Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Reize in Taka (Opper-Nubië) - De Aarde en haar Volken, 1873
Author: Anonymous
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Reize in Taka (Opper-Nubië) - De Aarde en haar Volken, 1873" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                  REIZE IN TAKA (OPPER-NUBIË).



Onze lezers hebben reeds meermalen kennis gemaakt met den franschen
reiziger Guillaume Lejean, en hem op verschillende reizen door
Azië en Afrika vergezeld. De heer Lejean is een dier mannen, die hun
gezelschap steeds op prijs weten te doen stellen, en die, ook waar hij
ons zijne ontmoetingen en avonturen op zijne zwerftochten door vreemde
en onbekende landen verhaalt, toch niet voortdurend over zich zelven
spreekt, maar de kunst verstaat om, met vermijding van allen schijn
van geleerdheid, ons niettemin een schat van bijzonderheden mede
te deelen, die voor de kennis van landen en volken van hoog gewicht
zijn. Daarom durven wij onze lezers met vertrouwen uitnoodigen, den
bekenden vriend nog eenmaal tot gids te kiezen, en hem te volgen
op zijne reize door een der binnenlanden van het altijd nog zoo
geheimzinnige, zoo aantrekkelijke Afrika, welks sluier eerst in
onze dagen langzamerhand wordt opgelicht. Het geldt ditmaal eene
reis naar een deel van Opper-Nubië, naar Taka, dat de heer Lejean
reeds vroeger vluchtig bad bezocht, maar waar hij in het jaar 1864,
met een diplomatieke zending belast, terugkeerde, vooral ook met het
oogmerk om dit land meer van nabij te leeren kennen. Het punt van
uitgang was ook ditmaal Souakin, de havenstad aan Roode-zee; vandaar
ging de tocht, in zuidwestelijke richting, dwars door de nubische
woestijn en de landstreken, door de stammen der Hadendoa bewoond;
naar Kassala. Wij geven nu het woord aan den heer Lejean.



I.


Na een vermoeienden tocht door de eentonige vlakten, die de woeste,
maar ontzagwekkende bergstreek van Langheb hadden vervangen, bereikte
ik eindelijk het dorp Fillik, de voornaamste hoofdplaats der Hadendoa,
te midden van eene dorre, naakte vlakte gelegen. Ongeveer een mijl
verder naar het westen vloeit de breede beek of stroom Herboub, met
vruchtbare en schaduwrijke oevers; rondom het dorp strekt zich eene
wildernis uit. Heeft de vrees voor de leeuwen en hyena's, die zich
in menigte in de dichte bosschen ophouden, de nomaden bewogen, hunne
woningen niet aan den bloeienden oever, maar te midden der dorre,
boomlooze vlakte op te slaan? Fillik bestaat uit omstreeks dertig
_toekoels_ of vaste woningen, en verder uit honderd-vijftig tenten,
die gedurende den winter elders worden opgeslagen. Sheikh Mohammed,
de erfelijke vorst der Hadendoa, en de feitelijke beheerscher van
de gansche landstreek tusschen Kassala en Tokhar, was afwezig; in
zijne plaats werd het gezag te Fillik uitgeoefend door een zijner
bloedverwanten, die mij kwam bezoeken, en zich verzekeren, dat het
mijner karavaan aan niets ontbrak. Hij sprak zeer weinig: deels
omdat de aristocratie dezer nomadenstammen zich zooveel mogelijk
stilzwijgendheid ten regel heeft gesteld; deels omdat het hem niet
gemakkelijk viel zich in het arabisch uit te drukken; en waarschijnlijk
ook omdat hij maar zeer weinig sympathie gevoelde voor dien blanke, dat
wil in Nubië zeggen, voor dien Turk: welk woord ook daar gelijkluidend
is met tiran, ruwen lomperd en dief.

Toen Burckhardt, nu ruim eene halve eeuw geleden, Taka bezocht,
vertoefde hij ook te Fillik, dat hij de marktplaats van de Hadendoa
noemt; de bijzonderheden, die hij mededeelt, laten omtrent de
identiteit der plaats geen twijfel over. Fillik was destijds inderdaad
de ware hoofdstad van de geheele oasis, en had dien raag voornamelijk
te danken aan de macht en den overwegenden invloed van de Hadendoa;
de beroemde reiziger koos dit vlek als midden- en uitgangspunt voor
zijne verschillende reiswegen, die over het algemeen zeer nauwkeurig
zijn beschreven, al hebben ook sommige aardrijkskundigen, die Nubië
niet door eigen aanschouwing kenden, zich bij de verklaring meermalen
vergist.--Burckhardt verhaalt, dat hij grooten lust gevoelde om naar
Massoua te gaan, en den karavanenweg te volgen, die, zooals hij naar
waarheid opmerkt, door eene landstreek loopt, wier half-abyssinische
bevolking eene nadere studie alleszins verdient. Hij werd van de
uitvoering van dit voornemen teruggehouden door hetgeen hij vernam
van de barbaarschheid dier bevolking, en door de vrees om onderweg
uitgeplunderd en misschien wel vermoord te zullen worden; in Taka
zelf was hij reeds niet volkomen veilig.

Ongetwijfeld is de veiligheid van lijf en goed, ook voor de
reizigers, tegenwoordig onder het egyptische bestuur veel grooter
dan vroeger onder de zeer zwakke regeering der sultans van Sennâr,
toen de inlandsche stammen letterlijk deden wat zij goedvonden,
onder de nietigste voorwendsels met elkander in oorlog geraakten,
en ongehinderd de karavanen uitplunderden of brandschatten. Toch was
er ook destijds een middel, dat ook nu nog wordt aangewend, en dat
Burckhardt waarschijnlijk tegen alle gevaar zou gewaarborgd hebben:
de zoogenaamde _adhari_, een gebruik dat ook bij de Somaulis van
Berbera in zwang is. Een _adhari_ is een borg, dien de vreemdeling
zelf uitkiest onder de leden van den stam, op wiens grondgebied
hij moet vertoeven of doortrekken. De _adhari_ moet den vreemdeling
huisvesting, water en hout voor de keuken bezorgen: hij moet hem,
in geval van nood, hetzij voor zijn persoon of voor zijne goederen,
als zijn eigen broeder beschermen en verdedigen: ter vergoeding voor
dit een en ander mag hij een vast bepaald recht heffen op hetgeen
de vreemdeling, indien deze, hetgeen bijna altijd het geval is,
handel drijft, in het land koopt of verkoopt. Is hij, bij voorbeeld,
olifantenjager, dan heeft de _adhari_ recht op zooveel percent van de
opbrengst der jacht: waarvoor hij dan ook moet zorgen dat een door
den jager getroffen olifant, ook als die eerst dieper in het bosch
sterft, toch ongeschonden blijft, en niet door de inboorlingen wordt
gestolen of van zijne tanden beroofd. Een jonge zwitsersche jager,
de heer Emile G., nu ruim een jaar geleden bij Kassala gestorven,
heeft tot zijne eigene schade geleerd, dat het eene zeer misplaatste
zuinigheid is, tegen de kosten van zulk een _adhari_ op te zien: bij
gebreke van deze voorzorg werden de olifanten, die hij in Barka gedood
had, hem zeker voor twee derde gedeelte door de Beni-Amer ontstolen,
zonder dat hij daar iets tegen doen kon.

Te Fillik verliet ik den gewonen weg naar Kassala, en rechts afslaande,
richtte ik mij door een fraai bosch, dat steeds dichter en dichter
werd, (een zeker bewijs dat wij de rivier, de Gash, naderden) naar
eene kleine, weigebouwde stad, Miktinab of Mitkènab geheeten, bij
de Egyptenaren bekend als de officiëele hoofdstad der Hadendoa. Zij
heeft dan ook eene egyptische bezetting: zeker een der redenen,
waarom de trotsche beheerscher van Opper-Nubië, Sheikh Mohammed,
bij voorkeur te Fillik zijne residentie houdt. Tegen zonsondergang
bereikte ik de stad: en daar het juist in den Ramadan (vasten) was,
maakten de burgerlijke ambtenaren en officieren zich gereed om aan
tafel te gaan; zonder in eenig onderzoek omtrent mijn persoon of
kwaliteit te treden, noodigden zij mij zeer vriendelijk uit, met
hen den maaltijd te gebruiken. Wij spraken over de gebeurtenissen
van den dag, en voornamelijk over de komst te Kassala van een
zekeren franschen graaf, die, met medewerking van het egyptische
gouvernement, eene onderneming op touw had gezet, waarvan ik nooit
het rechte begrepen heb. Hij had een zestigtal manschappen bij zich,
die op militairen voet waren georganiseerd, en deels in Frankrijk,
deels in Egypte waren aangeworven; en mijne effendis spraken openljjk
als hun gevoelen uit, dat de geheimzinnige graaf eene vertrouwelijke
zending van de fransche regeering vervulde en den franschen consul,
die door den Negus van Abyssinië, Theodoros, gevangen werd gehouden,
moest bevrijden of wreken. Sommigen beweerden zelfs stellig te weten,
dat de consul reeds in de gevangenis overleden was. "Ik geloof het
niet," merkte ik bescheiden op: "want ik zelf ben de consul." Gij kunt
u lichtelijk hunne verbazing voorstellen; echter weerhield hen dit niet
zich verder in allerlei gissingen te verdiepen omtrent de wezenlijke
zending van den graaf. Het slot was dat men er niets van wist.

Den volgenden dag bereikte ik, na een vervelenden en vermoeienden
marsch van ruim twaalf uren, de stad Kassala, die ik, sedert mijn
eerste bezoek, niet veel veranderd vond. De bazar alleen zag er
eenigszins anders uit, dank zij eenige rijen fraaie boomen, waarvan
het frissche groen scherp afstak tegen de eentonig donkergrauwe
kleur der stad. Daarentegen waren de onschadelijke bastions van de
omwalling nog wat erger gescheurd en afgebrokkeld; ook had ik vooral
niet minder dan vroeger te lijden van dat fijne en verstikkende stof,
dat eene ware plaag van Kassala is.

Ali-Bey, de beminnelijke mudir (gouverneur of prefect) van 1860 was
vervangen geworden door een zekeren Ibrahim-Bey, die een vreemdeling in
Soudan was. Dit speet mij: want Ali-Bey was, althans in vergelijking
met de andere mudirs van den onderkoning, die ik heb leeren kennen,
betrekkelijk een eerlijk man, die inderdaad het welzijn van zijne
onderhoorigen trachtte te bevorderen. De anderen volgen voor het
meerendeel het voorbeeld van hun meester: dat wil zeggen, dat zij,
meer of minder openlijk en onbeschaamd, de onder hun bestuur gestelde
streken zooveel mogelijk in hun eigen voordeel exploiteeren, en stelen
waar en wat zij kunnen.

Kassala had oorspronkelijk geene andere bestemming dan om als militaire
post en vast punt voor operatiën te dienen tegenover de verschillende
machtige stammen langs de grenzen, die vroeger in naam aan Sennâr
onderdanig waren, zooals de Hadendoa, de Hallenga, de Amarar, de
Beni-Amer, de Barea en de Mahria. Al deze stammen, benevens vijf of
zes andere, waarop ik later terugkom, worden nu gerekend te behooren
tot de mudirie (het gouvernement) van Taka; de gezeten bevolking is
weinig talrijk, en voornamelijk gevestigd langs de Gash en de Atbara,
in de omstreken van Kassala en van Goz-Redjeb.

Deze stammen waren vóór 1820 onderworpen aan Sennâr: een gezag in
naam, dat zich tevredenstelde met, ten blijke zijner suzereiniteit,
aan de deglels (inlandsche vorsten), bij hunne investituur, een zeker
bijzonder hoofddeksel uit te reiken, dat hun dan tevens tot symbool
hunner waardigheid strekte. Toen de Egyptenaars Sennâr veroverd en
bij hun rijk ingelijfd hadden, maakten zij aanvankelijk geen haast
om in deze gevaarlijke khalas (vlakten) door te dringen, en van
de nomadenstammen eene onderwerping te eischen, die zij wisten dat
niet dan met geweld zou zijn af te dwingen. Maar de oude fabel van
het paard, dat zich op het hert wil wreken en daarvoor zijne vrijheid
verliest,--eene fabel, waarvan kleine volken zoo dikwerf hebben getoond
de wijze les niet te begrijpen;--vond ook hier hare toepassing. De
stam der Hallenga, die van de Hadendoa te lijden had, riep de hulp
in der Turken van Goz-Redjeb, en Admed-Pasja, gouverneur-generaal
van Soudan, verscheen in persoon om Taka te veroveren, benevens de
woestijn van Barka en het bergland van Langheb. De kleine stam der
Sabterat was een der eersten, die door eene aanzienlijke overmacht
werd overvallen; maar hoezeer in aantal krijgers en in uitrusting
verre voor den vijand moetende onderdoen, sloegen de Sabterat toch
de egyptische strijdmacht in eene eerste ontmoeting nabij de beek
Aohé. De Turken vloden in volslagen wanorde, toen een officier zich
te midden der vluchtenden wierp, en hun toeriep: "Kinderen, Kaïro ligt
ver van hier!" De soldaten begrepen, dat eene vlucht in dit onbekende
en vijandelijke land onvermijdelijk hun aller ondergang zou zijn;
zij hervatten den strijd, en sloegen nu op hun beurt de Sabterat,
die zich moesten onderwerpen. De geheele adel van den stam verloor
het leven in de bloedige worsteling of in de niet minder bloedige
terechtstellingen, die daarop volgden; de familie, die thans met het
gezag over dezen kleinen stam is bekleed, is eerst sedert twee of
drie geslachten in die streek gevestigd.

In het begin van 1838 barstte onder de stammen van Taka een algemeene
opstand uit, die zich in den beginne dreigend genoeg liet aanzien. Een
klein egyptisch leger, in de bosschen van Hadendoa overvallen, werd
geheel in de pan gehakt. Maar weldra keerde de kans. De egyptische
regeering, die zich aan zeer vele noodelooze wreedheden schuldig
maakte, was een te machtige tegenpartij voor deze nomaden, wien
het allerminst aan persoonlijken moed ontbreekt, maar die geen
andere wapenen kenden, dan de lans en het zware klassieke zwaard
(djellabia); de opstandelingen werden verslagen, en wel voornamelijk
door toedoen van twee officieren, die ik persoonlijk gekend heb,
Elias-Bey en Mouça-Effendi, destijds eenvoudig kashef (kapitein),
thans gouverneur-generaal van Soudan.

Na de onderwerping der Hadendoa werden zeventien hunner hoofden
naar Khartoem gevoerd, om daar ter dood te worden gebracht. Onder
weg weigerden twee of drie dezer ongelukkigen, hetzij dan door
uitputting, hetzij om eenige andere reden, verder te gaan; men
zegt dat de turksche officier, met het kommando van het militair
geleide belast, hen daarop met zijn sabel door midden hakte. Dit
feit verwekte groot opzien in geheel Soudan: niet zoozeer als eene
barbaarsche gruweldaad, maar veelmeer als een merkwaardige _tour de
force_.--De andere krijgsgevangenen werden op den bazar te Khartoem,
met uitgezochte wreedheid, doodgemarteld.

Eenige dagen na mijne komst te Kassala, bracht het toeval mij in
aanraking met den vorst der woestijn, Mohammed, sheikh der Hadendoa,
en bijkans onbeperkt gebieder over het gansche land tusschen de Atbara
en de Roode-zee. Sedert de verovering door Egypte was echter deze
souvereiniteit een zware lastpost geworden. De vorst, verantwoordelijk
voor de betaling van de schatting, door de fantastische en vindingrijke
schraapzucht der gouverneurs van Soudan opgelegd, staat nu aan de
eene zijde aan het gevaar bloot, om bij achterstallige betaling op de
brutaalste manier te worden gevangen gezet; terwijl, aan den anderen
kant, zijne populariteit bij zijne onderdanen, die hem van afpersing
beschuldigen, zooals licht te begrijpen valt, sterk afneemt. Toen
ik hem ontmoette, was hij somber, neerslachtig, weinig spraakzaam,
maar overigens zeer wellevend, zooals trouwens al deze khaliefen
der woestijn, echte geboren edellieden, en dat blijvende ondanks de
aanraking met de ruwe, onbeschaafde egyptische officieren, gemeene
Turken als de onderkoning zelf, die thans over hen heerschen. Ik kon
mij trouwens zeer goed rekenschap geven van zijne gedrukte stemming. De
belasting was nog niet aangezuiverd: en Mohammed had een voorgevoel
van de dingen, die aanstaande waren.

De machtige sheikh werd inderdaad, eenige dagen later, op turksche,
dat wil zeggen op verraderlijke wijze, gevangen genomen. Daar men te
Fillik zelf niets tegen hem ondernemen dorst, had men hem, ik weet
niet meer onder welk voorwendsel, naar Kassala gelokt, waar hij,
kort na zijne aankomst, door soldaten overvallen, geboeid en in den
kerker geworpen werd.

De Hadendoa bleven het antwoord niet schuldig. Twee dagen reeds na de
gevangenneming van den sheikh, trok een treurige stoet de poort van
Kassala binnen. Het waren inwoners dier plaats, die op den weg van
Souakin door eene gewapende bende waren overvallen geworden, en nu een
aantal dooden en gekwetsten medevoerden. Om goed te doen uitkomen,
dat het hier eene politieke weerwraak gold, hadden de nomaden de
kameelen en de koopwaren der reizigers ongedeerd gelaten. Toch had
ook ditmaal, zooals steeds in het Oosten gebeurt, de straf alleen
onschuldigen getroffen: want de arme kooplieden uit de voorstad hadden
niets uitstaande met de zeer verheven en rechtvaardige politiek van
den divan van Kassala.

Luide kreten van verontwaardiging en smart, vervloekingen en
jammerklachten, begeleidden den treurigen optocht. Ik was op het terras
mijner woning geklommen om te zien wat er gaande was, toen ik van de
zijde van Sabterat een dergelijken stoet zag naderen, door jammerende
vrouwen en ernstig zwijgende _fogara_ (mohammedaansche priesters)
begeleid. Later vernam ik dat dit _takarir_ (muzelmansche negers)
waren, die, bezig met hout te zoeken, plotseling waren overvallen
geworden door een dertigtal Barea, evenals zij zelf met lansen en
schilden gewapend. De _takarir_, hoewel slechts zes man sterk, hadden
zich dapper gehouden. Het gevecht had eenige uren geduurd: hetgeen
minder vreemd zal klinken, als men bedenkt dat dergelijke ontmoetingen
tusschen kleine benden, deels door de groote sterke schilden,
waarvan de strijders zijn voorzien, deels door hunne merkwaardige
behendigheid, bijna meer op gymnastische oefeningen dan op ernstige
gevechten gelijken. Van de vijftig lanssteken brengt er misschien één
eene eenigszins ernstige wonde toe. De negers hadden een man verloren;
de vijf anderen waren allen meer of minder zwaar gekwetst; de Barea
verloren een man, die ten prooi van de hyena's werd gelaten.

