Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Venetië - De Aarde en haar Volken, 1865
Author: Anonymous
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.


*** Start of this LibraryBlog Digital Book "Venetië - De Aarde en haar Volken, 1865" ***


Venetië.


		Waar is paer van vernuft en van kraften zoo kloek,
		Als de Leeuw met het swaert, en de Leeuw met het boek?


Aldus Hooft, in een puntig, geestig rijm zijne hulde brengende aan de
beide saamverbonden republieken: de oude aristokratische republiek van
Venetië, wier heugenis een meer dan duizendjarig verleden omvatte,
en de jonge burgerlijke republiek der Vereenigde Nederlanden, eerst
sedert pas in de rij der europeesche mogendheden opgetreden, en met
eene wel korte maar schitterende toekomst voor zich. Eenheid van belang
bracht ze een oogenblik samen, de Leeuw van Sint-Marcus met het boek,
de Leeuw der Unie met het het zwaard; en schoon beider samenwerking
noch van uitnemend gewicht, noch van bijzonder langen duur was, toch
hebben zij een poos nevens elkander gestaan, toch is er tusschen die
beiden, van zoo ongelijken stam en aard, eene betrekking geweest, die
ook voor ons aan den naam van Venetië nog eene bijzondere beteekenis
geeft. Wel was, toen Hooft der beide republieken zijn fijn compliment
maakte, de kloeke kracht van den Leeuw met het boek aanmerkelijk
gebroken, en was de tijd niet meer verre, waarop hij zijn langen
doodslaap zou gaan slapen: maar toch, in die dagen speelde nog om
het hoofd der venetiaansche republiek de naglans van een grootsch,
een schitterend verleden; en de roem van weergaloos vernuft mocht haar
ook toen nog niet worden betwist. Het verbond tusschen Nederland en
Venetië werd in 1620 gesloten: de oudste der twee zusterrepublieken,
rijk aan roem, aan schatten, aan eere, neigde langzaam, maar zeker
ten val; de jongste, vol moed, geestdrift, ondernemingszucht, greep
met stoute hand naar de kroon van eerste zeemogendheid, der oudste
ontvallen, en omklemde die werkelijk voor een poos;--toen, ruim
anderhalve eeuw later, gingen beiden, sinds lang weer gescheiden,
onder in denzelfden storm, door de hand van denzelfden vijand.

Venetië! welke gedachten, droomen, herinneringen, wekt die enkele naam
niet in ons op! Die naam smelt voor ons saam met schoonheid en gratie,
glans en pracht, met al wat fraai en liefelijk is en welluidt. Hij doet
ons denken aan weemoedig snarenspel en wegsleepend gezang, aan gondels
en maskers, aan zachten maneschijn en heerlijk golfgewiegel, aan
Madonnabeelden en gothische vensterbogen, aan heerlijke schilderijen,
tintelend van koloriet en kunstig snij- en beitelwerk, aan zwarte
sluiers en nog zwarter oogen, aan de paarden van St. Marcus en
aan den Bucentaurus, aan bravo's en sbirren, aan looden daken en
inquisitiedolken, aan jaloersche Othello's, aan sluwe Yago's, en
aan Desdemona's, niet altijd even rein en argeloos als Shakespeare's
beklagenswaardige heldin.

Bij allen die Venetië bezochten, liet de aanschouwing der wondervolle
stad, eenmaal zoo beroemd als de koninginne en bruid der Adriatische
zee, een onuitwischbaren indruk achter. En niet vreemd voorwaar! Is
het toch geen betooverend en verbazingwekkend schouwspel, die groote
stad, met hare torens en koepeldaken, reusachtiger dan menige op berg
en rots gebouwde veste ze bezit, die stad met hare duizenden marmeren
en arduinen paleizen, als op het water te zien drijven!

Niet alleen toch dat Venetië rondom in het water ligt, zoodat het
slechts met een brug van 222 bogen of van een half uur gaans--een
brug waarvan de bouw, naar men wil, bijna drie millioen gulden
kostte--met den vasten wal verbonden kon worden; niet alleen dat
het door een kanaal, van dertig tot vier-en-vijftig ellen breed,
geheel doorsneden wordt, zoo als de Theems Londen doorkronkelt; maar
ook al zijne straten zijn kanalen (150 in getal), die de zeventig of
tachtig eilandjes bespoelen, welke, door ruim driehonderd meestal
marmeren bruggen aan elkander verbonden, de Lagunenstad vormen. De
bijkans twee duizend straten immers, welke achter de met het front
naar de kanalen gerichte paleizen en huizen loopen, zijn, op één na,
slechts smalle stegen, over sommigen waarvan men zelfs heen heeft
gebouwd. Te Venetië ziet men dan ook niets van 't geen _wij_ vooral
stadsgewoel noemen: geen paarden en koetsen; geen wagens en karren;
daarvoor treedt hier de bevallige gondel met zijn snaakschen en
soms geestigen roeier in de plaats; terwijl de koetspoort door de
waterpoort, de stoep door den watertrap vervangen wordt.

Voor schetsen en beelden uit Venetië behoeven wij geene aandacht en
belangstelling te vragen. Slechts spanne men de verwachting niet te
hoog: eene eenigszins volledige beschrijving van _Venezia la bella_
geven wij niet, slechts schetsen en beelden.

Eerst zullen wij eenige algemeene bijzonderheden omtrent Venetië
en zijne bewoners vermelden; vervolgens een overzicht geven van de
lotgevallen der voormalige roemruchte republiek en van Venetië's
tegenwoordigen toestand; om daarna, op een gondeltochtje langs het
_Canalazzo_, bij eenige voorname paleizen en grootsche gebouwen der
Lagunenstad een oogenblik te vertoeven.



I.

Ligging.--Bevolking.--Luchtgestel en gezondheidstoestand.--Handel en
fabriekwezen.--Voorkomen, kleeding en karakter van den Venetiaan.


Venetië ligt, aan het noordelijke uiteinde eener naar die stad
genoemde golf, in eene _lagune_: eene soort van binnenmeer, dat van
de Adriatische zee gescheiden is door strooken laag land, _lidi_
geheeten. Om deze _lidi_ tegen den golfslag te beveiligen, heeft
men onder anderen een reusachtigen dam (_murazzi_) gebouwd, die eene
lengte van 11,350 voet heeft en, evenals al de bouwwerken te Venetië,
op eiken paalwerk rust; dat zeventig voet breed is, terwijl de wal, die
daarop omhoog rijst, negen voet boven middelbaren waterstand uitsteekt.

De stad, die ruim twee uren in omvang heeft, telde in 1857 eene
bevolking van 118,172 zielen, die echter sedert, ten gevolge van
een sterk uitwijken der ingezetenen, waarschijnlijk eene niet
onbelangrijke vermindering heeft ondergaan; eene bevolking, onder
welke zich nauwelijks 140 Protestanten en 7000 Joden bevinden, en die
overigens schier uitsluitend roomsch-katholiek is. Daarentegen waren
onder dit cijfer begrepen 12,250 Duitschers, vermoedelijk voor een
groot deel manschappen der bezetting en beambten. In den bloeitijd der
republiek beliep de bevolking der hoofdstad ongeveer 200,000 zielen.

De stand van den thermometer is er, gemiddeld, over het geheele jaar
55°, des winters 38° en des zomers 73° F. In en rondom de hoofdstad
is de winter zeer zacht, en reeds in 't laatst van Februari kondigt
de lente hare terugkomst aan. Dit neemt echter niet weg dat de lagunen
dikwijls bevriezen. Meestal valt er in het wintergetijde veel regen. In
Juni en Juli wordt de hitte reeds des morgens regelmatig door den
noordewind getemperd; terwijl des avonds een warme zuidoostewind
(_sirocco_) waait, die hier echter zelden drukkend of bedwelmend
is. De streek is zeer gezond, en de ziekten die er voorkomen, hebben
in den regel een goedaardig karakter.

Ofschoon de venetiaansche handel niet meer dan een schaduw is
van wat hij in vroeger eeuwen was, zoo heeft er in de hoofdstad
betrekkelijk nog een aanmerkelijk vertier plaats. In 1863 bedroeg
de invoer ongeveer 50 en de uitvoer omtreeks 30 mill. florijnen;
terwijl de eerste te Triëst over hetzelfde tijdvak ruim 85 beliep,
en de laatste ruim 83 mill. florijnen. Er vielen in 1863 te Venetië
3292 schepen en stoombooten binnen, te zamen 312,275 ton metende. De
koopvaardijvloot bestond in het genoemde jaar uit 1546 vaartuigen,
nagenoeg 38,000 ton metende en met 5515 koppen bemand.

Het fabriekswezen van Venetië breidde zich in de laatste jaren uit. In
de middeleeuwen bezat de republiek den alleenhandel vooral in spiegels
en glaswerk; thans vindt men er vele fabrieken van goud- en zilverstof,
fluweel, zijde, kousen, kant, vernis, kralen en kunstparelen, spiegels,
bijouteriën, waskaarsen en zeep.

Wat lichaamsbouw betreft, doet de Venetiaan niet voor zijne
italiaansche naburen onder. Vooral de vrouwen onderscheiden zich door
eene rijzige, welgevormde gestalte, door schoone oogen en tanden, en
meerendeels ook door fraaie, regelmatige gelaatstrekken. De vrouwelijke
bevolking der hoofdstad munt nog boven die van de overige deelen der
voormalige republiek uit door fijnheid van trekken en blankheid van
vel, door een bevalligen tred en innemende manieren.

De vroegere karakteristieke volksdracht, tot zelfs de mantel, is ook
hier geheel verdwenen en door de gewone europeesche modes vervangen. De
venetiaansche schoonen hebben evenwel den korten, zwart kanten sluier
als hoofddeksel nog niet laten varen, en droegen dien in 1865 nog bij
wijze van nationale leus, zelfs algemeener dan ooit. De wijze waarop
zij zich daarmede tooien is dikwijls zeer schilderachtig. Mutsen zijn
niet onder de vrouwen in zwang, en ook de bedaagde matronen laten
het vergrijsde hoofdhaar onbedekt, 't geen haar voorkomen, over
't geheel genomen, niet behaaglijker maakt.

De geaardheid van den Venetiaan is vroolijk, soms tot in het
luidruchtige, niet vrij van moedwilligheid, zorgeloos en zeer tot
zinnelijke genietingen overhellende. Hij behelpt zich te huis,
om buitenshuis te kunnen schitteren. Overigens is hij goedhartig,
voorkomend en minzaam in den omgang, vooral omtrent vreemdelingen;
wel buigzaam en lijdzaam, maar getergd of tot het uiterste gebracht,
ook onverzettelijk en tot alles in staat. De aristokratische trots,
waardoor voorheen de hoogere standen zich kenmerkten, is, ten gevolge
van den val der oude staatsregeling, grootendeels gebroken.



II.

Geschiedkundig overzicht.--Ontstaan en opkomst der
republiek.--Kruistochten.--Enrico Dandolo.--Verovering
van Byzantium.--De aristokratische staatsregeling van het
gemeenebest.--Oordeelvellingen daarover.


Venetië's ontstaan dagteekent reeds van het begin der vijfde eeuw. Toen
de Gothen en Hunnen, onder Alarik en Attila, in de jaren 413 en 451,
Italië overstroomden, namen een aantal bewoners van het noordelijk
gedeelte des lands, en meer bijzonder ingezetenen van Aquilea en Padua,
de wijk naar Rialto en de verdere lage eilanden of lagunen, aan den
mond der Brenta en der Adige, in de Adriatische zee gelegen. Deze
vluchtelingen waren meerendeels slechts arme visschers; Venetië
heeft dus met Amsterdam niet enkel gemeen dat het op geheide palen
gebouwd is, maar ook dat het aanvankelijk slechts eene onaanzienlijke
visschersbuurt was.

In den beginne werden deze eilanden ieder afzonderlijk door consuls
bestuurd, die hun uit Padua werden toegezonden; maar in het laatst
der vijfde eeuw stelden zij zelven tribunen of gemeensmannen aan;
waardoor de grond werd gelegd tot de zuivere volksregeering, die zeven
eeuwen te Venetië stand hield. Na de verwoesting van Padua door de
Longobarden, breidde het kleine gemeenebest zich aanmerkelijk uit; en
in 697 gingen de verschillende eilanden, waaruit het bestond, over tot
de benoeming van een algemeen hoofd onder den naam van _dux_ of _doge_
(hertog), die verkiesbaar door en verantwoordelijk aan het volk was,
en gezamenlijk met de bestaande gemeensmannen en den grooten raad
regeerde. De eerste doge was Paolucci Anafesto.

Nadat Heraclea, hetwelk aan het hoofd der eilandengroep stond, door
een burgerkrijg in het midden der achtste eeuw was te gronde gegaan,
werd Rialto de hoofdzetel der regeering, en weldra ontstond nu de stad
Venetië uit de vereeniging dier plaats met verscheidene omliggende
eilanden. De republiek onderwierp zich niet aan de frankische en
duitsche mogendheid, die aan het westersche of romeinsche rijk
in Italië was opgevolgd, maar verbond zich met het oostersche of
grieksche rijk, en bleef daardoor onafhankelijk.

