Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Camera Obscura
Author: Beets, Nicolaas, 1814-1903
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Camera Obscura" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                                 Camera Obscura

                                      Van

                                   Hildebrand.



                        Nec lusisse pudet, sed non incidere ludum.
                                                           Horatius.



                           Negen en twintigste druk.

                           Haarlem De Erven F. Bohn.

                                     1917.



    De schaduwen en schimmen van Nadenken, Herinnering en Verbeelding
    vallen in de ziel als in eene Camera Obscura, en sommige zoo
    treffend en aardig dat men last gevoelt ze na te teekenen en,
    met ze wat bij te werken, op te kleuren, en te groepeeren, er
    kleine schilderijen van te maken, die dan ook al naar de groote
    Tentoonstellingen kunnen gezonden worden, waar een klein hoekje
    goed genoeg voor hen is. Men moet er evenwel geen portretten
    op zoeken; want niet alleen staat er honderdmaal een neus
    van Herinnering op een gezicht van Verbeelding, maar ook is de
    uitdrukking des gelaats zoo weinig bepaald, dat een zelfde tronie
    dikwijls op wel vijftig onderscheiden menschen gelijkt.

    _Anonymus_
    _in libro non edito._



Voorbericht, Zesde Druk; 1864.


Het is nu juist vijfentwintig jaren geleden dat, in het najaar
van 1839, de _Camera Obscura_ hare intrede in de wereld deed. De
pseudonieme Schrijver, toen zelf nog maar even vijfentwintig jaren oud,
ofschoon in een ander vak van letterkundige voortbrengselen, onder
zijn eigen naam, niet onvriendelijk door zijne landgenooten opgenomen,
zag zijne stoutste verwachtingen overtroffen, als de buitengewoon
hartelijke ontvangst van dit zijn werk binnen 't halfjaar een _tweeden_
druk noodzakelijk maakte, welke dan ook in 't voorjaar van 1840 het
licht zag. Toen, elf jaren later, een _derde_ druk noodig werd, had
hij den moed de nieuwe uitgave met eenige tot hiertoe onuitgegevene
opstellen zoodanig te vermeerderen dat het boekdeel, hetwelk nu
(1851) het licht zag, schoon kleiner van formaat, wat den inhoud
betrof meer dan verdubbeld was. Van dat oogenblik af, kwam er een
nieuw leven in eene belangstelling, die van den beginne aan boven
verwachting was geweest en nimmer was afgebroken. De Belgische pers
vereerde het Hollandsche boek eerlang met een nadruk (1853); maar deze
verhinderde niet dat reeds in het volgende jaar een _vierde_ wettige
uitgave in het vaderland noodzakelijk was, onder wier omslag nu ook
de tot nog toe hier en daar _Verspreide Stukken van_ _Hildebrand_
aan zijn hoofdwerk werden toegevoegd. Ook deze was echter in 1858
uitgeput en maakte plaats voor eene _vijfde,_--en zie hier nu de
_zesde_, in alles aan de vijfde gelijk, behalve dat eenige druk-
en stijlfouten verbeterd en waarschijnlijk ook weder eenige nieuwe
gemaakt zijn, en dat de verstandige lieden, die tot deze _zesde_
uitgave gewacht hebben zich het boekdeel aan te schaffen, zonder
vermeerdering van kosten, daarbij nog dit voorbericht winnen.

Het is den Schrijver eene streelende gedachte, dat aan zijn werk, in
deze _zesde_ uitgave, het voorrecht te beurt mag vallen in handen te
komen van een geslacht van landgenooten, nauwelijks of niet geboren,
toen hij het voor het eerst aan het licht bracht; het volwassen,
meerderjarig kroost van dat, waaronder hij zelf is opgegroeid, waarvoor
hij schreef, en dat hij schetste; maar niet minder treft het hem,
zich daarbij inderdaad te moeten afvragen of niet dit nieuw geslacht
ruim zoo zeer behoefte zou hebben aan ophelderende aanteekeningen bij
zijn werk gevoegd, als aan deze, min of meer historische, voorrede? Of
maakt niet het vierde eener eeuw; en eener eeuw als de negentiende;
maakt niet het vierde eener eeuw een tijdperk uit, lang genoeg om
een boek als het zijne hier en daar zonderling te doen voorkomen en
op menige plaats onverstaanbaar te doen worden?

De mannen, die met den Schrijver het jaar van den "Volksgeest"
beleefd hebben, tot welks eer wij nu in de hoofdstad een gedenkteeken
zien pralen, dat--eenig in zijn soort mag worden genoemd, herinneren
zich b.v. zonder twijfel de loffelijke poging nog wel, destijds van
diezelfde hoofdstad uitgegaan, om in Nederland, tot schitterender
triomf over België, eene nationale kleederdracht te improviseeren. Als
zij hunne oogen sluiten, zien zij gewis nog weder voor hun geest
oprijzen die nationale "_tunica's_", waarop de eerste nommers van het
nationale modeblad de nationale oogen deden verlieven! Maar wat stelt
het tegenwoordige geslacht zich voor, wanneer het den Schrijver van
"nationale hoeden" ziet gewagen? Wat denkbeeld vormt het zich, in dit
jaar 1864, van dameshoeden met luifels, van Rapponische krachten, van
een mathesisexamen in het Latijn, of van eene Vierde Klasse van het
Koninklijk Nederlandsch Instituut? Hoe ondenkbaar moet in zijn oogen
een Nederland _zonder_ spoorwegen; hoe buitensporig een Sint-Nicolaas
_met_ verguldsel voorkomen; hoe ongepast een karakteristiek der
periodieke pers, als in "_Gerrit Witse_" beproefd is! Wat weet het van
baleintjes om lange pijpen door te steken? van achtëntwintigen? van
veete tegen de Belgen? wat van lantarenvullers? En waar de namen van
een Smallenburg, een Macquelyn, een Don Carlos genoemd worden, waar
van de Industriëlles van Bertolotto, _De Avondbode_, de _woestijn_
van het Koegras, gewaagd wordt, zou daar voor zeer velen een kleine
aanteekening wel overbodig zijn?

Met dat al heeft de Schrijver nog niet kunnen besluiten, bij
de tegenwoordige uitgave reeds in deze "dringende behoefte" te
voorzien. Het blijve voor gehoopte latere drukken bewaard, als
de behoefte nog dringender, de _notennood_ nog hooger gestegen
zal zijn. Ook mag de Schrijver zich afvragen, of het niet al te
onedelmoedig wezen zoude, door het voorshands nutteloos maken van
hunnen arbeid, aan de oudheidkenners, Navorschers en Commentatoren
van volgende tijden een bewijs van wantrouwen te geven, hetwelk zij
in geen opzicht hebben verdiend.

De oudste stukken in dit boekdeel, waarin geene van een latere
dagteekening dan het jaar 1841 voorkomen, zijn: _Een Beestenspel_,
dat reeds in den _Studenten-Almanak_ voor 1837 een plaats vond,
en _Vooruitgang_, opgenomen in het October-nommer van _De Gids_
van dat zelfde jaar.

Wat _Een Beestenspel_ betreft, ik hoop dat het _Nederlandsch
Woordenboek_ zich ontfermen zal over den Naam. Sedert de loffelijke
instelling, welke het groot publiek zich verhardt _Apentuin_ te noemen,
en die door beschaafde lieden _Artis_, door niemand _Diergaarde_
geheeten wordt, behoort de Zaak nu reeds tot de antiquiteiten, en
heeft de wel wat woorden- en tegenstellingrijke strafrede grootendeels
uitgediend. Het "hybridisch" stukje _Vooruitgang_ dankt aan dit
zijn gebrek zelf, in verband met de wel wat ruwe, maar niet geheel
onrechtvaardige tuchtiging, welke daaraan terstond na zijn verschijning
in het genoemde maandwerk, van eene scherpe pen te beurt viel, zijn
onsterfelijkheid en voor den Schrijver een groot gewicht. Het heugt
hem als de dag van gisteren, hoe weinig de kastijding, ten dage dat
zij uitgedeeld werd, hem smaakte, en met welk eene verontwaardiging
hij zijne pen opnam en aanpuntte en een antwoord schreef en overschreef
en--ter zijde legde... "De Heer G. schijnt te hechten aan den steller,
wiens stukje hij aldus eert. Een wezenlijk talent zoekt zulk een
regter"--vond hij ergens geschreven door eene andere pen, waaruit
wel nooit iets, dat niet puntig was, is voortgekomen. [1] Dit was en
olie, en zout. Beide deden goed. Zonder dat woord, hetwelk hier, na
vijfentwintig jaren, dankbaar vermeld wordt, ware de _Camera Obscura_
misschien niet, en stellig niet beter, geschreven.

Dat echter het boek, zooals het is, in meer dan één opzicht de sporen
draagt van den jeugdigen leeftijd waarop het is tezamengesteld, ziet de
Schrijver zelf nu beter dan menig ander, en hij weet de zoo ongemeene
gunst, welke het bij zijne landgenooten steeds gevonden heeft, aan
niets anders toe te schrijven dan daaraan, dat het zijner onbekommerde
jeugd, hij weet zelf niet hoe, over het algemeen eenigszins gelukt moet
wezen, met waarheid te schetsen, zoodat in zijne kleine tafereelen de
Mensch den Mensch, en de Nederlander zijn Vaderland gevonden heeft;
terwijl de herkenning niet al te pijnlijk was gemaakt door een jong
gemoed dat, van boosaardigheid vrij, zijn vaderland en de menschen
liefhad. En, ook na vijfentwintig jaren, is dat gemoed niet veranderd.

Ook in den Vreemde is zijn arbeid niet onopgemerkt gebleven. Behalve
vertalingen van enkele episoden (die van _Keesje_ en van de
_Verguldpartij_) in het Bngelsch in _Fraser's_ en in _Chamber's
Magazine_ (1854), en in het Fransch in de _Revue des Deux Monden_
(1856) blijkbaar van zeer bekwame hand, en van _Gerrit Witse_,
in het Hoogduitsch in _Die Niederlande_ door _Dr. Alb. Wild_
(1862), zag eene volledige overzetting van de _Camera Obscura_,
gedeeltelijk onder den titel van: _Scènes de la Vie Hollandaise_
(1856), gedeeltelijk onder dien van _Chambre Obscure_ (1860), te
Parijs het licht. Van deze zegt de Schrijver dit: dat de hem hierdoor
wedervaren eer hier en daar nog al zeer verbitterd wordt door blijkbaar
misverstand van zijne bedoeling; en dat niemand het hem al te kwalijk
kan nemen, indien hij aan hoogmoedige gedachten toegeeft, wanneer
het blijken mocht, dat het geestigste volk der wereld met zijn werk,
in _deze_ vertaling, opheeft. Er zijn voorbeelden dat vertalingen van
tijdgenooten, in latere dagen, tot opheldering van duistere plaatsen
in het oorspronkelijke werden te baat genomen. Hiertegen echter
acht de schrijver zich verplicht de nakomelingschap, met opzicht
tot _deze_ vertaling, eenigszins te waarschuwen. Wat hij b.v. met
de "leerwijze van Prinsen" mag bedoeld hebben, zal, indien het ooit
duister kon worden, niet veel licht verkrijgen uit eene overzetting
met "la doctrine des princes": en indien er ooit een tijd kon komen,
dat een volzin, als waarmede het hier in de laatste plaats voorkomende
stukje aanvangt, niet terstond begrepen werd: _nooit_ voorzeker zal
hij begrepen worden, indien men opheldering zoekt bij de volgende vrije
vertaling: "Le nom de la garde (_Baker_) est une preuve évidente--qu'il
ne faut pas avoir d'accès aux étoiles (_ster_) pour faire connaitre
le titulaire d'un emploi féminin par excellence". Ik ben benieuwd te
weten wat de Fransche _gardes_ er van gemaakt hebben [2].


1 October, 1864.

H.


Bijvoegsel, Veertiende Druk; 1883.


Ziedaar het voorbericht der _zesde_ uitgave, in deze _veertiende_
wederom, waar men getoond heeft prijs op te stellen, in zijn geheel
afgedrukt. In de _zevende_ (1871), met den _Brief van Hildebrand aan
Schipper Rietheuvel_, en met het _Laatst_ en weemoedig _Bijvoegsel tot
de Narede en Opdracht aan_ den in datzelfde jaar ontvallen _Vriend_
vermeerderd, voegde de Schrijver aan de zeven jaar te voren gedane
opgave van blijken van belangstelling in den Vreemde eene aanteekening
toe van den volgenden inhoud: "Deze opgave kon, bij gelegenheid van
den tegenwoordigen, zevenden druk, nog vrij wat vermeerderd worden,
daar ik dankbaar erkennen moet dat alle Duitsche landen, Brunswijk,
Saksen, Pruisen, Oostenrijk, om strijd van hunne belangstelling
hebben doen blijken. Ik bespaar het echter tot den achtsten. Voor
mijne eigenliefde is het op dit oogenblik meer dan genoeg hier aan te
stippen, dat de Duitschers nu laatstelijk begonnen hebben ook hunne
_reisherinnerinqen_ uit de _Camera Obscura_ te putten. (Zie _Im Neuen
Reich_ 1871, N°. 18)" [3]. Wat echter, volgens deze aanteekening,
voor de _achtste_ uitgave werd bespaard, werd, ondanks het aangroeien
van de stof, ook in die achtste (1872), en voorts in alle volgende,
teruggehouden, om plaats te maken voor eene verklaring, welke thans
aldus zou kunnen luiden: "Wat er ook streelends moge zijn in de eer
zich, met beter of slechter gevolg, in het Fransch, het Engelsch,
het Hoogduitsch, het Italiaansch, en wellicht ook in 't Deensch en
Zweedsch vertolkt te zien, en lezers te vinden tot in het verre Japan:
voor het hart van den Schrijver der Camera Obscura heeft het weinig
te beteekenen bij de zoete ondervinding der duurzame genegenheid van
eigen land- en taalgenoot" [4].

Wat betreft de in de voorrede van 1864 uitgedrukte meening omtrent
het nog niet bereikt zijn van het _noodpeil_ voor ophelderende
aanteekeningen: zij bleef bij volgende uitgaven nog steeds dezelfde,
en "zijn gevoel van kieschheid tegenover de geleerden der toekomst
werd bij den Schrijver nog altijd niet overwonnen." In den laatsten
tijd echter, wordt hij mondeling en schriftelijk, door geleerden en
ongeleerden, met zoovele vragen bestormd, dat hij in dit opzicht een
ander begrip begint te krijgen van zijn plicht, en er ernstig aan
begint te denken, in de meer en meer "dringende behoefte" eenigszins,
in den een of anderen vorm, te gaan voorzien.

Intusschen zou het hem niet mogelijk zijn deze, nu _veertiende_
uitgave van zijn werk in het licht te zenden, zonder dat zij de
openlijke betuiging bevatte zijner erkentelijkheid aan zijn vriend
_Johannes Dyserinck_.

Een belangstellender en oplettender lezer dan dezen, beide in
oostersche en vaderlandsche letteren, zoo zeer ervaren landgenoot,
heeft onder hare duizenden de _Camera Obscura_ niet gevonden. Hare
_dertiende_ uitgave (1880) gaf hem aanleiding tot het schrijven dier
voortreffelijke monographie, welke, eerst in _De Gids_ verschenen,
later in "vermeerderden herdruk" afzonderlijk uitgegeven is [5]. In
dit keurig opstel worden het leven en de lotgevallen, zoo in den
Vreemde als in het Vaderland, van het nu meer dan veertigjarig boek
beknoptelijk, maar vollediglijk, verhaald, en heeft de vriendelijke
ingenomenheid van den geachten letterkundige, in verband met vroegere
en latere oordeelen en beschouwingen van anderen, eene hartelijke en
door den Schrijver der _Camera Obscura_ hooggewaardeerde uitdrukking
gevonden.

Maar wat bij dit alles voor dien Schrijver een zeer groot gewicht
hebben moest, waren de hier geleverde bewijzen der allerbijzonderste
oplettendheid door den heer _Dyserinck_ aan de onderlinge vergelijking
der elkander opgevolgde uitgaven gewijd, aan welke nog de zin-storende
of zin-veranderende drukfouten welke van tijd tot tijd in den tekst
waren ingeslopen, noch de niet onbelangrijke uitlatingen, welke
daarin van lieverlede hadden plaats gehad en door de onoplettendheid
der correctie van de eene uitgave in de andere waren overgegaan,
waren ontsnapt, noch ook de kleine, maar opzettelijke verbeteringen,
door den Schrijver gaandeweg in de redactie aangebracht. Dit heeft
bij dezen de uitwerking gehad, dat hij zich voelde aangespoord in elk
dezer opzichten dubbel werk te maken van den toen reeds in uitzicht
zijnden, thans in 't licht verschijnenden, _veertienden_ druk, en zich
daarbij van de hoog te waardeeren hulp van zijn vriend _Dyserinck_
te verzekeren. Zij is hem rijkelijk te beurt gevallen en, met een goed
geweten, als die overtuigd is, in dezen niets bereikbaars verzuimd te
hebben, meende hij dan ook ditmaal het "_met zorg_ herziene" op den
titel te mogen stellen. Bij de zuivering der drukproeven, is van elk
der opstellen nu weder de eerste druk tot grondslag gelegd, al het
gaandeweg verdwenene, voor zoo veel het niet opzettelijk geschrapt of
opgeofferd was, aan zijne vroegere plaats hersteld, en zijn tal van
(niet slechts _druk_-) fouten weggenomen, menige gebrekkige of min
gelukkige uitdrukking door een juistere en betere, maar vooral een
goede hoeveelheid onduitsche woorden door vaderlandsche taal vervangen.

Het zal den Schrijver niet dan aangenaam wezen, indien de wijzigingen,
die de vrucht van deze ernstige herziening zijn, door hen, die alleen
_deze_ uitgave in handen nemen, bij het lezen onopgemerkt blijven
en zelfs niet worden vermoed; maar die het der moeite waardig mocht
achten haar met de vorige te vergelijken, zal ze, zoo hij hoopt,
niet onbelangrijk vinden en aan het meerendeel zijne goedkeuring
niet onthouden.

1 November, 1883. H.



Zoomin als bij de elkander schielijk opgevolgde 15de, 16de, 17de,
18de en 19de, heeft de Schrijver, bij deze 20_ste_ uitgave, aan
het bovenstaande iets toe te voegen dan de verzekering, dat hij ook
voor haar zijne beste zorgen heeft overgehad; en de herinnering,
dat aan de reeds bij het schrijven der Voorrede voor de 6de
gevoelde en sedert steeds "dringender" gebleken "behoefte", in het
najaar van 1887, door zijn "_na vijftig jaar_, _Noodige en overbodige
Opheldering van de Camera Obscura_", naar vermogen voldaan is. Een
_tweede, geheel herziene druk_ zag daarvan in het voorjaar van 1888
het licht. (Haarlem, De Erven F. Bohn.)

1 Juli, 1900.



Inhoud.



    Jongens. 1
    Kinderrampen. 5
    Een Beestenspel. 13
    Een onaangenaam mensch in den Haarlemmerhout. 19
    Humoristen. 33
    Familie Stastok. 36

        De Aankomst. 36
        De Ontvangst. 38
        Hildebrand ziet de stad, en Pieter verstout zich pot te
        spelen. 42
        Het Diakenhuismannetje vertelt zijn historie. 49
        Er komen menschen op een kopje thee, om verder het avondje
        te passeeren. 57
        Pieter is waaratje verliefd, en hoe wij uit spelevaren
        gaan. 71

    Varen en Rijden. 88
    Genoegens smaken. 98
    Een Oude Kennis. 103

        Hoe warm het was, en hoe ver. 108
        Hoe aardig het was. 110
        Hoe voortreffelijk zij was. 115

    Verre vrienden. 120
    Narede, en Opdracht aan een vriend. 129

        Eerste uitgave. 129
        Tweede uitgave. 131

    De Familie Kegge. 135

        Een treurige inleiding. 135
        Kennismaking met menschen en dieren. 139
        Een juffertje en een mijnheer. 150
        Vaderangsten en kinderliefde. 156
        Om te bewijzen dat eenvoudige genoegens ook genoegens zijn,
        en voorts iets droevigs. 165
        De Grootmoeder. 173
        Een Concert. 177
        Ochtendbezoek en Avondwandeling. 188
        Een hoofdstuk, waarmee de auteur ijselijk verlegen is,
        omdat hij er zelf de mooie rol in speelt, iets dat hij
        wel weet dat hem in 't geheel niet past, maar dat hij
        voor ditmaal niet helpen kan. 195
        Het Hofje. De heer van der Hoogen af. 201
        Een groote Hans en Adellijke Heer. Besluit. 209

    's Winters buiten. 214
    Gerrit Witse. 227

        Studentenangst. 227
        Oudervreugd. 233
        Meisjeskwelling. 237
        Vrienden-hartelijkheid. 244
        Dokters lief en leed. 260

    Bijvoegsel der Derde Uitgave tot de Narede en Opdracht aan een
    Vriend. 267
    Laatste Bijvoegsel. 269


_Verspreide stukken van Hildebrand_.

_De Gids_, Jaargang 1837, 1838. _Proza en Poezy, Verspr. Opstellen
en Verzen._ Haarl. 1840.


    Vooruitgang. 273
    Het Water. 279
    Begraven. 284
    Eene Tentoonstelling van Schilderijen. 292
    De Wind. 302


_Souvenirs d'un Voyage à Paris_, par _J. Kneppelhout_. Leyde, 1139.


    Antwoord op een brief uit Parijs. 305


_Leeskabinet_, Jaarg. 1811 (_De Patrijzen._)


    Teun de Jager. 308


_De Nederlanden. Karakterschetsen enz._, 's Gravenhage,
Nederl. Maatsch. van Schoone Kunsten. 1841-1842.


    De Veerschipper. 320
    De Schippersknecht. 323
    De Barbier. 326
    De Huurkoetsier. 329
    Het Noordbrabantsche Meisje. 332
    De Limburgsche Voerman. 335
    De Markensche Visscher. 338
    De Jager en de Polsdrager. 341
    De Leidsche Peuëraar. 344
    De Noordhollandsche Boerin. 347
    De Noordhollandsche Boer. 350


_Ook het volgende stukje was voor _De Nederlanden_ bestemd en reeds in
handen der redactie, toen het werk gestaakt werd, en de Maatschappij
van Schoone Kunsten ophield te bestaan. Het verschijnt dus te dezer
plaatse_ (1854) _voor het eerst in druk, om het dozijn schetsjes vol
te maken._


    De Baker. 353



_Hollandsche Illustratie 1865/1866._


    Brief van Hildebrand aan Schipper Rietheuvel. 356



Jongens.



    Hoe zalig, als de jongenskiel
    Nog om de schouders glijdt!
    Dan is het hemel in de ziel,
    En alles even blijd.

    Een hout geweer, een blikken zwaard
    Verrukken 's knapen borst,
    Een hoepel en een hobbelpaard,
    Dat draagt hem als een vorst.

    Voor u de geur van 't rozenbed
    En Filomele's zang!
    Hij speelt kastie, dat 's andre pret!
    Met rozen op de wang.

    Niets, niets ter wereld doet hem aan
    Of baart hem ongemak,
    Dan stuiters die te water gaan,
    Of ballen over 't dak.

    Frisch op maar, jongen! vroeg en spa,
    Den lieven langen dag!
    Loop over 't veld kapellen na,
    Zoo lang het duren mag

    Haast zult ge op school gekortwiekt zijn;
    Uw vreugd loopt snel naar 't end;
    Haast krijgt gij Bröder tot uw pijn,
    En Weytingh tot torment.


Het oorspronkelijke is een lief versje van _Hölty_, die er wel
meer lieve gemaakt heeft, waarvan het alleen jammer is, dat zij
jeugdige dichters tot zeer onhollandsche vertalingen verleiden; ik
althans heb er van dit zelfde versje nog een liggen, die beter onder
een Neurenburger legprent "Knabenspiele" zou passen, dan onder de
voorstelling van een hoop aardige Hollandsche jongens. En wezenlijk,
de Hollandsche jongens _zijn_ een aardig slag. Ik zeg dit niet met
achterstelling, veel min verachting, van de Duitsche, of Fransche,
of Engelsche knapen, aangezien ik het genoegen niet heb andere dan
Hollandsche te kennen. Ik zal alles gelooven wat _Potgieter_, in
zijn tweede deel van "het Noorden", over de Zweedsche, en wat _Wap_
in het tweede deel van zijne "Reis naar Rome", over de Italiaansche in
't midden zal brengen; maar zoolang zij er van zwijgen, houd ik het
met onze eigene goed-gebouwde, roodwangige, sterkbeenige en, ondanks
de veete tegen de Belgen, voor 't grootst gedeelte blauwgekielde
_spes patriae_.

De Hollandsche jongen;--maar vooraf moet ik u zeggen, mevrouw! dat ik
niet spreek van uw bleekneuzig eenig zoontje, met blauwe kringen onder
de oogen; want met al het wonderbaarlijke van zijn vroege ontwikkeling,
acht ik hem geen zier. Vooreerst: gij maakt te veel werk van zijn
haar, dat gij volstrekt wilt laten krullen; en ten andere: gij zijt
te sentimenteel in het kiezen van zijn pet, die alleen geschikt is
om voor oom en tante te worden afgenomen, maar volstrekt hinderlijk
en onverdragelijk bij het oplaten van vliegers en het spelen van
krijgertje,--twee lieve spelen, mevrouw, die UEd. te wild vindt. Ten
derde, heeft UEd., geloof ik, te veel boeken over de opvoeding gelezen,
om een enkel kind goed op te voeden. Ten vierde, laat gij hem doosjes
leeren plakken en nuffige knipsels maken. Ten vijfde zijn er zeven
dingen te veel, die hij niet eten mag. En ten zesde, knort UEd. als
zijn handen vuil zijn en zijn knie door de pijpen van zijn pantalon
komt kijken; maar hoe zal hij dan ooit vorderingen kunnen maken in
't ootje-knikkeren? of de betrekkelijke kracht van een _schoffel_
en een _klap_ leeren berekenen?--ik verzeker u dat hij nagelt,
mevrouw! een _nagelaar_ is hij, en een _nagelaar_ zal hij blijven:--wat
kan de maatschappij goeds of edels verwachten van een nagelaar?--Ook
draagt hij witte kousen met lage schoentjes: dat is ongehoord. Weet
UEd. wat UEd. van uw lief _Fransje_ maakt? 1°. een gluiper; 2°. een
klikspaan; 3°. een geniepigerd; 4°. een bloodaard; 5°... Och lieve
mevrouw! geef den jongen een andere pet, een broek met diepe zakken,
en ferme rijglaarzen, en laat hij mij nooit onder de oogen komen
zonder een buil of een schram,--hij zal een groot man worden.

De Hollandsche jongen is grof: fiksche knieën, fiksche knokkels. Hij
is blank van vel, en kleurig van bloed. Zijn oogopslag is vrij; bij
't brutale af. Liefst draagt hij zijn ooren buiten zijn pet. Zijn haar
is van zondagmorgen half elf tot zaterdagavond, als hij naar bed gaat,
in volkomen wanorde. Het overige van de week zit het goed. Krul zit
er meestal niet heel veel in. Gekrulde haren, gekrulde zinnen! Maar
sluik is het óók niet; sluik haar is voor gierigaards en benepen
harten; dat zit niet in jongens; sluik haar krijgt men, geloof
ik, eerst op zijn veertigste jaar. De Hollandsche jongen draagt
zijn das liefst als een touwtje, en nog liever in 't geheel niet;
een blauw of schotschbont kieltje over zijn buis, en een verstelde
broek--dit laatste kenteeken gaat vast. In dees broek voert hij met
zich--al wat de tijd opgeeft; dat wisselt af; knikkers, stuiters,
ballen, een spijker, een aangebeten appel, een stukkend knipmes,
een touwtje, drie centen, een kluit vischdeeg, een dolle kastanje,
een stuk elastiek uit de bretel van zijn oudsten broer, een leeren
zuiger om steenen mee uit den grond te trekken, een voetzoeker, een
zakje met kokinjes, een grifje, een koperen knoop om heet te maken,
een hazesprong, een stukje spiegelglas, enz. enz. alles opgestopt en
in rust gehouden door een bonten zakdoek.

De Hollandsche jongen maakt in 't voorjaar eene verzameling van
uitgeblazen eieren; in het uithalen van nestjes geeft hij blijken
van kracht en behendigheid, en misschien van den aanleg tot de
zeevaart, ons volk eigen; in het inkoopen van vreemde soorten,
bewijzen van onverstoorbare goede trouw; en in het verkwanselen van
zijne doubletten, van vroegtijdigen Hollandschen handelsgeest. De
Hollandsche jongen, het is waar, slaat zijne bokken hardvochtig,
maar in 't geven van roggebrood aan diezelfde dieren heeft hij zijns
gelijken niet. De Hollandsche jongen is veel minder ingenomen met de
leerwijze van _Prinsen_ dan de Hollandsche schoolmeester; maar wat
de opvoeding van plakkers en paapjes betreft, hierin zou hij een
examen kunnen doen voor den eersten rang. Hij is dolgraag op een
paardemarkt, en wandelt op de parade voor de tamboers uit, met den
rug naar de mooie mannen toe. De Hollandsche jongen encanailleert
zich lichtelijk, en noemt spoedig over uit een woordenboek, dat aan
Hollandsche moeders niet bevalt; maar hij heeft ook weinig aanmatiging
jegens de dienstboden. Hij is gewoonlijk hoogrood als hij binnen moet
komen om aan oom en tante te vragen hoe zij varen, en spreekt bij
dergelijke gelegenheid bijna geen woord; maar minder spaarzaam met
woorden en minder verlegen is hij onder zijns gelijken, en niet bang
om voor zijn gevoelen uit te komen. Hij haat lafaards en klikkers met
een volkomen haat; hij zal nog al eens gauw zijn vuisten uitsteken,
maar spaart in 't vechten zijn partij; hij speelt niet valsch; hij
heeft een bestendigen inktvlak op zijn overgeslagen halsboord, en
wel wat neiging om zijn schoenen scheef te loopen;--hij houdt zijnen
vader staande dat hij over ijs van één nacht loopen kan, en beschikt
over vriezen en dooien naar lust en welgevallen; hij eet altijd een
boterham minder en leert eene les meer, dan waar hij trek toe heeft;
hij gooit een steen tienmaal verder dan gij of ik, en buitelt driemaal
over zijn hoofd zonder duizelig te worden.



Gegroet, gegroet, gij vroolijke en gezonde, lustige en stevige knapen;
gegroet, gegroet, gij speelsche en blozende hoop des vaderlands! Mijn
hart gaat open als ik u zie, in uwe vreugde, in uw spel, in uw
uitgelatenheid; in uw eenvoudigheid; in uw vermetelen moed. Mijn
hart krimpt toe, als het bedenkt wat er, ook van u, worden moet. Of
zult gij, die daar beurtelings een frisschen beet uit een zelfden
appel doet, in later jaren nooit gewaar worden dat het noodig is den
appel in een hoek te nemen en alleen op te eten; ja, de schillen weg
te stoppen, en de pitten te zaaien voor uwe nakomelingschap? En gij;
die daar geduldig uw sterker rug leent aan uw vlugger vriend, die zich
op uwe schouders verheft om in den boom het spreeuwenest te zoeken,
dat heel hoog ligt: zal de ondervinding u de verdrietige wijsheid
onthouden, dat het beter is zelf een ladder te krijgen, en zelf het
nest uit te halen, dan een goeden dienst te doen en af te wachten óf
en hoe men u zal beloonen?

Dat is de wereld. Maar ook in uzelven zijn de zaden aanwezig van veel
onheils en veel verdriets. Uwe voortvarende drift, uwe onschuldige
teederheid, tot opvliegendheid, eerzucht en wellustigheid gerijpt;
uwe levendigheid en onafhankelijk gevoelen, tot wereldzin en ongeloof
verhard!... O, als gij in later jaren op uwe kindsheid terugziet,
dat, dat zal de vreugde wezen, die gij het meest benijdt en nu toch
het minst geniet, dat gij zooveel minder boos waart, dat gij zooveel
onschuldiger waart tot zelfs in het kwaaddoen toe. De goede hemel
zegene u allen, goede jongens, die ik ken, en rondom mij zie, en
liefheb! Hij doe u lang en vroolijk spelen, en als de ernst des levens
komt, zoo geve hij u ook een ernstig harte daartoe! Maar hij late u
tot aan uw laatsten snik nog veel kinderlijke en jeugdigs behouden. Hij
spare u, in hunne volle frischheid, eenige dier kinderlijke gevoelens,
die den jongeling helpen in het zuiver houden van zijn pad en den
man versieren; opdat gij mannen wordende in het verstand, kinderen
blijft in de boosheid. Dit is een _stille_ wensch, jongenslief! want
ik wil u nog geen oogenblik van priktol of hoepel aftrekken, zonder
u voor die vreugde iets anders te kunnen geven dan ... een wensch!--



Kinderrampen.


Ik kom nog eens terug op het versje van _Hölty_.


    Hoe zalig als de jongenskiel
    Nog om de schouders glijdt!
    Dan is het hemel in de ziel,
    En alles even blijd.

    Niets, niets ter wereld doet hem aan
    Of baart hem ongemak,
    Dan stuiters die te water gaan,
    Of ballen over 't dak.


Het ontbreekt zeker niet aan dergelijke lofredenen op het geluk van
jeugd en kinderjaren. Ik stem er van harte mede in; maar ik neem de
vrijheid te mogen opmerken, dat ze alleen door menschen van leeftijd,
of ten minste door jongelingen geschreven zijn, van wier standpunt
gezien, het kinderlijk geluk bijna geen uitzondering toelaat. En zeker,
zeker is dat een droevig bewijs voor den treurigen toestand van later
dagen. Maar ik weet niet dat er ooit dichtertjes geweest zijn van
zeven, acht, of negen jaar, die hun actueel geluk zoo onvoorwaardelijk
hebben geprezen. En toch dezulken waren er de naaste toe. Toen ik op
de Hollandsche school ging, maakten wij in de hoogste klasse, bestaande
uit heeren van negen tot tien jaar, allen des woensdag-voormiddags een
opstel, soms over een gegeven, soms over een door onszelven gekozen
en uitgedacht onderwerp. Maar ik roep al de Jannen, Pieten, Willems
en Heinen, waarmee ik in de Jacobijnenstraat te H. op de banken zat,
tot getuigen, of er ooit iemand is geweest, die zijn lei volgeschreven
heeft met een optelling der genoegelijkheden of een uitweiding over
't ongestoord geluk des kinderleeftijds. Neen: wij schreven wel
diepzinnige vertoogen over de Deugd, of over de Vier Jaargetijden:
_Sander U._, wiens vader adjudant van een generaal was, heeft zesmalen
over het Paard geschreven; en _Piet Q._ die nooit op het bord stond,
en nooit meedoen wilde in de edele oefening van het puisje vangen,
had het altijd over de Gehoorzaamheid en over de Vlijt, een denkbeeld,
waar hem de opschriften van zijn extra-kaartjes op brachten. Eigenlijk
vroolijke onderwerpen heb ik te geenen tijde door de collega's zien
behandelen. Ik zelf heb het nooit verder kunnen brengen dan tot
de philosophische beschouwing der Tevredenheid; een geluk, 't welk
gewoonlijk door den jongeling voorbij-, en door den man vruchteloos
nagestreefd wordt, en dat den grijsaard uitmuntend te pas zou komen,
indien zijne lichaamsgebreken hem nog even veroorloven wilden het te
genieten; een heel mooi ding die tevredenheid, maar in het volop des
kinderlijken geluks vanzelf ingesloten en niet opmerkenswaardig.

Doch om tot de zaak te komen! Van dat volop des kinderlijken geluks
dan, schenen wij toentertijde toch niet heel vol, of althans niet
zóo vol te zijn, dat wij het moesten uitstorten. Ik heb wel eens
gemeend, dat het een onderscheidend kenmerk des echten, waarachtigen
geluks zijn zou, dat het de minste behoefte had zich uit te boezemen,
terwijl het ongeluk klachten en verluchtingen noodig heeft--om van
de tranen niet te spreken. Want de menschen, die altijd den mond van
hun geluk vol hebben, heb er ik wel eens op aangezien of zij ook naar
een autoriteit zochten die, na gehoord verslag, hun zou verklaren
dat zij gelukkig zijn, iets waarvan zij zelf tot nog toe zoo heel
overtuigd niet waren. Zij achten zich zóó-zóó, niet ongelukkig, en
niet razend gelukkig ook; maar zij schikken het goede in hun lot zoo
bij elkander, en stapelen het in redevoeringen, die zij op wandelingen
en, zoo gij met hen in ééne kamer slaapt, uit ledekanten, vooral na
een goed souper, houden, dat zij u in de verzoeking brengen hen te
benijden. Dat verhoogt dan onmiddellijk hun koud geluk tot een hooger
temperatuur. Gij slaat een warme hand aan hun thermometer.

Ziedaar een mooie opmerking, die ik gemaakt heb, en die ik met dit
mooie physische beeld besluit; maar over 't onderwerp meer nadenkende,
heb ik ook wel eens gedacht, of de school dan toch ook de rechte
plaats wel was, om het kindergeluk diep te doen gevoelen. Ik weet
wel, de meester zit er niet meer met slaapmuts en kamerjapon en een
ontzettende plak in den katheder, en brengt ons niet langer door de
verschrikkelijkheid zijner oogen en gebaren tot een punt van angst,
waarin wij (als de jongen van ouds) zouden willen bekennen, dat wij
zelf de wereld geformeerd hadden, maar 't nooit weer zouden doen,
liever dan het antwoord schuldig blijven op de eerste vraag van
het vrageboek. Wij lezen er ook niet meer, tot onze schrikbarende
verveling, de Haarlemmer Courant, van A-Z. (Zijn wij daarom later
minder goede politici?) Wij zitten er ook in een goed ruim lokaal,
zoo hoog en zoo luchtig, dat het er somtijds aan de beenen tocht;
wij hebben er niet zelden het uitzicht op een bleekveld met een
appelboom, of op een binnenplaats met een bestekamer. Maar toch,
de meester is zoo dik, en de ondermeesters zijn zoo lang, en hunne
brillen en bakkebaarden zien er zoo onverbiddelijk uit, en de
borden zijn zoo zwart, en de tafels zoo ongezellig, en de kaart van
Nederland hangt zóó lang op dezelfde plaats, dat wij er de kleine
scheurtjes en inktvlekjes nog beter op weten aan te wijzen, dan de
steden der--toen was 't nog 17 provinciën [6]. Dan hebt ge--nog bloedt
mijn hart--de Tafel van _Werkzaamheden_. Schrikkelijke werkzaamheden,
wier optelling aan rekenboeken denken doet, en geographieboeken, en
wat voor boeken er al meer zijn, wier blaren heen en weer schuiven
in den band, wegens de krampachtige aanraking der wanhopige vingers
van jeugdige heeren, die maar niet onthouden kunnen hoeveel koeien
er jaarlijks aan de Hoornsche markt komen, en hoeveel inwoners
en drukkerijen van Enschedé, en Kostersbeelden, en instituten voor
schoolonderwijzers Haarlem heeft; of niet begrijpen kunnen, hoe zij de
9de som uit de "Herhaling der voorgaande Regelen" moeten opzetten. O,
die rekenboeken! zij waren de zwakke zijde van velen onzer. In mijn
oog waren er geen hatelijker boeken. Vooreerst waren zij veel te vol
letters, en ten andere veel te vol cijfers. Ten overvloede zijn er soms
fouten in de opgave der uitkomsten; maar al zijn die er niet in, die
opgaven zijn verschrikkelijk. Ga eens na. Gij hebt uw lei vol met een
berekening van belang: driemaal hebt gij reeds de helft uitgeveegd,
omdat gij bemerkte dat gij het vraagpunt niet begrepen hadt; maar
eindelijk, de som is af, en gij krijgt tot uitkomst: 12 lasten,
7 mudden, 5 schepels, 3 kop, 8 maten rogge. Met een gerust geweten,
en met het zalig gevoel van als ijverig lid der maatschappij uw plicht
gedaan te hebben, zoudt gij uw lei aan den ondermeester overgeven om
te laten nacijferen. Maar neen! het hatelijk rekenboek geeft, onder
den verwaanden titel "Uitkomst", op: 95 lasten, 2 mudden, 1 schepel
rogge, en niet ééne kop of maat. Het is blijkbaar dat gij u vergist
hebt; driemaal doet gij al de vermenigvuldigingen en deelingen over
en weer over; eindelijk besluit gij alles uit te veegen, en nog hebt
gij uw mouw op de lei, als de ondermeester komt om te gelooven dat
gij niets hebt uitgevoerd. Dat had ik tegen die rekenboeken! Maar het
kwaadwilligst en het onbillijkst van diezelfde uitvinding is, dat zij
u op alle mogelijke manieren sarren en in uw zwak tasten. Daar zit
gij sedert klokke halftien op school, bij mooi weer, in de maand Mei,
als het groen jong is gelijk gijzelf en, wat meer is, als de plassen
opgedroogd zijn, zoodat het heerlijk weer is om te knikkeren. Daar
zit gij sedert halftien op de school, waar gij den voet hebt ingezet,
met benijding terugziende op de armelui's kinderen, die geen opvoeding
krijgen en "duitjen òp" speelden op straat. Eerst hoeft men u gedwongen
met al uwe speelsche lotgenooten het lied aan te heffen:


    Wat vreugd, het schooluur heeft geslagen,
    Waarnaar elk kind om 't zeerst verlangt.


Daarna hebt gij een uur gelezen van het model van een braven jongen,
zoo braaf, zoo zoet, zoo gehoorzaam, zoo knap en zoo goedleersch,
dat gij hem met pleizier een paar blauwe oogen zoudt slaan, als
gij hem op straat ontmoette; of, indien gij al wat verder zijt, de
levensschets van een onbegrijpelijk groot man, wien na te volgen u
pedant en wanhopig toeschijnt, en door welke levensschets kunstiglijk
een samenspraak is heengevlochten van knapen en meisjes, voor wie gij
ook al geen de minste sympathie gevoelt, al "staan zij ook waarlijk
verbaasd over de ontzettende kundigheden van dien man," daar vader
_Eelhart_ of _Braafmoed_ van verhaalt. Het volgende uur hebt gij
geschreven; naar een mooi exempel; als bijv., zoo gij groot schrijft,
het woord _wederwaardigheid_, opmerkelijk door twee moeilijke W's,
zonder aandikken bijna niet goed te krijgen, zevenmaal; of indien gij
klein schrijft, vijftien maal, achtmaal op, en zevenmaal tusschen
de lijn: _Voorzichtigheid is de moeder der wijsheid_; bij welke
gelegenheid gij in twee regels het lidwoord _der_ hebt overgeslagen,
wat tengevolge van de laatste lettergreep van het woord moe_der_
zeer licht gebeuren kon, en eenmaal _voorwijzigheid_ in plaats van
_voorzichtigheid_ hebt gezet, welke omstandigheden, zoo ieder op
zichzelf als in onderling verband, u eenigszins angstig doen denken
aan het uur, waarop de critiek des meesters haar uitspraak zal komen
doen. Om niet te spreken dat gij gekweld zijt geweest met een linksche
pen, ontelbare haren in den inkt, een klad of drie, met kunstenaars
achteloosheid over uw schrijfboek verspreid, en de onverbiddelijke wet
dat gij maar tweemaal uw pen op mocht steken om ze te laten vermaken,
door een ondermeester, die even zoo ver is in die kunst als gij in
't schrijven. Nu komt het rekenboek. Ik heb het lang laten wachten,
lieve lezer; maar het was uit wraak, omdat het voor mij zoo dikwijls
te vroeg is gekomen. Nu komt het rekenboek. Merk op, dat gij in den
loop van den morgen tweemaal op 't bord zijt geschreven: eens, omdat
gij met uw rechter buurman een verdacht gefluister hebt aangevangen,
dat evenwel over niets liep dan over goedkoope ballen in de Wijde
Appelaarsteeg, en eens, omdat gij aan uw linker dito een albasten
knikker (gezegd alikas) hebt laten zien, zonder een eenig rood
aartje, van welk delict het corpus u is ontnomen, tegen de pijnlijke
onzekerheid of gij het ooit terug zult zien. Vat dit alles te zamen,
en sla dan uw rekenboek op, dat u sart met de 13de som, waarin u,
om u of 't ware te tantaliseeren, met de grootste koelbloedigheid
een mooie voorstelling gedaan wordt van vijf jongens, zegge vijf,
die te zamen zouden knikkeren, en waarvan de eene bij den aanvang van
't spel bezat 20, zegge 20, knikkers, de tweede 30, de derde 50,
de vierde--neen, het is niet uit te houden! de tranen komen er u
bij in de oogen; maar daar zit gij, voor nog een geheel uur, en dan
nog wel te cijferen.--Waarlijk ik houd het er voor, dat de meeste
rekenboekmakers afstammelingen van koning _Herodes_ zijn!

Uit al wat ik tot nog toe in het midden heb gebracht, zal zonneklaar
blijken, dat de school de plaats niet is om het kinderlijk gemoed te
doen overstroomen van het besef van geluk en genot. Ik geloof niet
dat het denkbeeld daarvan ooit onder eenig blond of bruin kinderhaar
is opgekomen. Neen, neen! de school is zoo goed als zij zijn kan. De
school wordt, naar de nieuwste verordeningen, zoo aangenaam en
dragelijk mogelijk gemaakt. Maar hare genoegens zijn ten hoogste
negatief. De school blijft altijd iets van het gevangenisachtige,
en de meester, met en benevens al de ondermeesters iets van het
vogelverschrikkende behouden. Dat gezegde van _Van Alphen_:


    Mijn leeren is spelen


wil er bij niet één kind in, zelfs niet bij de vlijtigste. Ik verbeeld
mij nog al onder de vlijtigste behoord te hebben; maar toch, wanneer
mijn vader of moeder mij de eer aandeed van aan mijn ooms en tantes
te vertellen dat ik altijd blij was als de vacantie uit was, kwam
mijn gansche gemoed tegen dat edel denkbeeld (dat mij ondertusschen
vrij dweepachtig voorkwam) op, en ik heb jaren noodig gehad om
zekere angstige schuwheid voor mijn respectieve meesters te leeren
overwinnen. Ook zijn er, in weerwil van de verbeterde leerwijze,
nog altijd onder, die een kind, al is het niet van de bloohartigste,
als electriseeren.

Ja, lieve vrienden! laten wij deze bladzijde voor alle vliegeroplaters
en soldaatjespelers verbergen en verstoppen; maar laten wij het
bekennen: daar zijn Kinderrampen! Klein en nietig, van onze verwaande
hoogte beschouwd, maar gewichtig en groot, in de kleine evenredigheden
van de kinderwereld. Rampen, die benauwen, kwellen en schokken, en
die niet zelden een grooten en hevigen invloed hebben op de vorming
van het karakter.

De eerste en grootste hebben wij al gehad. Het is, met verlof
van _Pestalozzi_ en _Prinsen_, de school. Dat is een kanker; een
dagelijks weerkeerend verdriet. Een man met schuldeischers geplaagd
ondervindt iets van het leed van een kind met meesters aangehaald. Nu,
onze goede _Hölty_ zelf kan niet nalaten aan 't eind van zijn versje
daarmede te dreigen. Daarom wilde ik u verzoeken: heb deernis met
het lot uwer telgen. Ontziet als iets heiligs het levensgenot uwer
kinderen. Zij moeten allen schoolgaan; dat is een natuurwet, zoo zeker
als die volgens welke zij allen ingeënt, wij allen sterven moeten;
maar even gelijk wij, naar den gewonen loop der dingen, niet sterven
moeten op ons achttiende jaar, wilde ik ook niet dat hun de school
overviel vóór hun achtste, 't Is wel aardig, en wij hebben het aan
de veranderde uitspraak van de namen der medeklinkers te danken, dat
zij op hun vijfde jaar met kleinen _Piet_ zeggen kunnen: "Nu kan ik
al le-zen"; maar ik weet niet of kleine _Piet_ op zijn tiende jaar,
in massa, zoo veel meer geprofiteerd zal hebben dan een ander, die
op zijn zevende of achtste begonnen is "met de _spa_" te werken. Ik
geef dit alleen in bedenking aan alle kinderminnende harten, en waag
het niet, met zoo weinig ondervinding als _Hildebrand_ (de baardelooze
_Hildebrand_, zullen de recensenten zeggen) in zoo weinig jaren heeft
kunnen opdoen, mijne meening te staven.



Om het onderwerp eene wending te geven, en van een andere ramp
uit het tranendal der kinderen te spreken, noem ik het wisselen der
tanden. Waarlijk, lieve dame, die de wereld zoo trouweloos en de mannen
zoo wuft vindt! _la perte des illusions_ kan op uwe jaren nauwelijks
zoo zwaar wegen als _la perte des dents_ op de hunne. Herinnert ge
't u nog wel? Gij voelde--neen, gij voelde toch niet;--ja, helaas,
gij voelde maar al te zeker--dat gij een dubbelen tand hadt. En de
voorste zat zoo vast als een muur. Zes dagen lang verborgt gij uw leed;
somtijds vergat gij het; maar zesmaal daags, midden onder uw spel,
bij het genot van de lekkerste krakeling, onder 't bewerken van de
zoetste ulevel--daar stond weer eensklaps voor uw oog, die akelige,
allerakeligste dubbelheid!--Uw eenige troost was, dat de voorman
vanzelf wel wat losser zou worden. Inderdaad, natuur en rede geven deze
hoop aan de hand. De ondervinding leert het echter meestal anders. Op
den zevenden dag; het was een zondag; uw kleine theegoedje stond klaar
op uw kleine tafeltje; en uwe stoeltjes stonden er bij klaar met twee
poppen: de nieuwste voor u, en de oudste voor uw nichtje _Keetje_,
die bij u te spelen kwam; en 's avonds zoudt ge een tulbandje bakken
van gestampte beschuit en melk; en een boterham met aardbeien zou
alles bekronen. Met een grooten schreeuw gaaft gij uwe vreugde over het
laatste artikel te ennen. "Laat ik je mond reis effen zien," zei mama;
"wat? een dubbele tand?" en weg was uw vreugd! Gij droopt af alsof gij
op een zware misdaad betrapt waart; waarschijnlijk zoudt gij onder
uwe kwelling nestig en kribbig zijn tegen _Keetje_, het tulbandje
zou geene bekoorlijkheden voor u hebben, de aardbeien geen smaak;
en ge zoudt naar bed gaan en droomen van den tandmeester! Vergeefs
beproefdet gij achtereenvolgens alle huismiddelen: wiggelen met den
vinger, bijten op een harde korst, die gij evenwel om eventueele
pijn te vermijden, in een gansch anderen hoek van uw mond inbracht;
aanleggen van een draad garen, waaraan ge toch niet durfdet trekken. De
tandmeester moest komen. Hij kwam, niet waar? de ijselijke man! Hij
had voor u de verschrikkingen eens scherprechters. Hij veinsde
maar effen naar uw tand te voelen; hij trok er hem verraderlijk
uit. Ondertusschen was deze slinksche streek voor u een weldaad,
die voor alle volgende keeren verkeken was.--Spreek mij niet van
groote-menschen-jammeren! Zij halen niet bij deze. Geen koopman die
"op springen staat" ziet met meer angst den dag tegemoet waarop hij
zal worden "omvergegooid", dan een blijde jongen of vroolijk meisje
den dag, waarop men scheiden zal van den dubbelen tand!

Wij zijn aan de physieke rampen. Welnu, er zijn er meer dan men
denkt. Het grootworden, hoe schoon en voortreffelijk een uitvinding
ook, is de oorzaak veler smarten. Want vooreerst, men steekt lange
bloote armen uit de mouwen, groote en den kous uit de broek. Daarbij
schaamt men zich dan gewoonlijk dat men nog rijglaarsjes of schoenen
met gespen draagt, omdat er altijd eenige voorlijke knapen zijn,
die al halve-laarzen hebben, en vroegtijdige juffertjes, die zich op
schoenen met lange linten verheffen. Ook rekenen vele moeders er naar
't schijnt niet op, dat niet alleen de beenen, maar het geheele lichaam
groeit, en dat het diensvolgens op goede natuur- en wiskundige gronden
te bewijzen is, dat, al kunnen de broekspijpen worden uitgelegd, het
overige gedeelte van dat kleedingstuk hetzelfde blijvende, men eene
niet zeer aangename bekrompenheid in de circumferentie van het lichaam
gewaar wordt, die ook al weer de oorzaak is van menig nieuw kruis,
in een dubbelen zin, en van ontelbare scheuren. Maar ook dit is een
kwade kant van den edelen groei, dat hij bij de individuen verschilt,
en zelfs zóó, dat bij sommige tegen het geprezene grootworden,
het verwijtende kleinblijven o verstaat. Nu is het niet pleizierig,
ieder keer als men een boodschap van papa of mama komt doen, of bij
_Lodewijk_ of _Doortje_ spelen komt, altijd door mijnheer of mevrouw,
of de juffrouw, of de meid somtijds, tegen _Lodewijks_ of _Doortjes_
rug gezet te worden, om met de ververschte overtuiging dat men een
hoofd of een half hoofd kleiner en een ware peulschil is, naar huis
te gaan. Dat noemt men in het maatschappelijk leven, als men't op het
moreele toepast, taxeeren; en die taxatie van 't physieke is de eenige,
waarvoor de kinderleeftijd gevoelig, en ook zeer gevoelig is. Neen,
't is niet aardig van de groote menschen, dat ze 't den kleinen
aandoen, evenmin, als dat altoosdurende uitgillen van: "wat ben je
groot geworden!" op den duur bevallen kan.



Maar daar is toch ook wel een moreele taxatie die, zoo zij de kinderen
niet dadelijk grieft, hun althans menig genoegen onthoudt. Zij ontstaat
uit de omstandigheid, dat een mensch van vijfendertig of veertig, een
dertig of vijfendertig jaar van zijn vijfde jaar verwijderd is, en in
dien tijd machtig veel vergeten kan, en zóó veel, dat hij eigenlijk
in 't geheel niet meer weet, wat hij dacht, gevoelde, besefte en
smaakte toen hij een kind was, en wat niet. Van daar dat hij zeer
dikwijls den maatstaf, waarbij hij de kinderen meet, te klein en te
bekrompen neemt, en menige vreugd, die hij den jeugdigen van harte
gunt, terughoudt omdat hij in zijne mannelijke wijsheid besluit:
"dat zij er eigenlijk nog te klein voor zijn", en er "waarlijk nog
niet aan zouden hebben." En dan, "het nergens aan mogen komen," alsof
men geheel handeloos en met een instinct om alles nu ook maar stuk
te gooien en te breken in de wereld was gekomen!--En dan het paaien
met zoetigheid, als men zich juist gisteren te groot is begonnen te
voelen voor koekjes tot den prijs van iets anders!--En dan de velerlei
beschaamdzettingen, die men ondergaat, omdat iedereen gelooft dat
een kind menig ding niet gevoelt dat hem toch diep gaat!--Waarlijk,
waarlijk, men heeft in de maatschappij menig menschenschuw, bloohartig,
en zenuwachtig wezen doen opgroeien, alleen doordat men het als kind
te jong en te klein voor gevoel van waarde achtte.



Ik spreek niet van het naloopen met hoeden en petten, en van het
verschil van gevoelen omtrent het weder, dat tusschen ouders en
kinderen dikwijls aanmerkelijk kan uiteenloopen. Ik spreek niet van
sommige barbaarsche instellingen, als daar is: dat de jongere de
kleederen van de oudere moeten afdragen, waardoor het vierde zoontjen
een buisje draagt van de kraagjas van mijnheer zijn oudsten broeder;
van welke kraagjas de beide tusschenbroers respectievelijk een
jasje met één kraag en een jas zonder kraag gehad hebben;--noch van
ellendige spreekwoorden, als orakelen door de ouders aangevoerd, en als
verachtelijke paradoxen en sophisterijen door het kroost verwenscht,
als b.v. dat de oudste de wijste zijn moeten. Ik spreek van al die
rampen niet,--want mijn stuk is reeds veel te lang. Mocht het maar
sommige mijner lezers bewegen, om nog kiescher te worden omtrent de
jonge harten der kleinen; en nog oplettender om hun kleine verdrieten
te sparen en groote genoegens onbeknibbeld te laten genieten. De
jeugd is heilig: zij moet voorzichtig en eerbiedig behandeld worden;
de jeugd is gelukkig, maar men moet zorgen, dat zij zoo min mogelijk
deelt in de rampen der samenleving, voor zoo ver zij die in hare jaren
kan ondervinden. Men moet haar soms kwellen en lastig vallen--tot haar
nut!--maar passen wij vooral op, dit niet te overdrijven! Een geheel
volgend leven kan geen gedrukte jeugd vergoeden; want welke zaligheid
zouden latere jaren te stellen hebben tegenover het verspeelde geluk
eener schuldelooze jonkheid?

1839.



Een Beestenspel.

                        "Les peines infamantes sont:

                            1_o_. Le carcan;
                            2_o_. Le bannissement;
                            3_o_. La dégradation civique."

                                     _Code Pénal_. L. I. Art. 8.


Neen, ik wil niet naar 't beestenspel! Ik houd er niet van. Zeg mij
niet dat het belangrijk is; dat men het gezien moet hebben; dat men
in geen gezelschap komen kan of men moet ten minste goed of kwaad
zeggen van de lokken, de bakkebaarden en den moed van den eigenaar,
van de lama, van de verlichting der tent, en van de twee tijgers in één
hok;--herhaal mij niet dat men ten minsten één ongeluk heeft moeten
zien "bijna gebeuren" en ééne bijzonder teekenachtige houding van
't een of ander gedrocht bespied hebben, in een oogenblik, "dat er
niemand anders naar keek";--zeg mij niet dat men moet gaan kijken
hoe de vrucht van 't zweet en bloed van onvermoeide hengelaars in
één oogenblik door den gulzigen pelikaan verslonden wordt, en hoe de
Boa Constrictor een Leidschen bok met hoornen en al, in een oogwenk
tijds verzwelgt;--roep mij niet toe dat men zijne anecdote behoort te
hebben op den kasuaris, zijn snakerij op de apen, en zijn woordspeling
op de beren. Op dit alles antwoord ik u: ik haat het beestenspel;
en ik zal u de reden van mijn afgrijzen uiteenzetten.

Een beestenspel! Weet gij wat het is?--"Eene verzameling", zegt gij,
"van voorwerpen van natuurlijke geschiedenis, even belangrijk voor den
dierkundigen..." Als voor den beestenvrind, wilt gij zeggen? "Neen,
als voor ieder mensch, die er belang in stelt zijn medeschepselen op
dit wijde wereldrond te kennen." Gij zegt wèl; maar dan wenschte ik
mijn medeschepselen te zien, zoo als ik ze op plaat I. van iederen
prentenbijbel zie, in aardige groepen door elkander geschikt, allen
in hunne natuurlijke houding: den leeuw, met een opgeheven voorpoot,
als op brullen staande; de kaketoe, van een boomtak nederkijkende,
als om te onderzoeken wat voor kleur van haar _Adam_ heeft; en niet,
och, ik bid u, niet in die afschuwelijke ijzeren schommels (een soort
van groote lijsterbogen) in eeuwige beweging; de boa in 't verschiet,
om den boom in schoone verleidelijke bochten gekronkeld, en naar den
noodlottigen appel opziende; den adelaar, hoog in de lucht zwevende,
als een nauwelijks merkbare stip: ja, dan nog veel liever geheel
onzichtbaar, dan zóó als ik hem in een beestenspel zie... Zoo zou het
mij aangenaam en belangrijk zijn.--Maar hier in deze enge, bekrompene
hokken, achter die dikke tralies, in die slaafsehe, weerlooze,
gedrukte, angstige houding,--o! een beestenspel is een gevangenis,
een oudemannenhuis, een klooster vol uitgeteerde bedelmonniken;
een hospitaal is het, een bedlam vol stompzinnigen.

Gij hebt nog nooit een leeuw gezien; gij stelt u iets majestueus
voor; een ideaal van kracht, grootheid, waardigheid en moed; een
wezen geheel woede, maar bedwongen door zelfbeheersching, voor zoo
lang het verkiest; den koning der dieren. Welnu; verplaatsen wij ons
met onze verbeelding in de woestijn van Barbarije!

Het is nacht; het is het kwade seizoen. De lucht is donker; de wolken
zijn dik en drijven onstuimig en snel heen en weder; de maan scheurt
ze nu en dan met een waterachtigen straal. De wind huilt door 't
gebergte; de regen ruischt; van verre gromt de donder. Ziet gij daar
dat gevaarte, met dichte struiken bewassen, zich afteekenen tegen
de lucht;--ziet gij daarin die donkere rotskloof, beneden, gapende,
boven zich verliezende in heesters en distelen? Het bliksemt: ziet gij
ze? Houd uw oog derwaarts gericht. Het is alles duisternis. Let op! Wat
is dat? 't Is het glinsteren van twee oogen; gloeiende kolen. Hoor
toe! Dat was de donder niet; het was een schor gehuil; het diepe
geluid van een leeuw die ontwaakt. Hij tilt zich uit zijn hol naar
boven. Hij rekt zich uit. Een oogenblik staat hij met opgeheven hoofd
brullende stil. Hij schudt de zwarte manen. Eén sprong!... Achter uw
wachtvuur, onvoorzichtige! Hongerig gaat hij om; met woeste bewegingen,
met ongeregelde sprongen, met schrikkelijke geluiden.

Wien zal het gelden? Een breedgeschoften buffel misschien, die hem
met gebukten hoofde en sterke hoornen zal opwachten. Geen nood: hij
zal hem aanvliegen; hij zal zijn nagelen klemmen in zijne lenden; hij
zal aan hem hangen blijven; hij zal hem de blanke slagtanden in den
korten rimpeligen nek slaan; één oogenblik--en hij zal hem afmaken,
hem in stukken scheuren en zijnen honger bevredigen. Dan zult gij hem
met rooden muil en bespatte manen rustig zien nederliggen, zijn zege
genietende, trotsch op zijn koningschap.

Welnu!--die Koning der dieren, die schrik der woestijn, die gedachte,
die woedende, is hier. Ziedaar de antichambre van zijn paleis; it
van voren open vertrek, middending tusschen een salon, een kantoor,
en een tentoonstelling van schilderijen. Deze heraut, met den
geschilden wilgetak in de hand, noodigt u uit. Zijne majesteit geeft
audiëntie. Zijne majesteit is voor geld te kijk. Zijner majesteit
staatsdame licht het behangsel op. Gij zijt in zijner majesteit
onmiddellijke tegenwoordigheid. Geef u de moeite niet bleek te
worden; de koning zal u wèl ontvangen. Maar voorzichtig! stoot u
niet aan dezen--wat is het? een reiskoffer? Vergeef mij, het is een
ecrin vol slangen! arme _reuze_slangen! Hierheen! Pas op: die lamp
druipt! Stap over dien emmer, vischvijver van den pelikaan, badkuip
des ijsbeers! Wij zijn er. Hier, op dit wagenstel, in dit roode hok,
zes voet hoog en zes voet diep, ligt hij. Ja, hij is het wel. Ik zweer
u dat hij het is. Zijne pooten steken onder tusschen de traliën uit:
dat zijn _leeuwe_klauwen. Zijn staart, die geesel! schikt zich naar
den rechthoek van zijn verblijf. Hij is slaperig; hij ronkt. Zouden
wij hem kunnen doen opstaan! "Nero, Nero!" _'Il est dêfendu de toucher
aux animaux, surtout avec des cannes'._ Gevoelt gij al het vernederende
dezer waarschuwing? Daarin is al zijn weerloosheid. Het zou hem _zeer
doen_. Hebt gij uw illusiën, heeft de leeuw zijn prestige nog? Zijt
gij nog bang voor dien bullebak? Gelooft gij nog aan de schets van
zoo even? Zegt gij niet


    Laat hem komen, als hij kan?"


Onttroonde koning! Gekrompen reus! Zie, hij is voorzichtig
in al zijne bewegingen; hij neemt zich in acht, om zijn hoofd
niet te stooten, zijn muil niet te bezeeren, zijn staart niet
te schenden. Wat onderscheidt hem van eenig tam beest? Wat van
dien lagen hyena, die de kerkhoven schoffeert? van dien gevlekten
tijger, viervoetige slang die van achteren aanvalt? van dien wolf,
dien een kloek kozak dood geeselt? van dien afschuwelijken mandril,
hansworst der verzameling? van al die walgelijke apen, daar zooveel
menschen zich vroolijk mee maken? Altemaal zijn zij opgesloten: de
vorst als de knecht, de vorst meer dan allen. Waan niet dat gij hem
in zijne natuurlijke grootte ziet. Dit hok maakt hem kleiner; hij is
wel een voet gekrompen. Zijn gelaat is verouderd. Zijn oogen zijn dof
geworden; hij is suf; het is een verloopen leeuw. Zou hij nog klauwen
hebben? Bedroevend schouwpel. Een haspel in een flesch; men weet niet
hoe 't mogelijk is dat hij er inkwam! Een ziek soidaat; een grenadier
met geweer en wapens, berenmuts en knevels (foudre de guerre) in een
schilderhuis; Simson met afgesneden haar; Napoleon op St. Helena.



Als gij in 't midden van deze tent staat, tusschen staatsiegordijnen en
schoorsteenvallen, en ijzeren tralies, en onderstellen van wagens, en
wilde dieren; als gij uw oog slaat op al die vernederde schepsels--waan
niet dat gij leeuwen, dat gij tijgers, dat gij gieren, arenden, hyenen,
beren ziet. De kinderen der woestijn zouden hunne broederen, zoo zij
ze hier zagen, verachten en verloochenen. Berg dat zilveren potlood,
steek die portefeuille op, gij teekenaar! Maak hier geene schetsen. Gij
hebt geene wilde dieren voor; het zijn er slechts de vervallen
overblijfsels van; zij zijn naar ziel en lichaam gekraakt. Hun aard
drukt zich niet meer uit. De leeuw stierf in den leeuw; de tijger is
dood in den tijger. Uwe teekening zou zijn als een portret naar een
lijk ontworpen. Gij kunt even zoo goed een petit-maître onzer eeuw
tot model voor een zijner Germaansche vaderen stellen, of een mummie
afbeelden, en zeggen: zoo is een Egyptenaar! Nauwelijks kunt gij
hunne vormen, hunne omtrekken, hunne evenredigheden zien of berekenen
onder de slagschaduwen dezer vierkante kooien. Hoe zoudt gij dan het
eigenaardige van hunne houding kunnen raden? Ze zijn hier als planten
in een kelder; zij verkwijnen; zij zijn in een droevigen staat van
ongevoel, een naren dommel verzonken. Zij sterven sinds maanden. Het
licht hindert hen. Zij zien er dom, verstompt uit. Dans la nature
ils sont beaucoup moins _bêtes_.

"Stil", zegt gij, "zie daar den eigenaar. Hoor hoe zij brullen. Zij
zullen gevoed worden. Het souper der wilde dieren." Smartende
bespotting! Hun souper! De cipier zal elk dezer staatsgevangenen
zijne afgepaste portie komen toedeelen. "Ja, maar hij zal ze tergen,
en een oogenblik zult gij ze in hun kracht zien." Wee onzer, zoo dat
waar is! Neen, het is eene tooneelvertooning. Zij worden tot acteurs
vernederd. Hun woede is die van operahelden, van beleedigde vaders
in de vaudeville. Het is namaaksel. Het is een woede van klokke
halfacht. Het rammelen der boeien, als de gevangene opstaat om zijn
brood en water aan te nemen. Ook in het gebrul des leeuws, het gehuil
der wolven en het lachen der hyena's is een _pectus quod diserfum
facit_. Waan niet dat zij zich verwaardigen zouden hun verschrikkelijke
welsprekendheid aan dien knecht te verkwisten, die toch eindigen moet
met hun het afgewogen stuk vleesch in den bek te steken.

Hun souper! o Zoo zij mochten, zij zouden van dit behulpelijk,
bekrompen genadebrood een beroep doen op hun avondmaal in de
woestijn! Weekelingen, die uw brood bakt en die uw vleesch kookt om
het te kunnen verduwen! zoo gij genoodzaakt werdt dien maaltijd aan
te zien, daar zij de rookende spieren van de breede knoken aftrekken,
en er zich met al de felheid, al de heftigheid hunner bewegingen
opstorten, brullende van genoegen, niet omdat zij eten, maar omdat zij
slachten,--hoe zouden u de haren te berge rijzen, hoe zou vleeschhouwer
en uitdeeler, hoe het geheele heir geabonneerden rillen en beven!



Alleronuitstaanbaarst is mij in een beestenspel de uitlegger. Gij
lacht om zijn gemeen Fransch en nog ellendiger Hollandsch, om zijn
eeuwig wederkeerende volzinnen: ik kan niet lachen. Hij ergert mij.


    Sire, ce n'est pas bien:
    Sur le lion mourant vous lâchez votre chien!


Foei! hij noemt den tijger monsieur en de leeuwin madame; hij
vertelt aardigheden op hun rekening; zij zijn de dupes zijner
van buitengeleerde geestigheid. O! zoo zij konden, hoe zouden zij
zich op den grappenmaker wreken. Hoe zou monsieur hem vierendeelen,
madame hem vernielen. Hij zou 't verdienen. Hij behandelt dieren als
dingen. Hij verdient een dommen glimlach aan den een, een drinkgeld
aan den ander. Hij ontneemt u het schoone zinnebeeld der moederliefde,
dat gij in den pelikaan zaagt, en maakt liever een slaapmuts van
zijn onderkaak. Ellendige potsenmaker, straffeloos lasteraar, die
zijne beteren bespot. Met een paar knevels en een stok loopt hij om,
en speelt den held onder de gevangenen.



Ja, het is ijselijk als gij een verren neef of halfvergeten vriend
overkrijgt, die u vriendschappelijk dringt hem het Leidsch museum
te laten zien, en ge moet, terwijl gij liever de bekoorlijken
op Rapenburg en Breestraat gadesloegt, met hem op een schoonen
voormiddag de eene zaal na de andere doordrentelen, zonder iets te
zien dan natuurlijke historie, zonder ergens een knie te buigen; en
het is er kelderachtig koud! Maar zoo het er op aankomt om vreemde
dieren te zien: ik zie ze liever daar dan hier. Liever een museum
dan een menagerie, 't Is waar, het knekelhuis, dat gij eerst door
moet wandelen, neemt een goed deel van de illusie weg; de anatomie,
gelijk alle analyse, is schadelijk aan de poëzie; maar de opgezette
dieren zijn niet vernederd. Hier ronken zij niet, hier slapen zij
niet, hier sterven zij niet, hier zijn zij dood. Hier geen dofheid,
geen traagheid, geen luiheid; hier koude en ongevoeligheid. Het is
hier als in hun onderwereld: gij ziet hunne schimmen, hunne omtrekken,
hunne eidola! Aan hun stoffelijk omkleedsel, hun houding, hun stand
moge door opvulling en kunstenarij een weinig zijn te kort gedaan, maar
de ziel (gij gelooft toch dat de dieren een ziel hebben?) wordt hier
niet verdoofd of verminkt. Niet de lage baatzucht, maar de deftige
wetenschap heeft hen bijeenvergaderd. Zij staan hier niet te kijk,
zij staan hier tot uwe onderwijzing. Hunne namen worden in eerbiedig
Latijn genoemd. Zwijgend gaat men langs hunne rijen, met al het ontzag,
dat men voor de dooden heeft.



Maar een menagerie!

o Gij, heeren der schepping! ik weet niet of gij in de 19de
eeuw onzer jaartelling, en zoo ver van het paradijs, dien naam
nog verdient.... maar gij hoort hem zoo gaarne, en zijt er zoo
hoovaardig op; o gij, heeren der schepping! laat u gelden in het
dierenrijk, laat u gelden bij al wat slagtanden, klauwen, hoeven
en horens heeft. Heerscht, dwingt, gebiedt, overweldigt, beschikt;
zet uw krijgsburcht op den rug der elefanten; legt uw pak op den nek
der buffelen, zet uw tanden in het oor van onagers, jaagt uw lood
door het voorhoofd der tijgers, en maakt hun vacht tot schabrak uwer
paarden; overwint als een Cesar de wereld, en spant als een Cesar
vier leeuwen voor uw triomfkar. Het is wèl. Maar misbruikt uwe kracht
niet. Spot niet, kwelt niet, vernedert niet, dooft niet uit. Geen
gevangenhuis, geen tuchtcel, geen schavot, geen kaak, geen draaikooi,
geen beesten-_spel_. Ja, een spel is het, een afschuwelijk wreed
spel. Moet gij een spel hebben: herstelt het molmend coliséum tot een
worstelperk, en hebt ten minste de grootmoedigheid, uw gelijken met
hen ten kamp te doen treden. Vermaakt u (zoo gij nog niet genoeg hebt
van barbaarsche vermaken) met hunne krachten, met hun moed, met hun
heldeneinde;--niet met hunne slavernij, niet met hunne ontaarding,
niet met hun heimwee, niet met hun teringdood.

1836.



Een onaangenaam mensch in den Haarlemmerhout.


Onbegrijpelijk veel menschen hebben familiebetrekkingen, vrienden of
kennissen te Amsterdam. Het is een verschijnsel, dat ik eenvoudig
toeschrijf aan de veelheid der inwoners van die hoofdstad. Ik had
er voor een paar jaren nog een verren neef. Waar hij nu is, weet ik
niet. Ik geloof dat hij naar de West gegaan is. Misschien heeft de
een of ander van mijne lezers hem wel brieven meegegeven. In dat geval
hebben zij een nauwgezetten, maar onvriendelijken bezorger gehad, als
uit den inhoud van deze weinige bladzijden waarschijnlijk duidelijk
worden zal. Inderdaad, ik ken vele menschen, die nog al ophebben met
hunne Amsterdamsche neven, vooral als ze tot de "Lezers" in Felix
behooren, of als ze rijtuig houden; maar ik heb dikwijls verbaasd
gestaan over mijne verregaande koelheid omtrent den persoon van mijn
neef _Robertus Nurks_; en niets verschrikkelijker, dan wanneer hij
mij zaterdagmiddag per diligence een steen zond met een brief er aan,
inhoudende dat hij (mits het weer goed bleef en er niet, maar dat
kwam er nooit, het een of ander in den weg kwam) met mij den dag in
den Haarlemmerhout zou komen doorbrengen; niet dat ik iets tegen het
gemelde bosch heb, maar wel iets tegen ZEd.

En evenwel was hij een beste, eerlijke, trouwe jongen, prompt in
zijn zaken, stipt in zijn zeden, godsdienstig, en zelfs in den grond
goedhartig. Maar er was iets in hem--ik weet het niet--dat maakte dat
ik met hem niet op mijn gemak was; iets lastigs, iets impertinents,
in één woord iets volmaakt onaangenaams.

Ik zou, om iets te noemen, een nieuwen hoed gekocht hebben; geen
buitensporig fatsoen (geen nationalen bijv.), geen te hoogen of te
platten bol; geen te breeden of te smallen rand; een hoed, goed om af
te nemen voor een verstandig man en op het hoofd te houden voor een
gek, doch stellig een hoed om niets van te zeggen. Toch kon ik bijna
overtuigd zijn, dat mijn beminnelijke neef _Nurks_, de eerste maal
dat hij er mij mee zag, met den hatelijksten glimlach van de wereld
en met een soort van ontevredene verbaasdheid zeggen zou: "Wat een
weergaschen gekken hoed heb _jij_ op".--Nu is het onbegrijpelijk
moeielijk; schoon ik gaarne beken, dat de een zich daar handiger
in gedraagt dan de ander, en ik niet een van de gauwsten ben; nu
is het onbegrijpelijk moeielijk, onder eene dergelijke critische
verklaring omtrent uw hoed, een tamelijk figuur te blijven maken. Het
in ernst voor uw hoed op te nemen, is wat al te gek. Het met een:
"hé, vindje dat?" af te laten loopen, verraadt volslagen gemis van
tegenwoordigheid van geest. Te repliceeren met een hatelijkheid
op des critici eigen hoed, is wat kwajongensachtig. En hoewel een
aardigheid te zeggen het alleruitmuntendste zou zijn, en er een
schat van aardigheden mogelijk is, zoo is het evenwel bijzonder
opmerkelijk, hoe weinig men er dikwijls op zulk een oogenblik bij
de hand heeft. Zoodat de critische hoedeninspecteur gewoonlijk de
voldoening heeft eene kleine verlegenheid te weeg te zien gebracht,
welke hij met demonischen wellust geniet.

Indien gij uit dit kleine voorbeeld van mijn hoed; het is in 't oog
loopend hoe dikwijls hoeden tot voorbeelden dienen; niet een vrij
beslissenden kijk op mijn neef _Nurks_' karakter hebt, dan zal het
heele verhaal, dat ik schrijven ga, nutteloos aan u verkwist zijn,
lezer, en dan zal ik ook zoo vrij zijn u tot uw straf te houden
voor een sprekend evenbeeld en wedergade van dienzelfden _Robertus
Nurks_. Men zou intusschen verkeerd doen, zich dien waardigen
Amsterdamschen jongen voor te stellen als ongelukkig, ontevreden,
of zwartgallig. Hij was alleen maar hatelijk, en zulks deels uit
gewoonte, deels uit een diepe en misschien voor hemzelven verborgen
jaloezie. Hij was in 't geheel geen kniezer, altijd vroolijk gestemd
en de vroolijkheid beminnende; maar hij scheen er een genoegen in te
vinden, zijnen vrienden kleine grieven aan te doen, en niet alleen
zijnen vrienden, maar in het algemeen de onschuldigste menschen
van de wereld. Eene opvoeding boven zijn stand had hem, geloof ik,
die lompe aanmatiging gegeven; en onverstandige ouders hadden hem
te vroeg er aan gewend om zijn jong oordeel over een iegelijk, die
hun huis bezocht, met toejuiching te zien ontvangen. Van daar dat
hij niets had van dien kieschen terughoudenden schroom, die even
bang is om te beleedigen als om beleedigd te worden; niets van die
zachte humaniteit, die men, ondanks alle gezag van spreuken als
"Ingenuas didicisse fideliter artes" etc. nog veel beter van zijn
moeder kan overnemen, dan uit de classieke literatuur halen. Trouwens
hij verstond maar zeer weinig Latijn.

Indien _Robertus Nurks_ zeker wist dat gij half verliefd waart, hij
zou de gelegenheid vinden om het voorwerp uwer stille genegenheid
in het gesprek te pas te brengen, onder de voor u hartdoorsnijdende
bijvoeglijke naamwoorden van "leelijk, dom, onbeduidend, mal",
of dergelijke. Kende hij mijn lievelings-auteur, hij haalde er in
gezelschap de leelijkste plaatsen uit aan, met bijvoeging van "zoo
als _Hildebrands_ hooggeloofde die of die zegt". Waagdet gij nog eens
een oude anecdote, die u veel genoegen verschaft had, waarvoor gij
dus billijk eenige genegenheid voeddet, en waarvan gij u ook deze
maal nog al vrij wat beloofdet, omdat allen zich hielden als of zij
haar niet kenden: hij bedierf er de uitwerking van, door juist als
't op de aardigheid aankwam, het verhaal al raffelende voor u af te
maken, van den Enkhuizer Almanak van 't jaar één te spreken, en te
zeggen dat alle anecdotes laf zijn, en dit er een was, die hij honderd
malen van u gehoord had. In 't kort, hij kende al de zwakke plaatsen
van uw familie, van uw verstand, van uw hart, van uw liefhebberij;
van uw studie, van uw beroep, van uw lichaam, en van uw kleerkast,
en had er vermaak in, ze beurtelings pijnlijk aan te raken. En ik
weet niet welke bezwerende of magnetische kracht hij op u uitoefende,
om u geheel weerloos te doen zijn.



Het zal nu drie jaren geleden zijn; ik moet zuinig omgaan met jaren,
want ik ben nog zoo jong; dat mijn neef _Nurks_ mij op zaterdag
den 14_den_ Juli--gij kunt den almanak nazien of het uitkomt--weder
een steen zond, die mij dan ook als zoodanig op het hart viel. Hij
zou morgen, na ochtendkerktijd, bij mij komen, en 's avonds met den
wagen van achten weer vertrekken. De uren daartusschen zouden wij
aan de vriendschap en het genoegen offeren.--Ondertusschen had ik
plan gemaakt voor eene andere vriendschap en een ander genoegen. Ik
had een Leidschen makker bij mij gelogeerd, met wien ik te Zomerzorg
eten zou, om vervolgens over Velzerend naar Velzen te wandelen,
waar wij den nacht zouden doorbrengen om 's morgens naar de Breezaap
te gaan en aldaar wat te botaniseeren, waarvan wij beide groote
liefhebbers zijn. Ik hoop dat niemand van mijne lezers mij daarom
verachten zal, naar de gewoonte van vele menschen, die aan de waarde
en het gehalte van genoegens twijfelen, die zij niet in staat zijn
te beoordeelen. Mijn neef _Nurks_ behoorde tot dezulken.

Het opgemelde plan was met groote opgewondenheid en wederzijdsche
goedkeuring gemaakt. Het was als of onze zielen er in samensmolten. Ik
beloofde mijnen medischen student; wiens naam omdat hij bang voor
recensenten-hatelijkheden is, ik heb moeten beloven te zullen
verzwijgen, en wien ik daarom voor 't gemak _Boerhave_ zal noemen;
ik beloofde mijnen medischen student, behalve de schatten van de
Breezaap, ook nog bloeiende exemplaren van Aristolochia Clematitis,
op den weg tusschen Zomerzorg en Velzerend en, daar hij ook eene
verzameling van conchiliën er op nahield, stond hij in lichterlaaie
verrukking, toen ik hem verzekerde dat op de hoogte der Blauwe
Trappen de wijngaardslakken over uw laarzen kruipen of 't zoo niets
is.--Maar de steen uit Amsterdam verbrijzelde al die zaligheden,
en het gansche plan moest worden uitgesteld onder de voor ons
verschrikkelijke gedachte, den geheelen dag in Den Hout te zitten;
want een fatsoenlijk Amsterdammer komt alleen in Den Hout.

De opoffering viel ons moeielijk, en ik verdacht den hupschen
_Boerhave_ (die niet zooals ik den band des bloeds gevoelde, en
daarenboven een onbepaald vertrouwen koesteren moest op de wetenschap,
die hij beoefende) van den heimelijken wensch, dat mijn liefelijke
_Nurks_, van wien hij zich half bij instinct, half door mijne
kwaadsprekendheid, niet veel goeds beloofde, tusschen zaterdagavond
en zondagochtend eene kleine ongesteldheid mocht ontwaren, die hem
mocht doen besluiten tot een kort briefjen op de eerste schuit enz.;
maar _ik_ wenschte hem op een allerliefste buitensociëteit vol
"vermoakelijkheden", of op een dolprettig diné aan den Berenbijt,
met drie leden van De Munt en zeven van Doctrina, waar men elkander
allergeestigst met het wederzijds ophemelen der beide sociëteiten
plagen kon, tot groote bemoeilijking van den elfden man, die lid
van beiden was, en den Doctrinisten wel gelijk wilde geven, omdat
ze de meerderheid hadden, maar den Munters niet afvallen, omdat
ze de grootste heeren waren. In een dergelijk gezelschap had mijn
vriend _Nurks_, die in de universaliteit van den elfden deelde, dan
gelegenheid gehad om zijn hart te luchten over den "lastigen dikken
weerga" (een oom van een der gasten), die altijd den Haarlemmer
las als _hij_ hem wou hebben, in de eene, en "den onverdragelijken
langen zwiep" (een vollen neef van een ander der aanwezigen), in de
andere, die altijd pot maakte als _hij_ pas begonnen was carambole
te spelen. Edoch het was bestemd, dat hij den zondag van den 15_den_
Juli in den Haarlemmerhout zou doorbrengen.



"Ha, hoe maakje 't, _Rob_!" riep ik uit toen hij binnenstapte. "Mijn
vriend, de student _Boerhave_, neef".--Was het valschheid dat ik hem
hartelijk ontving? Ik geloof neen. Toen ik over het plan van Zomerzorg
en de Breezaap heen en hij werkelijk daar was, nam ik er den besten
kant van; en ik had hem toch ook in zoo lang niet gezien.

"Best, jongen;--mijnheer, je dienaar! Jongens, wat is me dat end van
de Amsterdamsche poort weer tegengevallen!"

"Mijnheer moet anders aan lange enden gewoon zijn," merkte _Boerhave_
aan, ik geloof om zijn aardrijkskundige kennis van de hoofdstad
te toonen.

"Ja, dat _is_ zoo", zei _Nurks_, met een bijzondere kracht op 't
woordje _is_, "maar daarom juist, als men zoo'n mal klein stadje als
Haarlem de eer aan doet, wil men 't liever niet."

_Nurks_ wierp een blik in den spiegel. Zijn eene halsboord had het door
de warmte; het was zeer warm weder dien dag, vooral in de diligences;
had het door de warmte te kwaad gekregen, en lag in zwijm over den
rand van zijn strop.

"Malle dingen! Anders een goed fatsoen. Ik hou niet van die ronde
boorden."

_Boerhave_ en de nederige inwoner van het malle, kleine stadje waren
er mooi mee; hij verbeeldde 't niet gezien te hebben.

"Kanje _nog_ al niet rooken, _Hildebrand_?"

Ik vloog naar den portecigares en bood hem dien aan.

"Hebje nog altijd dat _strooien_ soortje?" zei hij, de punt van
degene, die hij genomen had, met het ongeloovigste gezicht van de
wereld afbijtende, en toen zijn vroeger onderwerp weer opnemende,
daar hij nog niet genoeg van had:

"Jongens, ik vind dat het zoo mal staat als iemand niet rooken kan. Hij
zit altijd met zijne vingers ergens aan. Ik ken _nog_ iemand die
nooit rookt, maar dat is de miserabelste kerel van de wereld."

Ik begreep dat ik al vrij veel kans had om, bij eventueel overlijden
van dien heer, denzelven in zijn hoogen rang in de schatting van mijn
neef op te volgen.

Nu volgde een gesprek, voornamelijk bestaande uit eenige informatiën
naar wederzijdsche kennissen, waarin geen enkele onaangenaamheid
voorkwam, dan dat hij, toen ik naar een zeer intiemen vriend vroeg,
dien hij zeer wel kende, noodig had zijn geheugen op te scherpen met
de herinnering, "of het die was, wiens broer die smerige affaire met
de politie gehad had", opdat _Boerhave_, die daartoe al den tijd
had, zoo mogelijk allerlei vermoedens tegen de familie zou kunnen
opvatten. Ik weet niet of hij het deed; maar kort daarop verliet hij
ons een oogenblik om een knijpbriefjen af te vaardigen, welk punt
des tijds onmiddellijk door _Nurks_ werd waargenomen, om mij met de
aanmerking op te winden:

"Die vriend van jou lijkt sprekend op dien schoenenjood, die altijd op
den hoek van de Vijzelstraat en de Heerengracht staat;"--en toen ik
groote oogen opzette,--"och ja, je weet wel, die leelijke kerel! net
of hij een trap van een paard gehad heeft."

Nu, op dat oogenblik kwam _Boerhave_ weer binnen. Over de
gelijkenis met den schoenenjood, op den hoek van de Vijzelstraat
en de Heerengracht, kon ik niet oordeelen, omdat de respectieve
aangezichten der respectieve schoenenjoden van Amsterdam mij niet
duidelijk en onderscheiden voor den geest stonden; maar op mijn
vriends gelaat iets te lezen, dat denken deed dat het ooit in eenige
on vermakelijke aanraking geweest was met het viervoetig dier door
den vleienden _Nurks_ genoemd, was mij t' eenenmale onmogelijk.

Wij gebruikten koffie en brood, welke beide artikelen de eer
hadden de volkomen goedkeuring van mijn neef weg te dragen. Wel
beweerde hij de nadeeligheid van de eerste zonder melk te drinken,
waaraan zich de medicus schuldig maakte, en verzekerde hij dat hij
't altijd aan iemands teint zien kon "want het teint werd er leelijk
van;" maar toen de medicus er voor uitkwam dat hij medicus was, en
in die hoedanigheid daar nooit van gehoord had, veranderde hij van
batterij, en begon mijn vriend een verkwikkend tafereel op te hangen
van de veelheid der jonge doctoren, die in Amsterdam, zonder brood,
op dure kamers woonden en allerlei laagheden doen moesten om een bus
te krijgen, en dergelijke opwekkelijke voorstellingen meer, recht
geschikt om een medicina candidatum in zijn studiën aan te moedigen;
terwijl hij ze allen bekroonde met de plechtige verklaring "dat er
niet één medicus in de wereld was, wien hij, _Robertus Nurks_, wat
hèm betrof, zelfs maar over zijn kat vertrouwde."

Wij gingen Houtwaarts. Het was ruim één ure. Nu, alle welopgevoede
dingen hebben hun gestelden tijd. De nachtegalen komen in 't
voorjaar, de vinken en lijsters in 't najaar; de zon schijnt bij
dag, de kaars bij avond, en de maan bij nacht. Zoo is het ook met
de menschensoorten. Al wie met de duizend en een _species_ van het
_genus_ Haarlemmer bekend is, weet dat zij allen des zondags haar
verschillenden wandeltijd hebben; iets, 't welk zeer natuurlijk
wordt, als men aan den verschillenden eettijd denkt, en daarbij in
't oog houdt dat er veel menschen naar de middagkerk gaan, terwijl een
groot gedeelte niet weet dat er een middagkerk is. Als men alle deze
_species_ rangschikt, en men tevens achtslaat op de vreemde vogelen,
die uit andere luchten op een zonnigen zondag komen aanwaaien, dan zal
men een aaneengeschakelde opvolging hebben, niet ongelijk aan die der
elkander, naar de schoone vergelijking van _Homerus_, als boombladeren
wegstootende geslachten in het bestaan des menschdoms, of aan die
der elkander voortstuwende barbaren van het Europa der vijfde eeuw.

Zoo zal de natuuronderzoeker, die des zondagsmorgens de kerk verzuimt
of naar de vroegpreek is geweest (wat ik liever onderstellen wil)
en om tien uren, half elf, in Den Hout komt, op het Plein of bij den
Koekamp (de naam is niet welluidend), eenige zwermen feestvierende
vogels van den Haarlemmerdijk inhalen, per schuit van zevenen uit
Amsterdam vertrokken. De mannetjes zijn blauw of zwart geteekend en
hebben sliknatte, fijngekrulde bakkebaarden. Ze zijn voorzien van
lange Goudsche pijpen, waaruit ze òf rooken, òf die ze losjes bij den
kop tusschen de vingers houden en zoo, met den steel naar beneden,
onverschillig laten slingeren. Merk de regenschermen. De wijfjes
zijn wit. Zij houden haar opperkleed op, zoo dikwijls ze over een
droppel water stappen, en dragen 't geheel _opgesteld_ als er wezenlijk
plassen liggen van den regen van zaterdag. Zij eten gestadig uit haar
zak; sommigen in den zwerm hebben daarenboven nog een toegeknoopte
kinderluur met mondkost bij zich. Men ontmoet ze meestal in koppels
van negenen: twee mannetjes op zeven wijfjes. Ze dwalen een heel
end ver, somtijds wel tot Heemstede of de Glip af, maar strijken
's namiddags, onder een kruik bier en een bosje scharren, aan de
Groene Valk of in den Aalbessenboom neder, om met de laatste schuit
naar Amsterdam te vertrekken, terwijl intusschen de toegeknoopte
kinderluur van knapzak tot een korfje is omgeschapen, om "blommen"
in thuis te brengen, die drie weken lang in een aarden melkkan zonder
oor, in een klein winkeltje, of op den bovensten trap van een kelder,
hier zonder licht, en daar onder den frisschen adem van een stinkend
riool, het geluk en den rijkdom zullen uitmaken van iemand die garen
en band verkoopt en tevens besteedster is, of van iemand die turf en
hout slijt en tegelijk uit werken gaat.

Wandelt de natuuronderzoeker voort, dan ziet hij in 't voorbijgaan
eerst nog een dergelijken troep, die zich in den aanblik van
het Paviljoen verlustigt, en waarvan al de individu's, om zich
te overtuigen dat het geen droom is, zich met beide handen aan de
spijlen van het hek vastklemmen, zich bij geen mogelijkheid kunnende
verklaren wat voor aardigheid of vroolijkheid er wezen mag in de
groep van Laokoön, maar op dit punt overeenkomende, dat de W in het
frontispice "_Wullem_" beduidt.

Meergemelde natuuronderzoeker heeft even de Dreef verlaten, om in
de verrukking van deze vreemdelingen te deelen, maar gaat nu door
een allerliefst laantje, waarin de ochtendzon allergeestigst door
't hoog geboomte speelt, op de "logementen" af. Hij wandelt een gele
barouchette en een blauwen char-à-bancs voorbij, die hij onder 't
geboomte uitgespannen ziet, als ware 't om menigeen van huns gelijken
derwaarts te lokken. Hier is alles nog doodstil. 't Is een liefelijke
morgen. Een enkel heer met een grijzen paardenharen Saksen-Weimar,
bruinen rok, grijze zomerbroek, Engelsche spikkelkousen, lage schoenen
en een tenger, hoogstfatsoenlijk uiterlijk, zit aan een der houten
marmeren tafeltjes van het "Wapen van Amsterdam" voor de deur,
zeer op zijn gemak een boek te lezen. Een dikachtig heer met roode
wangen en een opvliegend voorkomen, met zwarten rok en in 't kort,
leest er steunende op zijn stok een courant, zonder tafeltje op een
stoel neergevallen. Een jonge vrouw, eerst onlangs uit het kraambed
hersteld en nog een weinigje bleek, zit aan een ander tafeltje,
waarop uitgediend ontbijtgoed staat, met een lief mutsje met lichtblauw
Zeister op en een lichtblauw japonnetje aan, gemakkelijk in haar stoel
geleund, te breien, en wijdt van tijd tot tijd haar aandacht aan haar
kindermeid, die met een Amsterdamsche kornet op 't hoofd, of liever ààn
't hoofd, want dat soort van mutsen laat het hoofdhaar tot de kruin toe
onbedekt, en een rozerood japonnetje met een zwart schort met puntjes
voor, op everlasting schoenen, met kruislinten net als mevrouw, over
het schelpenpad aan den overkant rustig voorttrippelt, met aan de eene
gehandschoende hand een kind van twee jaar, met een baleinen valhoedje
met rozeroode strikjes en, aan de andere, een van drie, in beugeltjes;
welke kinderen zij, zoo dikwijls als zij iemand tegenkomt, wien zij
een goed denkbeeld van hare opvoeding of van haar dienst geven wil,
met het plechtige "uwé" toespreekt: "Spreekt uwé niet tegen meneer,
_Sorsetje_?--Foei _Franswatje_, wat maakt uwé uwees handjes vuil
met die schullepies."--Aan de Hertebaan vertoonen zich hier en daar
een paar jonge dames, in 't bloote hoofd, en in een costuum, dat
zij "zoo geheel buiten" noemen, en 't welk voornamelijk gekenmerkt
wordt door sterk gekleurde zijden schortjes, bezig met "aan de lieve
beestjes eten te geven".--Dit nu zijn de gelukkigen, die bij _Stoffels_
logeeren.--In de Sociëteit is nog niemand, maar een tweetal knechts,
een volwassene en een jongen die nooit volwassen worden zal, staan
tegen elkander over in het middelste deurraam met de handen op den
rug het talent van _Zocher_ te bewonderen, dat de heeren van _Trou
Moet Blijcken_ in de gelegenheid gesteld heeft tot de schepen toe te
zien, die door 't Sparen gaan.--In 't logement op den hoek zit een
Zaandamsche familie, gisteren aangekomen, al de mannen zeer lang,
en in een volmaakt pak blauwe kleederen uitgedost, met zwarte dassen
en witte onderdassen; de vrouwen met de nationale kap, en zwarte
tanden. Zij drinken reeds koffie, en laten zich van den kastelein,
die de vrijheid neemt van in de deur te blijven staan, omtrent vele
wetenswaardige dingen onderrichten. Opmerkelijk is, tegen een der
palen en daarenboven op een stok geleund, een gebrekkig man, niet
zoo zeer een bedelaar, als wel een afwachter van aalmoezen; een dier
onsterfelijken, die de oudste Haarlemmers altijd even oud en altijd
even beschadigd, daar gezien hebben. Sommige verdenken hem van een
stilleverklikker te zijn; ik geloof het niet; maar indien hij het is,
dan is hij het zeker alleen maar om aan de kindskinderen te verklikken
op wat wijze hunne grootvaders in Den Hout hun geld verteerden.

In dezen toestand blijft Den Hout tot elf uren of half twaalf. Alsdan
rukt de voorhoede der Haarlemsche wandelaars er in. Zij bestaat
voornamelijk uit dezulken, die zich de zes overige dagen, aan beroep of
nering gebonden, van alle vertreding spenen moeten, en dus des zondags
de grootste appetijt hebben. Het zijn de kleine winkeliers met lange
roksmouwen; de boekhouders met watten in de ooren; de ambachtsbazen met
hooge hoeden, lange panden, en lange lenden; allen met hunne vrouwen
één, en met hunne dochters drie graden boven haar stand gekleed,
en alleen in dit bijzondere geval met hunne zonen, wanneer deze het
niet zóó ver in de wereld hebben gebracht om zich hunner te schamen;
want er vallen secretarieklerken, ondermeesters en kleine bloemisten
onder voor; maar indien dit het geval niet is, dan ook kunt gij
zeker zijn, vader en zoon met gelijke en gelijkvormige rottingen
te zien voortschrijden. Voor het overige bemerkt men nu reeds een
enkel jong mensch uit deftiger stand, hetzij dan een notarisklerk of
een surnumerair bij het gouvernement van Noordholland, die, daar hij
geen schepsel wist te verzinnen, aan wien hij na kerktijd een bezoek
schuldig was, nu maar naar _Stoffels_ stapt en, verbaasd van daar
nog niemand van zijn kennis te ontmoeten, zich met den hond van den
kastelein behelpt, die door zijn innemende vriendelijkheid bewijst
dat mijnheer habitué is.

