Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Proeve van Kleine Gedigten voor Kinderen
Author: Alphen, Hieronymus van, 1746-1803
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.


*** Start of this LibraryBlog Digital Book "Proeve van Kleine Gedigten voor Kinderen" ***


                         PROEVE
                          VAN
                    KLEINE GEDIGTEN
                     VOOR KINDEREN.



                       TE UTREGT,
          BIJ DE WED. JAN VAN TERVEEN EN ZOON.

                       MDCCLXXIX.



De kinderen zijn een erfdeel des HEERE.

                                        SALOMO.



VOORBERIGT.

Zie daar eenige kleine gedigten, ten behoeve van
kinderen opgesteld. De maker weet zeer wel, dat hij,
als digter, daar door weinig roem behalen kan,
maar dat was ook zijn oogmerk niet. Hij bedoelde
slegts eenige nuttige waarheden zo in rijm voortedragen,
dat dezelven de kinderlijke vatbaarheid niet te
boven gingen; en hij heeft ze zo klein gemaakt, op
dat zij des te gemakkelijker, door enkel leezen, zouden
kunnen in het geheugen geprent worden, zonder
dat het noodig was, dat ze van buiten geleerd werden;
iets waar de maker zeer tegen is, en dat daarenboven,
enkel door herhaald leezen, geschieden kan.

Het geen aanleiding gaf tot het opstellen dezer stukjens
is geweest--dat de maker zelf kinderen heeft, die
thands zijn eenig en grootst vermaak zijn--dat men
aan zulke stukjens in onze taal gebrek heeft--dat
hij ook gaarne voor anderen nuttig is--en dat hij
de Hoogduitsche _Lieder für kinder_ van WEISSE en de
_kleine Lieder für kleine mädchen und jünglinge_ van
G.W. BURMANN, met zeer veel genoegen, gelezen
heeft; ook hebben zij hem menigmaal op den weg geholpen,
schoon hij er eigenlijk geenen uit vertaald,
of overgenomen heeft.

Zij zijn wel allen niet voor kinderen van vier of
vijf jaaren geschikt, maar dit was ook juist niet noodig.
Men kan zelf kiezen, welken men aan zijne kinderen
wil laten lezen, ook kan men schielijk merken, of een
kind verstaat wat het leest dan niet. De opsteller heeft
met allen de proef genomen; en hij kan verzekeren,
dat zijn oudste jongetjen--een kind van vijf jaaren--veelen
van dezelven, op de eerste of tweede
leezing, verstaan heeft; en daarom houdt hij zig
verzekerd, dat alle deze stukjens voor kinderen, boven
de vijf en beneden de tien jaaren, bruikbaar zijn.
Ook mag het geen kwaad wanneer hier en daar het
kinderlijk verstand eene kleine zwarigheid ontmoet,
en daar door tot vragen en praten wordt opgewekt.

Wanneer ik het genoegen had, dat deze gedigtjens
goedgekeurd en met vrugt gebruikt werden, zou ik
met vermaak nu en dan een blaadjen voegen bij het
geen ik thands aan mijne Landgenoten aanbiede. Het
getal, dat ik thands geve, is groot genoeg, om er de
proef mede te nemen.



AAN TWEE
LIEVE KLEINE JONGENS.


    Zie daar, lieve wigtjes!
    Een bundel gedigtjes,
      Vermaakt er u meê!
    En springt naar uw wooning;
    Maar ... eerst ter belooning
      Een kusjen of twee.

    Door liefde gedrongen
    Heb ik ze gezongen,
      En wilt gij er meer,
    Gij moogt er om vragen.
    Wanneer ze u behagen
      Komt huppelend weêr.



HET KINDERLIJK GELUK.


        Ik ben een kind,
        Van God bemind,
      En tot geluk geschapen.
        Zijn liefde is groot;
    'k Heb speelgoed, kleedren, melk en brood,
      Een wieg om in te slapen.

        Ik leef gerust;
        Ik leer met lust;
      Ik weet nog van geen zorgen.
        Van 't speelen moe,
    Sluit ik mijn oogjens 's avonds toe,
      En slaap tot aan den morgen.

        Geloofd zij God
        Voor 't ruim genot
      Van zo veel gunstbewijzen!
        Mijn hart en mond
    Zal hem, in elken morgenstond,
      En elken avond prijzen.



DE PERZIK.


    Die perzik gaf mijn vader mij,
       Om dat ik vlijtig leer.
    Nu eet ik vergenoegd en blij.
       Die perzik smaakt naar meer.

    De vrolijkheid past aan de jeugd
       Die leerzaam zig betoont.
    De naarstigheid, die kinderdeugd,
       Wordt altoos wel beloond.



DE KINDERLIEFDE.


      Mijn vader is mijn beste vrind.
      Hij noemt mij steeds zijn lieve kind.
    'k Ontzie hem, zonder bang te vreezen.
      En ga ik hupplend aan zijn zij',
      Ook dan vermaakt en leert hij mij;
    Er kan geen beter vader wezen!

      Ik ben ook somtijds wel eens stout,
      Maar als mijn ondeugd mij berouwt,
    Dan wordt zijn vaderhart bewogen;
      Dan spreekt zijn liefde geen verwijt,
    Ja zelfs, wanneer hij mij kastijdt,
    Dan zie ik tranen in zijn oogen.

      Zou ik door ongehoorzaamheid
      Dan maken, dat mijn vader schreit;
    Zou ik hem zugten doen en klagen;
      Neen, als mijn jonkheid iet misdoet,
      Dan val ik aanstonds hem te voet,
    En zal aan God vergeving vragen.



ALEXIS


    Alexis heeft zijn zusjen lief,
    Wanneer ze in vrede leven;
    Hij noemt haar zelfs zijn hartedief,
    Als zij haar speelgoed hem wil geven.
    Maar als zij iet, dat hem behaagt,
    Voor haar, on meê te speelen, vraagt,
    Dan wordt die liefde ras verminderd;
    En als zij hem in 't doen van zijnen zin verhindert,
    Dan haat hij bijkans haar geheel.
    Ook is zij doorgaands hem te veel,
    Wanneer zij boven hem door iemand wordt geprezen.

        Een liefde, die zo ras verkoelt,
        Die slegts op eigen voordeel doelt.
        Zou dat wel regte liefde wezen?



DE WAARE RIJKDOM


    Geen geld bekore ons jong gemoed,
      Maar heiligheid en deugd.
    De wijsheid is het noodigst goed;
      Het sieraad van de jeugd.

    Wat is tog rijkdom? wat is eer?
      Een handvol nietig slijk.
    Gods vriend te wezen is veel meer;
      Die Jesus lieft, is rijk.

    Kom vallenwe onzen God te voet
      Om deugd en heiligheid:
    Zo wordt op aard ons jong gemoed
      Ten hemel voorbereid.

    Dan krijgen wij dien besten schat,
      Die nimmermeer vergaat.
    Dan loopen we op het deugdenpad,
      En schrikken voor het kwaad.



HET VROLIJK LEEREN.


    Mijn speelen is leeren, mijn leeren is speelen,
    En waarom zou mij dan het leeren verveelen?
      Het lezen en schrijven verschaft mij vermaak,
    Mijn hoepel, mijn priktol verruil ik voor boeken;
    Ik wil in mijn prenten mijn tijdverdrijf zoeken,
      't Is wijsheid, 't zijn deugden, naar welken ik haak.



HET MEDELIJDEN.


    Wie dat ik immer smart zie dragen,
      'k Heb ook gevoel daar van.
    Ik sluit mijn oor niet voor zijn klagen.
      Maar help hem als ik kan.

    Een mensch in droefheid optebeuren,
      Is zelfs voor kinders zoet.
    Die spotten kan met hen die treuren,
      Vertoont een slegt gemoed.

    Zou mij eens anders leet verblijden?
      Zou 'k lagchen in zijn smart?
    O neen, een edel medelijden
      Past aan mijn kinderhart.

    Ik wil dan met bedroefden klagen,
      Hen troosten in hun pijn.
    Eens anders last te helpen dragen,
      Zal mijn genoegen zijn.



DE NAARSTIGHEID.


    Des morgens lang te slapen,
    Te geeuwen en te gapen,
      Staat lelijk voor een kind.
    Die altoos veel moet snappen,
    En zotte taal wil klappen,
      Ziet zelden zig bemind.

    Zou ik mijn tijd besteden
    Aan duizend nietigheden?
      'k Heb daar geen voordeel van.
    Mijn lessen wil ik leeren,
    Mijn meesters zal ik eeren,
      Dan worde ik haast een man.



