Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De Villa's der Medici in den omtrek van Florence - De Aarde en haar Volken, 1886
Author: Anonymous
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.


*** Start of this LibraryBlog Digital Book "De Villa's der Medici in den omtrek van Florence - De Aarde en haar Volken, 1886" ***


De Villa's der Medici in den omtrek van Florence.



Reeds een vorig maal hebben wij, op onze wandelingen door Toskane,
een bezoek gebracht aan een der voormalige villa's van het doorluchtig
geslacht der Medici, in den omtrek van Florence. Maar Poggio Imperiale,
waarheen wij toen onze schreden wendden, is noch het schoonste,
noch het beroemdste van die lustverblijven, waaraan de naam en de
herinnering van deze vorstelijke koopmansfamilie, die de evenknie
van koningen werd en zich dien rang waardig toonde, verbonden is. Wij
willen, steeds aan de hand van onzen voortreffelijken gids, den heer
E. Müntz, onze wandeling voortzetten en ook de andere villa's der
Medici bezoeken. Toskane is een land, dat onuitputtelijke schatten
bergt en dat men niet moede wordt, jaar op jaar in alle richtingen
te doorkruisen, overtuigd, telkens iets nieuws te zullen vinden,
telkens en telkens teruggevoerd te zullen worden tot dat schitterende,
dat overstelpend rijke, dat wondervolle tijdvak in de historie: de
italiaansche Renaissance. Wij nemen vol blijdschap den wandelstaf
ter hand en laten ons door den fijnen en smaakvollen kunstkenner,
den biograaf van Rafaël, rondleiden door de betooverend schoone
omstreken van het heerlijke Florence.



I

Met uitzondering van de Cascine, de Viale dei Colli, Bello Sguardo
en Fiesole, zijn de onmiddellijke omstreken van Florence weinig
bekend. Zelfs onder mijne florentijnsche vrienden was er geen enkele,
die Poggio a Cajano, de historische villa der eerste Medici, had
bezocht. Careggi is al even weinig bekend. En wie vermoedt zelfs
heden ten dage het bestaan van die tooverpaleizen, Castello en la
Petraja genoemd? Tot die onbekendheid en verwaarloozing draagt zeker
veel bij de moeielijkheid om toegang te verkrijgen tot die villa's,
die tegenwoordig tot het kroondomein behooren en waar men niet wordt
toegelaten zonder uitdrukkelijke vergunning; maar de schrijvers,
wier taak het is het publiek en met name de vreemdelingen voor te
lichten, hebben toch ook schuld. Cochin, die in de vorige eeuw over
Italië een van die vluchtige, oppervlakkige boeken schreef, waaraan
met name de fransche letterkunde van dien tijd zoo rijk is, spreekt
met minachting van Poggio a Cajano. "Dit paleis," zegt hij, "heeft
niets bijzonder indrukwekkends. Het beste is nog eene kleine portiek
van zes zuilen, waarheen een dubbele trap voert; de buitengevel is
verder geheel kaal. Rondom de benedenverdieping loopt een terras, dat
zeer aangenaam is en van waar men een schoon uitzicht heeft. Men vindt
in dit paleis eene kostbare verzameling van kleine schilderijen van
de eerste italiaansche en vlaamsche meesters, bijna allen uitmuntend
schoon. Wij hebben den tijd niet gehad, de besten op te teekenen, maar
de namen staan op de achterzijde te lezen."--Cochin had ten minste
nog de moeite genomen, de villa te gaan bezoeken. Maar wat te zeggen
van den schrijver van een onlangs uitgekomen boek, dat bepaaldelijk
aan de omstreken van Florence is gewijd, en dat de geschiedenis en
de beschrijving van Poggio a Cajano in negen regels afdoet? Toch
is ook dat weinige nog te veel, wanneer men zich niet eenmaal de
moeite geeft, de plaatsen te bezoeken, waarmede men anderen bekend
wil maken. Ik mag nu het voorrecht hebben, mijn lezers iets nieuws,
bijna iets onbekends, aan te bieden.

De gemakkelijkste manier om van Florence naar Poggio a Cajano te
gaan is wel met den stoomtram, die op het plein Santa-Maria Novella
afrijdt en alleen gedurende de middaguren stilstaat, terwijl de ritten
's morgens en 's avonds vrij snel op elkander volgen. Daar de afstand
tamelijk groot is en een aantal plaatsen onderweg worden aangedaan,
zou een enkel rijtuig niet voldoende zijn voor het vervoer van alle
reizigers--bijna uitsluitend _coutadini_, landbewoners; de trein
bestaat dus meestal uit vier of vijf wagens.

Onophoudelijke regens hadden mij gedwongen, het uitstapje van dag
tot dag uit te stellen. Eindelijk kon ik niet langer wachten, en
ondernam ik den tocht, hoewel donkere, onheilspellende wolken den hemel
bedekten, en een koude vochtige wind mij rillen deed. Maar, wie weet,
misschien zal ik vergoeding vinden in nieuwe natuurtooneelen. Het
is niet ieder en niet dikwijls vergund, de vallei van den Arno in
nevelen gehuld en in een modderpoel herschapen te zien, vooral niet
in September.

Langen tijd slingert zich de tramweg door de straten der stad,
doorgaans zoo vroolijk en uitlokkend, nu naargeestig en somber als
de hemel zelf; dan komen wij aan de voorsteden en bereiken eindelijk
het open veld met de klassieke muren, afgewisseld door hagen en
boomen, waarlangs zich wijngaarden ranken. Te midden van het grijze
landschap rust de blik met verrukking op de donker blauwe bergen op
den achtergrond. Toch is het op den weg levendig genoeg, in spijt
van het slechte weer; telkens ontmoeten wij karren op twee wielen en
zoogenaamde chars-à-bancs, bestuurd door boeren met een vilten hoed,
een grijs buis en dito broek, als hadden zij deze kleur gekozen om
in overeenstemming te zijn met de thans alles overheerschende tinten
in de natuur. Wij rijden over den Mugnone, eene beek, die men hier
overal ontmoet en die wel de gave der alomtegenwoordigheid schijnt
te hebben; dan komen wij aan San-Donato, de vroegere bezitting van
vorst Demidoff; de trein rijdt langs een prachtig park, slechts
door een hek afgesloten, en waarvan de treurwilgen, de populieren en
platanen eene zeer welkome afwisseling bieden te midden der eindelooze
olijfboomen. Een weinig verder zien wij zelfs, tot onze verrassing,
echte groene weilanden, waarin eene kudde schapen loopt te grazen. Wij
blijven nu in de vlakte, tot wij het doel van onze reis hebben bereikt.

