Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Andersens Sproken en vertellingen - Morgenrood
Author: Andersen, Hans Christian, 1805-1875
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Andersens Sproken en vertellingen - Morgenrood" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                           Andersens

                    Sproken en Vertellingen


                           Naverteld

                              door

                       S. J. Andriessen.



         4de geheel herziene en veel vermeerderde druk.

                     Geïllustreerde uitgave

                          Bewerkt door

                      Titia van der Tuuk.



                       Nijmegen--Arnhem.
                      Gebr. E. & M. Cohen.



               Gedrukt bij G. J. Thieme, te Arnhem.



VOORWOORD.


Misschien is er geen vorm van letterkunde, die in alle kringen der
maatschappij zoo zijn invloed doet gelden als het sprookje. Arm
en rijk, aanzienlijken en geringen, ontwikkelden en eenvoudigen
van geest raken even gemakkelijk onder de bekoring, die er van het
sprookje uitgaat, en ofschoon allen het lezen in dezelfde woorden,
ziet ieder er wat anders in.

Is dat de fout van het sprookje?

Moeten we het fantastische vertelsel onthouden aan de naar bevrediging
hunkerende verbeelding van onze kleinen, omdat zij er niet alles
uithalen, wat er in zit?

Maar verbied ze dan ook, hun blikken op te heffen tot den
sterrenhemel! Zij weten immers niet, dat die «lichtjes» daarboven
werelden zijn.

Onweerstaanbaar echter worden de kinderen tot het uitspansel
aangetrokken; maan en sterren, zon en wolken, regenboog en bliksem
spreken tot hun verbeelding, ja, maar ook tot hun gemoed! Geen moeder,
die haar kroost kent en dit ontkennen zal.

En zoo is het ook met het sprookje.

Het sprookje _leeft_ in het hart van het kind, en het blijft leven
en zijn invloed uitoefenen, lang nadat de jeugd is voorbijgegaan. De
belangrijkste en vaak de schoonste producten van de letterkunde
zijn daar, om het te bewijzen. Sla Goethe, Heine, Wieland, Schiller,
Carlyle, Byron, Richepin, Victor Hugo--ik doe maar een greep op goed
geluk af--op, en overal merkt ge het sprookje. Hier vertoont het
zich in naïeven eenvoud, daar als een vroolijk lachend kind, ginds
gluurt het eventjes schalks tusschen de hoog-ernstige sarcastische
regels door; zonder de minste aanspraken te doen gelden, vertoont
het zich. Hoe ook verguisd en vertrapt soms, hoe vuig ook belasterd,
met een onverwoestbare levenskracht staat het frisscher en jeugdiger
en schooner weer op.

En blijven leven zal het, zoo lang wij menschen nog een jeugdig hart
bewaren en er dichters opstaan, die het zoo kennen en liefhebben als
Andersen, de sprookjesdichter bij uitnemendheid.

In hoeveel vormen heeft hij het ons niet geschonken, naïef en roerend,
zwierig en vroolijk, droefgeestig en somber, schoon en sarcastisch,
schalksch en geestig, maar altijd levendig en frisch. En heeft men
tegen de moraal van 't sprookje in 't algemeen iets, wat nood! Zijn
de vaders en de moeders er dan niet, om de kinderen terecht te wijzen
en te onderrichten? En is het zelfs geen voordeel, dat het kind al
vroeg een weinig tot kritisch nadenken wordt geprikkeld? Het bevordert
stellig de zelfstandigheid van zijn oordeel.

De Nederlandsche bewerking van Andersens sprookjes, die hierbij
het publiek wordt aangeboden, is voor zoover ik heb kunnen nagaan,
volledig. Verschillende nommers, die in vroegere edities ontbraken
of hier en daar verspreid werden aangetroffen, zijn in deze uitgave
bijeengebracht. Ongetwijfeld zal deze onderneming door ieder, die
goede lectuur voor het huisgezin op prijs stelt, met vreugde worden
begroet. De aantrekkelijkheid van het boek wordt nog verhoogd door
het groote aantal gravures van Dalziel naar teekeningen van Bayes.

Van harte hoop ik, dat door deze uitgave de sprookjes van Andersen
veel nieuwe vrienden mogen verwerven.


Arnhem, Maart '95.                              Titia van der Tuuk.



HET LEELIJKE JONGE EENDJE.


Het was heerlijk buiten op het land. 't Was zomer, het koren was rijp,
het hooi stond op de groene weiden aan oppers, en de ooievaar liep op
zijn lange, roode pooten en praatte Egyptisch; want deze taal had hij
van zijn moeder geleerd. Rondom de korenvelden en de weiden waren
uitgestrekte bosschen, en midden in de bosschen diepe meren. Ja,
het was werkelijk heerlijk daar buiten op het land! Door den glans
der zon beschenen, stond daar een oud kasteel, dat door een diepe
gracht omgeven was, en van den muur tot aan het water groeide dicht
kreupelhout. Te midden hiervan zat in haar nest een eend, die haar
jongen moest uitbroeden; maar het begon haar bijna te vervelen, zoo
lang duurde het, eer de jongen uitkwamen; daarbij kreeg zij zelden
bezoek, want de andere eenden zwommen liever in de gracht rond,
dan dat zij eens uit het water kwamen om met haar te praten.

Eindelijk ging het eene ei na het andere open. Een gepiep deed zich
hooren, en al de dooren van de eieren waren levend geworden en staken
de kopjes uit de schalen.

«Vlug wat, vlug!» zeide zij; en nu haastten zich al de kleine eendjes,
wat zij konden, en zij kwamen uit de eieren te voorschijn en keken
naar alle kanten onder de groene bladeren; en de moeder liet ze kijken,
zooveel als zij maar wilden; want groen is goed voor de oogen.

«Wat is de wereld toch groot!» zeiden al de jongen; want nu hadden
zij heel wat meer plaats dan in het ei.

«Denk je, dat dit de heele wereld is?» zei de moeder. «Die strekt zich
nog ver aan den anderen kant van het geboomte uit, tot aan den tuin
van den pastoor; maar daar ben ik nog nooit geweest.--Je bent toch
allemaal wel bij elkaar?» vervolgde zij en stond op. «Neen ik heb ze
nog niet allemaal; het grootste ei ligt daar nog; hoe lang zal het
nog wel duren, eer dat uitkomt? Nu begint het mij haast te vervelen!»
en zij ging er weer op zitten.

«Wel zoo, hoe gaat het?» vroeg een oude eend, die haar eens een bezoek
kwam brengen.

«Het duurt geducht lang met dat eene ei,» zei de eend, die er nu weer
op zat; «het wil maar niet opengaan; maar kijk eens naar de anderen:
zijn dat niet de liefste eendjes, die je ooit van je leven gezien
hebt? Zij lijken allemaal precies op hun vader; maar die ondeugd komt
mij niet eens bezoeken.»

«Laat mij het ei, dat niet wil opengaan, eens zien!» zei de oude
eend. «Geloof mij, het is een kalkoenenei! Ik ben ook eens zoo
beetgenomen en had toen heel wat werk met mijn jongen, want zij waren
bang voor het water! Ik kon ze er maar niet in krijgen; hoe ik ook
kwakte, het hielp mij niemendal!--Laat mij het ei eens zien! Ja, dat
is een kalkoenenei! Laat dat maar liggen, en leer je andere kinderen
liever zwemmen!»

«Ik zal er toch nog een beetje op blijven zitten,» antwoordde de eend;
«ik heb er nu al zoo lang op gezeten, en dus kan ik er nog wel een
paar dagen op zitten!»

«Je moet het zelf weten,» hernam de oude eend en ging weg.

Eindelijk ging het groote ei open. «Piep, piep!» zei het jong en
kroop er uit. Het was een groot en leelijk beest! De eend bekeek het
eens. «Wat is dat een verschrikkelijk groot eendje,» dacht zij; «geen
van de anderen ziet er zoo uit. Zou het misschien een kalkoensch
kuikentje zijn? Nu, daar zullen we wel gauw achter komen; in het
water moet het, al zou ik het er ook zelf induwen.»

Den volgenden dag was het mooi, heerlijk weer; de zon scheen op alle
groene bladeren. De moeder der eendjes ging met haar heele familie
naar de gracht toe. Plof! daar sprong zij in het water. «Kwak, kwak!»
zeide zij, en het eene eendje na het andere plofte er nu ook in; het
water spatte hun om den kop, en zij doken even onder, maar kwamen al
spoedig weer boven en zwommen uitmuntend; hun pooten gingen van zelf,
en allen waren zij in het water; zelfs het leelijke, grauwe eendje
zwom mee.

«Neen, het is geen kalkoen,» dacht de oude eend; «kijk eens, hoe ferm
hij met zijn pooten slaat en hoe recht hij zich weet te houden! 't
Is mijn eigen kind! Eigenlijk is hij toch nog zoo leelijk niet, als
men hem maar eens goed bekijkt! Kwak, kwak! Gaat maar met mij mee,
dan zal ik je in de groote wereld brengen en je in de eendenkooi
voorstellen: maar zorgt, dat je dicht in mijn nabijheid blijft,
en neemt je voor de kat in acht!»

En zoo begaven zij zich naar de eendenkooi. Daarbinnen was een
verschrikkelijk rumoer; want daar waren twee families, die elkaar
het bezit van een palingkop betwistten, en eindelijk kreeg de kat
dien toch.

«Kijk, zoo gaat het nu in de wereld!» zei de moeder der eendjes, en
zij stak haar snavel al uit, want zij wilde den palingkop ook wel
hebben. «Gebruikt je pooten nu!» vervolgde zij. «Houdt je fatsoen
en maakt een buiging voor de oude eend, die je daar ziet: dat is de
voornaamste van alle; zij is van Spaansche afkomst, daarom is zij zoo
dik; en, zie je wel, zij heeft een rood lapje om haar poot; dat is
iets heel moois en de grootste onderscheiding, die een eend te beurt
kan vallen; dat beteekent, dat men haar niet kwijt wil raken en dat
zij door dieren en menschen erkend moet worden. Wacht eens! Zet je
pooten niet zoo binnenwaarts! een welopgevoed eendje zet zijn pooten
buitenwaarts, evenals vader en moeder doen. Ziet eens! Zoo! Buigt je
hals nu en zegt: Kwak!»

En dat deden zij; maar de andere eenden in de rondte bekeken ze en
zeiden tegen elkaar: «Kijk eens! Nu moeten wij nog het aanhangsel
krijgen, alsof wij al niet talrijk genoeg waren! En foei! wat ziet
dat eene eendje er uit! Dat willen wij hier niet hebben!» En terstond
vloog er een oude eend naar het arme beest toe en beet het in den nek.

«Wil je dat nu wel eens laten?» zei de moeder. «Het doet immers
niemand kwaad!»

«Dat is wel mogelijk, maar het is te groot en ziet er zoo vreemd uit,»
zei de andere eend, «en daarom moet het eens een pikje hebben.»

«Het zijn lieve kinderen die de moeder heeft,» zei de oude eend met
het lapje om den poot, «zij zijn allemaal mooi, behalve dat eene; dat
is mislukt; ik zou wel willen, dal je dat eens wat anders kondt maken.»

«Dat gaat immers niet,» zei de moeder van het eendje; «het is wel
niet mooi, maar het heeft een goed hart en zwemt even flink als al de
anderen, ja, ik moet zeggen, nog beter. Ik denk wel, dat het goed zal
opgroeien en mettertijd wat kleiner worden. Het heeft te lang in het
ei gezeten, en daardoor is het wat mismaakt geworden!» Dit zeggende,
pakte zij het beet en streek zijn veeren glad. «Bovendien is het een
woerd,» zeide zij; «en daarom doet het er zoo veel niet toe. Ik denk,
dat het wel krachtig zal worden; het weet zich ten minste nu al goed
te verweren.»

«De andere eendjes zien er allerliefst uit,» zei de oude eend; «doe
maar, alsof je thuis waart, en als je een palingkop vindt, dan kun
je dien wel aan mij brengen.»

En zoo waren zij er dan zoo goed als thuis.

Maar het arme eendje, dat het laatst uit het ei gekomen was en er
zoo leelijk uitzag, werd gebeten, gestooten en voor den gek gehouden,
en dat zoowel door de eenden als door de kippen. «Het is te groot!»
zeiden allen, en de kalkoensche haan, die met sporen ter wereld
gekomen was en daarom dacht, dat hij keizer was, blies zich op als
een schip met volle zeilen en kwam op hem af; toen klokte hij en werd
zijn kop vuurrood. Het arme eendje wist niet, hoe het zich zou wenden
of keeren; het was treurig, omdat het er leelijk uitzag en door al
de anderen bespot werd.

Zoo ging het den eersten dag, en later werd het al erger en erger. Het
arme eendje werd door allen geplaagd; zelfs zijn zusters waren kwaad
op hem en zeiden steeds: «Mocht de kat je maar beetpakken, jou leelijk
schepsel!» En de moeder zeide: «Ik wou, dat je maar ver hier vandaan
waart!» De eenden beten het, en de kippen pikten het, en de meid,
die de beesten eten moest geven, schopte het.

Nu liep het weg en vloog over de schutting. De vogeltjes in het
geboomte vlogen daardoor verschrikt op. «Dat komt, omdat ik zoo
leelijk ben,» dacht het eendje, kneep de oogen even dicht en liep
toen weer voort. Zoo kwam het aan het groote moeras, waar de wilde
eenden woonden. Hier lag het den geheelen nacht; het was vermoeid
en verdrietig.

Tegen den morgen vlogen de wilde eenden op en bekeken haar nieuwen
kameraad eens. «Wat ben jij er voor een?» vroegen zij, en het eendje
wendde zich naar alle kanten en groette zoo goed het kon.

«Je bent verschrikkelijk leelijk!» zeiden de wilde eenden; «maar dat
kan ons niet schelen, als je maar niet met iemand van onze familie
trouwt!»--Het arme beest! Het dacht er waarlijk niet aan te trouwen;
als het maar de vergunning kon krijgen, om in het riet te liggen en
wat moeraswater te drinken.

Zoo lag het twee heele dagen; toen kwamen er twee wilde ganzen of,
liever gezegd, genten naar hem toe; het was nog niet lang geleden,
dat zij uit het ei gekropen waren, en daarom waren zij zoo overmoedig.

«Hoor eens, kameraad!» zeiden zij; «je bent zoo leelijk, dat je goed
bij ons past. Wil je met ons meegaan en trekvogel worden? Hier dichtbij
in een ander moeras zijn eenige aardige wilde ganzen, allemaal dames,
die evenals jij «kwak!» kunnen zeggen. Je kunt je fortuin daar wel
maken, hoe leelijk je ook wezen moogt.»

«Piefpafpoef!» klonk het juist, en de beide wilde genten vielen dood in
het riet neer, en het water werd bloedrood gekleurd.--«Piefpafpoef!»
klonk het weer, en nu vlogen er geheele scharen wilde ganzen uit
het riet op. En toen deed zich andermaal een knal hooren. Er werd
een groote jacht gehouden; de jagers lagen rondom het moeras; ja,
eenigen zaten boven in de takken der boomen, die zich ver over het
riet uitstrekten. De blauwe damp trok in dikke wolken in de boomen en
ver over het water heen; de jachthonden gingen het moeras in. Plof,
plof! het riet boog zich naar alle kanten heen. Dat was een schrik
voor het arme eendje. Het draaide zijn kop om, om hem onder de vleugels
te steken; maar op hetzelfde oogenblik stond er een vreeselijk groote
hond dicht bij het eendje; de tong hing hem uit den bek, en zijn oogen
schoten vlammen; hij strekte zijn snoet juist naar het eendje uit,
liet het zijn scherpe landen zien en.... Plof! plof! ging het weer,
zonder dat hij het beetpakte.

«Goddank!» zei het eendje met een zucht; «ik ben zoo leelijk, dat de
hond mij zelfs niet wil bijten.»

En zoo bleef het roerloos liggen, terwijl de hagel door het riet
snorde en er schot op schot knalde.

Eerst laat op den dag werd het stil; maar het arme eendje durfde nog
niet opstaan; het wachtte nog verscheidene uren, voordat het omkeek,
en toen snelde het uit het moeras weg, zoo vlug als het maar kon. Het
liep over veld en weide; maar er woei zulk een hevige storm, dat het
werk had om op zijn pooten te blijven staan.

Tegen den avond bereikte het een kleine, armoedige boerenhut;
deze was zoo bouwvallig, dat zij zelf niet wist, naar welken kant
zij zou vallen, en daarom bleef zij maar staan. De storm gierde
zoo verschrikkelijk om het eendje heen, dat het moest gaan zitten,
om niet omver te waaien. Nu bemerkte het, dat de deur uit het eene
scharnier geraakt was en zoo scheef hing, dat het door de reet in de
kamer kon sluipen, en dit deed het dan ook.

Hier woonde een oude vrouw met haar kater en haar kip. En de kater,
dien zij haar zoontje noemde, kon een hoogen rug zetten en spinnen;
hij gaf zelfs vonken van zich, maar dan moest men zijn haar den
verkeerden kant opstrijken. De kip had korte, lage pooten, en daarom
werd zij juffrouw Kortbeen genoemd; zij legde heerlijke eieren,
en de vrouw had haar zoo lief, alsof zij haar kind was.

's Morgens zag men het vreemde eendje dadelijk, en nu begon de kater
te blazen en de kip te kakelen.

«Wat is er te doen?» zei de vrouw en keek in de rondte; maar zij had
een slecht gezicht, en daarom dacht zij, dat het eendje een vette
eend was, die verdwaald was geraakt. «Dat is een goede vangst!»
zeide zij. «Nu kan ik eendeneieren krijgen. Als het maar geen woerd
is! Dat zullen wij eens probeeren!»

En zoo werd het eendje voor drie weken op de proef aangenomen; maar
er kwamen geen eieren. En de kater was heer in huis, en de kip was
er zoo goed als vrouw, en altijd zeiden zij: «Wij en de wereld!» Want
zij dachten, dat zij de helft waren, en verreweg de beste helft. Het
eendje gaf als zijn meening te kennen, dat het toch ook wel eens
anders zou kunnen zijn; maar dat kon de kip niet velen.

«Kun je eieren leggen?» vroeg zij.

«Neen.»

«Welnu, wil je dan wel eens zwijgen?»

En de kater zei: «Kun je een hoogen rug zetten en spinnen en maken,
dat er vonken uit je lijf komen?»

«Neen.»

«Dan mag je ook geen meening hebben, als verstandige lieden met
elkaar spreken.»

En het eendje zat in den hoek en voelde zich diep ongelukkig; daar
drong de zonneschijn in het huisje door; het kreeg zulk een lust om
in het water te zwemmen, dat het zich niet kon weerhouden, dit tegen
de kip te zeggen.

«Wat is dat voor een dwaze inval!» zei deze. «Je hebt niets uit te
voeren, en daarom verzin je allerlei dwaasheden. Leg eieren of spin,
en maak je anders uit de voeten!»

«Maar het is zoo prettig, in het water te zwemmen,» zei het eendje,
«zoo prettig, het boven zijn kop te laten uitspatten en op den grond
te duiken.»

«Nu, dat is ook een heel plezier!» zei de kip. «Je bent zeker niet
goed bij je verstand! Vraag er den kater maar eens naar,--die is het
verstandigste schepsel, dat ik ken,--of hij er van houdt, in het water
te zwemmen of onder te duiken? Ik wil niet van mij zelf spreken.--Vraag
het zelf maar aan onze meesteres, de oude vrouw; wijzer dan zij is
niemand op de wereld! Denk je misschien, dat zij plezier heeft om te
zwemmen en het water boven haar hoofd uit te laten spatten?»

«Je begrijpt mij niet!» zei het eendje.

«Begrijpen wij je niet? Wie zou je dan kunnen begrijpen? Je zult
toch wel niet wijzer willen zijn dan de kater en de vrouw,--van mij
zelf wil ik niet spreken! Heb maar niet zooveel noten op je zang,
en wees dankbaar voor al het goede, dat men je bewezen heeft. Ben
je niet in een warme kamer gekomen en heb je niet een gezelschap,
waarvan je nog wat kunt leeren? Maar er is geen huis met je te houden,
en het is alles behalve plezierig, met jou om te gaan. Je kunt mij
gerust gelooven! Ik meen het goed met je. Ik zeg je de waarheid, al
vind je dit ook niet prettig, en daaraan kan men zien, wie zijn ware
vrienden zijn. Doe je best maar om eieren te leggen of te spinnen of
vonken uit je lijf te laten komen.»

«Ik denk, dat ik de wijde wereld maar in zal gaan!» zei het eendje.

«Ja, doe dat maar!» liet de kip hierop volgen.

En zoo ging het eendje dan heen; het zwom in het water, het dook met
zijn kopje onder, maar door alle dieren werd het om zijn leelijkheid
met minachting bejegend.

Nu kwam de herfst; de bladeren in het bosch werden geel en bruin;
de wind rukte ze af, zoodat zij in de rondte dansten, en boven in de
lucht was het snerpend koud; de wolken zaten vol hagel en sneeuw; en
op de heg zat een raaf en deed haar klagend gekras hooren. Het arme
eendje had het al heel slecht! Op zekeren avond, juist toen de zon in
haar pracht onderging, kwam er een heele troep groote vogels uit het
bosch, het eendje had er nooit zulke mooie gezien; zij waren spierwit
en hadden lange, buigzame halzen: het waren zwanen. Zij lieten een
eigenaardig geluid hooren, spreidden hun prachtige, lange vleugels
uit en trokken uit de koude streken naar warmere landen. Zij stegen
zoo hoog, zoo hoog, dat het het leelijke jonge eendje wonderlijk te
moede werd. Het draaide zich als een tol in het water rond, strekte
zijn kop hoog in de lucht naar de zwanen uit en gaf zulk een luiden
en zonderlingen schreeuw, dat het er zelf van schrikte. O, het kon die
mooie, gelukkige vogels niet vergeten; en zoodra deze niet meer te zien
waren, dook het onder tot op den grond en toen het weer boven kwam,
was het als buiten zich zelf. Het arme beest wist niet, hoe die vogels
heetten, ook niet, waar zij naar toe vlogen; maar toch liep het er
hoog mee, zooals het nog nooit ergens mee gedaan had. Het benijdde ze
volstrekt niet. Hoe zou het hem ook in de gedachten komen, te wenschen,
zelf zoo mooi te zijn? Het zou al blij geweest zijn als de eenden
hem maar in haar midden geduld hadden,--dat arme, leelijke beest!

Het werd winter. Het was koud, snerpend koud. Het eendje moest in
het water rondzwemmen om te maken, dat dit niet heelemaal dichtvroor;
maar met iederen nacht werd het gat, waarin het zwom, al kleiner en
kleiner. Het vroor, dat het kraakte; het eendje moest voortdurend zijn
pooten gebruiken, opdat het gat niet geheel dicht zou gaan. Eindelijk
werd het moede, bleef doodstil liggen en vroor in het ijs vast.

's Morgens vroeg kwam er een boer voorbij. Toen hij het eendje zag,
ging hij er heen, trapte het ijs met zijn klomp aan stukken en bracht
het dier naar zijn vrouw toe. Daar kwam het weer bij.

De kinderen wilden met hem spelen; maar het eendje dacht, dat zij
hem kwaad wilden doen en vloog in zijn angst juist in het melkvat,
zoodat de melk overal in de kamer rondspatte. De vrouw sloeg de
handen in elkaar, waarop het eerst in het botervat en toen in de
meelton vloog. Wat zag het er nu uit! De vrouw schreeuwde en sloeg
met de tang naar het arme beest; de kinderen liepen elkaar omver, om
het eendje te pakken; zij lachten en schreeuwden!--'t Was gelukkig,
dat de deur openstond en dat het tusschen de takken in de versch
gevallen sneeuw kon sluipen. Daar bleef het geheel uitgeput liggen.

Maar al den nood en de ellende, welke het eendje in dien strengen
winter moest doorstaan, te vertellen, zou te akelig zijn.

Het lag in het moeras tusschen het riet, toen de zon weer warm begon
te schijnen. De leeuweriken zongen. Het was lente geworden.

Nu kon het eendje op eens zijn vleugels uitslaan; deze klapten luider
dan vroeger en droegen hem krachtig van daar; en voordat het beest het
recht wist, bevond het zich in een grooten tuin, waarin de vlierboomen
geurden en hun lange, groene takken tot in het water neerbogen. O, hier
was het zoo schoon, zoo heerlijk! En uit het geboomte kwamen eensklaps
drie prachtige witte zwanen te voorschijn: zij klapten met hun vleugels
en zwommen fier in het water. Het eendje kende die prachtige beesten
en werd door een eigenaardige treurigheid aangegrepen.

«Ik zal naar hen toe vliegen, naar die koninklijke vogels! Maar zij
zullen mij dooden, omdat ik, die zoo leelijk ben, mij in hun nabijheid
durf wagen. Maar dat doet er niet toe! 't Is beter, door hen gedood,
dan door de eenden gebeten, door de kippen gepikt, door de meid,
die aan de kippen eten geeft, geschopt te worden en in den winter
gebrek te lijden!»

En het snelde naar het water, plofte er in en zwom naar de prachtige
zwanen toe; deze zagen hem en kwamen met klappende vleugels op hem af.

«Doodt mij maar!» zei het arme beest, boog zijn kop voorover en
verwachtte niets anders dan den dood.--Maar wat zag het nu in het
heldere water? Het zag daarin zijn eigen beeltenis, niet meer die
van een loggen, grauwen, leelijken vogel, maar van een zwaan.

Het doet er niet toe, door een eend uitgebroed te worden, als men
maar uit een zwanenei gekomen is!

Het gevoelde zich nu verheugd over al den nood en de ontberingen,
die het doorgestaan had. Nu erkende het eerst recht zijn geluk en de
heerlijkheid, die hem omringde.--En de zwanen zwommen om hem heen en
streelden hem met hun snavels.

Eenige kinderen kwamen den tuin inloopen; ze gooiden brood en gerst
in het water, en het kleinste riep: «Daar is een nieuwe zwaan!» En
de andere kinderen jubelden mee: «Ja, er is een nieuwe bijgekomen!»
En zij klapten in de handen en dansten in de rondte, liepen naar hun
ouders toe, en er werd brood en koek in het water geworpen, en zij
zeiden allemaal: «Die nieuwe is nog de mooiste! Hij is zoo jong en
ziet er zoo prachtig uit!» En de andere zwanen bogen zich voor hem.

Nu gevoelde het zich geheel beschaamd en stak zijn kop onder zijn
vleugels; het wist zelf niet, hoe het zich zou houden; het was
overgelukkig, maar volstrekt niet trotsch. Het dacht er aan, hoe
het vervolgd en bespot was, en hoorde nu allen zeggen, dat het de
mooiste van al die mooie vogels was. Zelfs de vlierboom boog zich
met zijn takken tot hem in het water neer, en de zon scheen warm en
liefelijk! Nu klapte hij met zijn vleugels, richtte zijn slanken hals
op en jubelde van ganscher harte:

«Zooveel geluk had ik mij niet kunnen voorstellen, toen ik nog een
leelijk eendje was!»



DE OUDE STRAATLANTAARN.


Hebt ge ooit de geschiedenis van de oude straatlantaarn gehoord? Zoo
heel plezierig is zij wel niet, maar toch laat zij zich wel eens een
enkele maal lezen.

't Was een brave, oude straatlantaarn, die vele, vele jaren achtereen
dienst gedaan had, maar nu voor den post, dien zij zoo lang bekleed
had, ongeschikt geacht werd. De laatste avond, dien zij op den paal
zou doorbrengen om de straat te verlichten, was daar. Het was haar
te moede als een balletdanseres, die voor de laatste maal danst en
weet, dat zij den volgenden dag vergeten op haar zolderkamertje zal
zitten. De lantaarn zag geducht tegen den volgenden dag op; want zij
wist, dat zij dan voor het eerst van haar leven op het stadhuis zou
komen en door den burgemeester en den gemeenteraad bezichtigd worden,
die zouden beslissen, of zij nog tot verdere diensten bruikbaar was
of niet.

Daar zou dan bepaald worden, of zij in 't vervolg haar licht voor de
bewoners van een der voorsteden zou laten schijnen, dan wel naar de
een of andere fabriek op het platteland verbannen worden; misschien
ook zou zij wel regelrecht naar een ijzergieterij gaan, om in een
anderen vorm te worden gegoten. In dat geval kon er wel is waar alles
van haar komen; maar de gedachte dat zij niet wist, of zij er dan de
herinnering nog van zou behouden, dat zij een maal een straatlantaarn
geweest was, pijnigde haar. Maar hoe het ook met haar mocht afloopen,
zooveel was zeker, dat zij van den lantaarnopsteker en diens vrouw, die
haar bijna als een lid der familie beschouwden, gescheiden zou worden.

Toen de lantaarn voor het eerst op den paal gezet werd, was de
lantaarnopsteker nog een jeugdig, krachtig man. Ja, dat was al
een heelen tijd geleden, dat zij lantaarn en hij lantaarnopsteker
werd. Zijn vrouw was toen nog een beetje trotsch. Alleen wanneer zij
's avonds voorbijkwam, verwaardigde zij de lantaarn met een blik,
maar overdag nooit. Doch in de laatste jaren, toen zij alle drie,
de lantaarnopsteker, zijn vrouw en de lantaarn, oud geworden waren,
had de oude vrouw haar verzorgd, geschuurd en van olie voorzien. 't
Waren beiden doodeerlijke menschen; nooit hadden zij de lantaarn ook
maar een enkelen droppel olie te kort gedaan.

't Was de laatste avond, die zij op straat doorbracht, en den
volgenden dag moest zij naar het stadhuis toe: dat waren twee sombere
gedachten! Geen wonder, dat zij niet heel helder brandde. Maar ook
vele andere gedachten bestormden haar. Aan hoevelen had zij haar
licht geschonken, hoeveel had zij gezien, misschien wel evenveel als
de burgemeester en de gemeenteraad! Maar deze gedachten hield zij voor
zich, want het was een brave, eerlijke, oude lantaarn, die niemand ooit
kwaad deed en wel het minst aan de haar gestelde overheid. Allerlei
dingen kwamen haar in de gedachten, en bij tijd en wijle flikkerde
haar vlam daardoor even op. Zij had in zulke oogenblikken een gevoel,
dat men zich ook harer zou herinneren.

«Daar was indertijd dat knappe jonge mensch,--het is al vele jaren
geleden,--deze hield een briefje op rose papier in de hand. Het was
zoo keurig geschreven, en wel door een dameshand. Tweemaal las hij het
en kuste het en keek naar mij op met oogen, die duidelijk schenen te
zeggen: «Ik ben de gelukkigste van alle stervelingen!» Alleen hij en
ik wisten, wat er in dien eersten brief van zijn geliefde geschreven
stond.--Ja, ook nog een ander paar oogen herinner ik mij. Wat kunnen
onze gedachten toch snel van het eene op het andere springen! Hier in
de straat had er een begrafenis plaats; een jeugdige, schoone vrouw
lag in de lijkkoets in de kist, die met bloemen en kransen bedekt
was; de vele fakkels verduisterden mijn licht. Langs de huizen
stonden de menschen dicht op elkaar gedrongen; zij sloten zich
allen bij den lijkstoet aan. Maar toen de fakkels uit mijn gezicht
verdwenen waren en ik eens in de rondte keek, stond er nog iemand
tegen mijn paal aan te leunen en weende. Nimmer zal ik die oogen,
waarin zooveel treurigheid te lezen stond en die naar mij opkeken,
vergeten!» Deze en dergelijke gedachten bestormden de oude lantaarn,
die thans voor de laatste maal haar licht in de straat verspreidde.

De schildwacht, die van zijn post afgelost wordt, kent zijn opvolger
ten minste en kan hem nog eenige woorden toefluisteren; maar de
lantaarn kende haar plaatsvervangster niet, en zij zou haar toch zoo
menigen nuttigen wenk omtrent mist en regen hebben kunnen geven; zij
zou haar hebben kunnen zeggen, hoever de stralen der maan reikten,
uit welken hoek de wind gewoonlijk woei, en zooveel andere dingen meer.

Op het brugje, dat over de goot lag, stonden drie personen, die
zich aan de lantaarn wilden voorstellen; want zij verkeerden in den
waan, dat deze den post zelf te begeven had. De eerste persoon was
een haringkop, die in de duisternis insgelijks licht van zich kon
geven. Hij beweerde, dat het heel wat olie zou uithalen, als hij op
den lantaarnpaal geplaatst werd. De tweede was een stuk vermolmd
hout, dat ook licht rondom zich verspreidt. Het was, zeide het,
van een ouden stam afkomstig, eenmaal het sieraad van het bosch. De
derde persoon was een glimwormpje; waar dit vandaan gekomen was,
begreep de lantaarn niet, maar het was er, en licht geven kon het
ook. Het vermolmde hout en de haringkop zwoeren echter bij alles,
wat hun heilig was, dat het slechts op bepaalde tijden licht van zich
gaf en dat het daarom volstrekt niet in aanmerking kon komen.

De oude lantaarn verklaarde, dat geen hunner voldoend licht gaf, om den
post van straatlantaarn te bekleeden; maar dat wilde geen van drieën
gelooven. Toen zij dan ook hoorden, dat de lantaarn den post niet
zelf te begeven had, zeiden zij, dat dit hun genoegen deed; want zij
was al veel te oud en te afgeleefd, om een goede keuze te kunnen doen.

Op hetzelfde oogenblik kwam de wind van den hoek der straat aanbruisen
en gierde door de luchtgaten der oude lantaarn. «Wat hoor ik daar?»
zei hij tegen haar. «Gaat ge morgen heen? Is dit de laatste avond, dien
ik u hier aantref? Dan wil ik u tot afscheid toch nog wat geven. Ik
blaas nu op zulk een wijze in uw hersenkast, dat ge u voortaan niet
alleen alles, wat ge gehoord en gezien hebt, zult kunnen herinneren,
maar dat het zoo helder in uw binnenste zal worden, dat ge alles,
waarvan in uw tegenwoordigheid gelezen of verteld wordt, kunt zien.»

«O, dat is waarlijk veel, heel veel!» sprak de oude lantaarn. «Ik dank
u wel hartelijk. Als ik maar niet in een anderen vorm gegoten wordt!»

«Dat zal nog zoo gauw niet gebeuren!» zei de wind. «Nu blaas ik u de
herinnering in; als ge meer andere geschenken van dien aard krijgt,
dan kunt ge nog een gelukkigen ouden dag hebben.»

«Als ik maar niet in een anderen vorm gegoten word!» zei de lantaarn
weer. «Of zal ik dan ook mijn geheugen behouden?»

«Oude lantaarn, wees toch verstandig!» hernam de wind.

Op dit oogenblik kwam de maan van achter de wolken te voorschijn.

«Wat geeft gij?» vroeg de wind.

«Ik geef niets,» antwoordde zij. «Ik ben immers aan het afnemen, en
de lantarens hebben mij nooit verlicht, maar wel heb ik omgekeerd de
lantarens verlicht.» En met deze woorden verschool de maan zich weer
achter de wolken, om verder aandringen te voorkomen.

Nu viel er een droppel op de lantaarn neer. Deze droppel zeide, dat
hij uit de grauwe wolken kwam en ook een geschenk was, misschien wel
het beste. «Ik doordring u zoozeer, dat ge de gave verkrijgt om in
één nacht, als ge dit verlangt, in roest te veranderen en tot stof
te worden.»

Dit scheen de lantaarn een slecht geschenk toe, en de wind dacht er
evenzoo over. «Is er niemand meer, die wat te geven heeft?» blies
hij zoo hard, als hij maar kon.

Nu viel er een heldere verschietende ster neer en liet een lange,
vurige streep achter.

«Wat was dat?» riep de haringkop uit. «Viel daar niet een ster naar
beneden? Ik geloof haast, dat zij op de lantaarn is neergekomen. Nu,
als er zulke hooggeplaatste personen naar den post dingen, kunnen
wij wel naar huis gaan.»

En dat deden zij ook alle drie. Maar de oude lantaarn gaf op eens een
verwonderlijk helder licht van zich. «Dat is een heerlijk geschenk
geweest!» zeide zij. «De prachtige sterren, waarin ik altijd zooveel
schik gehad heb en die zulk een helderen glans rondom zich verspreiden,
als ik nooit van mij heb kunnen geven, ofschoon ik er altijd mijn
uiterste best toe heb gedaan, hebben mij, arme oude lantaarn, toch
opgemerkt en mij een geschenk gezonden, waardoor alles, wat ik mij
zelf herinner en wat ik zoo duidelijk zie, alsof het voor mij stond,
ook door allen, die ik liefheb, gezien kan worden. En hierin ligt
toch eerst het wezenlijke genot; want een vreugde, waarin men niet
met anderen kan deelen, is toch maar een halve vreugde.»

«Dat doet uw hart eer aan!» zei de wind. «Maar ge weet zeker nog
niet, dat daartoe waskaarsen noodig zijn. Als er geen waskaars in u
opgestoken wordt, dan kan niemand der anderen iets in u zien. Daaraan
hebben de sterren niet gedacht; zij meenen, dat alles, wat licht
geeft, een waskaars in zich heeft. Maar ik ben nu moe en zal wat gaan
liggen!»--En hij ging terstond liggen.

«Och hemel! Waskaarsen!» zei de lantaarn. «Die heb ik tot hiertoe
niet gehad, en die zal ik in het vervolg ook wel niet krijgen. Als
ik maar niet in een anderen vorm gegoten word!»

Den volgenden dag,--ja, den volgenden dag kunnen wij gerust
overspringen,--maar den volgenden avond zat de lantaarn dood op
haar gemak in een leuningstoel! En raad eens waar? Bij den ouden
lantaarnopsteker. Deze had den burgemeester en den gemeenteraad om de
gunst verzocht, uit hoofde van zijn langdurige en trouwe diensten de
lantaarn te mogen behouden, die hij zelf op den dag, waarop hij zijn
post had aanvaard, nu vier-en-twintig jaren geleden, voor 't eerst
opgestoken had. Hij beschouwde haar als zijn kind, want hij had er
geen ander; en de lantaarn werd hem ten geschenke gegeven.

Zoo zat zij daar dan in den leuningstoel, dicht bij de warme
kachel. Het was, alsof zij grooter geworden was, want zij besloeg
bijna den geheelen stoel.

De oude luidjes zaten aan hun avondmaal en wierpen vriendelijke
blikken op de oude lantaarn, waarvoor zij gaarne een plaats aan de
tafel zouden ingeruimd hebben.

Zij woonden wel is waar in een kelder, die twee el diep onder den
grond was; men moest een steenen gang door om er in te komen; maar
van binnen zag het er toch recht gezellig uit, en het was er warm;
want zij hadden tochtlatten om de deur gespijkerd. Alles zag er hier
netjes en zindelijk uit, en er hingen gordijnen voor de bedstede en
voor de kleine raampjes. Op de vensterbank stonden twee zonderlinge
bloempotten, die de matroos Christiaan uit Oost- of West-Indië
meegebracht had. Zij waren maar van grof aardewerk en stelden twee
olifanten voor, die echter geen rug hadden; maar in plaats daarvan
groeide er uit de aarde, waarmee zij gevuld waren, in den eenen het
prachtigste bieslook: dat was de moestuin der oude luidjes: in den
anderen een groote, bloeiende geranium: dat was hun bloemtuin. Aan
den muur hing een groot, bontgekleurd schilderij, dat het congres van
Weenen voorstelde. Op deze wijze hadden zij alle koningen en keizers
op eens bij elkaar. Een klok, waaraan zware looden gewichten hingen,
deed onophoudelijk: «Tik, tak!» en deze liep altijd voor, maar dat was
beter, dachten de oude luidjes, dan dat zij naliep. Zij gebruikten hun
avondmaal, en de oude straatlantaarn zat, zooals reeds gezegd is, in
den leuningstoel dicht bij de kachel. Het kwam de lantaarn voor, alsof
de geheele wereld omgedraaid was. Maar toen de oude lantaarnopsteker
haar aankeek en er van sprak, wat zij beiden alzoo met elkaar doorleefd
hadden, in regen en mist, in de heldere, korte zomernachten zoowel
als in de lange winternachten, wanneer het sneeuwde, zoodat het hem
goeddeed, als hij weer in zijn kelder kwam,--toen wist de lantaarn
zich weer goed in alles te verplaatsen. Zij zag alles even duidelijk,
alsof het nu nog gebeurde; ja, de wind had haar inwendig goed verlicht.

De oude luidjes waren zeer vlijtig en bedrijvig; geen uur werd er door
hen in ledigheid doorgebracht. Des Zondags middags werd er het een of
ander boek voor den dag gehaald, bij voorkeur een reisbeschrijving,
en dan las de waardige grijsaard zijn vrouw voor, van Afrika, van de
groote bosschen, van de olifanten, die daar in 't wild rondloopen,
en dan luisterde de oude vrouw in gespannen aandacht naar hem en
sloeg een heimelijken blik op de beide olifanten van aardewerk,
die voor bloempotten dienden.

«Ik kan mij dat alles best voorstellen!» zeide zij. En de lantaarn
wenschte dan van ganscher harte, dat er een waskaars voorhanden geweest
was, die in haar kon opgestoken worden; dan zou de oude vrouw alles tot
het kleinste toe nauwkeurig zoo hebben kunnen zien, als de lantaarn dit
zag: de hooge boomen, de dicht in elkaar gegroeide takken, de naakte,
zwarte menschen te paard en geheele troepen olifanten, die met hun
plompe pooten riet en struiken vertrapten.

«Wat baten mij nu al mijn gaven, als ik geen waskaars vind?» zei
de lantaarn met een zucht. «Zij hebben niets anders dan olie en
vetkaarsen, en dat is niet voldoende!»

Op zekeren dag kwam er een heele boel eindjes waskaars in den kelder;
de grootste eindjes werden gebrand, en de kleinere gebruikte de vrouw
om er haar draden mee te wrijven. Er waren dus genoeg waskaarsen
voorhanden; maar het kwam de beide oude luidjes niet in de gedachten,
een klein eindje in de lantaarn te zetten.

«Daar sta ik nu met al mijn gaven,» dacht de lantaarn. «Ik heb alles
in mij, maar kan er hen geen deelgenooten van maken; zij weten niet,
dat ik de witte muren in de prachtigste tapijten kan veranderen,
in de heerlijkste bosschen, in alles, wat zij maar kunnen wenschen.»

De lantaarn werd overigens netjes in orde gehouden en stond geschuurd
in een hoek, waar zij iedereen in het oog viel. De menschen vonden
wel is waar, dat het een onnut meubel was; maar daarom bekreunden de
oudjes zich niet: zij hadden de lantaarn immers lief.

Op zekeren dag,--'t was de verjaardag van den ouden lantaarnopsteker,
ging de oude vrouw glimlachend naar de lantaarn toe en zei: «Ik zal
vandaag eens ter eere van mijn man illumineeren!» En de lantaarn
knarste met haar blikken schoorsteentje en dacht: «Wacht! Eindelijk
zal er toch een licht voor hen opgaan!»

Maar het bleef bij olie, en geen waskaars kwam er te voorschijn. Zij
brandde den heelen avond door, doch zag nu maar al te goed in, dat
het geschenk der sterren voor dit leven een doode schat zou blijven.

Daar had zij een droom,--en als men zulke gaven als zij bezit, dan is
het geen kunst om te droomen! Het kwam haar voor, dat de oude luidjes
gestorven waren en dat zij naar de ijzergieterij gebracht was, om in
een anderen vorm gegoten te worden. Het was haar daarbij even bang
te moede als indertijd, toen zij naar het stadhuis moest, om door
den burgemeester en den gemeenteraad bekeken te worden. Maar ofschoon
haar de macht verleend was, zich in roest en stof te veranderen, als
zij dit wenschte, deed zij dit toch niet. Zij werd in den smeltoven
geworpen en in een ijzeren kandelaar veranderd, zoo mooi, als men
maar zou kunnen wenschen, om waskaarsen daarop te plaatsen. Zij had
den vorm van een engel gekregen, die een grooten bloemruiker draagt;
midden in den ruiker werd de waskaars geplaatst. De kandelaar kreeg
zijn plaats op een groene schrijftafel; de kamer, waarin zij stond,
zag er heel gezellig uit; er stonden vele boeken in, en de muren waren
met mooie schilderijen behangen; zij behoorde een dichter toe. De
kamer veranderde in dichte, donkere bosschen, in liefelijke weiden,
in het scheepsverdek op de golven der zee, in den helderen hemel met
al zijn sterren.

«Wat liggen er toch een menigte gaven in mij besloten!» zei de oude
lantaarn, toen zij wakker werd. «Ik zou er bijna naar verlangen, in
een anderen vorm gegoten te worden. Maar neen! Dat mag niet gebeuren,
zoolang de oude luidjes leven. Zij hebben mij om mijns zelfs wil
lief. Zij hebben mij geschuurd en mij olie gegeven. En ik heb het
immers ook even goed, als het heele congres, in de beschouwing waarvan
zij insgelijks genoegen vinden!»

Van dien tijd af genoot zij meer inwendige rust, en dat had de oude,
brave straatlantaarn wel verdiend.



DE OOIEVAARS.


Op het laatste huis in een klein dorpje was een ooievaarsnest. Het
wijfje van een ooievaar zat daarin bij haar vier jongen, die er hun
kopjes met de spitse zwarte bekjes uitstaken; want deze waren nog niet
rood geworden. Een klein eindje daar vandaan stond op de vorst van het
dak, stram en stijf, het mannetje; hij had zijn eenen poot in de hoogte
getrokken, om toch iets te doen te hebben, terwijl hij op schildwacht
stond. Men zou gezegd hebben, dat hij van hout gemaakt was, zoo stil
stond hij. «Het zal zeker wel heel deftig staan, dat mijn vrouw een
schildwacht bij het nest heeft!» dacht hij. «Ze kunnen immers niet
weten, dat ik haar man ben. Ze denken zeker, dat zij mij bevel gegeven
heeft om hier te staan!» En hij ging voort met op één poot te staan.

Beneden op straat speelde een troep kinderen; en toen zij de ooievaars
zagen, zong een der moedigste knapen, en later allen tegelijk,
het oude liedje van de ooievaars. Maar zij zongen het slechts zoo,
als hij het zich kon herinneren:


    «Ooievaar! waar vlieg je heen!
    Sta niet steeds op je eene been!
    Kijk, je vrouw zit in het nest,
    Waar zij op haar jongen past.

    Het eene wordt gehangen,
    Het andere wordt verschroeid,
    Het derde doodgestoken,
    Het vierde aan 't braadspit gloeit.»


«Hoor eens, wat die knapen daar zingen!» zeiden de jongen; «zij zingen,
dat wij opgehangen en verbrand moeten worden!»

«Daar moet je je maar niet aan storen!» zei de moeder der
ooievaars. «Luistert er maar niet naar, dan hindert het je niet!»

Maar de jongens gingen met zingen voort, en zij sliepten den ooievaar
met hun vingers uit; doch één knaap, die Piet heette, zei dat het
zonde was, die beesten zoo in het ootje te nemen, en hij wilde dan
ook volstrekt niet meedoen. De moeder der ooievaars troostte hen door
te zeggen: «Bekreunt je er maar niet om! Ziet maar eens, hoe bedaard
je vader daar staat, en dat nog wel op één poot!»

«We zijn doodsbenauwd!» zeiden de jongen en trokken hun kopjes in
het nest terug.

Den volgenden dag, toen de kinderen weer aan het spelen waren en de
ooievaars zagen, zongen zij hun lied:


    «Het eene wordt gehangen,
    Het andre wordt verschroeid.»


«Zullen we dan toch opgehangen en verschroeid worden?» vroegen de
jonge ooievaars.

«Wel zeker niet!» zei hun moeder. «Je moet leeren vliegen. Ik zal
het je wel leeren! Dan gaan wij naar het land toe en leggen een
bezoek bij de kikvorschen af; die buigen zich voor ons in het water
en zingen: «Krok, krok, rekkekekkek!» En dan eten wij ze op. Dat zal
een pret zijn!»

«En wat dan?» vroegen de jongen.

«Dan verzamelen zich al de ooievaars, die er in dit heele land zijn,
en dan beginnen de herfstmanoeuvres; dan moet men goed kunnen vliegen;
dat is van het uiterste belang. Want wie dan niet vliegen kan, wordt
door den generaal met den snavel doodgestoken; past daarom goed op,
dat je wat leert, als het exerceeren begint.»

«Dan worden we toch doodgestoken, zooals de jongens zeiden. En hoor
eens! Daar zingen ze het weer!»

«Luistert naar mij en niet naar hen,» zei de moeder der ooievaars. «Na
de groote manoeuvres vliegen wij naar de warme landen, ver hier
vandaan, over bergen en bosschen. Naar Egypte vliegen wij toe, waar
men driehoekige steenen huizen heeft, die in een punt uitloopen en tot
boven de wolken reiken; zij worden piramiden genoemd en zijn ouder,
dan een ooievaar zich wel kan voorstellen. Daar is een rivier, die
buiten haar oevers treedt; dan wordt het geheele land tot slijk. Men
loopt in het slijk en eet kikvorschen.»

«Zoo?» zeiden al de jongen.

«Ja, daar is het heerlijk! Men doet den heelen dag niets anders dan
eten; en terwijl we het daar zoo goed hebben, is er in dit land geen
enkel groen blad aan de boomen; dan is het hier zoo koud, dat de
wolken stuk vriezen en in kleine, witte lapjes naar beneden vallen!»
Het was de sneeuw, die zij bedoelde: maar zij wist het niet anders
te verklaren.

«Vriezen die ondeugende jongens dan ook stuk?» vroegen de jonge
ooievaars.

«Neen, stuk vriezen ze niet; maar ze zijn er dicht aan toe en moeten
in de donkere kamer blijven zitten kniezen. Jelui kunt daarentegen
in vreemde landen rondvliegen, waar men bloemen en warmen zonneschijn
heeft.»

Nu was er al eenigen tijd verloopen; en de jongen waren zoo
groot geworden, dat zij rechtop in het nest konden staan en ver
in de rondte kijken; en de vader der ooievaars kwam alle dagen met
heerlijke kikvorschen, kleine slangen en alle ooievaarslekkernijen,
die hij maar kon vinden. O, wat was dat aardig, als hij hun allerlei
kunstjes voordeed. Zijn kop boog hij heelemaal achterover tot op zijn
staart, met zijn snavel klapperde hij, alsof het een rateltje was,
en dan vertelde hij hun geschiedenisjes allemaal van het moeras.

«Hoort eens, nu moet je leeren vliegen!» zei de moeder der ooievaars
op zekeren dag, en toen moesten al de vier jongen het nest uit en
de dakvorst op. Och, wat waggelden zij, wat balanceerden zij met hun
vleugels; en toch scheelde het niet veel, of zij waren naar beneden
gevallen.

«Kijkt maar eens naar mij!» zei de moeder. «Zoo moet je je kop
houden! Zoo moet je je pooten zetten. Een, twee! Een, twee! Dat is het,
wat je in de wereld vooruit zal doen komen!» Daarop vloog zij een klein
eindje, en de jongen deden een kleinen, onbeholpen sprong. Bom! daar
lagen ze, want hun lichaam was nog niet lenig genoeg.

«Ik wil niet vliegen!» zei een der jongen en kroop weer in het nest;
«het kan mij niet schelen, of ik naar de warme landen toe ga!»

«Wil je hier dan doodvriezen, als het winter wordt? Moeten de jongens
dan komen om je op te hangen, te verbranden of dood te steken? Dan
zal ik ze maar dadelijk roepen!»

«O neen!» zei de jonge ooievaar en huppelde toen weer over het dak,
evenals de andere.

Op den derden dag konden zij al een beetje vliegen, en nu dachten zij,
dat zij ook konden zweven en op de lucht drijven. Dat wilden zij,
maar bom! daar duikelden zij; daarom moesten zij hun vleugels gauw
weer in beweging brengen. Nu kwamen de jongens beneden op de straat
en zongen hun lied:


    «Ooievaar! waar vlieg je heen?»


«Zullen we niet naar beneden vliegen en hun de oogen uitpikken?»
vroegen de jongen.

«Neen, doet dat niet!» zei de moeder. «Luistert maar naar mij, dat is
veel meer van belang! Een, twee, drie! nu vliegen we rechts. Een, twee,
drie! nu links om den schoorsteen heen!--Kijk, dat ging waarlijk al
heel goed! De laatste slag met je pooten was zoo netjes en juist, dat
je permissie krijgt, om morgen met mij naar het moeras te vliegen. Daar
komen verscheidene deftige ooievaarsfamilies met haar kinderen bijeen;
toont hun dan, dat de mijne de flinkste zijn en dat je je fatsoenlijk
weet te gedragen; dat staat goed en geeft aanzien!»

«Maar moeten we dan geen wraak nemen op die ondeugende jongens?»
vroegen de jonge ooievaars.

«Laat ze maar schreeuwen, zooveel als ze willen! Jelui vliegt toch
naar de wolken op en komt in het land der piramiden, als zij kou
moeten lijden en geen groen blad, geen zoeten appel hebben!»

«Ja, we zullen ons toch wreken!» fluisterden zij elkaar toe, en daarop
werd er weer geëxerceerd.

Van al de jongens op straat was er geen erger op verzot, het spotlied
te zingen, dan juist diegene, die er mee begonnen was, en dat was nog
maar een heel kleine jongen; hij was zeker niet ouder dan zes jaar. De
jonge ooievaars dachten wel is waar, dat hij honderd jaren telde,
want hij was immers veel grooter dan hun moeder en hun vader, en wat
wisten zij er van, hoe oud kinderen en groote menschen konden zijn! Al
hun wraak zou op dezen jongen neerkomen: hij was het eerst begonnen, en
hij bleef maar volhouden. De jonge ooievaars waren erg nijdig op hem,
en toen zij grooter werden, konden zij hem nog minder uitstaan. Hun
moeder moest hun eindelijk beloven, dat zij gewroken zouden worden,
maar eerst op den laatsten dag van hun verblijf in dit land.

«We moeten eerst eens zien, hoe je je bij de groote manoeuvres zult
houden! Gedraag je je slecht, zoodat de generaal je den snavel door
de borst stoot, dan hebben de jongens immers gelijk, althans in een
zeker opzicht. Laat ons nu eens zien!»

«Ja dat zult ge!» zeiden de jongen, en nu deden zij hun uiterste
best; zij oefenden zich alle dagen en vlogen zoo netjes en zoo vlug,
dat het een lust was om te zien.

Nu kwam de herfst. Al de ooievaars begonnen zich te verzamelen, om
naar de warme landen te trekken, terwijl wij winter hadden. Dat waren
de manoeuvres! Over bosschen en dorpen moesten ze, alleen om te zien,
of ze wel goed konden vliegen; want het was immers een verre reis,
die hun te wachten stond. De jonge ooievaars deden hun zaakjes zoo
goed, dat zij: «Uitmuntend, met kikvorsch en slangen!» kregen. Dat
was het allerbeste getuigenis, en den kikvorsch en de slangen konden
zij opeten; en dat deden ze dan ook.

«Nu zullen we ons wreken!» zeiden zij.

«Wel zeker!» zei de moeder der ooievaars. «Wat ik er op bedacht heb,
is het allerbeste. Ik weet waar de vijver is, waarin al de kleine
menschenkinderen liggen, totdat de ooievaar komt en ze aan de ouders
brengt. De lieve, kleine kinderen slapen en droomen zoo heerlijk, als
zij later nimmer meer doen. Alle ouders willen graag zulk een klein
kind hebben, en alle kinderen willen wel een zusje of een broertje
hebben. Nu zullen we naar den vijver toe vliegen en een daarvan voor
elk der kinderen halen, die dat leelijke lied niet gezongen en de
ooievaars niet in het ootje genomen hebben.»

«Maar hij, die met zingen begonnen is, die ondeugende, leelijke
jongen,» schreeuwden de jonge ooievaars, «wat moeten we met hem
beginnen?»

«Er ligt in den vijver een klein, dood kind, dat zich dood gedroomd
heeft; dat zullen we voor hem meenemen; dan zal hij schreien, omdat
wij hem een klein, dood broertje gebracht hebben; maar dien goeden
jongen,--hem ben je toch niet vergeten, hem, die zei, dat het zonde
was, ons in het ootje te nemen?--hem zullen we zoowel een broertje
als een zusje brengen. En daar de jongen Piet heet, moet jelui ook
allemaal Piet genoemd worden!»

En het gebeurde, zooals zij zeide; en al de ooievaars werden Piet
genoemd, en zoo heeten zij nog.



ZOOALS MANLIEF DOET, IS HET ALTIJD GOED.


Ik zal u eens een sprookje vertellen, dat ik hoorde, toen ik nog
een kleine jongen was; telkens wanneer ik aan dit sprookje dacht,
kwam het mij voor, alsof het gedurig mooier werd; want het gaat met
sprookjes evenals met vele menschen,--zij worden met de jaren mooier.

Op het land zult ge toch zeker wel eens geweest zijn, ge zult
dan ook wel eens zulk een heel oud boerenhuis met een stroodak
gezien hebben. Mos en planten groeien er van zelf op het dak; een
ooievaarsnest bevindt zich op de vorst daarvan,--de ooievaar behoort er
zoo bij. De muren van het huis zijn scheef, de ramen laag, en slechts
een enkel raam is zoo ingericht, dat het kan opengeschoven worden;
de oven springt buiten den muur uit, evenals een kleine, dikke buik;
de vlierboom hangt over de heining heen, en onder zijn takken, aan
den voet der heining, is een vijver, waarin eenige eenden zwemmen. Een
hond, die tegen elk en een ieder blaft, is er ook.

Zulk een boerenhuis stond er buiten op het land, en in dit huis woonden
een paar oude lieden, een boer en zijn vrouw. Hoe weinig zij ook
hadden, iets was daaronder toch, dat zij hadden kunnen missen,--en
wel een paard, dat zich met het gras voedde, dat het aan den weg
vond. De oude boer reed op dit paard naar de stad, dikwijls leenden
zijn buren het ook van hem en bewezen daarvoor aan de oude lieden
menigen wederdienst. Maar het raadzaamst zou het toch wel zijn, als
zij dit paard verkochten of het tegen iets anders, dat hun meer van
nut kon zijn, verruilden. Maar wat zou dit wel zijn?

«Dat zal jij het best weten, man!» zei zijn vrouw tegen hem. «Vandaag
is het juist jaarmarkt, rijd naar de stad, geef het paard voor geld
weg of doe er een goeden ruil voor: zooals jij doet, is het mij altijd
goed. Rijd maar naar de jaarmarkt toe!»

Zij deed hem zijn das om, want daar had zij meer verstand van dan hij;
zij maakte deze met een dubbelen strik vast: dat stond heel goed! Zij
streek zijn hoed met haar hand op en gaf hem toen een hartelijken
zoen. Daarop reed hij weg op het paard, dat moest verkocht of in ruil
gegeven worden. Ja, de oude man heeft daar wel verstand van!

De zon scheen warm, geen wolkje was er aan den hemel te zien. Op den
weg stoof het geducht; vele menschen, die de jaarmarkt wilden bezoeken,
reden er te paard of in een rijtuig heen, of legden den weg te voet
af. Nergens was eenige schaduw tegen de brandende stralen der zon.

Onder anderen ging er ook iemand dien weg langs, die een koe naar de
markt dreef. De koe was zoo mooi, als een koe maar wezen kan. «Die
geeft zeker ook goed melk!» dacht de boer; «dat zou een goede ruil
zijn: de koe voor het paard!»

«Heidaar!» riep hij den man, die met de koe liep, toe; «weet je
wat? Een paard, zou ik meenen, kost meer dan een koe; maar dat is
mij om 't even; ik kan meer dienst, van een koe hebben, als je er
lust in hebt, dan zullen wij ruilen!»

«Zeker wil ik dat!» zei de man met de koe, en nu ruilden zij.

Dat was alzoo afgedaan, en de boer had nu best weer kunnen terugkeeren;
want hij had nu immers afgedaan, waarom het hem te doen was; maar
daar hij zich eenmaal op de jaarmarkt gespitst had, wilde hij er ook
naar toe, alleen maar om deze eens te zien, en daarom ging hij met
zijn koe naar de stad.

Terwijl hij de koe meevoerde, liep hij verder, en na verloop van
eenigen tijd kwam hij een man voorbij, die een schaap voor zich
uitdreef. Het was een goed, vet schaap, en het had goede wol.

«Dat zou ik wel willen hebben,» dacht onze boer, «het zou bij ons
volop gras vinden, en gedurende den winter konden wij het bij ons in
de keuken nemen. Eigenlijk zou het verkieslijker zijn een schaap in
plaats van een koe te hebben... Willen wij ruilen?» vroeg hij.

Daartoe was de man met het schaap terstond bereid, en de ruiling had
plaats. Onze boer ging met het schaap langs den straatweg verder.

Al spoedig werd hij andermaal een man gewaar, die den straatweg langs
kwam en een groote gans onder den arm droeg.

«Dat is een zwaar ding, dat je daar hebt; het heeft veeren en vet,
dat het een lust is om te zien; het zou wel aardig zijn, als dat bij
ons aan een touw bij het water liep. Dat zou net zoo iets voor mijn
vrouw zijn; daarvoor kon zij allerlei afval opzamelen. Hoe dikwijls
heeft zij niet gezegd: als wij maar eens een gans hadden! Nu kan zij
er misschien een krijgen... en komaan! zij zal er een hebben... Willen
wij ruilen? Ik geef je het schaap voor de gans en een bedankje op
den koop toe.»

Daar had de ander niets tegen in te brengen, en zoo ruilden zij
dan. Onze boer kreeg de gans.

Nu was hij reeds dicht bij de stad: het gedrang op den straatweg nam
gedurig toe; menschen en vee verdrongen elkaar: zij liepen op den
straatweg langs de heggen, ja, bij den slagboom kwamen zij zelfs
op het aardappelveld van een daglooner, waar zijn eenige kip aan
een touw rondliep, opdat zij niet van het gedrang zou schrikken,
afdwalen en wegloopen. De kip had korte veeren in haar staart, zij
knipte met haar eene oog en zag er zeer schrander uit. «Klok! Klok!»
zei de kip. Wat zij daarbij dacht, weet ik niet te zeggen; maar toen
onze boer haar te zien kreeg, dacht hij terstond: «Dat is de mooiste
kip, die ik ooit gezien heb, zij is zelfs mooier dan de broedhen van
dominee. Drommels! Die kip zou ik wel willen hebben! Een kip vindt
altijd wel een graantje; zij kan zich bijna geheel zelf voeden; ik
geloof, dat het een goede ruil zou zijn, als ik haar voor de gans
kon krijgen... Willen we ruilen?» vroeg hij den daglooner.

«Ruilen?» herhaalde deze, «ja, dat zou niet kwaad zijn!» En zoo
ruilden zij. De daglooner kreeg de gans en de boer kreeg de kip.

Zoo had hij al heel wat op de reis naar de stad afgedaan; warm was
het ook, en hij was moede. Aan een slokje en aan een ontbijt had hij
wel behoefte; al spoedig daarop bevond hij zich bij de herberg. Hij
wilde juist naar binnen gaan, toen de huisknecht er uit kwam; zij
ontmoetten elkaar op den drempel. De knecht droeg een gevulden zak.

«Wat heb je daar in dien zak zitten?» vroeg de boer,

«Verrotte appelen,» antwoordde de knecht, «een heelen zak vol, genoeg
voor de varkens.»

«Dat is toch een al te groote verkwisting. Dat zou ik wel eens aan
mijn vrouw willen laten zien. Verleden jaar heeft de oude boom bij
het turfhok maar een enkelen appel opgeleverd; die werd afgeplukt en
stond op de kast, totdat hij geheel bedierf en verrotte. «Dat is toch
altijd iets,» zei mijn vrouw «Wat zou zij opkijken, als zij eens een
heelen zak vol zag! Ja, dat zou ik haar wel eens gunnen!»

«Wat wil je voor den zak geven?» vroeg de knecht.

«Wat ik er voor geven wil? Ik geef mijn kip daarvoor in ruil,» en hij
gaf de kip in ruil, kreeg de appelen en trad daarmee de gelagkamer
binnen. Den zak zette hij voorzichtig, tegen de kachel aan en ging
toen naar het buffet. Maar de kachel was warm, daaraan dacht hij
niet.--Er waren vele gasten aanwezig: paardenkoopers, ossendrijvers
en twee Engelschen, en die Engelschen waren zoo rijk, dat hun zakken
met goudstukken opgevuld waren en er bijna van barstten;--en wedden,
dat zij konden! Daar zult ge eens wat van hooren!

«Ss! Ss!»--Wat was dat bij de kachel?--De appelen begonnen te braden.

«Wat is dat toch?»

«Ja, zie je,» zei onze boer, en nu vertelde hij de heele geschiedenis
van het paard, dat hij tegen een koe verruild had en zoo verder tot
aan de appelen.

«Nu, dan zal je vrouw wel duchtig op je knorren, als je thuis
komt. Daar zit wat voor je op!» zeiden de Engelschen.

«Wat? Knorren?» zei de boer. «Een zoen zal zij mij geven en zeggen:
zooals manlief doet, is het altijd goed.»

«Willen wij eens wedden?» zeiden de Engelschen. «Om gemunt goud per
ton van een centenaar of honderd pond?»

«Een zak is al voldoende,» antwoordde de boer. «Ik kan er slechts
mijn zak met appelen tegen zetten.»

«Aangenomen.» En de weddingschap werd aangegaan.

Het rijtuig van den kastelein kwam voor, de Engelschen en de boer
stapten er in; voorwaarts ging het, en al spoedig daarop hielden zij
voor het huis van den boer stil.

«Goeden avond, vrouw!»

«Goeden avond, man!»

«De ruil is gedaan.»

«Ja, jij verstaat je zaken wel!» zei de vrouw, terwijl zij hem omhelsde
en noch op den zak, noch op de vreemde gasten lette.

«Ik heb een koe voor het paard geruild»

«Goddank! Nu zullen we melk krijgen en boter en kaas op de tafel! Dat
was een goede ruil!»

«Ja, maar de koe heb ik weer tegen een schaap ingeruild.»

«Wel, dat is des te beter!» antwoordde zijn vrouw, «je denkt ook
altijd aan alles; voor een schaap hebben wij gras genoeg; schapenmelk
en schapenkaas en wollen kousen en wollen rokken! Dat geeft de koe
niet, zij verliest haar haren maar. Wat denk je ook aan alles!»

«Maar het schaap heb ik weer tegen een gans verruild.»

«Zullen wij dit jaar dan werkelijk eens een gebraden gans op tafel
hebben, manlief? Je denkt er altijd aan, mij een plezier te doen. Wat
is dat heerlijk! De gans kunnen we aan een touw vastzetten en haar
nog vetter laten worden, voordat wij haar braden.»

«Maar de gans heb ik tegen een kip verruild!» zei haar man.

«Een kip! Dat was een goede ruil!» antwoordde zijn vrouw.

«De kip legt eieren, die broedt zij uit, dan krijgen wij kuikentjes
en later een heelen troep kippen! Kijk, daar heb ik al zoo lang
naar verlangd!»

«Ja, maar de kip gaf ik weer voor een zak vol rotte appelen weg!»

«Wat? Nu moet ik je eens een hartelijken zoen geven!» hernam de
vrouw. «Mijn lieve, beste man! Ik zal je eens wat vertellen. Zie je,
toen je van morgen pas weg waart, dacht ik er over na, hoe ik tegen,
van avond eens wat lekkers voor je klaar zou maken. Toen dacht ik
aan spekpannekoeken met appelen. De eieren had ik al, het spek ook,
maar de appelen ontbraken mij nog. Zoo ging ik dan naar meesters vrouw
toe; zij heeft appelen, dat weet ik; maar meesters vrouw is gierig,
al weet zij zich ook nog zoo mooi voor te doen. Ik verzocht haar, mij
wat appelen te leenen. «Leenen?» gaf zij ten antwoord. «Geen enkele
appel groeit er in onzen tuin, niet eens een rotte; zoo een kan ik
je niet eens leenen, beste vrouw!» Maar nu kan _ik haar_ wel tien,
ja een heelen zak vol leenen. Dat doet mij plezier, dat is om mij
dood te lachen!»--En daarbij zoende zij hem, dat het klapte.

«Dat bevalt mij!» riepen de Engelschen als uit éen mond. «Altijd
minder en toch altijd vroolijk. Dat is het geld wel waard!»

En nu betaalden zij een centenaar gouden munten aan den boer, die
niet beknord, maar gezoend werd.

Ja, dat vindt altijd zijn loon, als de vrouw het inziet en het ook
altijd zegt, dat de man het het beste weet en dat al wat hij doet,
goed is.

Zie, dat is mijn geschiedenis. Ik heb haar reeds als kind gehoord,
en nu hebt gij haar ook gehoord en weet het nu: «Zooals manlief doet,
is het altijd goed!»



DE GROOTE KLAAS EN DE KLEINE KLAAS.


In zeker dorp woonden twee menschen, die beiden denzelfden naam
hadden. Beiden heetten Klaas, maar de een bezat vier paarden
en de ander maar een enkel paard. Om ze nu van elkaar te kunnen
onderscheiden, noemde men hem, die vier paarden had, den grooten Klaas,
en hem die maar één paard had, den kleinen Klaas. Nu willen we eens
hooren, hoe het met beiden ging; want het is een ware geschiedenis.

De heele week door moest de kleine Klaas voor den grooten Klaas ploegen
en hem zijn eenig paard leenen; dan hielp de groote Klaas hem weer
met al zijn vier, doch slechts eenmaal in de week, en dat was des
Zondags. Jongens! wat klapte de kleine Klaas dan met zijn zweep boven
al de vijf paarden; zij waren immers op dien eenen dag zoo goed als
de zijne. De zon scheen heerlijk, en al de klokken in den kerktoren
luidden; de menschen hadden hun beste kleeren aangetrokken en gingen
met hun gezangboek onder den arm naar de kerk, om den dominee te hooren
preeken; zij zagen den kleinen Klaas, die met vijf paarden ploegde,
en deze was zoo in zijn schik, dat hij al door weer met zijn zweep
klapte en riep: «Voort, mijn paardjes!»

«Zoo moet je niet spreken,» zei de groote Klaas; «het eene paard is
immers maar van jou.»

Maar toen er weer iemand voorbijkwam, vergat de kleine Klaas, dat
hij dit niet mocht zeggen, en riep: «Voort, mijn paardjes!»

«Hoor eens! Nu moet ik je verzoeken, het niet meer te zeggen!» zei de
groote Klaas weer, «want als je het nog eenmaal zegt, dan geef ik je
paard een slag voor den kop, dat het dood neervalt; dan is het met
hem gedaan!»

«Ik zal het waarlijk niet meer zeggen!» hernam de kleine Klaas. Maar
toen er al spoedig daarop weer menschen voorbijkwamen en hem
toeknikten, werd hij blijde en dacht, dat het toch wel heel deftig
moest staan, dat hij zoo vijf paarden had, om zijn land te beploegen;
nu klapte hij andermaal met zijn zweep en zei: «Voort, mijn paardjes»

«Ik zal je dat wel afleeren!» zei de groote Klaas en nam een knuppel
en sloeg het eenige paard van den kleinen Klaas daarmee zoo duchtig
voor den kop, dat het omviel en terstond dood was.

«Ach, nu heb ik geen paard meer!» zei de kleine Klaas en begon te
weenen. Daarop stroopte hij het paard de huid af en liet deze goed in
den wind drogen, stopte haar toen in een zak, dien hij op den schouder
nam, en begaf zich naar de stad om zijn paardenhuid te verkoopen.

Hij had een verren tocht af te leggen, hij moest een groot, donker
bosch door, en nu werd het een verschrikkelijk slecht weer; hij raakte
heelemaal verdwaald, en voordat hij weer op den rechten weg kwam,
was het avond en te ver om de stad nog te bereiken of voor den nacht
naar huis terug te keeren.

Vlak aan den weg stond een groote boerenplaats; de buitenluiken voor de
ramen waren gesloten; maar het licht kon daaroverheen toch naar buiten
schijnen. «Daar zal men mij wel willen vergunnen, den nacht door te
brengen,» dacht de kleine Klaas en ging er naar toe, om aan te kloppen.

De boerin deed de deur open; maar toen zij hoorde, wat hij wilde, zeide
zij, dat hij maar zijns weegs moest gaan; haar man was niet thuis,
en zij wilde aan iemand, die haar wildvreemd was, geen onderkomen
verschaffen.

«Nu, dan moet ik maar buiten blijven liggen,» zei de kleine Klaas,
en de boerin deed hem de deur voor den neus dicht.

Dicht daarbij stond een groote hooiberg, en tusschen deze en het huis
een kleine schuur, die met een plat stroodak bedekt was.

«Daar boven kan ik wel liggen!» dacht de kleine Klaas, toen hij het
dak zag. «Dat is immers een heerlijk bed. De ooievaar zal wel niet
naar beneden vliegen en mij in mijn beenen bijten!» Want op het dak
stond een levende ooievaar, die daar zijn nest had.

Nu klom de kleine Klaas boven op de schuur, waar hij zich neerlegde en
zich al heen en weer wentelde, om toch recht gemakkelijk te liggen. De
houten luiken voor de ramen waren niet heelemaal tot boven aan toe,
en zoo kon hij juist in de kamer zien.

Daar stond een groote tafel gedekt, met wijn en gebraden vleesch en
een heerlijken visch er op; de boerin en de koster zaten aan tafel,
maar niemand anders; zij schonk hem in, en hij stak zijn vork in de
visch, want dit was zijn lievelingskost.

«Kon ik daar ook maar wat van krijgen!» dacht de kleine Klaas en
strekte zijn hoofd naar het raam uit. Och! welk een heerlijken koek
zag hij op tafel staan! Stellig was het daar feest!

Nu hoorde hij iemand op den straatweg aankomen en naar het huis toe
rijden; dat was de man der boerin, die naar huis terugkeerde.

Die man was goed genoeg; maar hij had de verwonderlijke eigenschap,
dat hij geen koster kon uitstaan; als hij een koster in het oog
kreeg, dan werd hij razend. Dat was ook de reden, waarom de koster
naar zijn vrouw toe gegaan was, om haar een bezoek te brengen, daar
hij wist, dat haar man niet thuis was; en de goede vrouw zette hem
daarom het heerlijkste eten voor, dat zij maar had. Toen zij den man
echter hoorden aankomen, verschrikten zij, en de vrouw verzocht den
koster, in een groote leege kist te kruipen. Dat deed hij; want hij
wist immers, dat de arme man het niet kon verdragen, een koster te
zien. De vrouw verborg in aller ijl het heerlijke eten en den wijn
in haar oven; want als haar man dit te zien gekregen had, dan zou
hij zeker gevraagd hebben, wat dit moest beteekenen.

«Och, och!» zei de kleine Klaas boven op zijn schuur, toen hij het
eten zag verdwijnen.

«Is er iemand daarboven?» vroeg de boer en keek naar den kleinen
Klaas op. «Waarom lig je daar? Ga liever met mij mee in huis!»

Nu vertelde de kleine Klaas, hoe hij verdwaald geraakt was, en vroeg,
of hij hier gedurende den nacht mocht blijven.

«Wel zeker!» zei de boer, «maar wij moeten eerst wat te eten hebben.»

De vrouw ontving beiden zeer vriendelijk, dekte de tafel en zette
hun een grooten schotel met gort voor. De boer had honger en at met
den meesten smaak; maar de kleine Klaas kon zich niet weerhouden,
aan het heerlijke gebraden vleesch, den visch en den koek te denken,
die, zooals hij wist, in den oven stonden.

Onder de tafel, aan zijn voeten, had hij den zak met de paardehuid er
in neergelegd; want wij weten immers, dat hij zich ter wille daarvan
op weg begeven had, om deze in de stad te verkoopen. De gort wilde
hem maar niet smaken, en daarom trapte hij op zijn zak, en de droge
huid in den zak maakte nu een knarsend geluid.

«Stil!» zei de kleine Klaas tegen zijn zak, maar te gelijker tijd
trapte hij er weer op, en nu knarste het er nog luider dan te voren in.

«Wat heb je toch in je zak zitten?» vroeg de boer nu.

«O, dat is een toovenaar!» zei de kleine Klaas. «Hij zegt, dat wij
geen gort behoeven te eten; want dat hij den heelen oven vol gebraden
vleesch, visch en koek getooverd heeft.»

«Wat weerga!» zei de boer en deed nu den oven dadelijk open, waarin
hij al de heerlijke, lekkere spijzen zag staan, die zijn vrouw daarin
weggestopt had, maar die, zooals hij nu geloofde, de toovenaar in den
zak voor hen getooverd had. De vrouw dorst niets zeggen, maar zette de
spijzen terstond op de tafel neer, en zoo aten beiden van den visch,
van het gebraden vleesch en van den koek. Nu trapte de kleine Klaas
weer op zijn zak, zoodat de huid knarste.

«Wat zegt hij nu weer?» vroeg de boer.

«Hij zegt,» antwoordde de kleine Klaas, «dat hij ook drie flesschen
wijn voor ons getooverd heeft, en dat zij daar in den hoek bij den
oven staan!» Nu moest de vrouw den wijn, dien zij verborgen had,
voor den dag krijgen, en de boer dronk en werd zeer vroolijk! Zulk
een toovenaar, als de kleine Klaas in den zak had, zou hij wel graag
gehad hebben.

«Kan hij den duivel ook te voorschijn brengen?» vroeg de boer. «Ik
zou hem wel eens willen zien!»

«Ja,» zei de kleine Klaas, mijn toovenaar kan alles, wat ik
verlang. Niet waar?» vroeg hij en trapte op den zak, zoodat hij
knarste. «Hoor je wel? Hij zegt ja. Maar de duivel ziet er heel
leelijk uit; je zult hem zeker liever niet willen zien!»

«O, ik ben volstrekt niet bang. Hoe zou hij er wel uitzien?»

«Hij zal zich precies als een koster voordoen.»

«Foei!» zei de boer, «dat is leelijk! Je moet weten, dat ik het niet
kan uitstaan, een koster te zien. Maar dat doet er niet toe; ik weet
immers, dat het de duivel is; dus zal ik er mij wel in schikken! Nu
heb ik moed! Maar hij mag niet te dicht bij mij komen.»

«Nu, ik zal het aan mijn toovenaar vragen,» zei de kleine Klaas,
trapte op den zak en hield er zijn oor aan.

«Wat zegt hij?»

«Hij zegt, dat je de kist maar moet opendoen, die daar in den hoek
staat; dan zal je den duivel zien, zooals hij daarin op zijn hurken
zit; maar je moet het deksel vasthouden, want anders mocht hij eens
ontsnappen.»

«Wil je mij helpen om het vast te houden?» vroeg de boer en ging naar
de kist toe, waarin zijn vrouw den werkelijken koster verborgen had,
die daarin zat en zich doodelijk ongerust maakte.

De boer deed het deksel eventjes open en keek in de kist.

«Foei!» schreeuwde hij en deinsde terug. «Ja, nu heb ik hem gezien:
hij zag er precies uit als onze koster. Dat was verschrikkelijk!»

Daarop moest er gedronken worden, en zoo dronken zij dan tot laat in
den nacht.

«Dien toovenaar moet je mij verkoopen,» zei de boer. «Vraag daarvoor
al wat je maar wilt. Ja, ik geef je er op staanden voet een schepel
vol geld voor!»

«Neen, dat kan ik niet,» zei de kleine Klaas. «Bedenk toch, hoeveel
nut ik van dezen toovenaar kan hebben.»

«Och, ik zou hem toch graag willen hebben,» vervolgde de boer en ging
voort met smeeken.

«Welnu,» zei de kleine Klaas eindelijk, «daar je zoo goed geweest
bent, mij van nacht een onderkomen te verschaffen, zal ik het maar
doen. Je kunt den toovenaar voor een schepel vol geld krijgen.»

«Dat zul je hebben,» zei de boer. «Doch die kist daar moet je maar
meenemen: ik wil haar geen uur langer in huis houden; men kan het
nooit weten: misschien zit hij er nog wel in.»

De kleine Klaas gaf den boer zijn zak met de paardehuid er in en kreeg
daarvoor een schepel vol geld. De boer gaf hem zelfs nog een kar,
om het geld en de kist daarop mee te nemen.

«Vaarwel!» zei de kleine Klaas en reed met zijn geld en de groote kist,
waarin de koster nog zat, weg.

Aan den anderen kant van het bosch was een breede, diepe rivier;
het water stroomde daarin met zooveel snelheid, dat men tenauwernood
tegen den stroom in kon zwemmen; men had er een groote, nieuwe brug
overheen gelegd; de kleine Klaas bleef op het midden daarvan staan
en zei overluid, opdat de koster het zou kunnen hooren:

«Wat moet ik nu met die lompe kist beginnen? Zij is zoo zwaar, alsof er
steenen in zaten! Ik word er maar moe van, haar verder voort te rijden;
ik zal haar in de rivier werpen; drijft zij naar mijn huis toe, dan
is het goed, en doet zij dit niet, dan komt het er ook niet op aan.»

Nu pakte hij de kist met zijn eene hand beet en tilde haar een weinig
op, alsof hij haar in het water wilde gooien.

«Och, doe dat niet!» riep de koster uit de kist. «Laat mij er eerst
uit.»

«Hu!» zei de kleine Klaas en hield zich, alsof hij bang was. «Hij
zit er nog in! Dan moet ik hem gezwind in de rivier werpen, om hem
te verdrinken.»

«O neen, neen!» riep de koster. «Ik zal je een geheel schepel vol
geld geven, als je er mij uitlaat.»

«Zoo, dat is wat anders!» zei de kleine Klaas en deed de kist open. De
koster kroop er gauw uit, stiet de leege kist in het water en ging
naar zijn huis, waar de kleine Klaas een schepel vol geld kreeg. Hij
had er al een van den boer gekregen, en zoo had hij dan nu zijn heele
kar vol geld.

«Nu, het paard heb ik goed betaald gekregen!» zei hij bij zich zelf,
toen hij te huis in zijn kamer al het geld op een hoop uitschudde. «Dat
zal den grooten Klaas ergeren, als hij verneemt, hoe rijk ik door
mijn ééne paard geworden ben; maar ik wil het hem toch niet met ronde
woorden zeggen!»

Nu zond hij een jongen naar den grooten Klaas toe, om van hem een
schepelmaat te leenen.

«Wat zou hij daarmee toch willen doen?» dacht de groote Klaas en
smeerde teer op den bodem daarvan, opdat er van hetgeen er in gemeten
werd, iets aan zou blijven hangen. En dat gebeurde ook; want toen
hij de schepelmaat terugkreeg, hingen er drie nieuwe zilverstukken aan.

«Wat is dat?» zei de groote Klaas en liep dadelijk naar den kleinen
Klaas toe. «Waar heb je al dat geld toch vandaan gekregen?»

«O, dat is voor mijn paardenhuid; die heb ik gisteravond verkocht.»

«Dat is waarlijk goed betaald!» zei de groote Klaas, liep gezwind naar
huis, nam een bijl, gaf aan al zijn vier paarden een slag voor den kop,
stroopte hun de huid af en reed met deze huiden naar de stad toe.

«Huiden, huiden! Wie wil er huiden koopen?» riep hij door de straten.

Alle schoenmakers en leerlooiers kwamen aanloopen en vroegen, wat
hij er voor moest hebben.

«Een schepel vol geld voor elke huid,» zei de groote Klaas.

«Ben je niet wijs?» riepen allen uit. «Denk je, dat we het geld zoo
maar bij schepels hebben?»

«Huiden, huiden! Wie wil er huiden koopen?» riep hij weer, en aan al
degenen, die hem vroegen, wat de huiden moesten kosten, gaf hij ten
antwoord: «Een schepel vol geld!»

«Hij wil ons beetnemen!» zeiden allen; daarop namen de schoenmakers
hun spanriemen en de leerlooiers hun schootsvellen, en gaven den
grooten Klaas daarmee een duchtig pak slaag.

«Huiden, huiden!» voegden zij hem op een spottenden toon toe; «ja, wij
zullen je huid looien, zoodat het bloed er bij neerloopt. De stad uit
met hem!» riepen zij, en de groote Klaas moest zich zoo hard wegmaken,
als hij maar kon; want zulk een pak slaag had hij nog nooit van zijn
leven gehad.

«Nu!» zeide hij, toen hij thuis kwam, «dat zal ik den kleinen Klaas
betaald zetten! Ik zal hem daarvoor doodslaan.»

In het huis van den kleinen Klaas was zijn grootmoeder gestorven. Zij
was wel is waar heel lastig en slecht voor hem geweest; maar hij was
toch diep bedroefd en nam de doode vrouw op en legde haar in zijn warme
bed, om te zien of zij niet tot het leven zou terugkeeren. Daar moest
zij den heelen nacht liggen; hij zelf zou in den hoek gaan zitten en
op een stoel slapen; dat had hij wel meer gedaan.

Toen hij daar nu in den nacht zat, ging de deur open, en nu trad de
groote Klaas met zijn bijl binnen. Hij wist wel, waar het ledekant
van den kleinen Klaas stond, ging daar regelrecht naar toe en sloeg
diens grootmoeder voor het hoofd, daar hij dacht, dat het de kleine
Klaas was.

«Ziezoo!» zeide hij. «Nu zal je mij niet meer beethebben!» Daarop
keerde hij naar zijn huis terug.

«Dat is toch een slechte kerel!» dacht de kleine Klaas. «Hij wilde
mij doodslaan. Het was maar gelukkig, dat grootmoeder al dood was;
anders zou hij haar van het leven beroofd hebben!»

Nu trok hij zijn grootmoeder haar Zondagsche kleeren aan, leende
van zijn buurman een paard, spande dit voor den wagen en zette zijn
grootmoeder op de achterste bank, zoodat zij er niet kon uitvallen,
als hij reed; en zoo reden zij weg en gingen het bosch door. Toen
nu de zon opging, kwamen zij aan een groote herberg; daar hield de
kleine Klaas stil en ging er in, om wat te gebruiken.

De waard had zeer veel geld; hij was een heel goedhartig man, maar
erg oploopend.

«Goeden morgen!» zei hij tegen den kleinen Klaas. «Je bent er van
morgen al vroeg op uitgegaan!»

«Ja,» zei de kleine Klaas; «ik moet met mijn grootmoeder naar de stad
toe; zij zit op den wagen, en ik kan haar niet in huis brengen. Wil
je haar niet een glas wijn geven? Maar je moet heel luid spreken,
want zij kan niet goed hooren!»

«Ja, dat zal ik doen!» zei de waard en schonk een groot glas wijn in,
waarmee hij naar de doode grootmoeder toe ging, die rechtop in den
wagen gezet was.

«Hier is een glas wijn van uw kleinzoon!» zei de waard. Maar de doode
vrouw sprak geen enkel woord en bleef roerloos zitten.

«Hoor je mij niet?» riep de waard nu zoo hard als hij maar kon;
«hier is een glas wijn van uw kleinzoon!»

Nog eenmaal riep hij hetzelfde, en toen nog eenmaal; maar daar
zij zich volstrekt niet verroerde, werd hij boos en wierp haar het
glas in het gezicht, zoodat de wijn haar over den neus liep en zij
achterover in den wagen viel; want zij was maar los overeind gezet
en niet vastgebonden.

«Wat heb je daar gedaan?» riep de kleine Klaas, snelde de deur uit
en pakte den waard bij den kraag beet. «Je hebt mijn grootmoeder
gedood! Kijk maar eens! Er zit een groot gat in haar voorhoofd!»

«O, dat is ongelukkig!» riep de waard en sloeg zich met de handen
voor het hoofd. «Dat komt alles van mijn opvliegendheid! Beste kleine
Klaas! ik zal je een schepel vol geld geven en je grootmoeder laten
begraven, alsof het mijn eigen was; maar zwijg er dan ook over,
want anders wordt mij het hoofd afgeslagen, en dat zou ik niet heel
plezierig vinden!»

Zoo kreeg de kleine Klaas een schepel vol geld, en de waard begroef
de grootmoeder, alsof het zijn eigen geweest was.

Toen nu de kleine Klaas weer met het vele geld thuis kwam, zond hij
zijn jongen dadelijk naar den grooten Klaas toe, om hem te verzoeken,
hem een schepelmaat te leenen.

«Wat is dat?» zei de groote Klaas. «Heb ik hem niet doodgeslagen? Dat
moet ik toch zelf eens gaan zien!» En zoo ging hij zelf met de
schepelmaat naar den kleinen Klaas.

«Waar heb je toch al dat geld vandaan gekregen?» vroeg hij en zette
groote oogen op, toen hij alles zag, wat er nog bijgekomen was.

«Je hebt mijn grootmoeder doodgeslagen, maar mij niet!» zei de
kleine Klaas; «die heb ik nu verkocht en er een schepel vol geld
voor gekregen.»

«Dat is waarlijk goed betaald,» zei de groote Klaas en snelde naar
huis toe, nam een bijl en sloeg zijn grootmoeder dadelijk dood, zette
haar op zijn wagen, reed haar naar de stad, waar de apotheker woonde,
en vroeg hem, of hij ook een lijk wilde koopen.

«Wie is het, en hoe kom je er aan?» vroeg de apotheker.

«Het is mijn grootmoeder!» zei de groote Klaas. «Ik heb haar
doodgeslagen, om er een schepel vol geld voor te krijgen!»

«God beware ons!» riep de apotheker uit. «Je spreekt wartaal. Zeg zulke
dingen toch niet, anders kon het je je hoofd wel eens kosten!»--En nu
vertelde hij hem omstandig, wat voor een goddelooze daad hij begaan
had, en wat voor een slecht mensch hij was, en dat hij er voor gestraft
moest worden; toen verschrikte de groote Klaas zoozeer, dat hij uit
de apotheek op den wagen sprong, duchtig op de paarden lossloeg en
naar huis reed. Maar de apotheker en al de menschen dachten, dat hij
krankzinnig was, en daarom lieten zij hem rijden, waarheen hij wilde.

«Daar zul je voor boeten!» zei de groote Klaas, toen hij buiten op
den straatweg was. «Ja, dat zal ik je betaald zetten, kleine Klaas!»
Toen nam hij, zoodra hij thuis kwam, den grootsten zak, dien hij maar
vinden kon, ging naar den kleinen Klaas toe en zei: «Nu heb je mij al
weer beetgehad! Eerst heb ik mijn paarden doodgeslagen en toen mijn
grootmoeder! Dat is allemaal jouw schuld, maar je zult mij niet meer
beethebben!» Dit zeggende, pakte hij den kleinen Klaas om zijn lijf
beet en stak hem in zijn zak, nam dezen op zijn rug en riep hem toe:
«Nu ga ik met je weg en verdrink je!»

Het was een verre weg, dien hij af te leggen had, voordat hij bij de
rivier kwam, en de kleine Klaas was niet zoo gemakkelijk te dragen. De
weg liep vlak voorbij de kerk, het orgel speelde en de menschen zongen
zoo mooi! Nu zette de groote Klaas zijn zak met den kleinen Klaas er
in dicht bij de kerkdeur neer en dacht, dat het niet kwaad zou zijn,
de kerk in te gaan en een psalm aan te hooren, voordat hij verder
ging. De kleine Klaas kon er immers niet uit komen, en al de menschen
waren in de kerk: zoo ging hij er dan in.

«Och hemel, och hemel!» zuchtte de kleine Klaas in den zak en draaide
en keerde zich al; maar het was hem niet mogelijk, het touw los te
krijgen. Nu kwam er een stokoude veehoeder aan met sneeuwwit haar
en een grooten stok in de hand; hij dreef een groote kudde koeien
en stieren voor zich uit; deze liepen tegen den zak aan, waarin de
kleine Klaas zat, zoodat hij omver viel.

«Och, och!» zuchtte de kleine Klaas. «Ik ben nog zoo jong en moet nu
al naar den hemel toe!»

«En ik, ongelukkige!» zei de veehoeder, «ik ben al zoo oud en kan er
nog maar niet in komen.»

«Doe den zak open!» riep de kleine Klaas, «kruip er in mijn plaats in,
dan kom je oogenblikkelijk in den hemel!»

«O, dat wil ik met alle plezier doen,» zei de veehoeder en maakte
den zak open, waar de kleine Klaas nu dadelijk uitkroop.

«Wil je nu ook op het vee passen?» vroeg de grijsaard en kroop in
plaats van den kleinen Klaas in den zak, waarna deze hem dichtbond
en met al de koeien en stieren zijns weegs ging.

Al spoedig daarop kwam de groote Klaas uit de kerk en nam zijn zak weer
op den rug, ofschoon het hem toescheen, alsof deze lichter geworden
was; want de oude veehoeder was maar half zoo zwaar als de kleine
Klaas. «Wat is hij nu toch gemakkelijk te dragen! Dat komt zeker,
omdat ik een psalm gehoord heb.» Zoo ging hij dan naar de rivier toe,
die diep en breed was, wierp er den zak met den ouden veehoeder in en
riep hem achterna, want hij dacht immers, dat de kleine Klaas er in
zat: «Blijf daar nu maar liggen! Nu zul je mij niet meer beet hebben!»

Daarop ging hij naar huis; maar toen hij bij den kruisweg kwam,
ontmoette hij den kleinen Klaas, die zijn vee voortdreef.

«Wat is dat?» zei de groote Klaas. «Heb ik je niet verdronken?»

«Ja,» zei de kleine Klaas. «Je hebt mij immers een klein half uurtje
geleden in de rivier geworpen.»

«Maar hoe ben je aan dat prachtige vee gekomen?» vroeg de groote Klaas.

«Dat is watervee!» zei de kleine Klaas. «Ik zal je de heele
geschiedenis vertellen; maar eerst moet ik je er wel voor bedanken, dat
je mij verdronken hebt, want nu ben ik er boven op, nu ben ik waarlijk
rijk!--Wat was het mij bang te moede, toen ik in den zak zat! De wind
floot mij om de ooren, toen je mij van de brug naar beneden in het
koude water gooide. Ik zonk dadelijk naar den grond, maar ik stiet mij
niet, want daar beneden groeit het mooiste, zachtste gras. Daar kwam
ik op terecht, en terstond ging de zak open; het bekoorlijkste meisje
in sneeuwwitte kleederen en met een groenen krans om het natte haar
nam mij bij de hand en zei: «Ben je daar, kleine Klaas? Daar heb je
vooreerst eenig vee! Een mijl verder op den weg staat nog een heele
kudde, die ik je wil geven!»--Nu zag ik, dat de rivier een grooten
straatweg voor de bewoners van het water vormde. Onder op den grond
liepen en reden zij juist van de zee af en het land in tot daar,
waar de rivier eindigde. Daar was het vol bloemen en frisch gras;
de visschen, die in het water zwommen, schoten mij voorbij de ooren,
evenals hier de vogels in de lucht. Wat waren er daar mooie menschen,
en wat was daar voor vee, dat in grachten en in slooten graasde!»

«Maar waarom ben je dadelijk weer naar boven gekomen?» vroeg de
groote Klaas. «Dat zou ik niet gedaan hebben, als het daar beneden
zoo mooi is!»

«Ja,» zei de kleine Klaas, «dat is juist slim van mij gehandeld. Je
hebt immers wel gehoord, dat ik je verteld heb, dat de zeemeermin
tegen mij zei, dat er een mijl verder op den weg,--en met dien weg
bedoelde zij natuurlijk de rivier, want zij kan nergens anders naar
toe komen,--nog een heele kudde vee voor mij stond. Maar ik weet,
wat voor krommingen de rivier maakt, nu eens hier, dan weer daar,
dat is immers een verre omweg; neen, dan kan men het korter afdoen,
als men hier aan land stapt en dwars over het veld weer naar de rivier
toe loopt; daarbij haal ik immers bijna een halve mijl uit en kom
spoediger bij mijn watervee!»

«O, je bent toch een gelukkig man!» zei de groote Klaas. «Zou je
denken, dat ik ook watervee kreeg, als ik op den bodem der rivier
kwam?»

«Ja, dat denk ik wel,» zei de kleine Klaas. «Maar ik kan je niet in
den zak naar de rivier dragen; je bent mij te zwaar! Wil je er zelf
naar toe loopen en in den zak kruipen, dan wil ik je er met alle
plezier ingooien.»

«Heel graag!» zei de groote Klaas. «Maar wanneer ik geen watervee
krijg, als ik beneden kom, geloof mij, dan zal ik je een duchtig pak
slaag geven!»

«Och, maak het zoo erg niet!»

Nu begaven zij zich naar de rivier. Toen het vee, dat dorstig was, het
water zag, liep het zoo hard als het kon naar het water om te drinken.

«Kijk maar eens, hoe het zich voortspoedt!» zei de kleine Klaas»
«Het verlangt er al naar, om weer op den bodem der rivier te komen.»

«Komaan, help mij dan maar gauw!» zei de groote Klaas, «anders krijg
je een pak slaag!» En zoo kroop hij in den grooten zak, die dwars
over den rug van een stier gelegen had. «Doe er een steen in, anders
vrees ik, dat ik niet naar beneden zal zinken,» zei de groote Klaas.

«Dat wil ik wel!» zei de kleine Klaas, en hij deed nog een grooten
steen in den zak, bond er het touw stevig om heen en gaf er toen een
duw aan. Plof! daar viel de groote Klaas in de rivier en zonk dadelijk
naar den grond.

«Ik geloof, dat hij er het vee wel niet zal vinden!» zei de kleine
Klaas en keerde toen naar huis terug met alles, wat hij had.



DE VLIEGENDE KOFFER.


Er was eens een koopman, die zoo rijk was, dat hij de heele straat en
bijna nog een klein straatje bovendien met zilvergeld kon plaveien;
maar dat deed hij niet; want hij wist zijn geld wel anders te
besteden. Als hij een dubbeltje uitgaf, dan kreeg hij een gulden terug;
zulk een goed koopman was hij,--totdat hij stierf.

Zijn zoon kreeg nu al dit geld. Hij leefde er vroolijk van, hij
ging alle avonden naar een gemaskerd bal, hij maakte vliegers van
bankbiljetten en keilde over het meer met goudstukken in plaats
van met steentjes. Op die wijze moest het geld wel gauw opraken,
en dat gebeurde dan ook. Eindelijk bezat hij niet meer dan vier
dubbeltjes en had geen andere kleeren dan een paar pantoffels en een
oude kamerjapon. Nu bekommerden zijn vrienden zich niet meer om hem,
daar zij toch niet samen op straat konden loopen; maar een hunner, die
goedhartig van aard was, zond hem een ouden koffer met de opmerking:
«Pak in!» Ja, dat was nu goed en wel, maar hij had niets om in te
pakken; daarom ging hij zelf in den koffer zitten.

Dat was een zonderlinge koffer. Zoodra men op het slot drukte, kon
de koffer vliegen. Hij drukte er op en, flap, daar vloog hij er mee
door den schoorsteen heen, hoog boven de wolken, al verder en verder
weg. Maar zoo dikwijls de bodem van den koffer een weinig kraakte,
verkeerde hij in doodsangst, dat de koffer stuk zou gaan; want dan
zou hij een duchtige buiteling gemaakt hebben.

Op deze wijze kwam hij in het land der Turken. Hij verborg den koffer
in het bosch onder de dorre bladeren en ging toen de stad in. Dat kon
hij heel goed doen; want bij de Turken liepen immers allen zooals hij:
in een kamerjapon en met pantoffels aan. Daar ontmoette hij een min
met een klein kind op den arm. «Hoor eens, Turksche min!» zei hij,
«wat is dat voor een groot kasteel hier dicht bij de stad, waar de
ramen zoo hoog boven den grond zijn?»

«Daar woont de dochter van den Sultan!» antwoordde zij. «Er is
voorspeld, dat zij over een minnaar diep ongelukkig zou worden, en
daarom mag niemand bij haar komen, als de Sultan en de Sultane er
niet bij zijn.»

«Ik dank u wel!» zei de,zoon van den koopman en ging naar het bosch,
zette zich in zijn koffer neer, vloog op het dak en kroop door het
raam bij de prinses binnen.

Zij lag op de sofa en sliep; zij was zoo schoon, dat de zoon van den
koopman zich niet kon weerhouden, haar een kus te geven.

Nu werd zij wakker en ontstelde hevig; maar hij zeide, dat hij de
god der Turken was, die door de lucht tot haar neergedaald was,
en dat beviel haar.

Zij gingen zich naast elkander zitten, en hij vertelde haar
geschiedenisjes van haar oogen: dat waren de heerlijkste, donkere
meren, daar zwommen de gedachten als meerminnen in. En hij vertelde
haar van haar voorhoofd: dat was een sneeuwberg met de prachtigste
zalen en schilderijen.

Ja, dat waren mooie praatjes! Daarop vroeg hij om de hand der prinses,
en zij zei dadelijk ja!

«Maar ge moet aanstaanden Zaterdag hier komen!» zeide zij. «Dan komen
de Sultan en de Sultane bij mij op de thee. Zij zullen er trotsch
op zijn, dat ik een god der Turken tot man krijg. Maar zorg, dat
ge een heel mooi sprookje weet te vertellen; want daar houden mijn
ouders bijzonder veel van. Mijn moeder wil het zedelijk en ernstig,
en mijn vader grappig hebben, zoodat men er om kan lachen!»

«Ja, ik breng geen ander morgengeschenk dan een sprookje!» zeide hij,
en zoo namen zij afscheid van elkaar. Maar de prinses gaf hem een
sabel, die met goudstukken bezet was; deze kon hij gebruiken.

Nu vloog hij weg, kocht een nieuwe kamerjapon, ging toen in het bosch
zitten en vervaardigde er een sprookje; dit moest tegen den Zaterdag
klaar zijn, en dat is toch zulk een gemakkelijk werk niet.

Toen hij er mee klaar was, was het Zaterdag.

De Sultan, de Sultane en het geheele hof waren bij de prinses op de
thee. Hij werd zeer goed ontvangen.

«Wilt ge ons niet eens een sprookje vertellen,» zei de Sultane, «een,
dat diepzinnig en leerrijk is?»

«En waarover men toch ook eens kan lachen,» voegde de Sultan er bij.

«Jawel,» antwoordde hij en vertelde. En nu goed toegeluisterd!

Er was eens een doosje lucifers: deze waren zeer trotsch op hun
aanzienlijke afkomst! Hun stamboom, namelijk de groote pijnboom,
waarvan elk hunner een klein houtje was, had als een groote,
oude boom in het bosch gestaan. De lucifers lagen nu in het midden
tusschen een tondeldoos en een ouden, ijzeren pot, en allen vertelden
van hun jeugd. «Ja, toen wij nog aan de groene takken vastzaten,»
zeiden de lucifers, «toen hadden wij een plezierig leventje! Alle
ochtenden en avonden kregen we diamanten thee, dat was de dauw, den
heelen dag hadden we zonneschijn, als de zon scheen, en de kleine
vogels moesten geschiedenisjes vertellen. Wij konden wel merken,
dat wij ook rijk waren; want de overige boomen waren slechts in den
zomer bekleed, maar onze familie had de middelen om zoowel in den
zomer als in den winter groene kleeren te dragen. Maar daar kwam de
houthakker: dat was de groote revolutie, en nu werd onze familie her-
en derwaarts verspreid. De stamhouder kreeg een plaats als groote mast
op een prachtig schip, dat de aarde kon omzeilen, als het wilde; de
andere takken gingen naar andere plaatsen, en wij hebben nu de taak,
voor de menschen licht te ontsteken. Daarom zijn wij, deftige lieden,
hier in de keuken gekomen.»

«Mijn levensloop heeft zich op een andere wijze toegedragen!» zei
de ijzeren pot, waarnaast de lucifers lagen. «Van den beginne af,
sedert ik ter wereld kwam, is er in mij vele malen geschuurd en vele
malen gekookt! Ik zorg voor het degelijke en ben de eerste hier in
huis. Mijn eenige vreugde is, na het eten heel zindelijk en netjes op
mijn plaats te staan en een verstandig gesprek met mijn kameraden te
voeren. Maar met uitzondering van den emmer, die nu en dan eens op de
stoep komt, blijven wij altijd tusschen onze vier muren. De eenige,
die ons eens wat nieuwtjes kan vertellen, is de boodschappenmand,
maar die spreekt erg oproerig over de regeering en over het volk; ja,
onlangs was er zelfs een oude pot, die van schrik daarover neerviel
en in stukken sprong. Die is liberaal, dat verzeker ik u!»

«Nu zegt ge te veel!» viel de tondeldoos in, en het staal sloeg tegen
den vuursteen aan, zoodat de vonken in de rondte vlogen. «Willen we
eens een vroolijken avond met elkaar hebben?»

«Ja, laat ons er eens over spreken, wie de voornaamste is!» zeiden
de lucifers.

«Neen, ik houd er niets van, over mij zelf te spreken,» bracht de
ijzeren pot hiertegen in. «Laat ons een algemeen gesprek voeren. Ik
zal beginnen en een geschiedenis uit het dagelijksch leven vertellen,
zoo iets, wat iedereen beleefd heeft, dan kan men er zich gemakkelijk
in verplaatsen en heeft men er ook schik in. Aan de Oostzee bij de
Deensche beuken...»

«Dat is een mooi begin,» zeiden al de borden. «Dat zal een geschiedenis
worden, die ons bevalt.»

«Ja, daar bracht ik mijn jeugd in een stil gezin door; de meubelen
werden gewreven, de vloer geschuurd, en om de veertien dagen werden
er schoone gordijnen opgehangen!»

«Wat kunt ge toch boeiend vertellen!» zei de stoffer. «Men kan dadelijk
wel hooren, dat iemand spreekt, die heel veel met dames in aanraking
gekomen is; er straalt zoo iets beschaafds in door.»

«Ja, dat kan men terstond wel merken!» zei de emmer en deed van
blijdschap een kleinen sprong, zoodat hij op den vloer viel.

En de ijzeren pot ging voort met vertellen, en het einde was even
mooi als het begin.

Alle borden rammelden van blijdschap, en de stoffer haalde groene
peterselie uit het zandhok en bekranste daarmee den ijzeren pot,
want hij wist, dat de anderen zich daaraan zouden ergeren. «Als ik
hem vandaag bekrans,» dacht hij, «dan bekranst hij mij morgen.»

«Nu zal ik eens dansen!» zei de tang en danste. Lieve hemel, wat kon
zij haar eene been hoog optillen! Het overtrek van den ouden stoel
daar in den hoek scheurde, toen het dit zag. «Zou ik nu ook bekranst
worden?» dacht de tang, en werkelijk gebeurde dit.

«Dat is toch maar gepeupel!» dachten de lucifers.

Nu moest de theeketel zingen; maar deze zei, dat hij kou gevat had;
hij kon niet zingen, als het niet in hem kookte. Doch dat was maar
een voorwendsel; hij wilde niet zingen, als hij niet binnen bij de
familie in de kamer stond.

In het kozijn lag een oude ganzepen, waarmee de meid placht te
schrijven. Er was niets opmerkelijks aan haar, behalve dat zij wat al
te diep in den inkt gedoopt was. Maar daarop was zij trotsch. «Als
de theeketel niet wil zingen,» zeide zij, «dan moet hij het maar
laten. Daar buiten hangt een nachtegaal in zijn kooi: die kan wel
zingen. Die heeft wel is waar niets geleerd; maar dat zullen wij maar
daar laten!»

«Ik vind het heel ongepast,» zei de waterketel,--deze was keukenzanger
en een halve broeder van den theeketel,--«dat zulk een vreemde vogel
gehoord moet worden! Is dat patriotsch? De boodschappenmand moet dit
maar beslissen!»

«Ik erger mij maar!» zei de boodschappenmand; «ik erger mij inwendig
zoozeer, als niemand zich kan voorstellen. Is dat een geschikte
manier om den avond door te brengen? Zou het niet verstandiger zijn,
het huis in orde te brengen? Ieder moest op zijn plaats gaan, dan
zou ik het spel besturen. Dat zou wat anders worden!»

«Ja, laat ons eens pret maken!» riepen allen. Daar ging de deur
open. De meid trad binnen, en nu stonden zij stil. Niemand gaf een
enkel kikje. Maar er was geen enkele pot, die niet zou geweten hebben,
wat hij kon doen en hoe deftig hij was. «Ja, als ik gewild had,»
dacht iedereen, «dan had het een recht vroolijke avond kunnen worden!»

De meid nam de lucifers en maakte er het vuur mee aan. Lieve hemel,
wat spreidden zij een vonken om zich heen en wat brandden zij lustig!

«Nu kan iedereen toch zien,» dachten zij, «dat wij de eersten
zijn! Welk een glans hebben wij! Welk een licht!»

En dit zeggende, verbrandden zij.

«Dat was een prachtig sprookje!» zei de Sultane. «Ik voel mij geheel
en al in de keuken bij de lucifers verplaatst. Nu zul je onze dochter
hebben!»

«Ja,» voegde de Sultan er bij, «je zult onze dochter Maandag hebben.»
Want zij zeiden «je» tegen hem, omdat hij metterhaast tot de familie
zou behooren.

De bruiloft werd bepaald en de geheele stad den avond te voren
geïllumineerd. Beschuit en krakelingen werden er onder het volk
uitgestrooid; de straatjongens stonden op hun teenen, riepen «Hoera!»
en floten op hun vingers. Het was buitengemeen prachtig.

«Nu zal ik ook wel iets ten beste dienen te geven!» dacht de zoon
van den koopman. En zoo kocht hij dan vuurpijlen, zwermers en al
het vuurwerk, dat men maar kan bedenken, legde dit in zijn koffer en
vloog daarmee in de lucht.

Jongens! wat ging dat mooi, en wat gaf dat een knal!

Al de Turken sprongen daarbij in de hoogte, zoodat hun de pantoffels
om de ooren vlogen: zulk een luchtverschijnsel hadden zij nog nooit
gezien. Nu konden zij begrijpen, dat het de god der Turken zelf was,
dien de prinses tot vrouw zou krijgen.

Zoodra de zoon van den koopman weer met zijn koffer beneden in het
bosch kwam, dacht hij: «Ik zal de stad toch eens ingaan, om eens te
hooren, hoe het afgeloopen is!» En het was natuurlijk, dat hij daarin
lust had.

O, wat vertelden de menschen hem al niet! Iedereen, dien hij daarnaar
vroeg, had het op zijn wijze gezien; maar mooi hadden allen het
gevonden.

«Ik heb den god der Turken zelf gezien,» beweerde er een. «Hij had
oogen als fonkelende sterren en een baard als golvend graan!»

«Hij vloog in een mantel van vuur!» zei een ander. «De bekoorlijkste
engeltjes kwamen uit de plooien te voorschijn kijken!»

Ja, dat waren heerlijke dingen, die hij hoorde, en den volgenden dag
zou hij bruiloft houden.

Nu keerde hij naar het bosch terug, om zich in zijn koffer neer te
zetten,--maar waar was deze gebleven? De koffer was verbrand. Een
vonk van het vuurwerk was er ingevallen, deze had vlam gevat, en nu
lag de koffer in de asch. Hij kon niet meer vliegen, niet meer bij
zijn verloofde komen.

Deze stond den geheelen dag op het platte dak en wachtte; zij wacht
waarschijnlijk nog. Maar hij trekt de wereld door en vertelt sprookjes,
maar deze zijn niet meer zoo grappig als dat, hetwelk hij van de
lucifers vertelde.



VIJF UIT ÉÉN SCHIL.


Er zaten vijf erwten in één schil; zij en de schil waren groen,
daarom dachten zij, dat de heele wereld groen was,--en dat was niet
meer dan natuurlijk! De schil groeide, en de erwten ook; zij maakten
het zich zoo gemakkelijk mogelijk; zij zaten op een rijtje.--De zon
scheen van buiten en koesterde de schil, de regen maakte haar helder en
doorzichtig; het was er overdag licht en 's nachts donker in, zooals
het wezen moet. De erwten werden, nu zij daar eenmaal zoo zaten,
grooter en begonnen gedurig meer na te denken; want iets moesten zij
toch doen.

«Moeten we hier nu eeuwig blijven zitten?» vroeg er een. «Als wij
van het lange zitten maar niet stijf en stram worden! Ik zou toch
wel zeggen, dat er buiten nog iets is; ik heb daar zoo'n zeker
voorgevoel van.»

Weken verliepen er; de erwten werden geel en de schil werd geel.

«De heele wereld wordt geel!» zeiden zij, en daarin hadden ze gelijk.

Eensklaps voelden zij een ruk aan de schil; deze werd afgeplukt,
raakte in menschenhanden, gleed in den zak van een buis en kwam in
gezelschap van andere gevulde schillen. «Nu zal de schil wel gauw
opengemaakt worden!» zeiden zij en wachtten daarop reeds.

«Ik zou wel eens willen weten, wie van ons het nu wel 't verst
zal brengen,» zei de kleinste der vijf. «Ja, nu zal dit al spoedig
uitkomen.»

«Er geschiede, wat er geschieden moet!» zei de grootste.

«Knap!»--daar ging de schil open, en nu rolden al de vijf er uit in den
helderen zonneschijn. Daar lagen zij nu in de hand van een kind: een
kleine jongen hield ze omklemd en zei, dat het mooie erwten voor zijn
klakkebus waren, en terstond deed hij er een in en schoot er haar uit.

«Nu vlieg ik de wijde wereld in! Pak mij maar, als je kunt!» en met
deze woorden vloog zij weg.

«Ik,» zei de tweede, «ik vlieg regelrecht in de zon; dat is een schil,
die juist voor mij past!»

Weg was zij.

«Wij zullen ons te slapen leggen, waar wij te land komen,» zeiden de
twee volgende, «maar wij zullen wel voortrollen!» Zij rolden dan ook
voort en vielen op den grond, voordat zij in de klakkebus kwamen,
maar er in kwamen zij toch. «Wij zullen het 't verst brengen!»

«Er geschiede, wat er geschieden moet!» zei de laatste, terwijl zij
uit de klakkebus geschoten werd; zij vloog op een oud bloemenplankje
voor het raam van een zolderkamertje in een reet, die met mos en
aarde gevuld was; het mos sloot zich om haar samen,--daar lag zij,
wel is waar gevangen, maar toch niet vergeten door den goeden God.

«Er geschiede, wat er geschieden moet!» zeide zij.

Daar op dat kleine zolderkamertje woonde een arme vrouw, die overdag
uitging om te wasschen, schoon te maken en dergelijken arbeid te
verrichten, want zij was sterk en ook vlijtig; maar zij bleef toch
altijd arm. Te huis in het kamertje lag haar eenig dochtertje, een
meisje van acht jaar, dat zeer fijn en teer was; sedert een jaar was
zij bedlegerig, en het scheen, alsof zij niet kon leven of sterven.