Hem volgen, tegen halftwee, twee uren, de deftige bewoners uit de
stad. De fabrikant met zijn familie, de notaris met zijn familie,
de boekhandelaar met zijn familie, en de wereldsche kinderen van den
geestelijke, zonder hunne ouders. Ook komen nu de bloemisten van
den Kleinen Houtweg met vrouw en kroost opzetten. Voorts bemerkt
men zusters met haar eerste voiles, die met broers met hun eerste
rokken gaan wandelen, op hoop van andere zusters met voiles en broers
met rokken tegen te komen; en reeds nu en dan een enkel rijtuig, als
b.v. de sjees van den dokter, die met zijn beste tuig en zijn vrouw een
toertje doet, en het wagentje van den grutter, die geen pleiziergeld
betaalt, alreede tegenkomt; voorts de demi-fortune van den kleinen
rentenier; maar ook reeds het blinkend verlakte rijtuig met de zwarte
harddravers met witte koorden leidsels van den welgestelden makelaar,
en het rijpaard van den kostschoolhouderszoon; alles doorkruist en
voorbijgereden van Amsterdamsche char-à-bancs voor twaalf personen,
daar er veertien met een kind, en calèches voor drie, daar er vijf
met een hoedendoos in zitten, schoon ik zeggen moet dat de meeste
dezer laatsten in de stad uitspannen.

Het gebeurde alzoo dat, als wij drieën om één uur de Houtpoort
uittraden, wij noodwendig op hun terugtocht tegenkwamen de kleine
winkeliers met de lange roksmouwen, de boekhouders met de watten,
de hooghoedigen, de langpandigen, de langlijvigen enz., en als
't ware aankondigden de komst der notarissen, der fabrikanten,
der boekverkoopers, der doctoren, der apothekers, der bloemisten,
der zusters en broers enz., die nog achter ons waren.

"Wat zien uw stadgenooten er over 't algemeen peu fashionable uit!" zei
_Nurks_, met dien bijzonderen lach, die de Engelschen _a sneer_ noemen,
een zeer druk en aangenaam gesprek afbrekende en oogenblikkelijk weer
opvattende, om mij het antwoorden te beletten.

Een boom of wat verder pleegde hij mij hetzelfde boevestuk met den
uitroep:

"Ik dacht dat er zooveel beau-monde in je menniste Haarlem was!" en
weder vergunde hij mij niet in het midden te brengen, dat de geheele
deftige middelstand nog achter onzen rug was, die niet voor een uur
later, eerst door de hoogere ambtenaars, en daarna door de haute
volée zou worden opgevolgd. Hij wist het ook trouwens even goed als ik.

Wij namen plaats bij _Stoffels_. De onbeleefdheden, die tot nog
toe alleen aan ons beiden verkwist waren, werden nu ook algemeen
verkrijgbaar gesteld. Ik zat nog niet, toen _Nurks_ al uitriep,
zoodat al de belendende gezelschappen het hooren konden:

"Lieve hemel, _Hild_, wat hebje een mooi vest aan; dat had ik nog niet
van je gezien; jammer dat het fatsoen een paar modes ten achteren is."

De leelijkert had duidelijk bemerkt, dat ik het voor 't eerst aanhad
en er van tijd tot tijd met innig welgevallen naar keek. Ik stak
onmiddellijk mijn beenen onder de tafel; want het was mij op zijn
minst vijfenzeventig maal gebeurd, dat hij, met een opgetrokken
neus naar de punten van mijn schoenen loerende, mij had afgevraagd:
"Waar laat je _die_ turftrappers maken?"

Van een goedigen krulhond, die met veel liefde door een oud man
gestreeld werd, heette het "Wat een mormel!" Van een paar schimmeltjes,
die voor de deur stilhielden en waarmee de eigenaar met groot
zelfbehagen pronkte: "Leelijke koppen!" Van het kindje in beugels,
dat al van half elf gewandeld had en er schrikkelijk verhit uitzag:
"Als ik er zóó eentje had, deed ik het een steen om den hals". Alles
luid genoeg om verstaan te worden door de respectieve eigenaars van
het mormel, de leelijke koppen, en den jongen heer. Er zat een statig
man, wiens geluk half weg was, omdat hij in den morgen bloemen gezien
hebbende in het "Cieraad van Flora", bij het inkruipen van een enge
broeikas, eenigszins aan een spijker was blijven haken. Hij had daar
toen niet veel acht op gegeven, maar nu rustig in Den Hout een sigaar
zittende te rooken ontdekt hij te midden zijner overpeinzingen een
kleinen winkelhaak in zijn pantalon, vlak bij de knie. Hij had het
zoo haast niet gezien of hij wierp er met veel handigheid zijn zijden
zakdoek over, maar te laat om de aanmerking van _Nurks_ te ontgaan,
die juist op dit zelfde oogenblik tot ons zei: "Ik mag wel zoo'n
maneschijntje". De bloemliefhebber kreeg een kleur als een Cactus
Speciosa, om welke te verbergen hij in verwarring naar zijn zakdoek
greep om zijn neus te snuiten, zoodat de maan weer plotseling door de
wolken brak, tot groote vroolijkheid van een gezelschap Amsterdamsche
juffrouwen en heeren uit een manufactuur-winkel, dien zich op dien
merkwaardigen dag op zijn minst voor staatjufferen en kamerheeren
van Z.M. den koning wilden gehouden hebben.

"Is dat een rok van je vader?" vroeg _Nurks_ grappig aan den jongen,
die hem zijn limonade bracht, en zich zeker niet zeer bekrompen in
dat kleedingstuk bewoog.

"Ik heb geen vader," zei de arme jongen, en het ging mij door de ziel.

De beau-monde verscheen met al zijn gedistingueerde geuren en kleuren;
met al de pracht van vederen, sjaals, parasols, mantilles, amazones,
koetsiers, rijtuigen en rijpaarden. Ik had het ongeluk gehad _Nurks_
te voorspellen, dat hij een brillante nieuwe equipage zou zien. Hij
kreeg die zoodra niet in het oog, of hij vroeg mij ongeduldig:

"Wanneer komt nu die mooie equipage, waar je van gesproken hebt?"

En zoo was het telkens, tot groote ergernis van _Boerhave_, die evenwel
nog al aardig vrijliep, maar wiens horlogesnoer ijselijk door _Nurks_
gefixeerd werd, zoodat hij alle oogenblikken dacht dat er iets op
komen zou, en eindelijk dan ook zijn rok maar toeknoopte. Ik herinner
mij nog slechts twee onaangenaamheden, die _Nurks_ mijn goeden medicus
deed doorstaan, doch die even als de aangehaalde zich ook alleen bij
het physionomisch hatelijke bepaalden. De eene was deze. Wij spraken
over de ongelukken, die men met zwemmen kan krijgen. Op een warmen
zomerschen dag is 't een wellust om over water te handelen. _Boerhave_
verhaalde een treffend geval van schitterende zelfopoffering in een
zwemmer, buitengewoon genoeg om al de eerepenningen der Maatschappij
tot Nut enz. te verdienen, indien deze 't niet tot regel gesteld had,
alleen dezulken te beloonen die _niet_ zwemmen kunnen, maar althans
buitengewoon genoeg om een steenkoud hart te doen ontgloeien. _Nurks_
evenwel hoorde het met de volmaaktste onverschilligheid aan en nam
zelfs onder 't verhaal allerlei bijzaken waar. Nu eens, bijvoorbeeld,
scheen hij zich met de borst toe te leggen op het vormen van kunstige
kringen van tabaksrook; dan weder blies hij, volmaakt in de houding
van iemand die volstrekt niets anders te doen heeft, de sigaarasch van
zijn knie, en zelfs van de tafel; dan weder scheen hij al zijn aandacht
en belangstelling te wijden aan zijn nog altijd ziekelijken halsboord,
die nog telkens nieuwe aanvallen van flauwte had; welke veelzijdigheid
van oefening mijn opgewonden vriend, die van geestverrukking gloeide,
op den duur weinig streelde. Hij trof het even ongelukkig met het
verhalen eener splinternieuwe anecdote van drie Leidenaars, waar
ik met mijn heele familie den vorigen avond tot schreiens toe om
gelachen had, met groot gevaar van in ons warm brood te stikken, maar
die totaal schipbreuk leed op de stalen onbuigzaamheid van mijn heer
en neef, die ditmaal in een ander uiterste viel, en zeer geduldig en
ingespannen zat te luisteren, ja zelfs zoo geduldig en ingespannen,
dat het hem scheen te treffen dat het verhaal waarlijk uit was,
en hij nog altijd op het slot en de aardigheid zat te wachten,
die, indien men zijn gezicht had willen gelooven, nog immer komen
moesten. Mij is niettemin van goederhand verzekerd, dat opgemelde neef
èn de edelmoedige menschenredding èn het geval der drie Leidenaars,
nog dien zelfden avond, met zichtbare blijken van zelfbehagen heeft
medegedeeld op de diligence; gelijk hij ze ook beiden des anderen
daags wist te pas te brengen op Doctrina, aan zijn tafel, en in de
Munt, en in den loop van de week te pas te _jagen_ op twee concerten
en in vijf koffiehuizen (zoodat ik met grond onderstel dat hij er nu
de harten der liplappen en der blauwen in de West mee verkwikt); en al
wie de eerste niet "verbazend" en de laatste niet "om te schreeuwen"
vond, wist hij oogenblikkelijk iets stekeligs te zeggen op het gevoelig
punt van bakkebaarden en stropdassen.

Er kwam muziek. Drie dames met lange reticules en opmerkelijk door
roode linten op de muts, oranje tissu's om den hals en voorschooten
met diepe zakken met schuifjes. Eene breede sproeterige Saffo met een
hooge sproeterige harp in het midden, en twee tanige vrouwen, die met
handen vol diamanten, die een sterken familietrek van glas hadden, op
de viool speelden. "Drie poetjes van gratietjes", zei _Nurks_ lachende,
en luid genoeg om een langen procureursklerk mee te doen lachen,
die veel verder van hem af was dan de gratietjes in quaestie. Het
snarenspel begon, _Nurks_ stopte van tijd tot tijd den vinger in de
ooren, dat toch niet opwekkelijk wezen kon voor drie kunstenaressen,
die ook wel wisten dat het zoo heel mooi niet was, en ook niets verder
bejaagden dan een dubbeltje of een stuiver van elk der toehoorders,
en een weinigje geduld. De violen hielden met een fiksche kras op,
en de harpspeelster hief, met een eenigszins schorre stem, en juist
voor de drieëntwintigste maal op dien gedenkwaardigen morgen, het
toen even zoo min als nu nieuwe, maar altijd slepende


    Fleu--ve du--Ta--ge!


aan.

"Ba; wat is ze leelijk als ze zingt," klonk het, dwars door de
aandoenlijke woorden der romance heen, uit den heuschen mond van
_Robertus_, wien het zeker nooit in 't hoofd was gekomen dat ook een
arme vrouw ijdelheid zou kunnen hebben.

Het lied liep verder zonder stoornis af; zoodat de reticule geopend
kon worden, om het bekende roodverlakte flesschebakje met blinkenden
rand te voorschijn te brengen. Ik had er een gulden op willen leggen,
indien de zangeres _Nurks_ niets gevraagd had. Maar er was geen houden
aan; dus gaf ik maar een dubbeltje. Zij kwam tot _Nurks_.

"Hoeveel octaven kan _jij_ wel zingen?" vroeg hij werkelijk
grijnslachende, maar tegelijk een vijfje op 't blaadje leggende;
want zoo was hij.

Men moet in den handel ook het vuile geld aannemen.

"Merci, monsieur", zei de harpspeelster, met neergeslagen oogen en
was reeds bij den man met den gescheurden pantalon.

De lange procureursklerk was middelerwijl van plaats veranderd,
en zat nu toevallig aan een tafeltje, 't welk de virtuoze alreede
was voorbijgegaan.

De violen hadden ondertusschen lustig doorgespeeld; ik weet niet of
men er te milder of te kariger om gegeven had. Nu werd er nog een
zeer korte, zeer vlugge trio uitgevoerd, waarop al de dames al de
oogen nedersloegen, al de lippen bewogen, negen, en vertrokken. Thans
zag een eenloopend klarinettist, zonder hoed, de baan schoon om ook
zijne talenten te doen hooren.

"Altijd hier in het land een opeenvolging van slechte muziek," merkte
_Nurks_ aan.

"Och, ik vind het nog al vroolijk," zei ik bemiddelend.

"Ja maar", zei hij, mij strak in de oogen ziende, en een lange teug
limonade nemende--"ja maar--ik geloof, om je de waarheid te zeggen,
niet dat je heel muzikaal bent."

Nu, voor deze laatste onhebbelijkheid behoeft men geen _Robertus
Nurks_ te wezen. Daartoe acht zich, volgens mijne ondervinding, ieder
liefhebber gerechtigd, die in zijn huis een eerste en eenige, en in het
een of ander orkest een tweede viool speelt, en een derde spelen zou,
indien er een derde viool bestond; ja, ik heb er onder de paukenslagers
gekend, die in dit opzicht de crimineelste waren. Och, al is men maar
iemand, die op een concert de hand met zekere majesteit onder de kin
kan leggen en de oogen toeknijpen met diep gevoel, om ze niet dan bij
een point d'orgue schielijk en geheel verward, en als kwam men uit
eene andere wereld (uit de wereld der inbeelding bij voorbeeld) open
te doen;--of al slaat men er zelfs maar met zekere wijsheid de maat
met het opgevouwen affiche of met den geglaceerden wijsvinger;--of
al heeft men maar even den slag om, bij het wederkeeren van het
thema in een groot muziekstuk, een lachje, liefst een zenuwachtig
lachje, voort te brengen, dat met telegraphische duidelijkheid zegt:
"we zijn weer thuis"!--of al heeft men maar alleen de vereischte
bekwaamheid om van een zangeres, die algemeen bevallen heeft, met
een diep noodlottig neergelaten wenkbrauw en allerbedenkelijkst
hoofdschudden te decreteeren, "weinig methode";--of den tact om
classieke van romantieke muziek te onderscheiden en te zeggen:
"ik hoorde toch liever _Lafont_ of _Beriot_ dan de _Eichhorns_ of
_Ernst_";--ik zou zeggen, al heeft men slechts eenmaal een blad muziek
gecopiëerd; met een van alle deze muzikale verdiensten toegerust,
heeft men eens vooral de bevoegdheid op de rest van 't heelal met
verachting neer te zien en alle verdere creaturen, zoodra ze zich
iets omtrent de goddelijke toonkunst verstouten, in haar aangezicht
te verklaren dat ze niet muzikaal zijn. Die onbeschaamdheid hebben de
speelmannen, hoorenblazers, doedelaars, tokkelaars, en trommelslagers
op de kunstenaars van andere vakken vooruit. Geen schilder, wanneer
gij in zijn atelier komt en gij zegt iets van zijne of eens anders
schilderij, hetzij juist of minder juist, zou de onbeleefdheid hebben
van te zeggen: "Ik geloof niet dat mijnheer veel oog op de kunst
heeft". Geen auteur, voor wien een fatsoenlijk mensch zijn gedachten
uitbrengt over een roman, een gedicht, of een vertoog, zal hem durven
vragen: "of hij eigenlijk wel smaak en gezond oordeel heeft". Maar de
muzikanten! Zij hebben met betrekking tot hun kunstvak zich dezelfde
onheuschheid aangewend, die mijnen neve _Nurks_ was aangeboren, en
ik heb jongelieden ontmoet, uit de beschaafdste kringen, "every inch
gentlemen", die op dit punt volstrekt onoverdragelijk waren.

Ik geloof dat ik maar niet meer op mijn neef moet terugkomen. Als
ik het indenk, weet ik nauwelijks van waar mij de vermetelheid is
aangewaaid om hem u voortestellen. Ik vertel u nu maar niet, hoe
wij in het "Wapen van Amsterdam" aan de table d'hôte dineerden. Hoe
hij halfluid fluisterde over de economie van een paar eenvoudigen,
die tegen 't reglement van den kastelein aan, een halve flesch voor
hun beiden bestelden, en daarna dreigden zich een indigestie te eten
aan den bouilli, die na de soep werd rondgediend, in de stellige
overtuiging dat er geen ander vleesch komen zou; hoe zijne blikken
later den arm verlamden van een deftig heer met gepoeierd hoofd, die
een taaie kip met een bot mes, natuurlijk niet heel handig, voorsneed;
hoe hij een juffertje, dat nog niet veel van de wereld gezien had en
vlak tegenover hem gezeten was, tusschenbeide zoo ironisch aanzag,
dat zij eerst in 't denkbeeld geraakte dat zij onbehoorlijk veel at,
en derhalve begon voor alles te bedanken, en vervolgens tot de stellige
overtuiging kwam dat zij gemorst moest hebben, en al haar best deed om
een lonk in den spiegel te krijgen om te weten te komen waar 't zat;
hoe ik, toen wij na den eten de Hertebaan nog eens omwandelden, in
duizend angsten leefde dat hij een streek met de parapluie zou krijgen
van een of ander der met blauwe jassen geadoniseerde ambachtslieden,
die met beminnelijke, beminnende en beminde dienstmeiden aan den arm
(uitgedost met zwartzijden hoeden en bruine gepalmde omslagdoeken)
met groote stappen voortschreden, op welker heeren toilet hij niet
nalaten kon de namen van "twijfelaar, heel stuk laken, kuitendekker",
of "sleepjurk" toe te passen.

Na al dergelijke jammeren kregen wij den goeden, besten,
liefdekweekenden en vriendhoudenden _Robertus Nurks_ aan "de Bel"
in de diligence. Nog even stak hij het hoofd uit het portier om
ons toe te roepen: "niet veel zaaks!" 't welk het reisgezelschap,
op goede gronden, op zich kon toepassen. Daar reed hij heen. Wij
wandelden tezamen nog even de poort uit; want ik noem het hek met alle
Haarlemmers, die de poort gekend hebben, nog altijd met dien naam. En
toen wij, over het Hazepatersveld heenblikkende, de zon zagen, die
bloedrood onderging en hare schoone tint mededeelde aan de witte
schuimige wolkjes, die als dunne sluiertjes door de lucht dreven,
durfde ik _Boerhave_ een mooien Maandag voorspellen, en vergat hij
in 't vooruitzicht van bloeiende Aristolochia Clematitis en levende
wijngaardslakken, spoedig geheel en al den beminnelijken bloedverwant,
waarmee ik hem had in kennis gebracht.

1839.



Humoristen.



                Het legher treckt vast in met duizenden, een macht
                Zoo groot als Waterlant noch oit te velde bracht,
                En Kennemer, en Vries en Zeeu en Holland t' zaemen.

                                            _Gysbrecht van Aemstel_.
                                     (_Uit een brief van Melchior_.)


Beste _Hildebrand_!

Ik verneem met een zeker genoegen, dat er van tijd tot tijd iets van
u gedrukt wordt; met een zeker genoegen, zeg ik; want wij hebben nog
samen school gegaan. Ik heb toen altijd wel gedacht dat er wat in u
zat, maar ik wist niet of er ooit wat uit u komen zou. Mijn vader zegt
evenwel dat hij dat altijd voorspeld heeft, ofschoon ik er mij niets
van herinner, maar wel weet ik dat ik driemaal een hekel aan u gehad
heb, omdat mijn vader u tot een voorbeeld van goed oppassen nam, en ik
wist toch dat ge ook wel eens kattekwaad deedt, _Hildje_! Denk maar
eens aan de klapdeur van het Bonte Kalfje, die alle morgens om half
tien en iederen namiddag om drie uren werd opengetrokken dat de bel
rammelde, een kwartier lang, als het Fransche gebed al lang op school
was voorgelezen.--Maar dat daargelaten, vriend; ik hoor dat gij weer
iets op de pers hebt, en gij zult mij, op grond van heel goede kennis,
wel vergunnen willen, u eenige raadgevingen mede te deelen. Ik ken
menschen, die dat veel liever doen bij wijze van recensiën; daar zijn
er, die de kopij onberispelijk en het gedrukte boek allerdolst vinden;
maar ik hou van die methode niet, en kom liever met mijn raad voorop.

Eerst echter wilde ik u vragen, ronduit vragen, of gij een humorist
zijt? Ik denk het half, omdat het tegenwoordig zoo ijselijk aan de orde
is. Kijk _Hildebrand_, als gij een humorist waart, dat zou me leelijk
spijten; ik zou haast zeggen, schoon mijn hart er bij breekt:--als
gij een humorist zijt, _Hildebrand_, leg drie stuivers uit, koop een
touw, en... Maar gij zijt immers geen humorist, mijn waarde! o Zeg,
dat gij het niet zijt.

Daar is tegenwoordig zulk eene ontzettende consumtie van humor, mijn
vriend, dat dit artikel verschrikkelijk duur moet geworden zijn en
dan ook bij gevolg akelig wordt vervalscht. Ik ben overtuigd dat er
in iedere kerk, de dominé meegerekend, meer dan honderd humoristen
bijeenzijn. Men komt in geen koffiehuis, men rijdt in geen diligence,
ja wat meer is, men zit in geen "bijwagen" zonder een humorist. Het
heele land is er van vergiftigd: humoristen op rijm; humoristen in
proza; geleerde humoristen; huiselijke humoristen; hooge humoristen;
lage humoristen; hybridische humoristen; bloempjes-humoristen;
tekst-humoristen; sprookjes-humoristen; vrouwenhatende en
vrouwenfleemende humoristen; sentimenteele humoristen; ongelikte
humoristen; gedachten denkende humoristen; boek-, recensie-,
mengelwerk-, brief-, voorrede-, titelblad-humoristen; humoristen,
die op de groote lui schelden en verklaren dat die geen greintje
gevoel hebben, omdat ze een knecht hebben met galons aan den rok,
en een spelende pendule; humoristen, die het met de bedelaars
houden in de boeken, en ze naar Frederiksoord helpen sturen in de
Maatschappij van Weldadigheid; reizende humoristen; huiszittende
humoristen; tuin- en prieeltje-humoristen, wier vrouwen aan iets
anders bezig zijn, terwijl _zij_ humoriseeren; en dan eindelijk de
heele simpele plattelands-humoristen, schoon ze allegaar wel een
deel van simpelheid weg hebben, in deze manier: "je zoudt wel denken
dat ik heelemaal onnoozel was, maar 't is allemaal lievigheid"! Ik
spreek niet van de heele grappige, de zeer onfeilbare, en de zeer
onduidelijke humoristen... Och lieve _Hildebrand_, honderd soorten
zijn er daar ik niet van spreek, want ze komen uit den grond op, en
ik weet evenmin als in de kennis der kruiden of men veiliger doet ze
te rangschikken naar _partes essentiales_ of naar _habitus_, naar een
_systema naturale_ of naar een _systema artificiale_; wat eigenlijk,
waar het den stijl geldt, tegenwoordig het vraagstuk naar de mode is,
waarover gij in 't Latijn en in 't Hollandsen, in 't beleefd en in
't scherp, heel veel stichtelijks en afdoends lezen kunt.

Ik kan mij ondertusschen niet verklaren hoe 't bij zoo veel humor
mogelijk is, dat er nog geen betere definitie van het ding in de
wereld komt. Lieve hemel! wij drijven in humor, en niemand heeft
adem om te zeggen wat het eigenlijk voor een vocht is. Ik zou dan
haast gelooven moeten dat wij er in _verdrinken_. In dat geval,
kan men er niet gauw genoeg bij zijn, een drenkelinggenootschap
voor de humoristen op te richten, of een afschaffings-, ten minste
een matigheids-maatschappij onder de zinspreuk: "Laat staan uw
humor". _Jean Paul_ pakt het verhevene bij de beenen, keert het
met Rapponische krachten om en zegt: "Ziedaar het humoristische:
't is niet anders dan het verhevene met de voeten in de lucht"
[7]. Ik heb allen eerbied voor die kunstbewerking, maar _Jean
Paul_ was somtijds een zeer onduidelijk humorist. _Bilderdijk_
zegt ergens, en zoo niet in zijne boeken, dan heb ik het uit zijn
mond, dat het precies het Hooftiaansche _neskheit_ is; maar _Hooft_
en _neskheit_ zijn, wat de "Tesselschade" er ook tegen doen moge,
zulke oude humoristen, dat ik vrees dat die aanhaling de zaak voor 't
algemeen niet veel opheldert. En _après tout_: wat heeft het algemeen
er mee te maken? De humoristen zijn er, zijn er in grooten getale,
en vermenigvuldigen met den dag. Eerstdaags zien wij eene koninklijke
humoristen-stoeterij. Wat weet ik waar 't op uit zal komen? Eerstdaags
eene humoristische revolutie, eene op end' op humoristische orde van
zaken, met eene hartroerende oude vrijster op den troon, met een
kring van sentimenteele daglooners tot ministerie. Daar zullen in
de vergaderzaal de eenvoudige, de onschuldige kindertjes zitten; het
leger zal bestaan uit duivenhartige bloodaards onder den hoogdravenden
naam van medelijdende zielen; het rechterambt zal bekleed worden
door menschen die tegen àlle straf zijn, niemand dan een grijsaard
zal er schrijver, dichter of geleerde zijn mogen of tot de hoop des
vaderlands worden gerekend, uitgenomen de humoristen zelve; ieder
hunner zal een goelijken oom en een onnoozelen neef hebben, maar,
met uitzondering van deze lieve kinderen, zullen de jongelingen als
eene schadelijke uitvinding buiten 's lands gezonden worden. Geen adel
meer, geen rijkdom, geen livereibedienden, geen _paté de foie gras_,
geen kooien meer voor vogels, en geen modes meer voor dames; maar een
aanmerkelijke invoer van huisjassen, sloffen, pijpjes, tuinstokken,
kinderboekjes, Moeder-de-Ganzen.... Wat ik u bidden mag, _Hildebrand_,
ga niet onder de humoristen!

Ten tweede, enz. enz.



De Familie Stastok.


De Aankomst.


In het kleine stadje D---- werd op een donderdag in de maand October,
des namiddags omtrent één ure, de stijle ijzeren trede neergelaten van
een gele diligence, rijdende over D---- van C---- tot E---- vice versa,
en uit dezelve daalde, tot groote bemoddering van dengenen die hem
onmiddellijk volgde, en die niemand anders was dan zijn eigen cloak, uw
onderdanige dienaar _Hildebrand_. Hij had gereisd met een bleeke dame,
die het rooken had verboden, en gedurig de kronkelbochten van haar boa
had zitten te verschikken, dan eens had gezucht, dan eens ingesluimerd
was, dan eens eau de cologne genomen, dan weer eens geslapen had,
en altijddoor leelijk was geweest. Op dezelfde bank met deze had een
jong juffertje gezeten, in een blauwen geruiten mantel niet gedoken,
het denkbeeld is te ruim, maar gestoken; een mantel, die, naar een
langvergeten mode vatbaar was om van achteren te worden ingehaald
door een klein lapje van dezelfde stof, in den vorm van een souspied,
op twee paarlemoeren knoopjes uitgespannen; dezelve juffer had een
stroohoed op met blauw gaas lint met bruine strepen, in groote lissen
met stevig soutien opgemaakt, en een hardgeel sjaaltje om den hals. Zij
was zeer bang voor de bleeke dame naast haar, en bleef op een schuwen
afstand; soms had zij den goeden wil haar in 't verschikken van haar
boa te hulp te komen, en eenmaal had zij er werkelijk een dikachtig
roodvingerig handje, met een ring, die bijzonder veel op tin geleek,
voor ontbloot; maar de bleeke dame had haar aangeblikt, en toen had zij
haar neus gesnoten, volgens een in den omgang zeer deugdelijk stelsel,
naar 't welk de neus alle mispassen, voorbarigheden en malle figuren
misgelden moet. Dit was het personeel van de achterste bank geweest. Op
de volgende had een jodin gezeten, als een oostersche edelsteen gevat
tusschen twee christenen; zij verborg onder een groen nopjesgoed
manteltje een klein kind, dat al haar trots uitmaakte omdat het niet
schreeuwde, zelfs niet toen zij het omstreeks halfweg een schoone
luier aandeed. Het kind nu was zeer klein, en had een zeer groote dot
in den mond. Van de christenen, waartusschen zij gevat was, had de
een een grooten rondglazigen zilveren bril, een zilveren sigaarkoker,
een zilver potlood, een zilver horloge, benevens zilveren broek- en
schoengespen, waaruit ik opmaakte dat hij een zilversmid was; en de
andere een koperen doekspeld, een koperen tabaksdoos, en een koperen
guirlande op zijn buik, waaruit ik besloot dat hij niet minder dan
een banketbakkers meesterknecht zijn moest. De eerste haalde, daar er
niet gerookt mocht worden, den zilveren sigaarkoker een paar malen uit
den zak, alleen om 't vermaak te hebben van hem open te doen, er een
zilveren sigarepijpje uit te halen, en er nog iets in te zoeken dat
er niet in was, maar dat, zoo 't er in was geweest, zeker beter te
pas had kunnen komen dan het pijpje, en hem vervolgens weer dicht te
sluiten, na alvorens meergemeld pijpje, eerst met het voor- en daarna
met het achtereinde naar beneden, er in gepast te hebben; de laatste
stak uit de koperen tabaksdoos eene niet onaardige tijdpasseering in
den mond. De zilveren man had eene groote neiging tot spreken, de
koperen scheen vast besloten te hebben, geen mond open te doen. De
jodin had natuurlijk veel meer achting voor den zilveren; maar de
zilveren was terughoudend voor de jodin. Vóór den zilveren zat een
knorrig, groot dik man, dien ikzelf niet toe dorst spreken, want hij
had twee jassen over elkaar aan, een dikken rotting in de hand, een
kleur als of hij zoo pas van een vechtpartij kwam, en een uitdrukking
alsof hij zich gereed maakte met den eersten die hem toesprak een
vechtpartij te beginnen; het was ongetwijfeld een commissaris van
politie, of een plaatsmajoor in politiek. Aan zijne zijde sluimerde
een jong mensch met gescheiden haar, zoo glad gekamd alsof het uit
eén stuk was, hooge jukbeenderen, een blauwe das, een turkooizen
doekspeld, een roodgebloemd vest, heele korte toegeknoopte mouwen aan
een langlijvig bruin jasje, handschoenen met bont, en overschoenen,
't Was een Duitsch kantoorreiziger. Daar naast--maar wat heb ik er
aan, mijn talent te toonen in 't beschrijven van een reisgezelschap,
dat volstrekt niet pikant was, en dat ik aan het begin van dit opstel
reeds vaarwel had gezegd? Om korter te gaan: ik stapte van de trede,
viel eerst bijna in de armen van een geknevelden heer, met een stijf
been en gelen rotting, die de bleeke dame afwachtte en, bang zijnde
dat iemand anders haar de hand toesteken zou dan ZEd., de zijne
alvast uitstak, dook onder de reeds tegen het dak van het voertuig,
waarmee ik gekomen was, opgezette ladder dóór, riep den knecht toe:
"die zwarte koffer met een H!" gaf den conducteur, die met de maal
naar binnen ging, mijn vijfje, en keek naar iemand om, die mijn goed
zou kunnen dragen zonder in de verzoeking te komen het aan zijn eigen
adres te bezorgen.

"Is uwé meheer _Willebram_, als ik vragen mag?" vroeg een zwak,
pieperig stemmetje, blijkbaar toebehoorende aan iemand, die nog
nooit een onbekende van de diligence gehaald had. De vraag was tot
den commissaris van politie gericht.

"Benje d......mal, kerel", zei de commissaris van politie.

"Moet hij uit dezen wagen komen?" vroeg op hupschen toon de man van
het maagdelijk metaal.

"Dat zal _ik_ wezen", zei ik, eene nadere beschouwing daarlatende
van de zorg, waarmee het (naar alle gedachten gezelschap-)juffertje
voor haar hoedendoos was aangedaan en die zich uitte in de gedurige
verzuchting: "Is dat met me goed leven, kondelteur!"

Het mannetje, dat vóór mij stond, had zijn opvoeding waarschijnlijk
in een weeshuis begonnen en was nu bezig haar in een diaconiehuis te
voltooien. Hij was hoog in de schouders en stijf van knieën, droeg
een langen bruinen duffelschen jas, met het teeken zijner orde op de
mouw, en had onder den arm een versleten portefeuilletje, waarin de
boeken van een of ander leesgezelschap werden rondgebracht.

"Ik moest een boodschap voor meheer doen", zei het mannetje, dat ik
voor ongeveer achtenzestig aanzag, "en nu zei meheer, dat ik meteen
reis na' de dullezan zou gaan, om te kijken of meheer gekommen was. Uwé
mot niet kwalijk nemen, dat ik uwé niet trekt kon".

Nu, daar men de alleronmenschelijkste beul zou moeten wezen, om
't iemand kwalijk te nemen dat hij u niet kent, indien hij u nooit
zijn dagen gezien heeft, schonk ik den goeden diaconieburger op
dit punt eene volkomene vergiffenis, liet mijn koffertje, totdat
het afgehaald worden zou, in de "Rustende Moor", en sukkelde met
mijn nieuwen kennis naar het huis mijns ooms; onder het faveur van
onderweg vriendelijk door hem onderricht te worden aangaande het doel
van een groot gebouw met gotische deuren en vensters, waarop een toren
stond met ordentelijke omgangen, appel en weerhaan, 't welk hij zeide
"de kerk" te wezen; als ook omtrent een breede streep groenkleurig
vocht tusschen twee hooge gemetselde wallen, 't welk hij verklaarde
"de gracht" te zijn.

"En dit is het huis", zeide hij, zijne oude beenen op een stoep
zettende en een goeden ruk aan een lange schel gevende, met die
uitdrukking van gelaat, die bij een oud man te kennen geeft: ik kan
het toch niet hooren of ze zacht of hard overgaat.



De Ontvangst.


Het duurde een minuut of wat alvorens een eigenaardig sloffen in het
voorhuis de aankomst eener bejaarde keukenmeid verried, die eerst
natuurlijk den aardappel waaraan zij bezig was, had moeten afschillen,
daarna den bak van haar schoot en haar beide voeten van haar stoof
zetten, om vervolgens haar roode muilen aan te trekken, haar neus met
het buitenste van haar hand af te vegen, haar eva in de schuinte op te
slaan, en den langen weg te aanvaarden, die van de keukendeur tot bij
den barometer twintig, en van den barometer tot de mat, zes stappen
vergde. In dien tusschentijd bekeek ik den voorgevel van de woning.

Het huis was, als mijn oom, burgerlijk, en schoon het huis ouder was,
was hij toch, zoowel als zijn huis, van een vroeger eeuw. Het had
een trapgevel, en de bovenste verdieping was met kruiskozijnen in
het lood. Het had slechts ééne zijkamer, met twee schuiframen met
middelsoort ruiten, versierd door groene gazen gordijntjes op breede
koperen roeden, in het midden een weinigje opengeschoven om het licht
vriendelijk uit te noodigen wel te willen beschijnen twee bloempotten
van mijn tante, onder streng verbod van iets anders in het vertrek òf
op te luisteren òf te verbleeken. Ik was nieuwsgierig of ik ooit in
die kamer zou toegelaten worden. In allen gevalle werd ik alvast in
't voorhuis gelaten, en kwam ik spoedig in een achterkamer met een
hoog licht, in de onmiddellijke tegenwoordigheid van mijn oom en tante.

De ontvangst was recht hartelijk, en de goede menschen die mij nog
nooit in mijn leven gezien hadden, schenen zeer verheugd dat genoegen
te smaken, ofschoon gemeld genoegen bij den eersten eenigszins
scheen verbitterd te worden door de omstandigheid, dat ik juist op
een donderdag gekomen was, als wanneer de voorkamer "gedaan werd",
zoodat men nu achter zat; waarop mijne moei aanmerkte, dat neef het
wel zoo voor lief zou nemen en dat hij zeker in zijn ouders huis ook
wel eens in een achterkamer gezeten had; waarop neef zei, dat deze een
heele lieve achterkamer was, en dat hij wel van een achterkamer hield;
waarop oom zei, dat hij er, al zei hij 't zelf, _niet_ van hield, en
tante het met neef eens was dat zij er _wel_ van hield, waarop oom
wat bijkwam met te zeggen, dat hij er 's avonds _nogal_ van hield;
waarop tante en neef zeiden, dat zij er ook 's avonds het _meest_
van hielden; zoodat er met eenparigheid van stemmen besloten werd,
dat een achterkamer met een hoog licht des avonds op haar voordeeligst
is. Ik ben verplicht hier bij te voegen dat de geheele redewisseling
op de goelijkste en vriendelijkste wijze gevoerd werd terwijl oom
zijn ingebrande pijp met een zwavelstok weer op de wijs bracht,
en tante de kopjes van 't koffiegoed met een minzaam lachjen en een
bonten theedoek zat af te drogen. Zij schikte juist de stapeltjes in
orde op het blad, toen zij vroeg: "Wel heeremijntijd, _Hildebrand_,
hadje nou niet nog koffie willen hebben?"

Nu was er op dit oogenblik inderdaad niets waar ik vuriger naar
verlangde dan naar een kop koffie; maar daar ik mijn tante verdacht
dat zij het middel om koffie te vermeerderen zou zoeken in de kunst
om ze te verdunnen, bedankte ik edelmoediglijk, en zei dat ik straks
met oom een bittertje zou nemen, waarop oom verklaarde dat hij dat
altijd gebruikte als de wagen van tweeën voorbijkwam.

Met dit vooruitzicht schikte ik mijn stoel wat dichter bij den haard,
waarbij mijn oom altijd zat als hij achter zat, ofschoon er nooit in
gestookt werd vóór den eersten November en er dus ook nu geen vuur
aanlag, en begon met naar mijn neef _Pieter_ te vragen.

Mijn neef _Pieter_ studeerde te Utrecht in de rechten; maar hoewel
ik bij onderscheidene gelegenheden aan onderscheidene studenten van
onderscheidene faculteiten gevraagd had of zij mijn neef _Pieter
Stastok_ ook kenden, had ik daarop te geenen tijde een voldoend
antwoord ontvangen, zoodat ik, in de onzekerheid der oorzaken, waaraan
deze onbekendheid wellicht moest worden toegeschreven, eindelijk
begonnen was met niet meer naar _mijn neef_ _Pieter Stastok_, maar
naar een zekeren student _Stastok_ navraag te doen.

"Gij moest hem al gezien hebben, neef _Hildebrand_", zei de oudere
_Stastok_, "want hij is uitgegaan om u op te wachten."

"Om u op te wachten," herhaalde mijn tante, haar breiwerk in haar
schoot latende vallen en over haar bril heenziende: "hij moet u
zeker misgeloopen zijn; maar hij zal wel spoedig hier wezen. Hij is
tegenwoordig zoo druk aan zijn examen! Ik ben eigenlijk bang dat hij
te veel werkt; hij is zoo vlug, weet u!"

En nog nauwelijks had ik den tijd mijn vurig verlangen te uiten
om die zeldzame vereeniging van vlugheid en arbeidzaamheid, den
jongeren _Stastok_, te aanschouwen of de schel ging over, de muilen
van de keukenmeid sloften, en de stap van den Utrechtschen student
werd gehoord.

Had ik tot nog toe niet de minste notie van mijn heer en neef gehad,
zooras hij de kamer binnenkwam kende ik hem door en door. Zijn geheele
voorkomen sprak collegehouden uit; zijn geheele lichaam dicteerde
dictaten. De bleeke kleur, het gebogen hoofd, de stalen bril, de
theedoekige das, de sluitjas met dubbele borst, de horlogesleutel,
de niet nauwe en niet wijde pantalon, de verschoende laarzen, de
floretten handschoenen, de zwarte kapelaansrotting met twee nuffige
kwastjes--alles deed den student zien, die van het academieleven
niets kent dan de collegekamers en de thé's der professoren; van
de studenten, geen andere dan zijn stadgenoot en en de senatoren,
die hem ontgroend hebben; van de burgers, niemand dan zijn hospita;
den student, die een kleur krijgt als hij twee, en een straat omloopt
als hij een partijtje van zes studenten tegenkomt; den student, die
er over klaagt dat er zoo weinig studenten-broederschap is, en niet
weet dat er studenten-vreugd bestaat; den student, die een dispuut
zou willen oprichten, waarvan niemand lid zou willen wezen; die van
den kok dagelijks vijf borden eten krijgt: één, gesneden vleesch, één,
ingemaakte postelijn, één, dito andijvie, één, opgekookte aardappels,
en één, rijst met bessennat, omdat hij den moed niet heeft zich
aan een tafel te doen voorstellen; den student, die in de sociëteit
duizend angsten uitstaat dat iemand om de courant zal vragen, waar
hij zich achter verbergt, en wiens naam de andere studenten voor 't
eerst hooren, als zij toevallig op 't college zijn daar hij afgeroepen
wordt om te respondeeren.--Zulk een student was zonder twijfel mijn
onbekende neef _Pieter Stastok_.

"Hoe komt het, _Piet_! dat je neef _Hildebrand_ misgeloopen
bent?" vroeg tante verwonderd.

De student _Pieter Stastok_ keerde zich om, ten einde zijn rotting
in een hoek te zetten, en zei dat de diligence verwonderlijk vroeg
aangekomen was, eene omstandigheid, die zeer zeker verwonderlijk was,
aangezien wij op weg een oponthoud gehad hadden van een half uur,
door 't storten van een der paarden. "Hij was eerst nog effen bij
den boekverkooper geweest, die zijne Instituten inbinden moest,
en was toen regelrecht naar de diligence gegaan, maar had tot zijne
verbazing gehoord dat die al lang aan was, en dat ik met den knecht
was opgewandeld", enz. enz.

De zaak was dat hij een singeltje had omgeloopen, totdat hij zeker wist
dat ik reeds lang onder zijn vaders dak goed en wel zou gevestigd zijn,
uit vrees van den verkeerden persoon voor mij aan te spreken. Nu,
indien hij den commissaris van politie getroffen had--hij was voor
zes weken een bedorven man geweest!

"De neven moeten nu maar eens goed kennismaken", zei mijn tante,
die tot de minzaamste aller schommelige huismoeders behoorde;
"ze zijn toch allebei student".

"Ja maar", zei _Pieter_, nog lang niet gemeenzaam met het denkbeeld
van eene kennismaking, "in verschillende vakken".

Dat was waar, en zelfs op verschillende academiën. Maar ik ben nooit
zoo zeer Leidsch student geweest, dat ik niet altijd gaarne dronk op de
harmonie tusschen de zusteracademiën, een toost, die immer gedronken
wordt, waar Utrechtsche en Leidsche studenten bijeen zijn, maar die
men evenwel niet te druk moet herhalen om geen twist te krijgen. Wat
ons betreft, er kwam al spoedig gelegenheid voor een toost; want
na nog een woord of wat met _Pieter Stastok_, ter informatie wáár
hij te Utrecht woonde, waarop het antwoord was, ten huize van een
catechiseermeester in de Lijsbethstraat, en na een kort gesprek met
mijn oom over het nieuws dat er niet was, en een dito met mijn tante
over het goudleeren behangsel in de kamer, waarvoor zij ook wel had
hooren zeggen dat de muilenmakers te Waalwijk, vóór dat zij door den
brand geruïneerd waren, groote sommen zouden hebben willen geven,
kwam het diaconiemannetje (dat ik bij deze gelegenheid met den naam
van _Keesje_ hoorde versieren) binnen met de boodschap, dat de wagen
van tweeën net voorbijging; waarop tante, na alvorens haar bril te
hebben afgezet, opstond, een kastje opende en daaruit te voorschijn
bracht en fleschje met _Van der Veen's_ elixer, een fleschje met "Erger
dan de cholera", en drie glaasjes. Oom wenschte mij frisschen morgen.

De verdere afloop van dien dag was als gewoonlijk bij een eerste
kennismaking. Wij bevielen elkander onderling, en ik werd dikke vrinden
met _Pieter_. 's Middags stal ik het hart van mijn tante nog eens door
van schorseneren te houden, en bewoog mijn oom bijna tot tranen door
met opgewondenheid van een gestoofden kabeljauwshom te spreken. Om
_Pieter_ ook een genoegen te doen wist ik eenige kennis van zijn vak
te verraden, door de begripsbepaling van Justitia en van Ususfructus
te pas te brengen. Na den middag nam mijn oom een slaapje bij den
kouden haard, en ging mijn tante eens naar boven. Daarna dronken wij te
zamen recht gezellig thee, zagen de achterkamer op haar voordeeligst,
en wat dies meer zij.

Mijn oom was iemand, wiens grootvader en vader een zeer bloeiende,
en die zelf een vrij bloeiende lintweverij gehad had; om de strikte
waarheid te zeggen, moet ik bekennen dat hij ze nog had, maar er
werd volstrekt niet meer in gewerkt, en op de zolders lag nog een
aanzienlijke partij oortjesband, die hij "liever daar zag verrotten
dan haar onder de markt te verkoopen". Hij behoorde alzoo tot die
menschen, die hun zaken aan kant gedaan hebben en, het uitzicht op
verdere winsten opgevende, zich met een vrij aardig inkomen, een
onverzettelijken afkeer van stoommachines, en de Haarlemsche courant
tevredenstellen. In den loop van den avond kwam het uit dat hij een
bijzondere genegenheid had voor het stopwoord "al zeg ik het zelf",
alleen overtroffen door de verslingerdheid van zijne echtgenoot aan den
uitroep "wel heeremijntijd!" welke termen dit echtpaar buitengemeen
beminde; ofschoon ik zeggen moet dat zij zo somtijds afwisselden met
de bevallige tusschenvoegsels van, "wat hamer", "goede genadigheid",
"och grut" en andere dergelijke vloeken meer, die een balk in hun
wapenschild voeren. De student _Petrus Stastokius_ Jun. had daartegen
niets in te leggen dan zijn geliefkoosde verzekering "waaratje",
waarvan ik evenwel, om billijk te zijn, erkennen moet, dat hij in
't geheel geen misbruik maakte.



Hildebrand ziet de stad, en Pieter verstout zich pot te spelen.


Ik werd des anderen daags om zeven uren waker, en toen ik de groene
saaien gordijnen openschoof om te zien wat voor weer het was,--welke
was mijne ontzetting, te bemerken dat (wij sliepen op dezelfde kamer)
_Pieter_ zich reeds geperpendiculariseerd had en bezig was om, met
den bril op, een paar schoone kousen aan te trekken, waarin zijne
moeder den vorigen avond plichtmatig hieltjes gemaakt had.

De oudere _Stastok_ was een man van de klok en stond diensvolgens om
zes uren op, ten einde om halfacht aan het ontbijt te zijn; en daar hij
volstrekt niets te doen had, vulde hij dien tusschentijd met pijpjes
rooken aan. Opmerkelijk is het, dat naarmate men minder bezigheid
heeft, men des te bekrompener over den tijd denkt. Indien men den
goeden _Pieter Stastok_ Senior het moeilijke vraagstuk omtrent de
zetelplaats van den wil had voorgelegd, zou hij, indien hij daartoe
genoegzame tegenwoordigheid van geest had gehad, zijn wijsvinger op
twee duim afstand van zijn maag hebben moeten leggen, door die beweging
datgene zijner ingewanden aanwijzende, 't welk hij zijn "goud horloge"
noemde. En inderdaad, indien ik mij door een goud horloge moest laten
regeeren, ik zou van zulk een geregeerd willen worden; want een goed,
groot, dik en vet uurwerk was het, met twee kasten over elkaar; en daar
het iederen morgen, klokke negen, met de torenklok werd gelijkgezet,
liep het doorgaans volmaakt.

Ik vond mijn oom in de voorkamer (die zulk een heiligdom niet scheen
te wezen als ik mij wel voorgesteld had) juist daar hij van onder de
handen van zijn barbier kwam. Hij had zijn slaapmuts nog op het kale
hoofd, daar hij gewoon was die niet vóór elf uren voor zijn pruik
te verwisselen.

"Mooi weertje, neef _Hildebrand_", riep hij mij toe: "mooi weertje,
al zeg ik 't zelf."

Tante, die reeds zat te breien, zette, tengevolge eener zeer
oneigenaardige gewoonte, haar bril af, om te beter mijne robe de
chambre te bekijken, en na een "heeremijntijd! zijn _die_ dingen
weer in de mode?" (het was in 1836) begon zij een optelling van
al de japonnen met sjerpen, die haar vader en haar man in vroeger
eeuwen gedragen hadden en die, naar haar voorgeven, nog boven in een
kast hingen.

Oom vond dat het veel te gemakkelijk was voor een jong mensch, en in
de oogen van _Petrus_ geleek ik in dit ochtendgewaad zoo volmaakt op
de grootste Jannen der Utrechtsche academie, dat hij mij, geloof ik,
voor een overgegeven lichtmis begon te houden.

De bijbel werd opengeslagen, en mijn oom las er uit voor. Eerwaardige
gewoonte! Waarom is zij zoo bijna uitsluitend tot de burgerlijke
huishoudens bepaald, en raakt zij ook zelfs daar meer en meer in
onbruik? Mijn oom las niet welsprekend, niet mooi, zelfs niet goed op
sommige plaatsen--maar het was stichtelijk, want hij las den bijbel;
het was goed, want hij las met eenvoudigheid; het was schoon, want
het was hem aan te zien dat hij geloofde. Hij las Luc. X, en bijzonder
trof mij, in dezen kring en uit dien mond, het 21ste vers: "Ik danke u,
vader, Heer des hemels en der aarde, dat gij deze dingen voor de wijzen
en verstandigen verborgen hebt en hebt ze den kinderkens geopenbaard".



Na den ontbijt ging _Pieter_ "aan zijn examen werken", 't welk bestond
in zeer breedvoerige tabellen van de Instituten te fabriceeren, met
rooden, blauwen en zwarten inkt geschreven, en ik volgde hem naar
zijn kamer, waar ik mij tot koffietijd met een paar boeken bezighield.

En nu was het oogenblik daar, dat mijn neef mij aan de stad en de
stad aan mij vertoonen zou. Wij gingen dus samen uit, en daar hij een
rotting had, liet ik den mijnen thuis. Wij zagen dan: eerst de gracht,
daarna de korenbeurs, en vervolgens twee kerken, waarin praalgraven en
kosters die een fooi begeerden, als ook in een dier kerken een orgel,
dat op het Haarlemsche na, het mooiste der wereld was; eene eer,
die ik te Gouda, aan het Goudsche, te Leidon, aan het Leidsche, te
Alkmaar, aan het Alkmaarsche, te Zwol, aan het Zwolsche, en nu weder
te D. aan het Deesche hoorde toeëigenen; zoodat het de zaak van de
4de klasse des Koninklijken Nederlandschen Instituuts worden zal,
daaromtrent een prijsvraag uit te schrijven. Wij beklommen zelfs met
levensgevaar den toren van een dier kerken, en maakten er de opmerking
dat het er woei, en dat er rondom de stad veel weiland, veel water,
en veel molens waren. Daarop begaven wij ons naar het stadhuis, en
bevonden dat onze voorvaderen nòg beter schilderden en er nòg gezonder
uitzagen dan wij; ook had ik tegelijk gelegenheid het manlijk voorkomen
der Deesche dienders te bewonderen. In zijn ijver om mij alles te
laten zien, bracht _Pieter_ mij zelfs naar de vleeschhal, en over de
vischmarkt, en eindelijk aan een groote vierkante eendekom, die hij
"de haven" noemde. Al voortgaande informeerde hij zich zeer sterk,
hoeveel colleges de juristen te Leiden op één dag hadden en of het
bij prof. A. fideel was op de thé's; als ook welke colleges gemelde
hooggeleerde in 't Hollandsch gaf en hoeveel prof. B. dicteerde;
of iedereen bij prof. C. zoo maar een testimonium krijgen kon; of
prof. D. liefhebberij-colleges hield; en of ik _Smallenburg_ wel eens
gezien had; tegen welke berichten hij de zijnen omtrent de Uitertsche
Juris professores met eene eerlijkheid inwisselde, eene betere zaak
waardig. Hij verzuimde niet den billijken Utrechtschen trots op
prof. _Van Heusde_ en op de moeilijkheid van een mathesis-examen in
't Latijn te pas te brengen; en toen ik 't gesprek voor de afwisseling
op lichtvaardiger onderwerpen wendde, kwam het uit, dat hij, _Pieter
Stastok_, zonder evenwel hartstocht voor die spelen te koesteren, wel
eens domino speelde, ja zelfs wel eens biljartte, en daar wij juist
vóór een koffiehuis stonden, noodigde ik hem uit zich in laatstgenoemde
kunst met mij te meten.

_Pieter Stastok_ had noch den moed, noch den slag mij iets aan te
bieden; daarom bestelde ik een bittertje voor mij zelven, en hij
insgelijks voor zich. Op dat oogenblik sloeg de klok boven't buffet
twee uren, en zag ik aan den overkant der straat de diligence afrijden,
die mijn oom in staat zou stellen ons voorbeeld te volgen.

Er waren vrij wat menschen in het koffiehuis, maar daar wij met niemand
dan met het biljart te maken hadden en geen hunner speelde, hinderden
zij ons volstrekt niet. _Pieter_ sloeg de mouwen van zijn sluitjas
op, en vertoonde de groote gesteven boorden van wat zijn moeder,
hoe algemeen Europeesch die dracht ook geworden was, nog altijd een
Engelsch hemd noemde; daarop verzocht hij den jongen zeer beleefd om
eene "_goede_ keu". De jongen gaf hem natuurlijk de beste die in het
rek was, en wij trokken wie vóór zou spelen. Die eer viel mij te beurt,
en de partij begon.

Wij hadden evenwel nog nauwelijks eenige punten gemaakt, toen een
luidruchtig geroep van "pot, jongen!" al onze zaligheden verstoorde.

Het geroep kwam van een winderigen jongen advocaat, die pas voor de
studentensociëteit te Utrecht bedankt had, en nu nog voorhing op de
particuliere sociëteit te D. en van dit interregnum gebruik maakte,
om alledag in het koffiehuis "de Noordstar" pot te maken.

"Vierentwintig uit, menheeren!" riep de jongen ons toe, en tegelijk het
korfje schuddende, waarin hij de potballen had, bood hij ze ons aan.

Ik trok er een; en met een gezicht waarover een kleine stuiptrekking
scheen te gaan, stak _Pieter_, dien ik ondertusschen als geen
grooten _Mingaud_ had leeren kennen, zijn hand alsmede manmoedig in
den korf. Daarop kwamen al de habitués van den pot uit hunne hoeken
en vroegen dopjes voor hunne pijpen; de jongen deelde de eigen keuen
rond, en de jonge advocaat nam in persoon het krijt om op te schrijven.

"Wie van de heeren heeft het aas?"

"Ik", riep een barsche stem, die aan niemand anders toebehoorde dan
aan den heer met de twee jassen over elkaar, dien ik in de diligence
voor een commissaris van politie gehouden had; het bleek mij echter
dat hij volstrekt geen commissaris van politie was, maar wel pikeur
der kleine manege, die te D. aanwezig was, en tevens eigenaar van de
kleine comedie, die aldaar ingelijks bestond.

"Wie van de heeren de twee?"

_Pieter Stastok_ ging zelf naar de lei om den jongen advocaat in te
fluisteren dat hij het was.

"Zoo! zal jij ook pot spelen?" vroeg de jonge advocaat, die als
stadgenoot mijn neef wel kende.

_Pieter_ werd bleek.

De drie had ik. De vier had een bejaard tweede luitenant van de
infanterie, met de medaille van twaalfjarigen dienst. De vijf had
een chirurgijnsleerling, die te veel tijd had. De zes, een kort, dik
man met stoppelig grijs haar, die een graankooper scheen te zijn. De
zeven, een jong mensch van drieëntwintig jaar, die student geweest
was, maar om slecht gedrag thuisgehaald, voor wien _Pieter_ bang
was, te meer daar hij hem zeer gemeenzaam behandelde. Deze scheen
de boezemvriend van den bejaarden luitenant der infanterie met de
medaille van twaalfjarigen dienst te wezen. De advocaat zelf had de
acht, en de negen was in handen van een jongeling van drieëndertig
jaren, in een leverkleurigen pantalon, die op zijn moeders zak leefde,
een hond hield, nooit iets had uitgevoerd, en in groote achting stond
bij den kastelein van het koffiehuis "de Noordstar."

Toen de jonge advocaat de namen van al deze heeren netjes had
opgeschreven, nam de biljartjongen het krijt in de eene en den
kleinen bok in de andere hand, en gilde met al de kracht, die een
kind van veertien jaren over kan houden, als hij den geheelen dag en
den halven nacht op één been staat, te midden van de uitwaseming van
mensehen en pijpen: "Aas acquit, twee speelt!"

_Petrus Stastokius_ Junior moest alzoo op het acquit spelen, en hij
maakte zich werkelijk tot dien arbeid gereed. Te dien einde lei _Petrus
Stastokius_ Junior zijn pijp neer; maakte de punt van zijn keu wel
een halven voet ver wit; plaatste zijn bal met de linkerhand op drie
vierden; drukte de vier vingers van zijn linkerhand op een handbreed
afstands van denzelven bal op 't biljart; krulde den duim bevallig om,
zoodat hij aan 't geheele gezelschap zijn tot op 't leven afgesneden
nagel vertoonde, en begon met de rechterhand de keu tusschen duim
en vinger heen en weder te bewegen op eene wijze, die deskundigen
"zagen" noemen.

Tot zoover ging _Petri Stastokiï_ wetenschap om op het acquit te
spelen. Ja, hij had zelfs een flauwe notie van de theorie van halfbal
raken; maar daar het hem aan practijk in het edele potspel haperde,
was hij bijna zoo wit als zijn bal, en stiet hem eindelijk krampachtig
er op los, met dit gevolg dat hij klotste en "à faire" lag voor den
rechter hoekzak.

Het zou onmenschelijk geweest zijn hem "te maken" en daarom, mijn
eigen bal stevig "houdende", bracht ik den zijnen naar onderen, een
goed eind voorbij den milieu. Daarop nam de bejaarde luitenant der
infanterie zijn pijp tusschen zijn grauwe knevels en speelde met de
linkerhand op goedaf, maar werd niettemin met "een beest" gesneden door
den chirurgijnsleerling; waarop de verloopen student, die onder ons
gezegd een grappenmaker was, zeide dat die chirurgijns niet leefden
of zij moesten wat te snijden hebben. De graankooper verzocht daarop
den jongen om acquit voor hem te zetten en bleef met een wijs gezicht
en onder het genot van zeker mengsel van geestrijk vocht en suiker,
't welk in 't gemeene leven een sneeuwballetje genoemd wordt, in 't
Handelsblad turen, en de verloopen student, zijn sigaar op den rand
van 't biljart neergelegd hebbende, stiet met veel nonchalance en
verschrikkelijk hard op 't acquit, welk voorbeeld van hard spelen door
den advocaat met gelijke woede werd opgevolgd. Nu was de beurt aan den
jongeling van drieëndertig jaren met den leverkleurigen pantalon, die,
van het beginsel uitgaande dat hij zijn bal voordeelig moest trachten
te verkoopen, nooit op goedaf speelde, als hij zeker wist dat hij een
bal maken kon. Hij maakte: en zoo gebeurde het dat _Petrus Stastokius_
andermaal op het acquit spelen moest.

Hij was nu zoo ver, dat het zweet hem in groote parels op het
voorhoofd stond.

"Dat wordt een collé, mijnheer"; riep de barsche stem van den pikeur.

_Pieter_ sprak niet, maar in zijne desperate poging om den geduchten
spreker eens niet te logenstraffen, en in een van die dwaze inblazingen
van hoop, waaraan slechte spelers somtijds gehoor geven, dat namelijk
het goed geluk voor hen zal doen wat hunne kunst niet vermag, raakte
hij den acquitbal zoo fijn, dat hij hem, tegen alle etiquette aan,
in den linker hoekzak "sneed".

"Dat doet men niet, mijnheer!" riep de pikeur, hevig met de keu op
den grond stampende.

"Het was een ongeluk"; stamelde _Pieter_, die nu zoodanig
transpireerde, dat ik vreesde dat zijn bril op den vloed zou afdrijven.

"Het was een lompigheid", brulde de pikeur.

"Leve het snijen!" riep de chirurgijnsleerling.

"Die mijnheer is gevaarlijk!" schertste de bejaarde luitenant.

"Aas één appèl, drie acquit, vier speelt!" riep de biljartjongen.

Ik geloof dat mijn neef poogde in een onverschillige houding zijn
neus te snuiten, maar het had er niets van.

Het derde toertje liep goed voor _Petrus_ af, maar het vierde was
geschikt om hem er gansch onder te werken. De pikeur lag voor den
middelzak; het was een gemakkelijke bal; een kind kon hem maken.

"Je kunt hem best sauveeren", zei de pikeur, "en goed afkomen ook".

Dit was volmaakt overeenkomstig de gezindheden van _Pieter_, die,
uit aanmerking van den snijbal, voor geen geld ter wereld hem
maken wilde, zelfs al moest hij er _slecht_ op afkomen. Maar daar
de pikeur een gevreesd potspeler was en, sedert onheuglijke jaren,
van de drie potjes, die gespeeld werden, er twee in zijn zak stak,
riepen natuurlijk al de anderen: "stop weg; stop weg!"

_Pieter_ stootte niettemin met het voornemen om hem stellig _niet_
weg te stoppen; en toch scheelde het zoo weinig of hij had hem
weggestopt, dat de winderige advocaat, die in 't gewoel was opgestaan,
uitriep: "hij zit!" waarop de verloopen student, die als gezegd is,
een grappenmaker was, geestig antwoordde, "als hij een stoel had";
waarop allen lachten.

"Wacht wat!" riep de chirurgijnsleerling, die voor 't snijen was;
"hier is nòg een zak!"

En inderdaad! _Petrus Stastokius_ had geheel buiten zijn eigen
voorkennis of medeweten een doublé gemaakt, waarop allen juichten,
behalve de pikeur, die op een grimmige wijze nog een glas bitter
bestelde en de Goudsche courant opnam, alleen om haar hard weer neer
te smijten.

Men speelde voort en, na al de wederwaardigheden die hij had
doorgestaan, werd mijn vriend _Pieter_ weder vrij kalm, waartoe vooral
machtig medewerkte dat hij een paar malen acquit moest leggen. Maar op
eens werd zijne rust akelig verstoord door den uitroep van den jongen:
"vier driemaal, zes acquit, zeven speelt! mijnheer _Hastok_ (de _St_
was onduidelijk geschreven) de Vlag!"

Nu was er geen eind aan de kortswijl en de grappen van den
chirurgijnsleerling, en den verloopen student, en den advocaat, en den
jongeling van drieëndertig jaren met den leverkleurigen pantalon. De
een noemde hem een Mingaud, de ander een blauwbaard, de derde een
boa constrictor, allen te zamen: "den mijnheer van de vlag". De
bejaarde luitenant, die op drie stond en met den verloopen student
geassureerd was, wilde zich doodstooten en hem voor een daalder koopen;
de graankooper, die tegen die manoeuvre was, zei dat _Pieter_ veel te
sterk speelde om het aan te nemen; de chirurgijnsleerling bestelde
de bokaal voor mijnheer "_Hastok_", die den pot "op schoon dacht te
winnen";--het was een leven als een oordeel. En onder dit alles stond,
met verwilderden blik, het onschuldig voorwerp van al dit rumoer
altijd maar krijt aan zijn keu te strijken. De beurt kwam weer aan hem.

"Welke bal?" vroeg hij verlegen.

"Die witte!" riep de verloopen student, die een grappenmaker was.

"Die ronde!" zei de chirurgijnsleerling, niet minder aardig.

"De beste", zei de leverkleurige pantalon, die ook iets zeggen wou.

"De benedenste", zei de dikke graankooper, die medelijden kreeg.

Nu was het zoo gelegen, dat het vrij onverschillig was met welken
bal de arme _Pieter_, die geen drogen draad meer aan 't lijf had,
op dat merkwaardig oogenblik spelen zou, aangezien beide ballen,
de een boven, de ander beneden, stijf en allerstijfst collé lagen;
ik herinner mij niet in al den tijd dat ik mee gebiljart heb--nu
slaapt mijn keu voor immer in haar zelfkanten graf--ooit zulk een
stijven collé gezien te hebben. De verloopen student bood mijn neef
den bok aan. _Pieter_ zag hem aan met een blik van machteloozen haat
en stootte een voet of drie mis.

"Strijk de vlag!" riep de chirurgijnsleerling.

Zij was alreede gestreken. De pikeur had zich bij voorraad gewroken.

Van dat oogenblik aan bood de luitenant _Pieter_ een gulden; maar
hij was te zeer van zijn stuk om te verkoopen. In den volgenden toer
maakte ik hem, uit medelijden; den daarop volgenden, verliep hij en
smaakte de voldoening dat de luitenant hem een beschuitje voor zijn
bal bood; met een mispunt besloot hij, in den voor hem laatsten toer,
zijn carrière in het edele ballenspel; en daar hij zeer veel haast
scheen te hebben om te vertrekken, brak ik, die nog een enkel appèl
te verliezen had, mijn bal op, vooral ook om een einde te maken aan de
dringende aanzoeken van den jongeling met den leverkleurigen pantalon,
die nu zichzelven voor een achtentwintig aan "_Hastok_" verkoopen
wilde, in welk aanbod hem al de vroolijke jongelui ondersteunden.

Op straat gekomen scheen de frissche octoberlucht _Pieter_ weer moed
en verwaandheid toe te waaien.

"Daar zijn goede spelers onder", zei hij, "maar toch waaràtje geen
een, die eigenlijk uitmunt. Ik had een kromme keu", voegde hij er bij;
"en hebje wel gezien hoe de hoekzakken trokken?"

Ik had alles gezien, en wist dat de graankooper het potje zou gewonnen
hebben eer wij thuis waren.

Het eten stond reeds op tafel. _Pieter_ had geen honger.



Het diakenhuismannetje vertelt zijn historie.


Drie dagen had ik bij de familie _Stastok_ vertoefd, en in dien
tijd was ik groote vrienden met _Keesje_ geworden. Een paar malen
had hij mij door de stad vergezeld om mij den weg te wijzen, als
ik boodschappen te doen had; en daar hij, als vele oude lieden,
praatziek was, en ik in dat gebrek soms met vele oude lieden deel,
hadden wij dikwijls te zamen vrij wat afgehandeld. _Keesje_ was een
eenvoudig, braaf, goedaardig mannetje. Hij had een flauwe herinnering
van zijn vader, die borstelmaker geweest was en groote "zulveren"
gespen op zijn schoenen had gedragen. Behalve de gespen, herinnerde
hij zich niets meer van hem dan zijn dood, en hoe hij met een groote
huilebalk en lange witte das achter zijn lijk gegaan was; en hoe er
toen hij thuis kwam een zwarte doek over den spiegel had "gehongen";
en hoe hij, bij die gelegenheid, zoo veel geraspte broodjes had mogen
eten als hij maar wilde; en dat daar een lange moei was bijgeweest,
die zóóveel witten wijn gedronken had, dat een dikke oom gezegd had:
"je krijgt niet meer". Zijne moeder had hij nooit gekend. De dikke
oom had hem naar 't Weeshuis gebracht; hij had er leeren spellen,
en toen was hij op timmeren gedaan; maar hij was te zwak voor dat
werk, weshalve men hem bij een apotheker besteld had, om fleschjes
te spoelen, en te stampen: een baantje dat juist niet rijk is aan
schitterende vooruitzichten. Vijftien jaar had hij er gediend, maar
daar hij maar heel weinig lezen kon, en hij dikwijls tegelijk twee
halfpintsflesschen, drie kinderglazen, een amplet, een likkepot en een
pakje poeiers weg moest brengen, was 't hem eindelijk eens gebeurd
dat hij een salebdrank gebracht had bij iemand die obstructies had,
en daarentegen de poeiers met jalappeharst bij eene dame die aan
diarrhee leed, waarop hij, als niet genoeg geletterd, ontslagen
werd. Sedert was hij looper voor een kantoor, en daarna huisknecht
bij onderscheidene lieden geweest, waarvan sommige dood en andere
geruïneerd waren; en daar hij, bij de groote opruiming, te oud was
geweest om naar Frederiksoord te worden gezonden, had eindelijk
het Weeshuis hem overgedaan aan het Diakoniehuis. En nu werd hij
op zijn ouden dag nog door mijn oom en een paar lieden van diens
slag gebruikt tot het smeren van schoenen, uitkloppen van kleeren,
wegbrengen van de courant en, in één woord, tot het doen van min
gewichtige boodschappen. Hetgeen, volgens de inlichtingen van mijn oom,
's mans carrière het meest had gedwarsboomd, was zijne verregaande
onnoozelheid en daaraan geëvenredigde menschenvrees.

Behalve de achterkamer met het hooge licht, die om het huis van den
buurman heensprong en waarachter de keuken lag, was er aan het huis
van _Petrus Stastok_ Senior nòg een achterkamer, waarin ik u nader
denk binnen te leiden, naar een kleinen tuin, waarop zij uitzag, niet
oneigenaardig de tuinkamer geheeten. Als men de plaatsdeur uittrad,
had men eerst een soort van trottoir van gele klinkers, van omstreeks
drie passen breed, en als men dan over eene hooge rollaag van blauwe
klinkers [8] heenstapte, waarvóór aan de overzijde drie voetschrabbers
waren geplaatst, was men eensklaps in het kleine elyseum van mijn
tante. Men zag er een grooten appelboom, waaraan soms meer dan een
dozijn reinetten groen werden, verscheidene rozeperken, waaromheen
in 't voorjaar een kring gele krokussen bloeien moest, meer dan één
seringeboom, twee goudenregens, een dubbelen kers en, tegen den muur
aan den eenen kant een wingerd, en aan den anderen een moerbeiboom. De
paden waren niet met gewoon gras, maar met roode en witte madelieven
en z.g. zeegras omzoomd. Omtrent dezen tijd stonden er verscheidene
potten met asters en twee of drie dahlia's in bloei; en achterin was
een groen geschilderd priëeltje met vijfblad, kamperfoelie, rupsen en
spinnen. Daaraan belendde de fabriek, waaraan, tegenover 't priëel,
eene kleine loods was uitgebouwd met een klein plaatsje, waarop
_Keesje_ zijn huiswerk verrichtte, en daaromheen een klein hekje.

In dit priëeltje zocht ik, op zaterdag morgen na den ontbijt, met een
boek onder den arm, het zonnetje. Waarom ik het boek niet opensloeg
zal terstond blijken.



Ik had nog nauwelijks met mijn zakdoek het stof van de bank in 't
priëeltje geslagen, en was bezig, op mijn gemak nedergezeten, met
de oogen op het loodsje, het plaatsje en het hekje gericht, mij te
verlustigen in het denkbeeld, hoe goed alles bij mijn oom en tante in
de verf was, als de plaatsdeur openging en _Keesje_ verscheen. Daar
hij den geheelen tuin doormoest om ter plaatse zijner bestemming te
komen, en hij bijna zeventig jaar op de schouders torste, had ik tijd
genoeg om op te merken, dat er iets aan scheelde. Hij strompelde eerst
bijna tegen de rollaag aan, waarop hij niet scheen verdacht te wezen,
schoon hij er sedert jaren alle morgens om halftien uren overheen moest
stappen; hij liet den zondagschen rok van mijn oom, dien hij over den
arm had, in het zand slepen en, eer hij den appelboom voorbij was,
den borstel, dien hij in de hand hield, tweemaal vallen. Als hij nader
kwam, zag ik dat zijn wangen zeer bleek en flets waren, onder zijn
niet zeer net onderhouden baard; zijn geheele gelaat was betrokken,
zijn oogen stonden dof, en toen hij mij voorbijging was het niet als
anders: "lief weertje, meheer!" maar hij nam zijn hoed stilzwijgend af,
en strompelde naar het plaatsje. Met een diepen zucht trok hij daarop
zijn jas uit, zoodat hij mij in zijn eng zwart vest met mouwen, al
het magere en gebogene van zijne gestalte zien liet. De roode blikken
tabaksdoos, die half uit den eenen vestzak stak, bleef onaangeroerd,
en met wederom een diepen zucht hing hij den rok van mijn oom over
den knaap. Met een nog dieper zucht greep hij den borstel op, stond
eenige oogenblikken in gedachten tegen de haren op te strijken,
en begon toen den rok te borstelen, beginnende met de panden.

"Hoe is 't _Keesje_! Gaan de zaken niet goed?" riep ik hem
toe. _Keesje_ borstelde altijd door. Hij was wat doof.

Wanneer men den volzin herhalen moet, die men op een eenigszins
meewarigen toon heeft uitgesproken, is 't glad onmogelijk het met
dezelfde woorden te doen. Ik stond op, kwam een stapje nader, en zei
wat luider:

"Wat scheelt er aan, _Kees_?"

_Kees_ ontstelde, zag mij aan, en _bleef_ mij een oogenblik met strakke
oogen aanzien; daarop vatte hij weer een mouw van mijn ooms zondagschen
rok en begon op nieuw te borstelen. Er liep een traan over zijn wangen.

"Foei, _Kees_!" zei ik, "dat moet niet wezen: ik zie waterlanders,
dunkt me".

_Keesje_ veegde zijn oogen met de mouw van zijn vest af en zei:
"'t Is een schrale wind, meheer _Hildebrand_".

"Ei wat _Keesje_;" zei ik, "de wind is niemendal schraal. Maar daar
schort iets aan, man! Hebje een courant verloren?"

_Keesje_ schudde het hoofd en ging hardnekkiger dan ooit aan het
schuieren.

"_Kees_!" zei ik: "Je bent te oud om verdriet te hebben. Is er niets
aan te doen, vrind?"

De oude man zag vreemd op bij het hooren van het woord "vrind". Helaas,
misschien was 't hem op zijn negenenzestigste jaar nog geheel
nieuw. Een zenuwachtige glimlach, die iets verschrikkelijks had,
kwam over zijn mager gezicht; zijne grijze oogen luisterden eerst op,
werden toen weer dof, en schoten vol tranen. Zijn gansche gelaat zeide:
ik zal u vertrouwen. Zijn lippen zeiden:

"Hoor reis meheer! Kent uwe Klein _Klaasje_?"

Hoewel ik nu een zeer bijzonderen vriend heb, die _Nicolaas_ gedoopt
is, en van wien 't niet ondenkbaar was dat _Keesje_ hem wel eens gezien
had, zoo kon ik echter onmogelijk op gemelden _Nicolaas_ den naam van
Klein _Klaasje_ toepassen, aangezien hij een zeer "lange blonde jongen"
is, en nooit zou ik hebben willen gelooven dat gemelde _Nicolaas_,
hoe onaardig hij ook somtijds wezen kan, de oorzaak zou kunnen zijn
van ouden _Keesjes_ tranen. Ik antwoordde dus dat ik Klein _Klaasje_
niet kende.

"Heeft meheer _Pieter_ hem uwe dan niet gewezen? De heele stad kent
Klein _Klaasje_. Hij krijgt centen genoeg"; ging _Keesje_ voort.

"Maar wat is het dan voor een man?" vroeg ik.

"Het is", zei _Keesje_, "in 't geheel geen man. 't Is een dwerg,
meheer! een dwerg, zoo waar as ik hier voor je sta. Je kent er mee
in een spul reizen. Maar 't is een kwaad kreng. _Ik_ ken hem goed".

Ik wenschte hartelijk naar wat meer orde in de berichten van _Keesje_.

"Hij is uit het Huis", hernam hij na een oogenblik zwijgens: "hij
loopt over straat as 'en gek. Hij wint geld met zen bochel. Als er
'en school uitgaat, leggen de jongens centen bij mekaar, en laten
Klein _Klaasje_ dansen. Dan springt ie om een stok net as zoo'n aap,
en dan maakt ie zijn bochel wel eens zoo groot. Ik _heb_ geen bochel,
meheer!" liet hij er met een zucht op volgen.

Terecht begreep ik dat _Keesje_ minder jaloersch was van den bochel
dan van diens geldige vrucht.

"Ik wou", ging hij op een treurigen toon voort, den rok een veel
harder streek met den schuier gevende, dan voor laken van negen
gulden dienstig was; "ik wou dat ik een bochel _had_. Ik zou nies
uitvoeren; ik zou centen krijgen; ze zouen om me lachen.... Maar ik
zou niet drinken", zei hij eensklaps van toon veranderende. En den
volzin omkeerende, voegde hij er, zeer bedaard den rok van den knaap
nemende en hem opvouwende, nog eens bij: "drinken zou ik niet".

"_Keesje_", zei ik, "toen je den tuin doorkwaamt, en toen ik je
aansprak, was je bedroefd, en nu lijk je wel wat boos te zijn; ik
zie je liever bedroefd!"

De oude oogen schoten weer vol tranen; hij stak zijne dorre handen naar
mij uit; ik vatte ze, toen hij ze, beschaamd over zijn gemeenzaamheid,
terug wilde trekken, en liet ze niet dan na een bemoedigend drukje
varen.

"Och", zei hij--"och meheer weet dat zoo niet;--maar ik ben--ik ben
veel bedroefder dan boos. Maar Klein _Klaasje_ het me mishandeld. Klein
_Klaasje_ is slecht. De menschen", ging hij voort, naar het schoensmeer
bukkende, "de menschen denken soms dat ie gek is; maar hij is slecht".

"Hoor eens, _Keesje_!" zei ik, een klaptafeltje op een ijzeren poot
opslaande; "ga hier eens wat zitten en vertel me reis geregeld,
wat heeft Klein _Klaasje_ je gedaan?"

"Het zel niet helpen", zei _Keesje_, "maar ik zel et doen, as u
't niemand zegt. Kent meheer et Huis?"

"Welk huis?"

"Van de Diakenie."

"Ik heb het in 't voorbijgaan gezien."

"Goed. Et is een leelijk huis, is et niet? een leelijk huis; met rooie
deuren en vensters; en van binnen alles rood en alles donker. Nou;
meheer weet wel dat we daar allemaal arm zijn, allemaal even arm;
ik kan et niet anders zeggen, net precies, denk ik wel, as op 't
kerkhof. Ik en een ander verdienen iets, maar et helpt niet. We brengen
et in bij den Vader; en de Vader geeft ons alle weken zakduiten. Dat
is goed, meheer; dat is heel goed. Als ik oud wor, verdien ik geen
kopere' cent meer; maar ik krijg toch de' zakduit. Hier", zeide hij,
een bonten katoenen zakdoek uithalende, "deuze, en", op zijn tabaksdoos
kloppende, "en deuze, heb ik van me zakduit gekocht".

Het was aandoenlijk een man van bij de negenenzestig te hooren spreken
van "als ik oud word"!

"_Klaas_",--ging hij voort--"zoo as meheer wel begrijpt, krijgt ook
een zakduit. Maar wat doet _Klaas_? _Klaas_ doet niets, dan nou en dan
de straat voor iemand wieden. _Klaas_ houdt zich gek; _Klaas_ danst
met zen bochel; en as ie centen krijgt van de lui en van de kinderen,
dan wandelt _Klaas_ de poort uit. Kent meheer de Vette Vadoek?

"Neen, _Keesje_."

"Et is een herberg in de Hazelaan, daar drinkt _Klaas_ 'en borrel;
en welreis twee, en welreis drie borrels".

"En als hij dan in 't Huis komt?"

"o Hij heeft allerlei kunsten. Hij neemt een groote pruim tabak. Hij
haalt 'en oranjeschilletje bij de' drogist. Soms merkt de Vader et. Dan
krijgt hij 'en blok aan zen been, want hij is te oud om op de bok
gelegd te worden, en men kan em ook niet op zen bochel slaan; maar
wat is 't as ie met het blok loopt? Dan zeit ie teugen de kinderen:
St ... jongens! _Klaas_ is ondeugend geweest; _Klaas_ het 'en graantje
gepikt; en de Vader het _Klaas_ al zen centen afgenomen. Je begrijpt
wel, meheer, dat ie dan nog meer opdoet".

Ik begreep het volkomen.

"Maar dat zijn _zijn_ zaken", ging _Keesje_ voort, een schoen van mijn
oom opnemende, dien hij smeren moest en onmiddellijk weer neerzette;
"maar wat hoeft ie _mijn_ ongelukkig te maken? Weet u wat et is. Ik zel
et u vertellen. Ik had geld,--ik had veul geld,--ik had twaalf gulden!"

"En hoe kwam je daaraan, _Keesje_?"

"Met God en met eere. Ik had et gespaard toen ik in de apteek
was. Somwijlen, als ik 'n drankje buiten de stad brocht, op een
buitenplaats of in een theetuin, zei de meheer of de mevrouw: geef
de' looper een dubbeltje; 't is slecht weer. Zoo had ik twaalf gulden
bij mekaar. Ik mocht die in 't Huis niet hebben. Maar ik bewaarde ze;
op me hart".

"En waartoe bewaarde je die? Hadje dat geld noodig; of deeje 't alleen
om 't pleizier van het te hebben?"

"Och, meheer"! zei het diakenhuismannetje, het hoofd schuddende:
"Als ik et zeggen mag, die rijke lui weten dat zoo niet; de Regenten
weten 't ook niet; want zij hebben er geen zorg voor. 't Gaat alles
goed bij zulke menschen; bij leven en sterven. Hoor reis; we hebben
't goed in et Huis; de Regenten zijn goed; op vastelavond krijgen we
bollen met botter; over drie weken, as de slacht is, krijgt et Huis
'n os, ik weet niet van wat voor groot heer die lang dood is. Dan eten
we allemaal gehakt; en de heeren hebben 'n partij en eten de tong,
We hebben 't er heel goed; maar 'n mensch, meneer, denkt altijd om
zen dood".

"Ik denk nogal dat je 't na je dood ook heel goed zult hebben,
_Keesje_!" zei ik.

"Ik hoop et, meheer: in den Hemel is alles goed; maar dat meen ik
niet. Ik wou me lijk verbeteren, weet u?"

"Wat is dat, _Kees_?"

"Hoor reis, as we dood zijn, dan leit men ons op strooi en we krijgen
't goed an van 't Huis, net as wanneer we leven, en dan gaan we na
't kerkhof, in de put; dat wou ik niet. Ik wou, as ik dood was,
geen diakenhuisgoed aanhebben...."

Hij zweeg een oogenblik; en weder kwamen de tranen.

"Ik wou in me kist leggen, ik weet niet, ik zel maar zeggen, zoo as
ik er mijn vader in heb zien leggen, met eigen goed; ik heb nooit
een eigen hemd gehad; één eigen doodhemd wou ik hebben".

Ik was aangedaan. Spreek mij niet van vooroordeelen. De rijken der
aarde hebben er duizend. Deze arme man kon alles verdragen: schrale
spijs, een hard bed en, naar de mate zijner jaren, harden arbeid. Hij
had geen eigen huis, hij zou geen eigen graf hebben: o had hij dan ten
minste de zekerheid dat zijn allerlaatste gewaad het zijne wezen zou!

"Meheer begrijpt wel!" ging hij, eenigszins schor, voort, "dat daar
die twaalf gulden voor was. Het was veuls te veul. Maar ik wou nog
meer; ik wou fassoendelijk begraven worden. Ik heb geen verstand van
die dingen; maar ik had gerekend vier gulden voor et linnen, en dan
twee gulden voor de menschen, die me zouen ofleggen, en tien stuivers
voor een draagplaats an twaalf dragers. Was dat niet knap geweest? De
bediende van den apteker had het zoo beschreven; het geld was in et
pampiertje; en alles in een leeren zakkie: dat heb ik dertig jaar op
me hart gehad.... en nou is het weg..."

"Heeft _Klaas_ het gestolen?" vroeg ik.

"Neen!"--zei hij, uit het droef gepeins, waarin zijn eigen laatste
woord hem gestort had, oplevende: maar hij is er achter gekomme dat
ik et had. _Zijn_ kreb staat naast _mijn_ kreb. Of ie et gezien het
as ik me uitkleedde, of as ik me aankleedde, of toen ik ziek was, of
dat ik er hardop van gedroomd heb, ik weet et niet. Ik zou wel haast
zeggen dat ik er van gedroomd had; want ik denk er altijd om.--Verleden
dinsdag had et den heelen voormiddag geregend, as meheer wel weten
zel. _Klaas_ had geen cent opgedaan. Het was te slecht weer; de jongens
hielden zich niet met hem op. Zen zakduiten waren ook weg, en hij had
een razenden trek om na de Vette Vadoek te gaan. "_Kees_", zeid' ie na
den eten, "leen me zes centen". "_Klaas_", zeg ik, "dat doei ik niet;
want je verzuipt ze toch maar". "_Kees_" zeid' ie, "ik mot ze hebben",
zeid' ie. Ik zeg: "nou je krijgt ze niet, hoor!" "Weetje wat," zeid'
ie, "_Kees_", zeid' ie, "as je ze me niet geeft, zel ik an de' Vader
zeggen, wat je onder je hemd hebt, hoor!" Ik besturf as 'en doek,
en gaf 'em de zes centen. Maar ik zeid' er bij: "_Klaas_, je bent een
schurk!" Dat zei ik. Of ie daar toen toch kwaad om geworden is, kan
ik niet zeggen; maar gisteren mot ie dronken geweest zijn, en toen de
suppoosten 'em 't blok andoen lieten, het ie as 'en gek geschreeuwd en
gezongen: "_Kees_ het geld! _Kees_ het geld! Onder zen hemmetje het ie
geld"! de broers vertelden 't me, toen ik in 't Huis kwam. Ik was as
'en dooie. We gingen na' de mannezaal en kleedden ons uit. _Klaas_
lag er al en snurkte as 'en os. Toen ze allemaal sliepen, stak ik
me hand onder me hemd om et zakkie weg te nemen en, als ik kon, in
't strooi van me bulster te verstoppen. Maar eer ik et los had, daar
ging de deur ope', en de Vader kwam op de zaal met 'en lantaren. Ik
viel achterover op me kussen met et geld in me hand, en tuurde as 'en
gek mensch na' de lantaren. Ieder stap, die de vader dee, voelde ik
op me hart. "_Kees_," zeid' ie, over me heen bukkende: "Je heb geld;
je weet wel dat je dat hier in 't Huis niet verstoppen mag"; en meteen
trok ie 't uit me hand.--"'t Is voor een doodhemd",--stotterde ik,
en viel op me knieën in de krib--maar 't holp niet. "We zellen 't
voor je bewaren", zei de Vader, en maakte het zakkie ope', en telde
et geld bedaard. Mijn eigen oogen hadden et niet gezien sunt ik et
er in genaaid had; dat was dertig jaar geleden; et was mijn, eigen,
lief, begrafenisgeldje. "Ik zweer je dat ik er niets voor doen zel",
huilde ik, "dan me eerlek laten begraven."--"Daar zellen we zelf
wel voor zorgen", zei de vader; en weg ging ie met et geld en met
de lantaren. "_Klaas_", riep ik hem na, "het et je verteld, omdat
ie".... maar wat holp het of ik gezeid had, omdat ie 'en lap is! wat
holp et of ik hem verteld had dat _Klaas_ alle dag na' de Vette Vadoek
ging? Ik had er me geld niet mee weerom. Den heelen nacht heb ik geen
oog toegedaan.--Et is wat te zeggen!"

"Zou er bij de Regenten niets aan te doen zijn, _Keesje_?" vroeg
ik vertroostend.

"Neen! neen!" snikte hij, de hand op zijn borst rondwrijvende, als
zocht hij er het geld nog: "het geld most weg; dat is 'en wet zoo
oud as et Huis, en et Huis is zoo oud--zoo oud as de wereld!"

"Dat's wat kras, _Keesje_", zei ik; "en wanneer"....

Hij liet mij niet uitspreken.

"Wat kras? Het is niemendal kras. Zijn er dan niet altijd armelui
geweest zoo as ik, die an de Diakenie kwammen, en van de Diakenie
mosten eten en drinken, en bed en leger hebben, en begraven
worden?--Maar _ik_ wou begraven worden van mijn, eigen, geld,--en ik
wou zeker _weten_ dat ik van mijn, eigen, geld begraven zou worden;
en dat was mijn grootste troost; en daarom droeg ik et vlak op me
hart.--O, as _Klaas_ kon weten dat ie me dood maakte!"

"Hoor eens, _Keesje_", zei ik, "je zult en moet je geld weerom hebben;
ik beloof het je: ik zal mijn oom er over spreken; hij kent zeker
de Regenten wel; wij zullen zien of zij de wet, voor een oud, braaf,
oppassend man, als gij zijt, niet eens zullen willen overtreden. Maak
er staat op, _Kees_, je zult je geld weerom hebben".

"Zel ik?" zei de arme man, door mijn stelligen toon bemoedigd. "Zel
ik wezenlijk?"

En zijn oogen afvegende met een blij gelaat, gaf hij mij de hand.

In zijn behoefte om ook mij iets aangenaams te zeggen vroeg hij:

"Smeer ik uw laarzen netjes genoeg?"

"Overheerlijk", was mijn antwoord.

"En is uw jassie goed genoeg geborsteld?" vroeg hij verder; "as er
iets an mankeert, mot meheer 't maar zeggen".

Dat beloofde ik hem en ging in huis. Maar hij kwam mij achterop,
met den linkerarm in een laars van _Pieter_ en den schoenborstel in
de rechterhand. "Vraag escuus, meheer, dat ik zoo vrijpostig ben",
zei hij, "maar mag ik u nog wel iets verzoeken?"

"Wel ja _Kees_!"

"As meheer na' de Regenten gaat", hernam hij, "mot meheer maar net
doen as of ie van nies weet."

"Ik beloof het u, _Keesje_!"

Ik ging naar mijn oom en wist dien te bewegen naar de Regenten te
gaan. De president liet den Vader bij zich komen, en daarna den vader
rondgaan bij de andere Regenten, om ze tot een extra vergadering te
convoceeren. Op die vergadering moest eerst _Keesje_ binnenkomen,
en vervolgens buitenstaan; daarna moest ook de Vader binnenkomen,
en vervolgens buitenstaan. Daarop werd er een uur gedelibereerd,
hetwelk hoofdzakelijk daarmee werd doorgebracht dat de president
gedurig zei dat hij de zaak aan de heeren overliet, en de heeren
gedurig zeiden dat zij de zaak aan den president overlieten.

Daar het zóó niet blijven kon, bracht eindelijk de president het
advies uit, "dat het, aan den eenen kant, wel doenlijk was _Keesje_
zijn geld terug te geven, daar _Keesje_ een man was van voorbeeldig
gedrag, die het geld zeker tot aan zijn dood toe zoo goed bewaren zou
als de ijverige thesaurierzelve",--waarop de "ijverige thesaurierzelve"
boog--"maar dat, aan den anderen kant, de ijverige thesaurier het weder
even zoo goed bewaren zou als _Keesje_, en dat het dus volstrekt niet
noodig was _Keesje_ in het vooroordeel te stijven dat zijn geld beter
bewaard zou worden en zekerder tot deszelfs, d.i. _Keesjes_, doel zou
worden aangewend, indien hij, _Keesje_, het zelf bewaarde, dan indien
de ijverige thesaurier het bewaarde; en dat dit zijn advies was".

De secretaris meende echter met eenig recht dat dit advies den
knoop niet genoeg doorhakte, en stelde dus onder verbetering voor,
tot een van de beide maatregelen over te gaan;--waarop "de ijverige
thesaurierzelve" de edelmoedigheid had afstand te doen van het
"custodiëeren der penningen in quaesti", en men eenparig besloot
aan _Keesje_ zijn twaalf gulden, weder behoorlijk in een zeemlederen
zakje vastgenaaid, terug te geven.

_Keesje_ heeft nog twee jaren zijn geld "vlak op zijn hart"
gedragen. En toen ik in 't verleden jaar het kerhof te D. zag, was
't mij zoet te mogen denken, dat aldaar in het algemeene graf der
armen één man sluimerde, die er eerbiedig was heengedragen door
twaalf broeders van zijne eigene keuze, nadat hij, ook eenigszins
door mijn toedoen, in de gerustheid was ontslapen dat hij in zijn
eigen doodskleed zou worden gewikkeld.

Had hij misschien in zijn laatste oogenblikken nog aan _Hildebrand_
gedacht?



Er komen menschen op een kopje thee, om verder het avondje te
passeeren.


Des zondagsavonds was de tuinkamer in haar schitterendste pracht. Ik
zal pogen er u een flauw denkbeeld van te geven.

Verbeeld u een ruim vierkant vertrek, met een vierkante tafel in het
midden, waar het vierkante groene kleed van is afgenomen en vervangen
door een vierkant zilveren theeblad, waarop een degelijk ouderwetsch
porselein theeservies prijkt, lange lijzen met zes merken. Daaromheen
staan vijf stoelen geschikt, met hooge ruggen en zittingen van groen
gebloemd trijp. Men maakt dat tegenwoordig zoo goed niet meer. Als
men onder de tafel kijkt, ziet men als twintig vurige oogen, van wege
vier stoven; de vijfde vonkelt niet; het is een steenen. Daaraan,
en aan de plaatsing van het theegoed, en aan den verlakten ketel, die
naast den stoel staat, ken ik de plaats mijner eerzame moei. Midden
op de tafel staat een dierbaar pronkstuk. Het is een verbazend groote
bronzen lamp, die door een olifant getorst wordt, in wiens voetstuk
een speelwerk verborgen zit. Bij deze bijzondere gelegenheid ligt
er, reeds vóór November, een netgebouwd turfvuurtje in den helder
gepolijsten haard; het is alleen maar opdat er met schik stoelen
omheen zouden kunnen worden gezet, voor de heeren. De smalle marmeren
schoorsteenmantel is versierd met een pendule, voorstellende een
negerslaaf met witte oogen, roode neusgaten, en gouden voorschoot,
die op eene ongedwongen wijze den arm om een wijzerplaat slaat;
en aan de beide kanten, met twee vaasjes met gekleurde bloempjes
onder stolpjes, zoo poppigjes en zoo kleintjes, dat men ze voor de
pasgeboren kindertjes houden zou van die groote stolp met opgezette
vogels, die tegenover den schoorsteen, op een bruinhouten tafeltje
met ééne lade, pronkt. Het schoorsteenstuk vertoont in stukadoorwerk
eene aangename partij weverskammen, weversspoelen en weversklossen,
in een luchtigen strik bijeengehouden en halfbegraven onder witsellagen
van onderscheidene formatie.

Maar wat de feestelijke zaal, niet alleen nu, maar altijd den
meesten luister bijzet, is zonder twijfel, boven een hooge grijze
lambrizeering, op snee verguld, het prachtig behangsel, beschilderd met
niet onaardige bergachtige landschappen, met op- en ondergaande zonnen,
zandwegen met diepe sporen, en waterplassen met riet en zwanen; voorts
gestoffeerd met vrouwen met manden op den rug, waar bovenuit een bos
stroo steekt; mannen aan den waterkant, die aan lange hengels visschen
opslaan; kinderen met bloote hoofden en bloote voeten, die bij een
geit in 't gras liggen; reizigers op bruine paarden, met den rug naar
u toe om het valies te laten zien, en op witte paarden, die een dunne
rijzweep zeer rechtop houden; wandelaars met enorme wandelstokken
en driekante..... Wat ga ik zeggen? Ja, zij hadden driekante hoeden
opgehad, maar die tijd was voorbij; de kamer was voor een paar jaar
"opgeknapt", en de heer _Petrus Stastokius_ Sen., hoe ouderwetsch ook
in vele opzichten, had in dezen gemeend een proeve te moeten geven,
dat hij met zijn tijd was vooruitgegaan. Hij had al wat kleedij was
laten modernizeeren. Een geestig schilder had op zijn gebod al de
hoeden veranderd, naar het toen nieuwste model, bij den hoedemaker
gehaald, en al de wandelaars hadden bruine, gele of gestreepte
pantalons aangekregen met soupieds en naar de nieuwste snede. Al
de pruiken waren verbannen. De dames, die tot hiertoe de openlijke
bewijzen hadden gegeven dat onze grootmoeders veel meer gedecolleteerd
waren op hare wandelingen dan onze zusters op hare bals, hadden hooge
japonnen met stukken, wijde mouwen, en lange lijven ontvangen, en zelfs
het haar der halfnaakte kinderen was in naam der beschaving geknipt.

't Is waar, dat deze vernieuwerwetsching in vele opzichten nog veel
te wenschen overliet, vooral ten opzichte van de rottingen, regen-
en zonneschermen, die hunne vorige gestalte hadden behouden; maar de
waaiers waren allen in bloemruikers veranderd, en dus bestond er van
dien kant volstrekt geen tijdsverwarring meer.

Toen mijn oom en tante dit alzoo met wijsheid hadden laten in orde
brengen, meenden zij zich van hun plicht gekweten te hebben, en een
offer aan den Moloch der negentiende eeuw te hebben gebracht, groot
genoeg om hun te vergunnen, voor hun persoon, die eeuw op velerlei
wijze te hoonen en weg te cijferen; want om de waarheid te verklaren:
de heeren en dames op 't behangsel waren mijnheer en juffrouw _Stastok_
een goed eind vooruit; en daar zij op dezen heugelijken avond op hun
mooist gekleed zijn, vooreerst omdat het zondag is, en ten anderen
omdat zij "menschen wachten", wil ik deze gelegenheid waarnemen om u
eene tot hiertoe verzuimde beschrijving van hun persoon en voorkomen
te geven.

Het is nog doodstil in de tuinkamer; "diezelfde tuinkamer" zou een
redenaar zeggen, "die zoo aanstonds weergalmen zal van het luidruchtig
gesnap eener vroolijke menigte!" Ik verneem er niets dan het gezellig
gezang van het theewater, dat door de tuit stoomt, en het spinnen
van de cyprische poes, die voor den haard zit, verwonderd van hier
zoo vroeg in 't jaar vuur aan te zien. Ik ruik er niets dan den
theeketel, die nog lang niet dikwijls genoeg gebruikt is om niet te
stinken, en ik zie er, behalve de voormelde poes, niemand anders dan
mijn deftigen oom, die met den rug naar het vuur gekeerd, en met de
handen op dien rug, beschenen wordt door de vier waskaarsen op de
vergulde lustres aan zijn schoorsteen, en wiens beeld zich weerkaatst
in den spiegel tegenover hem. Een heerlijk oogenblik om zijn portret
te maken! Mijn oom, schoon in de zestig jaren oud, is hetgeen men
voor dien ouderdom, nog "een kras ventje" noemt. Hij heeft geen grijs
hoofd, vermits hij een bruine pruik draagt, die over zijn ooren gaat,
en waar hij bijgevolg door heen moet hooren; hij heeft een rond,
blozend gezicht, volstrekt geen bakkebaarden, een niet onaardig
bruin oog, en een onderkin. Hij is niet groot van postuur, en heeft,
om hem recht te doen, geen ander lichaamsgebrek dan zijn hooge linnen
halsboorden. Deze zijn heden, wegens het feest van den dag, nog ééns
zoo hoog, zoodat ze zelfs de uiteinden van zijne ooren in eenige
ongelegenheid brengen. Voor het overige draagt hij een wit stropje,
een overhemd met jabot, een wijden zwarten rok, die van achteren
gezien wel wat van een jas heeft, en nog altijd een korte broek, zoodat
men in de gelegenheid is de welgevormde kuiten te bewonderen, die in
fijne floretten kousen steken. Op dit oogenblik treedt mijne tante
binnen, die het toilet van mijn oom volmaakt, door hem een grooten,
schoonen linnen zakdoek met breede zoomen aan te bieden. Gij hebt
lang gemerkt dat zij een neepjes-mutsje draagt. Zij heeft van avond
het beste op, met een net wit satijn lintje met tandjes;--het heugt
mij hoe ik mijn grootmoeder zulke lintjes op haar verjaardag gaf!--Zij
draagt het haar gepoeierd, althans er komt een weinigje van dat wit,
met een mesje gelijkgestreken, op haar voorhoofd; en dat staat heel
wel bij haar helder, welgedaan gezicht, en bij de goelijke kuilen,
die, als zij spreekt, in haar wangen komen. Zij heeft om haar hals een
aardig snoertje kleine paarlen met een juweelen bootje, en een hoogen
dikgeplooiden kamerijkschen doek in haar lage japon van weerschijnende
zijde met ruim lijf.