De handel en vrachtvaart der Venetianen namen zoo snel toe, dat hun
de heerschappij op de Adriatische zee spoedig niet meer betwist werd,
en zij zelfs Dalmatië en Istrië, op de tegenovergestelde kust dier zee
gelegen, aan zich onderwierpen. Zij dreven handel ook met Mohammedanen,
Sicilianen en Spanjaarden, en genoten inzonderheid te Konstantinopel en
te Rome groote voorrechten. De voornaamste oorzaak van de opkomst en
bloei der republiek waren echter de kruistochten. Niet alleen dat het
overvoeren der scharen van krijgslieden en pelgrims naar het Heilige
land, en het voorzien in hunne behoeften, haar aanzienlijke schatten
aanbrachten, maar hare handelsbetrekkingen met het Oosten namen
daardoor ook in zeer belangrijke mate toe. Ofschoon de ingenomenheid
der Venetianen met de kruistochten, evenals die van hunne mededingers,
de Genuëezen en Pisanen, dan ook voor een deel aan belangzuchtige
oogmerken moet worden toegeschreven, bewezen zij niettemin onder
hunne dogen Vitale Michaeli, Ordelafo Faliero en Dominico Michaeli,
gewichtige diensten aan de goede zaak, en had men de inneming van
Ptolemaïs, Sidon en Tyrus voor geen gering gedeelte te danken aan
de wijze waarop zij den aanval op die plaatsen van de zeezijde
ondersteunden.

Inzonderheid nam echter Venetië's handel eene ongemeene vlucht, nadat
het aan zijne kooplieden en regenten gelukt was den ouden handelsweg
der Ptolemaeën en Romeinen over Egypte naar Indië weder te openen,
waardoor Venetië de uitsluitende markt der meest gezochte indische
goederen--specerijen, lijnwaden, zijden stoffen, ivoor, parelen, goud,
myrrhe en andere geneeskruiden--werd, en ruim twee eeuwen lang bleef,
totdat Portugal en later Antwerpen en Amsterdam, na de ontdekking
van den zeeweg naar Indië om de Kaap de Goede Hoop, den handel met
het verre Oosten aan zich trokken.

Gedurig breidden de Venetianen hunne veroveringen verder uit. Groot
vooral was het aandeel dat zij aan den vijfden kruistocht namen,
die in 1202 onder aanvoering van Graaf Boudewijn van Vlaanderen
werd ondernomen; maar die, in plaats van op de bestrijding der
ongeloovigen, op de inneming van het toen nog door de Grieken bezette
Konstantinopel uitliep. Bij dezen tocht werden de Venetianen door
hunnen twee-en-negentig-jarigen doge Enrico Dandolo in persoon
aangevoerd: een man "in wien de ouderdom de zielskrachten slechts
gerijpt, niet verdoofd had," en die niet alleen een onversaagde
oorlogsheld, maar ook een der schranderste en edelste staatslieden was,
welke Venetië ooit bezeten heeft. Het oorspronkelijk doel van den tocht
naar Konstantinopel was geweest om Alexius, den twaalfjarigen zoon
van den door Alexius III van het gezicht beroofden en in den kerker
geworpen keizer Izaak, op den griekschen troon te plaatsen. Inderdaad
werd dit doel door de kruisvaarders verwezenlijkt; doch, grootendeels
door hun toedoen, brak terstond daarop in de stad een geweldig
oproer uit, waarbij weder een andere Alexius, Mursuflus bijgenaamd,
door het volk tot keizer werd verheven, die zijne regeering aanving
met zijn jeugdigen naamgenoot te verworgen. De kruisvaarders, die
de Grieken toch slechts als ketters beschouwden, besloten nu de stad
in te nemen; 't geen hun bij een tweeden storm gelukte (1203); eene
gebeurtenis, waarbij de overwinnaars zich als onzinnigen gedroegen,
zelfs de heilige plaatsen niet verschoonende, terwijl zij in hunne
Wandalen-woede de schoonste kunstgewrochten verbrijzelden, waardoor
eene menigte onschatbare overblijfselen der oudheid verloren gingen. De
buit, bij die gelegenheid behaald, was zoo ontzettend groot, dat een
nederlandsch vorst, die bij de inneming tegenwoordig was, aan Paus
Innocentius III schreef, dat er in het gansche overige Europa zoo
veel rijkdommen niet voorhanden waren. Inderdaad was Konstantinopel
een van de schoonste en rijkste steden der wereld. Het grieksche
rijk werd nu tusschen de Venetianen, Vlamingen en Franschen, die het
gezamenlijk veroverd hadden, verdeeld, en de keizerlijke waardigheid
in het byzantijnsch-latijnsche rijk aan Boudewijn van Vlaanderen
en Henegouwen opgedragen; terwijl de Venetianen voor zich namen wat
hun het gelegenst was, te weten de gansche kust langs de Adriatische
en Egaeïsche zeeën, een deel van den Peloponnesus, benevens Candia,
Corfu, Cephalonië en andere eilanden: gezamenlijk omstreeks een vierde
deel van het oude Byzantium bedragende. Door deze veroveringen nam
alzoo de macht en het aanzien van Venetië nog weder aanmerkelijk toe;
maar door de oprichting van het byzantijnsch-latijnsche keizerrijk,
dat niet veel langer dan eene halve eeuw bestond (1204-61), ontsloten
de Venetianen met eigen hand de deur voor hunne toekomstige geduchte
en onverzoenlijke vijanden, de Mohammedanen.

Intusschen had de demokratische staatsregeling van Venetië eene zeer
in het oog vallende aristokratische kleur verkregen. De voorname
oorzaak daarvan was, dat de acht-en-dertigste doge, Vitale Michaeli,
die de Venetianen door het uitschrijven eener belasting op de
bezittingen tegen zich in de harnas had gejaagd, in een volksoploop
werd vermoord. Om deze reden, en ook omdat de verkiezingen maar al te
dikwijls oproerige tooneelen uitlokten, werd besloten om het volk niet
meer rechtstreeks tot de verkiezing der dogen te laten medewerken, maar
die taak aan een elftal der aanzienlijkste mannen, door de bevolking
aan te wijzen, op te dragen. Tevens werd de Groote Raad ingesteld,
het hoogste regeeringscollegie, bestaande uit vierhonderd-tachtig
aanzienlijken, jaarlijks uit de zes wijken der stad gekozen. Terwijl de
adel op die wijze den volksinvloed tegenging, verminderde hij tevens
de macht van den doge, door hem een raad van zes leden, gekozen uit
den Grooten Raad, ter zijde te stellen, zonder welks medewerking hij
geen besluit kon nemen. Deze kleine raad, met den doge de zoogenaamde
_signoria_ uitmakende, werd later nog met drie hoofden van den Raad
der Veertigen vermeerderd.

De Groote Raad, uitsluitend uit _nobili_ bestaande, trok allengs
de aanstelling van bestuursleden en beambten aan zich, en benoemde
eindelijk zelfs zijne eigene kiezers. Maar hierbij bleef het niet. In
1296 wist de zeer aristokratischgezinde doge Gradenigo de bepaling
door te drijven, dat voortaan alle nieuwelingen uit den Grooten Raad
geweerd zouden worden; terwijl men tot aanvulling van door overlijden
openvallende plaatsen, lijsten vormde, waarop alleen namen van vroegere
leden van den Raad voorkwamen. Eindelijk ging men in 1309 nog een
stap verder: men verklaarde het lidmaatschap van den Grooten Raad
erfelijk, en bepaalde bovendien dat de zoons, ook bij het leven van
hunnen vader, op hun vijf-en-twintigste jaar zitting mochten nemen;
terwijl er een afzonderlijk register werd aangelegd, _het Gouden boek_
genaamd, waarin de namen der toenmalige familiën, wier leden zitting
hadden, zouden worden ingeschreven.

Deze stoute staatsgreep, in de venetiaansche geschiedenis _il serrar
del consiglio_ (het sluiten van den raad) genoemd, bracht het volk
aan 't morren, maar dit kon geen verandering in de genomen besluiten
te weeg brengen. Eene samenzwering met een man uit het volk, Marino
Bocconio, aan het hoofd, werd in het bloed der eedgenooten gesmoord;
een aanslag van eenige den doge persoonlijk vijandige _nobili_, door
Querini en Tiepolo aangevoerd, werd door Gradenigo zelf bedwongen
(1310); en van dat oogenblik af werd de nieuwe orde van zaken als
gevestigd aangemerkt.

De vrees dat de doge, op het voorbeeld van andere italiaansche regenten
van dien tijd, naar uitbreiding van gezag zou streven, had aanleiding
tot deze laatste hervormingen gegeven, en deed al verder en verder
in die richting gaan, zoodat aan het opperhoofd, dat met den naam
van vorst begroet werd, weldra niet meer dan een schaduw van gezag
overbleef, en hij zelfs geen brief eener vreemde mogendheid anders
dan in het bijzijn der _signoria_ mocht openen. Met recht werd van
het hoofd der republiek gezegd, "dat hij in kleeding en staatsie
een koning, in macht slechts een raadslid, in zijne residentie een
gevangene en daar buiten een gewoon burger was." Daarentegen werd de
macht van den Raad der Tienmannen--een lichaam bij gelegenheid van
den aanslag van Querini in het leven geroepen--ongemeen versterkt. De
ontdekking van dat komplot had de bewindslieden zóó vervaard gemaakt,
dat zij, ter handhaving van de veiligheid van den staat, besloten om
aan tien _nobili_, voor den tijd van twee maanden, eene dictatoriale
macht op te dragen. Het bestaan van dien geduchten raad werd
echter telkens op nieuw verlengd, totdat hij in 1335 permament werd
verklaard. Deze Tienmannen mochten zich in alles, niets uitgezonderd,
mengen; zij konden zelfs besluiten van den Grooten Raad vernietigen,
leden daarvan verbannen, en den doge voor hunne vierschaar dagen. De
beschuldigden die voor dit hof werden gebracht, mochten zich van
geen gerechtelijken raadsman voorzien; zij kwamen nooit met hunne
beschuldigers en de tegen hen optredende getuigen in 't verhoor, en
werden na hunne inhechtenisneming buiten allen toegang gesteld. Het
stond dezen raad vrij, zijne voor geen vernietiging vatbare vonnissen
openlijk of wel in het geheim ten uitvoer te laten brengen.

Eene nog geduchter rechtbank was die der staatsinquisiteurs, welke
slechts uit drie rechters bestond, en waaraan de Tienmannen, zoo
dikwijls zij dit noodig achtten, de berechting eener zaak konden
opdragen. Men wist, dat dit verschrikkelijke gerechtshof, tot
welks oprichting in 1454 besloten werd, bestond, maar kende geen
van zijne leden, die door den Raad der Tienmannen uit zijn midden
werden gekozen. Alle Venetianen, van den gondelier tot den doge
ingesloten, waren aan het altijd wakend toezicht dezer onzichtbare
vierschaar en aan hare strenge rechtspraak onderworpen. Hare leden
konden zelfs elkander vonnissen; in welk geval er door den Raad der
Tienmannen een plaatsvervanger werd benoemd. Schier allen, die voor
deze rechtbank gedaagd werden, verdwenen voor altijd, zonder dat men
ooit vernam of zij onder de _looden daken_ een langzamen dood waren
gestorven, dan wel of zij over de _brug der zuchten_ ter verworging of
verdrinking waren weggevoerd; terwijl hunne betrekkingen zelfs geen
navraag naar hen durfden doen, uit vrees van de geheime rechtbank te
zullen vertoornen. De inquisiteurs waren volkomen vrij zoowel in de
keus der middelen om het kwaad op te sporen, als in die om het te
straffen; zij waren ook aan niemand verantwoording schuldig wegens
de gruwelijke pijnigingen, waarmede zij de ongelukkige beklaagden
bekentenissen afpersten. Zij hadden den sleutel van de lade, waarin
de geheime aanklachten vielen, die in de bij het doge-paleis en elders
geplaatste leeuwenmuilen werden geworpen. Een tal van verspieders stond
in hunne soldij, die zoowel de hutten als de paleizen binnenslopen;
terwijl alle staatsbeambten hun ten dienste moesten staan.

Op die wijze meende Venetië de instandhouding zijner staatsinstellingen
te moeten waarborgen. De inquisitie had het inzonderheid gemunt op
hen, van wie men ook slechts vermoeden kon dat zij eerzuchtige of
staatkundige ontwerpen koesterden. Onthield men zich ten eenen male
van bemoeiing met staatszaken, en liet men zich volstrekt niet aan
het doen en laten der regeering gelegen liggen, dan had men niets te
duchten; daargelaten de mogelijkheid, dat men het offer van valsche
aanklachten werd.