Te Peretola gekomen, houdt de trein op het kleine kerkplein stil. De
lokomotief verlaat ons, ik geloof om naar Prato te gaan; en onze
wagen wordt in een omnibus herschapen, waarvoor twee paarden worden
gespannen. Ik maak van het oponthoud gebruik, om de kerk binnen te
treden: eene doodeenvoudige dorpskerk, maar die een werk bezit van de
della Robbia, dat zoo goed als onbekend is. Dit uitnemende kunstwerk,
deels in marmer, deels in terra-cotta, stelt Christus voor, ter
halverlijve, door engelen gesteund, met de Madonna aan zijne linker-
en Sint-Jan aan zijne rechterhand, terwijl God de Vader van boven op
de groep neerblikt.

Maar de voerman klapt met de zweep: het is tijd om te vertrekken. Wij
rijden door de eindeloos lange straat van Peretola; of liever, door
een zeker aantal dorpen, die allen op elkander volgen, zonder dat
ge aan wat ook bespeuren kunt, waar het eene ophoudt en het andere
begint. Deze rit is zoo weinig mogelijk pittoresk. De smalle bedompte
straat, de opeenvolging van kleine huisjes, allen naast elkander langs
den straatweg in het gelid staande, de eenvormige bouwstijl: dit alles
vormt de scherpste tegenstelling met de dorpen in het gebergte, waaraan
de herinnering onuitwischbaar in het geheugen blijft gegrift.--Zijn wij
inderdaad buiten of nog altijd in eene voorstad van Florence? Daar is
grond voor die vraag. Het armoedig, slordig voorkomen der vrouwen, die
voor de deur harer grauwe huisjes staande stroohoeden vlechten, zooals
de boerinnnen bij ons kousen breien, bewijst dat wij ook hier boerinnen
voor ons hebben. Maar wat beteekenen dan die petroleumlantarens en
die snorkende opschriften? Deze tegenstrijdigheid springt vooral in
het oog te Brozzi, dat wij weldra bereiken. Daar ziet men winkels, die
in groote letters brommende opschriften voeren, als: (in het fransch)
_Au petit salon de la mode_, waarmede een kapperswinkel wordt bedoeld;
of wel _Birreria e deposito di ghiaccio_ (bierhuis en depôt van
ijs), of _Bauco di lotte_ (loterijkantoor), of _Armaiuolo e fabbro_
(zwaardveger en smid); en daarnevens ziet ge boeren, die barrevoets
en met hun schoenen in de hand loopen, om hun schoeisel voor slijten
te bewaren. Welk een disharmonie en wat vergrijp aan de lokale kleur!

Te San-Donnino moeten wij iets langer ophouden. De aan Sint-Andreas
gewijde kerk is een nederig en zeer vervallen gebouw, maar haar
schilderijen verdienen, naar men mij verzekerde, zeer de aandacht. Ik
treed binnen en richt mij aanstonds naar de fresko, die het eerste
zijaltaar ter linkerhand versiert. Niet iederen dag overkomt ons het
geluk, een Domenico Ghirlandajo--want met niemand minder hebben wij
hier te doen--te ontdekken in een dorpje, waarvan geen enkel hand-
of reisboek melding maakt. De fresko toont ons de Madonna, zittende
in eene soort van nis tusschen twee heiligen, waarvan de een een
zwaard, de ander een pijlkoker in de hand houdt; op den schoot der
Heilige-Maagd zit het Kind, geheel ontkleed. De kompositie is, zoo
als men ziet, hoogst eenvoudig: maar welk eene rust, welke harmonie
en nobele fierheid in de figuren; en hoe juist heeft men Ghirlandajo
den voornaamsten schakel genoemd in de gouden keten die Rafaël met
Masaccio verbindt. In schitterende talenten wordt hij door vele
andere schilders overtroffen; maar van weinigen maken de werken een
zoo bekoorlijken, zoo rustigen, weldadigen indruk.

Een oude baksteenen toren, dien ik in de verte bespeur, noopt mij
eene zijstraat in te slaan, die naar het station loopt. San-Donnino
ligt aan den spoorweg van Florence naar Empoli. Maar naderbij komende,
zie ik dat de toren alle karakter mist; ik haast mij dus de reis naar
Poggio a Cajano te vervolgen.--Ik zal nu maar verder niets zeggen
van die eindelooze aaneenschakeling van dorpen, die niets landelijks
hebben, en van velden, met maïs en dergelijke gewassen beplant. Na
een nieuwen rit, nog langer dan de vorige, begint het landschap van
karakter te veranderen: de akkers worden vervangen door weilanden; in
plaats van de eentonige vlakte krijgen wij bergen, groote en kleine,
die weldra den weg versperren. Blijkbaar naderen wij het einde van
onzen tocht; en dat is goed ook, want het begint weer te regenen en
de weg wordt een modderpoel.

Bij het binnenkomen van het vlek of dorp Poggio, valt mij aanstonds
het _caffé e buffet del tramway_ (welk een barbarisme!) in het oog. Ik
behoef dus niet te vreezen, van honger te zullen sterven; een koetsier
komt, met den hoed in de hand, naar mij toe, en vraagt beleefd,
of ik een rijtuig verlang; er bestaat dus ook gelegenheid om naar
de stad terug te keeren, al mis ik den tramway. Na nogmaals--zeker
voor den tienden keer na mijn vertrek uit Florence--over een brug
te zijn gegaan, kom ik eindelijk te Poggio a Cajano. De voornaamste
straat, breed en ter wederzijde van trottoirs voorzien, is omzoomd
door eene dubbele reeks van kleine huizen met eene verdieping en
een alles behalve smaakvol ijzeren balkon. Omstreeks het midden
van het vlek begint de weg te stijgen; daar begint ook, naast een
fraai huis uit de zeventiende of achttiende eeuw (later hoorde ik
dat daar de rentmeester van de villa woont), een reusachtige muur,
die een groot deel van den heuvel schijnt te omsluiten; aan de andere
zijde verrijzen een aantal koffiehuizen, gaarkeukens, logementen,
meest allen van den minsten rang, ondanks hunne klinkende namen.

Ik stel tot den namiddag het onderzoek uit van dien geheimzinnigen
muur, die het hoogste punt van Poggio a Cajano inneemt, en vervolg
mijn weg tot aan den voet der bergen, op ettelijke honderd schreden
afstands. Eindelijk ben ik dan in de vrije lucht, te midden der
echte natuur. Hoewel de regen bij stroomen neervalt, adem ik met
wellust de geuren in van het naburige bosch. Zulk een genot is een
zeldzaamheid in de omstreken van Florence, die al te zeer bebouwd
zijn en waar geen duimbreed gronds door den menschelijken arbeid
ongebruikt wordt gelaten.