Wij laten haar, eenigszins vermoeid van al de bereddering, plaats nemen
om thee te zetten, en slaan terwijl onze oogen op _Pieter_ Jr., die
juist binnentreedt. Ook hij ligt onder zijn, wat de zeelieden noemen,
beste tuig. Hij is (ik moet het zeggen) volmaakt naar de mode gekleed;
een zwarte pantalon met soupieds, een zwart satijn vest, een blauwe
rok met glimmende knoopen; en toch ziet hij er infaam ouderwetsch
uit. Want de pantalon is zoo kort, en de soupieds zijn zoo lang, en
het vest is zoo laag uitgesneden, en zoo wijd om het midden; en de
rok is zoo smal van kraag en zoo breed van rug; en waarom verstokt
hij zich nu om zich met een bruine stropdas te willen uitzonderen,
in plaats van een zwarte om te hebben, als alle fatsoenlijke menschen?

Oom kijkt een paar malen op zijn horloge, om aan te merken dat
Ds. S. het geweldig lang moet maken. Dit is, in 't voorbijgaan gezegd,
de eenige reden, waarom _Petrus Stastokius_ Sen. nooit diaken of
ouderling heeft willen worden, omdat hij alsdan genoodzaakt zou zijn
geweest, op zijn beurt, ook bij die predikanten te kerk te gaan,
die niet als hij, lieden van de klok waren.

Het duurt evenwel niet lang of een bescheiden belletje kondigt de
aankomst van den eerstverschijnenden gast aan. Wij zullen hem en al
de verdere hun jassen en mantels laten afdoen en in handen stellen van
_Keesje_, die van avond bijzonder verlof heeft om later in 't Huis te
komen; hun vervolgens pijpen laten stoppen, en complimenten maken over
"de zorg"; hen daarna een uurtje laten praten over 't weer, over de
kou in de kerk, over het verkieslijke van een open haard boven een
"toe kachel", over den stand der fondsen, over het werk van de dames,
en over de laatste verkooping van huizen en het laatste plan van
den stedelijken raad om een brug te leggen over een water, waarover
reeds voor tien jaren een brug is noodig geweest; om u daarna op
eens midden in 't gezelschap binnen te leiden en u al zijne leden
in hunne grootheid te laten aanschouwen. Gij kunt ondertusschen zelf
een versche pijp stoppen.

De man, dien gij bij den haard ziet, met mijn oom in druk gesprek
gewikkeld over de meerdere voortreffelijkheid van de inrichting der
gilden, zooals die vroeger bestond, boven die van de patenten, onder
het ministerie _Gogel_ ingevoerd, is een oude kennis, en niemand
anders dan de zilveren man uit de diligence. Hij is evenwel zoo min
een zilversmid, als de pikeur een commissaris van politie was. Ik
ben ongelukkig in mijne waanwijze gissingen geweest. Hij is alleen
maar oudste commies ter secretarie van de stad D. Hij behoort tot
die menschen, die jaar en dag in _Wagenaar_ en in de vervolgen op
_Wagenaar_, alsmede in de boeken van _Le Francq van Berkhey_, en
in _Tuinmans_ "Nederduytsche Spreekwoorden" studeeren, terwijl hun
verdere lectuur bestaat in onbeschrijfelijk veel Preken, en Reizen
rondom de wereld. Hij kan met wijsheid op zijn snuifdoos kloppen,
en verklaren hoe een snuiter heette in den tijd, toen de kaarsen nog
niet gesnoten werden, en voor hoeveel geld men een huis kon huren,
in een jaar, waarvan hij in de stoffige papieren der secretarie
een rekening gezien heeft. Hij heeft groot gezag in het beoordeelen
der talenten aller predikanten; en in 't geheel, als er iets is in
de familie dat duister voorkomt, richt men zich tot den heer _Van
Naslaan_, "die onbegrijpelijk veel gelezen" heeft. Het is echter waar,
dat in de laatste jaren de hooge wijsheid van den jongen _Pieter_
's mans gezag veel kwaad heeft gedaan, vooral omdat gemelde _Pieter_
het alle voorrechten verzekerend Latijn verstaat.

_Pieter_ en ik worden beziggehouden door een langwerpig man van
een groote dertig jaren, met een kaalachtig hoofd en in een langen
sluitjas, die den naam _draagt_ van den heer _Dorbeen_, en den naam
_heeft_ van droogkomiek te zijn. Behalve dit, oefent hij het ambt
van makelaar uit. Hij vraagt ons naar studentegrappen, die sedert de
oprichting der academiën, aan alle academiën eenmaal 's jaars gebeurd
moeten zijn, die _hij_ gehoord heeft in zijn jeugd, die aan _mij_
en aan _Pieter_ verteld zijn als onder onze laatste voorgangers aan
de hoogeschool vertoond, en die waarschijnlijk nooit hebben plaats
gehad, en nooit _zullen_ plaats hebben; en als hij er een heeft
opgehaald die heel aardig is, dan vraagt hij terstond een baleintje
en steekt zijn pijp door, met een gezicht zoo lang en zoo akelig,
dat hij duidelijk toont hoe droogkomiek hij is. _Pieter_ is onder
zijn verhalen verstrooid, rookt wanhopig door, grinnikt als er een
vertelsel, en stopt een nieuwe als er een pijp uit is. Ik sta op
heete kolen om eens nader kennis met de dames te maken.

"De heeren zullen zeker liever bij den wijnstok blijven?" zegt mijn
welgedane tante, vriendelijk omkijkende, en een ruimen witten ketel
opbeurende; "_Pieter_ wil misschien wel een kopje slemp?"

"Dat wil ik óók wel tantelief!" zei ik, en trad naar haar toe, om
haar den grooten ketel vooreerst wat lichter te maken, daar zij hem
onmogelijk tillen kon. Weet gij voor wie ik inschonk?

Voor een deftige dame, die, als mijn tante, zat te breien, maar
toch meer naar de mode gekleed was en de wettige echtgenoot van den
commies, echter veel jaren jonger dan hij; voor een jeugdige zuster
van dezen haren man, van een veertig jaar, met kalfsoogen, die bij
haar inwoonde met het voorrecht van de wasch voor haar te doen,
haar kousen te mazen, haar hoeden te vermaken, en haar japonnen af
te dragen; als ook voor haar dochtertje _Koosje_, een meisje van
ik denk zeventien jaren, die er met haar gescheiden bruin haar en
rozerood japonnetje allerliefst uitzag; en behalve voor mijn tante en
mijzelven, voor de zeer modieuze gade van den makelaar, die de eenige
"mevrouw" van de partij was, een enorme muts met vuurrood lint droeg,
en een niet minder enorme gouden gesp aan haar ceintuur.

Mejuffrouw _Van Naslaan_ was een zeer wijze dame, die zeer verstandige
bevindingen had. Zoo vond zij bijv. een kouden tocht altijd erger dan
een koude lucht; zoo vond zij altijd, dat het op een heeten dag nog al
eens wat helpt als er wat wind is; zoo merkte zij op, dat als men veel
verloor, het altijd nog een troost was als men iets behield; zoo had
zij ontdekt dat, als men ergens aan gewende, zoo iets gemakkelijker
viel dan als men er volstrekt _niet_ aan gewoon was; zoo was zij er
zelfs, door vlijtige en innige nasporingen op het gebied der zielkunde,
toe gekomen, een wezenlijk onderscheid tusschen menschen en menschen
waar te nemen en met grond te kunnen verklaren, dat de eene mensen
de andere niet was; en dergelijke verstandige dingen meer, die haar
een grooten roep van knapheid en ervarenheid gaven onder de vrouwen
van haar kennis; en daar zij van alle eenvoudige zaken zei, dat er
meer achter zat, en alle dingen geestiglijk bij muisjes vergeleek die
staartjes hebben zouden, zoo hield men het er met reden voor, dat zij
meer zag dan een ander. Mevrouw _Dorbeen_ daarentegen was een rammel,
trotsch op haar mevrouwschap, haar muts en haar echtgenoot. Ik had
van haar hooren spreken als van iemand die heel mooi een vers opzei,
dat ik wel geloofde, daar zij sterk brouwde, en zeer rollende bruine
oogen bezat.

De manszuster van mejuffrouw _Van Naslaan_ heette _Mietje_, en was
volstrekt niets dan een goed mensch.

Met uitzondering van deze die niets, en van de lieve zeventienjarige,
die zeer weinig sprak, praatten de aanwezige dames doorgaans alle
tegelijk, en de heeren bij het vuur zongen er de tweede partij
toe. Bijvoorbeeld:

"Hoor eens, me lieve juffrouw _Stastok_", zei mejuffrouw _Van Naslaan_,
haar breiwerk neerleggende en haar wijsvinger op de hand van mijn
tante drukkende: "Hoor eens; me lieve juffrouw _Stastok_, je hoeft
er me niets van te zeggen; ik weet" (hier kneep zij hare oogen op
een interessante wijze dicht), "ik weet dat allemaal wel; ik ken die
menschen door en door; en zoodra als ik hoorde dat _Keetje_ _dat_ in
't hoofd had, wist ik wel hoe de vork in den steel stak".

Hierop nam zij haar breiwerk weer op, en telde de steken van het
toertje, daar zij aan bezig was, na.

"Ja maar, _Koosje_!" rammelde mevrouw _Dorbeen_, voorbij _Mietje van
Naslaan_ heen sprekende, en die met haar roode mutslinten, zoodanig
voor de oogen schitterende, dat de goede ziel den anderen dag betuigde,
er wee van te zijn geworden: "je kunt je niet begrijpen hoe druk
_Dorbeen_ het heeft; dat is van den ochtend tot den avond; daar had
je nog gisteren morgen mijnheer _Van der Helm_"; (deze was, moet men
weten, de grootste heer uit de stad, wiens zaken _Dorbeen_ waarnam);
"daar hadje nog gisteren morgen mijnheer _Van der Helm_, al vóór den
ontbijt: hij ging op de jacht en wou _Dorbeen_ nog eerst spreken;
nu is hij gelukkig heel eigen bij ons, zoodat het er niet op aankwam
dat _Dorbeen_ nog niet gekleed was; maar zoo gaat het dag op dag; nu
heb ik het óók wel druk met de kinderen, maar ik zei tegen _Dorbeen_:
weetje wat? ik ga er zelf maar reis op af. Nu is _Dorbeen_ daar altijd
heel wèl van, en vindt het altijd goed zoo als _ik_ het maak..."



"Juffrouw _Mietje_, nog niet een roomsoesje?" vroeg mijn tante--"Jij
ook niet, _Koosje_? Wel kind! wat heb ik je in lang niet reis hier
gezien. Het heugt me nog dat je met _Pieter_ speelde. Ja, kleine
kinderen worden groot, _Koos_!"

"Dat zeg ik zoo dikwijls", zei mejuffrouw _Van Naslaan_. "Waar blijft
de tijd? En ik zeg maar, hoe ouder dat je wordt, hoe meer de tijd
vliegt; maar je jonge jaren, kind! zeg ik alle dag tegen _Koosje_,
leer dat van mij, die komen nooit weerom".



"En dat zijn van die dingen", klonk het van den schoorsteen, uit
den mond van den heer _Van Naslaan_, met plechtige langzaamheid en
afgebroken door het statig uitblazen van tabaksrook: "dat zijn van die
dingen, mijn goede vriend!--(p'hoe), die u--(p'hoe) en mij--en een
ander--(p'hoe, p'hoe) ongelukkig maken. En onze voorvaderen",--hier
nam hij de pijp uit den mond, om er den derden knoop van mijn ooms
rok onder 't spreken onderscheidene kleine tikjes mee te geven--"onze
vaderen ... ik vraag je of ze der zoo veel slechter aan waren dan
wij?--onze vaderen, mijnheer! hielden zich met die dingen niet op".

"Neen!" verklaarde mijn oom, in edele opgewondenheid een versehe pijp
stoppende, "dat waren andere menschen! die wisten--_Piet_, geef me 't
komfoortje reis aan--die wisten handen uit de mouw te steken, al zeg
ik 't zelf;--en wat ik altijd zeg--ze pasten op er tijd. _Mijn_ vader
was altijd 's morgens kwartier voor zessen gekleed en geschoren--kom
daar nú reis om!"

En zijn pijp op het vuur zettende, spande hij een schrikkelijke
kracht in om haar ineens aan te trekken, en ze daarop omkeerende,
en een mondvol rook tegen den kop blazende, herhaalde hij, door de
inspanning half uit zijn adem: "Kom daar nú reis om!"



"Ja, lieve vriend!" zei _Dorbeen_ tot _Pieter_, bijna een der vergulde
knoopen van diens nieuwerwetschen ouderwetschen rok aftrekkende, daar
hij met hem in gesprek was geraakt over een der rijkste jongelui,
die te Utrecht studeerden: "Zijn vader heet _Goedelaken_, maar hij
mocht wel _Goudlaken_ heeten".

Dit was een trant van geestigheid, waarin de heer _Dorbeen_ sterk was;
en daar _Pieter_ grinnikte, en mijn oom, die 't ook hoorde, zijn hoofd
lachend schudde, en de grap voor den heer _Van Naslaan_ herhaalde,
merkte mevrouw _Dorbeen_ dat er iets grappigs aan de hand was en,
haar gevuurvlamd hoofd opheffende, zeide zij allerinnemendst:

"Lieve _Dorbeen_! laten de dames ook reis wat van je hooren". Allen
zagen hem aan en zwegen.

"Beste schat!" zei _Dorbeen_, toen het heel stil was, met een lief
lachje--"ze hebben immers al heel veel van mij gehoord".

"Hoe zoo?" vroeg mevrouw _Dorbeen_.

"Wel, ze hooren immers _u_, mijn beste! en zijt gij niet van
mij?" antwoordde hij, heel "droogkomiek".

Allen lachten; maar het lieve zeventienjarige _Koosje_ had moeite, en
daarom vond mevrouw _Dorbeen_ het gepast haar lachende toe te voegen:
"Och _Koosje_! zoo is hij altijd; trouw nooit, kind; want de mannen
laten er hun vrouwen altijd inloopen".

_Pieter_ was intusschen achter den stoel van _Koosje_ gaan staan
rooken en werd op deze woorden bleek. Hij gevoelde dat hij er nooit
iemand, laat staan een vrouw, laat staan de zijne, in, zou, kunnen,
doen, loopen.

Daar nu dan toch de muur gevallen was, die op dergelijke bijeenkomsten,
welke men in burgerkringen "een kopje thee, en verder het avondje te
passeeren" of ook wel een "presenteertje", of een "aangekleede pijp",
of een "aangekleede boterham" noemt; daar nu dan toch, zeg ik, de muur
gevallen was, die op dergelijke bijeenkomsten de mannen van de vrouwen
scheidt, en er als 't ware eene verbroedering der beide seksen had
plaats gehad, en daar mevrouw _Dorbeen_ op eene ongezochte wijze het
voorwerp der algemeene opmerkzaamheid geworden was, vond mijn oom
goed met een verzoek voor den dag te komen, dat hij reeds lang op
't hart had gehad.

"Nu, mevrouw! maar je zult toch ons en de vrienden wel een plezier
willen doen?"

"Wel zeker, mijnheer _Stastok_!" En zich, met een bescheidenheid
grooten genieën eigen, spoedig tot mejuffrouw _Van Naslaan_ wendende,
"wat heb je daar een lief patroontje van een kraagje om!"

"Ja, mevrouw!" was het antwoord, ik "zeg altijd: duurkoop
goedkoop. Want ik vind dat het beste goed het 'et beste uithoudt. Ik
had het in den winkel bij _Van Drommelen_ gezien, en ik zeg tegen
mijn kinderen, als ik nú reis weer jarig ben...."

"Hoor eens," zei _Stastok_ tegen _Dorbeen_: "je moet maken dat je
vrouw reis reciteert, hoor".

"Heeremijntijd ja, je moet strak stellig reis reciteeren, lieve
mevrouw!" zei mijn tante met eenige ongerustheid, en op het woord
_strak_ zooveel kracht leggende als zij in bescheidenheid doen kon.

"Och toe, mevrouw!" zei _Koosje_ met een allerliefste uitdrukking
van gelaat.

"Hè ja!" zei _Mietje_ met de kalfsoogen.

"We moeten mevrouw niet overhaasten", zei mijn tante.

"Neen!" zei mevrouw _Dorbeen_, eenigszins bleek wordende, "als het dan
moet, moet het ineens maar. Wat wil je hebben? Kom, het Rijntje dan
nog maar reis". En haar schaar opnemende, om die, onder 't opzeggen,
bij iederen nieuwen regel open te doen en bij 't invallen der caesuur
toe te knijpen, begon zij met een door verlegenheid wat heesche stem,
die gedurig scheller werd:


    "Zoo rust dan _eind_lijk, 't ruwe _noor_den
    Van hagel_jacht_ en storm_geloei_,
    En rolt de _Rijn_ weer langs zijn _boor_den,
    Ontslagen _van_ de winter_boei_."


Toen zij zoover gekomen was, hield mevrouw _Dorbeen_ haar zakdoek voor
den mond en had een hevigen aanval van hoesten. Zij begon op nieuw en
geheel in denzelfden toon, maar andermaal bracht zij 't niet verder
dan tot "de winterboei". Zoodat mejuffrouw _Van Naslaan_ dadelijk
begreep dat zij wel ingezien had dat er achter die hoestbui meer zat.

Mevrouw _Dorbeen_ werd zoo rood als de linten van haar muts, staarde
in de lamp, en zei nogmaals, als om weer op gang te raken,


    Ontslagen _van_ de winter_boei_.


Nieuwe stilte.

"Die winterboei boeit je tong, lieve!" merkte mijnheer _Dorbeen_
droogkomiek aan.

"Foei! daar had ik het nou net, en nou breng jij er me weer af. Wacht!


    "Zijn waatren _drenken_ de oude _zoo_men,
    En 't landvolk"


hier werd de stem zeer hoog:


                "spelende aan zijn vloed,
    Brengt vader _Rijn_ den lente_groet_...."


Aldus ging mevrouw _Dorbeen_ voort op een hartroerende wijze het
hartroerende meesterstuk des grooten _Borgers_ te bederven. Bij
het derde couplet begonnen hare oogen te rollen, en bij het vierde
rolden zij zoo zeer, dat ik vreesde dat zij van hare wangen afrollen
zouden. Zij was nu al rollende en brouwende en zingende en gillende
gekomen tot:


    "Noem hij deze _aarde_ een hof van _Eden_,
        Die altijd _mocht_ op rozen gaan,..."

    Ach, du lieber Augustin, Augustin, Augustin!


klonk het over de tafel.

Het was het speelwerk in de lamp, door mijn tante, in schijn van
lepeltjes uit het lepeldoosje, dat vóór den olifant stond, te zoeken,
opgewonden. Ik begreep na waarom zij er zoo op gesteld was geweest,
dat mevrouw _Dorbeen_ haar reciet mocht nebben uitgesteld.

Mevrouw _Dorbeens_ oogen, die net gereed stonden om met


    "Ik wensch geen _stap_ terug te _treden_",


hevig uit te rollen, rolden terug met de snelheid van een spoortrein.

"Wat is dat?" riep ze.

"Dat is een walsje," zei haar man.

"Neem mij niet kwalijk, mevrouw," smeekte mijn tante, "ik had het
opgewonden. 't Is het speelwerk in de lamp. 't Is anders de aardigheid,
dat het zoo onverwachts begint, een poosje nadat het opgewonden is. 't
Was om de vrinden te verrassen. Ik had gehoopt dat UE. wat later zou
hebben gereciteerd; nu komt het er ook zoo mal in."

Mijn tante zou gaarne, in dat oogenblik van verlegenheid, den geheelen
bronzen olifant den kop ingedrukt hebben. Maar er was niets aan te
doen, en in blinde opgewondenheid ging hij voort met zijn


    Ach, du lieber Augustin!


Het was een tartend geluid voor mevrouw _Dorbeen_, en zij beefde
inwendig van toorn. Zij hield zich evenwel goed, en met langzame
teugen een kopje slemp uitgedronken hebbende, zei ze:

"Och! het vers was zoo goed als uit; de vrienden verliezen er met
veel bij. Nu zal _Koosje_ wel eens wat willen doen."

_Koosje_ bloosde, en zei met de oogen op haar moeder geslagen:

"Ik kan niets; wel moeder?"

"Stil!" zei _Dorbeen_: "het verandert weer:


    Où peut-on être mieux?"


En waarlijk, daar de olifant drie deuntjes machtig scheen te zijn, was
er voor niemand anders gehoor dan voor het grootste der viervoetige
dieren; totdat het al zijn kunsten getoond had, en met een forschen
tjingel besloot.

Mama _Van Naslaan_ bleek van eene meening te wezen tegenovergesteld
aan die, welke haar lief kind met het zoetste lipje der wereld had
beleden; zij geloofde veeleer dat haar _Koosje_ niet alleen iets,
maar zelfs zeer veel vermocht, en knikte haar daarom toe, ook iets
in het midden te brengen, waarop mevrouw _Dorbeen_ zei:

"Wel ja, laat je ook reis hooren, _Koosje_! _ik_ heb nu mijn plicht
gedaan!"

En tante riep: "Och ja, asjeblieft?" en mijnheer _Dorbeen_, zeer
droogkomiek, rijmde:


    "Kom Koosje,
    Lief roosje,
    Reciteer reis een poosje!"


En _Mietje_, die niets was, zei alweer: "Hè ja!" en de oude _Stastok_
zei: "Komaan!" en stopte een pijp; en de jongere _Stastok_ verstoutte
zich om met een hooge kleur te zeggen: "Toe, als 't u belieft!"

Maar het lieve kind bloosde zoo sterk, en was zoo angstig, en
verontschuldigde zich zoo smeekend, dat tante er medelijden mee kreeg
en zei:

"_Koosje_ is misschien bang voor den vreemden heer; ik geloof dat
we haar meer pleizier doen zullen als we 't voor dezen keer te goed
houden!"

Waarop mevrouw _Dorbeen_, haar oogen zeer sterk op den snuit van den
olifant gevestigd houdende, op een aardig toontje zei:

"Als die vreemde heer ons dan ook eens schadeloos wilde
stellen! Mijnheer _Hildebrand_ kan immers ook wel een kleinigheid!"

"Dat was goed," zeiden allen, en mijn oom keerde zich om, ten einde
even op zijn horloge te kijken; want "hij wou om den dood niet graag
dat er nachtwerk van wierd."

Men stopte versche pijpen; de heeren gingen zitten; de heer _Van
Naslaan_ met een zucht; de heer _Dorbeen_ met het oog van een kenner;
_Pieter_ met dat van een verachter; mijn oom met dat van iemand die
pas op zijn horloge heeft gekeken en halftien heeft ontwaard. Ik
stoorde mij volstrekt niet aan de heeren, en plaatste mij zoo, dat ik
het lieve gezichtje van _Koosje_ vlak voor oogen had; men moet _wat_
hebben voor de moeite.

"Ik zal," zeide ik, toen alles doodstil was, "het gezelschap lastig
vallen met een klein stukje, 't Is een vertaling door een mijner
vrienden, en uit het Fransch."

"Uit het Fransch!" herhaalde de heer _Van Naslaan_, met een bedenkelijk
gezicht mijn oom aanziende.

"Kom aan, dat 's goed!" zei mevrouw _Dorbeen_.

Alles was doodstil om den vreemden stoethaspel te hooren, maar
geen der dames zag hem aan, vermits hare loffelijke bescheidenheid
dit nooit gedoogt, als men in gezelschap iets voor haar opzegt, met
uitzondering van mevrouw _Dorbeen_, die scheen te willen weten "of hij
goed met zijn oogen rollen zou". _Koosje_ zat hevig te festonneeren,
en ik zag niets dan haar gescheiden haar.

Ik begon:


    "Als 't kindje binnenkomt--"


Pie-ie-iep! zei de deur, langzaam opengaande, en binnenkwam--geenszins
een kindje, maar de vijftigjarige dienstmaagd in haar wit pak; belast
en beladen met de aangekleede boterham in persoon, in de gedaante van
een schat van broodjes met kaas en rookvleesch, en een macht van ster-,
ruit-, cirkel-, klaverblad-, en vischvormige gebakjes, die ondanks
hun verschillende gedaante, wegens de evenredigheden van hun inhoud,
in het dagelijksch leven den wiskundigen naam van evenveeltjes dragen.

Mevrouw _Dorbeen_ kon een klein lachje van zenuwachtige voldoening
niet onderdrukken.

Er werd rondgepresenteerd, en ik wreekte mij over de stoornis met
een evenveel; en toen die op was, hervatte ik vol moed, ofschoon de
uitwerking van den eersten regel bedorven was, en ik duidelijk zag dat
de droogkomieke heer _Dorbeen_, toen ik de eerste woorden herhaalde,
nog weer aan de vijftigjarige dienstmaagd dacht:


        "Als 't kindje binnenkomt, juicht heel het huisgezin;
    Men haalt het met een lachje en zoete woordjes in;
    Het schittren van zijn oog deelt aan elks oog zich mede;
    En 't rimpligst voorhoofd (ook 't bezoedeldste wellicht!)
    Klaart voor den aanblik op van 't vroolijk aangezicht,
            Met iedereen in vrede.

    't Zij we onder 't lindeloof des zomers zijn vereend,
    't Zij 't snerpen van de koude ons stiller vreugd verleent
    En we om een knappend vuur de stoelen samenschikken;
    Als 't kind verschijnt, ziedaar een waarborg voor de vreugd;
    Men lacht, men troetelt, kust en tergt zijn dartle jeugd;
    En moeders harte smaakt zijn zaligste oogenblikken."


Mevrouw _Dorbeen_ lachte goedkeurend.


    "Soms spreken we om den haard, met ernst en met verstand,
    Van wetenschap en kunst, van plicht en vaderland,"


De heer _Van Naslaan_ knikte zeer verstandig.


    "Van staat, van godsdienst, van geschriften en gezangen;
    Het kind komt in: vaarwel kunst, godsdienst, plicht en staat!
    't Wordt: kusjes voor den mond, en kneepjes in de wangen,
    En hobblen op de knie, en jok en kinderpraat."


"Dat is heel lief!" zei mijn goedhartige tante, halfluid.


    "Als, na een duistren nacht van stormwind en van regen,
    Een nacht, wen menigeen, vergeefs ter rust gezegen,
    Naar 't woelig gieren hoort, daar 't kind doorheen slaapt; als,
    Na zulk een nacht, het rood des uchtends, dat de kimmen
    Van liefelijken waas en zachten gloed doet glimmen,
    En blijde zangen wekt bij 't vooglenkoor des dals;"


De heer _Dorbeen_ kuchte. De heer _Van Naslaan_ trok oogen en
wenkbrauwen pijnlijk samen, als of hij vragen wilde: "waar moet dat
naar toe?"--Juist omdat ook hij dat niet wist, liet mijn ooms gelaat
onbepaalde bewondering blijken.


    "Zoo zijt gij, dierbaar kind! Waar gij verschijnt, daar vluchten
    En duisternis en nacht en zwarte regenluchten;
    Gij zijt een heldre zon, een blijd en vroolijk licht;
    Door d'adem van uw mond verwekt gij vreugd en leven,
    Als zuivre koeltjes, die langs 't knoppig bloembed zweven,
    En 't blosje sterken op der rozen aangezicht.

    "Want duizend lieflijkheên uit uw schoone oogjes schijnen;
    Uw kleine handjes, die ik berg in een der mijnen,"


"Och heer!" zei mijn tante halfluid, en haar oogen werden
allervriendelijkst klein.


    "Doen nog geen kwaad; gij weet nog niet wat dat beduidt.
    Wat lacht gij vriendlijk, als wij ze u met speelgoed vullen!
    Klein heiligje, in een krans van glinstrend blonde krullen,
        Hoe lieflijk blinkt uw hoofdjen uit!"


_Koosje_, die van tijd tot tijd al eens had opgekeken, hief hier haar
schoon gezichtje geheel op en staarde mij aan. De allerlaatste regel
scheen mij volmaakt ook op haar toepasselijk.


    "Lief duifjen in onze ark! Uw mondje bracht den vrede,
    De vreugde en 't zoetst geluk in onze woning mede,
    Zoo vurig afgesmeekt, met zooveel angst verbeid!
    Gij kijkt de wereld, daar gij niets van vat, in 't ronde!
    Blank lijfje zonder smet, blank zieltje zonder zonde,
    Ik eer uw dubble maagdlijkheid!

    "Hoe heerlijk is het kind met lachjes op de wangen,
    Met traantjes soms, maar ras door lachjes weer vervangen,
    De goede trouw in 't oog, en 't uitzicht zoo gerust!
    't Slaat een verwonderd oog op 's werelds bont getoover,
    En geeft zijn jonge ziel zoo blij aan 't leven over,
    Als 't ons zijn lipjes biedt als 't wordt goenacht gekust."


Tante knipte een traan weg; mejuffrouw _Van Naslaan_ knikte twee-,
driemaal met het hoofd. _Koosje_ hield haar adem in en zag mij angstig
aan, als ik vervolgde:


    "Bewaar mij, Heer! mij, en mijn broedren, en mijn vrinden,
    En hen zelfs, die een lust in mijne tranen vinden,
    Indien er zulken zijn misschien!
    Dat zij nooit zomertijd, aan bloemen arm, bejammeren,
    Of bijenlooze korve, of schaapskooi zonder lammeren,
    Of kinderlooze woning zien!"


"Heeremijntijd! neef _Hildebrand_!" riep mijn tante, "neef
_Hildebrand_, dat is mooi."

En ik wed dat zij aan _Pieter_ dacht, toen hij klein was; maar ook
... och, zeker ook aan het kleine _Truitje_, dat gestorven was vóór
haar vijfde jaar, en daar zij niets van overhad dan een klein vlokje
haar aan haar middelsten vinger.

"Hé ja;" zei _Mietje_ met de kalfsoogen, die ditmaal velen vooruit was.

"Ik vind altijd," zei mejuffrouw _Van Naslaan_, "dat men moeder zijn
moet om van zulke dingen het rechte te hebben."

"Niet waar, juffrouw _Van Naslaan_?" zei mevrouw _Dorbeen_! "O, maar
het is allerliefst; het vèrs" (zij drukte op het woord) "het vers is
allerliefst!" Blijkbaar wilde zij zeggen: wat het opzeggen betreft,
dat kon beter.

_Koosje_ was geen moeder, en kon er dus "het rechte niet van hebben",
maar haar glinsterende oogjes en bleeke wangen zeiden genoeg dat zij
de poëzie verstaan en gevoeld had.

"Van wien is het gedicht?" vroeg de heer _Van Naslaan_.

"Van _Victor Hugo_, mijnheer."

"_Victor Hugo_?" zeide hij, den klemtoon op de eerste lettergreep
leggende en met een uitspraak alsof er, in plaats van ééne Fransche,
vijfentwintig goede Hollandsche G's in den naam geweest waren. "Ik
dacht dat die man niets dan ijselijkheden schreef. Ik heb in de
Letteroefeningen, dunkt mij ... Hé, dat ontschiet me ... Ik dacht
dat het zoo'n bloederig man was."

"Ik weet niet, mijnheer!" antwoordde ik.

"Verwar je hem ook met _Jacques Julin_?" vroeg de makelaar.

"Is dat die, die dat boek over _Barneveld_ geschreven heeft, dat we
laatst in het leesgezelschap gehad hebben?" vroeg oom terzijde aan
_Pieter_. [9]

"Ja," zei mijnheer de makelaar. "Dat is een rare kerel, naar ik
hoor. Hij schrijft voor geld, mijnheer; hij schrijft voor geld;
pro en contra schrijft hij voor geld.'

"Ja," zei oom, zijn pijp uitkloppende, "die Franschen! 't Is een raar
volk; al zeg ik 't zelf."

"Weetje wat ik ook altijd al een heel mooi verzenboek vind?" zei
mejuffrouw _Van Naslaan_, het gezelschap rondziende: "Het Nut der
Tegenspoeden."

"Wat?" vroeg de heer _Dorbeen_, droger en komieker dan ooit; "het
nut der regenhoeden?"

Er ontstond een groot gelach over deze aardigheid; hetwelk mejuffrouw
_Van Naslaan_ min of meer verlegen maakte; zij besloot dus haar
lofrede op het bekende geschrift van _Lucretia Wilhelmina_, die voor
een algemeen gesprek in de wieg gelegd was, als privaat gesprek den
geest te laten geven.

"Inderdaad," fluisterde zij mijn tante in: "het is een heerlijk boek,
en door een vrouw geschreven; maar ik kan je zeggen dat je 't met
geen droge oogen lezen kunt."

Het gesprek werd spoedig weder algemeen en levendig. Ik maakte veel
werk van de zeventienjarige, en _Pieter_ week niet van haar stoel. Ik
poogde hem telkens te bewegen ook reis iets op te zeggen, of te zingen
of zoo; maar hij zei altijd, met een knorrig gezicht: "Och kom!" en
"Ik kan waaratje niets!" En hard wilde ik er niet op aandringen,
omdat ik oom nog eens weer op zijn horloge had zien kijken. Er kwam
dus niets van, en ook moet ik bekennen dat de familie _Stastok_, door
middel van den muzikalen olifant, tot het genoegen van dien avond te
veel had bijgedragen, om nog iets van een harer leden te vergen.

Het avondje liep verder vroolijk en gezellig af; en nadat al de dames
en de beide heeren mijnheer en juffrouw _Stastok_ bedankt hadden "voor
de vrindelijke receptie", en _Pieter_ "voor zijn aangenaam gezelschap";
en nadat mijnheer en mejuffrouw _Stastok_ plechtig hadden beloofd
"hun scha eens te zullen komen inhalen"; en nadat de beide heeren
elkanders hoeden hadden opgehad, en tante met eigen hand al de dames,
behalve _Koosje_, wie ik niet kon nalaten zelf hierin bij te staan,
aan haar mantel had geholpen en, naar verkiezing, er de kraagjes boven
overheen gehaald, of "alles er asjeblieft maar onder" gelaten had,
ging men omstreeks half twaalf, recht van elkander tevreden, uiteen; en
schoot er voor niemand eenig genoegen meer over dan voor de meid, die
op eene achtelooze wijze zich de kwartjes liet welgevallen, die zij bij
't weggaan der gasten schijnbaar toevallig in haar hand voelde glijden.

Oom had slaap, al zei hij 't zelf. Heeremijntijd! wat had mijn tante
't nog druk. Waaratje was knorrig. Onder zulke omstandigheden ging
ik naar bed.



Pieter is waaratje verliefd, en hoe wij uit spelevaren gaan.


De knorrigheid, waarmee _Pieter_ was te bed gegaan, was mij in 't
geheel geen raadsel geweest. Men heeft opgemerkt dat hij den geheelen
avond niet bij uitstek veel gesproken heeft, terwijl hij anders
onder zijn vaders vrienden praats en waanwijsheid genoeg had. Maar
twee kleine omstandigheden hadden hem gehinderd en belemmerd, te
weten: liefde en haat. Het was mij namelijk volstrekt niet ontgaan
dat hij gedurig stille blikken had geworpen in het witte halsje van
_Koosje_, en zeker openlijke blikken op haar gelaat had willen werpen,
zoo hij het had durven wagen een geregeld gesprek met haar aan te
knoopen. Verder was het mij niet moeielijk gevallen te ontdekken hoe
de goedkeuring hem gehinderd had, die de schoone verzen van _Victor_
(hoe middelmatig en ongeregeld ook vertolkt, en slechtweg voorgedragen)
bij haar hadden ontmoet; en hoe hij mij èn de vrijmoedigheid, waarmee
ik mij daarna met haar in gesprek had begeven, èn de vriendelijke
lachjes, die mij bij die gelegenheid waren te beurt gevallen, had
benijd. Hij had zich van dezen avond voor zijn verliefd hart, geloof
ik, heel veel voorgesteld; maar _Koosje_ was vertrokken zoo als zij
gekomen was, zonder dat hij haar één zoet woordje had toegevoegd,
tenzij dan "houje nog al van evenveeltjes?" Hij had er op den duur
"ingezeten": hij had tegenover zijn eigen voornemens en tegenover
wat hij voor zijn hartstocht hield een mal figuur gemaakt; wat wonder
zoo hij uit zijn humeur geraakt was?

Ik wilde meer van dit alles hebben.

"Goeden morgen, _Pieter_;" riep ik, toen de keukenmeid den anderen
morgen om zes uren als gewoonlijk hare knokkels op de kamerdeur had
laten spelen, zonder dat ik evenwel mijn bedgordijnen openschoof;
ik kon genoeg van hem zien.

"Goeden morgen, neef!" zei hij, op den rand van zijn bed in gedachten
zittende, en nog zonder bril.

"Ik heb waarlijk van _Koosje van Naslaan_ gedroomd!"

_Pieter_ bloosde, en bukte om een kous aan te trekken, met zooveel
inspanning dat het lijken moest of hij alleen daarvan een kleur kreeg.

"Zoo," zei _Pieter_.

"Ja," zei ik, "'t is een heel mooi meisje."

"Vindje dat?" vroeg _Pieter_, zijn tweede kous aantrekkende en naar
de waschtafel gaande. "Ja, 't is een lief gezichtje; maar zoo heel
mooi kan ik ze maar niet vinden."

"Niet?" riep ik verwonderd uit en ging overeind zitten.

"Waaratje niet!" zeide hij.

Verliefdheid, die haar voorwerp verloochent, verraadt zich
ontegenzeggelijk.

"Ik wou dat meisje wel wat nader leeren kennen, _Piet_! Zou er geen
kans op zijn, haar tusschen nu en overmorgen nog eens te ontmoeten?"

"Ik weet niet," antwoordde _Pieter_, de lampetkom óverschenkende;
"ga haar een bezoek brengen."

"Dat gaat niet, jongen!" zei ik; "maar weet je er niets anders op?"

"Wel neen!" sprak _Pieter_.

"Ik dan wel!" zei ik uit het bed springende. "Zeg reis, _Piet_," ging
ik hem sterk aanziende voort; "hoe komt het dat je je bril vergeten
hebt?--Kijk, 't is alledag heerlijk weer: we willen een roeischuitje
huren, en we gaan _Koosje_ en nog een andere dame van je kennis,
liefst van je familie, vragen om ons de eer aan te doen eens met ons
te gaan varen."

"Varen?" vroeg _Piet_ op den toon der alleruiterste verbazing.

"Wel ja; vàren; dat 's om te praten en te minnekoozen veel beter dan
rijden. Of wou je niet minnekoozen? Heidaar! jongen! waarom trek je
je pantalon verkeerd aan?"

"Och!" zei _Petrus_, de knorrigheid van gisteren weer opvattende,
"schei er uit met die gekheid. Ik bedank om door jou geplaagd te
worden."

"Jongen!" zei ik, "dat verstaje verkeerd. Ik plaag je niet; ik vraag
maar of je niet wilt minnekoozen?"

"Minnekoozen," hernam hij, met een schuinschen blik vol gramschap,
van onder zijn bril uit, en lippen dik van toorn--"minnekoos jij zelf!"

"Met pleizier, beste vrind! maar de meisjes willen mij niet hebben. Ik
ben te leelijk."

"Je kunt mooi genoeg praten--mijnheer!" zei _Pieter_, met de tanden
op elkaar en bevende van haat.

"Ja!" antwoordde ik lachende, "maar ik geloof toch wel dat jij beter
kunt minnekoozen!"

Er kwam geen antwoord. _Pieter_ haastte zich schrikkelijk met kleeden
en liep de trappen af. Toen ik beneden kwam, zat hij veilig onder
de vleugelen van zijne ouders een pijp te rooken, als een Fransch
romanticus zeggen zou: "enveloppe dé sa colère".

Na den ontbijt ging hij in den tuin, ik volgde hem op de hielen.

"Laat me gaan," riep hij met een gezicht als een oorworm.

"Neen," zei ik, mijn hand uitstekende; "je moet niet boos zijn,
_Piet_! Wat drommel; is nu 't woord minnekoozen een woord om boos
om te worden? Als ik u was, ik zou veel boozer zijn over het woord
Instituten."

_Pieter_ glimlachte pijnlijk.

"Maar weetje wat! Ik zal van de heele zaak niet spreken; maar we gaan
roeien, man; we gaan roeien met de dames. Kanje roeien?"

"Wel, ik denk ja!" zei _Pieter_ verwaand.

"Wilje roeien?"

"Ja wel."

"Wílje dames vragen?"

"_Zij_ zullen niet willen."

"Dat vraag ik niet. Wil _jij_? Hoor reis, _Piet_! Ik beloof je dat
ik discreet zal zijn."

"Nu ja," zei hij, "ik wil wel."



Het plan werd aan vader en moeder medegedeeld, en er werd besloten
dat wij, behalve _Koosje_, nicht _Christientje_ zouden vragen, eene
jonge juffrouw van drieëntwintig jaar, die zeker gaarne mee zou gaan,
daar zij niets te doen had dan bij een knorrige tante te zitten,
die twee meiden hield en nooit uitging.

Wij gingen er dus op uit om een schuitje te huren; en nadat wij eerst
bij een schuitenmaker aan de Oostpoort geweest waren, die het zijne
had verkocht "om dat er geen profijt bij was", en die ons naar de
Westpoort zond, waar hij zeker wist dat wij er een konden krijgen;
en nadat wij bevonden hadden, dat er aan de Westpoort niets meer van
boven water stak dan eventjes een klein neusje van den steven, vonden
wij er eindelijk een zeer goed, in het midden van de stad, dat wij voor
een gulden voor een geheelen achtermiddag huren konden. Wij huurden
het dus voor den geheelen achtermiddag van den volgenden dag en kweten
ons vervolgens van onze uitnoodigingen, die op eene innemende wijze
werden aangenomen. Mama _Van Naslaan_ was er voor hare dochter zeer
vereerd mee; schoon zij, geloof ik, wel dacht dat er meer achter zat,
en dat ook dit muisje een staartje hebben zou, en de oude tante hoopte
tienmaal in een half uur dat het niet te koud op het water wezen zou,
wat wij trouwens ook hoopten, schoon Wij het tegendeel vreesden.

Wij bepaalden onderling dat _Koosje_ meer bijzonder onder de zorgen
van _Pieter_ staan zou, en ik mij meer dadelijk tot den ridder van
_Christientje_ zou opwerpen. Ik kon niet edelmoediger zijn.

_Pieter_ was dan ook volmaakt in zijn humeur, en tantelief pakte ons
nog dienzelfden dag een mandje met rijnwijn en sinaasappels, [10]
eene verfrissching, frisch genoeg in de maand October. Wij hadden de
dames verzocht mantels mee te nemen.



De andere dag was een allerheerlijkste najaarsdag en alles beloofde
genoegen. Maar toen _Pieter_ des voormiddags van eenige boodschappen,
die hij voor zijn toilet te doen had, thuis kwam, stond zijn aangezicht
akelig bedroefd; hij smeet met de deur, smeet zijn rotting, smeet
zijn hoed, smeet zijn handschoenen.

"Wat scheelt er aan, amice?" vroeg ik verschrikt.

"Och, die ellendige _Dolf_!" zei hij, zich tot zijn moeder wendende.

Nu was er zeker geen menschennaam in de vijf werelddeelen, die in
staat was aan mejuffrouw _Debora Stastok_, en in 't algemeen aan alle
teederhartige moeders in geheel D., een grooter schrik aan te jagen,
dan diezelfde naam _Dolf_, die den niets kwaads vermoedenden lezer
onmogelijk aan iets anders kan doen denken dan aan de volkomener
vormen: _Adolf_, _Rudolf_, of des noods _Ludolf_; maar welke naam aan
mejuffrouw _Debora Stastok_ en, zoo als ik zeg, aan alle teederhartige
moeders in geheel D. niet anders voorkwam dan als een kort begrip
der eeretitels: katäas, straatschender, verkwister, lichtmis, lap,
deugniet en leeglooper; immers hij behoorde aan den persoon, met
wien ik reeds in het koffiehuis de "Noordstar" de eer had gehad
kennis te maken, in één woord aan den heer _Rudolf van Brammen_,
die na in zijn jeugd bekend te hebben gestaan voor een ondeugenden
kwâjongen, die het zijn ouders en zijn meesters te kwaad maakte, alle
avonden puisje vong en alle meisjes om zoenen plaagde, een paar jaren
te Leiden, op naam van Jur. Stud., in dien toestand had verkeerd,
die men aldaar _sjouwen_ noemt, zonder dat zijn vader destijds recht
begreep wat hij er eigenlijk deed dan veel geld verteren, terwijl hem
echter naderhand bleek dat hij behalve die bezigheid ook nog aan de
liefhebberij van schulden maken had toegegeven. Na dien tijd had hij,
nu reeds een jaar of drie, op zijn vaders kosten, die gelukkig een
welgesteld man was, een ander beroep uitgeoefend, hetwelk men (almede
te Leiden) den vereerenden naam van _dweilen_ geven zou, tot groote
ergenis der Deënaars, die veel nieuwsgieriger waren wat er nog eens
van hem worden zou dan de heer _Rudolf van Brammen_ zelf. Hij deed
evenwel geen openlijk kwaad, dronk een redelijken borrel, woonde alle
publieke vermakelijkheden bij, tot het optrekken van de wacht en het
boomrooien op de stadssingels toe; bootste alle publieke personen na,
wandelde veel, biljartte veel, werd veel dik, verkocht vele grappen,
en was zeer populair.

Het was dus niet te verwonderen, dat mijn tante op het hooren van
den enkelen naam van dezen onmensch een koude rilling over haar rug
gevoelde. Inderdaad, ik geloof dat de haren haar onder de kornet te
berge rezen.

"Wat is er nu weer met hem gebeurd?"

"Gebeurd!" riep _Pieter_ mistroostig uit, en zijn oogen vonkelden,
onder zijn bril: "niets gebeurd. Maar hij wil mee uit roeien."

En hij zag mij stijf in 't gezicht, om mij al de ijslijkheid van deze
Jobstijding te doen beseffen.

"Als hij maar een dame meebrengt," zei ik--"dan is 't mij wel."

"Ja, daar komt het door aan. 't Is zijn zuster; die malle
meid! _Christientje_ heeft haar verteld dat ze met _Koosje_, en mij,
en een Leidsch student uit varen ging, en toen wou ze met alle geweld
ook mee. Als _ik_ ook reis wat doen wil!..."

"_Koosje_, en mij en een Leidsch student!" _Pieter_ zou in ieder
ander geval gezegd hebben: _Koosje_, een Leidsch student, en mij;
maar hij was verliefd, en het lustte hem in deze omstandigheid de
plaatsen aldus te schikken.

"Hoor reis," zei tante, gerustgesteld door het meegaan van de zuster,
die bij de bevolking van D. eene verontschuldiging was voor de
tegenwoordigheid van den broer: "_Meeltje_ is een heel ordentelijk
meisje, en ze heeft altijd goed opgepast, op school en overal. Daar
moet je niets van zeggen. Ze moeten dan nu maar mee."

"Och, mijn plezier is er nu alweer af," bromde _Pieter_, en verliet
de kamer, om in zijn vertwijfeling nog wat aan zijn tabellen te
gaan knutselen.

Ik had ondertusschen de ontmoeting van de contrasteerende heeren _Dolf_
en _Pieter_ wel eens willen zien. Ik verbeeld mij dat de ex-student
van zijn zuster _Amelie_ in last had, niet om op een dadelijke wijze
haar en zijn eigen persoon aan ons te komen opdringen, maar "als hij
_Pieter_ zoo reis tegenkwam", zoo eens zijdelings te hooren of het
niet wel goed zou zijn dat zij meegingen; iets 't welk zij zonder
twijfel reeds aan _Christientje_ beloofd had _in allen gevalle_ te
zullen doen. Men begrijpt lichtelijk dat _Dolf_ evenzeer overtuigd
was _Pieter_ _in allen gevalle_ tegen te zullen komen, indien namelijk
_Pieter_ zich maar een oogenblik op straat waagde, daar hij gewoon was
ettelijke uren van den dag aan eene stadswandeling te wijden, bij welke
gelegenheid hij in 't geniep aan vele knappe dienstmeisjes oogjes gaf
en bijzonder acht sloeg op alle mooie honden. Nu was het gebeurd dat
hij _Pieter_ net ontmoet had, toen deze, in den meergemelden winkel
van _Van Drommelen_, een paar prachtige puimsteenkleurige glacé
handschoenen had gekocht, met welk paar gezegde _Van Drommelen_
reeds lang verlegen was geweest, daar niemand het koopen wilde, en
't welk hij _Pieter_, als naar den laatsten smaak, opdrong. Ik stel
mij voor dat zijn gesprek met een "Je gaat zoo uit varen?" begonnen,
en dat daarop heel gauw gevolgd is: "Jongens, je hadt mij en me zuster
ook wel eens mee kunnen vragen"; waarop _Pieter_, zonder aan eenige
mogelijke verontschuldiging te denken, ongetwijfeld onmiddellijk had
gezegd: "dat 's goed!"

"Hoe laat _ga_ jelui?"

"Half vier."

"Dat is wel wat vroeg; maar 'k zal er wezen. _Amelie_ brengt haar
gitaar mee. Tot van middag!"



Er gebeurde dien dag iets in 't huishouden van mijn oom, dat nog
nooit gebeurd was: het etensuur werd verzet; ook al ten gevalle van
neef _Hildebrand_, die ondanks zijn kamerjapon nogal een witten voet
bij oom kreeg; en toen wij verzadigd waren, ging _Pieter_, onder
vele vermaningen van toch vooral voorzichtig te zijn, _Koosje_,
en ik _Christientje_ afhalen.

Van alle jonge meisjes nu, die bij oude knorrige tantes zouden
kunnen of willen wonen, was _Christientje_, of laat ik liever zeggen
_Christien_, want zoo werd zij altijd genoemd door die haar kenden,
wel de ongeschiktste. Zij was in haar hart een Jan-Pret, en scheen niet
tegen een kleintje op te zien. Zij greep mijn arm met een zoo fikschen
greep aan, en lachte zoo glunder over 't mooie weer en 't prettige plan
en 't frissche van 't water, dat ik mij heel veel van haar voorstelde,
en alleen maar vreesde dat _zij_ zich te veel voorstelde van de pret.

Wij hadden het schuitje in den singel laten brengen en derwaarts had
_Keesje_ den rijnschen wijn getorst. Ik kwam juist met _Christien_
ter bepaalder plaatse, als _Pieter_ er ook verscheen; _Koosje_ ging
nevens hem; hij had haar geen arm durven aanbieden, en zij had werk
zijn groote stappen bij te houden.

De knorrigheid van _Pieter_ scheen wel wat gezakt te zijn, maar ik
zag ze met nieuwe neteligheid opleven, toen hij den jeugdigen _Van
Brammen_ met zijne zuster en eene meid, die in de eene hand een grooten
huissleutel en in de andere een gemarmerd bordpapieren gitaardoos
droeg, uit de poort en over de brug zag gaan. _Dolf_ had voor deze
gelegenheid een gelen stroohoed opgezocht, die hem vrij gemeen stond,
droeg een bruingeruiten pantalon en een groenen dichtgeknoopten rok
met glimmende knoopen; aan zijne laarzen blonken een paar moeren
van sporen, die hij evenwel, als bij deze gelegenheid minder te pas
komende, had thuis gelaten, en hij had een gelen degenstok in de
hand, die hij om dezelfde reden thuis had _kunnen_ laten. _Amelie_
wier peettante eigenlijk _Meeltje_ geheeten had, was zeer bijzonder
gekleed. Zij had een spencer aan van paarse zijde, waar een groene
rok onder uitkwam, en een hoedje van dezelfde kleur en stoffe als
haar spencer, waarop zij een witten sluier droeg met een breeden rand
van dezelfde kleur als de rok. Haar kleine voeten staken in nanking
slobkousjes, die haar fijnen enkel zeer wel deden uitkomen. Deze kleine
voet en fijne enkel maakten, benevens hare handjes, de voornaamste
schoonheden van de magere _Amelie_ uit, die een lang bleek gezicht
had, met groote groenachtige zwemmerige oogen, welke zij evenwel, of
omdat zij bijziende was, of omdat zij het schijnen wilde, zoo dicht
toekneep dat men wedden zou dat zij niets zag. Zoo als zij nu naast
haar buikigen broeder voortschreed, maakte zij in mij de gedachte
aan den eersten droom van koning _Farao_ zeer levendig.

De ontmoeting van de drie dames was uiterst hartelijk en lieftallig;
die van _Van Brammen_ zeer vroolijk.

"Bonjour, heeren!" heette het.--"Ik heb ongemakkelijk veel gegeten
hoor! Jongens, dat is een knap schuitje; waar haalje dat van daan,
_Piet_? _Hildebrand_, ik heb je nog gezien toen je groen was; je
hadt een kaneelkleur jasje aan, allemachtig leelijk. Kijk hier; een
haakje ook!" En het haakje opnemende velde hij het als een speer,
en maakte de handgrepen van _Pieter_ te willen doorsteken.

"Heiwat!" zei _Pieter_, die alweer zoo kwaad was als een spin.

"Hoor reis!" zei _Dolf_, in het schuitje springende: "Ik ben de
dikste, en ik heb van middag zoo veel gegeten; ik zal naderhand
ook wel reis roeien, dat spreekt; maar jijlui moet beginnen; vindje
't goed, _Hildebrand_?"

"Best," zei ik.

Ik nam de taak van ceremoniemeester op mij, en plaatste mij op de
achterste roeibank. _Pieter_ zou vóór mij gaan zitten, en dan op de
zijbankjes, bij zijn rechter knie, het mooie lieve _Koosje_, zijn
eerste liefde, en bij zijn linker de "magere ende zeer leelijke van
gedaante, rank van vleesche, en wier gelijke in leelijkheid niet
gezien was in den ganschen Egyptenlande", met de gitaar onder de
bank. Daarnaast, of naast _Koosje_, naar verkiezing, de vroolijke
_Christien_, die met alles tevreden was; _Dolf_ aan 't roer.

"Maak 'em nou maar los, vrind!" riep _Dolf_ tegen _Keesje_: "braaf
man! dat mag je reis weer doen"; en het haakje opnemende stiet hij
van wal en stuurde met veel handigheid naar het midden.

_Pieter_ en ik vielen aan 't roeien; maar het bleek duidelijk dat de
eerstgenoemde het of nooit meer, of in lang niet gedaan had.

"Je hoeft den singel niet uit te diepen," riep _Dolf_ hem al heel
gauw toe, daar hij de riemen met een hoek van bijna negentig graden in
't water plantte. "Je moet over 't water scheren als een meeuw, man."

"Ik weet het heel wel," zei _Pieter_, en hief den rechtschen riem hoog
op, om te _toonen_ dat hij 't heel wel wist, maar vergat den linker,
dien hij zoo mogelijk nog rechtstandiger indoopte, met dat gevolg,
dat de rechterriem bijna geen water raakte, maar wel met hevigheid
tegen mijn dito aansloeg, en hij zoo groot een kracht deed met den
linker, dat de schuit ronddraaide.

"Ho wat, _Pietje_!" riep de gehate stuurman nu weder, terwijl _Koosje_
lachte, _Christien_ proestte, _Amelie_ een klein gilletje gaf. "Ho wat,
_Pietje_! je moet er den gek niet mee gaan steken, man; we zouen zoo
wel reis naar den grond kunnen tollen."

_Pieter_ wenschte van harte, dat _Dolf_ onmiddellijk in 't water
gevallen en naar den grond getold ware.

Het roeien is zulk een heksewerk niet; het kwaad was spoedig
hersteld en, met hem een weinig te gemoet te komen, kon ik maken dat
_Pieter_ binnenkort al vrij wel slag met mij hield. Wij roeiden den
singel uit en de kleine rivier op, die de trots en de glorie van
D. uitmaakt, en waren spoedig in het ruime. Daar viel het roeien
nog veel makkelijker. De dames vonden het dolprettig op het water,
_Koosje_ was allerliefst, _Christien_ alleruitgelatenst, _Amelie_
allersentimenteelst. _Pieter_ zelf kwam bij. Maar wat hem zeer hinderen
moest, was dat de beide eersten als aan den mond van _Dolf_ hingen,
die allerlei grappen vertelde, en voor dezen, die toch een _mauvais
sujet_ was, veel meer aandacht overhadden dan voor hem zelven, die
eerstdaags een candidaatsexamen dacht te doen, _summâ cum laude_; een
leed, door menig eerzaam jong mensch onder dergelijke omstandigheden
diep gevoeld. De dames zullen beter weten dan ik, hoe het komt dat
zij er reden toe geven. Maar zelfs het zedige _Koosje_ luisterde met
alle blijken van welgevallen en genoegen, wanneer _Dolf_ nu eens een
liedje zong, dan eens den voorzanger uit de Groote Kerk nabootste,
dan weder zijn stroohoed op een koddige wijs in de hoogte gooide, dan
weder een anecdote vertelde, en nog al dikwijls met veel vrijmoedigheid
en oprechtheid haar een complimentje maakte; en ik zelf vond hem
werkelijk van tijd tot tijd nog al heel aardig.

Daar nu evenwel de (ik mag wegens hare magerheid haast niet zeggen
vleeschelijke, maar toch eigene) zuster van _Dolf_ met vele van 's
mans grappen bekend was, en ook wegens de nadere bloedsbetrekking
niet zoo zeer van ZEd. gecharmeerd wezen kon als de beide andere
dames, zoo gebeurde het dat zij _Pieter_ in een zeer druk en zeer
poëtisch gesprek wikkelde over de lieve omstreken van Utrecht,
en het lieve Zeist, en het lieve Zusterhuis. Zij verklaarde veel
sympathie met al die soort van inrichtingen te hebben, en zelfs niet
afkeerig te zijn van het denkbeeld van in een nonnenklooster te gaan,
of op zijn minst een Zuster van Barmhartigheid te worden, een soort
van dreigement van meisjes van de jaren en de bloedsmenging van de
magere _Amelie_; en zij overstroomde den goeden _Pieter_, die zich
inmiddels van jaloezie verbeet, met een regen van edele, teedere,
heilige, en smelterige gevoelens; bij welke gelegenheid zij hare
oogen op eene bijzondere wijze wist op te slaan, net precies alsof
zij een goede kennis had in de maan, die alreede als een wit vlekje
aan den hemel stond; dan zuchtte zij ook weer eens, als personen
die een verborgen verdriet hebben; en dan zag zij, bij een of ander
zeer boekachtig gezegde, over _Pieters_ schouder naar mij, die van
het nadeel van op een achterste roeibank te zitten dit voordeel had,
van zoo dikwijls ik wilde het gesprek niet te hooren.

"Maar wil ik je nou niet reis aflossen, men lieve galeiboeven?" vroeg
_Dolf_ ons met hartelijkheid nadat we een goed half uur geroeid
hadden. "Ik zit hier maar sigaartjes te rooken aan 't roer.'

"Hoor," riep ik hem toe, "ik zal je zeggen wat het plan is. _Pieter_
heeft me gesproken van een boerderij, waar we aan kunnen leggen om
iets te gebruiken. Daar moeten we welhaast wezen."

"Ja wel, bij _Teeuwis_," viel _Dolf_ in, met al de snelheid van iemand
die alle dergelijke inrichtingen van buiten kende.

"En zoo lang moeten _wij_ nog maar aan de riemen blijven. Dan zullen we
wat uitrusten, en dan roeien we langzaam naar de kom terug, die we daar
zoo pas zijn voorbijgegaan. Daar zullen we dan wat in gaan drijven."

"O ja," riep _Amelie_, "dat is lief; ik ken niets aangenamers dan
drijven."

"Ja!" zei ik, "en dan zullen we alle weelden vereenigen; wij zullen
zien wat er in ons mandje overbleef, en wat er in uw gitaardoos is."

"Dat is heerlijk!" riepen de dames. "Ja, _Amelie_, je moet zingen
en spelen."

"Ja maar, weet je wat," zei _Dolf_, "ik zal ook zingen, hoorje! Ik
ken heerlijke liedjes.--_Amelie_! je moet het niet te veel op de maan
gooien, hoor!"

_Amelie_ zuchtte over haar broeders ongevoelig hart.

Nog een slag of vijftig en wij waren aan de boerderij.

Wij stapten aan wal, tot niet weinig genoegen van _Pieter_, die van
de riemen en van _Amelie_ verlost was. Het eerste deed hem evenwel
bijna nog meer genoegen dan het laatste. Hij had het onverstand gehad,
met zijn puimsteenkleurige glacéhandschoenen te willen roeien, die
nu als vellen om zijn vingers hingen en, daar hij de riemen veel
te stijf had vastgehouden, had hij vrij aanzienlijke blaren in de
handen. _Dolf_ hielp de dames uit de boot, bij welke gelegenheid
hij iets heel streelends van _Christiens_ voetje zei, en een aardig
drukje in _Koosjes_ handje gaf, dat zij beiden wel heel ondeugend,
maar toch niet heel onaangenaam vonden. Hij liet de zorg voor zijne
zuster aan den ongelukkigen _Pieter_ over.

De schuit werd vastgelegd, en een heldere boerin kwam buitenloopen om
ons welkom te heeten en te zeggen dat we binnen moesten komen. Maar
wij verkozen een tafeltje op de werf te hebben, om immers zoo veel
mogelijk van de frissche octoberlucht te genieten! Dit geschiedde;
en hoewel er 's winters, als er schaatsen gereden werd, van alles te
krijgen was, zoo was er nu niets te bekomen dan melk, die dan ook in
groote glazen overdadig vloeide. Want de wijn werd, op de schikking der
dames, epicuristisch geheel voor de drijvende zaligheid bewaard. _Dolf_
vroeg onder veel grappen om een beetje jenever met suiker; en _Pieter_
maakte zijn zakdoek in een kopje melk nat, en hield het verzachtend
vocht tegen de blaren in zijn hand.

Er was een schommel aan den anderen kant van het huis, en _Dolf_
noodigde de dames tot zijne genoegens. _Christien_ had er een
dollen zin in, en _Koosje_ ging ook mede, en _Pieter_ volgde
natuurlijk. _Amelie_ hield er volstrekt niet van, en kreeg er "zoo'n
ijselijken steek in de zij" van. Ik bleef dus om haar gezelschap te
houden met haar aan ons tafeltje zitten, dat mij wonder wel beviel,
daar ik moe van 't roeien was, en nog veel roeiens vooruitzag.

Voor een sentimenteel meisje was er op die werf niet veel te zien. Wij
zaten aan een vrij verveloos tafeltje, waarvan maar drie pooten den
grond raakten, op eenen door kippen en hanen omgewoelden grond, van
een aarden dijkje aan drie kanten omgeven, en hadden het uitzicht op
een vrij groote kroosgroene eendekom, een loods, en een zeker ander
klein gebouwtje. Het duurde een heele poos, eer een kleine leelijke
bastaard van een mop en een fikshond geheel ophield uitvallen van
vijandigheid te plegen; maar wat het tooneel eenige schilderachtigheid
bijzette, waren drie kinderen, waarvan het oudste, een meisje van
een jaar of zes, het kleinste, een wicht van even zoo veel maanden,
op schoot had, terwijl de derde, een jongen van omstreeks vijf jaren
met spierwit haar, op zijn rug op den grond lag. Deze groep bevond
zich aan den rand van de eendenkom, en keek dan eens schichtig naar
ons en dan weer vertrouwelijk naar de eenden

Het waren deze lieve kinderen, die _Amelie_ in staat stelden al de
liefderijkheid van haar zachtgestemd gemoed te toonen; zij trok dus
den kleinen linkerhandschoen van de kleine linkerhand, en besloot ze
op de innemendste en wegslependste wijze toe te spreken.

"Wel liefjes! kijk jelui zoo naar de eendjes?"

De kinderen keken haar strak aan, maar gaven geen antwoord.

"Hoeveel van die lieve diertjes zijn er wel?"

Geen antwoord; maar eenige verwondering in 't oog van 't zesjarig
meisje; want op 't boerenland noemt men een eend geen diertje.

"Hou je veel van de eendjes?"

Zelfde stilte.

"Is dat je jongste zusje?"

Stilte als des grafs.

_Amelie_ zag dat zij met deze Arkadische kleinen niet vorderde,
haalde de schouders op, en zweeg.

"Onze zeug het ebigd," zei het meisje opeens, uit zichzelve.

"Wat _zegt_ het schepseltje?" vroeg _Amelie_, voor wie deze inlichting
volkomen onverstaanbaar was.

"Zij zegt iets dat haar zeker hoog op 't hart ligt, juffrouw _Van
Brammen_," zei ik, "ze vertelt dat het wijfjesvarken.....in de kraam
is gekomen."

_Amelie_ kreeg een kleur, voor zoover haar vel daartoe in staat was.

"Ze zijn in de boet [11]", zei de kleine jongen, zich oprichtende en
een paardebloem plukkende, waarmee hij herhaalde malen op den grond
tikte. "Veertien."

Ik stelde _Amelie_ voor, de kraamvrouw te gaan zien; want ik vond
het pikant een sentimenteel meisje in een boerenloods bij een zeug
met veertien biggen te brengen.

Maar zij had er geen zin in, en scheen eenigszins gebelgd over het
voorstel.

De schommelaars kwamen weerom, met kleuren als boeien.

"Hè!" zei _Christien_, haar voorhoofd afvegende, "dat 's prettig
geweest; maar _Dolf_ had ons bijna laten vallen. Het ging dol hoog."

_Pieter_ had niet mee geschommeld, zijne beblaarde handen hadden hem
niet toegelaten de touwen vast te houden; _Dolf_ en _Koosje_ hadden
neus aan neus op het plankje gestaan, en hij had het genoegen gehad
ze op te geven.

Toen de dames een weinigje waren uitgerust, stelde ik voor weer aan
boord te gaan, om zoo spoedig mogelijk naar de kom te roeien, waar
wij zouden drijven, drinken, en dwepen. _Dolf_ moest op de achterste
roeibank, ik op de voorste, en _Pieter_, met zijn beblaarde handen,
aan 't roer.

_Christien_, die door 't schommelen door 't dolle heen geraakt was,
had een razenden lust om te gaan wiegelen; maar de gebeden van
_Koosje_ en de zenuwachtige gillen van _Amelie_ weerhielden haar;
en daar _Dolf_ een goed roeier was en ferm slag hield, waren wij
al heel spoedig nabij de kom der genoeglijkheden. Reeds haalde ik
de riemen in, en liet _Dolf_ alleen nog maar met de zijne spelen;
reeds gaf ik mijne aanwijzingen aan _Pieter_, hoe hij het roer
moest wenden om de kom in te draaien, toen de liefderijke _Amelie_
eensklaps aan den rechter-oever een plantje of zes nog laat bloeiende
vergeetmijnieten in 't oog kreeg en uitriep:

"Och, mijn lieve mijnheer _Stastok_, wilje me een groot plezier
doen, stuur dan reis even naar die vergeetmijnietjes; ik ben dol
op vergeetmijnietjes!"

Haar wensch geschiedde, en wij waren in een oogenblik bij de
hemelsblauwe bloemekens, waarvan de vraag was. _Amelie_ plukte ze allen
op een na af, en deelde ze aan al de leden van het gezelschap uit,
zoodat wij in een oogenblik ieder met zulk een levend albumblaadje
in ceintuur of knoopsgat pronkten.

Toen wij nu zoo mooi waren, wilden wij weer heen; maar de schuit
scheen nog veel grooter liefhebster van vergeetmijnietjes dan _Amelie_
zelve; want haar gehechtheid strekte zich letterlijk uit tot de struik
waarvan zij waren geplukt, tot het stuk grond waarop zij gebloeid
hadden. Met andere woorden: wij zaten op land.

Te vergeefs, zoo wij poogden los te raken: de schuit zat vast en
bleef vastzitten; er scheen geen verwikken aan; het speet _Amelie_
"verschrikkelijk" dat zij de oorzaak van dit oponthoud was; _Christien_
vond het daarentegen "ijselijk aardig"; wij manspersonen werkten ons
half dood, en zaten dan weer een oogenblikje neder om krachten te
herkrijgen. In een van die tusschenpoozen begon _Dolf_ ons bij den
Zwitserschen Robinson te vergelijken.

"Hoor eens," zei hij, "_Koosje_! als we hier voor eeuwig blijven,
moeten, dan trouw ik met jou, hoor!" En hij maakte een beweging;
om haar de hand te kussen.

Op dit gewichtig oogenblik was het dat de merkwaardige _Petrus
Stastokius_ Junior een Simsonsverzuchting slaakte, den haak in edele
verontwaardiging opnam, tegen den wal zette, en er met zooveel geweld
en zoo groote inspanning van krachten op neerviel, dat de schuit
plotseling losraakte en achteruitstoof, terwijl de edele bewerker van
dit voorval zelf voorover in het water stortte. Daar lag hij; alleen
zijne laarzen waren nog aan boord; de panden van zijn jasje zweefden
boven de golven, en de merkwaardige _Petrus Stastokius_ Junior, zich op
zijne handen op den bodem des waters ophoudende, hield het beslikte,
maar nog altijd gebrilde gelaat niet dan met moeite boven. Zijn hoed
dobberde op de ongewisse baren. Het was verschrikkelijk.

Een ieder, die ooit in de zaligheden van een roeischuitje met
de schoone sekse heeft gedeeld, gevoelt welk een uitwerksel de
plotselinge indompeling van _Petrus_ op onze dames maken moest. Hij
hoort ze allen gillen, hij ziet ze allen opstaan, elkander, en ook
zelfs ons, in de armen knijpen, en zeggen: "O G..!" Zijne verbeelding
slaat alle pogingen gade, die zij gezamenlijk aanwenden om zoo mogelijk
een nog grooter ongeluk te krijgen... Welnu, hij heeft een denkbeeld
van onzen toestand.

"Zitten!" riepen _Dolf_ en ik tegelijk; "in 's hemels naam,
blijft zitten!" en in een oogenblik staken wij de riemen aan
bakboordzij in den grond, om het verder afdrijven van het schuitje
te beletten. "_Pieter_, jongen! je bent nou toch nat; we zullen je
met het schuitje volgen, zoodat je de beenen niet hoeft na te halen;
kruip maar op je handen naar wal."

Hij deed als hem gezegd was, en in een oogenblik was hij op het
terrein der gezegende vergeetmijnietjes.

_Pieter_ was kopje-onder geweest en tot het midden doornat. Hij
zag er hartverscheurend uit; zijn druipend haar, zijn bleek en
verwilderd gezicht, zijn zwarte, beslijkte handen!--Er was een algemeen
medelijden; zelfs _Dolf_ deelde er in. De drenkeling werd in de schuit
opgenomen, en er werd besloten naar de boerderij terug te varen om hem
te drogen. Het zou dan wel te laat worden om in de kom te drijven,
maar wij zouden nu in de boerderij onze ververschingen gebruiken en
daarna, stevig door, naar huis roeien. Eerst nog werd de hoed van
_Pieter_ achterhaald, en weldra zag de glundere boerin ons terug.

"Ze had wel docht," zei ze, "dat dat heerschop een ongeluk krijgen
zou; want hij had er al-an dat ie bij de schoppel staan hadde zoo
kniezerig en zoo triesterig uitzien, dat ze al in haar aigen zeid
hadde: nou! dat komt nooit goed of met dat heerschop! Maar ze zou maar
flussies wat raizen opgooien, en dan zoudie wel gauw weer hielkendal
op-eknapt zain; as meheer een hemd van haar man an wou hebben; meheer
had maar te spreken," enz. enz.

Wij lieten _Pieter_ aan hare zorgen over en begaven ons naar de werf.

Het was ondertusschen halfzes geworden en, schoon 't nog zeer licht
was, de zon was al ondergegaan en wij konden ons nog alleen in den
kouden naglans verheugen. Het bleek nu welk een dolle streek het
eigenlijk was, in de maand October na den middag een watertochtje te
beginnen; er stak een zéér koel windje op, en wij vonden 't beter
binnen te gaan. Wij werden alzoo in het beste vertrek van 't huis
gelaten, waar het pronkbed was, een friesche klok en een dambord
hingen, en vier schilderijen aan den wand ons de geschiedenis van
Willem Tell herinnerden, om niet te spreken van een dier tabelletjes,
welke men verkorte uitgaven van Trommius zou kunnen noemen, en waarop
men lezen kan hoeveel kapittels, hoeveel verzen, hoeveel ende's in
den bijbel staan, en dergelijke wetenswaardige dingen meer. Zulk
een hing er in een verguld lijstje. Hier zetten wij ons op de matten
stoelen neder en begonnen, nadat _Amelie_, die het op haar zenuwen
zeide te hebben, een weinig bedaard was, rijnschen wijn te drinken
en sinaasappelen te eten alsof het een lauwe avondstond in Juli
geweest ware.

Daarop kwam de gitaar binnen, die in onze omstandigheden waarlijk een
heele vervulling was; want indien het waar is dat muziek en zingen
menige recht prettige bijeenkomst storen en bederven, zoo moet men
ook zeggen dat er niets beters is om een niet prettige bijeenkomst
of mislukte partij aan den gang te houden, dan juist diezelfde muziek
en zang.

_Amelie_ zong verscheidene Duitsche romances, en zong ze waarlijk vrij
goed; maar zij bracht er, tot haar aanmerkelijk nadeel, al die kleine
behaagzieke naïveteiten bij te pas, die een mooi meisje goed staan,
maar die een leelijk meisje als _Amelie_ nog leelijker en metterdaad
belachelijk maken. Zeker had onder dit boerendak nog nimmer zoo
teergevoelig een liedje geklonken, als de bleeke _Amelie_, met de
vergeetmijnietjes aan haar boezem en den gitaar met het lichtblauwe
lint op de knie, er menigeen voortbracht; en ik was juist in deze
bespiegeling verdiept, toen zij met lange uithalen een zeer teedere
liefdeklacht met de dubbele herhaling van den laatsten regel besloot,
die gedurig lager en doffer werd:


    Zum kühlen Grab,
    Zum kühlen Grab,
    Zum kühlen Grab,


totdat haar stem op eens weer zeer hoog uitschoot, met dezelfde
woorden:


    Zum kühlen Grab,


toen het lied werd afgewisseld door een goede, ronde, vroolijke
boerinnestem, die van buiten kwam met het liedje:


    Klompertjen en zijn wijfje,
    Die zouwen vroeg opstaan,
    Om eiertjes te verkoopen
    En na de markt te gaan.

    Ze waren halverwege,
    Halverwege den dijk,
    Daar braken al der eiertjes,
    En 't bottertje viel in 't slijk.

    Het speet er niet om de eiertjes,
    Maar om er mooien doek,
    Die ze gisteren nog gemaakt had
    Van Klompertjes beste broek.


"Dat's een weergaasch aardig liedje," zei _Dolf_, het venster
openstootende en de dikke boeremeid aansprekende, die hare "purperen
armen", als _Rotgans_ het uitdrukt, in de rookende waschtobbe stak,
en het liedje van Klompertje waarschijnlijk gezongen had; "dat's een
weergaasch mooi liedje, _Trijntje_!"

"Ik hiet geen _Trijntje_!" zei de meid, schalk omkijkende.

"Hoe hietje dan?" riep _Dolf_, wien 't maar te doen was om een naam.

"Dat weet me moeder wel, hoor!" zei de meid, lachende en eene rij
van de witste tanden zien latende, die ooit een boerinnemond versierd
hebben.

"Kenje meer zulke liedjes, zoete?" vroeg _Dolf_.

"Loop," zei de boeremeid, wier naam haar moeder wel wist--"ik heb
niet zongen; wat verbeel jij je wel?"

"Dat raam tocht vreeselijk," merkte _Amelie_ aan, die deze samenspraak
om duizend redenen weinig beviel. Maar nauwelijks was het raam toe,
en had _Dolf_ nog eens ingeschonken, of er klonk een nog vroolijker
liedje uit den mond der frissche deerne; en wij luisterden allen:


        Dans, nonneke dans!
    Dan zei ik je geven een muts.
    Neen, zei dat aardig nonneke,
    Ik heb er een van me zus.
    'k Wil niet dansen, 'k zel niet dansen,
    Dansen is men order niet;
    Nonnen, paters, paters, nonnen,
    Nonnen, paters dansen niet.

        Dans, nonneke, dans!
    Dan zel ik je geven een huis.
    Neen, zei dat aardig nonneke,
    Daar ben ik niet van thuis.
    'k Wil niet dansen, 'k zel niet dansen,
    Dansen is men order niet;
    Nonnen, paters, paters, nonnen,
    Nonnen, paters dansen niet.

        Dans, nonneke, dans!
    Dan zel ik je geven een zoen.
    Neen, zei dat aardig nonneke,
    Daar wil ik 'et niet voor doen.
    'k Wil niet dansen, 'k zel niet dansen,
    Dansen is men order niet;
    Nonnen, paters, paters, nonnen,
    Nonnen, paters dansen niet.

        Dans, nonneke, dans!
    Dan zel ik je geven een man.
    Toen zei dat aardig nonneke,
    'k Zel dansen al wat ik kan.
    'k Wil wel dansen, 'k zel wel dansen,
    Dansen is men order wel;
    Nonnen, paters, paters, nonnen,
    Nonnen, paters dansen wel.


En nauwelijks was het liedje uit, of _Rudolf van Brammen_ gaf een
fikschen klap op zijn stroohoed, zoodat hij in plaats van boven op
zijn hoofd te staan, op zijn linker wang kwam te hangen en, zijn
weemoedige zuster om haar paarsen spencer grijpende, tilde hij haar
van haar stoel op, en walste ondanks haarzelve een toertje met haar
door de kamer, onder het herhalen van het refrein:


    Nonnen, paters, paters, nonnen,
    Nonnen, paters dansen wel.


De levenslustige _Christien_ stiet _Koosje_ aan, en de beide meisjes
lachten achter haar zakdoek.

_Amelie_ zeeg "doodaf", en waarschijnlijk met een halfhonderd steken in
haar zij, op een stoel neder, maar op dit oogenblik ging de deur open,
en de vroolijke _Dolf van Brammen_ schoot met dezelfde uitgelatenheid
op den persoon van _Pieter_ af, die met een wijd duffelsch buis aan,
een roode bouffante van _Teeuwis_ om den hals, en een pakje nat goed,
in zijn zakdoek samengebonden, onder den arm, binnentrad; en denzelven
_Pieter_ oogenblikkelijk bij de linkerhand grijpende en zijn eigen
rechter om _Pieters_ midden slaande, die vruchteloos zich poogde los
te worstelen, galoppeerde hij met hem door de kamer, onder het juichen
van die zelfde regels, die hem zoo bijzonder schenen te bevallen.

"Laat me los, _Van Brammen_!" riep _Pieter_, voor de eerste maal sedert
ik hem kende zijne manlijkheid toonende; en met een fikschen zwaai
wierp hij, vonkelende van woede, den op zulk een krachtsbetooning niet
verdachten _Dolf_ van zich af en bijna tegen den muur. Deze evenwel,
zonder zijne bedaardheid te verliezen, greep zijn degenstok op,
stak den van zichzelven verbaasden _Stastok_ den knop toe:

"Wil je vechten, kereltje? Ook goed. Trek reis aan dien stok! Zie zoo;
jij den degen, en ik de schee: kom aan, _en garde, droit au fond_,
asjeblieft!" En, zich in de positie stellende van iemand die schermen
gaat, begon hij eenige parades te maken.

De dames waren zeer onthutst; maar _Christien_ kon haar lachen toch
niet laten, en _Amelie_ was half in haar schik dat zij een zoo romanesk
geval bijwoonde.

Ondertusschen leverde _Pieter_, met zijn fijnen stalen bril, zijne
bouffante, zijn duffelsch wambuis, en het opgedrongen rapier vrij
onhandig in de hand, een zeer zonderling schouwspel op, de teekenpen
van een _Cruikshank_ overwaardig. Maar de pose duurde niet lang;
hij wierp het staal verachtelijk weg.

"Ik wil geen ruzie maken," zei de edelmoedige _Pieter_.

"Daar hebje wèl gelijk in," antwoordde _Dolf_.

Op dat belangrijk oogenblik hoorde men een geluid alsof er een
flesch werd opengetrokken, en daarna een ander alsof er een glas
werd ingeschonken. Nog ééne seconde, en _Hildebrand_ bood den
beiden kampioenen twee ongelijke bekers aan en de eervolle vrede
werd gedronken.



Het was ondertusschen hoog tijd om te vertrekken. Aan vóór boomsluiten
thuis te zijn was geen denken; maar het was in geen geval noodig,
daar wij verlof hadden het schuitje buiten den boom te laten, en er
een knecht komen zou om de riemen af te halen. Maar toch moesten wij
ons wegens den vallenden avond haasten. _Christien_ wilde dolgraag
ook zelf eens roeien, en _Amelie_ gaf voor, gaarne eens aan 't roer
te willen zitten. _Dolf_ ging op de achterste bank. Op de voorste
kwam de vroolijke _Christien_ mij helpen en nam een der riemen zeer
handig op. Zij kon tot dit werk haar mantel niet gebruiken, en stond
er (ik geloof meer uit ondeugendheid dan uit medelijden) op, dat de
gemelde drenkeling dien nog over zijn duffel zou aandoen. Het was
een schotschbonte. _Pieter_ liet zich bewegen; en in dat gewaad zette
hij zich aan _Koosjes_ zijde in het schuitje.

_Amelie_ keek naar de lieve maan en de lieve sterren. _Dolf_ roeide
en rookte om 't zeerst. _Christien_ had allerlei vroolijke invallen
en plagerijen met mij. _Pieter_ was dus met het voorwerp zijner
genegenheid zoo goed als alleen. _Koosje_ scheen zeer lief voor
hem. Verscheidene malen hielp zij hem zich te beter in de plooien
van den mantel wikkelen, en meer dan eens zag ik dat zij hem met
een innig medelijden aankeek. Hij schoof dan ook inderdaad gedurig
dichter en vertrouwelijker naar haar toe. Zijn gelaat luisterde op,
en hij scheen werkelijk een teeder en aandoenlijk gesprek met haar
te hebben aangevangen, als ik opmaakte uit de zinrijke woorden,
die ik tusschenbeiden op kon vangen, als daar zijn: "weetje nog wel
van"--"blijde dagen"--"nooit zoo gelukkig meer worden"--"veel aan
denken", en wat dies meer zij.

Dit duurde zoo voort totdat het ongeluk wilde, dat de heer _Rudolf
Van Brammen_ zijn laatste sigaar had uitgerookt, en dus een ander
tijdverdrijf behoefde.

"Kijk reis aan!" riep hij, het overschot in 't water gooiende,
"kijk reis aan! _Pieter_ zit waarlijk te vrijen."

_Pieter_ bloosde en wierp een grimmigen blik ter zijde uit op den
spreker, volmaakt als een schichtig paard, dat op den straatweg een
hondewagen tegenkomt.--_Koosje_ bloosde, keerde zich om, en vroeg
onmiddellijk aan _Christien_: "of ze niet moe werd van het roeien?"

Het was gedaan met _Petri Stastokii_ Junioris zaligheid; en daar ik
naderhand nooit van eenige verstandhouding tusschen hem en _Koosje
van Naslaan_ heb gehoord, maar veeleer vernomen heb dat _Koosje van
Naslaan_, in den laatst verleden herfst op haar vaders zilveren
bruiloft plechtig is verloofd geworden aan een jongen wijnkooper
uit een naburige stad, zoo houd ik het er voor, dat hier de droevige
geschiedenis der eerste en teedere liefde van _Petrus Stastok_ Junior,
student in de rechten aan de hoogeschool te Utrecht, en tegelijk die
van 's mans eerste minnekoozerij, een einde neemt.



Wij waren spoedig thuis, en toen ik den anderen dag te elf uren op
de gele diligence zat, die van E. over D. naar C. rijdt, had ik voor
lang afscheid genomen van mijn oom en tante _Stastok_, en van al de
kennissen die ik te D. gemaakt had; het laatst evenwel van _Keesje_,
die mijn koffertje gekrooien, en van _Pieter_, die mij naar "de
Rustende Moor" vergezeld had; terwijl ik, buiten de poort komende,
nog gelegenheid had om uit het portier een groet toe te werpen aan
den heer _Rudolf van Brammen_, die reeds dáár was om naar de oefening
van een paar pelotons recruten te zien, die met bevende handen eene
gezwinde lading ondernamen, waar zij ruim zooveel tijd aan besteedden,
als hunne nijdige sergeanten tot die in vier tempo's noodig hadden,
en waarover de bejaarde tweede luitenant een waakzaam oog hield.



Varen en Rijden.


Men is bezig in mijn vaderland spoorwegen aan te leggen. Het heeft
lang geduurd eer men er toe komen kon. De plannen varen bij ons te
lande altijd nog met de trekschuit; de lijn breekt wel zesmaal eer
zij hunne bestemming bereiken: eindelijk komen zij er toch; maar
hemel! wat duurt het lang eer de bagage aan wal en te huis is; eer
de koperen stoof en de schanslooper en de parapluie aan den kruier
zijn terhandgesteld. Wat mij betreft, ik ben een Hollander van
ouder tot ouder, maar ik heb, bij andere onvaderlandsche ondeugden
een recht onhollandsch ongeduld; schoon ik mijzelven het recht moet
doen te verklaren dat er niemand zijn kan, die met meer kalmte dan
ik een lieve vrouw een streng breikatoen of zijde helpt uit de war
maken. Trouwens, dat is ook geheel iets anders. Voor al wat doen is
heb ik het meestmogelijke geduld; voor langzaamdoen heb ik eerbied;
maar nietdoen verveelt mij verschrikkelijk; ik kan niet wachten;
geen lijdelijkheid! Het leven is er te kort en mijn bloed te gauw
voor. "Festina lente!" Recte, sed festina!--Wat in 't bijzonder
de spoorwegen aangaat: ik zit er sedert jaren pal op te wachten;
niet omdat ik er een commercieel of financiëel belang bij heb; niet,
omdat ik er een weddenschap over heb aangegaan; maar alleen omdat er
tot nog toe geen middel van vervoer bestaat, dat mij bevalt, zoo met
eigen rijtuig en postpaarden, waar ik, om voor mij zeer gewichtige
redenen, slechts zelden gebruik van kan maken.

Voor zoover de trekschuit aanbelangt, heb ik mijn gevoelen reeds,
half verraden. 't Is waar, men kan er in lezen, domino spelen,
dammen en, zoo de schipper inkt aan boord heeft en gij eene pen
hebt medegebracht (want de zijne is tot boven toe zwart), zelfs
schrijven; ofschoon op te merken valt dat het tafeltje in de roef
daartoe wat te ver van de zitplaats verwijderd is. Maar met dat
al: zoo gij beweert dat gij er op uw gemak zijt, houd ik u (met
uw verlof) voor een mismaakt schepsel, voor een kleinen krates,
niet hooger dan mijn knie; althans zeker niet voor een kerel van
vijf voet zeven duim, als uw onderdanigen dienaar. Dan is er iets
weeheidaanbrengends in de beweging der schuit, dat uw belangrijkst
boek vervelend maakt, en uw esprit de jeu verflauwen doet,--maar
vooral is er in de trekschuiten een praatgenius van een ellendig
soort. De schuitpraatjes bestaan geregeld uit dezelfde ingrediënten en
vallen eenstemmig in denzelfden toon. Schuitanecdoten zijn volkomen
onverdragelijk; en dan dat afgrijselijk dikwijls herhaald gevraag:
"hoe ver zijn we al, schippertje?" en het eeuwige: "dat betalen
moest je afschaffen", als de man om zijn geld komt!--Veroordeel de
passagiers niet te lichtvaardig, zoo zij tot zulk eene laagte van
geest afdalen. Neem zelf een "plaats in 't roefje", en gij zult zien
dat gij onwillekeurig even diep kunt zinken. Zoodra men de trekschuit
binnenstapt en het deurtje doorgekropen is, en zijn muts opgezet,
en zijn hoekje gekozen heeft, is het alsof er vanzelf een geest van
bekrompenheid, van kleinheid op ons valt. Zoodra dat graf zich over
ons sluit, schaamt men zich geene enkele flauwheid meer. Men gevoelt
lust om met belangstelling te spreken over het schelen der klokken,
den prijs der levensmiddelen, of al weder het gewichtig vraagpunt
te behandelen, of het na het middagmaal beter is te gaan wandelen of
wel een dutje te doen. Men heeft behoefte om te zeuren en te talmen
over nietigheden. Ja, zoozeer beheerscht u de demon der plaats, dat
hij u maar al te dikwijls verleidt, de afgezaagde voordeelen van een
trekschuit op te sommen! Ook zult gij uwe reisgenooten altijd belang
hooren stellen in het getal schuiten en diligences, die op een zelfden
dag dien weg maken.--De treurige benauwde indruk, waaraan gij lijdt,
wordt nog verergerd door de lectuur van het tarief, door het zien
van het koperen blakertje, het driekante blikken kwispedoortje en
alle verder klein huisraadje, en van de gewichtige voorzichtigheid
waarmee de schipper eerst een sleutel uit zijn zak haalt; ten tweede
het laatje van de tafel opensluit; en eindelijk ten derde, er een
lange pijp uitkrijgt. Ik geloof niet dat iemand ooit ééne geestige
gedachte gehad heeft in een trekschuit. Integendeel: de roef is de ware
atmosfeer voor alle mogelijke vooroordeelen, de geschikte bewaarplaats
van alle verouderde begrippen, de kweekschool van allerlei leelijke,
lage gebreken. Daar zijn voorbeelden van menschen, die door te veel
in trekschuiten te varen, lafhartig, kruipend, gierig, koppig, en
kwelgeesten zijn geworden.

Over het algemeen is de roef alleen geschikt voor de lieden, die er
voornamelijk het personeel van uitmaken, als daar zijn "fatsoendelijke"
handwerkslieden die een teutig bedrijf hebben, zooals ivoordraaiers en
horlogemakers; goede luidjes die een erfenis gaan halen, de vrouw met
een broodje in den breizak, de man met een snuifdoos met speelwerk;
jeugdige koekebakkers, die niet weten willen dat zij 't zijn, met
een soort van constellatie op de borst, bestaande uit drie gewerkte
koperen overhemdsknoopen en een schitterende doekspeld met een gelen
steen à facettes geslepen, veel te groot om echt te wezen; kleine
renteniertjes van vijftig tot zestig jaar, die zilveren pijpedoppen in
palmhouten akertjes bij zich hebben; eerlijke boekhouders, die vijf
en twintig jaar op een zelfde kantoor hebben gediend, en ten bewijze
van dien, een zilveren tabaksdoos toonen met inscriptie; moeders met
slapende kinderen, en die er "eentje t'huis gelaten hebben, dat nog
maar acht jaar oud is, en al Fransch kan"; breiende huishoudsters,
die "uwé" en "ik heeft" zeggen; kameniers, die voor hare mevrouwen
door willen gaan en van _ons_ Buiten spreken, waaraan zij bij een of
andere brug moeten worden afgezet, en waar, tot haar groote beschaming,
een tuinmansknecht ze met een zoen ontvangt; halve zieken, die een
"_profester_" gaan raadplegen; juffrouwen, die de vracht met een
dertiend'half en een pietje passen; grappenmakers, die de geestigheid
hebben over de verschrikkelijke gevaren te spreken, die de reis in
trekschuiten inheeft; en ongelukkigen, die niet onder dak kunnen komen,
tenzij ze aan een volgend veer "de schuit van achten nog halen kunnen";
om niet te spreken van de "groenen", een soort van schuwe insecten,
die in de maand September alle de vaarten, die op akademiesteden
uitloopen, vergiftigt.



Het personeel der diligence heeft een geheel ander karakter; over
't algemeen staat het meer op de hoogte van zijn eeuw. Il a plus
d'actualité. Maar tevens is er meer verscheidenheid. Op de diligence
reist gij met officieren in politiek; met studenten; met heeren die
naar een audiëntie gaan; met schoolopzieners en leden van provinciale
commissiën; met mannen van de beurs; met paardekoopers en aannemers in
wijde blauwlakensche cloaks; met handelreizigers, schitterende door
een breeden ring aan den voorsten vinger (meestal met een amethist);
zij rijden achteruit, zijn zeer familiaar met de conducteurs, kennen de
paarden bij naam en vergelijken voor u de betrekkelijke verdiensten der
verschillende postwagenondernemingen; met dichters, die _een lezing_
gaan doen; met fiere dames, die 't half beneden haar stand rekenen in
diligences te reizen en zich door stuurschheid van dien hoon wreken;
met jonge meisjes, die verlegen worden en 't half kwalijk nemen als een
vreemd heer beleefd jegens haar is; met weldadige tantes, die aan de
plaats harer bestemming door een half dozijn kinderen, die zij sinds
jaren bederven, worden opgewacht; met koopvaardij-kapiteins met lange
Curaçaosche sigaren; met jagers, die meer bezorgdheid voor hun geweer
dan voor uwe teenen koesteren; met woelwaters, die eeuwig tusschen
de wielen zitten en u opsommen hoeveel land zij in ééne week gezien
hebben; met een nauwgezetten heer, die uit gehoorzaamheid aan zijn
lootje op nummer 1 _Moet_ zitten; met een dikken, aanborstigen heer,
die alles open wil hebben, en met een dunnen, spichtigen heer, die
den kraag van zijn jas opslaat, diep in een bouffante kruipt, van 't
"méchante weer" spreekt, en u wil laten stikken; met individu's, die
zichzelven voor bemind vleesch houden en overal kennissen aantreffen;
met ontevredenen, die over alles knorren; dikwijls met een kind,
dat een halve plaats beslaat, of een hond waarvoor gij bang zijt,
te veel, en dikwijls, o! zeer dikwijls! met een beleefd mensch te
weinig.--Ziedaar den gewonen inhoud eener diligence!

Onder deze lieden zijn er zeker vele, die tot de ongerieven van deze
manier van reizen moeten gerekend worden, en ik stel voor, hen in
drie klassen te verdeelen, en alzoo te brengen tot:


       Slapers,
       Rookers,
    en Praters.


De Slapers staan bij mij op den laagsten, den minst schuldigen trap van
overlast. Hunne onaangenaamheid is voor drie vierden negatief. Maar,
ziet ge, zij snorken somtijds;--en hatelijk zijn zij, als men ze
voorbij moet met in- en uitgaan op de pleisterplaatsen,--en eindelijk,
ze worden hoe langer hoe breeder! Hunne posteriores, hunne ellebogen,
hunne knieën, alles zet zich uit;--en ik heb gereisd met slapende
passagiers, die zich op een tocht van nog geen vier uren tot het
dubbel van hun omtrek hadden uitgebreid. Voor het overige moet ik
hen wel dragelijk vinden, aangezien ik den meesten tijd de eer heb
tot hunne klasse te behooren.--Volgen de Rookers! Daar was een tijd,
mijne vrienden! maar toen waren de Goudsche pijpen nog fatsoenlijk,
en de blikken sigaarkokers en zilveren pijpjes nog in de mode; dat
geen welopgevoed man, geen commis-voyageur, geen kwajongen zelfs
(dat wel het onbeschaamdste slag van wezens is!) een blad tabak zou
hebben aangestoken, zonder eerbiedig te vragen: "zal het niemand"
of althans: "zal het de dames niet hinderen?" Hoe ook binnen 's
kamers aan de pijp (die nu eenmaal den toenaam van "vaderlandsche"
verkregen had) verslaafd, buiten 's huis rookte men niet dan bij
gedoogen en goedkeuring met algemeene stemmen en, mocht men die
wegdragen, men maakte er met kieschheid gebruik van; men rookte met
zekere bedachtzaamheid, kleine wolkjes! Dit alles heeft tegenwoordig
geen plaats meer. Ik zie de beschaafdste, de galantste, de humaanste
onzer jonkers, de schuwste en beschroomdste onzer burgerheeren, de
gemaniëreerdste onzer kantoorklerken met vest en sousvest, sans façon,
met lichterlaaie pijp en brandende sigaar de trede van het rijtuig
ophuppelen en, nadat ze vijf of tien minuten hebben zitten dampen,
ter nauwernood vragen, niet: "zal 't niemand", maar: "'t zal immers
niemand hinderen?" en zonder antwoord af te wachten, of zich te storen
aan het hoesten van het liefste meisje der wereld, zoo 't het ongeluk
heeft van niet mooi te zijn, met hun stankfabriek voortgaan. Onze dames
("zachtmoedig als ze zijn!") durven ook nooit meer neen zeggen.--Ik--o
vloek dien ik op mijn hals haalde, en weer op mijn hals haal door
het hier te vertellen; (bij de heeren, maar vooral bij de heele
jonge heeren: ik ken er eentje dat verschrikkelijk is!) ik.... heb
ééns neen gezegd, 't Was tusschen Haarlem en Leiden. Waarlijk, al de
raampjes waren gesloten, en toch moesten er twaalf menschen ademen
en zes sigaren in 't leven blijven; maar hoe werd ik mishandeld door
den man die naast mij zat, en die dan iets op mijn hoed, en dan iets
op mijn regenscherm, en dan iets op mijn voeten, en dan weder iets
op mijn mantel, en dan weder iets op volstrekt niets te zeggen had;
waarlijk, ik was mijn leven niet zeker.--Ook is de geheele wereld
tegenwoordig op den voet van tabakrooken gebracht; die kunst behoort
volstrekt tot het openbare leven, en al haar toestel is zoo portatief
mogelijk gemaakt; ieder rijtuig is aan tabaksvervoer dienstbaar;
alle sierlijke uitvoerigheden der rookkunst zijn ingekort;--geen
klassieke, langwerpige, sineesverlakte tabaksdoos meer met de
handteekening van den eigenaar in het deksel, maar tabakszakken
van een vieze varkensblaas gemaakt, met een rood riempje aan het
knoopsgat opgehangen. Om de waarheid te zeggen, zijn alle rokszakken
tabakszakken, en wanneer gij een gezelschap fatsoenlijke heeren
van onderscheiden kaliber en verdienste bijeen ziet, kunt gij er
altijd op aan, dat zij door elkander gerekend stellig zes of acht
stuivers waard zijn, alleen aan sigaren die aan hun lijf zullen
worden gevonden. Geen kiesch sigaarpijpje meer, hetzij recht of
gebogen, waardoor de rook als 't ware werd overgehaald,--neen,
het afzichtelijk rolletje wordt, zoo als het uit de besp..kselde
vingers van den tabaksverkoopersjongen komt, uit een papieren zakje
te voorschijn gebracht en in den mond gestoken, opdat men er een
tweevoudig genot van zou hebben, om van tijd tot tijd bezabberd en
beknabbeld over te gaan in de handen van een ieder, die er een onzuiver
vuur aan wil ontleenen. Geen reine, blanke Goudsche pijpen meer met een
voorzichtig dopje gewapend; maar een leelijk, slangachtig, stinkend,
pruttelend, door en door van vuiligheid doortrokken moffentuig. En
dan die nieuwmodische zwavelstokjes, daar een mensch van opspringt
als ze afgaan, en die een stankgas ontwikkelen, waarvan iemand het
hart in het lijf omdraait! O, wanneer al deze schrikbeelden mij voor
den geest komen; als mijn gedachte zich hier, in de zuivere atmosfeer
van mijn studeervertrek, waar, sedert mijn haard goed is uitgebrand,
niets is dat de verhouding van eenentwintig deelen levenslucht tot
negenenzestig deelen stiklucht (nieuwste berekening) stoort; als, zeg
ik, mijne gedachte zich hier in al die gruwelen verdiept, en wanneer
ik bedenk dat ik nog dikwijls, zeer dikwijls in mijn leven mij die
indompeling in het dampbad van kruiden van allerlei hoedanigheden zal
moeten getroosten: dan waarlijk sluit mij het hart en beklaag ik mij
over de wreedheid van mijn natuurgenooten--en--half en half over de
zwakheid van mijn maag en de kieschheid van mijn gehemelte, die mij
niet vergunnen (als onze vaderen zeiden) "toeback te suygen". Want
gelijk men dieven met dieven vangen moet en leugenaars met leugens
tot zwijgen brengen, zoo moet men, wordt er gezegd, ook rooken om
rookers te kunnen uitstaan.

