Nemeïschen leeuw te dooden, die vreeselijk huis hield in het dal van
Nemèa. Hèracles bestookte het dier eerst met pijlen; toen hij echter
bemerkte, dat het onkwetsbaar was, dreef hij het met zijn knods in zijn
hol terug, ving het, toen het op hem afsprong, in zijn armen op en
worgde het tegen zijn borst. De tweede strijd gold de Hydra van Lerna,
een waterslang met negen koppen, waarvan de middelste onsterfelijk was;
zoodra één kop werd afgehouwen, kwamen er twee nieuwe voor in de
plaats. Bovendien werd het monster geholpen door een reuzenkreeft, die,
zoo gauw het werd aangevallen, uit zee kwam opdagen. Die kreeft werd
eenvoudig door Hèracles vertrapt; en door een vriend liet hij, telkens
wanneer hij een kop had afgeslagen, met een gloeienden paal het gat
toeschroeien, zoodat geen nieuwe weer op kon schieten; eindelijk wierp
hij op den onsterfelijken kop een geweldig rotsblok. Met de giftige gal
van de Hydra bestreek hij zijn pijlen, zoodat hun wonden ongeneeslijk
werden.

Nu volgden drie jachtavonturen in Arcadië. Op den berg Keryneia, op de
grens van Arcadië en Archaie, leefde het kerynitische hert, aan Artemis
gewijd, met gouden gewei en koperen hoeven; levend moest Heracles het
aan Eurystheus brengen. Een vol jaar lang achtervolgde hij het snelle
dier: toen wondde hij het licht in den poot en wist het zoo te vangen.
Ook den Erymanthischen ever, die het landschap aan den voet van den
berg Erymanthus verwoestte, ving hij levend; hij dreef hem in de diepe
bergsneeuw, bond hem en droeg hem weg. Eindelijk werd hem nog gelast de
Stymphalische vogels te verdrijven; zij huisden in de omgeving van het
meer Stymphalos, hadden metalen klauwen en snavels en veeren, die zij
als pijlen konden afschieten. Met groote, ijzeren kleppers joeg
Heracles ze op, doodde een gedeelte met zijn pijlen en verdreef de
anderen.

Ook naar Elis voerden hem zijn tochten. Daar woonde koning Augìas, die
zeer rijk was aan vee. In één dag moest hij nu den hof, waarin de
runderen verblijf plachten te houden, reinigen van allen mest. Hij
leidde de rivieren Alpheüs en Peneüs door den stal en volbracht zóó de
opdracht, die hem was verstrekt.

Nu richtte Heracles zich naar Zuid en Noord. Op Creta regeerde koning
Minos. Een stier, dien Poseidon uit zee had laten opkomen, had hij den
zeegod moeten offeren. Maar het dier was zoo mooi, dat Minos het had
behouden. Toen had Poseidon het beest dol gemaakt, zoodat het alles
verwoestend, het heele land onveilig maakte. Heracles bracht nu den
stier gebonden naar Mycene, waar Eurystheus, doodelijk verschrikt, hem
dadelijk weer liet loopen. Bij Marathon in Attica werd hij later door
Theseus gevangen en aan Apollo geofferd.

Ook de woeste paarden van den Thracischen koning Diomèdes, die met
menschenvleesch gevoed werden, bracht Heracles levend over naar Mycene.
Eurystheus liet ze weer vrij; toen werden ze in het gebergte door wilde
dieren verscheurd.

De volgende tocht voerde Heracles ver naar het Oosten. In Azië woonde
het dappere vrouwenvolk der Amazonen, die door koningin Hippolỳte
werden geregeerd. Deze droeg, als teeken van haar waardigheid, een
kostbaren gordel, welken Admete, de dochter van Eurystheus, wenschte te
bezitten. Hippolỳte wilde aanvankelijk den gordel vrijwillig geven;
maar Hera verspreidde onder de Amazonen het gerucht, dat de koningin
geroofd zou worden. Toen stormden de krijgshaftige vrouwen te paard op
Heracles los, die in een woedenden strijd met moeite overwon,
Hippolỳte, die hij van verraad verdacht, doodde en den gordel met zich
meê voerde.

Op den terugweg landde Heracles bij Troje. Daar heerschte groote rouw.
Apollo en Poseidon hadden, in menschelijke gedaante, koning Laòmedon
aangeboden om tegen een bepaalde belooning de vesting Pergamos te
ommuren. Toen het werk klaar was, werd het loon hun geweigerd. Apollo
zond nu een pest, Poseidon een zeemonster, dat mensch en dier doodde.
Pas als de koning zijn dochter aan het ondier offeren zou, zou de
bezoeking wijken. Daarom werd Hesìone aan een klip aan het strand der
zee geketend, opdat zij door het monster verslonden zou worden. Juist
toen landde Heracles. Hij bood aan het meisje te redden, als hem de
paarden werden gegeven, die Laòmedon als vergoeding voor zijn geroofden
zoon Ganymèdes van Zeus had gekregen. De overeenkomst werd aangegaan;
het ondier werd door Heracles gedood; maar ook hem werd de beloofde
belooning onthouden. Toen ging hij weg onder de bedreiging, dat hij
eens met een legermacht terug zou keeren om wraak te nemen.

Het terrein van de volgende daden van Heracles lag in het verre westen.
Hij moest de runderen van Gerỳones halen, die woonde op een eilandje in
den Oceaan; uit drie lichamen was het monster samengegroeid. Zijn
prachtige runderen werden bewaakt door een reus en een grimmigen hond.
Heracles trok om de Middellandsche Zee heen langs de noordkust van
Afrika en plaatste aan weerskanten van de straat van Gibraltar een
groote rots, als een zuil, die de herinnering aan zijn versten tocht
moest bewaren. Toen hij aan den oever van den Oceaan was aangekomen,
wist hij niet, hoe hij het eiland zou bereiken. Juist reed Helios met
zijn zonnewagen dicht over zijn hoofd heen, op het punt het zeevlak in
het westen te bereiken. Heracles had last van de felle stralen en boos
legde hij op den zonnegod aan. Deze had pleizier in den durf van den
sterveling en leende hem de gouden, bekervormige boot, waarmeê hij ’s
nachts naar het Oosten terug placht te varen. Zoo kwam Heracles op het
eiland, versloeg den reus en zijn hond, doodde ook Gerỳones, toen die
hem na wilde zetten, en dreef de runderen weg. Toen hij nu in Italië
was gekomen en rust nam in de grasrijke vlakte van den Tiber, ontstal
hem, terwijl hij sliep, de vuursnuivende reus Cacus enkele van zijn
mooiste beesten. Bij den staart trok hij ze naar zijn hol, opdat
Heracles het spoor zou bijster worden. Deze zocht ook vergeefs en
besloot ten slotte maar weg te trekken. Maar het geloei van de
opbrekende kudde werd uit de verte beantwoord; zóó ontdekte hij de
plaats waar de ontbrekende koeien verborgen waren. Van boven af sprong
hij neer in de grot, waarin Cacus zich verschanst had, en na een hevige
worsteling te midden van vuur en vlammen werd hij hem ten slotte
meester. De bevolking van de streek was hem dankbaar voor zijn daad,
een plechtig feest werd te zijner eere gevierd, en van dien tijd af
bestond in Latium een eeredienst voor Hercules.

Weer naar het westen voerde hem zijn volgende tocht. Aan den oever van
den Oceaan stond in de tuinen van Atlas een wonderboom met gouden
appelen, die de aarde eens als een huwelijksgeschenk voor Hera had
laten groeien; de dochters van Atlas, de Hesperiden, verzorgden den
boom en een nooit slapende draak bewaakte hem. Heracles moest drie van
die appelen halen. Na lang rondzwerven kwam hij bij Atlas, die het
hemelgewelf op zijn schouders droeg. Deze plukte voor hem de vruchten,
terwijl Heracles zoolang de ontzettende vracht van hem overnam. Toen
Atlas echter met de drie appels terugkwam, wilde hij den zwaren hemel
niet weer opnemen, maar zelf de vruchten naar Eurystheus brengen.
Heracles ging op het voorstel in, maar verzocht hem nog even den hemel
te houden, tot hij zich een kussen op den schouder zou hebben gelegd,
die wat zeer begon te doen. Atlas liet zich vangen; Heracles raapte
boog, pijlen en appels van den grond en maakte zich uit de voeten.
Eurystheus schonk hem de gouden vruchten en hij wijdde ze aan Athene,
die hem bij zijn werken zoo dikwijls had bijgestaan.

De laatste en zwaarste onderneming van Heracles was het halen van
Cèrberus, den vreeselijken hond, die de wacht hield voor de
onderwereld. Bij kaap Taenarum daalde Heracles naar de Hades af; Pluto
gaf hem verlof den hond met zich mee te voeren, als hij hem zonder
wapens meester kon worden. Dat lukte. Stevig bond hij toen het monster
vast en droeg het zoo naar de bovenwereld om het aan Eurystheus te
laten zien. Daarop bracht hij het naar zijn vroegere verblijfplaats
terug.

Na de volbrenging van deze twaalf daden, waarvan een bekende
voorstelling in beeldhouwwerk voorkwam op de metopen van den grooten
Zeustempel in Olympia, was Heracles uit den dienst van Eurystheus
ontslagen. Uit innerlijken drang ging hij echter toch op avontuur uit.
Hij begaf zich naar Oechalië op Euboea, waar de beroemde boogschutter
Eùrytos regeerde; die had zijn dochter Iole tot vrouw beloofd aan wie
hem in het schieten zou overtreffen. Heracles won het van hem: maar
Eùrytos gaf hem zijn dochter niet en joeg hem bovendien met smaad uit
zijn woning. Bij de herinnering aan dien hoon doodde Heracles niet lang
daarna in zijn eigen paleis Eùrytos’ zoon Iphitos, door hem, zijn gast,
in een vlaag van drift van den burchtmuur naar beneden te storten. Die
schending der gastvrijheid kon niet ongestraft blijven; Heracles werd
zwaar ziek en de ziekte zou pas wijken, als hij voor een jaar als slaaf
zou verkocht worden en de koopsom als zoengeld aan Eùrytos zou worden
gegeven. Zoo kwam hij, door bemiddeling van Hermes, in tijdelijken
slavendienst bij Òmphale, koningin van Lycië; de prijs werd Eùrytos als
weergeld aangeboden, maar deze weigerde hem aan te nemen en de oude
wrok bleef dus bestaan.

In den dienst van Omphale werd Heracles diep vernederd; de trotsche
koningin trok hem een vrouwenkleed en zachte sandalen aan en liet hem
wol spinnen, terwijl zij zelve er bij stond met zijn leeuwenhuid om de
schouders en spelend met zijn knods. Alleen af en toe vergunde zij hem
ook nu nog op avonturen uit te gaan.

Na afloop van den tijd dezer slavernij trok Heracles op zijn wraaktocht
tegen Troje uit; verschillende helden voerde hij met zich meê, Laòmedon
werd overwonnen en met al zijn zonen omgebracht; alleen de jongste,
Podàrkes of Prìamos, werd op Hesìone’s voorbede in het leven gelaten;
daarvoor trad het meisje met den Griekschen held Télamon in het
huwelijk.

Na nog verschillende avontuurlijke ondernemingen in allerlei deelen van
de Grieksche wereld, begaf Heracles zich naar Calydon in Aetolië, waar
de gastvrije koning Oineus troonde; diens dochter Deïaneira begeerde
hij tot vrouw. Velen dongen naar de hand van het mooie meisje, onder
hen de naburige stroomgod Achelòüs, die allerlei gestalten aan kon
nemen, en nu eens als een stier, dan weer als een slang of in de
gedaante van een mensch met een kop van een stier zich aan de beangste
Deïaneira vertoonde. In een ontzettend gevecht overwon Heracles zijn
medeminnaar. Als echtgenoot van Deïaneira bleef hij toen langen tijd in
het paleis van koning Oineus. Eindelijk trok hij weg met zijn jonge
vrouw en begaf zich naar Trachis aan het Oetagebergte, waar een vriend
van hem woonde. Onderweg kwam hij aan een breede rivier, waarover de
Centaur Nessos de reizigers op zijn rug placht over te dragen. Ook
Deïaneira zou hij overvoeren. Maar plotseling hoorde Heracles haar een
angstkreet slaken en hij zag, hoe de Centaur zich met haar uit de
voeten wilde maken. Toen greep hij zijn boog en doodde Nessos met een
pijlschot. Stervend ried deze Deïaneira aan, het bloed, dat aan den
pijl kleefde, als een toovermiddel te bewaren; het zou dienst kunnen
doen, als Heracles haar ooit ontrouw mocht worden.

Toen Heracles nu in Trachis woonde, besloot hij met Eùrytos af te
rekenen. Hij veroverde en verwoestte Oechalië, versloeg Eùrytos en zijn
zonen en nam Iole als krijgsgevangene mee. Aan den rand van Euboea
hield hij halt om er Zeus een dankoffer te brengen voor het slagen van
zijn onderneming; Iole zond hij naar Trachis vooruit. Toen Deïaneira
zag, hoe mooi deze was, werd zij bang dat Heracles haar om Eùrytos’
dochter verstooten zou. Zij dacht aan het toovermiddel, dat Nessos haar
verschaft had, bestreek met het zorgvuldig bewaarde bloed een prachtig
feestgewaad en zond dat Heracles om het te dragen, als hij Zeus het
bedoelde offer zou brengen. Verheugd sloeg de held zich het kleed om de
schouders, maar nauwelijks was het bloed aan zijn lichaam warm geworden
of het drong verterend in zijn ledematen door. Door razende pijnen werd
hij gefolterd. Toen de eerste aanval voorbij was, liet hij zich op een
schip naar Trachis overbrengen, waar Deïaneira zich zelve had gedood,
zoodra zij had vernomen welk onheil zij tegen wil en dank had
aangericht. Hier vernam Heracles, dat het gif van Nessos afkomstig was,
die zich zoo op afschuwelijke wijze aan hem had gewroken; nu wist hij
ook, dat zijn einde nabij was, want een orakel had hem voorspeld, dat
hij door een doode gedood zou worden. Hij liet zich naar den Oeta
dragen, richtte daar een brandstapel op, besteeg hem, en verzocht alle
voorbijgangers hem aan te steken. Niemand wilde. Maar eindelijk bewees
Philoctètes, die als koning heerschte op het Oetagebergte, hem dien
vriendendienst; als belooning kreeg hij daarvoor Heracles’ boog en zijn
nooit missende pijlen. Weldra laaiden de vlammen op, bliksemstralen
schoten neer, en onder het rollen van de donderslagen werd de held naar
den Olympus opgevoerd. Daar leefde hij voort onder de onsterfelijke
goden, met Hera nu verzoend, en gehuwd met Hebe.



THESEUS.


Theseus was een zoon van den Atheenschen koning Aegeus. Deze was naar
Troezen in Argolis getrokken en daar getrouwd; in Troezen werd ook
Theseus geboren. Toen zijn vader naar Athene terugkeerde, legde hij
onder een rotsblok een zwaard en een paar sandalen; als Theseus
volwassen was, moest zijn moeder, die met het kind in Troezen
achterbleef, hem bij den steen brengen; lukte het den jongen dien steen
van zijn plaats te krijgen, dan moest zij hem toerusten met het zwaard
en de sandalen en hem naar Aegeus in Athene sturen. De proef werd
genomen toen Theseus zestien jaar oud was: de jonge man verplaatste het
rotsblok met gemak, wapende zich met het zwaard, schoeide zich met de
sandalen en begon onbevreesd den gevaarlijken tocht naar Athene. In
dien tijd namelijk waren bergen en wouden nog bewoond door wreede
reuzen, door roovers en monsters van allerlei aard en ook Theseus vond
die in grooten getale op zijn weg. Hij overwon ze allen en deed ze
ondergaan, wat zij zoo dikwijls vreedzame reizigers hadden doen lijden.
Eindelijk kwam Theseus in Athene aan; aan het zwaard, dat hij voerde,
werd hij door zijn vader herkend en blijde werd hij opgenomen in het
vaderlijk paleis.

Athene echter verkeerde toen in drukkende afhankelijkheid van het
eiland Creta. Aegeus had den zoon van Koning Minos van Creta gedood en
moest nu, door hem overwonnen, alle negen jaar zeven jongens en zeven
meisjes naar het eiland zenden. De ongelukkigen werden dan opgesloten
in het labyrinth, een doolhof vol dwaalgangen, door den Atheenschen
kunstenaar Daidalos (Daedalus) gebouwd. Daar werden ze verslonden door
den Minotaurus, half stier, half mensch. De derde zending zou nu
vertrekken; reeds was het lot geworpen, en de straten van Athene waren
vol gejammer. Toen maakte medelijden met de treurenden en toorn over de
vernedering van zijn vaderstad zich van Theseus meester; hij wilde meê
om den strijd met het monster aan te gaan. Met tegenzin willigde zijn
vader dit verzoek in, en er werd afgesproken dat in plaats van de
zwarte rouwzeilen, die het schip placht te voeren, witte zeilen
geheschen zouden worden als het waagstuk gelukt zou zijn; dan kon
Aegeus al uit de verte zich verheugen over den behouden terugkeer van
zijn eenigen zoon. Dus voer Theseus weg en kwam gelukkig op Creta aan,
waar Ariàdne, Minos’ dochter, liefde opvatte voor den moedigen jongen
man. Op raad van Daìdalos gaf zij hem een kluwen; het uiteinde daarvan
kon hij vastmaken bij den ingang van het labyrinth en het onder het
voortgaan laten afloopen; was de overwinning behaald, dan zou hij langs
dien draad den uitgang weer kunnen bereiken. Het lukte Theseus den
Minotaurus te verslaan en, dank zij de hulp van Ariàdne, den uitweg te
vinden uit het labyrinth. Samen scheepten zij zich nu in en verlieten
haastig het eiland. Aanvankelijk ging alles goed; gunstige wind deed de
zeilen zwellen en als een pijl vloog het lichte schip door de zee.
Onderweg deden zij Naxos aan en toen de avond daalde vielen beiden in
een koele grot in slaap.

Toen ontdekte Dionỳsos, aan wien het eiland was gewijd, de schoone
Ariàdne. Haar aanblik trof hem zóó, dat hij meende zonder haar bezit
niet gelukkig te kunnen zijn. In den droom verscheen hij aan Theseus en
beval hem, als hij zijn leven lief had, onmiddellijk Ariàdne te
verlaten. Theseus ontwaakte, hevig verschrikt, want nog was het hem als
hoorde hij de woorden van den god. Vlug sprong hij op van zijn leger,
wekte zijn makkers en ging scheep. Toen Ariàdne ontwaakte, was hij
reeds zóó ver weg, dat zij nog slechts de zeilen op grooten afstand
bespeurde. Dionỳsos echter troostte haar in haar verlatenheid en nam
haar nu tot vrouw. De blijde bruiloft werd door alle goden bijgewoond;
rijke geschenken werden de bruid vereerd; Zeus verleende haar zelfs de
onsterfelijkheid; en Dionỳsos voerde verheugd zijn jonge vrouw naar den
Olympus, waar zij aan zijn zijde voor eeuwig onder de goden vertoeft.

Theseus voer ondertusschen de vaderlandsche kust tegemoet. Maar hij
vergat de zwarte zeilen door witte te vervangen. Lang had Aegeus in
spanning al gewacht op den terugkeer van het schip, dat naar Creta was
uitgevaren. Eindelijk, terwijl hij op een hooge rotspunt op den uitkijk
stond, zag hij in de verte het sombere doek, dat hem den dood van zijn
zoon scheen te melden. Toen maakte wanhoop zich van hem meester; hij
stortte zich in de zee, die sinds dien tijd den naam van de Aegaeïsche
draagt.

Theseus werd nu koning van Athene. Vele dappere daden worden nog van
hem verteld. Zoo zou hij den stier, dien Heracles van Creta had gehaald
en bij Marathon had laten loopen, gevangen, naar Athene gebracht, en
aan Apollo daar geofferd hebben. Ook wordt van hem verhaald, dat hij de
tien stad-staatjes, waarin Attica was opgelost, tot één geheel
vereenigde en ter viering van die vereeniging het groote feest der
Panathenaeën instelde.

De vertrouwdste vriend van Theseus was Peirìthoös, de koning der
Lapithen, een stam in Thessalië. Toen deze zijn huwelijk vierde was ook
Theseus onder de gasten; verder waren, onder meerderen, de Centauren
gevraagd, ruwe wezens, half mensch, half paard. Zij wierpen zich op de
vrouwelijke gasten en trachtten die met zich meê te sleuren; een
ontzettende strijd ontbrandde, waarin ten slotte, met veel moeite, de
Lapithen hun woeste tegenstanders versloegen, die nu verdreven werden
naar meer afgelegen streken. In de beeldhouwkunst is deze worsteling,
de strijd der beschaving met het barbarendom, herhaaldelijk uitgebeeld;
zoo b.v. op een der gevelvelden van den Zeustempel te Olympia en op
metopen van het Parthenon.

Ten slotte nog iets over Daìdalos, den kunstigen bouwmeester van het
labyrinth. Om de hulp, dien hij Theseus had bewezen, hield Minos hem en
zijn zoon Ìkaros gevangen. Maar Daìdalos maakte vleugels uit veeren en
was; zoo dacht hij over zee te ontkomen. Vóór hij de reis begon gaf hij
zijn zoon den raad, dicht in zijn nabijheid te blijven; vloog hij te
laag, dan zou het vocht van de zee de vleugels verzwaren; vloog hij te
hoog, dan zou de warmte van de zon de was doen smelten. Ìkaros beloofde
wat van hem gevraagd werd; maar hij vergat al spoedig wat hij zich had
voorgenomen. In de weelde van de vlucht ging het hooger en hooger; toen
lieten de veeren los en hij plofte in de zee, die naar hem de Ikarische
werd genoemd. Eenzaam vervolgde de vader zijn weg en diep ongelukkig
bereikte hij ten slotte de kust van Italië.



TANTALOS EN ZIJN GESLACHT.

TANTALOS.


Niemand stond zoo hoog aangeschreven in de gunst der goden als
Tàntalos, de koning van Sipylus in Klein-Azië. Hij was een zoon van
Zeus, rijk aan goud en kudden en vruchtbare landerijen. Dikwijls
brachten de goden hem een bezoek in zijn prachtige koningsburcht en
werden rijk onthaald aan zijn gastvrije tafel. Het gebeurde ook wel dat
Tàntalos op den Olympus werd genoodigd en daar deelnam aan de
godenfeesten; bij die gelegenheid hoorde hij alles, wat de goden onder
elkaar bespraken.

Maar een zóó groot geluk was Tàntalos te machtig; hij werd overmoedig,
en zijn overmoed verleidde hem tot slechte dingen. De gesprekken der
goden, zelfs de geheimen, die zij hem hadden toevertrouwd, verried hij
aan de menschen. Hij nam nectar en ambrozijn van de godentafel weg en
gaf het aan de aardbewoners te proeven. En toen Zeus hem toestond een
bewijs van zijn welwillendheid te vragen, sloeg de trotsche vorst, die
zijn lot gelijk achtte aan dat der goden, en die meende dat er voor hem
niets meer te wenschen was, dat aanbod af.

Toen eens de goden weer bij hem te gast waren, besloot hij hun
alwetendheid op de proef te stellen. Hij doodde zijn zoon Pelops en
zette diens vleesch aan de goden voor. Maar de onsterfelijken weigerden
den afschuwelijken schotel; alleen Demèter was nog zóó vervuld van de
schaking van haar dochter Persèphone door den god van de onderwereld,
dat zij, in gedachten, in den schouder van het knaapje beet. Het
spreekt van zelf, dat de jonge Pelops zijn oude gedaante van de goden
terugkreeg; maar uit zijn schouder miste een stuk, dat met ivoor werd
aangevuld. Alle nakomelingen van Pelops waren sedert kenbaar aan een
witte plek op den eenen schouder.

Tàntalos werd voor zijn overmoed vreeselijk gestraft; te midden van
overvloed zou hij eeuwigdurend gebrek lijden. Hij werd naar de
onderwereld gebannen. Tot aan zijn hoofd toe staat hij daar in een meer
en lijdt toch dorst, want hij kan met zijn mond het water, dat om zijn
lippen speelt, niet bereiken. Zoo dikwijls hij zich bukt om een teug te
nemen, wijkt het water terug en loopt weg tot op den grond. Bij dien
dorst komt nog een ondragelijke honger. Wel buigen van den naasten
oever af boomen hun met kostelijke vruchten beladen takken boven zijn
hoofd neer; maar zoodra de hongerlijder een hand uitstrekt om de
vruchten te plukken, giert plotseling een stormvlaag door de takken en
zweept ze hoog op in de lucht. Eindelijk foltert hem ook nog
vreeselijke angst; want boven zijn hoofd hangt een reusachtig rotsblok,
dat elk oogenblik naar beneden kan storten en hem in zijn val
verpletteren.



NIOBE.

(OVÌDIUS: METAMORPHOSEN VI reg. 146 vlgg.)


Nìobe was een dochter van Tàntalos en gehuwd met Amphion, koning van
Thebe. Zij was trotsch op haar man en op de macht van zijn rijk,
trotsch bovenal op haar talrijk kroost: zeven zonen en zeven dochters.
Zelfs met de goden durfde ook zij zich meten. Eens brachten de
Thebaansche vrouwen, de slapen met loof omkranst, offers aan Latòna, de
moeder van Apollo en Artemis. Toen naderde Nìobe, in koninklijk gewaad,
omgeven van een talrijke schaar van metgezellinnen. Waarom aan een
haast kinderlooze geofferd, en haar, die met haar vele kinderen zelfs
veilig scheen voor de slagen van het noodlot, zonder wierook gelaten?
„Weg van de altaren”, klonk toornig haar bevel, „en neemt haastig den
lauwerkrans uit de haren!” Latòna was diep gegriefd, en bitter
beklaagde zij zich bij haar twee kinderen. Die grepen boog en pijlen,
en zweefden, in een wolk gehuld, weg naar Thebe. Dicht bij de muren was
een open veld; daar oefenden zich de zonen van Nìobe in allerlei sport.
En midden onder het spel, onmerkbaar aangegleden, troffen Apollo’s
pijlen den een na den ander; Amphion ook, door smart overweldigd,
maakte met het zwaard een einde aan zijn leven. De mare van het ongeluk
en de droefheid van het volk lichtten Nìobe in omtrent haar plotseling
verlies. Het kostte haar moeite het gerucht te gelooven; het kwam haar
wonderlijk voor dat de goden dàt vermochten, en haar heele ziel kwam in
opstand tegen de idee, dat ze zóó iets zouden gedurfd hebben. Maar
langzamerhand drong de waarheid tot haar door. Toen, gebogen over de
kille lijken, voelde zij zich een oogenblik klein, door Latòna
overwonnen. Maar ook één enkel oogenblik slechts. „Overwonnen? Immers
neen, want ook na zooveel verliezen blijf ik nog de meerdere!” riep zij
triumfantelijk uit. Nauwelijks had zij uitgesproken, of van Artemis’
boog vloog de eerste pijl, door meerdere gevolgd. En stuk voor stuk,
zooals ze daar stonden met loshangende haren en in donker rouwgewaad
bij de doodsbaar van haar broeders, zonken nu ook haar dochters ineen.
Zes waren er gedood; ééne, de jongste, was nog over. Angstig drong zij
zich tegen haar moeder aan, die haar beschermend met haar gewaad omgaf.
Nìobe’s trots was nu gebroken: „och, laat mij die ééne,” bad zij
schreiend. Maar nog was de bede niet uitgesproken, of ook dit kind zonk
levenloos neer. Bewegingloos zat toen Nìobe daar te midden van de
haren; het verdriet versteende haar. Geen ritseling meer in haar
lokken; uit haar wangen week alle kleur; star stonden de oogen in het
marmeren gelaat; in heel het beeld was geen leven meer; de polsslag
stokte, tot in haar binnenste toe was Nìobe veranderd in kouden steen.
Alleen haar tranen bleven vloeien. Toen slingerde een stormvlaag haar
hoog door de lucht naar haar vaderland Lydië; daar, gehecht aan den top
van den Sipylus, vergiet het marmeren beeld ook nu nog tranen.



PELOPS.


Pelops, de zoon van Tantalos, erfde diens rijk, maar werd door een
naburigen koning daaruit verdreven. Hij trok nu over zee naar
Griekenland en kwam op het zuidelijk schiereiland aan, dat later naar
hem de Peloponnesus heette.

Daar regeerde in dien tijd in het landschap Elis koning Oinòmaos, die
een zeer mooie dochter had, Hippodameìa genaamd. Nu had een orakel
voorspeld, dat ’s konings schoonzoon hem van het leven zou berooven.
Daarom wilde hij, dat Hippodameia ongehuwd zou blijven en liet bekend
maken, dat hij zijn dochter alleen aan dengene tot vrouw zou geven, die
hem in het wagenrennen overwon; maar dat ieder, die hij overwon, zou
worden gedood.

Koning Oinòmaos bezat een span zeer snelle paarden; daarenboven was er
in geheel Griekenland geen wagenmenner te vinden, zoo vlug en behendig
als zijn dienaar Mỳrtilos. Zóó zeker was hij dan ook van de
overwinning, dat hij zijn tegenstander een aanmerkelijken voorsprong
placht te geven; bij het voorbijrijden stiet hij hem dan zijn speer in
den rug. Dertien jonge mannen waren reeds gevallen; toen verscheen
Pelops en wilde, om den prijs, het waagstuk bestaan. Hij nam zijn
toevlucht tot een list; aan Mỳrtilos beloofde hij de helft van het
rijk, als deze hem aan de overwinning zou helpen.

