Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Op Samoa
Author: Barfus, Eginhard von, 1825-1909
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Op Samoa" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                           E. von Barfus

      (Schrijver van "De Goudzoekers aan de Klondyke-Rivier")


                             Op Samoa

                       Geïllustreerde uitgaaf

               Vertaling van Mevr. J. van der Hoeven

                             Amsterdam

                          C. L. G.  Veldt



Eerste Hoofdstuk.
In Apia.


Gedurende een reeks van jaren was ik op het kantoor van den heer
Andreas Mertel werkzaam geweest en reeds tot tweeden boekhouder
opgeklommen, toen de chef van het huis op een goeden dag zijn bedienden
kwam mededeelen, dat hij voornemens was de zaak aan zijn beide zoons
over te doen en stil te gaan leven. Ik gevoelde weinig lust, bij
de jonge patroons in dienst te blijven en verzocht daarom den heer
Andreas, die mij steeds zeer genegen geweest was, zoo vriendelijk
te willen zijn, mij door zijn recommandatie een betrekking in een
grootere handelszaak te bezorgen, het liefst in Duitsch-Oost-Afrika
of op de Samoa-eilanden. Na eenige dagen ontving ik een brief van
de Duitsche-Plantage-Maatschappij, waarin mij werd medegedeeld,
dat ik op aanbeveling van den heer Mertel, als boekhouder in den
dienst der maatschappij was aangenomen en mij zoo spoedig mogelijk
aan de kantoren vervoegen moest. Een week later bevond ik mij aan
boord van een stoomboot op reis naar Adelaïde. Tegelijk met mij was
Gustaaf Gaedecke, een mijner vroegere schoolmakkers, ongeveer zoo
oud als ik, van Hamburg naar Apia vertrokken. Terwijl ik de lessen
aan de handelsschool volgde, had mijn vriend Gustaaf in Göttingen
de natuurlijke historie en staathuishoudkunde bestudeerd, en zich
hoofdzakelijk toegelegd op de verschillende wijzen van cultuur in de
heete luchtstreek, daar hij sedert jaren den vurigen wensch koesterde,
om òf in de Duitsch-Afrikaansche-koloniën, òf op de eilanden in de
Zuidzee, gelegenheid te vinden, zijn verkregen kennis ten nutte te
maken. Door zijn uitgebreide relaties was het hem gelukt, in dienst
te komen bij de directie der Plantage-Maatschappij, voor haar koloniën
op de Samoa-eilanden.

Toen wij na een zeer belangrijke reis over Port-Saïd, door het
kanaal van Suez en de Roode Zee, over Colombo op Ceylon en Adelaïde,
benevens de haven van Auckland,--de hoofdstad van Nieuw-Zeeland,
gelukkig bereikten, waren wij blij, na een oponthoud van verscheiden
dagen, op een naar Samoa bestemde stoomboot onze reis te kunnen
vervolgen, want het was vinnig koud in de anders zoo fraaie haven van
Nieuw-Zeeland. Wij waren in het midden van Augustus, dus in hartje van
den winter op het zuidelijk halfrond. Toen wij den Steenbokskeerkring
gepasseerd waren, stoomden wij, door het prachtigste weer begunstigd,
tusschen de Loyaliteits-eilanden en de Nieuwe-Hebriden in het Westen,
en de Fidschi-Archipel in het Oosten, noordwaarts, het doel van onzen
tocht, de Samoa- of Schippers-eilanden, tegemoet, en lieten na een
zeer voorspoedige reis, in de heerlijk schoone haven van Apia, de
hoofdstad van het eiland Upolu, de ankers vallen. Van uit de haven
gezien, biedt Upolu een verrukkelijken aanblik. Tot vlak aan het
strand strekt zich de heerlijkste, weelderigste plantengroei der tropen
uit. Boschjes van hooge, slanke kokospalmen wisselen af met talrijke
broodvruchtboomen, oranjebosschen, banyan-wortelboomen en bananen. Op
eenige kilometers afstand van de kust, verheft zich het gebergte,
dat zich over de geheele lengte van het eiland,--zeven en dertig
zeemijlen,--van het Oosten naar het Westen, en meer langs de zuidkust,
uitstrekt. Talrijke stroompjes komen bruisend uit het gebergte te
voorschijn, kleine watervallen vormend, die van uit de haven gezien,
op breede, zilveren linten gelijken. De hoogste verheffing van deze
bergketen is de 2570 voet hooge Lanuto, met het meer van dienzelfden
naam. De Samoa--of Schipperseilanden liggen tusschen 13°.27' tot
14°. 22.5' Zuiderbreedte en 169°. 28' tot 172°. 48' Westerlengte. Ook
behoort het Koraleneiland, Roda, dat ongeveer zeventig zeemijlen
Oostelijker ligt, tot deze groep. Het Westelijkste en grootste eiland
is Savaii; dan volgt het kleinste, Apolima, dat een oppervlakte
heeft van ongeveer twee Engelsche vierkante mijlen, terwijl Savaii
639 vierkante mijlen groot is. Op Apolima volgt Manono, eveneens van
weinig omvang, vervolgens het voornaamste eiland van de groep, Upolu,
336.6 Engelsche vierkante mijlen groot; Zuidoostelijk van deze bevindt
zich het door zijn landelijke schoonheid bekende eiland Tutuila, met de
uitmuntende haven van Pago-Pago; voorts volgen twee kleinere eilanden,
Ofu en Olosega, terwijl, het ongeveer twintig vierkante mijlen groote
eiland Manua de rij sluit. De geheele groep heeft een oppervlakte
van ongeveer 236 Duitsche, of 1086.9 Engelsche vierkante mijlen.

Gelijk men weet, zijn de Samoa- of, zooals zij vroeger heetten de
Schipperseilanden, in het jaar 1768 door den Franschen zeevaarder
Bougainville ontdekt en vervolgens in 1787 door den beroemden La
Perouse bezocht, die ook op het eiland Tutuila landde, waarvan de
inlanders verscheiden leden der expeditie in de tegenwoordig geheeten
"Massacre-baai," neerschoten. Kapitein Cook bezocht in 1791 eveneens
de eilanden Savaii en Upolu.

Het vermoorden van eenigen der equipage van de expeditie van La
Perouse, had de bevolking der Samoa-eilanden zulk een slechten naam
gegeven, dat Engelsche zendelingen het eerst in 1830 slaagden, op
Upolu te landen. Tot hun verbazing werden zij vriendelijk ontvangen
en konden zij ongehinderd hun zegenrijk werk volbrengen. Spoedig
bezochten ook andere zendelingen de eilanden en dezen ondervonden
zooveel zegen op hun arbeid, dat er nu op de geheele groep geen enkele
inlander gevonden wordt, die geen Christen is.--

Een half uurtje, nadat wij in de haven voor anker waren gegaan, kwam
een lid der gezondheidscommissie aan boord, om te onderzoeken, of
onder de passagiers, of de bemanning van de boot geen besmettelijke
ziektegevallen voorkwamen. Zoodra alles in orde bevonden was, werd
het verkeer toegestaan en in een oogenblik was het dek overstroomd
met inlanders en Europeanen. Eerstgenoemden boden ons allerlei
zeldzaamheden te koop aan, zooals: schelpen, kralen, mandjes en
waaiers, gevlochten uit de bladnerven van den Padanus, benevens
bananen, oranjeappelen, passievruchten en kokosnoten.

Mijn reis- en landgenoot Gustaaf Gaedecke en ik, waren op het punt het
schip te verlaten, toen mijnheer Beckmann, de Directeur van de Duitsche
Handel- en Plantage-Maatschappij, aan boord kwam, en nadat hij eenige
woorden met den kapitein gewisseld had, zich met de vraag tot ons
wendde, of wij de twee pas aangestelde bedienden uit Hamburg waren. Ik
beantwoordde deze vraag bevestigend, noemde den naam van mijn vriend
en den mijnen en voegde er bij, dat ik verscheiden brieven van het
hoofdbestuur voor den Directeur meegekregen had, die ik hem, zoodra ik
aan land was, overhandigen zou, daar zij zich in mijn koffer bevonden.

"Ik heet u welkom in Apia, mijne Heeren," antwoordde mijnheer Beckmann,
en hij gaf ons vriendelijk lachend de hand. "Laat uw bagage naar
beneden in mijn boot brengen, en gaat met mij aan land. Ik zal u
persoonlijk naar het dicht bij het strand gelegen Hotel International
brengen, waar u een uitstekend logies vinden zult, daar de eigenaar
een landgenoot van ons is. U kunt mij daar dan de brieven geven,
mijnheer Arendt. Wees zoo goed, heden avond te zes uur bij mij
te komen dineeren; wij kunnen dan de nadere bijzonderheden van uw
werkkring bespreken."

Nadat wij door den hotelhouder op de vriendelijkste wijze begroet
geworden waren, hetgeen wij ongetwijfeld aan de recommandatie van
onzen voornamen geleider te danken hadden, maakte ik in de kamer,
die mij aangewezen was, vlug mijn koffer open, en bracht het dikke pak
papieren en brieven naar beneden in de spreekkamer, waar de directeur
mij wachtte.

Na een verfrisschend bad, trokken wij andere kleeren aan en sloegen een
blik uit de vensters op de haven. Wij konden de geheele uitgestrektheid
overzien, en tot onze vreugd viel ons de Duitsche kruiser "Falke" het
eerst in het oog; op eenigen afstand lag een Engelsch oorlogsschip
voor anker, als ik mij niet vergis de "Curaçao" en achter deze twee
lag ook een Amerikaansche kanonneerboot. Verder Oostwaarts konden
wij duidelijk op het strand het wrak van het ongelukkige Duitsche
oorlogsschip "Adler" onderscheiden, dat daar in het voorjaar van
1889, gedurende een vreeselijken orkaan neergeslingerd en geheel
uit elkander geslagen was. Behalve den ijzeren romp van den "Adler,"
konden wij uit de veranda, vóór onze beide naast elkander liggende
kamers, een groote menigte stukken van het schip onderscheiden,
die op de kust lagen, en met de eb nu duidelijk zichtbaar waren.

Ten westen van de oorlogsschepen, lagen verscheiden kleinere
vaartuigen, zoogenaamde kotters, die, te oordeelen naar de vlaggen,
zoowel aan de Duitsche Handelmaatschappij, als aan de Duitsche firma
Frings en Co. schenen te behooren; des avonds bevestigde mijnheer
Beckmann dit ook. Zij onderhielden de gemeenschap tusschen de
afzonderlijke eilanden der groep.

Wij hadden veel schik in een groot aantal jonge, bruine knapen die,
onder luid gejubel en geschreeuw van het strand in zee sprongen en
in het water rondspartelden. Ook zagen wij een groote oorlogsboot van
Samoa, naar een model der Amerikaansche walvischbooten gebouwd, en door
een twintigtal roeiers in beweging gebracht, in de groote haven naar
het westelijk gelegen schiereiland Mulinu koers zetten. De roeiers
zaten niet volgens Europeesche wijze met den rug naar het roer, maar
met het gelaat, en haalden hun korte riemen of kleine roeispanen door
het water; de boot had een groote snelheid en de roeiers begeleidden
hun werk met een welluidend gezang.

Tegen etenstijd lieten wij ons door een zwarten bediende van het hotel
naar het huis van den directeur Beckmann brengen. Tot onze verbazing
zagen wij, dat de woning van onzen chef, die in Apia en de geheele
eilandengroep toch als een persoon van gewicht bekend stond, wel een
zeer aardig, maar slechts klein huisje was van één verdieping, en
dat het op zijn hoogst zes kleine kamers kon bevatten. Naar mijnheer
Beckmann ons later op onze vraag antwoordde, is het bouwen in Apia
ongehoord kostbaar, zoodat de Blanken zich met weinig ruimte tevreden
moeten stellen.

"Zooals de voorzitter van het Hoofdbestuur schrijft," zeide onze chef,
toen wij na een uitstekend diner op de veranda, die een heerlijk
gezicht op de haven aanbood, onder het rooken eener geurige sigaar,
de koffie gebruikten, "zijt gij, mijnheer Arendt, tot boekhouder
aangesteld op de groote plantage Mulifanua, terwijl mijnheer Gaedecke
de leiding der verschillende cultures, die wij in onze plantages
toegepast hebben, op zich zal nemen. Intusschen acht ik het hoogst
noodzakelijk, dat beide heeren vooreerst nog een paar weken in Apia
blijven, ten eerste om zich eenigermate aan het klimaat te gewennen,
ten tweede om, al is het dan ook maar wat oppervlakkig, op de hoogte te
komen van het aanleggen en het bestuur eener plantage. Daarom zal ik u
in den loop der volgende week naar Vaitele, onze voornaamste plantage
in dit district, brengen, waar u voldoende gelegenheid zult vinden om
alles goed op te nemen. Vaitele ligt ongeveer tien kilometer ten zuiden
van Apia, aan den voet van het gebergte, in een verrukkelijk landschap;
de directeur der plantage, mijnheer Tiedemann, is zeer ervaren in
alles, wat den aanleg en de behoeften der tropische cultures betreft,
daar hij jaren lang een groote koffieplantage bij Menado op het eiland
Celebes, bestuurd heeft. De eerstvolgende dagen moet u gebruiken
om uitstapjes te maken in den onmiddellijken omtrek van Apia; daar
zult u veel ontdekken, wat uw belangstelling wekt. Als mijn tijd het
eenigszins toelaat, zal ik u met genoegen vergezellen, zoo niet, dan
zal een mijner bedienden de leiding van mij overnemen." Wij bedankten
onzen vriendelijken chef hartelijk voor zijn goede bedoelingen en,
daar het reeds laat was geworden, namen wij afscheid.

Den volgenden dag deden wij een wandeling door Apia, onder geleide van
een bediende uit het hotel, die een weinig Duitsch en Engelsch sprak.

De stad bestaat uit vier groote dorpen, die een enkele, ruim twintig
voet breede hoofdstraat vormen, welke zich in een halven cirkel langs
de havenbocht uitstrekt. In het midden van dezen halven cirkel ligt
het eigenlijke Apia; oostelijk daarvan het dorp Matautu, waarin zich
de Engelsche en Amerikaansche Consulaatsgebouwen bevinden, terwijl in
het westelijk gelegen Matafele, de grootsche magazijnen der Duitsche
Handel-Plantage-Maatschappij in de Zuidzee, bijna de geheele ruimte
beslaan. In de onmiddellijke nabijheid van Matafele bevindt zich
de smalle landtong Mulinu, waarop het zoogenaamde paleis van koning
Malietoa, benevens eenige gouvernementshuizen gebouwd zijn.

Zooals mijnheer Beckmann ons 's avonds verteld had, leven er in Apia
ongeveer tweehonderd blanken, waaronder de Duitschers het talrijkst
vertegenwoordigd zijn. Dat konden wij al dadelijk op onze wandeling
opmerken. De grootste helft der hotels, herbergen en winkels is in
Duitsche handen; overal hoort men Duitsch spreken, leest men Duitsche
namen op de borden der firma's en ziet men de zwart-wit-roode vlag
wapperen. Zelfs is er in Apia een Duitsche school, die niet alleen
voor de kinderen der Europeanen, maar ook voor die der inlanders
toegankelijk is en druk bezocht wordt.

Tegen den middag, brachten wij ook een bezoek aan den heer Biermann,
den Duitschen Consul in Apia, om ons aan hem voor te stellen en hem
onze passen te overhandigen. Evenals de directeur Beckmann, bewoonde
de consul een eenvoudig houten huis van één verdieping.

De inboorlingen, waarvan wij een groot aantal in een zalig-niets-doen
op de haven zagen rondslenteren, maakten een bijzonder sympathieken
indruk. Zooals bekend is, behooren de bewoners van Samoa tot het
Polynezische ras, hebben een lichtbruine huidkleur in tegenstelling met
de donkerder gekleurde Melaneziërs, en een slanke, flinke gestalte. De
gelaatstrekken der mannen zijn minder schoon; meestal hebben zij breede
platte neuzen, tamelijk dikke lippen en vooruitstekende wangbeenderen,
maar prachtige donkerbruine, amandelvormige oogen met lange zwarte
wimpers. Tegenover vreemdelingen zijn zij vriendelijk en voorkomend,
zooals ik later, gedurende mijn langdurig verblijf op de eilanden, heb
kunnen opmerken. Deze beminnelijke karaktertrek, evenals hun besliste
afkeer van elken eenigszins inspannenden arbeid, moeten toegeschreven
worden aan het gelukkige, zorgelooze bestaan, dat de bewoners van
Samoa in hun heerlijk, overvloedig gezegend vaderland leiden, waar de
milde natuur alles oplevert, wat zij tot hun levensonderhoud behoeven.

De manlijke inboorlingen zijn, wat mij bijzonder opviel, bijna zonder
uitzondering op eigenaardige wijze getatoeëerd. Dit tatoeëeren bestaat
uit een aantal rechtlijnige figuren, die van den navel tot aan de
knieën reiken. Naar men mij verteld heeft, moet het insnijden van
deze figuren tamelijk pijnlijk zijn, daar het uitgevoerd wordt met een
soort van harkje, gemaakt van vischgraten of kieuwen. Het werktuigje
wordt in een mengsel van verbrande notedoppen en water gedoopt en met
een hamertje in het vleesch gedreven, waardoor de figuren ontstaan,
die meestal heel aardig zijn; veel inlanders verbergen hun tatoeëering
echter onder hun Lava-Lava, een lendendoek van Tapa. Dit is een stof,
die op papier gelijkt en gemaakt wordt van de roode bladeren van
den Ti-boom. In den laatsten tijd is deze Tapa echter door gekleurd
katoen vervangen geworden. Onder de inlanders gaan de jongelingen,
die zich niet hebben laten tatoueëeren, voor onmanlijk door. Ook
onderwerpen veel vrouwen zich aan deze kunstbewerking, hoewel in
mindere mate. Zij bestaat doorgaans alleen uit stippen en een aantal
plus- en minusteekens, d. w. z. kleine kruisjes en streepjes en is
gewoonlijk met den Lava-Lava of lendendoek bedekt.

Gehoor gevend aan een verzoek van den directeur, kwamen wij op
den vijfden dag na onze landing, dadelijk na zonsopgang ten zijnen
huize, om hem naar de plantage Vaitele te vergezellen. Op aardige,
vrij kleine paardjes, die, naar mijnheer Beckmann ons mededeelde,
van het eiland Timor ingevoerd, dus zoogenaamde Sandelhoutpaarden
waren, reden wij, door twee bedienden gevolgd, die in valiezen
eenigen mondkost meevoerden,--het eerst naar den linkeroever van den
Sigago-stroom, die zich ten Oosten van Apia in de haven uitstort,
om vervolgens langs zijn oevers onzen weg stroomopwaarts voort te
zetten. Zooals wij van den directeur vernamen, ontspringt de Sigago
op de zuidelijke hellingen van den 2500 voet hoogen berg Godefroy,
ongeveer vijftien kilometer zuid-oostelijk van Apia, en stroomt dan
door een heerlijk vruchtbaar dal tot aan zijn mond bij Apia voort.

Ik was letterlijk overweldigd door den aanblik van deze menigte
kokospalmen, bananen, benevens papaya's, oranje-mango-broodvruchtboomen
en bloeiende heestergewassen, wier namen mij onbekend waren; en dan,
die kostelijke, bedwelmende geur, dien voornamelijk de bloeiende
oranjeboomen en heesters verspreidden! Het was inderdaad verrukkelijk!

Daar wij zonder iets gebruikt te hebben de stad verlaten hadden,
rustten wij een uur later in een schaduwrijk boschje van oranjeboomen
en bananenpalmen, en verkwikten ons aan de versnaperingen, die de
bedienden ons uit de tasschen toereikten.

Zooals de directeur nu onder ons ontbijt vertelde, had het huis
Johan Cesar Godefroy en zoon in 1857 zijn eerste handelszaak op
Upolu in Apia opgericht, en spoedig daarna in het bovendal van den
Sigago, de plantage Vaitele aangelegd, die weldra gevolgd werd door de
plantage Veilele, aan diezelfde rivier gelegen. In 1865 ontstond in het
district Mulifanua, 32 kilometer westelijk van Apia, de uitgebreide en
belangrijkste plantage Mulifanua, en wat verder op Savau, het grootste
eiland der geheele groep, de kleinere plantage Vaiputi. In het geheel
verkreeg de Hamburgsche firma op de Samoa-eilanden meer dan 3500
hectaren grond in bezit, die ontgonnen werd. Toen nu omstreeks het
jaar 1880, het huis Godefroy,--dat in dien tusschentijd genoodzaakt
geweest was, zijn betalingen te staken,--aanbood zijn bezittingen
op de eilanden onder Duitsche bescherming te stellen,--en dit door
de regeering, van de hand werd gewezen, nam de Duitsche Handel-
en Plantage-Maatschappij, die kort geleden opgericht was, al de
factorijen en plantages der firma in de Zuidzee over.

Na ons ontbijt, stegen wij weer te paard en bereikten een uur later
Vaitele, waar wij door den directeur, die van onze komst door een
vooruit gezonden bediende verwittigd was, vóór diens woning ontvangen
werden. Dit was eveneens een eenvoudig houten gebouwtje, maar te
midden van oranje- en bananenboomen gelegen, en maakte daardoor een
bijzonder vriendelijken indruk.

Nadat de directeur ons aan den heer Tiedemann had geïntroduceerd,
stelde deze voor, de naastbij gelegen aanplantingen eens in
oogenschouw te nemen, voor het te heet werd. Terwijl in het vochtige,
lagere gedeelte, in de onmiddellijke nabijheid van den rivieroever,
voornamelijk suikerriet, yams, de zoete knolvrucht, die in de tropen
onzen aardappel vervangt--en ook de tarowortels geplant waren,
stonden op de eenigszins hoogere hellingen, honderden kokospalmen,
broodvruchtboomen, mango's, bananen, papaya's en oranjeboomen. De
gewichtigste boom voor den handel was, zeide de directeur, intusschen
de kokospalm; deze bereikt dikwijls een hoogte van honderd twintig
voet, zonder dat er de kleinste tak of twijg aan zijn slanken stam te
zien is. Boven aan de bladerkroon groeien de noten in menigte tegen
den stam aan.

Mijnheer Tiedemann was zoo vriendelijk, mij en vooral mijn collega
Gaedecke, als natuurkenner, uit te leggen, hoe men de kopra, [1]
dit gewichtig handelsartikel, het best aankweekt. Eerst na zeven
of acht jaar geeft een kokospalm den eersten oogst; de noten worden
niet geplukt, maar men wacht, tot zij rijp naar beneden vallen; dan
worden zij opgeraapt en in manden op ezels naar rijwegen gebracht,
vanwaar zij in karren, met ossen bespannen, naar de factorijen
vervoerd worden. Na opengemaakt te zijn, wordt de vleezige kern
er uit gesneden, op eesten gedroogd en eindelijk luchtig verpakt,
naar Europa verzonden. De harige bolsters, waarvan in andere landen,
zooals op Ceylon, de Sunda-eilanden enz. de kokosvezels verkregen
worden tot het vervaardigen van matten, touwen en dergelijke, gebruikt
men op Samoa niet; men verbrandt ze eenvoudig.

Verder onderrichtte mijnheer Tiedemann ons nog, dat een volwassen
kokospalm op zijn plantage, jaarlijks gemiddeld tachtig tot honderd
noten oplevert, en uit vijf noten wordt somtijds een kilogram kopra
verkregen, zoodat de netto opbrengst van een palmboom bij gewone
olieprijzen, op ongeveer twee mark per jaar kan geschat worden. Uit
de kokospalm-plantage geleidde de directeur der factorij ons een
eind de helling op, waar wij op een plek, die bijna geheel van groote
boomen ontbloot was, een vrij groot aantal sierlijke, kleine boomen
op regelmatige afstanden, opmerkten. Ik hield deze mooie boompjes,
waarvan verscheidene met witte en roode bloesems bedekt waren, voor
kerseboomen, tot ik door een uitroep van den directeur Beckmann,
beter werd ingelicht.

"Zoo, zoo! U bent dus met den aanleg van een koffieplantage geslaagd,
beste Tiedemann!" riep de directeur uit. "Dat doet mij werkelijk
pleizier! Die kan ons van heel veel nut zijn."

"Ja, het is mij gelukt, mijnheer," antwoordde de opzichter der
plantage. "Verleden jaar heb ik twee honderd stuks stekken van
koffieboomen uit Menado besteld, en, daar ik bij ondervinding weet,
dat de koffie in dit klimaat, het best op een hoogte van vier tot
zes honderd meter gedijt, liet ik hier op de helling een vrij groot
aantal boomen vellen en de stammen, takken en twijgen verbranden,
om de asch als mest te kunnen gebruiken. Op gelijke afstanden werden
tien kuilen gegraven en de stekken daarin gezet; ten einde de jonge
planten tegen de verzengende zonnestralen te beschutten, liet ik een
aantal dik gebladerde tamarindeboomen staan, die voldoende schaduw
gaven. De boompjes schoten spoedig wortel en groeiden prachtig op;
verscheidene staan reeds in bloei en zullen toekomende jaar, hoop ik,
een flinken oogst opleveren."

"Ik zie, dat u den grond tusschen de koffieboomen geheel grasvrij
laat," zeide Gaedecke. "Waarom doet u dat?"

"Omdat het gras van Samoa als woekerplant voortteelt, op een tot
beplanten geschikt gemaakten grond, en alleen door onophoudelijk
uitroeien verdelgd kan worden," luidde het antwoord van mijnheer
Tiedemann. "Ik heb ook getracht hier cacaoboomen te planten, maar in
Vaitele dragen zij niet zooveel vrucht als in Mulifanua; mijn collega
Krüger schijnt daar een gunstiger bodem te hebben."

Op den terugweg naar de woning van mijnheer Tiedemann, zagen wij
een troepje werklieden, die van de verschillende plantages naar hun
hutten gingen, om te eten en gedurende het heetste gedeelte van den
dag te rusten. Het trok mijn aandacht, onder deze mannen geen enkelen
inboorling van Samoa, maar lieden van veel donkerder huidkleur te zien.

Toen ik aan tafel mijn verwondering hierover te kennen gaf, verklaarde
directeur Beckmann mij de reden hiervan.

"Alle pogingen, om de inboorlingen van Samoa aan geregeld werk te
gewennen, hebben schipbreuk geleden op hun aangeboren traagheid,"
zeide hij. "Zij eischten ongehoord hoog loon voor buitengewoon geringe
diensten en bleken in geen enkel opzicht te vertrouwen te zijn. Daarom
waren wij genoodzaakt, vreemd werkvolk in dienst te nemen, en wij
vonden dit in voldoend aantal op de Salomons- en Gilberts-eilanden,
de Nieuwe-Hebriden en den Bismarck-Archipel. Het aanwerven van
manschappen geschiedde door de kapiteins van onze eigen schepen, die
met de hoofden dier eilanden in onderhandeling traden. De werklieden
worden voor drie jaar aangenomen, na welk tijdsverloop, zij vrij naar
hun vaderland teruggezonden worden, wanneer zij er niet de voorkeur aan
geven de overeenkomst te vernieuwen. Ieder werkman verdient, behalve
kost en inwoning, drie dollars per maand, en komt ons dus jaarlijks
op ongeveer drie honderd mark te staan, de kosten van import en export
daaronder begrepen. Ook verloopt er geruime tijd, voor de lieden zich
aan hun dagtaak, en aan discipline gewend hebben; bovendien moeten
de inlanders der verschillende eilandgroepen afzonderlijk gehuisvest
worden, anders vallen zij elkander aan, slaan elkaar dood, of eten
elkander ten slotte op, om de overwinning feestelijk te vieren. U
ziet, mijne Heeren," zoo eindigde de directeur zijn verklaring, "dat
wij met veelvuldige moeilijkheden in onze koloniën te kampen hebben,
waartoe ook onze verhouding jegens de Engelsche en Amerikaansche
autoriteiten op Samoa heel veel bijdraagt."

Na een korte rust bezichtigden wij nog de overige aanplantingen op de
factorij Vaitele, gebruikten eenige ververschingen en sloegen daarna
den weg naar Apia in. Vóór wij van den heer Tiedemann afscheid namen,
verzocht mijn collega Gaedecke dezen verlof, op een der eerstvolgende
dagen naar Vaitele te vertrekken, om zich onder leiding van den
kundigen planter, op de hoogte te stellen van het aanleggen en de
werkzaamheden op een grootere plantage. Mijnheer Tiedemann verklaarde
zich vriendelijk bereid, den jeugdigen botanicus bij zich in huis te
nemen, op voorwaarde, dat directeur Beckmann, hieraan zijn goedkeuring
hechtte; deze had hiertegen geen enkel bezwaar.



Tweede Hoofdstuk.
Op de plantage Mulifanua.


Den dag na onze terugkomst verliet mijn vriend Gustaaf Gaedecke Apia,
om zich naar de plantage Vaitele te begeven.

De directeur had hem een paard geschonken, benevens een ezel voor zijn
bagage; ook werd hem een knecht medegegeven om hem bij het vervoer
en op reis behulpzaam te zijn.

Terzelfder tijd deelde mijnheer Beckmann mij mede, dat hij mij over
een paar dagen persoonlijk naar de plantage Mulifanua zou brengen, om
die te bezichtigen en mij voor te stellen aan den directeur, den heer
Krüger; bovendien ried hij mij aan in dien tusschentijd naar Matafele,
het westelijk deel van Apia te gaan, om in de groote magazijnen en
kantoren van de Duitsche Handel- en Plantage-Maatschappij kennis
te maken met de ambtenaren, daar ik dikwijls met deze heeren zaken
zou moeten doen. Hij zou mij een zijner kantoorbedienden meegeven,
om mij aan te dienen.

Zeer vriendelijk werd ik door mijn toekomstigen collega ontvangen, en
rondgeleid in de voornaamste pakhuizen, waar een kolossale voorraad
van kopra, katoen en andere tropische gewassen opgestapeld lag,
die naar Europa moest ingescheept worden.

Twee dagen na dit bezoek in Matafele begaf ik mij, volgens order van
den directeur, dadelijk na zonsopgang met mijn bagage naar het strand,
waar op de mij aangeduide plaats, de boot van mijnheer Beckmann
gereed lag. Zij had, evenals de kano's der inlanders, den vorm van
een walvischboot, maar was iets breeder, van een zonnetent aan den
achtersteven voorzien, en met twaalf roeiers bemand.

Een paar minuten na mijn aankomst, verscheen de directeur, van twee
bedienden vergezeld, die manden met allerlei eetwaren droegen. Wij
gingen onder de zonnetent zitten en op bevel van mijn chef brachten de
roeiers hun korte riemen in beweging, waarmee zij de boot bijzonder
gauw deden voortgaan. Toen wij de "Falke" langs kwamen, begroette
de wacht op het dek ons met een luid: "Goedenmorgen! Gelukkige
reis!" hetgeen wij met hoedengewuif beantwoordden. De boot van den
directeur, die aan den spiegel de Duitsche vlag voerde, was den
matrozen van het oorlogsschip goed bekend.

Nadat wij den breeden ingang der haven, die door een wijde opening in
de koraalriffen, welke zich langs de geheele noordkust uitstrekken,
voorbijgegaan waren, zetten wij eerst regelrecht koers naar het
Noorden, om op grooten afstand van de riffen te komen, waar de
golfslag zoo onstuimig was, dat wij gevaar zouden geloopen hebben,
door de branding tegen de rotsen geworpen te worden. Voornamelijk
was deze zeer sterk en gevaarlijk vóór het schiereiland Mulinu, en,
zooals mijnheer Beckmann vertelde, moesten er op die plek reeds veel
schepen vergaan zijn.

Een goede zeemijl van de kust verwijderd, keerden wij ons naar het
Westen en kwamen nu snel vooruit. Thans kon ik dit geheele gedeelte
van het eiland overzien, en met innige verrukking het landschap
bewonderen, dat zich voor mij uitstrekte. Het gedeelte van het
land, tusschen de bergketen en de kust, geleek een heerlijke tuin,
vol palmen, hooge, breedgetakte tamarinden, schoone boschjes van
broodvrucht- en oranjeboomen en een groot gedeelte van een dicht
oerwoud op die plaatsen, waar de boomen niet ter wille van de plantages
geveld waren. De talrijke bergstroomen met hun groen, helder water,
slingerden zich door het voorland in menigvuldige bochten tot aan
het strand; het bekoorlijkst echter waren verscheiden watervallen in
de verte, die dikwijls vele meters hoog van den rand van den bergkam
naar beneden stortten, en op dien afstand op breede, zilveren linten
geleken. Mijnheer Beckmann maakte mij in het bijzonder opmerkzaam
op een prachtigen waterval, den Letogo, die ten Westen van Apia,
midden in het dichte struikgewas van de rotsen naar beneden stort,
en daar een bassin vormt, wel zoo groot als een meer; ik kon dit
echter natuurlijk van uit de boot niet zien.

Tegen elf uur bereikten wij het doel onzer reis, gedurende welke
de roeiers, inboorlingen van Upolu, hun arbeid zonder ophouden met
welluidend gezang begeleid hadden. In het koralenrif, dat, zooals
wij reeds vermeld hebben, het geheele eiland omringt, bevond zich
een opening, waardoor kleinere schepen in een bocht naar de kust
kunnen varen; deze bocht vormt de haven van Mulifanua, doch is maar
van kleine afmeting.

Aan de landingsplaats werden wij opgewacht door mijnheer Krüger, die
den vorigen dag van den directeur door een bijzonderen bode bericht had
gekregen van onze komst; hij begroette ons vriendelijk en leidde ons
in het door hem bewoonde stationsgebouw der Handel-Maatschappij. Dit
gebouw was ook van hout, maar had twee verdiepingen; het was zeer
lief gelegen, te midden van schaduwrijke mangoboomen en zorgvuldig
onderhouden tuinen. Op een ruime veranda vonden wij een welvoorziene
tafel, waarop ik tot mijn verrassing ook eenige flesschen bier zag
staan. Een paar roeiers brachten mijn bagage en de manden met proviand
in huis en gingen daarop naar hun makkers, die achter het woonhuis
een onderkomen gevonden hadden in een hut, bestemd voor de bedienden.

Mijnheer Krüger, onder wiens bijzondere leiding ik stond, bracht mij na
het ontbijt in een nette kamer, die, naar hij zeide, voor mij bestemd
was; hij deelde mij mede, dat wij na een korte rust te paard zouden
stijgen, om de plantages in de buurt van Mulifanua te bezichtigen.

Het rustuurtje gebruikte ik, om mijn twee koffers uit te pakken en mijn
ondergoed en kleeren in de daartoe bestemde kasten te bergen. Toen ik
hiermede gereed was, en mij juist wilde verkleeden, verscheen een jonge
Samoaner, een "Boy", zooals men de bedienden daar noemt, en vertelde
mij in een wonderlijk mengelmoes van Duitsche en Engelsche woorden,
dat hij door zijn "meester" voor mijn persoonlijke bediening was
aangewezen en nu bevel had gekregen mij naar het badhuis te brengen.

Dit badhuis lag maar weinig schreden van het stationsgebouw in een
bananenboschje. Het was zeer practisch ingericht. In een ommuurd
bassin, van een meter breedte, aan den ingang van de ruime, luchtige
badkamer, stroomde frisch, kristalhelder water, dat zooals de "Boy"
verklaarde, uit de dichtst bij zijnde rivier hierheen geleid was, en
tevens tot besproeiing van den tuin diende. Bovendien bevonden zich
langs de muren verscheiden douches = stortbaden. Na een heerlijk
verfrisschend bad, kleedde ik mij spoedig aan en ging naar de
veranda, waar ik reeds de heeren Beckmann, Krüger en nog een jong
mensch aantrof, die mij als mijnheer Petersen werd voorgesteld. Deze
was een knap persoon, van zes voet lengte, en met een zeer vroolijk
opgewekt gezicht. Zooals ik later hoorde, was Hendrik Petersen een
verre bloedverwant van mijnheer Krüger; hij had als vaandrig in een
Pruisisch infanterie-regiment gediend, maar was daaruit wegens een paar
ondeugende streken ontslagen geworden. Op Krüger's voorspraak had de
Handel- en Plantage-Maatschappij hem in dienst genomen en naar Samoa
gestuurd, waar hij vervolgens op de plantage Mulifanua gedeeltelijk
op het kantoor, gedeeltelijk op de plantage zelf, als opzichter
werkzaam was. Hij kon ongeveer zou oud zijn als ik, en maakte op mij,
door zijn open, vriendelijk gelaat, een zeer aangenamen indruk. Wij
dronken haastig een kop thee en stegen toen te paard, om naar de,
op ongeveer een kilometer afstands gelegen plantage te rijden.

Deze was reeds in 1865 door de firma Godefroy aangelegd, en de eerste
op het eiland Upolu; eenige jaren later volgden de plantages Vaitele
en Veilele in het district Tuamusanga. Het geheele eiland is in drie
districten verdeeld, waarvan Atua het oostelijkst is; in het midden
ligt het district Tuamusanga met de hoofdstad Apia, terwijl Mulifana
de voor naamste plaats van Aana, in het Westen, is.

In de onmiddellijke nabijheid van Mulifanua zag ik ook voor het
eerst, een dorp van inlanders, dat een bijzonder liefelijken
indruk op mij maakte. Elke hut, of liever gezegd, elk huis, want
de meeste hebben een omvang van meer dan honderd voet, staat in
de schaduw van palmen en bananen en is gewoonlijk door een kleine
suikerrietplantage omgeven; de geheele ruimte om zulk een huis wordt
steeds zeer zindelijk gehouden. Het dak bestaat uit de bladeren
van het suikerriet of van de bananen en heeft een lankwerpig ronden
vorm; het rust op rond gesneden houten palen, die op een afstand van
vier of vijf voet van elkander in den grond geheid worden. Ieder
huis bestaat alleen uit een enkele groote ruimte, die gedurende
den nacht gesloten wordt door zonneblinden, gemaakt van de nerven
der palmbladeren; over dag is zij aan alle zijden open, zoodat in
de woonkamers steeds frissche lucht is. De vloer van deze laatste
bestaat uit een laag losse kiezelsteenen van verscheiden centimeters
dikte, waarop dan kralen of kleine ronde steentjes gelegd worden;
hierover legt men dichte matten. Naar Petersen, die mij in zulk een
huis bracht, verzekerde, vormen deze matten op de geverfde onderlaag
een uitstekende rustplaats, die daarenboven het grootste voordeel
bezitten zou, nooit door ongedierte verontreinigd te worden. In het
midden van deze ruimte staat een sterke gaffelvormige boomstam, die
tot hoofdpilaar dient; deze, benevens de zijposten, zijn gemaakt uit
het hout van den broodvruchtboom, dat duurzamer moet zijn dan andere
houtsoorten. Naast de middelste pilaar is een kleine, uit klei gemaakte
haard aangebracht, die echter niet gebruikt wordt om er op te koken,
maar alleen tot verlichting dient; in een kleinere hut, die zich op
eenigen afstand van het woonhuis bevindt, wordt het eten bereid.

Als huisraad merkte ik slechts eenige gedroogde kokosnoten op, die
als waterkannen gebruikt werden, terwijl een grooter aantal dwars
doorgesneden noten tot bekers dienden. Verder zag ik verscheiden
vliegenklappen van boomschors en waaiers, gevlochten van de bladnerven
van den pandanus. Van tafels, stoelen en kasten zag ik niets.

Nadat wij dit huis, dat mij zeer interesseerde, bezichtigd hadden,
stegen wij weer te paard en reden in gestrekten draf de twee heeren
na, die reeds in de plantage aangekomen waren.

De plantage Mulifanua is aanmerkelijk grooter dan Vaitele of Veilele;
de cultuur is er dezelfde als op de twee laatste; alleen wees mijnheer
Krüger ons een theeplantage, op de noordelijke hellingen van den berg
Tofu, als eerste proef, om de cultuur der theeplant op Samoa in te
voeren. Zij groeide uitstekend evenals een uitgestrekte aanplanting
cacaoboomen, die reeds rijke inkomsten opleverde.