Een steile rotsige weg voert naar de twee kerken van Poggio a Cajano,
die, wonderlijk genoeg, buiten het vlek, op eene moeilijk te bereiken
hoogte zijn gebouwd en zich door niets bijzonders onderscheiden. Op
een open plek gekomen, ontrolt zich voor mijne oogen een prachtig
panorama: rechts en links met bosch begroeide bergen, met villa's
bedekt; voor mij, de reusachtige muur, op de vier hoeken met een
paviljoen versierd en binnen zijn gordel de eenvoudige en majestueuse
villa der Medici omsluitende; in de verte eindelijk, die welbekende en
altijd even schoone dekoratie: de belfroot van Arnolfo, de campanile
van Griotto, de koepel van Brunellesco, Florence, in een woord,
in al hare heerlijkheid.

Nu ik een blik heb geworpen op de villa der Medici--die villa,
verheerlijkt door de herinnering aan zooveel groote mannen en door
zooveel kunstwerken;--besef ik dat het eene onvergeefelijke handeling
zou zijn, indien ik niet al mijn beschikbaren tijd aan haar alleen
wijdde. Ik daal dus zoo spoedig mogelijk van den heuvel af, en
bewonder gaandeweg de reusachtige muren en fondamenten, waarop de
patricische villa rust, en die door de gesteldheid van het terrein
werden gevorderd. Zij maken eenigermate den indruk van eene vesting: en
toch is hier alles slechts op genieten berekend; de eigenaars schijnen
niets anders bedoeld te hebben, dan te midden van een grooten tuin,
een prettig, vriendelijk, zonnig huis te bouwen, waarin zij konden
uitrusten van de beslommeringen der regeering. Uitwendig maakte dit
huis weinig vertooning: de eerste Medici wenschten zooveel mogelijk
alle opzienbarende pracht en weelde te vermijden. Zij moesten rekening
houden met de prikkelbaarheid der florentijnsche burgerij, die door
het ten toon spreiden van vorstelijke staatsie en grootheid, licht
tot wantrouwen en naijver kon worden geprikkeld. Het was hun om het
wezen der macht te doen, niet om den uiterlijken schijn: deze zou van
zelf volgen, waar het eerste gewonnen was; zij vermeden dus alles
wat aanstoot geven kon, en stelden zich schadeloos, door binnen de
wanden hunner villa's alle genietingen en alle kunstschatten bijeen
te brengen, die maar eenigszins binnen hun bereik konden liggen.

In zijn voortreffelijk en zoo boeiend boek over Lorenzo il Magnifico,
schetst baron Reumont ons, hoe zijn held zijn vrijen tijd verdeelde
tusschen Careggi en Cajano, halfweg tusschen Florence en Pistoja, op
den laatsten heuvel van den Monte-Albano. In 1479 kocht Lorenzo de'
Medici dit landgoed van Giovanni Rucellaï, een niet minder uitnemend
kenner en beschermer der kunst, den stichter van den voorgevel van
Santa-Maria Novella. Rucellaï had dit domein op zijn beurt gekregen
van zijn schoonvader, een groot burger, een vurig, onzelfzuchtig
beschermer van kunst en letteren, Pallas Strozzi. De nieuwe villa,
door den vriend van Lorenzo, Giuliano da San-Gallo, gebouwd, werd
weldra het vereenigingspunt van den schitterenden kring, die zich
rondom il Magnifico schaarde. Poliziano heeft dien kring in eene
zijner schoon berijmde verzen bezongen; Michele Verino beschreef hem
in proza; Ermolao Barbaro en Pico della Mirandola werden daar als
gasten ontvangen. Eene waterleiding, zoo verhaalt de heer Reumont,
voerde het drinkwater van de hoogten van Bonistallo aan. Uitgestrekte
boomgaarden en moestuinen dienden Lorenzo voor zijne proefnemingen
op zoölogisch en botanisch gebied, want de groote Maecenas stelde
evenveel belang in de scheppingen der natuur als in die der kunst. Hier
zag men zijne moerbeziënboomen; elders zeldzame dieren, tot zelfs
in Spanje en in Egypte gekocht. Lorenzo mag met recht de stichter
der acclimatatietuinen, in den besten zin van dat woord, worden
genoemd. Zijne verwonderlijke werkzaamheid omvatte alles: hij wijdde
zijne aandacht zoowel aan de goudfazanten, wier afstammelingen nog tot
voor weinige jaren het park bevolkten, als aan de varkens van Calabrië,
de runderen van Indië, misschien zelfs aan de giraffen van Afrika,
want het was door zijn toedoen, althans door zijne medewerking, dat dit
zonderlinge dier voor het eerst in de vallei van den Arno werd gezien.

Toen de meest beminde zoon van Lorenzo zijn naam Giovanni de' Medici
verwisselde tegen dien van Leo X, vergat hij de geliefde villa van zijn
beroemden vader niet. Op zijn bevel en onder zijn toezicht werden daar
belangrijke werken uitgevoerd, en de versiering der groote zaal werd
aan kunstenaars van den eersten rang opgedragen, als Andrea del Sarto,
Francia Bigio, Jacopo de Pontormo. De kunst- en letterlievende Paus,
de Helleen op den troon van Petrus, die zijn naam aan de eeuw gegeven
heeft, bezocht zelfs, ten jare 1515, de villa van Poggio a Cajano,
die door hem nieuwen luister zou ontvangen. Maar zijn dood deed de
werkzaamheden staken; eerst in 1580 kon Alessandro Allori de ontworpen
verfraaiingen ten einde brengen. In dien tusschentijd had Cosmo I zich
herhaaldelijk te Poggio a Cajano opgehouden. Benvenuto Cellini heeft
ons het verhaal nagelaten van de pogingen, die hij, ten jare 1559, in
deze zelfde villa, bij Cosmo aanwendde, om zijn eeuwigen tegenstander
Bandinello ten val te brengen. Omstreeks dienzelfden tijd werd de
villa versierd met eene reeks tapijten, jachttafreelen te water en
te land voorstellende, geweven naar de kartons van Stradano.