DE SPIEGEL.


    Die telkens in den spiegel ziet,
      En zig met schoonheid vleit;
    Beseft de waare schoonheid niet,
      Maar jaagt naar ijdelheid.

    Dit glas maakt trots, of geeft ons pijn;
      Wil 'k weeten, wie ik ben,
    Dan moet Gods woord de spiegel zijn,
      Waar ik mijn hart uit ken.



KLAGT VAN DEN KLEINEN WILLEM
OP DE DOOD VAN ZIJN ZUSJEN.


    Ach! mijn zusjen is gestorven,
      nog maar veertien maanden oud.
    'k Zag haar dood in 't kisje liggen:
      ach wat was mijn zusje koud!
    'k Riep haar toe: mijn lieve Mietje!
      Mietje! Mietje! maar voor niet.
    Ach! haar oogjes zijn gesloten;
      schreien moet ik van verdriet.
    Altoos wil ik om haar treuren,
      bloempjes strooien op haar graf;
    Weenend aan de kusjes denken,
      die mij 't lieve meisje gaf.
    Morgen zal ik--maar voor mij ook
      is 't gevaar  van sterven groot.
    Gistren liep zij met mij speelen;
      gistren nog! en nu--reeds dood!



HET GESCHENK.


    Moeder lief! zie daar een roosjen
                      Van uw Coosjen,
      Wijl gij heden jarig zijt.
    'k Heb van morgen al gezongen,
                      En gesprongen:
      Zo verlangde ik naar dien tijd.

    Maar kan ik geen rijmpjes digten,
                      Moet ik zwigten
      Voor mijn broêr in poëzij.
    Neem dan, moeder! slegts dit roosjen
                      Van uw Coosjen.
      'k Heb u tog zo lief als hij.



WELKOMGROET VAN CLAARTJE
VOOR HAAR KLEINE ZUSJE.


    Welkom lieve kleine zus!
      Welkom in dit leven!
    Baker! mag ik niet een kus
      Aan mijn zusje geven.

    Wilje slapen? o zij krijt!
      't Zal haar wis verveelen.
    Morgen, als gij wakker zijt,
      Zal ik met u speelen.

    Slaap gerust, dan wordt gij groot;
      Leer tog spoedig loopen!
    Als gij zit op moeders schoot,
      Zal zij speelgoed koopen.

    O! Mamatjen is zo goed!
      Alles wil zij geven,
    Als haar kindertjes maar zoet
      En te vrede leven.



DE LEDIGHEID.


    Nimmer moet ik ledig wezen;
      Alles doen met lust en vlijt.
    Bidden, leeren, schrijven, leezen,
      Spelen, werken heeft zijn tijd.

    Moeder lief kan 't ook niet veelen,
      Dat de tijd verwaarloosd wordt.
    Lui zijn, zegtze, is tijd te steelen,
      En ons leven is zo kort!



HET HONDJEN.


    Hoe dankbaar is mijn kleine hond
      Voor beentjes en wat brood!
    Hij kwispelstaart, hij loopt in 't rond,
      En springt op mijnen schoot.

    Mij geeft men vleesch en brood en wijn,
      En dikwijls lekkernij:
    Maar kan een beest zo dankbaar zijn,
      Wat wagt men niet van mij!



HET GEBROKEN GLAS.

EENE VERTELLING.


    Cornelis had een glas gebroken
                    Voor aan de straat.
    Schoon hij de stukken had verstoken,
                    Hij wist geen raad.
    Hij had een afschrik van te liegen.
                    Wijl God het ziet:
    En zou hij nu Mama bedriegen,
                    Dat kon hij niet.

    Hij stond onthutseld en bewogen,
                    De moeder komt:
    Zij ziet de tranen in zijn oogen,
                    Hij scheen verstomd.
    Heeft Keesje, zeize, wat bedreven?
                    Wat scheelt er aan?
    'k Heb zei hij, moeder lief! zo even
                    Weer kwaad gedaan.

    Terwijl ik bezig met paletten
                    Bij 't venster was.
    Vloog mijn _volan_, door 't fors raketten,
                    Daar in het glas.
    Maar als uw Keesje 't van zijn leven
                    Niet weder doet,
    Dan wilt gij 't immers hem vergeven,
                    Gij zijt zo goed!

    Kom Keesje lief! hou op met krijten,
                    Zei moeder toen:
    'k Wil u die misslag niet verwijten,
                    Hij kreeg een zoen.
    "Die altoos wil de waarheid spreken,
                    "Wordt wel beloond,
    "Die leugens zoekt voor zijn gebreken,
                    "Wordt nooit verschoond."



DE GODSDIENSTIGHEID.


    Als in de lieve lente
    De bloemen 't veld versieren,
    Dan pluk ik roozeknopjes,
    Viooltjes, maagdeliefjes,
    Citroenkruid en seringen.
    Dan zal ik kransjes vlegten,
    En dragen die ter eere
    Van God, die mij het leven
    En bloempjes heeft geschonken.
    Dan zinge ik: Hemelkoning!
    Gij doet viooltjes groeien,
    Met roosjes, maagdeliefjes,
    Citroenkruid en seringen,
    Met duizend duizend bloemen;
    Om uwe magt en liefde
    Aan kinderen te toonen.
    Hoe mooi staat mij dit kransjen!
    Ach laat mij niet vergeten
    Dat gij het hebt doen groeien!



DE HAAS.


    Kijk Pietje! kijk, een haas, ô die zo gauw kon loopen!
                  Neen, zei de slimme Piet,
              Wilt gij een haasjen zijn, ik niet:
    'k Wil liever langsaam gaan, dan 't met den dood bekoopen.

    Hij, die altoos wel te vreden
      Met vermogens die hij heeft
      Vergenoegd en dankbaar leeft,
    Kan zijn gaven wel besteden.
      Maar dat hij, die altoos kniest,
    En wat andren zijn wil wezen,
      Zelfs het geen hij heeft verliest,
    Heb ik meer dan eens gelezen.



EENE VERTELLING VAN DORISJE.


    Wij zaten laatst bij _Saartje_,
    Onze oude goede baker,
    Die sprookjes kan vertellen.
    Wij dronken chocolade,
    En deden honderd vragen.

      In 't einde zei ons _Saartje_:
    Wel nu, mijn hartediefjes!
    Gij kent de vier getijden,
    Wat houdt gij voor het beste?

      Toen zei mijn zusje _Mietje_,
    Die tijd is mij de liefste,
    Wanneer de boomen bloeien.
    Dan krijgt men mooie bloempjes,
    Om tuiltjes van te vlegten.
    Dan ziet men duizend vogels
    Op groene takjes zingen.
    Is dat niet in de lente?

      De winter, lieve _Saartje_!
    Zei _Pietjen_, is de beste.
    Dan hooren wij vertellen,
    En drinken chocolade,
    Of eeten dikke wafels.

      Neen ik verkies den zomer
    Zei _Keesje_, dan is 't kermis.
    Dan hoef ik niet te leeren.

      Maar ik zei, 't is het beste,
    Als meest de vrugten rijp zijn.
    Dan valt er braaf te knappen.
    Dan heeft men abricoozen,
    En pruimen, en morellen.
    En perzikken en peeren:
    En is dat niet in 't najaar?

      Hoort kinders, zeide _Saartje_,
    De winter moet de velden
    En tuinen vrugtbaar maken.
    Men moet de boomen snoeien;
    Den akker moet men mesten;
    Dat doet men in den winter.
    De boomen moeten bloeien,

    Om vrugten ons te geven;
    Dat doen zij in de lente.
    De vrugten moeten groeien;
    Dat doen zij in den zomer.
    Men moet de vrugten plukken;
    Dat doet men in het najaar.

      Dus moet gij, lieve kinders!
    In alle jaargetijden
    Gods wijze goedheid loven,
    En wel te vrede wezen.



JESUS.

een Zangstukje.


CLAARTJE _en_ JANTJE.

te samen.

    Jesus is een kindervriend!
    Onzer wil hij zig erbarmen.
    Hij nam kinders in zijn armen;
    Jesus is een kindervriend!

CLAARTJE alleen.

    Ach was Jesus nog op aarde!
    Aanstonds vloog ik naar hem heen.

JANTJE alleen.

    Ach was Jesus nog op aarde!
    'k Vloog met u naar Jesus heen.

te samen.

    Zoon van God! die eeuwig leeft!
    Hoor ons smeeken,
    En vergeeft
    Onze stoutheid en gebreken!
    Zoon van God! die eeuwig leeft!
    Zegen onze jeugd, en geeft,
    Dat wij dikwijls van U spreken!



