Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Van Orenburg naar Samarkand - De Aarde en haar Volken, 1873
Author: Anonymous
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Van Orenburg naar Samarkand - De Aarde en haar Volken, 1873" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                 VAN ORENBURG NAAR SAMARKAND.



Centraal-Azië trekt in onze dagen de aandacht van allen, die niet
alleen belang stellen in hetgeen in hunne onmiddellijke nabijheid
gebeurt, maar ook in wat daar geschiedt en zich voorbereidt in
gindsche verwijderde landstreken, vanwaar reeds meer dan eenmaal
eene beslissende omwenteling in de wereldhistorie is uitgegaan. De
uitbreiding der russische heerschappij in deze onmetelijke,
zoo weinig bekende landen van Midden-Azië is een feit van zeer
groote beteekenis, waarvan de gevolgen zich eerst langzamerhand,
wellicht eerst na betrekkelijk langen tijd, in hun vollen omvang
zullen openbaren. Wat hier ook van zij: in ieder geval worden deze
streken, reeds door historische herinneringen en eigenaardigheid van
volksleven en ontwikkeling veelszins merkwaardig, tengevolge harer
inlijving in het groote russische rijk, ook onzer europeesche wereld
nader gebracht. Onze lezers zullen dan ook zeker met belangstelling
kennisnemen van het boeiende reisverhaal van een Rus, Basilius
Wereschagin, met wien wij reeds vroeger kennis maakten.



I.


Orenburg biedt niet veel bijzonders; de stad onderscheidt zich van
andere russische steden alleen door haar half-tartaarsch voorkomen,
waardoor zij u aan Kazan denken doet. Hare torens, hare minarets,
eenige moskeeën geven haar iets eigenaardigs. Reeds zoodra ge de
straten van Orenburg betreedt, treft u het oostersche karakter der
stad, die dan ook trouwens in het Oosten ligt, op de uiterste grenzen
van Europa en Azië. Wat zonderlinge, scherpgeteekende figuren,
wat afwisseling van kostumen! Hier ziet ge een russisch soldaat,
behoorlijk naar alle regelen gedrild; daar een Kozak van den Oeral,
die tucht noch wet kent. Ginds, een man uit Bokhara, met een langen
baard, een statig en ernstig voorkomen, en met een reusachtigen
tulband op het hoofd, waarvan het doek, zoo het losgewonden werd,
zeker eene lengte van tien of twaalf el zou hebben.

Op ongeveer vier wersten afstand van Orenburg staat een groot gebouw,
dat wel een bezoek waard is. Dit is de zoogenaamde Beurs: de algemeene
verzamelplaats der nomaden van geheel den omtrek, die hier van alle
kanten samenkomen, somwijlen vanzeer ver, te paard of op kameelen,
meestal alleen, maar soms ook met hunne gezinnen. Zij brengen koeien,
ossen, schapen, allerlei soorten van vee mede; zij hebben ook vilt,
wol en huiden bij zich, om die te verkoopen of te ruilen tegen
houten huisraad, brood, vaatwerk en meer dergelijke artikelen van
dagelijksch gebruik.

Omstreeks den middag heerscht de grootste drukte op deze Beurs;
het gedrang en gejoel doet u hooren en zien vergaan; koopers en
verkoopers schreeuwen en roepen om het hardst, ook al staan zij vlak
naast elkander. Alles loopt en dringt en duwt en woelt en krioelt
door elkander; men biedt en looft, men kijft en klapt in de handen:
dit alles veroorzaakt een rumoer, waarvan een vreemdeling zich
bezwaarlijk een denkbeeld vormen kan. Deze Beurs of bazar is een zeer
groot vierkant gebouw, met eene ruime binnenplaats in het midden;
langs de vier zijden bevinden zich de winkels, die op de binnenplaats
uitkomen, en daartegenover andere; winkels, welke een tweede gebouw,
midden op de plaats verrijzende, innemen. Op diezelfde binnenplaats
nabij de poort, die van den weg naar Orenburg toegang tot den bazar
geeft, staat eene kleine moskee, en daarbij eene russische kapel.

De kooplieden die dezen bazar bezoeken, behooren tot verschillende
nationaliteiten. In de eerste plaats ontmoet men onder hen Russen,
Bokharen en Kokhandsjis, dat wil zeggen, inwoners van het khanaat van
Kokhand. Voorts Tartaren, Bashkiren, Kirghisen, enz. Al deze kooplui
zitten met gekruiste beenen op den grond, naast hunne koopwaren,
die op een hoop liggen. Deze waren zijn van verschillenden aard:
vooreerst allerlei soorten van kleedingstukken, wollen en andere
stoffen, en vooral tsjapans of kamerjaponnen van allerlei grootte,
kleur en prijs. Dit kleedingstuk heeft langs de grenzen ontzaglijken
opgang gemaakt; iedere russische werkman of kleinhandelaar draagt
het geregeld; de inboorlingen, zegt men, leggen hun tsjapan nooit
af. Nevens dit artikel, dat in bijna ongeloofelijke hoeveelheid aan de
Beurs verhandeld wordt, vindt ge in de winkels eene menigte voorwerpen
van vilt; voorts snuisterijen, sieraden van glas of metaal, om de
begeerlijkheid der vrouwen op te wekken, en meer andere artikelen.

Kirghisische vrouwen, met hooge witte tulbanden op het hoofd, voor hare
kleine wagentjes gezeten, verkoopen _koumis_ aan hare klanten. Daar ik
dien drank nog niet kende, wilde ik hem proeven. Hij was veel minder
sterk dan ik gedacht had, maar daarentegen zeer zuur. Echter moet ik
er bijvoegen dat de koumis, waarin deze dames handelden, misschien
voor de helft met schapenmelk was aangelengd. Dat is dan ook de echte
drank niet, waarvoor steeds paarden- of kameelenmelk wordt gebruikt.

Nabij den ingang van den bazar ziet men ter wederzijde eene lange
dubbele reeks van kleine winkels, waarin handelaars in tabak, in
messen, knoopen en allerlei huiselijke gereedschappen, hunne waren
hebben uitgestald. Hier zijn gekleurde palen voor tenten te koop;
ginds grafzerken, met schreeuwende kleuren beschilderd; nog verder
verdringt zich eene kudde runderen of schapen, en om de dieren krioelen
koopers, verkoopers en toeschouwers bont dooreen. Daar, verder op,
ziet ge ontzaglijke hoopen wol:--de koopman is bezig, de natte wol
uit te zoeken en van de droge af te zonderen; dan, nogmaals schapen,
koeien, paarden; dan weer Russen en Kirghisen, die graan en meel
afwegen: de Rus biedt zijne waar te koop aan, de Kirghise voorziet
zich van den noodigen voorraad, om dien straks op zijne kameelen te
laden, en met zijne korenzakken naar zijne vilten tent of _kibitka_
terugtekeeren, misschien meer dan honderd mijlen ver in de steppen.

Tijdens mijn verblijf te Orenburg kwam ik in aanraking met een
gewichtig personage: een gezant van den emir van Bokhara, die
namens zijn meester over den vrede kwam onderhandelen. Zijn gevolg
was zeer gering: gelukkig trouwens, want zijne hoogheid de emir
had hem geen penning voor de reis gegeven. Hij zou dan ook van
honger zijn omgekomen, indien het russische gouvernement hem geene
tegemoetkoming van acht roebels per dag, dat is ongeveer zestien
gulden, had toegelegd. Zijne excellentie leefde nu zeer zuinigjes,
en verteerde voor zich en zijn gevolg niet meer dan twee roebels
per dag: hetgeen hem eene zuivere winst opleverde van zes roebels in
een etmaal. Ik moet echter daarbij voegen, dat het gezantschap voor
rekening van de russische regeering gehuisvest was, en dat de heeren
diplomaten zeer sober leefden van _plove_ (pilau) en thee. Na een
verblijf van twee-en-een-halve maand te Orenburg, kon de gezant van
den emir over eene tamelijk welgevulde beurs beschikken, en begon hij
zichzelf geschenken te geven: tshapans, een horloge, een speeldoos
en andere zeldzame gewrochten der westersche beschaving.

Voor mijn vertrek schafte ik mij een tarantasse aan, een soort van
zeer eigenaardige calèche: het rijtuig heeft de gedaante van een
korf of wieg, en is ook evenzoo luchtig gevlochten. De Orenburgers
gebruiken de tarantasse voor toertjes door de stad en den omtrek;
maar waarschijnlijk was ik wel de eerste, die met dit brooze rijtuig
een tocht ging ondernemen van twee duizend wersten over meestal
onbegaanbare wegen. Nadat ik mijn mand had volgepakt met alle
voorwerpen, die een kunstminnend toerist onmisbaar zijn--papier,
portefeuilles, draagstoel, parasol, instrumenten--bemerkte ik dat
er voor mij zelf nog maar een zeer klein plaatsje in de tarantasse
overschoot. Toch, hoe bekrompen en ongemakkelijk ook gezeten,
verliet ik Orenburg in mijn licht rijtuigje, en sloeg den weg in
naar Centraal-Azië.

De tocht van Orenburg naar Tasjkend is eene ware marteling! Toch is de
weg goed (nu en dan zandig) en tamelijk gelijk. Maar er komt geen einde
aan de haspelarijen, plagerijen en moeilijkheden van allerlei aard,
die u telkens uw geduld doen verliezen. Bij iedere halt is het eene
nieuwe ruzie met den chef van het station; onderweg ligt ge voortdurend
overhoop met de iamtshiks of postillons; aan paarden, wagen en tuig
is steeds iets defect, dat gedurig herstelling vordert. In één woord,
de geheele dienst is ellendig.

Van Orenburg tot Orsk is de weg goed; ook zijn hier de stations goed
ingericht. De dorpen en vlekken, die ge op uw weg ontmoet, worden
half door Kozakken, half door Tartaren bewoond: goede, brave lieden,
met wie de reiziger gaarne te doen heeft, en die hem bereidwillig
dienst bewijzen. Van de Kirghisen kan ik dit niet getuigen.

Orsk is niet eene dier steden, die reeds op het eerste gezicht
een aangenamen indruk maken. Men ziet er niets dan lage, half
ingestorte huizen. Zij ligt aan de samenvloeiing van de rivieren de
Oeral en de Or, de eerste van het noorden, de andere van het zuiden
komende. Evenals aan de andere stations, bestaat er wel eenige kans
dat gij een _samovar_, theeketel of bouilloir, en meer of minder
drinkbaar water krijgen kunt,--en dan nog! Maar wat ge in de eerste
plaats noodig hebt: paarden,--daar ontbreekt het aan.

Gij komt aan het station: er is niemand. Gij roept: er verschijnt
niemand. Gij roept nog eens en luider: geen antwoord. Wat te
doen? Wachten. Zoo wacht ge dan. Eindelijk verschijnt, ge weet niet
vanwaar, een Kirghise. Natuurlijk vraagt hij u, wat gij verlangt?

"Wat ik verlang? Paarden, natuurlijk!

"Paarden? Er zijn hier geen paarden."

Dat is het onvermijdelijke antwoord. Echter laat ge u niet zoo
afschepen.

"Maar wanneer kan ik ze dan krijgen?

"Morgen."

"Morgen! Dat ziet er mooi uit!"

Toch is dat gebrek aan paarden dikwijls maar voorgewend. Weet ge
het zoo aan te leggen, dat men u voor een officier of althans voor
een ambtenaar aanziet, dan is het best, tegen ieder uit te varen
en geen dreigementen te sparen. Herkent ieder in u den eenvoudigen
burgerman, dan schiet er niet anders over, dan in den zak te tasten. De
ontbrekende paarden komen dan ook weldra voor den dag. Meen echter
niet, dat ge nu uwe reis kunt vervolgen. Niet zoo haastig! Er ontbreekt
of hapert altijd iets, hetzij aan de teugels, hetzij aan het tuig,
hetzij aan den wagen, of wat dan ook. Toch is de uitrusting hoogst
eenvoudig. Het middelste paard heeft niets meer dan een halsband,
een zadel en een buikriem; de beide andere paarden stellen het met
een eenvoudigen vilten halsband en een paar riemen.

Is eindelijk alles klaar, dan komt het oogenblik van vertrekken. Geene
kleinigheid! De paarden der steppen zijn niet gewend aan het gareel;
als zij voorgespannen worden, steken zij onrustig de ooren op, snuiven
en trappelen en geven alle teekenen van ongeduld. Maar aan alles
komt een einde; de zweep zal nu het sein geven. "Ga zitten!" roept
de iamtshik u toe. Gij gaat zitten, met vreezen en beven. De wilde
paarden der steppen steigeren en schudden den kop; zij springen ter
zijde; zij breken de touwen en slaan den boom tot splinters! Dan
begint alles weder van voren af aan. Ten langen laatste zijt ge toch
op weg; nu gaat het voort, in vliegenden ren; maar telkens moet ge
halt houden, zonder dat ge met mogelijkheid bevroeden kunt waarom:
dit is het geheim van den koetsier, die geheel zijne eigene luimen
volgt. Al de iamtshiks, Russen zoowel als Kirghisen, schijnen
er bovendien vermaak in te vinden, hun zweep te laten vallen; ge
moet zoo telkenmale stilstaan, om die op te rapen. En dan--nu eens
breken de touwen, dan gaan de riemen los. Wee u, zoo ge de taal der
Kirghisen niet verstaat. Uw postillon, een halve wilde, heeft geheel
en al vergeten, dat hij op een rijtuig zit; hij denkt dat hij te
paard rijdt: hij ranselt zijne dieren op de onbarmhartigste wijze;
hij zit geen oogenblik stil; hij schopt met geweld tegen den wagen;
hij schreeuwt en gilt, en stelt zich aan als een bezetene.

Te Orsk begint de steppe, maar zij heeft nog niet dat doodsche
voorkomen, dat haar verderop eigen is. De grond is nog met hoog gras
begroeid; nu en dan ziet ge op kleine heuvels eenige winterdorpen der
Kirghisen, want deze nomaden hebben bereids hunne zomerkampementen
verlaten. Die halve wilden zijn niet allen herders; velen onder hen
houden zich in deze streek met graanbouw bezig; het brood is hier
dan ook buitengewoon goedkoop. De Kirghisen, die dit gedeelte der
steppe bewonen, staan onder de bevelen van een hoofdman, die te Orsk
woont, en op zijne beurt ondergeschikt is aan een districtshoofd,
te Orenburg gevestigd.

Wij zijn in het midden van September: overdag is het warm, maar
des nachts en in den morgenstond vriest het, en ondanks mijn pels
van schapenvacht zit ik dan te rillen van koude. Op den middag
daarentegen druppelt mij het zweet langs het gelaat. Zoo is het
klimaat der steppen, buitensporig zoowel in warmte als in koude.

Voort gaat de tocht; ik heb nauwelijks den tijd, eenige aandacht te
wijden aan de Kirghisen van deze woestijn, die deel uitmaken van de
Kleine-Horde, en weinig verschillen van hunne broeders der Groote-Horde
en der Middelste-Horde, van wie ik later spreken zal. Somwijlen
ontmoeten wij troepen kameelen, dikwijls bij honderden te gelijk. Op
het geklingel van de bellen onzer paarden, wenden zij hunne koppen
naar ons om, en volgen ons langen tijd als met aandachtigen ernst met
hunne nieuwsgierige blikken. Men weet hoe schuw deze voortreffelijke
dieren zijn. Het gebeurt wel eens, dat wij hen te dicht naderen: dan
vluchten zij in galop, naar alle kanten, met den staart in de lucht,
als verschrikte koeien. Niets is grappiger, dan zulk een tooneel. Met
zijne korter voor- dan achterpooten, maakt de kameel, als hij draaft
of galoppeert, een allerzotst figuur. In de vlakten van Orenburg ziet
men meer tweebultige kameelen dan dromedarissen; de reden hiervan moet
gezocht worden in de meerdere kostbaarheid der dromedarissen. Deze
laatsten zijn duurder dan de kameelen, maar kunnen ook eenige dagen
achtereen voedsel en drank ontberen, terwijl de kameel na verloop
van twee à drie dagen uitgeput is; bovendien is deze ook niet zoogoed
tegen de kou bestand; men vindt hem dan ook eerst verder zuidwaarts,
naar de zijde van Bokhara. In de karavanen, die wij ontmoetten, wees
men mij eenige dromedarissen, grooter en sterker dan de anderen:
zij behooren tot het ras, dat in Khiwa gevonden wordt.

De kameel is zeer gevoelig voor muziek: fluiten en zingen boeit
dadelijk zijne aandacht; zelfs als hij graast houdt hij, zoodra een
of andere toon hem treft, dadelijk op, steekt zijn kop in de hoogte,
en kijkt aandachtig naar de zijde vanwaar het geluid komt. De ruwheid
van de bewoners der steppe blijkt wel het meest in de wijze, waarop zij
deze zoo nuttige, ja voor hen onmisbare dieren behandelen. Voorzeker
worden, ook in andere landen, de kameelen niet vertroeteld, maar zij
worden toch niet zoo onbarmhartig behandeld als hier. Zoodra de kameel
zijn tweede jaar is ingetreden, doorboren de Kirghisen hem den neus en
steken een stokje in de opening, waaraan het touw wordt vastgemaakt,
dat als toom dient. Dit touw wordt dan doorgaans gehecht aan den
zadel van den ruiter, die aan de spits der karavaan rijdt; het arme
dier kan dus geen misstap doen, of ook zijn tred een weinig vertragen,
zonder dat zijn neus wordt opengereten, en het bloed hem langs den bek
vloeit. Somwijlen gebeurt het, dat door het voortdurend trekken en
rukken, het koord breekt, of de neusvleugels worden afgescheurd. In
elke karavaan zag ik verscheidene kameelen, die hevig uit den neus
bloedden; bij sommigen was een gedeelte van de bovenlip afgescheurd
of hing er bloedend bij.--Een goede kameel met twee bulten is tusschen
de zestig en honderd gulden waard; een goed paard kost zestig gulden;
een minder goed, dertig tot veertig gulden. Men moet zeker niet uit
het oog verliezen, dat de paarden der steppen bijna geheel wild zijn;
vandaar de moeilijkheid om zich van paarden voor rijtuigen te voorzien,
ondanks den lagen prijs en de voortreffelijke eigenschappen der paarden
zelf. Zij zijn van kirghisisch ras, klein en niet mooi, maar sterk en
taai; zij blijven het gansche jaar in de wei; des winters verwijderen
zij de sneeuw met hunne hoeven, om het bevroren gras der steppen te
kunnen bereiken.

Tusschen Orsk en Tasjkend liggen verscheidene russische forten, die
niet alleen de veiligheid op den weg moeten verzekeren, maar ook de
orde in het omliggende land handhaven. Het eerste fort, dat ge op uw
tocht ontmoet, is dat van Karaboutagh, schilderachtig aan den oever
eener beek gelegen; het klimaat is ondragelijk. Verderop ligt het
fort Oeral. Deze beide vestingen zijn tusschen 1840 en 1850 gebouwd,
en worden door Kozakken-familiën bewoond. Het oprichten van deze en
nog vele andere forten was een zeer verstandige maatregel, waardoor
een einde werd gemaakt aan de telkens herhaalde strooptochten der
roofbenden uit Khiwa, die ieder jaar tusschen de twee- en driehonderd
Russen als krijgsgevangenen wegvoerden. Van het fort Oeral tot aan de
rivier de Sir-Darja, vindt men slechts open dorpen; de rivier opvarende
komt men achtereenvolgens voorbij het fort Kazali, in officiëelen
stijl fort Nommer I; dan voorbij fort Nommer II; het fort Perowski;
het fort Dsjoelek; eindelijk langs de versterkte steden Turkestan,
Tsjemkend en Tasjkend.

Als gij het fort Oeral verlaten hebt, begint de eigenlijke steppe,
de naakte vlakte zonder een spoor van plantengroei. Tevens houden de
stations op, om vervangen te worden door tenten. Voorbij Djalangatshe
moet de reiziger zijn intrek nemen in eene kibitka, zoogoed mogelijk
door een veld van biezen tegen den wind gedekt. Gelukkig heeft men
tegenwoordig althans niets meer te maken met de Khirgisen. Kozakken,
tot de bezetting der forten behoorende, zijn belast met de zorg om de
reizigers bij hunne aankomst aan de stations te ontvangen, en alles
in gereedheid te maken voor hun vertrek. Sommigen van deze Kozakken
verstaan en spreken de taal des lands, en dienen als tolken tusschen
Orenburg en Tashkend.

Dicht bij het station van Térekti, op korten afstand van de heirbaan,
ontmoetten wij voor het eerst eene kirghisische _mazarka_, dat wil
zeggen, een graf. Eerst sedert drie jaren was dit monument opgericht,
en wel door Koun-Spaï, een rijken Kirghise. Het grafteeken bestaat uit
een plompen zwaren koepel, rustende op een vierkanten onderbouw, van
omstreeks vier el hoogte. Het geheele gebouw is uit leem opgetrokken,
zonder dat daarbij een enkele steen is gebruikt. Eene smalle en
lage deur geeft toegang tot het inwendige, dat drie graven bevat,
overvloedig met ornamenten versierd; ruwe en onbeholpen schilderijen
bedekken den wand: afbeeldingen van wapenen, paarden, karavanen,
kameelen, meer of minder duidelijk geteekend. Langs den geheelen weg
zagen wij eene menigte van zulke graven.

Intusschen gaan wij altijd voort naar het zuiden; de steppe wordt
gaandeweg minder naakt en doodsch. Wij ontdekken eerst eenige
struiken, dan eene bochtige oeverlijn, eindelijk een breeden band van
donkerblauw water: wij hadden den oever van het meer Aral bereikt, op
vijf-en-tachtig kilometer afstand van het fort Kazali. De heirbaan
volgt slechts even den zoom van dit groote meer. Op den oever
zaten en stonden groote vogels, zwart op den rug, wit aan den buik;
meeuwen vlogen of zwommen op het water; gansche scharen van eenden
spartelden en kwaakten in de kleine baaien en inhammen langs de kust:
een levendig en toch eentonig somber landschap.

Het station Akdjoulpace ligt vlak aan het meer Aral, op een droog en
zoutachtig terrein, dat vroeger door de wateren dezer binnenzee werd
overdekt, die steeds in omvang afneemt, en ongetwijfeld spoedig geheel
zou zijn uitgedroogd, indien niet twee zoo aanzienlijke rivieren als
de Sir-Darja en de Amoe voortdurend hare schatting aan het groote
meer brachten.



II.


Toen ik aan het fort Kazali of Kazalgue--of zoo ge liever wilt, het
fort Nommer I,--aankwam, mistte het zoo sterk, dat ik bijna geen hand
voor de oogen zien kon. Nader komende onderscheidde ik eerst eenige
windmolens, en daarna ettelijke kleine, lage huizen. Kazali ligt aan
den rechteroever van de Sir-Darja; de huizen van het vlek zijn uit
tichelsteenen opgetrokken, die in de zon zijn gedroogd. Zij doen
u denken aan de arme boerenwoningen in zuidelijk Rusland, met dit
onderscheid alleen, dat hier de daken plat zijn. De bazar is ruim en
goed ingericht: hier is de algemeene verzamelplaats der Kirghisen van
den omtrek, die russische artikelen komen inkoopen of hun vee te koop
aanbieden. De liefhebbers zullen zeker met belangstelling vernemen,
dat de kaviaar te Kazalgue voortreffelijk is: zij zou inderdaad
onvergelijkelijk zijn, zonder de slechte hoedanigheid van het zout,
dat bij de bereiding gebruikt wordt.

Het fort Nommer I is het punt van uitgang der stoombooten, die
de Sir-Darja bevaren. Bevaren is eigenlijk wat veel gezegd: die
booten toch sukkelen met groote moeite op de rivier voort, zonder
dat men eigenlijk weet waarom het zoo slecht gaat. Ligt de schuld
bij den scheepsbouwmeester, of wel bij de gedurige veranderingen,
waaraan het bed en de stroom van de rivier bloot staan? Misschien
hebben beiden deel aan dien toestand: maar hoe dit zij, zeker is
het dat de stoomvaart op de Sir-Darja in een jammerlijken toestand
verkeert, en dat daarin geene verandering is te wachten, zonder eene
afdoende verbetering van het bed der rivier zelf:--een werk, dat zeer
aanzienlijke sommen vereischen zou.