Weinige jaren later werd Poggio a Cajano getuige van eene droevige
tragedie, die meer dan de herinnering aan zoo vele beroemde en
uitnemende personen, er toe heeft bijgedragen om de aandacht der
geschiedschrijvers en ook der menigte op deze villa te vestigen. De om
hare schoonheid en haar geest, zoowel als om haar grenzenlooze eerzucht
en verraderlijke kuiperijen befaamde Bianca Capello had het eindelijk
zoo ver weten te brengen, dat haar minnaar, de groothertog Frans II,
haar had gehuwd en naast zich op den troon van Toskane verheven. De
schitterendste toekomst scheen voor haar weggelegd. De senaat van
Venetië, vergetende dat hij openlijk de dochter had gebrandmerkt,
die met haar minnaar het vaderlijk huis was ontvlucht, zond nu een
schitterend gezantschap om bij het huwelijk tegenwoordig te zijn en
huldigde haar als eereburgeres van San-Marco. De dood van den eenigen
erfgenaam van Frans II, den zoon zijner eerste gemalin, liet haar
het veld vrij voor ver strekkende ondernemingen; dolk en giftbeker
hadden haar ontslagen van gevaarlijke vijanden of onbescheiden
medeplichtigen. Zij besloot nu, hare macht voor goed te bevestigen,
door zich met haar schoonbroeders te verzoenen; inderdaad gelukte het
haar, den kardinaal van Medici naar Poggio a Cajano te lokken. Was
er bij hetgeen nu volgde toeval of misdaad in het spel? Wie zal het
uitmaken: slechts dit is zeker, dat de groothertog, op den achtsten
October 1587, plotseling werd aangetast door eene kwaadaardige koorts,
die kort daarop ook de schoone Bianca aangreep. Beiden stierven eenige
uren na elkander.

Deze herinneringen rezen in mij op, terwijl ik aan de poort der villa
schelde, waarboven nog het in marmer uitgehouwen wapen der Medici
prijkt. De portier, in de koninklijke liverei gedost, voert mij door
een grooten tuin, waarvan het voornaamste sieraad bestaat in een rij
oranjeboomen, in reusachtige aarden potten geplant, en geleidt mij
naar den ingang van het huis, waar hij mij overlevert aan een ouden
bediende, die mij tot cicerone zal verstrekken.

Zooals ik zeide, is de bouwstijl van de villa ten hoogste eenvoudig:
noch schilderachtige uitbouwsels, noch monumentale zuilen, noch
karyatiden; van voren gezien, gelijkt het gebouw op een vierhoek,
bestaande uit eene beneden- en twee bovenverdiepingen, met een op
pilaren rustende portiek, die de benedenverdiepingen omgeeft en ter
hoogte van de eerste verdieping een terras of balkon vormt. Deze vrij
plompe portiek is--ik haast mij dit er bij te voegen--een toevoegsel
van later tijd, en mag dus niet op rekening gesteld worden van den
oorspronkelijken bouwmeester Giuliano da San-Gallo, wiens werk
onder meer dan een opzicht misvormd werd. Eerst als men om het
gebouw heenwandelt, bespeurt men dat aan de zijgevels de uiteinden
vooruitsteken en dus een soort van vleugels vormen. Het voornaamste
sieraad van den voorgevel bestaat in eene zeer fraaie loggia, versierd
met maskers en het wapen en devies van de Medici. De fries van het
fronton dezer loggia is versierd met geëmailleerde terra-cotta's van
een eigenaardigen stijl, waarin men reeds de richting der zestiende
eeuw meent te bespeuren. Men ziet daar verschillende kleine witte
beeldjes, fijn en geestig bewerkt, goed uitkomende tegen den blauwen
achtergrond. Voor zoover ik, bij een haastigen oogopslag en onder
den aanhoudenden slagregen, kon oordeelen, vormen deze groepjes
allegorische voorstellingen, onder anderen van den landbouw.

Het uitwendige van de villa geeft volstrekt niet den indruk van het
aantal en den omvang der zalen en vertrekken, die zij bevat. In de
benedenverdieping vindt men een theater, eene zeer ruime overwelfde
eetzaal, die op het prachtige park achter de villa uitziet; en ook
de kamer, waar, volgens de overlevering, Bianca Capello gestorven
is. In de laatste verdienen de aandacht de zeer smaakvolle dekoratie
uit de zestiende eeuw en een fraaie schoorsteen, door twee thermen
gedragen. "E tradizione," zegt de inscriptie, "che queste ristaurate
sale ospitassero nel secolo XVI la bellissima Bianca Capello."

Op de eerste verdieping bezoeken wij eerst een gemoderniseerden
salon met de portretten ten voeten uit van de Medici, en vervolgens
nog eene tweede eetzaal, versierd met wapentropeeën en freskoos,
voorstellende de overwinningen der Medici, benevens talrijke
allegorische figuren. Maar ik wijd ter nauwernood eenige opmerkzaamheid
aan deze vertrekken, en spoed mij naar den prachtigen salon, dien ik
in de verte bespeur. En is het niet inderdaad een ongedacht voorrecht,
in eene half vergeten villa eene kunstschepping te vinden, die al de
majesteit en bevalligheid der renaissance in haar besten tijd in zich
vereenigt, een salon, gebouwd en versierd op last en volgens aanwijzing
van niemand minder dan Leo X? Ik waag mij niet aan eene beschrijving
van dit in waarheid vorstelijk vertrek. De hooge gewelfde zoldering
prijkt in het midden met het pauselijk wapen, met het bijschrift:
_Leo decimus pontifex max. Aulam hanc illustrare et ornare coepisset_
(sic).--_Franciscus Medices magnus dux Etruriae secundus magnificentius
perficiendam curavit._

Het blazoen en het devies der Medici leveren het hoofdmotief voor de
dekoratie van deze monumentale zoldering; daar zijn de vier verbonden
ringen, de saamgebonden lauriertakken, de vederen, de "palle"
of ballen, al te gader welbekende emblemata in de florentijnsche
kunst; afwisselend rood, blauw of zwart gekleurd, komen zij op het
voordeeligst uit tegen den schitterend rijken gouden grond.