Dergelijke tragische voorvallen zijn overigens niets zeldzaams bij
deze nubische herders. Tijdens mijne eerste reis, toonde men mij van
ver, achter den berg Abou-Gamel, het dorp Hafara, destijds verwoest
en verlaten, ten gevolge van eene noodlottige gebeurtenis, ongeveer
een jaar geleden voorgevallen.

Een man van Hafara had de dochter gehuwd van een aanzienlijke uit
den negerstam der Basen: hetgeen hem echter niet belet had, zich op
verraderlijke wijze meester te maken van twee jongelieden uit het
dorp van zijn schoonvader, met het openlijk erkende doel om hen als
slaven te verkoopen. De schoonvader kwam naar Hafara en vorderde de
uitlevering van zijne stamgenooten; de ander weigerde, maakte zich
driftig, en verklaarde rondweg dat hij ze te Kassala zou verkoopen:
hetgeen hij eenige dagen later ook werkelijk deed. De Basen zweeg;
maar zijne dochter, die op zijn gelaat kon lezen wat er in zijne ziel
omging, gaf nu haren man dezen minstens zonderlingen raad:

"Mijn vader gaat vertrekken; maar ik heb op zijn gelaat gelezen dat
hij vast besloten is, u te dooden. Gij zult dus verstandig handelen,
indien gij hem nu aanstonds doodt, terwijl hij in uwe macht is,
uit vreeze dat u later een ongeval overkomt."

De man gaf, ouder gewoonte, ten antwoord: "Hij durft niet."

De Basen vertrok, en weken verliepen zonder dat men iets van hem
hoorde. Maar op zekeren avond kwam een man van de Basen in Hafara, en
had een geheim onderhoud met de vrouw, waarbij hij haar waarschuwde
zich tot vertrek gereed te houden, omdat haar vader haar binnen
weinige dagen zou komen afhalen. De negerin nam den wenk ter harte,
en zeide er niets van tot haren echtgenoot, waarschijnlijk denkende
dat het misdadig zou zijn hem aan zijn noodlot te willen onttrekken. Op
zekeren nacht overvielen driehonderd welgewapende Basen in alle stilte
het dorp, dat uit niet meer dan honderd woningen bestond; voor de
deur van iedere hut stelde zich een man als wachter, terwijl twee
zijner makkers de woning ingingen, en allen, die zij daar vonden,
den hals afsneden. In weinige oogenblikken was alles afgeloopen,
en de vijfhonderd inwoners van Hafara waren uit den slaap in den
dood overgegaan. De hoofdschuldige aan deze ramp verloor evenzeer
het leven, en zijne weduwe volgde de overwinnaars, die haastig naar
hunne bergen terugtrokken.

Tot weerwraak over dezen aanslag, verbonden de mannen van Sabterat
en Algheden, de naburen en bondgenooten van de Hafara, zich met de
Turken van Kassala, en deden een inval in het gebied der Basen; zij
doodden een zestigtal mannen en voerden achttien gevangenen mede,
voor het meerendeel jonge meisjes en kinderen, die te Kassala als
slaven werden verkocht.



II.


Ik had Kassala tot uitgangspunt gekozen voor de onderscheidene
onderzoekingstochten, die ik naar verschillende zijden, voornamelijk
naar het oosten en zuiden, ondernam. De berg Kassala-el-Louz was bijna
altijd het einddoel van deze uitstapjes. Deze berg bestaat uit eene
massa granietrotsen, in de prachtigste en schilderachtigste wanorde,
door en over en boven elkander geworpen, en waaruit zes hooge toppen,
als koepels afgerond, glad, ontoegankelijk, zich trotsch en fier
ten hemel verheffen. De naam van den berg is aan dien eigenaardigen
vorm ontleend: in de bidja-taal beteekent _louz_ ontoegankelijk. De
Arabieren hebben dien naam zeer dwaselijk vertaald met Abrikozenberg,
omdat _louz_ in het arabisch de naam dier vrucht is.--Te midden der
granietrotsen, waarvan ik zooeven sprak, merkte ik onderscheidene
zonderlinge steenformaties op, die in Bretagne ongetwijfeld voor
monumenten uit den tijd der druïden zouden worden aangezien, en
waaraan zich ook hier wel waarschijnlijk eene of andere legende van
_djinns_, _afrid_, of dergelijke half bovennatuurlijke wezens hechten
zal. Jammer dat mijne onbekendheid met de taal van de afstammelingen
der Troglodyten mij de gelegenheid benam, met deze traditiën der
woestijn nader bekend te worden.

De hellingen van den berg Kassala boden eene uitnemende gelegenheid
aan, om de topographie der streek te bestudeeren. Op eene hoogte
van twee of driehonderd ellen, lag het gansche land als eene groote
kaart voor mij uitgespreid, tot ver in het noorden voorbij Fillik. De
geheele oasis bestaat uit alluviaalgronden, bij uitnemendheid geschikt
voor bebouwing van allerlei vruchten en gewassen; maar uithoofde
van de schaarschte der bevolking--een gevolg van de dwingelandij
der egyptische regeering--is geen veertigste gedeelte van de vlakte
werkelijk bebouwd. Deze vruchtbare grond, die ook de geringste
inspanning van den landman zoo rijkelijk loonen zou, levert nu niets
op dan een weinig katoen en wat graan.

Deze laag van alluviaalgrond, waaruit bijna de geheele oasis bestaat,
heeft men te danken aan de regelmatige overstroomingen van de rivier de
Gash, waaromtrent ik het een en ander heb mede te deelen. De Gash of
Gach ontspringt in het hoogland van Abyssinië, waar zij den naam van
Mareb voert; beschrijft een wijden kring rondom de provincie Seraoué,
en stroomt dan door eene lage en boschrijke streek, ten oosten door
Abyssiniërs, ten westen door negers van den stam Basen bewoond. In
Seraoué is de Gash niet veelmeer dan een breede beek, die hare zeer
ondiepe wateren over een met blauwachtige steentjes bezaaide bedding
voortstuwt; ik kan niet juist zeggen waar deze beek ophoudt en de
bedding van fijn zand begint, die door het land Basen tot de Atbara
reikt. Tien of twaalf mijlen boven Kassala treedt de Gash uit de
bergen te voorschijn, en buigt zich in schilderachtige kromming naar
het noordwesten en dan naar het noorden. In den regentijd voert de
rivier eene ontzaglijke massa geel en slijkerig water mede, dat overal
langs de oevers een vette sliblaag achterlaat. Zoo heeft ook hier
de rivier de oasis geschapen; en op de hoogte van den berg el-Louz
staande, overziet men met een enkelen blik de gansche topographie
der streek. Langs de boorden der rivier strekt zich een breede zoom
uit van palmbosschen, katoenplantages, bebouwde velden, dorpen,
kampen der nomaden; scherp teekent zich deze bebouwde en bevolkte
streek af tegen den geelachtig-grijzen achtergrond der woestijn,
waar, op den lichten, steenachtigen bodem, zoo ver het oog reiken
kan, uitgestrekte bosschen van mimosa's groeien. Nog verder nemen de
steenen geheel de overhand, en houdt de plantengroei op; de naakte
bodem wordt dan eene aaneenschakeling van geulen en spleten, die het
voortgaan ontzaglijk moeilijk maken.--Naar het mij voorkomt, bereikt
de Gash hare grootste breedte onder de muren van Kassala, waar zij
een der bolwerken besproeit. De rivier heeft daar eene breedte van
vijfhonderd-tien el; het is inderdaad een prachtige stroom, vooral
in de maand Juli, wanneer de hoog gezwollen gele wateren gansche
boomstammen medevoeren, die langs de oevers ontworteld zijn.

In gewone jaren wordt de rivier in haar loop gestuit door de dijken van
Dabab, vijf uren ten noorden van Kassala; zij verliest dan hare wateren
in de vlakte, en komt niet verder dan dit dorp; maar is de rijzing
belangrijk, dan baant het water zich een doortocht naar het noorden,
naar bebouwde landstreken, door nomaden bewoond. De rivier stroomt
dan oostwaarts nabij den berg Touèz, en eindigt, eenige uren verder
haar loop in eene bebouwde streek, aan de Hadendoa behoorende. In
buitengewone jaren eindelijk stort de rivier zich in de Atbara uit,
nabij Om-Handel, op omstreeks 17° 8' noorderbreedte.

Op zekeren dag vatte ik het voornemen op, de Gash ongeveer tien mijlen
op te varen, om een bezoek te gaan brengen aan den berg Aboe-Gamel
(de vader van den kameel)--een fraaie, geheel op zich zelf staande
kegel, vanwaar ik de gansche vlakte kon overzien. Als gids had ik
op dien tocht een jong inboorling, zeer vriendelijk en voorkomend
van aard, die zich vrijwillig aanbood om mij door het gansche land
rond te leiden, met uitzondering van Algheden, zijn geboorteland,
waar hij, volgens zijn zeggen, om een kleinigheid, een manslag in
eerlijke veete begaan, met de overheid overhoop lag.

Wij verlieten dan te zamen Kassala, en volgden aanvankelijk den
karavanenweg, maar sloegen weldra links af, om een klein meer
te bezoeken, nabij het dorp Ahmed-Sherif, dat, volgens den heer
Beurmann, door zijne schilderachtige ligging moest uitmunten. Wij
gingen langs een tamelijk moeilijk pad; ter linkerzijde verhief
zich de kolossale rotsmassa van den Kassala-Louz; ter rechterzijde
een groep van schilderachtige heuvelen, die allerlei zonderlinge
gedaanten vertoonden. Toen wij dien pas achter ons hadden, bereikten
wij het dorp, dat tegen een dicht bosch van mimosa's aanlennt,
waarin ik, na eenig zoeken, het bewuste meer vond. Doch, welk eene
teleurstelling! Het was niets meer dan een vuile poel van geelachtig,
stilstaand water, met een zwarten slijkerigen bodem. Ik had geen moed
om van dit water te drinken, en haastte mij den fraaien weg weder op
te zoeken, dien ik verlaten had. Een weinig verder voerde deze weg
mij door een prachtig bosch van doumpalmen, hier en daar met frissche
groene grasperken afgewisseld. De weelderige, krachtige plantengroei
verkondigde de nabijheid der rivier: en het duurde ook niet lang of
wij daalden in de bedding van fijn wit zand af, ter plaatse waar de
stroom den voet bespoelt van een steilen, gladden berg. De weg loopt
nu verder door de bedding voort, waar het fijne zand het voortgaan
voor de muilezels en ook voor de kameelen zeer bezwaarlijk maakt;
en weldra stuit ge op een of ander nomadenkamp, dat, in het droge
jaargetijde in het bed der rivier is opgeslagen. De nomaden hebben
daarvoor hunne goede redenen: vooreerst vinden zij hier overal water;
ten andere leveren de doornhagen, waarmede zij hunne kampen omringen,
eene afdoende bescherming op tegen de wilde dieren en de nachtelijke
stroopers, wier nadering bovendien op den witten, helderen zandbodem
kwalijk verborgen kan blijven.

Ik sprak daar van water: alle reizigers, die de Sahara en de omliggende
streken bezocht hebben, weten bij ondervinding, dat naarmate zulk eene
uitgedroogde rivierbedding meer omvang heeft, ook de kans grooter is,
dat men, gravende, op eene diepte van twee tot acht voet water zal
vinden, dat na den regen in het zand is overgebleven. Echter is dit
geen regel zonder uitzondering. Sommige dier rivieren, die op zich
zelf een vrij aanzienlijk profiel hebben, maar ver van de bergen of de
hooglanden verwijderd zijn, hebben alleen dan water, wanneer de was
buitengewoon sterk is geweest: daartoe behoort ook de Gash, althans
in het benedenste gedeelte van haar loop. Daarentegen zult ge andere,
oogenschijnlijk onaanzienlijke spleten vinden, maar die door hare
ligging als tot vergaarbak van de van boven komende wateren dienen,
en die dan ook altijd een overvloed van zuiver water bevatten. De
nomade kent al deze bijzonderheden uit langdurige ervaring, en weet
de waterhoudende _wadis_ of _khors_ aan allerlei bijkans onmerkbare
teekenen te herkennen; de vreemde reiziger, die het land niet kent
en geen vertrouwde gidsen heeft, kan zich daartegen zeer dikwijls in
noodlottige verlegenheid bevinden.

Na een tocht van een paar dagen bereikte ik den Abou-Gamel, die echter
niet, zooals ik mij had voorgesteld, een enkele berg was, maar uit
vier geweldige granietmassa's bestond, die uit eene geheel effen,
maar onvruchtbare en steenachtige vlakte oprezen. Het was mijn plan,
den Aboe-Gamel te bestijgen, althans den voornaamsten berg van de
groep; maar ik moest daarvan afzien, toen ik die wilde verzameling
van reusachtige rotsblokken aanschouwde, in de onbegrijpelijkste
wanorde boven elkander gestapeld. Na eene vruchtelooze poging om
een doortocht te vinden, bepaalde ik mij tot de beklimming van een
naburigen berg, waarvan de kruin gemakkelijker te bereiken viel,
hoewel ook hier het opstijgen nog met vele moeilijkheden gepaard ging,
en zelfs niet zonder gevaar was. Maar het panorama, dat ik van den top
overzag, loonde rijkelijk de moeite: de blik reikte tot aan de Atbara,
en omvatte eene onmetelijke boschrijke vlakte, die zich tot Koroteb,
op den weg naar Gondar, uitstrekte; ten zuidoosten onderscheidde men
zeer duidelijk, te midden der lage bergen en heuvelen van het land
der Basen, den breeden en statig kronkelenden loop van de Gash.

Ik noemde daar den weg van Gondar; dit herinnert mij aan eene episode
uit de geschiedenis dezer streek, die niet van belang ontbloot is.

Van Kassala voert een zijweg--eigenlijk alleen door smokkelaars
gebruikt--in zes dagen naar Kabthia of Kafta, hoofd- en residentiestad
van Oued-Nimr; een tocht van zeven dagen brengt u vandaar naar
Gondar. Oued-Nimr (de zoon van den luipaard) is een zeer opmerkelijk
personage; en vroeger heb ik meermalen het plan opgevat, hem een
bezoek te gaan brengen. Hij is de zoon van den beruchten Melek-Nimr
(de koning-luipaard); vorst van Shendy, die in 1822 Ismaël-Pasja
levend liet verbranden, en toen met zijne aanhangers de wijk nam
naar Mai-Gogoa, op de grenzen van Abyssinië, waar hij zich, ten
koste der egyptische regeering, een soort van onafhankelijken staat
stichtte. Zijn naam is daar zeer populair gebleven, en het volk weet
nog allerlei van hem te verhalen. Toen Nimr oud geworden was, werd bij
blind; maar tot aan zijn dood zette hij zijn guerilla-oorlog en zijne
stroop- en plundertochten tegen de Egyptenaren en hunne onderdanen
voort. De engelsche reiziger Mansfield Parkyns ging hem bezoeken, en
werd zeergoed ontvangen. Nimr had den eed van trouw gedaan aan Oubiëh,
den onderkoning van Tigré, van wien bij Kabthia in leen had ontvangen;
als een getrouw leenman volgde hij zijn heer in den krijg. Op zekeren
dag kwam een der Arabieren van Nimr zich bij Oubiëh beklagen over
een Abyssiniër, die een zijner bloedverwanten verraderlijk verslagen
had. Oubiëh leverde hem den man uit, om met hem te handelen naar
zijn welgevallen. De Arabier trok zijn tweesnijdende _seïf_, hieuw
den moordenaar met een enkelen slag in twee stukken, en vertrok,
na Oubiëh gegroet te hebben, die zelf over deze uiterst lakonische
wijze van rechtspleging verbaasd stond.

Oued-Nimr heeft het handwerk van zijn vader voortgezet, en staat hoog
aangeschreven bij de Soedaneezen, altijd uitgezonderd de lieden,
die van zijne rooverijen te lijden hebben en dus uit den aard
der zaak minder gunstig over hem denken. Tot dusver werden zijne
krijgsbehoeften hem geleverd door de kooplieden van Kassala, hetgeen
alleen mogelijk was door de geheime medewerking van den mudir van Taka,
wien deze verboden handel geen onaardige winst opleverde. De egyptische
regeering drong er bij den negus opaan, dat hij Oued-Nimr straffen zou;
deze antwoordde op dien eisch door zijn gunsteling tot dedjaz (hertog)
van Wolkaït te verheffen. De nieuwe dedjaz dreef de onbeschaamdheid
zoover, dat hij in 1860, in naam van den negus, schatting eischte
van Gouedaref en van het gansche land tot Khartoem.

Dat was te veel voor den mudir Hassan-Bey, en vooral voor den
gouverneur-generaal Mouça-Pasja; er werden troepen afgezonden tegen
den zoon van den luipaard; hij werd geslagen; Mai-Gogoa werd verbrand,
en Nimr moest naar Kabthia terugtrekken. Sedert heeft hij weinig van
zich laten hooren.

De landstreek, waardoor deze weg van Kassala naar Kabthia voert, is
bekend onder den naam van de _Mazaga_ van Nubië: het is een laagland,
geheel met ondoordringbare bosschen bedekt, zeer ongezond, bijkans
geheel verlaten, en alleen nu en dan bezocht door stroopende benden
van de naburige stammen, die op roof uitgaan. Bijna de eenige bewoners
dezer streek zijn leeuwen, luipaarden, olifanten, rhinocerossen,
buffels en antilopen. De mensch heeft hier zeer voorzichtiglijk
het veld geruimd voor de dieren: geen wonder, dat deze geheele
landstreek een waar paradijs voor de jagers mag worden genoemd. In de
laatste jaren hebben zich enkele stoutmoedige jagers hier gewaagd,
onder anderen twee Duitschers, Schmidt en Florian; deze laatste was
tevens zwaardveger in dienst van Oued-Nimr, waarom de Egyptenaren
zijn etablissement te Takassi hebben verwoest. Vandaar een proces,
dat nog altijd hangende is.