"Geen staatsinrichting," zegt een hedendaagsch engelsch schrijver,
dien men niet van reactionnaire gezindheid verdacht kan houden, "heeft
ooit aan tegenstrijdiger oordeelvellingen blootgestaan dan die van
Venetië. Door sommigen als een toonbeeld van wijsheid en de bron van
haar grootheid ten hemel verheven, is ze door anderen, door verreweg de
meesten, uitgekreten voor een samenweefsel van ongerechtigheden. Gelijk
gewoonlijk, licht ook hier de waarheid in het midden. Dat er in later
tijd veel, zeer veel berispelijks in de inrichting en den gang van het
staatsbestuur is ingeslopen, kan niet worden ontkend.... Maar aan den
anderen kant schijnt het ons onbetwistbaar, dat eene staatsinrichting
die dertien eeuwen lang stand hield, waaronder de rust van binnen en
de onafhankelijkheid naar buiten ongeschonden bewaard bleven, terwijl
elders in Italië zoo tallooze malen bloedige burgertwisten woedden
en zoo menigwerf het juk van den vreemden dwingeland knelde; eene
staatsregeling waaronder het kleine visschersdorp zich ontwikkelde
tot koningin van de Adriatische zee en tot beheerscheresse van het
Oosten:--ons dunkt het onbetwistbaar, dat zulk eene staatsinrichting
toch in meer dan gewone mate de kiemen van iets goeds en groots moet
hebben bevat..... De regeering van Venetië was sterk omdat, gelijk
Muratori het uitdrukt, ""het volk wilde dat zij sterk zou zijn;
omdat bij het volk de overtuiging leefde, dat zijn eigen welvaart
het groote doel van haar bemoeiingen was. Het wist dat haar strenge
maatregelen tegen _haar eigen leden_ gericht waren."

Van veel meer belang nog is de lof, door den zeer liberalen Manin, den
voorzitter der venetiaansche republiek van 1848-49, aan den staatsvorm
van het oude gemeenebest toegezwaaid. "Niet zooveel eeuwen," antwoordde
hij eens in zijne ballingschap aan een vriend, die zich hevig over
de instelling van den Raad der Tienmannen en de door hen gepleegde
gruwelen uitliet, "niet zooveel eeuwen lang zou de doorluchtige
republiek hebben bestaan, indien het gouvernement, hoewel uitsluitend
in de handen der aristokratie, niet populair was geweest in den echten
goeden zin des woords, niet met de toegeeflijkheid en zachtheid van een
vader geregeerd had. Weet ge tegenover wie de aristokratie zich streng
en hard betoonde? Tegenover zich zelve, tegenover haar eigen leden,
wanneer die zich als partijmannen, rebellen of verraders deden kennen."

Ziedaar getuigenissen van niet verdachte zijde, die wel overweging
verdienen. Ook met volle erkenning en strenge afkeuring der misbruiken,
in de venetiaansche staatsregeling, als in elke andere, ingeslopen,
blijkt, dunkt ons, uit de geschiedenis zelve, de deugdelijkheid
der grondslagen, waarop deze rustte; is Venetië, met zijne meer dan
duizendjarige historie, een nieuw sprekend bewijs voor de waarheid,
dat eene republiek alleen door eene sterke en machtige aristokratie
op den duur mogelijk is en bloeien kan.



III.

Vervolg van het geschiedkundig overzicht.--Verval
van de republiek.--Komst der Franschen.--Opheffing der
staatsregeling.--Campo-Formio.--De presburger vrede.--Manin in 1830
en in 1848.--Wederoprichting der republiek.--Beleg.--Kapitulatie.--De
veldtocht van 1859.--Tegenwoordige toestand van Venetië.


Na het einde der kruistochten nam de ijverzucht tusschen de
zuster-republieken Venetië en Genua, wegens het behalen van bijzondere
handelsvoordeelen, zoozeer toe, dat het in de veertiende eeuw
herhaaldelijk tot oorlogen tusschen haar kwam, waarin de venetiaansche
admiraal Victor Pisani zich met roem overlaadde. Vermaard zijn vooral
zijne zegepralen bij Capo d'Anzio en Chioggia.

In de vijftiende eeuw bereikte de republiek het toppunt van
roem en bloei; zij zag toen haar gebied op het italiaansche
vasteland aanmerkelijk uitgebreid en Cyprus aan hare heerschappij
onderworpen. Maar terwijl nu, door Vasco de Gama's omzeiling van de
Kaap de Goede Hoop (1498), de handel van Venetië over Alexandrië op 't
allergevoeligst werd getroffen, waren van den anderen kant de Osmanen
meester van Konstantinopel geworden, en ontrukten aan de republiek
achtereenvolgens Morea, Albanië, Negroponte en andere bezittingen in
den Archipel.--In 1508 en 1509 schitterde zij echter nog in vollen
luister, daar zij toen, evenzeer door dapperheid als door fijne
staatkunde, haren smadelijken val voorkwam, die bij het verbond van
Kamerijk besloten was, waarvan de vier toenmalige hoofdmogendheden van
Europa: Paus Julius II, Keizer Maximiliaan, Ferdinand de Katholieke
van Spanje, en Lodewijk XII van Frankrijk de voorname aanleggers waren.

Bij den vrede van Karlowitz (1699) bekwam de republiek, dank hebbe de
veerkracht van hare toen reeds overleden doge Morosini, den geheele
Peloponnesus weder in haar bezit. Dit was haar laatste straal van
roem. De _nobili_, die zij er met het gezag bekleedde, kweten zich
evenwel zoo slecht van hunne taak, dat de grieksche bevolking nog
liever turksch dan venetiaansch wilde zijn, en het schiereiland dan
ook slechts zestien jaren in Venetië's bezit bleef. In 1715 moest de
republiek eindelijk ook het eiland Candia, na een langdurigen strijd,
aan de Muzelmannen afstaan.

Na den vrede van Passarowitz (1718,) waarbij de Peloponnesus weder aan
Turkije werd afgestaan, besloten de overheden der eens zoo vermaarde
en machtige republiek, voortaan geen aandeel meer aan de algemeene
europeesche politiek te nemen, en zich tot de verdediging van haar
gebied en de strenge instandhouding harer verouderde staatsregeling
te bepalen. Daarmede teekende de republiek haar eigen abdikatie. In
den weerloozen staat waarin zij zoo doende geraakte, verstoken van
vloot en krijgsmacht, verraste haar de fransche omwenteling. Zij kon in
dien toestand onmogelijk beletten, dat Peschiera en een groot deel van
haar gebied op het vasteland door de Franschen bezet werden. Ware het
bestuur van Venetië zoo moedig gezind geweest als de wakkere podesta
van Bergamo, Ottolini, dan zou het land gewis de wapenen hebben
opgevat, en daardoor wellicht een geheel andere loop aan Bonaparte's
veldtocht gegeven zijn. Terwijl hij naar Stiermarken voortrukte,
barstte er een opstand te Verona uit, waarbij al de Franschen werden
vermoord. Hij keerde daarop ijlings terug, en maakte zich zonder slag
of stoot van de republiek meester.

Tot de eischen van den franschen veldheer behoorde ook de volledige
afschaffing der venetiaansche staatsregeling en de gevangenneming der
drie staatsinquisiteurs. Deze revolutionaire eischen werden nu door
de op alle wijzen door de Franschen bewerkte demokratische partij te
Venetië op het onstuimigst ondersteund. Toen echter de Groote Raad den
12 Mei 1797, zijne eeuwenoude macht aan eene consulta van dertig leden
overdroeg en uiteen ging met den kreet: "Er bestaat geen Venetië--geen
St. Marcus meer!" viel het volk verwoed op de demokraten aan. De
komst der Franschen maakte aan deze beweging evenwel spoedig een einde.

Zes maanden later, bij den vrede van Campo-Formio, gaf Bonaparte de
venetiaansche republiek met Dalmatië en Istrië, die zij onafgebroken
bezeten had, aan Oostenrijk, in ruil voor België, dat aan Frankrijk
getrokken, en voor Lombardije, dat bij de pasgevormde Cisalpijnscbe
republiek gevoegd werd. Zoo verstond de revolutie het volkenrecht! De
demokraten betaalden het kortstondig genot hunner zoogenaamde liberale
staatsregeling duur genoeg met het verlies der kunstschatten, die naar
Frankrijk werden vervoerd, en met het verlies hunner vloot, die, de
beroemde _Bucentaurus_ niet uitgezonderd, door de Franschen verbrand of
vernield werd. Ofschoon de nationale geest destijds tot een vrij laag
peil was gezonken, ontbrak het toch niet aan treffende bewijzen dat hij
hier en daar nog krachtig werkte: getuige de adellijke venetiaansche
dame, die bij het vernemen van den vrede van Campo-Formio, zich door
vergif van het leven beroofde; en de gondelier Antonio Lizzi, die
liever verkoos huis en land te verlaten, dan "de Oostenrijkers op het
groote kanaal te roeien!" Toen die Oostenrijkers, in de eerste dagen
van 1798, Venetië binnentrokken, waren ook de demokraten zeer uit
het veld geslagen. Bonaparte antwoordde echter op hunne vertoogen:
"De demokraten kunnen naar Cisalpinië verhuizen, waar men hun het
burgerrecht schenken zal!"

Nog geen acht jaren was Venetië in 't bezit van Oostenrijk
geweest, toen het, door denzelfden man, die het te Campo-Formio
weggeschonken had, te Presburg met even weinig plichtplegingen
weder teruggenomen werd, om met het nieuw opgerichte koninkrijk
Opper-Italië te worden vereenigd. Venetië kwam dan nu toch weer
onder eene zoogenaamde italiaansche regeering en verkreeg eenige
meerdere zelfstandigheid. Zijne zonen werden wel gedwongen om in
verre oorlogen de gevaren der Franschen te deelen, maar zij hadden
ook deel aan hunnen roem; en de wedijver hierdoor te weeg gebracht
werkte meer mede tot Italië's wedergeboorte, dan eeuwen van vrede en
voorspoed gedaan zouden hebben.

In 1814, op het Weener-congres, bekwam Oostenrijk het geheele
venetiaansche gebied terug. Aanvankelijk beloofde het veel, maar
zeer spoedig vergat het zijne beloften weder; en in plaats dat men
den Venetianen zekere mate van onafhankelijkheid schonk, werd hun
een drukkend juk op de schouderen gelegd. "Gij weet wel," zeide
keizer Frans tot de bezending uit Lombardije, die, nadat het land
twee jaren lang door oostenrijksche troepen bezet was geweest, hem
naderde met de bede om eene meer met de vroegere landsinstellingen
overeenkomstige organisatie; "gij weet zeer goed, dat ik Italië met
het zwaard in de vuist veroverd heb: er kan dus geen sprake zijn van
eigen staatsregelingen noch van onafhankelijkheid!" Wel werden eenige
concessiën gedaan; maar de staatkundige vervolgingen, ook door de
woelingen der geheime genootschappen uitgelokt, hadden geen einde;
de censuur werd hoe langer hoe willekeuriger, en alle ontwikkeling
werd stelselmatig onderdrukt.

De gebeurtenissen, die in 1830 te Parijs voorvielen, bleven in
Italië niet zonder weerklank. Men herinnert zich voorzeker nog de
samenzwering van Menotti te Modena, de omwenteling in Bologna en de
Romagna, en het gebeurde te Parma, ten gevolge waarvan de hertog van
Modena, de kardinaal-legaat van Bologna en de hertogin van Parma hunne
staten verlieten; terwijl de beweging eindigde met de onderwerping der
opgestane bevolkingen door een leger van dertigduizend Oostenrijkers,
en met de terechtstelling van Menotti en Borelli. Wellicht is het
echter minder bekend, dat men destijds ook te Venetië niet geheel stil
zat. Manin, die zich toen pas in het stadje Mestre, aan den ingang
der Lagunen, als pleitbezorger had nedergezet, werd insgelijks door de
algemeene opgewondenheid meegesleept. Hij smeedde het vermetele ontwerp
om zich van het tuighuis meester te maken, en stelde en verspreidde
met een zijner vrienden, den bekenden dichter en journalist Tomaseo,
een proclamatie, waarin de bevolking werd aangemaand om het dwangjuk
der vreemde overheersching af te schudden. Manin begreep echter,
toen de beweging in Midden-Italië zoo snel bedwongen werd, dat
verdere proefnemingen voor 't oogenblik meer kwaad dan goed zouden
stichten, en wijdde zich weder onverdeeld aan zijn ambt. Hij liet
evenwel geene gelegenheid voorbijgaan om zijne medeburgers krachtig
tot aaneensluiting en samenwerking aan te sporen, de publieke zaak
door alle geschikte middelen levendig te houden, de bevolking in hare
eigene schatting te doen rijzen, en haar nu op deze dan op gene wijze
te doen zien, dat het toch nog mogelijk was om met eenige vrucht te
strijden tegen de vreemde macht, die nog steeds haar lot in handen had.