Onder de freskoos, die de wanden versieren, is er eene, die aanstonds
de aandacht trekt, zoowel door de toovermacht van haar koloriet,
als door het opschrift, luidende: "_Anno Domini MDXXI Andreas Sartius
pingebat et a.d. MDLXXX Alexander Allorius sequebatur_;" met andere
woorden: in 1521 begonnen door Andrea del Sarto, in 1580 voortgezet
en voltooid door Alessandro Allori. De fresko verbeeldt Caesar,
die in Egypte de schatting ontvangt der overwonnen natiën. In het
midden troont de gelauwerde dictator in eene nis, en luistert naar
de redevoeringen, die de afgezanten tot hem richten; ter rechter-
en ter linkerzijde ziet men mannen van allerlei nationaliteit en
zelfs kinderen, die paarden, honden, giraffen en zeldzame vogels
als schatting aanbieden. Dit is eene toespeling op de zoölogische
liefhebberijen van Lorenzo il Magnifico. De ordonnantie der schilderij
laat te wenschen over, maar het koloriet en de levendigheid der
voorstelling verdienen alle hulde. Ik behoef er natuurlijk niet bij
te voegen, dat er hoegenaamd geene sprake is van historische waarheid
of lokale kleur. Andrea del Sarto heeft Florentijnen uit zijn tijd
en omgeving geschilderd, en ik zal mij wel wachten, hem daarvan een
verwijt te maken.

Letterkundige bijgedachten treden in de andere freskoos maar al te
zeer op den voorgrond: de vrijheid der inspiratie en de eischen der
dekoratie hebben er onder geleden. Als waarschuwend voorbeeld wijs
ik op den zegevierenden terugkeer van Cicero, door Francia Bigio,
met allerlei archeologisch bijwerk: eene obelisk, eene zuil met
scheepssnebben, het liggende standbeeld van den Tiber, en eene
restauratie van het Kapitool.

Onder dien doorzichtigen sluier der klassieke herinneringen, herkent
men gemakkelijk eene toespeling op de geschiedenis der Medici; de
ware hoofdpersoon is niet Cicero, maar Cosmo de Oude, wiens terugkeer
uit zijne ballingschap de kunstenaar heeft willen vereeuwigen. Eene
andere fresko, van Alessandro Allori, geeft ons den consul Flaminius
te aanschouwen, die de Achaïers beweegt hun verbond met Antiochus te
verbreken; op een vierde schilderij, van denzelfden kunstenaar, zien
wij Scipio aan tafel gezeten met Syphax; de slaven die hen bedienen,
de standbeelden, de rijke ornamenten overal aangebracht, geven aan
deze compositie een karakter van grootheid en vorstelijke weelde,
volkomen passende bij den aanblik van dit prachtige vertrek, waarin
het rijke en voor een deel antieke ameublement geheel in harmonie is
met de heerlijke dekoratie.

Intusschen valt de regen nog steeds bij stroomen neder; de wegen zijn
in modderpoelen veranderd; ik moet terugkeeren. Niet zonder moeite
bereik ik den stal, dien ik bij mijn binnentreden in Poggio a Cajano
heb opgemerkt; een kales brengt mij, steeds onder plassenden regen,
naar San-Donnino, waar ik in den tram stap. Bij het vallen van den
avond was ik weder in Florence terug.



II

Naar het schijnt, wilden de eerste Medici zich door het aantal hunner
residentiën troosten over de--althans uitwendige--eenvoudigheid,
die zij om politieke redenen in acht moesten nemen. Deze vorstelijke
verblijven, voor het meerendeel klein van omvang, kunnen niet wel
aanspraak maken op den titel van paleis of kasteel: het zijn niet
meer dan villa's van rijke patriciërs, die het volstrekt niet beneden
zich achten, persoonlijk het oog te houden op de bebouwing hunner
velden en de exploitatie hunner goederen. In deze meer burgerlijke
woningen wordt vorstelijke pracht vervangen door fijnen smaak en
distinctie:--want wij zijn in Toskane, en wel in het Toskane der
Renaissance. Maar wie het wezen van den schijn, het echt metaal van
het klatergoud weet te onderscheiden, zal ook deze zoo vaak vergeten
en verwaarloosde villa's kunnen waardeeren.

De drie villa's, die wij thans zullen bezoeken, zijn slechts ettelijke
honderden ellen van elkander verwijderd en kunnen zeer gemakkelijk,
hetzij per spoor, hetzij per tram, worden bereikt. Misleid door
eene verkeerde aanwijzing, heb ik den langsten weg gekozen: mijn
lezer zal zich dus maar moeten getroosten, een weinigje met mij te
zwerven. Even als bij mijn uitstapje naar Poggio a Cajano, volg ik
de lange en vervelende Via Pistojese; vervolgens, even voorbij het
park van San-Donato, sla ik rechts om en betreed nu een dier tusschen
heggen of muren ingesloten wegen, die in den omtrek van Florence zoo
talrijk zijn. Het land is vlak, en de muur ontneemt mij alle uitzicht:
het is mij dus onmogelijk, mij te oriënteeren. Maar den lezer is
het genoeg te weten, dat ik, na lange omzwervingen, eindelijk het
gehucht Ponte a Mezzo bereikte, dat zijn naam ontleent aan eene brug
met één boog over een riviertje, dat zelfs nu, na de regenvloeden
der laatste weken, half droog is. Ik volg verder dit riviertje en
kom eindelijk te Ponte a Rifredo, waar zoowel een station van den
spoorweg als van den tramweg is, en dat ik dus zeer gemakkelijk van
Florence uit had kunnen bereiken. Het vlek is allerbekoorlijkst:
een aantal kleine huizen liggen schilderachtig gegroept aan den voet
der bergen; jammer genoeg, begint de moderne industrie ook den weg
naar dit verrukkelijk oord te vinden: reeds verrijzen hier en daar
de afschuwelijke schoorsteenen van fabrieken.

Doch wij treden liever de kerk binnen, wier voorgevel met portiek
geheel overeenkomt met de voorgevels van zoo vele kerken in Toskane,
maar die roemen mag op het bezit van twee kostbare terra-cotta's uit
de school van de della Robbia. Aan de kerk grenst eene zaal, bestemd
voor de bijeenkomsten van een liefdadig genootschap, de Compagnia
della Misericordia.

De weg van Ponte a Rifredo naar Careggi is wederom tusschen muren
ingesloten en vrij eenzaam. Na verloop van een half uur ongeveer
begint de weg te dalen, en een geruisch als van vallende wateren
dringt tot mijne ooren door. Weldra bespeur ik eene snelvlietende
beek, die met groot gerucht door haar rotsig bed voortsnelt; aan de
overzijde verrijzen, op een kleinen heuvel, een gekanteelde toren en,
op korten afstand, eene villa, voor het grootste gedeelte achter het
geboomte verborgen. Weldra sta ik voor de "Villa Medicea di Careggi".