Mijnheer Krüger had meer dan twee honderd werklieden in de plantage,
waarover hij het bestuur had; de meesten waren inboorlingen van de
Salomons- en Tonga-eilanden, allen flink gebouwde, groote mannen van
een donkere huidkleur, daar deze eilandbewoners tot het Melanezische
ras behooren.

De eerste Salomons-eilander, dien ik zag, maakte een zeer eigenaardigen
indruk op mij. Zijn gekroesd haar, dat wel zes decimeter lang kon
zijn, was met kalk wit gemaakt, zoodat ik eerst meende, dat de
man een pruik van vuil schapenvel op het hoofd gezet had. Toen ik
hoorde, dat zoowel directeur Krüger, als een der opzichters, den
werklieden orders gaven in een taal, die ik volstrekt niet verstaan
kon, legde mijn vriend Petersen mij uit, dat, daar de bewoners van
de afzonderlijke eilandengroepen allen verschillende talen spraken,
men genoodzaakt geweest was, wilde men met hen onderhandelen kunnen,
zich van verschillende idiomen te bedienen, die veel overeenkomst
hebben met het Chineesche Pidjin-Engelsch. Wij hadden nog enkele
uren vóór zonsondergang den tijd; directeur Beckmann gaf daarom op
de theeplantage, waarop wij ons juist bevonden, den wensch te kennen,
den top van den Tofuberg te bestijgen, vanwaar men een schoon uitzicht
moest hebben, zooals hij zich nog van een vroegere reis herinnerde.

Het was een tamelijk vermoeiend en inspannend werk, om zich door het
dicht struikgewas, dat de helling van den berg tot den top bedekte,
heen te worstelen, want deze bevond zich wel ongeveer duizend voet
boven de theeplantage; maar onze moeite werd ruimschoots beloond,
door het verrukkelijk vergezicht dat zich daar aan ons oog vertoonde.

Noordelijk, bijna voor onze voeten, zagen wij Mulifanua en de geheele
oostkust tot de haven van Apia, met de landschappen Salapuala,
Sasasa en minstens nog tien andere Samoaansche dorpen, terwijl wij
aan onze linkerhand, in westelijke richting, eerst het eilandje Manono
opmerkten, dat door een koraalrif met de westkunst van Upolu verbonden
scheen te zijn; dan volgde het kleinste eilandje der geheele groep,
Apolima, dat nog niet volkomen twee Engelsche vierkante mijlen groot
is, en verder op verhief zich uit de zee, het groote Savaii, welks
gebergte een hoogte van meer dan vijfduizend voet bereikt. Tusschen den
berg Tofu en de noordkust strekte zich een groote vlakte uit, beplant
met palmen, broodvruchtboomen enz, waartusschen men uitgestrekte
velden kon opmerken, waarop de inlanders suikerriet, taro en yamwortels
kweekten. Zuidwaarts zag men niets dan de groote, oneindige zee.

Toen wij een paar uren later het stationsgebouw in Mulifanua weer
bereikt hadden, was ik weliswaar erg moede, maar toch bijzonder in
mijn schik over al het belangrijke en nieuwe, dat ik in den loop van
den dag gezien had. Den volgenden morgen keerde directeur Beckmann in
zijn boot naar Apia terug, terwijl ik onder leiding van den heer Krüger
mijn werkzaamheden begon. Deze bestonden voornamelijk in boekhouden en
het beheer voeren der kas. Het laatste was een zeer eenvoudig werk,
daar het slechts de uitbetaling betrof van het loon der arbeiders
op de plantage, en het salaris der opzichters; tot op heden had mijn
voorganger Petersen op zeer primitieve wijze boek gehouden, volstrekt
niet, zooals het op een handelskantoor behoort. Daar uit de boeken de
jaarlijksche afrekening met ons hoofdkantoor te Apia, zoo nauwkeurig
mogelijk moest opgemaakt worden, met bijvermelding welke hoeveelheden
der verschillende produkten uit de geheele plantage, in den loop des
jaars aan onze magazijnen en pakhuizen, door bemiddeling van Mulina
geleverd waren, moesten deze leveranties nauwkeurig en stipt in de
daarvoor bestemde boeken worden opgeteekend. Toen ik de jonge Petersen
op de talrijke vergissingen bij het noteeren opmerkzaam maakte,
antwoordde hij lachend: "Beste vriend, ik had geen flauw begrip van
boekhouderij, toen mijn ondeugende neef mij naar Samoa liet komen;
ik ben soldaat geweest en versta van dien rommel verduiveld weinig. U
zult die vervelende boeken wel weer gauw in orde maken, en u moest
eigenlijk blij zijn, dat ik zoo weinig aanleg voor dezen handelstak
heb, want anders had men u hier in het geheel niet heengestuurd."

"Mijn luchthartige neef heeft hierin werkelijk gelijk, beste Arendt,"
zeide mijnheer Krüger, die juist bij de laatste woorden van Petersen
het kantoor binnen was gekomen. "Ik geloof, dat het het beste zou
wezen, als u onder de vroegere noteering van uw voorganger maar
een streep zettet, en van heden af maar op uw manier begont boek te
houden. Ik heb te weinig tijd gehad, om het werk van mijn neef op
het kantoor voldoende na te gaan, en eerst later heb ik de wanhopige
verwarring opgemerkt, die hij teweeggebracht heeft. Daar buiten in de
plantage is de jonge heer vrij wat beter op zijn plaats; hij heeft
grooten tact om met de werklieden om te gaan, die hij flink onder
tucht heeft, en toch is hij zeer bij hen bemind. De opzichters mogen
hem ook om zijn vroolijk, welwillend karakter gaarne lijden."

"Wel bedankt, waarde neef, voor die loftuiting," zeide Petersen
lachend, "maar nog meer voor de bevrijding van die afschuwelijke
boeken. Wanneer u en mijnheer Arendt mij dus niet meer noodig hebt,
zal ik, met uw verlof, naar de plantage rijden, waar ik mij honderdmaal
meer op mijn gemak gevoel, dan hier op dit muffe kantoor. Tot ziens
dus, vanavond, vriend Arendt!"

Men kon den aardigen, beminlijken jongen man waarlijk niets kwalijk
nemen, en evenmin lang boos op hem zijn; ik bracht dus mijn geschokt
koopmansgevoel tot rust, en toog aan het werk, dat mij wachtte,
nadat mijnheer Krüger mij nog eenige noodzakelijke aanwijzingen
dienaangaande gegeven had. De eerste weken gingen zonder eenige
stoornis voorbij; met het aanbreken van den dag stond ik op, en in
de koele morgenuren werkte ik vlijtig op het kantoor tot elf uur;
dan ging ik naar de veranda, achter het huis, vanwaar men een
heerlijk uitzicht had op den prachtigen tuin, en gebruikte een
uitstekend ontbijt, waaraan mijnheer Krüger en zijn neef Heinrich
geregeld deelnamen. Beide heeren waren den geheelen voormiddag op de
verschillende plantages bezig, en na het rustuur ging ik dagelijks mee,
om zoo goed mogelijk op de hoogte te komen van den aard en de wijze
van cultuur der verschillende voortbrengselen. Ik had mij vlijtig op
de studie van het Pidjin-Engelsch, zoowel als op die der Samoaansche
taal toegelegd, ten einde mij bij ons werkvolk en ook bij de inlanders
ten minste eenigszins verstaanbaar te maken.

Mijnheer Krüger en zijn neef waren beide talen volkomen machtig. Op een
Zondag vertelde onze chef, dat hij een uitnoodiging voor ons ontvangen
had, om bij een voornaam, zeer rijke Samoaner te komen dineeren. Deze
was opperhoofd van een groot dorp, dat dicht bij de kust lag, tusschen
Mulifanua en het landschap Sasana. Wij stegen derhalve om vier uur
te paard en ongeveer een uur later bereikten wij het dorp, dat in
een goed bebouwde lage vlakte lag, te midden van een schaduwrijk
boschje van palmen, bananen en oranjeboomen, dat omringd was van
uitgestrekte suikerriet- en katoenvelden. Het opperhoofd ontving
ons voor zijn ruime woning met den welluidenden, Samoaanschen groet:
"Talofa!" en ging ons toen voor naar de huiskamer, die aan alle zijden
open was en waar wij wel een dozijn inboorlingen, mannen en vrouwen,
aantroffen, die ons met vriendelijke gebaren de hand gaven.

De vrouwen en meisjes waren zonder uitzondering werkelijk mooie, lieve
verschijningen; zij waren schoon gebouwd en hadden allen prachtige,
donkerbruine oogen met lange, zwarte wimpers; haar kleeding bestond
uit den lendendoek van gekleurd katoen; een soort van lijfje en de
lava-lava, die tot aan de knieën reikte; de volle, fraai gevormde
armen, evenals de beenen onder de knie, waren bloot; op het donkere,
meestal onbedekte haar droegen zij een klein soort van kapsel van
dunne witte stof, versierd met bloemen en gekleurde steenen. Bijna
alle vrouwen hadden kleine varkentjes op haar schoot, die bij de
Samoaanschen de schoothondjes schenen te vervangen. Nadat wij ons
op matten, in den familiekring van het opperhoofd en zijn gasten
neergezet hadden, begon de maaltijd. Verscheiden jonge meisjes
droegen de verschillende spijzen op, en wel in bananenblâren,
waarin zij ook gebakken waren, want de Samoaner kent geen potten en
pannen. De gerechten bestonden uit: gebakken speenvarkens, kippen,
visch, brood- en yamvruchten, bananen en tarowortels, alles zeer
zindelijk en smakelijk; bananenblâren dienden ook tot borden. Als
dessert verscheen een soort van deeg "Tai-ai" genaamd, dat uit het
fijn gewreven vleesch van de kokosnoot bereid, in kleine zakjes, van
bladeren gemaakt, op de heete steenen van den haard wordt gebakken
en heel lekker is. Het eten smaakte mij bijzonder goed, want het was
zeer zindelijk klaargemaakt en werd ook zoo toegediend.

Na afloop van den maaltijd werd een vrij groote schotel, zeer kunstig
uit hout gesneden, midden op de mat gezet, die als tafel gebruikt
werd. Ik wist niet, waartoe deze moest dienen, doch Petersen verklaarde
mij dit: het was een kawa-bowl, die gebruikt werd om daarin dezen
lievelingsdrank der meeste Zuidzee-eilanders klaar te maken.

Kort daarna verschenen vier mooie, jonge meisjes, die zeer schoone,
witte tanden hadden; zij legden zich bij den bowl neder en gingen de
kawa bereiden. Hiertoe werd de knol der kawa-plant (Piper methysticum)
in dobbelsteentjes gesneden en door de meisjes fijn gekauwd; de
gekauwde massa werd eenvoudig in den bowl uitgespuwd, met water
verdund, en vervolgens met de handen omgeroerd. Toen werden met een
stukje boomschors de houtvezels uit het mengsel opgevischt, waarop
de meisjes in de handen klapten, tot teeken, dat de drank gereed was
om gebruikt te worden.

Ik moet bekennen, dat mijn maag er tegen op begon te komen, dien kost,
die er als aardappelmoes uitzag, te proeven; hij werd in kokosschalen
rondgediend. Mijnheer Krüger, die zeker mijn afkeer op mijn gelaat
gelezen had, gaf mij echter een teeken, dat ik bepaald een ferme teug
uit de mij aangeboden schaal moest nemen, indien ik onzen gastheer
en zijn gasten niet diep wilde beleedigen. Toen de schaal dus bij mij
kwam, nam ik met echte doodsverachting een slok van dezen, in dat land
geliefkoosden drank, die naar zeepsop smaakt; ik vreesde het volgend
half uur onpasselijk te worden, en kwam eerst weer op mijn verhaal,
toen mijnheer Krüger mij en den overigen manlijken gasten een sigaar
aanbood. Zooals ik later heb waargenomen, wonen er op Samoa Europeanen,
die van lieverlede zelfs hartstochtelijke kawadrinkers zijn geworden,
iets, wat mij totaal raadselachtig voorkomt; want voor mij bleef
hij steeds een afschuwelijke drank. Na het gebruik van den kawabowl,
werd de "Siva", een Samoaansche dans, uitgevoerd. Deze "Siva," die
door een driestemmig lied begeleid wordt, begint met het heen en weer
bewegen van het hoofd en bovenlichaam, het slaan met de vlakke hand,
zooals bij het schoenmaken, op bovenarmen en dijbeenen, en het maken
van allerlei arm- en beenbewegingen, terwijl met een stokje op een
mat de maat wordt geslagen. Muziekinstrumenten zijn den Samoaners ten
eenenmale onbekend, behalve de houten kerktrommels, door de zendelingen
ingevoerd, die als klokken dienst doen. In den laatsten tijd gebruiken
de inlanders ook Europeesche trommels en signaalhorens in den oorlog.

Al de bewegingen der eerste danseres, een heel knap meisje, wier
hoofd met edelgesteenten en paarlen versierd was, werden door de
andere dansers en danseressen nauwkeurig nagebootst. In het begin
werd de "Siva" tamelijk kalm uitgevoerd, doch spoedig kwam er meer
leven onder de dansers; zij werden vuriger en voerden verscheidene
grappige voorstellingen uit, waarin b.v. het gevecht met een slang,
een onthoofding, de duivel, of de een of andere denkbeeldige
persoonlijkheid de hoofdrol speelden. Het geheel bood een zeer
eigenaardigen en verrassenden aanblik.

Onmiddellijk na het ophouden van den dans namen wij afscheid van het
vriendelijke opperhoofd en diens gasten, en reden onder een heerlijken
maneschijn naar Mulifanua terug. Ik was zeer tevreden over dit bezoek,
dat mij voor het eerst in de gelegenheid stelde een blik te slaan op
het huiselijk leven en de zeden en gewoonten der inboorlingen.

"Waart u niet verbaasd over den grappigen smaak der Samoaansche dames,
om een varkentje als schoothondje te gebruiken?" vroeg Petersen mij,
toen wij het dorp verlaten hadden.

"Nu, ik vond, dat die beestjes er heel zindelijk uitzagen; zij
hadden ten minste geen vlooien, zooals zoo menig lievelingshondje der
Europeesche dames," antwoordde ik. "En buitendien: 'Chacun son gout'."



Derde Hoofdstuk.
Koning Tamasese.


Weinig dagen na ons bezoek bij het opperhoofd kwam een kotter van
onze maatschappij binnen, om een gedeelte van den oogst van onze
plantage naar de groote magazijnen in Matafele, het westelijk deel
van Apia, te brengen. Nu had ik het erg druk met het opmaken der
cognossementen voor den kotter, waarin de verschillende producten,
nauwkeurig naar gewicht of aantal, moesten worden opgegeven. Het nam
verscheiden dagen in beslag, tot de oogst op karren, door buffels
getrokken, van de plantages naar de haven vervoerd was, vanwaar hij,
door groote platte booten aan boord van den kotter moest gebracht
worden, daar deze, wegens de talrijke koraalriffen en ondiepten,
slechts op eenigen afstand van het strand het anker kon uitwerpen.

Toen de kotter geladen was, ging ik zelf aan boord, om, volgens
opdracht van mijnheer Krüger naar Apia te varen en den directeur
Beckmann een uitvoerig verslag van mijn chef over de werkzaamheden
op de plantage in de afgeloopen maand te brengen, alsmede de noodige
gelden ter uitbetaling der loonen en salarissen in ontvangst te
nemen. De kotter, een aardig vaartuig van nog geen twee honderd ton
(een ton is 2000 kg.), had op dek een kleine kampanje, (een soort van
hut) waarin zich twee kajuiten (kleine slaapkamers) benevens de roef,
of eetzaal bevonden, terwijl de kajuit van den kapitein benedendeks
in den spiegel lag. Daar ik 's avonds aan boord was gegaan, omdat
het schip bij den eersten vloed den volgenden morgen zee zou kiezen,
werd mij een der kajuiten aangewezen, terwijl de andere voor den
stuurman bestemd was; de stuurman en de kapitein waren landgenooten
van mij. De bemanning van den kotter, acht matrozen sterk, bestond uit
Tonga-eilanders, die uitmuntende zeelui moesten zijn, volgens zeggen
van den stuurman. Toen ik den volgenden morgen uit de kampanje trad,
waren wij reeds een goede zeemijl van de kust verwijderd, en zetten,
onder een zwakke bries, koers naar het Oosten.

Na een kleine drie uur, kregen wij de punt van de landengte Mulina in
het gezicht, maar wij moesten door de buitengewoon sterke branding,
niet te dicht bij de kust komen, zoodat wij eerst tegen tien uur
voormiddags in de haven van Apia konden binnenloopen en vlak tegenover
Matafele het anker lieten vallen. In gezelschap van den kapitein, reed
ik toen in diens sjees naar land en begaf ik mij naar het hoofdkantoor
der firma, om mijn papieren af te geven. De heeren begroetten mij
zeer hartelijk en noodigden mij uit aan hun lunch (tweede onbijt)
deel te nemen, waarvoor het juist tijd was. Hierop liet de patroon
mij door zijn boot naar Apia roeien, om mij den vrij langen weg langs
de haven te besparen.

Directeur Beckmann ontving mij zeer vriendelijk en voegde mij eenige
complimentjes toe over mijn werkzaamheden, nadat hij den brief van
mijnheer Krüger had gelezen, die zich zeer gunstig over mij scheen
te hebben uitgelaten.

"Kom vanavond bij ons soupeeren, beste Arendt," zeide hij ten slotte;
"ik zal tegen dien tijd voor uw chef mijn papieren gereed maken,
die gij morgen naar Mulifanua kunt meenemen. Als gij vertrekt, kunt
gij mijn boot gebruiken, die gemakkelijk morgenavond hier weer terug
kan zijn."

In het Hotel International nam ik mijn vroegere kamer en rustte eenige
uren gedurende het heetste gedeelte van den dag, waarna ik mij weer
naar Matafele begaf, om de noodige gelden van den heer Krüger te
ontvangen. Bij mijn terugkomst in het hotel gaf ik het geld aan den
eigenaar in bewaring, en toen was het tijd aan de uitnoodiging van
den directeur gevolg te geven.

Den volgenden morgen voer ik bij tijds in de boot, die de directeur
ter mijner beschikking gesteld had, maar Mulifanua terug.

Ongeveer een week later, verscheen op het onverwachtst voor ons
woonhuis een afdeeling van ongeveer veertig inlanders, aan wier hoofd
een flink gebouwd man liep. Wij zaten juist op de veranda aan den
voorkant thee te drinken, om daarna naar de plantage te gaan.

"Daar komt waarachtig Tamasese, de hoofdman der oproerlingen!" riep
mijnheer Krüger uit, terwijl hij opsprong. "Wat zou die nu van mij
willen hebben? Ga mee en laten wij hem en zijn lieden begroeten;
hij is met de Duitschers bevriend."

Wij volgden onzen chef naar het voorplein, waar Tamasese juist van
het paard gestegen was en op het punt stond, de treden van het bordes
op te gaan.

De tegenkoning van koning Malietoa, Laupopa, die op het schiereiland
Mulina zijn verblijf houdt, was een knappe man, van zeker zes voet
lengte. Hij kon dertig jaar zijn en droeg een soort van kiel van
een lichte, witte stof en den lava-lava van gekleurde zijde; in de
linkerhand hield hij een zeer mooi geweer en om het hoofd had hij
een witten doek gewonden, het teeken van de partij, waartoe hij
behoorde. Hij gaf den heer Krüger, met wien hij persoonlijk bekend
was, de hand en begroette hem met het gebruikelijke: "Talofa!" Evenzoo
deed hij jegens Petersen en mij, waarna mijnheer Krüger hem naar de
veranda leidde en hem een plaats aan onze tafel aanbood.

De soldaten, die zijn geleide uitmaakten, waren grootendeels flinke,
knappe mannen, allen met buksen van een nieuwe constructie gewapend;
om de heupen hadden zij een gordel gegespt, gevuld met patronen. Het
bovenlichaam was omwonden met kransen van bladeren, om het hoofd
droegen zij een witten doek, en om de lendenen den lava-lava
van gekleurd katoen. Op een wenk van Tamasese begaven zich nog
drie der inlanders op de veranda en kwamen bij ons zitten; zooals
mijnheer Krüger mij toefluisterde, waren dit aanzienlijke hoofden
der opstandelingen.

Petersen was intusschen in het huis verdwenen; na een poos kwam
hij weer terug, gevolgd door twee bedienden, die een groote partij
flesschen bier van de Pschorr-brouwerij op de tafel plaatsten,
terwijl hijzelf het opperhoofd en den anderen hoofden een kistje
sigaren aanbood. Voor de soldaten, die op het voorplein in de schaduw
der bananen een plaatsje gevonden hadden, waren verscheiden flesschen
whiskey bestemd, die hun door Petersen zelf gebracht werden. Toen mijn
chef uit zijn, met schuimend bier gevulden beker, Tamasese een dronk
wijdde, hief ook deze vriendelijk lachend den zijnen op, zeggende:
"manga!" wat zeker zooveel als ons "prosit" moest beteekenen, en
ledigde hem toen in één teug. Den koning scheen onze vaderlandsche
drank goed te smaken, want met korte tusschenpoozen herhaalde hij
dezelfde plechtigheid met Petersen en mij.

Het lekkere bier maakte Tamasese langzamerhand wat spraakzamer, en
spoedig verklaarde hij ons vrij openhartig, dat hij en zijn partij
van jongsaf oprechte vriendschap voor de Duitschers gekoesterd hadden,
en noch met Engeland, noch met de Vereenigde-Staten van Amerika iets
te doen wilden hebben.

Duitschland was steeds bevriend geweest met zijn familie, en op den
Duitschen keizer had hij nu al zijn hoop gevestigd om de zaken op
Samoa weer geheel in orde te brengen. Daarom verzocht hij den heer
Krüger, dien hij reeds sedert een paar jaar kende, en die volkomen
op de hoogte was van den toestand op Upolu, het daarheen te leiden,
dat door bemiddeling der Duitsche Handel- en Plantage-Maatschappij,
het eindelijk eens rustig en ordelijk mocht worden, op Samoa en dit
in het vervolg alleen aan Duitschland zou toebehooren.

Mijnheer Krüger beantwoordde dit verzoek van den chef der
opstandelingen zeer voorzichtig en diplomatisch, ten einde zich, zoo
mogelijk, niet door een vaste belofte te verbinden, doch beloofde bij
de eerste gelegenheid met den directeur Beckmann op deze zaak terug
te komen.

Op dit oogenblik sprongen de soldaten van hun zitplaats op, en
onder luid geschreeuw wezen zij op de naaste kust, die men van uit
onze woning een geheel eind ver kon overzien. Wij zagen verscheiden
booten van Apia vlug naderbij komen, die voor zoover wij zien konden,
goed bemand waren. Mochten het oorlogsbooten der Malietoa-partij zijn,
dan kon de zaak tamelijk onaangenaam worden; want zeer waarschijnlijk
zouden de soldaten van Tamasese, reeds door het ongewone gebruik
van de whiskey in een opgewonden stemming, er toe komen, om van ons
grondgebied uit op de fel gehate vijanden te schieten, hetgeen dan
door dezen met gelijke munt betaald zou worden; zij zouden daartoe aan
land moeten komen en de eerste strijd op onzen grond zou ontbrand zijn,
ondanks de striktste onzijdigheid, die aan alle bezittingen der Handel-
en Plantage-Maatschappij, verzekerd was.

Het bleek echter spoedig, dat de booten slechts vriendschappelijke
bedoelingen hadden, want zij voeren verder in de richting naar Savii
zonder in Mulifanua te landen. Toen de avond viel, nam de jonge, slimme
koning der opstandelingen afscheid en keerde met zijn gevolg naar zijn
vaste legerplaats terug, die, naar mijnheer Krüger mij zeide, op een
afstand van ongeveer vier uur, tusschen de bergen was opgeslagen.

Na zijn vertrek, zeide ik tot de beide heeren: "Die soldaten-inlanders
maken inderdaad een zeer aangenamen indruk en zijn zeker geen
tegenstanders, die men niet behoeft te ontzien, daar zij met de
nieuwste geweren gewapend zijn."

"Zij zijn in werkelijkheid minder gevaarlijk dan men denken zou, beste
Arendt," antwoordde mijnheer Krüger. "De twee partijen, de aanhangers
van Malietoa, die door de drie regeeringen als rechtmatig koning erkend
is, zoowel als de opstandelingen, doen elkander inderdaad niet veel
kwaad; hun oorlogvoeren bepaalt zich meestal tot het omhakken van de
kokospalmen en broodvruchtboomen der vijanden en de vernieling van hun
suikerriet en andere vruchtdragende velden; en maar heel zelden komt
het tot een ernstigen, bloedigen strijd, ondanks den bitteren haat,
dien zij elkander toedragen. Door dergelijke verwoestingen verkeeren
de twee partijen, t.w. de opstandelingen, dikwijls in grooten nood
en lijden zij zelfs gebrek aan levensmiddelen."

Dan komen zij op de plantages van onze Maatschappij en nemen weg,
wat hun aanstaat, hetgeen reeds tot tamelijk ernstige oneenigheden
aanleiding heeft gegeven. Daar de bij Samoa liggende oorlogsschepen den
last hebben, niet veel meer te doen dan een oog in het zeil te houden,
en slechts nu en dan een teeken van leven te geven, om zoo mogelijk
dergelijke rooverijen te beletten, dus alleen tusschenbeide te komen,
wanneer het leven en het eigendom der Europeanen gevaar loopen, hebben
de opstandelingen begrepen, dat zij van de oorlogsschepen niets te
vreezen zouden hebben, zoolang zij den Europeanen geen lichamelijk leed
toebrachten. Nog maar kort geleden hebben zij hun dwaling ingezien.

Zooals gij misschien reeds vernomen zult hebben, is Upolu in drie
districten verdeeld: Tuamasanga, het middelste, waarin ook Apia ligt
en de kazerne van Malietoa staat,--Aana, dat bewoond wordt door de
aanhangers van Tamasese, en Atua, het oostelijkst district, dat ook
aan de opstandelingen behoort. In deze districten was het nu tot zulke
ergerlijke plunderingen en verwoestingen van eenige Amerikaansche
en Engelsche koloniën gekomen, dat de Engelsche kruiser "Curagao"
en het Duitsche oorlogsschip "Buffard" zich genoodzaakt hadden
gezien, tusschenbeide te komen; het kamp der Atua-opstandelingen werd
beschoten en vernield, en toen de rebellen een goed heenkomen gezocht
hadden in Salua-fata, moesten zij hun wapenen afgeven en zich aan
koning Malietoa onderwerpen. Men is nu algemeen van oordeel, dat de
oorlogsschepen, eveneens zullen handelen tegenover de opstandelingen
in ons district, en hetzelfde van Tamasese verlangen zullen. Het is
mijn innige overtuiging, dat dit sluwe opperhoofd der rebellen reeds
op de hoogte was van het voorgevallene in het district Atua, en mij
alleen een bezoek heeft gebracht, om zijn bijzondere vriendschap voor
Duitschland en onze Maatschappij te kennen te geven; want hij stelt
zich veel voor van onze hulp, bij een eventuëele keus tusschen hem
en Malietoa."

"Bent u al eens in het vaste kamp van Tamasese geweest, mijnheer
Krüger?" vroeg ik.

"Neen, maar Hendrik heeft eenige maanden geleden een uitnoodiging
van het hoofd der opstandelingen aangenomen, en kan u er alles van
vertellen."

"Dit zoogenaamd vaste kamp ligt hier ongeveer vier uren vandaan
bij het dorp Falelatei," zeide Petersen, "en het geleek wel
kinderspeelgoed. Het is omringd door muren en heggen en beslaat
ongeveer een oppervlakte van drie kilometer in het vierkant; ook is
het voorzien van eenige wachttorens, ruw opgetrokken uit boomstammen,
maar op die torens kon ik geen enkelen wachter ontdekken; het uitkijken
was den braven soldaten zeker gaan vervelen. Het binnenste gedeelte
van het kamp was met tallooze hutten bedekt, die van palmbladeren
gemaakt waren en er echt armoedig uitzagen. Hier en daar zag ik eenige,
ongeveer twee meter hooge verschansingen, die niet met elkander in
gemeenschap stonden, zonder eenig bepaald plan aangebracht waren en
als verdedigingswerk niet de minste waarde hadden. Tegenover dit kamp
der rebellen, lag op zulk een geringen afstand, dat men het met het
bloote oog duidelijk kon overzien, het kamp der regeeringstroepen,
dat op dezelfde wijze scheen te zijn ingericht. Zooals ik zeg, het
geheel maakte een kinderachtigen indruk op mij," besloot Petersen.

"Nu, somtijds kan zulk kinderachtig soldaatje spelen wel eens vrij
ernstig worden," zei mijnheer Krüger. "Ik herinner mij nog zeer goed
het gevecht bij Fangalü, in het district Atua, waarin den 18_en_
December 1888, alleen van de manschappen van onzen 'Adler' vijftien
mariniers sneuvelden en acht en dertig man gewond werden. Maar nu
zullen wij ter ruste gaan, mijneheeren, het is reeds laat geworden."

Ongeveer een week na het bezoek van Tamasese, zaten wij op de veranda
's avonds aan het souper, toen de oudste opzichter onzer plantage,
plotseling in vollen draf op het voorplein kwam aanrijden, van het
paard sprong en den heer Krüger haastig toeriep, dat de plantage
Faletata, die aan de Duitsche firma Frings behoorde, door een troep
oproerlingen geplunderd werd. De daar wonende bestuurder, een geboren
Mecklenburger, dien wij persoonlijk kenden, had hem een zijner zoons
gezonden en om hulp gevraagd, maar onze opzichter wilde niet zonder
toestemming van den heer Krüger handelen.

"Het spreekt van zelf, dat wij onzen buurman helpen." riep mijnheer
Krüger uit. "Jij, Hendrik," vervolgde hij zich tot zijn neef wendend,
"en gij, beste Arendt, moeten dadelijk met Mertens (zoo heette de
opzichter) naar de plantage gaan, waar gij dan zooveel werklieden
meeneemt, als gij noodig oordeelt, om onzen vriend Hüsmann, wiens
plantage maar een klein uur van de onze ligt, te hulp te komen. Ik
zelf kan u niet vergezellen, daar ik, zooals gij weet, sedert eenige
dagen aan hevigen buikloop lijd. Laat vlug de paarden zadelen, neemt
geweren en revolvers, en dan er van door, zoo snel de paarden maar
loopen kunnen!"

Na een kleine tien minuten zaten wij in den zadel en galoppeerden over
den goed onderhouden weg, naar onze plantage, die wij na een groot
kwartier bereikten. Op het plein voor het woonhuis van den opzichter,
vonden wij dezen, alsook het grootste gedeelte der werklieden bijeen;
zij luisterden opgewonden naar het verhaal van een jongen Blanke,
die misschien vijftien jaar oud kon zijn en, zooals Mertens mij zeide,
de zoon van den directeur Hüsmann was.

Petersen, die het bevel voeren zou over de kleine expeditie, koos
vlug een dozijn van de mannen uit Tonga uit, die zich dadelijk wapenen
moesten met hun speren en de lange messen, die zij bij den oogst van
het suikerriet gewoonlijk gebruikten; Mertens en nog twee van de blanke
opzichters namen hun buksen en pistolen ter hand, voorzagen zich van
kogels en kruit, en toen zette de kleine stoet zich onder aanvoering
van den jongen Hüsmann in beweging. Wij lieten onze paarden in de
factorij achter, daar de jongen verklaard had, dat hij ons door het
oerwoud over een bergrug leiden en ons zoo binnen het kwartier naar
de plantage van zijn vader brengen zou.

De maan was intusschen ondergegaan, maar de heerlijke sterren aan den
tropischen hemel verspreidden voldoend licht, om op het smalle pad,
over den heuvel, onzen weg te kunnen vinden. Toen wij aan den voet
van de berghelling gekomen waren, bracht de jonge Hüsmann ons langs
den rand van een dichte katoenplantage, naar het voorplein van zijn
vaders woning, die wij dadelijk binnentraden, nadat de knaap eerst
het afgesproken teeken gegeven had.

De Mecklenburger, een flink gebouwd man, ontving ons in het ruime
portaal met een vroolijken welkomstgroet. "God zij gedankt, mijn beste
Petersen," zeide hij tot dezen, met wien hij persoonlijk bekend was,
terwijl hij hem hartelijk de hand schudde, "gij komt juist van pas
met uw mannen; de vervloekte rekels zijn nu wel vertrokken, nadat ik
ze uit de ramen aan den achterkant flink beschoten heb, maar ze hebben
zich zeker allen tusschen het suikerriet en de katoenstruiken verstopt,
en willen ons doen gelooven, dat zij weg zijn. Maar ga, als je belieft,
eens mee naar de kamers, die op den tuin uitzien; daar staan mijn vrouw
met de twee oudste jongens en een paar opzichters op den uitkijk."

Nadat Petersen mij met een paar woorden aan den directeur der factorij
had geïntroduceerd, gaf deze mij de hand en bracht ons daarop in een
vrij groote kamer met twee ramen, waarvoor wij Mevrouw Hüsmann met haar
tweeden zoon Karel en twee blanke opzichters zagen staan, allen met
geweren gewapend en door de open vensters oplettend uitkijkend in den
tuin en de daarachter gelegen suikerriet- en katoenstruiken. De oudste
zoon, Nicolaas, was, zooals Hüsmann ons zeide, met de twee andere
opzichters in de kamer, die aan den anderen kant van het portaal lag.

Nadat ik de deftige dame, die mij den indruk gaf, zeer energiek
te zijn, begroet had, begaf ik mij met Petersen naar het raam,
om het voorplein te verkennen. Ik zag, dat er aan beide zijden
van het woonhuis een lage, lange houten loods stond; dat waren de
voorraadschuren, zooals Hüsmann mij nader uitlegde.

"Hebt u deze geheel zonder verdedigers gelaten, waarde Heer?" vroeg
ik verwonderd.

"O, neen," luidde het antwoord. "In iedere loods zijn tien mijner
werklieden."

"Maar dezen hebben alleen hun speren en messen, om zich tegen de
met geweren gewapende Samoaners te kunnen verweren," antwoordde ik,
"daarmee zullen zij niet veel uitvoeren."

"Collega Arendt heeft groot gelijk," zei Petersen. "De kerels,
ik bedoel de rebellen, zullen bepaald trachten u de kokosnoten en
andere eetwaren, die in de voorraadschuren liggen, afhandig te maken;
want zij hebben stellig weer groot gebrek aan levensmiddelen, zooals
zoo dikwijls bij hen het geval is. Het verbaast mij nog, dat zij uw
kokospalmen niet omgehakt hebben."

"Daar passen zij wel op," gaf de directeur ten antwoord, "want dat
doen zij alleen in den uitersten nood, omdat zij streng gestraft
worden, wanneer men hen op diefstal van Duitsch eigendom op heeterdaad
betrapt. Het plunderen van magazijnen schijnen zij niet zoo strafbaar
te vinden."

"Toch stel ik u voor," zeide ik, "dat mijn collega Petersen en ik
de loodsen met onze lieden bezetten, om uw oogst te redden, mijnheer
Hüsmann. Wij zullen de inlanders met onze geweren wel op een afstand
houden."

"Gij hebt waarlijk gelijk, vriend Arendt," riep Petersen uit. "Ik
zie, dat gij bij de zes en zeventigen in Hamburg uw dienstjaar goed
gebruikt hebt. Ik moest mij eigenlijk schamen, dat ik, als oudvaandrig,
zelf niet op dit denkbeeld gekomen ben."

"Troost u maar, beste Hendrik," gaf ik lachend ten antwoord. "Ik
heb niet alleen mijn jaar uitgediend, maar ook mijn examen gedaan
als reserve-officier en ben zelfs bijna twee jaar reserve-luitenant
geweest, voor ik hier kwam."

"A la bonne heure!" zeide Petersen, mij op militaire wijze
groetend. "Geef, als het u belieft, uw verdere orders, luitenant!"

"Kom, kom, geen gekheid, Hendrik," antwoordde ik. "Je bent al
verscheiden jaren hier en kent het land en de menschen beter dan ik. Je
moet de aanvoerder van onze kleine expeditie blijven. Ik had toch al
gedacht, dat het beter was, de noodige maatregelen ter verdediging
te nemen, dan hier onzen tijd te verspillen. De Samoaners kunnen zoo
dadelijk hier zijn!"

"Mijnheer Arendt heeft het bij het rechte eind;" zeide de
directeur. "Zoodra de sterren verbleeken of de hemel met wolken bedekt
wordt, zijn de schelmen ons op de hielen."

Op dit oogenblik verscheen Mevrouw Hüsmann met een groot
presenteerblad, waarop een flesch cognac en verscheiden likeurglaasjes
stonden, en zij verzocht ons vriendelijk een hartsterking te nemen,
vóór wij tot het bezetten der voorraadschuren overgingen. Ik zou de
verdediging op mij nemen van de linkerloods terwijl Petersen de andere
voor zijn rekening nam; de directeur bleef als een soort reserve
in het huis, dat door zijn eigen volk, opzichters en werklieden,
verdedigd werd. Petersen had twee van onze opzichters, den oudsten
zoon, benevens zes mannen uit Tonga ter zijner beschikking, terwijl ik
met Kertens onzen eersten opzichter, de overige zes mannen uit Tonga
en den jeugdigen Frans, de mij toegewezen voorraadschuur bezette. Deze
had slechts enkele kleine openingen in de muren, die uit dunne aan
elkander gevoegde planken bestonden; deze openingen konden uitstekend
als schietgaten dienen, en, daar zij aan den voorkant ontbraken, liet
ik de mannen uit Tonga met hun groote messen, binnen enkele minuten,
nog drie zulke gaten aan die zijde maken. Intusschen waren er wolken
komen opzetten, zoodat ik op eenigen afstand van de loods bijna
niets meer kon onderscheiden, en, om nu niet door de inboorlingen,
die zeker van deze duisternis voor een overrompeling gebruik zouden
maken, verrast te worden, was het meer dan noodig, bij tijds van hun
komst onderricht te zijn. Ik riep derhalve den jongen Frans, die een
flinke, opgewekte knaap scheen te zijn, bij mij, en vroeg hem, of
hij vlug door den tuin tot het eerste suikerrietveld durfde sluipen,
waar hij zeker duidelijk zou kunnen hooren, wanneer de Samoaners de
helling afdaalden om het gehucht te overvallen.

"Ja, zeker, Mijnheer!" riep de jongen vroolijk uit. "Dat is maar
een kleinigheid, waar niet veel moed toe noodig is. Maar ik zal mijn
geweer hier laten, want het kon eens onverwachts afgaan, terwijl ik
op handen en voeten naar het suikerriet kruip."

"Nu, ik wist wel, dat je het aardig zoudt vinden, mijn jongen," zeide
ik goedkeurend tot Frans; ik deed de groote deur aan de lengtezijde
van de loods voor hem open, en beloofde, dat ik hem daar weer terug
zou wachten.

In gespannen verwachting had ik zeker wel een goed uur daar gestaan,
zonder dat Mertens, die bij mij was, en ik nog het minste geruisch
vernomen hadden, dat het naderen van menschen deed vermoeden. Juist
had de opzichter tot mij gezegd: "Ik geloof niet, dat de kerels
vannacht komen zullen; zij hebben zeker op de een of andere manier
lont geroken," toen plotseling, vlak voor ons een donkere gedaante van
den grond opdook, die ons zacht toefluisterde: "Zij komen, mijnheer
Arendt! Een heele hoop, hoor!"

Vlug trokken wij den dapperen jongen, want het was inderdaad Frans,
de deur in, sloten en grendelden deze, en gingen op onzen post bij
de schietgaten, waarna Frans ons vertelde, dat hij geruimen tijd aan
den kant van het suikerrietveld op den grond had gelegen en oplettend
geluisterd had, zonder eenig verdacht geruisch te vernemen. Eindelijk
had hij duidelijk gehoord, dat iemand op de helling, op een dorren
tak trapte; toen was hij overeind gekomen en had uit het aanhoudend
geruisch opgemaakt, dat er een groot aantal menschen naar beneden
kwamen; ook had hij enkele uitroepen gehoord, waarna hij zeker van
zijn zaak geworden was en zich snel uit de voeten had gemaakt.