In 1861 bevond zich hier de bekende engelsche reiziger Baker, die
met zijne jonge vrouw, eene Hongaarsche, een gansch jaar in de Mazaga
heeft doorgebracht. Ook de heer Munzinger heeft deze streek bezocht,
en daarvan in zijn reisverhaal een zeer belangwekkende beschrijving
gegeven. In Maart van dit jaar (1864) stond mijn vriend, doctor Ori van
Khartoem, gereed, naar dit paradijs van den naturalist te vertrekken,
om daar ten voordeele van het museum van Turijn werkzaam te zijn.--De
geschiedenis van den heer Ori is geen onaardige illustratie van
de tegenwoordige egyptische zeden en gebruiken: daarom zij het mij
vergund, haar in het kort mede te deelen.

Opvolger van den zeer verdienstelijken doctor Peney, had de heer Ori,
een italiaansch geneesheer van groote bekwaamheid, zich bij zijne
komst in het land, vast voorgenomen zijne taak ernstig op te vatten,
en in het belang der openbare gezondheid te Khartoem eenige hoogst
noodige hervormingen tot stand te brengen, reeds vijf jaren vroeger
door den mudir Arakel-Bey, een christen, ontworpen, maar ten gevolge
van zijn vroegen dood, die voor Soedan een ware ramp mocht worden
genoemd, onuitgevoerd gebleven. Om de overstroomingen van den Nijl
te beteugelen, wilde Ori een stevigen dijk opwerpen, in plaats van
de vervallen palissade, die niet verhinderen kon dat de stroom, voet
voor voet, het terrein der oude stad verzwolg; hij drong aan op het
plaatsen van een peilschaal, op de verbetering van de armenkwartieren
der stad, en vooral op de demping van een zeker aantal riolen,
die, vooral omstreeks September, brandpunten en kweekplaatsen van
besmetting waren. Wat van hemzelf afhing, de koepok-ineuting en de
dienst in het militaire hospitaal, werd op de meest voldoende wijze
geregeld. Ongelukkig vaardigde Saïd-Pasja in 1860 een decreet uit,
waarbij de geneesheeren in de provinciën onttrokken werden aan het
rechtstreeksche toezicht van de gezondheidscommissie te Alexandrië,
en geplaatst onder het gezag van de mudirs (prefecten), arabische of
mameluksche ambtenaren, van zeer slecht gehalte, over het algemeen
onwetend, verdorven, schraapzuchtig, in zekeren zin gedwongen om te
stelen, ten einde de hoogergeplaatsten te kunnen voldoen, aan wie zij
hunne benoeming te danken hebben; en voorts uit den aard der zaak
vijandig gezind tegen de geneesheeren, die, welke ook overigens de
mate hunner bekwaamheden moge zijn, toch altijd door beschaving en
ontwikkeling verreweg hunne meerderen zijn. De nieuwe satraap van
Khartoem, Mouça-Pasja, was een prachtexemplaar van dat soort van
lieden, voor wie schaamte en eergevoel onbekende zaken zijn. De heer
Ori, die maar niet scheen te willen begrijpen, dat niet de behartiging
van den algemeenen gezondheidstoestand en de verpleging der zieken
zijn eerste plicht was, maar dat hij bovenal zijn chef behulpzaam
moest wezen in het bestelen van de schatkist en het publiek, werd op
de meest onvoegzame wijze afgezet, en vervangen door een zoogenaamden
christen uit Syrië, wiens zedelijkheidsgevoel tamelijk wel met dat van
den mudir overeenstemde. De tiran vond in hem het gewillige werktuig,
waaraan hij behoefte had, en Soedan zal bij de verwisseling al even
welvaren, als de aangrenzende gewesten in zoo menig soortgelijk geval.



III.


Mijne taak te Kassala was afgeloopen; ik begaf mij op weg naar
Massoua, en hield mijn eerste halt te Sabterat, zes uur ten oosten
van Kassala. Mijne kleine karavaan was nu vermeerderd met het
gezelschap van pater Stella, een hoogst achtenswaardig en ook in
Europa welbekend italiaansch zendeling; van een hongaarsch officier,
en nog een twaalftal inlandsche kooplieden, voor wie de bescherming
van onze acht geweren zeer welkom was.

Sabterat bestaat uit drie dorpen, waarvan het grootste, Karaïat
genoemd, misschien driehonderd toekoels telt, en tegen de steile
hellingen van den berg Horat is gebouwd. Tegenover Karaïat, op den
linkeroever van de Aohé, staat een groep van veertig of vijftig hutten,
Sherefa genaamd; tusschen de beide dorpen ligt een langwerpig eiland,
geheel met dadelpalmen bedekt; ook de andere eilanden in de meestal
droge rivierbedding zijn, evenals de rechteroever, goed bebouwd.

Kort voor mijne komst in deze streek, had eene tragische gebeurtenis
de gemoederen der bevolking in beweging gebracht. De oude sheikh
Mohammed-Nour was gestorven; zijn oudste zoon was hem opgevolgd
en had de investituur van de egyptische regeering ontvangen, tot
groote ergernis van den jongsten, die, om zich te wreken, voor
geen broedermoord was teruggedeinsd. Op zekeren dag, toen zijn
broeder naar Kassala ging, zette hij hem na, haalde hem onderweg
in en doodde hem. De egyptische regeering liet hem gevangen nemen,
en tijdens mijn verblijf zat hij in den kerker te Kassala; maar naar
alle waarschijnlijkheid zal hij daar niet langer blijven dan noodig
is om een duizend talaris bijeen te brengen, die hij aan Mouça-Pasja
kan aanbieden: dan zal het hem vrijstaan, in alle veiligheid de plaats
van zijn verslagen broeder te gaan innemen. De voorloopige sheikh van
Sabterat is een jong mensch van achttien jaren, de jongste broeder van
den vermoorden sheikh. Volgens de overleveringen van hun stam zijn
de Sabterat van het oosten, van de oevers van de Aïnsaba, gekomen:
zouden zij de _Soboridae_ van Ptolomaeus zijn?

Uit deze streek is mij de herinnering bijgebleven aan een avontuur, dat
ernstige gevolgen had kunnen hebben. Men had mij vooruit gewaarschuwd,
dat hier, evenals in alle streken van Opper-Nubië, waar water gevonden
wordt en dus kudden zijn, eene menigte leeuwen huisvesten. Reeds in
den eersten nacht ondervond ik de waarheid van dit bericht. Wij hadden
ons kamp opgeslagen in een fraai palmboschje, waarvan de schaduw ons
zeer welkom was, en ons deed vergeten dat zulke bosschages ook de
geliefkoosde verblijfplaatsen zijn van wilde dieren. Zoodra de zon was
ondergegaan, kwamen honderde runderen naar de waterputten; en even
daarna verkondigde een luid gebrul ook de nabijheid des vijands. De
runderen stoven verschrikt uiteen, en liepen al loeiende weg; naar
het schijnt, werd er geen door de leeuwen gegrepen, maar de hyena's,
die bijna altijd het spoor van de koningen des wouds volgen, doodden
eene koe.

Twee uren later had ik, na het avondeten te hebben gebruikt, mij te
rusten gelegd op mijn _angareb_, waar ik weldra indommelde, in slaap
gewiegd door het murmelend gefluister in ons klein bivouac. De meeste
bedienden waakten nog bij de vuren, op weinige schreden afstands van
mij tusschen de boomen aangelegd. De last- en rijdieren lagen rustig
rondom een palmboom gegroept. Eensklaps werd ik door eene hevige
beweging gewekt: de verschrikte muildieren waren opgesprongen, en
trachtten zich met geweld los te rukken. Ik vroeg wat er gebeurd was,
en vernam nu dat een prachtige leeuw, die op de muildieren loerde,
eensklaps, bij het schijnsel der vuren, in de struiken zichtbaar
was geworden. Een jonkman van ons gevolg had haastig een brandend
hout gegrepen en naar den leeuw geworpen, die, aan het voorhoofd
geraakt, zijn kop had geschud, en met een korten kreet zich had
verwijderd. Men weet, dat de wilde dieren in het algemeen, en vooral
ook de leeuwen, van twee zaken een geweldigen afkeer hebben: van vuur
en van geraas. Ook dit laatste bleef onzen bezoeker niet gespaard,
want verscheidene geweerschoten werden hem achterna gezonden. Gelukkig
trof hem geen enkele kogel: ware hij gewond geworden, dan zou hij
ons waarschijnlijk last genoeg hebben veroorzaakt.

Weldra begonnen wij nu de steile berghellingen te beklimmen, die
naar het vlek Algheden voeren, door eene naar het schijnt tamelijk
welvarende, verstandige en werkzame bevolking van ongeveer vijfhonderd
zielen bewoond. Den top des bergs bereikt hebbende, daalde ik langs
slingerende paden af naar eene met gras begroeide vlakte; toen moest
ik de kronkelende bedding van een uitgedroogden bergstroom volgen;
en zoo, beurtelings rijzende en dalende, langs zeer vermoeiende en
dikwijls gevaarlijke wegen, waar onze karavaan niet dan bezwaarlijk
vorderde, bereikten wij eindelijk den bergpas van Feradebob, die de
vlakte van Bisha beheerscht.

Deze vlakte, evenals de meeste andere van Opper-Nubië, met
onsamenhangende, wonderlijk gevormde, rotsige hoogten bezaaid en door
_khors_ (uitgedroogde beddingen van bergstroomen) doorsneden, behoort
voor het grootste gedeelte aan den stam der Barea, die hier in den
regentijd hunne kudden heendrijven. Aan de oostzijde wordt de vlakte,
door de laatste uitloopen van het Koufitgebergte, van de vlakten van
Deghi en Kassa gescheiden; aan de berghelling ligt het dorp Bisha,
dat minstens driehonderd woningen telt, en gemeenschappelijk door de
Beni-Amer en de Barea bezeten wordt. Bisha staat onder het gezag van
den deglel of vorst der Beni-Amer; het heeft eenige beteekenis, als
station voor de karavanen van Massoua; er zijn sommige kooplieden
gevestigd, en het voorkomen van het vlek teekent eene mate van
welvaart, die hier inderdaad zeldzaam is. Toch verzekerde men mij, dat
de geest der bevolking er niet beter op geworden was, sedert zich hier
ook eenige Barea gevestigd hadden, en de andere inwoners hadden besmet
met die zucht voor rooverij, die bij dezen stam onuitroeibaar schijnt.

De toestand van deze stammen is dan ook inderdaad zeer treurig. Zij
zijn als het ware ingeklemd tusschen Abyssinië, dat schatting van
hen vordert, zonder hen te kunnen beschermen tegen de Egyptenaren,
en de mudirs van Kassala, die evenzeer schatting eischen, maar
niets doen om de abyssinische strooptochten te keer te gaan. Een
enkel voorbeeld zal eenig denkbeeld van dien toestand geven. De
abyssinische gouverneur van Addi-Abo, aan het hem van hooger hand
gegeven bevel gehoorzamende, was met eenige honderde soldaten, of
liever slecht gewapende vagebonden, in Barka gevallen, alles te vuur
en te zwaard verwoestende. De mudir van Kassala, aan wien Mouça-Pasja
de verdediging der grenzen had toevertrouwd, trok naar Barka met
eene legermacht, alleszins voldoende om de Abyssiniërs te verslaan:
maar hij trok met de uiterste langzaamheid voort, en toen de deglel
er bij hem op aandrong, dat hij zijn marsch wat verhaasten zou om den
vijand niet te laten ontsnappen, antwoordde de mudir heel kalmpjes:
_Chouïa-chouïa_ (zachtjes aan). Natuurlijk hadden de Abyssiniërs al
den tijd om zich met hun buit terug te trekken.

Het is hier de plaats, eenige bijzonderheden mede te deelen omtrent
den oorsprong van enkele stammen van Opper-Nubië, die bijna allen
uit het abyssinische hoogland afkomstig zijn, en eerst in later tijd,
door een samenloop van noodlottige omstandigheden, tot het islamisme
zijn overgegaan.

De Hallenga komen uit Hamazene; zij vlechten nog hun haar op de
wijze der Abyssiniërs: maar dat is ook bijna alles, wat zij van
hun voormalig vaderland hebben overgehouden. Een klein bergplateau
nabij Ad-Namen, aan den voet van den Melezenai, draagt nog hun naam;
hoogstwaarschijnlijk hebben zij daar een tijd lang hunne woonplaats
gehad.

De Habab zijn afkomstig van Kollo-gouzay (Tigré); zij hebben hun
vaderland verlaten onder aanvoering van een zekeren Asgade, die
zich vestigde op de plaats thans onder den naam van Asgade-Bakla (de
muilezel van Asgade) bekend: een naam naar men zegt ontleend aan den
eigenaardigen vorm van den heuvel, waarop het dorp is gebouwd. Asgade
had drie zoons: Abil, Tekles en Tamariam. Volgens de overlevering is de
eerste de stamvader der eigenlijke Habab; van de beide anderen stammen
de twee minder aanzienlijke stammen van Ad-Tekles en Ad-Tamariam af.

Belau, Kelau en Hafara waren drie broeders. Zij kwamen waarschijnlijk
uit Seraoué, waar men u nog tegenwoordig de zoogenaamde graven der
Belaus wijst. Kelau bezat de bergen en weiden, die tegenwoordig
aan de Beit-Gabhru behooren, tot aan Chotel. Langzamerhand heeft
zich deze stam, ik weet niet ten gevolge van welke omstandigheden,
verstrooid en opgelost; de meesten der overgeblevenen hebben zich
bij de Beit-Gabhru aangesloten, die uit dien hoofde van de aloude
landstreek der Kelau bezit hebben genomen.

De Belaus splitsten zich reeds vroeg in onderafdeelingen. Het gros
des volks bleef in de streek nabij de samenvloeiing van de Barka
en den Khor-el-Ardeb, waar men hen heden nog vindt, trotsch op hun
afkomst, maar tot eenige weinige familiën geslonken; de anderen,
betere weilanden voor kunne kudden zoekende, vestigden zich nabij de
Roode-zee, in Samhar, en omhelsden het islamisme. Als muzelmannen
trokken zij de aandacht van de turksche regeering, die zich in
de zestiende eeuw, van Massoua meester maakte, en wier verdere
veroveringen in het binnenland door de Belaus krachtig werden
bevorderd. Zij zijn tegenwoordig zeer in verval.

De Hafara hebben zich te Terefat gevestigd; zij werden in 1859 bijna
geheel uitgeroeid. De weinigen, die aan de algemeene slachting zijn
ontkomen, zijn naar hun dorp teruggekeerd, en trachten zooveel mogelijk
hun stam van den geheelen ondergang te redden.

De Ad-Sheikh houden zich gewoonlijk in de omstreken van Sulib
op. Tijdens de verovering van Nubië door de Egyptenaars, begaf zich
een der voornaamste opperhoofden van dien stam, Sheikh Mohammed,
die zich aan de nieuwe orde van zaken niet wilde onderwerpen, naar
Samhar, om de bescherming van den sultan in te roepen. Hij liet,
ten behoeve van zijne stamgenooten die in Barka gebleven waren,
naar Konstantinopel schrijven: op welk schrijven echter geen
antwoord volgde. Inmiddels beviel het Sheikh Mohammed te Massoua,
waar hij zich nedergezet en waar hij als een heilige werd vereerd;
hij vestigde zich voor goed in de nabijheid, te Beraïmi, waar hij een
dorp stichtte, dat weldra door een aantal uitgewekenen werd bevolkt,
die tot heden vrijdom van alle belastingen genieten. Beraïmi is aldus
een soort van Mekka in het klein geworden: Mohammed, thans (1864)
een zeventigjarige grijsaard, zond zijne twee zonen naar Samhar en
Barka, naar de Bedjouk en de Bogos, om daar het islamisme te prediken:
welke prediking niet zonder gevolg bleef.

De Beit-Bidel zijn mede uit Hamazene afkomstig, waar hunne herinnering
nog voortleeft in den naam Bidel, die door een der aanzienlijke
familiën van Tsazega wordt gedragen. Hunne verhuizing dagteekent
waarschijnlijk eerst van omstreeks 1800; eerst sedert een dertigtal
jaren zijn zij muzelmannen, en hun tegenwoordige sheikh, Ibraïm Djaoui,
heeft nog langen tijd den _mateb_ of het koord der abyssinische
christenen gedragen; ook spreekt hij gaarne van de dagen, toen zijn
stam nog de christelijke godsdienst beleed. De Beit-Bidel hebben zelfs
van hunne vroegere godsdienst nog een gebed overgehouden, waarmede
zij in droge tijden regen afsmeeken: "_Egzio marenna Christos!_"--"de
Heere Christus erbarme zich onzer!"--Doorgaans houden zij zich te
Chegled op. Aanvankelijk vrij, werden zij later onderhoorig aan den
deglel van de Beni-Amer, die beweerde dat zij in eene landstreek
waren gevestigd, welke aan zijn gezag was onderworpen.

Van al deze en de met hen verwante stammen, zijn de Hallenga de
eenigen, bij wie eene volstrekte maatschappelijke gelijkheid heerscht:
geheel overeenkomstig het in Abyssinië geldende beginsel, volgens
hetwelk allen gelijk zijn en het eenige onderscheid bestaat in het al
of niet bezitten van een leengoed _(goult);_ terwijl daarentegen, naar
de zienswijze der Nubiërs, de adel in het bloed zit en niet afhankelijk
is van het leen. Bij al de andere stammen, de Beni-Amer, de Habab,
de Bogos, enz. wordt de adel gevormd door de _choumaglie_ (oudsten),
waarvan elke familie een zeker aantal vazallen, _tigré_ genaamd, onder
zich heeft. Deze inrichting heeft eenige gelijkenis met die van het
romeinsche patriciaat met zijne cliënten. De naam tigré schijnt te
danken aan de omstandigheid dat de meeste abyssinische uitgewekenen,
die naar Nubië de wijk hebben genomen en zich tot vazallen der nubische
stammen gemaakt, uit de provincie Tigré afkomstig waren.

Intusschen is de toestand dezer vazallen alleszins dragelijk. De tigré
is metterdaad niet veel anders dan een pachter: is hij met zijn heer
niet tevreden, dan staat het hem vrij, zich een anderen te kiezen. Hij
betaalt eene zeer matige schatting, waarvan het bedrag, sedert
onheugelijke tijden, door de gewoonte is vastgesteld. Daarentegen
heeft hij het recht te eischen, dat zijn choumaglie hem, in geval
van schade aan lijf of goed, bescherme en zijn beleediger vervolge en
straffe. In iederen stam vormen de tigrés het armste en werkzaamste
gedeelte; men herkent ze gemakkelijk aan hun donkerder gelaatskleur,
aan hunne magerheid, aan hun ruwer voorkomen en armoedige kleeding.