De oostenrijksche regeering, schoon inderdaad zich beijverende om
den voorspoed en de materiëele welvaart des lands te bevorderen, kon
maar niet haar vreemden oorsprong doen vergeten. Men zag in haar de
vertegenwoordigster van het geweld en de onderdrukking, de natuurlijke
vijandin van alle nationale herinneringen en sympathieën: in één
woord, een opgedrongen gezag, waaraan men zich noode onderwierp. Dit
gaf natuurlijk aanleiding tot gespannen verhoudingen, die telkens
nieuwe grieven uitlokten. De bemoeizucht der politie werd letterlijk
onduldbaar. Nergens, zelfs niet in het heiligdom van den huiselijken
kring, was men veilig voor hare bespieding en inmenging. Ieder die
verdacht werd van ontevredenheid met de bestaande orde van zaken,
werd in de gevangenis geworpen of gedwongen om als gemeen soldaat in
de oostenrijksche gelederen te dienen. Het was bijna eene hernieuwing
van de willekeur die onder de republiek heerschte, maar die thans
dubbel ondragelijk viel, omdat ze door vreemden werd opgelegd, die
van den anderen kant geen _prestige_ wisten uit te oefenen, zoo als
de _nobili_ en de dogen althans gedaan hadden.

Met de troonsbeklimming van Pius IX scheen een nieuwe dageraad voor
Italië aan te breken: een elektrieke schok doortintelde het geheele
schiereiland. In Venetië was de opgewondenheid niet minder groot dan
in de overige Italiaansche staten; het "Viva Pio Nono!" werd ook daar
van alle zijden aangeheven. Manin besefte echter, dat het niet bij
vreugdegejuich kon blijven, maar dat er gehandeld moest worden. Hij
leverde met Tomaseo een vertoog bij de regeering in, waarin met
de meeste klem op de eindelijke invoering der zoo lang vruchteloos
gevraagde hervormingen werd aangedrongen. Wat zij gevreesd hadden
gebeurde: den 18_den_ Januari 1848 werden zij in hechtenis genomen
en naar den kerker overgebracht, welks deuren zich reeds achter zoo
menig edel of doorluchtig slachtoffer voor altijd gesloten hadden. De
verontwaardiging was algemeen; het karneval werd niet gevierd; de
schouwburgen bleven ledig; het grootste deel der bevolking kleedde
zich in rouwgewaad, en geregeld iederen middag te vier uur zag men
een langen stoet van burgers langs de Slavonische kade trekken en
vóór den kerker stilhouden; de mannen namen hunne hoeden af, de
vrouwen wuifden met hare zakdoeken: deze zwijgende demonstratie,
die de politie niet kon beletten, zeide meer dan woorden.

Eén feit vooral toonde hoe levendig de behoefte aan eenheid en
eendracht reeds gevoeld werd: de twee partijen, waarin Venetië steeds
verdeeld was geweest, die der Castellani en Nicoletti, verzoenden zich
met elkaar. Kort na de gevangenneming van Manin en Tomaseo, hielden,
op zekeren morgen, een aantal gondels stil voor de kerk van "la
Madonna della Salute." Sommigen van degenen die er in zaten, droegen
de roode sjerp der Castellani, anderen de zwarte der Nicoletti. Een
priester wachtte hen; de mis werd gevierd, en de hoofden der twee
partijen strekten geknield, de rechterhand naar een kruisbeeld uit,
terwijl zij elkander de linker toestaken. Ook hier werd geen woord
gesproken uit vrees voor de alomtegenwoordige politie.

Zelfs de tijding der Februari-omwenteling te Parijs blies het te
Venetië smeulend vuur nog niet tot een vlam aan; maar toen den 16 Maart
de kreet weergalmde: "Omwenteling in Oostenrijk! Eene constitutie
te Weenen!" kwam er eene onzettende volksmenigte op de been, die
vóór het paleis van Graaf Palffy, den oostenrijkschen gouverneur,
op dreigenden toon de invrijheidstelling der gevangenen eischte. De
Graaf gaf aan dien eisch toe, en Manin en Tomaseo werden op de handen
des volks van het doge-paleis naar hunne woning gedragen.

De gouverneur deed nu allerlei schoonklinkende beloften; maar Manin
begreep dat er doorgetast moest worden. Er was door zijne bemoeiing
een burgerwacht opgericht; nu begaf hij zich naar het tuighuis,
en wist zich van dat gebouw meester te maken. Graaf Palffy werd
thans weldra gedrongen om te kapituleeren; hij stelde zijn gezag in
handen van Graaf Zichy, den militairen kommandant, die als Hongaar,
meer bij de Venetianen gezien was dan hij. Het hopelooze van den
toestand beseffenende, teekende de nieuwe gouverneur echter terstond
eene overeenkomst, om de stad binnen twaalf uren tijds te ontruimen.

Manin, die zich aanvankelijk teruggetrokken had, werd daags na
het slagen der door hem geleide omwenteling, aan het hoofd van
het voorloopig bewind gesteld. Hij had gewis aanspraak op deze
onderscheiding en kweet zich uitnemend van de hem opgedragen hachelijke
taak. Hij voorzag in alles; en terwijl hij allen bezielde, predikte hij
te gelijker tijd matiging door zijn voorbeeld zoowel als door zijne
woorden. Zijne voorgangers van den eersten dag hadden echter eene
groote feil begaan: zij hadden het rechte oogenblik verzuimd om zich
van de medewerking der vloot te verzekeren. De strijdkrachten der stad
bestonden enkel uit zevenduizend leden van de burgerwacht, zeshonderd
zeelieden en mariniers en vierduizend soldaten uit verschillende deelen
van Italië; waarbij zich later nog achttienhonderd man voegden, door
Karel Albert afgezonden. Alle Venetianen waren slechts door één wil
bezield; maar Manin gevoelde al te goed dat dit niet voldoende was,
en dat de uitkomst der gansche stoute onderneming voornamelijk afhing
van den loop dien de beweging in het overige Italië nam; en die loop
was, gelijk men weet, hoogst noodlottig voor de zaak der omwenteling:
Karel Albert geslagen; de maarschalk Radetzky voet voor voet het door
Oostenrijk verloren terrein in Italië herwinnende; en de van Engeland
en Frankrijk afgebeden bijstand geweigerd.

Weldra was Venetië zoowel van de land- als van de zeezijde ingesloten,
en Radetzky stelde zich reeds voor, de stad binnen veertien dagen
in zijne macht te zullen hebben. Maar ofschoon de bezetting zich
onmogelijk kon blijven handhaven, zoo hield zij het beleg toch van het
begin van Mei tot het laatst van Augustus vol. "Liever den dood dan de
Croaten!" dit was de leus waaronder zij het uiterste, het onmogelijke
schier bestond, en nóg langer zou hebben bestaan, wanneer Manin haar
niet had doen beseffen, dat verdere tegenweer onverantwoordelijk
ware geweest, daar, zoo ten gevolge van het aanhoudend bombardement
als van hongersnood, cholera en pest, de ellende in de stad ten top
was geklommen.

Volgens de kapitulatie moesten al de officieren, die aan den strijd
tegen Oostenrijk hadden deelgenomen, benevens veertig familiën,
de stad verlaten. Daaronder bevond zich ook het gezin van Manin.

Toch was de zaak der italiaansche omwenteling door het in 1848-49 te
Venetië, Rome en elders in het schiereiland voorgevallene, aanmerkelijk
bevorderd: niet alleen hadden de bevolkingen hare krachten leeren
kennen, maar hare grieven werden door Europa ook beter gewaardeerd,
haar lot meer algemeen beklaagd, de willekeur der italiaansche
regeeringen en hare onderwerping aan Oostenrijk luider gewraakt.

Piemont vond hierin aanmoediging om zich meer op den voorgrond te
plaatsen, en op het congres van 1856 te Parijs eene stem in het belang
van Italië te doen hooren, die weerklank vond in veler harten.

Keizer Napoleon, misschien deels en half onwillekeurig gehoorzamende
aan nog niet vergeten sympathieën uit zijne revolutionnaire jeugd,
toen hij lid der carbonari was, deels en zeker niet minder geleid
door berekeningen van zuiver staatkundigen aard, meende de oplossing
van het dusgenoemde italiaansche vraagstuk ter hand te moeten nemen,
en gaf daarmede den stoot aan eene beweging, die, zeer zeker, veel
verder ging dan hij zelf bedoeld of gewenscht had, en eindigde met
haren bewerker te overvleugelen.

Nu werd op eens een reuzenschrede op den weg tot Italië's
bevrijding afgelegd. Vijf-en-veertig jaren lang, van 1815 bijna af,
hadden de Italianen, openlijk en bedekt, getracht op dien weg te
vorderen. Verstandige royalisten en doldriftige republikeinen,
bezadigde vrijheidsvrienden en woelige carbonari, Menotti's en
Garibaldi's, Mazzini's en Gioberti's, Azeglio's en Cavour's hadden
elkaar de hand gereikt, zonder dat men oogenschijnlijk een stap
gevorderd was. Nu zou het met moeite opgetrokken en gehandhaafde
gebouw, als met éénen slag, in puin storten.

Wij behoeven de gebeurtenissen van het aan gewichtige feiten zoo rijke
halfjaar, dat tusschen de bekende nieuwejaars-receptie op de Tuileriën
en den vrede van Villafranca verliep, niet te herinneren: ze liggen
ieder nog versch in het geheugen. Wie hoort nog niet, te midden van
het gejubel in Lombardije, in de hertogdommen en in de legatiën,
den schrillen rouwkreet, door Venetië geslaakt, toen het progamma:
"een onafhankelijk Italië van de Alpen tot aan de Adriatische zee," dat
de oude doge-stad van verrukking had doen trillen, half onuitgevoerd
bleef? Terwijl alles in 't noorden van het schiereiland als door den
slag eener wichelroede veranderde, terwijl de van vreugde dronken
zusterstad Milaan de oostenrijksche kleuren tegen de pimonteesche
verwisselde, bleef te Venetië alles bij het oude; en ook toen later
het zuiden,  over het geschonden erfgoed van den H. Petrus heen, het
noorden de handen reikte en gansch Italië als samensmolt--ook toen
nog bleef Venetië, Italië's parel en pronkjuweel, van het jubelende
koningrijk als een vreemde gescheiden!

Is het wonder dat het vrijheidlievende, zijne nationaliteit zoozeer
op prijs stellende Venetië onder dezen staat van zaken kwijnt? Men
behoeft daaromtrent niet enkel op dagbladberichten af te gaan:
onlangs nog legde de bekende fransche schrijver Paul de Musset,
die Venetië in 1863 bezocht, na er zich vroeger meermalen te hebben
opgehouden, een getuigenis af, die men geen reden heeft om in twijfel
te trekken. "Behalve zijn zachten hemel en zijne bouwgewrochten, zijne
monumenten en grootsche herinneringen," zegt hij, "bezit Venetië niets
meer van zijne vroegere aantrekkelijkheid. Voorheen vond men nergens
aangenamer, gemakkelijker verkeer; thans is de opera er gesloten,
openbare zoomin als bijzondere bijeenkomsten hebben er meer plaats; men
ziet er geen toiletten meer; de maatschappelijke band is verbroken;
handel en beweging zijn gestremd; somberheid en moedeloosheid
heerschen allerwege, en armoede en ellende nemen er dagelijks
meer de overhand." De militaire muziek laat zich nog wel, even als
vroeger driemaal 's weeks, op 't St. Marcus-plein hooren--zegt hij
verder--maar er wordt thans enkel voor de vreemdelingen en de bezetting
gespeeld. Vroeger dreef elken avond een talrijke gondelvloot, door
een muziekgondel voorafgegaan, langs het Canalazzo naar de Lagunen;
maar die gondelvaart, _il fresco_ genaamd, die het hoogste genot der
gegoede bevolking uitmaakte, heeft geheel opgehouden. De aanzienlijke
vrouwen vertoonen zich volstrekt niet meer in het openbaar.

"De bevolking", gaat de Musset voort, "draagt haar lijden met een
bewonderenswaardig geduld. Hare vaste hoop op de nakende bevrijding
van haar land stellende, ondergaat zij daarvoor met vreugde het
martelaarschap, en is zij tot alles bereid. Zij zou zelfs niet voor
de opoffering harer onschatbare monumenten (bij een bombardement
terug deinzen, zoo er kans bestond, dat zij tot dien prijs hare
onafhankelijkheid kon verwerven. Zij zou er zich op verhoovaardigen
wanneer zij op de puinhoopen der St.-Marcus-kerk kon uitroepen:
""Zie wat de barbaren met een van de wonderen der wereld hebben
uitgericht! Zie wat de vrijheid ons kost!""