Ik kom tot de Praters, de babbelaars bij uitnemendheid. Zij zijn
daarom erger dan de Rookers, omdat zij uw beter deel, uw hoofd en hart
grieven, wat de laatste niet doen, tenzij ze u knorrig maken,--maar! ik
hoop nogal dat gij een wijsgeer zijt. De Rookers maken u ziek, de
Praters ongelukkig. 't Is waar, gij behoeft hen niet aan te hooren;
maar wie heeft lust om een volslagen lomperd te zijn? Gij kunt u
houden alsof gij slaapt; dikwijls ook richten zij het woord niet eens
tot u: maar dan spreken zij zooveel te luider tot uw buur- of tot uw
overman; ja, er zijn er, die hun schelle stem er op geoefend hebben,
de stootendste wielen, de rammelendste portieren te overschreeuwen!

Stooten en rammelen! o Dat men in een land als het onze, waar de
straatwegen zoo uitmuntend zijn, zulke slechte diligences maakt en
gedoogt! Doch hier breng ik u de eer, die u toekomt, edele _Van Gend
en Loos_, _Veldhoest en Van Koppen_, warme menschenvrienden! In uwe
wagens zit men op breede banken; de plaatsen zijn ruim; de kussens en
ruggestukken welgevuld; de bakken diep; de veeren buigzaam; de wielen
breed; de portieren niet tochtig; de raampjes bescheidenlijk zwijgende;
uwe vier paarden altijd in geregelden draf. Maar velen uwer collegae
zetten ons in een schokkende, nauwe, dreunende, vuile, tochtige,
harde, tuitelige doos, een soort van groote rammelende builkist op
vier wielen; in de eene, hebben wij geen plaats voor onze dijen,
in de andere, geen ruimte voor onze knieën; uit deze komen wij met
bevroren teenen, uit gene met een stijven nek; wij rijden ons ziek,
wij rijden ons hoofdpijn, wij rijden ons dóór; wij meenen gek te
worden van het gesnor aan onze ooren en 't gedender aan onze voeten;
en dikwijls denken wij er, onder het dooreenwerpen onzer ingewanden,
met bekommering aan, wat gelukkiger zijn zou, dood of levend er uit
te komen!

Dood of levend! Ja, daar is gevaar! In een land, waar de politie de
tuigen der paarden en de lenzen in de wielen niet nagaat, en waar in
de meeste plaatsen de vracht, die men oplaadt, niet gewogen of berekend
wordt--hoe komt het, dat er nog zoo weinig ongelukken gebeuren?--



De stoomboot, zeide ik tot mij-zelven, en ik nam een plaats van
Rotterdam tot Nijmegen, zal alles verbeteren en overtreffen; zij
zal mij met de middelen van vervoer en met het reizen en trekken
verzoenen; de snelle, de ruime, de gemakkelijke, de sierlijke, de
gezellige, de rijke stoomboot! Is zij niet een vlottend eiland van
genoeglijkheden, een betooverd stroompaleis, een hemel te water? Nu ja:
het is een drijvend koffiehuis, zegt men wel. Voor kleine afstanden
niets gelukkiger dan een stoomboot. Maar het is voor de groote, dat men
haar noodig heeft. Zeg niet: men is er zoo goed als tehuis, 't Is waar,
men zit er op breede banken met zachte kussens, aan gladde tafels, men
kan er alles krijgen wat men verlangt, al doen wat men begeert. Maar
dien korten schok, als van een paard dat hoog draaft, dien gemengden
stank van olie en steenkolen, de duurte der verkwikkingsmiddelen, de
aanmatigingen van den hofmeester, het slechte eten en de verveling,
dit alles heeft men tehuis niet. Ik zei verveling--want waar ter
wereld ontmoet men meer menschen, _die voor hun plezier reizen,_
dan op een stoomboot? en wat is vervelender dan hun gezelschap?

Reizen voor pleizier! o Droombeeld! o Hersenschim! Weten dan zoo
weinig menschen dat reizen zoo moeielijk pleizierig zijn _kan!_ Neen;
de mensch is geen trekvogel; hij is een huisdier; en de natuurlijke
kring zijner genoeglijke gewaarwordingen strekt zich niet verder uit
dan zijne voeten hem brengen kunnen. In beweging en onrust, in zich
verwijderen van den grond daar hij aangehecht, de betrekkingen daar
hij aan gewoon of verknocht is, kan geen geluk zijn. De natuur wreekt
zich van dien moedwil. Zie die reizigers voor pleizier! Bij elk genot,
dat ze smaken, verbeelden zij zich dat _dit_ het pleizierige nog _niet_
is, waarvoor zij zijn uitgegaan; daarom verheugen zij zich telkens
als zij op de respectieve plaatsen hunner bestemming zijn aangekomen,
schoon zij toch eigenlijk reizen om op weg te zijn; en in die gedurige
jacht op een ingebeeld genoegen, dat nog komen moet, gaat hun tijd
om in rusteloosheid en teleurstelling en tegenzin. Alles gaat hun
voorbij; zij smaken niets. Maar te huis gekomen, bemerken zij dat zij
een groote som gelds verteerd hebben en, omdat ze er zich over schamen,
dringen zij zichzelven en anderen op dat zij een "allerliefsten", een
"dolprettigen", een "allerinteressantsten" toer gemaakt hebben--ja,
indien het denkbeeld en de zaak op die wijze niet in stand gehouden
werden, zouden er jaarlijks eenige duizenden paspoorten minder worden
afgegeven aan ongelukkige slachtoffers van een droombeeld, wie de
reisduivel drijft en die niet weten wat zij willen. Ach, in de lieve
zomermaanden, in de groote vacantie der hoogeschoolen, den rustiger
tijd van den handel, als men zijn innerlijk leven recht en kalm zou
kunnen genieten, zijn alle de wegen des vaderlands vol van jongelieden,
die hun lief vertrek, hun gemakkelijk ouderlijk huis, hun welgelegen
buitengoed, hun gezelligen kring, hun dierbaarste betrekkingen, hun
nuttigst verkeer, in een opgewonden koorts verlaten, om voor pleizier
een reisje te gaan maken! Zij komen terug, met een verbrand gezicht,
een paar knevels, een gehavende plunje, een lastigen hoop vuil linnen,
en een ledige beurs; de herinnering van doorgeloopen voeten, slechte
bedden, weegluizen, stof, Engelschen, en afzetters. Zij hebben
ook veel mooie natuur gezien. Maar de heerlijke, de dichterlijke,
de opwekkende indrukken, daar zij op gehoopt, de onbegrijpelijke,
zieldoordringende genoegens van het reizen, daar zij van gedroomd
hadden, met en benevens de Duitsche schoonen, die op hen verliefd
zouden zijn geworden, of de pikante baronesse, waarmee zij een avontuur
zouden hebben gehad; de belangrijke, wereldberoemde geleerde, die
hen _en amitiê_ zou nemen; de schatrijke lord, dien zij 't leven
zouden redden; dit alles woelde in hun bont verschiet, in hunne
droomen en mijmerijen dooreen--waar waren zij?--de echo antwoordt:
"waar waren zij?"--Zie hen daar tehuisgekomen: moe van lichaam en
moe van ziel; nog veertien dagen ongeschikt voor een geordend leven;
zonder reisanecdoten, zonder dichterlijker of grooter hart dan waarmede
zij zijn uitgegaan; zonder eenigszins belangwekkend te wezen; alleen
opmerkelijk door een vreemd soort van pet, zooals in deze of gene
buitenlandsche stad gedragen wordt; niets meebrengende dan eenige
vreemde koperen munten, aardig om, tot een souvenir! te bewaren,
een steentje van Rolandseck, een gedroogd bloempje van Nonnenwerth,
en een vijftigtal: "o Zoo mooi's" en "Onbeschrijfbaar's!" en "je moet
er zelf geweest zijn"; en "hier een berg, en daar een dal!" en "o die
boomen!" en "o, die rotsen!" om u een rad voor de oogen te draaien,
zichzelven te rechtvaardigen en, uit een soort van wraakneming,
ook u te verleiden, om u als hen te laten teleurstellen.

Men vergeve mij deze uitweiding, alleen uit menschlievendheid
gemaakt! om een aantal jonge juffrouwen en heeren in ons vaderland, die
met een benijdend oog andere jonge juffrouwen en heeren, in de schoone
zomermaanden zien op reis gaan, schoon zij 't overal slechter zullen
hebben dan te huis; om een aantal fatsoenlijke menschen, wier drukke
bezigheden hen verbieden zich anders dan met hunne zaken te vermoeien,
te troosten; en een aantal anderen, en vooral jonggetrouwden, of
die in 't volgend jaar trouwen zullen, die reeds een reisplan voor
't eerstkomende seizoen in hun hoofd hebben--("o! zoo'n allerliefst
reisplan! overal eens kijken! van alles mee kunnen praten, in vier
weken uit en thuis; het reizen gaat tegenwoordig zoo gauw!") in goeden
ernst te waarschuwen voor de ellende, waarin zij zich gaan storten.

Dan, keeren wij tot onze stoomboot terug! Eerst gaat het goed. Men
komt vroolijk en luchtig, lustig, frisch en vatbaar voor allerlei
soort van genoegens aan boord. Men blijft op het dek totdat de stad
waar men afvoer uit het gezicht verdwijnt. Men vindt het genoeglijk
naar den linker of rechter oever uit te kijken. Dan gaat men tevreden
naar beneden en vindt de kajuit heel mooi, heel gemakkelijk, de sofa
alleruitmuntendst; het is een heele aardigheid zich op een vouwstoeltje
te zetten. Men schikt zich in gezellige groepen; men bestelt ontbijt;
men praat, men lacht, men heeft anecdoten, stads- en staatsnieuws;
men speelt met belangstelling een partij schaak; men is op zijn
gemak. Zoo is het begin. Maar een uur later, en gij ziet van tijd
tot tijd dan dezen, dan dien het hoofd uit het luik steken en op dek
komen, dit is de verveling nog niet; 't is de ongedurigheid die haar
voorafgaat. Men wil eens weten waar men in de wereld is; men wil in
de lucht zijn, men wil de mooie gezichtspunten niet verbeuren;--men
blijft een poosje boven, links en rechts en voor en achter kijkende;
het twijfelziek gemoed vraagt: "Amuseer ik mij?" De beurs antwoordt:
"Ik wil het hopen". "Pour varier ses plaisirs", gaat men eens weer
naar beneden. Men neemt een courant of een boek. Maar men is toch
eigenlijk niet op reis gegaan om couranten of boeken te lezen. Men
moet iets anders hebben dan thuis. Nu begint de leelijke verveling al,
en de eene passagier verlangt dat de andere hem den tijd korte. De
sofa's zijn niet gemakkelijk genoeg; op een vouwstoeltje, is een veel
te ongewoon zitten; allengskens ziet gij, den een voor, den anderen
na, weder op het dek komen, "'t Is beneden schrikkelijk benauwd." "Ja,
dat is 't geval wel van een stoomboot". "Die kajuiten zijn laag." "Dat
flikkeren van de zon op 't water, gij kunt niet gelooven wat een
onaangenaam effect het door de glasruiten doet". "Jammer dat het zoo
zonnig is en zoo waait." "Ik tref het nooit dat de tent opgszet kan
worden." En nu zit men op de lantaren, en dan aan de verschansing,
en dan bij het stuurrad; en dan loopt men weder heen en weer; en dan
wordt de overjas aan-, en dan weer uitgetrokken. Nu is het een op- en
nederklimmen zonder end, en de verveling in volle kracht. Uit wanhoop
wijkt men van zijn leefregel af en maakt zich ziek met chocolade en
bouillon en bittertjes en likeurtjes; het is als kreeg men een gevoel
van vuilheid en onfrischheid over zich. Beneden strekken de reizigers
zich uit op de zitbanken; boven loopen zij heen en weer; en gij kunt
zeker zijn dat elk op zijn beurt eens bij de raderkast gaat staan, om
een blik in de machine te werpen, waarvan hij niets begrijpt, met de
woorden; "'t is toch een mooie uitvinding". De uren worden hoe langer
hoe slepender. De horloges komen elk oogenblik te voorschijn; en de
berekening; "hoe _veel_ uren nog" wordt gedurig gemaakt. Zoo slijt
men een langen dag, waarin het etensuur alleen eenige tijdkorting
geeft. Maar de gerechten zijn meestal slecht. Om kort te gaan, en
opdat gij u niet evenzeer zoudt vervelen als onze reizigers: een goed
half uur voordat de boot aankomt, als de plaats harer bestemming maar
even in 't gezicht is, kunt gij zeker zijn alle menschen met jassen en
mantels en pakkage klaar te zien staan, om toch vooral bijtijds gereed
te zijn tot het verlaten van het hooggeloofd vaartuig. En dat _te
vroeg_ is de laatste, niet de minste marteling voor den ongeduldigen
geest. Zoodat een stoomboot ook al meer belooft dan zij geeft.



Maar nu houdt gij mij (ik zie het wel) na de lezing van dit alles,
voor een ontevreden, knorrig, ongemakkelijk mensch, voor een ellendig
pessimist, daar geen spit mee te winnen is, voor een akeligen
Smelfungus, die niet reist dan met het land en de geelzucht,
waardoor elk voorwerp dat hij ontmoet, miskleurd en verwrongen
wordt!--Ik moet zoo billijk jegens mijzelven zijn van te verklaren,
dat ik een geheel ander karakter heb. Integendeel, ik behoor tot de
opgeruimde, vroolijke, zich vermakende naturen; ik schik mij in alles,
mits ik aan alles een belachelijken kant mag zoeken, en daarover
uitvaren en schertsen. Ik ga verder. Ik kan u betuigen dat ik een
paar malen alleraangenaamst in een trekschuit heb gesmousjast; dat er
omstandigheden zijn waaronder, en gedachten en vooruitzichten waarmede
ik zeer gaarne in de diligence (ook in de allerslechtste, dat meestal
mijn geval is) zitten wil; dat ik mij meermalen alleruitmuntendst
op een stoomboot heb vermaakt, onder anderen ook, door al mijn
reisgenooten uit te teekenen; dat ik dikwijls met veel, zeer veel
genoegen gereisd heb; ja, dat ik, zooals ik hier zit, in mijn ruimen
lederen leunstoel, in mijn wijde kamerjapon, bij mijn lustigen haard,
in vrede en eensgezindheid met de geheele wereld, mij sterk gevoel om
alle schippers, alle conducteurs en de geheele stoomboot-maatschappij
recht hartelijk de hand te drukken;--dat eindelijk het gegronde
vooruitzicht op de spoorwegen mij zoodanig verheugt en streelt
en opwindt, dat ik, bij voorbaat reeds gelukkig, alle vaar- en
rij-jammeren geduldig dragen wil en zonder morren uitstaan.

Spoorwegen! heerlijke spoorwegen! op u zal niet gerookt worden;
want daar is geen adem!

Op u zal niet geslapen worden; want daar is geen rust!

Op u zal niet worden gebabbeld; want daar is geen tijd!

Zoo daar op u ook onaangenaamheden en jammeren zijn, zij zullen den
tijd niet hebben ons te bereiken, wij, geen gelegenheid om ze gewaar
te worden!

Maar komt! komt, heerlijke spoorwegen! Daalt als een tralie-net neder
op onze provinciën!

Vernietigers aller groote afstanden! versmaadt de kleine afstanden
van ons koninkrijkje niet!

Ja; laten de zangen onzer dichters het weldra in verrukte tonen
uitgalmen:


    "De spoorweg kwam, de spoorweg kwam!"


Laten de zakdoeken onzer schoonen u toegewuifd worden, de eere-
en gedenkpenningen onzer Munt u tegenrollen!

Dan eerst als de Nederlandsche natie, langs uwe gladde banen, dagelijks
door elkander zal geschoten worden als een partij weversspoelen,
zal er welvaart en bloei en leven en spoed in ons dierbaar vaderland
heerschen!

November 1837.



Genoegens smaken.
Uit de correspondentie met Augustijn.


"Of ik de Rotterdamsche kermis ben gaan bijwonen? De hemel behoede
mij, hoe komt gij aan dat bericht? Wie is de booze lasteraar die
mij zulk een smet aanwrijft? Wie heeft er behagen in mijne blanke,
kermishatende ziel zoo zwart te maken in de oogen der menschen? Weet
gij 't dan niet hoe ik reeds in den jare 1833, op den dag, waarop
men in mijn geboortestad goedvond de kermis in te luiden, het akelige
klokgebengel begeleidde met een improvisatie:


    Voor mij geen kermisfeestgerel,
    Geen weidsch betiteld kinderspel,
    Geen dwaasheid op haar zegewagen,
    Bij raadsbesluit en klokgeklep
    Gerechtigd voor een tiental dagen,
    Wat eerlijk mensch er tegen hebb'?

    o Laat mij, laat mijn ziel met rust!
    Wien 't aansta, mij ontbreekt de lust
    Om zooveel menschgetitelde apen,
    Zoo'n aapgelijkend menschenras
    Op straat en marktveld aan te gapen,
    Als of die klucht iets zeldzaams was!


"Weet gij wat een kermis is, _Hildebrand_? Het is een allerakeligste
mislukking van publieke vermakelijkheid; de parodie en de charge der
feestvreugde; het ideaal eener opwinding over niets; het tegendeel
van al wat welluidt, welstaat en welvoegt. Weet gij wat een kermis
is, _Hildebrand_? Het is de bacchantendienst der nieuwere tijden, de
vergoding der uitzinnigheid. Het is één enkel groot marionettenspel,
waarin wij ons vervelen en onze kleeren vuil maken. Geloof mij: de
apen uit indië, de kemelen van den ernstigen Arabier, die men er op
rondleidt, staan verbaasd van onze Hollandsche razernij, waarbij zich
gierigheid en armoede beide vergeten, het verstand ijlt, de zedigheid
haar leven waagt, de koelbloedigheid kookt, en de dwaaste lach zich
met de vernuftigste tronie verdraagt. Wij voor ons hebben altijd,
voor zooveel ons mogelijk was, den besmetten dampkring der kermissen
gemeden en geschuwd; wij hebben ons geld en ons gezond verstand altijd
te lief en altijd te weinig van beiden te verteren gehad, dan dat wij
het te grabbelen zouden gooien in dien poel van triviale genoegens. Wij
hebben ons altijd verbeeld dat de zakkerollers, weinig anders bij ons
vindende, onze waardigheid stelen zouden, en de horoscooptrekkers ons
'quant-à-moi' ontsluieren; dat de goochelaars ons een deel 'goûts
populaires' in den zak zouden moffelen; terwijl wij misschien den
mantel van onzen ernst in den vauxhall hangen lieten, en ons vernuft
voor een koordedanserspel werd geronseld."

Wat dat laatste betreft, mijn edele _Augustijn_! loopt gij
groot gevaar; althans indien gij voortgaat in dezen stijl te
schrijven. Waarschijnlijk, daar is iets zeer acrobatisch in! Het
wipperige van het koord en het opgeschikte van den danser spreken
er uit. En dan al die sprongen op eene breedte niet dikker dan mijn
rotting! Waarlijk gij zijt geschikter voor de kermis dan gij denkt,
en ik zou lust hebben er u rond te leiden en aan alle vroolijke
feestvierders te laten kijken als "mijn dierbaren vriend _Augustijn_,
lang één el, zeven palm, oud 26 jaren, een volmaakten kwast, maar van
het schuwe soort. Dit zonderling dier verbeeldt zich nergens pleizier
in te scheppen, waar een ander zich mede vermaakt; verstaat latijn en
grieksch; leest alle mogelijke boeken; vindt ze geen van allen mooi;
eet verschrikkelijk veel, maar wil 't niet weten; is goedig van aard,
maar ontzettend kwaadaardig wanneer men het wil amuseeren; is reeds
zevenmaal van aard veranderd; zal nog zevenmaal veranderen".

Inderdaad, mijn waarde! gij moet het leven eenvoudig nemen; 't zou u
beter staan en het leven zou u beter bevallen. Daar hebt gij nu de
Rotterdamsche kermis--zij is mogelijk wat al te dol, ik geloof het
gaarne.--"Hoe?"--durft gij mij schrijven, "zal ik zonder noodzaak
plaats nemen in den mallemolen en mij beneden eekhorens en witte
muizen, die wel draaien _moeten_, verlagen? Zal ik mij als een
razende dweper den beulen toewerpen en uitroepen: 'Ik ben ook een
martelaar?'" Hoor eens hier, mijn verheven briefschrijver; zie mij
eens goed in de oogen! Best! En laat ik u nu zeggen, dat gij er niets
van meent. Wat hebt gij uitgevoerd, kwast! in die acht dagen, dat de
Rotterdamsche kermis geduurd heeft? Immers niets dat de moeite waard
is. Boeken gelezen, brieven geschreven, en om de kermis gelachen. Gij
moest eens weten hoe de kermis om u zou gelachen hebben, indien zij 't
geweten had.--Gij hebt twee mooie, lieve nichtjes; vroolijke, prettige
meisjes, rechte spring-in-'t-velden. De Rotterdamsche meisjes _zijn_
vroolijk. Met deze hadt gij langs de kramen moeten wandelen; voor deze
allerlei lieve kleinigheden moeten koopen. Snuisterijen uit lava zijn
tegenwoordig het meest aan de orde. Die hadt gij niet leelijk moeten
vinden, omdat zij, ik, en een ander ze mooi vinden. Misschien vinden
wij ze toekomende jaar geen aanzien waard. Daar zijn we niet minder om,
vriend! Dan is er weer wat anders, dat ons bevalt; de zaak vereischt
zooveel ernst niet, en 't behoort tot de genoegens van ons leven,
dáár dan weer blij mee te zijn.

Op het fatsoenlijk uur, als de fraaie wereld bijeenkomt, hadt
gij uw nichtjes rond moeten leiden, en er u volstrekt niet aan
moeten ergeren als ze wat veel menschen aanspraken en gij wat al te
dikwijls hoordet welke kraam de mooiste was, En dan had er leven en
belangstelling in uw gezicht moeten zijn. Gij zijt er niet te groot
voor, _Augustijn_! Niemand is te groot om zich met kleinigheden en
kleinen te vermaken. Kijkspellen wil ik niet zoo zeer aanraden,
of het moeten zulke zijn, waar men u op een grove wijze bij den
neus heeft; zoowat boerenbedrog, weet ge, is wel aardig voor iemand
die veel boeken gelezen heeft. Over de beestenspellen kent gij mijn
gevoelen. Maar in 't geen ik daar wel eens tegen gezegd heb is ook
vrij wat overdrevenheid, mijn vriend! en als men het letterlijk op
wilde nemen of... Maar letterknechten zijn wij niet, zoo min als
letterhelden!--daar hoort nog meer grieksch bij, _Augustijn_, dan
gij verstaat. Wij mogen ook wel eens doorslaan, dunkt mij, als het
thema goed gemeend en diep gevoeld is, en als dan de eene gedachte
de andere uitlokt en wij worden er warm bij, of vroolijk!--Op die
rekening wil ik dan ook een goed deel uwer philippica tegen de
kermisvreugde schrijven. Men moet edelmoedig zijn en scherts als
scherts verstaan. Niets is zoo kinderachtig, zoo onaardig en zoo
inhumaan als geestig te willen zijn door de ontleding van eens anders
grappen. Dat behoort wel wat te veel tot de onaangename genoegens van
onze dagen; maar ik wil er mij niet aan bezondigen, en daarom heb ik
niets tegen uw "bacchantendienst", en uwe "vergoding van uitzinnigheid"
en uwen "besmetten dampkring", maar alleen heb ik dit tegen u, dat
gij laag op de kermis neerziet.

Vreugde is een aardig ding, mijn goede vriend! niet alleen om te
smaken, maar ook om te zien. Jongens, gij moest eens een _boere_kermis
bijwonen! Des namiddags, het heele dorp en de nabijgelegen gehuchten
op de been. Honderd boerewagens, honderd roodwangige boeren met
zilveren haken in de broek en gouden knoopen aan de das, die een
dikke kuit tegen den disselboom uitstrekken; en de boerinnetjes netjes
uitgestreken in lichtgroen en donkerrood, met wapperende linten aan
de stroohoeden, met al het goud dat zij hebben aan 't hoofd, en de
onderom van het jak vooral niet lager dan de schouderbladen. Dan
wordt er uitgespannen en men zit neder aan de lange smalle tafels
op schragen van de kleine herberg "Het Dorstige Hart" of "de Laatste
Stuiver"; of men drentelt langs de kleine kraampjes; of men schaart
zich rondom de kleine loterijen van beschilderde karaffen en kelken,
houten naaldekokers en stalen vorken. En dan moet ge de dikke proppen
van kleine jongens zien, met wit haar en witte tanden, bezig met
"koek te smakken", en hun winst in broekzak, buiszak, en tot in de pet
wegstoppende; of de kleine boeremeisjes, gegroept om een kruiwagen
met gouden ringen van een cent het stuk, allen met een kraakamandel
tusschen de tanden en kruidnoten in de hand. Dat 's nog maar een begin.

Maar 's avonds als de frissche dochters; neen! de glundere moeders
óók nog wel; voor de "fiedel" staan, met boeren en knechten, en voor
vier duiten een deuntje dansen.


    "Kan je dan geen schotsche drie?"
    "Kan je dan niet dansen?"


en zoenen moeten, als de lustige speelman in den hoek, achter de
kam strijkt!....

Daar moet ge eens heen, _Augustijn_! dat is veel aardiger dan blasé
of philosoof te zijn, en daar zult gij zien, hoe men zich te meer
vermaakt, naarmate men eenvoudiger van hart en zin is. Maar gij
moet er niet komen met een gezicht als een commissaris van politie,
die kijken komt of alles goed en ordelijk toegaat; ook niet met dat
medelijdend lachje, waarmee sommige menschen zich portretteeren laten
en waar gij eigenlijk in den grond te goed voor zijt; ook al niet
met een gelaat van berekende lievigheid, alsof het den aanwezigen
een groote eer moet zijn dat _gij_ eens komt kijken. Geloof mij, ook
de boer bemerkt en gevoelt als bij ingeving wat daar beleedigends in
is, en het maakt u nooit tot wat hij een gemeen (gemeenzaam) mensch
noemt. Neen, gij moet er komen met een fermen, bollen lach om den mond,
alsof gij zoozoo mee zoudt willen doen. Ik voorspel u dat gij er meer
neiging toe gevoelen zult dan gij zoudt willen weten. Blijdschap is
aanstekelijk, maar men moet er vatbaarheid voor hebben, en men moet
bijv. niet op een Hollandsche boerekermis komen met een Sehnsucht
"naar Italië's dreven", waar de hemel altijd blauw enz. is, en
ook al niet met waanwijze opmerkingen, als bijv. "wat een heel
andere figuur is een Hollandsche boer toch dan een van Normandye,
Bretagne, of uit het Piémonteesche!" waarbij gij immers niet aan
Normandye of Bretagne of Piémont denkt, maar alleen aan de Colins
en Lubins van den Vaudeville, met hunne sneeuwwitte overhemden,
roode bretels, schuinsche hoedjes met kostbaar lint, fijne handen,
geblankette gezichten, en teedere sentimenten. De poëzie, _Augustijn_,
is overal; maar die welke men opmerkt in de werkelijkheid, is beter
dan de aangeworvene of aangewaaide. Vele menschen toetsen hetgeen
zij vinden aan hetgeen zij lazen, in plaats van hetgeen zij lazen aan
hetgeen zij vinden. Ongevoelig en van lieverlede zijn zij volgeraakt
van indrukken uit boeken en vertooningen, waarvan zich hun ziel een
geheel gevormd heeft, dat zij zweren zouden dat hun ondervinding
was. In 't geheel niet; het maakt juist dat zij nooit ondervinding
krijgen, nooit zullen zoeken, en dus ook nooit zullen vinden; dat
zij nooit zichzelven, nooit hun tijd, nooit de menschen doorschouwen
zullen, en van alles slechts een negatief begrip hebben: "het is
dit niet, het is dat niet," even als zoo menig resencent, die den
titel van een boek leest en zegt: "het zal, het kan, het moet dit
of dat wezen",--liever dan te vragen: "wat is het?" "Het is _mijn_
mooi niet", zegt iemand, en draait zich af van mooi _Guurtje_. Maar
lief _Lijsje_ dan? "Ook niet." Maar blonde _Bartje_, maar _Geertje_,
maar _Duitje_? maar het geheele alphabet?--"Geen van allen." Mag
ik weten wat mijnheers mooi is? Mijnheers mooi is een onbepaald,
een zwervend, een schemerend ideaal, saamgesteld uit twintig diverse
Engelsche staalgravures en vijftig steendrukken van _Grevedon_, met
en benevens vijftig beschrijvingen van mooie actrices en maîtresses,
uit feuilletons en mémoires. Nu was het toch beter en genoeglijker, het
Hollandsche mooi in het Hollandsche gelaat te zien, en het Hollandsche
genoegen in den Hollandschen lach, en den Hollandschen aard in het
Hollandsche hart, en de Hollandsche poëzie in de Hollandsche vormen,
daden, en toestanden,--beter dan al die knorrigheden en verdrietigheden
en gemaaktheden, waarmee men heel wat figuur schijnt te maken, maar
groot gebrek aan waren wijsgeerigen of dichterlijken zin betoont.



Zoo is het vooral met het smaken der genoegens. 't Zou toch wel raar
wezen, _Augustijn_! dat dingen, die voor jaar en dag voor genoegens in
de wieg gelegd zijn en sinds jaar en dag voor genoegens aangenomen,
geheel en al hun bestemming zouden misloopen, en de volkomen
ongeschiktheid hebben om menschen met goede gewetens vroolijk en
gelukkig te maken. "Anderen wel"--zegt ge--, "maar mij niet!" En
waarom niet? Omdat de schuld aan u ligt, zou ik denken.--Dat is
het geluk der kinderen, dat ze niet onderzoeken of beproeven, of
er ook een verdrietige kant is aan hetgeen hun voor genoegen wordt
aangerekend, of het de moeite waard is in hun schik te zijn. Een
vlieger oplaten--plezier hebben; een zak vol knikkers--plezier hebben;
uit rijden gaan, een dag vacantie, een avond opblijven--plezier
hebben! ziedaar hun logica. Als men ouder wordt is het: kan, moet,
zal, wil, durf, denk ik, door dit of veeleer door dat, geheel of
gedeeltelijk, of te kort of te lang, of waarachtig of schijnbaar,
genoegen, ware vreugde, genot, of slechts tijdpasseering te hebben;
òf is alles maar zelfbedrog? Dat moet niet wezen. Dat is goed als
men oud en af is. Maar wie geeft u en uws gelijken het recht alles
dooreen te warren en over jongelingsgenoegens met een mannenhoofd te
redeneeren, alsof niet ieder wijs man den jongeling zijne genoegens
benijdde! Daar wordt dan de arme twintigjarige--ik weet het best,
lieve vriend!--plotseling "te groot voor de aarde", die hij niet kent,
te verfijnd van gevoel voor genoegens, welker grofheid hij slechts
onderstelt; dan giet hij den frisschen beker ledig, die hem zou
verkwikt hebben; dan leeft hij een aangetrokken dichterlijk leven;
maakt misschien slechte, zinledige woordenschermutselingen op rijm,
waarin komt van: "'t stof te verachten, op adelaarspennen, der zon in
't aangezicht", en van allerlei visioenen, die een goed dichter nooit
gezien heeft; en intusschen slaapt de waarachtige poëzie, die binnen
in hem is, den gedwongen doodslaap in.--_Augustijn_, waak er tegen!--en
neem dit briefje als een klein kermisgeschenk aan. Uw u liefhebbende

1838.

_Hildebrand_.



Een Oude Kennis.



Hoe warm het was, en hoe ver.


Het was een brandendheete vrijdagachtermiddag in zekere Hollandsche
stad; zoo heet en zoo brandend, dat de mosschen op het dak gaapten,
't welk, op gezag der Hollandsche manier van spreken, de grootste
hitte is, die men zich voor kan stellen. De zon scheen vinnig in de
straten en glinsterde op de van droogte poeierig geworden keien. In die
straten, die tegen het zuiden liepen en dus geen schaduwkant hadden,
bracht zij de voorbijgangers letterlijk tot wanhoop. De kerels, die
met kroosjes en wijnperen rondwandelden, veegden alle oogenblikken
hunne voorhoofden met hunne linnen voorschoten af; de sjouwermannen,
die anders gewoon zijn in hydrostatische verstrooidheid hunne leden
over de leuningen der bruggen te doen hangen, een houding waaraan zij
hier en daar den vereerenden naam van baliekluivers te danken hebben,
lagen aan den oeverkant voorover op hunne ellebogen uitgestrekt, met
een pot karnemelk in plaats van jenever; de metselaren op karwei,
aan den voet van een steiger op een balk neergezeten, met hunne
ellebogen op de knieën en hunne twee handen om een spoelkom geklemd,
bliezen wel eens zoolang over hunne thee als gewoonlijk, en dus zeer
opmerkelijk en verwonderlijk lang; de dienstmeiden, die boodschappen
deden, konden de kinderen, die meegegaan waren op hope van een pruim
of een vijg bij den kruidenier toe te krijgen, nauwelijks over de
straat voortsleepen, en uitten in 't voorbijgaan een diep en innig
medelijden jegens de werkmeiden die de "straat deden" met geblakerde
gezichten en onder de kin losgemaakte mutsen. Niemand was bedaard,
dan hier en daar een enkel grijsaard, die met blauwe slaapmuts op en
zwarte muilen aan, met de beenen op zijn stoepbankjen uitgestrekt,
een pijp zat te rooken, in gezelschap van een violier en een balsamine,
zich verheugende in den "ouërwetschen dag weer"

Bij eene dergelijke weersgesteldheid heeft men waarlijk te weinig
medelijden met dikke menseben. Wáár is het, dat zij u dikwijls
warm en benauwd maken, als ge u door bedaardheid en kalmte nogal
schikken kunt in de hitte, door bij u te komen blazen en puffen en
eene onweerstaanbare aanvechting te doen blijken om hun das los te
maken, terwijl zij u met uitpuilende oogen aankijken; maar ook--de
schepsels _hebben_ het kwaad. Dikke mannen en dikke vrouwen van dit
wereldrond! hetzij gij in de laatste jaren uwe knieën en voeten nog
hebt kunnen zien, of dat gelukkig punt van zelfbeschouwing reeds lang
hebt moeten opgeven! wie ter wereld met uw embonpoint, uw presentie,
uw corpulentie spotten moge--in _Hildebrands_ boezem klopt voor u
een medelijdend hart.

Onder de gezette personen der nieuwere tijden verdiende, schoon niet
een eerste, maar toch ook eene plaats, de heer Mr. _Hendrik Johannes
Bruis_; een dier bevoorrechten, wien het nooit gebeuren mag een heel
oude kennis te ontmoeten, zonder dat het eerste woord tot hen is:
"Wat ben je dik geworden!" terwijl een iegelijk, die in veertien
dagen het geluk niet gehad heeft hun aangezicht te aanschouwen, hun
verklaart dat zij _"alweer_ dikker geworden zijn"; een dier gelukkigen,
die in duizend wenken van hunne bloedverwanten, vrienden, en vooral
van hunnen arts, duidelijk bemerken, dat zij onder de sterke verdenking
leven van aan een beroerte te zullen sterven, en die, met dat al, door
hun gestel genoopt worden al datgene te doen, te eten, en te drinken,
wat volstrekt schadelijk is, dikker maakt, opstijging veroorzaakt, en
het bloed op alle mogelijke wijzen aanzet; een dier gelukkigen die,
zoo zij het des zomers warm hebben door zwaarlijvigheid, het winter
en zomer warm hebben door drift, opvliegendheid en agitatie.

De heer Mr. _Hendrik Johannes Bruis_ bewoog zich op bovenbeschreven
brandendheeten vrijdagachtermiddag, omstreeks klokke vijf uren, langs
een der straten van de stad, die ik niet genoemd heb, en zulks, de
hitte des dags en zijn postuur in aanmerking genomen, veel te snel. Hi]
hield in de eene hand zijn hoed, en in de andere zijn gelen zijden
zakdoek en zijn bamboes met ronden ivoren knop, met welken knop hij
zich verscheiden malen in schutterige beweging tegen 't hoofd stiet,
als hij den zakdoek gebruiken wilde. Achter hem aan huppelde een kleine
straatjongen, die's mans overjas over den arm en zijn valies in de
hand droeg, zonder hoed of pet op 't hoofd, met een blauw buis met
een zwarten lap in den eenen, en een grijzen in den anderen elleboog,
en waarvan de eerste knoop (een zwartbeenen) werd vastgehouden door
het vierde koopsgat, terwijl de tweede (een geelkoperen), die op de
plaats van de vierde stond, door het zesde werd bedwongen. Hij was zoo
gelukkig in dezen warmen zomertijd geen kousen te dragen; als aan den
ingang zijner klompen, en nog daarenboven hier en daar, merkbaar was.

"Nu, waar is het nu, jongen? waar is het nu?" vroeg de heer
Mr. _Hendrik Johannes Bruis_ ongeduldig.

"Dat eerste huis met dat platte stoepie," antwoordde de jongen;
"de tweede deur voorbij den spekslager; naast het huis daar die
spiegeltjes uitsteken."

"Goed, goed, goed," zei de heer Mr. _H.J. Bruis_.



De spekslager en de spiegeltjes waren achter den rug, en de dikke
man stond op de stoep van Dr. _Deluw_, zijn academievriend, dien hij
sedert zijn huwelijk niet gezien had; want de heer _Bruis_ woonde in
een Overijselsch stadje, waar hij meester in de rechten, maar geen
advocaat, echtgenoot, maar geen vader, lid van den raad en koopman
was. Hij moest in Rotterdam wezen, en had een omweg gemaakt om op
dezen heeten achtermiddag zijn vriend Dr. _Deluw_, diens vrouw,
en diens kinderen te zien. Hij trok daarom haastig aan de schel,
greep zijn valies, en nam zijn jas over den eigen arm.

"Daar mannetje! maak nou maar dat je wegkomt."

De jongen kwam weg, en wel op een draf; juist niet omdat het zoo warm,
maar omdat hij een jongen was en een aardiger fooitje had gekregen
dan hij verwacht had, waar daarenboven zijn vader niet van wist. In
een oogenblik was hij de lange straat al uit, en stond, denk ik, hier
of daar zich te vergasten aan een komkommer in 't zuur, een maatje
"klapbessen", of eenige andere straatjongenslekkernij, waarvoor men
fatsoenlijke kinderen nooit vroegtijdig genoeg afkeer kan inboezemen.

Intusschen ging Dr. _Deluws_ deur nog in lang niet open, en zag zich
de heer _Bruis_ genoodzaakt nogmaals aan de schel te trekken. De
schel ging deugdelijk over: en gaf blijken van een zeer helklinkende
specie te zijn; maar de heer _Bruis_ merkte geen enkel geluid binnen
de woning van zijn vriend, dat zijn gelui beantwoordde. Na nog eenige
malen zijn voorhoofd afgeveegd en met den stok op de stoep getipperd
te hebben, schelde hij ten derdemale, en begon tevens door de smalle,
van achteren getraliede raampjes, die ter wederzijde in den post van
de deur waren, in het voorhuis te turen; maar hij zag niets dan den
slinger van een groote groene pendule, een guéridon met een leitjen
er op, en een blauwe katoenen parapluie; daarop keek hij ook over de
gordijntjes van de zijkamers, dat evenwel moeilijker was, daar hij
door de franje van de trekgordijnen heen moest zien. Hij zag in de
eene kamer duidelijk een inktkoker met twee lange schrijfpennen op
tafel staan, en in de andere een mansportret; maar noch de pendule,
noch de guéridon, noch de inktkoker, noch zelfs het mansportret konden
den heer Mr. _Hendrik Johannes Bruis_ de deur ontsluiten.

De heer _Bruis_ was ondertusschen nog warmer dan warm geworden, waar
zijn ongeduld en de jas over den arm niet weinig aan toebrachten. Hij
schelde dus voor den vierden keer, en nu zoo luide, dat de juffrouw
naast de deur, die in haar spiegeltje keek en hem al lang gezien had,
"er akelig van werd", haar naaiwerk van haar knie losspeldde (zij
moedigde de uitvinding van schroeven, plombs en spanriemen niet
aan), een bovendeur opendeed en aan den heer _Bruis_ verklaarde:
"dat er niemand _in_ was."

"De dokter ook niet?"

"Neen, menheer."

"Mevrouw ook niet?"

"Neen, menheer; ik zeg je ommers dat ze der allemaal op uit zijn...."

"Waar zijn ze dan naar toe?"

"Dat weet _ik_ niet, menheer! Ze zijn allemaal uit, en de meid is
alleen thuis."

"Waarom doet dan de meid niet open?"

"Wel, omdat ze der niet _in_ is, menheer."

"En je zegt, ze is thuis?"

"Ja, maar daarom kan ze der wel niet _in_ zijn," zei de juffrouw,
sloot haar bovendeur, en zulks met te meer haast omdat haar witte poes
zich juist gereed maakte over de onderdito te springen, en liet den
heer _Bruis_ alleen, om, indien hij wilde, in stilte te gissen naar het
verschil der termen "thuis", en "der in". Hij zou, indien hij er geduld
toe had gehad, begrepen hebben dat "thuis te zijn" een plicht was,
der meid door de familie _Deluw_ opgelegd, waarvan "der in" te zijn,
naar haar eigene uitlegging, slechts een klein gedeelte uitmaakte.

Om dit op te helderen kwam er een stem uit een schoenlapperspothuis
aan den overkant.

"Ze bennen in de toin," riep de stem, "en de maid is om een
bo-skap. Daar komt ze al an."

Het woordeken _al_ had in dezen volzin, naar het oordeel van den
heer _Bruis_, gevoeglijk kunnen gemist worden; maar werkelijk zag
hij een niet onaardige meid aankomen, met een grooten sleutel in de
hand en zoo gauw als zij, zonder in den draf te vervallen, gaan kon;
zij kwam de stoep op, schoot ZEd. voorbij, sloot met voorbeeldelooze
gezwindheid de deur open, en stond vóór hem op de vloermat.

"Wou u meheer gesproken hebben?" vroeg de meid.

"Ja. Mijnheer schijnt niet tehuis te zijn."

"Neen, meheer; meheer, en mevrouw, en de juffrouw, en de jongeheer
en al de kinderen zijn Buiten, en ik ben maar alleen thuis om op de
boodschappen te passen."

Nu, de heer _Bruis_ had gelegenheid gehad om zich gedurende een groot
kwartier te verlustigen in de nauwgezetheid, waarmee deze doktersmeid,
die intusschen een langdurig gesprek gevoerd had met de dochter van
een fruitvrouw, die uit naaien ging en voor een opgeschoven raam zat,
zich van dezen haren plicht kweet. Hij had evenwel te veel haast om
verwijten te doen.

"Waar is Buiten?" vroeg hij: "is het ver? waar is het?"

"In de Meester-Jorislaan," antwoordde de meid.

"In de Meester-Morislaan,"--zei _Bruis_ met de alleruiterste
verachting. "Wat weet _ik_ van de Meester-Morislaan?"

Daar was, naar het gevoelen der meid, meer aanmatiging in de houding
en den toon van den heer _Bruis_ dan aan haar knap gezicht behoorde
te beurt te vallen. Zij was dus billijk geraakt.

"Ik kan 't niet helpen dat u 't niet weet!" zei de meid droogweg,
en maakte eene beweging met het slot, alsof de heer _Bruis_ nu wel
heen had kunnen gaan.

De heer _Bruis_ veranderde van toon.

"Hoor reis, meisje! ik kom hier per diligence expres om den dokter en
de familie te zien. Als 't nu niet te ver is, wil ik wel naar Buiten
wandelen. Kanje 't me niet beduiden?"

Hij keek smachtend de straat door, of er ook nog een jongen was,
die hem derwaarts brengen kon; maar niemand deed zich op.

De meid verwaardigde zich intusschen de vereischte inlichting te geven,
en de heer Mr. _H.J. Bruis_ trok naar het Buiten van Dr. _Deluw_.

Toen hij een huis of wat verder was, bemerkte hij pas, dat hij zijn
jas nog over den arm en zijn valies nog in de hand droeg.

Hij kwam dus terug, schelde nog eens aan, om een en ander aan de
meid te bewaren te geven; maar _Grietje_ was waarschijnlijk alweer
bij haar vriendin, en de heer _Bruis_ zag zich genoodzaakt, op dien
brandendheeten vrijdagachtermiddag, zijn overjas en valies zelf te
torsen, met het stellig voornemen om, zoo hij ooit zoo ver komen
mocht van Dr. _Deluw_ te zien, zich bij hem over zijn meid te beklagen.

Tot 's mans geluk was de stad, die ik nog altijd niet genoemd heb,
niet groot, en de heer _Bruis_ merkte spoedig genoeg de poort, die
hij uitmoest, ofschoon het bestijgen en niet minder het afdalen van
twee aanmerkelijk hooge bruggen hem vrij wat geknauwd had. Aan de poort
gekomen had hij den gelukkigen inval zijn jas en valies aan de zorg van
een commies toe te vertrouwen; hij trad daartoe het commiezenhuisje
binnen, maar er was niemand in; daar hij evenwel een persoon met
een grijze jas bemerkte, die aan den overkant van den singel stond
te hengelen en er vrij commiesachtig uitzag, legde hij zijn goed
maar neer, en zich daarop tot den visscher wendende, die inderdaad
een commies was, liet hij zich meteen van dezen nog eens omtrent de
ligging van de "Meester-Morislaan" onderrichten. Ik zou hem onrecht
doen, indien ik zeide dat de heer _Bruis_ de onderrichtingen van
_Grietje_ vergeten had, vermits hij er in zijn drift weinig naar had
geluisterd. Hij moest "eerst een eindweg den singel op, dan een laan
in, dan rechtsomslaan, totdat hij aan zoo'n wit paaltje kwam: dan weer
links-, en dan weer rechtsom, en dan was hij in de Meester-Jorislaan".

"En het Buiten van Dr. _Deluw_?"

"Daar heb ik nooit van gehoord," zei de commies, "maar er zijn veel
tuinen in. Hoe hiet het?"

"Veldzicht."

"Veldzicht," zei de commies, die verlangde van den heer _Bruis_ af te
komen, daar hij aan zijn dobber meende te merken dat hij beet kreeg;
"neen, menheer; dat is mij onbekend."

De heer _Bruis_ wandelde op. De singel bracht hem een weinig tot
zichzelven, want er stonden aan weerszijden hooge boomen; maar die
zaligheid was spoedig uit, vermits de stad, in een oogenblik van
geldverlegenheid, voor een illuminatie op 's konings verjaardag
een groote partij boomen had doen vallen, in wier plaats zich nu,
op naam van jong plantsoen, eenige dunne twijgjes vertoonden, om
het andere verschroeid. Hij was dus weder doodaf, toen hij, tusschen
twee zwarte schuttingen in, eene smalle laan zag, die hij meende te
moeten ingaan. Het was eenzaam in die laan. Niets dan schuttingen,
waar boomen boven uitstaken; niets dan tuindeuren met opschriften en
nommers! Een enkele mosch sprong er rond. De heer _Bruis_ wandelde
voort met zijn hoed in de eene, en met zijn stok en zakdoek in de
andere hand, gelijk in de straten der stad, maar nu altijd een weinigje
schuinsrechts in zijn houding, vanwege zijn vurige begeerte om, naar de
aanwijzing van den commies, rechtsom te slaan. De gelegenheid deed zich
echter niet op, en de heer _Bruis_ stond eindelijk vlak voor een vrij
breed water en vlak naast een vuilnishoop met vele bloemkoolstruiken,
saladebladeren, potscherven, verlepte ruikers, en doornappels, die,
midden in de verrotting bloeiende, hun bedwelmenden geur in de lucht
verspreidden.

Het was blijkbaar dat de heer _Bruis_ de verkeerde laan had ingeslagen,
en hoewel de vuilnishoop onaangenaam was, deed toch de nabijheid van
het water hem zooveel genoegen, dat hij besloot daar een oogenblik uit
te rusten alvorens hij terugkeerde. Hij zette zich tot dat einde zoo
dicht mogelijk aan den waterkant neder, en met zijn zakdoek waaierende,
en met zijne rede zijn ongeduld afkoelende, slaagde hij er vrijwel
in zich een weinigje tot kalmte te brengen. Rechts en links langs den
oever kijkende, bemerkte hij aan zijn linkerhand op eenigen afstand een
vierkanten zeegroenen koepel, waarin zich eenige menschen bewogen, en,
hoewel hij ze niet kon onderscheiden, was het als of 't hem ingegeven
werd, dat dit het Veldzicht van zijn vriend den dokter wezen moest; en
dat het dien naam dragen kon, bewees het vergezicht aan den overkant
van de vaart; want het was weiland links en rechts, ver en wijd, tot
aan den blauwen horizont; niets dan groen en geel en zonnig weiland!

De heer _Bruis_ nam den wandelstaf weder op, ging de laan terug, en
was weder op den singel. Weldra deed zich een andere laan aan hem voor,
die hij echter goedvond eer hij ze intrad, eens af te gluren. Hij zag
dan ook dat er spoedig gelegenheid zou zijn rechtsom te slaan, en dit
gedaan hebbende was hij ook al heel gauw bij het witte paaltje. Toen
ging hij links en toen weer rechts, en hij was naar alle gedachten
in de "Meester-Morislaan".

Voor een tuindeur, die aanstond, zat een klein kind met een zwart
jurkjen aan, een zwart mutsje met een zwart kantjen er om op, en een
zwart gezichtje voor, zich vermakende met een pompoen en verscheidene
aardappelschillen.

"Is dit de Meester-Morislaan, lief kind!" vroeg de heer _Bruis_.

Het kind knikte van ja.

"Waar is hier ergens Veldzicht?"

Het kind zei niets.

De heer _Bruis_ werd moeilijk, niet zoo zeer op het kind, maar op de
verborgenheid van Veldzicht.

"Weetje 't niet?" vroeg hij, een toon of drie te hard.

Het kind liet den pompoen en de aardappelschillen vallen, stond op,
begon te huilen, en liep den tuin in.

De heer _Bruis_ zuchtte. De "Meester-Morislaan" scheen zeer lang te
zijn, en de tuindeuren waren menigvuldig. Hij las allerlei namen. Namen
van ophef en grootspraak, als: Schoonoord, Welgelegen, Bloemhof,
Vreugderijk; namen van tevredenheid en berusting, als: Mijn genoegen,
Weltevreden, Buitenrust; naïeve namen, als: Nooit Gedacht, Klein maar
Rein, Hierna beter; maar ook een aantal geographische, als: Nabij,
Bijstad, Zuiderhof; en optische als: Vaartzicht, Weizicht, Landzicht,
Veezicht, Veelzicht,--dit laatste leek in de verte al heel veel op
Veldzicht, maar het was toch Veldzicht niet.

Eindelijk waren er twee deuren, daar niets op te lezen stond dan Q 4
N_o_ 33 en Q 4 N_o_ 34. Een van die beide deuren kon Veldzicht zijn! De
heer _Bruis_, hoe driftig ook en ongeduldig, was bescheiden. Hij ging
dus N_o_ 33 voorbij, om met het eerste het beste voor Veldzicht aan
te zien, en klopte aan N_o_ 34.

Na een poosje wachtens, werd hem opengedaan door een zeer lange,
statige, prentachtige dame, met een rouwjapon aan, een wit kemelshaar
loshangend doekje op haar schouder, een zwarten hoed, dien zij voor
de zon zeer voorover op haar neus had gezet, een groenen bril, een
klein bewijs van baard op haar bovenlip, en een boek in de hand.

"Is hier Veldzicht, mevrouw?" vroeg de heer _Bruis_.

Waarom zag hij niet dat het geen mevrouw was?

"Neen menheer!" antwoordde de juffrouw verschrikt voor een "vreemden
man", misschien wel meenende dat het iemand was, die haar bestelen
wilde: "Dat's hier àldernaast", en toe vloog de deur.

De heer _Bruis_ klopte aan Q 4 N_o_ 33.



Hoe aardig het was.


"_Jansje_! daar wordt geklopt;" riep een vrouwelijke stem.

"Ik hoor het wel, juffrouw!" riep _Jansje_.

Het was evenwel meer dan waarschijnlijk dat _Jansje_ er niets van
gehoord had; nademaal zij allerijselijkst veel pleizier had met den
tuinknecht, die haar met water gooide.

Mijnheer _Bruis_ had juist lang genoeg bij den vuilnishoop uitgerust
om een lief plan van verrassing te vormen. Zoodra _Jansje_ hem dus
opendeed en hem onderricht had dat dit dégelijk Veldzicht was, en
dégelijk Dr. _Deluws_ tuin (want daarin scheen de stem uit het pothuis
toch maar gelijk gehad te hebben, dat het een Tuin was en geen Buiten)
zeide hij:

"Goed, meidlief! wijs me dan den weg maar naar den koepel; ik ben
een oud vriend van mijnheer; ik wou mijnheer maar verrassen."

"Wil ik dan niet eerst gaan zeggen dat meheer er is?" vroeg _Jansje_.

"Vooral niet, kind; ga maar vooruit, wilje?"

De tuin was een lange smalle strook langs de vaart, aan welker oever
de heer _Bruis_ eenige oogenblikken te voren een weinig adem geschept
had, zag allerschrikkelijkst groen, en had niet dan zeer smalle
wandelpaadjes, aan weerskanten met aardbeiplanten omzoomd. Die er
inkwam stond billijk verbaasd, dat het mogelijk geweest was zoo veel
appel- en pereboomen, zoo veel aalbes- en kruisbesstruiken in zoo'n
klein bestek bijeen te dringen, en was gedurig genoodzaakt te bukken
voor de eersten en uit den weg te gaan voor de laatsten. In één woord,
het was wat de steelui met verrukking een "vruchtbaar lapje" noemen, en
waar zij onbegrijpelijk veel wil van zouden hebben, indien de buitenlui
er niet dichterbij woonden, vroeger opstonden, en eer wisten dan zij,
wanneer ieder bijzonder ooft geschikt zou wezen om geplukt te worden.

"Warm weertje vandaag, meheer!" zeide _Jansje_, toen men een eindje
voortgewandeld was, en zij meelijden begon te krijgen met het hijgen
en blazen van den gezetten heer achter haar.

"Ja kind, schrikkelijk, schrikkelijk!" zei _Bruis_; "is er niemand
in den tuin?"

"De familie is op den koepel," was het antwoord, "behalve juffrouw
_Mientje_, die daar zit te lezen."

_Jansje_ en de heer _Bruis_, het slingerende paadje volgende, kwamen
op dit oogenblik aan den waterkant, en werkelijk zat daar, onder een
klein treurcypresje, op een smal gazonnetje, de oudste dochter van zijn
vriend _Deluw_, op een groene tuinbank, met handschoentjes aan, een
boek in de hand en een hondje aan hare voeten "Buitentje te spelen",
zich ergerende dat er in het laatste uur niemand aan den overkant
voorbij was gegaan, en dat er geen mensch in de trekschuit gezeten had.

Zij liet het hoofd zeer plechtig op de borst vallen, toen de heer
_Bruis_ haar groette; maar het hondje vloog op en blafte radeloos tegen
den amechtigen, die het dolgraag een slag met zijn bamboes gegeven
had; dan, hij durfde niet, omdat het een juffershondje was, en hij
zijn vriend juist niet verrassen wilde door met een moord te beginnen.

De zeegroene koepel deed zich nu weldra op. Hij scheen vrij ruim te
zijn, en had nog een klein bijkamertje, met een schoorsteentje en een
vuurplaat om water op te koken, een tang, en een kastje daar niets
in was. Alle deze wonderen begreep _Bruis_ reeds op een afstand. De
koepel zelf ging met een trapjen op.

"Dankje, meisje!" zei hij tot _Jansje_, toen hij op tien passen van
den koepel was, en langzaam sloop hij er naar toe. Gelukkig waren
de blinden voor de ramen aan den tuinkant dicht gelaten en was de
deur niet van glas, als anders aan die kijkkasten het geval wel
wezen wil. De heer _Bruis_ kon dus zijn plan van verrassing zeer
wel uitvoeren. Welk een aandoenlijk genoegen stelde hij er zich van
voor! Geheel zijn hartelijk en vriendschappelijk gemoed schoot vol. In
geen zestien jaren had hij zijn goeden "zwarten Daan", zooals _Deluw_
aan de academie genoemd werd, gezien; en hoe zou hij hem vinden? Aan
de zijde eener beminnelijke gade, omringd van bloeiende kinderen! Ja,
met grijzend haar in plaats van zwart, maar met hetzelfde hart in
den boezem, open voor vriendschap, vreugde en gezelligheid!

In de vreugd, die hem deze gedachte verwekte, bemerkte hij de luide
kreten niet, die in den koepel opgingen.

Hij sloop de trappen op en opende de deur met den allervriendelijksten
lach, die ooit op het geblakerde gelaat van een afgemat dik man
gerust heeft.

Welk een tafereel!



Het was een kwade jongen van een jaar of zes, die geweldig schreeuwde
en stampvoette; het was een vader, rood van gramschap, die was
opgestaan, zich aan de tafel vasthield met de eene hand, en met
de andere geweldig dreigde; het was een moeder, wit van angst, die
den jongen tot bedaren zocht te brengen; het was een groote knaap
van dertien jaar met een bleek gezicht en blauwe kringen onder de
oogen, die met de ellebogen op de tafel en een boek vóór zich, om
het tafereel zat te lachen; het was een klein meisje van vijf jaar,
dat zich aan mama's japon schreiende vastklemde. Het was Dr. _Deluw_,
zijne beminnelijke gade, en zijn bloeiend kroost.

"Ik wil niet," gilde de jongen, den stoel omschoppende, die het
dichtst bij stond.

"Oogenblikkelijk!" schreeuwde de vader, schor van woede, "of ik bega
een ongeluk!"

"Bedaar, _Deluw_!" smeekte de moeder: "hij zal wel gaan."

"Neem me niet kwalijk, mijnheer!" zei de dokter, moeite doende om zich
redelijk in te houden; "die jongen maakt het me lastig. Ik zal u zoo
terstond te woord staan;" en hij pakte den nietwiller bij den kraag.

"Och gut; scheur zijn goed niet, _Deluw_!" vleide de moeder; "hij
gaat immers al."

"Laat _mij_ maar begaan," zei de dokter, en hij sleepte den snooden
zoon, die, ondanks het gunstig gevoelen door zijne moeder omtrent
zijn gehoorzaamheid geuit, geen voet verzette, den koepel uit, in
het bijvertrekje, waar hij hem in het turfhok opsloot.

"Neem me niet kwalijk, mijnheer," zei mevrouw _Deluw_ middelerwijl
op hare beurt tot den binnengekomene, "ik ben zoo van me streek; ik
ben mezelve niet." En om het te bewijzen viel zij op een stoel neder.

"Ik geloof dat het goed zal wezen dat ik eens in de lucht ga," ging
zij voort.

"Gêneer u niet, mevrouw!" zei de uit de koets gevallen academievriend
van haar echtgenoot. En zij ging naar buiten; met het snikkende kind
nog altijd hangende aan haar japon.

De jonge heer _Deluw_, met de bleeke wangen en de blauwe kringen, bleef
alleen met den heer _Bruis_, en keek hem met onbeschaamde blikken aan.

"Ik zal die burenplagers wel krijgen," zei Dr. _Deluw_ weer
binnenkomende, daar hij het noodig achtte voor den vreemdeling
de misdaad te noemen van zijn zoon, opdat deze hem niet voor een
onrechtvaardig en hardvochtig vader houden zou. "Mag ik vragen?"...

"Buikje!" riep de goedhartige dikkerd, met een gullen lach op zijn
purperen wangen.

Nu, het woord buikje, diminutief van buik, is een zeer bekend woord;
althans voor een geneesheer. Echter kwam het dezen geneesheer, uit den
mond van een vreemdeling, in dit oogenblik vrij ongepast voor. Daarom
zette de heer Dr. _Deluw_ groote oogen op.

"Buikje!" herhaalde de heer Mr. _Bruis_.

De heer Dr. _Deluw_ dacht dat hij een krankzinnige voor zich zag,
en daar hij pas zeer boos was geweest, stond hij op het punt om het
andermaal te worden, vermits het toch in ééne moeite door kon gaan,
en hij het waarlijk anders zeer zeldzaam en niet dan met _veel_
moeite werd.

"Wat belieft u, mijnheer?"

"Wel, hebje dan niet met Buikje gegeten?"

De heer Dr. _Deluw_ herinnerde zich geen ander eten dan met zijn
mond. Hij trok de schouders op.

"Hij is zeker in dien tijd nog vrij wat gezetter geworden, Zwarte
Daan!" zei de dikke man opstaande van den stoel, waarop hij gezeten
was.

"_Bruis_!" riep eensklaps Dr. _Daniel Deluw_ uit. "Dat's waar ook, ik
heette Zwarte Daan, en jij heette Buikje; ik zou je niet gekend hebben,
man! Wat benje veranderd! Samen gegeten. Welzeker, welzeker. In de
Plezierige Sauskom." Maar den toon van vroegere gemeenzaamheid even
spoedig latende varen: "Wat mag ik u aanbieden, heer _Bruis_?"

De uitdrukking "heer _Bruis_" was ongetwijfeld een middending tusschen
kortweg "_Bruis_" als vroeger, en "mijnheer" als nooit.

"Waar is me vrouw, weet u dat ook?" vroeg de dokter.

"Ze is een weinig van haar streek," zei _Bruis_, "en daarom is ze
eens in de lucht gegaan."

"_Willem_, ga mama opzoeken!" zei Dr. _Deluw_.

_Willem_ stond vadsig op, rekte zich uit, ging aan de deur van den
koepel staan, en schreeuwde zoo luid hij kon: "Mama!"

Daarop ging _Willem_ weer zitten, en keek over zijn boek heen.

"Ik wil er uit," gilde de jongen in het turfhok, en trapte tegen
de deur.

"Wat zal ik je zeggen," zei Dr. _Deluw_, "die knapen tergen je geduld
wat!--U heeft geen kinderen, meen ik."

"Geen een," zei de dikke man, die intusschen van dorst versmachtte;
"tot mijn spijt," voegde hij er met een zucht bij, ofschoon het
tafereel, dat hij voor oogen had gehad, die spijt juist niet had
verzwaard.

Mama kwam binnen.

"Dit is mijnheer _Bruis_, liefste!" zei de dokter, "van wien ik u
zoo dikwijls gesproken heb."

Maar mevrouws gelaat drukte uit, dat zij er zich niets van
herinnerde. Mevrouw _Deluw_ nu was eene zeer preutsche dame.

"Zal ik mijnheer een kop thee presenteeren?" sprak zij; en naar
een kastje gaande, dat van droogte nooit sloot, haalde zij er een
gebloemden kop en schotel uit te voorschijn.

De heer _Bruis_ had alles willen geven voor een glas bier of een glas
wijn en water. Maar het was hem opgelegd, zoo moe en verhit als hij
was, in een brandendheeten koepel thee te drinken.--Ook brengt het
vrouwelijk stelsel van een zalig behelpen niet mee dat men in een
"tuin" van alles krijgen kan; en ook is het eigenaardig dat er in
een theetuin niets anders _is_ dan thee.

De heer _Bruis_ zette alzoo zijn heete lippen aan een heeter kop thee.

"Mag ik u om nog een weinig melk verzoeken?"

Dr. _Deluw_ merkte wel dat zijn academievriend liever iets kouds had
gehad, en maakte duizend ontschuldigingen over de slechte ontvangst
in een koepel, waar men alleen maar van tijd tot tijd heenging om de
kinderen genoegen te doen. "Jammer dat hier geen kelder is," voegde
hij er bij.

"Der is een turfhok!" schreeuwde de stoute jongen uit al zijn macht,
uit de plaatszelve die hij noemde.

"Die ondeugd," zei de moeder met een klein lachje.

"Heeft mijnheer nog meer relatiën te--?" vroeg mevrouw _Deluw_ aan
den heer _Bruis_, de stad noemende, die ik nog niet genoemd heb.

"Verschoon mij, mevrouw," zei de heer _Bruis_, "ik ken er niemand,
dan mijnheer uw man;--schoon onze kennis al wat verjaard is," voegde
hij er zuchtend bij.

"Dat gaat zoo," zei mevrouw _Deluw_; "nog een kopje thee?"

"Dank u, dank u!"

Mevrouw _Deluw_ stond op, neeg, en verklaarde, "dat mijnheer haar
wel een oogenblik zou willen excuseeren"; waarop zij vertrok. Het
vijfjarig kind huilde niet meer, maar hing toch nog steeds aan haar
japon en toog mede.

Toen zijn vrouw vertrokken was, kwam het vriendenhart van dokter
_Deluw_ weer boven. Gaarne zou hij zich met zijn ouden makker nog
eens hebben verdiept in oude dingen, in de genoegens van Leiden, in
herinneringen van de Pleizierige Sauskom, in wat niet al? Hij vond het
evenwel beter, daartoe zijn gluiperigen dertienjarige te verwijderen.

"Ik kan niet begrijpen, _Willem_! waarom je niet reis wat gaat
hengelen."

"Hengelen!" zei de gluiperd, zijn tong uitstekende, "'t is ook wat
lekkers!"

"Of wat schommelen met je zuster."

"Ajakkes, schommelen!"

"De jonge heer schijnt van lezen te houden," zei de heer _Bruis_.

"Ja somtijds, als 't reis niemendal te pas komt," antwoordde
Dr. _Deluw_.

Gluiperige _Willem_ werd boos, loerde naar den heer _Bruis_, sloeg
zijn boek met alle macht dicht, stiet het over de tafel dat het
een heel eind voortschoof, tot groot levensgevaar van het leege
theekopje van den bezoeker, schopte zijn stoel om, welke handelwijze
een specialiteit der jongere _Deluws_ scheen te zijn, pruttelde iets
tusschen zijn leelijke tanden, achter zijn dikke lippen, en vertrok,
hevig met de deur smijtende.

"Och, die humeuren!" zei de gelukkige echtgenoot en vader.

Ondertusschen was nu de baan schoon voor het hernieuwen der
vriendschap. De heeren staken ieder een sigaar op en begonnen over
Leiden te spreken; en het zou juist genoegelijk geworden zijn, toen
_Jansje_, die altijddoor met den tuinknecht had gestoeid, rood als
een koraal binnenkwam, om te zeggen dat "daar een knecht was van
mevrouw _Van Alpijn_, of dokter asjeblieft reis _oogenblikkelijk_
dáár wou komen, want dat mevrouw zoo naar was."

"Zeg dat ik aanstonds kom," zei Dr. _Deluw_ tot de dienstmeid en
daarop tot zijn vriend: "Ik denk niet dat het veel te beduiden
zal hebben. 't Is miserabel in ons vak, dat de menschen je om alle
wissewasjes laten halen."

Deze phrase nu, is een doktersphrase, die ik meermalen gehoord heb,
zonder te begrijpen, waarom een geneesheer rede heeft om het den
menschen kwalijk te nemen dat zij hem niet uitsluitend in doodelijke
gevallen ontbieden. Moest het niet veeleer de patiënt zijn, die
zich beklaagde dat zijn arts hem voor alle wissewasjes een visite
aanschreef?

Hoe het zij, Dr. _Deluw_ maakte zich gereed om naar dit wissewasje
van mevrouw _Van Alpijn_ te gaan zien.

"Het zal wel anderhalf uur aanloopen eer ik terug kan zijn," zei hij,
op zijn horloge kijkende; "vind ik u dan nog hier?"

"Ik weet het niet," zei _Bruis_, die stellig plan gehad had dien nacht
in de ongenoemde stad bij zijn vriend te logeeren; "ik wou zien dat
ik van avond nog verderop kwam."

"Kom, kom," zei de dokter, "ik kom u hier afhalen, en gij soupeert
met ons in de stad?"

"Ik weet niet," antwoordde _Bruis_, die gaarne gezien had dat mevrouw
bij deze uitnoodiging tegenwoordig geweest ware.

"Enfin!" zei de dokter: "wij zullen zien; ik zal u nu bij mijn vrouw
brengen."



Hoe voortreffelijk zij was.


Mevrouw _Deluw_ was niet ver af, bezig met _Jansje_ te beknorren
over het leven dat zij maakte; "zij wist ook niet", zei ze met een
oog op den tuinknecht, "waarom er altijd wat aan dien tuin gedaan
moest worden, als de familie er in was."

_Deluw_ droeg zijn vriend aan zijne vrouw op, en wilde vertrekken.

"Nog een woordje!" zei mevrouw _Deluw_.

"Wat, liefste?" zei de dokter.

"Zou daar niets aan te doen zijn?"

"Waaraan?"

"Aan die jongens."

"Welke jongens? _Willem_ en...."

"Och neen! aan die jongens daar in 't veld."

"Wat wou je dan hebben dat er aan gedaan werd?"

"Dat het ze verboden werd," zei mevrouw de doctorin.

"Maar lieve, daar hebben we immers 't recht niet toe;" zei de dokter.

"Nu, ik vind het dan al heel indécent, en vooral voor _Mientje_,
die daar altijd onder den cypres zit; zou je niet...."

De dokter hoorde niet, maar was al weg.

Dit staaltje van echtelijke samenspraak betrof een vijftal knapen van
acht of negen jaar, die zich op een kwartier afstands van Veldzicht in
het weiland bevonden, en het op dien brandendheeten achtermiddag veel
frisscher vonden in het water van den tocht dan in hunne kleederen.

"Uw oudste dochter," zei _Bruis_, toen hij met mevrouw _Deluw_ alleen
was, "schijnt veel van de eenzaamheid te houden."

"O ja, mijnheer! ik beleef heel veel pleizier aan dat meisje. Ze is
altijd met een of ander boek in de weer; ik verzeker u dat zij haar
Fransch nog beter verstaat dan ik; zij leest Engelsch, en Hoogduitsch
ook."

"Kom aan," zei de heer _Bruis_; "dat 's pleizierig. Ja, hier in
Holland zijn zulke heerlijke gelegenheden voor dat alles."

Mevrouw _Deluw_ meende dat deze opmerking de verdiensten van haar
welp verkleinde.

"Het scheelt veel, mijnheer!" antwoordde zij, "hoe men van die
gelegenheden profiteert; en mijn dochter studeert veel, studeert
eigenlijk altijd. Haar grootste genoegen is studeeren; en ze houdt
zich ook niet op met al die dingen, waar een meisje van haar jaren
anders gewoonlijk pleizier in heeft."

De heer _Bruis_ hield niet van zulk soort van meisjes.

"Hoe oud is uw dochter?" vroeg hij.

"Zestien jaren," zei mevrouw _Deluw_, haar hoofd oprichtende met
moederlijke majesteit.

"Flos ipse;" prevelde de heer _Bruis_.

"En zoo als ik zeg," ging mevrouw _Deluw_ voort; "Engelsch, Fransch
en Duitsch. Ik geloof dat ze nu weer met een Engelsch boek is
uitgegaan. Heeft u haar niet gezien?"

"Ik heb een dame gezien die onder een boom zat te lezen," zei de
heer _Bruis_, die anders niet gewoon was een meisje van zestien jaar
eene dame te noemen; maar hij dacht: Engelsch, Fransch en Duitsch,
en altijd lezen!

"Och, dat is haar lievelingsplekje," zei mevrouw _Deluw_; "wij zullen
haar eens gaan opzoeken. Het is er koel, en wij kunnen er uitrusten."

Zij naderden het lievelingsplekje; de dochter stond op, en neeg
nogmaals voor den heer _Bruis_.

Mevrouw _Deluw_ ging naast haar dochter op de tuinbank zitten, de
heer _Bruis_ vond er een stoel.

"Wij komen hier wat bij je zitten, _Mina_. "Wat lees je daar weer,
kind? vast weer Engelsch?"

"Och neen, mama! 't is maar zoo'n boek; ik wist zoo gauw niet wat ik
mee zou nemen; ik zag dit liggen. Is _Jantje_ weer zoet?"

Er was iets zeer schichtigs en onrustigs in het gelaat van
_Mientje_. Het was, om de waarheid te zeggen, geen heel mooi meisje;
ook al bleek, en met iets heel leelijks in de oogen, die altijd ter
zijde uitkeken; daarbij had zij als waren 't zenuwachtige trekken in
haar gezicht, die den heer _Bruis_ niet aanstonden.

Mevrouw _Deluw_ drong er niet op aan om het boek te zien. Voor zoover
de heer _Bruis_ merken kon, had het eene sterke gelijkenis op zeker
werkje, getiteld "Amours et Amourettes de Napoléon", waaruit zonder
twijfel veel stichtelijks is te leeren voor een meisje van zestien
jaar.

Eenige oogenblikken zat het drietal daar neder, terwijl mevrouw _Deluw_
enkel het woord voerde tegen haar dochter, om gezegden uit te lokken,
die hare groote voortreffelijkheden aan den dag konden brengen; en
dan schudde zij weder eens het hoofd over de badende kleine jongens,
een kwartier uurs verre in het land.

"O!" zei _Mina_, en haar vingers trilden zenuwachtig over haar boek,
dat zij eigenlijk aan stuk zat te maken: "O! het is naar, dat het
hier zoo onvrij is."

Op dat oogenblik werd haar naam met eene half ingehouden stem
uitgeroepen.

"Je wordt geroepen, kind!" zei mevrouw _Deluw_.

"Neen, mama," zei _Mina_, en scheurde den omslag bijna van het boek af.

De heer _Bruis_ sloeg met zijn stok boterbloemen en kransjes van
't gras.

"_Mina_!" riep de stem op denzelfden toon; "waarom kom je nou niet? Den
ouwe is naar de stad; en _Jansje_ zegt dat mamalief op den koepel
zit met een vreemden snoes."

Mamalief zag dochterlief aan. De vreemde snoes deed alsof hij het niet
merkte en, dicht aan de vaart getreden, scheen hij al zijn aandacht
te wijden aan een voorbijvarende trekschuit, welke hij dolgraag
"volk mee" had toegeroepen, had hij zijn valies en jas maar gehad.

Mevrouw _Deluws_ oogen schoten vonken uit; zij kneep _Mina_ in den
arm. "Wat beteekent dat?" fluisterde zij; maar zij wilde ten overstaan
van den vreemde geen "scène maken".

"Hoor reis," vervolgde de stem, "geen kuren! Ik weet heel wel dat je
daar zit, maar ik durf daar niet komen; hier staat je stoeltje nog van
laatst, en hier kan niemand me zien." Hij zweeg een oogenblik. "Maar
wat kan 't mij ook schelen, als den ouwe maar uit is!"

Pof; daar sprong iemand van de schutting van N_o_ 32; de boomen
ritselden; en op het lievelingsplekje der voortreffelijke verscheen
een opgeschoten knaap van de jaren om op de conrectorschool te gaan,
met een blauwe pet en een rond buis, en met een zeer dom, ondeugend
en brutaal gezicht.

"Dat's iets anders!" zei de opgeschoten knaap, zooras hij mama _Deluw_
en den heer _Bruis_ bemerkte.

"Jongeheer!" begon mevrouw _Deluw_, bevende van woede.

"Is _Willem_ hier niet?" vroeg de opgeschoten knaap, imperturbabel.

"Neen, jongeheer!" antwoordde mevrouw _Deluw_, "en al was hij hier,
_Willem_ mag niet omgaan met een jong mensch, die me dochter toe
durft spreken, op een manier, die ... die ... die is, zoo als u
gedaan heeft...."

"Dat's iets anders," zei de opgeschoten knaap, "maar ik kan 't
niet helpen dat uw dochter mij naloopt. Haar stoeltje staat bij de
schutting; niet waar, _Mien_?"

"Je bent een gemeene jongen" zei _Mien_, op haar lippen bijtende;
"ik heb je nooit gekend, ik wil je niet kennen."

"Dat's iets anders!" antwoordde hij alweer, want dat gezegde
was waarschijnlijk in die dagen op de conrectorschool onder de
beschaafde vertalers van _Livius_ en _Virgilius_ aan de orde,--en
zich omdraaiende: "Compliment aan den dokter."

Hij maakte zich gereed fluitende het tooneel te verlaten.

Op dit oogenblik kwam _Willem_, "die met zulk soort van knapen niet
mocht omgaan", op.

"Ha!" zei de opgeschoten knaap; "daar heb je dat lieve
jongetje, dat driemaal in de week den bink steekt. Dat's iets
anders. _Willempje_? hoe smaken de versche eiertjes uit het kippehok
van den melkboer?"

En "_Willempje_" bij de hand trekkende, lachte de opgeschoten knaap
recht smakelijk.

"Het zal mijn tijd worden, mevrouw!" zei de heer _Bruis_, zich houdende
alsof hij niets gehoord had en uit een diep gepeins ontwaakte.

"Groet uw man nog wel hartelijk, maar het wordt wat laat. Dank uwe
vriendelijke receptie! Je dienaar, juffrouw _Deluw_; dag, jonge
heeren!"

En eer mevrouw _Deluw_, die natuurlijk "allerijselijkst confuus"
was, iets zeggen kon, had de heer _Bruis_ het lievelingsplekje reeds
verlaten.

Hij haastte zich door de smalle kronkelpaden zijn weg te zoeken.

"Buikje!" klonk het met een sarrigen lach uit een der omhoepelde
appelboomen.

De heer _Bruis_ voelde al zijn bloed naar 't hoofd stijgen; want het
was de stem van den zesjarigen knaap, die zooras zijn vader de hielen
gelicht had, natuurlijk was losgebroken.

De heer _Bruis_ draaide zich naar alle kanten om, ten einde den
kwajongen te vinden, maar hij zag hem niet. Echter kon hij niet
nalaten eene beweging met zijn bamboes te maken, alsof hij hem een
duchtigen slag toediende.

Hij kwam aan de deur; maar, onbekend met de geheimen van het slot,
duurde het vrij wat, eer hij er in slaagde die open te krijgen,
waarin hem natuurlijk zijn haast en schutterigheid tegenwerkten;
terwijl de jongen in den appelboom, met allerlei verandering van stem,
zijn academischen alias bleef herhalen.

"Goddank!" zei de heer _Bruis_ uit den grond van zijn hart, toen hij
de Meester-Jorislaan uit was, met het vaste voornemen om zich naar
het eerste logement het beste in de stad, die ik nooit noemen zal,
te spoeden. Hij was juist nog niet veel _koeler_ geworden.



"En nu uw vriend, Dr. _Deluw_!" vroeg mevrouw _Bruis_, toen haar
goedhartige echtgenoot, acht dagen daarna, aan hare zijde van de
vermoeienissen der reis zat uit te rusten, zich verkwikkende aan een
groot glas rijnschen wijn met bruisend fachingerwater en suiker.

"Ben je daar prettig ontvangen? Was hij niet opgetogen u te zien? Heeft
hij een lieve vrouw en mooie kinderen?"

"Mijn vriend Dr. _Deluw_, wijflief! heeft een heelen mooien theetuin,
een vrouw, twee zonen en twee dochters, waar hij veel pleizier aan
beleeft, vooral aan de oudste dochter."

Toen roerde hij nog eens in zijn groot glas wijn, fachingerwater en
suiker, en dronk het in ééne teug uit.



Verre Vrienden.


Het is eene onbeschrijfelijke gewaarwording en een geheel eigensoortig
genoegen, een vriend uit verre landen, na langdurige scheiding,
weder te zien. Ik heb het eens in vollen nadruk gesmaakt. Geheel
onverwacht trad er mij een onder de oogen, dien ik voor toen ruim
vijf jaar met vele tranen had vaarwel gezegd, en van wien ik sedert
maar weinig had vernomen. Het was _Antoine_--van Constantinopel. Een
eerwaardige afstand, van hier tot den Bosporus, lezer! en die ik hoop
dat u met eerbied voor ons beiden vervullen zal; me dunkt althans dat
het mij zeer belangrijk maakt, zoo ver van huis een vriend te hebben;
en toch, ik zag liever al mijne vrienden binnen de grenzen van dit
goede Holland.

Om de waarheid te zeggen, het behoort onder de domme streken mijner
jeugd, dat ik zoo dikwijls met vreemdelingen in vriendschap ben
vervallen; gelijk ik het dan ook, door ondervinding wijs, iedereen die
een gevoelig hart in de borst heeft, stellig afraad; want! vroeger
of later, slaat hun uur, en zij vertrekken, de één voor, de ander
na, naar de vier hoeken des winds, zonder iets achter te laten dan
een treurend herdenken, en een albumblaadje. Ik heb vrienden in
Engeland, vrienden aan de Kaap, vrienden in Turkije, te Batavia,
in Demerary, in Suriname! Met enkele, de dierbaarste, houd ik een
geregelde briefwisseling; maar wat zijn brieven op zulk een verren
afstand? Zij kunnen ons de betrekkingen en toestanden, waarin onze
vrienden verkeeren, niet duidelijk maken! Van anderen heb ik, na het
eerste bericht van behouden thuiskomst, niets meer vernomen. De meeste
zal ik nooit wederzien; zij zijn, ongestorven, dood voor mij. Vele
weten niet eens dat ik somtijds en met innige liefde aan hen denk, en
ik zou wenschen, dat _Hildebrand_ wereldberoemd ware, en dit zijn boek
overal verspreid en gelezen, opdat, zij dit ten minste weten mochten!

Neen! ik had het nooit moeten doen. Welke goede jongens zij ook
waren, hoe verlokkend hun omgang, hoe belangrijk hun verkeer, hoe
innemend hun manieren, hoe met mijn smaak overeenkomstig hun smaak
ook zijn mochten, ik had hen op een afstand moeten houden; ik had
mijn hart beter moeten bewaken; ik had, zoodra, ik een enkel zaadje
van vriendschap voelde kiemen, het moeten onderdrukken en tegen mijn
gevoel te velde trekken, zoo als een verstandige molenaarsdochter
doen zou, wanneer zij bemerkte dat zij bij ongeluk op een prins of
een bisschop verliefd geraakte. Ik zou dan ettelijke keeren minder
met den mond vol tanden hebben gestaan, waar ik zoo gaarne duizend
lieve en hartelijke woorden had gesproken; want afscheidnemen is een
moeielijk ding! Ik zou dan zoo dikwijls niet mal hebben staan kijken
als er een stoomboot afvoer, of een wagen wegreed; ik zou niet zooveel
nachten hebben wakker gelegen met angst luisterende naar den storm,
en gedenkende aan de vrienden die op zee waren;


    "Die met zoo weinig houts op zooveel waters drijven,
    Voor wie de stormen, die hun razen over 't hoofd,
    In 't schuimend golfgewoel geduchte teeknen schrijven,
    Wier zin gevaar en dood belooft.

    Het graf gaapt onder hen en dreigt hen allerwegen,
    Hun doodskleed ligt geplooid en ruischt hun in 't gemoet;
    Hun lijkzang klinkt hun oor in iedre windvlaag tegen--
    O Heere, zij vergaan! tenzij gij hen behoedt!"


Ik zou niet zoo dikwijls op eenzame wandelingen hebben stil gestaan
bij plekjes, waar ik gewoon was iemand bij mij te zien, die nu verre,
verre weg is en daar nooit meer zal komen. Die gedachte werpt een
nevel over hunne schoonheid.

Ondertusschen kan ik mijn geheugen niet genoeg prijzen voor
de diensten, die het mij ten opzichte van mijne verre vrienden
bewijst. Niet alleen roept het hunne namen en beeltenissen beurtelings
met eene getrouwe nauwgezetheid voor mijn geest terug, maar ook brengt
het duizend zeer uitvoerige tooneeltjes op het doek der camera obscura
des terugdenkens. Vooral het uur des afscheids staat van ieder hunner
in alle bijzonderheden mij voor den geest; de traan, de uitgestrekte
hand, de bevende lip, de gedwongen lach, de laatste woorden, de
wuivende zakdoek in de verte, het omgaan van den laatsten hoek,
en het geheel verdwijnen! Dat alles voel ik nog; en dan zie ik weer
rondom mij al de onverschillige gezichten, die niets met dat afscheid
te maken hadden, schoon zij het bijwoonden; en dan voel ik weder de
gewaarwording van eenen dierbaren vaarwel gezegd te hebben en na te
staren, en terug te keeren tot de bedrijvige wereld, de drukte op
straat, de drukte in huis en het "wat kan 't me schelen?" gezicht
van eene maatschappij, waarin iedereen zijn eigen vrienden heeft,
en zijn eigen weg gaat. Waarde B--! die nu aan Afrika's zuidelijken
hoek den pols van drieërlei rassen voelt en die, naar ik hoor, reeds
de bruiloft gevierd hebt van de dochter uwer vrouw--(want gij hadt
een zeer jonge weduwe getrouwd met drie lieve kinderen, en bij u te
land trouwen de meisjes op haar veertiende jaar)--nog staat mij het
geheele tooneel voor oogen van uw afscheid uit Leiden, toen gij voor
vier jaren in de maand Juni met den Colombo uit zoudt zeilen.

Het was zes uur in den morgen, toen het groote rijtuig voor moest
komen, dat u naar Rotterdam zou brengen.

Nog zie ik uwe bovenkamers in die zonderlinge verwarring,
onafscheidelijk van het vertrek van iemand die met zijn geheele
huishouden en al zijn meubelen optrekt; den vloer overdekt met
koffers, sluitmanden, valiezen. Hier de minne, het kleine, lieve,
en pas ontwaakte _Wimpje_ aankleedende, die, verwonderd zoo vroeg
gestoord te zijn, met de bruine oogjes, nog strak van den slaap, zat
rond te turen; daar uwe vrouw voor den spiegel haar mooi haar in orde
brengende; en ginds uzelv', op de knieën voor een klein zaktoilet,
dat op een koffer stond, uw baard scherende; den kleinen _Jan_
(wat zal hij al groot geworden zijn!) geheel gekleed en veel te
vroeg klaar, met een blikken sabel en papieren patroontasch om, en
een houten geweertje in den arm (een kind doet alles spelende) tot de
groote reis gereed. _Mimi_ en _Jansje_, (het is immers _Jansje_, die
getrouwd is?) uw kleinen _Louis_ zoet houdende; onzen vriend F. (hij
is reeds ter ziele, de goede jongen!) nog altijd slovende, zwoegende
en sjouwende om het laatst gebruikte goed te helpen inpakken; en uw
trouwsten vriend _Bram_, half door zijne gewone vroolijkheid verlaten,
gereed om u tot Rotterdam te geleiden. Nog zie ik al die kasten open;
en op de planken hier en daar eenige voorwerpen van te weinig waarde om
meegenomen te worden: een koffiekan, een gekramden kop en schotel, een
oude pop, een half versleten schaapjen op drie pooten; ginds een paar
pantoffels; wat verder een gesp; op een andere plaats een gescheurde
trommel van _Jan_; aan een kapstok, een ouden pantalon van u; en in
een hoekjen een masker, dat gij te Berlijn op de maskerade gedragen
hadt, en dat _Bram_ meenam in 't rijtuig om de kinderen vroolijk te
houden. Al het gedraag met mantels, hoeden en jassen.--Het verwarde,
bezige en drukke van dit vertrek verstrooide onze aandoening; maar toen
gij allen op het rijtuig zat, en achter den voerman, die niet eens
begreep dat gij naar de Kaap gingt, en wegreedt met die lieve vrouw
en die lieve kinderen--toen schoot het gemoed mij vol. Ik stond nog
lang in gedachten, nadat de wagen reeds uit het gezicht verdwenen was,
en toen ik de oogen weer rondom mij sloeg, nam ik het zeer kwalijk dat
de metselaars met een korte pijp in 't hoofd naar hun werk gingen,
en de melkboeren met groote koelbloedigheid overal aanschelden, en
de karren begonnen te rijden! maar vooral, vooral! dat het kermis
was en dat er kramen stonden.--Waarom komt ook gij niet eens terug,
zooals _Antoine_ deed?



De vader van _Antoine_ is een Italiaan van geboorte, maar
genaturaliseerd Hollander, en bekleedt een hoogen rang onder ons
gezantschap bij de Porte. Als zoodanig resideert hij sinds een aantal
jaren te Pera. _Antoine_ was als kind te Marseille gekomen en had
daar zijn eerste onderwijs ontvangen. Als knaap werd hij op een der
kostscholen in mijn vaderstad gedaan, en wij leerden elkaar in het
gelukkige tjjdperk van veertien tot zeventien kennen, en droegen
elkander wederkeerig een warme en trouwe jongensvriendschap toe. De
jongensleeftijd is waarlijk zoo kwaad niet voor de vriendschap, daar
het toch welbekend is dat deze het geluk bemint. Ja, ik zou bijna den
jongenstijd den àllergeschiktsten voor eene wederzijdsche genegenheid
achten. De latere jongelingschap moge nog even belangloos zijn en
evenmin afhankelijk van maatschappelijke scheidsmuren van rang,
stand, en wat dies meer zij, maar zij is te rijp; men kent alsdan
elkander te veel, te veel van nabij; men heeft reeds te veel kijk
op den inwendigen mensch! Een jongen is _geheel_ buitenkant! Men
heeft later geleerd zich rede van zijn genegenheid te geven;
te onderzoeken, na te gaan, te verdenken; ook heeft men zoo vele
zedelijke behoeften, en eischt zoo velerlei in een vriend! Men heeft
voorzichtiger lief, verveelt elkander spoediger, verkoelt lichter,
beleedigt schielijker. Jongens weten van dat alles niets. De titel
"een goede jongen" geeft recht genoeg op dien van "goeden vriend",
en er wordt geene andere sympathie gevraagd, dan dat men b.v. allebei
graag wandelt, graag vuurwerk afsteekt, graag baadt, graag wat ouder
zou zijn, graag de jongejuffrouwen van een kostschool tegenkomt, en
niet graag latijnsche themata maakt. Het geheele doel der onderlinge
genegenheid wordt bereikt, als men zich onder 't ongestoord genot
eener goede verstandhouding te zamen vermaakt. En wordt die goede
verstandhouding al eens verbroken, door eene kleine jaloezie, of een
kleine ontrouw, nu! dan zijn er immers aan weerskanten twee vuisten om
te slaan, en twee voeten om beentje te lichten; en dan is het alles
over, en men haalt elkaar weer af om te zamen schuitje te varen en
in stilte een sigaar te rooken, en toont de vuisten aan iedereen en
licht het beentje van elk, die niet gelooft dat men weer goemaats
is. Ziedaar de vriendschap van dien leeftijd.

_Antoine_ en ik althans verstonden elkander best, en vooral dan,
wanneer wij bijvoorbeeld beiden op dezelfde jongejuffrouw verliefd
waren, een toestand waarin wij zeer dikwijls te zamen hebben
verkeerd. Met de meest mogelijke bonhommie wonden wij dan elkander
op met de blijken van genegenheid onzer schoone, en vonden niets
genoeglijker dan tegelijk elkanders mededingers en vertrouwelingen
te wezen. Gij hadt ons moeten zien, lezer! als wij bezig waren op
onze wandelingen beiden denzelfden naam in een boom te snijden of
het stoute plan overlegden om beiden haar een teeder briefje te
schrijven. Ik herinner mij ook zeer goed de bijzonderheid dat wij
op een kermiswandeling onzen horoscoop trokken, en beiden voor onze
toekomstige gade letterlijk hetzelfde portret zagen, ofschoon wij
onder verschillende planeten geboren waren, en het schelletje hem
veertien, en mij slechts elf kinderen voorspelde. In het tafereel,
dat van mijn toekomstig lot werd opgehangen, kwam voor "dat een
wagen mij een ongeluk zou dreigen, waarvoor ik echter door de hulp
van een goed vriend zou worden behoed", en ik had op dat oogenblik
willen zweren dat die goede vriend niemand anders zou kunnen zijn
dan mijn zwartlokkige _Antoine_. En ondertusschen! hoe ver zijn wij
vaneengescheurd!--en hoe weinig mogelijkheid bestaat er dat, indien ik
ooit in ongelegenheid met rijtuigen kom, het zijn getrouwe arm zijn
zal die mij redt.--O, als wij dat eens nagaan, hoe dikwijls wij het
personeel moeten veranderen, dat in onze droomen en vergezichten en
luchtkasteelen optreedt; hoe vaak wij er van afzien moeten, het tooneel
van onze toekomst te bevolken met degenen die er, in onze mijmeringen,
zoo menigmaal en in zulke nauwe betrekkingen, op hebben gefigureerd,
en zonder welke wij ons bijna geen toekomst denken konden; en hoe,
in het tooneelspel van ons leven, achtereenvolgens de eene rol voor,
en de andere na, aan geheel andere personen wordt opgedragen, dan
aan wie wij die hadden toegedacht: dan zien wij eerst recht, hoe
wonderlijk de lotbus geschud wordt, en hoe vreemd en wisselvallig de
raderen der maatschappij omloopen, en dat wij, aan onze mijmeringen
en vooruitzichten toegevende, beuzelden, en met even weinig zekerheid
beuzelden, als toen wij onzen horoscoop lieten lezen, en het schelletje
klinken, en in den kijker naar onze lieve aanstaanden tuurden.



Om tot _Antoine_ terug te keeren. Hij was voor den handel bestemd,
en zooras zijne voorbereidende opvoeding voltooid was, vertrok hij
naar Antwerpen om dien te leeren. Dit was onze eerste scheiding, maar
verzoet door het vooruitzicht dat ik hem somtijds zien, en dat hij
eenmaal Amsterdam tot zijn vast verblijf kiezen zou. De gebeurtenissen
van 1830 dreven hem uit de Scheldestad, en ik zag hem op een goeden
avond aan mijns vaders huis aankomen, na een overhaaste vlucht uit de
bedreigde muren. Hij kwam mij toen zeer belangwekkend voor; vooral
daar hij al zijn goed had achtergelaten en een nachthemd van mij te
leen vroeg, hetwelk ik zeer avontuurlijk en romanesk vond. Het viel
mij echter tegen dat hij nergens een dooden kogel of eerlijke wonde
had gekregen. Niet lang duurde het, of hij werd door zijn vader naar
Constantinopel opontboden. Met veel tegenzin ging hij derwaarts. Hij
was aan Holland gehecht. Zijn geboorteland kende hij niet. Zijn
vader herinnerde hij zich niet. Zijn moeder was overleden, en in de
plaats van deze zou hij een stiefmoeder vinden, niet veel ouder dan
hijzelf. In 1831 vertrok hij, en wij namen een droevig afscheid. Ik
gaf hem een plattegrond mijner geboortestad mede, waarop ik met roode
stippen alle plaatsen, op welke hij eenige betrekking gevoelde, had
aangeteekend. Hij heeft dit gedenkstuk trouw bewaard. Ik zond hem een
brief te Marseille; en weldra kreeg ik er een van hem uit Stamboul,
die tot mijn overgroote vreugde, met vele gaten doorprikt en door den
azijn gehaald was. Hij was in zevenentwintig dagen van Marseille tot
Constantinopel overgekomen. De pest en de cholera waren een weinig
vóór hem gearriveerd; Pera was juist afgebrand, en het huis van zijn
vader in de asch gelegd. Hij had zich daarop naar diens buitenplaats
gespoed. Niemand had hem herkend. Hij had zich bij zijn eigen vader
voor een vriend van diens jongsten zoon uitgegeven, die hij zelf was,
en bracht berichten omtrent hem mee. Hij wist natuurlijk alles zeer
nauwkeurig. Aan tafel zat hij op de plaats der eere, naast zijne
stiefmoeder. Zijne zusters waren schoon, en zijn vader vond zijn toon
met haar kennelijk wat te vrij voor een vreemdeling. Bij het nagerecht
had hij zich met een toost en vele tranen bekend gemaakt. Van het
land hing hij mij geen aanlokkelijk tafereel op; het was veel te
mooi voor de Turken; de Franken waren er trotsch; de meisjes lui,
niet mooier dan ergens anders, onbeschaafd en van niets sprekende
dan van de keuken; van tijd tot tijd aan de liefde offerende en hare
kinderen op straat verlatende. Hij verzuchtte naar Holland en zijne
vrienden. Ik vertroostte hem met een brief, dien hij nooit ontvangen
heeft, en onze correspondentie ging te niet. Daar stond hij eensklaps
vóór mij, na eene afwezigheid van vijf groote jaren, een geheel ander
en toch dezelfde. Hij had Rusland, Duitschland, Frankrijk, België en
Engeland, zoowel als de Levant, doorreisd en doorkropen, maar hij
was toch _Antoine_ gebleven; zijn gelaat en zijn gemoed waren niet
veranderd. Van geslacht een Italiaan, van vaderland een Turk, van
moedertaal een Franschman, van opvoeding een Hollander, van geloof
een Catholiek, en van hart een goede jongen. Doch hoe verrijkt aan
inzicht, kennis, wereldburgerschap en ondervindingen! Hij sprak behalve
Fransch en Hollandsch, als vroeger, nu ook de talen van al die landen
die hij had bezocht. Wij voerden 't gesprek meest in 't Engelsch,
of in 't Fransch; want zijn Hollandsch had hij wel goed onthouden,
maar hij had zooveel te zeggen waaraan hij nooit in 't Hollandsch had
gedacht. Zijn Hollandsch was niet rijker dan 't woordenboek van iemand
van zeventien jaar. Nu telde hij tweeëntwintig. Hij had aangezeten met
Turksche bassa's en het hof gemaakt aan Russische prinsessen: hij had
rozenolie, juweelen, opium en pastilles aan Poolsche joden verkocht,
met Duitsche gravinnen gedanst, met Fransche incroyables gespeeld, en
met dikke lords toosten ingesteld; hij had zeeën doorkruist, ijzerbanen
overgevlogen, kou en hitte getart, quarantaines gehouden, de liefde
gekend, de pest ontvlucht, en den dood onder de oogen gezien; maar
daar zat hij in onze nederige tuinkamer, geheel dezelfde in oogen,
hartelijkheid, goedwilligheid, heuschheid, en vriendschap, als toen
ik voor vijf jaren in zijn album schreef:


    Geen grootspraak op dit blad, geen duurgezworen eeden,
    Die overbodig zijn, of ongemeend meestal!
    Maar laat mijn naam alleen een plaats er op bekleeden,
    Die al mijn vriendschap u gewis herin'ren zal.