DE DRIJFTOL


    Nooit loopt mijn drijftol zonder slagen;
      Want hou ik op, dan loopt hij niet.
    Ik heb in al dat slaan verdriet,
      En zal om ander speelgoed vragen.

      Maar is 't ook zo met Flipje niet?
    Ja; had ik nimmer slaag te vrezen,
    'k Zou zelden in mijn boeken lezen,
      En dat geeft vader ook verdriet.

    Foei dat ik van een tol moet leeren,
      Met vlijt te werken zonder dwang.
      'k Wil tot mijn straf, mijn levenlang
    Geen ander speelgoed gaan begeeren.



DE PRUIMEBOOM.

EENE VERTELLING.


    Jantje zag eens pruimen hangen,
      o! als eieren zo groot,
    't Scheen, dat Jantje wou gaan plukken,
      schoon zijn vader 't hem verbood.
    Hier is, zei hij, noch mijn vader,
      noch  de tuinman, die het ziet;
    Aan een boom,  zo vol geladen,
      mist men vijf zes pruimen niet.
    Maar ik wil gehoorzaam wezen,
      en niet plukken: ik loop heen.
    Zou  ik,  om een  hand vol pruimen,
      ongehoorzaam wezen? Neen.
    Voord ging Jantje: maar zijn vader,
      die hem stil beluisterd had,
    Kwam hem in het loopen tegen
      voor aan op het middelpad.
    Kom mijn Jantje, zei de vader,
      kom mijn kleine hartedief!
    Nu zal ik u pruimen plukken;
      nu heeft vader Jantje lief.
    Daar op  ging Papa aan 't schudden,
      Jantje raapte schielijk op;
    Jantje kreeg zijn hoed vol pruimen,
      en liep heen op een galop.



DE BEDELAAR.


    Die afgeleefde man, die bijkans nakend zit,
    En trillend van de kou, mij om een duitje bidt,
    Is even goed als ik. Gods wijsheid gaf alleen
    Mij wat meer geld dan hem. Ben ik dan beter?..Neen.
    Een vroom en eerlijk mensch draagt dikwijls slegte kleeren,
    Ik wil dan ook de deugd in arme menschen eeren,
                    Die met veragting op hem ziet,
                    Doet naar 't bevel van Jesus niet.



DE WAARE VRIENDSCHAP.


    Een vriend, die mij mijn feilen toont;
    Gestreng bestraft, en nooit verschoont,
    Heeft op mijn hart een groot vermogen;
    Maar 't laag gemoed, dat altoos vleit,
    Verdenk ik van baatzugtigheid,
    Ik kan zijn bijzijn niet gedogen.
    Die zelden prijst, spreekt vriendentaal.
    Die altoos vleit, liegt menigmaal.



                        VERVOLG
                          DER
                    KLEINE GEDIGTEN
                     VOOR KINDEREN,

                          VAN

              MR. HIERONIJMUS VAN ALPHEN.



                       TE UTREGT,
          BIJ DE WED. JAN VAN TERVEEN EN ZOON.

                      MDCCLXXVIII.



    Het zaad zal hem dienen.

                            DAVID.



VOORBERIGT.


Ik ben veel te gevoelig over het gunstig onthaal, dat
mijne _kleine gedigten voor kinderen_ bij mijne Landgenooten
gehad hebben, dan dat ik mijne blijdschap
en dankbaarheid, deswegens, niet openlijk betuigen
zou. De mondelijke en schriftelijke verklaringen van
het genoegen, door dezen mijnen geringen arbeid veroorzaakt,
hebben mij dikwijls sterk aangedaan; ja
dikwijls riep ik bij zulke gelegenheden uit:

    Tranen vloeien uit mijn oogen,
      Lieve kinders, als gij mij
      Vraagt om meerder poëzij.
    Ach! mijn hart, zo ligt bewogen,
      Zegent God, die eeuwig leeft,
      Dat hij mij die blijdschap geeft!

Het is derhalven geen traagheid, geen lusteloosheid
geweest, die mij het voordzetten van dezen arbeid zo
lang heeft doen verschuiven. Wat dan?--louter onvermogen,
mijne waarde Landgenooten! Ik kan, als
digter vooral, niet werken wanneer ik wil; en zo dra
ik mij zelf dwingen moet, valt alles kwalijk uit. Ik
heb dan gewagt, tot dat ik weder in die gesteldheid
geraakte, in welke ik mijne eersten vervaardigd heb;
en het is de vrugt van die uuren, welke ik nu wederom
aan onze kinderen aanbiede; in hoop dat dezelven
even zo mogen behagen als de eersten.

Ik had lang mijne gedagten laten gaan, en zelfs eenige
middelen aangewend, om eenige kunstplaatjes
bij deze kinderversjes te voegen, toen mij de Hr.
ALLART, _Boekhandelaar te Amsterdam_, eenen weg
aanwees, om daar in tot mijn genoegen te slagen. De
plaatjes zullen, onder mijn opzigt, door den Kunstschilder
J. BUYS geteekend, en door de Heeren PUNT
en VAN DER MEER gegraveerd worden; van welker
bekwaamheid men eene proeve zien kan in de fraaie
plaatjes voor Gellerts fabelen; welke plaatjes men, zo
wel als die fabelen, aan onze Nederlandsche jeugd niet
genoeg kan aanbeveelen.

Deze plaatjes zullen, zo laag mogelijk, gesteld worden,
en de versjes egter afzonderlijk te bekomen zijn.
Zij egter, die zig van de eersten en beste afdrukken
voorzien willen, gelieven, bij hunne Boekverkopers,
of bij J. ALLART, te _Amsterdam_, of bij de WED.
J. V. TERVEEN EN ZOON _alhier_, hunne namen optegeven;
zullende de eerste afdrukken aan dezulken, zo
dra mogelijk, worden afgeleverd.

Vaartwel mijne Landgenooten! en weest verzekerd,
dat het mij altoos een gevoelig genoegen zal zijn,
iets tot nut of vermaak van u of uwe kinderen te
kunnen toebrengen.

Ik moet hier nog bijvoegen, dat er redenen
zijn, die mij noodzaken, om geene exemplaren voor
egt te erkennen, dan die door de drukkers dezes
eigenhandig dus onderteekend zijn,



LOTJE EN KEESJE.


KEESJE.

    Zeg me zoete lieve _Lotje_!
      wat is de oorzaak, datge schreit:
    Hebtge uw beugeltas verloren,
      of gebroken, lieve meid?

LOTJE.

    Zou 'k niet schreien, waarde _Keesje_!
      moeder lief was niet voldaan
    Met mijn naaiwerk o! zij zag mij
      met verdriet en droefheid aan.
    Ja zij wilde mij niet kussen,
      zo als ze anders altijd doet.
    Foei mij! ach! dat zulk een moeder
      om mijn stoutheid treuren moet.

KEESJE.

    Wat kan 't baten, dat gij eenzaam
      in een hoekje zit, en klaagt.
    Ga, zij zal het u vergeven,
      als gij om verschoning vraagt.

LOTJE.

    Zult gij dan mijn voorspraak wezen,
      mij geleiden:

KEESJE.

                        ja gewis:
    Zou ik niet voor _Lotje_ spreken,
      die mijn liefste zusjen is.
    Maar gij hebt geen voorspraak noodig,
      als gij moeder valt te voet,
    Zal zij 't zeker u vergeven,
      Moeder, weet gij, is zo goed.
    Gistren las zij voor ons beide,
      dat ook God de schuld vergeeft:
    'k Weet, zij zal u wis verschoonen,
      daar zij zulk een voorbeeld heeft.



DE GEZONDHEID.


    Gezondheid is een groote schat
      Om vergenoegd te leven.
    Ofschoon ik groten rijkdom had,
      Wat voordeel zou het geven,
    Zo ik, doorknaagd van angst en pijn,
    Mij zelven tot een last moest zijn.

    Maar zou ik dan mijn Vaders raad
      Niet ijverig betragten?
    En gulzigheid en overdaad
      Niet mijden en veragten?
    Die nooit genoeg heeft voor zijn mond,
    Leeft zelden vrolijk en gezond.



KLAARTJE en KEETJE.


KLAARTJE.

    Altoos werken, altoos lezen,
    Dat moet wel verdrietig wezen:
      Is het daarom dat men leeft?
    Lustig Keetje! nu aan 't spelen;
    Ach! de tijd moet u verveelen
      Dien gij aan uw meesters geeft.

KEETJE.