Maar mag men het er voor houden, dat de lijdende bevolking van
Venetië zich niet te vergeefs met hare "nakende bevrijding" vleit? De
omstandigheden schijnen die hoop alleszins te regtvaardigen. Van
welken kant zal echter de bevrijding opdagen? Zal Frankrijk nog
eens het zwaard aangorden, om zijn programma van 1859 volledig ten
uitvoer te leggen? Dit laat zich niet verwachten, en de Hemel geve ook
dat het vraagstuk zonder nieuwe bloedige tooneelen opgelost worde;
dat dus ook Italië aan Oostenrijk den handschoen wegens het bezit
van Venetië niet toewerpe; maar dat van Oostenrijks zijde zelf de
oplossing kome. Hoe vreemd dit oppervlakkig ook moge schijnen, toch
laat zich zulk eene ontknooping nog het gemakkelijkst denken. Zal
het Oostenrijk niet eindelijk gaan verdrieten, Venetië als een
wederspannigen gevangene te blijven bewaken? En zoo niet, zal het
dan eindelijk niet gaan inzien, dat een afstand van Venetië zijne
zwaar geteisterde financiën dubbel te stade moet komen, daar het dan
eerst ernstig op de vermindering zijner krijgsmacht bedacht zijn,
en tevens eene aanzienlijke geldelijke schadevergoeding voor het af
te stane gebied eischen kan? Zeker meent men niet, dat Oostenrijk
zich door zulk eene daad te veel zou verzwakken; want wat zou het
verlies van 457 vierk. geogr. mijlen gronds te beteekenen hebben voor
eene mogendheid, die er nog 11305 zou overhouden; en wat zou op eene
bevolking van zeven- of acht-en-dertig millioen eene vermindering
van 2,446,000 zielen zeggen? Acht men misschien het bezit van den
geduchten vierhoek eene levenskwestie voor Oostenrijk? Maar hoe dan
vóór 1797; hoe dan van 1805 tot 1815? Die vierhoek zou immers ook
kunnen verdwijnen als Oostenrijks veiligheid dit vorderde, terwijl
op de grenzen van Tyrol, Karinthië, Krain en Illyrië, door de natuur
reeds half ontoegankelijk gemaakt, bolwerken zouden kunnen verrijzen,
de geslechte in sterkte evenarende?

Wij begrijpen wat het Oostenrijk kosten moet, het hart van zulk een
schoon gewest af te trekken; maar het besef van de onmogelijkheid,
om na de gebeurtenissen der laatste jaren, bij de Venetianen het
nationaliteits-gevoel op den duur te onderdrukken, moet het pijnlijke
van het offer noodwendig verzachten. Al kon Venetië tegenwoordig,
onder den constitutioneelen regeeringsvorm van Oostenrijk, eene
vrijheid genieten, grooter dan waarin het zich ooit onder zijne
eigenene oligarchen mocht verheugen, het zou dien zegen als niets
achten, wanneer het van het overige Italië afgescheiden moest
blijven. Aansluiting aan het één en ondeelbare Italië! Vrijheid en
onafhankelijkheid onder de italiaansche banier! Dit is de zucht die de
ziel van alle Venetianen vervult; en Oostenrijk, dat zich aangordde
om dien kreet in de Elbe-hertogdommen te verhooren, mag en zal dien
niet langer op zijn eigen gebied smoren. Op deze gronden meenen wij,
dat de Venetianen zich hunne bevrijding niet ten onrechte als nakende
voorstellen. [1]

Slaan wij thans een blik op Venetië's merkwaardigste plaatsen en
beroemdste gebouwen; en vergeten wij daarbij zoo veel mogelijk
het floers, dat in deze oogenblikken over de schoone Lagunenstad
verspreid ligt.



IV.

De Piazzetta en de Piazza van San Marco.


Wanneer men, uit zee of uit Venetië's groot binnen-kanaal (het
_Canalazzo_) komende, aan de moelje of den marmeren trap der
Slavonische kade uit den gondel stijgt, gaat men tusschen twee hooge
zuilen van oostersch graniet de Piazzetta op, die als 't ware den
voorhof der Piazza of van het St-Marcus-plein uitmaakt en daarmede een
rechthoek vormt. Op een dier kolommen prijkt de groote gevleugelde
bronzen leeuw van den Evangelist Marcus, den patroon der stad;
terwijl op den top der linker-kolom zich het beeld verheft van den
H. Theodorus, Venetië's eersten beschermheilige, een krokodil onder
den voet tredende. Het uitzicht dat men hier heeft is betooverend
schoon, en vindt misschien nergens zijne wedergade.

Aan de linkerhand heeft men de Zecca of het prachtige gebouw der Munt,
door den beroemden bouwkunstenaar Sansovino gesticht, wien Venetië
zijne voortreffelijkste monumenten te danken heeft. Achter de Zecca
strekt zich het koninklijk park uit, een der zeer weinige groote
tuinen, die de stad bezit. Vroeger bevatte het muntgebouw pok de
vermaarde boekerij van S. Marco, uit 150,000 banden en eenige duizenden
handschriften bestaande; maar deze kostbare verzameling werd in 1812
naar de groote zaal van het doge-paleis overgebracht. Rechts aanschouwt
men den westelijken zijgevel van dit beroemde paleis, met zijn schoonen
dubbelen bogengang en zijn façade van wit en rozerood marmer. Naast het
hertogelijke paleis prijkt de wereldberoemde hoofdkerk van St. Marcus;
met hare vijf tinnen koepels en hare vijfhonderd marmeren zuilen
van allerlei kleur. Vlak tegenover deze basiliek, naast de Zecca en
alzoo op den hoek der Piazza, verheft zich de trotsche Campanile,
de op zich zelf staande toren der St.-Marcus-kerk, een der hoogste
van geheel Italië. Deze toren--de reusachtige mast van het prachtige
marmeren schip dat op de stille Lagunen drijft--bestaat uit eene breede
vierkante zuil van ongeveer 320 voet, die van binnen langs een zóó
zacht glooiend vlak--een trap zonder treden--bestegen wordt, dat men
gemakkelijk te paard het klokkenspel zou kunnen bereiken, 't welk zich
op eene hoogte van 170 voet van den grond bevindt. Boven het carillon
rijst eene 154 voet hooge pyramide omhoog, op welker spits een groote
bronzen engel staat. Van dezen toren, die aan Galileï tot observatorium
verstrekte, en in weerwil van zijne hoogte de hem omringende gebouwen
niet drukt, omdat hij tevens rank is, heeft men een allerprachtigst
gezicht op Venetië met zijne paleizen, zijne honderde canalettos en het
breede Canalazzo, dat de stad in twee bijna gelijke deelen verdeelt,
die nagenoeg in het midden door den Ponte-Rialto vereenigd worden--
een enkele, uit glad marmer gevormde boog, ter lengte van zeventig
en ter breedte van drie-en-veertig voet, die aan weerszijden, even
als de Pont-neuf te Parijs, met winkels bezet is. Niet minder schoon
is het gezicht  dat men hier heeft zoowel op de vele eilanden die de
stad omringen, en op de Lagunen en de zee, als op een gedeelte van het
italiaansche vasteland, door de blauwe Alpentoppen van Friaul begrensd.

Maar spoeden wij ons weder naar beneden, om al het schoone te
bezichtigen dat zich daar aan ons ter beschouwing aanbiedt. Aan den
voet der hooge Campanile ligt, als een dwerg aan de voeten van een
der grootste reuzen, de Loggia of Loggietta, een kleine uit rozerood
marmer in den renaissance-stijl opgetrokken zuilenhal: een gebouw, zoo
sierlijk en fijn bearbeid, dat het meer van een kostbaar meubelstuk,
een _article de luxe_, dan van een monument heeft. Aan de noordzijde
der Piazzetta, naast de schoone kathedraal en tegenover de Campanile,
rijst boven een prachtigen boog, die den doorloop naar la Merceria,
de breedste straat der stad, vormt, de een-en-tachtig voet hooge
Torre del Orologio of klokketoren. Zijn uurwerk doet, naar beweerd
wordt, in kunstigbeid niet onder voor dat van den Straatsburger
dom. Zijne wijzerplaat, een azuren grond met vergulde cijfers,
is ongemeen prachtig, en verdient evenzeer de aandacht als de twee
bronzen reuzen, die met een grooten hamer op eene loshangende klok
het uur slaan, dat in Italië niet zoo als bij ons tot twaalf, maar
tot vier-en-twintig gaat.

Bij de Campanile links omslaande, komt men op de Piazza. Terwijl de
oostzijde van dit plein door de hoofdkerk wordt ingenomen, zijn zijne
drie overige zijden door drie prachtige kolossale paleizen bezet,
te weten: de noordzijde door de Procurazie vecchie, een gebouw in
renaissance-stijl, waarin weleer de procuratoren van St. Marcus
gehuisvest waren, en dat thans aan particulieren wordt verhuurd; de
zuidzijde door de Procurazie nuove, waarvan het gedeelte dat aan de
Piazzetta grenst tot Sansovino's meesterstukken behoort. De Procurazie
nuove, even als de Procurazie vecchie, met drie op elkander rustende
bovengangen prijkende, werden door de Franschen in een residentie-slot
voor den onderkoning van Italië herschapen, en strekten sedert 1815
tot verblijf aan den keizer van Oostenrijk, wanneer hij de Lagunenstad
bezocht. De westzijde der Piazza werd eertijds ingenomen door de kerk
van S. Geminiani; daar echter dit gebouw de bogenrij afbrak, die zich
langs de noord- en zuidzijde van het plein uitstrekt, werd het in 1810
op last van Napoleon afgebroken, en in de plaats daarvan een vleugel
van het residentie-slot gebouwd, waardoor de rij arkaden kon worden
doorgetrokken. Dit nieuwe gebouw draagt den naam van Nuovo-fabbrico.

In de gaanderijen, door de reeks van honderd-acht-en-twintig arkaden
gevormd, bevinden zich, even als in het Palais Royal te Parijs,
rijke winkels en sierlijke koffiehuizen. Onder de zeilen of verandahs
dezer laatsten worden, vooral des avonds, door eene menigte bezoekers,
vrouwen van allen ouderdom, zoowel als mannen, ijs en koffie en andere
ververschingen gebruikt. Het koffiehuis van Florian is het vermaardste
van allen: van oudsher was het de beurs en het _rendez-vous_ van het
patricische deel der bevolking.

Aan de oostzijde der Piazza, vóór de St.-Marcus-kerk, verheffen
zich drie hooge cedermasten, die eens de groote banieren van drie aan
Venetië onderworpen rijken: Morea, Candia en Cyprus, droegen en waaraan
thans de oostenrijksche [2] vanen wapperen. De drie eeuwenoude bronzen
voetstukken dier staken, door Leopardo in griekschen stijl bewerkt,
zijn nog zoo fraai en ongeschonden, als of zij pas de werkplaats van
den beroemden kunstenaar verlieten.

Het St-Marcus-plein wordt het hart van Venetië genoemd; en daar
die stad tegenwoordig kwijnt en treurt, zoo zijn--wij vernamen
het reeds van Paul de Musset--de kloppingen van dat hart veel
flauwer dan vroeger. Als er echter slechts eenige lust en leven in
de Lagunenstad heerscht, is dit plein niet alleen de wandelplaats,
maar de vergaderzaal der Venetianen, het _salon_ harer _beau-monde_,
eene plaats waaraan enkel eene zoldering ontbreekt om haar tot eene
werkelijke zaal te maken; dan ziet men er zich onophoudelijk eene
bont en weelderig gekleede menigte bewegen, en hoort men er bijkans
alle talen en tongvallen spreken. Des middernachts is het tooneel er
zelfs nog vroolijker dan op het midden van den dag: want te Venetië
begint men in den laten avond pas te leven: eerst na het uitgaan der
opera nemen er de avondgezelschappen of _conversazioni_ een aanvang.

Ofschoon het plein niet meer, zooals in den bloeitijd der republiek,
het vereenigingspunt van allerlei Oosterlingen is, ziet men er ook
thans nog vele Grieken en Armeniërs, die, onder de purperen zeilen
der koffiehuizen gemakkelijk uitgestrekt, hunne koffie slurpen of
schaakspelen.

Het St.-Marcus-plein was ten allen tijde en onder de meest
verschillende omstandigheden het toevluchtsoord van het venetiaansche
volk; de plaats waar het bij overwinningen of heugelijke uitreddingen
vreugdekreten kwam aanheffen, en waar het in oogenblikken van
misnoegen en lijden kwam samenrotten; de plaats der openbare
terechtstellingen zoowel als het hoofdtooneel van het karneval en
van andere volksverlustigingen.

De Piazza is 800 voet lang en ruim 500 voet breed, en evenals
de Piazzetta en de Slavonische kade met groote marmeren tegels
bevloerd. In de gebouwen van de Piazza en de Piazzette merkt men
dezelfde scherpe contrasten op als bij hunne bezoekers, zoodat die
pleinen met recht gezegd kunnen worden, eene in steen gebeitelde
historie van de ontwikkeling van den bouwstijl gedurende de laatste
dertien eeuwen te zijn.

Beschouwen wij thans een paar der vluchtig aangeduide gebouwen nog
een weinig meer van nabij.