De dienaar liet zich overhalen. Vóór den afrit trok hij heimelijk uit
den koninklijken wagen de ijzeren aspennen en bracht daarvoor
zwartgemaakte wasstaafjes in de plaats. Op de gewone manier begon de
wedstrijd. Pelops reed vooruit, koning Oinòmaos offerde en stormde
toen, overeind in den wagen, de hoog opgeheven lans in de rechterhand,
den in de verte nauwelijks nog zichtbaren Pelops in wilde vaart na om
hem den rug te doorboren, zooals hij het anderen gedaan had. Reeds was
hij tot op korten afstand genaderd, reeds hield hij zich gereed om hem
den doodelijken stoot toe te brengen, toen plotseling de raderen van
den voortsuizenden wagen afsprongen. Oinòmaos stortte ter aarde,
verwarde zich in de teugels en werd door de voortvliegende rossen te
pletter gesleurd. Pelops daarentegen bereikte zonder ongeluk het doel
van den wedren. Zoo won hij Hippodameia, en met haar den troon van haar
vader.

Nu vroeg echter Mỳrtilos om zijn belooning. Maar Pelops zocht zich aan
zijn verplichting te onttrekken; op een wandeling langs den oever stiet
hij den wagenmenner in zee. Zinkend vervloekte hij Pelops en heel zijn
geslacht, en ofschoon deze alles deed wat hij kon, om het kwaad te
boeten, ging toch de vloek maar al te zeer in vervulling. Reeds de
zonen van Pelops, Atreus en Thyestes, vervolgden elkaar in bloedigen
twist en zelfs onder de kleinkinderen en achterkleinkinderen kwam er
nog geen einde aan de lange reeks van rampen, die het ongelukkige
geslacht van Tàntalos trof.

Een voorstelling van den wagen wedstrijd tusschen Pelops en Oinòmaos
vond men op een der gevelvelden van den grooten Zeustempel te Olympia.



KADMOS EN ZIJN GESLACHT.

KADMOS (CADMUS).

(OVÌDIUS, METAMORPHOSEN I, reg. 833 vlgg.; II reg. 1 vlgg.).


In Phoenìcië regeerde een koning, met name Agènor. Zijn dochter Europa
speelde eens met vriendinnen aan den oever van de zee, toen onder een
kudde runderen een wonderschoone, sneeuwwitte stier haar opmerkzaamheid
trok. Agènor’s dochter bewonderde het dier maar durfde het eerst niet
naderen, hoe weinig kwaadaardig het beest er ook uitzag. Langzamerhand
echter week de vrees; bloemen hield zij hem voor, klopte hem streelend
op de breede borst en vlocht hem sierlijke kransen om de horens. Ten
slotte zelfs zette zij zich neer op zijn rug. Toen, langzaam, ging het
voort naar de zee, spelende al verder het water in, en ten slotte
verdween Zeus—want hij was het, die in de gedaante van een stier het
meisje geschaakt had—met zijn buit in de richting van het eiland Creta.
Daar maakte hij zich aan Europa bekend.

De oude koning Agènor was ontroostbaar over het verlies van zijn
dochter: hij gaf zijn zoon Kadmos bevel haar overal te zoeken en
verbood hem zonder haar terug te keeren. Vruchteloos doorzocht de jonge
man de geheele aarde; hij schroomde naar Phoenicië terug te gaan en
vroeg daarom aan het orakel van Delphi waar hij zich vestigen moest.
Apollo beval hem een koe te volgen, die op een eenzamen weg hem tegen
zou komen; waar die zich neer zou leggen, moest hij een stad stichten.
Weldra zag Kadmos het bedoelde rund, dat hem voorging naar Boeötië;
daar vlijde het zich neer in het zachte gras. Dankbaar dat er nu een
einde aan zijn omdolingen zou komen, besloot Kadmos Zeus hier een offer
te brengen; hij zond zijn makkers om water naar een bron. Zij betraden
een bosch en vonden daar weldra een waterplas; maar toen de urn
neerklaterde in het nat schoot uit een naburige grot een draak te
voorschijn, aan Ares gewijd, die de bron bewaakte. Sissend schoot het
monster op de mannen toe en doodde ze, sommigen door zijn giftigen
beet, anderen in de kronkelingen van zijn lenig lichaam.

Reeds was het middag geworden en nòg waren zijn makkers niet
teruggekeerd; in verwondering vroeg Kadmos zich af, waar zij toch
blijven zouden. Ook hij trad het bosch binnen; en toen hij daar den
draak zag, die met bloedige tong de wonden likte, die hij zijn vrienden
geslagen had, maakte een groote woede zich van hem meester. „Of ik
wreek u, mijn trouwe makkers, òf ik ga met u in den dood,” sprak hij,
en in een vervaarlijken strijd overwon hij het monster. Op Athene’s
bevel brak hij het de tanden uit den bek en zaaide die in den grond;
als figuren van een tooneelscherm, dat opgetrokken wordt uit den bodem,
kwamen speerpunten en helmen en forsche schouders en ten slotte heele
gestalten van reuzen te voorschijn, die Kadmos opnieuw naar de wapenen
deden grijpen. Maar verdediging was onnoodig; in een heftigen
onderlingen strijd doodden zij elkaar. Slechts een vijftal bleef over:
dat hielp Kadmos bij het bouwen van de stad, die de naam van Thebe
draagt, en waarvan de burcht de Kadmeia heette.

Het dooden van den draak, die immers aan Ares gewijd was, bleef niet
ongewroken; vreeselijke rampen troffen het geslacht van Kadmos. Hij
zelf trok later van Thebe naar Illyrië, waar hij en zijn vrouw in
slangen werden veranderd.



OEDIPUS.

(SOPHOCLES: OEDIPUS REX, OEDIPUS COLONEÜS, ANTIGONE).


Een van Kadmos’ nakomelingen, die over Thebe regeerden, was koning
Laios. Een orakel had hem voorspeld, dat de zoon van zijn vrouw Iocaste
hem van het leven zou berooven. Laios vreesde daarom den zoon, die hem
spoedig daarna werd geboren; hij beval een dienaar het kind in het
Cithaerongebergte uit te zetten, nadat de voetjes doorboord en
samengebonden waren. De medelijdende man gaf den kleine echter over aan
een herder van den Corintischen koning Pòlybos; deze en zijn vrouw
Mèrope, die geen kinderen hadden, ontfermden zich over het knaapje en
voedden het als hun eigen zoon op. Oedipus noemde men het kind, naar
zijn gezwollen voetjes. In Corinthe groeide hij voorspoedig op en
meende in het huis van zijn ouders te zijn, totdat een van zijn makkers
hem eens in een twist voor de voeten wierp, dat hij maar een aangenomen
kind was. Die woorden smartten hem diep en ondanks de geruststellende
taal van zijn vermeende ouders, bleef twijfel hem kwellen. Toen wendde
hij zich tot het orakel van Delphi. Op een vraag naar zijn afkomst
kreeg hij geen rechtstreeksch antwoord; hij moest zich ervoor hoeden,
zijn vader te dooden en zijn moeder te trouwen, werd hem gezegd. Nog
ervan overtuigd—wat immers het orakel niet ontkend had—dat Pòlybos en
Mèrope zijn ouders waren, ontvluchtte hij Corinthe en begaf zich op weg
naar Thebe, ongewild en onbewust zijn noodlot tegemoet. Onderweg kwam
hij aan een driesprong; een kleine reisstoet kwam hem daar tegemoet:
een bejaard man al, op een wagen, omgeven van enkele dienaren en
voorafgegaan door een heraut. Over het uitwijken ontstond twist en
toornig over een slag, die hem door den ouden man werd toegediend,
versloeg Oedipus het geheele gezelschap op één dienaar na, die naar
Thebe ontkwam. De man schaamde zich te bekennen, dat zóóvelen door een
enkele verslagen waren; hij berichtte, dat een rooverbende koning Laios
aan den driesprong had overvallen en hem en al de overigen had gedood.
Zoo was Oedipus, zonder het te vermoeden, de moordenaar van zijn vader
geworden en was de eene helft van de orakelspreuk, die hij te Delphi
had vernomen, reeds in vervulling gegaan; weldra zou ook het overige
volgen.

In dien tijd werd Thebe door een vreeselijk monster bezocht; het was de
Sphinx, half vrouw, half leeuwin en bovendien nog gevleugeld. Het gaf
de menschen een raadsel op: „Welk schepsel loopt ’s morgens op vier, ’s
middags op twee en ’s avonds op drie beenen?” Wie het niet kon
oplossen, werd jammerlijk verscheurd en een orakel had voorspeld, dat
Thebe eerst dan van dezen geesel verlost zou worden, als iemand de
oplossing zou hebben gevonden. Reeds velen hadden hun leven gewaagd.
Toen verklaarde koningin Iocaste, dat zij hand en kroon zou schenken
aan hem, die redding zou brengen.

Ook Oedipus had van den nood gehoord, waarin het land verkeerde. Moedig
waagde hij zich in de nabijheid van de Sphinx, hoorde het raadsel en
vond ook het antwoord, dat luidde: de mensch. De Sphinx stortte zich in
een afgrond, Oedipus huwde Iocaste en regeerde als koning over Thebe.

Twintig jaren volgden van ongestoord geluk; toen brak een vreeselijke
pest uit. Daar geen middel wilde baten, werd Crèon, een broeder van
Iocaste, naar het Delphisch orakel gezonden; hij keerde terug met het
bericht, dat de pest een straf der goden was voor den moord, op Laios
gepleegd; de moordenaar zou gezocht en met verbanning of dood gestraft
moeten worden. Oedipus doet nu een beroep op alle Thebanen, die het
goed meenen met hun stad: de schuldige make zich bekend; ongehinderd
zal men hem het land uit laten trekken; anders kome vreeselijke
rampspoed over zijn hoofd! Als deze poging om den schuldige te vinden
natuurlijk vruchteloos blijft, wendt Oedipus zich tot den grijzen
ziener Teirèsias. „Och, laat me weer heengaan,” smeekt deze den koning,
„dwing mij niet om door te spreken ontzaggelijk leed te brengen over u
en over mijzelf.” Maar Oedipus wìl weten; hij wantrouwt die
geheimzinnigheid, hij zoekt er booze plannen achter, hij beschuldigt
den ouden ziener van medeplichtigheid aan den moord. En ook als
Teiresias, over zulk een miskenning tot in het diepst van zijn ziel
gegriefd, zich niet langer inhoudt en Oedipus als den moordenaar
aanwijst, gaat deze door op zijn eigen gedachten en zoekt naar een
oorzaak voor de houding van den ziener. Weldra meent hij die gevonden
te hebben: een complot, waarin ook Crèon een rol speelt, en dat bedoelt
dezen op den troon te brengen; dan zal ook Teiresias voordeel trekken
van de geboden hulp! Dat vermoeden is wel hard voor den grijsaard, die
niet anders bedoelt dan Oedipus te sparen; in toornige woorden
openbaart hij den koning heel het ongeluk, dat hem wacht. Ook Crèon,
van den moord nu mede beticht, verdedigt zich met vuur, maar Oedipus
wil van geen rede hooren, hij dreigt zijn zwager met dood of
verbanning.

Op de luide twistwoorden, die rijzen, treedt Iocaste naar buiten. Zij
wil haar man geruststellen; wat beteekenen orakels en woorden van
zieners? Door zijn eigen zoon zou Laios gedood worden, en roovers
vermoordden hem op den driesprong!—De vermelding echter van den
driesprong wekt bij Oedipus een eerste vermoeden van de waarheid, en
als ook de tijd en ’t getal der reizigers uitkomen met het beeld van
zijn herinnering, maakt bange twijfel zich meester van zijn gemoed. Hij
laat van het land den dienaar ontbieden, die het bericht van Laios’
dood indertijd naar Thebe overbracht.

Ondertusschen komt een bode uit Corinthe aan om den dood van koning
Pòlybos te melden. Voor Iocaste is dit opnieuw een bewijs, hoe weinig
men aan orakels moet hechten. Had niet de Delphische Apollo Oedipus
zelf gezegd, dat Pòlybos door diens hand zou vallen? De Corinthiërs,
zoo meldt de bode verder, begeeren Oedipus tot vorst. En als deze zich
verzet, omdat immers de vervulling van de andere helft van het orakel
nog mogelijk is zoolang Mèrope leeft, tracht de gezant hem over zijn
bezwaren heen te helpen door de verzekering, dat hij geen kind van het
Corinthische koningspaar was. Hij, de bode, indertijd herder op het
Cithaerongebergte, had hem zelf uit de handen van een dienaar van Laios
aangenomen en aan Mèrope gegeven! Jammerlijk valt echter die
troostgrond uit: heel het treurspel ligt nu voor Oedipus open. En tot
volkomen zekerheid wordt zijn somber vermoeden, als de bewering van den
Corinthischen gezant bevestigd wordt door het verhaal van den dienaar,
om wien Oedipus gezonden had.

Iocaste maakte in wanhoop een einde aan haar leven; Oedipus, door smart
en schaamte overweldigd, blindde zich bij haar lijk.



[Oedipus Coloneüs.] Hij had twee zonen, Polyneìkes en Etèocles, en twee
dochters, Antìgone en Ismène. Toen, na verloop van tijd, het volk zijn
verbanning vroeg, verzetten de beide zonen noch Crèon zich tegen dien
eisch, en zoo doolde de ongelukkige grijsaard, door allen verlaten,
alleen geleid door de hand van zijn trouwe dochter Antigone, van stad
tot stad. Eindelijk kwam hij bij het vlek Colònos, in de buurt van
Athene, aan en legde zich in de heilige ruimte der Erìnyen ter ruste.
De Atheensche koning Theseus verleende hem hier een veilig
toevluchtsoord. De door het noodlot zoo wreed vervolgde Oedipus was
intusschen door zijn lijden met de goden verzoend en het orakel had
voorspeld, dat dàt land tot grooten bloei zou geraken, dat het gebeente
van den grijsaard in zijn schoot zou bergen.

Nu was Thebe intusschen geducht in het nauw geraakt; Etèocles en
Polyneikes hadden afgesproken, dat zij om beurten daar telkens een jaar
zouden regeeren. Maar toen de tijd van den eerste om was, weigerde hij
afstand te doen van den troon. Geërgerd trok Polyneikes weg en wist nog
zes vorsten over te halen een krijgstocht met hem tegen zijn vaderstad
te ondernemen. De Thebanen raakten nu in angstige spanning en,
gedachtig aan het bovengenoemde orakel, maakte Crèon zich op om Oedipus
over te halen naar het Thebaansche land terug te keeren. Eerst door
overreding, later door geweld, trachtte hij den grijsaard weg te
voeren, maar Theseus trad als zijn beschermer op en verijdelde Créon’s
pogingen. Toen kwam ook Polyneikes zijn vader opeischen voor zijn
onderneming; de gesmade werd wel zeer sterk begeerd; maar gedachtig aan
zijn vernedering, bleef hij weigeren. Zelfs sprak hij een verwensching
uit over de zonen, die zijn verdrijving hadden toegelaten: mochten zij,
in broederstrijd, vallen door elkanders hand! En nauwelijks was
Polyneikes, beladen met dien vloek, weer heengegaan, of donderslagen
verkondigden Oedipus, dat zijn einde nabij was. Als door een
onzichtbare macht geleid en door Theseus alleen vergezeld, ging hij
naar de plaats, waar hij sterven zou. Hoe hij daar is weggenomen bleef
verder een geheim; maar de zwerver had nu rust: de Erìnyen waren voor
hem Eumeniden geworden.



Aan Oedipus’ zonen werd de vloek van hun vader maar al te spoedig
vervuld. De zeven vorsten, onder wie Adrastos, koning van Argos, en
Amphiaràös de bekendsten zijn, trokken op tegen Thebe, maar hadden geen
geluk; zij kwamen, op Adrastos na, allen om, Polyneikes en Etèocles
vielen door elkanders hand; nadat zij elkaar vruchteloos met de lans
hadden bestookt, wondde Etèocles zijn broeder met het zwaard; maar toen
hij hem van zijn wapenrusting wilde berooven, werd ook hij door den
stervende doodelijk getroffen.



[Antìgone.] Na dezen bloedigen afloop nam Crèon de teugels van het
bewind over Thebe in handen. Hij liet het lijk van Etèocles plechtig
begraven, maar beval, op straffe des doods, het lijk van Polyneikes,
die in een strijd tegen zijn vaderstad was gevallen, onbegraven te
laten, aan honden en roofvogels ten buit. Maar ondanks het strenge
verbod van Crèon en ondanks de waarschuwingen van Ismène en haar
weigering om te helpen, begroef Antìgone het overschot van haar
broeder; zij achtte dat een heiligen zusterplicht, waaraan zij zich tot
geen prijs mocht onttrekken. Op heeterdaad werd zij echter betrapt en
voor Crèon gebracht. Van spijt was bij haar geen sprake; de geboden der
goden gingen haar boven die der menschen—hield zij met fierheid
staande—en de dood, die haar tòch niet onwelkom was, zou alleen nu wat
vroeger komen. En elke poging om haar fierheid te breken, was
vergeefsch.

Zoo bleef ook Crèon onvermurwbaar; zelfs het feit, dat Antìgone met
zijn eigen zoon Haimon verloofd was, roerde hem niet; er waren nog wel
andere schoondochters te vinden! Haimon zelf trachtte hem tot ander
inzicht te brengen; het volk—zoo pleitte hij—mompelde dat de vrome
jonkvrouw een heel andere belooning had verdiend, en dikwijls al was
onbuigzaamheid te laat tot het besef van eigen feilbaarheid gekomen;
wie niet bijtijds de schoot van het zeil wist te vieren, stelde
roekeloos schip en leven in de waagschaal! Maar ook zijn woorden misten
de bedoelde uitwerking; het kwam tot bittere verwijten over en weer; en
in heftigen toorn, die niets goeds voorspelde, snelde Haimon heen.

Antìgone—zoo luidde Crèon’s bevel—zou levend ingemetseld worden in een
grafgewelf. Zelf spoorde hij tot haast aan en verzekerde, dat geen
geklaag zou baten. Hij zou zich door niemand, allerminst door een
vrouw, laten overwinnen; hij zou dòòrzetten, onwrikbaar en
onvermurwbaar, tot het einde toe! Teiresias wees hem erop, hoe de
offerteekens ongunstig waren, hoe starre eigenzinnigheid, voor rede
onvatbaar, steeds dwaasheid was gebleken, hoe weinig verheffend het was
over een doode gericht te houden. Alles te vergeefs! Maar ten slotte,
door Crèon’s hoonende antwoorden getergd, toonde hij hem al den jammer,
dien hij op het punt stond zich op den hals te halen: de Erìnyen gereed
om zich op hem te storten, en weeklacht en dood tot in de zalen van
zijn paleis! Toen, eindelijk, brak zijn trots; toen, plotseling, scheen
het hem toch niet onmogelijk, dat er goddelijke wetten waren, die, ook
ondanks het woord van een koning, verdienden nageleefd te worden.
Haastig snelde hij naar Antìgone’s graf; dat werd geopend, maar... ’t
was te laat! Zij had aan haar leven een einde gemaakt. En voor de oogen
van zijn vader volgde haar Haimon; en toen Crèon, jammerend, zich
opmaakte naar zijn paleis, werd het bericht hem tegemoet gebracht, dat
ook zijn vrouw door eigen hand gestorven was. De ondergang van heel
zijn geslacht was de harde straf van zijn koppig tekort aan eerbied
voor de instellingen der goden.

Na tien jaar ondernamen de zonen van de voor Thebe gevallen helden, de
Epigonen, een nieuwen tocht tegen de stad. En ditmaal waren de goden de
onderneming gunstig; de Thebanen werden overwonnen en vluchtten weg op
raad van Teiresias, die echter zelf op de vlucht is omgekomen. Een zoon
van Polyneikes erfde de heerschappij over Thebe.



DE ARGONAUTENTOCHT.


In de Boeötische stad Orchomenus heerschte koning Athamas; hij was
gehuwd met Nèphele, een godin, en had twee kinderen, Phrixos en Helle.
Toen Athamas bovendien nog een sterfelijke vrouw trouwde, verliet
Nèphele hem; van nu af hadden haar kinderen het slecht, want hun
stiefmoeder haatte hen en stond hen zelfs naar het leven. Eindelijk
bracht zij het zóóver, dat Athamas besloot Phrixos als offer te
slachten. Toen zond Nèphele den kinderen een ram met gouden vacht; die
droeg hen weg, op zijn rug, ver over land en zee. Helle viel onderweg
in de zeeëngte, die naar haar de Hellespont heet, maar Phrixus kwam in
Colchis aan, aan de Oostkust van de Zwarte Zee, en werd daar door
koning Aeëtes gastvrij opgenomen. Uit dankbaarheid voor zijn redding
offerde hij den ram aan Zeus en schonk het gouden vlies aan Aeëtes, die
het ophing in een tuin, aan Ares gewijd; daar werd het door een nimmer
slapenden draak bewaakt. In Griekenland achtte men het onmogelijk, dat
vlies te rooven; maar het werd toch geroofd en wel door den held Iason
en de Argonauten.

In Iolcus, een stad in Thessalië, was Aeson koning; hij werd door zijn
halfbroeder Pelias van de heerschappij beroofd. Toen hem nu zijn zoon
Iason werd geboren, vreesde hij dat Pelias dezen zou dooden; daarom
zond hij den knaap heimelijk naar het naburige Peliongebergte, waar de
wijze Centaur Cheiron zich met zijn opvoeding belastte; thuis werd een
lijkfeest gevierd, als ware het kind gestorven. Toen Iason twintig jaar
oud was, keerde hij naar Iolcus terug, om het rijk van zijn vader op te
eischen. Onderweg, bij het doorwaden van een rivier, verloor hij een
schoen; zóó kwam hij op de markt, forsch en kloek, een voorwerp van
bewondering voor de burgers, die hem zagen. Juist reed Pelias op zijn
wagen voorbij; toen hij den jongen man zag, aan één voet maar
geschoeid, verschrikte hij hevig, want een orakel had hem gewaarschuwd
voor een man met één schoen; die zou hem dooden. Op een vraag
daaromtrent maakte Iason zich bekend als de zoon van Aeson, door
Cheiron opgevoed, en gekomen om de heerschappij aan Pelias’ handen te
ontrukken. Hij vroeg naar de woning van zijn vader. Die werd hem
gewezen en met groote vreugde werd hij in het ouderlijk huis opgenomen.
Na eenige dagen trok hij met zijn bloedverwanten naar het paleis van
Pelias en eischte van hem troon en scepter voor zijn vader terug.
Pelias deed alsof hij het verzoek dacht in te willigen; hij verzocht
Iason alleen vooraf het gulden vlies uit Colchis te halen; hem zelf had
een orakel deze onderneming opgedragen, maar hij was er te oud voor;
Iason was jong en moedig; die zou het avontuur zeker durven bestaan!

En hij had goed gezien; vol vreugde nam Iason de opdracht aan en rustte
zich uit voor den verren tocht. Hij verzamelde als krijgsmakkers de
grootste helden van Griekenland, onder wie Hèracles en Theseus, de
broeders Tèlamon en Peleus, Meleàger, den zoon van Oineus, Laërtes, den
vader van Odỳsseus, Zètes en Càlaïs, de gevleugelde zonen van Bòreas,
den Noordenwind; verder den beroemden zanger Orpheus en nog vele
anderen meer. Naar de Argo, het schip, waarop zij de reis ondernamen,
heetten zij de Argonauten.

De tocht ging over Lemnos en door den Hellespont. Na tal van avonturen
kwamen zij aan den ingang van de Zwarte Zee. Daar woonde te
Salmydessus, op den Thracischen oever, de Phoenicische waarzegger
Phineus, dien de goden, om zijn onbescheidenheid, met blindheid hadden
gestraft en die bovendien werd gekweld door de Harpyen, meisjes in
vogelgedaante, die hem zijn eten wegroofden. De Argonauten bevrijdden
hem van die plaag; Zètes en Càlaïs joegen de gevleugelde kwelgeesten
na, haalden ze in, en lieten ze zweren Phineus niet meer lastig te
vallen. Uit dankbaarheid voor dezen dienst lichtte de ziener de
Argonauten in omtrent den weg, dien zij moesten volgen en waarschuwde
hen voor de Symplegaden, twee rotsen, die voortdurend tegen elkaar
sloegen, zoodat tot nu toe geen schip het had gewaagd er tusschen door
te varen, en die zij toch moesten passeeren. Hij ried hun, vóór zij den
doortocht beproefden een duif te laten uitvliegen; ontkwam die
gelukkig, dan konden zij de vaart wagen; anders was het beter de reis
op te geven. De Argonauten deden, zooals hij gezegd had; de duif kwam
ongedeerd tusschen de rotsen door; alleen het uiterste puntje van den
staart werd haar afgeknepen. Zóó ging het ook met het schip, dat maar
een klein gedeelte van den achtersteven verloor. De rotsen gingen nog
éénmaal uit elkaar; sedert staan ze stil op haar plaats en laten de
schepen ongehinderd zeilen.

Na een lange vaart door de Pontus Euxìnus, de Zwarte Zee, landden de
Argonauten in Colchis. Iason begaf zich naar koning Aeëtes en vroeg van
hem de uitlevering van het gulden vlies. Een zware taak werd hem
daarvoor opgelegd; hij moest twee vuursnuivende stieren, met metalen
hoeven, opvangen, ze onder het juk spannen en er een stuk land mee
beploegen; vervolgens moest hij in de voren drakentanden zaaien. Maar
Aphrodìte kwam hem te hulp; zij wekte bij de toovenares Medèa, een
dochter van Aeëtes, een vurige liefde voor den hoofdman der Argonauten.
Toen deze het meisje beloofde, dat hij haar als zijn vrouw mee naar
Griekenland zou voeren, gaf zij hem een zalf om daarmee zijn lichaam en
zijn wapens te bestrijken; onoverwinnelijk werd hij daardoor en
onaantastbaar voor het vuur. Nadat hij nu het veld had omgeploegd,
zaaide hij de drakentanden; onmiddellijk schoten woeste, geharnaste
mannen uit den grond op, die zich dreigend tegen Iason wendden. Hij
wierp, op raad van Medèa, een steen onder hen; zij verdachten elkaar
van den worp, gingen elkaar te lijf en versloegen elkander.

Iason had den verlangden arbeid volbracht en eischte dus het vlies.
Maar Aeëtes weigerde het uit te leveren, omdat hij vermoedde dat Iason
door de tooverkunsten van zijn dochter geholpen was.

’s Nachts slopen nu de leider der Argonauten en het meisje, dat hem
geholpen had, naar de plaats, waar het gulden vlies bewaard werd. Medèa
bracht den draak, die de vacht bewaakte, in slaap; haastig veroverden
zij den kostbaren buit, snelden naar het schip, dat voor de afreis
gereed lag, en voeren met de overige helden weg. Medèa had ook haar
broertje Apsyrtos mee aan boord genomen; toen nu Aeëtes hen met een
vloot vervolgde, doodde zij het kind in haar begeerte om Iason te
redden, wierp zijn ledematen in zee, en ontkwam met haar tochtgenooten
in den tijd, dien Aeëtes aan het verzamelen der verspreide
lichaamsdeelen besteedde.

Langs groote omwegen en onder tal van gevaren en avonturen kwam
eindelijk de Argo in Iolcus terug; hier vond Iason zijn geheele
geslacht door Pelias uitgeroeid. Maar met Medèa’s hulp wist hij zich
gruwelijk te wreken. Als priesteres van de toovergodin Hèkate drong zij
in Pelias’ woning binnen en trachtte de dochters van den ouden vorst
over te halen haar vader een gevaarlijke verjongingskuur te doen
ondergaan. De meisjes hadden maar weinig vertrouwen in haar voorstel;
toen deed zij de kuur voor met een ouden ram, dien zij kookte en als
een lam weer te voorschijn deed komen. Maar Pelias verging het minder
gelukkig; hij bleef dood in den ketel, daar Medèa op het laatst haar
hulp aan de dochters ontzegde.

De zoon van dezen Pelias verdreef Iason en Medèa uit de stad. Zij
begaven zich naar Corinthe. Toen Iason daar Medèa verstiet om de
dochter van den Corinthischen koning te huwen, wreekte de diep
gekrenkte vrouw, die alles voor haar man had opgeofferd, zich op
vreeselijke wijze. Zij doodde de bruid; zij doodde zelfs haar beide
jongens, omdat zij óók kinderen van Iason waren; toen vloog zij in een
wagen, bespannen met een gevleugelden draak, door de lucht naar Athene.
Later, heet het, keerde zij naar haar vaderland terug en herstelde haar
vader Aeëtes, die uit zijn rijk was verdreven, weer op den troon. Iason
vond zijn dood door de Argo, die op de landengte van Corinthe, als een
wijgeschenk aan Poseidon, was opgesteld. Eens sliep hij in de schaduw
van het oude schip; toen viel het uiteen en verpletterde hem.



DE TROJAANSCHE OORLOG.


I. DE BRUILOFT VAN PELEUS EN THETIS.

De eerste aanleiding tot den Trojaanschen oorlog was de bruiloft van
den Thessalischen koning Peleus met de zeenimf Thetis. Alle koningen,
vorsten en voornamen van Thessalië waren op het bruiloftsfeest
genoodigd, en zelfs de goden waren van den Olympus neergedaald, om bij
het huwelijk van de schoone Thetis, de dochter van den zeegod Nereus,
tegenwoordig te zijn. Alleen Eris, de godin van den twist, had men om
begrijpelijke redenen niet gevraagd. Toen nu het feest in vollen gang
was, trad zij ongenoodigd binnen en wierp in de zaal een gouden appel,
die het opschrift droeg: „voor de schoonste.”

Vele van de vrouwelijke gasten hoopten in het geheim; maar zij lieten
die hoop varen, toen Hera, Athene en Aphrodite aanspraak maakten op het
geschenk. Deze drie wendden zich om een beslissing tot Zeus; maar de
oppergod, die geen der godinnen wilde krenken en toch maar aan ééne den
prijs der schoonheid kon geven, trok zich terug in zijn paleis op den
Ida bij Troje. Ook dààr echter was hij niet veilig, ook dààrheen
vervolgden hem de twistenden en eischten van hem dat hij uitspraak in
het geschil zou doen. Toen verwees hij ze naar Paris, een zoon van
koning Prìamus van Troje, die aan den voet van den Ida de kudden hoedde
en als scheidsrechter zou kunnen optreden.