Het duurde nauwelijks een kwartier, toen wij reeds in de flauwe
schemering, die slechts hier en daar door het licht eener ster tusschen
de wolken verhelderd werd, een groot aantal donkere gedaanten konden
onderscheiden, die voorzichtig, zonder het minste geruisch, door den
tuin de groote deur van onze loods naderden. Zij konden nog nauwelijks
tien stappen verwijderd zijn, toen Mertens en ik op de voorsten een
schot losten. Bijna gelijktijdig vielen ook uit de loodsen, door
Petersen bezet, schoten, waarop onmiddellijk een luid gehuil volgde;
dit hield slechts kort aan; toen werd alles stil.

Klaarblijkelijk hadden de inlanders, in den eersten schrik over deze
zeker niet verwachte ontvangst, zich zoo snel mogelijk door den tuin
tot aan den rand van het suikerrietveld teruggetrokken.

"Wij zullen de kerels wel weer gauw weerom hebben, Mijnheer Arendt,
zeide Mertens," die sedert verscheiden jaren in Samoa woonde en den
aard der inlanders goed kende. "Zij zijn woedend, dat wij op hun komst
voorbereid waren, maar nog meer verbitterd over het verlies der hunnen,
wier dood of zware verwonding zij ongetwijfeld zullen wreken." Het
bleek, dat Mertens goed had gezien. Kort daarop riep Frans Hüsmann,
die bij een der schietgaten aan den voorgevel post had gevat, ons toe:
"Zij komen dezen kant uit, een heele menigte!"

Vlug sprong ik er heen, en zag inderdaad een troep donkere gedaanten
ijlings naderkomen. Zonder aarzelen schoot ik mijn geweer met dubbelen
loop af, en bemerkte bij het flikkeren der schoten, dat de voorsten
groote takkenbossen droegen, dus waarschijnlijk van plan waren de
loodsen in brand te steken.

Ik was niet weinig verschrikt bij de gedachte, hoe de muren, die uit
dunne, door de zon uitgedroogde planken bestonden, als tondel moesten
branden, doch spoedig wist ik, wat mij te doen stond; ik riep mijn
Tonga-mannen, rukte de deur open en vloog naar den voorgevel, aan
Mertens en den jeugdigen Frans, de bewaking voor de deur overlatend.

Wij kwamen geen oogenblik te vroeg op de bedreigde plaats. Wel een
dozijn inlanders hadden reeds een heelen hoop takken beneden aan den
gevel neergeworpen en stonden op het punt dien in brand te steken,
toen ik aan den hoek der loods verscheen, en onmiddellijk de zes
kogels van mijn revolver op den verrasten vijand afschoot, terwijl
mijn Tonga's met vreeselijk krijgsgeschreeuw op de gehate Samoaners
toesprongen en hen met hun lange messen te lijf vielen.

In den eersten schrik weken de aanvallers terug, maar spoedig drongen
zij, met wel dertig landgenooten versterkt, woedend op ons in, zoodat
wij na weinig minuten tot aan den muur moesten terugwijken. Daar
ik geen tijd had, mijn revolver opnieuw te laden, moest ik met mijn
hartsvanger de messtooten afweren, die op mij gemunt waren, en reeds
had ik verscheiden steken in den rechterbovenarm ontvangen, toen de
zaak een andere wending nam.

Van de rechterschuur, die in het geheel niet was aangevallen, kwam
Petersen met de twee opzichters, Nicolaas Hüsmann en zijn zes Tonga's
haastig aanloopen, en overviel de Samoaners met revolverschoten en
kolfslagen, terwijl bijna gelijktijdig Hüsmann met zijn zoon Karel
en twee zijner bedienden uit het woonhuis kwam, om mij en den mijnen
te hulp te komen. Wij tastten de inlanders nu van twee zijden aan
en joegen ze, na een korten tegenstand, door den tuin tot aan den
zoom van het bosch, aan den voet der berghelling, terug. Petersen
zette de vluchtelingen nog een eind weegs met de Tonga's na, die zich
als razenden midden onder de Samoaners wierpen en hen met hun messen
aanvielen. Ik voelde hevige pijn in den rechterbovenarm en volgde den
directeur Hüsmann daarom gaarne naar het woonhuis, terwijl zijn zoons
met Mertens en de overige opzichters de ronde deden om de gebouwen
en den tuin, ten einde zich te vergewissen, of geen inlanders zich
daar verborgen hadden.

Mevrouw Hüsmann onderzocht mijn gewonden arm en bevond, dat ik een vrij
diepen en breeden steek, benevens twee kleine verwondingen had bekomen;
nadat zij de wonden had uitgewasschen,--waaruit duidelijk bleek, dat
zij van dat soort van dingen veel verstand had,--bestreek zij ze met
een koele, heilzame zalf en deed een linnen zwachtel om den bovenarm.

Toen Petersen en de overige Europeanen terugkwamen, vertelden zij wel
een dozijn dooden, maar geen enkelen zwaar gewonde gevonden te hebben;
ook hadden zij opgemerkt, dat niemand der inlanders, den witten doek,
het herkenningsteeken der partij van de opstandelingen, om het hoofd
gewonden had.

"O, dat is nog volstrekt geen bewijs, dat de kerels niet tot de
aanhangers van Tamasese behoord hebben!" riep Hüsmann uit. "Een doek
kan gemakkelijk afgedaan en na den gepleegden roof weer omgebonden
worden. Ik ben er vast van overtuigd, dat het opstandelingen geweest
zijn, die weer eens groot gebrek aan de noodigste levensmiddelen
hebben, en zich bij mij van nieuwen voorraad hebben willen
voorzien. Zonder uw flinke hulp, zouden de schelmen hierin zeker
geslaagd zijn. Ik en de mijnen danken u hartelijk," zeide de wakkere
Mecklenburger, terwijl hij ons zóó krachtig de hand drukte, dat ik
een kreet van pijn niet weerhouden kon, hetgeen hem een verwijt van
zijn vrouw berokkende.

"Pardon, Mijnheer Arendt, ik was een oogenblik vergeten, dat u tot
de gewonden behoort," zeide hij zich verontschuldigend. "Hoe staat
het overigens met onze lieden?" vroeg hij zijn oudsten zoon.

"Er is niemand dood," antwoordde Nicolaas, "maar wij hebben allen
schrammen en weinig beteekenende messteken opgeloopen, voornamelijk
met de schermutseling bij den voorgevel."

"Twee van onze Tonga's zijn nog al erg toegetakeld geworden," zeide
Petersen, "de anderen zijn vrijgekomen met enkele steken in gelaat en
armen. Ik heb ze in de loods gebracht, en mijnheer Mertens verzocht,
hen morgen op een buffelkar naar de factorij te laten brengen."

"Ik ga direct eens naar die stakkers kijken, anders bloeden zij
misschien nog dood!" zeide Mevrouw Hüsmann. Nadat zij eerst van een
laken een draagband gemaakt had, waarin ik mijn rechterarm moest
leggen, ging de goede vrouw naar de loods, om de diepe wonden der
beide Tonga's te onderzoeken en te verbinden.

Bij haar terugkomst deelde zij ons mede, dat de gekwetsten weliswaar
eenige diepe messteken in de borst gekregen hadden, maar dat zij toch
na eenige uren rust vervoerd zouden kunnen worden.

Na ons met een kop sterke koffie verkwikt te hebben, begaven wij ons,
onder geleide van Frans, weer op weg naar onze plantage, over de
heuvelen en door het woud, daar de zon intusschen opgegaan was.

In de factorij bestegen Petersen en ik onze paarden, die wij daar
gelaten hadden en kwamen een uur later weer in onze woning, waar
mijnheer Krüger ons met ongeduld wachtte. Ik gevoelde mij zoo verzwakt
door het bloedverlies, dat ik mij zeer spoedig naar mijn kamer begaf
en naar bed ging, en het aan Petersen overliet, zijn neef een uitvoerig
verslag te geven van alles, wat er dien dag was voorgevallen.



Vierde Hoofdstuk.
Op Savaii. De Taifun.


Twee weken na dezen nachtelijken strijd met de opstandelingen vroeg
mijnheer Krüger mij, hem op een tocht naar Matautu, een haven aan de
noordkust van Savaii, te vergezellen. In de nabijheid van Matautu
lag een kleinere plantage Vaipuli, die ook het eigendom was der
Duitsche Handel- en Plantage-Maatschappij en door een mijnheer Koning
bestuurd werd. Mijn chef was echter met het oppertoezicht over deze
ver verwijderde plantage belast, en moest meer dan eens in den loop
van het jaar daarheen varen, om zich persoonlijk te overtuigen van
den toenemenden bloei van elke cultuur. Op deze reis zou ik hem nu
vergezellen en de boeken van den directeur nazien.

Daar de haven van Matautu meer dan dertig zeemijlen van Mulifanua
verwijderd is, en de tocht in een open boot, dus vrij ongemakkelijk
en ook niet zonder gevaar zou geweest zijn, te meer, omdat met den
juist ingetreden West-moesson (Passaatwind) gewoonlijk zeer hevige
winden waaien,--had mijnheer Krüger den directeur Beckmann een van
onze kotters gevraagd, waarmee wij de terugreis zouden aanvaarden.

De wonden in mijn rechterbovenarm waren nu volkomen genezen, en ik
kon hem weer goed gebruiken. Op den morgen na het binnenloopen van
den kotter, ging mijnheer Krüger met mij en onze twee bedienden aan
boord, waarop het kleine, aardige schip dadelijk het anker lichtte
en ons uit den bocht van Mulifanua bracht.

Nadat wij het eilandje Manono gepasseerd waren, moest de kotter
verder van de kust afhouden, daar er uit het Noordwesten een vrij
stevige bries opstak; de hemel was overigens helder, zoodat ik
de geheele noordkust van Savaii duidelijk voor mij zag. Kapitein
Johannsen en mijnheer Krüger waren zoo vriendelijk mij op enkele zeer
vooruitstekende punten en de belangrijkste dorpen opmerkzaam te maken;
ook maakten zij mij eenigermate bekend met de plaatselijke gesteldheid
van dit grootste eiland der geheele Samoagroep.

Savaii wordt van het Oosten naar het Westen door twee bergketenen
doorsneden, die bij enkele toppen een hoogte van meer dan vijfduizend
voet bereiken en zeer vulkanisch zijn; uitgestrekte lavavelden
bedekken den grond en bemoeilijken den landbouw zeer; door het gemis
van groote rivieren is de bodem ook niet zeer vruchtbaar. In het
binnenste gedeelte van het eiland bevinden zich slechts hooge bergen en
eenig hoogland met ondoordringbaar oerwoud bedekt; daarom is het bijna
geheel onbewoond; alleen aan de kusten liggen vrij talrijke dorpen,
voornamelijk aan de noordoost- en de zuidwest-kust. Langs de eerste
strekt zich, ongeveer een zeemijl lang, een koraalrif uit, waarin
zich slechts enkele openingen bevinden, die echter zoo weinig breedte
hebben, dat alleen booten er door heen kunnen varen; de eenige haven
aan de noordkust, die voor groote vaartuigen geschikt is, is de baai
van Matautu, het doel van onzen tocht. Een indrukwekkenden aanblik
geeft het scherp getande voorgebergte Tuasivi, de oostelijke punt
van het eiland, dat meer dan duizend voet hoog is; aan zijn voet ligt
het dorp Tofua, een station van het Engelsche zendelinggenootschap;
het kerkje kan men op zee reeds van verre zien. Onder de talrijke,
daaropvolgende dorpen langs de oostkust is Safotulafai wel het
belangrijkste, omdat daar de residentie der opperhoofden gevestigd
is, aan wie de bewoners van de geheele landstreek gehoorzaamheid
verschuldigd zijn.

Tegen den middag kregen wij de landtong bij Matauta in het gezicht,
waarop een hooge vlaggestok stond met de Duitsche vlag. Mijnheer
Krüger vertelde mij, dat deze vlaggestok toebehoorde aan de woning van
den directeur Koning, die zich dit bekoorlijk plekje tot woonplaats
had gekozen.

De ingang tot de haven van Matauta was breed genoeg voor grootere
schepen, maar, naar ons de kapitein meedeelde, was deze bij hevige
stormen uit het Noordwesten, volstrekt niet veilig, daar de inham
aan de westzijde geheel open lag, terwijl deze aan den oost kant,
beschut werd door de landtong, die ver in zee uitstak.

Daar kapitein Johannsen de aankomst van den kotter reeds van uit de
zee, door drie schoten uit de twee kleine kanonnen had aangekondigd,
die aan weerszijden van de kampanje op het achterdek geplaatst
waren, werden wij dadelijk na de landing, door den heer Koning
op het bolwerk ontvangen, en door een heerlijk schoon bosch van
oranje-broodvruchtboomen, bananen en waaierpalmen naar het hooge
gedeelte der landtong geleid. In een dergelijk boschje zagen wij
een huis, dat op een villa geleek; de houten muren waren gewit, een
zeldzaamheid op de eilanden, die mij nog niet opgevallen was. Op de
veranda van dit fraaie gebouwtje, werden wij door een mooie, jonge
vrouw, een inboorling van Samoa, met den gebruikelijken landsgroet,
"Tafola" begroet, terwijl twee naast haar staande kinderen, een
meisje van ongeveer acht en een jongen van zes jaar, ons de hand
gaven met de Duitsche woorden "Grüsz Gott!" Het waren de vrouw
van mijnheer Koning, mevrouw Selina en hun kinderen Maria en Jan,
allen bepaald allerliefste verschijningen, vooral het kleine meisje,
dat er als een fee uitzag. Haar gelaatskleur was iets lichter dan die
der inlanders en had veel overeenkomst met die der Spaansche vrouwen;
van haar moeder had zij de prachtige, donkerbruine oogen met de lange,
zwarte wimpers en het blauwzwarte haar geërfd, en zij had snoezig
kleine handjes en voetjes. Het knaapje was ook een bekoorlijk ventje,
dat heel vertrouwelijk met mij babbelde en mij, in vloeiend Duitsch,
allerlei dingen vroeg. Moeder en kinderen waren op Europeesche wijze
gekleed; natuurlijk bestond de stof uit dunne gekleurde zijde.

Kort daarna begaven wij ons achter het huis, naar de veranda, waar
wij een heerlijk gezicht op de zee hadden en een rijk voorziene
tafel ons met het lunch wachtte. Terwijl ik met de kinderen praatte,
onderhield mijnheer Krüger zich met mevrouw Koning in het Samoaansch,
daar laatstgenoemde zich maar zeer gebrekkig in onze moedertaal
verstaanbaar kon maken. Ons lief Duitsch is, zooals men weet, voor
vreemdelingen een zeer moeilijk te leeren taal.

Na het lunch deden wij een middagslaapje, en bestegen daarop de
gereedstaande paarden om naar de plantage te rijden, die ongeveer
drie kilometer ver lag.

De plantenwereld langs den geheelen weg tusschen de kust en den voet
van het gebergte, vond ik nog oneindig weelderiger dan in Upolu; toen
ik hierover mijn verwondering uitdrukte, antwoordde mijnheer Koning:

"De smalle, lage landstreek, langs de geheele noordkust bestaat tot
op het kleinste deeltje uit vloedgrond; het overige, veel grooter
gedeelte wordt door uitgestrekte lavavelden bedekt. Deze lava maakte
juist het aanleggen van plantages zoo buitengewoon moeilijk, doch,
waar zij verminderd, of van zelf verweerd is, geeft zij een bodem,
zóó vruchtbaar, als men zich maar denken kan, waarop iedere cultuur
verwonderlijk goed gedijt. U kunt u echter gemakkelijk voorstellen,
mijnheer Arendt, hoeveel werkkrachten er vereischt worden om zulk
een lavaveld geschikt te maken om bebouwd te worden."

In de plantage Matuata gekomen, vond ik alles zoo, als de directeur
mij gezegd had. Het grootste gedeelte van de vlakteuitgebreidheid was
beplant met kokospalmen, die gemiddeld wel honderd twintig voet hoog
waren en onder hun prachtige bladerkroon zeer veel noten droegen;
de cacaoboom groeide hier eveneens uitstekend en bracht, zooals
mijnheer Koning ons verzekerde, reeds een rijken oogst op, hoewel
deze plantage slechts enkele jaren geleden, als proef ontgonnen was.

"Het doet mij genoegen zulks te hooren, waarde Koning," zeide
mijn chef; "bij ons, op Upolu hebben wij van onze cultuur met de
cacaoboomen weinig pleizier gehad. Het schijnt, dat de grond hier op
Savii gunstiger daarvoor is."

"Ik zal u nu eens naar een kleine tabaksplantage brengen, mijnheer
Krüger," zeide Koning, toen wij het grootste gedeelte der plantage
doorgewandeld hadden. "Verleden jaar lag er een schip uit Manilla
in onze haven, voor anker; de kapitein wilde kopra en broodvruchten
innemen en eenige averij herstellen; toen ik hem in onze plantage
rondleidde, was hij van meening, dat op den ontgonnen lavabodem, de
tabak ook wel goed gedijen zou. Hij gaf mij wat tabakszaad, dat hij aan
boord had, met bestemming naar Nieuw-Zeeland, waar hij op de terugreis
moest aanleggen. Ik heb er ongeveer een hectare mee bezaaid en dit
jaar reeds een aardigen oogst aan tabaksbladeren gehad. Een mijner
opzichters, een Maleier, heeft wel wat verstand van sigarenmaken, en
heeft een honderd stuks voor mij gemaakt, die ik heel lekker vind. Als
wij thuis zijn, kunt u ons fabrikaat wel eens probeeren, Heeren."

Tegen zes uur verlieten wij de plantage en kwamen een half uur later
in de villa, op de landtong van Matauta aan.

Na het middagmaal brachten wij nog eenige uren op de veranda door,
vanwaar wij een heerlijk uitzicht hadden op het voor ons liggend
landschap en op de zee, die nu door de maan verlicht werden.

Het hooge, met dicht oerwoud bedekte, gebergte vormde een heerlijk
schoonen achtergrond. Later op den avond dansten de twee bekoorlijke
kinderen ter onzer eer een "Siva," die aan gratie en bevalligheid
alles overtrof, wat ik nog ooit gezien had.

Nog twee dagen brachten wij bij de beminlijke familie Koning
door. Terwijl ik de boeken inzag, die door mijnheer Koning zelf
bijgehouden waren, maakte mijn chef in diens gezelschap, uitstapjes
òf naar de plantage, of verder westelijk langs de kust, om plekken
uit te zoeken, die geschikt gemaakt konden worden tot het aanleggen
van nieuwe plantages.

Na een hartelijk afscheid van mijnheer Koning en de zijnen, gingen
wij vroeg aan boord van onzen kotter, om de terugreis naar Mulifanua
te aanvaarden.

Wij konden ons ongeveer vijf zeemijlen van Matauta verwijderd
hebben en zaten juist in de roef ons tweede ontbijt te gebruiken,
toen de stuurman, die de wacht op het dek had, binnenkwam en tot den
kapitein zeide:

"Er komt een onweer opzetten, kapitein. De wind begint plotseling
te schralen (tegen den boeg te waaien) en in het Zuidwesten is een
donkere bank, die snel opkomt."

Onmiddellijk sprongen wij op en begaven ons naar het dek. Inderdaad,
de zeilen begonnen tegen de twee masten van den kotter te klapperen,
een onmiskenbaar bewijs, dat de wind gedraaid was, terwijl de lucht
in het Zuidwesten met zwarte wolken was bedekt, waarvan de randen een
lichtgele tint hadden. Het was zoo donker geworden, dat wij zelfs de
hooge bergen op Savaii niet meer konden zien.

"Een Taifun, een cykloon, o, hemel!" riep de kapitein eenigszins
verschrikt uit. "Alle man op dek, stuurman!" commandeerde hij
vervolgens. "Laat alle zeilen reven en vastbinden, maar vlug! De orkaan
nadert met rassche schreden! Binnen weinig minuten zal hij hier zijn!"

Werkelijk zagen wij zeer spoedig, dat de zee zoo glad werd als
een spiegel, alsof zij met groote kracht neergedrukt werd; de
duisternis nam toe; het werd nacht om ons heen. Plotseling werden in
Zuidwestelijke richting, hooge, schuimende golven zichtbaar, die snel
naderden, en met zulk een geraas, alsof vele honderden paarden over
de straatsteenen galoppeerden, en daar trof opeens de orkaan onzen
kleinen kotter zoo geweldig, dat hij letterlijk heen en weer schudde
en op bakboordzijde kwam te liggen, zoodat ik elk oogenblik geloofde,
dat wij zouden kenteren, d.i. omslaan.

Gelukkig hadden onze wakkere Tonga-matrozen in dien korten tijd
alle zeilen aan den hoofdmast en het groote zeil aan den bezaansmast
vastgemaakt, terwijl de kapitein zelf het roer gegrepen had, waarmee
hij het schip zoo ver omdraaide, dat het de breedtezijde niet meer
aan den storm blootstelde, en weer overeind kwam. De kotter slingerde
intusschen geweldig, zoodat mijnheer Krüger en ik genoodzaakt waren,
ons uit alle macht aan den wand der kleine kampanje vast te klemmen,
wilden wij niet over boord geworpen worden.

Toen de eerste stoot voorbij was, begon de zee zoo hoog te staan,
dat de golven voortdurend over het hek (achterschip) zulk een
massa water wierpen, dat het ons tot de borst reikte en wij ieder
oogenblik vreesden, meegespoeld te zullen worden. Onze kleine kotter
vloog als een meeuw, door den storm voortgedreven, over het water
en was soms bijna geheel bedolven onder de geweldige watermassa's,
die over het achterschip heensloegen. Het vaartuig was niet hoog,
maar bood dapper weerstand aan de woedende golven, omdat het ondanks
zijn geringen omvang bijzonder stevig gebouwd was, en de boeg zich
telkens veerkrachtig uit de golven ophief, wanneer ik reeds dacht,
dat wij in de diepte zouden verdwijnen. Op eens hoorden wij een
vreeselijk gekraak; wij dachten niet anders, of het was met ons
gedaan. De kapitein, die dicht bij ons, met den stuurman samen, het
roer vastgegrepen had, wees met den arm naar voren en riep ons toe,
zoo hard hij kon: "De mast is gebroken!"

Toen wij in die richting keken, zagen wij inderdaad, dat de hoofdmast
eenige meters boven het dek afgebroken was en met de raas overboord
hing. De storm had waarschijnlijk een zeil losgerukt en door den
geweldigen druk den mast doorgebroken.

Ondanks het groote gevaar, door de golven van het schip geslagen te
worden, liet de wakkere kapitein het roer aan den stuurman alleen
over, greep een bijl, die aan den zijwand der kampanje hing, en
haastte zich, terwijl hij zich met een hand langs de verschansing
voortwerkte, naar voren, waar hij door verscheiden Tonga's geholpen,
met inspanning van al zijn krachten de touwen, tusschen den hoofdmast
en de verschansing begon stuk te hakken. Hoe gevaarlijk dit werk
ook was, moest het toch noodzakelijk ten uitvoer gebracht worden,
daar het gedeelte van den mast, dat over boord hing, licht een gat
in den zijwand van het schip had kunnen stooten, en dan zouden wij
reddeloos verloren geweest zijn. Na een goed kwartier, dat mij wel een
eeuwigheid toescheen, kwam de kapitein op het achterdek en nam zijn
plaats bij het roer weer in. De kotter slingerde nu zoo ontzettend,
dat Krüger en ik ons nauwelijks meer konden vasthouden; maar, als
de krachten ons begaven, zouden wij ongetwijfeld over boord geslagen
worden; hiervan waren wij ons volkomen bewust, en daarom deden wij,
wat wij konden, en klemden ons aan de deurstijlen vast, zonder die
ook maar een seconde los te laten.

Wij konden in dien gevaarvollen toestand wel twee uren, die zeker
nooit uit onze gedachte zullen gaan, doorgebracht hebben, toen de
orkaan even snel bedaarde, als hij was opgekomen; alleen stond de zee
geweldig hoog en voortdurend wierp zij geheele waterstroomen op het
dek; het vreeselijke loeien van den storm had ten minste opgehouden.

De kapitein zond nu den stuurman naar voren met het bevel, al
de matrozen op het achterdek te roepen, om te beproeven, aan den
bezaansmast, die was blijven staan, een zoogenaamd stormzeil, een
klein driehoekig zeil van zeer sterk linnen, op te hijschen. Na vele
vergeefsche pogingen gelukte dit eindelijk, en de gevolgen bleven niet
uit. De kotter slingerde niet meer zoo vreeselijk, en begon weer naar
het roer te luisteren, zoodat hij rustiger in het water lag en zich
ook vrij snel voortbewoog, daar de wind nog altijd krachtig genoeg was,
hoewel niet zoo sterk meer als gedurende den orkaan.

De hemel was nog altijd met wolken bedekt en weldra viel een echt
tropische regen in stroomen op ons neder. Nu de kotter minder hevig
slingerde, waren wij niet meer genoodzaakt ons zoo krampachtig vast
te klemmen, en dat was gelukkig, want onze krachten waren werkelijk
uitgeput. Wij begaven ons naar onze kajuiten om, voor wij iets anders
deden, droog ondergoed en droge kleeren aan te trekken, want wij
waren tot op het hemd nat. Daarna kwamen wij in de roef bij elkander
en versterkten ons met een paar glazen cognac, om onze levensgeesten,
die door den doorgestanen angst en de groote vermoeienis zeer verzwakt
waren, wat op te wekken. Juist hadden wij een sigaar opgestoken,
toen de stuurman, doornat van den regen, bij ons binnentrad en den
kapitein met een ernstig gelaat meedeelde, dat een der matrozen
hem was komen zeggen, dat er in het voorste gedeelte van het schip,
onder het benedendek, zeker een lek moest zijn, daar hij duidelijk
het ruischen van water in het ruim had vernomen,

Onmiddellijk haastte kapitein Johannsen zich daarheen, om zich van
den toestand te vergewissen. Na een half uur keerde hij terug met
de tijding, dat de kotter inderdaad een lek bekomen had, en dat het
geheele ruim reeds vol water stond. Waarschijnlijk was de legger of
steekbalk van den hoofdmast beneden in den kolsem (dwarse, dikke
kielbalk) door het breken van den mast, los gaan staan, waardoor
eenige planken aan bakboordzijde van elkander geweken waren.

"Ik zal trachten," zeide de kapitein, "het schip door uitpompen zoolang
vlot te houden, tot wij op een der eilandjes kunnen landen, die hier in
de buurt moeten liggen. Tot mijn spijt kan ik volstrekt niet bepalen,
waar wij ons op het oogenblik bevinden, want met deze duisternis ben ik
niet in staat de vereischte berekeningen dienaangaande te maken. Voor
zoover ik echter kan nagaan, moeten wij honderd zeemijlen noordelijk
van Savaii zijn. De vreeselijke orkaan heeft den kotter zelfs met
razende snelheid juist naar het Noorden over het water gejaagd. God
geve, dat wij spoedig land mogen zien, anders zijn wij verloren,
want het uitpompen zal wel niet veel helpen."

"Het spreekt van zelf, kapitein," zeide mijnheer Krüger, "dat wij,
zooveel als in ons vermogen is, onze hulp bij het pompen verleenen;
uw Tonga's zullen wel spoedig geheel uitgeput zijn."

"Ik neem uw aanbod in dank aan, mijnheer Krüger," antwoordde kapitein
Johannsen. "De stuurman zal zich ook naar de scheepspomp begeven,
terwijl ik het roer overneem."

Gelukkig had de regen opgehouden, toen wij naar den romp van den
gebroken mast gingen, waar de scheepspompen waren; wij bleven dus
ten minste van boven droog, want tot aan de knieën stonden wij in het
water, daar de onstuimige zee nog van tijd tot tijd hooge golven over
het dek wierp.

Langer dan een uur hadden wij onafgebroken den pompslinger op en neer
bewogen; het zweet brak ons van alle kanten uit. Een massa vuil water
hadden wij uit het ruim op het dek gepompt; het vloeide nu door de
spuigaten (opening in het dek) in de zee, maar toch bleef de waterstand
in het ruim even hoog, zooals de stuurman door dikwijls herhaalde
peilingen gewaar werd; maar stijgen deed hij ook niet. Het kwam er dus
op aan, het werk met alle kracht voort te zetten. Eindelijk, het liep
tegen vijf uur, riep een der matrozen, die vooraan op den boeg stond:
"De branding vlak voor ons!"

Werkelijk zagen wij recht voor ons uit, een geweldige branding, maar
wij waren er nog wel een zeemijl van verwijderd. Het was duidelijk,
dat zich daar een uitgestrekt koraalrif bevond, waartegen de golven met
groot geweld braken, zoodat wij het schuim hoog zagen opspatten. Noch
de kapitein aan het roer, noch de stuurman konden met hun verrekijkers
een opening ontdekken in het rif, waar de wind ons in rechte lijn
heen dreef; een schipbreuk kwam ons dus onvermijdelijk voor. Op dit
oogenblik riep de kapitein verscheiden matrozen op het achterdek, liet
het zeil aan den bezaansmast inbinden en wierp het roer naar stuurboord
om, hetgeen tengevolge had, dat de kotter niet veel vooruitkwam en
spoedig eenigszins afdreef. Toen daarop de grootere bezaan, evenals het
kleinere stormzeil vastgemaakt waren, veranderde het schip na enkele
minuten van koers en voer langzaam in oostelijke richting langs het
rif, nauwelijks een kwartmijl van de gevaarlijke branding verwijderd.

Ondertusschen gingen wij onafgebroken met pompen voort, tot de kotter
de oostpunt van het rif omzeilde, waarin wij zeer spoedig een opening
ontdekten. De zee was daar aanmerkelijk kalmer dan aan de zuidzijde;
de branding was er ook niet zoo sterk en vlak voor de opening was de
zee zelfs zoo effen als een spiegel. Het gelukte den kapitein, den
kotter veilig door den tamelijk nauwen ingang, in een breede lagune
(strandmeer) te brengen, waarvan het water zoo kalm en helder was,
dat wij tot op den bodem konden zien. Juist hadden eenige matrozen
mijnheer Krüger en mij afgelost en stonden wij vooraan op den boeg,
toen ons in het midden der lagune een eiland in het oog viel, dat,
voorzoover wij zien konden, niet heel groot was. Het geheele strand
van het eiland was met hooge kokospalmen bedekt, waar tusschen wij
verscheiden hutten zagen; in de nabijheid lagen ook eenige kano's aan
den oever. Toen ik mijn bevreemding uitdrukte, dat men in het ongewoon
heldere water den bodem kon zien, legde mijnheer Krüger mij uit, dat
de kleine koraaldiertjes alleen in zulk helder, schoon water hun riffen
kunnen vormen; dit kan men bij alle eilanden in de Zuidzee waarnemen.

Niet ver van het strand liet kapitein Johannsen het anker vallen,
en dadelijk hierop zagen wij, dat een kano, met een twaalftal
inlanders bemand, van den oever stak en snel den kotter naderde. Na
een paar minuten legde de boot bij onzen kotter aan en de eilanders
klommen langs de valreep op het dek. Te oordeelen naar hun lichtbruine
huidkleur, behoorden zij tot het Polynesische ras; tot kleeding hadden
zij niets dan een lendendoek, gemaakt van palmvezels; de armen en het
bovenlichaam waren overal getatoeëerd en ieder had in de linkerhand
een korte speer.

Het opperhoofd van de kleine schaar, die zich alleen van zijn
metgezellen onderscheidde door een snoer van kralen, gekleurde
steenen of schelpen, dat door het dikke haar geslingerd was, sprak den
kapitein, die hem tegemoet trad aan, in een taal, waarvan wij geen
enkel woord verstonden. De kapitein riep toen een van zijn Tonga's
en nu bleek het, dat deze zich, al was het dan ook gebrekkig, bij de
eilanders verstaanbaar kon maken.

"Vraag het opperhoofd eens, hoe dit eiland heet," gebood de kapitein.

"Olosenga, kapitein," luidde het antwoord.

"O, nu kom ik op de hoogte," zeide Johannsen, terwijl hij zich tot ons
wendde, want wij waren natuurlijk dadelijk op het achterdek gekomen,
toen de inboorlingen aan boord kwamen. "Zooals de kaart aanwijst,
is het een klein eiland, aan alle zijden door een koraalrif omringd,
en ongeveer honderd zeemijlen noordwaarts van Savaii gelegen. Het
heet Olosenga of Swain, als ik mij niet vergis. Wij zullen hier,
vrees ik, niet in de gelegenheid zijn, den kotter weer zeevaardig te
maken, mijneheeren, maar, komaan, een echt zeeman verliest niet gauw
den moed."

Op een wenk van den kapitein volgde het opperhoofd ons nu in de roef,
waar wij hem een groot glas cognac gaven, dat hij met zichtbaar
welgevallen ledigde. De eilanders, die op het dek gebleven waren,
ontvingen van den stuurman eveneens een glas van het geliefkoosde
vuurwater.

Nu liet de kapitein het opperhoofd door den matroos, die als tolk
diende, vragen, of er aan het strand van het eiland ook een open vlakte
was, waar de kotter onmiddellijk aan den oever, in het ondiepe water
vastgelegd kon worden.

"Het is totaal onmogelijk," zeide kapitein Johannsen, "het schip nog
langer vlot te houden. Wij moeten het zonder mankeeren op het strand
laten loopen, om de verschillende lekken te kunnen stoppen. Daar de
orkaan onze eenige boot uit de davids (draaibare kranen) losgerukt en
in zee geworpen heeft, kunnen wij het eiland niet verlaten, voor de
kotter weer zeevaardig is. In de kleine kano's der inlanders mogen wij
het niet wagen, de reis naar het meer dan honderd zeemijlen verwijderde
Savaii te ondernemen; het zou zelfs in onze boot, die maar een jol
was, gevaarlijk geweest zijn, daar wij, bij den thans heerschenden
west-moesson, ieder oogenblik door storm konden worden overvallen."

Op dit oogenblik kwam de Tonga-matroos ons mededeelen, dat volgens
zeggen van het opperhoofd, het strand aan de noordkust van het kleine
eiland veel vlakker was, dan de kust, die voor ons lag. Dadelijk liet
de kapitein het anker weer lichten en zette den kotter langzaam in
beweging, terwijl het opperhoofd met zijn metgezellen in de kano steeg
en vooruit roeide om ons tegelijkertijd tot loods te dienen. Daar
enkele matrozen voortdurend waren blijven pompen, was het water in
het ruim ten minste niet gestegen en behoefden wij niet te vreezen
plotseling in de diepte te verzinken.

Door den zwakken wind verliep er wel een half uur, vóór wij de
noordkust van het eiland bereikten, waar wij, ongeveer tien minuten
later, een kleinen bocht in het lage, zandige strand ontdekten. Het
opperhoofd wenkte met de hand en wees op de uitmonding van een klein
riviertje in het verst gelegen gedeelte van den bocht. De kapitein
liet de zeilen reven, en de kotter gleed langzaam in die uitmonding
en zat weldra in het ondiepe water aan den grond, zonder een hevigen
stoot gekregen te hebben.

De matrozen moesten met pompen ophouden en eenige planken aan den oever
leggen, die ons tot loopplank dienen konden. Wij haalden onze kleine
bagage uit de kajuiten en gingen aan land, waar wij ons voorloopig
in de schaduw van eenige bananen en oranjeboomen nedervlijden.

Intusschen waren er nog verscheiden eilanders bij gekomen, die
onder aanvoering van hun opperhoofd, den kapitein en den matrozen
de behulpzame hand boden om den kotter, op de lekke bakboordzijde,
zoo dicht mogelijk aan den oever van de beek op te trekken, waar hij
vervolgens vast gelegd werd en dus geen water meer kon innemen. De
matroos, die als kok fungeerde, had zijn ketels en eenige eetwaren
aan land gebracht, en was, op een haard van eigen vinding, begonnen
een krachtigen maaltijd klaar te maken, waaraan wij allen dringend
behoefte hadden, want sinds vele uren hadden wij niets gegeten.

Het opperhoofd en de overige eilanders kregen tot belooning voor hun
hulp eenige flesschen brandewijn en verwijderden zich toen weer in
hun kano's.



Vijfde Hoofdstuk.
Midden in den Grooten Oceaan.


Terwijl de kapitein en de stuurman het opzicht hielden over de
matrozen bij het lossen van den ballast, uit het scheepsruim, nadat het
binnengestroomde water na weinig tijds uitgepompt was, hingen mijnheer
Krüger en ik onze buksen over den schouder en gebruikten wij de weinige
uren voor het invallen van de duisternis, om ten minste eenigszins
op de hoogte te komen van den naasten omtrek onzer landingsplaats.

Wij gingen in westelijke richting langs het strand, dat overal met
kokospalmen, bananen en broodvruchtboomen beplant was, doch konden
noch beek, noch bron ontdekken, zoodat het kleine, nietige stroompje,
waarin de kotter vastgelegd was, het eenige water op het eiland scheen
te zijn. Ook zagen wij enkele hutten, maar deze waren geheel anders dan
die op Upolu en Savaii; zij waren veel eenvoudiger, uit boomstammen
opgetrokken en de daken bestonden uit breede bananenblâren. De
bewoners dezer hutten schenen goedaardige menschen te zijn, want de
mannen lachten ons vriendelijk toe; enkele gaven ons zelfs de hand
en spraken eenige woorden, die wij natuurlijk niet verstonden, maar
die in ieder geval een groet moesten beteekenen.

Het binnenste gedeelte van het eiland scheen geheel vlak; wij konden
ten minste geen enkele verheffing van den grond bespeuren; een dicht
bosch bedekte de geheele oppervlakte.

Na een goed uur kwamen wij weer op de landingsplaats en deden den
kapitein verslag, van hetgeen wij op onze wandeling gezien hadden. "Ja,
het is een zoogenaamde Atol (koraalrif) met een eilandje in het midden,
waarop de storm ons heengedreven heeft," antwoordde de kapitein. "Ik
heb vroeger de zeekaart van dit gedeelte van den Grooten Oceaan,
benevens de daarop betrekking hebbende verklaringen, bestudeerd
en herinner mij nu, dat Olosenga tot de groep der Tokelau-eilanden
behoort en het zuidelijkste eiland dezer groep is. Het is nog niet
eens zoo groot als Apolina, dat, zooals gij ziet, het kleinste der
Samoa-eilanden is en heeft een oppervlakte van ongeveer anderhalve
Engelsche vierkante mijl; ook is het slechts schraal bevolkt. Toch
moeten wij den goeden God van ganscher harte danken, dat wij dat eiland
bereikt hebben, vóór de kotter lek werd; het zou onmogelijk geweest
zijn, hem, bij die hooge zee ook maar enkele uren vlot te houden."

"Gij hebt gelijk, kapitein, wij hebben groote reden tot dankbaarheid,"
antwoordde mijnheer Krüger. "Hoe lang, dunkt u, zullen wij op dit
kleine lapje gronds midden in den Grooten Oceaan moeten blijven?"

"Dat kan wel verscheiden weken duren, beste mijnheer Krüger," was het
antwoord. "Mijn Tonga's zijn niet zeer geoefend in het kalefateren
(dichtstoppen) en het uitwerpen van den ballast neemt minstens vier
of vijf dagen in beslag, en, voor het scheepsruim geheel leeg is,
kan er met het dichtmaken der planken volstrekt niet begonnen worden."

"Dat is een heel treurig vooruitzicht, kapitein," zeide mijn
chef. "Mijn neef in Mulifanua zal zeer ongerust worden over ons lang
uitblijven en zeker gelooven, dat wij op de een of andere manier
verongelukt zijn. Mijnheer Beckmann zal dit ook denken, als er in
zulk een langen tijd geen bericht van den kotter in Apia komt."