«Ze gaat naar haar zusje toe!» zei de vrouw, «Ik heb slechts twee
kinderen gehad, en het was geen lichte taak, voor beiden te zorgen; en
de goede God deelde met mij en nam het eene tot zich; maar nu zou ik
toch graag het andere, dat mij nog overgebleven is, willen behouden;
maar God wil waarschijnlijk niet, dat zij van elkaar gescheiden
blijven, en mijn zieke lieveling zal naar haar zusje daarboven gaan!»

Maar het zieke meisje bleef, waar het was; het lag den heelen dag
geduldig en stil in haar bedje, terwijl haar moeder buitenshuis werkte
om iets te verdienen.

Het was lente; en 's morgens in de vroegte, toen de vrouw juist naar
haar werk wilde gaan, scheen de zon liefelijk en vriendelijk door het
kleine raam en wierp haar stralen op den vloer, en het zieke meisje
vestigde haar blik op de onderste ruit.

«Wat zou toch dat groen zijn, dat daar boven het raam komt
uitkijken?--Het beweegt zich door den wind!»

Haar moeder ging naar het raam toe en schoof dit half open. «Wel,»
riep zij uit, «dat is waarlijk een kleine erwt, die hier ontkiemd is
en haar groene bladeren doet uitspruiten. Hoe zou zij toch wel hier
in die reet gekomen zijn? Dat is een klein tuintje, waarmee je je
vermaken kunt!»

Het ledekantje der kleine werd dichter aan het raam geschoven, opdat
zij de ontkiemende erwt zou kunnen zien, en de moeder ging heen,
om te werken.

«Moeder, ik geloof, dat ik weer gezond zal worden!» zei het zieke
meisje 's avonds. «De zon heeft hier vandaag zoo liefelijk warm in
mijn kamertje geschenen. De kleine erwt gedijt heerlijk, en ook ik
zal zeker gedijen en opstaan en mij in den zonneschijn koesteren.»

«Dat geve God!» zei de moeder; maar zij geloofde niet, dat het zou
gebeuren; doch het ontkiemende groen, dat aan het kind zulke blijde
gedachten des levens ingeboezemd had, ondersteunde zij met een stokje,
opdat het niet door den wind zou geknakt worden; zij bond een eindje
touw aan de bloemenplank en aan het bovengedeelte van het raam
vast, opdat de erwtenrank iets zou hebben, waarom zij zich heen kon
slingeren, wanneer zij omhoogschoot: dat deed zij, en men kon zien,
hoe zij met elken dag groeide.

«Waarlijk! Er komt een bloesem aan!» zei de vrouw op zekeren morgen,
en nu herleefde ook in haar de hoop, dat haar ziek dochtertje zou
herstellen; zij herinnerde zich, dat het kind in den laatsten tijd
veel levendiger gesproken had, dat zij zich sedert verscheidene dagen
's morgens in haar bedje opgericht en daar gezeten had, en met een
oog, stralend van geluk, den kleinen erwtentuin, die uit een enkele
erwt voortgekomen was, bekeken had. Een week later bleef de zieke
voor de eerste maal een geheel uur op. Gelukkig zat zij in den warmen
zonneschijn; het raam was opgeschoven, en daarvoor stond een erwteplant
in vollen bloei. Het meisje boog zich voorover en drukte een kus op
de teere blaadjes. Deze dag was voor haar als 't ware een feestdag.

«De goede God zelf heeft haar geplant en laten gedijen, tot hoop en
tot vreugde voor ons beiden!» zei de verheugde moeder en lachte den
bloesem toe, alsof hij een goede engel Gods was.

Maar de andere erwten nu?--Ja, die, welke de wijde wereld ingevlogen
was en gezegd had: «Pak mij maar, als je kunt,» viel in de dakgoot
en raakte in een duivenmaag, en daar lag zij evenals Jonas in den
buik van den walvisch. De twee luiaards brachten het even ver: ook
zij werden door duiven opgegeten, en dus waren zij toch op eenigerlei
wijze nuttig; maar de vierde, die naar de zon op wilde vliegen,--die
viel in een riool en bleef daar dagen en weken lang in het morsige
water liggen, en zwol geducht op.

«Ik word zoo mooi dik!» zei de erwt. «Ik zal nog barsten, en verder,
geloof ik, heeft geen erwt het ooit gebracht of zal het immer
brengen. Ik ben de merkwaardigste van de vijf uit de schil!»

En het riool was het met haar eens.

Maar het meisje stond daar voor het raam van het zolderkamertje met
stralende oogen, met den blos der gezondheid op de wangen, en vouwde
haar teere handjes boven den erwtenbloesem en dankte God daarvoor.

«Ik,» zeide het riool echter, «ik heb mijn erwt liever!»



DE TONDELDOOS.


Er kwam een soldaat langs den straatweg aanmarcheeren: een, twee! een,
twee! Hij had een ransel op den rug en een sabel op zij; want hij
was in den oorlog geweest en wilde nu naar huis terug.

Daar ontmoette hij op den straatweg een oude heks. Deze zag er
afzichtelijk uit; haar onderlip hing tot op haar borst neer. Zij zeide:
«Goeden avond, soldaat! Wat heb je daar toch een mooie sabel en een
grooten ransel! Je bent een flink soldaat! Daarom moet je zooveel
geld hebben, als je maar wilt.»

«Ik dank je wel, oude heks!» zei de soldaat.

«Zie je dien grooten boom daar wel?» vroeg de heks en wees naar een
boom, die dicht in hun nabijheid stond. «Hij is van binnen heelemaal
hol. Je moet op den top daarvan klimmen, dan zie je een gat, waardoor
je je kunt laten zakken en zoo onder in den boom komen. Ik zal je
een touw om het lijf binden, dan kan ik je weer naar boven trekken,
als je mij roept!»

«Wat moet ik daar, onder in den boom doen?» vroeg de soldaat.

«Geld halen!» antwoordde de heks. «Je moet weten, dat je, als je op
den grond onder den boom komt, in een groot voorportaal bent; daar is
het heel licht, want daar branden meer dan driehonderd lampen. Dan
zie je drie deuren; je kunt die opendoen, want de sleutel steekt er
in. Als je de eerste kamer ingaat, dan zie je midden op den vloer
een groote kist staan; daar zit een hond op; deze heeft oogen,
zoo groot als een paar theekopjes. Maar daaraan hoef je je niet te
storen! Ik geef je mijn blauw geruit voorschoot; dat kan je op den
vloer neerleggen; ga dan spoedig heen en neem den hond, zet hem op
mijn voorschoot neer, doe de kist open en neem zooveel geld, als
je maar wilt: er zit louter koper in. Wil je liever zilver hebben,
dan moet je de volgende kamer binnentreden. Maar daar zit een hond,
die oogen heeft, zoo groot als molenraderen. Laat je daardoor niet
afschrikken! Zet hem op mijn voorschoot neer en neem van het geld! Wil
je echter goud hebben, dan kun je dit ook krijgen, en wel zooveel,
als je maar dragen kunt, als je de derde kamer ingaat. Maar de hond,
die daar op de geldkist zit, heeft twee oogen, elk zoo groot als
een toren. Geloof mij, het is een kwade hond! Doch vrees daarom maar
niet! Zet hem maar op mijn voorschoot neer, dan doet hij je niets,
en neem uit de kist zooveel goud, als je maar wilt!»

«Dat is zoo kwaad niet!» zei de soldaat. «Maar wat moet ik u geven,
oude heks? Want voor niet zult ge het toch wel niet doen?»

«Jawel!» zei de heks. «Geen enkelen cent wil ik hebben! Alleen moet je
voor mij een oude tondeldoos meenemen, die mijn grootmoeder vergeten
heeft, toen zij de laatste maal beneden was.»

«Welnu, bind het touw dan maar om mijn lijf vast!» zei de soldaat.

«Hier is het,» zei de heks, «en hier is mijn blauw geruit voorschoot.»

Daarop klauterde de soldaat tegen den boom op, liet zich in het gat
neerzakken en stond toen, zooals de heks gezegd had, beneden in het
groote voorportaal, waarin de driehonderd lampen brandden.

Nu deed hij de eerste deur open. Foei! daar zat de hond met de oogen,
zoo groot als theekopjes, en keek hem aan.

«Je bent een lief beest!» zei de soldaat, zette hem op het voorschoot
der heks neer en nam zooveel koperstukken, als hij maar in zijn zakken
kon bergen; deed de kist toen dicht, zette er den hond weer op neer
en ging de andere kamer in. Juist zoo; daar zat de hond met de oogen,
zoo groot als molenraderen.

«Je moest mij liever maar niet zoo strak aankijken!» zei de
soldaat. «Want daar vermoei je je oogen maar noodeloos mee!»

En nu zette hij den hond op het voorschoot der heks neer. Maar toen
hij al het zilvergeld in de kist zag, wierp hij al het kopergeld, dat
hij had, weg en vulde zijn zakken en zijn ransel met zilver. Daarop
ging hij in de derde kamer.--O, dat was verschrikkelijk! De hond
daarin had werkelijk twee oogen, elk zoo groot als een toren, en deze
draaiden in zijn kop als molenraderen.

«Goeden avond!» zei de soldaat en bracht de hand aan zijn muts,
want zulk een hond had hij vroeger nooit gezien. Maar toen hij hem
wat nauwkeuriger bekeken had, dacht hij: «Nu is het genoeg!» tilde
hem op den grond en deed de kist open. Och! wat was daar een menigte
goud! Hij kon daarvoor de geheele stad en al de tinnen soldaten,
zweepen en hobbelpaarden in de heele wereld wel koopen. Ja, dat was
nu eens een heele massa goud! Nu wierp de soldaat al het zilvergeld,
waarmee hij zijn zakken en zijn ransel gevuld had, weg en nam daarvoor
goud; ja, al zijn zakken, zijn ransel, zijn muts en zijn laarzen
stopte hij daarmee vol, zoodat hij tenauwernood kon gaan. Nu had hij
geld! Den hond zette hij op de kist neer, deed de deur dicht en riep
toen door den boom naar boven;

«Trek mij nu maar in de hoogte, oude heks!»

«Heb je de tondeldoos meegebracht?» vroeg de heks.

«Wel drommels!» zei de soldaat, «die heb ik heelemaal vergeten!»
En nu ging hij deze halen. De heks trok hem naar boven, en nu stond
hij weer op den straatweg met zakken, laarzen, ransel en muts vol goud.

«Wat wilt ge met die tondeldoos doen?» vroeg de soldaat.

«Dat gaat je niets aan!» zei de heks. «Je hebt immers geld
gekregen! Geef mij de tondeldoos maar!»

«Hoor eens!» zei de soldaat. «Wil je mij dadelijk zeggen, wat je
daarmee wilt doen, of ik trek mijn sabel en sla je het hoofd af!»

«Neen!» zei de heks.

Terstond sloeg de soldaat haar het hoofd af. Daar lag zij nu! Hij
echter bond al zijn goud in haar voorschoot, nam het als een pakje
op zijn rug, stak de tondeldoos in zijn zak en begaf zich regelrecht
naar de stad.

Dat was een prachtige stad! En in het grootste logement nam hij zijn
intrek, verlangde de allerbeste kamers en zijn lievelingsspijzen;
want nu was hij immers rijk, daar hij zoo veel geld had.

Aan den knecht, die zijn laarzen moest poetsen, kwam het wel is waar
voor, dat het verschrikkelijk oude laarzen voor zulk een rijk heer
waren; maar hij had ook nog geen nieuwe gekocht; den volgenden dag
kreeg hij fatsoenlijke laarzen en prachtige kleeren. Nu was hij van
een soldaat een deftig heer geworden, en de menschen vertelden hem van
al de heerlijke dingen, die er in hun stad waren, en van hun koning,
en wat voor een lieve prinses zijn dochter was.

«Waar kan men haar te zien krijgen?» vroeg de soldaat.

«Zij is in 't geheel niet te zien!» zeiden allen. »Zij woont in
een groot, koperen kasteel, dat door vele muren en torens omgeven
is! Niemand anders dan de koning mag bij haar uit- en ingaan; want
er is voorspeld, dat zij met een gemeen soldaat zal trouwen, en dat
kan de koning niet toestaan!»

«Ik zou haar toch wel eens willen zien!» dacht de soldaat; maar
daartoe kon hij immers volstrekt geen vergunning krijgen.

Nu leefde hij recht vroolijk, ging naar den schouwburg, reed in den
tuin van den koning en gaf de armen veel geld; en dat was heel braaf
van hem; hij wist nog uit vroegeren tijd, hoe ongelukkig het is, geen
cent te bezitten! Hij was nu rijk, had prachtige kleeren en kreeg zeer
veel vrienden, die allemaal zeiden, dat hij een voortreffelijk mensch,
een echt ridder was. En dat mocht de soldaat graag hooren. Maar
daar hij alle dagen geld uitgaf en nooit iets ontving, hield hij
eindelijk bijna niets meer over, en nu moest hij de mooie kamers,
waarin hij gewoond had, verlaten, en boven op een klein kamertje
onder het dak wonen, zijn laarzen zelf poetsen en ze met een stopnaald
dichtnaaien. Geen van zijn vrienden kwam naar hem toe; want er waren
te veel trappen op te klimmen.

Het was een donkere avond, en hij kon niet eens een kaars koopen. Maar
het schoot hem te binnen, dat er nog een klein eindje kaars in de
tondeldoos lag, die hij uit den hollen boom, waarin de heks hem had
neergelaten, meegenomen had. Hij kreeg de tondeldoos en het eindje
kaars voor den dag; maar juist toen hij vuur sloeg en de vonken uit
de vuursteen vlogen, sprong de deur open, en nu stond de hond, die
oogen zoo groot als een paar theekopjes had en dien hij onder den
boom had gezien, voor hem en vroeg: «Wat is er van mijnheers dienst?»

«Wat is dat?» riep de soldaat uit. «Dat is wel een aardige tondeldoos,
als ik zoo maar kan krijgen, wat ik hebben wil!--Bezorg mij wat geld!»
zei hij tegen den hond, en in een wip was de hond weg en in een wip
terug, en hield een grooten zak met geld in den bek.

Nu wist de soldaat, wat een heerlijke tondeldoos dit was! Sloeg hij
eenmaal vuur, dan kwam de hond, die op de kist met kopergeld zat;
sloeg hij tweemaal, dan kwam die, welke het zilvergeld had, en sloeg
hij driemaal, dan kwam die, welke het goud bewaakte. Nu nam de soldaat
zijn intrek weer in de mooie kamers beneden en vertoonde zich op nieuw
in prachtige kleeren. Nu herkenden al zijn vrienden hem terstond en
waren heel lief tegen hem.

Eens dacht hij: «Het is toch zonderling, dat men de prinses niet te
zien kan krijgen. Zij moet heel mooi wezen, zeggen allen; maar wat
baat dit, als zij altijd in het groote koperen kasteel met die vele
torens moet zitten?--Zou ik haar dan niet te zien kunnen krijgen? Waar
is mijn tondeldoos?» En nu sloeg hij vuur, en wip! daar kwam de hond
met de oogen, zoo groot als theekopjes.

«Het is wel is waar midden in den nacht,» zei de soldaat, «maar ik
zou de prinses toch wel eens graag een oogenblikje willen zien!»

De hond was dadelijk de deur uit, en voordat de soldaat er op verdacht
was, kwam hij met de prinses terug. Zij zat en sliep op den rug van den
hond en was zoo bekoorlijk, dat iedereen kon zien, dat het werkelijk
een prinses was. De soldaat kon zich niet weerhouden, haar een kus
te geven, want hij was door en door een soldaat.

Daarop liep de hond met de prinses weer terug. Maar toen het morgen
werd en de koning en de koningin aan het ontbijt zaten, zei de prinses,
dat zij 's nachts een zonderlingen droom van een hond en een soldaat
had gehad; zij had op den hond gereden, en de soldaat had haar een
kus gegeven.

«Dat zou nog al een mooie geschiedenis zijn!» zei de koning.

Nu zou een der oude hofdames den volgenden nacht bij het bed der
prinses waken, om te zien, of het werkelijk een droom was, of wat
het anders wezen zou.

De soldaat had een vurig verlangen om de prinses weer te zien, en
zoo kwam dan de hond des nachts, haalde haar en liep zoo hard als
hij maar kon. Maar de oude hofdame trok groote laarzen aan en liep
hem even hard achterna. Toen zij nu zag, dat zij in een groot huis
verdwenen, dacht zij: «Nu weet ik, waar het is!» en zette met een
stuk krijt een kruisje op de deur. Daarop ging zij naar huis en ging
te bed, en de hond kwam ook met de prinses terug. Maar toen hij zag,
dat er op de deur van het huis, waar de soldaat woonde, een kruisje
geteekend was, nam hij ook een stuk krijt en zette kruisjes op alle
huisdeuren in de stad, en dat was slim bedacht: want nu kon de hofdame
de deur niet vinden daar er op alle deuren kruisjes stonden.

's Morgens vroeg kwamen de koning en de koningin, de oude hofdame en
al de officieren, om te zien, waar de prinses geweest was.

«Daar is het!» zei de koning, toen hij de eerste deur met een kruisje
er op zag.

«Neen, daar is het, beste man!» zei de koningin, toen zij op de tweede
deur insgelijks een kruisje zag staan.

«Maar daar staat er een op en ginds staat er ook een op!» zeiden allen;
waarheen zij hun blikken ook wendden, overal stonden kruisjes op de
deuren. Nu begrepen zij wel, dat al het zoeken hun niets zou baten.

Maar de koningin was een uiterst schrandere vrouw, die meer kon dan
in een koets rijden. Zij nam haar groote gouden schaar sneed een
lap zijde in stukken en naaide daarvan een klein zakje; dit vulde
zij met fijn tarwemeel, bond het de prinses op den rug, en toen zij
dit gedaan had, knipte zij een klein gaatje in het zakje, zoodat het
meel den geheelen weg, dien de prinses nam, moest bestrooien.

In den nacht kwam nu de hond terug, nam de prinses op zijn rug en
liep met haar naar den soldaat toe, die haar innig liefhad en graag
een prins zou willen zijn, om haar tot vrouw te krijgen.

De hond merkte volstrekt niet, hoe het meel juist van het kasteel tot
aan het raam van den soldaat, waar hij den muur met de prinses opliep,
neergevallen was. Den volgenden morgen zagen de koning en de koningin
nu wel, waar hun dochter geweest was, en nu namen zij den soldaat en
zetten hem in de gevangenis.

Daar zat hij nu. Och! wat was het daar donker en vervelend! En zij
zeiden tegen hem: «Morgen zal je opgehangen worden!» Dat te hooren
was nu juist zoo heel plezierig niet, en zijn tondeldoos had hij in
het logement gelaten. Des morgens kon hij door de tralies voor het
kleine raampje zien, hoe het volk zich haastte, uit de stad te komen
om hem te zien ophangen. Hij hoorde de trommels en zag de soldaten
marcheeren. Alle menschen liepen de stad uit; daaronder bevond zich ook
een schoenmakersjongen met een schootsvel voor en pantoffels aan; deze
liep zoo hard, dat een van zijn pantoffels van zijn voet viel en vlak
tegen den muur aanvloog waar de soldaat door de tralies zat te kijken.

«Heidaar, schoenmakersjongen! Je hoeft zoo veel haast niet te
maken!» zei de soldaat tegen hem. «Het begint toch niet, voordat ik
er ben! Maar als je naar het huis, waar ik gewoond heb, toe wilt
loopen en mijn tondeldoos voor mij halen, dan zal ik je een goede
fooi geven. Maar dan moet je ook zoo hard loopen, als je maar kunt.»

De schoenmakersjongen wilde graag een fooi verdienen en haalde
de tondeldoos, gaf deze aan den soldaat en--ja, nu zullen we eens
wat hooren!

Buiten de stad was een hooge galg opgericht, daaromheen stonden de
soldaten en vele honderdduizenden menschen. De koning en de koningin
zaten op een prachtigen troon tegenover de rechters en den geheelen
raad.

De soldaat stond reeds boven op de ladder; maar toen zij hem den
strop om den hals wilden doen, zeide hij, dat men immers altijd aan
een armen zondaar, voordat hij zijn straf onderging, de vervulling
van een onschuldigen wensch toestond. Hij zou zoo graag nog eens een
pijp willen rooken; het zou toch de laatste pijp zijn, die hij hier
op aarde rookte.

Dat wilde de koning hem dan ook niet weigeren, en zoo nam de soldaat
zijn tondeldoos en sloeg vuur, een-, twee-, driemaal. En zie! daar
stonden eensklaps al de honden, die met de oogen, zoo groot als
theekopjes, die met de oogen, zoo groot als molenraderen, en die,
waarvan ieder oog zoo groot als een toren was.

«Help mij nu, dat ik niet opgehangen word!» zei de soldaat. En nu
vielen de honden op de rechters en den geheelen raad aan, pakten den
een bij de beenen en den ander bij den neus en slingerden ze vele
ellen hoog in de lucht, zoodat zij neervielen.

«Ik wil niet!» zei de koning, maar de grootste hond nam zoowel hem
als de koningin en slingerde ze, evenals de anderen in de lucht; nu
verschrikten de soldaten, en al het volk riep uit: «Beste soldaat! gij
zult onze koning zijn en de mooie prinses hebben!»

Daarop zetten zij den soldaat in de koets van den koning, en de drie
honden dansten voorop en riepen: «Hoera!» En de jongens floten op
hun vingers, en de soldaten presenteerden het geweer. De prinses
kwam uit het koperen kasteel en werd koningin, en dat beviel haar
heel goed. De bruiloft duurde acht dagen, en de honden zaten mee aan
tafel en zetten groote oogen op.



HET MEISJE, DAT OP HET BROOD TRAPTE.


De geschiedenis van het meisje, dat, om haar schoenen niet vuil te
maken, op het brood trapte, en hoe slecht het met dit meisje afliep,
is welbekend: zij is geschreven en zelfs gedrukt.

Inge heette dit meisje; zij was een arm kind, trotsch en hoogmoedig;
er was een slechte grond in haar, zooals men zegt. Reeds als klein
kind was het haar grootste plezier, vliegen te vangen, ze de vlerken
uit te trekken en ze in kruipende dieren te veranderen. Later nam zij
den meikever en den mestkever, stak deze aan een naald vast, schoof
dan een groen blad of een klein stukje papier naar hun pootjes toe,
en dan greep het arme diertje daarnaar en hield het vast, draaide en
wendde het, om van de naald af te komen.

«Nu leest de meikever!» zeide Inge. «Kijk maar eens, hoe hij het
blad omkeert.»

Met de jaren werd zij eer slechter dan beter; maar mooi was zij, en
dat was haar ongeluk, anders was zij wel duchtiger beknord; geworden,
dan nu het geval was.

«Ik denk, dat ik nog eens verdriet van je zal hebben,» zei haar eigen
moeder. «Als kind heb je mij dikwijls op mijn japon getrapt, ik vrees,
dat je mij later op het hart zult trappen.»

En dat deed zij ook.

Zij kreeg op een dorp een dienst bij deftige menschen, en deze
beschouwden haar als hun eigen kind, en zoo ging zij ook gekleed;
zij zag er lief uit, maar haar hoogmoed nam toe.

Toen zij daar zoo wat een jaar geweest was, zei haar mevrouw tegen
haar: «Je moest je ouders toch eens gaan opzoeken, Inge!»

En Inge begaf zich op weg naar haar ouders, maar alleen om zich eens
in haar geboorteplaats te vertoonen; daar moesten de menschen zien,
hoe mooi zij geworden was; maar toen zij aan den ingang van het dorp
kwam en de jonge knechts en meiden daar met elkaar zag staan en haar
moeder ook daarbij, die op een steen zat uit te rusten, met een bosje
rijshout, dat zij in het bosch gesprokkeld had, voor zich, toen keerde
Inge om; zij schaamde er zich over, dat zij, die netjes gekleed was,
zulk een vrouw in lompen, die hout in het bosch sprokkelde, tot moeder
had. Zij had er volstrekt geen berouw over, dat zij teruggekeerd was.

Weer verliep er omstreeks een half jaar. «Je moest toch nog eens naar
je dorp toe gaan en je ouders een bezoek brengen, Inge!» zei haar
mevrouw. «Ik zal je een groot wittebrood geven; dan kan je dit voor
hen meenemen; zij zullen er zeker blij mee zijn, dat zij je weerzien.»

Inge trok haar beste kleeren en haar nieuwe schoenen aan, tilde haar
japon op en liep heel voorzichtig voort, opdat zij rein aan haar voeten
zou blijven, en dat kon men haar niet kwalijk nemen! Maar toen zij daar
kwam, waar de weg over het moeras loopt en waar slijk en modder was,
wierp zij het brood op den grond en trapte daarop, om niet nat en
vuil te worden; maar terwijl zij daar zoo stond, met den eenen voet
op het brood en den anderen opgeheven, om verder te loopen, zonk het
brood gedurig dieper met haar; zij verdween geheel en al, en slechts
een groote modderpoel, die blaasjes deed opborrelen, bleef er te zien.

Dat is de geschiedenis.

Maar waar kwam Inge nu? Zij zonk in den moerasgrond en kwam beneden
bij de moerasvrouw, die daar allerlei kwaad brouwt. De moerasvrouw
is de tante der elfen, die bekend genoeg zijn, waarvan men liedjes
heeft en die men afgeschilderd vindt; maar van de moerasvrouw weten
de menschen alleen, dat, wanneer er in den zomer damp uit de weiden
opstijgt, het de moerasvrouw is, die allerlei kwaad brouwt. In de
brouwerij der moerasvrouw daalde Inge neer, en daar is het niet lang
uit te houden.--De slijkkist is een pronkkamer, bij de brouwerij der
moerasvrouw vergeleken! Ieder vat stinkt zoo geducht, dat men daarvan
flauw valt, en dan staan de vaten dicht op elkaar gepakt, en als er
hier en daar een kleine opening tusschen is, waar men door zou hebben
kunnen dringen, dan is dit toch niet mogelijk door de natte padden en
de dikke slangen, die zich hier letterlijk in elkaar verwarren. Hierin
zonk Inge neer; al het walglijke, levende ontuig was zoo ijskoud,
dat zij over al haar leden trilde, ja, dat zij gedurig meer van
schrik verstijfde. Aan het brood bleef zij vasthangen, en het brood
trok haar naar beneden, evenals het barnsteen een stroohalm aantrekt.

De moerasvrouw was te huis, de brouwerij kreeg overdag bezoek, zij
werd bezichtigd door den duivel en zijn grootmoeder, en de grootmoeder
van den duivel is een oude, zeer giftige vrouw, die nooit ledig is;
zij rijdt nooit uit, om ergens een bezoek af te leggen, zonder haar
handwerk mee te nemen, en dit had zij dan ook hier bij zich. Zij
naaide leugenweefsels en haakte onbezonnen woorden, die op den grond
gevallen waren, alles tot schade en verderf. Ja, die oude grootmoeder
kon naaien, borduren en haken!

Zij zag Inge, hield haar brilleglas voor haar oog en keek het meisje
nog eens aan. «Dat is een meisje, dat kundigheden bezit,» zeide zij,
«en ik verzoek, de kleine, tot een herinnering aan mijn bezoek hier,
mee te mogen nemen. Zij zal een geschikt standbeeld in de voorkamer
van mijn kleinzoon zijn.»

En zij kreeg haar. Op deze wijze kwam Inge in de hel. Daar gaan de
menschen niet altijd regelrecht naar toe, maar zij kunnen er ook
langs omwegen inkomen, als zij daartoe de bekwaamheid bezitten.

Dat was een voorkamer zonder einde; men werd al duizelig, als men voor-
of achterwaarts keek, en een menigte, die het versmachten nabij was,
stond hier te wachten, totdat de poort der genade voor hen opengedaan
zou worden. Zij moesten lang wachten. Groote, dikke, waggelende spinnen
weefden een duizendjarig web over hun voeten, en dit spinneweb sneed
als voetangels en boeide als koperen ketenen; bovendien kookte er nog
een eeuwige onrust in iedere ziel, een onrust des jammers. De gierige
stond daar en had den sleutel van zijn geldkist vergeten; de sleutel
stak er in, dat wist hij. Maar het is te wijdloopig, al de soorten van
pijnigingen en van jammer op te sommen, die daar ondergaan werden. Inge
gevoelde een hevige pijn, terwijl zij daar als een standbeeld moest
staan; want zij was van onderen aan het brood vastgekleefd.

«Dat heeft men er van, als men zijn voeten rein en helder wil houden!»
zeide zij bij zich zelve. «Kijk eens, hoe zij mij aangapen!» Ja,
werkelijk waren aller blikken op haar gevestigd;--hun booze lusten
fonkelden hun uit de oogen en spraken zonder geluid te geven uit hun
mond; zij waren verschrikkelijk om aan te zien.

«Mij aan te staren moet een genoegen zijn!» dacht Inge, «ik heb een
lief gezicht en mooie kleeren aan!» En nu draaide zij haar oogen
om, maar haar nek kon zij niet omdraaien, want deze was daarvoor te
stijf. O, hoe morsig was zij in de brouwerij der moerasvrouw geworden:
daaraan had zij niet gedacht. Haar kleeren waren met slijk bezoedeld,
een slang had zich in haar lokken gehangen en slingerde langs haar
rug neer, en uit iedere plooi van haar gewaad kwam een groote pad
te voorschijn, die als een kortademige mops blafte. Dit was zeer
onaangenaam. «Maar de anderen hier beneden zien er immers ook
afschuwelijk uit!» zeide zij, en daarmee troostte zij zich.

Het ergste van alles was echter de vreeselijke honger, dien zij
gevoelde. Was zij dan niet bij machte, voorover te bukken en een
stuk van het brood, waarop zij stond, af te breken? Neen, haar
rug was stijf, haar armen en handen waren verstijfd, haar geheele
lichaam was als een steenen zuil, alleen haar oogen kon zij nog in
haar hoofd omdraaien, naar alle kanten heen draaien, zoodat zij ook
achter zich kon zien; dat was een leelijk gezicht. En toen kwamen er
vliegen aan, die over haar oogen heen en weer kropen; zij knipte met
haar oogen, maar de vliegen vlogen niet weg, want zij konden niet
vliegen daar hun vlerken uitgetrokken waren; zij waren in kruipende
dieren veranderd;--dat was een pijn; en daarbij kwam nog de honger,
ja, eindelijk scheen het haar toe, alsof haar ingewanden zich zelf
opaten, en zij werd van binnen erg leeg. «Als dat langer moet duren,
dan houd ik het niet uit!» zeide zij, maar zij moest het wel uithouden.

Nu viel er een heete traan op haar hoofd neer, rolde over haar gezicht
en hare borst tot op het brood, waarop zij stond, en er viel nog een
traan, nog vele. Maar wie zou er wel over Inge weenen?--Zij had op
aarde immers nog een moeder! De tranen der smart, die een moeder over
haar kind stort, komen altijd bij het kind, maar ze verlossen niet, zij
branden slechts en verergeren de pijn. Het was iets verschrikkelijks,
zulk een onuitstaanbaren honger te hebben en niet aan het brood te
kunnen komen, waarop zij toch met haar voeten stond. Zij had een
gevoel, alsof haar binnenste zich zelf verteerd had, zij was als een
dun riet, dat ieder geluid inzuigt; zij hoorde duidelijk alles, wat
er op aarde over haar gesproken werd, en wat zij hoorde, was hard en
wreed. Haar moeder weende wel is waar erg en was bedroefd over haar,
maar zij zeide met dat al: «Hoogmoed komt voor den val! Dat is je
ongeluk geweest, Inge! Je hebt je moeder heel veel verdriet aangedaan!»

Haar moeder en allen op aarde wisten van de zonde, die zij gepleegd
had, wisten, dat zij op het brood had getrapt, dat zij in de diepte
weggezonken en verdwenen was; de koeherder had dit van de helling
bij den moerassigen weg gezien.

«Wat heb je je moeder toch een verdriet aangedaan», Inge!» zei haar
moeder, «ja, ik had het wel gedacht!»

«O, was ik maar nooit geboren!» dacht zij daarbij; «dat zou veel
beter voor mij geweest zijn. Maar wat baat het mij nu, dat mijn
moeder weent?»

Zij hoorde, hoe de goede menschen, die haar als ouders verpleegd
hadden, nu zeiden, dat zij een zondig kind was, dat zij de gaven
Gods niet in waarde gehouden, maar daarop met voeten getreden had;
de deur der genade zou eerst langzaam voor haar opengaan.

«Zij hadden mij moeten kastijden, zij hadden mijn grillen moeten
uitroeien,» dacht Inge.

Zij hoorde, dat er een liedje op haar gemaakt werd, over het
hoogmoedige meisje, dat op het brood trapte, opdat haar schoenen
netjes zouden blijven, en dat men dit liedje overal in het land zong.

«Dat men daarom zoo veel kwaads moet hooren en zoo veel lijden!» dacht
Inge. «De anderen moesten ook voor hun zonden gestraft worden! Ja,
dan zou er zeker veel te straffen zijn!--Ach! wat word ik gepijnigd!»

Haar hart verhardde zich nog meer dan haar uiterlijk voorkomen.

«Hier beneden in dit gezelschap kan men niet beter worden! En ik wil
ook niet beter worden! Kijk eens, hoe zij mij aangapen!»

Haar hart was vol toorn en boosheid ten opzichte van alle menschen.

«Nu hebben zij elkaar daarboven eindelijk eens wat te vertellen. Ach,
wat word ik gepijnigd!»

Zij hoorde ook, hoe haar geschiedenis aan de kinderen verteld werd,
en de kleinen noemden haar de goddelooze Inge,--zij was zoo leelijk,
zeiden zij, zoo afschuwelijk, zij moest erg gepijnigd worden.

Gedurig kwamen er harde woorden over haar uit een kindermond.

Maar op zekeren dag, terwijl toorn en woede in het inwendige van
haar holle lichaam knaagden en zij haar naam hoorde noemen en haar
geschiedenis aan een onschuldig kind, een klein meisje, hoorde
vertellen, merkte zij, dat de kleine in tranen uitbarstte bij het
hooren van de geschiedenis der hooghartige, ijdele Inge.

«Maar komt Inge dan nooit meer naar boven?» vroeg het kleine meisje. En
men antwoordde:

«Zij komt nooit meer naar boven.»

«Maar als zij nu eens om vergiffenis vroeg en beloofde, dat zij het
nooit weer zou doen?»

«Dan wel; maar zij zal niet om vergiffenis vragen!» hernam men.

«Ik zou zoo graag willen, dat zij dit deed!» zei de kleine en was
ontroostbaar. «Ik zal er mijn pop en mijn speelgoed voor geven, als zij
maar naar boven mag komen. Het is te verschrikkelijk! Die arme Inge!»

Deze woorden drongen tot het hart van Inge door; zij deden haar goed;
het was de eerste maal, dat iemand zei: «Die arme Inge!» en er niets
omtrent haar gebreken bijvoegde, een klein, onschuldig kind weende
om haar en vroeg genade voor haar; het werd haar daarbij zonderling
te moede; zij zou nu zelf graag geweend hebben, maar zij vermocht
dit niet, zij kon niet weenen, en dat was ook een kwelling.

Terwijl er jaren daar boven verliepen,--beneden was er geene
afwisseling,--hoorde zij gedurig zeldzamer over zich spreken. Nu drong
er op zekeren dag plotseling een zucht tot haar ooren door: «Inge,
Inge! Wat heb je mij een verdriet aangedaan! Ik heb het wel gezegd!»
Het was de laatste zucht van haar stervende moeder.

Somtijds hoorde zij haar naam door de menschen, waarbij zij vroeger
gediend had, noemen, en het waren liefelijke woorden, als haar mevrouw
zeide: «Zou ik je wel ooit weerzien, Inge? Men kan nooit weten,
waar men nog eens zal komen!»

Maar Inge zag wel in, dat haar goede mevrouw nooit daar zou kunnen
komen, waar zij was.

Er verliep wederom eenige tijd, een lange, bittere tijd.

Nu hoorde Inge nog eenmaal haar naam noemen en zag twee heldere
sterren boven zich fonkelen; het waren twee vriendelijke oogen, die
zich op aarde sloten. Er waren destijds al zoovele jaren verloopen,
sedert het kleine meisje ontroostbaar was en over «de arme Inge»
weende, dat het kind een oude vrouw geworden was, die God nu weer
tot zich wilde roepen; en juist in deze ure, waarop de herinnering
van haar geheele vroegere leven weer bij haar oprees, herinnerde zij
zich ook, hoe zij eens als klein kind tranen gestort had bij het
hooren van de geschiedenis van Inge. Dat uur en die indruk werden
bij die oude vrouw in haar doodsuur weer zoo levendig, dat zij luide
uitbarstte in de woorden: «Mijn God en Heer! Ook ik heb, evenals Inge,
uw zegeningen vaak met voeten getreden en daarbij niet bedacht, dat
ik iets verkeerds deed; ook ik heb vaak een hoogmoedige gezindheid
gekoesterd,--doch Gij hebt mij in Uw genade niet laten zinken, maar
mij staande gehouden! O, laat in mijn laatste ure niet van mij af!»

De oogen der oude vrouw sloten zich, en het oog harer ziel opende
zich, om het verborgene te zien. Zij, in wier laatste gedachten
Inge zoo levendig tegenwoordig geweest was, zij zag ook nu, hoe
diep zij gezonken was, en bij den aanblik daarvan barstte de vrouw
in tranen uit: In den hemel stond zij als een kind en weende om de
arme Inge! En deze tranen en gebeden klonken als een echo in het
holle, ledige hulsel, dat de geboeide, gefolterde ziel omsloot; de
nooit gedachte liefde van boven overweldigde haar! Waarom werd haar
dit wel vergund? De gepijnigde ziel verzamelde als 't ware in haar
gedachten iedere daad, die zij op aarde verricht had, en zij, Inge,
smolt in zulke tranen weg, als zij er vroeger nooit geweend had;
bekommering over haar zelve vervulde haar, het was haar, alsof de
poort der genade zich nimmer voor haar kon openen, en terwijl zij dit
in haar verbrijzeling erkende, schoot er een straal in den afgrond
tot haar neer, en wel met een kracht, die sterker was dan die van
den zonnestraal, waardoor de sneeuwman, die de kinderen vervaardigd
hebben, ontdooit; en veel sneller dan de sneeuwvlok smelt en tot een
droppel wordt, die op de warme lippen van het kind neervalt, loste de
versteende gestalte van Inge zich in damp op,--een vogeltje vloog met
de snelheid van den bliksemstraal naar boven naar de menschenwereld
op. Maar deze vogel was angstig en schuw voor alles, wat hem omgaf;
hij schaamde zich over zich zelf, schaamde zich tegenover alle levende
schepselen en trachtte zich ijlings te verbergen in een donker gat
in een ouden, verweerden muur; daar zat hij neer, terwijl hij over
zijn geheele lichaam beefde; hij kon geen geluid van zich geven,
hij had geen stem; een geruimen tijd zat hij daar, voordat hij de
heerlijkheid, die hem omgaf, kon zien; ja heerlijk was het! De lucht
was frisch en zacht, de maan wierp haar helder schijnsel op de aarde;
boomen en struiken wasemden geuren uit, en prachtig was het, waar hij
zat; zijn veeren waren rein en fijn. O, wat was al het geschapene
toch in liefde en heerlijkheid voortgebracht! Alles, wat er in het
binnenste van den vogel omging, wilde zich in een lied lucht geven,
maar de vogel vermocht dit niet; gaarne zou hij gezongen hebben,
evenals in de lente de koekoek en de nachtegaal. Onze God, die zelfs
het stille lofgezang van den worm hoort, hoorde ook hier het loflied,
dat zich in gedachtenakkoorden verhief, evenals de psalm in het hart
van David klonk, voordat deze zich in woorden en melodie kon uiten.

Weken lang stegen deze stille lofliederen op, zij moesten hoorbaar
worden, zij moesten dit bij den eersten vleugelslag eener goede daad;
zulk een goede daad moest er verricht worden!

Het kerstfeest naderde. De boer stak in de nabijheid van den muur
een stok in den grond en bond daaraan een schoof haver vast, opdat
de vogelen in de lucht ook een vroolijk Kerstfeest en een goeden
maaltijd mochten hebben; dat was braaf, zoo is de deugdzame!

De zon ging op den Kerstmorgen op en bescheen de schoof, de
kwinkeleerende vogels fladderden in menigte om den stok heen.

Daar klonk het ook uit het gat in den muur: «Piep, piep!» De zwellende
gedachte werd een geluid, het zwakke piepen een geheele hymne, de
gedachte van een goede daad ontwaakte, en de vogel kwam uit zijn
schuilplaats te voorschijn; in den hemel wisten zij al, wat voor een
vogel het was!

De winter was streng, de wateren waren dichtgevroren, de vogelen en
de dieren des velds konden slechts weinig voedsel vinden. Onze kleine
vogel vloog over den straatweg heen, en daar, in het spoor der sleden,
vond hij ook nu en dan een graankorreltje, en op de pleisterplaatsen
eenige broodkruimeltjes; hij zelf at er slechts weinige op, maar hij
riep al de andere uitgehongerde musschen bij elkaar, opdat zij eenig
voedsel zouden krijgen. Hij vloog de steden in, keek in de rondte, en
waar een lieve hand op het kozijn brood voor de vogeltjes gestrooid
had, at hij zelf maar een enkel kruimeltje en gaf al het andere aan
de overige vogels.

In den loop van den winter had de vogel zooveel broodkruimeltjes
verzameld en aan de andere vogels gegeven, dat zij te zamen opwogen
tegen het geheele brood, waarop Inge getrapt had, opdat haar schoenen
rein zouden blijven, en toen het laatste broodkruimeltje gevonden
en goed besteed was, werden de grauwe vleugels van den vogel wit en
spreidden zich wijd uit.

«Daar vliegt een zeezwaluw over het water heen!» zeiden de kinderen,
die den witten vogel zagen; nu dook zij in het water onder, toen
verhief zij zich in den helderen zonneschijn; zij schitterde; het
was niet mogelijk om te zien, waar zij bleef,--zij zeiden, dat zij
in de zon gevlogen was!



DE BLOEMEN VAN DE KLEINE IDA.


«Mijn arme bloemen zijn heelemaal verwelkt!» zei de kleine Ida, «Wat
waren zij gisteravond nog mooi, en nu laten ze al haar blaadjes slap
hangen! Waarom doen zij dat?» vroeg zij aan den student, die op de
canapé zat en van wien zij heel veel hield. Hij wist zulke aardige
dingen te knippen: harten met kleine dametjes er in, die dansten,
bloemen en groote kasteelen, waarvan men de deuren open kon doen;
't was een vroolijke student. «Waarom zien de bloemen er vandaag zoo
verflenst uit?» vroeg zij hem andermaal en liet hem een ruiker zien,
die geheel verlept was.

«Wil ik eens zeggen, wat haar mankeert?» antwoordde de student. «De
bloemen zijn van nacht op het bal geweest, en daarom laten zij haar
kopjes hangen.»

«Maar de bloemen kunnen immers niet dansen!» bracht de kleine Ida in
het midden.

«Wel zeker,» hernam de student. «Als het donker wordt en wij gerust
liggen te slapen, dan springen ze lustig in de rondte. Bijna alle
avonden houden ze bal.»

«Kunnen er ook kinderen op dat bal komen?»

«Ja,» zei de student, «namelijk kleine madeliefjes en lelietjes
der dalen.»

«Waar dansen die mooie bloemen?» vroeg de kleine Ida.

«Ben je niet dikwijls buiten de poort bij het groote kasteel geweest,
waar de koning des zomers woont en waar die prachtige tuin met al
die bloemen is? Je hebt de zwanen immers wel eens gezien, die naar
je toe zwemmen, als je hun kruimeltjes brood wilt geven? Geloof mij,
daar buiten is het een groot bal.»

«Gisteren ben ik met mama in dien tuin geweest,» zei Ida, «maar al de
bladeren waren van de boomen, en er waren in 't geheel geen bloemen
meer. Waar zijn ze toch gebleven? Van den zomer zag ik er zooveel!»

«Ze zijn binnen in 't kasteel,» hernam de student. «Je moet weten,
dat de bloemen, zoodra de koning en al de hovelingen naar de stad
terugkeeren, dadelijk uit den tuin wegloopen en naar het kasteel toe
gaan, en daar maken ze dan pret. Dat moest je eens zien! De beide
mooiste rozen zetten zich op den troon neer, en dan zijn ze koning en
koningin; al de roode hanekammen scharen zich aan beide kanten daarvan:
dat zijn de kamerheeren.--Dan komen al de andere mooie bloemen, en
dan is het groot bal. De blauwe viooltjes stellen adelborsten voor;
zij dansen met hyacinten en krokusjes, die zij jonge dames noemen;
de tulpen en de groote tijgerleliën zijn oude dames, die zorg dragen,
dat er goed gedanst wordt en dat alles geregeld in zijn werk gaat.»

«Maar,» vroeg de kleine Ida weer, «is er dan niemand, die de bloemen
kwaad doet, omdat ze in het kasteel van den koning dansen?»

«Eigenlijk weet niemand daarvan af,» zei de student. «Somtijds wel is
waar komt de oude slotbewaarder 's nachts wel eens met een grooten
bos sleutels in de hand; maar zoodra de bloemen de sleutels hooren
rammelen, houden zij zich stil en verschuilen zich achter de gordijnen,
en steken het hoofd alleen er uit. Het ruikt hier naar bloemen,»
zegt de oude slotbewaarder dan; «maar ik kan ze niet zien.»

«Dat is aardig!» zei de kleine Ida en klapte in haar handen. «Maar
zou ik de bloemen ook niet kunnen zien?»

«Ja,» zei de student. «Denk er maar eens om, als je er weer
voorbijkomt, dat je eens door het raam kijkt, dan zul je ze wel
zien. Dat heb ik vandaag ook gedaan; er lag een lange gele lelie dood
op haar gemak op de canapé uitgestrekt; dat was een hofdame.»

«Kunnen de bloemen uit den botanischen tuin daar ook komen? Kunnen
die zoo ver loopen?»

«Wel zeker,» antwoordde de student, «want als ze willen, dan kunnen ze
vliegen. Heb je die mooie kapelletjes wel niet eens gezien, roode,
gele en witte? Zij zien er net als bloemen uit: dat zijn ze ook
geweest. Zij zijn van den stengel af hoog in de lucht opgestegen en
hebben daar met hun bladeren geklapwiekt, alsof het vleugeltjes waren,
en zoo vlogen zij weg. En omdat zij dit zoo goed deden, kregen zij de
vergunning, om ook overdag rond te vliegen en behoefden niet te huis
en stil op den steel te zitten; en zoo werden de bladeren eindelijk
tot werkelijke vleugels. Dat heb je zelf immers wel eens gezien. Het
kan echter wel zijn, dat de bloemen uit den botanischen tuin nog nooit
in het kasteel van den koning geweest zijn, of dat zij niet weten,
dat het daar 's nachts zoo vroolijk toegaat. Daarom zal ik je eens
wat zeggen! Hij zal er vreemd van staan te kijken, de professor in de
botanie, die hier naast woont: je kent hem immers wel? Als je in zijn
tuin komt, moet je aan een van de bloemen vertellen, dat er buiten
op het kasteel een groot bal is; die vertelt het dan weer aan al de
anderen over, en dan vliegen zij weg. Als de professor dan in den
tuin komt, is er geen enkele bloem en zal hij niet kunnen begrijpen,
waar zij gebleven zijn.»

«Maar hoe kan de eene bloem het aan de andere vertellen? De bloemen
kunnen immers niet spreken!»

«Dat kunnen zij ook niet,» antwoordde de student, «maar dan geven zij
elkaar wenken. Heb je niet dikwijls gezien, dat de bloemen, als er een
beetje wind is, elkander toeknikken en al haar bladeren bewegen? Dat is
voor haar even goed verstaanbaar, als wanneer wij met elkaar spreken.»

«Kan de professor die wenken dan begrijpen?» vroeg Ida.

«Wel zeker. Hij kwam op zekeren morgen in zijn tuin en zag een groote
brandnetel staan, die met haar bladeren aan een mooien, rooden anjelier
allerlei wenken gaf. Zij zeide: «Je ziet er zoo lief uit, en ik mag je
graag lijden.» Maar zoo iets kan de professor niet dulden; hij sloeg
de brandnetel terstond op haar bladeren, want dat zijn haar vingers;
maar toen brandde hij zich, en sedert dien tijd waagt hij het niet,
een brandnetel aan te raken.»

«Dat is aardig!» zei de kleine Ida en lachte.

«Hoe kan men een kind nu toch zoo iets in het hoofd brengen?» zei
een deftig oud heer, die een bezoek was komen brengen en op de canapé
zat. Hij mocht den student niet lijden en bromde altijd, als hij hem
al die kluchtige, grappige dingen zag knippen: nu eens was het een
man, die aan een galg hing en een hart in de hand hield, want het
was een hartendief, dan weer een oude heks, die op een bezemstok
reed en haar man op den neus had. Dat kon de oude man niet velen,
en dan zei hij, evenals nu: «Hoe kan men een kind nu toch zoo iets
in het hoofd brengen? Dat zijn immers de grootste dwaasheden!»

Maar de kleine Ida scheen het toch heel kluchtig te vinden, wat de
student van haar bloemen vertelde, en zij dacht dikwijls daaraan. De
bloemen lieten haar kopjes hangen; want zij waren vermoeid, daar zij
den heelen nacht gedanst hadden: zij waren zeker ziek. Nu ging zij er
mee naar haar ander speelgoed, dat op een lief klein tafeltje stond, en
in de schuiflade lagen allerlei mooie dingen. In het poppenledekantje
lag haar pop Sophie, die sliep; maar de kleine Ida zei tegen haar:
«Je moet maar opstaan, Sophie, en het voor lief nemen, van nacht in
de lade te liggen. De arme bloemen zijn ziek, en daarom moeten ze
maar in jouw bedje liggen; misschien worden ze dan wel weer beter!»
En dadelijk nam zij de pop uit haar ledekantje; maar deze zag er
verdrietig uit en sprak geen enkel woord; want zij ergerde er zich
over, dat zij haar bedje moest ruimen.

Toen legde de kleine Ida de bloemen in het poppenbedje, sloeg het
dekentje er over heen en zei, dat zij nu maar heel stil moesten liggen;
dan zou zij wat vlier zetten, en dan zouden zij wel weer beter worden
en den volgenden dag kunnen opstaan. Zij deed de gordijnen van het
kleine ledekantje dicht, opdat de zon ze niet in de oogen zou schijnen.

Den heelen avond kon zij niet nalaten, aan datgene te denken, wat de
student haar verteld had. En toen zij nu zelf naar bed moest, kon zij
zich niet weerhouden, eerst eens achter de gordijnen te kijken, die
voor de ramen hingen, waar de prachtige bloemen van haar mama stonden,
zoowel hyacinten als tulpen; en nu fluisterde zij zachtjes: «Ik weet
wel, dat je van nacht naar het bal toe gaat.» Maar de bloemen deden,
alsof zij niets verstonden en verroerden geen blaadje; doch de kleine
Ida wist toch, wat zij wist.

Toen zij te bed gegaan was, bleef zij een heelen tijd wakker liggen
en dacht er over, hoe aardig het toch moest wezen, de mooie bloemen
in het kasteel van den koning te zien dansen. «Zouden mijn bloemen
er werkelijk bij geweest zijn?» zeide zij bij zich zelf. Eindelijk
viel zij in slaap; maar midden in den nacht werd zij weer wakker;
zij had van de bloemen en van den student, dien de oude heer berispt
had, gedroomd. Het was doodstil in de slaapkamer, waar Ida lag;
het nachtlampje brandde op de tafel, en haar pa en ma sliepen.

«Zouden mijn bloemen nu nog in het ledekantje van Sophie liggen?»
dacht zij bij zich zelve. «Wat zou ik dit graag eens willen weten!»
Zij kwam eventjes overeind en keek naar de deur, die op een kier stond:
daar lagen de bloemen en al haar speelgoed. Zij luisterde, en nu kwam
het haar voor, alsof er binnen in de kamer op de piano gespeeld werd,
maar heel zachtjes en zoo mooi, als zij het nog nooit gehoord had.

«Nu zijn al de bloemen zeker aan het dansen!» dacht zij. «Och! wat
zou ik dat toch graag eens willen zien!» Maar zij waagde het niet,
op te staan, want dan zou zij haar pa en ma licht wakker maken!

«Als ze maar eens hier in de slaapkamer wilden komen,» dacht zij. Maar
de bloemen kwamen niet, en het spelen op de piano bleef voortduren;
nu kon zij het niet langer uithouden, want het was al te mooi; zij
stapte uit haar bedje, sloop zachtjes naar de deur toe en keek de
kamer in. O, wat was dat prachtig, wat zij nu te zien kreeg.

Er brandde geen nachtlampje in het vertrek, maar toch was het er licht
in; de maan scheen door het raam midden op den vloer; het was bijna
zoo helder, alsof het dag was. Al de hyacinten en de tulpen stonden
in twee lange rijen in de kamer; er waren er volstrekt geen meer voor
het raam te zien; daar stonden slechts de leege potten. Op den vloer
dansten al de bloemen zeer sierlijk in de rondte en hielden elkaar
bij de lange groene bladeren vast. Maar voor de piano zat een groote,
gele lelie, die de kleine Ida bepaald in den zomer gezien had: want
zij herinnerde zich nog heel goed, dat de student gezegd had; «O,
wat lijkt zij op juffrouw Lientje!» Doch toen werd hij door allen
uitgelachen; maar nu kwam het de kleine Ida werkelijk ook voor, alsof
de lange, gele bloem op dit meisje leek; en zij had ook dezelfde
manieren bij het spelen; nu eens boog zij haar glimlachend, geel
gezicht naar den eenen, dan weer naar den anderen kant en sloeg met
haar hoofd de maat bij de heerlijke muziek. Niemand lette op de kleine
Ida. Toen zag zij een groot blauw krokusje midden op de tafel springen,
waarop het speelgoed stond, regelrecht naar het poppenledekantje toe
gaan en de gordijnen op zij schuiven. Daar lagen de zieke bloemen,
maar zij richtten zich dadelijk op en knikten het krokusje toe, dat
zij ook wel mee wilden dansen. De oude notenkraker, welks onderlip
afgebroken was, stond op en maakte een buiging voor de mooie bloemen;
deze zagen er volstrekt niet ziek uit: zij sprongen van de tafel af,
gingen naar de andere bloemen toe en hadden heel wat pret.

Het was, alsof er iets van de tafel naar beneden viel; Ida keek dien
kant uit: het was een houten soldaat, die naar beneden sprong: het
scheen, alsof hij ingelijks tot de bloemen behoorde. Hij zag er ook
zeer keurig uit, en een kleine wassen pop, die juist zulk een hoed met
een breeden rand op het hoofd had, als de oude heer droeg, zat boven op
hem. De soldaat huppelde midden onder de bloemen en stampte geducht,
want hij danste de mazurka; dien dans kenden de andere bloemen niet,
omdat zij te licht waren en niet zoo konden stampen.

De wassen pop op den soldaat werd op eens groot en lang en riep luide:
«Hoe kan men een kind nu toch zoo iets in het hoofd brengen? Dat zijn
immers de grootste dwaasheden!» En nu geleek de wassen pop sprekend
op den ouden heer met zijn breedgeranden hoed; zij zag er even geel
en gemelijk uit. Maar de bloemen sloegen hem tegen de dunne beenen;
en nu kromp hij weer ineen en werd een kleine wassen pop. Dat was
heel kluchtig om aan te zien; de kleine Ida kon zich niet van lachen
onthouden. De houten soldaat ging met dansen voort, en de oude heer
moest meedansen; het baatte hem niets, hij mocht zich nu groot en
lang maken of de kleine gele wassen pop met den grooten zwarten
hoed blijven. Nu deden de andere bloemen een goed woordje voor hem,
inzonderheid die, welke in het poppenledekantje gelegen hadden, en
toen stelde de soldaat zich tevreden. Op hetzelfde oogenblik werd er
luide binnen in de schuiflade geklopt, waarin Ida's pop Sophie bij
veel ander speelgoed lag; de notenkraker liep tot aan den rand van de
tafel, ging plat op zijn buik liggen en begon de lade een weinig uit
te trekken. Nu stond Sophie op en keek verbaasd in de rondte. «Hier
is zeker bal?» zei zij. «Waarom heeft niemand mij dit gezegd?»

«Wil je met mij dansen?» vroeg de notenkraker.

«Nu, je bent me nog al een mooie kerel om mee te dansen!» zeide zij
en draaide hem den rug toe. Daarop zette zij zich op de schuiflade
neer en dacht, dat er wel een van de bloemen zou komen, om haar ten
dans uit te noodigen; maar er kwam er geen. Nu knikte zij eens; maar
toch kwam er geen. De notenkraker danste nu alleen, en dat ging alles
behalve slecht!

Daar geen van de bloemen Sophie scheen op te merken, liet zij zich van
de schuiflade op den grond neervallen, zoodat het een geducht leven
maakte. Al de bloemen kwamen nu naar haar toeloopen en vroegen, of zij
zich niet bezeerd had, en zij waren allemaal heel vriendelijk jegens
haar, vooral de bloemen, die in haar ledekantje gelegen hadden. Maar
zij had zich niet bezeerd, en de bloemen van Ida waren dankbaar voor
het lekkere bedje, en namen haar midden in de kamer, waar de maan
in scheen, en dansten met haar; en al de andere bloemen vormden een
kring om haar heen. Nu was Sophie blijde en zei, dat zij wel altijd
in haar bedje mochten liggen; het kon haar volstrekt niet schelen,
in de schuiflade te slapen.

Maar de bloemen zeiden: «Wij bedanken je hartelijk; maar we kunnen
op deze wijze niet lang leven! Morgen zijn wij dood. Maar zeg tegen
de kleine Ida, dat zij ons dan maar buiten in den tuin, waar de
kanarievogel ligt, moet begraven; dan ontwaken wij in den zomer weer
en worden veel mooier!»

«Neen, je moogt niet sterven!» zei Sophie en kuste de bloemen. Nu
ging de kamerdeur open, en een menigte prachtige bloemen kwam
dansend naar binnen. Ida kon maar niet begrijpen, waar zij vandaan
gekomen waren; dat waren zeker allemaal bloemen uit het kasteel van
den koning. Voorop liepen twee prachtige rozen, die gouden kronen op
hadden; zij waren een koning en een koningin. Toen kwamen de violieren
en de anjelieren, die naar alle kanten groetten. Zij hadden muziek bij
zich: groote papavers en pioenen bliezen op erwtenschillen, zoodat
zij heelemaal rood in haar gezicht werden. De blauwe druifhyacinten
en de kleine witte sneeuwklokjes klingelden, alsof zij schellen bij
zich hadden. Dat was een merkwaardige muziek! Verder kwamen er vele
andere bloemen en dansten allemaal met elkaar: de blauwe viooltjes en
de roode duizendschoonen, de madeliefjes en de lelietjes der dalen. Al
de bloemen kusten elkaar; het was alleraardigst om aan te zien.

Eindelijk zeiden de bloemen elkander goeden nacht; toen sloop ook de
kleine Ida naar haar bed en droomde van alles, wat zij gezien had.

Toen zij den volgenden morgen opstond, ging zij terstond naar de kleine
tafel toe, om eens te zien, of de bloemen er nog waren. Zij schoof
de gordijnen van het kleine ledekantje weg. Daar lagen ze allemaal
verwelkt, veel meer dan den vorigen dag. Sophie lag in de schuiflade,
waarin zij haar neergelegd had: zij zag er erg slaperig uit.

«Weet je niet, wat je tegen mij zeggen moet?» vroeg Ida. Maar Sophie
zag er heel dom uit en sprak geen enkel woord.

«Je ziet er zoo boos uit,» zei Ida, «en toch hebben ze allemaal met
je gedanst.»

Daarop nam zij een papieren doosje, waarop mooie vogels geteekend
waren, deed dit open en legde er de doode bloemen in. «Dit zal je
doodkist zijn,» zeide zij, «en als mijn neven hier komen, dan moeten
zij mij helpen om je buiten in den tuin te begraven, opdat je in den
zomer weer kunt groeien en mooier worden.»

Deze neven waren twee vroolijke knapen; zij heetten Jonas en Adolf;
hun pa had hun twee nieuwe handbogen gegeven, en deze hadden zij
meegebracht, om ze eens aan Ida te laten kijken. Ida vertelde hun
van de arme bloemen, die gestorven waren, en toen kregen zij de
vergunning om ze te begraven. De beide knapen liepen met de bogen op
de schouders voorop, en de kleine Ida volgde met de doode bloemen in
het mooie doosje. Buiten in den tuin werd er een klein graf gedolven;
Ida gaf de bloemen eerst een kus en legde ze toen met het doosje in
den kuil; Adolf en Jonas schoten met hun bogen over het graf; want
geweren en kanonnen hadden ze niet.



DE ONWRIKBARE TINNEN SOLDAAT.


Er waren eens vijf-en-twintig tinnen soldaten. Dit waren allemaal
broers, want ze waren uit één en denzelfden ouden tinnen lepel
gemaakt. Zij hielden hun geweer in den arm en hun hoofd recht; en hun
uniform was rood en blauw. Het eerste, wat zij in deze wereld hoorden,
toen het deksel van de doos, waarin zij lagen, afgenomen werd, waren de
woorden: «Tinnen soldaten!» Dat riep een kleine jongen en hij klapte
in de handen; hij had ze gekregen, want het was zijn verjaardag,
en hij stelde ze nu op de tafel op. De eene soldaat leek precies
op den anderen, slechts één zag er een beetje anders uit: hij had
maar één been, want hij was het laatst gegoten, en toen was er geen
tin genoeg meer; maar toch stond hij even vast op zijn eene been,
als de anderen op hun twee, en juist hij is het, wiens levensloop
zoo merkwaardig werd.

Op de tafel, waarop zij opgesteld werden, stond nog veel meer ander
speelgoed, maar dat, wat het meest in 't oog viel, was een aardig
kasteel van bordpapier. Door de kleine ramen kon men in de zalen
zien. Voor het kasteel stonden boompjes rondom een kleinen spiegel,
die een vijver moest voorstellen. Zwanen van was zwommen daarop en
spiegelden er zich in. Dat was alles heel lief, maar het liefste
van alles was toch nog een kleine dame, die midden in de open deur
van het kasteel stond; zij was ook van karton gesneden, maar zij had
een japon van het witste katoen aan en een kleinen, smallen, blauwen
band over den schouder, bij wijze van sjerp; in het midden daarvan
prijkte een schitterende ster van klatergoud, die net zoo groot was
als haar heele gezicht. De kleine dame strekte haar beide armen uit,
want zij was een danseres; en dan lichtte zij haar eene been zoo hoog
op, dat de tinnen soldaat niet wist waar het was, en dacht, dat zij,
evenals hij, maar één been had.

«Dat zou een goede vrouw voor mij zijn!» dacht hij: «maar het is
zoo'n deftige dame; zij woont op een kasteel; ik heb maar een doos,
en daar wonen we met ons vijf-en-twintigen in; dat is geen plaats
voor haar! Maar ik moet toch eens kennis met haar maken!»

Daarop legde hij zich, zoo lang als hij was, achter een snuifdoos neer,
die op tafel stond; nu kon hij de kleine dame eens goed opnemen, die
al door maar op één been bleef staan, zonder dat zij haar evenwicht
verloor.

Toen het avond werd, kwamen al de andere tinnen soldaten in hun doos,
en de menschen in huis gingen te bed. Nu begon het speelgoed allerlei
spelletjes te doen. De tinnen soldaten rammelden in de doos; want
zij zouden er ook wel bij willen zijn, maar zij konden het deksel
niet oplichten. De notenkraker maakte allerlei kromme sprongen, en
de griffel danste op de tafel; het was zulk een geweldig leven, dat
de kanarievogel er wakker van werd en begon mee te spreken, en wel
op rijm. De beide eenigen, die zich niet van hun plaats verroerden,
waren de tinnen soldaat en de danseres; zij bleef onbeweeglijk op
haar teenen staan en hield haar beide armen uitgestrekt; hij stond
even onwrikbaar op zijn eene been; maar zijn oogen wendde hij geen
oogenblik van haar af.

Nu sloeg de klok twaalf uur en flap! daar sprong het deksel van
de snuifdoos af; doch er zat geen snuif in, maar een klein zwart
kaboutermannetje.

«Tinnen soldaat!» zei het kaboutermannetje, «kijk toch niet naar
datgene, wat je niets hoegenaamd aangaat!»

Maar de tinnen soldaat deed, alsof hij het niet hoorde.

«Ja, wacht maar tot morgen!» zei het kaboutermannetje.

Toen nu de volgende dag aanbrak en de kinderen opstonden, werd
de tinnen soldaat voor het raam neergezet en, of het nu door het
kaboutermannetje of door den tocht kwam, zooveel is zeker, dat het
raam openvloog en de soldaat hals over kop van de derde verdieping
naar beneden viel. Dat was een verschrikkelijke buiteling. Hij stak
zijn eene been juist in de hoogte en bleef op zijn schako met de
bajonet tusschen de straatsteenen steken.

De dienstmeid en de kleine jongen liepen dadelijk naar beneden om
hem te zoeken; maar ofschoon zij bijna op hem trapten, toch zagen
zij hem niet. Als de tinnen soldaat maar geroepen had: «Hier ben ik!»
dan zouden zij hem wel gevonden hebben; maar hij achtte het ongepast,
luid te schreeuwen, omdat hij in uniform was.

Nu begon het te regenen, al spoedig vielen de droppels dichter neer;
eindelijk werd het een stortregen. Toen deze over was, kwamen er twee
straatjongens voorbij.

«Kijk!» zei de een, «daar ligt een tinnen soldaat! Dien zullen we in
het schuitje laten varen!»

Nu maakten zij van een stuk krant een schuitje, zetten den soldaat
in het midden daarvan neer, en nu zeilde hij de straatgoot door;
de beide jongens liepen er naast en klapten in hun handen. Lieve
hemel! Wat gingen de golven in de goot hoog, en welk een stroom was
daarin! Maar de regen had het water ook doen wassen. Het papieren
schuitje schommelde op en neer, en nu en dan draaide het zoo gezwind
om, dat de tinnen soldaat beefde; maar hij bleef onwrikbaar staan,
vertrok zijn gezicht niet, hield zijn hoofd recht en zijn geweer in
den arm. Eensklaps dreef het schuitje onder een lange brug, die over
de goot lag, en nu werd het zoo donker, alsof hij in zijn doos was.

«Waar zou ik naar toe gaan?» dacht hij. «Ja, ja, daar is het
kaboutermannetje de schuld van. Ach! zat die kleine dame maar bij
mij in het schuitje, dan mocht het voor mijn part nog eens zoo
donker zijn!»

Nu kwam er plotseling een groote waterrot, die onder de brug woonde.

«Heb je een pas?» vroeg de rot. «Geef je pas op!»

Maar de tinnen soldaat zweeg en hield zijn geweer nog vaster omklemd.

Het schuitje dreef verder, en de rot achtervolgde het. Hu! wat liet zij
haar tanden zien, en hoe riep zij de houten spaanders en het stroo toe:

«Houdt hem vast, houdt hem vast! Hij heeft geen tol betaald! Hij
heeft geen pas vertoond!»

Maar de stroom werd al sterker en sterker; de tinnen soldaat kon reeds
daar, waar de brug ophield, het daglicht zien; maar hij hoorde ook
een bruisend geluid, dat wel in staat was om een dapper man schrik
aan te jagen. Begrijp eens! De goot liep daar, waar de brug eindigde,
in een diepe gracht uit: dat was voor hem even gevaarlijk als voor ons,
om op een bruisenden waterstroom voort te drijven.

Nu was hij er al zoo dicht bij, dat hij niet meer kon blijven
staan. Het schuitje voer de goot uit: de arme tinnen soldaat hield
zich zoo stijf, als hij maar kon; niemand zou van hem kunnen zeggen,
dat hij ook maar met de oogen geknipt had. Het schuitje draaide een
stuk of viermaal in de rondte en was tot aan den rand met water gevuld:
het moest nu wel zinken! De tinnen soldaat stond tot aan zijn hals in
het water, en al dieper en dieper zonk het schuitje, al meer en meer
raakte het papier uit elkaar, nu sloeg het water over het hoofd van
den soldaat heen. Thans dacht hij aan de kleine, bevallige danseres,
die hij nimmer meer zou zien; en het klonk hem in de ooren:


    «'t Is met u gedaan, soldaat!
    De dood staat u te wachten!»


Nu raakte het papier geheel los, en de tinnen soldaat stortte
naar beneden;--maar onmiddellijk werd hij door een grooten visch
ingezwolgen.

O, wat was het donker in den buik van dien visch! Het was daar nog
donkerder dan onder de brug, die over de goot lag; en dan was het
daar erg benauwd. Maar de tinnen soldaat bleef onwrikbaar en lag,
zoo lang als hij was, met zijn geweer in den arm.

De visch zwom heen en weer; hij maakte de verschrikkelijkste
bewegingen; eindelijk werd hij doodstil; het werd weer licht, en
een stem riep luide: «De tinnen soldaat!» De visch was gevangen,
aan de markt gebracht, verkocht en in de keuken te land gekomen,
waar de keukenmeid hem met een groot mes opensneed. Zij pakte den
soldaat met haar beide vingers midden om zijn lijf beet en droeg
hem naar de kamer, waar allen zulk een merkwaardig man wilden zien,
die in de maag van een visch gezeten had; maar de tinnen soldaat was
volstrekt niet trotsch. Zij zetten hem op de tafel neer en... o, hoe
zonderling kan het toch in de wereld toegaan! De tinnen soldaat was
in dezelfde kamer, waar hij vroeger geweest was; hij zag dezelfde
kinderen, en hetzelfde speelgoed stond op de tafel: het prachtige
kasteel met de kleine danseres. Zij stond nog op één been en hield
het andere hoog in de lucht; zij was ook onwrikbaar. Dat trof den
tinnen soldaat; het scheelde niet veel, of hij begon tin te weenen,
maar dat paste niet. Hij keek haar aan, maar zij zeide niets.

Nu nam een der kleine jongens den soldaat en wierp hem in het vuur,
zonder dat hij er eenige reden voor had; dat was zeker de schuld van
het kaboutermannetje in de snuifdoos.

De tinnen soldaat stond daar helder verlicht en voelde een hitte, die
verschrikkelijk was; maar of deze van het werkelijke vuur of de liefde
kwam, dat wist hij niet. De kleuren waren heelemaal van hem afgegaan;
of dat op reis gebeurd was, dan of het verdriet de schuld daarvan was,
kon niemand zeggen. Hij keek de kleine dame aan, zij keek hem aan,
en hij voelde, dat hij smolt; maar nog stond hij onwrikbaar met het
geweer in den arm. Daar ging er eensklaps een deur open, de wind
pakte de kleine danseres beet, en nu vloog zij als een luchtnimf
in het vuur naar den tinnen soldaat toe, ging in de vlammen op,
en weg was zij. Nu smolt de tinnen soldaat tot een klomp, en toen
de meid den volgenden dag de asch wegnam, vond zij niets anders dan
een klein tinnen hart. Van de danseres daarentegen was niets anders
overgebleven dan de ster van klatergoud, die heelemaal zwart van de
vlam geworden was.



DE GOUDEN SCHAT.


De vrouw van den tamboer ging naar de kerk toe, zij zag daar het
nieuwe altaar met geschilderde beelden en uitgesneden engelen;
zij waren even mooi, die op het doek in kleuren, als de uit hout
gesnedene, en deze waren nog bovendien geschilderd en verguld. Hun
haar straalde van goud en zonneschijn, prachtig om aan te zien; maar
Gods zonneschijn was toch nog prachtiger; deze scheen helderder,
rooder door de donkere boomen, als de zon onderging. Hoe heerlijk
is het, in Gods aangezicht te staren! Zij keek in de roode zon, en
zij dacht daarover zoo ernstig na, en dacht aan den kleine, dien de
ooievaar zou brengen; zij was daarbij zeer vroolijk en keek en keek,
en wenschte, dat het kind dien zonneglans zou krijgen, of althans op
een dier schitterende engelen op het altaar gelijken mocht.

En toen zij werkelijk het kleine kind in haar armen hield en het
naar zijn vader ophief, toen zag het er uit als een der engelen in
de kerk,--zijn haar was als goud; het schijnsel der ondergaande zon
fonkelde daarin.

«Mijn gouden schat, mijn rijkdom, mijn zonneschijn!» riep de moeder uit
en kuste de schitterende lokken; en het klonk als muziek en gezang in
de kamer van den tamboer; er heerschten vreugde en geluk. De tamboer
sloeg een roffel, een vroolijken roffel. En de trommel, de alarmtrom,
die geslagen werd, als er brand was in de stad, zei: «Rood haar! De
kleine heeft rood haar! Geloof het trommelvel en niet wat zijn moeder
zegt! Rom, bom, bom! Rom, bom, bom!»

En de stad herhaalde wat de alarmtrom verteld had.



De knaap kwam in de kerk, hij werd gedoopt. Van zijn naam was niets
te vertellen; hij werd Peter genoemd. De heele stad, ook de trommel
noemde hem Peter, het tamboerszoontje met het roode haar; maar zijn
moeder kuste zijn rood haar en noemde hem haar Gouden schat.

In den hollen weg, in de leemachtige helling, hadden velen hun naam
ter herinnering ingekrast.

«Beroemdheid,» zei de tamboer, «dat is altijd iets!» en daarom kraste
hij er ook zijn naam en dien van zijn zoontje in.

De zwaluwen kwamen; zij hadden op haar verre reis duurzamer schrift
in de klippen en in de muren van de tempels in Hindostan ingehouwen
gezien: groote daden van machtige koningen, onsterfelijke namen,
zulke oude, dat niemand ze meer kon lezen of noemen.

Merkwaardig! Beroemdheid!

In den hollen weg bouwden de zwaluwen; zij boorden gaten in de steile
helling, de plasregen en de stofregen brokkelden en spoelden de namen
weg,--ook die van den tamboer en zijn zoontje.

«Peters naam zal toch wel anderhalf jaar blijven staan!» zei de vader.

«Gek!» dacht de alarmtrom; maar zij zei slechts: «Rom, bom, bom! Rom,
bom, bom!»

Het was een jongen vol levenslust, de tamboerszoon met het roode
haar. Hij had een liefelijke stem; hij kon zingen, en hij zong ook
als de vogels in het bosch. Er was melodie en toch ook geen melodie in.

«Hij moet koorjongen worden,» zei zijn moeder, «in de kerk zingen en
daar onder de mooie, vergulde engelen staan, die op hem gelijken!»

«Roodkop!» zeiden de menschen in de stad. De trommel hoorde dit van
de buurvrouwen.

«Ga niet naar huis toe, Peter!» riepen de straatjongens. «Als je
in het benedenhuis slaapt, dan is er brand op de bovenverdieping,
en dan wordt de alarmtrom geroerd!»

«Neem jelui je maar voor de trommelstokken in acht!» zei Peter; en
hoe klein hij ook was, toch snelde hij moedig op hen los en sloeg
met zijn vuist den eerste den beste voor het lijf, zoodat de plager
zijn beenen verloor, en de anderen namen de beenen met zich mee,
hun eigen beenen namelijk.

De stadsmuziekmeester was heel deftig en voornaam; hij was de zoon van
een koninklijken zilverpoetser; hij mocht Peter graag lijden, nam hem
van tijd tot tijd met zich mee naar huis, gaf hem een viool en leerde
hem daarop spelen; het was, alsof het den knaap in de vingers zat,
hij wilde stadsmuziekmeester worden.

«Soldaat wil ik ook worden!» zei Peter, want hij was nog een kleine
jongen, en het scheen hem het heerlijkste toe, wat er bestond, een
geweer te kunnen dragen en zóó te kunnen loopen: «Een, twee! Een,
twee!» en uniform en sabel te dragen.

«Leer maar naar het trommelvel verlangen, rom, bom, bom! Kom, kom!»
zei de trommel.

«Ja, als hij tot den rang van generaal kon opklimmen,» zei zijn vader;
«maar daarvoor moet het oorlog worden.»

«Dat verhoede God!» zei zijn moeder.

«Wij hebben niets te verliezen!» zei zijn vader.

«Wij kunnen onzen jongen toch wel verliezen!» zeide zij.

«Maar als hij nu eens als generaal terugkomt?» zei zijn vader.

«Zonder armen of beenen!» zei zijn moeder. «Neen, liever wil ik mijn
gouden schat heel houden.»

«Rom, bom, bom!» De alarmtrom werd geroerd, alle trommels werden
geroerd. Het was oorlog. De soldaten rukten op, en de zoon van den
tamboer volgde: «Roodkop! Gouden schat!» Zijn moeder weende; zijn
vader zag hem in gedachten «beroemd;» de stadsmuziekmeester beweerde,
dat hij niet ten strijde moest trekken, maar zich bij de muziek in
zijn vaderstad houden.



«Roodkop!» zeiden de soldaten, en Peter lachte; maar ook zei de een
na den ander: «Vossekop!» Toen beet hij zich op de lippen en keek
een anderen kant uit--de wijde wereld in; hij bekommerde zich om den
scheldnaam niet.

Flink was de jongen, vroolijk van aard, goed van humeur; «en dat is
de beste veldflesch,» zeiden zijn oude kameraden.

En menigen nacht moest hij in plasregen en stofregen, tot op zijn hemd
doornat, onder den blooten hemel liggen, maar zijn goede luim begaf
hem niet, de trommelstokken sloegen: «Rom, bom, bom! Allemaal op!»
Ja, hij was zeker voor tamboer in de wieg gelegd.

De dag van den veldslag brak aan; de zon was nog niet opgegaan,
en de morgen was aangebroken: de lucht was koud, het gevecht heet;
er dreven nevelen aan de lucht, maar het was meer de kruitdamp. De
kogels en de granaten vlogen over de hoofden en ook in de hoofden,
in de borsten en de overige ledematen; maar voorwaarts ging het. De
een na den ander zeeg bewusteloos neer met bloedende slapen, met een
doodsbleek gezicht. De kleine tamboer had zijn gezonde kleur nog; hij
had geen schade geleden; hij keek nog met een even vergenoegd gezicht
den regimentshond achterna, die voor hem uitsprong, zóó vergenoegd,
alsof alles maar een grap was en alsof de kogels slechts voor hem
neervielen, om daarmee te spelen.

«Marsch! Voorwaarts! Marsch!» waren de kommandowoorden voor de
trommels; en deze woorden beteekenden niet: «Terugwijken!» maar zij
konden terugtrekken, en daarin kon veel verstand liggen; en nu werd er
gezegd: «Terug!» en daar sloeg de kleine tamboer: «Marsch! Voorwaarts!»
hij had het bevel zóó opgevat; de soldaten gehoorzaamden aan het
trommelvel. Dat was een goede trommelslag en hij schonk hun, die
reeds aan het wijken waren, de overwinning.

Lichamen en ledematen gingen er in den slag verloren. Granaten rukten
het vleesch in bloedige stukken weg; granaten deden de hoopen stroo,
werwaarts de gekwetsten zich voortgesleept hadden, om daar vele uren
verlaten te liggen, verlaten misschien voor hun leven, in heldere
vlammen opgaan.

Het geeft niets, daaraan te denken, en toch denkt men daaraan, zelfs
ver van daar, in de vreedzame stad; ook de tamboer en zijn vrouw
dachten daaraan; Peter was immers ten strijde getrokken.

«Nu ben ik het klagen moede!» zei de alarmtrom.

Weer begon er een dag, waarop er een gevecht zou geleverd worden;
de zon was nog niet opgegaan, maar het was morgen. De tamboer en
zijn vrouw sliepen, zij hadden over hun zoon gesproken; dat deden
zij iederen avond; hij was immers op het slagveld--«in Gods hand.»
En zijn vader droomde, dat de oorlog geëindigd was, dat de soldaten
naar het vaderland teruggekeerd waren en dat Peter een zilveren kruis
op de borst droeg; maar zijn moeder droomde, dat zij naar de kerk
gegaan was en de geschilderde beelden en de uitgesnedene engelen
met het vergulde haar gezien had; en haar eigen, teerbeminde zoon,
de gouden schat haars harten, had midden onder de engelen gestaan en
zoo heerlijk gezongen, als zeker slechts de engelen zingen kunnen,
en had zich met hen in den zonneschijn verheven en zijn moeder zoo
vol liefde toegeknikt.

«Mijn gouden schat!» riep zij uit en werd wakker. «Nu heeft God onze
Heer hem tot zich genomen!» Zij vouwde haar handen, legde haar hoofd
tegen het katoenen bedgordijn aan en weende.

«Waar rust hij nu onder die velen in het graf, dat zij voor de dooden
gegraven hebben? Misschien wel in het diepe moeras! Niemand kent zijn
graf! Er is geen woord Gods daar boven gelezen!»

En het «Onze Vader» kwam nauw hoorbaar over haar lippen; zij boog
het hoofd voorover, zij was zoo moede, zij viel in slaap.

De dagen gingen voorbij, in het leven zoowel als in de droomen!

Het was avond; er stond een regenboog aan de lucht, die het bosch en
het diepe moeras aanraakte.

Men zegt, en het is in het volksgeloof bewaard gebleven: waar de
regenboog de aarde aanraakt, daar ligt een schat begraven, een gouden
schat; en hier--lag er een; niemand, behalve zijn moeder, dacht aan
den kleinen tamboer, en daarom droomde zij van hem.

De dagen gingen voorbij, in het leven zoowel als in de droomen!

Geen haar op zijn hoofd was er gekrenkt geworden.

«Rom, bom, bom! Rom, bom, bom! Dat is hij! Dat is hij!» zou de
trommel gezegd en zijn moeder gezongen hebben, als zij dat gezien of
gedroomd had.

Met gejuich en gezang, met groene zegekransen versierd, keerde men
naar het vaderland terug, daar de oorlog geëindigd en de vrede gesloten
was. De regimentshond liep vooruit en maakte allerlei kromme sprongen,
om zich den weg als 't ware driemaal zoolang te maken, als hij was.

Weken verliepen er en de dagen tevens, en Peter trad de kamer van
zijn ouders binnen; hij was zoo bruin als een wilde, zijn oogen keken
fonkelend in de rondte, zijn gezicht straalde als zonneschijn. En
zijn moeder klemde hem in haar armen; zij kuste hem op zijn mond, op
zijn oogen, op zijn rood haar. Zij had haar jongen nu immers terug;
hij droeg wel geen zilveren kruis op de borst, zooals zijn vader
gedroomd had, maar hij had heele ledematen, wat zijn moeder niet
gedroomd had. En dat was een vreugde; zij lachten en weenden. En
Peter omhelsde de oude alarmtrom.

«Daar staat de oude trommel nog!» zei hij.

En zijn vader sloeg daarop een roffel.

«Het is bijna, alsof er hier een hevige brand was,» zei de
alarmtrom. «Heldere dag! Vuur in het hart! Gouden schat!»

En nu? Ja, wat nu? Vraag het maar aan den stadsmuziekmeester.

«Peter groeit de trommel heelemaal boven 't hoofd,» zei hij; «Peter
wordt grooter dan ik!» En hij was toch de zoon van een koninklijken
zilverpoetser; maar alles, wat hij in een half menschenleven geleerd
had, leerde Peter in een half jaar.

Er was iets vroolijks in hem, zoo iets innerlijk goedhartigs. Zijn
oogen fonkelden en zijn haar was rood,--dat viel niet te ontkennen.

«Hij moet zijn haar laten verven!» zei de buurvrouw. «Dat is de
dochter van den politie-commissaris uitstekend gelukt; en--zij raakte
verloofd.»

«Maar het werd immers al spoedig daarop weer even groen als erwtensoep,
en het moet telkens weer geverfd worden!»

«Zij weet zich te helpen,» zei de buurvrouw, «en dat kan Peter ook. Hij
komt in de voornaamste huizen, zelfs in dat van den burgemeester,
waar hij aan juffrouw Lotje les op de piano geeft.»

Spelen kon hij, ja, de prachtigste stukken, die nog op geen muziekblad
geschreven waren, kon hij uit zijn hoofd spelen.

Hij speelde in heldere nachten en ook in donkere. Dat was niet om
uit te houden, zei de buurvrouw, en de alarmtrom stemde daarmee in.

Hij speelde, zoodat zijn gedachten zich verhieven en er groote plannen
voor de toekomst bij hem oprezen:

«Beroemdheid!»

En Lotje van den burgemeester zat voor de piano; haar fijne vingers
dansten over de toetsen heen, zoodat het in Peters hart weerklank
vond; het was, alsof hem dat al te veel werd, en dat gebeurde niet
eenmaal, maar vele malen, en nu greep hij op zekeren dag de fijne
vingers en de fraai gevormde hand en kuste haar, en keek haar in de
groote bruine oogen; God weet, wat hij zeide, maar aan ons staat het
vrij, er naar te raden. Lotje werd tot achter haar ooren rood en
antwoordde geen enkel woord;--nu kwam er een vreemde in de kamer,
de zoon van den staatsraad; deze had een hoog, blank voorhoofd en
hield het hoofd trotsch omhoog. En Peter zat lang bij haar, en zij
keek hem met vriendelijke blikken aan.

Toen hij 's avonds thuis gekomen was, sprak hij over de wijde wereld
en over den schat, die er voor hem in zijn viool verborgen lag.

Beroemdheid!

«Rom, bom, bom! Rom, bom, bom!» zei de alarmtrom. «Nu is het met
Peter over het dolle heen! Ik geloof, dat er brand in huis is.»

Den volgenden dag ging zijn moeder naar de markt toe.

«Wil ik je eens een nieuwtje vertellen, Peter!» zeide zij, toen zij
terugkwam, «het is een goed nieuwtje! Lotje van den burgemeester
is met den zoon van den staatsraad verloofd; het engagement is er
gisteren doorgegaan.»

«Neen!» zei Peter en sprong van zijn stoel op. Maar zijn moeder zei:
«Ja!» Zij wist het van de barbiersvrouw, wier man het uit den eigen
mond van den burgemeester gehoord had.

En Peter werd zoo wit als een doek en viel op een stoel neer.

«Mijn hemel! Wat scheelt er aan?» vroeg zijn moeder.

«Al genoeg, al genoeg! Laat mij maar met rust!» zeide hij, en de
tranen liepen hem over de wangen.

«Mijn lieve kind, mijn gouden schat!» riep zijn moeder uit en weende;
maar de alarmtrom zong, niet uitwendig, maar inwendig:

««Lot is dood! Lot is dood!» Ja, nu is het lied uit!»



Het lied was niet uit; het had nog vele coupletten, lange coupletten,
de allerschoonste, den gouden schat eens levens.

«Zij gedraagt zich als een gekkin!» zei de buurvrouw. «De heele wereld
moet de brieven, die zij van haar gouden schat krijgt, lezen en ook
nog hooren, wat de kranten van hem en van zijn viool zeggen. En geld
zendt hij haar ook; dat kan zij heel goed gebruiken, nu zij weduwe is.»

«Hij speelt voor keizers en koningen.» zei de stadsmuziekmeester. «Mij
is dit geluk nooit te beurt gevallen, maar hij is mijn leerling en
vergeet zijn ouden leermeester niet.»

«Zijn vader droomde eens,» zei zijn moeder, «dat Peter met het zilveren
kruis op de borst uit den oorlog teruggekeerd was; hij kreeg het in
den oorlog niet, maar het is nog moeilijker het zoo te krijgen! Nu
heeft hij het ridderkruis! Dit moest zijn vader eens beleefd hebben!»

«Beroemd!» zei de alarmtrom, en zijn vaderstad zei dit ook: de
tamboerszoon, Peter met het roode haar, Peter, dien men als kleinen
jongen op klompen had zien loopen, dien men als tamboer gekend had,
en die bij het dansen speelde,--beroemd!

«Hij speelde bij ons, nog voordat hij voor koningen gespeeld heeft!»
zei de vrouw van den burgemeester. «Destijds was hij op Lotje verliefd;
hij keek altijd hoog op! Mijn eigen man lachte er over, toen hij van
die dwaasheid hoorde! Nu is Lotje de vrouw van den staatsraad!»

Er was een gouden schat in het hart en in de ziel van het arme kind
gelegd, dat als kleine tamboer: «Marsch! Voorwaarts!» sloeg, den
roffel der overwinning voor hen, die op het punt stonden om terug te
wijken. Er lag een gouden schat in zijn borst,--de macht der tonen;
het bruiste uit de viool, alsof er een geheel orgel in zat; men hoorde
den slag van den lijster en de volle heldere stem van den mensch;
daarom trok hij met verrukking door de harten en droeg zijn naam door
het geheele land. Dat was een groote brand,--de brand der geestdrift.

«En dan ziet hij er ook zoo prachtig uit!» zeiden de jonge dames en
ook de oude; ja, de alleroudste schafte zich een album voor beroemde
haarlokken aan, alleen maar om een lok van dat weelderige, prachtige
hoofdhaar, dezen schat, dezen gouden schat te kunnen vragen.

De zoon trad de armoedige kamer van den tamboer binnen, keurig
gekleed als een prins, gelukkiger dan een koning. Zijn oogen waren
zoo helder, zijn gezicht als zonneschijn. Hij hield zijn moeder in
de armen; zij drukte hem een kus op den mond en weende zoo gelukkig,
als men slechts van blijdschap kan weenen; en hij knikte ieder oud
meubel in de kamer toe, de kast met de theekopjes en de bloemvaas;
hij knikte de krib toe, waarin hij als kleine jongen geslapen had;
maar hij haalde de oude alarmtrom te voorschijn, zette haar midden
in de kamer neer en zei tegen zijn moeder:

«Vader zou vandaag een roffel geslagen hebben. Dat moet ik nu doen!»

En hij sloeg een duchtigen roffel op de trommel, en deze gevoelde
zich daardoor zoozeer vereerd, dat zij haar eigen trommelvel scheurde.

«Hij heeft een heerlijken vuistslag!» zei de trommel. «Nu heb ik van
hem voor altijd een herinnering! Ik denk wel, dat zijn moeder ook
van blijdschap over haar _gouden schat_ zal barsten.»

_Dat is de geschiedenis van den gouden schat._



DE DROOM VAN DEN OUDEN EIK.


In het bosch, hoog op den steilen oever, vlak bij de zeekust, stond
een heel oude eik. Hij was driehonderd vijf-en-zestig jaren oud;
maar die lange tijd was voor den boom niet meer dan even zoo vele
dagen voor ons menschen zijn. Wij waken overdag, slapen 's nachts,
en hebben dan onze droomen; met den boom gaat het anders; hij is
drie jaargetijden achtereen wakker, eerst tegen den winter komt zijn
slaap. De winter is zijn rusttijd, is zijn nacht na den langen dag,
die lente, zomer en herfst heet.

Op menigen warmen zomerdag had het haft, dat kleine schepseltje, om
zijn kroon heengedanst, geleefd, gezweefd en zich gelukkig gevoeld,
en rustte een oogenblik in stille gelukzaligheid op een der groote,
frissche eikeblaren uit; dan zei de boom altijd: «Arme kleine! Slechts
een enkelen dag duurt uw geheele leven! Wat is dat kort! Het is
toch treurig!»

«Treurig?--Wat bedoelt ge daarmee?» vroeg het haft dan altijd. «Om
mij heen is het immers zoo helder, zoo warm en zoo schoon; dat maakt
mij vroolijk!»

«Maar slechts één dag,--dan is alles uit!»

«Uit!» herhaalde het haft. «Wat is uit? Zijt gij ook uit?»

«Neen, ik leef misschien duizenden van uw dagen, en mijn dag duurt
geheele jaargetijden! Dat is zoo iets langs, dat ge het niet eens
kunt uitrekenen!»

«Neen, dan begrijp ik u niet! Gij hebt duizenden van mijn dagen; maar
ik heb duizenden van oogenblikken, waarin ik vroolijk en gelukkig
kan zijn! Houdt dan al de heerlijkheid dezer wereld op, als ge sterft?»

«Neen,» zei de boom, «die duurt zeker veel langer, oneindig langer
dan ik mij kan voorstellen.»

«Maar dan hebben wij immers precies even veel: wij rekenen alleen
maar anders!»

Het haft danste en zweefde in de lucht, verheugde zich in zijn kunstige
vlerkjes, in hun gaas en fluweel, verheugde zich in de warme lucht,
die bezwangerd was met den heerlijken geur van het klaverveld en de
rozen, van de vlier en de kamperfoelie, van het muskusplantje en de
kroezemunt; de geur was zoo sterk, dat het haft er bijna door bedwelmd
werd. De dag was lang en schoon, vol vreugde en genot, en als de zon
ten ondergang neeg, gevoelde het haft zich altijd vermoeid van dat
vroolijke zweven. De vlerkjes wilden het lichaampje niet meer dragen,
en zachtjes en langzaam streek het neer op den zachten, golvenden
grashalm, knikte met het kopje en sliep zacht en welgemoed in,--het
was de dood.

«Arm, klein haft!» zei de eik, «dat was toch een al te kort leven.»

En op iederen zomerdag werd dezelfde dans, dezelfde toespraak,
hetzelfde antwoord en hetzelfde inslapen herhaald; het werd herhaald
door geheele geslachten van haften, en allen gevoelden zich gelukkig
en even vroolijk.

De eik stond daar wakend op zijn lentemorgen, zijn zomermiddag en
zijn herfstavond; met rasse schreden naderde zijn rusttijd, zijn
nacht. De winter was ophanden.

Reeds zongen de stormen hun «Goeden nacht! Goeden nacht!» Hier viel
een blad, daar viel een blad. «Wij rukken en schudden! Ga slapen,
ga slapen! Wij zingen u in slaap, wij wiegen u in slaap, maar,
niet waar, dat doet goed in de oude takken? Zij kraken daarbij van
louter plezier! Slaap zacht, slaap zacht! Het is uw driehonderd
en vijf-en-zestigste nacht; eigenlijk zijt ge toch maar een
kijk-in-de-wereld! Slaap zacht! De wolk strooit sneeuw naar beneden,
zij geeft een dek, dat zich warm over uw voet uitspreidt! Slaap
zacht,--en aangename droomen!»

De eik stond daar, van zijn bladeren beroofd, om ter ruste te gaan
gedurende den geheelen langen winter en menigen droom te droomen,
altijd iets, wat hij zelf beleefd had, evenals het in de droomen der
menschen gaat.

De groote boom was ook klein, ja, een eikel was eenmaal zijn wieg
geweest; naar menschelijke berekening was hij nu al in zijn vierde
eeuw; hij was de grootste en beste boom uit het bosch, met zijn kroon
stak hij ver boven al de andere boomen uit, werd uit zee op een verren
afstand gezien, en diende den zeelieden tot een baken; hij had er geen
vermoeden van, dat zoovele oogen hem zochten. Hoog boven in zijn groene
kroon bouwde de boschduif haar nest, en de koekoek deed zijn geroep
daaruit hooren, en in den herfst, wanneer de bladeren er uitzagen,
alsof zij geplette koperen plaatjes waren, kwamen de trekvogels en
rustten daar, voordat zij over de zee wegvlogen; maar thans was het
winter, de boom stond daar ontbladerd, en nu kon men goed zien,
hoe krom en gebogen de takken van den stam uitliepen. Kraaien en
raven kwamen aanvliegen en zetten er zich bij afwisseling op neer en
spraken over de slechte tijden, die nu begonnen, en dat het in den
winter heel moeilijk viel, voedsel te vinden.

Het was omstreeks het heilige Kerstfeest; toen droomde de boom zijn
schoonsten droom.

De boom had blijkbaar een gevoel van den feestelijken tijd; het was
hem, als hoorde hij de klokken van alle kerken in den omtrek luiden,
en daarbij scheen het hem tevens een heerlijke zomerdag te zijn,
zacht en warm. Frisch en groen spreidde hij zijn forsche kroon uit,
de zonnestralen speelden tusschen bladeren en takken, de lucht was
vervuld met den geur van kruiden en bloemen; bonte kapellen vlogen
elkaar achterna; de haften dansten, alsof alles alleen daarom bestond,
opdat zij zouden kunnen dansen en pret maken. Alles, wat de boom jaren
achtereen beleefd had en wat er om hem heen gebeurd was, trok voorbij
hem heen als in een plechtigen optocht. Hij zag de ridders en de edele
vrouwen uit oude tijden te paard, met golvende vederbossen op den hoed
en een valk op de hand, door het bosch rijden; de jachthoorn weerklonk
en de honden blaften; hij zag vijandelijke krijgslieden in bonte
kleeren met blanke wapenen, met spies en hellebaard, tenten opslaan
en weer afbreken; het wachtvuur vlamde, en men zong en sliep onder de
takken van den boom; hij zag minnende paren elkaar in stil geluk bij
zijn stam in den maneschijn ontmoeten en hun namen, de beginletters,
in den grauwachtig groenen bast snijden. Citers en harpen waren
eenmaal,--ja, er lagen vele jaren tusschen beide,--door reizende
vroolijke klanten aan de takken van den eik opgehangen, nu hingen zij
daar weer, nu klonken zij weer met wonderbare tonen. De boschduiven
kirden, als wilden zij vertellen, wat de boom daarbij gevoelde,
en de koekoek riep hem toe, hoeveel zomerdagen hij nog te leven had.

Toen was het hem, als stroomde hem een nieuw leven tot diep in
de kleinste wortelen en tot in de hoogste takjes, ja, tot in de
bladeren. De boom gevoelde, dat hij zich daarbij uitrekte, ja, hij
gevoelde het door middel van den wortel, hoe er ook onder in den
grond leven en warmte was; hij voelde zijn kracht toenemen, hij wies
al hooger en hooger, de stam schoot omhoog, er was geen stilstand,
hij groeide gedurig meer en meer, de kroon werd voller, spreidde zich
uit, verhief zich,--en al naardat de boom groeide, steeg zijn geluk,
zijn zaligend verlangen om gedurig hooger te reiken, zelfs tot aan
de schitterende, warme zon.

Reeds was hij hoog boven de wolken opgeschoten, die als donkere
scharen van trekvogels of groote, witte zwanen onder hem voorttrokken.

Ieder blad van den boom had de gave des gezichts, als had het oogen
om te zien; de sterren werden op den helderen dag zichtbaar, groot
en fonkelend, elke daarvan fonkelde als een paar oogen, liefelijk en
helder. Zij riepen hem bekende, vriendelijke oogen, oogen van kinderen,
oogen van minnende paren, als deze elkaar onder den boom ontmoetten,
in het geheugen terug.

Het was een verwonderlijk zalig oogenblik, zoo vol vreugde en
blijdschap! En toch gevoelde de boom te midden van deze vreugde een
verlangen, een onweerstaanbaar verlangen, dat alle andere boomen van
het bosch daarbeneden, alle struiken, alle kruiden en bloemen zich ook
met hem mochten kunnen verheffen, opdat ook zij dezen glans zouden
kunnen zien, deze vreugde smaken. De groote majestueuze eik was in
zijn heerlijkheid niet volkomen gelukkig, zonder hen allen, groot
en klein, bij zich te hebben, en dit gevoel trilde door alle takken,
alle bladeren, innig en krachtig als door een menschelijke borst.

De kroon van den boom wiegelde zich heen en weer, als zocht zij
in dringend verlangen; zij staarde achterwaarts. Nu rook de boom
den geur van het muskusplantje en al spoedig den nog sterkeren geur
van de kamperfoelie en de viooltjes; het was hem als hoorde hij den
koekoek hem antwoord geven.

Ja, door de wolken kwamen de groene toppen van het bosch te voorschijn,
en onder zich zag de eik de andere boomen, hoe zij groeiden en zich
verhieven. Struiken en kruiden schoten hoog op, enkele rukten zich
met den wortel los en vlogen nog sneller naar boven. De berk was het
vlugst; aan een witten bliksemstraal gelijk, schoot zijn slanke stam
al zigzagsgewijze in de hoogte, de takken golfden als groen gaas om
hem heen; al de gewassen uit het bosch, zelfs het bruingepluimde riet,
groeiden mee, en de vogels volgden en zongen, en op den halm, die als
een lang, groen zijden lint in de lucht fladderde, zat de sprinkhaan
en speelde met den vleugel langs zijn scheenbeen; de meikevers bromden
en gonsden, iedere vogel zong, zooals hij gebekt was; alles was zang
en geklank en vreugde tot in den hemel.

«Maar dat kleine, blauwe bloempje bij het water, waar blijft dat?»
riep de oude eik, «en het roode klokje en het madeliefje?»--Ja,
de oude eik wilde ze alle om zich heen hebben.

«Wij zijn er! Wij zijn er!» zong en klonk het.

«Maar het mooie muskusplantje van den vorigen zomer,--en in het vorige
jaar was hier toch een menigte meibloempjes!--de wilde-appelboom,
die zoo mooi bloeide!--en al die pracht van het bosch, jaar in jaar
uit!--leefde het nu maar, was het nu maar geboren, dan zou het er
ook bij hebben kunnen zijn!»

«Wij zijn er bij! Wij zijn er!» zong en klonk het nog hooger; het was,
alsof zij vooraangevlogen waren.

«O, dat is al te schoon, ongelooflijk schoon!» jubelde de oude eik. «Ik
heb ze allemaal! Klein en groot! Niet een is er vergeten! Hoe is toch
al die gelukzaligheid denkbaar! Hoe is zij mogelijk!»

«In den hemel van den eeuwigen God is zij mogelijk en denkbaar!»
klonk het door de lucht.

De oude boom, die aldoor voortgroeide, gevoelde het, hoe zijn wortel
zich uit den grond losrukte.

«Dat gaat goed zoo, dat is het allerbeste!» zei de boom; «nu houden mij
geen banden meer terug! Ik kan nu opvliegen naar het allerhoogste licht
en den allerhoogsten glans! En al mijn lieven zijn bij mij! Kleinen
en grooten! Allen!»

Dat was de droom van den ouden eik; en terwijl hij zoo droomde,
bruiste er een geweldige storm over land en zee heen,--op het heilige
Kerstfeest. De zee stuwde haar golven tegen de kust aan; het kraakte
in den boom,--hij werd met den wortel op den grond geworpen juist
op het oogenblik, waarop hij droomde, dat zijn wortelen zich van de
aarde losrukten.--Hij viel. Zijn driehonderd vijf-en-zestig jaren
waren nu als één dag van het haft.

Op den morgen van den eersten Kerstdag, toen de zon opging, was de
storm gaan liggen. Van alle kerktorens klonk feestelijk klokgelui,
en uit iederen schoorsteen, zelfs uit den kleinste der nederigste hut,
steeg de rook in blauwe wolken omhoog, evenals van het altaar de rook
van het dankoffer bij het feest der Druïden. De zee kwam allengs tot
bedaren, en aan boord van een groot schip, dat gedurende den nacht
met het stormachtige weder gekampt en dit gelukkig doorgestaan had,
werden nu alle vlaggen, als teeken der Kerstvreugde, geheschen.

«De boom is weg, de oude eik, ons baken op de kust!» spraken de
zeelieden. «Hij is in dezen stormachtigen nacht gevallen! Wie zal
hem kunnen vervangen?--Niemand vermag dit!»

Zulk een lijkrede, kort maar welgemeend, kreeg de boom, die op het
sneeuwdek aan den oever der zee uitgestrekt lag; en over hem heen
klonken de psalmtonen van het schip af, een lied van de Kerstvreugde
en van de uiting der menschelijke gedachten bij het aanschouwen van
de bestiering van den Albarmhartige:


    «Zingt luid ten hemel, laat klinken uw tonen!
    Het is vervuld: uw vorst zal 't loonen!
    Juicht vroolijk over Gods genâ,
    Halleluja, Halleluja!»


zoo klonk het oude gezang, en iedereen aan boord van het schip gevoelde
zich op zijn wijze opgeheven door het lied en het gebed, evenals de
oude eik zich opgeheven gevoelde in zijn laatsten, schoonsten droom
in den Kerstnacht.



ZIJ DEUGDE NIET.


De burgemeester stond voor zijn open raam; hij was in zijn overhemd
met manchetten en droeg een keurige doekspeld; hij was zeer glad
geschoren, hetgeen hij zelf gedaan had, en toch had hij zich een
klein sneetje toegebracht, maar daarop kleefde een stukje krant.

«Hoor eens, kleine!» riep hij.

En deze kleine was geen ander dan de zoon der arme waschvrouw, die
juist het huis voorbijliep en zijn pet eerbiedig afnam; de klep daarvan
was in het midden gebroken; de pet was er geheel op ingericht om in
elkaar gerold en in den zak gestoken te worden. In zijn armoedige,
maar zindelijke kleeren, met zware klompen aan de voeten, stond de
knaap daar eerbiedig, alsof hij tegenover den koning zelf stond.

«Je bent een beste jongen,» zei de burgemeester. «Je bent een beleefde
knaap. Je moeder is zeker in de rivier aan het wasschen; daar moet
je stellig heen brengen, wat je in den zak hebt zitten. Wat zit er in?»

«Een half pintje,» zei de knaap op een fluisterenden toon.

«En van morgen heeft zij evenveel gekregen,» vervolgde de burgemeester.

«Neen, dat was gisteren!» antwoordde de knaap.

«Twee halve maken één heel!--Zij deugt niet! Het is treurig met
zulk soort van menschen!--Zeg tegen je moeder, dat zij zich moest
schamen! En word jij maar geen dronkaard; maar dat zal je wel
worden! Arm kind! Ga maar heen!»

En de knaap ging verder; zijn pet bleef hij in de hand houden,
en de wind speelde met zijn blonde lokken. Hij sloeg den hoek der
straat om en kwam in het straatje, dat naar de rivier liep, waar
zijn moeder druk met wasschen bezig was. Het water stroomde sterk,
want de sluizen van den molen waren opengezet; het beddelaken dreef
met den stroom mee. De waschvrouw had werk om het vast te houden.

«Het had niet veel gescheeld, of ik was zelf met den stroom
meegesleept!» zeide zij. «Het is goed, dat je komt, want ik heb wel
een hartsterking noodig! Zes uren sta ik hier al. Heb je wat voor mij?»

De knaap haalde de flesch te voorschijn, en zijn moeder zette haar
aan den mond en nam er een fermen slok uit.

«Dat doet goed! Dat verwarmt! Dat is even goed als warm eten,
en niet zoo duur! Drink ook eens, beste jongen! Je ziet er geducht
bleek uit; je hebt het zeker koud in je dunne kleeren! Het is dan ook
herfst. Foei! wat is het water koud! Als ik maar niet ziek word! Maar
dat zal ik wel niet! Geef mij nog een slok en drink ook eens, maar
slechts een klein slokje, want je moogt er niet aan wennen, mijn arme,
goede jongen!»

En zij ging naar haar zoontje toe, terwijl het water haar uit de
kleeren droop.

«Ik sta mij hier af te beulen; maar ik doe het graag, als ik je er
maar eerlijk en rechtschapen doorheen breng, mijn beste jongen!»

Op dit oogenblik kwam er een oude vrouw aan, die er zeer armoedig
uitzag; zij was aan haar eene been lam en droeg een lange, valsche
lok over haar eene blinde oog: het oog moest door die lok bedekt
worden, maar zij deed eigenlijk het gebrek nog meer uitkomen. Het
was een vriendin van de waschvrouw; «de lamme Martha met de lok,»
noemden de buren haar.

«Wat ben je daar weer in dat koude water aan het wasschen! Je hebt
waarlijk wel noodig, dat je je een weinig verwarmt, en toch maken
de booze tongen heel wat ophef van de slokjes, die je drinkt!»--En
nu duurde het maar weinige oogenblikken, of al de woorden van den
burgemeester waren aan de waschvrouw overgebracht; want Martha had
alles gehoord, en zij had er zich over geërgerd, dat hij op zulk
een wijze tegen het kind over diens eigen moeder en over de weinige
droppeltjes sprak, die zij gebruikte, en wel omdat het juist op een
dag gebeurde, waarop de burgemeester een groot gastmaal gaf, waarbij
de wijn bij stroomen vloeide. «Fijne wijnen en koppige wijnen!»
voegde zij er bij. «Maar dat noemt men geen drinken! Zij deugen wel,
maar jij deugt niet!»

«Wel zoo! Heeft hij met je gesproken?» zei de waschvrouw tot haar
jongen, en haar lippen trilden daarbij. «Je hebt een moeder, die niet
deugt! Misschien heeft hij wel gelijk! Maar tegen het kind moest
hij zoo iets niet zeggen! Uit dat huis is er al veel ellende over
mij gekomen!»

«Je hebt daar immers gediend, toen de ouders van den burgemeester
nog in leven waren en het huis bewoonden; dat is al vele jaren
geleden! Sedert zijn er vele schepels zout gebruikt, en men moet
dus wel dorst hebben,» en Martha glimlachte. «De burgemeester geeft
vandaag een groot gastmaal; eigenlijk had het afgezegd moeten worden,
maar het werd te laat, en het eten was ook al klaar. Ik heb het van
den huisknecht gehoord. Zoo even is er een brief gekomen, dat zijn
jongste broeder te Kopenhagen gestorven is!»

«Gestorven!» riep de waschvrouw uit en werd doodsbleek.

«Wel,» zeide Martha, «trek je je dat zoo erg aan? 't Is waar ook,
je kendet hem nog van den tijd, toen je daar in huis diendet.»

«Is hij dood? Het was zulk een goed man! Er worden er niet veel
zooals hij gevonden!» En de tranen biggelden haar langs de wangen. «O
mijn God! het draait mij alles voor de oogen,--dat komt, omdat ik de
flesch leeggedronken heb,--dat heb ik niet kunnen verdragen! Ik voel
mij alles behalve wel!»

«Mijn hemel! Je bent werkelijk ziek,» zei de andere vrouw. «Het is te
hopen, dat het maar weer gauw over zal zijn. Het zal het beste wezen,
dat ik je naar huis breng.»

«Maar de wasch dan?»

«Ik zal wel voor de wasch zorgen. Komaan! geef mij maar een arm! De
jongen kan wel hier blijven en oppassen, totdat ik terugkom, dan zal
ik het overige wel wasschen: dat is immers maar een kleinigheid!»

En de knieën der waschvrouw knikten.

«Ik heb te lang in de koude gestaan; en sedert van morgen heb ik
droog noch nat over mijn lippen gehad! De koorts brandt mij door
de leden. O, mijn God! help mij om naar huis te gaan!--Mijn arm
kind!»--Zij weende. Ook de knaap weende, en al spoedig daarop zat
hij alleen aan de rivier bij de natte wasch. De beide vrouwen liepen
slechts langzaam voort, de waschvrouw sleepend en waggelend; zij gingen
het straatje door en kwamen het huis van den burgemeester voorbij, en
vlak daarvoor viel zij op de straatsteenen neer. Er verzamelden zich
verscheidene menschen om haar heen: de lamme Martha liep in het huis,
om hulp in te roepen. De burgemeester en zijn gasten gingen naar het
raam toe.

«Dat is de waschvrouw!» zei hij; «die heeft een beetje te diep in het
glaasje gekeken; zij deugt niet! 't Is jammer van den aardigen jongen,
dien zij heeft. Ik mag dat kereltje inderdaad graag lijden. Maar zijn
moeder deugt niet!»

En de waschvrouw kwam weer bij, en men bracht haar in haar armzalige
woning, waar zij te bed gelegd werd. De goede Martha maakte wat warm
bier met boter en suiker klaar; dit middel, dacht zij, was het beste,
en daarop begaf zij zich naar de rivier, waschte heel slecht, maar
noemde het goed, en deed eigenlijk niets anders dan de natte wasch
in de mand doen.

Tegen den avond zat zij in het armoedige kamertje bij de
waschvrouw. Eenige gebakken aardappelen en een lekker vet stuk ham
had de keukenmeid van den burgemeester haar voor de zieke gegeven;
daaraan deden Martha en de knaap zich te goed; de zieke genoot van
den heerlijken geur, deze was heel voedzaam, beweerde zij.

En de knaap werd te bed gebracht, in dezelfde bedstee, waarin zijn
moeder lag; maar hij had zijn plaats aan haar voeten en dekte zich
met een oude deken toe.

Met de waschvrouw ging het een weinig beter; het warme bier had haar
versterkt, en de geur van het heerlijke eten had haar goedgedaan.

«Hartelijk dank!» zeide zij tegen Martha. «Ik zal je alles eens
vertellen, als de kleine slaapt. Ik geloof, dat hij al in de rust
is. Wat ziet hij er lief uit, zooals hij daar met gesloten oogen
ligt! Hij weet niet, hoe het met zijn moeder gesteld is. God geve,
dat hij dit nimmer te weten kome!--Ik diende bij de ouders van
den burgemeester. Eens trof het zoo, dat de jongste der zoons, de
student, te huis kwam; destijds was ik nog jong, een jolig meisje,
maar eerbaar, dat mag ik voor het aangezicht Gods zeggen!» zei de
waschvrouw. «De student was vroolijk en opgeruimd. Iedere droppel
bloed aan hem was goed en rechtschapen; een beter mensch is er nooit op
aarde geweest. Hij was zoon in huis, ik slechts meid; maar wij hadden
elkander lief, doch in alle eer en deugd; een kus is toch geen zonde,
als men elkaar waarlijk liefheeft. En hij zei het tegen zijn moeder,
wie hij een afgodische liefde toedroeg! En hij was verstandig en
liefderijk!--Hij vertrok en stak mij zijn gouden ring aan den vinger;
en zoodra hij het huis uit was, riep mijn mevrouw mij binnen. Ernstig
en toch liefderijk sprak zij tegen mij, alsof het God zelf was, die
tegen mij sprak; zij deed mij den afstand gevoelen, die er tusschen
hem en mij bestond.

««Nu let hij er slechts op, hoe aardig je er uitziet, maar je
schoonheid zal vergaan! Je hebt niet zulk een opvoeding genoten als
hij; je staat niet op denzelfden trap van ontwikkeling, en dat is
een ongeluk. Ik acht den arme,» zeide zij, «bij God staat hij hooger
aangeschreven dan menige rijke, maar hier op aarde moet men er zich
voor wachten, in een verkeerd spoor te komen, als men voorwaarts rijdt;
anders slaat het rijtuig omver, en je zult beiden omverslaan! Ik weet,
dat een braaf man, een handwerksman, om je hand gevraagd heeft; ik
bedoel Erich, den handschoenmaker; hij is weduwnaar en heeft geen
kinderen, denk daar eens over na!»