II. PRIAMOS EN PARIS.

Koning Prìamos, een zoon van Laòmedon, was getrouwd met Hècabe
(Hecuba), maar had buiten haar nog vele andere vrouwen; zoo had hij
vijftig zonen en vijftig dochters.

Onder zijn dochters waren Polỳxena en Cassàndra de bekendste. De
laatste, even weetgierig als schoon, won de liefde van Apollo. Toen
deze nu haar tot vrouw begeerde, verlangde zij eerst van hem de gave
der voorspelling; maar toen zij die kunst verstond, wilde zij haar
belofte niet gestand doen. De god werd boos en strafte haar woordbreuk
op vreeselijke wijze: niemand zou ooit geloof hechten aan haar
voorzeggingen. Zoo voorzag zij alle rampen, die Troje en haar
bloedverwanten zouden treffen en zij voorspelde ze geheel naar
waarheid, maar niemand sloeg geloof aan haar waarschuwende woorden en
zij werd slechts bespot en uitgelachen.

Van Prìamos’ zonen was Hector de oudste en de dapperste. Zijn vrouw
Andròmache schonk hem een zoontje, Astỳanax geheeten. Maar het meest
bekend van Prìamos’ zonen zou Paris worden, niet door zijn dapperheid
maar door het ongeluk, dat hij bracht over zijn land en over zijn
geslacht.

Reeds vóór zijn geboorte was dit aan zijn ouders voorspeld. Hècabe had
namelijk gedroomd, dat de zoon, die haar geboren zou worden, geheel
Troje in brand zou steken. Daarom had men den knaap in een woud te
vondeling gelegd, in de hoop dat hij er zou omkomen. Doch een berin had
zich over het kind ontfermd, een herder had het gevonden en meegenomen
en als zijn eigen zoon groot gebracht; Alexander had men den knaap
genoemd.

Toen Prìamos bemerkte dat zijn zoon nog leefde en een flinke jongeman
was geworden, wilde hij hem niet meer dooden, in de hoop, dat de booze
voorspelling nu niet meer zou worden vervuld. Hij nam hem tot zich en
droeg hem de zorg op voor zijn groote runderkudde. Deze hoedde Paris
juist aan den voet van den Ida, toen de drie godinnen, door Zeus
gezonden, hem kwamen bezoeken om van hem te vernemen, wie van haar de
schoonste was.

Men kan zich voorstellen, hoe vreemd Paris opkeek. Lang zat hij neer in
aarzelende bewondering; het was hem onmogelijk uitspraak te doen. Toen
wilde Hera door geloften hem overhalen, haar den appel te geven:
rijkdom en macht zou zij hem verleenen. Maar pas bespeurde Athene, dat
Paris onder den invloed dier voorspiegelingen kwam, of zij beloofde hem
wijsheid en krijgsroem, wanneer hij haar den prijs der schoonheid
toekende. En ook Aphrodìte bleef niet achter: de mooiste vrouw, die op
aarde leefde, zou de zijne worden, als hij in haar voordeel besliste.
Toen was het pleit beslecht; aan Aphrodìte reikte hij den appel. Blij
met haar succes, nam zij van nu af Paris onder haar bescherming. Maar
Hera en Athene voelden zich diep beleedigd; koning Prìamos en zijn
geheele geslacht, zelfs de stad Ilium, moesten boeten voor het oordeel
van Paris.



III. DE SCHAKING VAN HELENA.

De mooiste vrouw echter, die toen op aarde leefde, was Hèlena, gehuwd
met Menelàos, koning van Sparta. Dus besloot Paris naar Griekenland te
varen om deze Hèlena te schaken. Door Aphrodìte, die hem tot den tocht
had aangespoord, begeleid, begaf hij zich op weg; de godin wist het zoo
te schikken, dat, toen Paris in Sparta aankwam, Menelàos juist op reis
was.

Naar de gewoonte dier tijden nam Hèlena den vreemdeling gastvrij in
haar woning op. Toen Paris haar zag, stond hij sprakeloos van
bewondering. En ook Hèlena kreeg al spoedig den jongeling lief; zij
liet zich overreden haar man te verlaten en met Paris op een schip naar
Troje te vluchten. En niet alleen dat zij haar plicht tegenover
Menelàos vergat, zij nam bovendien nog veel gouden en zilveren
voorwerpen mee, die hem toebehoorden.

Toen hij van zijn reis terugkeerde en bemerkte, dat zijn vrouw gevlucht
en zijn schatten geroofd waren, was Menelàos diep geërgerd en peinsde
op wraak. Hij vernam dat Paris, de zoon van den machtigen koning van
Troje, de roover van zijn vrouw en van zijn bezittingen was; maar hij
voelde zich niet machtig genoeg om alléén de trouweloosheid te wreken
en Hèlena te dwingen naar huis terug te keeren. Daarom zond hij
allereerst naar zijn broeder Agamemnon, den koning van Mycène, en liet
hem weten, wat er was geschied. De machtige Agamemnon beloofde zijn
broeder hulp. Toen werden boden gezonden naar alle Grieksche vorsten om
hen aan te sporen tot deelneming aan den tocht tegen Troje. Van alle
kanten werd medewerking toegezegd; alleen Odỳsseus, de koning van
Ithaca, trachtte zich te onttrekken aan de reis. Hij voelde zich zoo
gelukkig in het bezit van zijn jonge vrouw Penèlope en van zijn
pasgeboren zoontje Telèmachos, dat hij niet kon besluiten zijn
vreedzaam leven te ruilen voor de gevaren van den krijg. Hij hield zich
krankzinnig, toen men hem kwam halen voor den tocht; een ezel en een
stier had hij gespannen voor den ploeg, en hij strooide zout in de
kromme voren, die hij trok in het zand aan den oever van de zee. Toen
legde plotseling Palamèdes den kleinen Telèmachos vlak voor het kouter:
ineens was de houding van Odỳsseus een andere; span en ploeg was hij
volkomen meester. Het ging nu niet langer aan uitvluchten te zoeken;
ook hij trok mee. Op Palamèdes heeft hij zich echter met zijn vriend
Diomèdes later bitter gewroken. Zij begroeven geld in zijn tent, en
beschuldigden hem van verraderlijke verstandhouding met de Trojanen.
Toen het klinkend bewijs op hun aanwijzing werd gevonden, scheen
twijfel niet meer mogelijk; de ongelukkige werd, onschuldig,
veroordeeld en door zijn tochtgenooten gesteenigd.

Andere bekende deelnemers aan den tocht zijn: Nestor, de oude koning
van Pylus, de wijze raadgever der Grieken; Idòmeneus, de heerscher van
Creta; Ajax van Salamis, en zijn broeder Teucer; dan Ajax, de Locriër,
ook de kleine Ajax genaamd, terwijl de andere de groote heette. Door
slimheid en listige overredingskracht muntte Odỳsseus uit; door
dapperheid en mannelijke kracht Achilles, de grootste der Grieksche
helden voor Troje, dien zijn beste vriend en strijdmakker Patroclos
overal vergezelde.



IV. IPHIGENEIA IN AULIS.

De Grieken, die aan den tocht wilden deelnemen, verzamelden zich in
Aulis, een stad aan de Grieksche kust, tegenover Euboea. Het duurde
lang voor allen samen waren; onder het wachten vermaakten de helden
zich met de jacht. Eens joeg Agamemnon een prachtige hinde op, die hij
lang vervolgde, tot het hem eindelijk gelukte het dier te dooden. Maar
het hert was aan de godin der jacht, Artemis, gewijd, en in haar toorn
vroeg deze Poseidon, den god der zee, die ook de winden beheerschte, de
afvaart der Grieken te verhinderen.

Maanden lang liet hij windstilte heerschen, zoodat het den Grieken
onmogelijk was de haven van Aulis uit te loopen. Bij onderzoek bleek,
dat de boosheid van Artemis oorzaak was van den tegenspoed, en dat die
pas zou ophouden, als Agamemnon zijn oudste dochter Iphigeneia zou
offeren.

Bang voor een opstand in het leger als hij zou weigeren dit offer te
brengen, besloot Agamemnon, na een zwaren zelfstrijd, het meisje naar
Aulis te ontbieden; zij werd van huis weggelokt onder het voorwendsel,
dat zij aan Achilles uitgehuwd zou worden. Toen Clytaimnestra, haar
moeder, die mede naar Aulis was gekomen, vernam wat er eigenlijk zou
gebeuren, vertelde zij Achilles waartoe men zijn naam zoo schandelijk
had misbruikt. Samen besloten zij het offer te verhinderen,
Clytaimnestra door den drang van smeekende woorden, Achilles desnoods
door wapengeweld. Maar Iphigeneia, die wist, hoezeer haar dood haar
landgenooten zou baten, besloot voor hen haar leven te geven. Toen
echter Calchas, de priester, het offermes had opgeheven om het meisje
te treffen, daalde plotseling een wolk op het altaar neer; en toen die
weer was opgetrokken, lag een hinde geslacht op de offerplaats. Artemis
had Iphigeneia gered en weggevoerd naar Tauris, waar zij voortaan in
haar tempel als priesteres dienst deed.

Een gunstige wind blies nu weldra in de zeilen en na een gelukkige
vaart werd Troje bereikt. Toen de Grieken hier geland waren, trokken
zij hun schepen op het strand en sloegen daarbij hun tenten op.
Driemaal beproefden zij de stad stormenderhand in te nemen, waar de
muren het zwakst waren; maar ’t was vergeefs, want Troje was zwaar
versterkt en de inwoners weerden zich dapper. De Grieken moesten tot
een langdurig beleg overgaan; daar echter hun troepen niet voldoende
waren om de stad aan alle kanten in te sluiten, werd de onderneming van
het eene jaar tot het andere slepende gehouden. De verovering van tal
van naburige stadjes, zoowel op Aziatischen als Europeeschen bodem, was
langen tijd het eenige resultaat van den tocht.



V. ACHILLES EN AGAMEMNON.

[Homeros: Ilias, boek I.] Negen jaren waren op deze wijze voorbijgegaan
sinds de Grieken voor Troje waren aangekomen, en nog was de stad niet
ingenomen. Tal van rooftochten waren in den omtrek gemaakt; allerlei
kostbaarheden, ook slaven en slavinnen, waren buitgemaakt. Onder de
laatste Chryseïs, een dochter van Chryses, een priester van Apollo; zij
was aan Agamemnon toegewezen.

Met den krans van Apollo op gouden staf, kwam nu Chryses in het kamp
der Grieken en bood voor zijn kind hun een grooten losprijs aan. Maar
Agamemnon joeg hem smadelijk weg. Zwijgend ging hij heen en aan het
eenzame zeestrand bad hij Apollo den smaad te wreken, die men hem had
aangedaan. De god verhoorde hem; somber als de nacht, den boog over de
schouders, de pijlen rammelend in den koker, schoot hij van den Olympus
neer. Ver van de vloot hield hij stand. Toen zond hij zijn pestdragende
pijlen naar het kamp der Grieken, elk schot raak en elk schot
doodelijk. Den tienden dag riep Achilles een volksvergadering samen;
hij wenschte dat een ziener de oorzaak zou vragen van Apollo’s toorn en
van hem het middel ter verzoening zou vernemen. De priester Calchas
echter aarzelde te spreken, bang voor den wrok van Agamemnon. Maar toen
Achilles hem zijn bescherming had toegezegd, openbaarde hij de reden
van de sterfte onder de Grieken: geen verzuim van offers, maar de
smaad, zijn priester aangedaan, had Apollo ontstemd; en niet voor dat
Chryseïs, zelfs zonder losprijs, was vrijgelaten, zou de god zich
tevreden toonen. Dreigend verhief zich toen Agamemnon; met grimmige
woorden wendde hij zich tot Calchas; hij weigerde Chryseïs uit te
leveren, tenzij men hem een geschenk van gelijke waarde teruggaf; wilde
men dat niet, hij zou het met geweld doen weghalen uit de tent van
Achilles, van Ajax of van Odysseus! Achilles werd boos, toen hij die
bedreiging hoorde; niet hìj was beleedigd door de Trojanen; toch had
hij het leeuwenaandeel gehad aan den strijd; maar als het op deelen was
aangekomen, was zijn geschenk steeds kleiner geweest dan dat van
Agamemnon. Liever keerde hij naar huis terug, dan nog langer voor dezen
buit te vergaderen! Minachtend antwoordde hem Agamemnon: vrij moest hij
maar heengaan als zijn gemoed hem daartoe dreef. Maar eerst nog zou hij
bemerken, hoever de aanvoerder der Grieken in macht hem te boven ging.
Zelf zou hij uit Achilles’ tent Briseïs weghalen, het meisje, dat dezen
als geschenk uit den buit ten deel was gevallen.

Dat was Achilles te erg. Hij had zijn zwaard getrokken en was op het
punt den overmoedigen Atride neer te stooten. Maar Pallas Athene daalde
af van den Olympus, greep hem bij zijn blonde haren en overreedde hem
met moeite, zijn toorn te bedwingen. Plechtig echter zwoer hij, dat hij
geen aandeel meer zou nemen aan den strijd tegen de Trojanen; eens zou
het Agamemnon bitter berouwen, dat hij het zoover had laten komen. Nog
deed Nestor, de oude vorst van Pylos, de wijze raadgever der Grieken,
een poging om in gemoede den twist bij te leggen; ’t was te vergeefs;
onder bittere, wederzijdsche verwijten werd de vergadering ontbonden.

Chryseïs werd aan haar vader teruggezonden; reinigingsoffers werden
gebracht. Maar ook werd op last van Agamemnon Briseïs weggehaald uit de
tent van Achilles. Smartelijk bleef deze den hoon gevoelen, door
Agamemnon hem aangedaan; ver van het strijdgewoel hield hij zich
werkeloos op bij de schepen, en op zijn verzoek richtte zijn moeder
Thetis zich met vleiende woorden tot Zeus, om van hem te verlangen, dat
hij voorspoed zou geven aan de Trojanen. Met een plechtigen hoofdknik
gaf de oppergod haar de verzekering van zijn goede gezindheid.

[II.] Dien nacht nog kreeg Agamemnon in den droom den raad, een aanval
op Troje te ondernemen. Vooraf echter wilde hij de gezindheid van zijn
mannen op de proef stellen. Daartoe riep hij den volgenden morgen een
vergadering samen. Hij stelde den Grieken voor naar huis terug te
keeren; de onderneming scheen immers toch op niets uit te loopen, de
vloot rotte weg op het strand, het touwwerk werd onbruikbaar.
En—anders, dan hij gehoopt had—dadelijk stormde de menigte naar de
schepen; Troje zou gespaard zijn, als niet Pallas Athene op bevel van
Hera, tusschenbeide was gekomen. Zij richtte zich tot Odysseus, die
door overreding en strengheid de Achaeërs al spoedig tot staan had
gebracht. Opnieuw zette men zich ter vergadering. Alleen Thersites,
leelijk van lichaam en leelijk van ziel, die altijd opruide tot verzet
tegen de vorsten, bleef ook nu nog doorrazen: eerder Achaeïsche vrouwen
dan mannen achtte hij hen, die zóó door Odysseus zich van hun voornemen
lieten afbrengen! Maar Laertes’ zoon legde hem gevoelig het stilzwijgen
op; onder de slagen van zijn scepter kromp hij huilend ineen. „Wel
smartelijk”—sprak toen Odysseus—„is het, zóó lang van huis te zijn;
maar schandelijk toch ook, onverrichter zake terug te keeren. En in het
tiende jaar, heeft Calchas voorspeld, zal Troje vallen; een korten tijd
dus nog moed gehouden!” Luide toejuichingen vertolkten hem den bijval
der vergadering. In gelijken geest sprak ook nog Nestor, en weldra ging
men uiteen, om zich uit te rusten tot den oorlog. Als scharen vogels
zwermden door de vlakte troepjes Grieken en voegden zich bijeen; als de
gloed van een boschbrand straalde het blinkende koper; zooals herders
hun kudden scheiden, deelden de vorsten hun mannen in benden en stelden
ze op voor den strijd. Het was een machtige aanblik, een geweldig
leger, uit alle deelen van de Grieksche wereld samengestroomd, onder
leiding van tal van beroemde helden. En ver boven allen blonk de
aanvoerder uit: Agamemnon, de zoon van Atreus.



VI. PARIS EN MENELAOS.

[III.] De Trojanen trokken van hun kant op; weldra stonden de legers
tegenover elkaar. Toen trad Paris, een bont pantervel om de schouders,
gewapend met boog en zwaard en speren, uit het gelid en daagde met
luide stem den dapperste aller Grieken tot een tweestrijd uit.
Nauwelijks hoorde Menelaos dit, of hij sprong van zijn strijdwagen en
wierp zich als een leeuw den roover van zijn vrouw en van zijn schatten
in den weg. Paris schrok bij het zien van deze machtige tegenpartij;
sidderend week hij terug en verborg zich in het gedrang. Toen riep
Hector, vol verontwaardiging, hem toe: „Armzalige vrouwenheld, waart
gij toch gestorven, eer gij deze schande over uw huis hadt gebracht!
Hoort gij dan niet het spottend gelach van de vijanden, die zich
vroolijk maken over uw lafheid? Gij hadt dus wel den moed dien held
zijn vrouw te ontrooven, maar niet, u met hem te meten in den strijd?”
„Met recht valt gij mij hard,” antwoordde nu Paris. „Wilt ge mij echter
zien vechten, verkondig dan aan Trojanen en Grieken, dat ik thans met
Menelaos, voor de oogen der beide legers, den strijd wil aanbinden. Wie
van ons overwint, die hebbe Hèlena en haar schatten; gij bebouwt dan
weer in vrede uw akkers, en die daar schepen zich weer naar Griekenland
in.” Hector was verheugd over de woorden van zijn broer; hij ijlde naar
het voorste gelid en riep den strijdenden toe, de wapens te laten
rusten. „Hoort, gij Grieken, ik breng u een blijde boodschap: Paris,
mijn broeder, die alle ongeluk heeft verwekt, wil het ook doen
eindigen, en biedt Menelaos een tweegevecht aan, met Hèlena en al haar
schatten tot inzet.” Menelaos verklaarde zich bereid het tweegevecht
aan te nemen, en dadelijk ijlde een bode naar de stad om den ouden
koning Prìamos te ontbieden, die, naar landsgebruik, onder
voorgeschreven offerplechtigheden het verdrag moest bezweren.
Intusschen legerden alle troepen zich in lange rijen, Grieken tegenover
Trojanen, en verbeidden in de open ruimte vóór zich den tweestrijd.

Toen Prìamos in het veld was gekomen, verzamelden zich de vorsten en
Agamemnon verrichtte het offer. Hij schoor de schapen den kop en riep
de goden tot getuigen aan van het verdrag; daarop slachtte hij de
offerdieren en liet het bloed in het zand stroomen. Toen schepten zich
de vorsten wijn in de bekers, plengden den goden ter eere de eerste
druppels en riepen luide dat Zeus op dezelfde wijze het bloed mocht
vergieten van hem, die het eerst den heiligen eed verbrak. Met tranen
in de oogen reed nu de oude koning naar de stad terug; hij kon het
gevaar, dat zijn zoon bedreigde, niet mede aanzien.

Hector en Odysseus maten de kampplaats af, wierpen twee loten in een
helm om te beslissen, wie van beide strijders den eersten worp zou
doen, en schudden ze dooreen. Het lot van Paris sprong het eerst er
uit. Onmiddellijk weken alle anderen terug en beide strijders rustten
zich uit met scheenplaten, pantser, zwaard en schild, en dekten hun
hoofd met den koperen strijdhelm met wuivenden helmbos; toen traden zij
vooruit, en Paris wierp met forsche kracht zijn speer in de richting
van zijn vijand. Maar hij trof slechts den metalen rand van het schild
en de speer viel machteloos ter aarde. Op hetzelfde oogenblik suisde
Menelaos’ geweldige lans door de lucht, drong dwars door het schild en
het pantser van Paris heen, en zou hem zeker hebben doorboord, als hij
zich niet snel ter zijde had gewend. Dadelijk greep nu Menelaos zijn
zwaard, hief het op, en trof met zwaren slag zijn tegenstander op het
hoofd. Het wapen vloog echter in stukken en het gevest viel hem uit de
hand. Bijna schreiend van woede over dat verlies, schoot Menelaos op
Paris toe, greep hem bij den helm en sleurde hem zoo meê naar den kant
der Grieken. Paris dreigde te stikken door het knellen van den kinband;
zeker zou hij zijn omgekomen, had niet Aphrodite den band doen
springen. Menelaos hield nu den leegen helm in zijn handen en slingerde
dien zijn landgenooten toe. Daarop stormde hij opnieuw op zijn
slachtoffer los. Maar in een dichten nevel had reeds Zeus’ dochter hem
weggevoerd naar zijn woning in de stad. Te vergeefs speurde Menelaos
rond naar zijn vijand; hij was weg en niemand kon zijn verblijfplaats
aanwijzen. Gejuich echter daverde op van de zijde der Grieken en
Agamemnon riep luide zijn broeder tot overwinnaar uit. Hij verlangde
daarom de uitlevering van Hèlena en van alle geroofde schatten, en
bovendien een schadevergoeding voor den langdurigen oorlog, zooals dat
bij het verdrag was vastgesteld.



VII. DE HERVATTING VAN DEN STRIJD.

[IV.] Een oplossing in dien zin kon echter Hera en Pallas Athene
kwalijk naar den zin zijn. Zij wisten Zeus te overreden, dat hij Athene
afzond om de Trojanen tot het hervatten van den krijg aan te sporen.
Onkenbaar naderde zij een der Trojaansche krijgers en haalde hem over
een schot op Menelaos te lossen. De pijl snorde weg van de sterk
aangetrokken pees, drong door gordel en pantser, maar schramde, door de
goede zorgen van Athene, Menelaos maar de huid. Toch stroomde een
donkere bloedstroom hem langs dijen en enkels. Verontrust en
verontwaardigd zag echter Agamemnon nu zèker den dag in het verschiet,
waarop Troje zou vallen en het meineedige volk voor de Grieken zou
bezwijken. Terwijl de wond van Menelaos onderzocht en verbonden werd,
ging hij rond door de gelederen, aansporend en vermanend, verheugd waar
hij, ruig van schilden en speren, de benden zag oprukken naar den
strijd als een donkere nevel, die komt aandrijven over zee, lakend,
waar hij weifeling bemerkte en angstig dralen. Weldra trokken, als
golven, die aanrollen naar het strand, de troepen krijgers naar de
vlakte; van den anderen kant naderde het veeltalige heer der Trojanen;
en als twee bergstroomen, die bruisend samenkomen, zoo mengden zich de
strijders in wilde warreling dooreen. Ares en Apollo aan den kant der
Trojanen, Athene aan de zijde der Grieken, spoorden de tragen tot ijver
aan, en velen, van weerszijden, zonken dien dag neer in het stof.

[V.] Van den strijd, die volgde, was Diomèdes, de zoon van Tydeus, de
held. Door een steenworp werd Aeneas door hem gewond; en toen zijn
moeder, Aphrodite, hem te hulp wilde komen, werd ook zij door een speer
aan den pols getroffen. Jammerend trok zij zich terug naar den Olympus;
maar glimlachend ried Zeus haar het krijgswerk maar niet meer ter hand
te nemen; elders lag het terrein, waarop zij zich lauweren kon
verwerven! Ondanks Diomèdes’ onstuimige dapperheid echter wonnen de
Trojanen veld; Hector spoorde hen aan en Ares zelf was in hun midden.
Toen reden ook Hera en Athene uit om de Grieken te helpen. Zelfs tegen
den krijgsgod durfde nu Diomèdes het opnemen; met een speerworp trof
hij hem vóór in den buik en brullend week Ares naar den Olympus terug,
om er zijn wond te doen genezen. De beide godinnen, die haar doel
hadden bereikt, trokken nu evenzeer weg en Achaeërs en Trojanen bleven
weer aan zich zelven overgelaten op het slagveld.



VIII. HECTOR EN ANDROMACHE.

[VI.] Op zekeren dag, dat de strijd op het hevigst woedde, was Hector
naar de stad gesneld om zijn moeder Hècabe (Hecuba) te smeeken met
andere voorname Trojaansche vrouwen aan Athene een wijgeschenk te
brengen en haar te bidden, Troje niet door Diomèdes’ dapperheid te doen
vallen. Toen hij zijn opdracht had vervuld en de stad weer wilde
verlaten, kwam hem aan de poort zijn vrouw Andròmache te gemoet,
vergezeld van een slavin, die haar zoontje op de armen droeg. De trouwe
vrouw begon te weenen toen zij hem zag, vatte zijn hand en sprak:
„Vreeselijke man, uw moed zal u nog ten verderve voeren. Medelijden
kent gij niet met uw jeugdig kind en uw ongelukkige vrouw. Als ik u
verlies, wie zal mij dan bijstaan? Mijn moeder is gestorven, mijn vader
en mijn broeders heeft Achilles gedood. Gij, mijn man, zijt mij tot
vader, tot moeder en tot broeder tevens; nu gaat ook gij nog weg,
terwijl de Grieken reeds onze muren bestormen. O, blijf hier op den
wal! Maak mij niet tot een weduwe, uw kind tot een wees!”

Hector antwoordde haar: „Ook mij gaat dit alles ter harte. Maar te zeer
vrees ik de verachting der Trojanen, dan dat ik werkeloos zou kunnen
toezien bij den strijd. En toch, ik weet het, ’t zal alles te vergeefs
zijn! De dag zal komen, waarop Troje in asch verzinkt en Prìamos’
geslacht te gronde gaat. Dat smart mij diep! Maar meer nog grieft mij
uw lot, wanneer een trotsche Griek U weg zal voeren als slavin, wanneer
ge voor een vreemde zult werken aan den weefstoel of water zult halen
uit een ver verwijderde bron, wanneer men, als gij weenend daarheen
gaat, zal zeggen: zie, dat is de vrouw van Hector, van den held, die
eens boven alle anderen zich weerde voor de muren van Troje! Moge vóór
die dag komt de aarde mij bedekken!”

Dit zeggende strekte hij de handen uit naar het kleine kind in de armen
van de voedster. Maar angstig trok zich het knaapje terug, bang voor
den grooten, wuivenden helmbos. Glimlachend zagen dat vader en moeder.
Toen nam Hector den helm van zijn hoofd, zette hem neer op den grond,
kuste het kind en wiegde het zacht in zijn armen, biddend tot de goden
dat het mocht worden als hij, of meer nog dan hij, een vreugde en een
troost voor zijn moeder.

Zoo bad hij, en hij gaf het kind weer over aan zijn vrouw, die, lachend
door de tranen heen, het koesterde aan haar boezem. Toen werd ook
Hector door een onweerstaanbaren weemoed aangegrepen. Liefkoozend
streelde hij Andròmache de wang, en troostend sprak hij: „Wees niet al
te bedroefd! Het menschelijk leven rust in de hand der goden en niemand
zal mij tegen den wil van het noodlot naar het verblijf der dooden
zenden. Maar wien het lot eenmaal treft, die moet volgen, hij zij edel
of gemeen. Ga nu aan uw bezigheden, zorg voor het spinnewiel en den
weefstoel en spoor de dienende vrouwen tot werkzaamheid aan. De oorlog
is het werk der mannen, maar vooral van mij.”

Hij zette zijn helm op en snelde weg. Ook zij ging met het kind, maar
stond dikwijls nog stil en oogde hem na. Eerst in haar vertrekken
barstte zij los in geween; en met haar weenden de slavinnen, want zij
hadden allen haar lief, haar zelve en den edelen Hector. Een somber
voorgevoel vervulde haar harten; zij beschouwden den krachtigen held
reeds als gestorven, en zongen bij zijn leven reeds zijn lijkzang.



IX. HECTOR EN AJAX.

[VII.] Intusschen stormde Hector, door Paris nu weer vergezeld, het
slagveld op en gebood rust aan de Trojanen. Toen daagde hij openlijk de
vijanden uit, een man uit hun midden tegenover hem te stellen, met wien
hij geheel alleen den strijd voor altijd wilde beslissen. De Grieken
weifelden; maar op de verwijtende woorden van Menelaos en Nestor boden
zich negen van de beroemdste helden voor den kampstrijd aan. Het lot
zou beslissen; den grooten Ajax viel het ten deel de eer der Achaeërs
hoog te houden.

Gedost in blinkend koper, geweldig als de krijgsgod zelf, stormde hij
vooruit, en dicht voor Hector pas hield hij stand; angst maakte zich
van de harten der Trojanen meester.

Hector slingerde het eerst zijn lans; door het metalen beslag van het
schild en door zes van de huiden, waarmeê het was overtrokken, drong
zij heen; toen eerst bleef zij steken. Daarna was de beurt aan Ajax;
door schild en pantser heen zou zijn speer Hector stellig in het lijf
zijn gedrongen, als hij niet door een snelle wending dit had weten te
voorkomen. Beiden rukten nu de lans uit hun schild en gingen daarmeê
elkander te lijf, elk brandend van begeerte den tegenstander te dooden.
Opnieuw trof Hector met goed gemikten worp het schild van zijn vijand;
maar langs het koper schampte de speerpunt af; zij drong niet door. Hij
zelf echter werd aan den hals getroffen, en donker stroomde het bloed
uit de wonde. Snel wendde hij zich, greep een steen en slingerde dien
naar zijn tegenstander; vlak in het midden trof hij het schild, dat
galmde van den slag. Maar Ajax raapte een nog grooteren kei op, wierp
hem met inspanning van alle krachten in de richting van den Trojaan en
wondde hem aan de knie, zoodat hij in elkaar zakte. Dadelijk echter
hief Apollo hem op; en met de zwaarden zouden zij elkaar nu te lijf
zijn gegaan, als niet herauten van beide zijden hen hadden gescheiden.
Met tegenzin schikte Ajax zich; maar Hector sprak: „Ajax, ge hebt u
mannelijk gedragen en een god heeft u kracht en beleid geschonken.
Laten wij thans uitrusten van den strijd en dien morgen hervatten,
totdat een god aan een van ons beiden de overwinning verleent. Maar
eerst zullen wij elkander geschenken geven.” En hij reikte hem zijn
kunstig bewerkt zwaard met de scheede en den sierlijken draagband en
Ajax schonk hem van zijn kant zijn purperen gordel. Zoo gingen zij
uiteen en ieder leger ontving zijn held met juichkreten en voerde hem
jubelend naar de zijnen terug. Toen werd het maal gebruikt. Agamemnon
onthaalde de vorsten als gewoonlijk in zijn tent en reikte aan Ajax
eershalve het grootste stuk, dat men uit den rug van een vijfjarigen,
vetten stier had gesneden. Ook Hector verkwikte zich in zijn paleis aan
een rijkelijken maaltijd en verhaalde zijn ouden vader de groote
gebeurtenissen van den dag. Besloten werd van weerszijden het
wapengeweld voor korten tijd te staken om de gevallenen te begraven. De
Achaeërs, intusschen, omringden op raad van Nestor de schepen aan het
strand met een wal en een gracht om ze tegen een overval der Trojanen
te beveiligen.