Careggi! deze naam heeft beteekenis in de geschiedenis der
beschaving. In dit nederig verblijf, door Michelozzo voor Cosmo,
den Vader des vaderlands, gebouwd, hield de platonische Akademie
hare eerste zittingen; daar putte Florence, en op haar voetspoor
geheel Europa, voor het eerst nieuw leven uit de werken van den
goddelijken wijsgeer. Uit dezen kring der Medici ging voor een goed
deel de geest uit, die het aanschijn der wereld zou veranderen en de
moderne beschaving in het leven roepen. En ook voor de bijzondere
geschiedenis van Florence heeft deze plek groote beteekenis. Daar
stierven, acht-en-twintig jaren na elkander, de onsterfelijke
grootvader en de niet minder beroemde kleinzoon, Cosmo en Lorenzo
il Magnifico. De eerste, tot hoogen ouderdom gekomen, ging heen,
betreurd en geëerd door zijne medeburgers, die hem den schoonen
titel van Vader des vaderlands schonken; de tweede, weggerukt in de
kracht van den mannelijken leeftijd--hij telde eerst vier-en-veertig
jaren--nam den vrede van Europa met zich in het graf. Inderdaad,
ware Lorenzo in het leven gebleven, dan zou Karel VIII van Frankrijk
meer dan waarschijnlijk nooit die noodlottige expeditie hebben
gewaagd, die het begin was der italiaansche oorlogen en de bron van
onberekenbare verwarringen, van onafzienbare rampen en verwikkelingen,
waarvan de gevolgen zich maar al te zeer, tot in deze onze dagen,
hebben doen gevoelen. De dood van dien zeldzamen man, staatsman,
dichter, onovertroffen kunstbeschermer, heeft iets buitengewoon
dramatisch. Poliziano en Pico della Mirandola hadden, luid snikkend,
het vertrek van den stervende verlaten, toen de strenge prior van
San-Marco verscheen, Savonarola, de onverbiddelijke tegenstander
der Medici. Wat is er in die sterfkamer, tusschen die twee mannen
voorgevallen? Niemand kan het met zekerheid zeggen. Volgens eene vrij
algemeen aangenomen overlevering, zou Savonarola, eer hij de biecht
van Lorenzo wilde aanhooren, hem drie voorwaarden hebben gesteld. De
eerste, dat hij onbeperkt vertrouwen zou stellen in de goddelijke
genade en barmhartigheid; de stervende antwoordde, dat hij daarvan
geheel doordrongen was. De tweede, dat hij de goederen, die hij zich
onrechtmatig had toegeëigend, zou teruggeven of door zijne zonen doen
teruggeven; Lorenzo dacht een oogenblik na en boog toen het hoofd,
ten teeken van toestemming. De derde voorwaarde eindelijk was, dat
hij aan het florentijnsche volk zijne vrijheden zou teruggeven; toen
wendde Lorenzo, zonder te antwoorden, het gelaat af, en Savonarola
ging heen zonder hem de absolutie te geven. Eenige uren later, op
den achtsten April 1492, blies il Magnifico den laatsten adem uit.

Na den florentijnschen opstand van 1527 had de villa het hard te
verantwoorden; zij werd ten deele een prooi der vlammen. Alessandro
de Medici, de eerste hertog van Florence, liet de noodige
herstellingswerken uitvoeren, en vertrouwde de dekoratie aan
Pontormo en Bronzino toe; alle sporen der verwoesting waren weldra
uitgewischt. De opvolgers van hertog Alexander toonden minder
belangstelling voor de geliefkoosde residentie van Cosmo en Lorenzo;
de dynastie van Lotharingen verkocht de villa in 1779 aan de familie
Orsi. In 1848 werd Careggi het eigendom van een rijken Engelschman,
sir Sloane, wiens weduwe nog heden de villa bewoont. De laatste
eigenaar heeft rondom de villa een prachtigen tuin laten aanleggen;
midden door heerlijk geboomte, bloeiende heesters en bloemperken
voert men mij naar het huis, dat niets groots of indrukwekkends
heeft. Terwijl men mijn kaartje aan de meesteresse des huizes ter
hand stelt, beschouw ik op mijn gemak de binnenplaats, den cortile,
waarop men mij gelaten heeft. Deze inderdaad fraaie binnenhof, met
zijn sierlijke zuilengalerij, is in een wintertuin herschapen. De vrij
diepe put herinnert mij onwillekeurig aan den put, waarin de geneesheer
van Lorenzo zich verdronk, uit vrees dat men hem beschuldigen zou,
zijn patiënt vergiftigd te hebben.

Intusschen wordt de gevraagde vergunning bereidwillig verleend,
en onder het geleide van een italiaanschen bediende wandel ik door
eene reeks van vertrekken, allen getuigende van de hooge waarde,
die sir Sloane aan de historische herinneringen zijner villa
hechtte. Hier zie ik eene moderne schilderij: Cosmo, de opdracht van
een boek ontvangende; ginds de portretten van Pico della Mirandola,
van Leo X; Lorenzo il Magnifico den geboortedag van Plato vierende;
voorts een marmeren borstbeeld van Plato. Ook vindt men in de geheel
veranderde en misvormde vertrekken nog eenige oude meubelen, onder
anderen een monumentaal ledikant, waarin, naar mijn gids beweert,
Lorenzo zou zijn gestorven. Ongelukkig is dit bed niet ouder dan de
zestiende eeuw.--Ook hier geeft het inwendige meer dan het uiterlijk
belooft: de woning is zeer ruim en kon zonder moeite de kunstenaars
en litteratoren herbergen, die Cosmo en Lorenzo om zich verzamelden;
zelfs bood zij nu en dan gastvrijheid aan vorstelijke bezoekers. Onder
de kunstwerken, die de villa versierden, wordt in de eerste plaats
genoemd een schilderij van Memling, waarvan Vasari melding maakt. Het
kost echter eenige moeite, zich dien vroegeren toestand voor den
geest te roepen, te midden van die engelsche meubelen en karpetten,
van zeer middelmatige schilderijen en beeldwerken, van de rumoerige,
karakterlooze dekoratie onzer moderne salons. Zulke vergrijpen tegen
den goeden smaak doen u niet minder onaangenaam aan bij de beschouwing
van den achtergevel, waar men zich zelfs niet heeft ontzien, ijzeren
kolommen aan te brengen! Daarentegen is de tuin bewonderenswaardig:
Engeland, op het terrein der kunst overwonnen, handhaaft zijn roem
op dat der horticultuur.



