Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Wandelingen door België - De Aarde en haar Volken, 1886
Author: Anonymous
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Wandelingen door België - De Aarde en haar Volken, 1886" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



WANDELINGEN DOOR BELGIË.

HENEGOUWEN.



I


Mijn vriendelijke lezer herinnert zich misschien nog wel onze
omzwervingen door Vlaanderen, dat schilderachtig schoone, kalme,
vredige land, waar over steden en vlekken en dorpen eene zondagsrust
ligt uitgespreid, en ge vaak wel den indruk ontvangt dat de rijke
en schitterende herinneringen van een zeldzaam grootsch verleden
de eischen en behoeften van het heden op den achtergrond dringen en
niet tot hun recht laten komen. Ik noodig hem thans uit, een ander
deel van België met mij te bezoeken: het waalsche land, bewoond door
een ander ras, drukker, rumoeriger, hartstochtelijker van aard,
levendiger in voorkomen en gebaren: een ras, dat al heeft het ook
eene groote en rijke historie achter zich, toch niet in gelijke mate
door de herinnering aan dat verleden wordt beheerscht en onder de
wisseling der fortuin niet is bezweken. In het leven dezer mannen,
wier bloed sneller door hunne aderen stroomt, is geene plaats voor
mijmeren en peinzen over het verleden, over de oude dagen, die sinds
lang zijn voorbij gegaan; zij hebben geen tijd om te luisteren naar
de wonderzoete fluisterende stem der traditie en der sage, die als
muziek in de ooren klinkt, maar ook zoo dikwijls een ontzenuwenden en
verzwakkenden invloed uitoefent, en de fiere kracht tot daden in het
harte uitdooft. Zij hebben geen tijd, want de felle koorts van het
moderne leven heeft hen aangegrepen; de rustelooze ontdekkingen der
wetenschap, de onophoudelijke vorderingen der industrie drijven on
zweepen hen voort; hun leven is welhaast een voortdurend gevecht, een
nimmer poozende strijd, die de inspanning vordert van alle krachten
en die niet ware vol te houden, zoo niet het elastischer, opgewekter
temperament telkens met nieuwen moed en nieuwe energie bezielde en
de zware lasten des levens licht deed achten.

En zijn ze niet in waarheid een groot slagveld, die mijndistrikten,
waar de mensch en de natuur in rusteloozen kamp hunne krachten
beproeven; waar de strijders, dag aan dag, in dichte gelederen
aanrukken, gewapend met spade en bijl en houweel en honderd
andere werktuigen der vernieling, om den tegenstand te overwinnen
van den ouden titan Tellus en hem zijne diep verborgen schatten
te ontrukken. Al verder en verder rukken zij voort, telkens op
nieuwe veroveringen uitgaande in de onderaardsche holen, in dat
huiveringwekkend gebied van nacht en dood, waar, als in katakomben, de
versteende overblijfselen van vroegere wereldperioden liggen opgetast,
waarop en waarmede de moderne beschaving hare steden bouwt. Maar de
oude titan verdedigt zijn gebied voet voor voet: beter dan een door
Hephaistos gesmeed schild, dekken hem zijne duistere geheimenissen,
de ontelbare hinderpalen die zijn vijand op den weg ontmoet, de
noodlottige hinderpalen en verrassingen, die loeren bij elken tred. Het
is een hardnekkige verbitterde strijd, een kamp op leven en dood. Als
een monsterachtige hydra, in haar duister hol verscholen, knarsetandt
en brult de oude titan bij iederen slag, die hem eene nieuwe wonde
toebrengt: iederen duim breed gronds betwistende, trekt hij onwillig
achteruit, al verder en verder wijkende in het ondoordringbaar ingewand
der aarde; maar vreeselijk wreekt hij zich over zijne nederlagen door
plotselinge, moorddadige, verraderlijke slachtingen, als te midden
van rook en vlammen, die het gedrocht uit honderd monden braakt, de
onverschrokken pionniers verpletterd neerzinken onder de instortende
gewelven, of snakkend naar lucht den adem uitblazen in een dampkring
van gas; of wel, levend begraven, al de martelingen ondergaan van
den langzamen hongerdood. Toch, hoe vreeselijk het monster moge zijn,
over welke moorddadige wapenen hij moge beschikken, toch wordt voet
voor voet het rijk van den duisteren titan veroverd; toch dringen de
kloeke scharen al verder en verder door in de ongemeten en ongepeilde
afgronden, waarin hij schuilt en waarin hem de lichtstraal vervolgt,
die den mensch den weg wijst in het harte der aarde.



	Daar naadren de delvers met spa en houweel;
	Zij spitten in de aardkorst, en boren de schacht,
	En dringen al verder door modder en nacht!
	Aan 't rammelend rad vliegt de korf op en nêer;
	De zwoegende pomp gaat het water te keer;
	De moker rinkinkt, en de koker verwijdt:
	Voorbij zijn lagen van zandgruis en krijt:
	Nu glinstert... de steenkool!... De mijngroef ontsluit,
	En breidt tot spelonken en gangen zich uit,
	Tot straten en pleinen, door balken geschraagd,
	Waar 't lampjen de schaduw verlicht, niet verjaagt!
	Hier woelen, diep onder het zeebed, beneên
	De zeilende schepen, de werkliên dooréén;
	En 't paard voor zijn kar, met bedaard overleg,
	Vindt, dampend van zweet, door dien Orkus zijn weg.
	Omhoog maar! omhoog maar! gij kostlijke vracht,
	Waar 't zonlicht u kust en--vooruitgang u wacht!



Men begrijpt welk een invloed zulk eene levenswijze moet uitoefenen
op een van nature stoutmoedig, ondernemend, onbuigzaam ras, dat zich
niet licht door moeilijkheden en tegenspoeden laat ontmoedigen,
en begaafd is met die voortvarende energie, die telkens de perken
uitzet der menschelijke werkzaamheid. Wie deze kloeke bevolking van
onverschrokken strijders naar waarde schatten wil, die moet met eigen
oog het altijddurend wonder dezer mijn-industrie hebben aanschouwd,
haar schatten gaande opsporen in de ingewanden der aarde; die moet
door de verbazingwekkende schacht zijn afgedaald naar de schier
onpeilbare diepte, waar een volk van kobolden leeft en werkt, ieder
oogenblik blootgesteld aan het gevaar om weggeslingerd te worden in
den gapenden afgrond, of verpletterd onder eene lawine van steenen en
gruis, of neergebliksemd door de vlammende ontploffing van het mijngas;
die moet vooral ook getuige zijn geweest van de stemming na een dier
vreeselijke rampen, als gansche dorpen weenende opgaan om de verminkte
lijken op te sporen van vaders en echtgenooten, van broeders en zonen;
die moet hebben gezien, hoe, na de eerste oogenblikken van schrik
en ontzetting, langzamerhand de kalmte wederkeert in de gemoederen,
hoe de moed weer herleeft en tevens de rustige doodsverachting en
het onvernietigbaar plichtbesef, dat de overgeblevenen, zoodra de
laatste doode in zijn graf is ter ruste gelegd, ernstig en kalm doet
terugkeeren naar de akelige afgronden, waarin hunne broeders een zoo
gruwelijken dood vonden. Er is inderdaad geen voorbeeld van, dat ten
gevolge van een dier verschrikkelijke katastrofen, in de duistere
diepte, vijf of zeshonderd ellen onder den grond, een van hen die aan
het verderf ontkwamen, den gevaarlijken post heeft verlaten, waar hij
een oogenblik, te midden van den rossen gloed der uitbrekende vlammen,
den dood in het aangezicht heeft gezien. Niet vreemd, dat dit altijd
herboren gevaar, die als het ware onbewuste heldenmoed, die zekere mate
van onverschilligheid tegenover het onontkoombaar noodlot, in het eind
een geslacht hebben gevormd en geteeld, tegen alle beproevingen gehard,
in het vuur gelouterd en gestaald, en voor niets terugdeinzende in het
stille besef van rustige, onverwinbare kracht. Wij zullen deze mannen
aan het werk zien, niet enkel in de mijnen, maar ook in hun fabrieken
en werkplaatsen, de elementen bedwingende, stand houdende tegen den
verterenden vuurgloed der smeltovens. En rondwandelende door het
waalsche land, zullen wij gaandeweg voor onze verbeelding het beeld
zien verrijzen van dat merkwaardige België, dat zoo sterk sprekende
tegenstellingen tot eene hoogere eenheid poogt saam te binden.

Want, in der waarheid, men zou bijna meenen dat de diplomaten, die
de vlaamsche en de waalsche gewesten tot eene politieke eenheid
vereenigden, dit enkel deden om den wijsgeerigen onderzoeker
binnen een klein bestek de scherpste contrasten te kunnen
aanbieden. Evenals uit een geologisch oogpunt, de onafzienbare
groene weidevlakten van Vlaanderen en de bergachtige vallei van de
Maas met haar aaneenschakeling van rotsen en ravijnen, twee geheel
verschillende landen zijn, die zoo goed als niets met elkander gemeen
hebben; evenzoo behooren de bewoners dier streken tot twee geheel
verschillende rassen, die, afgezien van den band der politieke
eenheid en van het gemeenschappelijk materieel belang, schier in
elk opzicht van elkander afwijken. Gaat de een, bij de vervulling
van zijn dagelijksche arbeidstaak, ernstig, stil, kalm zijn gang, in
zich zelf gekeerd, volhardend, maar weinig geneigd tot luidruchtige
openbaring zijner gevoelens; de ander daarentegen is in de hoogste
mate mededeelzaam, draagt zijn hart op de tong, maakt zich den arbeid
licht door vroolijkheid en dartele scherts, is bewegelijk, prikkelbaar,
rumoerig, opvliegend van aard. Te Bergen, te Namen, te Luik waant men
zich bijna in Frankrijk verplaatst; en niet alleen de bewoners der
groote steden, maar ook de bevolking der landelijke vlekken en dorpen
toont in haar geheele wijze van denken en handelen zekere verwantschap
met het fransche volk. In dit ethnologisch onderscheid vindt ge,
voor een deel, de verklaring van die erfelijke vijandschap tusschen
Vlamingen en Walen; en ook de verklaring van dien voortdurenden hang
van het waalsche element naar het bondgenootschap met Frankrijk,
van dat vereenigd optreden van den waalschen en den franschen adel
tegen het demokratisch revolutionair streven der vlaamsche gemeenten.

Ik zeide het reeds, wie het waalsche volk inderdaad wil leeren kennen,
moet het gadeslaan bij zijn arbeid, bij den rook zijner kolen, bij
het oorverdoovend geraas zijner machines. Een groot deel van het
henegouwsche land, dat wij gaan bezoeken, is het best te vergelijken
bij eene reusachtige smidse; de steenkool en het ijzer hebben
eindelijk hun stempel op het landschap zelve gedrukt en daaraan een
onbeschrijfelijk woest en zonderling aangrijpend voorkomen gegeven,
dat u denken doet aan sommige kringen van Dante's hel, waar het
verschroeiend vuur allen plantengroei heeft gedood. Van het terras
van het kasteel van Bergen overziet de blik eene wijde, golvende,
kale vlakte, hier en daar met eene armelijke, verschrompelde flora
besprenkeld en overdekt met een vuile, met den dag dichter wordende
lijkwade van rook en roet, afkomstig uit de hooge schoorsteenen der
tallooze fabrieken. Dezen gruwel kenden althans onze voorouders
niet. Onder dien langzaam, maar gestadig wassenden zondvloed van
kolendamp, wordt de dampkring doortrokken van roetkleurige tinten,
die zelfs het daglicht van zijn glans berooven; de zon zelve zinkt
weg in een zee van vuile zwarte dampen, als een schip in een oceaan
van inkt. Welk een overgang voor wien, als wij, uit het idyllische
vlaamsche land komt, uit dat stille, kalme paradijs van malsche groene
weiden, het beloofde land van herders en runderen! Hoe moeilijk gewent
zich onze blik, waarin zich nog het liefelijk beeld van het vlaamsche
landschap weerspiegelt, aan die sombere, geschonden, donkere natuur;
aan dien doffen, in stinkenden nevel gehulden horizon, waartegen
zich de zwarte massa's afteekenen van eene menigte vormlooze,
kale en naakte heuvels en terpen! Hier strooit de rozenvingerige
dageraad geen regen van topazen, robijnen en smaragden over de
met schitterende dauwdroppels besprenkelde weiden; neen, als een
gewonde in onreine doeken gewikkeld, bevlekt hij den hemel met een
bloedroode streep, wier kleur weldra verdoofd wordt door het vuile
zwarte stof, in dichte wolken opdwarrelende van de dorre aarde. Poog
hier geen herderszang te beluisteren, en zoek niet naar de ruischende
voetstappen der dichterlijke sage, rondwandelende door het bloeiende
land: deze aarde is vervloekt; een onuitblusschelijk vuur verteert
haar ingewand; legioenen schoorsteenen braken onophoudelijk zwarte
rookwolken over haar uit, die haar met een vuil stinkend lijkkleed
overdekken. Overal wordt het oog beleedigd door stijve, geometrische
figuren en getimmerten, wier wonderlijk verwarde lijnen en omtrekken
zich als zware zwarte strepen afteekenen tegen den zwartachtig
grijzen hemel en van verre gelijken op de geraamten van reusachtige
walvisschen. Overal een afschuwelijke chaos van schoorsteenen, van
balken, van getimmerten, nauwelijks van elkander te onderscheiden
bij de twijfelachtige schemering van dien onreinen dampkring, en het
gelaat der aarde bedekkende als met een reusachtig masker van ijzer en
hout. Nog eens, dezen vloek en dezen gruwel kenden onze voorvaderen
niet; zulke onvergefelijke ontwijding der natuur hebben hunne oogen
nooit aanschouwd.

Van het kasteel te Bergen overziet men het middelpunt van het
kolendistrikt. Verder op, naar den kant van Charleroi, dien anderen
krater, die onophoudelijk een vlammenden stroom van kool en ijzer
uitbraakt, vindt men nevens de steenkolenmijnen, ook pletterijen
en glasblazerijen; maar hier heerscht de kolenindustrie alleen en
onverdeeld, in geheel de landstreek, onder den naam van de Borinage
bekend. Niets leidt hier de aandacht af van het groote werk der
kolenontginning; alle krachten en vermogens, alle werkzaamheid en
inspanning is op dit eene doel gericht; allen verwachten brood,
welvaart, rijkdom van het zwarte goud, dat het nimmer rustende
houweel der delvers aan dit onderaardsche Californië ontrukt. Het
hijgend snuiven der machine, die de kooien rusteloos op en neder doet
gaan,--eene schelle symphonie, die ge nimmer vergeet als zij eenmaal
uwe ooren trof,--is als de gloeiende, gejaagde ademhaling van het
koortsige leven dat daar in de diepte woelt. Nu en dan stijgt een
geweldig geloei, als van gewonde bisons, uit den schoot der aarde op,
gelijk een kreet van smart en woede van den vertoornden titan. Deze
en andere geluiden, de ratelende donder der waggons die in volle
vaart over de platformen rollen; het gelui bij de aankomst en het
vertrek der kooien; en beneden in de galerijen, het rammelen der door
paarden langs de rails voortgetrokken of langs eene schuine helling
afglijdende karren, het brullen en stampen der machines:--dit alles
te zamen vormt een onharmonisch, oorverscheurend, verdoovend orkest,
een baaiert van geluiden, wel passende bij de akelige doodschheid
van dit sombere landschap, waarover de hooge schoorsteenen, als zoo
vele gapende drakenmuilen, onophoudelijk wolken van zwarten rook en
vuilen kolendamp uitbraken.

Waarheen ge den blik ook wendt, overal stuit ge op groote terpen,
als het ware puisten en gezwellen op het gelaat der aarde, door de
inwendige gisting te voorschijn geroepen: dat zijn de zoogenoemde
_terris_. Met iederen dag wassen zij in omvang door de sintels en
slakken, die daar worden opgestapeld. Sommigen zijn bijna kleine
bergen met afgeknotten top, met half ingezonken hellingen en diepe
sporen en groeven, niet ongelijk aan reusachtige litteekenen. Onder
de ruwe, grove oppervlakte smeult het bestendig, en het verborgen
vuur zendt zwermen van vonken omhoog, die 's nachts de zwarte massa
dezer donkere terpen fantastisch verlichten en met roode stippen
bezaaien. Langzamerhand echter ontfermt de weldadige natuur zich
over deze monsterachtige gedrochten: dan ontkiemt het groene gras in
de spleten, dan beginnen de wortels der planten en boomen zich uit
te spreiden tusschen de geblakerde steenen en het zwarte gruis; dan
worden eindelijk de kale verbrande hellingen bedekt met het bloeiende
groene kleed van het opluikende boschje, dat zijne twijgen en bladeren
wiegelt op den wind en te midden van het groote ledig van het doodsche
landschap eene verkwikking, een wellust voor de oogen is.

Geheel de Borinage vertoont hetzelfde beeld. Omdolende door dit
verschrikkelijke land, krijgt ge den indruk dat de bewoners door
een demonisch noodlot gedoemd zijn tot den hopeloozen arbeid om eene
duistere, onderaardsche zee leeg te schoppen, en nu, buiten bereik van
zon en sterren, hun leven slijten in nooit rustende pogingen om hunne
taak ten einde te brengen. Geene genade voor deze veroordeelden, geen
uur, geen oogenblik van rust en verademing; bezwijken zij, dan staan
anderen gereed om hunne plaats in te nemen. Want altijd en altijd door
vraagt de mijn haar offers, niet alleen krachtige mannen en jongelingen
in den bloei der jeugd, maar ook kleine kinderen, jonge dochters en
moeders. Op den leeftijd, waarop het kind, lachend en dartelend,
het leven gaat intreden, wordt het reeds in den afgrond geworpen,
evenals het jonge meisje, in den opgang der teedere jeugd. De moeder
zelve des gezins, die den huiselijken haard behoorde te bewaken en
daar al de leden der familie, als om een levend middelpunt, om zich
moest vereenigen, ook zij zelve wordt niet gespaard; ook zij moet zich
in de gevloekte mijn, als een lastdier, voor de _berlaines_ spannen,
de karren, waarmede de kool vervoerd wordt. Op dertigjarigen leeftijd
is de vrouw, op wie de verplichting rust om haar schoonheid en boven al
de reinheid en frischheid van haar gemoed tot in den hoogen ouderdom te
bewaren, ten gevolge van dezen verschrikkelijken arbeid in de mijnen,
die haar tot slavin maakt van een werk dat met haar natuur strijdt
en tevens tot slavin van den man;--op dertigjarigen leeftijd is zij
eene afgeleefde, verwelkte tooverkol, wier gebogen figuur en hoekige
vormen afschuw inboezemen, die rookt, zich bedrinkt, vloekt en tiert
als de ruwe kerels, met wie zij voortdurend in aanraking is. En nog
mogen zij zich gelukkig rekenen, de mannen zoowel als de vrouwen,
als de onverzadelijke minotauros hen nog levend, zij het dan ook
geschonden en verminkt en gebogen, haast meer aan dieren dan aan
menschen gelijk, aan zijne vreeselijke kaken laat ontsnappen;--want
zoo vaak worden zij allen zijne prooi en worden geveld als slachtoffers
zijner demonische lusten.

Evenals men op Kreta jonge meisjes opvoedde om geofferd te worden,
zoo wordt hier de jeugd groot gebracht voor de mijn. Een paar dagen
na een der geduchtste rampen, die deze landstreek hebben getroffen,
zeide eene moeder tot mij, terwijl zij met een akeligen grijnslach
op den zuigeling aan hare borst wees: "Dat is voor de Agrappe!" Die
Agrappe nu, wier naam, eenige jaren geleden, half Europa van
ontzetting huiveren deed en nu ook eensklaps voor mijn geest het
schrikkelijk beeld opriep van een aantal mannen door eene ontploffing
gedood;--die Agrappe was de mijn, die door haar uitbarsting half
Frameries vernielde. In de bitterheid haars harten, in haar sombere,
broedende wanhoop had die moeder, met ruwe brutaliteit, de vreeselijke
waarheid gesproken.

En toch, zoo groot is de kracht der gewoonte, zoo groot ook de
half onbewuste moed dezer ruwe bevolking, dat ge bijna overal een
onbekommerd ter zijde zetten van het gevaar, eene luchthartige
onverschilligheid, ja zelfs wel de liefelijke bloem der hoop, in de
harten ontsluikende, vinden zult. Zoo gaat de zeeman vroolijk aan
boord, en denkt er zelfs niet aan, dat de golven zijn graf kunnen
worden. Daar is inderdaad, onder sommige opzichten, veel overeenkomst
tusschen het leven van den zeeman en dat van den mijnwerker, in
zoo verre beiden het onbekende trotseeren en ieder oogenblik door
den steeds dreigenden dood kunnen worden geveld. Ach, maar is dat
eigenlijk niet met ons allen het geval? En is het in werkelijkheid
wel zoo vreemd, dat zij, die van kindsbeen af dagelijks in dat gevaar
verkeeren, daarmede in het eind vertrouwd raken, en er even weinig
aan denken als wijzelven, wier gewaande veiligheid toch in den
grond der zaak even onzeker en bedriegelijk is? Alleen omdat wij,
niet aan die levenswijze gewoon zijnde, het gevaar in dezen vorm
zoo duidelijk zien, verbaast het ons, als wij nader kennis maken met
de talrijke bevolking van de vele dorpen, die zich rondom de mijnen
gevormd hebben, dat de vrees voor, en zelfs de gedachte aan het steeds
dreigende doodsgevaar, in het leven van den mijnwerker zoo luttel
plaats beslaat. Daar zijn er, ja, enkelen, in wier starre blikken ge
als het ware de ontzetting lezen kunt, door de verschrikkingen van den
afgrond hunner ziele ingeprent; maar, voor zoo ver de dierlijke arbeid
niet alle menschelijk gevoel heeft uitgedoofd en hen tot werktuigen
verlaagd, kenmerken de mijnwerkers van de Borinage zich veeleer door
eene ruwe, luidruchtige, buitensporige vroolijkheid, die zich vooral
op kermissen en feestdagen uit, en zelfs door den geesel der periodiek
wederkeerende crisissen nóg niet is gedoofd. Vroeger, toen de vraag
zoo groot was dat men tot iederen prijs den arbeid moest verhaasten
en vermenigvuldigen, toen was die vroolijke, opgewekte stemming een
natuurlijk gevolg van de overvloedige verdiensten. Te Jemmapes, te
Bergen, te Saint-Ghislain weet men nog te verhalen van de weelderige,
verkwistende levenswijze in die dagen, toen het voor de mijnwerkers
bijna het gansche jaar door kermis was. De vrouwen der mijnwerkers,
zoo zegt men, kleedden zich in zijde en fluweel, versierden zich
met goud en edelgesteenten, en hielden er eene meid op na. De mannen
dronken, in de herbergen en de danshuizen, champagne en fijne wijnen
en lieten zich de kostbaarste gerechten voorzetten. Maar de tijden
zijn sedert veranderd: met smullen en feestvieren is het gedaan: de
arme Borains mogen nu blijde zijn als zij in het noodigste kunnen
voorzien, en van dag tot dag, van jaar tot jaar, hebben zij te
kampen met het altijd dreigende gebrek. Doch de oude vroolijkheid
moge, door de moeielijke en zware tijden, eenigszins gedempt zijn,
uitgedoofd is zij niet, al heeft zij soms een bijsmaak gekregen,
die verre van geruststellend is. In hun luiden schellen lach klinkt
een toon van verborgen hartstocht, van bitterheid en toorn: hunne
vroolijkheid is vaak de onechte, ongezonde vroolijkheid van een volk,
dat zich ongelukkig voelt, zich verongelijkt acht en door wrokkende
wangunst wordt verteerd. Hier vinden de apostelen en predikers van het
socialisme een wel toebereiden, vruchtbaren akker; en met gretig oor
luisteren deze mannen en vrouwen naar de dwazen en verleiders, die in
de schrilste kleuren hun rampzalig lot afmalen, en hun een geluksstaat
voorspiegelen, waaraan de profeten zelven wel geen oogenblik gelooven,
maar waarvan de schildering er op berekend is om deze arme hersens te
verwarren en te ontvlammen, en in deze zoo licht bewegelijke gemoederen
de slechtste en gevaarlijkste driften en neigingen wakker te roepen.

Iemand, die de mijnwerkers zeer goed kende, zeide eens tot mij:
"Naar den eersten indruk oordeelende, zou men hen voor slecht en
verdorven houden; maar zij zijn veeleer ruw en onbeschaafd, zonder
eenig besef van wellevendheid en betamelijkheid. Daarbij komt dat zij
in de hoogste mate zorgeloos zijn en van sparen geen begrip hebben; zij
leven letterlijk van den eenen dag op den anderen, zonder zich in het
minst om de toekomst te bekommeren; zij staan geregeld in het krijt bij
den bakker en den kruidenier, en wanneer zij geld hebben, verspillen
zij het op de buitensporigste manier aan feesten en drinkgelagen, aan
weddenschappen, balspel en schijfschieten, waarvan zij hartstochtelijke
liefhebbers zijn. Ondanks hunne ruwe onbeschoftheid, hun gestadige
vechtpartijen en herhaalde botsingen met de justitie, zijn zij in
den grond niet boosaardig van natuur en wel te leiden."

Hij die zoo sprak, had geen ongelijk: het weinige geld dat zij
verdienen, wordt verbrast in de kroegen, roekeloos weggesmeten
of verdobbeld, want het spel is de grootste liefhebberij van die
mannen, die zelven voortdurend hun leven op het spel zetten; maar
wat mijn zegsman er niet bijvoegde, is dat al deze uitspattingen
en buitensporigheden, hun jenever drinken en hun dobbelen, in de
eerste plaats moeten dienen om hun hunne ellende te doen vergeten,
hun worstelen met het gebrek, het steeds dreigend doodsgevaar
waarin zij verkeeren, den openbaren verkoop wegens schuld van hun
armzaligen inboedel, den jammer van hun afschuwelijk bestaan in de
ingewanden der aarde. Voor dezen arbeid gebruikte de oude wereld haar
veroordeelde slaven en misdadigers; de mijnwerkers van de Borinage
heeten vrije mannen en staatsburgers; misschien zullen zij eerlang
kiezers zijn, en rusteloos preekt men hun de fraaie theorieën der
algemeene gelijkheid voor...... Aan welke zijde is de onbarmhartige
wreedheid, de demonische spotternij?



II


Van Bergen tot Quiévrain strekt zich de lange reeks der
mijnwerkersdorpen uit: Jemmapes, Quaregnon, Saint-Ghislain, Boussu,
Elouges, Cuesmes, Dour, Pâturages, Frameries, Flénu, Hornu. Maar
terwijl te Jemmapes, te Quaregnon en Saint-Ghislain aanzienlijke
vlekken, die bijna het voorkomen hebben van kleine steden, nevens
de kolenindustrie ook nog andere takken van nijverheid worden
beoefend, dragen Elouges, Dour, Frameries, Cuesmes, Flénu, den echten
onvervalschen stempel van de Borinage.

Hier volgen de mijnwerken elkander onafgebroken op; overal ziet men
de kale hooge terpen, die het uitzicht belemmeren; overal steken de
wanstaltige getimmerten en de leelijke schoorsteenen in de lucht en
bedekken met hun schaduw, zoowel als met hun regen van vuilen smook en
kolenstof, de kleine huizen met roode daken, die als paddestoelen aan
hun voet zijn opgeschoten. Evenals rondom de muren van den feodalen
burcht de hutten der hoorigen stonden gegroept, zoo omringen de
armoedige krotten der mijnwerkers aan alle kanten de mijn; daar
slijten zij hun leven in de gloeiende atmosfeer van den minotauros,
zoo als de hoorigen in de vaak dreigende nabijheid van den machtigen
landheer, wiens toorn hen verdelgen kon. Maar geen ruwe, onbarmhartige,
tirannieke middeleeuwsche baron vergde immer van zijne hoorigen zoo
vreeselijke offers als het moderne monster der industrie: de baron,
hoe ruw en woest hij mocht zijn, was toch altijd een mensch, in wiens
boezem een menschelijk hart klopte, terwijl bovendien zijn eigen
belang hem waarde moest doen hechten aan het leven en de betrekkelijke
welvaart zijner onderhoorigen; maar de mijn, maar het werktuig, is
eene blinde, onbewuste macht, die van geen erbarmen weet, voor wie
duizend menschenlevens niet meer waard zijn dan het tot gruis geslagen
stuk steenkool; die verplettert en vermaalt en verminkt en schendt,
en altijd, altijd, altijd door nieuwe offers vraagt.

Men heeft de mijnen en fabrieken met de oude feodale burchten
vergeleken: en onder sommige opzichten mag de vergelijking gelden. Ook
de mijn met haar fabriek beheerscht den omtrek en maakt het land aan
zich schatplichtig; ook zij vordert tienden--en meer dan die!--en
schattingen en heerediensten; ook zij voedt zich met den arbeid en de
levenskracht der omwonende bevolking. Maar, nog eens, nimmer drukte
eenige burcht zoo loodzwaar op het land of vorderde zulke schatting
aan leven en bloed; nimmer was der hoorigen lot zoo schrikkelijk,
zoo troost- en hopeloos, als dat der slaven van de verschrikkelijke
mijn. Hoe ze u aangrijnzen, die sombere burchten van den demon
des vuurs, die hunne wortelen uitslaan tot in het hart der aarde
en de beste levenssappen van den ganschen omtrek tot zich trekken,
om ze om te zetten in klinkend goud. En dit geheimzinnig reusachtig
alchimisten-laboratorium is altijd daar en op honderd verschillende
plaatsen in functie: op dit kleine plekje gronds telt men niet
minder dan tweehonderd steenkolenmijnen, die bijna allen zonder
ophouden bewerkt worden en wier onderaardsche gangen en galerijen
zich steeds verder uitbreiden--duistere katakomben van den arbeid,
gevuld met menschen-beenderen.

Elke mijn heeft hare eigene bevolking, die onder den walm van haar
rook opgroeit en leeft; die zich woningen bouwt op haar krater; die
ten huwelijk neemt en ten huwelijk gegeven wordt, kinderen verwekt
en sterft bij het gesnuif en gestamp der machines, wier onwelluidend
blazen en fluiten en gillen hen bij hunne geboorte begroet, en het
oor verscheurt van den stervende. Dezelfde werktuigen, die in de
mijnschacht de kooien op en neder doen gaan, brengen het leven dezer
gansche bevolking in beweging, als de kloppingen van een ontzaglijk
ijzeren hart; en wanneer naast de groeve, waaruit hij weer omhoog
stijgt, voor den Borain die andere groeve gedolven wordt, waaruit
men niet meer opstaat, dan mengt het zwarte, kleverige kolenstof uit
de schoorsteenen zich met de aarde, waarmede de buren, op het naaste
kerkhof zijn uitgeput en misvormd lichaam bedekken. Zooals de vlaamsche
boer onafscheidelijk verbonden is aan de aarde, die hij met zijn zweet
drenkt en bevrucht, zoo is de mijnwerker verbonden aan de mijn: maar
dit huwelijk is vrij wat gevaarlijker, want de duistere echtgenoote
is lastig, vol nukken en kuren, en eindigt doorgaans met haar gemaal
te verslinden. En dan--welk hemelsbreed onderscheid tusschen den
eerwaardigen, gezegenden landbouw, dien gezonden, sterkenden,
levenwekkenden arbeid op het open veld, onder den vrijen hemel,
voor het aangezicht der zon: en dat slavenwerk in de donkere mijn,
dat den arbeider verteert en zoo vaak ook moreel te gronde richt. Toch
hebben zij hunne mijn lief en gevoelen zich aan haar gehecht; zelfs
krom en stram van ouderdom, kunnen zij nog niet zonder haar leven:
deze taaie gehechtheid is een trek, dien de mijnwerkers gemeen hebben
met de zeelieden, die hoe de zee hen ook moge mishandeld hebben, zich
toch nog, machteloos en afgeleefd, naar het strand sleepen en daar,
op een bank neergezeten, in droomend gepeins staren naar de wijde zee,
wier melodisch ruischen hunne zwervende gedachten in slaap wiegt.

Men heeft mij hier oude, hoog bejaarde lieden gewezen, mannen en
vrouwen, die, na gedurende ruim eene halve eeuw dagelijks in den
afgrond te zijn neergedaald, nu nog hunne overige levensdagen sleten
aan den rand der diepte, waarin zij, afgeleefd en zwak, niet meer
konden afdalen. De weinige krachten, die zij nog hadden overgehouden,
besteedden zij nu met het bijeenrapen der sintels, het uitzoeken der
kolen, het schoonmaken der lampen en andere werkzaamheden van dien
aard. De jongeren gaan vroolijk en luchthartig, lachend en zingend,
naar beneden; meermalen was ik er getuige van, hoe de kooi, waarin de
mijnwerkers plaats nemen, onder luid gelach, gejoel en dartele pret
in de diepte verdween, waaruit eindelijk nog maar de verwijderde echo
hunner vroolijkheid mij tegenklonk.

Ondanks--of misschien wel juist om het sombere, zwarte, akelige der
omgeving, zijn de jonge meisjes van de Borinage gesteld op opschik,
op sprekende kleuren, houden zij er van, zich op eene of andere wijze
te tooien. Schoon gewasschen en helder in haar werkkostuum--een buis
en pantalon--dat haar op knapen doet gelijken, gaan zij in troepjes
naar de mijn, met eene bloem tusschen de tanden, lange kleurige
linten wapperende langs haar rug, haar hair saamgevat in een netje
of een zakje van taf, onder een strooien hoed. Zoo dalen zij in den
afgrond neer, waaruit zij straks weder te voorschijn zullen komen,
vuil, stinkend, besmoezeld, het gelaat zwart gevlekt, de oogen en
den mond vol steenkool. Zoo gaat het dag aan dag: als wilden zij
den ruwen demon verteederen, door zich mooi te maken en althans
voor zoover zij kunnen, naar echt-vrouwelijken aard, de schoonheid
te huldigen. Laat ons daar niet mede spotten; daar is veeleer iets
weemoedigs, iets treurigs in die onuitroeibare zucht om te behagen,
om een aangenamen indruk te maken, die deze arme schepsels tot zelfs
in de klauwen van het monster bijblijft. Wat vreeselijk en gruwelijk
is, is dat meisjes en vrouwen tot zulken arbeid gedoemd zijn.

Haar bloei is van zoo korten duur: zijn zij eens gehuwd en is de
jeugd voorbij, dan veranderen zij spoedig in oude slonzige vrouwen,
die aldra tot hetzelfde peil afdalen als de mannen, en die door niets
meer behagen of de aandacht trekken. Alle zorg voor haar uiterlijk,
voor haar toilet, is dan ook vergeten en uitgedoofd onder de vele
andere zorgen voor het bestaan. Maar zoo lang zij jong zijn, hebben
zij bijna allen eene zekere soort van krachtige, soliede, kleurige
schoonheid, die wel getuigt voor de energie van het ras, dat in
spijt van den ruwen zwaren arbeid, in spijt van kommer en ellende,
nog zooveel frischheid en levenskracht heeft behouden.

Elk dorp in de Borinage heeft zijn _salons_ of danshuizen, waar
op zon- en feestdagen de jonge meisjes, die nu haar jongenspak
hebben uitgetrokken, het donkere hair glanzende van pommade, in
nauwsluitende jakjes en kleurige met bloemen versierde mutsjes,
in het licht ontvlambaar gemoed der dansers het vuur der liefde en
ook van den minnenijd komen ontsteken. Drie of vier lampen, tegen
den met bontgebloemd papier beplakten muur opgehangen, werpen haar
rossig schijnsel op de sprekende kleuren van haar toilet, waarin
rood, blauw en groen den boventoon voeren, als wilden zij in die
schitterende verwen de smetten uitwisschen van de vuile kool, die
haar de geheele week aankleven. Op eene kleine verhevenheid zitten
een clarinet, een cornet-a-piston en een trombone: en op de schelle
tonen van dat orkest dansen en draaien en wervelen de paren in wilde
drift, in toomelooze opwinding rusteloos voort. De grond dreunt onder
het regelmatig gestamp, dat welhaast een verren donder gelijkt en
wolken stof doet opgaan; weldra woelen en wemelen de hartstochtelijke
dansers in een grijzen nevel; de aan den zolder hangende korfjes met
papieren bloemen wiegelen heen en weer; de dampkring gloeit, bijna
niet minder dan de oogen en de wangen van dansers en danseressen,
die maar altijd voorthollen in razenden galop, tot zij eindelijk,
buiten adem, uitgeput, hijgend en zwoegend, op de banken neerzijgen,
snakkende naar versche lucht.

In zulk eene omgeving loopt de moraliteit groot gevaar; en hoewel
hetgeen men van de losbandigheid der Borains verhaalt overdreven
moge zijn, is het ontwijfelbaar waar dat het zedelijk peil onder deze
bevolking vrij laag gezonken is. En hoe kan het ook anders? Meisjes
van vijftien jaar emancipeeren zich en gaan uit zwieren met lummels
van denzelfden leeftijd. Zoodra de jongen iets begint te verdienen,
acht hij zich ontslagen van de ouderlijke tucht: hij loopt de
kermissen na, bezoekt de herbergen, leeft in één woord als een
volwassen man; hij betaalt aan zijne ouders wekelijks eene zekere
som voor huisvesting en voeding, en doet verder met zijn geld wat
hij wil. Over de noodlottige gevolgen van deze tuchteloosheid, deze
verwildering, behoef ik wel niet uit te weiden; maar hoe zal er tucht,
besef van orde en plicht en wet zijn, waar de heilige, de door niets
te vervangen leerschool van dit alles en van zoo veel meer, waar het
gezin niet meer, althans weinig meer dan in naam, bestaat? Immers,
wat wordt er van het gezin, waar niet slechts de vader en de zoons,
maar ook de moeder en de dochters, de kinderen zelfs geregeld de
woning verlaten om daar buiten, in de mijn, in de fabriek, verloren
onder honderden anderen, te gaan werken? Van alle diep ingrijpende
geweldige veranderingen, die de moderne industrie in de economische,
sociale en huiselijke toestanden en verhoudingen heeft gebracht, is er
wellicht geene zoo verderfelijk, van zoo ver strekkende noodlottige
gevolgen als deze, dat in duizenden bij duizenden gezinnen, de
vrouw aan hare natuurlijke roeping gewelddadig wordt onttrokken,
en daardoor zedelijk te gronde gericht: dit is de ontwijding, de
ontbinding der familie en, als onvermijdelijk gevolg, de ontbinding
der maatschappij. Tegen dit euvel baten geene uitvindingen, geene
wonderen van wetenschap en kunstvaardigheid; dit kwaad kan alleen
gestuit en hersteld worden--indien het nog mogelijk is--door een
terugkeer tot de van God gestelde orde der dingen, die de mensen
nooit straffeloos schendt.

Er is één dag in het jaar, waarop de ruwe ongebondenheid, die in
gewone tijden reeds groot is, haar toppunt bereikt: op den dag der
groote kermis van de Borinage, den feestdag bij uitnemendheid, den
dag van Sinte-Barbara. Op dien dag staat de arbeid in de mijn stil en
dommelt de moloch. Zelfs in de slechtste jaren trekken de mijnwerkers,
mannen, vrouwen, jongens, meiden, met trommels en trompetten voorop,
in gansche troepen van de eene herberg naar de andere; elk oogenblik
wordt de lucht verscheurd door de losbranding van kleine kanonnen,
waarmede eereschoten worden gedaan ter verheerlijking van de heilige
patronesse, wier naam aan al dat onstuimig gejoel en getier, aan deze
liederlijkheid, wordt verbonden.

Vijf-en-twintig jaar geleden, toen de kolenindustrie in vollen bloei
was en er geld in overvloed verdiend werd, gingen deze kermissen
gepaard met maaltijden waaraan patroons en gezellen te zamen
deelnamen, met allerlei grappen en vertooningen, met eene uitdeeling
van prijzen aan de mijnwerkers, die in den loop van het jaar de
grootste hoeveelheid steenkool hadden uitgegraven. Elke parochie
versierde toen hare altaren met groen en bloemen, met een bonten,
veelkleurigen opschik, ter eere van de heilige patronesse.