X. DE VORDERINGEN DER TROJANEN.

[VIII.] Al spoedig echter begon weer de strijd; dagelijks wisselden
gevechten en veldslagen in de vlakte voor Troje elkander af en menige
krijger werd van weerszijden door een onverwachten dood naar den Hades
gezonden. Sedert Achilles zich echter vol wrok in zijn tent had
teruggetrokken, hadden de Grieken groote verliezen geleden; onder
Hector’s dappere leiding drongen de Trojanen steeds verder door en
kampeerden ten slotte vlak bij de gracht en den walmuur, die het kamp
der Achaeërs moesten beschermen.

[IX.] Nu kreeg Agamemnon bittere spijt over zijn vroeger optreden tegen
den zoon van Peleus, en hij besloot een poging te wagen om door
teruggave van Briseïs en door de aanbieding van rijke geschenken diens
goede gezindheid te herwinnen. Zijn gezanten troffen Achilles aan bij
de schepen der Myrmidonen, spelend op de lier; vol verbazing zag de
Pelide hen komen, maar gastvrij ontving hij ze in zijn tent en hij
onthaalde hen vorstelijk. Tot toegeven echter konden zij hem niet
bewegen; elke poging om hem te overreden zijn toorn te laten varen
bleef vruchteloos; te zeer haatte hij Agamemnon. Onverrichter zake
keerden de gezanten nog denzelfden avond naar het kamp der Grieken
terug.

[X.] Dien nacht lichtten overal op de vlakte de wachtvuren der
Trojanen, en onrust heerschte in het kamp der Grieken. Odysseus en
Diomèdes trokken op verkenning uit. Zij waren nog maar pas op weg, toen
zij stieten op Dolon, een Trojaan, die op zich had genomen de plannen
van de Grieken uit te vorschen. Na een korte, wilde jacht viel hij zijn
vervolgers in handen. Van hem vernamen Odysseus en zijn makker dat een
Tracische hulpbende van de Trojanen ver buiten den kring der kampvuren
gelegerd lag; daarheen richtten zich de beide mannen. Stil en
voorzichtig, gedekt door het duister van den nacht, drongen zij tot in
het hart van de legerplaats door. Zelfs de koning werd gedood; en op
diens snelle paarden, die zij met zooveel meer nog hadden buit gemaakt,
jaagden zij, pas toen de dag reeds naderde, naar hun makkers terug.

[XI.] Met ontzaglijke felheid ontbrandde in den morgen weer de strijd.
Als een leeuw woedde Agamemnon op het slagveld en tot de muren van
Troje drong hij den vijand terug. Toen werd hij gewond en wendde zijn
wagen. Daarop had Hector, naar Zeus’ bevel, gewacht; als een wervelwind
stortte hij zich aan de spits van de zijnen op de strijdende Achaeërs.
Te vergeefs trachtte Diomèdes den aanval te keeren; getroffen, moest
hij wijken. Evenzoo ging het Odysseus; en ook Ajax was niet bij machte
de Trojanen tot staan te brengen. Een bloedig gevecht ontspon zich, dat
met den algeheelen ondergang van de Grieken scheen te zullen eindigen.
In dien nood wendde Nestor zich tot Patroclos, den vriend van Achilles;
hij bezwoer hem den Pelide om zijn wapenrusting te vragen; verscheen
hij, Patroclos, aan het hoofd der Myrmidonen, zóó op het slagveld,
mogelijk zouden de Trojanen hem voor Achilles zelf houden en zou de
krijgskans keeren.

[XII.] Intusschen drongen de Trojanen steeds verder op, en besloten
eindelijk een aanval op het kamp der Grieken te doen. Verwoed werd op
den wal en bij de torens gevochten, man tegen man, en groote verliezen
werden aan beide zijden geleden. Ten slotte bezweek de poortdeur onder
een steenworp van Hector; toen was het pleit beslecht. Juichend
stormden door de ontstane opening en over den walmuur heen de Trojanen
binnen; angstig vluchtten de Grieken naar de schepen terug.

[XIII.] Daar echter hielden zij, op vermaan van Poseidon, nog eenmaal
halt; zij trachtten, dicht aaneengesloten, den aandrang van de Trojanen
te weerstaan. Een verbitterde en verwarde strijd was het gevolg van hun
pogen; maar als een leeuw vocht Hector, overal tegenwoordig; het
noodlot scheen niet meer af te wenden van de schepen.

[XIV.] Zelfs Agamemnon ontzonk de moed; ’t was immers duidelijk, dat
Zeus aan de Trojanen de overwinning verleende! Maar Hera waakte; in
verbond met den slaap wist zij den Alvader in zoeten sluimer te
brengen. Toen had Poseidon onder de Grieken vrij spel; luid klonk hun
strijdkreet, luider dan het bulderen van de opgeruide golven tegen het
strand van de zee, luider dan het geknetter van het droge hout bij een
hevigen boschbrand. En onweerstaanbaar drongen zij vooruit toen Hector,
door een zwaren steen getroffen, uit het strijdgewoel weggevoerd moest
worden.

[XV.] Reeds waren de Trojanen buiten het kamp teruggejaagd, toen Zeus
ontwaakte uit zijn sluimer. Dadelijk werd aan Poseidon bevel gezonden,
zich verder buiten den krijg te houden; mokkend trok hij zich terug in
de zee. Toen wekte Apollo, op last ook van Zeus, Hector opnieuw tot
strijden op; als een paard, dat zich los heeft gerukt van de kribbe,
rende hij het slagveld op, en onder een regen van pijlen en speren ging
het, met behulp van Apollo, de gracht weer over. Vlak bij de vloot
woedde weldra de strijd, man tegen man, nu met zwaard en met
strijdbijl, en reeds droegen de Trojanen het vuur aan, dat de schepen
in vlammen zou doen opgaan.



XI. PATROCLOS.

[XVI.] Toen eindelijk trad Patroclos de tent van Achilles binnen,
schreiend als een kind om al de ellende, die door de Grieken werd
geleden. Vol deernis stond de Pelide hem zijn verzoek toe, maar hij
waarschuwde hem tevens voor Hector; aan dezen moest hij zich niet
wagen, noch aan een god de hand slaan. Wel was de nood hoog gestegen en
redding dringend noodig; Ajax zelfs, de dappere, had ten laatste voor
Hector uit den weg moeten gaan, en deze had met de zijnen den brand in
een schip gestoken, zoodat de vlammen knetterend omhoog sloegen en ook
de overige schepen in groot gevaar verkeerden. Toen Achilles van zijn
tent uit de vlam uit het schip zag opstijgen, doortrilde diepe smart
het hart van den onbuigzame, en zelf spoorde hij zijn makker aan zich
te wapenen. Patroclos rustte zich haastig ten strijde en liet zijn
wagenmenner de paarden tuigen en aanspannen, terwijl Achilles zijn
manschappen in slagorde schaarde. Als hongerige wolven, vol onstuimigen
moed, stormden zij, Patroclos vooraan, op de Trojanen in. De schrik
sloeg hun om het hart en zij wendden zich ter vlucht; want zij
geloofden dat Achilles zijn toorn had laten varen en in eigen persoon
zijn troepen in het gevecht voerde. Tot aan de muren van de stad drong
Patroclos door, en hij zou ze bestegen hebben, als niet Apollo zelf hem
terug had gedreven. Toch woedde hij voort over het slagveld; tal van
krijgers waren reeds onder zijn slagen gevallen en nog steeds zocht hij
nieuwe slachtoffers. Toen naderde, in een nevel gehuld, Apollo hem van
achteren en ontrukte hem zijn wapenrusting; één der Trojanen trof hem
in den rug, juist tusschen de schouders, en toen hij, geknakt en
verbijsterd, terugweek onder zijn makkers, stormde Hector op hem los en
stiet den wankelenden held zijn speer in het lijf. Luid jubelde de
overwinnaar; maar stervend voorspelde nog Patroclos hem zijn naderend
einde; weldra zou ook hij vallen onder de handen van Achilles.



XII. HECTOR’S DOOD.

[XVII.] Een heftige strijd ontspon zich om het lijk van Patroclos.
Hector en Ajax vuurden aan weerszijden de scharen aan, en pas na een
lange worsteling lukte het den Grieken hun gesneuvelden makker weg te
dragen van het slagveld.

[XVIII.] Nu echter bereikte Achilles de mare van Patroclos’ dood, en
mateloos als zijn toorn was thans ook zijn smart. Jammerend wierp hij
zich ter aarde, bestrooide zich het hoofd, het gelaat en de handen met
stof, en weeklaagde zoo luid, dat diep in den schoot der zee zijn
goddelijke moeder de smartkreten vernam en opdook om hem te troosten.
Slechts één verlangen beheerschte hem thans; wraak te nemen op Hector,
die zijn vriend had gedood! Hij wilde terstond naar het strijdgewoel om
den gehaten vijand op te zoeken. Maar hij had geen wapens; Hector
pronkte zegevierend in zijn rusting! Dienzelfden nacht echter nog begaf
zijn moeder Thetis zich naar den Olympus, en wist Hephaistos te bewegen
een nieuwe, zeldzaam mooie wapenrusting te maken.

[XIX.] Den volgenden morgen verzoende Achilles zich plechtig, in het
bijzijn van alle Achaeërs, met Agamemnon. Daarop werd de maaltijd
gebruikt; alleen Achilles weigerde, rouwend over zijn makker; Athene
moest met nectar en ambrozijn hem laven, opdat niet de honger zijn
kracht zou verlammen. En toen, als sneeuwvlokken, voortgedreven door
een sterken noordenwind, kwamen van alle kanten de krijgers aanstormen
in stralenden glans van pantsers en schilden. Ook Achilles rustte zich
uit, besteeg zijn strijdwagen en schitterend als Helios, de zonnegod,
dreef hij zijn span naar het front der Grieken.

[XX.] In den strijd, die nu volgde, worstelden menschen en goden in
wilde warreling dooreen, want Zeus had dezen dag aan de hemelbewoners
verlof gegeven aan het gevecht deel te nemen en bij te staan, wien zij
wilden, opdat niet Achilles, door niets in zijn woede gestuit, de stad
Troje tegen de bedoeling van het lot zou veroveren. Van beide zijden
dreven de goden de scharen aan; Zeus donderde vreeselijk van den hoogen
Olympus en Poseidon schudde de aarde zoo heftig, dat zelfs Hades
verschrikt van zijn troon sprong uit vrees, dat de grond zou barsten,
en zijn afzichtelijk doodenrijk voor aller oogen bloot zou liggen.

[XXI.] Nadat Achilles tal van Trojanen had gedood, dreef hij hun
gansche leger in wilde vlucht voor zich uit; een deel werd door den
onweerstaanbaren held in de rivier de Scamander gejaagd en
meedoogenloos door hem verslagen, zoodat ten laatste de stroomgod zelf,
die de slachting niet langer kon aanzien, zijn wateren in opstand
bracht, ze over de oevers joeg en Achilles met den dood bedreigde.
Hephaistos echter wierp op Hera’s bevel zijn vlammen over de baren en
droogde het land. Toen werd de jacht voortgezet over de vlakte; in
drommen snelden de Trojanen naar de stad, waar zij redding zochten
binnen de poorten.

[XXII.] Hector was de eenige, die nog stand hield buiten den muur en
den vijand afwachtte. Hij sloeg geen acht op de wanhopige smeekbeden
van den grijzen Prìamos, die in zijn geest reeds heel zijn huis
verslagen zag en vol angst hem terugriep binnen de veste; hij lette
niet op de klagende verwijten van zijn treurende moeder; na een korte
aarzeling was hij vast besloten te overwinnen of te sterven. Toen hij
echter zijn vreeselijken tegenstander zag naderen, grepen schrik en
ontsteltenis hem aan en hij ging op de vlucht. Achilles stormde hem na,
en als een hond, die rusteloos een hertje vervolgt, joeg hij hem voor
zich uit, driemaal om de stadsmuren heen, zelf steeds aan den
binnenkant, opdat Hector niet van de muren af geholpen zou worden.
Eindelijk, door Athene daartoe overgehaald, hield de vervolgde stand;
maar vergeefs zond hij zijn speer, en toen hij met zijn zwaard nu op
den Pelide lostrok, trof diens spies hem voor in den hals, zoodat hij
stervend ineen zonk. Fluisterend sprak hij nog: „Bij uw leven,
Achilles, bij uw knieën, bij uw ouders bezweer ik u, geef mijn lijk
niet aan de honden prijs; neem van mijn vader koper en goud, zooveel ge
wilt, ten losprijs, maar zend mijn lichaam naar Troje, opdat het door
mijn vrienden begraven worde.”

Maar norsch antwoordde de snelvoetige Achilles: „Bezweer mij niet bij
mijn knieën, noch bij mijn ouders. Niemand zal van uw hoofd de honden
en gieren verjagen, zelfs niet wanneer men tien- of twintigvoudig
losgeld bracht en Prìamos aanbood tegen goud uw lichaam op te wegen.”
„Wel ken ik u,” steunde Hector, „uw hart is van staal; maar weet dat de
toorn der goden mij zal wreken op den dag, waarop Paris en Apollo u,
hoe dapper gij ook zijt, zullen dooden.” Zoo voorspelde hij Achilles
nog stervend zijn naderend einde, en blies den laatsten adem uit. De
Pelide echter riep, terwijl hij zijn speer uit het lijf rukte: „Sterf!
Mijn eigen noodlot zal ik afwachten wanneer Zeus en de andere
onsterfelijken het beschikt hebben!” Hierop doorboorde hij zijn
slachtoffer de voetpezen, trok er een riem doorheen, en bond het lijk
aan zijn strijdwagen om het naar zijn legerplaats te slepen, ten buit
aan honden en roofvogels. Luid jammerend stonden Prìamos en Hècabe, te
midden der Trojanen, op den muur der stad en zagen hoe hun zoon, de
beste van geheel het volk, smadelijk werd voortgesleurd.

[XXIII.] Een groote houtmijt werd in ’t Grieksche kamp opgestapeld en
plechtig werd daarop het lijk van Patroclos verbrand. Twaalf
Trojaansche jonge mannen, door Achilles gevangen genomen, gaf deze als
doodenoffer mede aan de vlammen prijs. Toen liet hij, om de
nagedachtenis van den gestorvene te eeren, een grooten wedstrijd
houden, waarvoor hij zelf vele kostbare prijzen had uitgeloofd; in den
wagenren, het vuistgevecht, de worsteling, den wedloop, den tweekamp
met de speer, het werpen met den kogel, het schieten naar de duif en
het slingeren van de lans werden behendigheid en kracht en volharding
beproefd en naar waarde beloond.



XIII. PRIAMOS LOST HET LIJK VAN HECTOR.

[XXIV.] Twaalf dagen lang lag het lijk van den ongelukkigen Hector voor
Achilles’ tent in het stof, en elken dag sleurde deze hem, aan zijn
wagen gebonden, om den grafheuvel van zijn vriend; maar de goden
beschermden met liefderijke zorg den doode tegen verderf en verminking.
Eindelijk geboden zij Achilles het lichaam aan de bloedverwanten uit te
leveren en bevalen Prìamos zich met een wagen, beladen met rijke
geschenken, naar de legerplaats der Grieken te begeven om het lijk van
zijn zoon los te koopen. Door nachtelijke duisternis beschut en veilig
geleid door Hermes, kwam hij bij Achilles’ tent aan. Deze had juist
zijn avondmaaltijd geëindigd en zat nog aan tafel op eenigen afstand
van zijn vrienden; toen trad de oude koning ongemerkt binnen, wierp
zich plotseling voor den verbaasden jongeling op de knieën en kuste de
handen, die hem zooveel leed hadden toegevoegd.

„Achilles,” zoo sprak hij, „o, gedenk uw vader, die, door ouderdom
gekromd, misschien door vijandelijke naburen wordt bedreigd, en
hulpeloos is als ik. Maar hem blijft de hoop over, dat hij eens zijn
geliefden zoon behouden naar huis ziet terugkeeren; ik echter mis elken
troost. Vijftig zonen bezat ik, toen de Grieken in mijn land kwamen; de
meesten daarvan heeft de oorlog mij ontroofd, en den eenigen, die in
staat was de stad te beschermen, mijn Hector, hebt gij me verslagen!
Hem kom ik thans lossen tegen rijkelijk losgeld. Eer de goden,
Achilles, heb medelijden met mij, gedenk uw eigen vader! Ik ben uw
medelijden nog meer waard dan hij, want ik lijd wat geen sterveling
leed: ik druk de hand aan mijn lippen, die mijn zonen heeft gedood.”

De jonge held, voor wien de zwaar beproefde grijsaard klagend in het
stof lag, was diep geroerd; met afgewend gelaat weende hij om zijn
vader, dien hij nimmer zou terugzien, maar ook om Patroclos, den
gestorven vriend. Plotseling sprong hij op, hief den ouden man uit het
stof en sprak: „Arme ongelukkige, waarlijk veel leed hebt gij
ondervonden. Hoe echter hebt gij het durven wagen hierheen te komen
onder het oog van hem, die uw zoon heeft verslagen! Gij hebt nog stalen
moed! Thans echter, zet u neer en laat ons het verdriet vergeten;
weeklacht baat toch niet meer. Zoo is nu eenmaal het lot der menschen;
twee vaten staan in de woning van Zeus, het eene met onheil gevuld, het
andere met de zegeningen van het geluk; wien de goden hun gaven
dooreengemengd schenken, die heeft nu eens ramp- dan voorspoed; maar
wien zij slechts ongeluk toedeelen, dien stooten zij in een poel van
jammer en ellende. Zoo schonken de goden aan Peleus, mijn vader,
heerlijk geluk; toch deelde een godheid ook hem groote rampen toe, want
hij kreeg slechts een eenigen zoon, die hem de dagen van zijn ouderdom
niet kan verlichten, want ver weg zit ik hier voor Troje en breng
droefheid over u en uw kinderen. En ook u, grijsaard, prezen de
menschen eens gelukkig om uw macht en uw rijkdom en uw bloeiende zonen,
maar thans hebben de onsterfelijke goden u grievend leed beschoren.
Draag het manlijk en jammer niet zoo; de weeklacht wekt de dooden
niet!”

„Noodig mij niet tot zitten,” antwoordde de grijsaard, „zoolang Hector
in uw tent onbegraven ligt. Lever hem mij uit, en neem onmetelijk
losgeld!” Met droeven blik sprak de jongeling: „Wees gerust, eerwaarde
oude; ik zelf toch heb het voornemen hem u af te staan. Zeus heeft het
mij bevolen.” Daarop snelde hij naar buiten, liet de geschenken afladen
en het lijk van Hector op den wagen leggen, nadat het was gewasschen,
gezalfd en in lijnwaad gewikkeld. Teruggekeerd in de tent, zette hij
zich weder tegenover den koning en sprak: „Uw zoon is losgekocht;
morgen, zoodra Eoos aan den hemel verschijnt, kunt gij hem zien en naar
huis voeren; nu evenwel willen wij den maaltijd gedenken.” Na het maal
sprak Prìamos: „Laat mij nu gaan rusten, edele held; want sedert mijn
zoon in uw handen viel, hebben mijn oogen zich niet gesloten, maar,
gefolterd door smart, heb ik mij gewenteld in het stof van mijn hof en
eerst heden kwam weer vleesch en wijn over mijn lippen.” Achilles liet
zijn gast buiten in de hal een leger bereiden, opdat hij in het vroege
morgenuur zou kunnen vertrekken. Daarop stond hij hem voor de
begrafenis van zijn zoon nog een wapenstilstand van elf dagen toe, nam
toen de rechterhand van den grijsaard in de zijne en liet hem ter ruste
gaan. De jonge held, in zijn toorn zoo wreed en onmenschelijk, was na
de hevige ontroering van de laatste dagen, door den aanblik van den
ongelukkigen grijsaard en door de herinnering aan zijn eigen vader,
achtergebleven in het verre vaderland, zacht en vriendelijk geworden;
zijn ziel was gelouterd en had zich weer geopend voor zachtere
aandoeningen. Hij waardeerde nu den heldenmoed van zijn vijand en
leverde hem uit ter eervolle begrafenis.

Pas daagde het in het Oosten, toen Prìamos met het lijk van zijn zoon
naar de stad terugkeerde. Reeds vóór de poort kwamen de Trojanen hem
tegemoet; Andròmache en Hécabe snelden op den wagen toe, en legden
weeklagend haar handen op het hoofd van den doode. En spoedig verdrong
van alle zijden het volk zich om de treurige groep, zoodat het voertuig
slechts langzaam en met moeite zich voortbewoog naar het koninklijk
paleis. Daar werd het lijk op een prachtig rustbed neergelegd; terzijde
stonden zangers en hieven den treurzang aan, waarin zich de
jammerkreten der klaagvrouwen mengden.

Negen dagen lang voerden de Trojanen een onmetelijke hoeveelheid hout
aan uit de bosschen en bouwden in de vlakte voor de stad een
torenhoogen brandstapel. Den tienden dag was alles gereed, en onder
luide weeklachten werd Hector’s lijk op de houtmijt gelegd en verbrand.
Daarop verzamelden broeders en strijdmakkers het onverteerde gebeente
en borgen het in een gesloten, gouden kist, die met purperen lijnwaad
omwikkeld in het gedolven graf werd neergelaten. Reusachtige
steenblokken dekten de groeve, terwijl bovendien een grafheuvel werd
opgeworpen. Hierna keerde de volksmenigte naar de stad terug en een
feestelijk lijkmaal in het paleis van Prìamos was het laatste eerbewijs
aan den edelen Hector bewezen.



XIV. TROJE’S VERWOESTING.

Spoedig daarna sneuvelde ook Achilles. Onstuimig stormde hij,
overmoedig door zege op zege, aan de spits van het Grieksche leger op
Troje los; de Trojanen boden weinig weerstand en Achilles zou de stad
hebben ingenomen, ware het door de goden niet anders besloten geweest.
Reeds was men bezig de poortdeuren uit de hengsels te lichten, toen
Apollo van den hoogen Olympus af den bedreigden te hulp kwam en den
held toeriep af te laten van den strijd. Achilles echter sloeg de
vermaning van de godheid in de wind; toen nam deze de gestalte van
Paris aan, legde een pijl op zijn boog en schoot den held in de hiel,
de eenige wondbare plek aan zijn lichaam; met een zwaren slag stortte
hij ter aarde. Maar zoodra hij den pijl uit de wond had getrokken,
waaruit een donkerroode bloedstroom gutste, verhief hij zich met een
sprong van den grond en stortte zich weer op de vijandelijke drommen.
Vele Trojanen doorboorde nog zijn speer; toen echter verstijfden hem
langzamerhand de ledematen en stervend zonk hij ineen, zoodat de aarde
dreunde onder de metalen rusting. Zijn lijk werd na een heet gevecht
door de Grieken naar hun legerplaats gered en plechtig verbrand. Zooals
hij het gewenscht had, verzamelden zijn vrienden het overschot en
plaatsten dit, in een gouden urn, in het graf, waarin zij ook het
gebeente van Patroclos bijzetten.

[Virgilius: Aeneis II.] Eindelijk, nadat de krijg tien jaren lang had
gewoed, viel Troje door list in de handen der Grieken. Op raad van den
sluwen Odysseus velden zij op het woudrijke Idagebergte hoogstammige
dennen, waaruit een reusachtig paard werd vervaardigd. De dapperste
helden verborgen zich in de ruime holte; de overige Grieken echter
staken hun tenten en hun legertros in brand en zeilden over naar het
naburige eiland Tènedos, waar zij landden.

Toen de Trojanen den rook uit de legerplaats zagen opstijgen en de
schepen in zee steken, stormden zij vol vreugde de stad uit naar de
legerplaats der Grieken en aanschouwden hier het reusachtige houten
paard. Terwijl zij het er onder elkaar over oneens waren of ze het
wonderwerk in de stad zouden sleepen of aan de vlammen zouden prijs
geven, trad Laòcoön, een priester van Apollo, in hun midden op, en
riep: „Ongelukkigen, wat dwaasheid bezielt u? Meent gij dat de Grieken
werkelijk zijn heengegaan, of dat een geschenk uit hun hand geen bedrog
in zich sluit? Kent gij dan Odysseus zoo weinig? Eén van beide: òf in
dit paard schuilt gevaar, òf het is een oorlogswerktuig, dat door den
in den omtrek spiedenden vijand tegen onze stad zal worden aangewend.
Hoe het ook zij, ik voor mij vertrouw het volk van Danaos niet, zelfs
al komt het met geschenken!” Daarop stiet hij een machtige, ijzeren
speer in den buik van het paard; die boorde trillend in het hout en uit
de holte klonk een doffe dreun als uit een diepen kelder. Maar de
Trojanen bleven blind voor het naderend onheil.

Ondertusschen brachten eenige herders een geboeiden Griek aan, die uit
eigen beweging hun tegemoet was gekomen, om door een verdicht verhaal
de stedelingen gerust te stellen omtrent de bedoeling van het paard en
hen des te zekerder in het verderf te doen loopen. Voor koning Prìamos
gebracht, vertelde Sinon, zoo heette de Griek, dat het kolossale beeld
tot een wijgeschenk voor Athene was bestemd om deze godin te verzoenen.
Het was zoo groot gemaakt om de Trojanen te verhinderen het door hun
stadspoorten te brengen, daar in dat geval de godin zich van de Grieken
zou afwenden om Troje bij te staan. Mochten evenwel de Trojanen zich
aan het goddelijk geschenk vergrijpen, dan zou de stad onvermijdelijk
in het verderf worden gestort.

Prìamos en alle omstanders schonken den bedrieger geloof; zij werden
nog meer doordrongen van de waarheid van zijn woorden, toen op
hetzelfde oogenblik een voorval plaats greep, waarin zij een
bestraffing meenden te zien van den priester Laòcoön wegens zijn
twijfel aan de bestemming van het paard. Van het eiland Tènedos
namelijk naderden twee slangen; in reusachtige kronkelingen schoven zij
voort over de zee. Laòcoön stond juist met zijn zonen aan het strand en
offerde. Toen schoten de monsters op de knapen toe en omstrengelden hun
lichamen, het teere vleesch met hun giftige tanden verwondend. Met
opgeheven lans snelde de vader zijn kinderen te hulp; ook om hem
kronkelden de slangen zich heen. Vergeefsch waren alle pogingen zich
los te winden; alle drie werden zij te pletter gedrukt en met het gif
doortrokken. Daarop gleden de monsters in snelle vaart naar den tempel
van Athene en verborgen zich onder het schild der godin.

Nu was bij de Trojanen alle twijfel gebannen; zij haalden een deel van
den stadsmuur neer en trokken het noodlottige geschenk jubelend de stad
binnen. De taal van Cassandra, de eenige, die het dreigende verderf
voorzag, werd in den wind geslagen en bespot. Allen gaven zich over aan
opgewonden feestvreugde; muziek en zang weergalmden door de straten der
stad, en door wijn en vermoeidheid bevangen, verzonken de Trojanen in
diepen slaap. Een vuursignaal, op het admiraalschip gegeven, was nu
voor de Grieksche vloot het teeken om terug te keeren naar het bekende
strand, en voor Sinon om zijn landgenooten te bevrijden uit hun houten
kerker. Zij verspreidden zich door de straten en huizen der stad en
richtten een afgrijselijk bloedbad aan. Allerwege werd brand gesticht
en niet lang duurde het, of uit de daken der woningen stegen rosse
vlammen omhoog. Ook de troepen van Tènedos waren geland en drongen door
de geopende poorten der stad binnen, die thans het schouwspel werd van
een ontzettende ellende. Grieken zoo goed als Trojanen stierven in de
worsteling of werden geveld, door brandende balken en steenen
getroffen. Hun gewonden, stervenden en dooden vermeerderden den stapel
der slachtoffers; ouderdom, geslacht noch stand bleef bespaard; de
grijze Prìamos werd aan den voet van een altaar doorstoken, Hectors
zoon Astỳanax uit de armen van zijn moeder gescheurd en van den
torenmuur naar beneden geworpen. Alleen Aenèas ontkwam; hij nam zijn
ouden vader Anchìses op den rug, zijn zoontje Ascanius aan de hand en
vluchtte door de straten van de brandende stad naar het strand der zee.
Het gelukte hem na lang en moeitevol zwerven een nieuw vaderland te
vinden; hij, de dappere Trojaansche held, werd de stamvader van het
Romeinsche volk.

Menelaos stormde het paleis binnen van zijn gemalin Hèlena en zou haar
in zijn eerste woede misschien hebben gedood, als niet zijn broeder
Agamemnon tusschenbeide was gekomen. Lang nog brandden de puinhoopen
van het eens zoo machtige Troje, nu voor goed van den aardbodem
verdelgd. Wie van de inwoners nog in het leven was gespaard, werd door
de Grieken als slaaf medegevoerd.