"Zou het niet mogelijk zijn, kapitein, dat ik in een kano van de
inlanders, met het opperhoofd en een paar zijner lieden naar Savaii
overvoer, om ten minste mijnheer Koning bericht te geven van ons
tegenwoordig verblijf," vroeg ik. "Daar hij van het losbreken van
den vreeselijken Taifun, kort na ons vertrek van Matautu, gehoord
moet hebben, zal hij zeker overtuigd zijn, dat de kotter in den storm
is vergaan."

"Aan een tocht naar het eiland Savaii, honderd mijlen hier van daan, in
een kano, valt niet te denken, mijn waarde heer," antwoordde kapitein
Johannsen. "Deze kleine bootjes kunnen alleen op de lagune, voor de
vischvangst gebruikt worden; zij kunnen zich niet eens op de zee,
buiten het rif wagen, daar zij bij de geringste hooge zee dadelijk
zouden omslaan. Als de inlanders hier zulke groote oorlogsvaartuigen
als de Samoaners hadden, zou het eerder te beproeven zijn. Wij moeten
dus geduld hebben, heeren, tot de kotter weer zee kan bouwen. Bovendien
is geduld een noodzakelijke deugd voor iederen zeeman, en voorloopig
moet gij u maar als zeelui beschouwen, wien een ongeluk overkomen is."

"Tot mijn spijt moet ik u volkomen gelijk geven, kapitein Johannsen,"
antwoordde mijnheer Krüger. "Met deze ontzettende hitte is het
verblijf in de kleine roef en in de kajuiten bijna ondragelijk;
dus daarom stel ik voor, om onder de bananen een tent op te slaan,
waarin wij ten minste de nachten wat aangenamer kunnen doorbrengen."

"Uitstekend, mijnheer Krüger. Ik zal den stuurman dadelijk last geven,
om uit een paar reservezeilen en stokken zulk een tent in orde te
doen maken, die voor ons vieren ruimte genoeg tot slapen heeft;
ik zal het linnen ook met teer laten bestrijken, dan hebben wij ten
minste bij de nu dikwijls neerstroomende regens een droog verblijf."

In den loop van den volgenden voormiddag was de tent geheel gereed;
de grond werd met matten belegd, die ons tot legerstede zouden dienen.

De scheepskok had zijn tijd besteed, om in een kano, die het opperhoofd
ter onzer beschikking gesteld had, naar het koraalrif te varen,
en daarvan verscheiden stukken af te breken, die hij gebruikte om
een tamelijken haard in elkaar te zetten, want noch op het strand,
noch in het binnen-gedeelte was een enkele steen te vinden. Naar de
kapitein ons meedeelde, bevatten de meeste der kleinere eilanden in
den Grooten Oceaan geen steenen.

Nadat wij onze bagage in de tent gebracht hadden, gingen mijn chef
en ik naar de oostkust van het eiland, om het opperhoofd uit naam van
den kapitein een flesch brandewijn te brengen. Het was in ons belang
de vriendschappelijke betrekkingen met dezen man te onderhouden,
want hij kon het ons, indien hij wilde, onaangenaam genoeg maken.

Daar wij geen gesprek met hem konden voeren, stelden wij er ons mee
tevreden, hem met een vriendelijk lachje de flesch te overhandigen; ze
werd aangenomen met een handdruk, een grijnslach en enkele uitroepen,
waarvan wij natuurlijk geen woord verstonden. Toen wij na eenigen
tijd, van onze wandeling door het binnenste van het eiland weer op
onze landingsplaats kwamen, liet de kok ons een vrij groote mand,
uit boomschors vervaardigd vol versch gevangen visch zien, die het
opperhoofd juist in persoon was komen brengen, waarschijnlijk als
een bewijs van zijn dankbaarheid voor den brandewijn.

Mijnheer Krüger en ik hadden op onzen weg door het binnen-gedeelte
van het eiland, dat geheel met boomen beplant was, geen andere dieren
kunnen ontdekken dan een menigte allerliefste kleine vogeltjes, en bij
de hutten, die hier en daar aan het strand lagen, eenige varkens. Mijn
chef dacht, dat deze jaren geleden van Savaii, of van een der kleine
eilanden der Tokelau groep, ingevoerd waren.

Er was bijna een week verloopen, voor men den ballast zoover verwijderd
had, dat men er aan denken kon aan het kalefateren der los geraakte
planken te beginnen. Hiertoe moest de kotter zoo ver naar stuurboordzij
omgehaald worden, dat de bakboordzij geheel boven water lag, aan
dit werk moesten wij allen meehelpen, want de negen matrozen waren
niet bij machte het zware schip door middel van hefboomen op een
kant te leggen. Tegen den avond waren wij hierin geslaagd, maar wij,
Europeanen, waren doodaf, want het was inderdaad geen kleinigheid,
onder de gloeiende zonnestralen alle krachten zoo in te spannen.

Daar de kotter slechts een zeer kleine hoeveelheid werk aan boord had,
moesten alle touwen uitgerafeld worden, om het noodige stopmateriaal te
verkrijgen, dat dan onder toezicht van den stuurman, door de matrozen
in de reten der planken gestopt en met vloeibaar teer bestreken
werd. Den Tonga's, die weinig verstand van zulk werk hadden, ging het
kalefateren langzaam van de hand, zoodat er bijna een week verliep,
voor het lek zoo goed als gestopt was.

Mijnheer Krüger en ik hielden ons in dien tusschentijd bezig
met visschen in de lagune, waarbij wij van een kleine kano gebruik
maakten, die kapitein Johannsen van het opperhoofd voor een scheepsbijl
ingeruild had. Wij deden dit niet alleen voor ons genoegen, maar ook
ter wille van onze gemeenschappelijke keuken. De kapitein had ons
namelijk op een morgen verteld, dat hij behalve wat pekelvleesch,
nog maar enkele scheepsbeschuiten bezat, want de kotter had met de
proviand niet op zulk een lange afwezigheid van Apia gerekend. Hij
had gemeend, niet langer dan acht dagen op reis te zullen zijn.

Van de eilandbewoners was volstrekt niets te krijgen, wat wij voor ons
levensonderhoud hadden kunnen gebruiken, daar zij zich uitsluitend met
visch, kokosnoten en bananen voedden. Slechts zeer zelden gingen zij er
toe over, een der weinige varkens te slachten, die zij bezaten. Toch
was ik zoo gelukkig een varken in te ruilen voor een bijl, die de
kapitein mij tot dit doel gaf. Het dagelijksch gebruik van visch met
beschuit, zonder een enkelen aardappel, stond ons spoedig tegen, zoodat
wij, Europeanen, hartelijk naar een flink stuk vleesch verlangden.

Op een avond zaten wij voor onze tent en gebruikten ons bescheiden
avondeten, waarbij kapitein Johannsen een van de weinige flesschen
brandewijn schonk, die hij nog bezat, om een glas grog te kunnen
drinken, en wij waren zeer in onzen schik, toen de kapitein ons
mededeelde, dat de kotter binnen twee dagen dicht zou zijn, en weer
te water zou kunnen gaan.

"Goddank!" riep mijnheer Krüger uit. "Het wordt waarlijk meer dan
tijd, dat wij dit ellendig eiland verlaten! Het eeuwig visch eten
met beschuit, gaat mij al geducht tegenstaan; ik geloof, dat ik in
geen maanden visch zal kunnen zien."

"Dat zal met ons ook wel het geval zijn, beste Heer," antwoordde de
kapitein. "Binnen enkele dagen zal de scheepsbeschuit ook op zijn. Het
is nog een geluk, dat het beekje hier ten minste goed drinkwater heeft,
anders hadden wij onzen dorst met het brakke regenwater, dat op enkele
plaatsen in den grond zakt, moeten lesschen; de eilanders, die verder
van de kust wonen, hebben niet anders dan dezen walgelijken drank.

"Wanneer wij overmorgen den kotter te water gelaten hebben," vervolgde
de kapitein, "hebben wij nog een dag noodig, om op de plaats van
den afgebroken hoofdmast een noodmast te maken, waarvoor wij een
der voorhanden zijnde reservespaken gebruiken kunnen. Met de kleine
zeilen aan den bezaansmast, zouden er verscheiden dagen mede heengaan,
voor wij Mulifanua bereiken."

"Kunt u dan niet naar Savaii overvaren, kapitein?" vroeg mijnheer
Krüger. "Dat zal toch veel dichter bij zijn dan Mulifanua."

"Het verschil is niet zoo heel groot, mijnheer Krüger," antwoordde
kapitein Johannsen; "als de kotter, naar ik hoop, zee kan bouwen,
zal ik, in plaats van dadelijk naar het Zuiden te gaan, naar het
Zuidoosten koers zetten, dan kunnen wij, als de wind eenigszins
gunstig is, in vier en twintig uren te Mulifanua zijn."

Juist wilden wij onze leden in de tent, op de neergelegde matten
uitstrekken, toen wij door een luid geschreeuw, dat nader kwam,
verhinderd werden; kort daarop verscheen het opperhoofd met een geheele
schaar van zijn stamgenooten, en riep ons verscheiden woorden toe,
die wij natuurlijk niet verstonden. Met een door angst verwrongen
gelaat, wees hij naar de richting waarin zijn hutten lagen.

Spoedig kwam de Tonga-neger, die zich bij de eilanders eenigszins
verstaanbaar kon maken, aanloopen en vertelde ons, dat het kleine dorp
van het opperhoofd overvallen was geworden door een groote menigte
zijner vijandelijke stamgenooten, die in hun oorlogskano's overgekomen
waren van het eiland Fanualoa, dat ongeveer vijftig mijlen verder
lag. Het opperhoofd en de zijnen, wier aantal veel te gering was,
om zich tegen de vijanden te kunnen verdedigen, waren dadelijk naar
ons gevlucht om onze hulp in te roepen.

"Zeker, wij willen de arme stakkers helpen, niet waar heeren?" riep
de kapitein.

Vlug namen wij onze geweren en revolvers, terwijl de Tonga's zich
met bijlen en messen wapenden.

Nauwelijks waren de vrouwen en kinderen voor de tent neergehurkt,
toen ongeveer zestig eilanders zich door de struiken een weg baanden
en onder vreeselijk getier op ons afstormden, terwijl zij hun lange
speren boven hun hoofden zwaaiden en korte, dikke stokken naar ons
toe slingerden.

Zonder een oogenblik te aarzelen, schoten wij onze buksen op den
razenden troep af, die bij het ongewone geluid van het knallen der
geweren en het flikkeren van het kruit, eerst doodelijk ontsteld bleven
staan, om daarop met groote sprongen in de struiken te verdwijnen.

Na enkele oogenblikken schenen zij zich echter hersteld te hebben,
want zij kwamen weer te voorschijn, wierpen enkele speren naar ons toe
en drongen op ons in; maar, toen wij een onafgebroken vuur openden,
dat op dezen kleinen afstand zijn uitwerking niet miste, keerden zij
om en namen onder afgrijselijk geschreeuw de vlucht. Onze Tonga's,
wier krijgshaftige aard opgewekt was, volgden de vluchtenden op de
hielen en hieuwen er met bijlen en messen dapper op los; onze eilanders
deden eveneens en wierpen hun speren tusschen de vijanden. Toen wij,
Europeanen, die de vervolgers wat langzamer achterna zetten, het
strand en de hutten der inboorlingen bereikt hadden, zagen wij bij
den helderen maneschijn drie groote kano's, die zoo snel mogelijk
over de lagune naar den ingang geroeid werden.

Op den terugtocht naar onze landingsplaats vertelde de Tonga-matroos,
die tot tolk diende, dat, naar het opperhoofd hem had medegedeeld,
de bewoners der andere eilanden reeds verscheiden keeren bij hen
gekomen waren, om eenige mannen van Olosenga gevangen te nemen,
die zij dan naar hun land meenamen en daar opaten. "Nu, ditmaal
zullen onze eilanders een overvloedig maal hebben aan hun vijanden,
die door ons gedood zijn; want," zoo eindigde hij zijn mededeeling,
"dezen zijn precies zulke kannibalen als zij."

Twee dagen na deze gebeurtenis lag onze kotter kant en klaar voor
anker midden in de lagune. Nog laat in den avond brachten wij onze
kleine bagage aan boord en staken den volgenden morgen vroegtijdig in
zee. Noch het opperhoofd, noch een der eilanders hadden zich intusschen
vertoond; waarschijnlijk waren zij te druk aan hun afschuwelijken
maaltijd bezig.

Door den zwakken Zuidwestenwind ging de kotter maar langzaam vooruit,
daar wij behalve het bezaanzeil een klein zeil aan den noodmast
bevestigen konden. Die noodmast was een spaak, vastgemaakt aan het
afgebroken gedeelte van den mast. Zoo kwam het, dat wij eerst tegen
den middag van den volgenden dag, den berg Tofu in het gezicht kregen
en eenige uren later liepen wij de haven van Mulifanua binnen. De
kleine kano werd te water gelaten, wij namen hartelijk afscheid van
den flinken kapitein Johannsen en den stuurman, en lieten ons naar
land roeien door drie matrozen, die wij met een ruime fooi, welke zij
met hun andere makkers moesten deelen, voor hun moed en volharding
in de gelukkig doorstane gevaren der laatste weken, beloonden.

Met welke gevoelens van dankbaarheid jegens de Voorzienigheid,
mijnheer Krüger en ik aan land gingen, zal ik wel niet behoeven te
zeggen. Bij het opgaan van de stoep van het woonhuis, werden wij door
Hendrik Petersen, die op de veranda thee dronk, bijna omvergeloopen,
zoo woest sprong hij ons tegemoet en omhelsde hij ons.

"Goddank!" riep hij uit, "God zij geloofd, mijn beste, brave,
waarde neef, en jij, mijn beste Herman, dat ik jullie weer levend
voor mij zie!" En bij deze woorden liepen den jongen man de tranen
over de wangen. "Wat zal directeur Beckmann gelukkig zijn, als
kapitein Johannsen hem vanavond nog de tijding van je gelukkige
redding brengt! Hij heeft al tweemaal door een renbode laten vragen,
of ik geen bericht van jullie had gekregen! Wij moesten wel denken,
dat jullie verongelukt waart, na ontvangst van den brief van mijnheer
Koning, dien deze mij twee dagen na dien vreeselijken storm zond en
waarin hij vroeg, of de kotter hier veilig binnengeloopen was."

"Ja, beste jongen," antwoordde mijnheer Krüger getroffen over
de zichtbare aandoening van den anders zoo vroolijken, zorgeloozen
jongen man. "Het heeft werkelijk niet veel gescheeld, of de kotter was
met man en muis naar 'kapitein Jack' gegaan, zooals de Engelschman
zegt. Zoo oud als ik ben, heb ik nog nimmer zulk een storm, zulke
golven gezien. Maar, beste vriend, bezorg ons nu zoo gauw mogelijk
wat goeds te eten en te drinken; wij verlangen daar sterk naar, want
in de laatste weken was 'schraalhans keukenmeester' bij ons. Onder
tafel zullen wij alles vertellen, wat wij ondervonden hebben."

Zoodra wij een verfrisschend bad genomen, en andere kleeren
aangetrokken hadden, hetgeen ons een groot gevoel van welbehagelijkheid
gaf,--want met de ontzettende hitte had het er met ons ondergoed
slecht uitgezien --begaven wij ons weer naar de veranda, waar wij een
welvoorzienen disch gereed vonden. Toen wij het overvloedige maal
alle eer bewezen en ook eenige glazen champagne gedronken hadden,
waarbij Hendrik de opmerking ten beste gaf, dat hij ter eere van de
twee verloren en teruggevonden zonen toch iets extra's moest doen,
staken wij een sigaar op, een genot, dat wij lang ontbeerd hadden,
en toen vertelden wij alles van de uitgestane gevaren gedurende den
Taifun en ons verblijf op het eilandje Olosenga. Vroegtijdig begaven
wij ons echter naar onze vertrekken, want, zoowel mijnheer Krüger als
ik, gevoelden ons toch vrij aangepakt door de geleden vermoeienissen.



Zesde Hoofdstuk.
Kerstmis op Upolu


Den volgenden morgen voer mijnheer Krüger in onze groote boot
naar Apia, om directeur Beckmann persoonlijk bericht te geven van
de gebeurtenissen der laatste vier weken en in Matafele aan het
hoofdkantoor van onze maatschappij, het noodige geld in ontvangst te
nemen, om het achterstallig loon uit te betalen.

Na zijn vertrek reed ik met Petersen naar de plantage. Onder het
ontbijt had mijn vriend Hendrik mij namelijk medegedeeld, dat hij
het aan den directeur overgelaten had, den verkoop der verschillende
voortbrengselen in een kladboek te noteeren, daar hij vreesde in mijn
nette boeken verwarring te brengen. Ik was zeer in mijn schik over
deze handelwijze en vroeg hem, wat hij toch wel gedaan zou hebben,
als onze kotter vergaan was.

"Wel, dan zou de hoogedele directie wel een nieuwen boekhouder hierheen
gestuurd hebben, beste vriend," zeide hij heel kalmpjes. "Maar,"
voegde hij er bij, terwijl hij mij hartelijk de hand drukte, "ik ben
innig dankbaar, dat het niet noodig geweest is!"

De goede heer Mertens was ook heel blij mij weder te zien, en hij
noodigde ons dadelijk uit tot een flink ontbijt, waarbij het niet
aan bier ontbrak; hij luisterde met belangstelling naar het verhaal
van onze avonturen.

Terwijl Petersen in de plantage naar het kweekgras ging kijken, liet
ik mij door den directeur hetgeen hij geboekt had, toonen en nader
verklaren en keerde daarna met mijn vriend naar het woonhuis terug,
om te dineeren.

De eerste dagen gingen met het gewone werk rustig en kalm
voorbij. Intusschen hadden wij kennis gemaakt met den directeur
van het protestantsche zendelinggenootschap in Mulifanua, een
mijnheer Forstner, die op kleinen afstand van het stadje in het
Zendelingen-gebouw woonde. Mijnheer Forstner, of liever dominee
Forstner, zooals hij doorgaans genoemd werd, was een zeer beminnelijk,
hoogst beschaafd man, van ongeveer veertig jaar, die de algemeene
liefde en achting zijner gemeente genoot, evenals zijn vrouw,
met wie hij verscheiden jaren geleden in Duitschland gehuwd was. De
dominee had bijna een jaar wegens zaken, de zending betreffende, op de
Maarschalks-eilanden, vertoefd, waardoor ik nog geen gelegenheid gehad
had, kennis met hem te maken. Ik was wel eens in gezelschap geweest met
zijn plaatsvervanger, een jonger man, toen deze bij mijnheer Krüger
een bezoek bracht; maar ik gevoelde mij niet bijzonder tot dezen
heer Sievers aangetrokken, daar hij zich zeer trotsch en allesbehalve
vriendelijk voordeed. Den eersten Zondag, nadat Dominee Forstner ons
kort na zijn terugkomst een bezoek had gebracht, begaven wij ons alle
drie naar de zendelingen-kerk om de godsdienstoefening bij te wonen.

Het kerkje met zijn gewitte muren en slanken toren lag op een heuvel,
bijna een halven kilometer van het strand en zag er bijzonder
vriendelijk uit. Door het vellen der boomen op den heuveltop, was
een open ruimte ontstaan, waarop het kerkje stond, terwijl voor
de beide geestelijken, aan den rand dezer ruimte, in de schaduw
der bananen en broodvruchtboomen, twee kleine huizen gebouwd waren,
welker muren ook gewit waren. Aan de overzijde, in de schaduw, bevond
zich een ander, grooter gebouw, dat op een lange, open loods geleek;
dat was de school, waarin de kinderen der inlanders door den dominee,
den heer Sievers, en mevrouw Forstner, in de geheimen van het lezen,
schrijven en rekenen, en eenvoudige handwerken ingewijd werden.

In het schip der kerk, waarvan deuren en vensters wijd open stonden,
vonden wij een vrij talrijk gehoor van mannen en vrouwen, die onder
begeleiding van een harmonium, door mijnheer Sievers bespeeld, een lied
zongen uit een gezangboek in de Samoaansche taal, en veel welluidender
en beter, dan men in de kerken van ons vaderland te hooren krijgt.

Op het gezang volgde een preek, die dominee Forstner natuurlijk ook in
de taal der inboorlingen hield, waarop ten slotte nog eenige coupletten
gezongen werden. Op het kerkplein stonden de meeste gemeenteleden
te wachten, om hun geachten predikant, dien zij in zulk een langen
tijd niet gezien hadden, hartelijk te begroeten. Zoowel vrouwen als
mannen gaven hem vriendelijk de hand en riepen hem hun welluidend:
"Talofa!" toe.

Daar wij zagen, hoe de dominee van alle kanten omringd werd, namen
wij afscheid, nadat mijnheer Krüger hem met zijn vrouw en mijnheer
Sievers ten eten had genoodigd, en de belofte had verkregen, dat de
twee dochtertjes ook zouden meekomen.

Op den terugweg naar het woonhuis, dat wij in een klein half uur
bereikten, gaf ik mijn verwondering te kennen, dat zulk een, naar het
scheen, hoog begaafd man, als dominee Forstner, tevreden kon zijn
met zijn tegenwoordigen, eigenlijk bijzonder bescheiden werkkring,
daar hij toch zeker op een meer omvangrijken aanspraak kon maken.

"Dat moet u niet zeggen, beste Arendt," gaf mijnheer Krüger mij
ten antwoord, "juist personen, als onze dominee, die aan hooge
geestelijke beschaving een zeer beminnelijk, vriendelijk karakter en
oprechte goedhartigheid paren, zijn bovenal voor zendeling geschikt,
vooral bij zulk een zachtzinnigen en goedaardigen volksstam als onze
Samoaners. U hebt zooeven zelf gezien, hoe hartelijk de predikant
begroet is geworden."

Om vijf uur kwam de dominee met zijn vrouw en dochtertjes, twee
allerliefste, blonde krulkopjes, Marie en Betsy; de eerste telde acht,
de tweede zeven jaar. Een kwartier later kwam ook mijnheer Sievers,
die door het leiden van de namiddag-godsdienstoefening, niet eerder had
kunnen komen. Onder het eten vroeg mijn chef aan den dominee, of hij
al een plan gemaakt had tot de plechtige viering van het Kerstfeest.

"Eerlijk gezegd, heb ik er volstrekt nog niet aan gedacht, waarde
mijnheer Krüger," antwoordde de predikant. "Zooals u weet, was ik
verleden jaar niet hier, daarom zou het mij dubbel aangenaam zijn,
ons volkje nu eens goed te kunnen bedenken."

"Nu, dominee, ik wil gaarne, zooveel ik kan, tot dit feest meewerken,"
zeide mijnheer Krüger. "Weliswaar ben ik een stijve, oude vrijer,
zooals ik tot mijn leedwezen bekennen moet, maar toch zie ik heel
gaarne mijn evenmensch, en vooral kinderen, vroolijk en blij. Ik
stel dus voor, dat wij een comité vormen; tot presidente benoemen wij
eenstemmig, uw vrouw en als leden melden zich nu dadelijk aan, mijn
twee jonge kantoorbedienden en ik. Mijnheer Sievers en u hebben het
door uw herderlijk ambt te druk, om veel tijd beschikbaar te stellen,
terwijl wij, wereldsch volkje, om dezen tijd van het jaar, minder te
doen hebben."

Het voorstel van mijn chef werd aangenomen en wij spraken af, ons den
volgenden Dinsdag naar mevrouw Forstner te begeven, om alles verder
te bespreken. Toen wij op den bepaalden dag bij elkander waren, gaf
mevrouw ons een lijst met de namen der kinderen, jongens en meisjes,
die op den heiligen avond bedacht zonden worden. Er waren er ongeveer
vijftig.

Hendrik en ik zagen elkander eenigszins bedenkelijk aan, bij de
gedachte, hoe wij aan de vrij aanzienlijke som zouden komen, om voor
zooveel personen gepaste geschenken te kunnen aanschaffen, en de schrik
sloeg ons om het hart, toen mijnheer Krüger er kalmpjes bijvoegde:

"Ik stel voor, waarde mevrouw, ook aan de moeders van de kinderen
iets te schenken."

"Dat zou inderdaad heel aardig zijn," antwoordde mevrouw
Forstner. "maar ik vrees, dat onze middelen daarvoor te kort zullen
schieten; u weet toch, dat noch mijn echtgenoot, noch mijnheer Sievers
zoo goed bij kas zijn, om groote bijdragen te kunnen leveren."

"Ja zeker, dat weet ik, maar waarom zijn wij dan in het comité? Ik
teeken voor honderd dollars, en mijn jonge vrienden teekenen samen
voor dezelfde som, zoodat wij tweehonderd dollars, of achthonderd
mark, volgens ons geld, voor den aankoop der geschenken kunnen
uitgeven. Ik geloof wel, dat men daarvoor heel wat fraaie zaken zal
kunnen aanschaffen."

"O, zeker, mijnheer Krüger!" riep mevrouw Forstner verheugd uit. "Dat
is heel veel en meer dan ik verwacht had. Willen wij dan voor de
kinderen mooi speelgoed, dat in zoo groote menigte uit Duitschland
wordt ingevoerd en in de vele Duitsche winkels in Apia te krijgen
is, koopen? Voor de meisjes nemen wij: poppen en keukentjes, voor de
jongens: trompetten en geweren. Voor de moeders zou ik gaarne mooie,
gekleurde stoffen van dunne zijde of katoen, voor doeken of lava-lavas
nemen, en kettingen van gekleurde kralen, waarmee zij hals en haar
versieren."

"Ik laat alles geheel aan u over, lieve mevrouw," zeide mijnheer
Krüger beleefd. "Ik heb slechts één verzoek, of u mij een nauwkeurige
opgaaf geven wilt, van alles, wat tot den volgenden Zondag gekocht
moet worden; Maandag zullen de twee jonge heeren daarmee naar Apia
varen en de noodige inkoopen doen. Tot Kerstavond hebben wij dan nog
acht dagen tijd, ingeval er nog meer aan te schaffen mocht zijn."

Op de terugreis zeide Hendrik lachend tot zijn neef:

"Je bent zoo vriendelijk geweest, beste neef, mijn Kerstgeschenk voor
de lieve kleinen op vijftig dollars te bepalen, maar ik moet je eerlijk
bekennen, dat ik op het oogenblik maar twintig dollars in kas heb."

"Maar hoe is dat nu mogelijk, Hendrik?" riep mijnheer Krüger vrij
boos. "Je schijnt nog altijd dezelfde lichtzinnige knaap te zijn,
als vroeger. In Mulifanua had je waarachtig geen gelegenheid om geld
uit te geven. Wat heb je met je salaris uitgevoerd, voor den drommel?"

"Dat zal ik u eens zeggen, waarde neef," antwoordde Petersen
bedaard. "Toen u weken lang wegbleeft, was ik naar Apia gevaren,
gedeeltelijk om een onderhoud te hebben met directeur Beckmann en hem
om raad te vragen, wat ik in mijn toestand als verlaten weesjongen
doen moest, gedeeltelijk om wat nieuwe kleeren aan te schaffen, daar
het met mijn garderobe vrij kaaltjes gesteld was. Deze uitgaven en
de vier dagen, die ik in het hotel International doorgebracht heb,
hebben een aanzienlijke bres in mijn lang niet volle beurs geschoten. U
ziet dus, dat ik aan mijn tegenwoordige armoede zoo onschuldig ben, als
een pasgeboren kind; mag ik u bovendien aan het verstandig gezegde van
Oom Bräsig herinneren: 'Die Armut kommt von die grosze _pauvreté_!'"

Wij moesten beiden hartelijk lachen om de grappige manier, waarop
Hendrik de reden van zijn gebrek aan geld opgaf.

"Welaan, vriendje," zeide mijnheer Krüger eindelijk, "dan weet ik
niet beter te doen, dan je die vijftig dollars voor te schieten,
en die later van je salaris te korten."

"O, dan liever veertig dollars, want ik zal u zoo gauw mogelijk tien
dollars van mijn twintig geven. Ik laat mij bij zulke gelegenheden
niet graag manen," zeide de altijd goed gehumeurde, beminnelijke
Hendrik met het ernstigste gezicht van de wereld.

Den volgenden Maandag voeren wij samen, zooals afgesproken was,
in de groote boot van de factorij naar Apia. Behalve de tweehonderd
dollars, die mijnheer Krüger aan mij, dien hij waarschijnlijk het
meest vertrouwde, had meegegeven, had ik nog vijftig dollars bij mij
gestoken, om voor mijn chef Hendrik en den directeur Mertens, alsook
voor mijn trouwen knecht Sufa, eenige aardigheidjes te koopen. In
den loop van het jaar had ik maar weinig van mijn salaris uitgegeven,
daar ik nog ruimschoots van ondergoed en bovenkleeren voorzien was; ik
had dus nog een aanzienlijke som liggen in de kas van mijnheer Krüger.

Bij onze aankomst in Apia, begaven wij ons natuurlijk naar den
directeur Beckmann en in Matafele naar de heeren der Maatschappij,
die zich daar bevonden, bij wie ik mij eenige winkels liet opgeven,
waar ik het best mijn inkoopen doen kon.

Mevrouw Forstner had wel al de opgenoemde zaken op haar lijst gezet,
maar van peperkoeken en andere zoetigheden stond er niets bij.

"Maar dat is onzin!" riep Hendrik uit, toen wij op den morgen na onze
aankomst, onder het ontbijt de lijst eens nakeken.

"Kinderen moeten met Kerstmis vooral peperkoek en marsepein
hebben! Waarmee zouden zij zich anders de maag bederven, zooals dat
bij ons thuis de gewoonte is?"

Tot onze vreugd ondervonden wij, dat verscheidenen der voornaamste
winkeliers in Apia, zich ruim voorzien hadden van alles, wat tot
de plechtige viering van het Kerstfeest noodig was; want in Apia
alleen woonden tweehonderd Duitschers, de equipage op de Duitsche
schepen en de vele beambten op de factorijen aan de kust en in het
binnengedeelte van Upolu, niet meegerekend. Behalve het speelgoed, en
de kleedingstukken, die Mevrouw Forstner op de lijst had aangegeven,
kochten wij nog heel wat koek en ander lekkers; dit alles kostte echter
tweemaal zooveel als in ons vaderland, zoodat de tweehonderd daalders,
waarover wij te beschikken hadden, heel gauw besteed waren.

Van mijn eigen geld kocht ik een mooi barnsteenen sigarenpijpje, dat
ik mijnheer Krüger vereeren wilde, die een hartstochtelijk rooker
was, en voor mijn vriend Petersen zocht ik een kleine tabakspijp
van meerschuim uit. Toen kochten Hendrik en ik, ieder een groote,
sierlijk gekleede pop, die "Papa" en "Mama" kon zeggen, voor de twee
dochtertjes van den dominee. Voor de presidente van ons comité hadden
wij een keurig werkmandje, van het noodige voorzien, uitgekozen.

Op den avond van den tweeden dag hadden wij onze gezamenlijke inkoopen
in ons hotel netjes ingepakt en gingen toen naar directeur Beckmann
om afscheid te nemen. Tot onze verwondering deelde hij ons mede, dat
hij er over dacht, den Kerstavond met ons in Mulifanua door te brengen.

Daar wij den volgenden morgen, bij het aanbreken van den dag, de haven
van Apia zouden verlaten, kwamen wij nog voor twaalf uren 's middags
in Mulifanua aan, en, hoewel onze beurzen leeg waren, troostten wij
ons met de gedachte, dat wij een menigte kinderen en volwassenen een
echt Duitsch, vroolijk Kerstfeest zouden kunnen bereiden.

Mijnheer Krüger was zeer in zijn schik; dat directeur Beckmann de
feestdagen bij ons wilde doorbrengen; beide heeren stonden sedert
vele jaren in vriendschappelijke betrekking en achtten elkander hoog.

Den vier en twintigsten December, brachten wij 's morgens, geholpen
door onze bedienden, de talrijke pakjes naar het schoolgebouw van het
zendelinggenootschap. De ruime zaal was onder toezicht van mijnheer
Sievers, in dien tusschentijd heel netjes versierd; aan alle deuren
en vensters waren kransen van bladeren en bloemen opgehangen en
de steenen vloer was met matten belegd. De schooltafels waren in
het midden naast elkander gezet, en ook met veelkleurige matten
bedekt; twee groote pijnboomen, die de dennen moesten vervangen,
omdat deze niet in Upolu gevonden worden, stonden op de tafels en
waren reeds door mevrouw Forstner met kransen van gekleurd papier
versierd geworden; wij voegden hierbij de poppetjes van marsepein,
het mooie, zoogenaamde vrouwenhaar [2] en heel veel kaarsjes, zoodat
de pijnboomen er werkelijk als twee fraaie, echte Kerstboomen uitzagen.

Volgens de lijst van mevrouw Forstner, had ik de namen van de vrouwen
en kinderen op stukjes papier geschreven, die nu op de lange tafels
verdeeld werden, om ieders geschenk duidelijk aan te wijzen.

Tegen vier uur waren wij gereed met het verdeelen der
cadeautjes. Mijnheer Sievers deed de beide schooldeuren op slot,
en begaf zich met mevrouw Forstner naar de pastorie, nadat wij
afgesproken hadden, even over zessen weer bij elkaar te komen, daar
de dominee besloten had, om zeven uur, als het donker werd, met het
uitdeelen der geschenken te beginnen.

"Zonder brandende kaarsen aan den kerstboom, zou het ook geen echte,
heilige avond zijn," zeide mevrouw Forstner, en wij waren dit volkomen
met haar eens. Toen Hendrik en ik thuis kwamen, troffen wij daar
directeur Beckmann reeds aan; hij was, zooals wij vernamen, reeds om
elf uur met zijn boot in de haven van Mulifanua aangekomen. Op verzoek
van mijnheer Krüger was de rentmeester Mertens ook verschenen. Na het
middagmaal gebruikten wij onze koffie op de veranda aan de voorzijde
en waren juist voornemens ons naar het zendelingenhuis te begeven,
toen mijnheer Beckmann ons met de woorden: "Heeren, één oogenblikje,
als het u belieft!" terughield. Tegelijk nam hij drie brieven uit
zijn borstzak en overhandigde daarvan een aan Petersen, een aan den
rentmeester Mertens en een aan mij.

Toen ik den brief opende, las ik tot mijn blijde verrassing, dat het
hoofdbestuur der Duitsche-Handel- en Plantage-Maatschappij in Hamburg,
mij een gratificatie had toegekend ten bedrage van honderd dollars,
betaalbaar bij de hoofdkas in Matafele, benevens een maandelijksche
verhooging van traktement van vijftig dollars.

Een en ander geschiedde wegens de vlijt en nauwgezetheid, die ik in
den loop van het jaar, voor de maatschappij had getoond. In het eerst
kon ik geen woorden vinden, maar toen sprong ik plotseling naar Krüger
en Beckmann af, aan wier warme aanbeveling ik deze onderscheiding te
danken had, en betuigde hun onder vreugdetranen, mijn innigen dank.

Mijn vriend Hendrik en de rentmeester Mertens hadden een dergelijk
schrijven ontvangen en wilden nu insgelijks hun dank uitstorten,
toen de directeur hun in de rede viel met de woorden:

"Het doet mij genoegen, Heeren, dat ik in staat ben u een kleine
Kerstvreugde te bereiden, maar het is nu meer dan tijd, dat wij voor
het uitdeelen der geschenken naar het schoolgebouw gaan. Ik moet
eerlijk bekennen, dat het mij waarlijk pleizier doet, weer eens zulk
een Kerstavond bij te wonen en zooveel gelukkige kindergezichtjes te
zien; dit is sedert heel veel jaren niet gebeurd."

Bij het schoolgebouw gekomen, zagen wij daar wel vijftig jongens en
meisjes en een dertigtal vrouwen vereenigd; slechts een paar mannen
waren er onder. Naar mevrouw Forstner ons later vertelde, waren
de meeste vaders der kinderen, die een geschenkje zouden krijgen,
kieschheidshalve weggebleven, om het schoollokaal niet al te vol te
doen zijn.

Terwijl de heer Beckmann en Krüger de domineesfamilie in de pastorie
begroetten, ging ik met Hendrik en Mertens in het schoolgebouw om
mijnheer Sievers te helpen bij het aansteken der lichtjes aan de
kerstboomen. Hendrik en ik legden de poppen voor Marie en Betsy met
enkele pakjes suikergoed aan den voet van den eenen boom en zetten
het naaimandje van de moeder daar tusschen; natuurlijk vergaten wij
de naambriefjes niet. Toen alles gereed was, gaf mijnheer Sievers
met de schoolbel het teeken, dat het feest een aanvang zou nemen;
ik deed daarop de groote deur open, nadat ik mij eerst met een blik
overtuigd had, dat de dominees-familie met de heeren Beckmann en
Krüger door de andere deur binnengekomen was.

De kinderen bleven aan den ingang angstig tegen elkander staan
en waagden het volstrekt niet een stap verder te komen; met groote
oogen en open mond staarden zij naar de brandende lichtjes en de mooie
dingen, die op de tafels uitgespreid lagen. Eerst toen Sievers, Hendrik
en ik de voorsten bij de hand namen en hen met vriendelijke woordjes
naar de tafels brachten, kwam er wat leven in het troepje. Mijnheer
Sievers, die al de kinderen bij den naam kende, riep hen en ook de
moeders, hardop tot zich, en gaf ze dan aan ons over, om hen naar hun
plaatsen te brengen. Toch durfden de kleintjes, die van alles wat er
voorviel, zoo goed als niets begrepen, de aangeboden geschenken niet
aan te nemen; mijnheer Sievers had zich voor het harmonium geplaatst,
dat tusschen de twee tafels stond, en na een kort voorspel, zongen
de kinderen in koor het altijd schoone: "Heilige nacht! Stille
nacht!" Dit lied, dat ik als knaap zoo dikwijls gezongen had, maakte
door de zachte, welluidende stemmen der kleinen, natuurlijk in de
Samoaansche taal, op mij een onvergetelijken, diepen indruk. Toen
het lied uit was, riep de dominee tot de kinderen, dat zij nu al het
moois, dat bij de briefjes met hun naam lag, moesten opnemen. Binnen
enkele minuten klonk in het groot lokaal een gelach en gejuich,
waaraan zich spoedig de klank van trompetten en tromgeroffel paarde,
want de jongens probeerden hun instrumenten. De meisjes lieten elkaar
haar poppen zien, beten kleine stukjes van de heerlijke peperkoeken,
die zij nog nimmer gezien hadden en lieten onophoudelijk de mondjes
gaan als een troep jonge ganzen.

De vrouwen, die in hooge mate verrukt waren over de verrassende
geschenken van mooie stoffen en sieraden, gingen naar mevrouw
Forstner en bedankten haar met van vreugde stralende gezichten
voor haar goedheid. Toen deze haar uitlegde, dat zij de kerstgaven
voornamelijk aan mijnheer Krüger en de beide jonge Duitsche heeren
te danken hadden, kwamen de vrouwen, meest allen jong en schoon, naar
ons toe, gaven ons de hand en waren onuitputtelijk in dankbetuigingen.

Op dit oogenblik drongen de twee dochtertjes van den dominee door de
kinderen en vrouwen naar hun moeder heen en riepen met glinsterende
oogen:

"O, moesje, kijk eens, wat het Kerstkindje ons gegeven heeft!" En
tegelijkertijd hielden zij de pop, die zij van Hendrik en mij gekregen
hadden, in de hoogte.

"Mijn pop kan 'Mama' zeggen," riep Marietje uit.

"En de mijne roept heel duidelijk 'Papa,' als ik op haar borst druk,"
voegde de kleine Betsy er bij.

De domineesvrouw wisselde een vriendelijken blik van verstandhouding
met ons en gaf ons de hand.

"Bij de poppen ligt nog een papiertje met uw naam er op, in een mandje,
moesje." kwam het oudste zusje vertellen.