Twintig wersten van Kazali liggen de bouwvallen der stad Djanekent
aan den linkeroever van de Sir-Darja in de nabijheid van een meer. Ik
wenschte een uitstapje daarheen te maken, en vroeg en verkreeg daartoe
vergunning van den kommandant van het fort, den majoor Youry, die
mij zelf paarden verschafte en een gids medegaf, een Kozak, die de
turksche taal verstond. Zoo uitgerust toog ik dadelijk op weg naar
Djanekent. Wij volgden eenigen tijd de oevers van de Sir-Darja, tot
wij, bij eene bocht der rivier gekomen, rechts afsloegen. De weg was
zeer druk en levendig. Kirghisen trokken voortdurend heen en weder;
sommigen te paard, anderen op een kameel; enkelen, nederiger van
aard, zaten op een ezel; ik ontmoette er zelfs eenigen, die op een
os reden. Deze Kirghisen gingen naar het fort om schapen en runderen
te verkoopen, en zich in ruil daarvoor de noodige voorwerpen aan
te schaffen voor hunne kibitka. Langs den weg zag ik verscheidene
kleine kampementen van arme nomaden, die voor hun mager vee in deze
dorre streek een schraal voedsel zochten. Ik trad enkele dezer tenten
binnen: hier waren de vrouwen bezig de schapen te scheren, elders
zuiverden zij de wol, overal waren zij aan den arbeid, terwijl de
mannen niets uitvoerden. Bezochten wij eene kibitka, dan werden wij
steeds ontvangen met het traditioneele _aman tachar_ (ik groet u,
vriend). Zoo trokken wij langzaam voort in de richting van het veer
over de Sir-Darja, terwijl mijn Kozak mij eenige bijzonderheden
verhaalde omtrent den laatsten strooptocht van Sadike.

Sadike is de zoon van Kenissara, een van de onrustigste hoofden der
Kirghisen; en hij zelf is een niet minder lastige buurman. Hij zal
ons geen rust laten, zoolang zijn hoofd nog op de schouders staat:
en het laat zich niet aanzien, dat hij het spoedig verliezen zal:
de helden van zijne soort toch maken zich uit de voeten als het
gevaar nadert, en moeten zij bij ongeluk aan het gevecht deelnemen,
dan dragen zij wel zorg, op hunne vlugge paarden te vlieden, zoodra
zij zien dat de kans zich tegen hen keert.

Er liepen reeds sedert eenigen tijd onrustbarende geruchten. Sadike,
zoo heette het, rustte zich ten oorlog en had een aanslag op
Kazalgue in den zin. Reeds braken de meeste nomaden hunne tenten op en
verhuisden naar de overzijde van de Sir-Darja, want men wist zeergoed,
dat onze vriend alles uitplunderen zou wat onder zijn bereik kwam,
onverschillig of het vriend of vijand was. De kommandant van het fort
zond zeventig Kozakken van Orenberg op verkenning uit. Zeventig man
tegenover een duizendtal bandieten: de kans scheen hachelijk!

Toch zouden de Kozakken, indien zij maar den vijand onverhoeds
hadden aangetast, waarschijnlijk de zege hebben behaald; zij
zouden hem althans hebben tegengehouden en van verder voortdringen
afgeschrikt. Ongelukkig was het detachement niet genoeg op zijne
hoede. Niet ver van het fort, zetten onze soldaten zich neder om hun
eenvoudig maal van gort gereed te maken, terwijl een twintigtal hunner,
ongewapend, de paarden naar de rivier leidden om te drinken. Eensklaps
vertoonde zich de vijand, meer dan duizend man sterk, meer of minder
goed gewapend; velen alleen met lansen en pieken. Sedert langen
tijd had hij op zijne prooi geloerd. De Kirghisen wierpen zich op
de twintig manschappen, die op weg waren naar de rivier: en binnen
weinige oogenblikken waren genoegzaam allen vermoord. Twee of drie
Kozakken echter wisten zich te redden. Een ander, door een tiental
wilden achtervolgd, mikte, al vluchtende, nu op den een, dan op den
ander, en daar de ruiters der steppen er vooral niet op gesteld zijn,
den dood in de kaken te loopen, zou hij stellig ontkomen zijn, indien
hij niet bij ongeluk zijn patronen had laten vallen; voor het laatst
schoot hij nog eens zijn geweer af, en werd toen neergesabeld.

De vijftig mannen, die hunne gort kookten, waren getuigen van die
slachting, maar konden hunne makkers niet te hulp komen. Plotseling
overvallen, moesten zij in de eerste plaats op zelfverdediging bedacht
zijn. Zoodra de vijand de andere slachtoffers had geveld, sloot hij
ook hen van alle zijden in. Had hij zich aanstonds op hen geworpen,
zonder hun den tijd te laten zich op tegenweer voor te bereiden,
dan was er wel geen twijfel aan geweest of deze handvol Russen zou
spoedig bezweken zijn. Maar in plaats van aan te vallen, begonnen
de Kirghisen te overleggen wat te doen. De Kozakken grepen nu moed,
en vingen aan hunne positie te versterken. Met spaden, stokken en
hunne handen, groeven zij kuilen in den grond, waarin zij zich zoogoed
mogelijk verborgen; sommigen zetten zich daarin neder, anderen stonden
overeind, tot aan de borst of hooger gedekt. De uitgegraven aarde
vormde een soort van wal, waaraan met behulp van zadels, en allerlei
andere voorwerpen zooveel mogelijk stevigheid werd gegeven. De paarden
waren verloren: de Kirghisen hadden ze allen opgevangen. Inmiddels
viel de nacht en maakte een einde aan de vijandelijkheden.

Den volgenden morgen hervatten de zwervende zonen der steppe, onder het
aanheffen van woeste kreten, den aanval. De Kozakken gingen spaarzaam
om met hunne ammunitie: zij hadden slechts veertig patronen per hoofd,
en moesten zoolang mogelijk volhouden. Zij lieten dus den vijand
tot op korten afstand naderen, en losten dan hunne geweren op den
saamgepakten hoop: na iedere décharge waren de rangen der Kirghisen
gedund, en bleek de drift der aanvallers merkelijk bekoeld. Telkens
weken zij in groote verwarring terug, hunne dooden medevoerende,
wanneer zij daartoe den tijd hadden; maar des avonds lagen er nog
velen hunner aan den voet van den lagen wal, waar het doodelijk lood
hen getroffen had. Den volgenden morgen echter waren geene lijken
te zien: de Kirghisen waren des nachts, stil en heimelijk, tot nabij
den wal geslopen en hadden de lichamen hunner makkers weggevoerd.

Dit duurde alzoo drie dagen. Zonder spijs of drank, boden de Kozakken
met onbezweken moed een hardnekkigen tegenstand. Eindelijk trokken de
Kirghisen af. De Kozakken verbergden daarop hunne zadels in het zand,
en keerden, meer dood dan levend, naar het fort terug. De manschappen,
die op den weg naar de rivier waren gedood, werd het hoofd afgehouwen;
en hoogstwaarschijnlijk werden deze bloedige tropeeën, als de teekenen
eener schitterende overwinning op de russische legermacht behaald,
voor de voeten van den emir van Bokhara gelegd.

Intusschen vervolgden wij onzen weg, en kwamen weldra aan de tent, die
de plaats aanwijst, waar zich het veer over de Sir-Darja bevindt. Hier
is ook eene wacht van Kozakken, om te beletten dat de Kirghisen steenen
uit de puinen van Djanekent wegnemen. Met een groote pont werden wij
over de Sir-Darja gezet, in gezelschap van eenige kameelen, die lang
tegenspartelden eer zij in de schuit stapten, maar zich gedurende de
overvaart zeer rustig hielden.

Op den linkeroever gekomen, bevonden wij ons voor de vestingwerken van
Dsjan Kala, die nog vrijgoed in stand zijn gebleven. Zij bestaan in
aarden wallen, tusschen de vier en vier-en-een-half el hoog, met eene
gracht die nu gedempt is. Binnen die wallen is geen spoor van woning
te zien. Ten zuidoosten, op een afstand van ongeveer zes kilometer van
de rivier, ziet ge een grooten muur; een kilometer verder, verrijzen
eenige heuvelen, sommige met gras en struiken bedekt, andere geopend
en half afgegraven. Dat is het oude Djanekent. De Kirghisen hebben
onderscheidene heuvels omgewoeld, ten einde zich meester te maken van
de gebakken tichelsteenen, die daarin verborgen waren. Vreemd! Nu twee
of drie jaar geleden, vermoedde niemand iets van de aanwezigheid dier
steenen, bijna geheel in onbruik geraakt hier in dit land, waar alle
huizen en gebouwen uit leem en aarde worden opgetrokken. Men zag wel
hier en daar fragmenten van tichelsteen, maar niemand dacht er aan,
dat een zoo groote overvloed dier steenen in de met gras begroeide
heuvelen verborgen lag. Toch was bij de nomaden eene overlevering
bewaard gebleven, die van het bestaan eener groote stad in dezen
omtrek gewaagde; en dikwijls wezen zij den reiziger de eenzame
heuvelen, de overblijfselen van eene ongelukkige stad, die door de
slangen verwoest was. Volgens de traditie was deze stad eenmaal de
zetel van de vorsten des lands. De laatste hunner had de dochter van
een naburigen koning tot vrouw genomen; zij werd hem ontrouw, en de
beleedigde echtgenoot doodde haar. De vader van het slachtoffer was
een groot toovenaar. Om den dood zijner dochter te wreken, zond hij
slangen naar de stad, die den koning en zijn volk verslonden. Men
wees mij zelfs een heuvel, met dicht struikgewas begroeid, zeggende
dat het daar nog van slangen wemelde. Later deed ik opgravingen in
dien heuvel, maar vond geen spoor van eene enkele slang.

Zoodra het eenmaal was gebleken, dat hier een bijna onuitputtelijke
voorraad tichelsteenen voorhanden was, begonnen de Kirghisen alles af
te breken, en de steenen, die zij konden wegnemen, naar het fort te
brengen. Particulieren, die zich eene woning bouwen wilden, kochten
al deze steenen op. Zoo voortgaande, zouden de ruïnen weldra geheel
verdwenen zijn. Maar nu kwam de regeering tusschenbeiden. Zij verbood
dien handel, maar behield zich toch het recht voor, om zelf die
materialen te gebruiken ten behoeve van de fortificatiën. Het is te
hopen, dat zoo de opgravingen op groote schaal worden voortgezet, dit
onder behoorlijke leiding en met de noodige voorzorgen zal geschieden.

Ik liet ook eenige opgravingen doen, en vond menschenbeenderen en
beenderen van schapen, paarden en kameelen; voorts gebakken steenen,
houtskool en eenige aarden potten, waaronder enkelen van inderdaad
fraaie bewerking en met figuren versierd. Ik kon evenwel mijne
nasporingen niet voortzetten, omdat het mij daartoe aan tijd en
geld ontbrak. De Kirghisen toch voeren weinig uit, en dat weinige
doen zij nog slecht. Bovendien begonnen zij, zoodra zij zagen dat
ik belang in de zaak stelde, al zeer spoedig hunne eischen hooger te
stellen, naarmate zij dieper moesten graven. Ter voorkoming van alle
moeilijkheden, liet ik mijne opgravingen maar in den steek.

Gedurende mijn verblijf te Djanekent, bracht ik doorgaans den nacht in
een naburig kamp door. De kibitka, waar mij deze gastvrijheid bewezen
werd, behoorde aan een Kirghisen-familie, bestaande uit vader, moeder
en twee dochters, eene van dertien en eene van negen jaren. Er was
ook nog een volwassen zoon, maar dien ontmoette ik maar eenmaal in
de vaderlijke tent. Hij woonde in het fort, en dreef ik weet niet
meer welken handel, voor rekening van zijn vader.

De vader was een verstandig man, ruim veertig jaar oud, en in zijn
voorkomen meer gelijkende op een Nogaï dan op een Kirghise. Hij
was steeds gekleed in een wijden witten kamerjapon van kemelshaar,
en droeg op het hoofd een zoogenaamden _toppé_. Als het koud was en
hij op reis ging, dekte hij zich met een zeer hooge, smal toeloopende
muts van schapenvacht.

De mama, gansch niet vrij van praatzucht en oud voor haar tijd,
was eene echte vertegenwoordigster van de kirghisische type, platte
neus, kleine oogen, uitstekende wangbeenderen. Zij droeg een wijden
broek, met hooge laarzen daarover heen; een lang, grof, blauw hemd,
en omwikkelde haar hoofd en hals met een stapel doeken.

De oudste dochter, die zelden sprak, was krachtig en welgevormd. Zij
geleek veel op hare moeder, en ging ook evenzoo gekleed; alleen
droeg zij aan de armen en om den hals armbanden en kettingen van
glas en veelkleurige steentjes; hare koolzwarte in kleine vlechten
opgemaakte haren waren gewikkeld in een schitterend rooden wollen
doek.--Het jongste kind geleek op haar vader. Zij was grillig, maar
zeer innemend, en speelde onbeschroomd met mij. Haar hoofd was kaal
geschoren, met uitzondering van een krans van vlechten rondom het
hoofd en eene dergelijke vlecht op de kruin.

Als ik, bij zonsondergang, in de kibitka trad, vond ik de familie
doorgaans neergehurkt rondom het vuur, al knipoogende in de vlam en
den rook starende. De moeder en de oudste dochter waren altijd aan den
arbeid; de vader stookte met een kleine ijzeren staaf het vuur op, en
gaf zijne bevelen. De vrouwen bereidden de soep of bakten koeken. De
soep was zeer spoedig gereed: in een grooten ketel werd eene zekere
hoeveelheid water geschonken, vervolgens gort en een weinig meel
daaronder gemengd, en dan dat alles over het vuur gehangen tot het
water kookte. Wat van den maaltijd overbleef, werd in eene houten
terrine met een lederen bodem gedaan, en gedurende twee of drie dagen
werd de soep nu koud gebruikt. Het bakken der koeken vorderde weinig
meer omslag of tijd.

Om het koren te malen, gebruiken de Kirghisen een kleinen handmolen,
bestaande uit twee platte, ronde steenen. In den bovensten steen is
eene opening, met twee kleine dwarshoutjes voorzien, waardoor een
spil gestoken wordt, die op den ondersten steen rust. Het koren wordt
door de opening geworpen, waarna de bovenste steen door middel van een
langen stok, rechthoekig aan de spil bevestigd, wordt rondgedraaid. Het
meel dat aldus verkregen wordt, is met zemelen vermengd en tamelijk
grof. In het geheele kamp, uit zeven of acht tenten bestaande, was
geen andere molen te vinden dan die mijner gastvrouw; telkens kwam
dan ook eene of andere buurvrouw om haar meel te malen, of den molen
voor eenige oogenblikken te leenen.

Echter vermoed ik dat niet enkel de molen onze buren en buurvrouwen
zoo telkens naar de tent lokte. Mijne tegenwoordigheid in de kibitka
was zeker de voornaamste reden van deze drukke bezoeken. Zij wisten
dat de kibitka, waar ik tijdelijk mijn intrek genomen had, groote en
begeerlijke schatten bevatte: tabak en kruit voor de mannen; zeep,
ringen, naalden, enz. voor de vrouwen. Eigenlijk golden de bezoeken
dan ook niet zoozeer mijne gastvrouw en haar molen, maar veeleer mij
zelf: het einde was dat het grootste gedeelte van mijn kleinen schat
allengs in geschenken verloren ging.

De kibitka van mijn gastheer was versleten, maar wij hadden het er
warm: het vuur op de stookplaats werd geen oogenblik uitgedoofd. De
rook, die de gansche tent vervult, is echter voor iemand, die
daaraan niet gewoon is, eene onuitstaanbare kwelling. De Kirghisen
branden kameelenmest of struiken van de steppe, die zoo rauw,
nauwelijks aan stukken gehakt, op den haard worden geworpen, en toch
zeergoed branden. De zorg voor het vuur is doorgaans aan de kinderen
opgedragen. De Kirghisen gaan met hunne kinderen geheel anders om dan
wij: zij beknorren ze bijna nooit, en beschouwen ze eenigermate als
volwassenen. Het kleine dartele ding in onze tent kon soms haar vader
duchtig de les lezen. Was zij boos of kwaad gehumeurd, dan gaf men
haar een koek, of beloofde haar eenig geschenk, om haar weer tevreden
te stellen.

Op zekeren dag besteeg mijn Kirghise zijn kameel en toog op weg naar
het fort, waar hij, volgens zijn zeggen, boter ging verkoopen. "Hij
gaat geen boter verkoopen, verzekerde mij zijne echtgenoote; hij gaat
zijne andere vrouw bezoeken, die te Kazale woont, en die de moeder
is van den zoon, dien gij hier eens ontmoet hebt. Van de twee meisje
is het eene, dat, zooals gij zegt, op mij gelijkt, een kind van mijn
eersten echtgenoot; het jongste meisje is uit dit huwelijk. Toen mijn
eerste echtgenoot, die de broeder was van mijn tegenwoordigen man,
was gestorven, heeft deze mij tot zich genomen, met mijne dochters en
al wat ik had; want ik was zeer rijk. Ik bezat driehonderd schapen,
zes kameelen, een aantal paarden en vele wel voorziene koffers. Hij
had niets; ik heb alles aangebracht, zelfs deze tent, die toen nieuw
was en nu versleten is. Eene mijner dochters is gehuwd te Bokhara,
eene andere te Khiwa; ik heb bij mijn eersten man zes dochters
gehad. Ongelukkig werd mij nimmer een zoon geboren. Wie zou een zoon
met een dochter kunnen vergelijken? Wat beteekent een meisje?" en
dit zeggende spuwde zij met diepe verachting op den grond.

Zij voegde er bij, dat haar oudste dochter, dertien jaar oud, op
het punt van trouwen stond. De losprijs was sedert lang betaald;
zelfs was de bruidegom reeds verschenen om zijne bruid af te halen,
voor wie hij, als huwelijksgift, een zeker aantal schapen en paarden
had medegebracht; maar de vader van het jonge meisje had bovendien een
kameel geëischt, en de jonkman was weder vertrokken, om dien kameel
te gaan halen. "Wij zullen onze dochter op een fraaien kameel zetten,
zeide de moeder; wij zullen haar mooi aankleeden, en met een sierlijk
gewaad bedekken; ik zal zelf ook op een fraaien kameel gaan zitten,
en mijn kind naar hare nieuwe woning geleiden."

De bruid was bij dit gesprek tegenwoordig. Zij was verstrooid van
gedachten, en luisterde ternauwernood naar hetgeen gezegd werd, als
ging het haar niet aan; achteloos vlocht zij koorden van kemelshaar
om de tent mede vast te binden. Het jongste meisje, negen jaar
oud, was verloofd aan een Kirghise van veertig jaar, die haar voor
vier-en-zestig schapen en twee paarden gekocht had, en haar, na
verloop van drie of vier jaren, tot zich zou nemen.



III.


Wij vervolgen onzen weg langs den oever der rivier. De breede stroom
is bezaaid met eilanden en omzoomd met dichte rietbosschen; ter
wederzijde van de steile oevers strekken zich de eindelooze steppen
uit, waarop niets, zelfs geen doornstruik, groeit. Dikwijls brokkelen
de hooge oevers af, en storten in; ook verandert de rivier telkens
hare bedding; hare troebele wateren vlieten met snellen stroom. De
Amoe-Darja vertoont, naar men mij zeide, geheel hetzelfde karakter,
dat trouwens met de gansche gesteldheid der streek samenhangt;
slechts zijn hare oevers beter bebouwd.

Nabij het fort Perowski bereiken de biezen eene zoo aanzienlijke
hoogte, dat een kameel en een ruiter te paard daarin geheel
verdwijnen. In deze reusachtige rietbosschen leven een aantal tijgers,
die, naar men zegt, zeergroot en sterk zijn, en waarop zelden jacht
wordt gemaakt. De kozakken alleen en de russische soldaten durven
zich met deze dieren meten. Het russische gouvernement betaalt voor
den kop van iederen gedooden tijger eene premie van zestig franken;
de huid blijft het eigendom van den jager. Bijna altijd ontvlucht de
tijger den mensch; maar wee den ongelukkige, die op hem geschoten en
hem gemist heeft. Met een bliksemsnellen, geweldigen sprong werpt zich
het woedende dier op zijn aanvaller, die zijne onhandigheid doorgaans
met zijn leven boet. In deze biezen en rietbosschen huizen ook wilde
zwijnen en wolven in groote getale.

Op zes of acht mijlen afstands van het fort Perowski, bij eene vrij
sterke vorst, staken wij in eene ijzeren boot, die door Kozakken
werd geroeid, de Sir-Darja over. Op den weg van de rivier naar het
fort wordt het oog verkwikt door een weelderigen plantengroei; na de
dorre naaktheid der steppe, is het ware weldaad, lommerrijke boomen
weder te zien.--Het fort Perowski is het oude fort Ak-Metchet, in 1853
door den generaal Perowski met storm veroverd: vandaar de naam. Het
vorige jaar had diezelfde generaal voor dat fort Ak-Metchet het hoofd
gestooten. Toch was deze vesting niet geduchter dan alle anderen in
Centraal-Azië: de fortificatiën bestonden eenvoudig uit ellendige
aarden wallen; maar het fort werd toen verdedigd door Yakoub-Beg,
dien soldaat van fortuin, die tegenwoordig te Kashgar regeert, in
Opper-Turkestan, en een man is van zeldzame energie.

Voorbij het fort Perowski begint de weg te stijgen; tevens wordt hij
zandig en moeilijk begaanbaar; de zware wagens hebben soms dagen lang
werk om van het eene station naar het andere te komen. Zelfs mijn
mandewagen, hoe licht ook, maakte het mijn vier paarden zoo lastig,
dat zij somwijlen weigerden voort te gaan. Wat de koetsiers raasden
en tierden en de zweepen gebruikten! De streek wordt al fraaier en
fraaier: bloeiende eilanden verheffen zich te midden der wateren;
langs de oevers worden de boomen steeds talrijker, zoodat zij groepen
en boschjes gaan vormen. Overal vergezellen ons de fazanten, die
in dit gedeelte der vallei van de Sir-Darja zeer talrijk zijn. Deze
vogels zijn uiterst tam; als mijn rijtuig hun te nabij komt, vliegen
zij even op, en strijken zes of zeven schreden verder weer neder.

Inmiddels naderen wij langzamerhand de stad Turkestan, reeds van
verre kenbaar aan hare door grachten omgeven tuinen: een verkwikkend
gezicht voor wie zoo pas de doodsche steppe verlaten heeft. Weldra
onderscheidden wij de moskee van Hazrete, het groote heiligdom der
orthodoxe muzelmannen van Centraal-Azië; eindelijk teekenen zich de
kanteelen van den zwaren muur der citadel tegen de lucht af. Deze muur
draagt nog de sporen der russische kanonkogels; aan zijn voet staan
eenige kleine huizen, die bijkans geheel wegschuilen en tegenwoordig
tot kazerne dienen voor de Kozakken. Turkestan gaf zich, in 1864, na
eene korte verdediging van drie dagen, aan de russische troepen over.

De moskee van Hazrete werd, voor ongeveer vijfhonderd jaar,
gesticht op het graf van een muzelmanschen heilige, Hazrete of
Jassavy genoemd. Het is een fraai gebouw met sierlijke koepels; het
prachtig gekleurde émailwerk, dat vroeger deze koepels en geheel den
oostelijken muur versierde, is ongelukkig voor het grootste gedeelte
afgevallen. Het inwendige, dat zijn licht alleen ontvangen moet door
de smalle openingen in de koepels, is tamelijk duister. Eene hooge
en smalle deur, met een tapijt behangen, voert naar het eigenlijke
heiligdom, dat nog donkerder is dan de moskee. Te midden van dit
heilige der heiligen verrijst de hooge graftombe van Hazrete, met
rijk geborduurde tapijten behangen. De bodem der moskee is met zerken
geplaveid: iets zeldzaams in Turkestan. In een der vertrekken van het
gebouw ziet men nog eene groote koperen kuip, waarin, naar men zegt,
vroeger het eten der pelgrims werd gekookt.

De Russen, in de stad Turkestan gevestigd houden geen verkeer met
de inboorlingen, die, voor zoover ze geen nomaden zijn, onder den
algemeenen naam van Sarthen begrepen worden; zij wonen in de citadel of
in gehuurde woningen, waar zij zeer slecht gehuisvest zijn. Officieren
en soldaten zijn al even weinig met het land ingenomen, en beklagen
zich om het hardst over de duurte van allerlei onontbeerlijke zaken,
over het klimaat, over de schorpioenen en de spinnen, over wat niet al.

De stad, ten zuidoosten van de citadel gelegen; gelijkt op alle andere
inlandsche steden in deze streek; de huizen hebben geen vensters aan
de straatzijde, zoodat het familieleven voor alle bespieding veilig
is. Op aarden banken zitten Sarthen van allerlei leeftijd, ernstig en
kalm met elkaar pratende. De vrouwen, die ge op straat ontmoet, zijn
van het hoofd tot de voeten in eene soort van blauwen mantel gewikkeld,
haar gelaat is bedekt met een zwart netje van paardehaar, zeer dicht
gevlochten. Troepen bedelaars zwerven door de straten, of zitten op den
grond, met klagelijke stem uw medelijden inroepende. Derwisjen spreken
u om een aalmoes aan, en beloven u in ruil alle zegeningen des hemels;
zij zien er zeer zonderling uit, met hun door de zon verbrand gelaat,
hunne puntige mutsen, hun gescheurde kleederen; met hun bedelzak op
den rug, den staf in de eene, de houten nap in de andere hand.