De toenemende nood der bevolking heeft sinds dien tijd deze
feestelijkheden vrij wat vereenvoudigd; toch wordt er nog altijd
geschoten, en nog steeds stroomt eene talrijke schare naar de hoogmis,
om daar, als in de tegenwoordigheid der beschermvrouwe, voor eenige
oogenblikken de moeite en den kommer van het leven te vergeten en
het harte op te heffen tot hooger en beter dingen dan de arbeid
in de mijn en de uitgelatenheid in de herberg. Ook op de tafel der
armsten verschijnt dien dag de rijsttaart met pruimen, waaraan het
gansche gezin smult, onder het drinken van groote kommen koffie. Het
oude gebruik brengt ook mede, dat op Sinte-Barbaradag, de eerste
ploeg die in de mijn afdaalt, eene ruw bewerkte afbeelding van de
"goede vrouwe", die op algemeene kosten is gekleed en versierd,
met zich neemt. Dat beeld blijft daar den geheelen dag, als het
zichtbare teeken en onderpand van de hulp en bescherming, die deze
heilige aan het arme volk der mijnwerkers wil verleenen, en te harer
eere worden verschillende ceremoniën verricht, die echter niet in
alle mijnen dezelfden zijn. Doorgaans wordt het beeld in eene nis
geplaatst, onder het schijnsel van drie of vier kaarsen: eene zwakke
herinnering aan den schitterenden glans van de honderden waskaarsen
op het hoogaltaar der kathedralen. Maar de verblindende pracht dier
kathedralen haalt toch niet bij den treffenden aanblik van die drie of
vier glimmende lichtjes, verloren te midden der eeuwige duisternis,
maar die met hun wemelend schijnsel de ruwe harten van zoo velen,
althans voor een enkelen dag, met hoop en vertrouwen vervullen. Zoo
lang zij in den afgrond tegenwoordig is, de goede en barmhartige
en veel vermogende vrouwe, schijnt het altijd dreigende gevaar
bezworen; en gelijk zij des morgens met plechtig eerbetoon in de
mijn werd gebracht, zoo wordt zij des avonds weer statig en ernstig
omhoog gevoerd, maar nu bezoedeld en besmoezeld door rook en damp en
kolenstof. Boven gekomen, beijveren de jonge meisjes zich nu om haar
toilet weer in orde te brengen; vervolgens wordt het beeld in een
daarvoor bestemd kistje weggeborgen en door eene der vrouwen, aan
wie de zorg voor de relikwie is opgedragen, mede naar huis genomen,
om daar bewaard te blijven tot het volgende jaar.

De Sint-Barbaradag, 4 November, valt juist samen met den aanvang der
kermis te Bergen. Reeds tegen den middag wemelen de wegen naar de
hoofdstad van menschen; men vecht om eene plaats in de spoortreinen;
in talrijke troepen gaat men op naar het oude Bergen. Daar beweegt
zich eene nieuwsgierige en kijklustige menigte langs de tenten en
kramen; met open mond staan de Borains in troepen te kijken naar de
kunstverrichtingen van den koorddanser en den goochelaar, en wisselen
zeer gepeperde aardigheden met de hansworsten en kunstrijdsters. De
huismoeders staan stil voor de kramen, waar zij haar inkoopen
willen doen, en loven en bieden en dingen tot in het oneindige,
van de eene kraam naar de andere drentelende, tot zij eindelijk haar
gading gevonden hebben. Dan gaat men gezamenlijk, onder luid rumoer,
een bezoek brengen aan de dikke dames, aan het kalf met twee koppen,
aan het vreeselijke zeemonster dat levende menschen verslindt. Ook
de nederige tent van de waarzegster wordt niet vergeten, want
ieder is begeerig te weten wat de toekomst hem brengen zal; en is
men hieromtrent meer of minder volledig ingelicht, dan gaat het
in troepen naar de poffertjes- en beignetskramen, waar men zich
de maag vult met het gebak, dat rijkelijk met sterken drank wordt
besproeid. En wanneer eindelijk, diep in den nacht, in de kroegen en
danshuizen de laatste stuiver is verteerd en het laatste glas geledigd,
dan keeren de kermisgangers, die voor een enkelen dag hun zorgen en
kommer vergeten hebben, onder onbeschrijfelijk rumoer en getier naar
hunne woningen terug. Wie zijne illusiën aangaande de bevolking van
de Borinage behouden wil, doet beter, het vertrek van zulk een trein
vol terugkeerende kermisgangers niet bij te wonen.

Afgescheiden van het Sinte-Barbarafeest hebben de dorpen in de Borinage
nog allen hunne eigene kermissen, die op verschillende dagen vallen,
en met eigenaardige gebruiken gepaard gaan. Zoo is het bijvoorbeeld
de gewoonte om aanstonds na afloop eener kermis, van huis tot huis
rond te gaan om giften in te zamelen voor het vieren der volgende. De
jongelieden, aan wie deze taak is opgedragen, voeren den titel van
kapiteins: deze betrekking is een soort van eerepost, waaraan zekere
voordeelen verbonden zijn en die bij opbod wordt uitbesteed. De
liefhebbers bieden tot honderd, tweehonderd, soms wel driehonderd
potten bier, naar gelang van de belangrijkheid van het dorp. Met de
opbrengst der kollekte organiseert men bals en bekostigt men vuurwerken
en illuminatie: het overschietende komt ten bate van de aannemers.

Zoolang de kermis duurt wandelen deze kapiteins zeer deftig
door het dorp, bekleed met de teekenen hunner waardigheid,
namelijk: een steek met pluimen en een rotting; zij zijn naar
behooren in het zwart met witte das en zien er uit als kellners of
ceremoniemeesters. Indrukwekkend vooral is de plechtigheid, waarmede
zij het bal openen: nauwelijks laat de muziek de eerste tonen hooren,
of zij beginnen langzaam, met gebogen armen, in het rond te draaien,
met al de majesteit en de deftige sentimentaliteit van ouderwetsche
hovelingen, die een menuet of eene sarabande gaan dansen. Met half
gesloten oogen schijnen zij de ongeduldigen en driftigen in bedwang
te houden, die gevaar zouden loopen de eischen der welvoegelijkheid
uit het oog te verliezen; maar deze vertooning is niet meer dan
het verplichte voorspel. Weldra treden kleine meisjes van zes tot
acht jaren, mooi gekleed en met linten en strikken versierd, in den
kring; de kapiteins voeren de blozende kinderen, wier kleine voetjes
onregelmatig trippelen op de maat der muziek, ten dans en walsen met
haar ten aanschouwe van de verrukte moeders, die voor haar dochtertjes
tegen klinkende munt het voorrecht gekocht hebben om door de kapiteins
als "dames de danse" te worden genoodigd.

Een wonderlijke vertooning sluit de reeks van al deze feesten. Is er
onder de kapiteins een gehuwde, dan rust op hem de verplichting om de
aanbestedingen te houden voor het kapiteinschap van het volgend jaar;
maar eerst moet hij zich leenen tot een grap, die zeer krenkend is voor
zijne waardigheid als echtgenoot, en vermoedelijk haar oorsprong dankt
aan het avontuur van een of anderen Sganarelle, dat in de gedachtenis
is blijven voortleven. Men bindt den jongen man, na zijn gelaat met
roet besmeerd te hebben, op een ezel, en voert hem zoo, onder het
gejuich en gelach der schare, door het dorp.

Wie de Borinage als het ware met een enkelen blik overzien wil,
die moet te Bergen plaats nemen in den trein naar Quiévrain, welke
het geheele kolendistrict doorsnijdt. Binnen een paar uren is men in
deze hel ver genoeg doorgedrongen, om er op het gelaat en de handen
en op de kleederen de teekenen, den smet en den stank van mede
te brengen, als hadde men een tocht ondernomen naar de fornuizen
van Beëlzebub. Verdoofd door het onophoudelijk geratel van den
telkens hernieuwden donder, die het gansche land doet gelijken op
een reuzenaambeeld, dreunend onder de mokerslagen van honderdduizend
hamers; verblind door de vuurtongen en de rookwolken, die omdwarrelen
door den verstikkenden, benauwenden dampkring; verbijsterd door het
schouwspel van al die ijzeren gedrochten, als met ontembare woede
ronddraaiende, stampende, op en neer gaande, slaande en snuivende,
onder een zwarten met kolendamp en roet bezwangerden hemel, te midden
van een landschap, dat u aan een der kringen van Dante's Inferno doet
denken:--zult ge van dezen tocht een indruk medebrengen, die u nimmer
uit de herinnering zal wijken.

De vuurspuwende salamander, die u, langs zijn tweelingslijn, in
vliegende vaart voortsleurt door dit zwart geblakerde landschap,
dwars door de vlammen en den smook van dezen gloeienden en toch
donkeren dampkring, past volkomen bij het karakter van dit oord der
verschrikking. Terwijl hij in vollen ren voortsnelt, rolt de doffe
donder zijner snelle raderen verder en verder, zich voortplantende
door de uitgeholde en trillende aardkorst. De gansche streek is op
schrikwekkende wijze ondermijnd en doorboord, als waren hier tallooze
legioenen van paalwormen aan het werk geweest; zij gelijkt op een
koraalrif, in alle richtingen doorkruist door een onnoemelijk aantal
gangen en galerijen. Elk oogenblik snort de trein door gebarsten
tunnels, over waggelende bruggen, die zich als door een wonder staande
houden op dien golvenden grond, zoo onvast als eene onstuimige zee;
bezweken zij, dan zou zich onder den vliegenden trein een afgrond
openen, waarin wagens en reizigers reddeloos zouden verdwijnen.

Met eene onbegrijpelijke zorgeloosheid leeft de Borain op dien
uitgestrekten, sluimerenden krater, die elk oogenblik, door eene
grondverplaatsing beneden, door een of anderen krachtigen schok,
natrillende onder de ondermijnde korst, van een kan splijten en
afgronden openen, waarin groote rivieren zich zouden verliezen. Het
uitwendig voorkomen van het landschap maakt den indruk van een
geweldige vulkanische werking, die de aardkorst heeft gescheurd,
heuvelen heeft doen oprijzen en ravijnen geopend, en op alles den
stempel gedrukt van het inwendige vuur. Slechts op een enkel punt
vertoont deze gefolterde en gemartelde natuur een ander, vriendelijker
gelaat. Eensklaps bevinden wij ons te midden van een echt landelijk
tafreel, eene liefelijke idylle, waar het malsche groen onze oogen
verkwikt en wij weder de landlieden op den akker zien; waar geene
afschuwelijke geluiden de heerlijke stilte verbreken en het helsche
geknars en gestamp der machines niet wordt gehoord; waar de grond niet
is bedekt met eene vuile laag van modder en roet, en Gods lieve zon
niet schuil gaat achter stinkende kolendamp. Het is eene verkwikkende
oase, zooals wij er zoo velen zullen vinden in het land van Charleroi,
en die ons vergunnen, weder eenigszins tot ons zelven te komen en de
benauwende nachtmerrie van kolenmijnen en machines en onmenschelijke
slavernij en verwildering van ons te werpen. Maar evenals bij den
storm soms eensklaps op een zeker punt de wolken scheuren en de blauwe
hemel ons tegenlacht, om onmiddellijk daarna weder, bij het gieren
van den wind, omfloersd te worden: zoo heeft men ook ter nauwernood
de verkwikking gesmaakt van dit gezegend plekje, of de noodlottige
tooverkring sluit zich weer, en verdwenen is het liefelijk landschap,
badende in den zonneschijn, als een Eden in het hart der hel.

En toch, ondanks den nevel en de zwarte en grauwe tinten, is de
aanblik van het landschap in zekeren zin schilderachtig. Een breede
straatweg, die de dicht op elkander volgende dorpen verbindt en tevens
de hoofdstraat vormt, is ter wederzijde omzoomd door twee ongelijke
rijen van lage huisjes met donkerroode daken. Op een pleintje verheft
de katholieke kerk hare spits ten hemel, tegenover het protestantsche
bedehuis; want onder deze bevolking heeft het Calvinisme talrijke
aanhangers, die, gelukkig, met hunne katholieke landgenooten op
goeden voet leven. Voor de deuren zitten, in hun vrijen tijd, de
mannen neergehurkt, en rooken hun pijp, met de armen rustende op de
opgetrokken knieën. Zelfs binnenshuis geeft de mijnwerker aan deze
ongemakkelijke houding de voorkeur boven een stoel; uren lang kan hij
zoo, soezend en droomend, voor den haard zitten, zich koesterende in
de warmte.

Doorgaans behoort bij de woning van den Borain ook een klein tuintje:
welke tuintjes in dit land der schaduwen des doods eene ware
verkwikking zijn. De bewoner zorgt ook voor dit gezegende plekje:
hij kweekt daar zonnebloemen, dahlia's, pioenrozen, groote, sterk
gekleurde bloemen, die schitteren in het zonnelicht en wier aanblik
voor deze arme lieden een genot is, waarvan alleen de minnaars van
tuinen en bloemen in de steenen wildernissen der groote steden zich
eene voorstelling kunnen maken. Als hij niet in de mijn vertoeft,
verzorgt de mijnwerker zijn tuintje, bindt zijn bloemen op, roeit
het onkruid uit, harkt de paadjes op, begiet zijn perkjes; in dien
stillen, vreedzamen arbeid vindt hij een uitweg voor de zachtere
gevoelens, voor de onbewuste poëzie, die ook bij hem onder de zoo
ruwe en vaak zoo terugstootende schors slaapt. Waarom geeft men zich
niet meer moeite om zijn beter ik bij hem wakker te schudden en
tot bewustzijn te brengen, om hem te verlossen uit dien staat van
halve verdierlijking, waarin hij dreigt te verzinken? Overal waar
de poging werd beproefd, zijn de resultaten gunstig geweest. Het
komt er slechts op aan, de alleszins billijke behoefte dezer tot zoo
schrikkelijken arbeid gedoemde bevolking aan uitspanning en vermaak,
aan recreatie--om dit zoo treffend juiste woord te bezigen,--met
verstand te leiden en op zoodanige wijze te bevredigen, dat het peil
der zedelijkheid daardoor wordt opgeheven en niet verlaagd. De taak
is--vooral in onzen tijd--uiterst moeilijk, maar mag toch niet als
onmogelijk worden opgegeven. In de Borinage echter, waar zoo veel
mogelijk geldverdienen op den voorgrond staat, is men er, ongelukkig
genoeg, meer op bedacht, met bijl en houweel de steenkool uit het
ingewand der aarde te voorschijn te halen, dan onder de ruwe schors
van zinnelijkheid en egoïsme de goddelijke vonk op te sporen en te
ontsteken, die sluimert in iedere menschelijke borst.



III


Wij gaan in onze verbeelding een paar eeuwen terug. Het land van
Charleroi en de omliggende streken waren toen nog niet, als nu, de
prooi van eene rustelooze, rumoerige, alles verdringende industrie,
de geboren vijandin van alle natuurschoon en alle poëzie; de bevolking
legde zich veel meer op landbouw dan op nijverheid toe. Wel waren er
te Châtelineau, te Grilly, te Charnoy (de bakermat van het latere
Charleroi), te Lodelinsart, te Jumet, enkele kolenputten; maar de
kunst om die putten of mijnen te exploiteeren verkeerde nog in hare
kindsheid; men gebruikte wat als het ware voor de hand lag, en de
steenkool, die als handelsartikel nog weinig beteekende, dacht er nog
niet aan, de heerschappij van het hout op het gebied der nijverheid
te betwisten. De metallurgie deed nog niet de aambeelden zuchten
onder de rustelooze slagen der zware hamers en wekte de echo's
der stille valleien nog niet met het oorverscheurend gefluit der
machines. Te Marchienne, te Monceau, te Presles, te Loverval en op
enkele andere plaatsen vond men eenige onbeteekenende smederijen
of pletterijen; voor het overige brachten de landlieden, in de
meeste dorpen langs de Sambre, de lange winteravonden door met het
vervaardigen van spijkers. Niets deed toen en ook nog veel later de
ontzaglijke vlucht vermoeden, welke de groote industrie later zou
nemen, en die het geheele aanschijn des lands zou veranderen. Wie
toen langs de liefelijke boorden der Sambre, door geurige bosschen,
door bloeiende boomgaarden en met bloemen beparelde weiden wandelde,
ademde eene zuivere lucht in, niet bezwangerd met vuile dampen
van allerlei soort, en kon zijne oogen vrij laten dwalen door het
schilderachtige, romantische landschap, zonder overal te stuiten op
monsterachtige fabriekgebouwen en wanstaltige, vuur en rook spuwende
schoorsteenen. Onze benijdenswaardige voorvaderen leefden ook nog niet
in dien eeuwigen, verbijsterenden rosmolen, in den wilden roes die
ons onweerstaanbaar medesleept in zijn suizelende vaart; zij hadden
nog den tijd om van den arbeid uit te rusten en in stille kalmte
het leven te genieten; zij kenden ze nog niet, die aangezichten,
waarop de onverzadelijke geldzucht, de razende speculatiekoorts
haar onuitwischbaren stempel hebben gedrukt, uit wier harde koude
trekken zelfzucht en koele berekening spreken; die aangezichten,
waarop iedere flikkering van hooger leven is uitgedoofd, trouwe
spiegels van de ledige, door zelfzucht verteerde, door ongeneeslijke
verveling en onvoldaanheid verkankerde harten. Onze voorvaderen,
zij hebben de schoone Sambre-vallei nog gekend als een dichterlijk
Eden, hier gekroond met boschrijke heuvelen, aan wier voet de golfjes
kabbelden der rivier; daar zich uitbreidende in groene weilanden,
met veelkleurige bloemen bezaaid, waar de bij haar honig puurde en de
veelkleurige vlinders fladderden; tuinen en velden, waartusschen de
murmelende Sambre, in tallooze bochten, zich slingerde als een zilveren
lint, wandelende in ongestoorde vrijheid. Want de ingenieurs waren
nog niet gekomen en hadden de dichterlijke, kronkelende rivier nog
niet misvormd tot een rechtlijnig kanaal, leelijk als een spoorweg; en
vischrijke beekjes, waarin kreeften en forellen huppelden en dartelden
tusschen de gladde glimmende steentjes en over het smaragdgroene mos,
vroolijke zingende, dartele beekjes met welluidende, sonore namen,
spoedden zich vroolijk en lustig naar de rivier, om haar de schatting
te brengen van haar kristallen wateren. Een waas van plechtige stilte,
van stemmende sabbathrust lag over geheel het schoone landschap
uitgespreid: eene stilte, niet verstoord, maar verhoogd en als gewijd
door het statig ruischen der bosschen, het gemurmel der vlietende
wateren, het gezang der vogelen. Nevens een groot aantal aanzienlijke
boerderijen en hofsteden, waar in aartsvaderlijke eenvoudigheid, van
geslacht tot geslacht, brave en achtenswaardige landbouwersgezinnen
hun leven sleten, verhieven zich in het dal enkele kleine steden,
trotsch op haar sterke muren en wallen, haar torens en grachten, haar
veilige ligging op de steile rots: Thurin, Walcourt, Fontaine-l'Evêque,
Marchienne, Châtelet, Fosses; voorts eenige aanzienlijke vlekken, met
recht fier op hun hooge oudheid: Gosselies, Gerpinnes, Fleurus. En
te midden der boerenwoningen troonden de hooge adellijke burchten,
met hun zware gekanteelde muren en torens, hun ophaalbruggen, met
de glorierijke herinneringen van heldenroem en ridderdeugd: Monceau,
Montigny, Farciennes, Acot, Presles, Loverval. En op de liefelijkste,
schoonste plekjes schuilden, in het stille bosch, in de rustige
betooverende vallei, de groote, van ouds beroemde, rijk begiftigde
abdijen: Lobbes Alne, Oignies, Floreffe; en vele kloosters van minderen
rang, Soleilmont voor vrouwen, Saint-Frangois-sur-Sambre voor mannen,
als ook enkele kluizen, Saint-Blaise te Bouffiaulx en nog een paar
anderen, die mede bijdroegen tot de schilderachtige fysionomie van het
stille landschap. Daar, in die kloosters en abdijen, in die kasteelen
en heerenhuizingen, vloot het leven meestal rustig en kalm voort,
vaak gewijd aan studie en wetenschappelijke nasporingen, aan gebed en
vrome overpeinzingen. De massa der bevolking leefde stil en eenvoudig,
naar voorvaderlijke zede, in eerbiedige onderwerping aan het eeuwenoude
gezag van den wereldlijken of geestelijken heer, onbekend met hetgeen
daar buiten in de wereld geschiedde, ten eenemale vreemd aan de
politiek en wat daarmede samenhangt. De landman, de ambachtsman,
de stille gezeten burger, zij allen verrichtten met zorg en ijver
en nauwgezetheid hun arbeid; zij kweten zich van de verplichtingen,
die uit verschillenden hoofde op hen rustten en trachtten zich in hun
kring nuttig te maken; maar zij waren te verstandig om te staan naar
hetgeen buiten dien kring ligt, om te meenen dat ook zij geroepen en
bevoegd waren om mede het land te regeeren....

Die tijden zijn voorbij. Wie nu per spoortrein van Bergen naar
Charleroi reist, aanschouwt een gansch ander tafreel, al heerscht
hier ook, in vergelijking met de koortsige, razende werkzaamheid in
de Borinage, een betrekkelijke rust, en al wordt het oog menigmaal
verkwikt door den aanblik van groene weilanden en bloeiende akkers.

Binche, de vroolijke bakermat dier _Gilles_, die een zoo voorname rol
spelen in het beroemde karnaval der stad; Binche heeft steenkolenmijnen
en glasblazerijen, wier geraas evenwel de stilte en rust van het
landschap niet al te zeer verbreekt. Deze kalme, rustige natuur reikt
tot aan de boorden van de Sambre: maar daar wijkt de idylle eensklaps
voor het verbijsterend rumoer der alles overweldigende industrie. Toch
is het hier nog niet zoo erg als in de Borinage: te midden van dit
gebied van ijzer en vuur vindt men nog stille liefelijke plekjes
vol lommer en landelijke poëzie. Dikwijls nog bewaart de eens zoo
liefelijke vallei, nu onophoudelijk weergalmend van het geraas der
smederijen, voor den reiziger de aangename verrassing van die stille
nestjes, in het dichte lommer verscholen, vol geheimzinnige schemering
en welluidend gezang, van die bekoorlijke plekjes, waar men ongestoord
de vrije natuur genieten kan: paradijzen te midden dezer hel waar de
stoom en de machines hun triomf vieren. Reeds te Marchienne verbijstert
u het oorverdoovend geraas van tallooze hamers, nederdalende op ijzeren
platen of trillende aambeelden; wij bevinden ons weder in het gebied
van den demon des vuurs, aan wien wij te Cuesmes ontsnapt waren,
maar die ons nu niet eer zal loslaten voor wij den kring hebben
overschreden eener vrij wat meer saamgestelde industrie dan in de
Borinage, want bij de exploitatie der steenkolenmijnen komt hier,
in het land van Charleroi, de bewerking der metalen en van het glas.

Reeds bij de met heete kolendamp bezwangerde nevels van Elouges, Dour
en Hornu, was het ons, of wij door eene hel rondwandelden; maar hier
is die indruk nog sterker, in zoo geweldige mate is hier de geheele
natuur veranderd en misvormd door den rusteloozen menschelijken
arbeid, onverbiddelijk en onbuigzaam als het noodlot. Men moet in
waarheid zijne toevlucht nemen tot beelden en vergelijkingen aan eene
bovennatuurlijke orde ontleend, om een eenigszins getrouwe voorstelling
te geven van dien verwoeden, razenden kamp, door eene gansche bevolking
tegen de elementaire natuurkrachten gevoerd: een strijd, waarin de
mensch wordt bijgestaan door dat andere wezen, dat hij naar zijn
beeld heeft geschapen, dat voor en met hem arbeidt, als met verstand
en oordeel des onderscheids begaafd, maar dat hem ook, onder meer dan
een opzicht, tot zijn slaaf heeft gemaakt. De machine--dat schepsel
van ijzer, niet het evenbeeld, maar de karikatuur, de aap van den
mensch;--heerscht hier alom als de natuurlijke bondgenoot en helper van
haar heer en meester, van dien bleeken, uitgeteerden, hongerigen man,
die haar in beweging brengt, hare gewrichten insmeert en lenig houdt,
en haar maag vult met telkens nieuwen voorraad, dien zij brullende
verslindt. Of liever, die machine, de titan, die in zijn geblakerd
paleis niets nevens zich duldt; die wanstaltige Briareus, die zijne
duizend armen uitstrekt in alle richtingen, die der zon zijn vuilen
adem in het aangezicht spuwt en de ingewanden der aarde doorwroet; die
apokalyptische reus heerscht hier als koning en opperste gebieder over
een volk van slaven, dat niet dan door hem leeft. Inderdaad schijnt
de mensch, een machtelooze dwerg tegenover den geweldigen titan, niet
anders dan een slaaf, die voor het levensonderhoud en de veiligheid
van den reus moet waken; maar daarbij voortdurend op zijne hoede moet
zijn tegen de verraderlijke streken en doodelijke aanslagen van den
geweldige, die er steeds op uit is, zich te wreken over de banden,
welke de nietige mensch hem aanlegt, over de strenge tucht, waaraan
hij hem onderwerpt. Want hij gevoelt het wel, de machtige heerscher,
dat ondanks al zijne reuzenkracht en zijn onberekenbaar vermogen,
waartegen de zwakke mensch niets vermag, toch de wil van dien zwakken
nieteling hem regeert en hem het onverbiddelijke: "Tot hiertoe en niet
verder!" toeroept, waarvoor hij zwichten moet. Hij buigt voor die wet;
maar terwijl hij zijne reuzenarmen op en neder laat gaan en het gansche
veelvoudige samenstel van raderen en buizen en zuigers en riemen,
als de ledematen van een monsterpolyp, in beweging brengt; terwijl
hij de lucht vervult met zijn geloei en gesnuif en geblaas, zint hij
op wraak en loert op eene gunstige gelegenheid om de pygmeën, die hem
omringen en beheerschen, te straffen voor hunne vermetelheid. Nu eens
grijpt hij er een, in het voorbijvliegen, bij een slip van zijn kleed,
sleurt hem mede tusschen zijne tanden, vermaalt hem en werpt hem op
den vloer, eene vormelooze, bloedende massa. Daar weder waagt hij eene
stoute poging om zijne banden te breken: als een andere Simson verheft
hij zich in zijne woeste kracht, doet zijne ketels barsten, vernielt
zijn tempel, plettert alles tot gruis, begraaft de lijken onder het
neerstortend puin en verspreidt wijd en zijd dood en verwoesting.

Beschuldigt men mij wellicht van te stoute beeldspraak, van te
fantastische overdrijving? Welnu, treedt dan een dier groote
pletterijen binnen, die te Couillet, te Marchienne, te Châtelet,
te Monceau-sur-Sambre, bij honderden den grond doen dreunen onder de
rustelooze beweging harer machinerieën; en zeg mij dan of niet bij den
aanblik van deze verwonderlijke gewrochten der wetenschap, zoo zuiver
stoffelijk en mechanisch, en toch op wonderlijke wijze doortinteld van
een verborgen leven: zeg mij, of dan niet onwillekeurig de gedachte
bij u oprijst aan een zelfbewust wezen, dat krachtens eigen wil en
wet handelt en werkt, onafhankelijk van hetgeen daarbuiten is? Als de
ledematen van het menschelijk lichaam, zoo schijnt elk deel van dit
reusachtig organisme zelfstandig te werken, met haastiger of langzamer
beweging, naar gelang de bewuste wil dat voorschrijft en regelt, met
het oog op het doel van al dezen gemeenschappelijken arbeid.--Wat
mij aangaat, het is nooit zonder een gevoel van bewondering, maar
ook van geheimen onwederstaanbaren afschuw, dat ik de bewegingen, nu
verblindend snel, dan tergend langzaam, de slingeringen en wendingen
van deze reusachtige werktuigen aanzie: hier, die in vliegende
vaart rondwentelende raderen, wier tanden in elkander grijpen;
elders die als in stomme wanhoop op en neer gaande zuigers; ginds
die monsterachtige hamers, in staat om rotsen te pletter te slaan en
toch soms zoo onmerkbaar, zoo huiveringwekkend zacht nederkomende,
dat ge uw vinger op het aambeeld zoudt kunnen leggen zonder schade
te ondervinden; al dat gedraai, gewoel en gewemel, dat u den indruk
geeft van een levend wezen, van een of ander voorwereldlijk gedrocht,
dat overal, naast u, achter u, voor uwe voeten, hoog boven uw hoofd,
zijne tallooze armen en voelhorens en wonderlijke organen uitstrekt en
in beweging brengt; met een gesnuif, als van eene benauwde ademhaling,
met een verdoovend gesis en gefluit en gegons, met snijdende kreten
als van een gemartelde op de pijnbank.

In den ketel kookt en woelt en brult de stoom, die van dit middelpunt,
het onstuimig kloppend hart van den reus, door honderden buizen,
als zoo vele aderen, de levenskracht doet uitgaan, welke het gansche
mechanisme in beweging zet. Zoodra die heete stroom door zijne
aderen bruist, ontwaakt de titan uit zijne rust: zijne gewrichten
ontspannen zich, de kettingen kraken, de raderen beginnen te wentelen;
de geweldige kolossus rekt zijne ledematen uit, richt zich op en
hervat in woedende drift zijn arbeid. Wee den ongelukkige, die
het monster te nabij komt! In een oogwenk wordt hij aangegrepen,
meegesleurd, vermaald en verslonden, zekerder dan door de kaken
van tijger of krokodil. Maar die vreeselijke kracht tot vernielen,
waarmede de wetenschap hem heeft toegerust, wordt in toom gehouden
door het genie van den mensch, die den geduchten titan aan zijne
wetten onderwerpt, ieder zijner bewegingen bepaalt en regelt, hem als
aan eene onverbreekbare ketting leidt, en dienstbaar maakt aan zijn
wil. Zoo arbeidt hij, de geweldige, ten behoeve der moderne industrie,
die zonder hem niet bestaan kan, niet denkbaar is.

Van Marchienne tot Monceau en van Couillet tot Sainte-Marie d'Oignies
is de hemel rood gekleurd, als door den weerschijn van een reusachtigen
brand, en is de lucht met rook en damp vervuld, als waren eenige
honderden batterijen rusteloos in werking. Overal steken de hooge
schoorsteenen, als bladerlooze boomstronken hoog in de lucht. In eene
eindelooze rij, bijna zonder tusschenpoozen, volgen pletterijen op
kalkovens, steenkolenmijnen, glasblazerijen, hoogovens; op sommige
plaatsen, zoo als te Couillet, te Monceau, te Sainte-Marie d'Oignies
en te Mariemont, vormen deze verschillende inrichtingen uitgestrekte
établissementen, onder een enkel bestuur geplaatst en met eene talrijke
bevolking: kleine steden op zich zelven. Het zijn inderdaad steden, met
haar straten, haar grachten, haar spoorwegen, haar eigen organisatie,
met eene groote mate van zelfstandigheid en eene eigene fysionomie,
die elke van haar in het bijzonder onderscheidt.

Reeds in 1830 liet de maatschappij Marcinelle-et-Couillet de eerste
werkmanswoningen bouwen, en gaandeweg werden nieuwe inrichtingen ten
behoeve der arbeidersbevolking in het leven geroepen: bewaarscholen,
scholen voor lager onderwijs, teekenscholen, ambachtsscholen, een
muziekgezelschap, een spaarbank, een maatschappij van levensverzekering
en dergelijken. Te Mariemont heeft de welvaart, dank zij vooral
de ijverige bemoeiingen en verstandige energie van den heer Abel
Warocquié, een hoogen trap bereikt. Te Sainte-Marie d'Oignies
vormen de ruim zestienhonderd bedienden en werklieden in zekeren zin
eene groote familie, die, behalve haar scholen, ook een winkel van
levensmiddelen, eene goedkoope spijsinrichting, hulp- en spaarbanken
bezit en eene tamelijk ingewikkelde maatschappelijke organisatie op
zich zelve vormt. Elders vindt men hetzelfde, zij het ook op kleiner
schaal; deze industriëele centra streven er naar, eene zelfstandige
maatschappelijke organisatie in het leven te roepen, waardoor ook
voor de welhaast in duistere slavernij verzonken arbeidersbevolking
een weg geopend wordt om zich uit de diepte op te heffen en tot een
meer menschwaardig bestaan te geraken.

Evenals in de Borinage wordt ook hier deze geheele beweging
hoofdzakelijk geleid door een uitgelezen korps van ingenieurs,
die zich zoo veel mogelijk trachten neer te buigen tot het peil der
onontwikkelden om hen langzamerhand tot zich op te heffen, en ook
in de onderste lagen der maatschappij het licht der wetenschap te
doen schijnen. Hun aantal is legio: de school te Luik, waar beroemde
leeraren eene talrijke schaar van leerlingen om zich vereenigen,
is de kweekplaats, die telkens nieuwe officieren levert, om op de
slagvelden der industrie de drommen der soldaten aan te voeren. Ik
weet niet hoe het in andere landen, waar de grootindustrie bloeit,
gesteld is; maar ik weet wel, dat in dit waalsche land, waar telkens de
moeilijkste vragen worden opgeworpen, met ijver en toewijding gearbeid
wordt aan de geestelijke en zedelijke verheffing en bevrijding van
de arbeidende klasse :--dat geduchte probleem, aan welks oplossing
de moderne demokratie wel waarlijk haar beste krachten mag beproeven,
want aan die oplossing hangt haar leven. En het ware onrechtvaardig en
onbillijk, de goede vruchten van dien arbeid te loochenen, de waarde
der verkregen resultaten te miskennen; te loochenen dat, althans in
de voornaamste centra, het peil der ontwikkeling niet onbelangrijk
gerezen is en de beschaving, ook onder de lagere klassen, vorderingen
heeft gemaakt. En niet alleen tracht men den geest te beschaven, men
doet ook het mogelijke om de positie van den werkman te verbeteren
en hem in zijn eigen oog te verheffen. Te Sainte-Marie d'Oignies kan
de werkman, door geregelde betaling zijner huur, zich den eigendom
verzekeren van zijne woning, die, hoe nederig zij moge zijn, toch
den eigenaar in eigen schatting doet rijzen en hem iets geeft van het
rustige zelfgevoel van een landheer, die op zijn eigen goed zit. Ook
zal het besef van eigendom hem dikwijls bewaren voor de gevaarlijke
verlokkingen van eene fantastische toekomst, waarvan het toch niet
zeker is dat zij inderdaad verbetering in zijn lot zou brengen. Te
Mariemont, waar men hetzelfde stelsel in toepassing brengt, heb ik
arbeiderswoningen gezien. Zij bestaan doorgaans uit vier vertrekken,
twee beneden en twee boven, met een tuintje, dat de noodige groenten
voor het gezin kan opleveren. Eene familie van vijf of zes personen
heeft het in zoo'n huisje wel niet ruim, maar de woning is ten minste
gezond en zindelijk; er heerscht zekere mate van welvaart, een geest
van orde en spaarzaamheid, die deze arbeiderskoloniën zeer gunstig
onderscheidt van de ellendige krotten in de Borinage.

Dit alles is zeker uitmuntend en voortreffelijk; en men moet zonder
eenige aarzeling den ijver, de toewijding en de goede bedoelingen
prijzen van hen, die dit alles in het leven riepen en, naar hun
oordeel, niets onbeproefd lieten om de onvermijdelijke noodlottige
en verderfelijke invloeden en werkingen der moderne industrie te
keeren, en den voortgang van het kwaad te stuiten. Toch--ik mag het
niet verzwijgen--is bij mij menigmaal de vraag gerezen, of aan al dien
arbeid, aan al die inspanning, aan al die opoffering en toewijding niet
iets ontbreekt, eene hoofdzaak ontbreekt: en of niet door het gemis
van dat ééne, al het andere in het eind zal blijken ijdel en vergeefs
te zijn geweest? Voorzeker, deze industrieelen en ingenieurs zijn geen
grove materialisten, die meenen dat voor den mensch alles gedaan is,
wanneer hij eene goede woning en overvloedig voedsel heeft, wanneer
hij trouwen kan en kinderen verwekken; neen, zij weten en begrijpen
dat hij ook geestelijke behoeften heeft, zij trachten zijn verstand
te ontwikkelen, den kring zijner kennis uit te breiden, het licht der
wetenschap ook op den werkman te doen schijnen. Maar, voor hen, immers
voor de meesten hunner, is dat dan ook genoeg: dat intellektueele
ontwikkeling en zedelijkheid, dat kennis en karakter al zeer weinig
met elkander hebben uit te staan; dat het bezit van het eene niet
den minsten waarborg oplevert voor de aanwezigheid van het andere;
dat althans voor de overgroote meerderheid eene bloot verstandelijke,
wetenschappelijke beschaving zonder zedelijk-godsdienstigen grondslag,
zonder positieve religieuse overtuiging, inderdaad geene beschaving,
maar eene verniste barbaarschheid, niet eene weldaad en zegen, maar
veeleer een vloek en een zeer groot gevaar is:--ziedaar eene waarheid
die, naar ik vrees, ook hier, als elders, al te zeer uit het oog
wordt verloren. Zou het niet in de eerste plaats daaraan zijn toe te
schrijven, dat juist onder die zoogenoemd verlichte en ontwikkelde
arbeidersklasse, juist in die kringen der half-cultuur--veel erger
en veel gevaarlijker dan volslagen onwetendheid--het socialisme zijne
vurigste predikers en ijverigste aanhangers telt?

Maar in dergelijke vragen, hoe gewichtig ook, hebben wij ons hier niet
te verdiepen. Overigens zou men zich zeer vergissen, indien men den
toestand der bevolking van deze geheele streek ging afmeten naar enkele
bevoorrechte dorpen, waar de voorgang en de werkzaamheid van eenige
welwillende en menschlievende patroons een weldadigen invloed heeft
uitgeoefend op het lot der arbeiders. Overal elders, waar die invloed
zich niet heeft doen gevoelen, komt de oorspronkelijke ruwheid aan den
dag, die bij de eerste aanraking uwe sympathie voor den ongelikten,
onvriendelijken, brutalen en ontevreden werkman op eene harde proef
stelt. Wanorde en zorgeloosheid kweeken en bevorderen de armoede,
die weder op haar beurt eene gansche sleep van ellende en verkeerdheid
medebrengt.

Wie nu echter niet als moralist of wijsgeer, maar enkel als kunstenaar
deze bevolking gadeslaat, zal getroffen worden door eene krachtig
geteekende individualiteit, door zekere oorspronkelijkheid en een waas
van sombere poëzie, waardoor deze ruwe, misdeelde menschen zoo goed
passen bij de omgeving, bij de woeste, onherbergzame, ruwe fysionomie
van dit land van nimmer poozenden, buitensporigen arbeid. De aard zelf
van dit leven in de ingewanden der aarde of tusschen de gloeiende
fornuizen en smeltovens der pletterijen en glasblazerijen, schijnt
hen als van nature voor te bestemmen tot zekere natuurlijke ruwheid
en woestheid: zij maken bijna den indruk van wezens tot eene andere,
lagere orde behoorende, gedoemd tot den onophoudelijken strijd met de
elementen en de onbewuste krachten der natuur. De donkere teekening
die ik, naar waarheid, van de Borinage heb opgehangen, past ook
volkomen op dit eenmaal zoo schoone land, waarvan de industrie eene
huilende wildernis heeft gemaakt, dat zij heeft misvormd, verscheurd,
geteisterd, omgekeerd, en van alle natuurschoon, van alle frischheid
en leven beroofd.

Echter zou ik u een verkeerden indruk van deze streek geven, indien
ik ook niet wees op de bewonderenswaardige orde onder deze schijnbaar
chaotische wanorde, en op de weergalooze bekwaamheid, waarmede de
industrie van dat verwoeste land heeft weten partij te trekken voor
haar middelen van gemeenschap en vervoer. Als een reusachtig spinneweb
strekken de spoorwegen naar alle kanten en in alle richtingen hunne
tallooze rails uit, die de fabrieken en werkplaatsen verbinden met
de lijnen van den staat. De onophoudelijke donder der voortsnorrende
treinen doet den grond beven, bruist door de tunnels, ratelt over de
viaducs; en dit oorverdoovend geraas vermengt zich met het knarsen
en kraken van duizenden karren op de sintels en het steengruis der
wegen; met de kreten der voerlieden, die hun vracht op- en afladen;
met de beweging en het rumoer van de drukke scheepvaart op de Sambre en
het kanaal van Brussel naar Charleroi: twee belangrijke waterwegen,
waarlangs de produkten van deze reusachtige werkplaats tot in de
uiterste deelen des lands en naar den vreemde worden vervoerd.

Ik zal mijn lezers niet in de fabrieken rondleiden. De bezichtiging
van dergelijke inrichtingen, pletterijen, smeltovens, glasblazerijen
en hoe ze meer mogen heeten, is toch alleen voor den deskundige van
belang en heeft ook alleen voor hem eenige aantrekkelijkheid. Geen
deskundige zijnde, gevoel ik nooit eenigen aandrang om zulk eene
fabriek te gaan bezichtigen; gebeurt het mij eene enkele maal dat
ik haar drempel moet overschrijden, dan is de algemeene indruk in de
hoogste mate onaangenaam, en wensch ik niets liever dan dit lokaal,
waar oog en oor, gevoel en smaak om het zeerst worden gekwetst
en beleedigd, zoo spoedig mogelijk te verlaten. Welnu, ik zal mijn
lezers die kwelling besparen; wij hebben nu waarlijk lang genoeg over
de industrie gesproken, en keeren van harte gaarne tot aangenamer en
belangrijker onderwerpen terug.