Hij was nauwelijks in Holland aangekomen of hij was naar mijne woonstad
geijld, die hij "het paradijs zijner jeugd" noemde, en nauwelijks in
mijne woonstad, of hij bezocht allereerst zijn vriend _Hildebrand_. Ik
verheugde mij twee dagen in zijn bezit.



Ik weet niet of gij den toestand kent, waarin een dergelijke ontmoeting
u brengt. In 't eerst is men in een dwaze houding; men maakt bijna
een mal figuur. Men vliegt elkander met naïeve vreugd in de armen,
maar men is schrikkelijk bang om te theatraal te zijn, en men voldoet
zichzelven niet in hartelijkheid. Vrouwen zijn in zulke oogenblikken
natuurlijker en geven zich meer aan haar gevoel over. Zij schreien
aan elkanders hart; het is veel zoo het bij ons tot een traan komt,
die zich nog achter een lach wil verbergen. Ach! wie wij ook zijn
mogen en hoeveel melk er ook in ons bloed moge wezen, wij zijn allen
eenigermate onder den invloed van hen die hardvochtiger zijn dan wij,
en veel minder bang om ongevoelig dan om belachelijk te schijnen. Zoo
trekken wij niet zelden onze warme gevoelens het koude harnas der
krachtbetooning aan, waarin zij beven en bibberen, en verbergen
de lieve trekken onzer zachtaardigheid achter eene harde grijns,
opdat wij toch vooral leelijker zijn zouden. Bloodaards! niet te
ver met deze huichelarij! Ook van haar zal God rekenschap vergen;
ook van het gevoel dat wij verloochend hebben, van de tranen die wij
onderdrukten uit lafhartigheid.

Wat ons betreft, wij waren alleen; ik ken er die ons kinderachtig
zouden hebben genoemd en toch, toch beviel ik mijzelven niet. En
toen nu de eerste handschuddingen en begroetingen voorbij waren,
daar stonden wij met den neus voor een berg blijdschap, voor een berg
verwondering, elk met een berg mededeelingen achter zich, en met heele
bergreeksen vragen ter rechter- en ter linkerhand; en door dit alles
zoo belemmerd en ingesloten, dat wij geen vin verroeren konden! 't Zou
voor een koel aanschouwer en toehoorder bijna lachwekkend geweest zijn,
op te merken hoe onhandig wij van weerskanten in dien bonten warhoop
van 't verleden rondtastten, opdat wij elkander den doorleefden tijd
goed voor de oogen stellen mochten; hoe ongepast wij over en weder
de boeken in den wilde opsloegen, om een denkbeeld van den inhoud te
geven; hoe wij dikwijls de behoefte gevoelden om iets te verhalen
of te vragen, zonder te weten: "wat dan toch eigenlijk?" en welke
nietigheden wij elkander naar 't hoofd wierpen! Zoo veel is zeker, dat
ik duidelijk eene groote ontevredenheid gevoelde over het weinige dat
ik in dat eerste uur toch eigenlijk de moeite waard achtte om verteld
te _worden_; een klaar bewijs van de onbeduidendheid der voorvallen
van 't menschelijk leven, die, als zij voorbij zijn, dikwijls niet
veel meer belangrijkheid voor ons hebben dan de kolommen van een
oude courant.

Maar langzamerhand kwam er licht in dien baaierd, en hij ordende zich
van lieverlede. De behoefte om vertellingen te doen, ervaringen op
te biechten, ondervindingen op te vijzelen, en elkander om strijd te
verbazen, hield op. Nu volbrachten hart en geheugen hun verrichtingen
geregeld, want de onnatuurlijke toestand van beiden ontspande zich. En
zelden smaakte ik zoeter uren dan die waarin wij elkander in onzen
wederzijdschen levensloop met oprechtheid inleidden, en de heerlijke
ontdekking deden, dat er na een groot tijdsverloop en uiteenloopende
ondervinding, veel gelijkheid van beginselen en gevoelens in onze
ziel was blijven bestaan.

En inderdaad, hij moet zich mijner dikwijls herinnerd hebben, want
hem was niets vergeten. Hij wist allerlei kleinigheden, allerlei
bijkomstigheden op te halen, die hij niet zou hebben onthouden indien
hij mij minder had liefgehad. De geheugenis toch van kleine te zamen
gesmaakte genoegens (ja van de groote en meer innige zelfs) vergaat,
verteert, vervliegt in den luchtstroom onzer verstrooiingen, onzer
bezigheden, onzer studiën. Het vuur onzer driften verbrandt ze in ons
hart, of het ijs onzer bezadigdheid bevriest ze; de wereld lost ze op
in den rusteloozen vloed van aandoeningen en ondervindingen die er
overheenstroomt, of onze dartelheid, onze trots, en datgene in ons,
dat wij "er uitgroeien" noemen, vernielt en verdoet ze moedwillig,
tenzij wij ze balsemen met de geurige zalve onzer liefde!



De volgende dag was voornamelijk aan de vreugde der herinnering
gewijd. Wij gingen wandelen. Onze meeste genoegens hadden wij buiten
gesmaakt. De jongensvriendschap is eene veldnimf; ons had zij aan
heldere beekjes, in dichte bosschen, en vooral op de blanke duinen
omgeleid. En deze tooneelen hadden het minst verandering ondergaan. Wel
kwamen wij hier en daar waar het niet was als vroeger, waar wij een
aanleg niet herkenden, die verlegd was, of een brug niet meer vonden,
waarop wij hadden zitten hengelen, of een bosch zagen omgehakt,
met de namen onzer schoonen en al, in de stammen,--en het was eene
onaangename teleurstelling; ja ik schaamde mij haast voor mijne
landgenooten, die de verandering hadden teweeggebracht. En toch wil
ik wedden dat mijn vriend evenmin voldaan zou geweest zijn, indien
hij _alles_ volkomen in dien staat gevonden had, waarin hij het had
gelaten. Want ook dan zou hij het werkelijk anders gevonden hebben
dan hij zich had voorgesteld. Wij menschen denken ons in afwezigheid
het achtergelatene zoo stereotiep niet, en vooral niet als wijzelf
zeer bewegelijk zijn en in onze nabijheid, alles zien veranderen,
vervallen en vernieuwen. Ook heeft het iets stuitends voor ons gevoel,
dat alle oorden, plaatsen en dingen, als _wij_ er niet meer zijn,
volkomen blijven kunnen zooals zij waren, toen wij ons in hun midden
bevonden; en het wekt een soort van wel onbillijke, maar toch van
verontwaardiging op, dat zij zich volstrekt niet aan ons aanzijn of
afzijn storen, en veel standvastiger en veel beter gegrond zijn dan
wijzelf! eene verontwaardiging niet ongelijk aan die, welke een min
of meer bestoven vriendenkring gevoelt voor een doodnuchteren gast.

Zoo er onder mijne verre vrienden zijn mochten, die dit lezen en
niet gelooven, weet ik er niet beter op dan dat zij er zich van
komen overtuigen.

Hoe het in _hunne_ harten is weet ik niet; maar _ik_ dwaal dikwijls
in verbeelding en in werkelijkheid rond en bezoek de plaatsen die
wij te zamen zagen, en herinner mij menig genoegelijk uur, en menig
vertrouwelijk gesprek, en menige vurige betuiging en openhartige
belijdenis. Ik spreek van hen met dezulken die hen gekend hebben, en
wek bij allen die mij dierbaar zijn den lust op _om_ hen te kennen;
ik doorblader hun geliefkoosde boeken en herlees de bladzijden, die
wij te zamen lazen; ik zoek hunne namen in mijn dagboek, dat menig
opgeteekende bijzonderheid behelst, die er duizend niet opgeteekende
voor mijn geest terugroept; ik houd de kleine souvenirs, die zij
mij nalieten, in hooge waarde. Mijn gedachte houdt hen allen bijeen,
als in een stevig snoer. Broeders! wij zijn ver uiteengespat op de
wereld; bergen en zeeën scheiden ons en blijven ons scheiden, en
het is slechts een enkele uwer, dien ik eenmaal en met innige vreugd
mijner ziel weder mocht zien; voor de meeste heb ik die zoete hoop
opgegeven. Ieder onzer heeft zijn eigen loopbaan vóór zich, en zijn
eigen dierbaren rondom zich, en menigen nieuwen vriend, die menigen
ouden heeft vervangen, en boven ons allen, in het oosten en westen,
in het zuiden en noorden, welft zich dezelfde blauwe hemel, en waakt
dezelfde Voorzienigheid! Zij zegene een iegelijk uwer. Gedenkt mijner.

1838.



Narede, en opdracht aan een vriend.

(Eerste Uitgave.)


_Beste Vriend!_

Toen ik de voorgaande bladen gedrukt zag, begreep ik dat er nog iets
aan ontbrak, alvorens ik ze de wereld in kon zenden. Eerst had ik
gedacht er eene scherpe Voorrede vóór te schrijven, zeer hatelijk tegen
dezen of genen collega-auteur, die mij nooit kwaad had gedaan, maar
daar ik een hekel aan had of jaloersch van was. Doch daar ik niemand
kon bedenken, die in deze termen viel, moest ik wel van dit fraaie
plan afstappen. Toen meende ik eene geheele slagorde van onderkraste
en tweemaal onderkraste duchtigheden tegen de heeren recensenten
te richten, die _ik_ niet ken, en die mij... ik had kunnen zeggen:
"zullen verguizen"; het is een plechtig woord en bij teleurgestelde
schrijvers zeer gebruikelijk. Maar het was duizend tegen een, dat men
mij verweet die uitvallen te hebben nageschreven. Daarop heb ik van
alle hatelijkheden afgezien, hetwelk te beter was, daar ik ze in mijn
boek ook niet had toegelaten. En dewijl ik plan had dat boek aan u op
te dragen, besloot ik eindelijk al wat ik er nog over te zeggen had
met die toewijding aan u samen te smelten, en daartoe schrijf ik deze
Narede. Iets onaangenaams te zeggen zou mij nu geheel onmogelijk zijn;
want hoe zou het gaan kunnen in de nabijheid van uwen naam?

Gij weet hoe en wanneer ik deze opstellen heb bijeengekregen. Zij
zijn bedacht in verloren uren, tusschen de wielen en op het water,
op wandelingen en in vervelende gezelschappen. Zij zijn geschreven in
oogenblikken, waarin een ander zijn piano opensluit, of een pijp rookt,
of over _Don Carlos_ praat. Zij werden in gezellige uurtjes voorgelezen
onder vrienden, alleen onder vrienden. Nu ze dan bijeenvergaderd zijn
en aan het publiek worden overgegeven, hoop ik dat het publiek ze
als zoodanig zal beschouwen. Al wie nu niet van _Hildebrand_ houdt,
moet ze maar niet lezen. Gij en de andere academievrienden zullen
er hem in hooren praten en vertellen, en er veel in wedervinden dat
hij dikwijls mondeling met hen heeft behandeld. Zij zijn herwaarts
en derwaarts gegaan met hunne respectieve doctorale graden, en dit
boek zend ik hun na als eene gedachtenis aan ons genoegelijk verkeer,
en mijn hartelijken vriendengroet voeg ik er in gedachte bij.

Wie _Hildebrand_ is weet iedereen wel; er is somtijds met veel
scherpzinnigheid naar geraden. Ook maak ik er geen geheim van, noch
poog mij te laten doorgaan voor een veertig jaar ouder of een veertig
maal beter dan ik ben. Het goede publiek hebbe vrede met den naam;
ook is het om 't even of men _Jaap_ heet of _Hildebrand_.

Maar de naam van het boekzelf heeft mij veel moeite gekost. Het was
zoo heel moeielijk de verschillende stukken onder één etiquette te
brengen, en de uitgever wilde iets hebben dat niet al te versleten
was. De camera obscura is tegenwoordig zeer op de spraak, en de
aanhaling van _Anonymus_ op de eerste bladzijde toont aan met welk
recht ik dit werktuig hier heb durven tepasbrengen.

Soms verbeeld ik mij dat deze bundel papiers eenige verdienste zou
kunnen hebben ten opzichte van onze goede moedertaal. Tot nog toe had
zij voor den gemeenzamen stijl niet veel aanlokkelijks. Ik ben evenwel
de eerste niet, die het waagt haar het zondagspak uit te trekken en wat
natuurlijker te doen loopen. Ik hoop dat ik mij niet te véél vrijheden
zal hebben veroorloofd, en vraag vergiffenis voor de drukfouten. [12]

Ach, ach, ach! die drukfouten zijn een kruis! Op bladzij 12 staat
19 in plaats van 17; op bladzij 13 (onderaan) staat (hoe is het
mogelijk?) _onverschilligst_ in plaats van _onbillijkst_. Ik wed
dat er nog honderden in zijn die ik over het hoofd heb gezien! Maar
ééne: die ik niet heb over 't hoofd gezien, en die mij meer dan alle
grieft, staat op bladzij 160. Ik weet zoo goed als gij, dat van een
"schalksche boerin" te spreken, even dwaas is als te zeggen: "een
geksche boerin", en dat "zij lachte schalks" er evenmin doorkan,
als "zij lachte mals"; en daarom had ik de maagd op bladzij 160 ook
"schalk" laten omkijken. Toen kwam de letterzetter, en schudde daar
het hoofd over, en zette "schalks". Toen kwam ik, en werd boos op den
letterzetter, haalde de S door en schreef er het gewone _deleatur_
bij. Ik kreeg eene revisie, zag mij gehoorzaamd, en gaf het verlof
tot afdrukken. Toen sloop ik weet niet welke hand nogmaals in de
proef en verkorf het weer. Ik val die hand niet hard. Zij volgde
het voorbeeld van vele en van bekwame handen. Maar ik bedroef mij,
lief_sche_ vriend, dat men thans zoo onkundig_sch_ onze schoon_sche_
moedertaal is geworden, en zoo gewoom_sch_ aan dien verkeerd_schen_
uitgang, dien men bij de oud_schere_ schrijvers te vergeefs zoeken zou.

Ziedaar eene lange historie van ééne enkele drukfout. Op bladzij 101
staat _bragt_ in plaats van _bracht_. "Dat komt van die aanmatiging
om met _Bilderdijk_ te spellen!" Niet voorbarig, mijn waarde! wat ik
u bidden mag. Ik heb eerbied voor iedereen die uit overtuiging andere
spelregelen volgt, gelijk ik eerbied heb voor iedereens bekwaamheden
en verdiensten, maar het zij hiermede:


    --_hanc veniam petimusque damusque vicissim_.
    (Dees vrijheid vordren wij, gelijk wij ze andren schenken.) [13]


Maar welke drukfouten en andere fouten het boek ook mogen aankleven,
en hoe klaarlijk het ook de onbedrevenheid of onbevoegdheid van
_Hildebrand_ om iets te doen drukken, of te spellen moge aantoonen;
ik weet dat u de toeëigening van dit bundeltje aangenaam zal zijn. Dat
is althans _iets_, mijn vriend, en zoo het boek u bevalt, dan durf ik
wel hopen dat het anderen bevallen zal. Indien het maar een weinigjen
op u geleek! Het zou dan vol zijn van geestige, maar vroolijke en
goedaardige opmerking, waarbij men niet aarzelt zichzelven in te
sluiten; van dien welwillenden lach, die niets heeft van een grijns;
het zou dan een toon van aangename gezelligheid hebben, waarbij men
zich op zijn gemak gevoelt, en die den lezer zou boeien en bezighouden,
en naar willekeur stemmen tot heldere genoegelijkheid en ongemaakten
ernst! Het is maar een wensch, vriendlief!

Ik heb de Opdracht tot het laatst bewaard. Het is wel tegen de orde;
maar het zij zoo. Daar zijn zoovele lezers die een boek met de laatste
bladzij beginnen, dat het bijna op 't zelfde neerkomt.

October 1839.


(Tweede Uitgave.)


Zoo schreef ik voor zes maanden. Thans nog een enkel woord.

Men heeft mij verweten dat het niet aardig was, den man, aan wien ik
mijn boek had opgedragen, tot een souffre-douleur van de drukfouten
te maken, maar ik weet wel dat gijzelf daar geen oogenblik over
hebt gedacht. Zoo heeft men zich ook hier en daar zeer beijverd de
origineelen aan te wijzen van de personen, die ik heb opgevoerd,
en heb ik tot mijne groote voldoening bevonden, dat men in iedere
stad, waar ik al of niet verkeerd heb, zes of zeven menschen wist
op te noemen, van welke allen men mij om 't zeerst opdrong dat
_zij_ het waren die voor dit of dat portret gezeten hadden. Ik
dacht waarlijk niet dat er zóó vele _Nurksen_ en _Stastokken_
op dit benedenrond hunne beminnelijkheden ten toon spreidden, en
sta verbaasd over den gedienstigen ijver, waarmee de vingers naar
hen worden uitgestoken. Echter kan ik het goede publiek deze kleine
genoegens niet betwisten of kwalijk nemen; maar ik neem de vrijheid
het motto van _Anonymus_ in het nog altijd "onuitgegeven boek" in
herinnering te brengen, en in gemoede te verklaren dat mijn chambre
obscure argeloos geplaatst wordt, dat ik er niet aan wend of keer,
en nooit eenige beweging maken _wil_, om haar op een onbescheidene
wijze te _pointeeren_. Dat ik ze nog niet op den Godesberg of te
Milanen heb kunnen plaatsen doet mij, om den wille van hen die het
hooge en het uitneemsche begeeren, bijzonder leed; maar het is mij
gebleken dat de meerderheid ruim zoo tevreden was met mijn kleine,
mijn Hollandsche tafereelen. Men moet begrijpen, dat wij de vreemden,
dank zij levenden en "afgestorvenen", al zoo op end' uit kennen,
dat het een heele aardigheid geworden is, voor de afwisseling, eens
op onszelven te letten.

Ik neem deze gelegenheid waar, om mij bij een negenjarig vriend te
verontschuldigen wegens de betichting omtrent "den bonten zakdoek"
op bl. 3. Hij heeft verklaard er nooit in 't geheel een bij zich te
hebben, en ik ontlast mijn geweten door dit zijn verzet hier aan te
teekenen. Streelend was mij de toejuiching der Hollandsche moeders
ten aanzien van de schets harer kinderen, en van Prof. _Vrolik_ ten
opzichte van "Een Beestenspel" (ofschoon laatstgenoemd stuk toch maar
het beste niet schijnt te wezen!); streelend vooral uwe goedkeuring,
waarvan het gunstig voorteeken niet is gelogenstraft.

En als gij nu vraagt of ik geen plan heb in dit slag van schrijven
nog eens iets meer te leveren? Ik antwoord dat het, bij zooveel
aanmoediging als ik ondervinden mocht, een vreemd verschijnsel, en
ook waarlijk ondankbaar wezen zou, indien ik het naliet. Verwacht
dus mettertijd "Nieuwe Vertooningen van de Camera Obscura", en neem
ten tweeden male de opdracht van dit boekdeel aan.

April, 1840.



                                      Aan

                        Dr. _Abraham Scholl van Egmond_

                          Zijn oudsten academievriend

                         Worden de voorgaande bladeren

                              In liefde toegewijd

                                      Door

                                 _Hildebrand_.



De Familie Kegge. [14]



Eene treurige inleiding.


Wie kent niet die ontzettende ziekte, die men in het dagelijksch
leven met den gevreesden naam van zenuwzinkingkoorts gewoon is
te bestempelen? Wie heeft onder haar geweld geen dierbaren zien
bezwijken? Wie heeft haar nimmer bijgewoond, die verschrikkelijke
worsteling der zenuwen en vaten, waar deze zich onderling het gezag
betwisten, totdat de lijder--meestal, helaas!--onder dien kampstrijd
bezwijken moet. Voor mij rijst menige angstige herinnering aan hare
verschijnselen op. Ik zie nog die lijders, met die gebroken oogen,
die zwarte lippen, die droge lederachtige handen, die vingers in
altoosdurende beweging. Zij staan mij voor den geest, zoo als zij nu
eens in een dof en mompelend ijlen als verdiept waren en in stilte
bezig met hunne visioenen, en dan met een kracht, die niemand hun
meer zou hebben toegeschreven, zich in hun bed ophieven, om daarna
weder ineen te krimpen als in dierlijken angst. Zij staan mij voor
den geest, ook in hun noodlottig stilliggen, in die treurig heldere
tusschenpoozen, die den dood voorbeduiden. Nog zie ik al dien droevigen
toestel van zuurdeeg om af te trekken, van natte omslagen om terug te
drijven; dien gewichtigen overgang van afwasschende tot prikkelende
middelen. Nog ruik ik de kamfer en de muscus, die de omstanders zoo
zeer plegen te verschrikken. Nog voel ik het zielpijnigend dobberen
tusschen hoop en vrees, het angstig ingaan van iederen nacht,
het smachten naar het morgenlicht, en naar den arts. Nog hoor ik
de betrekkingen duizendmaal de vraag herhalen "of dit nu niet de
crisis zou zijn geweest?" en hun deerniswaardig zelfbedrog, als zij
zich met in hun oog goede teekenen vleien, den dokter een zwaarhoofd
achten, zijne uitspraken naar de inspraak van hunne hoop verplooien,
zoo lang, zoo lang ... tot (eindelijk nog onverwachts!) de harde
waarheid bevestigd wordt, dat de ziekte hopeloos was, dat de dood
zich onvermurwbaar had aangekondigd.

Maar ook, Gode zij dank! er doemen zoete herinneringen van herstelling
bij mij op; bij mij, die zelf de gevreesde kwaal heb doorgeworsteld
met de veerkracht der jeugdige sterkte, en die anderen, als uit hare
kaken gered, zag opleven tot gezuiverden bloei. Die herstelling der
gelaatstrekken, dat langzamerhand gezond insluimeren, en dat eerste
ontwaken met gevoel van beterschap en rust; dat lang gewenschte kalm
opslaan der oogen; die honger; dat eerste opzitten; en die kinderlijke
dankbaarheid voor het eerste glas wijn, dat werd toegestaan! O! gezond
te zijn is een onschatbaar bezit, maar uit een ziekte te herstellen
is een zalig genot!



In het begin van het derde jaar van mijn verblijf te Leiden, was er een
jong mensch, uit Demerary geboortig, in mijne buurt komen wonen. Het
is de gewoonte onder de studenten, in zulk geval elkander een bezoek
te brengen. De jongeling beviel mij. Hij was van een openhartig,
aantrekkelijk karakter, en van een zacht gevoel. Vooral dacht hij
zeer teeder en aanhankelijk over de betrekkingen, die hij in zijn
geboorteland reeds als knaap verlaten had, en die hij niet weder zou
zien dan na zijn bevordering, waarom hij zich ook zoo veel mogelijk
met zijn studiën haasten wilde. Om dien trek en dien ijver was hij
mij lief; en hoewel ik, daar onze studiën en onze tijd van aankomen
te veel verschilden, mij niet met hem in een geregeld verkeer begaf,
zoo bezocht ik hem toch een enkele maal, en scheen hem dat dubbel
aangenaam te zijn, omdat hij met mij vrijuit spreken durfde over dat,
wat hem zoo na aan 't harte lag en aan de meeste zijner jonge vrienden
kinderachtig toescheen, of te ernstig om tot een onderwerp van gesprek
te worden gemaakt.

Bij een dier bezoeken klaagde hij mij sterk over een zekere
vermoeidheid en loomheid in de beenen, die hem sedert eenige dagen
kwelde, en zeer kort daarop vernam ik, dat _William Kegge_, zoo
heette hij, werkelijk ongesteld was. Een ongesteld student ontbreekt
het nimmer aan gezelschap; en er sterft er misschien menigeen aan
te veel oppassing. Ik koos, om hem te gaan zien, een uurtjen uit,
waarin ik hoopte hem niet al te zeer omringd te vinden, en vond hem
te bed. Ofschoon het nu uitgemaakt is, dat een studeerend jongeling,
als hij toch eenmaal thuis moet blijven, veel vroeger zijn troost
in de veeren zoekt dan een nijvere huismoeder, zoo was dit dan
toch erger dan ik mij had voorgesteld. _William_ was echter zeer
monter en opgewekt. Ik bemerkte dadelijk, dat hij koorts had. Twee
zijner intiemsten zaten voor zijn ledikant om hem wat op te beuren,
en raadpleegden hem als scheidsman over een al of niet op te spelen
kaart in een partij hombre, die dien namiddag in "de Pauw" gespeeld
was, waardoor zij hem noodzaakten zich in verbeelding zevenentwintig
kaarten in allerlei samenvoeging voor te stellen; gewisselijk een
aangename tijdpasseering voor een zieke, maar uit haren aard toch
wel wat vermoeiend. Ik gaf den beiden zieketroosters een wenk om dit
gesprek liever te staken, en had ze gaarne te zamen zien vertrekken. Ik
ried daarop den patiënt zich stil te houden, draaide de pit van de
lamp wat neer, en liet het opgenomen bedgordijn vallen.

Ik verzocht hem een dokter te nemen; maar hij wilde er niet van
hooren; een der vrienden zou bij hem blijven totdat hij sliep, en
men zou den anderen dag afwachten.

Den anderen dag had ik reeds vroeg de hospita van mijn buurman
bij mij.

"Het was niemendal goed met meheer! Hij was in 't midden van den nacht
wakker geworden, had haar thee laten zetten, en was, wat zij volstrekt
niet van haar meheer gewend was, zeer knorrig geweest; daarbij had
hij haar zoo verwilderd aangekeken, dat ze "der tranemontane haast was
kwijt geraakt en de schrik haar nog in de beenen zat". Zij geloofde,
"dat het niet goed was geweest, dat meheer zoo veul met een open raam
zat, want daar waren die menschen uit vreemde landen toch maar niet aan
gewend", en zoo vervolgens. Ik kleedde mij en ging hem terstond zien.

Hij had nog koorts, en nu veel heviger, was zeer ontevreden over
zijn bed, zijn slaapkamer, zijn hospita, in één woord, over alles;
hij wilde een groot vuur op de voorkamer hebben aangelegd, en had
daar alle verwachting van. Ik verzocht hem te blijven waar hij was,
en liet oogenblikkelijk een dokter halen.

De dokter kwam en verklaarde de ongesteldheid voor bedenkelijk. De
studeerkamer werd tot een ziekekamer ingericht, de patiënt met zijn
bed derwaarts gebracht; aan zijn voogd geschreven. Deze kwam na een
paar dagen. Het was een oud vrijer, die nooit zieken had bijgewoond
en wien de handen buitengewoon verkeerd stonden, klein van verstand
en dof van gevoel. Hij liet mij het bestier in alles over. De hospita
was gelukkig eene zeer handige, bedaarde, knappe, dóórtastende en
tegelijk hartelijke vrouw. Zij deed haar best; de dokter deed zijn
best; een paar jongelingen, die ik, uit de menigte van die volstrekt
waken wilden, gekozen had, deden met mij al het mogelijke; maar het
hielp niet. De ziekte nam een noodlottigen loop; en na drie weken van
angst en tobben, droegen wij den armen _William Kegge_ naar het graf.

Een studentebegrafenis heeft iets plechtigs. Een lange sleep van
menschen in den bloei des levens, die in rouwgewaad een lijk ten grave
brengen, ten teeken dat die bloei des levens niet onschendbaar is voor
den dood! Zij weten het wel, maar zij moeten het zien, om er zich van
te doordringen. Het zou echter nog veel plechtiger zijn, indien allen
doordrongen waren of konden wezen van dit gevoel; indien allen even
zeer belang stelden in den overledene, even zeer deel namen in zijn
dood; ja, indien maar allen, ook de achtersten, het _Memento Mori_
zien konden dat vooruitgedragen wordt. Ook moesten de nooders van
de liefhebberij afzien om met den langen trein te pronken en hen,
die hem uitmaken, te vervelen met eenen nutteloozen omgang door de
stad. Gewoonlijk wordt de baar door de stadgenooten van den doode
gedragen of, indien die niet genoegzaam in getale zijn, door hen
die met den doode uit dezelfde provincie of uit dezelfde kolonie
afkomstig zijn. Voor _William_ had men geen twaalf landgenooten kunnen
vinden. Zijne beste vrienden droegen hem. Hij had nog zoo kort aan de
hoogeschool verkeerd...! Er was misschien onder dezen zelfs niet een
enkele, voor wien hij zijn hart ten volle geopend had. Wellicht was
ik, die hem toch zoo weinig had gezien, nog wel zijn vertrouwdste
geweest. Althans hij had in den laatsten nacht van zijn leven, in
een oogenblik waarop hij volkomen bij zijne kennis was, een ring
van zijn vinger getrokken, met een kleinen diamant, en van binnen de
letters E.M.

"Bewaar dat"--had hij met flauwe, maar nadrukkelijke stem gezegd--"het
was mij heel dierbaar."

Meer had hij er niet bijgevoegd.

De student voorzitter der rechtsgeleerde faculteit, tot welke _William_
behoord had, hield eene korte toespraak bij het open graf. Toen
wierpen wij, die hem gedragen hadden, er ieder een schop aarde in,
en de voogd bedankte alle aanwezigen voor de eer den overledene
aangedaan. De trein ging terug naar de gehoorzaal der academie
en scheidde daar. De zwarte rokken werden uitgetrokken, de witte
handschoenen hadden afgedaan. Elk keerde weder tot zijne oefeningen,
zijne uitspanningen, zijne levende vrienden. Nog zes weken droeg deze
en gene den smallen rouwstrik om de muts. Maar toen, tegen kersttijd,
de studentenalmanak verscheen, en het verslag gelezen werd, waarin ook
eenige regels aan de nagedachtenis van _William Kegge_ waren gewijd,
was er reeds menig academiebroeder, die al zijn herinneringsmiddelen
moest bijeenroepen om zich voor te stellen hoe "die _William Keg_"
er bij zijn leven had uitgezien.

Als de voogd er aan dacht of van sprak om naar de West te schrijven,
was hij zoo verlegen met de zaak, dat ik eindelijk op mij nam
den voorbereidenden brief te stellen, waarop dan de zijne met het
doodsbericht en zijne verantwoording omtrent de zaken van den jongen
overledene zoo ras mogelijk volgen zouden. Ik vervulde dien moeilijken
plicht; en eenigen tijd na de afzending der beide tijdingen ontving
ik van den vader van _Kegge_ een brief vol van wel wat overdreven
dankbetuigingen en vriendschapsaanbiedingen in antwoord.



Twee jaren later kwam de familie _Kegge_ zelve in Nederland, en zette
zich (zooals ik later vernam, schatrijk) in de stad R. neder. Ik
kreeg hier het eerst kennis van, door een kistje havannah-sigaren,
per diligence ontvangen, met een biljet van dezen, vrij zonderlingen
inhoud:

"Een klein reukoffer van dankbaarheid bij onze komst in het
moederland. Kom te R. en vraag er naar de familie die uit de West is
gekomen, en gij zult hartelijk welkom worden geheeten door

_Jan Adam Kegge_."



Kennismaking met menschen en dieren.


Eenigen tijd na de ontvangst van dit "reukoffer", hetwelk mijne
vrienden niet nagelaten hadden van lieverlede voor mij in geur te
doen opgaan, zat ik op een regenachtigen Octobermorgen, waarop ik
juist niet te vroeg was opgestaan, in stil gepeins voor mijn ontbijt,
toen zich beneden mij een buitengewoon gestommel hooren deed.

"Nog al hooger?" vroeg eene zeer luide stem, die ik niet kende,
"drommels, tante! dat is in de hanebalken. Sakkerloot, 't is hier
suffisant donker, hoor! ik ben een kuiken als ik zien kan!"

Het is niet met zulk een vrijmoedige luidruchtigheid, dat zich de
kapiteins van vergane schepen met onleesbare brieven in de met hen
gestrande portefeuilles, of de "professeurs" van onbekende lycaea,
die "tijdstroomen" aanbieden, of de doorgevallen kruideniers, die
uit hunne verbrande pakhuizen niets anders hebben gered dan een
mooie partij Zeeuwsche chocolade van duizend A's, of de goedkoope
portretteurs en silhouettemakers, die de eer hebben gehad uwen
besten vriend ook af te beelden, of de konstenaars, die voor een
spotprijs de geheele koninklijke familie in gips op uwe tafel willen
zetten, of de reizigers met inteekenlijsten op onmisbare boeken,
waarvan een professor zich heeft afgemaakt door ze een student op
den hals te schuiven; het is, zeg ik, niet met zulk een vrijmoedige
luidruchtigheid, dat opgemelde heeren, en al wat verder zich op eene
listige wijze bij de studeerende jeugd indringt, om op haar medelijden,
onervarenheid, of blooheid te speculeeren, gewoon zijn zich aan te
bieden; want indien zij geen Fransch of Duitsch of Luikerwaalsch
spreken om uw hospita te overbluffen, dan nemen zij de beleefdste,
beschaafdste en tevredenste houding der wereld jegens haar aan;
en wat de trap betreft, zij veinzen niet zelden er ten volle mede
bekend te wezen. Ik was dus op dit punt gerust, en daar ik in eene
stemming verkeerde, die voor afleiding vatbaar was, verheugde ik mij
bij voorraad, een vreemd gezicht te zullen zien.

"De deur ging open, en er trad een welgedaan heer binnen, die een
goede veertig jaar oud mocht zijn. 's Mans gelaat was juist niet
hoog fatsoenlijk, maar de uitdrukking er van bijzonder vroolijk en
joviaal. Zijn verbrande kleur verried de warmer luchtstreek. Hij had
levendige grijsblauwe oogen en zeer zwarte bakkebaarden. Zijn haar,
waarin op de kruin een aanzienlijk hiaat begon te komen, was reeds
hier en daar, naar de uitdrukking van _Ovidius_, met een weinig grijs
doorsprenkeld. Hij droeg een groenen overrok, dien hij oogenblikkelijk
losknoopte, en vertoonde zich toen in een zwart pak kleederen met een
satijn vest, waarover een zware gouden halsketting tot beteugeling van
zijn horloge. In de hand hield hij een fraai bamboes met barnsteenen
knop.

"_Kegge_!" riep hij mij toe, als ik verbaasd opstond om hem te groeten,
"_Kegge_! De vader van _William_! Ik ben gekomen om u, het Museum,
en den Burg te zien; en als je dan mee naar mijn huis wilt gaan,
zulje me drommels veel pleizier doen."

Ik was door dit bezoek geheel verrast, en op het hooren van den naam
ontroerd. Ik beken, dat ik zelden meer aan den goeden _William_ dacht,
maar eene plotselinge herinnering, en dat wel uit den mond van den
beroofden vader, deed mij aan.

Ik betuigde hem mijn genoegen den vader van den overleden vriend vóór
mij te zien.

"Ja," zei de heer _Kegge_, zijn horloge uithalende: "het was jammer
van den jongen, hè! 't Moet een goeie kerel geworden zijn. 't Spijt
me in mijn ziel." En het gordijntje openschuivende voegde hij er bij:
"Je woont hier duivels hoog, maar 't is een mooie stand; dat heet
hier de Breestraat, doet het niet?"

"Hier schuins over woonde _William_: dáár; waar nu de steiger staat."

"Ei zoo, dan was je na buren! Ja, 't is jammer, jammer,
jammer.--Sakkerloot, is dat het portret van _Walter Scott_? Lees je
Engelsch? Mooie taal, niet waar? Zou ik hier een complete editie van
_Walter Scott_ kunnen krijgen? Maar zij moet wat mooi, wat kostbaar
zijn. Ik hou niet van die lorren. Mijn kinderen hebben er al één half
verscheurd."--En al weder op zijn horloge ziende: "Hoe laat gaat dat
museum open? Ik moet volstrekt naar dat dooiebeesten-spel toe. Kan
ik de Academie óók zien? Wat hebje al zoo meer?"



Op dien regenachtigen Octoberdag zag men _Hildebrand_ met een
vreemdeling door Leidens straten hollen, om eerst de doode beesten
in het Museum van natuurlijke, en daarna de Farao's in het Museum van
onbekende historie te gaan aanschouwen; vervolgens een blik te werpen
op de kindertjes, die nooit geleefd hebben, der Anatomie, en daarna
op de portretten der doode professoren, die eeuwig leven zullen,
op de Senaatskamer, van _Scaliger_ "met den purperen mantel" af, tot
op _Borger_ met den houten mantel toe, waarvan er echter ettelijke
den doodstrek duidelijk hebben gezet. Om een weinig verscheidenheid
teweeg te brengen, bezochten wij daarop den Burg, die zelf een lijk
is, vroeger bewoond door de Romeinen, _Ada_, en die Rederijkerskamer
waarvan "zoo vele genieën" lid waren. Ten slotte zagen wij ook nog
den Sineeschen en Japanneeschen inboedel bij den heer _Siebold_, en
rustten eindelijk uit in de sociëteit Minerva, toen nog geschraagd door
"de dubbele zuil" van dien broederlijken zin, die sedert roekeloos
verbroken is. Wij aten vervolgens aan de open tafel in "de Zon",
en het was aldaar, dat de heer _Kegge_ de algemeene verbazing en
zelfs de volkomen verontwaardiging van een zeer lang heer tot zich
trok, door de aanzienlijke hoeveelheid cayennepeper, die hij uit een
opzettelijk daartoe op zak gedragen ivoren kokertje op zijn spijzen
schudde, alsmede door zijne volstrekte verachting van bloemkool en
bordeaux-wijnen, waardoor ik genoodzaakt werd een flesch port met
hem te deelen.

Na het diné vertrok ZEd. per diligence; evenwel niet dan na mij de
belofte te hebben afgeperst, dat ik na afloop van mijn ophanden
zijnde candidaatsexamen, zonder fout, een paar weken bij hem zou
komen doorbrengen; als wanneer hij mij eens zou toonen hoe _hij_
gewoon was menschen te ontvangen, en hoe goed _zijn_ kelder was.

"Als je studeeren wilt," zei hij; "ik heb een mooie portie boeken;
en is er wat nieuws uitgekomen van _Bulwer_ of zoo iemand, breng het
voor mijn rekening mee; maar vooral een beste editie!"

Een paar weken daarna kreeg ik een brief ter herinnering aan deze
mijne belofte, begeleid door een onmetelijk grooten pot West-Indische
confituren, bestaande, voor zoo veel ik er van begreep, uit vele
schijven rhabarber en groote stukken hengelriet, in quint-essence
van suiker ingelegd. De heer _Kegge_ meldde mij, dat "zijne vrouw
en dochter, welke laatste, tusschen twee haakjes gezegd, een mooie
brunette was, van verlangen brandden om mij te zien."

Aan dit verlangen voldeed ik, en weinige dagen daarna zat ik tegenover
de vrouw en de mooie brunette, onder een geweldig geblaf van twee
spaansche hazewindjes, ten huize van den heer _Jan Adam Kegge_.



De kamer waarin ik mij bevond leverde een schouwspel op van de
weelderigste pracht, met de grootste achteloosheid gepaard. Overvloed
van zwierige meubelen vervulde haar, welke allen het onhuiselijk
aanzien hadden van splinternieuw te zien. Een breede, veeloctavige
piano-forte stond opengeslagen en lag bevracht met een aantal boeken,
een hoop dooreengeworpen muziek, en een gitaar. Een gladhouten
muziekkastje stond open, en een der spaansche hazewindjes vermaakte
zich een weinig met dat gedeelte van den inhoud hetwelk niet op
de piano zwierf. Een allersierlijkst pronktafeltje stond beladen
met allerlei aardigheden en mooie beuzelingen, reukflesschen,
handvuurschermen, magots, kinkhorens, sigaarbusjes en kostbare
plaatwerken. Een zilveren pendule met een paar vazen van hetzelfde
metaal rustten op een schoorsteenmantel van cararisch marmer, en op
een trumeau, onder een reusachtigen spiegel daartegenover, zag men een
groep van de schitterendste opgezette vogels met spitse bekken en lange
staarten, die ooit levend of dood geschitterd hebben. Een marokijnen
kleinodiënschrijntje stond er halfgeopend naast. In de vier hoeken der
kamer prijkten vier zwaar vergulde standerdkandelaars. Het vloertapijt
was uit gloeiend rood en even gloeiend groen geweven. De neteldoeken
gordijnen waren met oranje en lichtblauwe zijde overplooid. Gelijk
bij alle ijdele menschen, hingen ook in deze huiskamer aan den wand de
levensgroote en zeer behaagzieke portretten van mijnheer en mevrouw;
mijnheer in een almaviva met een sierlijken zwaai gedrapeerd, en een
oogopslag als van een aangeblazen dichter; mevrouw, zeer laag gekleed,
met een dik parelsnoer om den hals, een kanten plooisel om de japon,
en schitterende armbanden. Een derde schilderij stelde een groep van
vier kinderen voor, waarbij aan de schoone brunette vooral niet was te
kort gedaan. De beeltenis van _William_, die de oudste geweest was,
miste ik met smart; maar het was natuurlijk, want het stuk was eerst
sedert de overkomst der familie in het moederland geschilderd. Voor
de sofa, waarop de schoone dochter van den huize was gezeten, lag
een tijgervel met rood omzoomd; en de armstoel van mevrouw was zoo
ruim en zoo gemakkelijk, dat zij er als in verzonk.

Toen ik binnentrad zat mama met het windhondje Azor, dat met minder
muzikale neigingen begaafd scheen dan het windhondje Mimi, op haar
schoot, en liefkoosde het, terwijl de dochter haar borduurwerk had
neergelegd, om zich met een grooten witten kaketoe met gele kuif
te onderhouden.

Mevrouw _Kegge_ was eer klein dan groot van gestalte, aanmerkelijk
jonger dan haar echtgenoot, aanmerkelijk bruiner dan haar dochter
en, wat zij ook mocht geweest zijn, op dit oogenblik aanmerkelijk
verre van eene schoonheid in de oogen van een Europeaan. Haar toilet
was, ik moet het bekennen, eenvoudig genoeg, en ik zou haast zeggen
eenigszins slordig; maar waar is het, dat er veel werd goedgemaakt
door een zonnige ferronière op mevrouw _Kegges_ voorhoofd en een
zware gouden ketting op mevrouw _Kegges_ voormaligen boezem; hoezeer
ook deze versierselen zich het air gaven van bij mevrouw _Kegges_
tegenwoordige kleedij volstrekt niet te willen passen. Zij scheen
verlegen met mijn bezoek, en had wel het voorkomen een weinigje
verlegen met alles te zijn; ook met de pracht die haar omringde,
en het karakter, dat zij had op te houden.

Haar dochter kwam haar te hulp. Een goede uitvinding van sommige
moeders: dochters te hebben. Zij hief zich, om mij te groeten,
eenigszins plechtig van de sofa op, terwijl de zwarte knecht mij een
stoel gaf, veel dichter bij haar dan bij haar mama, en betuigde haar
genoegen mijnheer _Hildebrand_ te zien. "Papa had er zich zóó veel
van voorgesteld mijnheer _Hildebrand_ eens te bezitten. Niet lang
zeker zou hij zich laten wachten; maar eene dringende commissie had
hem uit geroepen."

Inderdaad, het was een schoon meisje, die dochter van den heer
_Kegge_. Zij had den fijnen neus en den mond van _William_, maar veel
schooner oogen dan deze had gehad. Heerlijke, donkere, tintelende
oogen waren het, die tot in de ziel doordrongen. Als zij ze opsloeg,
blonken zij vurig en onversaagd, en toch, als zij ze neersloeg,
hadden zij iets bijzonder zachts en kwijnends. Heur haar hing in
menigte van lange glinsterende krullen, naar engelsche wijze, langs
haar eenigszins bleeke, maar mollige wangen. Ik wist dat zij drie
jaar jonger was dan _William_, die nu ongeveer twintig jaren zou
geteld hebben; maar, naar den aard der tropische menschengeslachten
was zij ten vollen ontwikkeld. Een weelderig négligé van wit batist
en kronkelige tule kleedde hare rijzige gestalte, en zij had geen
anderen opschik dan een bloedigen robijn aan haar vinger, die de
oogen trok tot haar kleine zachte handekens.

De schoone brunette hield het gesprek vrij wel gaande, en vulde de
gapingen aan door allervriendelijkst met den kaketoe te converseeren
en hem kleine stukjes beschuit uit hare hand te laten oppikken,
bij welke gelegenheid ik doodsangsten uitstond voor hare schoone
vingeren. Men gevoelt, dat ik het begunstigde dier uitermate prees.

"O, hij praatte zoo aardig. Zij was nu begonnen hem haar naam te
leeren uitspreken; Coco, hoe heet de vrouw?"

En zij aaide Coco zoo zacht over den kop, dat ik wenschte Coco te zijn.

De lieve naam kwam echter zoomin van 's mans hoornachtige lippen,
als ikzelf in staat zou geweest zijn dien voort te brengen. Na lang
vleiens kwam er: "Kopje krauwen."

Dit was klaarblijkelijk eene vergissing, en Coco boette die duur
genoeg. De schoone oogen begonnen te vonkelen, en de lieve hand
gaf den onwilligen met een gouden naaldekoker een gevoeligen slag
op den kop; ten gevolge waarvan de heer Coco, met een schuinslinks
gebogen kruin en kleine pasjes, naar het verwijderdste gedeelte van
zijn kruk retireerde, en daar in die houding zitten bleef met een ter
bescherming opgeheven poot, ongeveer als een schooljongen op wien de
meester onheildreigend uitschiet.

"Papa leert hem soms zulke woorden uit een aardigheid," zei de
vertoornde schoone; "maar _ik_ vind het zeer onaangenaam."

Mama zag met een zekeren angst naar haar dochter op.

Ik zocht naar een nieuw onderwerp van gesprek, en was juist van plan
de portretten te hulp te roepen, als mijnheer _Kegge_ te huis kwam.

"Onsterfelijke vriend!" riep hij mij toe; als waren wij ons geheele
leven door de teederste banden van vriendschap, waarvan ooit in
een album gesproken is, "verknocht, verstrengeld" en, als het
rijm medebrengt, "verengeld" geweest: "Onsterfelijke vriend! daar
doe je wel aan. Kom aan, dat's goed. Nog niets gebruikt? Wat
wil je hebben? Madera, teneriffe, malaga, constantia? witte
port? vruchtenwijn? Lieve kind, laat onmiddellijk de likeuren
komen. Hoe zit _jij_ daar zoo te druilen, Lorre?"

"Hij heeft knorren gehad, papa," antwoordde de dochter, "omdat hij
andere woorden spreekt dan die ik hem geleerd heb."

"Allemaal gekheid! Hoe meer woorden hoe beter! Poes, poes! kopje
krauwen! gekskap!..."

"Papa, ik had het waarlijk liever niet."

"Nu, nu, _Harriot_ _my dear_! Ik zal 't niet weer doen.--Maar wat
zegje van onzen gast, mijnheer _Hildebrand_? En wat zegt mijnheer
_Hildebrand_ van mijn dochter?..."

Wij waren beiden verlegen, en hadden niets van elkaar te zeggen.

"Allemaal gekheid!" riep de heer _Kegge_; "je zult wel familiaar
worden. Voortaan geen mijnheeren of dames, maar _Henriette_ en
_Hildebrand_, alstjeblieft."

Juffrouw _Henriette Kegge_ stond op, om met zeer veel ijver op de
piano een boek te zoeken.

De knecht had intusschen bevel gekregen de aangebodene verkwikkingen
te brengen, en zette te dien einde een onmetelijk groote vierkante
sandelhouten kist op tafel, met het woord _Liqueurs_ in sierlijke
trekletters bemaald. Ik houd niet van die coffres-forts der
gastvrijheid, die door slot en grendel schijnen aan te toonen hoeveel
prijs men zelf op hun inhoud stelt. Naar de woorden van den heer
_Kegge_ evenwel te oordeelen, geloof ik dat ik hem wezenlijk zou hebben
verplicht, indien ik had kunnen besluiten al de zes karaffen, die er,
met haar bijbehoorend gezelschap van glazen, in eens werden uitgelicht,
na elkander leeg te drinken. Met een glas madera heette hij mij welkom.

"Hoor reis, onsterfelijke!" ging de heer _Kegge_ voort, "dit is nu
mijn huis, dit mijn vrouw, dit mijn oudste dochter, en straks zul je
al de kinderen zien; niet waar _Hanna_? Dan ken je hier de taal en de
spraak zoo wat. Je moet maar denken: wij in de West zijn familiaar. In
Europa is men vrij wat stijver. Je hebt hier adellijke heeren en groote
hanzen; daar behoor ik niet toe; waarachtig niet; ik ben niet van adel;
ik ben geen groote hans; ik ben een parvenu, zoo je wilt."

_Henriette_ verliet de kamer.

"Maar ik heb, Goddank! niemand naar de oogen te zien; dat's één
geluk! Leve de vrijheid, en vooral hier in huis! Je doet en laat
hier alles wat je goed vindt, slaapt zoo lang als je wilt, eet goed,
drinkt goed--dat zijn de wetten van het huis. Waar is _Henriet_?"

"Naar haar kamer," antwoordde mevrouw _Kegge_. "Zij kleedt zich voor
het diné."

"Dan moeten de kinderen nog effen komen!"

Er werd gescheld. De zwarte knecht kreeg zijne bevelen, en de kinderen
verschenen.

Er traden twee mooie jongens binnen, de een van negen, en de andere van
tien jaren. De ondeugd zag hun uit de brutale zwarte kijkers, en zij
waren er, helaas! niet leelijker om. Zij droegen blauwlakensche pakjes
met tallooze vergulde knoopen over de schouders, breed omgeslagen en
breed geplooide batisten halskragen, geen das, en lage schoenen met
witte kousjes. Daarna kwam een meisje van zeven jaar met lange zwarte
haarvlechten en bloedroode strikken op den rug; een jongen van vijf,
in een schotschbont blousetje; weder een meisje, van een jaar of drie,
met bloote voetjes in gekleurde laarsjes; en eindelijk, op den arm
eener min, een kind, dat niets meer aanhad dan het witte jurkje dat
men zag, en het witte hemdje dat men niet zag,--verontrust u niet,
lieve Hollandsche moeders! het schaap zag er volmaakt gezond uit--met
een gouden rammelaar in de eene hand en een korst brood in de andere.

"Nu hebje ze allemaal gezien," riep papa, de kleinste van den arm der
minne nemende en op zijn schouder zettende; waarop het kind allerliefst
schaterde van lachen en met de bloote beentjes spartelde en trappelde,
dat het een lust was om aan te zien. "Ik heb er elf gehad; _William_,
dien je gekend hebt; _Henriet_, die je gezien hebt; nu is er een heele
gaping; eerst kreeg mijn vrouw een miskraam, en daarop een dood kind;
de vierde is tien jaar oud geworden en toen aan de koorts bezweken;
nu komen de jongens; hier hebje _Rob_, en daar hebje _Adam_, mijn
petekind; die zijn allebei nog ondeugender dan hun vader, toen hij
zoo klein was; tusschen hem en dit meisje is er weer eentje dood; dat
werd door een beest van een negerin vergeven op zijn anderhalf jaar;
dit meisje heet _Hanna_, naar mijn vrouw; dat 's een mooi klein ding,
is het niet? en die kleine jongen heet _Jan_; niet waar, boer? Hier
hebben we _Sofietje_; en het kleintje heet _Kitty_."

Na deze optelling van zijn kinderen, schonk hij ze allen een glas
malaga in, en liet zelfs de kleine _Kitty_ daarvan proeven, die een
leelijk gezicht zette, een uitwerksel dat den oorsprong van haar
leven zeer vroolijk maakte. Mama speelde met den krullebol van _Rob_,
en _Rob_ met den staart van Azor; _Adam_ prikte zijn zuster _Hanna_
zachtkens met een speld in den nek, en buitelde daarop naar den
kaketoe, die zichtbaar bang voor hem was; _Jan_ en _Sofie_ begonnen
een twistgeding ter zake van het hazewindje Mimi. De heer _Kegge_
gaf zijn jongste spruit weer aan de min over.

"Zie zoo, minne!" zeide hij: "nu maar weer naar de kinderkamer! Vort,
jongens! Veel pleizier!"

En de geheele stoet verdrong zich lachende en juichende in de deur,
en stoof henen.

"Als je nu eens weten wilt waar je slaapt, onsterfelijke!" hervatte
de heer _Kegge_, die dezen naam voor mij gekozen scheen te hebben,
"ga dan mee als je wilt; dan kanje meteen de bibliotheek zien."

Hij bracht mij naar een achterbovenkamer, die op den tuin uitzag. Nog
nooit zou ik te midden van zooveel weelde hebben geslapen. Een lit
d'ange, een canapé, een chaise longue daarenboven, een pendule,
een psyché, een waschtafel van satijnhout, met tot de geringste
benoodigdheden voor het toilet meer dan voorzien.

"Je bent niet bang voor dat wapentuig daar in den hoek?" zei de heer
_Kegge_, naar een paar indiaansche bogen en een dozijn wie weet hoe
vergiftige pijlen wijzende. "Hier is de schel; als je wat noodig hebt,
dan rammel je maar dat het huis dreunt."

Wij gingen daarop naar de bibliotheek, waar een lustig vuur brandde
en een schat van Voyages pittoresques en hedendaagsche literatuur,
op de keurigste wijze gebonden, bijeen was.

"Hier ga je nu maar heen, als je je verveelt! Die sofa is nog al
makkelijk. In deze laden zijn platen; al wat je hier ziet is meestal
in Engeland gekocht, en nu completeert _Henriet_ het zoo wat. Ik
kan me met die snorrepijperij niet altijd ophouden. _Henriet_
heeft twee jaar te Arnhem school gelegen. Maar toen zijn we in 't
land gekomen, en hebben haar thuisgehaald; ze was te groot, en ze
moet nu zelf maar verder haspelen. Engelsch kon ze al; en als je
in twee jaren geen Fransch kunt leeren, dan leer je 't nooit. Dat
lange schoolgaan--allemaal gekheid. Ik laat geen van me kinderen
meer schoolgaan; ze krijgen patente meesters aan huis. Gouverneurs
en gouvernantes wil ik niet onder mijn oogen zien. En wat de meisjes
betreft: mijn vrouw verstaat geen woord Fransch, en toch heeft ze
elf kinderen gehad, weetje.... Zie je dien opgezetten tijger? Dien
heb ik zelf op mijn suikerplantage geschoten!... De deugniet had al
driemaal een kalf komen weghalen."

Wij gingen verder, en in den tijd van een half uur had de heer
_Kegge_ mij al de kamers van het geheele huis, den tuin, den stal
en het koetshuis laten zien, alles onder even drukke en schutterige
gesprekken, waaruit het mij meer en meer bleek, dat de heer _Jan
Adam Kegge_ zeer ingenomen was met zijn rijkdom, zijn kinderen, en
zichzelven. Hij scheen er volkomen van overtuigd te zijn, dat hij een
onuitputtelijk fortuin had en dat hij "een perfecte goeie kerel" was;
tienmaal beter dan alle mogelijke "groote hanzen en adellijke heeren",
en volkomen gerechtigd om alle wereldsche zorgen en welvoeglijkheden
met zijn lievelingsuitroep af te doen: "allemaal gekheid!"

Toen wij alles gezien hadden, wachtte mevrouw ons in de eetzaal.

_Henriette_ verscheen er in eene japon van blauwe zijde, die haar niet
volkomen zoo goed stond als haar wit négligé. Ik had de eer tusschen
haar en mevrouw haar moeder te worden geplaatst. Mijnheer zat over
mij, en de kinderen schaarden zich naar goedvinden. Bij het couvert
van den oudsten, die trouwens ook al tien jaren telde, stond een karaf
wijn zoo goed als bij het mijne. Aan het eind der tafel stond nog een
stoel ledig; en toen wij allen gezeten waren, kwam er een kleine,
magere vrouw binnen, nog veel bruiner dan mevrouw _Kegge_. Zij kon
omstreeks zestig jaren oud zijn, als eenige te voorschijn komende
grijze haren deden vermoeden; valsch haar droeg zij niet. Zij was in
het zwart gekleed, maar droeg een omgespelden neusdoek van hoogroode
oostindische zijde. Achter haar ging een schoone lange-hond, die
zoodra zij plaats genomen had zich bij haar stoel nederzette en zijn
kop in haar schoot lei, waar zij hare bruine hand op rusten deed. Er
was iets indrukmakends in deze verschijning, schoon niemand acht op
de binnenkomende sloeg. Men noemde haar grootmama; doch ik twijfelde
soms of dit niet maar een naam was, haar in scherts gegeven. Zij
zelve sprak weinig en eenigszins gebroken, maar eenmaal zag ik haar
veelbeduidend het hoofd schudden, toen de heer _Kegge_ vertelde "dat
hij den koop van dat nieuwe rijtuig maar gesloten had, en dat zij nu
voortaan nog makkelijker naar de kerk zou rijden."

"Kom, kom!" riep hij toen, "geen hoofdschuddingen! dat's allemaal
gekheid. 't Zal het mooiste rijtuig van de stad zijn, en de groote
hanzen en adellijke heeren kunnen er een punt aan zuigen. Ik heb
zin om er een wapen op te laten schilderen met een gouden keg [15]
op een zilveren veld, en een groote planterskroon er bovenop van
suikerriet en koffieboonen."

"Ik zou er maar J.A.K. op laten zetten," zei de oude dame droogjes: "je
kunt immers de letters met net zooveel krullen maken als je maar wilt."

Ik beschrijf u het diné niet, met al zijn opscherpende tomaat- en
andere sausen, cayenne, soya, kruiderazijn, atjarbamboe, engelsche
pickles en wat dies meer zij; noch zal het wagen u een denkbeeld
te geven van den portwijn van den heer _Kegge_, die hij door een
extra-extra gelegenheid had, maar die dan ook zóó was, dat de heer
_Kegge_ verklaarde een zeeuwsche rijksdaalder te willen zijn als men
hem ooit, als men hem ergens anders dan misschien bij den koning van
Engeland, zóó drinken zou. Mevrouw at veel, en _Henriette_ weinig;
maar men moet bedenken dat de laatste oneindig meer sprak; ook regelde
zij de tafel, en droeg zorg, dat men de gerechten in behoorlijke
orde nuttigde, niettegenstaande haar papa zich daar wel eens tegen
bezondigde, en dan met een "allemaal gekheid" de fout verschoonde. De
hazewindjes van mevrouw waren allerbescheidenlijkst stil, omdat zij
ontzag hadden voor den langen-hond der oude dame; maar de kinderen,
die "vrij werden opgevoed", maakten een vreeselijke drukte.

Na den eten bood de zwarte knecht koffie aan, en moest ik een schotsche
likeur proeven, die als vuur in de keel was.



De oude dame was na den afloop van het diné terstond opgestaan en
vertrokken, gevolgd van haar getrouwen hond. De kinderen waren in de
eetzaal gebleven, waar de kleine _Hanna_ de compôte met morellen tot
zich trok en daaruit, terwijl het gezelschap scheidde, zichzelve en
hare broertjes nog eens bediende, op mama's vriendelijk verzoek zich
aan deze verkwikking niet verder te buiten te gaan, niets antwoordende
dan dat het zoo lekker was.

"Je zult niet kwalijk nemen dat ik eens naar de bibliotheek ga,"
zei de heer _Kegge_; "dit is _mijn_ studie-uurtje!" En met een weinig
bedwongen geeuw verliet hij de kamer.

Mevrouw zette zich in eene gemakkelijke houding op de sofa neder,
wierp een bonten zijden zakdoek over haar hoofd en bereidde zich
insgelijks tot de siësta.

De schoone brunette en ik bleven dus zoo goed als alleen in de
schemering, slechts verhelderd door de grillige vlammen van het lustig
brandend kolenvuur. Zij zette zich in een vensterbank neder en betuigde
er zich in te verheugen, dat zij na den eten aangenaam gezelschap had.

Dit was allerliefst; maar ik merkte aan, dat een eenzaam schemeruurtje
ook zijn waarde heeft.

Zij hield er niet van. Zij hield van veel licht, veel discours,
veel menschen; "en helaas", voegde zij er bij, "er is hier volstrekt
geen conversatie."

Ik verwonderde mij over het verschijnsel van een stad met zoo veel
duizend inwoners, zonder eenige conversatie.

"Ach," antwoordde _Henriette_: "men moet denken, de menschen zijn
hier verschrikkelijk stijf; het zijn allemaal coterieën, waar men
niemand in opneemt. Daar zijn nog wel families genoeg, die gaarne
met ons zouden omgaan, maar ... die conveniëeren _ons_ weer minder."

Ik begreep zulk een toestand volkomen. Er zijn in iedere stad
huisgezinnen, die volstrekt niet georiënteerd zijn in hunne
eigenlijke plaats en stand; familiën zonder familie, die den neus
optrekken voor den eenvoudigen, den deftigen burger, wiens vader en
grootvader ook eenvoudige en deftige burgers waren, maar verbaasd
staan, dat de eerste kringen hen niet met open armen ontvangen. Lieve
menschen! van waar komt u deze laatdunkendheid? Moeten dan, mevrouw,
omdat uw echtgenoot een ambt bekleedt dat hem tot het waterpas van
zes, zeven groote heeren in de stad opvoert, de zes, zeven vrouwen
dier groote heeren terstond vergeten, dat uw geboorte burgerlijk,
uw afkomst burgerlijk, uw toon burgerlijk is? Of bevreemdt het u,
rijke koopmansgade! dat de hoogste kringen niet tot u zijn toegenaderd,
naarmate uw echtvriend langzamerhand een grooter huis is gaan bewonen,
zijne bedienden in liverei heeft gestoken, meer paarden en misschien
wel een heerlijkheid heeft gekocht? Moet dan, mejuffrouw! omdat
uw vader met ettelijke tonnen gouds uit Oost of West terugkwam,
en den achtbaarsten patriciër, den besten edelman naar de oogen
steekt door uiterlijke praalvertooning, die achtbare patriciër, die
doorluchtige edelman al de uwen terstond de hand reiken, en u tot gade
voor zijnen zoon begeeren? Weet gij dan niet, dat indien de kringen,
welke gij zoo verlangend zijt binnen te treden, zich voor u openden,
gij in gestadigen angst zoudt verkeeren voor eene toespeling op uws
vaders afkomst, eene hatelijkheid op uw aangewaaiden rang? Zou het
niet veel beter zijn, indien gij u rustig aansloot aan den stand
waartoe gij behoort, die even goed is als een hoogere, en waarin
gij zoudt worden geëerd en ontzien? Moest gij niet veel liever de
eerste onder de burgers dan de laatste, de bij gedoogen toegelatene,
onder de grooten zijn? Waarlijk, ik begrijp hunne terughoudendheid
beter dan uwe eerzucht. Zij zijn volkomen tevreden met het verkeer
onder huns gelijken; zij schromen avances te doen, die hun naderhand
zouden kunnen berouwen; de mevrouwen vreezen, dat zij nu en dan voor
elkander over hare nieuwe kennissen zouden hebben te blozen, indien
zij u _en amitié_ namen, en gij verriedt eens uw nieuwelingschap of
volkomen misplaatst zijn in de kaste, waarin gij waart toegelaten
zonder in hare geheimenissen te zijn ingeleid!... Of, korter
nog; zij zien niet in, waarom zij juist u in haren omgang zouden
opnemen.--Maar gijzelve, die gedurig op uw teenen staat om in haar
vensters te kijken en het af te zien hoe zij haar huis stoffeeren,
haar disch arrangeeren en hare bedienden dresseeren; gij, die haar
plaagt, en tart door uw toilet kostbaarder te maken dan het hare, die
er beurtelings de nabootsing, de parodie, en de charge van uitstalt;
die terwijl gij over den onchristelijken hoogmoed der groote dames
klaagt, die de deur sluiten voor eene familie, die niet tot haren
stand behoort, uw eigen deur op het nachtslot gooit voor familiën,
die wèl tot uwen stand behooren: ik weet niet hoe het komt, dat gij
deze dwaze eerzucht niet lang hebt afgeschud. Een ordinaris kip is
zoo goed als, en misschien beter dan een fazantehen, maar ze behoort
daarom niet in het hok der goudlakenschen. Zoo zij dan den kippenloop
veracht, mag zij alleen gaan zitten onder dezen of genen sparreboom,
en pikken zich in de veeren, en aan de voorbij zwemmende eenden
wijsmaken, dat haar nicht in den tienden graad ook een fazantehen
is. Maar de kippen in den loop hebben samen ruim zoo veel genoegen
als zij in haar eenigheid, achten elkander, bewonderen elkanders
eieren, en kakelen en klokken dat het een lust is. Doch voor u heb ik
eene andere vergelijking. Gij zijt vledermuizen, bij de vogelen niet
gezien, en de muizen verachtende, die geen ander genoegen hebben dan
in het schemeruur wat vertooning te maken met een soort van vleugelen,
die haar waarlijk staan of ze haar niet toekomen.

Het bleek mij in _dit_ schemeruur, dat de schoone _Henriette_ zich
met deze ongelukkige eerzucht pijnigde. Mevrouw kende ik nog niet;
maar mijnheer, schoon alles bruskeerende, wat groot en hoog was, sprak
mij veel te veel van adellijke heeren en groote hanzen, dan dat ik
hem niet van eene heimelijke jaloezie verdacht zou hebben. In zijn
trotsch belijden "zoo je wilt, een parvenu te zijn" was misschien
even veel spijt als oprechtheid.

In den loop van ons gesprek verhaalde _Henriette_ mij wonderen van het
huis en de paarden en de slaven, die de familie in de West had; een
slaaf voor den zakdoek, een slaaf voor den waaier, een slaaf voor het
kerkboek, een slaaf voor den flacon! Zij kwam ook op haar kostschool,
en klaagde over de nare madame, die door al de meisjes gehaat was,
en verhief hemelhoog de allerliefste _Clementine_ zus en zoo, haar
beste vriendin, waarmee zij "in alles sympatiseerde".

Zij had eene "onbegrijpelijken zin" om in Den Haag te wonen, of een
reis door Zwitserland te doen; bij welke gelegenheid zij liefhebberij
toonde om al die bergen te bestijgen, welke gewoonlijk niet door
dames bestegen worden. Zij vond het onuitstaanbaar dat de menschen
_hier_ over het gordijntje gluurden als zij een dame te paard zagen,
en dat men zich nooit in _deze_ stad met een heer in 't publiek kon
vertoonen of er werd gezegd dat men verloofd was; een grieve, welke
ik door alle mogelijke dames tegen alle mogelijke steden heb hooren
inbrengen, maar waarvan ik het ijselijke zoo ijselijk niet inzie.



Een juffertje en een mijnheer.


Terwijl wij nog zaten te schemeren ging de deur open, en door twee of
drie van de kinderen werd eene vrouwelijke gestalte meer binnengegooid
dan ingeleid, onder het gejuich van "_Saartje_ met een mof! _Saartje_
met een mof!"

Een diepe zucht rees op uit den schoonen boezem van _Henriette_.

De gestalte, uit het licht in den donker komende, kon waarschijnlijk
geen hand voor oogen zien, en bleef in de deur staan; de kinderen
trokken weder af, en wij hoorden hen in den gang voortjuichen:
"_Saartje_ met een mof! _Saartje_ met een mof!"

"Kind!" zei _Henriette_ tot de binnengekomene: "Wat kom je ontzaglijk
vroeg; mama slaapt nog."

"Wat zegje, _Harriot_?" riep mevrouw met een schorre stem, wakker
wordende: "Wat wilje kind? is er iets? hebje nog geen licht op?"

"Nicht _Saartje_ is daar al," was het antwoord. "De kinderen zeggen;"
voegde zij er lachend bij; "de kinderen zeggen, met een mof!"

De gestalte kwam, op het geluid af, naderbij, en vroeg met een heele
lieve stem naar de gezondheid van nicht _Kegge_ en nicht _Henriette_.

"Och!" zei de laatste, "je bent er toch niet ver af; schel reis om
het licht, wilje?"

Nichtje gehoorzaamde, en ik verlangde naar de lamp. Het licht kwam
binnen, en ik ontwaarde bij zijn schijnsel een jong meisje, misschien
van de jaren, maar nog niet van de ontwikkeling van _Henriette_. Een
allerliefste taille, in een zeer simpel winterjaponnetje gekleed,
maakte zich los uit de plooien van een bruinen lakenschen mantel; een
gegaufreerd kraagje sloot stemmigjes om een allerblanksten hals; en
toen zij haar eenvoudig kastoor hoedje afzette, vertoonde zich, onder
een schat van los neerhangende blonde krullen, een allerinnemendst
zacht en liefelijk gelaat. Zij bloosde op het onverwacht gezicht van
een persoon meer dan zij vermoed had. Ik haastte mij haar van hoed
en mantel te ontlasten, en ook van de mof, in wier gezelschap zij
was aangekondigd. Zij bloosde nog sterker over deze gedienstigheid
en wilde zich die volstrekt niet laten welgevallen.

_Henriette_ nam de mof in de hand. Het was geen alledaagsch,
nieuwmodisch handmofje van marter of chinchilla, met lichtblauwe of
kersroode zijde gevoerd en nauwelijks groot genoeg voor twee kleine
handjes, een zakdoek, een reukflesch, en een visiteboekje; maar een
degelijke, ruige, ouderwetsche, dikke vette mof, van een fiksche
langharige vossenhuid, waarbij een dito halsbekleedsel behoorde,
waarmee onze grootmoeders over haar doek naar de kerk gingen en
waarin wij daar ter plaatse nu nog een enkele oude keukenmeid zien
verschijnen, en dat den naam van sabel draagt.



"Wat een allerliefst mofje!" zei _Henriet_, met het harde haar
over hare zachte wangen strijkende; "wat doe _jij_ nu met een mof,
_Saartje_?"

"'t Is een oud ding," zei _Saartje_ met een lief lachje: "de kinderen
hebben er ook al zoo'n pleizier over gehad. 't Is nog van mijn
grootmoeder, en ik draag het alleen 's avonds, nicht _Henriette_! Hoe
vaart neef?"

"Papa is heel wel," antwoordde de schoone. En als om het te bewijzen
trad de heer _Kegge_ zelf binnen, vatte _Saartje_ met een fikschen
greep om het middel, en gaf haar een zoen dat het klapte.

"Wel _Saar_! daar doe je wèl aan!" riep hij uit. "Kom je nog reis
thee voor ons schenken? Wat zeg je van dien mijnheer, dien we hebben
opgedaan? Pas maar op hoor, het is een meisjesgek."

Dit zijn van die malle gezegden, waarop de patiënt niet veel anders
doen kan dan pijnlijk glimlachen.

"En wat hoor ik van je mof? _Rob_ zegt dat je een mof hebt. Laat reis
kijken. Die is nog van je moeder, _Saar_! Lieve schepsel! ik ben een
citroen als dat niet precies het haar is van een wild varken. Hoor
reis, je zult voor je Sinter Klaas een betere mof van _mij_ hebben."

"Och neen, neef _Kegge_!" zei het lieve meisje verlegen; "ik zou haar
toch niet anders dan 's avonds dragen."

"En waarom niet, als _ik_ ze je geef?"

"Omdat het me ... niet past, neef _Kegge_."

"Niet passen? allemaal gekheid! wat droes, als ik ze betaal?"

"Toch niet, neef _Kegge_! heusch, ik had het liever niet,--ik mag
geen bont dragen,--en ik ben er ook nog veel te jong voor."

"Allemaal gekheid! wat doen de jaren tot een stuk beestenhaar? 't
Is immers voor de kou, krullebol! Nu, let maar op, met Sinter Klaas;
en hou nu je moeders vel maar uit de tanden van Azor en Mimi."

Deze laatste aardigheid deed den heer _Kegge_ machtig genoeglijk
aan, en wij zetten ons tot de thee. Dat het servies van zilver
en de kopjes van blauw porselein waren, behoeft niet te worden
opgemerkt. De lezer weet nu te wel hoe het huishouden van de rijke
familie _Kegge_ gemonteerd was, om van eenige pracht ter wereld meer
verwonderd te staan, en het verveelt mij er hem langer opmerkzaam op
te maken. Die er behagen in schept moois van dien aard met bewondering
en ingenomenheid beschreven te zien, leze de novellen van Q. en Z. Men
zou zeggen dat die heeren zelf belust werden op de schoone mirakelen,
die zij beschrijven.



Toen de thee was afgeloopen en de pendule bijna op acht uren stond,
liet de heer _Kegge_ zich een met zwart zeehond gevoerden overjas
van poolsch maaksel geven. Het was nog niet koud genoeg voor de pels,
zeide hij. Hij stak daarna op, hetgeen hij met een kieschen term een
stinkstok noemde, en ging uit, om alweer een noodige commissie te doen.

Niet lang daarna kwam er in zijne plaats een heer binnen van een zeven-
of achtentwintig jaren, naar ik berekende. Het was een welgemaakt,
rijzig man, met een gelaat, waarvan de snede heel goed, maar dat voor
het overige zeer vervallen was. Hij droeg het haar eenigszins lang,
zeer scheef gescheiden, en aan den breedsten kant gefriseerd. Grijze
oogen schoten hunne doffe stralen uit diepe spelonken, want de
jukbeenderen waren zeer sterk geteekend, en om zijne lippen speelde
een glimlach, die kennelijk geen andere bestemming had, dan om een
zeer blank en regelmatig gebit te doen te voorschijn komen. Deze
persoon was gedost in een zeer nauwen groenen rok met zeer kleine
vergulde knoopjes en zeer nauwe en korte mouwtjes, een zeer wijden
zwarten pantalon, met zeer spits toeloopende pijpen, en een gebrocheerd
zijden vest. Een zwartsatijnen strop, in welks slippen een zeer lange,
zeer dunne gouden doekspeld stak, met een klein goud snoertje daaraan
vast, stroo-gele handschoenen en zeer puntige laarzen voltooiden zijn
kleedij. Nog slingerde er een gouden halsketting, saamgesteld uit
lange magere schakels, over zijn vest, en wees der verbeelding den
weg naar een zeer dun goud horloge à cylindre, terwijl aan een bijna
onzichtbaar elastiek koordje een klein vierkant lorgnet bengelde,
dat geschikt was om zonder hand of vinger aan te raken, in den winkel
van het oog te blijven staan.

Toen deze heer binnenkwam, ging hij eerst de kamer door, volstrekt in
dezelfde houding alsof hij moederziel alleen ware geweest en zonder ter
linker of ter rechter zijde iets te willen opmerken; men zou gezegd
hebben in eene blinde opgewondenheid. Toen hij tot mevrouw _Kegge_
genaderd was, stond hij stokstil en liet zijn hoofd op de borst vallen
als eene geknakte bieze; vervolgens ging hij op _Henriette_ af, en
herhaalde dezelfde beweging met al de bevalligheid van een automaat;
eindelijk bracht hij ze ten derdemale ten uitvoer voor de vereenigde
personages van _Saartjen_ en mij.

_Henriette_ stelde ons aan elkander voor, als mijnheer _Van der Hoogen_
en mijnheer _Hildebrand_.

Mijnheer _Van der Hoogen_ plaatste zich vervolgens op den hem
aangeboden stoel, bracht den duim van zijne rechterband ter hoogte van
zijn rechterschouder, en stak hem door het armsgat van het gebrocheerde
vestje, zoodat zijne taille fine allerschitterendst uitkwam. Daarop
begon hij met een krakende stem tot mevrouw:

"En hoe maken het Azor en Mimi? Charmante hondjes. Gisteren dineerde
ik bij den heer _Van Nagel_; nu, u weet wel dat freule _Constance_
ook een aardig hondje heeft...."

"Ik weet het heel goed; het is een King Richard," zei _Henriette_,
"een allerliefst dier."

"Niet waar? allerliefst en allercharmantst; maar toch het haalt niet
bij Azor en Mimi."

"Zou je dat waarlijk denken?" vroeg mevrouw, met zichtbaar welgevallen.

"o Mevrouw!" antwoordde de heer _Van der Hoogen_, geheel
opgewondenheid: "het scheelt hemel en aarde. Ik kon ook niet nalaten
het te zeggen. Freule _Constance_! zei ik, uw hondje is charmant;
maar de hondjes van mevrouw _Kegge_ zijn charmanter."

Ik had nog zoo veel bewijs van leven op het gelaat van mevrouw _Kegge_
niet gezien; met een soort van geestdrift stak zij Azor en Mimi,
die bij haar op een tabouret lagen, ieder een klompje suiker toe,
en streelde hen dat hunne koppen blonken als spiegels.

De heer _Van der Hoogen_ richtte zich daarop tot _Henriette_.

"Ik kan u zeggen, juffrouw _Henriette_, dat de freule _Constance_
jaloersch is van uw maraboe's; zij heeft u er laatst mee in de
kerk gezien. Gisteren zei ze: _Van der Hoogen_, je kent immers de
familie _Kegge_? Ik antwoordde dat ik de eer had er gepresenteerd te
zijn. Nu, zei ze, ik kan je zeggen: ik ben ziek naar de maraboe's
van de freule. Het zijn allercharmantste maraboe's; daarop volgde
een heel gesprek over u."

"Waarlijk?" vroeg _Henriette_: hare oogen ongeloovig tot hem
opslaande. "Foei, _Van der Hoogen_! je houdt me een beetje voor
den gek."

"Dat is ondeugend van je," antwoordde _Van der Hoogen_, als zij
glimlachende. "Hoor je 't, mevrouw? Foei, foei, welke zwarte
soupçons!" Daarop trok hij zijn gezicht in een ernstige plooi en
vervolgde: "Waarlijk, juffrouw _Henriette_, het is jammer, heel jammer,
dat je die menschen niet ziet. Het is een charmant huis. De freule
_Constance_ is waarlijk allercharmantst."

"Ik weet niet, _Van der Hoogen_! maar ik geloof stellig dat er iets
bestaat tusschen u en die freule _Constance_!" merkte _Henriette_
aan. En zij lichtte haar kleinen wijsvinger op, en zag hem met alle
mogelijke coquetterie in de oogen.

De heer _Van der Hoogen_ had er, wed ik, zijn mooie handschoenen
voor willen verbeuren, indien hij had kunnen blozen. Maar zijn blos
was--wie weet waar?

"Al weer foei!" hernam hij, "dat is nu toch niet edelmoedig, juffrouw
_Henriette_!" En hij lei de hand zeer gemoedelijk op zijn gebrocheerd
vest; "ik verklaar u op mijn woord van eer, dat al wat men daar
misschien van fluistert--onwaar is."

Hij liet een korte geheimzinnige pauze volgen; daarna ging hij
voort:

"Ik mag de freule _Constance_ heel gaarne; zij is waarlijk
allercharmantst; maar ... ik heb geen plans, in 't geheel geen
plans. En wilje weten waarom zij mij juist gisteren zoo beviel?"

"Welnu?"

"Omdat zij zich zoo aan _u_ intéresseerde." En hij sloeg de oogen
liefelijk neder.

"Inderdaad, ondeugd?" plaagde _Henriette_; "je zoudt me waarlijk
nieuwsgierig maken, indien ik het worden kon!"

"Zij vond uw voorkomen zoo bijzonder lief en intéressant," zei _Van
der Hoogen_, "en ze had zóó veel van uw spelen gehoord." En zich tot
mevrouw _Kegge_ keerende: "Lieve mevrouw! vereenig u toch met al wat
in de stad smaak heeft, om uw dochter te bewegen haar woord te houden."

"Dat behoeft niet meer!" zei _Henriette_ glimlachende: "alles is
bepaald: ik speel vrijdag."

"Charmant, charmant, allercharmantst. Dat zal freule _Constance_
verrukken. Dat zal een sensatie in de stad geven. Een groot stuk,
hoop ik...."

"Ik ben nog niet gedécideerd," antwoordde _Henriette_: "wil de heer
_Van der Hoogen_ mij eens helpen kiezen? Zullen wij de piano eens
openmaken?"

"Gaarne, dolgaarne."

"Maar gij moet reflecties maken."

"Onmogelijk! onmogelijk!" riep _Van der Hoogen_. Daarop sprong hij
van zijn stoel, bracht zijn hoed in een hoek van de kamer, waar hij
hem zoo voorzichtig nederlegde, alsof hij een uitgeblazen eierschaal
geweest was, ontblootte zijn sneeuwwitte handjes en nagels coupés à
l'anglaise, en hielp _Henriette_ de muziek uitzoeken.

Onderdies fluisterde hij half hoorbaar: "Dat juffertje _De Groot_
heeft toch een allercharmantst gezichtje!"

"Wat onbeduidend," antwoordde _Henriette_.

"Niet waar? dat is de eenige fout," sprak _Van der Hoogen_.

"_Saartje_," hernam _Henriette_, "het is goed dat ik er om
denk. Grootmama heeft wel zeer verzocht of je haar een beetje
gezelschap zoudt willen houden."

"Graag, nicht _Henriette_!" antwoordde _Saartje_; "ik ga terstond."

Ongaarne zag ik de lieve blauwe oogen vertrekken.

_Henriette_ begon te spelen, en de heer _Van der Hoogen_ sloeg de
bladen om; maar ik merkte op dat hij er somtijds zoo lang mee talmde,
dat _Henriette_, bevreesd dat hij het niet bij tijds doen zoude, zelve
hare hand uitstak, waarop hij zich dan haastte die hand te ontmoeten
en een allerliefst excuus te fluisteren, of te glimlachen. Over 't
geheel was de houding der jongelieden voor de piano zeer vertrouwelijk.

Intusschen zaten aan een klein tafeltje de jonge heeren _Rob_ en
_Adam_ écarté te spelen om een kwartje, en verminkte kleine _Hanna_
(want deze drie kinderen schenen op te blijven) de platen van een
kostbaar boek tot mislukte knipsels.

Ik had nu geen andere conversatie dan mevrouw, die mij vooreerst
ophelderde dat de gebeurtenis, die "al wat in de stad smaak had
verrukken zou," geen andere was, dan dat _Henriette_ aanstaanden
vrijdag op het damesconcert een obligaat op de piano zou uitvoeren. De
heer _Van der Hoogen_ had haar zoo lang gebeden, en de directie van
het concert had er mijnheer _Kegge_ zoo zeer om lastig gevallen,
en _Henriette_ speelde ook zoo uitmuntend, dat men niet langer had
kunnen weigeren! Na deze mededeeling begon ons gesprek te kwijnen,
en wist ik niets beters te doen, dan haar af te vragen hoe 't haar in
Holland beviel. Zij klaagde daarop steen en been. Het scheen hier te
lande koud en nat te zijn; de menschen waren hier stijf en gierig,
en altijd bij hun kinderen; de kinderen hadden zooveel kleeren aan
't lijf; en de huizen waren zoo tochtig! Maar zij zelve was gelukkig
altijd gezond, en de kinderen en _Kegge_ ook, en ook de hondjes.

De heer _Kegge_ kwam thuis en vertelde zooveel nieuws, dat het
blijkbaar was dat hij naar de sociëteit was geweest. Er kwam wijn
binnen voor de dames, en er werd grog gemaakt voor de heeren. De
heer _Kegge_ voegde zich bij de piano. _Saartje_ kwam weder beneden
en vertelde dat de oude mevrouw lust had om naar bed te gaan. Ik
hield mij daarop met haar bezig door te zamen de platen te bezien
eener prachtuitgaaf van _Lafontaine_. Zij wist zoo goed welke fabel
door iedere plaat werd voorgesteld, en sprak het Fransch zoo wel
uit, dat ik duidelijk bemerkte dat dit eenvoudig burgerdochtertje,
dat geen bont mocht dragen, eene zeer goede opvoeding had gehad,
en misschien ruim zoo goed geprofiteerd had, als ik van de schoone
brunette en haar tweejarig pensionaat verwachten durfde.

Er werd nog een heele poos muziek gemaakt, en mevrouw _Kegge_ sluimerde
met haar hondjes in. Zij werd niet wakker voordat de charmante heer
_Van der Hoogen_ weder op haar was toegeloopen, zijn hoofd op de
borst had laten vallen, en betuigd dat hij, heer _Van der Hoogen_,
de eer had haar dienaar te wezen.

Hij maakte dezelfde plichtpleging voor de jonge dames, en begon nu
aan den heer _Kegge_.

"A propos"--zeide hij--"goed dat ik er om denk. Er presenteert
zich eerstdaags eene charmante gelegenheid om iets naar de West te
verzenden. Een jong mensch aan een der bureaux zal zich waarschijnlijk
décideeren er heen te gaan. Hier geen vooruitzichten voor iemand
zonder familie; misschien daar nog een plaatsje als blankofficier;
honorable betrekking!"

"Vooral tegenwoordig!" merkte de heer _Kegge_ aan, "schoon't bij
ons beter is dan in Suriname. Daar zijn de blankofficiers geheel in
verachting. Maar 't is dwaas; want zoo in Suriname als in Demerary
zijn de meeste directeurs het zelf geweest."

_Henriette_ werd vuurrood op deze uitspraak. Welke gevolgtrekkingen
kon de charmante heer _Van der Hoogen_ niet uit zulk een bekentenis
opmaken! Maar de charmante heer _Van der Hoogen_ dacht misschien aan
zijn eigen vader die, zoo als ik naderhand vernam, een logementhouder
te Amsterdam was, en met wien hij dien ten gevolge niets meer had
uit te staan dan dat hij nu en dan een wissel op hem trok.



Vaderangsten en kinderliefde.


Wie _Hildebrand_ te logeeren vraagt, krijgt, durf ik zeggen, geen al
te lastigen gast in hem; maar op één ding is hij zeer gesteld. Hij
moet niet alleen een afgeschoten hoekje hebben waar hij slaapt, maar
ook een afgeschoten hoekje waar hij alleen kan zitten; een plaatsje
van ontwijk, al is dat dan ook nog zoo klein, waar hij zichzelven kan
toebehooren en, ongestoord en onbespied, gedurende een zeker gedeelte
van den dag doen wat hij wil; en als het winter is, valt dat bij
sommige menschen moeielijk; want dan kan op de eene kamer niet gestookt
worden om de valwinden, en op de andere geen vuur aangemaakt omdat
het er zoo rookt en, schoon hij zich vrij wat koude getroosten kan,
"in de kou mag hij volstrekt niet gaan zitten." Ondertusschen is het
een schrikkelijk ding tusschen het ontbijt en het koffieuur, te zitten
hangen in de huiskamer, eerst in gezelschap van de dames in négligé;
daarna in gezelschap van een dienstbode, die u verzoekt uw boek op
te lichten om "eventjes de tafel te wrijven," vervolgens met in 't
geheel geen gezelschap, en eindelijk weer in gezelschap van iemand,
die een brief gaat zitten schrijven, en dan, af en aan, eene flauwe,
slaperige en rekkerige conversatie. Neen! de conversable dag begint
niet voor één ure. Aan het ontbijt voegt de bijbel en de stilte, en
na den ontbijt, eenzaamheid en bezigheid; met de koffie krijgt eerst
de gezelligheid hare rechten, en ik heb geen eerbied voor den man,
die eene anecdote vertelt of een geestigheid zegt vóór dat de klok
van éénen koud is.

Ik was tot één ure op de bibliotheek gebleven, waar ik mij recht
op mijn gemak genesteld had, en mij onledig gehouden, niet met mij
op eene fatsoenlijke wijze te vervelen door, zonder bepaald iets te
willen doen, nu het eene dan het andere boek uit de kast te halen,
in te zien, en weer op zijn plaats te stellen, maar door een klein
werkjen op te zetten, waartoe ik de materialen had meegebracht, een
werkje daar ik alle oogenblikken van scheiden kon, maar daar ik ook
genoeg aan had om met belangstelling in bezig te zijn.

Ik kwam beneden en werd door mijn gastheer als "den geleerde" begroet,
"die den heelen ochtend met den neus in de boeken had gezeten;
allemaal gekheid. Hij was een dromedaris als hij er niet bij in slaap
zou zijn gevallen."

_Henriette_ kwam binnen. Zij zag er buitengewoon vroolijk en opgewekt
uit, en hield in de eene hand een violetkleurig biljet, dat zij pas
scheen te hebben ontvangen.

"Kind!" riep de heer _Kegge_ haar toe, "vanavond ga je uit, hoor!"

"En waarheen, papa?" vroeg _Henriette_.

"Naar neef _De Groot_, hart! Op vergulden."

"Op wat?" vroeg _Henriette_, wier aangezicht betrok.

"Op koekplakken!" zei haar vader, "Sakkerloot, ik heb het in mijn jeugd
ook gedaan. Vrijers, vrijsters, varkens, ledikanten, _Adam_ en _Eva_,
schepen, al den boel! "Weetje niet dat het haast Sinter Klaas is?"

"Ik koekplakken, papa, bij de _De Grooten_!--Ik kan het niet; ik
bedank er voor. Neen, _daar_ bedank ik nu voor," zei _Henriette_
op een welberaden toon, "ik doe het _niet_."

"Ja maar, lieve meid," zei de heer _Kegge_, "ik heb het voor je
aangenomen; hoor; je kunt er niet af; 't is een heele damespartij."

"En wat voor dames zouden er bij de _De Grooten_ komen?" vroeg de
schoone smalend.

"Weet _ik_ het, juffrouw _Henriette_?" zei de vader, op een kluchtige
wijze het mutsje afnemende, dat hij droeg uit aanmerking van het hiaat
in zijne lokken, ofschoon met zichtbare verlegenheid. "Ik ben een
kievit als ik het weet. Je neef heeft er me verscheiden opgenoemd;
juffrouw _Riet_, juffrouw _Dekker_, juffer dit en dat; hij zegt dat
het heele ordentelijke juffrouwen zijn."

"En waarom heeft _Saartje_ mij dan gisteren niet verzocht?"

"Omdat zij het vergeten heeft, zegt ze."

"Omdat ze niet gedurfd heeft," verbeterde _Henriette_, rood van
verontwaardiging.

"_Henriette_-hef!" vleide papa, "ik had graag dat je wèl waart met de
_De Grooten_. Toen we hier vreemd aankwamen, hebben ze ons duizend
diensten bewezen. Neef heeft dit huis voor ons gehuurd en alles;
hij is een eerlijk man; kan hij 't helpen dat hij geen adellijk heer
of groote hans is, dat hij geen glacé handschoentjes draagt als onze
vriend _Van der Hoogen_? Ik heb het aangenomen; je zult er immers
heengaan? Ik wil dat je er heengaat."

"Het is wèl; ik _zal_ er heengaan," antwoordde _Henriette_, bleek
van drift; "maar als ik vrijdag slecht speel, is het _uw_ schuld."

"Voor mijn rekening, kind! Maar, van vrijdag gesproken! Misschien
bevalt je dat óók niet; ik heb neef _De Groot_ een introductiekaartje
beloofd."

"'t Is goed," zei _Henriette_, haar spijt verbijtende.

"Van wien is dat paarse briefje?"

"Ik heb het met muziek gekregen."

"Nu, kind! van avond vergulden, hoor! _Hildebrand_ mag je komen
halen als hij pleizier heeft; en dan moet hij wat vroeg gaan, dan kan
hij nog reis mee trekken om 't langste brok. 't Zijn waarlijk goeie
menschen, _Hildebrand_! heel ordentelijk. Je hebt gisteren _Saartje_
gezien. _Henriet_"--vervolgde hij, met de oogen pinkende--"_Henriet_
mocht willen dat zij er zoo uitzag!"

_Henriet_ beefde.

"Maar zij heeft óók wel mooie zwarte oogen," zei haar papa, en gaf
haar een kus. "_Harriot_, _my dear_, je moet niet boos zijn."

_Harriot_, _his dear_, draaide het hoofd af.

De vader was verlegen.

"Het is goed weer," hernam hij: "best weer! ik heb de schimmels voor
de barouchette laten zetten; ik wil een toertje maken met mijn logé. Ga
je mee, _Harriot_?"

"Ik heb te schrijven en muziek te copiëeren," antwoordde zij,
een slotportefeuille openslaande, en er een blaadje bathpapier
uitkrijgende, dat zij oogenblikkelijk met veel ijver ging zitten
vullen.

"Nu, dan gaan wij alleen; voor mama is het te koud."

Er volgde een poosje stilte.

"Is uw toilet voor vrijdag al in orde, _Harriot_?" vroeg de heer
_Kegge_.

"Ik weet niet," zei _Harriot_.

"Moet er niets nieuws zijn, een ferronière, of zoo wat?"

"Neen, papa."

De schimmels waren vóór; _Henriette_ bleef pruilen. Wij namen afscheid
en stegen in de barouchette.

"_Henriette_ was boos," zei de vader, toen wij gezeten waren. "Ja,
die dametjes! je moet ze ontzien, vrind! En _Henriet_ heeft _veel
karakter_."

Wij toerden eerst door de voornaamste straten der stad, en lieten de
vensters der respectieve bewoners dreunen. Mijnheer _Kegge_ beweerde
dat men hard moest rijden, want dat men anders geen ontzag onder de
voetgangers krijgen kon. Ik kon dan ook het woord "ongepermitteerd"
duidelijk lezen op het gelaat van verscheidene Joden, die de stad met
kruiwagens doorkruisten, en van oude vrouwen die van de vischmarkt
kwamen en op dezen of genen hoek niet gauw genoeg uit den weg konden
komen. Ook zag ik deftige heeren met rottingen onder den arm die,
niettegenstaande de straat breed genoeg was, het veiliger achtten
hunne wandeling te staken, totdat het rijtuig zou zijn voorbijgegaan,
en kindermeiden die, twintig huizen vóór ons uit, "verschoten" en de
aan haar zorg toevertrouwde lievelingen bij de armen naar zich toe
sjorden, om der wereld te toonen hoe goed zij voor hen zorgden. In
een koffiehuis kwamen, drie of vier heeren, met horizontaal opgeheven
pijpen in den mond, over het horretje kijken, en alles toonde ontzag
voor de twee schimmels, het mooie rijtuig, den deftigen koetsier,
en den zwarten lakei achterop, die met onbewegelijke plechtigheid zat
rond te kijken en iedereen eerbied inboezemde, behalve den boven alle
vooroordeelen verheven straatjongen, die hem nariep: "Mooie jongen,
pas op, hoor! dat de zon je niet verbrandt!"

Alle deze bewijzen van opmerkzaamheid en belangstelling in zijn persoon
en bezitting schenen ditmaal noch de hoovaardij van den heer _Kegge_
te prikkelen, noch zijne vroolijkheid gaande te maken.

Wij reden de poort uit en den straatweg op, en deden een mooien keer
door de boschrijke streek. Het was een heerlijke najaarsdag. Het
had in dien herfst weinig geregend en nog in het geheel niet
gestormd. De boomen pronkten dus nog met een goed gedeelte van hun
bladerkroon. Heerlijk blonken de goudgele en bloedroode tinten van
iepen en beuken in het rosse zonlicht. Hier en daar breidde een eik
daartusschen zijn gelende takken uit, nog steeds groen aan den top;
en het donkergroen van een partij dennen beschaamde van tijd tot
tijd, met somberen ernst, de overige zonen van het woud, die nu nog
zoo trotsch schenen op verdorde pracht, en weldra naakt en arm den
winter zouden tegemoet gaan.

Maar noch de schoone natuur, noch de heldere zon, noch de frissche
najaarslucht vermochten de wolk van het voorhoofd van den heer _Kegge_
te verdrijven. Ik trachtte het gesprek levendig te houden en zijne
gedachten over allerlei onderwerpen te verdeelen, maar telkens bleek
het mij duidelijk dat zij over de verstoordheid van zijne beminde
dochter liepen.

De schimmels waren ongemeen vurig en liepen uitmuntend, en de koetsier
maakte den heer _Kegge_ herhaalde malen opmerkzaam dat de bijdehandsche
nu toch alle kuren had afgelegd. Het scheen alsof de heer _Kegge_
er geen gevoel voor had; hij dacht aan de kuren van _Henriet_.