IV.


Van Bisha vertrokken, bereikten wij weldra eene reeks van dorre
heuvelen, Dunkuas genoemd. Ik besteeg een dier heuvelen, en stond
verrukt over het heerlijke panorama, dat zich daar voor mijne oogen
ontvouwde. Aan mijne voeten slingerde zich de breede bedding van de
rivier de Barka, de fraaiste rivier van geheel Nubië:--een reusachtig
wit lint met donkergroene randen omzoomd. De rivier lag droog,
gelijk dit in den regel het geval is, met uitzondering van de enkele
dagen, waarin de ontzettende watermassa's, die van de hoogvlakten
van Barea en Avla afstroomen, deze breede bedding vullen, waarin
zij toch weldra weder verdwijnen. De rivier--om nu aan deze baan van
driehonderd ellen breedte dien naam te blijven geven--vervolgde haar
loop, ter wederzijde omzoomd door eene dubbele reeks van doumpalmen,
de sierlijke getuigen harer vruchtbaarmakende kracht, en vereenigde
zich, zeven of acht dagreizen verder, te Falkaït, met de Aïnsaba,
die uit de landen der Bogos komt. De beide vereenigde rivieren loopen
vervolgens in de Langheb uit, die, minder belangrijk door hare lengte
dan wel door de massa water, die zij, altijd gedurende zekeren tijd van
het jaar, aanvoert, zich een weg naar het oosten baant, en op zestien
uren afstands van Souakin, de vlakte van Tokhar, vruchtbaarheid en
leven schenkt.

Ja inderdaad: de stroomen en rivieren zijn de aderen der aarde. Nooit
gevoelt ge beter de treffende juistheid van dit beeld, dan wanneer
ge van een of anderen berg eene uitgestrekte landstreek van het
dorre Afrika overziet. Van het punt waar ik nu stond, zag ik de
vereeniging van de rivier met een breeden khor, die van Bisha kwam;
met den blik volgde ik het dubbel spoor, in de vlakte geteekend door
een zoom van palmen en mimosa's, waartusschen de zilverige rookwolken
zweefden van een of ander nomadenkamp. Een woud van doumpalmen,
vooral wanneer het dicht begroeid en krachtig opgewassen is, heeft
steeds voor mij eene eigenaardige bekoorlijkheid. Bij den dadelboom
(deleb) vergeleken, is de doum (_crucifera thebaïca_) een welgedaan,
eenvoudig, burgerman, nevens dien slanken, fijn gebouwden, sierlijken
aristokraat; bovendien kleeft hem een wezenlijk gebrek aan: hij is
inproductief. Zijne vrucht, hard als hout, is zelfs voor den Bedoeïnen
ongenietbaar; ook deelt de arme doum in de algemeene minachting
van inlander en vreemdeling. Misschien ben ik wel de eenige, die
zijne partij opneemt. Ik ontmoet hem gaarne op mijn weg; zijn fraai
geteekend blad, de sierlijkste aller waaiers, geeft mij tegen de
heete middagzonnestralen eene vrij wat meer afdoende bescherming
dan de dunne, lange bladeren van den deleb. De hemel beware den
tot wanhoop gebrachten, geblakerden reiziger voor de schaduw van
een dadelboom! Het is bijna of de koninklijke boom opzettelijk zijn
bladerkroon wijd uiteen spreidt, opdat de verblindende stralen van den
zonnegod ongehinderd zouden kunnen doordringen! Wat heb ik daarentegen
menig kalm uur gesleten aan den zoom der wateren, onder het verkwikkend
lommer van een doum, mij geheel overgevende aan don weldadigen invloed
dier geheimzinnige, aangrijpende, afrikaansche natuur, waarvan zij,
die haar hebben leeren kennen, niet licht kwaad kunnen spreken! In die
uren had ik niets anders te doen dan, als aandachtig toeschouwer, een
of ander drama gade te slaan, in zijne soort niet minder treffend dan
de trojaansche krijg:--de verwoesting van een termitenterp door een
leger van zwarte mieren; de noodlottige dood van een onvoorzichtige
vloo, die, zich gewaagd hebbende op den rand van het hol van den
mierenleeuw, vlak op de borst getroffen was geworden door het geschut
van den behendigen eigenaar dier hinderlaag. Die kleine scherpschutter
was een mijner lievelingen, en wekte telkens op nieuw mijne bewondering
op: ja, meermalen gaf hij mij stof tot overpeinzingen, waarbij de
hooge voortreffelijkheid van den mensch mij bijna twijfelachtig
voorkwam. Had ik zelf wel, om de bronnen van den Nijl te vinden--die
ik niet gevonden heb--de helft van de energie en volharding aangewend,
die dit bijkans onzichtbare schepsel dagelijks ten toon spreidt om
in zijn onderhoud te voorzien? En daarbij wat misrekeningen, wat
teleurstellingen, wat onvoorziene rampen! Wie telt ze op, de honderde
toevallige omstandigheden, die in een oogwenk, de vrucht van langen
arbeid kunnen vernielen!... Voorwaar in dit kleine lichaam van twee
strepen lang schuilt nog iets anders dan een darmkanaal: daar huist een
wil, een wezen, dat werkt, dat lijdt, dat wellicht in zijne mate denkt.

De stam, die meestal te Dunkuas verblijf houdt, heet Koufit, en is eene
afdeeling van de Beni-Amer; tien jaren geleden woonde die stam meer
zuidwaarts, in eene vlakte tusschen Bisha en de bergen van Barea,
aan welke vlakte zij ook haar naam gegeven heeft. Omstreeks 1856
verschenen de Egyptenaren in de vlakte van Koufit, om de Barea met
geweerschoten tot den islam te bekeeren; zij hadden eenige dorpen
verwoest, een aantal gevangenen medegevoerd, en die vervolgens weder
in vrijheid gesteld, nadat zij beloofd hadden muzelmannen te zullen
worden. Daarom hebben slechts twee van al de dorpen der Barea, Mogolo
en nog een ander, beiden op de grenzen, den islam aangenomen.

Deze kruistocht was volstrekt niet naar den zin der abyssinische
regeering, die de Barea eenigermate als hare onderdanen
beschouwde. Theodoros had, als naar gewoonte, zijne handen te vol,
om tusschenbeiden te kunnen komen; maar gelukkig was de abyssinische
landvoogd van Addi-Abo een kloek en doortastend man, die besloot op
eigen verantwoordelijkheid te handelen, en met vijfhonderd ruiters de
Barea ter hulpe kwam. Hij legerde zich op twee of drie uren afstands
van de Egyptenaars, wien deze nabuurschap volstrekt niet beviel: want
de Abyssiniërs hadden nog de gewoonte, hunne verslagen of gevangen
vijanden, ten teeken der zegepraal, op bloedige wijze te verminken,
waarvoor de Egyptenaars uitermate bevreesd waren. Nu gebeurde het
op zekeren nacht, dat in het muzelmansche kamp een geweer omviel,
en daardoor van zelf afging. Op het hooren van het schot greep
een panische schrik de Turken aan, die in de uiterste verwarring
op elkander begonnen te vuren, luid roepende: _el Makada ghia!_
(de Abyssiniërs komen). Er vielen zeven of acht dooden; de nederlaag
was volkomen.

Acht jaren verliepen, eer de Egyptenaars zich weder in die streek
vertoonden: naar zij zeiden, hadden zij zich teruggetrokken, uithoofde
van de ongezondheid van het land. De door hen opgerichte gourbis
werden, na hun vertrek, door de Barea verbrand. De Koufit, die bij
hunne krijgshaftige naburen in ongenade waren gevallen, omdat zij
vriendschappelijke betrekkingen met de Turken hadden aangeknoopt,
trokken naar Barka, en het door hen verlaten grondgebied bleef een
soort van neutraal terrein tusschen de stammen der Barea en der
Beni-Amer.

In 1860 overviel Ato-Zadig, de toenmalige landvoogd van Addi-Abo, de
Barea, ontnam hun hunne vrouwen en kinderen, en leverde die niet weder
uit, dan nadat de stam het gezag van den landvoogd had erkend, en zich
verbonden hem eene schatting op te brengen. Ongeveer in denzelfden
tijd tastte de vorst der Beni-Amer, twee- of driemalen achtereen,
de ongelukkige Barea aan, en voerde telkens een aantal gevangenen en
vee mede. Dergelijke gebeurtenissen herhalen zich telkens, en bewijzen
overtuigend, in welk een onhoudbare toestand deze stammen verkeeren.

Over het algemeen houdt men de Barea voor een oorspronkelijken
negerstam, door de hooger ontwikkelde stammen die het abyssinische
rijk hebben gesticht uit zijne oorspronkelijke woonplaatsen verdreven
en naar het gebergte verdrongen. Toch schijnen mij de Barea, die ik
gezien heb, geen zuivere negers te zijn; veelmeer houd ik ze voor
een oorspronkelijk negervolk, maar sterk vermengd met de naburige
ethiopische bevolkingen. Hun eigenlijke volksnaam is, naar men mij
zeide, Egher of Eghir; de naam Barea is abyssinisch en beduidt zoowel
neger als slaaf, evenals _abid_ in het arabisch. Want hoewel de
abyssinische wetten de slavernij verbieden, maken de Abyssiniërs er
toch geen gewetenszaak van hunne woeste naburen tot slaven te maken;
waarover de anderen zich wreken door voortdurende strooptochten in
de aangrenzende christelijke streken.

De abyssinische soldaat, hoewel zeer moedig, is werkelijk bevreesd voor
den Barea, waar het een gevecht van man tegen man geldt; wederkeerig
is de Barea niet minder bang voor vuurwapenen. Hij gaat bijna geheel
naakt ten strijde, met geene andere bescherming dan een klein rond
schild, waarvan de kleur tamelijk wel overeenkomt met die van zijne
schitterend zwarte huid; zijn geduchtste wapen is de _seif_, een zware
rechte degen, die met twee handen wordt gebruikt en veel gelijkt op
een middeleeuwsch slagzwaard.

Evenals de meeste Nubiërs, gaan ook de Barea half naakt: wat hen van
dezen onderscheidt, zijn enkele sieraden, waaraan de negers over het
algemeen zeer gehecht zijn, zooals halskettingen, armbanden, ringen,
enz. Men vindt in hun land eene soort van zeer fraaie groene torren,
die zij aan een draad rijgen en als een ketting om den hals hangen.

De naam Barea doet onwillekeurig denken aan de _Bari_ van den
Witten-Nijl; en inderdaad vindt men bij de eersten eenige gebruiken,
die zoodanige verwantschap schijnen aan te duiden. Ook de Barea hebben
hunne toovenaars, die regen kunnen veroorzaken, en _bounit_ worden
genoemd; en het is licht te begrijpen dat bij deze eenvoudige, nog in
patriarchale groepen gesplitste volksstammen, het opperste gezag van
zelf berusten moet bij den man, die de geduchte macht bezit om over
den vruchtbaarmakenden regen te beschikken, zonder welken alles van
gebrek zou omkomen. De toovenaars der Barea behoorden tot dusverre
allen tot dezelfde familie; hunne macht was geheel afhankelijk van
den uitslag hunner tusschenkomst. Kwam er regen, dan werden zij
overladen met geschenken in geld, in granen en vee; bleef het droog,
dan werden zij door twee _Fadab_ (sterke mannen, een soort van adel)
aangegrepen, naar een afgezonderde plek op den berg gevoerd en daar
vermoord. Dit lot had ook den laatsten toovenaar getroffen. Zijne zonen
en bloedverwanten hadden daarop van hun recht en hoogen rang afstand
gedaan, verklarende dat zij niet langer telkens nieuwe slachtoffers
wilden leveren, en dat het goddeloos was, te beweren dat men over
den regen kon beschikken, want de regen hing van God alleen af.

Een in mijne oogen onwederlegbaar bewijs, dat de Barea hooger staan
dan de andere negervolken, vind ik hierin, dat zij een vrij zuivere
voorstelling van de Godheid hebben, en dat de kanker der slavernij
bij hen onbekend is. Wanneer men hun naar de reden van dit laatste
verschijnsel vraagt, antwoorden zij op ernstigen toon: "Wij zijn
allen de slaven van God." De krijgsgevangenen worden niet verkocht;
zij moeten op het land werken, en wanneer zij sterk, welgemaakt en
dapper zijn, gebeurt het zeer dikwijls, dat zij de dochters hunner
meesters huwen. Ook hieruit verklaart zich de sterke vermenging,
die bij dit volk zoo duidelijk merkbaar is en zoo gunstig op hunne
physieke en intellectueele ontwikkeling gewerkt heeft. Ik heb een
zeer sterk vermoeden, dat de Barea in vroeger eeuwen christenen zijn
geweest; de redenen voor dit gevoelen kan ik echter, zonder al te
wijdloopig te worden, hier niet ontwikkelen.

Wij hadden te Dunkuas geen water medegenomen, omdat wij er zeker
op rekenden, tien kilometer verder, te Balaghinda water te zullen
vinden. Balaghinda is de naam van twee fraaie meren, nabij den rechter
oever van de Barka, en die alleen gedurende een zekeren tijd des jaars
van water zijn voorzien; den overigen tijd ziet men niets dan een
bruinachtigen bodem van alluviaalgrind, die zeker zeer vruchtbaar is,
en geheel begroeid met eene kleine plant, waarvan de naam mij ontgaan
is. Wij bereikten het eerste der beide meren, waarnevens zich een
fraaie heuvel verheft, dien ik beklom om de streek te overzien. Welk
eene teleurstelling! Geen enkele droppel water; en het was reeds
middag: wij waren reeds zeer vermoeid, en moesten nu nog een marsch
van drie uren afleggen eer wij de putten van Deghi konden bereiken! Ons
restte nog een flauwe hoop: het was namelijk mogelijk, dat het tweede
meer water bevatte. Wij zonden er iemand heen om zich daarvan te
overtuigen, en na verloop van een kwartier kwam onze bode terug met
eene goede tijding, die wij zelf niet hadden durven verwachten.

Wij spoedden ons naar het meer, waarvan de bodem nog vochtig en zacht
was, en overal bedekt met de zeer zichtbare sporen van olifanten,
allen uitloopende op twee plassen, die er nu juist op het oog niet
zeer smakelijk uitzagen. Maar wie in Afrika reist, moest zich niet
storen aan de kleur van het water, dat hij drinkt: of dit bruin,
groen of zwart is, maakt geen verschil. In dit water hadden tallooze
scharen kleine schelpdieren geleefd; waar de bodem droog was geworden,
gingen zij reeds bij hoopen tot verrotting over. Wij kampeerden in
een kreupelboschje, tusschen de twee plassen, en met de wapenen bij
de hand. Deze voorzorg was niet overtollig; want den volgenden morgen,
toen wij het kamp opbraken en bezig waren met het opladen der kameelen,
klonk ons eensklaps, uit een boschje van doornen en struiken, op geen
vijftien pas afstands van ons, het gebrul van een leeuw te gemoet. Het
was omstreeks zonsopgang: waarschijnlijk het gewoon uur, waarop de
koning der wildernis aan den plas zijn dorst kwam lesschen, waarin hij
nu door onze tegenwoordigheid verhinderd werd. Blijkbaar durfde hij
niet doorgaan--wat hij toch gerust had kunnen doen--om zijn vijver te
bereiken; en zijn luid gebrul, dat onze kameelen en muilezels geheel
van hun stuk bracht en hun een huivering door merg en been joeg,
bewees duidelijk zijn ongenoegen over onze vrijpostigheid. Ons volk
hield zich goed, en veroorloofde zich zelfs enkele spotternijen,
die echter niet zeer van harte gingen; ik mag niet verzwijgen, dat
zij met het opladen bijzonder veel haast maakten.



V.


Te Tshaghié nam ik afscheid van de laatste palmen: in Afrika zou ik
mijne geliefde cruciferen niet wederzien. De tamarisk, met zijne fijne,
gelede twijgen, zijn wonderlijk verwrongen stam, en zijne gelijkenis
op den treurwilg, bleef mij langer getrouw; en ondanks zijn weinig
opwekkend voorkomen, was deze boom mij steeds welkom, omdat hij
de nabijheid van water verkondigde. Te Karovel, waar wij drie uren
na ons vertrek van Tshaghié aankwamen, vond ik gansche wouden van
tamarisken, die, naar men zeide, de geliefkoosde schuilplaats waren van
stroopende benden der Barea. De plaats stond dan ook in een zeer kwaden
naam. Het vorige jaar was mijn britsche collega, de heer Cameron,
hier bijna in eene hinderlaag gevallen, en deze herinnering had ons
zeker tot voorzichtigheid moeten stemmen. Wij vertrouwden evenwel op
ons aantal, op onze lansen en onze geweren, en trokken onbekommerd
en in tamelijke wanorde voort. Toen de zon ter kimme was gedaald,
maakten wij ons gereed ons nachtleger op te slaan; maar eensklaps
werden wij verrast door drie of vier schoten, op zeer korten afstand
van het hoofd onzer kolonne. Een verward geschreeuw volgde; ik greep
mijn geweer en spoedde mij naar de plek, waar de geweerschoten waren
gevallen. Daar vond ik Stella, in onderhandeling met den vijand,
die ongeveer dertig man sterk was. Weldra bleek het, dat wij met een
gezelschap vreedzame kooplieden van Massaoua te doen hadden, die,
nog meer ongerust dan wij, ons voor een troep roovers hadden aangezien.

Wij bereikten nu eene wijde, prachtige hoogvlakte, aan alle zijden
door bergen ingesloten, waarvan de Takaïl de voornaamste is. Om een
overzicht van de streek te hebben, beklom ik, niet zonder moeite,
een geheel alleenstaanden berg, op ongeveer achthonderd el afstands
ten westen van de putten van Adardé, de gewone pleisterplaats der
karavanen. In het wijde landschap, dat zich van deze hoogte voor
mijne blikken uitstrekte, trok eene bijzonderheid bovenal mijne
aandacht: in het zuidoosten zag ik een fraai gevormd tafelland,
in gelijke vakken verdeeld, en, naar het scheen, aan de linkerzijde
samenhangende met de bergen van Bogos: dat was de beroemde Zadamba,
een der twee heilige bergen van Sennaheit, waar nog sporen zijn
overgebleven van het abyssinische christendom. Ik heb geen tijd
kunnen vinden om den Zadamba te bezoeken; maar ik heb gepoogd,
mij voor dit gemis schadeloos te stellen, door de inboorlingen te
ondervragen. Ziehier wat ik te weten kwam.