De moeder begaf zich dadelijk naar de aangewezen tafel, en nam het
mooie werkmandje op, dat zij vol bewondering bekeek.

"Wien van de twee heeren mag ik voor die lieve attentie
bedanken?" vroeg zij, terwijl zij Hendrik en mij beurtelings aanzag.

Toen mijn vriend op mij wees, stak de beminnelijke vrouw mij,
vriendelijk lachend, beide handen toe en bedankte mij met een paar
hartelijke woorden.

Een uurtje later, toen de eerste vreugde wat bedaard was, nam de
dominee de kinderen bij zich en hield hij een kleine toespraak,
waarin hij hun de beteekenis van het Kerstfeest voor het geheele
Christendom uitlegde.

Nadat de Samoaners, ouden en jongen, belast en beladen, vertrokken
waren, namen wij, Europeanen, de uitnoodiging van den predikant aan,
om ten zijnen huize een eenvoudig avondeten, door zijn gemalin gereed
gemaakt, te gebruiken. Daarna brachten wij nog een gezellig uurtje
door, onder een glas bier en een fijne sigaar en van deze gelegenheid
maakte ik gebruik, mijnheer Krüger het barnsteenen sigarenpijpje, en
mijn vriend Petersen de pijp van meerschuim te overhandigen. Beide
cadeautjes werden met hartelijken dank ontvangen en dadelijk in
gebruik genomen.

Tegen tien uur keerden wij naar ons woonhuis terug en nog dien
zelfden nacht reed Mertens ons naar de plantage. Den volgenden
morgen, eersten Kerstdag, woonden wij allen, ook directeur Beckmann,
de godsdienstoefening in de kerk bij, en na afloop daarvan nam de
directeur afscheid van den dominee en diens echtgenoot, alsook van
mijnheer Sievers, daar hij dadelijk, na het tweede ontbijt naar Apia
wilde terugkeeren.

"Ik heb mij wezenlijk goed geamuseerd op uw feestje, er eere van den
heiligen avond, heeren," zeide mijnheer Beckmann, toen wij hem naar
de boot brachten. "Het was mij, alsof ik weer thuis was bij de mijnen
en dit is het eerste Kerstfeest, dat ik in ruim tien jaar gevierd heb."



Zevende Hoofdstuk.
Op de nieuwe plantage Laulii.


De eerste maanden van het jaar 1898 gingen kalm onder beurtelings
werken en rusten voorbij en de eenige afwisseling bestond in het
regelmatig heen en weer reizen naar Apia, om de gelden tot uitbetaling
van salarissen en arbeidsloon, in ontvangst te nemen. Deze tochtjes
waren mij zeer welkom, daar zij wat vroolijkheid brachten in mijn
anders zeer eentonig bestaan.

In het begin van de maand April, wanneer op de Samoa-eilanden de
winter begint, die tot November duurt, toen er een Oostenwind woei en
het minder heet was, kregen wij een bezoek van directeur Beckmann,
die zich, na ons even gegroet te hebben, naar het bureau begaf van
mijnheer Krüger.

"Dat beduidt wat," zeide Petersen, die bij mij op de veranda thee
dronk. "Nu, mij laat het koud," ging hij voort, "ik ben mij ten minste
van geen kwaad bewust."

"Het zou je waarachtig ook moeilijk vallen, hier grappen uit te halen,
vriendje," gaf ik ten antwoord, terwijl ik lachen moest om het ernstige
gezicht van mijn vroolijken makker.

Kort hierop kwamen de twee heeren ook op de veranda, namen een kop
thee en staken een sigaar op.

"Beste Petersen," zeide de directeur na een poos, "uw neef heeft mij
zooeven verzekerd, dat gij volkomen in staat zoudt zijn, alleen het
bestuur eener drukke factorij op u te nemen; wat dunkt u, zoudt gij
het aandurven, jongeheer?"

"Directeur," antwoordde Hendrik tamelijk verbluft, "niemand, die mij
eenigszins kent, zal beweren, dat al te groote bescheidenheid van
jongs af een mijner deugden was; daarom ben ik zoo vrij, uw vraag met
een oprecht gemeend 'ja' te beantwoorden. Ik moet u echter eerlijk
bekennen, dat dit vleiend oordeel van mijn neef, mij ten hoogste
verrast."

"Je bent een eerste deugniet geweest, Hendrik," zeide mijnheer Krüger
ernstig, "maar in de laatste jaren ben je zeer in je voordeel veranderd
en een flink, bruikbaar mensch geworden. Met een gerust geweten kan
ik van je getuigen, dat je je volkomen op de hoogte gesteld hebt,
van het aanleggen en kweeken van al de cultures op onze plantage, en
er ook uitstekend slag van hebt, met de Tonga's en andere eilanders
om te gaan en ze naar behooren te behandelen, zoodat de arbeiders
je meer gehoorzamen dan den rentmeester of mij, Daarom heb ik den
directeur aangeraden, het bestuur onzer factorij in de eerstvolgende
maanden aan jou toe te vertrouwen."

"Maar, waarde neef, gaat u Mulifanua dan verlaten?" riep de jonge
man verwonderd uit.

"Slechts voor enkele maanden, beste Petersen," antwoordde de
directeur, vóór mijnheer Krüger kon antwoorden. De zaak is deze,
Mijneheeren. Een paar weken geleden, vernam ik, dat een kleine
plantage dicht bij het dorp Laulii, oostelijk van Apia, maar nog in het
district Tuamasanga gelegen, door den eigenaar, een Noord-Amerikaan,
te koop werd aangeboden. Ik begaf mij in persoon naar Laulii om de
plantage te bezichtigen en vond deze vrij verwaarloosd, hoewel de
aard van den bodem even gunstig is als op het geheele eiland. De man
had er zeker geen verstand van gehad, de verschillende cultures ieder
naar haar aard aan te kweeken. Naar hij mij vertelde, wilde hij naar
Amerika terugkeeren, waar hem, in den staat Ohio, een groote boerderij
door erfenis ten deel was gevallen; ook kon hij niet best tegen het
tropische klimaat."

"Daar hij een matigen prijs voor de plantage vroeg," vervolgde
mijnheer Beckmann, "werden wij het spoedig over den koop eens, waarop
de Amerikaan mij nog meedeelde, dat de gronden, die er aan grensden,
voor het grootste gedeelte nog met oerwoud bedekt, van de eigenaars,
(inlanders) voor weinig geld te krijgen zouden zijn. Tot 1 Mei, wil de
tegenwoordige bezitter nog in de factorij blijven; dan wordt zij het
eigendom van onze maatschappij. Ik heb nu mijnheer Krüger verzocht,
mij tegen dien tijd naar Laulii te vergezellen, om ons op de hoogte te
stellen van den toestand, en de landerijen te schatten, die gekocht
moeten worden, want over die soort van dingen kan hij veel beter en
practischer oordeelen dan ik; daarna zal ik het bestuur en de verdere
uitbreiding der plantage aan mijnheer Gaedecke overdragen. Gij moet
weten, dat mijnheer Tiedemann, bij wien Gaedecke tot nu toe in de
factorij Vaitele geweest is, mij dien jongen man heeft afgeschilderd
als bijzonder begaafd in alle zaken, die betrekking hebben op den
aanleg van plantages en tropische cultures. Mijnheer Krüger zal, op
mijn verzoek, Gaedecke den eersten tijd met raad en daad bijstaan,
tot deze wat op de hoogte van een en ander gekomen is. Ook gij,
beste Arendt, vervolgde de directeur, zich tot mij wendend, zult uw
chef naar de nieuwe plantage vergezellen, om de noodige boeken in
orde te brengen en de boekhouding over te nemen, waarvan de geleerde
heer Gaedecke misschien geen begrip zal hebben."

"Moet _ik_ dan die afschuwelijke boeken weer gaan houden,
directeur?" vroeg Hendrik met een verschrikt gezicht.

"Neen, vriendje," antwoordde mijnheer Beckmann glimlachend, "uw
neef heeft mij vroeger reeds in vertrouwen gezegd, dat, hoe knap
en bruikbaar gij buiten op de plantages ook zijt, het boekhouden
nu juist niet tot uw talenten behoort. Aanstaande week zal ik een
bediende van Matafele hierheen zenden, om de boeken van mijnheer
Arendt over te nemen."

Toen ik den directeur en mijnheer Krüger mijn dank betuigd had voor
het in mij gestelde vertrouwen, reden wij naar de plantage, waar
mijnheer Beckmann den bloei der cultures in oogenschouw nam en ook
den rentmeester Mertens kennis gaf van de aanstaande veranderingen.

In de laatste dagen van April reed mijnheer Krüger met mij en onze
twee knechts naar Apia waar wij in het Hotel International onzen
intrek namen. Wij troffen daar mijn vroegeren reisgenoot, Gustaaf
Gaedecke, reeds aan, die mij hartelijk welkom heette; wij hadden
elkander sinds anderhalf jaar niet gezien. Het verblijf in het
boschrijke binnen-gedeelte van het eiland, scheen mijn landgenoot
veel goed gedaan te hebben; zijn vroeger, door het studeeren, bleek
en smal gelaat was door de tropische zon gebruind en zijn geheele
verschijning maakte een flinken, aangenamen indruk.

Onder het eten vertelde Gaedecke ons van zijn werkzaamheden in de
factorij, waar hij onder leiding van den bekwamen heer Tiedemann
geleerd had, zijn theoretische kennis in practijk te brengen. Toen
ik hem daarop onze lotgevallen gedurende onze reis op den kotter van
Matautu naar het eiland Olosenga beschreef, riep hij in verrukking uit:

"Wat moet dat interressant geweest zijn! Ik benijd je om dat
merkwaardig avontuur, beste vriend!"

"Nu, wij zouden gaarne het interessante en merkwaardige van dien
tocht hebben willen missen, waarde heer," antwoordde mijnheer Krüger
droogjes. "Wat zegt gij, Arendt?"

"Ik weet het nog zoo net niet," zeide ik. "Onze toestand op het kleine
schip, gedurende den vreeselijken orkaan, was weliswaar bijzonder
onaangenaam, maar het verblijf op het lapje gronds in den onmetelijken
oceaan, toch hoogst belangwekkend."

Op den morgen van den eersten Mei, voer directeur Beckmann met ons
in zijn groote boot langs de noordkust naar het dorpje Laulii, dat
ongeveer vijf zeemijlen oostelijk van Apia ligt; Laulii is even
ver van het grootere dorp Saluafata, het Duitsche kolenstation,
verwijderd. Van een eigenlijke haven is bij het kleine Laulii geen
sprake; door een nauwe opening in het koraalrif kunnen de booten naar
het strand komen; voor grootere vaartuigen zou dit onmogelijk zijn.

Aan het strand kwam ons de Amerikaan, dien de directeur ons als
Mr. Mason voorstelde, reeds tegemoet; hij ging ons voor naar zijn
woning, die een kilometer verder landwaarts in lag, terwijl onze
bedienden, met een paar onzer roeiers, de bagage nadroegen. Het huis
was niet groot en uit gegolfd blik opgetrokken, dat in zulk een heet
land als een zeer onpractisch bouwmateriaal beschouwd mag worden;
niettegenstaande de woning in een boschje van oranje- en bananenboomen
lag, heerschte er in de kamertjes een snikheete temperatuur.

"Ja, gentlemen," zeide Mr. Mason, toen hij ons het zweet van het
voorhoofd zag wisschen, "het is wel wat warm in huis; daarom blijf
ik meest achter op de veranda, die ik daar heb aangebracht. Mijn
vrouw en kinderen hebben het hier ook niet lang kunnen uithouden, en
wonen nu reeds sedert eenige maanden in Apia. Als het uw goedkeuring
wegdraagt, gentlemen, zullen wij ook maar naar de veranda gaan, waar
ik een klein lunch heb doen klaar zetten; onder het gebruik kunnen
wij dan de zaken afdoen."

Onder het zeer primitieve op palen rustend bladerdak, gebruikten
wij een glas brandewijn-grog, met koud vleesch en scheepsbeschuit,
en volgden daarna den Amerikaan naar de plantage, die een paar
honderd meter verder gelegen was. Deze bestond voornamelijk uit
eenige honderden kokospalmen, broodvruchtboomen, en een uitgestrekt
suikerrietveld, waarop ongeveer twaalf arbeiders bezig waren, die
mijnheer Krüger als inboorlingen van de Gilbert-eilanden herkende.

Naar het woonhuis teruggekeerd, gebruikten wij het middagmaal, dat
onze bedienden intusschen uit den meegebrachten voorraad toebereid
hadden, waarop Mr. Mason, nadat hij van den directeur Beckmann een
wissel op ons eerste kassiershuis in Matafeli als koopsom ontvangen
had, afscheid nam, om zich in zijn eigen boot door eenigen zijner
arbeiders naar Apia te laten roeien.

"In de allereerste plaats moeten wij een geschikter verblijf zien te
krijgen dan deze broeikas," zeide mijnheer Beckmann, toen Mr. Mason ons
verlaten had. "Mij dunkt, wij moesten voorloopig een paar eenvoudige
hutten opslaan, zooals de arme Samoaners hebben. Als onze drie
knechts en de werkman van de plantage ons helpen, kunnen wij in een
paar uur wel twee zulke hutten gereed hebben. Vannacht moeten wij ons
met de matten, die de Amerikaan achtergelaten heeft, als legerstede
behelpen; morgen zal ik de knechts met de boot naar Apia zenden om
nieuwe matten, dekens en kussens uit mijn huis te halen; zij moeten
ook levensmiddelen meebrengen, want ik ben voornemens hier nog minstens
vier à vijf dagen te blijven, om met de heeren Krüger en Gaedecke, den
gekochten grond in den naasten omtrek eens te onderzoeken. Natuurlijk
gaat gij met ons mee, Arendt," voegde hij er glimlachend bij, toen
hij mijn verwondering op mijn gelaat las. "Gij zoudt u hier alleen
doodelijk vervelen, daar er vooreerst niets voor u te doen valt."

Toen de zon onderging, waren de twee hutten inderdaad kant en
klaar. Zij bestonden ieder uit een dozijn jonge boomstammen, die in
den grond geheid waren; het dak was gemaakt van groote, aan elkander
gebonden bananenbladeren, en rustte op een eenigszins sterkeren
paal, die in het midden van de hut was aangebracht. Eenige naast
elkaar geplaatste matten vormden de muren, en deze konden over dag
weggenomen worden. Zoo hadden wij een onderkomen voor den nacht, dat
wel heel eenvoudig, maar daarom ook zindelijker en veel koeler was,
dan het verblijf in het snikheete blikken huis.

Na een rustigen nacht, ontbeten wij den volgenden morgen vroeg en
gingen toen op weg om den naasten omtrek in oogenschouw te nemen.

"Ik wil wel gelooven, dat Mr. Mason niet veel vrucht van zijn plantage
getrokken heeft," zeide mijnheer Krüger, toen wij door dat gedeelte
der kleine plantage wandelden, waar de cultuur begonnen was. "Het
kopra van deze twee à driehonderd kokospalmen kan hoogstens zooveel
opgebracht hebben om de helft van het arbeidersloon te dekken, iets
gunstiger schijnt het met het suikerriet te staan; de planten zien er
goed en sterk uit, en zullen een bevredigende winst afwerpen. Gelooft
gij dit ook niet? mijnheer Gaedecke?"

"Ik ben het volkomen met u eens, mijnheer Krüger," antwoordde
Gaedecke. "De eenigszins moerassige bodem in deze vlakte schijnt
bijzonder geschikt voor de cultuur van het suikerriet."

Wij hadden de plantage verlaten en begonnen nu de helling te bestijgen,
die tot het noordelijk voorgebergte van den beroemden berg Lanuto
behoort. Deze helling is beplant met de prachtigste boomen van
allerlei soort, en de top Lanuto, meer dan tweeduizend voet hoog,
is een uitgebrande vulkaan, met het kratermeer van denzelfden naam,
een der grootste bezienswaardigheden van Samoa. Toen wij nog hooger
gestegen waren, konden wij den noordelijken rand van dit kratermeer
duidelijk zien en bij den helderen hemel de heerlijke bergpalmen en
varenboomen onderscheiden, waarmede de rand omzet is. In westelijke
richting konden wij over het laag gelegen voorland de geheele
kuststreek tot Saluafata en de Fangaloabaai overzien. Toen wij bij
onzen terugtocht--de zon had intusschen het zenith bereikt en het was
ontzettend heet geworden--in een vrij eng dal daalden, vonden wij een
dal-rivier, een nauwelijks vijftien meter breed stroompje, dat de
voortzetting van een waterval scheen te zijn, die ongeveer honderd
meter verder, zuidelijk van den bergrand, naar beneden bruiste. Het
was inderdaad een verrukkelijk gezicht. De kleine stroom, die niet
breeder was dan vier meter, stortte zich tusschen boomen en bloeiende
heesters van de hoogte, twintig meter diep naar omlaag, in een soort
bassin, dat in den loop der tijden door het water gevormd was, en
stroomde dan klaterend en schuimend verder naar het Noorden der kust.

"Vlug! de kleeren uit, Heeren!" riep de directeur verrukt uit. "Een
heerlijker, frisscher bad dan moeder natuur ons hier biedt, kan men
zich niet denken!"

In minder dan geen tijd, zaten wij alle vier in het kristalheldere
water van het bassin en spartelden als ondeugende kinderen daarin rond.

Na deze onverwachte verfrissching, wandelden wij langs een zijweg
verder en kwamen binnen het uur op de factorij Laulii, die slechts,
zooals wij nu eerst opmerkten, door een kleine verheffing van den
grond, van het dal gescheiden werd.

De volgende dagen besteedden wij aan verdere uitstapjes in de buurt
van Laulii, waarna directeur Beckmann in overleg met de heeren Krüger
en Gaedecke, besloot, ongeveer driehonderd hectaren gronds van het
opperhoofd, den eigenaar van die landstreek, te koopen.

Toen de koop gesloten was, gingen de directeur en mijnheer Krüger
den volgenden dag naar Apia, om zoo spoedig mogelijk het noodige
aantal arbeiders te huren, die de boomen in die boschrijke streek,
moesten vellen. Mijn vroegere reisgenoot Gaedecke en ik bleven op
de factorij achter, gedeeltelijk om toezicht te houden op het daar
aanwezige werkvolk, gedeeltelijk om plannen te maken tot het bouwen
van een nieuw woonhuis.

De directeur had ons beloofd, zoo spoedig mogelijk eenige werklieden
met het vereischte materiaal aan planken, matten enz. te zenden. Hij
had ook in het voorstel van Gaedecke toegestemd, het nieuwe woonhuis
in het dal van het kleine riviertje te laten oprichten, daar het dan
meer in het midden van de vergroote plantage zou liggen, wanneer de
nieuw aangekochte grond eenmaal in cultuur genomen was.

Ik kon mij bij de Gilbert-inboorlingen, die de Amerikaan ons had
nagelaten, vrij goed verstaanbaar maken, als ik de taal der Tonga's
sprak, die ik in Mulifanua, door den omgang met dezen, vloeiender
had leeren spreken, dan het Samoaansche idioom, dat Gaedecke nu op
zijn beurt weer machtig was.

Een paar dagen later liepen twee groote booten uit Apia de baai
van Laulii binnen; de eene bracht drie timmerlieden met een heelen
voorraad planken, latten en ander materiaal, de andere een twintigtal
plantagewerkers, die mijnheer Beckmann van de plantages Veilele en
Vaitele had laten komen, om een begin te maken met het uitroeien der
boomen op het aangekocht terrein. Uit een brief van den directeur
aan Gaedecke vernamen wij, dat er binnen eenige weken een grooter
aantal Tonga's en inboorlingen van de Salomons-eilanden komen zouden,
die in dien tusschentijd door de kapiteins van den naar hier gezonden
kotter aangeworven waren.

De timmerlieden werden voorloopig in het blikken huis onder dak
gebracht, terwijl het werkvolk hutten voor zich moest bouwen in
het dal.

Nadat Gaedecke de plaats voor ons toekomstig woonhuis had aangewezen,
werd er dadelijk met het bouwen een aanvang gemaakt. Binnen veertien
dagen was het huis geheel gereed. Het had natuurlijk maar één
verdieping, die aan al de vier zijden door een breede veranda, op
palen rustend, omringd was, zoodat de openingen voor de vensters niet
van glasruiten behoefden voorzien te worden. De regen kon door het ver
vooruitstekend dak, niet in de vertrekken dringen, terwijl de versche
lucht dag en nacht vrij toegang had. Deze practische manier van bouwen
in de heete luchtstreek, was gevolgd op raad van mijnheer Krüger,
die weer teruggekomen was. Het nieuwe huis bevatte vier afdeelingen:
een gemeenschappelijke werkkamer voor Gaedecke en mij: voor ieder
van ons een slaapkamertje en een grootere huiskamer. De keuken en een
vertrek voor onze twee knechts en den inlander, die als kok fungeerde,
bevonden zich in een soort van loods, achter het huis; het geheel was
door oranje- en bananenboomen omringd, wier bladerkronen het voor de
brandende zonnestralen beschutten.

Mijnheer Krüger van Gaedecke vergezeld, nam dadelijk, toen men met
bouwen begonnen was, de leiding op zich over het uitroeien der boomen
en het in orde maken van den bodem, op de hellingen van het rivier-dal
en ook hooger op, terwijl ik belast werd met het toezicht over de
timmerlieden en het andere werkvolk. De kok en de knechts moesten
voor het middag- en avondeten zorgen, niet alleen voor ons, heeren,
maar voor alle manschappen, daar deze den geheelen dag in de plantage
bezig waren.

Toen het huis gereed was, voer mijnheer Krüger met mij naar Apia om
de noodige meubelen voor de vertrekken aan te schaffen; ik moest in
Matafele geld halen ter uitbetaling van het werkloon. Mr. Mason had
in het blikken huis, behalve een paar versleten matten, geen enkel
meubel achtergelaten.

In Apia gekomen, vonden wij daar de geheele bevolking, inlanders
zoowel als Blanken, in opgewonden toestand. Volgens zeggen van
den directeur Beckmann, was eenige dagen geleden, de oude koning
Malietoa Laupopa, in Mulinu gestorven. Ik vernam nu ook enkele
nadere bijzonderheden over de merkwaardige lotgevallen van dezen
Samoaanschen vorst. Malietoa had jarenlang oorlog gevoerd met zijn
twee doodvijanden, de zoogenaamde koningen Mataafa en Tamasese; in
1887 werd hij door de drie beschermende mogendheden, Duitschland,
Engeland en de Vereenigde-Staten van Noord-Amerika, afgezet, en naar
Kamerun getransporteerd, waar hij door het Duitsche gouvernement
niet bijzonder vriendelijk behandeld werd. Van Kamerun bracht men
hem naar Hamburg en eindelijk naar de Maarschalks-eilanden die
onder Duitsche bescherming stonden, vanwaar hij in 1889 weer naar
Samoa terugkeerde, en opnieuw als koning bezit nam van den troon,
nadat zijn tegenkoning, Mataafa, naar het eiland Jaluit, dat tot de
Maarschalks-eilanden behoort, verbannen was geworden. Malietoa kreeg
van de Duitsche regeering een klein jaargeld en leefde stil op het
schiereiland Mulinu, terwijl hij het aan zijn aanhangers overliet,
hun meestal onschuldige veeten met de partij van koning Tamasese,
in het westelijk gedeelte van Upolu, zoowel als met die van den
afgezetten Mataafa in de oostelijke districten, uit te vechten.

"Ik vrees echter zeer." vervolgde de directeur, "dat de dood van
den ouden, onschadelijken Malietoa, groote onrust en verwarring
in geheel Samoa veroorzaken zal. Gij, waarde Krüger, zijt met de
tegenwoordige omstandigheden nauwkeurig bekend, maar voor Arendt
is het zeer goed, wanneer hij hiervan wat op de hoogte komt, opdat
hij niet te eeniger tijd een onvoorzichtigheid bega. Sedert in 1889
de u bekende mogendheden een zoogenaamd beschermend-tractaat over
Samoa hebben gesloten, is het volk dikwijls onrustig geweest, hetgeen
grootendeels toe te schrijven is aan den naijver van Engeland en de
Vereenigde-Staten tegen Duitschland. Onze handel in Samoa, bedraagt
ruim het dubbele van dien der beide mogendheden te zamen, hetgeen
een doorn in hun oog is. Onze grootste vijanden zijn de rechter
Chambers, een geboren Noord-Amerikaan en de Engelsche consul Maxse,
die er in de laatste jaren ijverig op uit zijn, onzen dokter Raffel,
den voorzitter van den gemeenteraad in Apia, voortdurend moeilijkheden
in den weg te leggen. Dit ondervindt ook consul Biermann, die bij de
hier wonende Duitschers, evenals bij de inboorlingen zeer bemind is."

"Het zal mij benieuwen, of onze vriend Tamasese van den dood van zijn
ouden vijand partij zal trekken, om zich tot koning te doen kiezen,"
zeide mijnheer Krüger.

"Ik acht dit zeer waarschijnlijk," antwoordde de directeur, "doch de
aanhangers van den verbannen Mataafa, zullen dit niet kalm aanzien,
maar hun best doen, hun vroegeren koning weer op den troon te krijgen."

"U hebt zooeven gezegd, directeur, dat deze Mataafa, naar de
Maarschalks-eilanden verbannen is," zeide ik. "Maar deze groep ligt
op zulk een afstand, dat hij onmogelijk tijding van Malietoa's dood
ontvangen kan."

"O, dat is geen bezwaar, beste Arendt," antwoordde de directeur. "De
Samoaners zijn uitstekende zeelieden en kunnen in hun groote
oorlogsbooten, die van outsiders [3] voorzien zijn, zeer groote
reizen ondernemen. Evengoed als zij in vroeger tijd naar de Tonga-
en Vitschi-eilanden konden varen, en krijgsgevangenen te maken, die
zij hier tot viering van de overwinning opaten, kunnen zij ook naar
de Maarschalks-eilanden zeilen."

De eerstvolgende dagen besteedden mijnheer Krüger en ik tot het doen
van inkoopen wat huisraad en keukengereedschappen betrof, voor het
nieuwe woonhuis in de factorij Laulii, en voeren toen daarheen terug.

Verscheiden weken gingen onder flink werken voorbij. Kapitein
Johannsen bracht ons in zijn kotter ongeveer dertig Tonga's, die
spoedig door een twintigtal inboorlingen gevolgd werden, zoodat
mijnheer Krüger de geleende werklieden van de factorijen Veilele en
Vaitele weer naar hun plantages kon terugzenden. Op de plaatsen, waar
de boomstammen geveld waren, werden deze, die niet voor timmerhout
konden gebruikt worden, met takken en bladeren in brand gestoken, om
door de achterblijvende asch den bodem tegelijk te bemesten. Toen alles
op deze manier behoorlijk voorbereid was, begon de eigenlijke arbeid
voor den aanleg der verschillende cultures. Verscheiden hectaren in
de laagst gelegen gedeelten werden met kokosnoten bezaaid, die zooals
ik wist, pas na zeven of acht jaar winst afwierpen. Ten einde de
grond, tusschen de gezaaide noten niet geheel braak te laten liggen,
werden in de open plekken katoenheesters geplant. Gaedecke wilde ook
in de hooger gelegen gedeelten, de proef nemen met koffie, thee en
cacao, hetgeen de goedkeuring van mijnheer Krüger ten volle wegdroeg;
bovendien beloofde deze zijn jeugdigen collega nog, hem, zoodra hij
in de gelegenheid was, een hoeveelheid tabakszaad te zenden, dat hij
mijnheer Koning, uit Matautu, zou bestellen.

Na verloop van een maand waren alle toebereidselen afgeloopen, en
mijnheer Krüger verliet ons, om naar Mulifanua terug te keeren, daar
hij overtuigd was, dat Gaedecke volkomen in staat zou zijn, het bestuur
over de jonge plantage op zich te nemen en deze tot bloei te brengen.

Intusschen was de oogst der weinige cultures van de oorspronkelijke
plantages Laulii binnengebracht; een kotter werd uit Apia ontboden
om dezen af te komen halen en ik had de handen vol met het in orde
maken der boeken en die bij te houden. Mijn vroegere makker en ik
zagen elkander alleen bij de maaltijden, als ik hem niet in mijn
vrije uurtjes een bezoek bracht op de verschillende plantages,
die onder zijne leiding aangelegd moesten worden en waarover hij
het toezicht hield. Hij had hiervoor al zijn tijd noodig. Alleen des
Zondags bleef Gaedecke in onze gemeenschappelijke woning, die wij zoo
gezellig mogelijk ingericht hadden. Alles was er zindelijk en frisch;
enkele schreden van onze deur, stroomde het heldere, koele water van
het riviertje, terwijl de bloeiende boomen en heesters de lucht met hun
welriekende geuren vervulden. Het had veel van een liefelijke idylle!



Achtste Hoofdstuk.
Koning Mataafa.


Ongeveer tegen het midden van de maand Augustus keerden Gaedecke en ik
op een morgen van de hooger gelegen koffie- cacao- en theeplantages,
die een rijken oogst beloofden, naar ons huis terug, toen wij
heel onverwachts in het rivier-dal een talrijke menigte inlanders
tegenkwamen, die allen met buksen gewapend waren en een gordel met
patronen aangegespt hadden. Aan het hoofd der Samoaners marcheerden
twee mannen, waarvan een ons bekend voorkwam.

"Is dat niet het opperhoofd, van wien directeur Beckmann de nieuwe
landerijen gekocht heeft?" vroeg mijn vriend, die wat bijziende was.

"Ja, hij is het," antwoordde ik, want ik herkende hem, "wat zou hij
in het schild voeren, om met zooveel volk hierheen te komen?"

Op dit oogenblik herkende het opperhoofd ons eveneens; hij zeide
een paar woorden tot den man, die naast hem liep, bleef toen staan
en riep ons heel vriendelijk zijn: "Talofa!" toe. Wij beantwoordden
zijn groet op dezelfde wijze en gaven hem de hand, toen wij bij hem
gekomen waren. Zijn metgezel, een groot, reeds bejaard Samoaner,
wiens bovenkleed en lava-lava van een fijne zijden stof vervaardigd
waren, nam zijn buks van den schouder en gaf ons toen ook vriendelijk
lachend de hand.

"Onze aanstaande koning, Mataafa!" zeide het opperhoofd, op plechtig
ernstigen toon, terwij hij op dezen wees.

Gaedecke en ik bogen zeer beleefd en eerstgenoemde begroette met een
paar woorden, den koning, die uit de verbanning teruggekeerd was.

"Zoudt gij de twee mannen niet vragen, of zij bij ons willen
rusten?" vroeg ik mijn landgenoot in het Duitsch. "Wie weet, of deze
dienst ons later niet nuttig kan zijn."

"Gij hebt zoo waar gelijk, mijn beste," antwoordde Gaedecke. Hij
noodigde daarop Mataafa benevens het opperhoofd uit, een weinig
te rusten in onze woning vlak in de buurt, en een klein lunch te
gebruiken. De uitnoodiging in uitstekend Samoaansch gedaan, scheen
den ex-koning te verrassen en te verheugen tevens, want hij gaf ons
nogmaals de hand, er bijvoegende, dat het hem bijzonder aangenaam
was, al dadelijk in de eerste dagen van zijn terugkomst uit de
verbanning, gastvrijheid te mogen ondervinden bij Duitsche heeren,
daar hij steeds, voor alles, wat Duitsch was, de grootste achting en
sympathie gekoesterd had.

Na een klein halfuur waren wij bij ons huis; Gaedecke bracht Mataafa en
het opperhoofd naar de veranda aan de voorzijde, en ik wees het gevolg,
dat uit ongeveer veertig inlanders bestond, een plaats aan, in het
schaduwrijk boschje, aan den oever van het riviertje. Toen haastte
ik mij naar de loods en beval Sufa dadelijk eenige flesschen bier,
met wat koud vleesch en versch brood, dat onze kok om den anderen
dag zelf bakte, naar de veranda te brengen; Gaedeckes knecht en de
kok moesten vier flesschen whiskey, benevens een mand scheepsbeschuit
naar het gevolg aan den oever dragen en daar uitdeelen.

Bij mijn terugkomst op de veranda, had mijn vlugge knecht de tafel
reeds gedekt en de spijzen er op gezet.

"Op het welslagen uwer onderneming!" zeide Gaedecke, zijn glas tegen
dat van den ex-koning aanstootend, en ik volgde zijn voorbeeld.

"Dank u, Heeren, voor uw vriendelijke wenschen, die zeker vervuld
zullen worden. Daarvan ben ik vast overtuigd!" antwoordde Mataafa.

Gedurende het kleine maal, dat wij vrij haastig gebruikten, deelde
Mataafa uit zijn bijna negenjarig verblijf op het eilandje Jaluit,
eenige voorvallen mee, die ons oprecht medelijden deden krijgen
met den man, zoo wreed door het lot behandeld. Hij verzekerde ons,
dat de inboorlingen der Maarschalks-eilanden ver bij de Samoaners
achterstonden, wat beschaving, karakter en levenswijze aangaat;
misschien zou hierin echter spoedig verbetering komen, omdat er onlangs
op Jaluit een kolenstation voor de Duitsche marine was opgericht;
dat was gebeurd in de eerste jaren zijner verbanning.

Na een rust van een klein uur, vertrokken de hoofden weer met hun
gevolg. Wij hadden Mataafa het gebruik van onze booten aangeboden,
indien hij zijn reis naar Apia wellicht over zee zou willen
voortzetten; maar hij had bedankt, daar het hem beter voorkwam, in
de haven van Apia niet met zulk een sterk gewapend gevolg binnen te
loopen. Het zou de aandacht van het bestuur trekken en hem misschien
onaangenaamheden berokkenen. Hij gaf er de voorkeur aan langs de kust
verder te gaan, om zich in de enkele dorpen daar, aan zijn aanhangers
te vertoonen, die reeds vernomen hadden, dat hij uit de ballingschap
teruggekeerd was. Hij bedankte ons vriendelijk voor ons aanbod en
zette toen in snellen pas, de reis langs de kust naar Laulii voort.

Toen ik eenige dagen later naar Apia voer, om de noodige gelden in
ontvangst te nemen, vernam ik, tot mijn groote verbazing, dat Mataafa,
in de laatste dagen van November, inderdaad met groote meerderheid van
stemmen, door de Samoaners tot koning gekozen was. Zooals directeur
Beckmann mij later vertelde, had deze meerderheid het zesdubbele van
de stemmen bedragen, die voor den tegen-candidaat Tamasese, onzen
ouden vriend in Mulifanua, waren opgenomen. Tot de keus van Mataafa,
hadden de consuls, als vertegenwoordigers der drie mogendheden,
reeds hun toestemming gegeven. De directeur geloofde echter, dat
deze koningskeuze bezwaarlijk zonder verdere gevolgen zou blijven,
daar voornamelijk de Engelschen, met hun consul Maxse aan het hoofd,
alle zeilen zouden bijzetten, de keuze van Mataafa te doen mislukken;
zij waren er daarom niet mee ingenomen, omdat de nieuwe koning als
een verklaarde vriend van Duitschland bekend stond.

De naaste toekomst zou leeren, dat mijnheer Beckmann goed had gezien.

Den 31_n_ December waren Gaedecke en ik naar Apia gevaren, om aan
een uitnoodiging van onzen directeur te voldoen en den Oudejaarsavond
ten zijnen huize, in den kring der gezamenlijke beambten der Duitsche
Handelmaatschappij, in Matafele, te vieren. Wij konden onze factorij
gerust voor eenige dagen aan de hoede toevertrouwen van een onlangs
aangesteld opzichter, dien mijnheer Krüger ons uit Mulifanua gezonden
had, om Gaedecke bij het toezicht over het werkvolk behulpzaam te
zijn. Hendriksen, zoo heette de opzichter, was reeds sedert verscheiden
jaren werkzaam geweest op de plantage Mulifanua, en had zich onder de
leiding van Mertens tot een flink, bruikbaar ambtenaar gevormd, die
het ook verstond, het werkvolk op de plantages, dat tot verschillende
volksstammen behoorde, met tact en beleid te behandelen.

Na een heerlijk souper, dat directeur Beckmann zijn gasten had
aangeboden, begaven wij ons in den fraaien, goed onderhouden tuin
achter het huis, en wachtten daar, onder levendige gesprekken, een glas
punch en een sigaar, het begin van het nieuwe jaar af. Juist hadden
wij plaats genomen aan de verschillende tafeltjes, toen onze consul,
mijnheer Rose, de opvolger van mijnheer Biermann, zich met twee heeren,
beambten van den Duitschen consul, bij ons voegde, en zich wegens
zijn late komst bij onzen directeur verontschuldigde met de woorden:
"Beste vriend, het was mij onmogelijk vroeger te komen. Toen ik op het
punt stond mij met deze heeren tot u te begeven, kreeg ik een boodschap
van dokter Raffel, om mij zoo spoedig mogelijk bij hem te vervoegen."

"Is er dan iets bijzonders gebeurd, waarde Heer, dat de voorzitter
van den gemeenteraad u nog op zulk een vergevorderd uur wilde
spreken?" vroeg de directeur verwonderd.

"Zeker, zeker!" antwoordde de consul. "Ik zal het u en dezen anderen
heeren dadelijk vertellen; op hun stilzwijgendheid kan ik toch zeker
rekenen, maar geef mij eerst een sigaar en een glas punch, beste
Beckmann, ik heb behoefte aan een kleine hartsterking."

"Zooals gij weet," begon consul Rose, na zich met een glas punch
verkwikt en een sigaar opgestoken te hebben, terwijl hij zich naar de
heeren aan zijn tafel wendde, "zooals gij weet, stierf de oude Malietoa
den 22_sten_ Augustus in Mulinu en in het begin van November keerde
de verbannen Mataafa reeds uit Jaluit terug. Eenige weken geleden
is deze met groote meerderheid van stemmen tot koning gekozen en
door ons, consuls, ook als zoodanig erkend. Zooals ik gedacht had,
viel deze keuze niet in den smaak van de heeren Engelschen en mijn
beide collega's; de Engelsche, zoowel als de Amerikaansche consul,
begonnen dadelijk allerlei kuiperijen tegen Mataafa, hoewel zij diens
keuze goedgevonden hadden. Zonder moeite gelukte het hun dan ook, den
rechter Chambers, die zich jegens al, wat Duitsch is, alles behalve
vriendelijk getoond heeft, voor hun plannen te winnen. Naar dokter
Raffel een uur geleden medegedeeld heeft, zal morgen, 1 Januari, de
keuze van Mataafa een onderzoek moeten ondergaan, hetgeen niets anders
dan een ellendige comedie is, en de zoon van Malietoa, de jeugdige
Fanu Mafili, tot koning worden uitgeroepen. Deze Tanu is nog heel
jong; hij gaat op de Engelsche Zendelingenschool en is een volkomen
willoos werktuig in de handen der Engelschen en Amerikanen. U kunt
nu gemakkelijk begrijpen, Heeren, welke gevolgen de benoeming van
Tanu voor de belangen van Duitschland hebben zal."

"Ik ben vast overtuigd, dat Mataafa zich niet zonder krachtig verzet
schikken zal in zijn vernedering," zeide directeur Beckmann, toen de
consul zijn verhaal geeindigd had, dat vooral Gaedecke en mij vreemd
voorkwam, daar de heeren, die in Apia woonden, natuurlijk beter met
alles, wat er gebeurde, bekend waren.

Om twaalf uur begroetten wij het Nieuwe Jaar met onze hartelijke
wenschen voor het verdere welzijn der Duitsche Handel- en Plantage-
Maatschappij, waarna consul Rose een dronk instelde op het verre
vaderland en den Duitschen keizer, waarmee wij juichend instemden;
daarop namen wij afscheid van onzen vriendelijken gastheer.