«Ieder woord, dat zij sprak, sneed mij als een mes door het hart,
maar de vrouw had gelijk! En dat drukte loodzwaar op mij!--Ik kuste
haar hand en stortte bittere tranen, en weende nog meer, toen ik op
mijn kamertje kwam en mij op mijn bed wierp. Het was een pijnlijke
nacht, die er nu volgde. God weet, wat ik leed en streed. Op den
daaraanvolgenden Zondag ging ik aan de tafel des Heeren, opdat het mij
licht zou worden. Het was als een goddelijke beschikking: toen ik de
kerk uittrad, kwam Erich mij tegen. En nu bleef er geen twijfel meer
in mijn ziel over; wij pasten voor elkaar, wat rang en stand betreft,
ja, hij was zelfs een welgesteld man; en ik ging dan ook naar hem
toe, greep zijn hand en zei: «Heb je nog zin in mij?»--Ja, eeuwig en
altijd!» zei hij.--«Wil je een meisje nemen, dat je acht en eert, maar
niet liefheeft,--doch dat kan nog wel komen!»--«Dat zal wel komen!» zei
hij, en daarop gaven wij elkaar de hand. Ik ging naar huis naar mijn
mevrouw: den gouden ring, dien haar zoon mij gegeven had, droeg ik op
mijn hart; ik kon hem overdag niet aan mijn vinger steken, maar deed
dit alle avonden, voordat ik te bed ging. Ik kuste den ring, zoodat
mijn lippen er van bloedden, en daarop gaf ik dien aan mijn mevrouw
en zei tegen haar, dat ik in de volgende week met den handschoenmaker
zou gaan trouwen. Toen omhelsde en kuste mijn mevrouw mij;--zij zeide
niet, dat ik _niet deugde_, maar destijds was ik misschien wel beter,
ofschoon ik nog niet zooveel ervaring omtrent de ellende, die er in
de wereld bestaat, opgedaan had, als nu het geval is. Met Vrouwendag
vierden wij de bruiloft; en in het eerste jaar ging het goed, we
hadden een knecht en een leerling, en jij, Martha, diendet bij ons.»

«O, ge waart een lieve, goede huismoeder!» zei Martha, «nimmer zal
ik vergeten, hoe goed gij en uw man voor mij geweest zijt!»

«Ja, dat waren destijds de goede jaren, toen je bij ons waart! Kinderen
hadden we nog niet!--Den student zag ik niet meer!--Maar ja, ik zag hem
toch nog eens, maar hij zag mij niet. Hij was hier bij gelegenheid van
de begrafenis zijner moeder. Ik zag hem bij het graf staan; hij zag
er doodsbleek uit en was diep bedroefd, maar dat was om zijn moeder;
later, toen zijn vader stierf, was hij in vreemde landen en kwam niet
weer hier. Hij is nooit getrouwd, dat weet ik; hij werd advocaat,
geloof ik!--Mij had hij vergeten, en al had hij mij ook gezien, dan
zou hij mij toch zeker niet herkend hebben, zooveel leelijker ben ik
geworden. En dat is ook wel goed!»

Zij sprak over de dagen der beproeving en vertelde, hoe het ongeluk als
't ware boven haar losbarstte. «Wij bezaten,» zeide zij, «vijfhonderd
daalders, en omdat er destijds in de straat een huis voor tweehonderd
te koop was en het de moeite wel zou loonen, dit af te breken en een
nieuw te bouwen, werd het gekocht. De metselaar en de timmerman maakten
een begrooting, en het nieuwe gebouw zou duizend en twintig daalders
kosten. Erich had krediet, het geld leende hij in de hoofdstad,--maar
de schipper, die het zou overbrengen, leed schipbreuk, en het geld
ging met hem verloren.

«Omstreeks dezen tijd bracht ik mijn lieven jongen, die daar
slaapt, ter wereld. Mijn man kreeg een hevige langdurige ziekte,
drie vierendeel jaars moest ik hem aan- en uitkleeden. Wij gingen
gedurig meer achteruit, wij maakten schulden; alles wat wij hadden,
ging verloren, en mijn man stierf eindelijk. Ik heb gewerkt, gestreden
en geleden, ter wille van mijn kind; ik ben uit schoonmaken gegaan, ik
heb voor de menschen gewasschen; maar ik mag het niet beter krijgen;
zoo is Gods wil! Maar Hij zal mij wel tot zich nemen en ook mijn
zoontje niet verlaten!»

Daarop viel zij in slaap.

Tegen den morgen voelde zij zich verkwikt en krachtig genoeg, zooals
zij meende, om weer aan haar werk te gaan. Zij was weer aan het
wasschen gegaan. Daar begon zij eensklaps te beven en viel in onmacht;
krampachtig sloeg zij met de handen in de lucht, deed een enkelen
stap en viel neer. Haar hoofd lag op het land, maar haar voeten in de
rivier; haar klompen, die zij aangehouden had,--in elke daarvan zat
een bosje stroo,--dreven met den stroom weg. Zoo vond Martha haar,
toen zij haar koffie wilde brengen.

Ondertusschen was er iemand van den burgemeester naar haar huis
gezonden met de boodschap, «dat zij eens dadelijk bij hem moest komen;
want dat hij haar iets te zeggen had.» Het was te laat! Er werd een
chirurgijn gehaald, om een aderlating te doen; de waschvrouw was dood.

«Zij heeft zich doodgedronken!» zei de burgemeester.

In den brief, die hem de tijding van den dood zijns broeders bracht,
was de inhoud van het testament meegedeeld, en daarin stond, dat
er zeshonderd daalders aan de weduwe van den handschoenmaker waren
vermaakt, die vroeger bij zijn ouders gediend had. Zooals men dit
het beste vond, moest het geld «bij grootere of kleinere gedeelten
aan haar of aan haar kind uitbetaald worden.»

«Er heeft zoo wat een vrijage tusschen mijn broeder en haar bestaan,»
zei de burgemeester. «Het is goed, dat zij maar dood is; de knaap
krijgt nu alles, en ik zal hem bij brave menschen in den kost doen;
er kan een flink handwerksman van hem groeien!»--En op deze woorden
schonk God zijn zegen.

De burgemeester liet den knaap bij zich komen, beloofde, dat hij zich
zijner zou aantrekken, en voegde er nog bij, hoe gelukkig het was,
dat zijn moeder maar gestorven was: zij deugde niet.

Men bracht haar naar het kerkhof, naar het kerkhof der armen; Martha
strooide zand op het graf en plantte er een klein rozeboompje op;
de knaap stond naast haar.

«Mijn lieve moeder!» zei hij, terwijl de tranen hem langs de wangen
biggelden. «Is het dan waar? Deugde zij niet?»

«Ja, zij deugde wel!» zei de oude meid en sloeg een blik ten hemel. «Ik
weet het sedert vele jaren en sedert den laatsten nacht. Ik zeg je,
dat zij wel deugde!» En God in den hemel zei het ook,--laat dan de
wereld maar zeggen: «Zij deugde niet!»



DE HERDERIN EN DE SCHOORSTEENVEGER.


Hebt ge wel eens een oude houten kast gezien, die heelemaal
zwart van ouderdom geworden en met uitgesneden krullen en lofwerk
versierd was? Zulk een stond er in zekere huiskamer: zij was van een
overgrootmoeder geërfd en van boven tot beneden met uitgesneden rozen
en tulpen bedekt. Daaraan had men de zonderlingste krullen, en uit deze
kwamen kleine hertekoppen met horens te voorschijn. Midden op de kast
stond een man uitgesneden; hij was belachelijk om aan te zien, en hij
grijnsde ook, want lachen kon men het niet noemen; hij had bokspooten,
kleine horens op het hoofd en een langen baard. De kinderen in de kamer
noemden hem altijd den bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber;
dat was een lang woord, dat moeilijk uit te spreken was; en er zijn
er niet velen, die dezen titel krijgen, maar hem uit te snijden,
dat beteekende ook nog al wat. Doch nu was hij er immers! Altijd
keek hij naar het tafeltje onder den spiegel, want daar stond een
bekoorlijke, kleine herderin van porselein op. Haar schoenen waren
verguld, haar japon was met een roode roos versierd, en verder had zij
een gouden hoed en een herderstaf, zij was verwonderlijk schoon. Vlak
bij haar stond een kleine schoorsteenveger, zoo zwart als roet, maar
overigens ook van porselein; hij was zoo rein en fijn, als hij maar
wezen kon; dat hij een schoorsteenveger was, was immers maar iets,
dat hij voorstelde; de porseleinwerker had even goed een prins van
hem kunnen maken, als hij dit gewild had!

Daar stond hij heel aardig met zijn ladder en met een gezicht, zoo wit
en rood als dat van een meisje; dat was eigenlijk een fout, want het
had toch wel wat zwart moeten zijn. Hij stond vlak bij de herderin;
zij waren er beiden neergezet; en daar zij nu zoo dicht bij elkaar
stonden, hadden zij zich met elkaar geëngageerd. Zij pasten immers
juist bij elkander; het waren jongelieden, beiden van hetzelfde
porselein en beiden even breekbaar.

Dicht bij hen stond nog een figuur; deze was driemaal zoo groot. Het
was een oude Chinees, die kon knikken. Hij was ook van porselein
en zeide, dat hij de grootvader der kleine herderin was; maar dat
kon hij niet bewijzen. Hij beweerde, dat hij macht over haar had,
en daarom had hij den bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber,
die de kleine herderin tot vrouw wilde hebben, toegeknikt.

«Dan krijg je een man,» zei de oude Chinees, «een man, die
zooals ik bijna geloof, van mahoniehout is. Hij kan je tot
bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebbersvrouw maken; hij heeft de
heele kast vol zilvergoed, dat hij in geheime laden bewaart.»

«Ik wil de donkere kast niet in!» zei de kleine herderin. «Ik heb
hooren zeggen, dat hij daarin wel elf porseleinen vrouwen heeft
zitten.»

«Dan kan jij de twaalfde worden!» zei de Chinees. «In dezen nacht,
zoodra het in de oude kast kraakt, moet je bruiloft houden, zoo waar
als ik een Chinees ben!» En daarop knikte hij met het hoofd en viel
in slaap.

Maar de kleine herderin weende en keek haar minnaar, den porseleinen
schoorsteenveger, aan.

«Ik zou je wel willen verzoeken,» zeide zij, «de wijde wereld met
mij in te gaan; want hier kunnen wij niet blijven!»

«Ik wil alles, wat jij wilt!» zei de kleine schoorsteenveger. «Laat
ons dadelijk gaan! Ik denk wel, dat ik je door middel van mijn ambacht
zal kunnen onderhouden.»

«Als wij eerst maar goed en wel van het tafeltje af waren!» antwoordde
zij. «Ik word niet vroolijk, voordat wij de wijde wereld ingegaan
zijn.»

En hij troostte haar en wees haar, hoe zij haar kleinen voet op
de uitgesneden hoeken en het vergulde lofwerk aan den poot van
het tafeltje moest neerzetten; zijn ladder nam hij ook te baat, en
nu waren zij op den vloer. Maar toen zij naar de oude kast keken,
heerschte daarin heel wat beweging; al de uitgesneden herten kwamen
met hun koppen te voorschijn, richtten hun horens op en draaiden hun
halzen om: de oude bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber sprong
hoog in de lucht en riep den ouden Chinees toe: «Daar loopen zij
weg! Daar loopen zij weg!»

Nu verschrikten zij eenigszins en sprongen ijlings in het kastje van
de vensterbank.

Hier lagen drie à vier spellen kaarten, die niet voltallig waren,
en een klein poppentooneel, dat, zoo goed als het zich liet doen,
opgebouwd was. Daarop werd komedie gespeeld, en al de dames, ruiten
zoowel als harten, klaveren zoowel als schoppen, zaten op de eerste
rij en verkoelden zich met haar tulpen; en achter haar stonden al
de boeren en toonden, dat zij een hoofd hadden, zoowel boven als
beneden, gelijk de speelkaarten dit hebben. De komedie handelde over
twee personen, die elkaar niet mochten hebben, en de herderin stortte
daarover tranen; want het was als haar eigen geschiedenis.

«Dat kan ik onmogelijk uithouden!» zeide zij. «Ik moet het kastje uit!»

Maar toen zij weer op den vloer kwamen en naar het tafeltje keken, was
de oude Chinees wakker geworden en schudde met zijn geheele lichaam.

«Nu komt de oude Chinees!» schreeuwde de kleine herderin en viel op
haar porseleinen knieën neer: zoo bedroefd was zij.

«Daar valt mij iets in!» zei de schoorsteenveger. «Willen wij in
die groote vaas, die daar in den hoek staat, kruipen? Daar kunnen
wij op rozen en lavendel liggen en hem zand in de oogen strooien,
als hij komt.»

«Dat kan nergens toe dienen!» zeide zij. «Bovendien weet ik, dat de
oude Chinees en de vaas met elkaar geëngageerd geweest zijn, en er
blijft toch altijd nog eenige genegenheid bestaan, als men in zulk
een betrekking tot elkaar gestaan heeft. Neen, er blijft niets anders
over, dan de wijde wereld in te gaan.»

«Heb je waarlijk moed om de wijde wereld met mij in te gaan?» vroeg
de schoorsteenveger. «Heb je wel bedacht, hoe groot deze is, en dat
wij hier nimmer meer terug kunnen komen?»

«Dat heb ik!» zeide zij.

En de schoorsteenveger keek haar strak aan, en toen zeide hij: «Mijn
weg gaat door den schoorsteen heen! Heb je werkelijk moed, met mij
door de kachel, zoowel door de ijzeren kolom als door de pijp te
kruipen? Dan komen wij in den schoorsteen, en daarin weet ik mij wel
te bewegen! Wij klimmen zoo hoog, dat zij ons niet kunnen bereiken,
en heel bovenaan komt men door een gat in de wijde wereld.»

En hij bracht haar naar het kacheldeurtje toe.

«Wat ziet het daar zwart uit!» zeide zij; maar ze ging toch met hem
mee, zoowel door de kolom als door de pijp, waarin een stikdonkere
nacht heerschte.

«Nu zijn wij in den schoorsteen!» zeide hij. «En zie! daarboven
fonkelt de heerlijkste ster!»

En het was een werkelijke ster aan den hemel, die vlak op hen neer
scheen, alsof zij hun den weg wilde wijzen. En zij klauterden en
kropen; een ellendige weg was het, oneindig hoog; maar hij tilde
haar op en hielp haar; hij hield haar vast en wees haar de beste
plaatsen, waar zij haar kleine porseleinen voeten kon neerzetten; en
zoo bereikten zij den schoorsteenrand, en daarop zetten zij zich neer;
want zij waren geducht vermoeid; en dat was niet anders dan natuurlijk.

De hemel met al zijn sterren was hoog boven en al de daken der stad
diep beneden hen. Zij zagen ver in de rondte, ver de wijde wereld
in. De arme herderin had het zich nooit zoo voorgesteld; zij leunde
met haar hoofd tegen haar schoorsteenveger aan, en toen weende zij
zoo geducht, dat het goud van haar gordel afsprong.

«Dat is te veel!» zeide zij. «Dat kan ik niet verdragen! De wereld is
al te groot! Was ik maar weer op het tafeltje onder den spiegel! Ik
word nooit vroolijk, voordat ik daar weer ben! Nu ben ik je in de
wereld gevolgd, nu kan je mij ook weer terugbrengen, als je mij
werkelijk liefhebt.»

En de schoorsteenveger sprak verstandig met haar, sprak over den
ouden Chinees en over den bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber;
maar zij snikte geweldig en kuste haar kleinen schoorsteenveger,
zoodat hij wel niet anders kon, dan zich naar haar te schikken,
ofschoon het dwaas was.

En zoo klauterden zij met vele bezwaren door den schoorsteen weer
naar beneden en kropen door de pijp en de kolom. Toen stonden zij
in de donkere kachel. Nu luisterden zij achter het deurtje, om te
weten te komen, hoe het in de kamer gesteld was. Daar was het stil;
zij keken naar binnen,--ach! daar lag de oude Chinees midden op
den vloer. Hij was van het tafeltje naar beneden gevallen, toen
hij hen achterna wilde, en lag nu in drie stukken op den grond:
zijn geheele rug was er in één stuk afgegaan en zijn hoofd was in
een hoek gerold. De bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber stond,
waar hij gestaan had, en dacht na.

«Dat is verschrikkelijk!» zei de kleine herderin. «Mijn oude grootvader
is aan stukken gesprongen, en dat is onze schuld! Dat zal ik niet
overleven!» En daarop wrong zij haar kleine handen.

«Hij kan nog wel gemaakt worden!» zei de schoorsteenveger; «hij kan
nog wel gemaakt worden!--Maak maar niet zoo'n geweld! Als ze hem in
den rug lijmen en hem een goeden spijker in den hals geven, dan zal hij
zoo goed als nieuw zijn en kan ons nog heel wat onaangenaams zeggen.»

«Zou je dat denken?» zeide zij. En toen kropen zij weer op het
tafeltje, waarop zij vroeger gestaan hadden.

«Zie, nu zijn wij zoo ver geweest!» zei de schoorsteenveger. «Wij
hadden ons al die moeite wel kunnen besparen.»

«Als wij mijn ouden grootvader eerst maar weer heel hadden!» zei de
herderin. «Zou dat erg duur zijn?»

En gemaakt werd hij. De familie liet hem in den rug lijmen; hij kreeg
een goeden spijker door zijn hals; hij was zoo goed als nieuw; maar
knikken kon hij niet meer.

«Je bent zeker hoogmoedig geworden, sedert je in stukken gesprongen
bent,» zei de bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber. «Mij dunkt,
dat je volstrekt geen reden hadt, om zulk een gevaarlijken sprong te
doen. Mag ik haar hebben of mag ik haar niet hebben?»

En de schoorsteenveger en de kleine herderin keken den ouden Chinees
in angstige spanning aan; zij vreesden, dat hij zou knikken. Maar dat
kon hij niet; en het kwam hem verschrikkelijk voor, aan een vreemde te
vertellen, dat hij een spijker in zijn hals had zitten. En zoo bleven
de porseleinen schoorsteenveger en de porseleinen herderin bij elkaar,
en zij zegenden den spijker in den hals van den grootvader en hadden
elkander lief, totdat zij in stukken braken.



DE FLESSCHEHALS.


In de nauwe, kromme straat tusschen andere huizen der armoede stond
een bijzonder smal en hoog houten huis, waaraan de tijd zulke parten
gespeeld had, dat bijna al de planken uit de voegen geweken waren. Het
huis werd door arme lieden bewoond, en het armoedigst zag het er wel op
het zolderkamertje uit, waar voor het eenige kleine raampje een oude
vogelkooi in den zonneschijn hing, waarin niet eens een waterglaasje
zat, maar slechts een omgekeerde, met water gevulde flesschehals met
een kurk er op. Een oude juffrouw stond voor het raampje; zij had
groene murik in de kooi gedaan, en een kleine vlasvink huppelde van
het eene stokje op het andere heen en weer en zong en kwinkeleerde,
dat het een lust was om te hooren.

«Ja, jij hebt goed zingen!» zei de flesschehals,--hij sprak dit wel
niet op de wijze uit, zooals wij het kunnen doen; want spreken kan
een flesschehals niet, maar hij dacht het zoo bij zich zelf, zonder
zijn gedachten onder woorden te brengen, evenals wij menschen dit ook
wel eens doen; «ja, jij hebt goed zingen, jij, die al je ledematen nog
hebt. Je moest eens ondervinden, wat het zeggen wil, zijn ondergedeelte
verloren, slechts een hals en een mond en bovendien een kurk daarin
te hebben, zooals met mij het geval is, dan zou je zeker niet zoo
zingen. Maar het is goed, dat er toch nog iemand is, die vergenoegd
kan zijn! Ik heb geen reden om te zingen, en ik kan ook niet meer
zingen. Ja, toen ik nog een heele flesch was, deed ik dit wel, als men
mij met de kurk wreef: men noemde mij destijds de echte leeuwerik,
de groote leeuwerik!--toen ik met de familie van den bontwerker op
een buitenpartij was, en de dochter haar verlovingsfeest vierde,--ja,
dat weet ik nog zoo goed, alsof het gisteren eerst gebeurd was! Ik heb
veel beleefd, als ik dat zoo eens naga! Ik ben in het vuur en in het
water, ik ben diep in de zwarte aarde en hooger in de lucht geweest,
dan de meeste anderen, en nu zweef ik hier aan den buitenkant der
vogelkooi in lucht en zonneschijn. O, het zou de moeite wel waard zijn,
mijn geschiedenis te hooren; maar ik spreek daarover niet overluid,
omdat ik het niet kan!»

En nu vertelde de flesschehals zijn geschiedenis, die merkwaardig
genoeg was; hij vertelde haar zoo in zich zelf of dacht er over na;
en de vogel zong vergenoegd zijn lied, en beneden op de straat was een
gerij en geloop; iedereen dacht aan het zijne of dacht aan niets,--maar
de flesschehals dacht. Hij dacht aan den vlammenden smeltoven in de
fabriek, waar hij in het leven geblazen was; hij herinnerde zich nog,
dat hij warm geweest was, dat hij in den blakerenden oven, waaruit
hij zijn oorsprong had genomen, gekeken had en wel lust zou gehad
hebben, om er dadelijk weer in te springen, maar dat hij zich daar
van lieverlede, toen hij gedurig koeler werd, heel goed op zijn gemak
gevoeld had, waar hij gekomen was. Hij had in het gelid gestaan met
een geheel regiment broeders en zusters, die alle uit denzelfden oven
gekomen waren, waarvan enkele als Champagneflesschen en andere als
bierflesschen geblazen waren, en dat maakt een onderscheid! Later,
buiten in de wereld, kan het wel eens gebeuren, dat een bierflesch
de kostelijkste _Lacrymae Christi_ bevat en een Champagneflesch met
schoensmeer gevuld wordt, maar aan het model is het toch altijd te
zien, waartoe men geboren is,--adel blijft adel, al heeft men ook
schoensmeer in zijn lijf.

Al de flesschen werden ingepakt en onze flesch ook. Toen ter tijd dacht
zij er niet aan, dat zij haar loopbaan als flesschehals zou eindigen
en zich tot den rang van vogelglaasje verheffen, hetgeen toch altijd
een eervolle taak is,--omdat men alsdan toch iets is! De flesch zag
het daglicht eerst weer, toen zij met haar overige kameraden in den
kelder van den wijnkooper uitgepakt en voor de eerste maal uitgespoeld
werd,--dat was een wonderlijk gevoel. Daar lag zij nu ledig en zonder
kurk! Het was haar zonderling te moede, er ontbrak haar iets, maar
zij wist zelfs niet, wat dit was.--Eindelijk werd zij met goeden,
heerlijken wijn gevuld, kreeg ook een kurk en werd dichtgeplakt:
«Prima Qualiteit» werd er op haar geplakt; het was haar, alsof zij den
eersten prijs bij het examen behaald had, maar de wijn was dan ook
goed, en de flesch was goed. Als men jong is, is men dichter! Het
zong en klonk in haar van dingen, die zij volstrekt niet kende:
van de groene, zonnige bergen, waar de wijn groeit, waar vroolijke
wijngaardeniers en wijngaardeniersters zingen en koozen en elkander
kussen;--wel is het leven schoon! Van dit alles zong en klonk het
in de flesch, evenals in de jonge dichters, die ook wel eens niet
begrijpen, waarvan het in hen klinkt.

Op zekeren morgen werd zij gekocht;--de bontwerkersleerling moest een
flesch van den besten wijn gaan halen. En nu werd zij in de etensmand
naast ham, kaas en worst gestoken; de fijnste boter, het fijnste brood
werd ook er in gedaan; de bontwerkersdochter pakte de mand zelf in,
haar bruine oogen fonkelden daarbij, en om haar lippen speelde een
glimlachje. Zij had fijne, blanke handen, en toch waren haar hals en
haar boezem nog veel blanker, men kon het haar dadelijk wel aanzien,
dat zij een der mooiste meisjes uit de stad was--en toch nog niet
geëngageerd!

De etensmand stond op den schoot van het meisje, toen de familie
naar het bosch reed; de flesschehals kwam tusschen de slippen van het
witte servet te voorschijn kijken; op de kurk zat rood lak; de flesch
keek het meisje vlak in 't gezicht; zij keek den jongen zeeman aan,
die naast het meisje zat; deze was een vriend uit haar jeugd, de zoon
van een portretschilder. Nog maar kort geleden had hij het examen als
stuurman met goeden uitslag afgelegd, en den volgenden dag zou hij met
een schip vertrekken, ver weg naar verre landen. Hierover was onder het
inpakken der mand veel gesproken, en toen sprak juist de vroolijkheid
niet uit de oogen en van de lippen der schoone bontwerkersdochter.

De jongelieden deden een wandeling in het groene bosch, zij spraken
met elkander. En wat spraken zij? Ja, dat hoorde de flesch niet;
want zij stond immers in de etensmand. Het duurde een geruimen tijd,
voordat zij er uitgehaald werd, maar toen dit eindelijk gebeurde,
waren er ook vroolijke dingen voorgevallen; allen lachten, ook de
dochter van den bontwerker lachte, maar zij sprak minder dan te voren,
en haar wangen gloeiden als twee roode rozen.

De vader van het meisje nam de volle flesch en den kurketrekker in
handen.--O, het is zonderling, zoo voor de eerste maal opengetrokken
te worden! De flesschehals had dit plechtige oogenblik later nooit
kunnen vergeten; het had immers «flap!» in zijn binnenste gezegd,
toen de kurk er afvloog, en hoe klokte het, toen de wijn in de glazen
geschonken werd!

«Op de gezondheid van het jonge paar!» zei de oude vader, en ieder
glas werd tot op den bodem leeggedronken, en de jonge zeeman kuste
zijn aanstaande.

«Geluk en zegen!» zeiden de beide oudelui, vader en moeder, en de
jonkman schonk de glazen nog eens vol. «Op je gelukkige thuiskomst
en op de bruiloft vandaag over een jaar!» voegde de vader er bij,
en toen de glazen leeggedronken waren, nam de jonge zeeman de flesch,
hief haar omhoog en zei: «Je bent er op den schoonsten dag van mijn
leven bij geweest, je zult nimmer meer een ander dienen!»

En hij slingerde haar hoog in de lucht. De bontwerkersdochter dacht
er destijds niet aan, dat zij de flesch nog meermalen weer zou
zien vliegen, en toch zou dit het geval zijn.--Zij viel juist in het
dichte riet aan den oever van een klein meertje in het bosch neer,--de
flesschehals herinnerde zich nog levendig, hoe hij daar een tijdlang
gelegen had. «Ik gaf hun wijn en ze gaven mij water,--maar zoo is het
ook goed!» Hij zag de verloofden en de vergenoegde ouders niet meer;
maar hij hoorde nog lang, hoe zij juichten en zongen. Toen kwamen er
eindelijk twee boerenjongens; zij keken tusschen het riet, zagen de
flesch en namen haar mee; nu was zij goed bezorgd.

In het huis van den boschwachter was den vorigen dag de oudste broeder
van deze jongens, een zeeman, gekomen, om afscheid te nemen. Hij zou
een verre reis doen; zijn moeder was juist bezig, het een en ander
in te pakken, dat hij op reis moest meenemen, en dat zijn vader 's
avonds naar de stad zou brengen, om zijn zoon nog eenmaal te zien en
hem den laatsten groet van zijn moeder over te brengen. Een fleschje
met maagbitter was reeds ingepakt, en er was een pakje bijgelegd,
toen de beide jongens met een grooter, steviger flesch, die zij
gevonden hadden, de kamer binnentraden. In deze ging meer dan in het
kleine fleschje, en het bitter was zoo goed, als de maag van streek
was. Men schonk nu niet evenals vroeger, rooden wijn in de flesch;
het waren bittere droppels, maar ook die zijn goed--voor de maag. De
nieuwe groote en niet de kleine flesch zou mee; en zoo ging de flesch
weer op reis. Zij kwam aan boord bij Peter Jensen, en wel aan boord
van hetzelfde schip, waarmee de jonge stuurman zou vertrekken. Maar
hij zag de flesch niet, en hij zou haar ook niet herkend of zelfs
gedacht hebben: dat is dezelfde, waarmee wij onze verloving gevierd
en al een dronk op de behouden terugkomst uitgebracht hebben.

Wel leverde zij nu geen wijn meer, maar zij bevatte toch iets in
haar binnenste, dat even goed was; zij werd ook altijd, wanneer Peter
Jensen haar te voorschijn kreeg, door zijn kameraden «de apotheker»
genoemd; zij leverde de beste medicijn, daar zij de maag weer in orde
bracht, en zij verleende haar hulp trouw, zoolang zij een droppel in
zich had. Dat was een prettige tijd, en de flesch zong, als men er
met de kurk overheen streek, zij heette de groote leeuwerik, «Peter
Jensens leeuwerik.»

Verscheidene dagen en maanden verliepen er, zij stond reeds ledig
in een hoek; nu gebeurde het,--of het op de heenreis dan wel op de
terugreis was, wist de flesch niet precies op te geven, want zij was
in 't geheel niet aan land geweest,--dat er een hevige storm opstak;
hooge golven slingerden het schip her- en derwaarts. De groote mast
brak; een golf sloeg een der planken in; de pompen brachten geen hulp
meer, het was een stikdonkere nacht; het schip zonk,--maar op het
laatste oogenblik schreef de jonge stuurman nog op een stukje papier:
«In Christus' naam! Wij vergaan!» Hij schreef er den naam van zijn
meisje, van zich zelf en van het schip op, stopte het papiertje in een
leege flesch, die hem maar 't eerst in handen kwam, deed er de kurk
stevig op en wierp de flesch in de onstuimige zee. Hij wist niet,
dat het dezelfde flesch was, waaruit hem en haar eenmaal de beker
der vreugde en der hoop gevuld was;--zij wiegelt zich nu op de golven
met een groet en een doodstijding.

Het schip zonk, de bemanning verging; de flesch vloog voort als een
vogel,--zij droeg immers een hart, een minnebrief in zich! En de zon
ging op en zij ging onder,--het was aan de flesch te moede als ten
tijde van haar ontstaan in den rooden gloeienden oven; zij gevoelde
een verlangen, er weder in te vliegen.

Zij doorleefde een windstilte en ook nieuwe stormen; zij stiet echter
tegen geen klip aan, werd door geen haai verzwolgen en dreef jaren
en dagen rond, nu eens naar het Noorden, dan weer naar het Zuiden,
al naar gelang de golven haar voortstuwden. Zij was overigens haar
eigen heer en meester, maar daar kan men toch ook eindelijk wel eens
genoeg van krijgen.

Het beschreven papiertje, het laatst vaarwel van den minnaar aan
de geliefde, zou slechts rouw aanbrengen, wanneer het eenmaal in de
rechte handen kwam; maar waar waren die handen, zoo blank en zacht,
die indertijd op den dag der verloving den zakdoek op het frissche
gras in het groene bosch uitspreidden?--Waar was de dochter van den
bontwerker? Ja, waar was het land, waarin zij woonde, en welk land was
wel het dichtst in de nabijheid? De flesch wist het niet; zij dreef
en dreef en werd eindelijk ook het ronddrijven moede, omdat dit toch
haar roeping niet was; maar zij dreef toch rond, totdat zij eindelijk
land, vreemd land bereikte. Zij verstond geen woord van datgene,
wat er hier gesproken werd; het was de taal niet, die zij vroeger
had hooren spreken, en men mist veel, als men de taal niet verstaat.

De flesch werd opgevischt en van alle kanten bekeken; het papiertje,
dat er in zat, werd gezien, er uitgenomen, gedraaid en gekeerd, maar de
menschen verstonden niet, wat daar geschreven stond. Wel begrepen zij,
dat de flesch over boord geworpen moest zijn, en dat er hiervan iets
op het papiertje moest staan; maar wat stond er op geschreven? Dat was
het wonderbare! En het briefje werd weer in de flesch gestoken en deze
in een groote kast, in een groote kamer, in een groot huis neergezet.

Telkens als er vreemdelingen kwamen, werd het briefje er uit genomen,
gewend en gedraaid, zoodat de letters, die slechts met potlood
geschreven waren, allengs minder leesbaar werden; eindelijk kon niemand
meer zien, dat het letters waren.--En nog een geheel jaar bleef de
flesch in de kast staan, toen zette men haar op den grond neer, en
stof en spinnewebben bedekten haar nu. Hoe dacht zij nu terug aan
betere dagen, aan de tijden, toen zij in het frissche, groene bosch
den rooden wijn verschaft had, toen zij op de golven der zee heen en
weer schommelde, en een geheim, een brief, een afscheidszucht in zich
had bevat.

Wel twintig jaren stond zij op den grond; zij zou daar nog langer
hebben kunnen staan, als het huis niet verbouwd had moeten worden. Het
dak werd er afgenomen, men zag de flesch staan en sprak over haar,
maar zij verstond de taal niet; die leert men niet daardoor, dat men op
den grond staat, zelfs in geen twintig jaren. «Als ik maar in de kamer
gebleven was,» dacht zij, «dan zou ik haar toch wel geleerd hebben.»

Zij werd nu afgewasschen en uitgespoeld; dat was niet onnoodig; zij
gevoelde zich helder en doorzichtig, zij was weer verjongd op haar
ouden dag; maar het briefje, dat zij trouw in zich gedragen had,--dat
was met het spoelen weggeraakt.

Men vulde de flesch met zaden, zij wist niet, wat dat eigenlijk was;
men deed er een kurk op en pakte haar goed in; zij kreeg noch lamp
noch lantaarn, laat staan dan zon en maan te zien, en iets moet men
toch zien, als men op reis gaat, meende zij; maar zij zag niets,
doch het gewichtigste deed zij,--zij reisde en kwam op de plaats
harer bestemming aan en werd daar uitgepakt.

«Wat hebben ze zich daar in het buitenland een moeite met die flesch
gegeven!» hoorde zij zeggen. «Zij zal toch wel gebroken zijn!»--Maar
zij was niet gebroken. De flesch verstond ieder woord, dat er gesproken
werd; het was de taal, die zij bij den smeltoven en bij den wijnkooper
en in het bosch en op het schip gehoord had, de eenige, goede, oude
taal, die zij kon verstaan; zij was in haar vaderland teruggekomen,
en de taal was haar een welkomstgroet. Van blijdschap zou zij den
menschen uit de handen gesprongen zijn; zij merkte het nauwelijks,
dat men de kurk van haar aftrok, dat zij uitgestort en in den kelder
gebracht werd, om daar neergezet en vergeten te worden. In het
vaderland is het toch maar het beste, zij het ook in den kelder! Het
kwam niet bij haar op, er over na te denken, hoe lang zij daar wel
lag; zij lag er goed en zij lag er jaren lang; eindelijk kwamen er
menschen die al de flesschen uit den kelder en ook de onze weghaalden.

Buiten in den tuin was een groot feest; brandende lampions en papieren
lantarens hingen daar als bloemslingers. Het was een prachtige avond,
het weer stil en helder; de sterren fonkelden, en het was nieuwe maan,
eigenlijk zag men, als men goed toekeek, de heele ronde maan als een
blauwachtigen bol, wat heel mooi leek.

Zelfs tot in de afgelegenste laantjes van den tuin strekte de
illuminatie zich uit, althans in zooverre, dat men bij haar schijnsel
daar den weg wel kon vinden. In de takken der heggen stonden flesschen,
en in elke daarvan een brandende kaars. Hier bevond zich ook de flesch,
die wij kennen, die, welke eenmaal als flesschehals, als vogelglaasje
aan haar eind zou komen; het kwam haar hier alles prachtig voor,
zij was immers weer in het groen, weer te midden van vreugde en
feestelijkheden, zij hoorde gezang en muziek en krioelen van al die
menschen door elkaar, vooral uit dat gedeelte van den tuin, waar de
lampions hingen en de papieren lantarens haar kleurenpracht ten toon
spreidden. Zoo stond zij wel is waar in een afgelegen laantje, maar
juist dat had iets aangenaams; zij droeg haar licht en stond hier tot
nut en genoegen, en zoo moet het wezen; in zulk een uur vergeet men
twintig jaren, die men in een vergeten hoek heeft doorgebracht,--en
het is goed, deze te vergeten.

Dicht langs haar heen liep een enkel paar, evenals indertijd
het minnende paar in het bosch, evenals de stuurman en de
bontwerkersdochter; het was de flesch te moede, alsof zij dat alles
nog eens doorleefde! In den tuin liepen niet alleen de gasten maar
ook menschen, die eens naar de illuminatie mochten kijken, en onder
de laatstgenoemden bevond zich een oude juffrouw, die alleen op de
wereld stond en geen bloedverwanten had. Zij dacht hetzelfde als de
flesch, en dacht aan het groene bosch en aan een minnend paar, dat
haar zeer na aan het hart lag, waaraan zij deel had, ja, waarvan zij
een gedeelte was,--indertijd in het gelukkigste uur van haar leven,
en dat uur vergeet men nimmer, al wordt men nog zoo oud.--Maar zij
kende de flesch niet, en deze bemerkte ook de oude juffrouw niet;
zoo loopt men elkaar in deze wereld voorbij,--totdat men weer met
elkaar in aanraking komt, en dat gebeurde met deze twee, want zij
waren nu immers beiden weer in dezelfde stad.

De flesch kwam uit den tuin nog eens bij den wijnkooper, werd weer met
wijn gevuld en aan den luchtreiziger verkocht, die den volgenden Zondag
met een luchtballon zou opstijgen.--Een groote menigte menschen had
zich verzameld, om dat eens te zien; er was een militair muziekkorps
geëngageerd, en er waren vele andere toebereidselen gemaakt. De
flesch zag alles van uit een mand, waarin zij naast een levend
konijntje lag, dat heelemaal verbluft was, omdat het wel wist,
dat het mee naar boven moest, om dan door middel van een valscherm
weer naar beneden gelaten te worden; de flesch wist echter niets,
noch van het opstijgen, noch van het neerdalen; zij zag slechts,
dat de ballon zich geducht opblies, gedurig grooter werd en zich,
toen hij niet grooter kon worden, al begon te verheffen; de touwen,
waarmee hij werd vastgehouden, werden doorgesneden, en hij zweefde
met den luchtreiziger, de mand, de flesch en het konijntje naar boven,
terwijl de muziek zich deed hooren en alle menschen hoera riepen.

«Dat is een wonderlijke reis, zoo de lucht in!» dacht de flesch,
«dat is een nieuwe zeiltocht; maar hier boven zal men toch nergens
tegen aan kunnen stooten.»

Duizenden menschen keken den ballon na, en de oude juffrouw keek er ook
naar; zij stond voor het open raam van haar zolderkamertje, waaronder
het kooitje met den kleinen vlasvink hing, dat destijds nog geen
drinkglaasje had, maar zich met een theekopje moest vergenoegen. Voor
het raam zelf stond een mirt in een pot, en dezen had zij een weinig
op zij geschoven, opdat hij niet zou omvallen, want de oude juffrouw
ging uit het raam liggen om het ook te zien, zij zag ook duidelijk
den luchtreiziger in den ballon, en dat hij het konijntje met het
valscherm naar beneden liet zakken, toen op het welzijn van alle
menschen dronk en eindelijk de flesch hoog in de lucht slingerde;--zij
dacht er niet aan, dat zij dezelfde flesch, haar en haar minnaar ter
eere, op den dag der verloving in het groene bosch had zien vliegen.

De flesch had geen tijd om na te denken; want het kwam haar al te
onverwacht, zoo plotseling op het toppunt haars levens te zijn. Torens
en daken lagen diep, zeer diep beneden haar, en de menschen zagen er
heel klein uit.

Nu daalde zij echter, maar op een geheel andere wijze dan het
konijntje; de flesch maakte buitelingen in de lucht, zij voelde
zich zoo jeugdig, zonder eenige band; zij was nog half vol wijn,
maar dat bleef zij niet lang. Welk een reis! De zon bescheen de
flesch, alle menschen keken haar na, de ballon was reeds ver weg,
en al spoedig daarop was ook de flesch weg, zij viel op een der daken
neer en daardoor brak zij, maar de stukken hadden nog zulk een vaart,
dat zij niet konden blijven liggen; zij sprongen en rolden verder,
totdat zij op de plaats neerkwamen en daar in nog kleinere stukken
bleven liggen; alleen de flesschehals bleef heel, en deze was als
met een diamant van de flesch afgesneden.

«Die zou prachtig voor een vogelglaasje zijn!» zeiden de menschen in
het benedenhuis, maar zij hadden noch een vogeltje, noch een kooitje,
en zich deze aan te schaffen, omdat zij nu den flesschehals hadden,
die voor drinkglaasje te gebruiken was, was toch wel wat veel
gevergd,--maar de oude juffrouw op het zolderkamertje, ja, die kon
er misschien wel gebruik van maken,--en nu kwam de flesschehals bij
haar boven, er werd een kurk ingestopt, en wat vroeger boven was, werd
nu naar onderen gekeerd, zooals het heel dikwijls bij veranderingen
gebeurt; er werd frisch water in gedaan, men hing hem aan het kooitje
van het vogeltje op, dat zong en kwinkeleerde, dat het een lust was
om te hooren.

«Ja, jij hebt goed zingen!» zei de flesschehals, en die was immers
merkwaardig genoeg, die was immers in den ballon geweest,--meer wist
men van zijn geschiedenis niet af. Nu hing hij daar als drinkglaasje,
hoorde de menschen beneden op de straat mompelen, hoorde de woorden
van de oude juffrouw binnen in de kamer; zij had bezoek van een
oude vriendin gekregen; zij praatten met elkaar,--maar niet over den
flesschehals, maar over den mirt, die voor het raam stond.

«Neen, je moet waarlijk geen daalder uitgeven voor een bruidskrans voor
je dochter,» zei de oude juffrouw. «Je zult van mij een allerliefst
ruikertje hebben! Zie je wel, hoe prachtig het boompje staat? Ja, dat
is nog afkomstig van een stekje van den mirt, dien je mij op den dag
na mijn verloving gaaft, waarvan ik mij zelf, als het jaar om was,
een bruidskrans had moeten vlechten,--maar die dag kwam nooit! De
oogen sloten zich, die mij in dit leven tot vreugde en ten zegen
hadden moeten tegenstralen. Op den bodem der zee sluimert hij zacht,
die trouwe vriend!--De mirt werd een oude boom, maar ik werd nog ouder,
en toen de boom eindelijk begon weg te kwijnen, nam ik het laatste
groene takje, stak dit in de aarde, en daarvan is nu een boompje
gegroeid, en de mirt komt nu eindelijk toch nog op de bruiloft,--als
bruidskrans voor je dochter.»

En tranen parelden er in de oogen van de oude juffrouw; zij sprak
over den vriend van haar jeugd, over het verlovingsfeest in het
bosch; allerlei gedachten kwamen er bij haar op, maar daaraan dacht
zij toch niet, dat er zich vlak in haar nabijheid, voor het raam,
nog een aandenken aan dien tijd bevond; de hals van de flesch, die
een luiden knal gaf, toen de kurk er afvloog. Maar de flesschehals
herkende ook haar niet meer, want hij hoorde niet naar datgene,
wat zij sprak en vertelde,--omdat hij slechts aan haar dacht.



HET MINNENDE PAAR.


Een drijftol en een bal lagen samen in een kast onder meer ander
speelgoed. Op zekeren dag zei de drijftol tegen de [1] bal: «Willen
we maar met elkaar trouwen, daar we toch in dezelfde kast bij elkaar
liggen?» Doch de bal, die van marokijn gemaakt was en die even veel
verbeelding had als een preutsch meisje, wilde daar geen antwoord
op geven.

Den volgenden dag kwam de kleine jongen, aan wien al het speelgoed
toebehoorde. Hij verfde den drijftol rood en geel en sloeg er een
koperen spijkertje midden in. Dat stond dan al eens heel prachtig,
als de tol in de rondte draaide!

«Kijk mij nu eens aan!» zei hij tegen de bal. «Wat zeg je nu wel van
me? Willen we nu met elkaar trouwen? We passen net goed bij elkaar:
jij springt en ik dans! Een gelukkiger paar dan wij zouden zijn,
kan er niet gevonden worden.»

«Zou je dat denken?» vroeg de bal. «Dan weet je zeker niet, dat mijn
vader en moeder marokijnleeren pantoffels geweest zijn en dat ik een
kurk in mijn lijf heb zitten?»

«Maar ik ben van mahoniehout,» hernam de tol, «en de burgemeester
heeft mij zelf gedraaid. Hij houdt er zelf een draaibank op na en
heeft heel wat schik in mij gehad.»

«Kan ik daar zeker van zijn?» vroeg de bal.

«Nimmer moge de zweep meer op mij neerkomen, als het niet waar is!»
antwoordde de drijftol.

«Je weet je zaak goed te bepleiten,» zei de bal. «Maar toch valt er
niet aan een huwelijk tusschen ons te denken; want ik ben al zoo wat
half en half met een spreeuw geëngageerd. Telkens als ik in de lucht
vlieg, steekt hij den kop uit zijn nest en vraagt: «Wil je met mij
trouwen?» En nu heb ik in mijn hart al «ja» gezegd, en dus is het net
zoo goed, alsof ik hem het jawoord gegeven had; maar ik beloof je,
dat ik je nooit zal vergeten!»

«Nu, dat geeft me ook wat!» zei de drijftol, en na dien tijd spraken
zij geen woord meer tegen elkaar.

Na verloop van eenigen tijd werd de bal door den jongen uit de kast
genomen. De drijftol zag, hoe zij hoog in de lucht vloog, evenals een
vogel; eindelijk kon hij haar in 't geheel niet meer zien; telkens
kwam zij weer terug, maar deed iederen keer een hoogen sprong,
als zij op den grond neerkwam, en dit deed zij òf uit blijdschap òf
omdat zij een kurk in haar lijf had. Maar den negenden keer bleef de
bal weg en kwam niet meer terug; en de jongen zocht er overal naar,
maar zij was en bleef weg.

«Ik weet wel, waar zij is!» zei de drijftol met een zucht. «Zij zit
in het spreeuwennest en is met den spreeuw getrouwd.»

Hoe meer de drijftol hierover dacht, des te meer raakte hij op de
bal verliefd; juist omdat hij haar niet kon krijgen, nam zijn liefde
gedurig toe; dat zij een ander tot man genomen had, stak hem wel het
meest, en de drijftol danste in de rondte en snorde, maar dacht toch
aldoor aan de bal, die in zijn gedachten al mooier en mooier werd.

Zoo verliepen er eenige jaren,--en nu was het een oude liefde.

De drijftol was al niet jong meer! Maar daar werd hij op zekeren
dag heelemaal verguld; nog nooit had hij er zoo prachtig uitgezien;
hij was nu een vergulde drijftol en sprong, dat hij weer snorde. Ja,
dat was de moeite waard, om te zien.

Maar eens sprong hij wat hoog, en--weg was hij!

Men zocht en zocht, tot zelfs in den kelder, maar hij was nergens
te vinden.

Waar was hij dan?

Hij was in den vuilnisbak gesprongen, waarin allerlei dingen lagen:
koolstronken, aardappelschillen en verrotte bladeren, die uit de goot
naar beneden gekomen waren.

«'t Is een mooie plaats, voor mij om te liggen! Het verguldsel zal hier
wel gauw van mij afgaan. Ach, onder welk gespuis ben ik aangeland!»
Dit zeggende, keek hij naar een koolstronk en toen naar een zonderling,
rond ding, dat veel van een rotten appel weghad;--doch het was geen
appel, maar de oude bal, die vele jaren in de goot gelegen had en
geheel met water doortrokken was.

«Goddank! Daar komt toch iemand, die in rang en stand met mij
gelijkstaat en met wien ik eens een woordje kan wisselen!» zei
de bal en keek naar den vergulden drijftol. «Ik ben eigenlijk van
marokijnleer, ik ben door dameshanden genaaid en heb een kurk in
mijn lijf: maar dat zal niemand mij zeker kunnen aanzien. Ik stond
op het punt om met een spreeuw te trouwen, maar toen viel ik in de
goot, en daarin heb ik vijf jaren gelegen en ben heelemaal met water
doortrokken. Geloof mij, dat is een heele tijd voor een jong meisje!»

Maar de drijftol zei niets: hij dacht aan zijn oud lief, en hoe meer
hij hoorde, des te duidelijker werd het hem, dat zij het was.

Daar kwam de meid om den vuilnisbak te leegen. De jongen stond er
naar te kijken. «Hé! Daar ligt een vergulde tol!» riep zij uit.

En de drijftol kwam weer tot eer en aanzien, maar van de bal hoorde
men niets meer. En de drijftol sprak nooit meer over zijn vroegere
liefde; want die vergaat wel, als een minnares vijf jaren lang in
een goot gelegen heeft en heelemaal met water doortrokken is; ja,
men erkent haar niet meer, als men haar in een vuilnisbak ziet liggen.



DE PRINSES OP DE ERWT.


Er was eens een prins, die met een prinses wilde trouwen; maar
het moest een echte prinses zijn. Nu reisde hij de heele wereld
rond, om zoo eene te vinden, maar aan allen, die hij zag, ontbrak
wat. Prinsessen waren er genoeg; maar of het echte prinsessen waren,
kon hij niet te weten komen. Altijd was er iets, dat niet geheel in
den haak was. Zoo kwam hij dan weer thuis en was treurig, want hij
wilde toch zoo heel graag een echte prinses hebben.

Op zekeren avond kwam er een geducht onweer opzetten; het lichtte en
donderde, de regen viel bij stroomen neer, het was een verschrikkelijk
weer! Daar werd er op de stadspoort geklopt, en de oude koning ging
er heen, om haar open te doen.

Het was een prinses, die buiten voor de poort stond. Maar lieve
hemel! Wat zag zij er van den regen en van het verschrikkelijke weer
uit! Het water droop haar uit het haar en de kleeren; het liep er
bij de neuzen van haar schoenen in en bij de hakken weer uit. En toch
zeide zij, dat zij een echte prinses was.

«Nu, dat zullen we wel eens te weten komen!» dacht de oude
koningin. Maar zij zeide niets, ging naar de slaapkamer, lichtte alle
bedden op en legde een erwt op de onderlagen van het ledekant neer;
daarop nam zij twintig matrassen en legde deze op de erwt, en toen
nog twintig donzen bedden op de matrassen.

Daar moest de prinses nu den heelen nacht op liggen. Den volgenden
morgen vroeg men haar, hoe zij geslapen had.

«Verschrikkelijk slecht!» zei de prinses. «Ik heb bijna den heelen
nacht geen oog dichtgedaan! De hemel mag weten, wat er in het bed
geweest is! Ik heb op iets hards gelegen, zoodat ik er over mijn
heele lijf bont en blauw uitzie! 't Is verschrikkelijk!»

Nu merkten zij, dat zij een echte prinses was, omdat zij door de
twintig matrassen en de twintig donzen bedden heen de erwt gevoeld
had. Zoo fijngevoelig kon niemand anders zijn dan een echte prinses.

Nu nam de prins haar tot vrouw; want nu wist hij, dat hij een echte
prinses bezat, en de erwt kwam in het kabinet van zeldzaamheden,
waarin zij nog te zien is, als niemand haar ten minste gestolen heeft.

Zie, dat is een ware geschiedenis!



OLE LUK-OIE.


Er is niemand op de wereld, die zooveel sprookjes kent, als Ole
Luk-Oie. [2]--Die heeft eerst slag van vertellen!

Tegen den avond, als de kinderen nog aan tafel of op hun stoeltje
zitten, komt Ole Luk-Oie. Hij klimt zachtjes de trap op, want hij
loopt op kousen: hij doet de deur heel zachtjes open en fuut! daar
spuit hij de kinderen zoete melk in de oogen, en wel met een heel fijn
straaltje, maar toch altijd genoeg, om te maken, dat zij de oogen niet
kunnen openhouden en hem dus ook niet zien. Hij sluipt achter hen,
blaast hun zachtjes in den nek, en daardoor wordt het hun zwaar in
het hoofd. Maar het doet geen pijn, want Ole Luk-Oie meent het goed
met de kinderen; hij wil alleen maar, dat zij stil zullen zijn, en
dat zijn zij eerst, als men ze naar bed gebracht heeft; zij moeten
stil zijn, opdat hij hun sprookjes kan vertellen.

Als de kinderen dan slapen, zet Ole Luk-Oie zich op hun bed neer. Hij
is goed gekleed, zijn jas is van zijde, maar het valt onmogelijk te
zeggen, van welke kleur zij is; want zij heeft een groenen, rooden en
blauwen glans, al naardat hij zich draait. Onder iederen arm houdt hij
een paraplu; de eene, met allerlei beelden er op, spant hij over de
zoete kinderen uit, en dan droomen zij den heelen nacht de heerlijkste
sprookjes; maar de andere paraplu, waarop niets hoegenaamd staat,
spreidt hij boven de stoute kinderen uit, dan slapen zij en hebben
's morgens, als zij wakker worden, niet het minste gedroomd.

Nu zullen we eens hooren, hoe Ole Luk-Oie op iederen avond van een
week bij een kleinen jongen, Hjalmar geheeten, kwam, en wat hij hem
vertelde. Het zijn zeven verhaaltjes; want er zijn zeven dagen in
de week.



Maandag.

«Hoor eens!» zei Ole Luk-Oie des avonds, toen hij Hjalmar naar bed
gebracht had; «ik zal alles eens oppronken!» En nu werden al de
bloemen in de bloempotten tot groote boomen, die hun lange takken
onder de zoldering en langs de muren der kamer uitstrekten, zoodat
de heele kamer er als een prachtig buitenverblijf uitzag; al de
takken zaten vol bloemen, en iedere bloem was nog schooner dan een
roos, gaf een liefelijken geur van zich, en als men ze wilde eten,
dan smaakten zij overheerlijk. De vruchten fonkelden als goud, en er
was koek, die vol rozijnen zat. Het was onvergelijkelijk schoon! Maar
tegelijkertijd klonk er een verschrikkelijk gejammer uit de tafellade
waarin de schoolboeken van Hjalmar lagen.

«Wat is dat toch?» vroeg Ole Luk-Oie en ging naar de tafel toe
en schoof de lade open. Het was de rekenlei, waarop gekrast werd,
want er was een verkeerd cijfer in de som gekomen, zoodat het niet
veel scheelde, of zij viel geheel uit elkaar; de griffel huppelde en
sprong tegen de lijst van de lei op, alsof het een kleine hond was,
die aan de som wilde helpen; maar hij kon dit niet.--En toen jammerde
het ook in het schrijfboek van Hjalmar. O, dat was vreeselijk om
aan te hooren! Op iedere bladzijde stonden van boven naar beneden
de groote letters, en naast iedere groote letter stond een kleine;
dat was het voorbeeld; en naast deze stonden weer eenige letters,
die er eveneens dachten uit te zien, en deze had Hjalmar geschreven;
maar zij lagen bijna, alsof zij over de potloodlijnen, waarop zij
moesten staan, gevallen waren.

«Zie, zoo moet je je houden!» zei het voorbeeld. «Kijk eens! Zoo in
een schuinsche richting, met een fermen zwaai!»

«O, wij zouden het graag willen,» zeiden de letters van Hjalmar;
«maar wij kunnen niet; wij zijn te zwak!»

«Dan moet je wat innemen!» zei Ole Luk-Oie.

«O neen!» riepen zij uit, en nu stonden zij zoo geregeld, dat het
een lust was om te zien.

«Ja, nu kunnen wij geen sprookjes vertellen!» zei Ole Luk-Oie; «nu
moet ik ze laten exerceeren! Een, twee! Een, twee!» en zoo liet hij
de letters exerceeren; en zij stonden zoo mooi, als ze maar op een
voorbeeld kunnen staan. Maar toen Ole Luk-Oie wegging en Hjalmar ze
's morgens bekeek, toen waren zij even gebrekkig en jammerlijk als
vroeger.



Dinsdag.

Zoodra Hjalmar te bed gegaan was, raakte Ole Luk-Oie al de meubelen in
de kamer met zijn kleinen tooverstaf aan, en nu begonnen zij te gelijk
te praten, en spraken allemaal over zich zelf met uitzondering van het
kwispedoor, dat daar zwijgend stond en er zich over ergerde, dat zij
zoo ijdel konden zijn om slechts over zich zelf te spreken, slechts aan
zich zelf te denken, en volstrekt geen notitie te nemen van dengene,
die toch zoo bescheiden in den hoek stond en zich liet bespuwen.

Boven de latafel hing een groot schilderij in een vergulde lijst;
dat was een landschap; men zag daarop hooge, oude boomen, bloemen
in het gras en een breede rivier, die om het bosch heen vloeide,
voorbij vele kasteelen, en ver weg in de woeste zee.

Ole Luk-Oie raakte het schilderij met zijn tooverstaf aan, en nu
begonnen de vogels, die daarop afgebeeld stonden, te zingen, de
boomtakken bewogen zich, en de wolken trokken weg; men kon haar
schaduw over het landschap zien heenglijden.

Nu tilde Ole Luk-Oie den kleinen Hjalmar naar de lijst op en zette zijn
voeten op het schilderij neer, vlak in het hooge gras; daar stond hij
nu. De zon bescheen hem door de takken der boomen. Hij liep naar het
water toe en ging in een kleine boot, die daar lag, zitten; deze was
rood en wit geverfd, het zeil schitterde als zilver, en zes zwanen,
alle met gouden kroontjes en een fonkelende blauwe ster op den kop,
trokken de boot voorbij het groene bosch, waar de boomen van roovers
en heksen en de bloemen van de liefelijke kleine elfen, en van datgene,
wat de kapelletjes haar gezegd hadden, vertelden.

De prachtigste visschen, met schubben als zilver en goud, zwommen
de boot achterna; nu en dan deden zij een sprong, zoodat het in het
water plaste, en vogels, rood en blauw, klein en groot, vlogen in twee
lange rijen achteraan; de muggen dansten en de meikevers gonsden. Zij
wilden Hjalmar altemaal volgen, en ieder had een sprookje te vertellen.

Dat was een plezierig tochtje! Nu eens waren de bosschen dicht en
donker, dan weer waren zij als de heerlijkste tuin vol zonneschijn
en bloemen; daar stonden groote kasteelen van glas en van marmer: op
de balkons stonden prinsessen, en dit waren allemaal kleine meisjes,
die Hjalmar goed kende; hij had vroeger met haar gespeeld. Elk van
dezen strekte de handen naar hem uit en hield hem het lekkerste hart
van suiker voor, dat een koekenbakker ooit verkocht heeft; en Hjalmar,
pakte elk suikerhart beet, terwijl hij voorbijvoer, en de prinses hield
het goed vast, en zoo kreeg ieder een stuk: zij het kleinste en Hjalmar
het grootste. Bij ieder kasteel stonden kleine prinsen op schildwacht;
zij droegen gouden sabeltjes en lieten het rozijnen en tinnen soldaten
regenen; men kon het hun wel aanzien, dat het echte prinsen waren.

Nu eens zeilde Hjalmar door bosschen, dan weer door groote zalen of
midden door een stad; hij kwam ook door die, waarin de kindermeid
woonde, die hem gedragen had, toen hij nog een heel klein kind was,
en die altijd zoo goed voor hem geweest was; zij knikte hem toe
en wenkte hem en zong het kleine vers, dat zij zelf gemaakt en aan
Hjalmar gezonden had:


    Uw beeld, mijn Hjalmar, mij zoo lief,
      Zal nooit mijn hart ontglippen;
    Ik gaf u kussen zonder tal
      Op voorhoofd, mond en lippen.

    'k Hoorde uit uw mond het eerste woord
      Mij staamlend tegenklinken.
    Vaarwel! Gods zegen hoede u steeds,
      Moog' immer voor u blinken!


En al de vogels zongen mee, de bloemen dansten op de stelen, en de
oude boomen knikten, alsof Ole Luk-Oie hun ook sprookjes vertelde.



Woensdag.

O, wat stroomde de regen daar buiten neer! Hjalmar kon het in zijn
slaap hooren; en toen Ole Luk-Oie een raam openschoof, stond het
water tot aan het kozijn toe; het was daar buiten een heele zee,
maar het prachtigste schip lag dicht bij het huis.

«Wil je meezeilen, kleine Hjalmar?» vroeg Ole Luk-Oie. «Dan kun je
van nacht naar vreemde landen toe gaan en morgen weer hier zijn!»

Daar stond Hjalmar plotseling in zijn Zondagskleeren midden op het
prachtige schip; terstond werd het weer mooi, en zij zeilden door
de straten, kruisten om de kerk, en nu was alles een groote, woeste
zee. Zij zeilden zoo lang, totdat er geen land meer te ontdekken was,
en zij zagen een troep ooievaars; deze kwamen ook uit hun vaderland en
wilden naar de warme landen toe; de eene ooievaar vloog altijd achter
den anderen aan, en zij hadden al ver, heel ver gevlogen! Een hunner
was zoo vermoeid, dat zijn vleugels hem tenauwernood meer vermochten te
dragen; hij was de laatste in de rij, en al spoedig bleef hij een heel
eind achter; eindelijk daalde hij met uitgespreide vleugels al dieper
en dieper; hij deed nog een paar slagen met de vleugels, maar het hielp
niets; nu raakte hij met zijn pooten het touwwerk van het schip aan,
daarop gleed hij van het zeil af, en bom! daar stond hij op het verdek.

Nu nam de kajuitsjongen hem en zette hem in het kippenhok bij de
kippen, eenden en kalkoensche hanen; de arme ooievaar stond verlegen
in hun midden.

«Kijk dien eens aan!» zeiden al de kippen.

En de kalkoensche haan blies zich zoo dik op, als hij maar kon,
en vroeg, wie hij was; de eenden snaterden, en de ooievaar vertelde
van het warme Afrika, van de piramiden en van den struisvogel, die,
als een wild paard, de woestijn doorliep; maar de eenden verstonden
niet, wat hij vertelde, en toen zeiden zij tegen elkander: «Wij zijn
het er immers allemaal over eens, dat hij dom is!»

«Ja, zeker is hij dom!» zei de kalkoensche haan, en toen klokte
hij. Nu zweeg de ooievaar en dacht aan zijn Afrika.

«Dat zijn prachtige dunne pooten, die je hebt!» zei de kalkoensche
haan. «Wat kost een el daarvan?»

«Skrat, skrat, skrat!» grijnsden al de eenden; maar de ooievaar deed,
alsof hij het niet hoorde.

«Je kunt gerust meelachen,» zei de kalkoensche haan tegen hem; «want
het was heel geestig gezegd. Of was het je misschien te hoog? Ach,
hij is niet veelzijdig! Wij zullen onze aardigheden maar voor ons
zelf houden!» En toen klokte hij, en de eenden snaterden. Het was
verschrikkelijk, zoo'n plezier als zij hadden.

Maar Hjalmar ging naar het kippenhok toe, deed het deurtje daarvan
open, riep den ooievaar, en nu huppelde hij naar hem toe op het
verdek. Nu was hij immers uitgerust, en het was, alsof hij Hjalmar
toeknikte om hem te bedanken. Daarop ontplooide hij zijn vleugels
en vloog naar de warme landen; maar de kippen kakelden, de eenden
snaterden, en de kalkoensche haan werd vuurrood aan zijn kop.

«Morgen zullen we soep van je koken!» zeide Hjalmar, en dit zeggende,
werd hij wakker en lag in zijn bedje. Het was toch een zonderlinge
reis, die Ole Luk-Oie hem dezen nacht had laten doen!



Donderdag.

«Weet je wat?» zei Ole Luk-Oie. «Word maar niet bang! Hier zul je
een kleine muis zien!» En toen strekte hij zijn hand, waarin hij het
lichte, aardige diertje hield, naar hem uit. «Zij is gekomen om je op
de bruiloft te noodigen. Er zijn twee kleine muizen, die van nacht in
het huwelijk willen treden. Zij wonen onder den vloer van je moeders
provisiekamer: dat moet een mooie woning zijn!»

«Maar hoe kan ik door het kleine muizengat in den vloer kruipen?»
vroeg Hjalmar.

«Laat dat maar aan mij over!» zei Ole Luk-Oie. «Ik zal je wel klein
maken!» En nu raakte hij Hjalmar met zijn tooverstaf aan, waarop deze
dadelijk al kleiner en kleiner werd. Eindelijk was hij geen vinger
lang. «Nu kun je de kleeren van den tinnen soldaat wel leenen; ik
denk, dat die je wel zullen passen, en het staat goed, een uniform
aan te hebben, als men in gezelschap is.»

«Dat is ook zoo!» zei Hjalmar en was in een oogenblik als een tinnen
soldaat gekleed.

«Wilt ge nu maar zoo goed zijn, in den vingerhoed van uw moeder te
gaan zitten?» zei de kleine muis; «dan zal ik de eer hebben, u er
naar toe te trekken.»

«Wilt gij u daarmee zelf belasten?» zeide Hjalmar, en zoo reden zij
naar de muizenbruiloft.

Eerst kwamen zij onder den vloer in een lange gang, die echter niet
hooger was, dan dat zij er juist met den vingerhoed doorheen konden
komen, en de heele gang was met verrot hout geïllumineerd.

«Ruikt het hier niet heerlijk?» vroeg de muis, die hem voorttrok. «De
heele gang is met zwoorden van spek besmeerd! Er kan niets geurigers
zijn!»

Nu traden zij de bruiloftszaal binnen. Hier stonden aan de rechterhand
al de kleine muizendames; dezen fluisterden en ginnegapten, alsof
zij elkaar voor den gek hielden. Aan de linkerhand stonden al de
muizenheeren en streken met hun poot langs hun snorbaard; midden in de
zaal zag men het bruidspaar; dit stond in een uitgeholde korst kaas
en kuste elkaar verschrikkelijk ten aanschouwe van allen, want zij
waren immers met elkander verloofd en zouden aanstonds bruiloft houden.

Er kwamen gedurig meer vreemden; het scheelde niet veel, of de eene
muis trapte de andere dood, en het bruidspaar had zich vlak voor de
deur geplaatst, zoodat men er noch uit noch in kon komen. De heele
kamer was evenals de gang met zwoorden van spek ingesmeerd; daarin
bestond het geheele gastmaal: maar aan het dessert werd er een erwt
vertoond, waarin een muis uit de familie den naam van het bruidspaar
ingebeten had, namelijk de eerste letters. Dat was iets buitengewoons!

Al de muizen zeiden, dat het een vroolijke bruiloft was, en dat de
gesprekken zeer onderhoudend waren geweest.

Daarop reed Hjalmar weer naar huis; hij was waarlijk in deftig
gezelschap geweest; maar hij had zich ook erg moeten inkrimpen,
zich klein maken en een tinnen-soldatenuniform aantrekken.



Vrijdag.

«Het is ongeloofelijk, hoeveel oudere menschen er zijn, die mij
zoo heel graag zouden willen hebben,» zeide Ole Luk-Oie. «Dat
zijn inzonderheid diegenen, die het een of ander kwaad gedaan
hebben. «Goede, kleine Ole!» zeggen zij tegen mij, «wij kunnen de
oogen niet dichtdoen, en zoo liggen wij den heelen nacht en zien al
onze booze daden, die als kleine leelijke kaboutermannetjes op den
rand van het bed zitten en ons met heet water bespuiten; mocht gij
maar komen en ze wegjagen, dan zouden wij gerust kunnen slapen.»
Daarop slaken zij een diepen zucht. «Wij zouden er waarlijk graag
voor betalen. Goeden nacht, Ole! het geld ligt in het kozijn!» Maar
ik doe het niet voor geld!» zegt Ole Luk-Oie.

«Wat zullen we nu van nacht te zien krijgen?» vroeg Hjalmar.

«Ja, ik weet niet, of je van nacht wel weer lust hebt om naar een
bruiloft toe te gaan; het is een heel ander soort van bruiloft dan
die van gisteren. De groote pop van je zusje, die, welke er als man
uitziet en Herman genoemd wordt, wil met pop Bertha in het huwelijk
treden. Het is bovendien de verjaardag van de pop, en daarom zullen
zij zeer veel geschenken krijgen!»

«Ja, daar weet ik alles van!» zeide Hjalmar. «Als de poppen nieuwe
kleeren noodig hebben, dan laat mijn zusje ze altijd haar verjaardag
vieren of bruiloft houden; dat is zeker al honderdmaal gebeurd!»

«Ja, maar van nacht is het de honderd eerste bruiloft, en als
honderd een uit is, dan is alles voorbij! Daarom wordt deze ook zoo
prachtig. Kijk maar eens!»

En Hjalmar keek naar de tafel. Daar stond het kleine bordpapieren
huis met licht voor de ramen, en buiten daarvoor presenteerden alle
tinnen soldaten het geweer. Het bruidspaar zat in gedachten verdiept,
waarvoor het wel reden had, op den grond en leunde tegen den poot der
tafel aan. Maar Ole Luk-Oie, die in den zwarten rok der grootmoeder
gekleed was, trouwde ze. Toen de trouwplechtigheid afgeloopen was,
hieven al de meubelen in de kamer het volgende mooie lied aan, dat
door het potlood geschreven was:


    Hoog klink' ons lied, gelijk de wind,
    Voor 't bruidspaar, dat zich saam verbindt!
    Zij pralen beiden, stijf en blind,
    Van leer, dat men niet mooier vindt.
    Hoera! al zijn ze doof en blind,
    Wij zijn tot zingen thans gezind!


En nu kregen zij geschenken; maar zij hadden verzocht van alle eetwaren
verschoond te blijven, want zij hadden genoeg aan hun liefde.

«Zullen wij nu een zomerwoning betrekken of op reis gaan?» vroeg
de bruidegom. En nu werd de raad van de zwaluw, die veel gereisd
had, en van de oude kip, die vijfmaal kuikentjes uitgebroed had,
ingeroepen. De zwaluw vertelde van de heerlijke warme landen, waar
de druiven zoo groot en zwaar waren, waar de lucht zoo zacht was en
de bergen kleuren hadden, zooals men ze hier niet zag.

«Maar onze boerenkool hebben ze toch niet!» zei de kip. «Ik ben
een heelen zomer lang met al mijn kuikentjes op het land geweest;
daar was een zandgroeve, waarin wij konden rondloopen en krabbelen;
en dan hadden wij den toegang tot een tuin met boerenkool! O, wat
was die lekker! Ik kan mij niets schooners voorstellen!»

«Maar de eene koolstronk ziet er precies uit als de andere,» zei de
zwaluw, «en dan is het hier dikwijls slecht weer.»

«Ja, daaraan is men gewend!» zei de kip.

«Maar hier is het koud en vriest het!»

«Dat is goed voor de kool!» zei de kip. «Overigens kunnen we het
hier ook wel warm hebben! Hebben wij niet vier jaren geleden,
een zomer gehad, die vijf weken lang duurde? Het was zoo heet, dat
men haast geen adem kon halen! En dan hebben wij hier niet al die
vergiftige dieren, die ze daar hebben! En wij hebben hier geen last
van roovers. Het is een booswicht, die niet vindt, dat ons land het
mooiste is. Hij verdient waarlijk niet, hier te zijn!» En toen weende
de kip en vervolgde: «Ik heb ook gereisd. Ik heb twaalf mijlen ver
in een mand gereden! Ik vind niet veel plezier in het reizen!»

«Ja, de kip is een verstandige vrouw!» zei pop Bertha. «Ik houd er
niets van, bergen te beklimmen; want dat gaat maar op en dan weer
neer. Neen, wij zullen naar de zandgroeve toe gaan en in den kooltuin
rondwandelen!»

En daarbij bleef het.



Zaterdag.

«Krijg ik nu sprookjes te hooren?» vroeg de kleine Hjalmar, zoodra
Ole Luk-Oie hem in slaap gemaakt had.

«Van avond hebben wij er geen tijd voor,» zei Ole Luk-Oie en spreidde
zijn mooie paraplu over hem uit. «Bekijk deze Chineezen maar eens!»
En de paraplu zag er uit, als een groote Chineesche schaal met blauwe
boomen en smalle bruggen en met kleine Chineezen er op, die daar
stonden en met het hoofd knikten. «Wij moeten de heele wereld tegen
morgen mooi opgepronkt hebben,» zei Ole Luk-Oie, «het is dan immers
een feestdag, het is Zondag. Ik wil naar de kerktorens toe om te
zien, of de kleine kerkkaboutermannetjes de klokken wel polijsten,
opdat zij mooi klinken. Ik wil naar buiten naar het veld en zien,
of de winden het stof van gras en bladeren blazen; en wat nog het
zwaarste werk is, ik zal al de sterren naar beneden halen, om ze
op te poetsen. Ik neem ze in mijn schort; maar eerst moet aan ieder
een nommer gegeven worden, en de gaten, waarin zij daarboven zitten,
moeten ook genommerd worden, opdat zij weer op de rechte plaats komen,
anders zouden zij niet vastzitten, en dan zouden wij te veel vallende
sterren krijgen, want dan zou de een na de andere naar beneden rollen.»

«Hoor eens! Weet je wat, mijnheer Ole Luk-Oie?» zei een oud portret,
dat tegen den muur van het vertrek, waarin Hjalmar sliep, hing.

«Ik ben Hjalmars overgrootvader! Ik dank u, dat ge den jongen
sprookjes vertelt; maar ge moet zijn begrippen niet verwarren. De
sterren kunnen niet naar beneden genomen en opgepoetst worden! De
sterren zijn wereldbollen, evenals onze aarde en juist dat is het
goede dat er aan is.»

«Ik dank u wel, oude overgrootvader!» zei Ole Luk-Oie; «ik dank u
wel! Gij zijt immers het hoofd der familie; maar ik ben toch ouder
dan gij. Ik ben een oude heiden: Romeinen en Grieken noemden mij
droomgod! Ik ben in de deftigste huizen geweest en kom er nog! Ik
weet zoowel met geringen als met aanzienlijken om te gaan! Nu kunt gij
vertellen.»--En daarop ging Ole Luk-Oie heen en nam zijn paraplu mee.

«Nu, nu! Het schijnt, dat men niet eens meer voor zijn gevoelen mag
uitkomen!» bromde het oude portret.

Op dit oogenblik werd Hjalmar wakker.



Zondag.

«Goeden avond!» zei Ole Luk-Oie, en Hjalmar knikte hem toe en
sprong toen weg en keerde het portret van zijn overgrootvader, dat
tegen den muur hing, om, opdat het niet, evenals den vorigen nacht,
zou meespreken.

«Nu moet ge sprookjes vertellen: van de vijf groene erwten, die in één
schil woonden, van den hanepoot, die aan den kippepoot het hof maakte,
en van de stopnaald, die zich verbeelde dat zij een naainaald was.»

«Men kan ook van het goede te veel krijgen!» zei Ole Luk-Oie. «Je
weet immers wel, dat ik je het liefst wat laat zien! Ik zal je daarom
mijn broeder eens laten kijken Deze heet ook Ole Luk-Oie, maar hij
komt bij niemand meer dan eens, en wien hij bezoekt, dien neemt hij
op zijn paard mee en vertelt hem sprookjes. Hij kent er maar twee;
het eene is zoo prachtig schoon, als niemand op de wereld het zich
kan voorstellen, en het andere is zoo leelijk en afschuwelijk, dat
het niet om te beschrijven is!» Daarop tilde Ole Luk-Oie den kleinen
Hjalmar naar het raam op en zei: «Daar zal je mijn broeder zien, den
anderen Ole Luk-Oie! Ze noemen hem den dood! Zie je wel; hij ziet er
volstrekt niet zoo leelijk uit als in de prentenboeken, waar hij maar
een geraamte is! Neen, dat is zilveren borduursel, dat hij op zijn
gewaad heeft, dat is de mooiste huzarenuniform; een mantel van zwart
fluweel vliegt achter over het paard. Zie, hoe hij in galop rijdt!»

En Hjalmar zag, hoe deze Ole Luk-Oie wegreed en zoowel jonge als
oude lieden op zijn paard nam. Eenigen zette hij voorop, anderen
achterop, maar altijd vroeg hij eerst: «Hoe staat het met het
aanteekeningboek?»--«Goed!» zeiden zij allemaal.--«Ja, laat mij het
zelf eens zien!» zeide hij, en dan moest ieder hem het boek laten
zien, en al diegenen, die «Zeer goed» en «Uitmuntend» hadden, zette
hij voorop het paard, en dezen kregen het mooie sprookje te hooren,
maar die, welke «Tamelijk» en «Middelmatig» hadden, moesten achterop
en kregen het leelijke sprookje te hooren, zij sidderden en weenden;
zij wilden van het paard springen, maar konden het niet, want zij
waren er dadelijk aan vastgegroeid.

Maar de dood is immers de prachtigste Ole Luk-Oie!» zei Hjalmar. «Voor
hem ben ik niet bang!»

«Dat moet je ook niet zijn!» zei Ole Luk-Oie, «pas maar op, dat je
een goed getuigenis krijgt.»

«Ja, dat is leerrijk!» mompelde het portret van den
overgrootvader. «Het helpt toch wel eens, als men zijn meening zegt.»

En nu verklaarde hij zich tevreden.

Zie, dat is de geschiedenis van Ole Luk-Oie; nu moet hij u zelf van
avond maar meer vertellen.



HET OUDE HUIS.


In zekere straat stond een oud, overoud huis. Het was bijna driehonderd
jaren oud; zoo stond er op den gevel te lezen, waarop het jaartal met
tulpen en hopranken aangebracht was. Daar las men geheele verzen in
den schrijftrant van den ouden tijd, en boven ieder raam was in het
kozijn een gezicht uitgesneden, dat allerlei grimassen maakte. De eene
verdieping stak een heel eind buiten de andere uit, en vlak onder het
dak was een looden goot met een drakenkop. Het regenwater moest uit den
bek komen, maar het liep uit den buik, want er was een lek in de pijp.

Al de andere huizen in de straat waren nog nieuw en mooi, met groote
ruiten en gladde muren. Men kon het wel aan hen merken, dat zij niets
met het oude huis te doen wilden hebben. Zij dachten misschien wel:
«Hoe lang zal dat kavalje nog tot algemeene ergernis in de straat
staan? De kroonlijst steekt zoo ver vooruit, dat niemand uit onze
ramen kan zien, wat er aan den overkant voorvalt. De trap is zoo breed
als die van een kasteel en zoo hoog, alsof zij naar een kerktoren
voerde. Het ijzeren hek ziet er uit, als de ingang tot een familiegraf,
en koperen knoppen staan er op,--het is waarlijk al te gek!»

Aan den overkant stonden ook nieuwe en nette huizen, en deze dachten
er evenals de andere over; maar voor het raam van een daarvan zat een
kleine jongen met frissche roode wangen en heldere blauwe kijkers,
en dien beviel het oude huis bijzonder goed, zoowel bij zonne-
als bij maneschijn. En als hij naar den muur aan den overkant keek,
waar de kalk afgevallen was, dan zag hij er de zonderlingste beelden
op, juist zooals de straat er vroeger uitgezien had, met bordessen,
kroonlijsten en spitse gevels; hij kon soldaten zien met hellebaarden,
en dakgoten, die als draken en griffioenen om het huis heenliepen.--Dat
was nu juist zoo'n huis om naar te kijken, en daarin woonde een oud
man, die een korte leeren broek droeg en een rok met groote koperen
knoopen en een pruik, waarvan men wel kon zien, dat het een echte
pruik was. Alle ochtenden kwam er een oud man bij hem, die den boel
opknapte en boodschappen voor hem deed. Overigens woonde de grijsaard
met zijn korte broek geheel alleen in het oude huis. Somtijds vertoonde
hij zich voor de ramen en keek naar buiten, en dan knikte de kleine
jongen hem toe, en dan knikte de grijsaard terug, en zoo raakten zij
met elkaar bekend, en zoo werden zij vrienden, ofschoon zij elkaar
nooit gesproken hadden. Maar dat was immers ook volstrekt niet noodig.

De kleine jongen hoorde zijn ouders zeggen: «De oude man daar aan
den overkant heeft het heel goed, maar hij is alleen.»

Den volgenden Zondag wikkelde de kleine jongen iets in een stuk papier,
ging daarmee voor de huisdeur staan en zei tegen den persoon, die de
boodschappen voor den grijsaard deed: «Hoor eens! Wilt ge dit voor
mij aan den ouden man aan den overkant geven? Ik heb twee tinnen
soldaten; dit is er een van; hij moet dien hebben; want ik weet,
dat hij heelemaal alleen is.»

En de oude oppasser zag er vergenoegd uit, knikte en bracht den
tinnen soldaat naar het oude huis. Later werd er een boodschap naar
den overkant gezonden, of de jongeheer ook lust had, zelf eens een
bezoek te komen brengen. En daartoe gaven zijn ouders hem vergunning;
en zoo kwam hij in het oude huis.

En de koperen knoppen op de leuning van het bordes blonken veel
helderder dan anders: men zou haast gezegd hebben, dat zij om
het verwachte bezoek geschuurd waren. En het was precies, alsof
de uitgesnedene trompetters,--want op de deur waren trompetters
uitgesneden, die in tulpen stonden,--uit al hun macht bliezen;
hun wangen zagen er veel boller uit dan vroeger. Ja, zij bliezen:
Ratata, ratata! De kleine jongen komt! Ratata, ratata!»--En toen ging
de deur open. Het geheele voorhuis was met oude portretten behangen,
met ridders in harnassen en vrouwen in zijden kleeren; en de harnassen
rammelden en de zijden kleeren ruischten!--En toen kwam er een trap;
deze liep eerst naar boven en dan weer een klein eindje naar beneden,
en dan kwam men op een balkon, dat echter zeer bouwvallig was, met
groote gaten en breede reten; hieruit kwam gras te voorschijn; want
het geheele balkon, de binnenplaats en de muur waren met zoo veel
groen begroeid, dat het er uitzag als een tuin; maar het was slechts
een balkon. Hier stonden oude bloempotten, die gezichten en ezelsooren
hadden; maar de bloemen groeiden, zooals het haar goeddacht. In den
eenen pot hingen er aan alle kanten anjelieren over, namelijk de
bladeren daarvan; en deze zeiden duidelijk verstaanbaar: «De lucht
heeft ons gestreeld, de zon heeft ons gekust en ons tegen den Zondag
een kleine bloem beloofd, een kleine bloem tegen den Zondag!»

En toen kwamen zij in een kamer, waar de muren met varkensleer behangen
waren, en op het varkensleer waren gouden bloemen gedrukt.


    «'t Verguldsel moge ras vergaan,
    Het varkensleer blijft steeds bestaan!»


zeiden de muren.

En daar stonden stoelen met hooge ruggen, met snijwerk en met armen
aan de beide kanten. «Ga zitten!» zeiden zij. «Och, wat kraakt het in
mij! Nu zal ik zeker ook jicht krijgen, evenals de oude kast. Jicht
in den rug! Foei!»

En toen kwam de kleine jongen in de kamer, waar de oude man zat.

«Dank voor den tinnen soldaat, mijn kleine vriend!» zei de oude
man. «En dank daarvoor, dat je eens naar mij toe gekomen bent!»

«Dank, dank!» of «Knap, knap!» zeiden alle meubelen. Er waren er zoo
vele, dat zij elkaar bijna in den weg stonden, om den kleinen jongen
te zien.

En midden aan den muur hing een schilderij, een mooie dame, die er
jeugdig en vroolijk uitzag, maar zoo gekleed was als in den ouden tijd,
met poeder in het haar en met kleeren, die stijf uitstonden. Deze
zeide noch «dank!» noch «knap!» maar keek met haar vriendelijke oogen
op den kleinen jongen neer, die dadelijk aan den ouden man vroeg:
«Waar hebt ge die vandaan?»

«Van den uitdrager,» zei de oude man. «Daar hangen altijd vele
schilderijen, maar niemand kende ze of bekommerde er zich over, want
ze zijn allemaal begraven. Maar vele jaren geleden heb ik haar gekend,
en nu is zij al sedert een halve eeuw dood en weg!»

En onder het schilderij hing achter glas een ruiker verwelkte bloemen;
deze waren zeker ook een halve eeuw oud, zoo zagen zij er ten minste
uit. En de slinger der groote klok ging heen en weer, en de wijzers
draaiden in de rondte, en alles in de kamer werd nog ouder; maar
niemand merkte het.

«Ze zeggen thuis,» begon de kleine jongen, «dat ge altijd alleen zijt.»

«O,» zeide hij, «de oude gedachten met alles, wat zij met zich
mee kunnen voeren, komen en bezoeken mij, en nu kom jij immers ook
eens!--Het gaat heel goed met mij!»

En daarop nam hij van een plank tegen den muur een prentenboek; daarin
stonden lange optochten, de wonderlijkste rijtuigen, zooals men ze
heden ten dage niet meer ziet; soldaten als klaverenboer, en burgers
met wapperende vaandels. De kleermakers hadden een vaandel met een
schaar, die door twee leeuwen vastgehouden werd, en de schoenmakers
een vaandel zonder laars, maar met een arend, die twee koppen had;
want bij de schoenmakers moet alles zoo zijn, opdat zij kunnen zeggen:
«Dat is een paar!»--Dat was eerst een mooi prentenboek!

De oude man ging naar de andere kamer, om wat ingelegde vruchten,
appelen en noten te halen. Het was werkelijk heerlijk in het oude huis.

«Ik kan het hier niet uithouden!» zei de tinnen soldaat, die op de
kist stond. «Het is hier veel te eenzaam en te somber. Och, als men
het huiselijk leven eenmaal heeft leeren kennen, dan kan men aan het
leven hier niet gewennen. Ik kan het niet uithouden! De dag duurt mij
te lang, maar de avond nog langer; hier is het volstrekt niet zooals
bij u aan den overkant, waar uw vader en moeder altijd vergenoegd met
elkaar praten, en waar gij en de andere kinderen een oorverdoovend
geraas maken. Och! wat is het bij den ouden man eenzaam! Denkt ge,
dat hij zoenen krijgt? Denkt ge, dat hij vriendelijke blikken of een
Kerstboom krijgt? Hij krijgt niets dan een graf.--Ik kan het hier
niet uithouden.»

«Je moet het niet zoo van de sombere zijde beschouwen!» zei de
kleine jongen. «Mij komt dat alles bijzonder prettig voor, en al
de oude gedachten met datgene, wat zij met zich mee kunnen voeren,
komen hier immers een bezoek brengen.»

«Ja, maar die zie ik niet en die ken ik niet!» zei de tinnen
soldaat. «Ik kan het hier niet uithouden.»

«Dat moet je toch!» zei de kleine jongen.

De oude man kwam met het vergenoegdste gezicht en met de heerlijkste
ingelegde vruchten en appelen en noten; nu dacht de knaap niet meer
aan den tinnen soldaat.

Gelukkig en vergenoegd kwam de kleine jongen thuis; en er verliepen
dagen en weken; er werd naar het oude huis toe en van het oude huis
teruggeknikt; nu ging de kleine jongen weer naar den overkant.

De uitgesneden trompetters bliezen: «Ratata, ratata! Daar is de
kleine jongen! Ratata, ratata!» De zwaarden en de wapenrustingen op
de oude ridderportretten rammelden en de zijden kleeren ruischten;
het varkensleer vertelde, en de oude stoelen hadden jicht in den
rug. Dat was alles, evenals de eerste maal, want aan den overkant
was de eene dag en het eene uur precies als de andere.

«Ik kan het hier niet langer uithouden!» zei de tinnen soldaat. «Ik
heb tin gehuild. Het is hier te somber! Laat mij liever ten strijde
trekken en armen en beenen verliezen! Dit is ten minste eens wat
anders. Ik kan het hier niet uithouden!--Nu weet ik wat het wil zeggen,
bezoek te krijgen van zijn oude gedachten en van alles, wat zij met
zich mee kunnen voeren. Ik heb een bezoek van de mijne gehad, en ge
kunt er zeker van zijn, dat dit op den langen duur niet plezierig
is. Het heeft niet veel gescheeld, of ik was van de kist naar beneden
gesprongen. Ik zag u allen in het huis aan den overkant zoo duidelijk,
alsof ge werkelijk hier waart. Het was weer Zondagmorgen, wanneer
gij, kinderen, allen voor de tafel stondt en den psalm zongt, zooals
ge iederen morgen doet. Ge stondt met gevouwen handen, en uw vader
en moeder waren even ernstig gestemd; daar ging de deur open, en uw
kleine zusje Marie, die nog geen twee jaar oud is en altijd danst,
als zij muziek of gezang hoort, van welken aard dit ook wezen moge,
werd in de kamer neergezet.--Zij mocht wel is waar niet, maar zij
begon toch te dansen; zij kon echter niet goed op haar dreef komen,
want de tonen waren te lang uitgerekt, en daarom stond ze eerst op
haar ene been en hield haar hoofd voorover; maar het ging niet. Ge
bleeft allen heel ernstig, ofschoon ge werk hadt om u goed te houden;
maar ik moest bij mij zelf lachen, en daarom viel ik van de tafel naar
beneden en kreeg een bult, waarmee ik nog loop; want het was niet
goed van mij, dat ik lachte. Maar dit alles, en alles wat ik verder
beleefd heb, komt mij nu weer voor den geest, en dat zijn zeker de
oude gedachten met alles, wat zij met zich meevoeren. Zeg mij eens,
of ge des Zondags nog zingt? Vertel mij iets van Marie! En hoe gaat
het met mijn kameraad, den anderen tinnen soldaat? Ja, die is zeker
heel gelukkig!--Ik kan het hier niet meer uithouden!»

«Je bent present gegeven,» zei de knaap, «en je moet hier dus
blijven. Zie je dat zelf niet in?»

En de oude man kwam met een kistje, waarin allerlei te zien was:
blanketdoosjes en pommadefleschjes, oude kaarten, zoo groot en verguld,
als men ze nu niet meer te zien krijgt. Er werden meer kastjes
opengedaan, ook het klavier; daarin waren van binnen op het deksel
landschappen geschilderd; maar het was schor, toen de oude man er op
speelde; toen knikte hij tegen het portret, dat hij bij den uitdrager
gekocht had, en de oogen van den ouden man fonkelden daarbij helder.

«Ik wil ten strijde trekken! Ik wil ten strijde trekken!» riep de
tinnen soldaat zoo hard, als hij maar kon, en sprong op den vloer neer.

Waar was hij gebleven? De oude man zocht, de kleine jongen zocht:
weg was hij en weg bleef hij. «Ik zal hem wel vinden,» zei de oude
man; maar hij vond hem niet; de vloer was te open en vol gaten. De
tinnen soldaat was door een reet gevallen; daar lag hij nu, als in
een open graf.

De dag verliep, en de kleine jongen kwam thuis; en er verliepen
verscheidene weken. De ruiten waren heelemaal bevroren, en de kleine
jongen moest er op ademen, om een gat te maken, ten einde naar het
oude huis te kunnen kijken. Er was sneeuw in alle hoeken gewaaid,
en deze bedekte de heele trap, alsof er niemand in huis was. En er
was ook niemand in huis: de oude man was gestorven!

's Avonds hield er een lijkkoets voor de deur stil, en daar zette
men zijn doodkist in: hij zou buiten op het land in zijn familiegraf
rusten. Daar werd hij nu naar toe gereden; maar niemand volgde zijn
lijk; al zijn vrienden waren dood. De kleine jongen wierp de doodkist,
toen deze voorbijreed, kushandjes toe.

Eenige dagen daarna werd er verkooping in het oude huis gehouden,
en de kleine jongen keek uit zijn raam, hoe men de oude ridders en
de oude dames, de bloempotten met de lange ooren, de stoelen en de
oude kasten wegdroeg. Het eene ging hierheen, het andere daarheen;
_haar_ portret, dat van den uitdrager gekocht was, kwam weer bij den
uitdrager te land, en daar bleef het hangen; want niemand bekommerde
zich om het oude schilderij.

In het voorjaar brak men het huis af; het was een kavalje, zeiden de
menschen. Men kon van de straat vlak in de kamer op het varkensleeren
behangsel zien, dat aan stukken gesneden en van den muur afgehaald
werd, en het groen van het balkon hing verwilderd om de balken,
die met instorting bedreigd werden.--En nu werd er opruiming gehouden.

«Dat helpt!» zeiden de naburige huizen.

Er werd een prachtig huis gebouwd met groote ramen en witte, gladde
muren; maar voor de plaats, waar het oude huis gestaan had, werd een
klein tuintje aangelegd, en tegen den muur van den buurman klommen
wilde wijngaardranken op, voor het tuintje kwam een groot ijzeren hek
met een ijzeren deur; dat zag er deftig uit. De menschen bleven er voor
staan en keken er doorheen. En de musschen zetten zich bij dozijnen
op de wijngaardranken neer en praatten door elkaar, zoo hard als zij
maar konden, doch niet over het oude huis, want dat konden zij zich
niet meer herinneren; er waren al vele jaren verloopen,--zoo veel,
dat de kleine jongen tot een man, ja, tot een degelijk man opgegroeid
was, waarvan zijn ouders plezier hadden. Hij was pas getrouwd en had
met zijn vrouw het huis betrokken, waarvoor het tuintje zich bevond;
en hier stond hij nu naast haar, terwijl zij een veldbloem, die zij
heel mooi vond, in een pot zette; zij plantte haar met haar kleine
hand en drukte de aarde met haar vingers vast aan.--«Ai! Wat was
dat?»--Zij prikte zich. Boven de weeke aarde stak een zeker puntig
voorwerp uit. Dat was--begrijp eens!--dat was de tinnen soldaat,
dezelfde, die bij den ouden man verloren geraakt was, die een geruimen
tijd tusschen timmerhout en puin rondgedwaald en nu reeds vele jaren
in de aarde gelegen had.

De jonge vrouw veegde den soldaat eerst met een groen blad en toen
met haar fijnen zakdoek af; deze gaf een heerlijken geur van zich! En
het was den tinnen soldaat juist zoo te moede, alsof hij uit een
bezwijming ontwaakte.

«Laat mij hem eens zien!» zei de jonge man, glimlachte en schudde
daarop het hoofd. «Die kan het toch wel niet zijn; maar hij doet mij
denken aan een geschiedenis met een tinnen soldaat, dien ik gehad heb,
toen ik nog een kleine jongen was.» En daarop vertelde hij aan zijn
vrouw van het oude huis en den ouden man, en van den tinnen soldaat,
die hij hem toegezonden had, omdat hij zoo alleen was, zoodat de tranen
de jonge vrouw in de oogen kwamen over het oude huis en den ouden man.

«Het is toch wel mogelijk, dat dit dezelfde tinnen soldaat is!» zeide
zij. «Ik zal hem bewaren en denken aan hetgeen je mij verteld hebt;
maar het graf van den ouden man moet je mij eens wijzen.»

«Ik weet niet, waar het is,» antwoordde hij, «en dat weet niemand. Al
zijn vrienden waren dood; niemand plantte er bloemen op, en ik was
destijds immers nog maar een kleine jongen!»

«Ach! Wat zal hij het hier eenzaam gehad hebben!» zeide zij.

«Ja, eenzaam!» zei de tinnen soldaat; «maar heerlijk is het, niet
vergeten te worden!»

«Heerlijk!» riep een stem dicht in de nabijheid; maar niemand anders
dan de tinnen soldaat zag, dat dit van een stuk van het varkensleeren
behangsel kwam, dat nu zonder eenig verguldsel was. Het zag er uit als
natte aarde; maar een overtuiging had het toch, en deze sprak het uit:


    «'t Verguldsel moge ras vergaan,
    Het varkensleer blijft steeds bestaan!»


Maar de tinnen soldaat geloofde dat niet.



DE GELUKKIGE FAMILIE.


Het grootste groene blad in Denemarken is zeker wel dat van het
kliskruid; houdt men er een voor zijn lijf, dan is het als een schort,
en legt men het op zijn hoofd, dan is het bij regenachtig weer bijna
even goed als een paraplu, want het is buitengewoon groot! Nooit
groeit een klis alleen; waar er een groeit, daar groeien er ook meer;
het is een pracht om te zien! En al deze pracht is slakkenkost.

De groote, witte slakken, waarvan de deftige lui in oude dagen
fricassée lieten klaarmaken en, als zij het gegeten hadden, zeiden:
«Hé! wat smaakt dat!»--want zij geloofden nu eenmaal, dat het
overheerlijk smaakte, zij leefden van klisbladeren. En daarom werd
er kliskruid gezaaid.

Nu was er een oud ridderkasteel, waar men geen slakken meer at. De
slakken waren uitgestorven, maar de klissen niet. Deze groeiden
en groeiden in alle paden, op alle bedden; men kon ze niet meer
keeren; het was een echt klissenbosch. Hier en daar stonden appel- of
pruimeboomen, anders zou men zeker nooit op de gedachte gekomen zijn,
dat het hier een tuin was. Alles was kliskruid, en daarin woonden de
beide laatste stokoude slakken, een mannetje en een wijfje.

Zij wisten zelf niet, hoe oud zij waren; maar zij konden zich zeer
goed herinneren, dat zij veel grooter in getal geweest waren, dat
zij van een familie uit vreemde landen afstamden, en dat het bosch
voor hen en de hunnen geplant was. Zij waren er nooit buiten geweest,
maar het was hun bekend, dat er nog iets in de wereld was, dat het
ridderkasteel heette; daar werd men gekookt, dan werd men zwart en
op een zilveren schotel gelegd;--wat er later nog meer gebeurde, dat
wisten zij niet. Hoe dat overigens is, wanneer men gekookt en op een
zilveren schotel gelegd wordt, konden zij zich niet voorstellen, maar
heerlijk moest het zijn, en vooral moest het heel deftig staan. Noch
de meikever, noch de pad, noch de regenworm, die zij daarnaar vroegen,
konden hun daaromtrent inlichtingen geven; want geen van hun soort
was ooit gekookt of op een zilveren schotel gelegd.

De oude, witte slakken waren de voornaamsten in de wereld: dat wisten
zij! Het bosch was er ter wille van hen, en het ridderkasteel ook,
opdat zij gekookt en op een zilveren schotel gelegd zouden kunnen
worden.

Zij leefden nu zeer ingetogen, en daar zij zelf kinderloos waren,
hadden zij een kleine gemeene slak, een jongetje, tot zich genomen, dat
zij als hun eigen kind opvoedden. Maar de kleine wilde niet groeien,
want het was maar een gemeene slak; doch de oudjes, inzonderheid de
pleegmoeder, meenden wel te merken, dat hij toch grooter werd. En zij
verzocht den pleegvader, als hij dit niet kon zien, toch eens aan het
kleine slakkehuisje te willen voelen; nu betastte hij dit en vond,
dat zijn vrouw gelijk had.

Op zekeren, dag regende het geducht.

«Hoor eens, hoe het op de klisbladeren trommelt!» zei de pleegvader.

«Dat noem ik droppels!» zei de pleegmoeder. «Het loopt immers bij den
steel neer! Je zult eens zien, dat het hier nat zal worden. Ik ben
maar blij, dat wij onze goede huisjes hebben, en dat de kleine er
ook een heeft! Er is toch werkelijk meer voor ons gedaan, dan voor
alle andere schepselen; men kan het toch duidelijk zien, dat wij de
hoogste plaats in de wereld bekleeden! Wij hebben van onze geboorte af
huisjes, en het klissenbosch is ter wille van ons gezaaid! Ik zou wel
eens willen weten hoe ver dit zich uitstrekt en wat er buiten ligt.»

«Daar is niets,» zei de pleegvader, «dat beter zou kunnen zijn,
dan bij ons: ik heb volstrekt niets te wenschen.»

«Ja,» zei de pleegmoeder. «Ik zou wel naar het ridderkasteel gebracht,
gekookt en op een zilveren schotel gelegd willen worden; dat is
met al onze voorvaderen gebeurd, en je kunt gelooven: daar is een
bedoeling bij.»

«Misschien is het ridderkasteel wel ingestort,» zei de pleegvader,
«of is het klissenbosch er overheen gegroeid, zoodat de menschen er
niet meer uit konden komen. En bovendien is daarbij toch ook geen
haast. Maar je haast je altijd te veel, en de kleine begint dat ook
al te doen. Kruipt hij niet reeds sedert drie dagen tegen den steel
op? Ik krijg er waarlijk hoofdpijn van, als ik naar hem opkijk.»

«Je moet niet op hem knorren!» zei de pleegmoeder. «Hij kruipt immers
heel voorzichtig; wij zullen zeker veel vreugde aan hem beleven; en
wij oudjes hebben immers niets anders, waarvoor wij leven. Maar heb
je er wel eens over nagedacht, waar wij een vrouw voor hem vandaan
zullen krijgen! Denk je niet, dat er zich verder in het klissenbosch
nog zulke van onze soort ophouden?»

«Zwarte slakken zullen daar wel zijn, denk ik,» zei de pleegvader,
«zwarte slakken zonder huisje! Maar die zijn te gemeen en toch
verbeelden zij zich heel wat. Maar wij zouden aan de mieren wel
eens last kunnen geven om naar een vrouw voor hem uit te kijken;
die loopen toch heen en weer, alsof zij heel wat zaken aan de hand
hadden; die zullen zeker wel een vrouw voor onzen kleine weten.»

«Ik zou er wel een weten,» zeide een der mieren; «maar ik vrees,
dat dit niet zal gaan, want het is een koningin.»

«Dat doet er niet toe!» zeiden de oudjes. «Heeft zij een huis?»

«Zij heeft een kasteel!» antwoordde de mier; «het mooiste mierenkasteel
met zevenhonderd gangen.»

«Hartelijk bedankt!» zei de pleegmoeder. «Onze pleegzoon zal niet
naar een mierennest toe. Als je niets beters weet, dan zullen we aan
de muggen maar eens last geven, die vliegen overal rond in regen en
zonneschijn, die kennen het klissenbosch van haver tot gort.»

«Wij weten een vrouw voor hem!» zeiden de muggen. «Honderd
menschenstappen hier vandaan zit op een kruisbessenboom een kleine
slak met een huisje; die woont heelemaal alleen en is oud genoeg om
te trouwen. Het is maar honderd menschenstappen hier vandaan.»

«Ja, laat haar maar eens bij hem komen!» zeiden de oudjes. «Hij heeft
een klissenbosch, zij maar een boom.»

En nu haalden zij het kleine dametje. Het duurde acht dagen voordat
zij kwam; maar dat stond juist deftig, en daaraan kon men zien,
dat zij van de rechte soort was.

Daarop hielden zij bruiloft. Zes glimwormpjes gaven licht, zoo goed
als zij konden; overigens ging alles heel stil in zijn werk, want
de oude slakken konden geen geraas en getier velen. Maar er werd een
heerlijke toespraak door de pleegmoeder gehouden.

De pleegvader kon niet spreken: hij was te geroerd. Daarop gaven zij
hun als erfenis het geheele klissenbosch en zeiden, wat zij altijd
gezegd hadden: dat het het beste van de wereld was, en dat zij,
als zij rechtschapen en eerbaar leefden en zich vermenigvuldigden,
eenmaal benevens hun kinderen op het ridderkasteel zouden komen, en
zwart gekookt en op een zilveren schotel gelegd worden. En nadat deze
toespraak geëindigd was, kropen de oudjes in hun huisje en kwamen
er nooit meer uit: zij sliepen. Het jonge slakkenpaar regeerde nu
in het bosch en kreeg een talrijke nakomelingschap. Daar zij echter
nooit gekookt op den zilveren schotel kwamen, maakten zij daaruit op,
dat het ridderkasteel ingestort en dat alle menschen op de wereld
uitgestorven waren. En daar niemand hen tegensprak, moest het immers
wel waar zijn. De regen viel op de klissenbladeren neer, om voor
hen trommelmuziek te maken, de zon scheen, om het klissenbosch voor
hen te verven; en zij waren zeer gelukkig, en de heele familie was
gelukkig, overgelukkig.



TWEE JUFFERS.


Hebt ge wel eens een juffer gezien?--dat is te zeggen, wat de
straatmakers een juffer noemen, een ding, waarmee zij de straatsteenen
vaststampen. Zulk een juffer is geheel en al van hout, onderaan breed
en van ijzeren handen voorzien, bovenaan smal met een stok er door
heen,--en dezen stok heeft de juffer voor armen.

In de schuur stonden twee zulke juffers; zij hadden haar plaats
tusschen straathamers, handwagens en kruiwagens, en tot deze allen was
het gerucht doorgedrongen, dat de juffers voortaan niet meer «juffers,»
maar «straatstampers» zouden heeten, hetgeen in de straatmakerstaal
de eenige en alleen juiste benaming is voor het ding, dat men in
vroegere tijden altijd een juffer noemde.

De twee juffers in de bergplaats dachten er volstrekt niet aan,
haar ouden naam zoo maar op te geven en zich «straatstampers» te
laten noemen.

«Juffer is een menschennaam,» zeiden zij, «maar straatstamper is een
ding, en wij laten ons niet zoo maar een ding noemen; dat zou een
smaad voor ons zijn!»

«Mijn minnaar zou in staat zijn, het engagement te verbreken!» zei
de jongste, die met een heiblok verloofd was; en een heiblok is een
ding, dat groote palen in den grond drijft en dus in het grove datgene
verricht, wat de juffer in het fijne doet. «Hij wil mij als juffer tot
vrouw nemen, maar of hij dit zou doen, als ik een straatstamper werd,
is de vraag nog, en daarom laat ik mij ook niet herdoopen.»

«En ik,» zei de oudste, «laat liever mijn beide armen afhouwen!»

De kruiwagen was echter van een ander gevoelen, en de kruiwagen was
nog al iemand van beteekenis; hij beschouwde zich als het vierde
gedeelte van een koets, omdat hij op één wiel liep.

«Ik moet u echter doen opmerken,» sprak deze, «dat juffer vrij
alledaagsch en op verre na niet zoo deftig klinkt, als straatstamper
of stempel, welke naam ook voorgesteld is, en waardoor ge b. v. in de
klasse der cachetten zoudt treden, en denkt maar eens aan het groote
staatscachet, waarmee men het staatszegel opdrukt en aan de wet eerst
kracht verleent. Neen, als ik in uw plaats was, dan zou ik dat «juffer»
maar opgeven.»

«Neen, dat nimmer! Daar ben ik te oud voor!» zei de oudste.

«Ge hebt waarschijnlijk nog nooit hooren spreken over het ding,
dat men de «Europeesche noodzakelijkheid» noemt,» bracht de eerlijke
wisse in het midden. «Men moet zich in tijd en omstandigheden weten
te schikken, en is er eenmaal een wet uitgevaardigd, dat de juffers
straatstampers moeten heeten, welnu, dan moeten zij ook straatstampers
heeten, en dan helpt het niet, of men er al tegen moppert.»

«Neen,» zei de jongste, «dan zou ik mij, als er dan toch een
verandering moet plaats hebben, nog liever jonkvrouw laten noemen:
jonkvrouw klinkt toch nog altijd wat deftiger dan juffer!»

«Maar dan laat ik mij liever tot brandhout hakken!» zei de oudste
juffer.

Eindelijk ging men aan het werk; de juffers reden, zij werden op den
kruiwagen gelegd, dat was wel een goede behandeling, maar met dat al
noemde men ze toch straatstampers.

«Juf...!» zeiden zij, terwijl zij de straatsteenen
vaststampten. «Juf...!» En het scheelde niet veel, of zij hadden het
geheele woord «juffer» uitgesproken, maar zij braken plotseling af
en slikten de laatste lettergreep in, want na rijp beraad achtten
zij het beneden haar waardigheid om er zich tegen te verzetten. Maar
onder elkaar noemden zij zich altijd «juffer» en prezen den goeden,
ouden tijd, toen men ieder ding bij zijn waren naam noemde en men
juffer genoemd werd, als men juffer was; en dat bleven zij allebei;
want het heiblok verbrak inderdaad het engagement met de jongste:
hij wilde slechts een juffer tot vrouw hebben.



DE WILDE ZWANEN.


Ver van hier, daar, waarheen de zwaluwen vliegen, wanneer wij winter
krijgen, woonde eens een koning. Deze had elf zonen en één dochter,
Elize genaamd. De elf broeders waren prinsen. Zij gingen met de ster
op de borst en de sabel op zijde naar school toe, zij schreven met
diamanten griften op gouden leien en leerden even goed van buiten, als
zij lazen; men kon dadelijk hooren, dat het prinsen waren. Hun zuster
Elize zat op een klein bankje van spiegelglas en had een prentenboek,
dat voor het halve koninkrijk gekocht was.

O, die kinderen hadden het zoo goed, als het maar kon; doch zoo zou
het niet altijd blijven!

Hun vader, die koning over het geheele land was, trouwde met een
booze koningin, die de arme kinderen volstrekt niet mocht lijden. Op
den eersten dag konden zij dit al merken. Op het kasteel heerschte
groote pracht, en nu speelden de kinderen, dat zij visite hadden;
maar in plaats dat zij, evenals vroeger, zooveel koek en gebraden
appels kregen, als er maar te vinden waren, gaf zij hun slechts zand
in een theekopje en zeide, dat zij nu maar net moesten doen, alsof
dit iets was.

In de daarop volgende week bracht zij de kleine Elize naar het
platteland naar een boer en een boerin toe, en lang duurde het niet,
of zij loog den koning zooveel van de arme prinsen voor, dat deze
zich volstrekt niet meer om hen bekommerde.

«Vliegt de wijde wereld in en helpt u zelf!» zei de booze
koningin. «Vliegt, evenals de groote vogels zonder stem!» Maar zij
kon het toch niet zoo erg maken, als zij graag wilde; het werden elf
prachtige wilde zwanen. Met een zonderling geschreeuw vlogen zij uit
de ramen van het kasteel, over het park heen en het bosch in.

Het was nog vroeg in den morgen, toen zij daar voorbijkwamen, waar hun
zuster Elize in de kamer van den boer lag te slapen. Hier zweefden
zij boven het dak, draaiden met hun lange halzen heen en weer en
sloegen toen met hun vleugels; maar niemand hoorde of zag het. Zij
moesten weer verder, hoog naar de wolken op, de wijde wereld in; nu
vlogen zij naar een groot, donker bosch, dat zich tot aan het strand
der zee uitstrekte.

De arme, kleine Elize stond in de kamer van den boer en speelde met
een groen blad: want ander speelgoed had zij niet. Zij stak een gat
in dit blad, keek er doorheen naar de zon, en nu was het, alsof zij
de heldere oogen van hare broeders zag; telkens wanneer de warme
zonnestralen op haar wangen vielen, dacht zij aan al hun kussen.

De eene dag verliep evenals de andere. Als de wind door de groote
rozenheggen buiten voor het huis gierde, dan fluisterde hij de rozen
toe: «Wie kan schooner zijn dan gij?» Maar de rozen schudden het hoofd
en zeiden: «Elize is schooner!» En als de oude vrouw des Zondags
voor de deur zat en in haar gezangboek las, dan keerde de wind de
bladeren om en zeide tegen het boek: «Wie kan vromer zijn dan gij?»
En dan antwoordde het gezangboek: «Elize is vromer!» En het was de
volle waarheid, wat de rozen en het gezangboek zeiden.

Toen zij vijftien jaar oud was, zou zij naar huis terugkeeren;
maar toen de koningin zag, hoe schoon zij was, werd zij toornig
op haar. Gaarne zou zij haar in een wilden zwaan veranderd hebben,
evenals haar broeders; maar dat waagde zij niet dadelijk, omdat de
koning zijn dochter wilde zien.

's Morgens vroeg ging de koningin in het bad, dat van marmer gebouwd
en met zachte kussens en de prachtigste dekens versierd was; zij nam
drie padden, kuste ze en zei tegen de eene: «Ga op het hoofd van Elize
zitten, als zij in het bad komt, opdat zij even dom moge worden, als
jij bent!»--«Zet je op haar voorhoofd neer,» zeide zij tegen de tweede,
«opdat zij even leelijk moge worden, als jij bent, zoodat haar vader
haar niet herkent!»--«Rust aan haar hart!» fluisterde zij de derde toe;
«laat haar een boos karakter krijgen, opdat zij daarvan verdriet moge
hebben!» Daarop zette zij de padden in het heldere water, dat terstond
een groene kleur aannam, riep Elize, kleedde haar uit en liet haar in
het water neerdalen. En terwijl Elize onder water dook, zette de eene
pad zich in haar haar, de andere op haar voorhoofd en de derde op haar
borst neer. Maar Elize scheen dit niet te bemerken; zoodra zij zich
oprichtte, dreven er drie roode papavers op het water. Als de dieren
niet vergiftig geweest waren en een kus van de heks gekregen hadden,
dan zouden zij in roode rozen veranderd zijn. Maar bloemen werden zij
toch, omdat zij op haar hoofd, haar voorhoofd en haar hart gezeten
hadden. Zij was te vroom en te onschuldig, dan dat de tooverij macht
over haar zou kunnen hebben!

Toen de booze koningin dit zag, wreef zij Elize met het sap van een
walnoot in, zoodat zij donkerbruin werd, bestreek haar schoon gelaat
met een stinkende zalf en liet haar prachtig haar in de war raken. Het
was onmogelijk, de schoone Elize nu te herkennen.

Toen haar vader haar zag, verschrikte hij en zeide, dat het zijn
dochter niet was. Geen anderen dan de hond en de zwaluwen konden haar
herkennen; maar dat waren arme dieren, die niets te zeggen hadden.

Nu weende de arme Elize en dacht aan haar elf broeders, die allemaal
weg waren. Bedroefd sloop zij het kasteel uit en liep den geheelen dag
over veld en moeras, totdat zij in het groote bosch kwam. Zij wist
niet, waar zij naar toe zou gaan, maar gevoelde zich diep bedroefd
en verlangde naar haar broers; dezen waren zeker ook, evenals zij,
de wijde wereld ingejaagd; en nu wilde zij hen zoeken en vinden.

Slechts korten tijd was zij in het bosch geweest, toen de nacht
aanbrak; zij wist nu weg noch steg meer; daarom ging zij op het zachte
mos liggen, deed haar avondgebed en leunde met haar hoofd tegen een
boomtronk aan. Er heerschte een diepe stilte; de lucht was zacht, en om
haar heen in het gras en in het mos gaven honderden glimwormpjes, als
een groen vuur, gloed van zich; toen zij een der takken zachtjes met
haar hand aanraakte, vielen de lichtgevende insecten als verschietende
sterren naast haar neer.

Den geheelen nacht droomde zij van haar broers; zij speelden weer
als kinderen, schreven met de diamanten griften op de gouden leien
en keken in het prachtige prentenboek, dat het halve koninkrijk
gekost had. Maar op hun leien schreven zij niet, evenals vroeger,
cijfers, maar de moedige daden, die zij volbracht, alles, wat zij
ondervonden en gezien hadden; en in het prentenboek leefde alles;
de vogels zongen en de menschen kwamen het boek uit en spraken met
Elize en haar broers. Maar als dezen het blad omkeerden, sprongen
zij er dadelijk weer in, opdat de prenten niet in de war zouden raken.

Toen zij wakker werd, stond de zon al hoog aan den hemel; Elize kon
haar echter niet zien; want de hooge boomen spreidden hun takken dicht
boven haar uit. Maar de stralen speelden daarboven als een gouden lint;
er was een geur van het groen, en de vogels zetten zich bijna op haar
schouders neer. Zij hoorde water plassen: dat waren groote bronnen,
die alle in een meer uitliepen, met den heerlijksten zandgrond. Het
was omringd door dichte struiken; maar op één plaats hadden de herten
een groote opening gemaakt, en hier ging Elize naar het water toe. Dit
was zoo helder, dat men, als de wind de takken en de struiken niet
had aangeraakt, zoodat zij zich bewogen, zou gedacht hebben, dat zij
op den bodem van het water afgeteekend waren; zoo duidelijk spiegelde
ieder blad zich daarin af, zoowel dat, hetwelk door de zon beschenen
werd, als dat, hetwelk in de schaduw was.