In den bazar te Turkestan zijn zoowel inlandsche koopwaren als
voortbrengselen der russische nijverheid te krijgen. Men vindt er
een aantal etablissementen, zooals onze restaurants, waar vooral thee
en gebakjes verkocht worden. In de theehuizen zag ik, nevens groote
russische _samovars_, ook trekpotten van inlandsch fabrikaat, die zich
door hare fraaie vormen en zorgvuldige bewerking onderscheidden. Ik
kon de verzoeking niet weerstaan, een dier trekpotten te koopen: zij
kostte zestien franken, en was van koper vervaardigd; de ornamenten
waren zoo fijn gegraveerd, dat zij bijna op kantwerk geleken.

Behalve de moskee van Hazrete heeft Turkestan geen enkel merkwaardig
gebouw; de overige moskeeën onderscheiden zich van de gewone huizen
alleen door hare grootte, hare netheid en soms ook door een kleinen
koepel. Bij elke moskee behoort een met boomen beplanten voorhof, met
waterbekken en eene overdekte galerij; de zoldering en de kroonlijst
dezer galerij prijken met allerlei figuren, in sprekende kleuren en
dikwijls niet zonder smaak geschilderd.

Evenals in alle oostersche steden, zijn ook in Turkestan de straten
smal en donker; zij zijn bovendien van het eene einde tot het andere
overspannen met zeildoek, dat de zonnestralen afkeert, en in de
straten eene heerlijke koelte doet heerschen, waarbij iemand, die zoo
pas de naakte en brandend heete steppe rondom de stad verlaten heeft,
zich voelt herleven.

Tsjemkend, de eerstvolgende stad na Turkestan, ligt in een krans
van tuinen, die haar bijna geheel voor het oog verbergen. Van verre
ziet ge niets dan eene zee van groen, waarboven een schilderachtige
heuvel oprijst, die op zijn kruin een half tot puin vervallen vesting
draagt. De muren der citadel verheffen zich meer dan twintig el boven
de omliggende straten. Toch was zij niet bestand tegen de Russen,
die de sterkte stormenderhand veroverden, en in den roes der zegepraal
de stad plunderden.

De straten van Tsjemkend zijn--vreemd schouwspel in Centraal-Azië--met
grachten doorsneden, die gevoed worden door het van de naburige bergen
afstroomende water. Over deze grachten liggen bruggetjes, die naar
de deuren der verschillende huizen geleiden. Door de voordeur komt
ge, eenigszins zijwaarts afslaande, op eene groote binnenplaats,
met boomen, voornamelijk met populieren beplant, waarop de kamers
uitkomen. Deze kamers hebben geen vensters; boven de deur is een
klein traliewerk, met geolied papier beplakt. Is de deur gesloten,
dan is het in de kamer bijna volslagen duister; maar daar het klimaat
te Tsjemkend vrij zacht is, staan de deuren bijna altijd open; de
inboorlingen brengen het grootste gedeelte van den dag onder het zeil
voor de voordeur door. Het water der gracht wordt door buizen naar
de binnenplaats der huizen geleid; dit water dient voor allerlei
huiselijk gebruik en ook voor de keuken; vervolgens wordt het, een
eind verder, weder naar de gracht teruggevoerd. Ik wil wel bekennen,
dat ik te Tsjemkend soms met angstigen blik mijn thee aanzag: want,
alvorens in de trekpot te komen, had het water waarschijnlijk een
tiental huizen doorwandeld.....Bah! zeggen de muzelmannen, het water
is niet vuil meer wanneer de onreinheden den tijd hebben gehad zich
daarin zevenmaal om te keeren!

De afstand van Tsjemkend naar Tasjkend bedraagt slechts honderd-veertig
wersten (honderd-een-en-twintig kilometers). Het eerste station ligt
op eene hoogte, tusschen twee niet onaanzienlijke bergen; ge ziet
hier de overblijfselen van een groot gebouw, dat, volgens sommigen,
vroeger een school, volgens anderen, een karavanseraï, tevens vesting,
was. Voor dit laatste gevoelen pleiten de schietgaten in den muur aan
de wegzijde. Op dien weg is het levendig en druk genoeg. Voortdurend
trekken karavanen heen en weer, die naar Tasjkend, Kokhand of Bokhara
gaan, om handel te drijven; de geleiders; in den regel Kirghisen,
laten zich achteloos heen en weder schommelen op hunne kameelen,
terwijl zij hunne eentonige, weemoedige liederen neuriën. Verder
ontmoet ge Sarthen, met hunne witte tulbanden en veelkeurige kaftans;
ruiters, wagens, voetgangers, in bonte mengeling. Ter wederzijde van
den weg zijn Kirghisen-koloniën gevestigd.

Eindelijk, als ge nog twintig mijlen hebt af te leggen eer ge te
Tasjkend zijt, vertoonen zich reeds van verre de prachtige tuinen
en gaarden, die deze hoofdstad van russisch Turkestan met een gordel
van groen en bloemen omringen.



IV.


Wij trokken Tasjkend binnen langs een weg, ter wederzijde door
een vaart begrensd, aan wier overzijde zich de heerlijke tuinen
uitstrekken: een waar paradijs van vruchtboomen, met populieren en
wijngaarden vermengd. Deze lusthoven omgeven de stad aan alle zijden,
met uitzondering van eene enkele: die vanwaar het russische leger
naderde, dat Tasjkend met storm innam. Daar zijn de tuinen vernield,
de boomen uitgeroeid; en in de plaats daarvan verrijzen thans, in de
russische wijk, de woningen der nieuwe veroveraars en heeren des lands.

De dag begon nauwelijks aan te lichten, de lucht was frisch en met
welriekende geuren doortrokken, toen ik de russische wijk bereikte,
na gedurende eenigen tijd langs den gekanteelden muur der stad te
zijn voortgetrokken. Deze wijk, Nieuw-Tasjkend genaamd, heeft nette
regelmatige straten; de welgebouwde huizen hebben slechts eene enkele
verdieping en een plat dak. Ik stapte af aan het eenige hotel, dat
destijds te Tasjkend te vinden was; en in dat hotel nam ik de eenige
kamer, die niet was verhuurd: zij zag er zeer zindelijk uit. Het
gebouw staat op een plein, waarvan het midden wordt ingenomen door
de russische kerk; een der zijden door het onlangs gebouwde hotel van
den gouverneur; en de andere zijden door de woningen der aristokratie
van Tasjkend:--deze woningen waren toen nog in aanbouw.

Mijn eerste bezoek gold den generaal G..., militairen gouverneur van
Sir-Darja. De generaal, dien ik reeds te Orenburg had leeren kennen,
gaf mij dadelijk een aanbevelingsbrief voor majoor C... burgerlijk
gezaghebber van Tasjkend. Ik besteeg een kozaksch paard, en door een
soldaat geleid, toog ik op weg om den majoor op te zoeken.

De reiziger, die aan het voorkomen der steden van den Levant gewend is,
vindt ook te Tasjkend niets bijzonders. Ook hier zijn het armelijke
leemen woningen, met vensters van geolied papier; grauwe muren,
nauwe en bochtige straten, waar de regen kuilen in den grond graaft,
zoo diep, dat mijn paard er bijna tot aan de knieën inzinkt. De
voornaamste straat der stad, die naar den bazar loopt, is ter
wederzijde omzoomd door winkels, waar, onder uitstekende matten,
de kooplieden in veelkleurigen rok nederzitten bij hunne waren, die
zwart zien van de vliegen. Een levendige en luidruchtige menigte golft
door elkander. Eindelijk zijn wij aan de woning van den majoor. Ik
wenschte van hem een geschikten gids te bekomen, die mij de stad kon
leeren kennen, met eenige personen in betrekking brengen, en die in
een der inlandsche wijken eene woning voor mij kon huren.

Het plan was niet kwaad bedacht, maar de uitvoering had met groote
moeilijkheden te kampen: de inboorlingen gevoelen weinig sympathie voor
de Russen, en zijn er volstrekt niet op gesteld, hunne huizen voor hen
beschikbaar te stellen. Eindelijk wist de _kourbach_ (politie-agent),
dien de majoor mij had toegevoegd, toch een geschikte woning met
binnenplaats en stal voor mij te vinden. Mijn huisje grensde bijna
aan een muur der citadel; het stond in de wijk Kasjgarsky, aldus
genaamd omdat zij voornamelijk placht bewoond te worden door lieden,
van Kasjgar afkomstig. Ik zeg _placht:_ want dit gedeelte der stad is
thans half verwoest en bijna ontvolkt, sedert de Kasjgaren en andere
Oosterlingen, na den intocht der russische troepen, meerendeels de
stad hebben verlaten. Ge bespeurt hier thans nauwelijks een teeken
van leven, uitgenomen eenige gemeene kroegen, door oude afgedankte
russische soldaten gehouden, en gelegen langs den weg, die naar het
europeesche kwartier voert.

Mijn huisheer is niemand anders dan de aksacale der wijk. Dit
saamgestelde turksche woord beteekent letterlijk grijsaard: _sacale_
(baard), _ak_ (wit); in de gewone oneigenlijke beteekenis wil
het zooveel zeggen als overheidspersoon, gezaghebber, hoofd der
politie. Mijn aksacale, een man van hoogen leeftijd, bezit werkelijk
den zilver witten baard, waarop hij, krachtens zijn naam, recht heeft;
zijn regelmatig gelaat mag nog aanspraak maken op schoonheid. Hij is
uiterst beleefd, en maakt telkenmale, als hij groet, eene zeer diepe
buiging; nooit zag ik hem zonder rozenkrans. Blijkbaar wil hij zich
zooveel mogelijk een deftig en eerwaardig voorkomen geven.

Daar ik in mijn huis mijn eigen meester wilde zijn, liet ik de deur,
die van mijn appartement toegang gaf naar het door den aksacale
bewoonde gedeelte der woning, sluiten; ook liet ik den stal door een
beschot in tweeën splitsen. Deze maatregel was dubbel noodig, omdat
mijn huisheer, tengevolge van zijne betrekking, allerlei soort van lui
bij zich moest ontvangen, die dikwijls rumoer genoeg maakten. Daarop
liet ik mijne kamer zoogoed mogelijk schoonmaken, ik liet een groot
venster in den muur aanbrengen en een kachel zetten, omdat ik niet,
op de manier der Sarthen, mij met een bekken vol gloeiende kolen wilde
behelpen. Door mijne binnenplaats liep eene tamelijk heldere beek,
door een paar boomen overschaduwd; ik hield er een haan en een paar
kippen op na; in mijn stal stond een klein kirghisisch paard, sterk
en goed in 't vleesch, met dikken staart en zware manen. Ik was dus
nu volkomen geïnstalleerd: het werd tijd, mijne studiën te beginnen.

Evenals in alle steden van Centraal-Azië, zijn ook te Tasjkend de
huizen van leem gebouwd, die zich echter tot eene zoo vaste massa
samenvoegt, dat de woningen eene groote mate van stevigheid bezitten,
en in dit droge klimaat het zeerlang kunnen uithouden. Bij sterken en
aanhoudenden regen krijgen zij het evenwel te kwaad: hier verliest er
een het dak; ginds bezwijkt een der hoeken; bijna overal dringt het
water in de benedenvertrekken door;--maar houdt de regen op, dan is
de aangerichte schade ook in weinige uren hersteld. De aardbevingen,
die hier vrij dikwijls voorkomen, richten erger verwoestingen aan:
somwijlen worden dan gansche straten en wijken vernield.

Het hout is in dit land zoo duur, dat de inboorlingen, zelfs
de rijksten onder hen, zich te gronde zouden richten, indien zij
voor den bouw hunner huizen zich van steenen, in den oven gebakken,
zouden willen bedienen. Wel heeft men steenkolenmijnen ontdekt, maar
die steenkool is ook verre van goedkoop; en het is der moeite niet
waard, de steenen in de zon te laten drogen, want de gekneede leem
doet voor zulke steenen niet veel in stevigheid onder. Daarom is het
niet waarschijnlijk dat de inboorlingen zeer spoedig het voorbeeld der
Russen zullen volgen, die bij voorkeur gedroogde steenen gebruiken. De
openbare gebouwen, zooals de moskeeën, de bazars, de karavanserais,
worden doorgaans met in het vuur gebakken steenen gebouwd.

Het bouwen van huizen gaat hier nog gauwer in zijn werk dan bij
ons. Men maakt eene soort van pap van aarde en _samane_ of fijngehakt
stroo, en laat de daarvan gekneedde kluiten in de zon drogen. Inmiddels
wordt het houten geraamte der woning in elkaar getimmerd en opgezet;
dan wordt de ruimte tusschen de latten met droge kluiten gevuld,
die door middel van slijk, met stroo vermengd, tot een geheel worden
verbonden. Het dak bestaat uit een houten zoldering, met een laag
aarde bedekt. De woningen der aanzienlijken hebben doorgaans twee
verdiepingen, en onderscheiden zich daardoor van de huisjes der armen:
nare krotten, zonder licht of lucht, walgelijk onrein, met nissen in
den muur, vilten lappen en matten op den grond, een haard van klei in
een hoek of in het midden der kamer. Van tafel of bed geen spoor. In
den zomer kan men, desgevorderd, nog in deze spelonken leven; maar
des winters is het er bijna niet uit te houden: de regen dringt door
het dak, de wind fluit door de vermolmde balken en wanden, de koude
dringt van alle zijden naar binnen, en de brandstof is zeer duur
in Centraal-Azië.

De huizen der meer vermogenden zijn vrij wat beter ingericht. Langs
de binnenplaats loopt eene breede, overdekte galerij, door fraaie
houten zuilen gedragen. Gedurende drievierden van het jaar is deze
galerij de verblijfplaats der familie, waar gegeten en gearbeid,
gepraat en gerookt wordt. Onder de galerij komen de deuren uit van de
verschillende kamers, die meestal zeer netjes zijn, en dikwijls met
smaakvolle teekeningen langs de wanden en aan de zoldering versierd,
waarvan het alleen jammer is dat de kleuren zoo schel zijn. In den muur
zijn nissen aangebracht, die dikwerf in kleine kompartimenten zijn
verdeeld. De houten vloer is met stukken vilt en tapijten bekleed;
op sommige plaatsen bevinden zich diepe openingen, bestemd voor de
dagelijksche reinigingen. Een groote vierkante opening dient om
in het koude jaargetijde het kolenbekken daarin te plaatsen. Des
winters plaatst men boven dien bak eene soort van tafel, die met
kleeden wordt overdekt, welke tot op den grond afhangen, de kolen,
dus eenigermate van de lucht afgesloten, verteeren langzamer,
waardoor brandstof bespaard wordt. Is het koud, dan schaart zich de
familie rondom deze tafel; ieder wikkelt zich zoo dicht mogelijk in
de dikke gewatteerde kamerjapon, en steekt zijne handen onder het
kleed, boven het kolenvuur.--In den laatsten tijd hebben eenige
aanzienlijke inwoners van Tasjkend, in navolging der Russen, het
traliewerk met geolied papier, dat bij wijze van venster diende,
vervangen door wezenlijke vensters met glasruiten. Deze vensters zien
echter allen op de binnenplaats uit; waarschijnlijk zullen er nog vele
jaren moeten verloopen, eer de inboorlingen zich zoover emancipeeren,
dat zij ook aan de straatzijde hunner woningen vensters maken.

Ik zal in geene uitvoerige beschrijving treden der moskeeën van
Tasjkend, die allen van baksteen zijn gebouwd, enkelen uitgezonderd,
die van leem zijn. Geen enkele is van gehouwen steen of uitsluitend van
hout. In het algemeen bestaan zij uit eene groote zaal, aan drie zijden
door eene breede, open galerij omgeven, die op houten zuilen rust,
deels gebeeldhouwd, deels met marmeren ornamenten belegd. De muur en
de zoldering der galerij zijn in den regel versierd met schilderwerk in
sterk sprekende kleuren, somwijlen ook met beeldhouwwerk. Ik heb reeds
gezegd, dat de geloovigen hun schoeisel in deze galerij laten staan,
alvorens zij het bedehuis binnentreden.--Terwijl zij bidden, houden
de ware geloovigen het gelaat gewend naar eene spits toeloopende nis,
in den naar de zijde van Mekka gekeerden muur aangebracht. Alleen in
de aanzienlijke moskeeën vindt men een predikstoel, die eenige treden
boven den grond is verheven. Hoewel de muren zorgvuldig gewit zijn,
is het in deze moskeeën, met hare weinige en zeer kleine vensters,
toch tamelijk duister. De grond is bedekt met matten, vilten kleeden
en witte katoenen lakens.

Dicht bij den bazar staat eene groote moskee met twee minarets,
door een der laatste gouverneurs van Tasjkend gebouwd; een man, die
zich aan schandelijke knevelarijen en afpersingen schuldig maakte,
maar wiens naam toch in gezegend aandenken bij het volk is gebleven,
dank zij de door hem gestichte scholen en moskeeën.

Ik sprak daar van scholen. Te Tasjkend, evenals in de andere steden van
Centraal-Azië, vindt men de lagere scholen bij de kleine moskeeën; de
scholen van hoogeren rang zijn of aan de groote moskeeën verbonden, of
somwijlen in afzonderlijke gebouwen gevestigd. Als ik mij wel herinner,
bezit Tasjkend zeven zulke hoogere scholen of _médressehs_, die door
een zeker aantal _mollahs_, meesters, gehouden worden. Waaraan het
deze inrichtingen het meest ontbreekt, dat zijn de leerlingen; zelden
zag ik in eene médresseh meer dan tien knapen te gelijk bijeen; de
meeste cellen van het ruime gebouw waren doorgaans ledig en gegrendeld.

De mollahs, ook de knapsten onder hen, weten bitter weinig, en dat
weinige heeft nog niets te beduiden: het is louter conventioneele
kennis, geheugenwerk. Als een mollah den Koran kan lezen en verklaren,
en bekend is met de commentariën door eene menigte muzelmansche
theologen over dit heilige boek geschreven, dan is hij voor zijn vak
bekwaam. Hoe meer hij van den Koran van buiten kent, hoe beter hij de
verschillende verklaringen onthouden heeft, des te grooter geleerde
is hij. Het komt daarbij louter op geduld en geheugen aan; heeft
men den eenen commentaar uitgelezen, dan begint men aan een ander,
en zoo gaat het voort, tot in het oneindige, altijd in hetzelfde
kringetje rond. Wetenschap, in den waren zin des woords, zelfs van
de meest gewone soort, moet ge bij de onderwijzers evenmin zoeken
als bij de leerlingen: hetgeen evenwel niet belet dat de mollahs een
zeer hoogen dunk van zichzelven hebben, en ook door het publiek met
eerbied worden aangestaard.

Ik herinner mij nog zeer goed het kleine manneke, dat ik in de
voornaamste moskee ontmoette. Hij was een mollah en reeds tamelijk
bejaard.

"Dat is," zoo werd mij verzekerd, de geleerdste man van de geheele
stad; hij heeft al de mollahs van Tasjkend onderwezen.

"Dat is heel knap; maar wie heeft hemzelf onderwezen?"

"Zijn vader, en zijn vader heeft te Bokhara gestudeerd."

Mijn geleider sprak die laatste woorden op een plechtigen toon uit,
tevens eene beweging met de hand naar het zuidwesten makende, alsof
hij zeggen wilde: "Daar ginds, daar ligt het groote brandpunt van
beschaving en wetenschap."--In Bokhara gestudeerd te hebben, geldt nog,
door geheel Centraal-Azië, voor de hoogste aanbeveling: daar vloeit de
onvervalschte bron der wetenschap, daar worden alle geheimenissen der
tegenwoordige en toekomende wereld ontsluierd. Treurig overblijfsel
van een sinds lang verbeurden roem!

Ik vroeg eens aan een geleerde van Tasjkend, wat hij alzoo
onderwees.--"Alles", kreeg ik ten antwoord.--"Dat is veel. Maar zeker
zijn er toch wel enkele vakken, waarin ge meer bepaald onderricht
geeft?"--Zoodra ik mijn vraag gedaan had, berouwde het mij. De mollah
begon nu op zijne vingers op te tellen, wat hij alzoo onderwees. Er
kwam geen einde aan. Inderdaad, hij wist alles en kon alles leeren!

De lagere scholen zijn niets anders dan groote vertrekken, vol kleine
kinderen. Reeds van verre herkent gij ze aan het gejoel en gegons. Op
den grond geknield of neergehurkt, schommelen de kleine bengels
rusteloos heen en weder, en herhalen achter elkander, op luiden,
half zingenden toon, eene of andere vanbuiten geleerde zinsnede uit
den Koran. Dat woelt en kruipt door elkaar, en schreeuwt en zingt en
snatert, dat hooren en zien vergaat. De meester zit mede op den grond,
gewapend met een lang dun riet, waarmede hij de ondeugendsten tot
de orde roept, en de luiaards tot ijver aanspoort. Telkens daalt die
rietstok op de handen of den rug van een of anderen kleinen deugniet
neder; dan is het huilen en schreeuwen, tot de meester, met forsche
stem, het zwijgen oplegt.



V.


Zelden zag ik eene zoo gemengde bevolking als te Tasjkend en in de
andere steden der russische bezittingen in Centraal-Azië. Men vindt
in Turkestan, Sarthen, Tadsjiken, Oesbeken, Kirghisen, Koeramas,
Turkomannen, Nogaïs, Kasjgaren, Afghanen, Perzen, Arabieren, Joden,
Hindoes, Tsiganen of Heidens, en eindelijk Russen. Over al deze
volksstammen een enkel woord.

De Sarthen, die de groote meerderheid der gezeten bevolking van
Tasjkend uitmaken, zijn, naar het mij voorkomt, geen afzonderlijk ras:
ik houd ze voor eene vermenging van de Tadsjiken en de Oesbeken;
in hun voorkomen en gelaatstrekken hebben zij iets van beide deze
stammen. Steeds trof mij de sterke overeenkomst tusschen de Sarthen
en de Joden. Dezelfde gelaatstype, dezelfde neigingen, hetzelfde
karakter. Evenals de Jood, is de Sarthe schraapzuchtig en tuk op winst;
als de Jood, houdt hij van schacheren en kleinhandel; als de Jood, kent
hij, waar het zijn belang geldt, geen gemoeds- of gewetensbezwaren;
als de Jood eindelijk, is hij kruipend en lafhartig.--Het woord Sarthe
beteekent _kramer_, _schacheraar_; en getrouw aan hun naam, hebben
de Sarthen zich meester gemaakt van den geheelen handel des lands,
zoowel in de steden als bij de nomaden. Zij zijn het, die overal het
hoogste woord voeren; onder voorwendsel van de wet des Profeten te
verbreiden, laten zij de onwetende zonen der woestijn vier malen den
prijs betalen der eerste levensbehoeften, die hij hun slijt. De eenige
lichtzijde van het door en door vulgaire hebzuchtige karakter van den
Sarthe, is zijne begeerte naar onderwijs, en een zekere geschiktheid om
verbeteringen in te voeren. Maar wachten wij ons voor overdrijving: die
meerdere leerzaamheid en vatbaarheid kan den Sarthe alleen toegekend
worden in vergelijking met de andere muzelmannen van Centraal-Azië.

De Tadsjiken zijn zeer schoon van gelaat en voorkomen; zij danken
dit aan hunne afkomst, daar hunne voorouders uit Perzië zijn
gekomen. Zij spreken nog een perzisch dialect. Zij vormen als het
ware de verstandelijke aristokratie van Turkestan, en ieder, die in
Centraal-Azië aanspraak wil maken op beschaving en goede manieren,
tracht zooveel mogelijk, in spraak, gewoonten en toon, de Tadsjiken
na te bootsen.

De Oesbeken, in vroegere tijden waarschijnlijk door eene vermenging
van verschillende rassen ontstaan, vormen thans eene eigene,
gesloten nationaliteit. Zij hebben uitstekende wangbeenderen en
eene groote physieke kracht, maar hun verstand gaat niet boven het
middelmatige. Toch zijn zij de meesters en beheerschers van het
land: zij zijn als het ware de krijgshaftige adel, en al de emirs en
khans van Centraal-Azië zijn Oesbeken. Zij hebben het nomadenleven
nog niet geheel vaarwel gezegd; velen hunner hebben zich nimmer in
eene stad gevestigd, en zelfs onder de stadbewoners zijn er, die
bijna het gansche jaar doorbrengen in tenten, rondom hunne woning
opgeslagen. Geheel ongelijk hebben zij niet: ook zonder een Oesbeke te
zijn, kan men, gedurende de ondragelijke hitte van den turkestanschen
zomer, aan het verblijf in eene frissche tent de voorkeur geven boven
dat in eene bedompte woning.