De koetsier slaagde er in, na een lange worsteling, een "grooten hans
en adellijken heer" voorbij te rijden; maar de heer _Kegge_ wreef
zich de handen niet met dat genoegen, waarmee ik mij overtuigd hield
dat hij het gisteren zou gedaan hebben. Zijn geest was gedrukt. Wel
poogde hij den last nu en dan van zich af te werpen, of zich dien te
ontveinzen, door van tijd tot tijd koddig of ruw uit te vallen, maar
daarna geraakte hij op nieuw in de stilte. Hij was de man van gisteren
niet. Die barre mijnheer _Kegge_, zoo onafhankelijk, zoo luidruchtig,
zoo opbruisend, en voor geen kleintje vervaard, was kleinmoedig en
benepen van ziele, om den wille van de gril van een zeventienjarig
meisje, dat hij liefhad, en vreesde. Mejuffrouw _Toussaint_, in wie
ik niet weet wat het meest te bewonderen, òf de juistheid waarmede
zij de verborgenheden van het innerlijk leven opvat, òf de keurigheid
en kracht waarmee zij die in hare geschriften schildert, heeft dezen
vorm der ouderlijke liefde uitstekend geschetst.

Op den terugkeer gebood de heer _Kegge_ stil te houden voor de deur
van een bloemist.

De zwarte palfrenier steeg af en schelde aan. "Is je heer thuis,
meisje?"

"Meheer is na Amsterdam."

"Maar mogelijk is _Barend_ te werk," riep _Kegge_ uit het rijtuig.

"Ja, meheer! _Barend_ is er. As meheer er maar uit wil komen?"

Wij stegen af, en men bracht ons naar het zoogenaamde bollenhuis,
waar _Barend_ zich weldra te midden der bolrekken, houten zaadbakjes
en sterke geuren aan ons oog vertoonde.

_Barend_ was de oudste, de meester-knecht van den bloemist, bij wien
wij waren afgestapt; een man van een, in zijn stand, allereerwaardigst
voorkomen. Hij was niet groot van gestalte, en droeg een blauw wambuis
van een antiek snit, een korte broek, grijze kousen en groote vierkante
zilveren kuit- en schoengespen; zijn wit voorschoot was in de schuinte
opgenomen. Niettegenstaande zijn hooge jaren, droeg hij het hoofd
nog vrij rechtop. Dunne witte haren hingen hem langs de slapen; maar
zijn gerimpeld gelaat had nog dat gezonde rood, dat denzulken, die
hun leven in de open lucht hebben doorgebracht, tot in hun grijsheid
bijblijft. Zijne blauwe oogen hadden een vriendelijken glans, en
zijn mond was juist genoeg ingevallen om een allerinnemendste plooi
te hebben aangenomen.

"_Barend_!" zei de heer _Kegge_, "ik moet een mooien ruiker bloemen
hebben."

"Dat zal slecht gaan, meheer _Kegge_," antwoordde _Barend_.

"Voor geld en goede woorden, _Barend_!" hernam _Kegge_; 't kan me
niet schelen wat het kost; je weet wel dat ik op geen kleintje zie."

"Allemaal goed," zei _Barend_; "maar je kent de natuur niet
dwingen. Dat 's een anjer; verstaje! 't Is nou de allerschraalste
tijd. Weetje wel dat we al mooi naar korsemis opschieten? Kom zoo vroeg
in 't voorjaar as je wil, meheer _Kegge_, en ik zel je een handvol
gebroeid goed geven, dat je hart er van verdaagt; maar nou is alles
gedaan. Der mag nog een enkele kresantemum wezen,--maar 't is over,
meheer _Kegge_; je kent, zeg ik nog reis, de natuur van een ding niet
dwingen. Je _kent_ het wel dwingen; maar dwingen en dwingen is twee;
en as je een ding dwingt, dat nou eigenlijk niet gedwongen kan worden,
wat heb je dan? Dan plaag je je zelve."

De heer _Kegge_ brak dezen niet zeer duidelijken woordenstroom van
den ouden _Barend_ af, met te zeggen: "Nu nu, _Barendje_, als je al
de kassen reis doorloopt!"

"Hoor reis!" zei _Barend_, "je mot maar denken dat ik je net zoo
graag de heele pot geef, as dat ik er de hartsteng uit mot snijen,
want daar zit al de kracht in, weetje. 'En blom, meheer _Kegge_; dat
zeg ik altijd; 'en blom is net as 'en mensch. As ik jou je hart uit je
gemoed snij, dan kan je ommers ook niet in 't leven blijven? Daar zit
'et 'em as 't ware maar in.... Wat zeg _jij_, meheer?" voegde hij er
bij, zich tot mij richtende.

De heer _Kegge_ wachtte volstrekt niet af wat _ik_ in dezen zeggen
zoude. "Maar voor een goud vijfje zal ik toch nog wel wat kunnen
hebben?" zei hij ongeduldig.

"Hoor," zei _Barend_, zijn snoeimes uit den zak halende en openslaande,
"as ze der binnen, dan hoefje geen goud vijfje te besteeën; dan zelje
voor een spiergulden [16] al heel wat doen. Maar 't is maar dat het
zoo bitter uit den tijd is. Is het voor mevrouw?"

"Neen, _Barend_! voor me dochter."

"Kom an!" hernam hij, "da's etzelfde; de dames zijn onze beste klanten
voor de blommen; maar as we 't van de blommen hebben mosten!'

"Maar waar drommel moet je 't anders van hebben?"

"Wel, van de bollen," zei _Barend_; "de blommen beteekenen nies. Dat
is armoed. Kijk!" ging hij voort, daar hij een potje aanwees dat niet
bloeide, maar met een rijkdom van fijne samengestelde bladeren pronkte;
"motje zoo'n dingsigheidje niet hebben? Of hebje dat al?"

"Wat is het, _Barend_?"

"Dat," zei _Barend_, "is nou eigenlijk de effetieve mimosa nolus
mi tangere!"

"Hou op met je potjes-latijn!" riep _Kegge_ uit; "allemaal gekheid! Hoe
heet het in je moers taal, man?"

"Kruidje roer me niet," antwoordde _Barend_.

"Dankje hartelijk!" hernam _Kegge_, zich waarschijnlijk herinnerende
dat hij "zoo'n dingsigheidje" al had.

Wij gingen eerst den tuin door, waar nog een enkele maandroos bloeide,
die er heel goed uitzag, ofschoon _Barend_ beweerde, dat zij het door
de nattigheid toch in het hart weg moest hebben, en zagen vervolgens
de kassen, waar hij hier en daar een pelargonium, chrysanthemum,
en primula sinensis afsneed, zoodat wij op 't laatst nog een vrij
aanzienlijken ruiker bijeen hadden, terwijl _Barend_ bij iedere bloem
zijn kennis en praatziekte had aan den dag gelegd. Toen hij de laatste
deur achter zich sloot, liet de heer _Kegge_ zich onvoorzichtig de
vraag ontvallen:

"Wel _Barend_! hoe lang ben jij hier nu al geweest?"

"Vijf en vijftig jaar, meheer! met God en met eere," was zijn antwoord;
"ik word met vrouwendag achtenzestig; en ik ben hier op me dertiende
jaar as tuinmansjongen gekommen."

"Wel man! en je ziet er nog zoo fiksch uit!" merkte ik aan.

"O!" antwoordde _Barend_; "maar dan most meheer me wijf zien. Die
is nou toch ook in der zestigste, maar da's nog wat anders. Ik heb
dertien kinderen bij 'er gehad, en de jongste scheelde met de oudste
krek eenentwintig jaar. Nou beurt dat zoo niet meer, maar voor een
jaar of tien is 'et _mennigmaal_ gebeurd dat de lui an der vroegen,
of 'er vader thuis was."

"Dat 's knap!" zei _Kegge_, "weergaasch knap, hoor _Barend_. In de
Westinjes is dat anders. Daar kan 't wel beuren dat moeder en dochter
maar vijftien jaar schelen; maar de vrouwen zijn er vroeg oud, man."

Met deze woorden haalde de heer _Kegge_ zijn beurs uit den zak en
nam de houding aan van iemand die vertrekken wilde. Maar _Barend_
dacht er anders over, en leunde tegen den muur van de kas met al de
gemakkelijkheid van iemand die een lange historie beginnen gaat.

"De heeren hadden men vader motten kennen," zei _Barend_, "dat was
een vast man. Toen ie stierf was ie omme en bij de negenenzestig
jaar, maar hij had zijn volle gebit nog. We woonden toen ter tijd te
Uitgeest en hij kwam geloopen van Uitgeest na Alkmaar om de koffie,
want we hadden een eigen moei te Alkmaar; en hij ging weer na huis,
en hij wist er niks niemendal van.--En was 't niet om 'en boer--hij
_was_ er nog wel."

"Zóó," merkte ik aan; "dan zou hij toch nog al aardig oud zijn! vrind!"

"Doet niet!" zei _Barend_, "doet niet! Dan was ie pas honderd en
vijf, en dat had _hij_ makkelijk kennen worden ook. Maar dat mot
ik de heeren toch reis vertellen. Hij was bij een boer, _Stoetema_
hiette de boer, an 't werk; want me vader was een timmerman van zijn
ambacht. Wat wil 't geval. Hij krijgt zoo klakkeloos de koors op 't
lijf. Nou was me vader van _zoo'n_ natuur, dat as ie, met permissie,
maar an 't zweeten kommen kon, dan was ie weer klaar. Jongens, zeit
ie tegen zijn kameraads, ik heb een harde koors. Weetje wat, zeiën ze,
dan motje wat op de koes gaan leggen. Dat is, zooals de heeren mogelijk
wel weten, in den koestal, achter de koeien, de plek waar de knechts,
deur den bank, slapen. Maar _Stoetema_ zei: dat kan niet, want we
hebben 't bed pas opgemaakt voor de jongens; dan most me vader maar in
den hooiberg gaan. Nou toen moest me vader zoo'n hooge ladder op van
'en veertig sporten. Jongens! dat kostte hem wat 'n moeite voor dat
ie boven kwam! Toen maakte hij daar zoo'n kuiltje voor 'm en haalde
het hooi over 'm heen, en bleef stil leggen. Maar toen ie een uurtje
gelegen had, kwam daar 't houtschuitje; daar gingen de knechts mee
na huis; want het sloeg twaalf uren. Deur _die_ weg riepen ze an me
vader: _Jan_, kom der nou of, daar is 't schuitje! maar me vader zei:
neen, want ik zweet zoo, laat me nou leggen. Maar ze zeiën: jongen,
as 't reis erger wier; je most maar mee gaan. Toen kwam me vader van
den hooiberg af; maar kijk, hij zweette dan erg. Toen vroegen ze an
_Stoetema_ om koedekken. Maar hij wou ze niet geven; me koedekken
motten droog blijven, zeid' ie. Toen trok de een zen wammes uit, en
de ander trok zen wammes uit, en lei dat over me vader; maar het holp
niet, want het was te kort. Zoo kwammen ze te Uitgeest, maar het was
nog wel 'en anderhalfuur varens. Maar die menschen motten zekerlijk der
tijd noodig gehad hebben, want geen een ging er met me vader mee. Maar
toen waren zen beenen zoo stijf geworden, dat ie niet gaan kon, maar
van hoeken tot kanten viel. Toen motten de lui, die 'm gezien hebben,
zekerlijk bij der eigen hebben gedocht, die man is dronken. Maar
ziet! met dat ie zóó an de deur kwam, wou ie de knop grijpen...."

Hier raakte de oude _Barend_ zijn stem, die al zwakker en afgebrokener
geworden was, geheel kwijt, en stikte in zijn tranen. Met de linkerhand
greep hij zich bij 't achterhoofd en trok zich bij de dunne haren.

"Kijk!" zei de oude man, met den voet stampende, en met even veel
smart en verontwaardiging als of zijn vader gisteren gestorven was,
"kijk! as ik an dien boer denk!..."

"Hij wou de knop grijpen," ging hij bedaarder voort, "maar het ging
niet. Drie dagen daarna was ie 'n lijk. Maar was 't niet om dien
boer," zei hij, andermaal stampvoetende, "hij zou der makkelijk _nog_
kennen wezen."

De heer _Kegge_ had de tranen in de oogen. Hij tastte in zijn beurs.

"Daar _Barend_," zeide hij; "wat er meer is dan een spiergulden is
voor jou. Geef me nu den ruiker maar in een groote spanen doos."

_Barend_ ging de doos halen.

"Die oude heer _Barend_ is in allen gevalle toch niet in de wieg
gesmoord," merkte de heer _Kegge_ aan, met gemaakte vroolijkheid. En
zijn oogen afvegende, voegde hij er bij: "een lamentabele
historie! Zoo'n ouwe kerel zou je nog akelig maken óók."

Wij waren al spoedig klaar en weer te huis. _Henriette_, die ook al
berouw over hare verstoordheid had, keek weer vriendelijk; en toen
haar vader haar de bloemen gaf, stonden er tranen in haar mooie
oogen. Zij was beschaamd.

"Je bent toch een lieve papa," zei ze, hem kussende, en met haar
fraaie hand zijn haren schikkende. "Ik had het niet verdiend," voegde
zij er bij; en zij boog haar hoofd aan zijn hart.

"Geen coupjes!" zei de vader. "Allemaal gekheid! Een mensch moet
altijd vroolijk zijn!"

Ik begon tienmaal meer van _Henriette_ te houden. De kaketoe riep:

"Zoete vrouw."



Wij zaten nog aan het dessert, toen de heer _Van der Hoogen_, dien
ik in mijne gedachten nooit anders dan "den charmanten" noemde,
aangediend werd en binnenkwam.

_Henriette_ kleurde vreeselijk.

"Dérangeer je niet, lieve mevrouw; dankje mijnheer _Van Kegge_. Een
zeer ongelegen uur, inderdaad! Mijn boodschap was aan juffrouw _Van
Kegge_; het is alleraffreust; ik ben desperaat!"

Ik zag den heer _Van der Hoogen_ opmerkzaam aan, maar ik merkte
niets van die verwilderde haren of strakke blikken, die de dichters
mij als het onvermijdelijk vereischte der wanhoop hebben leeren
beschouwen. Integendeel; 's mans lokken zaten, dank zij het uitmuntend
plakmiddel, bij de haarbouwkunstenaars als cosmétique bekend, even
glad en net als gisteren; de blik zijner oogen was volmaakt kalm;
en ook beefde de hand des desperaten heeren _Van der Hoogen_ niet,
toen hij die naar een glas port uitstak, dat mijn gastheer voor
ZEd. had ingeschonken.

"Ik zal u zeggen;" dus vervolgde hij tot _Henriette_; "ik kan
onmogelijk donderdagavond bij uwe repetitie zijn. Zoo even ontving ik
de uitnoodiging tot een groot souper bij den heer _Van Lemmer_, waar
ik niet van tusschen kan, en 's middags moet ik bij mevrouw _D'autré_
dineeren! Morgen is er, zoo als je weet, soirée bij den generaal. Als
je van avond niet kunt, dan ben ik waarlijk radeloos. Maar ik _vrees_
dat je niet zult kunnen...."

De dochtervreezende vader nam deze gelegenheid waar, om alles wat hij
dezen morgen verkorven had geheel weder goed te maken; want indien
_Henriettes_ toorn hem bevreesd had gemaakt, hare tranen hadden hem
volkomen overtuigd dat hij haar ongelijk had aangedaan. Misschien
was hij wel een weinigje bang voor eene nieuwe vredebreuk.

"Nu _Henriette_," zei de heer _Kegge_, het woord schielijk opvattende:
"dan zit er niets anders op dan dat je thuisblijft. Je _kunt_ er wel
af,--zóó is het niet."

"Hadje een invitatie? Dat vreesde ik al," merkte _Van der Hoogen_ aan;
"juffrouw _Van Kegge_ is overal zoo gechérisseerd. Neen, neen! als
je er iets voor sacrifiëeren moet, doe het dan niet; ik zal...."

"Neen!" zei de heer _Kegge_, "ik ben op die repetitie gesteld. Wij
wachten u van avond stellig.... Om een uur of zeven, niet waar?"

"Charmant, charmant!" riep de heer _Van der Hoogen_ uit, en wipte
van zijn stoel op: "dérangeer u niet; à ce soir!" Hij danste heen.

Ik begreep de beschaamdheid en de tranen van _Henriette_ nog beter dan
vóór den eten. Het was alles een opgedicht stukje, en de heer _Van
der Hoogen_ vertrok met de zalige overtuiging, der schoone brunette
een belangrijken dienst te hebben bewezen. Zij zelve had er berouw
van. Ik stond op om hem uit te laten.

"Mijnheer studeert te Leiden, niet waar?" vroeg hij mij in de
gang. "Charmante jongelui. Ik heb ook een halfjaar te Leiden
geresideerd. Maar 't is voor 't overige een miserabele stad. Geen
amusementen; de menschen zien elkander niet. Eens in 't jaar een
bal, om hun fatsoen te houden. Criant vervelend. Dérangeer u niet. A
ce soir!"

"Het spijt mij dat het zoo treft," zei _Henriette_ toen ik weder
binnenkwam, "maar gij ziet, ik kan nu volstrekt niet gaan."

"Je moet een briefje schrijven!" zei haar papa.

"Foei neen!" zei _Henriette_; "geen briefjes aan de _De Grooten_;
dat zijn die menschen niet gewend."

"Wil _ik_ het voor u af gaan zeggen?" vroeg ik half schertsend.

"Heb ik u niet gezegd, mama! dat mijnheer zin in _Saartje_
heeft?" sprak _Henriette_ lachende; maar daarop nam zij de zaak
ernstig; "ik zou haar inderdaad zéér verplichten!"

"Goed," zei ik, "en als 't mij bevalt, blijf ik er, in plaats van
juffrouw _Henriette_, hoe slecht de ruil ook wezen moge. Ik heb niets
tegen vergulden."

"Vergulden!" riep de vader uit, geheel verrukking dat de zaak zoo
geheel ten genoegen van de dochter geschikt was, "wel, ik kan je
zeggen dat _ik_ het nog met pleizier doen zou. Ik wed dat grootmama
er nog schik in zou hebben...."

"Ik hou niet veel van verguld!" sprak de oude dame.



Om te bewijzen dat eenvoudige genoegens ook genoegens zijn; en voorts
iets droevigs.


De verguldpartij zou uiterlijk te half zes aanvangen, en tegen dat
uur begaf ik mij op weg naar de woning van den koekebakker _De Groot_
of, zooals _Henriette_ altijd zeide, van "de _De Grooten_". Zij was
vrij verre van het huis van den heer _Kegge_ gelegen, en ik ging op
de, voor een stadgenoot waarschijnlijk zeer heldere, maar voor een
vreemdeling zeer ingewikkelde aanduidingen van den heer _Kegge_ af.

Plotseling bevond ik mij in eene donkere steeg, aan welker einde een
hel licht als uit den grond opkwam, voor welk licht zich eene duistere
massa met zekere golving scheen te bewegen. Naarmate ik verder ging,
hoorde ik stemmen, die mij toeschenen van jonge knapen te zijn,
uit deze massa voortkomen. Geheel genaderd, zag ik een op alle
manieren op en over elkander liggenden stapel jongens, die door een
kelderraam, waaruit het licht kwam, het oog hadden op de bewegingen
van een meester koekebakker en zijne gezellen, die in hunne witte
linnen pakjes alzulke schoone wonderen kneedden, duimden, schikten
en bakten, als welke _Henriette_ versmaad had verder te volmaken. Ik
stond een oogenblik stil en verlustigde mij in de belangstelling dier
straatjongens, die waarschijnlijk geen beter aandeel in de genoegens
van Sint Nicolaas hebben zouden, dan dat zij de lekkernijen zagen
toebereiden, die hun begunstigder broederen gelukkig, of, zooals
maltentige menschen beweren, ziek zouden maken.

"Nou, wat weerga, jongen, laat main ook reis kaiken," zei de een,
en ondersteunde zijn begeerte met eene heftige beweging der ellebogen.

"Doppie, _Jan_! dat is een mooie!" riep een ander, "da's zeker 'en
Jan Klaasen!"

"Ben je mal, jongen?" riep een derde; "'t is 'en waif!"

"Nou as dat 'en waif is," merkte een vierde aan, "dan mag ik laien
dat _Piet_ in de' kelder valt."

"Hou je ellebogen vóór je, _Gerritje_; ik waarskou je, hoor!"

"Pas op, _Pietje_! of je holsblok gaat de bakkerij in."

"Kaik; ie doet den oven open; is 't men een vuurtje?"

"Wat doet die dikke nou weer? Hij doet meel an zen knuisten!"

"Wel nou, mot 'et deeg dan an zen vingers blaiven hangen? Jij bent
ook een mooie...."

"Wacht 'en beetje! da's een kokkerd,--die kost wel 'en daalder, hoor!"

"Hoor je _hem_? Je zoudt er wel kommen met 'en daalder."

"'En daalder op je oogen."

Deze en dergelijke waren de gesprekken van de kunstbeschouwers voor
het raam van dit atelier.

Op den hoek van 't huis hing een groot uithangbord, waarop de bekende
geschiedenis van den Zoeten Inval stond afgebeeld, en daar onder
"H.P. _De Groot_. _Alle zoorten van koek en kleyngoed_." Ik trad den
winkel binnen, en er was zulk een verward geluid van vrouwestemmen
in een belendende kamer, die door een glazen deur met een groen
horretje daarop uitzag, dat ik duidelijk bemerkte dat de partij aan
den gang was, en ik mij nogmaals luidkeels moest aanmelden eer er
iemand opdaagde.

De glazen deur ging open, en het mooie _Saartje_ verscheen, met een
hooge kleur, als iemand die uit een zeer druk gesprek of uit eene
zeer warme kamer komt.

"U alleen, mijnheer _Hildebrand_?"

"In plaats van uw nichtje _Kegge_, lieve juffrouw! ik kom haar bij
u verontschuldigen."

"Maar u zal toch binnenkomen?"

"Een oogenblikje."

_Saartje_ opende de deur op nieuw, om mij in te laten, en ik overzag
de schare.

Daar zat, in al de glorie van een bloedkoralen halsketting,
bloedkoralen oorbellen, bloedkoralen doekspeld, en zelfs van een ring,
met een zeer grooten ronden bloedkoraal aan den vinger, juffrouw
_Mietje Dekker_, de dochter van een deftigen kleedermaker, en aan
hare zijde, met een groote doodvlek op haar wang en een koperen
gesp als een vierkante zon op haar buik, _Keetje de Riet_ uit den
kruidenierswinkel. En daarnaast _Pietje Hupstra_, wier vader het
gewichtig ambt van deurwaarder bekleedde, en die zich verbeeldde
dat niets losser en bevalliger stond dan een rozerood tissuutje
door een ringetje gehaald. Dan had men er _Truitje_ en _Toosje_,
de twee telgen van den heer _Opper_, voornaam metselaar, waarvan de
eene in 't openbaar een hoed met steenen bloemen en de andere een
dito met houten pluim droeg, maar die in dezen huiselijken kring
zich gelukkig gevoelden in het hoofdsiersel, de eene van een blauwe,
de andere van een roode céphalide, in de stellige overtuiging dat er
op dit ondermaansche geen bevalliger of modieuzer damescoiffure kon
bestaan. Voorts het magere _Grietje van Buren_, die de oudste van
de gevraagde partij was en een- of tweeëndertig jaren tellen mocht;
zij leefde "in otio cum dignitate" van een kleine lijfrente, haar door
eene oude vrijster gemaakt, bij wie zij iets meer dan kamenier en iets
minder dan gezelschapsjuffrouw was geweest. Zij droeg een mutsje met
een smal kantje, en een toertje aan twee kleine trosjes rozijnen
niet ongelijk. Ook zag ik _Bartje Blom_, wier vader een deftige
spekslagerij had, en die zelve een groote, zwarte duimelot aan haar
middelsten vinger droeg, omdat zij zich ongelukkig aan gemelden vinger
had verwond, bij welke kwetsuur "de kou" gekomen was. Ter afwisseling,
_Suzette Noiret_, dochter eener weduwe, die op een hofje woonde, en
van de Fransche gemeente was. Deze had een allerliefst, beschaafd en
net besneden uiterlijk, en wedijverde, in het bruin, met het blonde
_Saartje_, waarnaast zij gezeten was. En eindelijk, aan het hooger
einde van de tafel, moeder _De Groot_ zelve, een dame van een veertig
jaar, in eene zwarte zijden japon gekleed en dragende een muts met
eene belangrijke hoeveelheid wit lint opgesierd, die groot en breed
genoeg was, en toch ongetwijfeld slechts een schaduw vertoonde van
het hoofdtooisel dat zij op den vijfden december dragen zou.

De herhaling van mijn boodschap maakte veel sensatie bij juffrouw _De
Groot_, die gehoopt had met _nicht_ _Henriette_ te pronken; het speet
de vergaderde juffers ook recht, zooals zij zeiden, schoon ik mij
overtuigd hield, dat het wegblijven van zulk een _dame_ voor menig
harer een pak van 't hart was. Een algemeen gefluister, dat door de
dames twee aan twee werd uitgevoerd, volgde, waaruit zich eindelijk de
solo van _Grietje van Buren_ ontwikkelde, met de betuiging, "dat het
jammer voor juffrouw _Kegge_ was; zoo reis vergulden, dat was altijd
nog reis aardig".

"Ik hoop," zei juffrouw _De Groot_, "in de aanstaande week, de kleine
neefjes en nichtjes der ook nog reis op te nooden. Dan vraag ik zoo
wat klein grut."

"Maar dan zalje ook zulke effetieve stukken niet laten werken," merkte
juffrouw _Van Buren_ aan, haar penseel indoopende en een lange streep
goud op den wimpel van een oorlogschip klevende.

"'t Ziet er wel prettig uit," zei ik zelf; "ik watertand om het ook
reis te doen. Mag ik eens effen van de partij zijn?"

Dit voorstel bracht een schaterend gelach en groote vroolijkheid te
weeg, die evenwel nog vermeerderde, toen men zag dat ik het waarlijk
meende.

Tot de edele kunst van vergulden, ook wel, met eenen bij alle
koekebakkers voor beleedigend gehouden naam "plakken" genoemd,
zijn vier dingen noodig, als: de koek die verguld moet worden, het
verguldsel zelf, een nat penseel, en dat gedeelte van een hazen-
of konijnenvacht, hetwelk jagers de pluim, en gewone menschen den
staart noemen, en dat in dit bijzonder geval dient om het opgelegde
goud aan te dringen en vast te drukken. Om alles geregeld in zijn werk
te doen gaan, zat aan het eene einde van de tafel het lieve _Saartje_,
die de verschillende sinterklaaskoeken uitdeelde, welke de bewerking
moesten ondergaan: vrijers, vrijsters, schepen, paradijzen, dagbroers,
ruiters, rijtuigen, allen meestal van de eerste grootte; terwijl aan
het tegenovergestelde einde moeder _De Groot_, die ook de thee schonk,
boekjes bladgoud in breeder en smaller reepen knipte, om daarvan ieder
behoorlijk te voorzien, de tafel met kopjes met water bezaaid was,
en elk der genoodigden met een penseel en een konijnepluimpje was
uitgerust. Men voorzag ook mij hiervan, en bij ieder materiaal of
instrument, dat ik in handen nam, proestte men 't uit van 't lachen
en ging een kreet van verbazing op.

"'t Is zonde!" betuigde _Mietje Dekker_.

"Heb ik van mijn leven?" informeerde _Keetje De Riet_.

"Die stedenten hebben alevel altijd wat raars," fluisterde die van
de roode céphalide.

"Menheer doet het heusch!" verklaarde die van de blauwe.

"'k Ben benieuwd hoe dat af zal komen," zei _Grietje Van Buren_.

"Wat menheer breekt mag menheer opeten, niet waar, juffrouw _De
Groot_?" vroeg _Bartje Blom_, die het goed met mij scheen te meenen.

Maar _Suzette Noiret_ en _Saartje_ wezen mij terecht en deden 't
mij voor.

Nu moeten mijne lezers, die misschen laag op de schoone kunst van
koekvergulden neerzien, niet denken dat de gezegde kunst zoo heel
eenvoudig en gemakkelijk is. Ja, een vierduits varken kan een ieder
beplakken; een streepje voor den grond, en een ruitje op zijn lijf,
dat kan een kind! Maar deftige vrijers en vrijsters van vierëntwintig
stuivers netjes te vergulden, tot de plooitjes van den kraag en de
ruitjes van den breizak toe; een Eva bij den boom op te sieren, geen
enkel appeltje (want het is een appelboom geweest) te vergeten, en de
bochten van de slang niet hoekig te maken; een geheel oorlogschip met
gouden reepen op te tuigen en de schietgaten netjes af te zetten,
zooals juffrouw _Van Buren_ deed, en een koets met paarden, als
juffrouw _De Riet_, die het zweepkoord zoo natuurlijk wist te doen
kronkelen of het een gouden kurketrekker was, dat is iets anders. Het
is gemakkelijk gezegd: 't is maar koekvergulden! maar ik verzeker u
dat koekvergulden en koekvergulden twee is, en dat er bijvoorbeeld
een hemelsbreed onderscheid was tusschen den vrijer, dien _Toosje_,
en den vrijer, dien _Truitje_ had uitgemonsterd, zoodat _Toosje_
zelve moest bekennen dat ze niet wist hoe _Truitje_ die parapluie zoo
natuurlijk kreeg; waarop de vrijer van _Truitje_ dan ook rondging, en
het geheele gezelschap eenstemmig verklaarde, dat het waarlijk was als
of die parapluie leefde.--Ik voor mij kan u als eerlijk man betuigen
dat mij; nadat ik eerst mijne krachten aan den zadel van den ruiter,
dien juffrouw _Noiret_ onder handen had, beproefd, en mij van haar
omtrent de hoofdgeheimen der kunst had laten onderrichten; dat mij,
zeg ik, een koude rilling door de leden ging, toen er een groote,
majestueuze dagbroer voor mijne eigene onbijgestane verantwoording
werd gelegd. Eén ding kan ik niet nalaten hier ten algemeenen nutte
op te merken. In het koekvergulden is vooral van het uiterste gewicht
de juiste hoeveelheid water, die men op de plaats penseelt, waar men
het goud op wil doen kleven; want neemt men die te gering, zoo wil
het niet kleven, en doet men het te nat, zoo wordt het verguldsel
dof. En wat is er nu aan een doffen dagbroer?

Spoedig was men het er over eens, dat ik het al heel mooi begon te
doen; ik hoop niet dat men grootspraak zal achten, wat ik gaarne aan
de zachtmoedigheid der critiek toeschrijf; en weldra lette men er
niet meer op. Ook werd het gesprek gedurig levendiger. _Mietje Dekker_
met de bloedkoralen, _Keetje de Riet_, en _Pietje Hupstra_ hadden het
heel druk met juffrouw _De Groot_ over "fripante sterfgevallen in de
Haarlemmer krant; drie onder mekaar in den bloei van 't leven, en twee
door een ongelukkig toeval". Voorts spraken zij van "pinnetrante kou,
fattegante reizen, en katterale koorsen". Zij roerden ook het teeder
onderwerp van "vomatieven, en opperaties", en kwamen van lieverlede
nog eens op den vinger van _Bartje Blom_. "Zij moest er toch niet te
luchtig over denken." De een zei, zij moest er den meester bij halen,
maar de ander beweerde dat zij er den meester _niet_ bij moest halen;
en zulks om de duchtige reden, dat er een meester was geweest, die
den duim van den neef van haars zusters man "verknoeid" had. De een
wilde haar vinger pappen, omdat de kou er bij was; een ander ried
zoete melk aan om er den brand uit te trekken; een derde, kennelijk
onder den invloed van den genius der plaats, achtte niets zoo heilzaam
als koekebakkersdeeg. En _Bartje Blom_ dacht er over hoe zij deze
verschillende raden het best zou vereenigen. Daarop maakte _Grietje
van Buren_ zich van den boventoon meester en vertelde het gezelschap
wonderen van de gierigheid van de freule _Troes_, van wie zij hare
lijfrente had. "Ik kan je zeggen, mensch, als er zoete appelen zouen
gegeten worden, gaf ze der vierentwintig uit, en dan moest de meid
de pan binnenbrengen als ze ze geschild had, en dan telde ze na of
der--hoeveel is 't ook weer? viermaal vierentwintig?--als 't viermaal
vijfentwintig was, dan was 't net honderd; dat 's vier minder; dat's
zesennegentig;--of der zesennegentig vierdepartjes waren, en als ze
dan op tafel kwamen, nog eens." Waarop die van de blauwe en roode
céphalides hare uiterste verbazing te kennen gaven. _Bartje Blom_
vroeg of het waar was, dat de freule enkel zoo rijk was geworden,
door in haar jeugd al de spelden en naalden, die zij bij den weg
vond, op te rapen en te verzamelen? En ik nam de gelegenheid waar
om verscheidene anekdoten van befaamde Engelsche gierigaards te
verhalen, die bij al mijne kennissen hadden uitgediend, maar die hier
nog eens gaaf opgingen, zoodat men mij zeer aardig begon te vinden,
maar tusschenbeiden ook aanmerkte, "dat ik er maar wat van maakte".

Juffrouw _Noiret_ was niet zeer spraakzaam, en ik bracht haar
doorgaande stilheid in verband met een weemoedigen trek om den mond,
die mij deed onderstellen dat zij niet gelukkig was.

_Saartje_ was allerliefst en, schoon het geheele gezelschap in
beschaving vooruit, ook hier volkomen op haar plaats, en enkel
eenvoud. Zij liep gedurig af en aan, om ieder van het noodige te
voorzien; maar _Grietje van Buren_ begon haar veelbeteekenende oogen
toe te werpen en op eene mysterieuze wijze toe te lachen, waarvan de
zin was dat zij haar met mij plaagde, tot groot genoegen van al de
anderen. Evenwel kreeg _Bartje Blom_ ook haar beurt, daar men haar
laatst, bij het uitgaan van de kerk, zoo vriendelijk had zien groeten
tegen een zekeren _Kees_; maar zij wendde de scherts af, door haar op
die van de roode céphalide over te brengen, die laatstleden kermis
met denzelfden _Kees_ in 't paardespel geweest was; en die van de
blauwe céphalide werd opgeroepen om te getuigen dat het tusschen haar
zuster en _Kees_, "ja, ja! wel zoo wat koek en ei was, als men zegt";
waarop die van de roode zeide, dat die van de blauwe wel zwijgen mocht;
waarop _Grietje van Buren_" aanmerkte, dat ieder zijn beurt kreeg;
waarop _Bartje Blom_ uitriep: "Nu, nu _Grietje_; ik vertrouw jou
ook niet! je gaat tegenwoordig zoo dikwijls naar Amsterdam; ik denk
dat daar ook wat zit!" waarop _Grietje_ verklaarde, dat _Bartje_
een ondeugd was.--Ik merkte op dat _Suzette Noiret_ door niemand
werd geplaagd.

Om een uur of half acht kwam er een groote ketel anijsmelk binnen,
die door al de dames "déli" gevonden werd. Daarna kwam de schepper
en boetseerder van al de koeken kunstgewrochten, die wij zaten op
te luisteren, even uit de bakkerij opdagen, en keek eens of men wat
vorderde. Het was een ordentelijke, goedhartige, vroolijke man, die er
heel veel pleizier in had, toen _Bartje Blom_ hem knipoogend vertelde,
dat _Toosje_ en _Truitje Opper_ vast wel voor zeven gulden gebroken
en opgegeten hadden, waarop _Toosje_ aanmerkte dat zij, _Bartje_, wel
zwijgen mocht, daar zij zelve een heel oorlogschip in haar zak had
gesmokkeld; waarop de koekebakker dreigde, dat geen van de dames de
deur uit zoude komen, voor hij zelf haar zak had geïnspecteerd. Toen
verhief zich de vroolijkheid tot uitgelatenheid. _De Groot_ stopte
een klein houten pijpje, dat hij in de hand had, en daalde weder
ter bakkerije.

Met slaan van negenen kwamen er drie stevige, opgeschoten knapen,
goedige bollebuizen, met hun besten rok aan, en boorden tot over de
ooren. De een was een broer van _Pietje Hupstra_ en schreef op 't
stadhuis; de ander was een broer van de juffrouwen _Opper_ en voor
't kastemaken bestemd; en de derde, een broer van _Keetje de Riet_,
ondermeester op een Hollandsche school; het doel van hunne verschijning
was geen ander dan hunne zusters en al wie zich verder aan hunne
bescherming zoude willen toevertrouwen af te halen en thuis te brengen.

Nu zei juffrouw _De Groot_ dat men maar uit zou scheiden, want dat
het toch altijd gekheid werd "als de heeren er bijkwamen," en er
werd besloten dat men nog gauw een pandspelletje doen zou. Men
koos daartoe, nadat het geheele verguld-atelier als zoodanig
was opgeredderd, "alle vogels vliegen," en ik heb nooit zooveel
onschuldige vreugde bij malkaar gezien als toen de oude juffrouw _De
Groot_ een dromedaris wilde laten vliegen. _Bartje Blom_ werd met "den
vogel struis" verstrikt, en er ontstond verschil over de vleermuis,
van welke de ondermeester _De Riet_ beweerde "dat hij niet vloog, maar
fladderde". Hoe dit zij, hij verbeurde pand, en al de heeren verbeurden
pand, en _Saartje_ verbeurde pand, en wij verbeurden allemaal pand.

Toen werd _Grietje van Buren_ verkoren om al de panden te doen lossen,
en werden de bloedkoralen armbanden en de bloedkoralen speld van
_Mietje Dekker_, met en benevens het tissuutje van _Keetje de Riet_,
en een "lodereindoosje" van haarzelve, en een vingerling van de oude
juffrouw _De Groot_, en een pennemes van den ondermeester _De Riet_,
en een ménagère van _Bartje Blom_, en een horlogesleutel van den
kastemaker _Opper_, en een huissleutel van den klerk _Hupstra_, en
een beurs van mijzelven, en al wat verder ter tafel was gebracht, in
HEd. maagdelijken schoot geworpen; daarover werd een zakdoek gespreid,
en nu begon het roepen van: wat zal diegene doen, van wien ik dit
pand in de hand heb?

Ik spreek niet van de moeielijke en wonder spreukigedingen, die wij
tot het terugbekomen onzer kleinoodiën moesten ten uitvoer brengen;
als met vier pooten tegen den muur oploopen, een spiegel stuk trappen,
den zolder zoenen, en dergelijke; noch van zoete penitentiën, als
daar waren: hangen en verlangen, de diligence, de put, de klok,
het bijenkorfje, en andere, waarbij machtig veel gekust en evenveel
gegild werd. Ik schilder u de uitgelatenheid des geheelen gezelschaps
niet, toen _Toosje Opper_ iets heel moeielijks had opgegeven, in de
stellige overtuiging dat _Bartje Bloms_ pand voor den dag zou komen,
en het waarlijk haar eigen naaldekoker bleek te zijn; of toen de heer
_Hupstra_, in het spaansch speksnijden, dat hij nooit te voren gedaan
had, met zekere verliefdheid de mooie juffrouw _Noiret_ had gekozen,
en per slot niets te kussen kreeg dan den harden muur, terwijl den
jongen _Opper_ het lot te beurt viel haar den zoen te geven!--in
één woord, het was aller-aller-prettigst, de vreugd was op ieders
aangezicht te lezen, en ik vermaakte mij duizendmaal meer onder
deze goede blijhartige menschen, dan ik gedaan zou hebben, indien
ik ware thuisgebleven onder de sublieme piano van juffrouw _Kegge_
en de charmante viool van den charmanten _Van der Hoogen_.

De dames, die nu allen kleuren hadden als boeien, werden onder de
heeren verdeeld, en ik nam op mij juffrouw _Noiret_, die mij groot
belang inboezemde, thuis te brengen. De juffers namen van elkander en
van ons een hartelijk afscheid; de drie bollebuizen drukten mij allen
zeer voelbaar de hand; en ik was zeer tevreden met de vriendschap
die ik zoo onverwachts had aangeknoopt.



Juffrouw _Noiret_ was er mede verlegen dat ik de moeite nam haar
thuis te brengen. "Het was zoo ver!"

Ik antwoordde zooals betaamde, dat hoe langer ik haar bijzijn genoot,
het mij des te aangenamer zijn zou.

"Ach!" zeide zij, "mijn bijzijn, mijnheer, is toch anders niet heel
aangenaam. Ik schaamde mij onder al die vroolijke menschen. Zat ik
er niet treurig bij?"

"Gij waart zeker niet zoo luidruchtig als de overige. Maar toch..."

"Neen, zeg het niet! zeg niet dat ik vroolijk was!" viel zij mij in
de rede. "Het zou mij spijten. Ik hield mij zoo goed als mogelijk;
maar mijn hart was ergens anders... Mijn hart was bij mijn moeder,"
voegde zij er haastig bij.

"Is uw moeder ziek, of..."

"Zij is oud, mijnheer! heel oud. Was zij niet wèl geweest, u zou
mij daar niet gevonden hebben. Maar wie kan zich bij vriendelijke
menschen, die u gaarne zien, verontschuldigen, altijd weer daarmee
verontschuldigen, dat zij eene oude moeder heeft? Ook had zij van
avond iemand die haar gezelschap hield, en wilde zij volstrekt dat
ik gaan zou."

_Suzette_ zuchtte.

"Is uw moeder zoo heel oud?" vroeg ik. "Gij zijt, dunkt mij, nog zoo
heel jong."

"Ik ben drieëntwintig, mijnheer!" antwoordde zij met openhartigheid
"en mijn moeder is vijfenzestig. Maar zij heeft veel ongelukken
gehad. Mijn vader stierf voordat ik geboren werd. Zij had toen negen
kinderen; sedert twaalf jaar ben ik haar eenigste, en nu kan zij niet
wel zonder mij... en ik niet wel zonder haar."

"En uw vader..."

"Mijn vader was de zoon van een Zwitsersch predikant, mijnheer! Maar
zijn vader had hem niet kunnen laten studeeren. Hij had maar
een kleinen post bij het accijnskantoor, en moest mijne moeder in
behoeftige omstandigheden achterlaten. Maar wij werken beide. Nu heeft
zij sedert drie jaren het hofje, en dat is een groot geluk. En toch..."

"Ik geloof," zeide ik, "dat wij voor de poort van het hofje
staan. Klopt men hier aan, of moet men aan dien langen schel trekken!"

"Helaas, geen van beiden," zei _Suzette_, op een allerdroevigsten toon
van stem, die een klank had als of haar een traan in de oogen schoot:
"geen van beiden. Mijne moeder woont wel op het hofje, maar ik niet."

"Waarom niet?" vroeg ik.

"Op het hofje woont niemand onder de zestig jaar," ging _Suzette_
voort: "ik kom er 's morgens heel vroeg, zoodra de poort opengezet
wordt, en blijf er den heelen dag bij mijn moeder; maar slapen mag
ik er niet. Vóór tienen moet ik er vandaan, en's avonds na zevenen
mag ik er zelfs niet meer op. O, wat zou ik geven als ik mijn moeder
nu nog maar eens even mocht goenacht zeggen!..."

En zij zag naar de geslotene poorte om.

"Mijn moeder slaapt daar nu moederziel alleen in haar huisje,"
ging zij voort; "haar naaste buurvrouw is onbeschreeuwbaar doof;
en als haar eens iets overkwam--! Dat, dat is mijn grootste zorg;
dat pijnigt en vervolgt mij altijd en overal!..."

"Maar als uw moeder ziek wordt, dan moogt ge toch wel..."

"Als zij ernstig ziek wordt, dan schrijft de dokter van't hofje een
verklaring dat zij niet alleen kan blijven, en _dan_ mag ik in haar
huisje slapen. Maar ach, het ligt mij op de leden dat mijn lieve
moeder er eens onverwachts uit zal zijn, en als dat eens bij nacht
was! O, ik bid God alle dagen dat het bij dag moge zijn... Ik zou
het niet overleven!"

Wij gingen zwijgend verder.

"Hier woon ik, mijnheer!" zei juffrouw _Noiret_, hare schoone oogen
afvegende, als wij voor een kleinen koomenijswinkel stonden; "ik dank
u voor uw vriendelijkheid."

"Ik hoop," zeide ik, "dat gij uwe moeder nog lang zult hebben, en
zonder angsten."

Zij reikte mij stilzwijgend de hand, en als het licht uit den kleinen
winkel op haar gelaat viel, zag ik hoe bleek en hoe bedroefd zij
was. Wij scheidden.

Ik vond de familie _Kegge_ reeds bijna aan het souper. _Van der Hoogen_
deelde er in, en maakte op walgelijke wijze het hof aan _Henriette_,
die al de aantrekkings- en afstootingskunsten eener handige coquette
(het is een aangeboren gave) in werking bracht. Men vermeed in 't
bijzijn van ZHWG. van "de _De Grooten_" te spreken, en eerst toen
hij vertrokken was, vroeg men hoe ik mij geamuseerd had. Ik gaf
een gunstig antwoord, maar trad in geene bijzonderheden, omdat ik
voor geen geld ter wereld de onschuldige vreugde der _De Grooten_,
_De Rieten_, _Dekkers_, _Hupstra's_ en zoo voorts, door eene juffrouw
_Henriette Kegge_ wilde hooren bespotten.



De Grootmoeder.


Toen ik den volgenden morgen na het ontbijt de bibliotheek binnentrad,
zat daar de oude dame in een ruimen lagen leunstoel met roodlederen
zitting en rug, die waarschijnlijk tot de stoffeering van haar
eigen kamer behoorde, bij het vuur. Eene kleine tafel was daarbij
aangeschoven, en daarop lag een Engelsche octavo Bijbel, waarin zij
ijverig las. Zij hield daarenboven een breiwerk in de hand.

De schoone lange-hond zat weder naast haar stoel en keek oplettend
tot haar op. Werkelijk volgde hij met zijne goedige oogen iedere
beweging van haar hoofd en hand, als zij van den Bijbel naar haar
breiwerk keek om de steken te tellen, of een blad omsloeg.

Van alle personen, die het huisgezin uitmaakten, kende ik deze het
minst, daar zij nooit dan bij het middagmaal verscheen en na afloop
daarvan onmiddellijk weer vertrok. Was het alleen dáárdoor dat zij
mijne belangstelling prikkelde, of was het ook door haar deftig,
stil, en ingetrokken voorkomen, de weinige, korte, verstandige, maar
dikwijls wel wat harde woorden, die zij sprak, en de verknochtheid
van haren schoonen langen-hond? Hoe het zij, ik hoopte hartelijk,
dat zij een gesprek met mij zou aanknoopen.

Zij scheen mijn binnenkomen niet bemerkt te hebben, en terwijl ik mij
nederzette en mijne boeken opensloeg, hoorde ik haar half overluid
de schoone plaats van _Paulus_ oplezen: "For we are saved by hope:
but hope that is seen is not hope: for what a man seeth, why doth
he yet hope for? But if we hope for that we see not, then do we with
patience wait for it" (Rom. VIII. 24, 25).

Zij schoof den Bijbel een weinig vooruit, en leunde met den rug in
haar stoel, als om daarover na te denken; zachtjes herhaalde zij de
woorden "then do we with patience wait for it".

Plotseling bemerkte zij dat ik mij in het vertrek bevond.

"Gij zult mij vandaag moeten dulden, mijnheer!" dus begon zij;
"mijn kamer wordt schoongemaakt, en dan ben ik gewoonlijk hier."

"Gij leeft een zeer eenzaam leven, mevrouw!" antwoordde ik; "drukte
zal u misschien hinderen."

"O neen!" hernam zij, met een luide stem; "ik ben sterk genoeg. Mijn
hoofd is zéér sterk; _ons_ menschengeslacht is zoo zwak niet. Maar ik
ben niet meer geschikt voor gezelschap; ik ben te somber, te ernstig
geworden. Ik zou hinderen; ik zou vervelend zijn. Dit boek," zeide zij,
op haren Bijbel wijzende, "dit boek is mijn gezelschap."

Zij zweeg eenige oogenblikken, en streelde den kop van haar hond met
de bruine hand. Daarop hief zij zich weder een weinig in haar stoel op.

"Gij zijt hier nu reeds een paar dagen, mijnheer _Hildebrand_,"
hernam zij; "en de aanleiding tot uwe kennismaking met de familie is
van dien aard dat... Zeg mij eens, heeft men al eens met u over den
lieven _William_ gesproken?"

"Het spijt mij, mevrouw! dat ik u ontkennend moet antwoorden. Neen! men
heeft met mij nog geen woord over _William_ gewisseld."

"Heb ik het niet gedacht!" riep zij uit, hare handen in elkander
slaande en een diepen zucht loozende, die in een droevigen glimlach
overging: "ik wist het wel; ach, ik wist het wel!"

Zij zag treurig haar hond aan, die, als verstond hij hare klachten,
zijn voorpooten op haar schoot legde en zijn kop tot haar aangezicht
ophief, om haar te streelen.

"En toch is hij nog geen drie jaar dood, Diaan!" zeide zij, den poot
van den hond aanvattende: "de lieve _Bill_ is nog geen drie jaar
dood. Ik wil wedden," voegde zij er met nadruk bij, "dat de hond hem
nog niet vergeten heeft."

Eenige oogenblikken zat zij in een gepeins, waar ik haar niet in
durfde storen.

"Hij was mijn oogappel!" barstte zij uit, "mijn lieveling, mijn
uitverkorene, mijn schat!"--En toen bedaarder: "hij was een lieve
jongen; niet waar, mijnheer _Hildebrand_?"

"Dat was hij," zeide Ik.

"En toen hij wegging," ging de grootmoeder voort, "was het alsof
het mij werd ingefluisterd dat ik hem niet weer zou zien; en Diaan
hield hem bij zijn mantel terug. Niet waar, Diaan? _Bill_ had niet
moeten weggaan. Hij had moeten blijven, moeten oud worden in plaats
van de vrouw.--En als hij dan volstrekt had moeten sterven, dan had
ten minste zijn grootmoeder hem de oogen moeten toedrukken. Wie heeft
het nu gedaan?..."

Wat deed het mij goed aan het hart, haar te kunnen zeggen, dat ik
het zelf was geweest!

"Inderdaad?" vroeg zij met een zachten lach. "Ik benijd u." En zij
zag mij aan met een langen en strakken blik.

"Dezen zakdoek," ging zij na eenige oogenblikken zwijgens voort,
op den foulard wijzende, dien zij om den hals droeg, "liet hij bij
het afscheid liggen. Hij ging de deur uit, maar kwam nog weer terug
om hem te halen. De arme jongen had hem wel noodig, want ik kon hem
in zijn tranen wasschen. Ik wischte zijn oogen af en wilde den doek
behouden. Die doek en deze brieven zijn mijn eenige troost!"

Zij sloeg haar Bijbel op verschillende plaatsen op, en toonde mij
de brieven, die zij van _William_ ontvangen had en in dat boek
bewaarde. Zij nam er eenen op en tuurde een poosje op het adres.

"Hij schreef een mooie hand; deed hij niet?" zeide zij, en reikte
mij den brief toe.

Ik las het adres. Het luidde: "Aan Mevrouw E. _Marrison_."--E.M." Dat
waren de voorletters die op den ring gegraveerd stonden, dien
hij mij op zijn sterfbed gegeven had. E.M.! Ik had aan dien ring
een ganschen roman geknoopt; in die letters den naam van een lief,
jeugdig meisje gelezen, dat haar jong hart reeds vroeg voor _William_
geopend had! Maar hoeveel aandoenlijker was dit pand eener eenvoudige
genegenheid tusschen grootmoeder en kleinkind! Schoon ik anders den
ring niet droeg, had ik hem toch dezer dagen aangetrokken. Ik nam
hem van mijn vinger.

"Deze gedachtenis," zeide ik, "gaf hij mij op zijn sterfbed. Hij
beval ze mij aan als iets dat hem heel dierbaar was."

Het gelaat der oude vrouw helderde op; en nu voor het eerst schoten
er tranen in die oogen, die tot nog toe zoo strak gestaard hadden.

"Mijn eigen ring!" riep zij uit. "Ja! ik gaf hem dien voor den
neusdoek; heeft hij hem altijd gedragen?"

"Tot weinige uren voor zijn dood!"

"En zeide hij, dat hij hem heel dierbaar was? De lieveling! Heeft
hij zijn laatste krachten nog gebruikt om dat te zeggen? En waren
zijne laatste gedachten ook bij zijn grootmoeder?--Zie je wel,
Diaan!" zeide zij tot den hond; "het is het ringetje van de vrouw,
dat de lieve _Bill_ gedragen heeft. Hij heeft ons niet vergeten,
Diaan! en wij _hem_ niet--ofschoon dan ook.... Ach mijnheer!" ging
zij voort, "mijne dochter was in 't eerst zoo hevig bedroefd; maar zij
gevoelt niet _diep_; zij was de laatste, de eenige overgeblevene, maar
niet de gevoeligste van mijn kinderen. Ook had zij zoo veel kinderen
over. Maar ik, ik had mijn hart op _William_ gezet. Hij droeg den naam
van zijn grootvader, mijn eigen braven _William_! Hij was altijd zoo
eenvoudig, zoo lief, zoo teer, zoo aanhalig voor mij. Het was een
_lieve_ jongen! Wat doen wij hier zonder hem, Diaan?"

Weder volgde een korte pauze.

"_Kegge_ is een goed mensch!" ging zij voort. "Hij is goed, hij is
hartelijk, hij is week. Maar hij is vol valsche schaamte; hij wil
nooit met een traan gezien worden. Hij verdrijft zijn beter gevoel
door luidruchtigheid. Toen hij _Hanna_ trouwde, was zij een speelsch
kind, die met zes jonge honden door de plantage liep. Hij heeft haar
niet ontwikkeld, niet geleid; zij ziet hem naar de oogen, zij richt
in alles zich naar hem; onder zijn invloed durft zij niet anders zijn
dan _hij_ zich voordoet. Somtijds ben ik hard tegen _Kegge_, en daarom
leef ik liever alleen. Hij verstaat mij niet. En dan! dat er nooit,
nooit een woord over den lieven _William_ gesproken wordt!--Maar _wij_
spreken van hem, niet waar Diaan?" en zij streelde hem zachtkens
over den kop: "wij spreken van hem. Hij was zoo goed voor den hond,
en de hond had al zoo vroeg met hem gespeeld. Als ik lang naar den
hond kijk, is het als zag ik den kleinen _Bill_ nòg met hem spelen..."

Zij nam den ring weder op.

"Ik zal hem u weergeven, als gij weggaat," zeide zij; "maar laat mij
hem nog een paar dagen houden."

"Houd hem uw geheele leven, mevrouw!" riep ik haar toe. "Gij hebt er
de grootste en teederder rechten op dan ik."

En ik reikte haar de hand.

"Mijn geheele leven!" antwoordde zij: "ik wenschte wel dat dat niet
lang ware. Ik ben niet geschikt voor dit land. Mijn vader was een
Engelschman, maar mijne moeder een Westindische van ouder tot ouder,
eene inboorlinge. De lucht is mij hier te laf, de zon te flauw. Zoo
gij wist wat het mij gekost had de West te verlaten! Maar mijn eenig
kind, en het graf van mijn kleinkind trokken mij hierheen. Ook wilde
men mij niet alleen achterlaten. Ik mocht niet blijven in het huis,
waar ik _William_ vóór mij had gezien; ik moest afscheid nemen van de
plekjes, waar ik hem had zien spelen, waar hij op zijn klein paardje
voor mijne oogen had rondgereden. Ik zou zijn graf wel eens willen
zien. Ik verlang om naast hem te slapen in den vreemden grond..."

Diaan, die zijn kop weder weemoedig in haar schoot gelegd had,
hief dien langzaam op, en zag haar droevig aan. Er lag een vraag in
zijne oogen:

"En wat zal er dan van Diaan worden?"



Een Concert.


De belangrijke dag, waarop (zoo als de charmante gezegd had) al wat in
de stad smaak had, en ik voeg er bij, lid was van het concert Melodia,
stond verrukt te worden door het spel van mejuffrouw _Henriette Kegge_,
de mooie dochter van den rijken West-Indiër, was gekomen.

De piano was vroeg in den morgen ter concertzale gebracht om te
acclimateeren, en de heer _Van der Hoogen_ was er zelf heengegaan
om haar te ontvangen; ja, hij was zelfs eenigszins martelaar van
die gedienstigheid geworden, daar de kastemakersgezellen, die het
stuk hadden overgebracht, bij het strijken, een der pooten op 's
mans likdoren hadden doen neerkomen, dat hem "alleraffreust!" zeer
had gedaan.

Papa had aan het diné zich een paar malen onderwonden op te merken
dat zijn dochter toch wel wat bleek werd, als er van het concert werd
gesproken, iets hetwelk trouwens maar zeer weinig het geval _niet_
was; maar zij wilde 't volstrekt niet bekennen en zou er eindelijk
zelfs boos om geworden zijn.

Na den eten begon men dadelijk toilet te maken, en tegen half zeven
kwam de schoone _Henriette_ beneden. Zij droeg een zeer lage japon
van gros-de-naples, van een zeer licht bruinachtig geel, en had een
snoer volkomen gelijke kleine paarlen door haar lokken gevlochten;
verder droeg zij geene versierselen hoegenaamd.

Mama _Kegge_ was veel schitterender. Haar klein hoofd zwoegde onder
eene groote toque met een paradijsvogel. Een gouden halsketting, die
het dubbel kon wegen van dengenen dien zij altijd droeg en waarmede
zij, geloof ik, ook sliep, hing over hare schouders, en haar japon
was vooral niet minder dan vuurrood.

De kleine _Hanna_ was gelukkig in 't wit, maar lag ook al aan een
gouden ketting. De beide jongens zagen er uit als gewoonlijk; maar dat
zij ieder een cylinderuurwerk op zak hadden, dat zij geen van beiden
konden opwinden, en waar slechts een van beiden zoo wat half en half
op kijken kon hoe laat het was, scheen mij toe niet overnoodzakelijk
te wezen. Trouwens, indien zij er maar gelukkig mee geweest waren,
ik had hun die uurwerken, als speelgoed, gaarne gegund. Maar zij
waren reeds volkomen blasé op het punt van dat moois.

"Ben je er niet héél blij mee!" vroeg ik aan den oudste.

"Wel neen we!" antwoordde de jongste.

Mijnheer _Kegge_ wilde volstrekt met slaan van zevenen vertrekken, maar
_Henriette_ stond er op dat men niet gaan zou voor kwart óver zevenen.

De charmante kwam nog eens aangedraafd en was charmanter dan ooit. De
mouwtjes van den bruinen rok, dien hij droeg, waren nog korter dan
van zijn groenen; de overgeslagen manchetten nog polieter en nog meer
gesteven; zijne handschoenen nog geler; zijn vest vertoonde in rood
en zwart een schitterend dessin op een reusachtige schaal; hij zette
zijn lorgnet in den hoek van het oog, om een overzicht van _Henriette_
te nemen.

"Om voor te knielen!" riep hij uit. "Allercharmantst! Mevrouw _Van
Kegge_, je hebt eer van je dochter!"

En daarop huppelde hij weder heen om de familie in de zaal op te
wachten en te zorgen dat de plaatsen niet in bezit genomen werden
"want het zou criant vol zijn"!

_Henriette_ liep heen en weer door de kamer en sprak nu en dan met
den kakatoe om hare gerustheid te toonen, welke gerustheid niettemin
eenigszins werd tegengesproken door een herhaald en ten laatste wel
wat overtollig kijken op de pendule, die eindelijk op kwartier over
zevenen stond. Het rijtuig wachtte, en wij reden ter muziekzaal.

De charmante stond in den gang ons op te wachten en bood zijn arm aan
mevrouw _Kegge_ aan; ik volgde met _Henriette_, en het luid gezwatel
van stemmen, dat den stormwind der muziek voorafgaat, liet zich
hooren. De komst van de familie _Kegge_ maakte eenige opschudding
onder de jonge heeren, die achter in de zaal stonden en die door den
heer _Kegge_, naarmate hij hen passeerde, zeer luidkeels begroet
werden. Over 't algemeen sprak ZEd. een toon of wat te hoog en te
bar voor een publieke plaats.

"_Van der Hoogen_! waar moeten de dames zitten? Ik hoop wat
vooraan. _Henriette_ moet zoo'n lange wandeling niet maken, als ze
spelen zal. Hier, dunkt me. Op deze drie stoelen. _Henriette_ op den
hoek; mama in 't midden; en de kleine kleuters dáár."

Toen keek hij triomfantelijk rond om te zien welk een uitwerking
deze onafhankelijke taal op de groote hanzen en adellijke heeren,
die rondom stonden, maken zouden.

Men zat. Een aantal lorgnetten geraakte in beweging om de mooie
juffrouw _Kegge_; een aantal hoofdjes van dames, die in een zeer druk
gesprek gewikkeld waren, draaiden zich van tijd tot tijd naar haar om,
zonder evenwel den schijn te willen hebben er werk van te maken haar
gade te slaan. Sommige keken verbaasd van de toque van mevrouw; andere
lachten in haar geborduurden zakdoek om de drukte van mijnheer; een
paar stieten elkander aan wegens de charmantheid van den charmanten.

"Is freule _Nagel_ hier óók?" vroeg hem _Henriette_, haar donkere boa
een weinigje latende zakken. In de laatste dagen had zij veel aan de
hooggeborene gedacht.

"Nog niet," antwoordde hij, het lorgnet uit zijn oog latende vallen
alsof het een groote traan geweest ware; "nog niet, maar zij komt
ongetwijfeld. Gisteren nog maakte ik een visite bij den baron. _Van
der Hoogen_, zei ze, ik languisseer naar morgenavond! Ei zie, daar
komt ze juist. Zij zal hier in de buurt komen; charmant! charmant!"

De dame, die hij hierop als de freule _Constance_ uitduidde, werd
binnengeleid door een oudachtig edelman, met een bijna kaal hoofd,
maar dat aan de slapen nog versierd werd door eenige dunne spierwitte
krullen, die aan zijn kleurig gelaat een zeer belangwekkend voorkomen
bijzetten. Zij zelve was eene schoone jonge vrouw van omstreeks zes-
of zevenentwintig jaren. Nooit zag ik edeler voorkomen. Heur haar was
van een donker kastanjebruin en op de allereenvoudigste wijze gekruld
en gevlochten. Haar hoog voorhoofd ging over in een eenigszins gebogen
neus en maakte daarmee de schoonst mogelijke lijn. Groote lichtkleurige
oogen werden door lange zwarte pinkers, die er iets buitengewoon
zachts en ernstigs aan gaven, omzoomd en de zuiverheid harer donkere
wenkbrauwen was benijdenswaardig. Haar mond zou iets stroefs gehad
hebben, indien met de vrindelijkheid van haar doordringend oog dit had
weggenomen. Zij was middelmatig groot en hield zich volkomen recht,
behalve dat zij niet den hals, maar het hoofd misschien een weinig
gebukt hield. Haar kleed was van een lichtgrijze kleur, en een kleine
mantille van zware witte zijde met zwanedonzen rand rustte met veel
kieschheid op hare lage en netgevormde schouders. Waarlijk, dit was
het gelaat, het oog, de houding, noch het gewaad van eene jonkvrouw,
die gezegd werd ziek te zijn naar de maraboes van juffrouw _Kegge_
en te smachten naar een concertavond.

Zij koos haar plaats een paar rijen vóór de zitplaatsen van onze
dames, en hoewel de heer _Van der Hoogen_ deze omstandigheid in 't
vooruitzicht charmant genoemd had, geloof ik dat zij hem toch min
of meer gênant voorkwam; immers hoe gaarne hij die ook zou hebben
willen ten toon spreiden, toen hij de freule _Van Nagel_ (en hij
moest wel!) zijn compliment ging maken, bleek ons weinig of niets van
die gemeenzaamheid waar hij zoo hoog van had opgegeven. De freule
beantwoordde zijn diepe buiging met een stijven groet, die hem op
een allerakeligsten afstand hielden, voor zoo ver ik bemerken konde,
kwam er in de weinige woorden die zij hem ten antwoord gaf, veel van
mijnheer, maar niets van _Van der Hoogen_, noch van languisseeren of
iets dergelijks. Het was duidelijk dat de charmante haar eerbiedelijk
op _Henriette_ opmerkzaam maakte, maar zij was te beleefd om bepaald
om te kijken, en eerst veel later, toen de heer _Van der Hoogen_
was heengegaan om zijn viool te stemmen, want hij was werkend lid,
wendde zij haar schoon hoofd even om en wierp een blik op _Henriette_,
die mij juist influisterde dat die freule _Nagel_ zeker wel een jaar of
dertig tellen moest. De kleine _Hanna_ had ook reeds hare aanmerkingen
op de aanwezigen, en was bijzonder geestig op het punt eener bejaarde
dame, die zij vond "dat er dol uitzag; met die bayadère van gitten."

Nu werden er een paar slagen op de pauken gehoord, en daarna trad,
pratende en lachende, en zulks te meer naarmate zij met die opkomst
eenigszins verlegen waren, dat mengsel van virtuozen en dilettanten
op, hetwelk gewoonlijk op een dames-concert zijne krachten samenspant
om aller harten te betooveren, plaatste zich achter de respectieve
lessenaren, en begon die vervaarlijke, snerpende, krassende kattemuziek
uit te voeren, welke aan ieder muzikaal genot noodzakelijk schijnt
vooraf te moeten gaan. Het gedruisch in de zaal hield op; ieder schikte
zich op zijn gemak. De heeren, en daaronder ik, deinsden meestal, op
een enkel jong mensch na, die zich op 't poseeren en fixeeren toelei
(daar waren onweerstaanbare oogen en alles veroverende tailles!),
naar den achtergrond der zaal terug, en alles was doodstil. Daarop
verhief de orkestmeester zijn ebbenhouten stafje, en de symphonie
begon. Natuurlijk de zooveelste van _Beethoven_.

Wel mocht _Goethe_ [17] zeggen, dat de gedaante van den muzikant
het muzikaal genot altijd verstoort, en dat ware muziek alleen voor
't oor moest wezen; en ik deel in zijn denkbeeld dat al wat strijkt,
blaast, of zingt, ambtshalve, onzichtbaar zijn moest. Niets is zeker
leelijker dan een gansche menigte manspersonen met dassen, rokken,
en somtijds épauletten; manspersonen met zwart haar, blond haar,
grijs haar, rood haar, en in 't geheel geen haar, en met allerlei
soort van oogvertrekking en aanmonding, zich te gelijk te zien
vermoeien en afwerken achter een overeenkomstig getal houten en
koperen instrumenten, totdat ze bont en blauw in 't aangezicht worden,
alleen om een effect teweeg te brengen, zoo weinig evenredig aan,
zou mogelijk iemand zeggen, maar gewis zoo weinig gelijksoortig met
de middelen. Eene geestige vrouw zeide mij eens dat zij honger kreeg
van de lange streken van een strijkstok; maar wat krijgt men niet
van het op- en nedergezweef van een vijfentwintigtal strijkstokken
en van al de bewegingen van wangen, armen en handen, die een vol
orkest maakt? Waarlijk, er moest een scherm voor hangen. De stroom
van geluiden moest als uit eene duistere stilte tot ons komen, of wij
moesten allen geblinddoekt toeluisteren. Maar wat werd er dan van de
toilettes en van onze mooie oogen?

Ondertusschen zou ik _Goethe_ tegen moeten spreken, indien hij
beweerde dat de zin des gezichts volstrekt niets met de muziek te
maken heeft; want ik moet mijnen lezeren de gewichtige bekentenis
doen dat ik de muziek, in het afgetrokkene, waarlijk _zie_; en ik
twijfel niet of zijzelve zullen met eenige opmerkzaamheid op hunne
gewaarwordingen en inspanning van ziel hetzelfde ontdekken. Er zijn
tonen en samenkoppelingen van tonen, die zich aan mijn oog voordoen
als spattende vonken, dikke en dunne strepen, kromme spelden, slangen
en kurketrekkers; als bliksemschichten, liefdestrikken, krakelingen,
varkensstaarten, waterstralen en ziegezagen, en ik zie de mogelijkheid
om een geheel muziekstuk, voor mijn gevoel bevredigend, in figuren op
te schrijven. Die dit niet begrijpt, verzoek ik te beseffen dat hij
in eene eeuw leeft waarin hij al zulke dingen behoort te begrijpen;
en indien hij kerkhistorie heeft gestudeerd, gedenke hij aan de
Hesuchasten, die zoo lang op hun maag staarden, tot zij haar van een
geheimzinnig licht omschenen zagen.

Drie der gewone onderdeelen van de symphonie waren afgespeeld, toen ik
mij zachtkens op den schouder voelde tikken. Ik zag om en bemerkte
den arm en het gelaat van den goeden koekebakker, die van zijn
introductiekaartje gebruik had gemaakt, maar te verstandig was bij
deze gelegenheid zijn neefschap te laten gelden, en dus geen notitie
van de familie nam. Rijke familiën met arme bloedverwanten! och of
alle neven zoo bescheiden waren! Maar de meesten gillen, hun neefschap
luidkeels uit, en laten zich door niets afkoopen.

"Moet nu nicht _Kegge_ er niet aan?" fluisterde hij mij met een
vergenoegd gezicht in 't oor.

"Wel neen!" antwoordde ik, "nog in lang niet."

"Ik verzeker u van wel!" hernam hij: "of dat rooie papiertje moet
jokken. Kijk, ze staat de vierde, en we hebben al drie stukken gehad."

De goede _De Groot_ had een der onderdeelen van de symphonie voor
een obligaat op den hoorn genomen.

Ik onderrichtte hem omtrent die dwaling, en hij betuigde dan ook al
gedacht te hebben: "Wat merk ik dien hoorn weinig!"

De man met den hoorn verscheen op zijn beurt, geheel in 't zwart en
met lange haarlokken, blinkende van pommade. Hij maakte een stroeve
buiging en zette een gezicht als of hij ons allen verachtte. Dit stond
hem evenwel leelijk, want hij verdiende dien avond een goede handvol
geld, en schoon ik weet dat de kunst onbetaalbaar is, zoo ben ik toch
van oordeel dat men voor geld en een goede ontvangst ten minste een
beleefd gezicht zou kunnen overhebben. Nu staken de kenners het hoofd
op, en legden de hand aan de oorschelp, en riepen Ssss... Sst, als de
jonge dames fluisterden, die daarop haar zakdoek aan den mond brachten,
waarop de oude dames boos omkeken. Vooral de heer _Kegge_ was in dit
Sst-roepen zeer overvloedig en men kon het op zijn aangezicht lezen
dat hij zich in dezen volmaakt onafhankelijk gevoelde, ook van alle
mogelijke "groote hanzinnen en adellijke dames."

De hoornist blies zijn wangen op, zijn oogen uit, en zijn hoorn vol,
tot algemeene verrukking der aanwezigen die van een hoorn hielden,
ofschoon er verscheidene waren die met een wijs en veelbeduidend
aangezicht beweerden dat het _Potdevin_ niet was, eene blijkbaarheid
die ook door het programma voldingend werd uitgewezen. Het schoonste
van 's mans spel scheen daarin te bestaan, dat het geluid van zijn
hoorn op alle geluiden geleek, die gewoonlijk uit andere instrumenten
komen. Nu eens knorde hij als een jichtige fagot, dan weder had hij
al het rochelende van een vetten waldhoren, dan weder het door den
neus pratende van een intriganten hautbois, of het uitgelatene van
een opgewonden trompet, ja zelfs nu en dan iets van het gillende
eener hysterische dwarsfluit; zelden maar geleek hij op hetgeen
hij waarlijk was, een klephoorn; en eenmaal was het geluid zoo
zacht en zoo verfijnd, dat ik, zoo ik niet de rijkgeringde vingers
van den virtuoos had zien bewegen, waarlijk zoo gezworen hebben,
dat er niets gebeurde. In zoo verre was het maar weer goed, dat de
muzikant zichtbaar was. Ik vermaakte mij gedurende het spel machtig
met het gadeslaan van een dik heer achter op het orkest, die den
duizendkunstenaar had geëngageerd en allerliefste knipoogjes aan alle
de leden rondzond, die tegelijkertijd moesten beduiden hoe heerlijk
hij het vond, en vragen of zij het ook niet heerlijk vonden; en van
een langjong mensch dicht bij mij, met zwarte haren en bleeke wangen,
die zijne oogen aandachtig toedeed onder het spel en de maat met zijn
teenen sloeg, en dan weer een "hoe-is-het-mogelijk!"-gezicht zette en
een schrikkelijken nood had om aan iedereen te vertellen hoe familiaar
hij dien duizendkunstenaar kende, en hoe goed die duizendkunstenaar
biljartte, en hoe 'n aangenaam mensch en van welk een goede familie
die duizendkunstenaar was, en hoe die duizendkunstenaar enkel speelde
omdat hij 't niet laten kon, en welk een duizendwondertje van een mooi
snuifdoosje die duizendkunstenaar van een prinses had gekregen, en hoe
hij zelf in eigen persoon op de repetitie van dien duizendkunstenaar
geweest was, en hoe de duizendkunstenaar hem verhaald had, dat die
eigen hoorn, daar hij op speelde, hem duizend gulden had gekost.

Nu had er een machtige beweging op het orkest plaats. Ik weet niet
hoeveel lessenaars werden achteruitgeschoven. De kastelein van de
concertzaal bracht met een gewichtig gelaat twee waskaarsen op de
piano, en de heer _Van der Hoogen_ maakte haar open, plaatste de
muziek er op, en schoof de tabouret er onder van daan. Al de heeren
verlieten het orkest--uitgenomen de contrabassist, een oud man, die
zijn bril op zijn voorhoofd schoof, en de paukenslager, die zijn handen
in de zij plaatste--en kwamen achter ons in de zaal dringen. Daarop
daalde de heer _Van der Hoogen_ af, om door _Henriette_ af te halen
voorloopig aan zijne bestemming te voldoen. Zij zag zeer bleek, en
ik verdacht haar van aan het obligaat op den hoorn juist niet veel
gehad te hebben. De heer _Van der Hoogen_ nam haar bij den pink en
leidde haar op. Zij maakte een compliment, zeer gracieus voor een
liefhebster, zonder evenwel tot het diepe nijgen en het verleidelijk
gezicht van een tooneelspeelster te komen, en nam daarop, onder
een luid handgeklap en onstuimig voorwaarts dringen van de heeren,
plaats aan het instrument; trok hare handschoenen uit, en de lieve
handen zweefden over de toetsen.

De eerste maten hadden den indruk van de onrustige beweging van haar
pols, maar langzamerhand herstelde zij zich; haar natuurlijke kleur
kwam weder, en zij speelde alsof zij thuis was, met de haar eigene
verwonderlijke vlugheid.

"Inderdaad, het was wonderlijk dat menschevingers dat doen
konden!" fluisterde _De Groot_ mij in, nadat hij een weinigje van den
schrik bekomen was, die het optreden van _Henriette_ den goeden man
gekost had. "'t Is alsof zij aan draadjes zitten. Alles leeft wat er
aan is. Kijk hier, ze gooit haar armen over mekaar, of 't zoo niets
was. En ze slaat er goed op, ook!--Dat's verraderlijk," zeide hij,
als zij, na lang met beide handen in de lage tonen te hebben gewerkt,
zonder om te zien, plotseling de toetsen van den hoogsten octaaf een
fikschen tik gaf. "Drommels nou! dat gaat per post; 't is als of je
een goot hoort loopen."

De heer _Van der Hoogen_ stond, met een hoek van ten hoogsten honderd
en dertig graden, naar de piano gebogen en maakte zich verdienstelijk
met het omslaan der bladen; maar toen hij aan de laatste bladzijde was,
nam hij voor goed eene hartvervoerende houding aan, met de eene hand
op de piano leunende en de andere in de zijde zettende, terwijl hij
zijne leelijke oogen verlokkend door de zaal liet weiden, of ze ook
nog in 't voorbijgaan een hart of tien veroveren mochten!

Het stuk was uit. _Henriette_ stond op, en dankte met een stuursch
gezicht voor het daverend handgeklap. De charmante bracht haar weer
tot hare plaats en deelde in haar triomf. De oude _Kegge_ had tranen in
de oogen, en de charmante drukte hem de hand. "Het was onbegrijpelijk
charmant geweest!" _Henriette_ liet zich door mevrouw _Kegge_ de boa
weder om den hals werpen, en speelde met het einde daarvan; daarop
begon zij een gesprek met de kleine _Hanna_, zoodat de geheele wereld
verbaasd stond over eene jonge dame, "die zoo voortreffelijk speelde,
en zoo lief was met haar zusje".

De drukke finale der symphonie, waarin machtig veel gepaukt en machtig
veel gebazuind werd, besloot de eerste afdeeling van het zooveelste
damesconcert van het gezelschap Melodia, en de pauze begon.

Dat is niet het minst belangrijk gedeelte van een concert, als het
dissoneerend vocaal het harmonisch instrumentaal voor een half uur
afwisselt. De dames hebben dan ook altijd liever een nommer minder op
het programma dan een _korte_ pauze, en zulks is niet te verwonderen,
wanneer men bedenkt hoe veel praatziekte, hoe veel verliefdheden, hoe
veel kunstgedienstigheid, hoe veel eerzucht, praalzucht en behaagzucht
hier bijeenzijn.

Indien men eene wage had, op welker eene schaal men alle deze
vergaderde ziekten en zuchten kon stapelen, en men lei daartegenover
op de andere het muzikaal gevoel--ja, leg er het muzikaal gehoor maar
bij!--deze laatste zou ongetwijfeld omhoog gaan.

En gewichtig voorzeker was dat oogenblik, waarop deze koopbeurs van
beleefdheden en praatjes aanging en het hoffelijk gedrang begon; als
de blonde en bruine hoofden, de veders en de bloemen zich ophieven,
de sterren op de voorhoofden haren loop begonnen; en de eerst zoo
regelmatige rijen van schoonen en moeders van schoonen, van "matribus
pulcris filiae pulcriores" en omgekeerd, zich tot bevallige groepen
schikten, waaruit vonkelende oogen straalden en vroolijke lachjes
opgingen; als de dwarling van jonge heeren een aanvang nam, waarvan
ieder zijn prima donna, zijne reine du bal zocht, de een met een
glimlach, de ander met een sentimenteel gezicht, de derde met een
kloppend hart, en de vierde met een opgestreken kuif; waarvan de een
boos, de ander onnoozel en de derde kippig keek uit verlegenheid;
waarvan de een, om te beginnen, zijn netten spreidde over al wat
mooi was, en de ander in het wilde scheen rond te fladderen, maar om
toch wat meer eklektisch te werk te gaan; terwijl de toovermacht van
dezen moest berusten in een nauw vest, en gene een philtrum meende te
bezitten in de gedaante van pommade à l'oeillet; daar de talisman van
een derde in zijne handschoenen berustte; terwijl een enkele begreep,
dat hij het meest zoude interesseeren door met een knorrig gezicht en
een medelijdenden glimlach op al het gedraai en geworm neder te zien.

Ik deed mijn best om _Henriette_ te genaken, die in een kring van
heeren stond, welke zij ten deele kende, ten deele nimmer geluid had
hooren geven, maar die allen van deze gelegenheid gebruik maakten
om haar iets aangenaams te zeggen. Iedereen was even verrukt,
en de charmante week niet van hare zijde. Ik maakte haar mede mijn
compliment, en liet mij daarop van hoeken tot kanten dringen, waarbij
ik het voordeel had veel te zien en te hooren, dat mij voor dien
avond belangrijk voorkwam.

"Ze zullen die juffrouw _Kegge_, hiet ze zoo niet? het hoofd wel op
hol maken!" merkte een mevrouw van een zekeren leeftijd, met eene
zwarte gazen toque, aan. "'t Is niet goed voor zoo'n jong ding."

En zij sloot haren mond zoo dicht, zoo dicht, alsof zij er van afzag
den geheelen verderen avond iets meer in het midden te brengen.

"O, ik vind dat ze er allerinteressantst uit kan zien," sprak een
jonge dame, in antwoord op het zeggen van een heer van middelbare
jaren, dat juffrouw _Kegge_ heel mooi was; "maar van avond, dunkt mij,
heeft zij haar beau jour niet."

"Kent u die familie _Kegge_?" vroeg een andere aan een jongen heer,
en zij legde duizend pond nadruk op den naam.

"Vraag excuus!" was het antwoord, "ik weet niet anders dan dat
de menschen rijk zijn.... Maar," ging hij zachter voort, "ze zijn
volstrekt niets. Haar grootvader was hier ter stede een kruidenier
of zoo wat, en haar vader...., die heeft fortuin gemaakt in de West."

"Ik vind ook wèl, dat men haar _dat_ aan kan zien," sprak een derde,
die dit gesprek had gehoord, schoon zij er met den rug naar toe had
gestaan, zelve een gelaat vertoonende, dat alles behalve ongemeen was.

"Ik hou niet van dat soort van oogen," hoorde ik aan eenen anderen
kant, uit de mond van een jong meisje van dertig, die zeer flets uit
haar eigene keek.

De freule _Van Nagel_ scheen zeer tevreden over het spel, maar liet
zich over de speelster volstrekt niet uit.

Ik bewonderde onder de menigte van schoone vrouwen van middelbaren
leeftijd eene die, met een allerbevalligst voorkomen en zeer innemende
manieren, het voorwerp der algemeene belangstelling scheen te zijn. Al
de heeren kwamen voor haar buigen, en al hunne vrouwen lieten zich,
de eene voor, de andere na, bij haar brengen. De jonge dames deden hun
best om haar te naderen, of wenkten haar met het daarbij behoorend
lachend gezicht toe, dat het onmogelijk was. Zij gaf een soort van
pleeggehoor. Meermalen poogde zij te gaan zitten, maar juist op het
oogenblik dat zij er toe besloot, verscheen er weder altijd iemand
om haar zijne beleefdheid te bewijzen; en ik bewonderde in stilte de
goede gratie, waarmede zij zich terstond weder tot den nieuwaangekomene
wendde en de onbeduidende gezegden, die vrij wel met de door al zijne
voorgangers gehoudene gesprekken overeenkwamen, met verschen moed
beantwoordde. Hare dochter, een meisje dat nog geen zestien jaren
mocht hebben bereikt, was aan hare zijde, en scheen deze minzame
bevalligheid reeds in hare mate te hebben overgenomen. Wat beider
beleefdheid het aangenaamst maakte, was het eenvoudige en ongedwongene,
het volkomen vrindelijke en opgewekte, dat haar eigen was en niet
anders voortkomen kon dan uit eene lieve harmonische stemming des
gemoeds en eene heldere tevredenheid des harten. Voor mij was het
een waar genoegen haar gade te slaan, en ik kon niet nalaten met
minachting te denken aan de valsche redeneering van een aantal zich
noemende menschenkenners, die hoffelijkheid altijd voor willen doen
komen als laagheid, en welwillendheid als huichelarij. Waarlijk, die
echte humaniteit, die goede toon, die beleefde innemendheid, welke de
blijken dragen van in overeenstemming te zijn met den geheelen persoon,
die ze aan den dag legt, is te gelijk eene gave en eene verdienste,
en ik wenschte wel, dat men algemeen gevoelde, hoe men de wetten
der welwillendheid met de wetten der fijnste zedelijkheid en het
meest kiesche gevoel in verband kan brengen. Al het misbruik, dat
van haar gemaakt is door intriganten en hypocrieten, neemt niet weg,
dat zij een der schoonste sieraden van het menschdom is, en een der
verhevenste onderscheidingen boven het dierengeslacht doet uitkomen.

Ik vernam later dat deze bevallige vrouw eene dame was, wier huis
bekend stond voor eene plaats, waar men zich nimmer verveelde, die
niet slechts veel menschen zag, maar haar gezelschap altijd geheel
bezielde en doordrong van de liefelijkheid haar aangeboren.

Den stroom volgende, werd ik nog voorbij vele paartjes gesleept,
die werk van elkander maakten; ook langs schuchtere jongelingen,
die zich verstoutten hun geheel onbekende dames noodelooze diensten
te bewijzen, als daar zijn: boa's op te rapen, die nog niet gevallen
waren, en sjaals over haar stoel te hangen, die ze nog niet noodig
hadden; alsmede langs vele ophoopingen van jonge meisjes, die iedereen
uitlachten. Hier en daar zat of stond eene oude dame stokstijf voor
haar stoel, te midden van een jong geslachte, "inmobilis in mobili";
en herinnerde zich de dagen, dat ook zij mobieler was, of verbeeldde
zich dat zij ook nu nog mobieler zijn konde, indien zij maar wilde;
of verheugde zich, dat nu haar kinderen waren zoo als zij geweest was;
of verklaarde dat de pauze nu eenmaal lang genoeg geduurd had.

Zoo kwam ik tot aan de deur, en nu bezocht ik ook de koffiekamer. Hier
waren de standen meer dooreengemengd, en vooral onder de werkende leden
vond men van alles. De muziek, het ijsvermaak, en het tabakrooken
nemen allen aanzien des persoons weg. Hier werd hevig gerookt door
allerlei soort van rookers. Er waren er die pijpen, er waren er die
sigaren, er waren er die baai rookten; sommigen hadden al lang naar
hun rooktoestel gesmacht, andere deden het alleen, omdat de rook der
overige hun dan minder hinderde. Er waren er die het niet laten konden,
en er waren er die het doen en laten konden allebei, en het daarom
zoo veel mogelijk deden; verslaafden, en vrijwillige dienstknechten;
en de kleine _Keggetjes_ drongen door de menigte heen, en hadden
waarlijk ook ieder een sigaartje in den mond, ter zake waarvan hun
vader lachte dat hij schaterde.

"Die juffrouw _Kegge_ speelt admirabel, niet waar?" zei een beschaafd
heer, zijn viool weer uit de vioolkas nemende, om zich voor de tweede
afdeeling gereed te maken, en omziende naar een groot liefhebber,
een dik persoon, met een lomp uiterlijk, dien ik in 't orkest met
een waldhoren gezien had.

"Ze speelt verdraaid vlug!" antwoordde die van den waldhoren.

"Veel smaak, veel smaak!" riep een wijs burgerheer, die een dwarsfluit
blies.

"Smaak?" riep een klein heertje, dat zich juist aan een heet glas punch
brandde, met een pieperig stemmetje, "smaak? geen zier smaak! al den
duivel vlugheid, kunstjes, _brille_."

"Een mooie piano, niet waar?" hoorde ik in een anderen hoek, uit den
mond van een werkend lid.

"Ja, en een weergasche mooie meid ook," antwoordde een honorair lid.

"Foei, oude snoeper, waar kijk je na?" zei de eerste spreker.

Zoo gaat het, wanneer gij op concerten speelt. Waarom laat gij het
niet liever?



De tweede afdeeling bood niets bijzonder opmerkenswaardigs aan. Een
welgemaakt officier der zware ruiterij trad in burgerkleeding met
een wit vest op en zong een paar coquette romances, die beurtelings
zeer laag en zeer hoog liepen en met een afwisselend kwaadaardig
en snoeperig lachend gezicht gezongen werden, maar waarvan de toon
en de inhoud zoomin overeenkwamen met zijn zware knevels als met
de op-en-neder-gesten, die hij met het tusschen zijn beide handen
uitgespannen blad papiers maakte. Voorts hadden wij nog een obligaat
op de violoncel van een Duitscher met een plat hoofd en een gouden
bril; en het concert eindigde, zooals een deugdzaam concert behoort
te eindigen, met eene ouverture.

De zaaldeur werd opengezet, en de geparfumeerde dampkring door
een gevoeligen tocht gezuiverd. De boa's en pelerines werden
opgehaald. De cephaliden werden om die kopjes, die er lief mee
uitzagen, vastgestrikt, of anders in de hand gereed gehouden, en de
jonge heeren, die het er op gezet hadden de eene of andere schoone
naar het rijtuig te geleiden met het stellige voornemen om dien
nacht van dat geluk te droomen, zochten zich van stonden aan van
een gunstig standpunt te verzekeren. De heeren, die vrouwen hadden,
waren boos dat hunne rijtuigen zoo laat kwamen, en de heeren, die
paarden hadden, maakten zich ongerust dat het hunne misschien lang
zou moeten wachten; den jongen meisjes speet het, dat het hare zoo
vroeg kwam; en enkele opgewonden jonge heeren spraken er van, dat
het aardig zou wezen de concertzaal in een balzaal te veranderen,
en hingen eene verleidelijke schilderij van deze gelukzaligheid op.

_Van der Hoogen_ was weder in ons midden en stond zoo dicht mogelijk
tegen den linkerarm van _Henriette_ aangedrongen. Zij was allerliefst
jegens hem, en schertste en lachte; maar toen de knecht met groot
misbaar "de koets van mijnheer _Kegge_!" aankondigde, draaide zij zich
eensklaps om en greep in een aanval van behaagzieke speelschheid mijn
arm. Van dien oogenblik aan haatte mij de charmante. Zegevierend zag
_Henriette_ om. Mijnheer _Kegge_, die haast maakte, volgde met mevrouw;
_Van der Hoogen_ moest zich dus met de kleine _Hanna_ behelpen, naar
welke hij zich heelemaal scheef moest overbuigen, tot groot genoegen
van de dubbele rij van heeren en dames, tusschen welke wij bij het
verlaten der zaal doortogen. Een charmante spitsroede.

Wij kwamen thuis. Er werd een buitengewoon souper aangericht. Tegen het
dessert dook de heer _Kegge_ zelf in zijn wijnkelder en bracht zulk
een menigte van allerlei merken boven, dat het hart mij van angst
in de keel begon te kloppen. De charmante, die van de partij was,
stelde een toost op de schoone pianiste in, en las daarbij een fransch
extemporeetje van zijn eigen maaksel voor, waarin hij op eene charmante
wijze over alle regelen der taal had gezegevierd. Hoofdzakelijk zeide
hij, dat _Henriette_ een mooi meisje met bruine oogen, een engel,
en eene godin der muziek was, en daarbij kwamen eenige opmerkingen
omtrent uitgetrokken harten en op tonen drijvende zielen. Wij waren
allen geheel bewondering, en mevrouw _Kegge_ niet het minst, hetgeen
ongetwijfeld veel voor de zaakrijkheid van het gedicht pleitte,
daar HEd. van de zes woorden er maar drie verstaan had. Mijnheer
_Kegge_ dronk den dichter, en de dichter dronk den heer _Kegge_;
en de heer _Kegge_ liet de kurken van champagneflesschen tegen den
zolder springen; en de heer _Van der Hoogen_ sloeg met de platte
hand op champagneglazen dat de wijn op nieuw begon te schuimen;
en dit alles was ter eere van juffrouw _Henriette Kegge_.



Ochtendbezoek en Avondwandeling.


Des anderen daags vóór den middag werd de goede _De Groot_ aangediend
en trad de kamer binnen verzelschapt van zijn lieve dochter, die een
groote gunstelinge van den heer _Kegge_ was en in zijn huishouden
goede diensten bewees. Dien middag zou zij met ons dineeren, en haar
vader bracht haar zelf, omdat hij meteen zijne dankbaarheid wilde
komen betuigen voor het introductiekaartje. Hij sprak met de grootste
opgewondenheid over den avond van gisteren.

"Nooit in zijn leven had hij zoo iets moois gezien of gehoord. Dat
was een rijkdom! Dat waren stukken muziek! Hij wist niet hoe het
mogelijk was, dat een mensch zoo vlug op 't klavier wezen kon als
nicht _Henriette_; en toen hij haar zoo had zien zitten, misschien
was het zonde geweest, maar hij had gedacht, dat zij zoo mooi was
als een engel uit den hemel."

_Henriette_ glimlachte en vergat, om het streelende der vergelijking,
dat zij die voor ditmaal uit den mond vernam van een koekebakker. Zij
begon daarop zeer vriendelijk naar juffrouw _De Groot_ te vragen en
haar spijt te betuigen dat zij niet op de verguldpartij had kunnen
komen; zij zou juffrouw _De Groot_ nog eens in persoon haar excuses
komen maken.

"Neen maar, juffrouw... ik wil zeggen, nicht _Henriette_!" zei de
goede man, "dat behoeft in't geheel niet. Uw bezoek zal haar welkom
zijn, maar excuses! och, dat behoeft niet; dat weet neef _Kegge_
wel. Mijn vrouw heeft het ook volstrekt niet kwalijk genomen; dat
moet u toch vooral niet denken!"

"Nu, neef _De Groot_"... zei _Henriette_ vriendelijk... en wie weet hoe
lief zij zou geweest zijn? maar het woord bestierf haar op de lippen,
want de charmante trad binnen en maakte wat ik zijn "compliments de
coutume" noemde.

"Wel, juffrouw _Henriette_! Is de nachtrust goed geweest, na de
fatigue van gisteren? Ik heb geen oog toe kunnen doen; ik was nog zoo
geënthusiasmeerd van de muziek. Het was een charmante avond; de geheele
wereld had zich dan ook perfect geamuseerd. De stad is van u vervuld!"

"Vleier!" zei _Henriette_, "maar ik weet," liet zij er op goedigen
toon op volgen, "ik weet dat gij het goed meent."

En zij reikte hem de hand.

Hij nam die niet vervoering aan en trok haar naar de vensterbank.

"Wie is die man?" vroeg hij, den goeden _De Groot_ van het hoofd tot
de voeten opnemende.

"De vader van _Saartje_," antwoordde _Henriette_ bedeesd.

"o Ho!" zei de heer _Van der Hoogen_, die dat ook zeer wel wist hem
den rug toedraaiende. En zijn lorgnet in het oog klevende bezag hij
den ruiker bloemen, die in een sierlijke porseleinen vaas op een
guéridon voor het raam stond.

"Wat een mooi bouquet, zoo laat in 't jaar!" merkte hij aan.

"Papa is zoo lief geweest het mij mee te brengen. Het heeft zijn
beste dagen al gehad."

"Reiken de stelen allemaal wel goed aan 't water?" vroeg de charmante.

Hij stak, om zich daarvan te overtuigen, zijn hand diep in den ruiker,
en toen hij die weder terugtrok, was het als of er iets violetkleurigs
in achterbleef, dat naar de punten van een klein biljet zweemde.

De heer _Kegge_ was ondertusschen druk bezig met neef _De Groot_,
die echter niet op zijn gemak was, aangezien Azor en Mimi het hem
verbazend lastig maakten; en hoewel mevrouw _Kegge_ hem gedurig
verzekerde dat het de liefste diertjes van de wereld waren, die nooit
iemand leed deden, bevielen hem de steeds luider uitvallen en het
gestadig pronken met hunne witte tanden zeer weinig. Zijn bezoek was
slechts kort; hij groette mijnheer en mevrouw _Kegge_ allerhartelijkst,
"juffrouw, ik wil zeggen nicht _Henriette_" zeer eerbiedig, en maakte
ook een buiging Voor _Van der Hoogen_, die hem met een hooghartig
"goeden dag" betaalde.

_Van der Hoogen_ ging daarop mijnheer en mevrouw _Kegge_ bezighouden,
en _Henriette_ trad op den bloemruiker toe, haalde er het biljet uit
en borg het in haar ceinture, evenwel zoo handig niet of ik bemerkte
het volkomen; zij vermoedde dit, en kreeg een kleur. De kaketoe werd
daarop haar toeverlaat. Zij hield hem een stukje beschuit voor.

"Wat zegt Coco dan tegen de vrouw?"

"Pas op, pas op!" riep de kaketoe, die blijkbaar in de war was. _Van
der Hoogen_ vertrok spoedig daarop, en de dag had vooreerst weinig
merkwaardigs meer. Grootmama liet naar Saartje vragen; zij bleef een
uurtje boven, en kwam daarna met roode oogen beneden.

"Gij hebt de lieve oude vrouw wat gelukkig gemaakt!" fluisterde zij
mij in.

Ik had gelegenheid in den loop van den namiddag de lieve blonde
eens zoo goed als alleen te spreken, en spoedig maakte ik daarvan,
gebruik om het gesprek op haar vriendin _Noiret_ te brengen.

Zij verhaalde mij van _Suzettes_ onvergelijkelijke gehechtheid aan
haar moeder, van hare voorbeeldelooze werkzaamheid, waardoor zij
zooveel mogelijk in de behoeften van deze voorzag, van haar eigen
schamel kamertje, en van alles wat haar om den wil harer moeder zoo
zeer bekommerde. Ook deelde zij mij mede, dat er een knappe jongen
in de stad was, een schrijver op een der stadsbureaux, die een dollen
zin in _Suzette_ had, en dat zij geloofde, dat hij _Suzette_ ook niet
ten eenenmale onverschillig liet; maar dat zij het voor zichzelve
niet wilde bekennen, omdat zij meende dat de inwilliging van een
dergelijk gevoel eene misdaad was tegen hare moeder; dat zij daarom
dien jongeling altijd op een afstand hield en hem soms wel wat erg
behandeld had, wat zeker tegen haar eigen hart was; en dat zij zich
dat dezer dagen bijzonder verweet, nu zij vernomen had, dat hij,
er aan wanhopende ooit hare genegenheid te zullen verwerven en toch
ook vooreerst geen mogelijkheid ziende om haar een onafhankelijk
bestaan te verzekeren, het plan had opgevat om zijn geluk in de West
te gaan beproeven.

"O, dat maakt haar tegenwoordig zoo ongelukkig," voegde _Saartje_
er bij, met een traan in de mooie oogen, "en dan verwijt zij zich
weer dat hare gedachten een oogenblik aan iemand anders behooren dan
aan hare moeder."



_Henriette_ was dien geheelen dag bijzonder aangenaam en lieftallig
jegens mij; zij had allerlei zoete oplettendheden aan tafel, prees
mij verscheidene malen in het aangezicht, en gaf mij zelfs bij het
doorbladeren van hare teekenportefeuille, uit een open reden, een
allerliefste teekening op rijstpapier ten geschenke.



In het schemeruur bracht ik _Saartje_ thuis; en het lustte mij,
daarna een kleine stadswandeling te maken, in dat bij uitstek drukke
uur, waarin de werklieden en schoolkinderen naar huis gaan en de
dienstmaagden hare boodschappen beginnen, hare minnaren toevallig
tegenkomen, of elkander gewichtige mededeelingen doen omtrent de
verschillende karakters van haar heer, haar mevrouw, den oudsten
jongeheer, en de oudste juffrouw, bij welke gelegenheid de heer
er altijd beter afkomt dan de mevrouw, en de mevrouw beter dan de
oudste juffrouw, terwijl de jongeheer een van tweeën, òf een "akelig
stuursch minsch", òf "een heertje" is. Ik heb dit uit mijn vroege jeugd
overgehouden, dat ik gaarne de lichten in de winkels zie opsteken,
en ook ditmaal stond ik nu eens stil bij een in het donker vooral
zoo plechtig smidsvuur, waaruit de gloeiende bouten schitterend
te voorschijn kwamen, om onder de slagen van den voorhamer eene
horizontale fontein van vuur uit te spreiden, waarbij het zwarte
gelaat van den smid fantastisch verlicht werd; dan weder boeide
mij het wreedaardig schouwspel eener slachterij, waar de knechts,
in hunne bloederige wollen kousen tot over de knieën reikende en met
een ouden hoed over hunne blauwe slaapmutsen, zichzelven bijlichtten
met een brandend smeerkaarsjen op gemelden hoed vastgekleefd, dat een
tooverachtig licht in de opengehouwen koebeesten wierp, wier inwendige
belangen zij verzorgden. De straatlantaarns waren nog niet opgestoken
en zouden eerst twee uren later aanlichten, omdat het onmogelijk is
dat een vreemdeling op een stikdonkere gracht in het water loopt,
als het nog niet langer dan anderhalf uur stikdonker geweest is.