Zoodra Elize haar eigen gezicht zag, verschrikte zij, zoo bruin en
leelijk was het; maar toen zij haar kleine hand nat maakte en daarmee
over haar oogen en haar voorhoofd wreef, kwam haar blanke huid weer te
voorschijn. Nu kleedde zij zich uit en daalde in het frissche water
neer! Een schooner koningskind, dan zij was, werd er in de wereld
niet gevonden!

Toen zij zich weer aangekleed en haar lange lokken gevlochten had,
ging zij naar de springbron toe, dronk uit het holle van haar hand
en liep het bosch dieper in, zonder zelf te weten waarheen. Zij
dacht aan haar broeders, dacht aan den goeden God, die haar zeker
niet zou verlaten. God liet de wilde appelen in het bosch groeien,
om de hongerigen te verzadigen. Hij wees haar zulk een boom aan;
de takken daarvan bogen zich onder den last der vruchten. Hier hield
zij haar middagmaal, zette stutten onder de takken en ging toen het
donkerste gedeelte van het bosch in. Daar was het zoo stil, dat zij
haar eigen voetstappen hoorde, alsmede het ritselen van ieder dor blad,
dat zich onder haar voet boog. Geen enkele vogel was er te zien, geen
enkele zonnestraal kon door de groote, donkere takken heendringen;
de hooge stammen stonden zoo dicht bij elkaar, dat het, wanneer zij
voor zich uitkeek, den schijn had, alsof zij door een hek van balken
omgeven was. O, hier heerschte een eenzaamheid, zooals zij vroeger
nooit gekend had.

De nacht werd stikdonker; geen enkel glimwormpje gaf meer licht in
het mos. Bedroefd legde zij zich ter neer om te slapen. Nu scheen
het haar, alsof de takken der boomen boven haar ter zijde weken en
de goede God met milde blikken op haar neerzag; en de kleine engelen
keken boven Zijn hoofd en onder Zijn armen uit.

Toen zij 's morgens wakker werd, wist zij niet, of zij het gedroomd
had, dan of het werkelijk zoo geweest was.

Zij deed eenige schreden voorwaarts. Nu ontmoette zij een oude vrouw
met bessen in haar mand; de oude vrouw gaf haar daarvan wat. Elize
vroeg haar, of zij niet elf prinsen door het bosch had zien rijden.

«Neen,» zei de oude vrouw; «maar ik heb gisteren elf zwanen, ieder
met een gouden kroon op den kop, hier in de nabijheid over de rivier
zien zwemmen.»

En zij bracht Elize een eindje verder tot aan een helling; aan den
voet daarvan kronkelde zich een riviertje; de boomen op de oevers
strekten hun lange, lommerrijke takken naar elkander uit, en waar zij,
tengevolge van hun natuurlijken groei, niet aan elkander konden raken,
daar waren de wortels uit den grond losgerukt en hingen, met de takken
in elkaar gestrengeld, over het water heen.

Elize zei de oude vrouw vaarwel en liep langs het riviertje tot aan
de plaats, waar dit naar den grooten, open oceaan vloeide.

De geheele heerlijke zee lag voor het jonge meisje, maar geen
enkel zeil vertoonde zich daarop, geen enkel schip was er op te
zien. Hoe zou zij nu verder komen? Zij bekeek de tallooze kleine
steentjes, die er op het strand lagen: het water had ze allemaal
rond gemaakt. Glas, ijzer, steenen, alles, wat daar aangespoeld was,
had zijn vorm gekregen door het water, dat toch veel zachter dan haar
fijne hand was. «Dat rolt onvermoeid voort, en zoo wordt het harde
glad; ik zal ook zoo onvermoeid zijn. Dank voor uw les, gij heldere,
rollende golven! Eenmaal, dat zegt mij mijn hart, zult ge mij naar
mijn broeders toe brengen!»

Op het aangespoelde zeegras lagen elf witte zwaneveeren; zij bond ze
bij elkaar. Er lagen waterdroppels op: of het dauwdroppels of tranen
waren, kon niemand zien. Eenzaam was het daar aan het strand, maar zij
gevoelde het niet; want de zee bood een eeuwige afwisseling aan, ja,
meer in slechts weinige uren, dan de zoete landwateren in een jaar
kunnen opleveren. Als er een groote, zwarte wolk kwam, dan was het,
alsof de zee wilde zeggen: «Ik kan er ook donker uitzien,» en dan
blies de wind en keerden de golven den witten kant naar buiten. Maar
als de wolken rood schenen en de winden sliepen, dan was de zee als
een rozeblad; nu eens werd zij groen, dan weer wit. Maar hoe stil
zij ook was, aan den oever was toch altijd een zachte beweging; het
water verhief zich slechts even, gelijk de borst van een slapend kind.

Toen de zon zou ondergaan, zag Elize elf witte zwanen met gouden kronen
op hun koppen naar het land toe komen; zij vlogen vlak achter elkaar,
zoodat ze een lang wit lint schenen. Nu klom Elize de helling op en
verborg zich achter een kreupelboschje; de zwanen zetten zich dicht
bij haar neer en sloegen met hun groote witte vleugels.

Zoodra de zon in het water verdwenen was, vielen de zwaneveeren
plotseling af, en nu stonden daar elf schoone prinsen, de broeders
van Elize. Zij gaf een luiden gil; ofschoon zij heel wat veranderd
waren, wist zij toch, dat zij het waren, gevoelde zij, dat zij het
zijn moesten. En zij vloog hun in de armen en noemde hen bij name;
en de prinsen voelden zich hoogst gelukkig, toen zij hun kleine
zuster zagen en herkenden ook haar, die nu groot en schoon was. Zij
lachten en weenden, en al spoedig hadden zij begrepen, hoe slecht
hun stiefmoeder voor hen allen geweest was.

«Wij broeders,» zei de oudste, «wij vliegen als wilde zwanen, zoolang
de zon aan den hemel staat; zoodra zij ondergegaan is, krijgen wij onze
menschelijke gedaante terug. Daarom moeten wij altijd oppassen, dat
wij bij den ondergang der zon een rustplaats voor onze voeten hebben;
want als wij op dien tijd naar de wolken opvliegen, dan moeten wij als
menschen in de diepte neerstorten. Hier wonen wij niet; er ligt een
even schoon land als dit aan gene zijde der zee. Maar de weg daarheen
is ver: wij moeten over de groote zee heen, en er bevindt zich geen
eiland op onzen weg, waar wij kunnen overnachten: alleen een kleine
klip steekt er in het midden daarvan uit; deze is slechts zoo groot,
dat wij, dicht naast elkander liggende, daarop kunnen slapen. Is
de zee in hevige beweging, dan spat het water hoog boven ons uit;
maar toch danken wij God voor die klip. Daar overnachten wij in onze
menschelijke gedaante; zonder deze zouden wij ons lieve vaderland
nimmer kunnen bezoeken, want twee van de langste dagen des jaars
hebben wij voor onzen tocht noodig. Slechts eenmaal in het jaar is
het ons vergund, een bezoek aan ons vaderland te brengen; elf dagen
mogen wij hier blijven en over het groote bosch heenvliegen, vanwaar
wij het kasteel waarin wij geboren zijn en waar onze vader woont, en
de hooge kerktorens, waar onze moeder begraven is, kunnen zien. Hier
komt het ons voor, alsof boomen en planten aan ons verwant waren;
hier loopen de wilde paarden over de steppen heen, zooals wij dit in
onze kindsheid gezien hebben; hier zingt de kolenbrander zijn oude
liederen, waarop wij als kinderen dansten; hier is ons vaderland;
hierheen gevoelen wij ons aangetrokken, en hier hebben wij u, o lieve,
kleine zuster, gevonden! Twee dagen kunnen wij hier nog blijven,
dan moeten wij over de zee naar een heerlijk land, dat ons vaderland
echter niet is. Hoe zullen wij je daar naar toe brengen? Wij hebben
geen schip en geen boot!»

«Op welke wijze kan ik je verlossen?» vroeg hun zuster. En zij spraken
bijna den geheelen nacht met elkaar: zij sliepen slechts eenige uren.

Elize ontwaakte door het geklep der zwanevleugels, die over haar heen
bruisten: haar broeders waren weer veranderd en vlogen in groote
kringen en eindelijk ver weg; maar een hunner, de jongste, bleef
achter; en de zwaan legde zijn kop in haar schoot en zij streelde
zijn vleugels; den geheelen dag waren zij bij elkaar. Tegen den avond
kwamen de anderen terug, en toen de zon ondergegaan was, stonden zij
daar weer in hun natuurlijke gedaante.

«Morgen vliegen wij van hier weg en kunnen voor het einde van een
geheel jaar niet terugkeeren. Maar wij kunnen je zoo niet verlaten. Heb
je moed om mee te gaan? Ik ben sterk genoeg om je door het bosch te
dragen. Zouden wij met ons allen niet zulke sterke vleugels hebben,
om met je over de zee te vliegen?»

«Ja, neemt mij mee!» zei Elize.

Den heelen nacht waren zij bezig van buigzame wilgenschors en taaie
biezen een net te vlechten, en dit werd groot en stevig. Op dit
net legde Elize zich neer, en toen de zon te voorschijn kwam en
haar broeders in wilde zwanen veranderd werden, pakten zij het net
met hun snavels beet en vlogen met hun lieve zuster, die nog sliep,
hoog naar de wolken op. De zonnestralen vielen vlak op haar gezicht,
daarom ging een der zwanen boven haar hoofd vliegen, opdat zijn breede
vleugels haar zouden beschutten.

Zij waren al ver van het land verwijderd, toen Elize wakker werd;
zij dacht, dat zij nog droomde, zoo zonderling kwam het haar voor,
hoog door de lucht over de zee gedragen te worden. Naast haar lag een
tak met heerlijke, rijpe bessen en een bosje smakelijke wortelen;
deze had de jongste der broeders voor haar verzameld en bij haar
neergelegd. Zij glimlachte hem toe, want zij herkende hem; hij was het,
die boven haar vloog en haar met zijn vleugels beschaduwde.

Zij waren zoo hoog, dat het grootste schip, dat zij onder zich zagen,
een witte meeuw scheen te zijn, die op het water dreef. Een groote
wolk stond achter hen; dat was een berg. En op dezen zag Elize haar
eigene schaduw en die der elf zwanen; zoo reusachtig groot vlogen
zij daar. Dat was een tooneel, prachtiger dan zij er vroeger ooit
een gezien had. Maar toen de zon hooger steeg en de wolk verder
achterbleef, verdween ook het zwevende schaduwbeeld.

Den geheelen dag vlogen zij voort, als een snorrende pijl door de
lucht; maar het ging toch langzamer dan anders, want nu hadden zij hun
zuster te dragen. Er was ruw weer ophanden; de avond viel; angstig zag
Elize de zon al meer en meer dalen, en nog was de eenzame klip in zee
niet te zien. Het kwam haar voor, alsof de zwanen krachtiger slagen
met hun vleugels deden. Ach! zij was er de schuld van, dat zij niet
vlug genoeg konden voortkomen. Als de zon ondergegaan was, dan moesten
zij menschen worden, in de zee neerstorten en verdrinken. Nu zond zij
uit het binnenste haars harten een gebed tot God op; maar nog zag zij
geen klip. De zwarte wolk kwam naderbij; de wolken schenen een enkele,
groote, dreigende massa te zijn, die er bijna als lood uitzag en al
meer en meer voorwaarts dreef; bliksemstralen doorkliefden de lucht.

Nu was de zon juist aan den rand der zee. Het hart van Elize beefde;
nu daalden de zwanen naar beneden, zoo snel, dat zij meende te
vallen. Maar nu vlogen zij weer verder. De zon was half onder het
water; nu zag zij eerst de kleine klip onder zich. Deze zag er niet
grooter uit, dan of het een zeehond was, die met zijn kop boven het
water uitstak. De zon daalde zeer snel; nu scheen zij nog slechts als
een ster; daar raakte haar voet den vasten grond aan. De zon doofde
uit, evenals de laatste vonk in brandend papier: arm in arm zag zij
haar broeders om zich heen staan; maar meer plaats dan juist voor
dezen en voor haar was er ook niet. De golven sloegen tegen de klip
aan en spatten als een stofregen over haar heen; de lucht stond als
in vuur, en de eene donderslag na den anderen ratelde; maar zuster
en broeders grepen elkaar bij de hand en zongen psalmen, waaruit zij
troost en moed putten.

Toen het den volgenden morgen begon te schemeren, was de lucht helder
en stil; zoodra de zon opging, vlogen de zwanen met Elize van het
eiland weg. De golven gingen nog hoog; het had, terwijl zij zoo hoog
in de lucht waren, den schijn, alsof het witte schuim op de zwartachtig
groene zee millioenen zwanen waren, die op het water zwommen.

Toen de zon hooger steeg, zag Elize voor zich, half in de lucht
drijvend, een bergachtig land met schitterende ijsmassa's op de
rotsen; en in het midden daarvan verhief zich een kasteel van wel een
mijl lang, met de eene kolossale zuilengang boven de andere; beneden
golfden palmbosschen en prachtige bloemen. Zij vroeg, of dit het land
was, waar zij naar toe wilden; maar de zwanen schudden met hun kop,
want datgene, wat zij zag, was het heerlijke, aldoor afwisselende
wolkenkasteel der Fata Morgana; daarin konden zij geen menschen
brengen. Elize staarde het aan; daar stortten bergen, bosschen en
kasteel ineen, en twintig trotsche kerken, alle aan elkaar gelijk,
met hooge torens en spitsboogvensters stonden voor hen. Zij meende een
orgel te hooren spelen, maar het was de zee, die zij hoorde. Nu was
zij zeer dicht bij de kerken, en eensklaps werden deze tot een geheele
vloot, die onder haar voortzeilde; maar toen zij naar beneden keek,
waren het slechts nevelen, die over het water heen dreven. Zoo had
zij een voortdurende afwisseling voor oogen, totdat zij eindelijk het
werkelijke land zag, waar zij naar toe wilden; daar verhieven zich de
heerlijkste blauwe bergen met cederbosschen, steden en kasteelen. Lang
voordat de zon onderging, zat zij op de rotsen voor een groote grot,
die met fijne groene slingerplanten begroeid was; het zag er uit,
alsof het geweven tapijten waren.

«Nu zullen we eens zien, wat je hier van nacht droomt!» zei de jongste
broer en wees haar haar slaapkamer.

«Moge de Hemel geven, dat ik droom, hoe ik je kan verlossen!» zeide
zij. En deze gedachte hield haar geheel en al bezig; zij bad innig
tot God om Zijn hulp; ja, zelfs in den slaap ging zij met bidden
voort. Daar kwam het haar voor, alsof zij hoog in de lucht vloog,
naar het wolkenkasteel der Fata Morgana; en de toovergodin kwam haar
te gemoet, schoon en van licht stralende; en toch geleek zij precies
op de oude vrouw, die haar in het bosch bessen gegeven en haar van
de zwanen met gouden kronen op den kop verteld had.

«Uw broeders kunnen verlost worden,» zeide zij; «maar bezit ge moed
en volharding? Wel is het water zachter dan uw fijne handen, maar
toch rondt het de steenen af; doch het voelt de smarten niet, die uw
vingers zullen voelen; het heeft geen hart en lijdt den angst en de
kwelling niet, die gij zult moeten doorstaan. Ziet ge die brandnetel,
die ik in mijn hand houd? Van die zelfde soort groeien er verscheidene
rondom de grot, waarin ge slaapt; alleen die daar en die, welke op de
graven van het kerkhof groeien, zijn bruikbaar: let daar wel op! Die
moet ge plukken, ofschoon zij uw hand vol blaren zullen branden. Braak
deze brandnetels met uw voeten, dan krijgt ge vlas; daarvan moet ge
elf hemden met lange mouwen vlechten en naaien; werp deze over de
elf zwanen heen, dan is de betoovering geweken. Maar bedenk wel, dat
ge van het oogenblik, waarop ge met dezen arbeid begint, totdat deze
voltooid is, al mochten er ook jaren mee verloopen, niet moogt spreken;
het eerste woord, dat ge spreekt, dringt als een doodende dolk in de
harten van uw broeders door! Aan uw tong hangt hun leven! Neem dat
alles wel ter harte!»

En zij raakte met haar hand tegelijkertijd de brandnetel aan; deze was
als een brandend vuur; Elize werd er wakker van. Het was klaarlichte
dag, en dicht bij de plaats, waar zij geslapen had, lag een brandnetel
evenals die, welke zij in den droom gezien had. Nu viel zij op haar
knieën, dankte God en ging de grot uit, om een begin met haren arbeid
te maken.

Met haar fijne handen greep zij in de leelijke brandnetels; deze
waren als vuur; zij brandden groote blaren op haar handen en armen:
maar gaarne wilde zij dit lijden doorstaan, als zij er haar geliefde
broeders maar door kon verlossen. Zij braakte iedere brandnetel met
haar bloote voeten en vlocht het groene vlas.

Toen de zon ondergegaan was, kwamen haar broeders en verschrikten,
toen zij merkten, dat zij stom was; zij dachten, dat dit een nieuwe
betoovering van hun booze stiefmoeder was. Maar toen zij haar handen
zagen, begrepen zij, wat zij om hunnentwil deed. De jongste broeder
weende; en waar zijn tranen vielen, daar voelde zij geen pijn meer;
daar verdwenen de brandende blaren.

Den heelen nacht bracht zij met haar arbeid door; want zij had geen
rust, voordat zij haar broeders verlost had. Den volgenden dag,
terwijl de zwanen weg waren, zal zij in haar eenzaamheid; maar nog
nooit was de tijd haar zoo gauw voorbijgegaan als thans. Één hemd
was reeds klaar, nu begon zij aan het tweede.

Eensklaps weerklonk er een jachthoorn tusschen de bergen; zij werd door
vrees aangegrepen. Het geschal kwam gedurig naderbij; zij hoorde honden
blaffen; verschrikt vluchtte zij in de grot, bond de brandnetels,
die zij verzameld en gebraakt had, in een bosje samen en zette zich
daarop neer.

Terstond kwam er een groote hond uit de kloof te voorschijn, en al
spoedig daarop weer een, en nog een; zij blaften luide, liepen terug
en kwamen andermaal weer. Het duurde slechts weinige minuten, en nu
stonden al de jagers voor de grot, en de schoonste van hen was de
koning des lands. Hij ging naar Elize toe; nooit had hij een schooner
meisje gezien.

«Hoe zijt ge hier zoo gekomen, beste meid?» vroeg hij. Elize schudde
met het hoofd: zij mocht immers niet spreken; het gold de verlossing
en het leven van haar broers. En zij verborg haar handen onder haar
schort, opdat de koning niet zou zien, wat zij moest lijden.

«Ga met mij mee!» zeide hij. «Hier kunt ge niet blijven. Als ge even
goed zijt als schoon, dan zal ik u in zijde en fluweel kleeden, een
gouden kroon op uw hoofd zetten, en dan zult ge in mijn prachtigste
kasteel wonen en heerschen!»--Daarop tilde hij haar op zijn paard. Zij
weende en wrong zich de handen; maar de koning zei: «Ik wil slechts
uw geluk. Eenmaal zult ge mij daarvoor danken.» Met deze woorden reed
hij door het gebergte heen en zette haar voor zich op het paard neer,
en de jagers reden achter hen.

Toen de zon onderging, lag de schoone koningstad met kerken en koepels
voor hen. En de koning bracht haar in het kasteel, waar groote
fonteinen in de marmeren zalen sprongen, en waar schilderijen aan
de muren prijkten. Maar zij had daarvoor geen oogen: zij weende en
treurde slechts. Gewillig liet zij zich door de vrouwen koninklijke
kleeren aandoen, paarlen in de haren vlechten en fijne handschoenen
over haar verbrande vingers aantrekken.

Toen zij daar in al haar pracht stond, was zij verblindend schoon,
zoodat het hof diep voor haar boog. En de koning verkoos haar tot zijn
bruid, ofschoon de aartsbisschop het hoofd schudde en fluisterde, dat
het schoone meisje uit het bosch zeker een heks was: zij verblindde
de oogen des konings en maakte zijn hart verdwaasd.

Maar de koning luisterde daar niet naar, liet de muziek weerklinken,
de kostelijkste gerechten opdragen en de bekoorlijkste meisjes om
haar heen dansen. En zij werd door geurende tuinen in prachtige
zalen gebracht, maar geen enkel glimlachje kwam er op haar lippen
of uit haar oogen: als een beeld der treurigheid stond zij daar. Nu
deed de koning een kleine kamer daarnaast open, waar zij zou slapen;
deze was met kostbare groene tapijten versierd en geleek op de grot,
waarin zij geweest was; op den vloer lag een bosje vlas, dat zij
uit de brandnetels vervaardigd had, en onder een gordijn hing het
hemd, dat geheel gereed was. Dit alles had een der jagers als een
curiositeit meegenomen.

«Hier kunt ge u in uw vroegere woonplaats terugdroomen!» zei de
koning. «Hier is de arbeid, die u daar bezighield; thans, midden in al
uw pracht, zal het u een genoegen zijn, aan dien tijd terug te denken.»

Toen Elize zag, wat haar zoo na aan het hart lag, speelde er een
glimlach om haar lippen en keerde het bloed naar haar wangen terug. Zij
dacht aan de verlossing van haar broeders, kuste den koning de hand,
en hij drukte haar aan zijn hart en liet door al de kerkklokken het
bruiloftsfeest verkondigen. Het schoone, stomme meisje uit het bosch
werd de koningin van het land.

Nu fluisterde de aartsbisschop booze woorden in de ooren van den
koning, maar deze drongen niet tot zijn hart door. De bruiloft zou
plaats hebben; de aartsbisschop zelf moest haar de kroon op het hoofd
zetten, en hij drukte met kwaadwilligheid den nauwen diadeem vast
op haar voorhoofd, zoodat het haar pijn deed. Maar een heviger pijn
gevoelde zij in haar hart: de smart over haar broeders. Zij voelde
het lichamelijk lijden niet. Haar mond was stom; een enkel woord zou
immers aan haar broeders het leven kosten; maar in haar oogen verried
zich innige liefde jegens den goeden, schoonen koning, die alles deed
om haar genoegen te geven. Van ganscher harte kreeg zij hem van dag
tot dag meer lief. O, mocht zij haar hart slechts voor hem kunnen
uitstorten en hem haar lijden klagen! Doch stom moest zij zijn, stom
moest zij haar werk volbrengen. Daarom sloop zij des nachts van zijn
zijde weg, ging naar de kleine kamer, die evenals de grot ingericht
was, en maakte het eene hemd na het andere gereed. Maar toen zij aan
het zevende zou beginnen; had zij geen vlas meer.

Zij wist, dat de brandnetels, die zij moest hebben, op het kerkhof
groeiden; maar deze moest zij zelf plukken. Hoe zou zij daar naar
toe kunnen gaan?

«O, wat is de pijn in mijn vingers bij de foltering, die mijn hart
doorstaat!» dacht zij. «Ik moet het wagen! Het zal mij stellig aan
hulp niet ontbreken!» Met een angst, alsof het een booze daad was,
die zij in den zin had, sloop zij in den nachtelijken maneschijn naar
den tuin en liep door de lanen en door de eenzame straten naar het
kerkhof. Daar zag zij op een der grootste grafsteenen een troep heksen
zitten. Deze leelijke heksen trokken haar lompen uit, alsof zij zich
wilden baden, en daarop dolven zij met haar lange, magere vingers de
versche graven op, haalden er met duivelsche begeerigheid de lijken
uit en aten van hun vleesch. Elize moest er op een kleinen afstand
voorbij, en zij vestigden haar booze blikken op haar; maar zij bad
in stilte, verzamelde de brandnetels en bracht ze naar het kasteel toe.

Slechts een enkel mensch had haar gezien, en wel de aartsbisschop;
hij was wakker, wanneer de anderen sliepen. Nu had hij toch gelijk,
dat het met de koningin niet was, zooals het wezen moest; zij was
een heks, daarom had zij den koning en het volk verblind.

In den biechtstoel zeide hij tegen den koning, wat hij gezien had en
wat hij vreesde. En toen de harde woorden van zijn lippen vloeiden,
schudden de heiligenbeelden met hun hoofden, alsof zij wilden zeggen:
«Het is zoo niet! Elize is onschuldig!» Maar de aartsbisschop gaf er
een andere uitlegging aan; hij dacht, dat zij tegen haar getuigden,
en dat zij om haar zonde het hoofd schudden. Nu biggelden den koning
twee tranen langs de wangen; hij ging naar huis met twijfel in zijn
hart en hield zich 's nachts, alsof hij sliep. Maar er kwam geen
geruste slaap in zijn oogen: hij merkte, dat Elize opstond. Iederen
nacht herhaalde zij dit, en telkens achtervolgde hij haar stilletjes
en zag, hoe zij in haar kamer verdween.

Van dag tot dag werd zijn voorkomen somberder; Elize zag dit, maar
begreep niet, hoe het kwam; het maakte haar echter ongerust, en wat
leed zij niet in haar hart voor haar broeders! Op het koninklijk
fluweel en purper vloeiden haar heete tranen; deze lagen daar als
fonkelende diamanten en allen, die deze schitterende pracht zagen,
wenschten koningin te zijn. Intusschen was zij al spoedig met haar
arbeid gereed; slechts één hemd ontbrak er nog aan; maar vlas had
zij ook niet meer en geen enkele brandnetel. Nog eenmaal, en wel
voor den laatsten keer, moest zij daarom naar het kerkhof, om eenige
handenvol te plukken. Zij dacht met angst aan dezen eenzamen tocht
en aan de verschrikkelijke heksen; maar haar wil stond vast, alsmede
haar vertrouwen op den Heer.

Elize ging er heen; maar de koning en de aartsbisschop volgden
haar. Zij zagen haar het hek van het kerkhof doorgaan, en toen zij daar
dichter bij kwamen, zaten de heksen op den grafsteen, evenals Elize ze
gezien had; en de koning wendde zich af, want hij meende ook haar daar
te zien, wier hoofd nog dien zelfden avond aan zijn borst gerust had.

«Het volk moet haar vonnissen!» zeide hij. En het volk veroordeelde
haar tot den dood op den brandstapel.

Uit de prachtige koninklijke zalen werd zij naar een donkeren,
vochtigen kerker overgebracht, waar de wind door de tralies heenfloot;
in plaats van fluweel en zijde gaf men haar het bosje brandnetels,
dat zij verzameld had: daar kon zij haar hoofd op neerleggen: de
harde, brandende hemden, die zij vervaardigd had, zouden haar dekens
zijn. Maar men had haar niets kunnen geven, wat haar aangenamer was;
zij vatte haar werk weer op en bad tot God. Buiten zongen de jongens
spotliederen op haar; niemand troostte haar met een vriendelijk woord.

Daar klapten er tegen den avond dicht voor het getraliede raam
zwanevleugels; dat was de jongste der broeders. Hij had zijn zuster
gevonden; en zij snikte luid van vreugde, ofschoon zij wist, dat
de nacht, die aanstaande was, waarschijnlijk de laatste zou zijn,
dien zij te leven had. Maar nu was het werk ook bijna geëindigd,
en haar broeders waren hier.

De aartsbisschop kwam nu, om in haar laatste uren bij haar te zijn:
dat had hij den koning beloofd. Maar zij schudde het hoofd en smeekte
met blikken en gebaren, dat hij heen zou gaan. Dezen nacht moest zij
haar arbeid immers voltooien, anders was alles vruchteloos, alles:
smart, tranen en slapelooze nachten. De aartsbisschop verwijderde zich,
terwijl hij haar toornige woorden toevoegde; maar de arme Elize wist,
dat zij onschuldig was en ging met haar werk voort.

De kleine muizen liepen over den vloer; zij sleepten brandnetels naar
haar toe, om toch ook wat te helpen; en de lijster zette zich voor
het raam neer en zong den heelen nacht zoo vroolijk, als zij maar kon,
opdat Elize den moed niet zou verliezen.

Het was nog schemerachtig; eerst na verloop van een uur ging de zon
op. En daar stonden de elf broeders voor de poort van het kasteel en
verlangden tot den koning toegelaten te worden. Dat kon niet gebeuren,
werd hun ten antwoord gegeven; het was immers nog nacht: de koning
sliep en mocht niet wakker gemaakt worden. Zij smeekten en dreigden,
de wacht kwam, ja, zelfs de koning ging naar buiten en vroeg, wat dat
moest beteekenen? Daar ging de zon op, en nu waren er geen broeders
te zien; maar boven het kasteel vlogen er elf wilde zwanen.

Het geheele volk stroomde de stadspoort uit: het wilde de heks zien
verbranden. Een oud paard trok de kar, waarop zij zat, voort; men
had haar een kiel van grof zaklinnen aangetrokken; haar prachtig
haar hing verward om haar hoofd; haar wangen waren doodsbleek, haar
lippen bewogen zich zachtjes, terwijl haar vingers het groene vlas
vlochten. Zelfs op haar doodsweg hield zij niet met het begonnen werk
op; de tien hemden lagen aan haar voeten, aan het elfde werkte zij
nog. Het gepeupel bespotte haar.

«Kijk die leelijke heks eens! Geen gezangboek heeft zij in de hand;
neen, met haar afschuwelijke tooverij zit zij daar! Scheurt haar in
duizend stukken!»

En zij snelden allen op haar los en wilden de hemden verscheuren,
toen er elf wilde zwanen kwamen aanvliegen, die zich rondom haar
op de kar neerzetten en met hun groote vleugels klapten. Nu week de
menigte verschrikt op zijde.

«Dat is een teeken van den hemel! Zij is zeker onschuldig!» fluisterden
velen. Maar zij waagden het niet, dit overluid te zeggen.

Nu greep de beul haar bij de hand, waarop zij de elf hemden haastig
over de zwanen heenwierp. En onmiddellijk stonden daar elf schoone
prinsen. Maar de jongste had een zwanevleugel in plaats van zijn
eenen arm, want er ontbrak een mouw aan zijn hemd: deze had zij niet
klaargekregen.

«Nu mag ik spreken!» zeide zij. «Ik ben onschuldig!»

En het volk, dat zag, wat er gebeurd was, boog zich voor haar als voor
een heilige; maar zij zonk levenloos in de armen van haar broeders:
zoozeer hadden overspanning, angst en smart haar aangegrepen.

«Ja, onschuldig is zij,» zei de oudste broeder, en nu vertelde hij
alles, wat er gebeurd was. En terwijl hij sprak, verspreidde zich een
geur, als van millioenen rozen, want ieder stuk brandhout van den
brandstapel had wortelen geschoten en kreeg takken; er stond daar
een geurende heg, hoog en groot, met roode rozen; bovenaan prijkte
een bloem, wit en schitterend; deze fonkelde als een ster. De koning
plukte haar af en stak haar op de borst van Elize: nu ontwaakte zij
met vrede en gelukzaligheid in het hart.

En alle kerkklokken luidden van zelf, en de vogels kwamen bij groote
scharen aan. Het werd een bruidsstoet naar het kasteel terug zooals
geen koning nog ooit gezien had!



HET MADELIEFJE.


Luister nu eens!

Buiten op het land, dicht aan den weg, stond een aardig huisje. Ge
hebt het zeker zelf wel eens gezien. Daarvoor is een kleine tuin met
bloemen en een heining, die geverfd is; dicht daarbij aan den kant van
de gracht, te midden van het mooiste groene gras, groeide een klein
madeliefje; de zon bescheen het even warm en heerlijk als de groote,
mooie, prachtige bloemen in den tuin, en daarom groeide het van uur
tot uur.

Op zekeren morgen stond het met zijn kleine, sneeuwwitte blaadjes,
die als stralen rondom de gele zon in het midden zaten, geheel
ontloken. Het dacht er niet aan, dat niemand het daar in het gras
zag, en dat het een arm, veracht bloempje was; neen, het was zeer
vergenoegd, het wendde zich naar de warme zon toe, keek er naar op
en luisterde naar den leeuwerik, die in de lucht zong.

Het kleine madeliefje was zoo gelukkig, alsof het een groote feestdag
was, en het was toch maar een Maandag. Al de kinderen waren naar school
toe. Terwijl dezen op hun banken zaten en leerden, zat het madeliefje
op zijn kleinen, groenen stengel en leerde ook van de warme zon en
van alles in den omtrek, hoe goed God is; en het beviel het bloempje
goed, dat de kleine leeuwerik alles, wat het in stilte gevoelde,
zoo duidelijk en schoon zong. En het madeliefje keek met een soort
van eerbied naar den gelukkigen vogel, die kon zingen en vliegen,
maar was er niet bedroefd over, dat het dit zelf niet kon. «Ik zie en
hoor immers!» dacht het; «de zon beschijnt mij en de wind kust mij! O,
hoe rijk ben ik toch begiftigd!»

In den tuin stonden vele stijve, deftige bloemen; hoe minder geur
zij van zich gaven, des te meer pronkten zij. De pioenen bliezen
zich op, om grooter dan een roos te zijn; maar in de grootte zit
het hem niet! De tulpen hadden de allerschoonste kleuren, en dat
wisten zij wel en hielden zich zoo recht als een kaars, opdat men ze
beter zou kunnen zien. Zij letten niet op het kleine madeliefje daar
buiten; maar dit keek des te meer naar hen en dacht: «Wat zijn zij
toch rijk en schoon! Ja, de prachtige vogel vliegt zeker naar hen
toe en brengt hun een bezoek! Goddank dat ik er zoo dicht bij sta,
dan heb ik toch ook wat aan die pracht!» En terwijl het dit dacht,
«Kieviet!» daar kwam de leeuwerik aanvliegen, maar niet naar de
pioenen en de tulpen toe,--neen, hij zette zich op het gras bij
het arme madeliefje neer. Dit verschrikte zoo, dat het niet wist,
wat het er van moest denken.

De kleine vogel danste rondom het lieve bloempje heen en zong: «O, wat
is dat gras toch zacht! En zie eens, welk een lief bloempje met goud
in het hart en zilver op zijn kleed!» Het gele stipje in het madeliefje
zag er immers als goud uit, en de blaadjes rondom waren zilverwit.

Hoe gelukkig het kleine madeliefje was,--neen, dat kan niemand zich
voorstellen! De vogel kuste het met zijn snavel, zong er voor en vloog
toen weer in de blauwe lucht op. Het duurde zeker wel een kwartier,
voordat het madeliefje weer wat tot zich zelf gekomen was. Half
beschaamd en toch innerlijk verheugd, keek het naar de andere bloemen
in den tuin; zij hadden immers de eer en het geluk, dat hem weervaren
was, gezien; zij moesten immers begrijpen, welk een blijdschap dit
voor hem was. Maar de tulpen stonden nog eens zoo stijf als vroeger,
en toen zetten zij een lang gezicht en werden vuurrood, want zij hadden
er zich over geërgerd. De pioenen waren knorrig; het was goed, dat zij
niet konden spreken, anders had het madeliefje zeker een hatelijkheid
moeten aanhooren. De arme kleine bloem kon wel zien, dat zij niet in
een goede luim waren, en dat deed haar van harte leed. Op hetzelfde
oogenblik kwam er een meisje met een groot, scherp en blinkend mes
in den tuin; zij liep naar de tulpen toe en sneed de eene na de
andere af. «Och!» zeide het madeliefje met een zucht: «dat is toch
verschrikkelijk: nu is het met hen gedaan!» Daarop ging het meisje met
de tulpen weg. Het madeliefje was er blij om, dat het buiten in het
gras stond en een klein bloempje was, het gevoelde zich zeer dankbaar,
en toen de zon onderging, vouwde het zijn blaadjes dicht, viel in
slaap en droomde den heelen nacht van de zon en van den kleinen vogel.

Den volgenden morgen, toen het bloempje al zijn witte blaadjes weer
als kleine armen naar de lucht en het licht uitstrekte, herkende het de
stem van den vogel; maar het klonk treurig, wat hij zong. Ja, de arme
leeuwerik had daar wel reden voor; hij was gevangen en zat in een kooi,
dicht bij het open raam. Hij bezong het vrije en gelukkige rondvliegen,
zong van het jonge, groene koren op het veld en van de heerlijke
tochten, die hij op zijn vleugels hoog in de lucht kon doen. De arme
leeuwerik was niet opgewekt; hij zat daar in een kooi gevangen.

Het kleine madeliefje wilde hem graag helpen. Maar hoe zou het dit
doen? Ja, daar was moeilijk iets op te bedenken. Het bloempje vergat
heelemaal, hoe schoon alles in den omtrek stond, hoe warm de zon
scheen en hoe prachtig wit zijn blaadjes er uitzagen. Ach, het kon
aan niets anders denken dan aan den gevangen vogel, voor wien het
volstrekt niets kon doen.

Op dit zelfde oogenblik kwamen er twee kleine jongens uit den tuin;
de een hield een mes in de hand, groot en scherp, evenals dat hetwelk
het meisje had, om de tulpen af te snijden. Zij gingen naar het kleine
madeliefje toe, dat maar niet kon begrijpen, wat zij wilden.

«Hier kunnen we een heerlijke graszode voor den leeuwerik uitsnijden!»
zei het eene jongetje en begon toen om het madeliefje heen een vierhoek
te snijden, zoodat het midden in de graszode bleef staan.

«Pluk het bloempje af!» zei het andere jongetje, en het madeliefje
beefde van angst; want afgeplukt te worden stond immers gelijk met
het leven te verliezen; en nu wilde het nog veel te graag leven, daar
het met de graszode naar den gevangen leeuwerik in de kooi toe moest.

«Neen, laat het staan!» zei het andere jongetje; «het is zoo'n lief
bloempje!» En zoo bleef het dan staan en kwam in de kooi van den
leeuwerik.

Maar de arme vogel klaagde luid over het verlies van zijn vrijheid
en sloeg met zijn vlerken tegen het ijzerdraad van de kooi; het
kleine madeliefje kon niet spreken, geen vertroostend woord zeggen,
hoe graag het ook wilde. Zoo verliep de voormiddag.

«Hier is geen water,» zei de gevangen leeuwerik. «Ze zijn allemaal
uitgegaan en hebben vergeten, mij te drinken te geven. Mijn keel is
droog en brandend! Er is vuur en ijs in mij, en de lucht is zwaar! Ach,
ik moet sterven, scheiden van den warmen zonneschijn, van het frissche
groen, van al de heerlijkheid, die God geschapen heeft!» En toen
boorde hij met zijn snavel in de koele graszode, om zich daardoor
een weinig te verfrisschen! Daar viel zijn blik op het madeliefje,
en de vogel knikte het toe, kuste het met den snavel en zei: «Gij moet
hier binnen ook verdrogen, arme, kleine bloem! U en het kleine plekje
groene gras heeft men mij gegeven in ruil voor de geheele wereld,
die ik daar buiten had! Ieder grashalmpje moet mij een groene boom,
elk van uw witte bladeren een geurige bloem zijn! Ach, ge herinnert
er mij slechts aan, hoeveel ik verloren heb.»

«Kon ik hem maar wat troosten!» dacht het madeliefje; maar het kon
geen blad bewegen; doch de geur, die de teere blaadjes van zich gaven,
was veel sterker, dan men anders bij dit bloempje vindt; dat merkte
de vogel ook, en ofschoon hij van dorst versmachtte en in zijn smart
de groene grashalmpjes afrukte, raakte hij het bloempje toch niet aan.

Het werd avond, en nog kwam er niemand, om den armen vogel een droppel
water te brengen; nu strekte hij zijn lieve vlerkjes uit en schudde
er krampachtig mee; zijn gezang was een weemoedig piep-piep; zijn
klein kopje boog zich langzaam naar het bloempje toe, en het hart
van den vogel brak van gebrek en heimwee. Nu kon het bloempje niet,
evenals den vorigen avond, zijn blaadjes samenvouwen en slapen,
het hing ziek en treurig op den grond neer.

Eerst den volgenden morgen kwamen de jongetjes, en toen zij den dooden
vogel zagen, weenden zij bittere tranen en groeven een aardig grafje,
dat met bloembladeren versierd werd. Het lijk van den vogel kwam in
een mooi rood doosje; koninklijk zou hij begraven worden, de arme
vogel! Toen hij leefde en zong, vergaten ze hem, lieten hem in de
kooi zitten en gebrek lijden; nu werd hij geëerd en werden er tranen
om hem gestort.

Maar de graszode met het madeliefje werd in het stof van den straatweg
geworpen. Niemand dacht aan de bloem, die het meest voor den kleinen
vogel gevoeld had en die hem zoo graag had willen troosten!



DE GESCHIEDENIS VAN EEN MOEDER.


Een moeder zat bij de wieg van haar kind: zij was diep bedroefd en
vreesde, dat het zou sterven. Zijn gezichtje was bleek en zijn oogjes
waren gesloten. Het kind haalde zwaar en somtijds zoo diep adem,
alsof het zuchtte, en de moeder keek nog treuriger naar het arme wicht.

Eensklaps werd er op de deur geklopt, en nu trad er een arm, oud
man binnen, die in een groot paardedek gewikkeld was; want daarin
blijft men warm, en dat had hij wel noodig; het was immers een koude
winter. Buiten was alles met ijs en sneeuw bedekt, en de wind blies
zoo scherp, dat hij in het gezicht sneed.

Daar de oude man van de koude trilde en het kind een oogenblik sliep,
verliet de moeder de wieg even en zette bier in een kleinen pot op
het vuur, om het voor hem te warmen. De oude man zette er zich bij
neer en wiegde het kind, en de moeder ging op een ouden stoel naast
hem zitten, keek naar haar ziek kind, dat zoo diep adem haalde,
en greep zijn handje vast.

«Niet waar, ge denkt toch ook, dat ik het wel zal behouden?» vroeg
zij. «De goede God zal het mij niet ontnemen!»

De oude man--het was de Dood--knikte zoo zonderling, dat het even goed
ja als neen kon beteekenen. Maar de moeder sloeg haar oogen neer,
en tranen biggelden langs haar wangen. Het hoofd werd haar zwaar;
in drie dagen en drie nachten had zij geen oog geloken; en nu viel
zij in slaap, doch haar slaap duurde niet langer dan een minuut; toen
stond zij op en beefde van de kou. «Wat is dat?» riep zij uit en keek
naar alle kanten rond. Maar de oude man was weg, en haar kind was weg:
hij had het meegenomen. In de hoek van de kamer maakte de oude klok
een zonderling geluid; het zware looden gewicht kwam op den vloer
neer--plomp!--daar stond de klok stil.

De arme moeder snelde het huis uit en riep om haar kind.

Buiten, midden in de sneeuw, zat een man in een lang, zwart gewaad,
en zei: «De Dood is bij u in de kamer geweest; ik heb hem met uw kind
zien wegsnellen; hij loopt sneller dan de wind en brengt nooit terug,
wat hij weggenomen heeft.»

«Zeg mij maar, welken weg hij ingeslagen is!» zei de moeder. «Zeg
mij den weg, en ik zal dien wel vinden.»

«Ik weet dien,» zei de man in het zwarte gewaad; «maar voordat ik u dit
zeg, moet ge eerst al de liedjes voor mij zingen, die ge voor uw kind
gezongen hebt. Ik mag zulke liedjes graag; ik heb ze vroeger wel meer
gehoord; ik ben de nacht en heb uw tranen gezien, toen gij ze zongt.»

«Ik zal ze allemaal zingen!» zei de moeder. «Maar houd mij niet op,
opdat ik hem kan inhalen, opdat ik mijn kind moge wedervinden!»

Maar de nacht zat stil en stom. Nu wrong de moeder zich de handen,
zong en weende. En er vloeiden vele liedjes van haar lippen, maar
nog meer tranen uit haar oogen. Toen zei de nacht: «Loop het donkere
dennenwoud in; daar heb ik den dood met het kind naar toe zien gaan.»

In het dichtst van het woud bevond zich een kruisweg, en zij wist niet,
welke richting zij nu moest inslaan. Er stond daar een doornstruik:
deze had bladeren noch bloemen; maar het was dan ook in den barren
wintertijd, en er hingen ijskegels aan de takken.

«Hebt ge den Dood met mijn kind zien voorbijgaan?» vroeg zij.

«Ja!» zei de doornstruik; «maar ik zeg u niet, welken weg hij
ingeslagen is, als gij mij niet vooraf aan uw boezem wilt verwarmen! Ik
vries hier dood, ik word tot louter ijs!»

En zij drukte den doornstruik vast aan haar borst, opdat hij heelemaal
zou kunnen ontdooien. De doornen drongen in haar vleesch door, en haar
bloed vloeide in groote droppels. Maar de doornstruik kreeg nieuwe,
groene bladeren en droeg bloesems in den winternacht; zoo warm is het
aan het hart van een bedroefde moeder! De doornstruik zei haar daarop,
welken weg zij moest inslaan.

Nu kwam zij aan een groot meer, waarop geen enkel schip of schuitje te
zien was. Het meer was niet genoeg dichtgevroren, om haar te dragen,
en ook niet open en ondiep genoeg, om doorwaad te kunnen worden,--en
toch moest zij er overheen, als zij haar kind wilde vinden. Nu ging
zij op haar knieën liggen, om het meer leeg te drinken; maar dat was
immers onmogelijk voor een mensch. Doch de bedroefde moeder dacht,
dat er misschien een wonder zou kunnen gebeuren.

«Neen, dat zal nooit gaan!» zei het meer. «Laat ons beiden liever
zien, of wij het met elkaar eens kunnen worden. Ik houd er van,
parels te verzamelen, en uw oogen zijn twee van de schoonste, die ik
ooit gezien heb: wilt gij ze in mij uitweenen, dan zal ik u naar de
groote broeikas brengen, waarin de Dood woont en bloemen en boomen
verpleegt; elk van deze is een menschenleven.»

«O, wat zou ik niet willen geven, om bij mijn kind te komen,» zei de
moeder, die reeds zooveel tranen gestort had. Zij weende nog meer,
en haar oogen vielen op den bodem van het meer en werden twee kostbare
parels. Maar het meer hief haar in de hoogte alsof zij op een schommel
zat, en in een oogenblik vloog zij op den tegenovergestelden oever,
waar een mijlenlang, wonderbaar huis stond. Men wist niet, of het een
berg met bosschen en grotten, dan of het getimmerd was. Maar de arme
moeder kon het niet zien: zij had haar oogen immers uitgeweend.

«Waar kan ik den Dood vinden, die met mijn kind is weggegaan?»
vroeg zij.

«Hij is hier nog niet aangekomen!» zei een oude, grijze vrouw, die
daar rondliep en op de broeikas van den Dood moest passen. «Hoe hebt
ge den weg hier heen gevonden, en wie heeft u geholpen?»

«De goede God heeft mij geholpen,» antwoordde zij. «Hij is barmhartig,
en dat zult gij ook zijn. Waar kan ik mijn kind vinden?»

«Ik ken het niet,» zei de oude vrouw, «en gij kunt immers niet
zien!--Vele bloemen en boomen zijn er in dezen nacht verwelkt: de
Dood zal wel spoedig komen om ze te verplanten.

«Ge weet immers wel, dat ieder mensch zijn levensboom of zijn
levensbloem heeft. Zij zien er als andere gewassen uit, maar hun
harten kloppen. Kinderharten kunnen ook kloppen! Let daarop, misschien
herkent ge het kloppen van het hart van uw kind. Maar wat geeft ge mij,
als ik u zeg, wat ge nog meer moet doen?»

«Ik heb niets te geven,» zei de bedroefde moeder. «Maar ik wil voor
u tot aan het einde der wereld gaan.»

«Daar heb ik niets te doen,» zei de oude vrouw, «maar ge kunt mij
uw lang, zwart haar geven; ge weet zelf zeker wel, dat het mooi is;
het bevalt mij! Ge kunt mijn wit haar daarvoor krijgen; dat is toch
altijd iets!»

«Verlangt ge anders niets?» vroeg zij. «Dat geef ik u met alle
genoegen!» En zij gaf haar haar mooie haar en kreeg in plaats daarvan
het sneeuwwitte der oude vrouw.

Daarop gingen zij in de groote broeikas van den Dood, waar bloemen en
boomen wonderbaar door elkaar groeiden. Daar stonden fijne hyacinten
onder glazen klokken, en groote, stevige pioenen. Daar groeiden
waterplanten, waarvan enkele er frisch, andere kwijnend uitzagen,
waterslangen lagen daarop neer, en zwarte kreeften klemden zich aan
den stengel vast. Daar stonden prachtige palmen, eiken en platanen,
peterselie en bloeiende tijm. Alle boomen en bloemen hadden hun
namen; zij waren elk een menschenleven; de menschen leefden nog,
sommigen in China, anderen in Groenland, in één woord, in alle
deelen der wereld. Daar stonden groote boomen in kleine potten,
zoodat zij het er bekrompen in hadden, en het niet veel scheelde,
of zij deden de potten barsten; er was daar ook menige kleine zwakke
bloem in een vetten grond, met mos er omheen en zorgvuldig gekoesterd
en verpleegd. Maar de bedroefde moeder boog zich over alle kleinere
planten heen, zij hoorde in elke een menschenhart kloppen; en uit
millioenen herkende zij dat van haar kind.

«Daar is het!» riep zij en strekte haar hand over een klein krokusje
uit, dat ziek naar één kant overhing.

«Raak de bloem niet aan!» zei de oude vrouw. «Maar blijf hier staan,
en als de Dood komt,--ik verwacht hem ieder oogenblik,--laat hem dan
de plant niet uittrekken en dreig hem, dat gij in dat geval hetzelfde
met de overige bloemen zult doen: dan wordt hij bang! Hij moet bij
God daarvoor instaan; er mag er geen uitgetrokken worden, voordat
Hij er vergunning toe geeft.»

Daar suisde het eensklaps ijskoud door de zaal, en de blinde moeder
voelde, dat het de Dood was, die nu kwam.

«Hoe hebt ge den weg hier naar toe kunnen vinden?» vroeg hij. «Hoe
hebt ge hier vlugger naar toe kunnen loopen dan ik?»

«Ik ben een moeder!» antwoordde zij.

De Dood strekte zijn lange hand naar de kleine, fijne bloem uit;
maar zij hield er haar handen overheen, hield haar vast omsloten, en
nogtans vol zorgvuldigheid, dat zij geen van de bladeren aanraakte. Nu
blies de Dood op haar handen, en zij voelde dat dit kouder was dan
de koude wind; nu vielen haar handen slap neer.

«Tegen mij kunt ge toch niets uitrichten!» zei de Dood.

«Maar God kan dit wel!» gaf zij hem hierop ten antwoord.

«Ik doe slechts, wat Hij wil!» zei de Dood. «Ik ben Zijn tuinman. Ik
neem al Zijn bloemen en boomen en verplant ze in den grooten tuin
van het Paradijs, in het onbekende land. Hoe ze daar groeien en hoe
het daar is, dat mag ik u niet zeggen!»

«Geef mij mijn kind terug!» zei de moeder en weende en
smeekte. Eensklaps greep zij met haar handen twee mooie bloemen
stevig vast en riep den Dood toe: «Ik trek al uw bloemen uit, want
ik ben wanhopig!»

«Raak ze niet aan!» zei de Dood. «Ge zegt, dat ge zoo ongelukkig zijt,
en wilt ge nu een andere moeder even ongelukkig maken?»

«Een andere moeder?» zei de ongelukkige vrouw en liet de beide bloemen
dadelijk los.

«Daar hebt ge uw oogen,» zei de Dood. «Ik heb ze uit het meer
opgevischt; zij fonkelden zoo helder; ik wist niet, dat het de uwe
waren. Neem ze terug, zij zijn nu nog helderder dan vroeger; en kijk
dan eens in den diepen put hiernaast naar beneden. Ik zal de namen
der bloemen, die ge wildet uittrekken, noemen, en dan zult ge zien,
wat ge hebt willen vernietigen en te gronde richten!»

En zij keek in den put neer: en het was een gelukzaligheid, te zien,
hoe de eene een zegen voor de wereld werd, zij zag het leven der
andere, dat uit zorgen en nood, jammer en ellende bestond.

«Beide is Gods wil!» zei de Dood.

«Welke van deze is de bloem des ongeluks en welke de gezegende?»
vroeg zij.

«Dat zeg ik u niet,» antwoordde de Dood; «maar dit zult ge van mij
vernemen, dat een der bloemen die van uw eigen kind is. Het was het
lot van uw eigen kind, dat ge zaagt, de toekomst van uw eigen kind!»

Nu gaf de moeder een luiden gil van schrik. «Welke van deze is die
van mijn kind? Zeg mij dit! Bevrijd het onschuldige kind! Verlos
mijn kind van alle ellende! Draag het liever weg! Draag het in Gods
koninkrijk! Vergeet mijn tranen, vergeet mijn smeeken en alles,
wat ik gedaan heb!»

«Ik begrijp u niet,» zei de Dood. «Wilt ge uw kind terug hebben,
of moet ik daarmee naar die plaats gaan, welke gij niet kent?»

Nu wrong de moeder zich de handen, viel op haar knieën en bad tot God:
«Verhoor mij niet, als ik in strijd met Uw wil bid, die altijd het
beste is! Verhoor mij niet! Verhoor mij niet!»

Zij liet haar hoofd op haar borst zakken.

En de Dood ging met haar kind naar het onbekende land.



UITSTEL IS GEEN AFSTEL.


Er stond ergens een oud ridderkasteel, dat door een breede gracht
omgeven was, waarover een ophaalbrug lag, die echter slechts zelden
neergelaten werd; want niet alle bezoekers zijn goede menschen. Onder
het afdak waren schietgaten aangebracht, om daardoor te schieten,
kokend water, ja, gesmolten lood op den vijand neer te gieten, als
hij te dicht in de nabijheid mocht komen. Binnen in het huis waren
de kamers zeer hoog, hetgeen goed te stade kwam bij den velen rook,
die er van het haardvuur opsteeg, waarop groote, vochtige houtblokken
lagen te smeulen. Aan den muur hingen portretten van geharnaste mannen
en trotsche vrouwen in zware kleeren; de forschte van allen liep hier
levend rond; zij werd Meta Mogens genoemd; zij was de vrouw des huizes,
haar behoorde het ridderkasteel toe.

Tegen den avond kwamen er roovers; zij sloegen drie van haar
onderhoorigen dood, ook den kettinghond sloegen zij dood, en daarop
legden zij vrouw Meta met den hondeketting aan het hondenhok vast,
terwijl zij zich zelf in de zaal te goed deden, den wijn en het goede
bier uit haar kelder leegdronken.

Vrouw Meta was aan den hondeketting vastgelegd; zij kon niet eens
blaffen.

Maar zie! Daar sloop de bediende van een der roovers zachtjes naderbij;
hij mocht niet gezien worden, anders zouden zij hem doodgeslagen
hebben.

«Vrouw Meta Mogens!» zei de knecht; «weet ge nog wel, hoe mijn vader
tijdens het leven van uw man op het houten paard moest rijden? [3]--Gij
deedt een goed woord voor hem, maar dit leidde tot niets; hij moest
zoo lang rijden, totdat zijn ledematen verminkt waren; maar gij sloopt
naar hem toe, evenals ik nu naar u toesluip; gij schooft zelfs een
kleinen steen onder elk van zijn voeten, opdat zij daarop zouden
steunen. Niemand zag het, of zij deden alsof zij niet niet zagen,
want gij waart immers de jonge genadige vrouw. Dat heeft mijn vader
mij verteld, en dat heb ik onthouden en niet vergeten! Nu wil ik u
verlossen, vrouw Meta Mogens!»

Daarop haalden zij de paarden uit den stal en reden te midden van
regen en wind weg en kregen hulp bij vrienden.

«Dat is een rijke vergelding voor een kleinen dienst, dien ik aan uw
vader bewezen heb!» zei Meta Mogens.

«Uitstel is geen afstel!» gaf de knecht hierop ten antwoord.

De roovers werden opgehangen.



Er stond ergens een oud ridderkasteel, en het staat er nog; het is niet
dat van Meta Mogens, het behoort aan een ander adellijk geslacht toe.

Wij verplaatsen ons in den tegenwoordigen tijd. De zon beschijnt de
vergulde torenspitsen; kleine eilandjes, waarop bloemen bloeien,
liggen als ruikers op het water, en de wilde zwanen zwemmen er om
heen. In den tuin groeien rozen, de vrouw des huizes is zelf het
fijnste rozeblad, het straalt in vreugde, in de vreugde van goede
daden, doch niet in de wijde wereld, maar van binnen in het hart;
wat daar bewaard is, dat is niet vergeten--uitstel is geen afstel!

Nu begeeft zij zich van het heerenhuis naar een kleine boerenhut op
het land. Daarin woont een arm meisje, dat lam is; het raam in het
kamertje ziet op het noorden uit, de zon komt hier niet in; het meisje
heeft slechts het gezicht op een klein stukje land, dat door een hooge
heg omgeven is. Maar heden is het zonneschijn; de warme, heerlijke zon
van onzen goeden God is binnen in het kamertje; zij komt uit het zuiden
door het nieuwe raam heen, daar waar vroeger slechts een muur was.

Het lamme meisje zit in den warmen zonneschijn, ziet bosch en meer,
de wereld is zoo groot, zoo wonderlijk schoon geworden en wel door
een enkel woord van de vriendelijke vrouw van het heerenhuis.

«Het woord was zoo gemakkelijk, de daad zoo gering!» zeide zij; «de
vreugde, die zij mij verschaften, was oneindig groot en rijk in zegen!»

En daarom volbrengt zij zoo menige goede daad, denkt aan allen in de
arme huizen en in de rijke huizen, waar er maar bedroefden zijn. Het
is verborgen en bewaard, maar de goede God vergeet het niet; uitstel
is geen afstel!



Er stond ergens een oud huis; het was in de groote stad met haar
druk en levendig verkeer. Het had kamers en zalen; maar deze betreden
wij niet; wij blijven in de keuken, en daarin is het warm en licht,
rein en zindelijk; het kopergoed blinkt, de tafel is als gladgewreven,
de gootsteen is als een versch geschuurde lardeerplank, en dat alles
heeft dat ééne dienstmeisje gedaan en toch nog tijd genoeg overgehouden
om zich aan te kleeden, alsof zij naar de kerk wilde gaan. Zij draagt
een strik op haar muts, een zwarten strik, dat wijst op rouw. Maar
zij heeft over niemand rouw te dragen, noch over vader, noch over
moeder, noch over bloedverwanten, noch over vrienden; het is een arm
meisje. Eenmaal was zij verloofd, verloofd met een armen jongeling;
zij hadden elkaar innig lief. Op zekeren dag kwam hij bij haar en zei:

«Wij bezitten beiden niets op de wereld! Een rijke weduwe heeft
hartelijke woorden tegen mij gesproken; zij wil mij tot welstand
brengen; maar jij ligt in mijn hart begraven. Wat zou je mij raden?»

«Datgene, waarvan je denkt, dat het tot je geluk zal strekken!» zei
het meisje. «Wees maar goed en liefderijk voor haar; doch laat mij
je dit zeggen, dat wij elkaar van het uur af, waarop wij van elkander
scheiden, niet meer mogen zien.»

En er verliepen jaren. Daar ontmoet haar vroegere vriend en minnaar
haar op de straat; hij zag er ziek en ellendig uit; nu kan zij niet
nalaten, hem te vragen: «Hoe gaat het met je?»

«Rijk en goed in alle opzichten!» zeide hij. «Mijn vrouw is braaf
en goed, maar jij ligt in mijn hart begraven. Ik heb mijn strijd
gestreden, hij is spoedig volstreden! Wij zien elkaar nu niet weer
dan bij God.»

Een week is er verloopen; dien morgen stond het in de krant te lezen,
dat hij gestorven was; daarom draagt het meisje een rouwkleed! Haar
minnaar was gestorven en heeft een vrouw en drie stiefkinderen
nagelaten, zooals er te lezen staat.

De zwarte strik wijst op rouw, het gezicht van het meisje wijst er
nog in hoogere mate op; in het hart is deze bewaard en wordt nimmer
vergeten! Uitstel is geen afstel!

Zie, dat zijn de drie geschiedenissen, drie bladeren aan één
steel. Wenscht ge nog meer klaverbladeren? In het boekje des harten
liggen er vele: uitstel is geen afstel!



DE TUIN VAN HET PARADIJS.


Daar was eens een koningszoon; niemand had zooveel mooie boeken, als
hij; alles wat er op deze wereld gebeurd is, kon hij daarin lezen
en de afbeelding daarvan in prachtige koperplaten zien. Met ieder
volk en met ieder land kon hij daardoor kennis maken; maar waar de
tuin van het Paradijs te vinden was, daar stond geen woord van in;
en deze juist was het, waaraan hij het meest dacht.

Zijn grootmoeder had hem, toen hij nog klein was, maar toch spoedig
naar school zou gaan, verteld, dat iedere bloem in den tuin van dit
Paradijs de lekkerste koek en de meeldraden de fijnste wijn waren;
op de eene bloem stond geschiedenis, op de andere aardrijkskunde,
op de derde rekenkunde; men behoefde maar koek te eten, dan kende
men zijn les; hoe meer men er van at, des te meer geschiedenis en
aardrijkskunde en rekenkunde leerde men.

Dat geloofde hij toen ter tijd. Maar reeds toen hij een grootere
jongen werd, meer leerde en verstandiger werd, begreep hij wel,
dat er een heel andere heerlijkheid in den tuis van het Paradijs te
vinden moest zijn.

«O, waarom plukte Eva toch van den boom der kennis? Waarom at Adam van
de verboden vrucht? Als ik in hun plaats was geweest, dan zou ik dit
niet gedaan hebben! Nooit zou de zonde dan in de wereld gekomen zijn!»

Dat zei hij destijds, en dat zei hij nog, toen hij zeventien jaar
oud was. De tuin van het Paradijs vervulde hem geheel en al.

Op zekeren dag ging hij het bosch alleen in, want dat was zijn
grootste plezier.

De avond brak aan, de wolken pakten zich samen; er viel een regen,
alsof de geheele hemel een enkele sluis was, waaruit water stroomde;
het was zoo donker, als het anders 's nachts slechts in den diepsten
put is. Nu eens gleed hij op het natte gras uit, dan weer viel hij
over de gladde steenen, die boven den natten, rotsachtigen grond
uitstaken. Alles droop van het water: de arme prins had geen enkelen
drogen draad meer aan het lijf. Hij moest over groote steenblokken
klauteren, waar het water uit het hooge mos vloeide. Het scheelde
niet veel, of hij was in onmacht gevallen. Eensklaps hoorde hij
een zonderling gesuis, en nu zag hij voor zich een groote verlichte
grot. In het midden daarvan brandde zulk een groot vuur, dat men daarop
wel een hert kon braden. En dit gebeurde ook. Het prachtigste hert
met zijn hooge horens was aan het braadspit gestoken en werd langzaam
tusschen twee afgekapte pijnboomstammen omgedraaid. Een oude vrouw,
forsch en sterk, als ware zij een verkleed manspersoon, zat bij het
vuur en wierp er het eene stuk hout na het andere op.

«Kom maar naderbij!» zeide zij; «zet u bij het vuur neer, dan kunt
ge uw kleeren wat laten drogen.»

«Het tocht hier geducht!» zei de prins en zette zich op den vloer
neder.

«Dat zal nog wel erger worden, als mijn zonen thuis komen!» antwoordde
de vrouw. «Ge zijt hier in de grot der winden: mijn zonen zijn de
vier winden der wereld. Kunt ge dat begrijpen?»

«Waar zijn uw zonen?» vroeg de prins.

«Ja, het is moeilijk, een antwoord te geven, als men ons een dwaze
vraag doet,» zei de vrouw. «Mijn zonen doen alles op hun eigen houtje;
zij zijn met de wolken daar in de koningszaal aan het raketten!»
En daarbij wees zij naar de hoogte.

«O, zoo!» zei de prins. «Ge spreekt overigens vrij barsch en zijt
niet zoo vriendelijk als de vrouwen, die ik anders om mij heen heb!»

«O, die hebben zeker niets anders te doen! Ik moet wel streng zijn,
als ik mijn jongens in bedwang wil houden; maar dat kan ik, ofschoon
het stijfkoppen zijn. Ziet ge die vier zakken hier aan den muur
hangen? Daarvoor zijn zij even bang, als gij vroeger voor de roede
achter den spiegel! Ik kan de jongens in elkaar buigen, zeg ik u, en
dan stop ik ze in den zak; daar maken wij geen komplimenten mee! Daar
zitten ze dan en mogen er niet uit, voordat ik het hun toesta. Maar
daar hebben we een van hen.»

Het was de noordenwind, die met een ijzige koude binnentrad; groote
hagelsteenen kletterden op den grond neer, en sneeuwvlokken dwarrelden
in de rondte. Hij droeg een broek en buis van een berenhuid; een
muts van zeehondenvel was heelemaal over zijn ooren getrokken;
lange ijskegels hingen er aan zijn baard; en de eene hagelsteen na
den anderen gleed van den kraag van zijn buis naar beneden.

«Ga niet dadelijk bij het vuur zitten!» zei de prins. «Anders zoudt
ge licht winter in uw gezicht en uw handen kunnen krijgen.»

«Winter?» zei de noordenwind en barstte in een luid gelach uit. «Koude
is mijn grootste plezier! Maar wat ben jij voor een kereltje? Hoe
kom je in de grot der winden?»

«Hij is mijn gast,» zei de oude vrouw, «en als je met deze verklaring
niet tevreden bent, dan zal ik je in den zak stoppen! Versta je mij?»

Zie, dat hielp, en de noordenwind vertelde, waar hij vandaan kwam en
waar hij bijna een maand geweest was.

«Ik kom van de Poolzee,» zei hij; «ik ben op het Bereneiland met
de Russische walrusjagers geweest. Ik zat en sliep op het roer,
toen zij van de Noordkaap wegzeilden: als ik nu en dan wakker werd,
vloog de stormvogel mij om de beenen. Dat is een kluchtige vogel! Hij
klapwiekt met zijn vleugels, houdt deze daarop onbeweeglijk uitgestrekt
en vliegt toch voort!»

«Maak het niet te wijdloopig!» zei de moeder der winden. «Je bent
dus op het Bereneiland geweest, niet waar?»

«Daar is het prachtig! Daar is een vloer om te dansen, zoo glad als
een bord! Half ontdooide sneeuw met een weinig mos, puntige steenen
en geraamten van walrussen en ijsberen lagen er in de rondte, evenals
reuzenarmen en beenen met beschimmeld groen. Men zou haast denken, dat
de zon daarop nooit geschenen had. Ik blies een weinig in den nevel,
en nu zag ik een huis, dat van wrakhout gebouwd en met walrushuiden
bedekt was; de kant, waaraan het vleesch gezeten had, was naar buiten
gekeerd; op het dak zat een levende ijsbeer te brommen. Ik ging naar
het strand toe, keek naar de vogelnesten, zag de naakte jongen, die
schreeuwden en hun bekken opensperden; nu blies ik in hun kelen,
en zoo leerden zij hun bekken dichtdoen. Verderop krioelden de
walrussen door elkaar, als levende ingewanden of reusachtige maden
met varkenskoppen en ellenlange tanden!»

«Je weet goed te vertellen, mijn zoon!» zei de moeder. «Ik watertand
er van, als ik naar je luister.»

«Toen begon de jacht! De harpoen werd in de borst van den walrus
geworpen, zoodat een dampende bloedstraal als een fontein over het ijs
spoot. Nu dacht ik ook aan mijn spel! Ik blies en liet de torenhooge
ijsbergen de booten insluiten. Och! wat floot en wat schreeuwde men;
maar ik floot nog luider! De walruslijken, kisten en touwwerk moesten
zij op het ijs uitpakken; ik schudde er sneeuwvlokken over heen en
liet ze in de beklemd geraakte vaartuigen, met hun vangst naar het
zuiden drijven, om daar zout water te proeven. Zij komen nimmer meer
naar het Bereneiland toe!»

«Dan heb je heel wat kwaad gedaan!» zei de moeder der winden.

«Wat ik goeds gedaan heb, moeten de anderen maar vertellen!» zei
hij. «Maar daar hebben we mijn broeder uit het westen; hem mag ik
het liefste van allen lijden; hij ruikt naar de zee en voert een
heerlijke koude met zich mee!»

«Is dat de kleine westenwind?» vroeg de prins.

«Zeker is het de westenwind!» zei de oude vrouw. «Maar hij is toch
niet zoo klein. Jaren geleden was hij een aardige knaap, maar dat is
nu voorbij!»

Hij zag er als een woeste kerel uit, maar hij had een valhoed op,
om zich niet te bezeeren. In de hand hield hij een mahoniehouten
knots, die hij in de Amerikaansche bosschen afgehakt had. Dit was
geen gemakkelijk werk geweest!

«Waar kom je vandaan?» vroeg zijn moeder.

«Uit de maagdelijke bosschen,» zei hij, «waar de waterslang in het
natte gras ligt en de menschen overbodig schijnen te zijn!»

«Wat heeft je vandaar weggejaagd?»

«Ik zag in de diepste rivier, zag, hoe deze van de rotsen naar
beneden stortte, stof werd en naar de wolken vloog, om den regenboog
te dragen. Ik zag den wilden buffel in de rivier zwemmen; maar
de stroom voerde hem met zich mee. Hij dreef met een troep wilde
eenden, die er in de hoogte vlogen, naar de plaats, waar het water
naar beneden stortte. De buffel moest naar beneden; dat beviel mij,
en ik blies een storm, zoodat overoude boomen aan splinters barstten
en tot spaanders werden.»

«En heb je anders niets gedaan?» vroeg de oude vrouw.

«Ik heb in de savannen allerlei kromme sprongen gemaakt; ik heb
de wilde paarden gestreeld en kokosnoten doen afvallen. Ja, ja, ik
zou heel wat weten te vertellen! Maar men moet niet alles zeggen,
wat men weet. Dat weet ge ook wel, oudje!» En hij gaf zijn moeder
zulk een duchtigen kus, dat zij bijna achterover gevallen was. Het
was een verschrikkelijk wilde jongen.

Nu kwam de zuidenwind met een tulband en een wuivenden bedouïnenmantel.

«Het is hier vrij koud!» zeide hij en wierp nog wat hout op het
vuur. «Ik kan wel merken, dat de noordenwind het eerst van allen
thuis gekomen is!»

«Het is hier zoo heet, dat men wel een ijsbeer kan braden!» zei
de noordenwind.

«Je bent zelf een ijsbeer!» antwoordde de zuidenwind.

«Wil je in den zak gestopt worden?» vroeg de oude vrouw.--«Ga daar
op dien steen zitten en vertel, waar je geweest bent.»

«In Afrika, moeder!» antwoordde hij. «Ik ben met de Hottentotten op
de leeuwenjacht geweest in het land der Kaffers. Daar groeit gras in
de vlakten, groen als een olijf. Daar liep de struisvogel met mij om
't hardst: maar ik ben toch nog vlugger ter been. Ik ging naar de
woestijn met het gele zand; daar ziet het er uit als op den bodem der
zee. Ik trof een karavaan aan; men slachtte den laatsten kameel om aan
drinkwater te komen; maar het was slechts weinig, wat men kreeg. De zon
brandde van boven en het zand van beneden. De uitgestrekte woestijn had
geen grenzen. Nu wentelde ik mij in het fijne, losse zand en maakte,
dat dit zich tot hooge zuilen opstapelde. Dat was een dans! Ge hadt
eens moeten zien, hoe moedeloos de dromedaris daar stond, en hoe de
koopman zich den kaftan over het hoofd trok. Hij wierp zich voor mij
neer, evenals voor Allah zijn God. Nu zijn zij begraven: er staat
een piramide van zand boven hen allen. Als ik deze eenmaal wegblaas,
dan zal de zon de beenderen doen verbleeken; dan kunnen de reizigers
zien, dat daar vroeger menschen geweest zijn. Anders zal men dit in
de woestijn niet gelooven!»

«Je hebt dus niets anders dan kwaad gedaan!» zei zijn
moeder. «Marsch! in den zak!» En eer de zuidenwind er op verdacht was,
had zij hem om zijn middel beetgepakt en in den zak gestopt. Hij lag
op den vloer rond te wentelen, maar zij zette zich op den zak neer,
en nu moest hij wel stil blijven liggen.

«Dat zijn vroolijke jongens, die ge hebt!» zei de prins.

«O ja,» antwoordde zij, «en ik weet ze te straffen! Daar hebben we
den vierde!»

Dat was de oostenwind; deze was als een Chinees gekleed.

«Zoo! kom je uit je land?» vroeg zijn moeder. «Ik dacht, dat je in
den tuin van het Paradijs geweest waart.»

«Daar vlieg ik morgen eerst naar toe!» zei de oostenwind. «Morgen is
het honderd jaar geleden, dat ik er geweest ben! Ik kom nu uit China,
waar ik zoo om den porseleinen toren gedanst heb, dat alle klokken
klingelden. Op de straat kregen de beambten zweepslagen; een bamboes
riet werd op hun rug aan stukken geslagen, en dat waren lieden van
den eersten tot den negenden graad. Zij schreeuwden: «Hartelijk dank,
mijn vaderlijke weldoener!» Maar dat ging hun niet van harte af,
en ik klingelde met de klokken en zong: «Tjing, tjang!»»

«Je bent ook altijd ondeugend!» zei de oude vrouw. «Het is goed,
dat je morgen naar den tuin van het Paradijs gaat; dat draagt altijd
tot je beschaving bij. Drink dan eens ferm uit de wijsheidsbron,
en breng een fleschvol voor mij mee!»

«Dat zal ik doen!» zei de oostenwind. «Maar waarom hebt ge mijn broeder
uit het zuiden in den zak gestopt? Laat hem er uit! Hij moet mij van
den vogel Phoenix vertellen, van dezen wil de prinses in den tuin van
het Paradijs altijd hooren, als ik om de honderd jaren een bezoek
bij haar afleg. Doe den zak open, dan zijt ge mijn lieve moeder,
en dan geef ik u twee zakken vol thee, zoo groen en frisch, als ik
ze geplukt heb!»

«Welnu dan, om de thee en omdat je mijn lieve jongen bent, zal ik den
zak opendoen!» Dat deed zij, en nu kroop de zuidenwind er uit; maar
hij zag er erg neerslachtig uit, omdat de vreemde prins het gezien had.

«Daar heb je een palmblad voor de prinses!» zei de zuidenwind. «Dit
blad heeft de vogel Phoenix, de eenige, die er op de wereld was, aan
mij gegeven! Hij heeft er met zijn snavel zijn heele levensgeschiedenis
gedurende de honderd jaren, die hij geleefd heeft, op geschreven. Nu
kan zij het zelf lezen, hoe de vogel Phoenix zijn nest in brand stak
en daarin zat en verbrandde, evenals de vrouw van een Hindoe. Wat
knetterden de dorre takken! Het was een rook en een damp van
belang! Eindelijk ging alles in vlammen op; de oude vogel Phoenix
werd tot asch verteerd; maar zijn ei lag gloeiend rood in het vuur;
het barstte met een geweldigen knal open, en het jong vloog er uit;
nu is _deze_ heer over alle vogels en de eenige vogel Phoenix in de
wereld. Hij heeft in het palmblad, dat ik je gegeven heb, een gat
gebeten: dat is zijn groet aan de prinses!»

«Laat ons wat gebruiken!» zei de moeder der winden. En nu zetten zij
zich allen bij elkander neer, om van het gebraden hert te eten; de
jonge prins zat naast den oostenwind; daardoor werden zij al spoedig
goede vrienden.

«Zeg mij eens,» vroeg de prins, «wat is dat toch voor een prinses,
waarvan hier zooveel gesproken wordt, en waar ligt de tuin van het
Paradijs?»

«Wel zoo!» zei de oostenwind, «wilt ge daar naar toe? Welnu, vlieg
dan morgen maar met mij mee! Maar dat moet ik u zeggen: sedert Adams
en Eva's tijd is geen mensch daar geweest. Ge kent die zeker wel uit
uw bijbelsche geschiedenis?»

«Jawel,» zei de prins.

«Indertijd, toen zij verdreven werden, zonk de tuin van het Paradijs
in den grond weg; maar hij behield zijn warmen zonneschijn, zijn
zachte lucht en al zijn heerlijkheid. De feeënkoningin woont daarin;
daar ligt het land der gelukzaligheid, waar de dood nooit komt, waar
het heerlijk is! Zet u morgen op mijn rug neer, dan zal ik u meenemen:
ik denk, dat dit wel zal gaan. Maar zwijg stil, want ik wil nu slapen!»

En nu gingen zij allemaal slapen.

Reeds vroeg in den morgen werd de prins wakker en was niet weinig
verbaasd, toen hij merkte, dat hij zich al hoog boven de wolken
bevond. Hij zat op den rug van den oostenwind, die hem stevig
vasthield; zij waren zoo hoog in de lucht, dat bosschen en velden,
rivieren en zeeën zich als op een landkaart aan hen voordeden.

«Goeden morgen!» zei de oostenwind. «Ge hadt best nog een beetje kunnen
blijven slapen, want er is niet veel op het vlakke veld onder ons te
zien, of ge moest lust hebben om de kerken te tellen! Die staan als
krijtstipjes op het groene bord.» Wat hij het groene bord noemde,
waren velden en weiden.

«Het is niet heel beleefd van mij, dat ik uw moeder en uw broers niet
goedendag gezegd heb!» zei de prins.

«Als men slaapt, is men verontschuldigd!» beweerde de oostenwind. En
daarop vlogen zij nog sneller dan te voren. Men kon het in de toppen
van de boomen hooren, want als zij daar overheen vlogen, ritselden alle
takken en bladeren; men kon het aan de zeeën en op de meren merken,
want waar zij vlogen, stegen de golven hooger, en de groote schepen
bogen zich diep in het water evenals zwemmende zwanen.

Tegen den avond, toen het donker werd, zagen de groote steden er
bekoorlijk uit; de lichten brandden daar beneden, nu eens hier,
dan weer daar, het was, als wanneer men een stuk papier in brand
gestoken heeft en al de kleine vonken ziet, waarvan de eene na
de andere verdwijnt. En de prins klapte in zijn handen; maar de
oostenwind verzocht hem, dit niet te doen en zich liever vast te
houden; anders zou hij licht naar beneden kunnen vallen en aan een
kerktoren blijven hangen.

De adelaar in de donkere bosschen vloog wel is waar snel, maar de
oostenwind vloog toch nog sneller. De kozak reed op zijn klein paard
vlug over de vlakte heen, maar de prins ging toch nog vlugger!

«Nu kunt ge den Himalaya zien!» zei de oostenwind. «Dat is het hoogste
gebergte in Azië; nu zullen wij spoedig in den tuin van het Paradijs
komen!»

Daarop wendden zij zich meer zuidwaarts; al spoedig geurde het daar
van specerijen en bloemen; vijgen en granaatappels groeiden in het
wild, en aan de wilde wijnstokken zaten blauwe en roode druiven. Hier
lieten zij zich beiden neer en strekten zich op het zachte gras uit,
waar de bloemen den wind toeknikten, als wilden zij zeggen: «Welkom!»

«Zijn wij nu in den tuin van het Paradijs?» vroeg de prins.

«Neen, nog niet!» antwoordde de oostenwind. «Maar wij zullen er spoedig
komen. Ziet ge daar dien rotsachtigen muur en die ruime grot, waarvoor
de wijngaardranken als een groot, groen gordijn hangen? Daardoor
zullen we er inkomen! Wikkel u in uw mantel; hier brandt de zon,
maar nog een schrede verder, en het is ijskoud. De vogel, die daar
voorbij de grot heenvliegt, heeft zijn eenen vleugel buiten in den
warmen zomer en zijn anderen binnen in den kouden winter!»

«Wel zoo! Is dat dan de weg naar den tuin van het Paradijs?» vroeg
de prins.

Nu gingen zij de grot in. Hu! wat was het daar ijskoud! Maar het
duurde toch niet lang. De oostenwind spreidde zijn vleugelen uit,
en deze schitterden evenals het helderste vuur. O, wat was dat een
grot! De groote rotsblokken, waarvan het water afdroop, hingen in de
zonderlingste gestalten daaroverheen; nu eens was het er zoo nauw,
dat zij op handen en voeten moesten kruipen, dan weer zoo hoog en
uitgestrekt, als in de open lucht. Het zag er uit als grafkapellen
met stomme orgelpijpen en versteende orgels.

«Wij betreden den weg des doods toch niet, nu wij naar den tuin
van het Paradijs toe gaan?» vroeg de prins. Maar de oostenwind gaf
hierop niets hoegenaamd ten antwoord, maar wees slechts voorwaarts,
en het schoonste blauwe licht straalde hun tegen. De rotsblokken
boven hen werden meer en meer een nevel, die er eindelijk als een
witte wolk in den maneschijn uitzag. Nu waren zij in de heerlijke,
zachte lucht, zoo frisch als op de bergen, zoo geurig als bij de rozen
in het dal. Daar stroomde een rivier, zoo helder als de lucht zelf;
en de visschen waren als zilver en goud; purperroode palingen, die
bij iedere beweging blauwe vonken om zich heen spreidden, speelden
onder in het water, en de breede lotusbladeren hadden al de kleuren
van den regenboog; de bloem, die daaraan groeide, was een roodachtige
gele brandende vlam, waaraan het water voedsel gaf, evenals de olie
de lamp bestendig aan het branden houdt; een stevige brug van marmer,
maar zoo kunstig en fijn uitgesneden, alsof zij van kant en paarlen
gemaakt was, voerde over het water naar het eiland der gelukzaligheid,
waar de tuin van het Paradijs bloeide.

De oostenwind nam den prins op zijn armen en droeg er hem naar
toe. Daar zongen de bloemen en de bladeren de schoonste liederen uit
zijn kindsheid, maar zoo welluidend en liefelijk, als geen menschelijke
stem ze hier kan zingen.

Waren het palmboomen of reusachtig groote waterplanten, die hier
groeiden? Zulke sappige en groote boomen had de prins vroeger
nooit gezien; in lange festoenen hingen daar de wonderlijkste
slingerplanten, zooals men ze slechts met kleuren en goud op den
rand van oude heiligenboeken, of door de beginletters geslingerd,
afgebeeld ziet. Dat waren de zonderlingste samenstellingen van vogels,
bloemen en ranken. Dicht daarnaast in het gras stond een troep pauwen
met ontplooide, glanzige staarten. Ja, dat was werkelijk zoo! Doch
toen de prins daaraan raakte, merkte hij, dat het geen dieren, maar
planten waren; het waren groote klissen, die hier als een prachtige
pauwestaart schitterden. De leeuw en de tijger sprongen als katten
tusschen de groene heggen door, die als de bloemen van den olijfboom
geurden; en de leeuw en de tijger waren tam. De wilde boschduif
straalde als de schoonste parel en sloeg met haar vleugels tegen de
manen van den leeuw aan; en de antilope, die anders zoo schuw is,
stond daarnaast en knikte met den kop, alsof zij ook wilde meespelen.

Nu kwam de fee van het Paradijs; haar kleederen straalden als de
zon, en haar gelaat was vroolijk als dat van een blijde moeder,
wanneer zij recht gelukkig met haar kind is. Zij was jong en schoon,
en de bekoorlijkste meisjes, elk met een schitterende ster in het
haar, volgden haar. De oostenwind gaf haar het beschreven blad van
den vogel Phoenix, en haar oogen fonkelden van blijdschap. Zij nam
den prins bij de hand en bracht hem naar haar kasteel, waar de muren
kleuren hadden als het prachtigste tulpeblad, wanneer het tegen de zon
gehouden wordt. De zoldering zelve was een groote, fonkelende bloem,
en hoe meer men daarnaar keek, des te dieper scheen haar kelk. De
prins ging naar het raam toe en keek door een der ruiten: daar zag
hij den boom der kennis met de slang, en Adam en Eva stonden dicht
daarbij. «Zijn die niet verdreven?» vroeg hij. En de fee glimlachte en
verklaarde hem, dat de tijd op iedere ruit zijn beeld ingebrand heeft,
maar niet, zooals men het gewoonlijk ziet; neen, er was leven daarin;
de bladeren der bloemen bewogen zich; de menschen kwamen en gingen,
als in een spiegelbeeld. En hij keek door een andere ruit: daar was
Jacobs droom, waar de ladder tot aan den hemel reikte; en de engelen
met hun groote vleugels zweefden op en neer. Ja, alles, wat er op
de wereld gebeurd was, leefde en bewoog zich in de glazen ruiten;
zulke kunstige schilderijen kon slechts de tijd er in branden.

De fee glimlachte en bracht hem in een groote, hooge zaal, wier muren
doorzichtig schenen te zijn. Hier waren portretten, waarvan het eene
gezicht nog mooier was dan het andere. Men zag millioenen gelukkigen,
die glimlachten en zongen, zoodat het in ééne melodie samensmolt;
de voornaamsten onder hen waren zoo klein, dat zij kleiner schenen
dan de kleinste rozeknop, wanneer deze als een punt op het papier
geteekend wordt. Midden in de zaal stond een groote boom met hangende,
weelderige takken; gouden appelen hingen als sinaasappels tusschen
de groene bladeren. Dat was de boom der kennis, van welks vrucht
Adam en Eva gegeten hadden. Van ieder blad droop een schitterende,
roode dauwdroppel: het was, alsof de boom bloedige tranen stortte.

«Laat ons nu in de boot stappen!» zei de fee; «dan zullen wij eenige
ververschingen op het water gebruiken! De boot schommelt en komt niet
van haar plaats af; maar al de landen der wereld glijden onze oogen
voorbij.» En het was wonderbaar om aan te zien, hoe de geheele kust
zich bewoog. Daar kwamen de hooge, met sneeuw bedekte Alpen met wolken
en zwarte dennen; de hoorn klonk diep weemoedig, en de herder zong
vroolijk in het dal. Daarop bogen de bananen haar lange, hangende
takken over de boot neer; zwarte zwanen zwommen er in het water,
en de zeldzaamste dieren en bloemen vertoonden zich aan den oever:
dat was Nieuw-Holland, het vijfde werelddeel, dat, met een uitzicht op
de blauwe bergen, voorbijgleed. Men hoorde het gezang der priesters en
zag den dans der wilden, begeleid door het geroffel van trommels en het
geschetter van trompetten. De piramiden van Egypte, die zich tot aan
de wolken verhieven, omvergevallen zuilen en sfinxen, half onder het
zand bedolven, zeilden insgelijks voorbij. Het noorderlicht straalde
over uitgebrande vulkanen van het noorden: dat was een vuurwerk,
dat niemand kon nabootsen. De prins gevoelde zich hoogst gelukkig:
ja, hij zag nog honderdmaal meer, dan wat wij hier vertellen.

«En kan ik hier altijd blijven?» vroeg hij.

«Dat hangt van u zelf af!» antwoordde de fee. «Als ge u niet,
evenals Adam, laat verleiden om het verbodene te doen, dan kunt ge
hier altijd blijven.»

«Ik zal de appelen van den boom der kennis niet aanraken!» zei de
prins. «Hier zijn immers duizenden vruchten, even heerlijk als die.»

«Onderzoek u zelven, en als ge niet sterk genoeg zijt, ga dan met
den oostenwind mee, die u hier haar toe gebracht heeft. Hij vliegt nu
terug en laat zich in honderd jaren hier niet meer zien; de tijd zal
op deze plaats voor u voorbijvliegen, alsof het honderd uren waren:
maar het is een lange tijd voor de verzoeking. Iederen avond, wanneer
ik van u heenga, moet ik u toeroepen: Kom mee! Ik moet u met de hand
wenken,--maar blijf achter! Ga niet mee; want anders zal met iedere
schrede uw verlangen grooter worden. Ge komt dan in de zaal, waar
de boom der kennis groeit; ik slaap onder zijn geurige, overhangende
takken; ge zult u over mij heenbuigen, en ik moet glimlachen; maar als
ge een kus op mijn lippen drukt, dan zinkt het Paradijs diep in den
grond weg, en het is voor u verloren. De scherpe wind der woestijn
zal om u heen suizen, de koude regen op uw hoofd droppelen. Kommer
en ellende worden uw deel.»

«Ik blijf hier!» zei de prins. En de oostenwind kuste hem op het
voorhoofd en zei: «Wees sterk, dan ontmoeten wij elkander hier na
verloop van honderd jaren weer! Vaarwel! Vaarwel!» En de oostenwind
spreidde zijn groote vleugelen uit; zij schitterden, evenals het
weerlicht in den oogsttijd, of het noorderlicht in den winter.

«Vaarwel! Vaarwel!» klonk het van bloemen en boomen. Ooievaars en
pelikanen schaarden zich als fladderende linten in rijen en brachten
hem tot op de grenzen van den tuin.

«Nu beginnen wij onze dansen!» zei de fee. «Wanneer ik ten slotte, als
de zon ondergaat, met u dans, zult gij zien, dat ik u toewenk; ge zult
me u hooren toeroepen: Kom mee! Maar doe dit niet! Honderd jaren lang
moet ik het iederen avond herhalen; telkens wanneer die tijd voorbij
is, krijgt ge meer kracht; eindelijk denkt ge er volstrekt niet meer
aan. Heden avond is het voor de eerste maal; nu heb ik u gewaarschuwd!»

En de fee bracht hem in een groote zaal van witte, doorzichtige leliën;
de gele meeldraden in iedere bloem vormden een kleine gouden harp,
wier snaren liefelijke tonen van zich gaven. De schoonste meisjes,
zwevend en slank, in golvend gaas gekleed, zoodat men haar bekoorlijke
gestalte kon zien, zweefden in den dans en zongen, hoe heerlijk het
is, te leven, en dat zij nimmer zouden sterven, en dat de tuin van
het Paradijs eeuwig zou bloeien.

En de zon ging onder; de geheele hemel werd een en al goud, dat aan
de leliën den glans der heerlijkste rozen gaf; en de prins dronk van
den parelenden wijn, dien de meisjes hem toereikten, en voelde een
gelukzaligheid als nooit te voren. Hij zag, hoe de achtergrond der
zaal zich opende, en de boom der kennis stond daar in een glans,
die zijn oogen verblindde; het gezang was daar zacht en liefelijk
evenals de stem van zijn moeder en het was, alsof zij zong: «Mijn kind,
mijn geliefd kind!»

Nu wenkte de fee hem toe en riep vol liefde: «Kom mee! Kom mee!»
En hij snelde haar tegemoet, vergat zijn belofte, vergat deze reeds
den eersten avond, en zij wenkte en glimlachte. De geur, de heerlijke
geur in de rondte werd sterker; de harpen klonken veel liefelijker,
en het was, alsof de millioenen glimlachende hoofden in de zaal, waar
de boom groeide, knikten en zongen: «Alles moet men kennen! De mensch
is de heer der aarde!» En het waren geen bloedige tranen meer, die
van den boom der kennis afvielen; het waren roode, fonkelende sterren,
die hij meende te zien. «Kom mee! Kom mee!» luidden de bevende klanken,
en bij iedere schrede werden de wangen van den prins rooder, vloeide
het bloed hem sneller door de aderen. «Ik moet!» zeide hij. «Het
is immers geen zonde, het kan geen zonde zijn! Waarom de schoonheid
en de vreugde niet te volgen? Ik wil haar zien slapen; er is immers
niets aan misdaan, als ik haar maar geen kus geef; en een kus zal ik
haar niet geven: ik ben sterk, ik heb een vasten wil!»

En de fee wierp haar schitterende kleeding af, boog de takken weg,
en na een oogenblik was zij daarin verborgen.

«Nog heb ik niet gezondigd!» zei de prins, «en ik zal het ook niet
doen!» En hierop boog hij de takken ter zijde: daar sliep zij reeds,
schoon, zooals slechts een fee in den tuin van het Paradijs wezen
kan. Zij glimlachte in den droom, hij boog zich over haar heen en
zag tusschen haar oogleden tranen beven.

«Weent ge over mij?» fluisterde hij. «Ween niet, gij bekoorlijke
vrouw! Nu begrijp ik het geluk van het Paradijs eerst. Het doorstroomt
mijn bloed, mijn gedachten; de kracht van den cherub en van het eeuwige
leven voel ik in mijn aardsche lichaam! Al moge het ook eeuwig nacht
voor mij worden, een minuut als deze is rijkdom genoeg!» En hij kuste
de tranen uit haar oogen; zijn mond raakte den haren aan.

Daar ratelde een donderslag, zoo zwaar en verschrikkelijk, als niemand
dien ooit gehoord heeft. En alles stortte ineen; de schoone fee en
het bloeiende paradijs zonken al dieper en dieper. De prins zag het in
den zwarten nacht wegzinken; als een kleine, lichtende ster straalde
het hem heel uit de verte tegen; een doodelijke koude deed hem over
zijn geheele lichaam beven; hij sloot zijn oogen en lag een geruimen
tijd als dood.

De koude regen viel hem op het gezicht, de scherpe wind blies om zijn
hoofd; nu kwam hij weer tot zijn zinnen. «Wat heb ik gedaan!» zeide
hij met een zucht. «Ik heb gezondigd, evenals Adam gezondigd, zoodat
het Paradijs in de diepte weggezonken is!» En hij deed zijn oogen
open; de ster in de verte, die als het gezonken paradijs fonkelde,
zag hij nog,--het was de morgenster aan den hemel.

Hij stond op en was in het groote bosch dicht bij de grot der winden;
en de moeder der winden zat naast hem; zij zag er kwaadwillig uit en
hief haar arm omhoog.

«Reeds den eersten avond!» zeide zij. «Dat dacht ik wel! Als ge mijn
jongen waart, dan zoudt ge in den zak moeten!»

«Daar moet hij in!» zei de Dood, een krachtig, oud man met een zeis
in de hand en met groote, zwarte vleugelen. «In de doodkist moet hij
gelegd worden; maar nu nog niet; ik teeken hem slechts op, doch laat
hem nog een poos in de wereld rondzwerven, om zijn zonde te boeten
en beter te worden. Ik kom echter eenmaal. Wanneer hij het juist
het minst verwacht, stop ik hem in de zwarte doodkist, zet deze op
mijn hoofd en vlieg naar de sterren op. Ook daar bloeit de tuin van
het Paradijs, en is hij goed en vroom, dan zal hij er binnentreden;
maar zijn zijn gedachten boos en is zijn hart nog vol zonde, dan zinkt
hij met de doodkist dieper dan het Paradijs gezonken is, en slechts
om de duizend jaren haal ik hem terug, opdat hij nog dieper zinke of
op de fonkelende ster kome, de fonkelende ster daarboven!»



DE KLEINE TUK.


Ja, dat was de kleine Tuk. Hij heette eigenlijk niet Tuk, maar
toen hij nog niet goed kon praten, noemde hij zich zelf zoo; dat
moest Karl beteekenen, en dat is wel goed, als men het maar weet. Nu
moest hij op zijn zusje Gustava passen, dat nog kleiner was dan hij,
en tegelijkertijd moest hij ook zijn les leeren; maar deze beide
dingen wilden niet best samengaan. De arme jongen zat daar met zijn
zusje op den schoot, en zong haar al de liedjes voor, die hij kende,
en ondertusschen keek bij eens schuins in het geographieboek, dat
open voor hem lag; tegen den volgenden dag moest hij al de steden
van Seeland van buiten kennen en alles daarvan weten wat men maar
weten kan.

Nu kwam zijn moeder te huis, want zij was uit geweest, en nam de kleine
Gustava op den arm. Tuk liep ijlings naar het raam toe en las nu zoo
ijverig, dat hij zich bijna de oogen uitgelezen had, want het werd
gedurig donkerder; maar zijn moeder had geen geld om licht te koopen.

«Daar gaat de oude waschvrouw uit de straat hier dichtbij!» zei zijn
moeder, toen zij het raam uitkeek. «De arme vrouw kan zich zelve
tenauwernood voortsleepen, en nu moet zij nog een emmer vol water van
de bron naar huis dragen. Wees een beste jongen, Tuk, en help de oude
vrouw eens!»

En Tuk liep in aller ijl de deur uit en hielp haar; maar toen hij
weer in de kamer kwam, was het heelemaal donker geworden, en van licht
was er geen sprake. Nu moest hij naar bed toe: dat was een armzalige
krib! Daar lag hij nu en dacht aan zijn geographieles en aan Seeland
en aan alles, wat de meester verteld had. Hij had wel is waar zijn
les nog moeten leeren, maar dat kon hij immers niet. Daarom legde
hij zijn geographieboek onder zijn hoofdkussen, want hij had wel eens
gehoord, dat dit zeer veel helpen moet, als men zijn les wil leeren;
maar men kan zich daarop niet verlaten. Daar lag hij nu en dacht en
dacht; en daar was het op eens, alsof iemand hem een kus gaf.--Hij
sliep en sliep toch ook niet; het was, alsof de oude waschvrouw hem
met haar vriendelijke oogen aankeek en zei: «Het zou jammer zijn,
als je je les morgen niet kende! Je hebt mij geholpen, daarom wil ik
je nu ook helpen, en onze goede God zal dat altijd doen!»

En eensklaps kriebelde en krabbelde het boek onder het hoofdkussen
van Tuk.

«Kikeliki! Ka ka!» Het was een kip, die kwam aanloopen, en deze was
van Kjöge vandaan. «Ik ben een Kjögekip!» [4] zeide zij, en daarop
vertelde zij, hoeveel inwoners er daar waren, en van den slag,
die daar geleverd was, maar die was eigenlijk niet waard om er een
woord over te spreken. «Kriebel, krabbel, plomp!» Daar viel wat naar
beneden; het was een houten vogel, de papegaai van het vogelschieten
te Prästöe. Die zei nu, dat er daar zoo vele inwoners waren, als hij
spijkers in zijn lijf had; ook was hij trotsch. «Thorwaldsen heeft
vlak naast mij gewoond. [5] Plomp! Hier lig ik heerlijk!»

Maar Tuk lag nu niet meer; eensklaps zat hij te paard. Hop, hop, hop,
in galop: zoo ging het voort. Een prachtig gekleed ridder met een
schitterenden helm en een wuivenden vederbos hield hem voor zich op het
paard, en zoo reden zij door het bosch naar de oude stad Wordingborg;
dat was een groote, zeer levendige stad; op het kasteel des konings
verhieven zich hooge torens, en een lichtglans stroomde er uit alle
ramen; daar binnen was zang en dans, en koning Waldemar en jonge,
opgepronkte hofdames dansten met elkander.--Nu werd het morgen,
en zoodra de zon opkwam, vielen de geheele stad en het koninklijk
kasteel plotseling in elkaar, en de eene toren na den anderen verdween;
en eindelijk bleef er nog maar een enkele op den heuvel staan, waar
vroeger het kasteel geweest was, [6] en de stad was zeer klein en arm,
en de schooljongens kwamen met hun boeken onder den arm en zeiden:
«Twee duizend inwoners,» maar dat was niet waar, want zoo veel had
zij er niet.

En de kleine Tuk lag in zijn bed; het was hem, alsof hij droomde,
en toch ook weer, alsof hij niet droomde; maar er stond iemand dicht
naast hem.

«Kleine Tuk! Kleine Tuk!» werd er geroepen: dat was een zeeman, een
heel klein mannetje, zoo klein, alsof het een cadet was; maar het was
geen cadet. «Ik moet u veelmalen van Korsöer [7] groeten; dat is een
stad, die in haar opkomst is, een levendige stad, die stoombooten en
postwagens heeft; vroeger noemde men haar altijd leelijk, maar dat
is nu niet meer waar.»

«Ik lig aan de zee,» zei Korsöer, «ik heb straatwegen en lusthoven;
ik heb een dichter voortgebracht, die geestig en onderhoudend was,
en dat zijn ze niet allemaal. Ik wilde eens een schip uitrusten,
dat rondom de aarde zou gaan; maar ik deed het niet, ofschoon ik het
wel had kunnen doen; en verder ruik ik ook overheerlijk, want dicht
bij de poort bloeien de prachtigste rozen.»

De kleine Tuk keek er naar, en het werd hem geel en groen voor de
oogen; maar toen nu het kleurenspel voorbij was, was het op eens een
begroeide helling dicht aan de baai, en hoog daarboven stond een
prachtige oude kerk met twee hooge, spitse torens. Uit de helling
sprongen bronnen in dikke waterstralen, zoodat het aldoor plaste,
en dicht daarnaast zat een oude koning met een gouden kroon op het
witte hoofd; dat was koning Hroar bij de bronnen, dicht bij de stad
Roeskilde, zooals men haar tegenwoordig noemt. En over de helling heen
in de oude kerk gingen al de koningen en koninginnen van Denemarken
hand aan hand, allen met gouden kronen op; en het orgel speelde en
de bronnen murmelden. De kleine Tuk zag alles, hoorde alles. «Vergeet
de steden niet!» zei koning Hroar. [8]

Op eens was alles weer weg; ja, waar was het gebleven? Het was hem,
alsof men een blad in een boek omslaat. En nu stond daar een oude
boerin; deze kwam uit Soröe, [9] waar het gras op de markt groeit;
zij had een grauw linnen schort over haar hoofd en haar rug hangen;
dit was druipnat,--het moest dus zeker geregend hebben. «Ja, dat heeft
het!» zeide zij, en nu vertelde zij veel moois uit Holbergs comedies en
van Waldemar en Absalom. Maar op eens kromp zij ineen en schudde met
het hoofd, het was precies, alsof zij een sprong wilde doen. «Krok,
krok!» zeide zij, «het is nat, het is nat; het is doodstil in Soröe!»
Nu was zij eensklaps een kikvorsch. «Krok, krok!» en toen was zij
weer een oude vrouw. «Men moet zich naar het weer kleeden.» zeide
zij. «Het is nat, het is nat! Mijn stad is als een flesch; bij de stop
moet men er in, bij de stop moet men er weer uit! Vroeger had ik de
heerlijkste visschen, en nu heb ik frissche jongens met roode wangen
op den bodem der flesch; dezen leeren daar wijsheid: Hebreeuwsch,
Grieksch! Krok!» Dat klonk precies, alsof er kikvorschen kwaakten,
of alsof men met groote laarzen in het moeras liep: altijd hetzelfde
geluid, zoo eentonig en zoo vervelend, dat de kleine Tuk er van in
slaap viel, hetgeen voor hem ook geen kwaad kon.

Maar zelfs in dezen slaap kwam er een droom of wat het anders was. Zijn
zusje Gustava met haar blauwe oogen en haar blond gelokt haar was op
eens een volwassen, schoon meisje, en zonder dat zij vleugels had kon
zij vliegen, en nu vlogen zij over Seeland, over de groene bosschen
en de blauwe meren.

«Hoor je den haan kraaien, kleine Tuk? Kukelekuku! De hanen vliegen
uit de stad Kjöge op! Je krijgt een kippenhok, een groot kippenhok! Je
zult geen honger of gebrek meer lijden! En den vogel zal je schieten,
zooals men zegt; je zult een rijk en gelukkig man worden! Je huis
zal zich verheffen als de toren van koning Waldemar en rijk versierd
zijn met marmeren beeldzuilen, evenals die uit Prästöe. Je begrijpt
mij wel! Je naam zal met roem om de heele aarde trekken, evenals
het schip, dat van Korsöer had moeten uitloopen, en te Roeskilde
..... «Vergeet de steden niet!» zeide koning Hjoar.--Je zult goed en
verstandig spreken, kleine Tuk, en als je dan eindelijk in je graf
komt, dan zul je gerust slapen....»

«Alsof ik in Soröe lag!» zei Tuk, en nu werd hij wakker. Het was
klaarlichte dag, en hij kon zich zijn droom niet meer herinneren. Dat
was echter ook niet noodig; want men mag niet weten, wat er eenmaal
zal gebeuren.

Nu sprong hij vlug uit zijn bed en las in zijn boek, nu kende hij op
eens zijn geheele les. Maar de oude waschvrouw stak het hoofd in de
kamer, knikte hem vriendelijk toe en zei:

«Hartelijk dank, beste jongen, voor je hulp! De goede God moge je
schoonen droom vervullen!»

De kleine Tuk wist echter niet, wat hij gedroomd had, maar--de goede
God wist het wel.



DE BURINNETJES.


Men zou gezegd hebben, dat er in den eendenvijver iets gewichtigs
voorviel; maar er viel niets voor. Al de eenden, die stil in het
water lagen of op haar kop daarin stonden,--want dat kunnen ze
doen,--zwommen op eens naar den kant toe; men zag in de natte aarde
de sporen van haar pooten en hoorde wijd en zijd haar gesnater. Het
water, dat nog kort te voren zoo blank en glad als een spiegel was,
kwam in hevige beweging. Nog kort geleden had men daarin iederen
boom, iederen struik in de nabijheid, het oude boerenhuis met de
gaten in het dak en het zwaluwennest, maar inzonderheid den grooten,
met bloemen bezaaiden rozestruik gezien; deze bedekte den muur en
hing over het water heen, waarin men alles als op een schilderij
zag, met dit onderscheid nochtans, dat alles ondersteboven stond;
maar toen het water in beweging kwam, ging alles door elkander en
was het beeld verdwenen. Twee veeren, die de eenden bij het opvliegen
verloren hadden, dreven heen en weer; op eens namen zij een loopje,
alsof de wind kwam; maar deze kwam niet, en dus moesten zij blijven
liggen, en het water werd weer kalm en effen. De rozen spiegelden er
zich weer in af; zij waren verwonderlijk schoon, maar zij wisten het
zelf niet, want niemand had het haar gezegd; de zon scheen tusschen de
bladeren door, alles verspreidde den heerlijksten geur om zich heen;
het was allen te moede evenals ons, wanneer wij van de gedachte aan
ons geluk vervuld zijn.

«Hoe schoon is het leven toch!» zei iedere roos. «Slechts één ding zou
ik wenschen: de zon te kunnen kussen, omdat zij zoo warm en zoo helder
is. Ook de rozen daar beneden in het water, onze evenbeelden, zou
ik wel willen kussen, en de lieve vogeltjes beneden in het nest. Ook
boven zijn er enkele; zij steken er hun kopjes uit en piepen zacht; zij
hebben geen veeren, zooals vader en moeder. Het zijn goede burinnetjes,
zoowel die beneden, als die boven zijn!»

De jongen boven en beneden,--die beneden waren echter slechts de
weerkaatsing in het water,--waren musschen; haar ouders waren
insgelijks musschen; zij hadden het leege zwaluwennest van het
vorige jaar in bezit genomen en huisden daarin nu, alsof het haar
eigendom was.

«Zijn dat eendekleeren, die daar drijven?» vroegen de jongen van de
musschen, toen zij de veeren op het water zagen.

«Als je wilt vragen, doe dan ten minste verstandige vragen!» zei de
moeder. «Zie je dan niet, dat het veeren zijn, levende kleerenstof,
zooals ik draag en zooals jelui ook eenmaal zult dragen? Maar de onze
is fijner. Ik zou overigens wel willen dat we ze boven in het nest
hadden; want ze verwarmen lekker. Ik zou wel eens willen weten, waarvan
de eenden toch zoo geschrikt zijn; van ons zeker niet; wel is waar
zeide ik vrij luid tegen jelui: «Piep!» De rozen moesten het eigenlijk
weten; maar die weten niemendal, bekijken zich zelf slechts en geven
geur van zich; ik ben deze burinnetjes van ganscher harte moede!»

«Hoor die allerliefste vogeltjes daar boven eens!» zeiden de rozen;
«die beginnen nu ook hun best te doen om te zingen, maar zij kunnen
het nog niet. Het zal intusschen wel gaan; wat zal dat plezierig zijn;
het is wel aardig, zulke vroolijke burinnetjes te hebben.»

Eensklaps kwamen er twee paarden aanrijden om gedrenkt te worden; een
boerenjongen reed op het eene; hij had al zijn kleeren uitgetrokken
behalve zijn grooten, breeden, stroohoed. De jongen zong als een
lijster en reed den vijver in, waar deze het diepst was; en toen hij
den rozenstruik voorbijkwam, plukte hij een roos af en stak haar
op zijn hoed en nu dacht hij, dat hij er wat mooi uitzag, en reed
verder. De andere rozen keken haar zuster na en vroegen zich af:
«Waar zou zij wel naar toe gaan?» Maar niemand wist dit te zeggen.

«Ik zou de wijde wereld wel eens in willen,» zeide er een; «maar
hier te huis in ons groen is het ook mooi. Den heelen dag schijnt
de zon helder en warm, en 's nachts fonkelt de hemel nog helderder;
dat kunnen wij door al die gaatjes, die er in zijn, wel zien.» Zij
bedoelde de sterren; zij wist het niet beter.

«Wij maken het levendig in den omtrek van het huis,» zei de moeder
der musschen, «en het zwaluwennest brengt geluk aan, zeggen de
menschen, daarom heeft men ons hier graag. Maar onze burinnetjes! Zoo'n
rozestruik tegen den muur aan veroorzaakt vocht. Hij zal wel weggenomen
worden; dan groeit hier ten minste misschien nog koren. De rozen
deugen nergens toe, dan om er naar te kijken en er aan te ruiken en
op zijn hoogst ze op den hoed te steken.

«Jaarlijks, dat weet ik van mijn moeder, vallen zij af. De vrouw
van den boer legt ze in en strooit er zout tusschen; dan krijgen zij
een Franschen naam, die ik niet kan en ook niet wil uitspreken; zij
worden op het vuur gestrooid als zij lekker moeten ruiken. Zie, zoo
is haar levensloop; zij bestaan slechts voor het oog en den neus. Nu
weet je het!»

Toen de avond viel en de muggen in de warme lucht en in de roode
wolken dansten, kwam de nachtegaal en zong voor de rozen, dat het
met het schoone eveneens gesteld was als met den zonneschijn in deze
wereld, en dat het schoone eeuwig leefde. Maar de rozen dachten,
dat de nachtegaal zich zelf bezong, hetgeen men heel goed had kunnen
geloven; want dat het gezang haar gold, daaraan dachten zij niet. Zij
hadden er echter veel schik in en dachten er over na, of al de kleine
musschen misschien ook nachtegalen konden worden. «Ik heb het gezang
van dezen vogel heel goed begrepen,» zeiden de jonge musschen. «Slechts
één woord was mij niet duidelijk. Wat beteekent «het schoone?»»

«Dat is volstrekt niets,» hernam de moeder der musschen; «dat is
maar iets uiterlijks. Maar op het adellijk kasteel, waar de duiven
haar eigen huis hebben en waar iederen dag erwten en gerst voor
haar gestrooid wordt,--ik heb zelf met haar gegeten, en dat zullen
jelui mettertijd ook wel doen,--op het adellijk kasteel heeft men
twee vogels met groene halzen en een kam op den kop; die kunnen hun
staart uitspreiden als een groot wiel, en deze heeft allerlei kleuren,
zoodat het zien daarvan aan de oogen zeer doet. Deze vogels worden
pauwen genoemd, en dat is «het schoone». Als ze maar eens een beetje
geplukt werden, dan zouden zij er niets anders uitzien dan wij. Ik
zou ze al geplukt hebben, als ze maar niet zoo groot waren.»

«Ik zal ze wel eens plukken,» zei de kleine musch, die nog geen
veeren had.

In het boerenhuis woonde een jeugdig echtpaar; zij hadden elkander
hartelijk lief; zij waren vlijtig en flink; het zag er alles heel
knap bij hen uit. Des Zondags vroeg kwam de jonge vrouw de deur uit,
plukte een handvol van de mooiste rozen en deed ze in een glas met
water, dat zij op de kast neerzette.

«Nu kan ik zien, dat het Zondag is,» zei de man en gaf zijn vrouw een
kus. Zij gingen zitten, lazen in het gezangboek en legden hun handen
in elkaar; de zon bescheen de frissche rozen en het jonge echtpaar.

«Dat verveelt mij geducht,» zei de moeder der musschen, die uit het
nest vlak in de kamer kon zien, en vloog weg.

Zoo ging het ook den volgenden Zondag, want alle Zondagen werden
er versche rozen in het glas gedaan; maar de rozestruik bloeide
altijd even mooi. De jonge musschen hadden nu veeren en wilden graag
meevliegen; maar haar moeder wilde dit niet, en dus moesten zij thuis
blijven. Zij vloog, maar, hoe het ook mocht gekomen zijn, zoo veel is
zeker: voordat zij er aan dacht, was zij in een strik van paardenharen
geraakt, die jongens aan een tak vastgemaakt hadden. De paardenharen
trokken zich vast om haar poot heen, als zou deze doorgesneden worden;
dat was een pijn, een schrik! De jongens sprongen toe en pakten den
vogel op een onzachte manier beet.

«Het is maar een musch!» zeiden zij; doch zij lieten haar toch niet
vliegen, maar namen haar mee naar huis; en telkens wanneer zij piepte,
gaven zij haar een slag op den snavel.

In het boerenhuis bevond zich juist een oud man, die scheerzeep en
waschzeep in vierkante stukken zoowel als in ballen vervaardigde. Het
was een rondreizende, vroolijke grijsaard. Toen hij de musch zag,
die de jongens meegebracht hadden en waarmee zij, zooals zij zeiden,
niet veel ophadden, vroeg hij: «Willen we haar eens heel mooi maken?»
Een ijskoude huivering ging de moeder der musschen over de leden. Uit
de kast, waarin de mooiste kleuren lagen, nam de grijsaard een doosje
met bladgoud, en de jongens moesten eiwit halen, waarmee de musch
werd bestreken; nu werd het goud er op vastgeplakt, en de moeder der
musschen was nu geheel verguld. Maar zij dacht niet aan het sieraad
en beefde over al hare leden. En de grijsaard scheurde van de roode
voering van zijn oude jas een lapje af, tandde dit uit, zoodat het
er als eene hanekam uitzag, en plakte het den vogel op den kop.

«Nu zal je den goudrok eens zien vliegen,» zei de grijsaard en liet
de musch los, die in doodelijken angst wegvloog, door de stralen der
zon beschenen. Wat schitterde zij nu! Al de musschen, zelfs een kraai,
ofschoon dit al een oude knar was, verschrikten hier niet weinig van;
maar zij vlogen toch achter haar aan, om eens te zien, wat voor een
vreemde vogel het was.

Door angst en ontzetting aangegrepen, vloog de musch naar huis terug;
het scheelde niet veel, of zij viel machteloos op den grond neer:
de schaar der vervolgende vogels groeide aan, ja, enkelen deden zelfs
een poging, om haar aan te vallen.

«Kijk die eens! Kijk die eens!» schreeuwden zij allemaal.

«Kijk die eens! Kijk die eens!» schreeuwden ook haar jongen, toen zij
dicht bij het nest kwam. «Dat is stellig een jonge pauw! Wat heeft
hij mooie kleuren; je oogen doen er zeer van, zooals moeder verteld
heeft. Piep! Dat is het schoone!» En nu pikten zij met haar kleine
snavels naar den vogel, zoodat het hem onmogelijk was, in het nest te
komen; hij was zoo uitgeput, dat hij niet eens «Piep!» kon zeggen,
laat staan dan: «Ik ben je moeder!» Ook de andere vogels vielen nu
op de musch aan, zoodat zij bloedend op den rozestruik neerviel.