De eigenlijke Zadamba is eene kleine vlakte, niet grooter dan een
paar bunders, aan het zuidwestelijke uiteinde van het tafelland,
waarvan ik zooeven sprak, en daarmede door eene zeer smalle
landtong verbonden. Een abyssinische negus heeft, naar ik meen
voor omstreeks vier eeuwen, daar een klooster gebouwd, en de
opbrengst van een dorp in Tigré aangewezen om in het onderhoud
van dat heiligdom te voorzien. Nadat de provincie Barka, die aan
drie zijden den Zadamba omgeeft, tot den islam was overgegaan,
verkeerden de zes of zeven monniken, die het klooster bewoonden,
in voortdurend gevaar van overvallen en vermoord te worden. Om zich
daartegen te beveiligen, maakten zij zelven het smalle pad, dat naar
het convent leidde, door afgraving ontoegankelijk; zoodat een tocht
naar den Zadamba, voor ieder, die niet de verwonderlijke bekwaamheid
der Abyssiniërs in het bestijgen van rotsen en klippen bezit, eene
uiterst gevaarvolle onderneming is. Van tijd tot tijd verlaat een der
monniken het klooster, om aalmoezen in te zamelen of de sobere rente
_in natura_, die hun is toegewezen, te gaan ontvangen; en ondanks
hunne bekendheid met de plek, is het toch enkele malen gebeurd, dat
zij in de onpeilbare afgronden tuimelden, die het gevaarlijke pad
ter wederzijde omzoomen. Toch durf ik den minnaars der ethiopische
geschiedenis een tocht naar den Zadamba zeer aanraden: naar het
schijnt bezit het klooster eene boekerij, waarin zich vijf of zes
belangrijke handschriften bevinden, en misschien ook een geschreven
kroniek van Sennaheit.

De bergachtige streek, welker grenzen ik nu weldra overschreden had,
wordt door de inboorlingen met zekeren ophef _Sennaheit_ genoemd, dat
wil zeggen het _schoone land_ bij uitnemendheid. Er is iets treffends
in deze vooringenomenheid: zij getuigt van de warme liefde voor een
vaderland, dat niet altijd even weldadig is voor zijne eenvoudige,
weinig eischende zonen. Maar, indien Sennaheit al de vergelijking niet
kan doorstaan met het prachtige bergland van Abyssinië, verdient het
toch, in alle opzichten, de voorkeur zelfs boven de merkwaardigste
streken van Nubië; en ik kan mij dan ook de ingenomenheid, niet alleen
der inboorlingen, maar ook van vreemde bezoekers, wel begrijpen. Onder
deze bezoekers behoorde ook hertog Ernst van Saksen-Koburg, die zich,
in 1862, met zijne gemalin en een klein gevolg, voor eenigen tijd
te Keren vestigde, om aan de oevers van de Aïnsaba op de leeuwen- en
tijgerjacht te gaan. Eer hij Sennaheit weder verliet, achtte hertog
Ernst zich verplicht, als dank voor de ondervonden gastvrijheid, het
grootkruis van zijne ridderorde aan Theodoros te zenden. Natuurlijk
wachtte de geduchtte "zoon van David" zich wel, deze onderscheiding te
dragen. Naar de zienswijze toch der Abyssiniërs, wordt hij, die eene
vreemde ridderorde aanneemt, daardoor de vazal van den souverein, die
hem de orde geschonken heeft. In de middeleeuwen, toen eene ridderorde
nog iets anders dan een speelgoed en een middel tot bevrediging der
kinderachtigste ijdelheid was, toen zij nog inderdaad eene hooge
en edele beteekenis had, dacht men er bij ons even zoo over. Maar
onze nuchtere, praktische eeuw begrijpt niets meer van de idealen en
symbolen der riddertijden!

Het dorp Keren, dat ik daar noemde, is de hoofdplaats der Bogos,
die sedert vier eeuwen in Sennaheit gevestigd zijn. Het ligt
schilderachtig, aan den voet van een prachtigen berg, in eene fraaie
hooge vlakte; pater Stella is hier gevestigd. Toen wij het dorp,
dat uit ongeveer tweehonderd rieten hutten bestaat, naderden, kwamen
ons eenige schoone knapen tegemoet, die ons zwijgend de hand kusten,
en daarna haastig naar het dorp terugliepen om onze komst aan te
kondigen. Tien minuten later werden wij door de gansche mannelijke
bevolking, met de grootste hartelijkheid verwelkomd; zelfs werden ter
onzer eere de weinige geweren afgevuurd, die in het vlek te vinden
waren. Wij zouden hier een poos vertoeven.

De Bogos of Mogos zijn afkomstig uit Lasta, eene bergachtige landstreek
in het hart van Abyssinië; zij behooren tot den krijgshaftigen stam der
Agau, die de oorspronkelijke bewoners des lands zijn. Hun stamvader,
Guevra Terké, had het ongeluk zijn broeder of een zijner naaste
bloedverwanten te dooden; om zich aan de bloedwraak te onttrekken, week
hij met zijne beide zonen, Seguina en Korsokor, ten lande uit. Omtrent
deze vlucht bestaat nog eene andere legende, die een sterk sprekend
bijbelsch karakter draagt, en blijkbaar is ontleend aan de geschiedenis
van de aartsvaders Jacob en Josef. Volgens deze legende dan, vatte eene
der begunstigde slavinnen van den ouden vader van Guevra Terké eene
vurige liefde op voor den schoonen, edelen jongeling, die echter koel
bleef voor hare verleidingen en haar daardoor tot zijne onverzoenlijke
vijandin maakte. De vader van Terké nu was blind, hij zelf zeer harig,
als Esau; de slavin maakte daarvan gebruik om hem op dezelfde wijze
van den vaderlijken zegen te berooven, als Rebecca weleer ten aanzien
van Esau deed. Terké, ten behoeve van zijn jongeren broeder onterfd,
kwam daartegen niet in verzet, maar ging het land uit.--Dit verhaal
verdient niet het minste geloof: reeds daarom niet omdat het blijkbaar
eene navolging is. Bovendien zijn er in Abyssinië geen harige mannen:
althans, ik heb ze nooit gezien.

De Bogos, die zich zelven Bilèn noemen, tellen tegenwoordig
omstreeks achttienduizend zielen, verspreid in zeventien dorpen
langs de beide oevers van de Aïnsaba. Zij zijn in twee takken
verdeeld, wier namen zijn ontleend aan de beide zonen van Terké:
de Ad-Seguina ten noordoosten, de Ad-Korsokor ten zuiden en ten
westen. Het is een volk van landbouwers en herders; maar de landbouw
is van niet veel beteekenis en maar nauwelijks voldoende om in de
behoeften te voorzien. De wezenlijke rijkdom en de trots der Bogos,
is hun veestapel. Men schat iemands rijkdom naar het getal _moktas_
die hij bezit: een _mokta_ is eene kudde van vijftig runderen. Twee
moktas staan ongeveer gelijk met wat men in Frankrijk een burgerlijk
vermogen zou noemen; die vier moktas bezit, is een rijk man.

Ook bij de Bogos bestaat de adellijke instelling der _choumaglié_,
waarvan ik reeds vroeger sprak; daarmede gaat natuurlijk het
recht van eerstgeboorte gepaard. Als een choumaglié sterft, erft
zijn oudste zoon de roerende goederen, de voorvaderlijke degen,
de witte koeien der kudde, de tigrés, en, in sommige gevallen,
ook de weduwe. Dit laatste gebruik, dat voor een christelijk volk
vrij zonderling is, vereischt eenige toelichting. Komt een gehuwd
man te overlijden, dan hebben zijne bloedverwanten, of zelfs zijne
kinderen uit een ander huwelijk, het recht, de weduwe te trouwen;
in sommige gevallen, zijn zij daartoe zelfs verplicht. Niemand vindt
daarin iets onbetamelijks; integendeel, zoowel de christelijke Bogos
als de muzelmansche Beni-Amer, zien daarin eene ridderlijke daad tot
bescherming der vrouw en eene zekere hulde aan de nagedachtenis van
den overledene. De overige zonen ontvangen van hun oudsten broeder
zooveel als zij noodig hebben, om zich elders te gaan vestigen. De
jongste zoon erft het ouderlijk huis: eene zeer opmerkelijke bepaling,
die van fijn gevoelige teederheid getuigt. Hij toch wordt geacht de
herinnering aan zijn vader en de liefde voor de woning, waar hij is
opgevoed, dieper in het harte te dragen dan de anderen, die het leven
reeds meer van het ouderlijk dak heeft vervreemd.

De dochters kunnen op niets aanspraak maken; doorgaans echter
trouwen zij zeer vroeg. Bijna allen zijn fijngevormd en zeer schoon,
met een lichte zweem van zekere wildheid in haar voorkomen; niets
evenaart het vuur van haar zwarte oogen, zoo uitnemend getemperd
door de lichte bronskleur van haar huid. Maar, hoewel de vrouwen
geene maatschappelijke rechten bezitten, rust toch op haar dikwijls
eene zeer zware verantwoordelijkheid. Te Keren zag ik eene zeer
achtenswaardige familie, waarvan het hoofd, bij zijn overlijden,
schulden had nagelaten. De schuldeischers lieten nu zijne twee
dochters, beiden nog kinderen, als slavinnen verkoopen, om zoodoende
de schulden van den vader te vereffenen. De oudste trok de aandacht
van een aanzienlijk man uit die streek, die haar voor vier-en-twintig
talaris (126 francs) vrijkocht, om haar te huwen.

Ook in Sennaheit heerscht de beruchte gewoonte van den _bloedprijs:_
eene gewoonte trouwens, die bij elk volk gevonden wordt, waar het idee
van den staat nog niet tot ontwikkeling gekomen is, en de overheid
nog niet als de waarborg en handhaver der algemeene veiligheid wordt
beschouwd. Dit recht van bloedwraak, dat de solidariteit der familie
of van den stam bij de aanrading van lijf of goed vertegenwoordigt,
draagt bij de Bogos den naam van _dem_. Zij maken onderscheid tusschen
den heelen en den halven bloedprijs. De eerste is verschuldigd bij
moedwilligen doodslag, onverschillig of het slachtoffer een man,
eene vrouw, een kind, een choumaglié of een trigé is. Verleiding
staat gelijk met manslag, en, in vele gevallen, ook het verbreken
der huwelijksgelofte.

De halve bloedprijs wordt gevorderd voor elke verwonding, die
bloedstorting ten gevolge heeft gehad, of eene ernstige verminking
veroorzaakt; voorts voor elken onwillekeurigen manslag door een wapen
of eenig ander snijdend werktuig, zonder opzet van den eigenaar. Als
een man zijne vrouw doodt, is hij daarvan aan niemand rekenschap
schuldig; maar hij moet aan zijn schoonvader den halven bloedprijs
betalen. Het _bloed_ van een choumaglié wordt op honderd-twee-en-dertig
koeien geschat, benevens een muilezel en een mat; dat van een trigé,
op drie-en-negentig koeien, waarvan een derde aan zijn heer toekomt.

De Bogos noemen zich bij erfelijke overlevering, Christenen; maar zij
bezaten noch kerken, noch priesters, toen, omstreeks 1854, een toeval,
zoo men wil, hen in aanraking bracht met een jongen piëmonteeschen
missionaris, Pater Giovanni Stella, die, weinig opgewektheid
gevoelende voor de missie in het binnenland van Abyssinië, zich
te Keren vestigde; waar hij eene uitnemende gelegenheid meende te
vinden om met vrucht werkzaam te zijn. Even ijverig als verstandig en
bedachtzaam, begreep Pater Stella, dat het onderwijs in de dogmatiek
gevoeglijk tot later kon worden uitgesteld, en beijverde hij zich
in de eerste plaats, om de Bogos in zedelijken zin op te heffen,
en hen daardoor vatbaarder te maken om de verheven waarheden van het
Christendom te begrijpen. Hij trachtte eerst de twisten en veeten,
die dorp tegen dorp en stam tegen stam de wapens deden voeren en zoo
schromelijke verwoestingen aanrichtten, bij te leggen; langzamerhand
wist hij de Bogos te bewegen om de rooverijen en strooptochten,
die maar al te zeer bij hen in zwang waren, vaarwel te zeggen;
hij bezocht de huisgezinnen, en vermaande de fiere, onafhankelijke
bergbewoners meer eerbied te betoonen voor de banden des huwelijks,
voor het leven en de bezittingen van hun medemenschen, en niet zoo
spoedig toe te geven aan de inblazingen van een eergevoel, dat in
beginsel lofwaardig mocht zijn, maar zich op zoo noodlottige en
verderfelijke wijze openbaarde. Een paar jaren lang was zijne stem
als die eens roependen in de woestijn; maar nadat hij den Bogos een
zeer wezenlijke dienst bewezen had, had hij hun vertrouwen gewonnen,
en nu werd hij in weinige jaren, alleen door zijn zedelijken invloed,
de oppermachtige gebieder en scheidsrechter van de zeventien dorpen
der Bogos en van een tiental naburige vlekken of stammen. Hij maakte
vooral zijn werk van de uitroeiing der openbare rooverij: een zware
taak, want in het gebergte werd het ambt van roover als eene eervolle
betrekking beschouwd, een man van moed ten volle waardig. Hij had
eindelijk persoonlijke betrekkingen aangeknoopt met al de voorname
roovers van Samhar, Sennaheit en Barka; en wanneer hier of daar
gewelddadigheid was gepleegd, wist hij doorgaans den schuldige te
ontdekken en vergoeding te verkrijgen.

Deze dictatuur, de vrucht van onvermoeide toewijding en
zelfverloochening, wekte den argwaan op van den negus, die zich
heer van Sennaheit noemt. Hij wenschte _Abounu Johannès_ (Vader Jan,
de gemeenzame naam van Pater Stella) te zien, en noodigde hem; in de
vriendelijkste bewoordingen, tot een bezoek uit in zijne residentie te
Debra-Tabor; de negus noemde hem zijn zoon, en beloofde hem de meest
hartelijke ontvangst. De heer Stella antwoordde de gezanten van den
negus met groote wellevendheid, wist voorloopig tijd te winnen, en toen
geen langer uitstel mogelijk was, vertrok hij haastig naar Massaoua,
het minder raadzaam achtende, zich in het hol van den leeuw te wagen.

De eerste keer dat ik hem ontmoette, was te Massaoua, twee maanden
voor ik de reis aanvaardde, waartoe dit verhaal betrekking heeft. Naar
hetgeen ik omtrent hem gelezen had, stelde ik mij Pater Stella voor
als een soort van Sint-Franciscus Xaverius met grijze haren. Groot was
dan ook mijne verwondering, toen ik een welgedanen jongen man zag,
met een blozend, open gelaat, waaruit een paar levendige, geestige
oogen mij aanstaarden, en met een zeer weelderigen haardos. Een
_bouri_, groote inlandsche pijp, die hij nooit uit den mond legde en
die een deel van zijn persoon scheen uit te maken, voltooide deze
geheel eigenaardige, maar zeer innemende figuur. Reeds dadelijk
voelde ik mij tot hem getrokken, en bij nadere kennismaking leerde
ik den beminnelijken, beschaafden, klassiek ontwikkelden man te
meer waardeeren en bewonderen. De diensten, die hij, in deze bijkans
onbekende streken, aan de zaak der beschaving en van het Christendom
heeft bewezen, geven hem volle recht op aller hulde en erkentelijkheid.



VI.


Sennaheit, dat juist op den weg van Khartoem naar Massaoua ligt, moest,
uit den aard der zaak, de begeerlijkheid prikkelen der egyptische
beys van de grenzen, met name van dien van Taka. In 1850 deed een
dezer heeren, Elias-Bey, een overigens bekwaam en energiek man, maar
berucht wegens zijn fanatieken haat tegen alle christenen, onverwacht
een inval in het land der Bogos; dezen, nog tijdig gewaarschuwd,
konden zich met hunne kudden aan de overzijde van de Aïnsaba in
veiligheid brengen. Elias drong door tot Ouasentet, een dorp van
den stam Bedjouk, op vier mijlen afstands van Keren; hij vond daar
slechts eenige oude vrouwen, die hij laaghartig liet vermoorden. Hij
wilde toen de Mensa aanvallen, wier eerste kampementen niet meer dan
vier of vijf uren verwijderd waren; maar een gids, die misschien de
bergbewoners wilde redden, maakte den bey, in de aardrijkskunde al
even weinig ervaren als al zijne confraters, wijs, dat het kamp der
Mensa wel acht dagreizen ver was; Elias keerde daarop naar Kassala
terug. De Bedjouk hadden hun behoud te danken aan eene omstandigheid,
die den egyptischen officier karakteriseert. Aan de oevers van de
Aïnsaba gekomen, had de bey de kanonnen laten afschieten, om den
herders, die hij overvallen wilde, en die hij anders ongetwijfeld in
hun kamp zou hebben verrast, den moed te doen ontzinken!