Den volgenden dag legden wij eerst een bezoek af bij directeur
Beckmann en feliciteerden hem met het Nieuwe Jaar; wij gaven daarna
onze kaartjes af bij den, in de buurt wonenden Duitschen consul,
mijnheer Rose, die, zooals de knecht ons zeide, niet thuis was, maar
zich naar den voorzitter Raffel begeven had. In Matefele vonden wij de
meeste beambten in het huis van den directeur van het Hoofdbestuur,
aan een feestelijk ontbijt vereenigd, waaraan wij dadelijk moesten
deelnemen. Toen wij tegen den avond naar ons hotel terugkeerden,
zagen wij in alle straten en pleinen langs de haven een groote menigte
inlanders, die allerlei gebaren maakten, schreeuwden en druk heen en
weerliepen, zoodat wij dadelijk begrepen, dat de heeren Chambers en
Maxse hun doel bereikt hadden. In het Hotel International gekomen,
bevestigde onze landgenoot ons vermoeden; de rechter Chambers had
de keuze van Mataafa voor nietig verklaard, en, in overleg met den
Engelschen consul Maxse, den jeugdigen Tanu Mafili tot Koning van
Samoa uitgeroepen.

Vervolgens begaven wij ons na het late diner naar directeur Beckmann
om afscheid te nemen en zijn orders te ontvangen.

"Begeeft u morgen vroeg weer naar Laulii, Mijneheeren," zeide hij op
zijn vriendelijke manier, "en laat de factorij zoo weinig mogelijk
alleen. Ernstige gebeurtenissen wachten ons, die al uw waakzaamheid
en voorzichtigheid zullen vereischen. Zoodra ik u iets gewichtigs
heb mee te deelen, zal ik u een afzonderlijken bode zenden."

Een paar dagen na onze terugkomst, kwam een boot uit Apia met
verscheiden timmerlieden, een paar balken en een hoogen paal, bij de
factorij aan, en overhandigden een brief van den directeur, die aan
Gaedecke geadresseerd was.

De directeur schreef. "Ik zend u eenige handwerkslieden met het
noodige materiaal om een vlaggestok op uw woonhuis te bevestigen. Het
is bij de aanstaande vijandelijkheden, die niet zullen uitblijven,
meer dan noodzakelijk, onze plantages door het uit steken van den
Duitschen rijksstandaard, als eigendom van de Duitsche Handel- en
Plantage-Maatschappij, kenbaar te maken, vooral tegenover de aanhangers
van koning Tanu Mafili, die door de Engelschen en Amerikanen op den
troon verheven is. Wees zoo goed, den vlaggestok zoo spoedig mogelijk
te laten plaatsen, en dan onmiddellijk de hiernevens gaande vlag in
top te hijschen."

Binnen drie dagen was de stelling voor den vlaggestok gereed, en de
kleuren van ons vaderland wapperden hoog aan den top van den paal.

Nauwelijks een week later kwam mijn knecht Sufa mijn kamer
binnenstormen en riep mij toe, dat het ons bekende hoofd met een
groote menigte gewapende Samoaners daar juist in het dal, op weg naar
de kust, voorbij gekomen was. Van een der soldaten had hij vernomen,
dat hun koning Mataafa, al zijn aanhangers te wapen had geroepen om
tegen de partij van Tanu te velde te trekken. Dadelijk liet ik mijn
werk, dat ik onder handen had, in den steek, en haastte ik mij naar
buiten, om mij van de juistheid van dit bericht te overtuigen, en zag
werkelijk nog de laatsten der inlanders, allen met buksen gewapend,
op ongeveer vijfhonderd meter van het station, met versnelden pas
naar de kust oprukken. Gaedecke was in de hooger gelegen plantages
bezig; ik gaf Sufa order hem op te zoeken, hem het voorgevallene te
vertellen en hem te vragen zoo spoedig mogelijk bij mij te komen.

Wij zaten aan tafel, toen wij plotseling kanonschoten hoorden,
waarop na weinig minuten ook het zwakke geluid van het knallen van
geweren volgde. Het was duidelijk, dat in de bergen, westelijk van het
rivierdal, een gevecht plaats vond, dat zeer waarschijnlijk tot onze
factorij voortgezet zou worden. In overleg met Gaedecke, die mij,
als ex-soldaat, de verdediging onzer factorij, als het noodig was,
had toevertrouwd, liet ik dadelijk onzen opzichter Hendriksen komen,
wien ik opdroeg al de werklieden uit de plantages hier te roepen en
voor ons woonhuis bijeen te brengen.

Een uur later stonden ongeveer vijftig man, grootendeels sterke
Tonga's, bij den vlaggestok en keken met vurigen blik in de
richting, vanwaar de schoten gehoord werden. Allen waren met groote
messen gewapend, en bovendien hielden de meesten nog speren in de
rechterhand. Gaedecke, Hendriksen en ik hadden onze buksen en revolvers
gegrepen, terwijl onze knecht en de kok eveneens van geweren en messen
voorzien waren. Nadat ik de lieden duidelijk gemaakt had, dat het ons
te doen was, de vechtenden te verhinderen, het terrein, dat tot onze
factorij behoorde, te betreden, en onze gebouwen als een vesting te
gebruiken, rukte ik met alle manschappen voort, tot aan den buitensten
rand van een groot suikerrietveld, en stelde daar ons legertje op.

Het duurde niet lang, of, tusschen de boomen aan den westelijken
rand van het dal, zagen wij de gedaanten van enkele Samoaners,
die zich langzaam terugtrokken, terwijl zij onophoudelijk op de
snel voortrukkende vijanden schoten, die wij tot nu toe nog niet
hadden kunnen zien. Maar heel spoedig bemerkten wij de tegenstanders
van Mataafa en ontdekten, tot onze groote verbazing, onder hen een
afdeeling Engelsche oorlogsmatrozen en hun bevelhebber, in de uniform
van Britsch zeeofficier. Zooals ik later vernam, was werkelijk
een luitenant met vijftig matrozen en mariniers van het Engelsche
oorlogsschip "Porpoise" naar de aanhangers van Tanu Mafili heengegaan,
om dezen in den strijd tegen Mataafa te helpen.

Van Mataafa zelf konden wij intusschen niets ontdekken, maar wel
herkenden wij heel spoedig de gestalte van ons opperhoofd, die zijn
soldaten tot volharden scheen aan te vuren, want hij liep gestadig van
het eene eind der schietlinie naar het andere. Toch duurde het niet
lang, of zijn krijgslieden hadden den voet van de helling bereikt en
zich gedekt, achter de hooge stammen der palmen, ongeveer vijfhonderd
meter van onze stelling; hier openden zij nu een moorddadig vuur op
den woest naderenden vijand, aan wiens hoofd de Engelsche officier
met zijn manschappen stond. Ten einde het opperhoofd en zijn troep,
al was het dan ook geen krachtdadige hulp, tenminste een kleinen
stilstand van wapenen te bezorgen, waarvan hij misschien partij kon
trekken, om zich op de oostelijke helling in veiligheid te brengen,
haastte ik mij naar de kampplaats, terwijl ik mijn witten zakdoek, bij
wijze van parlementairsvlag aan den loop van mijn geweer vastgebonden,
heen en weer zwaaide. Werkelijk hield het schieten van beide zijden
op, toen men mij gewaar werd.

"Wat wilt gij, Mijnheer?" riep de Engelsche officier mij in zijn
moedertaal barsch toe, terwijl hij mij een paar schreden tegemoet kwam.

"Ik wil er u even attent op maken, dat u hier op den grond eener
Duitsche factorij zijt!"

"Dat is mij om het even," gaf hij minachtend ten antwoord. "Het is
mij te doen deze honden van opstandelingen uit te roeien, en ik zal
mij hierin in geen geval door u laten verhinderen. Verstaan, Mijnheer?"

"Welaan, dan geef ik u de verzekering, Mijnheer, dat ik, met alle
middelen, waarover ik te beschikken heb, iedere schending van ons
onzijdig, Duitsch grondgebied tegen zal gaan," riep ik den Engelschman
toe, woedend over diens onbeschaamd optreden.

"All right!" antwoordde deze. "Ik raad u echter aan, te maken, dat
u wegkomt, anders kondt gij wel eens een paar kogels oploopen!"

Vóór ik nog kon antwoorden, vielen er achter de matrozen en de soldaten
van Fanu verscheiden schoten, en dadelijk daarop, zag ik koning Mataafa
aan het hoofd van minstens tweehonderd inlanders, die zich onder een
hevig vuur en al schreeuwende, op den vijand wierpen. Tegelijkertijd
liet ook het opperhoofd een gillenden krijgskreet hooren; hij stortte
zich op zijn tegenstanders, die onmiddellijk de helling afstormden
en het aan de matrozen overlieten, de soldaten van Mataafa tegen
te houden.

In een oogwenk begreep ik, dat de sluwe, ervaren Mataafa, deze list
met het opperhoofd had afgesproken, om den vijand tusschen twee vuren
te brengen; daarom moest het hoofd het gevecht zoolang aanhouden en
zich van lieverlede tot in het rivierdal terugtrekken, om den koning
den tijd te laten, den omweg over Laulii tot aan de kampplaats te
kunnen afleggen.

Ik liep, zoo hard ik kon, tot den rand van het suikerrietveld terug,
om niet onder de vechtenden te geraken en daarbij, mogelijk, een
kogel op te doen; mijn doel, om het met mij bevriende opperhoofd een
korte staking van het gevecht te bezorgen en tegelijk, hoewel heel
toevallig, koning Mataafa tijd te geven, zijn tegenpartij in den rug
aan te vallen, was bereikt.

Van onze standplaats af, konden wij waarnemen, hoe Mataafa, wiens
strijdkrachten die der Tanu-partij in aantal ver overtroffen, deze
steeds meer en meer de helling opdrong, ondanks den hardnekkigen
tegenstand der Engelsche matrozen, die zich dapper verweerden, maar
ten slotte toch moesten terugtrekken, wegens de zware verliezen,
die zij leden.

Noch Mataafa, noch het opperhoofd keerden dien avond in ons dal terug,
waaruit wij konden opmaken, dat zij de volkomen verslagen Tanu-soldaten
tot in Apia vervolgd hadden.

"Het is toch een groot geluk voor ons, dat wij niet genoodzaakt zijn
geweest, ons land tegen de vijanden van koning Mataafa te verdedigen,"
zeide Gaedecke op onzen weg naar huis. "Wij zouden met onze lieden,
die alleen met speren en messen gewapend waren, tegenover de Engelsche
matrozen een vrij armzalige rol gespeeld hebben, niet waar Arendt?"

"Natuurlijk" was mijn antwoord. "Maar wie had nu ook kunnen denken,
dat een Britsch officier en een geheele afdeeling matrozen van een
Engelsch oorlogsschip, gemeene zaak zouden maken met het krijgsvolk
van den jongen koning Tanu! Het is een maar al te zeker teeken
van den fellen haat, dien de Engelschen en Amerikanen tegen ons,
Duitschers, koesteren. Mataafa en zijn aanhangers moeten hem wel
tamelijk onverschillig zijn. Daarom doet het mij dubbel genoegen,
dat die brutale luitenant en zijn soldaten zoo flink klop gekregen
hebben van Mataafa en de zijnen. Ik kan mij zoo goed voorstellen,
hoe woedend de commandant van de 'Porpoise' over deze ongelukkige
nederlaag van zijn soldaten zijn zal."

"Ja, dat denk ik ook," zeide Gaedecke. "Het zal mij benieuwen, welke
gevolgen deze zegepraal voor Mataafa hebben zal. Hij, zoowel als onze
vriend het opperhoofd, moeten toch dappere, voorzichtige mannen zijn;
gedurende het geheele gevecht, kon men ze steeds in de voorste rijen
hunner krijgers zien. Maar jou heb ik toch ook bewonderd, hoor! Je
hebt je geheel alleen tot bij de vechtenden gewaagd; hoe licht had
je door een kogel getroffen kunnen worden!"

"Och kom! Zoo erg was het niet," antwoordde ik. "De Engelschen hielden
op met schieten, toen zij mijn wel wat vreemde parlemetairsvlag zagen,
en, daar de inlanders over het algemeen vrij slechte schutters zijn,
staakten zij ook gauw het gevecht. Het was mijn hoofddoel gedeeltelijk
de strijdende partijen van ons terrein af te houden, gedeeltelijk
het in het nauw gebrachte opperhoofd eenige hulp aan te brengen;
en ik ben er in geslaagd."

Toen wij bij onze woning kwamen, ontsloegen wij de werklieden, die
naar hun hutten konden gaan, daar het intusschen te laat geworden was
hen weer aan het werk te zetten. Den opzichter Hendriksen noodigden
wij uit, den avond bij ons door te brengen en in ons gezelschap een
glas bier te drinken.

Eenige dagen na dit gevecht, bracht een bode van directeur Beckmann
mij een brief van dezen laatste, met het verzoek, dat ik mij nog
dien zelfden dag in de kano van dien bode naar Apia zou begeven,
om mij bij den directeur te vervoegen.

"Dat staat zeker in verband met de geschiedenis van laatst, Arendt,"
zeide Gaedecke, toen ik hem bij het lunch den brief gaf. "Je zult zien,
dat ik gelijk heb; de Engelsche officier zal je bij zijn commandant
aangeklaagd hebben."

Toen ik nog voor het vallen van den avond bij den directeur kwam,
vroeg deze mij dadelijk: "Hebt gij onlangs bij het gevecht tusschen
Mataafa en de Tonga's, aan den eerste bijstand verleend?"

"Volstrekt niet, directeur," antwoordde ik en vertelde daarop
uitvoerig, welke maatregelen Gaedecke en ik genomen hadden om het
grondgebied der factorij tegen iedere schending onzer neutraliteit
te beschermen, en op welke wijze ik tegen den Britschen officier
opgetreden was.

"O, dan heeft de ellendeling u maar belasterd om de schande zijner
ongelukkige nederlaag te verkleinen. Gij moet dadelijk mee naar
kolonel Rose, die van zijn Engelschen collega, den intrigant Maxse,
een aanklacht tegen u heeft ingediend, wegens het verleenen van hulp
aan den vijand. Vanmorgen vroeg heeft de consul mij laten weten,
dat hij ons vanavond na het sluiten der kantoren bij zich wacht."

Na een korte begroeting ging de consul ons voor naar zijn
studeervertrek, dat door verscheiden lampen verlicht werd, en stelde
mij, nadat wij plaats genomen hadden, een breedvoerig schrijven in
de Engelsche taal ter hand.

Zooals de directeur reeds gezegd had, bevatte dit een aanklacht van
den Engelschen consul tegen mij, wegens het verleenen van hulp aan
den afgezetten koning Mataafa, tegen de soldaten van den rechtmatigen
koning Tanu en diens landgenoot, een officier van het schip van Hare
Majesteit "Porpoise" en zijn equipage; hierdoor had ik mij schuldig
gemaakt aan het schenden der neutraliteit.

"Welnu, beste Arendt," met deze woorden op zeer vriendelijken toon
gesproken, wendde consul Rose zich tot mij, "wat is uw antwoord op
deze vrij zonderlinge aanklacht?"

"Dat er geen enkel woord van waar is, consul!" riep ik hartstochtelijk
uit, daar ik mij ontzaglijk over deze gemeene leugen, dezen
schandelijken laster ergerde. "Als u het goed vindt, zal ik u het
voorgevallene naar waarheid mededeelen."

"Dat is goed, vriend, ga uw gang," antwoordde de consul.

Toen ik mijn verhaal eindigde en er de opmerking bijvoegde, dat
mijnheer Gaedecke, zoowel als mijnheer Hendriksen, de waarheid mijner
woorden konden bevestigen, daar zij getuigen van mijn onderhoud met den
Britschen officier geweest waren, zeide de consul, terwijl hij opstond:

"Ik heb het wel gedacht, dat de heele zaak gaan zou, zooals u ze
mij hebt afgeschilderd. Luitenant Robert, of hoe die waarde heer
heeten mag, heeft er behoefte aan gevoeld, zijn niet zeer roemrijken
aftocht voor de soldaten van Mataafa, door dit voorwendsel eenigszins
te vergoelijken. U zoudt den koning met een talrijke schaar van
zijn aanhangers, in den rug van het Tanu-leger hebben doen vallen,
waardoor Robert tot den terugtocht genoodzaakt was geworden."

"Wilt u nu zoo goed zijn, mijnheer Arendt," vervolgde mijnheer
Rose, "morgen hier te komen, dan zal ik aan een mijner bedienden
uw bescheiden dicteeren en deze als officiëel verslag meenemen,
dat u dan onderteekenen moet. Thans verzoek ik den beiden heeren,
mij naar de veranda achter het huis te willen volgen, waar wij onder
een glas Pschorrbräu en een sigaar, nog wat gezellig kunnen praten."

Den volgenden morgen begaf ik mij op het vastgestelde uur, naar
het kantoor van onzen consul; ik moest mijn verklaring aangaande
mijn beschuldiging, herhalen, die door den secretaris woordelijk
opgeschreven en door mij onderteekend werd.

"Ik zou het zeer wenschelijk achten, mijnheer Arendt," zeide de
consul ten slotte, "dat gij nog twee dagen hier kondt blijven. Ik
ben namelijk voornemens, mijn secretaris nog heden of morgen op zijn
laatst, vroeg naar Laulii te laten gaan, om ook van uw collega Gaedecke
en den opzichter Hendriksen, als getuigen, een officieel verslag op
te maken. Om nu zelfs den schijn te vermijden, dat u op beide heeren
invloed hadt kunnen uitoefenen, is het beter, dat u wacht, tot dat
mijn secretaris teruggekeerd is. U wilt den directeur hiervan wel
in kennis stellen, niet waar, en trachten, zoolang u in Apia zijt,
elke ontmoeting met de Engelschen te vermijden?"

Toen ik afscheid wilde nemen, hield de consul mij tegen, zeggende:

"Ik vind het toch noodig, dat dokter Raffel, als eerste ambtenaar
van het Duitsche rijk, onderricht wordt van de beschuldiging van
den Engelschen zee-officier, alsmede van de aanklacht van den consul
Maxse tegen u; daarom zou het het beste zijn, waarde mijnheer Arendt,
dat u met mij meegingt naar den voorzitter van den gemeenteraad."

Binnen weinig minuten waren wij in het huis van dokter Raffel, dat
eveneens van hout gebouwd, en gelijkvloers door een breede veranda
omringd was; het lag op geringen afstand van het consulaat. Toen wij
bij den voorzitter kwamen, zat deze juist aan het lunch en, nadat
de consul mij had voorgesteld, werden wij uitgenoodigd daaraan deel
te nemen.

Onder dit tweede ontbijt, vertelde mijnheer Rose de toedracht der zaak
en legde toen de aanklacht van den Engelschen consul en het door mij
onderteekende verslag, voor den dokter neder.

"De geheele historie is eigenlijk zoo dom en plomp verzonnen, dat men
ze bijna niet ernstig kan opnemen," zeide de dokter, toen hij de twee
geschriften doorgelezen had. "Mijnheer Maxse is anders zoo'n sluw,
geslepen man, dat ik werkelijk verbaasd ben over dit kinderachtig
knoeiwerk; hoogstwaarschijnlijk heeft hij op bevel van den commandant
der 'Porpoise' zoo gehandeld, die zeker woedend is over de schade,
welke zijn matrozen door de inlanders geleden hebben, en nu alles
beproeft om anderen de schuld van dezen smaad te geven."

Na een korte pauze vervolgde hij: "Ik kan het niet anders dan goed
vinden, waarde consul, dat u de twee Duitsche heeren op de factorij
Laulii, eveneens als getuigen, een officieel verslag laat opmaken,
en dat u mijnheer Arendt zoolang hier houdt. De aanklacht van den
Engelschen consul, die ik u verzoek zorgvuldig te bewaren, is mij
eigenlijk zeer welkom, daar zij mij het onomstootelijk bewijs is,
dat de commandant van de 'Porpoise' werkelijk een afdeeling van
zijn compagnie onder bevel van een officier afgezonden heeft, om de
Tanu's tegen de aanhangers van Mataafa bij te staan; hiertoe had hij
volstrekt geen recht, want zoo schond hij de neutraliteit. Ik zal
van deze omstandigheid ter rechter tijd gebruik weten te maken."

Hierop nam de president met een paar vriendelijke woorden afscheid
van mij en verzocht den consul hem in zijn studeervertrek te volgen,
daar hij nog iets gewichtigs met hem te bespreken had.

Ik begaf mij onmiddellijk naar mijnheer Beckmann om hem, zoo het
behoorde, alles mede te deelen omtrent het officiëele verslag op het
consulaat en ons bezoek bij dokter Raffel.

"Hm! hm!" kwam de directeur peinzend, toen ik vertelde, welk gewicht de
voorzitter hechtte aan de aanklacht van den Engelschen consul. "Gij
zult zien, dat er al heel spoedig iets gewichtigs gebeuren zal;
ik heb dokter Raffel als een bijzonder verstandig en energiek man
leeren kennen, die den Engelschen, deze belachelijke aanklacht zeker
wel betaald zal zetten."

In mijn hotel teruggekeerd, vond ik tot mijn groote verrassing op
het terras, de heeren Krüger en Hendrik Petersen, die wel wat laat
hun lunch gebruikten.

"Hallo! Daar is zoo waar onze Arendt!" riep Petersen uit, van zijn
stoel opspringend en mij haastig tegemoetkomend. "Welk gelukkig
toeval voert je juist vandaag naar Apia, kerel?" vervolgde hij,
terwijl hij mij hartelijk omhelsde. "Kom je ons misschien een laten
nieuwjaarswensch brengen?"

Nadat mijnheer Krüger mij ook zeer vriendelijk begroet had, nam ik
plaats, bediende mij zelf van een glas bier en een sigaar, en vertelde
toen mijn beiden vrienden uitvoerig, wat mij naar Apia gevoerd had.

"Maar dat is alleraardigst, Arendt!" riep Hendrik uit, terwijl hij
zijn glas tegen mij ophief, "dat je die verwaande Engelschen zoo
getracteerd hebt! Nu zal jij de belhamel geweest zijn, die den twist
heeft doen ontbranden! Het is al te dol!"

"Onze consul zal zijn Engelschen collega wel eens ongezouten
de waarheid zeggen," zeide mijnheer Krüger. "Hij is er juist de
man voor. Maar nu zullen wij naar den directeur gaan, Hendrik,"
vervolgde hij, terwijl hij opstond, "en dan naar Matafele wandelen,
om den collega's een bezoek te brengen."

"Als u het goedkeurt, mijnheer Krüger, ga ik met u en Hendrik mee
naar Matafele," zeide ik. "Bij den directeur ben ik al geweest,
en ik zal op u wachten, daar u weer hier langs komt."

Na het diner bij directeur Beckmann, bij wien wij alle drie genoodigd
waren, vroeg Petersen, of ik met hem de haven eens langs wilde gaan
om wat pleizier te maken. Mijnheer Krüger bleef thuis om met den chef,
onder een glas bier nog wat te praten.

"Een collega uit Matafele heeft mij vanmiddag verteld," zeide mijn
vriend Hendrik, toen wij de havenkade bereikten, "dat er kort geleden
een nieuwe uitspanning, geheel in Duitschen stijl, geopend is geworden;
zij ligt vlak bij het strand, niet ver van de plek, waar Matautu,
het oostelijk gedeelte van Apia, begint. Ik heb heel veel zin dit
hoog geroemd café eens te bezoeken en er een lekker glas Münchener
te drinken. Als wij het strand maar volgen, moeten wij er binnen een
paar minuten zijn."

Werkelijk zagen wij al heel gauw een tuin, die met talrijke Chineesche
lampions verlicht was. Hij strekte zich uit tot aan dan rand van de
haven en scheen geheel op zijn Duitsch ingericht, behalve dat in plaats
van beuken en lindeboomen of oranjeboompjes in potten, de prachtigste
waaierpalmen, bananen en oranjeboomen op al de tafeltjes een heerlijke
schaduw gaven. Nadat wij den tuin eens hadden rondgeloopen, en al de
tafeltjes bezet hadden gevonden, bemerkten wij nog een vrij plekje,
vanwaar wij een ruim uitzicht hadden over het geheele oostelijk
gedeelte van de haven. Een Samoaansch kellner bracht ons, zonder een
bestelling afgewacht te hebben, twee echt Beiersche bierpotten vol
schuimend bier, dat wij dadelijk met attentie proefden, en toen eerst
begonnen wij meer te letten op de drie andere bezoekers, die reeds
aan hetzelfde tafeltje zaten. Wij hadden hen, toen wij plaats namen,
alleen door het afnemen van den hoed gegroet, en dit was door hen
ook zoo beantwoord.

Mijn vriend Hendrik, die steeds naar de ingeving van het oogenblik
handelde, zeide opeens tot den oudste der drie heeren: "Ik geloof,
dat wij landgenooten zijn, Heeren! Laat ons eens samen klinken en
een flinke teug nemen op ons wederzijdsch welzijn! Ik heet: Hendrik
Petersen, en mijn vriend hier, Herman Arendt, beiden in betrekking
op de kantoren der Duitsche Handel- en Plantage-Maatschappij op de
Samoa-eilanden. Gezondheid!"

Na over deze grappige manier van voorstellen gelachen te hebben,
klonken wij samen, waarna de oudste heer zich bekend maakte als de
bezitter van een grooten Duitschen winkel in Apia. Zijn naam was
Eduard Helberg en hij voegde er bij, dat hij zich onzer nog heel goed
herinnerde, want wij hadden verleden jaar Kerstmis, groote inkoopen
aan speelgoed en peperkoek bij hem gedaan.

"Laat mij u," ging hij voort, "mijnheer Baumann, dekofficier aan boord
van onzen kruiser 'Falke' en mijnheer Melberg, mijn collega en vriend,
voorstellen."

Wij konden ongeveer een uurtje prettig hebben zitten praten, toen
een clubje van acht of tien man, naar het uiterlijk zeelieden, aan
een leeg geworden tafeltje, dicht bij ons, plaats nam en den kellner
in het Engelsch, bier bestelde.

"Engelsche matrozen, die zeker de brandewijnflesch dapper hebben
aangesproken," zeide mijnheer Helberg zachtjes tot ons.

"Dat zijn geen gewone matrozen," zeide de Duitsche
dekofficier. "Ofschoon zij in politiek zijn, herken ik er toch
een paar van als mijn collega's op de 'Porpoise' en zelfs twee die
officier zijn."

"Misschien is de een wel je beroemde kennis van het gevecht bij Laulii,
Arendt." riep Petersen hardop.

"Schreeuw toch zoo niet, Hendrik," zeide ik verschrikt. "Als die
luitenant werkelijk bij die lui is, kon het wel eens een schandaaltje
worden, wanneer hij mij herkende, want dat gezelschap komt mij voor
vrij sterk boven zijn bier te zijn."

Inderdaad scheen de officier, die bevel had gevoerd over de equipage
van de "Porpoise" in dat bewuste gevecht, Hendriks woorden gehoord te
hebben; al had hij ze ook niet verstaan, de namen "Laulii" en "Arendt"
moesten hem opmerkzaam gemaakt hebben, want ik kon duidelijk bespeuren,
hoe een der twee officieren zich eenigszins van zijn stoel ophief, en
een vorschenden blik naar ons tafeltje wierp. Daar hij door een lamp,
die juist boven zijn plaats hing, helder verlicht werd, herkende ik
dadelijk den officier.

"Heeren," zeide ik, "ik stel voor, ons bier uit te drinken en den
tuin kalm te verlaten, voor het tot twisten komt, hetgeen mij, als
man van zaken zeer onaangenaam zou zijn."

"O, waarde Heer," antwoordde Petersen, die waarschijnlijk door het
wel wat al te ruim gebruik van bier, tot twisten geneigd scheen,
"ga gerust uw gang; wij, mijn vriend en ik, zullen toch voor die
Engelsche heeren het veld niet moeten ruimen. Niet waar, Arendt?"

Voor ik nog een woord kon antwoorden, kwam de Engelsche officier bij
ons tafeltje, nam mij minachtend lachend van het hoofd tot de voeten
op en zeide toen, natuurlijk in het Engelsen: "Het verheugt mij, u
ook eens in wat fatsoenlijker gezelschap te zien dan zooals onlangs,
toen ik kennis met u maakte, omringd van de rebelsche honden van den
ellendigen Mataafa."

"Ik beschouw de soldaten van koning Mataafa voor vrij wat fatsoenlijker
dan een laffen, leugenachtigen lasteraar, mijnheer, wiens vernieuwde
kennismaking mij volstrekt niet tot eer kan zijn, verstaan?" riep ik
eveneens in het Engelsch, terwijl ik van mijn stoel opsprong.

"Insolent fellow!" [4] schreeuwde de Engelschman woedend; hij wendde
zich daarop naar het tafeltje, waaraan zijn landgenooten zaten en riep
ze bij zich. "Neemt dezen knaap gevangen en brengt hem aan boord. Hij
is mijn arrestant!"

"Hoho! Daarin hebben wij ook nog een woordje mee te spreken, Sir,"
riep Hendrik uit, zich strijdlustig naast mij plaatsend. "Wie zijt
gij? En wie geeft u het recht een Duitscher, een ambtenaar van de
Duitsche Handel- en Plantage-Maatschappij te arresteeren?"

"Ik ben officier van het schip van H.M. 'Porpoise' en neem dien man
in hechtenis, omdat hij mij beleedigd heeft," antwoordde de luitenant.

"Waaraan kan men herkennen, dat gij een Britsch marineofficier zijt,
mijnheer? Misschien aan uw onbeschaamdheid en omdat gij dronken
zijt?" schreeuwde Hendrik hem toe.

"Brutale hond!" riep de Engelschman woedend uit, en hij gaf Petersen
een stomp tegen de borst, doch mijn vriend met zijn Hercules-gestalte
beantwoordde den slag onmiddellijk door een krachtigen slag in het
aangezicht, zoodat de geslagene achteruit waggelde; toen vatte hij
hem bij den kraag en den gordel, beurde hem op, en wierp vervolgens
den hevig spartelenden en luid brullenden snoever over den lagen
afsluitmuur van den tuin in het water. "Ziezoo, laffe schurk," riep
Petersen diep ademhalend uit, "dat frissche bad zal je, naar ik hoop,
goeddoen!" Met een grooten sprong kwam hij weer bij ons tafeltje en
wilde nu zonder complimenten den overigen zeelieden te lijf, toen ik
hem, geholpen door mijnheer Melberg, bij de armen vasthield.

Op het oogenblik dat mijn tegenpartij in het water viel, stonden de
Engelschen op, om ons aan te vallen, doch zij bleven plotseling staan,
toen mijnheer Baumann hen tegemoettrad. Hij maakte zich bij den tweeden
Engelschen officier bekend, als dekofficier van den Duitschen kruiser
"Falke". Enkele Engelschen herkenden hem nu ook, en hij gaf toen met
een paar woorden nadere verklaring van het beleedigende en sarrende
gedrag van den luitenant.

De officier was verstandig genoeg, den Duitschen zeeman te gelooven
en verliet dadelijk met zijn gezelschap den tuin, om iederen verderen
twist te vermijden en allereerst naar zijn kameraad te gaan zien, die
in het water geworpen was. Door het onvrijwillige bad was deze geheel
nuchter geworden en naar den oever gezwommen, zooals mijnheer Helberg
ons vertelde, die het van den tuinmuur gezien had. Ik bedankte den
Duitschen dekofficier hartelijk voor zijn tusschenkomst, die ons een
bijzonder vervelende botsing met de Engelschen bespaard had; daarop
lieten wij ons nog een potje bier brengen, dat wij voornamelijk op
de gezondheid van onzen wakkeren kampioen ledigden, die op zulk een
krasse en energieke wijze den onbeschaamden rustverstoorder uit den
weg geruimd had.

Het was bij middernacht, toen Hendrik en ik het Hotel International
bereikten.



Negende Hoofdstuk.
Het bombardement van Apia.


Den volgenden morgen deelde de hotelhouder ons verheugd mede, dat
er ten gevolge van de bemiddeling van dokter Raffel, door de drie
consuls tot herstel van de orde en rust, tusschen de verschillende
partijen, een voorloopig bestuur benoemd was, en dat dokter Raffel,
als voorzitter van den gemeenteraad, tot president was gekozen.

Hendrik en ik haastten ons met het ontbijt en begaven ons daarna
naar onzen Directeur Beckmann, waar wij mijnheer Krüger reeds
aantroffen. Deze had met het ontbijt niet op ons gewacht, daar wij
den vorigen avond wel wat te veel bier hadden gedronken en dus langer
geslapen hadden dan gewoonlijk.

Toen de twee heeren de mededeeling van den hotelhouder bevestigd
hadden, vertelde ik, zoo getrouw mogelijk, wat er in den Duitschen
biertuin voorgevallen was, en liet daarbij voornamelijk uitkomen,
hoe Petersen den ruziezoeker buiten gevecht had gesteld.

"Je bent toch een kraan van een vent, Petersen!" riep de directeur
lachend uit, toen ik mijn verhaal gedaan had. "Als je dien driftkop
niet zoo gauw op zijn plaats hadt gezet, was het den rekel misschien
toch nog gelukt, onzen vriend Arendt, met de hulp van de andere
Engelschen, naar de 'Porpoise' te sleepen, dat zeker tot zeer
onaangename verwikkelingen aanleiding zou gegeven hebben. Ik acht
het niet kwaad, onzen consul van dit geval in kennis te stellen,
vóór zijn Engelsche collega het hem op zijn manier komt vertellen."

"Draagt het uw goedkeuring weg, directeur, dat ik met u mee ga naar den
consul?" vroeg mijnheer Krüger. "Ik wil afscheid van hem nemen, want
direct na het lunch, zou ik gaarne naar Mulifanua terug willen keeren."

Consul Rose was nog onkundig van het voorgevallene; hij feliciteerde
Petersen met diens kloek optreden, en maakte zijn excuus, dat hij
ons moest verlaten, daar hij een conferentie bij president Raffel
moest bijwonen.

Wij zaten nog aan het ontbijt, waaraan directeur Beckmann ook deelnam,
toen onze consul op het terras van het hotel verscheen, zich een
couvert liet brengen, en ons toen met opgewekten toon, den afloop
der conferentie mededeelde.

"Onze dokter Raffel is toch een slim, scherpzinnig man, dat moet
hem nagegeven worden," zeide mijnheer Rose, nadat hij zich een
glas wijn had ingeschonken. "Reeds bij het begin der zitting zette
hij ons,--d.w.z. den Engelschen en Amerikaanschen consul en mijn
persoon--uiteen, dat, door het oprichten van een provisioneel bestuur,
mijnheer Chambers voortaan geen recht meer had als president van de
rechtbank op te treden; daarom zou hij,--n.l. dokter Raffel,--als
voorzitter van den gemeenteraad, het gerechtshof doen sluiten. Ondanks
het hevig verzet van de twee andere consuls, zetten dokter Raffel en
ik de sluiting van het gerechtshof door, voorloopig ten minste, want
ik vrees wel, dat voornamelijk mijn collega Maxse het niet daarbij
zal laten, maar al het mogelijke beproeven om zijn vriend Chambers
zijn invloedrijken post weer terug te bezorgen."

Dat onze consul zich hierin niet vergist had, bleek reeds den volgenden
dag, 7 Januari. Door toedoen van den Engelschen consul, bracht de
commandant der "Porpoise" een afdeeling mariniers en matrozen aan
land, onder wier bescherming Mr. Chambers zich naar de zitting van
het gerechtshof begaf, en verklaarde, dat hij zijn ambt als president
zooals vroeger wilde waarnemen. Een wacht mariniers bleef voor zijn
persoonlijke veiligheid voor het huis gestationneerd.

Zoowel president Raffel, als onze consul, moesten, hoewel zij
schriftelijk protesteerden, deze daad van geweld lijdelijk toelaten,
wilden zij het niet tot een hevige en gevaarlijke botsing met de
Engelschen en Amerikanen laten komen. Zooals de naaste toekomst
intusschen leeren zou, deden de beide heeren de noodige stappen bij
het Duitsche rijk, tot krachtige ondersteuning der Duitsche belangen
op de Samoa-eilanden.

Nog op den middag van den 7_n_ Januari liet de consul mij roepen en
deelde mij mede, dat er nu geen beletselen meer voor mij waren om naar
de factorij terug te keeren, daar zijn secretaris met het officieel
verslag van de heeren Gaedecke en Hendriksen, weer thuis was gekomen.

"Ik ben overigens vast overtuigd," besloot de consul, "dat mijn
Engelsche collega kalmpjes deze geheele zaak den kop zal indrukken,
al was het alleen om den smadelijken en belachelijken afloop van het
optreden van een zijner officieren in den Duitschen biertuin. Mocht
echter, onverhoopt, de commandant van de 'Porpoise' of mijnheer Maxse,
met u willen afrekenen, beste Arendt, dan zal ik u onmiddellijk
daarvan op de hoogte stellen. Vaarwel!"

Nadat ik daarop van directeur Beckmann afscheid genomen had, voer ik
in een kano, die men mij hiervoor leende, naar Laulii, waar ik nog
vóór het vallen van de duisternis aankwam.

"Goddank, beste vriend, dat gij heelhuids en gelukkig aan de handen
der Amelekieten ontkomen zijt!" riep Gaedecke uit, en hij begroette
mij hartelijk, toen ik op de veranda kwam.

Onder het souper moest ik al mijn wederwaardigheden in Apia uitvoerig
vertellen.

"Die Petersen moet toch een prachtstuk van een kerel wezen; ik zou
hem gaarne persoonlijk willen leeren kennen," zeide mijn collega,
toen ik hem de scène in den biertuin afschilderde. "Hij schijnt in
alle geval de eenige manier te bezitten om met deze pleizierige heeren
'Beefs' om te gaan. Wat nu de jongste politieke gebeurtenissen in Apia
betreft, die verontrusten mij niet bijzonder; dokter Raffel zal wel
de noodige maatregelen weten te treffen, om aan den huidigen overmoed
der Engelschen paal en perk te stellen."

De eerstvolgende weken gingen met rustig werken op onze afgelegen
plantage voorbij. Directeur Beckmann was zoo attent, ons iederen
Zaterdag de Duitsche courant te zenden, die in Apia in druk verschijnt;
ook bracht de bode de brieven mee, die uit het vaderland voor ons
waren aangekomen; zoo bleven wij van alles goed op de hoogte.

Op een Zaterdagavond zeide collega Gaedecke, dat hij mij voor een paar
dagen alleen zou laten, daar hij den volgenden morgen vroeg naar Apia
zou vertrekken en van daar te paard naar de plantage Vaitele gaan;
hij had een schrijven ontvangen van mijnheer Tiedemann, die hem dit
had opgedragen.

"Ik kom niet later dan Dinsdag terug, beste vriend," voegde Gaedecke
er bij. "Hendriksen kan heel goed alleen het opzicht houden over de
nieuwe cultures, zoodat jij zelf volstrekt niet gestoord zult worden."

Toen ik den volgenden Dinsdag tegen den avond van mijn ronde op de
plantages, aan den oostelijken rand van het rivierdal naar huis keerde,
bemerkte ik beneden in het dal twee ruiters; in den voorsten herkende
ik tot mijn groote verbazing Gaedecke, terwijl de andere een Samoaner
was. Ik haastte mij zoo gauw ik kon, de helling af te loopen en kwam
bijna tegelijk met de ruiters aan het woonhuis.

"Maar om 's Hemels wil, vriend, hoe kom jij nu van de bergen hier en
dan nog wel te paard?" riep ik uit. "Ben je misschien uit Apia over
het gebergte komen rijden?"

"Zoo dadelijk zal je alles vernemen," antwoordde Gaedecke. "Laat mij
eerst voor mijn metgezel en de paarden zorgen."

Onze bedienden, die intusschen waren komen aanloopen, ontvingen nu
bevel, de paarden in de nabij zijnde loodsen onder dak te brengen,
en den Samoaner mee te nemen naar hun woning, waar de kok hem te eten
moest geven.

Toen mijn vriend een verfrisschend bad had genomen en wij op de
veranda ons avondeten gebruikten, bevredigde hij eindelijk mijn
nieuwsgierigheid.