IV


De verwonderlijke scheppingen der hedendaagsche wetenschap, de alles
verdringende werkzaamheid der industrie, ze mogen ons niet verhinderen
een blik te werpen op het verleden van het land, waarop de nieuwere
tijd zoo machtig zijn stempel heeft gedrukt, maar waar de sporen en
herinneringen van vroeger eeuw gelukkig toch nog niet geheel zijn
uitgewischt. Trouwens, eene ontwikkeling als waarvan wij getuigen
waren, is alleen mogelijk op een grond, sedert lang door menschen
bewerkt en door hun zweet gedrenkt: en de bodem van Henegouwen heeft
heugenis van tijden, nog ouder dan de oudste historische herinneringen.

In de Borinage heeft zich tot op onze dagen een type bewaard,
wezenlijk verschillende van dien in het overige deel der provincie,
en die door den gelaatsvorm en de breede vierkante schouders
eenigszins herinnert aan de soldaten der romeinsche legioenen,
die in deze streken de pionniers waren der beschaving. Op de plek,
waar thans Bergen, de hoofdstad der provincie, is gelegen, bevond
zich weleer een van die talrijke versterkte legerplaatsen, zooals
de soldaten van Caesar overal in het veroverde land aanlegden. Zoo
vlecht de oude traditie een band tusschen de moderne cyclopen, die in
de mijnen en smelterijen arbeiden, en de bouwers van waterleidingen en
militaire heirbanen, wier werk, de eeuwen tartende, nog bijna overal
in Henegouwen in stand is gebleven. Maar hoe eerbiedwaardig ook,
deze traditie zelve rust op de overblijfselen eener nog veel oudere
traditie, die langen tijd in den schoot der aarde verborgen bleef,
als het geheim van een verdwenen geslacht, dat bij zijn verdwijnen
van de aarde iedere herinnering aan zijn bestaan mede had willen
nemen in het graf der eeuwige vergetelheid, waarin voor en na alle
geslachten der menschen verdwijnen.

Toen de mijnwerkers, die onophoudelijk op hun ontdekkingstocht in
de duistere diepte het eeuwenen eeuwenoude graf schenden, waarin de
versteende overblijfselen slapen van de geheimzinnige reusachtige
wouden der voorwereld,--van welker omvang men zich eenigszins een
flauw denkbeeld zal kunnen vormen, als men bedenkt dat de dikte van
de steenkolenlaag in het bekken van Bergen veertig meters bedraagt,
en dat, volgens nauwkeurige berekening, onze dichtste wouden na
verloop van eene eeuw niets meer zouden opleveren dan een enkele
schop kool van acht millimeters dikte!--toen de mijnwerkers de
eerste bladzijden aan het licht brachten van het geheimzinnige boek,
waarop de hand der natuur zelve de geschiedenis der aarde heeft
geschreven, en men daarop de gewijde teekens begon te ontcijferen,
toen kwam het wel bij niemand op, dat het immer mogelijk zou zijn,
op deze diepte onder de bewoonde aarde sporen te vinden van den
mensch.--En toch, naarmate men met meer ijver en nauwgezetheid deze
relikwieën bestudeerde eener oorspronkelijke wereld, ontdekte men
in de diep bedolven lagen, die eenmaal, in de verre schemering der
eeuwenreeksen, de bovenkorst der aarde hadden gevormd, de sporen
van een menschelijken voetstap. En die sporen volgende, kwam men
langzamerhand tot de ontdekking van menschelijke woonplaatsen,
afkomstig uit een tijd, waaraan iedere andere herinnering reeds bij
den aanvang van hetgeen wij het historische tijdperk noemen, verloren
was. In de provincie Namen vond men voor het eerst het geheimzinnig
spoor van den voorhistorischen mensch. Op het zware gordijn, waarachter
zich voor ons het verleden verbergt, vertoonden zich eensklaps de
geheimzinnige omtrekken van een volk van schimmen, in wie het toch
onmogelijk was de menschelijke gedaante niet te herkennen; van wezens,
die hoe laag zij naar onze schatting ook mogen staan, toch met ons
dezelfde menschelijke natuur gemeen hadden, even als wij aan de wet
van lijden en smart waren onderworpen, en wier lot, als het onze,
buiten hun toedoen geregeld werd door die eeuwige machten, tegenover
wie wij even weerloos staan als zij. Pompeji, eeuwen lang onder de
asch bedolven, herrees op zekeren dag uit haar graf, en toonde ons
een menschengeslacht, te midden van de werkzaamheid en genietingen
des levens plotseling in den dood gestort. Zoo vond men in de grotten
en spelonken van de Lesse en de Hermeton, onder de asch der tijden en
der geslachten, de sporen van eene primitieve wereld, aan welke het
denkbeeld van maatschappelijk leven nog vreemd schijnt te zijn geweest.

In Henegouwen kan het nieuwsgierig onderzoek niet zoo ver terug
gaan. Op het punt, waarop hier de geodesische waarnemingen en
ontdekkingen ons gebracht hebben, vindt men reeds een begin van
beschaving en ontwikkeling; in den strijd om het bestaan--die van
den aanvang af gepaard ging met moord en bloedstorting--in dien
bitteren strijd bediende deze primitieve maatschappij zich van de
wapenen, die haar de aarde zelve verschafte. De eerste arbeid van den
mensch, liever de eerste kunstindustrie--begin en oorsprong van alle
anderen--is gericht op de vervaardiging van doodelijke wapenen, die
hij in de eerste plaats keert tegen het gedierte, dat hem het leven
betwist en dat hij zich tot voedsel neemt, en vervolgens ook tegen
zijn medemensen. Gedreven door de harde noodzakelijkheid om in zijn
levensonderhoud te voorzien, scheurt hij den moederschoot der aarde
open, die hem tot dusverre met haar planten en wortels gevoed heeft,
maar zijne wassende begeerlijkheid niet meer bevredigen kan. Te
Spiennes, niet ver van Bergen, heeft men, diep onder den grond,
een aantal steenen voorwerpen en gereedschappen gevonden, buiten
eenigen twijfel door de hand der menschen bewerkt. Tusschen Dour en
Bergen, midden in het centrum der moderne industrie, heeft men zeven
putten ontdekt, die blijkbaar gediend hadden voor de exploitatie
van vuursteen. Bestond toen reeds in deze streken een brandpunt
van industrie?

In later eeuw, toen het geslacht dezer alleroudste bewoners sinds
lang was ondergegaan, kwamen de romeinsche legioenen, die het oude
Gallië hadden overstroomd, ook in deze landstreek, waar zij de kiemen
zaaiden eener beschaving en ontwikkeling met zoo forsche en taaie
levenskracht begaafd, dat nog heden het geheele land vol is van de
teekenen en herinneringen aan de werkzaamheid dier machtige kolonisten.

Sedert 1829, toen opgravingen te Montigny-sur-Sambre overblijfselen
eener waterleiding aan het licht brachten, heeft men op tal van
plaatsen genoeg sporen van den arbeid der Romeinen gevonden, om zich
eenigermate eene voorstelling te kunnen vormen van den toestand dezer
streek tijdens de heerschappij der onsterfelijke wereldstad. Zeker
moet men hier geen monumenten verwachten als in het land van Trier;
deze bodem, waarin sinds eeuwen onophoudelijk werd gegraven en gewroet
ter opsporing van metalen, eigende zich slecht voor de schepping en
vooral de instandhouding van schoone kunstgewrochten; maar hetgeen men,
onder de eeuwenheugende laag van asch en sintels en slakken gevonden
heeft, hoe misvormd en geschonden ook, toont ons toch duidelijk,
hoe ook hier het zoo verwonderlijke organiseerende en scheppende
genie van Rome werkzaam is geweest om dat ruwe land van rotsen en
ondoordringbare wouden te herscheppen en te ontginnen, ongeveer
op dezelfde wijze als Caesar de ruwe natuur der Nerviërs bedwong
en beschaafde, die bij zijne verschijning de streek bewoonden. Op
verschillende plaatsen vond men graven en werden geheele nekropolen
bloot gelegd. Te Presles--waar, naar de vrij algemeen aangenomen
meening, de gedenkwaardige, zoo moorddadige veldslag geleverd werd,
waarbij zestigduizend Nerviërs aan de legioenen van Caesar de zege
betwistten,--vond men veertig gallo-romeinsche grafsteden. Te Aiseau
ontdekte men een geheel kerkhof. Te Marcinelle ziet men reeds op
vrij grooten afstand eene groote tombe, waar boven een boom oprijst:
ook deze tombe is van romeinschen oorsprong. Te Gerpinnes brachten
de opgravingen eene villa aan het licht, bestaande uit drie gebouwen
met eene onderaardsche kamer, vermoedelijk een lararium, waarheen
een trap van eenige treden toegang gaf, en die, te oordeelen naar
de kruisen tusschen de nissen, later voor de christelijke eeredienst
moet zijn gebruikt.

Deze verre herinneringen zijn echter niet de eenigen, die bij eene
wandeling door het henegouwsche land worden opgewekt.

Henegouwen was van ouds de zetel van een machtigen en schitterenden
adel, waaronder vele geslachten, wier namen door de historie met
onsterfelijken roem zijn gekroond. Welke schromelijke verwoestingen de
moderne industrie ook hebbe aangericht, zij heeft niet overal de sporen
kunnen uitwisschen van de machtige feodaliteit, die haar forschen
stempel op het land drukte en overal hare burchten oprichtte. Nog vindt
ge in dit gewest menig vorstelijk park, menigen ouden feodalen burcht,
menig historisch kasteel: fiere, hooge huizingen, bij wier aanblik ge
het rusteloos rumoer, de razende drijfjacht van het moderne leven, den
woedenden strijd der industrie vergeet: zij doen u denken aan de kalme,
statige, half-koninklijke levenswijze dier hoog-adellijke geslachten,
die niet noodig hadden, in halsbrekenden wedstrijd, te zwoegen en te
draven om eene positie in de maatschappij, welke hun van zelve toekwam,
om het goud, dat van zelf naar hunne paleizen vloeide.

Ginds, in een uithoek der provincie, schuilt, half in de uitgestrekte
bosschen van zijn prachtig park verloren, het in gothischen stijl
gerestaureerde kasteel van Chimay, waaraan zich nog de herinnering
hecht van madame Tallien, die de hand wist te verwerven van een
prins van Chimay.--Elders Enghien, het eenmaal zoo prachtige kasteel,
waar Voltaire toefde en waar een hertog van Arenberg, naar de mode
van de achttiende eeuw dwepende met Jean-Jaeques Rousseau, een soort
van kluis,--maar eene kluis met vijftien à twintig kamers en het
overige naar evenredigheid--liet bouwen. De aloude hooge heerlijkheid
van Enghien was in vroeger tijd het eigendom der Luxemburgs en der
Bourbons, en behoort tegenwoordig aan de familie van Arenberg. Het
kasteel met het park werden door de fransche republikeinen verwoest
en sedert niet meer hersteld. Slechts enkele gebouwen zijn nog hier
en daar overgebleven; en het park, waarin nog de echo's schijnen
om te zweven van vorstelijke jachtpartijen en schitterende feesten,
keert langzamerhand tot den toestand van een natuurwoud terug, zoo als
het was voor vijf eeuwen, toen Pieter van Luxemburg dit uitgestrekte
terrein met een muur liet omgeven. Van het oude kasteel is niet veel
meer over dan de voormalige kapel, die nu geheel op zich zelve in
een weiland staat. Hoe schilderachtig is haar aanblik, nu de natuur
haar groenen mantel van klimop en kamperfoelie om de oude muren heeft
gedrapeerd. Treedt haar binnen, door de gebeeldhouwde eiken deur, en
werpt een blik op die rijke versiering, die beeld- en schilderwerken
langs alle muren; op het altaar met zijne oude schilderijen in
den trant der eerste duitsche meesters; op het uit hout gesneden en
geschilderde altaarblad; op dit zonderling aangrijpend geheel, waaruit
een geur van oudheid en eerwaardigheid, van rust en kalmte u tegenkomt.

Sommigen van deze adellijke huizingen schijnen welhaast in diepen
sluimer verzonken, wegschuilende in de schaduw hunner eeuwenheugende
wouden, en, even als het betooverde paleis der Schoone Slaapster,
wachtende op de herleving van haar blijde, schitterende, glorierijke
jeugd. De portretten der voorouders, in de statige vertrekken,
in de breede gangen en portalen opgehangen, schijnen weemoedig
neer te zien op de eenzaamheid en verlatenheid van het heden, zoo
treurig afstekende bij de beweging en de vroolijke drukte eener
schier vorstelijke hofhouding, waarvan die voorouders in hun tijd
het middelpunt en het sieraad waren. Anderen daarentegen hebben nog
iets overgehouden van het dreigend, krijgshaftig voorkomen der oude
feodale burchten. Zoo, bij voorbeeld, het aan den prins van Ligne
behoorende kasteel van Antoing, dat zijn zonderlingen toren zoo fier
en schilderachtig opheft, omgeven door den wijden muur, waarvan het
zware metselwerk, voor zoo ver het nog in stand werd gelaten, schijnt
te getuigen van de aanvallen en bestormingen, die de trotsche burcht
had te doorstaan. Binnen de wallen van dit kasteel werd in 1565 een
prachtig tournooi gegeven, ter gelegenheid van het huwelijk van de
dochter van den prins van Epinoy met den baron van Montigny. De bloem
van den nederlandschen adel was bij dat feest tegenwoordig: onder
anderen de graven van Egmond en Hoorne en de prins van Oranje. Drie
jaren later werden de beide eersten op de markt te Brussel onthoofd;
de bruidegom zelf, Montigny, eindigde zijn leven onder beulshanden
in den kerker te Simancas; de prins van Oranje viel door het moordend
lood van Balthazar Gerards.

Wie den naam van den prins van Ligne noemt, mag Beloeil niet vergeten,
de vorstelijke residentie van dit vorstelijk geslacht: Beloeil,
met zijn door Delille bezongen prachtige tuinen, de schepping van
niemand minder dan Le Nôtre. Men heeft, en niet geheel zonder grond,
tallooze malen den draak gestoken met dezen architekt der parken,
met zijne symmetrische lanen, perken en heggen, met zijne smakelooze
en kinderachtige misvorming der natuur. Maar wie over dezen stijl
van tuinaanleg een billijk oordeel vellen wil, moet een park als
dat van Beloeil hebben gezien, met zijne breede allée van een mijl
lengte en zijn vijver van zes bunders, met zijn priëelen, zijn heggen
en fonteinen en kunstwerken: alles even grootsch, even breed van
opvatting, even vorstelijk van uitvoering. Want in gewone tuinen,
op kleine schaal, inderdaad den indruk maakt van kinderachtigheid en
suffenden wansmaak, dat verkrijgt hier een geheel ander karakter. Hier
gevoelt ge het, dat eene machtige kunstenaarshand haar stempel op de
natuur heeft gedrukt, het gansche landschap vervormd en gemaakt tot
eene grootsche dekoratie, tot de levende uitdrukking, het tastbaar
beeld van dat architektonisch ideaal, dat den kunstenaar voor den
geest zweefde. Van zulk een park was het vorstelijk kasteel het
middelpunt: de lanen met haar geschoren heggen waren de voortzetting
van de gangen en galerijen van het kasteel; de rijk versierde salons
vonden hun wedergade in de kunstige berceaux en priëelen met hun
marmerbeelden en vazen; geheel de aanleg leende zich uitstekend tot
de volle ontplooiing dier rijke, statige pracht van de koninklijke
en vorstelijke hofhoudingen uit de zeventiende en de achttiende
eeuw.--Aan dien ouden tuin van Le Nôtre, dien de prinsen van Ligne
den goeden smaak hebben gehad te bewaren, grenst de moderne aanleg,
het zoogenoemde engelsche park, in zijn soort niet minder fraai,
niet minder rijk aan schoone partijen en verrukkelijke gezichten.

Het inderdaad vorstelijke kasteel is een museum, niet alleen van
kunstwerken, maar ook van zoogenoemde curiositeiten, waaronder
voorwerpen van hooge historische waarde. Wij kunnen zelfs niet
beproeven eenig denkbeeld te geven van dien schat, door de opvolgende
geslachten hier bijeen gebracht en die alle zalen en vertrekken van
het kasteel vult. Onder do schilderijen vindt men er van Rubens,
Van Dijck, Dürer, Holbein, Velasquez, Caravaggio, Van Eyck, Cranach
en andere beroemde meesters.--Tot de merkwaardigheden van Beloeil
behooren vooral ook die twee afgelegen vertrekjes, die de bekende
veldmaarschalk, prins van Ligne, als krijgsman en diplomaat beroemd,
maar bovenal als de geestige, galante, fijn beschaafde held der hoven
van Versailles, Weenen en Petersburg, die volmaakte type van den
grand seigneur uit het laatst der achttiende eeuw--dus ook filosoof
op zijne manier--bewoonde, en waar hij die Mémoires te boek stelde,
waarin hij met een fijnen, sceptischen glimlach den ondergang eener
wereld beschrijft.

Daar is in waarheid iets eerwaardigs, iets gewijds, in zulk eene
bezitting, van eeuw tot eeuw in dezelfde familie verblijvende, van
geslacht tot geslacht van vader op zoon overgaande, en aldus als
het ware het zichtbaar teeken, het tastbaar symbool wordende van de
eenheid, den roem, de glorie der familie, wier naam en wier leven
als onafscheidelijk met dit domein verbonden is. Welk een schat
van herinneringen bewaart dit eerwaardig kasteel, bewaart iedere
kamer in het vorstelijk slot, ieder plekje in het wijde park. Het
tegenwoordige geslacht hecht niet veel waarde aan de eigenaardige
eigenschappen van geest en gemoed, van denkwijze en karakter, van
de geheele persoonlijkheid, die door dit erfelijk bezit van rang en
aanzien en macht, van eene vaste, door allen erkende hooge positie,
gaandeweg worden gevormd en ontwikkeld en ten slotte haast niet minder
een erfelijk bezit zijn dan de voorvaderlijke grond; het tegenwoordige
geslacht hecht daar niet veel aan, ja, ziet daar laag op neer en wijst
het liefst op de schaduwzijden van dit aristokratisch karakter; maar
of deze geringschatting, deze vijandige minachting geene noodlottige
dwaling is, die schromelijke gevolgen na zich moet sleepen,--ziedaar
eene andere vraag. Wat ons aangaat, met eerbied en Avarme sympathie
begroeten wij deze vorstelijke kasteelen met hun doorluchtige namen,
hun nobele traditiën, hun historische herinneringen; met eerbied
en stillen weemoed wandelen wij om door hunne zalen en galerijen,
door hun parken en tuinen, waar bij iederen voetstap het schoon en
roemrijk verleden tot ons spreekt. Wie weet hoe spoedig ook deze
nobele monumenten van den ouden tijd door den wassenden zondvloed
der sociale revolutie zullen worden verzwolgen!

Een groet aan Ecaussines-Lalaing, vroeger het eigendom der
prinsen van Croy, nu van het doorluchtig geslacht van Arenberg; aan
Ecaussines-d'Enghien, met zijne schilderachtige gothische kapel; aan
Trazegnies, den eerwaardigen, door velerlei restauraties misvormden
burcht, de aloude bezitting van een hoog en edel geslacht. Een groet
aan die allen, voor het meerendeel halve ruïnen, maar ook in hun
verval zoo schoon, zoo eerwaardig, zoo onuitsprekelijk aantrekkelijk
en belangwekkend.

En hoe zouden wij ze mogen vergeten, de schilderachtige ruïnen
van Mariemont, dien prachtigen burcht, waar Maria van Hongarije,
de zuster van Karel V, haar schitterend hof hield? Koning Hendrik
II van Frankrijk, wiens kasteel van Folembray in Picardië, op last
der landvoogdes in de asch was gelegd, wreekte zich, door bij een
onverhoedschen inval, door de nachtelijke duisternis begunstigd,
het paleis van Mariemont te vernielen en aan de vlammen prijs te
geven. Toen de morgen aanbrak, was het prachtige kasteel verdwenen;
maar op het rookend puin had eene onbekende hand de woorden geschreven:


	"_Royne folle! souviens toi de Folembray!_"


Het kasteel werd later onder Albertus en Isabella herbouwd en tot
vorstelijke residentie verkoren. Bij den inval der Franschen in 1794
werd het op nieuw, en nu voor goed, verwoest.



V


Van den top van den Drieëenheidsberg, die zijn breeden rug opheft uit
de vlakke velden van het oude Tournaisis, het Doorniksche gebied,
tusschen de Dender en de Schelde, met zijne vier steden en zijne
drie-en-tachtig dorpen; van den top diens bergs ziet men, uitstekende
boven de daken, de vijf hooge, vierkante torens van Onze-Lieve-Vrouwe
van Doornik (zie bladz. 61). Schoon zij eenigermate wegduiken in den
nevel, die den horizon omhuift, toch maken zij indruk door hunne
forsche afmetingen en hunne stoute verheffing; uit het hart der
doorluchtige, eerwaardige stad beuren zij hunne spits ten hemel,
als een wegwijzer in het schemerend verschiet van het verre, verre
verleden.

Inderdaad, in het oude België is daar geene oudheid te vergelijken
met die van Doornik. Wij staan hier bij de bakermat van de fransche
monarchie; evenals de groote rivieren, wier bron op een vergeten
plek in de bergen, uit den rotsigen bodem opwelt, ver van de landen
die zij met haar overvloedige wateren drenken, zoo ontkiemt de
heerlijkheid en roem der oude fransche kroon aan het barbaarsche hof
dier frankische koningen, die, van Chlodion tot Chilperik, hun zetel
hebben in het Tornacum van de vijfde eeuw. Maar dit kleine volk,
weldra gestaald in de harde leerschool van den krijg, was tot eene
groote taak geroepen; en het bewees die roeping waardig te zijn,
toen het, in de verwarde tijden der ontbinding van het Romeinsche
rijk, met beslistheid en zelfbewuste kracht op den voorgrond trad
en straks, onder de germaansche volkeren, den eersten rang wist in
te nemen en de erfenis van Rome voor zich dorst te aanvaarden. Dit
ging evenwel niet zonder bittere beproeving en harden kamp: in 451
werd de ontluikende frankische koningszetel door Attila verwoest;
vier eeuwen later werd de oude stad de prooi der Noormannen.

Sedert was Doornik als het ware de aangewezen weg, dien de legers,
uit het noorden of het zuiden komende, volgden, dood en verwoesting
verspreidende op hun schreden; en meer dan eens scheen het, als ware
de geteisterde en ter dood gewonde stad onherroepelijk veroordeeld
om in wanhopige stuiptrekkingen te bezwijken. Maar het leven was
krachtig en taai in die oude geslachten; mettertijd sloten de wonden
zich weder, de krachten keerden terug, en het bloed stroomde weer
als van ouds door de aderen; beschermd door haar nieuwe wallen,
die de plaats der gesloopte muren hadden vervangen, zal Doornik
eeuwen lang nieuwe lauweren winnen in schier rusteloozen krijg,
nu eens tegen de Vlamingen alleen, dan tegen de Engelschen en de
Vlamingen te zamen, tegen Hendrik VIII en Karel V, tegen Parma,
tegen Lodewijk XIV, tegen Lodewijk XV. Niets kan haar moed buigen:
de gevaren, waaraan zij telkens is blootgesteld, de rampen die haar
treffen, de belegeringen die zij ondergaat, voeren haar geestdrift
telkens hooger op. De vrouwen wedijveren in onversaagdheid met de
mannen en sneuvelen op de wallen, met de wapens in de hand, liever
dan zich over te geven. In het midden van de tegenwoordige stad, op
het verwonderlijke schoone plein, dat met recht haar forum mag worden
genoemd, waar nevens Onze-Lieve-Vrouwe de Belfroot fier zich opheft,
prijkt het standbeeld van Christine van Lalaing, prinses van Epinoy;
en het monument ter eere der heldhaftige edelvrouw vereeuwigt tevens
de herinnering aan den wanhopigen tegenstand, dien de kloeke stad,
twee maanden lang, aan den hertog van Parma bood: zestig vrouwen en
meisjes en drie-en-dertig knapen sneuvelden in den woedenden kamp. Deze
eeuw was tevens het tijdperk van den hoogsten bloei der nijvere stad;
volgens Guicciardini en Strada dankte zij haar voorspoed vooral aan
haar twee-en-zeventig groote gilden; haar lakens waren wijd en zijd
beroemd, en nog tegen het einde der zeventiende eeuw wordt zij eene
groote, rijke en prachtige stad genoemd. De krachtvolle, energieke
burgerij ook van deze gemeente onderscheidde zich niet minder door
haar dapperheid en lust tot avonturen, dan door haar werkzaamheid en
rustelooze vlijt. Niet minder dan elf ridders van Doornik namen, met
tal van mannen van wapenen, deel aan den eersten kruistocht; kinderen
van Doornik vormden, in oorlogstijd, de lijfwacht der koningen van
Frankrijk, die in deze stad steeds een trouwe bondgenoote vonden. In
de gelederen der beroemde bonden van ordonnancie, die zoo geduchte
ruiterij, namen de poorters van Doornik een eersten rang in; en een
niet minder talrijk contingent leverden zij aan die schitterende
spaansche infanterie, die tot op den dag van Rocroy voor onverwinlijk
gold en wier glorierijke dood Bossuet heeft verheerlijkt. De koning
van Frankrijk, Karel VII, loonde de trouw en de gehechtheid der
poorters van Doornik, door aan de stad het recht te schenken, aan
haar wapenschild de drie koninklijke leliën op azuren grond toe
te voegen, die daar nog heden prijken als eene nobele herinnering
aan haar grootsch en roemrijk verleden. Niet altijd evenwel was, bij
veranderde omstandigheden, de verhouding tusschen de fransche monarchie
en de henegouwsche stad zoo hartelijk; en de herinnering aan Karel VII
weerhield Lodewijk XV niet, om na de zegepraal bij Fontenoi, het een
oogenblik opgeheven beleg van Doornik met alle kracht voort te zetten,
en de rampzalige stad bijna te bedelven onder de veertigduizend bommen,
die zijne vuurmonden in rustelooze woede over haar uitbraakten.

Als door een wonder ontsnapte Onze-Lieve-Vrouwe aan dien verdelgenden
regen van vuur en ijzer, waarin het laatste overschot van de vroegere
welvaart der eens zoo bloeiende stad te gronde ging. Maar reeds vroeger
had die welvaart een onherstelbaren knak gekregen: voor Doornik,
als voor zoo menige andere stad in de zuidelijke Nederlanden, waren
de noodlottige troebelen en oorlogen der zestiende eeuw een keerpunt
in haar geschiedenis. Door een aantal harer burgers verlaten, aan
wanorde en innerlijke verdeeldheid ten prooi, fel belegerd, zonk
zij gaandeweg al dieper; haar bevolking nam af en haar rijkdom smolt
weg. Toch, wie weet, was die sluimer misschien voor haar, als voor
het overige belgische land, eene weldaad: deze rust, volgende op zoo
langdurige en heftige beroering, op zoo koortsachtige opwinding vaak,
gaf gelegenheid om de uitgeputte krachten te herstellen en alzoo
gereed te zijn, om, als de ure van het ontwaken sloeg, den nieuwen
arbeid met frissche kracht en vurigen moed aan te vatten.

Heden ten dage althans is Doornik, dat in de laatste jaren geheel
van gedaante is veranderd en het voorkomen eener vroolijke, bezige,
moderne stad heeft aangenomen, een der eersten op het gebied van
intellektuëele en materiëele ontwikkeling. Nog altijd evenwel leeft in
haar de oude krijgshaftige geest, en nog steeds schenkt zij aan het
belgische leger eene breede schaar van zijne beste officieren. Voor
het overige heeft zij eene volkomen herschepping ondergaan. Vroeger
zag de reiziger, die haar naderde, een woud van torens voor zich
oprijzen: zij telde toen niet minder dan elf parochiale kerken en
vier-en-twintig kloosters en abdijen, bewoond door duizend monniken
en nonnen. Nu beurt zij niet langer haar vijftig torens ten hemel;
maar nog steeds is haar aanblik indrukwekkend; en wie haar betreedt
voelt zich aangenaam aangedaan door de werkzaamheid en de onbekommerde
vroolijkheid der bevolking, die haar welvaart geniet en door de eeuwen
heen haar onverstoorbaar goed humeur heeft weten te behouden.

Op de helling van den heuvel, die de stad bestrijkt, verrijst
de indrukwekkende kathedraal van Onze-Lieve-Vrouwe, haar vijf
donkere torens ten hemel heffende, als eene edele gedachtenis aan
de roemrijke middeleeuwen. Van welken kant men haar ook nadere,
steeds is zij even reusachtig en verheven, en beheerscht zij, in haar
onbewegelijke majesteit, de stad die aan hare voeten rust, veilig in
de schaduw harer vleugelen. Inderdaad is de kathedraal van Doornik het
schoonste monument der romaansche architektuur, dat België bezit; zij
gelijkt onder geen enkel opzicht op de tooverachtige architektonische
scheppingen der gothische kunst: hier treedt de soliditeit in de plaats
der dekoratie, het getal en de massa vervangt den weelderigen rijkdom
en de bevallige lichtheid. Maar deze kerk is grootsch en reusachtig;
haar vijf torens, in het midden van het gebouw saamgegroept, zijn
indrukwekkend als de pyramiden. Dit monument draagt den onmiskenbaren
stempel van die stoere en kloeke mannen van het Noorden, van die
mannen, wier sterke handen, nadat eenmaal hun gemoed zich voor den
invloed van het Christendom had geopend en de kerk hen met haar
geest gezalfd en doordrongen had, uit den chaos eene nieuwe wereld
schiepen en gedenkteekenen oprichten, onvergankelijk als het marmer,
waaruit zij ze optrokken.

De beperkte ruimte, waarover wij beschikken kunnen, maakt het
onmogelijk, eene ook maar eenigermate volledige beschrijving te
geven van de kathedraal: trouwens, mannen van talent hebben geheele
boekdeelen geschreven om dit wondervol monument in al zijn rijkdom
en verscheidenheid te doen kennen: en nog is, naar het schijnt, de
stof niet uitgeput. Overweldigend is de indruk, wanneer men door den
hoofdingang der kathedraal binnentreedt. De grootsche afmetingen van
het majestueuse gebouw; de strenge en sobere eenvoud van het ernstige
romaansche schip, dat aan een klooster doet denken; de majesteit
van het transept en de weergalooze grootschheid der beide absiden,
waarvan men naar waarheid heeft kunnen getuigen, dat geene enkele
romaansche of byzantijnsche kerk in geheel Europa iets dergelijks
heeft aan te wijzen; de verbazende stoutheid, de ideale verheffing
en zwevende lichtheid van het koor, een wonderwerk der gothiek;
de kleurenpracht der rijk geschilderde ramen; het contrast zelfs
der verschillende stijlen, waardoor het monument in verscheidenheid
wint wat het aan eenheid verliest: dit alles werkt samen om van de
kathedraal van Doornik een der schoonste en merkwaardigste gewrochten
te maken, ons door de heerlijke kunst der middeleeuwen nagelaten: een
dier gewrochten, wier aanblik voldoende is om ons al onze kleinheid
te doen gevoelen.

Wel zijn, zoo als ik zeide, van de vijftig torens, die vroeger het
oog trokken van den reiziger, als hij zijne schreden naar Doornik
richtte, er eenigen verdwenen, maar toch blijven er nog genoeg over om
te getuigen van den vromen, godsdienstigen zin der voorgeslachten, die
zich ook uitsprak in zoo menig eerwaardig heiligdom, om de majestueuse
kathedraal van Onze-Lieve-Vrouwe gegroept. De Sint-Jacob draagt nog in
haar geheelen bouwstijl de sporen van het tijdperk van overgang tot
de eigenlijke gothiek. Sint-Piat en haar vierkante toren met drie
rijen rondboogvensters; Sint-Quentijn, waar de strenge soberheid
van het romaansche schip eene zoo aangrijpende tegenstelling vormt
met de sierlijke elegantie van het gothische koor; Sint-Nicolaas, de
overoude kerk, zoo bij uitnemendheid schilderachtig in haar verval:
zij allen staan daar om de Onze-Lieve-Vrouwe-kathedraal geschaard,
niet minder eerwaardig, ook zij, door haar ouderdom en haar nobele
traditiën. Dit geldt vooral van de aan Saint-Piat gewijde kerk, wel
waarschijnlijk de oudste van allen; naar men meent, gebouwd op de
plek, waar weleer een heidensche tempel stond. Ge kent de legende van
Sint-Piatus? Hij was een romeinsch soldaat, die als martelaar voor zijn
geloof werd onthoofd. Nadat de doodelijke slag gevallen was, richtte
het lichaam van den martelaar zich weer op; hij nam het afgehouwen
hoofd in zijne handen, verliet, door engelen geleid, Doornik en begaf
zich naar Seclin, waar hij ter aarde werd besteld. Dat wonder wekte
zoo groote verbazing, dat niet minder dan vijfduizend heidenen zich
op dien stond bekeerden.

Men zou somwijlen in verzoeking kunnen komen, Saint-Piat te
verzoeken, zijne wandeling nog eens te hervatten: want--het valt
niet tegen te spreken--de oude vrome geest is voor een goed deel
uit Doornik geweken, en eene zeer gedunde schare vergadert hier nog
onder de vleugelen der Kerk, van wier macht en heerlijkheid zoo vele
monumenten getuigen. Doornik is--om voor een oogenblik in krantenstijl
te spreken,--een van de "bolwerken" van het belgische liberalisme;
en haar oude heiligdommen zijn voor een deel van haar bevolking alleen
nog maar belangwekkend als historische monumenten. Bovenal echter is
Doornik, en met volle recht, trotsch op haar majestueuse basiliek,
waarvan de vijf torens--de "choncq clochiers", in het onbevallige
doorniksche dialekt--zoo innig saamgeweven zijn met haar geschiedenis
en eene voorname plaats bekleeden in alle liederen en gezangen,
die in den mond des volks voortleven.

Maar niet minder trotsch is de stad op haar schoone, haar ruime
Grand' Place, waar de fiere moed en de heldhaftige vrijheidszin der
oude gemeente nog schijnt voort te leven in het beeld dier Christine
van Lalaing, dier kloeke prinses van Epinoy, die in de oogen van het
volk als het ware eene soort van patronesse der stad is geworden, de
type van den alouden schitterenden riddermoed en hoogen ridderlijken
zin. Dit forum van een krijgshaftig volk is overigens uitnemend
geschikt, om met en nevens de strenge indrukwekkende kathedraal eene
breede plaats te beslaan in de herinneringen, die een volk, dat zich
zelven acht en voor de toekomst leven wil, nooit mag vergeten, nooit
mag laten uitwisschen of verdringen.

Keizers en koningen, machtige vorsten en grooten der aarde hebben op
dit plein den indruk hunner voetstappen achtergelaten--helaas! maar
al te menigvuldig ook een spoor van bloed. Dikwijls werd de eer om
deze gekroonde hoofden te mogen herbergen, gekocht voor den prijs
van den vrede naar buiten of de rust van binnen, als de stad werd
gemengd in twisten en oorlogen, die haar eigenlijk vreemd waren,
en waarbij haar belang niet of slechts voor een gering deel was
betrokken. Maar ook hier, als elders, was dit plein het hart,
het brand- en middelpunt der stad, waar haar eigen leven zich het
krachtigst openbaarde, waar iedere groote of beslissende gebeurtenis
in hare historie òf voltrokken werd òf haar spoor achterliet. Hier
was het dat het volk, op het gelui van de alarmklok der Belfroot,
zich vereenigde om het gevaar van een overval te bezweren, te wapen
te snellen tegen Engelschen of Vlamingen, maatregelen te treffen voor
de verdediging der stad;--hier, dat de volkshartstochten kookten als
de baren eener stormachtige zee;--hier eindelijk, dat het geweten
van een getergd volk zich uitte in de rochelende geluiden van de
slachtoffers der inquisitie, die er onder de wreedste folteringen het
leven lieten. De "steenen man", die, onbeweeglijk op een der hoeken
van het plein geposteerd, zoo menigmaal de zegekreten der uit den
strijd wederkeerende poorters vernam, was niet minder vaak getuige
van deze menschonteerende handelingen en beestachtige wreedheden.

Als de golf zich bij ebbe terugtrekt van het strand, zoo is de
donkere vloed der eeuwen sinds lang teruggekeerd in de breede
bedding der historie, niets achterlatende dan dien trotschen toren
van den Belfroot, als een zwijgend getuige van het verleden. Van de
vele monumenten der aloude fiere gemeenten, die wij achtervolgens
in oogenschouw hebben genomen, is deze een van de oudste en
eerwaardigste. De hooge boognissen aan de vier zijden behooren tot
den oudsten tijd der gothiek, en de toren rijst omhoog met die fiere
kracht en slanke bevalligheid, die de torens der kathedralen uit
denzelfden tijd kenmerkt. Het plein, sinds eeuwen bewaakt door dien
steenen wachter, die noch door de vijandelijke bommen, noch door het
vuur, noch door de stormen werd gedeerd, draagt nog in geheel zijn
voorkomen dat karakter van eerbiedwaardige oudheid, dat schilderachtige
en aantrekkelijke, dat aan het hart en middelpunt der eeuwenoude stad
past: de torens van Onze-Lieve-Vrouwe, het portaal van Sint-Quentyn,
de gevel in renaissance-stijl van de oude Lakenhal, het standbeeld
van de prinses van Epinoy--zij vormen, met den Belfroot, een dier
verwonderlijk schoone stedelijke dekoraties, waaraan België zoo
rijk is.

Maar het oude Doornik heeft ook nog andere herinneringen
achtergelaten. Op den hoek van de rue des Cordes wijst men u een
prachtigen gevel, die zeker, met de Korenhal van Gent, tot de
oudste monumenten van den romaanschen stijl in het geheele land
behoort. Voorts de Pont des Trous, eene voormalige waterpoort,
ongeveer zeshonderd jaar geleden gebouwd: de brug bestaat uit drie
spitsbooggewelven, die twee torens verbinden en op twee pijlers in de
Schelde rusten; ongelukkig zijn de torens gemoderniseerd en verbouwd,
en heeft men ook door andere onhandige restauraties het karakter
van het monument geschonden. Deze brug maakte vroeger deel uit van de
vestingwerken der stad; daartoe behoorde ook de toren van Hendrik VIII,
het eenig overgebleven stuk van de citadel, die de koning van Engeland,
nadat hij zich in 1513 van Doornik had meester gemaakt, liet bouwen om
de stad in bedwang te houden. Dit kasteel besloeg eene aanzienlijke
uitgestrektheid on mocht welhaast eene stad op zichzelve genoemd
worden: het bevatte eene kerk, een hospitaal, een aantal woningen en
eene munt. Zorgvuldig bewapend, ruimschoots van geschut voorzien, was
dit kasteel van Hendrik VIII bovenal verderfelijk voor de financiën
der stad: zij moest eerst voor den bouw der citadel vijftigduizend
kronen aan den koning van Engeland betalen, en later van den koning
van Frankrijk voor tweehonderd-duizend gulden de vergunning koopen om
het kasteel te mogen afbreken. Wellicht zijn ook van den zwaren toren,
die alleen van de vesting overbleef, de dagen geteld.



VI


De reiziger die te Brussel aan het Zuiderstation in den spoortrein
is gestapt, ziet, als hij de boschen van Ghlin heeft verlaten, eene
door kanalen doorsneden vlakte zich voor zijne oogen ontrollen, en
aan den gezichteinder een toren, op eene hoogte gebouwd, benevens
de verwarde massa eener zee van daken, zich uitstrekkende naar
alle richtingen. Mons! roepen de conducteurs; en na het station
te zijn doorgegaan, ziet hij voor zich eene breede straat, die
weldra smaller wordt, en dan ombuigende en kronkelend, door vaak
mikroskopische trottoirs omzoomd, eindelijk uitloopt op een ruim
plein, waarop het stadhuis verrijst. Deze onregelmatige, smalle,
slecht geplaveide straat is toch de voornaamste der stad, waar de
meeste drukte en levendigheid heerscht. Hier vindt men de fraaiste
winkels en magazijnen, wier bontkleurige, opzichtige uitstallingen u
herinneren dat ge in eene provinciestad zijt. Op markt- en feestdagen
verdringen zich ook in deze straat de scharen van mannen en vrouwen
uit de Borinage, de sombere mijnwerkers, voor wie Mons als het ware de
hoofdstad is van dat donker schimmenrijk, waarin zij hun leven slijten.

Tweemaal in het jaar vooral stroomen zij, in dichte scharen naar
de stad, om daar pret te maken: ter gelegenheid van de jaarmarkt
van Sinte-Barbara en bij de kermis van Trinitatis. De jaarmarkt van
Sinte-Barbara, die veertien dagen duurt, is nog in den vollen zin
des woords een volksfeest, waaraan niet alleen de bevolking der stad,
maar ook de buitenlieden volop deel nemen. De kleine burgerij en de
dorpelingen wachten nog steeds op die gelegenheid om allerlei inkoopen
te doen aan de kramen, die waalsche, vlaamsche en fransche kooplui op
de Grand' Place hebben opgeslagen; en dat niettegenstaande te Mons,
als overal, de goedkoope winkels en "schellingsbazars," naar men zou
zeggen, de jaarmarkt overtollig en onmogelijk hebben gemaakt, door
zelven eene soort van altijddurende kermis te organiseeren. En toch:
telkens verschijnen ze weer, die zwervende kooplui, die nomaden van den
handel, die levende relikwiën van een anderen, lang vervlogen tijd;
telkens bouwen zij op het plein een klein en schilderachtig stadje
van huizen van zeildoek, planken en geschilderd papier, waar vlaggen,
bonte uitstallingen, schilderijen in schreeuwende kleuren, brommende
opschriften, verlokkende affiches medewerken om de voorbijgangers
te lokken, wier gemoed zoo zelden tegen deze bekoringen bestand
blijft. Kramen, tenten, spellen vormen eene dichte massa, waartusschen
slechts smalle paden zijn open gelaten voor de bezoekers, die elkander
daar dag aan dag verdringen.