Poggio a Cajano en Careggi hebben ons de bescheiden pracht getoond
van de eerste Medici; Castello en la Petraja zijn de residenties
van vorsten en dagteekenen uit een tijd, toen de zucht naar weelde
en schittering de behoefte aan kalmte en stille huiselijkheid op den
achtergrond had gedrongen. Bovendien hebben wij hier niet alleen te
doen met de herinnering aan de Medici, hertogen, later groothertogen
van Toskane geworden; andere herinneringen van zeer veel jongeren datum
en van zeer kieschen aard, onaangename en lastige herinneringen, komen
zich daarbij voegen. Ik was daarmede ten eenemale onbekend, en kon dus
ook eerst later het raadsel oplossen van het weinig beleefde onthaal,
mij ten deel gevallen van de zijde van ondergeschikte beambten, die
in deze dagen van triomfeerende onbescheidenheid en schaamtelooze
publiciteit, uit den aard der zaak, in iederen vreemden bezoeker een
reporter meenden te zien.

De beide villa's, wier namen ik zoo even noemde, zijn van Careggi
duidelijk zichtbaar. De weg daarheen, voortdurend door muren
ingesloten, is zeer vervelend. Aan het einde van de lange straat,
waaruit het dorp bestaat, begint eene fraaie, met kastanjes beplante
laan, die, langs de villa Corsini, naar de koninklijke villa leidt,
die tegen de helling van den heuvel is aangelegd. Het uitwendig
voorkomen van het huis is hoogst eenvoudig: de voorgevel bestaat uit
eene benedenverdieping, met een poort, in zoogenoemd _opus rusticum_,
in het midden, en een bovenverdieping met een balkon. Van het
inwendige kan ik niets zeggen; want de toegang tot de appartementen
is ten strengste verboden; men zegt, dat er fraaie schilderijen van
Pontormo, Bronzino en andere meesters hangen. Door eene bijzondere
gunst wordt het mij vergund, in den tuin te wandelen, die alleen reeds
de moeite van het bezoek loont. Deze tuinen zijn een schepping van den
eersten groothertog, Cosmo, die de versiering opdroeg aan den bekwamen
beeldhouwer Nicoló Tribolo (geboren in 1485, gestorven in 1550). Een
smaakvol marmeren bekken, versierd met een kind op een arend gezeten;
eene monumentale fontein met bronzen kinderfiguren en de groep van
Herkules en Antaeus, trekken al dadelijk de aandacht. Verder ziet
men in deze tuinen, prachtige oranjeboomen in potten, boschjes van
laurieren, standbeelden, en in het hoogste gedeelte eene kunstmatige
grot met eene gansche menagerie van bontgeverfde dieren, met
stalaktiten en wat daar verder toe behoort.

Een trap voert naar een heerlijk boschje van steeneiken en cypressen,
wier donker gebladerte een uitnemend contrast vormt met den zonnigen,
kleurigen tuin aan uw voet.--Ook aan Castello knoopt zich de
herinnering van vele beroemde namen: Benvenuto Cellini, die, in 1552,
hier door Cosmo zeer onvriendelijk ontvangen werd; Bianco Capello,
die hier herhaaldelijk haar verblijf hield, en Borgognone, den rijk
begaafden veldslagenschilder.



Men heeft van Castello naar la Petraja slechts weinige minuten te
gaan. Een koninklijke tuinier brengt mij, langs eene met bosschages en
rotsen omzoomde laan, naar het hek dat de villa afsluit. Wij wandelen
een eind door het open veld, gaan langs de kleine parochiekerk van
Castello, en komen aan een tweede hek, dat toegang geeft tot de villa
la Petraja. Het park, dat zich voor ons uitbreidt, is verrukkelijk
schoon: steeneiken en eeuwenoude cypressen, rotsen en watervallen
vormen een geheel, dat door grootschheid en majesteit indruk maakt.

Ondanks de restauraties, in de laatste jaren op last van Victor-Emanuel
aangebracht, heeft de villa zelve veel meer karakter dan Castello. Een
soort van wachttoren, van boven met twee buitengalerijen prijkende,
schijnt nog eene herinnering aan den tijd, toen la Petraja een sterke
burcht was, die achtervolgens aan de Brunelleschi, do Strozzi,
de Salutati, en eindelijk, sedert het laatst der zestiende eeuw,
aan de Medici behoorde, en die vroeger meer dan eene belegering
had door te staan. Onder leiding van den architekt Buontelanti
(gestorven in 1608) werd de oude middeleeuwsche burcht in een modern
lusthuis herschapen. Het merkwaardigste gedeelte van de villa is de
oude "cortile", de binnenplaats, die thans met glas overdekt en in
een salon veranderd is. Die salon, met zijn dubbele rij van zuilen,
waartegen hertenkoppen bevestigd zijn,--tropeëen, door Victor-Emanuel
van zijne jachten medegebracht,--ziet er echt vorstelijk uit; de
freskoos die de wanden versieren, het schitterend licht dat uit den
glazen koepel daalt, verhoogen nog het effekt. Ik zal die freskoos,
die als dekoratie haar verdiensten hebben, maar niet beschrijven: zij
verdienen onze aandacht niet in een land, waar men de meesterstukken
uit den gouden tijd der kunst bij honderden telt. Toch zijn daaronder,
die historisch belang hebben: tafreelen, als de samenkomst van Leo X
en Frans I te Bologna, de kroning van Karel V, de instelling der orde
van Sint-Stefanus, en meer anderen van dien aard, trekken van zelf de
aandacht, afgescheiden van hunne kunstwaarde.--De kleine kapel bevat
een schilderij, die bijna niet te zien is, en die aan Andrea del Sarto
wordt toegeschreven. Hoe jammer dat deze Heilige Familie (de Madonna,
het kind Jezus, Sinte-Elisabeth, Sint-Jan de Dooper) zoo donker van
kleur geworden is; de ordonnantie maakt een zeer gunstigen indruk.

De dekoratie der vertrekken van la Petraja is zeer veel rijker,
maar misschien minder smaakvol, dan die van Poggio a Cajano. In een
der salons rondom den overdekten cortile, zie ik zes zeer kostbare
tapijten, de geschiedenis van Don Quichote voorstellende en in 1781
in de fabriek der Gobelins vervaardigd.--Ik zal mij niet verdiepen
in eene beschrijving van de eerste verdieping, met haar billardzaal,
haar badkamers, haar slaapvertrekken, waarin de bedden op koninklijke
gasten schijnen te wachten. Ondanks den overvloed van meubelen en het
zeer zorgvuldig onderhoud, is toch niet alles volkomen zoo als men
het wenschen zou. Zoo maken, bij voorbeeld, de perzische tapijten eene
vrij povere figuur in de oude kapel, naast de freskoos van Poccetti.