DE ZWERFTOCHTEN VAN ODYSSEUS.


I. PENELOPE.

(HOMEROS: ODYSSEE).

[Boek I.] Tot de helden, die eerst na lange rondzwervingen en
ontzettenden tegenspoed hun vaderland terugzagen, behoorde Odysseus
(Ulysses), de koning van Ithaca. Een god had hem zooveel rampen
beschoren. Poseidon, de beheerscher der zeeën, was op den held
vertoornd, want zwaar was hij door hem beleedigd. Daarom joeg hij hem
voort over het wijde watervlak, van noord naar zuid, van oost naar
west, verbrijzelde zijn schepen, doodde zijn makkers en dreef hem door
maalstroom en branding naar volken, wier taal en zeden hem vreemd
waren.

Terwijl Odysseus door Poseidon’s toorn werd rondgeslingerd op de zee en
tegenspoed moest dulden van allerlei aard, werd ook zijn trouwe vrouw
Penèlope met haar zoon Telèmachos, dien hij eens als knaapje op moeders
schoot had achtergelaten, op Ithaca door zware rampen bezocht. Bijna
twintig jaren waren verstreken sedert Odysseus het vaderland had
verlaten; alle andere vorsten en helden waren lang teruggekeerd; hij
alleen zwierf nog rond. Men hield hem voor dood en had alle hoop op
zijn behoud verloren. Penèlope was de eenige, die nog altijd vertrouwde
op zijn terugkeer. Elke reiziger, die het eiland aandeed, werd
ondervraagd; maar alle navraag was vergeefsch. Toch bleef zij den
vriend van haar jeugd met onwankelbare trouw liefhebben. Meer dan
honderd vrijers hadden zich in haar paleis verzameld en hielden daar op
de onbeschaamdste wijze huis. Zij slachtten de runderen van Odysseus,
zijn bokken en zijn zwijnen en dwongen zijn slaven en slavinnen hen te
bedienen. Dag aan dag leefden zij in een roes van feestvreugde en
wilden Penèlope dwingen een van hen tot man te kiezen. Laërtes,
Odysseus’ vader, was den overmoed der vrijers ontvlucht en woonde
eenzaam in het binnenland; zijn vrouw was van verdriet gestorven en
Penèlope treurde dag en nacht om haar echtgenoot. Toen begaf zich
Pallas Athene, de godin, die Odysseus steeds als helpster ter zijde
stond, in menschelijke gedaante naar Ithaca, gaf den jongen Telèmachos
nieuwen moed en wekte bij hem het voornemen de helden te gaan bezoeken,
die met zijn vader Troje hadden belegerd. De vrijers waren verbaasd
over de fiere taal, waarmeê Odysseus’ zoon hen nu tegemoet trad; maar
zelf verzonk hij, toen dien avond de deur van zijn slaapkamer zich
achter hem gesloten had, in droef gepeins, en dien ganschen nacht door
overwoog hij de woorden, die Athene tot hem gesproken had.

[II.] Den volgenden morgen riep hij een volksvergadering bijeen. Heftig
beklaagde hij zich daar over het gedrag van de vrijers; zij zwegen op
het krasse verwijt van zijn woorden. Alleen Antìnoös nam het woord en
wierp alle schuld op Penèlope, die list op list verzon om aan het
opgedrongen huwelijk te ontkomen. Nu weer was ze bezig met het weven
van een kleed en had beloofd, zoodra dit af was, zich een uit de velen
tot gemaal te kiezen. Maar ’s nachts, bij het schijnsel der toortsen,
rafelde zij weer uit wat zij over dag had gewerkt. Zoo kwam zij nooit
klaar, maar zoo zou ook nooit het geweld der minnaars ophouden. Neen,
het zou toenemen, verzekerde een ander, ondanks voorteekenen en
verzekeringen van zieners, totdat door Penèlope een keuze zou zijn
gedaan! En de vergadering ging uiteen, zonder dat ook aan Telèmachos
het schip en de makkers, waarom hij voor zijn voorgenomen reis had
gevraagd, waren toegestaan. Toch kreeg hij, door Athene’s bemoeiingen,
een vaartuig en roeiers. Diep in den avond kwamen allen aan het strand
bijeen; de witte zeilen werden geheschen, de riemen ter hand genomen en
vlug doorkliefde het schip de golven.



II. TELEMACHOS IN PYLUS EN SPARTA.

[III.] Den volgenden morgen reeds bereikten zij, onder Athene’s
geleide, de haven van Pylus, in het landschap Messenië, op de westkust
van den Peloponnesus. Hier woonde Nestor, die onder de helden voor
Troje voornamelijk om zijn jaren en zijn wijsheid in hoog aanzien had
gestaan. De vriendelijke grijsaard ontving den zoon van Odysseus met
groote hartelijkheid, vertelde hem van de helden voor Troje al wat hij
had ervaren, maar van Odysseus wist hij niets, daar hij vroeger dan
deze was weggereisd. Hij ried hem echter naar Sparta te gaan, waar
Menelaos en Hèlena woonden, die hem misschien meer inlichtingen omtrent
zijn vader zouden kunnen geven. Paarden en een wagen zou hij hem
verschaffen, als hij de reis over land wilde maken, en een van zijn
zonen zou hem tot geleider strekken. En zoo geschiedde. Nadat in den
vroegen morgen van den volgenden dag een plechtig offer was gebracht,
werd de wagen ingespannen. Telèmachos en Peisìstratos, een zoon van
Nestor, namen er op plaats. De laatste hanteerde de teugels en spoorde
de paarden aan tot spoed; zoo kwamen zij weldra bij Menelaos.

[IV.] Juist was daar bruiloft; Menelaos huwde tegelijk een zoon en een
dochter uit. Vroolijk feestgewoel, zang en dans, vervulden de zaal.
Toen meldde een dienaar het voorrijden van den wagen. Menelaos liet
dadelijk de paarden uitspannen en aan de krib binden, terwijl hij de
beide vreemdelingen gastvrij in zijn prachtige woning opnam. Toen nu de
gastheer in den kring van zijn gasten van zijn tochten begon te
verhalen, en den naam van Odysseus daarbij vermeldde, bedekte
Telèmachos weenend zijn gelaat met den purperen mantel en Menelaos, die
hem nog niet naar zijn afkomst had gevraagd, vermoedde wie hij was. Op
dat oogenblik trad Hèlena, de vrouw, die alle rampen over Troje had
gebracht, binnen, en herkende onmiddellijk Odysseus’ zoon. Veel werd
nog gepraat over de voortreffelijke eigenschappen, over de dappere
daden van den zoon van Laërtes; toen maande de vallende avond tot rust.
Den volgenden morgen vroeg Menelaos zijn gast naar de oorzaak van zijn
komst. En toen nu Telèmachos hem vertelde, hoe de vrijers huis hielden
in zijn paleis, riep hij toornig uit: „waarlijk, als een leeuwin, die
bij haar terugkeer de jonge reeën vaneen rijt, die zij in haar leger
vindt, zoo zal Odysseus de nietelingen verscheuren, als hij
terugkeert!” Van dezen zelf wist hij echter niets anders te verhalen,
dan wat hem eens een Aegyptische zeegod had voorspeld: Odysseus zou, na
tien jaar rondzwerven, zonder een enkelen makker, zijn vaderland
terugzien. Met deze mededeeling moest de jonge Telèmachos zich tevreden
stellen; maar zij was gewichtig genoeg om hem dadelijk aan zijn moeder
te doen denken en te doen verlangen naar de terugreis, hoezeer ook
Menelaos en Hèlena er op aandrongen dat hij nog wat bij hen zou
blijven.

Het vertrek van Telèmachos was intusschen voor de vrijers niet
verborgen gebleven. Bang voor de gevolgen van zijn reis, beraamden zij
een aanslag op zijn leven; een galei werd uitgerust en in zee gebracht
om op den terugweg Odysseus’ zoon te overvallen. Toen maakte groote
angst zich van Penèlope meester; maar in den droom werd de veel
beproefde vrouw gerustgesteld.



III. CALYPSO.

[V.] Ook Athene was niet geheel gerust over het lot van Telèmachos, en
de rampspoeden van Odysseus troffen haar smartelijk. Na allerlei
avonturen was deze ten slotte beland op het eiland Ogygia, bij de nimf
Calypso. Zij had den zwerver gastvrij ontvangen en wilde hem niet weer
laten gaan, daar zij hem tot echtgenoot begeerde. Hij echter bleef zijn
op Ithaca achtergelaten Penèlope getrouw en zou gaarne zijn gevlucht;
maar hij had geen schip. Door een ontzaggelijk heimwee werd hij
gekweld; dagelijks ging hij de zeven jaren lang, die hij bij Calypso
doorbracht, naar het strand der zee en tuurde in de richting, waarin
zijn vaderland lag. Op de bede van Athene werd nu Hermes naar Ogygia
gezonden; hij moest Calypso boodschappen, dat het de wil van Zeus was
dat Odysseus naar zijn vaderland terug zou keeren. In snelle vaart
daalde de bode der goden van den Olympus neer tot op het zeevlak, vloog
als een meeuw over de golven en kwam weldra op het eiland aan. Hij vond
de schoone nimf in de grot, die haar tot woning diende. Vroolijk vlamde
het vuur op den haard en ver in den omtrek was de lucht doortrokken van
den zoeten geur van het brandende cederhout. Zelve, zingend met
zilveren stem, weefde zij met gouden weefspoel het sierlijke kleed.
Populieren en cypressen omschaduwden de grot met hun welig loover;
bontkleurige vogels nestelden in de takken. In dichte ranken slingerde
zich de wingerd om de gewelfde spelonk; door de bladeren heen
schemerden in dikke trossen de sappige druiven. Vier beekjes kronkelden
met vroolijk geklater door de groenende weiden, met viooltjes en
welriekende kruiden begroeid. In bewondering bleef Hermes een oogenblik
staan; toen betrad hij de grot, door de schoone Calypso onmiddellijk
herkend. Odysseus was afwezig; hij zat, als gewoonlijk, aan den oever
der zee en staarde vol heimwee over het onafzienbare water. Toen
Calypso nu de boodschap van Zeus vernam, werd zij pijnlijk getroffen en
beklaagde zich heftig over de wreedheid der goden, die niet duldden,
dat een onsterfelijke zich een sterfelijk man tot echtgenoot koos. Maar
tegen den uitdrukkelijken wil van den opperste der goden durfde ook zij
zich niet verzetten; zij zou hem dan laten gaan; zij zou hem helpen
zóó, dat hij veilig zijn tocht zou kunnen vervolgen. En toen Hermes was
heengegaan, begaf zij zich naar het zeestrand, waar Odysseus treurig
nederzat, vlijde zich naast hem neer en sprak: „Arme man, niet langer
mag uw leven hier in droefheid vergaan. Op! Vel stevige stammen, voeg
ze samen tot een vlot en omgeef dat met hooge planken! Verkwikkend
voedsel en water en wijn zal ik zelve u brengen, ik zal u van kleeding
voorzien en een gunstigen wind zal ik voor u doen waaien. Veilig zult
ge, zoo de goden het willen, in uw vaderland terugkeeren.”

Maar kwalijk vertrouwde Odysseus de woorden der godin; pas toen zij
onder een duren eed hem de verzekering van haar oprechtheid had
gegeven, schonk hij haar geloof. Reeds den volgenden morgen begon hij
met den bouw van het vlot; op den vijfden dag was het gereed en kon de
reis een aanvang nemen. Moedig greep Odysseus het roer; zacht blies een
gunstige wind in het zeil; nauwlettend bespiedde de schipper de
gesternten en zorgvuldig koerste hij in de richting, die hem door
Calypso was aangewezen.



IV. DE SCHIPBREUK.

Snel gleed hij voort over de rustige golven en op den achttienden dag
kreeg hij de somber getinte bergen van het Phaiakenland in het gezicht;
als een schild lag het eiland op de donkerblauwe zee.

Thans echter werd hij opgemerkt door Poseidon, die juist van een reis
naar Aethiopië terugkeerde. Hij had de laatste raadsvergadering der
goden niet bijgewoond en zag, dat dezen zijn afwezigheid hadden benut
om Odysseus uit zijn gevangenschap te bevrijden. Maar zoo gemakkelijk
zou dat niet gaan! Hij verzamelde de wolken en riep van alle kanten de
stormen op. Zee en aarde werden in duisternis gehuld; gierend floot de
wind om het vlot; huiverende angst maakte zich van Odysseus meester;
beter voor Troje roemrijk gevallen, dan hier in eenzaamheid om te
komen! En toch scheen het daarop uit te zullen loopen. Een geweldige
golf rolde dreigend aan; het vlot raakte in een maalstroom; hij zelf
werd over boord geslagen. De stevige mast brak midden door; het zeil
werd met de ra ver weg geslingerd en Odysseus, door de bruisende
branding overstelpt en door de natte kleederen in zijn bewegingen
belemmerd, zonk dieper en dieper. Maar eindelijk kwam hij, al
worstelend, weer boven en zwom met de uiterste krachtsinspanning naar
de overblijfselen van het vlot. Toen hij nu op de weinig betrouwbare
balken rondzwalkte, werd hem de zeegodin Leucothea gewaar en ontfermde
zich over den armen zwerver. Als een waterhoen vloog zij op uit de zee,
zette zich neer op het vlot en sprak: „Laat u raden, Odysseus! Trek uw
kleed uit en laat dat hout in den steek; neem dezen sluier, bind hem om
uw borst en trotseer zoo alle verschrikkingen der zee.” Odysseus nam
den sluier: de godin verdween en ofschoon hij de verschijning
wantrouwde, volgde hij den raad. Terwijl Poseidon golf op golf op hem
loszond, zoodat het overschot van het vlot geheel uiteen werd geslagen,
zette hij zich, ruiter te paard, op een enkelen balk, trok het lange,
zware kleed, dat Calypso hem geschonken had, uit en sprong, met den
sluier omgord, in den vloed. Twee dagen en twee nachten nog dreef hij
rond; toen eindelijk bedaarde de wind, de zee werd kalmer en dicht bij
zag hij de reddende kust. Maar rotsig en steil verhief zij zich uit zee
en donderend beukte de branding de klippen. Terwijl hij nog zocht naar
een vlakke plaats, waar hij zou kunnen landen, nam een hooge golf hem
op en droeg hem, zijns ondanks, het eiland tegemoet. Met beide handen
omklemde hij een vooruitstekende rotspunt. Maar het terugvloeiende
water sleurde hem weer meê en slingerde hem in het ruime sop terug.
Opnieuw zocht hij in het zwemmen zijn heil en vond ten laatste een
genaakbaren oever, juist daar waar een kleine rivier zich in zee
stortte. Vurig bad hij tot den god van den stroom, die hem verhoorde,
het water tot rust bracht, en hem in staat stelde zwemmende het land te
bereiken. Ademloos zonk hij neer op den grond, uit mond en neus
stroomde hem het zeewater, en uitgeput door de vreeselijke inspanning,
viel hij in een diepe onmacht. Toen hij weer bijkwam en zijn bewustzijn
langzamerhand terugkeerde, maakte hij den sluier der godin Leucothea
los en slingerde hem dankbaar weer in de golven, opdat de goede
geefster hem terug zou kunnen nemen. De koude beving hem, want uit het
Oosten woei de frissche morgenlucht over de vlakte. Daarom besloot hij
den naasten heuvel te beklimmen en daar, in het kreupelhout, een
beschut plekje te zoeken. Hij vond werkelijk een schuilplaats onder
twee samengegroeide olijfstruiken, waarvan het dichte gebladerte wind,
regen noch zonnestraal doorliet. Van de gevallen bladeren maakte
Odysseus zich een leger, legde zich neer, en dekte zich weder met
bladeren toe. Een verkwikkelijke slaap sloot weldra zijn oogen en deed
hem alle doorgestane leed vergeten.



V. ODYSSEUS BIJ DE PHAIAKEN.

[VI.] Toen Odysseus ontwaakte, werd zijn aandacht getrokken door
vroolijke, jeugdige stemmen, niet ver van hem af. Opeens vloog een bal,
blijkbaar verdwaald, tot dicht in zijn nabijheid, terstond gevolgd door
eenige jonge meisjes, die lachend en stoeiend den vluchteling trachtten
te achterhalen. Verbaasd rees Odysseus op; maar de angstige kreten van
de verschrikte meisjes, die op het zien van die woest uitziende en
vervallen gedaante zich snel uit de voeten maakten, bewezen hem maar al
te zeer hoe lijden en ontbering zijn krachtig lichaam hadden gesloopt.
Hij trad vooruit, buiten het geboomte, en zag toen voor zich een
jonkvrouw, die alleen van de velen moedig had stand gehouden. Zij
scheen hem een godin, zoo stralend van jeugd en schoonheid stond zij
daar voor hem.

Het was Nausìcaä, de koningsdochter. Vroeg in den morgen was zij met
haar slavinnen naar het strand gegaan om het linnen te wasschen.
Terwijl de schitterende, rijk geborduurde kleeren lagen te drogen,
hadden de meisjes zich vermaakt met het balspel en een der ballen was
in de nabijheid van Odysseus neergevallen. Vol medelijden schonk
Nausìcaä den moeden zwerver een passend gewaad. Terwijl hij dit
omsloeg, nadat hij eerst op een eenzame plek zich van het vuile
zeewater had gereinigd, gaf Athene haar beschermeling zijn vroegere
kracht en zijn mannelijke houding terug. Vol verbazing zag Nausìcaä
voor de tweede maal den vreemdeling naderen, zooeven nog in zoo
vervallen staat en nu schitterend van hooge waardigheid, een vorst
gelijk.

Toen het tijd was geworden voor de meisjes om naar haar woning terug te
keeren, laadden zij de kleederen en het linnen op den wagen en reden
stadwaarts. Tot de poort vergezelde Odysseus haar, toen echter zonderde
hij zich af en sloeg alleen den weg in naar het paleis van Nausìcaä’s
vader; zoo had de jonkvrouw zelve het van hem begeerd, want zij vreesde
den spot van haar stadgenooten als zij met den schoonen, krachtigen
vreemdeling door de straten ging.

[VII.] Weldra bereikte Odysseus het paleis van Alkìnoös, den koning der
Phaiaken, in wier land hij zich thans bevond. In de rijke koningszaal
vond hij gastvrije opname. Spijs en drank werd hem voorgezet, en daar
intusschen de nacht was gevallen, werd hem een zacht leger gespreid,
opdat zoete slaap hem zou verkwikken. Nog was hem niet gevraagd naar
zijn naam; slechts zijn wedervaren sedert hij het eiland van Calypso
had verlaten, had hij aan zijn gastvrouw verhaald.

[VIII.] Met het krieken van den dag gingen Alkìnoös en zijn gast naar
de markt en zetten zich neer op twee der steenen zetels, welke in een
kring voor de Phaiakische grooten waren aangebracht, die hier ter
beraadslaging plachten samen te komen. Weldra verschenen ook de vorsten
en namen hun plaatsen in, terwijl het volk nieuwsgierig zich verdrong
om den vreemdeling te zien, over wiens uitgeleide heden zou worden
beraadslaagd. Als een god troonde daar de zoon van Laërtes, forsch van
gestalte en bloeiend van jeugd door de zorg van Athene; met bewondering
sloegen de Phaiaken hem gade.

Toen allen verzameld waren, nam de koning het woord. „Hoort naar mij,”
zoo sprak hij, „gij roemrijke vorsten van het Phaiakenland! Deze
vreemdeling—ik ken hem niet, en weet niet of hij van oost of van west
tot ons is gekomen—kwam als smeekeling in mijn huis en verlangt van ons
een verder geleide. Op dus, jongelingen, vereenigt u, trekt een goed
uitgerust schip in zee en maakt al het vereischte gereed! Gij echter,
vorsten, staat mij een andere bede toe! Volgt mij in mijn ruime zaal,
opdat wij den vreemdeling passend onthalen; en roept, opdat aan onze
vreugde ook het lied niet ontbreke, den goddelijken zanger Demodokos
hierheen.”

Toen het maal bereid was, verscheen de uitgezonden dienaar met den
ouden zanger, wiens taak het zou zijn, het feest te vervroolijken.
Demodokos was blind; maar in zijn geheugen zetelden wonderschoone
verhalen, die hij welsprekend wist voor te dragen, terwijl zijn hand
ter begeleiding de lier bespeelde. De heraut voerde den zanger
voorzichtig tot midden in de zaal, naar een zetel, die in den kring der
feestvierende vorsten voor hem was neergezet. Boven zijn hoofd, aan een
knop, hing de dienaar daarop de lier en bracht zachtjes de hand van den
blinde daarheen, opdat hij later het speeltuig zou kunnen vinden. Toen
zette hij een tafel voor hem neer, overvloedig voorzien van vleesch,
plaatste den broodkorf naast hem, mengde zijn wijn en bediende op
dezelfde wijze de overige gasten.

Toen de aanwezigen zich allen hadden verzadigd aan spijs en drank,
greep Demodokos naar de lier. En nu klonk ook zijn lied. Hij
verheerlijkte den strijd der roemruchtige helden Odysseus en Achilles
en zong hoe der mannen vorst Agamemnon in zijn hart zich verheugde over
de tweespalt onder de besten der Achaëers. Immers, reeds vóór het begin
van den oorlog had de godspraak hem voorspeld, dat de val van Troje
nabij zou zijn, als er twist zou zijn uitgebroken onder de krachtigste
helden.

Met ingehouden adem luisterde elk naar de machtige woorden van den
zanger; maar als een dolksteek trof de herinnering aan dat alles het
hart van Odysseus, de oude wonden werden weer opengereten, weenend trok
hij zich den mantel over het hoofd en verborg zijn gelaat, opdat de
Phaiaken zijn tranen niet zouden zien. Aan Alkìnoös echter was de smart
van zijn gast niet ontgaan. Met groote kieschheid verheelde hij zijn
ontdekking, vatte het woord op toen de zanger een oogenblik ophield, en
sprak:

„Hoort vrienden, we hebben nu, geloof ik, genoeg van het maal en van
den zang. Laat ons naar buiten gaan en ons wijden aan het kampspel,
opdat onze gast de vaardigheid der Phaiaken aanschouwe en roemend
daarvan zijn vrienden thuis verhale.” Allen stonden op en volgden den
koning naar de markt. Ook de blinde zanger ging mede, nadat de trouwe
dienaar hem de lier had afgenomen en aan den knop had gehangen, hem
zelven leidend bij de hand. De marktplaats vulde zich met woelige
scharen; de vorsten namen hun zetels weer in, rondom stond het volk, en
naar het midden van den ruimen kring traden de jongelingen, die hun
vaardigheid wilden toonen in worsteling, vuistkamp, wedloop en worp. De
strijd werd geopend door drie zonen van den koning, die elkaar de
overwinning in den wedloop betwistten. Daarop volgde de worstelstrijd,
waarin de dappere Eurỳales overwinnaar bleef. En toen nu ook de overige
wedstrijden waren gehouden, werd Odysseus tot het kampspel
uitgenoodigd. Hij aarzelde; hij was niet in een stemming om deel te
nemen aan den strijd. Maar toen een der jonge mannen met smalende
woorden hem weer tartte tot den kamp, stond hij op van zijn zetel, nam
de zwaarste der metalen schijven, die tot den worp gereed lagen,
zwaaide haar met groote snelheid rond en slingerde haar toen hoog in de
lucht, zoodat zij ver achter de reeds geplaatste teekens neerviel. In
de gedaante van een man merkte Athene de plek, waar de schijf was
neergekomen en riep luide uit: „Dat teeken vindt op den tast zelfs een
blindeman wel, zoover staat het van al de andere af. In dezen wedstrijd
kunt ge gerust zijn; dat doet niemand u na!” En al de Phaiaken zwegen;
niemand verstoutte zich meer den held de handschoen toe te werpen. De
koning sloeg echter in de vergadering voor, dat ieder der twaalf
Phaiakische vorsten den gast een geschenk in goud en een schoon bewerkt
opper- en onderkleed zou geven; zelf wilde hij daaraan nog een
buitengewone gift toevoegen en zoo zou men hem dan laten gaan. Allen
juichten dit voorstel toe en zonden herauten naar hun woningen om de
geschenken te halen.

Intusschen was de avond gevallen. De dienaren kwamen met de geschenken
terug op de markt, legden ze bijeen en droegen ze naar het koninklijk
paleis. Daarheen volgde het geheele gezelschap en de vorsten namen in
de groote zaal hun zetels weer in. Nadat de honger was gestild, wendde
Odysseus zich tot den zanger en verzocht hem, daar hij toch alle
gebeurtenissen uit den Trojaanschen oorlog kende, nog de geschiedenis
van het houten paard voor te dragen. Toen zong de grijsaard bij de
tonen der lier van de wondervolle list, weinig vermoedend dat de held,
die de hoofdpersoon was van zijn zang, als toehoorder naast hem zat.
Odysseus werd aangegrepen door de waarheid van de voorstelling; het was
hem of hij die dagen opnieuw doorleefde, die zoo roemrijk, maar ook zoo
verschrikkelijk waren geweest. Zijns ondanks werd zijn oog weer vochtig
en zware zuchten ontsnapten aan zijn borst. Wederom bemerkte Alkìnoös
de ontroering van zijn gast en opnieuw gebood hij den zanger het
stilzwijgen. Maar thans weerhield hij niet langer de vraag, die reeds
eenigen tijd hem op de lippen had gebrand: „Vreemdeling, wie zijt gij
toch en welk land ter aarde noemt gij uw vaderland?”

[IX.] Allen zaten in gespannen verwachting, het oog op den onbekende
gericht. Toen



verhaalde Odysseus aan de Phaiaken zijn lotgevallen.

Eerst maakte hij den gastheer zijn naam bekend: „Odysseus ben ik, de
zoon van Laërtes, door list en schranderheid beroemd onder de
menschen.” En daarop vervolgde hij:

„Met mijn vloot, bestaande uit twaalf schepen, had ik na mijn vertrek
van Troje reeds de zuidpunt van Griekenland bereikt, toen een
vreeselijke storm zich verhief, die ons in volle zee terugsloeg. Nadat
de schepen negen dagen lang hadden rondgezworven, landden wij eindelijk
aan het strand der



Lotophagen.

Dit volk voedt zich alleen met de vruchten van den lotosboom, die zóó
zoet zijn dat, wie ze eens heeft geproefd, het land niet meer wil
verlaten en eigen vaderland en vrienden vergeet. Met groote moeite
gelukte het mij mijn makkers weer aan boord te krijgen; toen lichtten
wij het anker en kwamen na eenige dagen aan een klein, onbewoond eiland
in de nabijheid van het land der



Cyclopen,

monsterreuzen, met een enkel oog midden in het voorhoofd, onbekend met
de beschouwing van het land en oneerbiedig jegens goden en menschen. Ik
besloot op verkenning uit te gaan; met één schip stak ik over en na de
landing verborg ik mijn vaartuig in een afgelegen en weinig
toegankelijke baai. In de nabijheid van het strand bemerkte ik een
ontzettend groot hol, van reusachtige rotsblokken als van een muur
omgeven; hier woonde, zooals wij tot ons ongeluk, te laat ervoeren, een
der wreedste reuzen, Polyphèmos, een zoon van Poseidon. Een twaalftal
makkers koos ik mij uit tot tochtgenooten; aan de overigen beval ik het
schip te bewaken. Een leeren zak vol kostelijken wijn en ook een korf
met mondvoorraad voerden wij met ons meê. Wij traden de grot binnen en
keken nieuwsgierig rond, toen de vreeselijke eigenaar in den ingang
verscheen. Hij dreef zijn schapen en bokken binnen de stallen, sloot de
opening van het hol met een ontzaggelijken steen en nadat hij de
schapen en geiten had gemolken, stak hij een groot vuur aan om zijn
avondeten te koken. Bij het heldere schijnsel van de opflikkerende
vlammen werd hij ons spoedig gewaar, ofschoon wij in doodsangst
getracht hadden ons in de uiterste hoeken van de grot te verbergen. Op
zijn vragen, wie wij waren en of soms roofzucht ons tot hem had
gevoerd, antwoordde ik dat wij door een storm op dit eiland waren
geworpen, maar paste wel op een juist antwoord te geven op de vraag van
het monster, waar zich dan ons schip bevond; want ik merkte heel goed,
dat de Cycloop geen ander plan koesterde dan zich van het vaartuig
meester te maken. Ik maakte hem daarom wijs, dat het op de rotsklippen
was uiteengeslagen en dat ik met mijn makkers alleen het leven had
gered; ik smeekte den reus, ons gastvrijheid te betoonen. Als eenig
antwoord greep hij twee van mijn ongelukkige vrienden beet, smakte ze
tegen den rotsigen grond, bereidde hen tot zijn avondmaal en verslond
ze voor onze oogen met huid en haar. Toen legde hij zich te slapen
neer. Met getrokken zwaard trad ik nu op hem toe, maar ik bedacht nog
bijtijds, dat ik door hem te dooden ons allen den ondergang zou
berokkenen; immers, wij zouden niet bij machte zijn het rotsblok te
verwijderen, dat den uitgang afsloot. Dus nam ik tot een ander plan
mijn toevlucht. Zoodra de Cycloop den volgenden morgen met zijn kudde
de grot had verlaten en weer met den vervaarlijken steen had gesloten,
gingen wij over tot de uitvoering ervan. Een boomstam, die het monster
tot knods zou moeten dienen, maakten wij aan den eenen kant spits en
stopten hem toen weg. Tegen den avond keerde de reus terug; weer een
tweetal van mijn makkers moest het ontgelden. Toen reikte ik hem van
mijn wijn; die bleek hem te smaken, tot driemaal toe liet hij den beker
zich vullen en hij vroeg mij naar mijn naam om mij, zijn gast,
wederkeerig te eeren. „Niemand” noemt men mij, was mijn antwoord.
„Welnu, mijn vriend Niemand, laat dan dit uw gastgeschenk zijn, dat ik
u van allen het laatst opeet!” Intusschen miste de zware wijn zijn
uitwerking niet; de cycloop raakte al gauw in een diepen slaap. Nu was
het gewenschte oogenblik gekomen; snel maakten wij den gepunten paal
gloeiend in het vuur en dreven hem toen in het gesloten oog van het
monster. Met een ontzettend gebrul sprong de Cycloop van zijn leger op
en vervulde de lucht met zijn geschrei. Uit hun slaap gewekt, naderden
de cyclopen uit de naburige holen en schreeuwden door den gesloten
ingang naar binnen wat hem toch scheelde, dat hij zoo tierde in den
nacht, en wie hem kwaad had gedaan. Polyphèmos schreeuwde terug, dat
Niemand hem wilde vermoorden. Toen twijfelden de anderen aan zijn
verstand en rieden hem aan een god om genezing te vragen van de
verbijstering, die hem blijkbaar had bevangen.