V.

De St.-Marcus-kerk.--Paus Alexander III en Frederik Barbarossa.--Het
Doge-paleis.--De Ponte dei Sospiri en het Orfano- kanaal.--Marino
Faliero.--De plechtigheid van het huwelijk van den Doge met de
zee.--Het arsenaal.--De kerken van Venetië.


De metropolitaan- of hoofdkerk van S. Marco trekt minder de aandacht
door hare hoogte of haar kolossalen vorm, dan wel door den glans
van haar veelkleurig marmer, den rijkdom harer versierselen in
byzantijnschen, gothischen en renaissance stijl, en de vreemdheid
van haar voorkomen, dat meer aan eene mohammedaansche moskee dan
aan een christelijken tempel doet denken. Boven de middelste der
vijf poorten of arkaden aan de voorzijde van het gebouw, prijken
de vier beroemde bronzen paarden, waarvan Lysippus, de vermaarde
beeldhouwer uit den tijd van Alexander den Groote, voor den maker
wordt gehouden, en die achtereenvolgens Korinthe, Athene, Rome,
Konstantinopel, Venetië en Parijs versierden, om in 1815 hunne
plaats op de kathedraal der doge-stad te hernemen: eene gebeurtenis
door keizer Frans I in een latijnsch opschrift met vergulde letteren
herdacht. Hooger nog dan deze paarden, staat, op een gouden en azuren
veld, de gevleugelde leeuw van St. Marcus. De bouw der kerk werd in
976 door Pietro Orseolo aangevangen en eerst in 1455 voltooid. Daar
er verscheidene vreemde bouwmeesters aan arbeidden, is het niet
te verwonderen dat zij eene mengeling van bouworden vertoont. Zoo
de tempels van Palestina en Griekenland een ruim aandeel leverden
tot de versiering van het uitwendige der kerk, haar inwendige, de
overdadige rijkdom van aziatisch porfier en afrikaansch marmer, van
albast, onyx, smaragd en andere kostbare gesteenten, die het oog hier
onwederstaanbaar boeien, herinnert niet minder aan de veroveringen
van Ptolemaïs, Tyrus, Sidon, Morea en Konstantinopel, en aan de
overwinningen op Turken en Barbarijers behaald. Elk venetiaansch
vaartuig dat naar de Middellandsche zee stevende, ontving den last om
een steen voor de metropolitaan-kerk aan te voeren, die de Sophiakerk
van het oude Byzantium zoo niet in grootte dan toch in pracht moest
overtreffen. Bij geen enkel verdrag door de republiek gesloten, werd
de hoofdkerk vergeten: de gewapende en gevleugelde leeuw van Venetië's
beschermheilige eischte van allen buit, dien zijne beschermelingen
binnenhaalden, een echt leeuwendeel voor zich.

De middelste der vijf koepels rust op zes-en-dertig marmeren zuilen
van allerlei kleur, van welke acht, uit serpentijnsteen gehouwen,
van Konstantinopel afkomstig zijn, even als de koperen deuren, die
toegang tot de kerk verleenen. Onder dezen koepel bevindt zich het
hoogaltaar met eene verwonderlijk rijke reliekenkast en een kunstig
gebeiteld verhemelte van serpentijnsteen, terwijl achter het altaar
vier zuilen van echt, doorschijnend albast omhoog rijzen, die gezegd
worden tot Jeruzalems tempel behoord te hebben. Al de altaren en
wanden schitteren overigens van kostbaar en veelkleurig marmer,
van goud en edelgesteenten, van mozaïeken in zuiver zilver en goud
gevat. De kerk is 104 schreden lang en 75 voet breed; haar vloer
bestaat uit mozaïeken van jaspis en porfier. Onder de standbeelden,
die zij bevat, behooren die van den Evangelist Marcus en der twaalf
Apostelen. Hoe rijk versierd echter, is Venetië's wereldberoemde
metropolitaan-kerk niet groot en hoog genoeg om een diepen indruk te
verwekken, terwijl het er zelfs op den vollen dag zeer duister is,
zoodat alleen des avonds, bij eene schitterende verlichting, hare
pracht ten volle uitkomt.

Volgens de overlevering bevat de hoofdkerk het stoffelijk overschot
van den Evangelist Marcus, dat door twee venetiaansche kooplieden uit
Alexandrië derwaarts zou zijn overgebracht, ten einde het tegen de
schennende hand der ongeloovigen te vrijwaren. Deze kostbare reliek
werd door de Venetianen met de levendigste geestdrift ontvangen,
en bij die gelegenheid de Evangelist tot patroon der stad verkozen.

Onder den bogengang der kathedraal wijst men tegenwoordig nog
den porfieren zerk aan, waarop Frederik Barbarossa in 1177 lag
neêrgeknield, toen hij door Paus Alexander III van den kerkelijken
ban werd ontheven. Deze gebeurtenis maakt ook het onderwerp uit eener
fraaie schilderij in het paleis van den doge. Zij stelt het oogenblik
voor, waarop de Paus zijn voet op den hals des Keizers zette, en deze,
om de diepe vernedering die hij onderging eenigszins te verminderen,
zeide: "_Non tibi, sed Petro_" (Niet aan u, maar aan den Apostel
Petrus onderwerp ik mij); waarop de kerkvorst trotsch antwoordde:
"_Et mihi et Petro_" (Aan mij zoowel als aan Petrus). Althans
zoo luidt de traditie. Verlaat men de hoofdkerk door de deur der
doopkapel, dan bevindt men zich vlak tegenover den fraaien ingang
van het doge-paleis, die _della Carta_ geheeten wordt en in 1439
door den beroemden beeldhouwer Bartolomeo Bon vervaardigd werd. Het
gezicht van het Palazzo ducale maakt een eigenaardigen indruk op
den beschouwer. De hooge, vestingachtige muren van het gebouw, en
zijne smalle en niet overtalrijke vensters doen onwillekeurig aan een
saraceenschen oorsprong, aan een oostersch serail denken. Terwijl een
der zijden van het groote vierkante paleis naar de metropolitaan-kerk
gekeerd is, zien de drie andere zijden uit op de _Piazetta_, op de
reede en op de beruchte staats-gevangenissen, waarmede het palazzo
aan zijne achterzijde door de _Ponte dei Sospiri_ (Brug der Zuchten)
verbonden is.

Dit ontzaglijke paleis, zoo geheel den stempel dragende der machtige,
vastgewortelde, in zich zelve gesloten venetiaansche aristokratie,
is noch het werk van ééne eeuw, noch van één man. Naar men wil, is
het plan voor het tegenwoordige paleis ontworpen door Calendario,
omstreeks de helft der veertiende eeuw; verder noemt men onder de
opvolgende bouwmeesters: Giovanni en Bartolomeo Bon, Antonio Rizzo,
Pietro Lombardo, Palladio en anderen. Binnen in het paleis ziet
men bijna alle bouworden, arabische en gothische, renaissance en
décadence-stijl dooreen vermengd. De prachtige trap, die van het
binnenplein naar den bovenarkadengang voert en waarop de dogen na
hunne verkiezing aan het volk werden voorgesteld, heet de Reuzentrap,
naar de twee kolossale standbeelden, die op zijne leuning prijken. In
de nabijheid van dezen trap ziet men nog openingen in den muur, op de
plaats, waar zich vroeger de gapende leeuwenmuilen bevonden met het
opschrift: _Denunzie segrete_. Een andere, niet minder fraaie trap,
de _Scala d'oro_ of gouden trap genaamd, (zie blz. 32), geleidt naar
de elf voornaamste zalen van het paleis. Deze bevatten, behalve een
schat van kunstwerken van Titiaan, Tintoretto, Veronese en andere
beroemde meesters en van overschoon beeldhouwwerk van Vittoria,
een tal van prachtige standbeelden, deuren, lijsten, schoorsteenen
en zolderingen van gebeeldhouwd en verguld cederhout, vloeren met
kostbare houtsoorten en gesteenten ingelegd, alles zonder eenige
overlading. Uitstekend schoon is vooral de Anticollegio-zaal (de
_antichambre_ voor de vreemde gezanten). De wanden van dit vertrek
zijn door vermaarde meesters geschilderd: terwijl de schoorsteen,
door Scamozzi naar eene teekening van Titiaan vervaardigd, tien
duizend gouden kronen kostte. Door de Collegio-zaal, waar de vreemde
ambassadeurs ten gehoore werden ontvangen, en die door Antonio da Ponte
en Compagna, onder het toezicht van Veronese, geschilderd werd, komt
men in de zaal van den Senaat of den _Consiglio dei Pregadi_, een soort
van scheidsgericht; deze zaal munt uit door hare prachtige zoldering,
waaraan de beroemdste beeldhouwers en schilders hunne talenten ten
koste legden. Nevens deze vertrekken bevonden zich de folterkamer
der inquisitie, en de raadzalen der inquisiteurs en der Tienmannen,
die alleen des nachts en nooit anders dan gemaskerd vergaderden. Eene
thans dichtgemetselde deur in de zaal der inquisiteuren verschafte
toegang tot de Brug der Zuchten (bladz. 45), die naar de kerkers en
_piombi_ voerde, waaruit zelden iemand levend terugkeerde. Deze brug
joeg den Venetianen eene killer huivering aan, dan het op den vollen
dag tusschen de twee zuilen op de Piazzetta, of soms, bij buitengewone
gelegenheden, op de Piazza zelve, opgeslagen schavot. De flauwste
lichtstraal, die des avonds of des nachts door de tralievensters der
brug drong, deed de voorbijgangers op de Slavonische kade schier van
schrik verstijven; en wanneer de bark met de roode toorts door het
tusschen het palazzo en de gevangenissen gelegen canaletto voer, zou
men geen gondelier hebben kunnen bewegen er zijn gondel in te sturen.

Welke gewaarwordingen moeten de deerniswaardige slachtoffers dezer
staats-inquisitie vervuld hebben, wanneer des nachts de kleine
waterpoort van den kerker openging en zij in de noodlottige bark werden
gebracht! Zij ademden dan weder de versche lucht in, zagen door den
zwarten sluier, die hun over het hoofd geworpen werd, de sterren aan
het luchtgewelf schitteren, en vingen de tonen der feestmuziek op, die
door de marmeren gangen van de paleizen der nobili ruischten: tonen,
die de zucht tot het leven en naar vrijheid sterker dan ooit in hunne
borst deden ontwaken. Maar de schuit verwijderde zich al meer en meer
van den wal, de liefelijke tonen stierven weg, en allengs naderde men
den mond van het geduchte Orfano-kanaal (bladz. 33), waar het water
diep en de bodem slijkerig genoeg was om alle sporen der wandaad,
die men bedrijven wilde, uit te wisschen. Weldra was men den staak
met het bord voorbij gevaren, waarop de waarschuwing gelezen werd:
"Hier mogen geen netten worden uitgeworpen"; en nu werd de schuit
aan een der palen vastgelegd in den omtrek van het Madonna-beeld,
waarheen de laatste beden en verzuchtingen der ongelukkigen gericht
waren; een beeld door de gondeliers daar geplaatst, en waarbij, op
kosten van hun gild, alle nachten een lantaren brandde. Nog weinige
oogenblikken slechts, en de beul en zijne knechten lieten hun offer,
aan handen en voeten gebonden en met een zwaren steen om den hals,
in den eeuwig zwijgenden vloed glijden; terwijl de deurwaarder der
inquisitie bij het rosse toortslicht het proces-verbaal der straf
oefening opmaakte.

Vóórdat wij het hertogelijk paleis verlaten, moeten wij nog een woord
over de zaal van den Grooten Raad zeggen, die thans hoofdzakelijk tot
boekerij dient; eene boekerij, waartoe Petrarca, door het afstaan van
kostbare handschriften, den grond legde, en die eene eeuw later door
kardinaal Bessarion, patriarch van Konstantinopel, aanzienlijk verrijkt
werd. Deze zaal, die 154 voet lang, 75 vt. breed en 45 voet hoog is,
beslaat schier de geheele lengte van den op de reede uitzienden vleugel
van het doge-paleis. Een harer reusachtige muurvakken wordt door het
vermaarde "Paradijs" van Tintoretto ingenomen, dat eenige duizende
figuren bevat.

Tegen de bovenlijst der zaal prijken de beeltenissen van
zes-en-zeventig venetiaansche dogen. Op de plaats, waar die van
Marino Faliero moest hangen, leest men op een zwart schild: "Dit is
de plaats van Marino Faliero, onthoofd om zijne wandaden." Men weet,
dat deze Faliero de beroemdste der drie dogen van dien naam was,
welke Venetië gehad heeft. De aanleiding tot zijn bekenden aanslag
was eene beleediging, hem door Michael Steno, een jong edelman,
aangedaan, welk feit de Raad der Veertigen weigerde naar verdienste te
straffen. Hierover ten diepste gekwetst, vatte Faliero het plan op,
om zich op den ganschen adel te wreken en al de leden van den senaat
te vermoorden. Des avonds vóór de volvoering van dit plan werd de
tachtigjarige doge echter met zijne medeplichtigen, onder welke ook
de architekt van het palazzo ducale, Calendario, behoorde, gevangen
genomen, en twee dagen later ter dood gebracht. Het hoofd van den
doge werd door den scherprechter van het balkon van het paleis aan
het volk vertoond.