Het gebeurde dat ik, op zulk een donkere gracht, voortschrijdende
zonder precies te weten waar ik mij bevond, op eenigen afstand
twee personen ontwaarde, waarvan de een evenveel neiging toonde
om den anderen te ontloopen, als de andere gezind scheen de eerste
terug te houden. Naderbij komende zag ik dat gemelde personen tot
verschillende kunnen behoorden, en daarop hoorde ik eene zachte
vrouwestem, maar schor van zenuwachtigheid, duidelijk zeggen: "laat
me los, mijnheer! of ik schreeuw".

Het leek mij toe, dat de mijnheer, tot wien deze bedreiging gericht
was, en die een langen mantel droeg, van nature een vijand van
schreeuwen was. Althans hij liet de persoon die gesproken had
oogenblikkelijk los en verdween in een zijstraat. Ik had de stem
herkend.

"Zijt gij het juffrouw _Noiret_? "Wie durft u aanraken? Laat ik u
thuis brengen," sprak ik haar toe.

Het arme meisje kon niet antwoorden; zij beefde van het hoofd tot de
voeten, en ik had moeite haar op de been te houden.

"Het is verschrikkelijk," snikte zij: "o indien gij zoo goed wilt
wezen; het is ijselijk...."

Meer kwam er niet uit. Ik geleidde haar zwijgend tot naar den kleinen
koomenijswinkel, waar zij haar kamertje had. In het voorhuis zonk zij
op een bank neder. Het was er donker, want op de geringe nering kon
geen licht overschieten. De vrouw uit den koomenijswinkel kwam naar
voren loopen, met een baklamp in de hand.

"Och lieve help! wat scheelt de juffrouw? wat ziet ze bleek. Is de
juffrouw verschoten? Ga gauw in 't kantoortje, juffrouw! Ik ga de
kaars opsteken."

Zij ging heen om den blaker van juffrouw _Noiret_ te halen, en ik
bracht die in een klein, van 't voorhuis afgeschoten kamertje dat
zij mij als 't kantoortje had aangewezen en dat dien naam met recht
verdiende, daar er niets te vinden was dan eene kleine hangoortafel,
vier matten tabouretten, en een leelijk gezicht in een lijstjen aan
den wand, voorstellende den held _Van Speyk_!

"Maar me lieve gunst, wat scheelt er dan toch an!" riep de
koomenijsvrouw uit, toen zij den blaker van _Suzette_ aangestoken en
haar eigen lamp, daar er geen twee lichten noodig waren, onmiddellijk
daarop uitgeblazen had.

Ik liet haar een glas water halen. _Suzette_ dronk er een teugje
van, en het glas klapperde tusschen hare tanden. Nog kon zij niet
spreken. Het klamme zweet stond haar op het aangezicht.

"Maar me lieve gunst," begon de bezorgde, maar nog meer nieuwsgierige,
hospita alweer, "dat's nou toch wel een raar geval. De juffrouw het
'et disperaat op 'er zenuwgestel. Wil ik naar de apteek loopen en
een rooie schrikpoeier halen?"

"De juffrouw is aangerand," zei ik, "er loopt kwaad volk. Ik was er
bijtijds bij; men wilde haar afzetten."

"Angerand!" riep de hospita uit; "ofzetten! Ja, 't is een ijselijkheid
dat er geen werk is. En mijn _Kobus_ is ook nog bij de weg, die kennen
ze dan ook nog wel anranden en ofzetten, ofschoon ie juist niet meer
bij'em het dan zen zuiver orlozie, en _daar_ is een stevige kopere
kast om; da's één geluk. Ja, ik heb al lang gedocht dat het niet
pruisisch was hier in de stad. Der is _nog_ reis een winter geweest
dat 'et zoo erg was. Et was in de tijd dat ik op alle dag liep van
me derde. Maar toen braken ze in bij de lui en kwammen voor de lui
der bed staan, met een armpie van een ongeboren kind. Daar zel meheer
wel van gehoord hebben. En dan stakken ze zoo'n armpie in brand, en
ze draaiden 't driemaal over de lui der hoofd om, en dan zeien ze,
ja wat zeien ze ook? dan zeien ze: _die waakt, die waakt, die slaapt,
die slaapt!_ en in die omstandigheid, wil ik maar zeggen, daar je
dan in verkeerde, daar _bleef_ je ook in. Anranden! 't is wat moois
in een kristenland! Gelukkig nog, juffrouw, dat ze je die japon niet
of-hebben angerand; dat zou een leelijkerd wezen!"

En zij nam _Suzette_ een toegespeld pak af, dat deze nog altijd
stijf onder den arm hield, en lei het voorzichtig op een der matten
tabouretten.

"Breng het boven, moedertje," zei ik, "en laat ons even alleen,
want ik hoop dat de juffrouw mij den persoon zal kunnen beschrijven;
dan zal ik hem bij de politie aangeven."

"Beskrijven! Ja, dat gaat zoover as 't voeten het," antwoordde de
klapper; "en weet je wat _Kobus_ zeit? ze krijgen er de verkeerde deur
te pakken. Laatstleden varkemart hebben ze nog 'en jong gezel, een die
hier, zel ik maar zeggen vreemd was, opgepakt. Der komt ommers altijd,
op de varkemart hier zoo'n poffertjeskraam? Nou, hij mocht zoo bij die
poffertjeskraam staan te kijken na die groote kopere schuttels en zoo;
daar komt er een diender na 'em toe; die leest op 'en pampiertje, en
toen kijkt ie 'em an. Nou; de jonge wist van de prins geen kwaad. Maar
de diender zeit teugen 'em: jonge, zeit ie, ga jij reis effen mee. Ik
dankje vrindelijk, man, zeit den ander. Maar het holp niet, want de
diender zei: maatje, zeidie, kijk reis effen wat ik hier onder me jas
heb. Nou, dat waren nies anders as van die duimskroefies, as meheer
wel reis zel gezien hebben, daar ze een minsch mee vastskroeven,
zel ik maar zeggen, dat ie geen vin verroeren kan. Nou, die mocht
die man niet, dat ie mijn slacht. Zoo gezeid, zoo gedaan; daar holp
geen lievemoederen an; hij _most_ en hij _zou_ mee. Maar toen ie vijf
dagen had zitten brommen--hij was toch maar al die tijd uit zen werk,
zie je--daar komt die zelfde diender, in zen hok, zel ik maar zeggen,
of waar dat ie dan zat, en zeit dat ie maar stilletjes vort zou
gaan. Maar hij zei, neen, zeidie, dat gaat _zoo_ niet. Want hij wou
der verhaal op hebben, zie je meheer! Maar dat weten we wel; dat gaat
zoo ver as 't voeten het. Zoodat ik maar zeggen wil, dat beskrijven
niet veul ofdoet. Maar daarom zei _Kobus_ altijd, in die winter toen
't _nog_ reis zoo erg was: as _ik_ er eentje te pakken kreeg, ik zou
'em teekenen, dat ik 'em voor goed zou kennen..."

Ik herhaalde mijn wensch om met juffrouw _Noiret_ alleen te
blijven. Zoodra de babbelachtige vrouw gegaan was, borst zij in
tranen uit.

"Dit heeft hij mij in de hand gestopt!" riep zij uit; "verbrand het
in de kaars."

En zij wierp een violetkleurig briefjen op de tafel, dat zij in hare
zenuwachtige spanning geheel verfronseld had. Daarop zeide zij met
eenen innigen afschuw:

"Foei, mijnheer _Van der Hoogen_!"

Ik nam het briefjen op.

"Mag _ik_ het bewaren?" vroeg ik haar. "Het kan mij te pas komen." Ik
herstelde het in zijne vroegere gedaante, en stak in mijn portefeuille.

Toen _Suzette_ wat bedaard was, deelde zij mij mede, hoe zij sedert
eenigen tijd overal door _Van der Hoogen_ vervolgd werd. Hij was
immer op haar weg. Bij het gaan van haar kamer naar het hofje,
en bij het uitgaan der kerk; ja, in de laatste week had hij een
paar malen het hofje zelf tot zijn namiddagwandeling gekozen,
onbeschaamd bij haar moeder ingekeken, en tegen haar, _Suzette_,
geglimlacht. Zoo erg als van avond had hij het evenwel nog nooit
gemaakt. Zij was uitgegaan om freule _Nagel_ een japon te passen,
zonder hem nochtans te ontmoeten. De freule had haar bij het heengaan,
met hare gewone vriendelijkheid, als _Suzette_ zei, de bescherming
van haar lakei aangeboden; maar zij had het afgeslagen, daar zij
niet had gedacht dat het buiten al zoo donker was. Ondertusschen
was de avond op eens gevallen, en zij was nog geen twintig schreden
van het huis van den heer _Van Nagel_, of zij hoorde reeds den stap
van _Van der Hoogen_ achter haar, terwijl hij haar door zonderlinge
geluiden op zijne nabijheid opmerkzaam maakte. Zonder op of om te
zien had zij hare schreden versneld; in haren angst had zij gemeend
hem te zullen ontvlieden door een zijstraat in te slaan; hij was haar
ook daar gevolgd. Toen zij op de donkere gracht was gekomen, had hij
haar om de middel gegrepen en haar eenige woorden toegesproken, die
zij evenwel door den schrik niet verstaan had. Hij had haar daarop
het briefjen in de hand gedrukt, dat zij zich, zeker werktuigelijk,
had laten welgevallen. Daarop had hij haar willen kussen, en had zij
de woorden uitgesproken die ik gehoord had.

Na deze mededeeling, en nadat zij geheel van den schrik zeide bekomen
te zijn, ofschoon zij nog altoos bleekzag, verzocht zij mij dat ik
haar verlaten zoude. Zij wilde zich door een der kinderen van haar
hospita naar haar moeder laten brengen, die van niets weten moest.

Ik vertrok.

Op straat verdiepte ik mij in ernstige overleggingen hoe mij na
dit alles te gedragen. _Van der Hoogen_ had mij sedert onze eerste
ontmoeting niet willen bevallen, en ik had, op gelaat en manieren
af, weinig gunstige vermoedens van hem opgevat. Dat hij het hof
aan _Henriette_ maakte had ik terstond gemerkt en met leede oogen
aangezien. Ik vreesde dat, indien niet louter haar geld, dan misschien
haar geld, vermeerderd met haar schoon, den fat aanlokten, dien ik
daarenboven voor een slecht sujet hield, dat haar ongelukkig zoude
maken. Ondanks alle hare kuren, was _Henriette_ hiertoe te goed, en in
gedachten had ik haar een man toegezegd, die haar door meerderheid in
verstand verbeteren en eenmaal tot eene lieve vrouw maken zoude, tot
welker vereischten zij toch waarlijk vele bestanddeelen bezat. _Van
der Hoogen_ had mij, zooals de lezer zich herinneren zal, met een
woord gezegd dat hij ook te Leiden had "geresideerd", en daar ik het
geluk had in de Sleutelstad menschen van allerlei stand te kennen,
had ik al spoedig omtrent ZEd. eenige berichten ingewonnen. Deze waren
niet gunstig voor den charmanten uitgevallen en pleitten evenmin voor
zijn gedrag als mensch, als voor zijne beginselen als ambtenaar.

Ondertusschen was hij dagelijks voortgegaan met de jeugdige te
bestormen, die hem waarschijnlijk wel niet liefhad, maar jong en
onervaren zich aan hare behaagzucht overgaf en aan den prikkel van het
romaneske, waartoe zij eenige neiging toonde. Daarenboven kon men aan
_Van der Hoogen_ eenige uiterlijke voorrechtenniet ontzeggen. Het was
nu tusschen hen beiden een _stille_ liefdeshistorie geworden, dat wil
zeggen, zoo gevaarlijk als eene liefdeshistorie zijn kan. Het biljet in
den ruiker had dit voor mij boven allen twijfel verheven. Ondertusschen
had de charmante zich in het gebeurde met juffrouw _Noiret_ aan
mij vertoond als een lage dubbelhartige bedrieger en avontuurlijke
lichtmis, die het op het geluk en de onschuld van onervarenen en
weerloozen toelegde, en ik verachtte hem in het diepst van mijn
ziel. Ik begreep dat het mijn plicht was juffrouw _Noiret_ tegen
alle verdere lagen te beschermen, en _Henriette_, om een versleten
leenspreuk te gebruiken, van den afgrond terug te leiden, op welks
rand zij in zulk slecht gezelschap omdoolde.

Waar ik eindelijk toe besloot zal het volgende hoofdstuk leeren.



Een hoofdstuk waarmee de auteur ijselijk verlegen is, omdat hij
er zelf de mooie rol in speelt; iets dat hij wel weet dat hem in
't geheel niet past, maar dat hij toch voor ditmaal niet helpen kan.


_Hildebrand_, die door een samenloop van omstandigheden bestemd
was om in deze geschiedenis een handelend persoon te worden, stond
den volgenden morgen een half uur vroeger dan de vorige dagen op en
liep met een gewichtig gelaat en groote stappen de kamer op en neer,
eene beweging, die hij altijd aanneemt als hij over iets belangrijks
of als hij over niets denken wil. Nu eens blikte bij veelbeduidend
op naar de giftige pijlen aan den wand, dan weder overzag hij zijne
heldhaftige houding in den spiegel, en eindelijk wijdde hij een groot
gedeelte zijner aandacht aan de musschen, die in den tuin af en aan
vlogen en elkander niet zelden onaangenaamheden toevoegden omtrent
zekere kruimels en kleine korstjes brood, die reeds in dit vroege
morgenuur hare hartstochten in beweging brachten.

Hij kwam daarop geheel gekleed aan het ontbijt, eene omstandigheid
die niemand bevreemdde, daar het zondag was, ofschoon er op dien
bijzonderen zondagmorgen juist niemand naar de kerk ging dan de oude
mevrouw. Mijnheer verklaarde "veel van den godsdienst te houden,
want wat zou er zonder godsdienst van de maatschappij worden!" maar
hij kon "het geteem van de dominé's in _deze_ stad niet aanhooren";
voor mevrouw "tochtte het in de kerk al te verschrikkelijk"; en wat
_Henriette_ betrof, zij ging wel, maar "zag er geen noodzaak in er
sleurwerk van te maken".

_Hildebrand_ nam den schijn aan van naar de kerk te zullen gaan, en
had evenwel voorgenomen het niet te doen. Hij herinnerde zich, niet
zonder ingenomenheid met de hooge roeping die hij in zich gevoelde,
het zeggen van _Fenelon_, in het treurspel van dien naam:


    "Dit is mijn eerste plicht. Men dien' de menschlijkheid,
    En zing, daarná, den lof der Hemelmajesteit!"


Hij had zich den vorigen avond laten onderrichten waar de kamers van
den heer _Van der Hoogen_ te vinden waren en moest ze in een der
middelbare straten van de stad, boven een beddewinkel, zoeken. De
heer _Hildebrand_ stapte er heen in de vaste overtuiging den heer
_Van der Hoogen_ thuis te zullen vinden.

Daar hij zich evenwel tebinnenbracht dat de heer _Van der Hoogen_,
die een post aan het bureau der registratie had, dagelijks reeds
om tien uren in den morgen aan dat bureau verschijnen moest en
dan nog wel tot twee uren na den middag druk werk had, kwam het
hem niet onwaarschijnlijk voor, dat gemelde heer _Van der Hoogen_
des zondags een weinigje zou moeten uitslapen en dus hoogstdenkelijk
nog op zijn bed zou liggen. Daarbij voegde zich misschien heimelijk
een weinig innerlijke neiging om de onaangename boodschap, die het
"dienen der menschlijkheid" in dezen medebracht, nog een oogenblikje
uit te stellen.

Nu gebeurde het dat _Hildebrand_, op zijn weg naar den beddewinkel in
de middelbare straat, een plein over moest, waarop een kerk stond,
waaruit het gezang der geloovigen krachtig opsteeg; en hij gevoelde
lust om ten minste nog een gedeelte van de godsdienstoefening bij
te wonen.

_Hildebrand_ is geen voorstander van het laat verschijnen in het
huis des Heeren. Hij begrijpt dat Gods Woord er geenszins voor niet
wordt voorgelezen, en veel minder om als een demper te dienen op het
gedrang om plaatsen en het geschuifel met stoven; maar wel moet hij
bekennen dat het iets bijzonder plechtigs en indrukmakends heeft,
zich op eenmaal van de stille straat in een hoofdkerk te verplaatsen,
waar een groote schare reeds met ongedekten hoofde ter nederzit en,
onder het statig intoneeren van het orgel, zijn lofzang als uit
ééner harte opheft. De aanblik eener gemeente, vereenigd, ten minste
uiterlijk vereenigd, in den dienst van God, heeft reeds op zich
zelf eene ontroerende stichtelijkheid; en wij zijn er, geloof ik,
zoo menigen goeden en christelijken indruk aan verplicht, dat het,
al was het alleen daarom, de moeite waard is de les van den apostel
te betrachten: "Laat ons onze onderlinge bijeenkomste niet nalaten".


    't Hijgend hert,


zoo zong de saamgevloeide schare met de woorden van den
Tweeënveertigsten Psalm:


    't Hijgend hert, der jacht ontkomen
    Schreeuwt niet sterker naar 't genot
    Van de frissche waterstroomen,
    Dan mijn ziel verlangt naar God.


o Gij, die meent dat tehuis een "goede" preek te lezen--gij _leest_
gewis altijd _goede_ preeken, en krijgt niet dan _slechte_ te
_hooren_?--o Gij, die meent dat tehuis een goede preek te lezen,
en des noods een psalm er bij, even stichtelijk is als de openbare
samenkomst; die het gebod des Zaligmakers om in de binnenkamer
te bidden, tegen het bidden met de gemeente overstelt, hebt gij
dan nimmer het hartverheffende gevoeld, dat het gezicht van zoovele
menschenkinderen, uit alle standen, die met en rondom u hetzelfde lied
aanheffen, hetzelfde woord van vertroosting aanhooren, en denzelfden
Vader in de hemelen, in naam van denzelfden Verlosser, aanroepen,
teweegbrengen kan?

Jammer dat de organist de kracht van den roep der gemeente tot God
in een laf naspel liet verloren gaan.

Een eenvoudig man van hooge jaren stond op den predikstoel en sprak de
gemeente naar aanleiding der opgezongen woorden opwekkelijk toe. Hij
deed daarop een eenvoudig, ootmoedig, en recht _biddend_ gebed. "Een
krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel", zegt _Jacobus_. Toen
noodigde hij de gemeente andermaal tot een gezang; en nu werd er uit
den Eersten Psalm aangeheven:


    De Heer toch slaat der menschen wegen ga,
    En wendt alom het oog van zijn gena
    Op zulken, die, oprecht en rein van zeden,
    Met vasten gang het pad der deugd betreden;
    God kent hun weg, die eeuwig zal bestaan;
    Maar 't heilloos spoor der boozen zal vergaan.


Dit waren ook de tekstwoorden van den grijzen evangeliedienaar: "De
Heer kent den weg der rechtvaardigen, maar de weg der goddeloozen
zal vergaan." En met dit woord in het hart spoedde _Hildebrand_
zich naar _Van der Hoogen_.

"Op de voorkamer!" riep de vrouw uit den beddewinkel, haar hoofd
uit een achterkamer stekende; "de trap op; de eerste deur aan uw
linkerhand!"

_Hildebrand_ volgde die aanwijzing. De deur van de voorkamer
stond halfopen, en hij bevond zich op het grondgebied van den
charmanten. Deze echter was er niet.

De kamer was niet bijzonder charmant; zij was slecht gestoffeerd
en alles behalve net. Een gemakkelijke leuningstoel was het beste
meubel. Aan den muur hingen een paar prenten met _Robert Macaire_, en
eenige vrouwenbeelden van de hand van kunstenaars, die zich bijzonder
op het naakt schenen te hebben toegelegd. Boven den schoorsteen een
schermmasker, schermhandschoenen en floretten, en de staart van een
fazantehaan, dien _Van der Hoogen_ moest verbeelden eenmaal geschoten
of gegeten te hebben. In den rand van den spiegel staken eene menigte
invitatiekaarten, waaronder sommige van reeds zeer ouden datum. Op
tafel stond een groote flacon met reukwater en lag een deeltje van
_Paul de Kock_ opgeslagen. Er brandde een vuur in den haard, dat
echter in het laatste halfuur slecht scheen onderhouden te zijn. Een
onaangeroerd ontbijt stond op, en van de kook geraakt theewater onder
de tafel. Dit beteekende dat de heer _Van der Hoogen_ waarschijnlijk
nog in zijn slaapvertrek was. _Hildebrand_ hoopte dat de hospita hem
zou aandienen.

Weldra kwam er ook waarlijk iemand de trap oploopen, maar het kon de
hospita niet wezen, want _Hildebrand_ hoorde degelijke manslaarzen
kraken. De boven komende persoon scheen een kleinen overloop over te
gaan, en hij hoorde hem een andere deur opendoen. Daarop vernam hij
eene stem, die uit de dekens scheen te komen en "wie daar?" riep.

"_Bout_," was het antwoord van den binnengekomene. "Lui beest, legje
nog al op je bed?"

"Hei, hei wat," antwoordde _Van der Hoogen_, "'t is pas dag. Je moet
bedenken dat ik zes dagen van de week voor dag en dauw op moet. Dat
verhaal ik op den rustdag, man! D...rs, ik heb koppijn, hoor! Die
wijn op de sociëteit is slecht."

Er volgde een gesprek daar ik niet alles van verstond, maar wel
merkte ik, dat het op het laatst over iemand liep, die zij, "het
zwartje" noemden; en spoedig daarop werd het _Hildebrand_ duidelijk,
dat _Van der Hoogen_ zijn wedervaren met juffrouw _Noiret_ vertelde,
waarvan de herinnering hem zoo veel genoegen scheen te verschaffen,
dat hij in een geweldig lachen uitborst.

"Alles goed en wel!" zei daarop de persoon, dien _Hildebrand_ met
den naam van _Bout_ had hooren benoemen, en die een zeer rauw en
onaangenaam geluid sloeg, "alles goed en wel! maar je bent toch een
handjegauw. Waarom nu niet nog een beetje gewacht, totdat de jongen
goed en wel in de West is?"

"_Boutje_!" antwoordde _Van der Hoogen_, die in dit gezelschap zijn
lievelingsterm charmant voor een minder onschuldigen scheen te moeten
verwisselen, "het zwartje is zoo verd .... mooi."

"Kinderachtig!" hernam de ander; "een reden te meer om geduld te
hebben. Ik heb uit louter vriendschap voor jou een halfjaar geijverd
om den schimmelbek zin in de West te doen krijgen, en nu het eindelijk
lukken zal, ga je niet je eigen drieguldens je glazen ingooien. Als
de meid het immers vertelt, hebje gedaan.'

"Geen nood!" antwoordde _Van der Hoogen_; "jongens kerel! ik heb haar
zoo'n char..." (daar had hij zich haast versproken!) "verd... mooi
briefje geschreven; er komt van wanhoop in, en van eene eeuwige
teederheid. Je moest het lezen, kerel. En zóó was ze niet, of ze
heeft _dat_ wel stilletjes aangenomen. En was die verd... kerel niet
gekomen.... Maar zeg reis, gaat hij stellig naar de West?"

"Hij is er zoo verliefd op, als hij eerst wanhopig was, 'k ben
d....rs," zei _Bout_; "hij leeft in de stellige overtuiging dat hij,
binnen zes jaar, op zijn minst half zoo rijk weerom komt als mijnheer
_Kegge_. Hoe maakt de dochter van dien blaaskaak het? _Henriet_;
hiet ze zoo niet?"

"Patent, kerel, patent! Mooier dan ooit, en verliefd tot over de
ooren. Weetje wat? zet terwijl reis thee voor me; ik kom zoo dadelijk
bij je."

De heer _Bout_ kwam daarop naar voren, en _Hildebrand_ zag een
gelaat, dat de uitdrukking van de grootste onbeschaamdheid aan
die der hatelijkste geveinsdheid paarde. Zijne oogen hadden dien
doordringenden, zinnelijken blik, die eerzame harten zoo bijzonder
pleegt te stuiten. Hij was een buikig man van vier-, vijfendertig jaar,
dragende een dichtgeknoopte blauwe jas, een glimmend geborstelden hoed,
en gewapend met een dikken bamboesrotting. Hij stond verbaasd iemand
in de voorkamer te ontmoeten. _Hildebrand_ maakte zich bekend, en
verklaarde dat hij gekomen was om den heer _Van der Hoogen_ te spreken.

"En hebje al lang gewacht, mijnheer?" vroeg _Bout_ met gemaakte
vriendelijkheid.

"Ik kom zoo op het oogenblik," antwoordde _Hildebrand_.

De waardige vriend schelde en bestelde ander theewater. De juffrouw
gromde "dat het geen manier van doen was", en ging de trappen af met
den theeketel. Eer zij nog terug was, verscheen _Van der Hoogen_.

Hij zag er alles behalve aantrekkelijk uit, met zijne lange haren
ongekruld en woest over zijn bleek gezicht hangende, in een verschoten
kamerjapon, op wollen kousen en versleten pantoffels.

"Gij hier, mijnheer _Hildebrand_?" zeide hij bij het inkomen.

"Ik had een boodschap aan u," antwoordde de toegesprokene.

"Charmant, charmant!"

"Mijnheer zal u misschien alleen willen spreken", merkte de waardige
_Bout_ aan; "dan ga ik nog een kerkje knappen; de kerk zal toch wel
al aan zijn?"

_Van der Hoogen_ lachte schreeuwend om deze geestigheid.

Maar kan er ook iets grappigers bedacht worden dan met de kerk
te spotten?

_Bout_ vertrok.

"Je moet me eerst wat laten besterven," zei _Van der Hoogen_
geeuwende en een ei slurpende; "het is gisteren wat laat geworden op
de sociëteit, en mijn keel is wat rauw van den chambertin."

"Ik heb niet veel te zeggen, mijnheer _Van der Hoogen_!" zeide
_Hildebrand_, vast besloten om maar in vredes naam met de deur in
huis te vallen, en vooral niet rouwig wegens het vertrek van den
achtenswaardigen _Bout_.

"Het moet u niet verwonderen, mijnheer! als het huis van de familie
_Kegge_ u eerstdaags wordt ontzegd ..."

De charmante werd, van bleek, vaal en zag _Hildebrand_ verbaasd
aan. Hij wist volstrekt niet hoe hij het met hem had.

_Hildebrand_ maakte van deze gelegenheid gebruik om in éénen adem
voort te gaan: "De heer _Kegge_ zal eerstdaags weten, wie gij zijt,
mijnheer! Uw dubbelzinnig gedrag zal hem bekend worden. Hij zal kennis
dragen van de lagen, die gij aan de onschuld legt, terwijl gij zijn
dochter het hof maakt."

De heer _Van der Hoogen_ wist zijne verlegenheid niet beter te
verbergen, dan door in lachen uit te barsten. Hij begon daarop aan
zijn. derde eitje, en antwoordde op een onverschilligen toon:

"Wie zegt dat ik aan zijn dochter het hof maak?"

"Ik!" antwoordde _Hildebrand_ zonder te aarzelen; "ik, mijnheer! ik,
die u deze gansche week bespied heb; ik, die weet dat gij violette
briefjes in haar bloemruikers stopt; ik, die ook weet dat gij
bij donkeren avond met violette briefjes over straat loopt, om ze
argeloozen meisjes in de hand te wringen; ik, mijnheer! die ook weet
welke slachtoffers de heer _Van der Hoogen_ elders heeft gemaakt,
en die zorgen zal, zooveel in mij is, een dergelijk lot af te keeren
van menschen daar ik belang in stel."

De heer _Van der Hoogen_ deed zijn best om nog luider te lachen,
wipte met zijn stoel achterover, en riep uit:

"Een charmante klucht! En mijnheer _Hildebrand_ is alzoo dénonciateur
van dit alles?"

"Hij kan het worden," ging _Hildebrand_ voort, die nu eenmaal op gang
was; "als ik de stad verlaat zal ik den heer _Kegge_ waarschuwen. Maar
eerst wilde ik uzelf dit komen aanzeggen. Ik wilde met open kaart
spelen, opdat gij weten zoudt uit welken hoek het u aankwam, als
men u bij den heer _Kegge_ met stugheid ontving, of misschien wel de
deur wees!"

"De heer _Kegge_ zal laster van waarheid kunnen onderscheiden,"
zeide de heer _Van der Hoogen_ met een geveinsde bedaardheid.

"Daarvoor heb ik dit bewijsstuk," antwoordde _Hildebrand_, het briefje
aan juffrouw _Noiret_ toonende; "men kent uw hand; een biljet vol
van de schandelijkste propositiën aan een eerbaar meisje, dat als
zij ze gelezen had, reeds meenen zou onteerd te zijn. Het zou mij
niet moeilijk vallen uit uwe vroegere 'residentie' meer dergelijke
briefjes op te dagen. Maar dit eene is genoeg."

_Hildebrand_ stak het paarse papiertje weder met bedaardheid in
den rokzak.

De heer _Van der Hoogen_ stond op. "En wie zijt gij, mijnheer?" voer
hij uit, maar lang niet op den toon, die bij zulk eene vraag gepast
had: "En wie zijt gij, mijnheer! om mij op mijne eigene kamer de les
te komen lezen? Ik houd u voor een...."

"Geene beleedigingen!" zei _Hildebrand_, insgelijks oprijzende, en hij
voegde er bij: "Uw opstaan verschrikt mij evenmin als deze floretten."

De heer _Van der Hoogen_ ging weer zitten.

"Gij spreekt van de les lezen!" ging _Hildebrand_ voort. "Uw naam en
faam, uw positie in de stad, het is alles in mijne hand. Ik ken uw
afkomst, mijnheer _Van der Hoogen_, weinig strookende met de airs,
die gij u geeft; ik ken uw vroeger gedrag, uw gedrag in deze plaats;
ook uw gedrag als ambtenaar, en uwe nieuwste machinatiën om personen
te verwijderen, die u in den weg staan. Neem u in acht!"

"Gij wilt mij ongelukkig maken," gromde de heer _Van der Hoogen_
tusschen de tanden.

"Ik wil uwe beteren voor ongelukken behoeden," hernam de ander. "Hoor
hier: ik verklaar mij in de eerste plaats voor den beschermer van
juffrouw _Noiret_. Naar haar zult gij geen vinger meer uitsteken. Haar
zult gij nooit, niet één enkel woord, meer toespreken, zelfs niet
groeten. Indien ik ooit verneem dat gij haar tot eenigen den minsten
overlast zijt, zal de geheele stad weten wie gij zijt, van den baron
_Van Nagel_ af tot uwe hospita toe. Voorts zult gij uwe bezoeken
bij den heer _Kegge_ verminderen en er van afzien eenigen invloed op
zijne dochter te willen oefenen. Zoo ras ik iets verneem dat daarmede
strijdt, komt dit biljet onder de oogen van mijnheer _Kegge_. Nu zal
ik alles laten zoo als het is. Deze twee dingen, mijnheer _Van der
Hoogen_! Denk er om!"

"Het is wèl!" zeide hij binnensmonds; en, alsof deze 't helpen konden,
stiet hij de ledige eierdoppen op zijn bord aan duizend gruizelementen.

_Hildebrand_ vertrok, en was duizend pond lichter dan toen hij de
trap opkwam.



Het hofje. De heer van der Hoogen af.


Het was heerlijk weer, en ik had niet veel lust mij terstond naar
huis te begeven; ik verkoos liever nog eerst een stadssingel langs
te wandelen. Wanneer men te Leiden studeert, heeft men eene zekere
voorliefde voor stadssingels. Verfrischt door de heldere lucht en
den koelen wind, kwam ik de poort weder binnen, en begaf mij naar huis.

Het ongeluk scheen _Suzette Noiret_ te vervolgen.

Niet ver van den Zoeten Inval kwam ik _Saartje_ tegen. Zij liep zeer
haastig en met gebukten hoofde; en naderkomende, zag ik dat zij er
uiterst verschrikt en ontdaan uitzag en bitter weende.

"Wat scheelt er aan, _Saartje_?"

"Ach!" riep zij uit, "laat mij schielijk voortgaan. Juffrouw _Noiret_
ligt op sterven!"

"Wat?" zeide ik, hevig ontzet met haar voortstappende en aan _Suzette_
denkende, "en ik heb haar gisteren nog gesproken!"

"Dat kan ook wel zijn," antwoordde zij; "gisteren was zij nog heel
wel. Maar vandaag heeft ze plotseling een overval gekregen. Ik was
in de kerk, en moeder was thuis bij de kleintjes. _Suzette_ heeft
oogenblikkelijk om moeder gezonden; en nu kom ik, gelukkig en wel,
uit de kerk, en daar hoor ik dat de goede juffrouw _Noiret_ misschien
nu al dood is; zij is gelaten, zegt vader, en er is geen bloed gekomen,
en de dokter heeft haar opgegeven. Wat zal de arme _Suzette_ beginnen?"

Zij snikte luid.

Ik ging met haar naar het hofje.

De zoogenaamde Moeder van die inrichting, een deftige gewezen
keukenmeid, met een zeer laag jak en grooten witten halsdoek,
stond in de poort met eene oude vrouw te praten, die een zwarten
schoudermantel droeg, en duidelijk hoorde ik de woorden: "Zoodat ik
je nou maar raai er dadelijk werk van te maken, want anders is een
ander je alweer vóór; je gaat nou maar in-mediaat naar de heeren,
en zegt: compliment, en dat nommer negen fikant is..."

"En dan?" vroeg de vrouw met den zwarten schoudermantel.

"Dan mot je je beurt afwachten," zei de moeder.

Die van den zwarten schoudermantel strompelde heen.

"Hoe is 't met juffrouw _Noiret_?" vroeg ik aan de moeder, alsof ik
van dit gesprek niets begrepen had.

"Afgeloopen!" zei de moeder, haar hoofd schuddende. "Och ja,
ze heeft het daar zoo passies afgelegd; 't zel nou net een klein
ketiertje geleden zijn. 't Is een heele omstandigheid: zóó gezond,
en zóó dood. Gisteren ging ik haar deur nog voorbij, en ze knikte nog
teugen me, ik loof zelf dat ik nog an haar raam getikt heb, en nog
gevraagd hoe ze voer. Ja wel! want ze zei nog teugen me: Heel wel,
moeder! Neen, tòch niet, dat was bij _Trijntje_. Och ja, dat zeg ik,
een mensen kan der gauw uit wezen!"

Wij gingen voort. Een der bestjes die op het hofje woonden, stond
met een zwart duifjeskiepje bij de pomp; zij zag naar ons om, toen
wij haar voorbijgingen, haalde de schouders op, en schudde het hoofd.

"Ze is uit den tijd!" zei de oude best, schudde nogmaals het hoofd,
en ging voort met water op haar aardappeltjes te pompen.

Wij traden het huisje van juffrouw _Noiret_ binnen. Door een klein
portaaltje, met platte roode steenen geplaveid, kwamen wij in het
eenige vertrek, dat hare woning, en die van eene lange reeks van oude
vrouwtjes vóór haar, had uitgemaakt. Het was een klein kamertje, met
matten belegd, en waarin een schoorsteen was, waaronder zij tegelijk
haar potje kookte en zich verwarmde. De meubelen bestonden in eene
voor het vertrek zeer groote hangoortafel, een matten stoel of vier,
en een groot bureau, waarop in het midden een geel theeservies met
roode landschapjes stond geschikt, geflankeerd door een rond en
een vierkant verlakt presenteertrommeltje, op hun kant gelegd. In
een hoek van dit vertrekje stond de ladder, waarmee men naar het
zoldertje opklom, waarop de bedeeling turf en hout gestapeld was,
die des winters aan de hofjesvrouwtjes werd uitgereikt en, benevens
eene wekelijksche uitdeeling van aardappelen en een potje boter,
dit hofje tot het voordeeligste maakte van de vele hofjes waarop de
stad zich beroemde. Aan den witten muur hingen een paar silhouetten,
waarvan het eene dat van een predikant scheen te zijn, en verder eenig
huisraad, dat geene andere plaats hebben kon. Op tafel lag een kwarto
bijbel, en een fransch gezangboek; in welk laatste de goede vrouw
nog dien eigen ochtend had zitten lezen; haar bril lag tusschen de
bladen tot een blijk waar zij gebleven was. Voorts was die tafel nu
overdekt met allerlei glazen, lepels, kopjes en zoo voorts, die men
in het oogenblik van ontsteltenis gebruikt had. Een sterke geur van
Hofmansdruppels kwam ons tegen. Op den stoel, waarop juffrouw _Noiret_
het laatst had gezeten, lag nu haar witte poes, in een gemakkelijke
kringvormige houding, op het groene saaien kussen te sluimeren.

Aan het hoofdeneinde der bedstede, waar de gordijnen van waren
toegeschoven, zat _Suzette_, doodsbleek, en met het hoofd in de
hand. De goede juffrouw _De Groot_ stond vóór haar, met een vol glas
water, en poogde haar te bewegen nog eens te drinken.

_Suzette_ hief het hoofd treurig op, greep het glas aan, en nam
werktuigelijk eene kleine teuge. Toen zag zij ons strak aan. Zij
reikte mij de hand:

"Ik heb mijn wensch," zeide zij: "het _was_ bij dag."

_Saartje_ hield zich schuw op een afstand en was geheel van haar
stuk. Zij snikte hevig en viel op een stoel bij de tafel neer. Juffrouw
_De Groot_ poogde vruchteloos haar iets te doen gebruiken.

Toen zij eindelijk wat bedaarde, wilde zij de doode zien. _Suzette_
schoof het gordijn half open, en ik zag een mooie oude vrouw in hare
kalme ruste. Het heldere zonlicht dat door het venster binnendrong,
wierp een schuinschen straal op een aangezicht, dat meer en meer
van den doodsnik begon te bekomen. De oogen waren gesloten en
ingezonken; eenige weinige grijze haren kwamen onder het mutsjen uit,
en glinsterden als zilver in den zonneschijn. Hare dorre handen lagen
plechtig saamgevouwen op haar borst. _Saartje_ knielde bij haar bed;
blozende jeugd bij het beeld des doods. Zij legde haar lief handjen
op de hand der overledene, maar schrikte van de koude. Ze had nog
nooit een lijk gezien. Toch vermande zij zich weer, en streek met
hare zachte vingers langs het gerimpeld voorhoofd. Daarop barstte
zij in een hevig jammeren los!

"O! Dat ik ook naar de kerk moest wezen! Had ik u nog maar één
oogenblikje levend gezien, lieve juffrouw _Noiret_, een enkel woordje
van u gehoord!"

"Dat hebben wij geen van allen, lief kind!" zei haar moeder, hare
oogen met haar voorschoot afvegende.

"Neen," zei _Suzette_ met een hartdoordringende stem; "geen van allen."

_Saartje_ schoof het gordijn weer toe.

"Arme _Suzette_!" riep zij uit, haar om den hals vallende, "wat zult
_gij_ beginnen!" En zij snikte zoo luide, dat haar moeder haar tot
zich nam en zeide dat zij zich een weinig matigen moest, want dat
zij _Suzette_ "nog naarder maken zou".

"Ik wenschte dat _ik_ zoo schreien kon, juffrouw _De Groot_!" zei
de ongelukkige bedaard; en weder nam zij hare vorige houding aan,
met het hoofd in de hand.

De doove buurvrouw kwam binnen. Het was een lange, schrale vrouw,
die het bovenlijf met een grooten hoek voorover droeg. Zij had mede
een zwart kiepjen op, droeg een zeer lang sitsen jak, een groot
wit schort, en een kalminken rok. Zij zette een klein schoteltje,
met een hord toegedekt, op de tafel.

"Is buurvrouw ziek?" vroeg zij op dien kennelijken doffen toon aan
dooven eigen.

"Ja!" zei juffrouw _De Groot_, luid sprekende, "buurvrouw is heel erg."

Juffrouw _De Groot_ had echter niet luid _genoeg_ gesproken.

"Dan mot ze maar wat eten," hernam de oude, en het schoteltje
opnemende, ging zij naar het bed. "Je mot wat gebruiken, buur; kijk,
hier heb ik wat gestoofde peertjes voor je." En zij wilde het gordijn
openschuiven.

Juffrouw _De Groot_ hield haar bij den kalminken rok terug.

"Neen!" schreeuwde zij zoo hard zij kon, "buurvrouw zal niet meer
eten. Buurvrouw is overleden."

"Zoo!" zei de doove, het hoofd op en neder bewegende, alsof zij het
volmaakt verstaan had, "slaapt buurvrouw? Zoo, zoo; dat is goed! dat
wist ik niet.--Ik zag den dokter binnengaan," vervolgde zij tot mij,
"en ik docht, daar is zeker wat an de hand. Wat schort buurvrouw
eindelijk?"

Ik slaagde er in haar aan 't verstand te brengen, dat buurvrouw _niets_
meer schortte.

"Dat is de derde buurvrouw," zei juffrouw _Samei_, want zoo heette
de doove, "die ik verlies, en altijd aan dezelfde kant, in _dut_
huisje. De eerste was _Engeltje Bovenis_; die was drieënzeuventig,
en potdoof; ik ben ook wel wat hardhoorend, weet u. De andere was
juffrouw _De Ruiter_, die de koffiekan over der been liet vallen,
zoodat ze der nooit van opëkomen is; en dut is nou de derde; 't was
een goeie vrouw, een beste vrouw; maar wel een beetje eenzelverig. Och
heer! is ze dood; ik docht nog zoo: kom an, een gestoofd peertje,
daar placht ze anders nog wel van te houën."

De klink van de deur werd weder opgelicht, en binnen kwam een
vrouwelijk wezen, wier oogen, gelaat, en geheele houding de innigste,
de hartelijkste deelneming vertoonden; het was freule _Constance_.

Er zijn schepselen in de wereld, die de bestemming om ongelukkigen
te troosten daarin hebben medegebracht, en opdat men ze kennen zou,
heeft de natuur het vermogen tot troosten in onmiskenbare trekken op
hun gelaat uitgedrukt. Tot deze wezens behoorde de freule _Constance_.

Met eene niet in het minst hardvochtige, maar beminnelijke kalmte,
trad zij binnen en groette ons. Zij ontdeed zich daarop terstond van
haar hoed en bont, en het gaf iets veel vertrouwelijkers haar in deze
sobere woning zonder dien tooi te zien. Toen trad zij op _Suzette_
toe, die altijd even stroef het hoofd op de rechterhand deed rusten. De
jonkvrouw greep haar bij de linker.

"Ik heb van uw ongeluk gehoord, lieve juffrouw _Noiret_!" begon zij,
met een zachte en hartdoordringende stem: "Ik kom eens met u schreien;
gij weet dat ik ook geen moeder meer heb."

Het valt lichter van eene weldadige ontroering, dan van eene groote
en verpletterende smart te weenen. _Suzette_ barstte in tranen uit,
en kuste de handen der freule. Ook aan de lange zwarte pinkers
van deze hingen heldere droppels. _Saartje_ drong zich tegen de
beide vrouwen aan, en in haar oogen blonken, door de tranen heen,
de innigste toeneiging, en de diepste eerbied voor de troosteres.

Dat was eene lieve, eene hartontroerende groep. Lijden, medelijden,
en lijdenstroost, in een zachte en liefdevolle omhelzing vereenigd. Ik
noodig onze schilders uit, daar hunne krachten eens aan te beproeven,
als zij een oogenblikje willen uitrusten van mannen die pijpen rooken,
en vrouwen die groente hebben gekocht.

"Een engel van een mensch!" fluisterde juffrouw _De Groot_, en een
traan viel op de tang, waarmede zij, op den in de verwarring half
uitgedoofden haard het vuur poogde te herstellen.

"Wie is die dame?" vroeg de doove op haar gewonen luiden toon.

Ik poogde het haar te beduiden; maar het was mij niet mogelijk.

"Ik kan je niet verstaan!" zei ze; "maar dat weet ik wel, dat het lang
duren zal, eer de rijkdom bij _Pleuntje Samei's_ laatste leger komt om
te huilen;--maar ik heb ook wel hooren zeggen, dat juffrouw _Noiret_
van geen lage kom-of was."

Dit gezegd hebbende stond de oude op, en begaf zich naar haar
eigen cel.

De dokter kwam om naar _Suzette_ te zien en voor haar te zorgen, nu
de eerste schok voorbij was. Zijn gelaat luisterde op als hij freule
_Constance_ zag.

"De freule reeds hier?" zeide hij; "het kon niet beter. Gij moet
onmiddellijk gegaan zijn, freule _Nagel_!--Ik beveel u _deze_ patiënte
aan," voegde hij er bij; "voor bedroefden zijt _gij_ de beste dokter
die ik ken."

Hij schreef een ontspannenden drank voor, en verliet ons, om wie weet
welke andere ellende te gaan aanschouwen!

Het is opmerkelijk hoe gretig de mindere klasse is om met een lijk
te sollen. Het is een stuk van liefhebberij. Al is iemand zijnen
betrekkingen ook _nog_ zoo lief: nauwelijks heeft hij den adem
uitgeblazen, ja, somtijds zijn er niet dan zeer bedriegelijke proeven
genomen omtrent het werkelijk doodzijn van den dierbare, of het lijk
moet van top tot teen ontkleed en in het doodsgewaad gehuld worden,
en het "heerlijke" bed weggehaald, om daarvoor den harden stroozak
in plaats te geven. En ik heb bij lijken gestaan, die aldus waren
afgelegd, van personen die men nog geen uur te voren dood op hun
stoel had gevonden.

De Moeder van het hofje kwam dan ook met een allergewichtigst
gezicht binnen en, moeder _De Groot_ op zijde nemende, hield zij haar
voor, dat men niets heiligers te doen had dan juffrouw _Noiret_ te
"ontweiden." "Juffrouw _De Groot_ kon daartoe over _haar_ beschikken:
_zij_ was er niets akelig van. Ook wist zij heel goed waar het doodgoed
van juffrouw _Noiret_ lag."

Juffrouw _De Groot_ beweerde evenwel dat het geen haast had; maar
de Moeder van 't hofje stond er toch op, dat het vóór den nacht
geschiedde. "Want het was maar om het bed, weetje! En dan, juffrouw
_Noiret_ had zoo'n kostelijke sprei, altijd bij winterdag, en die had
ze zeker nu ook weer op 't bed?" En zij ging kijken of het zoo was...

"Het _is_ de sprei," zei ze bedenkelijk tegen juffrouw _De Groot_;
"als je der nog toe reseleveert, mot je me maar laten roepen."

"'t Is wèl," zei juffrouw _De Groot_, en de Moeder vertrok, om door
het gesloten venster heen, met de doove buurvrouw een luid gesprek
aan te knoopen over de noodzakelijkheid om juffrouw _Noiret_ af te
leggen, en over haar kostelijke sprei.

"Wat _had_ de Moeder?" vroeg _Suzette_, weemoedig opziende, toen zij
vertrokken was.

"Niets, lieve!" zei juffrouw _De Groot_: "ik zal voor alles
zorgen. Bekommer u over niemendal."

"Men moet moeder met rust laten," hernam _Suzette_; "niets aan haar
veranderen... voor dat ze..." Meer vermocht ze niet.

Weder liet zij het hoofd aan het hart der freule zinken, die haar
liefderijk ondersteunde, en haar daardoor het meest versterkte,
dat zij haar toeliet te weenen.

_Saartje_ kon niet langer blijven; het huishouden vereischte haar
terugkomst. Ik vertrok met haar. _Suzette_ reikte ons beurtelings de
hand. _Saartje_ kon geen woord uitbrengen; en _Hildebrand_ was zoo
sprakeloos als _Saartje_.



Wij kwamen in den Zoeten Inval. De oude _De Groot_ was in de ziel
bewogen. Ik bleef nog langen tijd bij die goede menschen over het
ongeluk van juffrouw _Noiret_ in gesprek. _Saartje_ vertelde mij
heel veel van de doode, en hoe lief zij hare dochter had gehad, en
hoe die dochter haar aankleefde, en gaf duizend kleine trekken van
de teederheid en aanhankelijkheid op, waarmede deze moeder en deze
dochter elkander het leven hadden veraangenaamd.

Zie; moeder _Noiret_ was zoo goed als op haar stoel doodgebleven,
als zij haar gezangboek had dichtgeslagen; de beroerte, die hare
zwakke levenskrachten in een half uur tijds vernielde, had reeds
in het eerste oogenblik hare spraak verlamd; maar zij had die niet
noodig gehad om _Suzette_ iets te vergeven vóór zij henenging; en
haar zegen--zij gaf haar dien gedurende haar leven dagelijks!



Wij spraken ook over den jongeling, dien de vertwijfeling aan eene
vereeniging met _Suzette_ naar de West-Indiën dreef. Ik verlangde
zijn naam te weten. _Saartje_ deelde mij mee dat zij hem den vorigen
avond nog gesproken had, en dat zijn plan nu onwrikbaar vaststond,
zoodat hij het ook nu aan haar ouders had geopenbaard; en nog eenige
omstandigheden daaromtrent, die in een volgend hoofdstuk aan den
dag zullen komen. Ik zweeg opzettelijk van het gesprek, dat ik op de
kamer van _Van der Hoogen_ mijns ondanks beluisterd had.



Ik kwam tehuis.

"Zóó lang heeft die kerk toch niet geduurd, onsterfelijke!" riep de
heer _Kegge_ mij toe, toen ik de kamer binnentrad. "Wij zitten pal op u
te wachten. Een zondag is een vervelende historie, maatje! Lag er maar
sneeuw, dan konden we tenminste narren. Jongens! mijn pantervel! Hoe
zouden de adellijke heeren en groote hanzen er naar likkebaarden. Maar
zeg, onsterfelijke! ik sta beschaamd als ik weet waar je zoo lang
geweest bent."

Ik deed verslag van mijn bezoek op 't hofje.

_Kegge_ kreeg alweer een traan in de oogen. Maar hij zei:

"Drommels! dat was een naar akkevietje voor je. Het zal daar een
algemeen gegrijn gegeven hebben. _Hanna_, _my dear!_ daar moet wat
aan gedaan worden, hoor! 't is duivels jammer voor dat meisje. Stuur
haar het een of ander."

"Wil ik haar een gebraden kuiken zenden?" vroeg mevrouw _Kegge_
goedhartig.

"Allemaal gekheid!" riep de heer _Kegge_ uit. "Ze heeft immers geen
honger. Stuur haar een paar bankjes, dat zal beter welkom zijn;
een dooie is een duur ding voor zulke menschen."

_Henriette_ had zich afgewend en stond kwansuis naar haar kaketoe te
kijken. Ook zij had vochtige oogen.

Neen! dacht ik, zonderling mengsel van hardvochtige grilligheid en
gevoel! gij waart toch veel te goed voor een _Van der Hoogen_! En
indien gij freule _Constance_ tot moeder of tot zuster hadt, gij
zoudt een heele lieve _Henriette_ kunnen worden.



In het schemeruur poogde _Henriette_, langs allerlei zijdelingsche
wegen, te weten te komen, hoe ik over haar en _Van der Hoogen_
dacht. Ik ontdook hare listen, daar ik voorgenomen had mij
dezen dag nog volstrekt niet uit te laten. Des avonds wachtte
men _Van der Hoogen_, die meest alle zondagavonden bij de familie
doorbracht. Mijnheer, die de hoop gekoesterd had nu eens een partijtje
te zullen kunnen omberen, was knorrig dat de derde man uitbleef,
_Henriette_, die ongetwijfeld het meest verwonderd was dat hij niet
verscheen, hield zich groot, en merkte aan, dat hij misschien eene
andere uitnoodiging had, en dat zij "'t ook heel goed vond dat hij
er geen gewoonte van maakte om nu ook _alle_ zondagen te komen".

Wij brachten den avond door met platen en teekeningen te bezien,
waarvan de heer _Kegge_ een mooie verzameling had, die echter zonder
smaak of oordeel gerangschikt was, en zeker veel te duur betaald.

Tegen tien uren verscheen er een voiletkleurig briefje. _Henriette_
werd rood, en hield zich overtuigd dat hier misverstand heerschte,
toen de knecht het aan haar vader overhandigde; en als deze het
openbrak zag zij hem strak in de oogen.

Toen de heer _Kegge_ het gelezen had, nam hij er zeer beleefd zijn
mutsje voor af:

"Ik ben een lijk," verklaarde hij, "als ik er iets van vat!" Daarop
vervolgde hij met zekere plechtigheid: "Mevrouw _Kegge_, geboren
_Marrison_, mejuffrouw _Kegge_, en mijnheer _Hildebrand_, hoort,
bid ik u, eens aan wat dit geschrift behelst:


    _WelEdelgeboren Heer!_

    Dat is primo een leugen!

    _Sedert gij in uw huis personen admitteert, die mijn goeden naam
    pogen te be..._

    _te be_-wat? Sakkerloot, dat's een drommels woord--_te bezwalken
    en te belasteren, zie ik mij genoodzaakt van het genoegen af te
    zien om hetzelve verder te frequenteeren._

    _Ik heb de eer te zijn,_

        _WelEdelgeboren Heer,_
            _UWEdelgeborens Dienstw. Dienaar,_

            _P.G. van der Hoogen_.

    _Van huis, zondagavond._      _Surnumerair etc._


"Dat ziet op mij," zeide ik, het woord opnemende. "De heer _Van der
Hoogen_ anticipeert op zijn vonnis; ik ben nu wel genoodzaakt te
zeggen wat ik denk. De heer _Van der Hoogen_ heeft zich aan mij als
een slecht voorwerp, een verachtelijk mensch doen kijken."

Ik deelde daarop zooveel omtrent de zaak mede als volstrekt noodig was,
en verklaarde wat ik hem bij mijn bezoek van heden had opgelegd. "Gij
ziet," zeide ik ten slotte, "dat hij zijn toevlucht tot onbeschaamdheid
neemt."

"Daarom niet getreurd, onsterfelijke!" riep _Kegge_ uit. "Je hebt,
dunkt me, royaal gehandeld. En nu, voort met den weledelgeboren heer
_Van der Hoogen_! Ik ben een drilboor als zijn gele handschoentjes
me ooit hebben aangestaan. En dan, dat hij altijd zijn mond vol had
van groote hanzen!--Het zal _Henriette_ nogal spijten."

_Henriette_ antwoordde niet veel; maar mevrouw _Kegge_ sprak, met
volmaakte miskenning van 't punt in geschil, de gewone toevlucht van
onverstandige vrouwen:

"_Ik_ heb hem altoos een heel beleefd mensch gevonden. Hij heeft _mij_
nooit iets misdaan. _Ik_ kom er rond vooruit, dat het _mij_ spijt,
dat hij niet meer komen zal."

"Allemaal gekheid!" hernam de heer _Kegge_. "Het eenigste is, dat er
niemand is voor de muziek met _Henriette_. En _gij_ spreekt ook van
heengaan, onsterfelijke!" voegde hij er bij, zich tot mij wendende;
"dan zijn we weer geheel alleen. Ik heb graag een manskerel over den
vloer, om mee te praten."

De heer _Kegge_ schoof zijn stoel voor den haard, institueerde eene
langdurige poking, en bleef daarop in gedachten zitten. Op eens wendde
hij zich tot zijn vrouw.

"Hoe oud zou _William_ nu al geweest zijn?" vroeg hij op wat zachter
toon, dan waarop hij anders gewoon was zich te doen hooren.

"Eenëntwintig," antwoordde mevrouw _Kegge_.

Het oogenblik van treurig nadenken duurde niet lang voor den
bewegelijken vader; maar wie zal zeggen, hoeveel smart dit enkele
oogenblik in zich bevatte.



Een Groote Hans en Adellijke Heer. Besluit.


Maandag één ure, na den middag; indien men namelijk burgerlijk genoeg
is het om twaalf uren middag te noemen; op dien dag en dat uur,
stond ik op het bordes van het huis des heeren _Willem Adolf_ baron
_Van Nagel_, lid van de ridderschap, en burgemeester van de stad,
waarin al het bovengemelde moet zijn voorgevallen.

Het was een deftig huis, met een hardsteenen voorpui, waar de vader en
de grootvader van den edelman insgelijks hun leven hadden gesleten,
den roem nalatende, die meer was dan hun adelbrief, den roem van
beminlijke menschen.

Een bedaagd bediende, in een stil en deftig livrei, opende de deur,
liet mij in eene ruime zijkamer en vertrok niet eer om mij te gaan
aandienen, dan nadat hij mij, geheel op de manier van een welopgevoed
man, een stoel gereikt, en daarop naar het vuur gezien had.

De kamer had een eenigszins ouderwetsch, plechtig, maar toch
comfortable voorkomen. Men zag aan alles, dat men bij iemand van goeden
smaak was. Het behangsel was van rood trijpt, en desgelijks de canapé's
en de stoelen. Op den grijsmarmeren schoorsteenmantel, waaronder,
op een gepolijsten haard, een net gebouwd turfvuur brandde, stonden
twee antieke vazen; en aan den wand hing, als eenige schilderij,
het portret van een man, met den witten kraag en den met ruig bont
omzoomden tabbaard der zestiende eeuw. Het gelaat was blozende,
ofschoon het haar spierwit was, en in neus en mond was een sterke
gelijkenis met den nog levenden erfgenaam van den eerlijken naam der
_Nagels_ niet te miskennen. Er heerschte eene rustige waardigheid
in de stoffeering van dit vertrek, die oogen en gemoed honderdmaal
aangenamer aandeed dan de kleurige pracht bij de _Kegges_.

De heer _Van Nagel_ liet wel wat lang wachten, maar toen hij binnentrad
was hij ook geheel gekleed. Hij heette mij terstond te gaan zitten,
en vroeg met het welwillendst gelaat van de wereld, wie ik was en
wat ik hem had mee te deelen. Ik maakte mij bekend.

"En betreft uw boodschap eene zaak, die volstrekt onder vier oogen
moet behandeld worden?"

"Ik zou zeggen van neen," antwoordde ik.

"Wees dan zoo goed mij te volgen;" zeide de heer _Van Nagel_, die
mijn naam misschien van de freule gehoord had, en vermoedde dat ik
in het belang van de moederlooze _Suzette_ kwam.

Hij ging mij voor naar eene groote tuinkamer, wier ruimte evenwel in
dit seizoen door een groot sineeschverlakt kamerschut was beperkt. Die
kamer leverde alles op wat de ziel tot genoegelijke genieting van
zichzelve stemmen kon. Er was eene aangename eenstemmigheid tusschen
het lichte behangsel en de zware slepende damasten gordijnen, die
allen tocht afweerden; tusschen de kleur van het breede vuurscherm bij
den haard, en de kleur van het kleed over de tafel; tusschen alle deze
dingen, en de beminnelijke uitdrukking van gelaat op het vrouweportret,
dat boven de piano (zeldzaam voorrecht, op het rechte licht!) hong,
en tusschen dat gelaat, en de edele en teffens zoo zachtaardige
trekken van den baron en van de jonkvrouw _Van Nagel_.

Toen ik gezeten was, begon ik den eerbiedwaardigen edelman mijne
zaak voor te stellen. Ik zeide hem dat ik mij tot hem wendde in het
belang van een jong mensch, die eene ondergeschikte betrekking bij
de stedelijke administratie had. Ik verhaalde hem hoe die jonge
mensch door een samenloop van omstandigheden (bedelaarsstijl),
gebrek aan gunstige vooruitzichten, en hoofdzakelijk ten gevolge
van de listige bemoeiingen van een zijner superieuren, het voor hem
noodlottig voornemen had opgevat om naar de West te gaan, en dat ik
dat voornemen door tusschenkomst van zijn Ed. hoopte te verijdelen.

"Ziedaar het argument van uw boodschap," zeide hij glimlachende;
"nu de expositie met naam en toenaam, als 't u belieft!"

Ik verhaalde hem, dat ik van zekeren _Reindert de Maete_ sprak.

"Een oppassende jongen!" merkte de heer _Van Nagel_ aan, zonder mij
evenwel in de rede te vallen.

"Van zekeren _Reindert de Maete_," zeide ik, "wien men, en wel
voornamelijk een zekere mijnheer _Bout_, die aan het hoofd schijnt te
staan van het bureau, waarbij hij klerk is..." (de heer _Van Nagel_
zag zijne dochter veelbeteekenend aan) "de West-Indiën zoo schoon
en voordeelig heeft weten af te schilderen, dat hij, vol ambitie, en
gekweld door eenige teleurstellingen, het voornemen heeft opgevat er
naar toe te gaan; ja, dat hier werkelijk al een begin van uitvoering
had plaats gehad, daar de heer _Bout_ reeds voor hem, en met zijne
toestemming, een engagement met zijnen (_Bouts_) broeder, die in
Suriname eene plantage scheen te hebben, had aangegaan, die hem als
eerlijk man verplichtte met de eerste gelegenheid te vertrekken...."

"En nu is uw verlangen," zei de heer _Van Nagel_ met voorkomende
goedwilligheid, "dat ik den jongen _De Maete_ zijn ontslag weiger?"

"Hetzelfde!" antwoordde ik.

"Welnu!" zeide hij, "hij zal het niet hebben, mijnheer
_Hildebrand_! Hij zal het niet hebben, _Constance_! "Wij laten onze
kinderen niet weggaan op een aanbeveling van den heer _Bout_. Hebt
gij ooit van een broer van den heer _Bout_ gehoord, die in de West
zou zijn?"

"Nooit, papa!" antwoordde de freule.

"Welnu, mijnheer," hernam de baron, "wij kennen mijnheer _Bout_, en wij
kennen den jongen _De Maete_. Wij zullen alles in orde brengen. Kent
_gij_ de beide heeren?"

"Den heer _Bout_ zag ik een oogenblik. _De Maete_ heb ik nooit gezien."

"Zoo, zoo," antwoordde de heer _Van Nagel_; "nu, wees gerust. Ik zal de
zaak onderzoeken. _De Maete_ zal niet naar de West-Indiën gaan. Eéne
vraag, zoo het niet onbescheiden is: waarom beijvert gij u zoo zeer
voor iemand, dien gij in 't geheel niet schijnt te kennen?"

Die vraag maakte mij verlegen, hoe vriendelijk de oogopslag ook mocht
wezen, waarmede de baron op mijn antwoord wachtte.

"Mijnheer!" zeide ik, en ik geloof dat ik bloosde, "er is een dame in
het spel; een jong meisje, dat belang stelt in den jongen _De Maete_,
maar dat evenmin van den stap onderricht is, dien ik heden doe,
als de jonge _De Maete_ zelf."

"Ik dacht het haast," zei de heer _Van Nagel_, glimlachende. "Nu,
de zaak is er niet erger om, geloof ik."

Ik maakte eene beweging om heen te gaan.

"Wacht nog een oogenblik," zeide hij, en zou voortgegaan zijn,
maar de knecht kwam binnen en diende den heer _Van der Hoogen_
aan. Onwillekeurig kwam de uitdrukking eener onaangename gewaarwording
op het gelaat van vader en dochter beide, doch werd even spoedig
onderdrukt.

"Zeg dat ik mijnheer nu niet zien kan; dat ik _en besogne_ ben."

"Mijn dochter," voer hij daarop tot mij voort, "heeft u gisteren,
geloof ik, ergens ontmoet?"

"De freule was met mij in het huis eener treurende."

"Gij kent die juffrouw _Noiret_?"

"Ik heb haar een paar malen ontmoet, en ken haar uit de berichten
van lieden uit den kring tot welken zij nu behoort."

"Zij maakt soms kleeren voor mijn dochter," ging de heer _Van Nagel_
voort, "en die is zeer over haar tevreden. Het is een bescheiden
meisje, en zij heeft ondersteuning noodig. Weet gij iets meer van
hare familie dan wij?"

Ik deelde hem alles mede wat ik wist, én voegde er bij, hoe _Suzette_
om haar allerliefst karakter algemeen bemind was bij degenen die het
voorrecht hadden met haar omtegaan.

"Dat zei de dokter ook, niet waar, _Constance_?" antwoordde de
beminnelijke man. "Ik dank u, mijnheer, voor de inlichtingen. Gij
studeert te Leiden?" liet hij schielijk volgen, toen hij zag dat
ik weder mine maakte van te vertrekken. "Blijf nog een oogenblik;
ik heb u uitgehoord; nu moet ge niet ineens weggaan. Ik heb ook te
Leiden mijn graad gekregen." En daarop begon hij eenige herinneringen
uit zijn studententijd op te halen.

"Het is de aangenaamste tijd van 't leven, zegt men wel," zeide hij ten
slotte, "maar zoo ondankbaar ben ik niet jegens mijn overleden vrouw
en lieve dochter, dat ik dat toestem. En daarenboven, het doet nog
meer goed zich in de wereld een Man te gevoelen, dan een Student. Ik
hoop dat gij het ondervinden zult."

Na nog eenige algemeene gesprekken, waar ook de jonkvrouw deel aan
nam, verliet ik deze woning, die mij als een verblijfplaats van
zielsrust, verstand, en deugd was voorgekomen, vol dankbaarheid aan
mijn gesternte, dat mij, in zoo weinige dagen onder zoo verscheidene
daken, en met zoovele lieve en goede menschen in aanraking gebracht
had, om mij in de overtuiging te versterken, dat beminlijkheid en
voortreffelijke deugden niet het bijzonder eigendom van bepaalde
standen der maatschappij zijn, maar aan alle gelijkelijk kunnen
toebehooren; terwijl ongetwijfeld die mensch het gelukkigst is,
die terdege weet wat en wie hij is, wat hij vermag, en wat hij wil,
zonder zijn heil te zoeken in hetgeen buiten zijn bereik ligt, zich
verzekerd houdende, dat hij in het geruste midden van zijn kring ruim
zoo veilig is als aan den zoo kwetsbaren omtrek.



Mijn kleine rol was afgespeeld, mijn werk riep mij, en ik kondigde
mijn vertrek aan. Drie dagen later werd ik weder wakker op mijne
kamer in de Sleutelstad, en tuurde ik in mijn hoekspiegeltje om te
zien of de Breestraat nog breed was.



Maar nu zullen diegene mijner lezers, die het geduld gehad hebben
deze tafereelen te volgen, niet willen dat ik de pen nederleg, voor
ik nog ten minsten iets vermeld heb omtrent het verdere levenslot
der opgevoerde personen. Ik durf zeggen dat ik niet behoor tot
de schrijvers, die er genoegen in scheppen, hunne lezers met
teleurstellingen te plagen. Dit is onbehoorlijk, en schijnt mij
toe met de beleefdheid te strijden, die den auteur in dubbele mate
betaamt. Daarom zal ik pogen aan dezen natuurlijken wensch zooveel
mogelijk te voldoen.

_Henriette Kegge_ is in het verleden jaar gehuwd met een kapitein der
rijdende artillerie, dien zij, vrees ik, een weinigje op het uiterlijk
genomen heeft, maar die gelukkig blijkt een zeer verstandig man te
zijn, die haar karakter uitmuntend weet te vatten en te leiden, aan
haar verstand en gaven eene goede richting te geven, en zelfs een zeer
gunstigen invloed geoefend heeft op de houding der geheele familie,
mijnheer niet uitgezonderd, die er tegenwoordig veel minder op uit
is de groote hanzen en adellijke heeren naar de kroon te steken, ze
in het geheel niet meer benijdt, en daardoor meer en meer hij hen in
aanzien komt.

Mevrouw is, naar ik hoor, nog altijd dezelfde weinig sprekende en
weinig bewegelijke dame; alleen heeft het sterven van een harer twee
lievelingen haar eenige bange dagen gekost. Ik ben zoo gelukkig niet,
mijne lezers te kunnen mededeelen of het Azor geweest is of Mimi.

De heer _Van der Hoogen_ heeft zich in het beheer van zekere aan
zijne verantwoording toebetrouwde gelden zoo weinig charmant gedragen,
dat hij het raadzaam heeft geacht op een goeden morgen zijn hotel in
den beddewinkel voor goed te verlaten, tot niemands spijt dan van den
beddemaker en zijne eegade, die een halfjaar kamerhuur en een aardig
sommetje aan verschotten aan ZEd. te kort kwamen.

De Zoete Inval is nog altijd een degelijke koekwinkel,
en tegen St. Nikolaas-avond zijn er nog immer prettige
verguldpartijen. _Saartje_ is de verloofde van een hupsch jong
mensch, die eene niet onbelangrijke zaak in manufacturen drijft. Ik
recommandeer haar toekomstigen winkel aan het schoone geslacht. Het
zal een lust zijn bij haar te koopen.

_Suzette Noiret_ werd, onder den titel van kamenier, een zeer
bevoorrecht persoon bij de freule _Constance_. _De Maete_, door den
baron in bijzondere bescherming genomen, is zeer spoedig ter secretarie
opgeklommen en bekleedt nu den post van den heer _Bout_, die aan de
gevolgen van zijne ongeregelde levenswijze is overleden. Hij is de
gelukkige echtgenoot van de mooie _Suzette_, en ik heb een brief van
de jonge lieden, waarin zij zich veel inbeelden van "verplichtingen
aan den heer _Hildebrand_".

De baron leeft nog steeds met zijn dochter in dezelfde kalme en
liefelijke stemming. Zij beide stichten zoo veel nut en doen zoo veel
goed als zij kunnen; en de freule gaat met een hart vol liefde den
tijd te gemoet, waarin de heer _Van Nagel_, die al zachtjes aan vrij
oud begint te worden, haar hulp nog meer zal behoeven.

En de grootmoeder?... is niet meer onder de levenden. Volgens haar
uitersten wil is zij op het kerkhof bij de Marepoort te Leiden, in
het graf, waarin ook haar lieveling rust, bijgezet. Haar hond heeft
haar niet lang overleefd.

En ik ontving uit haren naam een pakje, waarin het ringetje met den
zakdoek, en in het Engelsch deze woorden:


"Gedenk aan den lieven _William_ en aan zijne Grootmoeder,

1840.        _E. Marrison_".



's Winters Buiten.


Bij de dingen, die men, zonder veel nadenken, gewoon is bij
zichzelven vast te stellen, behoort onder anderen de meening, dat
het des winters buiten even onaangenaam is als des zomers louter
gelukzaligheid. Menschen, die niet zonder opera's, concerten,
en soirees leven kunnen, mannen, die behoefte hebben dagelijks de
sociëteit te bezoeken, en vrouwen, die niet gelukkig zijn of zij
moeten ten minsten eenmaal des weeks _groot toilet_ maken, mogen zich
in dit denkbeeld vastzetten; maar voor stille huiselijke gemoederen,
die van het bij uitstek wereldsche genoeg hebben en den cirkel hunner
genoegens, hetzij die les hun zachter of gevoeliger is voorgehouden,
zachtjes aan hebben leeren inkrimpen: voor hen is het er in den
kouder tijd vooral niet minder genoeglijk dan in het warme seizoen;
ja, geloof mij, indien ik u zeg, dat op het stille land de winter
oneindig veel korter valt dan in de stad met al hare--_ressources!_
Daar toch maakt hij, met zijne voorhoede en nasleep van donkere dagen,
een groot en langdurig jaargetijde uit, dat men door allerhande in
't oog loopende kunstmiddelen zoekt op te korten en door te komen;
buiten daarentegen, is hij slechts de spoedige overgang van een
gerekten herfst tot een vroege lente. Want hoe kort een tijd verloopt
er tusschen het afvallen van het laatste eikenblad tot op het uitloopen
van den voorlijksten kastanjeboom!

Als het twee dagen van de zeven hard waait, en twee andere dagen
regent en hagelt dat het een weinig klettert, dan blijven de steelui
binnen hunne muren, _ook zelfs_ gedurende de drie dagen van de week,
die overblijven, waarop de zon bij tijden door de wolken breekt en
allerliefst schijnt over de kwijnende natuur; want zij hebben van 's
morgens af dat zij hun bed verlieten, tot twaalf uren toe, een nevel
gezien, en weten niet welk mooi weer daar in het najaar gewoonlijk op
volgt; en al weten zij dat ook, "zij gaan niet meer uit; zij kunnen
niet meer op het weer aan"; zij durven niet zonder, zij willen niet
mèt een regenscherm wandelen; hun, toch noodzakelijke, overjas valt
hun te zwaar; en honderdmaal op een dag herhalen zij voor elkander de
afgesleten opmerking, "dat zulk weer erger is dan een fiksche kou",
en dat zij naar een vuurtje zouden verlangen om de nattigheid, en
ook stellig stoken _zouden_, indien het maar November ware. Het is
dan half October, en hun winter is formeel begonnen.

Met November komt het vuurtje, komen de tochtlatten met schapevacht,
de lange avonden, de morsige straten, en de onstichtelijke koude in
de groote kerken, met en benevens alle soorten van overkleederen. Dan
volgt December, met de boa's en de moffen, en de almanakken (morgenrood
en avondschemering, in onderlingen wedstrijd) en de St. Nicolaas,
als het altijd te slecht weer is om uit te gaan, met een onverwachte
sneeuwbui, die op éénen dag twintig nieuwe dameshoeden bederft,
en de kleine nachtvorsten die doen rillen, niet van koude, maar
van schrik. Het heilig kerstfeest, op het land zoo liefelijk, zoo
eerbiedig gevierd, en zich zoo harmonisch aansluitende aan de vredige
stilte, die het voorgaat en opvolgt, geeft in de stad het teeken voor
drukte en gewoel en feestgejuich van allerei aard; en na den ijslijken
nieuwjaarsdag, waarop honderden verkouden worden, wordt een eerlijk
huisvader overstroomd van concertprogramma's, die hem met een benepen
hart de hoofden zijner op uitgaan beluste dochters tellen doen; en er
is een onafgebroken spreken en handelen in de stad over danspartijen
en comedies en soirees littéraires, en soirées musicales, en andere
soirées, die noch het een noch het ander zijn, maar uiterst stijf
en vervelend en akelig; en men verzadigt zich zoo over en te over
aan de wintervermaken, dat men er in vier weken genoeg van heeft. En
onderwijl regeeren de koude en de armoede, het ijs in de grachten,
en de bedelarij op de sluizen. En nog twee volle maanden kijkt men
mismoedig elken morgen op den thermometer, en telt men morrende het
aantal "wintertjes" op. En eer men den neus buiten de poort steekt,
moet er groen aan de boomen wezen; en eer men tevreden is over zijn
kleine wandeling, moet het tenminste Mei zijn. Dat is dus een winter
van half October tot de Meimaand toe. En dan heeft de steeman die
buiten komt een gevoel alsof er eene plotselinge, eene eensklapsche
verandering van decoratie gekomen is; want hij heeft niets van al die
opwekkelijke toebereidselen gezien, die de natuur maakt, noch haar op
den onderhoudende weg harer stille vorderingen mogen gadeslaan. Hij
heeft al de vreugde gemist, die de buitenman gesmaakt heeft, toen zijn
eerste kip begon te leggen en zijn eerste sneeuwklokje bloeide op den
naakten en harden grond. Hij heeft de ganzen niet zien vertrekken,
en de spreeuwen en de kieviten niet zien aankomen, noch ook, drie
dagen voordat de wind zuiëlijkte, van zijn weerwijzen tuinbaas of
grijzen pachter gehoord dat de wind zuiëlijken _zou_.

Die een Buiten heeft, en genoodzaakt of verstandig genoeg is er 's
winters te blijven, staat des morgens met de zon op. Dat valt dan,
wat den tijd betreft, nog al gemakkelijk, want ook de zon zelve is
in dat jaargetijde niet zeer matineus. Maar laten wij elkander niets
wijsmaken! Hierin staan steeman en buitenman gelijk, dat dit oogenblik
het moeielijkste is van den geheelen dag. Want het bed is warm,
de kamer koud, en de mensch lui; daarenboven kan het water in het
lampet bevroren zijn, en de neiging om "zich nog eens om te keeren"
is ons geslacht aangeboren. Maar heeft men eenmaal gezegevierd,
dan heeft men buiten tenminste de zelfvoldoening de zon werkelijk te
zien; terwijl gij, heeren en dames in de stad! alweder het reusachtig
"_Manufacturen_" bij uw overbuurman lezen moogt, of het beknopter,
maar niet minder tergend "_Schrijf- en Kantoor-behoeften_"; op zijn
hoogst, indien uw overbuurman een logementhouder is, hebt gij het
voorrecht uwe nuchtere blikken op te slaan tot het vergulde beeld
van het lieve hemellicht zelf, met stralen van een duim dik en schele
oogen. Benijdbaar, zoo gij op een gracht woont, en niets ziet dan het
zwarte ijs, met hoopen asch en vuilnis, daar tot uw verkwikking op
geworpen in het oogenblik dat gij uwe legerstede verliet; benijdbaar,
zoo gij in een achterkamer huist, en over een smallen tuin tegen
de donkere gestalten van hooge pakhuizen met gesloten blinden op
moogt zien! Maar kom nu eens voor dit venster, dat op het oosten
ziet, en zie, over het weiland heen, grijs van vederachtigen rijp,
de koperkleurige kimme met die bloedroode schijf, half nog bedekt en
half opgerezen, die als wij kerstmis gehad hebben een rooden wedergloed
op de sneeuw zal werpen, duizendmaal mooier dan de beste bengaalsche
vlam over de zangerige helden van het vijfde bedrijf eener opera, of
over de heuvelen van doek in een ballet; of kijk, door het andere raam,
naar het westen uit, en zie de groene sparren met een dun en tintelend
weefsel behangen, en de statige menigte van eerwaardige dorre beuken
(een kaal hoofd _is_ eerwaardig) daar achter, met de toppen in den
nevel, die als zachte droppels langs de stammen leekt; die krijgen ook
na kerstmis hun schitterend sneeuwkleed aan, willen wij hopen.--Dat
is alles mooi, zegt gij, mijn waarde lezer! maar men kan toch den
geheelen dag niet naar de zon en naar de boomen kijken; wat voert de
buitenman uit? hoe houdt hij zich bezig? waarmede vermaakt hij zich?

Het is December; zijn hout moet gehakt, en hij gaat rond met zijn
opzichter, om te zeggen welke opgaande boomen aan de beurt liggen
en welk hakhout het kapjaar heeft bereikt. Ook is de jacht nog niet
gesloten, en hij laadt "groote zes" op zijn geweer in plaats van
"kleine", want het haas heeft, zoowel als gij, zijn winterpels aan,
en als hij tot den donker toe de weitasch over den rechter- en den
hagelzak over den linkerschouder gedragen heeft, en het overgehaald
geweer in de hand, en een paar hazen en een paar houtsnippen voor
zijn vrienden in de stad bovendien, dan eet hij als een wolf, en wèl
zoo goed als gij, mijnheer, al gloeide uw kantoorkachel ook nog zoo,
en al hebt gij u ook nog zoo geanimeerd op de beurs. Des avonds is
hij veel te moe om zich te vervelen; hij maakt zich gemakkelijk met
kamerjapon en pantoffels, en heeft het zeer druk over het haas, dat
hij in "den looper" schoot en dat schreeuwde als een kind; het haas,
dat hij vlak in de "kamer" schoot, en morsdood lag; en het haas,
daar hij "de wol" heeft zien afstuiven, dat ook werkelijk over den
"bol" buitelde, maar toen de beenen weer opnam, om hier of daar in
een verborgen hoek te gaan liggen sterven; of wel, met het wagen
van gissingen, waar dat haas mag zijn gaan "drukken", dat hij in
de wijdte opgaan zag, en waar de snippen mogen zijn neergevallen,
daar zijn geweer op geketst heeft. En zijn gezin en buren, om den
haard vergaderd, hooren met belangstelling en welgevallen nog eens
naar de oude jachtfeiten, van de drie hoenders met de twee loopen,
en van de twee eenden in één schot!--Komen ook de boeren niet betalen
en daarbij hunne huiselijke zaken openleggen? En komt de dominé niet
om een partij te schaken? En schrijft gij zelf, daar binnen de muren,
geen boeken genoeg voor hem? En krijgt hij niet tweemaal in de week
een heel pak couranten, waarin hij tot zijn groote stichting leest van
de bezoeken van koningen en prinsessen in de hoofdstad; van tabliers
van diamanten en toiletten van goud; van acteurs die uitmunten
in hun nieuwe rol; van groote, grootere, grootste, allergrootste,
en extra allergrootste virtuozen; van stikvolle zalen, schitterende
kapsels, en onvermengd kunstgenot; van plombeering van holle tanden,
die hij niet noodig heeft, en "Source de vie, Levensbron" à f1,25
de doos, die hij nog beterkoop heeft op het land; met en benevens
de harrewarrerijen over boeken-schrijven, waar hij zich niet aan
bezondigt, vioolspelen, dat hij alleen tot zijn eigen genoegen doet,
en de betuigingen van de redacteurs, dat het hunne gewoonte niet is
datgene te doen, dat hij opmerkt dat zij juist in den geheelen stapel,
dien hij vóór zich heeft, onophoudelijk gedaan hebben.

Hij heeft ook zijn feestdagen. Het zal bij voorbeeld Koppermaandag
zijn; Koppermaandag, een dag, waarop de boekdrukkersgezellen bij
u in de stad de deuren afloopen met eene fatsoenlijke bedelarij;
laatste beroep op eene mildheid die reeds achtereenvolgens in de
begeerigheid van diender, koster, stovenzetter, lantarenopsteker,
brandblusscher, brandbezorger, torenwachter, knecht van 't Nut, en van
wie niet al? heeft moeten voorzien. Wij kennen hier niemand in dat vak
dan den boschwachter, die ons zijn groen almanakje komt aanbieden,
en wien wij bij die gelegenheid de houtbrekers nog eens aanbevelen;
want, om de waarheid te zeggen, deze, en de menigvuldige kraaien,
zijn onze eenige winterrampen.--Maar ik wilde van Koppermaandag
spreken. Dan hebben wij bij voorbeeld hier de groote houtveiling,
een publieke feestelijkheid, oneindig vermakelijker dan eene groote
parade, indien gij mij gelooven wilt.

Tegen tien uren, half elf, kom dan eens kijken! Dan komen al de
boeren bij troepen door het bosch slungelen; een Kennemer boer heeft
nooit eenige haast, tenzij op de Alkmaarsche kaasmarkt, als het er
op aankomt eene goede plaats te "bedekken". Langzamerhand naderen
zij allen, de een met de handen op den rug, en de ander met de handen
in de zakken van 't wambuis, ter plaatse waar de parken nederliggen,
en waar de opgaande boomen staan die, met een blutsje van de bijl en
een nommer, ten doode zijn opgeschreven, en zoo onder de eersten als
bij de laatsten wordt naar gading gezocht. Elk hunner verbergt zijn
plan en drift om to koopen en zijne belangstelling om te zien onder
het volmaaktste laconisme.

"Zoo _Jeepie_!" zeit de een; "mot jij ook een parrekie hebben?"

"Nou jæ, jongen! ik kom mær rais kaiken!"

"Nou"--de boeren beginnen bijna alle volzinnen met dit woord:--"Nou,
der binnen zware parken genog bai; mær der is ook 'en partij die sluw
[18] binnen, hoor."

"Jæ," zeit een derde, die plan heeft er verscheidene te koopen,
"en eer je ze thuis hebbe!"

"Zoo, _Jan Spitter_, een paar nieuwe hutten [19] der op
anëtrokken!" zegt een vierde tot den bezitter van dien naam, die zin
in het eigen park eiken heeft, waar deze nota van neemt. "Nou, dat geet
er op los hoorje! _Jan Spitter_, zel 't ons allemæl te kwæd maken."

"Erg mooi weertje," merkt een vijfde aan, die verrast wordt in het
opkijken naar een boekoboom, daar hij het ophout van berekent. "Erg
mooi weertje! mær der hangt nog veul wind an de lucht; ik mocht liever
laien dat 'et wat droogde."

"Dat mocht ik net, broer," antwoordt een oud boertje, zijn pijp in
de tondeldoos stekende en in een oogenblik de lucht met sterkriekende
wolken benevelende.

"Daar bennen der nog zatter uit de stad ook, zie ik wel," merkt een
armoedige boer aan, vreezende dat de steelui hem zullen overbluffen.

"Kaik hai met zen gepoeste laarsies," zegt een jong kerel met een
bloedroode wollen das om, die het met gemelde steelui luchtiger
opneemt. "Zoo bakkertje, je mot zeker weer een vaifie plokken?" [20]

De bakker zet een verlegen gezicht en neemt voor, zich te houden als of
hij het niet gehoord heeft; maar bedenkt zich, haalt zijn tabaksdoos
uit, steekt met een echte bakkersgulzigheid zijn aandeel er uit in
de bleeke kaken, en antwoordt geestiglijk: "Motje _mijn_ hebben?"

Intusschen zit de eigenaar met de zonen van den huize bij den boschbaas
om den haard, waar een boekeblok van de grootte van een osserib, van
't hout van verleden jaar, aanligt, afkomstig van een boom, die den
boschbaas toevallig zoozeer is meegevallen, dat hij aan het ophout
zijn geld waard was en hij den stam nog vrij had. Daar zitten dan ook
de dorpssecretaris met zijn doornen stokje, groene wanten en grijzen
kop, en de beambte uit de stad, ten wiens overstaan "de aanzienlijke
partij hout zal verkocht worden". Een praatje, een kop koffie--daar
gaat de bengel, en alles verzamelt zich bij nommer Een.

Nu worden de veilconditiën voorgelezen, met verschrikkelijke
bedreigingen tegen degenen die niet contant, dat is binnen zes weken,
betalen, de gaten niet behoorlijk dichten of bij het rooien honden in
het bosch meebrengen; bedreigingen die, bij gebrek aan dwangmiddelen,
de kracht hebben van vriendelijke verzoeken. Daarop vangt het gedrang
en de drukte aan. Sommigen koopen in 't begin, omdat het "wel rais
gaandeweg praiziger worden wil": anderen stellen het uit, in de hoop
"dat het meeste volk zachies an of zel trekken" en de beste koopjes
op 't laatst te doen zullen zijn. De secretaris doet zijn best om
ten duurste te veilen, en de koopers om voor 't minste geld klaar
te komen. Allerlei aardigheden worden over en weer gewisseld, en te
meer naarmate de houthakkers lustiger met het vaatje rondgaan en de
kleine stalletjes, die overal tusschen het gehakte hout zijn opgezet,
meer te doen krijgen.

"Hadje nou je geld bewærd!" zegt de secretaris, met een ongeveinsde
bewondering voor het perceel dat hij met het uiterste van zijn stokjen
aanraakt, "jonges, jonges! wat 'en boomen! Dær kenje wel twee jær
van stoken! Hoe veul voor dat parkie? Wie zet dat nou rais in voor
twalef gulden? Al wou je maar zes geven? Niet allemaal te gelaik,
kindertjes! Drie gulden; met je drieën wel," enz.

"Schai je der nou al uit?" heet het een oogenblik later uit den
mond van denzelfden magistraat, tegen een boer die aan bod is en,
zoodra hij hem aanspreekt, wegsluipt, uit vrees voor zijne bekende
satire. "Schai je der nou al uit, _Jantje_? En dat voor een kerel,
die _Jan Houtkooper_ hiet; 't is, jandoppie, skande."

"Nou, wie dut park koopt, die het et waif met de koekkraam en de
flesch er op toe!" schertst hij alweder, als hij een perceel nadert,
waarbij een vroolijke zoetelaarster, met een dikken schoudermantel
om, hare handen zit te warmen aan de test, waar de boeren aan komen
opsteken. "Deer geef ik zelvers zeuven gulden voor; zeuven en 'en
kwart; en 'en half; en drie kwart; vol; eenmaal, andermaal: niemand
meer as acht gulden? Voor dat knappe vrouwmensch? En 'en half;--zoo
_Teunesie_, hebje niet genoeg an _ien_ vrouw, man?--Acht en 'en
half; negen; eenmaal, andermaal; kan de brandewijn je niet verlaiën,
maat? Nog 'en kwart; 'en half; negen en 'en half; eenmaal, andermaal,
derdemaal--geluk er mee! Da's een koopie, maat. Hoe hiet jij?"

"_Jan van Schoten_."

"Zoo; hiet jij _Jan van Schoten_? Heb je dan te Schoten geen hout,
maat?" En zich tot den boschbaas wendende: "'t Is hier 'edaan,
baas! Weer motten we nou heen? Na dat stuk teugen 't land van _Sijmen_,
niet waar? Kom an, kindertjes! Jonges, jonges, wat zou _Sijmen_
zeggen as we deer reis met zoo'n hiele bende op de pannekoeken
kwammen? Dan mocht het waif den hielen dag wel deurbakken. Kom an:
maar weer van veuren of an! Nommer honderdëndertig; wie geeft deer
nou rais honderdëndertig gulden veur? Honderdëndertig centen, dat
zal der veur 't begin beter na rooien," enz.

"Twee an bod? Wie het ierst esproken?"

"_Ik_ heb ierst esproken!"

"Hoe hiet jij?"

"Ik hiet _Piet de Wit_."

"Best hoor; ik zel zwart skraiven."

Ziedaar aardigheden, voorzeker niet van de allerfijnste soort, en die
zeer verre onderdoen voor alle mogelijke rondgaande stads-bonmots en
calembourgs, maar die uit een gulle, vroolijke stemming voortkomen
en, in die stemming, op het boereland zeer goed opgaan, en opgaan
zullen zoo lang, om den nekrologischen stijl te gebruiken, "zoolang
boerenaardigheden in Nederland op hare rechte waarde zullen worden
geschat".

Onder dit alles roepen de mannen en vrouwen en kinderen, die met drank,
moppen, en smakborden den trein, het geheele bosch door, volgen en
overal hunne draagbare tenten nederslaan, uit alle macht en alsof op
ieder der aanwezigen de zedelijke verplichting rustte iets bij hen
te verteren: "Wie 't zen beurt is!" "Je hebt al lang naar een slokje
verlangd, buur!" "_Arie, Arie_, wat is je keel droog!" "Aventuur je
't niet rais? Zes der boven en twee der onder!" "Hier is _Keesje_,
hier is _Keesje_! Je het _niet_ te betalen; hij betaalt de koekebakker
ook niet!" En allen wenschen voor de zesenzeventigste maal "handgift"
te ontvangen. En de kleine boerejongens dringen, met de kinderen van
den dominé en van den chirurgijn en van het "groote huis", door de
menigte in alle richtingen heen, om let te spelen of schuilevinkje
achter de parken; of springen als jeugdige acrobaten van de eene
stomp op de andere; of laten zich van den eigenaar van 't bosch op
een schellingskoek tracteeren, daar hij hen, voor zijn rekening,
zoolang naar heeft laten gooien, tot hij hem op niet meer dan een
gulden te staan komt.

Bij den laatsten koop begint er al wat reuring te komen, en bij
het laatste nommer--laat het een mager boompje wezen, dood in den
top--wordt een vijfje opgestoken; en een manneken uit de stad, dat
te opgewonden is om te cijferen, blijft er tot algemeene vreugd aan
hangen. En de pret is uit, behalve voor den boschbaas en voor de
magistraten, die bij de veiling hebben geassisteerd en op een stuk
gebraden rundvleesch met grauwe erwten onthaald worden.



Maar het is in 't laatst van Januari, en uw barbier hangt u
telken morgen verschrikkelijker tafereelen op van de duimen dik,
die het in de stadsgrachten gevroren heeft. Nu komt ook gij met
een volksfeest voor den dag, en verheft de borst trotsch op uw
ijsvermaak. "Uw ijsvermaak!" ik neem er mijn hoed voor af, schoon
ik niet van ijs houde en er liever buiten blijf, omdat ik zoo dol op
het levende water ben. Uw Amstelkermis, o Amstelaren! Uw Maaskermis,
o Rotterdammeren! "bieden een treffend schouwspel aan"; uwe courantiers
kunnen er niet genoeg van zeggen; als gij wandelt, rijdt, harddraaft,
kolft, biljart, bittert, en zelfs stookt op het ijs, waar zich alle
standen aan hetzelfde vermaak overgeven, de hooggeborene in zijn
polonaise en de watervoerder in zijn schippersbuis; als een akkoord van
't vereenigd gekras van duizend hollandsche en engelsche en friesche
schaatsijzers de lucht vervult, terwijl de narretuigen rinkelen,
en de zoetelaars met brandewijn van "negentig graden!" die pogen te
overschreeuwen; als al de pracht van met bont gevoerde en gezoomde
douillettes, pelzen en sjaals door de heldere winterzon beschenen
wordt, en eene weelderige maatschappij haar grootsten rijkdom tegen
de soberste karigheid der natuur schijnt te willen over zetten. Maar
denkt niet dat wij buiten ook geen ijsvermaak hebben! Pret hebben wij,
degelijke pret; en ik wenschte wel dat gij die ook hadt.

Ik onderstel dat gij zelf bezitter zijt van een of ander landhuis nabij
een klein dorp; daar zult gij ook een ijsvreugd zien en, indien gij van
kinderen houdt, zal zij u verrukken. De volwassenen versmaden dezen
geringen plas; maar hier hebben wij den kleinen dikken _Wulbert_ met
de mooie oogen, die zijn schaatsjes loopt halen, zoodra hij hoort "dat
de jonge heeren er op mogen", en zijn nog kleiner broertje meebrengt,
dat voor het allereerst begint te scharrelen. Alras verzamelt zich
uit alle woningen een aardig troepje van boertjes en boerinnetjes,
die elkander alle bij den naam noemen en zeer familiaar zijn met
de jonge heertjes en jonge juffrouwtjes van de Buitens, die hunne
schaatsen binnenskamers hebben aangebonden met groot rumoer, en die
met roode bouffantes en even roode wangen zich in den stoet komen
mengen. Daar stijgt de vroolijkheid ten top en het kleine grut glijdt,
scharrelt, en zwiert, en draait door elkander, en valt op een hoop,
en poeiert elkaar met sneeuw; en de jongens zitten de meisjes op hunne
schaatsen na, en kapen ze de losse hoedjes van 't hoofd, zonder dat
ze daarom nog verkouden worden, en rijden er in triomf mee rond op de
punt van hun ijshaakjes; en de slee gaat heen en weder met een heele
vracht kleine meisjes er in, en met een heele bende kleine jongens
er achter, en zwiert bij het omdraaien "zoo verschrikkelijk!" dat
zij het allemaal uitgillen. En dan zult gij, de landheer zelf, lust
hebben om den zoetelaar te spelen, en de vroolijke jeugd te verkwikken
met koek en een schijntje van brandewijn met suiker; en dan gaat er
een vreugdekreet op; en de boerekinderen hebben nog nooit zoo iets
lekkers geproefd, en de arbeider, die de baan geveegd heeft, wordt ook
niet vergeten, en glist af en aan, met zijn bezem over den schouder,
en maakt gekheid met de kleine deugnieten, en krijgt onverziens een
sneeuwbal aan zijn ooren dat ze tintelen; en dan raakt de deugniet,
die den sneeuwbal gegooid heeft, van de been, en schuift een heel end
ver over 't ijs voort, en daardoor heeft een andere deugniet, die al
tweemaal op zijn neus gelegen heeft, onuitsprekelijk veel genoegen. En
dan komt er een scheur in 't ijs, "van de sterkte!" zoodat het kleine
ventje, dat voor 't eerst op een paar verroeste ijzertjes staat en,
met zijne dikke armen in een nauw buisjen in de lucht roeiende,
zich de illusie maakt vooruit te komen, stilletjes afbindt; maar de
mannen van een twee- of driejarige ondervinding spreken van balken
die er onder komen; en het is alles drukte en gejoegjag en geluk;
en al de jongens en meisjes weten niets prettiger dan dat het hard
vriest en er morgen weer een duim dik ijs ligt in het gat dat heden
gehakt is, waarvan zij u des morgens de bewijzen komen vertoonen op
uw bed. De donkerheid alleen maakt een einde aan de vreugd, waarin
het middagmaal slechts een kleine pauze teweegbrengt. Maar laat het
maar lichte maan zijn, dan komt er nog menigeentje weerom, en wel
eens een grooter slag van rijders ook, waar de andere wateren des
avonds te ver-af of te vol gevaars voor zijn; en zoo ge geen lust
hebt om mee te doen, gij kunt het zien, daar gij voor den haard zit,
die de gezichten uwer lieve gade en schoone dochters verlicht met de
vlammen van steenkolen, die vooral dan helder zijn, als gij er een
splijt met de punt van de pook; terwijl het vertrouwelijk schemeruur
een macht van zoete herinneringen medebrengt, een overvloed van
gezellige praatjes uitlokt. En wellicht brengen u de gesprekken uwer
huisgenooten op het een of ander schoon gedicht of belangrijk boek,
dat uwe kleine boekerij versiert; en des avonds, als alles stil is
in en om het huis, leest gij er uwen kleinen kring uit voor, onder
het genot van een glas warme punch of streelende kandeel, en denkt er
niet aan, hoe in dat zelfde oogenblik, in een der gehoorzalen van de
hoofdstad, een jeugdig slachtoffer van zijne eigenliefde en van den
secretaris eener geleerde maatschappij, in een zwart pak kleeren en
met een bleek gezicht, wordt _opgebracht_ door een statigen stoet van
achtbare mannen, om tusschen zes waskaarsen en voor een aanzienlijke
schaar van heeren met en zonder ridderorden en mooi gekleede dames
(ik meen "geachte vrouwenschaar"), eene verhandeling te lezen die
verveelt, of een dichtstuk dat al te akelig is, van een man die bij
vergissing met zijn zuster trouwt, of van een juffer die zich dood
treurt op een toren.

Wilt gij nog een andere tegenstelling? Ja, vergun er mij nog ééne;
gij houdt misschien niet van tegenstellingen; maar laat ik u nog op
deze ééne onthalen; zij zal treffend zijn. Maar nu verbeeld ik mij
u weder als steeman, en gij woont in Amsterdam of te 's Gravenhage.