De Kirghisen zijn in een aantal stammen gesplitst. Ge herkent ze op het
eerste gezicht aan hun karakteristiek voorkomen: kort ineengedrongen
lichaam, breeden platten schedel, uitstekende wangbeenderen, smalle
oogen, vooruitstekenden mond, korten platten neus, kleinen dunnen
baard, donkerkleurige huid van alle schakeeringen tusschen de bruine
tint van een Zuid-Europeër tot bijna koolzwart. Met hunne _iourten_
(tenten) zwerven zij over eene onmetelijke uitgestrektheid, in
de Siberische steppen, in russisch Turkestan, in de khanaten van
Khiwa en Bokhara. Hun gezamenlijk aantal bedraagt wellicht drie
millioen zielen. Hun ware naam is niet Kirghisen, en wanneer men
hen daarmede aanspreekt, antwoorden zij: "Wij zijn geen Kirghisen,
wij zijn Kazaks." Zoo heeten zij dan ook inderdaad; doch daar de
Russen hen steeds Kirghisen noemen, beginnen zij zich aan dien naam
te gewennen, die misschien ontleend is aan een hunner stammen, de
Kyrgz. Waarom juist deze kleine stam, verscholen in de reusachtige
gebergte van Thian-Sjan, zijn naam heeft gegeven aan de volkerengroep,
over het onafzienbare gebied van Siberië tot de Amoe-Darja, en van
het Oeralgebergte tot de bergen van Thian-Sjan verspreid:--ziedaar
eene vraag, waarop ik niet kan antwoorden.--Zooals men weet,
splitsen de Kirghisen zich in drie hoofdgroepen of afdeelingen: de
Groote-Horde, ten oosten, nabij de grenzen van Siberië en China;
de Kleine-Horde (inderdaad de talrijkste) van het Oeralgebergte
tot het meer Aral; en de Middelste Horde, tusschen de beide vorigen
gevestigd. Eigenlijk behoort men hier nog eene vierde groep bij te
voegen: de Binnen-Horde, die zich in 1812, in de destijds onbewoonde
steppen van het gouvernement Astrakhan vestigde.--Alle Kirghisen zijn
muzelmannen; maar zij nemen de wet van den Profeet alleen in zoover
in acht, als deze strookt met hun ingewortelde vrijheidszucht en hun
hartstocht voor roof en plundering, die hun eigenlijk levenselement
is. Zij zijn immer op de loer, altijd speurende naar buit, voortdurend
van de eene plaats naar de andere trekkende: alle soort van weelde of
overdaad is hun dan ook vreemd. De tent van den Kirghise is eenvoudig
in den hoogst mogelijken graad; hetzelfde geldt van zijne kleeding,
en zijn voedsel is ellendig.

De Koeramas, die men in de stad Tasjkend en in de omstreken
aantreft, zijn gesproten uit eene vermenging van arme Kirghisen,
tot verschillende stammen behoorende, met de onvermogende inwoners
der stad. Zij gaan door voor zeer bekrompen van verstand, indien
al niet voor idioot. Het woord Koerama, dat letterlijk _vermengd_
beduidt, wordt te Tasjkend doorgaans in ongunstigen zin gebruikt:
het is wel niet rechtstreeks een scheldwoord, maar geldt toch als
een spotnaam. Eens liet ik mijn album aan een aanzienlijk ingezetene
zien. Het portret van een Koerama, die trouwens een zeer kenbaar
gelaat had, trof hem bovenmate: hij lachte overluid en riep, in de
handen klappende: "Uitstekend! Dat is een echte Koerama!"--"Maar
wat vindt gij dan toch zoo bijzonders aan de Koeramas?" vroeg ik
hem.--"Eschaki:"--het zijn ezels--antwoordde hij droogweg.

De Turkomannen zijn zeer zeldzaam te Tasjkend, waar men hen bijna niet
dan van hooren zeggen kent. De zeer weinigen, die ik hier ontmoette,
hadden zoozeer de eigenaardige type van hun stam verloren, dat ik
hen gerust met stilzwijgen kan voorbijgaan.

Veel talrijker zijn de Nogaïs, die tot het tartaarsche ras
behooren. Zij zijn bijna allen uit het zuidoosten van Rusland
of uit Siberië afkomstig: de een verliet het land om aan den
kerker te ontkomen; een ander om zich aan de militaire dienst,
zoo gehaat bij de muzelmannen, te onttrekken; een derde weer om
een andere reden. Van nature met veel gezond verstand begaafd, en
bovendien eenigszins ontwikkeld door de onvermijdelijke aanraking
met de Europeanen in Rusland, weten de Nogaïs zich in Centraal-Azië
uitnemend te vinden: vooral wanneer zij slim genoeg zijn om zich
voor martelaars te doen doorgaan, ter wille van hun geloof uit
hun vaderland verdreven. Diegenen onder hen, die de muzelmansche
scholen van Kazan of eenige andere russisch-tartaarsche stad hebben
bezocht, waar het onderwijs buiten kijf op hooger trap staat dan
in Turkestan, brengen het gemakkelijk tot _moudariss_ (professor),
en worden algemeen als geleerden geëerd. Daar de Nogaïs meestal in
Rusland gewoond hebben, zijn zij zeer geschikt om als bemiddelaars
en tusschenpersonen te dienen tusschen de veroveraars, wier taal zij
spreken, en de inboorlingen, wier godsdienst zij belijden. Men moet hen
echter niet te veel vertrouwen, want zij zijn niet bijzonder nauwgezet.

De Kashgaren te Tasjkend zijn, zooals hun naam aanduidt, afkomstig
uit Klein-Bokharije of Opper-Turkestan, en vooral uit Kasjgar, de
voornaamste stad dezer uitgestrekte landstreek. Meest allen zijn
afstammelingen van uitgewekenen, die, hetzij in den loop der vorige
eeuw, hetzij in de laatste jaren, Klein-Bokharije verlieten, vandaar
verdreven door de gedurige oorlogen, die dat land teisterden. Vroeger
waren zij echter hier veel talrijker dan tegenwoordig. Velen hunner
hebben een echt chineesche type.

De Afghanen, gering in aantal, wonen bijna allen in een karavanserai,
waar geen vreemden worden toegelaten. Zij zijn of kooplieden of
smokkelaars, zeer dikwijls het een zoowel als het ander. Zij laten de
in Centraal-Azië zoo geliefkoosde groene thee, over Hindostan uit China
komen; en ondanks dien kolossalen omweg; leveren zij die gesmokkelde
thee voor minder prijs dan de russische thee, die rechtstreeks over
Kiachta wordt ingevoerd.

De Perzen munten in verstandelijke ontwikkeling boven alle tot dusver
genoemde stammen uit. In de onafhankelijke khanaten bekleeden zij
de hoogste en moeilijkste ambten, worden de gewichtigste zendingen
aan hen vertrouwd. Vroeger slaven, zijn zij sedert de russische
overheersching vrije mannen geworden. Te Tasjkend maken zij een zeer
belangrijk bestanddeel der bevolking uit; hun aantal is vrij groot, en
blijkbaar gevoelen zij zich in hun nieuw vaderland geheel te huis. Dit
is te opmerkelijker, daar zij allen Sjîiten zijn, en dus, in den
grond, de natuurlijke vijanden der muzelmannen van Centraal-Azië,
die voor verreweg het grootste gedeelte tot de secte der Sonniten
behooren. Dit verschil in belijdenis belet de Perzen evenwel niet,
trouw de moskeeën te bezoeken. Wie zal zeggen, in hoeverre zij hierin
oprecht zijn? Zeker is het, dat de Sarthen hen niet veel vertrouwen,
en nog altijd de gezworen vijanden der Sonniten in hen zien. "Die
honden van Sjîiten, zeide mij eens een inwoner van Tasjkend, komen in
onze moskeeën, maar dat is om ons zand in de oogen te strooien. Tehuis
gekomen, doen zij hun gebed nog eens over."

Arabieren vindt men zeer weinig te Tasjkend; in de andere steden
van Centraal-Azië zijn er enkelen gevestigd, en in de omstreken van
Samarkand vormen zij kleine koloniën. Voor zoover ik er over kan
oordeelen, onderscheiden zij zich hier als elders door een sprekend
gelaat, levendige en doordringende oogen, zware wenkbrauwen, en een
fraaien baard.

Veel talrijker zijn de joden, die in een afzonderlijke wijk wonen. Hun
getal groeit voortdurend aan: want de Joden, die te Bokhara en in
de onafhankelijke khanaten worden onderdrukt, komen in russisch
Turkestan een veiliger verblijfplaafs zoeken, op het gevaar af van
hun hoofd te verliezen, indien zij op hunne vlucht betrapt worden. De
joden van Tasjkend en in russisch Turkestan mogen zich dan ook wel
gelukkig roemen, als zij hun toestand vergelijken met dien hunner
geloofsgenooten in de andere landen van Centraal-Azië. Daar zijn
zij, in hunne kleeding en hun openbaar leven, aan allerlei strenge
bepalingen onderworpen. In sommige steden mogen zij niet dan op een
ezel binnenkomen; in andere mogen zij slechts te voet gaan. Het is hun
verboden, zijden of andere kostbare kleederen te dragen: hun gewaad
moet van eenvoudig laken en steeds donkerkleurig zijn. Zij mogen geen
anderen gordel hebben dan een koord, en geen ander hoofddeksel dan
de _toppeh_, een kleine ronde muts of kapje, waarover zij des noods
eene soort van bonten muts mogen dragen. Maar geen jood zou het zonder
levensgevaar kunnen wagen, zich te versieren met een tulband, of zelfs
zich het hoofd met een doek te omwikkelen. In russisch Turkestan zijn
zij natuurlijk van al deze bepalingen ontslagen: daarom zijn zij te
Tasjkend zoo trotsch; zij berijden fraai opgetuigde paarden, tooien
zich met veelkleurige kleederen, en als zij een _tur_ (russisch heer)
ontmoeten, beproeven zij het, hem op militaire wijs te groeten.

Voor de komst der Russen verkeerden de Hindoes te Tasjkend bijna in
denzelfden toestand van vernedering als de kinderen Israëls. Zij zijn
niet talrijk; maar wat zij in aantal missen, vergoeden zij door ijver
en werkzaamheid. Deze Hindoes zijn de gruwelijkste woekeraars der
wereld: een rente van twee- en driehonderd percent is voor hen eene
kleinigheid. Zij zijn bijna allen zeer rijk, maar leven op een hoogst
eenvoudigen voet, zonder vrouwen, in afzonderlijke karavanserais, waar
zij ieder hunne eigene kamer, eene kleine donkere, maar zindelijke cel,
hebben. Zij zijn uiterst matig, eten geen vleesch, drinken niets dan
water, en bereiden zelven hunne spijzen, ook om verontreiniging door
anderen dan geloofs- en standgenooten te voorkomen. Het zijn in den
regel schoone, welgebouwde mannen, met een zielvol gelaat en eene edele
gestalte. Wat hun karakter aangaat, zou ik hen liefst met de joden
vergelijken. Echter met dit karakteristieke onderscheid. Zoodra er
eenig gevaar dreigt, begraaft de Jood zijn geld en zijne kostbaarheden
in den grond, en loopt weg, zonder zelfs een oogenblik om te zien. De
Hindoe daarentegen gaat rustig op zijn koffer zitten, en blijft zijn
narghileh rooken, al weet hij ook dat de dood hem wacht.

De Tsiganen of Heidens, die echte wereldburgers, zwerven ook, maar in
kleinen getale, door russisch Turkestan. Die de Gitanos in Spanje of
de Zigeuners in Hongarije en Polen gezien heeft, kent ook de Tsiganen
van Centraal-Azië: ook hier leven zij van bedelarij en diefstal; en
houden zich tevens met waarzeggerij bezig. Tegen de algemeene gewoonte
in muzelmansche landen, gaan hunne vrouwen met onbedekt gelaat.

Ik mag dit overzicht der veelsoortige bevolkingen van Centraal-Azië
niet eindigen, zonder met een enkel woord te spreken van de
laatstaangekomenen, maar tevens de machtigsten: de Russen. Tot
dusver is hun aantal gering; zij ontleenen hun overwicht aan den
schrik hunner wapenen en aan de onbetwistbare meerderheid hunner
europeesche beschaving boven de halve barbaarschheid der volksstammen
van Centraal-Azië. Bijna alle hier gevestigde Russen zijn militairen,
ambtenaren of kooplieden: de eigenlijke kolonisten zijn tot dusver
in dit land niet verschenen. Toch naderen zij langzaam maar zeker,
in de richting van de Sir-Darja, en het oogenblik is waarschijnlijk
niet meer verre, waarop de landbouwers van zuidwestelijk Siberië ook
de grenzen dezer nieuwe russische provincie zullen overschrijden.

Ongetwijfeld heeft de russische kolonisatie van Centraal-Azië
met gewichtige bezwaren te kampen: het komt er vóór alles op aan,
grondeigendom te verwerven, en de landen, die thans aan de inboorlingen
behooren, in het bezit der Russen te doen overgaan: en dit is niet
gemakkelijk. Toch, het koste wat het wil, moet deze kwestie worden
opgelost, en wel zoo spoedig mogelijk. Dit is noodig: niet alleen in
het belang van Rusland, maar vooral ook in het belang der inboorlingen
zelven, die er niet dan bij zouden verliezen, indien zij weder onder
het juk hunner vorige tirannen werden teruggebracht, en wanneer
op nieuw die oneindige reeks van burgeroorlogen, geweldenarijen
en gruweldaden begon, waaruit tot dusver de geschiedenis van
Centraal-Azië was saamgeweven. Zonder eene ernstige en op breede
schaal aangelegde kolonisatie, zal russisch Turkestan alleen in
naam russisch zijn. Indien de regeering zich de zaak niet aantrekt,
en niet zorgt de noodige gronden in hare macht te krijgen, waarop
zich eene talrijke christelijke en beschaafde bevolking, nevens de
barbaarsche muzelmansche stammen, vestigen kan, zullen wij langs de
boorden van de Sir-Darja in dezelfde positie blijven verkeeren als de
Engelschen in Hindostan: dat wil zeggen, dat wij ieder oogenblik aan
het gevaar blootstaan, door een algemeenen opstand der inboorlingen
verdreven te worden.



VI.


De bedelende derwisjen wonen meest bij elkander in zoogenaamde
_kalenterkhanen_, bestaande uit een ruimen binnenhof met boomen
beplant en door een beek besproeid; voorts uit een kleinen terp, die
als bidplaats wordt gebruikt, en uit een armzalig, morsig gebouw. De
bedelaars zitten of liggen doorgaans langs de muren of op het platte
dak van dat gebouw: zij praten, rooken, drinken thee, of dommelen
onder den invloed van den bedwelmenden _kouknar_. De bedelarij wordt
in Centraal-Azië op uitgebreide schaal gedreven en is er zeer goed
georganiseerd. De zeer talrijke gemeente der bedelaars vormt eene
broederschap, aan welker hoofd een chef staat, die, naar men zegt,
afstamt van den heilige, door wien de orde der _douvanis_ of _divanis_
(bedelaars) is ingesteld.

Herhaaldelijk heb ik gepoogd een bezoek af te leggen bij dien _tura_
(meester, heer) der bedelaars, die vrij wat beter is gelogeerd dan
zijne onderdanen: maar nooit heb ik het geluk gehad hem tehuis te
vinden: nu eens was hij te Tsjemkend, dan te Khodsjend, dan ergens
anders. Als opperhoofd van alle douvanas van Turkestan, heeft
de tura van Tasjkend weinig vrijen tijd: hij moet telkens zijn
wijd uitgestrekt gebied doorreizen, om geschillen tusschen zijne
onderhoorigen te beslechten en rekening en verantwoording te vorderen
van hunne inkomsten en uitgaven: want iedere douvana is verplicht,
hetgeen bij elken dag ontvangt, na aftrek van het volstrekt noodige,
aan de kas der broederschap af te staan.

Ieder die wil kan douvana worden: hij heeft daartoe slechts een
verzoek in te dienen bij den tura, en zich aan eenige formaliteiten
te onderwerpen; hij zet een roode muts op van bijzonder fatsoen,
aan den rand met schapenvacht omzoomd; slaat zich een gordel met
een zekeren symbolischen steen versierd, om de lendenen, en voorziet
zich van een nap, uit een halve kokosnoot vervaardigd, en waarin de
douvana alles verzamelt, wat men goedvindt hem te geven. Het hoofdstuk
zijner kleeding is de _halate_ of pij, die, volgens het voorschrift,
uit lappen en snippers moet bestaan, en die er dikwijls, door de
bonte mengeling van kleuren en stoffen, allerschilderachtigst uit kan
zien. De douvana heeft twee halaten: een voor dagelijksch gebruik, die
niet anders dan eene smerige lappendeken is; en de staatsie-halate,
ook wel uit vodden en lappen vervaardigd, maar uit zindelijke,
onverkleurde lappen, die hij in de bazars bijeen zoekt.

Reeds vroeg in den morgen verlaten de douvanas hunne kalenterkhane,
verspreiden zich door de hun aangewezen wijken, en keeren eerst des
avonds terug. Dan wordt de rekening van de ontvangst opgemaakt; men
praat, rookt zeer sterke _nacha_, en drinkt thee of kouknar. Van dien
laatsten drank behoeft men niet veel te gebruiken om het verstand te
verliezen: men bedrinkt zich dus, en slaapt dan zijn roes uit, om den
volgenden morgen weder van nieuws te beginnen. De douvanas kunnen zich
soms bespottelijk aanstellen. Ge kunt u niet van lachen onthouden,
wanneer ge tien of twintig groote kerels ziet, allen wonderlijk
uitgedost, en op een eigenaardig zingenden toon, in koor, eene bede
om een aalmoes uitgalmende. Daarbij steken zij hunne vingers in de
ooren, buigen zich voorover en blazen zich--ik weet niet hoe--zoo op,
dat het schijnt of zij barsten zullen.

Bijna alle douvanas zijn overgegeven dronkaards en opiumeters: drie
of viermaal per dag, en dikwijls nog meer, gebruiken zij eenige koppen
kouknar of doses opium. Ik ontmoette eens zulk een douvana opiumeter,
meer een geraamte dan een levend wezen. Lang en uitgeteerd, met een
vaalbleek geel gelaat, zag en hoorde hij ternauwernood wat om hem heen
gebeurde. Mijne woorden klonken als een onbestemd geruisch in zijne
ooren; zijne lippen bleven stijf op elkander gesloten. Eensklaps zag
hij een balletje opium in mijne hand; zijn strak gelaat nam dadelijk
eene vreemde uitdrukking aan; hij sperde zijne oogen wijd open, en
sprong als een wild dier naar mij toe. "Geef hier, geef hier!" riep
hij. Maar ik deed een paar stappen achteruit, en borg mijn opium
weg; toen wrong de ongelukkige zich in allerlei bochten en vertrok
zijn gelaat op afschuwelijke wijze. "Geef mij den _beng_ (opium),
och! geef het mij", kermde hij op half gesmoorden toon. Eindelijk
gaf ik hem een stukje: hij greep het met beide handen, ging tegen den
muur zitten, en verslond in stilte en met blijkbaar welgevallen het
noodlottige balletje. Het duurde niet lang of een vreemde, akelige
glimlach vertrok al de spieren van zijn gelaat; hij sprak binnensmonds
eenige onverstaanbare woorden zonder samenhang, en verviel weldra in
eene soort van verrukking, nu en dan door stuiptrekkingen afgewisseld.

De kalenterkhanen zijn niet enkel bedelaarsdoelens, maar tevens eene
soort van koffiehuizen en clubs. De opiumrooker, die tehuis aan zijn
hartstocht niet kan of durft botvieren, gaat naar de kalenterkhane;
de dronkaard komt er zijn kouknar drinken; anderen gaan er heen om
er met hunne kennissen te praten, of de nieuwtjes van den dag te
vernemen. Eens, op een vrij kouden dag, trad ik te Tasjkend zulk een
kalenterkhane binnen. Nooit zal ik het schouwspel vergeten, dat ik daar
zag. Al de douvanas opiumeters zaten, dicht tegen elkander gedrongen,
op den vloer neergehurkt, tegen den muur, om zooveel mogelijk tegen de
koude beschut te zijn. Velen hadden reeds hunne dosis vergif ingenomen:
hun gezicht had eene uitdrukking van bestiale stompzinnigheid, hun
mond was half geopend, en sommigen bewogen hunne lippen, alsof zij
iets zeggen wilden. Anderen zaten met het hoofd tusschen de knieën,
en snorkten luid, terwijl hunne spieren zich nu en dan samentrokken en
geheel hun lichaam zich krampachtig bewoog.--De opium-eter is dadelijk
kenbaar aan zijn slordig voorkomen, zijne onzekere, vreesachtige
bewegingen, zijn doffen, starenden blik, zijn vervallen geel gelaat,
zijne ziekelijke onaandoenlijkheid. De opium wordt niet alleen gegeten,
maar ook gerookt. De rooker ligt op den grond, en zuigt door een lange
pijp den damp in van een balletje opium, dat een ander met een tangetje
voor den kop der pijp houdt. Naar men zegt, vervalt de rooker nog
spoediger dan de opium-eter tot een soort van waanzinnige verdooving.

Geene andere stad in den Levant, die ik gezien heb, bezit een bazar,
die in uitgestrektheid met den bazar van Tasjkend kan wedijveren. Wel
zijn de winkels klein, maar hun aantal is legio: het schijnt wel of
alle inwoners van Tasjkend winkeliers zijn. De bazar bestaat uit eene
menigte straten, ter wederzijde omzoomd door houten winkels, kramen
zoo ge wilt; die straten zijn nauw en bochtig, maar heerlijk koel,
dank zij de matten, die over de geheele lengte, van den eenen winkel
tot den anderen zijn uitgespannen en de zonnestralen keeren. Alle
winkels gelijken op elkander; zij bevatten over het algemeen zeer
weinig voorwerpen van waarde: den ganschen inboedel zou men al
heel gauw voor honderd gulden kunnen koopen. De koopman, doorgaans
tamelijk gezet van postuur, is voortdurend bezig, zichzelven of zijne
koopwaar met een waaier af te koelen; hij zit, met de beenen onder
het lijf, te babbelen, aardigheden te verkoopen, thee te drinken,
de vliegen te verjagen: in één woord, hij schijnt zich met alles
bezig te houden, uitgenomen met zijn handel. De klanten zijn dan ook
zeldzaam, uitgezonderd de drie dagen in de week, dat de bazar ook voor
de nomaden geopend is: des zondags, des woendags en des vrijdags. Aan
de nomaden alleen is het te danken dat de handel zich staande houdt,
en dat sommige voorwerpen, die de Europeanen nauwelijks de moeite waard
zouden achten om op het vuur te gooien, nog altijd koopers vinden.

Op de koopdagen stroomen de landlieden uit den omtrek, de Kirghisen
van de naburige kampementen, reeds in den vroegen morgen, naar den
bazar. Ook de stedelingen begeven zich, bijna met het krieken van
den dageraad, daarheen: zij komen niet om te koopen of te verkoopen,
maar om te zien, om mede te wandelen met de menigte, om ook deel te
nemen aan de standjes, en de nieuwtjes op te vangen. Onderweg wipt
men even de moskee in om zijn morgengebed te doen; men blijft eenige
oogenblikken luisteren naar een mollah, die de gaanden en komenden
voor een poosje om zich verzamelt, hun iets uit de levens der heiligen
voorleest, of een preek houdt, die bijna altijd tegen de _honden van
kafirs_ (ongeloovigen), dat wil zeggen de christenen, gericht is. In
den namiddag wordt het gedrang en gewoel, het geschreeuw en geroep en
gejoel zoo sterk, dat in weinig europeesche steden iets dergelijks is
te zien. Elk oogenblik loopt men gevaar, door een ezel omvergeloopen
of door een kameel platgedrukt te worden.

De meeste ruimte wordt ingenomen door handelaars in stoffen: zij
verkoopen voornamelijk russische mousselinen, en zijden en katoenen
stoffen, te Kokhand of Bokhara vervaardigd. Volgens oostersch gebruik,
zijn de kooplieden van hetzelfde gilde ook allen in dezelfde straat
gevestigd: hier ziet ge de schoen- en zadelmakers en anderen die in
leder en huiden handelen; ginds de tapijtverkoopers en de handelaars
in vilt, die hier in voortreffelijke hoedanigheid en bewerking gevonden
wordt. Eene andere straat wordt door de zijdeborduurders ingenomen. Het
borduren van zijde heeft in dit gedeelte van Centraal-Azië den
hoogsten trap van volmaaktheid bereikt, en dit kunstwerk is zeer
goedkoop omdat de grondstof weinig kost en het arbeidsloon zeer gering
is. De Europeaan, die voor de eerste maal zulk een zijdeborduurder ziet
werken, weet niet wat het meest te bewonderen: de fraaie kleuren en de
rijke prachtige patronen, of wel den fijnen smaak en de verwonderlijke
behendigheid der werklieden.--De handelaars in vaatwerk kondigen zich
reeds van verre aan door het voortdurend geklop en gehamer: want--dit
vergat ik te zeggen--de meesten dier winkels zijn tevens werkplaatsen,
waar de uitgestalde voorwerpen ook vervaardigd worden. Als handelstad
heeft Tasjkend in het gansche land geen mededingster. Zij vormt
het kruispunt van de voornaamste handelswegen van Centraal-Azië;
de karavanen, die van Bokhara en Kokhand naar Rusland trekken of
omgekeerd; nemen altijd haar weg over Tasjkend. Dit verkeer zal nog
toenemen zoodra er geregelde betrekkingen zullen zijn aangeknoopt
tusschen Rusland en Opper-Turkestan of Klein-Bokharije, dat zich
aan het gezag van China heeft onttrokken, en dus voortaan zijne
benoodigdheden van elders moet halen.