    Nooit te werken, nooit te lezen,
    Altoos in den tuin te wezen,
      Is het daarom dat men leeft?
    Klaartje lief, hou op met spelen;
    Ach! de tijd moet u verveelen,
      Dien gij aan uw poppen geeft.

KLAARTJE.

    Somtijds spelen, somtijds lezen,
    Dat zal wel het beste wezen,
      Keetje lief! kom speel met mij.

KEETJE.

    't Zal dan zeker u verveelen,
    Op te houden van het spelen:
      Leer nu eerst, dan spelen wij.

    Ter nauwer nood had Keetje dit gezegd,
    Of Klaartje had, beschaamd, haar poppen weggelegd.



HET GEVONDEN LIEDJEN.


    'k Vond daar even dit papiertjen,
      'k hoop dat ik het lezen kan.
    Boven staat er op geschreven:
      Hoe!.....

                   DE VERGENOEGDE MAN.

    Kom kinders zet u bij mij neêr.
      'k Zal u een liedjen geven.
    De vergenoegdheid is veel meer
      Dan schatten in dit leven.

    Al heb ik weinig, 'k heb genoeg;
      Zou ik een man benijden,
    Die altoos mooie kleeren droeg,
      Maar zwaare pijn moest lijden.

    Het werken houdt mij steeds gezond
      En vlug van lijf en leden.
    'k Word wakker in den morgenstond
      Verkwikt en wel te vreden.

    De honger, dien ik zelden mis,
      Doet mij veel grager eeten,
    Dan of ik aan een konings disch,
      Was dag aan dag gezeten.

    'k Heb dikwijls water uit een bron
      Met meerder smaak gedronken,
    Dan ooit de wijn mij geven kon,
      Bij bekers ingeschonken.

    En is de dag voorbijgegaan,
      Zie ik den avond rijzen,
    Dan hef ik eens een liedjen aan
      Om mijnen God te prijzen.

    Nu lieve kinders, leeft als ik,
      Verblijdt u in Gods zegen!
    Zeg dankend ieder oogenblik,
      Wat heb ik veel gekregen!

    Welk een lief en aartig liedjen!
    Hoe behaagt en treft het mij.
    Mogt ik leeren zo te leven,
    Vergenoegde man! als gij.



DE GOEDE EERZUGT.

EENE KLAGT VAN DAANTJE.


    Ach mij! ik ben verdrietig,
    Ik heb den prijs verloren,
    Dien vader lief beloofd had,
    Aan hem, die 't beste leerde.
    Dat boek met mooie prentjes,
    Met groene zijde lintjes,
    Waar naar ik zo verlangde,
    Heeft Jantje nu gekregen;
    Om dat hij 't best kon schrijven,
    En 't vlugst was in het lezen.
    Ja op de kaarten kon hij
    De landen en rivieren,
    De zeeën en de steden,
    Het gauwst van allen vinden.

      Maar zou ik hem benijden,
    En nu nog minder leeren?
    Neen, 'k wil zijn gaven prijzen,
    En hem te meer beminnen.
    Maar tevens zal ik tragten,
    Den eereprijs te winnen,
    Dien Vader weer beloofd heeft.
    'k Wil dan wat minder spelen,
    Ik wil wat korter slapen,
    En groter vlijt besteden
    In 't horen naar de lessen,
    Die mij mijn meesters geven.
    Door al te veel te spelen,
    Door al te lang te slapen,
    Door telkens rond te kijken,
    Wanneer ik op moest letten,
    Heb ik den prijs verloren.

      Dat boek met mooie prentjes,
    Met groene zijden lintjes
    Heeft Jantje dat gekregen!
    Ik kan het niet vergeten,
    Maar 't zal niet weer gebeuren.



DE KLEPPERMAN.


    Zou ik voor den klepper vreezen,
      o! Die lieve brave man
    Maakt, dat ik gerust kan wezen,
      En ook veilig slapen kan.
      Moeder lief! 'k geloof het vast,
      Dat hij op de dieven past.

    Schoon hij loopt door wind en regen,
      't Zingen wordt hij nimmer moe:
    Goede God! geef hem uw zegen,
      Maar mijne oogjens vallen toe.
      Lieve klepper! hou de wagt
      Ik ga slapen: goede nagt!



KLAASJE EN PIETJE.


KLAASJE.

    Pietje, zo gij niet wilt deugen,
      Dan verschijnt de zwarte man.

PIETJE.

    Klaasje foei, dat is een leugen!
      Laat hem komen, als hij kan.
      Die aan zulk een man gelooft,
      Is van zijn verstand beroofd.



WINTERZANG.


    'k Zie de geele bladers vallen,
      met den zomer is 't gedaan:
    En 't gehuil van sneeuw en regen
      kondigt ons den winter aan.
    Ach! hoe trillen mij de leden,
      'k Loop naar 't hoekjen van den haart;
    Vader zegt: in zulk een koude
      dient er hout noch turf gespaard.
    o Wij hebben zo veel voorraad
      voor den schralen wintertijd;
    Daar men mij met warme kleeren
      voor den strengen vorst bevrijdt.
    Winterpeeren, kool, en appels
      boter, vlees, ja wat niet al,
    Ligt er reeds in onze kelder,
      dat ons lekker smaken zal.
    Mogt ik nu maar dankbaar wezen,
      over mijn gelukkig lot;
    Ja ik wil gehoorzaam leven,
      en u danken, goede God!
    Ja ik wil gedurig denken,
      als de koude mij verdriet,
    Ach! hoe menig duizend menschen
      hebben zo veel voorraad niet.
    Ja ik wil dan wat besparen,
      en wat van  mijn overvloed
    Aan een arrem kindje geven,
      dat van honger schreien moet.



GODS GOEDHEID.


    God is goed, daar valt de regen
      Op het uitgedroogde land:
    Vader bad om zulk een zegen,
                  Zonder regen,
      Zegt hij, groeit geen kruid noch plant.

    Lieve droppels valt op de aarde!
      Valt in grooten overvloed,
    't Goud is niet van zulk een waarde
                  Voor onze aarde.
      God verhoort ons: God is goed!



GODS WIJSHEID.


    God is wijs, die malsche regen
      Houdt nu op: het dorre gras
    Heeft weer zo veel vogt gekregen,
      Als voor 't groeien noodig was.

    Viel er al te zware regen,
      Zag men nimmer zonneschijn,
    Dan zou 't langer niet tot zegen,
      Maar tot schade voor ons zijn.

    God is wijs, die malsche regen
      Houdt weer op: de dorre grond
    Heeft nu zo veel vogt gekregen,
      Als Gods wijsheid noodig vond.



DE EDELMOEDIGE WEDERVERGELDING


    Zou ik dan mijn zusje kwellen
      Om dat zij me niet bemint?
    Zou ik kwaad van haar vertellen?
      Neen ik denk: zij is een kind!

    'k Zal haar van mijn lekkers geven.
      Dan wat druiven, dan een peer,
    Dan een hazelnoot zes zeven,
      En wanneer zij wil, nog meer.

    'k Zal haar hart door liefde winnen,
      Ze is tog geen kwaadaartig kind;
    Zo lang zal ik haar beminnen,
      Tot ze in 't eind mij ook bemint.



HET ZIEKE KIND.


    Mijn hoofdjen! ach! het doet zo zeer!
      Het schijnt van een gespleten;
    Geen hobbelpaard vermaakt mij meer;
    En schoon men vraagt, wat ik begeer
      Ik walg van 't lekkerste eeten.

    Al ligt geen kind zo zagt als ik,
      De rust is mij benomen.
    En slaap ik eens één oogenblik,
    Dan worde ik wakker met een schrik
      Door 't akelige droomen.

    Nu worde ik eerst, door 't geen ik mis,
      Tot dankbaarheid gedreven:
    Nu voel ik, maar met droefenis,
    Hoe veel men Gode schuldig is,
      Als men gezond mag leven.

    Maar o! die God is altoos goed;
      Ik wil nu dankbaar wezen,
    En schoon ik pijnen lijden moet,
    Geduldig zeggen: God is goed!
      Hij kan mij weer genezen.



HET GOEDE VOORBEELD.


    Vader leeft met onze moeder
      altoos vergenoegd en blij,
    o Hoe lieven zij elkander,
      nimmer knorren zij als wij.

    Toont er een iets te verlangen,
      dan zegt de ander: dat is goed!
    Moeder is het best te vreden,
      als zij iets voor vader doet.

    Vader poogt altoos te weten
      wat de wensch van moeder is;
    En het geen haar mogt verveelen,
      geeft aan vader droefenis.