Ik zal mij niet ophouden met eene beschrijving van deze kermis,
die zich alleen daardoor van de vele andere kermissen in het
vroolijke Belgenland onderscheidt, dat hier, vooral op de dagen als
de extra-treinen de drommen uit de Borinage naar de stad voeren, de
dolle uitgelatenheid alle grenzen en perken overschrijdt. Dan levert
de kermis, met name tegen den avond, een schouwspel op, waarvan het
maar beter is, niet in bijzonderheden te spreken. Het zij genoeg te
zeggen, dat geene fatsoenlijke vrouw zich dan op straat kan vertoonen.

Maar Mons heeft meer dan zijn kermissen: het heeft den Doudou;
en evenals Doornik, voor haar kinderen, de stad is van de "Choncq
Clochiers", zoo is Bergen--want laat ons nu ook maar den dietschen
naam noemen--de stad van den Doudou, die als de verpersoonlijking
mag gelden van haar historie, van haar roem en trots.

Tenzij men geloof wil hechten aan de legende van den befaamden draak
van Wasmes, die omstreeks 1133, door Gilles de Chin werd gedood, is het
zeer wonderbaarlijke gevecht van Sint-George met den Lumeçon wel niet
anders dan eene nog altijd voortlevende herinnering aan eene of andere
vertooning der confrerie van Sint-George, die gaandeweg van karakter
is veranderd en toch aan den geest der traditie getrouw gebleven.--Den
avond voor den grooten dag heeft men op de Grand' Place het terrein
afgebakend, waarop de drakendooder zijn heldendaad volvoeren zal. De
heilige wordt doorgaans voorgesteld door een of anderen vroolijken
onderofficier van het te Bergen in garnizoen liggende paardevolk,
die met de geheimen der rijkunst vertrouwd is, en die, het hoofd
gedekt met een gevederden helm en de borst omschanst met een kuras,
het monster den doodelijken slag moet toebrengen. Maar die overwinning
wordt niet zonder moeite en inspanning behaald: telkens en telkens,
met de logge beweging van een om zijn as draaienden toren, wendt en
keert zich de draak in den circus en tracht de vlugge bewegingen te
verijdelen van den dapperen ruiter, die tegelijk aanvallen en zich
verdedigen moet.

Verbeeld u een soort van monsterachtige padde met opgezwollen buik en
uitloopende in een langen en dunnen staart, met een huid die aan het
schubbig pantser van een krokodil herinnert, wiens geweldige kaken en
wiens reuzenkracht ook het eigendom waren van den befaamden draak. Ge
kunt u daarvan overtuigen, door op het stadhuis zijn kop te gaan zien,
die daar als eene relikwie bewaard wordt. Overigens doet niets u minder
aan een wild dier denken dan de verwonderlijke kop van het monster,
die met zijn groote oogen en zijn afhangende wangen eenigszins naar
een menschelijk aangezicht zweemt. Met dien goedhartigen draak zou de
worsteling inderdaad gevaar loopen een kinderachtig spiegelgevecht
te worden, want zijn omvang en zijne logheid maken hem bijzonder
weinig geschikt voor snelle en beslissende bewegingen; maar hij wordt
bijgestaan door een paar lummels met pluimmutsen op het hoofd, die
zijne traagheid op allerlei wijzen moeten aansporen, hetzij door zijn
staart dreigend in de hoogte te tillen, hetzij door hem in vollen ren
over het plein te laten hollen, achtervolgd door den schitterenden
Sint-George op zijn paard, die tegen altijd nieuwe gevaren schijnt
te strijden, telkens bedreigd door de lagen en listen van den zoo
goedigen en komischen demon.

Die beiden zijn overigens niet de eenige kampioenen in het heldendrama,
dat thans voor de oogen van het verrukte publiek wordt opgevoerd,
en dat in dien strijd tusschen een door den hemel uitverkoren heilige
en een door de hel uitgebraakte hydra, het eeuwige en onverklaarbare
dualisme ten tooneele voert, hetwelk de gansche wereld beheerscht en
in alle denkbare gestalten en vormen optreedt. Fabelachtige wezens,
zoo als de chins-chins--eene soort van centauren, half mensch,
half paard, met iets als het achterlijf van een paard, waaronder
slingerende, uitgerafelde broekspijpen te voorschijn komen,--hollen,
met onbesuisde sprongen, naast den heiligen ridder. En telkens als
de held gevaar loopt door den Doudou te worden verrast, snellen zij
toe, springende en steigerende, om hun meester te beveiligen en eene
afleiding te bezorgen.

Maar evenmin als de groote Sint-George, die door de chins-chins in dien
hardnekkigen kamp wordt geholpen en bijgestaan, is ook de helsche draak
aan zijne eigene krachten overgelaten; om de kansen gelijk te doen
staan, heeft Satan hem eene schaar toegevoegd van zwarte gehoornde
helpers, met stokken gewapend waaraan een blaas is vastgemaakt, en
op hun rug geteekend met dreigende duivelskoppen. En vermoedelijk
oordeelende dat zelfs deze hulpbende van duivels nog onmachtig zou
blijken tegenover den ridderlijken heldenmoed in dienst van eene
heilige zaak, heeft Satan daaraan nog andere strijders toegevoegd,
wier vreeselijk voorkomen wel geschikt zou zijn de chins-chins op
de vlucht te jagen, indien dezen niet bezield waren door dien moed,
die tegen alle listen des boozen bestand is. Die geduchte kampioenen
zijn de "wildemannen", van het hoofd tot de voeten met bladeren van
papier bekleed en met zware knodsen in de hand, die zij onophoudelijk
als molentjes in de rondte doen draaien.

Dat de duivelen van het gewicht hunner taak en het ernstige van
het oogenblik doordrongen zijn, blijkt uit de zenuwachtige drift,
waarmede zij slagen doen regenen op hoofd en schouders van de goede
en hulpvaardige chins-chins; terwijl de wildemannen hun geduchte
goedendags zwaaien en telkens fraaie, klassieke standen aannemen,
ten bewijze dat de goedkeuring en bewondering der omstanders hun niet
onverschillig is. Zonder tusschenpoozen woedt de strijd tusschen de
hemelsche en de helsche legioenen, en meer dan eenmaal schijnen de
eersten op het punt van te bezwijken; de dienaars van Satan, vlug,
handig, alom tegenwoordig, zijn onuitputtelijk in telkens nieuwe
listen en lagen; maar steeds weten de chins-chins en hun edele patroon,
de ridderlijke Sint-George, aan de strikken des vijands te ontkomen.

Eindelijk begint de strijdlust van den Doudou en van zijne helpers
merkelijk te verflauwen; naar de beschikking der eeuwige machten,
die de overwinning van den rechtvaardige en de nederlaag van den
booze willen, raken de krachten der duivelen langzamerhand uitgeput,
terwijl die der hemelsche heerscharen verdubbelen naarmate de
homerische kamp zijne ontknooping nadert. Vergeefs wendt en draait
en keert de draak zich met hoog opgeheven staart in alle richtingen;
de strijder Gods zweeft op zijn gevleugeld ros om hem heen en laat
hem geen rust: hij moet vallen, om aan den onverbiddelijken eisch
der eeuwige gerechtigheid te voldoen. Daar richt de heilige zich
op in de stijgbeugels; het druppelend zweet vloeit onder zijn helm
langs voorhoofd en wangen; met gevelde lans zoekt hij de kwetsbare
plek in het schubbig pantser, waar de doodelijke stoot kan worden
toegebracht. Wel is waar, vloeit er geen bloed: om de eenvoudige
reden, dat een bovenaardsch, geestelijk wezen als deze Doudou geen
bloed heeft; maar om dergelijke kleinigheden bekommert men zich
niet. Iedereen is vast overtuigd dat de Doudou metterdaad dood is:
en deze overtuiging weegt tegen iedere andere zekerheid op.

Met ingespannen aandacht en onverflauwde belangstelling heeft het
publiek de gansche voorstelling gevolgd, beurtelings geslingerd
tusschen vreezen en hopen, naarmate de krijgskans gunstiger scheen
voor de duivelen of voor de chins-chins; en wanneer nu eindelijk de
Doudou aan de voeten van Sint-George ligt neergeveld, klinkt daar
uit duizenden monden een triomfkreet, die de lucht doet trillen. De
muziekkorpsen, die onophoudelijk met het geroffel van de turksche
trom en het schetteren der trompetten, het wapengekletter en de doffe
slagen met de blazen hebben geaccompagneerd, verdubbelen nu hunne
pogingen en laten een triomfmarsch weerschallen, waarbij hooren
en zien vergaat. En als ware dit oorverdoovend rumoer nog niet
voldoende, om waardiglijk de nederlaag van den Lumeçon te vieren,
schieten de _pompiers_--op hunne manier ook deel genomen hebben aan den
strijd, door peletonsgewijze elkander te chargeeren en op elkaar te
schieten--nu allen te zamen hunne geweren af. Dan wordt Sint-George,
met de chins-chins, de duivels en de wildemannen, in statigen optocht
teruggeleid naar het Kasteel, van waar hij, eenige uren te voren,
op even plechtige wijze is uitgegaan.

Als nauwgezet historieschrijver had ik eigenlijk met dien uittocht
moeten beginnen, want die is de noodzakelijke inleiding, het voorspel
van de zeer vermaarde en onvergelijkelijke klucht, hoewel die
oneerbiedige naam kwalijk voegt aan de gedenkwaardige jaarlijksche
ontmoeting van Monseigneur Saint-Georges en zijn vijand, den draak
van Wasmes. Nauwelijks is de helm van den held zichtbaar, of met
luid gejubel begroet de schare den uitverkoren kampioen; dat gejuich
vergezelt hem op zijn tocht naar het aangewezen krijt, terwijl de
chins-chins door komische sprongen en allerlei bewegingen schijnen
te deelen in de glorie van hun heer; en het wanstaltig monster,
met moeite in evenwicht gehouden door twee van zijn kornaks,
zich in toorn heen en weer schudt en rondslaat met zijn staart,
die de saamgedrongen menigte doet terugwijken en hier en daar een
neus aanraakt of een hoed ter aarde werpt.--Op zeker oogenblik wordt
het schouwspel werkelijk schilderachtig, als, door eene dansende en
joelende menigte voorafgegaan en gevolgd, de schitterende maskerade
de rue des Clercs afdaalt, en voortgolvende langs de steile helling,
eene fantastische processie vormt, terwijl de helm en het borstkuras
van Sint-George vonken schieten en de bonte kleuren van de zonderling
toegetakelde schare schitteren in het zonlicht. Voorop gaan de
duivelen, draaiende en dansende en allerlei bokkesprongen makende;
dan volgen de chins-chins met manen en vederen en wuivende dekkleeden,
springend en steigerend; vlak achter hen waggelt de Doudou, als eene
groote boot, wiegelend op de golven dezer menschenzee; hoog boven de
hoofden der woelige menigte vertoont zich eindelijk de kloeke figuur
van den toekomstigen overwinnaar, trotsch op zijn krijgsros gezeten,
met rustige, vroolijke blikken om zich ziende, en in zijne vuist de
lans drillende, die den draak vellen zal. Uit aller monden klinkt
het oude populaire lied van den Doudou, dat, gevoegd bij de schelle
tonen der muziekkorpsen en hoog in de lucht geaccompagneerd door
het klokkenspel, dat de beroemde wijs door de ruimte doet schallen,
de gansche stad tot de verste wijken met een gerucht van feestvreugde
vervult, dat niet verflauwen zal zoolang de strijd duurt.

Kort voor de vertooning van den Doudou heeft eene andere, zuiver
godsdienstige plechtigheid plaats: de processie van Trinitatis, waarbij
de eerwaardige en gezegende relikwiën van Sinte-Waltrudis worden
rondgevoerd. Gezegend inderdaad, want, naar luid der overlevering,
had Mons, in 1349, aan de wonderkracht dezer heilige relikwiën
het ophouden te danken eener vreeselijke epidemie, die de stad
teisterde. Telken jare houdt de statige processie de herinnering aan
dit feit levendig. Dan verschijnt ook de beroemde gouden kar of wagen,
waarop de schitterende relikwiënschrijn is geplaatst. In doorzichtige
wierookwolken gehuld, nadert hij, de gouden wagen, langzaam en statig,
getrokken door twaalf witte paarden, omstuwd, voorafgegaan en gevolgd
door banieren en kruisen, door priesters in vol ornaat, door jonge
meisjes in witte kleeding, door de schittering van goud en borduursel
en purper en edelgesteenten. De wagen zelf gelijkt een hofrijtuig
uit de achttiende eeuw; hij heeft de gedaante van een wit verlakt en
verguld vaartuig, met bloemslingers versierd en met engelenbeeldjes,
die men bijna voor liefdegoodjes zou aanzien. Deze prachtige wagen is
echter maar een van de merkwaardigheden der schitterende processie,
waarbij de kathedraal al haar schatten ten toon spreidt en de naburige
kersspelen hunne rijk versierde Madonna's zenden, om aan den ommegang
deel te nemen. Als de onafzienbare stoet de Grand' Place betreedt, met
zijn tal van geestelijken in schitterend koorgewaad, met zijn prachtige
troonhemels, banieren en tabernakels, met zijn oogverblindende pracht
van goud, van edelgesteenten, van zijde en fluweel, dan is de aanblik
overweldigend en onvergetelijk; dan begrijpt men, dat het Katholicisme
nog in vollen nadruk eene macht is, niet enkel in het vlaamsche,
maar wel degelijk ook in het waalsche land.

Zulke feestdagen zijn echter natuurlijk uitzonderingen: nauwelijks
zijn de tonen der muziekkorpsen verstomd en zwijgt het gejuich,
of Mons keert weer terug tot den eentonigen sleur van het leven
in eene provinciestad. Maar hoe traag en loom de uren en dagen ook
verloopen in de ledigheid van het kleinsteedsche leven, toch weten de
inwoners van Bergen zich aan den noodlottigen invloed van dergelijke
omstandigheden te onttrekken en wakker te blijven. Hierbij komt hun
bovenal hunne opgewektheid van geest, hunne levendige fantasie,
en hunne onuitputtelijke vroolijkheid te stade. Vooral onder de
volksklasse komt deze eigenaardigheid sterk uit: bijna iedere buurt
heeft haar eigen grappenmaker of grappenmakers, die in de herbergen
steeds een kring van bewonderende toehoorders om zich weten te
vergaderen, en wier woorden en daden, wier anekdoten en avonturen, van
mond tot mond oververteld, de stof leveren voor eindelooze verhalen
en levendige gesprekken, vaak genoeg tintelend van echten, joligen,
zij het ook soms ruwen humor.

Mons is tegenwoordig eene mooie, aangename stad, die haar wandelingen,
haar parken, haar straten en huizen zeer goed onderhoudt; deze laatsten
zien er netjes en zindelijk uit, en hebben bijna zonder uitzondering
een zuiver modern voorkomen; oude aanzienlijke hotels zijn hier zeer
zeldzaam: zij zijn verdwenen, evenals, voor verreweg het meerendeel,
de oude aristokratie, die schitterende henegouwsche adel, wier roem
van ridderzin en heldenmoed eenmaal wijd en zijd weerklonk, en wier
schoone historische namen toch nog altijd een van de gloriën--en
voorzeker niet een van de minste--des lands zijn. Maar toch heeft Mons,
ondanks zijne herschepping in de laatste tijden, nog de herinnering
bewaard aan vroeger tijd, toen de diligence van Brussel naar Parijs in
de stille stad van paarden moest verwisselen. Wie zich van dat oude
Mons eene voorstelling wil maken, die verlate de moderne buurten,
hier volmaakt even eentonig en karakterloos als overal elders,
en richte zijne schreden naar de binnenstad, met haar smalle,
bochtige, kromme straten, die zich in zoo schilderachtige wanorde
dooreenslingeren, tegen een vrij steilen heuvel, waarop het Kasteel
troont, omhoog klauteren, en met haar ouderwetsche geveltjes en haar
bijna onmogelijk plaveisel van scherpe keien, die eer voor geiten
en muilezels geschikt schijnen, een beeld vertoonen van den ouden
tijd. Dit Kasteel--of liever die toren van het kasteel, die met de
hoofdkerk van Sinte-Waltrudis het hoogste punt van Mons beslaat,
is nog een van de weinige oude monumenten, die aan de hand der
sloopers ontkomen zijn. Toch is de ouderdom van dit monument maar zeer
betrekkelijk: het is niet meer dan twee eeuwen oud, en onder de vele
torens, die in het vlaamsche land hun spits ten hemel beuren, is de
Belfroot van Bergen ongetwijfeld de jongste. Van het oude eigenlijke
kasteel is niets meer over dan een brok muurs van een der voormalige
poorten. De toren onderscheidt zich ook door zijn bouwstijl van de
andere stedelijke wachttorens: toen hij na een brand herbouwd werd,
gaf de bouwmeester Ledoux aan het monument de tegenwoordige gedaante,
die eenigszins vreemd afsteekt bij zijne oorspronkelijke bestemming.

Ook het stadhuis heeft zijn vroeger voorkomen in die mate veranderd,
dat er eenige inspanning toe gevorderd wordt om zich het gebouw voor
te stellen zoo als het was in de vijftiende en zestiende eeuw, toen
het geheel paste in de omgeving der middeleeuwsche woningen, die de
Grand' Place omzoomden. Maar zoo het dak en het torentje, en vooral
het ergerlijke balkon, dat de oude pui vervangen heeft, slecht passen
bij de rijke en smaakvolle ornamentiek van de vijftiende-eeuwsche
architektuur, toch is het raadhuis nog een der sieraden van Mons en
maakt het eene niet onwaardige figuur naast de vele gemeentelijke
paleizen, die de oude stedelijke aristokratie in België voor zich
zelve bouwde.

Men verhaalt, dat, toen ten gevolge van onophoudelijke regens,
van hongersnood en pest het werk stilstond en de talrijke
arbeidersbevolking gebrek leed, de magistraat van Bergen, ten jare
1440, tot den bouw van een nieuw raadhuis besloot, ten einde op die
wijze aan de bevolking werk en brood te verschaffen. Is dit verhaal
overeenkomstig de waarheid, dan zou het stadhuis tevens een monument
zijn van den wijzen en voorzienigen zin der burgervaderen van Bergen.

Evenwel, de grootste schat van Mons is nog niet hier: beklim
de hellingen, die naar de kathedraal leiden, en wanneer gij uwe
wandeling om het koor met zijne veelhoekige kapellen hebt volbracht,
treed dan door den hoofdingang de statige kerk van Sinte-Waltrudis
(Sainte-Waudru) binnen. Reeds dikwijls genoeg hebben wij een dier
heerlijke kathedralen bezocht, waaraan België zoo rijk is, een
dier onovertroffen gewrochten van de verheven middeleeuwsche kunst,
die toch altijd weer een zoo machtigen, zoo overweldigenden indruk
maken op het gemoed. Waarin schuilt het geheim van die toovermacht,
waarmede deze oude kathedralen ons telkens en telkens weer aantrekken
en boeien? Zou het niet voor een goed deel hierin zijn, dat zij in
al hare deelen een volkomen harmonisch geheel zijn; wel te verstaan,
niet zoozeer uit een technisch, een architektonisch oogpunt, maar veel
meer, omdat uit het geheele gebouw en uit elk zijner deelen één zelfde
geest spreekt, omdat ééne grootsche gedachte, ééne verhevene, teedere,
heilige ziel het indrukwekkende monument doordringt; omdat wij,
door deze wondervolle kathedralen omdolende, ons als overgeplaatst
gevoelen in het leven en denken en gevoelen dier voorgeslachten,
wier gansche leven en streven daarom vooral zoo groot en schoon is,
omdat het zelf, door ééne heilige inspiratie gedragen, ook één geheel
was. En aangezien nu de mensch door niets meer aangetrokken pleegt
te worden, dan door hetgeen hij gevoelt te missen, is het alleszins
begrijpelijk en natuurlijk, dat deze indrukwekkende, heerlijke,
krachtvolle eenheid van het middeleeuwsche leven, waarin niettemin
voor de rijkste verscheidenheid plaats was, ons met weemoedig
heimwee vervult. In dien geest, in die stemming van eerbiedige,
stil weemoedige piëteit, willen wij ook eenige oogenblikken toeven
in de ernstige majestueuse, bijna strenge Sainte-Waudru van Mons,
waar het gemis eener rijke dekoratie van schilderijen en standbeelden
en allerlei andere kunstwerken, waardoor de vlaamsche kerken vaak
op museën gelijken, krachtig medewerkt tot dien machtigen indruk van
godsdienstige verheffing, van mystieke extase en ontvluchting aan al
het aardsche om op te stijgen tot de bronnen van het eeuwige leven der
ziel. Ook doet deze soberheid de grootsche lijnen der architektuur, in
haar strengen eenvoud, te beter uitkomen, en geeft te beter gelegenheid
om de eigenlijke gedachte te doorgronden van den kunstenaar, die
het edele monument schiep. Wie was die kunstenaar? Ook hier, als
bij zoo menig ander monument, moet de vraag onbeantwoord blijven:
deze oude kunstenaars bekommerden zich niet in de eerste plaats om
hunne eigene reputatie. Langen tijd heeft men de eer der schepping
van dit meesterstuk van majesteit en elegantie toegeschreven aan
Jean de Thuin en zijn zoon; maar latere onderzoekingen hebben aan
het licht gebracht dat Jean de Thuin slechts het werk van zijnen
onbekenden voorganger voortzette. Het doet er trouwens weinig toe,
of wij al den naam kennen van den grooten kunstenaar, in wiens brein
deze edele conceptie ontkiemde en rijpte: hij liet ons zijn werk en
daarmede het beste van wat in hem was achter: aan ons om te leeren
verstaan wat hij ons door deze schepping zeggen wil, aan ons om te
trachten, ons weder zooveel mogelijk te doordringen van dien geest,
te voeden met dat ideale geloof, dat hem en duizenden met hem tot het
verrichten hunner groote, de eeuwen trotseerende daden, het scheppen
hunner in meer dan een zin onsterfelijke werken in staat stelde.



VII


De fraaie rotsige landschappen in de vallei van de Sambre geven
reeds hier en daar, door de plotselinge verheffingen van den grond,
een voorsmaak van de naburige Ardennen. Thuin, Lobbes, met hunne
groene of krijtachtige heuvelen, die zich in de wateren spiegelen,
zijn als het ware een beeld in het klein van de meer forsche en ruwe
bekoorlijkheden der valleien van de Lesse, de Hermeton, de Bocq: en dit
karakter treedt steeds duidelijker in het licht, naarmate men Chimay,
Mariembourg en Couvin nadert. Maar om de volle eigenaardigheid van eene
bijna woeste natuur te begrijpen, moet men de streek tusschen Sambre
en Maas, het nog min of meer twijfelachtige landschap van overgang,
verlaten en tot de boorden van laatstgenoemde rivier naderen. Eerst
daar vertoont de natuur die eigenaardige physionomie, die nog de
sporen draagt van worsteling en wanorde en strijd, dien trek van
toorn en smart en woede, waarover thans, nadat de rust is weergekeerd,
de glimlach der tevredenheid zweeft.

Reeds even voorbij Chimay, in die uitgestrekte heide, die zelfs de
stalen vlijt en onuitputtelijke volharding der Trappisten nog maar
voor een deel heeft kunnen ontginnen, maakt het landschap een anderen
indruk, dan dien ge tot dusver ondervonden hebt. Reeds daar teekenen
zich de eerste trekken van die kosmische weeën, die op geheel deze
natuur haar onuitwischbaren stempel hebben gedrukt. Eensklaps ontrollen
zich de Fagnes van Chimay, door struikgewas en moerassen afgebroken,
die in den zomer zijn uitgedroogd en waarover in het najaar lage en
vochtige nevels zweven: en het landschap maakt op u den indruk van eene
opeenvolging van ruwe en snijdende tonen, die de toehoorders moeten
voorbereiden op de schokkende tafreelen van het eigenlijke drama.

Hier begint inderdaad het voorspel: ge bevindt u in eene woestijn,
waarin zich de mensch toch woningen en dorpen heeft gebouwd en
die langzaam en onwillig terugwijkt voor de vereenigde pogingen
van den landbouwer en den os, te zamen gebogen onder hetzelfde
juk, trekkende aan denzelfden ploeg. Voert uw verdere weg u in de
gevaarlijke moerassen en hooge veenen, die zich van Spa tot Malmedy
uitstrekken, waar nergens een dak te bespeuren is om u te beschermen
tegen het brandend steken van de zon, nergens een groepje boomen om
uw oogen te verpoozen van het staren in de strakke gloeiende lucht,
nergens eene bron of beek om uw folterenden dorst te lesschen; als
ge door deze wildernis dwalen zult, aan alle martelingen ten prooi,
dan zal de gewaarwording, welke ge daar ondervindt, toch maar alleen
in graad verschillen van hetgeen ge hier gevoelt, in dezen voorhof
van het woeste land.

Maar ditmaal is die indruk niet meer dan voorbijgaande: op de wildernis
volgt nu al spoedig een paradijs van ruischende wateren en lommerrijk
geboomte, van schilderachtige heuvelen en vreedzame dalen, die u reeds
een denkbeeld geven van de zoo karakteristieke valleien, waardoor de
Semais, de Ourthe, de Amblève en de Lesse haar kristalheldere wateren
stuwen: zij, de meer bekende zusteren van die nederiger najaden, zich
verbergende onder den naam van Eau-Noire, Eau-Blanche, Eau-d'Heure,
Brouve, Viroin, Hermeton en Acoz.

Tegelijkertijd bevolkt zich het land: de dorpen vermenigvuldigen zich;
de bergen worden hooger, de rotsen kantiger en grilliger van lijnen;
scherpgeteekende profielen trekken telkens uw oog bij iedere kromming
van den weg, die rijst en daalt en in breede slingeringen de hoogten
bestijgt. De horizon verwijdt zich; de plateaux ontrollen zich voor
uw oog; de frissche berglucht zet uwe longen uit; de onwederstaanbare
betoovering van de hooge plaatsen der aarde doortintelt uwe aderen.

Zoo is de landstreek tusschen de Sambre en de Maas,
l'Entre-Sambre-et-Meuse, als eene voorbereiding voor de eigenlijke
Ardennen: het is nog niet de oneindige uitgestrektheid der
bergplateaux, nog niet de majesteit van de boorden der Maas, nog niet
de tooverachtige idylle der valleien van de Lesse en de Bocq; maar
haar bosschen, haar heidevlakten, wat nog over is van de Marlagne,
het geheimzinnige donkere woud, dat ten tijde der revolutie nog eene
oppervlakte besloeg van twintig vierkante mijlen, vertoonen toch
reeds een beeld in het klein van dat betooverende land, waarvan ieder
die het ooit mocht betreden, eene onuitwischbare herinnering mede
draagt.--Drie groote valleien, van de Hermeton, de Molignée en de
Viroin, doorsnijden met haar diepe ravijnen het land, en aan dezen
sluiten zich andere kleinere valleien, die van de Heure en de Acoz,
als vertakkingen van een reuzenboom, die het gansche land met zijne
armen omstrengelt.

Later, in de eenzame omgeving van de baraque Michel, op het hoogste
punt van de Ardennen, als in eene koude zwijgende woestijn verloren,
zullen wij den grond, in wilde sprongen, zich zien opheffen tot
zeshonderd el boven de zee; maar hier bereiken de hoogste bergen
nog niet een derde van deze hoogte. Maar hoe nederig en bescheiden
zij vergelijkenderwijze ook mogen zijn, toch geven de rotsen van
de Entre-Sambre-et-Meuse ons reeds een beeld te aanschouwen van de
verscheuringen dezer gefolterde, als het ware stuiptrekkende natuur,
op welke inderdaad de zoo vaak misbruikte vergelijking met de golven
eener versteende zee van toepassing is. Wilde men het beeld voltooien,
dan zou men de hooge plateaux, die daarboven hunne effen vlakten
ontrollen, kunnen vergelijken bij de stranden, zich opheffende boven
het onstuimig gewoel der wateren.

Doch beneden, nu eens stil den voet der rotsen lekkende, die
zij op andere tijden als woedende draken bespringen, dartelt en
stoeit en zingt het vroolijke koor der rivierkens. Hier wellustig de
hellingen omarmend der bergen, wier rotsachtige krijtwanden en dichte
boomgroepen zij in haar kristallen wateren weerspiegelen; elders zich
een weg banende door de trillende treurwilligen, waaronder de azuren
insekten zweven en dansen;--overal ziet gij ze, tallooze slingeringen
beschrijvende, zich verliezende in het malsche groen der weiden,
om dan weer nieuwsgierig voort te dartelen langs den grooten weg,
in zijn bochtigen gang vaak niet minder grillig dan zij zelven.

Haar aantal is legio: daar hebt ge, behalve de Molignée, de Hermeton
en de Viroin, die haar naam gegeven hebben aan de valleien welke
zij besproeien, de Yves, de Biert, de Flavion, de Acoz, de Brouve,
en al die andere beekjes met haar welluidende namen, die als de
dochters van eene zelfde familie, allen den gemeenschappelijken
naam dragen van Eau. Overal hoort ge ze babbelen en neuriën, als de
nooit zwijgende muziek, de zilveren lach van het landschap: aan het
suizen van den wind in het ritselend gebladerte paren zij het zoet
gekweel der fluitspelende sylfen in het riet langs haar boorden;
en de rotsen, die eenzame reuzen, op wier schedel de donkere kroon
van den nooit stervenden ouderdom rust en die eeuw in eeuw uit in
zwijgenden ernst de jaren over zich heen voelen glijden, zij zien
neder op de vroolijke kinderen, uit hun somberen schoot geboren,
die aan hun voet huppelen en dartelen, en in hun blijde sprongen met
milde hand parelen en diamanten strooien om zich heen.

Volg ze op haar baan, deze wandelaarsters: zie hoe zij den zilveren
draad van haar heldere wateren al verder en verder ontspinnen te midden
van de stille landschappen, van al de zoete liefelijkheden der natuur:
schaduwrijke kreekjes, nestjes van groen, fluweelige weiden met bloemen
bestikt, amphitheaters van bosschen tegen de berghellingen gebouwd,
woeste ravijnen in de rots uitgesneden, telkens afwisselende panorama's
en vergezichten, ongedachte verrassingen bij iedere kromming; eene
opeenvolging van _dissolving views_ in eindelooze verscheidenheid
elkander verdringende, maar zoo als de onuitputtelijke natuur alleen
ze voor de oogen tooveren kan. Volg ze op haar baan, die dichterlijke
zwerfsters, die van niets meer gruwen dan van de rechte lijn; volg
ze met vreugdevol vertrouwen, zij zullen u--'t is waar, niet langs
den kortsten weg, maar langs ongebaande, nauw vermoede paden, dolend
en dwalend als de knaap die onwillig naar de school gaat en ieder
voorwendsel aangrijpt om zich op te houden;--ja, zij zullen u brengen
naar stille plekjes, waar ge droomend nederzit en het u zijn zal,
als hoordet ge duidelijk het loflied, dat bergen en rotsen, wouden en
velden, vlakten en dalen, rivieren en beken, onverpoosd opzenden naar
den hoogen hemel, die zich zegenend uitbreidt over de bloeiende aarde.

Als ge Chimay verlaten hebt,--Chimay, waar verval en verlatenheid hunne
tenten hebben opgeslagen sedert de vroolijke hofhouding der prinsen
verdween; Chimay, waar op het kleine plein het standbeeld verrijst
van den genialen verteller, den onnavolgbaren kroniekschrijver Jean
Froissart, die in het koor der kerk den eeuwigen slaap slaapt;--en als
ge achter u de bosschen laat liggen, waarin nog de echo's zweven van
al deze gloriën van een grootsch verleden, en de reusachtige vijvers,
waarop weleer vergulde gondels dreven en waarlangs nu de eenzame
reigers starend uitzien naar hunne prooi;--dan ontmoet ge weldra op
uw pad een zingend en murmelend beekje, waaraan men zeker ter wille
van de zilveren helderheid van zijn water, den naam gegeven heeft
van Eau-Blanche. Dit is de eerste dier levende idyllen, wier zoete
zang u van alle zijden in de ooren dringt, de eerste althans die ge
ontmoet als ge uit Henegouwen komt, en als ge, om uw tocht door de
Ardennen te beginnen en de provincie Namen te bezoeken, al aanstonds
uwe schreden richt naar den doolhof der valleien, en langzaam, zonder
eenige overhaasting, uwe voetreis vervolgt, om u, zooals het behoort,
gaandeweg vertrouwd te maken met de schoonheden van het landschap,
met het eigenaardig karakter der natuur om u heen. Ge zijt er immers
met mij van overtuigd, dat een reiziger, die inderdaad het land dat
hij bezoekt, wil zien en leeren kennen, geen hooger en duurder plicht
heeft dan dezen: dat hij zich ten strengste onthoude van ooit een
voet te zetten in een spoorwagen of wat daarop gelijkt?

Kom aan, laat ons deze moderne inrichtingen vergeten: wij gaan
wandelen. Al voortgaande, keuvelende, rondziende, luisterende, zijn wij
een weinig het spoor bijster geworden: wij zullen hier even stilhouden
bij deze schaapskooi en de deur een weinig openstooten. Maar niet te
snel en niet te ruw: laat ons den jeugdigen zanger niet storen, die
uit volle borst een lied zingt van de bergen, op die eigenaardige,
half weemoedige, slepende wijze, die, vooral op zekeren afstand, zoo
liefelijk klinkt en zoo aangenaam het oor streelt, als eene muziek,
zwevende op den adem van het koeltje en altijd door ruischende als een
nooit eindigend lied. In den warmen gouden nevel, die de schemerende
ruimte vervult, ontdekt ge het blozende gelaat van den knaap, die
naar u toekomt en op wiens gebruinde wangen, in wiens donkere oogen
ge kracht en gezondheid leest. Misschien begrijpt ge zijne aanwijzing
niet volkomen: geen nood, hij is aanstonds bereid, u te vergezellen en
u weer op den rechten weg te helpen. Wij treden dan uit de van gloed
doortintelde schemering naar buiten in het volle zonlicht; en terwijl
de rotsen zich in statigen ernst ter wederzijde van den weg scharen,
terwijl de meerlen fluiten in het lage hout en de klaprozen gloeien in
het schrale gras, begint de vroolijke, levenslustige knaap u allerlei
geschiedenissen te vertellen. Hij verhaalt u van Jean, den molenaar,
wiens rad ge daar ginds achter de treurwilgen knarrend wentelen hoort,
en die, oud vrijer, sedert vijftien jaren vergeefs uitziet naar eene
bruid zijner keuze; van Martinette, de dochter van den herbergier
van het dorp, die de preutsche uithing en die toch ten vorigen jare
zich vergat met een mijnheer uit de stad; van het ongeluk dat den
postbode van een naburig dorp overkwam, die door zijn eigen karretje
overreden werd; eene ramp, waarvan de herinnering nog wordt bewaard
door den met mos begroeiden steen, dien hij u wijzen zal; maar hij
weet ook te verhalen van geheimzinnige verschijningen en geesten,
die, in sommige nachten, rondzwerven om de oude gebroken muren,
die ge hoog boven uw hoofd, op den top der rotsen, tegen den blauwen
hemel hunne grillige lijnen ziet teekenen. Ja, zoo ge eenigszins zijn
vertrouwen weet te winnen, zal de flinke knaap u ook zijne eigene
geschiedenis vertellen en u deelgenoot van zijne zoete geheimen, zijne
wenschen en verwachtingen maken. Onbeduidend gebabbel, waaraan het
niet de moeite waard is, eenige aandacht te schenken. Het zij zoo:
maar toch altijd belangwekkender en aangenamer om te hooren, dan
het oorverdoovend ratelen der wielen over de rails of het demonisch
fluiten van de stoompijp.

Zoo is het met de Eau-Blanche en met al die andere beekjes, wier
leven--want hebben zij geen eigen leven, dat geheimzinnige leven,
dat de ouden, die de natuur zooveel beter verstonden en gevoelden
dan wij, verzinnelijkten in hun nimfen, hun sylfen en najaden?--zoo
innig gemengd is met het nederig en eenvoudig bestaan dezer
landbewoners. Midden door de dorpen, van deur tot deur, stuwen zij
haar heldere wateren voort, waarin de huismoeders haar groenten en
haar linnengoed wasschen, waarin de runderen hun dorst lesschen, als
zij den kop opheffende, van den breeden muil sprankelende diamanten
laten droppelen. In die murmelende beekjes plassen en dartelen de
eenden met haar jongen, zoo pas aan het broedende nest ontsnapt; in
dien kristallen spiegel weerspiegelt zich het rimpelig gelaat van
het oude grootje, nevens het rozige kopje van haar kleinkind, dat
het eene handje uitstrekt om de vlugge vischjes te vangen en met het
andere zich vastklemt aan grootmoeders boezelaar. En wanneer ge, de
dorpen achter u latende, het vrije veld ingaat, dan zullen de beekjes,
dartelend langs den voet der heuvelen, u heenvoeren naar de eenzame
hoeve, verloren te midden der velden, naar de grot, die ginds den
donkeren muil openspert, naar den ontmantelden en ontkroonden burcht,
die als met ijzeren klauwen in de rots geworteld staat.

Met de Eau-Blanche wandelt ge door vlakke velden, langs heuvelen
en rotsen, bespiedt ge in de vroege morgenuren het ontwaken
der sluimerende dorpen: hier Aublain, Vaux, Lompret, ginds
Boussu-en-Fanges, verder Mariëmbourg, een oude vesting, wier wallen
zijn gesloopt en wier grachten zijn gedempt, zelfs geene ruïne meer,
niets dan een groepje kleine lage huizen, waartusschen de koeien
haar weg zoeken, als zij des morgens naar de weide gaan. Richt uwe
schreden oostwaarts: daar troont Fagnolles, de zeshonderdjarige
ruïne, die met hooghartigen weedom schijnt neer te blikken op het
diepe verval der stad van Maria van Hongarije, nu niets meer dan een
doodsch gehucht. Zij zelve, de eerwaardige ruïne, zij mag met fieren
trots haar wonden en bressen vertoonen, en haar gebroken torens en
geschonden muren ten hemel beuren, als de nog onverwoeste herinneringen
aan haar roemrijk verleden.

Overal, op dezen alouden historischen bodem, vindt ge de sporen
van den voortijd: de talrijke adellijke burchten zijn niet meer dan
steenhoopen, en op de plek, waar weleer zoo menige kleine krijgshaftige
vesting stond, drijft de landman thans den ploeg door den grond. Van
Sautour, de stad met de zestien torens, zoo als de kronieken haar
noemen, is niets meer over dan enkele brokken muurs. Maar al is de
oude burcht verdwenen, soms, als te Couvin, van welks rots het eens
zoo geduchte kasteel broksgewijze naar beneden is gestort, soms hebben
de huizen en de straten nog iets van het oude karakter behouden. Eene
zuster van de Eau-Blanche, aan wie men om haar van de vele andere beken
te onderscheiden, den overigens geheel onverdienden naam van Eau-Noire
heeft gegeven, deelt het stedeke in twee helften, en weerkaatst
in haar heldere wateren menig aardig, ouderwetsch, overhangend
geveltje. Dan klauteren de smalle steegjes tegen de rots omhoog en
brengen u eindelijk boven op de kruin van de donkere steenmassa,
waar eene herberg de plaats vervangt van den ouden feodalen burcht.

Eene niet onaardige anekdote knoopt zich aan de verwoesting van deze
sterkte. De geweldige jager, die toen over Chimay regeerde, Jean
de Croy, ontzag zich niet, naar het schijnt, om met zijne honden te
gaan jagen in de bosschen van Couvin en zich alzoo meester te maken
van wild, waarop hij geen recht had. Deze minachting van hun recht
ergerde en verbitterde de poorters der stad, die eindelijk besloten,
den roover in eene hinderlaag te vangen; en te oordeelen naar een
onlangs ontdekt dokument, gingen zij daarbij al even ongegeneerd
te werk als de adellijke strooper zelf. Op zekeren dag dan, toen
de graaf weer in de bosschen van Couvin jaagde en, door zijn ijver
medegesleept, in vollen ren voortdraafde, zoodat hij geheel van zijn
lieden gescheiden was, schoten die van Couvin gemaskerd op hem toe,
grepen de teugels van zijn paard, hielden hem tegen, knevelden hem
en bonden hem een doek voor de oogen. Zoo trokken zij met hem heen en
weder door het bosch tot omstreeks het vallen van den avond, zoodat het
scheen als hadden zij hem ver weg gevoerd, en brachten hem eindelijk,
buiten medeweten van de andere burgers, op het kasteel van Couvin,
waar zij hem in een donker hok in een der torens opsloten. Daar
wierp men den gevangene een weinig water en brood toe, om hem alzoo
langzamerhand van gebrek te doen sterven. In dien kerker bracht de
graaf zeven jaren door, zonder dat zijne echtgenoote of iemand anders
van zijn gezin eenige tijding ontving, daar ieder meende dat hij
door roovers was vermoord of door wilde dieren verscheurd; hij zelf
wist ook niet, waar hij gevangen werd gehouden, noch om welke reden,
zich verbeeldende dat hij zich op grooten afstand van Chimay bevond,
waarvan hij toch ter nauwernood drie mijlen verwijderd was.