Een vroeger ook te Tasjkend bloeiende tak van handel, de slavenhandel,
is sedert de vestiging der russische heerschappij vervallen. Die
handel wordt echter nog steeds gedreven in de onafhankelijke khanaten
van Turkestan, te Khiwa, te Bokhara, te Kokhand. Voor den noodigen
voorraad van slaven zorgen de Turkomannen, door hunne herhaalde
invallen in de perzische grensprovinciën: alle gevangenen, die tot
de secte der Sjîiten behooren, worden door de roovers verkocht; de
Sonniten daarentegen worden door de Turkomannen, hunne geloofsgenooten,
ongemoeid gelaten. Is de razzia goed geslaagd, dan zijn de prijzen
laag, en kan men een slaaf voor omstreeks vijftig gulden koopen. De
slavinnen zijn veel zeldzamer en dus ook veel duurder dan de slaven,
omdat de Turkomannen de eersten liefst voor zich zelf houden. Meermalen
vernam ik van oude slaven, uit Perzië afkomstig, hoe zij als jeugdige
knapen, door de Turkomannen werden geroofd, hetzij terwijl zij met
hunne ouders of verwanten aan den veldarbeid waren, hetzij in het
dorp zelf, ondanks de woede en smart der weerlooze bevolking. Dan
werden zij, dikwijls vele dagreizen ver, onder allerlei ontberingen,
naar de markt gevoerd, waar zij in handen vielen van een of anderen
meester. Gelukkig nadert het einde van dezen snooden handel; zelfs
in het nog niet aan Rusland onderworpen gedeelte van Turkestan wordt
men angstvallig slaven te koopen, omdat men weet dat zoodra de Russen
komen, alle slaven onmiddellijk in vrijheid worden gesteld.

Ook voor de vrouwen van Turkestan, die nu metterdaad evenzeer slavinnen
zijn, al dragen zij niet dien naam, is, naar wij vertrouwen, een
betere toekomst aanstaande. Haar tegenwoordige toestand is ellendig,
nog beneden die harer zusters in Turkije en Perzië. Zij worden
nog strenger bewaakt, nog angstvalliger van aller verkeer met de
buitenwereld afgesloten, nog meer in haar werkkring beperkt. Reeds in
de wieg worden zij aan een man verkocht, die haar tot vrouw neemt, als
hare ontwikkeling, noch uit een moreel, noch uit een physiek oogpunt,
voltooid mag heeten. Zoo komen zij nooit tot een eigen zelfstandig
leven: want als zij den leeftijd hebben bereikt, waarop het verstand
tot rijpheid komt, zijn zij reeds verouderd door de moederzorgen, en
gebroken en verwelkt door harden arbeid. Is het wel te verwonderen,
dat zij zich met niets anders weten bezig te houden dan met praatjes
en intriges? Moge de russische invloed vooral hierin ten goede werken!

Toen ik Tasjkend verliet, was het feest van den _beïram_ in vollen
gang. De straten wemelden van Sarthen, voor het meerendeel beschonken,
hetzij door het onmatig gebruik van kouknar, hetzij omdat zij zich te
buiten waren gegaan aan brandewijn, waarvan de ware geloovigen groote
liefhebbers zijn. De menigte richtte hare schreden naar een boschje,
op ongeveer een mijl afstands van de stad; de mannen hadden hunne
fraaiste veelkleurige tsjapans aangetogen, de vrouwen hare mooiste
mousselinen van russisch fabrikaat. Ons gezelschap bestond nu uit
vier personen: als tolk had ik een gerussificeerden Tartaar van
Kassimow, een edelman, misschien wel een prins: althans hij maakte
aanspraak op den titel. Een ander Tartaar vervulde de rol van bediende;
eindelijk had de gouverneur van Tasjkend mij nog een Kozak van Orenburg
toegevoegd, die mij gedurende de geheele reis moest vergezellen. Wij
waren behoorlijk van geweren en revolvers voorzien.

Wij slaan den weg in naar Tsjinaze, ten einde den overtocht over
de rivier Tsjirdsjik te vermijden, die in dezen tijd des jaars,
vanwege den hoogen stand des waters, niet zonder gevaar is. Het is
heerlijk weder; een verrukkelijke lenteavond overstroomt het geheele
landschap met een onbeschrijfelijke bekoorlijkheid. Wij brengen den
nacht door in het dorp Nogaï-Kourgane, waar wij onze tent, onder
den blooten hemel, in de schaduw van prachtige boomen, opslaan. Den
volgenden morgen zetten wij onze reis voort. Ik zal mijne lezers niet
vermoeien met eene opsomming van alle bijzonderheden van dien tocht,
en eene beschrijving van al de plaatsen waar wij halt hielden. De
geheele landstreek vertoont overal hetzelfde karakter, en ook de
dorpen gelijken allen op elkander. Wij brachten een kort bezoek
aan de weinig beteekenende ruïnen van Iski-Tasjkend (Oud-Tasjkend)
de voormalige hoofdstad des lands, en bereikten eenige dagen na ons
vertrek van Tasjkend, de stad Tsjinaze, die eigenlijk niet veelmeer
dan een dorp is.

Voor de komst der Russen was Tsjinaze eene plaats van zekere
beteekenis; maar sedert de verovering hebben een aantal inwoners,
met name kooplieden, de stad verlaten, om zich in het nieuwe
Tsjinaze te gaan vestigen, op eenigen afstand, nabij de plaats waar
de Tsjirdsjik in de Sir-Darja vloeit, gesticht. Oud-Tsjinaze heeft
weinig aanlokkelijks voor den vreemdeling; maar een hevige orkaan,
door geweldige stortregens gevolgd, dwong ons, er te blijven en
te overnachten. Den volgenden morgen geleek de weg een modderpoel,
waardoor met groote kracht sterke waterbeeken stroomden, die zich in
de Tsjirdsjik gingen storten. Gelukkig is de afstand tusschen Oud- en
Nieuw-Tsjinaze niet groot anders hadden wij waarschijnlijk onderweg
onze paarden verloren. Op onzen weg daarheen zagen wij Kirghisen,
met veldarbeid bezig, zich daarbij bedienende van werktuigen, die
door hunne eenvoudige samenstelling nog aan de aartsvaderlijke tijden
herinneren.

Nieuw-Tsjinaze ziet er niet veel bekoorlijker uit dan het oude: de
citadel is klein, de huizen zijn laag, de boomen zeldzaam, hetgeen
vreemd schijnt in de nabijheid van twee rivieren. De stad ligt echter
te hoog, om het water, door middel van irrigatiekanalen, over het land
te kunnen verspreiden; maar indien daardoor het bezit van tuinen en
boomgaarden onmogelijk wordt, zoo tiert hier toch de wilg in grooten
overvloed: en in Turkestan is geen enkele boom te versmaden.

Den volgenden morgen staken wij, in een ijzeren boot, de Tsjirdsjik
over. Langs de steile oevers dezer smalle rivier zag ik verscheidene
diepe gaten, die, zooals ik vernam, des winters den Kozakken tot
verblijf dienen. "Maar, zeide ik tot den armen Kozak, die mij dit
mededeelde, dat moet wel hard zijn, des winters in zulke holen
te wonen!"

"Het is hard."

"En waar woont gij des zomers? In tenten?"

"Neen. In de open lucht."

"In de open lucht! En hoe maakt ge het dan bij regen en wind?"

"De regen maakt ons nat, maar de zon droogt ons weer."

Ter wederzijde van de rivier ziet men moerassige velden, dicht met
riet bewassen, alsmede uitmuntende klaverweiden. Deze laatste plant
levert hier drie en meer oogsten per jaar op. Ook tarwe, gerst, rogge,
erwten en vlas groeien hier uitnemend. De rijst zou hier evenzoo
slagen: maar zij heeft overvloedige besproeiing noodig; daarom vindt
men alleen in de streken, waar veel water is, bij voorbeeld in het
dal van de Angrene, te Ilaou en te Khodsjend, belangrijke rijstvelden.

Hodjaguend, waar wij halt houden, is een groot dorp, door Sarthen
bewoond. Toen wij onzen intocht hielden, waren de mannen bijna allen
in het veld; de vrouwen stonden in de deur harer woning, tegelijk
nieuwsgierig en schuw, want de verschijning van een _Ourousse_
(Rus) is geene alledaagsche zaak. Terwijl naar eene woning voor ons
werd rondgezien, nam ik voorloopig mijn intrek in een tuin, waar het
dorpshoofd mij kwam bezoeken. Hij beschouwde mij blijkbaar met groot
wantrouwen, daar hij meende dat ik door de russische regeering gezonden
was, om rekenschap te vragen van zekere verkeerde handelingen. Toen hij
begreep dat dit niet het geval was, maakte zijn wantrouwen plaats voor
verbazing, met zekere minachting gemengd. De Oosterlingen kunnen zich
maar niet voorstellen, dat iemand louter voor zijn pleizier, om zich
te onderrichten, gaat reizen; is de reiziger geen officiëel persoon,
geen handelaar, kan hij geen bepaalde reden opgeven waarom hij reist,
dan kunnen zij den indruk niet van zich weren dat eene andere min
loffelijke oorzaak, die hij niet durft noemen, hem beweegt, zijn
vaderland en familie te verlaten. Ook ik kon mijn aksacale niet aan
het verstand brengen, dat ik geen ander doel had dan vreemde landen
te leeren kennen: ik ben er zeker van, dat hij mij als een halven
dwaas beschouwde.

De broeder van den aksacale verschafte mij eene goede woning met
een stal, en eene ruime, met boomen beplantte binnenplaats. Deze
woning lag aan een breed, maar niet diep kanaal, dat voornamelijk
diende tot besproeiing der velden en om eenige molens in beweging
te brengen; ter wederzijde is een rij huizen gebouwd, die door
fraaie boomen worden overschaduwd. In deze straat bevindt zich de
voornaamste der twee winkels, die in het dorp te vinden zijn; voor
dien winkel verzamelen zich iederen avond de nieuwsgierigen van het
vlek, om te praten, de nieuwtjes te vernemen en te spelen. Vooral
op de dagen, als de bazar te Tsjinaze geopend is, heerscht hier
des avonds eene bijzondere drukte. Niet ver van mijne woning staat
een moskee, die niets bijzonder merkwaardigs heeft. Des morgens en
des avonds is zij meest met landlieden gevuld, die er hunne gebeden
komen opzeggen; de stedelingen zijn minder ijverig in het waarnemen
hunner godsdienstplichten; de meer bejaarden onder hen bezoeken nog
het trouwst het bedehuis.



VII.


Hodjaguend verlatende, volgden wij de oevers van de Sir, ter
wederzijde omzoomd door uitgestrekte rietbosschen, de geliefkoosde
verblijfplaatsen van fazanten en wilde ganzen. Het land is vrijgoed
bebouwd: fraaie graanvelden, weelderig groene weilanden, en akkers
met wilde slaapbollen beplant, trekken overal de blikken tot zich.

Weldra ontdekken wij zeer duidelijk de hooge oevers van de Angrene,
eene kleine rivier, die zich hier in de Sir-Darja uitstort. Evenals
alle andere rivieren in dit gedeelte van Centraal-Azië, is ook de
Angrene, in den zomer en in het algemeen wanneer het niet of bijna
niet regent, verdwenen: in die mate zelfs, dat, zooals het spreekwoord
zegt, bij het begin van den herfst de kippen droogvoets door de rivier
kunnen gaan. Maar in het voorjaar, als het hevig en lang achtereen
regent, als de sneeuw op de bergen smelt, dan verandert het tooneel:
de rivieren zwellen dan zoo, dat het dikwijls onmogelijk en altijd
gevaarlijk is, ze over te steken. Nu moesten wij juist den volgenden
dag de hoog opgezette Angrene overvaren.

Op de aanwijzing van onzen gids Bakisj verlieten wij den oever der
rivier, en sloegen links af, bijkans onbegaanbare en onkenbare paden
door het kreupelhout en de biezen volgende, en door onze verschijning
gansche zwermen van eenden opjagende. De biezen werden eindelijk zoo
hoog, dat zij tot boven den buik onzer paarden reikten; wij trokken
maar altijd door deze wildernis voort; het werd donker, en ik bemerkte
aan alles, dat onze gids zelf den weg niet meer wist. Bakisj begon
te zingen, hield weder op, en zag rondom zich, voor zoover dat in
de duisternis mogelijk was; hij moest nu eindelijk zelf erkennen dat
wij verdwaald waren. Eensklaps kwamen wij aan eene kleine rivier, die
echter niet de Angrene was. Ondanks de duisternis, stuurden wij onze
paarden in het water, om eene waadbare plek te vinden: maar zij werden
weldra door het water opgetild en moesten gaan zwemmen; wij vonden
geen voorde. Het was onmogelijk de rivier over te steken; wij besloten
dus den oever te volgen; maar eensklaps stuitten wij op een nieuwen
hinderpaal: een gracht, zoo diep, dat ik huiverde bij de gedachte,
in den donkeren nacht in dezen afgrond te moeten afdalen. Er schoot
echter niets anders over. Onze paarden waren bang; sommigen gleden
en struikelden; maar toch bereikten wij zonder ongeval de overzijde.

Wij sukkelden nu nog een poosje in de duisternis voort, toen wij
gelukkig in de verte een licht zagen schemeren. Dit licht kwam
uit de eenzame tent van een Kirghise, die ons den weg wees, welken
wij te volgen hadden om een groot dorp aan den oever der Angrene
te bereiken. Daar aangekomen, vonden wij onze reisgenooten, die
van ons af waren geraakt, en nu reeds ons avondmaal hadden gereed
gemaakt. Dit dorp was eene kolonie van Tamintzis, een volksstam,
die zich voornamelijk in de omstreken van Tasjkend, Tsjinaze en
Khodsjend heeft nedergezet, en zich op den landbouw toelegt. Onze
komst bracht het gansche dorp in opschudding, en, evenals overal,
zagen wij ons ook hier door een drom van nieuwsgierigen omringd. De
verbazing kende geen grenzen toen mijne valiezen werden opengemaakt,
en daaruit allerlei voorwerpen van dagelijksch gebruik te voorschijn
kwamen, maar die deze eenvoudige lieden nimmer gezien hadden. Zij
vroegen naar alles; kreten, uitroepen van bewondering, wonderlijke
gebaren en sprongen--dit alles scheen nog maar half toereikende om
hunne innige verbazing uit te drukken.

De zoolang gezochte Angrene vloeit vlak langs het dorp. Den volgenden
morgen zullen wij haar in eene _sala_ oversteken. Een sala is een klein
vlot van biezen vervaardigd.--"Wees niet bang," zeide men mij telkens;
"onze sala is in goeden staat, en wij zullen u levend aan den anderen
oever brengen."

Toen ik, den anderen morgen, die zoo hoog geprezen sala zag, liep mij
eene rilling door de leden: het ding bestond uit eenige bossen riet,
zoo slecht mogelijk saamgebonden. Ik liet nog eenige stevige halmen
en rottingen aanbrengen; men bevestigde de sala met alle touwen,
die ik beschikbaar kon stellen; eindelijk werd het meer dan broze
vaartuig zooveel mogelijk vergroot, verzwaard en sterker gemaakt. De
stroom was zeer sterk, de overtocht bepaald gevaarlijk; het gansche
dorp was uitgeloopen, om te zien hoe het met den Ourousse en zijn
gevolg zou gaan.

Eerst gingen twee Kirghisen, ieder met een paard, in den stroom; de
paarden konden zich niet staande houden en werden met duizelingwekkende
snelheid door den stroom medegevoerd; maar de Kirghisen, alleen
met een korten broek gekleed, konden goed zwemmen en behielden
hunne tegenwoordigheid van geest. Met de eene hand de manen, met
de andere den teugel vasthoudende, stuurden zij hunne verschrikte
rossen, met veel behendigheid, naar den linkeroever van de Angrene,
en bereikten den vasten wal op ongeveer zestig el beneden het punt
van uitgang. De proef was dus geleverd: de paarden konden de rivier
oversteken. Nauwelijks hadden zij den oever bereikt, of de paarden,
nog bevende van angst, moesten andermaal te water gaan; zij snoven,
hinnikten, sidderden over al hun leden, en wierpen angstige blikken
op de rivier; maar men liet hun geen tijd om tot zichzelven te komen;
zij werden met den staart aan het vlot vastgebonden, en nu ging het
voorwaarts! Twee mannen zwommen voor de paarden, vijf anderen rondom
het vlot; de beesten zwoegden en snoven te midden van den stroom; de
toeschouwers op den oever hielden den adem in. Ik volgde met angstige
blikken mijne bagage, aan het broze vaartuig toevertrouwd. De sala
vloog over het water, door den geweldigen stroom medegesleept; zij
naderde den anderen oever, en de personen, die er op waren, klampten
zich gelukkig aan dien oever vast, toen ik vreesde dat alles reddeloos
verloren was. Het vlot keerde ledig terug; en nu werd ik, met het
overige van mijn bagage, met behulp van minder vermoeide paarden,
naar den overkant gebracht. De arme Kirghisen waren half dood van
koude; zij verlangden naar wat brandewijn: het hinderde mij, dat ik
hun slechts thee kon aanbieden.

Wij vervolgden nu onzen weg naar Boeka, dat wij vóór den nacht
hoopten te bereiken. Het land is vlak en tamelijk wel bebouwd: aan
den horizon verheffen zich eenige heuvelen, waarvan de hoogste den
naam van Hanka draagt. Deze heuvel had een indrukwekkend voorkomen;
ik wilde hem bezoeken. Rondom den heuvel lagen een aantal lagere
hoogten verspreid, met gras begroeid, en zonder eenig spoor van
gebouwen, behalve de eenzame graftombe van een _aouliëh_ (heilige),
die op een dezer hoogten verrees en van verre de aandacht tot zich
trok door een veelkleurigen lap, aan een langen stok bevestigd. Ik
vermoed, dat hier eenmaal eene groote stad heeft gestaan, waarvan de
citadel ongetwijfeld den hoogsten heuvel bekroonde; de top van dien
heuvel vertoont nog een eigenaardigen vorm: hij is bijna vierkant en
heeft steile, regelmatig afloopende randen. Ik vond niets dan eenige
scherven en gebakken steenen.

Het begon reeds donker te worden, toen wij Boeka bereikten; wij gaan
eenige smerige en nauwe straten door, tot wij voor een kleinen winkel
komen, waar nog licht brandt. Daar de zoon van den aksacale ons
had gezegd, dat zijn vader voor eenige dagen afwezig was, begaven
wij ons naar de woning van den _biï_, voor wien ik een brief van
aanbeveling had. Deze biï, letterlijk notabelen, vindt men in alle
Kirghisen-dorpen; zij zijn belast met de handhaving der openbare
orde en zijn tevens zooveel als vrederechters. Deze biï, een man van
rijpen leeftijd, had een zeer eerwaardig voorkomen; hij was langen
tijd aksacale van Boeka geweest, en was nu tot de waardigheid van
biï opgeklommen.

Boeka is een aanzienlijk dorp, waarvan de aarden woningen tegen de
helling van een vrij steilen berg zijn gebouwd. De inwoners zijn
Kirghisen, die in voorkomen en levenswijze veel overeenkomst met de
Sarthen hebben. Rondom het dorp strekken zich, tot op wijden afstand,
rijstvelden uit, door kanalen doorsneden, en op dat oogenblik geheel
onder water staande, zooals in de lente steeds het geval is. De
landlieden, tot aan den gordel in het water staande, arbeiden daarom
niet minder ijverig. De velden zijn in vierkante vakken verdeeld, die
door kleine aarden wallen van elkander worden gescheiden. Elk dezer
vakken staat, door eene kleine opening in den dijk, met een kanaal
in gemeenschap. Is de bodem genoeg van water doortrokken, dan wordt
dit gat weder met een paar kluiten aarde dichtgestopt. De kanalen,
die hun water uit de Angrene ontvangen, zijn zeer vischrijk.

Op marktdag is het te Boeka zeer druk en levendig. De markt is aan
alle kanten omringd door kleine winkels of kramen, die gedurende zes
dagen gesloten zijn, maar des Maandags worden geopend. Dan stroomen de
koopers en nog meer de bezoekers van alle zijden samen, om elkander te
ontmoeten, de nieuwtjes te vernemen, hunne bekenden te spreken en ook
zaken te doen. Zulk een marktdag levert inderdaad een zeer aardig en
schilderachtig tooneel op, dat vooral voor een vreemdeling zeerveel
aantrekkelijks heeft; ge vindt hier allerlei zaken bij elkander, die
ge niet verwachten zoudt. Buiten den bazar of de eigenlijke markt,
wordt de veemarkt gehouden, waar paarden, schapen, runderen, kameelen
enz. worden verkocht. Deze markt is vooral merkwaardig, omdat hier
koopers en verkoopers, mannen en vrouwen, allen zonder uitzondering
te paard zitten.

Te Boeka vernam ik eene geheel onverwachte en gewichtige tijding:
men zeide mij, dat de Emir van Bokhara te Samarkand was, en zich
gereed maakte om tegen Rusland te oorlogen. Ik geloofde er niets van,
en liet mij daarom bewegen om nog eenigen tijd te Boeka te blijven,
en bij mijn vriend den aksacale, die van zijne reis was teruggekeerd,
mijn intrek te nemen. Ik moest mij daar vergenoegen met een ellendig
krot, bestaande uit twee armzalige kamers, waar de regen door het
dak stroomde, en waar het wemelde van vleermuizen, duiven, zwaluwen
en musschen. Mijn ongeloof werd weldra beschaamd. Toen ik eenigen
tijd te Boeka vertoefd had, ontving ik een brief, waarin mij werd
medegedeeld dat een veldtocht der Russen naar Bokhara op handen was. De
oorlog alzoo, en wel in mijne onmiddellijke nabijheid, in het hart van
Centraal-Azië! Ik kon aan de verzoeking om mede van den strijd getuige
te zijn, geen weerstand bieden, en haastig verliet ik het dorp, waar
ik mij voorgesteld had veel langer te zullen blijven. Na de gewone
afscheidsgroeten, gaf ik mijn gastheer de gebruikelijke geschenken
van spiegeltjes en andere soortgelijke voorwerpen. Het gerucht van
den aanstaanden oorlog was reeds onder het volk doorgedrongen; en
toen ik mijne woning te Boeka verliet, bespeurde ik duidelijk aan
de houding en de gelaatstrekken der inwoners, dat zij mij als vijand
beschouwden, en dat de ingewortelde haat jegens den christen en den
overwinnaar weder, in al zijne kracht, bij hen wakker was geworden.



VIII.


Ik ben op weg om de russische voorposten op te zoeken. Voor reismakkers
heb ik twee gewichtige personages: de _raïs_ en de biï van Toy-Tioubeh,
de voornaamste stad van het district van Koeraminsk, ten zuiden van
Tasjkend, op den weg naar Khodsjend. Wat een biï is, weet ge; de raïs
is een soort van geestelijk ambtenaar. Beiden zijn mij aanbevolen
door het districtshoofd van Koeraminsk, en zijn volkomen bereid
mij te vergezellen, in de hoop van daarvoor eene ruime belooning te
ontvangen. Bovendien zit de voorliefde voor een zwervend leven dezen
lieden in het bloed. De raïs is lang en mager; hij draagt een grijzen
baard, en geeft zich een zeker _air_ van vroomheid; de biï is klein
en zeer gezet van postuur; zijn breed en plat gezicht wordt door zijne
uitstekende wangbeenderen juist niet verfraaid. Moessa-Ben--zoo heet de
biï--houdt er twee bedienden op na. Ik vraag hem, hoeveel hij aan die
lieden betaalt; uit zijn antwoord bleek mij, dat de betrekking tusschen
meester en dienaar, hier in dit land, nog aartsvaderlijk eenvoudig is.

"Gij ziet," zeide de biï, "dien ouden man, op dat magere paard,
met mijn bagage; hij dient mij sedert vijf jaren; ik heb hem iets
gegeven bij zijn huwelijk, en van tijd tot tijd help ik hem, naar
mij dit gelegen komt."