Op ditzelfde balkon waren de gemalinnen der dogen met hare hofhouding
gewoonlijk getuige van de feesten der _senza_, eene reeds in 1180
ingestelde jaarmarkt, die van vele volksvermakelijkheden vergezeld
ging, en van de vermaarde plechtigheid van den Hemelvaartsdag. Dit
laatste gebruik, dat tot de opheffing der republiek stand hield,
had zijn oorsprong te danken aan de in 997 door de Venetianen op de
roofzuchtige bevolking van Nareta behaalde schitterende zege. Sedert
echter Paus Alexander III, bij gelegenheid van zijne verzoening
met Barbarossa, de republiek op Hemelvaartsdag de suzereiniteit
over de Adriatische zee schonk, was die dag voor Venetië een tweede
carneval. De doge, op het dek van den _Bucentaurus_ gezeten en door de
vreemde gezanten, den geheelen senaat, de voornaamste staatsbeambten
en de standaarden der republiek omstuwd, stevende op den middag naar
den Lido en wierp een saffieren ring in de golven, terwijl hij de
woorden uitsprak: "Wij huwen u, o zee, ten teeken der wezenlijke en
bestendige heerschappij." De stoet woonde eene mis op den Lido bij,
en keerde vervolgens naar de moelje terug; waarna de doge zich met
de nobili en de gezanten aan een schitterend gastmaal vereenigde,
terwijl de rijk versierde en des avonds geïllumineerde _Bucentaurus_
voor een ieder te zien was, en des nachts onder zijn afdak op de werf
van het tuighuis werd teruggebracht.

Zoo het St. Marcus-plein en Venetië's paleizen en kerken ten
maatstaf kunnen strekken van den vroegeren rijkdom der doge-stad,
in het _darsena_ (tuighuis) krijgt men eerst een recht denkbeeld van
de macht, die de republiek in haren bloeitijd bezat. Deze inrichting
neemt nagenoeg het geheele eiland Malamocco in, en vormt tusschen hare
muren bijna een stad op zich zelve. Aan haren hoofdingang prijken de
twee kolossale leeuwen, die weleer de haven van Athene versierden. Toen
de republiek nog meesteresse van de zee was, vonden op dit arsenaal
bestendig 16,000 arbeiders werk, terwijl er thans nauwelijks 1200
hun bestaan vinden. Het bevat twee-en-dertig kappen voor linie- en
vier-en-vijftig voor kleinere vaartuigen, vier groote havenkommen,
vijf geschutgieterijen en eene lijnbaan van 900 voet lengte, 70 voet
breedte en 32 voet hoogte.

Onder de honderd kerken en kapellen van Venetië, van welke velen
prachtiger en rijker zijn dan Rome ze zelfs bezit, komen, na de
luisterrijke metropolitaan-kerk, vooral in aanmerking die door
Palladio en Sansovino gebouwd: met name de San-Giorgio Maggiore,
om haren grootschen stijl beroemd, en die der Redentore en van S_ta_
Maria della Salute, beiden meesterstukken van bouwkunst, terwijl de
kerk del Redentore zich inzonderheid onderscheidt door de tooverachtige
werking van het licht bij het vallen van den avond.

Voorts zijn vermaard: de oude hoofdkerk der stad aan S. Pietro gewijd,
en welker klokkentoren na dien van St. Marcus de hoogste en fraaiste
is;--die van S. Zaccaria, waarin de _cornu ducale_ (kroon van den
doge) bewaard wordt;--die van S. Giovanni en S. Paolo, vooral door
hare praalgraven uitmuntende en daarom het St. Denis van Venetië
geheeten;--die van S_ta_ Maria Formosa, waarin de echtelijke inzegening
plaats had der twaalf Maria's, die de republiek weleer jaarlijks
uithuwelijkte;--die der Frari, met de schoone bas-reliefs van Pisano
en met de lijkgesteenten van Titiaan en Canova;--de Carmelieten-kerk
degli Sculzi en de voormalige Jezuieten-kerk of die van S_ta_ Maria
Assunta, beiden zich door een nog grooteren overvloed van marmer
onderscheidende, dan in de andere kerken wordt aangetroffen.

Men kan zeggen dat er schier geen enkele kerk of _scuole_ (bedehuis
eener broederschap) in Venetië gevonden wordt, die geen voortbrengselen
van het penseel van Titiaan, Paolo Veronese, Tintoretto, Bellini en
andere groote meesters bezit. De kerk della Salute kan zelfs op acht
schoone gewrochten van Titiaan, uit verschillende tijdperken zijner
langdurige kunstenaarsloopbaan, bogen. In de kerk van S. Giovanni en
Paolo wordt "de marteldood van Petrus" gevonden, een van Titiaan's
pronkjuweelen, waarvan in der tijd bij senaatsbesluit de verkoop op
straffe des doods verboden werd.



VI

De gondels en gondeliers.--De Regata.--De Castellani en Nicoletti.


Daar te Venetië alleen op het eilandje Lido gelegenheid is om te
rijden, is de gondel er het algemeene vervoermiddel. Ieder eenigszins
gegoed huisgezin is in het bezit van zulk een vaartuig, terwijl op alle
punten der stad gondels ten dienste van het publiek gereed liggen. De
venetiaansche gondel is eene lichte, ranke bark, met scherpen boeg en
eene tent of roef in het midden, die vier of zes personen kan bevatten,
van kussens en andere geriefelijkheden voorzien en met zwarte gordijnen
omhangen is: eene kleur, bepaaldelijk door de republiek verordend om
de zucht tot buitensporige weelde bij hare burgers tegen te gaan. Des
avonds hangt er aan den spiegel en aan den boeg eene lantaren. De
gondels worden meestal door twee roeiers of gondeliers, ieder van
één riem voorzien, bestuurd, van welke de een aan den voor- en de
ander aan den achtersteven staat. Deze roeiers zijn zoo bedreven, dat
ongelukken tot de zeldzaamheden behooren. De gondeliers in dienst van
particulieren dragen de liverei hunner meesters, terwijl de publieke
gondeliers doorgaans gekleed zijn met een kamizool, een sjerp of gordel
en een mutsje. Over 't geheel zijn de gondeliers een krachtig en vlug
slag van lieden, die in eene hooge mate de luimigheid en geestigheid
bezitten aan den venetiaanschen volksaard eigen. Zij zijn bovendien
eerlijk en trouw, zoodat de vreemdeling zich en zijne bagage zoowel
des nachts als des daags veilig aan hen kan toevertrouwen. Het gezang
is hun meest geliefkoosd  tijdverdrijf, en over 't geheel zingen zij
niet alleen zuiver en melodieus, maar heerscht er ook zooveel harmonie
in hunne zangen, dat men meenen zou kunstmatig gevormde zangers te
hooren, 't geen echter het geval niet is. Tasso's stanza's behooren
nog steeds onder hunne lievelingsliederen.

Van alle venetiaansche feesten waren de gondel-wedstrijden ten
allen tijde de meest geliefde en nationale. Bij alle buitengewone
gelegenheden, bij verkiezingen van dogen, bij het vieren van
overwinningen der republiek of bij bezoeken van vreemde monarchen,
maakten deze wedstrijden steeds het voornaamste nommer van het
feest-programma uit. Nergens kan deze soort van vermaken of spelen
dan ook zoo inheemsch worden geacht,  als in de Lagunenstad, welker
bevolking meer op het water dan op het land leeft, en waar men de
gondeliers hunne barken even vlug door de bochtigste en drukst
bezochte canalettos ziet voortstuwen als op het ruime Giudecca-
of San Marco-kanaal. Men behoeft dan ook slechts een enkele regata
bijgewoond te hebben, eene enkele maal getuige geweest te zijn van
de bedrevenheid der roeiers, van de pracht der gondels en den luister
der kostumen, van de opgewondenheid en geestdrift onder alle standen
en klassen der bevolking door zulk een volksfeest te weeg gebracht,
om overtuigd te zijn dat gondel-wedstrijden nergens in die volmaaktheid
gehouden kunnen worden als op de kanalen der oude doge-stad.

Wat kort geleden nog een bijzonderen prikkel aan deze wedstrijden
te Venetië bijzette, was de later uit nationalen rouw gestilde veete
tusschen de Castellini en Nicoletti: partijen, welker ontstaan reeds
van de grondlegging der venetiaansche republiek dagteekende. Immers
het was geen toeval, maar het uitvloeisel van diepgewortelde jaloezie,
dat de burgers van Heraclea en Aquilea zich bij hunne vlucht naar de
Lagunen op afzonderlijke eilanden--Castello en San Nicolo--nederzetten,
en dat de eersten zich steeds zuidwaarts, de laatsten noordwaarts
uitbreidden. Al vroegtijdig namen zij verschillende leuzen aan:
de Castellani droegen roode gordels en mutsen, de Nicoletti zwarte
of donkerblauwe. De naijver, die hen bezielde en niet zelden bij
karnevals en senza's tot kloppartijen aanleiding gaf, vertoonde zich
vooral ook bij de gondel-wedstrijden; en de regeering, wel verre van
dezen partijgeest, die volstrekt geen staatkundig karakter bezat,
tegen te gaan, moedigde dien veeleer aan, daar zij er onder anderen
een middel tot het goed en voltallig bemannen harer vloten in vond.

De reede bij de Piazzetta is doorgaans het punt van uitgang, terwijl
het paleis Foscari vroeger het punt van aankomst was. De Nicoletti
en Castellani lieten zich steeds vertegenwoordigen door de bloem
hunner gondeliers, die zich veertien dagen vooraf tot hunne taak
voorbereidden, op gelijke wijze schier als in Engeland de Jockey's
zich en hunne paarden tot de wedloopen toerusten. Wanneer de groote dag
daar is, begeeft elk strijder, na den ouderlijken heilwensch ontvangen
en zich met de krachtigste amuletten, in zilveren harten en kruisen
besloten, te hebben omhangen, onder het geleide van vrienden en magen,
naar de kerk van zijn kerspel, of wel naar die van della Salute, om
zegen op zijne onderneming af te smeeken; vol hoop en ongeduld neemt
hij daarop in de _riga_ plaats. Een kanonschot geeft het sein tot
den aanvang van den strijd; de slagboom valt, en de ranke vaartuigjes
scheren als meeuwen over het watervlak heen. "Het water," zeggen de
Venetianen, "kookt onder de snelle en krachtige riemslagen." Daar
naderen zij het paleis Foscari; maar nog zijn zij niet aan het doel:
zij moeten eerst nog naar de Ponto Rialto en dan naar het paleis terug.

Terwijl de regata-gondels de baan verder afleggen, ontbreekt het niet
aan afleiding voor de duizende toeschouwers op de balkons en voor de
vensters der paleizen. Immers het gansche kanaal, zoover het oog reikt,
is zoo geheel met gondels van allerlei gedaante bedekt,  dat zij als
't ware een brug van den eenen tot den anderen oever vormen. De
zwarte bekleeding der tenten heeft voor deze gelegenheid plaats
gemaakt voor de rijkste en schitterendste draperiën van allerlei
kleur. Hier ziet men een venetiaansche gondel uit de vijftiende
of zestiende eeuw, daar een turkschen kaïk of een chineesche jonk,
ginds _ballotines_ en _malgherottes_ of vier- en zes-riems-barken. De
patricische commisarissen van orde doorklieven het kanaal in alle
richtingen op acht- of tien-riems-_bissones_, in 't midden met een
prachtig verhemelte van goud- of zilverlaken prijkende; terwijl zij,
met den boog in de hand, aan den achtersteven gereed staan om elken
gondelier, die bij de nadering der wedijverende booten niet terzijde
wijkt, door het toezenden eener vergulde houten pijl tot het nakomen
van zijnen plicht aan te manen.

Daar komen de strijders weder opdagen. Zij die te ver achter zijn
wenden links of rechts af, om in een afgelegen cannaletto hunne
smart en hunne schaamte te verbergen. Maar zij die alle hoop nog niet
opgegeven hebben, worstelen met verdubbelde inspanning. Oorverdoovend
zijn de viva's en het handgeklap der menigte op de balkons en in
de honderde gondels, de fanfares der muziekkorpsen en het gezang en
gejuich aan alle zijden, als de eerste bij het doel aankomende het
roode, de tweede het blauwe, de derde het groene en de vierde het
gele vaandel grijpt. Maar er is aan deze overwinningen niet enkel
eer verbonden: behalve dat de uitgeloofde premiën aanzienlijk zijn,
regent het in de gondels der overwinnaars van alle zijden geldstukken,
terwijl het gebruik medebrengt dat de koningen van den dag bovendien
in hunne wijken eene inzameling houden. Het groote kanaal levert
des avonds wellicht een nog schooner schouwspel op dan het op den
dag aanbood, daar alsdan de paleizen schitterend verlicht zijn,
en bengaalsche vlammen van allerlei kleur hun al het voorkomen van
tooverkasteelen geven.