Eindelijk erbarmde de hemel zich over den martelaar. In zijn kerker,
die in de rots was uitgehouwen, bevond zich eene nauwe spleet, waardoor
hij eenig licht ontving; en aan den voet dier spleet lag eene kleine
vlakte, waar een knaap de schapen hoedde. Deze knaap vond er vermaak
in, met zijn handboog te schieten en aan te leggen op die kleine
opening in de rots: na verschillende vruchtelooze pogingen gelukte
het hem eindelijk, een pijl door het gat te schieten. Toen hij nu
naderbij kwam en zijn arm in het gat stak om zijn pijl te halen,
greep de graaf hem bij de hand vast; de jongen huilde en schreeuwde,
maar de graaf bracht hem tot bedaren, sprak vriendelijk met hem en
vroeg hem waar hij was; en van den knaap vernomen hebbende, dat hij
te Couvin was, verzocht hij den jongen, zijn vader te roepen.

Wat nu volgt is min of meer raadselachtig. Bij het weinige licht, dat
door de opening in de rots drong, schreef Jean de Croy een brief aan
zijne echtgenoote, haar dringend verzoekende, dat men hem nu aanstonds
zou komen verlossen. Hoe en waarmede schreef hij dien brief? Het
oude verhaal meldt daaromtrent niets; en met reden: immers wat zou er
van de legende terecht komen, als er niet iets geheimzinnigs in deze
jammerlijke geschiedenis overbleef? Kortom, de herdersjongen belastte
zich met de bezorging van den brief en ontmoette de gravin, juist toen
zij over de ophaalbrug van het kasteel ging om zich naar de mis te
begeven. Op het zien van het schrift van haar echtgenoot verbleekte
de dame en zonk in de armen harer vrouwen; maar weldra kwam zij weder
tot zich zelve en zond dadelijk het bevel naar de zeventien dorpen der
heerlijkheid van Chimay, dat alle gewapende mannen moesten opkomen om
hun heer te verlossen. Spoedig wemelt het op de wegen van gewapenden,
de pieken blinken in den zonneschijn; twee kanonnen rollen zwaar
dreunend over den weg, en de geheele drom slaat het beleg voor Couvin,
welks burgers niets van dien onverwachten aanval begrijpen. Wat willen
die lieden toch? "Onze heer is daar opgesloten, en kwijnt sedert
zeven jaren weg in een afschuwelijk hol!" roepen die van Chimay,
de vuist dreigend opgeheven tegen den burcht. De verbaasde poorters,
die nog altijd niets wisten van de vangst, door eenigen hunner in de
bosschen gemaakt, en niet vermoedden welke vorstelijke prooi daar in
de rots gevangen zat, beklimmen in vliegende haast de trappen die naar
het kasteel leiden, openen de deur van den kerker en geven de vrijheid
weder aan den hoogen baron, die haastig uitgaat en nu op zijne beurt
niet rust, voor hij het kasteel tot gruis geschoten heeft. Na dit
voorval herbouwden de poorters van Couvin hunne rotsvesting niet meer.



VIII


Weldra vervolgt de Eau-Noire haar grillige wandeling door de velden
en dalen, haar kristalheldere wateren met zoet geluid voortstuwende
over de bemoste steentjes in haar ondiepe bedding; maar eensklaps
verandert de idylle in een somber drama. De liefelijke beek, in wier
klaren spiegel zich het blauw des hemels en de bloemekens langs den
zoom weerspiegelen, verdwijnt eensklaps bij den _pont d' Avignon_,
een met dien populairen naam gedoopten berg, die daar juist gereed
schijnt te staan om het arme, roekelooze rivierke, dat hem onbedacht
in den mond loopt, met een hap te verslinden.

Nu verneemt men in vier-en-twintig uren niets van de Eau-Noire:
immers, men heeft uitgerekend dat zij vier-en-twintig uren noodig
heeft, om weer te voorschijn te komen uit de duistere afgronden,
waarin zij wellicht aan allerlei mishandeling ten prooi is. Als zij
eindelijk, aan de andere zijde van den berg, weer aan het daglicht
treedt, dan kookt en schuimt haar water: siddert de teedere najade
nog bij de herinnering aan hetgeen haar in de diepte weervoer? Maar
weldra herstelt zij zich weer: haar water wordt weer helder, en zingt
weer haar vroolijk lied, en weerkaatst weer den reinen blauwen hemel
en de bloemekens langs haar zoom.

Deze geheimzinnige roman speelt te Nismes, een vlek, door het gansche
land bekend van wege een oud gebruik, dat nog aan de riddertijden
herinnert. Het is namelijk te Nismes oude zede, wanneer een huwelijk
gesloten wordt, dat de hoofdlieden der jongelingschap voor het
kerkportaal het bruidspaar afwachten, bruid en bruidegom met gekruisten
degen tegenhouden en niet doorlaten, voor de jonkman een lint van het
kleed der bruid losgemaakt en met eigen hand op de borst van een der
ridders vastgehecht heeft. Echter kan de man--maar dit is zeker een
later inkruipsel--die schatting tegen eene zekere som afkoopen.

Nabij Dourbes vereenigen de Eau-Blanche en de Eau-Noire haar wateren
en vormen te zamen de Viroin, die de overschoone vallei van gelijken
naam gaat besproeien. Dadelijk neemt het landschap een ruwer en
romantischer karakter aan; de rotsen worden steiler, en op den top van
een loodrechten rotswand troont, als een vooruitgeschoven wachtpost,
eene schilderachtige ruïne: de bouwval van het kasteel Haute-Roche,
dat het lot deelde van zoo vele andere feodale burchten in het
land tusschen Sambre en Maas, en door de kogels van het fransche
geschut werd vernield, toen de gewapende benden van Hendrik II als
een sprinkhaanzwerm neerstreken op de valleien, overal moord en
verwoesting verspreidende.--Maar beneden, aan den voet der dreigende
rots, vloeit de Viroin in stille bekoorlijkheid en weerspiegelt in
haar heldere diepte den donkeren rotswand en de geteisterde ruïnen,
met haar sombere herinneringen van geweld en bloedstorting. Wat
is zij nu anders, de eens zoo geduchte veste, dan een motief in de
romantische dekoratie van het idyllische landschap?

Konden wij over de noodige ruimte beschikken, hoe gaarne zouden wij
u uitnoodigen, met ons te dolen door die liefelijke valleien tusschen
Maas en Sambre, zoo rijk aan het meest afwisselende natuurschoon. Maar
wij moeten ons beperken en kunnen slechts voor enkele punten uwe
aandacht vergen.

Een groote weg, die de Hermeton doorsnijdt en naar Stave voert,
ontmoet bij Rosée en niet ver van haar oorsprong, de kleine, pas
geboren beek de Molignée, die met haar tallooze krommingen, van
Foy tot Moulins, de naar haar genoemde vallei vormt, zeker een der
schoonste en liefelijkste van de geheele streek. Ook hier teekenen
zich, schier zonder eenige onderbreking, ter wederzijde, de groote
kantige profielen der ernstige rotsen, als in het harnas vergrijsde
krijgers, schouder aan schouder geschaard. En altijd, in het dal, het
zangrig lied van de beek, het geklepper der wentelende molenraderen,
die fonkelende diamanten strooien; voorts de steenachtige voorde,
waar de koeien, ter halver lijve in het murmelende water stappende,
gaan drinken; de waterkers, trillende op de rimpeling des waters; de
stuwen waartegen de golfkens schuimend koken, en langs den oever de
knoestige wilgen, wier saamgeweven takken als een gordijn van groen
vormen, waar de roodbruine rotsen doorheen schemeren.

Te Foy voert een niet al te steile helling naar het plateau, waarop
zich de ruïne verheft van het oude kasteel van Faing, in de twaalfde
eeuw gebouwd, in de veertiende veranderd, en dat nu meer bekend is
onder den schoonklinkenden naam van Montaigle. Is het niet, als hoordet
ge, op den klank van dien naam, de echo der schetterende trompetten,
als de heer van de jacht of van den oorlog--eene andere soort van
jacht--teruggekeerd, de houten ophaalbrug opreed en door zijne
dienstmannen feestelijk ontvangen en met gejubel ingehaald werd. Ze
zijn als geknipt voor een of ander schokkend romantisch verhaal,
eene geschiedenis als van Blauwbaard, die schilderachtige ruïnen,
als een arendsnest tronende op den top van eene steile rots. Nog
hangen de trappen hier en daar tegen de zware muren der torens en
klauteren, wentelend en draaiend naar boven, en brengen u plotseling
op eene of andere tinne, als opgehangen in de ledige ruimte en van
waar uw blik den ganschen omtrek overziet, en wel in de eerste plaats
den geschonden, ontwapenden steenklomp aan uwe voeten. Toch moet de
ruïne van Montaigle in grootsche epische majesteit onderdoen voor
de indrukwekkende overblijfselen van menigen anderen burcht uit het
heldentijdvak der feodaliteit, van die geduchte vestingen, waarin de
fiere krijgshaftige baronnen zelfs koningen trotseerden. Het slot,
waarvan wij de bouwvallen overzien, dagteekent uit later tijd, toen
de feodaliteit bereids ten ondergang begon te neigen en de ridder
maar al te vaak in den roover opging. Maar, spreekt de overlevering
waarheid, dan heeft deze rotsheuvel heugenis van nog ouder dagen,
en zou hier eenmaal Quintus Cicero zijn kamp hebben opgeslagen,
waarvan de sporen eeuwen lang bleven bewaard.

Als ge van de ruïne den omtrek overziet, dan dwalen uwe blikken over
eene zee van groen, waar tusschen en waarboven, als voorgebergten in
den oceaan, grillig gevormde rotsen uitsteken, die aan de eene zijde
met steile helling in het dal afdalen, en aan de andere samenhangen
met de hooge plateaux, waarop de korenaren golven en die tot aan de
oevers der Maas reiken. Terwijl ge dit eigenaardige landschap overziet,
luistert ge onwillekeurig naar het harmonisch ruischen van de Molignée,
dat, vermengd met het ritselen der bladeren, als eene zoete muziek
uit de diepte van het dal u tegenklinkt. Hoe bekoorlijk het landschap
ook zij, toch draagt het eenigszins een ernstig karakter: niet verre
immers is de antieke kloof der Flavion, het eerste voorhistorische
station des lands. Daar, in de opengescheurde ingewanden der aarde,
vond men in vijf grotten of spelonken--den trou du Sureau, den trou
de l'Erable, den trou Phillippe, den trou du Chêne en den trou du
Lierre--merkwaardige en hoogst belangrijke overblijfselen uit het
tijdperk van den mammouth en het rendier. Als ge van Montaigle naar
Dinant wilt gaan, moet ge dien weg volgen: na de kloof verlaten te
hebben, klautert ge omhoog naar Haut-le-Wastia, een groot vlek,
op het hoogste punt van het plateau, van waar ge langs golvende
hellingen ongemerkt afdaalt naar de eerwaardige ruïnen van Bouvignes,
in de onmiddellijke nabijheid van Dinant.

Maar wij hebben nu lang genoeg buiten rond gewandeld, het is tijd
weder de steden op te zoeken: wij zullen dus onze schreden richten
naar Namen, de hoofdstad van dit land van rotsen en wouden, en ons
punt van uitgang kiezen in het smalle dal, waarboven de romantische
ruïne van Montaigle oprijst. Eene kleine wandeling brengt ons naar
Walcourt, eene oude heerlijkheid, wier geschiedenis opklimt tot de
elfde eeuw, en wier fraaie gothische kerk wijd en zijd beroemd is
wegens het wonderdoende beeld van Onze-Lieve-Vrouwe, dat zij bevat.

Omstreeks zeshonderd jaar geleden, werd het heiligdom eensklaps door
het vuur aangetast; maar godvruchtige handen redden het beeld der
verhevene schutsvrouwe uit den vuurpoel en bergden het veilig in de
holte van een boom. Toen het gevaar geweken was, trachtte Thierry,
graaf van Rochefort vergeefs het beeld uit die tijdelijke bergplaats
te verwijderen om het weder in de kerk te plaatsen. De edelman
bad en smeekte te vergeefs, tot zijn paard zoo geweldig begon te
steigeren, dat hij bijna ter aarde was gevallen. Nu begreep de graaf
dat Onze-Lieve-Vrouwe iets meer van hem vorderde en hem bijzondere
genade bewijzen wilde: als door een hemelschen lichtstraal getroffen,
zag hij wat hem te doen stond, en deed hij op het eigen oogenblik de
gelofte, de abdij du Jardinet te zullen stichten. Nauwelijks had hij
deze gelofte afgelegd, of het beeld liet zich gewillig medevoeren. De
boom, die tijdelijk ten verblijve strekte aan Onze-Lieve-Vrouwe
van Walcourt, is sinds lang ontbladerd: maar telken jare wordt op
nieuw de herinnering gevierd van het mirakel, en groent op nieuw de
legendarische linde op de eigen plek, waar de oude boom eenmaal stond.

Op dienzelfden merkwaardigen Trinitatisdag, waarop, op de Grand Place
van Mons, Sint-George met zijne lans den verschrikkelijken draak van
Wasmes nedervelt, schaart zich de ban en de achterban der omliggende
kerspelen, in krijgshaftige vortooning om de eerwaardige linde. Bij
het krieken van den dageraad vormen zich in de verschillende dorpen,
bij het roffelen der trommen en het geschetter der trompetten, de
dappere bataillons, op de zonderlingste manier toegetakeld, gedost in
de bontste uniformen, gewapend met musketten, met pieken en sabels,
het hoofd gedekt met helmen, kolbaks, beremutsen, shakos, petten en
fez. Met deftigen ernst defileeren zij te midden der bloeiende hagen
en witte appelbloesems, zoo echt martiaal als gold het de verdediging
van het bedreigde vaderland. De grond dreunt onder den maatvasten stap
der kompagniën, die in gesloten kolonnen oprukken, de kapiteins aan de
spits, en vaak genoeg halt houden om hunne door het stof verdroogde
kelen met een hartigen dronk te verfrisschen. Dan draven en loopen
de officieren, als herdershonden langs de kudde, en zwaaien hetzij
den slakkensteker van den infanterist, hetzij de lange lat van den
dragonder, hetzij een schermdegen, hetzij een sabel of een kris of wat
soort van wapen ook, en schreeuwen zich buiten adem om weer een schaduw
van orde te herstellen en voort te rukken naar de aangewezen plek, waar
reeds andere, niet minder fantastisch uitgeruste benden zijn opgesteld.

En telkens ziet men nieuwe rekruten opdagen, met vuurrood gelaat
en in de meest opgewekte stemming, en die verschillende troepen,
allengs saamgevoegd, vormen een leger, waarvan de wedergade zeker
niet gemakkelijk te vinden zou zijn, en dat, op een gegeven teeken,
oprukt naar de gewijde linde. Dan begint eene gansche reeks van
zonderlinge, ingewikkelde manoeuvres, het onmisbare voorspel voor de
groote plechtigheid der wegvoering van Onze-Lieve-Vrouwe, door een
middeleeuwschen ridder, van het hoofd tot de voeten in ijzer gehuld,
als weleer zijne gedroomde voorvaderen. Wie dit oogenblik gezien heeft,
zal het niet licht vergeten: bij brigades in de velden geschikt,
staan daar de verschillende gezelschappen en vereenigingen, die zich
gedurende eene maand en langer hebben geoefend voor deze vertooning
en nu prijken in den meest fantastischen dos dien men zich denken
kan, waartoe de uniformen van bijna alle europeesche legerkorpsen
van vroeger en later tijd hun contingent hebben geleverd.

Toch, al moge het tafreel op u den indruk maken van eene
maskeradeklucht, is het dezen lieden ernst. Zonder lachen volvoeren
zij de manoeuvres en gehoorzamen aan de bevelen hunner officieren,
marcheeren en vuren op kommando, al zijn zij op de zonderlingste
manier gewapend met allerlei soort van schietgeweer. Er wordt kruit
genoeg verbrand: men schiet en manoeuvreert tot eindelijk de voorraad
is opgeteerd en, tegen het vallen van den avond, de vermoeide krijgers
huiswaarts keeren, ieder naar zijn dorp of zijne boerderij.

En deze zonderlinge vertooning bepaalt zich niet tot Walcourt: te
Gerpinnes heeft iets dergelijks plaats ter eere van Sinte-Rolande,
die om hare eer te redden, in haastige vlucht door negen dorpen ijlde
en eindelijk bij eene bron nederzeeg en stierf; ook daar trekt een
soortgelijk militair geleide mede met de relikwiën van de heilige,
die in statigen ommegang door de negen dorpen worden gedragen, welke
zij zelve doorliep eer zij den adem uitblies.

Elders, te Fosses, in het ronde bekend om zijn Saint-Follien, en te
Foy-Notre-Dame--waar, zooals de legende verhaalt, een timmerman, met
een slag van zijn bijl, een beeld ontblootte van de Madonna, dat in een
eik verborgen was,--heeft de militaire vertooning maar eens in de zeven
jaren plaats, maar dan ook met een praal, waarvoor soms zelf de parade
van Walcourt zwichten moet. Welke de oorsprong van deze zonderlinge
vertooningen is, kan ik niet met zekerheid zeggen: misschien zijn
zij niet meer dan eene herinnering aan vroegere toestanden, toen het
noodig kon zijn, de kerken en de daarin bewaarde heilige voorwerpen
en relikwiën te verdedigen tegen roovers en dieven, die zich niet
ontzagen ook naar gewijde schatten de handen uit te steken.

Van Walcourt naar Fosses is eene heele wandeling: maar de aandacht
wordt zoo zeer in beslag genomen door de schoonheden van het landschap,
dat men aan geen vermoeienis denkt. De zang van den leeuwerik in
de oneindige ruimte, het suizen van den wind in de heidestruiken,
het loeien der runderen in de weilanden, al die landelijke stemmen
en geluiden smelten samen tot een akkoord, passende bij de zoete
droomerijen van uw geest, als ge het drijvend wolkje naoogt in het
azuur, of uw blik laat rusten op den kalmen waterplas, als een metalen
spiegel op een fluweelen kleed, uitgespreid in de bruine heide;
als ge luistert naar het kunsteloos gezang van den boerenjongen,
die naast den weg zijne twee paarden huiswaarts leidt, of naar het
tjingelen der bellen van de kleurig opgetuigde hit voor de huifkar
van den postbode. Eindelijk, na eene lange wandeling door bosschen
en velden en dorpen, betreedt ge de groote straat van de oude goede
stad van het prinselijke bisdom van Luik, met haar ouden kerktoren,
door dienzelfden Saint-Follien gebouwd, tot wiens eer de beroemde
zevenjarige parade gehouden wordt. De doorluchtige stad, zoo als
Fosses in de kronieken genoemd wordt, is thans niets meer dan een
stil gehucht, dat alleen op den dag van de paardenmarkt voor eenige
uren uit zijne dommelige rust ontwaakt.

Weldra dalen de plateaux en eene opeenvolging van zacht glooiende
heuvelen brengt ons weder in de schoone en liefelijke vallei van de
Sambre. Voor ons verrijst Floreffe, tegen de helling van een heuvel
gebouwd, welks top is gekroond door de eerwaardige gebouwen der oude
beroemde abdij, thans tot seminarie ingericht. De heilige Norbert,
de stichter van de orde der Premonstratensers, grondvestte in de
twaalfde eeuw deze abdij, die eeuwen lang tot de beroemdste en
voornaamste gestichten der zuidelijke Nederlanden behoorde.

Naarmate wij in het schoone dal de grillige kronkelingen der rivier
volgen en dichter bij Namen komen, vermenigvuldigen zich langs
de beide oevers de lusthuizen en buitenverblijven, waar de rijke
burgers der stad de zomermaanden doorbrengen. Floriffaux, Flawinne,
Salzinne, liefelijke vlekken in het groen verloren, zijn als het ware
de voorsteden van Namen, wier fiere citadel, tronende op de steile
rots, eensklaps voor ons oprijst. Wij zijn te Namen.



IX


Niet zoodra zijt ge aan het station uit den trein gestapt, of ge
bemerkt aan al de drukte en beweging dat ge u op een dier middelpunten
van het verkeer bevindt, die als het ware door de natuur zelve zijn
aangewezen en van waar, in alle richtingen, de wegen uitgaan over
bergen en dalen.

Bijna onophoudelijk zijn de seintoestellen in beweging; de schijven
draaien; de hefboomen verplaatsen de rails; de schoorsteenen der
lokomotieven blazen met schor geluid hunne rookwolken omhoog; de
grond dreunt onder de rollende raderen; de lucht is vervuld van
heeten damp en rook en weerklinkt van het onophoudelijk getjingel
der elektrische schellen, van het gebrul der machines, het gegil
der stoomfluiten, van al de onharmonische geluiden, die u op een
station de ooren kunnen verscheuren. Telken male als een nieuwe
trein met donderend geraas onder het ijzeren dak komt aanrollen en
eensklaps stilstaat in zijn suizende vaart, hoort ge het geluid
van raampjes die haastig worden neergelaten, van portieren die
worden opengerukt, gevoegd bij het kraken van het kiezelzand onder
de voeten der uitstappende reizigers, het geroep der conducteurs,
het gewoel en gedrang der passagiers die haastig eene plaats zoeken
te veroveren in de half geleegde wagens. Eenige minuten duurt die
onbeschrijfelijke mengeling, die schijnbaar onoplosbare verwarring;
dan stroomen de nieuw aangekomenen naar buiten; de vertrekkenden
zijn in de wagens gezeten; enkele conducteurs rennen nog even heen
en weer; dan worden de portieren toegeslagen: het sein wordt gegeven,
en zuchtend, zwoegend, stampend rolt het log gevaarte het station uit,
en gilt der stad zijn afscheidsgroete toe.

En dat dergelijke tooneelen zich vaak genoeg herhalen, zult ge
begrijpen, als ik u mededeel, dat dagelijks ongeveer driehonderd
treinen, zoo passagiers- als goederentreinen, het station van Namen
passeeren, en dat het bedrag der uitgegeven plaatsbiljetten per dag
ruim twintigduizend francs bedraagt. Deze buitengewone toevloed
van reizigers vindt zijne verklaring in de ligging der stad, die
het aangewezen uitgangspunt is voor tochten en uitstapjes in de zoo
romantische, aan allerlei schoonheden zoo rijke streek der Ardennen.

De natuur, tot dusverre nog eenigermate aarzelend en onbeslist,
neemt hier te Namen het onmiskenbare karakter van het bergland
aan. Rotsen en bergen stijgen in fiere beweging tot eene hoogte van
vele honderden voeten; tusschen de vaak steile hellingen slingeren zich
de diepe dalen, waardoor de rivier de Maas en vele andere rivierkens,
die hare wateren eindelijk met die van den hoofdstroom vereenigen,
zich een weg banen. Een frissche wind, van de hooge toppen gedaald
of uit de verwijderde bergkloven opgestegen, prikkelt de longen en
doet het bloed sneller vloeien. Als ge dien wind opsnuift, gevoelt
ge het dadelijk dat zoowel de gesteldheid van de atmosfeer als van
de aarde anders is geworden; en onwillekeurig bekruipt u de lust tot
verre wandelingen, tot zwerftochten over die bergen, die u schijnen
te tarten tot bestijging. Overal oprijzende boven de daken der stad,
lokt de grijze rotsmassa, waarop de citadel troont, wel in de eerste
plaats tot een bezoek uit.

Namen deelt dan ook, onder dat opzicht, in het voorrecht van Dinant,
dat het steeds door een groot aantal reizigers gekozen wordt als
punt van uitgang voor uitstapjes in het omliggende land, hetzij naar
het dal van de Sambre, hetzij naar dat van de Maas. Bovendien biedt
de stad, aan het punt waar de beide rivieren samenvloeien tegen haar
krijgshaftige rots geleund, allerlei genietingen aan, die het verblijf
kunnen veraangenamen: zij heeft haar casino's, haar sociëteiten en
clubs, waarin de toeristen en vreemdelingen zeer gemakkelijk toegang
kunnen verkrijgen en gastvrij worden ontvangen. De voornaamste
straat, ter wederzijde omzoomd door fraaie, druk bezochte winkels
en magazijnen, strekt zich tot aan de overzijde uit en brengt u in
het open veld, en terwijl vlak in de nabijheid, hijgende en blazende
toeristen bezig zijn, de steile berghellingen te beklimmen, zitten
gansche reeksen van kalme visschers langs de kaai en werpen den hengel
uit naar de talrijke bewoners der groenachtige wateren, spartelende
en zwemmende in de snelvlietende rivier; of wel klieven scherpgepunte
gieken den stroom, terwijl de roeiers, in hunne gestreepte tricots
en met bloote armen, met rhythmische slagen de riemen op en neer
doen gaan.

Visschen en roeien zijn inderdaad de twee voornaamste uitspanningen
van de inwoners van Namen, zoowel van den gezeten burger, die er
een eigen boot en een kompleet stel vischtuig op nahoudt, als van
den werkman, de arbeiders in de fabrieken, die vooral des zondags
in geheele scharen zich nederzetten langs de oevers om deel te nemen
aan het geliefkoosde vermaak, of, zoo zij er al geen deel aan nemen,
dan toch er naar te kijken en te genieten van de vrije lucht en het
onbelemmerde uitzicht over de rivier. Trouwens, als in bijna alle
steden langs de rivieren, vindt men ook te Namen eene eigenaardige
bevolking, die, naar het schijnt, niets anders te doen heeft dan
langs den waterkant te drentelen, naar de rivier en naar de lucht te
kijken, of uren achtereen, de bewegingen gade te slaan van een dobber,
dansende op de golfjes. En in waarheid, het schouwspel, dat zich op
de kaaien van Namen, vooral langs de Maas, voor de oogen ontrolt, is
schoon genoeg om de aandacht en de belangstelling te wekken; terwijl
de drukke beweging van vaartuigen en kleine stoombooten op de rivier
aan het prachtige berglandschap, met zijn panorama van groenende
heuvelen en donkere rotsen, eene eigenaardige bekoorlijkheid bijzet.

Maar ook de stad zelve ontbreekt het niet aan fraaie gezichtspunten,
hetzij men van de omliggende hoogten den blik laat dwalen over haar
kerken en huizen, haar tuinen en boomgroepen, in den gordel der oude
muren; hetzij men zich waagt in den doolhof van straatjes en steegjes
rondom de Sint-Janskerk; hetzij men eindelijk, op de ijzeren brug
staande, de nauwe kloof overziet, ter wederzijde door huizen omzoomd,
waardoor de Sambre hare wateren voortstuwt. En de gemoderniseerde stad,
met haar vroolijk voorkomen, haar met bloemperken versierde pleinen,
haar nieuwe boulevards, past geheel bij den lustigen, vroolijken,
opgewekten aard harer burgerij, die alle genietingen des levens,
die der tafel niet het minst, op hoogen prijs stelt en zich in dit
ondermaansche tranendal zoo goed mogelijk tracht te amuseeren.

Des zaterdags vooral is het er druk en levendig: dan stroomen van
alle kanten, uit de dorpen langs de rivieren en de gehuchten in het
gebergte, de buitenlieden naar de stad: de boerenknechts, de een, een
paar kleine magere ossen voor zich uit drijvende; een ander, een kar
mennende met gespierde paarden bespannen; een derde gewapend met een
zweep, onophoudelijk heen en weer dravende om een troep weerbarstige
biggen in bedwang te houden. Dan vervult een ongewoon gerucht de
straten: het gehinnik der paarden, het gebalk der ezels, het geblaf der
honden, het geloei der runderen, het gekakel van kippen, als ware de
geheele stad ééne groote boerderij geworden. De meeste pleinen zijn in
markten herschapen, waar ge bergen van groenten en geurige vruchten
ziet uitgestald naast stapels eieren en klompen boter, op groene
bladeren of witte doeken uitgespreid; terwijl ginds jonge hoenders
den eetlust prikkelen, al zijn ze minder vet dan de weldoorvoede
hoenders van het vlaamsche land; en uit de houten schuthokken, waarin
de varkens en biggen zijn opgesloten, een dof geknor u tegenklinkt,
telkens afgewisseld door de snijdende kreten van een der dieren,
die op voor hem minder aangename wijze tot verhuizen wordt genoopt.

Vooral bij de boter- en kaashal, verloren te midden van een doolhof
van smalle straatjes, waar de eene uitstalling de andere verdringt,
en bovendien verstopt door een aantal wagens en karretjes;--vooral
bij de boter- en kaashal is de drukte bijzonder groot. Daar stroomt
voortdurend eene dichte menigte op en neer, gaande naar of komende uit
de hal, waar, half in de schemering, op de banken rijen van boeren
en boerinnen gezeten zijn, schouder aan schouder, met potjes boter
en kaas op den schoot, onbewegelijk en zonder met een enkel woord de
klanten te lokken, die naar eigen keuze hun inkoop doen.

Ik heb getracht u even een blik te doen slaan op het hedendaagsche
leven der stad, dat, hoe weinig belangrijk ook op zich zelf, ons wel
bezig moet houden, waar bijna elke herinnering aan het verleden is
uitgewischt. Toch heeft Namen eene geschiedenis van vele eeuwen,
eene rijke en dramatische historie achter zich, aanvangende met
het _oppidum, Attuaticorum_ van Caesar, zich voortzettende met het
_pagus Lommensis_ van Karel den Groote, en eeuwen later, eindigende
met de belegeringen der sterke vesting door Lodewijk XIV en Willem
 III van Engeland. Maar terwijl het verleden elders voortleeft in
onsterfelijke monumenten en daardoor van zelf onze belangstelling
wekt en onze aandacht vordert, is te Namen niets te vinden dat aan
de geschiedenis van vroeger dagen herinnert, geene enkele ruïne, die
als een door den tijd bezegelde adelbrief, van de oudheid der stad
getuigen kan. Alleen de rots, waarop de citadel troont, staat daar,
vast en onwankelbaar, als eene herinnering uit de vervlogen eeuwen.

Ook aan monumenten van anderen aard is Namen arm: haar kerken kunnen
in geenen deele wedijveren met de eerwaardige kathedralen, die wij
elders hebben bezocht, en waarin nog de geest vertoeft der eeuwenlange
aanbidding. Saint-Aubin, met haar koepel versierd met theatrale
allegoriën, haar op pilasters rustende gewelven, haar witte muren,
haar uitspringende balkons, in den stijl der achttiende eeuw met blad
werk versierd; Saint-Aubin maakt veeleer den indruk van een concertzaal
dan van een huis der aanbidding. En Saint-Loup, ondanks haar overvloed
van rood en zwart marmer en den weelderigen praal en bonten opschik van
haar altaren, stemt al even weinig tot ernst en wekt al even weinig in
het bewogen gemoed de onweerstaanbare behoefte op om neer te knielen en
de overstelpende aandoeningen uit te storten in een vurig gebed. Neen,
voorwaar, zoo de herinnering aan de heerlijke kathedralen van Bergen
en Doornik, van Yperen, van Brugge en Gent nog in uwe ziele leeft,
ga dan liever de kerken van Namen niet zien: zij zouden misschien
den ontvangen indruk bederven, en kunnen u in geen geval iets geven
wat de vergelijking met België's beroemde basilieken kan doorstaan.

Wilt ge nu toch van de stad eene andere herinnering medenemen, dan
die welke ge overal kunt aantreffen, begeef u dan naar het groote
vierkante gebouw aan de samenvloeiing van Maas en Sambre, niet ver
van de Waterpoort. Daar, in dat gebouw, waarvan de hoofdingang met
twee symbolische beelden is versierd, kunt ge de kostbare collectiën
bewonderen van de _Sociéte archéologique de Namur_: onwaardeerbare
schatten van historische en fossiele oudheden, welke het hier niet
de plaats is uitvoerig te beschrijven, maar waarvan de aanschouwing u
niet alleen zal terugvoeren tot het verleden van Namen, maar ook tot
dat andere, door niet te berekenen eeuwenreeksen van ons gescheiden
verleden, toen de voorhistorische mensch hier zijn kommervol bestaan
leidde.

En nu, laat ons het voorbeeld der andere toeristen volgen, en naar
de boorden der Maas trekken.



X


Met stevige schoenen aan de voeten en de lendenen omgord, willen
wij ook nu, als in de streek tusschen Maas en Sambre, reizen op
behoorlijke manier, dat wil zeggen te voet, en al wandelend al de
schoonheden genieten, waarvan de gewone toerist zelfs het bestaan in
de verte niet vermoedt. Laat de lokomotieven maar fluiten en gillen,
laat de treinen donderend voorthollen: wij hebben, o onwaardeerbare
zegen! niets met hen te maken.

Als men, Namen verlatende, het kleine dorpje Jambes heeft bereikt,
waarvan de oude brug met acht bogen de rivier overspant, ziet men ter
rechterhand de citadel, die haar scherpe, kantige omtrekken hoog in de
lucht teekent. Aan den voet der rots bespeurt ge tusschen het groen
een groep van leien daken, en boven de schoorsteenen verheffen zich
de fijne spitsen van torens, die reeds uit de verte herinneren aan
de vele kloosters in dezen omtrek gevestigd. Langzamerhand schuiven
de torenspitsen op den achtergrond; de huizen staan verder uiteen;
wij wandelen langs bruine heiden, die met zachte glooiing opwaarts
klimmen, hier en daar afgebroken door de grijsachtige gebouwen eener
boerderij met haar schuren en stallen.

Tot Dave is er niets bijzonders te zien: de Maas weerkaatst in haar
groene wateren vrij vlakke oevers, met eentonige wilgen beplant. De
natuur sluimert nog; zij heeft zekeren tijd van voorbereiding noodig,
eer zij hare taak aanvat. Te Wepion staan de huizen verspreid langs
de hellingen van een bebouwden heuvel, waar akkers en woningen
elkander afwisselen. Hier en daar eene sluis, eene stuw, waarover
het groenachtige water kokend heenstroomt, met een breeden zoom van
schuim, waarvan de verstrooide vlokken langzaam wegsmelten in den kalm
geworden vloed. Nu wordt het eensklaps anders: de rotsen beginnen haar
kale of met distels begroeide kruinen te verheffen, als de belofte van
hetgeen wij, tusschen Frênes en Freyr, zoo straks zullen aanschouwen;
het kleine uit roode baksteenen opgetrokken station van Dave komt
schilderachtig uit tegen de groene helling van een boschrijken
heuvelrug, die tot aan Taillefer reikt. Daar bevinden zich, door
muren en schuttingen afgesloten, de uitgestrekte hertenkampen,
waar herten en reeën en hinden rondzwerven, nauwlettend bewaakt
en gereed gehouden voor het jachtvermaak van den heer der streek,
een grande van Spanje, die hier, te midden van een engelschen tuin,
een lusthuis heeft gebouwd, waarin hij den zomer doorbrengt.

Langzamerhand beginnen de bergen hun dichten mantel van bosschen te
verliezen en treden de kale gesteenten meer en meer te voorschijn. Wij
zijn nu genaderd aan een groepje huizen, door het stuivende kalkstof
geheel wit gekleurd en als begraven in een loodrechten kuil, eene
diepe spleet, waaruit de steen gegraven wordt. Voor het oogenblik
wordt de kalme rust van het groote landschap hier afgebroken door de,
trouwens ook niet rumoerige, bedrijvigheid der menschen.

"A l'é-au!" (Over).

Eene forsche vrouw, met een serge rok en een breedgeranden stroohoed
op het hoofd, komt uit een der huisjes langs den oever te voorschijn
en begeeft zich naar het bootje, waarin wij reeds plaats hebben
genomen. Zij is nog vlug en kloek, al heeft zij reeds een aantal
lenten zien voorbijgaan, en plant met vaste hand den boom in het
ondiepe water. Het bootje doorsnijdt de effen oppervlakte der rivier
en houdt stil bij den kleinen steiger aan den anderen oever. Wij
stappen uit en zien voor ons de breede groeve van Taillefer, tegen
wier dof witte wanden zich de donkere gestalten afteekenen van de
steenhouwers die met regelmatige slagen den steen uitgraven.

Daar verrijzen de rotsen van Frênes, hier en daar gebroken en
gescheurd, als door bommen getroffen, en teekenen hun reusachtig
profiel in de lucht. Aan den voet der ontzaglijke steenmassa's staan
daar de huisjes gegroept, zoo dicht tegen de rots aangesloten,
als waren zij zelven in den berg gevat en behoorden zij mede tot
de rots; en op de roode daken trilt de schaduw der groote eiken,
zwevend tusschen hemel en aarde, als reusachtige vogels bij de klauwen
vastgeketend. Op sommige plaatsen is de vereenzelviging van het huis
en de rots zoo volkomen, dat de eene zonder het andere schier niet
kan gedacht worden en zij elkander aanvullen. Men weet bijna niet
meer, waar het huis eindigt en waar de rots begint: deze laatste
dient als fondament, als steunmuur, als wand; des avonds hangen de
bewoners hunne kleederen op aan de in den rotswand geslagen krammen,
juist zoo als gij en ik onze kleederen ophangen aan een in den muur
onzer kamer geslagen kapstok.

Hoog boven hunne hoofden stijgt, als een reuzentrap, de geweldige
steenmassa ten hemel, zoo hoog, dat de huizen aan den voet des bergs,
van boven gezien, niet meer schijnen dan paddestoelen, uit den grond
opgeschoten. De machtige berg beschermt en bedreigt hen tegelijk: hij
dekt hen schuttend tegen den bliksem, tegen den storm, tegen de koude;
maar van tijd tot tijd verplettert hij hen onder zware steenblokken,
die met donderend geraas langs de hellingen naar beneden rollende,
hier een schoorsteen verbrijzelen, daar een dak verscheuren, eenige
boomen vernielen en eindelijk den weg met hoopen gruis bedekken.

Hier heerscht de berg en van zijne luimen is de mensch
afhankelijk. Voortdurend zweeft hij in gevaar door zijn vreeselijken
nabuur verpletterd en onder stortend puin begraven te worden: is het
niet, als schouwt de sombere, overhangende rotswand met dreigenden
blik neder op de nietige wezens, die niet schromen zich aan zijn
voet te nestelen? En toch--zoo groot is de zorgeloosheid of het stil
vertrouwen van den mensch, dat de twintig of dertig gezinnen, op deze
gevaarlijke plek gevestigd, hier rustig blijven wonen, zonder zich
erg te bekommeren om hun geduchten nabuur. Eene oude vrouw, die in
de Maas groenten spoelde, en met wie wij over de mogelijkheid van een
ongeluk spraken, antwoordde ons, dat de bewoners van Frênes, behoudens
enkele uitzonderingen, tot dusver waren gespaard gebleven, en dat er
dus geen reden bestond om voor het vervolg een onheil te duchten.

Nu is het waar dat de kolossus, op dien kalmen en zoelen
Septembermorgen, niets verschrikkelijks had: hij geleek veeleer een
weerloozen grijsaard, zich koesterende in de zon, en het vroolijke
licht bescheen hem van onder tot boven, doordringende in de spleten en
scheuren, waarin de kraaien nestelen, en waarlangs groene slingers
wuiven. Maar de reusachtige rots ziet er niet altijd zoo goedig
en vreedzaam uit. Des winters, in haar mantel van sneeuw gehuld,
met haar kale distelstruiken, golvende op den wind, schijnt zij
een fantastisch spooksel, dood en verderf dreigende. Als dan de
wilde storm door de lucht giert, de wind in alle spleten en gaten
huilt en brult, als schuilden woedende draken in de duistere holen,
dan is men minder gerust onder de kleine roode daken; dan werpt de
vrouw, de moeder van het gezin, zich vaak in sidderenden angst op de
knieën voor het met een papieren bloemkrans omhangen glazen kastje,
waarin het misschien wat zonderling toegetakelde beeld prijkt van
Onze-Lieve-Vrouwe. En ook straks, als de dooi begint en de ontzaglijke
rots schijnt te wankelen op haar grondvesten, als de wateren van het
plateau, onstuimige bergstroomen thans, zich met woest geweld van de
steile rotswanden naar beneden storten en in hun plassende vloeden het
sidderende gehucht dreigen te bedelven, waaraan het schier onmogelijk
is hulp te bieden.