Weldra vergisten wij ons in den weg, en het kostte ons niet geringe
moeite, om de noodige inlichtingen te bekomen. In het eerste dorp,
waar wij naar den rechten weg vroegen, wilde men ons eerst niet
te woord staan; maar toen de raïs en Moessa-Ben ten ernstigste
verzekerden, dat ik een groot heer was, veranderde de stemming,
en had men eindelijk zelfs de beleefdheid mij een kop _gatijsh_
(gestremde melk) en een koek aan te bieden. Het geldstuk, dat ik in
ruil gaf, ging van hand tot hand, den ganschen kring rond.

Het smalle pad, dat wij nu volgden, loopt door prachtige weilanden,
waar nimmer de maaiers de zeissen doen gaan, want het vee is schaars
in dit land. Bloemen, van allerlei kleur en geur, versieren het
onmetelijke groene tapeet, dat zich naar alle zijden, zoover wij zien
kunnen, uitstrekt, en dat slechts hier en daar door enkele helder
gekleurde woningen wordt afgebroken.--Wij waren ver van de steppen;
en toch deden enkele tooneelen ons aan de steppen denken: nu eens
uitgedroogde rivierbeddingen, hoewel de Aprilmaand nog niet verstreken
was; dan weder kameelen of schapen, door de velden rondzwervende,
en letterlijk bedekt met raven, die, met groote behendigheid, de
insecten vangen, welke zich in het dichte en kroesige haar van den
kameel en in de wol van het schaap verschuilen.

Weldra bereiken wij een plek, waar de grond, met steile helling,
afloopt naar eene oude bedding van de Sir-Darja, die tegenwoordig
op korten afstand vloeit. Beneden gekomen, vinden wij een met kalk
vermengden bodem, met zout en salpeter, in den vorm van zeer kleine
kristallen, bezaaid; hier en daar verheffen zich in deze uitgedroogde
bedding van de groote rivier boschjes van doornstruiken, die ook
zoo veelvuldig langs hare oevers voorkomen. Wij trekken maar altijd
voort, door het verlaten bed van de Sir-Darja. Hoe verder wij komen,
hoe dichter de rietbosschen worden; elk oogenblik vliegen gansche
zwermen eenden uit deze biezen op; maar mijne reismakkers beweren
dat ook gevaarlijker gasten, tijgers en panthers, in deze jungles
schuilen. Onze paarden kunnen niet dan met moeite voortkomen op dien
weeken, salpeterachtigen grond, die onder hunne hoeven scheurt en
splijt. Van tijd tot tijd jagen wij kleine wilde katten op, die dan
met snelle en sierlijke beweging naar hun hol vlieden, waar zij een
oogenblik aan den ingang stilhouden om ons aan te zien en dan ijlings
te verdwijnen.

Wij gaan dicht langs de schilderachtige ruïnen van Kasj-Teguermen
(de Twee-Molens), eene oude vesting, waarvan de wal vrijwel bewaard
is gebleven, maar het inwendige geheel in puin ligt. De zon goot hare
stralen met verblindenden glans uit over deze leemen vestingwerken,
en kleurde van verre aan den horizon, aan gene zijde der breede rivier
en der wijde vlakte, een schilderachtig gebergte, dat zich fier en
stout in de lucht verhief.--De weg wordt steeds minder eenzaam. Ter
wederzijde staan eene menigte torentjes en wachthuizen, zoowel om
de vogels als om de dieven op een afstand te houden. Raïs verzekert
mij dat deze torens en deze wachthuizen zijn gebouwd op de graven der
gevallenen in den krijg; volgens hem, is het in Turkestan de gewoonte
om de soldaten, die in den slag sneuvelen, langs den openbaren weg
te begraven; dit geschiedt opdat de voorbijgangers voor hunne zielen
zouden bidden.

Wij naderen Khodsjend; de weg is ter wederzijde omzoomd door tuinen,
waar prachtige oude moerbezieboomen hunne schaduw spreiden; overal
vertoonen zich de teekenen van zorgvuldige bebouwing. Khodsjend wordt
door eene gracht en door een dubbelen gordel van goed onderhouden
muren verdedigd; de binnenste muur is zeer hoog. De stad telt eene
bevolking van ongeveer dertig duizend zielen, en is bekend door hare
zijde, hare wijngaarden en hare tuinen. Over het algemeen maakt
zij op den vreemdeling geen onaangenamen indruk. Van hare huizen,
hare moskeeën en de graftomben der heiligen valt niets bijzonders te
zeggen. De bazar kan de vergelijking met dien van Tasjkend in geen
enkel opzicht doorstaan.

Het paleis van den voormaligen bey is tegenwoordig de woning van
mijn vriend, den kolonel Kouchakewitch, den gouverneur van het
district. Ongelukkig was hij juist afwezig; hij was op zijn rondreis,
waar hij zich niet alleen van zijne administratieve plichten kwijt,
maar die hij ook dienstbaar maakt aan de wetenschap: want de kolonel
is een groot liefhebber der natuurlijke historie, die eene merkwaardige
verzameling van vogels, insecten, slangen en meer andere dieren bezit;
zijn tuin is eene ware menagerie in het klein.

Ik ontmoette te Khodsjend een mijner vroegere kennissen, die hier eene
betrekking bekleedde. Hij zeide mij dat de tijding van den oorlog
der Russen tegen Bokhara ook hier de gemoederen zeer in beweging
had gebracht. De inwoners van Khodsjend, dweepzieke muzelmannen,
en nog in geenen deele met de christelijke overheersching verzoend,
hopen vurig, dat de dertig- of veertig duizend krijgers van den
Emir van Bokhara korte metten zullen maken met die handvol vreemde
indringers, die zich in het land genesteld hebben.--Mijn vriend deelt
mij ook mede, wat aanleiding gegeven heeft tot den thans uitgebroken
oorlog. De gouverneur-generaal van Centraal-Azië stond op het punt naar
Petersburg te vertrekken, toen hij vernam dat een bende roovers uit
Bokhara langs onze grenzen stroopte en alle gemeenschap belemmerde. De
gouverneur stelde zijn vertrek uit, begaf zich naar de voorposten,
nabij de stad Dsjisak, en gaf last, eene aanvallende beweging uit te
voeren. Inmiddels hadden driehonderd Afghanen, die de keurbende van
het leger van den Emir uitmaakten, zijne dienst verlaten, en waren,
met hun opperhoofd en twee kanonnen, tot de Russen overgeloopen. Onder
de leiding van dien aanvoerder, den prins Iskender-Khan, hadden zij
de tot hunne vervolging afgezonden troepen verslagen, en waren in
het kamp van Dsjisak gekomen, waar zij verklaarden dat zij voortaan
niemand anders dan den Ak-Padisjâ, den witten tsaar, wilden dienen.--Ik
zou dus ook in de gelegenheid zijn, kennis te maken met de Afghanen,
dat merkwaardig en hooghartig volk, dat zoo schitterende bewijzen van
zijn onbedwingbaren heldenmoed en zijne vrijheidsliefde gegeven heeft,
in den bloedigen worstelstrijd tegen het machtige Engeland. Een reden
te meer, om zoo spoedig mogelijk onze troepen te bereiken en met hen
naar Bokhara te trekken! Men zeide mij dat ik geen oogenblik meer
te verliezen had; ik nam dus haastig afscheid van mijne vrienden
te Khodsjend, na hun mede een aandeel te hebben beloofd van de
merkwaardigheden, die wij in het paleis van den Emir zouden vinden,
indien wij overwinnaars waren. Maar geen enkele Rus twijfelde aan de
zegepraal onzer wapenen.

Bij mijn overhaast vertrek van Khodsjend, waar ik gaarne langer had
willen blijven, gaf ik mijn raïs zijn afscheid. De kolonel noopte mij,
mijns ondanks, het geleide aan te nemen van drie Kozakken.

De drie Kozakken gingen niet verder mede dan tot Naou, een klein
versterkt dorp, schilderachtig op een heuvel gelegen, en waar een
klein detachement in bezetting lag. Ik beval hun naar Khodsjend terug
te keeren, en vervolgde mijn weg tot aan het groote dorp Kazym, waar
de aksacale ons een nachtverblijf aanwees in de moskee. Wij sloegen
eerst ons kamp op in den voorhof en niet in het bedehuis zelf; maar de
regen dwong ons, daarbinnen eene schuilplaats te zoeken. Het gebouw
zag er armoedig en vervallen uit, en de bouwstijl was niet van dien
aard, dat de bewondering daarvan ons lang uit den slaap behoefde te
houden. De vensters waren met geolied papier beplakt; het dak werd
gedragen door ruw behouwen balken; de platgetreden aarden vloer was
met een vilten kleed bedekt; langs de wanden waren, ter manshoogte,
een soort van kapstokken geslagen, waaraan de geloovigen, eer zij
hun gebed verrichten, hunne schoenen ophangen.

Ik was ten hoogste verwonderd, dat het heiligdom aldus als herberg
werd gebruikt. "Hoe," vroeg ik aan den aksacale, "hebt gij mij, een
ongeloovige, zoo zonder bedenken, een verblijf kunnen aanwijzen in
uwe moskee?"

"De huizen van Kazym zijn te onzindelijk voor u," antwoordde hij. "De
moskee zal door uwe tegenwoordigheid niet meer ontwijd worden dan door
die der doortrekkende kooplieden, die men er nu en dan herbergt. Bij
het weggaan geven de gasten van het bedehuis een klein geschenk voor
het heiligdom, en de moskee van Kazym vaart er wel bij."

Die taal, in den mond van een geloovigen muzelman van Centraal-Azië,
tegenover een ongeloovige, een Ourousse, verbaasde mij nog meer dan
ons logies in de moskee. Ik had echter ook de bedoeling der laatste
woorden van den ouden man begrepen, en gaf hem bij mijn vertrek een
klein geschenk in geld, dat hij eerst scheen te willen weigeren,
maar dat hij toch aannam, toen ik hem zeide dat het slechts _saliaou_
voor _saliaou_ (gave voor gave) was. Hij had mij dan ook als een
vorst ontvangen, die brave aksacale. Hij had mij langs een tiental
mannen geleid, die, met waskaarsen in de hand, onbewegelijk stonden,
en allen iets aanboden, dat mijne excellentie van dienst kon zijn:
de een een schotel met brood, een ander gestremde melk, een derde een
kop met room, enz.; en mijne excellentie had zich deze buitengewone
eerbewijzen zonder tegenspraak laten aanleunen.

Het dorp Oratepeh, waarheen wij ons nu begaven, ligt op omstreeks
twintig kilometers van Kazym. Het was heldere maneschijn; men had mij
gezegd dat deze landstreek, vooral in de nabijheid van het riviertje
Ak-Soe, niet veilig was. Toen wij, langs eene zeer steile helling,
naar den oever van dat riviertje waren afgedaald, bevonden wij
ons in eene zeer diepe kloof: althans voor zooveel wij dit, bij
de twijfelachtige verlichting door het fantastische schijnsel der
maan, konden beoordeelen. Als naar gewoonte, had ik mij van mijne
reisgezellen afgezonderd, om mij ongestoord aan mijne indrukken te
kunnen overgeven.

"Wees voorzichtig, _tura_ (meester)," voegde mij een hunner toe, mij
op zijde komende; "er zijn altijd _Karaka_ (roovers) in de kloven en
dalen van de Ak-Soe."

"Wees gerust, vriend," antwoordde ik; "met hetgeen gij hier ziet--ik
toonde hem mijn revolver--zal ik vijf Karaka neerschieten, eer de
zesde mij iets kan doen."

Het bleek dan ook dat er niet veel reden tot ongerustheid bestond,
want wij bespeurden hoegenaamd niets van de Karaka.

Wij gingen door verscheidene uitgedroogde beddingen van beken, die
de inwoners hadden afgeleid voor de bevloeiing hunner landen, en
kregen eindelijk het vlek Oratepeh in het gezicht, aan den voet van
eene majestueuze rotsmassa, waarop eene moskee staat, tegenwoordig
in eene kerk veranderd, en eene citadel, die de Russen in October
1866 stormenderhand vermeesterd hebben. Het voormalige paleis van
den bey is thans eene herberg, waar ik een russisch hoofdofficier
aantrof, met wien ik kennis aanknoopte. Natuurlijk was mijne
eerste vraag naar zekere tijdingen van onze voorposten, waarnaar
ik zoo verlangend uitzag: maar niemand kon mijne nieuwsgierigheid
bevredigen. Van de karavanen, die het verkeer tusschen Khodsjend en
Bokharije onderhouden, verneem ik in hoofdzaak het volgende. De Emir,
eene nederlaag voorziende, had een volslagen breuk met Rusland willen
vermijden, en de verstandige en bedaarde lieden in zijn land zijn het
met hem eens; maar de massa des volks, door de mollahs opgehitst,
eischt met groote onstuimigheid den verdelgingsoorlog tegen de
ongeloovigen. Zij dringt aan op de afkondiging van den _gavazate_
(den heiligen krijg), en de vernietiging van alle Russen.

Oratepeh staat bekend als eene vroolijke en aangename plaats; het
geniet ongeveer dezelfde reputatie als Sjiraz in Perzië en Karsji
in Bokharije. Dans en muziek zijn hier zeer geliefd, zooals mij,
tijdens mijn kort verblijf, overvloedig bleek; als ik door de straten
wandelde, klonk mij van alle zijden muziek en regelmatig handgeklap
in de ooren. Van de citadel heeft men een verrassend gezicht op de
stad, hare bazars, hare fraaie tuinen, en de groene velden, die zich,
in een wijden halven boog, tot aan den voet der bergen uitstrekken.

Zamine, waar wij nu aankwamen, ligt op een hoogen heuvel, van
welks top men ten noorden en ten westen een onmetelijken horizon
overziet. Zamine is een versterkt punt, maar als zoodanig van weinig
belang; de bezetting bestaat uit dertig Kozakken. In het vlek bevindt
zich eene kleine kolonie van Oesbeken.

Weinig dacht ik, toen ik te Zamine kwam, wat mij daar te wachten
stond. De plaatskommandant, majoor L., deelde mij mede, dat ik,
krachtens bevel van hooger hand, het vlek niet verlaten mocht.

"Het is mij uitdrukkelijk verboden," zeide hij, "iemand, wie dan ook,
zonder behoorlijk geleide, door te laten gaan. Nu heb ik maar over
dertig Kozakken te beschikken, en gij zult mij daar niet van willen
berooven, niet waar? Ik zou dan geheel alleen mijne vesting moeten
verdedigen."

Daar viel niets tegen te zeggen. Bovendien was ik niet de eenige,
die aldus in zijn voornemen gedwarsboomd werd; er waren nog meer
lotgenooten, evenals ik, tegen hun wil te Zamine opgehouden. De majoor
troostte mij zoogoed mogelijk: ik zou niet lang hoeven te wachten;
ik zou weldra kunnen vertrekken met een detachement, dat buskruit
moest overbrengen en binnen kort te Zamine moest aankomen, aangezien
het gelijk met mij van Oratepeh vertrokken was.

Mijn hospes is zeer voor mijne veiligheid beducht. Hij verzoekt mij
ernstig, zeer voorzichtig te zijn, en mij vooral niet te ver buiten
de stad te wagen: in den omtrek houden zich roovers op, die zelfs
russische soldaten, op weinige schreden afstands van de citadel,
hebben vermoord; het is dus zaak, zoo waakzaam mogelijk te zijn. Hij
dringt er zelfs op aan, dat des nachts eene schildwacht voor de deur
zal worden geplaatst, en hij bezorgt mij er twee, beiden Oesbeken. Op
die wijze is althans zijne verantwoordelijkheid gedekt.

Een dezer schildwachten verhaalt mij de geschiedenis van de inneming
der citadel van Zamine door de Russen.

"De soldaten van den blanken tsaar hebben zich des morgens, op het
uur des gebeds, van de vesting meester gemaakt," zoo zegt hij.

"Gij hebt u zeker hardnekkig verdedigd, niet waar, zooals dat dapperen
mannen past?"

"Neen zeker niet! Wij sliepen; wij werden eensklaps wakker geroepen;
een plotselinge schrik maakte zich van allen meester; wij wisten niet
recht wat wij deden, en de verwarring was algemeen."

"Maar verwachttet gij dan geen aanval van den vijand? De Russen gaan
doorgaans recht op hun doel af."

"Jawel; maar hoewel de Russen reeds vele van onze vestingen genomen
hadden, dachten wij toch niet dat zij ook de onze zouden kunnen
vermeesteren: zij ligt op den top van een hoogen en steilen heuvel,
en de bezetting was zoo talrijk! Zelfs had onze bevelhebber verklaard,
dat ieder, die maar van overgave zou durven reppen, onmiddellijk het
hoofd voor de voeten zou worden gelegd.

"Zoo? Ja, uw chef schijnt iemand met wien niet valt te gekscheren. Hij
heeft zeker zijn leven duur verkocht?"

"Wat blieft? Hij was de eerste om te vluchten!"

Eindelijk, na verloop van eenige dagen, daagde het zoo lang en vurig
verwachte konvooi op. Na een kort oponthoud te Zamine, vervolgde het
detachement zijn marsch, waarbij wij ons nu aansloten. Het konvooi
bestond uit een gewapend escorte, dat de kameelen beschermen moest,
die met kruit en beschuit voor het leger beladen waren; verder eenige
paarden en eene menigte handelaars en kooplui, voornamelijk Joden,
die zien naar het leger begaven, om aan de soldaten brandewijn en
allerlei andere zaken te verkoopen. De officier, met het kommando
over dit detachement belast, beval mij dringend aan, mij niet van het
escorte te verwijderen; naar men zeide was het land zeer onveilig door
stroopende rooverbenden, die door sommigen wel op duizend man werden
geschat. Ik hield mij overtuigd, dat die geruchten, zoo niet geheel
valsch, dan toch minstens zeer overdreven waren, maar was verplicht
mij aan het consigne te onderwerpen.

Wij gaan uiterst langzaam vooruit. Ik had den afstand tusschen Zamine
en Dsjisak niet nauwkeurig berekend, en had de onvoorzichtigheid
gehad eenigszins roekeloos met mijn voorraad levensmiddelen om
te gaan. Weldra was die dan ook verteerd. Daar ik geen lust had
honger te lijden, begaf ik mij, met mijn bediende Mohammed, naar
een kamp van nomaden, waar onze verschijning, nog meer dan anders,
eene algemeene ontsteltenis teweegbracht; de vrouwen en kinderen
maakten zich haastig uit de voeten; men zag ons aan voor _sarbaz_,
dat wil zeggen voor soldaten uit Bokhara, die wegens hunne ruwheid en
woestheid in een zeer slechten reuk staan, en vreesde dus dat wij een
bloedbad zouden aanrichten, of minstens het kamp plunderen. Gelukkig
vonden wij een Oesbeke, een vriend der Russen, die ons van melk en
uitmuntende koeken voorzag.

De uiterst langzame voortgang van ons konvooi begon mij te vervelen;
ik vroeg een escorte van twee Kozakken; en de kolonne, die halt hield
om te rusten, achterlatende, begaf ik mij op weg naar Dsjisak. Ter
linkerhand verheffen zich de bergen van Djoelam, die zich aan de
hoogten van Oratepeh en Zamine aansluiten. Naarmate wij Dsjisak
naderen, vermenigvuldigen zich de aouls (dorpen) langs den weg,
en wordt het op den weg steeds drukker en levendiger van lieden,
die naar en van de stad gaan en komen.

Voor de poort der stad ontmoeten wij een grijsaard, met lange
zilverwitte haren. Daar hier iedereen het hoofd kaal scheert, ben ik
zeer nieuwsgierig om van dezen patriarch de reden te vernemen van deze
zoo in het oog vallende afwijking van het algemeen gebruik. Hij deelde
mij mede dat hij onderscheidene vrouwen heeft getrouwd, en ook veel
dochters, maar geen enkelen zoon heeft; in zijne smart over dit gemis,
had hij sinds lang de gelofte afgelegd, zijn hoofd niet te zullen
scheren voor hem een zoon geboren was. Hij getroost zich, dusdoende,
eene groote vernedering: want in dit land geldt het voor eene schande,
geen zonen te hebben, en daar zijne lange haren natuurlijk de algemeene
aandacht trekken, worden hem telkens vragen gedaan, die hem noodzaken
zijne schande te openbaren.

Dsjisak is omgeven door een drievoudigen gordel van hooge en stevige
muren, die niet van steen, maar van aarde zijn opgetrokken; bij de
bestorming en inneming door de Russen, werd veel bloed vergoten. De
verdedigers, soldaten van Bokhara, werden bijna allen tusschen de muren
om het leven gebracht; naar het zeggen van ooggetuigen, lagen de lijken
en de stervenden bij geheele hoopen op en over elkander. Dsjisak is
geen groote stad; het water is er zeldzaam en slecht; en evenals te
Bokhara, richt de afschuwelijke ziekte, _richta_ genoemd, ook hier
groote verwoestingen aan. Deze ziekte ontstaat door een worm, die zich
onder de huid verbergt, en niet dan met groote moeite verwijderd kan
worden; die worm heeft dikwerf eene lengte van vijf-en-zeventig duim
en meer.

Uit een hygiënisch oogpunt laat Dsjisak dus veel te wenschen over. Dat
is dan ook de reden, waarom de Russen de citadel afbreken, en de
steenen en verdere bouwmaterialen vervoeren naar de kolonie, die zij,
op vier of vijf mijlen afstands van de stad, te Kloetsji, vestigen,
in eene fraaie en gezonde streek, waar niet zooveel schorpioenen zijn
als te Dsjisak, en waar het water overvloediger en beter is.



IX.


De weg van Dsjisak naar Jane-Koergane was niet veilig, en wij hadden
geen geleide: maar toch werd het ons vergund, onze reis te vervolgen,
op het gevaar af in vijandelijke handen te vallen.

Weldra bereikten wij de beroemde _Poorten van Tamerlan:_ een
pas tusschen twee reusachtige rotsmassa's, ter wederzijde van
een bochtigen, kronkelenden bergstroom, dien wij meer dan twintig
malen moesten oversteken. Op een der rotswanden zagen wij een zeer
regelmatig gebeiteld opschrift, in zeer fraaie en duidelijke letters:
maar niemand onzer was bij machte dit opschrift te ontcijferen. Men
verhaalde mij, dat deze inscriptie de plaats aanwees, waar de Oesbeken
aan de Kiptsjaks slag leverden, waarbij het zoo heftig toeging,
dat de beek rood werd van bloed.

Toen wij te Jane-Koergane kwamen, was het russische detachement,
dat wij gehoopt hadden te zullen aantreffen, reeds vertrokken om naar
Samarkand te marcheeren. Jane-Koergane is een open vlek, dat zijn naam,
die een vesting aanduidt (_koergane_ beteekent in het turksch eene
versterkte plaats) te danken heeft aan de vroegere muren, waarvan
nu geen spoor is overgebleven. Het vlek ligt aan den uitgang van
den pas der Poorten van Tamerlan. Wij zagen er een aantal ledige
tenten; andere tenten waren opgevuld met koortslijders en andere
zieke soldaten, die hier waren achtergebleven.

Ik brandde van verlangen om mij bij den troep te voegen, die zeker
nog niet ver weg kon zijn. Maar wat zou ik doen? Ik kon alleen op
mijn Kozak rekenen; was het geen onverantwoordelijke roekeloosheid,
mij aldus, zonder behoorlijk geleide, midden in het vijandelijke
land te wagen? Zou het niet beter zijn, althans vier of vijf moedige
reismakkers op te zoeken, om gezamenlijk de kans te beproeven?

Deze gedachten vervulden mij, terwijl ik te paard de eenzame straten
van Jane-Koergane doorreed. Eensklaps staat een bekende voor mij:
de bediende van den koopman Gloudoff, een flink jonkman, die, evenals
ik, naar eene gelegenheid zocht om het russische leger te bereiken,
half uit liefhebberij half om zaken: drie zijner reizigers waren te
Samarkand gevangen genomen en in den kerker geworpen; er was alle kans
dat zij er het leven bij zouden inschieten. Gloudoff vreesde bovendien,
dat, tegelijk met zijne bedienden, ook de niet onaanzienlijke sommen,
die zij bij zich hadden, verloren zouden zijn.

"Wel, dat treft uitnemend," riep ik den bediende toe, zoodra ik hem
gewaar werd. "Uw meester is zeker ook hier?"

"Ja, hij is in den bazar, waar hij mij wacht. Hij wil niet te
Jane-Koergane blijven."

"Uitnemend, mijn vriend!" riep ik, en spoedde mij naar den bazar,
waar ik Gloudoff vond.

"Ik hoor daar van uw bediende," zeide ik tot hem, "dat gij in dit
vervelende nest van een Jane-Koergane niet langer wilt blijven. Gij
wilt zeker, evenals ik, naar Samarkand gaan?"

"Ongetwijfeld."

"Zeergoed! Maar hoe zullen wij daar komen?"

"O, dat is zeer gemakkelijk. Wij zullen het konvooi volgen, dat kruit
naar het leger brengt."