Razend van pijn tastte de reus maar al om zich heen, maar het lukte ons
aan zijn greep te ontkomen. Het moeilijkste echter wachtte ons nog; wij
moesten trachten het hol uit te komen, en dit scheen ondoenlijk. Want
toen ’s morgens de cycloop zijn kudde door de half geopende deur naar
buiten liet, voelde hij zorgvuldig met de handen rond, opdat geen onzer
bij deze gelegenheid zou ontsnappen. Maar ook nu redde ons een
gelukkige inval. Ik koppelde telkens drie groote rammen aan elkaar en
onder de middelste van elk drietal bond ik één mijner makkers; daarop
pakte ik zelf een verbazend grooten ram in de dikke wol en hield mij
stevig onder zijn lichaam vast. Wat ik vermoed had gebeurde. Toen de
cycloop den volgenden morgen opnieuw zijn beesten naar de weide dreef,
werden wij behouden meê naar buiten gedragen en waren dus weer vrij!
Vlug dreven wij de geheele kudde naar ons schip, gingen aan boord en
stieten af van den oever. Toen het vaartuig zich een eind van het land
had verwijderd, kon ik mij het genot niet ontzeggen den reus met luider
stem zijn schanddaad te verwijten en hem in te lichten omtrent mijn
waren naam. In zijn woede greep de Cycloop vervaarlijke rotsblokken en
slingerde die uit alle macht in de richting, waaruit hij mijn stem
vernam. Maar de rotsblokken, die anders het brooze vaartuig zouden
hebben verpletterd, stortten voor en achter het schip in de hoog
deinende zee en behouden bereikten wij het kleine eiland, waar de
achtergebleven makkers ons met luid gejubel ontvingen. Na ons door den
slaap te hebben gesterkt, zetten wij den tocht voort; maar vele gevaren
stonden ons nog te wachten.

[X.] Allereerst kwamen wij bij



Aiolos (Aeolus)

den beheerscher der winden, die ons vriendelijk opnam en ons bij de
afreis een zak meêgaf, waarin de winden, stormen en orkanen waren
opgesloten, opdat zij ons geen letsel zouden kunnen doen. Maar na een
vaart van negen dagen, toen slaap mij bevangen had, openden mijn
gezellen, in het gezicht reeds van de kust van Ithaca, den zak in de
meening dat hij zilver en goud bevatte. De gevangen winden stormden
eruit en zweepten ons vaartuig op de golven rond; wij werden
teruggeslagen in de richting vanwaar wij kwamen en landden ten slotte
weer op het eiland van Aeolus. Uitgeput van vermoeienis en
teleurstelling gingen wij aan wal, en nadat wij ons een weinig met
spijs en drank hadden verkwikt, maakte ik mij opnieuw op naar Aeolus’
paleis. Ik vond den god in den huiselijken kring bezig met den maaltijd
en hij was niet weinig verbaasd, toen hij mij de zaal zag binnentreden.
Hij vroeg vanwaar ik kwam en wat mij overkomen was. Ik verhaalde hem de
onvergefelijke dwaasheid van mijn vrienden en bad om nieuwen bijstand
voor den verderen tocht. Maar Aeolus verhief zich vol ontzetting van
zijn zetel en riep met vreeselijke stem mij toe: „Pak u weg uit mijn
woning! Ik herberg geen man, dien de toorn der goden vervolgt en bied
geen bijstand aan hem, die hun wraak treft!” Met deze barsche woorden
joeg hij mij uit het paleis. Ik snelde naar buiten en keerde diep
bedroefd naar mijn makkers terug. Weer moesten wij het woest geweld der
golven trotseeren en mijn vrienden ontzonk de moed. Zes dagen roeiden
wij rusteloos voort, eindelijk, op den zevenden dag, landden wij bij de



Laistrygonen,

een menschenetend reuzenvolk, dat mij en de mijnen te lijf ging en al
de vaartuigen op één na vernielde. Met dat eene ontkwam ik gelukkig en
bereikte een eiland, dat door de schoone halfgodin



Kirke (Circe)

[XI.] een toovenares, werd bewoond. Nadat wij een paar dagen aan het
strand hadden vertoefd om te bekomen van al de doorgestane ellende,
zond ik een deel van mijn mannen op kondschap uit. Zij keerden niet
terug; zij werden door Circe in zwijnen veranderd. Alleen de leider van
het troepje ontkwam en berichtte mij, dat onze makkers in de woning der
toovenares verdwenen waren en niet meer te voorschijn waren gekomen.
Toen maakte ik mij op om hen te redden. Op weg naar Circe’s woning kwam
Hermes mij tegemoet in de gedaante van een jongen man; hij gaf mij een
kruid, dat mij zou beveiligen tegen alle tooverkunsten der godin. Het
deed uitnemend zijn werking. Zoo ontkwam ik zelf aan het gevaar en
dwong Circe bovendien mijn makkers hun vroegere gedaante te hergeven.
Vroolijk werd nu maaltijd gehouden in de sierlijke zaal van het
tooverpaleis; toen liet Circe ons ongehinderd gaan. Zij had mij als
naaste taak een bezoek aan de Hades aangewezen, waar ik den ziener
Teiresias omtrent het vervolg van mijn tocht moest ondervragen. Een
gunstigen wind zond ons nu de godin, die het schip snel voorwaarts
dreef, en nauwelijks was de zon in zee ondergegaan, of wij waren reeds
aan den grooten Oceaan gekomen, aan de kust der



Cimmeriërs,

die in eeuwige duisternis is gehuld en nooit door de stralen der zon
wordt verlicht. Hier brachten wij het offer, door Circe ons
voorgeschreven; zoodra uit de kelen der schapen, die wij daar
slachtten, het bloed in de groeve vlood, die ik er gemaakt had, doken
uit de diepte der onderwereld de schimmen der afgestorvenen naar de
rotskloof op, waarin wij ons ter zijde van den machtigen stroom
bevonden. Jongelingen en grijsaards, vrouwen en kinderen snelden aan;
in dichte scharen, met afgrijselijke kreten, omfladderden zij den
offerkuil, zoodat een vreeselijke ontzetting zich van mij meester
maakte. Snel beval ik mijn volgelingen, naar Circe’s raad, de geofferde
schapen te verbranden en gebeden te richten tot de onsterfelijke goden.
Zelf trok ik het zwaard van mijn zijde en verhinderde de schimmen van
het offerbloed te drinken, vóór ik Teiresias had ondervraagd. Aan de
schim van onzen vriend Elpènor, die vóór het vertrek van Circe’s eiland
door een val van het dak den dood had gevonden en in de haast
onbegraven was gebleven, beloofde ik voor een eervolle begrafenis te
zorgen. Weldra naderde nu ook de Thebaansche ziener, een gouden staf in
de rechterhand. Onmiddellijk herkende hij mij en begon: „Edele zoon van
Laërtes, wat dreef u het zonnelicht te verlaten en dit oord van
verschrikking op te zoeken? Trek thans uw zwaard van den kuil weg,
opdat ik neme van het offerbloed, en zóó in staat worde gesteld u uw
lot te voorspellen.” Ik week van den kuil en stiet mijn zwaard in de
scheede; toen nam de schim van het bloed en onthulde mij de toekomst.
„Op een blijden terugkeer, Odysseus, hoopt ge; maar een god zal u dien
bemoeilijken en aan de hand van den Aardschudder kunt gij niet
ontkomen. Zwaar hebt gij hem beleedigd, omdat gij zijn zoon Polyphèmos
van zijn oog hebt beroofd. Toch zal u de thuiskeer niet geheel zijn
afgesneden; houd slechts uw eigen hart en dat van uw makkers in toom.
Eerst zult gij landen op het eiland Trinacrië. Wanneer gij daar de
heilige runderen en schapen van den Zonnegod ongedeerd laat, zal uw
reis gelukkig afloopen; maar doet gij hun leed, dan voorspel ik uw
schip en uw vrienden verderf. Al ontsnapt gij zelf aan den ondergang,
ge zult dan toch pas laat, ellendig en eenzaam, op een vreemd vaartuig,
uw vaderland bereiken. Ook daar zult ge slechts jammer vinden:
overmoedige mannen, die uw goed verbrassen en naar de hand dingen van
uw vrouw Penèlope. Hebt gij dezen hetzij met geweld of met list,
bedwongen of gedood, heeft daarna geruimen tijd kalm geluk u
toegelachen, neem dan, maar eerst wanneer ge oud zijt geworden, een
roeispaan op de schouders en loop steeds door tot ge aan menschen komt,
die de zee niet kennen, geen schepen hebben en niet met zout hun
spijzen kruiden. En wanneer in dat verre, vreemde land een wandelaar u
tegenkomt en u zegt dat ge een korenschop draagt op uw rug, steek dan
den riem in den grond, breng Poseidon een offer en keer weder
huiswaarts. Eindelijk zal, terwijl uw rijk bloeit, een zachte dood van
uit zee u wegnemen.” Dit was de inhoud van zijn voorspelling. Ik dankte
den ziener; en toen mijn oog viel op de schim van mijn moeder, die
zwijgend neerzat bij den offerkuil, vroeg ik hem hoe ik het aan moest
leggen om te maken, dat ook zij mij herkende. „Vergun haar slechts van
het offerbloed te nemen,” antwoordde Teiresias. Toen week ik met het
zwaard weer terug van den kuil en mijn moeder nam van het bloed.
Dadelijk herkende zij mij en vroeg naar de reden van mijn komst. Ik
deelde haar meê, wat zij wenschte te weten, en ondervroeg haar op mijn
beurt over haar dood, want levend had ik haar achtergelaten toen ik
tegen Troje optrok. Ook hoe het thans bij ons thuis toeging vroeg ik
haar met angstig kloppend hart; en de schim antwoordde: „uw vrouw, naar
wie gij zoo angstig vraagt, vertoeft in uw huis, u onwankelbaar trouw,
en treurt dag en nacht om u. Geen ander voert uw scepter, maar uw zoon
Telèmachos bestuurt uw goed. Uw vader Laërtes heeft zich naar het land
teruggetrokken en komt niet meer in de stad; daar slaapt hij niet in
een vorstelijk vertrek, niet op een zacht gespreid leger; als een slaaf
ligt hij naast het haardvuur op stroo, in een slecht kleed gehuld, den
ganschen winter door; in den zomer vindt hij op een hoop rijs onder den
vrijen hemel zijn bed. En dat doet hij uit droefheid over uw lot. Ik
zelf ben bezweken door verdriet over u, mijn dierbaar kind, en geen
ziekte heeft mij weggeraapt.”

Zoo klonk haar woord en mij greep onweerstaanbaar heimwee aan naar mijn
geboortegrond; in mijn armen wilde ik haar sluiten, maar zij zweefde
weg als een droombeeld. Andere schimmen kwamen, vrouwen van beroemde
helden en helden zelf, vóór allen Agamemnon, wiens aanblik mij het hart
in den boezem roerde; verder Achilles, Patroclos en al de helden, die
voor Troje, op de terugvaart of in hun woning hun einde hadden
gevonden. Zij dronken van het offerbloed en verhaalden mij hun lot.
Slechts de schim van Ajax, den zoon van Tèlamon, dien ik eens in den
strijd om de wapenrusting van Achilles had overwonnen en die daarom
zelfmoord had gepleegd, hield zich op een afstand, en zelfs toen ik hem
bad toch niet verder te toornen, antwoordde hij niets, maar vluchtte in
het duister onder de andere schimmen. Ook lang reeds gestorvenen zag ik
verschijnen: den doodenrechter Minos en den overmoedigen Tàntalos, die
smachtend van dorst midden in het water stond en hongerend de schoonste
vruchten onder zijn bereik had. Ook Sìsyphos zag ik, die met
vergeefsche moeite een reusachtig rotsblok tegen een berg opwentelde,
dat telkens aan zijn handen ontglipte als hij den top genaderd was.
Naast hem stond de schim van Heracles; maar ’t was slechts zijn
schaduw, want hij zelf leidde als Hebe’s echtgenoot een zalig leven bij
de goden. Zijn schim echter stond daar, duister als de nacht, hield den
pijl op de boogpees en zag dreigend rond, als wilde hij een vijand
bestoken. Gaarne had ik ook Theseus en zijn vriend Peirìthoös gezien,
maar bij het spookachtig gewemel der ontelbare schimmenscharen overviel
mij plotseling een beklemmende angst, als werd het hoofd van Medusa mij
voorgehouden. IJlings verliet ik met mijn makkers de rotskloof en begaf
mij weder naar het strand van den Oceaan.

[XII.] Daarop zeilden wij, volgens de belofte aan Elpènor gegeven, naar
Circe terug. Hier verbrandden wij het gebeente van onzen dooden vriend,
begroeven de asch, wierpen een grafheuvel op en plaatsten daarop een
gedenkzuil. Toen voeren wij heen, door Circe nog voor allerlei gevaren
gewaarschuwd, en rijkelijk van levensmiddelen voorzien. Vele avonturen
wachtten ons nog. Allereerst dat van de



Sirenen.

Deze nymfen, die, aan het strand gezeten, alle voorbijvarenden door
haar betooverende zangen tot zich lokten om ze dan te verpletteren
tegen de rotsen, beproefden ook ons met haar lied te bekoren. Ik stopte
echter, zooals Circe mij had aangeraden, de ooren van mijn makkers vol
was en liet mij zelf aan den mast vastbinden. Zoo ontkwamen wij aan dit
gevaar; maar dadelijk weder wachtte ons een ander. Want wij bevonden
ons nu in de onmiddellijke nabijheid van



de Scylla en de Charybdis,

de eerste een blaffend monster, dat in een grot tegenover de Charybdis
huisde, de laatste een draaikolk, die dagelijks driemaal tot op den
bodem toe het water wegzoog en het dan bruisend en met vervaarlijk
geweld weer terugwierp. Wilde men het eene gevaar vermijden, dan
verviel men in het andere; ook ons kostte de doortocht zes onzer
mannen, die door de Scylla gegrepen en verslonden werden. Overigens
liepen wij gelukkig vrij en zetten koers naar Trinacrië, waar mijn
makkers, trots het verbod, eenige van de



Runderen van Helios

slachtten. De straf bleef niet uit. Want in een hevigen orkaan werd het
schip door een bliksem van Zeus uit elkaar geslagen; al mijn gezellen
verdronken, terwijl ik zelf ternauwernood aan de kolk der Charybdis
ontkwam en eindelijk, nadat ik negen dagen had rondgezwalkt op de
onstuimige zee, op Ogygia, het eiland van Calypso, werd geworpen.
Vandaar ben ik, na nieuwe gevaren te hebben getrotseerd, bij u geland.



VI. HET WEDERZIEN.

[XIII.] De Phaiaken waren in verrukking over al het gehoorde. Nog één
dag vertoefde Odysseus te midden van zijn gastvrienden, hakend naar den
avond, die voor het vertrek was bepaald. Toen die viel, ging hij
scheep. De krachtige, jonge mannen, die hem tot roeiers zouden dienen,
zetten zich aan de riemen, en vlug als een vogel scheerde de lichte
galei over het effen zeevlak. Odysseus zonk in diepen slaap. De dappere
held, die zooveel groote daden had verricht, zooveel lijden had
doorstaan, lag nu, een doode gelijk, en sliep gerust alsof alle
beproevingen slechts een droom waren geweest. Juist toen de morgenster
opging, landde het vaartuig in een bocht van Ithaca. Zelfs de forsche
stoot van den voorsteven op den zandigen oever wekte den held niet uit
zijn vasten slaap en de jongelingen, die den armen zwerver in zijn rust
niet wilden storen, vatten zachtjes de uiteinden aan van het kleed,
waarop hij lag uitgestrekt, en droegen hem voorzichtig aan land. Ook de
geschenken droegen zij uit het ruim en plaatsten ze naast hem onder een
olijfboom, opdat hij ze zou zien zoodra hij ontwaakte. Daarop zetten
zij zich weer op de roeibanken en keerden vroolijk huiswaarts. Maar zij
zouden de hunnen niet terugzien. Door het geleide, aan Odysseus
gegeven, hadden zij Poseidon vertoornd; reeds in het gezicht van
Scheria, het eiland der Phaiaken, raakte hij het vaartuig aan en
veranderde het in een steenklomp. Ook gaat het verhaal, dat het geheele
eiland verzonk in de diepte van de zee.

Ondertusschen sloeg Odysseus de oogen op en zag rond. Overal hing een
dichte nevel en de ongelukkige herkende zijn vaderland niet.
Troosteloos doolde hij rond op de kust en onderzocht den naasten
omtrek. Toen naderde hem Athene in de gedaante van een herdersknaap, de
werpspeer in de hand en sandalen aan den voet. Verheugd bemerkte
Odysseus den knaap en vernam van hem met onuitsprekelijke blijdschap,
dat hij terug was gekeerd in het dierbare, lang verbeide vaderland. Nu
maakte Athene zich aan den held bekend en zette zich met hem neer onder
een ouden olijfboom, om verder raad te plegen. Ofschoon zij hem haar
bijstand beloofde, beval zij hem toch de grootste voorzichtigheid aan,
omdat de vrijers velen in aantal waren. In geen geval, meende zij,
mocht iemand eenig vermoeden koesteren van zijn aankomst, voordat hij
zijn vrienden had leeren kennen en eenige aanhangers heimelijk om zich
had verzameld. Daarom wilde zij zijn voorkomen veranderen, en hem een
kleeding verschaffen, waarin niemand op het geheele eiland den grooten
koning zou vermoeden. Zij beroerde hem met haar staf en terstond
schrompelde het krachtige vleesch ineen, de huid werd stram en vol
rimpels, de trotsche nek boog zich, het bruine, weelderige haar viel
uit en mat keken de oogen, die even te voren nog schitterden van
jeugdig vuur. De lange, schitterende kleedij, die in breede plooien
sierlijk zijn lichaam omgaf, werd tot een gelapte, vuile kiel, en als
mantel hing een oud, versleten schaapsvel over zijn schouders. Ter
voltooiing van het bedelaarspak schonk zij hem nog een viezen, met
moeite samengehouden knapzak en gaf hem een knoestigen stok in de hand.
In deze uitrusting beval zij hem den zwijnenhoeder op te zoeken, die
een der trouwste aanhangers van het koninklijk huis en een aartsvijand
van de vrijers was; van hem zou hij spoedig meer vernemen; zelve wilde
de godin intusschen den jongen Telèmachos tegemoet snellen, die juist
Sparta zou verlaten, en op wiens verderf de vrijers loerden. Zij zou
hun lagen verijdelen en hoopte weldra den jongen man in ’s vaders armen
te kunnen voeren.

[XIV.] Zoo scheidden zij en Odysseus besteeg het steile, ruwe pad over
de boschachtige hoogten in de richting, waarin hem Athene de woning van
den braven zwijnenhoeder Eumaios had gewezen. Gastvrij werd hij daar
ontvangen, voedsel werd hem rijkelijk verstrekt en veel werd gesproken
over den afwezigen meester, den jammerlijk zeker omgekomen Odysseus.
Een lang verhaal van verzonnen avonturen dischte de bedelaar zijn
gastheer op, toen deze hem vroeg naar zijn afkomst en zijn verleden. En
eindelijk, toen de avond daalde, legde Odysseus zich ter ruste, warm
gedekt door een mantel, dien Eumaios hem geleend had.

[XV.] Intusschen spoedde Pallas Athene zich naar Lacedaemonië, om
Telèmachos tot terugkeeren aan te sporen. Zij vond hem wakend in de
voorgalerij van Menelaos’ woning, vlijde zich naast hem neer, noopte
hem de terugreis te aanvaarden en waarschuwde hem voor de hinderlaag,
door de vrijers hem gelegd. Den volgenden morgen al werd afscheid
genomen en den tweeden dag reeds Pylus bereikt. Zonder zelfs het paleis
van Nestor te bezoeken, scheepte Telèmachos zich in. In den stillen
nacht zeilde hij met zijn makkers naar Ithaca terug, terwijl Odysseus
vriendelijk door Eumaios werd onderhouden, die hem nu ook zijn
levensloop verhaalde: hoe Phoenicische kooplieden zijn voedster hadden
overgehaald met hen weg te zeilen, hoe zij hem, toen nog een kind, op
het schip had gelokt, en hoe Laërtes hem had gekocht en in zijn dienst
had gehouden. Tot diep in den nacht praatte de herder door, en toen de
morgen daagde, was ook Telèmachos met zijn makkers behouden op Ithaca
geland. Naar de woning van Eumaios richtte Odysseus’ zoon zijn
schreden.

[XVI.] Vroolijk sprongen de wachthonden hem tegemoet en met groote
hartelijkheid werd hij door den trouwen herder welkom geheeten.
Odysseus kon nauwelijks zijn vreugde bedwingen, toen hij zijn zoon, zoo
kloek en zoo fier, zag binnentreden. Met de nederigheid van een armen
zwerver stond hij op van zijn zetel om den jongen vreemdeling zijn
plaats af te staan, maar de bescheiden Telèmachos weerhield hem en
sprak: „Blijf zitten, vriend, ik zal hier of daar wel een plekje
vinden.” Odysseus zette zich weer neer en de zwijnenhoeder maakte
terstond een nieuw leger gereed van rijs en bokkevellen, waarop
Telèmachos plaats nam. Daarop droeg hij de overblijfselen van den
laatsten maaltijd aan en zette die Telèmachos voor, mengde den wijn
voor zijn gasten en bood vrijgevig alles wat hij bezat. Gedurende den
maaltijd vroeg de jongeling den zwijnenhoeder, welken gast hij daar
gekregen had en hoe die hier was verzeild geraakt. Eumaios antwoordde:
„Hij zegt, dat hij uit Creta stamt en vele reizen heeft gedaan, en
daarbij vele rampen heeft geleden; nu wacht hij op verder geleide: ik
draag hem aan u op; reeds heb ik hem van uw hulpvaardigheid gesproken.”

Spoedig daarop verwijderde zich de herder en ging naar Penèlope, om
deze den gelukkigen terugkeer van haar zoon te melden. Nog oogde
Odysseus door de halfgeopende deur hem na, toen daarbuiten een
jonkvrouw verscheen, die hem tot zich wenkte. De honden kropen
stilletjes weg, maar Telèmachos zag de verschijning niet. Odysseus ried
onmiddellijk de nabijheid van zijn goddelijke beschermster en ging
onder een voorwendsel de deur uit. Nu gebood hem Athene zich aan zijn
zoon bekend te maken, en op hetzelfde oogenblik veranderde hij weer in
den vroegeren Odysseus. Met koninklijke waardigheid trad hij de hut
binnen, die hij kort te voren in lompen had verlaten. Telèmachos
staarde verstomd de heldengestalte aan en het werd hem bang om het
hart; hij dacht, dat een god hem op de proef kwam stellen.
„Vreemdeling,” zoo richtte hij zich tot hem, „hoe anders verschijnt gij
mij thans in kleeding en voorkomen! Ik voel het, mij nadert een god.
Spaar mij, en wees mij genadig; gaarne geef ik u de offers, die u
toekomen.” „Neen!”, riep Odysseus, „ik ben geen god; hoe zou ik aan
onsterfelijken gelijk zijn? Uw vader ben ik, om wien gij zoo lang reeds
treurt, om wien gij zooveel smaad hebt moeten verdragen van overmoedige
mannen. Ik ben Odysseus!” En nu stroomden de tranen en gaven vader en
zoon zich over aan de weelde van het wederzien. Vergeten was in deze
ééne omarming alle ellende van vervlogen jaren, alle tegenspoed en
gevaar, alle smart over zoo dikwijls teleurgestelde hoop; verdwenen was
ook de vrees voor de bezwaren, die wachtten.

Met Telèmachos beraamde nu Odysseus nog de maatregelen, die zij nemen
zouden om de vrijers te straffen, en daarop, toen Eumaios terug was
gekeerd en de avondmaaltijd was gebruikt, legden zij zich allen ter
ruste.



VII. DE MOORD DER VRIJERS.

[XVII.] Den volgenden morgen maakte Telèmachos het eerst zich op naar
het koninklijk paleis, waar hij door Penèlope met tranen van blijdschap
werd begroet. Hij moest haar alles vertellen wat hij op zijn tocht had
ervaren en gehoord. Iets later verscheen toen ook Odysseus, een oude
bedelaar weer, door niemand herkend. Alleen een hond, een jong dier nog
toen hij Ithaca verliet, nu oud en verwaarloosd en aan het einde van
zijn leven, herkende zijn meester en kwispelde zwakjes met den staart.
Met smaad werd hij door de minnaars bejegend; Antìnoös, de
onbeschaamdste, wierp zelfs met een voetenbank naar hem en trof hem aan
den schouder. Penèlope echter, die medelijden had met den grijzen
zwerver, liet hem bij zich ontbieden; misschien ook had hij op zijn
omdolingen van Odysseus iets gehoord! Maar uit angst voor de vrijers,
liet hij zeggen, durfde hij niet komen. Een blijder ontmoeting stond
voor de deur.

[XVIII.] Nog een andere bedelaar was gewoon bij de vrijers aalmoezen in
te zamelen. Zelfs hij smaadde Odysseus, door afgunst gedreven, en
tartte hem tot een gevecht. Dat was een nieuwe vermakelijkheid voor de
minnaars, die zich haastig schaarden in een kring en het tweetal daar
binnen post deden vatten. Het kostte Odysseus moeite zich in te houden,
maar hij wilde zich nog niet in zijn volle kracht openbaren. Met één
kaakslag echter deed hij zijn tegenstander neertuimelen in het stof en
legde hem voor langen tijd het stilzwijgen op. Ook tot Penèlope drong
het gerucht van dien wonderlijken tweestrijd door. Zij daalde af uit
haar bovenvertrek en vertoonde zich te midden der vrijers. Niet zóó,
sprak zij, placht men een vrouw zich te winnen. Rijke geschenken werden
dan gegeven, maar haar goed werd niet al bij voorbaat verbrast! „Rijke
geschenken zullen u geworden,” was het antwoord der vrijers, en zij
stuurden dienaren naar hun woningen om ze te halen. Odysseus intusschen
genoot van den aanblik van zijn vrouw, verheugde zich over haar
slimheid en de fierheid van haar houding en verlangde te sterker naar
het oogenblik, dat hij zich aan haar kenbaar zou kunnen maken. Maar
nieuwen hoon had hij eerst nog te verduren toen het maal weer werd
aangericht en de vrijers hem weer tot het mikpunt van hun moedwil
maakten.

[XIX.] De dag echter, waarop hij zich wreken zou, was nu aanstaande.
Toen de zaal na den maaltijd was leeggeloopen, bracht Telèmachos,
geholpen door Odysseus, alle wapens weg, opdat de vrijers weerloos
zouden zijn als het strafgericht zou beginnen. Nog eens daalde toen
Penèlope af uit haar bovenvertrekken; de gedachte, dat de vreemde
zwerver iets van haar echtgenoot kon hebben gehoord, liet haar geen
rust. Tegenover haar neergezeten, vertelde hij haar nu hoe hij, jaren
geleden, Odysseus op zijn heenreis naar Troje in het land van zijn
vader had ontmoet, en gaf haar de verzekering, dat hij terug zou keeren
en wraak zou nemen voor alles, wat zij had geleden. Haar trouwste
dienares gaf zij order den bedelaar met zorg te verplegen en zij, zijn
voedster, herkende haar pleegkind aan een litteeken, dat zij zag. Maar
hij legde haar streng het stilzwijgen op en zij beloofde het geheim te
bewaren.

[XX.] Een onrustige nacht volgde. Penèlope, die meende dat zij niet
lang meer aan het doen van een keuze zou kunnen ontsnappen, sliep laat
pas in en was vroeg al weer wakker. En ook Odysseus kon den slaap niet
vatten; fel brandde de toorn in zijn hart en allerlei wraakplannen
warrelden vaag in zijn hoofd dooreen. De morgen brak aan, en van alle
kanten dreven herders hun beesten aan voor het maal van de vrijers.
Duchtig werd er gegeten en gedronken; dapper werd weer de arme bedelaar
beschimpt en bespot en van Telèmachos werd geëischt, dat hij zijn
moeder aan zou sporen nu eindelijk dan toch de keuze te doen.

[XXI.] Toen verscheen plotseling Penèlope in de zaal, gevolgd door haar
dienaressen, en sprak: „Welaan, mannen, ik ben bereid één van u als
vrouw te volgen. Begint den wedstrijd, opdat ik zie wie onder u mijn
hand het meest verdient. Hier is de boog, waarvan eens Odysseus zich
bediende; wie uwer daarmeê een pijl kan schieten door de openingen van
twaalf achter elkaar geplaatste bijlen, dien zal ik kiezen tot man.”
Terwijl zij zoo sprak, bracht de zwijnenhoeder boog en pijlen aan, en
sloeg Telèmachos op een rij achter elkaar de bijlen in den grond en
riep de vrijers tot den wedstrijd op. De een na den ander beproefde nu
den geweldigen boog te spannen; maar hoe zij zich inspanden, het wilde
niemand gelukken, ofschoon zij hem ten laatste met vet insmeerden en,
om hem leniger te maken, nog boven het vuur hielden. Terwijl dit in de
mannenzaal voorviel, bleef Odysseus niet werkeloos. Hij wendde zich tot
den trouwen zwijnenhoeder en den koeherder, die niet minder
aanhankelijkheid aan zijn geslacht had betoond, maakte zich aan hen
kenbaar en beval hen de naar de achterzalen voerende deur en de
buitenpoort der burcht zorgvuldig te sluiten. Daarop keerde hij in de
zaal terug, waar de vrijers, mismoedig en slecht geluimd over het
vruchtelooze van hun inspanning, reeds hadden besloten verdere pogingen
tot den volgenden dag uit te stellen. Nu trad Odysseus vooruit en
smeekte als gunst ook eens een poging te mogen doen om den boog te
spannen. De vrijers stonden verstomd over zooveel onbeschaamdheid, maar
Penèlope beval hem den boog te reiken, en beloofde hem, voor het geval
dat hem het proefstuk gelukte, sierlijke kleederen, een speer en een
zwaard; toen verliet zij, op verzoek van Telèmachos, met haar
dienaressen de zaal. Odysseus sloeg nu de hand aan den boog; met
geringe moeite spande hij het reusachtige wapen, en fluitend vloog de
pijl door de twaalf openingen.