Doch niet enkel door haar woest en dreigend voorkomen mag de rots
van Frênes de aandacht der reizigers trekken: zij verbergt in haar
schoot zeldzame merkwaardigheden. De lieden uit den omtrek zullen
u verzekeren, dat wanneer ge door een der smalle spleten kruipt,
die ge boven den ingang van den tunnel ziet, ge dan in de zoogenoemde
"groote kerk" komt. Denk echter niet aan eene geheimzinnige basiliek,
in de ingewanden des bergs verscholen, met lage gewelven op plompe
pijlers rustende: niets gelijkt minder op eene kerk dan het hol, dat
ge eindelijk bereikt, na gedurende eenige bange minuten op uw buik
te hebben gekropen, aan alle kanten beklemd door de smalle en nauwe
wanden van het gat, waarin ge u gevoelt als, dunkt mij, een doode in
zijn lijkkist. Een andere spleet voert naar eene minder ruime spelonk,
maar die in geheel den omtrek bekend is onder den naam van Trou des
Nutons. Zoo de omvang en de buigzaamheid van uw lichaam u veroorloven
deze expeditie te ondernemen, klauter en kruip dan naar deze grot:
ge zult altijd wel een of anderen knaap vinden, die u als gids wil
dienen. Ge zult dan ten minste weten, in welke soort van holen die
geheimzinnige troglodyten huisden, die men ook Sotairs noemde, en die,
volgens sommigen, Galliërs zouden zijn geweest, vluchtende voor de
romeinsche overweldiging, terwijl anderen hen voor Zigeuners houden,
die zich hier zouden hebben verscholen om zich te onttrekken aan de
nasporingen der landlieden, die zij bestolen hadden.

Overigens is er hier in den omtrek geen dorp van eenige beteekenis,
dat niet zijn Trou des Nutons heeft: en ik moet er bijvoegen, dat al
deze holen, op enkele kleinigheden na, vrij wel op elkander gelijken;
doorgaans is dit gat eene meer of minder diep in de rots gelegen
spelonk, waar ge niet dan met moeite rechtop kunt staan, en waar het
licht der fakkels weerkaatst in het vocht, dat van het gewelf en de
wanden sijpelt.

In den goeden ouden tijd wisten de landlieden, des wintersavonds om
den haard gezeten, elkander allerlei zonderlinge geschiedenissen te
vertellen van de bewoners dezer geheimzinnige holen, die men zich
meestal voorstelde onder de gedaante van zeer oude en zeer leelijke
dwergen, onvermoeide werklieden daarbij, die in hun onzichtbare
smidsen, alleen kenbaar aan de kleine rookwolkjes die somwijlen uit de
spleten van den berg opstegen, onvermoeid de metalen bewerkten. Als
smeden en koperslagers belastten zij zich vooral met de taak, om de
verschillende voorwerpen voor huiselijk gebruik, die de landlieden des
avonds voor den ingang hunner spelonken nederlegden, op te lappen en
weer in orde te maken. Des morgens vond men dan de ketels en andere
zaken weer terug op de plaats waar men ze had neergelegd, doch nu
zonder scheur of gat, zonder bult of bluts, maar netjes en glimmend,
als nieuw. Deze aardmannetjes of gnomen deden nimmer iemand leed;
tenzij men hen bedroog, en bij voorbeeld een steen of eenig ander
onbruikbaar ding neerlei in de plaats van het graan of de noten,
waarop zij, als loon voor hun arbeid, recht hadden. Dan oefenden
zij eene geduchte wraak: het vee werd ziek en begon te kwijnen,
het water in de bron werd ondrinkbaar, een vloek drukte op het huis
en het gezin van den roekeloozen bedrieger. Waar zijn zij thans,
die vriendelijke, behulpzame gnomen, van wie de vroegere geslachten
toch niet dan met zekere huivering spraken? Ja, waar zijn de nimfen
en de elfen, de satyrs en de najaden, de tritons en nikkers, waar
zijn al die half liefelijke, half schrikwekkende gestalten, waarmede
de fantazie--maar toch niet enkel de fantazie, ook het diep en innig
besef van het geheimzinnige leven der natuur, met duizenden banden
en draden aan dat der menschen verbonden,--de geheele schepping,
bosch en veld, berg en dal, beek en rivier, bevolkte? Zij allen zijn
gevloden voor onze nuchtere wetenschap, die alleen met de stoffelijke,
uitwendige zijde der dingen rekening houdt; gevloden voor onze doode
machines, onze lokomotieven en telegrafen, waarmede wij de schoonste
landschappen bederven, de stilste heiligdommen der natuur ontwijden;
gevloden voor de ruwe aanraking van onze door en door prozaïsche
materialistische eeuw, voor wie de geestenwereld gesloten blijft,
omdat zij geen oog heeft om haar te zien.

Laat ons voortgaan. Op het plateau groepeeren zich de huizen en
boerenwoningen van Lustin rondom de kerk; aan de overzijde opent
zich, aan den voet van eene met boomen begroeide rots, de gorge van
Burnot. Daar staat, op den hoek van den grijzen stoffigen weg, eene
deftige herberg, waarvan de ramen met groen zijn omrankt. Vroeger,
in den tijd der diligences, verzuimden de conducteurs nooit stil
te houden bij "l'huche au Bouchat"; en terwijl de paarden hun neus
dompelden in den met haver gevulden bak, traden de reizigers, door de
met blauwe tegels geplaveide gang het huis binnen en begaven zich naar
de gelagkamer met haar glinsterend buffet en haar rijen tafeltjes. Eene
lekkere lucht van soep en groenten kwam u uit de keuken te gemoet en
prikkelde den eetlust, die door het zindelijke, vroolijke voorkomen
der herberg reeds was opgewekt. En het kostte maar weinig moeite, de
oude herbergierster aan het praten te krijgen, en van haar te vernemen,
hoe de eerste koning van België, Leopold I, eens in hare herberg had
overnacht en zijn gekroond hoofd te rusten gelegd in eene met gebloemd
papier behangen kamer, waarvan het voornaamste sieraad bestond in twee
vaasjes met kunstbloemen onder stolpen, op den schoorsteen geplaatst.

Langzaam stijgend bereikt de provinciale weg, met vele slingeringen,
het plateau, waarop de dorpen Arbre, Saint-Gérard en Fosses zijn
gebouwd. Hier en daar gapen in de rotswanden wijde steengroeven en
klinken, in rhythmischen maatslag, de hamers der steenhouwers. Links
ligt op een reusachtige terp het gehucht Bois-Laterie, waaraan de
naam van arendsnest niet kwalijk voegen zou, en dat door ongeveer
een honderdtal gezinnen bewoond wordt.

Op deze hoogte ontaardt bijna de minste bries welhaast in storm,
die met woest geweld over de kale vlakte vaart en de rieten daken
der armelijke huizen wegslingert. Van den duizelingwekkenden top der
rotsen ziet men, beneden in de diepte, de Maas, niet breeder dan een
lint, slingerende tusschen de hooge en steile bergen, van onderen
tot boven met struikgewas bedekt; terwijl hierboven op de plateaux,
zoo ver het oog zien kan, de gouden korenaren onder den stralend
blauwen hemel golven op den adem der frissche koelte.

Wij zijn tot het punt genaderd, waar de weg zich splitst: een tak
klimt opwaarts naar Blioux, waarvan het eeuwenoude kasteel nog roem
draagt op zijn ophaalbrug en zijne valluiken; de andere loopt naar
twee rijen schuren, varkenshokken en ruwe armoedige woningen. Zijn
wij deze nauwe straat door, dan verrijst daar voor ons de geelachtige
krijtrots, met haar gladde, loodrechte wanden, die in geheel den
omtrek bekend is onder den naam van de Roche aux Corneilles, en die
inderdaad steeds door talrijke scharen van kraaien omzwermd wordt.

Een weinig verder loopt de weg door het dorp Hun; op eenigen afstand
vertoonen zich Anhée en Moulin, met den anderen oever verbonden door
eene ijzeren brug; in de verte bespeurt ge reeds het schilderachtige
Yvoir, waarvan de huizen gegroept zijn tegen de helling van een
hoogen ronden heuvel, langs welks voet eene beek murmelt. Hoe lief
en landelijk ziet het er hier uit! Langs de gevels van alle huizen
slingeren zich wingerdranken; de vensters lachen u tegen uit het
groen; een mozaïek van mos tooit de daken. En die oude steenen brug
over het murmelend rivierke, waarin de forellen dartelen; en die
onuitsprekelijke onverstoorbare rust, over het geheele landschap
verspreid! In trouwe, Yvoir is eene levende idylle.

Maar wij mogen hier niet toeven, en gaan door Moulin, van waar een
waar een weg bergopwaarts voert naar de ons reeds bekende ruïnen van
Montaigle. En zie daar, voor ons, de indrukwekkende rotsmassa van
Poilvache, die haar stoute en kantige lijnen zoo scherp tegen den
hemel afteekent en de aan haar voet gegroepeerde huizen schijnt te
verpletteren. Een steil pad voert langs de rotswanden naar boven,
naar het plateau, waarop nog de overblijfselen te herkennen zijn
van den overouden burcht, die eens op deze rots troonde en waaraan
de naam verbonden is van die vier Haymonskinderen, die trotsche
krijgshaftige paladynen van Karel den Groote, wier merkwaardige
lotgevallen, schitterende heldendaden en romantische avonturen nog
eeuwen lang hebben voortgeleefd in volksliederen en sproken.

Na een groet aan dat groot en roemruchtig verleden, waarvan nog
maar enkele brokken muur de herinnering bewaren, dalen wij weder
naar het dal af, waar de gebruinde en gespierde gestalten ons
denken doen aan dien anderen, nooit rustenden strijd, dien van
den ploeg en de vruchtdragende aarde. Houx, dat zijne leien daken
en zijne groene tuinen in de Maas spiegelt, heeft niets dat aan de
dagen der feodaliteit herinnert; en, op het eerste gezicht althans,
evenmin de stad, tusschen wier geel gepleisterde huizen de weg nu
doorloopt. Achter de vensters dier huizen stallen slagers en bakkers,
kruideniers en witwerkers hunne waren te koop. Gij krijgt den indruk
van de buitenwijk eener kleine stad, waar op klaarlichten dag zware
met ossen bespannen wagens langzaam voortrollen over de puntige keien,
langs de ruischende goten.

Dit is Bouvignes. Maar als ge, een der steile, bochtige zijstraatjes
inslaande, naar boven klimt, dan komt ge in het eind aan den toren van
Crèvecoeur, den mededinger van dien anderen toren, Montorgueil, door
de lieden van Dinant gebouwd. In haar eenzame verlatenheid bewaart de
weemoedige ruïne de herinnering aan de drie vrouwen van Crèvecoeur, die
zich van de hoogte der rots naar beneden in de rivier stortten, om niet
in de handen te vallen der ruwe condottieri van Hendrik II. Misschien,
wanneer de laatste steen van de oude veste zal zijn weggebrokkeld,
misschien zal dan ook de romantische legende worden vergeten; reeds nu
zijn er pedante, neuswijze geleerden, die den afstand meten tusschen
den burcht en de rivier, en ons dan komen vertellen, dat een sprong van
de vestingmuur in de Maas onmogelijk is. Alsof er voor de prinsessen
en heldinnen der sprookjes en legenden iets onmogelijks ware, alsof
zij gebonden waren door dezelfde alledaagsche, plat burgerlijke wetten
en regelen, die voor gewone stervelingen gelden!

Bouvignes was niet altijd zulk een kalm, rustig stadje, waar
tegenwoordig de stilte alleen verbroken wordt voor de voorbijrijdende
wagens en karren, wier voerlieden luide de zweep doen klappen. In
de vijftiende eeuw was zij de mededingster van Dinant op het gebied
der koperindustrie: en deze mededinging kweekte een naijver, die
zich ook op andere wijze openbaarde. Meermalen kwam het tusschen de
vijandige poorterijen tot bloedige gevechten, waarvan de geschiedenis
de herinnering heeft bewaard. Somwijlen namen deze plaatselijke
veeten grootere afmetingen aan: als, bijvoorbeeld, toen de hertog van
Bourgondië de zijde van Bouvignes koos en ten strijde toog tegen die
van Dinant, onder wie hij eene groote slachting aanrichtte en wier
muren hij met den grond gelijk maakte, om voor goed iedere weerwraak
onmogelijk te maken.

Hoe verder wij komen, des te talrijker worden, langs den rechteroever,
de steenen en houten huizen, waarvan de overhangende balkons
over den weg uitsteken. Sommigen hebben puntige trapgevels, waarin
smalle vensters, die door hun kleine ruiten niet al te veel daglicht
doorlaten. Bij enkelen ziet men lage overwelfde doorgangen, waaronder
trappen van de kaai naar de straat opwaarts voeren. Bijna al deze
huizen hebben in hun voorkomen iets antieks, ook al zijn ze misvormd
en van hun eigenaardig karakter beroofd door het overvloedig gebruik
der noodlottige witkwast.

Hier begint Dinant, waarvan de naam, volgens de geleerden, zou zijn
afgeleid van "Die Nam", de aanvangswoorden van de strafrede, die
Sint-Maternus, in vroeger eeuw, uitsprak tegen den afschuwelijken
afgod, die onder den naam van Nam in deze streken werd vereerd. Wij
zullen ons in deze etymologische geheimenissen niet verdiepen,
en liever een blik slaan op het tafreel, dat zich voor onze oogen
ontrolt. De huizen, die tot dusver langs den oever stonden geschaard,
wijken terug en vormen straks een kring om een vrij ruim plein,
waarop verschillende straten uitkomen. Terzelfder tijd treedt de
rots, die voor de buitenwijken zich had teruggetrokken, weer meer
naar den voorgrond, en rijst loodrecht omhoog, vlak boven een juweel
der gothische architektuur, dat als aan haar voet schijnt ontloken.

Do Onze-Lieve-Vrouwekerk is inderdaad zoo dicht tegen de rots
aangebouwd, dat zij welhaast een geheel met den trotschen bergwand
schijnt uit te maken. De berg heeft hier hot menschenwerk grenzen
gesteld, en de ruimte bepaald, die de kerk moest innemen: zoo staat
zij daar, als saamgeperst, gelijk een krijgsgevangene, dien men in een
hok heeft opgesloten, waar hij zijne armen niet kan uitstrekken. Deze
heerlijke kunstschepping uit de tweede helft der dertiende eeuw,
die overal elders een machtigen indruk zou maken, schijnt hier klein
en nietig, gemeten met den maatstaf van den steenen reus, die haar
geheel beheerscht en als het ware met zijne massa verplettert. Doch,
hoezeer de kerk nevens de rots een dwerg moge schijnen, wanneer ge haar
binnentreedt zal hare schoonheid onvermijdelijk uwe belangstelling,
uwe bewondering wekken. Alle indrukken van kleinheid en beperking
verdwijnen, zoodra ge den voet zet binnen de gewijde ruimte, met haar
drie schepen, door statige zuilen gescheiden; en als ge u eenmaal
gewend hebt aan deze meer bescheiden afmetingen, als de verborgen ziele
van het schoone heiligdom tot uw gemoed spreekt en de betoovering der
antieke kathedralen ook hier hare werking niet mist,--dan vergeet
ge geheel, dat Onze-Lieve-Vrouwe van Dinant, wegzinkende onder de
geweldige rotsmassa, waarboven haar torenspits zich ter nauwernood
verheft, zich uitwendig zoo klein en zoo nietig vertoont.

Van de rijke dekoratie van weleer is in de parochiale kerk van Dinant
bijna niets overgebleven dan hier en daar eenige koperen ornamenten,
getuigen van de vroegere kunstvlijt der plaats. Maar de schoonheid
der architektuur doet u deze kaalheid vergeten: indien wij althans
van kaalheid mogen spreken, waar de wanden op zoo menige plaats met
bas-reliefs zijn bedekt en somwijlen een rijkdom van beelden het oog
verrast, zoo als bijvoorbeeld in de doopkapel.



XI


Omstreeks twintig jaren geleden lag er te Dinant over de rivier,
eene eerwaardige steenen brug, wier bogen met mos waren begroeid,
en die met de bruggen te Jambes en te Luik, tot de oudsten in het
waalsche land mocht worden gerekend. Daar men telken jare, bij
het wassen der wateren, gevaar liep, dat het oude metselwerk zou
worden ontwricht, vernield en medegevoerd, besloot men eene andere
brug te bouwen van steviger constructie. Alzoo geschiedde: en daar
ligt ze nu--tot uwe ergernis, zoo gij de oude brug hebt gekend--de
nieuwe ijzeren brug: een geometrisch monster, afschuwelijk als eene
meetkunstige figuur, met haar rechtlijnig bovendek, met haar metalen
traliewerk, aan de pijlers vastgeklonken. Stevig is zij, maar leelijk
ook, leelijk bovenal; van gratie en bevalligheid, van monumentaal
karakter of architektonische majesteit is bij dit moderne gewrocht
al even weinig sprake als bij welke machine ook. De geschiedenis der
bruggen van Dinant is overigens vrij ingewikkeld; sedert de eerste
brug, waarvan de kronieken gewag maken, en die boven haar vijf bogen
een toren droeg met twee verdiepingen en een omgang met borstwering;
sedert die kolossale, trotsche brug, die niet alleen tot toegang maar
ook tot verdediging der stad strekte, vindt men, in den loop van twee
eeuwen niet minder dan drie bruggen genoemd, waaronder een houten brug,
die in 1573 bij ijsgang werd vernield.

Even als Namen, is ook Dinant een uitgelezen punt voor het doen van
grootere en kleinere uitstapjes in den schilderachtigen omtrek. Aan
deze zijne ligging dankt het dan ook een druk bezoek van toeristen,
die steeds zijne hotels vullen. Een aantal familiën brengen hier
den zomer door, hetzij in een logement, hetzij bij particulieren,
hetzij in de vriendelijke villa's en chalets, die de boorden der
Maas omzoomen. Vooral de Engelschen komen hier in grooten getale,
vooral ook aangelokt door de gunstige gelegenheid voor tochten in het
gebergte en roeivaarten op de rivier, voor al die lichaamsoefeningen,
die voor hen eene uitspanning en eene behoefte zijn. Toch vormen
zij geene eigenlijke kolonie; ieder leeft voor zichzelven, zonder,
zooals aan het zeestrand, de behoefte te gevoelen om door onderlinge
aansluiting en verstrooiing een tegenwicht te zoeken tegen de verveling
en vermoeienis, die het eenvormig schouwspel van het strand en de
duinen nooit nalaat te verwekken.

In waarheid, hoe groot, hoe reusachtig het gebergte ook moge zijn,
toch schijnt het niet buiten onzen maatstaf te liggen, toch past
het nog in het kader onzer bevatting, en heft het niet, als de
eindelooze horizon der zee, alle denkbeeld van maat en evenredigheid
op. Daar komt bij, dat het door zijne oneindige afwisseling, door
zijne telkens nieuwe verrassingen, de nieuwsgierigheid prikkelt en de
belangstelling levendig houdt. De zee en het effen vlakke strand onzer
kusten vermoeien en verdooven den geest, op wien deze grenzenlooze
eentonigheid in het eind als een looden wicht gaat drukken. Op het
weeke zand wischt zich onze voetstap uit; de grond schijnt onder onzen
voet weg te vloeien, evenals het water; met de harde rots, met den
granieten bergwand kunnen wij ons meten: hij tart ons als het ware
tot den strijd en vol moed en met vroolijken ijver ondernemen wij de
beklimming. Ik zwijg van de door de natuur zoo rijk bedeelde landen,
waar bergen zee, rots en strand elkander aanvullen en een geheel
vormen van schier ongeëvenaarde schoonheid; maar in onze streken,
waar het strand bijna nooit iets anders is dan een kale, vlakke zand
woestijn, aan de eene zijde door een grijze zee, aan de andere door
eene lage reeks van grauwe duinen omzoomd; in onze streken wint een
berg- of boschlandschap het zeer verre van de kust.

Dinant ligt ongeveer in het middelpunt der namensche Ardennen en is
door uitmuntende wegen met alle punten in den schilderachtigen omtrek
verbonden. Wij kunnen onmogelijk al deze punten bezoeken, ons bestek
noopt ons tot beknoptheid; wij moeten dus ons vergenoegen met slechts
op enkele punten, die niet altijd tot het toeristen-programma behooren,
de aandacht te vestigen.

Wanneer men de voorstad Leffe verlaat en het kronkelende pad volgt,
dat langs terrasgewijze aangelegde tuinen opwaarts voert, dan bereikt
men weldra de schier eindelooze hoogvlakte, zich uitstrekkende tot
aan den schemerenden horizon, waarop de huizen al verder en verder
uit elkander staan en de zwijgende eenzaamheid u aan alle kanten
omgeeft. Ciney is de hoofdplaats van deze streek, le Condroz,
die in den zomer met golvende oogsten van gouden koren is bedekt;
maar wie het stille, betrekkelijk welvarende vlek bezoekt, zal niet
licht gissen welk een rol dit vergeten stedeke in vroeger eeuw heeft
gespeeld. Toch was de zware romaansche toren, waarmede de oude kerk
prijkt, getuige van gedenkwaardige gebeurtenissen. Hier toch begon die
noodlottige oorlog, de Koeienstrijd genoemd, die twee jaren duurde, aan
vijftienduizend menschen het leven kostte en zestig dorpen verwoestte.

Een boer van Jollet had eene koe gestolen van Rigaud de Corbion,
burger van Ciney, en werd nu door den baljuw dier stad gedagvaard,
die hem levensbehoud verzekerde, indien hij het gestolen stuk vee
teruggaf. De boer, op die toezegging vertrouwende, bracht de koe naar
den stal van den rechtmatigen eigenaar terug, hetgeen niet belette
dat hij opgeknoopt werd. De heer van Jollet, verbitterd over deze
wraakneming en over de krenking van zijn heerlijk recht, trok naar
Ciney dat hij verwoestte, waarop de baljuw Jollet overviel en aan de
vlammen prijs gaf.

Nu waren de poppen aan het dansen. De heer van Jollet riep de hulp
in van zijne broeders Richard van Falais en Regnier van Beaufort en
van de heeren van Celles en van Spontin; de vijf verbonden edellieden
brachten hunne mannen van wapenen op de been en liepen, roovende en
plunderende, het land af.

Daarop mengden zich de burgers van Hoei en van Luik in den twist;
zij kozen partij voor die van Ciney en sloegen het beleg voor
Falais, Beaufort, Celles en Spontin. Het bondgenootschap der vijf
heeren staat op het punt te bezwijken, toen onverwacht hulp voor
hen opdaagt. Gwy van Dampierre, graaf van Namen en Vlaanderen, en
de hertog van Brabant nemen het voor hen op. Nu ontbrandt de oorlog
heftiger dan ooit; het gansche land wordt afgeloopen door stroopende
benden, die overal moorden en plunderen en branden. Ciney wordt van
alle kanten ingesloten en de poorters hebben geene andere wijkplaats
meer dan de kerk, die door den graaf van Luxemburg in brand wordt
gestoken. De maarschalk van Forvies, door de Luikenaars tot ontzet
der belegerden gezonden, rukt nu het drostambt van Poilvache binnen,
alles vernielende, plunderende en uitmoordende: van dertig dorpen
van de Rondache bleven niet meer dan rookende puinhoopen over.

Men zou meenen, dat er thans genoeg bloed vergoten was en dat er een
einde aan den strijd zou komen; maar de burgers van Dinant kozen nu
op hun beurt partij voor Ciney en tastten Spontin aan. Misschien zou
het hun gelukt zijn, den sterken burcht te vermeesteren, indien de
heer van Dave niet in allerijl met huurbenden uit Namen was aangerukt
om het bedreigde punt te verdedigen. De mannen van Dinant worden
teruggedreven en nemen de wijk naar hunne stad, zoo vurig achtervolgd
door de soldeniers van den heer van Dave, dat deze laatsten tot
binnen de poort doordringen. De valdeur valt achter hen neder en
snijdt hun den terugweg af; nu volgt er een vreeselijk bloedbad,
terwijl de namensche krijgers, die buiten zijn gebleven, door die
van Dinant worden aangetast en het gevecht opnieuw begint. Nadat zoo
veel bloed vergoten en zoo schromelijke verwoesting aangericht was,
werd het geschil eindelijk voor den rechterstoel gebracht van den
Koning van Frankrijk, Filips den Stoute, wiens uitspraak luidde,
dat alles weder in denzelfden toestand moest gebracht worden als vóór
den oorlog. Eenige duizenden menschen waren dus voor niets vermoord
en eene gansche landstreek voor vele eeuwen te gronde gericht.

Heeft men de laatste huizen van Saint-Médard, eene andere voorstad van
Dinant, achter zich, dan vertoont zich weldra, tegen een amphitheater
van bergen, de prachtige Roche à Bayard (bladz. 257) Menschenhanden
hebben de kloof verwijd, die oorspronkelijk het massieve rotsblok
verdeelde, en tegenwoordig loopt de weg midden door de bres, ter
wederzijde omzoomd door hooge gescheurde rotswanden, waarvan de
een loodrecht in het water afdaalt, terwijl de andere samenhangt
met de rotsketen, die zich tot aan de _gorge_ van Froideveau
uitstrekt. Eensklaps opent zij zich aan onze rechterhand, de met reden
aldus genoemde bergkloof, waar zelfs midden op den dag koude nevels
zweven en die door geweldige rotswanden wordt ingesloten. Als wij
met de oogen het smalle, slingerende pad volgen, dat naar de plateaux
voert, dan behoeven wij onze verbeelding niet te zeer in te spannen,
om voor onzen geest de gestalten te zien opdagen der oude paladijnen,
uitgaande ten oorlog.

Trouwens, wij zijn hier in het land der ridderromans en
heldenzangen. Van de zonderling gevormde rots, wier doorluchtige naam
langs de geheele rivier is verbreid, sprong, volgens de sage, het
beroemde ros Bayard, met de vier Heemskinderen, in den stroom, na met
een enkelen sprong over het breede dal van de Leffe te zijn gevlogen,
waar Keizer Karel de Groote middelerwijl bezig was met het uithakken
van trappen in de rots, om de vluchtelingen te vervolgen. Alles in die
oude sagen en ridderzangen is even grootsch en kolossaal: de menschen
zijn reuzen, die elkander granietrotsen naar het hoofd slingeren;
de paarden zijn gevleugelde griffioenen, voor wie tijd en ruimte niet
schijnen te bestaan. De groote Keizer Karel zelf is als het ware een
mythisch persoon, de vertegenwoordiger van het rijksgezag tegenover de
oproerige vazallen, op hun beurt vertegenwoordigd in die schitterende
heldengroep der vier Heemskinderen.

Wilt ge naar Rochefort gaan, volg dan den heerlijken weg, dien ik u
aanraad. Op den rug van een ezel van Bastogne gezeten, of wel gewiegeld
in eene antieke berline, die ge bij Dizière den vroolijken waard
uit de _Tête-d'Or_ huren kunt, klimt ge uit de gorge van Froideveau
omhoog naar Boisselles en Celles, om dan naar de diepte van Payemme
af te dalen; dan gaat het weer omhoog tegen den heuvel van Custine
op, om eindelijk, Ciergnon rechts latende liggen, den steenweg te
volgen, die u ter plaatse uwer bestemming brengt. Nu eens op de kam
van het plateau, waar de zang der leeuwerikken u tegenklinkt uit de
blauwe lucht, dan overspat met het schuim der murmelende beekjes,
die dartelend voortspoeden in de stille valleien, baadt ge nu eens
in den zonneschijn der bergtoppen, om dan weg te schuilen in de
vochtige schaduw der boschrijke hellingen, altijd door volop de
schoonheid genietende van het verrukkelijke berglandschap, zoo rijk
aan afwisseling, met zijn heidevelden en heuvelen, zijn rotsen,
zijn wuivende bosschen, zijn ruischende wateren.

Te Celles troont, in eene woest romantische omgeving, de oude burcht
der Beauforts, thans aan de familie van Liedekerke behoorende; eenzaam
en verlaten staat het daar, het oud-adellijk kasteel (bladz. 252),
omhangen met zijn prachtigen toovermantel van eeuwenoude klimop;
eenzaam en verlaten, want het leven is uit zijne aderen weggevloeid en
overgegaan in het pseudo-gothische kasteel tegenover hem.--Dan beurt
Custine, de geliefkoosde verblijfplaats van Leopold II, te midden
van een heerlijk plekje, zijn slanke torens omhoog; langs zijn voet
stroomt de Lesse, die zich als een zilveren lint door de met bloemen
bezaaide weide slingert.--Dan vertoont zich eensklaps Rochefort,
rondom door heuvelen omsloten, met zijn hooge rots, waarop de oude
feodale burcht verrijst.

Rochefort is in geheel den omtrek beroemd, niet alleen om zijne
uitnemend schoone omgeving, maar ook om zijne grotten, die wel
een bezoek waard zijn. Trouwens deze geheele streek van de Lesse
vertoont overal de sporen van de geweldige worsteling der woedende
elementen. Van Furfooz tot Chaleux en van Rochefort tot Han, is het
eene bijna onafgebroken reeks van grotten en spelonken, waarvan de
wondere aanblik den geest met verbazing en schrik vervult. Overal
heeft hier de voorhistorische mensch, de tijdgenoot van de mammouths
en de ichthyosauren, de sporen van zijn verblijf achtergelaten, en
in de holen der bergen vindt men zijne beenderen, vermengd met die
der wilde dieren, wier schedel hij kloofde met zijn steenen bijl en
in wier lillend vleesch hij zijne tanden zette.

Men heeft de grotten van Rochefort met die van Han vergeleken en
ze dan veel minder merkwaardig genoemd. Deze noodlottige manie van
vergelijken is ongelukkig niet anders dan het bewijs van ons onvermogen
om verschillende soorten van schoonheid te begrijpen en te waardeeren;
of, zoo men wil, van onze neiging om alles met een zelfden maatstaf te
meten. Het is echter eigenlijk even dwaas, de groote werken der natuur
als de scheppingen der kunst met elkander te vergelijken: beiden maken
elke vergelijking onmogelijk door hun eigenaardig, bijzonder karakter,
dat aan ieder voor zich eigen is en waarin juist hunne schoonheid
bestaat. Zoo zal de grot van Han het steeds van alle anderen winnen
door de aangrijpende majesteit en de huiveringwekkende pracht van
haar tallooze zalen en gangen en galerijen; eene tooverwereld, die
een onuitwischbaren indruk in het gemoed achterlaat, maar waarvan ik
zelfs niet beproeven wil eene beschrijving te geven, 't Is ook niet
noodig: de grot van Han is een vast nommer op elk toeristen-programma,
zelfs op het programma van de slaven van een rondreisbillet. Velen
mijner lezers hebben dit natuurwonder waarschijnlijk met eigen oogen
aanschouwd, en zij behoeven dus mijne beschrijving niet. En wie haar
niet heeft gezien, die wonderbare onderaardsche tooverwereld, geen
beschrijving kan er hem eene eenigszins juiste voorstelling van geven,
nog minder den indruk vertolken, dien eene wandeling door deze zalen
op den bezoeker maakt.



XII


Een vijftiental jaren geleden bestond er nog een geregelde
stoombootdienst tusschen Namen en Luik. Dat was in waarheid een
heerlijke vaart, waarbij zich een reeks van grootsche en bevallige
tafreelen voor het oog ontrolde, afwisselend bij iedere kromming van
de rivier. Achtereenvolgens zag men de groote krijtrots der Grandes
Malades, aldus genoemd naar een voormalig leprozenhuis; dan de
hermitage van Saint-Hubert, eene landelijke kapel, nu vervangen door
een prozaïschen kalkoven; de vallei van Marche-les-Dames, beroemd door
de abdij, welke honderd-negen-en-dertig echtgenooten van namensche
kruisvaarders hier in de twaalfde eeuw stichtten; verder, tegenover
Namêche, de rots van Samson met de ruïne van den ouden feodalen
burcht, een van de ontelbare kasteelen, waaraan de overlevering den
naam heeft verbonden van de vier Heemskinderen. Tusschen Sclaigneaux en
Andenne heerschte de industrie: rookwolken en nevels omhulden de groene
heuvelklingen; overal vertoonden de rotswanden de wijd gapende wonden
der steengroeven. Maar weldra week het geklop der hamers, het gestamp
der machines, het gegons der bezige menigte op den achtergrond. Men
stoomde langs Ba-Oha, en plotseling teekenden zich, op den top eener
grijze rots, de omtrekken eener citadel tegen de heldere lucht.

"Huy!" klonk eene luide stem van den kant van het roer, en de boot
lag voor eenige oogenblikken stil. Dan wentelden de raderen weder
om en om in het schuimende water; en langs de beide oevers begon het
industrieele rumoer op nieuw. Van Ampsin tot Flemalles was het aan alle
kanten een woud van schoorsteenen; roode vlammen stegen opwaarts uit
de breede openingen der pletterijen en gieterijen; het nimmer poozend
geraas van den arbeid in de ijzerfabrieken verstoorde de stilte van
de weinige rustieke landschappen, als oasen verloren te midden van
deze woestijn van vuur en smook en roet. De rotsen omlijstten het
gansche woelige tooneel, nu eens terugwijkende, dan tot de rivier
naderende, en door allerlei grillige, teekenachtige gestalten en
vormen het oog verrassend, vermoeid van het staren op den baaiert der
industrie. Wie denkt hier niet in de eerste plaats aan de fiere, hooge
rots, waarop het kasteel Chokier troont, hoog boven al het geraas
en al den vuilen smook der wriemelende menigte aan zijn voet. Van
verre groetten en volgden u zijne sierlijke torentjes; met verbazing
dwaalde de blik langs de eindelooze treden van een reuzentrap, naar
den overigens weinig indrukwekkenden burcht voerende; en de aanblik
van de titanische rots deed u den koortsigen arbeid der menschen,
het brullen van den stoom, het gefluit en gestamp der afschuwelijke
machines, vergeten. Maar te Flémalles begon de hel op nieuw; daar
rookten de tallooze schoorsteenen van den Val-Saint-Lambert; de
stellages en staketsels der kolenmijnen verhieven zich in de lucht,
als de geraamten van voorwereldlijke draken; een vieze, stinkende
sneeuw van zwarte vette vlokken daalde onophoudelijk op het dek van
de boot neder; Seraing, Jemeppe, Ougrée gaapten u des avonds, bij
het naderen van Luik, tegen als de open monden eener geheimzinnige,
duistere hel, waaruit roode vlammen en rookwolken naar buiten sloegen.

Tegenwoordig varen de booten, de zoogenoemde _mouches_, niet verder
dan van Luik naar Seraing; ook het genot van deze kalme riviervaart,
die niet minder dan drie uren duurde en zoo oneindige afwisseling
bood, is ons ontzegd. Thans snort de spoortrein, in ijlende vaart,
door het wonderschoone land; en in stede van de kalme en rustige
beschouwing komt thans het vliegend verbijsterend visioen van allerlei
vluchtige beelden, die elkander verdringen, de verwarrende indruk
van contrasten en tegenstellingen, waarvan de geleidelijke overgang
en de harmonische schakeering u ten eenemale ontsnappen. Ge ziet
juist genoeg, om uit den grond van uw hart den fatalen vuurwagen te
verwenschen, die u belet iets goed te zien, van iets een blijvenden
indruk in u op te nemen. Zie, ik weet het wel, verwenschingen tegen den
"vurigen salamander", die zoo te recht den toorn heeft opgewekt van
dichters en kunstenaars, baten tegenwoordig niets meer; geen enkel
schoon idyllisch landschap, geen enkel liefelijk, poëtisch, eenzaam
plekje, waar men ongestoord droomen en mijmeren kan, is voor deze
gruwelijke ontwijding veilig: voor de eischen van het moderne verkeer
moet alles zwichten. Maar toch, telkens als ik, in een spoorwaggon
gezeten, een schoon landschap doorvlieg, welt de ergernis mij uit het
diepst des harten op en kan ik soms den vloek tegen de noodlottige,
domme, gevoellooze machine niet weerhouden. Stoort ze u al niet
dadelijk in uw genot, de schrille tegenstelling tusschen de kalme
vredige rust der natuur om u heen, en de krankzinnige haast, waarmede
gij blindelings, in rechte lijn voortholt, als zat u de dood op de
hielen?--En daar is nog iets slimmers, dat de spoorwegen op hun geweten
hebben. Is er ergens een schoon plekje, een heerlijk natuurwonder,
door den Schepper, die in stilte, zonder haast en zonder drift en
zonder rumoer werkt, gewrocht, en bleef dat plekje, dat wonder,
tot dusver nog voor het oog der menigte verborgen:--niet zoodra
heeft een noodlottig toeval deze verborgen, door weinigen gekende en
gewaardeerde schoonheid aan het licht gebracht, of alle windselen en
omtuiningen worden weggerukt; de spoortrein snort ratelend door de
heilige stilte en voert een stroom van toeristen aan, den vulgairen,
onuitstaanbaren stroom van gapers en beuzelaars, die kijken en niet
zien, niet verstaan en niet gevoelen. Weg is de stilte, weg de heilige
verborgenheid, weg de verheven wijding der kuische schoonheid. Daarin
ligt voor mijn gevoel--maar ik ben op dat punt, als op vele anderen,
schromelijk ouderwetsch;--iets zoo onkiesch, iets zoo onuitsprekelijk
ploertigs--vergeef het woord--dat dergelijk bedrijf mij bijna eene
misdaad wordt. Zulke tentoonstelling en exploitatie van de schoonheid
der natuur, zulk brutaal wegrukken van alle sluiers, zulk blootstellen
aan aller blikken, is inderdaad profanatie, waarbij de schoonheid zelve
voor drie vierden verloren gaat.--Eene kinderachtige, krankzinnige
gedachte, niet waar, sporend toerist der negentiende eeuw?

Keeren wij nog even naar Hoei terug, zoo schilderachtig tegen
zijn heuvel gelegen, waarvan de rotsige kruin door de citadel wordt
gekroond, die zelve uit de rots gehouwen schijnt. Even als te Dinant,
leunt ook hier eene kerk tegen den rotswand; van verre gezien,
schijnen de kerk en de berg een geheel te vormen. Schayes zegt van de
Onze-Lieve-Vrouwekerk van Hoei, dat zij de schoonste is van alle kerken
uit de tweede periode der gothiek, die België bezit; bovenal bewondert
hij het groote roosvenster, het koor met zijn slanke ramen, en de
drie schepen, gescheiden door twee rijen van cylindervormige zuilen
met ronde voetstukken en met blad werk versierde kapiteelen. Toch,
hoe schoon zij ook moge wezen, maakt zij niet dien majestueusen,
hartverheffenden indruk als Onze-Lieve-Vrouwe van Dinant; de eenigszins
kinderachtige kleurenpracht aan het gewelf doet evenzeer afbreuk
aan de heilige stemming als het vulgair karakter van het moderne
meubilair. Om zich geheel in het verleden te verplaatsen en een
waarlijk religieusen indruk te ontvangen, moet men de kerk verlaten,
en nabij het koor een blik werpen op het kleine portaal der Madonna:
een juweel uit de dertiende eeuw, een heerlijk kantwerk in steen. De
innige teedere vroomheid dier schoone tijden van vurig geloof en
heilige geestdrift geurt u tegen uit dit schoone gebouwtje, bestaande
uit eene vierkante poort, waarvan de lijst, met blad werk versierd,
aan de beide einden en in het midden gedragen wordt door smaakvol
bewerkte zuiltjes, waarop de beelden staan van de Heilige-Maagd, van
Sint-Domitiaan en van Sint-Lambert. Het door een prachtig versierden
spitsboog omlijste veld boven de deur is in drie vakken verdeeld, die
in naïef en zielvol beeldwerk de Geboorte des Heeren, de Aanbidding der
herders en de Aanbidding der wijzen te aanschouwen geven. Wanneer, van
het trottoir aan de overzijde, ge eensklaps te midden van het gewoel en
de beweging der straat, de oogen opheft naar deze beelden en groepen,
dan gevoelt ge dat ge hier een edel kunstwerk voor u hebt, waaraan
de tijd de laatste hand heeft gelegd. De figuren zijn geschonden,
het relief is uitgesleten, het fijne beeldwerk half verteerd: en toch
beseft ge dat geene restauratie, hoe kunstig ook, zou kunnen opwegen
tegen den langzamen arbeid der eeuwen. Zelfs de kleine winkeltjes
en herbergen, die het smaakvolle gebouwtje omvatten, dragen er toe
bij om zijne geheimzinnige schoonheid te beter te doen uitkomen. Het
is inderdaad te hopen, dat men het kunstwerk in zijn tegenwoordigen
toestand late en geene pogingen tot herstelling beproeve, die niet
anders dan op mislukking zouden kunnen uitloopen.