"Wat ik u bidden mag, reken niet op het konvooi, dat voor Jane-Koergane
bestemd is en niet verder zal gaan. Zijt gij alleen?"

"Alleen? Ik heb een geheel leger bij mij: vier man, om u te dienen!"

"Ik heb drie man, dat maakt alzoo zeven: wij met ons beiden daarbij,
dat is negen. Die macht is voldoende om een ganschen troep Bokhareezen
in bedwang te houden! Laat ons dadelijk vertrekken!"

Wij spraken af dat wij over een uur vertrekken zouden. Ik deed
haastig eenige inkoopen, en was prompt op mijn tijd ter plaatse,
waar wij elkander zouden ontmoeten.

Zal ik het maar zeggen? Mijn voortreffelijke vriend Gloudoff had zijn
tijd niet met heen en weer loopen verbeuzeld. Ik vond hem voor eenige
ledige flesschen, meer dan half beschonken en haast niet meer in staat
om naast zijn bediende in het rijtuig te blijven zitten. Inderdaad
mijn vriend Gloudoff was een echte Rus!

Eindelijk zijn wij op weg. De officier, die mij tot Jane-Koergane
begeleid heeft, beveelt mij de uiterste behoedzaamheid aan. De weg,
zegt hij, is zeer onveilig door allerlei snood gespuis, dat zich
hier in menigte ophoudt en tegen geen sluipmoord opziet. Overigens
vernemen wij niet dan goede tijdingen; het detachement der voorhoede
is de steenen brug, op ongeveer zeven-en-dertig kilometers afstand
van Jane-Koergane, overgetrokken, en vervolgt zijn marsch naar
Samarkand. Alles gaat naar wensch: de beslissing nadert; de ontmoeting
der vijandelijke legers is aanstaande, en alles voorspelt ons de
overwinning.

"Als dat zoo is, moeten wij ons haasten! Spoedig voorwaarts!" Wij
zetten onze paarden in draf; niemand twijfelt er aan, of wij zullen
nog vóór den nacht het detachement hebben ingehaald.

"Weet gij den weg?" vraag ik aan Gloudoff, die nog gansch niet op
zijn dreef is.

"Den weg? Wel, dit is de weg."

"Ja wel. Maar ik bedoel de zijpaden, de hinderpalen van allerlei
aard, die ons in de war kunnen brengen, de bochten, de duisternis;
hebt ge daarop wel gedacht? Zullen wij het spoor der soldaten niet
verliezen? Daar moeten wij op bedacht zijn. Wij hebben niet voortdurend
de zon tot onze dienst."

"Wat praat ge toch van de zon en de duisternis? Het zal wel terecht
komen."

"Maar als wij ons nu eens in den weg vergissen?"

"Wij zullen ons niet vergissen; en al gebeurde dat, wat dan nog? Wij
zullen altijd ergens terecht komen, al was het maar te Samarkand. Ge
hebt immers gezegd, dat wij met ons negenen zijn? Wij zullen de stad
bestormen, en daarmede is het uit. Zoo zie ik de zaak in."

"Ja, gij begrijpt dat zeer goed. _Audaces fortuna juvat_, zegt het
spreekwoord; en als dat waar is, zullen wij ongetwijfeld Samarkand
veroveren; of liever gij zult dat doen, gij alleen, dappere Gloudoff!"

Onze kleine karavaan was nog niet ver buiten Jane-Koergane, en Gloudoff
had nog altijd den mond vol van de aanstaande verovering van Samarkand,
toen een Kozak ons in vollen galop achterop kwam.

"Uwe Edelheid, zeide hij tot mij, de kommandant der vesting gelast u,
onmiddellijk terugtekeeren. De gouverneur-generaal heeft ten stelligste
verboden, iemand, wie ook, door te laten."

Tegenpruttelen hielp niet: wij moesten gehoorzamen. Gloudoff begreep
niets van hetgeen er gebeurde; hij zweert dat honderd duizend man hem
niet zullen tegenhouden, legt de zweep op zijne paarden, en rent in
vliegende vaart door, achtervolgd door tien Kozakken. Weldra hadden
zij hem ingehaald; zij grepen zijn paarden bij de teugels, en voerden
hem naar de vesting terug.

"Alweer een oponthoud!" sprak ik bij mijzelf: "men zal Samarkand
zonder u innemen. Gij zult geen veldslag zien, hoezeer ge er naar
moogt verlangen!" Wij putten al onze welsprekendheid uit, om den
kommandant te bewegen op zijn besluit terug te komen: maar er was
geen vermurwen aan.

Wij wachtten een ganschen dag, zonder dat het konvooi, waarmede
wij zouden mogen vertrekken, kwam opdagen; dat konvooi, hetwelk
ammunitie moest overbrengen voor de troepen, die tegen Samarkand
moesten ageeren, was, onder escorte van een bataillon infanterie,
sinds lang van Tasjkend vertrokken.

Het konvooi verscheen niet; maar gaandeweg werd Jane-Koergane
opgevuld met lieden, die, evenals wij, van ongeduld brandden om
het russische leger te bereiken. Dit waren voornamelijk Joden, die
brandewijn verkochten, en kirghisische en tartaarsche dsjiguiten;
al te gader lieden van meer dan verdachte reputatie, vlammende op
winst en voordeel, echte jakhalzen en hyena's, aangetrokken door
de lijklucht. Zij wisten zeergoed, dat in oorlogstijd de niet al te
onvoorzichtige schelmen gemakkelijk fortuin maken.

Wij hadden onze wagens en paarden vlak aan den weg naar Dsjisak
geplaatst, zoodat allen, die van die zijde naar Jane-Koergane kwamen,
ons kamp voorbij moesten. Ik hield alle voorbijgangers aan, en
onderwierp hen aan een zoo scherp mogelijk verhoor.

Zoo werd mijne aandacht getrokken door een troep van vijf-en-twintig
dsjiguiten, onder aanvoering van een zekeren Gassane, dien ik van
vroeger kende. Dadelijk viel het mij in, dat deze ontmoeting ons
gunstig zijn kon. Zoo wij ons bij deze vijf-en-twintig manschappen
aansloten, zouden wij sterk genoeg zijn om, zonder groot gevaar, den
tocht te kunnen ondernemen. Het gelukte mij, ook den kommandant hiervan
te overtuigen, die ons bovendien nog een geleide van vijf-en-twintig
soldaten medegaf.

Onze dsjiguiten waren slecht gewapend; de een had een half onbruikbaren
sabel, een ander een pistool, een derde een geweer, dat voor den drager
of voor zijn nevenman wel zoo gevaarlijk was als voor den vijand; maar
daarentegen bezaten wij eenige uitnemende geweren en revolvers. Met
inbegrip van eenige officieren, die naar hun regiment gingen, waren
wij te zamen zestig man sterk: toch geen al te talrijke macht om zich
te verdedigen tegen de tweeduizend en zooveel honderd bandieten, die,
volgens de laatste berichten, door den omtrek zwierven.

Wij kwamen overeen, dat wij des nachts ten drie uur zouden vertrekken,
en dat wij geen enkelen Sarthe zouden medenemen, omdat zij, als
het er op aan mocht komen, niet te vertrouwen waren. Wij vertrokken
inderdaad, zeer vroeg in den morgen, na een zeer onrustigen nacht,
want nauwelijks waren wij ingeslapen of een geweerschot deed ons
allen wakker schrikken. Vlak bij ons stonden eenige schildwachten op
post: een daarvan had, naar hij zeide, geschoten op een man, die zich
in de struiken wilde verbergen. Een Kozak kwam in galop aanrennen:
hij kwam uit naam van den kommandant, om te vernemen wat er gaande
was; daarop werden door een patrouille de aangewezen struiken en
de gansche omtrek van het kamp zorgvuldig onderzocht; maar het was
onmogelijk, den man te ontdekken, dien de schildwacht beweerde gezien
te hebben. Al deze beweging maakte dat ik den slaap niet vatten kon;
ik werd telkens wakker, en zag dan steeds mijn trouwen Mohammed, die,
met het geweer in de hand, de wacht bij ons hield.

Gloudoff, aan onze afspraak indachtig, wilde geen Sarthen in ons
gezelschap dulden; hij ontdekte er verscheidenen, die zich achter bij
onze kolonne hadden aangesloten, en zond ze onbarmhartig weg. Maar
zoodra hij, wel voldaan over zijn heldenstuk, weer in zijn rijtuig
had plaats genomen om te gaan slapen, kwamen al de verdreven Sarthen
weer zoetjes aan terug, en vervolgden kalmpjes hun weg achter onze
karavaan. Zij waren niet de eenigen; langzamerhand zagen wij, als
kwamen ze uit den grond, allerlei soort van lieden opdagen, op ezels
gezeten, en koeien en schapen voor zich uit drijvende. Die nieuwe
reismakkers, die zich geheel uit eigen beweging en zonder vergunning
te vragen bij ons aansloten, vormden een langen trein, vertraagden
onzen marsch en vervulden de lucht met wolken stof.

De weg was breed en effen. Ter linkerhand zag men lage bergen,
waar zich geheele benden struikroovers ophielden, en daarachter een
hooge bergketen, hier en daar met sneeuw bedekt. Van tijd tot tijd
doet onze nadering arenden opvliegen, die zich met langzame, statige
vlucht verwijderen.

De aouls (dorpen), waarlangs wij trekken, zijn ledig; de inwoners
hebben de vlucht genomen: gewoon door hunne eigene soldaten
uitgeplunderd en mishandeld te worden, meenen zij dat ook de russische
troepen alles wegnemen, wat zij machtig kunnen worden. De eenzaamheid,
die ons aan alle kanten omgeeft, boezemt ons van tijd tot tijd eenige
ongerustheid in: zoo ontdekken wij, bij voorbeeld, plotseling, in de
verte een troep ruiters. Is dat eene vijandelijke voorhoede? Zijn het
spionnen? Onze lieden, blijkbaar niet op hun gemak, wijzen elkander
die vreemde ruiters aan, en trachten ze te tellen.

Eindelijk bereikte onze karavaan de steenen brug, waarvan ik reeds
gesproken heb, en die zeven-en-dertig mijlen van Jane-Koergane
verwijderd is. Men had mij met zekeren ophef van die brug gesproken,
als van een opmerkelijk kunstwerk, door een zeer goede fortificatie
verdedigd. Het bleek eene ellendige brug te zijn, met geen andere
verdedigingswerken dan een paar lage, gekanteelde aarden muren.

Aan den tegenoverliggenden oever, bespeurden wij, op eenigen afstand,
wederom een tiental ruiters, die nu eens naderbij kwamen, en dan weer
plotseling verdwenen. Waren zij vreedzame nomaden of dorpelingen,
wier aandacht gewekt was door de stofwolken, die onze karavaan deed
opgaan? Of behoorden zij tot eene bende bandieten?

In ieder geval was het wenschelijk, op onze hoede te zijn; wij zenden
dus een onzer dsjiguiten op verkenning uit, terwijl wij bij de brug
halt houden, op dezelfde plek, waar waarschijnlijk voor ons het
russische detachement heeft vertoefd, want het gras is in het ronde
geheel platgetreden.

Intusschen was onze dsjiguite in een boom geklommen, om van die
hoogte te beter de bewegingen der verdachte ruiters te kunnen
gadeslaan. Weldra begon hij te roepen, en ons met de hand twee zwarte
stippen te wijzen; wij zagen toen twee mannen te paard, slecht gekleed
en van een alles behalve gunstig voorkomen, die naar ons toekwamen. Zij
gaven zich uit voor eenvoudige boeren uit het naburige dorp; maar er
was niet veel scherpzinnigheid toe noodig om te begrijpen dat wij te
doen hadden met twee makkers der onbekende ruiters, die wij reeds
vroeger bespeurd hadden. Terwijl de een op onze vragen antwoordde,
nam de ander ons zorgvuldig op: hij telde de soldaten van ons escorte,
en onderzocht met scherpen blik onze wapenen en uitrusting.

Wij ondervroegen hen omtrent het russische detachement, omtrent de
troepen van den Emir, omtrent Samarkand; maar wij kregen geen ander
antwoord, dan: "De russische troepen zijn over de steenen brug
getrokken; verder weten wij niets."--Wij besloten, gedurende het
overige van onze reis, deze lieden bij ons te houden, ten einde zeker
te zijn dat zij ons niet konden verraden, en hun metgezellen inlichten
omtrent de zwakheid onzer karavaan. De voorzichtigheid gebood ons,
hen niet los te laten, voor wij het detachement zouden hebben bereikt,
of althans zeker zouden weten, waar het zich bevond, en in hoever wij,
in geval van nood, op hulp konden rekenen.

Wij waren inderdaad in een moeilijken toestand. Wat moesten wij
doen? Wat zou er van ons worden, indien de russische troepen Samarkand
waren omgetrokken om naar Bokhara te marcheeren; of indien zij, bij
den aanval op Samarkand, zich aan de andere zijde der stad gelegerd
hadden? Hoe zouden wij, in beide gevallen, onze landgenooten kunnen
bereiken? En indien, bij geval, de troepen van den Emir niet voorgoed
verslagen zijn, loopen wij dan geen gevaar, omsingeld en neergeschoten
te worden, nog eer wij een hand kunnen uitsteken tot tegenweer?

Wij hielden een soort van krijgsraad. Ik was bijna de eenige, die
voor het voortzetten der reis stemde; ik beweerde dat de drieduizend
soldaten van den generaal Kaufmann--denzelfden die Samarkand veroverd
heeft--het geheele land met den schrik voor den russischen naam
hadden vervuld; dat niemand ons zou durven aanvallen, uit vrees
voor eene spoedige en geduchte wraak; dat wij eindelijk, indien wij
aangevallen werden, talrijk genoeg waren om weerstand te bieden aan
de nomadische ruiters, en wagens en paarden genoeg bij ons hadden
om voor de gekwetsten te kunnen zorgen.--Daarentegen scheen ons
escorte niet gerust te zijn; een der officieren had hooren zeggen:
"Dat gaat niet goed. Wij zullen er allen aan moeten gelooven!"

En terwijl wij zoo, treurig en in groote onzekerheid,
beraadslaagden wat ons te doen stond, bedekte zich de hemel met
zwarte wolken; donderslagen knalden, en bliksemstralen schoten door
de lucht. Eindelijk behield mijn raad de overhand, en wij richtten
ons weder naar Samarkand. Mijne reismakkers hadden begrepen, dat de
Russen halt hadden gehouden, of naar Samarkand waren doorgetrokken:
in het eerste geval zouden wij hen vóór den volgenden morgen moeten
inhalen; in het tweede, zouden wij een dsjiguite afzenden, die zou
trachten uit te vinden waar onze landgenooten zich ophielden, en hen,
zoo noodig, van onzen toestand zou onderrichten.

Voor die gevaarlijke zending, die evenveel moed als behendigheid
vereischte, was de aangewezen man de Tartaar Gassane, dien ik reeds
genoemd heb als aanvoerder der vijf-en-twintig dsjiguiten, met wien
wij van Jane-Koergane vertrokken waren. Gassane was onverschrokken: met
een Kirghise, was hij de eenige geweest, die een zending naar den Emir
van Bokhara had durven aannemen, toen het gezantschap van den generaal
Tchernaïef in de stad gevangen werd gehouden, na het mislukken der
expeditie tegen Dsjisak. Die twee moedige mannen leverden den brief in
handen van Zijne Hoogheid. Ongelukkig kwam Gassane op een dwazen inval,
om tot den Emir eenige woorden te richten, die als onvoegzaam konden
worden beschouwd; het gevolg daarvan was, dat terwijl de Kirghise,
zijn medegezant, een prachtig kleed ten geschenke kreeg, en daarna
vrijelijk naar zijne steppen mocht terugkeeren, onze vriend Gassane,
zooals de Emir zeide, naar de raven ging: dat wil zeggen, dat hij in
een kuil geworpen werd, om daar te gaan nadenken over de onaangename
gevolgen van een onbedacht woord.

Gassane luisterde naar mijn voorstel, en nam het ook aan; toch
bemerkte ik dat hij een bedenkelijk gezicht zette. Gloudoff gaf hem
een prachtig amerikaansch geweer ten geschenke, en sprak hem moed in
met de vertroostende woorden: "Wees niet bang, vriend; gij hebt toch
maar één hoofd te verliezen."

Helaas! wij hadden geen spion en geen boodschapper meer noodig. Twee
ruiters, door onze dsjiguiten ingehaald en tot ons geleid, brachten
ons eene tegelijk zeer goede en zeer noodlottige tijding: Samarkand
was door de Russen bezet. Ons leger was er dienzelfden dag binnen
getrokken, zonder eenigen tegenstand te ontmoeten, en vooraf de
troepen van den Emir verslagen te hebben. Zoo had een oponthoud van
eenige uren ons de gelegenheid ontnomen, om eene van de beroemdste
steden der wereld in handen van de Europeanen te zien vallen!

Uit voorzorg hielden wij ook deze twee gevangenen, evenals de vorigen,
bij ons. Wij gaven hun de verzekering dat hun hoegenaamd geen leed
zou geschieden; maar blijkbaar hechtten zij niet veel aan onze
vriendelijke verzekeringen, en hielden zij zich overtuigd dat hun
weldra het hoofd voor de voeten zou worden gelegd, zooals het oude
en eerwaardige gebruik in het land van Bokhara dat medebrengt.--Wij
hadden moeite, de waarheid van het bericht aan te nemen: eene zoo
aanzienlijke en beroemde stad, zonder slag of stoot genomen door een
legertje van hoogstens drieduizend man!--Wij vervolgden onzen weg,
verdiept in gesprekken over den oorlog met Bokhara.



Toen wij Samarkand naderden, bevonden wij ons in eene heerlijke
streek, overvloedig van water voorzien, uitnemend bebouwd en
bezaaid met welvarende dorpen; ter wederzijde van den weg was het
eene opeenvolging van prachtige tuinen; wij hadden de rijke, schoone
vallei bereikt van de rivier Zerafsjane of Zariavsjane.

In het eerste dorp, dat wij doortrokken, stonden de bewoners voor
de deur hunner woning; zij heetten ons hartelijk en vriendelijk
welkom. Meenden zij dat inderdaad? Ik weet het niet. Misschien wel,
want men weet ook in Centraal-Azië dat het bestuur der ongeloovigen,
door vastheid en rechtvaardigheid, verre uitmunt boven de regeering
der inlandsche vorsten. Ook valt het niet te betwijfelen, of onder
de muzelmansche bevolking bevinden zich vele aanhangers van Rusland.

De tijdingen, die wij in dit dorp vernamen, bevestigden ten volle wat
onze ruiters ons hadden medegedeeld. Men vertelde ons de bijzonderheden
der groote gebeurtenis. De strijd had kort geduurd, en de overwinning,
door een handvol Russen, op het leger van Bokhara behaald, was volledig
geweest. De soldaten, die ons vergezelden, hadden op dien dag meer
dan vijftig mijlen afgelegd; doch de goede tijding der overwinning en
de nadering van het einddoel van den tocht, bezielden hen met nieuwe
krachten, en al zingende hervatten zij den marsch. Hoe uitgeput zij
ook waren, hieven zij een lied aan, en zongen het ten einde; toen werd
een tweede aangeheven, en ook ten einde gebracht; maar bij het derde,
bleven zij steken: hunne stem bezweek van uitputting en vermoeienis.

Na mijne komst te Samarkand heb ik deze brave lieden uit het oog
verloren; maar het zou mij niet verwonderen, indien velen hunner de
doorgestane vermoeienissen met het leven, of althans met het verlies
hunner gezondheid hadden moeten boeten.--Zoolang de marsch duurt,
wint men zich op; hoe bezwaarlijker de tocht is, hoe meer inspanning
de oorlog vordert, hoe meer het gevaar dreigt, des te meer gewent
men daaraan en verhardt er zich tegen; maar op die overspanning volgt
noodzakelijk ontspanning; dan herneemt de natuur hare, een oogenblik
miskende rechten, en de reactie begint. Het is genoeg bekend, dat in
den oorlog niet het kanonvuur de grootste verwoestingen in het leger
aanricht, maar uitputting en ziekte.

Het had geregend; de weg was in een modderpoel herschapen; de
manschappen waadden door het slijk; de paarden hadden de grootste
moeite om voort te komen. Het onweder, dat wij hadden zien opkomen,
toen wij aan de steenen brug halt hielden, was hier in volle kracht
losgebroken. Telkens moesten wij beken oversteken, waarvan de bruggen
door de troepen op hun tocht naar Samarkand waren afgebroken;
onze wagens en rijtuigen bleven steken of vielen om: het was een
eindeloos tobben.

"Zijn wij nog ver van de Ser-afschan?" vroegen wij ongeduldig, nu
eens aan Gassane, die er zich op beroemde dat hij de gansche streek
nauwkeurig kende; dan aan een Jood, die in het edele Samarkand
geboren was, of aan anderen, van wie wij vermoedden dat zij ons
konden inlichten.

"Nog twee mijlen," zeide de een; "nog drie mijlen," beweerde de ander;
"nog vijf of zes mijlen," riep ons een derde toe.

Ik was zoo vermoeid, dat ik nauwelijks in den zadel kon blijven zitten:
ondanks alle pogingen om wakker te blijven, gevoelde ik dat de slaap
mij overmeesterde; niet in staat om mij recht overeind te houden, zakte
ik nu eens rechts, dan weder links ter zijde, terwijl de teugels mij
telkens ontsnapten. Van tijd tot tijd zette ik mijn paard in galop,
en wanneer ik mijn makkers een eind vooruit was, stapte ik van mijn
paard, en sliep staande, met mijn hoofd rustende op den zadel. Mijn
paard, minder slaperig dan ik, maar daarentegen meer door den honger
gekweld, ging naar den rand des wegs, nu rechts dan links, om het
weinige gras op te zoeken, terwijl ik, altijd tegen den zadel geleund,
slaapdronken en onbewust, al zijne bewegingen mede maakte.

Hoe gelukkig waren wij, toen wij, eindelijk de tuinen achter ons
latende, aan een tak van de Ser-afschan kwamen en, na dien doorwaad
te hebben, halt hielden om te slapen! Wij plaatsten onze wagens in
een kring, wij zetten schildwachten uit, en vielen daarop allen,
met inbegrip van de schildwachten, in een diepen slaap. Men had ons
gemakkelijk tot den laatsten man kunnen vermoorden.

Toen wij den volgenden morgen ontwaakten bevonden wij ons aan den voet
van den heuvel Tsjopane, waarachter, naar men ons zeide, Samarkand
ligt. Op den top des heuvels zagen wij schildwachten: ter rechterzijde
zagen wij hooge ruïnen, die van verre op de bogen eener verwoeste
brug geleken, en ons toeschenen zeer oud te zijn. De heuvel was vol
gaanden en komenden, allen ongewapend.--Wij waren in vijandelijk
land, en moesten voorzichtig zijn; wij trokken dus langzaam voort, en
hielden ons dicht bij elkander, om voor alle verrassingen gewaarborgd
te zijn. De vlakte was hier en daar zeer moerassig; meer dan eens
bleven onze paarden en wagens in den modder steken, en evenals den
vorigen dag, moesten wij geduld oefenen. De Ser-afschan verdeelt zich
hier in zes of zeven armen; maar, in dit vroege morgenuur, waren die
riviertjes niet diep, zoodat wij ze konden doorwaden. Later op den
dag wordt dat anders: het smelten der sneeuw op de naburige bergen
doet dan de wateren zwellen.

Toen wij den laatsten arm van de Ser-afschan waren overgestoken, zagen
wij twee ruiters van den berg af en naar ons toekomen: de een was een
grijsaard, de ander een jonkman. Zij heetten ons hartelijk welkom, en
verhaalden ons, dat het russische leger inderdaad Samarkand had bezet;
dat de opperbevelhebber zijn intrek had genomen in de citadel, en het
gros der troepen achter de stad was gelegerd. Zij voegden daarbij,
dat het gevecht, hetwelk Samarkand in onze handen had doen vallen,
den vorigen dag juist was geleverd op dezelfde plek, waar wij ons
nu bevonden.

Inderdaad zagen wij, op eenigen afstand, enkele doode paarden,
waarop wij tot dusver geen acht hadden geslagen. Verder op vonden
wij eenige lijken van Bokhareezen, die in den slag gesneuveld waren;
zij waren allen bijna naakt: ongetwijfeld geplunderd en uitgeschud
door hunne eigene landgenooten. Sommigen waren in den rug gewond:
dat waren vluchtelingen, plotseling door een kogel achterhaald;
een ander was het hoofd verbrijzeld door een granaat. Er lagen niet
veelmeer dan tien dooden op dit slagveld; ik vermoed echter dat vele
gevallenen reeds den vorigen dag waren begraven.

Boven op den heuvel van Tsjopane zag ik een soort van aarden
wallen, waarop, naar ik vermoedde, de vijandelijke batterijen hadden
gestaan. Ik wilde ze wat meer van nabij bezien. Op den top gekomen,
bleef ik eensklaps staan, zoozeer trof mij het panorama, dat zich
voor mijne blikken ontrolde.