«Arm beest!» zeiden alle rozen, «wees maar niet bang: wij zullen je
wel verbergen! Leg je kopje maar tegen ons aan!»

De musch spreidde haar vleugels nog eenmaal uit, daarop drukte zij
ze vast aan haar lijf en lag dood bij haar burinnetjes, de mooie,
frissche rozen.

«Piep!» klonk het uit het nest. «Waar zou moeder toch blijven? Dat
is onbegrijpelijk! Het zal toch geen streek van haar zijn en moeten
beteekenen, dat wij nu maar voor ons zelf moeten zorgen! Het huis
heeft zij ons nagelaten; maar aan wie van ons moet het nu toebehooren,
als wij ook familie krijgen?»

«Ja, dat gaat niet, dat je bij mij blijft, als ik vrouw en kinderen
krijg!» beweerde de jongste.

«Ik zal wel meer vrouwen en kinderen krijgen dan jij!» zei de tweede.

«Maar ik ben de oudste!» liet de derde er op volgen. Allen werden nu
toornig; zij sloegen met de vleugels, pikten met den snavel, en zoo
werd de een na de ander uit het nest gegooid. Daar lagen zij nu met
haar toorn! Zij hielden de kop op zijde en knipten met de naar boven
gekeerde oogen.

Zij konden een weinig vliegen, door oefening leerden zij het nog beter,
en eindelijk werden zij het eens over een teeken, om elkaar, wanneer
zij elkaar later in de wereld mochten ontmoeten, te herkennen. Het
zou in een «Piep!» bestaan en in een driewerf herhaald gekrabbel op
den grond met den linkerpoot.

De jonge musch, die in het nest achtergebleven was, verbeeldde zich
nu heel wat: zij was immers de eigenares van het huis. Maar deze
heerlijkheid duurde niet lang: in den nacht barstte er een hevige
brand uit, de vlammen grepen het dak aan, het droge stroo vlamde
hoog op, het geheele huis verbrandde en de jonge musch eveneens;
de beide andere trouwlustigen echter brachten er het leven gelukkig af.

Toen de zon weer opging en alles er zoo verkwikt uitzag als na
een gerusten slaap, waren er van het boerenhuis nog slechts enkele
verkoolde, zwarte balken over, die tegen den schoorsteen leunden,
die nu geheel op zich zelf stond. Het rookte nog geducht uit het puin;
maar daar buiten stond frisch en bloeiend de rozestruik, en spiegelde
iedere bloem, iederen tak in het heldere water af.

«O, wat bloeien die rozen daar voor het afgebrande huis toch heerlijk!»
riep een voorbijganger uit. «Een bekoorlijker tafereeltje laat zich
niet denken. Dat moet ik hebben!»

En deze man kreeg uit zijn zak een boek met witte blaadjes: het was
een schilder; en met een potlood teekende hij het rookende huis,
de verkoolde balken en den overhangenden schoorsteen uit, en deze
helde al meer en meer over; op den voorgrond bevond zich de groote,
bloeiende rozestruik; deze leverde een prachtig gezicht op. Om
zijnentwil was de teekening ontstaan.

Later op den dag kwamen de twee musschen, die hier geboren
waren, voorbij. «Waar is het huis?» vroegen zij. «Waar is het
nest? Piep! Alles is verbrand en onze overmoedige zuster ook. Dat heeft
zij er nu van, dat zij het nest wou behouden. De rozen zijn er goed
afgekomen, daar staan zij nog met haar roode wangen. Die treuren zeker
niet over het ongeluk van haar burinnetjes. Ik wil ze niet aanspreken,
en het is hier leelijk: zoo denk ik er over!» En weg gingen zij.

Op een prachtigen, helderen herfstdag,--men zou haast gezegd hebben,
dat het nog midden in den zomer was,--huppelden op het droge en
schoongeveegde voorplein van het ridderkasteel de duiven, zoowel zwarte
als witte en bonte; zij schitterden in den zonneschijn. De moeders
der duiven zeiden tegen haar jongen: «Schaart je in groepen! Want
dat staat veel beter!»

«Wat zijn dat voor grauwe beestjes, die achter ons loopen?» vroeg
een oude duif met rood en groen in de oogen. «Kleine grauwe! Kleine
grauwe!» riep zij.

«Het zijn musschen, lieve beestjes. Wij hebben altijd den naam gehad,
dat wij zoo goedig zijn; daarom zullen we haar ook veroorloven,
de korreltjes mee op te pikken; zij vallen ons niet in de rede en
krabben zoo aardig met de pooten.»

Ja, zij krabden driemaal met den poot en wel met den linkerpoot en
zeiden ook: «Piep!» Daaraan herkenden zij elkaar; want het waren de
musschen uit het nest op het afgebrande huis.

«Hier is het heel goed om te eten!» zeiden de musschen. De duiven
liepen om elkaar heen, zetten een hooge borst en hadden innerlijk
haar eigene meening.

«Zie je die kropduif wel!» zei er een. «Zie je wel, hoe zij de
erwten inslikt? Zij neemt er te veel en dat nog wel de beste. Roekoe,
roekoe! Wat is dat een leelijk, boosaardig dier! Roekoe, roekoe!»

En aller oogen vlamden van toorn. «Schaart je in groepen! Schaart je
in groepen! Kleine grauwe! Kleine grauwe! Roekoe! Roekoe! Roekoe!»
Zoo gingen de snavels door elkaar, en zoo zullen zij na duizend jaren
nog door elkaar gaan.

De musschen deden haar best met eten; zij luisterden oplettend
toe en schaarden zich zelfs mee in het gelid; dit ging haar echter
niet goed af. Zij waren verzadigd en verlieten daarom de duiven,
spraken allen haar oordeel over deze uit en slopen den tuin in, en
toen zij de tuindeur open vonden, huppelde een, die volop verzadigd
en daarom overmoedig was, op den drempel. «Piep!» zeide zij, «dat
durf ik wel doen!»

«Piep!» zei de andere; «dat durf ik ook wel en nog iets meer!» En zij
huppelde de kamer binnen. Er was niemand aanwezig; dat zag de derde,
vloog de kamer nog dieper in en riep: «Of heelemaal, of in 't geheel
niet! Het is overigens een zonderling menschennest; en wat hebben ze
hier neergezet? Wat is dat?»

Vlak bij de musschen bloeiden zoowaar de rozen: zij spiegelden
zich in het water af, en de verkoolde balken leunden tegen den
vooroverhellenden schoorsteen aan. «Wat is dat? Hoe komt dat in de
kamer van het adellijk kasteel?»

En al de drie musschen wilden over de rozen en den schoorsteen
wegvliegen, maar zij vlogen tegen een vlakken muur aan. Alles was een
schilderij, een groot, prachtig schilderij, dat de schilder naar een
schets vervaardigd had.

«Piep!» zeiden de musschen, «het bestaat niet! Het ziet er maar uit,
alsof het iets was. Piep! dat is het schoone! Kan jij het begrijpen? Ik
niet!» En zij vlogen weg, want er kwamen menschen in de kamer.

Er verliepen jaren en dagen; de duiven hadden dikwijls gekord, die
boosaardige dieren; de musschen hadden het in den winter erg te kwaad
met de kou gehad en in den zomer vroolijk geleefd: zij waren allemaal
verloofd of getrouwd of hoe men het noemen wil. Zij hadden jongen,
en ieder hield de hare natuurlijk voor de mooiste en de slimste; de
een vloog hierheen, de ander daarheen, en als zij elkaar ontmoetten,
dan herkenden zij elkaar aan haar «Piep!» en aan het driemaal herhaald
gekrabbel met den linkerpoot. De oudste was een oude vrijster gebleven,
die geen nest en geen jongen had; haar lievelingsdenkbeeld was,
een groote stad te zien; zij vloog daarom naar Kopenhagen toe.

Men zag daar een groot huis, dat met vele bonte kleuren beschilderd
was, dicht bij het kasteel en bij het kanaal, waarin vele met appelen
en potten beladen schepen voeren. De ramen waren beneden breeder
dan boven, en als de musschen er doorheen keken, dan kwam iedere
kamer haar als een tulp met de bontste kleuren en schakeeringen
voor. Midden in de tulp echter stonden witte menschen; deze waren
van marmer, enkele ook van gips; doch met musschenoogen bekeken, komt
dat al zoo wat op hetzelfde neer. Boven op het dak stond een metalen
wagen, met metalen paarden bespannen, en de godin der overwinning,
die insgelijks van metaal vervaardigd was, bestuurde ze. Het was het
museum van Thorwaldsen.

«Wat schittert dat, wat schittert dat!» zei de musch. «Dat zal wel
het schoone zijn. Piep! Hier is het echter grooter dan een pauw!»
Zij herinnerde zich nog uit haar kinderjaren, wat haar moeder
als het grootste onder het schoone erkend had. Zij vloog naar de
plaats toe; daar was alles buitengewoon prachtig; op de muren waren
palmen en takken geschilderd; midden op de plaats stond een groote,
bloeiende rozestruik; deze spreidde zijn frissche takken met de vele
rozen over een graf uit. Daar vloog de musch naar toe; want zij zag
daar verscheidenen van haar soort. Piep en drie krabbels met den
linkerpoot,--zoo had zij het heele jaar door al zoo dikwijls gegroet,
maar niemand had haar antwoord gegeven; want die eenmaal gescheiden
zijn, treffen elkaar niet alle dagen aan: de groet was haar tot een
gewoonte geworden.--Heden echter antwoordden twee oude musschen en
een jonge met «Piep!» en een driewerf herhaald gekrabbel met den
linkerpoot.

«Wel zoo! Goeden dag! Goeden dag!» Het waren twee ouden uit het nest en
nog een kleine uit de familie. «Moeten we elkaar hier ontmoeten? Het
is een deftige plaats, maar er is niet veel te eten. Dat is het
schoone! Piep!»

En vele menschen kwamen er uit de nevenvertrekken, waar de prachtige
marmeren beelden stonden, en begaven zich naar het graf, waarin
de groote kunstenaar, die de marmeren beelden vervaardigd had,
rustte. Allen stonden in een eerbiedige houding rondom het graf van
Thorwaldsen, en enkelen raapten de afgevallen rozebladeren op en
staken deze bij zich. Zij waren uit verre landen gekomen: een uit het
machtige Engeland, anderen uit Duitschland en Frankrijk. De mooiste
dame plukte een der rozen af en verborg deze aan haar boezem. Nu
dachten de musschen, dat de rozen hier regeerden en dat het huis
om harentwil gebouwd was; dat scheen haar nu wel wat te veel, maar
daar de menschen al hun liefde aan de rozen bewezen, wilden zij niet
achterblijven. «Piep!» zeiden zij en streken met hare staartjes
over den grond en keken met één oog naar de rozen: zij hadden ze
nog niet lang bekeken, of zij merkten, dat het de oude burinnetjes
waren. En zij waren het werkelijk. De schilder, die den rozestruik
bij het afgebrande huis had uitgeteekend, had later de vergunning
verkregen, dezen uit den grond te nemen, en had hem toen aan den
bouwmeester gegeven, want schoonere rozen had men nooit gezien; en
de bouwmeester had hem op het graf van Thorwaldsen geplant, waar hij
als beeld van het schoone bloeide en zijn roode, geurige rozebladeren
weggaf, om als een herinnering naar verre landen meegenomen te worden.

«Heb je hier in de stad een postje gekregen?» vroegen de musschen.

De rozen knikten; zij herkenden haar grauwe burinnetjes en verheugden
er zich over, dat zij ze terugzagen. «Wat is het toch heerlijk,
te leven en te bloeien, oude vrienden terug te zien en alle dagen
vroolijke gezichten! Het is, alsof het een feestdag was.»--«Piep!»
zeiden de musschen. «Ja, het zijn waarlijk de oude burinnetjes: wij
herinneren ons haar afstamming van den vijver. Piep! Wat zijn zij in
aanzien gekomen! Ja, menigeen gelukt het in den slaap!--Wacht! daar
zit een verwelkt blad, dat zie ik heel duidelijk!» En zij pikten er
zoo lang aan, totdat het blad afviel. Maar frisscher en groener stond
de rozestruik daar; de rozen geurden in den zonneschijn op het graf
van Thorwaldsen, aan wiens onsterfelijken naam zij zich verbonden.



GROOTMOEDER.


Grootmoeder is heel oud, zij heeft vele rimpels in haar voorhoofd
en sneeuwwit haar; maar haar oogen, die als twee sterren fonkelen,
ja veel schooner nog, hebben een milden en vriendelijken blik, en
weldadig is het, er in te staren! En dan weet zij de mooiste sprookjes
te vertellen. Zij weet heel veel; want zij heeft veel vroeger geleefd
dan vader en moeder; dat is bepaald zeker! Grootmoeder heeft een
gezangboek met groote zilveren sloten en leest dikwijls in dit boek;
daarin ligt een roos, geheel platgedrukt en verdroogd; deze is niet
zoo mooi als de rozen, die zij in een glas heeft staan, maar toch
lacht zij haar het vriendelijkst toe, ja, er komen haar zelfs tranen
in de oogen! Waarom zou grootmoeder de verwelkte bloem in het oude
boek toch zoo aankijken? Weet gij het?--Wel, telkens wanneer de
tranen van grootmoeder op de bloem vallen, worden de kleuren weer
frisch, de roos zwelt op en vervult de geheele kamer met haar geur,
de muren zinken weg, als waren zij slechts nevel, en rondom haar is het
groene, heerlijke bosch, waar de zon door het loof der boomen straalt:
en grootmoeder--ja, zij is weer geheel jong, zij is een bekoorlijk
meisje met blonde lokken, met blozende wangen, schoon en aanminnig,
geen roos is frisscher; maar de oogen, die vriendelijke, gezegende
oogen,--ja, die behooren nog aan grootmoeder toe.--Naast haar zit
een jonkman, rijzig en krachtig, hij reikt haar de roos over, en zij
glimlacht,--zoo glimlacht grootmoeder toch niet!--ja, toch wel! Maar
hij is verdwenen; vele gedachten, vele gestalten zweven voorbij,
de knappe jonkman is verdwenen, de roos ligt in het gezangboek, en
grootmoeder,--ja, zij zit daar weer als een oude vrouw en bekijkt de
verwelkte roos, die er in het boek ligt.

Nu is grootmoeder dood.--Zij zat in haar leuningstoel en vertelde een
uitvoerig, mooi sprookje; zij zeide, dat het sprookje nu uit en dat
zij moede was; zij ging met haar hoofd achterover leunen om een weinig
te slapen. Men kon haar ademhaling hooren, zij sliep; maar het werd
al stiller en stiller, en haar gelaat straalde van geluk en vrede;
het was, alsof er zich zonneschijn over haar trekken verspreidde,
zij glimlachte weer, en toen zeiden de menschen, dat zij gestorven was.

Zij werd in de zwarte kist neergelegd; daar lag zij, gehuld in het
witte linnen, zacht en schoon, en toch waren haar oogen gesloten,
maar iedere rimpel was verdwenen; zij lag daar met een glimlachje
om de lippen; heur haar was zilverwit en eerwaardig, het was niet
akelig om de doode aan te staren, het was immers de lieve, goedhartige
grootmoeder. En het gezangboek werd onder haar hoofd neergelegd, dat
had zij zelf begeerd, de roos lag in het oude boek; toen begroeven
zij grootmoeder.

Op het graf, dicht bij den muur der kerk, plantten zij een rozeboompje;
dit zat vol rozen, en de nachtegaal vloog zingend over de bloemen en
het graf; binnen in de kerk klonken van het orgel de schoonste psalmen,
die er in het oude boek onder het hoofd der overledene stonden. De
maan scheen op het graf neer, maar de doode was hier niet; ieder kind
kon er 's nachts gerust heengaan en een roos bij den kerkhofsmuur
plukken. Een doode weet meer, dan wij levenden met ons allen weten. De
dooden weten heel goed, welk een angst zich van ons meester zou maken,
als het zonderlinge geschiedde en zij tot ons kwamen; de dooden zijn
beter dan wij allen; zij keeren niet weer. De aarde heeft zich boven
de doodkist opgehoopt; ook in de doodkist is aarde, de bladen van het
gezangboek zijn stof, en de roos met al haar herinneringen is tot
stof vergaan. Maar boven haar bloeien frissche rozen, boven zingt
de nachtegaal en klinkt het orgel, boven leeft de herinnering aan
de oude grootmoeder met de milde, eeuwig jonge oogen.--_Oogen kunnen
nimmer sterven._--De onze zullen eenmaal grootmoeder weerzien, jong en
schoon, zooals zij voor de eerste maal de frissche, roode roos kuste,
die nu stof in het graf is.



DE SCHIM.


In de warme landen brandt de zon zeer sterk; daar worden de menschen
zoo bruin als mahoniehout; ja, in de warmste landen worden zij zelfs
tot negers gebrand. Naar deze warme landen was een geleerd man uit
de koude streken vertrokken. Deze dacht nu, dat hij daar eveneens
kon rondloopen als in zijn vaderland; maar van die meening kwam hij
al spoedig terug. Hij en alle verstandige lieden moesten in huis
blijven: de luiken en deuren werden den heelen dag gesloten; het
had den schijn, alsof allen in huis sliepen of uitgegaan waren. De
nauwe straat met de hooge huizen, waarin hij woonde, was echter ook
zoo gebouwd, dat de zon er van den ochtend tot den avond in moest
schijnen; het was werkelijk onverdraaglijk. De geleerde uit de koude
streken was een jong, kundig man; het kwam hem voor, alsof hij in
een gloeienden oven zat; dat deed hem veel kwaad: hij werd mager;
zelfs zijn schim kromp en werd veel kleiner dan hij [10] in zijn
vaderland geweest was; de zon nam ook zelfs dezen mede, en hij begon
's avonds, als zij ondergegaan was, eerst te leven. Het was een aardig
tooneel, dit aan te zien: zoodra er licht in de kamer gebracht werd,
rekte de schim zich tegen den muur uit, ja nog verder, tot aan de
zoldering, zoo lang maakte hij zich; hij moest zich wel uitrekken, om
weer tot vroegere krachten te komen. De geleerde ging op het balkon
om zich te verfrisschen, en zoodra de sterren aan den prachtigen,
helderen hemel te voorschijn kwamen, was het hem, alsof hij weer
herleefde. Op al de balkons in de straat,--en in de warme landen is
er voor ieder raam een balkon,--vertoonden zich nu menschen; want
versche lucht moet men toch hebben, al is men er ook aan gewoon,
zoo bruin als mahoniehout te worden; dan werd het boven en beneden
levendig; beneden stalden schoenmakers en kleermakers hun goederen op
de straat uit; dan bracht men tafels en stoelen, en werden er lichten
opgestoken, ja, over de duizend lichten: de een sprak, een ander zong,
en de menschen wandelden; er reden rijtuigen, er draafden muildieren,
«klingelingling,»--deze dragen namelijk schelletjes aan hun tuig,--er
werden lijken met gezang begraven; de kerkklokken luidden; ja, het
was werkelijk zeer druk en levendig op de straat. Slechts in één huis,
tegenover dat, waar de vreemde, geleerde man woonde, was het doodstil;
en toch woonde daar iemand, want er stonden bloemen op het balkon,
en deze bloeiden heerlijk in de zonnehitte; en dat hadden zij niet
kunnen doen, als zij niet van tijd tot tijd begoten werden, en iemand
moest ze toch begieten. Menschen moeten er dus wel wonen. De deur
werd ook tegen den avond op een kier gezet; maar dan was het donker,
althans in de voorkamer; uit het binnenste van het huis hoorde
men muziek. De vreemde, geleerde man vond deze allerprachtigst;
doch het was ook wel mogelijk, dat hij het zich maar verbeeldde,
want hij vond daar in die warme landen alles voortreffelijk, als er
maar geen zon geweest was. De huisheer van den vreemdeling zeide,
dat hij niet wist, wie het huis aan den overkant gehuurd had; men
zag er geen menschen, en wat de muziek betrof, het kwam hem voor,
dat deze verschrikkelijk vervelend was. «Het was, alsof daar iemand
een stuk zat in te studeeren, dat hij toch niet goed kon uitvoeren:
altijd hetzelfde stuk. ««Ik speel het toch goed!»» denkt hij zeker;
maar hij doet het nooit goed, hoe lang hij ook speelt.»

Eens werd de vreemdeling midden in den nacht wakker; hij sliep met
de deur van het balkon open; de wind lichtte het gordijn, dat er
voor hing, op, en nu scheen het hem toe, alsof er een wonderbare
glans van het balkon van het huis aan den overkant afstraalde: alle
bloemen vertoonden zich als vlammen in de schoonste kleuren, en midden
tusschen de bloemen stond een schoone, slanke maagd. Het was, alsof
zij insgelijks licht van zich gaf; het verblindde zijn oogen werkelijk,
doch hij had ze wat te wijd opengespalkt en kwam nog maar pas uit zijn
slaap. Met een enkelen sprong was hij uit zijn bed; zachtjes sloop
hij achter het gordijn;--maar de maagd was weg, de glans was weg,
de bloemen gaven geen licht meer van zich, maar stonden daar nog even
schoon als altijd; de deur stond op een kier en van binnen deed zich
muziek hooren, zoo heerlijk, zoo schoon, dat men zich daarbij werkelijk
in liefelijke gedachten kon verdiepen. Het was als een tooverwerk;
maar wie woonde daar? Waar was de eigenlijke ingang? Want aan den
straatkant en in het steegje had men in het geheele benedenhuis raam
aan raam, en daar konden de menschen toch niet altijd doorheen klimmen.

Op zekeren avond zat de vreemdeling op zijn balkon; in de kamer achter
hem brandde licht, en dus was het natuurlijk, dat zijn schim zich op
den muur van het huis aan den overkant afteekende; ja, daar zat hij
tusschen de bloemen op het balkon; en als de vreemdeling zich bewoog,
dan bewoog de schim zich ook.

«Ik geloof, dat mijn schim het eenige levende voorwerp is, wat men
daar aan den overkant ziet,» zei de geleerde man. «Kijk eens, hoe
aardig hij daar tusschen de bloemen zit; de deur staat maar op een
kier; nu moest de schim eens zoo slim zijn en naar binnen toe gaan,
daar eens rondkijken, dan terugkomen en mij vertellen, wat hij daar
gezien heeft. «Ja, je zoudt je daardoor verdienstelijk maken,» zei hij
schertsende. «Wees zoo goed en treed binnen! Welnu, zal je ook gaan?»
En daarop knikte hij den schim toe, en de schim knikte terug. «Komaan,
ga nu maar, en blijf niet weg!» En de vreemdeling stond op, en de schim
op het balkon aan den overkant stond ook op; de vreemdeling keerde
zich om: ja, als iemand er nauwkeurig op gelet had, dan zou hij gezien
hebben, hoe de schim de halfgeopende balkondeur van het huis aan den
overkant juist op hetzelfde oogenblik doorging, waarop de vreemdeling
naar zijn kamer terugkeerde en het lange gordijn liet zakken.

Den volgenden morgen ging de geleerde man uit, om koffie te
drinken en kranten te lezen. «Wat is dat?» zei hij toen hij in den
zonneschijn kwam. «Ik heb geen schim meer! Dus is hij gisteravond
dan toch werkelijk heengegaan en niet teruggekomen, dat is toch
recht verdrietig!»

Hij was hierover geërgerd, doch niet zoozeer omdat de schim weg was,
maar omdat hij wist, dat er een geschiedenis was van een man zonder
schim;--alle menschen in zijn vaderland waren met deze geschiedenis
bekend; en als de geleerde man nu in zijn vaderland terugkwam en
zijn eigen geschiedenis vertelde, dan zouden zij zeggen, dat het
maar een naäperij van hem was, en dat wilde hij liever niet van zich
laten zeggen. Hij zou er daarom maar niet over spreken, en dat was
verstandig van hem bedacht.

Toen het avond was, ging hij weer op zijn balkon; het licht had hij
wel is waar achter zich gezet, want hij wist, dat de schim altijd zijn
heer tot scherm wil hebben; maar hij kon hem niet te voorschijn doen
komen. Hij maakte zich klein, hij maakte zich lang; maar er was geen
schim en er kwam geen schim. Hij zeide: «Hm, hm!» maar dat hielp niets.

Dat was grievend; maar in de warme landen groeit alles zoo vlug,
en na verloop van acht dagen bemerkte hij dan ook tot zijn vurige
blijdschap, dat er een nieuwe schim uit zijn beenen groeide, als
hij in den zonneschijn kwam; de wortel moest alzoo zijn blijven
zitten. Na verloop van drie weken had hij een vrij grooten schim,
die, toen hij op de terugreis naar de noordelijke landen was, al meer
en meer aangroeide, zoodat hij eindelijk zoo lang en zoo breed was,
dat hij er best de helft van had kunnen missen.

Toen de geleerde man weer in zijn vaderland teruggekomen was,
schreef hij boeken over het ware, het goede en het schoone, dat er
in de wereld is, en er verliepen dagen, en er verliepen jaren,--er
verliepen vele jaren.

Daar zat hij op zekeren avond in zijn kamer, toen er zachtjes aan zijn
deur getikt werd. «Binnen!» riep hij; maar er kwam niemand binnen;
nu deed hij de deur open: daar stond een zoo buitengewoon mager man
voor hem, dat het hem wonderlijk te moede werd. Overigens was deze
man allerkeurigst gekleed: het moest zeker een deftig heer zijn.

«Met wien heb ik de eer te spreken?» vroeg hij.

«Ja, dat had ik wel gedacht,» zei de deftige heer, «dat ge mij niet
zoudt kennen: ik ben zooveel lichaam geworden, dat ik vleesch en
kleeren gekregen heb. Ge hebt er zeker nooit aan gedacht, dat ge mij in
zulk een toestand zoudt zien? Kent ge uw ouden schim dan niet meer? Ja,
ge hebt zeker niet gedacht, dat ik toch zou terugkomen. Het is met
mij buitengewoon goed gegaan, sedert ik de laatste maal bij u was;
ik ben in alle opzichten zeer vermogend geworden; als ik mij van den
dienst wil vrijkoopen, dan kan ik dit.» Hij rammelde met een menigte
kostbare sieraden, die aan zijn horloge hingen, en stak zijn hand
door den zwaren gouden ketting, dien hij om den hals droeg; en wat
fonkelden er aan al zijn vingers diamanten ringen! En alles was echt!

«Ik weet waarlijk niet, wat ik er aan heb!» zei de geleerde man. «Wat
moet dit alles beteekenen?»

«Nu, iets gewoons niet!» zei de schim. «Maar ge behoort immers zelf
ook niet tot de gewone menschen, en ik ben, zooals ge wel weet, van
kindsbeen af in uw voetstappen getreden. Zoodra ge vondt, dat ik rijp
genoeg was, om alleen in de wereld voort te komen, ging ik mijn eigen
weg; ik verkeer in de gunstigste omstandigheden. Maar er overviel mij
een soort van verlangen om u nog eenmaal te zien, voordat ge sterft;
ik wilde deze streken weerzien, want men blijft toch altijd aan zijn
vaderland gehecht. Ik weet, dat ge een anderen schim gekregen hebt;
heb ik aan hem of aan u iets te betalen? Wees maar zoo goed, dit
te zeggen.»

«Wat? Ben je het waarlijk?» zei de geleerde man. «Dat is toch iets
opmerkelijks! Ik had niet gedacht, dat men zijn ouden schim ooit als
mensch zou kunnen weerzien.»

«Zeg mij maar, wat ik te betalen heb,» hernam de schim, «want ik zou
niet graag bij iemand schuld hebben.»

«Hoe kun je nu zoo spreken?» vroeg de geleerde man. «Van welke schuld
kan hier sprake zijn? Je bent zoo vrij van schuld, als iemand maar
wezen kan! Ik verblijd mij van harte over je geluk! Ga zitten, oude
vriend, en vertel mij eens, hoe alles in zijn werk gegaan is en wat
je daar in die warme landen in het huis aan den overkant gezien hebt.»

«Ja, dat zal ik u vertellen,» zei de schim en zette zich neer;
«maar dan moet ge mij beloven, dat ge nimmer tegen iemand hier in
de stad, waar ge mij ook moogt aantreffen, zult zeggen, dat ik uw
schim geweest ben. Ik heb plan om te gaan trouwen; ik kan best een
vrouw onderhouden.»

«Wees maar niet bang,» zei de geleerde man; «ik zal aan niemand
zeggen, wie je eigenlijk bent. Hier heb je mijn hand, ik beloof het
je, en een man een man, een woord een woord!»

«Een schim een schim, een woord een woord!» zei de schim; want zoo
moest deze wel spreken.

Het was overigens uiterst opmerkelijk, hoe hij geheel en al mensch
geworden was. Hij was in het zwart gekleed en droeg het fijnste zwarte
laken, verlakte laarzen en een hoed, die men in elkaar kon drukken,
zoodat het niets anders dan een bol en een rand was, om niet te spreken
van hetgeen we reeds weten: van de sieraden, de gouden halsketting
en de diamanten ringen. Ja, de schim was bijzonder keurig gekleed,
en dat was het juist, wat hem tot een man maakte.

«Nu zal ik u eens het een en ander vertellen,» zei de schim, en toen
zette hij zijn voeten met de verlakte laarzen zoo vast als hij maar
kon op den arm van den nieuwen schim van den geleerden man neer, die
als een poedel aan zijn voeten lag. Dit deed hij of uit hoogmoed, of
misschien ook, opdat de nieuwe schim daaraan zou blijven kleven. Maar
de liggende schim hield zich kalm en bedaard, om eens goed te kunnen
luisteren; hij wilde ook weten, hoe men zich kon losmaken en zijn
eigen heer en meester worden.

«Weet ge, wie er in het huis aan den overkant woonde?» zei de
schim. «Dat was het heerlijkste van alles: het was de poëzie! Ik ben
daar drie weken geweest, en dat heeft dezelfde uitwerking, alsof men
drie duizend jaren lang leefde en alles kon lezen, wat er gedicht en
geschreven is. Want dat zeg ik, en het is waar: Ik heb alles gezien
en ik weet alles.»

«De poëzie!» riep de geleerde man uit. «Ja, deze leeft dikwijls als
een kluizenaarster in de groote steden. De poëzie! Ja, ik heb haar
een enkel vluchtig oogenblik gezien, maar de slaap stak mij in de
oogen; zij stond op het balkon en flikkerde, evenals het noorderlicht
flikkert: bloemen met levende vlammen. Vertel, vertel! Je waart op
het balkon, je gingt de deur door, en toen....»

«Toen bevond ik mij in de voorkamer,» zei de schim. «Gij zat op het
balkon en keekt aldoor maar naar de voorkamer aan den overkant. Daar
was geen licht: er heerschte daar een soort van schemering; maar de
eene deur na de andere in een reeks van kamers en zalen stond open,
en daar was het helder, en de massa licht zou mij gedood hebben,
als ik gegaan was tot de plek waar de jonkvrouw zat. Maar ik was
voorzichtig; ik gunde mij den tijd, en dat moet men ook doen.»

«En wat zag je nu?» vroeg de geleerde man.

«Ik zag alles! En dat zal ik u vertellen; maar--het is waarlijk geen
trots van mijn kant--als vrij man en uit hoofde van de kundigheden,
die ik bezit, om niet te spreken van mijn deftigen stand en mijn
aanzienlijk fortuin, zou ik toch wel wenschen, dat ge «u» tegen
mij zeidet.»

«Neem mij niet kwalijk,» zei de geleerde man; «dat «je» is een oude
gewoonte, en die legt men niet zoo gemakkelijk af. Ge hebt volkomen
gelijk, en ik zal er aan denken. Maar vertel mij nu, wat ge gezien
hebt.»

«Alles,» zei de schim, «want ik zag alles en weet alles.»

«Hoe zag het er dan in de binnenvertrekken uit?» vroeg de geleerde
man. «Was het daar als in het koele bosch? Was het daar als in een
heiligen tempel? Waren de vertrekken evenals de gesternde hemel,
wanneer men op de hooge bergen staat?»

«Alles was er,» zeide de schim; «ik ben er wel is waar niet heelemaal
in geweest; ik bleef in de voorkamer in de schemering, maar daar
stond ik heel goed. Ik zag alles en weet alles. Ik ben aan het hof
der poëzie in de voorkamer geweest.»

«Maar wat hebt ge dan gezien? Gingen door de groote zalen al de goden
van den voortijd? Streden daar de oude helden? Speelden daar lieve
kinderen en vertelden hun droomen?»

«Ik zeg u, dat ik er geweest ben, en dus begrijpt ge wel, dat ik alles
gezien heb, wat er te zien was. Maar als gij er naar toe gegaan waart,
dan zoudt ge geen mensch gebleven zijn; maar dat werd ik, en tevens
leerde ik mijn innerlijk wezen, mijn aangeborene eigenschappen en de
betrekking kennen, waarin ik tot de poëzie stond. Ja, indertijd, toen
ik bij u was, dacht ik daarover niet na; maar altijd, zooals ge weet,
wanneer de zon op- en onderging, werd ik zoo verwonderlijk lang: in
den maneschijn was ik bijna nog duidelijker te onderscheiden dan gij
zelf; ik begreep destijds mijn innerlijk wezen niet: in de voorkamer
onthulde zich dit aan mij,--ik werd mensch! Rijp kwam ik er weder
uit, maar gij waart niet meer in de warme landen. Ik schaamde er mij
over, als mensch zoo te loopen, als ik liep; ik had laarzen, ik had
kleederen en al dat menschenvernis noodig, dat den eenen mensch van
den anderen onderscheidt: ik zocht bescherming,--ja, aan u kan ik het
wel toevertrouwen: gij zult het immers in geen boek zetten,--ik zocht
bescherming onder de rokken der koekverkoopster; daaronder verschool
ik mij; de vrouw dacht er niet aan, hoe veel zij verborg. Eerst
's avonds ging ik uit; ik liep in den maneschijn op de straat rond;
ik strekte mij zoo lang als ik was tegen den muur uit; dat kittelde
heel plezierig op mijn rug; ik liep naar boven en naar beneden, keek
door de hoogste ramen in de zalen en door het dak, waar niemand in
kon zien, en ik zag, wat niemand zag, wat niemand mocht zien.--Het
is toch eigenlijk een booze wereld! Ik zou geen mensch willen zijn,
als het niet eenmaal aangenomen was, dat het wat beteekent, mensch
te zijn. Ik zag het allerongeloofelijkste bij vrouwen en mannen
en ouders en «die lieve, engelachtige kinderen.» Ik zag, wat geen
mensch moest weten, en wat zij allen toch zoo graag willen weten:
kwaad bij de naasten. Als ik een krant geschreven had, dan zou zij
gelezen zijn; maar ik schreef regelrecht aan de personen zelf, en er
ontstond schrik in alle steden, waar ik kwam. Zij werden bang voor mij,
en zij hadden mij zoo ontzettend lief! De professor maakte mij tot
professor; de kleermaker gaf mij nieuwe kleeren (ik ben daarvan goed
voorzien); de muntmeester sloeg munten voor mij; de vrouwen zeiden,
dat ik mooi was,--en zoo werd ik de man, die ik nu ben. En nu zeg ik
u vaarwel! Hier is mijn naamkaartje. Ik woon aan de zonzijde en ben
met regenachtig weer altijd thuis.» En de schim verdween.

«Dat was toch iets opmerkelijks!» zei de geleerde man.

Jaren en dagen verliepen er, en nu kwam de schim terug.

«Hoe gaat het?» vroeg hij.

«Ach!» zei de geleerde man; «ik schrijf over het ware, het goede
en het schoone; maar het kan niemand schelen, zoo iets te hooren;
ik ben wanhopig; want ik trek mij dit erg aan!»

«Dat doe ik niet,» zei de schim; «ik word dik en vet, en dat moet
men trachten te worden. Ge kent de wereld niet; ge wordt ziek
daarenboven,--ge moet reizen. Ik ga van den zomer een reis doen:
wilt ge mee? Ik zou wel een reismakker willen hebben: wilt ge als
schim meereizen? Dat zou mij veel genoegen doen! Ik betaal de reis!»

«Gaat ge een verre reis doen?» vroeg de geleerde man.

«Al naardat men het nemen wil!» zei de schim. «Een reis zal u goed
doen. Wilt ge mijn schim zijn? Dan zult ge alles op reis vrij hebben.»

«Dat is toch te dwaas!» zei de geleerde man.

«Maar zoo is de wereld nu eenmaal,» zei de schim, «en zoo zal zij
ook blijven!»

Daarop verwijderde hij zich.

Met den geleerden man ging het alles behalve goed; zorg en kommer
vervolgden hem, en wat hij over het ware, het goede en het schoone
schreef, dat was voor de meesten, wat de muskaatnoot voor de koe
is. Hij werd eindelijk ziek.

«Ge ziet er werkelijk als een schim uit!» zeiden de menschen tegen
hem, en er ging den geleerden man een huivering over de leden, want
hij dacht daarvan het zijne.

«Ge moet naar een badplaats!» zei de schim, die hem een bezoek
bracht. «Er is geen ander redmiddel voor u. Ik zal u ter wille van
onze oude betrekking meenemen. Ik betaal de reis, en gij maakt de
beschrijving daarvan en kort mij daardoor onderweg den tijd wat op. Ik
wil de baden gebruiken; mijn baard groeit niet zoo hard, als hij wel
moest, dat is ook een ziekte; en een baard moet ik toch hebben. Wees
verstandig en neem mijn aanbod aan; wij reizen als kameraden.»

En zij gingen samen op reis. De schim was nu heer en de heer was
schim. Zij reden met elkaar, zij wandelden samen, naast elkander,
voor en achter elkander, al naardat de zon stond. De schaduw wist
altijd de eereplaats in te nemen; dat liet de geleerde man zich echter
maar welgevallen: hij had een zeer goed hart en was uiterst mild en
vriendelijk. Nu zei de heer op zekeren dag tegen den schim: «Daar we
nu op zulk een wijze reiskameraden geworden en tevens van kindsbeen
af met elkaar opgegroeid zijn, moeten we eens op onze verbroedering
drinken. «Jij» en «jou» klinkt toch vertrouwelijker.»

«Ge zeidet daar iets,» hernam de schim, die nu immers eigenlijk de
heer was, «wat zeer welwillend en onbewimpeld gesproken is; ik zal nu
even welwillend en onbewimpeld zijn. Gij, die een geleerd man zijt,
weet wel, hoe wonderlijk de natuur is. Er zijn menschen, die het niet
kunnen verdragen, aan grauw papier te ruiken; zij worden daarvan
onpasselijk; anderen gaat het door merg en been, als men met een
spijker op een glasruit krast: ik voor mij heb een dergelijk gevoel,
als ik u «jij» en «jou» tegen mij hoor zeggen: ik gevoel mij daardoor,
evenals in mijn eerste stelling bij u, terneergedrukt. Ge ziet, dat dit
een eigenaardigheid is, en geen trots. Ik kan u niet «jij» en «jou»
tegen mij laten zeggen; maar ik wil met alle genoegen «jij» en «jou»
tegen u zeggen: dan wordt uw wensch ten minste voor de helft vervuld.»

En nu zei de schim «jij» en «jou» tegen zijn vroegeren heer.

«Dat is toch wat erg,» dacht deze, «dat ik «u» moet zeggen, terwijl
hij «jij» en «jou» zegt;» maar hij moest het zich laten welgevallen.

Zij kwamen op een badplaats, waar vele vreemdelingen waren, en onder
deze een wonderschoone koningsdochter, die de ziekte had, dat zij al
te scherp zag, hetgeen iets zeer verontrustends was.

Terstond merkte zij, dat de pas aangekomene een heel ander man was
dan de anderen. «Men zegt, dat hij hier is, om aan zijn baard meer
groei te geven; maar ik doorzie de eigenlijke reden: hij kan geen
schaduw werpen!»

Nu was zij nieuwsgierig geworden, en daarom knoopte zij op de
wandeling terstond een gesprek met den vreemden heer aan. Daar zij
een koningsdochter was, behoefde zij niet veel komplimenten te maken;
daarom zeide zij onverholen tegen hem: «Uw ziekte bestaat daarin,
dat ge geen schaduw kunt werpen.»

«Uwe Koninklijke Hoogheid moet reeds op den weg van beterschap zijn,»
zei de schim. «Ik weet, dat uw ziekte daarin bestaat, dat ge al te
scherp ziet; maar dat is nu voorbij; ge zijt weer hersteld. Ik heb een
zonderlingen schim. Ziet ge den persoon, die altijd naast mij loopt,
niet? Andere menschen hebben een gewonen schim; maar ik houd niet van
het gewone. Men geeft dikwijls aan zijn bedienden fijner laken voor
hun livrei, dan men zelf draagt, en zoo heb ik mijn schim zich als
een mensch laten kleeden; ja, ge ziet, dat ik hem zelfs een schim
gegeven heb. Dat kost heel veel, maar ik houd er van, iets op mijn
eigen handje te hebben.»

«Wat?» riep de prinses uit. «Zou ik werkelijk hersteld zijn? Dit
bad is het beste, dat er bestaat; het water heeft in onze tijden
wonderbare krachten. Maar ik ga hier nog niet vandaan, want nu
wordt het eerst amusant; de vreemde prins--want een prins moet het
zijn--bevalt mij uitmuntend. Als nu zijn baard maar niet groeit,
want dan gaat hij heen.»

Des avonds in de groote balzaal dansten de koningsdochter en de schim
te zamen. Zij was licht, maar hij was nog lichter; zulk een danser had
zij nog nooit gezien. Zij zeide tegen hem, uit welk land zij was, en
hij kende dit land; hij was er geweest, maar destijds was zij afwezig;
hij had door de ramen van het kasteel gekeken, zoowel door die van
beneden als door die van boven: hij had het een en ander omtrent
haar vernomen, en dus kon hij aan de koningsdochter antwoord geven en
zinspelingen maken, waarover deze zich niet weinig verwonderde. Hij
moest de verstandigste man van de heele wereld zijn; zij kreeg hooge
achting voor alles, wat hij wist. En toen zij weer met hem danste,
raakte zij op hem verliefd; en dat merkte de schim heel goed, want
zij had hem met haar oogen bijna door en door gekeken. Zij dansten
nog eens, en het lag haar op de lippen, het tegen hem te zeggen;
maar zij was verstandig, zij dacht aan haar land en haar rijk,
en aan de vele menschen, waarover zij moest regeeren. «Hij is een
schrander man,» zeide zij bij zich zelve, «dat is goed; en hij danst
voortreffelijk, dat is ook goed; maar zou hij wel grondige kennis
bezitten? Dat is even gewichtig; daarom moet hij ondervraagd worden.»
En nu richtte zij terstond zulk een moeilijke vraag tot hem, dat zij
zelve daarop geen antwoord zou hebben kunnen geven, en de schim zette
een zonderling gezicht.

«Daar kunt ge mij geen antwoord op geven,» zei de koningsdochter.

«Dat heb ik al in mijn kinderjaren geleerd,» zei de schim; «ik geloof
zelfs, dat mijn schim, die daar bij de deur staat, er wel antwoord
op zou kunnen geven.»

«Uw schim?» riep de koningsdochter uit. «Dat zou iets zeer opmerkelijks
zijn!»

«Ik zeg het niet stellig, dat hij het kan,» zei de schim; «maar ik
zou het wel haast denken. Hij heeft mij al zoo menig jaar gevolgd en
zoo veel van mij gehoord; ik zou het daarom wel haast denken. Maar
Uwe Koninklijke Hoogheid vergunne mij, er u opmerkzaam op te maken,
dat hij er zoo trotsch op is, voor een mensch door te gaan, dat hij,
als hij in een goede luim zal zijn,--en dat moet hij zijn, om een
juist antwoord te geven,--geheel als een mensch wil behandeld worden.»

«Dat bevalt mij,» zei de koningsdochter.

En nu ging zij naar den geleerden man, die bij de deur stond, en
sprak met hem over de zon en de maan, over de groene bosschen en
over de menschen nabij en verre, en de geleerde man antwoordde zeer
verstandig en zeer goed.

«Wat moet dat voor een man zijn, die zulk een verstandigen schim
heeft!» dacht zij. «Het zou een ware zegen voor mijn volk en mijn
rijk zijn, als ik dien koos. Ik zal het doen.»

En zij werden het er al spoedig over eens, de koningsdochter en de
schim namelijk; maar niemand mocht er iets van weten, voordat zij
naar haar rijk teruggekeerd was.

«Niemand, niet eens mijn schim!» zei de schim; en daarvoor had hij
zijn bijzondere redenen.

Zij kwamen in het land, waar de koningsdochter regeerde, als zij
thuis was.

«Hoor eens, beste vriend!» zei de schim tegen den geleerden man,
«nu ben ik zoo gelukkig en machtig, als maar iemand worden kan;
nu zal ik ook iets bijzonders voor je doen. Je moet bij mij op het
kasteel wonen, met mij in een koninklijk rijtuig rijden en honderd
duizend gulden in het jaar hebben; maar je moet je door elk en een
ieder schim laten noemen en moogt het nimmer zeggen, dat je eenmaal
mensch geweest bent; en dan moet je jaarlijks eenmaal, wanneer ik op
het balkon in den zonneschijn zit en mij laat zien, aan mijn voeten
liggen, zooals het een schim betaamt. Want ik moet je zeggen, dat ik
met de koningsdochter trouw, en van avond is het bruiloft!»

«Neen, dat is toch te dwaas!» zei de geleerde man. «Dat wil ik
niet, dat doe ik niet; dat heet, het geheele land bedriegen en de
koningsdochter daarbij! Ik zal aan allen zeggen, dat ik mensch ben
en gij schim, en dat ge maar menschenkleeren aanhebt.»

«Dat zou niemand gelooven,» zei de schim, «wees verstandig, of ik
laat de wacht roepen!»

«Ik ga regelrecht naar de koningsdochter!» zei de geleerde man.

«Maar ik ga er eerst heen,» zei de schim, «en jij gaat naar de
gevangenis toe!» En dit gebeurde; want de schildwachten gehoorzaamden
dengene, die, zooals zij wisten, met de koningsdochter zou trouwen.

«Beef je?» vroeg de koningsdochter, toen de schim bij haar
binnentrad. «Is er iets voorgevallen? Je moogt vandaag niet ziek
worden, thans, nu wij bruiloft zullen houden.»

«Ik heb het vreeselijkste beleefd, wat men kan beleven!» zei de
schim. «Begrijp eens--ja, zulke arme schimmehersens kunnen niet veel
verdragen!--begrijp eens, mijn schim is krankzinnig geworden; hij
verbeeldt zich, dat hij mensch geworden is en dat--begrijp eens!--dat
ik zijn schim ben!»

«Dat is verschrikkelijk!» zei de prinses. «Hij is immers in de
gevangenis gezet?»

«Dat spreekt vanzelf; ik vrees, dat hij niet meer zal herstellen.»

«Die arme schim!» riep de prinses uit. «Hij is erg ongelukkig; het
zou een waarachtige weldaad zijn, hem van zijn leven te verlossen,
en als ik er recht over nadenk, hoe het volk in onzen tijd maar al te
zeer geneigd is, voor de geringen tegenover de aanzienlijken partij
te trekken, dan komt het mij noodzakelijk voor, dat men hem in alle
stilte uit den weg ruimt.»

«Dat is toch een harde zaak: want hij is een getrouw dienaar geweest,»
zei de schim, en hij deed, alsof hij zuchtte.

«Je bezit een edel karakter!» zei de koningsdochter en maakte voor
hem een buiging.

Des avonds was de geheele stad geïllumineerd en werden er kanonnen
afgeschoten. En de soldaten presenteerden hun geweren. Dat was eerst
een bruiloft! De koningsdochter en de schim kwamen op het balkon,
om zich aan het volk te vertoonen en zich nog eenmaal een «Hoera!»
te laten toeroepen.

De geleerde man hoorde niets van al deze heerlijkheid,--want hij was
al ter dood gebracht.



HET VLAS.


Het vlas stond in bloei; het had allerliefste, blauwe bloempjes, even
teer als de vleugeltjes van een mug, en nog fijner! De zon scheen op
het vlas, en de regenwolken begoten het; en dat deed daaraan evenveel
goed, als het aan kleine kinderen doet, als zij gewasschen worden en
dan een kus van hun moeder krijgen; zij worden daardoor veel schooner,
en dat werd het vlas ook.

«De menschen zeggen, dat ik bijzonder goed sta,» zei het vlas,
«en dat ik heel lang ben; er zal een prachtig stuk linnen van mij
komen. O, hoe gelukkig ben ik toch! Ik ben zeker de gelukkigste van
alle wezens. Wat heb ik het goed! En er zal zeker wel wat van mij
worden. Wat maakt de zonneschijn blij en wat smaakt de regen goed en
wat verfrischt hij! Ik ben overgelukkig, ik ben de allergelukkigste!»

«Ja, ja!» zei een paal van de heining. «Je kent de wereld niet,
maar wij wel, want er zitten kwasten in ons,» en daarop maakte hij
een jammerlijk geluid:


        «Snip, snap, snor,
        Basselor,
        Uit is het lied!»


«Neen! het is niet uit!» zei het vlas. «Morgen schijnt de zon of doet
de regen goed. Ik gevoel, hoe ik groei; ik gevoel, dat ik in bloei
sta! Ik ben de allergelukkigste!»

Maar op zekeren dag kwamen er menschen; deze pakten het vlas van boven
beet en trokken het met den wortel uit; dat deed zeer; het werd in
het water gelegd, alsof het verdronken moest worden, en toen kwam
het over het vuur, alsof men het wilde braden,--dat was ontzettend!

«Men kan het niet altijd goed hebben!» zei het vlas. «Men moet iets
ondervinden, dan weet men wat!»

Maar het liep slecht af; het vlas werd nat gemaakt en gedroogd,
gebraakt en gehekeld,--ja, wat wist het, hoe het heette, wat men er
al zoo mee deed. Het kwam op het spinnewiel: snor, snor!--Nu was het
niet mogelijk, zijn gedachten bij elkaar te houden.

«Ik ben buitengewoon gelukkig geweest!» dacht het bij al zijn
pijn; «men moet tevreden zijn met het goede, dat men genoten
heeft!--Tevreden! Tevreden! O!» En dat zei het nog, toen het op het
weefgetouw kwam;--en zoo werd het een mooi, groot stuk linnen. Al
het vlas, tot op den laatsten stengel, ging aan dat ééne stuk op.

«Maar dat is toch zonderling! Dat had ik nooit gedacht! O, wat is het
geluk mij toch gunstig! De paal wist werkelijk niet, wat hij bedoelde
met zijn:


        «Snip, snap, snor,
        Basselor!


Het lied is nog volstrekt niet uit! Nu begint het eigenlijk eerst
recht! Dat is werkelijk zonderling! Al moge ik ook iets geleden
hebben, er is toch ook iets van mij geworden! Ik ben de gelukkigste
van alle! Wat ben ik sterk en fijn, wat ben ik wit en lang! Dat is
wat anders dan slechts een plant te zijn, al draagt men ook bloemen;
men wordt niet verpleegd; en water krijgt men alleen dan, als het
regent. Nu word ik verzorgd en verpleegd, de meid keert mij alle
morgens om, en uit den gieter krijg ik iederen avond een regenbad; ja,
de domineesvrouw heeft zelfs een lofrede op mij gehouden en gezegd, dat
ik het beste stuk uit het kerspel ben. Ik kan niet gelukkiger worden!»

Nu kwam het linnen in huis en toen onder de schaar; o, wat sneed en
rukte men er aan, wat stak men er met naalden in!--Dat was waarlijk
geen plezier; maar van het linnen kwamen twaalf stukken van die soort,
welke men niet graag noemt, maar die alle menschen moeten hebben:
een geheel dozijn werd daarvan vervaardigd.

«O, kijk eens! Nu ben ik eerst wat gewichtigs geworden. Dat was dus
mijn bestemming! Dat is immers een ware zegen! Nu doe ik nut in de
wereld, en dat moet men immers, dat is eerst het ware genoegen! Wij
zijn twaalf stukken geworden, maar wij zijn toch allemaal een en
hetzelfde: wij zijn juist een dozijn! Wat is dat voor een bijzonder
geluk!»

Jaren verliepen er,--en nu waren zij heelemaal versleten.

«Eenmaal moet het immers gedaan zijn,» zei ieder stuk. «Ik zou graag
wat langer geduurd hebben, maar men moet niets onmogelijks verlangen!»

Nu werden zij in stukken en flarden gescheurd. Zij dachten, dat het nu
met hen gedaan was, want zij werden fijngehakt, geweekt en gekookt,
ja, zij wisten zelf niet, wat er al zoo met hen gebeurde ... en toen
werden zij schoon, wit papier.

«Nu, dat is een verrassing, een heerlijke verrassing!» zei het
papier. «Nu ben ik fijner dan vroeger, en nu zal ik beschreven
worden. Dat is toch een buitengewoon geluk!»

En er werden werkelijk de mooiste geschiedenissen en verzen op
geschreven. De menschen hoorden, wat er op stond; en dat was wijs en
goed, het maakte hen veel wijzer en beter; er lag een groote zegen
in de woorden op dit papier.

«Dat is meer, dan ik ooit gedacht had, toen ik nog een klein blauw
bloempje op het veld was! Hoe kon het mij in de gedachten komen, dat
ik eenmaal vreugde en kennis onder de menschen zou verspreiden? Ik kan
het zelf nog niet begrijpen, maar het is toch werkelijk zoo! Onze God
weet, dat ik daartoe zelf niets gedaan heb, dan wat ik overeenkomstig
mijn zwakke krachten voor mijn bestaan doen moest; en toch brengt Hij
mij van de eene vreugde en eer tot de andere. Telkens wanneer ik denk:
«Uit is het lied!» dan ga ik weer tot iets hoogers en beters over. Nu
moet ik zeker op reis gaan en de heele wereld rondgezonden worden,
opdat alle menschen mij kunnen lezen. Dat kan niet anders zijn! Dat
is het waarschijnlijkste! Ik heb kostelijke gedachten, even vele als
ik vroeger blauwe bloemen had! Ik ben het gelukkigste schepsel!»

Doch het papier ging niet op reis, maar het ging naar den boekdrukker
toe; en daar werd alles, wat er op geschreven stond, om te drukken
gezet tot één boek, ja tot vele honderden boeken, want op deze wijze
konden oneindig velen er meer nut en genoegen van hebben, dan wanneer
het eenige papier, waarop het geschreven stond, de heele wereld had
moeten rondgaan en halverwege versleten was.

«Ja, dat is zeker het verstandigste!» dacht het beschreven papier. «Dat
is mij niet ingevallen. Ik blijf te huis en word in eere gehouden
als een oude grootvader, en dat ben ik immers ook van al deze nieuwe
boeken. Nu kan er iets uitgericht worden. Zoo zou ik niet hebben
kunnen rondreizen. Op mij heeft diegene neergezien, die het geheel
schreef. Ieder woord vloeide regelrecht uit de pen op mij! Ik ben
de gelukkigste!»

Daarop werd het papier in een pakje samengebonden en in een ton
geworpen, die in het wachthuis stond.

«Na volbrachten arbeid is het goed rusten!» zei het papier. «Het is
zeer verstandig, dat men zijn gedachten verzamelt en omtrent datgene,
wat er in iemand woont, tot nadenken komt. Nu weet ik eerst zoo
recht, wat er op mij staat! En zich zelf te kennen, dat is eerst
de ware vooruitgang. Wat zal er nu wel met mij gebeuren? Voorwaarts
zal het in allen gevalle gaan; het gaat altijd voorwaarts; dat heb
ik ondervonden.»

Nu werd op zekeren dag al het papier op den haard gelegd; het zou
verbrand worden; want het mocht niet aan den kruidenier verkocht en
voor het inpakken van boter en suiker gebruikt worden: zoo zeide
men. En al de kinderen in het huis stonden er om heen, want zij
mochten graag papier zien branden; dat vlamde prachtig in de hoogte,
en later kon men in de asch de vele roode vonken zien, die heen en weer
gingen. De eene na de andere ging uit. Dat noemde men: «De kinderen
uit de school zien komen,» en de laatste vonk was de schoolmeester;
dikwijls dachten zij, dat deze heengegaan was; maar dan kwam er op
hetzelfde oogenblik nog een vonk. «Daar ging de schoolmeester!»
zeiden zij. Nu, die weten het wel. Zij hadden maar moeten weten,
wie daar ging; wij zullen het te weten komen; maar zij wisten het
niet. Al het oude papier, het geheele pakje, werd op het vuur gelegd,
en dit ontvlamde al spoedig. «Hu!» zeide het en flikkerde in heldere
vlammen op. Nu, dat was juist niet zeer aangenaam; maar toen het
geheel in heldere vlammen stond, sloegen deze zoo in de hoogte, als
het vlas nooit zijn kleine, blauwe bloemen had kunnen verheffen, en
fonkelden, zooals het witte linnen nooit had kunnen fonkelen. Alle
geschrevene letters werden voor een oogenblik rood, en alle woorden
en gedachten gingen in vlammen op. «Nu stijg ik regelrecht naar de
zon op!» sprak het in de vlam, en het was, alsof duizenden stemmen dit
eenparig zeiden; en de vlammen sloegen door den schoorsteen en er boven
uit. En fijner dan de vlammen, onzichtbaar voor het menschelijk oog,
zweefden daar kleine wezens, even groot in getal, als er bloemen
aan het vlas gezeten hadden. Zij waren nog lichter dan de vlam,
die ze had doen ontstaan; en toen deze uitging en er van het papier
slechts de zwarte asch over was, dansten zij nog eenmaal boven deze
heen, en waar zij ze aanraakten, daar liepen de roode vonken. «De
kinderen kwamen uit de school en de schoolmeester was de laatste!»
Dat was een pret, en de kinderen zongen bij de doode asch:


        «Snip, snap, snor,
        Basselor,
        Uit is het lied!»


Maar de kleine onzichtbare wezens zeiden allemaal: «Het lied is
nooit uit! Dat is het mooiste van alles. Ik weet het, en daarom ben
ik de gelukkigste!»

Maar dat konden de kinderen niet hooren of verstaan, en dat behoefden
zij ook niet; want kinderen mogen niet alles weten.



KINDERPRAAT.


Er was in het huis van zeker rijk koopman een kinderpartij; het
waren allemaal kinderen van rijke en aanzienlijke lieden; de koopman
was een geleerd man; hij had eenmaal het studentenexamen afgelegd;
daartoe spoorde zijn brave vader hem aan, die van den beginne af
slechts veehandelaar, maar altijd eerlijk en vlijtig geweest was;
de handel had geld opgebracht, en dit geld had de koopman weten te
vermeerderen. Verstandig was hij, en een hart had hij ook, maar over
zijn hart werd minder gesproken dan over al zijn geld. Bij den koopman
gingen de deftige lieden in en uit, zoowel menschen van adellijk bloed,
gelijk het heet, als van verstand, maar ook lieden, die beide bezaten,
en ook geen van beide. Ditmaal was er daar een kinderpartij, en
kinderen zeggen alles, wat hun maar voor den mond komt. Onder anderen
was daar een verwonderlijk schoon, klein meisje, maar dit meisje was
ontzettend trotsch; dat hadden de dienstboden haar geleerd, en niet
haar ouders, want daarvoor waren dit veel te verstandige lieden; haar
vader was kamerheer, en dat is iets heel deftigs, dat wist zij wel.

«Ik ben een kamerkind!» zeide zij. Zij had even goed een kelderkind
kunnen zijn, want daar kan niemand zelf iets aan doen. Verder vertelde
zij, dat zij «geboren» was, en zeide, dat men, als men niet geboren
was, ook niets kon worden; het baatte niets, of men al wilde lezen en
vlijtig zijn; als men niet geboren was, dan kon men ook niets worden.

«En diegenen, wier namen op «sen» eindigen,» zeide zij, «van die kan
volstrekt niets komen! Men moet de handen in de zijden zetten en ze
ver van zich houden, die «sens!» en dit zeggende, zette zij haar
handen in de zijden en maakte haar ellebogen spits, om te toonen,
hoe men dat moest doen; en haar armpjes waren heel poezelig. Het was
een allersnoepigst meisje. Maar het dochtertje van den koopman werd
over deze taal heel boos; haar vader heette Petersen, en van dezen
naam wist zij, dat hij op «sen» eindigde, en daarom zeide zij zoo
trotsch, als zij maar kon:

«Maar mijn vader kan voor honderd thalers bonbons koopen en deze
midden onder de kinderen werpen! Kan jouw vader dat?»

«Ja, maar mijn vader,» zei het dochtertje van een schrijver, «kan
jouw vader en jouw vader en al jelui vaders in de krant zetten! Alle
menschen zijn bang voor hem, zegt moeder, want mijn vader is het,
die in de krant regeert.»

En het dochtertje zag er daarbij trotsch uit, alsof het een wezenlijke
prinses geweest was, die er wel trotsch moest uitzien.

Maar buiten voor de deur, die slechts op een kier stond, bevond
zich een arme jongen en keek door de reet. Hij was zoo gering, dat
hij niet eens in de kamer mocht komen. Hij had het braadspit voor de
keukenmeid omgedraaid, en deze had hem nu vergund, achter de deur te
staan en naar de keurig uitgedoste kinderen te kijken, die zulk een
plezierigen dag hadden, en dat was al veel voor hem.

«Welk een geluk, een van hen te zijn!» dacht hij, en daarbij hoorde
hij, wat er gesproken werd, en dat was wel geschikt, om hem erg
mismoedig te maken. Geen enkelen penning hadden zijn ouders te huis,
dien zij konden overleggen, om daarvoor een krant te lezen, laat
staan dan er een te schrijven!--en wat nog het allerergste was: de
naam van zijn vader en ook de zijne eindigden op «sen» van hem kon
dus ook niets komen. Dat was treurig!--Maar geboren was hij toch,
dat kon onmogelijk anders zijn.

Dat was nu op dezen avond.

Sedert verliepen er vele jaren, en ondertusschen worden kinderen
volwassen menschen.

In de stad stond een prachtig huis, het was opgevuld met louter
mooie voorwerpen en schatten; alle menschen wilden het zien, zelfs
menschen, die buiten de stad woonden, kwamen naar de stad toe, om het
te zien. Wie van de kinderen, waarvan wij verteld hebben, zou dit
huis nu wel het zijne noemen? Ja, dat te weten, is natuurlijk heel
gemakkelijk! Neen, neen! het is toch niet zoo heel gemakkelijk. Het
huis behoorde aan den kleinen, armen jongen, die op den bewusten
avond achter de deur gestaan had; van hem kwam toch iets, ofschoon
zijn naam op «sen» eindigde,--het was Thorwaldsen.

En die drie andere kinderen?--de kinderen van het adellijk bloed, van
het geld en van den hoogmoed?--Ja, het eene heeft het andere niets
te verwijten, het zijn gelijke kinderen,--van hen kwam alles goeds,
de natuur had hen rijkelijk bedeeld; wat zij indertijd gedacht en
gesproken hadden, was niets anders dan kinderpraat.



DE STOPNAALD.


Er was eens een stopnaald, die zich zoo fijn waande, dat zij zich
inbeeldde, een naainaald te zijn.

«Past maar goed op, dat ge mij vasthoudt!» zei de stopnaald tegen de
vingers, die haar voor den dag haalden. «Laat mij niet vallen! Als
ik op den grond rol, dan vindt ge mij stellig niet meer terug, zoo
fijn ben ik.»

«Dat zal wel schikken,» zeiden de vingers en pakten haar om het
lijf beet.

«Ziet ge, ik kom met gevolg!» zei de stopnaald en trok een langen
draad achter zich mee; maar er lag een knoop in dezen draad.

De vingers richtten de stopnaald vlak op de pantoffel der
keukenmeid. Daarvan was het bovenleer doormidden gescheurd, en dat
moest weer aan elkaar vastgenaaid worden.

«Dat is gemeen werk!» zei de stopnaald. «Ik kom er nooit van mijn
leven doorheen. Ik breek, ik breek!» En waarlijk, zij brak. «Heb ik
het niet gezegd?» riep de stopnaald uit. «Ik ben te fijn!»

«Nu deugt zij volstrekt niet meer!» zeiden de vingers; maar zij
moesten haar toch vasthouden; de keukenmeid liet lak op de naald
droppelen en stak daarmee haar doekje van voren vast.

«Ziezoo, nu ben ik een doekspeld!» zei de stopnaald. «Ik wist wel, dat
ik in eere zou komen; is men wat, dan wordt men wat!» En daarbij lachte
zij in zich zelf; want men kan het een stopnaald nooit aanzien, als
zij lacht. Daar zat zij nu zoo trotsch, alsof zij in een staatsiekoets
reed, en keek naar alle kanten.

«Mag ik u ook vragen, of ge van goud zijt?» vroeg de speld, die haar
buurvrouw was. «Ge ziet er prachtig uit en hebt een eigenaardig hoofd;
doch het is maar klein! Ge moet uw best doen om het te laten groeien,
want niet iedereen wordt met lak bedroppeld!»

En nu richtte de stopnaald zich zoo trotsch op, dat zij van het doekje
afviel en vlak in den gootsteen te land kwam, dien de keukenmeid
juist doorspoelde.

«Nu gaan wij op reis!» zei de stopnaald. «Als ik er maar niet bij
verloren ga!» En zij ging werkelijk verloren.

«Ik ben te fijn voor deze wereld!» zeide zij, toen zij in de goot
lag. «Maar ik weet, wie ik ben, en dat is altijd een klein genoegen!»
En de stopnaald behield haar trotsche houding en verloor haar goede
luim niet.

Er zwommen allerlei voorwerpen over haar heen, spaanders en strookjes
van oude kranten. «Kijk eens, hoe zij zeilen!» zei de stopnaald. «Zij
weten niet, wat er onder hen ligt! Ik lig hier, ik zit hier vast! Kijk,
daar gaat een spaander; die denkt aan niets anders in de wereld dan aan
zich zelf. Daar drijft een strootje! O, wat draait en keert het zich
naar alle kanten! Denkt toch niet alleen aan u zelf, want dan zoudt ge
u licht aan een steen kunnen stooten! Daar zwemt een stukje krant! Wat
daarin staat, is al lang vergeten, en toch spreidt het zich uit! Ik
zit geduldig en stil! Ik weet, wat ik ben, en dat blijf ik ook!»

Op zekeren dag lag er iets dicht naast haar; dat glinsterde zoo
prachtig, en nu dacht de stopnaald, dat het een diamant was, maar het
was een glasscherf, en omdat deze glinsterde, sprak de stopnaald haar
aan en gaf zich voor een doekspeld uit.

«Ge zijt zeker een diamant?»

«Ja, ik ben zoo iets van dien aard!» En zoo dacht de eene van de
andere, dat het iets heel kostbaars was; en zij spraken er over,
hoe hoogmoedig de wereld toch was.

«Ik ben bij een juffrouw in den koker geweest,» zei de stopnaald, «en
deze juffrouw was keukenmeid; aan iedere hand had zij vijf vingers;
maar iets, dat zoo veel verbeelding had, als deze vingers, heb ik
nog nooit van mijn leven gezien, en zij waren er toch maar om mij
uit den koker te nemen en er weer in te doen.»

«Waren zij dan zoo deftig?» vroeg de glasscherf.

«Deftig?» zei de stopnaald. «Neen, maar hoogmoedig! Er waren vijf
broeders, allen geborene «vingers». Zij stonden trotsch naast elkaar,
ofschoon zij van verschillende lengte waren. De eerste, Duimelot,
was kort en dik, deze had maar één gewricht in den rug en kon maar
één buiging maken; maar hij zeide, dat, als hij iemand afgehakt werd,
deze niet meer voor den krijgsdienst deugde. Likkepoot, de tweede
vinger, kwam zoowel in zoet als in zuur, wees naar de zon en de maan
en gaf den druk, als zij schreven. Langeliereboom, de derde, keek
al de anderen over het hoofd heen. Ringeling, de vierde, ging met
een gouden gordel om het lijf, en Pinkeling, deed volstrekt niets,
en daarop was hij trotsch. Pralerij was het en pralerij bleef het,
en daarom ging ik heen!»

«En nu zitten we hier en glinsteren!» zei de glasscherf.

Op hetzelfde oogenblik kwam er meer water in de goot; het stroomde
over den kant heen en voerde de glasscherf met zich mee.

«Ziezoo, nu wordt zij bevorderd!» zei de stopnaald. «Ik blijf zitten,
ik ben te fijn; maar dat is mijn trots, en die is achtenswaardig!»
En trotsch zat zij daar en had vele verhevene gedachten.

«Ik zou haast denken, dat ik uit een zonnestraal geboren ben, zoo
fijn ben ik! Het komt mij toch ook voor, alsof de zonnestralen mij
altijd onder het water zoeken. Ach, ik ben zoo fijn, dat mijn moeder
mij niet kan vinden. Als ik mijn oude oog had, dat afgebroken is,
dan geloof ik, dat ik zou kunnen schreien; maar ik zou het toch niet
doen,--want schreien staat niet deftig!»

Op zekeren dag lagen er een paar straatjongens op den grond en wroetten
in de goot, waarin zij oude spijkers, penningen en dergelijke dingen
vonden. Het was een smerig werk; maar zij hadden er nu eenmaal
schik in.

«Ai!» schreeuwde de een, die zich aan de stopnaald stak, «dat is ook
een kerel!»

«Ik ben geen kerel, ik ben een dame!» zei de stopnaald; maar niemand
hoorde het. Het lak was er afgegaan en zij was ook zwart geworden, maar
zwart maakt slanker, en nu dacht zij, dat zij fijner dan vroeger was.

«Daar komt een eierschaal!» zeiden de jongens, en nu staken zij de
stopnaald in de eierschaal vast.

«Witte muren en zelf zwart,» zei de stopnaald, «dat kleedt goed;
nu kan men mij toch zien! Als ik maar niet zeeziek word, want dan
moet ik braken!»

Maar zij werd niet zeeziek en braakte ook niet.

«Het is een goed middel tegen zeeziekte, als men een maag van staal
heeft en dan ook niet vergeet, dat men iets meer is dan een mensch. Nu
is de vrees voor zeeziekte geweken. Hoe fijner men is, des te meer
kan men verdragen.»

«Krak!» zei de eierschaal; er ging een kruiwagen over haar heen.

«Hemel! Wat drukt dat!» zei de stopnaald; «nu word ik toch zeeziek! Ik
moet braken!» Maar zij braakte niet, ofschoon er een kruiwagen over
haar heen ging; zij lag zoo lang als zij was op den grond, en zoo
moet zij maar blijven liggen.



DE OUDE TORENKLOK.


In het Duitsche land Wurtemberg, waar de acacia's aan den straatweg
groeien, waar de appel- en de pereboomen zich in den herfst ter aarde
buigen onder den zegen van rijpe vruchten, ligt het stadje Marbach. Al
moge dit ook slechts onder het getal der kleine steden behooren, toch
ligt het allerbekoorlijkst aan den Neckarstroom, die voorbij dorpen,
ridderkasteelen en wijnbergen vloeit, om zijn wateren eindelijk met
die van den trotschen Rijn te vermengen.

Het was in den naherfst, het wingerdloof hing wel is waar nog aan den
wijnstok; maar de bladeren hadden zich reeds roodachtig gekleurd;
geweldige regens vielen er in deze streken, de koude herfstwinden
namen in kracht en scherpte toe,--het was juist geen aangename tijd
voor arme lieden.

De dagen werden gedurig korter en somberder, en het was donker zelfs
buiten onder den vrijen hemel; nog donkerder was het binnen de oude,
kleine huizen.--Een van deze huizen keerde zijn gevel naar de straat
toe en stond daar met zijn kleine, lage ramen, armoedig en gering;
arm was ook de familie, die in het huisje woonde, maar zij was braaf
en vlijtig en droeg een schat van godsvrucht in het diepst van het
hart. Nog een kind zou de goede God haar schenken; de ure was daar,
de moeder lag in wee en smarte. Daar drong het vroolijke, feestelijke
klokgelui van den kerktoren tot haar ooren door; het was een plechtige
ure, en de tonen der klok vervulden de biddende met geloof; uit het
diepst haars harten stegen haar gedachten tot God op, en ter zelfder
ure werd haar een zoontje geboren. Zij was van oneindige blijdschap
vervuld, en de klok boven in den toren luidde als 't ware haar vreugde
over stad en land uit. Twee heldere kinderoogen staarden haar aan,
en het haar van den kleine straalde als van goud. Het kind werd
op de aarde met klokgelui op den somberen Novemberdag ontvangen;
moeder en vader kusten het, en in hun bijbel schreven zij: «Op
den tienden November 1759 schonk God ons een zoon.» Later werd er
nog bijgevoegd, dat deze bij den doop de namen: _Johann Christoph
Friedrich_ gekregen had.

En wat werd er nu van het arme knaapje uit het geringe Marbach? Ja,
destijds wist niemand dat nog, zelfs de oude torenklok niet, hoe hoog
zij ook hing en ofschoon zij het eerst over hem geklonken had,--over
hem, die eenmaal het schoone lied van de «Klok» zou zingen.

Welnu, de knaap groeide op, en de wereld groeide met hem op; zijn
ouders verhuisden later wel is waar naar een andere stad; maar goede
vrienden lieten zij in het kleine Marbach achter, en daarom begaven
de moeder en haar zoontje zich op zekeren dag op weg en reden naar
Marbach, om er een bezoek af te leggen. De knaap was nog maar zes jaren
oud, doch hij wist reeds veel uit den bijbel en vooral uit de psalmen;
hij had reeds menigen avond, als hij daar op zijn kleine stoeltje
zat, naar zijn vader geluisterd, wanneer deze overluid uit Gellerts
fabelen of uit Klopstocks verheven gedicht «De Messias» voorlas; hij
en zijn twee jaren ouder zusje hadden heete tranen gestort over Hem,
die voor ons allen den dood aan het kruis gestorven is.

Bij dit eerste bezoek te Marbach was het stadje niet veel veranderd;
het was immers ook niet lang geleden, dat zij het verlaten hadden;
de huizen stonden daar, evenals vroeger, met hun spitse gevels,
vooruitspringende muren, de eene verdieping boven de andere uitstekend,
en hun lage ramen; alleen op het kerkhof waren er nieuwe graven
bijgekomen, en daar, in het gras, dicht bij den muur, stond nu
de oude klok; zij was van haar hoogte neergestort, had een barst
gekregen en kon niet meer luiden; er was dan ook een nieuwe klok in
haar plaats gekomen.

Moeder en zoon hadden het kerkhof betreden. Zij bleven voor de oude
klok staan, en de moeder vertelde aan haar zoontje, hoe juist deze klok
eeuwen lang een zeer nuttige klok geweest was, hoe zij voor den doop,
voor de bruiloft en voor de begrafenis geluid had; zij had van feesten
en vreugde en van de verschrikkingen des vuurs gesproken, ja, geheele
menschenlevens had de klok uitgezongen. En nooit vergat de knaap,
wat zijn moeder hem vertelde; het klonk en zong en weerklonk in zijn
borst, totdat hij het er als man moest uitzingen. Ook dat vertelde zijn
moeder hem, dat de oude torenklok haar troost en vreugde in haar nooden
had toegezongen, en dat zij gezongen en geklonken had, toen hij, het
zoontje, haar gegeven werd; en bijna met eerbied beschouwde de knaap de
groote, oude klok, hij boog zich over haar heen en kuste haar, hoe oud,
gebarsten en verworpen zij daar ook tusschen gras en brandnetels stond.

In aandenken bleef de oude klok bij den knaap, die in armoede
opgroeide, lang en mager met roodachtig haar en een gezicht vol
zomersproeten: ja, zoo zag hij er uit, maar daarbij had hij een
paar oogen, zoo helder en diep als het diepste water. En hoe ging
het wel met hem?--Goed ging het met hem, benijdenswaardig goed! Wij
vinden hem in de hoogste gunst aan de militaire school opgenomen,
zelfs in de afdeeling, waar de zonen der deftige lieden zaten, en dat
was immers een eer, heette immers een geluk! Slobkousen droeg hij,
een stijve das en een gepoederde pruik; en kundigheden bracht men
hem aan, en wel onder het kommando van «Marsch! Halt! Front!»

De oude torenklok had men ondertusschen bijna vergeten; dat zij nog
eenmaal naar den smeltoven zou moeten gaan, was vooruit te zien,
en wat zou er dan wel van haar worden?--Ja, dat kon men onmogelijk
voorspellen, en even onmogelijk was het dan ook, te zeggen, wat
van de klok zou klinken, die in de borst van den knaap van Marbach
weerklonk; maar een klinkend metaal was zij, en klinken deed zij,
zoodat dit geluid zich in de wijde wereld moest verspreiden, en
hoe enger het achter de schoolmuren werd en hoe bedwelmender het
«Marsch! Halt! Front!» klonk,--des te luider klonk het in de borst van
den jongeling, en hij zong het uit in den kring van zijn schoolmakkers,
en deze tonen klonken over de grenzen van het land. Maar daarvoor had
men hem geen vrijplaats aan de militaire school en ook geen kleederen
en voedsel gegeven; hij had immers hier reeds het nummer gekregen
voor het pennetje, dat hij zijn zou in het groote uurwerk, waarin wij
allen behooren.--Hoe weinig begrijpen wij ons zelf! Hoe zouden dan
de anderen, zelfs de besten, ons altijd kunnen begrijpen? Maar juist
door de wrijving wordt het edelgesteente geschapen. De wrijving had
hier plaats,--zou de wereld het edelgesteente eenmaal erkennen?

In de hoofdstad van den landsheer werd een groot feest
gegeven. Duizenden lampen en lichten straalden daar, vuurpijlen stegen
er ten hemel op;--die glans leeft nog in de herinnering der menschen,
en wel door hem, den kweekeling der militaire school, die indertijd in
tranen en in smarte onbemerkt de poging waagde, een vreemden grond
te bereiken; hij _moest_ ze verlaten, vaderland, moeder, al zijn
dierbaren, of--in den stroom der algemeenheid ondergaan.--

De oude torenklok had het goed; zij stond tegen den muur der kerk
te Marbach, goed bewaard, bijna vergeten. De wind bruiste over haar
heen en had reeds kunnen vertellen van hem, bij wiens geboorte de klok
geluid had, vertellen, hoe koud hij zelf over hem heengewaaid had in
het bosch van het naburige land, toen hij, van vermoeienis uitgeput,
neergezegen was met zijn geheelen rijkdom, de hoop zijner toekomst:
slechts geschreven bladen van «Fiesko;» de wind had van zijn enkele
beschermers kunnen vertellen, allen kunstenaars, die bij het voorlezen
dezer bladen evenwel wegslopen en zich met het kegelspel vermaakten;
de wind had kunnen vertellen van den bleeken vluchteling, die weken,
maanden lang in de ellendige herberg doorbracht, waar ruwe vreugde
heerschte, terwijl hij van idealen zong.--Het waren moeilijke
dagen! Zelf moet het hart lijden en de beproevingen doorstaan,
waarvan het wil zingen.

Donkere dagen, koude nachten trokken er ook over de oude klok heen;
zij had daar geen hinder van; maar de klok in des menschen borst,
zij gevoelt haar treurigen tijd. Hoe ging het met den jonkman? Hoe
ging het met de oude klok?--De klok werd ver weggebracht, verder dan
men haar van haar vroegeren hoogen toren af ooit had kunnen hooren;
en de jonkman?--Ja, de klok in zijn borst klonk verder dan zijn voet
ooit zou wandelen, zijn oog ooit zou zien; zij luidde en luidt nog
aldoor over den oceaan, over de gansche aarde heen.--Maar bepalen wij
ons voorloopig tot de torenklok! Ook zij verliet Marbach: zij werd voor
oud koper verkocht en voor den smeltoven in Beieren bestemd. Maar hoe
en wanneer gebeurde dat?--In Beierens koningsstad, vele jaren nadat zij
van den toren neergestort was, heette het, dat zij gesmolten was, om
gebruikt te worden bij de vervaardiging van een gedenkteeken voor een
der verhevenste gestalten van het Duitsche volk en het Duitsche land.

En zie, hoe dit nu toeging;--zonderling en heerlijk gaat het toch in
de wereld toe! In Denemarken, op een van die groene eilanden, waar de
beukenwouden ruischen en de vele hunebedden ons aanstaren, was een arme
knaap geboren; op klompen was hij de deur uitgegaan; aan zijn vader,
die op de marinewerven werkte, had hij het middagmaal in een ouden,
verschoten omslagdoek gebracht;--dit arme kind was echter de trots
van zijn land geworden, hij wist uit marmer voorwerpen te houwen,
waarover de geheele wereld verbaasd stond [11], en juist aan dezen was
de eervolle taak opgedragen, uit klei een heerlijk, schoon beeld, voor
het gieten in metaal te vormen, het standbeeld van hem, wiens naam zijn
vader eenmaal als _Johann Christoph Friedrich_ in zijn bijbel schreef.

Het metaal vloeide gloeiend in den vorm; de oude torenklok, aan wier
afkomst en verstomde geluiden niemand dacht,--deze klok vloeide
insgelijks in den vorm, en vormde het hoofd en de borst van het
standbeeld, zooals het daar nu onthuld staat te Stuttgart voor het oude
kasteel, waar hij, dien het voorstelt, eenmaal levend rondwandelde,
te midden van strijd en streven, gedrukt door de buitenwereld, hij,
de knaap van Marbach, de kweekeling der Karlsschule, de vluchteling,
Duitschlands groote, onsterfelijke dichter, die gezongen heeft van
den bevrijder van Zwitserland en de door Gods geest aangeblazen maagd
van Orleans.

Het was een schoone, zonnige dag; vlaggen wapperden er van torens
en daken in het koninklijke Stuttgart; de torenklokken luidden tot
feestelijkheid en vreugde; slechts één klok zweeg, maar zij fonkelde
dan ook in den helderen zonneschijn, straalde van het gelaat en van
de borst der roemrijke gestalte; er waren op dezen dag juist honderd
jaren verloopen sedert dien dag, waarop de torenklok te Marbach
aan de lijdende moeder troost en vreugde had verkondigd, toen zij
het kind ter wereld bracht, arm in het arme huis,--later echter de
rijke man, wiens schatten de wereld zegent, hem, den dichter van het
edele vrouwenhart, den zanger van het verhevene, van het heerlijke:
_Johann Christoph Friedrich Schiller_.



HET METALEN VARKEN.


In de stad Florence, niet ver van de _Piazzo del Granduca_, heeft men
een kleine dwarsstraat, die, geloof ik, _Porta Rosa_ genoemd wordt. In
deze straat, voor een soort van hal, waar groenten verkocht worden,
staat een van metaal kunstig bewerkt varken. Het frissche, heldere
water vloeit uit den bek van dit dier, dat door ouderdom zwartachtig
groen geworden is; alleen de snuit blinkt, alsof hij gepolijst
was, en dat is hij ook door vele honderden kinderen en _lazzaroni_
(bedelaars), die hem met hun handen aanpakken en hun mond aan den
snuit van het dier zetten, om te drinken. Het is een schilderachtig
tooneel, het welgevormde dier door een aardigen, halfnaakten knaap
te zien omvatten, die de lippen aan zijn snuit zet.

Iedereen, die te Florence komt, kan de plaats gemakkelijk vinden; hij
moet den eersten den besten bedelaar maar naar het _metalen varken_
vragen, en hij zal het vinden.

Het was op een winteravond; de bergen waren met sneeuw bedekt,
maar het was maneschijn, en de maan geeft in Italië evenveel licht,
als de zon op een somberen winterdag in het noorden, ja, nog meer;
want de lucht verruimt ons daar, terwijl in het noorden het koude,
grauwe zwerk ons ter neer drukt naar de koude, vochtige aarde, die
eenmaal ook op onze doodkist zal drukken.

In den slottuin van den groothertog, onder een dak van pijnhout,
waar duizenden rozen in den wintertijd bloeien, had een kleine, in
lompen gehulde knaap den geheelen dag gezeten, een knaap, dien men als
een beeld van Italië zou kunnen beschouwen, bevallig, glimlachend en
daarbij toch lijdend. Hij had honger en dorst; maar niemand gaf hem
een aalmoes, en toen het donker werd en de tuin zou gesloten worden,
joeg de portier hem er uit. Een geruimen tijd stond hij droomend op
de brug, die over den Arno ligt, en keek naar de sterren, die zich
tusschen de plaats, waar hij stond, en de prachtige marmeren brug
_della Trinità_ in het water afspiegelden.

Hij sloeg den weg naar het metalen varken in, knielde halverwege neer,
sloeg er zijn armen omheen, zette zijn mond aan den blinkenden snuit
en dronk met lange teugen van het frissche water. Dicht daarnaast
lagen eenige slabladen en een paar kastanjes, deze werden zijn
avondmaaltijd. Niemand anders dan hij was er op de straat; deze
behoorde hem alleen toe, en onbeschroomd zette hij zich op den rug van
het metalen varken neer, boog zich voorover, zoodat zijne weelderige
lokken op den kop van het beest rustten, en voordat hij zich daarvan
bewust was, overviel hem de slaap.

Het was middernacht, het metalen varken bewoog zich; hij hoorde
het duidelijk zeggen: «Klein kereltje! houd je vast, want nu ga ik
loopen,» en weg liep het met hem. Het was een zonderlinge rit. Eerst
kwamen zij op de _Piazza del Granduca_, en het metalen paard, dat
het standbeeld van den groothertog draagt, begon luid te hinniken,
de bonte wapens op het oude raadhuis schenen doorzichtige beelden te
zijn, en de David van Michaele Angelo zwaaide met zijn slinger. Overal
heerschten leven en beweging. De metalen groepen, die Perseus en den
Sabijnschen maagdenroof voorstellen, stonden daar, alsof zij levend
waren; een gil van doodsangst ontsnapte er aan hun lippen en deed
zich over het prachtige plein hooren.

Bij den _Palazzo degli Uffizi_ in de zuilengang, waar de adel zich
tot de vastenavondsvreugd verzamelt, bleef het metalen varken staan.

«Houd je goed vast!» zei het dier, «houd je goed vast, want nu gaan
we de trap op!» De knaap sprak nog geen woord; half sidderde hij,
half was hij gelukkig.

Zij betraden een lange galerij, waar hij vroeger nog al eens
geweest was; de muren waren met schilderijen behangen; hier stonden
standbeelden en bustes, alles in het helderste licht, alsof het midden
op den dag was; maar het prachtigst was het, toen de deur van een
der zijvertrekken openging; ja, de heerlijkheid aldaar herinnerde de
knaap zich; maar in dezen nacht was alles in zijn hoogsten glans.

Hier stond een naakte, schoone vrouw, zoo schoon, als slechts de
natuur en de grootste meester over het marmer haar kunnen vormen;
zij bewoog de schoon gevormde ledematen, dolfijnen sprongen aan haar
voeten, onsterfelijkheid straalde er uit haar oogen. De wereld noemt
dit de Venus di Medici. Aan haar zijden prijkten marmeren beelden, bij
welke het leven des geestes den steen doordrongen had; het zijn naakte,
schoone mannen; de een wette zijn zwaard: deze werd de slijper genoemd;
de worstelende gladiatoren vormden een andere groep; het zwaard werd
gewet, en er werd gestreden voor de godin der schoonheid.

De knaap was door dezen glans als verblind; de muren straalden
van kleuren; alles was daar leven en beweging. Het beeld van Venus
vertoonde zich dubbel; de aardsche Venus was zoo opofferend, zoo vurig,
als Titiaan haar aan zijn hart gedrukt heeft. Het was wonderbaar
om aan te zien. Het waren twee schoone vrouwen; haar welgevormde,
onomsluierde leden strekten zich op de mollige kussens uit, haar
borsten verhieven en haar hoofden bewogen zich, zoodat haar weelderige
lokken op haar poezelige schouders neergolfden, terwijl haar donkere
oogen haar gloeiende gedachten uitspraken; maar geen der beelden waagde
het toch, geheel uit de lijst te voorschijn te treden. De godin der
schoonheid zelve, de gladiatoren en de slijper bleven op hun plaats;
want de glans, die er van de Madonna, Jezus en Johannes afstraalde,
boeide ze daaraan vast. De heiligenbeelden waren geen beelden meer:
het waren de heiligen zelf.

Welk een glans en welk een schoonheid van zaal tot zaal! De knaap
zag ze allemaal; het metalen varken liep immers stapvoets door
al deze pracht en heerlijkheid heen. Het eene beeld verdrong het
andere; slechts één schilderij prentte zich diep in zijn ziel, en
wel inzonderheid door de vroolijke, gelukkige kinderen, die er op
stonden,--de knaap had ze eens bij het daglicht begroet.

Velen gaan dit schilderij zeker achteloos voorbij, en toch bevat het
een schat van poëzie. Het is Christus, die in de onderwereld neerdaalt;
maar het zijn niet de verdoemden, die men om hem heen ziet, neen, het
zijn heidenen. De Florentijner Angiolo Bronzino heeft dit schilderij
vervaardigd. Het heerlijkst is de uitdrukking van de gezichten der
kinderen, het volle vertrouwen, dat zij in den hemel zullen komen;
twee kleinen omhelzen elkaar al, een kind strekt de hand naar een
ander, dat lager staat, uit en wijst op zich zelf, als wilde het
zeggen: «Ik zal wel in den hemel komen!» De ouderen staan onzeker,
hopende, maar buigen zich in ootmoedige aanbidding voor den Heer
Jezus. Langer dan op een der andere schilderijen rustte de blik van
den knaap hierop, het metalen varken stond er voor stil, er werd een
nauw hoorbare zucht geslaakt; ontsnapte deze aan het schilderij of aan
de borst van het varken? De knaap hief zijn handen naar de glimlachende
kinderen op;--daar liep het varken met hem weg, weg door de openstaande
voorzaal. «Dank zij je toegebracht, lief beest!» zei de kleine jongen
en liefkoosde het metalen varken, dat de trappen met hem afliep.

«Dank zij u toegebracht!» zei het metalen varken. «Ik heb u, en gij
hebt mij geholpen, want als ik een onschuldig kind op mijn rug heb,
krijg ik de kracht om te loopen! Ja, ziet ge, ik mag zelfs onder de
stralen der lantaarn voor het Madonnabeeld komen, maar niet in de
kerk. Maar als gij bij mij zijt, kan ik er van buiten door de geopende
deur in zien. Klim niet van mijn rug af; want als ge dat doet, dan
blijf ik doodliggen, evenals ge mij overdag in de _Porta Rosa_ ziet.»

«Ik blijf bij je, trouw beest!» zei de knaap, en zoo ging het in
volle vaart door de straten van Florence tot op het plein voor de
kerk _Santa Croce_.

De vleugeldeuren sprongen open; lichten straalden er van het altaar
door de kerk tot op het eenzame plein.

Een wonderbare lichtglans stroomde van het eene grafmonument in de
linkerzijgang af, duizenden beweegbare sterren vormden als het ware
een stralenkrans daaromheen. Een wapenbord prijkt er op het graf,
een roode ladder op een blauwen grond schijnt als vuur te gloeien;
dit was het graf van Galilei. Het monument is eenvoudig; maar de roode
ladder op den blauwen grond is een veelbeteekenend zinnebeeld: het is,
alsof het dat der kunst is, want hier voert de weg altijd langs een
gloeiende ladder naar den hemel. Alle profeten des geestes snellen
naar den hemel, evenals de profeet Elia.

Rechts in de gang der kerk scheen iedere beeldzuil op de rijke
sarcophagen leven gekregen te hebben. Hier stond Michaele Angelo,
daar Dante met den lauwerkrans om de slapen, Alfieri, Macchiavelli:
naast elkaar rusten hier de groote mannen, die de trots van Italië
zijn [12]. Het is een prachtige kerk, veel schooner, al moge zij ook
niet zoo groot zijn, dan de marmeren dom te Florence.

Het was, alsof de marmeren kleederen zich bewogen, alsof de forsche
gestalten haar hoofden hooger verhieven en, te midden van gezang en
muziek, opkeken naar het bonte, schitterende altaar, waar in het wit
gekleede knapen gouden wierookvaten zwaaiden; de sterke geur stroomde
uit de kerk op het plein.

De knaap strekte zijn hand naar den lichtglans uit, en terstond snelde
het metalen varken weg, hij moest er zich stevig aan vasthouden, de
wind suisde hem om de ooren, hij hoorde de kerkdeur op haar hengsels
knarsen, terwijl zij dichtging, maar in een oogenblik scheen het
bewustzijn hem te begeven, hij gevoelde een snerpende koude en--sloeg
de oogen op.

Het was morgen; hij zat, half afgegleden van het metalen varken,
dat daar stond zooals het altijd in de straat _Porta Rosa_ placht te
staan, nog op den rug van het beest.

Angst en vrees vervulden den knaap bij de gedachte aan haar, die hij
moeder noemde, en die hem den vorigen dag uitgezonden had, om geld op
te loopen; hij had niets; hij had honger en dorst. Nog eenmaal omvatte
hij den hals van het metalen varken, gaf het een kus op den snuit,
knikte het toe en wandelde toen voort naar een der nauwste straten,
tenauwernood breed genoeg voor een beladen ezel. Een groote, met ijzer
beslagen deur stond op een kier; hier klom hij een steenen trap met
smerige muren en een touw, dat voor leuning diende, op en kwam in
een open galerij, die met lompen behangen was; van hier voerde een
trap naar de binnenplaats, waar van den waterput groote ijzerdraden
naar alle verdiepingen van het huis gespannen waren en de eene emmer
na den anderen zweefde, terwijl de katrol knarste en de emmer in de
lucht danste, zoodat het water op de plaats naar beneden plaste. Weder
voerde een vervallen steenen trap naar boven. Twee matrozen,--het
waren Russen,--kwamen vroolijk naar beneden en hadden den armen knaap
bijna omvergeloopen. Zij kwamen van hun nachtelijke bacchanaliën
terug. Een niet meer jeugdige, maar toch weelderige vrouwengestalte,
met prachtig zwart haar, volgde hen. «Wat breng je thuis?» zeide zij
tegen den knaap.

«Wees niet boos!» smeekte deze, «ik heb niets, niets hoegenaamd
gekregen!»--En dit zeggende, greep hij zijn moeder bij haar japon
vast, alsof hij daarop een kus wilde drukken. Zij traden het kamertje
binnen; dat zal ik niet beschrijven; slechts zooveel zij daarvan
gezegd, dat daarin een pot met een kolenvuur stond, een _marito_,
zooals het genoemd wordt. Dezen pot nam zij in den arm, warmde zich
de handen en gaf den knaap een duw met haar elleboog. «Ja, zeker heb
je wel geld!» zeide zij.

De knaap schreide; zij gaf hem een schop met den voet; nu begon hij
nog erger te schreien. «Wil je je wel eens stilhouden, of anders zal
ik je een slag op je kop geven!» en zij zwaaide met den vuurpot,
dien zij in de hand hield. Het kind viel met een schreeuw op den
grond neer. Daar trad een buurvrouw de kamer binnen; ook zij had
haren _marito_ in den arm. «Felicita! Wat doe je toch met het kind?»

«Het kind is van mij!» antwoordde Felicita. «Ik kan het vermoorden,
als ik wil, maar jij niet, Giannina!» en zij zwaaide met haar vuurpot;
de andere vrouw hief den haren op om zich te verdedigen, en nu
stieten de beide potten zoo geducht tegen elkaar aan, dat scherven,
vuur en asch in de kamer rondvlogen;--maar op hetzelfde oogenblik was
de knaap de deur uit, de binnenplaats over en het huis uit. De arme
jongen liep zoo hard, dat hij eindelijk heelemaal buiten adem was;
hij hield bij de kerk, waarvan de groote deur zich des nachts voor
hem geopend had, stil, en trad deze binnen. Alles straalde hem toe,
de knaap knielde bij het eerste graf aan den rechterkant neer; het
was het graf van Michaele Angelo, en al spoedig snikte hij luid. Er
kwamen en gingen menschen, de mis werd gelezen, niemand bemerkte den
knaap; slechts een achtbare grijsaard bleef staan, keek hem aan--en
ging toen verder, evenals de anderen.

Honger en dorst kwelden den kleine, hij was geheel uitgeput en ziek;
hij kroop in een hoek tusschen de marmeren monumenten en viel in
slaap. Het was tegen den avond, toen hij door iemand wakker gemaakt
werd; hij stond op, en dezelfde waardige grijsaard stond voor hem.

«Ben je ziek? Waar hoor je thuis? Ben je hier den heelen dag geweest?»
waren enkele der vele vragen, die de grijsaard tot hem richtte. Zij
werden beantwoord, en de oude man nam hem met zich mee naar zijn
huisje, dat dicht in de nabijheid in een zijstraatje stond. Zij
traden een handschoenmakerswerkplaats binnen; een vrouw zat ijverig
te naaien. Een klein wit Deensch hondje, zoo kaal geschoren, dat men
zijn rooskleurige huid kon zien, sprong op de tafel en maakte voor
den kleinen knaap allerlei kunstjes.

«De onschuldige zielen kennen elkaar,» zei de vrouw en liefkoosde den
hond en den knaap. De laatstgenoemde kreeg van de goede lieden spijs
en drank, en zij zeiden, dat het hem vergund was, den nacht bij hen
door te brengen; den volgenden dag zou vader Giuseppe eens met zijn
moeder gaan spreken. Hij kreeg een klein, armoedig bed; maar voor
hem, die dikwijls op den harden, steenen vloer had moeten slapen,
was dit een koninklijke legerstede. Hoe heerlijk sliep hij en hoe
droomde hij van de prachtige schilderijen en van het metalen varken!

Vader Giuseppe ging den volgenden morgen uit; de arme jongen was
daarover niet blij, want hij wist wel, dat het doel van dit uitgaan
was, hem weer naar zijn moeder terug te brengen. De knaap kuste den
kleinen vroolijken hond, en de vrouw knikte beiden toe.

En welk antwoord bracht vader Giuseppe nu terug? Hij sprak druk
met zijn vrouw, en deze knikte en liefkoosde den knaap. «Het is een
ferme jongen!» zeide zij. «Hij kan een ervaren handschoenmaker worden,
zooals jij geweest bent, en wat zijn zijn vingers fijn en buigzaam! De
Madonna heeft hem tot handschoenmaker bestemd!»

En de knaap bleef in dit huis; de vrouw leerde hem zelf naaien; hij
at goed, hij sliep goed, hij werd vroolijk en begon Bellissima--zoo
heette het hondje--te plagen; de vrouw hief den vinger dreigend naar
hem op, beknorde hem en werd boos.--Dat ging den knaap aan het hart:
in gedachten verdiept, zat hij in zijn kamertje. Van daar had men het
uitzicht op de straat, waarin huiden gedroogd werden; dikke ijzeren
spijlen waren er voor de ramen; hij kon niet slapen; het metalen
varken vertoonde zich aldoor aan hem in zijn gedachten, en eensklaps
hoorde hij buiten: Knor, knor! Dat was zeker een varken! Hij snelde
naar het raam toe, maar er was niets te zien; het was al voorbij.

«Help den signor zijn verfdoos dragen!» zei de signora den volgenden
morgen tegen den knaap, toen de jonge buurman, een schilder,
vooorbijliep en een schilderdoos benevens een groot, opgerold stuk
doek droeg. De knaap nam de doos over en volgde den schilder; zij
sloegen den weg naar de galerij in en liepen dezelfde trap op,
die hem sedert dien nacht, toen hij op het metalen varken reed,
wel bekend was. Hij kende de standbeelden en de bustes, de schoone
marmeren Venus en die, welke in kleuren leefde; hij zag de Moeder Gods,
Jezus en Johannes weder.

Nu bleven zij voor het schilderij van Bronzino staan, waarop Christus
in de onderwereld neerdaalt en de kinderen om hem heen glimlachen
in blijde verwachting van den hemel,--het arme kind glimlachte ook,
want hier was het in _zijn_ hemel!

«Ga nu maar weer naar huis terug!» zei de schilder, toen de knaap
al zoo lang was blijven staan, totdat deze ondertusschen zijn ezel
opgezet had.

«Mag ik u eens zien schilderen?» vroeg de knaap. «Mag ik er eens naar
kijken, hoe ge het schilderij op dit doek overbrengt?»

«Ik begin nog niet te schilderen!» antwoordde de man en kreeg zijn
zwart krijt voor den dag. Snel bewoog zich de hand, het oog mat
het groote schilderij, en ofschoon er slechts eenige fijne lijnen
zichtbaar werden, stond Christus daar toch reeds zwevend, evenals op
het groote schilderij.

«Ga nu toch heen!» zei de schilder, en zwijgend keerde de knaap naar
huis terug, zette zich op de tafel neer en--leerde handschoenen naaien.

Maar den heelen dag waren zijn gedachten in de schilderijenzaal,
en daardoor prikte hij zich in de vingers, gedroeg zich links, maar
plaagde Bellissima toch niet. Toen het avond werd en de huisdeur
juist open stond, sloop hij naar buiten; het was nog koud; maar de
lucht was helder en als met sterren bezaaid.

Hij wandelde door de straten, die reeds leeg geworden waren, en
stond al spoedig voor het metalen varken; hij boog er zich over
heen, gaf het een kus op zijn blanken snuit en zette zich op zijn rug
neer.--«Gezegend beest!» zeide hij, «wat heb ik naar je verlangd! Wij
moeten van nacht nog eens een ritje doen!»

Het metalen varken lag onbeweeglijk, en het frissche water vloeide hem
uit den snuit. De knaap zat schrijlings op hem, daar werd er aan zijn
kleeren getrokken; hij keek op: Bellissima, de kleine, kaalgeschoren
Bellissima blafte, als wilde zij zeggen: «Ziet ge wel? Ik ben er
ook! Waarom zet ge u hier neer?»--Geen vurige draak had den knaap
zulk een schrik op het lijf kunnen jagen, als de kleine hond op deze
plaats. Bellissima op straat, en wel zonder aangekleed te zijn, zooals
de oude vrouw het noemde! Wat moest daarvan komen? De hond kwam in
den winter slechts buiten de deur, nadat hem vooraf een klein lamsvel
aangetrokken was, dat uitsluitend voor hem genaaid was. Dit vel,
dat met lintjes en schelletjes versierd was, kon met een rood bandje
om zijn hals en onder zijn buik vastgebonden worden. De hond zag er
dan uit als een geitje, wanneer het hem in den wintertijd vergund
werd, in dit gewaad met de signora te gaan wandelen. Bellissima was
buiten en niet aangekleed! Wat moest daarvan komen? Alle phantasieën
waren verdwenen, maar toch kuste de knaap het metalen varken en nam
Bellissima op den arm; het beest trilde van de kou, daarom liep de
knaap zoo hard, als hij maar kon.

«Waar loop je daar mee?» vroegen twee politiesoldaten, die hij
tegenkwam en waartegen Bellissima begon te blaffen. «Waar heb je dat
hondje gestolen?» vroegen zij en namen het hem af.

«O, geeft het mij terug!» smeekte de knaap.

«Als je het beest niet gestolen hebt, dan moet je thuis maar zeggen,
dat het op de wacht kan afgehaald worden!» Zij noemden de plaats en
gingen met Bellissima heen.

Dat was een verschrikkelijk geval. De knaap wist niet, of hij in
den Arno zou springen of naar huis gaan en alles bekennen; ze zouden
hem dan zeker doodslaan, dacht hij.--«Maar ik wil graag doodgeslagen
worden, ik wil graag sterven, dan kom ik bij Jezus en bij de Madonna!»
En hij ging naar huis, hoofdzakelijk om doodgeslagen te worden.

De deur was gesloten, en hij kon niet aan den klopper raken. Er was
niemand op de straat, maar er lag een steen, en daarmee gooide hij
tegen de deur aan. «Wie is daar?» werd er van binnen geroepen.

«Ik ben het!» zeide hij. «Bellissima is weg! Doe mij open en sla mij
dan dood!»

Er verspreidde zich een algemeene schrik door het huis, inzonderheid
bij de signora, over de arme Bellissima. Zij keek terstond naar
den muur, waar het gewaad van den hond placht te hangen; het kleine
lamsvel hing er nog.

«Bellissima op de wacht!» riep zij luide uit. «Jou ondeugende
jongen! Hoe heb je haar de deur uitgelokt? Wat zal zij koud zijn! Dat
teere diertje bij die ruwe soldaten!»

De man moest er dadelijk naar toe, de vrouw jammerde, de knaap
weende.--Al de huisgenooten kwamen bij elkaar, en onder dezen bevond
zich ook de schilder; hij nam den knaap op zijn schoot, hoorde hem uit,
en bij brokstukken kreeg hij nu de heele geschiedenis van het metalen
varken en de galerij te hooren,--deze was vrij onbegrijpelijk. De
schilder troostte den knaap, trachtte de oude vrouw tot bedaren te
brengen, maar zij was niet tot bedaren te krijgen, voordat haar man
met Bellissima, die onder de soldaten geweest was, aankwam. Dat was een
blijdschap! De schilder liefkoosde den knaap en teekende wat voor hem.

O, dat waren heerlijke stukken, kluchtige koppen! En waarlijk, het
metalen varken was er ook bij. O, niets kon heerlijker zijn! Met een
paar streken prijkte het op het papier, en zelfs het huis, dat er
achter stond, was er op afgebeeld.

Wie toch kon teekenen en schilderen, die kon de heele wereld om zich
heen verzamelen!

Zoodra de knaap den volgenden dag een oogenblik alleen was, nam
hij een potlood in handen, en op den achterkant van een der prenten
trachtte hij de teekening van het metalen varken weer te geven. Dit
gelukte;--wel was het wat scheef, de eene poot was te dik en de andere
te dun, maar het was er toch goed uit te kennen. Hij stond er zelf
over verwonderd.--Het potlood wilde niet zoo gaan, als hij wilde;
dat merkte hij wel; den volgenden dag stond er weer een metalen varken
naast het andere, en dat was honderdmaal beter; het derde was al zoo
goed, dat iedereen het er wel uit kon kennen.

Maar het ging slecht met het handschoenen naaien, langzaam met de
boodschappen in de stad; want het metalen varken had hem geleerd,
dat alles op het papier gebracht kon worden, en de stad Florence is
een prentenboek, als men daarin maar wil bladeren. Op de _Piazza
della Trinità_ staat een slanke zuil en daar bovenop de godin der
gerechtigheid met een blinddoek voor de oogen en een weegschaal in
de hand. Al spoedig stond zij op het papier, en het was de kleine
leerling van den handschoenmaker, die haar daarop geplaatst had. De
verzameling van teekeningen groeide aan, maar nog bevatte zij slechts
teekeningen van levenlooze voorwerpen; nu liep Bellissima op zekeren
dag voor hem heen en weer. «Blijf eens stilstaan!» zeide hij, «dan
zal je mooi worden en in mijn verzameling van prenten komen!» Maar
Bellissima wilde niet stilstaan, zij moest vast gebonden worden;
kop en staart werden nu vastgebonden, zij blafte en maakte sprongen,
het touw moest strak aangehaald worden; daar kwam de signora binnen.

«Jou ondeugende jongen! Dat arme beest!» was alles, wat zij kon
uitbrengen. Zij duwde den knaap van zich af, gaf hem een schop, joeg
hem haar huis uit, hem, die de ondankbaarste deugniet, het ondeugendste
kind was, en weenend kuste zij haar kleine, half verworgde Bellissima.

Op hetzelfde oogenblik kwam de schilder de trap op en--hier is het
keerpunt in de geschiedenis.

In het jaar 1834 werd er te Florence in de _Accademia delle Arti_
een tentoonstelling gehouden. Twee schilderijen, die naast elkander
opgehangen waren, lokten een menigte toeschouwers tot zich. Op het
kleinste was een kleine, vroolijke knaap voorgesteld, die zat te
teekenen; voor model had hij een klein, wit, gladgeschoren Deensch
hondje; maar het beestje wilde niet stilstaan en was daarom zoowel aan
den kop als aan den staart met touw vastgebonden; er was daarin leven
en een waarheid, die op iedereen indruk moest maken. De schilder,
vertelde men, was een jonge Florentijn, die als kind op de straat
gevonden en door een ouden handschoenmaker opgevoed was, en zich zelf
het teekenen geleerd had. Een thans beroemde schilder had dit talent
in hem ontdekt, toen de knaap bij zekere gelegenheid uit het huis
gejaagd werd, omdat hij de lievelinge der signora, het kleine hondje,
vastgebonden en voor model gebruikt had.

De handschoenmakersleerling was een uitstekend schilder geworden;
dat bewees dit schilderij, dat bewees inzonderheid het grootere,
dat er naast hing. Hierop was slechts een enkele levende figuur,
een in lompen gekleede, maar mooie knaap, die slapend op de straat
zat; hij leunde tegen het metalen varken in de straat _Porta Rosa_
aan. Alle toeschouwers kenden deze plaats. De armen van het kind
rustten op den kop van het varken; de kleine sliep gerust, en de
lantaarn voor het Madonnabeeld wierp een sterk licht op het bleeke,
schoone gezicht van het kind.--Het was een allerprachtigst schilderij;
een groote, vergulde lijst omgaf het, aan een der hoeken was een
lauwerkrans opgehangen; maar tusschen de groene bladeren slingerde
zich een zwart lint, en een lang rouwfloers hing er aan.--De jonge
kunstenaar was juist in die dagen--gestorven!



HET VRIENDSCHAPSVERBOND.


Zoo even hebben wij een klein reisje gemaakt, en reeds verlangen
wij naar een ander. Waar naar toe? Naar Sparta, naar Mycene, naar
Delphi? Er zijn honderd plaatsen, bij het noemen waarvan het hart van
reislust klopt. Het gaat te paard de bergpaden op, tusschen boomen en
struiken door; de enkele reiziger doet zich als een geheele karavaan
voor. Zelf rijdt hij met zijn gids voorop, een pakpaard draagt koffer,
tent en proviand, een paar gendarmes komen tot zijn bescherming
achteraan. Geen logement met zachte bedden wacht hem na de vermoeide
dagreis, de tent is dikwijls zijn dak in de groote, woeste natuur,
de gids kookt een pilau [13] voor het avondeten; duizenden muggen
zwermen om de kleine tent heen, het is een treurige nacht, en morgen
voert de weg over sterk gezwollen rivieren; zit vast op uw paard,
opdat ge niet door den stroom meegesleept wordt!

Welk loon valt u voor deze bezwaren ten deel? Het grootste en
rijkste! De natuur openbaart zich hier in al haar grootheid, iedere
plek is historisch, oogen en gedachten zwelgen. De dichter kan het
bezingen, de schilder in rijke beelden voorstellen; maar den geur
der werkelijkheid, die voor eeuwig in de ziel des aanschouwers
binnendringt, vermogen zij niet weer te geven.

In vele kleine schetsen heb ik een poging gedaan om een kleine
uitgestrektheid van Athene met zijn omgeving aanschouwelijk te maken,
en toch, hoe kleurloos staat het geschetste beeld, hoe weinig geeft
het Griekenland weer, dien treurenden genius van het schoone, welks
grootheid en kommer de vreemdeling nimmer vergeet.

De eenzame herder boven op de rotsen zou door een eenvoudige vertelling
van een zijner levensontmoetingen misschien beter, dan ik door mijne
beelden, dengene de oogen kunnen openen, die het land der Hellenen
in eenige trekken wil aanschouwen.

Laat hem dan spreken! zegt mijn Muze. Een gebruik, een eigenaardig
gebruik moet den herder daar op den berg de stof voor zijn vertelling
aan de hand doen, namelijk:


                    «HET VRIENDSCHAPSVERBOND.»


Ons huis was uit leem samengesteld; maar de deurposten bestonden
uit marmeren zuilen, die gevonden waren op de plek, waar men het
huis bouwde. Het dak reikte bijna tot aan den grond toe; nu was het
zwartachtig bruin en leelijk, maar toen het gemaakt werd, bestond het
uit bloeiende oleander- en groene lauriertakken, die achter de bergen
vandaan gehaald waren. Rondom onze woning was niet veel plaats; de
bergen liepen steil op en hadden een kale, zwarte kleur, aan hun toppen
hingen dikwijls wolken, als witte, levende gestalten. Nooit hoorde ik
hier een zangvogel, nooit dansten de mannen hier op de tonen van den
doedelzak; maar de plaats was geheiligd uit oude tijden, zelfs de naam
herinnert daaraan, zij wordt immers Delphi genoemd. De donkere, statige
bergen waren alle met sneeuw bedekt; de hoogste, die het langst door
het roode schijnsel der avondzon bestraald werd, was de Parnassus; de
beek dicht bij ons huis stroomde er van af en was eenmaal ook heilig,
nu maakt de ezel haar met zijn pooten troebel, doch de stroom gaat
verder en wordt weer helder. Hoe herinner ik mij ieder plekje in zijn
heilige, diepe eenzaamheid! Midden in de hut werd vuur aangelegd, en
als de heete asch daar hoog en gloeiend lag, werd het brood daarin
gebakken. Als de sneeuw zich zoo hoog om onze hut opstapelde, dat
zij bijna niet meer te zien was, dan scheen moeder het vroolijkst te
zijn, dan hield zij mijn hoofd tusschen haar handen, drukte mij een
kus op het voorhoofd en zong de liedjes, die zij anders nooit zong;
want de Turken, onze heeren, lieten dit niet toe, en zij zong:

«Op den top van den Olympus, in het nederige dennenbosch, was een
oud hert; dof waren zijn oogen van tranen; roode, ja, groene en
lichtblauwe tranen weende het. Nu kwam er een reebok voorbij en
vroeg: «Wat scheelt er toch aan, dat ge zoo weent, roode, groene,
ja, lichtblauwe tranen weent?»--«De Turk is in onze stad gekomen en
gebruikt wilde honden bij zijn jacht, een heelen troep!»--«Ik jaag ze
over de eilanden,» zei de jonge reebok, «ik jaag ze over de eilanden in
de diepe zee!»--Maar voordat de avond daalde, was de reebok verslagen,
en voordat de nacht aanbrak, was het hert gedood!»

En als moeder dit zong, werden haar oogen vochtig, en aan haar lange
wimpers parelde een traan, maar zij pinkte dien weg en bakte ons
brood in de asch. Dan balde ik mijn vuist en zeide: «We zullen de
Turken doodslaan!» maar dan herhaalde zij uit het lied: «Ik jaag ze
over de eilanden in de diepe zee!--Maar voordat de avond daalde, was
de reebok verslagen, en voordat de nacht aanbrak, was het hert gedood!»