"Voor wij iets anders doen," ving hij glimlachend aan, "zou ik vanavond
niet gaarne bier, maar een glas wijn met je drinken, vriend Arendt,
en wel op iemand, die mij onuitsprekelijk dierbaar is!"

"Drommels! Je bent toch niet hals over kop verliefd geworden en
je hebt je toch maar niet dadelijk verloofd?" riep ik verrast uit,
terwijl ik Sufa order gaf een flesch wijn uit den kelder te halen.

"Verliefd ben ik reeds lang, verloofd pas sedert gisteren. Luister maar
eens, oudje!" zeide Gaedecke met een van vreugde stralend gelaat. "Je
herinnert je nog wel mijnheer Tiedemann, in de factorij Vaitele,
dien wij kort na onze landing in Apia met directeur Beckmann bezocht
hebben? Tiedemann is gehuwd met een Samoaansche, een zeer mooie,
jonge vrouw, die wij toen niet gezien hebben, omdat zij haar man
juist een baby geschonken had.

"Ongeveer een half jaar na mijn komst in Vaitele, nam mevrouw
Tiedemann haar jongere zuster bij zich in huis, die tot dien tijd
in een naburig dorp, met haar moeder samengewoond had. Je hebt
mij zeker als een tamelijk nuchter, in het minst niet romantisch
persoon leeren kennen, niet waar, beste Arendt? Welnu, ik kan je
verzekeren, dat deze kleine Filina, zoo heet de jonge Samoaansche,
het bekoorlijkste schepseltje is, dat mijn oogen ooit aanschouwd
hebben; de belichaamde bevalligheid, een fee, in den waren zin des
woords. Lang heb ik tegen mijn hartstocht voor die kleine gestreden,
die mij zoo hoogst onverwachts, als een felle koorts, te pakken had;
maar, toen ik verleden jaar Vaitele moest verlaten, om het bestuur
over deze plantage op mij te nemen, kon ik het niet over mijn hart
verkrijgen, van Filina te scheiden zonder haar te bekennen, hoe het met
mij stond. In kinderlijken eenvoud beleed mij dit zonnekind, dat ik
ook haar niet onverschillig gebleven was. Ik kon toen onmogelijk bij
Tiedemann mijn hart uitstorten, omdat ik nog geen vaste aanstelling
had; maar nu de factorij, die aan mij is toevertrouwd, bloeit en mij
een ruim bestaan belooft, zijn de omstandigheden veranderd. Nu heb
ik dadelijk na Nieuwjaar aan Tiedemann geschreven, en hem de hand
van zijn schoonzuster gevraagd; verleden Zaterdag ontving ik zijn
toestemming en de uitnoodiging om zoo spoedig mogelijk naar Vaitele
over te komen. Dat was nu de reden van mijn reis."

"Hartelijk, hartelijk gefeliciteerd met je engagement, vriend Gaedecke,
en dit glas op de gezondheid der bekoorlijke Filina!" riep ik uit,
terwijl ik de glazen vulde uit de flesch, die Sufa intusschen op
tafel gezet had.

"Je bent eigenlijk toch een leelijke stille-in-den-lande!" zeide ik,
toen wij het glas geleegd hadden. "Wij wonen nu bijna een half jaar
samen, en met geen enkele syllabe, geen enkel gebaar, heb je je
hartsgeheim verraden."

"Ik houd er niet van over dingen te spreken, die onzeker zijn, of
nog niet tot een eindbesluit zijn gekomen," antwoordde Gaedecke.

"En leg mij nu eens uit, wat je genoopt heeft, van Vaitele over het
gebergte hierheen te komen rijden, in plaats van naar Apia en van
daar uit, per boot naar Laulii te varen?" vroeg ik.

"Een knecht van mijnheer Tiedemann, die geboren is in een dorp in
het dal van den Vaivasa-stroom, vertelde mij, dat het volstrekt niet
noodig was, den grooten omweg over Apia te maken, om naar Laulii
terug te keeren. Hij wist een weg, die hoewel smal van de factorij
Vaitele over het gebergte naar het dal van het riviertje leidde,
dat bij Laulii in de zee uitloopt. De weg was wat moeilijk, maar te
paard zeer goed binnen vier uur af te leggen. Ik vertelde Tiedemann
het voorstel van zijn knecht, en mijn aanstaande zwager was het met
hem eens; hij schonk mij twee paarden, om voortaan de bezoeken bij mijn
meisje ook langs dien weg te komen brengen en gaf mij den Samoaner mee,
om mij naar onze factorij terug te brengen en mij tevens den weg te
wijzen. Morgen zal deze te voet naar Vaitele teruggaan, terwijl ik
aanstaanden Zondag met mijn vriend Arendt over de bergen daarheen
zal rijden, om hem mijn kleine lieveling voor te stellen. Is dat goed?"

"Aangenomen, beste vriend, dat doe ik!" riep ik uit, terwijl ik mijn
rechterhand in de zijne sloeg.

Zooals afgesproken was, stegen wij den volgenden Zondag dadelijk
na zonsopgang te paard en reden wij eerst ongeveer twee kilometer
bergopwaarts, vervolgens sloegen wij rechts, een bijna onzichtbaar,
smal pad in, dat ons boven op den westelijken rand van het dal
voerde, waar wij een hoogvlakte met zwaar geboomte begroeid,
aantroffen. Het was een heerlijke rit tusschen de prachtige boomen,
door wier dichte bladerkronen geen zonnestraal kon dringen, zoodat
een koele, verkwikkende schemering ons omringde. Na een klein half
uur bereikten wij het westelijk gedeelte der hoogvlakte, waar wij
van de paarden moesten stijgen en hen bij den teugel leiden, daar
de helling tamelijk steil was; in het dal gekomen, waardoor een
vrij breede bergstroom vloot, de Letoga, zooals Gaedecke hem noemde,
reden wij een eind stroomopwaarts tot aan een punt, waar weer een pad
langs de oostelijke helling opliep, dat ons naar een smallen bergkam
leidde, van welks top wij op kleinen afstand verscheiden watervallen
zagen. De Letoga-val leverde werkelijk een prachtig schouwspel op,
want zijn zilverhelder water stortte over den bergrand, die met
bloeiende gewassen begroeid was, van een hoogte van dertig meter,
in een door de natuur gevormd bekken. Ook den noordelijken rand van
het 2570 voet hoog, liggende kratermeer Lanuto, zagen wij duidelijk
voor ons. Nadat wij door den tamelijk ondiepen stroom Vailele, die
aan den westelijken voet van den bergkam in noordelijke richting
loopt, zooals de meeste bergstroomen van het eiland Upolu, gereden
waren, kwamen wij door een ravijn, dat zich dwars door de bergen
van het Oosten naar het Westen uitstrekte, in een derde rivierdal,
Vaisasa genoemd, waarin ongeveer twee kilometer meer zuidwaarts, de
factorij Vaitele ligt, waar wij tegen negen uur aankwamen. Mijnheer
Tiedemann ontving ons zeer hartelijk en wist zich mijner nog heel
goed te herinneren, ofschoon er bijna twee jaar verloopen waren,
sedert mijn bezoek in de plantage.

Toen wij ons door een bad verfrischt hadden--want de rit van drie
uur had ons zeer warm gemaakt--begaven wij ons naar het schaduwrijk
terras in den tuin, waar wij door den rentmeester en de twee dames
verwacht werden. Mevrouw Tiedemann was een zeer knappe vrouw, wier
lichtbruine gelaatskleur haar op een Spaansche deed gelijken, en haar
jongere zuster, de verloofde van mijn collega Gaedecke, was inderdaad
een allerliefst, mooi meisje; klein, gracieus en slank van gestalte,
zonder direct mager te zijn, met de bekoorlijkste handjes en voetjes,
die ik ooit gezien had, zou men ze voor een kind hebben kunnen houden,
als de uitdrukking der groote, donkere oogen, met de buitengewoon lange
wimpers, niet de jonge, liefhebbende vrouw verraden hadden. Filina
had eveneens de lichtbruine tint der Samoaanschen, die haar nog een
eigenaardige bekoorlijkheid verleende. Mijn geleerde en overigens
zoo ernstige vriend was waarlijk te benijden.

Beide dames waren op zijn Europeesch gekleed, maar het toilet was
natuurlijk gewijzigd naar het tropisch klimaat; een lichte blouse van
dunne zijde en een rok van dezelfde stof; sierlijke, witte schoentjes,
maar geen kousen; zooals mijnheer Tiedemann verzekerde, konden zij
het zelfs in fijne zijden kousen niet uithouden; zij beweerden ook,
dat ze deze zeer hinderlijk vonden, omdat zij van jongs af blootsvoets
geloopen hadden.

Na het ontbijt ging ik met den rentmeester de cultures in de buurt
eens rond; de cacaoboom groeide er buitengewoon goed. Bij deze
gelegenheid vertelde mijnheer Tiedemann mij, dat er onder de dicht
bij wonende inlanders, allen trouwe aanhangers van den in November
gekozen koning Mataafa, sinds eenige dagen een ongewone drukte en
levendigheid heerschten, zoodat hij wel vreesde, dat er weldra een
nieuwe strijd zou ontbranden. Ik deelde hem daarop mijn avonturen
mee met den Engelschen officier in Apia, en de aanklacht van den
Britschen consul tegen mij, hetgeen hem zeer scheen te interesseeren;
van de politieke gebeurtenissen was hij, deels door de courant, deels
door directeur Beckmann, die nog kort geleden de factorij bezocht had,
op de hoogte.

Toen wij tegen zeven uur van tafel opstonden, namen wij afscheid van de
vriendelijke familie en gingen naar huis; mijnheer Tiedemann wilde ons
een knecht meegeven, die goed met den weg bekend was, opdat wij in de
duisternis niet verdwalen zouden, daar de maan pas na achten opkwam;
doch Gaedecke bedankte voor het vriendelijk aanbod, met de opmerking,
dat hij den weg, dien hij tweemaal gegaan was, heel goed kende.

Uit het dal van den Vaisasa kwamen wij in het ravijn, dat dezen
stroom met de Vailele-rivier verbindt; de maan was nog niet boven
den oostelijken bergkam opgekomen; slechts enkele sterren verlichtten
het landschap, dat met een dicht oerwoud bedekt was; doch haar zwakke
stralen konden den grond van het ravijn niet bereiken, zoodat wij in
het stikdonker voortgingen.

"Zouden wij niet wachten, tot de maan opgekomen is?" vroeg ik mijn
vriend, "het zal nog maar een half uur duren; men kan geen hand voor
oogen zien."

"Beste Arendt, wij kunnen onmogelijk verdwalen," antwoordde
Gaedecke. "De paarden zullen ons veilig tot aan het andere einde van
het ravijn brengen."

Meer dan een half uur konden wij in de duisternis verder zijn gekomen,
en nog kwamen wij niet aan den oostelijken uitgang van onzen weg;
wel was het mogelijk op enkele plaatsen, waar de boomen wat minder
dicht stonden, te bespeuren, dat de maan eindelijk boven den bergkam
opgekomen was, maar toen bemerkten wij tevens, dat wij ons niet meer
in het ravijn bevonden. Van een voetpad was geen spoor te ontdekken,
en bovendien gevoelden wij duidelijk aan den gang onzer paarden en
hun sterk snuiven, dat wij een steile helling opgingen.

"Ik begrijp volstrekt niet, hoe de paarden er toe gekomen zijn,
uit het ravijn dezen heuvel op te gaan," zeide Gaedecke, die vlak
voor mij reed. "Wilde dieren zijn er op het geheele eiland niet,
anders zou men kunnen denken, dat zij er een geroken hadden."

"Waarschijnlijk zal je je paard door een trek aan den teugel of een
lichten druk met het dijbeen, uit de rechte richting gebracht hebben,"
gaf ik ten antwoord, "en mijn Rossinant is jou ros gevolgd. Laten wij
ons hoofd daarover maar niet breken; wij moeten alleen een kleinen
omweg maken, want het dal van den Vailele kunnen wij niet misloopen;
het wordt voor ons uit al wat lichter, zoodat wij wel gauw weer op
den rechten weg zullen zijn."

Werkelijk kwamen wij na een kleine poos, op een, naar wij meenden,
vrij groote open plek, die door de maan helder verlicht werd, en
afgaande op haar stand aan den hemel, reden wij dwars over deze
vlakte heen tot aan haar oostelijken rand, om van daar in het dal
van den Vailele af te dalen. Daar deze helling vrij steil en ook met
boomen en struiken bedekt was, moesten wij afstijgen en de paarden
bij den teugel leiden; het ging alles behalve gemakkelijk, om door
deze verwarring van struiken en boomen heen te komen, maar eindelijk
bereikten wij dan toch den voet van den rand om het dal. Ongeveer
tweehonderd meter zuidelijk van de plaats, waar wij in de open ruimte
gekomen waren, zagen wij enkele hutten, die, zooals wij heel spoedig
gewaar werden, tot een grooter Samoaansch dorp behoorden, dat vlak
aan den linkeroever van de rivier lag.

"Zou het niet goed zijn, eens naar die hutten te gaan, en een gids te
vragen, die ons naar ons dal brengt?" vroeg mijn metgezel, die zichzelf
zeker niet te best vertrouwde, wat de juiste kennis van den weg betrof.

"Dat is heusch niet noodig," antwoordde ik; "wij slaan hier links
zoo ver af, tot wij het eind van het ravijn bereiken; daar gaan wij
den Vailele-stroom langs, en vervolgen onzen weg op het pad over den
bergkam, die zich tusschen deze rivier en de Letoga uitstrekt. Met
dezen helderen maneschijn kunnen wij den weg niet missen; in het
pikdonkere ravijn was dit eerder mogelijk."

Toen wij op het punt stonden weer in den zadel te stijgen, zagen wij
tot onze groote verbazing een menigte inlanders, die uit het dorp
kwamen en vrij snel langs den linkeroever naar ons toe kwamen.

Voor zoo ver ik zien kon, waren al de mannen met buksen gewapend en
hadden zij patroongordels omgegespt.

Verschrikt riep Gaedecke uit: "Gauw! Te paard! Laten wij maken,
dat wij wegkomen!"

"Dat zou al heel dwaas wezen, vriendje!" gaf ik ten antwoord. "Die
menschen zouden ons dan voor vijanden aanzien en op ons schieten. Ik
ben overtuigd, dat het aanhangers van Mataafa zijn, zooals de meesten
der Samoaners, die in dit gedeelte van het eiland wonen. Dezen
zijn ons, Duitschers, genegen en zullen ons zeker geen kwaad doen,
als zij zien, wie wij zijn. Laten wij opstijgen, en hun stapvoets
tegemoetrijden; dat zal hen het spoedigste overtuigen, dat wij geen
kwaad in den zin hebben."

Toen wij de vlug naar ons toe marcheerenden tot op een paar meters
genaderd waren, lieten wij onze paarden stilstaan en riepen hun ons:
"Talofa!" toe, dat door de voorsten vriendelijk beantwoord werd. Een
hunner trad daarop naar mij toe, gaf mij een hand en riep hartelijk
uit:

"O, nu herken ik u, Mijnheer! U bent de heer, die ons opperhoofd
heeft geholpen, toen wij bij uw factorij met de Engelschen en de
soldaten van Tanu vochten. Hoe komt ge zoo laat hier, zoo ver van uw
huis? Zijt gij verdwaald?"

"Ja, dat zijn wij, beste vriend," antwoordde ik, zoo goed als ik dit
in het Samoaansch kon. "Mijn metgezel hier zal het u wel beter kunnen
uitleggen dan ik, want hij verstaat uw taal goed."

Toen Gaedecke de gewenschte opheldering gegeven had, bood de
Samoaansche soldaat dadelijk aan, ons een zijner mannen mee te geven,
die ons naar de plantage zou brengen, wat eerstgenoemde op mijn
aanraden ook aannam; wij konden best nog eens verdwalen, vooral wanneer
de maan achter de hoogere bergen in het Oosten zou zijn ondergegaan.

Terwijl wij nu het dal in reden, zeide de inlander, dat zij op weg
waren naar hun koning Mataafa, die zijn aanhangers in den omtrek van
Apia bijeengeroepen had, om den strijd tegen Tanu en diens beschermers
opnieuw te beginnen.

Bij het eind van het ravijn gekomen, namen wij afscheid van de
Samoaners. Wij wenschten hun voorspoed in den aanstaanden krijg,
gingen, vergezeld van den gids, dien men ons had meegegeven, door
het wad van den Vailele en bereikten na een rit van bijna drie uur
onze factorij. Daar het reeds ver over middernacht was, hielden wij
onzen gids bij ons, gaven hem den volgenden morgen een paar sigaren
en twee dollars en lieten hem toen vertrekken.

Zooals wij uit de couranten en bij enkele bezoeken in Apia vernamen,
duurde de strijd tusschen Mataafa en zijn tegenpartij de geheele
maand Februari. Wij werden er ditmaal niet in betrokken, zooals in
November van het vorige jaar, daar de gevechten meer in het westelijk
en zuidelijk gedeelte van het district Tuamusanga plaats hadden. In
de eerste dagen van de maand Maart, kwam de Noord-Amerikaansche
admiraal Kautz, op het Amerikaansche oorlogsschip "Philadelphia" in
Apia en nu zouden er zeer spoedig groote dingen gebeuren. Reeds den
elfden Maart liet de admiraal bekend maken, dat Mataafa als koning
was afgezet, waartegen de Duitsche consul Rose op energieke wijze
protesteerde. Natuurlijk stoorden Mataafa noch zijn aanhangers zich
aan die afgekondigde afzetting, maar maakten zich in Apia en omstreken
tot krachtigen weerstand gereed. Mataafa sloeg zijn hoofdkwartier op,
op het schiereiland Mulinu, in de vroegere, zoogenaamde residentie
van den overleden koning Malietoa Laupopa, wiens zoon Tanu Mafili, den
beschermeling der Engelschen en Amerikanen, hij volkomen verslagen had.

Op den namiddag van den 11_n_ Maart, kwam mij een bode van directeur
Beckmann, het schriftelijk bevel brengen, om nog dien zelfden avond
in de kano van den bode naar Apia te varen. Ik was niet weinig
verrast over deze onverwachte, plotselinge oproeping, pakte, wat ik
van ondergoed en kleeren noodig achtte, in een handkoffertje, schreef
gauw een paar regeltjes aan Gaedecke, waarbij ik den brief van den
directeur voegde, en begaf mij toen, door mijn trouwen Sufa vergezeld,
op weg naar Laulii; de bode was reeds vooruitgegaan. Ik kon niet,
zooals het eigenlijk behoord zou hebben, de terugkomst van Gaedecke
afwachten, om persoonlijk afscheid van hem te nemen, daar hij, zooals
hij mij 's middags gezegd had, in de verst gelegen cultures bezig was.

De roeiers gebruikten hun korte riemen zoo vlug, dat ik nog voor het
vallen van den avond in de haven van Apia binnenkwam, waarop ik mij
dadelijk na de landing, tot directeur Beckmann begaf, terwijl ik mijn
knecht naar het Hotel International zond.

"Wel bedankt, beste Arendt, datje zoo gauw aan mijn verzoek hebt
voldaan," zeide de directeur na de eerste begroeting; "wij gaan een
naren tijd tegemoet, want na de komst van admiraal Kauz en zijn vroeger
optreden, moet men op alles voorbereid wezen. Zooals je misschien
gehoord zult hebben, had Mataafa in zijn verschillende gevechten met
de aanhangers van Tanu, meer dan tweeduizend krijgslieden van dezen
laatste gevangen genomen. Dezen heeft hij daarna op het vereenigd
verzoek der consuls, de vrijheid geschonken, maar slechts onder de
uitdrukkelijke voorwaarde, dat zij naar eenige verder gelegen eilanden,
hun eigenlijk vaderland, zooals b.v. Tutuila en Manua, gebracht zouden
worden en niet meer tegen hem, Mataafa, zouden vechten. Eenige dagen
geleden nu, heeft de admiraal het doorgezet, dat de Britsche kruiser
'Royalist' naar die eilanden afgezonden is, om deze tweeduizend
vrijgelaten gevangenen hierheen te brengen, en hen natuurlijk ter
beschikking te stellen van den jongen Tanu. De geheele maatregel is,
hoewel direct tegen Mataafa, echter indirect tegen de Duitschers
genomen. Heden morgen heeft mijnheer Kautz, koning Mataafa, die met
groote meerderheid van stemmen gekozen is, eenvoudig afgezet; hiertoe
had hij niet het minste recht, daar hij zonder toestemming van den
Duitschen vertegenwoordiger volstrekt niet bevoegd was, eenig verzoek
aan de inboorlingen te doen. Zoodra de 'Royalist' nu met de mannen
van Tanu hier binnenkomt, wat vanavond nog gebeuren kan, zal het,
hoe het ook ga, tot een gevecht midden in de stad komen, want Mataafa
zal zich zeker niet zonder hardnekkigen tegenstand overgeven. Al heb
ik ook geen aanzienlijke sommen in huis, daar de geldswaarde, zooals
gij weet, voor het grootste gedeelte in onze kantoren te Matafele
is geborgen, heb ik toch heel veel documenten, contracten en andere
belangrijke stukken onder mijn bijzondere berusting, die ik hoogst
ongaarne naar Matafele zou zien brengen. Voor het oogenblik ben ik
met mijn zwarte bedienden alleen in huis, daar mijn secretaris in
Matautu bij mijnheer Koning is, om over den aankoop van landerijen
voor een nieuwe factorij te spreken. Daarom, beste Arendt, heb ik
je laten verzoeken, naar Apia te komen en een paar dagen bij mij
te blijven, opdat ik ten minste niet geheel alleen sta, als er wat
gebeuren mocht. Ik heb ook aan mijnheer Krüger een bode gezonden,
met het verzoek mij uw vriend Petersen voor een poos af te staan; met
twee zulke flinke Hamburgers bij mij, zal het mij en mijn huis niet
aan de noodige bescherming ontbreken!" besloot de directeur lachend.

Een knecht werd nu naar het Hotel International gezonden, met de
opdracht, mijn knecht Sufa en mijn bagage te halen, daar mijnheer
Beckmann de kamer van zijn secretaris voor mij bestemd had. Den
volgenden morgen begaf ik mij naar den consul Rose, om hem te begroeten
en hem mede te deelen, dat ik door den directeur voor de eerstvolgende
dagen naar Apia ontboden was.

"Nu, dan komt gij juist van pas, beste Arendt," zeide de consul,
nadat ik op zijn verzoek plaats had genomen. "Wij zullen dezer dagen
zeer vreemde dingen zien gebeuren! Een half uur geleden heb ik uit
Mulinu tijding ontvangen, dat admiraal Kautz aan Mataafa ten strengste
bevolen heeft, met zijn aanhangers binnen drie uur de stad Apia en
omstreken te verlaten. Ik kan moeilijk gelooven, dat Mataafa aan dit
onredelijk bevel voldoen zal, en vrees, dat het tot een strijd zal
komen, zelfs hier in de stad."

Dat onze consul het bij het rechte eind had, zou spoedig blijken. Nog
in den loop van denzelfden dag, ontbood de Amerikaansche admiraal de
drie consuls, benevens de oudste vlootofficieren tot een onderhoud
aan boord der "Philadelphia." Het gevolg van deze bijeenkomst was een
besluit, om het provisioneel bestuur en de genomen maatregelen op te
heffen, zoowel als de vrijstelling van een afkondiging, luidende,
dat Mataafa en zijn opperhoofden met hun soldaten, onmiddellijk
naar hun woonplaatsen moesten terugkeeren. De Duitsche consul
en graaf Moltke, de commandant van den Duitschen kruiser "Falke"
waren in verzet gekomen tegen dit besluit, doch tevergeefs; onze
consul liet mij dien zelfden dag een tweede proclamatie afkondigen,
waarin hij protest aanteekende. Tegen den avond verzamelden Mataafa
zijn volgelingen allen in volle wapenrusting en trok met hen van
Mulinu naar de dorpen, ten zuiden van Apia, nog in dat gebied der
stad gelegen, die hij deed bezetten en insluiten.

Intusschen was het Britsche oorlogsschip "Royalist," vergezeld van
verscheiden groote kano's, met de tweeduizend vrij gelaten Tanu-mannen
in de haven binnengeloopen. Zoodra deze aanhangers van den jongen
Tanu geland waren, namen zij plechtig bezit van de stad en riepen
Tanu als hun koning uit. Daar zij door de Engelsche, zoowel als door
de Amerikaansche oorlogsschepen, ruimschoots van wapenen en ammunitie
voorzien waren, begonnen zij de straten, op het Zuiden, te versperren
en te bezetten.

Te midden van deze ongeregeldheden was mijn vriend Hendrik van
Mulifanua aangekomen; bij mijn terugkomst uit de stad, trof ik hem ten
huize van den directeur aan. Aan tafel vertelde ik mijn chef, wat ik
van den consul en later van den eigenaar van het Hotel International,
die altijd goed op de hoogte was, over de bijeenkomst aan boord der
"Philadelphia" en den uitslag daarvan, vernomen had.

De directeur was reeds onderricht van de opheffing van het voorloopig
bestuur en van de proclamatie. "Ik begrijp niet," zeide Petersen,
"waarom de commandant van de 'Falke' niet strenger opkomt tegen deze
ingrijpende handelingen der Engelschen en Amerikanen."

"Dit zal ik je verklaren, mijn vriend," antwoordde mijnheer
Beckmann. "Ik weet het van onzen consul, dat de commandant uit
Berlijn strikt bevel heeft ontvangen, elk krachtdadig optreden tegen
de hedendaagsche oneenigheden en verwarringen zooveel mogelijk te
vermijden; de handen zijn hem dus als het ware gebonden, en hij heeft
hier genoeg verdriet van. Wanneer jullie nu nog een loopje doen wilt
in de stad, Heeren," ging de directeur voort, "dan heb ik daar niets
tegen, maar komt niet te laat thuis. Ik ga nog even naar den consul."

Wij deden een kleine wandeling langs de haven, doch zagen daar niets
ongewoons; alleen trok het onze aandacht, dat wij noch een matroos,
noch iemand anders van de equipage der vier oorlogsschepen zagen, die
op kleinen afstand van den oever voor anker lagen. In den Duitschen
biertuin, troffen wij daarentegen veel gasten aan, en naar hun
levendige conversatie te oordeelen, waren het onze landgenooten;
zij hadden verscheiden tafels tegen elkaar geschoven en bespraken
met groote belangstelling de gebeurtenissen van den dag. Wij vroegen
verlof bij hen te komen zitten, en maakten ons bekend.

"Mijnheer Petersen, op uw welzijn in het bijzonder!" riep een der
aanwezigen mijn vriend toe, terwijl hij zijn glas ophief en op diens
gezondheid dronk.

Verwonderd keken wij op, en herkenden den heer, die in Januari aan
ons tafeltje had gezeten, toen Hendrik den Engelschen officier zoo
kranig den tuin uitgegooid had. Natuurlijk knikten wij den koopman
vriendelijk toe en hieven insgelijks onze glazen op. Toch was mij
deze ontmoeting volstrekt niet aangenaam, want misschien kon het nu,
daar iedereen in een opgewonden, ontevreden stemming verkeerde, tot
onvriendelijke toespelingen op onzen consul of president Raffel komen,
die ons maar in moeilijkheden zouden brengen. Daarom verzocht ik mijn
vriend zachtjes, zijn bier op te drinken en maar gauw te vertrekken;
hij keek mij wat verwonderd aan, maar ging toch mee, toen ik opstond
en mij bij de heeren verontschuldigde, daar de directeur ons wachtte.

Den volgenden dag vonden wij de straten, die naar het binnenste
gedeelte van het eiland voerden, bijna alle gebarrikadeerd en door de
soldaten van Tanu bezet; voor het huis van den Britschen consul, het
Gerechts-hof en de woningen der aanzienlijkste Engelsche kooplieden,
stonden Engelsche mariniers en matrozen op de wacht; op dezelfde wijze
werd het Amerikaansche consulaat bewaakt. Dien dag kwam het niet
tot een gevecht. Den morgen daarop zond Admiraal Kautz een laatste
opdracht aan Mataafa, inhoudende, dat deze met zijn soldaten op den
middag van 15 Maart de gemeente Apia moest ontruimd hebben en dat,
als hij hieraan niet voldeed, met het beschieten van het door hem
bezette gedeelte der stad een aanvang zou worden gemaakt.

Mataafa stoorde zich in het geheel niet aan dit bericht, maar begon
van zijn stelling de stad aan te vallen en de hem tegenoverstaande
soldaten van Tanu terug te dringen; niet voordat de duisternis inviel,
kwam er een eind aan dezen strijd. Toen de soldaten van Tanu den
volgenden morgen op nieuw werden aangevallen, haalden de Amerikaansche
en Engelsche consuls admiraal Kautz over om reeds een halfuur voor
den vastgestelden tijd van de "Philadelphia" en de "Royalist" met het
schieten op de dorpen te beginnen, die door Mataafa en zijn aanhangers
bezet waren. Terzelfder tijd ontving de commandant van de "Porpoise"
bevel de dorpen ten Oosten en Westen van Apia te bombardeeren,
waarvan eenige, die aan den oever lagen, zeer spoedig in brand stonden.

Daar de door Mataafa bezette plaatsen door een dicht woud omringd
waren, was het voor de kanonniers der "Philadelphia" en van de
"Royalist" zeer moeilijk de juiste standplaats der vijandelijke partij
te bepalen; het gevolg van deze onzekerheid was, dat verscheidene
schoten aan beide zijden der verdedigingslinie hun doel misten. Zoo
barstte onder anderen een bom van de "Philadelphia" in de onmiddellijke
nabijheid van het Amerikaansche consulaat uiteen en doodde een groot
aantal van de aldaar op post staande mariniers. Ook in de woning van
den Duitschen consul zeer dicht bij ons, kwam een groote bom door het
lichte dak in de keuken terecht, waar zij al het keukengereedschap
vernielde.

Op verlangen van den directeur liep ik er vlug heen om te informeeren,
of de granaatkogel soms ernstig kwaad aangericht en een der bewoners
van het consulaat gekwetst had, maar tot mijn blijdschap vernam ik
dat, zooals reeds gezegd, alleen de breekbare waar in de keuken kort
en klein geslagen was.

Een groot aantal Duitsche inwoners van Apia begaf zich nog denzelfden
avond aan boord van den kruiser "Falke" om zich in veiligheid
te brengen, niet alleen voor de granaatkogels der Engelschen en
Amerikanen maar ook voor mogelijke aanvallen van de aanhangers van
Tanu, hun beschermelingen.

Zoowel consul Rose als directeur Beckmann bleven in hun huizen, te meer
omdat de eerste van den commandant der "Falke" een veiligheidswacht
had gekregen, die zoo noodig ook ons hulp zou kunnen verleenen, daar
de woning van den directeur slechts enkele schreden van het consulaat
verwijderd was. Bij het vallen van den avond hield het bombardement
op, maar lang zouden wij ons niet in onze rust verheugen. Midden in
den nacht deed Mataafa met zijn soldaten een hevigen aanval op de
stad en sloeg het leger van koning Tanu een heel eind terug, totdat
deze van een afdeeling Britsche matrozen ondersteuning kreeg. Toen er
verscheidenen van dezen, door de kogels hunner aanvallers gevallen
waren, trokken zich de krijgslieden van Mataafa weder in hun
verschansingen terug.

Mijnheer Beckmann, Petersen en ik hadden het geheele gevecht van
het terras voor ons huis gadegeslagen; dit terras lag vrij hoog en
was door een sterke borstwering omgeven, zoodat wij voor eventueel
verdwaalde kogels beschut waren.

"Een flinke, dappere kerel, die Mataafa!" riep Hendrik uit, toen wij
den koning met zijn troepen zoo moedig voorwaarts zagen rukken. "In
weerwil van de vijandelijke granaatkogels, die hem sedert vanmiddag om
de ooren vlogen, grijpt hij den vijand nog in den nacht aan en drijft
hem terug om te toonen, dat hij den moed nog lang niet verloren heeft."

"Ronduit gesproken, vind ik het al heel schandelijk van de Engelschen
en Amerikanen om een bombardement te beginnen op niet ommuurde dorpen
en menschen, die zich niet verdedigen kunnen!" riep ik onwillekeurig
uit.

"Het is niet voor het eerst, dat de heeren Engelschen zulk een
heldendaad verrichten, beste vriend," zeide de directeur op zijn
bedaarde manier van spreken. "Denk maar eens aan het bombardement
van Alexanderië in het jaar 1882, en den opstand van Arabi Pacha;
dat was ook een open stad."

Het overige van den nacht ging ongestoord voorbij. Den volgenden
dag begon het beschieten opnieuw en een volle acht daag hield het
thans aan. Bijna de geheele blanke bevolking nam de vlucht op de
oorlogsschepen; velen verlieten Samoa voor altijd.

In weerwil van de talrijke verliezen aan menschenlevens hield Mataafa
zich gedurende het geheele bombardement dapper staande en gaf geen
enkele der door hem ingenomen stellingen op. Toen het schieten gestaakt
werd, dat geen ander gevolg had gehad dan een groote slachting onder de
inboorlingen van Samoa, waarvoor bovendien geen bepaalde aanleiding was
geweest, werd het langzamerhand weer rustig. De vluchtelingen verlieten
de oorlogsschepen, waarop zij bescherming gezocht en gevonden hadden
en keerden naar hun woningen terug, waarvan er zeker niet weinige
door de granaatkogels of de plunderende krijgslieden van Tanu in
deerniswaardigen toestand gebracht waren.

Ook mijn vriend Hendrik en ik zeiden het huis van onzen directeur,
dien wij in dezen veelbewogen tijd als een dierbaar familielid hadden
leeren kennen, vaarwel en keerden naar onze woonplaatsen terug--hij
naar Mulifanua, ik naar Laulii.



Tiende Hoofdstuk.
Samoa wordt een Duitsche kolonie.


Weinig dagen na mijn terugkomst lazen wij in de courant, dat den 23_en_
Maart in tegenwoordigheid van de Engelsche en Amerikaansche consuls
de feestelijke kroning van Tanu had plaats gehad, dus onmiddellijk
na het bombardement van Apia. Deze handelwijze van den kant der beide
consuls was hoofdzakelijk slechts een openbaring hunner vijandelijke,
verbitterde stemming tegenover Duitschland en in den grond zonder
eenige practische uitwerking, daar Mataafa, zooals reeds is vermeld,
in weerwil van het langdurig beleg, al zijn stellingen dapper had
weten te handhaven.

Zoowel onze consul Rose als president Raffel hadden dadelijk bij
het Duitsch bewind een flink gesteld protest ingediend tegen deze
slachtingen door de Engelsche en Amerikaansche scheepscommandanten
op de bewoners van Samoa gehouden, waarvoor, zooals hier boven reeds
is gezegd, geen enkel geldig motief bestond.

De gevolgen van dit protest waren, dat het bestuur der
veiligheidswachten de zaak in handen nam en vooral Engeland zijn
instemming betuigde met de voorslagen van het Duitsch gouvernement,
om voorgoed een eind te maken aan de vijandelijkheden en daarom
een commissie naar Apia te zenden, die bestaan zou uit drie
vertegenwoordigers der veiligheidswacht.

Voor deze commissie de plaats harer bestemming bereikte, kwam het
in April nog tot twee gevechten. Mataafa was er in geslaagd onzen
ouden vriend Tamasese voor zijn partij te winnen, die zich met het
grootste gedeelte zijner aanhangers met Mataafa's strijdkrachten
vereenigde. Tamasese was tot dit verbond overgegaan, minder uit
bijzondere sympathie voor zijn vroegeren mededinger, dan wel uit haat
tegenover zijn oude vijanden, Malietoa en diens zoon Tanu; ook had
hij meer vertrouwen op de macht van Duitschland dan op den invloed
van de door hem van ouds zoo bitter gehate Engelschen.

Zooals ik bij mijn eerste bezoek aan Apia vernam, waarheen ik
mij begeven had om de noodige gelden in ontvangst te nemen tot
uitbetaling der salarissen, waren door het bombardement niet alleen
een groot aantal inboorlingen gedood, maar ook verscheidene dorpen
geheel verwoest, vooral die, welke dicht bij den oever gelegen
waren. Eveneens hadden vele Europeanen en Amerikanen aanzienlijke
schade geleden; hun woonhuizen waren door de granaten gedeeltelijk
verbrand en alleenstaande aanplantingen geheel verwoest. Zij wendden
zich met hun bezwaren tot den consul, wien het aanging, en ontvingen
van hem het voorloopig antwoord, dat zij geduld moesten hebben tot
de bijeenkomst der internationale commissie.

Den 15_en_ April zat ik 's morgens met Gaedecke aan het ontbijt,
toen wij duidelijk kanongebulder hoorden, gevolgd door het zwakker
geluid van geweervuur.

"Het zou mij niet verwonderen, als er in de bergen westwaarts een
gevecht plaats had tusschen Mataafa en de mannen van Tanu," riep ik,
terwijl ik opsprong en naar buiten ging.

"Dat geloof ik ook," antwoordde mijn collega, die mij gevolgd
was. "Maar hoe is het kanonvuur te verklaren, daar de twee partijen
toch moeilijk over kanonnen zullen kunnen beschikken?"

"Ja wel, ik herinner mij heel goed, dat de Amerikaansche admiraal zijn
beschermeling Tanu twee lichte kanonnen heeft geschonken, toen diens
aanhangers met de Engelsche kruiser 'Royalist', vervoerd werden; als
ik mij niet vergis, over de tweeduizend man. Ik heb de twee stukken
geschut zelf gezien, toen deze voorbij het huis van onzen directeur
getrokken werden, om tegen een verschansing van Mataafa te worden
aangewend. Ga mee, vriend," ging ik voort, "wij zullen onze paarden
laten zadelen en naar den top van den berg rijden; daar zullen wij
zeker iets van het gevecht kunnen zien."

Gaedecke nam met mijn voorstel genoegen; tien minuten later bestegen
wij de door de knechten vlug gezadelde paarden, nadat wij uit voorzorg
onze revolvers in den zak hadden gestoken; men kon nooit weten,
of men niet genoodzaakt zou zijn er gebruik van te maken.

Wij draafden langs den linkeroever der rivier voort tot beneden aan
de plaats, waar Mataafa in November van het vorige jaar de mannen van
Tanu met hun Engelsche bondgenooten in den rug aangevallen en over de
bergen teruggedreven had. Zoo vlug het met onze kleine paarden gaan
kon, reden wij vervolgens in schuinsche richting de helling op en,
toen wij den top bereikt hadden, konden wij het vrij breede dal van
de Letoga-rivier overzien en ons spoedig overtuigen, dat ik mij in
mijn vermoeden niet bedrogen had. Ongeveer een kilometer het dal in,
werd inderdaad een levendige strijd gevoerd op den nog slechts met
enkele boomen en struiken begroeiden linkeroever, juist tegenover
een plaats aan den rechteroever, het Samoaansche dorp Muliangi,
zooals ik later vernam.

Nadat wij nog een eind de westelijke helling van den bergrug afgereden
waren, kwamen wij aan een plaats, waar de boomen minder dicht bij
elkander stonden, zoodat wij het dal goed konden overzien en zelfs
de gestalten der strijdvoerenden vrij duidelijk onderscheiden.

"Kijk, daar ginds, aan den voet van de helling zijn de twee stukken
geschut opgesteld," zeide ik tot mijn metgezel; "zooals ik zie, worden
zij echter niet door inboorlingen bediend, maar door Amerikaansche
matrozen. Ook is daar ginds tusschen de boomen een heele afdeeling
Engelsche mariniers en matrozen vol ijver aan het schieten op de
mannen van Mataafa. Dezen schijnen door het vijandelijk vuur niet
veel verliezen te lijden, want zij houden hun stelling aan de rivier
tusschen de boomen staande. Zie je daar, een beetje hooger en meer naar
ons toe, dien flinken Samoaner, die met een heele schaar inboorlingen
uit het boschje aanrukt om de twee kanonnen in de rechterflank
aan te vallen? Dat is nog een oude kennis van mij uit Mulifanua,
de vroegere tegenkoning van Malutoa, Tamasese; een kranige kerel,
hè? Kijk eens aan! Door het onvermoeid vuren zijner soldaten dwingt
hij de kanonnen hun stelling op te geven en zich langs de rivier
terug te trekken. Ook schijnt Mataafa's volkje door het zwijgen van
het geschut nieuwen moed gevat te hebben; ten minste hun koning leidt
hen van twee kanten naar de Engelschen en hun vrienden, die zich ook
niet lang meer zullen staande houden."