    Vader gaf de beste perzik
      laatst aan moeder met een zoen;
    Hij wou zelf er niet van eeten:
      Klaartje, zouden wij dit doen?

    Liefste zusje, liefste broertjes
      o het strekt ons tot verwijt,
    Dat wij dikwijls zo krakkeelen;
      ach gij weet niet hoe 't mij spijt.

    Komt, mijn liefjes, laat ons leven
      tot elkanders nut en vreugd!
    Laat ons pogen na te volgen
      vaders liefde en moeders deugd.

    Daar alleen kan liefde woonen,
      daar alleen is 't leven zoet,
    Waar men, blij en ongedwongen,
      voor elkander alles doet.



PIETJE EN KEETJE.


PIETJE.

    Kom mijn lieve zoete zusje,
          Geef me een kusje,
      o Ik ben zo in mijn schik!
    'k Heb van moeder zo vernomen,
    Dat _Camie_ van 't school zal komen,
      Niemand is zo blij als ik.

KEETJE.

    Laat ons dan eens wat bedenken,
          Om te schenken
      Aan die allerliefste meid.
    Als wij haar maar wat vertellen,
    En geen daden dat verzellen
      Is 't geen regte vrolijkheid.

PIETJE.

    Wel: ik heb vier mooie printjes,

KEETJE.

          Ik twee lintjes,
      Goed voor haar, gelijk ik gis.

PIETJE.

    't Zal haar, hoe gering, behagen,
    Wijl zij dan niet hoeft te vragen,
      Of 't bij ons maar praaten is.

HET GEDULD.

    Geduld is zulk een schoone zaak
    Om in een moeielijke taak
      Zijn oogwit uittevoeren;
    Dit zag ik laatst in onze kat,
    Die uuren lang gedoken zat,
      Om op een rat te loeren.
    Zij ging niet heen voor zij de rat,
    Gevangen, in haar klauwen had.



EEN GODSDIENSTIGE JEUGD
MAAKT EEN GELUKKIGEN
OUDERDOM.


      Die in zijn jeugd
      het pad der deugd
    Heeft ingeslagen,
      En 't goede doet,
      Wagt welgemoed
    Zijne oude dagen.

      Maar die zijn tijd
      Onnut verslijt,
    Zijn frissche kragten
      Der zonde geeft,
      Moet, afgeleefd,
    Verdriet verwagten.

      Laat dan, o jeugd!
      Het pad der deugd,
    U vroeg behagen,
      Dan slijt ge blij,
      Van wroeging vrij
    Uwe oude dagen.

      Al zijtge een spot
      Van hun, die God
    Te stout veragten,
      Gij hebt veel meer
      Dan geld of eer
    Van hem te wagten.

      Die God bemint
      Die wordt zijn kind;
    En moet hij sterven,
      't Zij vroeg of spaê,
      Hij zal genaê
    Bij God verwerven.



DE KOOLMEES.


    Mijn knip had in den boom een uurtje pas gehangen,
          Of deze koolmees zat er in.
    Toen zei ik bij mij zelf: wat zal ik vogels vangen!
          Dat heet eerst regt een goed begin!

      Maar ach! het zijn wel zeven dagen,
      Ik zag in al die tijd geen vink of koolmees weer,
      Nu ben ik heel ter neer geslagen,
      Nu zeg ik bij mij zelf: er zijn geen vogels meer.

        Die al te groote dingen wagt,
      Om dat hem in 't begin zijn pogingen gelukken,
        Is even dwaas, als die tot wanhoop wordt gebragt,
      Om dat hij voor een tijd voor tegenspoed moet bukken.



PIETJE BIJ HET ZIEKBED VAN ZIJN ZUSJEN.


    Ach dat kermen, ach dat klagen
    Kan mijn teder hart niet dragen,
      Mietje lief ik voel uw pijn!
    'k Zou gewillig voor u lijden,
    Kon het u van smart bevrijden,
      Of maar tot verligting zijn.

    Doch 't is boven mijn vermogen;
    Maar ik buig, met weenende oogen,
      Biddend mijne knietjes neer.
    "Laat mijn bede u niet mishagen
    "Goede Jesus! hoor mijn klagen,
      "En herstel mijn zusje weer.

    "Laat haar 't leven tog niet derven,
    "Ach mijn moeder zou 't besterven,
      "Vader daalde wis in 't graf.
    "Lieve God! waar bleef tog Pietje,
    "Naamt gij met mijn zusje Mietje
      "Ook mijne ouders van mij af."



HET VERHOORDE GEBED.


    Mijn zusjen is gezond. God hoorde mijn gebed!
    En heeft tot onze vreugd mijn zusje lief gered.
    Wat zal mijn dankbaar hart dien goeden God vergelden?
    Zo groot een God wil die gedankt zijn van een kind?
    Ja! Vader zegt, dat God daar in behagen vindt,
    Dies zal ik zijnen lof, al ben ik jong, vermelden.



HET TEDERHARTIGE KIND.


    Zou ik niet mijn moeder eeren,
      Ach wat doetze niet voor mij?
    Wat mij nut is, mag ik leeren;
      Ben ik vrolijk, zij is blij.

    Ben ik ziek, ik hoor haar klagen;
      En wanneer zij bij mij zit
    Met het oog om hoog geslagen,
      Dan geloof ik, dat zij bidt.

    Ja dan bidt zij, dat ik spoedig
      Mag bevrijd zijn van mijn smart;
    Worde ik beter, hoe blijmoedig
      En hoe dankbaar is haar hart.

    Ik zal altoos haar beminnen,
      Altoos doen, dat haar behaagt.
    Nimmer wil ik iets beginnen,
      Daar mijn moeder over klaagt.

    'k Zal haar naam met eerbied noemen,
      Als zij neerdaalt in het graf.
    En Gods goedheid altoos roemen,
      Die mij zulk een moeder gaf.

    Goede God! ach laat haar leven
      Tot mijn voordeel, tot mijn vreugd,
    Welk een droefheid zou 't mij geven,
      Haar te missen in mijn jeugd.



DE ONBEDAGTSAAMHEID.


    Zie Keesje! deze doode mug
    Vloog nog zo even blij en vlug,
    Maar 't is door onbedagtsaamheid,
    Dat hij nu dood op tafel leit.

      Hij had in 't kaarslicht zulk een zin,
    En vloog er onvoorzigtig in.
    Nu ligt hij daar; maar 't is te laat;
    Er is voor 't mugje nu geen raad.
    Hij werd bedrogen door den schijn.
    O! laat ons dit tot leering zijn,
    Dat, eer men iets gewigtigs doet,
    Men zig wat lang bedenken moet.
    Eén uur van onbedagtsaamheid
    Kan maken dat men weeken schreit.



DE VOGEL OP DE KRUK.


    Het zijn pas zes of zeven dagen,
    Dat ik dit cijsje kogt van Klaas den vogelman;
    En schoon ik in het eerst mijn moeite moest beklagen,
    Nu is er nergens geen, die beter vliegen kan.

    Wat zou ik vorderingen maken,
    Als ik zo leerzaam was als hij!
    Maar 'k zou wel haast aan 't schreien raken,
    Mijn vogel, ach! veroordeelt mij.

    k' Wil dan voordaan mij zo gedragen,
    Dat, eer ik mij tot speelen schik,
    Ik zonder vrees mij af kan vragen:
    Wie leert er beter, hij of ik?



                     TWEEDE VERVOLG
                          DER
                    KLEINE GEDIGTEN
                     VOOR KINDEREN.

                          VAN

               MR. HIERONIJMUS VAN ALPHEN



                       TE UTREGT,
         BIJ DE  WED. JAN VAN TERVEEN EN ZOON.

                      MDCCLXXXII.



AAN MIJN KLEINE LEZERS.


    Zegt tog niet, mijn lieve wigtjes!
      Dat _van Alphen_ u vergeet;
    'k Heb, om u nog iets te geven,
      Eenige uurtjes weêr besteed.
    Mooglijk is 't de laatste bundel;
      Hoort! gij hebt er ook genoeg.
    't Is in 't aantal niet gelegen;
      En voor grooter is 't wat vroeg.

    Weinig, wel, en dikwijls lezen
      Leert het best, in uwen tijd:
    Grooter boeken zultge krijgen,
      Als gij ook wat grooter zijt.



JANTJE EN HET KONIJN.


    Daar zie ik een konijn!
    Wat zou 'k gelukkig zijn,
    Had ik het, om er meê in onzen tuin te loopen,
    Zei Jan: maar schoon 'k mijn geld
    Al driemaal heb geteld,
    Ik heb te weinig om dat lieve dier te koopen;
    En schoon mij dit aan 't harte gaat,
    Ik weet geen raad!....