In 1855 had een tweede inval plaats, die bij de Bogos zoo treurige
herinneringen heeft achtergelaten. In vollen vrede vereenigde
Khosrew-Bey, een woeste Turk, die te Kassala bevel voerde, al de
roovers en bandieten van Barka met zijne geregelde soldaten, en
trok met dit legertje naar Sennaheit. De beide passen, die naar het
bergplateau voeren, werden bezet, zoodat de Bogos, wier hoofdplaats
destijds Mogareh, op een uur afstands van Keren, was, nergens een
uitweg hadden. Vijftig hunner manschappen sneuvelden in het gevecht;
Mogareh werd in de asch gelegd, en driehonderd-tachtig gevangenen,
meest vrouwen en kinderen, medegevoerd, benevens ongeveer zestig
_moktas_; daarna keerden de roovers haastig terug. Pater Stella was
afwezig; hij kwam den volgenden dag te Keren, vernam daar van de
beroofde bergbewoners wat er geschied was, spoedde zich naar Kassala,
en eischte van Khosrew volledige vergoeding. Deze weigerde, op de
meest onbeschofte wijze, den geestelijke als officiëel persoon te
erkennen; bovendien voerde hij hem te gemoet dat al de christenen van
Sennaheit rebellen waren, die de egyptische regeering het recht en
het vaste voornemen had, tot onderwerping te dwingen. De heer Stella
wendde zich daarop tot de consuls van Frankrijk en Engeland. Deze
laatste, de heer Plowden, een man van een doortastend karakter, een
helderen blik en groote diplomatieke talenten, begreep aanstonds,
welke partij van het voorval te trekken was, om het prestige van
Engeland in de oogen der Christenen en muzelmannen van oostelijk
Afrika te verhoogen. Hij ging in persoon naar Kassala, nam een
dreigenden toon aan, maar kon niets verkrijgen; daarop begaf hij
zich naar Alexandrië, met een adres van de Bogos aan de koningin van
Engeland; hier vond hij krachtige ondersteuning en medewerking bij den
franschen consul-generaal, den heer Sabatier, en verkreeg eindelijk
eene schitterende voldoening. Khosrew werd afgezet, en tevens bevel
gegeven, de gevangenen los te laten. Dit geschiedde dan ook onverwijld;
maar inmiddels had men er reeds een tiental naar Djeddah gezonden, de
groote stapelplaats van den slavenhandel aan de Roode-zee, eene stad,
befaamd wegens twee zaken, die, voor zoover mijne persoonlijke ervaring
reikt, steeds onafscheidelijk samengaan: een opgewonden muzelmansch
fanatisme en eene grenzenlooze zedeloosheid. Tien of twaalf andere
gevangenen waren in de harems van Kassala of de omstreken verstrooid
geraakt.

Daarop begon een onderzoek, dat, nu reeds acht jaren lang, de brave
huisvaders van Kassala rust noch duur laat. De heer Stella trekt
elk jaar derwaarts; hij luistert, ondervraagt, bespiedt, en bij
elk bezoek vindt hij het spoor van eene of andere achtergebleven
gevangene, die hij dan terugvordert, en die de divan hem niet durft
weigeren. Somwijlen geeft dit aanleiding tot komische tooneelen. Een
zekere Kopt, Mallem Todros genaamd, een gauwdief van het eerste water,
had twee meisjes in zijn harem verborgen; zijn buurman Kotzika,
schoonzoon van den Mallem Ghirghis, verklapte hem. De meisjes werden
teruggegeven; om zich te wreken, liet nu Todros bij Ghirghis de glazen
ingooien. Daarop nieuwe twist, en eindelooze processen tusschen deze
beide deftige heeren, die pater Stella eindelijk wist te verzoenen.

Op aandrang der consuls gaf de egyptische regeering, na lang talmen,
eene schadevergoeding van 17.000 francs, ongeveer een derde der
waarde van het gestolen vee. Mij werd opgedragen voor de verdeeling
dezer gelden te zorgen; ik liet mitsdien de voornaamste choumaglié
van Keren, Ona, Tantarwa, Achala, Djoufa en Deghi, die allen van
den rooftocht te lijden hadden gehad, naar Keren ontbieden, waar de
gelden onder de belanghebbenden werden verdeeld. Bij die gelegenheid
ontbrak het natuurlijk niet aan feesten en luidruchtig vreugdebetoon,
en menig lied werd ter mijner eere gezongen. Zeventienduizend franken
was voor deze arme lieden een meer dan vorstelijke schat!

Ik bleef eenige dagen te Keren, geene gelegenheid verzuimende om
de omstreken te doorkruisen, en bergen te beklimmen. Somwijlen had
ik zonderlinge ontmoetingen. Op zekeren dag had ik den Lala mba,
een fraaien, pyramidaalvormigen berg nabij Mogareh, bestegen en
daar geteekend, zonder mij te laten storen door het gekras van
een vervelenden raaf, die mij eerst een poos onbeschaamd had zitten
aankijken en toen luidkeels was gaan schreeuwen, als om te protesteeren
tegen deze inbreuk op zijn gebied. Vermoeid en verstrooid van gedachten
daalde ik den berg af, en wilde juist mijn voet zetten op een soort
van dooden tak, die in het hooge, dorre gras lag, toen mijne aandacht
eensklaps getrokken werd door de gladheid en den regelmatigen vorm van
dien stam; en werktuigelijk nader toekijkende, zag ik dat die gewaande
tak, eenige voeten verder, uitliep in een platten kop met twee zwarte
vurige oogen. Het was een groote slang, die waarschijnlijk even verrast
was door deze zonderlinge ontmoeting als ik zelf. Wij hadden trouwens
niet veel tijd elkander te bewonderen: want op eene beweging die ik
maakte, verdween het dier in de struiken, en ik tusschen de rotsen.

Een andermaal had ik den Aïtaber bestegen om van daar een blik te
werpen op de prachtige bergkloven, waaruit de Aïnsaba te voorschijn
treedt, en op de boschrijke hellingen der _rora_ (bergvlakte), waar de
stam der Beit-Andou in fiere onafhankelijkheid, eenzaam en afgezonderd,
leeft. Langs een steil rotspad afdalende, stootte ik eensklaps op
een fraaien, jongen luipaard, die zich in de zon lag te koesteren;
en hoewel ik geene andere wapenen bij mij had dan mijn kompas en mijn
teekenpen, werd hij toch bang, en vluchtte in twee of drie sprongen
naar eene opening tusschen de rotsen, waarin hij geheel verdween;
in zijn schrik vergetende, dat een gedeelte van zijn staart buiten
het gat uitstak. Ik van mijne zijde gevoelde evenwel niet den minsten
lust, hem verder te verontrusten; en daar het pad vlak langs zijne
schuilplaats heenliep, maakte ik eerbiedig een omweg van meer dan
een el in doorsnede.

Mijne bedienden dachten over deze uitstapjes, wat de veiligheid
betreft, geheel anders dan ik. Toen de kawas Ahmed, als naar gewoonte,
de abyssinische dienstmaagden wilde uitzenden om hout en water te
halen, weigerden zij, uit vreeze van opgelicht te worden, wanneer zij
zich op eenigen afstand buiten Keren waagden. Trouwens deze vrees was
niet zoo ongegrond. De meeste muzelmansche kooplieden langs de grenzen,
niet tevreden met de winsten van hun gewonen handel op Abyssinië,
leggen zich ook toe op kinderroof. Het stelen van christenkinderen is,
in de oogen der muzelmannen, een verdienstelijk werk; de ongelukkige
slachtoffers worden dan als slaven verkocht. De regeering doet niets
om dezen gruwelijken handel te beletten.



VII.


Na een verblijf van vijf dagen te Keren, werd het tijd aan de terugreis
naar Massaoua te denken. Pater Stella deed mij uitgeleide tot aan de
boorden van de, Aïnsaba, waar wij gezamenlijk ons bivouac opsloegen,
en vanwaar hij den volgenden morgen naar Keren terugkeerde.--Wij
staken nu de fraaie vlakte over, waarin de kleine stam der Bedjouk
gevestigd is; bestegen den vrij steilen bergpas van Massalit, en
daalden in het bassin van de Lebqa af, dat wij eerst te Aïn, op twee
dagreizen afstands, weder verlieten. De uitgedroogde bedding van de
rivier diende ons tot weg, die terwederzijde door tamelijk hooge en
boschrijke bergen was omzoomd.

Aïn vormt de grens tusschen twee machtige stammen, de Mensa ten
zuiden, en de Habab ten noorden. Deze laatsten splitsen zich in
drie afdeelingen, die te zamen den naam voeren van de drie _Meflez_
(wilde zwijnen). Die titel van Meflez is zeer in aanzien in Sennaheit:
hij komt voor in de geslachtslijsten van de voornaamste familiën: een
bewijs te meer, bij zoovele anderen, dat deze stammen oorspronkelijk
geen Mohammedanen waren. De Habab zijn nomaden: en er bestaat eene
zekere verwantschap tusschen het nomadenleven en de islamitische
barbaarschheid; gaandeweg vielen zij dus van hun voorvaderlijk
christengeloof af, en hadden nu ook geen enkele reden meer om zich te
onttrekken aan het oppergezag van de grootere of kleinere muzelmansche
staten, die hen van alle zijden omgaven. Reeds in 1846 vorderde
Emin-Bey van de Habab schatting, in naam van den onderkoning van
Egypte. De _kantiba_ (opperhoofd) der Habab antwoordde op hoogen toon,
dat hij de souvereiniteit van Egypte niet erkende; maar, bevreesd voor
de soldaten van den bey, zond hij hem toch, echter voor dien enkelen
keer, een geschenk van vijftig koeien. Tegenwoordig tracht de porte
zelf aanspraken op de souvereiniteit over deze stammen te doen gelden.

De Mensa beweren van den zeeoever gekomen te zijn, en beroemen zich
op hun europeeschen oorsprong. Indien dit geen fabel is, dan hebben
zij tot zelfs hunne taal vergeten, want zij spreken thans tigré;
overigens is hun zuivere, bijkans klassieke type eene zijdelingsche
bevestiging van hunne beweerde afkomst. Zij splitsen zich in twee
clans: Beit-Ibrahé, wier dorp Gheled (schild) heet, en Beit-Echakan,
die te Hamham zijn gevestigd. Het eerste dorp werd in 1850 door
Hassan, naïb van Arkiko, overvallen; de kantiba Theodoros werd als
gevangene naar Massaoua gevoerd, waar hij verscheidene maanden bleef,
en waar men vergeefs alle pogingen aanwendde om hem tot den islam te
bekeeren. Hij werd niet ontslagen, dan nadat hij een zekeren losprijs
had betaald, en zijn kleinzoon als gijzelaar had achtergelaten.

Sommige reizigers hebben zich zeer ongunstig over de Mensa
uitgelaten; maar, op den keper beschouwd, komen die klachten toch
hoofdzakelijk hierop neer, dat de nieuwsgierigheid dezer onontwikkelde
bergbewoners den reizigers last veroorzaakte. Nu, laat ons rechtvaardig
zijn. Stellen wij eens dat een Mensa, in zijne fraaie witte shama,
die hij alleen op feestdagen draagt, gehuld, met zijne lange lans
in de hand, en de groote houten naald (waarop hij even trotsch is,
mevrouw, als gij op uwe kolossale oorbellen) door zijn gevlochten
haren gestoken;--stellen wij, dat zulk een Afrikaan zich op een goeden
dag in de straten van Parijs vertoont: zou hij niet het voorwerp der
algemeene nieuwsgierigheid, en erger, der spotternij, zijn? Wat mij
betreft, ik heb mij altijd zeer wel kunnen schikken in deze soort
van nieuwsgierige belangstelling, die mijne zwarte of koperkleurige
medemenschen mij betoonden: zoolang althans die belangstelling haar
karakter van kinderlijke naïveteit niet verloor, en geen dekmantel
werd voor kwaadwilligheid of hebzucht. Doorgaans vond ik er een waar
vermaak in, naar de gesprekken te luisteren, die om mij heen werden
gevoerd, en die op mijn persoon betrekking hadden.

"Hoe heet uw meester?" vroeg men aan mijn kawas Ahmed.

"Zijn naam doet niets ter zake. Hij is mijnheer de consul."

"Consul? Wat is dat? Is dat zooveel als een _choum_ (klein
districtshoofd)?"

"De duivel hale uw choums! Een consul, dat is zooveel als een dedjaz
(hertog of landvoogd). De negus heeft, hij zijne ontvangst te
Debra-Tabor, de kanonnen laten afvuren."

Dan nam men mijn persoon en mijne kleeding nauwkeurig op: alles leverde
stof tot vragen en opmerkingen. Somwijlen droeg ik, des morgens, als
de wind koel was, een vest van blauwe gebreide wol: dit kleedingstuk
vooral prikkelde de nieuwsgierigheid der inboorlingen. Een hunner,
die zich voor bijzonder knap hield vroeg mij: "of dat zijde was?"

"Neen, het is schapenwol."

"Heel vreemd!"--En de man verwijderde zich, brommende: "Nu, die Frank
denkt mij beet te kunnen nemen! Wie heeft ooit van zijn leven blauwe
schapen gezien?"

Een andermaal trok een bos kleine sleutels de aandacht mijner
bezoekers; na zich in allerlei gissingen verdiept te hebben, merkte
een hunner op, dat zij inwendig hol waren; hij gaf ze mij nu terug
zeggende:

"Ik ken dat: het zijn zakpistooltjes! Zijn ze geladen? De Franken
vinden toch wonderlijke dingen uit. Hoe jammer dat ze _turksch_
(mohammedaansch) zijn!"

"Wat praat ge van turksch? Evenmin turksch als gij."

"Zijt gij dan een christen?"

"Zeer zeker."

"Laat mij dan uw _mateb_ zien. (Een blauw zijden koord, dat alle
abyssinische christenen, bijwijze van herkenningsteeken, dragen.) Hebt
gij geen _mateb_? Ziet gij wel, dat ge dan ook geen christen zijt."

Ik keer tot mijn verhaal terug. De vlakke en bijna geheel naakte
streek, hier en daar door alleenstaande bergen afgewisseld, die ik van
Aïn tot Massaoua in schuine lijn moest doortrekken, heet Samhar. Deze
landstreek is, althans in de hoofdtrekken, vrijwel bekend, want
deze woestijn is de weg van de kust naar het schoone en vruchtbare
Abyssinië. Reeds in de oudheid, met name tijdens de Ptolomeërs,
die zoo ijverig den handel van de Roode-zee bevorderden, was Samhar
evengoed bij de reizigers bekend als heden ten dage. Ten bewijze zij
het mij vergund, de beschrijving aan te halen, die Artemidorus van deze
streek geeft; die beschrijving past nog tegenwoordig bijna volkomen,
zoowel wat de natuur als wat de menschen betreft.

Volgens onzen griekschen schrijver, jagen de nomaden dezer landstreek
de olifanten op deze wijze: "in hinderlaag op de boomen gezeten, en
eene kudde olifanten bemerkende, die het bosch doortrekt, laten zij
die ongemoeid voorbijgaan; maar zij trachten met behoedzaamheid de
achterblijvers te naderen, die hier en daar dwalen, en snijden hun
de pezen der pooten door. Somwijlen ook dooden zij hem met pijlen,
in de gal eener slang gedoopt; de pijl wordt door drie mannen tegelijk
afgeschoten: twee hunner, de beenen vooruitgestrekt, houden met alle
kracht den boog vast, de derde spant het koord. Nog anderen geven
acht op de boomen, waartegen de olifanten komen leunen om te slapen;
zij naderen nu van de tegenovergestelde zijde, en snijden den stam
dicht bij de aarde door; wanneer de olifant tegen den boom aanleunt,
valt deze om, en het dier stort mede ter aarde; dan springen de
jagers van de boomen op den grond, dooden den olifant en houwen hem
in stukken. De nomaden noemen deze jagers onrein.

"Boven deze elephantophagen (olifanteters) woont een niet zeer
talrijk volk van strouthophagen (vogeleters), in wier land men
vogels vindt zoo groot als herten, die, zoo zij niet vliegen kunnen,
ten minste zeer snel kunnen loopen, evenals de struisen; sommigen
dooden ze met pijlen; anderen nemen hunne toevlucht tot de volgende
list. Zij bedekken zich het lichaam met de huid van een dezer dieren;
zij steken hun rechterarm in den hals, en bewegen dien op zoodanige
wijze, dat zij de bewegingen van den vogel zelven nabootsen; met
hunne linkerhand nemen zij graankorrels uit een broodkorf, die aan
hunne zijde hangt, en strooien die vóór zich heen; de vogels worden
daardoor naar kuilen gelokt, waar jagers zijn gesteld, die hen met
stokken doodslaan. Deze strouthophagen bedienen, zich van de huiden
dezer vogels om zich te kleeden en ook als bed; zij leven in oorlog
met de Ethiöpiërs, die Siles worden genaamd, en als aanvalswapenen
hertehoornen gebruiken. Zij wonen in de nabuurschap van menschen,
zwarter van kleur en kleiner van gestalte, die ook minder lang leven
dan de anderen, want zij worden zelden ouder dan veertig jaar, omdat de
wormen zich in hun vleesch voortteelen. Deze menschen voeden zich met
de sprinkhanen, die door de zuid-westen- en westenwinden, welke in de
lente met groote hevigheid heerschen, naar hun land worden gevoerd. Om
deze sprinkhanen te vangen, werpen zij, in kuilen en droge grachten,
hout, dat, als het brandt, veel rook veroorzaakt; zij leggen daar
een weinig vuur boven op: de sprinkhanen, die daarover heen vliegen,
worden door den rook verblind en vallen ter aarde. Zij maken ze fijn,
vermengen ze met pekel, en bakken er koeken van, die zij eten."

Aldus Artemidorus. Vooral wat hij het laatst verhaalt, is geheel
overeenkomstig de waarheid, zooals mij nog op deze reis bleek. De
sprinkhanen daalden in dichte zwermen van Hamazene af, waar zij
waarschijnlijk den oogst van den armen abyssinischen landman
bijna geheel hadden vernield. Zij vlogen, naar ik meen, van het
west-zuidwesten, naar het noord-noordoosten. De boomen, de _khors_,
de hellingen der heuvelen, alles was overdekt met millioenen gele of
violette stippen: een waar festijn voor de roofvogels van allerlei
soort, wier aantal in deze streken zoo buitengemeen groot is. Maar
zij waren de eenigen niet, die op dien buit afkwamen: de lieden van
Aïlat, met _ghirbas_ (lederen zakken) beladen, kwamen ook in massa
opzetten, om mede hun aandeel te erlangen. Deze sprinkhaneneters,
hoewel inderdaad donkerder van kleur dan hunne buren, kwamen mij
voor krachtig en welgemaakt te zijn. Wat onze Griek vertelt van die
afschuwelijke ziekte en van hun korten levensduur, is een fabeltje,
en zal ook wel in zijn tijd niet waar zijn geweest.

Een paar dagen na ons vertrek van Aïn, kwamen wij te Desset, een
zeer boomrijk eiland, door een breeden, nu uitgedroogden stroom
gevormd, waar zich eenige grafheuvelen bevinden, en twee steenen
grafteekenen, onder den naam van _graven der Koningen_ bekend. Volgens
de overlevering der nomaden, zouden deze graven de overblijfselen
bevatten van de _Rôm_, een volk dat, tot straf voor zijne immer
toenemende goddeloosheid, door God onder een regen van steenen
bedolven werd.

Te Desset was ik te zeer in de nabijheid van Aïlat en zijne warme
bronnen, dan dat ik zou hebben mogen verzuimen, derwaarts een uitstapje
te maken. Een kleine marsch bracht mij naar dit groote dorp, waar ik
twee aangename dagen sleet, uitnemend goed ontvangen door een soort
van sheik, die, in naam van den toen afwezigen naïb, het bestuur over
deze herders voerde.