Met behulp van mijn vrij sterken tooneelkijker, dien ik aan een
riempje over mijn schouder droeg, kon ik de afzonderlijke gestalten
der strijdenden aan weerszijden nauwkeurig onderscheiden, daar wij
nauwelijks een kilometer van hen verwijderd waren. Op dit oogenblik,
terwijl ik nog bezig was de bewegingen der strijdenden in het dal gade
te slaan, riep Gaedecke, die eenige meters lager dan ik stond, mij toe:

"Richt je kijker eens op gindsche helling aan den overkant, Arendt; als
mijn oog zich niet bedriegt, daalt daar een groote troep inboorlingen
den berg af en het dal in."

"Ja, waarlijk! Je hebt je niet vergist, beste vriend," antwoordde
ik, na eenige oogenblikken de tusschen de boomen zichtbaar wordende
gestalten te hebben gadegeslagen. "Het zijn gewapende inboorlingen,
waaronder ik zelfs eenige 'Blauwjakken' heb opgemerkt; het kunnen
dus alleen mannen van Tanu zijn met eenige Britsche en Amerikaansche
matrozen. Nu wordt mij ook duidelijk, wat die luitjes in het schild
voeren; zij willen op dezelfde wijze de helling afgaan, totdat zij
zich een vier en twintig meter boven de strijdenden in het rivierdal
bevinden en dan Mataafa's soldaten in den rug aanvallen, hetgeen voor
onzen vriend licht hachelijk zou kunnen worden. Als het mij echter
eenigszins mogelijk is, zal ik er een schotje voor steken. Blijf jij
hier rustig wachten, Gaedecke, dan rijd ik onmiddellijk de helling
af en het dal in, zoo hard als mijn paard loopen kan, om Tamasese of
een ander opperhoofd van Mataafa van het dreigend gevaar in kennis
te stellen."

"O neen, Arendt, hier blijven doe ik niet!" riep Gaedecke uit. "Ik
zou je alleen aan het gevaar blootstellen om midden in het gevecht
te geraken! Dat nooit! Ik ga met je mede. Vooruit dus! Geen tijd
verloren laten gaan!"

Bij deze woorden steeg hij van het paard en leidde het de steile
helling af; natuurlijk volgde ik zijn voorbeeld, ofschoon de
gedachte mijn bedaarden, vredelievenden vriend aan het gevaar te zien
blootgesteld van door een kogel getroffen te worden mij zeer bezorgd
maakte; ik begreep echter Gaedeckes bedoeling zeer goed: hij wilde
mij laten zien, dat het hem, den geleerde, als het er op aankwam,
evenmin aan moed ontbrak als mij den vroegeren soldaat.

Zoodra wij aan den rechteroever der Letoga-rivier gekomen waren,
draafden wij met den stroom mee, tot wij ongeveer op dezelfde hoogte
genaderd waren van het leger van Tamasese aan den overkant. Wij
reden toen door de vrij ondiepe rivier en stuitten na weinig tijds
op de manschappen van mijn ouden bekende, die gedeeltelijk op de,
zeker honderd meter breede, ruimte tusschen de Letoga en den voet
van den Westelijken bergrand, gedeeltelijk op een uitgestrektheid van
de helling een verdedigings-linie vormden, waarop zij en de vijanden
elkander beschoten. De hoofdmacht van Mataafa bevond zich iets lager
en scheen, zoover ik zien kon, in een hardnekkig gevecht gewikkeld met
het leger van Tanu en diens bondgenooten, die blijkbaar het voornemen
hadden Mataafa met zijn soldaten over de rivier terug te dringen.

Ik steeg dadelijk van mijn paard, waarvan ik de teugels aan Gaedecke
overgaf, met verzoek achter de eerste boomen aan den rand der helling,
waar hij en de dieren ten minste eenigszins voor de vijandelijke kogels
beschut zouden zijn, mijn terugkomst af te wachten. Nadat ik mij,
zoo goed en zoo kwaad het ging, achter struikgewas en boomstammen
een poos had schuilgehouden, sprong ik, zoodra ik begreep, dat
ik gehoord zou worden, vlug naar voren en riep den Samoaners mijn
"Talofa" toe, verwonderd keken de eersten om en beantwoordden mijn
groet zeer vriendelijk en, toen ik daarop vroeg, waar hun aanvoerder
Tamasese zich op dit oogenblik ophield, wezen zij naar de hoogte op de
helling, waarna zij weder met groote bedaardheid hun buksen afvuurden
in de richting, waar hun vijanden moesten staan, maar van wie mij
geen enkele in het oog viel. Zij hielden zich zeker evengoed achter
boomstammen verborgen als het leger van Tamasese; de twee partijen
deden elkander waarschijnlijk niet veel nadeel, ofschoon er met veel
geestdrift werd geschoten; mij ten minste vlogen verscheiden malen
eenige kogels om het hoofd.

Nadat wij een oogenblikje gestegen hadden, zag ik Tamasese bijna
op den rand der hoogvlakte staan, die zich tusschen de Letoga-
en de Vailele-rivier uitstrekt, waar hij ongeveer dertig soldaten
om zich heen had geschaard, waarschijnlijk met het voornemen den
vijand van bovenaf onverwachts aan te vallen. Zoodra ik de kleine
open plek betrad, kwam mij de voormalige tegenkoning van Malietoa
eenige stappen tegemoet, nam mij een oogenblik scherp met zijn groote
donkere oogen op en riep toen met een vriendelijk lachje zijn "Talofa"
uit, terwijl hij mij tevens de hand toestak; hij had mij dus dadelijk
herkend. Nadat ook ik hem vriendschappelijk had begroet, deelde ik
hem, zoo vlug mij dit in de Samoaansche taal mogelijk was, mede,
welk gevaar hem en de zijnen bedreigde.

Onmiddellijk riep hij zijn krijgslieden bij elkaar en daalde met
hen de helling af, in de verdedigingslinie slechts zooveel man
achterlatend, als strikt noodzakelijk was, om het vuur te onderhouden
en de bewegingen van Tamasese onduidelijk te maken. In het dal
aangekomen, nam ik afscheid van Tamasese, die mij op de hartelijkste
wijze bedankte, en spoedde mij naar Gaedecke, die rustig achter de
boomen mijn terugkeer had afgewacht.

In weinig woorden vertelde ik hem mijn ontmoeting met den kapitein,
steeg vervolgens in den zadel en stelde voor, op de eerste ondiepe
plaats de rivier te doorwaden en naar ons eerste standpunt op
den oostelijken rand van het dal terug te keeren, daar wij op den
linkeroever gevaar liepen midden tusschen de vijandelijke kogels
te geraken. Nauwelijks hadden wij dan ook de Letoga overgestoken en
een eind den berg opgereden, of wij hoorden al een hevig schieten van
geweren en luide oorlogskreten. Iets hooger aangeland, konden wij zien,
dat het Tamasese gelukt was nog voor de aankomst van Tanu's leger
een stelling in te nemen, waar de ruimte tusschen rivier en helling
nauwelijks veertig meter breed en bovendien met kreupelhout bedekt
was; toen zijn vijanden nu laag genoeg gedaald waren, werden zij uit
deze verborgen hinderlaag met zooveel geweerschoten ontvangen, dat
het gevecht spoedig tot staan kwam. Intusschen drong ook het geluid
van levendig geweervuur van den anderen kant van het dal, vermengd
met kanongebulder tot ons door, waaruit wij een vrij hevigen strijd
opmaakten; van ons standpunt echter konden wij het slagveld niet meer
zoo goed overzien als vroeger, daar Mataafa er in geslaagd scheen te
zijn, den hem tegenoverstaanden vijand een heel eind terug te dringen.

Plotseling zagen wij een groote schaar inboorlingen op den linkeroever
naar boven ijlen, aan wier hoofd een man stond, in wien Gaedecke den
ouden kapitein herkende, die het vorig jaar in gezelschap van Mataafa
eenigen tijd bij ons gerust had en dien ik door mijn onderhandelen
met den Britschen officier uit groote verlegenheid had gered. Voor
zoover wij konden nagaan, zond Mataafa den kapitein met een sterke
afdeeling soldaten zijn bondgenoot Tamasese te hulp, nadat hij door
het aanhoudend schieten in het Noordelijk gedeelte van het dal,
op het aldaar plaats hebbend gevecht opmerkzaam was geworden.

Deze versterking van zijn troepen scheen zeer van pas te komen, want
Tamasese had het met zijn kleine veertig man hard te verantwoorden
tegenover de veel talrijker soldaten van Tanu en de matrozen. Toch
hadden zij zich zoo dapper gehouden, dat het den laatsten nog niet
gelukt was hen uit het bezette kreupelhout te verdrijven. Thans werd
ik tot mijn vreugd en geruststelling gewaar, dat Tamasese den kapitein
met het grootste gedeelte zijner manschappen de helling opstuurde,
klaarblijkelijk met het doel den vijand van boven af in de flank aan
te tasten. Deze omsingeling gelukte ook volkomen, want nauwelijks
een half uur later zagen wij, dat de mannen van Tanu dadelijk na de
eerste schoten, die hen tegemoet kwamen, weer naar boven trokken en
spoedig in het dichte woud uit ons oog verdwenen.

Mataafa scheen er eveneens in geslaagd te zijn, zijn tegenpartij
de Letoga verder af te dringen, want wij vernamen van dien kant
nog slechts enkele schoten. Het geheele gevecht, dat men wel een
slachting had kunnen noemen, had bijna drie uren geduurd, zoodat
wij in een verzengenden zonnegloed den terugtocht naar de factorij
moesten aanvaarden; wij verheugden er ons echter oprecht over, dat
het den dapperen Mataafa wederom gelukt was, zijn erfvijanden en de
helpers van hun bondgenooten, de Britsche en Amerikaansche zeelieden
te verslaan, hetgeen voor de beide laatsten toch ongetwijfeld een
groote schande was.

In den namiddag waren Gaedecke en ik voornemens ons naar de op
de oostelijke helling gelegen cultures te begeven, toen wij een
troepje inboorlingen ontdekten, die den kant van Laulii uitkwamen
en onze woning naderden. Het duurde niet lang, of ik herkende aan
het hoofd daarvan mijn kennis Tamasese benevens onzen vriend, den
ouden kapitein. Beiden riepen ons een zeer vriendelijk "Talofa" toe,
toen zij bij de veranda aan den voorkant van het huis gekomen waren,
hetgeen wij op dezelfde wijze beantwoordden met de uitnoodiging bij
ons van de vermoeienissen wat te komen uitrusten.

"Ik kom u bezoeken, mijnheer," begon Tamasese, nadat hij had plaats
genomen "om u te bedanken voor uw tijdige waarschuwing van heden
morgen, en ook Mataafa laat u dank zeggen; hij kan zelf niet komen,
omdat hij onze soldaten niet zonder toezicht wil laten, daar hij ieder
oogenblik op een nieuwen aanval van Tanu voorbereid moet zijn. Als u
mij niet opmerkzaam hadt gemaakt op het gevaar, waarmede ik bedreigd
werd, zouden wij licht in groote moeilijkheden geraakt zijn."

"Het was niet meer dan een staaltje van mijn plicht, een vriend van
mijn landgenooten en zulk een geacht opperhoofd te helpen," gaf ik
ten antwoord, terwijl ik de mij toegestoken hand hartelijk schudde.

Inmiddels had Gaedecke op een wenk van mij den bedienden bevolen eenige
flesschen bier naar de veranda te brengen, daar ik de voorliefde van
Tamasese voor dezen drank kende; ook de zes krijgslieden, die zich in
de schaduw der bananen hadden nedergelegd, kregen een flesch whiskey
en eenige sigaren. Met zichtbaar welgevallen dronk Tamasese zijn
glas uit en at een weinig koud vleesch en brood, dat Sufa eveneens
had klaargezet.

"De soldaten van Tanu en de matrozen hebben zich bijna geheel tot
aan de kust teruggetrokken," begon hij vervolgens, nadat hij een
sigaar had aangestoken "en ginds, in de buurt van Vailina een kamp
opgeslagen. Zooals Mataafa mij heeft meegedeeld, wil hij hen zoo
mogelijk reeds morgen aanvallen en tot Apia terugdringen om weder
in het bezit te geraken der dorpen, die hij na het bombardement
heeft moeten ontruimen. Wij zullen den strijd niet eerder opgeven,
voordat het ons gelukt is Tanu en zijn partij geheel te vernietigen,
in weerwil van de hulp, die hij van de Engelschen ontvangt. Nooit
zullen wij ons onderwerpen aan de heerschappij van dezen knaap."

Wij wenschten hem en Mataafa oprecht een schitterend succes en
begeleidden Tamasese en zijn gevolg een eind weegs het dal in, toen
zij twee uren later vertrokken.

Den volgenden dag scheen er geen gevecht te hebben plaats gehad; ten
minste wij vernamen noch het knallen der geweren, noch het bulderen
van het geschut op de kust, die toch slechts een kilometer van ons
woonhuis verwijderd was. Den 17_en_ April, echter, hoorden wij in
de eerste middaguren het gebulder van zware kanonnen, hetgeen wij
ons zelf in het geheel niet konden verklaren, tot ik op de gedachte
kwam, dat waarschijnlijk de "Philadelphia" of de twee Engelsche
oorlogsschepen van Apia gekomen en de golf ten Westen van Laulii
binnengeloopen waren om Tanu en zijn soldaten te ondersteunen.

Ik deelde mijn vermoeden aan Gaedecke mede, die dadelijk voorstelde
naar Laulii, aan de overzijde, te rijden om het gevecht, van den
berg af gade te slaan. Enkele minuten later zaten wij in den zadel
en draafden door het dal. Hoe dichter wij bij de kust kwamen, hoe
duidelijker wij het dreunen der groote scheepskanonnen hoorden. In
Laulii zelf konden wij intusschen niets van de oorlogsschepen te
zien krijgen; daarom reden wij naar den uitlooper van den bergrug,
die zeer steil naar de zee afhelde en zich ten Westen van den ingang
van ons dal bevond. Daar genoten wij een verrassend schoon uitzicht.

De "Philadelphia" zoowel als de Engelsche kruiser "Porpoise" waren,
zoover het met het koraalrif mogelijk was, in de golf voor anker
gegaan en beschoten de geheele vlakte aan beide zijden van den mond
der Letoga, met groote granaten, voornamelijk het dorp Vailina, dat
spoedig op verscheidene punten in brand stond. Van Mataafa's troepen
konden wij aanvankelijk niets ontdekken, totdat ik eindelijk door mijn
tooneelkijker bespeurde, dat zij zich in de dichte Mongrove-bosschen
ten Westen van het dorp teruggetrokken hadden, nadat dit door het
kanonvuur in brand gestoken was. In alle geval had Mataafa den vijand
uit dit door hem bezette dorp verdreven, dat daarop dadelijk door de
oorlogsschepen beschoten werd, waardoor Mataafa genoodzaakt was het te
verlaten. Wij konden het einde van het gevecht niet afwachten, daar er
reeds verscheiden granaten in onze nabijheid gesprongen waren, waarvan
de ver uiteenspattende stukken ons licht hadden kunnen treffen. Ik
kwam namelijk nu eerst tot het besef, dat onmiddellijk onder ons niet
bijzonder hoog standpunt, zich slechts enkele minuten geleden een
zeer hevig geweervuur geopend had, ongetwijfeld tusschen een grootere
legerafdeeling van Mataafa en de krijgslieden van Tanu; door het dichte
struikgewas konden wij echter niets van het gevecht zien. Thans waren
de scheepskanonnen begonnen hun vuur op de krijgslieden van Mataafa
te richten, die zich tusschen de boomen en het kreupelhout bevonden.

Om niet voor onze nieuwsgierigheid door de in het rond vliegende
granaatsplinters gestraft te worden, daalden wij in de richting van
Laulii de helling zoo vlug mogelijk af en keerden naar huis terug.

Naar wij later vernamen, had Mataafa zich ten gevolge van de inmenging
der oorlogsschepen in het gevecht, gedrongen gezien dit te staken
en zich in de bergen terug te trekken, om zich buiten bereik te
stellen van het vernielend granaatvuur; toen daarop de Tanu-krijgers,
aangemoedigd door dit terugwijken, hem vol vuur achtervolgden, viel
hij met zooveel moed en dapperheid op zijn vervolgers aan, dat zij
zeer spoedig alle mogelijke pogingen om zich van hem meester te maken
moesten opgeven.

Deze veldslag bij Vailine was het eerste groote gevecht tusschen de
vijandelijke partijen. Den 13_n_ Mei kwam eindelijk de internationale
commissie te Apia bijeen, om de verwikkelingen en oneenigheden op
Samoa bij te leggen. Nadat de vertegenwoordigers der drie beschermende
mogendheden, zich nauwkeurig op de hoogte gesteld hadden van de
gebeurtenissen op de eilanden der Samoagroep, waarbij de voorzitter
van den gemeenteraad, dokter Raffel, hen door zijn mededeelingen
flink ter zijde stond, besloot de commissie, den 10_n_ Juni, Tanu als
koning te erkennen, doch alleen onder voorwaarde, dat hij dadelijk
alle aanspraken op die waardigheid zou laten varen; daarna werd het
koningschap onvoorwaardelijk afgeschaft en de regeering aan de drie
consuls overgedragen. Voorts werd er een bevel gegeven, dat allen
inboorlingen gebood hun wapens in Apia te komen brengen. Om den
Duitschers eenige voldoening te geven, werden admiraal Kautz en de
president van de rechtbank Chambers, teruggeroepen; dezen hadden door
hun intriges en dwingelandij veel bijgedragen tot de oneenigheden en
het bloedvergieten.

De ontwapening der inlanders ging zonder moeilijkheden gepaard en
spoedig heerschte er volkomen rust op dit door de natuur zoo rijk
bedeelde, verrukkelijk schoone eiland.

Ook op onze plantages bloeiden al de cultures zoo heerlijk, dat wij na
eenige weken een overvloedigen oogst, aan kopra, katoen, suikerriet en
cacao naar Laulii op buffelkarren konden laten vervoeren, waar hij op
een kotter, die uit Apia overgestuurd was, overgeladen werd. Zelfs was
onze proef met het telen van de tabaksplant zeer gunstig uitgevallen;
wij hadden zooveel tabaksblaren geoogst, dat wij niet alleen genoeg
voor ons zelf hadden, maar ook een vrij aanzienlijke hoeveelheid
naar Matafele konden zenden. Onder onze Samoaansche werklieden waren
er verscheidenen, die van de ruwe bladeren heel goed sigaren konden
maken, die Gaedecke en mij ten minste bijzonder lekker smaakten.

Toen ik in het begin van Juni naar Apia voer, om de noodige gelden
voor ons en het werkvolk in ontvangst te nemen, vond ik het grootste
gedeelte der huizen, die door het bombardement vernield waren, reeds
hernieuwd of in aanbouw. In de bijna geheel verbrande en verwoeste
dorpen in den omtrek der stad, hadden de inlanders hun eenvoudige,
maar toch zeer aardige en geriefelijke hutten weer opgebouwd; alleen
zag het er in de plantages, die erg door de granaatkogels geleden
hadden, zeer treurig uit. Wel hadden de eigenaars schadevergoeding
verlangd, maar er konden maanden verloopen voor de regeeringen van
Engeland en Noord-Amerika, het over het uitbetalen dier sommen eens
waren geworden. Directeur Beckmann gaf zijn tevredenheid over den bloei
den factorij te kennen en prees Gaedecke, die haar zoo voorzichtig en
uitstekend bestuurd had; hij gaf mij een brief voor mijn collega mee,
waarin hij dezen zijn hartelijken dank betuigde.

Van deze gunstige stemming maakte ik gebruik, om mijn chef verlof te
vragen een paar dagen naar Mulifanua te mogen gaan, waar ik zoo heel
gaarne, mijnheer Krüger en vooral mijn vriend Petersen, een bezoek
zou willen brengen. Nu de oogst binnen was en ik betrekkelijk weinig
te doen had, kon ik gemakkelijk een poosje gemist worden.

"Met alle genoegen, beste Arendt!" gaf de directeur minzaam ten
antwoord. "Breng morgen het geld naar de factorij en leg het zoo aan,
dat gij aanstaanden Maandag weer terug zijt; ik ben namelijk van plan
op dien dag zelf naar Mulifanua te gaan en wil u dan meenemen."

Toen ik op onze plantage terug was, deelde ik Gaedecke mede, dat ik
verlof had gekregen en voegde er bij, dat ik hem aanstaanden Maandag
voor een paar dagen verlaten zou, om mijn vrienden in Mulifanua
te bezoeken.

"Je hebt gelijk, vriend, dat je dien vrijen tijd zoo gebruikt,"
antwoordde mijn collega, "maar ik zou heel gaarne zien, dat je het
zoo kondt schikken, aanstaanden Zaterdag weer hier te zijn. Ik ben
voornemens, den Zondag daarop naar Vaitele te rijden, om bruiloft
te houden, en ik noodig je bij dezen hartelijk op mijn feest. Nu de
vrede op het eiland, Goddank, en wij willen hopen voorgoed, hersteld
is, zie ik niet in, waarom ik mijn hartewensch nog langer zou moeten
uitstellen."

"Ik denk er eveneens over en neem je uitnoodiging heel gaarne aan,"
antwoordde ik. "Je kunt er vast op rekenen, dat ik prompt op tijd
weer terug zal zijn."

Dadelijk na zonsopgang voer ik 's Maandags in onze kano van Laulii naar
Apia en ging onmiddellijk naar directeur Beckmann, met wien ik ontbeet
en mij daarna aan boord van de groote boot begaf, waarin de directeur
gewoonlijk kleine tochtjes naar de factorijen aan de kust, ondernam.

In de eerste uren van den middag liepen wij de haven van Mulifanua
binnen, en begaven wij ons onverwijld, naar het woonhuis, waar wij
zonder ons te laten aandienen mijnheer Krüger en Petersen op het
terras in den tuin aantroffen, onder het gebruik van een kop thee.

Met een luiden vreugdekreet sprong Hendrik op, toen hij ons zag,
begroette eerst den directeur en omhelsde mij toen, met de woorden:
"Mijn jongen! Mijn beste Herman! Blijf je nu weer bij ons?"

Ik beantwoordde deze begroeting even hartelijk, en drukte daarna de
hand van mijnheer Krüger, die hij mij vriendelijk lachend toestak,
terwijl de directeur zeide:

"Neen, waarde Petersen, uw vriend Arendt kon zijn verlangen naar u
en zijn vroegeren chef niet langer bedwingen en wilde u beiden heel
gaarne weer eens zien. Ik moest het gevraagde verlof wel toestaan
en heb hem nu maar meegebracht, omdat ik ook verlangde eenige
bijzonderheden met u, mijnheer Krüger, te bespreken."

"U weet wel, waarde directeur, dat uw bezoek, mij altijd welkom
is; jammer, dat het zoo zelden plaats heeft," antwoordde mijnheer
Krüger. "Verkwikt u nu met een kop thee, Heeren, en geniet van de
heerlijke koelte in deze kamer, na den langen tocht in den brandenden
zonnegloed."

Terwijl wij nog aan de theetafel zaten, kwamen twee onzer roeiers
mijn handkoffer en dien van den directeur brengen. Behalve eenig
onontbeerlijk ondergoed en wat dunne bovenkleeren, die in dit
tropisch klimaat zoo noodig zijn, had ik tweehonderd stuks van onze
eigengemaakte sigaren uit de zelf gekweekte tabak, ingepakt; deze
overhandigde ik nu aan mijnheer Krüger en Petersen. Beiden waren,
zooals ik wist, hartstochtelijke rookers; zij staken direct eens op
en prezen zeer den smaak en geur der heerlijke tabak.

Spoedig daarop begaven de directeur en ik ons naar onze vertrekken om
wat te rusten. Na een verkwikkend bad, vonden wij onze vriendelijke
gastheeren weer op het terras, waar zij ons met een heerlijk diner
wachtten. Onder het eten vroeg Petersen mij nadere bijzonderheden
van de twee laatste groote gevechten bij Muliangi en Vailina, waarvan
Tamasese hem verteld had.

"Onze oude vriend bezocht ons dadelijk na zijn terugkomst in zijn
vroeger hoofdkwartier 'Falelatar,'" zeide Hendrik, "en hij heeft ons
wonderen verteld van je heldenfeiten in het eerste gevecht; hij sprak
met groote dankbaarheid over je tijdige waarschuwing aangaande de
dreigende, vijandelijke overrompeling; hoewel de kogels om je heen
floten, was je toch bij hem gekomen. Waarachtig! je hebt bewezen,
dat een vroeger Duitsch soldaat, niet gemakkelijk den juisten blik
op de verrichtingen in een legerkamp verliest. Op je welzijn in het
bijzonder, oude vriend en kameraad!"

Toen moest ik uitvoerig het voorgevallene bij dat gevecht, en hoe ik
tusschenbeide was gekomen, vertellen, want de directeur wist hiervan
nog niets.

Na het diner reden wij naar de plantage, waar de opzichter Mertens
ons heel vriendelijk ontving. Al de cultures stonden in vollen bloei
en beloofden een rijken oogst, dank zij de voorzichtige leiding van
mijnheer Krüger, die hierin flink door Petersen en Mertens geholpen
werd. Naar deze mij mededeelde, hadden al de werklieden hun contracten
voor drie jaar verlengd, daar zij zich op de plantage zeer op hun
gemak gevoelden en vooral veel van Petersen hielden, die er uitstekend
den slag van had met het volk om te gaan en hun het leven aangenaam
te maken.

Den volgenden dag vertrok directeur Beckmann dadelijk na het ontbijt
naar Apia, en verzocht mij nog eens dringend hem op mijn terugreis
te komen bezoeken.

Zooals mijnheer Krüger mij vertelde, was hij zeer tevreden over mijn
opvolger in het boekhouden; het was een bescheiden jongmensch, die
spoedig op de hoogte van het werk was gekomen. Ik kon niet persoonlijk
kennis met hem maken, daar hij voor een paar dagen met verlof naar
Matafele was.

Na het diner ging ik met Hendrik naar de plantage en reed van daar
alleen naar de niet ver gelegen factorij Falelata, om mijnheer Hüsmann
en zijn familie een bezoek te brengen. Ik werd er zeer hartelijk
ontvangen; zij waren dien nacht nog niet vergeten, waarin Petersen
en ik hun te hulp waren gekomen om de overrompeling der inlanders te
doen mislukken.

Ik had te kennen gegeven, om, nu ik in Mulifanua was, ook den
vorigen koning Tamasese in zijn dorp te bezoeken, wat mijnheer
Krüger goedkeurde; vrijwillig stond hij ook Petersen toe met mij
mee te gaan. Geheel onverwacht verscheen op den middag, die voor ons
uitstapje bestemd was, Tamasese bij mijnheer Krüger, vergezeld van
twee zijner voornaamste opperhoofden; nu waren zij ongewapend. Hij had
evenals al de overige inlanders zijn wapenen moeten afleggen. Toen
wij elkander hartelijk begroet, en op het terras plaats genomen
hadden, vertelde hij ons, dat hij van een zijner lieden vernomen
had, dat ik mij in Mulifanua bevond, en nu was hij gekomen, om mij
nog eens te zien. Nooit zou hij den dienst vergeten, dien ik hem bij
Muliangi bewezen had, verzekerde hij mij, terwijl hij mij met groote
hartelijkheid de hand drukte.

Evenals vroeger smaakten verscheiden glazen Pschorrbräu Tamasese
uitstekend, maar toch schenen de jongste gebeurtenissen hem veel van
zijn zelfstandigheid als ex-pretendent naar de kroon, te hebben doen
verliezen, hij zag er ten minste tamelijk neerslachtig en ontevreden
uit.

Vrijdagmorgen nam ik afscheid van mijnheer Krüger en mijn vriend
Hendrik, die mij naar het strand bracht, waar de groote boot der
factorij op mij wachtte. Dadelijk na mijn aankomst te Apia, begaf ik
mij naar directeur Beckmann, bij wien ik bleef eten. Onder het diner
vroeg ik hem verlof, om in de nabijheid van ons woonhuis een klein
huisje te laten bouwen, daar ik na Gaedeckes huwelijk toch niet bij
hem kon blijven wonen; aanstaanden Zondag zou mijn vriend, zooals de
directeur wist, trouwen.

Glimlachend antwoordde mijnheer Beckmann: "Beste Arendt, dit verzoek
kan ik u niet toestaan."

Toen ik hem eenigszins verbluft aankeek, vervolgde hij:

"Mijn secretaris is met de laatste stoomboot naar Auckland vertrokken
om van daar naar Duitschland terug te keeren; sedert eenige maanden
was hij aan het sukkelen, daar hij niet tegen dit klimaat kon. Daarom
heb ik besloten, de niet onbelangrijke betrekking van secretaris aan
u op te dragen, en een der jongere bedienden van de Maatschappij in
Matafele, in uw plaats naar de factorij bij Laulii te zenden. Vindt
ge dit goed, vriend?"

"O, Directeur, hoe zal ik u voor zooveel goedheid, voor dit bewijs
van vertrouwen danken!" riep ik vroolijk verrast uit. "Het zal
mijn vurigst streven zijn, mij deze goedheid waardig te maken en uw
vertrouwen te behouden."

Mijn chef gaf mij over de tafel heen, vriendelijk lachend de hand,
die ik innig dankbaar drukte.

"Mijnheer Hellmann," zeide mijn chef nu verder, "zoo heet uw opvolger,
dien gij bij gelegenheid van uw bezoeken in Matafele, hebt leeren
kennen, zal u morgen vroeg naar Laulii vergezellen en voorloopig
bij den opzichter Hendriksen wonen, tot er een huisje voor hem in
orde gemaakt is. Ik heb een paar dagen geleden reeds aan Gaedecke
geschreven en hem van deze schikking op de hoogte gebracht. Wat er
mogelijk nog meer te doen valt, kunnen wij overmorgen in Vaitele
bij Tiedemann bespreken, daar ik ook op de bruiloft van uw vriend
genoodigd ben en met onzen tegenwoordigen predikant daarheen wil
rijden. Vannacht kunt ge al in de kamer, die voor u bestemd is,
slapen; ik zal uw koffer door een knecht van het hotel doen halen."

Na den maaltijd bracht de directeur mij zelf naar mijn kamer, een vrij
groot vertrek, met ramen, die op den tuin uitzagen, en liet mij toen
alleen, nadat hij mij nog gezegd had, dat ik den geheelen avond vrij
over mijn tijd kon beschikken, omdat hij een conferentie bij dokter
Raffel moest bijwonen.

Ik was zoo opgewonden over de onverwachte onderscheiding, die mij te
beurt was gevallen, dat het mij onmogelijk was thuis te blijven. Ik
stak een sigaar op, slenterde wel een uur lang de haven op en neer,
en belandde eindelijk in den Duitschen biertuin op het strand, waar
ik in gezelschap van de vroegere, bekende Duitsche kooplui een glas
bier dronk en eindelijk innig vergenoegd naar huis ging.

Den volgenden morgen gebruikte ik met den directeur vlug een kop thee
en voer toen in een boot, die men mij welwillend voor dit doel had
afgestaan, naar Laulii. Mijnheer Hellmann, die afscheid was komen
nemen van onzen chef, ging met mij mede.

Gaedecke ontving mij zeer hartelijk, feliciteerde mij met mijn
bevordering, doch gaf tevens zijn leedwezen te kennen, dat wij
moesten scheiden, daar wij tijdens ons samenwonen, met elkander op
zulk een goeden voet verkeerd hadden. Nadat mijn opvolger voor dien
eersten nacht mijn vroegere kamer betrokken had, gebruikten wij een
stevig lunch, waarna Gaedecke en ik te paard stegen om naar Vaitele
te gaan. Onze feestkleeren waren in een handkoffer gepakt, die achter
het zadel van mijn paard vastgegespt werd.

Nog voor het invallen van de duisternis kwamen wij op de plaats
onzer bestemming, waar wij met gejuich ontvangen werden, daar de
familie Tiedemann ons eerst den volgenden morgen verwacht had. De
avond ging onder gezelligen kout voorbij; alleen speet het ons,
dat wij op Duitsche manier geen "Polter-abend" [5] konden houden!

Tegen tien uur 's morgens verschenen directeur Beckmann en de dominee
van Apia, beiden te paard, op de factorij en, nadat de heeren een
kleine hartsterking genomen hadden, voltrok de geestelijke, achter
in den tuin, op het terras, dat bijzonder mooi met bloemen en kransen
versierd was, het huwelijk. Veel meisjes, vrouwen en mannen woonden,
gedeeltelijk op de treden van het terras, gedeeltelijk op het plein
daarvoor, de plechtigheid bij.

Terwijl wij daarna aan den keurig met bloemen getooiden bruiloftsdisch
aanzaten, en ons het heerlijk toebereide maal uitstekend lieten smaken,
kwamen twaalf bekoorlijke meisjes, met bloemkransen op het hoofd en
slingers van bloemen om het bovenlijf, binnen, en voerden ter eere
van de jonge vrouw, de vriendin harer meisjesjaren, een "Siva" uit,
den bevalligsten en liefsten dans, dien men bedenken kan. Dadelijk na
het diner keerden de directeur en de dominee naar Apia terug, waarna
de jonggehuwden en mijn persoon zich gereedmaakten den tocht naar
onze factorij te aanvaarden. De bekoorlijke Filina had bruidsgewaad en
sluier voor een eenvoudiger kleed verwisseld en besteeg het voor haar
bestemde paard, dat een dameszadel had, om naar haar nieuwe woning te
rijden, daar het onmogelijk was, er op een andere manier te komen. Haar
uitzet, in groote manden gepakt, was reeds 's morgens door verscheiden
knechts op de factorij bezorgd. Ik reed als wegwijzer vooruit, en het
druk redeneerend paar kwam achter mij aan. Zij zouden zeker niet op
den weg gelet hebben, en wij hadden dus gemakkelijk kunnen verdwalen.

Toen wij zonder ongelukken tegen den avond de plantage bereikt hadden,
sloeg ik mijn nachtkwartier op bij den opzichter Hendriksen, waar
ik mijn opvolger reeds aantrof. Ik legde mij neer onder het voorste
afdak van het huisje op een mat, dekte mij toe met een plaid en sliep
dadelijk in, daar de rit, bij de groote hitte, mij zeer vermoeid had.

Den volgenden morgen ontbeet ik in gezelschap van het jonge echtpaar
op de tuin-veranda, pakte mijn boeltje in mijn koffer en reed, na
hartelijk afscheid genomen te hebben van Gaedecke--dien ik oprecht
lief gekregen had--en zijn alleraardigst vrouwtje, naar het dal. Vóór
dien tijd had ik den opzichter Hendriksen en mijn opvolger reeds
vaarwel gezegd. Mijn trouwe Sufa had kort te voren al mijn bagage
mijn geweren en revolvers op een handwagen geladen, die door twee
werklieden naar Laulii gereden werd, waar de boot van de factorij
reeds op mij wachtte, om mij naar Apia over te zetten.

Zeer spoedig was ik op de hoogte mijner werkzaamheden, als
secretaris van den eersten ambtenaar der Duitsche Handel- en
Plantage-Maatschappij. Deze bestonden voornamelijk in het voeren der
correspondentie met de verschillende factorijen, die onze Maatschappij
op de eilanden Upolu en Savaii bezat, en het nazien en vergelijken der
berichten omtrent de opgave van den oogst, en tevens den directeur
daarvan op de hoogte te houden. Op deze wijze vernam ik toen eerst,
dat de Maatschappij ongeveer vierduizend hectaren gronds op Samoa in
eigendom had, benevens zestienhonderd stuks rundvee en verscheiden
honderd paarden. Op haar plantages werkten meer dan duizend arbeiders,
waarvan de meesten van de Tonga- de Salomons- en de Gilbert-eilanden
naar Samoa gezonden waren, daar de Samoaners zelf tot geen enkel
werk, dat inspanning vordert, te bewegen zijn. De buitengewone
vruchtbaarheid van hun schoon vaderland, vergunt hun een ongestoord
_Dolce far niente_; men mocht er hun dus geen verwijt van maken,
dat zij dit zoete nietsdoen niet vrijwillig wilden opgeven.

Elke maand bezocht mijn chef geregeld de factorijen op Upolu en Savaii,
om ze te inspecteeren en een noodzakelijk onderhoud te hebben met
de respectieve directeuren. Ik vergezelde hem bijna altijd op die
tochten, en dit was voor mij van veel belang, daar ik zoodoende land
en volk beter leerde kennen.

De eerste maanden gingen kalm en rustig voorbij en het jaar 1899 zou
niet eindigen, zonder ons de definitieve regeling der staatkundige
moeilijkheden op de Samoa-eilanden te brengen.

De overeenkomst, tusschen de Duitsche Regeering en Groot-Brittannië,
op den 14_en_ November 1899 te Londen gesloten, bepaalde, dat Engeland
in het belang van Duitschland, van al zijn aanspraken op de eilanden
Upolu en Savaii, afstand deed; deze kwamen nu uitsluitend in het
bezit van Duitschland, dat wederkeerig, ten gunste van Engeland,
afzag van zijn recht op de Tonga-archipel.

Eenige weken later, werd den 2_en_ September, te Washington, een
gelijkluidende overeenkomst gesloten, tusschen Duitschland en de
Vereenigde Staten van Noord-Amerika; dezen lieten ook hun aanspraken
varen op Upolu en Savaii, waarvoor hun het bezit van het eiland Tutuila
beloofd werd. Tutuila is het derde groote eiland van de groep en ligt
zuidoostelijk van Upolu; in de haven van Pago-Pago, aan de zuidkust,
heeft het de beste aanlegplaats van alle Samoa-eilanden, en het is
overigens ook een belangrijke bezitting.

Door deze twee overeenkomsten waren de prachtige eilanden Upolu en
Savaii een kolonie van het Duitsche rijk geworden en zullen zij,
naar wij hopen, door geen twisten, of staatkundige verwikkelingen
meer verontrust worden. Zoo mogen zij, boven aller verwachting,
tot den grootsten bloei komen!

Ik ben vast besloten dit aardsch paradijs niet te verlaten, zoolang
de goede God mij gezondheid schenkt, en mijn werkkring zoo aangenaam
blijft, als deze op het oogenblik is.



AANTEEKENINGEN

[1] kopra = het gedroogde, vleezige gedeelte van de kokosnoot.

[2] Een soort van bladmos.

[3] Platformen van dun hout, aan één zijde van de kano's bevestigd
om het omslaan te beletten.

[4] Onbeschaamde kerel!

[5] Feestelijke avond voor de bruiloft.



Bij den uitgever dezes verscheen mede:

_Suze Andriessen. Slot Hemsrode_, met 20 keurige illustratiën van
Henriette de Vries. Prijs f 1.90, ing. in prachtband f 2.50.

_Agnes Hoffmann. Op den Lindenhof_, met oorspronkelijke platen van
Jan de Waardt. f 1.90, in prachtband f 2.50.

_Bertha Clement. De Roos van Jericho_, door Mevrouw
J. v. d. Hoeven. Geïllustreerde uitgave. Keurig gebonden f 1.90.

_E. von Barfus. De Goudzoekers aan de Klondyke-Rivier_, met keurige
platen, f 1.90 fraai gebonden.

_Emile Salgari. De Italiaansche Robinsons_, uitgaaf met 12
platen. Keurig gebonden f 1.90.


Deze boeken worden algemeen met warmte aanbevolen.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Op Samoa" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home