[XXII.] Nu was het laatste uur voor de vrijers geslagen; de held stond
in zijn ware gedaante voor zijn vijanden en riep: „De wedstrijd is wel
afgeloopen; maar nu kies ik mij een ander doel, dat geen schutter nog
getroffen heeft!” Zoo dreigende, schoot hij Antinoös een pijl door den
strot, zoodat de beker hem uit de hand viel en hij, ter aarde zinkend,
de tafel met spijzen en wijn omverwierp. Een groote schrik maakte zich
van de vrijers meester: zij zochten naar hun wapens, maar vonden die
niet. Toen namen zij tot verzoenende woorden hun toevlucht en boden
vergoeding voor al de schade, die zij hadden aangericht. Maar Odysseus
wees elk aanbod van de hand; tusschen vluchten en weerstand bieden liet
hij hun de keus en de vlucht zou hun bovendien niet baten, zoo
verzekerde hij hun. Met de tafels als schilden en met getrokken zwaard
drongen de vrijers op hem aan; maar die het waagden waren gedood, voor
ze hem hadden bereikt. Telèmachos haalde schilden en helmen en scherp
gepunte speren, en met de beide trouwe herders plaatste hij zich naast
Odysseus om hem te helpen bij ’t verweer. De pijlen raakten op en de
toestand werd hachelijk, toen de geitenhoeder Melanthios met wapens
voor de vrijers aan kwam dragen.

Athene echter liet haar beschermeling ook nu niet in den steek; zij
sprak hem moed in en deed de speren, die naar het viertal geslingerd
werden, naast hen in deurpost en wanden boren zonder hen te schaden.
Maar van Odysseus en zijn makkers was iedere worp raak. Toen greep
wilde verbijstering de vrijers aan en als runderen, door stekende
horzels vervolgd, als kleine vogels, door gieren opgejaagd, vlogen zij
in alle richtingen door de zaal. Twee van hen slechts spaarde Odysseus,
op voorspraak van Telèmachos, omdat zij tegen hun zin aan de gelagen
hadden deelgenomen. Al de anderen werden geveld; als visschen,
neergeworpen uit het net op het strand van de zee, lagen zij te hoop op
den vloer van de zaal.

Het werk der vergelding was nu voleindigd; de lijken werden naar buiten
gebracht, de tafels gereinigd, de lucht door het branden van zwavel
gezuiverd. Ook werd nog streng gericht gehouden over de dienaressen,
die gemeene zaak met de vrijers hadden gemaakt; de andere werden naar
de zaal ontboden en begroetten met blijde woorden hun teruggekeerden
meester.

[XXIII.] Intusschen had de trouwe voedster, die ’t eerst Odysseus had
herkend, Penelope gewekt uit den rustigen slaap, waarin Athene haar
gedompeld had. Zij wilde het blijde nieuws niet gelooven, zij werd er
boos om dat men haar wekte uit den sluimer, waarin zij al haar ellende
had vergeten. Maar ’t was geen verzinsel, verzekerde haar de voedster.
Toen sloeg zij haar armen om den hals van de oude, die alles moest
vertellen wat zij had gehoord en gezien; hoe had Odysseus alleen
zoovelen kunnen verslaan? En Eurykleia verhaalde hoe zij hem gezien
had, bebloed en bevuild, maar fier als een leeuw te midden van de
verslagenen. Toch kwam weer de bange twijfel boven; zou het geen god
geweest zijn, die de vrijers had gedood? Zij liet zich echter meêtronen
naar de zaal en zette zich tegenover Odysseus neer, altijd nog huiverig
om het gehoopte te gelooven. Maar langzamerhand, door verschillende
teekenen, kwam het zekere herkennen; toen maakte onzeggelijke
blijdschap zich van haar meester en gaf zij eindelijk zich over aan
haar herwonnen geluk. Veel hadden zij elkaar te vertellen, zij over al
wat zij had geleden tijdens zijn afwezigheid, hij over zijn
omzwervingen en zijn verlangen naar huis. En toen de morgen aanbrak,
maakte Odysseus zich op om ook zijn ouden vader te bezoeken en hem in
persoon de blijde tijding van zijn terugkomst mede te deelen.

[XXIV.] Hij vond den ouden man in verwaarloosde kleeding bezig in den
boomgaard. Schertsend trad hij op hem toe, prees hem om zijn vlijt,
laakte de weinige zorg, die hij aan zijn uiterlijk besteedde en vroeg
of hij werkelijk op Ithaca was beland en of hij Odysseus daar kon
vinden. Maar toen Laërtes nu in luide jammerklachten uitbrak over het
verlies van zijn zoon, werd het hem onmogelijk zijn rol nog langer te
spelen; de blijde herkenning volgde, het rouwkleed werd afgelegd en na
lange jaren tooide zich de oude weer met vorstelijk gewaad.

Inmiddels hadden de verwanten der vrijers het volk in beroering
gebracht en trokken op tegen Odysseus, om van hem en de zijnen den zoen
te nemen voor de vermoorden. Reeds was men handgemeen geworden toen
Athene, met goedvinden van Zeus, tusschenbeide kwam. Zij bracht de
gemoederen tot rust en weldra was de eendracht hersteld tusschen koning
en volk.



ORESTES EN PYLADES.

(AESCHYLUS: AGAMEMNON, CHOËPHOREN, EUMENIDEN).


[Agamemnon.] Minder blijde dan de thuiskomst van Odysseus was de
terugkeer van Agamemnon. Veel was er sedert zijn vertrek in het
koninklijk paleis veranderd. Boos over het gebeurde in Aulis, leefde
Clytaimnestra er vroolijk samen met haar neef Aigisthos, den zoon van
Thyestes; hij troonde er als heer en meester, onbekommerd over de
mogelijke terugkomst van Agamemnon.

Tijden lang had de wachter op het hooge burchtdak uitgezien naar het
seinvuur, dat van eiland tot eiland en van bergtop tot bergtop den val
van Troje aan Griekenland zou melden. Eindelijk kleurde in de verte de
hemel zich rood van den lang verwachten gloed, en haastig werd aan
Clytaimnestra de blijde boodschap van Troje’s ondergang bericht. De
burgers twijfelden en durfden haar mededeeling nauwelijks gelooven;
vrouwenpraat, meenden zij, gesproten uit lichtgeloovigheid. Maar een
heraut bevestigt het bericht, door de seinvuren overgebracht, en
Clytaimnestra maakt zich gereed om waardig haar terugkeerenden man te
ontvangen.

Hoog op zijn wagen nadert Agamemnon. Naast hem zit Cassandra, Priamos’
dochter. Luide wordt hij toegejuicht; hartelijk wordt hij welkom
geheeten door Argos’ burgers, hartelijk ook door Clytaimnestra begroet.
Zoo bitter had zijn lange afwezigheid haar gesmart; zij had zich zoo
verlaten, zoo onveilig gevoeld; uit angst, dat hem iets kwaads mocht
overkomen, had zij zelfs hun zoon, den kleinen Orestes, naar elders
doen voeren en in het verre land der Phocenzen werd hij opgevoed!
Onuitputtelijk is zij in vleiende bijnamen; zij noodigt hem uit, den
wagen te verlaten, en aan haar dienaressen geeft zij last purperen
kleeden over den bodem uit te spreiden, opdat zijn voet den grond niet
zou beroeren. Langs dat bloedroode pad schrijdt Agamemnon argeloos op
zijn woning toe.

Ook Cassandra wordt uitgenoodigd het paleis binnen te treden. Maar zij
aarzelt; in haar geest ziet zij den moord gebeuren, die voorbereid
wordt, ziet zij in het bad den weerloozen Agamemnon, nadat hem een
mantel over het hoofd is geworpen, door bijlslagen gedood. En zij ziet
ook zich zelve, deelende in het lot van haar Griekschen meester. Lang
blijft zij aarzelen in stomme verbijstering, maar eindelijk daalt zij
van den wagen af en gaat, zich haar lot volkomen bewust, de
koningsburcht binnen.

Weldra klinken doordringende kreten naar buiten, en kort daarop
vertoont zich Clytaimnestra, de bloedige bijl nog in de hand. Dat was
recht doen, juicht zij zegevierend, recht doen over Iphigeneia, de
onschuldig geslachte.

Maar moord om moord, wordt haar voorspeld.

Zij echter jubelt voort: Aigisthos zal haar een schild zijn en een
beschermer, nu de man, die Chryseïs beminde en Cassandra met zich
meêvoerde, samen met die Cassandra, gedood daar neerligt.

Ook Aigisthos komt nu te voorschijn en geeft luide uiting aan zijn
vreugde. Hij was het, die alles had uitgebroed; alleen de uitvoering
had hij aan vrouwenlist overgelaten! En als dreigende stemmen zich
tegen hem verheffen, als wordt gezinspeeld op de wraak van Orestes en
het uitbarsten van een strijd, bij de wederzijdsche verbittering, haast
onvermijdelijk schijnt, treedt Clytaimnestra bemiddelend tusschenbeide
en voert Aigisthos binnen het paleis, waar zij nu voorgoed het rijk
alleen zullen hebben.



[De Choëphoren.] Niet ongestoord echter zou de vreugde blijven. Op last
van Apollo, den god ook van de bloedwraak, trok Orestes uit het land
der Phocenzen naar Argos. Zijn trouwe vriend Pylades vergezelde hem op
zijn tocht. Samen richtten zij zich naar het grafteeken van Agamemnon
en Orestes offerde daar een lok van zijn haar aan de nagedachtenis van
zijn vader. Toen naderde, uit het vrouwenvertrek, een stoet van in het
zwart gekleede dienaressen de plaats, waar Orestes zich ophield; ook
Electra, zijn zuster, was onder het getal. De vrienden traden terug en
verborgen zich achter het grafteeken.

Het was de angst van Clytaimnestra, door droomen gewekt, die de
dienaressen had uitgezonden. Door offers moesten zij trachten de schim
van Agamemnon tot rust te brengen. Maar anders dan haar was opgedragen,
roept Electra, door haar omgeving bovendien daartoe aangespoord,
Agamemnon als beschermer op voor zich en Orestes tegen het geweld van
haar moeder, die ook haar niet beter dan een slavin behandelt. Mocht
Orestes toch wederkeeren en wraak nemen over al het kwaad, dat geschied
was!

Dan ontdekt Electra den haarlok op het graf. Zou het een geschenk van
Orestes zijn, een offer aan den doode? En ook de sporen van voetstappen
ziet zij nu in het zand. Zij durft nog niet hopen; maar plotseling
treedt Orestes te voorschijn en maakt zich aan haar bekend. Als zij op
zijn woord hem niet wil gelooven, toont hij haar zijn kleed, door haar
zelve geweven. En ook deelt hij haar meê, dat hij is gekomen om op
Apollo’s bevel den dood van haar vader op de moordenaars te wreken.

Even later klopt hij, onkenbaar voor de zijnen, aan de poort van het
paleis en zegt, dat hij een gewichtige tijding heeft te melden.
Clytaimnestra zelve treedt hem tegemoet. Hij vertelt haar, dat hij uit
Phocis is gekomen. Onderweg ontmoette hij een man, die, toen hij hoorde
dat zijn weg naar Argos voerde, hem opdroeg aan Orestes’ ouders de
tijding van diens dood te brengen. Hij moest hun vragen of zijn asch
naar Argos moest worden overgebracht, of dat zij wilden dat hij in het
verre land, waar hij gestorven was, ook begraven zou worden. Een knecht
krijgt last Orestes naar de mannenzaal te voeren en te zorgen, dat het
hem daar aan niets ontbreekt; Clytaimnestra zal intusschen met
Aigisthos overleggen.

Weldra richt deze zich zelf naar de plaats, waar Orestes vertoeft. Dan
kondigen luide kreten aan, dat de wraakoefening is begonnen; een knecht
stormt naar buiten en meldt den dood van Aigisthos. Clytaimnestra snelt
toe en begrijpt, wat gebeurd is. En als ook Orestes naar buiten komt en
haar hoort jammeren om Aigisthos, den moordenaar van zijn vader,
schijnt het hem weinig moeite te zullen kosten, zijn taak tot het einde
toe te volbrengen. Maar Clytaimnestra, in haar doodsangst, doet een
beroep op wat hij als zoon voor zijn moeder moet gevoelen. Dan aarzelt
Orestes en vraagt Pylades om raad. Die herinnert hem echter aan de
opdracht van Apollo; alle aarzeling wijkt en ook Clytaimnestra boet met
den dood het wreede welkom, dat zij Agamemnon had bereid.

Het werk van de wraak is dus volbracht. Maar een doodelijke angst komt
nu over Orestes; met folterende onzekerheid kwelt hem de vraag, of hij
goed gedaan heeft of niet. Hij ziet de Erìnyen op zich aanstormen,
zwart gesluierd, met slangen in de haren. Hij kàn niet blijven op de
plaats, die getuige was van den doodslag. En ondanks de geruststellende
woorden van zijn omgeving, die hem tracht te beduiden, dat hij goed
heeft gehandeld en zijn plicht heeft gedaan, ijlt hij weg, als in een
bui van waanzin.



[De Eumeniden.] Wij vinden hem terug aan het altaar van Apollo’s tempel
te Delphi. Om hem heen, in een breeden kring, bevinden zich de Erìnyen,
in diepen slaap nu verzonken. De god zelf reinigt hem van mogelijke
schuld en raadt hem aan naar de stad van Pallas Athene te vluchten,
smeekend daar haar beeld te omvatten, en haar om uitspraak te vragen in
zijn zaak. Aan Hermes draagt hij op, hem veilig te geleiden.

Als Orestes weg is, vertoont zich de schim van Clytaimnestra en wekt de
Erìnyen. Jammerend roepen zij om hun gevluchte prooi, maar Apollo
verjaagt ze uit zijn heiligdom.

Intusschen heeft Orestes Athene bereikt. Terwijl hij aan het altaar
vertoeft dagen de Erìnyen op, doodelijk vermoeid van de snelle jacht.
Dreigend eischen zij zijn bloed, zijn dood. Angstig vlucht Orestes de
trappen op van het altaar tot vlak aan het godenbeeld; en in een kring
weer om hem heen legeren zich de vreeselijke wraakgodinnen.

Dan komt Pallas Athene en hoort beide partijen. Ook zij vindt het
moeielijk een beslissing te nemen; zij draagt dat op aan een rechtbank
van gezworenen, den areopagus, dien zij tot dit doel instelt. Als alle
rechters gestemd hebben, werpt ten slotte de godin zelve ten gunste van
Orestes nog een steentje in de urn; voor en tegen blijken nu bij de
telling gelijk, en dus is Orestes vrijgesproken.

De Erìnyen worden met moeite door Athene met deze beslissing verzoend;
de vereering van de landstreek stelt zij haar in het vooruitzicht, en
als weldoende godinnen, als Eumeniden, houden zij er voortaan verblijf.



[Euripides: Iphigeneia in Tauris.] Volgens een andere lezing lieten de
Erìnyen zich echter niet allen verzoenen; een gedeelte bleef Orestes
vervolgen en nogmaals wendde deze zich tot Apollo. Die geeft hem nu de
opdracht het beeld van zijn zuster uit Tauris te halen en naar Attica
te brengen. Met Pylades weer begeeft Orestes zich op weg en komt met
zijn schip bij Tauris aan. De vrienden besluiten zich te verbergen en
den nacht af te wachten om het beeld te rooven uit den tempel, waarin
Iphigeneia als priesteres voor Artemis dienst doet.

Agamemnon’s dochter had dien nacht gedroomd, dat Orestes was gestorven.
Juist is zij bezig met haar gezellinnen voor hem een doodenoffer te
brengen, als een herder haar komt melden, dat een paar vreemdelingen,
Hellenen, gevangen genomen zijn en nu, naar de gewoonte van de streek,
aan Artemis geofferd moeten worden; zij had dus alles voor die
plechtigheid in gereedheid te brengen. Geboeid worden de mannen
aangebracht. Al vragend en vorschend verneemt Iphigeneia van Orestes,
dat hij uit Mycene kwam, hoort wat aan zoovele Grieken, die naar Troje
waren getrokken, was overkomen, en wat er met Agamemnon bij zijn
terugkeer was gebeurd. Ook verneemt zij, dat Orestes nog leeft; dan
belooft zij hem de vrijheid, als hij een brief voor haar aan haar
moeder wil overbrengen. Orestes weigert; hij zal blijven en Pylades de
boodschapper zijn. Mocht bij een schipbreuk de brief soms omkomen, dan
moest hij mondeling aan Orestes mededeelen, dat ook Iphigeneia, de dood
gewaande, nog in leven is. Driftig vraagt Orestes, waar zij zich dan
bevindt, en als de priesteres zich daarop aan den vreemdeling bekend
maakt, bewijst ook hij haar wie hij is en roept haar hulp in om de
opdracht van Apollo te volbrengen. Dan wordt overlegd, hoe men weg zal
vluchten en het beeld van Artemis met zich meê zal voeren. Als koning
Thoas komt om het offeren van de vreemdelingen bij te wonen, vertelt
Iphigeneia hem dat zij, den tempel betredend, het godenbeeld verwijderd
vond van het voetstuk, waarop het placht te staan. Toen zij de
gevangenen ondervroeg, bleek haar dat beiden aan moedermoord schuldig
waren. Het beeld, door hen aangeraakt, moest nu door zeewater gereinigd
worden en ook de vreemdelingen moesten van hun schuld zoo worden
gezuiverd. Geboeid, opdat zij niet zouden ontvluchten, moest hij ze
haar meêgeven naar het strand en zelf bij den tempel blijven tot zij
weer zou keeren. Zoo doet hij; maar weldra komt een dienaar hem melden,
dat de vreemdelingen op het punt zijn met de priesteres en het beeld in
zee te steken, en als Thoas zich tot de vervolging gereed wil maken,
verschijnt Pallas Athene en gebiedt hem dat na te laten. Hij schikt
zich naar dat bevel en laat de vrienden met Iphigeneia ongehinderd
vertrekken.



AENEAS.

(VERGILIUS: AENEÏS).


I. DE AANKOMST IN CARTHAGO.

[Boek I.] Aeneas, uit het brandende Ilium ontsnapt, voer met zijn vader
Anchises, met zijn zoontje Ascanius of Iulus, en met tal van makkers op
een twintigtal schepen van de Trojaansche kust weg, om, naar de
beschikking van het noodlot, in Italië zich een nieuw rijk in te
richten.

Maar Juno haatte hem, den Trojaan, en zij vreesde hem bovendien. Zij,
de beschermster van het jonge Carthago, wist dat deze stad eens door
gesprotenen uit Trojaansch bloed vernietigd zou worden. Toen Aeneas van
Sicilië was weggevaren en het doel van zijn reis dus reeds zeer nabij
was, wendde daarom Juno zich tot Aeolus, den god van den wind. De
schoonste uit de nymfen, die haar begeleidden, bood zij hem tot vrouw,
als hij Aeneas wilde verhinderen, het doel van zijn tocht te bereiken.
Toen liet Aeolus alle stormen tegelijk op de schepen los. Door
geweldige golven werden de lichte vaartuigen ver uiteen geslingerd.
Mannen raakten overboord en dreven, worstelend met de hooge stortzeeën,
hier en daar op den plas. Voor allen scheen de ondergang nabij. Toen
echter merkte Neptunus de ongewone beroering in zijn rijk. Hij reed
naar de oppervlakte, en het zeevlak werd effen onder de wielen van zijn
wagen.

De schepen waren intusschen gedeeltelijk vergaan; de overige waren
geheel uit den koers geslagen en ver van elkander verwijderd geraakt.
Dat van Aeneas landde eindelijk op Afrikaanschen bodem.

Nog niet lang geleden was Dido, een Tyrische koningsdochter, hier
aangekomen. Zij was met den rijken Tyriër Sychaeus getrouwd geweest;
maar haar broeder Pygmalion, die na den dood van haar vader koning was
geworden, had haar man vermoord om zich van zijn schatten meester te
kunnen maken. Toen durfde Dido niet langer in Tyrus blijven en vluchtte
met een aantal volgelingen over zee naar Afrika, waar zij nu bezig was
een nieuwe stad, Carthago, te bouwen.

Aan het strand van het voor hen onbekende land werd door de
schepelingen maaltijd gehouden en Aeneas trachtte zijn makkers moed in
te spreken: daar immers het noodlot het wilde, zou men, hoe dan ook,
ten slotte toch in Italië belanden! Maar inwendig werd hij ook zelf
door groote zorgen gefolterd. Toen richtte zich zijn moeder Venus tot
Jupiter, en wist van hem gedaan te krijgen, dat Hermes naar Dido werd
gezonden, om haar zacht tegenover de vreemdelingen, die in aantocht
waren, te stemmen. Ook verscheen Venus, in de gedaante van een jageres,
zelve aan haar zoon, openbaarde hem, waar hij was, sprak hem moed in,
en wees hem den weg, dien hij had te volgen. Voor ieder onzichtbaar, in
een wolk gehuld, bereikte hij met een van zijn makkers de stad. Daar
zag hij met bewondering de plaats in aanbouw en de toekomstige bewoners
als nijvere bijen in de weer. En hij voelde zich als in een omgeving
van bekenden, toen hij in het beitelwerk, dat een der tempels
versierde, allerlei tooneelen uit den strijd voor Troje zeer duidelijk
herkende.

Gezanten van de andere schepen, die inmiddels ook aan deze kust waren
geland, naderden de stad; zij werden door Dido minzaam ontvangen. Toen
brandden Aeneas en zijn makker van verlangen om zich ook te vertoonen;
en plotseling week de nevel, die hen omgaf: stralend als een god stond
de held voor Dido en maakte zich aan haar bekend. Een oogenblik was de
koningin verbijsterd door den plotselingen aanblik van den beroemden
krijger, toen sprak zij hem toe met vriendelijke woorden en voerde hem
zelve naar haar paleis, waar een schitterende maaltijd in gereedheid
werd gebracht.

Aeneas verlangde naar zijn kleinen zoon, en zond naar de schepen om hem
te halen. Venus echter, die Juno vreesde en de Tyriërs maar half
vertrouwde, greep deze gelegenheid aan om haar zoon voor mogelijke
aanslagen te beveiligen. Op haar verzoek legde Amor zijn vleugels af,
nam de gedaante van Ascanius aan, en, terwijl Venus dezen naar het
verre Cyprus voerde en hem daar in zoeten sluimer bracht, werd Cupido
de feestzaal binnengeleid. Dido bewonderde den prachtigen knaap en
liefkoozend nam zij hem op haar schoot. Toen begon Amor zijn
verraderlijk spel: een vurige liefde voor haar Trojaanschen gast
ontbrandde in het hart van Carthago’s koningin. [II.] Toen de maaltijd
geëindigd was, werd Aeneas uitgenoodigd zijn lotgevallen te verhalen.
En ondanks de smart, die de herinnering aan zooveel droeve
gebeurtenissen bij hem moest wekken, was hij bereid aan het verzoek van
Dido te voldoen. Hij vertelde de geschiedenis van den schijnbaren
aftocht van de Grieken, van het houten paard, van Sinon en Laokoön, van
de laatste gevechten in de straten van het brandende Troje, van
Priamus’ dood. Hij verhaalde, hoe hij met zijn vrouw, met Anchises en
Ascanius ten slotte was gevlucht en hoe hij, reeds in veiligheid,
ontdekt had dat Creüsa niet meer bij hem was; hoe hij, teruggekeerd
naar de stad om haar te zoeken, door haar schim van het nuttelooze dier
onderneming overtuigd was en eindelijk in de bergen [III.] een veilig
toevluchtsoord had gevonden. Ook schetste hij al de avonturen en
gevaren, die hij en zijn makkers hadden beleefd sinds hun vertrek uit
het land van Troje, hun landing in Thracië, op Delos, op Kreta, op de
Strophaden aan de kust van Messenië, in het land Epirus, bij Helenus
eindelijk, die midden onder de Grieken een nieuw Troje gesticht had.
Hij schilderde ook de vaart langs de kust van Italië, waarvan hij door
allerlei voorzeggingen nu wist, dat het ’t land van bestemming voor hem
was, den tocht langs den rotsigen zoom van Sicilië, waar Anchises hem
ontviel, den angst ten slotte van den jongsten orkaan, die hen naar de
kusten van Afrika had gedreven.



II. AENEAS EN DIDO.

[IV.] Tevergeefs worstelde intusschen Dido met haar liefde voor Aeneas.
Zij had zich zoo heilig voorgenomen, zij had zoo plechtig beloofd haar
gestorven echtgenoot trouw te blijven; maar gemakkelijk hielp haar
zuster Anna haar over haar gewetensbezwaren heen. Ook Juno was van
oordeel, dat het zóó den goeden kant uitging. Zij richtte zich tot
Venus en sloeg haar voor den Trojaanschen held en de koningin van
Carthago in een huwelijk te vereenigen; dan immers zou het gevaar, dat
in de toekomst van Italië uit zou dreigen, zijn afgewend. En ofschoon
Venus haar bedoeling doorzag, ging zij, bang voor alles wat Aeneas nog
boven het hoofd kon hangen, op den voorslag in. Een groote jachtpartij
zou gehouden worden, en vroolijk reed de schitterende feeststoet uit.
Maar toen men midden in de bergen was gekomen, begon de hemel te
betrekken, zware donderslagen rolden ratelend langs het uitspansel, een
dichte regen, met hagel gemengd, kletterde op de aarde neer, stroomen
water daalden af van de hoogten. Toen zocht ieder voor zich een goed
heenkomen. Aeneas en Dido kwamen samen in dezelfde grot; daar werden
zij het eens en werd het huwelijk gesloten.

Maar Jupiter, de voltrekker van het noodlot, gaf Mercurius last Aeneas
te herinneren aan den wil van het fatum. Snel daalde de bode af van den
Olympus, vloog naar Carthago en kweet zich daar van zijn opdracht. Toen
gaf Aeneas zijn makkers last de schepen in gereedheid te brengen, en,
smartelijk getroffen, zocht hij naar een gelegenheid om Dido het harde
bevel, dat hem van de goden geworden was, meê te deelen. Maar reeds
voelde de koningin zich niet meer veilig in haar groot geluk en ook
drong het gerucht tot haar door dat de vloot voor de afvaart werd
uitgerust. Tevergeefs zocht zij door smeekingen, door verwijten en
bedreigingen ten slotte, Aeneas van zijn voornemen af te brengen; hij
bleef onwrikbaar: tegen de beschikkingen van het noodlot kon en mocht
hij zich niet verzetten! Ook Anna pleitte vruchteloos voor haar zuster.
Toen besloot Dido, door zelfverwijt bovendien over haar ontrouw jegens
Sychaeüs nu gekweld, een einde aan haar leven te maken. Om—naar zij
voorgaf—alles wat aan den trouweloozen Trojaan herinnerde te
vernietigen, liet zij een brandstapel oprichten, bracht een offer aan
de goden van de onderwereld en toen in den nacht Aeneas was weggevaren
en Dido in den morgen de haven leeg zag en in de verte de vloot met
volle zeilen zich van de kust zag verwijderen, besteeg zij de houtmijt,
stortte zich in het zwaard, dat Aeneas had achtergelaten, en stierf in
de armen van haar zuster.



III. OP WEG NAAR LATIUM.

[V.] Door tegenwind werd Aeneas genoodzaakt nog eens op Sicilië te
landen. Ter viering van de nagedachtenis van Anchises werden hier
groote spelen gehouden. Nadat het offer gebracht was en de
feestgenooten verzameld waren, opende een roeiwedstrijd de reeks van
vermaken. Toen volgde de wedloop, daarna het vuistgevecht. Ook in het
boogschieten werd de vaardigheid beproefd; aan een langen mast werd een
duif gebonden, die, losgeraakt door een welgemikt schot, hoog in de
wolken door den laatsten schutter toch nog werd getroffen. Een aantal
caroussel-figuren, door de jongere Trojanen onder het bewonderend oog
van hun ouders sierlijk gereden, besloten het feest.

Toen werd de vreugde plotseling verstoord. Want Juno zond Iris in de
gedaante van een Trojaansche onder de andere vrouwen, om haar te
overreden de schepen in brand te steken, opdat er nu eindelijk een
einde aan de omdolingen zou komen. Een hevige regen, op Aeneas’ gebed
door Jupiter gezonden, bluschte het vuur, maar vier schepen waren door
de vlammen verteerd. Niet allen zouden de reis nu kunnen vervolgen; de
zwakkeren moesten op Sicilië achtergelaten worden.

Toen dien nacht Aeneas, vermoeid van den veelbewogen dag, in rustigen
slaap neerlag, verscheen hem de schim van zijn vader Anchises en
noodigde hem uit om, als hij in Italië zou zijn gekomen, allereerst hèm
in de onderwereld op te zoeken. Nadat voor wie achtergelaten werden een
nieuwe stad was gesticht, stak men in zee. Op Venus’ voorspraak effende
Neptunus de golven en over het kalme watervlak voer men nu eindelijk op
Italië toe.