    Wel! laat u dit geval dan leeren,
    Mijn lieve Jan!
    Dat een verstandig kind geen dingen moet begeeren,
    Die hij te voren weet, dat hij niet krijgen kan.



DE ZINGENDE WILLEM.

MORGENLIED.


    Bij 't opgaan van de zon
    Zat Willem aan een bron,
    Van goeder hart, te zingen;
    Hij had den afgelopen nagt
    Verkwikkend doorgebragt;
    En kon zig langer niet bedwingen.
    God, riep hij, is zo goed,
    Dat ik hem loven moet!

    Magtige Schepper! u heb ik te danken,
      Dat ik ontwaakte gezond en verheugd.
    Wijze Bestierder! 'k heb Jesus te danken,
      Dat ik u kenne in het eerst van mijn jeugd.

    Prijst u de morgen, ik zal u ook eeren,
      Dat gij mij gunstig in 't leven bewaart;
    Prijst u de morgen, ach mogtze mij leeren,
      Heilig en dankbaar te leven op aard.

    Naarstig, gehoorzaam, en vrolijk te wezen,
      Is me tot voordeel en 't is uw gebod.
    Vriendlijke Schepper! wie zou u niet vreezen!
      Wie u niet eeren, almagtige God!

    Van u alleen moet ik alles verwagten;
      Wie is als gij algenoegsaam en mild.
    'k Wil dan van daag uwe wetten betragten;
      Daar gij ook kinderen zegenen wilt.



DE KLEINE ZANGSTER.

AVONDLIED.


    Het licht der zon
    Begon
    Alreê te kwijnen;
    De maan
    Ving aan
    Zo schoon als ooit te schijnen;
    Toen lieve Cris,
    Een meid, naar 'k gis,
    Van agt of negen jaren,
    Haar kleine citer nam,
    En hupplend bij mij kwam;
    Zij paarde lagchend stem en snaren;
    En zong het vrolijk avondlied,
    Dat gij hier uitgeschreven ziet.

        De zon moog haar stralen
        In 't westen doen dalen,
          Dit geeft mij geen smart:
        God heeft ook geschapen
        Den nagt om te slapen,
          Dies looft Hem mijn hart.

    Hoe donker 't mag wezen,
    'k Behoef niet te vreezen
      In 't holst van den nagt.
    God zal voor mij zorgen,
    Tot dat mij de morgen
      Weêr vrolijk verwagt.

    Geen leed zal mij naken:
    God wil mij bewaken,
      Al ben ik een kind.
    God toont, door mij 't leven
    En voedsel te geven,
      Hoe Hij me bemint.

    Het starrengeflonker
    Vervrolijkt het donker;
      De lichtende maan
    Begint op de weiden
    Haar glanssen te spreiden,
      En speelt door de blaên.

    Al ziet men geen kleuren,
    Men wordt tog door geuren
      Verkwikt waar men gaat,
    'k Hoor zelfs in seringen
    Den nagtegaal zingen,
      En 't kwarteltje slaat.

    Mag ik u verhoogen,
    Dan sluit ik mijne oogen
      Gerust, o mijn God!
    U eere te geven,
    En dankbaar te leven,
      Is 't zaligste lot.



DE VERKEERDE VREES.


    Keesje zag eens Joden loopen,
    Om _wat ouds! wat ouds!_ te koopen:
      Hij werd bang, ja bleek van schrik;
    Hij kroop weg, en ging aan 't huilen.
    Pietje spotte met dat schuilen;
      En zei lagchend: doe als ik!

    Kees zei: zoudt gij niet ontstellen,
    Als gij hun eens aan zaagt bellen?
      Neen ik tog, zei Pietje toen:
    Waarom zou ik altoos vreezen?
    Men behoeft slegts bang te weezen,
      Als men voorneemt kwaad te doen.



DE LIEFDE TOT HET VADERLAND.


    Al ben ik maar een kind,
    Tog wordt mijn Vaderland van mij op 't hoogst bemind;
    Ik werd er in geboren;
    Ik heb er drank en spijs;
    Ik mag er 't onderwijs
    Van wijze meesters hooren.
    Ik heb er ouders, vrienden in,
    Die ik met al mijn hart bemin;
    Ik kan er veilig woonen;
    Dies zal ik dankbaar mij betoonen;
    En, worde ik eens een man,
    Zo nuttig zijn voor 't land, als ik maar wezen kan.



DE VEGTENDE JONGENS.


GIJSJE.

        Laat ons dezen twist beslegten,
        Door eens moedig saam te vegten!

KLAASJE.

        'k Wil niet; 'k heb geen lust in slaan;
        Maar laat ons naar Vader gaan;
        'k Wil u niet verongelijken;
        Vader mag het vonnis strijken.

GIJSJE.

        Laffe jongen, zonder moed!

KLAASJE.

        O! bedenk eerst watge doet.

GIJSJE.

        'k Vat u aanstonds bij de kleêren:

KLAASJE.

        Wagt u, 'k zou mij dan verweeren;
        'k Ben zo min bevreesd als gij.

GIJSJE.

        Is dat waar, kom dan ter zij!

KLAASJE.

        Neen: daar zal ik mij voor wagten;
        Maar uw dreigen _hier_ veragten.
        Ha! geen dwaasheid is zo groot,
        Dan te vegten zonder nood.

    Hier werden zij gestoord.
    Papa lief had het juist gehoord.
    Hij die een krijgsman was, en dikwijls in zijn leven
    Van zijn beleid en moed veel proeven had gegeven,
    Zei: 't is de beste held; hij heeft den grootsten moed;
    Die dapper vegten kan, maar 't nooit onnoodig doet.



HET ONWEDER.


        Hoe schoon schiet daar de bliksem neêr!
                  Hoe statig rolt de donder!
    De wolken pakken saam, of drijven heen en weêr;
    Terwijl ik in dat al, gedugte Hemelheer!
                  Uw Majesteit bewonder.

        Nu is 't voorbij: een frissche lugt
    Omringt mij, waar ik ga, en doet de vogels zingen.
    Ik zie een nieuwen glans op boom en veld en vrugt;
                Maar, eeuwig God! gij blijft gedugt,
                  Zelfs in uw zegeningen.

    Wat zie ik, Caatje! hoe, gij beeft?
        Ach wilt daar nooit voor vreezen!
    't Is een geschenk, dat God ons geeft,
    En daarom, lieve meid, moest Caatje dankbaar wezen.



CLAARTJE

BIJ DE SCHILDERIJ VAN HARE
OVERLEDENE MOEDER.



    Wanneer ik neêrgezeten
    Bedaard het beeld aanschouwe
    Van mijne lieve moeder,
    Dan rollen mij de tranen
    Gestadig langs de wangen.
    Dat lief en lagchend wezen,
    Waar godvrugt en opregtheid
    Bevalligheid en blijdschap
    Zo klaar op is te lezen,
    Doet mij dan bitter schreien,
    Om dat ik haar moet missen;
    Ik--nog geen negen jaren.
    Wat heb ik niet al uurtjes
    Met nut bij haar gezeten,
    Wanneer zij mij, al spelend,
    Het een en ander leerde.
    Maar 't zal mij altoos heugen,
    Hoe zij mij bij haar sterven
    Voor 't laatst nog eens omhelsde.

      Ik kan er niet aan denken,
      En 'k doe het tog zo gaarne.

    Toen zeize: "lieve Claartje!
    "Uw moeder zal haast sterven,
    "En van deze aarde scheiden,
    "Om in den blijden Hemel
    "Bij de engelen te woonen;
    "Hoor dan mijn laatste woorden,
    "En geef mij 't laatste kusje.

      "Eert God, bemin uw vader!
    "Groei op in deugd en wijsheid!
    "En wiltge vrolijk leven,
    "Leer vroeg de zonden haten.
    "Maar hebt ge eens kwaad bedreven,
    "Dan moetge 't gul belijden;
    "En God om Jesus wille
    "Zal u vergeving schenken.
    "Maar zietge dan, mijn Claartje!
    "Op aarde mij niet weder,
    "Zie dikwijls naar den hemel,
    "En zeg--daar woont mijn moeder.
    "Ach, zag ik na uw sterven
    "Mijn kind ook daar verschijnen,
    "Hoe zou ik mij verblijden,
    "En God eerbiedig danken.
    "Voor u, mijn lieve Claartje!
    "Is ook de hemel open.