Verscheidene dagen en nachten waren wij eenzaam in onze hut geweest;
daar kwam vader thuis; ik wist, dat hij voor mij mosselschelpen
uit de golf van Lepanto zou meebrengen, of ook een mes, scherp en
blinkend. Ditmaal bracht hij ons een kind, een klein, naakt meisje, dat
hij onder zijn schaapspels hield; het was in een dierenhuid gewikkeld,
en alles, wat de kleine bezat, toen zij zonder deze op den schoot
van mijn moeder lag, waren drie zilveren geldstukken, die in haar
zwarte lokken vastgemaakt waren. Vader vertelde van de Turken, die de
ouders van het kind doodgeslagen hadden; hij vertelde ons zooveel,
dat ik er den heelen nacht van droomde.--Vader was zelfs gekwetst,
moeder verbond zijn arm, de wond was diep, de dikke schaapspels zat
aan het geronnen bloed vastgekleefd. Het kleine meisje zou mij tot een
zuster zijn. O, wat was het beeldschoon! De oogen van moeder waren
niet vriendelijker dan de hare. Anastasia, zooals zij genoemd werd,
zou mijn zuster zijn; want haar vader had zich aan den mijnen verbonden
naar oud gebruik, zooals wij dit nog in eere houden. Zij hadden in
hun jeugd broederschap gesloten en het schoonste en deugdzaamste
meisje uit den geheelen omtrek gekozen, om hun vriendschapsverbond
te wijden. Dikwijls hoorde ik van dit zonderlinge, treffende gebruik.

Nu was de kleine mijn zuster; zij zat op mijn schoot, ik bracht haar
bloemen en de veeren der vogels, wij dronken samen uit de wateren
van den Parnassus en sliepen hoofd aan hoofd onder het laurieren dak
der hut, terwijl moeder nog menigen winter van de roode, groene en
lichtblauwe tranen zong! Maar nog begreep ik niet, dat het mijn eigen
volk was, welks duizendvoudige zorgen zich in deze tranen afspiegelden.

Op zekeren dag kwamen er drie Frankische mannen; dezen waren anders
dan wij gekleed. Hun bedden en tenten hadden zij op paarden, en meer
dan twintig Turken, allen met sabels en geweren gewapend, vergezelden
hen; want ze waren vrienden van den pacha en hadden brieven van
vrijgeleide van hem bij zich. Zij kwamen slechts om onze bergen
te zien, om in sneeuw en wolken den Parnassus te beklimmen, en de
zonderlinge, zwarte, steile rotsen rondom onze hut te bekijken. Zij
hadden daarin geen plaats, en konden ook den rook niet verdragen,
die onder de zoldering bleef hangen en langzaam door de lage deur
naar buiten trok, zij sloegen hun tenten daarom naast onze hut op,
braadden lammeren en vogels, schonken zoete, krachtige wijnen in,
maar de Turken mochten daarvan niet drinken.

Toen zij wegreisden, vergezelde ik hen een eindweegs, en mijn
zusje Anastasia hing, in een bokkevel genaaid, op mijn rug. Een
der Frankische heeren zette mij tegen een rots aan en teekende mij
en haar uit, precies zooals wij daar stonden; wij zagen er als één
schepsel uit;--nooit had ik er aan gedacht, maar Anastasia en ik
waren immers één, altijd zat zij op mijn schoot of hing op mijn rug,
en als ik droomde, verscheen zij mij in mijn droomen.

Twee nachten later kwamen er andere menschen, met messen en geweren
gewapend, in onze hut. Het waren Albaneezen, moedige lieden, zooals
moeder zeide. Zij vertoefden slechts korten tijd; mijn zusje Anastasia
zat op den schoot van een hunner,--toen zij weg waren, had zij twee
en niet meer drie geldstukken in haar lokken. Zij rolden tabak in
papiertjes en rookten deze; de oudste sprak over den weg, dien zij
moesten inslaan, en was daaromtrent in het onzekere. «Als ik in de
hoogte spuw,» zeide hij, «dan komt het op mijn gezicht, als ik naar
beneden spuw, dan komt het in mijn baard!»

Maar een weg moest er gekozen worden; zij gingen heen en vader
vergezelde hen. Al spoedig daarop hoorden wij schoten,--er deed zich
nogmaals een knal hooren; soldaten drongen onze hut binnen en namen
moeder, mij en Anastasia gevangen; de roovers hadden hun verblijf bij
ons gehouden, vader was hun aanvoerder geweest, daarom moesten wij
weg. Ik zag de lijken der roovers, ik zag het lijk van mijn vader,
en weende, totdat ik in slaap viel. Toen ik wakker werd, waren wij in
de gevangenis; maar de kamer was niet slechter dan die in onze eigen
hut; ik kreeg uien en harsachtigen wijn, dien zij uit een geteerden
zak schonken: beter hadden wij het te huis ook niet.

Hoe lang wij gevangen bleven, weet ik niet; maar er verliepen vele
dagen en nachten. Toen wij vrijgelaten werden, was het het heilige
Paaschfeest; ik droeg Anastasia op mijn rug; want moeder was ziek; zij
kon slechts langzaam loopen, en het was een heel eind, voordat wij aan
de zee, aan de golf van Lepanto kwamen. Wij traden een kerk binnen,
die van beelden op een gouden grond straalde; het waren engelen, en
dezen zagen er heel lief uit, maar het kwam mij toch voor, dat onze
kleine Anastasia er even lief uitzag. Midden op den vloer stond een
doodkist vol rozen. «De Heere Jezus ligt daar als een schoone bloem,»
zei mijn moeder, en «Christus is opgestaan!»

Alle menschen omarmden elkaar. Ieder hield een brandende kaars in de
hand, ik kreeg er zelf ook een, en Anastasia eveneens; de doedelzakken
klonken, mannen dansten hand aan hand de kerk uit, en daarbuiten waren
vrouwen bezig het paaschlam te braden. Wij werden uitgenoodigd om er
deel aan te nemen, en ik ging bij het vuur zitten. Een knaap, ouder
dan ik, sloeg zijn armen om mijn hals, kuste mij en zeide: «Christus is
opgestaan!» Zoo ontmoetten Aphtanides en ik elkaar voor de eerste maal.

Moeder kon vischnetten breien, dat gaf haar hier bij de golf een goede
verdienste, en wij bleven geruimen tijd bij de zee wonen,--de schoone
zee, die als tranen smaakte en mij door haar kleuren aan de tranen
van het hert deed denken: nu eens was zij immers rood, dan groen,
en dan weer blauw.

Aphtanides wist de boot te besturen, en ik zat er met mijn kleine
Anastasia in; zij gleed over het water als een wolk door de lucht. Als
dan de zon onderging, kleurden zich de bergen met een donkerder blauw,
de eene bergketen verhief zich boven de andere, en het verst stond
de Parnassus met zijn sneeuw. In de avondzon schitterde de bergtop
als gloeiend ijzer; hij zag er uit, alsof het licht van binnen kwam,
want lang nadat de zon ondergegaan was, flikkerde hij in de blauwe,
heldere lucht; de witte watervogels raakten den waterspiegel met hun
vlerken aan; overigens was het hier even stil als bij Delphi tusschen
de zwarte rotsen. Ik lag in de boot op mijn rug. Anastasia lag aan
mijn borst, en de sterren boven ons fonkelden nog helderder dan
de lampen in onze kerk. Het waren dezelfde sterren, en zij stonden
op dezelfde plaats boven mij, als toen ik te Delphi voor onze hut
zat. Eindelijk kwam het mij voor, alsof ik daar nog was!--Daar plofte
er iets in het water, en de boot schommelde hevig; ik gaf een luiden
gil; want Anastasia was in het water gevallen, maar even snel sprong
Aphtanides haar achterna, en al spoedig daarop reikte hij haar aan
mij over! Wij trokken haar kleeren uit, wrongen het water er uit en
kleedden haar toen weer aan; dat deed Aphtanides. Wij bleven op het
water, totdat de kleeren van Anastasia weer heelemaal droog waren,
en niemand kwam iets te weten van den schrik, dien wij met de kleine
pleegzuster gehad hadden, aan wier leven Aphtanides nu immers deel had.

De zomer kwam. De zon brandde zoo heet, dat de bladeren der boomen
verdorden; ik dacht aan onze koele bergen, aan het frissche water,
dat wij daar hadden; ook moeder verlangde daarnaar, en op zekeren
avond ondernamen wij de terugreis. Welk een rust, welk een stilte! Wij
liepen door den hoogen tijm, die nog geur van zich gaf, ofschoon de
zon zijn bladeren verzengd had. Geen enkelen herder ontmoetten wij,
geen enkele hut kwamen wij voorbij. Alles was stil en eenzaam; slechts
een vallende ster zeide, dat daarboven in den hemel nog leven was. Ik
weet niet, of de heldere, blauwe lucht zelf licht van zich gaf, dan
of het de stralen der sterren waren; wij herkenden de omtrekken der
bergen zeer goed. Mijn moeder legde vuur aan, kookte uien, die zij
meegebracht had, en mijn zusje en ik sliepen in den tijm, zonder vrees
voor den afschuwelijken Smidraki [14] uit wiens muil vlammen springen,
of voor den wolf en den jakhals; moeder zat immers naast ons, en dat
was voldoende voor onze veiligheid.

Wij bereikten onze vroegere woonplaats; maar de hut was in een puinhoop
veranderd, er moest dus een nieuwe gebouwd worden. Eenige vrouwen
hielpen moeder, en binnen weinige dagen waren de muren opgetrokken
en was er een nieuw dak van oleander op gezet. Mijn moeder vlocht
van huiden en boomschors vele foedralen voor flesschen, ik hoedde de
kudde der priesters [15]; Anastasia en de kleine schildpadden waren
mijn speelkameraden.

Op zekeren dag kregen wij bezoek van den geliefden Aphtanides; hij
verlangde zoo, ons te zien, zeide hij, en hij bleef twee volle dagen
bij ons.

Na verloop van een maand kwam hij weer en vertelde, dat hij met een
schip naar Patras en Corfu wilde; vooraf echter wilde hij ons vaarwel
zeggen; voor onze moeder bracht hij een grooten visch mee. Hij wist
zeer veel te vertellen, niet alleen van de visschers aan de golf van
Lepanto, maar ook van koningen en helden, die eenmaal Griekenland
beheerscht hadden, evenals nu de Turken deden.

Ik heb den rozeboom een knop zien krijgen en gezien, hoe deze zich
in dagen en weken tot een bloem ontplooide; hij werd dit, eer ik er
aan dacht. Wat was zij groot, schoon en rood! Zoo ging het ook met
Anastasia. Zij was een mooi volwassen meisje, en ik een krachtige
jongeling. De wolfshuiden op het bed van moeder en van Anastasia had
ik zelf afgestroopt van de dieren, die onder mijn schot gevallen waren.

Jaren waren er verloopen. Nu kwam op zekeren avond Aphtanides, slank
als een riet, krachtig en bruin; hij gaf ons allen een kus en wist
van de groote zee, van Malta's vestingwerken en Egypte's zonderlinge
graven te vertellen; het klonk mij wonderbaar in de ooren als een
legende der priesters; ik zag met een soort van eerbied tot hem op.

«Wat weet ge veel!» zei ik. «Wat kunt ge aardig vertellen!»

«Gij hebt mij toch eenmaal het schoonste verteld!» zeide hij. «Gij
hebt mij verteld, wat mij nooit uit de gedachten gegaan is, van het
schoone, oude gebruik, het vriendschapsverbond, dat gebruik, dat ik
wel graag zou willen navolgen. Broeder! laat ons beiden ook, evenals
de vaders van u en Anastasia gedaan hebben, naar de kerk toe gaan;
het schoonste en onschuldigste meisje is Anastasia; zij moet ons
wijden! Geen volk heeft toch schoonere gebruiken dan wij Grieken.»

Anastasia bloosde als een jonge roos; mijn moeder gaf Aphtanides
een kus.

Op een uur afstands van onze hut, daar, waar op de rotsen losse
aarde ligt en eenige boomen schaduw werpen, stond de kleine kerk;
een zilveren lamp hing voor het altaar.

Ik had mijn beste kleeren aangetrokken, de witte fustanella viel in
rijke plooien langs mijn heupen neer, het roode wambuis sloot mij nauw
om de leden, aan den kwast van mijn fez zat zilver, in mijn gordel
staken messen en pistolen. Aphtanides had zijn blauwe kleeding aan,
zooals Grieksche zeelieden dragen. Op zijn borst hing een zilveren
plaat omzet met schitterende steenen, zijn sjerp was kostbaar, zooals
slechts de rijke heeren er een dragen. Iedereen kon wel zien, dat ons
een plechtigheid wachtte. Wij traden de kleine, stille kerk binnen,
waar de avondzon door de deur de brandende lamp en de bonte beelden op
den gouden grond bestraalde. Wij knielden op de trappen van het altaar
neer, en Anastasia plaatste zich voor ons; een lang, wit gewaad hing
los en luchtig om haar schoone gestalte; haar blanke hals en haar borst
waren met een ketting van oude en nieuwe munten bedekt; deze vormden
een kraag. Haar zwart haar was op het hoofd opgestoken en werd door een
klein hoofddeksel van zilveren en gouden munten vastgehouden, die in de
oude tempels gevonden waren. Een schooner sieraad bezat geen Grieksch
meisje. Haar gezicht fonkelde, haar oogen waren als twee sterren.

Stil baden wij alle drie; daarop vroeg zij ons: «Wilt gij vrienden
zijn in leven en dood?»--«Ja!» antwoordden wij.--«Wilt ge u, wat er
ook moge gebeuren, dit herinneren: mijn broeder is een deel van mij;
mijn geheim, mijn geluk is het zijne; opoffering, volharding, alles
in mij behoort hem zoowel als mij?» En wij herhaalden ons «ja!»

Zij legde onze handen in elkaar, drukte ons een kus op het voorhoofd,
en wij baden weer zachtjes. Nu trad de priester uit de deur naast
het altaar, zegende ons alle drie, en een gezang van de andere
allerheiligste heeren klonk achter den muur van het altaar. Het
verbond van eeuwige vriendschap was gesloten. Toen wij opstonden,
zag ik mijn moeder weenende aan de deur der kerk staan.

Wat was het vroolijk in onze kleine hut en aan Delphi's bronnen! Den
avond, voordat Aphtanides zou vertrekken, zat hij peinzend evenals ik
tegen de helling der rots aan; zijn arm was om mijn middel geslagen,
de mijne om zijn hals; wij spraken over de ellende van Griekenland en
over de mannen, die het kon vertrouwen. Iedere gedachte onzer zielen
lag duidelijk voor ons beiden open; nu greep ik zijn hand.

«Één ding moet ge nog weten, één ding, dat tot hiertoe slechts ik en
God geweten hebben! Mijn geheele ziel is liefde! 't Is een liefde,
sterker dan die ik mijn moeder en u toedraag....»

«En wie hebt ge lief?» vroeg Aphtanides, en zijn gezicht en zijn hals
werden vuurrood.

«Ik heb Anastasia lief!» zei ik,--en zijn hand beefde in de mijne; hij
werd zoo wit als een doek; ik zag het, ik begreep het en ik merkte,
dat ook mijn hand beefde; ik boog mij naar hem voorover, drukte hem
een kus op het voorhoofd en fluisterde: «Ik heb het haar nooit gezegd,
zij heeft mij misschien niet lief!--Broeder! denk er aan, ik zag haar
dagelijks; zij is aan mijn zijde opgegroeid, één met mijn ziel!»

«En u zal zij toebehooren!» zeide hij. «Ik mag u niet bedriegen, en ik
wil dit ook niet. Ook ik heb haar lief!--Maar morgen vertrek ik. Over
een jaar zien wij elkaar weer; dan zijt ge getrouwd, niet waar?--Ik
bezit eenig goud, het behoort u toe, ge moet, ge zult het aannemen!»
Zwijgend wandelden wij over de rotsen; het was laat op den avond,
toen wij voor de hut van mijn moeder stonden.

Anastasia hield ons de lamp toe, toen wij binnentraden, mijn moeder
was er niet. Zij keek verwonderlijk weemoedig naar Aphtanides.

«Morgen gaat ge ons verlaten!» zeide zij. «Wat spijt mij dat!»

«Spijt het u?» zeide hij, en er scheen mij in deze woorden een smart
te liggen, even groot als de mijne. Ik kon niet spreken; maar hij
greep haar bij de hand en zeide: «Onze broeder daar heeft u lief;
hij is u dierbaar! Zijn zwijgen bewijst juist zijn liefde.»

Anastasia beefde en barstte in tranen uit; nu zag ik slechts haar,
dacht slechts aan haar, sloeg mijn arm om haar middel en zeide: «Ja,
ik heb u lief!» Zij drukte haar lippen op de mijne en sloeg haar armen
om mijn hals; maar de lamp was op den grond gevallen, het was donker
om ons heen, evenals in het hart van den armen Aphtanides.

Voor het aanbreken van den dag stond hij op, kuste ons allen tot
afscheid en ging heen. Aan mijn moeder had hij zijn geld voor ons
gegeven. Anastasia was mijn verloofde en na verloop van weinige dagen
mijn vrouw!



HET LUCIFERSMEISJE.


Het was snerpend koud, het sneeuwde en begon al donker te worden; het
was de laatste avond van het jaar. In deze koude en in deze duisternis
liep op straat een klein, arm meisje blootshoofds en barrevoets. Toen
zij het huis uitging, had zij wel is waar pantoffels aangehad; maar
wat hielp dat? Het waren heel groote pantoffels, die haar moeder tot
dusverre gedragen had, zoo groot waren zij. De kleine echter verloor
deze, toen zij over de straat heen snelde, omdat er twee rijtuigen
verschrikkelijk hard voorbijreden. De eene pantoffel was niet weer
te vinden, en de andere had een jongen opgeraapt en snelde er mee
weg. Daar liep nu het kleine meisje op bloote voeten, die rood en blauw
van de kou waren. In een oud schort droeg zij een heelen voorraad
lucifersdoosjes, en een daarvan hield zij in de hand. Niemand had
er den heelen dag een van haar gekocht, niemand had haar zelfs een
aalmoes gegeven.

Sidderend van koude en honger sloop de arme kleine voort als een
beeld van jammer en ellende!

De sneeuwvlokken bedekten haar lang blond haar, dat in prachtige
lokken op haar schouders neergolfde; maar daaraan dacht zij niet. Al de
ramen waren helder verlicht, en het rook heerlijk naar ganzengebraad;
want het was oudejaarsavond. Ja, daaraan dacht zij.

In een hoek, die gevormd werd door twee huizen, waarvan het eene
een weinig meer dan het andere vooruitsprong, zette zij zich op haar
hurken neer. Haar voetjes had zij naar zich toe getrokken; maar nu
werd zij nog kouder, en naar huis durfde zij niet; zij had immers
geen enkel doosje lucifers verkocht en bracht geen cent mee. Van
haar vader zou zij zeker slaag krijgen, en te huis was het ook koud;
boven zich hadden zij slechts het dak, waardoor de wind heenfloot,
al mochten de grootste reten ook met stroo en lompen dichtgestopt zijn.

Haar handjes waren bijna geheel van de kou verstijfd. Ach! een
enkel lucifertje zou haar wel goed doen, als zij er maar een uit
een doosje durfde nemen, dit tegen den muur afstrijken en zich de
vingers daaraan warmen. Zij haalde er een uit! O, wat glom, wat
brandde dit! Het was een warme, heldere vlam, als een lichtje, toen
zij er haar handen bovenhield; het was een wonderbaar lichtje! Het
scheen het kleine meisje werkelijk toe, alsof zij bij een groote,
ijzeren kachel zat. Wat brandde het vuur daarin, welk een heerlijke
warmte gaf het van zich! De kleine strekte haar voeten reeds uit,
om ook deze te warmen; maar--daar ging het lichtje uit, de kachel
verdween, zij hield slechts een klein stompje van het afgebrande
lucifertje in de hand.

Een tweede werd tegen den muur afgestreken; het gaf licht, en waar het
schijnsel op den muur viel, werd deze doorzichtig als een sluier; zij
kon in de kamer zien. Over de tafel lag een wit tafellaken uitgespreid;
daarop stond prachtig porseleinen vaatwerk, en heerlijk dampte de
gebraden gans, die met appelen en gedroogde pruimen opgevuld was. En
wat nog prachtiger om te zien was; de gans sprong van den schotel
naar beneden, waggelde over den vloer, met mes en vork in de borst,
en kwam naar het arme meisje toe. Daar ging het lucifertje uit, en
nu bleef slechts de dikke, vochtige, koude muur over. Zij stak nog
een lucifertje aan. Daar zat zij nu onder den heerlijken Kerstboom;
deze was nog grooter en prachtiger dan die, welken zij door de glazen
deur bij den rijken koopman gezien had. Duizenden lichten brandden
er op de groene takken, en bonte prenten, zooals die, welke er voor
de winkelramen te zien waren, zagen op haar neer. De kleine strekte
haar beide handjes er naar uit: daar ging het lucifertje uit. De
Kerstlichtjes stegen al hooger en hooger: zij zag ze nu als sterren
aan den hemel; een daarvan viel naar beneden en vormde een lange,
vurige streek.

«Nu sterft er iemand!» dacht het kleine meisje; want haar oude
grootmoeder, de eenige, die haar ooit had liefgehad, maar die nu dood
was, had haar verteld, dat er, als er een ster naar beneden valt,
een ziel tot God opstijgt.

Zij streek weer een lucifertje tegen den muur af, het werd weder
helder, en in den glans daarvan stond haar oude grootmoeder, helder
en glinsterend, vriendelijk en liefderijk.

«Grootmoeder!» riep de kleine uit. «Och, neem mij mee! Ik weet, dat
ge weer verdwijnt, als het lucifertje uitgaat; ge verdwijnt evenals
de warme kachel, evenals het heerlijke ganzengebraad en de groote,
prachtige Kerstboom!» En zij streek al de lucifers uit het doosje
af, want zij wilde haar grootmoeder zoo graag bij zich houden.--En
de lucifers schitterden met zulk een glans, dat het helderder werd
dan midden op den dag; haar grootmoeder was vroeger nooit zoo mooi,
zoo groot geweest; zij nam het kleine meisje op haar arm, en beiden
vlogen in glans en vreugde hoog boven de aarde, oneindig hoog; en
daar boven was noch koude, noch honger, noch angst, zij waren bij God!

Maar in den hoek, tegen den muur aangeleund, zat in den kouden
morgenstond het arme meisje met roode wangen en met een glimlach om
de lippen,--doodgevroren op den laatsten avond van het oude jaar. De
nieuwjaarszon ging over het kleine lijkje op. Verstijfd zat het kind
daar met de lucifers, waarvan een doosje geheel opgebrand was. «Zij
heeft zich willen warmen!» zei men. Niemand had er eenig vermoeden
van, wat al schoons zij gezien had, in welk een glans zij met haar
grootmoeder het nieuwe jaar ingetreden was.



DE SNEEUWMAN.


«Het is zoo vreeselijk koud, dat mijn lichaam er van kraakt!» zei
de sneeuwman. «Zulk een wind kan iemand wel leven inblazen. En wat
zet die gloeiende daar groote oogen op!»--Hij bedoelde de zon, die
juist op het punt stond om onder te gaan. «Mij zal zij niet aan het
knipoogen brengen, ik zal de stukjes wel vasthouden.»

Hij had namelijk in plaats van oogen twee groote, driehoekige stukjes
van een dakpan in het hoofd; zijn mond bestond uit een oude hark,
bijgevolg had hij ook tanden in den mond.

Geboren was hij te midden van het gejuich der jongens, begroet door
het geschel en het zweepgeknal der sleden.

De zon ging onder, de volle maan kwam op, rond, groot, helder en
schoon in de blauwe lucht.

«Daar komt zij weer van een anderen kant!» zei de sneeuwman. Daarmee
wilde hij zeggen: de zon vertoont zich weer. «Ik heb haar toch
het opzetten van groote oogen afgeleerd! Zij mag daar nu hangen en
schijnen, opdat ik mij zelven kan zien. Als ik maar wist, hoe men het
moet aanleggen, om van zijn plaats te komen!--Ik zou mij zoo graag
eens willen bewegen!--Als ik dit kon, dan zou ik nu daar ginds over
het ijs heenglijden, evenals ik de jongens zie glijden; maar ik heb
daar geen verstand van, ik weet niet, hoe men loopt.»

«Weg, weg!» blafte de oude kettinghond; hij was een beetje schor en
kon het echte «waf, waf!» niet meer uitbrengen; die schorheid had
hij gekregen, toen hij nog een kamerhond was en achter de kachel
lag. «De zon zal je wel leeren loopen! Dat heb ik verleden winter
aan je voorganger en nog vroeger aan diens voorgangers gezien. Weg,
weg! En weg zijn ze allemaal!»

«Ik begrijp je niet, kameraad!» zei de sneeuwman. «Moet _die_ daar
boven nog leeren loopen?» Hij bedoelde de maan. «Ja, loopen deed zij
vroeger wel, toen ik haar goed aankeek, nu komt zij van een anderen
kant aansluipen.»

«Je weet niets hoegenaamd!» antwoordde de kettinghond; «maar je komt
dan ook nog pas kijken. De persoon, dien je daar ziet, is de maan;
die zoo even wegging, was de zon; zij komt morgen terug, zij zal je
wel leeren, in de gracht naar beneden te loopen. Wij krijgen spoedig
ander weer; ik voel dat al in mijn linker achterpoot; die steekt
geweldig;--het weer zal wel veranderen!»

«Ik begrijp hem niet,» zei de sneeuwman; «maar ik heb er een voorgevoel
van, dat het iets onaangenaams is, wat hij zegt. Zij, die zulke groote
oogen opzette en zich toen wegmaakte, de zon, zooals hij haar noemt,
is mijn vriendin niet;--daar heb ik een voorgevoel van!»

«Weg, weg!» blafte de kettinghond, liep driemaal in de rondte en
kroop toen in zijn hok om te slapen.

Het weer veranderde werkelijk. Tegen den morgen hing er een dikke,
vochtige nevel over den geheelen omtrek; later kwam de ijskoude wind:
de vorst pakte iedereen duchtig beet; maar toen de zon opging, welk
een pracht! Boomen en struiken waren met rijm overdekt, zij geleken op
een bosch vol koralen, alle takken schenen van boven tot beneden met
schitterende witte bloemen bedekt te zijn. De vele en fijne takjes,
die de bladeren gedurende den zomertijd verbergen, kwamen nu allemaal
te voorschijn. Het was als een weefsel van kant, schitterend wit; uit
iederen tak stroomde een witte glans. De kerk bewoog zich in den wind;
deze had leven, evenals alle boomen in den zomer: het was verwonderlijk
schoon! En toen de zon scheen, o, hoe schitterde en fonkelde alles
toen, alsof er diamanten stof op lag en alsof de groote diamanten op
het sneeuwtapijt fonkelden, of men kon zich ook voorstellen, dat er
tallooze kleine lichtjes schitterden, witter zelfs dan de witte sneeuw.

«Dat is prachtig!» zei een meisje, dat met een jonkman in den tuin
kwam. Beiden bleven in de nabijheid van den sneeuwman staan en bekeken
van hier de glinsterende boomen. «Een schooner schouwspel levert de
zomer niet op!» sprak zij, en haar oogen fonkelden.

«En zulk een kerel als deze hier, heeft men in den zomer toch ook
niet,» antwoordde de jonkman en wees naar den sneeuwpop. «Hij staat
daar wat deftig!»

Het meisje lachte, knikte den sneeuwman toe en liep daarop met haar
vriend over de sneeuw, die onder hun voeten kraakte, alsof zij op
stijfsel liepen.

«Wie waren die twee?» vroeg de sneeuwman den kettinghond. «Jij bent
hier al langer dan ik: ken jij ze ook?»

«Of ik ze ken!» antwoordde de kettinghond. «Zij heeft mij gestreeld,
en hij heeft mij een been toegeworpen. Die twee bijt ik niet!»

«Maar wat zijn ze?» vroeg de sneeuwman.

«Een minnend paar!» gaf de kettinghond ten antwoord. «Zij zullen naar
één hok trekken en samen aan de beenen kluiven. Weg, weg!»

«Zijn die beiden dan ook zulke wezens als jij en ik?» vroeg de
sneeuwman.

«Zij behooren tot de heerschappen!» hernam de kettinghond; «maar men
weet zeer weinig, als men eerst den vorigen dag ter wereld gekomen
is. Dat kan ik aan jou wel merken! Ik ben oud en ook wijs; ik ken
allen hier in huis, en ook heb ik een tijd gekend, toen ik niet hier
in de koude aan den ketting vastlag. Weg, weg!»

«De koude is heerlijk!» sprak de sneeuwman. «Vertel, vertel! Maar
je moogt niet zoo'n leven met den ketting maken; het kraakt in mij,
als je dat doet!»

«Weg, weg!» blafte de kettinghond. «Een kleine jongen ben ik geweest,
klein en lief, zeiden ze; destijds lag ik op een stoel, die met
fluweel overtrokken was, daar ginder in het heerenhuis op den schoot
der opperste heerschap, ik werd op mijn snoet gekust, en mijn pooten
werden met een fijnen zakdoek afgeveegd, ik heette Ami! lieve, beste
Ami! Maar later werd ik hun daar boven te groot, en toen gaven ze mij
aan de huishoudster. Het was wel een geringere plaats dan boven, maar
het was er plezieriger; want ik werd niet zoo onophoudelijk door de
kinderen beetgepakt en geplaagd. Ik kreeg even goed eten als vroeger,
ja, nog beter. Ik had mijn eigen kussen, en een kachel was daar; die
is in dezen tijd van 't jaar het heerlijkste, wat er bestaat! Ik ging
onder de kachel liggen en kon mij daaronder geheel verschuilen. Ach,
van die kachel droom ik nog wel eens. Weg, weg!»

«Ziet een kachel er dan zoo mooi uit?» vroeg de sneeuwman. «Lijkt
zij wat op mij?»

«Die is juist het tegendeel van jou! Zij is zoo zwart als een raaf en
heeft een langen hals. Zij eet brandhout, zoodat het vuur haar uit
den mond komt. Men moet dicht bij haar blijven, geheel onder haar,
dat is heel aangenaam. Door het raam zal je haar wel kunnen zien.»

En de sneeuwman keek er naar en zag een glimmend voorwerp; het vuur
straalde hem daaruit tegen. Het werd den sneeuwman wonderlijk te moede,
er maakte zich een zeker gevoel van hem meester, hij wist zelf niet
welk, hij kon er zich geen rekenschap van geven; maar alle menschen,
als zij geen sneeuwmannen zijn, kennen het.

«Waarom heb je haar verlaten?» vroeg de sneeuwman. Hij gevoelde het,
dat het een vrouwelijk wezen moest zijn. «Hoe heb je zulk een plaats
kunnen verlaten?»

«Ik moest wel!» zei de kettinghond. «Men gooide mij de deur uit en
legde mij hier aan den ketting vast. Ik had den jongsten jonker in
zijn been gebeten, omdat hij het been wegnam, waaraan ik kloof, been
om been, zoo denk ik er over! Dat nam men mij echter heel kwalijk,
en van dien tijd af ben ik aan den ketting vastgelegd en heb mijn
stem verloren. Hoor je niet, dat ik schor ben? Weg, weg! Ik kan niet
meer zoo praten, als de andere honden. Weg, weg!» Dat was het einde
van het lied!

De sneeuwman luisterde echter niet meer naar hem; hij keek steeds maar
naar de woning van de huishoudster, in haar kamer, waar de kachel op
haar vier ijzeren pooten stond en zich in dezelfde grootte vertoonde
als de sneeuwman.

«Wat kraakt het zonderling in mij!» zeide hij. «Zal ik daar dan nooit
binnen komen? Het is immers een onschuldige wensch, en die zal zeker
vervuld worden. Ik moet er in, ik moet tegen haar aanleunen, al moest
ik het raam ook indrukken!»

«Daar binnen zal je nooit komen,» zei de kettinghond, «en als je
tegen de kachel aankomt, dan verga je. Weg, weg!»

«Ik ben al zoo goed als weg!» antwoordde de sneeuwman. «Ik zak ineen,
geloof ik.»

Den geheelen dag keek de sneeuwman door het raam naar binnen omstreeks
het schemeruur begon het er in de kamer nog uitlokkender uit te zien;
de kachel verspreidde een heerlijken gloed om zich heen, niet als de
maan, niet als de zon; neen, zooals slechts een kachel kan gloeien,
wanneer zij iets te eten heeft. Als de deur der kamer openging, sloeg
de vlam haar uit den mond,--deze gewoonte had de kachel aangenomen:
de roode vlam speelde vlak op het gezicht van den sneeuwman.

«Ik kan het niet meer uithouden!» zeide hij. «Wat staat het haar mooi,
als zij de tong zoo uitsteekt!»

De nacht was lang; maar den sneeuwman duurde hij niet lang, hij stond
daar in zijn eigene, liefelijke gedachten verdiept, en die vroren,
dat het kraakte.

Den volgenden morgen waren de vensterruiten van het benedenhuis met
ijs bedekt; zij droegen de schoonste ijsbloemen, die een sneeuwman
maar kon verlangen, doch zij onttrokken de kachel aan zijn blik. De
ruiten wilden niet dooien; hij kon de kachel niet zien, die hij
zich als een bekoorlijk vrouwelijk wezen voorstelde. Het kraakte
en knapte in hem en om hem heen; het was juist zulk een vriesweer,
als waarin een sneeuwman wel plezier moest hebben. Maar hij had er
geen plezier in--hoe zou hij zich ook gelukkig kunnen gevoelen? Hij
had immers kachel-heimwee.

«Dat is een ongelukkige ziekte voor een sneeuwman,» zei de
kettinghond. «Ik heb ook aan die ziekte geleden; maar ik ben er
doorheen geworsteld. Weg, weg!» blafte hij. «We zullen ander weer
krijgen!» voegde hij er bij.

Het weer veranderde ook; het begon te dooien.

De dooi nam toe; de sneeuwman nam af. Hij zeide niets, hij klaagde
niet.

Op zekeren morgen zakte hij ineen. En zie! daar verhief zich iets,
dat veel van een bezemstok weghad, ter plaatse, waar hij gestaan had;
om dezen stok heen hadden de jongens hem opgebouwd.

«Ja, nu begrijp ik het, nu begrijp ik het, waarom hij daarnaar juist
heimwee had!» zei de kettinghond. «Er zit immers een ijzer om de
kachel schoon te maken, aan den stok vast,--de sneeuwman heeft die
in zijn lijf gehad! Dat is het, wat zich in hem bewogen heeft; nu is
dat voorbij. Weg, weg!»

En al spoedig daarop was ook de winter voorbij.

«Weg, weg!» blafte de schorre kettinghond; maar de meisjes uit het
huis zongen:


    «Groen van het bosch! kom de knoppen toch uit!
    Weiland! trek ras uwe handschoenen uit!
    Leeuwrik en koekoek! zingt vroolijk uw lied!
    Lente! kom gauw! Och, wacht langer toch niet!
    'k Zing met den kwartel, zoo zuiver van slag:
    Zonnetjelief! kom toch gauw voor den dag!»


En dan denkt niemand aan den sneeuwman.



DE VOGEL PHOENIX.


In den tuin van het Paradijs, onder den boom der kennis, bloeide
een rozestruik. Hier, in de eerste roos, werd een vogel geboren:
zijn vleugels waren als de stralen des lichts, zijn kleur prachtig
en betooverend zijn gezang!

Maar toen Eva van de vrucht van den boom at en zij en Adam uit het
Paradijs verdreven werden, toen viel er van het vlammende zwaard van
den straffenden cherub een vonk in het nest van den vogel, zoodat
het vuur vatte. De vogel kwam in de vlammen om, maar uit het roode ei
steeg er een nieuwe, de eenige, de altijd eenige vogel Phoenix op. De
sage meldt, dat hij in Arabië zijn nest heeft, waar hij zich zelf om
de honderd jaren aan den dood in de vlammen opoffert; maar dan stijgt
er een nieuwe Phoenix, de eenige van de wereld, uit het roode ei op.

Ook om ons heen fladdert deze vogel, snel als het licht, heerlijk van
kleur en betooverend in zijn gezang. Wanneer de moeder bij de wieg van
haar kind zit, rust hij op het hoofdkussen en slaat met zijn vlerken
een stralenkrans om het hoofd van het kind. Hij vliegt door de zalen
der weelde en verspreidt daar zonneglans; hij gaat ook de nederige
stulp niet voorbij en vervult deze met den geur van viooltjes.

Maar de vogel Phoenix is niet alleen Arabië's vogel; hij fladdert in de
schemering van het noorderlicht over Laplands ijsvelden, hij huppelt
tusschen de gele bloemen in Groenlands korten zomer. Onder Faluns
koperbergen, in Engelands steenkolenmijnen zweeft hij als een stoffige
mug, boven het gezangboek, dat in de handen van den vromen arbeider
rust. Op het lotusblad glijdt hij de heilige wateren van den Ganges
af, en het oog van het Hindoe meisje fonkelt, wanneer zij hem ziet.

Kent ge dien vogel Phoenix niet,--dien vogel van het Paradijs,
den heiligen zwaan des gezangs? Op de Thespiskar zat hij als een
snappende raaf en sloeg met zijn zwarte vleugels; over IJslands
klinkende harp streek hij met den rooden snavel van den zwaan; op
Shakespeare's schouder zat hij als Odins raaf en fluisterde hem in
het oor: onsterfelijkheid! Hij fladderde door de ridderzaal van den
Wartburg bij den zangersstrijd.

Kent ge dien vogel Phoenix niet? Hij zong voor u de Marseillaise,
en ge kustet de veder, die aan zijn vleugels ontviel; hij kwam in
den glans van het Paradijs, en ge wenddet u misschien af en keerdet
u tot de musch, die daar zat met goudschuim op de vleugels.

Vogel Phoenix! Ge wordt om de eeuw verjongd, geboren in vlammen,
gestorven in vlammen. Uw beeltenis, in goud gezet, hangt in de zalen
der rijken; zelf vliegt ge vaak dolend en eenzaam rond--slechts als
een sage: «De vogel Phoenix in Arabië.»

In het Paradijs, toen ge onder den boom der kennis in de eerste roos
geboren werdt, kuste de Heer u en gaf u uw waren naam: _Poëzie_!



DE ROZENELF.


Midden in een tuin groeide een rozeboom. Deze zat vol prachtige rozen;
en in een daarvan, de mooiste van alle, woonde een elf. Deze was zoo
geducht klein, dat geen menschelijk oog hem kon zien. Achter ieder blad
in de roos had hij een slaapkamer. Hij was zoo welgevormd en schoon,
als een kind maar zijn kon, en hij had vleugels van de schouders tot
aan de voeten. O, welk een geur was er in zijn kamers, en hoe helder
en mooi waren de muren! Dit waren immers de lichtroode rozebladeren.

Den heelen dag verheugde hij zich in den warmen zonneschijn, vloog van
de eene bloem op de andere, danste op de vleugelen van de vliegende
kapel en mat, hoeveel stappen hij te doen had, om langs alle wegen
en paden te loopen, die er op een enkel lindeblad zijn. Wat wij de
aderen in het blad noemen, hield hij voor wegen en paden. Ja, dat
waren onafzienbare wegen voor hem! Voordat hij daarmee klaar kwam,
ging de zon onder; hij was er ook te laat meebegonnen!

Het werd koud, de dauw viel en de wind blies; nu was het beste, wat
hij doen kon, naar huis toe te gaan. Hij haastte zich, zooveel hij kon;
maar de roos had zich gesloten, en hij kon er dus niet inkomen;--geen
enkele roos stond er open. De arme, kleine elf schrikte daarvan
geducht. Hij was 's nachts nog nooit in de open lucht geweest, maar
had altijd zacht en veilig achter de warme rozebladeren geslapen. O,
dat zal zeker zijn dood wezen!

Aan het andere einde van den tuin bevond zich, zooals hij wist,
een priëel van geurige kamperfoelie; de bloemen daarvan zagen er als
groote beschilderde horens uit; in een daarvan wilde hij afklimmen
en tot den volgenden morgen slapen.

Hij vloog daarheen. Maar wat zag hij daar? Er zaten twee menschen in
het prieel: een jong, knap man en een beeldschoon meisje. Zij zaten
naast elkander en wenschten, dat zij nimmer van elkaar behoefden
te scheiden. Zij hielden zoo veel van elkaar, veel meer nog dan het
beste kind van zijn vader en moeder kan houden.

«Toch moeten wij van elkaar scheiden!» zei de jonkman. «Je broer mag
ons niet lijden, daarom zendt hij mij met een boodschap ver over bergen
en zeeën heen. Vaarwel, mijn lieve bruid! Want dat ben je immers!»

Daarop kusten zij elkander, en het meisje weende en gaf hem een
roos. Maar voordat zij hem deze overreikte, drukte zij er zulk
een vasten en innigen kus op, dat de bloem openging. Nu vloog de
kleine elf daarin en leunde met zijn hoofd tegen de fijne, geurige
muren; hier kon hij goed hooren, dat zij elkaar een laatst vaarwel
toeriepen. Hij gevoelde, dat de roos haar plaats op de borst van den
jonkman kreeg.--O, wat klopte toch het hart daarbinnen! De kleine
elf kon niet in slaap komen, zoo klopte het.

Maar niet lang bleef de roos ongestoord op de borst zitten. De jonkman
nam haar er af, en terwijl hij eenzaam in het donkere bosch liep,
kuste hij de bloem, o, zoo dikwijls en zoo hartstochtelijk, dat de
kleine elf bijna doodgedrukt werd. Hij kon door het blad heen voelen,
hoe de lippen van den man brandden, en de roos zelf had zich, als
bij de sterkste middagzon, geopend.

Daar kwam een ander man aan, die er norsch en boosaardig uitzag;
het was de slechte broeder van het lieve meisje. Deze haalde een
scherp mes te voorschijn, en terwijl de jonkman de roos kuste, stak
de slechte man hem dood, sneed hem het hoofd af en begroef dit met
het lichaam in de zachte aarde onder den lindeboom.

«Nu is hij vergeten en weg!» dacht de slechte broeder; «hij komt nooit
meer terug. Een verre reis zou hij doen, over bergen en zeeën; daarbij
kan men licht het leven verliezen, en dat heeft hij verloren. Hij
komt niet meer terug, en mij zal mijn zuster wel niet naar hem vragen.»

Daarop schoof hij met zijn voet dorre bladeren over de losse aarde
heen en keerde in den donkere nacht naar huis terug.

Maar hij ging niet alleen, zooals hij dacht: de kleine elf vergezelde
hem. Deze zat in een verdord, ineengerold lindeblad, dat den boozen
man, toen hij zijn slachtoffer begroef, in het haar gevallen was. De
hoed was nu daar overheen gezet, het was daarin stikdonker; en de
elf sidderde van schrik en toorn over de slechte daad.

In den morgenstond kwam de booze man te huis; hij zette zijn hoed af
en trad de slaapkamer van zijn zuster binnen. Daar lag het schoone,
bloeiende meisje en droomde van hem, dien zij zoo hartelijk liefhad en
van wien zij nu dacht, dat hij over bergen en door bosschen ging. En
haar booze broeder boog zich over haar heen en lachte hatelijk, zooals
slechts een duivel kan lachen. Daar viel het dorre blad uit zijn haar
op de dekens neer; maar hij merkte dit niet en ging de kamer uit, om in
den morgenstond zelf een weinig te slapen. Maar de elf sloop uit het
verdorde blad, zette zich in het oor van het slapende meisje neer en
vertelde haar, als in een droom, den verschrikkelijken moord, beschreef
haar de plaats, waar haar broeder haar minnaar vermoord en diens lijk
onder den grond gestopt had, vertelde van den bloeienden lindeboom,
die daar dicht bij stond, en zei: «Opdat ge niet zoudt denken, dat
het maar een droom is, wat ik u verteld heb, zult ge op uw bed een
verdord blad vinden!» En dat vond zij ook, toen zij wakker werd.

O, welke bittere tranen stortte zij! Het raam stond den heelen
dag open, de kleine elf kon gemakkelijk bij de rozen en al de
overige bloemen in den tuin komen. Maar hij kon het niet van zich
verkrijgen, de bedroefde te verlaten. Voor het raam stond een boompje
met maandrozen; in een der bloemen zette hij zich neer en sloeg een
blik op het ongelukkige meisje. Haar broeder kwam dikwijls in de kamer
en scheen, ondanks zijn booze daad, altijd vroolijk; maar zij durfde
geen enkel woord over haar harteleed te zeggen.

Zoodra het donker werd, sloop zij het huis uit, ging in het bosch
naar de plaats, waar de lindeboom stond, nam de bladeren van den
grond, groef dezen op en vond hem, die vermoord was, terstond. O,
wat weende zij en hoe bad zij den goeden God, dat zij nu ook spoedig
mocht sterven!

Gaarne zou zij het lijk met zich meegenomen hebben, maar dat kon zij
niet. Nu nam zij het bleeke hoofd met de gesloten oogen, kuste den
kouden mond en schudde de aarde uit zijn haar. «Dat zal ik behouden!»
zeide zij. En toen zij aarde en bladeren op het lijk neergelegd had,
nam zij het hoofd en een takje van de jasmijn, die in het bosch
bloeide, waar hij begraven was, met zich mee naar huis.

Zoodra zij haar kamer binnentrad, nam zij den grootsten bloempot,
die er te vinden was; daarin deed zij het doode hoofd, wierp er aarde
overheen en plantte het jasmijntakje toen in den pot.

«Vaarwel! Vaarwel!» fluisterde de kleine elf; hij kon het niet langer
verdragen, al deze smart te zien, en vloog daarom naar zijn roos
in den tuin toe. Maar deze was uitgebloeid; er hingen nog slechts
verdorde bladeren aan den groenen steel.

«Ach, hoe spoedig is het toch met het schoone en goede voorbij!»
zei de elf met een zucht. Eindelijk vond hij weer een roos; deze werd
zijn huis; achter haar fijne en geurige bladeren kon hij wonen.

Alle morgens vloog hij naar het raam van het ongelukkige meisje; zij
stond altijd bij den bloempot en weende. De zilte tranen vielen op het
jasmijntakje neer, en terwijl zij met den dag al bleeker en bleeker
werd, stond het takje daar gedurig frisscher en groener; de eene scheut
sproot na den anderen uit; kleine, witte knoppen bloeiden er, en deze
kuste zij. Maar de booze broeder berispte zijn zuster en vroeg haar,
of zij gek geworden was. Hij kon het niet dulden en niet begrijpen,
waarom zij altijd over den bloempot weende. Hij wist immers niet,
welke oogen daarin gesloten en welke roode lippen daarin tot stof
geworden waren. En zij boog haar hoofd over den bloempot heen, en de
kleine elf van de roos vond haar daar slapende. Nu zette hij zich in
haar oor neer, vertelde haar van dien avond in het prieel, van den
geur der roos en van de liefde der elfen. Zij droomde overheerlijk,
en terwijl zij droomde, ontvlood haar het leven; zij was zacht en
kalm ontslapen; zij was bij hem, dien zij liefhad, in den hemel.

En de jasmijn opende haar groote, witte klokjes; zij gaven een
bijzonder heerlijken geur van zich; anders konden zij niet over de
dooden weenen.

Maar de booze broeder bekeek het prachtig bloeiende boompje, nam het
als een erfgoed met zich mee en zette het in zijn slaapkamer dicht
bij zijn bed neer; want het was prachtig om aan te zien, en de geur
was overheerlijk. De kleine rozenelf ging mee, vloog van bloem tot
bloem,--en in elke daarvan woonde immers een kleine ziel,--en deze
vertelde hij van den vermoorden jonkman, wiens hoofd nu aarde onder
de aarde was, vertelde van den boozen broeder en van de ongelukkige
zuster.

«Wij weten het!» zei iedere ziel in de bloemen, «wij weten het! Zijn
wij niet uit de oogen en de lippen van den verslagene voortgekomen? Wij
weten het! Wij weten het!» En daarop knikten zij heel zonderling met
het hoofd.

De rozenelf kon het niet begrijpen, hoe zij zoo kalm konden zijn, en
vloog het raam uit naar de bijen, die honing verzamelden, en vertelde
haar de geschiedenis van den boozen broeder. De bijen zeiden het tegen
haar koningin, en deze beval, dat zij den moordenaar den volgenden
morgen met haar allen moesten ombrengen.

Maar in den nacht, die daaraan voorafging,--het was de eerste nacht,
die op den dood der zuster volgde,--toen de broeder in zijn bed
dicht naast de geurige jasmijn sliep, ging iedere bloemkelk open,
en onzichtbaar, maar met giftige angels, kwamen de bloemenzielen te
voorschijn en zetten zich in zijn oor neer en vertelden hem akelige
droomen, en vlogen over zijn lippen en staken zijn tong met giftige
angels. «Nu hebben wij de dooden gewroken!» zeiden zij en vlogen naar
de witte klokjes van de jasmijn terug.

Toen het morgen was en het raam der slaapkamer opengezet werd, vloog de
rozenelf met de bijenkoningin en den geheelen bijenzwerm naar binnen,
om hem te dooden.

Maar hij was al dood; er stonden menschen om het bed heen en zeiden:
«De geur van de jasmijn heeft hem gedood!»

Nu begreep de rozenelf de wraak der bloemen en vertelde het aan
de koningin der bijen: deze gonsde met haar geheelen zwerm om den
bloempot heen. De bijen waren niet te verjagen. Nu nam een man den
bloempot weg, en een der bijen stak hem in zijne hand, zoodat hij
den bloempot liet vallen: deze brak.

Daar zagen zij een bleeken schedel, en nu wisten zij, dat de doode
in het bed een moordenaar was.

De bijenkoningin gonsde in de lucht, zong van de wraak der bloemen
en van den rozenelf, en dat er achter het kleinste blad Een woont,
die het booze kan vertellen en wreken!



IETS.


«Ik wil iets zijn!» zei de oudste van vijf broeders. «Ik wil nut in
de wereld stichten; al moge het ook nog zulk een nederige betrekking
zijn, als datgene, wat ik doe, maar wat goeds is, dan is het inderdaad
iets. Ik wil baksteenen maken; die kan men niet missen; en dan heb
ik werkelijk iets gedaan!»

«Maar iets, dat veel te weinig beteekent!» sprak de tweede
broeder. «Datgene, wat je wilt doen, is zoo goed als niets: dat
is werktuigelijke arbeid en kan even goed door een machine verricht
worden. Neen, dan zou ik liever metselaar zijn, dat is ten minste iets,
dat wil ik worden; dat is een stand in de maatschappij. Daardoor
wordt men een gildebroeder, een burger, daardoor krijgt men zijn
eigen vaandel, zijn eigen herberg, ja, als alles naar wensch gaat,
zal ik knechts kunnen houden, word ik baas, en zal mijn vrouw juffrouw
genoemd worden; dat is toch iets!»

«Dat is toch eigenlijk niets!» zei de derde; «dan behoort men
toch niet tot den deftigen stand, en er zijn velen in een stad,
die allen ver boven een metselaarsbaas staan. Men kan wel een braaf
man zijn; doch men behoort als «baas» toch maar tot diegenen, die
men den «gemeenen» man noemt. Neen, dan weet ik wat beters! Ik wil
architect worden, mij op het gebied der kunst begeven en tot de
hooger geplaatsten in het rijk des geestes behooren. Wel is waar
moet ik van meet af aan beginnen, ja, om het maar ronduit te zeggen,
moet ik als krullejongen beginnen, moet ik met een pet rondloopen,
ofschoon ik er aan gewoon ben, een zijden hoed te dragen, moet ik voor
de knechts jenever en bier halen, en dezen zullen jij en jou tegen
mij zeggen, en dat is beleedigend; doch ik zal mij maar verbeelden,
dat dit alles slechts voor de grap is! Morgen--dat wil zeggen, als
ik knecht ben, dan ga ik mijn eigen weg, de anderen gaan mij niets
aan! Ik ga op de teekenacademie, krijg onderwijs in het teekenen,
heet architect!--Dat is iets, dat is veel!--Ik kan Weledele Heer, ja
Weledelgeboren Heer worden, ja zelfs nog een deftiger titel krijgen,
en ik bouw en bouw, evenals de anderen vóór mij gebouwd hebben. Dat
is altijd iets, waarop men kan bouwen. Het geheel is iets!»

«Maar ik vind dat iets eigenlijk niets!» sprak de vierde; «ik wil
niet in het zog van anderen varen, geen kopie zijn; ik wil een genie
zijn, ik wil meer beteekenen dan jelui allemaal met elkaar. Ik ben de
schepper van een nieuwen bouwstijl, ik geef het idee voor een gebouw
aan de hand, passend voor het klimaat en de materialen van het land,
voor de nationaliteit van het volk, voor de ontwikkeling der eeuw,
en geef bovendien nog een verdieping toe voor mijn genie!»

«Maar als nu het klimaat en de materialen niet deugen?» zei de
vijfde. «Dat zou een onaangename omstandigheid zijn, want zij oefenen
hun invloed uit. De nationaliteit kan zich ook zoodanig uitbreiden,
dat zij onnatuurlijk en gemaakt wordt; de ontwikkeling der eeuw kan
met je op hol gaan, evenals de jeugd dikwijls op hol gaat. Ik zie
het al aankomen, dat geen van jelui iets zal worden ofschoon je
hetzelf ook denkt! Maar doet, wat je wilt, ik zal je niet gelijk
zijn; ik stel mij buiten de zaken, ik wil over datgene redeneeren,
wat jelui uitvoert. Aan ieder ding kleeft iets, wat niet juist is,
iets verkeerds, dat zal ik opsporen en bespreken; dat is iets!»

Dat deed hij dan ook, en de menschen zeiden van den vijfde: «In hem zit
bepaald iets! Het is een schrandere kop! Maar hij. doet niets!»--Doch
juist daarom was hij iets!

Zie, dat is maar een kleine geschiedenis, en toch heeft zij geen einde,
zoolang de wereld bestaat.

Maar werd er dan verder niets van de vijf broeders?--Dat was immers
niets en niet iets!

Laat ons verder hooren!

De oudste broeder, die baksteenen vervaardigde, merkte al spoedig,
dat er van iederen steen, als deze gereed was, een kleine munt,
al was het er ook maar een van koper, afviel; maar vele koperen
penningen, bij elkaar gelegd, maken een daalder, en waar men met zulk
een muntstuk aanklopt, hetzij bij den bakker, of bij den slager, of
bij den kleermaker, ja, bij allen, daar vliegt de deur open, en men
krijgt, wat men moet hebben; zie, dat werpen de steenen af;--enkele
verbrokkelden wel is waar of sprongen in tweeën, maar zulke kon men
ook wel gebruiken.

Op den hoogen aarden wal, den beschermenden dijk aan de zeekust,
wilde een arme vrouw, Margaretha genaamd, een huisje bouwen; zij
kreeg al de verbrokkelde steenen en daarbij nog eenige heele, want de
oudste broeder bezat een goed hart, al bracht hij het ook niet verder,
dan dat hij baksteenen vervaardigde.

De arme vrouw bouwde haar huisje zelf; het was wel is waar klein
en bekrompen, het eene raam zat scheef, de deur was te laag en het
stroodak had beter gelegd kunnen worden; maar beschutting verleende het
toch, en ver over de zee, die met geweld tegen den muur aanklotste,
kon men van uit het huisje zien; de zilte golven deden haar schuim
over het geheele huis spatten, dat er nog stond, toen hij, die de
steenen daarvoor vervaardigd had, al lang dood en begraven was.

De tweede broeder, die had nu meer verstand van het metselen; hij had
dit dan ook geleerd. Toen zijn proefjaren als gezel ten einde waren,
deed hij zijn ransel om en hief het lied van den handwerksman aan:


    «Daar ik jong ben, ga 'k op reis,
    Buiten wil ik huizen bouwen,
    Gaan van plaats tot plaats in 't rond;
    Jonkheid geeft ons zelfvertrouwen.
    Keer ik weer in 't vaderland,
    't Meisje wacht mij, dat ik min.
    'k Word gauw baas! Met vromen zin
    Roep ik: Leev' de werkmansstand!»


En baas werd hij dan ook. Toen hij teruggekomen en baas geworden was,
metselde hij in de stad het eene huis na het andere, een heele straat,
en toen de straat voltooid was, er goed uitzag en de stad tot sieraad
strekte, bouwden de huisjes hem weer een huis, dat zijn eigendom zou
zijn. Maar hoe kunnen de huizen bouwen? Vraag het hun, en zij zullen
u het antwoord schuldig blijven; maar de menschen zullen het woord
opvatten en zeggen: «Zeker heeft de straat hem een huis gebouwd!»
Klein was het, en de vloer was met leem belegd, maar toen hij met
zijn bruid over den leemen vloer danste, werd deze blank en glad,
en uit iederen steen in den muur schoot een bloem te voorschijn en
versierde de kamer als met het kostbaarste tapijt. Het was een lief
huis en een gelukkig echtpaar. Het vaandel van het gild wapperde uit
het huis, en gezellen en leerjongens riepen: «Hoera!» Ja, dat was
iets! En toen stierf hij: dat was ook iets!

Nu kwam de architect, de derde broeder, die eerst krullejongen geweest
was, met een pet geloopen had en boodschappen had gedaan, maar die
op de academie geweest en eindelijk tot bouwmeester opgeklommen was,
en nu een «Weledelgeboren Heer» genoemd werd.

Hadden de huizen der straat voor zijn broeder, die metselaarsbaas was,
een huis gebouwd, naar hem werd de straat genoemd, en het mooiste huis
uit de straat werd zijn eigendom; dat was iets, en hij was iets--en
dat met een langen titel van voren en van achteren. Zijn kinderen
noemde men «jongeheeren en jongejuffrouwen,» en toen hij stierf,
was zijn weduwe een «douairière,»--dat is iets! En zijn naam bleef
voor immer op den hoek van de straat geschreven staan en leefde in
aller mond voort als de naam van een straat,--ja, dat is iets!

Daarop kwam het genie, de vierde broeder, die iets nieuws, iets
buitengewoons, en nog een verdieping daarenboven wilde uitvinden;
maar deze viel naar beneden en brak zijn nek;--maar hij kreeg een mooie
begrafenis met gildevaandels en muziek, bloemen in de courant en op de
straat over de steenen heen, en men hield voor hem drie lijkredenen,
de een al langer dan de andere, en dat zal hem heel veel plezier
gedaan hebben; want hij had graag, dat er over hem gesproken werd;
ook werd er een monument op zijn graf opgericht, wel is waar slechts
één verdieping hoog, maar dat is toch altijd iets!

Hij was nu gestorven, evenals dit met zijn drie andere broeders het
geval was; maar de laatste, die redeneerde, overleefde ze allemaal,
en dat was juist, zooals het wezen moest; want daardoor kreeg hij
immers het laatste woord, en het was voor hem van zeer veel gewicht,
het laatste woord te hebben. «Hij was toch een schrandere kop!»
zeiden de menschen.--Maar eindelijk sloeg ook zijn ure; hij stierf
en kwam voor de poort des hemels. Daar traden altijd twee te gelijk
binnen; hij stond daar met een andere ziel, die er ook graag in wilde,
en dit was juist de oude vrouw Margaretha uit het huis op den dijk.

«Dat gebeurt zeker om het contrast, dat ik en deze ellendige ziel hier
tegelijkertijd moeten aankomen!» zei de liefhebber van redeneeren. «Wel
zoo! Wie ben je; vrouwtje? Wil je er ook in?» vroeg hij.

De oude vrouw maakte een buiging, zoo goed als zij dit kon; zij dacht,
dat het Petrus zelf was, die tegen haar sprak. «Ik ben een oude arme
vrouw zonder eenige familie, ik ben de oude Margaretha uit het huis
op den dijk.»

«Welnu, wat hebt ge op de wereld uitgevoerd?»

«Ik heb waarlijk niets op de wereld uitgevoerd, niets, waarom de poort
hier voor mij zou kunnen ontsloten worden. Het zal een waarachtige
genade zijn, als men mij vergunt, dat ik door de poort binnentreed!»

«Op welke wijze hebt ge de wereld verlaten?» vroeg hij verder, om toch
ergens over te spreken, daar het hem verveelde, daar te staan wachten.

«Ja, hoe ik haar verlaten heb, dat weet ik niet! Gedurende het laatste
jaar ben ik ziek en ellendig geweest, en ik heb het zeker niet kunnen
verdragen, uit het bed te komen en in vorst en koude zoo plotseling
de deur uit te gaan. Het is een strenge winter, maar nu heb ik het
immers doorgestaan. Het was eenige dagen stil weer, maar erg koud,
zooals ge zelf wel weet; het ijs lag zoover in de zee, als men zien
kon; al de menschen uit de stad wandelden over het ijs; daar was,
zooals zij zeiden, schaatsenrijden en dans, geloof ik; groote muziek
en traktatie was daar ook; de muziek drong tot het armoedige kamertje,
waarin ik lag, door. En toen was het zoo tegen den avond; de maan was
prachtig opgekomen, maar nog niet in haar vollen glans; ik keek uit
mijn bed over de ruime zee heen, en daar buiten, aan den rand van
de lucht en de zee, kwam een zonderlinge witte wolk te voorschijn;
ik lag en zag de witte wolk aan, ik zag ook het zwarte puntje in het
midden van de wolk, dat al grooter en grooter werd; en nu wist ik,
wat dat te beteekenen had; ik ben ervaren, ofschoon men dat teeken niet
dikwijls ziet. Ik kende het, en een huivering voer mij door de leden.

«Ik heb iets dergelijks al tweemaal van mijn leven gezien, ik
wist, dat er een verschrikkelijke storm met een springvloed uit
zou voortkomen, die de arme menschen daarbuiten, die nu dronken,
rondsprongen en juichten, zou overvallen; jong en oud, de geheele
stad was immers buiten; wie zou ze waarschuwen, als niemand daar
dit zag en de beteekenis er van wist, hetgeen met mij wel het geval
was? Ik kwam mijn bed uit en ging naar het raam; verder kon ik mij
van vermoeidheid niet sleepen.

«Toch gelukte het mij eindelijk, het raam open te schuiven, ik zag
de menschen buiten op het ijs loopen en springen; ik zag ook de mooie
vlaggen, die in den wind wapperden; ik hoorde de jongens hoera! roepen,
knechts en meiden zingen; het ging vroolijk toe; maar--die witte wolk
met dat zwarte stipje!

«Ik riep zoo hard, als ik maar kon; doch niemand hoorde mij; ik was te
ver van de menschen vandaan. Spoedig moest de storm losbarsten en het
ijs breken, en dan zouden allen, die er op waren, reddeloos verloren
zijn. Zij konden mij niet hooren, ik kon hun geen wenk geven; o, kon
ik ze maar op het land brengen! Nu gaf de goede God mij de gedachte
in, mijn bed in brand te steken en liever mijn heele huisje te laten
verbranden, dan dat zoo velen jammerlijk zouden omkomen.

«Het gelukte mij, voor hen een licht te ontsteken; de roode vlam steeg
hoog op,--ja, ik ontkwam gelukkig uit de deur; maar voor deze bleef ik
liggen; ik kon niet verder; de vlam kwam naar mij toe; flikkerde uit
de ramen, sloeg hoog boven het dak uit; al de menschen buiten op het
ijs zagen haar, en allen liepen zoo hard als zij konden, om een arme
ter hulp te snellen, die, zooals zij dachten, gevaar liep om levend te
verbranden; niet een was er, die niet holde; ik hoorde ze komen, maar
ik hoorde ook, hoe het eensklaps in de lucht bruiste, ik hoorde het
dreunen als zware kanonschoten; de springvloed hief den ijsvloer op,
die in duizend stukken barstte; maar de menschen bereikten den dijk,
waar de vonken over mij heenvlogen; ik redde ze allen!--Doch ik heb
de koude niet kunnen verdragen en ook niet den schrik, en zoo ben ik
hier aan de poort des hemels gekomen; men zegt immers, dat er ook voor
zulk een arm mensch als ik ben opengedaan wordt, en nu heb ik immers
geen huis beneden op den dijk,--doch dat geeft mij zeker geen toegang!»

Daar ging de poort des hemels open, en de engel bracht de oude
vrouw binnen, zij verloor een strootje, een van die strootjes,
welke er in haar bed gezeten hadden, toen zij dit in brand stak,
om velen te redden, en dat had zich in het zuiverste goud veranderd
en wel in zulk goud, dat aldoor toenam en de schoonste bloemen en
bladeren voortbracht.

«Zie eens! Dat heeft die arme vrouw gebracht!» zei de engel. «Wat
brengt gij? Ja, ik weet het wel, dat ge niets uitgevoerd hebt: niet
eens een baksteen hebt ge gemaakt; als ge maar weer kondt teruggaan
en het althans zoo ver brengen; waarschijnlijk zou de steen, als ge
dien gemaakt hadt, niet veel waard zijn; maar als hij met een goeden
wil gemaakt was, dan zou het toch altijd iets zijn; maar ge kunt niet
terug, en ik kan niets voor u doen!»

Nu deed de arme ziel, het moedertje uit het huis op den dijk, een
goed woord voor hem: «Zijn broeder heeft mij de steenen gegeven,
waarvan ik mijn armzalig huis gebouwd heb, en dat was zeer veel voor
mij, arme! Zouden nu niet al die halve en heele steenen als één steen
voor hem kunnen gelden? Het is een daad van genade! Hij heeft daaraan
nu behoefte, en hier is immers de bron van genade!»

«Uw broeder, diegene, dien gij den geringste noemdet,» zei de engel,
«diegene, wiens eerlijk werk u het nederigst toescheen, schenkt u zijn
hemelsche gave. Ge zult niet teruggewezen worden; het zal u vergund
zijn, hier buiten te staan en na te denken, maar er in komt ge niet,
voordat ge inderdaad--iets uitgevoerd hebt!»

«Dat zou ik beter hebben kunnen zeggen!» dacht de liefhebber van
redeneeren; maar hij sprak dit niet overluid uit, en dat was ten
minste al iets!



HET DOORNENPAD DER EER.


Er bestaat nog een oud sprookje van «het doornenpad der eer,»--van een
schutter, die wel is waar tot eer en waardigheden opklom, maar eerst na
vele wederwaardigheden en allerlei strijd.--Wie heeft bij dit sprookje
niet aan zijn eigen doornenpad en aan zijn vele «wederwaardigheden»
gedacht? Het sprookje en de werkelijkheid grenzen zeer na aan elkander:
maar het sprookje heeft zijn harmonische oplossing hier op aarde,
de werkelijkheid vindt deze dikwijls eerst aan gene zijde van het
aardsche leven en wijst op tijd en eeuwigheid.

De geschiedenis der wereld is een tooverlantaarn, die ons in
lichtbeelden op den donkeren grond van het tegenwoordige aanwijst,
hoe de weldoeners der menschheid, de martelaars van het genie, het
doornenpad van de eer en den roem bewandelen.

Uit alle tijden, uit alle landen stralen deze lichtbeelden ons
tegen, elk wel is waar slechts voor eenige oogenblikken, maar
toch als een geheel leven, een levenstijd met zijn strijd en zijn
zegepraal. Laat ons hier en daar enkelen van deze schare van martelaren
beschouwen,--deze schare, waaraan eerst dan een einde komt, wanneer
de aarde vergaat.

Wij zien een welbezet amphitheater. Uit de «Wolken» van een
Aristophanes gieten de spot en de scherts zich in stroomen over
de menigte uit; op het tooneel wordt de merkwaardigste man van
Athene, hij, die het schild en de steun van het volk tegen de dertig
tirannen was, wordt Socrates belachelijk gemaakt, Socrates, die in het
strijdgewoel Alcibiades en Xenophon redde en wiens geest zich boven
de goden der oudheid verhief. Hij zelf is hier tegenwoordig; hij is
van de bank der toeschouwers opgestaan en te voorschijn gekomen,
opdat de lachende Atheners zouden zien, hoe het met de gelijkenis
tusschen hem en de karikatuur op het tooneel geschapen was; daar
staat hij voor hen, hoog boven hen allen verheven.

Gij, sappige, groene, vergiftige scheerling, en niet gij, olijfboom,
werp hier uw schaduw over Athene!

Zeven steden streden om de eer, de geboorteplaats van Homerus te zijn,
dat is te zeggen: nadat hij dood was. Beschouwen wij hem gedurende
zijn leven!--Hij loopt te voet door de steden en zegt zijn verzen
op om te leven; de gedachte aan den dag van morgen doet zijn haar
grijs worden!--Hij, de groote ziener, is blind en bewandelt met
moeite zijn pad; de scherpe doorn verscheurt den mantel van den
dichterkoning!--Zijn gezangen leven nog, en door deze alleen leven
de goden en de helden der oudheid.

Het eene beeld na het andere rijst voor ons op uit het Oosten, uit
het Westen, zeer ver van elkander, wat tijd en plaats aangaat, en
toch altijd een gedeelte van het doornenpad der eer, waarop de distel
eerst dan een bloem voortbrengt, wanneer het graf versierd moet worden.

Onder psalmen trekken de kameelen voort, rijk beladen met indigo
en andere kostbare schatten, door den heerscher des lands aan hem
gezonden, wiens gezangen de vreugde des volks, de roem des lands
zijn; hij, dien leugen en nijd in de ballingschap zonden, hij is
gevonden,--de karavaan nadert het stadje, waarin hij een schuilplaats
vond: een lijk wordt de stadspoort uitgedragen, en de lijkstoet beveelt
de karavaan, halt te houden. De doode is juist degene, dien zij zoekt:
Firdusi,--het doornenpad der eer is ten einde gewandeld!

De Afrikaan met de plompe gelaatstrekken, de dikke lippen, het zwarte,
wollige haar, zit op de marmeren trappen van het paleis in de hoofdstad
van Portugal en bedelt; het is de getrouwe slaaf van Camoëns; zonder
hem en zonder de koperen munten, die de voorbijgangers hem toewerpen,
zou zijn heer, de zanger der Lusiade, van honger sterven.

Tegenwoordig verheft zich een kostbaar monument op het graf van
Camoëns.

Een nieuw beeld!

Achter de ijzeren tralies vertoont zich een man, die er doodsbleek
uitziet, met een langen, ongekamden baard. «Ik heb een uitvinding
gedaan, de grootste sedert eeuwen!» roept hij, «en men heeft mij langer
dan twintig jaren hier opgesloten gehouden!»--«Wie is die man?»--«Een
krankzinnige!» antwoordt de bewaker der krankzinnigen. «Waar kan een
mensch in zijn krankzinnigheid al niet toe komen! Hij verbeeldt zich,
dat men zich door stoom kan bewegen!»--Het is Salomo de Caus, de
ontdekker der stoomkracht, wiens voorgevoel, in onduidelijke woorden
uitgesproken, door een Richelieu niet begrepen werd: hij sterft in
het krankzinnigengesticht.

Hier staat Columbus, dien de straatjongens eenmaal vervolgden en
bespotten, omdat hij een nieuwe wereld wilde ontdekken,--hij heeft haar
ontdekt! Het gejubel klinkt hem bij zijn zegevierende terugkomst van
menschenlippen en door kerkklokstonen tegen, maar de klokken van den
nijd overstemden deze al spoedig. De ontdekker eener nieuwe wereld,
hij, die het Amerikaansche goudland uit de zee deed oprijzen en aan
zijn koning schonk, hij wordt met ijzeren ketenen beloond! Hij wenscht
deze ketenen in zijn graf mee te nemen; zij leggen getuigenis af van
de wereld en van de wijze, waarop tijdgenooten verdiensten schatten.

Het eene beeld na het andere rijst op: het doornenpad van de eer en
den roem is overvol.

Hier in den donkeren nacht zit hij, die de bergen der maan gemeten
heeft, hij, die in de oneindige ruimte tot sterren en planeten
doordrong, hij, de machtige, die den geest der natuur hoorde en het
gevoelde, dat de aarde zich onder zijn voeten bewoog: Galilei. Blind
en doof zit hij daar, de grijsaard, gefolterd door den doorn van het
lijden in de kwellingen der verloochening, tenauwernood in staat om
zijn voet op te lichten, denzelfden, waarmee hij eens in de smart
zijner ziel, toen men de waarheid verduisterde, op den grond stampte
en uitriep: «En toch beweegt zij zich!»

Hier staat een vrouw met een kinderlijk gemoed in geestdrift en
geloof,--voor het strijdende leger draagt zij de banier vooruit, en
brengt haar vaderland zegepraal en redding. Het gejuich weerklinkt
en de brandstapel vlamt: Jeanne d'Arc, de heks, wordt verbrand!--Ja,
een latere eeuw spuwt den zwadder der verachting op de witte lelie
uit. Voltaire, de sater van het gezonde menschenverstand, zingt van
«_La pucelle_.»

Op den Thing te Wiborg verbrandt de Deensche adel de wetten des
konings,--zij vlammen hoog op, verlichten de eeuw en den wetgever,
werpen een schijnsel van glorie in den donkeren gevangenistoren,
waarin de vroegere heerscher over drie koninkrijken, de populaire
koning, de vriend der burgers en der boeren, Christiaan de Tweede,
vergrijsd, gebogen, met zijn vinger een reet in het steenen tafelblad
makende, zit. Vijanden teekenen zijn geschiedenis op. Aan zijn
zeven-en-twintigjarige gevangenschap willen wij gedenken, al kunnen
wij zijn bloedschuld ook niet loochenen.

Een schip zeilt uit en verlaat het Deensche strand; tegen den mast
leunt een man, die voor de laatste maal een blik op het eiland Hveen
slaat;--het is Tycho Brahe; hij verhief den naam van Denemarken
tot aan de sterren, en men beloonde hem met grieven, met gebrek
en verdriet;--hij vertrekt naar een vreemd land. «De hemel welft
zich overal boven mij. Wat wil ik meer?» spreekt hij en zeilt weg,
de beroemde Deen, geëerd en vrij in een vreemd land!»

«Ach, vrij, al ware het slechts van de duldelooze smarten van het
lichaam!» luidt de zucht, die door de tijden heen en tot ons oor
doordringt. Welk een beeld! Griffenfeld, een Deensche Prometheus,
aan het rotsachtige eiland Munkholm gekluisterd!

Wij bevinden ons in Amerika aan den oever van een der grootste
rivieren; een tallooze menschenmenigte heeft zich verzameld:
een schip, zoo heet het, zal tegen weer en wind, de elementen
trotseerend, kunnen zeilen; Robert Fulton noemt zich de man, die
dit vraagstuk denkt op te lossen. Het schip begint zijn tocht; maar
eensklaps blijft het stilliggen,--de menigte lacht, fluit en sist, de
eigen vader van den man fluit. «Hoogmoed! Dwaasheid! Nu gebeurt er,
wat hij verdiend heeft,» heet het; «achter slot en grendel met den
waanzinnige!»--Daar breekt een kleine spijker, die voor een oogenblik
de machine belemmerde, de roeiriemen bewegen zich weer, de raderen
breken op nieuw de kracht van het water, het schip zet zijn tocht
voort! De kracht van den stoom verkort de uren tot minuten tusschen
de landen der wereld!

Menschengeslacht! begrijpt gij de zaligheid van zulk een minuut van
wetenschap, van dit doordrongen zijn des geestes van zijn roeping,
dat oogenblik, waarop al de wanhoop, elke wonde, die het doornenpad der
eer sloeg,--zelfs die van eigen schuld,--in heil, kracht en klaarheid
verandert, de disharmonie zich in harmonie oplost, dat oogenblik,
waarop de menschen de openbaring der goddelijke genade gewaar worden!

Op machtige vleugelen zweeft de geest der geschiedenis door de tijden
en toont,--bemoedigend en vertroostend, milde gedachten opwekkend,--op
een nachtelijk donkeren grond in lichtende beelden het doornenpad der
eer, dat niet, evenals in het sprookje, in glans en vreugde hier op
aarde, maar verder dan deze in tijd en eeuwigheid eindigt!



DE GODDELOOZE KONING.


Er was eens een goddelooze koning; al zijn denken en streven was
slechts daarop gericht, alle landen der wereld te veroveren en alle
menschen vrees in te boezemen; te vuur en te zwaard trok hij rond,
en zijn soldaten vertrapten het zaad op de velden en staken het
huis van den boer in brand, zoodat de roode vlam de bladeren van den
boom verschroeide en de vruchten gebraden aan de verzengde, zwarte
boomen hingen. Met een naakten zuigeling op den arm vluchtte menige
arme moeder achter de nog rookende muren van haar afgebrande woning;
maar hier zochten de soldaten haar ook, en als zij de ongelukkigen
vonden, dan gaf dit nieuw voedsel aan hun duivelachtige vreugde; booze
geesten hadden niet erger huis kunnen houden dan deze soldaten; maar
de koning vond, dat het zoo goed was, dat het zoo moest toegaan. Met
den dag groeide zijn macht aan, zijn naam werd door allen gevreesd,
en het geluk volgde zijn schreden bij al zijn ondernemingen. Uit
de veroverde steden voerde hij onmetelijke schatten weg; in zijn
residentiestad werd een rijkdom opgestapeld, die op geen andere
plaats zijns gelijke had. Hij liet paleizen, kasteelen en kerken
bouwen, en iedereen, die deze prachtige gebouwen en deze schatten
zag, riep vol eerbied uit: «Welk een groot koning!» Zij dachten niet
aan de ellende, die hij over andere landen en steden gebracht had;
zij hoorden de zuchten en de jammerklachten niet, die er uit de in
de asch gelegde steden ten hemel opklommen.

De koning beschouwde zijn goud en zijn prachtige gebouwen, en dacht
daarbij evenals de menigte: «Welk een groot koning!--Maar ik moet
veel meer hebben, veel meer! Geen macht mag met de mijne gelijkstaan,
of grooter dan de mijne zijn!» Hij verklaarde daarom den oorlog aan
de naburige koningen en overwon ze allen. De overwonnen koningen liet
hij met gouden ketenen aan zijn wagen vastbinden, en zoo reed hij door
de straten van zijn residentie; als hij aan tafel zat, dan moesten
die koningen voor hem en zijn hovelingen op de knieën liggen en zich
met de brokken, die hun van de tafel toegeworpen werden, verzadigen.

Eindelijk liet de koning zijn eigen beeldzuil op de publieke pleinen
en in de koninklijke kasteelen oprichten, ja, hij wilde ze zelfs
in de kerken voor het altaar des Heeren plaatsen, maar de priesters
verzetten zich daartegen en zeiden: «O koning! gij zijt groot, maar
God is grooter; wij wagen het niet, uw bevel te gehoorzamen!»

«Welaan dan!» riep de koning uit, «ik zal ook God overwinnen!»--En in
overmoed en dwazen wrevel liet hij een kostbaar schip bouwen, waarmee
hij door de lucht kon zeilen; het was bont en prachtig om aan te zien,
als de staart van een pauw, en het was als met duizenden oogen bezet
en bezaaid;--maar ieder oog was een geweerloop. De koning zat in het
midden van het schip, hij behoefde slechts op een daar aangebrachte
veer te drukken, en dan vlogen er duizend kogels naar alle kanten heen,
terwijl de vuurwapenen terstond weer op nieuw geladen waren. Honderden
arenden werden er voor het schip gespannen, en met pijlsnelheid
ging het nu opwaarts naar de zon toe. Wat lag daar de aarde diep
beneden! Met haar bergen en bosschen scheen zij slechts een akker te
zijn, waarin de ploeg zijn voren getrokken had; al spoedig geleek
zij nog slechts op een platte landkaart met onduidelijke lijnen,
en eindelijk was zij geheel in wolken en nevelen gehuld. Gedurig
hooger vlogen de arenden, opwaarts in de lucht. Nu zond God een
enkelen zijner ontelbare engelen uit; de goddelooze koning schoot
duizenden kogels op hem af, maar de kogels stuitten op de schitterende
vleugels van den engel af en vielen als gewone hagelkorreltjes neer;
maar een bloeddroppel, slechts een enkele, droppelde er van een der
witte vleugelen neer, en deze droppel viel op het schip, waarop de
koning zat; hij brandde in het schip in, woog als duizend centenaars
lood en deed het schip met bliksemsnelheid naar beneden naar de aarde
neerdalen; de sterke vleugels der arenden braken, de wind gierde om
het hoofd van den koning, en wolken in de rondte,--deze waren immers
uit den rook der verbrande steden samengesteld,--vormden zich in
dreigende gestalten, als mijlenlange zeekrabben, die haar pooten en
haar scharen naar hem uitstrekten, stapelden zich op tot ontzaglijke
rotsen met neerrollende, verpletterende blokken, vormden zich tot
vuurspuwende draken. Halfdood lag de koning op het schip uitgestrekt,
en dit bleef eindelijk met een vreeselijken schok in de dikke takken
van een bosch hangen.

«Ik wil God overwinnen!» zei de koning, «ik heb het gezworen, mijn wil
_moet_ geschieden!»--En zeven jaren lang liet hij bouwen en werken aan
kunstige schepen tot het doorzeilen der lucht, liet bliksemstralen
van het hardste staal snijden, want hij wilde den hemelburcht doen
springen. Uit al zijn landen verzamelde hij legers, die, als zij
man naast man geschaard stonden, een ruimte van verscheidene mijlen
besloegen. Het leger ging aan boord van de kunstige schepen, de
koning begaf zich naar het zijne;--daar zond God een kleinen zwerm
muggen uit. Deze gonsden om den koning heen en staken zijn gezicht
en zijn handen; in toorn ontstoken, trok hij zijn zwaard en sloeg om
zich heen, maar hij sloeg slechts in de lucht, en de muggen trof hij
niet. Nu beval hij, kostbare tapijten te brengen en hem daarin te
wikkelen, opdat geen mug hem meer zou kunnen steken, en de dienaren
deden, zooals hun bevolen was. Maar een enkele mug had zich op den
binnenkant van het tapijt neergezet; van hier kroop zij in het oor des
konings en stak hem; het brandde als vuur, het vergif drong in zijn
hersenen door; als waanzinnig rukte hij de tapijten van zijn lichaam
af en slingerde ze ver van zich weg, verscheurde zijn kleederen
en danste naakt in de rondte voor de oogen van zijn ruwe soldaten,
welke nu den spot dreven met den krankzinnigen vorst, die God wilde
beoorlogen en die door een enkele kleine mug overwonnen was.



TWEE HANEN.


Twee hanen waren er, de een op den mesthoop, de ander op het dak;
hoovaardig waren zij beide; maar wie van hen voerde wel het meeste
uit? Zeg ons uw meening daarover eens,--wij behouden toch onze eigen.

De plaats, waarop de kippen liepen, was door een plank van een andere
plaats gescheiden, waarop een mesthoop was, en op dezen mesthoop lag
en groeide een groote augurk, die het bewustzijn had, dat zij een
broeibedplant was.

«Daartoe wordt men geboren,» sprak het in het binnenste van de
augurk. «Niet allen kunnen als augurken geboren worden, er moeten ook
andere soorten zijn! De kippen, de eenden en al het gedierte van de
naburige plaats zijn ook schepselen. Naar den haan, die op de plank
staat, zie ik nu op; deze heeft echter een heel andere roeping dan
de weerhaan, die zoo hoog geplaatst is en niet eens kan knarsen,
laat staan dan kraaien; hij heeft noch kippen, noch kuikentjes,
hij denkt slechts aan zich zelf en zweet kopergroen! Neen, die haan
op de plank is eerst een haan! Zijn gang is dans, zijn kraaien is
muziek! Waar hij komt, daar wordt het iemand terstond duidelijk,
wat een trompetter is. Als hij maar hierheen kwam! En al at hij mij
ook met huid en haar op, en al moest ik ook in zijn buik begraven
worden,--dat zou een zalige dood zijn!» sprak de augurk.

's Nachts werd het een verschrikkelijk weer; kippen, kuikentjes en
zelfs de haan zochten beschutting; de wind rukte de plank tusschen de
beide plaatsen weg, dat het kraakte; de dakpannen vielen naar beneden,
maar de weerhaan zat vast; hij draaide niet eens in de rondte, hij
kon niet in de rondte draaien, en toch was hij nog jong, pas gegoten,
maar stil en bedaard; hij was oud geboren, begreep volstrekt niets van
de vogels, die in de lucht vlogen, de musschen, de zwaluwen,--neen,
die verachtte hij; dat waren piepvogels van geringe grootte, gewone
piepvogels! De duiven, vond hij, waren groot en blank, en schitterend
als paarlemoer, zij zagen er uit als een soort van weerhanen; maar zij
waren dik en dom; al haar denken en streven was er slechts op gericht,
haar buik te vullen; ook waren zij vervelend in den omgang.

Ook de trekvogels hadden den weerhaan een bezoek gebracht en
hem verteld van vreemde landen, van luchtkaravanen en ijselijke
rooversgeschiedenissen met de roofvogels; dat was nieuw en interessant,
namelijk de eerste maal; maar later, dat wist de weerhaan,
herhaalden zij het, vertelden steeds dezelfde geschiedenissen,
en dat is vervelend! Zij waren vervelend, en alles was vervelend,
met niemand kon men omgang hebben, allen waren laf en bekrompen.

«De wereld deugt niets!» zei hij. «Alles is maar dwaasheid!»

De weerhaan was opgeblazen, en deze eigenschap zou hem zeker bij de
augurk interessant gemaakt hebben, als zij het geweten had; maar zij
had slechts oogen voor den anderen haan, en die was nu op de plaats
bij haar.

De wind had de plank omgeblazen; maar de storm was voorbij.

«Wat zegt ge wel van dat gekraai?» vroeg de haan aan de kippen en de
kuikentjes. «Het was een weinig ruw, de elegantie ontbrak er aan.»

En kippen en kuikentjes betraden den mesthoop, en de haan betrad dien
ook met een deftigen stap.

«Tuingewas!» zeide hij tegen de augurk, en uit dit eene woord werd
haar zijn hooge beschaving duidelijk, en zij vergaf het, dat hij in
haar pikte en haar opat.

«Een zalige dood!»

De kippen en de kuikentjes kwamen, en als de een gaat loopen, dan
doet de ander het ook; zij klokten en piepten, en zij zagen den haan
aan en waren er trotsch op, dat hij van hun soort was.

«Kukelekuku!» kraaide hij, «de kuikentjes worden terstond tot groote
kippen, als ik het uitkraai in den kippenren der wereld!»

En kippen en kuikentjes klokten en piepten, en de haan verkondigde
een groot nieuws.

«Een haan kan een ei leggen! En weet je, wat er in het ei zit?--In het
ei zit een basilisk. Den aanblik van zulk een beest vermag niemand uit
te houden; dat weten de menschen, en nu weet je het ook; nu weet je,
dat ik een ferme kerel ben!»

Daarop sloeg de haan met zijn vleugels, deed zijn hanekam opzwellen en
kraaide weer; en allen huiverden, de kippen en de kleine kuikentjes;
maar zij waren er wat trotsch op, dat een hunner zulk een ferme kerel
was; zij klokten en piepten, zoodat de weerhaan het wel moest hooren;
hij hoorde het dan ook, maar verroerde zich daarbij niet.

«Alles is maar dwaasheid!» zei de weerhaan bij zich zelf. «De haan
legt geen eieren, en ik ben er te lui toe; als ik wilde, dan kon ik
wel een windei leggen, maar de wereld is geen windei waard. Alles is
maar dwaasheid!--Nu mag ik hier niet eens lang meer zitten.»

Dit zeggende, brak de weerhaan af, maar hij sloeg den anderen haan
niet dood, ofschoon hij er plan op had, zooals de kippen zeiden. En
wat zegt de moraal? «Het is altijd nog beter te kraaien, dan opgeblazen
te zijn en af te breken.»



ER BESTAAT EEN ONDERSCHEID.


Het was in de Meimaand, de wind blies nog koud; maar «de lente is er,»
zeiden boomen en planten, bosch en beemd; het wemelde van bloemen,
tot zelfs in de boomgaarden, en daar bepleitte de lente zelve haar
zaak; zij predikte van een kleinen appelboom: daaraan zat een enkele
tak, frisch en bloeiend, met fijne, rozeroode knoppen als bezaaid,
die op het punt waren zich te ontsluiten; hij wist zeer goed, hoe
schoon dit was, want het zit in het blad zoowel als in het bloed;
daarom verwonderde het hem ook niet, toen er een deftig rijtuig voor
hem stilhield en de jonge gravin zei, dat een appeltak het prachtigste
was, wat men zien kon; het was de lente zelve in haar heerlijkste
openbaring. De tak werd afgebroken, zij nam dien in haar fijne hand
en beschaduwde hem met haar zijden parasol,--toen reden zij naar het
kasteel, waarin zich hooge zalen en prachtige kamers bevonden; heldere,
witte gordijnen hingen er voor de ramen, en heerlijke bloemen stonden
er in schitterende, doorzichtige vazen, en in een daarvan, die als
uit versch gevallen sneeuw gesneden was, werd de appeltak tusschen
frissche, lichte beuketakken gestoken; het was een lust om hem te zien.

Nu werd de tak trotsch, en dat is immers menschelijk!

Er kwamen menschen van verschillende soort in de kamer, en al naardat
zij iets golden, durfden zij hun bewondering te kennen geven. Eenigen
zeiden niets, anderen weer te veel, en de appeltak begreep, dat er een
onderscheid tusschen verschillende planten en gewassen bestaat. «Enkele
zijn voor den pronk en andere om te voeden; er zijn er ook zulke,
die men geheel zou kunnen missen,» dacht de appeltak, en daar hij vlak
voor het open raam stond, waaruit hij in den tuin en op het land kon
zien, had hij bloemen en planten genoeg om te bekijken en daarover
na te denken; daar stonden rijke en arme, eenige zelfs te armoedige.

«Arme, verstooten planten!» zei de appeltak; «er bestaat toch een
onderscheid! Hoe ongelukkig moeten zij zich gevoelen, als zij ten
minste zoo gevoelen als ik en mijns gelijken. Wel bestaat er een
onderscheid; maar dat moet er ook wezen; want anders waren zij immers
allemaal gelijk!»

En de appeltak zag met een zeker medelijden inzonderheid op een
soort van bloemen neer, die in menigte op de velden en aan de
slooten stonden. Niemand maakte er een ruiker van; zij waren veel te
alledaagsch, ja, men kon ze zelfs tusschen de straatsteenen vinden. Zij
schoten als het ergste onkruid te voorschijn en droegen den leelijken
naam: paardenbloemen.

«Arme, verachte plant!» zei de appeltak, «je kunt er niets tegen doen,
dat je dien leelijken naam, dien je draagt, gekregen hebt. Maar met
de planten is het evenals met de menschen: er moet onderscheid wezen!»

«Onderscheid!» zei de zonnestraal en kuste den bloeienden appeltak,
maar kuste ook de gele paardenbloemen buiten op het land; alle broeders
van den zonnestraal kusten ze de arme bloemen zoowel als de rijke.

De appeltak had nooit over Gods oneindige liefde jegens alles,
wat er leeft en zich beweegt, nagedacht, hoe veel schoons en goeds
er verborgen, maar niet vergeten kan liggen,--doch ook dat was
menschelijk!

De zonnestraal, de straal des lichts wist het beter: «Je ziet niet
ver, je ziet niet duidelijk!--Wat is de verachte plant, die je vooral
beklaagt?»

«De paardenbloem!» zei de appeltak. «Nooit wordt daarvan een ruiker
gemaakt, zij wordt met voeten getreden; er zijn er te veel van, en als
zij in het zaad schieten, dan vliegen zij als klein gesneden wol over
den weg en hechten zich aan de kleeren der menschen. Onkruid is het,
maar ook dat moet er zijn.--Ik ben er werkelijk zeer dankbaar voor,
dat ik niet een van die bloemen geworden ben!

En over het land huppelde een troep kinderen. Het jongste daarvan was
nog zoo klein, dat het door een der oudere gedragen moest worden. Toen
het tusschen de gele bloemen in het gras neergezet werd, lachte
het luid van vreugde, trappelde met zijn voetjes, wentelde zich
in de rondte, plukte slechts de gele bloempjes en kuste ze met een
bekoorlijke onschuld. De grootere kinderen braken de bloemen van de
lange stelen af, bogen deze rond en schakelden ze aan elkaar vast,
zoodat daarvan een ketting ontstond; eerst een voor den hals, toen
een, om dien over de schouders en om het lijf te hangen, en toen nog
een, om dien op de borst en op het hoofd vast te maken; dat was een
pracht van groene schakels en kettingen! Maar de grootste kinderen
grepen de uitgebloeide bloem voorzichtig bij den steel vast, waarop
de gevederde zaadkroon stond: deze losse, luchtige wollen bloem,
die een echt kunststuk is, hielden zij voor den mond, om haar in eens
geheel uit te blazen, en wie dat kon, kreeg, zooals grootmoeder zei,
nieuwe kleeren voordat het jaar ten einde was.

De verachte bloem was bij deze gelegenheid een profetes.

«Zie je wel?» zei de zonnestraal. «Zie je haar schoonheid, zie je
haar macht?»

«Ja, voor kinderen!» antwoordde de appeltak.

En een oude vrouw kwam op het land en groef met haar stomp, bot mes
rondom de wortels der plant en haalde deze uit den grond; van eenige
van die wortels wilde zij koffie zetten, de andere wilde zij aan den
apotheker verkoopen.

«Schoonheid is toch iets hoogers!» zei de appeltak. «Slechts de
uitverkorenen komen in het rijk van het schoone! Er bestaat een
onderscheid tusschen de verschillende planten, evenals er een
onderscheid tusschen de verschillende menschen bestaat!»

De zonnestraal sprak van Gods oneindige liefde, die zich in het
geschapene openbaart, en van alles, wat leven heeft, en van de gelijke
verdeeling van alle dingen in tijd en eeuwigheid.

«Ja, dat is nu uw meening!» zei de appeltak.

Er kwamen menschen in de kamer, en de jonge schoone gravin kwam ook;
zij, die den appeltak in de doorzichtige vaas neergezet had, waar het
zonlicht scheen; zij bracht een bloem, of wat het anders wezen mocht,
mee, het voorwerp werd door drie of vier groote bladeren verborgen
gehouden, die als een zakje daaromheen zaten, opdat geen tocht of
windvlaag daaraan schade zou toebrengen, en het werd zoo voorzichtig
gedragen, als dit met een appeltak nooit gebeurd was. Voorzichtig
werden nu de groote bladeren verwijderd, en men zag de fijne, gevederde
zaadkroon van de gele, verachte paardenbloem. Deze was het, die zij
zoo voorzichtig afgeplukt had, zoo zorgvuldig droeg, opdat niet een
van de vele fijne vezeltjes, waaruit zij bestaat en die los zitten,
zou wegwaaien. Ongedeerd droeg zij deze en bewonderde haar schoonen
vorm, haar eigenaardig samenstel, haar schoonheid, die zoo in den
wind zou verwaaien.

«Zie eens, hoe verwonderlijk liefelijk God haar gemaakt heeft!»
zeide zij. «Ik wil haar met den appeltak tegelijk uitschilderen;
dezen vinden allen zoo onbeschrijfelijk schoon, maar ook deze arme
bloem heeft op een andere wijze even veel van den goeden God gekregen;
hoe verschillend zij ook wezen mogen, toch zijn zij beiden kinderen
in het rijk der schoonheid!»

De zonnestraal kuste de verachte bloem en den bloeienden appeltak,
welks bladeren daarbij schenen te blozen.



HET IS STELLIG WAAR!


«Dat is een ontzettende geschiedenis!» zei een kip, en zij zeide het
in een stadswijk, waar de geschiedenis niet voorgevallen was. «Dat
is een ontzettende geschiedenis in het kippenhok! Ik kan van nacht
niet alleen slapen! Het is goed, dat er velen van ons op den stok
bij elkaar zitten!»--En nu vertelde zij zoo iets verschrikkelijks,
dat de andere kippen de veeren te berge rezen en de haan zijn kam
liet hangen. Het is stellig waar!

Maar wij willen met het begin beginnen, en dit is in een kippenhok in
een andere stadswijk te zoeken. De zon ging onder, en de kippen vlogen
op haar stok; een kip met witte veeren en met korte pooten legde haar
eieren zeer geregeld en was in alle opzichten een achtenswaardige kip;
terwijl zij op den stok vloog, plukte zij zich met den snavel en viel
er haar een veertje uit.

«Daar vliegt het weg!» zeide zij, «hoe meer ik mij pluk, des te
mooier word ik!» Zij zeide dit op vroolijken toon; want zij was de
vroolijkste van al de kippen; overigens was zij, zooals gezegd is,
zeer achtenswaardig, en nu viel zij in slaap.

Donker was het in het rond; de eene kip zat naast de andere, maar
die, welke het dichtst bij de vroolijke zat, sliep niet; zij hoorde
en hoorde ook niet, zooals men immers in deze wereld moet doen, om
rustig en kalm te leven; maar aan haar andere buurvrouw moest zij
het toch eens vertellen: «Heb je wel gehoord, wat er hier gezegd
is? Ik wil geen namen noemen, maar er is hier een kip, die zich de
veeren wil uitplukken, om er goed uit te zien! Als ik een haan was,
dan zou ik haar verachten!»

Vlak tegenover de kippen zat de uil met de uilenmoeder en de
uilenkinderen; die familie heeft scherpe ooren, zij hoorden allen ieder
woord, dat de naburige kip sprak; en zij lieten hun oogen rollen, en
de uilenmoeder sloeg met de vleugelen en zeide: «Slaat er maar geen
acht op! Maar je hebt toch wel gehoord, wat daar gezegd werd? Ik heb
het met mijn eigen ooren gehoord, en men moet veel hooren, voordat zij
iemand afvallen! Daar is er een onder de kippen, die zoozeer vergeten
heeft, wat voor een kip passend is, dat zij al haar veeren uitplukt
en het den haan laat zien!»

«_Prenez garde aux enfants!_» zei de uilenvader, «dat is niet geschikt
voor kinderooren!»

«Ik zal het toch eens aan den naburigen uil vertellen; dat is een
uil, die zeer achtbaar in den omgang is!» antwoordde de uilenmoeder,
en daarop vloog zij weg.

«Hu, hu, uhu!» krasten zij beiden in de duiventil van den buurman,
zoodat de duiven het hoorden. «Heb je het gehoord? Heb je het
gehoord? Uhu: Er is een kip, die zich ter wille van den haan al de
veeren uitgeplukt heeft, zij zal wel doodvriezen, als zij al niet
doodgevroren is. Uhu!»

«Waar? waar?» kirden de duiven.

«Op de plaats van den buurman! Ik heb het zoo goed als zelf gezien. Het
is bijna ongepast, de geschiedenis te vertellen. Het is stellig waar!»

«Gelooft, gelooft ieder woord!» zeiden de duiven en zij kirden de
kippen toe: «Er is een kip, ja, eenigen zeggen, dat er twee zijn,
die zich alle veeren uitgeplukt hebben, om er niet even als de anderen
uit te zien, en om de opmerkzaamheid van den haan te trekken. Dat is
een gewaagd spel; men kan dan kou vatten en aan de koorts sterven,
en zij zijn beiden gestorven!»

«Wordt wakker, wordt wakker!» kraaide de haan en vloog op de plank;
de slaap zat hem nog in de oogen, maar hij kraaide toch: «Drie kippen
zijn door een ongelukkige liefde voor een haan gestorven! Zij hadden
al haar veeren uitgeplukt! Dat is een verschrikkelijke geschiedenis; ik
wil haar niet voor mij zelf houden; zij mag gerust verspreid worden!»

«Laat zij bekend worden!» zeiden de vleermuizen, en de kippen kakelden
en de hanen kraaiden: «Laat zij bekend worden! Laat zij bekend worden!»
En zoo ging de geschiedenis van kippenhok tot kippenhok, en kwam
eindelijk op de plaats terug, vanwaar zij eigenlijk uitgegaan was.

«Vijf kippen,» heette het, «hebben zich alle veeren uitgeplukt, om
te toonen, wie van haar van liefde voor den haan het magerst geworden
is,--en toen vochten zij duchtig met elkaar en vielen dood neer, tot
spot en schande voor haar familie, tot groot verlies van den bezitter!»

De kip, die het losse veertje verloren had, herkende haar
eigen geschiedenis daarin natuurlijk niet meer, en daar zij een
fatsoenlijke kip was, zeide zij: «Ik veracht die kippen; maar er zijn
er verscheidene van dien aard! Zoo iets moet men niet verzwijgen,
en ik zal er het mijne toe bijdragen, dat de geschiedenis in de krant
komt, dan worden zij door het geheele land bekend, en dat hebben de
kippen wel verdiend en haar familie ook.»

Het kwam in de krant, het werd gedrukt, en het is stellig waar;
een klein veertje kan wel tot vijf kippen aangroeien!



DE ELFENHEUVEL.


Eenige groote hagedissen liepen vlug in de spleten van een ouden
boom rond; zij konden elkaar goed verstaan, want ze spraken de
hagedissentaal.

«Wat is er een rumoer en een gebrom in den ouden elfenheuvel!» zei
een der hagedissen. «Ik heb van het leven al in twee nachten geen oog
dicht kunnen doen: ik kon even goed kiespijn hebben, want dan slaap
ik ook niet.»

«Daar binnen is iets aan 't handje!» zei een andere hagedis. «Zij
laten den heuvel, totdat 's morgens de haan kraait, op vier roode
palen staan; hij wordt goed gelucht; en de elfenmeisjes hebben nieuwe
dansen geleerd. Daar is iets aan 't handje!»

«Ja, ik heb er met een regenworm van mijn kennis over gesproken,» zei
een derde hagedis; «de regenworm kwam regelrecht uit den heuvel, waar
hij dag en nacht in de aarde gewoeld had; die had veel en velerlei
gehoord; zien kan hij wel is waar niet, dat ellendige dier, maar
voelen en luisteren kan hij goed. Zij verwachten vreemdelingen in den
elfenheuvel, deftige vreemdelingen; maar wie, dat wilde de regenworm
niet zeggen, of hij wist het niet. Al de dwaallichten zijn besteld,
om een fakkeltocht te houden, zooals men het noemt; het zilver en
goud, waarvan genoeg in den heuvel voorhanden is, wordt opgepoetst
en in den maneschijn tentoongesteld.»

«Wie zouden die vreemdelingen wel zijn?» vroegen al de hagedissen. «Wat
zou er toch aan 't handje zijn? Hoor eens, hoe het gonst! Hoor eens,
hoe het bromt!»

Op hetzelfde oogenblik ging de elfenheuvel open, en nu kwam er een oude
elf uittrippelen; het was de huishoudster van den ouden elfenkoning;
zij was een verre bloedverwante van de familie en droeg een hart
van barnsteen voor het voorhoofd. Haar beenen bewogen zich zoo vlug:
trip, trip! Sakkerloot! Wat kon zij trippelen! Zij ging regelrecht
naar het moeras naar den nachtuil toe. [16]

«Ge wordt op den elfenheuvel uitgenoodigd, en wel tegen van avond,»
zeide zij, «maar wilt ge ons eerst niet een dienst bewijzen en het
doen van uitnoodigingen op u nemen? Gij moet ook iets doen, daar
gij zelf geen gasten ontvangt. Wij krijgen eenige deftige vrienden,
toovenaars, die iets te beteekenen hebben, en daarom wil de elfenkoning
zich vertoonen!»

«Wie moeten er uitgenoodigd worden?» vroeg de nachtuil.

«Op het groote bal kan iedereen komen, zelfs menschen, wanneer zij
slechts in den slaap spreken of iets dergelijks kunnen doen, wat in
onzen geest valt. Maar bij het eerste feest moet er een strenge keuze
gedaan worden; wij willen alleen de allervoornaamsten hebben. Ik heb
er met den elfenkoning woorden over gehad; want ik dacht, dat wij niet
eens spoken konden toelaten. De zeegeest en zijn dochters moeten het
eerst uitgenoodigd worden. Zij zullen het wel niet plezierig vinden,
op het droge te komen; maar zij zullen wel een natten steen om op
te zitten of nog iets beters krijgen, en dan, denk ik, zullen zij
voor dezen keer wel niet bedanken. Al de oude demonen van de eerste
klasse met staarten, den alruin en de kobolden moeten wij hebben,
en dan kunnen wij, dunkt mij, het grafzwijn, het doodenpaard, [17]
en den kerkdwerg ook niet weglaten; zij behooren wel is waar tot de
geestelijkheid, die niet tot de onzen gerekend wordt; maar dat is
slechts hun ambt; zij zijn toch nauw aan ons verwant en leggen druk
bezoeken bij ons af.»

«Goed!» zei de nachtuil en vloog weg, om de uitnoodigingen te doen.

De elfen dansten reeds op den elfenheuvel, en zij dansten met
sjaals, die uit nevel en maneschijn geweven waren, en dat staat
heel mooi voor hen, die daarvan houden. Midden in den elfenheuvel
was de groote zaal prachtig opgesierd; de vloer was met maneschijn
geschrobd en de muren waren met heksenvet afgewreven, zoodat zij
als tulpebladeren in het licht fonkelden. In de keuken waren volop
kikvorschen aan het braadspit, slakkehuiden met kindervingers er in,
sla van paddestoelen, vochtige muizesnoeten en dolle kervel, bier van
het brouwsel der moerasvrouw, fonkelende salpeterwijn uit grafkelders,
alles overheerlijk; verroeste spijkers en kerkramenglas behoorden
tot de lekkernijen.

De oude elfenkoning liet zijn gouden kroon met het afschraapsel van
tufsteen oppoetsen; het was best tufsteenschraapsel, en het is voor
den elfenkoning zeer moeilijk, tufsteenschraapsel te verkrijgen. In
de slaapkamer werden de gordijnen opgehangen en met slakkenslijm
vastgemaakt. Ja, er heerschte een geducht gegons en gebrom.

«Nu moet er hier met paardenharen en zwijnenborstels gerookt worden,
dan geloof ik het mijne gedaan te hebben,» zei de huishoudster.

«Vaderlief!» zei de jongste der dochters; «mag ik nu ook weten,
wie de deftige vreemdelingen zijn?»

«Nu ja,» zei hij, «nu moet ik het wel zeggen. Twee van mijn dochters
moeten zich op het huwelijk voorbereid houden; twee zullen er zeker
trouwen. De oude kobold uit Noorwegen, die in het oude Dovre-gebergte
woont en vele klippenkasteelen van veldsteenen en een gouden sieraad
bezit, dat beter is dan men wel denkt, komt met zijn beide zonen,
die een vrouw moeten uitzoeken, hier naar toe. De oude kobold is een
echte, oude, eerlijke Noorweegsche grijsaard, vroolijk en eenvoudig;
ik ken hem uit vroegere dagen, toen wij broederschap met elkander
dronken; hij was hier om zijn vrouw af te halen; nu is zij dood; zij
was een dochter van den koning der krijtrotsen van Möen. Hij nam zijn
vrouw op krijt, zooals men pleegt te zeggen. O, wat verlang ik naar
den Noorweegschen ouden kobold! Zijn zonen moeten, naar men zegt, nog
al ondeugende, neuswijze jongens zijn; maar men kan hun wel ongelijk
aandoen, en zij zullen wel beter worden, als zij wat ouder zijn. Ik
hoop, dat je hen beleefd zult behandelen!»

«En wanneer komen zij?» vroeg een der dochters.

«Dat hangt van weer en wind af,» zei de elfenkoning. «Zij komen met
scheepsgelegenheid hier naar toe. Ik wilde, dat zij over Zweden zouden
gaan; maar de oude man had daar geen ooren naar. Hij gaat niet met
zijn tijd mee, en dat kan ik niet velen!»

Daar kwamen twee dwaallichtjes aanhuppelen, het eene vlugger dan het
andere, en daarom kwam het eene het eerst.

«Zij komen, zij komen!» riepen beiden uit.

«Geef mij mijn kroon en laat mij in den maneschijn staan!» zei de
elfenkoning.

Zijn dochters hieven haar sjaals in de hoogte en bogen zich tot op
den grond.

Daar stond de grijze kobold van Dovre met de kroon van geharde
ijsklompen en gepolijste pijnappels; overigens had hij een berenpels
en groote warme laarzen aan; zijn zonen daarentegen liepen met blooten
hals en met broeken zonder bretels, want het waren krachtige mannen.

«Is dat een heuvel?» vroeg de kleinste der jongelingen en wees naar
den elfenheuvel. «Dat noemen wij bij ons in Noorwegen een gat.»

«Wel, jongen!» zei de grijsaard. «Een gat gaat naar binnen, en een
heuvel gaat naar boven. Heb je dan geen oogen in je hoofd?»

Het eenige, wat hun verwondering hier wekte, zeiden zij, was, dat
zij de taal konden verstaan.

«Men zou haast denken,» zei de grijsaard, «dat je niet goed uitgeslapen
waart.»

En nu gingen zij den elfenheuvel in, waar het waarlijk deftige
gezelschap zich reeds verzameld had, en wel met zulk een haast,
dat men zou denken, dat zij samengewaaid waren. Maar voor iedereen
was het keurig en netjes ingericht. De zeemeerminnen zaten in groote
tobben aan tafel; zij zeiden, dat het precies was, alsof zij thuis
waren. Allen namen de tafelwetten in acht, alleen de beide kleine
Noorsche kobolden niet; deze legden hun beenen op de tafel; want zij
dachten, dat alles hun goed stond.

«De voeten van het tafellaken af!» zei de oude kobold, en nu
gehoorzaamden zij wel is waar, maar toch niet terstond. De dames,
die naast hen aan tafel zaten, kittelden zij met pijnappels, die zij
in den zak bij zich droegen, en toen trokken zij hun laarzen uit,
om gemakkelijker te zitten. Maar hun vader, de oude kobold van Dovre,
was een heel ander man; hij vertelde zoo mooi van de trotsche Noorsche
rotsen en van watervallen, die wit schuimend met een gedruisch als
donderslagen en orgelgeluid neerstortten; hij vertelde van den zalm,
die tegen de neervallende wateren opspringt, als de reus op de gouden
harp speelt; hij vertelde van de heldere winternachten, wanneer de
bellen der sleden klinken en de jongens met brandende fakkels over het
ijs loopen, dat zoo doorzichtig is, dat zij de verschrikte visschen
onder hun voeten zien zwemmen. Ja, hij kon zoo vertellen, dat men zag,
wat hij beschreef; het was juist zoo, alsof er zaagmolens maalden,
alsof er jongens en meisjes liedjes zongen en dansten. En nu gaf de
oude kobold aan de oude elf een hartelijken kus. En toch bestonden
zij elkaar niet.

Nu moesten de elfen dansen, en dat zoowel eenvoudig als met
stampen. Dat ging haar goed af, en toen kwam de kunstmatige dans. O,
wat konden zij haar beenen ver uitsteken; men wist niet, waar het
einde en waar het begin was, wist niet, wat armen en wat beenen waren;
dat ging alles zoo wonderlijk door elkaar; en toen draaiden zij zoo
hard in de rondte, dat het doodenpaard en het grafzwijn er misselijk
van werden en van tafel moesten gaan.

«Sakkerloot!» zei de oude kobold, «wat kunnen zij die beenen wonderlijk
door elkaar haspelen! Maar wat kunnen zij meer dan dansen, de beenen
uitstrekken en wervelwind maken?»

«Dat zult ge spoedig te weten komen,» zei de elfenkoning. En toen
riep hij de oudste van zijn dochters. Zij was zoo behendig en klaar
als maneschijn; zij was de knapste van al de zusters. Zij nam een
witten spaander in den mond, en toen was zij geheel verdwenen: dat
was haar kunst.

Maar de oude kobold zei, dat hij deze kunst bij zijn vrouw niet zou
willen dulden, en hij geloofde ook niet, dat zijn jongens daarvan
hielden.

De andere kon zich zelf ter zijde gaan, alsof zij een schaduw had,
en die hebben de kobolden niet.

De derde was van een heel andere soort; zij had in de brouwerij
der moerasvrouw geleerd, en zij was het, die er verstand van had,
elzenhout met glimwormpjes te lardeeren.

«Dat zou een goede vrouw zijn,» zei de oude kobold, en daarop knikte
hij haar toe.

Nu kwam de vierde; die had een groote harp om te spelen; en toen zij
de eerste snaar aansloeg, tilden allen het linkerbeen op; want de
kobolden zijn linksch, en toen zij de tweede snaar aansloeg, moesten
allen doen, wat zij wilde.

«Dat is een gevaarlijke vrouw!» zei de oude kobold; maar zijn beide
zonen gingen den heuvel uit, want nu hadden zij er genoeg van.

«En wat kan uw dochter, die nu volgt?» vroeg de grijze kobold.

«Ik heb geleerd, Noorwegen lief te hebben,» zeide zij, «en nimmer
zal ik trouwen, als ik niet naar Noorwegen kan gaan.»

Maar de jongste der zusters fluisterde den grijsaard toe: «Dat is
maar, omdat zij uit een Noorweegsch lied gehoord heeft, dat, als de
wereld vergaat, de Noorsche klippen toch als gedenksteenen zullen
blijven staan, en daarom wil zij er naar toe, want zij is erg bang
voor den dood.»

«Wel zoo!» zei de oude kobold, «was het zoo gemeend? Maar wat kan de
zevende en laatste?»

«De zesde gaat voor de zevende!» zei de elfenkoning, want hij kon
goed rekenen; maar de zesde wilde niet recht voor den dag komen.

«Ik kan de menschen slechts de waarheid zeggen,» zeide zij. «Om
mij bekommert niemand zich, en ik heb er genoeg mee te doen, mijn
lijkkleed te naaien.»

Nu kwam de zevende en laatste, en wat kon die? Ja, die kon sprookjes
vertellen, en wel zooveel, als zij maar wilde.

«Hier zijn mijn vijf vingers,» zeide de oude kobold; «vertel mij er
nu een van elken vinger!»

En zij greep hem om zijn pols vast, en hij lachte, dat hij schudde,
en toen zij aan den ringvinger kwam, die een gouden ring om zijn lijf
had, alsof hij al wist, dat er een verloving zou plaats hebben, zei
de oude kobold: «Houd vast, wat ge hebt; deze hand behoort aan u toe;
u wil ik zelf tot vrouw hebben!»

En het elfenmeisje zei, dat het sprookje van den ringvinger en van
den pink nog ontbraken.

«Die zullen wij van den winter wel hooren,» zei de oude kobold,
«en van den denneboom zullen wij hooren en van den berk en van de
geestengeschenken en van den vorst! Gij moet maar vertellen; want
daar heeft niemand bij ons zoo goed den slag van!--En dan zullen wij
in de steenen kamer, waarin pijnhout brandt, zitten en mee uit de
gouden horens der oude Noorweegsche koningen drinken; de reus heeft
mij een paar gegeven; en als wij daar zitten, dan komt de heks een
bezoek afleggen; zij zingt voor u al de liedjes der herdersmeisjes in
het gebergte. Dat zal vroolijk worden! De zalm zal tegen den waterval
opspringen en met zijn staart tegen de steenen muren aanslaan; maar
hij komt er toch niet in!--Ja, het is plezierig wonen in het lieve,
oude Noorwegen! Maar waar zijn de jongens?»

Ja, waar waren die? Zij liepen op het veld rond en bliezen de
dwaallichtjes uit, die zoo goedhartig geweest waren om den fakkeltocht
te brengen.