Ik had geene behoefte aan een badkuur, en was ook om die reden niet
naar Aïlat gekomen, maar ik zou mij geschaamd hebben, den omtrek
te verlaten, zonder die beroemde warme bronnen te hebben gezien,
waarvan alle reizigers gewag maken, en die bovendien gelegen zijn
in eene dier schilderachtig schoone valleien, die mij steeds zoo
verkwikten. Ik verliet dus het dorp, in gezelschap van Ahmed en een
inlandsch opperhoofd en bereikte, na eene wandeling van anderhalf uur,
den oever van eene beek, Maï Ooï (warm water) genaamd. Nog zeshonderd
el verder, en ik was bij de bronnen. Het water was zeer vuil; de reden
daarvan bleek mij spoedig, toen ik eene menigte schapen tegenkwam,
die, volgens de dagelijksche gewoonte, door hunne herders in de bron
waren gewasschen: eene operatie, die tijd en geduld vordert. Gelukkig
ontbreekt het deze bergbewoners noch aan het een noch aan het ander.

De eigenlijke bron ontspringt aan den voet van een tamelijk steilen
berg, Akowar geheeten, midden in een klein moerassig weiland, waaruit
eenige zwakke sprengen opwellen, van welke slechts eene enkele eene
hooge temperatuur heeft; al deze straaltjes vereenigen zich, eenige
schreden verder, in een reeks kleine vijvers of bassins; slechts
in een dezer vijvers, die de meeste diepte heeft, kan een volwassen
mensch, als hij namelijk op zijn hurken gaat zitten, een eenigszins
behoorlijk bad nemen. Toen ik nader kwam, zag ik vier of vijf mannen
en vrouwen in het bad gezeten; nadat er wat ruimte gekomen was, wilde
ik ook een bad in de Maï Ooï nemen, maar de temperatuur was mij te
hoog; half verbrand trok ik mij haastig terug en bepaalde mij tot een
voetbad. Na den naburigen heuvel beklommen, en het panorama genoten te
hebben der donkere, zonderling gevormde en boschrijke bergen, die ten
westen de vlakte van Aïlat begrenzen, keerde ik naar het dorp terug,
om vandaar onzen tocht voort te zetten.

Door eene zandige, dorre vlakte, bereikten wij eindelijk, zeer vermoeid
en bijna bezwijkende van dorst, het vrij aanzienlijke dorp M'Kullu, op
zes kilometers van Massaoua, te midden vau eene zand- en steenwoestijn
gelegen, maar toch in het bezit van een onwaardeerbaren schat: vijf of
zes putten met voortreffelijk water. Daar Massaoua geen bronnen heeft,
en alleen regenwaterbakken, die acht of negen maanden van het jaar
droog zijn, is het water van M'Kullu tot een handelsartikel geworden,
waarvan de gansche arbeidzame bevolking van het dorp leeft. Elken
morgen vroeg nemen de jonge meisjes van tien tot vijftien jaar, een met
water gevulden zak op hare schouders, wandelen daarmede naar de stad,
en keeren omstreeks negen uur in haar dorp terug; zij doen alzoo een
tocht van twaalf kilometers, waarmede zij niet meer dan een piaster
(ongeveer tien cent) verdienen. Dit harde leven benadeelt noch hare
gezondheid, noch haar schoonheid, noch haar goed humeur. Honderde malen
heb ik ze ontmoet; bij troepjes naar de stad trekkende, lachende,
pratende: aardige figuurtjes, met hare in wanorde over het hoofd
hangende krullen van glimmend zwart haar.

M'Kullu is het geliefkoosde verblijf van de kooplui van Massaoua,
die den geheelen dag in den bazar der stad doorbrengen, maar iederen
avond naar M'Kullu terugkeeren, om zich des morgens, een uur voor
zonsopgang, weder naar Massaoua te begeven. Zoo vaak ik dien kant uit
wandelde, kon ik er zeker van zijn, troepen Massaouanis tegen te komen,
met hun geel en beenig gelaat, hunne lange helderwitte kaftans, hun
tulbanden, om een met veelkleurig borduursel versierd kapje gewonden,
en hun bonten zakdoek op den schouder. Deze vervelende dagelijksche
wandeling getroosten zij zich uit zuinigheid, want het leven op het
eiland is zeer duur; en de eenige uitgaaf die deze verplaatsing hun
oplegt, is het veergeld, dat niet meer dan drie paras (anderhalve cent)
per hoofd bedraagt.



VIII.


Vroeg in den morgen braken wij van M'Kullu op en trokken naar de
vlakte van Gherar, vanwaar een kano mij in drie minuten naar het
eiland Massaoua overvoerde. Op dien weg vond ik geene andere planten
dan mimosa's, dwergachtige struiken en wortelvijgeboomen (_chora_),
die het strand bedekken. Die bosschen van _chora_ van verre gezien
maken een zeer eigenaardigen indruk: dicht begroeid, van eene zacht
groene kleur, hunne fijne takken en twijgen in de zee dompelende, en
hunne fraaie bladeren, aan die van den laurier niet ongelijk, in het
water weerspiegelende, lokken die wonderlijke boomen den vermoeiden
reiziger, om een weinig adem te scheppen van de brandende zonnehitte,
en in hun lommer zijne oogen te verkwikken, die vermoeid zijn van het
staren op het harde geel der verweerde en verscheurde rotsen langs
de kust. Eenmaal heb ik mij laten verlokken, en ben het dichte bosch
ingegaan: maar nimmer heb ik de proef herhaald. De bodem, deels door
de wateren der zee overdekt, is niets anders dan eene groote poel,
vol slijk en zandbanken, waaruit de boomen, dicht opeengedrongen, zich
in grillige vormen verheffen; en onder dit bijkans ondoordringbaar
loofdak heerscht eene zoo benauwende, verstikkende hitte, in zoo
hooge mate met vochtige, ongezonde dampen bezwangerd, dat, bij deze
atmospheer vergeleken, het verblijf buiten op de brandende zandvlakte
u eene verkwikking schijnt.

De bodem van het eiland Massaoua bestaat uit koralen en eene
verzameling van alle mogelijke soorten van versteende vegetatie, die
aan de Roode-zee een zoo bijzonder karakter geven. Ik heb reeds met een
enkel woord van de waterbakken gesproken: deze bakken beslaan ongeveer
een derde van de oppervlakte van het eiland. Volgens de overlevering
zouden zij door de _Parsis_ (de Perzen) zijn aangelegd: waarin
niets onwaarschijnlijks is, want ten tijde van Khosroës waren deze
kustlanden van de Roode-zee, naar wij mogen aannemen, aan de perzische
heerschappij onderworpen. Alles wat in deze streken niet ontwijfelbaar
van muzelmanschen of misschien abyssinischen oorsprong is, wordt aan
de _Parsis_ toegeschreven; natuurlijk maakt zich de overlevering,
ook in dit opzicht, aan hare gewone fout van overdrijving schuldig.

Maar wie dan ook de waterbakken van Massaoua moge hebben aangelegd,
hij heeft eer van zijn werk: zij verdienen wel alleszins de aandacht,
niet alleen om hunne afmetingen, om de moeilijkheden die bij den
aanleg te overwinnen waren, maar vooral om de schoone bewerking,
waarvan men zich eenig denkbeeld kan vormen, als men de drie of vier,
die nog bijna ongeschonden zijn, wat meer van nabij beziet. De bakken
zijn gedekt door een soort van klein gewelf, uit koraalfragmenten
gemetseld; de binnenwanden zijn glad, en de randen zoo gemaakt, dat bij
den minsten regen, het water in de bakken moet afloopen. Deze fraaie
en nuttige werken hadden het wel verdiend, dat de turksche regeering,
steeds zoo haastig bij de hand als er eene of andere nieuwe methode van
knevelarij valt in te voeren, zich wat meer om hun behoud bekommerd
had: maar aangezien de gouverneur en zijne lieden alle morgens hun
versch water van M'Kullu ontvangen, is het hun natuurlijk volkomen
onverschillig, of het arme volk van dorst vergaat. Do waterbakken
in het binnenste van het eiland vallen in puin, zonder dat iemand
eene hand uitsteekt om ze te herstellen; de bakken nabij het strand
bezwijken voor den aandrang der zee, die de wanden doet barsten en
bij iederen vloed de ledige ruimte vult.

Omtrent den oorsprong van Massaoua verkeert men in het
onzekere. Sommige geleerden zijn van meening, dat het tegenwoordig
Massaoua ongeveer zou overeenkomen met eene zekere stad Saba, waarvan
de oude geografen melding maken: in hoever die meening gegrond is,
durf ik niet beslissen. Het eiland is zeer arm aan gedenkteekenen: men
vindt er slechts een twaalftal gewijde gebouwen, waaronder eene moskee,
die wel de opmerkzaamheid verdient, en waarschijnlijk dezelfde is,
waarin de Portugeezen, omstreeks 1520, de mis lieten bedienen, nadat
zij de muzelmannen uit Massaoua verdreven hadden. Dit was trouwens
slechts eene wedervergelding, want de muzelmannen hadden op hun beurt
dit heiligdom aan de abyssinische christenen ontweldigd.

De bevolking van Massaoua is zeer gemengd. De merkwaardigste, en uit
een commerciëel oogpunt wel de gewichtigste kolonie, is ongetwijfeld
die der Banians, die welbekende indische kooplieden, in wier handen
sedert eeuwen reeds de handel op de Roode-zee berust. De wijk der
Banians is zeer stil; er zijn zeer weinig winkels, en te ieder uur
van den dag ziet ge er weinig anders dan _angarebs_, rustbanken,
tegen de muren geplaatst, en waarop groote, welgevormde, half-naakte
mannen rustig liggen uitgestrekt. Hunne geschoren kruinen, hunne dunne
knevels, hunne prachtige zwarte oogen, hunne eenigszins vrouwelijke
trekken, geheel hun voorkomen doet u denken aan eene straat van Delhi
of Bombay. Als de Banian uitgaat, draagt hij een prachtigen tulband
van roode of gele zijde, met goud geborduurd, en een zware zilveren
keten om de lendenen.

De europeesche bevolking te Massaoua is nooit zeer talrijk geweest;
zij bestaat doorgaans uit een consulairen agent (zelden zijn er twee),
uit een paar kooplui en eenige zendelingen. Over deze laatsten een
enkel woord.

De eerste missionarissen, die zich hier vestigden, waren
Kapucijner-monniken; zij woonden te M'Kullu in een nederig huis, waar
men hun niet dan na veel moeite het verblijf vergunde. De turksche
regeering, die hier het nauwlettend oog der europeesche diplomatie
niet had te duchten, toonde zich, aan deze uiterste grens van haar
gebied, in al hare brutale onbeschaamdheid. De generaal der orde, die
wist met wie hij te doen had, stuurde op deze onbeschofte en steeds
half beschonken turksche gouverneurs een piemonteeschen monnik af,
door geheel den omtrek wel bekend, pater Giuseppe S...; iemand, die
veeleer geboren scheen om voor komiek op te treden dan als apostel
in Nubië werkzaam te zijn; een grappenmaker, wiens onuitputtelijke en
gansch niet altijd fijne vroolijkheid echter eene zeer degelijke kennis
en een onbedwingbaren moed verborg. Telkens lag hij met den turkschen
gouverneur overhoop; maar eindelijk wist hij hem te temmen: op zekeren
dag daagde hij den Turk uit tot een duel met den sabel; een andermaal
dreigde hij den landvoogd uit het raam te gooien, en zichzelf, in zijne
plaats, tot kaïmakan te doen uitroepen. Dergelijke praktijken waren
zeker niet bij uitnemendheid apostolisch: maar tegenover de lieden,
met wie hij te doen had, troffen ze toch doel. Ongelukkig kwam pater
Giuseppe in het eind op de noodlottige gedachte om "zaken" te gaan
doen: hij hing zijn pij aan den kapstok, en zette te Massaoua een
handelshuis op, dat al vrij spoedig failliet ging. Pater Giuseppe
begaf zich daarop naar Florence, waar hij, naar men mij zeide,
tegenwoordig als redacteur van een liberaal dagblad werkzaam is.

Na de Kapucijners verschenen de Lazaristen, toen zij, in 1855 uit
Abyssinië verdreven, zich te Massaoua kwamen vestigen, onder de leiding
van den voortreffelijken prelaat monsgr. de Jacobis. Onder het bestuur
van zijn opvolger, monsgr. Biancheri (overleden 17 September 1864),
werd ten behoeve der missie aan de oostpunt van het eiland, tegenover
de stad, een ruim gebouw opgericht met eene kerk en eene drukkerij
voor de abyssinische boeken. Tegenwoordig wordt de missie bestuurd door
pater Delmonte, een Genuees van geboorte, en een zeer bekwaam man, die
waarschijnlijk als opvolger van monsignor Biancheri zal worden benoemd.

Een anglo-indisch spreekwoord zegt: "Pondichery is een warm bad, Aden
een fornuis, Massaoua een hel." Dit is tamelijk overdreven. Massaoua
is niet ongezonder dan eenig ander punt langs het beneden gedeelte der
Roode-zee, en is zeker veel minder vervelend, dank zij de nabijheid
van het bergland en de uitmuntende gelegenheid tot jagen. Dit neemt
niet weg dat de hitte het iemand benauwd genoeg maken kan. Ik had
mij daartegen zooveel mogelijk gewaarborgd. Mijne woning werd aan
drie zijden door de zee omspoeld; en heerlijke uren heb ik, ook bij
de grootste hitte, doorgebracht in mijn vierkant vertrek, dat met
drie groote vensters aan zee uitkwam. Het uitzicht, het is waar,
was tamelijk eentonig. Voor mij zag ik de gele en naakte rotsen
van kaap Gherar, de reede, en nu en dan eene of andere boot van
Dahlak, met hare zware matten zeilen en haar lading van steenen,
langzaam voortzwoegende. Aan mijne linkerhand verhieven zich de drio
verdiepingen of terrassen der bergen van Abyssinië en Samhar: namelijk,
vooreerst de roodachtige lage heuvels van Arkiko en M'Kullu; dan
daarachter de bergen van Waï-Negus, en eindelijk aan den horizon, hoog
boven alles uitstekende, de rotsmuur van de abyssinische hoogvlakte,
waarboven zich, in trotsche majesteit, de koepel van Devra-Bizan,
in schemerende omtrekken, welfde.

Massaoua heeft voor den toerist al zeer weinig aantrekkelijks; maar
hij kan zich daarvoor schadeloos stellen door eenige uitstapjes in de
omstreken te gaan doen. Reeds meermalen was mijne aandacht getrokken
door een fraai gevormden berg, die Massaona beheerscht en den schipper
in zee tot baken strekt: den Ghedem, ongeveer 1200 meters hoog,
een ontzagwekkende, vulkanische kegel. Met de mededeeling van mijn
uitstapje derwaarts, wil ik ditmaal mijn reisverhaal besluiten.

Op zekeren dag huurde ik eene boot met twee man, en liet mij naar een
kleinen inham aan de kust roeien, vanwaar ik nog ruim een uur door
de stekelige mimosa's moest wandelen, eer ik de rotsachtige hoogten
bereikte, die ik langzaam begon te bestijgen. Na drie kwartier
klimmens, had ik een piek bereikt, die ongeveer tweederde van de
totale hoogte des bergs mat; maar de eigenlijke top was stellig nog zes
kilometers verwijderd, en ik begreep dadelijk, dat, zoo ik niet boven
wilde overnachten--waar ik, met het oog op een zeer mogelijk bezoek
van leeuwen, luipaarden of hyena's, volstrekt niet op gesteld was;--het
beter was, maar niet verder te gaan. Ik had geen reden om mij over dit
besluit te beklagen, want een prachtig panorama breidde zich voor mij
uit. Aan mijne voeten, de vlakte, die ik zooeven was doorgetrokken,
met eene reeks lage heuvelen, die van den berg tot aan de zee liepen;
verder, de fraaie open reede van Massaoua, rustig, blauw, in hare
kalme wateren de witte huizen der stad weerspiegelende, en de dichte
_choras_ der beide eilanden van Tau-el-hud en Shekh-Saïd. Aan het
uiteinde der baai lag de kleine stad Arkiko, vroeger de hoofdstad
van het gansche omliggende land, de patrimoniale residentie der
naïbs, die sedert naar Aïlat zijn verhuisd. Wat daartoe aanleiding
gaf, verdient wel eene korte vermelding, ook omdat daardoor een
eigenaardig licht valt op de toestanden in deze streken. In 1846 had
de turksche gouverneur van Massaoua, eene schuldvordering van een
honderd talaris ten laste van den naïb van Arkiko; en zag geen kans
dat geld te krijgen. Dit ware nu nog te vergeven geweest; maar niet te
lijden was de beleedigende hoogmoed, waarmede die inlandsche vorsten
de gezaghebbenden te Massaoua behandelden. Op zekeren dag voegde
de driftige naïb Hassan, in den vollen raad, den gouverneur toe:
"Hassan heeft hier te bevelen, zoogoed als de sultan te Stamboel, of
de onderkoning te Masr (Kaïro)!"--Bij de minste oneenigheid verbood de
naïb zijn onderdanen, de stad van water of levensmiddelen te voorzien,
waardoor de inwoners aanstonds aan het gevaar waren blootgesteld, van
honger en dorst om te komen. De gouverneur, wiens geduld eindelijk
uitgeput raakte, zond toen zijne Arnauten naar de stad, die Arkiko
verbrandden, en de turksche kanonnen mede namen, die het voornaamste
sieraad van den divan der naïbs uitmaakten.