Bij het beklimmen van den toren ontdek ik een zeer bescheiden
kunstwerk, nog dagteekenende uit de eerste tijden van la Petraja:
namelijk eene kleine Madonna, ter halver lijve, van geschilderd
stuc, met het Kind en engelen. De stijl is die van de vijftiende
eeuw. Ongelukkig heeft men dit interessante stuk, als al het overige,
bijgeschilderd.

Ter linker- en ter rechterzijde van de villa liggen uitgestrekte
tuinen, waarin zich een aantal volières bevinden, die tegenwoordig
onbewoond zijn. Men verhaalde mij, dat de vroegere vorsten van Toskane
hier eene allermerkwaardigste verzameling vogels, waaronder zeer
kostbare en zeldzame exemplaren, hadden bijeengebracht. Wat er, na de
verdrijving der oude dynastie, van die verzameling geworden is, weet
ik niet: in ieder geval is er nu geen spoor meer van over. Gelukkiger
waren de twee reusachtige steeneiken, wier stam eenige ellen in omtrek
meet, en die een sieraad zijn van den tuin ter linkerhand. Tusschen
de zware takken van die eeuwenoude boomen, heeft men een soort van
terrassen of plankenvloeren aangebracht: de bezoekers van de villa
kunnen dus, des verkiezende, te midden van het lommer, eenige ellen
boven den grond, een luchtje scheppen, of hunne siësta houden. Terwijl
ik deze eerwaardige boomen aanzag, kwam onwillekeurig de gedachte
in mij op aan hetgeen zij zouden kunnen verhalen, ware hun, als
den eik in Tennyson's gedicht, de gave der waarneming en der spraak
geschonken. Onder den lommer dezer breede takken hebben de Medici
gewandeld, omgeven door hunne schitterende hofhouding, door al de
statige pracht van een italiaansch hof der zeventiende eeuw; deze
eeuwenoude boomen zagen de vorsten uit de doorluchtige dynastie van
Lotharingen, wier bestuur, onder zoo menig opzicht, voor Toskane eene
weldaad was. Maar ook hunne eerwaardige kruinen bogen onder den storm
der omwenteling, die meer dan eenmaal dat schoone land teisterde;
vreemden kwamen en namen de paleizen van de oude vorsten in bezit;
de schitterende, roemrijke steden van het eens zoo rijk geschakeerde
Italië, die metropolen die zelven eenmaal staten en mogendheden
waren, daalden af tot den rang van provinciesteden; de vorstelijke
paleizen en villa's, over het geheele schiereiland verspreid, zijn
het eigendom geworden van eene enkele dynastie, groot geworden ten
koste van alle anderen. Welk eene erfenis is, ook onder dat opzicht,
het huis van Savoye in den schoot gevallen! Maar wij moeten ook aan
deze dynastie gerechtigheid laten weervaren: vergetende op welke wijze
en door welke middelen zij in het bezit dezer schitterende erfenis is
gekomen, moeten wij erkennen dat zij de nalatenschap harer voorgangers
in eere houdt en toont hare schatten op prijs te stellen.

Op korten afstand van die eerwaardige boomen ziet men zeer interessante
beeldjes in marmer, apostelen en profeten voorstellende, en uit de
veertiende eeuw afkomstig. Evenals de vrouwenbeelden in den tuin van
Castello, prijkten ook dezen, benevens een aantal anderen, eens aan
den voorgevel van de kathedraal te Florence.

Het voornaamste sieraad van den tuin is ongetwijfeld de fontein,
in smaak en sierlijkheid niet onderdoende voor die te Castello en,
evenals deze, het werk van Tribolo. Het onderste gedeelte bestaat uit
een marmeren bekken, waarin goudvisschen zwemmen. Satyrs, op dolfijnen
gezeten, dragen een tweede bekken, versierd met bloemkransen, die
door naakte geniusjes worden gehouden; uit dit bekken verrijst een met
bloemen, kinderfiguren (_putti_) leeuwenklauwen versierde piedestal,
waarop een derde, kleiner bekken rust, waarin eene badende nimf, die
als Venus Anadyomene hare haarlokken uitwringt, een fijnen kristallen
waterstraal laat vloeien. Dit bronzen beeld is het werk van Jean
Bologne, die daarmede het bewijs heeft geleverd, dat hij zoowel de
vrouwelijke bevalligheid, als de mannelijke kracht wist weer te geven.



Wilden wij al de villa's der Medici in den onmiddelijken omtrek van
Florence bestudeeren, dan zouden wij nog een bezoek moeten brengen aan
la Topaja, de oude villa van Varchi, den vriend van Michel-Angelo, den
onafhankelijken geschiedschrijver van de florentijnsche republiek. Deze
villa, die, naar men mij zegt, niets bijzonder belangrijks  heeft,
ligt een weinig boven la Petraja. Maar om haar te mogen bezoeken, moet
men de tusschenkomst inroepen van hooggeplaatste personen, tot wie
ik schroom mij te wenden. Bovendien heeft het uitstapje naar Careggi,
naar Castello en la Petraja mijn geheelen dag in beslag genomen. Deze
dag was welbesteed, immers ik mag mij vleien te hebben aangetoond,
welke kunstschatten en welk eene wereld van herinneringen deze vergeten
monumenten van den ouden tijd bezitten.

Te aangenamer was het mij, mijne lezers juist naar deze lustverblijven,
waarnaar gewone toeristen niet omzien, wier bestaan zij zelfs niet
vermoeden, te voeren, omdat ook in ernstiger en degelijker werken
dan toeristen-handboeken, van deze villa's weinig of geen melding
wordt gemaakt.

Moge mijne toch nog onvolledige beschrijving althans dit hebben
uitgewerkt, dat de aandacht van enkelen, van ware, ernstige beminnaars
van kunst en historie, ook op deze monumenten van Italië's rijk
verleden worde gevestigd. Laat de stroom der alledaagsche toeristen hen
dan voorbijgaan; voorwaar, ze verliezen niets daarbij. En de toeristen
zelven: och, ook hun schaadt het niet, want wie op de moderne manier
Italië bereist, ziet en kent inderdaad niets van dat wonderland,
dat men, als de pelgrim van weleer, voet voor voet moet doorwandelen,
overal toevende en telkens terugkeerende naar dezelfde plek. Wie dat
niet doen kan, blijve liever te huis of trekke naar een mode-badplaats:
't is beter voor hem en vooral voor Italië.





*** End of this LibraryBlog Digital Book "De Villa's der Medici in den omtrek van Florence - De Aarde en haar Volken, 1886" ***

Copyright 2023 LibraryBlog. All rights reserved.



Home