«Waarom loop je toch zoo rond te dwalen?» vroeg de oude kobold. «Ik heb
mij een moeder voor je genomen, nu kun jelui een van de tantes nemen.»

Maar de jongens zeiden, dat zij het liefst een redevoering wilden
houden en op de verbroedering drinken; in trouwen hadden zij geen
lust.--En nu hielden zij redevoeringen, dronken op hun verbroedering en
deden de nagelproef, om te bewijzen, dat zij hun glazen leeggedronken
hadden. Later trokken zij hun jassen uit en legden zich op de tafel
neer, om te slapen, want zij maakten geen omslag. Maar de oude kobold
danste met zijn jonge bruid de kamer rond en wisselde laarzen met haar;
want dat staat deftiger, dan ringen te wisselen.

«Nu kraait de haan!» zei de oude elf, die het huishouden waarnam. «Nu
moeten wij de luiken sluiten, opdat de zon ons niet verbrande!»

En nu sloot de heuvel zich.

Maar buiten liepen de hagedissen in den gebarsten boom op en neer,
en de eene zei tegen de andere:

«O! wat is die Noorweegsche oude kobold mij uitmuntend bevallen!»

«Mij bevallen de jongens beter!» zei de regenworm. Maar hij kon immers
niet zien, het ellendige dier!



DE ENGEL.


«Zoo dikwijls een goed kind sterft, daalt er een engel uit den hemel
op de aarde neer, neemt het doode kind in zijn armen, spreidt zijn
groote, witte vleugelen uit, vliegt over alle plaatsen, die het kind
heeft liefgehad, en plukt een handvol bloemen, waarmee hij naar God
opstijgt, opdat zij daar nog schooner dan op aarde mogen bloeien. De
goede God drukt al de bloemen aan Zijn hart, maar de bloem, welke
Hem het liefst is, geeft Hij een kus, en dan krijgt zij een stem en
kan in het groote hemelkoor meezingen!»

Dat alles vertelde een engel Gods, terwijl hij een dood kind naar den
hemel droeg, en het kind hoorde hem aan, als ware het in den droom;
en zij vlogen voort over die plekjes, waar de kleine gespeeld had,
en kwamen door tuinen met heerlijke bloemen.

«Welke bloem zullen wij nu meenemen en in den hemel planten?» vroeg
de engel.

Daar stond een slank, prachtig rozeboompje, maar een moedwillige hand
had den stam geknakt, zoodat al de takken vol half ontplooide knopjes
er verdord aan hingen.

«Dat arme rozeboompje!» zei het kind. «Neem het mede, opdat het
daarboven bij God moge bloeien!»

En de engel nam het, kuste het kind daarvoor, en de kleine deed zijn
oogen half open. Zij plukten van de prachtigste bloemen, maar namen
ook het verachte boterbloempje en het wilde vergeet-mij-nietje mee.

«Nu hebben wij bloemen!» zei het kind, en de engel knikte; maar
hij vloog nog niet naar God op. Het was nacht, het was doodstil;
zij bleven in de groote stad en zweefden in een der nauwe straten
rond, waar hoopen stroo, asch en vuilnis lagen; het was verhuisdag
geweest. Daar lagen scherven van borden, stukken gips, lompen, oude
hoeden en alles, wat als nutteloos weggeworpen was.

De engel wees te midden van deze verwarring naar eenige scherven van
een bloempot en naar een klomp aarde, die er uitgevallen was en door
de wortels van eene groote, verdorde veldbloem, die niets waard was
en die men daarom op straat geworpen had, bij elkaar gehouden werd.

«Die zullen wij nog meenemen!» zei de engel. «Ik zal je vertellen
waarom, terwijl wij verder vliegen!»

Zij vlogen voort, en de engel vertelde nu:

«Daar in die nauwe straat, in dien lagen kelder woonde eens een arme
knaap; van zijn kindsheid af was hij altijd bedlegerig geweest; als hij
het gezondst was, kon hij het kleine vertrek een paar malen op krukken
rondloopen: dat was alles. Op enkele dagen in den zomer drongen de
zonnestralen gedurende een half uur tot in den kelder door; en als dan
de arme knaap daar zat en zich in de zon koesterde en het roode bloed
door zijn dunne vingers zag, wanneer hij deze voor de oogen hield, dan
heette het, dat hij dien dag uit geweest was. Hij kende het bosch met
zijn heerlijk lentegroen slechts daardoor, dat het zoontje van zijn
buurman hem den eersten beuketak bracht; dien hield hij boven zijn
hoofd en droomde dan, dat hij onder beuken zat, waar de zon scheen
en de vogels zongen. Op zekeren lentedag bracht het zoontje van zijn
buurman hem ook eenige veldbloemen; onder deze bevond zich toevallig
een met den wortel er aan, en daarom werd zij in een bloempot geplant
en dicht bij het bed voor het raam geplaatst. De bloem was door een
gelukkige hand geplant: zij groeide, kreeg nieuwe scheuten en droeg
ieder jaar bloemen. Zij werd de heerlijkste bloemtuin voor den zieken
knaap, zijn kleine schat hier op aarde; hij begoot en verpleegde haar,
en zorgde er voor, dat zij iederen zonnestraal tot den laatsten, die
door het kleine raampje scheen, kreeg; en de bloem zelf groeide in
zijn droom; want voor hem bloeide en geurde zij; tot haar wendde hij
zich in den dood, toen de Heer hem riep.--Een jaar is hij nu bij God
geweest; een jaar heeft de bloem vergeten voor het raam gestaan en
is verdord; zij werd daarom bij het verhuizen op den vuilnishoop op
de straat geworpen. En dit is de bloem, de arme, verdorde bloem, die
wij in onzen bloemruiker opgenomen hebben, want deze bloem heeft meer
vreugde verschaft dan de prachtigste bloem in den tuin eener koningin!»

«Maar hoe weet ge dit alles?» vroeg het kind, dat door den engel naar
den hemel gedragen werd.

«Ik weet het,» zei de engel. «Want ik was zelf die kleine, zieke knaap,
die op krukken liep! Mijn bloem ken ik wel!»

Het kind deed zijn oogen wijd open en keek den engel in het schoone,
vroolijke gelaat; en op hetzelfde oogenblik bevonden zij zich in Gods
hemel, waar vreugde en zaligheid heerschten. En God drukte het doode
kind aan Zijn hart, en nu kreeg het vleugels, evenals de andere engel,
en vloog aan zijn hand mee. En God drukte al de bloemen aan Zijn hart;
maar de arme, verwelkte veldbloem kuste Hij; en zij kreeg een stem en
zong met al de engelen, die Gods troon omzweefden, enkelen dichtbij,
anderen om hen heen in groote kringen, gedurig verder en verder,
in het oneindige, maar allen even gelukkig. En allen zongen zij,
kleinen en grooten, het goede, gezegende kind en de arme veldbloem,
die daar verwelkt gelegen had, weggeworpen in het vuilnis, onder het
ontuig van den verhuisdag, in de nauwe donkere straat.



DE NIEUWE KLEEREN VAN DEN KEIZER.


Daar was eens--'t is al vele jaren geleden--een keizer, die zoo
ontzaglijk veel van nieuwe kleeren hield, dat hij al zijn geld uitgaf
om mooi gekleed te gaan. Hij bekommerde zich niet om zijn soldaten,
hij bekommerde zich niet om den schouwburg, en hield er slechts van,
uit rijden te gaan, om zijn nieuwe kleeren te laten zien. Hij had
voor ieder uur van den dag een afzonderlijken rok, en, evenals men
van een koning zegt, dat hij in den raad is, zoo zei men hier altijd:
«De keizer is in zijn kleedkamer!»

In de groote stad, waar hij woonde, ging het zeer vroolijk toe: iederen
dag vertoonden zich daar vele vreemdelingen. Op zekeren dag kwamen
er ook twee bedriegers; dezen gaven zich voor wevers uit en zeiden,
dat zij de mooiste stoffen, die men zich maar kon voorstellen, konden
weven. De kleuren en het fatsoen waren niet alleen allerprachtigst,
maar de kleeren, welke van die stoffen vervaardigd werden, bezaten
de verwonderlijke eigenschap dat zij voor iedereen, die niet voor
zijn ambt deugde of die oliedom was, onzichtbaar waren.

«Dat zullen wel prachtige kleeren zijn,» dacht de keizer; «als ik deze
had, dan zou ik er achter kunnen komen, welke mannen in mijn rijk voor
het ambt, dat zij bekleeden, niet deugen; dan zou ik de verstandigen
van de dommen kunnen onderscheiden. Ja, zulke kleeren moeten er
terstond voor mij geweven worden!» En hij gaf aan de beide bedriegers
veel geld vooruit, opdat zij een begin met hun arbeid konden maken.

Zij stelden nu twee weefgetouwen op en deden alsof zij werkten, maar
zij hadden volstrekt niets op deze weefgetouwen. Toch verlangden zij
de fijnste zijde en het prachtigste goud: dit staken zij in hun eigen
zakken en werkten tot laat in den nacht aan de leege weefgetouwen.

«Ik zou toch wel eens willen weten, hoe ver zij al met de kleeren
zijn!» dacht de keizer. Maar het was hem werkelijk bang te moede,
als hij er aan dacht, dat diegene, die dom was of niet voor zijn
ambt deugde, ze niet zou kunnen zien. Nu geloofde hij wel is waar,
dat hij voor zich zelf niets te vreezen had; doch hij wilde toch
eerst maar een ander zenden, om eens te zien, hoe het er mee gesteld
was. Alle menschen in de geheele stad wisten, welk een bijzondere
kracht die kleeren bezaten, en allen waren verlangend om te zien,
hoe slecht of hoe dom hun buurman was.

«Ik zal mijn ouden, eerlijken minister naar de wevers toe zenden!»
dacht de keizer. «Hij kan het best beoordeelen, hoe de kleeren er
uitzien; want hij bezit verstand, en niemand is beter voor zijn ambt
geschikt dan hij!»

Nu trad de goede, oude minister de zaal binnen, waarin de beide
bedriegers zaten en aan de leege weefgetouwen arbeidden.

«De Hemel beware mij!» dacht de oude minister en spalkte zijn oogen
wijd open; «ik kan er niets van zien!» Maar dat zei hij niet.

De beide bedriegers verzochten hem naderbij te komen, en vroegen,
of het geen prachtige stof en geen fraaie kleuren waren. Daarop wezen
zij naar het leege weefgetouw, en de arme, oude minister spalkte zijn
oogen nog wijder op; maar hij kon niets zien, want er was ook niets
te zien. «Lieve hemel!» dacht hij, «zou ik nu zoo dom zijn? Dat had
ik nooit gedacht, en dat mag niemand weten! Zou ik niet voor mijn ambt
deugen? Neen, het gaat niet aan, te vertellen, dat ik de kleeren niet
heb kunnen zien!»

«Welnu, ge zegt er niets van,» zei een der wevers.

«O, 't is prachtig, 't is allerkeurigst!» antwoordde de oude minister
en keek door zijn bril. «Welk een fijne stof! Welke levendige
kleuren!--Ja, ik zal tegen den keizer zeggen, dat het mij best bevalt.»

«Nu, dat doet ons genoegen,» zeiden de beide wevers, en daarop noemden
zij de kleuren met name en gaven een verklaring van het zonderlinge
fatsoen. De oude minister paste goed op, dat hij hetzelfde zou kunnen
zeggen, als hij bij den keizer terugkwam, en dat deed hij ook.

Nu verlangden de bedriegers meer geld, meer zijde en meer goud, dat
zij bij het weven moesten gebruiken. Zij staken alles in hun eigen
zakken. Op het weefgetouw kwam geen enkele draad; maar zij gingen
voort, evenals tot hiertoe, aan het leege weefgetouw te arbeiden.

De keizer zond er al spoedig daarop weer een anderen eerlijken
staatsman naar toe, om eens te zien, hoe het met het weven ging en
of zijn kleeren haast gereed waren. Het ging met dezen evenals met
den eerste: hij keek al en keek al, maar omdat er behalve het leege
weefgetouw niets was, kon hij ook niets zien.

«Dom ben ik niet!» dacht de man. «Dus deug ik niet voor mijn ambt. Dat
is gek genoeg, maar ik moet dit niet laten blijken!» en zoo roemde hij
het kleed, dat hij niet zag, en betuigde hun zijn ingenomenheid met de
heerlijke kleuren en het sierlijke fatsoen. «O, 't is allerkeurigst!»
zei hij tegen den keizer.

Alle menschen in de stad spraken over de prachtige kleeren.

Nu wilde de keizer ze zelf zien, terwijl ze nog op het weefgetouw
waren. Met een geheele schare van uitgelezen mannen, waaronder zich
ook de beide eerlijke staatslieden bevonden, die er reeds vroeger
geweest waren, ging hij naar de beide listige bedriegers toe, die
uit al hun macht weefden, maar zonder draden.

«Is dat niet prachtig?» zeiden de beide oude staatslieden, die er reeds
eenmaal geweest waren. «Kijk eens, Uwe Majesteit! welk een keurige
stof, welke schitterende kleuren!» En daarbij wezen zij naar het ledige
weefgetouw, want zij dachten, dat de anderen de stof wel konden zien.

«Hoe nu?» dacht de keizer, «ik zie niets hoegenaamd! Ben ik
dan zoo dom? Deug ik dan volstrekt niet voor keizer? Dat zou
het verschrikkelijkste zijn, wat mij kon overkomen.»--«O, het
is allerprachtigst,» zei hij daarop overluid. «Het heeft mijn
allerhoogsten bijval!» En hij knikte tevreden en keek naar het leege
weefgetouw; want hij wilde niet zeggen, dat hij niets kon zien. Het
geheele gevolg, dat hij bij zich had, keek en keek, en wist evenmin,
wat het er aan had, als al de anderen; maar zij zeiden, evenals de
keizer: «O, dat is prachtig!» En zij rieden hem deze nieuwe prachtige
kleeren bij gelegenheid van den plechtigen optocht, die er zou gehouden
worden, voor het eerst aan te trekken. «Het is heerlijk, prachtig,
schitterend!» zoo ging het van mond tot mond; men scheen er overal
hoog mee ingenomen te zijn, en de keizer verleende de bedriegers den
titel van keizerlijke hofwevers.

Den geheelen nacht, die vooraf ging aan den morgen, waarop de
feestelijke optocht zou gehouden worden, waren de bedriegers op en
hadden wel zestien lichten opgestoken. De menschen konden zien,
dat zij druk bezig waren, de nieuwe kleeren van den keizer af te
werken. Zij deden, alsof zij de stof van het weefgetouw afnamen,
zij knipten met groote scharen in de lucht, zij naaiden met naalden
zonder draden en zeiden eindelijk: «Nu zijn de kleeren klaar!»

De keizer ging er met de voornaamste heeren van zijn hof zelf naar toe,
en de beide bedriegers hieven hun eenen arm in de hoogte, alsof zij
iets vasthielden en zeiden: «Kijk eens! Hier is de broek! Hier is de
rok! Hier is de mantel!» En zoo voort. «Het is zoo licht als spinrag;
men zou zeggen, dat men niets aan het lijf had; maar dat maakt er
juist het mooie van uit!»

«Prachtig!» riepen al de heeren uit; maar zij konden er niets van zien;
want er was ook niets te zien.

«Gelieft Uwe Majesteit thans uw kleeren uit te trekken,» zeiden de
bedriegers, «dan zullen wij ze u aantrekken, hier voor den grooten
spiegel.

De keizer trok al zijn bovenkleeren uit, en de bedriegers deden, alsof
zij hem ieder stuk der nieuwe kleeren, die gereed waren, aantrokken;
en de keizer bekeek zich in den grooten spiegel.

«O, wat staan zij goed, wat zitten zij prachtig!» zeiden allen. «Welk
een keurig fatsoen, welke schitterende kleuren! Dat is een prachtig
pak!»

«Buiten staan ze met den troonhemel, die bij gelegenheid van den
plechtigen optocht boven Uwe Majesteit gedragen zal worden,» meldde
de opperceremoniemeester.

«Kijk maar eens, ik ben al klaar!» zei de keizer. «Staan ze mij niet
goed?» En daarop begaf hij zich nogmaals naar den spiegel want het
moest den schijn hebben, alsof hij zijn sierlijke kleeding daarin
eens goed bekeek.

De kamerheeren, die den sleep moesten dragen, grepen met de handen
naar den grond, alsof zij den sleep optilden; zij deden, alsof zij
iets in de hoogte hielden; zij waagden het niet, te laten merken,
dat zij niets konden zien.

Zoo ging de keizer in een plechtigen optocht onder den prachtigen
troonhemel, en alle menschen op de straat en voor de ramen zeiden: «O,
wat zijn de kleeren van den keizer mooi! Wat staan ze hem goed! Welk
een langen sleep heeft hij er aan!» Niemand wilde laten merken, dat
hij niets zag, want dan zou hij immers niet voor zijn ambt gedeugd
hebben of oliedom geweest zijn. Nooit waren de kleeren van den keizer
zoozeer bewonderd als dezen keer.

«Maar hij heeft immers niets aan!» zei eindelijk een klein kind. «Hoor
de stem der onschuld nu eens aan!» zei zijn vader; en de een fluisterde
den ander toe, wat het kind gezegd had.

«Maar hij heeft immers niets aan!» riep eindelijk het geheele volk. Dit
trof den keizer; want het kwam hem voor, dat men gelijk had; maar
hij dacht bij zich zelf: «Nu moet ik mij goed blijven houden!» En de
kamerheeren liepen nog deftiger en droegen den sleep, die er niet was.



DE MESTKEVER.


Het lievelingspaard van den keizer kreeg een gouden beslag, een gouden
hoefijzer aan iederen poot.

Maar waarom dat?

Het was een verwonderlijk mooi beest, had fijne pooten,
schrandere, heldere oogen en manen, die als een sluier over zijn
hals neerhingen. Het had zijn meester door kruitdamp en kogelregen
gedragen, had de kogels hooren zingen en fluiten, had gebeten,
geslagen en meegestreden, toen de vijanden op hem indrongen, was met
zijn keizer over het gevallen paard van den vijand heengesprongen,
had de kroon van goud, het leven van zijn keizer gered,--en daarom
kreeg het paard van den keizer gouden hoefijzers.

Er kwam een mestkever aankruipen. «Eerst de grooten, dan de kleinen,»
zeide hij; «maar in de grootte alleen zit het hem niet.» En daarbij
strekte hij zijn dunne pooten uit.

«Wat moet je hebben?» vroeg de hoefsmid.

«Een gouden hoefbeslag,» antwoordde de mestkever.

«Och, je bent zeker niet wijs!» riep de smid uit. «Wil je ook een
gouden hoefbeslag hebben?»

«Een gouden hoefbeslag, jawel!» zei de mestkever. «Ben ik dan
niet even goed als dat groote dier daar, dat opgepast en geroskamd
wordt en dat men eten en drinken voorzet? Behoor ik ook niet in den
keizerlijken stal?»

«Maar waarom krijgt het paard een gouden hoefbeslag?» vroeg de
smid. «Begrijp je dat niet?»

«Begrijpen?--Ik begrijp, dat het een geringschatting van mijn persoon
is,» zei de mestkever; «het geschiedt om mij te krenken, en daarom
ga ik ook de wijde wereld in.»

«Ga je gang maar!» zei de smid.

«Gemeene kerel, die je bent!» zei de mestkever, en toen ging hij den
stal uit, vloog een klein eindje weg en bevond zich al spoedig daarop
in een mooien bloemtuin, waar het van rozen en lavendel geurde.

«Is het hier niet allerprachtigst?» vroeg een der kleine insecten,
die met hun roode, sterke, met zwarte stipjes bezaaide vlerkjes daarin
rondvlogen. «Wat is het hier heerlijk, wat is het hier schoon!»

«Ik ben het beter gewend,» zei de mestkever. «Noem je het hier mooi. Er
is niet eens een mesthoop?»

Daarop ging hij verder onder de schaduw van een groote violier:
daar kroop een rups.

«Wat is de wereld toch schoon!» zei de rups. «De zon is zoo warm,
alles zoo vergenoegd! En als ik eenmaal in slaap val en sterf, zooals
zij het noemen, dan ontwaak ik als een kapel.»

«Wat verbeeldt je je wel,» zei de mestkever, «als kapel rond te
vliegen? Ik kom uit den stal van den keizer; maar niemand daar,
zelfs niet het lievelingspaard van den keizer, dat toch mijn
afgelegde gouden schoenen draagt, beeldt zich zoo iets in. Vleugels
krijgen! Vliegen! Ja, maar nu vliegen wij!» En hierop vloog de
mestkever weg. «Ik wil mij niet ergeren, maar erger mij toch!» zei
hij onder het wegvliegen.

Al spoedig daarop streek hij op een groot grasperk neer; hier lag
hij een poos; eindelijk viel hij in slaap.

Een stortregen stroomde er eensklaps uit de wolken neer. De mestkever
ontwaakte van het rumoer en wilde zich in den grond verschuilen,
maar dit gelukte hem niet: hij werd al om en om gekeerd; nu eens
dreef hij op den buik, dan weer op den rug, aan vliegen viel niet te
denken;--hij twijfelde er aan, of hij wel levend van deze plaats zou
wegkomen. Hij lag, waar hij lag, en bleef daar ook liggen.

Toen het weer een weinig tot bedaren gekomen was en de mestkever het
water uit zijn oogen weggepinkt had, zag hij iets wits schemeren:
het was een stuk linnen, dat op de bleek lag; hij ging er heen en
kroop tusschen een plooi van het natte linnen. Daar lag hij wel
is waar anders dan op den warmen mesthoop in den stal; maar iets
beters was hier niet voorhanden, en daarom bleef hij, waar hij
was, bleef er een geheelen dag, een geheelen nacht, en ook de regen
bleef. Tegen den morgen kroop hij tevoorschijn; hij ergerde zich over
de weersgesteldheid.

Op het linnen zaten twee kikvorschen; hun heldere, oogen straalden
van louter plezier. «Wat is het heerlijk weer!» zei de eene, «hoe
verfrisschend! En het linnen houdt het water zoo mooi bij elkander;
het krabbelt mij in de achterpooten, alsof ik moest zwemmen.»

«Ik zou wel eens willen weten,» zei de andere, «of de zwaluw, die zoo
ver rondvliegt, op haar vele reizen in het buitenland een beter klimaat
dan het onze gevonden heeft. Zulk een nattigheid! Het is waarlijk,
alsof men in een natte sloot lag! Wie zich daarin niet verheugt,
heeft zijn vaderland niet lief.»

«Ben je dan niet in den stal van den keizer geweest?» vroeg de
mestkever. «Daar is de vochtigheid warm en geurig: dat is mijn klimaat;
maar dat kan men niet op reis meenemen. Is er hier in den tuin geen
mesthoop, waar personen van een aanzienlijken stand zooals ik zich
te huis kunnen voelen en logeeren?»

De kikvorschen begrepen hem niet of wilden hem niet begrijpen.

«Ik vraag nooit tweemaal!» zei de mestkever, nadat hij reeds driemaal
gevraagd en geen antwoord gekregen had.

Daarop ging hij een eindje verder en stiet nu op een potscherf, die
daar wel is waar niet had moeten liggen, maar zooals zij lag, gaf zij
een goede beschutting tegen weer en wind. Hier woonden verscheidene
familiën van oorwormen; deze hadden geen hooge eischen,--alleen
gezelligheid. De vrouwelijke individuen zijn vol van de teederste
moederliefde, en daarom prees ook iedere moeder haar kind als het
schoonste en verstandigste.

«Ons zoontje heeft zich verloofd!» zei een moeder. «Het is een beste
jongen. Zijn geheele streven is daarheen gericht, eenmaal in het
oor van een geestelijke te komen. Zijn verloving bewaart hem voor
uitspattingen! Welk een vreugde voor een moeder!»

«Onze zoon,» sprak een andere moeder, «was, zoodra hij uit het ei
gekropen was, ook dadelijk in de weer; het is alles leven en vuur
aan hem! Hij loopt zich de horens af! Welk een vreugde voor een
moeder! Niet waar, mijnheer de mestkever?»

«Je hebt beiden gelijk!» zei de mestkever; en nu verzocht men hem,
de kamer binnen te treden, zoo ver hij namelijk onder de potscherf
kon komen.

«Nu zie je ook mijn klein oorwurmpje!» zeiden een derde en een vierde
van de moeders. «Het zijn lieve kinderen en zij houden veel van een
grapje. Zij zijn nooit ondeugend, als zij ten minste geen buikpijn
hebben; maar op hun leeftijd krijgt men dat maar al te gemakkelijk!»

Op deze wijze sprak iedere moeder over haar kindertjes, en de
kindertjes spraken mee en gebruikten hun kleine scharen, die zij aan
den staart hebben, om den mestkever aan den baard te trekken.

«Ja, zij moeten ook altijd wat doen, die kleine schalkjes!» zeiden
de moeders. Maar dat verveelde den mestkever; hij vroeg daarom,
of hij nog ver van den mesthoop verwijderd was.

«Die is buiten in de wijde wereld, aan gene zijde van de sloot,»
antwoordde een oorworm; «zoo ver zal, naar ik hoop, geen mijner
kinderen gaan; dat zou mij den dood aandoen!»

«Zoo ver zal ik toch trachten te komen,» zei de mestkever en
verwijderde zich zonder afscheid te nemen; want dat staat immers
deftig.

Bij de sloot trof hij verscheidene van zijn soort aan, allemaal
mestkevers.

«Hier wonen wij!» zeiden zij. «Wij hebben het hier heel gezellig! Mogen
wij je ook uitnoodigen, in het vette slijk af te klimmen? De reis is
zeker vermoeiend voor je geweest!»

«Zeker!» sprak de mestkever. «Ik was aan den regen blootgesteld en heb
op linnen moeten liggen. Ook heb ik scheuren in mijn eenen vleugel,
omdat ik onder een potscherf in den tocht gestaan heb. Het is inderdaad
een waar genot voor mij, weer eens onder mijns gelijken te zijn.»

«Kom je misschien van den mesthoop?» vroeg de oudste.

«Van heel wat deftiger plaats!» zei de mestkever. «Ik kom uit den stal
van den keizer, waar ik met gouden schoenen aan de pooten geboren ben;
ik ben op reis ter volbrenging van een geheimen last; doch je moet
mij daarover maar niet uithooren, want ik verraad het toch niet.»

Daarop klom de mestkever in het vette slijk af. Daar zaten drie
jonge mestkeverinnen; zij meesmuilden, omdat zij niet wisten, wat
zij zouden zeggen.

«Geen van de drie is nog verloofd,» zei de moeder; en de jonge dames
meesmuilden op nieuw, ditmaal uit verlegenheid.

«Ik heb ze in de keizerlijke stallen niet mooier gezien,» zei de
mestkever, terwijl hij uitrustte.

«Bederf mijn dochters niet; spreek niet tegen haar, of het moest zijn,
dat je werkelijk plan op een van haar hadt!--Maar dat heb je zeker wel,
en ik geef er mijn zegen op!»

«Hoera!» riepen al de andere mestkevers uit, en onze mestkever was
nu verloofd. Op de verloving volgde de bruiloft dadelijk; want er
bestond geen reden om deze uit te stellen.

De volgende dag verliep zeer aangenaam, de daarop volgende ook nog
al; maar den derden dag moest hij reeds op voedsel voor zijn vrouw,
misschien zelfs wel voor zijn kinderen bedacht zijn.

«Ik heb mij laten misleiden!» dacht de mestkever; «er blijft mij dus
niets anders over, dan ze ook te misleiden!»

Zoo gezegd, zoo gedaan! Weg was hij, den heelen dag bleef hij uit,
den heelen nacht bleef hij uit,--en zijn vrouw zat daar als een
weduwe. «O,» zeiden de andere mestkevers, «hij, dien wij in de familie
opgenomen hebben, is een echte landlooper: hij is weggegaan en laat
zijn vrouw ten onzen laste achter!»

«Welnu, dan moet zij maar weer voor een meisje doorgaan,» zei de
moeder, «en als mijn kind hier blijven. Schande over den booswicht,
die haar verlaten heeft!»

De mestkever was ondertusschen gedurig verder gereisd en op een
koolblad over de sloot gezeild. Den volgenden morgen kwamen er twee
personen bij de sloot; toen zij hem zagen, tilden zij hem op, draaiden
hem om en om, stelden zich beiden heel geleerd aan, inzonderheid
een van hen,--een jongen. «Allah ziet de zwarte mestkevers in den
zwarten steen, in de zwarte rots! Niet waar, zoo staat er in den
Koran geschreven?» Daarop vertaalde hij den naam van den mestkever
in het Latijn en verdiepte zich in diens geslacht en aard. De tweede
persoon, een oudere geleerde, was er voor, hem mee naar huis te nemen;
zij hadden daar, zei hij, even goede exemplaren noodig, en dat--zoo
kwam het onzen mestkever voor,--was niet beleefd gesproken, en daarom
vloog hij hem plotseling uit de hand. Daar hij nu droge vleugels had,
vloog hij een vrij groot eind voort en bereikte den mesthoop, waarop
hij plaats nam en zich in den verschen mest begroef.

«Hier is het heerlijk!» zei hij.

Al spoedig daarop viel hij in slaap, en nu droomde hij, dat het
lievelingspaard van den keizer doodgevallen was en hem zijn gouden
hoefijzers gegeven en de belofte gedaan had, zijn andere twee pooten
ook te laten beslaan.

Dat was zeer aangenaam. Toen de mestkever wakker werd, kroop hij te
voorschijn en keek eens in het rond. Welk een pracht heerschte er
op den mesthoop! Op den achtergrond groote palmen, die zich hoog
verhieven; de zon maakte, dat zij doorzichtig schenen, en wat was
daaronder een menigte groen en frissche bloemen, rood als vuur,
geel als barnsteen, wit als versch gevallen sneeuw!

«Dat is een onvergelijkelijke plantenpracht; dat zal smaken, als het
verrot!» zei de mestkever. «Dat is een goede provisiekamer. Hier
wonen zeker bloedverwanten; ik zal eens zien, of ik iemand vind,
met wien ik omgang kan hebben. Trotsch ben ik; dat is mijn trots!»
En nu drentelde hij over den mesthoop rond en dacht aan zijn schoonen
droom van het doode paard en de geërfde hoefijzers.

Daar pakte een hand den mestkever eensklaps beet, drukte hem en
draaide hem om en om.

De zoon van den tuinman en een vriendinnetje van dezen waren bij
den mesthoop gekomen, hadden den mestkever gezien en wilden nu een
grapje met hem hebben. Eerst werd hij in een wingerdblad gewikkeld
en toen in een warmen broekzak gestopt; hij kriebelde en krabbelde
daar naar zijn beste vermogen; daarvoor echter kreeg hij een druk van
de hand van den knaap en werd op deze wijze tot bedaren gebracht. De
knaap ging daarop met rassche schreden naar den grooten vijver toe,
die zich aan het einde van den tuin bevond. Hier werd de mestkever in
een ouden, halfgebroken klomp gezet, daarop werd er een stokje voor
mast ingestoken, en aan dezen mast bond men den mestkever nu met een
wollen draadje vast. Nu was hij schipper en moest zeilen.

De vijver was zeer groot, den mestkever scheen het een oceaan toe,
en hij verwonderde zich daarover zoozeer, dat hij op zijn rug viel
en met zijn pooten lag te trappelen.

Het scheepje zeilde af; de stroom van het water voerde het mee; maar
als deze het te ver van den wal deed afdrijven, dan stroopte een
der jongens zijn broek dadelijk op, stapte in het water en haalde
het weer aan land terug. Eindelijk echter, juist toen het weer in
volle vaart voorwaarts ging, werden de jongens geroepen, dringend
geroepen; zij haastten zich om te komen, liepen van het water weg en
lieten het scheepje aan zijn lot over. Dit dreef nu gedurig meer van
den oever af, gedurig meer naar het midden van den vijver toe; het
was verschrikkelijk voor den mestkever, daar hij niet kon vliegen,
omdat hij aan den mast vastgebonden was.

Daar kreeg hij bezoek van een vlieg. «Wat is het vandaag mooi weer!»
zei de vlieg. «Hier wil ik uitrusten en mij in de zon koesteren. Je
hebt het hier heel prettig.»

«Je spreekt naar je verstand! Zie je dan niet, dat ik vastgebonden
ben?»

«Ik ben niet vastgebonden,» zei de vlieg en vloog weg.

«Ja, nu ken ik de wereld!» sprak de mestkever. «Het is een booze
wereld! Ik ben de eenige fatsoenlijke man op de wereld! Eerst weigert
men mij gouden schoenen; vervolgens moet ik op nat linnen liggen en in
den tocht staan, en eindelijk dringen zij mij nog een vrouw op! Doe
ik daarop een schrede in de wereld en verneem, hoe ik het daar kan
krijgen en hoe ik het graag wou hebben, dan komt er een menschenjongen,
bindt mij vast en geeft mij aan de woeste golven ten prijs, terwijl
het lievelingspaard van den keizer met gouden schoenen rondloopt! Dat
ergert mij nog het meest! Maar op deelneming mag men in deze wereld
niet rekenen! Mijn levensloop is zeer interessant; maar wat baat het,
als niemand dien kent? De wereld verdient het niet, dien te leeren
kennen; zij zou mij anders wel gouden schoenen in den stal van den
keizer gegeven hebben, toen het lievelingspaard beslagen werd en
ik mijn pooten daarom uitstak. Als ik gouden schoenen gekregen had,
dan zou ik een sieraad van den stal geworden zijn; nu heeft de stal
mij verloren, nu heeft de wereld mij verloren. Alles is uit!»

Maar alles was nog niet uit. Er kwam een schuitje, waarin eenige
meisjes zaten, aanroeien.

«Kijk! Daar zeilt een oude klomp!» zei een der meisjes.

«Er zit een diertje aan vastgebonden!» riep een ander uit.

Het schuitje kwam dicht in de nabijheid van het scheepje van
onzen mestkever; de meisjes vischten dit uit het water op; een van
haar haalde een schaartje uit haar zak, knipte het wollen draadje
doormidden, zonder den mestkever eenig leed te doen, en toen zij aan
land kwam, zette zij hem in het gras neer.

«Kruip, kruip! Vlieg, vlieg, als je kunt!» zeide zij. «Vrijheid is
een heerlijk ding!»

De mestkever vloog op en door een openstaand raam van een groot gebouw;
daar viel hij mat en moede neer op de fijne, zachte manen van het
lievelingspaard van den keizer, dat in den stal stond, waar het te
huis was, evenals dit met den mestkever het geval was. De mestkever
klampte zich aan de manen vast, zat een korten tijd doodstil en kwam
wat tot kalmte.

«Hier zit ik op het lievelingspaard van den keizer, zit als keizer op
hem! Maar wat wilde ik ook weer zeggen? Ja, nu schiet het mij weer te
binnen! Dat is een goede gedachte. Waarom krijgt het paard een gouden
hoefbeslag? Zoo vroeg de smid mij immers. Nu wordt deze vraag mij eerst
duidelijk. Ter wille van mij kreeg het paard het gouden hoefbeslag.»

En nu kwam de mestkever in een goede luim. «Men krijgt een ruimen
blik op reis!» zei hij.

De zon wierp haar stralen in den stal op hem neer en maakte het daar
licht en vriendelijk.

«De wereld is, wel bezien, toch zoo boos niet,» zei de mestkever,
«men moet haar maar weten te vatten!»

Ja, de wereld was schoon, omdat het lievelingspaard van den keizer
slechts daarom een gouden hoefbeslag gekregen had, opdat de mestkever
zijn ruiter kon zijn.

«Nu zal ik naar de andere kevers toe gaan en hun vertellen, hoe veel
men voor mij gedaan heeft: ik zal hun al de onaangenaamheden vertellen,
die ik op mijn reis in het buitenland doorgestaan heb, en hun zeggen,
dat ik nu zoo lang te huis zal blijven, totdat het paard zijn gouden
hoefbeslag afgesleten heeft.



DE IJSJONKVROUW.

I.

De kleine Rudy.


Laat ons een bezoek aan Zwitserland brengen, laat ons een reis
doen door het bergland, waar de bosschen tegen de steile rotswanden
aangroeien; laat ons opklimmen naar de verblindend witte sneeuwvelden
en weer neerdalen in de groene weiden, waardoor rivieren en beken
voortbruisen met een vaart, alsof zij de zee niet snel genoeg konden
bereiken en verdwijnen. Verzengend staat de zon boven het diepe dal,
en ook in de hoogte, op de zware sneeuwmassa's brandt zij, zoodat
deze met de jaren tot glinsterende ijsblokken samensmelten en zich
tot rollende lawinen, tot opeengestapelde gletschers vormen. Twee
zulke gletschers liggen er in de breede rotskloven onder den
Schreckhorn en den Wetterhorn, bij het bergstadje Grindelwald;
zij zijn merkwaardig om bezichtigd te worden, en daarom komen er in
den zomer vele vreemdelingen uit de geheele wereld hier naar toe;
zij komen over de hooge, met sneeuw bedekte bergen, zij komen ook
uit de diepe dalen, en dan moeten zij verscheidene uren klimmen, en
terwijl zij klimmen, daalt het dal al dieper; zij zien daarop neer,
alsof zij het uit een luchtbol zagen. Boven hen hangen de wolken
dikwijls als dikke, zware sluiers om de bergtoppen, terwijl beneden
in het dal, waar de vele bruine, houten huizen verstrooid staan,
nog een zonnestraal fonkelt en een plekje in het groen te voorschijn
doet komen, alsof het doorzichtig was. Daar beneden gonst en suist en
bruist het water, daarboven stroomt en babbelt het; het ziet er uit,
alsof er zilveren linten over de rotsen naar beneden fladderden.

Aan beide kanten van den weg, die bergopwaarts loopt, staan houten
huizen; ieder huis heeft zijn aardappeltuin, en deze is onmisbaar:
want vele monden zijn er in die hutten, kinderen zijn hier in menigte,
die altijd grage magen hebben; overal komen zij te voorschijn en
scharen zich om de reizigers, onverschillig of dezen te voet zijn of
in rijtuigen zitten; de geheele kinderschaar drijft hier handel, de
kleinen bieden mooi gesneden huisjes te koop aan in den vorm van die,
welke men hier in het gebergte bouwt. Al moge het regen of zonneschijn
wezen, de kinderen zijn er altijd met hun koopwaren.

Voor omstreeks twintig jaren stond hier dikwijls, maar altijd op
eenigen afstand van de andere kinderen, een kleine jongen, die
ook handel wilde drijven; hij stond daar, zette een heel ernstig
gezicht en hield zijn mars zoo stevig met zijn beide handen vast,
alsof hij niet geneigd was, er iets uit te verkoopen; maar juist
deze ernst en dat het jongentje zoo klein was, maakte, dat hij de
aandacht trok, dikwijls door de vreemdelingen geroepen werd en vaak
den meesten aftrek van zijn koopwaren had; de knaap wist zelf niet
waarom. Een uur hooger, ook in het gebergte, woonde zijn grootvader,
die de fijne, mooie huisjes sneed, en bij den grijsaard in de kamer
stond een groote kast met dergelijke gesneden voorwerpen in menigte:
notenkrakers, messen en vorken, doozen met boomen en springende gemzen,
juist zoo iets aantrekkelijks voor kinderoogen; maar de knaap--Rudy
heette hij--keek met meer plezier en verlangen naar de oude buks,
die onder den balk aan de zoldering hing; zijn grootvader had hem
beloofd, dat hij deze later zou krijgen; maar hij moest eerst groot
en sterk worden, om haar te kunnen hanteeren.

Hoe klein de knaap ook was, toch moest hij reeds de geiten hoeden,
en als hij een goede geitenhoeder mag heeten, die met de dieren weet
te klimmen, dan was Rudy er zeker een; hij klom zelfs een weinig
hooger dan de geiten, hij hield er veel van, de vogelnestjes hoog
boven in de boomen uit te halen; hij was stoutmoedig en driest, maar
glimlachen zag men hem slechts, als hij bij den bruisenden waterval
stond of het neerrollen van een lawine hoorde. Hij speelde nooit met
de andere kinderen; hij kwam slechts dan met dezen in aanraking, als
zijn grootvader hem den berg afzond, om handel te drijven, en van den
handel hield Rudy juist niet bijzonder; hij klom liever alleen op de
bergen rond, of zat bij zijn grootvader en hoorde dezen van den ouden
tijd en van de menschen in het naburige Meiringen, zijn geboorteplaats,
vertellen. De menschen daar, zei de grijsaard, hadden er niet van
oudsher gewoond; zij waren uit het hooge Noorden gekomen, waar hun
stamvaders woonden en Zweden heetten. Rudy beroemde er zich nog al
wat op, dat hij dit wist; maar hij leerde ook nog wat van anderen,
en deze anderen waren zijn huisgenooten, die tot het dierengeslacht
behoorden. Er was een groote hond, die Ajola heette en aan Rudy's
vader toebehoord had, en ook was er een kater; deze kater stond bij
Rudy vooral hoog aangeschreven; die had hem het klimmen geleerd.

«Kom maar eens met mij op het dak!» had de kater gezegd, en wel
duidelijk en verstaanbaar, want als men een kind is en nog niet
kan spreken, dan verstaat men de kippen en de eenden heel goed;
de katten en de honden spreken ons dan even verstaanbaar toe als
vader en moeder, alleen moet men daarvoor nog heel klein zijn; zelfs
grootvaders stok kan dan hinniken, en een geheel paard worden met kop,
pooten en staart. Bij eenige kinderen houdt dit verstaan later dan
bij andere op, en van dezulken zegt men dan, dat zij achterlijk en
heel lang kinderen gebleven zijn. Wat zegt men al niet!

«Kom maar eens met mij op het dak, Rudy!» was zeker wet het eerste,
wat de kater gezegd en Rudy verstaan had. «Wat de menschen van het
naar beneden vallen zeggen, is louter verbeelding: men valt niet,
als men er niet bang voor is. Komaan, zet uw eenen poot zoo en uw
anderen zoo! Voel eerst met uw voorpooten! Ge moet oogen in uw kop
en lenige ledematen hebben! Komt er ergens een kloof, spring dan maar
en houd u vast. Zoo doe ik het!»

En zoo deed Rudy het dan ook; daarom zat hij zoo dikwijls op de
dakvorst bij den kater, zat met hem in de toppen van de boomen, ja,
hoog op den rand van de rots, waar de kater niet kon komen.

«Hooger op!» zeiden boom en struik. «Ziet ge wel, hoe hoog wij kunnen
reiken, hoe wij ons vasthouden, zelfs aan den uitersten smallen kant
van de rots!»

Rudy bereikte de bergtoppen, dikwijls nog voordat de zon daar kwam, en
daar dronk hij zijn morgendrank, de frissche, versterkende berglucht,
dien drank, dien slechts de goede God weet klaar te maken en waarvan de
menschen alleen maar het recept kunnen lezen, waarin geschreven staat:
de frissche geur van de kruiden van den berg, van de kroezemunt en
den tijm van het dal.--Alles, wat zwaar is, zuigen de hangende wolken
in, en de wind slijpt en wrijft ze over de toppen der dennen heen,
de geest van den geur gaat in de lucht over, om haar lichter en
frisscher, gedurig frisscher te maken. En dat was Rudy's morgendrank.

De zonnestralen, die zegenbrengende dochters der zon, kusten zijn
wangen, en de duizeligheid stond op de loer, maar waagde het niet, hem
te naderen, en de zwaluwen van het huis van zijn grootvader, waarop
niet minder dan zeven nesten waren, vlogen naar hem en de geiten op
en zongen: «Wij en gij! Gij en wij!» Zij brachten groeten van huis,
van zijn grootvader, ja, zelfs van de beide kippen, die eenige vogels
in huis, waarmee Rudy zich echter nooit inliet.

Hoe klein hij ook was, had hij toch een reis gedaan, en voor
zoo'n klein jongetje juist geen kleine reis; hij was in het kanton
Walliserland geboren en over de bergen hierheen gedragen; nog kort
geleden had hij te voet den naburigen Staubbach bezocht, die als een
zilveren lint voor den met sneeuw bedekten, verblindend witten berg,
de Jungfrau, in de lucht fladderde. Ook te Grindelwald bij den grooten
gletscher was hij geweest; maar dat was een treurige geschiedenis: daar
vond zijn moeder den dood, daar was de kleine Rudy zijn kinderlijke
vroolijkheid kwijtgeraakt, zei zijn grootvader. «Toen de jongen nog
geen jaar oud was, lachte hij meer dan dat hij huilde,» had zijn moeder
geschreven; «van dien tijd af, waarop hij in de ijskloof gezeten had,
was er een andere geest in hem gevaren.» Zijn grootvader sprak hierover
maar zelden; doch men wist het toch overal in het gebergte.

De vader van Rudy was postiljon geweest; de groote hond, die in de
kamer van zijn grootvader lag, had hem altijd op zijn tocht over den
Simplon naar het meer van Genève vergezeld. In het Rhônedal, in het
kanton Walliserland, woonden nog bloedverwanten van vaderszijde van
Rudy; zijn oom was een onverschrokken gemzenjager en een welbekende
gids.--Rudy was nog maar een jaar oud, toen hij zijn vader verloor, en
zijn moeder verlangde nu met haar kind naar haar bloedverwanten in het
Berner Oberland terug; haar vader woonde eenige uren van Grindelwald
af; hij sneed allerlei houten voorwerpen en verdiende daarmee zoo
veel, dat hij kon leven. In de maand Juni ging zij met haar kind,
in gezelschap van twee gemzenjagers, over den Gemmi naar Grindelwald
toe. Reeds hadden zij het grootste eind afgelegd en waren over den
hoogen bergrug tot in het sneeuwveld gekomen, reeds zagen zij het
dal met de welbekende houten huizen voor zich liggen en hadden nog
slechts een grooten gletscher over te loopen. De sneeuw was versch
gevallen en verborg een kloof, die wel is waar niet tot op den diepen
grond reikte, waar het water bruiste, maar toch altijd dieper dan een
manslengte; de jonge vrouw, die haar kind droeg, gleed uit, viel naar
beneden en was verdwenen; men hoorde geen gil, geen zucht, maar men
vernam het huilen van een klein kind. Meer dan een uur verliep er,
voordat haar beide metgezellen uit de naast bijgelegene huisjes touwen
en stokken gehaald hadden, om zoo mogelijk nog hulp te bieden, en na
veel inspanning haalde men uit de ijskloof twee lijken te voorschijn,
naar het scheen. Allerlei middelen werden er aangewend; het gelukte,
het kind in het leven terug te roepen, maar de moeder niet, en zoo
kreeg de oude grootvader slechts een kleinzoon in huis, een wees,
denzelfden knaap, die meer lachte dan huilde; het scheen echter, alsof
hij nu het lachen geheel verleerd had, en die verandering moest zeker
in de gletscherkloof plaats gegrepen hebben, in de koude, zonderlinge
ijswereld, waar de zielen der verdoemden tot aan den jongsten dag
ingekerkerd zijn,--zooals de Zwitsersche boer gelooft.

Als een bruisend water, tot ijs gestold en samengeperst als tot
groene brokken glas, ligt de gletscher, het eene groote ijsblok op het
andere gestapeld; beneden in de diepte bruist de snelvlietende stroom
van gesmolten sneeuw en vloeibaar geworden ijs; diepe holen, groote
kloven strekken zich daar beneden uit, het is een zonderling glazen
paleis, en hierin woont de ijsjonkvrouw, de gletscherkoningin. Zij,
de doodende, de verpletterende, is half een kind der lucht, half de
machtige gebiedster der rivier; daarom is zij ook bij machte, zich
met de snelheid der gems op den bovensten top van den sneeuwberg te
verheffen, waar de stoutmoedige bergbeklimmers eerst trappen in het
ijs moeten hakken, om hun voeten neer te zetten; zij zeilt op het
dunne dennenreis den snellen stroom langs, en springt daar van het
eene rotsblok op het andere, omfladderd door haar lange, sneeuwwitte
lokken en haar blauwachtig groen gewaad, dat als het water in de
diepe meren van Zwitserland schittert.

«Verpletteren! Vasthouden! Aan mij behoort de macht!» spreekt zij. «Een
schoonen knaap heeft men mij ontstolen, een knaap, dien ik gekust,
maar niet doodgekust heb. Hij is weer onder de menschen, hij hoedt
de geiten op het gebergte, klimt opwaarts, gedurig hooger, ver van de
anderen weg, maar niet van mij! Hij behoort mij toe, ik zal hem halen!»

Zij gaf de duizeligheid bevel, voor haar te handelen; want het was
de ijsjonkvrouw in den zomertijd in het groen, waar de kroezemunt
groeit, te warm; en de duizeligheid klom op en neer; er verhief zich
een, er verhieven zich drie. De duizeligheid heeft vele zusters,
een geheele schaar, en de ijsjonkvrouw koos de sterkste van die
velen, die buiten en binnen haar taak vervullen. Zij zitten op de
balustrades van trappen en torens, zij loopen als katten langs de
kanten der rotsen, zij springen over de balustrades heen, slaan in
de lucht, als de zwemmer in het water, en lokken haar slachtoffer in
den afgrond. De duizeligheid en de ijsjonkvrouw, zij grijpen beiden
naar den mensch, evenals de poliep naar alles grijpt, wat er in haar
nabijheid komt. De duizeligheid moest Rudy grijpen.

«Ja, dien grijpen!» zei de duizeligheid. «Daartoe ben ik niet in
staat! De kat, dat ondier, heeft hem haar kunsten geleerd. Dit
menschenkind bezit een eigenaardige macht, die mij van zich stoot,
ik vermag hem niet te grijpen, dezen knaap, als hij op de takken boven
den afgrond zit, en hoe graag zou ik hem op de voetzolen kittelen of
hem een buiteling in de lucht doen maken! Maar ik ben hiertoe niet
in staat!»

«Wij zullen het wel gedaan krijgen,» zei de ijsjonkvrouw. «Gij of
ik! Ik, ik!»

«Neen, neen,» klonk het om haar heen, alsof het een echo van het
gelui der kerkklokken in de bergen was; maar het was gezang, het was
een samensmeltend koor van andere natuurgeesten, goede, beminlijke
geesten,--het waren de dochters der zonnestralen. Deze legeren zich
iederen avond in een kring rondom den bergtop; daar spreiden zij
haar rooskleurige vleugelen uit, die met het dalen der zon gedurig
schitterender worden en een gloed over de hooge Alpen verspreiden;
de menschen noemen dat «Alpengloed.» Als de zon dan gezonken is,
verbergen zij zich op de bergtoppen in de witte sneeuw en slapen daar,
totdat de zon weer opgaat; dan komen zij op nieuw te voorschijn. Vooral
hebben zij de bloemen, de kapellen en de menschen lief, en onder deze
laatsten hadden zij zich inzonderheid Rudy uitverkoren.

«Ge vangt hem niet! Ge krijgt hem niet!» zeiden zij.

«Grooter en sterker heb ik er wel gevangen!» zei de ijsjonkvrouw.

Nu zongen de dochteren der zon een lied van den reiziger, wiens
mantel de stroom wegvoerde,--de wind nam het hulsel, maar den man
niet; «ge kunt hem wel grijpen, maar niet vasthouden, gij kinderen
der kracht! Hij is sterker dan wij zelfs zijn! Hij klimt hooger dan
de zon, onze moeder, hij bezit het tooverwoord, dat wind en water aan
banden legt, zoodat zij hem moeten dienen en gehoorzamen. Gij maakt
het zware, drukkende gewicht los, en hij verheft zich hooger!»

Heerlijk klonk het koor, als het gelui eener klok.

Iederen morgen drongen de zonnestralen door het eenige raampje het huis
van den grootvader binnen en beschenen het stille kind. De dochters
der zonnestralen kusten het; zij wilden den ijskus ontdooien, doen
smelten en uitwisschen, dien de koninklijke maagd der gletschers hem
gegeven had, toen hij op den schoot van zijn doode moeder in de diepe
ijskloof lag en daaruit als door een wonder gered werd.



II.

De reis naar de nieuwe woning.


Rudy was nu acht jaar oud; zijn oom, die aan gene zijde der bergen
in het Rhônedal woonde, wilde den knaap tot zich nemen, opdat hij
iets zou leeren en beter in de wereld vooruitkomen; dit vond ook zijn
grootvader goed en deze liet hem vertrekken.

Rudy nam alzoo afscheid. Behalve zijn grootvader waren er echter nog
anderen, wien hij vaarwel moest zeggen, en wel in de eerste plaats
Ajola, den ouden hond.

«Uw vader was postiljon en ik was posthond,» zei Ajola. «Wij zijn
ontelbare malen heen en weer gereden, ik ken de honden en ook de
menschen aan gene zijde der bergen. Veel spreken is nooit mijn zaak
geweest; maar thans, nu wij niet lang meer met elkaar te spreken zullen
hebben, wil ik iets meer dan anders zeggen; ik wil u een geschiedenis
vertellen, die ik al lang geweten heb; ik begrijp haar echter niet,
en gij zult haar ook niet begrijpen, maar dat doet er niet toe;
zooveel heb ik er althans uit opgemaakt, dat het in de wereld niet
heel billijk verdeeld is, noch voor honden, noch voor menschen! Niet
allen zijn geschapen om op den schoot te liggen of melk te drinken;
ik ben daaraan niet gewoon; maar ik heb zoo'n hondje wel eens in den
postwagen zien meerijden en daarin de plaats van een mensch innemen;
de dame, wie het beestje toebehoorde, had een fleschje met melk bij
zich, waaruit zij het hondje liet drinken; en koekjes kreeg het,
maar het snuffelde er op zijn hoogst eens even aan en wilde er
niet eens van eten, en daarom at zij de koekjes zelf maar op. Ik
liep in de modder naast het rijtuig mee, zoo hongerig als een hond
maar wezen kan; ik kauwde op mijn eigen gedachten, en dat was niet
zooals het behoort;--maar er moet zooveel anders zijn, dat niet is,
zooals het behoort. Zoudt gij op den schoot willen zitten en in het
rijtuig rijden? Ik gun het u van harte; Maar zelf kan iemand dit
niet gedaan krijgen; ik heb het niet kunnen doen, noch door blaffen,
noch door huilen!»

Dat waren de woorden van Ajola, en Rudy omhelsde hem en kuste hem
hartelijk op zijn natten snoet; daarop nam hij den kater op zijn arm,
maar deze verzette zich hiertegen.

«Ge wordt mij te sterk, en tegen u wil ik mijn klauwen niet
gebruiken! Klim maar over de bergen, ik heb u het klimmen immers
geleerd! Verbeeld u maar niet, dat ge naar beneden zult vallen,
dan blijft ge wel hangen!»

Dit zeggende sprong de kater weg; want hij wilde niet, dat Rudy zou
merken, hoe de treurigheid hem in de oogen te lezen stond.

De kippen liepen trotsch in de kamer rond; een had haar staart
verloren; een reiziger, die jager wilde zijn, had haar dien
afgeschoten; de kerel had de kip voor een roofvogel aangezien.

«Rudy wil over de bergen trekken!» zei de eene kip.

«Hij heeft altijd zoo'n haast!» zei de andere, «ik neem niet graag
afscheid!» En nu trippelden zij beiden weg.

Ook de geiten zei hij vaarwel, en deze deden een «Mê, mê!» hooren en
wilden meegaan: dat was zeer treurig.

Twee flinke gidsen uit de omstreken, die over de bergen naar den
anderen kant van den Gemmi wilden, namen Rudy mee; hij volgde hen te
voet. Het was een stevige marsch voor zulk een knaap, maar hij had
goede krachten, en zijn moed begaf hem niet.

De zwaluwen vlogen een eind mee. «Wij en gij! Gij en wij!» zongen
zij. De weg liep over den snelvlietenden Lutschine, die uit vele kleine
stroomen uit de zwarte kloof van den Grindelwaldgletscher ontstaat. Als
bruggen dienen hier losliggende boomstammen en rotsblokken. Toen
zij bij het Ellernwald aangekomen waren, begonnen zij den berg te
beklimmen, waar de gletscher zich van den bergrug losgerukt had,
en liepen nu over en om ijsblokken heen naar den gletscher toe. Rudy
moest nu eens een eindje kruipen, dan weer een eindje loopen; zijn
oogen straalden van louter vreugde, en hij trapte zoo vast met zijn
met ijzer beslagen bergschoenen, alsof hij bij iederen stap een spoor
moest achterlaten. De zwarte aarde, die de bergstroom op den gletscher
achtergelaten had, gaf dezen het aanzien, alsof hij beschimmeld was,
maar het blauwachtig groene, glasachtige ijs keek er toch doorheen; men
moest de kleine meren omloopen, die zich, door blokken ijs ingedamd,
gevormd hadden, en op zulk een reis kwam men in de nabijheid van een
groot rotsblok, dat waggelend op den rand eener kloof in het ijs lag;
dit rotsblok verloor zijn evenwicht, rolde naar beneden en liet de
echo's uit de diepe, holle kloven der gletschers naar boven klinken.

Het ging maar steeds bergopwaarts; de gletscher zelf liep in
de hoogte als een stroom van woest opeengestapelde ijsmassa's,
die tusschen steile rotsen vastgeklemd zaten. Rudy dacht er een
oogenblik aan, dat hij, zooals men hem verteld had, met zijn moeder
diep beneden in een van deze kille kloven gelegen had, maar al spoedig
werden deze gedachten verbannen, en kwam dit hem voor als de andere
geschiedenissen, waarvan hij er zoo vele had hooren vertellen. Nu en
dan, als de mannen dachten, dat de weg toch wel wat al te bezwaarlijk
voor het knaapje was, staken zij hem een hand toe, maar hij werd niet
moede, en op het gladde ijs stond hij vast als een gems. Zij betraden
nu den rotsgrond en liepen nu eens tusschen naakte rotsen, dan weer
tusschen dennen en over groene weiden, telkens door afwisselende
nieuwe landschappen; in de rondte verhieven zich de sneeuwbergen, wier
namen de «Jungfrau,» de «Mönch» en de «Eiger,» aan ieder kind in die
streken en ook aan Rudy bekend waren. Rudy was vroeger nog nooit zoo
hoog op het gebergte geweest en had nog nooit de uitgestrekte sneeuwzee
betreden; hier lag deze nu met haar onbeweeglijke sneeuwgolven, waarvan
de wind nu en dan een vlok wegblies, evenals hij het schuim van de
golven der zee wegblaast. De gletschers staan hier, om zoo te spreken,
hand aan hand; elke is een glazen paleis voor de ijsjonkvrouw, wier
macht en wil het is, te grijpen en te begraven. De zon scheen warm,
de sneeuw was verblindend en als met blauwachtig witte, fonkelende
diamanten bezaaid. Ontelbare insecten, inzonderheid kapellen en bijen,
lagen bij hoopen dood op de sneeuw neer; zij hadden zich te hoog
gewaagd, of de wind had ze zoo hoog gedragen, totdat zij van de koude
stierven. Om den Wetterhorn hing een dreigende zwarte wolk; zij daalde
naar beneden, opgezwollen van hetgeen zij in zich verborg: een orkaan,
vernielend, wanneer hij losbarst. De indruk van deze geheele reis,
het nachtverblijf hier boven, de latere weg, de diepe rotskloven, waar
het water gedurende een tijdruimte, waarbij de gedachten duizelden,
de rotsblokken doorgezaagd heeft, prentten zich onuitwischbaar in
het geheugen van Rudy.

Een verlaten steenen gebouw aan gene zijde van de sneeuwzee verleende
hun gedurende den nacht beschutting; hier vonden zij houtskolen en
rijshout; al spoedig was er een vuur aangelegd en het nachtleger
gereedgemaakt, zoo goed als het ging; de mannen schaarden zich om
het vuur, rookten hun pijpen en dronken den warmen, geurigen drank,
dien zij zelf toebereid hadden; ook Rudy kreeg zijn aandeel van den
drank, en er werd van het geheimzinnige karakter van het Alpenland,
van de zonderlinge, reusachtige slangen in de diepe meren, van
het heirleger van nachtspoken verteld, dat den slapende door de
lucht naar de wonderbare, drijvende stad Venetië overbracht, van
den wilden herder, die zijn zwarte schapen over de weide dreef;
al had men deze ook niet gezien, in allen gevalle had men toch het
geklingel van hun belletjes gehoord, het schorre geblaat der kudde
vernomen. Rudy luisterde nieuwsgierig, maar zonder eenige vrees;
deze kende hij niet; en terwijl hij luisterde, kwam het hem voor,
alsof hij het spookachtige holle gebrul hoorde; ja, het werd gedurig
duidelijker, ook de mannen hoorden het, hielden met hun gesprekken op,
luisterden en zeiden tegen Rudy, dat hij niet mocht gaan slapen.

Het was een «föhn,» die geweldige stormwind, die zich van de bergen af
in het dal werpt en in zijn woede de boomen knakt, alsof het rietjes
waren, die de houten huizen van den eenen oever naar den anderen
slingert, evenals wij een stuk op het schaakbord verzetten.

Na verloop van omstreeks een uur zeiden zij tegen Rudy, dat het gevaar
nu geweken was en dat hij kon gaan slapen, en vermoeid van de reis,
viel hij als op kommando in slaap.

Den volgenden morgen zetten zij hun tocht weer voort. De zon bescheen
op dezen dag voor Rudy nieuwe bergen, gletschers en sneeuwvelden;
zij waren in het kanton Walliserland gekomen en bevonden zich aan
gene zijde van den bergrug, dien men van uit Grindelwald ziet,
maar zij waren nog ver van Rudy's nieuwe woning verwijderd. Er
vertoonden zich andere kloven, andere weiden, bosschen en rotspaden;
ook andere huizen en andere menschen kwamen te voorschijn, maar wat
voor menschen? Het waren wangedrochten: zij hadden akelige, bolle,
geelachtige gezichten, hun halzen waren zware, leelijke klompen vet,
die als zakken naar beneden hingen; het waren kroplijders; zij sleepten
zich met moeite voort en keken de vreemdelingen met wezenlooze blikken
aan; de vrouwen zagen er vooral afschuwelijk uit. Waren dat de menschen
in zijn nieuwe woonplaats?



III.

De oom.


In het huis van den oom, waar Rudy nu woonde, zagen de menschen er,
Goddank! uit, zooals hij ze gewoon was te zien; hier was slechts een
enkele kroplijder, een arme idioot, een van die beklagenswaardige
schepselen, die in hun verlatenheid in het kanton Walliserland altijd
van huis tot huis gaan en in iedere familie een paar maanden blijven;
de arme Saperli was juist hier, toen Rudy aankwam.

De oom van Rudy was nog een krachtig jager en verstond bovendien
het kuipersambacht; zijn echtgenoote was een kleine, levendige vrouw
met een vogelgezicht, oogen als een adelaar en een langen, met haar
begroeiden hals.

Alles was hier voor Rudy nieuw, kleederdracht, zeden en gebruiken,
zelfs de taal; maar deze zou het oor van den knaap wel spoedig
leeren verstaan. Het zag er hier welvarend uit, in vergelijking met
zijn vroeger verblijf bij zijn grootvader. De kamer was grooter, de
muren prijkten met horens van gemzen en blank gepolijste jachtroeren;
boven de deur hing een beeld van de Heilige Maagd, en daarvoor stonden
frissche Alpenrozen en een brandende lamp.

Zijn oom was, zooals gezegd is, een der onverschrokkenste gemzenjagers
uit den geheelen omtrek en ook een der beste gidsen. In dit huis
zou Rudy nu de lieveling worden; wel is waar was er al een, namelijk
een oude, blinde en doove jachthond, die nu echter niet meer op de
jacht meeging, maar het toch vroeger gedaan had. Men had zijn goede
eigenschappen uit vroegere tijden niet vergeten, en daarom werd het
beest nu tot de familie gerekend en goed verpleegd. Rudy streelde
den hond; maar deze liet zich niet meer met vreemden in, en dat was
Rudy immers voor hem; lang bleef hij dit echter niet, hij schoot al
spoedig wortelen in het huis en in het hart.

«Hier in het kanton Walliserland is het nog zoo kwaad niet,» zei de
oom, «en gemzen hebben wij; die sterven niet zoo spoedig uit als de
steenbok; hier is het nu veel beter dan in vroegeren tijd. Hoeveel
er ook ter eere van de vroegere dagen verteld wordt, de onze zijn
toch beter: de zak is opengemaakt, er gaat een luchtstroom door ons
ingesloten dal. Iets beters komt er altijd te voorschijn, wanneer het
afgesletene vervalt!» zeide hij; en als zijn oom eens recht in zijn
nopjes was, dan vertelde hij van de jaren zijner jeugd en verder op
tot in den krachtigsten tijd van zijn vader, toen Walliserland, zooals
hij zich uitdrukte, nog een dichtgemaakte zak was, vol zieke menschen,
beklagenswaardige kroplijders; «maar de Fransche soldaten kwamen hier,
zij waren de beste geneesheeren, zij sloegen de ziekte terstond dood,
en de menschen sloegen zij ook dood. Van het slaan hadden de Franschen
verstand, zij wisten op meer dan één manier een slag te slaan, en
de meisjes hebben er ook verstand van!» Daarbij knikte de oom zijn
vrouw, die een geboren Française was, al lachend toe. «De Franschen
hebben in de rotsen gehouwen, dat het een lust was om te zien. Den
Simplonweg hebben zij in de rotsen gemaakt, zoodat ik nu tegen een
kind van drie jaar kan zeggen: «Ga eens naar Italië toe! Houd den
grooten weg maar!» En het kind zal goed en wel in Italië aankomen,
als het den grooten weg maar houdt!» Daarop zong zijn oom een Fransch
lied en riep «Hoera!» en «Leve Napoleon Bonaparte!»

Hier hoorde Rudy voor het eerst van zijn leven vertellen van Frankrijk
en van Lyon, de groote stad aan de Rhône; daar was zijn oom geweest.

Er zouden niet vele jaren verloopen, of Rudy zou een uitstekend
gemzenjager worden; hij had er veel aanleg toe, zei zijn oom, en deze
leerde hem de buks hanteeren, leerde hem het mikken en het schieten;
hij nam hem in den jachttijd mee naar de bergen en liet hem van
het warme bloed der gemzen drinken, dat den jager de duizeligheid
beneemt; hij leerde hem ook, den tijd te onderscheiden, wanneer op
de verschillende bergen de lawinen zouden neerstorten, 's middags of
's avonds, al naardat de zonnestralen daar werken; hij leerde hem,
op de gemzen en op haar springen acht te geven, zoodat men op de
voeten te land kwam en vast bleef staan, en als er in de rotskloof
geen steun voor den voet was, dan moest men zich met de ellebogen,
met de lendenen en met de kuiten vastklampen, zelfs met den nek kon
men zich vastklemmen, als het wezen moest. De gemzen waren slim, zij
zetten voorposten uit; maar de jager moest nog slimmer zijn, ze van
het rechte spoor afbrengen en op een dwaalweg voeren. Op zekeren dag,
toen Rudy met zijn oom op de jacht was, hing deze zijn jas en zijn
hoed op den Alpenstok, en de gemzen zagen de jas voor den man aan.

Het rotspad was smal, ja, het was bijna geen pad, maar slechts een
smalle uitstek langs den gapenden afgrond. De sneeuw, die hier lag,
was half ontdooid, de steenen brokkelden af, als men er op trapte, zijn
oom ging daarom plat op zijn buik liggen en kroop zoo voorwaarts. Ieder
stukje, dat er van de rots afbrokkelde, viel en stuitte terug, sprong
en rolde van den eenen rotswand naar den anderen, totdat het in de
diepte tot staan kwam. Omstreeks honderd schreden achter zijn oom
stond Rudy op een vooruitspringende vaste rotspunt; van hier zag hij
een grooten lammergier door de lucht vliegen en zwevend boven zijn
oom blijven staan, dien hij met zijn vleugelslag in den afgrond wilde
werpen, om hem tot zijn prooi te maken. Zijn oom had slechts oogen
voor de gems, die met haar jongen aan gene zijde van de rotskloof
te zien was; Rudy hield zijn blik onafgewend op den vogel gevestigd,
hij begreep al, wat deze wilde; daarom stond hij gereed om zijn buks
af te schieten. Daar sprong de gems plotseling op, zijn oom schoot, en
het dier was getroffen door den doodenden kogel, maar het jong sprong
weg, alsof het zijn leven lang aan vluchten en gevaren gewoon geweest
was. De groote vogel sloeg, door den knal van het schot verschrikt,
een andere richting in; zijn oom wist niets van het gevaar, waarin
hij verkeerd had; eerst van Rudy vernam hij dit.

Terwijl zij zich nu in de beste luim op de terugreis bevonden en de oom
een lied uit zijn jeugd floot, hoorden zij eensklaps een eigenaardig
geluid in de nabijheid; zij keken om zich heen, en nu verhief zich
in de hoogte op de helling der rots het sneeuwdek, het bewoog zich
in golven als een stuk linnen, wanneer de wind daaronder speelt. De
sneeuwgolven braken en losten zich, terwijl zij een oogenblik geleden
nog glad en vast als marmeren platen waren, in schuimende, verbolgen
wateren op, die als een doffe donderslag dreunden; het was een lawine,
die naar beneden stortte, niet over Rudy en zijn oom heen, maar in
hun nabijheid, vlak in hun nabijheid.

«Houd je vast, Rudy!» zei de oom, «houd je met alle macht vast!»

En Rudy hield den naasten boomstam omklemd; zijn oom klauterde
boven hem tegen den boom op en hield zich daar vast, terwijl de
lawine vele voeten van hen af voortrolde; maar de luchtdrukking,
de stormvleugelen der lawine, brak boomen en struiken in den omtrek,
alsof het slechts dunne rietjes waren, en wierp ze her- en derwaarts
heen. Rudy zat op zijn hurken; de boomstam, waaraan hij zich vasthield,
was als doormidden gezaagd en de kroon was ver weggeslingerd; daar,
tusschen de geknakte takken, lag zijn oom met een verpletterd hoofd,
zijn hand was nog warm, maar zijn gezicht niet te herkennen. Rudy
stond daar bleek en sidderend; het was de eerste schrik zijns levens,
de eerste huivering, die hem over de leden ging.

Laat op den avond kwam hij met de doodstijding in het huis terug, dat
nu een huis van rouw werd. Zijn tante vond geen woorden, geen tranen;
eerst toen men het lijk thuis bracht, kwam de smart tot uitbarsting. De
arme kroplijder kroop in zijn bed; men zag hem den geheelen volgenden
dag niet; eerst tegen den avond kwam hij naar Rudy toe.

«Schrijf een brief voor mij!» zeide hij. «Saperli kan niet
schrijven! Saperli kan den brief op de post brengen!»

«Een brief van jou?» vroeg Rudy. «En aan wien?»

«Aan den Heer Christus.»

«Aan wien, zeg je?»

En nu keek de idioot Rudy met een geroerden blik aan, vouwde de handen
en zeide op een plechtigen en vromen toon:

«Aan Jezus Christus! Saperli zal hem een brief zenden, hem vragen,
of Saperli dood mag liggen en niet de man hier in huis.»

Rudy drukte hem de hand en zei: «De brief komt daar niet aan en geeft
ons hem niet terug!»

Het viel Rudy niet gemakkelijk, hem de onmogelijkheid daarvan te
doen inzien.

«Nu ben je de steun des huizes!» zei zijn tante en pleegmoeder,
en Rudy werd dit ook.



IV.

Babette.


Wie is de beste schutter in het kanton Walliserland? Dat wisten de
gemzen wel. «Wacht je voor Rudy!» konden zij zeggen. Wie is de knapste
schutter? «Dat is Rudy!» zeiden de meisjes, maar zij zeiden niet:
«Wacht je voor Rudy!» Dat zeiden de bedaagde moedertjes niet eens,
want hij knikte ze even vriendelijk toe als de jonge meisjes. Wat was
hij stoutmoedig en vroolijk! Zijn wangen waren door de zon verbrand,
zijn tanden frisch en wit, zijn oogen gitzwart; hij was een knappe
jongen en twintig jaar oud. Het ijskoude water hinderde hem niet,
als hij zwom; als een visch kon hij zich in het water wenden en
keeren, en klauteren kon hij als een aap, zich aan den rotswand
vastklemmen als een slak; goede spieren en zenuwen had hij, en dat
toonde hij ook door den sprong, dien hij eerst van den kater en
later van de gems geleerd had. Rudy was de beste gids, waaraan men
zich kon toevertrouwen; hij zou zich een geheel vermogen als gids
kunnen verwerven; het kuipersambacht, dat zijn oom hem ook geleerd
had, beviel hem echter niet; zijn lust was de gemzenjacht, en deze
bracht hem ook geld op. Rudy was een goede partij, zooals men zeide,
als hij maar niet met een meisje boven zijn stand wilde trouwen. Hij
was een danser, van wien de meisjes droomden, en dien deze en gene
zelfs wakend in haar gedachten omdroegen.

«Mij heeft hij onder het dansen een kus gegeven!» zei Annette van
den schoolmeester tegen haar beste vriendin; maar dat had zij niet
moeten zeggen, zelfs niet tegen haar beste vriendin. Het gaat niet
gemakkelijk, zulke dingen geheim te houden; het is als zand in een
zeef, het loopt er doorheen; en spoedig was het bekend, dat Rudy,
hoe braaf en goed hij ook was, onder het dansen kuste, en toch had
hij niet eens diegene gekust, die hij het liefst had willen kussen.

«Ja!» zei een oude jager, «hij heeft Annette gekust; hij is met A
begonnen en zal het heele ABC wel doorkussen!»

Een kus onder het dansen was alles, wat de roerige tongen tot dusverre
tegen hem wisten in te brengen; hij had Annette wel is waar gekust,
en toch was zij niet de bloem van zijn hart.

Beneden in het dal bij Bex, tusschen de hooge walnoteboomen, bij een
kleinen, snelvlietenden bergstroom, woonde de rijke molenaar; het
woonhuis was een groot gebouw en had drie verdiepingen met kleine
torentjes, die met hout bedekt en met zinken platen belegd waren,
welke in den zonne- en maneschijn glinsterden. Op het grootste der
torentjes stond een windwijzer, een pijl, die een appel doorboord had:
dat moest aan het schot van Tell herinneren. De molen zag er netjes en
welvarend uit; deze liet zich ook uitteekenen en beschrijven, maar de
dochter van den molenaar liet zich niet uitteekenen en beschrijven:
zoo zou Rudy ten minste gezegd hebben, en toch stond zij in zijn
hart uitgeteekend; haar oogen fonkelden daar, zoo, dat er een waar
vuur in was; dat was plotseling zoo gekomen, evenals een andere brand
ook plotseling uitbarst, en het zonderlingste van de zaak was, dat de
molenaarsdochter, de aardige Babette, er zelf geen vermoeden van had:
zij en Rudy hadden nooit een enkel woord met elkaar gesproken.

De molenaar was rijk, en deze rijkdom maakte, dat Babette zeer hoog
zat en moeilijk te grijpen was; maar niets zit zoo hoog, of men
kan het wel bereiken; men moet maar klauteren; vallen zal men niet,
als men het zich maar niet verbeeldt. Deze les was hem reeds in zijn
kindsheid ingeprent.

Het trof toevallig eens juist zoo, dat Rudy iets te Bex te doen
had; het was daarheen een heele reis; want de spoorweg was destijds
nog niet tot stand gekomen. Van de Rhône gletscher langs den voet
van den Simplon, tusschen vele afwisselende berghoogten, strekt
zich het breede Wallisdal uit met zijn trotsche rivier, de Rhône,
die dikwijls buiten haar oevers treedt en over velden en wegen
voortstroomt, terwijl zij alles in haar vaart meesleept. Tusschen
de stadjes Sion en Saint-Maurice maakt het dal een kromming, buigt
zich als een elleboog, en wordt achter Saint-Maurice zoo smal, dat
er slechts plaats voor de rivier en voor den smallen weg is. Een
oude toren staat hier als schildwacht voor het kanton Walliserland,
dat hier eindigt, en ziet over de gemetselde brug naar het tolhuis
aan den anderen kant; daar begint het kanton Waadland, en de naaste,
niet ver verwijderde stad is Bex. Hier nu ziet men bij iederen stap,
dien men doet, overal weelde en overvloed, men bevindt zich als in
een tuin van kastanje- en walnoteboomen; hier en daar komen cipressen
en granaatbloesems te voorschijn: er heerscht hier eene zuidelijke
warmte, alsof men zich in Italië bevond.

Rudy kwam te Bex aan, deed, wat hij daar te verrichten had, en keek
eens in de stad rond; maar geen molenaarsknecht, laat staan dan
Babette, kreeg hij te zien.

Het werd avond, de lucht was vervuld met den geur van den wilden tijm
en de bloeiende linde; om de met boomen begroeide bergen lag als het
ware een schemerende, blauwe sluier verspreid; er heerschte wijd en
zijd een stilte, niet die van den slaap of den dood, neen, het was,
alsof de gansche natuur den adem inhield, alsof zij gevoelde, dat
zij zich stil moest houden, opdat haar beeld op den blauwen grond
van den hemel zou gephotographeerd worden. Hier en daar, tusschen de
boomen op het groene veld, stonden palen, waarop een telegraafdraad,
die door het stille dal gelegd is, rustte; tegen een dier palen leunde
een voorwerp, zoo onbeweeglijk, dat men het best voor een boomstam
had kunnen houden; het was Rudy, die hier even stil stond, als op
dit oogenblik de geheele omgeving; hij sliep niet, nog minder was hij
dood, maar evenals er dikwijls groote wereldgebeurtenissen langs den
telegraafdraad vliegen,--levensmomenten van gewicht voor den enkele,
zonder dat de draad dit door sidderen of door een geluid verraadt,--zoo
doortrilden Rudy machtige, overweldigende gedachten: het geluk zijns
levens, van nu af zijn bestendige gedachte. Zijn oogen vestigden zich
op een punt, een licht, dat tusschen het loof in de woonkamer van den
molenaar, waar Babette woonde, te voorschijn kwam. Zoo stil als Rudy
hier stond, zou men hebben kunnen denken, dat hij op een gems mikte;
maar hij zelf was op dit oogenblik als de gems, die minuten lang,
als uit de rots gehouwen, stil kan staan, totdat zij plotseling,
wanneer er een steen naar beneden rolt, opspringt en wegsnelt; en
zoo ging het met Rudy ook; er rolde een gedachte in hem.

«Nooit versagen!» riep hij uit. «Een bezoek in den molen! Goeden
avond, molenaar! Goeden avond, Babette! Men valt niet naar beneden,
als men het zich maar niet verbeeldt! Babette moet mij toch eenmaal
zien, als ik haar man zal worden!»

Rudy lachte, hij was goedsmoeds en liep naar den molen toe; hij wist,
wat hij wilde: hij wilde Babette hebben.

De rivier met den witachtig gelen grond bruiste voort, wilgen en linden
hingen over de snelvlietende wateren heen; Rudy liep het pad op naar
het huis van den molenaar toe.--Maar, zooals, de kinderen zingen:


    «Niemand was er thuis,
    Dan 't katjen en de muis!»


De huiskat stond op de trap, kromde den rug en zeide: «Miauw!» maar
Rudy had geen ooren naar deze taal; hij klopte aan, niemand hoorde hem,
niemand deed de deur voor hem open. «Miauw!» zei de kat. Als Rudy nog
een kind geweest was, dan zou hij die taal wel verstaan en begrepen
hebben, dat de kat zeide: «Hier is niemand thuis!» Maar nu moest
hij naar den molen toe, om te vragen, en daar kreeg hij het bericht,
dat de molenaar op reis gegaan was, ver weg naar Interlaken, en dat
Babette met hem meegegaan was; daar was een groot schuttersfeest,
dat den volgenden morgen begon en acht dagen lang duurde. Menschen
uit alle Duitsche kantons zouden daar zijn.

Die arme Rudy, kon men zeggen; hij had geen gelukkigen dag voor
zijn bezoek te Bex gekozen, hij kon nu weer terugkeeren; en dat deed
hij dan ook en begaf zich over Saint-Maurice en Sion naar zijn dal,
naar zijn bergen toe, maar wanhopen deed hij niet. Toen de zon den
volgenden morgen opging, was zijn goede luim al lang opgegaan, deze
was nog nooit verdwenen.

«Babette is te Interlaken, vele dagreizen van hier,» zeide hij bij zich
zelf. «Het is een verre tocht daarheen, als men den breeden straatweg
langs gaat, maar het is niet zoo ver, als men over de bergen klimt, en
dat is juist een weg voor een gemzenjager! Dien weg ben ik vroeger ook
al eens gegaan, daarboven is mijn vaderland, waar ik als kind bij mijn
grootvader gewoond heb; en te Interlaken is een schuttersfeest! Ik wil
daarbij zijn, ik wil de eerste zijn, en bij Babette wil ik ook zijn,
als ik eerst kennis met haar gemaakt heb!»

Met zijn lichten ransel, waarin zijn Zondagspak zat, op den rug,
met geweer en weitasch om den schouder, klom Rudy den berg op, den
korten weg, die toch vrij lang was, maar het schuttersfeest was eerst
op dezen dag begonnen en zou de geheele week en nog langer duren;
gedurende dezen geheelen tijd bleven de molenaar en Babette bij hun
bloedverwanten te Interlaken, had men hem gezegd. Rudy liep over den
Gemmi heen, hij wilde bij Grindelwald naar beneden klimmen.

Frisch en vroolijk klauterde hij tegen de bergen op en genoot de
frissche, lichte, versterkende berglucht. Het dal daalde al dieper en
dieper, zijn gezichtskring verruimde zich; hier een sneeuwtop, daar
weer eer, en al spoedig de schemerend witte Alpenketen. Rudy kende
iederen berg, hij ging op den Schreckhorn af, die zijn witgepoederde
vingers hoog in de blauwe lucht steekt.

Eindelijk was hij op den hoogen bergrug; de grazige weiden strekten
zich uit naar het dal van zijn vroegere woonplaats; de lucht was
licht, zijn hart was licht; berg en dal waren vol bloemen en groen,
zijn hart was vol jeugdig gevoel, waarbij geen ouderdom en geen dood
te pas komen: leven, heerschen, genieten! Vrij als een vogel, luchtig
als een vogel was hij. En de zwaluwen vlogen hem voorbij en zongen,
evenals zij in zijn kindsheid gezongen hadden: «Wij en gij! Gij en
wij!» Alles was vreugde en blijdschap.

Daar beneden strekte zich de fluweelachtig groene weide uit, bezaaid
met bruine houten huizen, de Lütschine gonsde en bruiste. Hij zag den
gletscher met zijn glasgroene randen en de smerige sneeuw, zag in de
diepe kloven, zag den bovensten en ook den ondersten gletscher. De
kerkklokken klonken hem in de ooren, als wilden zij hem een welkom in
het land, waar hij zijn jeugd doorgebracht had, toeroepen; zijn hart
klopte heviger en breidde zich dermate uit, dat Babette daarin voor
een oogenblik geheel verdween, zoo ruim werd zijn hart, zoo vervuld
van herinneringen.

Hij liep weer langs den weg voort, waar hij als een kleine jongen met
de andere kinderen gestaan en gesneden huisjes verkocht had. Daar
boven, achter de dennen, stond het huis van zijn grootvader van
moederszijde nog, vreemde menschen woonden nu daarin. Kinderen kwamen
hem op den weg te gemoet loopen, zij wilden handel drijven, een bood
hem een Alpenroos aan. Rudy nam deze roos als een gunstig voorteeken
aan en dacht aan Babette. Al spoedig was hij over de brug, waar de
beide Lütschines zich vereenigen; het geboomte wordt hier al dichter,
de walnoteboomen geven schaduw. Nu zag hij de wapperende vlaggen,
het witte kruis op het roode veld, zooals de Zwitser en de Deen het
hebben; en voor hem lag Interlaken.

Dat was een prachtige stad, zooals er geen andere bestond, dacht Rudy,
een Zwitsersch stadje in Zondagsgewaad. Dat zag er niet uit als de
andere steden, log, een troep zware steenhoopen, vreemd en voornaam;
neen, hier zag het er uit, alsof de houten huizen van de bergen in het
groene dal geloopen waren en zich langs den helderen, snelvlietenden
stroom in het gelid geschaard hadden, wel een weinig ongeregeld, maar
toch altijd zoo, dat zij een mooie straat vormden. De prachtigste van
alle straten was als het ware uit den grond opgerezen, sedert Rudy hier
als knaap geweest was; het scheen hem toe, alsof zij ontstaan was uit
al de lieve huisjes, die zijn grootvader gesneden had en waarmee de
kast te huis opgevuld was, alsof deze zich daar neergezet hadden en
krachtig opgegroeid waren, evenals de oude kastanjeboomen. Ieder huis
was een hotel, zooals het genoemd werd, met uitgesneden houtwerk om de
ramen en den gevel, met een vooruitspringend dak, keurig en sierlijk,
en voor ieder huis was een bloemtuin aan den kant van de met steenen
geplaveide straat; langs deze stonden de huizen, maar slechts aan
den eenen kant; zij zouden anders de frissche, groene weiden aan het
gezicht onttrokken hebben, waarin de koeien rondliepen met klokjes om
den hals, die als op de hooge Alpen klonken. De weiden waren door hooge
bergen omgeven, die in het midden als het ware op zijde traden, zoodat
men zeer duidelijk den schitterenden, met sneeuw bedekten berg, de
Jungfrau, de schoonst gevormde van alle Zwitsersche bergen, kon zien.

Welk een menigte opgepronkte heeren en dames uit vreemde landen,
welk een gewemel van landlieden uit de verschillende kantons! Ieder
schutter droeg zijn schietnummer in een krans op den hoed. Hier was
muziek en gezang, lieren, trompetten, geschreeuw en rumoer. Huizen
en bruggen waren met zinnebeelden en verzen versierd; er wapperden
vaandels en vlaggen, de buksen deden haar geknal onafgebroken hooren,
en de schoten waren in Rudy's ooren de mooiste muziek. Hij vergat in
deze bonte verwarring Babette geheel, ofschoon hij toch om harentwil
hier naar toe gegaan was.

De schutters begonnen nu met het schijfschieten. Rudy stond al
spoedig onder hen en was de behendigste, de gelukkigste van allen;
altijd was zijn schot raak.

«Wie zou toch die vreemde jonge jager zijn?» vroeg men. «Hij spreekt
het Fransch, dat zij in het kanton Walliserland spreken.»--«Hij
weet zich ook heel goed in ons Duitsch te doen verstaan,» zeiden
enkelen.--«Als kind moet hij hier in de omstreken te Grindelwald
gewoond hebben,» wist een der jagers te vertellen.

En vol leven was deze vreemde jongeling: zijn oogen fonkelden, zijn
blik en zijn arm waren zeker, daarom raakte hij ook. Het geluk geeft
moed, en moed had Rudy immers altijd. Al spoedig had hij hier een
kring van vrienden om zich verzameld, men eerde hem, ja, men bewees
hem hulde,--Babette was hem heelemaal uit de gedachten gegaan. Daar
klopte een hand hem op den schouder, en een zware stem sprak hem in
de Fransche taal aan.

«Zijt ge uit het kanton Walliserland?»

Rudy keerde zich om en zag een rood, vergenoegd gezicht, een dik man:
het was de rijke molenaar uit Bex; met zijn gezet lichaam verborg
hij de teedere, lieve Babette, die echter al spoedig te voorschijn
kwam kijken met haar fonkelende, donkere oogen. Het had den rijken
molenaar gestreeld, dat het een jager uit zijn kanton was, die de
beste schoten deed en door al de anderen geëerd werd. Nu, Rudy was
wel een gelukskind: datgene, waarom hij hierheen vertrokken was,
maar nu zelf bijna vergeten had, dat zocht hem op.

Als landslieden elkaar ver van hun vaderland ontmoeten, dan knoopen
zij een gesprek aan en maken kennis met elkander. Rudy was door zijn
schoten de eerste van het schuttersfeest, gelijk de molenaar te Bex
de eerste door zijn geld en zijn goeden molen was. Zoo drukten de
beide mannen elkaar de hand, hetgeen zij vroeger nooit gedaan hadden;
ook Babette stak Rudy onbeschroomd de hand toe, en hij drukte haar
hand en keek haar met een onafgewenden blik aan, zoodat zij daardoor
hevig bloosde.

De molenaar vertelde van den langen weg, dien zij hierheen gereisd
hadden, en van de vele groote steden, die zij hadden gezien; zij hadden
naar zijn meening een verre reis gedaan en waren met de stoomboot,
met den spoortrein en ook met de diligence gereisd.

«Ik ben den kortsten weg gegaan,» zeide Rudy. «Ik ben over de bergen
gekomen; geen weg is zoo hoog, of men kan dien wel langs.»

«Maar ook den nek breken!» zei de molenaar. «En gij ziet er mij juist
naar uit, alsof ge den nek nog eens zoudt breken, zoo stoutmoedig
als ge zijt!»

«O, men valt niet naar beneden, als men het zich maar niet verbeeldt!»
zei Rudy.

De bloedverwanten van den molenaar te Interlaken, waarbij de molenaar
en Babette te logeeren waren, noodigden Rudy uit, een bezoek bij hen
af te leggen: hij was immers uit hetzelfde kanton als de molenaar. Dat
was voor Rudy een gewenscht aanbod, het geluk was hem gunstig, gelijk
het altijd dengene gunstig is, die op zich zelf bouwt en bedenkt,
dat «God ons de noten geeft, maar ze niet voor ons kraakt.»

Rudy zat daar bij de bloedverwanten van den molenaar, alsof hij
ook tot de familie behoorde, en een glas werd er leeggedronken op
het welzijn van den besten schutter; Babette klonk ook mee, en Rudy
bedankte voor den toost.

Tegen den avond wandelden allen langs de prachtige huizen onder de
oude walnoteboomen, en er waren daar zoo vele menschen en zulk een
gedrang, dat Rudy Babette zijn arm moest aanbieden. Hij verheugde er
zich zoozeer over, dat hij menschen uit Waadland aangetroffen had,
zei hij. Waadland en Walliserland waren naburige kantons, die met
elkaar op een goeden voet stonden. Hij sprak deze blijdschap zoo
hartelijk uit, dat Babette zich niet kon weerhouden, hem daarvoor de
hand te drukken. Zij liepen naast elkaar, als waren zij oude kennissen;
zij sprak en vertelde, en het ging haar heel goed af, meende Rudy,
zooals zij het belachelijke en overdrevene in de kleeding en den
gang der vreemde dames deed uitkomen; zij deed dit volstrekt niet om
te spotten, want er konden rechtschapen, ja, lieve, goede menschen
onder zijn, dat wist Babette wel, zij had immers zelf een petemoei,
die zulk een deftige Engelsche dame was. Voor achttien jaren, toen
Babette gedoopt werd, was deze petemoei te Bex geweest; zij had Babette
de kostbare doekspeld gegeven, die zij op haar borst droeg. Tweemaal
had de petemoei geschreven, en dit jaar had Babette gedacht haar en
haar dochters hier te Interlaken te ontmoeten; deze dochters, waren
ongetrouwd en al oud, dicht bij de dertig, zei Babette,--zij telde
immers nog maar achttien jaren.

Haar kleine mond stond geen oogenblik stil, en alles, wat Babette
zei, klonk Rudy in de ooren als dingen van het uiterste gewicht, en
hij vertelde weer, wat hij te vertellen had, hoe dikwijls hij te Bex
geweest was, hoe goed hij den molen kende en hoe dikwijls hij Babette
gezien had, terwijl zij hem waarschijnlijk nooit had opgemerkt; en
onlangs, toen hij in den molen geweest was en wel met vele gedachten,
die hij niet kon uitspreken, waren zij en haar vader afwezig, ver weg,
maar toch niet zoover, dat men niet over den muur zou hebben kunnen
klimmen, die den weg lang maakte.

Ja, dat zei hij, en hij zei veel meer; hij zei, hoe graag hij haar
mocht lijden,--en dat hij ter wille van haar en niet ter wille van
het schuttersfeest gekomen was.

Babette zweeg bij dit alles; het was haar, alsof hij haar te hoog
ophemelde.

Terwijl zij daar voortliepen, daalde de zon achter den hoogen rotswand
neer. De Jungfrau stond daar in pracht en glans, omgeven door den
boschrijken krans der naburige bergen. Alle menschen bleven staan en
sloegen de schoonheid der natuur gade; ook Rudy en Babette vermeiden
zich daarin.

«Nergens is het schooner dan hier!» zei Babette.

«Nergens!» zei Rudy en keek Babette aan.

«Morgen moet ik naar huis terug!» zei hij eenige oogenblikken later.

«Kom ons te Bex eens opzoeken!» fluisterde Babette. «Het zal vader
zeker genoegen doen.»



V.

Op den terugweg.


O, hoeveel had Rudy te dragen, toen hij den daaropvolgenden dag over de
hooge bergen naar huis terugkeerde. Ja, hij had drie zilveren bekers,
twee mooie buksen en een zilveren koffiekan; deze kan zou goed te
gebruiken zijn, als hij een huishouden opzette; maar dat alles was nog
niet het gewichtigste: iets gewichtigers, machtigers droeg hij of droeg
hem over de hooge bergen naar huis. Het weder was echter ruw, grauw
en regenachtig; de wolken hingen als een rouwfloers op de berghoogten
neer en omhulden de stralende toppen. Uit het bosch klonken de laatste
bijlslagen, en langs de helling van den berg rolden boomstammen, die
er, van de hoogte af gezien, als dunne stokjes uitzagen, maar met
dat al de stevigste scheepsmasten waren. De Lütschine bruiste haar
eentonige accoorden, de wind suisde, de wolken zeilden. Daar kwam er
eensklaps een jong meisje naar Rudy toe; hij had haar niet eer bemerkt,
voordat zij vlak in zijn nabijheid was; zij wilde insgelijks over
de rotsen klimmen. De oogen van het meisje oefenden een eigenaardige
kracht op hem uit; hij was wel gedwongen, haar aan te kijken.

«Hebt ge een minnaar?» vroeg Rudy, want al zijn gedachten draaiden
om de liefde heen.

«Ik heb er geen!» antwoordde het meisje en lachte; maar het was, alsof
zij de waarheid niet sprak. «Maken we geen omweg?» zeide zij. «Wij
moeten meer links houden, dan is de weg korter.»

«Jawel, om in een ijskloof neer te storten!» zei Rudy. «Kent gij dien
weg misschien beter en wilt gij gids zijn?»

«Ik ken den weg heel goed,» zei het meisje, «en ik heb mijn gedachten
bij elkaar. De uwe zijn zeker wel beneden in het dal, hierboven
moet men aan de ijsjonkvrouw denken; zij houdt niet van de menschen,
zegt men.»

«Ik ben niet bang voor haar!» zei Rudy. «Zij heeft mij weer terug
moeten geven, toen ik nog een kind was; ik zal mij thans niet aan
haar overgeven, nu ik ouder ben!»

En de duisternis nam toe, de regen viel neer, en het begon te sneeuwen.

«Geef mij uw hand,» zei het meisje, «ik zal u bij het klimmen
behulpzaam zijn,» en hij voelde, dat hij door ijskoude vingers
aangeraakt werd.

«Gij mij bijstaan!» zei Rudy. «Nog heb ik de hulp van een vrouw niet
noodig om te klimmen!» En hij liep sneller voort, van haar weg; de
sneeuwstorm hulde hem als in een sluier, de wind gierde, en achter zich
hoorde hij het meisje lachen en zingen; het klonk heel zonderling. Dat
moest een spookgezicht zijn, dat in den dienst der ijsjonkvrouw was;
Rudy had daarvan hooren spreken, toen hij, destijds nog een knaap,
bij de reis over de bergen hier boven den nacht doorbracht.

De sneeuw viel dunner, de wolk lag onder hem, hij keek om, er was
niemand meer te zien; maar hij hoorde gelach en gezang, en dit klonk
niet, alsof het uit een menschelijke borst voortkwam.

Toen Rudy eindelijk de bovenste bergvlakte bereikte, vanwaar het pad
naar beneden naar het Rhônedal voerde, zag hij in de richting van
Chamouny, in de heldere, blauwe lucht twee heldere sterren staan;
deze glinsterden en fonkelden, en hij dacht aan Babette, aan zich
zelf en aan zijn geluk, en het werd hem bij deze gedachte warm.



VI.

Het bezoek in den molen.


«Wat zijn dat prachtige dingen, waar je mee thuis komt!» zei de oude
pleegmoeder, en haar zonderlinge arendsoogen fonkelden, zij draaide
haar mageren hals nog sneller dan gewoonlijk in allerlei zonderlinge
bochten. «Je hebt geluk, Rudy! Ik moet je een kus geven, beste jongen!»

En Rudy liet zich kussen, maar op zijn gezicht stond te lezen, dat hij
zich in het onvermijdelijke, in dit kleine huiselijke lijden schikte.

«Wat ben je mooi!» zei de oude vrouw.

«Maak mij dat niet wijs!» zei Rudy en lachte,--maar het deed hem
toch plezier.

«Ik zeg het nogmaals!» sprak de oude vrouw, «het geluk loopt je mee!»

«Ja, daarin zoudt ge wel eens gelijk kunnen hebben!» zei hij en dacht
aan Babette.

Nog nooit had hij zulk een verlangen gehad om naar het diepe dal
te gaan.

«Zij moeten nu al thuis zijn!» zei Rudy bij zich zelf. «Het is al
twee dagen over den tijd, waarop zij terug zouden zijn. Ik moet naar
Bex toe.»

Rudy ging naar Bex toe, en in den molen waren zij te huis. Hij
werd goed ontvangen, en groeten van hun familie te Interlaken
hadden zij voor hem meegebracht. Babette sprak niet veel, zij was
geducht stil geworden; maar haar oogen spraken, en dat was voor
Rudy voldoende. Het scheen, alsof de molenaar, die anders graag
het hoogste woord had,--hij was er aan gewoon, dat men altijd om
zijn invallen en woordspelingen lachte, hij was immers de rijke
molenaar,--toch liever de jachtavonturen van Rudy hoorde vertellen,
en deze sprak van de zwarigheden en de gevaren, die de gemzenjagers op
de hooge bergtoppen door te staan hadden, hoe zij langs de onzekere
sneeuwhellingen, die door weer en wind als het ware aan den kant
der rotsen vastgekleefd zijn, en over de gevaarlijke bruggen moesten
kruipen, die de sneeuwstorm over diepe kloven geslagen heeft. De oogen
van den stoutmoedigen Rudy fonkelden, terwijl hij van het jagersleven
vertelde, van de slimheid der gemzen en haar stoute sprongen, van den
hevigen orkaan en de rollende lawinen; hij merkte het wel, dat hij bij
iedere nieuwe beschrijving den molenaar gedurig meer voor zich innam,
en vooral gevoelde deze zich bijzonder aangetrokken door hetgeen hij
van den lammergier en den koningsadelaar vertelde.

Niet ver weg, in het kanton Walliserland, was een arendsnest, dat zeer
kunstig onder een hooge vooruitspringende rots gebouwd was; in dit
nest bevond zich een jong, maar dit was er niet uit te krijgen. Een
Engelschman had Rudy eenige dagen geleden een heele hand vol goud
aangeboden, als hij hem den jongen arend levend wilde bezorgen, «maar
alles heeft zijn grenzen,» zei Rudy, «de arend is niet te krijgen,
het zou een dwaasheid zijn dat te beproeven.»

De wijn vloeide en de gesprekken vloeiden, maar de avond was veel te
kort, kwam het Rudy voor, en toch was het na middernacht, toen hij
van dit eerste bezoek terugkeerde.

Het licht straalde nog een korten tijd door het raam van den molen door
de groene boomtakken heen; uit het geopende luik in het dak kwam de
kamerkat naar buiten en langs de dakgoot kwam de keukenkat aanloopen.

«Wil ik je eens een nieuwtje vertellen?» zei de kamerkat. «Hier in huis
heeft een heimelijke verloving plaats gehad. De oude molenaar weet er
nog niets van; Rudy en Babette hebben elkaar den heelen avond op de
voeten getrapt; mij trapten zij tweemaal, maar ik mauwde toch niet;
want dat zou de aandacht getrokken hebben.»

«Ik zou toch gemauwd hebben!» zei de keukenkat.

«Wat in de keuken gaat, gaat niet in de kamer!» zei de kamerkat. «Ik
ben echter nieuwsgierig, wat de molenaar zal zeggen, als hij de
verloving verneemt.»

Ja, wat zou de molenaar er wel van zeggen? Dat zou Rudy ook wel graag
geweten hebben, maar lang wachten, voordat hij dit vernam, kon hij
niet. Toen de omnibus eenige dagen later over de Rhônebrug tusschen
Walliserland en Waadland voortratelde, zat Rudy daarin, goedsmoeds
evenals altijd, en verdiepte zich in liefelijke gedachten over het
jawoord, dat hij dien zelfden avond nog dacht te krijgen.

En toen de avond daar was en de omnibus denzelfden weg terugreed, zat
Rudy er ook in; maar in den molen liep de kamerkat met nieuwtjes rond.

«Weet je het al, jij, die altijd in de keuken zit?--De molenaar
weet nu alles. Maar dat heeft een mooien afloop gehad! Rudy kwam
hier tegen den avond, en hij en Babette hadden veel met elkaar te
fluisteren en heimelijk te spreken, zij stonden in de gang voor de
kamer van den molenaar. Ik lag aan hun voeten, maar zij hadden noch
oogen noch gedachten voor mij. «Ik ga, zonder mij langer te bedenken,
naar je vader toe.»--«Wil ik meegaan?» vroeg Babette; «dat zal je
moed geven.»--«Ik heb moed genoeg,» zei Rudy, «maar als jij er bij
bent, dan moet hij wel vriendelijk zijn, of hij wil of niet.»--Daarop
traden zij binnen. Rudy trapte mij geducht op den staart! Rudy is erg
onhandig; ik mauwde, maar noch hij noch Babette hadden ooren om dit
te hooren. Zij deden de deur open en traden de kamer samen binnen. Ik
liep voorop; ik sprong op een stoel, want ik kon immers niet weten,
hoe Rudy zich misschien zou verweren. Maar de molenaar verweerde zich,
hij gaf een duchtigen schop en zei: «De deur uit en den berg op naar
de gemzen!» Daarop mag Rudy nu mikken en niet op onze Babette!»

«Maar wat spraken zij met elkaar? Wat zeiden zij?» vroeg de keukenkat.

«Wat zij zeiden?--Alles werd er gezegd, wat de menschen zoo plegen te
zeggen, als zij verliefd zijn: «Ik heb haar lief, en zij heeft mij
lief! En als er melk voor een in de kan is, dan is er ook melk voor
twee!»--«Maar zij zit je te hoog!» zei de molenaar, «zij zit op zand,
op goudzand, zooals je weet, je zult haar niet bereiken!»--«Niets zit
zoo hoog, of men kan het wel bereiken, als men maar wil!» antwoordde
Rudy; want hij is een onverschrokken man.--«Maar het arendsnest kan
je toch niet bereiken, zooals je zelf onlangs gezegd hebt: Babette
zit nog hooger!»--«Ik neem ze allebei!» zei Rudy.--«Ik zal je Babette
geven, als je mij het levende arendsjong geeft!» zei de molenaar en
lachte, dat de tranen hem langs de wangen liepen. «Maar nu bedank ik
je voor je bezoek, Rudy! Bezoek mij morgen weer, morgen is er niemand
thuis. Vaarwel, Rudy!»--En Babette zei hem ook vaarwel, maar zoo
klagend als een klein katje, dat zijn moeder nog niet kan zien. «Een
man een man, een woord een woord!» zei Rudy. «Ween niet, Babette! ik
zal het arendsjong brengen!»--«Je zult den nek breken, hoop ik!» zei
de molenaar, «en dan zijn wij van je bezoeken ontslagen!»--Dat noem ik
een duchtigen schop! Nu is Rudy weg en Babette zit te huilen; maar de
molenaar zingt Duitsch, dat heeft hij laatst op zijn reis geleerd. Ik
zal er maar niet treurig over zijn, want dat baat toch niets!»

«Maar zoo is er dan toch altijd nog mogelijkheid op!» zei de keukenkat.



VII.

Het arendsnest.


Van het rotspad af klonk het gezang, lustig en krachtig, het wees op
een goede luim en een onversaagden moed; het was Rudy; hij ging zijn
vriend Vesinand opzoeken.

«Je moet mij behulpzaam zijn! Wij nemen Nagli mee, ik moet het
arendsjong boven aan den kant van de rots uit het nest halen.»

«Zou je dan niet eerst het mannetje uit de maan halen? Dat zal
even gemakkelijk gaan!» zei Vesinand. «Je schijnt in een goede luim
te zijn!»

«Dat ben ik ook! Ik denk er aan te gaan trouwen!--Maar om ernstig te
spreken, ik zal je zeggen, hoe het met mij gesteld is.»

En al spoedig wisten Vesinand en Nagli, wat Rudy wilde.

«Je bent een onverschrokken kerel!» zeiden zij. «Maar dat gaat niet! Je
zult den nek breken!»

«Men valt niet naar beneden, als men het zich niet verbeeldt!»
zei Rudy.

Te middernacht rukten zij met stokken, ladders en touwen op; de weg
liep tusschen boomen en struiken door, over naakte rotsen, steeds
opwaarts, opwaarts in den donkeren nacht. Het water bruiste beneden,
het water stroomde boven, vochtige wolken dreven eraan de lucht. De
jagers bereikten den steilen kant der rots, hier werd het donkerder,
de rotswanden kwamen bijna tegen elkander aan, en slechts hoog in de
smalle kloof was de lucht te zien; dicht naast hen, onder hen lag de
diepe afgrond met het bruisende water. Het drietal zat op de rotsen,
zij wilden het aanbreken van den dag afwachten, als de arend uitvloog;
de oude moest eerst doodgeschoten worden, voordat zij er aan konden
denken, zich van het jong meester te maken. Rudy zat daar op zijn
hurken, zoo stil, alsof het een stuk van de rots was, waarop hij zich
bevond, het geweer met den gespannen haan hield hij voor zich om te
schieten, zijn blik vestigde zich onafgebroken op de bovenste kloof,
waar het adelaarsnest onder de overhellende rotsen verborgen zat. De
drie jagers moesten lang wachten.

Maar nu kraakte en suisde het hoog boven hen; een groot, zwevend
voorwerp verduisterde de lucht om hen heen. Twee buksloopen mikten,
terwijl de zware arendsgestalte uit het nest vloog;--er viel een schot,
een oogenblik bewogen zich de uitgespreide vleugels, daarop streek de
vogel langzaam neer, en het was, alsof hij door zijn grootte en met
zijn wijd uitgespreide vleugels de geheele kloof wilde beslaan en de
jagers in zijn val met zich meesleepen. De arend viel in de diepte
naar beneden, boomtakken en struiken braken door den val van den vogel.

Nu kwamen de jagers in beweging; drie van de langste ladders werden
aan elkaar vastgebonden,--deze zouden wel lang genoeg zijn; men zette
ze op de uiterste vaste punt neer, op den rand van den afgrond, maar
zij waren niet lang genoeg, en de rotswand liep hooger op en was daar,
waar het nest zich onder den vooruitspringenden top verborg, glad als
een muur. Na eenige beraadslagingen werd men het daaromtrent eens,
dat twee aan elkaar gebonden ladders van boven in de kloof neergelaten
en deze wederom in verbinding met de drie van beneden neergezette
gebracht moesten worden. Met groote moeite sleepte men de twee ladders
naar boven en maakte boven de touwen vast; de ladders werden over de
vooruitspringende rots heengeschoven en hingen daar zwevend boven den
afgrond; Rudy zat reeds op de onderste sport. Het was een ijskoude
morgen; nevels stegen er uit den donkeren afgrond op. Rudy zat daar,
evenals een vlieg op den waggelenden stroohalm zit, dien de een of
andere vogel bij het bouwen van zijn nest op den rand van den hoogen
fabrieksschoorsteen verloren heeft; maar de vlieg kan meevliegen,
als de stroohalm loslaat, doch Rudy kon slechts zijn nek breken. De
wind suisde om hem heen, en beneden in den afgrond bruisten de wateren
van den ontdooienden gletscher, het paleis der ijsjonkvrouw.

Nu bracht hij de ladder in een schommelende beweging, evenals de spin
zich schommelt, wanneer zij, aan haar langen, zwevenden draad hangende,
iets wil vastgrijpen, en toen Rudy ten vierden male het boveneind der
van beneden neergezette, aaneengebonden ladders aanraakte, had hij dit
gegrepen; zij werden met een zekere en krachtige hand samengevoegd,
maar zij waggelden en klapperden geweldig.

De vijf lange ladders, die tot aan het nest reikten en loodrecht tegen
den rotswand aanstonden, schenen een waggelend riet te zijn, en nu
kwam het gevaarlijkste werk nog aan; er moest geklauterd worden,
zooals de kat kan klauteren, maar Rudy had daar juist verstand
van, want de kat had het hem geleerd; hij bemerkte niets van de
duizeligheid, die in de lucht achter hem zweefde en haar poliepenarmen
naar hem uitstrekte. Thans stond hij op de bovenste sport der ladder
en bemerkte, dat hij hier nog niet hoog genoeg kon reiken, om in het
nest te zien, alleen met de hand kon hij eraan komen; hij probeerde,
hoe vast de onderste, dikke, in elkaar gevlochten takken zaten,
die het onderste gedeelte van het nest vormden, en nadat hij een
dikken en vasten tak beetgepakt had, hief hij zich van de ladder naar
boven, leunde over den tak heen en had nu zijne borst en zijn hoofd
over het nest gebogen; hier stroomde hem een verstikkende stank van
aas tegen; in het nest lagen lammeren, gemzen en vogels, die tot
verrotting overgegaan waren. De duizeligheid, die geen invloed op
hem kon oefenen, blies hem de giftige uitwasemingen in het gezicht,
opdat hij verward en bedwelmd zou worden, en beneden in de zwarte,
gapende diepte op de voortstroomende wateren zat de ijsjonkvrouw
zelve met haar lange, witachtig groene haren en staarde hem aan met
oogen als twee buksloopen.

«Nu vang ik u!»

In een hoek van het arendsnest zag hij, groot en forsch, het jong
van den arend zitten, dat nog niet kon vliegen. Rudy vestigde zijn
oogen daarop, hield zich met alle kracht met één hand vast en wierp
met zijn andere den strik om den jongen arend heen; gevangen was hij,
levend gevangen; zijn pooten staken in het touw, en Rudy wierp den
strik met den vogel over den schouder, zoodat het beest een heel eind
beneden hem hing, terwijl hij zich aan een neerhangend touw vasthield,
totdat zijn voeten de bovenste sport van de ladder weer aanraakten.

«Houd je vast! Denk maar niet, dat je naar beneden kunt vallen, dan val
je ook niet!» Dat was de oude les, en deze volgde hij op, klauterde,
was overtuigd, dat hij niet zou vallen, en hij viel ook niet.

Nu deed zich een krachtig en vroolijk gezang hooren. Rudy stond met
zijn arendsjong op de vaste rotsen.



VIII.

Welke nieuwtjes de kamerkat wist te vertellen.


«Hier is het verlangde!» zei Rudy, terwijl hij bij den molenaar te Bex
binnentrad, een groote mand op den grond neerzette en den doek, die
er overheen lag, oplichtte. Twee gele oogen met zwarte randen kwamen
er uitkijken, fonkelend en wild, als wilden zij zich vastbranden en
vastbijten, waar zij heenkeken; de korte, krachtige snavel was tot
bijten opgesperd, de hals was rood en met stoppels bezet.

«Het arendsjong!» riep de molenaar uit. Babette gaf een luiden gil
en deinsde terug; maar zij kon toch haar oogen noch van Rudy noch
van den arend afhouden.

«Je laat je niet licht door iets afschrikken!» zei de molenaar.

«En gij houdt altijd woord!» zei Rudy. «Ieder heeft zijn
eigenaardigheid!»

«Maar waarom heb je den nek niet gebroken?» vroeg de molenaar.

«Omdat ik vasthield!» antwoordde Rudy, «en dat doe ik nog! Ik houd
Babette vast!»

«Maak eerst maar, dat je haar krijgt!» zei de molenaar en lachte;
en dat was een goed teeken, dat wist Babette.

«We moeten hem uit de mand halen,--het is om razend te worden, zooals
hij ons aankijkt! Maar hoe heb je hem weten te krijgen?»

Nu moest Rudy vertellen, en de molenaar zette gedurig grooter oogen op.

«Met je moed en je geluk kan je wel drie vrouwen onderhouden!» zei
de molenaar.

«Ik dank u!» riep Rudy uit.

«Maar Babette heb je nog niet!» zei de molenaar en klopte den jongen
Alpenjager schertsend op den schouder.

«Weet je het nieuwste nieuwtje al, dat er in den molen is?» zei de
kamerkat tegen de keukenkat. «Rudy heeft ons het arendsjong gebracht
en neemt Babette daarvoor in ruil. Zij hebben elkander een kus gegeven
en hebben het den ouden molenaar laten zien. Dat is zoo goed als een
verloving. De oude man was goed gemutst; hij hield zijn klauwen binnen,
deed zijn middagdutje en liet de twee bij elkaar zitten vrijen; zij
hebben elkaar zooveel te vertellen, dat zij met Kerstmis nog niet
klaar zullen zijn!»

Zij kwamen met Kerstmis ook niet klaar. De wind stuwde de bruine
bladeren op; de sneeuw stoof in het dal, evenals op de hooge bergen; de
ijsjonkvrouw zat in haar trotsch kasteel, dat gedurende den wintertijd
in grootte toeneemt; de rotswanden stonden daar met ijzel bedekt,
en dikke ijskegels, zwaar als olifanten, hingen daar naar beneden,
waar de rotsstroom in den zomer zijn watersluier laat waaien;
ijsguirlandes, uit phantastische ijskristallen samengesteld, hingen
fonkelend aan de met sneeuw bepoederde dennen. De ijsjonkvrouw reed op
den suizenden wind over de diepste dalen heen. Het sneeuwdek strekte
zich heelemaal tot aan Bex uit, de ijsjonkvrouw kwam ook daarheen
en zag Rudy in den molen zitten, hij zat dezen winter meer in huis,
dan anders zijn gewoonte was, hij zat bij Babette. Den volgenden
zomer zou er bruiloft gehouden worden; zijn ooren suisden hem vaak,
zoo druk spraken zijn vrienden daarover. In den molen was zonneschijn,
de schoonste Alpenroos gloeide er, de vroolijke, glimlachende Babette,
schoon als de naderende lente, de lente, die alle vogels doet zingen
van zomertijd en bruiloft.

«Wat zitten die twee toch altijd bij elkander en steken hun hoofden
bij elkaar!» zei de kamerkat. «Nu heb ik genoeg van hun gemauw!»



IX.