[VI.] Bij Cumae werd geland. Daar vernam Aeneas van een Sibylle wat hij
te doen had om zich toegang tot de onderwereld te verschaffen. Een
gouden tak moest dienen tot een geschenk voor Prosèrpina; duiven wezen
hem den weg en de twijg werd geplukt. Nadat ook nog het vereischte
offer was gebracht, werd onder geleide van de Sibylle de tocht
aanvaard. In het voorportaal van Hades’ woning troffen zij vele sombere
gedaanten aan: rouw en vrees en allerlei zorgen, ziekten en ouderdom,
honger en gebrek; ook monsters als de Gorgonen en de Harpyen. Aan den
oever van den Styx zweefden in onrustige warreling de schimmen van
onbegravenen, aan wie de toegang tot de onderwereld was ontzegd. Door
Charon, in vieze, slordige plunje, werden zij overgezet; door een
slaapmiddel werd Cerberus tot rust gebracht. Schimmen van jonggestorven
kinderen, van onschuldig ter dood gebrachten, van wie door eigen hand
omgekomen waren, ontmoetten zij eerst. Ook Dido troffen zij hier aan;
onbewogen luisterde zij naar de verontschuldigende woorden van den man,
die haar verlaten had, en vluchtte van hem weg in het schaduwrijke
woud, waar Sychaeus haar troostte over de geleden smart. Zij kwamen
langs den ingang van den Tartarus, omgeven door een vuurstroom en een
drievoudigen muur, afgesloten door een stevige poort, die door een
ijzingwekkende furie werd bewaakt; de Sibylle lichtte haar tochtgenoot
in over het lijden van Tantalus, Sisyphus, de Danaïden en zoovele
anderen, die hier boetten voor vroeger bedreven kwaad. Eindelijk werden
de Elyseesche velden, de verblijven der zaligen, bereikt. Hier voerde
Anchises zijn bezoekers naar een hoogte, van waar hij Aeneas de lange
reeks van zijn nakomelingen toonde, de Romeinsche koningen en daarnaast
Augustus, wiens roemrijke daden reeds nu werden voorzegd; ook de groote
mannen uit den tijd van de republiek, een Caesar en een Pompejus. Nu
voorspelde Anchises zijn zoon de moeite en den strijd, die hem in
Italië wachtten, maar wees hem als troost op de wereldheerschappij, die
het Romeinsche volk zich zou verwerven. Toen was het tijd om te
scheiden, en samen met zijn geleidster keerde Aeneas vol goeden moed
tot de zijnen terug.



IV. DE STRIJD OM ITALIË.

[VII–XII.] Men zette nu koers naar den mond van den Tiber en landde in
Latium. Daar regeerde koning Latinus, gehuwd met Amata. Zij hadden een
dochter Lavinia; voorteekenen hadden haar vader beduid, dat zij voor
een vreemdeling, die zou komen, bestemd was, maar door toedoen van haar
moeder was zij met Turnus, den vorst der Rutuliërs, verloofd. Na de
landing begonnen de Trojanen met den bouw van een versterkte stad.
Latinus ontving hen gastvrij en bood Aeneas de hand van zijn dochter;
maar door Juno alweer werden de volken tot vijandschap opgeruid en
rustten zich tot krijg. Aeneas zocht toen hulp bij den Arkadischen
vorst Euander, die zich in Italië had neergelaten; vriendelijk ontving
hem de hoogbejaarde koning en aan het hoofd van een kleinen hulptroep
gaf hij hem zijn eenigen zoon Pallas meê. Evenals eens Achilles, kwam
ook Aeneas in het bezit van een schitterende wapenrusting, door
Vulcanus, op Venus’ bede, voor hem gemaakt.

Intusschen had Turnus herhaaldelijk vergeefsche aanvallen op de
versterking der Trojanen gedaan. Nu naderde Aeneas, die ook een deel
der Etruriërs bereid had gevonden om met hem op te trekken. Turnus
deelde zijn leger, en een heftige strijd ontspon zich na de landing van
Aeneas’ troepen. Pallas sneuvelde in een gevecht met Turnus, en in zijn
droefheid over den dood van den jongen man, die hem maar noode door
zijn grijzen vader was toevertrouwd, woedde Aeneas met groote
verbittering onder zijn tegenstanders en zocht den vorst der Rutuliërs,
om op hem den dood van zijn bondgenoot te wreken. Maar door Juno’s
tusschenkomst werd Turnus ditmaal nog gered. Een wapenstilstand werd
gesloten; van weerskanten werden de dooden begraven en Pallas’ lijk
werd naar Euander teruggebracht; troosteloos en gebroken was de oude
man toen hij zoo zijn eenigen zoon, op wien al zijn hoop voor de
toekomst was gevestigd, uit den strijd zag terugkeeren. Toen men het
gevecht zou hervatten, werd een tweekamp tusschen Aeneas en Turnus
voorbereid; maar door Juno’s toedoen vielen de Rutuliërs op hun
tegenstanders aan en werd de worsteling weer algemeen. Aeneas werd
gewond en Turnus maakte groote vorderingen; toen echter de aanvoerder
der Trojanen zich weer mengde in den slag, keerde de kans, en om den
nood der zijnen bood Turnus zich nu tot een tweestrijd aan. Juno liet
zich eindelijk met den loop der zaken verzoenen door de belofte dat de
Latijnen, ook als Aeneas overwon, hun taal en hun zeden zouden mogen
behouden. Toen was het lot van den Rutuliër beslist. Aeneas’ speer, met
geweldige kracht geslingerd, trof hem in de dij en zwaar gewond zonk
hij neer op den bodem. Op zijn smeekende woorden aarzelde echter de
Trojaan, die zijn zwaard reeds had getrokken. Toen zag hij over den
schouder van den gevallene den riem met gouden knoppen, dien hij zoo
vaak den jeugdigen Pallas had zien dragen; het medelijden week,
doodelijk trof het scherpe staal, en met zijn laatsten zucht vluchtte
Turnus’ leven naar het rijk der schimmen.

Lavinia werd nu Aeneas’ vrouw; de stad, die hij bouwde, werd naar haar
Lavinium genoemd. Van hier uit stichtte Ascanius Alba Longa en van Alba
Longa uit legden Romulus en Remus de grondslagen voor het beroemde
Rome.



DE SAGE VAN DE „NIBELUNGEN.”


I. SIEGFRIED.

Te Xanten in de Nederlanden woonde koning Siegmund met zijn vrouw
Siegelinde; zij hadden een zoon Siegfried genaamd. De knaap was
angstwekkend sterk, en daarom zond zijn vader hem de wereld in. Al
zwervend kwam hij bij een smid, die hem als leerling aannam. Hij bleek
echter onbruikbaar; hij deed zijn hamer zoo forsch op het aanbeeld
neerkomen, dat dit in den grond werd gedreven als een spijker in week
hout. Toen grepen schrik en ontzetting zijn meester aan en hij wenschte
den al te sterken gast zoo spoedig mogelijk weer kwijt te raken. Hij
zond hem naar een bosch om houtskool te branden; maar in dat bosch
huisde een draak, die, hoopte hij, Siegfried zou verslinden. De
jongeman echter doodde en verbrandde het monster; met het gesmolten
hoorn van zijn huid bestreek hij zich het lichaam en werd zoo
onkwetsbaar, behalve op één plaats tusschen de schouders, waarop een
lindeblad was neergekomen.

’s Avonds keerde Siegfried naar de smidse terug, drukte de deur in
omdat men hem niet opendeed, en versloeg zijn meester. Daarop rakelde
hij het vuur op, trok den blaasbalg en smeedde zich een goed zwaard.
Toen toog hij verder.

Na menig lotgeval kwam Siegfried in het land der „Nibelungen.” Daar
leefden de twee zonen van den gestorven koning in twist over de
verdeeling van den schat, door hun vader nagelaten. Deze schat, uit
louter goud en edelgesteenten bestaande, lag in een bergholte en werd
door den dwerg Alberik bewaakt.

Zoodra Siegfried was aangekomen, verlangden de koningszonen, dat hij
den schat eerlijk zou verdeelen, en gaven hem bij voorbaat het beroemde
zwaard Balmung tot belooning. Maar zij waren met zijn uitspraak niet
tevreden en overvielen hem met twaalf reuzen. Hij echter versloeg ze
alle twaalf, benevens de beide koningszonen. Met den dwerg Alberik
bleef hij nog in een langdurig gevecht, waarvan het einde was dat hij
hem een onzichtbaar makende mantel, de „Tarnkappe”, ontroofde en hem
ten slotte overwon.

Voordat Siegfried van dit land scheidde om naar zijn vaderland terug te
keeren, liet hij den overwonnene, die hem trouw had gezworen, als
wachter bij den schat achter; de tarnkappe echter nam de held meê.



II. CHRIEMHILDE EN BRUNEHILDE.

[Het Nibelungenlied.] Te Worms aan den Rijn, in het rijk der
Bourgondiërs, groeide de schoone Chriemhilde op; zij was een zuster van
de koningen Gunther, Geernot en Giselheer. Beroemde helden leefden aan
het hof: Hagen van Tronje en zijn broeder Dankwaart, de maarschalk; ook
de zanger Volker van Alzey, die speer en schild even vaardig wist te
hanteeren als het speeltuig. Eens droomde Chriemhilde dat een mooie
valk, dien zij zelve had groot gebracht, door twee arenden gegrepen
werd; dat zou wijzen op een edelen man, dien zij vroeg zou verliezen.
Maar Chriemhilde nam zich voor ongetrouwd te blijven en velen dongen
vergeefs naar haar hand.

Toen Siegfried van de schoone Chriemhilde hoorde, wilde ook hij een
kans wagen. Met schitterend gevolg reed hij naar Worms; maar langer dan
een jaar vertoefde hij aan het hof zonder de prinses te zien. Toen brak
strijd uit met de koningen Ludigeer van Saksenland en Ludegast van
Denemarken. Siegfried bood aan in Gunthers leger meê ten oorlog te
trekken. Hij overwon de beide vorsten en bracht hen gevankelijk naar
Worms. Een groot feest werd aangericht om de overwinning te vieren;
daarbij zou Siegfried voor het eerst de mooie jonkvrouw aanschouwen.

Op IJsland woonde koningin Brunehilde; wie haar man wilde worden, moest
haar overwinnen in het slingeren van de speer, het werpen met den
steen, en in den sprong; leed hij de nederlaag, dan verloor hij zijn
leven. Reeds menige held had zoo den dood gevonden. Toch besloot koning
Gunther naar Brunehilde’s hand te dingen en beloofde aan Siegfried zijn
zuster Chriemhilde, als hij hem in zijn pogingen wilde helpen.
Siegfried ging op dit voorstel in; prachtig uitgerust voeren Gunther,
Siegfried, Hagen en Dankwaart op een schip den Rijn af naar zee, en
bereikten in twaalf dagen IJsland. Bij den intocht op de burcht
begroette Brunehilde Siegfried het eerst; hij echter verklaarde dat
deze eer aan Gunther toekwam, voor wiens leenman hij zich uitgaf.
Daarop maakte hij haar met ’s konings voornemen bekend en Brunehilde
rustte zich toe tot den strijd. Zij greep haar schild, dat vier mannen
met moeite aan konden dragen, en wierp een geweldig zware speer met
zooveel kracht tegen dat van Gunther, dat hij en Siegfried, die,
onzichtbaar door zijn tarnkappe, den koning bijstond, struikelden en
beiden dreigden te vallen. Maar met grooter kracht nog wierp Siegfried
de speer naar de koningin terug, de punt naar achteren, opdat hij haar
niet zou kwetsen. Brunehilde stortte ter aarde, maar onmiddellijk
sprong zij weer op, wierp den zwaren steen twaalf roeden ver, en deed
daarop een forschen sprong, het werptuig na, zoodat helm en pantser
dreunend weerklonken. Maar Siegfried wierp den steen nog verder en
droeg den koning in den sprong ver voorbij de plaats, waar Brunehilde
was neergekomen. Zoo was de overwinning bevochten en de bruid gewonnen;
op denzelfden dag werden beide huwelijken voltrokken, dat van Gunther
met Brunehilde en dat van Siegfried met Chriemhilde. Maar Brunehilde
was treurig op den dag van het feest; het deed haar pijnlijk aan, dat
Chriemhilde de vrouw werd van den dapperen Siegfried, dien zij zoozeer
bewonderde. Eenigen tijd nog vertoefde Siegfried met zijn jonge gemalin
aan het hof der Bourgondische koningen; toen keerde hij met haar naar
Xanten terug, waar zijn vader de regeering aan hem overdroeg.



III. SIEGFRIEDS DOOD.

Tien jaar verliepen; toen wist Brunehilde, die er zich over
verwonderde, dat Siegfried, als leenman, nooit aan het hof verscheen,
Gunther over te halen een gezantschap af te zenden om hem en zijn vrouw
naar Worms te noodigen. Gaarne gaven dezen aan de uitnoodiging gehoor;
ook de oude koning Siegmund reed meê in het gevolg.

Te Worms volgde het eene feest op het andere. De ridders oefenden zich
dagelijks op het burchtplein in het wapenspel, en de beide vorstinnen
zagen daarbij toe. Eens roemde Chriemhilde haar gemaal, hoe hij boven
allen uitmuntte en de dapperste en schoonste was. Brunehilde bleef met
Gunthers lof niet achter. Maar haar schoonzuster somde al maar nieuwe
deugden van Siegfried op, tot Brunehilde antwoordde, dat hij zich met
koning Gunther toch niet meten kon, omdat hij immers slechts diens
leenman was. Dat trof Chriemhilde diep, en zij nam zich voor metterdaad
te bewijzen, dat het anders was.

Dien avond begaven, als gewoonlijk, beide vorstinnen zich naar de kerk
om er den vesperdienst bij te wonen. Maar, anders dan gewoonlijk,
gingen zij niet samen; met een groot gevolg van dienaressen schreed
ieder afzonderlijk op het kerkgebouw toe. Brunehilde was het eerst aan
den ingang van het bedehuis; zij wachtte Chriemhilde af en beval haar
te wachten tot zij zelve binnen zou zijn gegaan. Toen ried Chriemhilde
haar aan zich wat minder trotsch te toonen; zij zou haar bewijzen, dat
niet Gunther, maar Siegfried haar had overwonnen! En fier schreed zij
met haar gevolg Brunehilde voorbij, die gegriefd en toornig, met tranen
van spijt in de oogen, als verlamd was door den slag, die haar zoo
plotseling werd toegebracht. Na de godsdienstoefening bleef zij weer
bij den ingang staan en verlangde van Chriemhilde het bewijs van haar
woorden. En dat bewijs werd haar geleverd! Toen klaagde en jammerde
Brunehilde, en de trouwe Hagen besloot de smart van zijn meesteres op
Siegfried te wreken.

Allereerst diende men te weten, waar de wondbare plek aan Siegfrieds
lichaam was. Hagen liet het gerucht verspreiden, dat Ludegeer en
Ludegast, die men vrij had gelaten, opnieuw met oorlog dreigden.
Siegfried bood zich, zooals hij verwacht had, ook aan voor den tocht.
Toen de toerustingen gereed waren, nam Hagen afscheid van Chriemhilde.
Zij, wat angstig door alles wat er gebeurd was, verzocht hem op
Siegfried te letten in het strijdgewoel; en opdat hij des te beter hem
zou kunnen beschermen, gaf zij met een klein kruis op den wapenrok de
plaats aan, waar haar man alleen wondbaar was. Daarom was het Hagen te
doen geweest; hijzelf had haar den raad gegeven zóó te handelen. Nu was
de veldtocht niet meer noodig; boden kwamen en spraken de vroegere
geruchten tegen. In plaats van ten oorlog zou men nu ter jacht gaan.
Maar weenend trachtte Chriemhilde Siegfried van de jacht terug te
houden; zij had gedroomd dat twee wilde zwijnen hem najoegen over de
heide en dat de bloemen rood werden gekleurd van bloed, dat twee bergen
over hem heen vielen en hem voor altijd aan haar oog onttrokken. Maar
in het argelooze hart van Siegfried was voor wantrouwen jegens zijn
verwanten geen plaats, en welgemoed reed hij uit ter jacht.

Juist toen voor den maaltijd werd geblazen, kreeg Siegfried een grooten
beer in het oog. Hij sprong van zijn paard, ving het dier levend en
bond het op zijn zadel. Zóó kwam hij op de plaats waar gegeten zou
worden. Daar liet hij den beer los, die een groote ontsteltenis
veroorzaakte en een geweldige verwarring stichtte, maar ten slotte door
Siegfried met zijn zwaard werd afgemaakt.

Toen kon dus eindelijk de maaltijd beginnen; eten was er genoeg, maar
aan drinken was gebrek. Hagen wendde voor dat de lastdieren met den
wijn bij vergissing naar een ander gedeelte van het woud waren
gezonden. Maar hij wist in de nabijheid een heldere bron; hij sloeg een
wedloop daarheen voor: de vlugge Siegfried kon dan meteen de snelheid
van zijn voeten doen bewonderen. Siegfried nam de uitdaging aan; hij
legde niet eens zijn wapenrusting af. En toch kwam hij het eerst aan
het doel; hij wachtte echter tot Gunther was aangekomen en had
gedronken; toen bukte ook hij zich over het water. Op dit oogenblik
greep Hagen Siegfried’s scherpe speer en joeg haar op de gemerkte plek
den held diep in den schouder. Siegfried sprong op en wierp zoo forsch
zijn schild naar Hagen, dat deze ter aarde stortte. Toen echter begaven
hem de krachten en stervend viel hij neer, Chriemhilde in de zorgen van
haar broeder aanbevelend. Hagen beroemde zich openlijk op zijn daad;
hij liet den vermoorde in den nacht voor Chriemhilde’s kamer leggen,
zoodat zij hem den volgenden morgen, als zij ter mis ging, moest zien.
Groot was haar jammer, toen zij haar verlies bemerkte; geheel de burcht
en de stad deelden in haar smart. ’s Morgens werd het lijk in den dom
tentoongesteld. Gunther verzekerde Chriemhilde dat roovers Siegfried
hadden gedood, maar toen Hagen de baar naderde begon de wond van den
vermoorde opnieuw te bloeden.

Koning Siegmund trok in diepen rouw naar Xanten terug; Chriemhilde
evenwel bleef daar, waar haar Siegfried was begraven. Drie jaren lang
verwaardigde zij Gunther met geen woord, Hagen met geen blik.

Om hun zuster te verzoenen, lieten de broeders den schat der Nibelungen
naar Worms overbrengen en in gewelven en torens bewaren. Nu schonk de
treurende vrouw mild daarvan weg aan allen, die nood leden. Hagen zag
dat met wantrouwen en maakte Gunther erop opmerkzaam dat zij op die
wijze een heel leger aanwierf. De sleutels werden haar afgenomen en
toen zij zich daarover diep beklaagde, liet Hagen den ganschen schat in
den Rijn zinken.

Van den tijd af dat de schat der Nibelungen in handen der Bourgondiërs
was gekomen, werden deze laatsten zelven gewoonlijk de Nibelungen
genoemd.



IV. CHRIEMHILDE’S WRAAK.

Dertien jaren nog bleef Chriemhilde te Worms. Toen zond de Hunnenkoning
Etzel (Atilla) den markgraaf Rudigeer en dong naar haar hand. Eerst
weigerde zij het aanbod, maar toen Rudigeer haar de hoop voor
spiegelde, dat zij zich met de hulp der Hunnen op haar vijanden zou
kunnen wreken, ontkiemde bij haar het plan om langs dezen weg de
moordenaars van Siegfried te straffen. Zij stemde toe en trok, zeer
tegen den zin van Hagen, met een groot geleide naar de Etzelnburcht om
er de vrouw van den grooten Hunnenkoning te worden.

Weer verliepen dertien jaren; toen liet Chriemhilde door haar gemaal de
Bourgondiërs tot een bezoek uitnoodigen. Hagen, die het plan der
koningin doorzag, ried den tocht af. Maar toen men hem van vrees
beschuldigde, dreef hij, in zijn trots gekrenkt, de reis zelf door en
beval zijn leenmannen zich gereed te houden. Sierlijk uitgerust brak
het leger op. Den twaalfden dag kwam men aan den Donau, die sterk
gezwollen was, terwijl brug noch schip den overtocht mogelijk maakte.
Hagen maakte zich op om een veerman te zoeken. Plotseling hoorde hij
geplas in het water en toen hij naderbij kwam, zag hij een paar
nymphen, die zich baadden in een heldere bron. Hij nam haar kleeren
weg; om die terug te krijgen, beloofden zij hem den afloop van den
tocht te voorspellen. Een voorspoedige reis stelde de eerste in het
vooruitzicht; maar toen hij daarop de kleederen had teruggegeven,
waarschuwde de tweede hem ernstig voor de onderneming; alleen Gunther’s
kapelaan zou behouden naar huis terugkeeren; alle anderen zouden den
dood vinden in het Hunnenland.

Spoedig daarop vond Hagen een veerman, die echter weigerde de
Nibelungen over te zetten. Hagen sloeg hem dood, sprong in zijn
vaartuig en roeide zelf zijn makkers naar den overkant. Toen zijn oog
op den kapelaan viel, bekroop hem de lust de proef te nemen omtrent de
betrouwbaarheid van de voorspelling, die de nymphen hem gedaan hadden.
Hij wierp den niets vermoedende overboord; maar behouden bereikte die
weer den oever. Toen begreep Hagen, dat de ondergang der Nibelungen
onafwendbaar was; hij vernietigde het schip en deelde zijn
tochtgenooten meê, wat hun boven het hoofd hing. Een benauwde vrees
maakte zich van hun harten meester, maar het was nu niet meer de tijd
om terug te keeren.

Bijna een week lang vertoefden de Bourgondiërs bij markgraaf Rudigeer;
Giselheer verloofde zich met diens dochter. Daarop werd de reis
vervolgd. Toen men in de nabijheid van de burcht van Etzel was
aangekomen, kwam Diederik van Bern, die met zijn Goten bij de Hunnen
leefde, de gasten tegemoet; hij waarschuwde de Bourgondiërs, want nog
altijd, vertelde hij hun, treurde Chriemhilde om het verlies van
Siegfried. De koningin zelve stond verlangend op den uitkijk en
verheugde zich in haar hart erover, dat het uur van de wraak nu spoedig
zou zijn aangebroken. Niet allen begroette zij even hartelijk; voor
Hagen was dat weer een teeken van het gevaar, dat dreigde. Zij vroeg
hem naar den schat der Nibelungen; hij had aan schild en harnas, aan
zwaard en helm genoeg te dragen gehad, antwoordde hij bitter. En
weenend keerde Chriemhilde in haar paleis terug. Toen plaatste zich
Hagen met zijn vriend Volker op een steenen bank, juist tegenover de
kamer van de koningin. Uit het venster zag deze haar doodsvijand
zitten. Vurig smeekte zij haar getrouwen hèm te straffen, die zóóveel
jammer over haar had gebracht. Dadelijk wapenden zich vierhonderd
Hunnen en aan hun hoofd betrad de koningin het slotplein. Maar kalm
bleef Hagen voor de vertoornde Chriemhilde zitten, Siegfrieds zwaard
vóór zich op de knie. Toen zij hem verweet, dat hij haar man vermoord
had, bekende hij luide en openlijk zijn daad en tartte wie maar wilde,
wraak op hem te nemen. Maar de Hunnen, bang voor een held als Hagen,
trokken zwijgend af.

Door Etzel werden de Bourgondiërs gastvrij ontvangen en feestelijk in
de groote ridderzaal onthaald. Maar met bange vrees begaven de gasten
zich ter ruste en uit voorzorg hielden Hagen en Volker de wacht. De
laatste speelde zijn makkers in slaap; toen maakte hij zich tot
bijstand van Hagen gereed. In het holle van den nacht zagen zij helmen
flikkeren in de diepe duisternis; het waren Hunnen, door Chriemhilde
gezonden om de wraak te voltrekken. Maar toen zij aan de deur de
dappere wachters zagen, keerden zij stil terug en lieten de slapenden
ongemoeid.

Den volgenden dag werd een tournooi gehouden, waarbij Volker een
Hunnenridder doodde met zijn speer. Woedend over dien smaad, snelden
dreigend de Hunnen toe, maar Etzel kwam tusschenbeide en gebood met
forsche stem vrede: de daad was immers niet opzettelijk geschied.

Vóór men aan tafel ging trachtte Chriemhilde Diederik van Bern tot een
overval van de Bourgondiërs over te halen; maar hij wees met
verontwaardiging een dergelijke schending van de gastvrijheid af.
Blodelijn, een broeder van Etzel, liet door groote beloften zich
eindelijk overreden met de slachting een begin te maken. Terwijl in de
ridderzaal de maaltijd werd gebruikt, trad hij met een schaar
gewapenden het gebouw binnen, waar Dankwaart met een aantal ridders
gehuisvest was. Vriendelijk trad de maarschalk op hem toe; maar
Blodelijn eischte strijd. Toen sprong Dankwaart op hem toe en hieuw den
Hun met een enkelen slag het hoofd af. Een woedend gevecht ontspon zich
daarop tusschen de Hunnen en de Nibelungen, die allen omkwamen.
Dankwaart alleen sloeg zich door de vijanden heen en bereikte al
vechtend Etzels eetzaal. Met het blanke zwaard in de vuist vertoonde
hij zich op den drempel en riep Hagen toe: „Te lang reeds zit ge hier
en weet niet van onzen nood; de ridders en ruiters liggen verslagen in
hun zaal!” Hagen stond op en beval hem den uitgang goed te bewaken; nu
was de tijd aangebroken om aan Chriemhilde den vriendschapsdronk te
wijden. Zoo sprekend doodde hij door een slag met zijn zwaard Etzels
zoon Ortlieb, en gaf daardoor het sein tot een algemeen gevecht. Moord
en doodslag vervulden de zaal. Aan Dankwaarts zijde trad Volker om aan
den binnenkant de vlucht der Hunnen te verhinderen; „thans is de zaal
goed gesloten,” riep hij den Nibelungen toe, „want vier heldenvuisten
winnen het van duizend grendels.”

In doodsangst vroeg Chriemhilde Diederik van Bern om hulp. Hij sprong
op een tafel en wenkte om stilte; toen gebood Gunther stilstand van
wapenen. Diederik eischte nu, dat men hem en de zijnen vrijheid zou
geven zich uit het strijdgewoel te verwijderen. Toen Gunther zijn
verzoek inwilligde, verliet hij met Chriemhilde en Etzel de zaal,
gevolgd door nog zeshonderd andere ridders; ook Rudigeer met de zijnen
kregen verlof om ongehinderd heen te gaan. Nauwelijks echter waren zij
weg of opnieuw ontvlamde de krijg, en niet lang duurde het of alle
Hunnen binnen de zaal lagen verslagen ter aarde. De Bourgondiërs
rustten op de lijken uit van het gevecht en verlangden vrijen aftocht;
die werd hun toegestaan op voorwaarde dat Hagen aan Chriemhilde zou
worden uitgeleverd. Met verontwaardiging echter werd dat geweigerd.

Toen liet Chriemhilde alle uitgangen van het paleis door krijgers
bezetten en het gebouw aan de vier hoeken in brand steken. Rook en
hitte en de van het dak neerstortende balken brachten de Bourgondiërs
in grooten nood; toch sloegen zij moedig elken nieuwen aanval van de
Hunnen af.

Toen de morgen aanbrak, eischte Etzel Rudigeer op, om tegen de
Nibelungen te strijden; deze echter weigerde en wilde liever alle hem
geschonken leenen teruggeven. Nu herinnerde Chriemhilde hem aan den
vroeger gedanen eed, om haar tegen al haar vijanden bij te staan.
Treurig wapende zich nu de held en mengde zich met zijn mannen in den
strijd. Hagen toonde hem het schild, dat hij eens uit de handen van
Rudigeer’s vrouw ten teeken van gastvriendschap had ontvangen en sprak:
„Zie hoe het uit elkaar hangt; het kan mij niet meer beschutten!” Toen
nam Rudigeer zijn eigen schild van den arm en reikte het den held.
Hagen en Volker zwoeren beiden den edelen markgraaf in het gevecht te
zullen sparen; maar door den stervenden Geernot doodelijk getroffen,
stortte hij neer bij de lijken van al zijn getrouwen. Stuk voor stuk,
in verbitterden kamp, werden de Bourgondische helden door hun vijanden
afgemaakt; Hagen en Gunther alleen bleven over. Maar ook de Hunnen
leden geweldige verliezen en van de mannen van Diederik van Bern, die
ten slotte ook hadden ingegrepen in den strijd, restte weldra alleen
nog Diederik’s wapenmeester Hildebrand. Toen bood Diederik vrede, als
Hagen en Gunther zich aan hem wilden overgeven; de helden weigerden.
Zwaar gewond werd daarop Hagen door den Gotenvorst gevangen genomen en
naar de koningin gebracht. Ook Gunther werd door Diederik bedwongen en
geboeid in een kerker geworpen.

Chriemhilde beloofde Hagen het leven te zullen schenken, wanneer hij
haar zeide, waar de schat verborgen lag; hij echter antwoordde, dat hij
had gezworen het geheim te bewaren, zoolang een van zijn meesters nog
in leven was. Toen zond zij mannen af naar Gunthers kerker en liet haar
broeder onthoofden. „Thans,” sprak echter Hagen, „zult gij nooit de
plaats vernemen, die buiten mij slechts God nog kent!” Toornig hief nu
Chriemhilde Siegfrieds zwaard op en sloeg den weerlooze het hoofd af.
Maar de oude Hildebrand kon het niet verdragen, dat een vrouw den
dappersten der helden had verslagen; woedend sprong hij op haar toe en
doodde haar met een slag van zijn geweldig zwaard. Haar lijk lag naast
dat van haar doodsvijand. Zoo eindigde het feest; uit vreugde was diepe
rouw geboren.




*** End of this LibraryBlog Digital Book "Goden- en Heldensagen" ***

Copyright 2023 LibraryBlog. All rights reserved.



Home