Daar lag Samarkand voor mij, in een krans van tuinen en gaarden. Boven
hare lusthoven en huizen verhieven zich oude, statige moskeeën. Ik,
de vreemdeling uit het noorden, zou de poorten betreden van de eenmaal
zoo beroemde stad, de hoofdstad van Timoer den Kreupele!



X.


Zoo was het onzen reiziger, ondanks al zijne moeite, niet gelukt,
tegenwoordig te zijn bij den intocht der Russen in Samarkand. Zekerlijk
zullen wij onzen lezers geen ondienst doen, indien wij hier het verhaal
dezer groote gebeurtenis laten volgen, zooals dit voorkomt in een
der laatste werken van den heer Arminius Vambéry, de _Geschiedenis
van Transoxanië_.

Arminius Vambéry, tegenwoordig vice-president van de Aardrijkskundige
Maatschappij te Pesth, is niet alleen een der beroemdste reizigers,
maar ook een van de uitnemendste taalgeleerden van onzen tijd. Ook
voor de lezers der Aarde is hij geen onbekende.

Hetgeen wij hier laten volgen, is bijna letterlijk vertaald uit het
werk van den onverschrokken onderzoeker van Centraal-Azië, getiteld:
_Geschichte Bochara's oder Transoxaniens, von den frühesten Zeiten
bis auf die Gegenwart_.



Den 13den Mei 1868 ontving het russische leger bevel, naar Samarkand
op te rukken, en stelde het zich aanstonds in beweging. De kolonel
Petruschewsky, die de voorhoede kommandeerde, stond op den rechteroever
van een der armen van de Ser-afschan, toen zich Nedchm-eddin bij hem
aanmeldde, om, uit naam van den Emir van Bokhara, over den vrede te
onderhandelen, en zoodoende het voortrukken der russische troepen
te stuiten....

De generaal Kaufmann, de bedoelingen des vijands wantrouwende, zette
echter zijne beweging voort. Hij had onder zijne bevelen een-en-twintig
en eene halve kompagnie infanterie, en vierhonderd-vijftig Kozakken:
te zamen ongeveer achtduizend man, met zestien kanonnen.

Een groot deel van het leger van den Emir, dat veertig-duizend man
sterk was, hield de steile oevers aan de overzijde van de Zerafsjane
bezet. De Russen lieten zich door deze overmacht niet afschrikken;
hun rechtervleugel, onder aanvoering van den generaal-Majoor
Golowatscheff, daalde zonder aarzelen in de rivier af; en gedurende
een groot kwartier zochten de soldaten, wien het water tot aan de
borst kwam, eene waadbare plek, terwijl de vijandelijke artillerie
een hevig vuur op hen richtte. Het muzelmansche leger, vijf of zes
maal sterker dan de soldaten van den majoor Golowatscheff, poogde
hun den overtocht over de rivier te betwisten; maar zoodra de Russen
den vasten wal hadden bereikt, verlieten de Muzelmannen in allerijl
de voordeelige stellingen, die zij op de hoogten hadden ingenomen,
in hun overhaaste vlucht zelfs de kanonnen achterlatende.

Deze zoo spoedig en zoo gelukkig afgeloopen ontmoeting had plaats
op korten afstand van Samarkand. Toen de inwoners dier stad hunne
geloofsgenooten in allerijl zagen vluchten, sloten zij haastig de
poorten, want zij vreesden hunne eigene soldaten meer dan het leger
der christenen.

Zij zonden daarop eene deputatie naar den overwinnaar, bestaande
uit de voornaamste burgers der stad, waaronder eenige mollahs of
priesters, aksacalen of regeeringsleden, en anderen: en daags na den
slag, trok eene afdeeling van het russische leger, met den generaal
Kaufmann aan de spits, zonder slag of stoot Samarkand binnen. Onder den
schitterenden staf die den generaal volgde, merkte men ook den prins
Iskender-Khan op, zoon van den afghaanschen Sultan van Herat. Deze
prins had, naar men zeide, uit ijver voor de zaak van den Islam, zijne
diensten aan den Emir aangeboden; maar daar de Emir had verzuimd de
beloofde soldij te betalen, had Iskender een gebed opgezegd voor het
heil zijner ziel, en daarop dienst genomen bij de christenen!

Zoo viel, op den 14 Mei 1868, de weleer zoo roemrijke hoofdstad van
Timoer, de geboorteplaats en de laatste rustplaats van zoovele beroemde
heiligen van den Islam, sinds overoude tijden de stralende fakkel der
muzelmansche geleerdheid! In een oogwenk was zij christelijk geworden,
en uit de handen van de Oesbeken-dynastie der Mangiten overgegaan
in die van het huis Romanoff. Een Alexander (de groote Macedoniër)
was haar eerste veroveraar; wederom onder een Alexander kwam daar
een beslissende omkeer in haar lot. Voor meer dan tweeduizend jaren
schatplichtig aan een kleinen staat in het zuiden van Europa, is zij nu
onderworpen aan den schepter van den machtigen keizer van het Noorden.

De Grieken, de Arabieren, de Mongolen, de Turken, de Oesbeken.... wat
al oorlogen, wat al zegepralen, wat al dynastiën, wat heerlijkheid,
welke herinneringen! En welke andere stad van Azië heeft een verleden
achter zich, zoo schitterend als dat van Samarkand? Terwijl de landen
van het uiterste Oosten ons sedert de vorige eeuw meer of minder
goed bekend zijn, en Kathay en Zipangou bijna al het geheimzinnige,
dat hen eertijds omgaf, verloren hebben, had tot op onze dagen nog
niemand den sluier van Samarkand opgelicht. Dat is, tot verbazing
van Europa, nu geschied.

Een nieuw tijdperk is voor Midden-Azië aangebroken. Landen en steden,
die tot dusver voor den Westerling volstrekt ontoegankelijk waren,
zijn thans voor hem geopend. Daar waar een Europeaan, zelfs onder
de zorgvuldigste vermomming, geen stap kon doen, zonder zijn leven
op het spel te zetten, beweegt hij zich nu vrijelijk, naar het hem
goeddunkt, want een christenleger houdt het land bezet. Te Tadsjkend,
te Khodsjend, te Samarkand, vindt men sociëteiten, koffiehuizen en
kerken. Tadsjkend heeft een eigen russisch dagblad, de _Turkestanskia
Wjedomostie_ (het Nieuws van Turkestan); en aan het weemoedig geroep
van den moeëzzin paart zich het klokgelui der grieksche kerken,
onverdragelijker voor de ooren van den waren geloovige dan de donder
van het geschut. In de straten van datzelfde Bokhara, waar de schrijver
dezer regelen, voor eenige jaren, slechts muzelmansche lofliederen
hoorde, wandelen nu russische popen, kooplieden en soldaten, met al
de fiere gerustheid van den overwinnaar. Een lazaret en magazijnen
van levensmiddelen hebben de plaats ingenomen van dat weleer zoo
prachtige paleis van Tamerlan, waar alle vorsten van Azië hem hunne
hulde kwamen betuigen, waar zelfs de trotsche monarch van Spanje,
door zijn gezant, om de vriendschap liet verzoeken van den grooten
veroveraar; dat paleis, waar de Toeraniërs met eerbiedige geestdrift
zich kwamen nederbuigen om met hunne voorhoofden den "Groenen Steen"
aan te raken, het heilige voetstuk van den troon van Timoer!

Deze zegepraal der russische wapenen in Centraal-Azië heeft, naar ik
meen, aan den Islam een zoo zwaren slag toegebracht, als hem, in zijn
duizendjarige worsteling met het Kruis, wellicht nog nimmer getroffen
heeft. In onzen tijd doet zich de machtige invloed der westersche
beschaving in geheel het mohammedaansche Azië, van Konstantinopel
tot den Indus, gevoelen: Mekka en Medina zelfs konden zich daaraan
niet geheel onttrekken. Alleen Centraal-Azië was daarvan bevrijd
gebleven, het heiligdom van het islamismus; daar had het ware geloof
niet geleden door de goddelooze "nieuwigheden"; en in de schatting
der echte Muzelmannen was niet Mekka, maar Bokhara de geestelijke
hoofdstad van het islamisme. De asceet, de leden der godsdienstige
orden, de godgeleerden, zij hielden allen hunne blikken op deze
heilige stad gevestigd, en in hare scholen en moskeeën kwamen de
ijverigste Muzelmannen van Turkije, Egypte, Fez en Marokko, nieuw
voedsel zoeken voor hun geloof en hunne geestdrift. Het feit, dat
deze zoo bij uitnemendheid heilige grond thans door de _kafirs_, de
ongeloovigen, als heeren en meesters betreden wordt, heeft, in geheel
de mohammedaansche wereld, de gemoederen ten diepste geschokt. De
val van de "voornaamste zuil des geloofs"--zooals Bokhara genoemd
werd--heeft een stofwolk doen opgaan, die voor langen tijd den hemel
van den Islam verduisteren zal.

Met de inneming van Samarkand was evenwel de oorlog nog niet ten
einde. Na de nederlaag van zijn leger, vlood de Emir in aller ijl naar
Kermine. Zijn zoon, de vermoedelijke troonopvolger, Abd-Melik-Mirza,
had zich reeds gedurende den slag uit de voeten gemaakt, en was in
vliegenden ren naar Bokhara geijld; de schrik en ontzetting waren
zoo groot en algemeen, dat de vreedzame inwoners van het district
Mijankal hunne dorpen en gehuchten verlieten en naar de zijde van
Andsjoï en Meimene de wijk namen.

De Russen van hun kant haastten zich, de op een heuvel gelegen citadel
van Samarkand in weerbaren toestand te brengen; terwijl een deel van
het leger den Emir achtervolgde, en eene andere afdeeling de steden
op den weg van Samarkand naar Bokkara onderwierp.

Het korps van den generaal-majoor Golowatscheff, bestaande uit veertig
kompagnieën infanterie, drie sotnias Kozakken, met acht kanonnen,
verscheen eerst voor de versterkte stad Ketto-Koergane. Deze stad,
waarvan de naam _groote vesting_ beteekent, ligt aan den oever van de
Ser-afschan; tijdens mijne reis had men mij van die stad als van eene
onneembare vesting gesproken; en inderdaad waren de buitenwerken niet
te verachten. Dat belette evenwel niet, dat de sterke bezetting de
poorten voor het russische leger opende, zonder ook maar eene poging
tot tegenstand te hebben beproefd.

Bij het vernemen dezer tijding scheen de Emir zijne laatste krachten
te willen verzamelen; hij vestigde zijn hoofdkwartier te Mir,
halverwege tusschen Kette-Koergane en Kermine, en liet door zijne
ruiterij de russische voorposten tot onder de muren van Kette-Koergane
verontrusten. Getergd door die speldeprikken, besloot de generaal
Kaufmann eindelijk rechtstreeks naar Bokhara te marcheeren, en het
oesbeeksche leger met éénen slag te vernietigen. Het schijnt dat de
Emir en zijne raadslieden zich nog altijd illusiën maakten omtrent
hunne wezenlijke macht, en nog altijd meenden, den ouden hoogen toon te
kunnen voeren; tenzij de opgewonden geestdrift der fanatieke bevolking
hen zelven noodzaakte te doen, wat zij liever hadden nagelaten. Hoe
dit zij: zij waagden nog eens den strijd in het open veld.

De beide legers ontmoetten elkander te Serpoel, op hetzelfde slagveld,
waar driehonderd-negen-en-zeventig jaren vroeger het lot van twee
inlandsche dynastiën was beslist geworden. Ditmaal moest, zooals
zich licht begrijpen laat, het huis der Mangiten onderdoen voor
het huis van Romanoff; reeds dadelijk bij den aanvang van den slag,
bestormden de Russen, met hunne gewone onverschrokkenheid, de hoogten
ter wederzijde van den weg van Samarkand naar Bokhara, waarop het
leger der Oesbeken zijne stellingen had ingenomen. De soldaten van
den Emir hielden niet lang stand; hun terugtocht ging weldra over
in eene wilde vlucht; eenige uren later was de weg van Kermine met
hunne weggeworpen wapenen bezaaid.

Inmiddels had het kleine garnizoen, te Samarkand achtergelaten, een
geduchten aanval te doorstaan gehad. Terwijl de generaal Kaufmann
bezig was met het achtervolgen der troepen van den Emir, vielen de
inwoners van Samarkand, die het europeesche leger zoo welwillend
ontvangen hadden, met de Oesbeken van Khehri-Sebz, ten getale van
omstreeks vijf-en-twintigduizend man, onverhoeds de citadel aan.

Het garnizoen van Samarkand werd gekommandeerd door den baron von
Stempel; het was slechts zeshonderd vijf-en-tachtig man sterk, de
zieken daaronder begrepen. Wie maar een voet verzetten kon, verliet
het ziekbed; en deze handvol dapperen zwoer liever te zullen sterven
dan zich over te geven.

Het beleg duurde zes volle dagen, van den 12den tot den 18den Juni; de
Russen verloren negen-en-veertig dooden en honderd-twee-en-zeventig
gewonden. De belegeraars staken eene poort in brand, en maakten
een bres: maar toch was het hun niet mogelijk, de citadel binnen te
dringen. Dag en nacht bestormden zij, in dicht opeengedrongen massa's,
de muren der vesting, onder woeste kreten telkens en telkens den aanval
hernieuwende; de Russen spoedden zich van het eene bedreigde punt naar
het andere, hielden overal den vijand tegen en wierpen hem telkens
met groot verlies terug. Toch was de heldhaftige bezetting uitgeput,
toen de generaal Kaufmann, onderricht van hetgeen er voorviel, met
geforceerde marchen naderde om de citadel te ontzetten.

Zoo liep den ongelukkigen Mozaffar-ed-Din--zoo heette de Emir--alles
tegen. Wat zou hij doen? Naar Bokhara terugkeeren? Daar viel niet aan
te denken; zijn zoon, die zich nooit zeer gehoorzaam en onderdanig
getoond had, zou hem de poort voor den neus gesloten hebben. Hij
had zich aan het hoofd gesteld van de partij der ontevredenen
en fanatieken, en maakte zich gereed om, des noods met geweld
zijn vader den troon te betwisten. Naar Samarkand gaan? Dat was
onmogelijk; het zegevierende russische leger sneed hem dien weg af;
en vijf-en-twintigduizend zijner onderdanen waren daar met schande
teruggedreven door een garnizoen van eenige honderde soldaten!

Er bleef hem slechts ééne keus over, en hij schikte zich daarin:
hij trad in onderhandeling met de Russen, betaalde hun eene
oorlogsschatting van honderd-vijf-en-twintigduizend tilla, ruim een
millioen gulden, stond den russischen handel alle verlangde voorrechten
toe, en verklaarde zich verantwoordelijk voor de veiligheid der
onderdanen van den tsaar in zijn land. Feitelijk werd hij een vazal
van Rusland.



Transoxanië, zegt de beroemde hongaarsche reiziger op eene andere
plaats: Transoxanië of het khanaat van Bokhara, is, over het geheel
genomen, een laag land, dat ten oosten tegen de laatste hellingen
van het gebergte Thian-Sjan leunt. Met uitzondering van eenige hooge
vlakten en eenige harde, kleiachtige streken, _takir_, dat wil zeggen
droge en onvruchtbare aarde, genoemd, bestaat de bodem hoofdzakelijk
uit zwart of geel zand; bouwland, in den eigenlijken zin van het woord,
vindt men alleen op de hellingen der bergen, en langs de rivieren
en bevloeiingskanalen, die van de rivieren uitgaan. Overal elders
levert de natuur, evenals in geheel Centraal-Azië, waar zij aan
zichzelf wordt overgelaten, niets of bijna niets op; en tien jaren
van oorlog zijn voldoende om de vruchtbare vlakten te ontvolken en
in een zandwoestijn te herscheppen.

Op vele plaatsen schiet ook de volhardende vlijt en onvermoeide
inspanning des menschen te kort, om aan de dunne zandlaag een
eenigszins dragelijken oogst te ontwoekeren. Zelfs midden door de
bebouwde streken, en tot in de onmiddellijke nabijheid van Bokhara
en Samarkand, loopen breede strooken van volstrekt onvruchtbaar en
onbebouwbaar zand; en tusschen de beide genoemde steden voert de weg
door eene steppe van eenige mijlen lengte, de woestijn van Melik
geheeten, in wier laagste gedeelte nog voor driehonderd jaar een
zoutmeer werd aangetroffen.

Toch is, dank zij de bevloeiingen, de vruchtbaarheid van Bokhara en
van de twee andere khanaten, bijna tot een spreekwoord geworden; de
aarde brengt er rijkelijk vruchten voort, en wat zij voortbrengt is
van uitmuntende hoedanigheid. Het graan van Bokhara, hare vruchten,
haar zijde, haar katoen, haar geneeskrachtige kruiden en planten,
behoeven de vergelijking met geene andere te schromen. Het vee is wijd
en zijd beroemd; de paarden zijn door geheel Azië met lof bekend;
de kameelen van Bokhara vinden nergens huns gelijken; de schapen
munten uit door den zeer fijnen smaak van hun vleesch.

De minerale rijkdommen, nog zeer weinig bekend en erg verwaarloosd,
zijn zeer belangrijk, vooral in de bergachtige streek ten westen en
ten zuiden van Samarkand. Reeds de geschiedschrijver Belchi spreekt
van ijzer, ammoniak, kwikzilver, koper, lood, goud, naftha, vitriool
en van een zekeren steen, dien men aansteekt en verbrandt, dat wil
zeggen steenkool, waarvan de Russen ook eenige lagen ontdekt hebben.

De van nature zoo dorre bodem van Bokhara dankt zijne vruchtbaarheid
in de eerste plaats aan de weldadige rivier, bij de ouden onder den
naam van de Sogd bekend, sedert Kohik genoemd, en die tegenwoordig
met volle recht den naam draagt van Ser-afschan (uitdeelster der
rijkdommen). Ten noordoosten van Samarkand verdeelt de voornaamste tak
van de Ser-afschan zich in eene menigte armen, die naar de steppen
vloeien. De aanzienlijkste dezer armen loopt ten noordwesten der
stad, voorbij Pendsj-Shembeh en Sjatirdsja, en stort zich in het
meer Karakoel. Een andere tak vloeit ten zuidwesten van Samarkand, en
neemt langs Kette-Koergane en Bokhara, zijne richting naar de woestijn.

Als men nagaat, welk een groot aantal zijkanalen hun water aan de
voornaamste takken van de Ser-afschan ontleenen, dan staat men
verbaasd, hoe eene rivier van zoo weinig uitgestrektheid in de
behoeften van al deze kanalen kan voorzien: de massa water, die zij
afvoert, moet zeer aanzienlijk zijn. Behalve de Ser-afschan, heeft
men nog de beek van Khehri-Sebz, die geschikt is voor bevloeiing;
hare wateren komen somwijlen tot aan Karsji, en met behoorlijke zorg
geleid en verdeeld, konden zij het gansche land van dienst zijn.

Men heeft opgemerkt dat eene voortdurende bevloeiing gedurende eene
reeks van jaren, op den bodem eene laag van alluviaal-aarde van
genoegzame dikte doet ontstaan. Vooral het water van den Oxus heeft
deze vruchtbaarmakende eigenschap; maar ongelukkig genoeg trekt het
land bijna geen voordeel van dezen stroom: van Termez tot Tsjehardsjoe
is de rechter oever van den Oxus bijkans onbewoond; en het zou ook
zeerveel bezwaar in hebben, hier volksplantingen aan te leggen,
omdat de oevers zeer hoog zijn, zoodat de besproeiing zeer moeilijk,
om niet te zeggen onmogelijk is.

Het klimaat van Transoxanië is niet ruw en over het algemeen niet
nadeelig voor den landbouw. In de bergachtige streken tamelijk koud,
is de temperatuur in de hoogere vlakten aan den voet der bergen
gematigd; maar in de lage streken, nabij de steppen, bij voorbeeld
te Bokhara, te Karsji, te Karakoel, is het klimaat zeer afwisselend,
nu eens ondragelijk heet, dan vinnig koud. Ongezond is het echter
alleen te Bokhara; de ziekten, die in Transoxanië heerschen, moeten
meer geweten worden aan de ongezonde levenswijze der inwoners en aan
hunne verkeerde manier van zich te kleeden, dan aan de schadelijke
invloeden van de temperatuur.

Het gezegde omtrent de vruchtbaarheid en het klimaat van Bokhara is
evenzeer van toepassing op de landen, die ten oosten en ten westen aan
dat khanaat grenzen. Het is dan ook niet te verwonderen, dat de wonden,
door den oorlog geslagen, hier in betrekkelijk korten tijd weder
geheeld worden, mits slechts de oorlog niet te lang aanhoude. Reeds
Belchi verzekert ons, dat een geslagen leger zich nergens zoo spoedig
van zijne nederlaag herstelt, als in Transoxanië. Diezelfde schrijver
schat het aantal steden in die landstreek op driehonderd-duizend:
blijkbaar eene schromelijke overdrijving. Toch was Transoxanië en met
name de stad Bokhara, vroeger veel meer bevolkt dan tegenwoordig. Onder
de Samaniden waren de omstreken dezer stad zeer dicht bevolkt; ten
noordoosten, ten zuidwesten strekten zich, buiten de eigenlijke
stad, groote voorsteden uit; en de driehonderd-zestig moskeeën,
waarvan de inwoner van Bokhara nog met trots spreekt, bestonden
toen werkelijk. Tegenwoordig telt Bokhara hoogstens vijf-en-dertig
duizend zielen.

Dat zelfde geldt voor het gansche land. Transoxanië kan eene vijf- à
zesmaal sterkere bevolking onderhouden, dan het tegenwoordig bezit. De
ontzaglijke legerscharen, die, sedert de stichting van het khalifaat,
voortdurend krijgs- en veroveringstochten ondernamen naar westelijk
Azië en tot aan de oevers van den Nijl, waren voor het grootste deel
saamgesteld uit zonen der steppen, maar daarnevens ook uit de bewoners
der oevers van den Oxus en den Jaxartes.

De meerderheid der inwoners van het oude Transoxanië bestond uit
Iraniërs, en het perzisch was de nationale taal te Bokhara, te Fergana,
te Khahrezm. Dit bleef zoo onder de heerschappij der Arabieren, der
Samaniden, der Seldsjoeken en der vorsten van Khahrezm, ja zelfs nog
langen tijd na de invallen der Mongolen; toen maakte het perzisch
allengs plaats voor het turksch, dat tegenwoordig de heerschende
taal is.

Evenals de taal, heeft ook het karakter der Transoxaniërs eene groote
verandering ondergaan. De oude arabische schrijvers kunnen geen
woorden genoeg vinden om den adel des gemoeds, de oprechtheid, de
rechtvaardigheid en gastvrijheid van dit volk te roemen. Tegenwoordig
is van al deze deugden geen spoor meer over: met uitzondering van
de gastvrijheid, die wel niet in de steden, maar dan toch op het
platteland nog altijd beoefend wordt. Eeuwen lang is Transoxanië ten
prooi geweest aan de telkens hernieuwde invallen der Toeraniërs, en
daarbij is het land maatschappelijk en zedelijk te gronde gericht. De
veroveraars hebben niet alleen de steden verwoest en de oogsten
vernield, maar zij hebben ook in het hart der menschen alle hooge en
edele gevoelens en aandoeningen weggewischt.

Samarkand, ongetwijfeld het Maracanda der Grieken, de hoofdstad van
het oude Sogdiana, is reeds sedert overoude tijden de mededingster
van Bokhara. Vóór de regeering der Samaniden was zij de koningin der
steden in het stroomgebied van den Oxus; zij begon van haar hoogen rang
te dalen, toen Ismaël zijne residentie naar Bokhara verlegde. Onder
de kharezmitische vorsten hernam zij, naar men zegt, haar vroeger
overwicht; en later, onder de regeering van Timoer den Kreupele,
bereikte Samarkand het toppunt van haar bloei en heerlijkheid. Maar
na den val der dynastie van Timoer, begon ook voor haar een tijdperk
van achteruitgang en verval. Bokhara werd nu allengs de officieele
residentie; Samarkand moest zich vergenoegen met de nederiger rol
van zomerverblijf der vorsten, die door de schoonheid der waterrijke
streek en de frischheid van het klimaat werden aangetrokken.

Samarkand is minstens tweemaal verwoest geworden; eerst door de
Mongolen, en later door de wilde horden der Oesbeken. Van hare vroegere
heerlijkheid is dan ook geen spoor meer over. De stad telt tegenwoordig
eene bevolking van dertig duizend inwoners; zij bezit tachtig moskeeën,
drie-en-twintig scholen of collegiën en zeven-en-twintig karavanseraïs.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Van Orenburg naar Samarkand - De Aarde en haar Volken, 1873" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home