De ijsjonkvrouw.


De lente had haar sappige, groene guirlandes van walnote- en
kastanjeboomen ontplooid; zwellend slingerden zij zich van de brug
bij Saint-Maurice tot aan den oever van het meer van Genève langs de
Rhône, die met een geweldige vaart voortstroomt van haar bron onder
den groenen gletscher, het ijspaleis, waarin de ijsjonkvrouw woont,
en vanwaar zij zich door den scherpen wind laat opstuwen tot op het
hoogste sneeuwveld, om daar te rusten op haar sneeuwzetel; daar zat
zij en staarde met een doordringenden blik in de diepste dalen neer,
waar de menschen ijverig in beweging waren, evenals mieren op de
steenen, die de zon beschijnt.

«Geesteskrachten, zooals de kinderen der zon u noemen!» zei de
ijsjonkvrouw. «Wormen zijt gij! Een rollende sneeuwbal,--en gij, uw
huizen en uw steden zijn verpletterd en verdwenen!» Hooger verhief
zij haar trotsch hoofd en keek wijd en zijd met oogen, die van dood
en verderf straalden. Maar uit het dal deed zich een rollen hooren,
rotsen liet men springen: dit was menschenwerk! Wegen en tunnels voor
spoorwegen werden er aangelegd.

«Zij wroeten als mollen in den grond,» zeide zij; «zij graven gangen
onder de aarde, van daar dat geknal als van geweerschoten. Als ik
mijn kasteelen verzet, dan druischt het sterker dan het geratel van
den donder!»

Uit het dal steeg een dikke rook op, die zich voorwaarts bewoog als een
fladderende sluier, een wuivende pluim der locomotief, die op den nog
pas geopenden spoorweg zijn stoet voorttrok, deze kronkelende slang,
wier ledematen wagens aan wagens zijn. Pijlsnel vloog zij voorwaarts.

«Zij beschouwen zich daar beneden als heeren, die geesteskrachten!»
zei de ijsjonkvrouw. «De macht der natuurkrachten is toch grooter
dan de hunne!» Zij lachte, en het dreunde in het dal.

«Daar rolt een lawine naar beneden!» zeiden de menschen.

Maar de kinderen der zon zongen nog luider van de menschen_gedachte_,
die de zee aan banden legt, bergen verzet, dalen effent; de
menschengedachte, die de beheerscheres der natuurkrachten is. Omstreeks
dezen tijd trok over het sneeuwveld, waar de ijsjonkvrouw zat,
een gezelschap van reizigers; de menschen hadden zich met touwen aan
elkaar vastgebonden, opdat zij als 't ware een grooter lichaam zouden
vormen op de gladde ijsvlakte aan den rand van den diepen afgrond.

«Wormen!» zei de ijsmaagd. «Gij, de beheerschers der natuurkrachten!»
En zij wendde den blik van het gezelschap af en keek gramstorig in
het diepe dal, waar de spoortrein voortbruiste.

«Daar zitten zij, de _gedachten_! Zij zitten in de macht der
natuurkrachten! Ik zie ze, elk en een ieder!--de een zit trotsch
als een koning alleen! Ginds zitten zij op een hoop! Daar slaapt de
eene helft! En als de stoomdraak stilhoudt, dan stappen zij er uit en
gaan allen huns weegs! Deze gedachten verspreiden zich in de wereld!»
En zij lachte.

«Daar rolt weer een lawine!» zei men beneden in het dal.

«Ons bereikt zij niet!» zeiden er twee, die op den rug van den
stoomdraak zaten; «twee harten en één slag,» zooals het heet. Het
waren Rudy en Babette; ook de molenaar was er bij.

«Als bagage!» zei hij. «Ik ben er bij als het noodige aanhangsel!»

«Daar zitten die twee!» zei de ijsjonkvrouw. «Vele gemzen heb ik
verpletterd, millioenen Alpenrozen heb ik geknakt en gebroken,
zelfs de wortels spaarde ik niet! Ik wisch ze uit, die gedachten,
die geesteskrachten!» En zij lachte.

«Daar rolt weer een lawine!» zei men beneden in het dal.



X.

De petemoei.


Te Montreux, een der naastbijgelegen steden, die met Clarens, Vevay en
Crin een krans om het noordoostelijke gedeelte van het meer van Genève
vormen, woonde de petemoei van Babette, de Engelsche, deftige dame met
haar dochters en een jeugdigen bloedverwant; zij waren daar nog slechts
kort geleden aangekomen, maar de molenaar had ze reeds bezocht, hun
de verloving van Babette medegedeeld en van Rudy en het arendsjong,
van het bezoek te Interlaken, in één woord de geheele geschiedenis
verteld, en deze had haar in de hoogste mate verblijd en haar ten
zeerste voor Rudy en Babette en ook voor den molenaar ingenomen;
alle drie moesten eens overkomen, en daarom gingen zij er dan ook
naar toe. Babette zou haar petemoei, de petemoei zou Babette zien.

Bij het stadje Villeneuve, aan het einde van het meer van Genève,
lag de stoomboot, die, na een vaart van een half uur van daar naar
Vevay, ten zuiden van Montreux, aanlegt. De kust alhier is door
de dichters bezongen; hier onder de walnoteboomen, aan het diepe,
blauwachtig groene meer zat Byron en schreef zijn welluidende verzen
van den gevangene in het donkere rotsachtige kasteel Chillon. Daar,
waar Clarens zich met zijn treurwilgen in het water afspiegelt,
wandelde Rousseau, terwijl hij van Heloïse droomde. De Rhône stroomt
onder de hooge, met sneeuw bedekte bergen van Savoye voort; hier,
niet ver van haar oorsprong, ligt in het meer een klein eiland;
dit is zoo klein, dat het van de kust gezien, een vaartuig op het
water schijnt te zijn. Het eiland is een rotsgrond, dien een dame
voor omstreeks honderd jaren met steenen liet indammen, met aarde
bedekken en met drie acaciaboomen beplanten; deze overschaduwen nu
het geheele eiland. Babette was verrukt over deze plek, deze scheen
haar de schoonste op den geheelen tocht, daar moest zij naar toe,
het moest daar verwonderlijk schoon zijn, dacht zij. Maar de stoomboot
voer voorbij en legde aan, waar zij moest aanleggen en wel te Vevay.

Het kleine gezelschap wandelde van hier verder tusschen de
witte, door de zon bestraalde muren, die de wijngaarden voor
het bergstadje Montreux omgeven, waar de vijgeboomen het huis
van den boer beschaduwen, laurierboomen en cipressen in de tuinen
groeien. Halverwege op den berg stond het huis, waarin de petemoei
woonde.

De ontvangst was hartelijk. De petemoei was een vriendelijke vrouw
met een rond, glimlachend gezicht; als kind was zij zeker een echt
engelenkopje van Raphaël geweest. Nu was zij een oud engelenhoofd,
met weelderige zilverwitte lokken. Haar dochters waren lieve, mooie,
lange en slanke meisjes. De jonge neef, dien zij meegebracht hadden,
was van het hoofd tot de voeten in het wit gekleed, had blond haar
en zulke lange roode bakkebaarden, dat er wel genoeg was voor drie
heeren; hij bewees Babette terstond de grootste opmerkzaamheid.

Rijk gebonden boeken, muziek en teekeningen lagen er op de groote tafel
verspreid; de deur, die naar het balkon voerde, stond open en gaf het
uitzicht op het schoone, uitgestrekte meer, dat zoo blank en stil was,
dat de bergen van Savoye met steden, bosschen en sneeuwtoppen zich
daarin afspiegelden.

Rudy, die anders overmoedig, vroolijk en opgewekt was, gevoelde
zich hier volstrekt niet thuis; hij bewoog zich, alsof hij op
erwten over een gladden vloer liep. Wat viel de tijd hem lang, wat
ging deze langzaam voorbij, als in een tredmolen! En nu werd er een
wandeling gedaan! Dat ging even langzaam en vervelend; Rudy had wel
twee schreden vooruit en een achteruit kunnen doen, om met de anderen
in den stap te blijven. Zij wandelden naar Chillon, het oude, sombere
kasteel op het rotsachtige eiland, alleen om de foltertuigen te zien,
de gevangenissen, de verroeste kettingen in de rotsachtige muren, de
steenen britsen voor de ter dood veroordeelden, de valluiken, waardoor
de ongelukkigen naar beneden geworpen en op ijzeren spitse pennen
opgevangen werden. Dat alles te zien noemden zij een genoegen. Een
gerechtsplaats was het, die door Byrons gezang in de wereld der poëzie
opgenomen is. Rudy had slechts gevoel voor de gerechtsplaats; hij
stak het hoofd uit een der groote steenen vensterramen en keek neer
in het diepe, blauwachtig groene water en naar het kleine eiland met
de drie acacia's; daarheen wenschte hij zich wel verplaatst te zien,
vrij van het geheele pratende gezelschap; maar Babette was bijzonder
vroolijk gestemd. Zij had zich uitstekend geamuseerd, zeide zij;
de neef, vond zij, was een alleraardigst mensch.

«Ja, een echte lafbek!» zei Rudy; en dit was de eerste maal, dat Rudy
iets zei, wat haar niet beviel. De Engelschman had haar een klein
boekje tot aandenken aan Chillon gegeven, het was Byrons gedicht:
«De gevangene van Chillon,» in het Fransch vertaald, zoodat Babette
het kon lezen.

«Het boek kan wel heel mooi zijn,» zei Rudy, «maar de keurig gekleede
mijnheer, die het je gegeven heeft, staat mij niet aan.»

«Hij zag er net uit als een meelzak zonder meel!» zei de molenaar,
en lachte om zijn eigen aardigheid. Ook Rudy lachte en zei, dat hij
er juist zoo over dacht.



XI.

De neef.


Toen Rudy eenige dagen later een bezoek in den molen kwam afleggen,
vond hij daar den jongen Engelschman; Babette was juist bezig, hem
gekookte forellen voor te zetten, die zij zeker zelf met peterselie
versierd had, opdat zij er recht smakelijk zouden uitzien. Maar dat was
volstrekt niet noodig geweest. Wat wilde de Engelschman hier? Wat had
hij hier te doen? Door Babette getrakteerd en onthaald te worden?--Rudy
was jaloersch, en dat deed Babette plezier; het deed haar genoegen,
al de zijden van zijn karakter te leeren kennen, de sterke zoowel
als de zwakke. De liefde was haar nog een spel, en zij speelde met
het hart van Rudy, en toch was hij,--dat moet gezegd worden,--haar
geluk, haar geheele leven, haar voortdurende gedachte, het beste en
heerlijkste, dat zij op deze wereld bezat; maar hoe meer zijn blik
zich verduisterde, des te meer lachten haar oogen, zij had den blonden
Engelschman met de roode bakkebaarden wel een kus willen geven, als zij
daardoor had kunnen bewerken, dat Rudy razend werd en wegliep; dat zou
haar juist een bewijs zijn, hoe lief hij haar had. Maar dat was niet
goed van Babette; doch zij was immers nog maar negentien jaar oud. Zij
dacht weinig daarover na en dacht er nog minder aan, dat haar gedrag
door den jongen Engelschman licht anders zou kunnen opgevat worden,
dan het voor de eerbare verloofde dochter van den molenaar paste.

Daar, waar de straatweg van Bex onder de met sneeuw bedekte rotsachtige
hoogte loopt, die in de landstaal Diablerets heet, stond de molen,
niet ver van een snelvlietenden bergstroom, die witachtig grijs was
evenals zeepsop. Deze bracht den molen echter niet in beweging, het
groote molenrad werd door een kleineren stroom in de rondte gedraaid,
die aan den anderen kant der rivier van de rots naar beneden stortte
en, door een steenen dam tot nog grootere kracht en vaart gedreven,
in een bassin van balken, een breede leiding of goot, over den
snelvlietenden stroom gevoerd werd. Deze goot was zoo rijk aan water,
dat zij overliep en de houten rand een natten, slijkerigen weg aanbood
aan dengene, wien het in de gedachte mocht komen, langs dezen den
molen spoediger te bereiken, en dezen inval had een jongmensch, de
Engelschman. In het wit gekleed als een molenaarsknecht, klauterde
hij des avonds naar den overkant, geleid door het licht, dat er uit
de kamer van Babette stroomde. Klauteren echter had hij niet geleerd,
en het scheelde dan ook niet veel, of hij was hals over kop in het
water gevallen, maar hij kwam er gelukkig nog met doornatte mouwen
en een smerige broek af; nat en met slijk bedekt kwam hij onder
het raam van Babette; hier klom hij in de oude linde en begon de
stem van den uil na te bootsen, want een anderen vogel kon hij niet
nazingen. Babette hoorde dit en keek door de dunne gordijnen naar
buiten; toen zij den witten man echter zag en wel kon begrijpen,
wie dit was, klopte haar hartje van schrik, maar ook van toorn. Zij
blies in aller ijl het licht uit, onderzocht of de pennen wel op de
ramen zaten, en liet hem nu huilen, zoo veel hij maar wilde.

Het zou verschrikkelijk zijn, als Rudy nu hier in den molen was!--Maar
Rudy was niet in den molen, neen, wat nog erger was, hij stond vlak
onder de linde. Er werd luid gesproken, het waren toornige woorden, er
kon wel een vechtpartij, misschien zelfs moord en doodslag van komen.

Babette deed in haar angst het raam open, riep Rudy en verzocht
hem heen te gaan; want zij kon het niet dulden, dat hij daar bleef,
zeide zij.

«Je duldt niet, dat ik hier blijf!» riep hij haar toe, «het is dus
afgesproken werk! Je verwacht goede vrienden, betere dan ik ben! Schaam
je, Babette!»

«Je bent onuitstaanbaar!» zei Babette. «Ik haat je!» En zij weende. «Ga
heen, ga heen!»

«Dat heb ik niet verdiend!» zei hij en ging heen; zijn wangen en zijn
hart brandden als vuur.

Babette wierp zich op haar bed neer en weende.

«Ik heb je zoo lief, Rudy! En je kunt zoo iets slechts van mij denken!»

Zij barstte in tranen uit, en dat was goed voor haar, want anders
zou zij zeer bedroefd geworden zijn; nu kon zij den slaap vatten,
den verkwikkenden slaap der jeugd slapen.



XII.

Booze machten.


Rudy verliet Bex, hij sloeg den weg naar huis in, klom op de bergen in
de frissche verkoelende lucht, waar de sneeuw lag, waar de ijsjonkvrouw
heerscht. De boomen stonden diep onder hem en zagen er uit, alsof zij
aardappelenloof waren, de dennen, de struiken werden kleiner hier
boven, de Alpenrozen groeiden naast de sneeuw die in afzonderlijke
strepen lag, evenals linnen op de bleek. Een blauwe gentiaan, die op
zijn weg stond, verbrijzelde hij met zijn geweerkolf.

Hoogerop vertoonden zich twee gemzen; de oogen van Rudy fonkelden,
zijn gedachten namen een nieuwe vlucht; maar hij was er niet dicht
genoeg bij om een zeker schot te kunnen doen; hij klom hooger op
waar slechts een enkel grasscheutje tusschen de rotsblokken groeide;
de gemzen liepen rustig op het sneeuwveld; hij verhaastte zijn
schreden. De wolkennevel daalde diep om hem neer, eensklaps bevond
hij zich voor den steilen rotswand: de regen begon neer te stroomen.

Hij voelde een brandenden dorst, hitte in zijn hoofd, koude over al
zijn leden; hij greep naar zijn veldflesch, maar deze was ledig;
hij had er niet aan gedacht, haar te vullen, toen hij tegen de
bergen opstormde. Hij was vroeger nooit ziek geweest, maar nu had
hij het gevoel van zulk een toestand; hij was moede, hij gevoelde
neiging om zich neer te leggen, verlangen om te slapen, maar overal
stroomde de regen neer; hij deed een poging om weer tot zich zelven te
komen. Zonderling sidderden en dansten de voorwerpen voor zijn oogen;
daar bespeurde hij eensklaps, wat hij hier nog nooit gezien had,
een nieuw, allerliefst huisje, dat tegen de rotsen aangebouwd was;
voor de deur stond een jong meisje; hij zou haast gezegd hebben,
dat het Annette van den schoolmeester was, die hij eenmaal onder het
dansen gekust had; maar het was Annette niet; toch had hij het meisje
vroeger al eens gezien, misschien wel bij Grindelwald, op dien avond,
toen hij van het schuttersfeest te Interlaken terugkeerde.

«Hoe komt ge hier zoo verzeild?» vroeg hij.

«Ik ben hier te huis. Ik hoed mijn kudde!»

«Uw kudde? Waar graast die dan? Hier heeft men immers slechts sneeuw
en rotsen.»

«Ge weet er ook wat van, wat hier is!» zei het meisje en lachte. «Hier
achter ons, beneden, is een heerlijke weide! Daar loopen mijn
geiten! Ik bewaak ze zorgvuldig! Geen enkele verlies ik; wat van mij
is, blijft van mij!»

«Gij zijt stoutmoedig!» zei Rudy.

«Gij ook!» antwoordde het meisje.

«Hebt ge melk in huis, geef mij dan te drinken; want ik heb een
ondraaglijken dorst!»

«Ik heb wat beters dan melk!» zei het meisje, «en dat zal ik u
geven. Gisteren waren hier reizigers met hun gids; zij vergaten een
half fleschje wijn, zooals ge zeker nooit geproefd hebt, zij zullen
het wel niet terughalen; ik drink er niet van, drink gij er maar van!»

En het meisje haalde den wijn, goot dien in een houten beker en reikte
dezen aan Rudy over.

«Dat smaakt lekker!» zei hij. «Nog nooit heb ik zulken verwarmenden,
vurigen wijn geproefd!» Zijn oogen fonkelden; een leven, een gloed
vervulde hem, alsof iedere zorg, iedere druk verdween; de frissche
menschennatuur ontwaakte in hem.

«Maar het is Annette toch!» riep hij uit. «Geef mij een kus!»

«Ja, geef mij den mooien ring, dien ge aan den vinger hebt.»

«Mijn verlovingsring?»

«Ja, juist dien!» zei het meisje en schonk op nieuw wijn in den
beker, dien zij hem aan de lippen zette, en hij dronk. Er stroomde
levensvreugde in zijn bloed; de geheele wereld behoorde hem toe,
dacht hij, waarom zou hij zich afpijnigen! Alles is geschapen,
opdat wij het genieten, opdat het ons gelukkig make! De stroom des
levens is de stroom der vreugde; door dezen gedragen te worden,
dat is gelukzaligheid. Hij keek het meisje aan, het was Annette wel
en toch Annette niet, en nog minder de spookgestalte, zooals hij het
noemde, die hem bij Grindelwald tegengekomen was. Het meisje hier op
den berg was frisch als de witte sneeuw, bloeiend als de Alpenroos
en snelvoetig als een geitje; maar toch uit Adams rib geschapen,
evenals Rudy. Hij sloeg zijn armen om de schoone heen en staarde
haar in de verwonderlijk heldere oogen; slechts een seconde duurde
deze blik, en in deze seconde.... ja, wie verklaart het, wie geeft
het in woorden weer?--was het het leven des geestes of des doods,
dat hem vervulde?--werd hij opgeheven of zonk hij in de diepe,
doodende ijskloof, gedurig dieper. Hij zag de ijswanden als een
blauwachtig groen glas, oneindige kloven gaapten er in de rondte,
en het water stroomde naar beneden, helder, vlammend in witachtig
blauwe vlammen. De ijsmaagd kuste hem: het was een kus, die hem van
het hoofd tot de voeten deed huiveren; een kreet van smart ontsnapte
er aan zijn lippen, hij rukte zich los, waggelde,--en het werd nacht
voor zijn oogen, maar hij deed ze weer open. Booze machten hadden
haar spel met hem gedreven.

Verdwenen was het Alpenmeisje, verdwenen de beschermende hut, het
water stroomde langs den naakten rotswand neer, sneeuw lag er rondom;
Rudy beefde van de koude, hij was tot op zijn hemd doornat, zijn ring
was verdwenen, de verlovingsring, dien Babette hem gegeven had. Zijn
buks lag in de sneeuw naast hem, hij raapte haar op en wilde haar
afschieten; maar zij weigerde. Vochtige wolken legerden zich als
vaste sneeuwmassa's in de kloof, de duizeligheid zat daar en loerde
op haar machtelooze prooi, en beneden in de kloof klonk het, alsof
er een rotsblok naar beneden stortte, dat alles verbrijzelde en met
zich meesleepte, wat het in zijn val wilde ophouden.

Maar in den molen zat Babette en weende; Rudy was er in geen zes dagen
geweest, hij, die in het ongelijk was, hij, die haar om vergiffenis
moest vragen, dien zij van ganscher harte liefhad.



XIII.

In den molen.


«Wat gaat het toch wonderlijk bij de menschen toe!» zei de kamerkat
tegen de keukenkat. «Nu zijn zij weer van elkaar af, Babette en
Rudy. Zij weent, en hij denkt zeker niet meer aan haar.»

«Dat bevalt mij niet!» zei de keukenkat.

«Mij ook niet!» zei de kamerkat, «doch ik zal het mij maar niet
aantrekken! Babette kan zich immers met dien roodbaard verloven! Maar
die is hier ook niet meer geweest, sedert hij op het dak wilde
klimmen!»

Booze machten drijven haar spel om ons en in ons; dat had Rudy wel
eens gehoord en veel daarover nagedacht; wat was er in hem en om hem
heen gebeurd daar op den berg? Waren het spoken of koortsachtige
droomen? Hij had vroeger noch koorts, noch eenige andere ziekte
gekend. Maar toen hij Babette veroordeelde, had hij een blik in
zijn eigen binnenste geslagen. Hij had de wilde jacht in zijn hart,
den heeten orkaan, die daar huisgehouden had, nagespeurd. Zou hij aan
Babette ook alles kunnen biechten, iedere gedachte biechten, die in de
ure der verzoeking bij hem tot daad zou kunnen worden? Haar ring had
hij verloren, en juist door dit verlies had zij hem teruggekregen. Zou
zij hem alles kunnen opbiechten? Het was, alsof zijn hart zou breken,
als hij aan haar dacht; hoevele herinneringen rezen er niet bij
hem op! Hij zag haar, alsof zij bij levenden lijve voor hem stond,
lachend als een moedwillig kind; menig vriendelijk woord, dat zij
uit de volheid haars harten gesproken had, drong als zonnestralen in
zijn borst door, en al spoedig was alles daarin slechts zonneschijn
bij de gedachte aan Babette.

Ja, zij moest hem alles kunnen biechten, en zij zou dit ook doen.

Hij ging naar den molen toe en kwam tot de biecht. Deze begon met
een kus en eindigde daarmee, dat Rudy de zondaar bleef; het was
afschuwelijk van hem! Zulk een wantrouwen, zulk een heftigheid kon
hen beiden in het ongeluk storten. Ja zeker, dat kon! En daarom
hield Babette hem een kleine boetpredikatie, waarin zij zelf schik
had en die haar zeer goed afging, doch op één punt had Rudy gelijk:
de neef der petemoei van Babette was een lafbek; zij wilde het boek
verbranden, dat hij haar gegeven had, en zij wilde niet het minste
bezitten, dat haar aan hem kon herinneren.

«Nu is het gevaar voorbij!» zei de kamerkat. «Rudy is weer hier,
zij verstaan elkaar, en dat is toch het grootste geluk, zeggen zij.»

«Ik hoorde van nacht van de rotten,» zei de keukenkat, «dat het
grootste geluk is, vetkaarsen te eten en volop spek te hebben. Wie
moet men nu gelooven, de rotten of het verliefde paar?»

«Geen van beiden,» zei de kamerkat, «dat is altijd het veiligste!»

Het grootste geluk van Rudy en Babette, de schoonste dag, zooals zij
hem noemden, de trouwdag, was ophanden.

Maar niet in de kerk te Bex zou de trouwplechtigheid plaats hebben,
niet in den molen zou er bruiloft gehouden worden; de petemoei
wilde, dat de bruiloft in haar huis zou gevierd worden en dat de
trouwplechtigheid in de mooie kleine kerk te Montreux zou plaats
vinden. De molenaar stond er op, dat deze wensch zou vervuld worden;
hij alleen wist, wat de petemoei voor de jonggehuwden bestemd had;
zij zouden van haar een bruidsgeschenk krijgen, dat wel waard was,
dat men zich naar haar wil schikte. De dag was bepaald. Reeds den
avond te voren zouden zij naar Villeneuve vertrekken, om den daarop
volgenden dag tijdig naar Montreux te rijden, opdat de dochters der
petemoei de bruid aan haar toilet zouden kunnen helpen.

«Hier in huis zal er toch ook wel wat lekkers afvallen,» zei de
kamerkat; «als dit niet gebeurt, dan geef ik geen miauw voor de
heele geschiedenis!»

«Hier zal wel gesmuld worden!» zei de keukenkat. «Er zijn eenden
geslacht, duiven geplukt, en een heele reebok hangt er aan den muur. Ik
watertand er al van, als ik daaraan denk! Morgen begint de reis!»

Ja, morgen!--Op dezen avond zaten Rudy en Babette voor de laatste
maal als verloofden in den molen.

Buiten gloeiden de Alpen, luidden de avondklokken en zongen de
dochteren der zon: «Moge het beste geschieden!»



XIV.

Nachtelijke droomgezichten.


De zon was ondergegaan, de wolken daalden in het Rhônedal tusschen de
hooge bergen, de wind blies uit het Zuiden, een wind, die uit Afrika
kwam, streek over de hooge Alpen heen, een orkaan, die de wolken
scheurde, en toen de wind voorbijgespoed was, werd het een oogenblik
doodstil; de gescheurde wolken hingen in phantastische groepen tusschen
de met boomen begroeide bergen, over den snelvlietenden Rhônestroom;
zij hingen in gestalten als de dieren der voorwereld, als de zwevende
adelaar der lucht, als de huppelende kikvorschen der moerassen; zij
daalden op den snelvlietenden stroom neer, zij zeilden op dezen en
zeilden toch in de lucht. De stroom voerde een ontwortelden boom met
zich mee, in het water vertoonden zich wervelende kringen; het was
de duizeligheid, meer dan een, die er op den voortbruisenden stroom
draaiden; de maan verlichtte de sneeuw op de bergtoppen, de donkere
bosschen en de witte wonderbare wolken, de nachtgezichten, de geesten
der natuurkrachten; de bergbewoner zag ze door de vensterruiten,
zij zeilden daar beneden bij scharen voor de ijsjonkvrouw uit; deze
kwam uit haar gletscherkasteel, zij zat op het brooze schip, op den
ontwortelden boom; het gletscherwater droeg haar den stroom af tot
in het open meer.

«De bruiloftsgasten komen!» suisde het in lucht en water.

Gezichten buiten, gezichten binnen. Babette droomde een wonderbaren
droom.

Het kwam haar voor, alsof zij met Rudy getrouwd was, en wel sedert
vele jaren. Hij was op de gemzenjacht, en zij was te huis in haar
woning, en daar zat de jonge Engelschman met den rooden baard bij
haar! Zijn oogen waren zoo welsprekend, zijn woorden een toovermacht,
hij stak haar de hand toe, en zij moest hem volgen. Zij verlieten het
huis. Het ging gedurig meer naar beneden! Het was Babette te moede,
alsof er een last op haar hart drukte, die gedurig zwaarder werd;
het was een zonde tegen Rudy, een zonde tegen God; en eensklaps stond
zij daar verlaten, haar kleederen waren door de doornen gescheurd,
haar lokken waren grijs geworden, zij keek in haar smart naar boven,
en op den rotswand zag zij Rudy;--zij strekte haar armen naar hem uit,
maar waagde het niet, te roepen of te bidden. Dat zou haar ook niet
gebaat hebben, want al spoedig ontdekte zij, dat hij het niet was,
maar slechts zijn jas en zijn hoed, die op den Alpenstok hingen,
dien de jagers zoo neerzetten, om de gemzen te misleiden. En in
grenzenlooze smart jammerde Babette: «O! was ik maar op mijn trouwdag,
mijn gelukkigsten dag, gestorven! Mijn God dat zou een genade, een
groot geluk geweest zijn! Dan zou het beste geschied zijn, wat mij
en Rudy zou hebben kunnen weervaren! Niemand kent zijn toekomst!» En
in haar smart stortte zij zich in de diepe rotskloof naar beneden. Er
sprong een snaar, er klonk een weemoedige toon...

Babette ontwaakte, de droom was voorbij en vergeten,--maar zij wist
toch nog, dat zij iets verschrikkelijks en van den jongen Engelschman
gedroomd had, die zij in verscheidene maanden niet gezien, aan wien
zij niet gedacht had. Zou hij misschien ook te Montreux zijn? Zou
zij hem op de bruiloft te zien krijgen? Een lichte schaduw gleed er
over haar fijnen mond, haar wenkbrauwen trokken zich te zamen; maar
al spoedig daarop speelde er een glimlachje om haar lippen, schoten
er vreugdestralen uit haar oogen; buiten scheen de zon zoo heerlijk,
en den volgenden dag was het de bruiloft van haar en van Rudy.

Rudy was al in de woonkamer, toen zij deze binnentrad, en spoedig
daarop ging men naar Villeneuve. Beiden waren zoo overgelukkig,
en ook de molenaar; hij lachte en was in de beste luim; hij was een
goed vader en een eerlijke ziel.

«Nu zijn wij heeren en meesters hier in huis!» zei de kamerkat.



XV.

Besluit.


Het was nog geen avond, toen de drie vroolijke menschen Villeneuve
bereikten en daar hun middagmaal hielden. De molenaar zette zich in
den leuningstoel neer, rookte zijn pijp en deed een kort dutje. Het
jonge bruidspaar liep gearmd de stad uit en ging den straatweg langs
onder de met struiken begroeide rotsen langs het blauwachtig groene,
diepe meer; het sombere Chillon spiegelde zijn grauwe muren en zijn
logge torens in den helderen vloed af; het kleine eiland met de drie
acacia's lag nog dichter bij: het zag er uit als een bloemruiker op
het meer.

«Het moet daarboven verrukkelijk schoon zijn!» zei Babette. Zij
had weer heel veel lust om daar naar toe te gaan, en deze wensch kon
terstond in vervulling komen; aan den oever lag een schuitje; het touw,
waarmee het was vastgebonden, was gemakkelijk los te maken. Men zag
niemand, dien men vergunning kon vragen om het te gebruiken, en zoo
stapten zij dan zonder verder beraad in het schuitje. Rudy had er
wel verstand van, de roeiriemen te gebruiken.

De roeiriemen grepen als vinnen van een visch in het water, dat zoo
buigzaam en toch zoo sterk is, dat een rug tot dragen en een mond
tot verslinden heeft, dat vriendelijk glimlacht, de zachtzinnigheid
zelve is, en toch schrik inboezemt en sterk tot verbrijzelen is. Een
schuimend zog vertoonde zich achter het schuitje, dat beiden in weinige
minuten naar het eilandje overbracht, waar zij aan land stapten. Hier
was niet meer plaats dan voor een dans voor twee personen.

Rudy draaide met Babette een paar malen in de rondte; daarop gingen
zij hand in hand op de kleine bank onder de neerhangende acacia's
zitten, keken elkaar in de oogen, en alles in het rond straalde in den
glans der ondergaande zon. De dennenbosschen der bergen kleurden zich
paarsachtig rood als bloeiend heidekruid, en waar de boomen ophielden
en de steenen te voorschijn kwamen, daar gloeiden deze, alsof de rots
doorzichtig was; de wolken aan den hemel fonkelden als rood vuur, het
geheele meer was als het frissche, gloeiende rozeblad. Langzamerhand
rezen de schaduwen langs de met sneeuw bedekte bergen van Savoye
naar boven en kleurden ze zwartachtig blauw; maar de bovenste toppen
fonkelden als gloeiende lava, zij vertoonden een oogenblik uit de
vormingsgeschiedenis der bergen, toen deze massa's zich gloeiend uit
den schoot der aarde verhieven en nog niet afgekoeld waren. Rudy en
Babette meenden, zulk een Alpengloed nog nooit gezien te hebben. De
met sneeuw bedekte Dent du midi had een glans als de schijf der volle
maan, wanneer zij aan den horizon oprijst.

«Zooveel schoonheid! Zooveel geluk!» zeiden beiden.--«De aarde heeft
mij niets meer te geven!» zei Rudy. «Een avond als deze is toch een
geheel leven! Hoe dikwijls gevoelde ik mijn geluk, zooals ik het nu
gevoel, en dacht, hoe gelukkig ik zou geleefd hebben, al kwam er nu
ook aan alles een einde! Hoe heerlijk is deze wereld! En de dag liep
ten einde, maar een nieuwe begon, en het kwam mij voor, alsof _deze_
nog schooner was! Hoe oneindig goed is God, Babette!»

«Ik gevoel mij zoo van heeler harte gelukkig!» zeide zij.

«Meer heeft de aarde mij niet te geven!» riep Rudy uit.

En de avondklokken klonken van de bergen van Savoye, van de Zwitsersche
bergen; in het Westen verhief zich in den gouden glans het zwartachtig
blauwe Juragebergte.

«God geve je het heerlijkste en het beste!» zei Babette.

«Dat zal Hij doen!» zei Rudy. «Morgen zal ik het hebben! Morgen ben
je geheel de mijne, mijn eigen, lief vrouwtje!»

«Het schuitje!» riep Babette plotseling uit.

Het schuitje, dat hen moest terugbrengen, was losgeraakt en dreef
van het eilandje weg.

«Ik zal het wel terughalen!» zei Rudy, trok zijn jas en zijn laarzen
uit, sprong in het meer en zwom het schuitje met krachtige slagen
achterna.

Koud en diep was het heldere, blauwachtig groene ijswater van den
gletscher van het gebergte. Rudy keek in het water neer; slechts een
enkele blik, en het was hem, alsof hij een gouden ring zag rollen,
glinsteren, fonkelen,--zijn verlovingsring kwam hem in de gedachten,
en de ring werd grooter, breidde zich in een fonkelenden kring uit,
en hierin schitterde de heldere gletscher; diepe kloven gaapten er in
het rond, en het was, alsof het water geluid gaf als een klokkenspel
en van witachtig blauwe vlammetjes fonkelde; in een oogenblik zag
hij, wat wij met vele woorden moeten zeggen. Jonge jagers en jonge
meisjes, mannen en vrouwen, die eenmaal in de kloven der gletschers
neergezonken waren, stonden hier levend met een open en glimlachenden
mond, en diep beneden klonken de kerkklokken van weggezonken steden;
de gemeente knielde onder de gewelven der kerk, stukken ijs vormden
de orgelpijpen, de rotsstroom speelde op het orgel; de ijsjonkvrouw
zat op den helderen, doorzichtigen grond, zij hief zich naar Rudy op,
kuste zijn voeten, en een ijskoude huivering ging hem door de leden,
een electrieke schok--ijs en vuur! Men kan tusschen deze bij de
kortstondige aanraking geen onderscheid merken.

«Gij zijt de mijne!» klonk het om hem en in hem. «Ik kuste u, toen
ge nog klein waart, op uw mond!--Nu kus ik u op uw teenen en op uw
hielen, nu behoort ge mij geheel toe!»

En hij verdween in het heldere blauwe water.

Alles was stil, de kerkklokken verstomden, de laatste tonen verdwenen
met den glans aan de roode wolken.

«De mijne zijt gij!» klonk het in de diepte; «de mijne zijt gij!»
klonk het in de hoogte.

Wat is het heerlijk van liefde tot liefde, van de aarde naar den
hemel te vliegen.

Er sprong een snaar, er klonk een rouwtoon, de ijskus des doods overwon
het vergankelijke; het voorspel eindigde, opdat het levensdrama zou
kunnen beginnen, de wanklanken losten zich in de schoonste harmonie op.

Noemt ge dat een treurige geschiedenis?

Die arme Babette! Zij verkeerde in een nameloozen angst. Het
schuitje dreef gedurig verder weg. Niemand aan den vasten wal wist,
dat het bruidspaar naar het kleine eilandje gevaren was. De wolken
daalden, de avond was donker. Alleen, wanhopig, jammerend stond
zij daar. Een onweder hing boven haar, de eene bliksemstraal na
den anderen fonkelde over het Juragebergte, over Zwitserland en
over Savoye heen; van alle kanten schoten er bliksemstralen, van
alle kanten deden zich donderslagen hooren, zij rolden in elkaar,
minuten lang. De bliksemstralen hadden vaak den glans der zon, men
zag iederen wijnstok, evenals op den tijd van den middag, en terstond
daarop was alles weer in duisternis gehuld. De bliksemstralen sloegen
in het meer in, zij flikkerden van alle kanten, terwijl het gedreun,
door de echo's weerkaatst, nog heviger werd. Op het land trok men de
schuitjes op den oever; alles, wat leven had, zocht beschutting! En
nu stroomde de regen neer.

«Waar zouden Rudy en Babette toch in dit onweer zijn?» zei de molenaar.

Babette zat met gevouwen handen, met het hoofd in den schoot,
sprakeloos van smart; zij weende, zij jammerde niet meer.

«In het diepe water!» sprak zij bij zich zelve. «Diep beneden is hij
onder den gletscher!»

Het kwam haar in de gedachten, wat Rudy van den dood van zijn moeder
en van zijn redding verteld had, toen hij als een lijk uit de kloof
van den gletscher gedragen werd. «De ijsjonkvrouw heeft hem weer.»

Er kwam een bliksemstraal, even verblindend als zonneschijn op de witte
sneeuw. Babette sprong op; het meer verhief zich op dit oogenblik als
een vlammende gletscher, de ijsjonkvrouw stond daar vol majesteit,
blauwachtig bleek, stralend, en aan haar voeten lag het lijk van
Rudy. «Hij behoort mij toe!» zeide zij, en ver in het rond zag zij
weer niets anders dan duisternis en voortbruisende wateren.

«Hoe wreed!» jammerde Babette. «Waarom moest hij juist sterven,
nu de dag van ons geluk aanbrak? God, mijn God! verlicht mijn
verstand! Straal in mijn hart! Ik begrijp Uw wegen niet! Ik tast rond
in de besluiten van Uw almacht en wijsheid!»

En God verhoorde haar bede. Een gedachtebliksem, een genadestraal,
haar droom van den afgeloopen nacht, levendig als deze geweest was,
kwam haar weer voor den geest; zij herinnerde zich de woorden, den
wensch, dien zij uitgesproken had omtrent datgene, wat voor haar en
Rudy het beste zou zijn.

«Wee mij! Was dat de kiem der zonde in mijn hart? Was mijn droom een
leven der toekomst, welks snaar ter mijner redding moest breken? Ik
ellendige!»

Jammerend zat zij daar in den donkeren nacht. Door de diepe stilte
schenen de woorden van Rudy nog te klinken, de laatste, die hij hier
sprak: «Meer heeft de aarde mij niet te geven!» Zij klonken in de
volheid der vreugde, zij werden herhaald in diepe smart.



Jaren zijn er sedert verloopen. Het meer glimlacht, zijn oevers
glimlachen; de wijnstok krijgt zwellende druiven; stoombooten met
wapperende vlaggen jagen voorbij, plezierbootjes met hun gezwollen
zeilen vliegen over den waterspiegel als witte vlinders; de spoorweg
over Chillon is geopend en voert diep het Rhônedal in. Aan ieder
station stappen vreemdelingen uit; zij houden hun in rood gebondene
reisboeken in de hand en lezen daarin, wat zij al zoo merkwaardigs
te zien hebben. Zij bezoeken Chillon, zij zien buiten in het meer
het kleine eiland met de drie acacia's, en lezen in het boek van
het bruidspaar, dat daar op een avond van het jaar 1856 langs voer,
van den dood van den bruidegom en: «eerst den volgenden morgen hoorde
men aan den oever het wanhopige jammeren der bruid.»

Maar het reishandboek vertelt niets van het stille leven van Babette
bij haar vader, niet in den molen,--want daar wonen nu andere
menschen,--maar in het mooie huis in de nabijheid van den spoorweg,
uit welks ramen zij nog menigen avond over de kastanjeboomen naar
de sneeuwbergen kijkt, waarover Rudy zich eenmaal voortspoedde; zij
ziet des avonds den Alpengloed, de kinderen der zon legeren zich
op de hooge bergen en herhalen het lied van den reiziger, wien de
wervelwind den mantel afrukte, het hulsel ontnam, maar niet den man.

Hier is rozenglans op de sneeuw van den berg, rozenglans in ieder hart,
waarin de gedachte woont: «God laat het beste voor ons geschieden!»
Maar het wordt ons niet altijd geopenbaard, zooals het Babette in
haar droom geopenbaard werd.



DE NACHTEGAAL.


In China, moet je weten, is de keizer een Chinees en allen, die hij om
zich heen heeft, zijn ook Chineezen. Het is nu al vele jaren geleden,
maar juist daarom is het de moeite wel waard, de geschiedenis eens
te hooren, voordat zij vergeten wordt. Het keizerlijk paleis was
het prachtigste van de wereld, geheel en al van fijn porselein, zeer
kostbaar, maar zoo broos, zoo gevaarlijk om er aan te raken, dat men
zich zeer in acht moest nemen. In den tuin zag men de wonderlijkste
bloemen, en aan de prachtigste waren zilveren klokjes vastgebonden,
die altijd bengelden, opdat men niet zou voorbijgaan, zonder op de
bloemen te letten. Ja, alles was in den tuin van den keizer keurig
ingericht. En hij strekte zich zoo ver uit, dat de tuinman zelf het
einde daarvan niet wist. Als men maar steeds verder ging, dan kwam
men in het heerlijkste bosch met hooge boomen en diepe meren. Het
bosch strekte zich tot aan de zee uit, die blauw en diep was; groote
schepen konden tot onder de takken der boomen voortzeilen, en in
deze boomen woonde een nachtegaal, die zoo prachtig zong, dat zelfs
de arme visscher, die toch drukke bezigheden had, met werken ophield
en luisterde, als hij 's nachts uitgevaren was, om zijn net uit te
werpen, en dan den nachtegaal hoorde. «Och, och! wat is dat mooi!»
zei hij; maar hij moest op zijn zaken acht geven en vergat den vogel
daardoor. Maar als deze den volgenden nacht weer zong en de visscher
daarheen kwam, dan zei hij hetzelfde weer.

Uit alle landen der wereld kwamen er reizigers naar de stad van den
keizer en bewonderden deze, en vooral het paleis en den tuin. Maar
als zij den nachtegaal hoorden, dan zeiden zij toch allen: «Dat is
nog het mooiste van alles!»

De reizigers vertelden daarvan, als zij weer thuis kwamen; en
de geleerden schreven vele boeken over de stad, het paleis en den
tuin. Maar ook den nachtegaal vergaten zij niet: deze werd het hoogst
gesteld; en zij, die verzen konden maken, schreven de prachtigste
gedichten over den nachtegaal in het bosch bij de diepe zee.

Deze boeken werden door de geheele wereld verspreid, en enkele daarvan
kwamen ook den keizer in handen. Deze zat op zijn gouden stoel en
las; ieder oogenblik knikte hij met het hoofd, want het deed hem
genoegen, de prachtige beschrijvingen van de stad, het paleis en den
tuin te lezen. «Maar de nachtegaal is nog het mooiste van alles!»
stond daar geschreven.

«Wat is dat?» riep de keizer uit. «Den nachtegaal ken ik niet eens! Is
er zulk een vogel in mijn keizerrijk en zelfs in mijn tuin? Dat heb
ik nog nooit gehoord! Dat ik zoo iets eerst uit boeken moet vernemen!»

En hierop riep hij zijn kamerheer. Deze was zoo voornaam, dat hij,
als iemand, die minder dan hij was, tegen hem wilde spreken of hem
naar iets vragen, niets anders ten antwoord gaf dan: «P!» en dat
beteekent niets.

«Er moet hier een uiterst merkwaardige vogel zijn, die nachtegaal
genoemd wordt!» zei de keizer. «Men zegt, dat deze het mooiste van
alles in mijn groot rijk is. Waarom heeft men mij daarvan nooit
iets gezegd?»

«Ik heb hem vroeger nooit hooren noemen!» zei de kamerheer. «Hij is
nooit ten hove voorgesteld.»

«Ik wil, dat hij heden avond in het paleis komt en voor mij zingt!»
zei de keizer. «De heele wereld weet, wat ik heb, en ik weet het niet.»

«Ik heb hem vroeger nooit hooren noemen!» zei de kamerheer. «Ik zal
hem zoeken, ik zal hem vinden!»

Maar waar zou hij te vinden zijn? De kamerheer liep alle trappen op en
neer, door zalen en gangen, maar geen van allen, die hij ontmoette,
had over den nachtegaal hooren spreken. En de kamerheer keerde naar
den keizer terug en zei, dat het zeker een verzinseltje moest zijn
van hen, die boeken schreven. «Uwe Keizerlijke Majesteit kan niet
begrijpen, wat er al zoo geschreven wordt! Dat zijn verdichtselen en
iets, wat men de zwarte kunst noemt.»

«Maar het boek, waarin ik dit gelezen heb,» zei de keizer, «is mij
door den grootmachtigen keizer van Japan gezonden; en het kan dus
geen onwaarheid zijn. Ik wil den nachtegaal hooren! Hij moet heden
avond hier zijn. Hij bezit mijn hoogste genade! En als hij niet komt,
dan moet het geheele hof met stokslagen gestraft worden, wanneer men
den avondmaaltijd genuttigd heeft!»

«Tsing pe!» zei de kamerheer en liep nogmaals alle trappen op en
neer, door al de zalen en gangen; en het halve hof liep mee, want zij
wilden niet graag stokslagen krijgen. Nu werd er aan ieder gevraagd
naar den merkwaardigen nachtegaal, dien de heele wereld kende, maar
aan het hof niemand.

Eindelijk troffen zij een klein, arm meisje in de keuken aan, dat
tegen hen zei: «Och, hemel! den nachtegaal ken ik heel goed! O,
wat kan die zingen! Iederen avond mag ik de restjes van de tafel
aan mijn arme, zieke moeder brengen; zij woont aan het strand, en
als ik terugkom, moe ben en in het bosch uitrust, dan hoor ik den
nachtegaal zingen! Daarbij komen mij de tranen in de oogen, en het
is mij, alsof mijn moeder mij kuste!»

«Beste meid!» zei de kamerheer, «ik zal je een post in de keuken
bezorgen en de vergunning, den keizer te zien eten, als je ons naar
den nachtegaal kunt brengen, want deze is tegen van avond aan het
hof ontboden!»

En zoo liepen zij met hun allen het bosch in, waar de nachtegaal
placht te zingen; het halve hof was er bij. Toen zij een eindje
geloopen hadden, begon er een koe te loeien.

«Ziezoo!» zeiden de hovelingen, «daar hebben we hem! Wat zit er toch
een stem in zoo'n klein beestje! Ik moet dit vroeger zeker als eens
meer gehoord hebben.»

«Neen, dat is een koe, die loeit!» zei het meisje. «We zijn nog ver
van de plaats verwijderd.»

Nu kwaakten de kikvorschen in het moeras.

«Prachtig!» riep de Chineesche hofprediker. «Nu hoor ik hem; het
klinkt precies als kleine kerkklokken.»

«Neen, dat zijn kikvorschen!» zei het meisje. «Maar nu denk ik,
dat we hem gauw zullen hooren.»

Daar begon de nachtegaal te zingen.

«Dat is hij!» zei het meisje. «Hoort! Hoort! Daar zit hij!» En hierbij
wees zij naar een kleinen, grauwachtigen vogel boven in de takken.

«Hoe is 't mogelijk?» zei de kamerheer. «Zoo had ik hem mij niet
voorgesteld! Wat ziet hij er eenvoudig uit! Hij heeft zeker zijn
kleur verloren, doordat hij zoo vele deftige heeren om zich heen ziet!»

«Lieve nachtegaal!» zeide het meisje overluid; «onze genadige keizer
verlangt, dat ge voor hem zingt.»

«Met het meeste genoegen!» antwoordde de nachtegaal en zong daarop,
dat het een lust was om te hooren.

«Het klinkt precies als glazen klokjes!» zei de kamerheer. «En kijk
dat kleine keeltje eens, hoe het op en neer gaat! Het is zonderling,
dat wij hem vroeger nooit gehoord hebben. Hij zal aan het hof zeker
wel veel opgang maken!»

«Moet ik nog eens voor den keizer zingen?» vroeg de nachtegaal,
die dacht, dat de keizer er ook bij was.

«Mijn voortreffelijke kleine nachtegaal!» zei de kamerheer, «ik heb
het genoegen, u heden avond tot een feest ten hove uit te noodigen,
waar ge Zijne Keizerlijke Majesteit door uw verrukkelijk gezang
ongetwijfeld zult betooveren.»

«Dit laat zich het best te midden van het geboomte hooren!» zei de
nachtegaal; maar hij ging toch mee, toen hij hoorde, dat de keizer
het wenschte.

In het paleis was alles in orde gebracht. De wanden en de vloeren,
die van porselein waren, fonkelden in den glans van vele duizenden
gouden lampen; de prachtigste bloemen, die goed konden klingelen,
waren in de gangen neergezet. Daar was een geloop en gedraaf, en alle
klokjes klingelden zoo, dat men zijn eigen woorden niet kon verstaan.

Midden in de groote zaal, waar de keizer zat, was een gouden stok
geplaatst: daarop moest de nachtegaal zitten. Het geheele hof was er,
en de kleine keukenmeid had vergunning verkregen, om achter de deur
te staan, daar zij nu den titel van een werkelijke hofkeukenmeid
gekregen had. Allen waren in feestgewaad gedost, en allen keken naar
den kleinen, grauwachtigen vogel, dien de keizer toeknikte.

De nachtegaal zong zoo prachtig, dat den keizer de tranen in de oogen
kwamen en langs de wangen biggelden; en nu zong de nachtegaal nog
mooier: het ging hem zoo recht van harte. De keizer was zoo verrukt,
dat hij zei, dat de nachtegaal zijn gouden pantoffel om den hals
moest dragen. Maar de nachtegaal bedankte hiervoor: hij was al
genoeg beloond.

«Ik heb tranen in 's keizers oogen gezien, dat is voor mij de grootste
schat! De tranen van een keizer hebben een bijzondere kracht! God weet
het, ik ben genoeg beloond!» Daarop zong hij weer met zijn liefelijke,
prachtige stem.

«Dat is de beminnelijkste coquetterie, die ik ken!» zeiden de dames in
de rondte, en toen namen zij water in den mond om daarmee te klokken,
als iemand tegen haar sprak. Zij meenden, dat zij dan ook nachtegalen
waren. Ja, de lakeien en de kameniers lieten berichten, dat ook zij
tevreden waren; dat wil veel zeggen, want die zijn het moeilijkst te
voldoen. In één woord, de nachtegaal vond algemeenen bijval.

Hij zou nu aan het hof blijven, zijn eigen kooi hebben en de vergunning
krijgen, er overdag tweemaal en 's nachts eenmaal uit te komen. Hij
kreeg daarop twaalf bedienden, die allen een zijden draadje om een van
zijn pooten gebonden hadden, waaraan zij hem stevig vasthielden. Er
was volstrekt geen plezier in zulk een wandeling.

De geheele stad sprak over den merkwaardigen vogel, en als twee elkaar,
ontmoetten, dan zei de een niets anders dan «Nacht!» en dan zei de
ander: «Gaal» [18]. En dan zuchtten zij en begrepen elkaar. Ja, elf
kinderen werden er naar hem genoemd; maar niet een van hen had eenig
geluid in zijn keel.

Op zekeren dag kreeg de keizer een groot pakket, waarop geschreven
stond: «De nachtegaal.»

«Daar hebben we nu een nieuw boek over onzen beroemden vogel!» zei
de keizer. Maar het was geen boek, maar een klein kunstwerk, dat
in een doosje lag: een kunstmatige nachtegaal, die op den levenden
moest gelijken, maar overal met diamanten, robijnen en saffieren als
bezaaid was. Zoodra men den kunstmatigen vogel opwond, kon hij een
der stukken, die de werkelijke vogel zong, zingen: en dan bewoog zijn
staart op en neer en fonkelde van zilver en goud. Om zijn hals hing
een klein lint, en daarop stond geschreven: «De nachtegaal van den
keizer van Japan is arm, bij dien van den keizer van China vergeleken.»

«Dat is prachtig!» zeiden allen; en de persoon, die den kunstmatigen
vogel gebracht had, kreeg dadelijk den titel van Keizerlijken
Opper-Nachtegaalbrenger.

«Nu moeten zij eens samen zingen. Wat zal dat een mooi duet worden!»

En zoo moesten zij samen zingen; maar het eene gezang paste niet goed
bij het andere, want de werkelijke nachtegaal zong op zijn wijze
en de kunstmatige vogel bracht geluid voort door het ronddraaien
van een cilinder. «Het is zijn schuld niet,» zei de muziekmeester;
«hij blijft goed in de maat en zingt geheel volgens mijn methode!»
Nu moest de kunstmatige vogel alleen zingen. Hij vond evenveel bijval
als de werkelijke, en daarbij kwam nog, dat hij er veel mooier uitzag:
hij fonkelde als armbanden en doekspelden.

Drie-en-dertig maal zong hij één en hetzelfde stuk en was nog niet
moe. De aanwezigen zouden hem graag nog eens gehoord hebben, maar de
keizer beweerde, dat nu ook de levende nachtegaal eens iets moest
zingen.---Maar waar was die? Niemand had gemerkt, dat hij door het
openstaande raam naar zijn groene bosschen weggevlogen was.

«Wat is dat?» riep de keizer uit. En al de hovelingen waren geërgerd
en beweerden, dat de nachtegaal een heel ondankbaar beest was. «Den
besten nachtegaal hebben we toch!» zeiden zij; en zoo moest dan de
kunstmatige vogel weer zingen, en dat was de vier-en-dertigste maal,
dat zij hetzelfde stuk te hooren kregen. Zij kenden het met dat al toch
niet van buiten; want het was veel te moeilijk. En de muziekmeester
prees den vogel hemelhoog; ja, hij verzekerde, dat hij beter dan
een levende nachtegaal was, niet alleen wat zijn veeren en de vele
prachtige diamanten betreft, maar ook innerlijk.

«Want ziet ge, Mijne Heeren! en bovenal gij, Uwe Majesteit! bij den
werkelijken nachtegaal kan men nooit berekenen, wat er zal komen; maar
bij den kunstmatigen vogel is alles bepaald! Men kan het verklaren,
men kan hem opendoen en het aan de menschen begrijpelijk maken,
hoe de cilinders zitten, hoe zij omdraaien, en hoe het een uit het
ander volgt.»

«Zoo denken wij er ook over!» zeiden allen, en de muziekmeester
kreeg de vergunning, den vogel den volgenden Zondag aan het volk
te laten zien. Het moest hem ook hooren zingen, beval de keizer. En
het volk hoorde hem; en het werd zoo uitgelaten, alsof het zich aan
thee bedronken had, want dat is Chineesch. Nu zeiden allen: «O!»
en hielden hun wijsvinger in de hoogte en knikten daarbij. De arme
visschers echter, die den werkelijken nachtegaal gehoord hadden,
zeiden: «Dat klinkt niet onaardig; de zangwijzen gelijken ook op
elkaar; maar er ontbreekt toch iets aan, ik weet niet wat.»

De werkelijke nachtegaal werd uit het land verbannen.

De kunstmatige vogel had zijn plaats op een zijden kussen dicht bij het
bed van den keizer; al de geschenken, die hij gekregen had, lagen om
hem heen, en in den titel was hij tot een «Keizerlijken Kamerzanger»
geklommen, in den rang tot nummer één aan de linkerzijde. Want de
keizer rekende die zijde voor de voornaamste, waar het hart zit, en
het hart zit ook bij een keizer links. En de muziekmeester schreef
een werk van vijf-en-twintig deelen over den kunstmatigen vogel; dit
was zoo geleerd en zoo lang, vol van de allermoeilijkste Chineesche
woorden, dat alle menschen zeiden, dat zij het gelezen en begrepen
hadden; want anders zouden zij immers dom geweest zijn en stokslagen
gekregen hebben.

Zoo ging het een geheel jaar door. De keizer, het hof en al de andere
Chineezen kenden het gezang van den kunstmatigen vogel nu heelemaal
van buiten. Maar juist daarom beviel het hun ook het allerbest; zij
konden zelf meezingen, en dat deden zij dan ook. De straatjongens
zongen: «Tititi, tititi!» En de keizer zong het insgelijks. Ja,
dat was allerprachtigst!

Op zekeren avond echter, toen de kunstmatige vogel overheerlijk zong
en de keizer te bed lag en daarnaar luisterde, ging het van binnen
in den vogel «Knap!» Daar sprong iets! «Rrrrr!» alle raderen liepen
in de rondte, en toen stond de muziek stil.

De keizer sprong dadelijk uit zijn bed en liet zijn lijfarts roepen;
maar wat kon _die_ er aan doen? Toen lieten zij den horlogemaker halen,
en na veel praten en bekijken kreeg hij den vogel een beetje in orde;
maar hij zeide, dat hij ontzien moest worden, want de pennetjes waren
afgesleten, en het was onmogelijk, er nieuwe zóó in te zetten, dat de
muziek goed bleef gaan. Nu heerschte er een diepe treurigheid! Slechts
eenmaal in het jaar mocht men den kunstmatigen vogel laten zingen,
en dat was bijna nog te veel. Maar dan hield de muziekmeester een
korte toespraak vol vreemde woorden en zeide, dat hij even goed was
als vroeger; en toen was hij ook even goed als vroeger.

Nu waren er vijf jaren verloopen, en het land werd in diepe treurigheid
gedompeld. De Chineezen hielden in den grond allen veel van hun keizer,
en nu was hij ziek en zou het wel niet lang meer maken, zei men. Er
was al een _nieuwe_ keizer gekozen, en het volk stond buiten op de
straat en vroeg aan den kamerheer, hoe het met hun ouden keizer ging.

«P!» zeide hij en schudde met het hoofd.

Koud en bleek lag de keizer in zijn groot, prachtig ledekant; het
geheele hof dacht, dat hij dood was, en ieder van hen liep weg, om den
nieuwen keizer te begroeten. De kamerdienaars liepen naar buiten, om
daarover te praten, en de kameniers hadden een groote koffievisite. In
al de zalen en gangen was laken neergelegd, opdat men geen voetstap
zou hooren, en daarom was het er stil! Maar de keizer was nog niet
dood; stijf en bleek lag hij in het prachtige ledekant met de lange
fluweelen gordijnen en de zware gouden kwasten; in de hoogte stond
er een raam open, en de maan scheen daardoor heen op den keizer en
den kunstmatigen vogel.

De arme keizer kon tenauwernood ademhalen; het was, alsof er iets
op zijn borst zat; hij deed de oogen open, en nu zag hij, dat het
de dood was, die op zijn borst zat en zich zijn gouden kroon opgezet
had en in de eene hand zijn gouden sabel, in de andere zijn prachtig
vaandel hield. En uit de plooien van de groote, fluweelen bedgordijnen
kwamen wonderlijke hoofden kijken: enkele leelijk, andere liefelijk
en vriendelijk. Dat waren al 's keizers booze en goede daden, die
hem aanstaarden, terwijl de dood hem op het hart zat.

«Herinnert ge u dit?» fluisterde de een na den ander. «Herinnert ge
u dat?» En dan vertelden zij hem zoo veel, dat hem het zweet van het
voorhoofd gutste.

«Dat heb ik niet geweten!» zei de keizer. «Muziek! Muziek! De groote
Chineesche trommel!» riep hij, «opdat ik niet alles behoef te hooren,
wat zij zeggen!»

En zij gingen voort, en de dood knikte als een Chinees bij alles,
wat er gezegd werd.

«Muziek! Muziek!» schreeuwde de keizer. «Och, kleine, prachtige
gouden vogel! Zing toch, zing toch! Ik heb u immers goud en
kostbaarheden gegeven; ik heb u zelfs mijn gouden pantoffel om den
hals gehangen. Zing toch, zing toch!»

Maar de vogel hield zich stil, er was niemand om hem op te winden,
en anders zong hij niet; maar de dood ging voort, den keizer met zijn
groote, holle oogen aan te staren; en stil was het, akelig stil.

Daar deed zich op eens van den kant van het raam het heerlijkste
gezang hooren: het was de kleine, levende nachtegaal, die buiten op een
tak zat. Hij had van de ziekte van zijn keizer gehoord en was daarom
gekomen, om hem troost en hoop toe te zingen. En terwijl hij zong,
werden de spooksels gedurig bleeker en bleeker; het bloed begon gedurig
sneller en sneller door 's keizers zwakke leden te vloeien, en zelfs
de dood luisterde en zei: «Zing door, kleine nachtegaal! Zing door!»

«Wilt ge mij dan de prachtige gouden sabel geven? Wilt ge mij het
mooie vaandel geven? Wilt ge mij de kroon van den keizer geven?»

En de dood gaf ieder kleinood voor een lied; en de nachtegaal ging
nog steeds met zingen voort; hij zong van den stillen akker Gods,
waar de witte rozen groeien, waar de vlier geurt, en waar het frissche
gras door de tranen der achterblijvenden bevochtigd wordt. Nu kreeg de
dood verlangen naar zijn tuin en zweefde, als een koude, witte nevel,
uit het raam.

«Dank, dank!» zei de keizer. «Gij hemelsche, kleine vogel! Ik
ken u wel! Ik heb u uit mijn land verjaagd! En toch hebt gij de
booze gezichten van mijn bed weggezonden, den dood van mijn hart
verdreven! Hoe kan ik u daarvoor beloonen?»

«Ge hebt mij beloond!» zei de nachtegaal. «Ik heb aan uw oogen tranen
ontlokt, toen ik de eerste maal zong: dat vergeet ik nimmer! Dat zijn
juweelen, die een zangershart verheugen! Maar slaap nu en word weer
frisch en sterk! Ik zal u iets voorzingen!»

En hij zong,--en de keizer viel in een zoete sluimering. O, hoe mild
en weldadig was die slaap!

De zon scheen door het raam naar binnen, toen hij gesterkt en gezond
ontwaakte. Geen van zijn bedienden was nog teruggekomen, want zij
dachten, dat hij dood was; alleen de nachtegaal zat nog bij hem
en zong.

«Altijd moet ge bij mij blijven!» zei de keizer. «Ge moet nu maar
zingen, als ge zelf wilt, en den kunstmatigen vogel sla ik in duizend
stukken.»

«Doe dat niet!» zei de nachtegaal. «Hij heeft immers het goede gedaan,
zoo lang als hij kon. Behoud hem, evenals tot hiertoe! Ik kan in het
paleis mijn nest niet bouwen en daar wonen; maar laat mij komen, als
ik zelf lust heb; dan zal ik 's avonds op den tak daar bij het raam
zitten en iets voor u zingen, opdat ge vroolijk kunt worden en tevens
leert nadenken. Ik zal van de gelukkigen zingen en van hen, die in
lijden zijn. Ik zal van het kwade en van het goede zingen, dat om u
heen verborgen blijft. De kleine zangvogel vliegt ver in de rondte,
naar den armen visscher, naar den nijveren landman, naar iedereen,
die ver van u en uw hof verwijderd is. Ik heb uw hart liever dan uw
kroon, en toch heeft die kroon een stralenkrans van heiligheid om
zich heen!--Ik zal dus komen en iets voor u zingen!--Maar dan moet
ge mij één ding beloven!»

«Alles!» zei de keizer en stond daar in zijn keizerlijk gewaad, dat
hij zelf aangetrokken had, en drukte de sabel, die zwaar van het goud
was, aan zijn hart.

«Om één ding smeek ik u! Vertel aan niemand, dat ge een kleinen vogel
hebt, die u alles zegt; dan zal het nog beter gaan!»

Nu vloog de vogel weg.

De bedienden kwamen binnen, om naar hun dooden keizer te kijken,----ja,
daar stonden zij, en de keizer zei: «Goeden morgen!»



EEN GESCHIEDENIS.


In den tuin bloeiden al de appelboomen; zij hadden zich gehaast,
bloesems te krijgen, voordat hun bladeren ontsproten; en in den tuin
gingen al de eendjes wandelen, en ook de kat; zij bakerde zich in de
zon en likte den zonneschijn van haar eigen poot af. En als men een
blik op de velden sloeg, wat stond daar het koren heerlijk te prijken,
en wat was alles onbeschrijfelijk prachtig, en wat was er een getjilp
en een gekwinkeleer van al de kleine vogeltjes, alsof het een groot
feest was, en dat was het ook, want het was Zondag. De klokken luidden
en al de menschen gingen in hun beste kleeren naar de kerk en zagen
er vergenoegd uit; ja, aan alles was iets vroolijks; het was een dag,
zoo warm en gezegend, dat men wel zeggen kon: De goede God is toch
onbeschrijfelijk goed voor ons menschen!

Maar binnen in de kerk stond de dominee op den preekstoel en sprak
heel luid en toornig; hij zei, dat de menschen allemaal goddeloos
waren, God zou ze daarom straffen, en als ze stierven, dan zouden
de boozen allemaal in de hel komen, om eeuwig te branden. Hij wees
er met nadruk op, «dat hun worm niet zou sterven en hun vuur niet
uitgebluscht worden, dat zij nimmer rust zouden vinden!»

Dat was vreeselijk om aan te hooren, en hij zei dit op zulk een toon
van overtuiging; hij beschreef hun de hel als een verpeste plaats,
waarheen al het ontuig uit de geheele wereld samenvloeit,--daar was
geen andere lucht, dan de heete brandende zwavelvlam, daar was geen
grond, zij--de boozen--zonken en zonken al dieper en dieper bij een
eeuwig stilzwijgen!--Het was reeds vreeselijk daarvan te hooren;
want de dominee sprak het uit het volle hart, en al de menschen in
de kerk waren daarover ontzet.

Buiten intusschen zongen al de vogeltjes zoo vroolijk, en de zon
scheen zoo warm, het was alsof ieder bloempje zei: «God! Gij zijt zoo
onbeschrijfelijk goed voor ons allen!»--Ja, buiten was het volstrekt
niet, zooals de dominee preekte.

Dien zelfden avond bij het naar bed gaan keek de dominee zijn vrouw
aan en zag, dat zij peinzend en in gedachten verdiept zat.

«Wat scheelt er aan?» vroeg hij haar.

«Ja, wat mij scheelt?» zeide zij. «Dit scheelt mij, dat ik mijn
gedachten niet goed weet te verzamelen, dat ik datgene, wat je
vandaag in de kerk gesproken hebt, niet goed kan begrijpen, «dat er
zoovele goddelooze menschen zijn en dat zij eeuwig zullen branden!»
Eeuwig! Ach, wat is dat lang!--Ik ben maar een mensch, een zondares
voor God, maar ik zou het niet over mijn hart kunnen krijgen, zelfs
den snoodsten zondaar eeuwig te laten branden, en hoe zou God dit dan
kunnen, die zoo oneindig goed is, en die immers weet, hoe het booze van
buiten en van binnen komt? Neen ik kan het mij zoo niet voorstellen,
ofschoon gij het zegt!»



Het was herfst, de boomen lieten hun bladeren vallen, de ernstige,
strenge dominee zat aan de legerstede van een stervende; een vrome,
geloovige vrouw sloot de oogen: het was de echtgenoote van den dominee.

«Als er iemand rust in het graf en genade voor zijn God vindt, dan
zal zij het wel zijn!» zei de dominee; hij vouwde haar handen en las
een psalm voor de overledene.

Men droeg haar ten grave; twee groote tranen biggelden er langs de
wangen van den strengen man, en in de pastorie was het stil en ledig:
de zon des huizes was uitgebluscht, zij was huiswaarts gegaan.

Het was nu nacht, een kille wind blies over het hoofd van den dominee;
hij sloeg de oogen op, en het was hem, alsof de maan in zijn kamer
scheen, maar deze scheen niet. Een gestalte was het, die voor zijn
bed stond, hij zag den geest van zijn overleden vrouw; zij keek hem
zoo innig bedroefd aan; het was, alsof zij iets tegen hem wilde zeggen.

De dominee richtte zich terstond in zijn bed op en strekte de armen
naar haar uit. «Zoo is dan ook aan u de eeuwige rust niet vergund! Ge
lijdt, gij, de beste, de vroomste!»

De doode knikte bevestigend met het hoofd en legde de hand op de borst.

«En ben ik bij machte om u de rust in het graf te schenken?»

«Ja!» luidde het antwoord.

«En op welke wijze?»

«Geef mij een haar, maar een enkel haar van het hoofd van den zondaar,
wiens vuur nimmer zal uitgebluscht worden; van _dien_ zondaar, dien
God tot eeuwige pijn in de hel zal werpen.»

«Ja, zoo gemakkelijk moet gij verlost kunnen worden, gij reine en
vrome!» zeide hij.

«Volg mij dan!» zei de doode. «Het is ons vergund. Aan mijn zijde
zweeft ge, waarheen uw gedachten maar willen: voor de menschen
onzichtbaar, dringen wij hun geheimste vertrekken binnen,--maar met
vaste hand moet ge hem opsporen, die tot eeuwige kwelling uitverkoren
is, en voor het hanengekraai moet hij gevonden zijn!»

Snel, als door de gevleugelde gedachten gedragen, bevonden zij
zich in de groote stad, en van de muren der huizen straalden hun in
vlammend schrift de namen der doodzonden tegen: hoogmoed, gierigheid,
dronkenschap, wellust, in één woord de geheele zevenkleurige boog
der zonde.

«Ja, daarbinnen, zooals ik wel dacht, zooals ik wel wist,» zei de
dominee, «daarbinnen wonen zij, die voor het eeuwige vuur bestemd
zijn!»--En zij stonden voor het prachtig verlichte portaal, de breede
trappen prijkten met tapijten en bloemen, en door de feestelijk
versierde zalen ruischte de dansmuziek. De portier, in zijde en
fluweel gekleed, stond met zijn grooten, met zilver beslagen stok
aan den ingang.

«Ons bal kan zich met dat van den koning meten!» zei hij en wendde zich
verachtelijk tot de gapende menigte, die op de straat stond; wat hij
dacht, bleek genoegzaam uit zijn gedragingen en bewegingen. «Schooiers,
die daar alles staat aan te gapen, bij mij vergeleken ben je allemaal
kanalje!»

«Hoogmoed!» zei de doode, «ziet ge hem?»

«Dien daar?» antwoordde de dominee. «Het is immers maar een arme gek,
een dwaas, en niet voor de kwellingen van het eeuwige vuur bestemd.»

«Maar een dwaas!» klonk het door het geheele huis van den hoogmoed;
dat waren zij daar allen.

Zij zweefden tot binnen de vier kale muren van den gierigaard. Mager
als een geraamte, van koude sidderend, hongerig klampt de grijsaard
zich met al zijn gedachten aan zijn geld vast; zij zagen hem
koortsachtig van zijn ellendige legerstede opspringen en een lossen
steen uit den muur nemen, daar lagen gouden munten in een oude kous;
zij zagen hem zijn gescheurden rok, waarin de goudstukken genaaid
waren, angstig betasten, en zijn vochtige vingers sidderden!

«Die is ziek! Dat is waanzinnigheid, een droevige waanzinnigheid,
door angst en booze droomen omgeven!»

Zij verwijderden zich snel en kwamen voor de kribben der misdadigers;
in lange rijen sliepen de ongelukkigen naast elkander. Als een wild
dier sprong er een uit zijn slaap op en stiet een afschuwelijken gil
uit, hij gaf zijn kameraad met den elleboog een duchtigen stoot in
de ribben, en deze keerde zich slaperig om, zeggende:

«Houd je mond, onmensch, en slaap!--Dat is hier iederen nacht!...»

«Iederen nacht!» herhaalde de ander. «Ja, iederen nacht komt hij en
kwelt mij!--In mijn drift heb ik dit en dat gedaan, met een boos hart
ben ik geboren, dit heeft mij ten tweeden male hier gebracht; maar als
ik kwaad gedaan heb, dan onderga ik daarvoor immers mijn straf.--Er is
echter één ding, dat ik niet bekend heb. Toen ik de laatste maal hier
uitkwam en het huis van mijn vroegeren heer voorbijging, toen kookte
het in mij, omdat mij een en ander in de gedachten kwam,--en ik streek
een lucifer zoo wat tegen den muur af; alles verbrandde, de hitte kwam
daarover, zooals zij menigmaal over mij komt. Ik hielp zelf redden,
vee en meubelen. Niets levends verbrandde er dan een troep duiven,
die in het vuur vlogen, en de kettinghond, waaraan ik niet gedacht
had. Men hoorde hem te midden van den brand huilen, en... dit huilen
hoor ik nog altijd, als ik wil slapen, en als ik in slaap gevallen ben,
dan komt de hond groot en ruw, en legt zich op mij neer, en huilt,
en drukt mij, en kwelt mij!--Hoor dan toch, wat ik je vertel! Snorken
kan je; den heelen nacht snork je, maar ik nog geen kwartier!»--En
het bloed kwam den verhitten gevangene in de oogen, hij wierp zich
op zijn kameraad en sloeg hem met zijn gebalde vuist in het gezicht.

«De booze Matz is weer eens dol geworden!» heette het nu in de rondte,
en de andere misdadigers grepen hem, worstelden met hem, drukten hem
krom, zoodat zijn hoofd tusschen zijne knieën zat, en daar bonden
zij dit vast, zoodat het bloed Matz bijna uit de oogen en uit alle
poriën kwam.

«Gij doodt hem, den ongelukkige!» riep de dominee uit, en terwijl
hij zijn hand beschermend over dengene uitstrekte, die reeds te zwaar
boette, veranderde het tooneel. Zij vlogen door rijke zalen en arme
kamertjes; wellust en nijd, alle doodzonden liepen hun voorbij; een
engel van het strafgericht las hun schuld, hun verdediging; deze was
wel is waar niet schitterend, maar zij werd voor God gebracht, voor
dien God, die in het harte leest en alles weet en kent, het booze,
dat van binnen en van buiten komt, dien God, die de genade en de
liefde zelf is.

De hand van den dominee beefde, hij waagde het niet, haar uit te
strekken, hij had den moed niet, een enkel haar uit het hoofd van
den zondaar te trekken.--En de tranen vloeiden hem uit de oogen als
een stroom der genade en der liefde, welks verkoelende wateren het
eeuwige vuur der hel uitbluschten.

Daar kraaide de haan.

«Barmhartige God! Geef Gij haar den vrede, dien ik haar niet heb
kunnen verschaffen!»

«Dien heb ik nu!» zei de doode. «Het was een hard woord, uw wanhoop
aan de menschheid, uw somber geloof aan God en Zijn schepping, dat
mij naar u toe dreef! Leer de menschen kennen! Zelfs in de boozen
leeft een deel van God, dat de vlam der hel uitbluscht en overwint!»



De dominee voelde een kus op zijn lippen, er verspreidde zich een
schemering om hem heen; de heldere zon van God scheen in de kamer,
waar zijn vrouw, levend, vriendelijk en vol liefde, hem uit een droom
wakker maakte, die hem door God gezonden was!



TWAALF MET DE DILIGENCE.


Het was snerpend koud; de sterren fonkelden aan den onbewolkten hemel;
geen windje was er aan de lucht.

«Bom!» daar werd een oude pot tegen de voordeur van den buurman
geworpen. «Piefpafpoef!» daar knalde een pistool; men begroette het
nieuwe jaar! Het was oudejaarsavond! Nu sloeg de torenklok twaalf
slagen!

«Ratatatatata!» De diligence kwam aanrijden en hield voor de stadspoort
stil. Zij bracht twaalf personen mee; al de plaatsen waren bezet.

«Hoera! Hoera!» riepen de menschen in de huizen der stad, waar de
oudejaarsavond gevierd werd en men met klokslag van twaalven het
gevulde glas omhoog hief, om het nieuwe jaar het welkom toe te roepen.

«Een gelukkig nieuwjaar!» heette het. «Een mooie vrouw! Veel geld! Geen
verdriet en geen smart!»

Dat wenschte men elkaar van weerskanten toe, en daarop klonk men met
de glazen, zoodat het een geducht gerinkel gaf,--en voor de stadspoort
hield de diligence met de vreemde gasten, de twaalf reizigers, stil.

En wie waren deze vreemdelingen? Ieder had zijn reispas en zijn bagage
bij zich; ja, zij brachten zelfs geschenken mee voor mij en voor u
en voor alle menschen, die er in het stadje woonden. Wie waren zij,
wat wilden zij en wat brachten zij?

«Goeden morgen!» riepen zij den schildwacht toe, die bij den ingang
van de stadspoort stond.

«Goeden morgen!» antwoordde deze, want de klok had immers twaalf
uur geslagen.

«Uw naam? Uw beroep?» vroeg de schildwacht aan hem, die het eerst
uit de diligence stapte.

«Kijk dat zelf maar in den pas na!» antwoordde de man. «Ik ben ik!»
En het was ook een flinke kerel, die een berenpels en laarzen met
bont gevoerd aanhad. «Ik ben de man, waarop zeer veel menschen hun
hoop bouwen. Kom morgen bij mij, dan zal ik je een nieuwjaarsgeschenk
geven! Ik werp penningen en daalders onder de menschen, ja, ik geef
ook bals, een en dertig bals, want meer avonden kan ik daarvoor niet
afstaan. Mijn schepen zijn vastgevroren, maar in mijn kantoor is het
warm en gezellig. Ik ben koopman, heet _Januari_ en breng slechts
rekeningen met mij mee.»

Nu stapte de tweede uit. Dit was een lustige kwant; hij was
directeur van een komedie, directeur van gemaskerde bals en van alle
vermakelijkheden, die men zich maar kan voorstellen. Zijn bagage
bestond uit een groote ton.

«Uit de ton,» zei hij, «zullen wij op vastenavond de kat jagen. Ik
zal jelui het leven wel prettig maken en mij zelf ook; alle dagen
vroolijk! Ik heb juist niet lang te leven, van den heelen troep
den kortsten tijd: ik word namelijk maar acht-en-twintig dagen
oud. Somtijds voegen zij er nog wel eens een dag aan toe,--maar dat
kan mij weinig schelen. Hoera!»

«Ge moogt niet zoo schreeuwen!» zei de schildwacht.

«Och kom! Ik mag wel schreeuwen,» riep de man uit. «Ik ben prins
Carnaval en reis onder den naam _Februari_.»

Nu stapte de derde uit de diligence; deze zag er als de
verpersoonlijkte vasten uit, maar hij zette een hooge borst; want hij
was familie van de «veertig ridders» en bovendien een weerprofeet. Maar
dat is geen vet postje, en daarom roemde hij ook de vasten. In een
knoopsgat droeg hij ook een ruikertje van viooltjes, maar deze waren
zeer klein.

«_Maart_! _Maart_!» riep de vierde hem achterna en klopte hem op
den schouder; «ruik je niets? Gauw de wachtkamer in; daar drinken ze
pons, je lievelingsdrank; ik kan het hier buiten al ruiken. Komaan,
mijnheer _Maart_!»

Maar het was niet waar; de vierde wilde hem slechts den invloed van
zijn naam laten voelen en hem eens beetnemen, want daarmee begon
_April_ zijn levensloop in de stad. Hij zag er over 't algemeen zeer
vroolijk uit; werken deed hij maar heel weinig; maar des te meer maakte
hij feestdagen. «Als het maar wat bestendiger in de wereld was,» zei
hij; «maar nu eens is men goed, dan weer slecht geluimd, al naar het
valt; nu eens regen, dan weer zonneschijn! Ik ben ook zoo'n soort van
een agent van een verhuurkantoor, ook een aanspreker; ik kan lachen en
huilen, al naar het te pas komt. In mijn koffer heb ik een zomertoilet,
maar het zou heel dwaas zijn, dit aan te trekken. Hier ben ik nu!»

Na hem stapte er een dame uit het rijtuig. Juffrouw _Mei_ noemde zij
zich. Zij droeg een zomertoilet en overschoenen, een lindebladgroene
japon en anemonen in het haar, en daarbij rook zij zoo geducht naar
de muskus, dat de schildwacht moest niezen. «Op uw gezondheid en Gods
zegen!» zeide zij; dat was haar groet. Wat zag zij er allerliefst
uit! En zangeres was zij, geen operazangeres, ook geen kermiszangeres,
neen, zangeres van het bosch: zij doolde het frissche, groene bosch
door en zong daar voor haar eigen plezier.

«Nu komt de jonge vrouw!» riepen ze binnen in het rijtuig, en nu
stapte de jonge vrouw, die er fijn, fier en lief uitzag, er uit. Men
kon het haar, mevrouw _Juni_, wel aanzien, dat zij het gewoon was,
door luie slaapkoppen bediend te worden. Op den langsten dag van het
jaar gaf zij een groote partij, opdat de gasten tijd zouden hebben om
de vele gerechten, die er op de tafel stonden, te nuttigen. Zij had
wel is waar haar eigen equipage; maar zij reisde toch met diligence,
evenals de anderen, omdat zij wilde toonen, dat zij niet hoogmoedig
was. Maar zonder gezelschap was zij niet; haar jongere broeder _Juli_
was bij haar.

Dit was een welgedane jongeling, op zijn zomersch gekleed en met
een stroohoed op. Hij had maar weinig bagage bij zich, omdat dit bij
een hevige warmte te lastig is; daarom had hij zich slechts van een
zwembroekje voorzien, en dat is niet veel.

Daarop kwam de moeder zelf, mevrouw _Augustus_, fruitverkoopster in het
groot, eigenares van een menigte vischvijvers, een landhuishoudkundige
in een groote crinoline; zij was dik en had het warm, maar toch pakte
zij alles aan en bracht de arbeiders op het land zelf bier. «In het
zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten!» zeide zij, «dat staat
in den bijbel. Later komen de pleziertochtjes, dans en spel in het
groen en de oogstfeesten!» Zij was een knappe huishoudster.

Na haar stapte er weer een man uit het rijtuig, een schilder van
beroep, mijnheer _September_; die moest naar het bosch; de bladeren
moesten van kleur wisselen; maar hoe schoon werd alles, als hij het
wilde; al spoedig prijkte het bosch in rood, geel of bruin. De schilder
floot als een lijster, was een ervaren kunstenaar en slingerde de
bruinachtig groene hopranken om zijn bierglas. Dat sierde het glas op,
en van opsieren hield hij veel. Daar stond hij nu met zijn verfpot:
dat was zijn heele bagage!

Op hem volgde de landeigenaar, die aan het beploegen en bezaaien van
den grond, maar ook aan het jachtvermaak dacht; mijnheer _October_
had een hond en een geweer bij zich en noten in zijn weitasch. Hij
had veel bagage bij zich, zelfs een Engelschen ploeg, hij sprak over
landhuishoudkunde, maar door het hoesten van zijn buurman hoorde men
daar niet veel van.

Mijnheer _November_ was het, die zoo hoestte, terwijl hij uit het
rijtuig stapte. Deze had heel veel last van verkoudheid; hij snoot
zijn neus aldoor en toch, zeide hij, moest hij de dienstmeisjes
vergezellen en ze in haar nieuwen dienst brengen; die verkoudheid,
dacht hij, zou wel weer overgaan, als hij maar aan het houthakken
ging, en hout moest hij zagen en hakken, want hij was meesterknecht
bij een houtkooper. De avonden bracht hij met het snijden van hout
voor schaatsen door; want hij wist wel, zei hij, dat men over eenige
weken behoefte aan deze soort van schoenen zou hebben.

Eindelijk kwam de laatste passagier te voorschijn, het oude moedertje
_December_ met een stoof onder den arm; de oude vrouw had het koud;
maar haar oogen fonkelden als twee heldere sterren. Zij droeg een
bloempot in de hand, waarin een kleine dennenboom geplant was. «Dien
boom wil ik opkweeken, dan kan hij groeien en groot worden tegen
den Kerstavond, van den vloer tot hoog aan de zoldering reiken en
opschieten met vlammende lichten, gouden appelen en uitgesneden
figuurtjes. De stoof geeft evenveel warmte als een kachel; ik haal
het sprookjesboek uit mijn zak en lees daaruit overluid voor, zoodat
alle kinderen in de kamer stil en de figuurtjes aan den boom vroolijk
worden, en de kleine engel van was op de uiterste punt zijn gouden
vleugelen uitspreidt, van zijn groenen zetel afvliegt en kleinen en
grooten in de kamer kust, ja, ook de arme kinderen, die buiten op de
straat staan en het Kerstlied van de ster van Bethlehem zingen.»

«Ziezoo! Nu kan de diligence wegrijden,» zei de schildwacht. «Wij
hebben ze alle twaalf. De bijwagen kan voorkomen.»

«Laat de twaalf eerst bij mij binnenkomen!» zei de kapitein, die de
wacht had, «de een na den ander! De passen houd ik hier; zij zijn
ieder voor een maand geldig; als deze verstreken is, zal ik het gedrag
op den pas aanteekenen. Mijnheer _Januari_! mag ik u maar verzoeken,
nader te komen?»

En mijnheer Januari kwam nader.

Als er een jaar verloopen is, zal ik u eens zeggen, wat die twaalf
u, mij en ons allen gebracht hebben. Nu weet ik het nog niet, en
misschien weten zij het zelf niet eens,--want het is een zonderlinge
tijd, waarin wij leven.



DOMME HANS.


Diep in het binnenste van het land stond een oud ridderkasteel;
daarin woonde een oude grondeigenaar, die twee zonen had, die zich
zoo knap en geleerd waanden, dat de helft al voldoende geweest zou
zijn. Dezen wilden nu naar de hand van de koningsdochter dingen,
want de prinses had openlijk laten aankondigen, dat zij dengene tot
echtgenoot zou kiezen, die zijn woorden het best klaar had.

Beiden bereidden zich nu volle acht dagen daarop voor; dit was een
lange, maar toch ook voldoende tijd, die hun vergund was; want zij
waren in het bezit van voorloopige kundigheden, en hoezeer deze
te stade komen, weet iedereen. De een kende het heele Latijnsche
woordenboek en bovendien nog drie jaargangen van het dagblad van het
stadje van buiten, en wel zoo, dat hij alles van voren naar achteren
en van achteren naar voren, al naar men het wilde, kon opzeggen. De
ander had zich de gildewetten in het hoofd geprent en kende van buiten,
wat iedere gildemeester moet weten, waarom hij dacht, dat hij over
staatszaken mee kon spreken en daarover ook een duit in het zakje
leggen. Bovendien had hij nog ergens verstand van: hij kon rozen en
andere bloempjes en arabesken op wapenrustingen borduren, want hij
was ook vindingrijk en kunstvaardig.

«Ik krijg de koningsdochter!» riepen zij allebei, en zoo gaf hun oude
vader ieder van hen een prachtig paard. Hij, die het woordenboek en
het dagblad van buiten kende, kreeg een zwart paard; hij, die met de
gildewetten bekend was, kreeg een wit paard, en daarop smeerden zij de
hoekjes van hun mond met traan in, opdat deze heel buigzaam zou worden.

Al de bedienden stonden beneden op het voorplein en waren er getuigen
van, hoe zij te paard stegen, en als bij toeval kwam ook de derde
broer er bij, want de oude grondeigenaar had eigenlijk drie zonen,
maar niemand telde dezen derden broer bij de andere broers, omdat hij
niet zoo geleerd als deze was, en men gaf hem dan ook gewoonlijk den
naam van dommen Hans.

«Wel zoo!» zei domme Hans, «waar moet je naar toe? Je hebt je
Zondagskleeren immers aangetrokken.»

«Naar het hof van den koning, om de koningsdochter door praten te
krijgen. Weet je dan niet, wat er in het geheele land bekend gemaakt
is?» En nu vertelden zij hem alles.

«Wel drommels! Dan ben ik ook van de partij!» riep domme Hans; maar
zijn broers lachten hem uit en reden weg.

«Vader,» zei domme Hans, «ik moet ook een paard hebben. Wat krijg
ik een lust in trouwen! Als zij mij neemt, dan neemt zij mij, en als
zij mij niet neemt, dan neem ik haar,--krijgen zal ik haar toch!»

«Houd met die dwaze praatjes op!» zei de grijsaard. «Jou geef ik geen
paard. Je kunt immers niet spreken, je hebt je woorden immers niet
klaar; neen, je broers zijn andere kerels!»

«Welnu,» zei domme Hans, «als ik geen paard kan krijgen, dan neem ik
den bok; die behoort mij zoo goed als toe, en dragen kan hij mij ook!»

Zoo gezegd, zoo gedaan. Hij zette zich schrijlings op den bok, drukte
zijn hakken in diens zijden, reed weg en vloog den grooten straatweg
als een stormwind langs. Hei, hop, dat was een tocht. «Hier kom ik!»
schreeuwde domme Hans en zong, zoodat het wijd en zijd in den omtrek
weerklonk.

Maar zijn broers reden hem langzaam vooruit; zij spraken geen woord,
zij moesten eens over al de goede invallen nadenken, die zij voor
den dag zouden brengen; want dat moest alles keurig uitgedacht zijn.

«Heidaar!» schreeuwde domme Hans, «hier ben ik! Kijkt eens, wat ik
op den straatweg gevonden heb!» En hij liet hun een doode kraai zien,
die hij gevonden had.

«Domoor!» zeiden de broers, «wat wil je daarmee beginnen?»

«Met de kraai?--Die wil ik aan de koningsdochter geven!»

«Ja, doe dat maar!» zeiden zij, lachten en reden verder.

«Hei, hop! Hier ben ik! Zie eens, wat ik nu gevonden heb. Dat vindt
men niet alle dagen op den straatweg!»

En de broers keerden zich om, ten einde te zien, wat hij nu weer kon
gevonden hebben. «Domoor!» zeiden zij, «dat is immers een oude klomp,
waarvan het bovengedeelte nog wel ontbreekt; wil je dat ook aan de
koningsdochter geven?»

«Zeker wil ik dat!» antwoordde domme Hans, «het wordt al mooier en
mooier! O, het is allerprachtigst!»

«Wat heb je nu dan weer gevonden?» vroegen de broers.

«O,» zei domme Hans, «dat is niet om te zeggen! Wat zal de
koningsdochter blij zijn!»

«Ba!» zeiden de broers, «dat is immers slijk, dat uit de sloot komt.»

«Zeker is het dat!» sprak domme Hans, «en wel van het fijnste
soort. Kijk maar, het loopt iemand tusschen de vingers door!» En
daarbij vulde hij zijn zak met het slijk.

Maar zijn broers reden voort, zoodat keisteentjes en vonken om hen
heen sprongen, daardoor kwamen zij ook een uur vroeger dan domme Hans
aan de stadspoort. Daar kregen al de vrijers nommers terstond na hun
aankomst, en werden in het gelid geschaard, zes op iedere rij, en
zoo dicht op elkaar gedrongen, dat zij hun armen niet konden bewegen;
dat was wijselijk zoo ingericht, want anders zouden zij elkaar zeker
wel het vel over de ooren getrokken hebben, alleen omdat de een voor
den ander stond.

De geheele volksmenigte stond rondom het koninklijk kasteel in dichte
massa's op elkaar gedrongen tot aan de ramen toe, om de vrijers door
de koningsdochter te zien ontvangen; telkens wanneer er een van hen
de zaal binnentrad, stond hij met zijn mond vol tanden.

«Die past mij niet!» sprak de koningsdochter. «Voort! Weg met hem!»

Eindelijk kwam de beurt aan dien van de broeders, die het woordenboek
van buiten kende, maar hij wist het niet meer; hij had het heelemaal
vergeten, terwijl hij daar in het gelid geschaard stond; en de
planken van den vloer kraakten en de zoldering der zaal was van
louter spiegelglas, zoodat hij zich zelf op het hoofd zag staan,
en bij ieder raam stonden drie secretarissen en een oppersecretaris,
en ieder van hen schreef alles op, wat er gesproken werd, opdat het
terstond in de krant zou komen en voor een kleinigheid op de hoeken
der straten verkocht worden. Het was ontzettend, en daarbij hadden
zij de kachel zoo geducht opgestookt, dat het er gloeiend warm was.

«Het is hier verschrikkelijk heet!» zei de vrijer.

«Dat is ook zoo; maar mijn vader braadt vandaag ook jonge haantjes!»
zei de koningsdochter.

Op zulk een gesprek was hij niet voorbereid geweest; geen woord wist
hij te zeggen, ofschoon hij iets geestigs had willen zeggen.

«Die past mij niet!» zei de koningsdochter. «Voort! Weg met hem!»
En hij moest de deur uit.

Nu trad de andere broer binnen.

«Wat is het hier ontzaglijk heet!» zeide hij.

«Dat is ook zoo; maar wij braden vandaag jonge haantjes!» merkte de
koningsdochter aan.

«Wat? Bra....? Wat?» zeide hij, en de secretarissen schreven:
«Wat? Bra....? Wat?»

«Die past mij niet!» zei de koningsdochter. «Voort! Weg met hem!»

Nu kwam domme Hans aan; hij reed op den bok regelrecht de zaal
binnen. «Wat is het hier gloeiend heet!» zeide hij.

«Dat is zoo; maar ik braad ook jonge haantjes!» antwoordde de
koningsdochter.

«Wel, dat treft goed!» hernam domme Hans, «dan kan ik wel een kraai
mee braden.»

«Met alle genoegen!» zei de koningsdochter; «maar hebt ge iets waarin
ge kunt braden? Want ik heb geen pot of pan.»

«O, dat heb ik wel!» zei domme Hans. «Hier is kookgereedschap met een
tinnen beugel,» en nu haalde hij den klomp voor den dag en legde er
de kraai in.

«Dat is een deftige maaltijd,» zei de koningsdochter, «maar waar
moeten wij de saus vandaan krijgen?»

«Die heb ik in mijn zak!» zei domme Hans. «Ik heb zoo veel, dat ik
er zelfs wel wat van kan weggooien!»--En nu goot hij wat slijk uit
zijn zak.

«Dat bevalt mij!» zei de koningsdochter. «Gij weet antwoord te geven,
en gij weet te spreken, en u wil ik tot man hebben! Maar weet ge wel,
dat ieder woord, dat wij spreken en gesproken hebben, opgeschreven
wordt en morgen in de krant komt? Bij ieder raam staan, zooals ge ziet,
drie secretarissen en een oppersecretaris, en deze oude oppersecretaris
is nog de ergste, want hij kan niets begrijpen!» En dat zeide zij maar,
om dommen Hans angst aan te jagen. En de secretarissen grinnikten en
spatten daarbij ieder een inktvlek op den vloer.

«Zoo! Dat is dus de voornaamste!» zei domme Hans. «Welnu dan zal ik
aan den oppersecretaris het beste geven!» En dit zeggende keerde hij
zijne zakken om en wierp hem het slijk vlak in het gezicht.

«Dat was slim bedacht!» zei de koningsdochter. «Dat zou ik niet hebben
kunnen doen; maar ik zal het wel leeren!»

Domme Hans werd koning, kreeg een vrouw en een kroon en zat op een
troon, en dat hebben wij versch uit de krant van den oppersecretaris
en de secretarissen,--maar op hen valt geen staat te maken!



DRIE SPRINGERS.


De vloo, de sprinkhaan en de hup-op [19] wilden eens zien, wie van
hen wel het hoogst kon springen. Nu noodigden zij de heele wereld
uit en wie nog meer wilden komen, om die pracht mee aan te zien. Het
waren drie duchtige springers, die in de kamer bijeenkwamen.

«Ik geef mijn dochter aan hem, die het hoogst springt!» zei de
koning. «Want het zou te gierig zijn, als deze lui voor niet moesten
springen.»

De vloo kwam het eerst voor; zij had zeer beschaafde manieren en
groette naar alle kanten, want zij had damesbloed in haar aderen en
was er aan gewoon, slechts met menschen om te gaan; en dat deed zeer
veel af.

Toen kwam de sprinkhaan; deze was wel is waar veel zwaarder; maar hij
had toch een knappe figuur en droeg een groene uniform. Bovendien
beweerde deze persoon, dat hij in het land van Egypte tot een zeer
oude familie behoorde, en dat hij daar hooggeschat werd. Hij was
van het veld genomen en in een kaartenhuis van drie verdiepingen
gezet, alle samengesteld van kaartebladen, waarvan de bonte kant
naar binnen gekeerd was. Daar waren zoowel deuren als ramen, en wel
in het lichaam van hartenvrouw uitgesneden. «Ik zing zoo,» zeide hij,
«dat zestien inlandsche krekels, die van der jeugd af gezongen en toch
geen kaartenhuis gekregen hadden, van ergernis nog magerder werden,
dan zij al waren, toen zij mij hoorden!»

Allebei, de vloo en de sprinkhaan, deden behoorlijk uitkomen, wie zij
waren, en dat zij dachten, dat zij wel met een prinses konden trouwen.

De hup-op zei niets; maar men vertelde van hem, dat hij des te meer
dacht; en toen de bulhond hem alleen maar besnuffeld had, wilde hij
er wel voor instaan, dat de hup-op van eene goede familie en van
het borstbeen van een echte gans gemaakt was. De oude raadsheer,
die drie ridderordes voor zijn stilzwijgen gekregen had, verzekerde,
dat de hup-op met de gave der voorzegging bedeeld was; men kon aan
zijn been onderkennen, of men een zachten of een strengen winter
zou krijgen; en dat kan men niet eens aan het borstbeen van hem,
die den kalender schrijft, zien.

«Ik zeg maar niets!» zei de oude koning, «ik ga altijd maar stil mijn
gang en denk er het mijne van!»

Nu was het om den sprong te doen. De vloo sprong zoo hoog, dat niemand
het kon zien; nu beweerden zij, dat zij in 't geheel niet gesprongen
had. Dat was toch schandalig!

De sprinkhaan sprong maar half zoo hoog; maar hij sprong den koning
vlak in het gezicht, en deze zei, dat zoo iets afschuwelijk was.

De hup-op stond lang stil en bedacht zich: eindelijk begon men te
gelooven, dat hij niet kon springen.

«Als hij maar niet ongesteld geworden is!» zei de bulhond, en toen
besnuffelde hij hem weer. Ritsch! daar sprong hij met een kleinen
scheeven sprong op den schoot der prinses, die laag op een gouden
voetbankje zat.

Nu zei de koning: «De hoogste sprong bestaat daarin, naar mijn dochter
op te springen, want daarin ligt het fijne van de zaak. Maar er behoort
een goede kop toe, om daar op te komen. En de hup-op heeft getoond,
dat hij een goeden kop heeft.»

En daarom kreeg hij de prinses.

«Ik heb toch het hoogst gesprongen!» zei de vloo. «Maar dat doet
er niet toe! Laat haar het ganzebeen met het stokje en het pik maar
hebben. Ik heb toch het hoogst gesprongen! Maar er behoort in deze
wereld een groot lichaam toe, om gezien te kunnen worden.»

En daarop ging de vloo in vreemden krijgsdienst, waar zij, naar men
zegt, gedood moet zijn.

De sprinkhaan zette zich buiten in de sloot neer en dacht er over
na hoe het eigenlijk in de wereld toegaat. En hij zei ook: «Een
groot lichaam behoort daartoe! Een groot lichaam behoort daartoe!»
En toen zong hij zijn eigen, droefgeestig lied, en daaraan hebben wij
deze geschiedenis ontleend, die toch wel niet waar zou kunnen zijn,
al is zij ook gedrukt.



DE WATERDROPPEL.


Ge zult toch wel weten, wat een vergrootglas is, zoo'n rond brilleglas,
dat alles honderdmaal grooter maakt dan het is? Als men het in de hand
neemt en voor zijn oog houdt en daardoor een droppel water uit den
vijver bekijkt, dan ziet men meer dan duizend zonderlinge diertjes,
die men anders nooit in het water waarneemt. Maar zij zijn er toch
in, en het is geen zinsbedrog. Het ziet er bijna uit als een bord vol
krabben, die door elkander rondspringen, en wat zijn zij woedend! Zij
rukken elkaar armen en beenen, stukken en brokken af, en toch zijn
zij op hun wijze vroolijk en vergenoegd.

Nu was er eens een oud man, dien alle menschen Kriebel-Krabbel noemden;
want zoo heette hij. Hij wilde altijd het beste van iedere zaak hebben,
en als dit volstrekt niet ging, dan nam hij het door tooverij.

Daar zit hij nu op zekeren dag en houdt zijn vergrootglas voor de oogen
en bekijkt een waterdroppel, die uit een waterput genomen was. Maar
wat kriebelde en krabbelde het daarin! Al de duizenden kleine diertjes
huppelden en sprongen, verscheurden en verslonden elkaar.

«Maar dat is toch afschuwelijk!» zei de oude Kriebel-Krabbel; «kan
men ze er dan niet toe brengen, in rust en vrede te leven, zoodat
iedereen zich slechts met zich zelf bemoeit?» Hij peinsde en peinsde,
maar het wilde niet gaan, en hij moest dus tooveren. «Ik moet hun
een kleur geven, zoodat zij duidelijker te zien zijn!» zeide hij,
en nu goot hij iets, dat er als een droppeltje rooden wijn uitzag,
in de waterdroppel; maar het was heksenbloed van de fijnste soort,
die er bestaat. En nu werden al de zonderlinge diertjes heelemaal
rozerood; het zag er uit als een stad vol naakte, wilde mannen.

«Wat heb je daar?» vroeg een andere oude toovenaar, die geen naam had;
en dat was juist het fijne van hem.

«Ja, als je kunt raden, wat dat is,» zei Kriebel-Krabbel, «dan zal
ik het je geven. Maar het is niet gemakkelijk te verklaren, als men
het niet weet.»

En de toovenaar, die geen naam had, keek door het vergrootglas. Het
zag er daarin werkelijk uit als een stad, waarin al de menschen zonder
kleeren rondliepen! Het was afgrijselijk! Maar nog afgrijselijker
was het, te zien, hoe de een den ander duwde en stiet, trapte en
beet. Wat beneden was, moest naar boven, en wat boven was, moest
naar beneden. Zie, zie! Zijn been is langer dan het mijne! Bah! Weg
daarmee! Daar is er een, die een puistje achter zijn oor heeft. Maar
dat doet hem zeer, en daarom moet het nog meer zeer doen. Zij hieuwen
op hem los, rukten aan hem, en verslonden hem om dat puistje. Daar
zat er een zoo stil als een meisje en wenschte slechts naar rust en
vrede. Maar nu moest zij voor den dag! Zij duwden haar, trokken haar
in de rondte en verslonden haar.

«Dat is kluchtig!» zei de toovenaar.

«Ja. Maar wat denk je wel, dat het is?» vroeg Kriebel-Krabbel. «Kan
je het verklaren?»

«Nu, dat kan men toch wel zien!» zei de ander. «Dat is immers Parijs
of een andere groote stad;--want ze gelijken allemaal op elkaar. Een
groote stad is het!»

«Het is putwater!» zei Kriebel-Krabbel.



EEN BLAD VAN DEN HEMEL.


Hoog boven in de ijle, heldere lucht vloog een engel met een bloem uit
den tuin van den hemel. Terwijl hij de bloem kuste, viel er een heel
klein blaadje af, kwam in den weeken grond midden in het bosch neer,
schoot terstond wortelen en groeide tusschen andere planten op.

«Dat is een kluchtig ding, dat daar staat,» zeiden de planten. En
niemand wilde haar als zijn gelijke erkennen, noch distelen noch
brandnetels.

«Dat zal zeker een soort van tuinplant zijn,» zeiden zij, en nu werd
de plant als tuingewas bespot.

«Waar wil je naar toe?» vroegen de hooge distelen, wier bladeren
allemaal met stekels gewapend zijn.

«Je strekt je nog al ver in het rond uit. Dat is een dwaasheid! Wij
staan hier niet om je te dragen!»

De winter kwam, de sneeuw bedekte de plant; maar van haar kreeg
het sneeuwdek een glans, alsof zij ook van beneden door zonlicht
doorstroomd werd. Toen het voorjaar kwam, vertoonde zich een bloeiend
gewas, zoo heerlijk, als geen ander in het bosch.

Nu verscheen de botanische professor, die het zwart op wit had,
dat hij datgene was, waarvoor hij zich uitgaf. Hij bekeek de plant,
hij proefde haar; maar zij stond niet in zijn plantenleer; het was
hem niet mogelijk te ontdekken, tot welke soort zij behoorde.

«Dat is een bastaardsoort!» zei hij. «Ik ken haar niet. Zij is niet
in het systeem opgenomen.»

«Niet in het systeem opgenomen?» zeiden distelen en brandnetels. De
hooge boomen, die in de rondte stonden, zagen en hoorden het,
doch zeiden niets,--noch kwaad noch goed, en dat is altijd het
verstandigste, als men dom is.

Nu kwam er door het bosch een arm, onschuldig meisje: haar hart
was rein, haar verstand groot door het geloof; haar geheele erfdeel
was een oude bijbel; maar uit de bladen van dien bijbel sprak Gods
stem tot haar: «Als de menschen ons kwaad willen doen, dan heet
het immers van Jozef: «Gij hebt wel kwaad tegen mij gedacht, maar
God heeft het ten goede gedacht.» Als wij onrechtvaardig lijden,
als wij miskend en bespot worden, dan klinkt het woord van hem,
den reinste, den beste, van hem, dien zij bespotten en aan het kruis
nagelden, ons tegen: «Vader! vergeef het hun, want zij weten niet,
wat zij doen!»» Het meisje bleef voor de zonderlinge plant staan, wier
groene bladeren heerlijk en verkwikkend geurden, wier bloemen in den
helderen zonneschijn als een veelkleurig vuurwerk straalden, en uit
elke kwam een geluid, als verborg zij de diepe bron der melodieën,
die duizenden jaren niet vermogen uit te putten. Met vrome aandacht
bekeek zij al deze heerlijkheid Gods, zij boog een der takken naar
zich neer, om de bloem goed te kunnen bekijken en haar geur te kunnen
genieten. Het werd helder in haar verstand; het deed haar harte goed;
gaarne zou zij een bloem afgeplukt hebben; maar zij kon het niet van
zich verkrijgen, haar af te breken: zij zou immers spoedig bij haar
verwelken; het meisje nam slechts een enkel blaadje en legde dit te
huis in haar bijbel; daar lag het frisch, altijd groen en onverwelkt.

Tusschen de bladen van den bijbel lag het bewaard; met den bijbel
werd het onder het hoofd van het meisje gelegd, toen zij na verloop
van eenige weken in haar doodkist lag met den heiligen ernst des doods
op het vrome gezicht, alsof het zich in het aardsche stof afspiegelde,
dat zij nu voor haar God stond!

Maar buiten in het bosch bloeide de zonderlinge plant; zij zag er
bijna als een boom uit, en alle trekvogels bogen er zich voor.

«Wat zijn dat nu weer voor vreemde kunsten!» zeiden de distelen en
de klissen. «Zoo doen wij hier te lande toch nooit!»

De zwarte slakken uit het bosch spuwden op de bloem.

Toen kwam de zwijnenhoeder. Deze verzamelde distelen en struiken,
om daarvan asch te branden. De geheele zonderlinge plant met al haar
wortelen kwam in zijn bezit. «Zij moet ook nuttig worden,» zei hij,
en zoo gezegd, zoo gedaan!

Maar sedert jaar en dag leed de koning van het land aan de diepste
zwaarmoedigheid; hij was vlijtig en arbeidzaam, maar het hielp hem
niets; men las hem diepzinnige, geleerde geschriften voor, men las
de oppervlakkigste, de lichtzinnigste, die men maar vinden kon,--het
baatte niets! Nu zond een van de wijsten der wereld, tot wien men zich
gewend had, een bode af en liet zeggen, dat er toch een middel was, om
hem leniging te verschaffen en hem te doen herstellen: «In het eigen
rijk van den koning groeide in het bosch een plant van hemelschen
oorsprong; zoo en zoo zag zij er uit; men kon zich niet vergissen.»

«Zij is zeker door mij uitgetrokken,» zei de zwijnenhoeder, «en al
lang tot asch vergaan, maar ik wist niet beter!»

«Wist ge niet beter? O, welk een diepte van onkunde!» En deze woorden
kon de zwijnenhoeder in zijn zak steken; hem en geen ander golden zij.

Geen blad was er meer te vinden, het eenige lag in de doodkist der
overledene, en daarvan wist niemand iets.

En de koning zelf wandelde in zijn mismoedigheid naar de plaats in
het bosch toe.

«Hier heeft de plant gestaan!» zei hij. «Het is een heilige plaats!»

En de plaats werd met een gouden hek omgeven, en een schildwacht werd
er bij geposteerd!

De botanische professor schreef een lange verhandeling over de
hemelsche plant, en daarvoor werd hij in goud beslagen, en dit
verguldsel stond hem en zijn familie zeer goed; en dat was het
verblijdendste van de heele geschiedenis; want de plant was verdwenen,
en de koning bleef mismoedig en bedroefd,--«maar dat was hij vroeger
ook,» zei de schildwacht.



                     EINDE VAN HET EERSTE DEEL.



INHOUD


Het leelijke jonge eendje.
De oude straatlantaarn.
De ooievaars.
Zooals manlief doet, is het altijd goed.
De groote Klaas en de kleine Klaas.
De vliegende koffer.
Vijf uit één schil.
De tondeldoos.
Het meisje, dat op het brood trapte.
De bloemen van de kleine Ida.
De onwrikbare tinnen soldaat.
De gouden schat.
De droom van den ouden eik.
Zij deugde niet.
De herderin en de schoorsteenveger.
De flesschehals.
Het minnende paar.
De prinses op de erwt.
Ole Luk-Oie.
Het oude huis.
De gelukkige familie.
Twee juffers.
De wilde zwanen.
Het madeliefje.
De geschiedenis van een moeder.
Uitstel is geen afstel.
De tuin van het Paradijs.
De kleine Tuk.
De burinnetjes.
Grootmoeder.
De schim.
Het vlas.
Kinderpraat.
De stopnaald.
De oude torenklok.
Het metalen varken.
Het vriendschapsverbond.
Het lucifersmeisje.
De sneeuwman.
De vogel Phoenix.
De rozenelf.
Iets.
Het doornenpad der eer.
De goddelooze koning.
Twee hanen.
Er bestaat een onderscheid.
Het is stellig waar!
De elfenheuvel.
De engel.
De nieuwe kleeren van den keizer.
De mestkever.
De ijsjonkvrouw.
De nachtegaal.
Een geschiedenis.
Twaalf met de diligence.
Domme Hans.
Drie springers.
De waterdroppel.
Een blad van den hemel.



AANTEEKENINGEN


[1] Daar een drijftol en een bal hier te lande beide tot het mannelijke
geslacht behooren en dus niet met elkaar kunnen trouwen, is de bal
in dit sprookje van een heer in een dame gemetamorphoseerd.

[2] Ole de Oogensluiter.

[3] Een oude en barbaarsche militaire straf.

[4] Kjöge, een stadje aan de Kjöge-baai. «Kjögekippen zien» noemt men,
de kinderen door het omvatten van het hoofd met beide handen in de
hoogte tillen. Bij Kjöge werd bij den overval der Engelschen in het
jaar 1807 tusschen dezen en de ongedisciplineerde Deensche landweer
een niet zeer roemrijke slag geleverd.

[5] Prästöe, een nog kleiner stadje. Omstreeks honderd schreden daar
van daan staat het adellijk kasteel Nysöe, waar Thorwaldsen zich
gedurende zijn verblijf in Denemarken gewoonlijk ophield en vele
onsterfelijke werken in het aanzijn riep.

[6] Wordingborg, onder koning Waldemar een aanzienlijke plaats,
thans een onbeteekenend stadje. Slechts een eenzaam staande toren en
eenige overblijfselen van muren wijzen aan, waar het kasteel vroeger
gestaan heeft.

[7] Korsöer, aan den Grooten Belt, vroeger, vóór het in zwang komen
der stoomvaart, toen de reizigers dikwijls een geruimen tijd op een
gunstigen wind moesten wachten, de vervelendste der steden genoemd
en door een geestige vaudeville van Heiberg tot het Deensche Schilda
gestempeld. Hier is de dichter Baggesen geboren.

[8] Roeskilde (Roesbron, verkeerdelijk Rothschild genoemd), vroeger de
hoofdstad van Denemarken. De stad heeft haar naam van koning Hroar en
de vele bronnen in den omtrek. In den prachtigen dom liggen de meeste
koningen en koninginnen van Denemarken begraven. Te Roeskilde kwamen
ook de Deensche stenden bij elkaar.

[9] Soröe, een zeer stil stadje, dat prachtig gelegen en door bosschen
en meren omgeven is. Denemarkens Molière, Holberg, stichtte hier
een ridderacademie. De dichters Hauch en Ingemann werden hier als
professoren aangesteld.

[10] Het woord _schim_ is hier, in strijd met den aard onzer taal,
maar in overeenstemming met den inhoud van dit sprookje, manlijk
genomen. Vert.

[11] De Deensche beeldhouwer Thorwaldsen.

[12] Tegenover het graf van Galilei bevindt zich dat van Michaele
Angelo. Op het monument is zijn buste aangebracht en bovendien drie
figuren: de beeldhouwkunst, de schilderkunst en de bouwkunst; dicht
daarnaast is het grafteeken van Dante (zijn lijk bevindt zich te
Ravenna); op het monument ziet men Italië, dat wijst op het kolossale
standbeeld van Dante; de poëzie weent over zijn verlies. Eenige
schreden verder ziet men het monument van Alfieri, dat met lauweren
versierd is; Italië weent boven zijn graf. Macchiavelli besluit hier
de rij der beroemde mannen.

[13] Deze wordt van kippen, rijst en kerrie klaargemaakt.

[14] Het Grieksche bijgeloof laat dit monster uit de onopengesneden
maag van geslachte schapen ontstaan, die op het veld geworpen worden.

[15] Een boer, die kan lezen, wordt dikwijls priester, en men noemt
hem dan «allerheiligste heer»: de geringere stand kust den grond,
dien hij betreden heeft.

[16] Als er zich in vroegere tijden een spook vertoonde, dan bande de
predikant het in den grond; als dit gebeurd was, heide men op deze
plaats een paal in. Te middernacht klonk dan het geschreeuw: «Laat
los!» De paal werd uit den grond gehaald, en de gebannen geest vloog
in de gedaante van een uil weg, met een gat in den linkervleugel. Deze
spookvogel werd nachtuil genoemd.

[17] Het is in Denemarken een volksbijgeloof, dat er onder iedere
kerk, die er gebouwd wordt, een levend paard begraven moet worden;
het spooksel daarvan is het doodenpaard, dat iederen nacht op drie
pooten naar het huis toe hinkt, waar iemand moet sterven. Onder
enkele kerken werd ook een levend varken begraven; het spooksel
daarvan heette het grafzwijn.

[18] Dit is in het oorspronkelijke dubbelzinnig, daar «gaal» in het
Deensch «krankzinnig» beteekent.

[19] Een kinderspeelgoed, van het been van een ganzeborst, een houtje
en pik vervaardigd.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Andersens Sproken en vertellingen - Morgenrood" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home