Liet de tijd het ons toe, hoe gaarne zouden wij met u omdolen door de
omstreken van Hoei, en bij voorbeeld den loop volgen van de Hoyoux,
die van Modave afkomt en midden door de stad vloeit. Ten deele,
tot aan Barse, geeft de vallei van de Hoyoux, zij het ook op kleiner
schaal en in bescheidener afmetingen, het woelig en rumoerig tafreel
der moderne industrie te aanschouwen. Maar voorbij Barse hervindt
ge den weldadigen vrede der stille natuur. Bij Lunet en Bonne neemt
de vroolijke, dartele Hoyoux, die zoo straks molenraderen in beweging
bracht, met de kiezelsteentjes in haar bedding speelde en bij de stuwen
alleraardigste watervalletjes vormde: daar neemt die dartele, jolige
Hoyoux eensklaps het deftige voorkomen aan van eene hoogst fatsoenlijke
matrone, die de loszinnige grillen der jeugd sinds lang vergeten
heeft. In haar kalmen effen waterspiegel weerkaatsen rosachtig grijze
rotsen; langs haar met gras begroeiden zoom wuiven wilgen en populieren
hunne takken. Misschien ligt op den bodem dezer plotselinge verandering
wel een weinig weemoed: rivieren kunnen het dikwijls slecht verdragen
dat men haar vrijheid aan banden legt,--daarin den menschen gelijk, al
is het voor menschen en rivieren even dringend noodig;--en te Modave
heeft een machtig heer de ongebreidelde Hoyoux gedwongen, voor hem
alleen hare schoonheid ten beste te geven achter de omheining van een
gesloten park. Daar vloeit zij kabbelend tusschen smaragd fluweelige
grasperken, onder de schaduw van treurwilgen, omzoomd door dichte,
schaduwrijke lanen, waar geen vreemdeling den voet zet. Toch heeft zij
nog iets anders te doen dan den dorst te lesschen der herten en reeën,
wier bruin gevlekte huid schittert tusschen het groene hout. Zij
weerkaatst in haar kristallen spiegel de stoute, duizelingwekkende
vlucht van een tweehonderd voet hooge steile rots, die het voetstuk
vormt van een in volle waarheid vorstelijk kasteel. De reusachtige,
schier loodrechte rotswand is van boven tot onder behangen met een
dichten mantel van klimop; en de vierkante torens van het kasteel
maken bijna den indruk als waren zij eene voortzetting van den berg.

Maar al troont het kasteel op eene rots, het heeft daarom toch niets
tragisch; zijne hooge ligging alleen geeft het eenige overeenkomst
met de arendsnesten, waarin weleer de roofridders der legende
huisden. Modave is geen ten oorlog toegeruste burcht; veeleer doet het
denken aan een weelderig paleis, bestemd om eene vroolijke hofhouding
te herbergen. Toen de fransche bouwmeester Jean Groujon het plan voor
deze fiere woning ontwierp, poogde hij alle hulpmiddelen der kunst aan
te wenden om een paleis te scheppen, dat in overeenstemming zou zijn
met de pracht van het omringende landschap; en een prins van den bloede
kon niet beter bediend zijn geworden dan de graaf van Marchin, wiens
luim en wiens goud de vorstelijke woning op de rots deden verrijzen.

Tot heden toe heeft het kasteel, door een zeldzaam gelukkig toeval en
door de piëteit der laatste eigenaars, zijn majestueus, vorstelijk
voorkomen behouden. Reeds dadelijk bij het binnentreden treft u de
pracht van het voorhuis: de geheele genealogie van de Marchins ontrolt
zich, aan de zoldering, in schitterende kleuren voor uw oog: schilden
van goud en sabel, van keel en azuur, wisselen af met groote zwevende
figuren, van wier stalen helmen wuivende pluimen wapperen.--Dan treedt
ge in een met gobelins behangen salon: langs de wanden aanschouwt ge
eene gansche reeks van wapenfeiten ter zee en te land, en daarboven,
aan de gewelfde zoldering, eene rij van bas-reliefs, voorstellende de
werken van Herkules.--Men opent eene deur: ge zijt in de slaapkamer
der hertogen van Montmorency. Het ledekant, met zijne gebeeldhouwde
witte en vergulde kolommen, staat daar nog in den hoek, en daarbij een
paar antieke fauteuils, met heerlijk schoone gebloemde stof bekleed;
terwijl boven den schoorsteen het portret prijkt van een kardinaal
van Fürstenberg, wiens vriendelijk gelaat schijnt neer te blikken op
al deze pracht en weelde, en op dat rustbed, waarop thans geen vorst
meer zijne vermoeide ledematen uitstrekt.

Eensklaps valt een breede schitterende lichtstreep op de verwelkte
rozen van het tapijt: de bediende, die u rondleidt, heeft de deur
geopend van een verrukkelijk kabinetje, waarvan de wanden door
den schilder Morel met landschappen en bloemen zijn versierd. De
tijd heeft de levendige kleuren dezer schilderijen getemperd; maar
daarentegen tooit hij telkens weer met eene eeuwige jeugd den gansch
niet verschrikkelijken afgrond, die zich onder het balkon van het
venster opent, en die toch diep genoeg is om de hooge boomen beneden
te doen inkrimpen tot struiken en de rivier tot een smal lint. Een
klein gebouwtje, dat ge aan den voet der geweldige rots bespeurt,
heeft eene historische vermaardheid: daar bewaart men nog steeds een
werktuig, door den luikschen ingenieur Rennekin-Sualem uitgevonden, en
dat bestemd was om de vijvers der terrassen van water te voorzien. De
laatste der Marchins verspilde zijne gansche fortuin aan deze kostbare
waterwerken, waarvan de roem zelfs tot Versailles was doorgedrongen:
Lodewijk XIV ontbood den bekwamen ingenieur, die nu voor den grooten
koning de beroemde machine van Marly vervaardigde. Terwijl de machtige
monarch den kunstenaar, op wiens wenk het water overal klaterde in
fonteinen en bruiste in cascaden, met eer en gunstbewijzen overlaadde,
moest Ferdinand de Marchin, maarschalk van Frankrijk, zijn kasteel van
Modave overdoen aan den vorst-bisschop van Luik, Hendrik Maximiliaan
van Beieren.

Nu begint een aardige geschiedenis: de bisschop verkoopt op zijn beurt
de bezitting aan den kardinaal van Fürstenberg, en deze vermeerdert
het domein, door van zekeren heer Winand de Ville drie hofsteden en
Klein-Modave te koopen. Ongelukkig verzuimde hij de kooppenningen te
betalen. Deze kleinigheid ontging hem zelfs zoo geheel, dat hij het
kasteel met al hetgeen daartoe behoorde edelmoediglijk ten geschenke
gaf aan zijn neef, den prins de la Marck. De schuldvordering was
inmiddels overgegaan in handen van den zoon van Winand, den ingenieur
Arnold, die de kans schoon zag om een slag te slaan. Hij liet beslag
leggen op de drie hofsteden en op Klein-Modave, waarvan de koopsom
niet betaald was, en daarbij ook op het kasteel zelf, dat hij in
bezit nam als vergoeding voor de verschuldigde rente. Daar troonde
hij nu als een groot heer, in die vorstelijke huizinge, waaraan de
Marchins zestien jaren lang hadden laten bouwen. Het eenige wat aan
dit vorstelijk verblijf ontbrak, was een vorstelijke naam, die er
bij passen zou; welnu, de naam werd gevonden, en wel geen mindere
dan die van een Montmorency, die het kasteel ten huwelijk nam en de
dochter op den koop toe. Na het uitbreken der revolutie in Frankrijk,
was Modave gedurende eenigen tijd de residentie van den graaf van
Artois, den broeder des konings. Schitterende jachtpartijen, diners,
feesten en prachtige recepties, waarop de adel uit den ganschen omtrek
verscheen, wisselden elkander af. De koning zelf werd te Modave
verwacht, toen eensklaps de noodlottige tijding van de aanhouding
der koninklijke familie te Varennes en hare terugvoering naar Parijs,
aan alle verwachtingen den bodem insloeg en aan de feesten een einde
maakte. De verzamelde edellieden verstrooiden zich; de meesten togen
naar Coblentz, en toen België door de revolutionnaire legers werd
overweldigd en bij Frankrijk ingelijfd, werd Modave, als het eigendom
van een uitgewekene, verbeurd verklaard en verkocht. Een gewezen
ontvanger der Montmorency's, een braaf en nobel man, kocht het goed
en gaf het later terug aan den rechtmatigen eigenaar, den oudsten zoon
van den hertog Anne de Montmorency. En nu, deze grootsche residentie,
waaraan zoo doorluchtige namen, zoo trotsche herinneringen verbonden
zijn, die eenmaal vorsten en kardinalen, hertogen en bisschoppen heeft
geherbergd,--dit in waarheid koninklijk kasteel is thans het eigendom
van burgerlieden. Dit moet hun evenwel tot hun eer worden nagegeven,
dat zij tot dusver het verleden van dit paleis hebben geëerbiedigd on
getoond genoeg verstand te bezitten om te begrijpen dat het kasteel
van Modave eigenlijk altijd nog aan de Murchins en de Montmorency's
behoort.



XIII


Buiten de poort van Hoei begint wat men zou kunnen noemen de
industrieele Maas, die zich tot Luik uitstrekt. Wij komen hier weer
in het duistere rijk der vlammen en rookwolken; als ge des nachts,
in een ratelenden trein gezeten, deze akelige streek doorvliegt,
dan schijnen de reusachtige, wanstaltige fabrieken met haar helder
verlichte vensters en haar wijd geopende poorten, waaruit de roode
gloed u tegenstraalt, spookachtige kathedralen, len feest toebereid. En
ja, daar wordt een cultus gevierd, waarbij het gesnuif en geloei en
geknars der machines de tonen van het orgel vervangt; de priesters,
die het zwarte altaar bedienen, zijn half ontkleede, ruw uitziende
mannen, in wier baard en verwarde hairlokken vonken en roetvlokken
schuilen; de reusachtige schoorsteenen, die roode vlammen braken,
schijnen monsterachtige kandelabers, ontstoken ter eere van den god
dezer eeuw, den god Millioen, den verachtelijksten van alle valsche
goden. Corphalie, Flône, Engis kleuren achtereenvolgens den horizon
met hun rooden gloed; verder gapen de brandende purperroode muilen
van de glasblazerijen en steenkolenmijnen in den Val Saint-Bénoit;
eindelijk begroet u Seraing met den ratelenden donder en de vlammende
bliksemvuren zijner pletterijen en hoogovens: een gordel van vuur
omknelt de rivier; het is u als stondt ge te midden van een vlammen
brakenden vulkaan.

Evenals in de vreeselijke streek van Marchiennes, Couillet, Marcinelle
en Châtelet--dien kring van een hel, waarvan Dante nooit gedroomd
heeft--wordt ook hier het merg en bloed der menschen verteerd door
den eeuwigdurenden arbeid zonder rust of verademing. Honderden en
duizenden doorwroeten de ingewanden der aarde, om de steenkool en
het metaal daaruit te voorschijn te brengen, stoken de ovens, waarin
die metalen gesmolten worden, zwoegen en werken zonder ophouden in
fabrieken en werkplaatsen, arbeidende en worstelende, dag aan dag,
jaar aan jaar, tot eindelijk hunne kracht is verteerd en zij neerzinken
om te sterven. Noodlottige Sisyphus-arbeid, die ook elders vóór den
tijd den rug krommen doet en--erger nog--in het gemoed des volks het
duister besef wekt van een onontkoombaar noodlot, een somberen vloek,
die op de schare rust en geslachten bij geslachten verplettert.

Niet waar, ge zult het mij niet ten kwade duiden, dat ik u niet
rondvoere door die werkplaatsen en fabrieken, die zeker ook haar
aantrekkelijke zijde hebben en waar de menschelijke vindingrijkheid
en de menschelijke wetenschap ongetwijfeld schoone triomfen vieren,
maar die toch bij sommigen--waaronder ik mij gaarne reken--in de
eerste plaats een gevoel van onverwinlijken afkeer, van huivering
en schrik verwekken. Wij zullen deze tempels van den afgod Millioen
niet bezoeken, noch die in den Val Saint-Lambert, waar de geschonden
gebouwen van de oude eerwaardige abdij vernederd en ontwijd zijn
tot eene glasblazerij, noch die van Seraing met hun hoogovens en
gieterijen en pletterijen en wat niet al meer: een Tartarus, dien ge
in een halven dag ter nauwernood vluchtig doorloopen kunt.

Maar van Seraing en den stichter der ontzagwekkende industrieele
inrichting aldaar, mogen wij toch niet geheel zwijgen.

Wie van de prins-bisschoppen van Luik, die eeuwenlang, in hun
bekoorlijk buitenverblijf te Seraing al de liefelijkheden van het kalme
landleven, muziek en weelde en stille droomerij, genoten;--wie hunner
had ooit kunnen vermoeden dat de lachende villa, met haar lommerrijke
tuinen, haar zorgvuldig geschoren hagen, haar geheimzinnige bosschages,
haar grotten en waterwerken, op zekeren dag zou omgeschapen worden
in deze duistere, vlammende spelonk, wemelende van eene gansche
bevolking van gnomen en kobolden, die zoowel in het volle zonlicht
als in de duisternis onophoudelijk het goud te voorschijn halen uit
het gloeiende metaal? Voorwaar, hij was meer dan een gewoon man,
een soort van Napoleon op industrieel gebied, die John Cockerill,
die op zekeren dag van het jaar 1817 te Seraing voet aan wal zette,
vergezeld van een staf van ingenieurs, Engelschen als hij. Binnen
tien jaren had zich de roep van zijne stichting door geheel Europa
verbreid. Telkens werden nieuwe inrichtingen bij de bestaande
gevoegd. In 1823 werd de groote smederij met wat daartoe behoort
gebouwd; drie jaren later waren de verschillende ovens, de pletterijen
en machines van de ijzerfabriek voltooid en in werking gebracht; de
kolenmijn Henri-Guillaume volgde met eene exploitatie op tot dusver
nog onbekende schaal; eindelijk werd in 1828 de eerste met cokes
gestookte hoogoven aangelegd die het vaste land zag verrijzen. Elke
nieuwe onderneming was een nieuwe zegepraal. Ongelukkig brak, te
midden van al deze werkzaamheid, een hevige crisis, de omwenteling
van 1830, uit, die den arbeid tot stilstand doemde; ondanks een zeer
aanmerkelijk actief scheen schorsing der betaling onvermijdelijk. John
Cockerill stierf te Warschau, misschien gedood door de gedachte dat
zijne stichting ten ondergang was gedoemd.

Toch ging zijn werk niet onder: eene naamlooze vennootschap
nam, met aanzienlijk kapitaal, de inrichting over en hield haar
aan den gang niet slechts, maar breidde haar nog meer uit. Het
ontzaggelijke etablissement bezit tegenwoordig vijf hoogovens, eene
ijzersmelterij, die in drie hallen is verdeeld; veertig smeltovens;
twaalf pletterijen, eene staalgieterij naar het stelsel van Bessemer,
met al wat er toebehoort, constructie-werkplaatsen enz.; eindelijk
een scheepstimmerwerf met alle daarbij behoorende inrichtingen:
deze laatste bevindt zich echter niet aan de oevers van de Maas,
maar aan die van de Schelde, te Hoboken, bij Antwerpen.

Deze opsomming, hoe onvolledig ook nog, wekt reeds verbazing;
onwillekeurig opent zich voor onze verbeelding eene voorstelling van
iets onmetelijks, een industrieel Babylon. Denk een oogenblik aan
de honderden bruggen, die hier zijn gemaakt en alom over de rivieren
en stroomen gelegd; aan de transatlantische stoomschepen, de booten
en lokomotieven, geweldige leviathans, die hier hunne vleugelen en
hunne longen kregen en die sedert, naar de vier winden uitgezonden,
door den stoom bezield, land en zee doorploegen in ijlende vaart. En
die vuurdraken komen niet een voor een uit dezen loeienden Tartarus te
voorschijn: neen, bij gansche drommen, bij vloten en karavanen. Binnen
den tijd van acht jaren werden vijfhonderd-drie-en-tachtig
stoommachines, twee-honderd-zes lokomotieven, negen-en-zeventig
stoombooten, twee monitors van honderd-tachtig paardenkrachten elk,
met daarbij behoorende torens, affuiten, pompen en al het verdere
materieel, ongeveer een dertigtal barges, lichtschepen, loodsvaartuigen
en baggermachines alleen aan de russische regeering afgeleverd.

De fabriek verandert zich dan in een arsenaal; de gloeiende adem
van den oorlog doet hare ovens vlammen en hare raderen wentelen: al
het vernuft en al het genie der moderne industrie stelt zich in de
dienst van dood en vernieling. Maar ook de vrede zet de reusachtige
inrichting aan het werk: de eerste lokomotief en de eerste spoorstaven
werden in 1835 door Seraing afgeleverd; en drie-en-twintig jaren later
levert dezelfde fabriek het ontzaggelijke materieel, benoodigd voor
het boren van den tunnel door den Mont-Cénis. Maak u nu, zoo ge kunt,
eene voorstelling van de drukte en beweging, van het eeuwige rumoer
in deze nimmer rustende wereld, waar menschen en machines elkander
aanvullen en zich als in elkander verliezen. Denk u het razend en
onharmonisch orchest der smidsen, der pletterijen, der smeltovens,
brullende, knarsende, loeiende, kloppende, hamerende: een eeuwige
donder, vlammen en bliksemstralend schietende naar alle kanten. Het is,
als bevondt gij u midden in een fornuis: een stroom van vuur golft,
schuimend en sissend, aan alle kanten; uit de gloeiende kaken der
wijd gapende ovens vliegt een regen van vonken; en te midden van
het oorverdoovend, het verbijsterend geraas klinken, met geregelde
tusschenpoozen, de doffe slagen van de monsterachtige plethamers,
als de donder van eene batterij. En nu, laat ons uit deze hel naar
buiten treden.



XIV


Elk uur vaart eene boot van Soraing naar Luik: er is geen beter
gelegenheid denkbaar om het prachtige panorama te overzien, dat zich
voor onzen blik ontrolt. De ranke, lichte boot klieft de groenachtige
wateren; eene verkwikkende koelte stijgt op uit den schoot der
rivier; telkens wijken en naderen de bergen langs de schilderachtige
oevers. Ter rechterzijde duikt Seraing weg in een nevel van wemelende
rookwolken; ter linkerzijde vertoont zich Jemeppe, tegen de helling
eens heuvels gebouwd; de fabrieken, de werkplaatsen, de kolenmijnen,
de heuvels van slakken en sintels volgen elkander in onafgebroken
rij op, den horizon verbergende achter hunne wanstaltige vormen.

De groote smidse van dit land van ijzer en kool is hier in volle
werking en zal ons eerst aan de andere zijde van Luik verlaten. Telkens
en telkens verrijst aan den horizon een groot zwart gebouw, te
midden van vlammen en rook; het weerkaatst zijn plompe smakelooze
gestalte in de Maas, verscheurt het groene kleed van het landschap
met zijn stellages en getimmerten of met zijn vierkante steenmassa,
door tal van hooge vensters doorbroken. Maar daaromheen bloeien en
geuren de tuinen, ontrollen de weilanden hun met bloemen gestikt
smaragden tapeet, en wuiven boomen tot sierlijke groepen vereenigd
hunne lommerrijke takken. En laat ge uw blik rusten op de deels rijk
begroeide en bebouwde, deels kale berghellingen op den achtergrond,
dan verzoent ge u bijna met deze samenvoeging van natuur en industrie,
en boeit u de eigenaardige schoonheid van het in zijne soort schier
eenige landschap.

Telkens vaart de kleine boot langs de pijlers van eene brug,
ligt stil aan een steiger, buigt zich om eilandjes, oprijzende
uit de wateren. Ougrée, Sclessin, de herbergen en kroegjes van
Petit-Bourgogne, de bosschen van Kinkempois gaan langs uw oog
voorbij. Uit de priëelen klinkt u een vroolijk gelach tegen; een reuk
van gebakken visch waait u tegemoet uit de keukens; eene gansche vloot
van gieken, bootjes en vaartuigjes van allerlei vorm en naam omringt
u, bestuurd en voortbewogen door mannen en jongelieden in roode,
blauwe of witte jakken, met ontbloote gespierde armen de riemen
voerende. De fabrieken en werkplaatsen hebben niet langer het rijk
alleen: ge bemerkt dat ge eene groote stad nadert; ge stoomt langs
Angleur; en eensklaps ligt Luik voor u, als een amphitheater tegen
de heuvelen gebouwd. Dit schouwspel is een van die, welke men nooit
vergeet. Toch overziet ge van het dek der boot slechts een stuk van
de groote en woelige schilderij, die zich van de hoogte van Cointe
in haar geheelen omvang voor uw oog ontvouwt: de reeks van bruggen
met haar grijze bogen; de verwarde massa der daken die tegen de
heuvelen opklauteren; de hooge tinnen der kerken, als reuzenschepen
zich opbeurende uit die zee, wier lijnen aan den horizon wegsmelten.

De boot vervolgt inmiddels haar vaart langs breede kaaien, met groote
kosten gebouwd; de nieuwe wijk van het Ile du Commerce ontrolt ter
linkerzijde haar squares, haar fonteinen, haar standbeelden, haar
hotels in ietwat overladen, bombastischen stijl; de huizen naderen
dichter en dichter tot elkander; de rechteroever verdwijnt half in
rookwolken; alles geeft u den indruk dat ge het hart eener groote
stad nadert. Achter u verzinken, in de schemerende verte, de Jardin
d'Acclimatation en zijne kiosk, de twee bogen van de brug du Commerce,
het openbare park met zijn dicht geboomte; maar voor u openen zich
nieuwe vergezichten: daar beurt Sint-Maarten, halverwege op den
heuvel, haar zwaren vierkanten toren ten hooge; de fijne spits van
Sinte-Walburge rijst een oogenblik in de blauwe lucht; Sint-Jacob
vertoont een stuk van zijn steenen kantwerk. Dan vaart ge langs
de gebouwen van het bisschoppelijk paleis en het seminarie, half
wegschuilende tusschen het groen; de brug de la Boverie spant over
het snelvlietende water haar vijf bogen als zoovele poorten. Kort
daarop vertoont zich de Pont des Arches met haar machtige pijlers,
met allegorische standbeelden versierd; dan schijnt de rivier zich nog
te verbreeden; een kreet van bewondering ontsnapt u: rechts en links
ontplooien zich twee prachtige kaden, hier de quai des Tanneurs; daar,
de vermaarde quai de la Batte, met haar doolhof van cafés-concerts,
matrozenkroegen, gemeene huizen en winkeltjes.

Hier bevindt ge u in het hart van het oude Luik; op marktdagen wemelt
het langs deze geheele quai de la Batte van karren en wagens, van
groente- en fruitverkoopers, sjouwers en pakkedragers, van handelaars
in vogels, in honden, in lorren, van wonderdokters en kwakzalvers
en kunstenmakers, schreeuwende, joelende, roepende te midden van een
baaiert van kraampjes, tafeltjes, uitstallingen van groenten en fruit,
van tenten en parapluies. Ga bij de geschutgieterij aan land, wandel de
woelige kaai weder af, sla een der smalle bochtige straatjes in, die
deze karakteristieke, volkrijke buurt doorsnijden; en weldra betreedt
ge de Groote Markt, het forum der stad, een fraai langwerpig plein,
omzoomd door de antieke puntgevels van de voormalige gildenhuizen, en
dat voornamelijk zijne vermaardheid dankt aan eene hooge zuil, waarop
eene groep der Gratiën prijkt. De zuil zelve rust op een voetstuk, dat
door vier leeuwen gedragen wordt; en deze vier leeuwen worden zelven
weder door een onderbouw gedragen, die tot fontein is ingericht. Dit
is de Perron: een naam, die op elke bladzijde der geschiedenis van
Luik wederkeert. In de vijftiende eeuw stond op dezelfde plek een
hooge paal of zuil, voor welke de keuren der stad werden afgekondigd;
Karel de Stoute, die Luik zoo zwaar tuchtigde, liet die zuil wegnemen;
onder Maria van Bourgondië werd zij weder hersteld, maar later door
storm vernield. Eindelijk gaf men haar den meer antieken vorm, dien
zij nog heden heeft. Delcour, die de fraaie groep beitelde, dacht er
zeker niet aan, in zijn werk eene bepaalde politieke gedachte uit te
drukken of daarin de herinnering aan het verleden te bewaren; toch
is voor iederen Luikenaar de Perron als het ware het onsterfelijk
symbool van de historie zijner vaderstad.

Eene straat, die ge bij het station der Guillemins inslaat, buigt
zich rechts, voert u over eene brug en langzamerhand, al stijgende,
naar een breeden weg, onlangs tegen den heuvel aangelegd. Naarmate ge
hooger klimt, breidt het panorama zich voor u uit; de heuvelen wijken
of laten tusschenruimten open, die u kijkjes gunnen in het verschiet;
soms bespeurt ge geheele stukken van de stad: eene opeenhooping van
daken en puntgevels, waarboven de hooge schoorsteenen der fabrieken
uitsteken. De rivier wijkt ter linkerzijde, en laat slechts een
gedeelte van haar groene watervlakte zien; een plateau ontrolt zich
voor u, van welks rand eensklaps een der schoonste panorama's van Luik
zich voor uwen blik ontrolt. Dit is de hoogte van Cointe (bladz. 313),
zeker het meest geschikte punt om met een enkelen blik bijna geheel
Luik te overzien.

Daar ligt zij voor u, langs de beide oevers van de rivier, elk een zoo
eigen karakter vertoonend. Als een breed zilver lint, van metaalglans
overspeeld, slingert zich de Maas door de uitgestrekte woestijn
van daken en steenen muren, die zij in twee gedeelten splitst. Vier
bruggen, de pont de l'Acclimatation, de pont Neuf, de Passerelle,
de pont Léopold, spannen over de wateren haar reeks van bogen,
slinkende met den afstand, tusschen de schier onafzienbare lijn
der kaaien. Op den achtergrond, waar de rivier eene kromming maakt,
vertoonen zich de dicht opeengepakte huisjes van de quai de la Batte;
dan verliest zich de stralende, als met diamanten bezaaide rivier
tusschen de bergen, die haar oevers omzoomen en wier toppen ons uit
de schemerende verte groeten.

Aan onze rechterhand ontvouwt zich de dichte, saamgepakte massa van
de wijken aan gene zijde der rivier. Een streep van donkere zware
rook--een nevel, die nimmer door de zon wordt opgelost, wijst den
loop van de rumoerige rue Grétry, wier naam een zonderling contrast
vormt met het oorverdoovend geraas der smederijen, pletterijen en
andere werkplaatsen, dat hier bijna dag en nacht de lucht vervult. De
industrie blijft hier toch niet voor de poorten staan: als door
een onweerstaanbaren, alles overweldigenden drang medegesleept en
voortgedreven, trekt zij de stad binnen, overstroomt hare wijken,
vervult hare straten met het gebrul en gefluit harer machines,
en bouwt in het hart der stad hare allesbeheerschende, vlammen en
rookbrakende burchten op.--Maar aan den linkeroever hervinden wij
althans eenige kalmte en rust. Op den voorgrond wenken de weelderige
hotels en woningen van het Ile du Commerce, waar allerlei bouwstijlen
elkander broederlijk ontmoeten en de architektuur zich fantastische
spelingen veroorlooft, waarvan de groote oude meesters nooit hebben
gedroomd. Deze schitterende wijk breidt zich uit aan den voet van
den heuvel, die van onder tot boven geheel met huizen is bedekt,
waarvan de grauwe leien daken, tegen den groenen achtergrond der
bergen, ondanks hun grijzen toon, geen kwaad effect maken. Boven de
huizenmassa rijzen tal van torens en spitsen, tinnen en daken van
kerken en kapellen omhoog: Sint-Jacob en, meer links, Sint-Paulus
en verder, half in den nevel wegduikende, Sint-Maarten, de steenen
reus, die overal de blikken tot zich trekt. Op zeker punt breekt
het groen de eentonigheid der huizenmassa: de huizen beginnen wijder
uit elkander te staan; daar beginnen de voorsteden en buitenwijken,
aan den gezichteinder begrensd door de grillig geteekende, groene
hellingen van den berg Vivegnis.

Dit alles geldt slechts de buitenzijde en de oppervlakte der
dingen. Heeft men dit panorama genoten, dan moet men in de stad zelve
doordringen, in dat warnet van smalle, bochtige straten en stegen,
sommigen zigzagswijze de heuvelhellingen beklimmende en alleen
voor voetgangers toegankelijk; anderen, minder steil, opstijgende
dwars door de oude buurten; bijna allen buigende met scherpe hoeken,
vaak onderling door trappen verbonden en somwijlen zoo nauw, dat de
overburen in de overhangende huizen elkander welhaast een kus op
de lippen zouden kunnen drukken. Ook te Luik vindt men eene oude
en eene nieuwe stad: deze laatste heeft breede rechte straten,
benevens boulevards, squares, fonteinen, kiosken, terrassen:
de geheele moderne decoratie van eene provinciale hoofdstad, die
op vertooning en opschik is gesteld en geld genoeg heeft om zich
die weelde te veroorloven. Sedert de laatste vijftien of twintig
jaren hebben de kaaien en haar onmiddellijke omgeving eene geheele
herschepping ondergaan, heeft men den loop der rivier gewijzigd en
verlaten terreinen in bezit genomen ten behoeve van het toenemend
verkeer. Op een paar schreden van de Guillemins is, als door den
slag eener tooverroede, eene nieuwe prachtige stad uit den grond
verrezen, eene staalkaart van weelderige overladen bouwstijlen, een
architektonische _pot-pourri_, waarvan de minarets, de koepels, de
loggia's, de kolonnaden en frontons eene bonte fantasmagorie vormen
van oostersche en westersche architektuur. Daal eenige trappen af:
daar stuwt de Maas haar schitterende wateren voort aan den voet der
kaaimuren, en een andere trap aan de overzijde brengt u naar fraaie
perken, met verschillende soorten van boomen beplant en waar het
geruisch van springende fonteinen uw oor verkwikt. Weldra begint eene
dubbele allee van groote boomen, wier takken boven uw hoofd een dicht
loofgewelf vormen: het is u bijna als wandeldet ge door een bosch. Aan
dezen prachtigen boulevard van Avroy sluiten zich de dreven van de
Sauvenière; de huizen sluiten zich nauwer aan een; rechts ziet ge een
plein, met een standbeeld, dat van Grétry, versierd en daarachter een
zeer ordinair gebouw met pilasters, den schouwburg; onmiddellijk daarna
brengt eene breede straat ons op het grootsche plein Saint-Lambert,
grootsch en merkwaardig vooral door de herinneringen van het verleden,
meer nog dan door zijne buitengewone afmetingen.

Daar verrees, tot in de laatste jaren der vorige eeuw, een wondervol
gebouw, de kathedraal uit de twaalfde eeuw, met haar zware vierkante
torens, de veertien massieve zuilen die haar schip droegen,
haar kapittelzalen, haar sakristie, haar archief, de woningen
der kanunniken, al de bijgebouwen en toevoegsels behoorende bij
het alles beheerschende heiligdom. Dit heiligdom zelf, de aan
Sint-Lambert gewijde kathedraal, was niet het eerste, dat op deze
pleek verrees. Sint-Hubertus, bisschop van Luik, had in den aanvang
der achtste eeuw eene kerk toegevoegd aan de reeds bestaande kapel:
in welke kerk ten jare 720 de overblijfselen werden bijgezet van
Sint-Lambertus, den heiligen prelaat, die op deze zelfde plek door de
handen van moordenaars was gevallen. Notger, die van 971 tot 1008 den
bisschoppelijken stoel bekleedde, herbouwde de kerk van Sint-Hubert
en liet er woningen voor zestig kanunniken aan toevoegen. In dezen
tweeden tempel weerklonk de machtige stem van Peter de Kluizenaar,
de geloovigen oproepende ten heiligen krijg ter bevrijding van het
graf van Christus; hier predikte de heilige Bernard van Clairvaux;
in de twaalfde eeuw verhief Lambert le Bègue hier zijne waarschuwende
stem tegen de simonie en het ergerlijke leven der geestelijken, en
dreigde met de naderende gerichten Gods, indien bekeering achterwege
bleef. Deze woorden bleken eene profetie: den 11 April 1183 werd de
kerk door het vuur aangetast. Drie dagen lang woedden de vlammen:
bijna niets kon worden gered dan de relikwieën van Saint-Lambert. De
herbouw van de kerk vorderde niet minder dan zeven-en-zestig jaren.

Ettelijke afbeeldingen, de herinnering van enkele grijsaards, die
het tegenwoordige plein Saint-Lambert nog met puin bedekt hebben
gezien, eindelijk de vrij onvolledige beschrijving van Saumery, die
met medelijdend schouderophalen spreekt over den _slechten smaak_
der middeleeuwsche architekten:--ziedaar alles wat ons ten dienste
staat als wij ons eene voorstelling willen maken van de nobele
kathedraal, voor zij in 1794 door het luiksch gepeupel en de fransche
revolutionnaire horden werd verwoest. De kerk met al hare bijgebouwen
besloeg de gansche ruimte tusschen de Place Verte en de Markt. De
kathedraal zelve verhief zich trots boven al deze toevoegsels, die het
effect van het monument des te meer bedierven, omdat het onmogelijk
was de kerk op een behoorlijken afstand te zien. Twee zware vierkante
torens, in oud-gothischen stijl, omlijstten aan de westzijde het oude
koor, de aan de heiligen Cosmas en Damianus gewijde kapel. Het nieuwe
koor, aan de tegenovergestelde zijde, zag op de Markt uit; tusschen
die beiden lag de hoofdbeuk, uitmuntende door haar hoogte. Tegen
het zuidelijke dwarsschip was een hooge toren aangebouwd, waarvan
de eerste steen in 1392 werd gelegd, en waarvan de rijk versierde
achtkantige houten spits met verguld lood was bekleed.

Tien zijdeuren, waarvan slechts twee voor het publiek geopend waren,
gaven toegang tot het inwendige der kerk. De hoofdingang op de Place
Verte voerde niet rechtstreeks in de kathedraal, maar naar een klein
kerkhof, dat het voorportaal van de eigenlijke kerk scheidde. Deze
poort werd alleen geopend wanneer een nieuwe prins-bisschop zijn
intocht hield; de oude deuren ontsloten zich voor de laatste maal
op den 17 Februari 1791, toen de bisschop Van Hoensbroeck uit
de ballingschap terugkeerde. Naar de eenstemmige verklaring van
deskundigen, was dit portaal uit de dertiende eeuw een juweel van
kunst. Vier deuren van verguld brons voerden naar het oude koor,
waarvan het altaar omgeven was door acht zware korte zuilen, door
rondbogen verbonden: het eenige wat van den oorspronkelijken bouw
was overgebleven.

Langs vier treden daalde men nu af in het groote schip, waarvan
het gewelf door veertien reusachtige zuilen gedragen werd. Het
eerste wat hier de aandacht trok was de kroon van Saint-Lambert:
een kolossale lichtkroon van meer dan dertig el in omtrek, waaraan
zich de herinnering hechtte van eene allerzonderlingste gewoonte,
bekend onder den naam van _Creux d'Vervi._ Telken jare, des dinsdags
na Pinksteren, werd eene deputatie van notabelen uit Verviers,
vergezeld van een of twee kortelings gehuwde paren uit deze stad,
door den opper-burgemeester van Luik aan de poort van Amercoeur
ontvangen, waar hun vergunning werd verleend om zich te gaan kwijten
van de verplichtingen, door hunne voorvaderen aangegaan. Nu werd eene
soort van processie gevormd; over den geheelen weg tot aan de pont des
Arches dansten de jonggehuwden op de maat van fluiten en tamboerijns,
gevolgd door eene ontelbare menigte. Den volgenden morgen vormde de
stoet zich opnieuw en trok naar de kathedraal van Saint-Lambert. Daar
schaarden zich de afgevaardigden uit Verviers in een kring onder de
groote lichtkroon en begonnen, op een gegeven teeken, als razenden te
springen en te dansen, daarbij den duim van de linkerhand in de hoogte
stekende. Gelukte het een der dansers de kroon aan te raken, dan werd
zij zijn eigendom: maar daarop bestond niet veel kans, want de kroon
hing omstreeks twintig voet boven den grond! De plechtigheid in de
kerk werd besloten met de aanbieding van eene gevulde beurs aan den
deken; daarna keerde men, steeds dansende, terug, en ten slotte bood
de laatst gehuwde vrouw aan de stads-gerechtsboden een oud mud aan, dat
zij dadelijk stuk sloegen en van de pont des Arches in de Maas wierpen.

Wij zullen ons niet ophouden bij de zijkapellen, met kunstschatten en
graftomben opgevuld. Voor ons verrijst een prachtig oxaal, door welks
driedubbele bogen wij een blik kunnen werpen in het bovenkoor. In het
midden staat een soort van gothisch gebouwtje met een rood fluweelen,
met goud geborduurden en met hermelijn gevoerden mantel omplooid,
dat de relikwiënschrijn van. Sint-Lambertus bevat. Op reusachtige
kandelaars met zeven en met negen armen branden voortdurend reine
kaarsen; boven alles hangt een kolossaal crucifix. Ter wederzijde van
het oxaal een orgel en eene galerij voor de kapel, die zelfs tot in
Italië beroemd was. Op hooge feestdagen werden hier de standaarden
der twee-en-dertig gilden opgehangen.

Maar wij kunnen niet alle schatten opnoemen, die de eerwaardige
kathedraal bevatte; wij maken dus slechts met een enkel woord gewag
van den lezenaar, een meesterstuk van geelgietersarbeid, en van de
heerlijke graftombe van Everard de la Marck, insgelijks van verguld
koper. Het boven- of priesterkoor ligt zes trappen hooger dan de
vloer van het schip; het hoogaltaar is eene navolging op kleine schaal
van dat in de Sint-Pieter te Rome en staat ook geheel op zich zelf;
boven den tabernakel ziet men het half liggende beeld van den heiligen
patroon van Luik. Nog hooger, onder een wijden troonhemel met een
groot kruis versierd, ontplooit zich op hooge feestdagen de eerwaardige
standaard van Sint-Lambert, waarvan de bewaring aan het kapittel der
kathedraal is toevertrouwd. Het is een banier (gonfanon) van roode
zijde met gouden franje, aan een lans of langen stok bevestigd. In
het kruis onder aan de banier is een schelletje verborgen. Wanneer de
zware stem van de banklok de burgers van Luik onder de wapenen roept,
dan weerklinkt ook het schelletje, en de hooge voogd van Hesbaye, de
heer van Aigremont, nadert in eerbiedige houding, om uit handen van
den opper-burgemeester de heilige en roemrijke vaan te ontvangen. De
oude banier, volgens de kroniekschrijvers een geschenk van Karel den
Groote, werd in den veldslag van Brusthem (1467) vernield. Men maakte
nu eene nieuwe, in alles aan de oude gelijk; bisschop Hoensbroeck nam
die in 1789 mede naar Duitschland. De luiksche magistraat eischte te
vergeefs het gewijde vaandel terug, en daar de luiksche troepen onder
geene andere vlag wilden uittrekken, was men genoodzaakt nogmaals
eene nieuwe banier te maken.

Rechts van het altaar stonden de bidstoel en de troon van den bisschop;
links de zetel van den wijbisschop en nog een derde troon voor den
gezant des Keizers bestemd, die bij de verkiezing van een nieuwen
kerkvoogd moest tegenwoordig zijn. Kostbaar marmer van allerlei kleur,
prachtige tapijten, verguldsel, goud en edelgesteenten schitterden daar
alom in rijken overvloed en hulden het groote koor, wanneer het licht
door de zes beschilderde ramen en het in de heerlijkste kleurenpracht
stralende groote roosvenster op den achtergrond naar binnen viel,
in een wonderbaren glans, die aan een visioen uit hooger sfeer,
eene verschijning uit een paradijs van licht en kleuren, denken
deed. Welk een aanblik leverde deze indrukwekkende kathedraal op,
wanneer, op hooge feestdagen, de heilige dienst in het hooge koor
werd gevierd, met al die majestueuse heerlijkheid, al die statige
overweldigende pracht, die geheimzinnige betoovering, waarvan de
katholieke eeredienst het wonderbaar geheim bezit.

Van de eerwaardige kathedraal, met haar kloosterhoven, haar
kapittelzalen, haar charterkamer, en alle verdere bijgebouwen is
niets meer over. De beestachtige baldadigheid en fanatieke woede van
de fransche _sans-culottes_ en hunne luiksche geestverwanten liet
van het heiligdom geen steen op den anderen. Eerst in 1808 werd het
puin weggeruimd, dat het plein bedekte, waar eens de hoofdkerk der
bisschopsstad stond.

Maar naast de glorierijke kathedraal verrees een prachtig paleis,
waarvan de bouw, ter vervanging van eene vroegere door brand vernielde
bisschoppelijke woning, werd begonnen door den prachtlievenden Everard
de la Marck, wiens tombe in de kathedraal prijkte. Dit paleis althans
is voor het grootste gedeelte gespaard gebleven. In Maart 1735 werd
onder anderen ook de voorgevel van het paleis door brand vernield. Het
behoorde toen tot den goeden smaak om met verachting neer te zien op de
gothische middeleeuwsche barbaarschheid; en de brusselsche architekt
Jean André Anneesens, aan wien de regeerende prins-bisschop Georges
Louis de Berghes den bouw van een nieuwen voorgevel opdroeg, meende
dan ook zeker iets zeer voortreffelijks te doen, toen hij zijne koude
symmetrische, zoogenoemd klassieke façade optrok. Daar men van het
plein Saint-Lambert niets van het inwendige van het gebouw kan zien,
valt het onpassende van dien gevel niet zoo dadelijk in het oog.