De stad bleef eenige maanden verlaten liggen; toen werd zij
langzamerhand herbouwd, en tevens van een slecht fort voorzien,
waarin de turksche gouverneur bezetting legde. De naïb, die een
vazal van den negus van Abyssinië was, riep nu de tusschenkomst
in van Oubiëh, den onderkoning van Tigreh, die bij den kaïmakan
op vergoeding en herstelling van den naïb in zijne vroegere positie
aandrong. De kaïmakan schold en dreigde en weigerde iedere voldoening,
tot eindelijk op zekeren dag de gansche bevolking der omliggende
dorpen, door schrik bevangen, naar de stad vlood, en daar algemeene
ontsteltenis verwekte door de mare: _El Kostan ghia!_ de christenen
komen!--Het was het abyssinische leger, aangevoerd door Belatta
Kokobiëh, een der krijgsoversten van Oubiëh, tusschen de vijftien en
twintigduizend man sterk, en overal de schrikkelijkste verwoestingen
aanrichtende. M'Kullu werd geplunderd en verwoest; het garnizoen
van Arkiko verslagen en onder de muren van het armzalige fort in de
pan gehakt; Massaoua, dat het getal zijner inwoners eensklaps van
zes tot vijftien duizend zag klimmen, die aan alles gebrek hadden,
moest onfeilbaar in handen van den vijand vallen. Maar de onbesuisde
vernielzucht der Abyssiniërs droeg voor hen zelf de noodlottigste
vruchten: het gansche omliggende land was tot een woestijn geworden,
en Kokobiëh zag zich welhaast verplicht, zijne stroopende ruiterbenden
weder bijeen te roepen en naar het noorden, naar het land der Bogos,
terug te trekken. Zoo bleef alles bij het oude: Arkiko hield zijne
turksche bezetting, en de morrende naïbs brachten hunne residentie
over naar Aïlat.



   AMERIKAANSCHE GETUIGENISSEN OMTRENT AMERIKAANSCHE TOESTANDEN.



De man, die door de meerderheid der kiezers in de Vereenigde Staten
van Noord-Amerika,--met inbegrip van 800,000 zoogenaamd vrije
negers--voor de tweede maal op den presidialen zetel is geplaatst,
heeft onlangs, in eene officiëele boodschap, de transatlantische
"Republiek" als voorbeeld voor het oude Europa aangeprezen, als de
type en het model voor den gewenschten staat der toekomst. Men zou
deze eenzijdige grootspraak kunnen laten voor hetgeen zij is, indien
niet in Europa zelf nog altijd zoovelen gevonden werden, die, met
opzet of uit onnoozelheid, inderdaad gelooven of althans voorgeven
te gelooven, dat de amerikaansche republiek hooger staat dan de
monarchiën der oude wereld, en zich op het voorbeeld van Amerika
beroepen tot aanprijzing van den republikeinschen regeeringsvorm,
als het algemeene redmiddel tegen alle kwalen. Dat men, zelfs in
Amerika, dit gevoelen niet zoo algemeen deelt, kan blijken uit de
volgende staaltjes uit de dagbladpers, die tegelijk ten blijk kunnen
strekken van de vrijheid waarmede de oppositie-bladen de toestanden
durven beoordeelen. Wij hebben niet te zeggen, dat ook deze schetsen
zeerwel niet van overdrijving vrij te pleiten zijn.

Hooren wij in de eerste plaats een der te New-York verschijnende
dagbladen, de _Sun_.

"Het geheele staatkundige en maatschappelijke leven en streven te
Washington, zoo zegt zij, is door en door verdorven. Rechtschapenheid
geldt voor niets, zedelijkheid wordt openlijk bespot. Deugd en
betamelijkheid, die vroeger geacht en geëerd waren, zijn sinds lang
geheel uit de mode; de weinigen, die daaraan nog waarde hechten,
worden aangezien als zonderlinge antiquiteiten uit een lang vervlogen
tijd. Zoowel in de regeeringskringen als daarbuiten voert _Shoddy_,
met al de hem eigene gemeenheid, het hoogste woord. Shoddy kent geen
hooger levensdoel dan de luie liederlijkheid na te apen, die onder
de regeering van Napoleon III in sommige fransche kringen zoozeer
den boventoon voerde, en allen eerlijken lieden zooveel aanstoot
gaf. Maar ondanks alle innerlijke verdorvenheid wist men te Parijs
althans nog voor het uiterlijk den schijn van welvoegelijkheid en
decorum te bewaren. Maar hier, te Washington, treden ondeugd en
verdorvenheid openlijk op, in de ruwste, gemeenste, onhebbelijkste
vormen: men draagt roem op zijne vulgaire gemeenheid en neemt niet
eenmaal de moeite, ze met een zeker vernis te bedekken. Deze lieden
zijn trotsch op hunne schande, en bekommeren zich niet meer om
welvoegelijkheid of betamelijkheid.

"Geld is alles in allen; de waarde van den man hangt uitsluitend af van
zijn rijkdom, van het ambt dat bij bekleedt, of van den invloed, dien
hij op de regeeringsmannen kan uitoefenen. Eene vrouw wordt ontzien
en gevierd, naarmate zij beter de kunst verstaat over de mannen
te heerschen, den toon weet aan te geven in hetgeen men den goeden
smaak noemt, en in het gezellig verkeer alle vrouwelijke schaamte
en ingetogenheid heeft afgelegd. In het openbare leven wordt alles
naar dollars berekend: ware verdienste en degelijkheid komen niet in
aanmerking. Het voorbeeld der hoogstgeplaatste staatslieden heeft ook
in lagere kringen ijverige navolging gevonden, en zoo is het gansche
samenstel verdorven en rot geworden.

"Ministers, senatoren, volksvertegenwoordigers, ambtenaren baden
zich in schaamtelooze weelde en overdaad, terwijl het van openbare
bekendheid is dat zij nog voor weinige jaren doodarm waren. Nu zijn zij
het, die den toon aangeven. Het is niet meer dan natuurlijk dat hunne
onderhoorigen, die van hunne gunst en bescherming afhankelijk zijn,
dienzelfden weg opgaan, en door dezelfde ongeoorloofde middelen en
praktijken zich eene positie trachten te verwerven. Slagen tot iederen
prijs, dat is het algemeene beginsel: het zeer onheilige doel heiligt
de verachtelijke middelen. Alles wat van het Witte-Huis (het hotel van
den president) uitgaat of daarmede in betrekking staat, is praal- en
pronkziek en wil zooveel mogelijk vertooning maken. Kan dat niet langs
eerlijke wegen, welnu dan geschiedt het ten koste van eer en plicht.

"Hieruit verklaart zich vooral de kanker der corruptie, die _alle_
takken van de staatsdienst, zonder eenig onderscheid, heeft aangetast
en doordrongen. Dit bederf is bij ons veel erger dan in eenig ander
beschaafd land, want de demoralisatie strekt zich zoowel tot de
hoogste als de laagste ambten uit; zelfzucht, oneerlijkheid, ontrouw
zijn overal de heerschende motieven der handelingen. Tegen dezen
invretenden kanker baat geen ander geneesmiddel dan eene radikale
omwenteling. Zelfs indien de zoogenaamde hervorming der civiele dienst
inderdaad de vruchten zou dragen, die kwakzalvers en bedriegers het
lichtgeloovige volk diets maken, dan nog zou zij niets vermogen. De
kwaal is chronisch; om haar te overwinnen, zou men de toevlucht moeten
nemen tot wat de geneesheeren eene heroïeke behandeling noemen.

"Diefstal der voor onvoorziene uitgaven bestemde gelden in alle takken
van het staatsbestuur, is nog maar een zeer klein onderdeel van het
roofstelsel, dat, te beginnen met het congres, in alle afdeelingen
en kringen der regeering is doorgedrongen en aangenomen. Senatoren
en volksvertegenwoordigers maken zich door zulke _contingencies_ van
zeer aanzienlijke sommen meester: en dit den volke ontstolen geld
wordt dan in brasserijen verspild, waarvan men vroeger zelfs geen
denkbeeld had. Honderdduizende dollars worden ieder jaar op zulke wijze
weggeworpen. Dit misbruik heeft, zooals, in den aard der zaak ligt,
vele andere misbruiken en liederlijke praktijken in het leven geroepen:
zoo is de gansche wetgevende macht veil en omkoopbaar, de _jobbery_
(schacherij, oneerlijkheid) tot een erkend handwerk geworden. Wie
in dezen wedstrijd van gemeen-vulgaire pralerij wil mededoen, moet
noodwendig over geld, veel geld, kunnen beschikken; en heden ten dage
doet het er volstrekt niets toe, _hoe_ men aan geld komt.

"Dit voortwoekerend bederf heeft nog andere noodlottige resultaten
opgeleverd, die niet minder verontrustend zijn. Gedurende den (zeer
ten onrechte dus genaamden) opstand, werd de proef genomen, om in
sommige takken van de staatsdienst ook vrouwen aan te stellen. Men
deed dit, eensdeels om voor daartoe bekwame personen een geschikt
veld van werkzaamheid te openen; anderdeels om de vrouwen en dochters
van in den krijg gesneuvelde militairen een middel van bestaan te
verzekeren. Zoowel het een als het ander was loffelijk en goed, en de
proef slaagde volkomen. Maar tegenwoordig is ook hierin een schandelijk
en ergerlijk misbruik welhaast regel geworden. Zoodra het congres
omtrent dit punt bepalingen begon te maken en nieuwe betrekkingen voor
vrouwen in het leven te roepen, viel het niet moeilijk te voorzien
wat er geschieden zou--en dan ook werkelijk gebeurd is.

"Vele verstandige, ontwikkelde vrouwen, die iederen fatsoenlijken
kring tot sieraad zouden strekken, verdienen aldus op eerlijke
wijze haar brood in de verschillende regeeringsbureaux. Voor sommige
betrekkingen zijn zij beter geschikt dan mannen, maar worden toch niet
zoogoed betaald als dezen. Doch nevens deze brave en achtenswaardige
vrouwen en meisjes heeft zich nu een ander element ingedrongen, welks
tegenwoordigheid voor haar eene beleediging, voor de staatsdienst
een smaad en schande, en voor het openbaar geweten een ergerlijk
schandaal is. Het is toch van algemeene bekendheid, dat senatoren,
volksvertegenwoordigers en ambtenaren deze voor brave en eerlijke
vrouwen bestemde betrekkingen wegschenken aan liederlijke schepsels,
die bovendien geheel ongeschikt zijn voor het werk, waartoe zij
geroepen worden. Het is eene schande, zulke personen eene plaats
naast de anderen aan te wijzen. Hier baat niet de armzalige uitvlucht,
dat de aanstelling aan eene vergissing, een misverstand moet worden
toegeschreven. Leden van het congres hebben, in grooten getale,
hunne bijzitten gepensioneerd: dat wil zeggen, de schatkist moet
deze personen betalen, ofschoon zij geheel ongeschikt zijn, de
haar toevertrouwde betrekkingen behoorlijk waar te nemen. Hoogere en
lagere ambtenaren, die posten te vergeven hebben, volgen dit voorbeeld
ijverig na.

"Betrof het hier nu slechts uitzonderingen, dan zou men, hoe
afkeurenswaardig dergelijke handelwijze ook steeds moge zijn, toch
des noods veel door de vingers kunnen zien. Maar de bewijzen zijn
voorhanden, dat het kwaad ontzaglijke proportiën heeft verkregen, en
dat elk departement der bondsregeering daardoor is aangetast. Wanneer
alle bijzonderheden aan het licht werden gebracht, en de volle
waarheid bekend gemaakt, dan zou het land zich ontzetten over
deze ergerlijke misbruiken, over den omvang, dien het kwaad reeds
bereikt heeft; en vooral ook daarover, dat zoovele lieden, die zich
bij voorkeur voor _christelijke_ staatslieden uitgeven, met dit
euvel in zoo ruime mate zijn besmet. In vele afdeelingen, waarvan de
chefs voor mannen van strenge zeden doorgaan en zeer getrouw de kerk
bezoeken, worden gewichtige posten toevertrouwd aan vrouwspersonen,
wier onzedelijk gedrag van algemeene bekendheid is; anderen, wier
reputatie niet beter is, danken hare plaatsing in de bureaux aan den
veelvermogenden invloed harer _vrienden_ in het congres of de hoogere
regeeringskringen. Dit openbaar schandaal komt niet uitsluitend ten
laste van eene enkele partij, de radikaal-republikeinsche: ook de
zoogenaamde Grant-demokraten--zooals de omkoopbare medeleden der
demokratische partij worden genoemd--hebben hunne bijzitten in de
staatsdienst eene plaats bezorgd.

"Alles wordt tot koopwaar en handelsartikel verlaagd. De bondsregeering
moet zich de noodige gelden verschaffen ter bestrijding zoowel van
de loopende gewone uitgaven, als ook voor onvoorziene gevallen
(_contingent approbations_). Zij beijvert zich mitsdien om door
weldaden de gunst te winnen van de invloedrijke leden van het congres,
en vergeet natuurlijk ook hare demokratische partijgenooten niet. Het
gevraagde geld wordt toegestaan; daaronder zijn dan ook traktementen
voor klerken begrepen en eene zekere som voor buitengewone beambten,
die door den staatssecretaris tijdelijk kunnen worden aangesteld:
welke aanstelling echter in de praktijk met eene definitieve benoeming
gelijk staat. Dan laat een of ander achtenswaardig congreslid eene,
of soms ook wel twee of drie, zijner concubines, in de bureaux der
verschillende departementen benoemen. Weduwen en weezen van in den
krijg gesneuvelde militairen worden barsch afgewezen; winstgevende
betrekkingen sinds lang alleen aan geschandvlekte vrouwspersonen
weggeschonken, die in overdadige weelde zwelgen en op de openbare
wandelingen en andere publieke plaatsen pronken met hare schitterende
pracht, die door liederlijkheid is verworven, en die door het volk
moet worden betaald."

Zoover de washingtonsche correspondent van het te New-York
verschijnende dagblad de _Sun_. Maar hij is op verre na de
eenige niet, en niets zou gemakkelijker vallen dan dergelijke
getuigenissen te vermenigvuldigen. In den vorigen winter werd, in
eene vergadering te Boston, de vraag behandeld, of met het oog op de
algemeene verbastering van het openbare leven, op de omkoopbaarheid,
die zoowel het congres als bijna alle wetgevende vergaderingen
der afzonderlijke staten kenmerkt; op de niet minder ergerlijke
omkoopbaarheid van een groot aantal rechters en leden der jury; op
de bedriegerijen en vervalsching bij de stemmingen, en op de bijna
algemeene verwildering der zeden;--of, met het oog op dit alles,
de republikeinsche regeeringsvorm in de Vereenigde-Staten geacht kon
worden, nog eene toekomst te hebben? Reeds nu was de republiek, in
zekere mate, tot een centraliseerend despotisme geworden, en waren de
partijen jammerlijk ontaard en verbasterd; van de goede traditiën uit
de dagen van Washington en Jefferson was zelfs geen spoor meer over.

In verband hiermede, verdient zeker de verklaring van het te New-York
verschijnende _Daybook_ (van 28 Juni 1873) de aandacht. "Is het
volk over het algemeen niet reeds te diep gezonken, om nog door
eenige regeering gered te kunnen worden, tenzij dan door de absolute
monarchie? Eene constitutioneele monarchie zou niet baten. Men mag
wel zeggen dat de rol der republiek is uitgespeeld, nu het bederf
zoo algemeen is en zoo schrikbarende hoogte heeft bereikt, en door de
monarchalen van Europa met alle recht op ons, als op een afschrikkend
voorbeeld, gewezen wordt."

De voorzitter van Yale-College,--een der aanzienlijkste hoogescholen
in de Vereenigde-Staten te New-Haven, in den staat Connecticut;--de
heer Woolsey, richtte in Juni l.l. eene toespraak tot zijne studenten,
en zeide daarin, onder anderen, het volgende: "Sedert het einde van
den oorlog zijn tweemaal zooveel jaren verloopen als de oorlog geduurd
heeft, en tegenwoordig heerscht allerwege eene corruptie, waarvan in
de geschiedenis onzes volks geen voorbeeld te vinden is:--corruptie der
openbare beambten, corruptie in de partij, die zich gedurende den krijg
door 'loyauteit' kenmerkte; wij zien bondgenootschappen aangeknoopt met
beginsellooze mannen, ter bereiking van zelfzuchtige partij-oogmerken;
eene koortsachtige speculatiewoede, eene immer toenemende reeks van
misdaden. Familiezin en reinheid van het familieleven zijn hand over
hand afgenomen, en in de plaats daarvan woekert eene demoralisatie
voort, die voor het allerergste vreezen doet."

Eindelijk willen wij eenige zinsneden aanhalen uit een artikel van
eene duitsch-amerikaansche courant, de _California-Staatszeitung_,
bij gelegenheid van de viering der onafhankelijkheidsverklaring,
op den 4den Juli 1873. Aan het hoofd harer beschouwingen plaatst zij
dezen tekst: "Het huis mijns Vaders zal een huis des gebeds genaamd
worden, maar gij hebt het tot een moordenaarskuil gemaakt"; en zegt
dan, onder andere, het volgende:

"De schoone dag der vrijheid, waarop eene groote natie geboren werd,
is tot een dag van rouw en droefenis geworden, waarop wij onze
hoofden met asch bestrooien moeten, en in bedevaart optrekken naar
de graven dergenen, die ons een roemrijk en kostbaar erfdeel hebben
achtergelaten, dat nu in onze regeeringskringen voor een schotel
linzen wordt verkocht.

"Wat zien wij toch heden ten dage? Wij zien het algemeene stemrecht
des volks tot eene komedie gemaakt of rechtstreeks geschonden door
bedriegerij, omkooping en geweld. Wij zien het dusgenoemde souvereine
volk veel minder in het bezit zijner rechten, dan onder de monarchale
constitutiën. Wij zien de wilde jacht naar rijkdom en genot, overal
de plaats innemende van eerlijkheid en burgerdeugd. Wij zien de
regeering in handen van zelfzuchtige intriganten en diep verdorven
coteriën. Wij zien het volk geplunderd, en zijne vrijheid vertrapt
door fanatieke kwakzalvers. Wij zien de hoogste staatsdienaars aan
de spits der dieven en plunderaars. Wij zien, hoe in de wetgevende
vergaderingen de wildste hartstochten, de meest schaamtelooze corruptie
het onhebbelijkste egoïsme openlijk haar gruwelijk spel spelen, en
onderdrukking der vrijheid het voornaamste streven is. De hoofdplaats
des lands is tot een tweede Babel geworden, waar men moedwillig de
oogen sluit voor het _Mene Tekel_, dat de genius der geschiedenis
reeds bezig is te griffelen aan de marmeren wanden van de paleizen des
overdaads, waar lichtekooien en gewetenlooze zwendelaars de schatten
des volks verspillen, en alles wordt medegesleept in den wilden roes
der liederlijkheid."

Mogen bovenstaande aanhalingen wat sterk gekleurd zijn, zij bewijzen
nogtans dat de Nieuwe Wereld, ook binnen haar eigen gebied, niet als
een modelstaat wordt geoordeeld.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Reize in Taka (Opper-Nubië) - De Aarde en haar Volken, 1873" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home