VII.

Het paleis Foscari.--Het paleis Capello.--De Casa Goldoni.--De
Scala antica.


Onder Venetië's adellijke paleizen wekt dat der Foscari, in de
fraaiste bocht van het Canalazzo gelegen, vooral de aandacht om
de geschiedkundige herinneringen, die er aan verbonden zijn. In 't
begin der veertiende eeuw door Bartolomeo Bon voor de aanzienlijke
familie Giustiniani gebouwd, geraakte het ras daarna in handen van
Francesco Foscari, dien beroemden maar tevens ongelukkigen doge,
die van hartzeer stierf over de onmenschelijke vervolgingen, door
den achterdochtigen en ijverzuchtigen Raad der Tienmannen zijnen
onschuldigen zoon Jacopo, en over de ongehoorde vernederingen door
denzelfden Raad hem persoonlijk aangedaan. Het geslacht der Foscari was
reeds in de negende eeuw vermaard in de geschiedenis der republiek, en
werd tot in het begin der negentiende eeuw onder hare eerste geslachten
gerekend. Nicolo Foscari echter,  achtereenvolgens gezant van Venetië
te Petersburg en te Konstantinopel, verkwistte het vermogen zijner
familie en stierf in 1811 in armoede. De laatste afstammelingen van
het doorluchtig geslacht, twee bejaarde dames, bewoonden voor weinige
jaren nog een paar vertrekken in het met hypotheken bezwaarde en diep
vervallen palazzo, dat sedert door de regeering werd aangekocht. Het
nog altijd indrukwekkende paleis met zijne twee-en-veertig vensters in
den voorgevel,  met zijne kolommen van rood, wit en zwart marmer, met
zijne zalen, waaraan Titiaan zes jaren lang zijn voortreffelijk talent
ten koste legde, werd nu in eene kazerne herschapen; en op de marmeren
balkons,  waarop Hendrik III van Frankrijk, koning Casimir van Polen,
de koningen van Hongarije en Bohemen en een aantal andere vorsten
van de regata getuigen waren, die ter hunner eere gegeven werden,
zag men de oostenrijksche infanteristen hunne geweren poetsen. [3]

Onder de vele geschiedenissen en overleveringen, aan onderscheidene
paleizen van Venetië verbonden, maken wij slechts met een woord melding
van die, welke zich aan twee vermaarde venetiaansche palazzi hechten:
aan het paleis Capello (zie bladz. 37), waarin de bekende Bianca
hare jeugd doorbracht, en aan het schitterende paleis Trevisani,
dat zij later in hare vaderstad in eigendom bezat.

Wij verlaten daartoe het Canalazzo en volgen het kleine kronkelende
kanaal del Carampana, in een van welks paleizen in 1563 een voornaam
patriciër, Bartholomeo Capello, woonde, aan wiens bekoorlijke
en eerzuchtige dochter Bianca het gelukte, zich tot een ongemeen
schitterend maatschappelijk standpunt te verheffen, zonder zich echter
af te vragen of de wegen en middelen, die zij daartoe bezigde, den
toets der eerlijkheid en voegzaamheid konden doorstaan.

De schoone, blonde Bianca werd, evenals alle adellijke venetiaansche
jonkvrouwen destijds, stil en ingetogen groot gebracht. Dit belette
evenwel niet dat zij in haar zestiende jaar middel wist te vinden om in
kennis te geraken met een jeugdigen Florentijner, Pietro Buonaventura,
die op het kantoor van zijn oom, een der vermaarde bankiers Salviati,
wier paleis (blz. 36) tegenover dat van haren vader lag, voor den
handel werd opgeleid. Nadat de gelieven eenigen tijd in 't geheim
verkeerd hadden, meenden zij ontdekt te zijn; en, vreezende dat
Bianca's stiefmoeder haar naar het klooster zou zenden, kwamen zij
tot het besluit om naar Pietro's ouders te Florence te vluchten,
welk plan zij volvoerden.

De familie Capello wist, uit wraakzucht, te bewerken dat Pietro's oom,
de bankier Salviati, in den kerker der inquisitie werd geworpen,
waarin hij eenige maanden later omkwam, en dat er een prijs van
tweeduizend dukaten op Pietro's hoofd werd gesteld. Het mocht den
verbolgen vader echter niet gelukken den schaker zijner dochter
in handen te krijgen. Pietro was terstond bij zijne aankomst te
Florence met Bianca in den echt getreden, en had zich, uit vrees
voor zijne machtige vervolgers, onder de hoede van den Groothertog
Francesco de Medicis gesteld, wien juist destijds door zijn vader
Cosmo de regeering was opgedragen. Deze stap van Pietro oefende een
beslissenden invloed op Bianca's lot uit, en had voor hemzelven het
noodlottigste gevolg. Francisco trok zich de zaak van het vervolgde
paar met grooten, maar geenszins belangeloozen ijver aan. Reeds bij
zijne eerste ontmoeting met Bianca had hij een hevigen hartstocht
voor haar opgevat, die naar het schijnt spoedig door de ijdele schoone
werd beantwoord. Hij hield de betrekking met haar geheim tot dat zijn
huwelijk met de Aartshertogin Johanna van Oostenrijk, tot wie hij zich
slechts weinig aangetrokken gevoelde, gesloten was, maar zag er toen
geen noodzakelijkheid in om zijne neiging langer te verbergen. Hij
gaf Bianca eene betrekking aan het hof en stelde Buonaventura tot
zijn intendant aan. Van dit oogenblik af kantte Pietro zich ernstig
tegen de betrekking tusschen zijne vrouw en den Groothertog; 't geen
dezen deed besluiten om zijn lastigen intendant te laten ombrengen.

Bianca werd thans de verklaarde minnares van den vorst en bleef dit
tot aan den dood van Johanna van Oostenrijk (1578). Dit sterfgeval
bracht den hertog een oogenblik tot inkeer, en het scheen dat hij,
door zijne broeders gedrongen, zijne betrekking met Bianca zou
verbreken. Deze stelde echter terstond alle kunstgrepen, zelfs de
onderschuiving van een kind, te werk om haren minnaar weder tot zich
te brengen, en slaagde daarin, met behulp van 's vorsten biechtvader,
zoo volkomen, dat Francesco, voordat er twee maanden na Johanna's
dood verloopen waren, eene geheime echtverbindtenis met zijne minnares
aanging. Hierdoor was echter Bianca Capello's eerzucht nog niet genoeg
bevredigd, en zij haalde den hertog over om haar openlijk als zijne
gemalin te erkennen. Het huwelijk werd met veel praal gevierd, door
eene bezending van negentig leden uit den Grooten Raad van Venetië
en door twee venetiaansche gezanten bijgewoond, en kostte Toskane
300,000 dukaten, op een tijdstip toen het volk door hongersnood en
andere rampen geteisterd werd. Bianca, die kinderloos bleef, was eerst
voornemens om het door haar ondergeschoven kind tot troonerfgenaam te
laten verklaren. Zij deinsde hiervoor echter terug, en verzoende zich
met den wettigen troonopvolger, kardinaal Fernando de Medicis. Weinige
dagen nadat dit had plaats gehad, werden Francisco en zijne gemalin
plotseling krank en stierven beiden onder sterk vermoeden van
vergiftiging. Bianca had den ouderdom van even veertig jaren bereikt.

Een ander gebouw,,dat de aandacht in Venetië trekt, is de "casa
Goldoni," het huis waar in 1707 Venetië's vermaarde tooneeldichter
Carlo Goldoni het eerste levenslicht aanschouwde. Ontegenzeggelijk
was hij een der vruchtbaarste schrijvers van Italië, en reeds uit
dien hoofde wordt hij niet ten onrechte de italiaansche Kotzebue
genoemd. Men had hem voor de balie opgeleid, maar hij gevoelde
evenmin roeping voor dit vak als voor de medicijnen, waarop hij zich
vervolgens, op begeerte zijns vaders, toelegde. Eindelijk gaf hij
zich geheel aan den lust voor het tooneel over, dien hij van jongs
af gekoesterd had. In zijn achtste jaar reeds had hij een vertoog
tegen den destijds heerschenden gekunstelden dramatischen smaak
geschreven: een smaak, dien hij later met zooveel tact wist te vormen,
dat hij in het midden der vorige eeuw het italiaansche tooneel--wat
tooneel- en blijspel betreft--geheel beheerschte. In weerwil daarvan
werd hij in zijn vaderland niet geheel naar waarde geschat, en na
omstreeks tweehonderd stukken geschreven te hebben (in 1750 alleen
zestien,) na in Italië achtereenvolgens als advokaat, geneesheer,
tooneeldichter, tooneelspeler en tooneeldirecteur opgetreden te
zijn, nam hij in 1761 eene uitnoodiging van het fransche hof aan om
zich te Parijs te vestigen. Hier schreef hij eenige tooneelstukken
en zijne belangwekkende _Mémoires_ in het fransch. Ten gevolge der
staatkundige gebeurtenissen in Frankrijk, verloor hij zijn jaargeld
van vierduizend livres op een leeftijd, waarop hij niet meer in staat
was door arbeid in zijne behoeften te voorzien. Hij bracht dien ten
gevolge het laatst van zijn leven kommerlijk door en stierf te Parijs
in 1793. Het huis, dat hij te Venetië bewoonde, en dat de type van
een deftig venetiaansch burgerhuis is (bladz. 44), ligt niet ver
van de brug dei Nomboli, bij den aanvang der via di Ca-Cent'anni,
in een van Venetië's schilderachtigste canalettos.

Ten slotte nog een enkel woord over de vermaarde _Scala antica_ of
antieken wenteltrap van het aan het Bernardo-kanaal gelegen paleis
Minelli. Deze trap, die zich, zoo als de plaat op bladz. 40 aantoont,
buiten het gebouw bevindt, is een der sierlijkste bouwgewrochten die
te Venetië worden gevonden. Hij is uit de vijftiende eeuw afkomstig,
en naar men meent door een der Lombardi gebouwd. De geheele toren
heeft eene hoogte van drie-en-twintig en eene doorsnede van ruim vier
Ned. ellen, terwijl de trap, die zich om een marmeren kolom slingert,
honderdtwintig treden telt.



Gaarne zouden wij nog bij menig schoon of gedenkwaardig gebouw,
bij menig kunstvoorbrengsel en bij verscheidene beroemde mannen van
Venetië stilstaan; maar ons bestek noopt ons thans onze omzwerving
te staken en afscheid van de schoone doge-stad te nemen.



AANTEEKENINGEN

[1] Wat leven wij snel in onze eeuw, en hoe ver liggen deze
gemoedelijke beschouwingen en redeneeringen thans van ons af! Neen,
Oostenrijk heeft zich niet--en gelukkig!--zoo ver vergeten, van een
deel van zijn grondgebied te gaan verschacheren: Frans-Jozef heeft zich
nog herinnerd dat hij een Habsburg is en dat _noblesse oblige_. Italië
heeft Venetië niet van de vreemde overheersching bevrijd: de eerste
poging, die het daartoe, en wel onder de gunstigste omstandigheden,
aanwendde, eindigde, juist als de veldtocht van 1848, in een volkomen
nederlaag. Toch heeft Oostenrijk, na den rampspoedigen oorlog van
1866, Venetië afgestaan, niet aan Victor-Emmanuel, maar aan Frankrijk,
dat, na de gebruikelijke komedie der volksstemming, zijn wingewest
aan Italië overdroeg.--Wat ligt er niet tusschen den nieuwjaarsmorgen
van 1859 en heden! Toen sprak de op het toppunt zijner macht staande
Imperator het noodlottig woord, dat den storm heeft ontketend, die,
met onvermijdelijke noodzakelijkheid, hem zelven en zijne moeizaam
opgetrokken schepping in den afgrond heeft geslingerd. De eenheid
van Italië, op het herlevende nationaliteitsbeginsel gegrond, moest
noodwendig de eenheid van Duitschland na zich sleepen--dat wil zeggen,
den ondergang van Frankrijk als groote mogendheid. Cavour riep en
wettigde vooruit Bismarck. En Napoleon, die deze beide mannen hielp,
en beiden als zijne werktuigen meende te gebruiken...... wat mag hij
te Sedan en op Wilhelmshöhe wel hebben gedacht! (Bijschrift in 1874.)

[2] Tegenwoordig, natuurlijk, op feestdagen, de italiaansche. (1874.)

[3] Het paleis Foscari werd in 1867 gerestaureerd; tegenwoordig is
er de handelsakademie gevestigd.





*** End of this LibraryBlog Digital Book "Venetië - De Aarde en haar Volken, 1865" ***

Copyright 2023 LibraryBlog. All rights reserved.



Home