      "Maar ach; mijn lieve meisje!
    "Ik voel den dood genaken,
    "En kan niet langer spreken.
    "Vaarwel, vaarwel dan, Claartje!
    "Daar hebtge 't laatste kusje!"

      'k Ging schreiend naar beneden;
    En 't duurde weinige uuren,
    Of moeder was gestorven.

      Wanneer ik nu, gezeten
    Bij 't beeld van mijne moeder,
    Aan haren dood gedenke,
    Dan rollen mij gestadig
    De tranen langs de wangen.
    Dan zie ik naar den hemel,
    De woonplaats mijner moeder;
    Dan roep ik, bitter schreiend,
    o God, hebt gij die moeder
    Aan mij zo vroeg ontnomen,
    U mag ik niet berispen,
    Hoe zeer ik haar betreure;
    Neen, gij zijt wijs en heilig,
    Mag ik u maar beminnen,
    Mijn lieven Vader eeren,
    En moeders lessen volgen,
    Dan zal ik bij mijn sterven
    Bij U en moeder komen.
    Wat zal dat zalig wezen!



DE VERWELKTE ROOS.


    Waarom verwelkt de roos zo ras?
    Zei Jantjen: och of 't anders was!
    God wierd ook, dunktme, meer geprezen
    Zoo 't roosje langer bleef in wezen.

    Al denktge, datge 't wel doorziet,
    Mijn lieve Jan! het is zo niet.
    De Schepper weet het best van allen,
    Waarom 't zo schielijk af moet vallen;
    En wil ook, datge gadeslaat,
    Hoe ras het aardsche schoon vergaat.
    De Schepper, dien 't ons past te vreezen
    Wordt door bedillen nooit geprezen.



MIETJE BIJ
HET CLAVECIMBAAL.


    Die liefelijke toonen
      Behagen mij alrêe;
    Al heb ik weinig jaren,
      Ik zing zo graag eens meê.
    Wanneer mijn oudste broêrtjen
      Op 't clavecimbaal speelt,
    Dan vraagt hij mij, al spottend,
      Of 't mij niet ras verveelt?
    Dan zeg ik, lieve jongen!
      o Speel tog lang voor mij!
    Mogt ik het ook maar leeren,
      Ik deed mijn best als gij.
    Eergistren was ik jarig,
      En moeder vroeg mij toen,
    Wat ik van haar begeerde;
      Ik gaf haar eerst een zoen,
    En zei: mijn lief mamaatje!
      Bewijs mij deze gunst,
    Dat ik mag leeren speelen,
      En zingen naar de kunst.
    Zij nam mij in haar armen,
      En zei: in 't nieuwejaar.
    Nu brande ik van verlangen,
      Ach kwam de meester maar.

    De jeugd spant zig met speelen
      En zingen nuttig uit,
    En is men moê van 't leeren,
      Dan geeft dit lief geluid
    Weêr nieuwen lust en kragten;
      Zo leeft men blij en zoet;
    En schuwt met vreugd gezelschap,
      Dat dikwijls doolen doet.



HET VERSTANDIG ANTWOORD.


    Gij vraagt mij, waarom ik aan God gehoorzaam ben:
    't Is daarom, dat ik Hem als wijs en goed erken.
    Hij heeft aan ons zijn wet uit liefde alleen gegeven,
    Op dat wij vergenoegd en vrolijk zouden leven;
    En al wat ons die wet verbiedt,
    Is, hoe't ook schijnen mag, ten onzen voordeel niet,
    Wil iemand dan gelukkig wezen,
    Die leer gehoorzaam God te vreezen.



HET GEWETEN.


    Nooit heb ik meer vermaak, dan als ik mijnen pligt
                  Blijmoedig heb verrigt.
    Dan smaakt het eeten best; dan kan ik vrolijk springen;
                  En blijde liedjes zingen;
    Maar ben ik traag of stout, dan ben ik niet gerust;
                  Dan heb ik geenen lust
    In spijs, in drank, of spel; dan wordt mij door 't geweten
                  Geduuriglijk verweten,
    Dat ik een slegtaart ben, en dat ik nooit een man,
                  Zoo doende, worden kan.



EEN BRIEF VAN CAREL
AAN ZIJN ZUSJE CAATJE.


    Zusje lief! ik laat u weten,
      Dat ik, sedert uw vertrek,
    In mijn kamer heb gezeten,
      Meid lief! met een stijve nek.
    'k Dagt, ik zal u tog eens schrijven,
      Want het weder is zo guur,
    Dat ik steeds in huis moet blijven,
      En dat smaakt niet op den duur,
    'k Heb met u vrij wat te praten;
      Dikwijls denk ik, wasze hier!
    Maar dat denken kan niet baten,
      Daarom praat ik op 't papier.
    Schrijven, moet men, zegt Papaatje,
      Even zo, als of men praat;
    Daarom zal ik, lieve Caatje,
      U vertellen, hoe 't mij gaat.
    'k Was eerst knorrig, dat Clorinde
      U van huis en met zig nam;
    'k Was wel blij, datze u beminde,
      Maar wat doetze te Amsterdam,
    Zei ik--wasze hier gebleven;
      'k Had haar graag mijn beste prent
    Voor een nieuwejaar gegeven;
      O wij zijn zo saam gewend.
    Maar wat hielp tog al dat klagen,
      Caatje zus was heen gegaan:
    'k Wende dies, in weinig dagen,
      Schoon uit nood, daar langsaam aan.
    Daarop, door me in 't zweet te loopen,
      Heb ik zware kou gevat;
    'k Moest dat speelen duur bekopen,
      Ach, wat heb ik pijn gehad:
    'k Mogt dan dit, dan dat niet eeten;
      'k Sliep ook somtijds niet van pijn;
    En ik wou geduurig weeten,
      Of het haast gedaan zou zijn.
    'k Had geen lust in lezen, schrijven,
      Ja zelfs in mijn prenten niet;
    En zo lang in 't bed te blijven
      Gaf mij telkens veel verdriet.
    Vader wilde mij vermaken;
      Moeder lief deed, watze kon;
    Maar zij moesten 't schielijk staken,
      'k Was 't al moede eer ik begon,
    'k Vreesde dat het nooit zou lukken,
      En wanneer ik ledig zat,
    Kreeg ik bijster kwade nukken,
      Wijl ik geen geduld meer had.
    'k Zei in 't eind--dat ledig wezen
      Kan tog nooit voordeelig zijn.
    'k Nam een boek; ik ging wat lezen;
      En ik voelde minder pijn.
    Ook begon ik wat te schrijven,
      En wanneer ik prenten zag,
    Kon ik op mijn kamer blijven,
      Met vermaak, den heelen dag.
    Vader zag mij eens beginnen
      Aan een kleine teekening,
    Moeder lief kwam daar op binnen,
      Om te zien hoe 't met mij ging.
    'k Was, zij zagen 't, wel te vrede;
      'k Was niet knorrig als voorheen;
    'k Praatte nu en dan eens mede;
      'k Zei niet kort af _ja_ of _neen_.
    Zo versleet ik gandsche dagen,
      Schoon op ver na niet hersteld,
    Maar dat kniezen en dat klagen,
      Heeft mij sinds niet meer gekweld.
    Vader zegt, 't kan meer gebeuren,
      Dat ik niet welvarend ben;
    Maar ik zal te minder treuren,
      Hoe ik meer daar aan gewen.
    Die zig naar Gods wil kan voegen,
      (Zegt hij) met een stil gemoed,
    Smaakt in ziekte zelfs genoegen;
      God is altijd wijs en goed.
    Nu vaarwel, aanminnig meisjen!
      Ieder in ons huis verlangt,
    Datge een eind maakt van uw reisjen,
      Als gij dezen brief ontfangt.



DE ZWALUWEN.

EENE VERTELLING.


    Kees zou voor 't eerst naar school toe gaan,
    Maar was de stoep pas afgetreden,
    Of 't scheen, hij was niet wel te vreden;
    En bleef, het hoofd om hoog, een poos verwonderd staan.
    Hij zag de zwaluwen zo heen en weder zweeven,
    En zei, dat heet eerst regt op zijn vermaak te leven.
    Een man die zig op straat bevond,
    En Keesjes meening ras verstond,
    Trok hem, al lagchend, wat ter zijden;
    En zei: wel weetge niet, dat zij dit moeten doen,
    Zij vangen vliegjes, om hun jongen mee te voen,
    Die anders honger moesten lijden.
    Noemt gij dit slegts vermaak, neen Keesje! dat is mis,
    Maar weet gij wat hier uit voor u te leeren is?
    Zij kunnen, door dit lustig zweven,
    Aan u een voorbeeld geven,
    Hoe men met vlijt en vreugd zijn werk verrigten moet:
    En dat het lelijk staat, als men 't gedwongen doet.