Het voormalige paleis der vorstelijke bisschoppen beslaat eene
oppervlakte van ongeveer anderhalven bunder en omvat drie vierkante
binnenplaatsen, waarvan de laatste thans een verwaarloosde tuin
is. Betreden wij den eersten binnenhof. Welk eene verrassing! Waar
zijn wij? In een of ander reusachtig _patio_ van eene andalusische
Alhambra; in eene indische pagode; in een fantastische schepping
van romaansche architektuur, herlevende in de zestiende eeuw; in een
italiaanschen kloosterhof? Vermoei u niet met vragen: gij zijt hier in
eene tooverwereld, waarin de fantasie haar schepter zwaait. Een enkel
man heeft dit wonder geschapen, waarin gij de hand van velen zoudt
meenen te herkennen; maar welk een kunstenaar en welk een ziener! Die
François Borset, van het Overmaassche, behoorde tot het geslacht der
machtige, geweldige geesten, die alle vormen en alle gestalten in zich
omdragen en het nooit geziene te voorschijn brengen. Hij beitelde
de zestig kolommen van de galerij, die de binnenplaats omgeeft, een
wonderbaar fantastisch, grotesk poëem, dat bijwijlen aan oostersche
feëriën denken doet. Elke zuil getuigt voor de onuitputtelijke
vindingrijkheid van den kunstenaar; allen hebben iets eigenaardigs,
geen enkele kolom is volkomen aan de anderen gelijk; sommigen zwellen
als een bloembol, anderen bootsen de kelk eener tulp na, weer anderen
gelijken op kandelabers. En welk eene oneindige verscheidenheid in
de voetstukken en kapiteelen met hun onmogelijke bladeren en bloemen
uit eene fantastische plantenwereld, hun fabelachtige dieren, hun
grijnzende en glimlachende maskers.... Eene beschrijving van dit
alles te geven is onmogelijk; alleen eigen aanschouwing kan van
deze architektonische fantasmagorie een denkbeeld geven. En boven
de portiek, waarvan de bogen door deze pilaren gedragen woorden,
verheffen zich de smaakvolle gevels, met zuilen en kolommetjes,
met pinnakels en loofwerk en balustraden rijk versierd: en toch
schijnt die weelde en overlading van de late gothiek bijkans sober
en streng, vergeleken met de buitensporige fantastische spelingen
van den zonderlingen meester Borset.

Als wij nu de tweede binnenplaats betreden, valt zij ons aanvankelijk
tegen, ondanks hare schoonheid: wij moeten eerst de tooverachtige
verschijning van zoo even vergeten. Toch is de geweldige Borset ook
hier aan het werk geweest, en al zijn de schachten en de kapiteelen
der verschillend gecanneleerde minder fantastisch, toch verraden zij
in hun teekening en versiering de hand van dien zonderling begaafden
kunstenaar. Op deze binnenplaats loopt de portiek slechts langs
de zuid- en de noordzijde; de muren der beide andere zijden zijn
met gevulde bogen versierd, waarvan de staanders tot op den grond
reiken. In het midden van deze meer eenvoudige, maar zeker niet minder
schilderachtige, rustige binnenplaats bevindt zich een waterkom,
waaruit eertijds eene monumentale fontein oprees, met den dubbelen
rijksarend versierd. Rondom dien kleinen vijver bloeit en groent een
kleine tuin, waar heesters en struiken in het wild groeien en waar
ge in het gras overal oude steenen, stukken van wapenborden en van
standbeelden, gebroken zuilen, grafzerken, in wanorde door elkander
ziet liggen. En als ge opziet naar de muurpaneelen, dan ontwaart ge
daar de wapenschilden van verschillende bisschoppen, met name dat
van Everard de la Marck, dat vele malen wederkeert. Door welk wonder
zijn deze aristokratische zinnebeelden ontsnapt aan de aandacht van
het revolutionnaire gepeupel, dat zoo ijverig alles vernielde wat van
de vroegere tijden getuigde? Maar de aanschouwing van die relikwieën
verplaatst u van zelf in andere tijden, en een beeld der vervlogen
heerlijkheid rijst voor uwe verbeelding. De binnenplaatsen en de
galerijen vullen zich met de eerwaardige gestalten van geestelijken
van allerlei rang, van edelen en burgers, van pages en officieren;
uit de wijd geopende vensters klinken liefelijke tonen van muziek en
zang of het gegons van stemmen in druk en vroolijk gesprek; door de
deuren en de half opgelichte tapijten kunt ge de pracht onderscheiden
van rijk versierde, vorstelijk gemeubelde vertrekken, van standbeelden
en vazen en marmeren trappen en eikenhouten lambriseeringen. En in
een dier vorstelijke zalen staat, door een schare van prelaten en
edellieden omringd, de prins-bisschop, de opvolger van Sint-Lambertus
en Sint-Hubertus, meestal zelf iemand van vorstelijke of althans
hoog adellijke familie, een vorst van het heilige roomsche rijk,
met geestelijk en wereldlijk gezag bekleed, al werd de uitoefening
vooral van dit laatste hem dikwijls moeilijk genoeg gemaakte door de
weerspannigheid zijner onrustige, woelige onderdanen.... Doch als wij
weder onze oogen opslaan naar de vensters, verdwijnt de illusie: overal
zien wij klerken gebogen over hun lessenaar, ijverig de pen latende
krassen over het papier: dat gedeelte van het oude bisschoppelijke
paleis in bezit genomen door het bureau van registratie! Hoe hebben
de termiten zich in het hol van den leeuw gewaagd!

En niet alleen hier, maar overal zijn de beelden en gestalten van
het roemrijk verleden weggevaagd. De in het zwart gekleede mannen,
die ge onder de portieken van François Borset ziet wandelen,
zijn geen monniken of prelaten, maar rechters, advokaten of
procureurs; deurwaarders, beklaagden, aanklagers, getuigen hebben
de plaats ingenomen van de behoeftige schare, die op bepaalde dagen
hier samenkwam om de vorstelijke aalmoezen van den bisschop te
ontvangen. Want in dit gedeelte van de voormalige residentie der
vorsten van Luik zetelen thans de gerechtshoven.

Deze manier om van oude monumenten partij te trekken, bewijst
zeker voor den praktischen zin van het volk. De voormalige stallen
van het paleis werden verbouwd en tot bureaux van het provinciaal
gouvernement ingericht. Het geheele westelijk gedeelte van het paleis
is tegenwoordig voor dien dienst bestemd, en een kunstenaar van meer
dan gewoon talent, de heer Delsaux, heeft zich op voortreffelijke
wijze gekweten van de taak om dit deel van de oude residentie te
restaureeren en voor de nieuwe bestemming geschikt te maken. Het
gouvernementsgebouw, dat tevens de vergaderzalen der staten en van
gedeputeerde staten, alsmede de woning van den gouverneur bevat,
mag in volle waarheid een vorstelijk hotel worden genoemd, waarvan
de voorgevel op het plein Notger, in den stijl van het paleis van
Everard de la Marck ontworpen, inderdaad een monumentaal karakter
draagt. En dit zal nog meer het geval zijn, wanneer de beeldwerken
zullen zijn voltooid, wanneer de twintig bas-reliefs zullen zijn
geplaatst, die de belangrijkste monumenten uit de geschiedenis van
Luik moeten voorstellen, en wanneer in de zes-en-veertig nissen
de standbeelden zullen prijken van de beroemdste bisschoppen, van
veld-oversten, geleerden en kunstenaars, die den roem der oude stad
hebben verbreid. De portiek in het midden van het gebouw herhaalt
de schoone bevallige motieven van de pilaren en bogen van de eerste
binnenplaats, waaraan ook de geheele stijl van den gevel met zijne
uitspringende vleugels denken doet. Ook de inwendige inrichting van
het hotel munt door smaakvolle pracht uit; men vindt hier een rijkdom
van antieke meubelen, tapijten, kostbare kunstvoorwerpen van allerlei
aard, schilder- en beeldhouwwerk.

Dit geheele gebouw met zijne rijke, smaakvolle versiering komt vooral
goed uit, wanneer men het ziet van de breede dubbele trappen, die
van het plein Saint-Pierre naar het plein Notger afdalen en een met
bloemen beplant square omvatten, waar fonteinen en watervallen de
lucht vervullen met muziek en frissche koelte.



XV


Dat kleine plein Notger is bijna uitgehouwen in den steilen heuvel,
den Publemont, die met zijn tuin en bosschages, met de langs zijne
helling gebouwde huizen en het plein Saint-Pierre op de hoogte, zelf
eenigermate den indruk maakt van een monumentale trap in den stijl van
Piranese. Zulk een trap bestaat echter ook in de werkelijkheid: een
weinig verder, in de straat Hors-Château kunt gij haar zien, stijgende,
altijd stijgende, immer hooger, tot de esplanade van de citadel, van
waar men een der schoonste uitzichten heeft over Luik en het Maasdal,
aan de eene zijde tot aan de Ardennen, aan de andere tot aan den
Sint-Pietersberg bij Maastricht en de vlakke velden van Limburg.

De oude bisschoppelijke stad heeft ook nog in haar kerken de
herinnering bewaard aan haar verleden en haar geestelijk karakter. Wel
maakt misschien geene enkele der kerken van Luik dien ernstigen,
aangrijpenden, verheffenden indruk als de wondervolle kathedralen
van de vlaamsche gewesten, maar toch onderscheiden zij zich door
onvergetelijke schoonheden van anderen aard. Sint-Paulus, na de
verwoesting van Sint-Lambert tot hoofdkerk verheven, kenmerkt zich
uitwendig door de edele eenvoudigheid en soberheid van de eerste
periode der gothiek. De velerhande versierselen en ornamenten, die
later de bogen der contreforten als in een soort van kantwerk zullen
herscheppen, hebben de majestueuse eenvoudigheid en harmonie der
architektonische lijnen nog niet op den achtergrond gedrongen. Ge
bewondert de fraaie, fijn bewerkte balustraden, die de zijschepen
en de kroonlijst van het hooge middenschip versieren; maar bovenal
treft u het groote aantal der vensters die slechts door smalle
contreforten gescheiden zijn: het schip van Sint-Paul heeft, zou
men zeggen, geen muren: het is indrukwekkend, vermetel en tevens
vol licht en lucht. Dienzelfden indruk ontvangt ge ook als ge het
heiligdom binnentreedt: van alle kanten stroomt het volle licht in
de prachtige kathedraal.

Boven de slanke bogen der veertien pilaren van het middenschip loopt
eene galerij rustende op cilindervormige zuiltjes, en dan stijgt
het gewelf omhoog met groote stralende vensters tusschen de ribben,
die zich verlengen en elkander kruisen. Op die kruispunten schitteren
gouden en purperen knoppen; de vakken zelven zijn geheel beschilderd
in den stijl van de eerste helft der zestiende eeuw. Wij aanschouwen,
hoog boven onze hoofden, een mystieken tuin: takken en bladeren en
bloemen en loofwerk, zoo als uwe oogen hier beneden nooit aanschouwden,
vormen daar kransen en slingers en een weefsel van groen en kleuren,
waartusschen fabelachtige vogels met gouden pluimage zweven, apen
en eekhorens dartelen. Deze soort van dekoratie verhoogt niet weinig
het poëtische karakter de kerk, die schier den indruk maakt van een
reusachtig paviljoen, vol licht en kleur en zonneschijn, en met een
tentdak van kostbare weefsels bedekt. In de muren van het transept
opent zich aan iedere zijde een reusachtig venster, schitterende in
al de kleuren van den regenboog. Het venster in het rechter transept
is modern: het schilderwerk verbeeldt het visioen van Sinte-Juliana,
abdisse van Cornillon, nabij Luik, en de instelling van het feest van
het Heilige-Sakrament (Fête-Dieu), dat ten jare 1426 voor het eerst in
de Sint-Maartenskerk te Luik werd gevierd. Paus Urbanus IV, die zelf
kanunnik van de kathedraal was geweest, beval, achttien jaren later,
de viering voor de geheele Christenheid. Het linkervenster, uit de
helft der zestiende eeuw, vertoont de kroning der Madonna.--Zoo staat
zij daar, schitterende van licht en kleur, de prachtvolle kerk, een
gewrocht van drie verschillende stijlen, met haar fraaie koorstoelen,
haar koperwerk, haar Christus in het graf, een werk van den beeldhouwer
Delcour; haar bas-reliefs, en bovenal haar prachtigen preekstoel,
een meesterstuk van houtsnijkunst van G. Geefs, versierd met vijf
marmeren standbeelden van de hand van denzelfden meester.

Wie het volmaaktste gewrocht van de flamboyante gothiek wil zien,
die ga de Saint-Jacques bewonderen. Het is alsof de gothiek, voor haar
ondergang, nog een werk heeft willen scheppen, dat der verbaasde wereld
het bewijs zou leveren, wat zij ook in haar ouderdom en ontaarding
vermocht. Saint-Jacques is het wonder van Luik: deze kerk vereenigt in
zich al de betooverende schoonheid en bevalligheid van deze laatste
periode der gothiek, zonder dat haar de gebreken aankleven, die in
andere gebouwen, tot denzelfden stijl behoorende, zoo dikwijls den
goeden smaak ergeren.

Baldric II, de opvolger van Notger, in twist geraakt met graaf Lambert
van Leuven, leverde hem op den 10 October 1013 slag; de bisschop moest
zwichten en verloor in het gevecht driehonderd zijner manschappen. De
dood van zoo vele menschen bekommerde den prelaat zoozeer, dat hij dag
noch nacht rust had. Een zijner vrienden, een italiaansch bisschop,
die juist te Luik vertoefde, gaf hem den raad een kerk te bouwen,
om zijne schuld voor God te boeten. Baldric was daartoe aanstonds
bereid; de plaats voor het nieuwe heiligdom werd bepaald en de kerk
zelve in 1030 gewijd; vervolgens verliepen er nog twee-en-twintig
jaren eer de gebouwen der abdij voltooid waren, die weldra rijk
en beroemd werd. Na velerlei lotgevallen werd de kerk door Jan van
Beieren aangewezen als bewaarplaats der archieven van het bisdom,
en als de plaats waar de twee burgemeesters van Luik moesten worden
verkozen. Desniettegenstaande liet men het gebouw aan verval ten
prooi, zoo zelfs dat in 1513 het gewelf instortte en de graftombe
van den stichter vernielde. Nu was men wel gedwongen den bouw van
de nieuwe kerk te bespoedigen, waarmede reeds in de vorige eeuw een
aanvang was gemaakt. Het bewonderenswaardige heiligdom, dat wij thans
voor ons zien, werd den 13 Maart 1552 gewijd. Het had, in vervolg
van tijd, minder te lijden door omwentelingen en oorlogen, dan door
de onverantwoordelijke nalatigheid zijner beheerders. Koning Leopold
I bezocht de kerk in 1832; en aan zijne werkdadige tusschenkomst is
het te danken dat dit weergaloos monument gaandeweg, met zeldzamen
takt, kennis en smaak, weder in zijne oude glorie werd hersteld. Deze
reeds in 1833 aangevangen, zoo uiterst moeilijke restauratie is eerst
thans voltooid.

Eene beschrijving van deze kerk te geven is, voor mij althans,
onmogelijk. Het is te vergeefs, technische termen of onbestemde
uitdrukkingen te gebruiken, de epitheta te vermenigvuldigen,
vergelijkingen te ontleenen aan de natuur of het werk van
menschenhanden: niets kan een denkbeeld geven van dit wonder, dat
u veeleer aan een juweel van goudsmeedkunst dan aan een gebouw van
steen doet denken. De indruk, dien ge bij het binnentreden van dezen
weergaloozen tempel ontvangt, is zoo overweldigend, dat ge eenige
oogenblikken als verbijsterd om u staart, meenende eensklaps in
een tooverwereld te zijn overgeplaatst, niet wetende of ge droomt
of waakt. En wanneer ge, van de eerste verbazing bekomen, om u
heen ziet en uw blik dwaalt langs die pilaren en bogen, langs die
muren, waar elke steen bijna is uitgebeiteld als de fijnste kant, en
overal de sierlijkste lijnen en vormen, bloemen, loofwerk, arabesken,
medaillons, bas-reliefs, beelden, de aandacht trekken; als ge opziet
naar dat rijk beschilderde gewelf, waarvan de prismatische ribben
elkander kruisen als de mazen van een reusachtig netwerk; als ge
de volle pracht van dat goud en purper en azuur, van dat wonderbaar
kleurenspel, van die heerlijke lichteffecten hebt gevoeld: dan staat
ge daar zwijgend, onvermogend om in woorden uit te spreken wat in uw
gemoed omgaat. Andere kerken mogen indrukwekkender, majestueuser zijn:
eene betoovering als van deze Saint-Jacques is zeker maar het deel
van weinigen. Hier is alles in volkomen harmonie: ge gevoelt het,
na dit wonder te hebben gewrocht kon de middeleeuwsche kunst niets
meer voortbrengen; zij had het hoogste geleverd waartoe zij in staat
was. De heerlijke gothiek heeft haar taak volbracht, haar laatste
woord gesproken: zij gaat onder in een apotheose. De renaissance,
die haar opvolgt, brengt een ander ideaal, opent een nieuw tijdvak
in de historie. Hoe men daarover nu ook denke, zooveel is zeker,
dat eene kunst, die in haar stervensure nog een monument scheppen kan
als de Saint-Jacques van Luik, bewezen heeft recht te hebben op eene
eerste plaats onder de hoogste en edelste kunstvormen van alle tijden.

Sint-Maarten, minder rijk versierd maar indrukwekkender door de
grootsche afmetingen van haar schip, is even oud als Sint-Jacques
en schijnt van haar hoogen heuveltop alle andere kerken van Luik te
beheerschen. De oorspronkelijke kerk werd in 962 door den bisschop
Heraclius gesticht; deze werd in 1312, bij een geweldig oproer,
verwoest. De verbitterde burgerij vervolgde in haar woede tweehonderd
edellieden, die zich van het stadhuis hadden pogen meester te maken en
die eene schuilplaats hebben gezocht in de kerk van Sint-Maarten. Toen
het dolzinnige gepeupel de deuren van het heiligdom niet kon
openbreken, werd de kerk in brand gestoken...... Het tegenwoordige
gebouw werd in 1542 voltooid. De soberheid der dekoratie werkt mede
om dien indruk van ernst en grootschheid te weeg te brengen, die u
aanstonds treft. Twee rijen achtkantige zuilen, aan de hoeken met
cilindervormige halve zuilen versierd, verdeelen de kerk in drie
schepen, door zijkapellen omzoomd. Het koor vooral maakt door zijne
breedte en hoogte en door zijne uitmuntend beschilderde groote ramen
een in waarheid verrassenden indruk. Even als bij de Saint-Paul en
de Saint-Jacques, ziet men ook bij de Sint-Maarten een stuk van een
onvoltooid gebleven toren.

Dit gemis van een toren schijnt welhaast eene eigenaardigheid der
luiksche kerken te zijn: ook de schoonste onder haar ontberen dat
zoo karakteristieke, zoo echt religieuse sieraad, zich slank en
vertrouwend ten hemel beurende, als een fakkel, een hymne in steen,
de mystieke Jacobsladder, waarlangs engelen op en neder klimmen en
waarlangs de ziel tot God omhoog zweeft. Terwijl overal in Vlaanderen
de kerk haar gebeeldhouwde steenen spits opheft in de blauwe lucht,
steken hier slechts enkele oude massieve, gedrongen romaansche
torens, onverwoestbaar als de rots, een weinig boven de daken
uit. Omwentelingen en beroeringen, misschien ook gebrek aan geld,
hebben belet dat de andere kerken in ten hemel stijgende torens haar
natuurlijke voltooiing vonden. Naar men zegt bestaat het plan, om
naast de Saint-Jacques een toren in denzelfden stijl te bouwen. Geen
schooner en edeler sieraad ware voor Luik te bedenken. Overigens is
men te Luik rusteloos bezig met het restaureeren, het bijwerken, het
opschilderen en mooi maken van de kerken; zelfs moet erkend worden
dat men daarin soms wat te ver gaat, tot schade van de eerwaardigheid.

Daarom is het goed een blik te werpen op de overoude tempels, streng
en strak en als het ware gemummifieerd in hun eeuwenheugenden
steenen mantel: Sint-Jan de Evangelist, Sint-Denys, verder
Sint-Bartholomeus. Terwijl de eeuwen rondom alles hebben veranderd
en medegevoerd, staan zij daar nog, de eerbiedwaardige kerken, als
onkwetsbaar door den tand des tijds. Zij hebben nog bijna ongeschonden
haar oorspronkelijk voorkomen, haar antiek romaansch karakter behouden;
ja, soms zelfs nog gedeelten van den eersten bouw. Zoo bezit Sint-Jan,
eene stichting van den geweldigen bisschop Notger, nog haar ouden
byzantijnschen toren, en heeft zij nog, hoewel in de achttiende
eeuw geheel herbouwd, den achtkantigen vorm bewaard, aan den dom
van Aken ontleend. In deze kerk ziet men het grafteeken van Notger,
wiens gebeente in de sakristie wordt bewaard.

Al deze kerken, oude en jongere, bezitten schatten en kostbaarheden,
relikwieën en gewijde voorwerpen, die men niet verzuimen mag te
zien. In de Sint-Paulus zal men u ivoren beeldwerk, triptyken,
borduursels van goud en zijde toonen, benevens een borstbeeld van
Saint-Lambert in verguld koper, een meesterstuk van smeedkunst;
en de beroemde groep van Sint-George, van echt goud, voorstellende
Sint-George, in staande houding en volle wapenrusting, met de eene
hand zijn helm oplichtende en met de andere den schouder aanrakende
van den hertog van Bourgondië, die geknield ligt en een soort
van koker in de hand houdt, waarin een vinger van Sint-Lambert is
verborgen. Karel de Stoute vereerde dit geschenk aan de kerk van Luik,
bij wijze van boetedoening voor de gruwelen, bij de inneming der stad,
in 1468, door zijne soldaten en op zijn bevel bedreven. Maar onder
al deze kunstschatten is er wellicht geen, dat de vergelijking kan
doorstaan met dat verwonderlijke doopvont, dat oorspronkelijk in
de kathedraal van Sint-Lambert was geplaatst, maar sedert naar de
romaansche kerk van Saint-Barthélémy is overgebracht, waar het nog
steeds voor het toedienen van het sakrament des Doopsels gebruikt
wordt. Het doopbekken wordt gedragen door ossen, die ter halverlijve
uit het benedengedeelte te voorschijn komen en die voortreffelijk
van bewerking zijn. Op de wanden van de kuip zelve zijn in relief
tafreelen afgebeeld uit het Nieuwe Testament, allen op den doop
betrekking hebbende. De vervaardiger van dit doopvont, de koperslager
Lambert Petras, van Dinant, was ongetwijfeld een groot kunstenaar:
hoe zou het hem anders gelukt zijn, zooveel natuurlijk leven, zooveel
uitdrukking en diep gevoel te leggen in de kleine figuren, zoo juist
en knap van teekening. Ge kunt het nauwelijks gelooven, dat dit
kunstwerk uit het jaar 1112 dagteekent. Sommige figuren, met name de
twee jongelingen over wie het heilige water wordt uitgegoten, hebben
reeds de bevalligheid, de individualiteit van de eerste voorloopers
der renaissance; de draperieën vallen in natuurlijke plooien om de
gestalten, die zich met losheid en sierlijkheid bewegen.



XVI


Te Luik beslaan de kerk en het bisschoppelijk paleis de plaats, die
elders wordt ingenomen door de belfroots en de stadhuizen, die de
trots en de roem zijn der vlaamsche gemeenten. Het luiksche volk, dat
in de werkelijke historie toch waarlijk geen onbeduidende rol heeft
gespeeld en niet minder rumoerig en moeilijk te regeeren was dan de
poorters van Gent of Brugge, treedt veel meer op den achtergrond in die
monumentale historie, welke ons de eeuwen hebben achtergelaten. Hier
is geen belfroot, wier klokkenspel een stem gaf aan alle aandoeningen,
die het gemoed des volks in beweging brachten; en het raadhuis van
Luik maakt in het minst niet den indruk van een dier fiere burchten
der gemeentelijke onafhankelijkheid, zooals wij ze te Brussel, te Gent,
te Leuven, te Oudenaerde, gezien hebben. Toch was het oude raadhuis, de
_Violette_, ook hier dikwijls genoeg getuige van heftige beroeringen.

Want de geschiedenis van Luik is eeuwenlang in hoofdzaak niet anders
dan het verhaal van de telkens opnieuw ontbrande worsteling tusschen
den bisschop, den geestelijken en wereldlijken heer der stad, en de
gemeente, de poorterij, steeds trachtende het gezag van den bisschop
te beperken en voor zich zelve, zooveel eenigzins mogelijk, vrijheid
van beweging en zelfregeering te veroveren. En bij die worsteling
ging het vaak bloedig genoeg toe: de vreeselijke strafoefeningen,
die Jan van Beieren (met den somberen bijnaam van Jan zonder Genade),
de geduchte bisschop, en de hertogen van Bourgondië, Jan zonder
Vrees en Karel de Stoute, de overwonnen stad deden ondergaan,
wekken nog bij de herinnering een huivering van afschuw; maar
vooral niet minder gruwelijk en niet minder bloedig waren de woeste
uitspattingen, de toomelooze wraakoefeningen der razende burgers,
wanneer het hun soms gelukte de ijzeren hand, die hen ten onder
hield, voor een poos te verlammen. Overigens waren ook te Luik,
als in zoo vele middeleeuwsche steden, de gemeentelijke rechten
en vrijheden zeer uitgebreid, en was de burgerij in het bezit van
eene mate van autonomie, waarvan wij ons thans kwalijk een denkbeeld
kunnen vormen. Charters en keuren en privilegiën van allerlei aard,
langs vredelievenden of gewelddadigen weg verkregen, den souverein
afgekocht of afgedwongen, vaak ook vrijwillig verleend, beperkten ook
hier, als elders, het gezag van den vorst binnen vrij enge grenzen;
en de Luikenaars zorgden er wel voor, dat deze souvereiniteit in
eigen kring geëerbiedigd werd. Het voorgeslacht was niet van oordeel
dat de persoonlijke vrijheid genoegzaam gewaarborgd is, wanneer vele,
of zeer vele, of zelfs alle burgers medewerken tot de samenstelling
der wetgevende vergaderingen, die in den grond der zaak almachtig en
onverantwoordelijk zijn en doen kunnen wat zij willen. Deze absolute
staatsmacht was in hunne oogen de gevaarlijkste vijand; en om zich
tegen dien vijand in veiligheid te stellen, zou een stembiljet hun
al een bijzonder zwak wapen zijn toegeschenen. Zij schermden veel
minder dan wij met het abstracte begrip der vrijheid, maar waakten met
grooten ernst en ijver voor de handhaving hunner praktische vrijheden.

Maar deze politieke geschiedenis heeft te Luik geene zichtbare sporen
achtergelaten, geen monumenten, die de aandacht en belangstelling
van den vreemdeling kunnen wekken. De bekoring der stad ligt elders:
in hare schilderachtig schoone ligging en omgeving, met haar rivier
en haar grootsch amphitheater van heuvelen; in het labyrinth harer
dooreen gewarrelde straatjes; in de trappen die zich midden tusschen de
huizen inwringen; in de oude, met mos begroeide muren, de tuinterrassen
langs de heuvelhellingen, met hun balustraden, kiosken en koepels,
hun boschages en bloemperken; in dat leven in de open lucht vooral,
dat grillige en onregelmatige, zoo zeer verschillende van de koude en
banale symetrie onzer moderne hoofdsteden. En die bekoring ligt mede
in de vroolijke opgeruimdheid en levendigheid van het volkskarakter,
met zijn geestigen luim en dartelen spot; in de innemende voorkomende
vriendelijkheid en gulhartigheid van dit volk, dat zoo gemakkelijk te
winnen is en zoo weinig terughouding en stijfheid kent. De Luikenaar is
een hartstochtelijk liefhebber van genot en uitspanning en vermaak:
hij is een pretmaker, eene, zoo men wil, zinnelijke natuur; maar
hij amuseert zich met gratie en kruidt zijn pret met de bloem der
poëzie: hij heeft behoefte aan vroolijken kout, aan muziek, aan
sierlijke vertooningen, aan al wat het oog bekoort en de zinnen
streelt. Niemand heeft zoo goed als hij den slag om een feest te
organiseeren on te animeeren: hij is een geboren impressario en raakt
nimmer uitgeput. Daarbij een lacher, een opsnijder, een grootspreker,
rumoerig en druk, met de spotternij op de lippen, maar ook met het
hart op de tong, en zelfs in zijne dolste buitensporigheden zekere
fijnheid, zekere distinctie bewarende, die anders den Walen niet eigen
is. Ook de lagere volksklasse heeft, ondanks den harden arbeid waartoe
zij gedoemd is, eene groote mate van opgeruimdheid en kinderlijke
zorgeloosheid behouden, en daarbij eene zekere bruske en familiare
beleefdheid, en eene dienstvaardigheid, die tegen geene moeite opziet.

Maar het vermaak dringt hier den arbeid niet op den achtergrond, noch
voor de grooten, noch voor de geringen: de gansche week door gloeit en
brandt de oven en gaan de machines op en neer, in beweging gebracht en
bestuurd door hoofden en handen, en bij duizenden telt de industrie
hier haar officieren en haar soldaten. En behalve deze machtige
groot-industrie bezit Luik nog een anderen tak van nijverheid, die het
alom beroemd heeft gemaakt: haar wapenfabrieken. De geweermaker is de
echte werkman der stad, de populaire type bij uitnemendheid. Kwamen
nog, als voorheen, de oude gilden onder de wapenen, dan zou het
zijne welhaast een leger vormen: overal weerklinkt zijn hamerslag;
gansche wijken zijn bijna eene groote wapenfabriek, waarvan elk huis
een onderdeel vormt; mannen, vrouwen, kinderen, allen zijn van den
morgen tot den avond in de weer om te vijlen, te schaven, te passen,
te polijsten. In sommige straten dreunt onophoudelijk het plaveisel
onder de zware wagens, met bergen van geweren beladen, en ziet ge
achter elk venster kloeke figuren aan den arbeid, bezig met het smeden
der moorddadige musketten. En de geweermaker, de wapensmid, is trotsch
op zijn vak; zij vormen onder elkander nog inderdaad een soort van
gilde, en willen volstrekt niet gelijk gesteld worden met andere
ambachtslieden, van wie, naar zij meenen, veel minder ontwikkeling
en bekwaamheid gevorderd wordt. Nu valt het niet tegen te spreken,
dat in onze negentiende eeuw, die zoo prat gaat op haar humaniteit,
geschutgieters en geweermakers tot de gewichtigste en meest geëerde
leden der maatschappij behooren.

In diezelfde volkrijke buurten vond men nog tot voor twintig, dertig
jaren een anderen type: de zoogenoemde "boteresse", de gespierde,
ruwe, krachtvolle vrouw, die mannenarbeid verrichtte en zelve half man
geworden was. Met de korte pijp in den mond, de verwarde haren over het
voorhoofd hangende, zag men haar langs de steile straten en trappen
op en neder klimmen, met de mand of "bot", op den rug, met groote
stappen voortgaande, beladen met een vracht, waaronder lastdieren
bezweken zouden zijn. Schier zonder ophouden, in éénen adem, liepen
zij van Luik naar Maastricht, met een vracht van vijfhonderd pond,
slechts even aan de herbergen ophoudende, om in één slok een paar
glazen jenever te ledigen. Forsch en gespierd als een man, droegen
zij roem op het spreekwoord: "een Vlaming goed voor twee Walen, maar
eene boteresse goed voor twee Vlamingen". Toen de heuvel van Waterloo,
tweehonderd-een-en-twintig trappen hoog, werd opgeworpen, kwamen zij
in gansche scharen, kruiden en karden en werkten onvermoeid. In gewonen
tijd hielden zij zich vooral onledig met het vervoeren van geweren, die
bij stapels boven haar schouders uitstaken. Als deze arbeid stilstond,
maakten zij voor de burgers eene soort van vuurballen, half aarde, half
steenkool; met de handen in de zijde dansten zij voor de huizen, met
haar klompen de steenkool fijn stampende en haar taak opvroolijkende
door lustig gezang; vervolgens kneedden zij met haar vuisten de fijne,
weeke stof, maakten er ballen van en legden die te drogen.

Deze laatste gewoonte is te Luik nog niet uitgestorven: wie geen
tuin of plaats achter zijn huis heeft, laat zijn brandstof op straat
klaar maken; maar de boteresses van den goeden ouden tijd zijn,
als zoo vele andere karakteristieke typen, verdwenen. Het ras is
verbasterd; de boteresses van heden zijn niet meer, als hare moeders
en grootmoeders, sjouwers en pakkedragers: zij zijn commissionaires
en bestelsters op de markt en op de publieke pleinen der stad. Wel
hebben zij nog de klassieke "bot" op den rug, maar zij dragen nu
slechts lichte vrachten, groenten, levensmiddelen, kleine pakjes; en
wel verre van af te schrikken, zijn zij vriendelijk en voorkomend en
uitlokkend. Elken morgen komen zij bijeen op het plein Saint-Lambert
of ergens anders, en wachten daar tot men hare diensten verlangt en
haar eene of andere commissie opdraagt.

Zoo bruist de stroom van het leven hier onverpoosd voort; maar
is de zondag gekomen, dan staakt de wriemelende mierenhoop haar
rustelooze beweging; dan worden de winkels en werkplaatsen gesloten,
dan stroomt alles naar buiten of naar de kermissen in de omliggende
dorpen. Bij gansche troepen nemen dan de arbeidsters in de fabrieken,
de loopjongens, de winkeljuffers en bedienden de draaimolens in beslag,
vullen de stoombootjes en spoorwagens en gaan naar buiten. Daar
wordt geroeid en gedarteld, gewandeld en gezongen en gedanst. Van
Petit-Bourgogne tot Luik is alles stormerhand overweldigd; de bosschen
van Kinkempois weergalmen van vroolijk gezang, gelach en gepraat; men
beklimt den heuvel van Vivegnis; men gaat naar Jupille, naar Herstal,
naar Angleur; alle heuvelhellingen zijn bezaaid met lichtkleurige
kleedjes en parasols. Des avonds, na geloopen en gesprongen, gedarteld
en op het gras gegeten te hebben, keert men naar de stad terug
om den "cramignon" te dansen, dien waalschen rondedans, die zich,
als een reusachtige slang, eindeloos verlengt en gansche straten en
buurten vult, als de keten der dansers, die elkaar bij de hand houden,
telkens grooter en grooter wordt. Dan staan alle huizen ledig: mannen
en vrouwen sluiten zich aan bij de wielende processie: eerst waren er
vijftig dansers, straks zijn er driehonderd; een heldere stem zingt
een populair liedje, dat de gansche menigte herhaalt, springende,
huppelende, zich slingerende om de voorbijgangers, steeds verder en
verder hossende. Soms wordt de keten verbroken, om straks op nieuw
gevormd te worden; weer klinkt de vroolijke deun, hier en daar
en ginds en van verre; en tot na middernacht golft de opgewonden
menigte door de woelige straten. Een luiksch volksdichter heeft de
liedjes verzameld, die cramignons worden genoemd en waarvan de naam
op den dans zelven is overgegaan; sommigen doen aan idyllen denken,
anderen zijn blijkbaar satiren; maar van bijna allen is de liefde het
hoofdonderwerp. Naar men verzekert, is die dartele, lustige poëzie,
opwellende uit het harte des volks, thans verstomd. Wel schrijft
het gemeentebestuur nu en dan, als de oude rederijkerskamers,
een wedstrijd uit: maar in plaats van vroolijke naïeve minstreels,
die de vreugde en het lijden van het volk bezingen, verschijnen nu
officieele rijmelaars, die oden aan het vaderland, aan den koning,
ja zelfs--omsluier u het gelaat, o Muze!--aan de constitutie inzenden.

Terwijl de ambachtslieden met hunne gezinnen, troepjes studenten,
knapen en meisjes uit de volksklasse naar de buitentuinen gaan, in de
Maas gaan visschen of roeien, zetten de meer gegoede familiën, de rijke
kooplui van het Quadrilatère, de ambtenaren, zich bij gansche scharen
in de treinen die naar de schoone streken voeren, door de Vesdre
en de Ourthe besproeid. Een zondag zonder een bal te Chaudfontaine,
een danspartij te Tilff, of eene eierkoek in de herbergen te Esneux,
zou geen zondag zijn. Reeds in den vroegen morgen vullen zich de
compartimenten van de eerste en de tweede klasse met elegante dames,
in heldere mousselinen kleedjes gehuld, keuvelend en koutend en
lachend; daar fluit de lokomotief; de trein zet zich in beweging,
en langs de vensters der waggons ontrolt zich een levend panorama
van heuvelen en bergen, van schuimende wateren en murmelende beken,
van schilderachtige dorpen tronende op de toppen of wegduikende in
de stille valleien. Luider ratelt de donder der wentelende raderen;
in de waggons wordt het licht ontstoken; de trein verliest zich in het
hart der bergen. Alleen tusschen Luik en Verviers telt men elf tunnels;
telkens gaat men van het licht tot de duisternis en van de duisternis
tot het licht over, altijd maar voorthollende in zinnelooze vaart.

Eensklaps opent zich een paradijs van groen en ruischende wateren;
van onder tot boven is de berg met bosch bedekt; overal beuren zich
de schilderachtige toppen op, ontplooien zich groenende en bloeiende
amphitheaters, teekenen zich tegen den hemel de sierlijk golvende
lijnen der heuvelklingen; en beneden in de diepte ontrolt zich eene
heerlijke vallei, waaruit de muziek van watervalletjes opstijgt,
met bloemperken, bosschages, coquette villa's en châlets, overal
tusschen het groen verspreid. Dan ontstaat er beweging in de waggons;
de portieren worden geopend, en eene drukke vroolijke menigte vult
voor eenige oogenblikken het station, om zich dan weer te verspreiden,
de heuvels te beklimmen of rond te wandelen langs de grasperken van
het kurhaus. Men is te Chaudfontaine, een Spa in miniatuur, en even
zoo beroemd om zijne wandelingen, zijne uitspanningen, zijne bronnen
en zijne schoone omgeving.

Maar een deel van de zondagsvierders, die het station te Luik vulden,
heeft plaats genomen in de waggons van de Ourthe-lijn. De tocht begint:
Angleur verdwijnt in dichte rookwolken; op de hoogten teekent het
kasteel van Colonster zich tegen den horizon af; de lokomotief snuift
en fluit, staat stil. "Tilff!" roepen de conducteurs. Sommigen, die
tegen geen vermoeienis opzien, gaan op weg naar de grotten, waarin
men vier uren lang kan ronddwalen; anderen wandelen door de weilanden,
naar Méry of naar Esneux, boven op den berg, waar het doorgaans wemelt
van bezoekers en logeergasten.

De voetreizigers stappen uit te Pepinster, om van daar naar Spa te
kuieren, over Justenville en Theux, waar eene merkwaardige oude
kerk te zien is; over het armzalige gehucht la Reid, vijftig of
zestig hutten in eene woestijn. Somwijlen maakt men een kleinen
omweg om een blik te werpen op de ruïnen van Franchimont, waaraan
zich eene geschiedenis hecht van bijna acht eeuwen en de herinnering
aan de prins-bisschoppen van Luik, van vorsten en aanzienlijken, die
hier vaak hun intrek namen, als zij te Spa de baden gebruikten. Even
voorbij la Reid begint eene breede prachtige laan, die als het ware het
voorportaal vormt van de stad, die zich weldra in al haar coquetten
luister en opschik vertoont. Telken jare, bij den aanvang van het
saizoen, schijnt Spa zelf, weer netjes opgepoetst, te voorschijn
te komen uit een dier mooi beschilderde doosjes, die haar naam door
geheel Europa hebben helpen verbreiden. Dan is Spa één groot logement:
alles is er te huur en op allerlei wijze wil men u helpen om uwe beurs
te ledigen. Maar de prachtige wandelingen, de heerlijke omstreken zijn
gelukkig nog voor ieder toegankelijk: de lucht, de bergen en valleien
zijn ook te Spa nog niet belast. Het vriendelijke, coquette stadje,
zoo uitnemend gelegen, heeft geheel het voorkomen van eene moderne
badplaats met haar casino, haar muziek, haar bals, haar amusementen,
haar opschik en schijn en ijdelheid en ook haar invretenden kanker
der onzedelijkheid. Toch is Spa niet meer wat het vroeger was, toen
de bank nog bestond en de roulette-tafel het hoog-beschaafde schuim
onzer maatschappij dagelijks om zich vereenigde: die gouden dagen,
waaraan de inwoners nog altijd met weemoed denken, zijn voorbij. Maar
in de reeks van schoone landschappen die haar omgeven, en bovenal
in haar minerale bronnen, waarvan de geneeskracht reeds sinds lang
bekend en beroemd is, heeft Spa een schat, dien niemand het ontnemen
kan en die het tegen vergetelheid waarborgt.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Wandelingen door België - De Aarde en haar Volken, 1886" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home