    Ik loop naar school, zei Kees: die les is zeker goed!



DE ZON.


    Als ik de zon zie schijnen,
    Die met haar lieve stralen
    Deze aarde vrolijk koestert;
    Op dat er kruiden groeien,
    Om vee en mensch te spijzen;
    Die 't licht ons doet genieten,
    Om tog verheugd te werken,
    En vergenoegd te leven;
    Dan denk ik, met aanbidding,
    Hoe groot moet God niet weezen!
    Die zon heeft hij geschapen!
    En dat uit enkel liefde!



HET LIJK.


    Mijn lieve kinders, schrikt tog niet,
    Wanneer gij dode menschen ziet;
        Zoudt gij voor lijken beven?
    Kom hier: deez bleke koude man,
    Die voelen, zien, noch horen kan,
        Houdt nu niet op te leven.

    Hij denkt en werkt--ja meer dan gij;
    Maar met geen ligchaam zo als wij.
      De ziel is weg van de aarde.
    Die God, dien hij hier heeft gevreesd,
    Is bij hem in zijn dood geweest;
      En houdt dit lijk in waarde.

    Al is de ziel van 't ligchaam af,
    Al daalt het lijk in 't donker graf,
      Dat moet u niet doen ijzen.
    Gelooft het tog, de goede God
    Zal zelfs dit lelijk overschot
      Veel schooner doen verrijzen.

    Ach, lieve kinders! zegt dan niet;
    Wat is dat sterven een verdriet!
      Mogt ik maar altoos leven!
    Wanneer ge God bemint en dient,
    Dan voert de dood u, als een vriend,
      In 't eeuwig zalig leven.

    En komt dan eens de jongste dag,
    Dan zal het ligchaam, dat daar lag,
      Zig levend weêr vertoonen.
    Dan voeren de Englen van beneên
    U zingend naar den Hemel heên,
      Om eeuwig daar te woonen.

    Mijn lieve kinders schrikt dan niet,
    Wanneer gij doode menschen ziet;
      Zoudt gij voor lijken beven?
    Zegt liever vrolijk--deze man,
    Die hier niet zien of hooren kan,
      Mag in den hemel leven.



HET VOGELNESTJEN.

EENE VERTELLING.


    Mietje had eens, onder 't wandlen,
    Een verholen vogelnestjen
    In een dorenhaag gevonden.
    'k Heb nu, zeize, mijn verlangen:
    o Hoe zal ik mij vermaken,
    Met die lieve kleine diertjes!
    Aanstonds ga ik thuis wat halen,
    Om dit nestjen in te bergen.

      Mietje liep en zag haar moeder,
    Die zij hijgend dit vertelde:

      Lieve Mietje, zei de moeder,
    Stoort tog nimmer vogelnestjes!
    Denk maar eens, hoe de oude vogels
    Om dat stooren zouden treuren;
    Zoudt, gij, Mietje lief, niet schreien,
    Als men u, met Piet en Jetje,
    Tegen wil en dank vervoerde;
    Mietje lief, hebt medelijden,
    Met die oude lieve vogels!
    Zoek tog nimmer uw genoegen
    In de droefheid van een ander.

      Neen, zei Mietje, lieve moeder!
    Neen dat niet! maar hoorze eens schreeuwen;
    Ach zij hebben zulken honger!

      Denk niet meisje, zei de moeder,
    Dat zij juist van honger schreeuwen.
    Ach zij zouden zeker sterven,
    Als gij hun zo lang woudt spijzen,
    Totze niet meer konden schreeuwen.
    Maar wiltge u eens regt vermaken,
    En eens zien hoe de ouden zorgen
    Om hen juist zo veel te geven,
    Als die diertjes noodig hebben,
    Zet u slegts in stilte neder,
    En ge zult dan schielijk merken,
    Dat zij vliegjes, mugjes, wormpjes
    Vangen en in 't nestje brengen.
    o De goede wijze Schepper
    Heeft zo wel aan deze vogels
    Ouders, als aan u, gegeven:
    Dezen weten altoos beter,
    Wat de kinders noodig hebben,
    Om dat zijze 't meest beminnen.
    Ja die zullen nooit verzuimen,
    Hun têerhartig te verzorgen;
    Daar toe heeft hun God de liefde
    Voor hun jongen ingeschapen;
    En gij moet niet wijzer wezen,
    Dan de goede en wijze Schepper.

      Mietje hoorde naar haar moeder;
    Maar ging dikwijls zagtkens kijken
    Naar het groeien van de jongen,
    Zonder 't nestjen ooit te stooren.



FLIPJE, DE VADER, EN DE TUINMAN.


FLIPJE.

    Wel waarom snoeitge nog de boomen,
                  Zeg trouwe Piet?
    Daar aan die takjes vrugt zou komen,
                  Gelijkge ziet.

DE TUINMAN.

    Een boom, die al te veel moet dragen,
                  Verliest zijn kragt;
    Ook zou de vrugt zo niet behagen,
                  Als gij verwagt.
    Uw vader heeft graag goede peeren:

DE VADER.

                  't Is wel gezegd:
    En 't deel van die te veel begeeren
                  Is doorgaands slegt.



DE EENZAAMHEID.


    Denk niet, lieve speelgenooten!
    Dat de tijd mij heeft verdroten,
      Toen ik gistren zat alleen.
    Die vermaak heeft in het lezen,
    Hoeft geen eenzaamheid te vreezen,
      Maar is altoos wel te vreên.

    Vader zegt, dat brave menschen
    Dikwijls naar die uurtjes wenschen;
      Dikwijls naar hun kamer gaan,
    Om in oude en nieuwe boeken
    Wijze lessen optezoeken:
      En dat staat mij wonder aan.

    'k Wou zo graag verstandig wezen,
    En ik worde ook graag geprezen,
      'k Zeg, zo als het bij mij leit:
    Dient er dan, om veel te weten,
    Menig uurtje nog gesleten,
      Welkom! welkom! eenzaamheid!



LIJST DER KLEINE GEDICHTEN.


    Aan twee lieve kleine jongens.
    Het kinderlijk geluk.
    De perzik.
    De kinderliefde.
    Alexis.
    De waare rijkdom.
    Het vrolijk leeren.
    Het medelijden.
    De naarstigheid.
    De spiegel.
    Klagt van den kleinen Willem op de dood van zijn zusjen.
    Het geschenk.
    Welkomgroet van Claartje voor haar kleine zusjen.
    De ledigheid.
    Het hondjen.
    Het gebroken glas. Eene vertelling.
    De godsdienstigheid.
    De haas.
    Eene vertelling van Dorisje.
    Jesus. Een zangstukje.
    De drijftol.
    De pruimeboom. Eene vertelling.
    De bedelaar.
    De ware vriendschap.
    Lotje en Keesje.
    De gezondheid.
    Klaartje en Keetje.
    Het gevonden liedje.
    De goede eerzugt. Eene klagt van Daantje.
    De klepperman.
    Klaasje en Pietje.
    Winterzang.
    Gods goedheid.
    Gods wijsheid.
    De edelmoedige wedervergelding.
    Het zieke kind.
    Het goede voorbeeld.
    Pietje en Keetje.
    Het geduld.
    Een godsdienstige jeugd maakt een gelukkigen ouderdom.
    De koolmees.
    Pietje bij het ziekbed van zijn zusjen.
    Het verhoorde gebed.
    Het tederhartige kind.
    De onbedagtzaamheid.
    De vogel op de kruk.
    Aan mijn kleine lezers.
    Jantje en het konijn.
    De zingende Willem. Morgenlied.
    De kleine zangster. Avondlied.
    De verkeerde vrees.
    De liefde tot het vaderland.
    De vegtende jongens.
    Het onweder.
    Claartje bij de schilderij van hare overledene moeder.
    De verwelkte roos.
    Mietje bij het clavecimbaal.
    Het verstandig antwoord.
    Het geweten.
    Een brief van Carel aan zijn zusje Caatje.
    De zwaluwen. Eene vertelling.
    De zon.
    Het lijk.
    Het vogelnestjen. Eene vertelling.
    Flipje, de tuinman, en zijn vader.
    De eenzaamheid.





*** End of this LibraryBlog Digital Book "Proeve van Kleine Gedigten voor Kinderen" ***

Copyright 2023 LibraryBlog. All rights reserved.



Home