Het is in het laatst van Februari. In uwen kring, in uw cercle, in uw
sociëteit, hoe wilt gij? misschien wel in uw huis, heeft zich, onder
al de _over_sluieringen der étiquette en _ont_sluieringen der caquets,
een droevig drama ontwikkeld. De schoone _Emmeline C._ was op alle
de feesten van dezen winter "reine du bal". Zij werd gefêteerd; zij
werd geadoreerd. Hare moeder was trotsch op haar; zij was trotsch op
zichzehe. Op de soirée van mevrouw v. W. ontmoette haar de jonge _Van
Staten_ en maakte "onbegrijpelijk veel werk van haar". Op het concert
van--noem eenen onovertrefbaren uit de tienduizenden onzer dagen!--was
het in het oog loopend hoe hij om haar heen fladderde. Op het bal ten
uwen huize (waar men zich zoo allercharmantst geamuseerd heeft, lieve
mevrouw!) en op al de casino's, week hij nauwelijks van hare zijde,
was onbegrijpelijk "aux petits soins", en men heeft zijn oogen zien
vonkelen als tijgeroogen als zij met een ander walste. Deze jonge
_Van Staten_ had een zeer innemend uiterlijk, zeer goede uitzichten
vóór zich, en een zeer respectabele familie achter zich; wat wonder
zoo zij ten laatste, door een weinigje te boudeeren, weten wilde
wat hij voorhad! Wat doet het monster op de laatste soirée, die
hij met haar bijwoont? Hij ziet haar nauwelijks aan; met een stijve
buiging vraagt hij haar ter nauwernood hoe zij vaart; als zij, op
aller aandrang behalve de zijne, zich aan de piano zet en zingt,
ziet zij hem, in den spiegel, die daarboven hangt, geabsorbeerd
in een gesprek--met een andere schoone? Neen; met heeren, met een
geleerde, met een diplomaat. En, een oogenblik later, neemt hij de
kaart op voor eene bejaarde dame, die, daar een andere bejaarde dame
en twee bejaarde heeren het haar in 't omberen te lastig maken, hem
verzocht heeft haar eens af te lossen. Den geheelen avond geen woord,
geen blik van hem voor de schoone _Emmeline_; en den anderen dag het
gerucht door de stad, dat zijn engagement met de freule E. te X., dat
reeds sedert dezen zomer gehangen moet hebben, er dóór is.--Het hart
der arme _Emmeline_ is gebroken . . . neen! vergiftigd. Van dezen
oogenblik af is de gansche wereld haar geveinsdheid en mommerij,
en het geheele mannengeslacht louter valschheid. Echter wil ook zij
een mom dragen en evenzeer veinzen. Maar kan zij het weren dat al
hare vriendinnen haar in hare bijeenkomsten beklagen, en dat zij,
weken lang, onder den titel van "het meisje dat infaam behandeld is",
de toevlucht wezen moet der kwijnende conversaties op fluweelen sofa's
en der levendige tête-a-têtes bij marmeren schoorsteenmantels en in
vertrouwelijke vensterbanken?

Maar nu zie ik mijn buitenman een bezoek brengen bij een zijner
boeren, en met hem nederzitten bij diens namiddag-koffie-en-boterham,
in gezelschap van een koopman die, met een hoog, langwerpig pak op
den rug, op den boer reist, en in diepe stilte tegen zijn koffie
blaast, terwijl de vrouw en de meiden zich bedenken of er ook wat
noodig is. Maar de oudste dochter is naar de stad, en mijn buitenman,
die gaarne over de jonge deernen praat, acht de gelegenheid geschikt
om te vragen:

"Wel _Jantje_! heb ik het al, of heb ik het mis, dat je dochter
trouwen in het hoofd heeft?"

"Nou, heerschop!" is zijn woordenrijk antwoord, "de lui willen zoo
_veul_ zeggen; 't zou er kwed uitzien as we 't alles leuven wouwen;
ik zel niet zeggen dat ze niet rais deur een borst is ansniejen;
maar trouwen, zel ik mær zeggen: nien! dat laikt er niet nee."

"Heije je nou al bedocht, _Trijntje_?" vraagt de koopman.

"Nou jæ," zeit _Trijntje_: "geef me een kloentje zwart garen."

"En main, 'en stuk of vier heinsknoopies," zeit de vrouw.

"Ik had verleden najaar al gehoord dat ze met een vrijer te kermis
geweest was," zegt mijn buitenman, die niets van dien aard gehoord
heeft.

Maar de boer en de vrouw nemen bedenkelijke gezichten aan, die te
kennen willen geven dat er te veel dak op 't huis is, en de landheer
vindt het gepast zijn gesprek te veranderen.

"Hebje daar een potlammetje?" zegt hij, op een klein zwart dier
wijzende, dat op de vuurplaat geknield ligt, naast een dikke kat,
rood en zwart geplekt.

"Och jæ," zeit de vrouw; "we hebben twee lammetjes van dat ooi, ien
witje en ien zwartje, dat dan dut is. Maar 't iene het ie zóó dat 'et
'eboren was likt en opgnapt, maar het zwartje het ie leggen leten;
en ie wou 't niet leten zuigen ook, of we mosten hem vasthouen; en
nou leten we 't dan mær zoo drinken uit 'n trekpotje. 't Is mær het
akelekst dat het overal veuligheid doet."

"Jæ," herneemt de boer, "en mot meneer de kalven niet rais kaiken?" En
mijnheer staat op en volgt hem naar het hok daar zij zich bevinden.

"Kaik hier; der zijn der drie; twee kuitjes en ien bulletje; dat iene
kuitje is van daag 'ekomme. Leelijk haar, niet waar meheer!"

"Hij is al heel zwart."

"Hielkendal, meheer! Maar weetje wat _ik_ zeg? Je mot gien beest om
zen haar verachten; ik denk dat 'et niet past, en dat je der gien
zegen op hebbe kenne, zel ik mær zeggen. Je heb mense, die zijn er zoo
keurig op, kaik! maar ik zeg dat 'et niet past; en ik zel dat zwarte
kuitje anleggen, zoo goed as dat bonte. En weetje wat _ik_ denk? 't
is nog beter as 'en hiele witte, want die worden dan skrikkelek van
de vliege plaagd, en ze zam ook erg kouwelek; gunder steet er iene,
die het een rond jær met 'et dek 'eloopen."

"Maar as 't nou eens een _rood_ kuitje was?"

"Jæ, _dan_ most 'et weg; die brandrooie mag ik niet," zegt de
philozoische boer, die geen beest om zijn haar wil verachten, maar
wien dit vooroordeel te machtig is. En plotseling het vroeger gesprek
weder opnemende, gaat hij ten overstaan van de twee kuitjes en het
eene bulletje, die hij beurtelings op zijn hand laat zabberen, voort:

"Nou kaik, je bent best onderricht ook, hoor! En ze had 'er zinnen wel
op 'em steld ook, zei ik maar zeggen; maar ik en 't waif hadden gien
erge zinnighaid in de borst, en deerom is er dan ook niet van komme;
want _Hil_ is 'en erg best maidje, kaik, dat lijkt erniet nee; 't is
me stiefdochter, mær of was 't men aigen, 't kon niet beter zain;
en de miester zait dat hai er nooit zoo ientje zien hadde, en zoo
erg gnap, zei ik nou mær zeggen, in 't gien deer hai der inleerd het;
en et waif zait dat _Hil Zoo_ erg best is voor skrobben en skuren en
keezen, en zoo hielkendal gnap in 't werk, dat 'n best waif zoudie
er an had hebbe. Maar jæ, 'k miende den nou, zel ik mær zegge, dat
ze zoo'n best maidje is, om reden dat ze 't zoo in iene hielkendal
uit 'er hoofd 'zet hadde. 'k Zaide: _Hil_! zaid' ik, das nou iens
veur de fiedel met _Hain_, mær je weete, dat 'et veur 't lest is
ook. Nou, ik zag ze wel, dat ze erg zuinig keek; mær ik dæn of ik
't niet bespeurde; en 't ierst dat ie weer weter veur der dreege,
zag ik dat zem gnap op zai douwde, en 't leek wel dat ze zaide: Vær
wil hielkendal niet van je ofweete. Mær zoo as dat geet, meheer;
't laikt wel, zei ik mær zeggen, of je niet van mekær of kenne,
as je't iens op mekær begrepen hebbe; 't was met main en _Geesie_,
dat nou de vrouw van _Tak_ is, krek al ien, in me jonge taid, meer ik
was er vær veul te skræl van skaiven, en nou heb ik an _Marijtje_ 'en
erg best waif. Nou, mær ik zagge den wel, dat 'et met _Hil_ en _Hain_
niet goed of zou komme, en ik zaide teugen 't waif: Waif, zaide ik,
je kent 'et nog wel rais anzien, mær as 't nee _main_ zin geet, dan mot
de borst weg. Mær de vrouw miende dat ie zoo erg best in 't werk was,
en dat we hem niet allienig wegzende mogge omdat ie rooms kattelijks
is, want dominé hadde zaid dat we drægzæm met de roomse wezen motte,
en 'et waif het bij de miester weund, en die weet 'et den erg best,
en die zaide ook zoo. Mær ik zeg: nou _Marijtje_, de borst _mot_ weg,
zeg ik; of je nou hoog of leeg danse, de borst mot _nag_ weg; want
ik bin allan baas bleven in 'et huis, en dat weet 'et waif ook wel;
en deerom, toen ik allan zaide: de borst _mot_ weg, zaide 't waif:
wel nou, leet ie geen, as jai denke dat 't veur _Hil_ der best is;
en zoo is ie 'geen ook."

"En wat zei _Hil_ er wel van?" vraagde de landheer, die als hij uw
laatste romans gelezen heeft, o heeren uit de stad! denken moet dat
het meisje ten minste eenige teringen gezet heeft.

"Wèl nou, deer wil ik den ook wel leuven dat je _Hil_ voor wezen
mot om zoo te doen as zai dæn. Ik speurde in de beginne wel dat
'et er niet an en stond, mær ik zaide: _Hil_, zaide ik teugen der,
nou, leg niet te knaizen ook, maidje, want de borst _is_ ienmæl weg,
en hai _blaift_ weg. En kaik, ze is weer an 't keezen 'geen, en op
melkerstaid onder de koeien, krek of niks beurd wazze!"

En de houten klink wordt opgelicht, en de heldin der historie
verschijnt, het helder voorhoofd met het schoone mopje beplooid,
het gele jakjen aan, een hengelmand onder den arm, en vroolijkheid
en schalkheid in de blauwe oogen; en de landheer geeft haar een
vriendelijk kneepjen in de wang, en zegt:

"Zoo _Hil_, ik zei daar net tegen je vader, dat je zoo'n knappe meid
wordt en dat het me verwondert dat je nog niet aan 't vrijen bent."

"Vrijen meheer?" zeit _Hil_, "ik weet niet wat ik liever dee"! En
ze huppelt haastig voorbij, en doet haar moeder bescheid op de
boodschappen, en helpt den reizenden koopman in het opladen van zijn
pak, en vraagt hem lachend of hij wel weer zou kunnen opstaan, als
hij er mee voorover viel.

"Zou je me helpen, _Hil_," vraagt de koopman met een smeekend oog,
"as je me zag leggen?"

"Deer zou ik rais over denken!" zegt de vroolijke Hil. "Dag
_Doris_! Wel thuis, meet! Val mær niet, hoor! En _as_ je valt,
_Doris_! al is 't ook nog zoo leet in den evend ...."

"Nou; wat dan?" vraagt de koopman met een sentimenteelen lach.

"Kom den hier, hoor; den zei 'k je ophelpen. Dag DORISbuur!"



De maand Maart is in 't land, met hare gehate afwisseling van sneeuw,
storm, en regen. De geheele stad hoest en proest en vraagt met
verontwaardiging hoe zij aan den onverdienden naam van lentemaand
komt. De buitenman vraagt het niet, want voor hem is zij rijk aan
bemoedigende verschijnselen, aan bewijzen van nieuw leven en nieuwe
kracht der natuur. Als hij in de heldere dagen of op de heldere uren
van den dag, zijn esschen stok opneemt en rondwandelt, ziet hij alom
de braakakkers vervuld met deftige schapen en vroolijke lammeren,
die op de stoppels grazen; ziet hij den ploeg drijven door de stoppels
van andere, die dit jaar hun vrucht zullen moeten opbrengen. In zijn
vijvers zijn de eenden gekomen, die een nest zullen bouwen onder de
lage takken van den sparreboom aan den oever; de hazelaars bloeien;
zijn moestuin wordt sedert vrouwendag in orde gebracht, en weldra
zullen zijn doperwten worden gelegd; nog een veertien dagen, en de
stier begint rond te gaan, en de merels zingen luide en heerlijk
in zijn nog dor hout. Eer de maand ten einde loopt, zijn hem de
eerste kievits-eieren gebracht en is zijn bloemkool reeds gepoot;
en nauwelijks is de wispelturige April daar, of de ooievaar laat
zijn lange pooten op zijn dak nederkomen; zijne perziken beginnen
te bloeien; zijn violenbed is blauw; zijne kuikens komen uit; een
lichtgroen waas spreidt zich over zijne boomen, en de donkergroene
garst schiet op zijne akkers op; de bloesem der wilde kastanje meldt
zich reeds in den knop; en den 18_den_ of uiterlijk den 19_den_,
verkondigt de blijde nachtegaal met een helder georgel en een
schellen slag dat hij daar is om het lied der lente te zingen. Iederen
morgen hoort hij aan zijn ontbijt nieuwe berichten van boomen, die
reeds geheel groen zijn, en op iedere wandeling ontmoet hij nieuwe
bloemen. In den tuin vertoont zich reeds de groene hoop des zomers
boven de aarde; de wilde tortels en blauwe duiven vliegen af en aan
door het geboomte, met dwarse takjes in de roode bekken; de zwaluw
scheert over het water en vliegt een stal binnen, om zijn nest op te
hangen boven de ruif; het jonge vee loeit reeds in de weide, en de
melkkoeien zullen met den eersten Mei kunnen worden uitgezet.... En
des zondags zijn de wegen vervuld met wandelaars uit de stad, die
al die schoone wonderen komen bezien, en waaronder zich een enkele
vertoont, die reeds een witte zomerbroek heeft aangetrokken, in de
zalige overtuiging dat hij een rechte primula veris is.



Gerrit Witse.

Studentenangst.


De goede stad Leiden heeft binnen den omtrek van hare deels nog
staande, deels tot wandelingen geslechte wallen, twee territoriale
schoonheden, die men niet genoeg roemen kan, te weten de Breestraat,
welke naar uitwijzen van oude oorkonden en van de adressen van brieven
van alle tijden, vroeger Breedestraat moet geheeten hebben, en het
Rapenburg, door de ramp van 't jaar Zeven zoo befaamd, "leggende",
volgens _Orlers_, "langs eene breede straete, een schoon breed water,
met hooge ende groote schoone lindeboomen ter wederzijden beplant ende
besettet, onder denwelcken het in den zomer seer vermaeckelijcken te
wandelen is". Dit Rapenburg is aan beide zijden zeer net betimmerd,
en men vindt er schoone huizen, die het vermogen en den kolossalen
smaak onzer vaderen eer aandoen. Deze omstandigheid neemt echter
niet weg dat er eenige zeer leelijke en zeer mismaakte gebouwen
worden opgemerkt; onder welke vooral uitmunten 's rijks Museum voor
natuurlijke historie, de academische Bibliotheek en de Hoogeschool
zelve; want het lands- en stadsbestuur schijnen edelmoediglijk
te hebben besloten, de verfraaiing en opsiering der stad voortaan
aan den smaak der respectieve inwoners over te laten, evenals het
gouvernement de belooning der menschenredders aan de Maatschappij tot
Nut van 't Algemeen. Het laatstgenoemde gebouw, staande en gelegen
op den hoek der Nonnensteeg, levert de niet onaardige vertooning op
van een oud klooster met moderne vensters, door een nieuwmodische
barrière afgesloten, en op welks dak zich eene mede niet onaardige
verzameling van duivenhokken en peperbossen vertoont, die den
hoogdravenden naam van toren en observatorium dragen. Inderdaad
wekt het bovenste gedeelte van het gebouw eene fiere gedachte aan
den voortgang van kunsten en wetenschappen en aan de oneindige
vorderingen van den menschelijken geest op, terwijl de dikke muren
en gewelven daaronder de kuische nagedachtenis der Witte Nonnen
in zegening houden. Welk een in 't oogvallende omkeering bracht de
loop der tijden hier te weeg! Te zelfder plaatse waar de schuchtere
nieuwelingen, bedeesd en op twee gedachten hinkende, voor het altaar
traden, voor hetwelk zij eenmaal met een blijmoedig en kalm hart
de wereld en hare begeerlijkheden moesten vaarwel zeggen, zouden
in latere tijden de rampzalige _groenen_, in vertwijfeling aan alle
aardsche grootheid, nederzitten; waar de eerbare rij der gesluierden,
van hare stiftsmevrouw voorgegaan, den plechtigen koorzang aanhief,
zou later eene zwartgetabberde rij de zitplaatsen bezetten en een
gedegend doctorandus, _ex auctoritate rectoris magnifici_, tegen
de gansche wereld de stoute stelling volhouden dat artikel honderd
en zooveel van het wetboek volstrekt niet in strijd is met artikel
honderd en zooveel, of wel, dat men onbillijk is indien men alle
kinderkwalen zonder onderscheid aan de gevaarlijke liefhebberij van
tandenkrijgen toeschrijft, of anders, dat een ooggetuige beter de
historie schrijven kan dan iemand die bij "hooren zeggen" leeft, en
somtijds ook wel, dat men Hebreeuwsch moet kennen om de hebraïsmen in
het Nieuwe Testament te kunnen opsporen en beoordeelen. Lang zoude ik
deze tegenoverstelling van het Eertijds en Thans nog kunnen volhouden,
indien ik niet te vreezen had voor onnauwkeurigheden, die Leidens
vele oudheidkundigen mij nimmer vergeven zouden. In het kort: al wat
men vroeger hier gezien en gehoord heeft is veranderd en vernieuwd,
behalve het Latijn, dat veeleer verouderd is en, tot den echten toon
van _Cicero_ teruggebracht, zijne classiekste vormen met wonderbare
smijdigheid leenen blijft, en zal blijven leenen tot in het laatste
der dagen, aan iedere wetenschap der wereld, hetzij de Romeinen daar
eenig begrip van hebben gehad ofte niet.

Als men het ijzeren hek dóór en het plein óver gaat, dat naast het
eerwaardig gebouw een uitgebreidheid van tien passen beslaat, treedt
men, door een hooge poort, welker posten met vele convocatiebriefjes
beplakt zijn, een breede gang binnen, waar men op het stille uur
(het tweede na den middag) waarop deze geschiedenis aanvangt, niemand
tegenkomt; stijgt men dan aan het einde een ruime steenen wenteltrap
op, en gaat men, boven gekomen, linksom en rechtuit, zoo komt men aan
eene verhevenheid van twee trappen, en ook deze beklommen hebbende en
de deur openende, die men vlak voor zich ziet, zoo bevindt men zich
in een klein vertrek met witte muren en een houten vloer, waarin men
een tafel, een paar stoelen, met en benevens een verroeste kachel en
toebehooren gewaarwordt.

Dit weinig gezellig vertrek draagt den ondichterlijken naam van het
_zweetkamertje_; en zeker niet ten onrechte. Hier toch is een soort
van vagevuur, waarin elk, die de zaligheid van een examen of promotie
wenscht te smaken, een poostijd verblijven moet, alvorens hij tot het
genot dier hemelvreugd wordt toegelaten. Belangrijke plek gronds! In
dit kleine kamertje, o mijne lezers! hebben alle groote mannen, die
aan de Leidsche academie zich ooit door stalen vlijt en onafgebroken
arbeidzaamheid den doctorshoed verworven hebben, om naderhand de
wereld met hunne _doctrinae praestantia_ te verbazen en te verrukken;
in dit kamertje hebben zij allen, _incredibile dictu_, zich eenige
oogenblikken _klein_ gevoeld. Ja, daar heeft de kloeke verdediger
uwer rechten, die nu, zonder blikken of blozen uw partij met volzin
op volzin van louter kracht ter aarde werpt, een oogenblik het hart
in de keel voelen kloppen, op het denkbeeld dat professor die of die
het hem niet vergeven had dat hij zoo slecht college had gehouden,
en zich wreken zou door strikvragen. Daar heeft die arts, die nu zoo
stoutmoedig doortast in uwe maag en ingewanden, menig droppel zweets
gelaten, als hij bedacht dat zijne professoren zoo veel meer wisten
dan hijzelf. Daar heeft die dikke rector, aan wien uw oudste zoon
niet dan sidderend zijn thema vol heele en halve fouten overgeeft,
eenmaal zelf gebeefd, uit vrees dat men een anderen dialoog van _Plato_
op zou slaan dan dien waar hij het best in thuis was. En daar heeft
ook _Hildebrand_, uw onderdanige dienaar, een koude rilling over zijn
rug voelen loopen, als zijne verbeelding speelde op al wat gevraagd
zou _kunnen_ worden!

Het eigenaardige van dit vertrek is dat de patiënt het binnentreedt
met een witte das, een wit gezicht, en een zwart pak kleederen, en
gevolgd wordt van eenige vrienden in négligé, met cloaks, rottingen,
petten en honden. De patiënt gaat op de tafel zitten, en de vrienden
loopen heen en weer. De patiënt fluistert, en de vrienden spreken
luid. De patiënt beweert dat hij er in zit, en de vrienden beweren
dat hij gek is. De patiënt verlangt naar het oogenblik om binnen
te komen, maar hij geeft voor, dat hij hoopt nog lang buiten te
blijven. De vrienden wedden dat hij den eersten graad zal krijgen,
en hij wedt dat de tweede zijn deel zal zijn. De patiënt heeft op
dat oogenblik een onbepaald respect voor iedereen die den titel van
hooggeleerde voert en beschouwt de faculteit als een "raad van louter
goden"; de vrienden beweren dat het gewone menschen zijn. De patiënt
houdt het er wel degelijk voor, dat zij van het crimineele beginsel
uitgaan om de academische graden aan geen onwaardigen te verkwisten;
en de vrienden beweren, dat zij alleen in de wereld gekomen zijn
om een jong mensch er door te sleepen. De patiënt herinnert zich
heimelijk allerlei spookgeschiedenissen van ongelukkigen, die door
hunne verlegenheid of door rancune van examinatoren zijn gedropen;
en de vrienden halen alle mogelijke anekdoten op van sluwe vossen,
die hunne examinatoren een rad voor de oogen gedraaid hebben of een
aardigheid gezegd bij het krijgen van simpliciter. In 't kort: de
patiënt doet hier alle mogelijke kennis op, die hem, als hij morgen
of overmorgen of over een maand een ander patiënt in de bange ure
bij moet staan, zal te pas komen; en de vrienden debiteeren alles
wat zij totaal vergeten zullen hebben, telken reize als ook zij op
hunne beurt in 't geval komen van in het zweetkamertje de ootmoedigste
oogenblikken huns levens te slijten.

De persoon nochtans, dien ik mijnen lezers wilde voorstellen, voldeed
in zoo verre niet aan de formaliteiten, die in deze rampzaligste
aller folterplaatsen gevorderd worden, dat hij die, verzeld van
slechts een enkelen vertrouweling, binnentrad. Hij had de zeldzame
kracht bezeten niemand buiten dien vertrouweling deelgenoot van zijn
examen-geheim te maken, den pedel verzocht het verraderlijke briefje
_ad valvas academicas_ niet aan te plakken, en degenen die er achter
gekomen waren dat hij gisteren zijne demonstratie (hij was medicus)
had gedaan, omtrent het uur van het examen misleid.

Het was een jongeling van een niet ongunstig uiterlijk, ofschoon
men volstrekt niet zeggen konde dat hij schoon was, en de witte das
en gedrukte stemming, waarin de omstandigheid waar hij in verkeerde
hem bracht, konden niet gezegd worden hem te flatteeren. Hij was van
eene gewone grootte, maar de vriend, dien hij medebracht, kon geacht
worden klein te zijn; een nadeel, hetwelk hem niet belette er op dit
ogenblik vrij wat aannemelijker uit te zien dan de examinandus. Zijne
bruine oogen hadden een schalken blik, en zijn vroolijk gezicht en
de vlugheid zijner bewegingen staken wonderlijk af bij den bedrukten
ernst van hem, die in dit droevig kamertje gekomen was om zich op de
zenuwschokkende examenschel voor te bereiden.

De examinandus zette zich naar het oud en wettig gebruik op de tafel
neder, en keek op zijn horloge. De deur stond wijd open, en hij genoot
een onbelemmerd uitzicht op de kamer der facultas medica.

"Vier minuten over tweeën. Toch nog te vroeg," zeide hij mistroostig.

"Wis en zeker te vroeg," zei de kleine, "maar je hebt mijn raad ook
niet gevolgd."

"En wat was je raad dan?" vroeg de ander verstrooid, en naar de trap
ziende; want hij hoorde daar eenige beweging op, en was nieuwsgierig
of het prof. _Sandifort_ dan wel prof. _Macquelin_ zou zijn, die het
eerst verscheen.

"Mijn raad? Lieve hemel! dat je op je bed hadt moeten blijven tot
één ure, en geen enkel boek meer inzien."

"Neen, dat's ook maar gekheid," zei de ander, die op dit punt
gedecideerd scheen te zijn; zeker ten gevolge van de ondervinding
van dezen huidigen dag, daar hij met radeloozen angst nu dit, dan dat
dictaat had opgeslagen, van het eene boek de inleiding nog eens had
doorgelezen, en van het andere het register nog eens had bestudeerd.

"Vervolgens hadje moeten ontbijten; op je gemak, weetje?" ging de
kleine voort.

"En een glas madera drinken?" vroeg de grootere.

"Neen, jongen, dat weet ik niet; je mocht reis aan het doorslaan
raken," antwoordde de kleine.

"Doorslaan is goed," zei die van de pijnbank.

"Ja, dat kan er naar wezen," zei die van den vloer. "Je moet altijd
denken dat het Latijn is."

"Dat 's één geluk!" sprak die van de witte das; "ik wou niet dat
het Hollandsch wezen moest; een stommigheid in 't Hollandsch is zoo
dubbel stom."

"Dat is waar," hernam die van den zwarten strop, "maar je dient
primo Latijn te kennen; en ik voor mij, heb me meer op me moedertaal
toegeleid, weetje. Maar jij hebt nog al een aardig Cicero'tje in je
mond zitten, dat's zeker! Maar wat ik zeggen wou: je hadt je niet
moeten aankleeden vóór tweeën."

"Maar hebje _Macquelin_ al," zei de lijder.

"Je wou wel dat _Broers_ een operatie te doen had," zei de
ziekentrooster.

"Mijnheer _Broers_ is al lang binnen," zei de pedel, en die brave
kwam met een kwitantie van de college-gelden.

"_Gerritje, Gerritje_, wat zit je der in," ging de getuige voort.

"Wel een beetje!" antwoordde de gedaagde.

"Neen, niet een beetje!" vervolgde de kwelgeest, "maar machtig veel,
man! Maar als je _mij_ vraagt of je ooit bang genoeg wezen kunt, dan
moet ik zeggen: neen, kerel! Want, weetje, je hebt toch maar slecht
college gehouden; en dan, dat je reis gezeid hebt dat de osteologie
zoo'n droog ding is! Denkje niet dat dat overgebracht is?"

Het slachtoffer deed een poging om te glimlachen, maar hij had geen
genoegen.

"En daarenboven," ging Jean qui rit voort, "wat het ergste is: het
is bekend genoeg dat je een stommeling bent."

"Je steekt er den gek mee," zei Jean qui pleure, "maar waarlijk, ik
weet er minder van dan je denkt. Maar wacht reis; daar gaat de schel!"

Nog één oogenblik, en het slachtoffer sprong van de tafel, volgde
den pedel, die hem de deur der medische faculteitskamer ontsloot,
en trad met een bescheiden tred en lichte buiging voor zijne beulen;
maar de tuchtknaap dribbelde met een luchtigen pas achter hem aan en
zette zich op de harde bank der toehoorders, vrij wat meer op zijn
gemak dan het slachtoffer op den gladden stoel der examinandi.

Drie kwartier daarna werd er weder gescheld, en de jongeling moest
buitenstaan. Bedaard trad hij met zijn satelliet de kamer uit; maar
zoo ras de pedel de deur achter hem sloot, sprong hij een voet hoog
en drukte de hand zijns vriends in toomelooze opgewondenheid. Hij was
een ander man; er was licht in zijn oogen en vroolijkheid om zijn mond.

"Hoe is 't geweest?" vroeg hij aan zijn vertrouweling.

"Minnetjes," zei de ander.

"Leelijkerd!" riep de geëxamineerde uit, hem in den arm knijpende.

"Ik verlies mijn fijne flesch!" hernam de toehoorder; "'t zal mooi
wezen als je den tweeden graad haalt."

"'k Wou ik hem al had," zei de zwartrok, en opnieuw betrok zijn
aangezicht.

Weer ging de schel. De pedel trad de kamer deftig binnen, en kwam de
kamer deftig weer uit. De gedaagde ging zijn vonnis hooren.

"Maak je geen illusie!" fluisterde de vleier hem in.

Met een schijnbaar hoogst kalm gelaat wachtte de geëxamineerde de
uitspraak af. De decanus sprak verscheidene Latijnsche volzinnen uit,
maar hij hoorde ze zonder ze te verstaan; hij wachtte slechts op één
woord; en dat woord kwam: _summâ cum laude_.

"Heb ik het niet gezegd?" zei de vriend, die gezegd had dat hij zich
geen illusies maken moest, als zij samen de trap afstormden, met vrij
wat meer geweld dan zij die waren opgestegen.

"Ik had er een heimelijke hoop op," zei de man, die een fijne flesch
verwed had dat hij "den tweeden" zou hebben.

"Ik kan wel zien dat het goed afgeloopen is," zei de hospita, toen
de candidaat thuis kwam en de trappen opvloog om zich te verkleeden
en een brief aan zijn vader te schrijven. "Ik kan wel zien dat het
goed afgeloopen is," zei ze tot den vriend, die beneden wachten bleef
om vervolgens hem in triomf naar de sociëteit te voeren; "ik heb de
heele week al gedocht, meheer mot zeker een examen doen!--En meheer
heit toch vast simma cum laudis?"

"Ja, juffrouw!" zei de ander, "daar kon je wel zeker van zijn,
ofschoon mijnheer er nooit heel gerust op was.

"Nou, niet waar?" zei de juffrouw, "'t Is een best heer, en knap ook;
maar weetje wat 'et is? hij het geen forducie op zen zelvers; en as
het dan teugen een examen loopt, dan kan die zoo melankerliek zijn;
net als meneer _Possel_, die u zeker nog wel gekend het, dat kleintje,
dat was óók zoo. Als dat een examen doen most: ik en me man, we hebben
menigmaal teugen mekaar gezeid, hij kan wel in een oortjes doosie; hij
_wist_ zijn dingen wel, daar niet van; maar de schrimpeljeuzigheid,
weet u. Ik ben altijd maar blij als U bij meheer komt, want hij is
anders zoo'n vroolijk mensch, net as meheer ook; maar in _die_ dagen
is het dan onnoozel!"

De candidaat kwam beneden en werd door de hospita "wel
gefiliciteerd". Daarop toog het tweetal naar de sociëteit, en
ook daar regende het gelukwenschen, want de candidaat was algemeen
bemind. Slechts werd zijn vreugde verbitterd door een paar jongelui,
die ook van een candidaats zwanger gingen, en hem vermoeiden met
informatien: hoe _die_ en hoe _die_ vroeg, en of _dat_ weten wilden,
en _daar_ diep intraden: op alle welke vragen de candidaat niets
anders antwoordde dan dat het hun mee zou vallen.

De candidaat tracteerde daarop zijn tafel op wijn; en na den eten
kwam er een droski voor, en reed de candidaat met den vriend en nog
een vriend naar den Deyl (het was in Februari) en dronk daar thee;
en 's avonds had de candidaat den vriend van het zweetkamertje, en
den vriend van den Deyl, en nog twee andere vrienden, en een kwart
ankertje cantemerle op zijn kamer, en zat men voor de opgeschoven
vensterramen (het was nog altijd in Februari) vele sigaren te rooken
en vele verhalen op te snijden; en des nachts om één ure sprongen er
kurken van champagneflesschen; en zaten twee der vrienden hoogdeftig
te redetwisten over den besten regeeringsvorm, en traden twee anderen
in een vergelijking van de Kantsche en Hegeliaansche philosophie,
waarvan geen van beiden iets afwist, en stelde een vijfde een toost
in op de harmonie tusschen de faculteiten. En 's nachts om twee uren
waren de vrienden weggegaan, op den vriend uit het zweetkamertje
na, die met kleine oogjes zat te luisteren naar een verhaal dat de
candidaat hem met veel geheimzinnigheid en in diep vertrouwen deed:
hoe hij hartstochtelijk verliefd was op een meisje, dat hij verleden
jaar, op een voetreisje door Gelderland, op het terras van een klein
Buitentje had zien zitten met een witte duif op haar hoofd; en hoe hij
bij juffrouw _Schreuder_ toevallig een vrouweportretje had gezien dat
op haar leek als twee droppelen waters, en hoe hij dat onmiddellijk
gekocht had, en hoe of zijn vriend dat vond? Waarop de vriend van
het zweetkamertje hem zwoer dat hij het aan niemand vertellen zou,
uit vreeze van anders alle Geldersche meisjes, die kleine Buitentjes
bewoonden en witte duiven hielden, op de spraak te zullen brengen. Maar
daarop nam hij het ernstig, en stelde een toost op de lieve dame in,
en de candidaat dronk dien met een traan in de oogen, en de vriend
vertelde daarop dat ook hij dol verliefd was, maar dat hij ongelukkig
in de liefde was, en dat dit al zijn derde verliefdheid was; waarop
het uitkwam dat zijn eerste verliefdheid geweest was op een meisje
in een kostschool, dat hij alle zondagen in de Fransche kerk zag, en
zijn tweede op een meisje dat al in stilte geëngageerd was geweest,
en dat deze derde verliefdheid zich de dochter van een gepensioneerd
kolonel had tot voorwerp gekozen, die "gloeiend _tegen_ hem was"
en hem niet luchten of zien mocht. En over drie uren trok de vriend
de deur van het hôtel des candidaats achter zich toe; en des anderen
daags 's morgens om acht uren werd de candidaat wakker met het zalige
gevoel dien dag geen examen te zullen ondergaan.



Oudervreugde.


Met een geopenden brief in de hand en een glans van genoegen op het
gelaat, begroette de heer _Witse_ zijne gade aan het ontbijt.

"Morgen komt onze candidaat thuis," zei de heer _Witse_.

"Onze wie?" vroeg mevrouw zijne echtgenoote.

"Onze student," antwoordde de heer _Witse_, "maar hij is nu
candidaat. Hij schrijft mij dat hij zijn examen gisteren gedaan
heeft. Het zal wel goed geweest zijn; daar ben ik niet bang voor."

"Wij beleven genoegen aan dat kind," zei mevrouw _Witse_, water op
de thee schenkende. "Is het niet buitengewoon gauw, dat hij examen
gedaan heeft?"

"Zeker, liefste, zeer zeker. Hij is pas vijfjaren te Leiden, en je
moet denken, hij heeft drie jaar gebruikt voor zijn eerste examen...."

"Zijn pro-pae-deutisch, niet waar?" viel mevrouw _Wttse_ met
deftigheid in, trotsch dat zij het moeielijke woord zoo goed had
leeren uitspreken.

"Juist, mijn kind! Dat is een ding daar de meesten luchtig over heen
loopen. Maar _hij_ heeft er zijn werk bijzonder van gemaakt. Hoor
eens, hij kost ons daarginder een handvol geld, maar de medicijnen,
heb ik altijd hooren zeggen, is een dure studie; en hij moet _niets_
verzuimen."

"Maar hoe lang zou hij er nu nog wezen moeten, nu hij candidaat is?"

"Wel, ik weet het niet. Hij wilde er graag de chirurgie en de obstetrie
bij leeren, en dat zal nog wel wat tijd kosten. Maar wie weet waar
hij dan ook geschikt voor is!"

"Zoo, zou je _dat_ denken?" vroeg mevrouw _Witse_, het mes, waar zij
zich een boterham mee maakte, halfweg in het brood latende steken,
en haar man strak aanziende.

"Alles is mogelijk, liefste!" antwoordde haar echtvriend, den brief
nog eens inziende. En een blijde glimlach vertoonde zich op zijne
wezenstrekken.

"Maar staan daar niet zekere jaren voor?" vroeg mevrouw weder,
terwijl zij hare oogen zediglijk neersloeg, en met eene bijzondere
oplettendheid haar boterham in reepjes sneed.

"Wat meenje?" vroeg de heer _Witse_, die hetzelfde meende als zijn
eegade.

"Wel!" antwoordde de goede vrouw, de punt van haar mes met groote
nauwkeurigheid beschouwende, "om zoo 't een of ander te worden."

"Wat een of ander, moedertje?" vroeg de echtgenoot lachende, en van
verlangen brandende het groote woord, dat hijzelf niet uit dorst
spreken, van de lippen van zijn wederhelft te hooren.

"Wel," antwoordde mevrouw _Witse_; "hoe oud was de jonge
hoe-hiet-ie-ook-weer zoowat, toen hij professor wierd?"

"Tut, tut, tut!" antwoordde de heer _Witse_, terwijl zijne oogen van
genoegen schitterden en zijn aangezicht zich zenuwachtig bewoog;
"je moet zoo hoog niet vliegen, moedertje. Als hij maar een knap
dokter wordt, dat is heel wel."

"Dat is ook zoo," hernam zijne vrouw, wie het speet dat zij zich
zoo onvoorzichtig had uitgelaten; "het hoeft ook niet; ik zal heel
tevreden zijn als hij maar gelukkig is in de praktijk. Wij mogen ook
niet alles vergen."

"Wel neen!" zei de heer _Witse_.

"En daarenboven"--ging mevrouw voort--"wie weet of het goed voor
hem zijn zou. Een professor moet immers zoo allerverschrikkelijkst
studeeren?"

"Dat moet hij zeker, vrouwlief!" was het antwoord; "maar dat was voor
onzen _Gerrit_ het minste."

"Ja, dat wil ik ook wel gelooven!" hernam de moeder van _Gerrit_;
"maar toch, ik zei dat daar nu zoo, maar ik kan je eerlijk zeggen
dat ik er nooit over denk."

"Je moet het nu weer zoo heelemaal niet weggooien!" antwoordde
_Gerrits_ vader.

"Neen!" zei _Gerrits_ moeder; "dat nu juist niet."

"Het is meer gebeurd," zei _Witse_, zonder eigenlijk te weten wat
dit beduidde.

"O ja; waarom zou het ook niet plaats kunnen hebben?" zei mevrouw.

"Men kan zich niet _meer_ appliceeren dan _Gerrit_," hernam _Witse_.

"En hij zou, geloof ik, wel veel geschiktheid hebben om te
onderwijzen!" ging _zij_ voort.

"Dat geloof ik ook; en ik denk ook wel dat ze zulke jongelui in
't oog houden," voegde _hij_ er bij.

"Het zou een groot geluk wezen!" merkte _zij_ aan.

"Dat zou het zeker," verklaarde _hij_; "maar je kunt er niet
op aan. Verdiensten worden niet altijd erkend. Net als met die
prijsvraag."

"Maar hij had toch het accessit," zei de moeder.

"Hij had de medaille moeten hebben," zei de vader.

"De gekken krijgen de kaart," zei de moeder, die op eenmaal alles
aan het geluk begon toe te schrijven.

"Het zou goed klinken!" zei de vader; "professor _Witse_!"

"Och kom, _Witse_!" zei de moeder, wier beurt het nu weer was om
nederig te zijn; "vlei er je toch niet mee!"

"Dat _doe_ ik niet!" verzekerde haar echtvriend; "ik zeg maar dat
het mooi klinken zou."

Er volgde een stilte; mijnheer tuurde in 't Handelsblad en mevrouw
zette een boordje van een kous op; maar hun beider gedachten waren bij
het professoraat van _Gerrit_, waarvan zij, elk voor zichzelf, zich
overtuigd hielden, indien maar in dit ondermaansche ware verdiensten
op haar rechten prijs werden geschat.

Een geruimen tijd bleef het gelukkige echtpaar in deze zoete
overdenking verdiept. Daarop brak de heer _Witse_ het stilzwijgen.

"We moesten toch iets ter eere van den candidaat doen, dunkt
me?" zeide hij.

"Dat heb ik ook al gedacht," antwoordde zijn eenstemmige dierbare.

"Een dineetje zou wel aardig zijn."

"Ja; wie al zoo? de _Vernooyen_, dunkt je niet?"

"Best; ik zal ze zelf gaan vragen; en dan de _Van Hoels_
vooràl. Vrijdag is nogal een goede dag."

"Maar we moeten volstrekt mevrouw _Stork_ hebben."

"Die kent _Gerrit_ in het geheel niet," merkte _Witse_ aan.

"Goed!" antwoordde zijn gemalin. "Voor _mijn_ rekening; zij zal hem
wel bevallen; 't is een allerinteressantste vrouw. Weetje wel dat er
bij _Vernooy_ een nichtje gelogeerd is? Dat is ook een vreempje. Nu;
hoe meer hoe liever. Maar dan dienen er nog een paar heeren ook
bij. De jonge _Hateling_?"

"Ik weet niet of _Gerrit_ wel heel _Hateling_-achtig is," merkte
mijnheer _Witse_ aan.

"Hé, waarom zou _Gerrit_ niet _Hateling_-achtig zijn?" vroeg mevrouw;
"'t is een heel aangenaam jongmensch, en ik vind het zoo'n knap
uiterlijk; jongens, 't is zoo'n knap uiterlijk. Je moet denken:
_Hateling_-achtig? Van wien van onze jonge menschen houdt _Gerrit_
nu eigenlijk? Sedert hij op de academie is, gaat hij met niemand van
de Rotterdamsche jongelui meer om."

"Mij is 't wel," zei de heer _Witse_. "En zouden we _Wagestert_
ook niet vragen?"

"Wel zeker! _Wagestert_;" antwoordde zijn eegade: "dan zijn we sekuur
dat het een vroolijk diner wezen zal."

Het diner-project was gereed; en hoewel het ter eere van _Gerrit_
was opgemaakt, was er echter bij de keuze der gasten weinig op zijn
genoegen gelet. Tot verschooning zij gezegd, dat het oogmerk van dit
ouderpaar veeleer was om met den knappen zoon te pronken, dan om den
oppassenden zoon een genoeglijken dag te bezorgen.

De heer _Witse_ ging dien dag reeds vroeg uit om verscheidene bezoeken
af te leggen. Hij deed het met den brief van _Gerrit_ in den zak,
en gaf aan alle huizen, daar hij kwam, breed op van de ongehoorde
kundigheden van zijn zoon _Gerrit_. Er zijn verscheidene wegen om een
zoon of dochter ongelukkig te maken, en de heer _Witse_ had sedert
lang dezen ingeslagen.

Om de waarheid te zeggen, het was 's mans zwakke zijde. De heer _Witse_
was een zeer welgesteld man uit den deftigen burgerstand en notaris
van beroep. Hij had een heel goed en helder verstand en ook veel
verworvene kennis; maar zijne denkbeelden omtrent de meerderheid van
een gestudeerd persoon waren alleroverdrevenst. Men kon niet zeggen
dat hij zijn zoon als kind bedorven of over het paard getild had, want
hiertoe was hij te beredeneerd geweest; hij had den jongen _Gerrit_
eene zeer goede opvoeding gegeven en hem wèl onder den duim gehouden;
maar zooras hij als student was ingeschreven, had hij de onbepaaldste
hoogachting voor hem opgevat, in welke hoogachting de moeder zeer
genegen was te deelen, daar de jongeling haar eenige spruit was. Haar
kundige man, die algemeen om zijn helder hoofd geacht werd, geloofde
_niets_ te zijn in vergelijking met een zoon, die ja, zich altijd
zeer op zijne studiën bevlijtigd had, maar toch wellicht nog in vele
opzichten beneden hem stond, vooral in punten waar het op een klaar
inzicht en juiste onderscheiding aankwam. De beste zijde van 's mans
overtuiging in dezen was, dat zij hem zeer liberaal denken deed over
alles wat de studiën en bekwaamheden van _Gerrit_ kon uitbreiden en in
de hand werken; _Gerrits_ bibliotheek was een van de beste die ooit
een medisch student bezeten had, en dat hij, na zijn graad verworven
te hebben, Berlijn en Parijs zien zou leed geen twijfel.



Meisjeskwelling.


_Klaartje Donze_ zat in de zijkamer van mijnheer en mevrouw _Vernooy_
in de vensterbank en maakte een schelkoord voor den aanstaanden
verjaardag van haar vader, en hief tusschenbeide haar lief gezicht
op, om eens op de Hoogstraat te kijken, maar keerde het meestal
teleurgesteld weder af en tot haar werk.

_Klaartje Donze_ was een frissche, vroolijke, prettige Geldersche
deerne, van nog geen achttien jaar. Zij had bruin haar, in vele lange
krullen langs haar wangen nedervallende en voor het overige in een
zware vlecht op haar hoofd saamgestrengeld, een sneeuwwit voorhoofd,
groote, blauwe oogen met een heldere tinteling en vrijmoedigen opslag,
blozende wangen, en een mondje zoo pleizierig geplooid, dat men niet
wist wat men er liever van krijgen zou, een kus of een zoet woordje.

_Klaartje Donze_ was buiten opgevoed, had als kind alle jaren het
eerste groen gezien, kippen, eenden en goudvisschen gevoerd, den
kuifbal geslagen en, zoolang zij een pantalon droeg, schrijdelings op
een hit gereden. Zij kende alle soorten van boomen onderscheidelijk,
en wist daarenboven wat ze waard waren. Zij kreeg alle jaren te Paschen
een pot-lammetje en hield op den zolder meer dan twintig duiven die uit
haar hand aten. Zij groette de knapen van het dorp niet als "mannen"
of "vrinden", maar als _Jannen, Henken, Koerten_, of hoe zij heeten
mochten. Zij zag niet op tegen een beetje sneeuw of een beetje vorst,
en had honderdmaal in haar jong leven in een regenbui zitten hengelen.

_Klaartje Donze_ was sinds eenige dagen bij oom en tante _Vernooy_
te Rotterdam gelogeerd. Zij was nog nooit in Holland geweest en had
zich machtig veel van het logeeren in eene stad als Hollands tweede
koopstad voorgesteld. De donkere Hoogstraat was haar zeker vrijwat
tegengevallen, en ook wist zij niet dat keien en klinkers zóó vuil
konden wezen, als die van Rotterdam bij slecht weer doorgaans zijn,
wanneer het is (ik gebruik de uitdrukking van eene lieve Rotterdamsche
zelve) alsof het waterchocolade geregend heeft. Een paar malen was zij
uitgeweest. De breede Blaak met hare menigte van winkels, de Boompjes,
en de vroolijke Wijnhaven, met hare schijnbaar door elkander gewarde
schepen met kleurige wimpels en nommervlaggen, de deftige Leuvehaven,
met hare statige huizen, bevielen haar nogal; maar het Nieuwe Werk
vond zij de moeite niet waard een wandeling genoemd te worden, en
de Plantage telde zij onder de omstreken van Gorkum. Meest behaagde
haar het ruime riviergezicht op het Hoofd; maar oom _Vernooy_,
die het haar deed genieten, vond het er te winderig en moest er den
rug aan toekeeren, terwijl zij met een lachend gezicht den wind liet
begaan, die de strikken van haar hoed deed plapperen tegen de luifel,
en de tip van haar sjaal achter haar opdreef. Voor het overige liep
zij met meer gerustheid achter de paarden in haar vaders stal, of
onder de koeien op haar vaders weide, dan in het gedrang van eene
Rotterdamsche straat, waar hooren en zien haar verging van de menigte
van "óverrijwagens", die zij altijd meende dat het opzettelijk op
hare teenen gemunt hadden. Meer dan akelig vond zij het, wanneer
(als in de Kleine Draaisteeg geschiedde) de grond zich plotseling voor
haar voeten opende, of smerige pakhuisknechts met rollende vaten haar
gedurig noopten de toevlucht te nemen tot een of andere stoep, en als
er van oogenblik tot oogenblik iets uit de lucht werd nedergelaten,
dat _van onderen_ scheen genoemd te worden.

Haar oom en tante meenden het zeer wel met _Klaartjen_ en waren
allerbeste, hartelijke menschen, die haar met veel nadruk te logeeren
gevraagd hadden, bij gelegenheid dat zij hare ouders in den verleden
zomer op een klein toertje naar Kleef een bezoek hadden gegeven; maar
zij namen juist niet veel deel aan de vermaken der stad. _Klaartje_
had gehoord dat er te Rotterdam een schouwburg was, waar de Hollandsche
en de Fransche acteurs uit Den Haag beurtelings het tooneel betraden,
en niet minder dan drie concertzalen. Dien ten gevolge had zij zich
voorgesteld dat deze établissementen machtig veel tot haar genoegen
zouden bijdragen en haar op een gansch nieuwe wijze vermaken. Mijnheer
_Vernooy_ was de goedhartigste koopman, die ooit op twee beenen liep,
en zijne even goedhartige vrouw hoorde nooit een boos of onaangenaam
woord uit zijn mond; hij was altijd even joviaal en opgeruimd, maar des
avonds als hij zijn kantoor sloot, toog hij naar de sociëteit Amicitia
en maakte daar zijn vast partijtje; daarop kwam hij met slaan van
tienen thuis, en was dan weer even goedhartig en joviaal als toen hij
uitging; maar van schouwburg of concert was intusschen niets ingekomen.

Deze teleurstellingen maakten evenwel de lieve _Clara_ niet
neerslachtig. Zij bleef de haar eigene blijgeestigheid behouden,
ofschoon zij nu en dan wel eens naar huis verlangde, al was het maar
alleen om te weten of de duiven haar nog zouden kennen.

Nu zat zij in de vensterbank aan de donkere Hoogstraat, en dacht aan
buiten, en keek dan weer eens naar de straat, en verwonderde zich
over het aantal malen dat een lantarenvuller door de volksmenigte
in het uitoefenen van zijn beroep werd gestoord. Het was omstreeks
twaalf uren, en het koffiegoed stond op tafel.

Mevrouw _Vernooy_ kwam binnen. Zij was een dikke dame van een veertig
jaar met een rozerood gezicht en eene belangrijke onderkin en die,
als zij sprak, eene rij zeer groote witte tanden ontblootte. Zij
droeg eene heele blonde toer onder hare muts, en was gekleed in eene
schotschmerinossen japon met aanmerkelijke ruiten. Stilzwijgend zette
zij haar sleutelmandje op tafel neer, en begon koffie te zetten.

"Nu, _Klaartje_," zeide zij, terwijl zij water opgoot, "er is goed
nieuws. We hebben een prettig vooruitzicht tegen overmorgen."

"Tegen overmorgen, tante?" zei _Klaartje_, het schelkoord op de
vensterbank neerwerpende en een vroolijk gezicht toonende.

"Ja," antwoordde mevrouw _Vernooy_; "raad eens wat?"

"We gaan naar de comedie."

"Neen kind! er _is_ vrijdag geen comedie."

"Naar het concert?"

"Mis, mis!" zei tante, en bang dat er nog meer vermakelijkheden van
die soort in de weelderige verbeelding van haar nichtjen op zouden
komen, voegde zij er bij: "we gaan uit dineeren."

"Uit dineeren," hernam _Klaartje_, een weinig ternedergeslagen;
"en bij wie?"

"Ja, dat is het punt! bij wie?"

"Dat kan ik onmogelijk raden."

"Nu, ik zal 't je dan maar zeggen: bij de familie _Witse_. _Gerrit_
is overgekomen... Nu, _Klaartje_, bloos maar zoo niet."

"Lieve tante, ik bloos in het geheel niet," zei _Klaartje_, opstaande
en in den spiegel kijkende, "ik heb immers den man nooit in mijn
leven gezien!"

"Dat's goed; maar je hebt genoeg van hem gehoord," hernam tante met
een lachje; "en hij interesseert je _wel_."

_Klaartje_ liet tante praten, en nam haar schelkoord weer op.

Inderdaad, het was alles behalve eene onwaarheid dat de lieve meid
genoeg van den jongen _Witse_ vernomen had. Mevrouw _Vernooy_
was eene goede vrouw, ik geloof dit reeds te hebben opgemerkt;
maar die juist niet gebukt ging onder overmaat van verstand. Zij had
volstrekt geen kinderen, schoon haar welvarend voorkomen de spotternij
had uitgelokt dat zij er wel gehad, maar ze even als _Saturnus_,
heidenscher gedachtenisse, opgegeten had; en daar ze twee meiden hield,
die nog daarenboven door een naaister, een werkster, en een oppasser
ondersteund werden, was haar leven vrij gemakkelijk, liever nog: zij
had niets te doen. Van lectuur hield zij juist niet bijzonder veel,
behalve als zij ziek was, iets dat haar zelden gebeurde, en daar zij
zich toch gaarne ergens mee vermaakte, had zij er hare zinnen op gezet
te bestudeeren, welke menschen te Rotterdam en elders alzoo geschikt
waren om tezamen in het huwelijk te treden. Veelal leidden deze
berekeningen tot geen degelijk resultaat; maar nu een mooi nichtje
te logeeren hebbende, kon ze niet nalaten haren in dit opzicht zoo
speculatieven geest met deze bezig te houden, met het vaste voornemen
de slotsom harer overdenkingen, indien mogelijk, te verwezenlijken. Na
lang rondzoeken, reeds voordat _Klaartje_ gekomen was, en na haar in
gedachten meer dan tienmaal telkens met een anderen bruidegom voor het
altaar te hebben gebracht, was zij eindelijk stil blijven staan bij
het denkbeeld dat de jonge student _Witse_ een geschikte partij voor
haar nichtje zou zijn. Deze was een jaar of vijf ouder dan zij; zijne
ouders bezaten een redelijk vermogen, en behoorden daarenboven tot
hare beste vrienden, waartoe hoofdzakelijk medewerkte dat er niemand
in de gansche Erasmiaansche stad gevonden werd, die geduldiger en
liefderijker de lofredenen op den knappen zoon aanhoorde dan de heer
en mevrouw _Vernooy_. Toen zij dit huwelijk alzoo bij haarzelve had
vastgesteld, kon zij zich onmogelijk in de toekomst eenig geluk voor
_Klaartje_ denken tenzij het werkelijk, eerst voor den burgerlijken
stand voltrokken, en vervolgens door haar lievelingsprediker ingezegend
was, en begon het ook langzamerhand tot de artikelen van HEd. geloof
te behooren dat het in den hemel aldus was besloten. Zij twijfelde er
dan ook geen oogenblik aan of _Gerrit_ zou tijdens het verblijf van
_Klaartje_ wel eens overkomen en pijnigde zich met te willen uitspeuren
hoe deze overkomst desnoods door te drijven zoude zijn. Ongedachtig
aan de woorden van haar grooten tijdgenoot _Napoleon Buonaparte_
(van wien zij, in 't voorbijgaan gezegd, nog niet volkomen geloofde
dat hij volkomen dood was), dat niets de harten zoo zeer bekoelt als
de vurige geestdrift van anderen, was zij begonnen om dagelijks op
zeer ongepaste oogenblikken, uit een open reden, den roem van den
jongeling uit te meten, en gebruikte daartoe alle de lofredenen, die
zij uit den mond van mijnheer en mevrouw _Witse_ had opgevangen; en
daar deze met verwonderlijke eenstemmigheid op het punt van _Gerrits_
knapheid nederkwamen en inhielden hoe werkzaam _Gerrit_ was, en
hoe verstandig _Gerrit_ zich te Leiden onder de jongelui gedroeg,
en hoe gezien _Gerrit_ bij zijn professoren was, en hoe _Gerrit_ in
alle wetenschappen thuis was, kreeg de blijhartige _Clara_ natuurlijk
geen ander denkbeeld van den bewierookten jongeling dan dat van een
ondragelijken pedant, een soort van wezen, 't welk in hare oogen
wel het alleronuitstaanbaarste aller creaturen mocht geacht worden;
weshalve zij zich wel gewacht had naar het uiterlijk van dezen onmensch
te vragen, bij zichzelve vaststellende dat het niet anders kon of
hij moest sprekend op den bleeken ondermeester van het dorp in haars
vaders nabuurschap gelijken. Mevrouw _Witse_ had de dwaasheid gehad,
zonder _Gerrits_ weten, daar hij zelfs niet vermoedde dat zijn goede
mama dergelijke prullen bewaard had, afschriften te verspreiden van
een paar versjes, die _Gerrit_ op zijn twaalfde jaar gemaakt had en die
natuurlijk middelmatig waren, maar zooals verzen van kinderen meestal,
in zulk een hoog ernstigen toon geschreven en zoo vol van dood en
eeuwigheid, dat _Klaartje_, aan wie zij getoond waren, er in haar hart
vreeselijk om gelachen had. Het vooruitzicht derhalve van met dezen
wonderman aan ééne tafel te zullen zitten, wond haar volstrekt niet
tot dien graad van opgetogenheid op, waar hare tante op gerekend had.

"Het zal zeker een heel feest zijn," ging deze waardige dame voort, om
_Klaartje_ tot grooter verrukking te nopen; "_Gerrit_ is gepromoveerd."

"Hola, hola, vrouwlief!" viel de heer _Vernooy_ in, die juist
binnentrad: "zoo ver is 't nog niet."

"Ja wel!" zei mevrouw _Vernooy_, die voor iedere afdinging bang
was. "Ja wel, schatlief; hij is gepromoveerd."

"Waarlijk niet," antwoordde haar man, zich in zijn armstoel vlijende,
"maar hij heeft een examen gedaan. Een heel groot examen. _Witse_
heeft me verteld dat het twee dagen geduurd heeft;--maar hoe het examen
heette, dat ben ik vergeten. Zooveel is zeker: den eenen dag heeft hij
een heel lijk ontleed, en den anderen dag heeft hij ... enfin! heeft
hij weer wat anders gedaan, maar alles even knap."

"Ba," zei _Klaartje_; "een lijk."

"Hij heeft zeker de hoogste?" vroeg mevrouw _Vernooy_.

"De hoogste wat?" vroeg haar man.

"De hoogste ... och, hoe hiet het ook weer? Ik meen het hoogste,
weetje, het allerhoogste; zoo veel als, zal ik maar zeggen, zooveel
als primus op 't Latijnsche school. Hij was alle jaren primus. Weetje
wat primus is, _Klaar_?"

"Neen, tante!" zei _Klaartje_, die het zeer wel wist, maar meteen
allereenvoudigst gezicht.

"Primus is," antwoordde tante op goelijken, onderwijzenden toon,
"als men de hoogste is van zijn klasse, maar dan op 't Latijnsche
school, weetje. Dan is er prijsuitdeeling in de Fransche kerk, en
dan doen al de primussen gratiassen. Weetje wat een gratias is?"

"Neen, tantelief."

"Heden, weetje niet wat een gratias is?" vroegen mevrouw _Vernooy_
en haar echtgenoot tegelijk.

"Waarlijk niet."

"Gunst, weetje dàt niet?" ging de tante voort; "het is een bedankje
voor den prijs. Ik ging altijd met mevrouw _Witse_ mee, als het
prijsuitdeeling was; maar het heette dan eigenlijk promotie. Jongens,
_Gerrit_ deed het zoo mooi; maar me hart kon kloppen als hij op moest
komen. Ik heb lang geweten wat de rector dan zei: hoe was 't ook weer?"

"Ja," zei _Vernooy_, "hoe was 't ook weer? _Acide_ _Witse_..."

"_Et excipe pryzia_," viel de gedienstige echtgenoote in. "Ja _Klaar_,
ik ken ook me Latijn. Weetje nog wel van op één na den laatsten keer,
_Vernooy_?"

"Wel zeker!" antwoordde deze met rustigheid, ofschoon al
de verschillende keeren voor zijne herinnering vrij verward
dooreenschemerden.

"Hij was de langste van al de jongens!" ging zijne gade voort. "O,
het stond zoo grappig; één zoo'n lange jongen onder al die kleine. Maar
hij was ook de eenigste die een rok aanhad. En de nieuwe handschoenen;
weetje wel, _Vernooy_?"

"Ja," zei _Vernooy_ met een lief lachje, dat hij niet wist thuis te
brengen, "met de nieuwe handschoenen."

"Ze droegen toen," vervolgde zijn wederhelft, "van die heele gele
handschoenen; dat herinnerje je nog wel, _Klaar_! _patte de canard_,
weetje? Nu, die had _hij_ ook aan; wat stond het hem lief; als zoo'n
eerst fatje! Maar je kondt goed zien dat ze nieuw waren; met zulke
platte toppen, je weet wel!"

"Ja, zulke lange platte toppen," lachte _Vernooy_. "Ja, wat gebeurde
er ook weer met die handschoenen?"

Dit was gewaagd. De heer _Vernooy_ bouwde op de enkele, hoezeer
wel eenigszins opgevijzelde, vermelding van een paar eendepootgele
handschoenen de vermetele onderstelling dat zij waarlijk een
historische rol hadden gespeeld, terwijl zij niets dan een lijdelijk
sieraad waren geweest, volstrekt niets dan een lijdelijk sieraad,
voor den jongenheer _Witse_.

"Hoe meenje dat, _Vernooy_?" vroeg zijne gade met bevreemding. "Er
gebeurde niets mee, voor zooveel ik weet."

"Ja wel!" antwoordde de gemaal, bloedrood wordende en zijn kopje
uitdrinkende om zijne verlegenheid te verbergen: "jawel, er gebeurde
iets met die handschoenen. Liet hij ze niet zoo gek vallen of zoo? Ja,
daar staat me iets van voor."

Tante had gedurende deze flauwe herinnering altijd door ongeloovig
het hoofd geschud. "Nu, dat weet ik dan niet," zei ze daarop; "dat
weet ik dan niet; ik weet wèl dat het mooi was om hem te zien; ik
kon er niets van verstaan, dat voelje, _Klaar_, want het was alles
Latijn... of was het ook Grieksch, _Vernooy_?"

"Ja," zei _Vernooy_, zijne wenkbrauwen veel beduidend samentrekkende:
"als ik mij wel bezin, geloof ik dat het Grieksch was."

"Nu, dat doet er niet toe. Ik mocht het graag zien. Dan wees hij met
zijn handen op de tafel, waaraan de ... hoe hiet het ook weer? zaten."

"Curatoren," vulde _Vernooy_ aan.

"En dan lei hij zijn hand op zijn hart, en dan stak hij ze rechtop;
want er kwam van den hemel in; en alles zóó netjes, zóó knap, en
zóó gracieus..."

"En alles met handschoenen _patte de canard_?" vroeg het schalke
_Klaartje_.

"Alles met handschoenen _patte de canard_," ging tante voort, in haar
goelijken ijver om haar nichtje door alle mogelijke woorden, wenken,
en tafereelen voor den jongen _Witse_ te interesseeren; "het was een
lust om te zien. Verscheiden menschen zeiden dat _hij_ 't het mooist
van allen deed. Het ging ook zonder een woord te haperen."

"Maar wat was het ook weer met die handschoenen?" prevelde _Vernooy_;
"me dunkt toch..."

"Och kom!" zei mevrouw, bevende dat die gedroomde handschoenenhistorie
nog eene schaduw werpen zou op de bevallige schilderij, die zij van
_Gerrit_ als knaap had opgehangen; "je verwart het met wat anders. Er
was heusch niets van. Ik weet _wel_ dat we gelachen hebben om dien
kleinen jongen, die zoodra hij het boek in zijn hand had, zich
omdraaide en naar zijn plaats ging, en de heele gratias vergat."

"_Dat_ zal het geweest zijn," zei de goedhartige echtgenoot, die blijde
was iets te kunnen aangrijpen dat zijne onvoorzichtige herinnering
overschaduwde. "Ja, ja, die kleine jongen; ik zie hem nog duidelijk
vóór me."

"Maar zeg, tante," vroeg de Geldersche zoo naief als zij kon,
"mijnheer _Witse_ heeft _nu_ toch geen prijs gekregen, wel?"

"Wel neen, kind! aan de academie--wel foei! Of het zou een medaille
moeten geweest zijn," liet zij schielijk volgen, om ook van deze
wending partij te kunnen trekken; "heb je _daar_ ook van gehoord,
_Vernooy_?"

"Neen," zei _Vernooy_, "neen, dat's 't geval niet--men krijgt bij
zoo'n gelegenheid een graad."

"Nu, juist, een graad; daar wilde ik je hebben. Naar dat woord heb ik
daareven gezocht. _Gerrit_ is zeker van den hoogsten graad, niet waar?"

"Zeker, zeker," zei de heer _Vernooy_; "ja, wel zeker. Ja, dat heeft
hij ook geschreven."

De lezer weet beter; maar _Vernooy_, die gaarne iedereen en vooral zijn
vrouw zooveel mogelijk gelijk gaf, verzekerde dit uit den overvloed van
zijn goedig hart, ex merâ conjecturâ. Dat evenwel deze bijzonderheid,
in de schatting der eenvoudige _Clara_, den genadeslag gaf aan den
persoon van _Gerrit Witse_, dien zij zich nu onmogelijk anders voor
kon stellen dan als den verwaanden wijsneus met de gele handschoenen
van de promotie, spreekt vanzelf en wordt door een ieder gevoeld die
aan neuswijze knapen en gele handschoenen een hekel heeft. Lang had
zij zich goed gehouden; maar nu moest zij eens met blijkbare ironie
spreken.

"Nu," zei _Klaartje_, "ik verlang ijselijk om dat wonder van
geleerdheid toch eens te zien."

"Zieje wel, dat je toch wel verlangt," antwoordde haar tante,
die het alweer ten besten opnam. "Daar bloosje alweer. Nu zulje me
toch niet weer opstrijden dat je niet bloost, meisje. Wat zeg jij,
_Vernooy_? bloost ze niet _razend_?"

"Allerverschrikkelijkst," antwoordde _Vernooy_. En zeker, het
moest allerverschrikkelijkst wezen, indien de goede man, die
een slecht gezicht had, het konde opmerken; vooral wanneer men
bedenkt dat _Klaartje_, in de schaduw van een overgordijn, met
den rug naar het venster zat, en dat wel naar een venster in de
Rotterdamsche Hoogstraat, straat waarin, naar het getuigenis der
oudste Hoogstratenaars, de zon nog nooit geschenen heeft.

"_Klaartje_," zei oom, die wel van plagen hield, "je moet oppassen,
meid! dat hij niet met je hartje strijken gaat, hoor!"

"Dat heeft geen nood, oom."

"Nu, ik ben benieuwd wat daar nog van komen zal," zei tante; "bewaar
het goed, kind!" En zij hoopte dat deze vermaning voor het jonge
meisje zooveel zeggen zou als: Werp het den jongeling hals over kop
voor de voeten.

In dat geval stond de kans zeer slecht, want _Klaartjes_ tegenzin
had zich hoe langer hoe vaster geworteld.

"Zoo'n wijs heer zal op mij niet letten!" zei _Klaartje_ overluid,
"en ik ben ook tegen zooveel geleerdheid niet opgewassen." In stilte
dacht zij: "Al was hij zoo wijs als _Salomo_, hij zal er bij mij niet
aan hebben; ik zal den verwaanden gek mijn rug toedraaien."

Zoo onschadelijk was de koppelliefhebberij van tante _Vernooy_.



Vrienden-hartelijkheid.


De dag van het groote feestmaal ter eere van _Gerrit Witse_,
Med. Cand., die, als den lezer uit onze schets gebleken is, ten
opzichte zijner verdiensten zoo geheel anders dan zijne ouders was
gestemd, was aangebroken.

Het was omstreeks drie uren na den middag, dat de jongeling bezig
was zijn toilet te maken. Was het dat hij tegen de pleizierigheid van
dezen dag als tegen een berg opzag, te welker gelegenheid zijne ouders
waarschijnlijk tot walgens toe met hem zouden wenschen te pronken? Was
het dat hij zich het geeuwende schrikbeeld der verveling voorstelde,
waarmede hij zou hebben te worstelen in een kring van menschen, waarvan
de meeste hem onverschillig lieten en de overige hem ergerden? Was
het een dezer gewaarwordingen afzonderlijk, of was het wellicht een
aangenaam mengsel van beide, dat hem in het werk des kleedens zoo
langzaam deed voortgaan, en hem nu en dan een aanmerkelijke poos
deed verwijlen met een kleedingstuk in de hand, of doelloos uit het
raam staren of, zonder vermoeid te zijn, op een stoel nedervallen,
met al de verschijnselen van het levensverdriet?

Eene sierlijke inleiding, opzettelijk geschreven om u van de ware
oorzaak af te Leiden. Deze was geene andere dan dat zijne gedachten
met een voorwerp vervuld waren, verre verheven boven het geurig stuk
zeep of het schoone overhemd, of de satijnen das, die hij beurtelings
in de hand nam. Hij had dien morgen het Leesmuseum bezocht. Wanneer hij
zich voor een dag of wat in zijn vaderstad bevond, was het Leesmuseum,
waar de oude heer _Witse_ ook lid van was, steeds zijne toevlucht. Daar
stelde hij zich altijd weer voor, dat hij zijn tijd op een aangename
wijze zou kunnen doorbrengen, ofschoon de uitkomst hem meestal
teleurstelde. Met gespannen verwachting trad hij er op de leestafel
toe, maar bemerkte meestal tot zijn smart dat die tafel, behalve
de Lloyds-list en de Oost-Indische Courant en het Heerenboekje, niet
anders vertoonde dan hetgeen hij te Leiden gewoonlijk dan reeds gelezen
had; hetzelfde nommer van de Letteroefeningen, met hetzelfde aantal
steken op "de jonge dichters" (ik meen "dichtschool"), en dezelfde
zeer huiselijke beeldspraak van "ongare kost, keurige schotels,
goed gekruid, sterk aangezet" en wat dies meer zij; denzelfden Gids,
met dezelfde beweringen omtrent het ongepaste dat Holland graven
en ridders gehad heeft, omtrent den bloeitijd van _Jan_ (een alias,
dien hij ons voor de Hollandsche natie opdringt) en het leelijke van
de rhetoriek, met en benevens dezelfde citaten uit het vorig nommer;
hetzelfde Leeskabinet, met denzelfden groenen omslag, en dezelfde
Boekzaal der Geleerde Wereld, met een versjen op de begrafenis van
Ds. die en die, en op het vijftigjarig bestaan van Ds. zoo en zoo. Dan
keerde hij zich tot de nieuw uitgekomen boeken. Ook van deze had hij
er reeds, dank zij den gedienstigen zorgen van één _Van der Hoek_
en een half dozijn _Hazenbergen_, vele gezien, en de andere schenen
hem te lijvig toe, om in zoo weinige dagen klein te krijgen. Meestal
kwam het daarop neer, dat hij dan toch maar de voorreden van een paar
Fransche nieuwtjes ging zitten lezen, waarin de schrijver beweerde
dat hij met zijn geweten was te rade gegaan, om een zeer zedeloos,
met zijn kunstgevoel, om een zeer smakeloos boek te schrijven. En zoo
was hij dezen morgen verdiept geweest in het lezen van de voorrede
van _Victor Hugo's_ Ruy Blas.

Deze voorrede, hoe sluitend en klevend, bondig, krachtig en boeiend
de redeneering ook zijn mocht, was niet zóó, of zij liet hem wel
éénige oogenblikken los, om zijne oogen te laten weiden, nu eens over
de Beursbrug, dan eens over de Blaak die, door een aardig zonnetje
beschenen, er nog al heel opwekkelijk en pleizierig uitzag. En op
eenmaal (ik zal het maar kort maken), daar ziet hij duidelijk de
schoone, die hij in "het paradijs van Nederland", als de blinde _Moens_
zingt, met de witte duif op het hoofd had gezien; de schoone, die
hij slechts eenmaal had aangeblikt, en die hij volstrekt niet kende,
't geen een reden te meer was geweest om gestadig over haar te denken,
ja! te mijmeren, ach! te dwepen.

Ik zal niet zoo vermetel zijn te beweren dat het boek hem uit de
handen viel, want daar behoort nog ongelijk meer toe; neen! maar
hij wierp het neder; hij wierp het neder, hij nam zijn hoed, hij
trok zijn handschoenen aan, vloog de trappen van het Leesmuseum af,
stormde de deur uit. De schoone, van de Beursbrug komende, was de Blaak
opgegaan en had zich dus rechts gekeerd. Zal hij haar nawandelen? Neen;
hij kent al het onaangename van de luifels der hoeden. IJlings slaat
hij den hoek om, ijlt de Gapersteeg door, draaft langs de Wijnstraat,
galoppeert door de Posthoornsteeg en komt, bedaard en met een gezicht
alsof er niets gebeurd was, de Blaak weder opwandelen. Zij is het
waarlijk. Ja, dat vroolijke gezicht, die vriendelijke mond, die
speelsche uitdrukking van oogen! Hij groet haar. Hemel en aarde! zij
heeft hem teruggegroet. Een paar huizen verder staat hij stil, en tuurt
haar lieve houding na, en bewondert met een verliefd oog haar vluggen
gang. Zij steekt de Houtbrug over; hij staart haar na totdat zij in de
Keizerstraat verdwijnt. Nu stuift hij weder voort en naar het Museum
terug, de trappen op; daar ligt Ruy Blas nog; werktuigelijk neemt hij
zijn vorige houding aan en het boek op. Dat was verbijstering. Hij
had haar moeten nagaan, moeten weten waar zij bleef. Hij keert op
zijne schreden terug, de Houtbrug over, de Keizerstraat door. Hij
ziet haar niet meer; haar spoor is uitgewischt. Verliefder dan ooit
en op zichzelven ontevreden, loopt hij de geheele stad door en tuurt
in alle ellewinkels, of hij het groenzijden wintergewaad ook weer
te ontdekken krijgt, dat hem zoo hevig heeft aangedaan, of een hoed
van bruin satijn, met een enkele struisveder, die de plaats bekleedt
waar hij weleer de witte duif heeft zien nederzitten, die hij zoozeer
heeft benijd. Te vergeefs! Nergens, nergens, voor geen venster is
zij te zien, de schoone... ja! hoe heet zij? Hij weet er niets van,
en lacht over zijn dwaasheid. Zoo keert hij huiswaarts.

In deze stemming vinden wij hem op zijn kamer. Maar neen! Er is
een straal van hoop in zijne ziele opgegaan. De berekeningen van een
mensch in _Witses_ toestand zijn stout. Er was bij den heer en mevrouw
_Vernooy_ een jong meisje gelogeerd, een nichtje, welker naam hij
niet kende; den naam der schoone Geldersche kende hij evenmin!... Dat
was een punt van overeenkomst. Zij kon het zelve wezen; en _indien_
zij het ware, het was hem meer waard dan de eerste graad bij alle
mogelijke examina.

Onder zulke gedachten geraakte hij eindelijk gereed, nadat hij reeds
eenmaal zijn das uitvoerig had omgestrikt, eer hij zijn overhemd nog
aanhad, en later zijn rok had aangetrokken, voor hij nog eerst het
noodige laagje gelegd had met zijn satijnen vest.

Hij kwam beneden. Er waren reeds gasten aanwezig. Hij hoorde hunne
stemmen in de zijkamer. Met een kloppend hart opende hij de deur.

"Daar hebben we onzen candidaat!" riepen papa en mama tegelijk. De
candidaat boog zich voor mijnheer en mevrouw _Van Hoel_.

Mijnheer en mevrouw _Van Hoel_ waren menschen van omstreeks vijftig
jaren, waarvan ze er vijfentwintig in den huwelijken staat hadden
doorgebracht. Zij behoorden tot den deftigen koopmansstand en ZEd. was
wat men een man van gewicht noemt. Hij keek op de sociëteit zeer
ernstig en als zeer veel macht hebbende rond, en was er op straat zeer
op gesteld dat men hem groette; eene eer die hem, het fortuin dat
hij gemaakt had in aanmerking genomen, ook ten volle van de geheele
wereld toekwam. Mevrouws toon en deftigheid hadden met den aangroei
van haar eegaas vermogen gelijken tred gehouden en zij was eerst een
pretentieuse, daarna wat men eene _heele_ vrouw noemt, en nu bijna
ongenaakbaar geworden. Het waren zeer oude kennissen van mijnheer en
mevrouw _Witse_; en toen beide echtparen nog jong waren, zagen zij
elkander bijna dagelijks, hielpen de dames elkander hare japonnen
knippen en gingen de heeren te zamen uit visschen. Deze overdreven
hartelijkheden hadden echter gaandeweg opgehouden, naarmate, om een
platte uitdrukking te gebruiken, de _Van Hoels_ de _Witses_ waren
over het hoofd gegroeid; maar toch kon er nog nimmer een belangrijk
feest gevierd worden bij een van de beide familiën, of zij noodigden
elkander over en weer; zij waren voor elkaar een noodzakelijk kwaad. De
oorzaak der verkoeling moet echter niet alleen in de uitbreiding van
des heeren _Van Hoels_ vermogen gezocht worden; nog eene andere kleine
omstandigheid had daar schuld aan; want, gelijk de heer _Witse_ zoo had
ook de heer _Van Hoel_ een eenigen zoon, en het is wel bekend dat er
niets doodelijker is voor vriendschappelijke betrekkingen dan kinderen,
vooral als zij volwassen beginnen te worden. _Witse_ had een knappen,
oppassenden jongen, den roem van alle scholen, en daarna een sieraad
der academie; terwijl de zoon van mijnheer en mevrouw _Van Hoel_
een eigenzinnige domkop was, waar niets van was te maken, en die
zich, tot jaren van onderscheid gekomen, al spoedig als een losbol
onderscheidde en naar de Oost was gezonden, omdat men niet wist wat
er hier mee uit te richten. Zoo kwam het bij, dat mijnheer en mevrouw
_Van Hoel Gerrits_ natuurlijke vijanden waren geworden. Zoo kwam het
bij, dat de heer _Van Hoel_ nooit een brief van zijn zoon ontving,
waarin deze, als bewijs hoe goed het geld, dat zijn vader hem moest
overmaken, geplaatst werd, breed opgaf van het telkens verbeteren
zijner vooruitzichten en van de bewonderenswaardige stappen, die hij
tot zijne fortuin maakte, of hij haastte zich dit op de sociëteit
Amicitia luidkeels mede te deelen, en zulks liefst aan het tafeltje
naast dat, waaraan de heer _Witse_ zich in 't Handelsblad verdiepte,
met bijvoeging, "dat men niets beters doen kon dan zijne kinderen
naar de Oost te zenden, en niets dwazers dan ze te laten studeeren,
waardoor ze niet dan eene zeer late carrière maakten; daar hadje bij
voorbeeld de jonge doctoren!" Zoo kwam het bij, eindelijk, dat er nooit
of nimmer een wilde studentenpartij, een klein straatgeruchtje of iets
dergelijks had plaats gehad, niet noemenswaardig in vergelijking van
het groote landgerucht dat het daarna maken moest, of mevrouw _Van
Hoel_ kon het niet langer uitstellen mevrouw _Witse_ eens een bezoek
te brengen, bij welke gelegenheid zij haar dat nieuws mededeelde,
met vele verzuchtingen haar beklagende dat zij nog in de onzekerheid
was of haar zoon er al of niet was bijgeweest, en "maar hopende,
hartelijk hopende, dat dit het geval niet mocht geweest zijn; hij
was _hier_ wel voor een knappen, heel knappen, braven jongen bekend;
maar men kon het toch nooit weten! En te Leiden!... Och, de jongelui
werden er zoo spoedig bedorven."

De candidaat boog zich voor mijnheer en mevrouw _Van Hoel_.

Na de gewone begroeting, waar nu ook nog een compliment met
het volbrachte examen bijkwam, waarbij de heer _Van Hoel_ den
hartelijken wensch voegde dat dit een stap nader mocht zijn tot eene
spoedige promotie en eene briljante praktijk, en waarbij mevrouw de
vriendelijkheid had het deelnemend beklag te voegen, dat de meeste
menschen "een _ouden_ dokter verkiezen", zeide de heer _Van Hoel_,
die, met de armen op den rug, de panden van zijn rok splijtende voor
het vuur stond en den binnenkant zijner handen door de vlammen liet
koesteren: "ik heb, geloof ik, mijnheer _Witse_ van morgen ontmoet?"

"Mij, mijnheer?" vroeg _Gerrit_ verbaasd; "ik weet met dat ik de eer
gehad heb ..."

"Neen, dat merkte ik," hernam de heer _Van Hoel_ met een schamper
lachje, en schuins uit naar _Gerrits_ moeder ziende, "'t was op de
Blaak;--maar ik merkte wel dat je _mij_ niet scheent te bespeuren."

"Inderdaad, ik heb u niet gezien," antwoordde _Gerrit_ kleurende.

"Och, die jonge _geleerden_," merkte mevrouw _Van Hoel_ aan, hare
handen vouwende en hare nieuwe cabretten handschoenen tusschen de
vingers aandrukkende, "Och, die jonge geleerden zweven zoo in een
hooger sfeer, dat ze geen mensch meer gewaar worden."

"Dat kan wel eens een enkelen keer gebeuren, nietwaar, _Gerrit_?" viel
zijn mama daarop in, die een hoogere sfeer voor haar zoon nog al een
geschikt departement vond.

"Liever niet," zei _Gerrit_; "het komt op de Blaak zoo weinig te pas."

"Ja!" antwoordde de heer _Van Hoel_, de schouders met gemaakten ernst
ophalende; "het is hier maar een _koopstad_; daar moeten we ons nu
maar mee behelpen."

"Zoo meen ik het toch niet," hernam _Gerrit_ al weder, nu eerst
bemerkende dat de heer _Van Hoel_ aan 't gifzuigen was.

De deur ging open. _Gerrit_ zag verlangend om. Er trad geen schoon
meisje binnen, maar een jongeling die, naar _Gerrits_ smaak,
alleen een schoonheid had kunnen genoemd worden, indien hij een
meisje geweest ware. Hij was een van die "mooie mannen", op wie de
jongelingen misschien veel meer jaloersch zijn dan de jonge dochters
verliefd. Zacht, zwart, krullend haar, een spierwit voorhoofd,
een fijn wit en rood, blinkende oogen, en behaagzieke bakkebaarden
waren zijn deel. Kracht en majesteit was er in 's mans gelaat met,
zelfs geen hartstocht, en evenmin in zijn gestalte, die tot de zwak
apollinische behoorde. Het was de heer _Hateling_, een jong mensch
van goeden huize, die op kamers woonde en aan een der voornaamste
kantoren van Rotterdam den handel bestudeerde. Deze jongman was iemand,
die volmaakt berekend was voor zijne plaats achter een lessenaar en
voor zijne plaats op een diner; dat is: hij kon goed cijferen, en
goed praten. Overmaat van verstand of smaak bezat hij niet, maar hij
"las toch nooit Hollandsch", eene omstandigheid, die altijd een hoogen
dunk van beide geeft. Hij was een spotter met al wat studie heette of,
zoo als hij het noemde, "zoo hoog vloog". Voor het overige, daar zijn
toestand als eenloopend gezel medebracht dat hij gaarne uit eten ging,
had hij den goeden weg ingeslagen om veel uit eten te worden gevraagd;
en daar hij veel uit eten gevraagd _werd,_ was hij ook een volleerd
dinerganger, en wist hij uitmuntend hoe hij het aan moest leggen om
bij zulke gelegenheid te voldoen.

Terwijl deze Narcissus nog bezig was zijn compliment te maken, kwam
er, met veel schutterigheid en eene zeer verhitte kleur, eene dame
binnentreden van een jaar of zesentwintig, die een zwarte japon droeg
om te toonen dat zij bedroefd was, en een zeer blooten hals om te
toonen dat zij alle behaagzucht niet had afgelegd. Zij was noch mooi,
noch leelijk, zeer blond en zeer druk. 't Was mevrouw _Stork_, de jonge
weduwe van een man, dien zij aan de tering verloren had. De heer en
mevrouw _Witse_ waren eerst onlangs met haar in kennis geraakt; zij
maakte derhalve allerhartelijkst, allerbevalligst, en allerinnemendst
haar compliment voor mijnheer en de "lieve mevrouw". Daarop werd ze aan
de _Van Hoels_ voorgesteld, waarop zij terstond met een allerliefst
lachjen en mooien mond met tanden vroeg: of zij van de familie van
mevrouw _Van Hoel_ te Utrecht waren, die zij het pleizier had 't
kennen, en dat een aller-allerliefste vrouw was. Toen wendde zij
zich weder tot de heeren _Witse_, en plaagde den ouderen, en zei
allerlei aangenaamheden aan den jongeren, met al de vrijmoedigheid
eener getrouwde dame en met al de behaagzucht eener ongetrouwde. Nog
had deze nauwelijks al de aanwezigen gegroet, of wederom ging de deur
open. Mevrouw _Vernooy_ trad binnen; gevolgd van _Klaartje Donze_.

Eene siddering ging over _Gerrits_ hart; eerst werd hij bleek, en toen
hoog rood; want zij was het, de schoone Geldersche, de jonkvrouw van
zijne gedachten!

Met een goelijken knik aan den ingang van de deur en een nog
goelijker lach drukte de heer _Vernooy_, die nu ook volgde, _Gerrits_
hand. "Hartelijk, hartelijk, man!" riep hij uit. "Je bent nu candidaat,
heet het zoo niet?"

"En zeker met al de graden?" vroeg mevrouw _Vernooy_, minzaam
glimlachende.

"Ja," zei mevrouw _Witse_, het hoofd blijmoedig opheffende: "daarvoor
was geen zorg, maar hij wilde 't niet schrijven. Nu, 't is nogal een
knappe jongen, vindje niet? We beleven pleizier aan ons _Gerritje_."

"_Gerritje_," die door deze lofrede al weer een tamelijk kinderachtig
figuur maakte, rees niet in de achting van _Clara_, wie hij echter,
wat voorkomen en uiterlijk betrof, niet was tegengevallen, ja, zoo
zeer meeviel, dat zij er inwendig boos om werd. Neen! dacht zij; geen
voet achteruit! Dat hij er redelijk uitziet, bewijst niets tegen zijn
pedanterie. Pedant moet hij wezen.

_Gerrit_ had haar zeer beleefd gegroet, en de dames hadden het zeer
druk met de vreemde. Zijne moeder scheen terstond zeer nieuwsgierig
te zijn om te weten hoe het haar in Rotterdam beviel en, hoe hare
familie in Gelderland voer, ofschoon er dan hier tot nog toe geen
sterveling was, die wist of zij een vader en moeder, broer of zuster
bezat, al dan niet. _Klaartje_ antwoordde op alles met een onbedeesd
en vroolijk gezicht.

_Gerrit_ kon zijne oogen niet van haar afhouden. Hoe schoon was zij
van nabij gezien! Hoe weelderig waren hare vormen; hoe doorschijnend
haar blanke hals; hoe zuiver de omtrekken van haar gelaat en de
lijnen van haar gestalte! Hoe liefelijk en helder klonk hare stem;
hoe vriendelijk was hare spraak; hoe levendig waren hare bewegingen;
hoe bevallig was de schoone _Clara_, in alles!

Juist maakte hij zich gereed haar, zooras zijne hartklopping eenigszins
bedaard zou zijn, eens nader toe te spreken, toen de laatste der gasten
verscheen en de opmerkzaamheid der geheele vergadering tot zich trok.

Het was een man, wiens leeftijd tusschen de vijftig en zestig in
zweefde, wat hij evenwel gedeeltelijk ontveinsde door een valschen
toupet boven een paar zeer blozende wangen rond te dragen. Het
overige van zijn gelaat bestond geheel uit een wijde witte das met
wuivende slippen, en groote slappe hemdsboorden. Hij droeg een ruimen
zwarten rok, een blauwlakensche pantalon, een zeer ouderwetsch fluweel
vest met nederdalende strepen. Het was de heer _Wagestert_, bij zijn
vrienden voor een origineel bekend. Deze man had het, door kracht van
originaliteit tot de in deze huichelende en huichelarij onderstellende,
aanmoedigende en uitlokkende wereld, zeer benijdbare hoogte gebracht,
dat men hem het recht toekende alles te zeggen wat hem voor den mond
kwam, een recht waarvan hij dan ook rijkelijk gebruik maakte. Daarbij
had hij iets zeer eigenaardigs in de wijze van zich uit te drukken; ja,
zijn woordenboek verschilde geheel van dat van andere menschen, en hij
placht te zeggen, dat het jammer was dat men, bij nieuwe uitvindingen,
hem niet raadpleegde hoe de dingen heeten moesten. Zoo benoemde hij,
om een voorbeeld te geven, het schoone geslacht geregeld met den naam
van _appelbijtsters_, daarbij op overgrootmoeder _Eva_ zinspelende,
en gaf hij den artsen nooit een anderen eeretitel dan die in het woord
_tongkijkers_ lag opgesloten. Medicijnen en vrouwen waren zijn grootste
antipathieën, en hij was gewoon te beweren dat hij zonder de laatste
wel leven, en zonder de eerste wel sterven kon. Deze merkwaardige man
leefde op kamers op de Nieuwe Haven, van een onafhankelijk inkomen
en, niets omhanden hebbende, had hij--niet zoo zeer de luiheid
als wel--de geestigheid dagelijks tot elf, twaalf uren op zijn bed
te liggen en in deze gemakkelijke houding te lezen, te schrijven,
en alles uit te voeren wat hem in den geest kwam. Hij was gewoon in
persoon versche zalm te gaan koopen en eigenhandig in een netje naar
huis te dragen. Hij had de leelijkste teef uit heel Rotterdam, en
onderhield twee grijze katten, die door dezelve teef gezoogd waren. Op
de sociëteit dronk hij nooit iets anders dan fachingerwater, aan zijn
tafel nooit iets anders dan portwijn. Hij had een stok waarvan de
knop, in de schaduw gezien, het portret van _Lodewijk_ den XVI_den_
vertoonde, en een horloge, onder welks glas een vlieg geteekend was,
waarvan men zweren zou dat zij over de plaat liep; een universeel
zakmes met honderd geriefelijkneden was zijn trouwe metgezel, en hij
wist het soms zeer geestig te pas te brengen. In 't kort, niets was
duidelijker of meer bekend, dan dat de heer _Wagestert_ een origineel
was, en hij deed dan ook zelden den mond open, zonder de voldoening
te smaken van den een of ander uit het gezelschap, waarin hij zich
bevond, te hooren mompelen: "Die _Wagestert_ heeft"--of, zoo als de
Rotterdammers van alle klassen zeggen, _heit_--"toch altijd wat raars".

De binnenkomst van dit humoristisch genie en de plichtplegingen,
die hij jegens de gastvrouw en de gasten in het werk stelde, waren
een soort van koddige parodie op de wijze waar dit gewoonlijk op
geschiedt; en schoon de heer _Wagestert_ deze aardigheid bij alle
gelegenheden herhaalde, zoo vond zij echter ook ditmaal genade in de
oogen zijner bewonderaars.

Men was nog bezig er om te glimlachen, toen de knecht binnenkwam met
de tijding dat de soep op tafel was. De heeren boden de dames hunne
armen aan, met dien schoorvoetenden ijver, waarmee men altijd te werk
gaat indien men niet recht weet aan wien het toekomt om de eerste te
wezen, en de heer _Wagestert_, die, alhoewel alle "appelbijtsters"
verachtende, echter zeer goed wist welke "appelbijtsters" er het
liefst uitzagen, bood zijn geleide, op eene alweder kluchtige wijze
aan _Klaartjen_ aan. _Klaartje_ had nooit tevoren een origineel gezien.



Men ging aan tafel, en het eerste, dat _Gerrit_ bemerkte, was dat de
schikking der gasten hem allerweinigst aanstond.

Dan, hier is het de plaats een meewarig woord van beklag voor u te
uiten, edelaardige menschenvrienden, die goed genoeg zijt nu en dan
aan uwe vrienden diners te geven! Het is nog niet genoeg, dat gij
bij alle poeliers rondzendt om een soort van gevogelte of een soort
van wild, dat nergens te krijgen is; niet genoeg, dat gij u afslooft
om de fijne schotels van het laatste diner dat gij bijwoondet, op
zijde te streven en zoo mogelijk te overtreffen; niet genoeg, dat
gij met eigen mevrouwelijke hand het blanc-manger bereidt of u de
harde noodzakelijkheid oplegt, op een ongelegen uur uw rumgelei te
proeven! Gij moet ook nog eene partij, op dat punt allerlastigste,
allerkitteloorigste en alleronverdraagzaamste wezens, gij moet uwe
gasten schikken! En wel zoo, dat zij alle naar hun zin en naar hun
smaak gezeten zijn; en wel zoo, dat alle antipathieën gescheiden
en alle sympathieën gespaard worden; en wel zoo, dat gij daarbij
eene evenredige hulde aan ieders achtbaarheid en jaren brengt; en
wel zoo, dat de jonge meisjes niet te hoog, en de oude vrijsters
niet te laag zitten; en wel zoo, dat gij een "geanimeerd discours"
verwachten kunt; en wel zoo, dat de rij bont, immers zoo bont mogelijk,
zij! En als gij aan alle deze zoo zeer vervlochtene en verwikkelde
(het woord dagteekent van 1830) verplichtingen poogt te voldoen en
met de grootste nauwgezetheid altijd het lichtere aan het zwaardere
hebt opgeofferd, dan komt de een of andere gast, indien niet uw eigen
zoon of echtgenoot, die uwe schikking allerdolst vindt en zich over
zijne plaats beklaagt. De roekelooze weet niet wat hij zegt! Dat
hij eene andere schikking voorstelle, en hij zal zien hoe alles in
de war loopt! Maar hij zegt het niettemin; dat is, hij overlegt het
in zijn harte, en mokt en mort in stilte. Beklaagde hij zich nog
maar altijd overluid: uwe verantwoording zou hem doen verstommen;
maar neen, hij houdt zich overtuigd van uwe verkeerde bedoelingen,
van uwe hatelijkheid, van uw lust om hem te krenken, te grieven, naar
het hart te steken, en neemt die overtuiging met zich in het graf. De
ondankbare! Hij wist niet voor welke jammeren gij hem bewaard hadt!

Voor _Gerrits_ moeder was de schikking bijzonder moeilijk geweest,
door de omstandigheid dat het getal harer gasten oneven, en er een
overscharige heer was. Noodwendig moesten er dus ergens twee heeren
naast elkander zitten; de een moest natuurlijk haar zoon zijn,
en de ander?... "De heer _Wagestert_", zult gij mogelijk zeggen,
"die toch een vrouwenhater is". Dit zou ondertusschen een heel domme
raad van u zijn, mijn lezer! Want het was juist daarom, dat de heer
_Wagestert_ in alle gezelschappen tusschen twee dames geplaatst werd
en alle mevrouwen elkaar het genoegen betwistten zijne zijde te mogen
bekleeden; want wat is voor mevrouwen pikanter dan het gezelschap
van een vrouwenhater? De heer _Wagestert_ zat alzoo tusschen mevrouw
_Witse_ zelve en mevrouw _Van Hoel_. Maar het was niet dit, wat
_Gerrit_ zoo verschrikkelijk ergerde. Evenmin dat mevrouw _Vernooy_
in het midden van den vriendenkring zat, tusschen den heer _Van Hoel_
en zijn vader, en zulks als "een pareltje in 't goud", als zij nederig
aanmerkte. Maar dat hij aan 't lager eind van de tafel, vlak tegen
hem over, zien moest de personage van _Hateling_, geplaatst... naast
zijne moeder, zoover goed! maar ter andere zijde naast _Klaartje_,
die aan zijn vaders andere hand gezeten was, dat was een ding, hetwelk
hij mama niet vergeven kon, al had zij hem de drukke mevrouw _Stork_
toebedeeld aan zijn rechter-, en den hartelijken mijnheer _Veknooy_
aan zijn linkerhand; want omdat de laatste de goedigste was, was hem
het lot te beurt gevallen, geen andere dame te hebben dan mevrouw
_Van Hoel_, die ook, om de waarheid te zeggen, wel voor twee dames
door kon gaan.

Het diner begon met dat geheimzinnige _Conticuere omnes_, waarmede alle
diners aanvangen; de soep werd met stomme aandacht gegeten, alleen
verpoosd door de opmerking omtrent de verandering van atmosfeer, te
gelijkertijd aan de vier hoeken van den disch gemaakt, en eene kleine
vroolijkheid door _Wagestert_ te weeg gebracht, die de schildpadsoep
_pepersop_ noemde, hetwelk iets geheel nieuws was.

Het "verre de vin après la soupe" bracht eenige opschudding teweeg,
daar meest al de dames hare gehandschoende handpalmen op hare glazen
hielden, om te beletten dat de heeren de snoodheid hadden haar te
schenken.

Eenige oogenblikken later had mevrouw _Stork_ de vrijpostigheid
een glas water te vragen, hetgeen aan alle vrouwelijke leden der
vergadering den moed gaf onmiddellijk hetzelfde verzoek te uiten.

Na afloop dezer ceremoniën werd het verkeer langzamerhand levendiger,
luider en drukker.

Mevrouw _Stork_ bestormde _Gerrit_ met een zeer geënthusiasmeerd
gesprek over allerlei boeken; over den Corsair van Lord _Byron_,
de Notre Dame van _Victor_, de Gedenkschriften van _Walter Scott_,
den Jocelyn van _Lamartine_, den Maltravers van _Bulwer_, en een
aantal min of meer bekende romannetjes en novellen, die _Gerrit_
nooit had hooren noemen. Het eene was "haar charme", het andere was
"de favori van wijlen mijnheer _Stork_!" Dit had zij 's nachts gelezen;
dat, toen zij met _Stork_ haar toertje maakte; een ander had zij op
de wandeling meegenomen; dit had zij aan eene vriendin uitgeleend,
en dat wilde zij absoluut aan _Gerrit_ zelf uitleenen; over het
een vroeg zij zijn oordeel; over het ander "wilde zij zijn oordeel
volstrekt maar liever niet weten, omdat zij er in het geheel geen
kwaad van hooren kon!" Met dit had zij "zooveel innige sympathie",
en in dat; zij zei het met neergeslagen oogen en een treurigen zucht;
"was zooveel dat op hare eigene omstandigheden sloeg" ...

Aan 's jongelings anderen kant zat de hartelijke _Vernooy_ zich
te vermaken over _Gerrits_ kunde en belezenheid, blijkbaar in het
beantwoorden van den waterval van woorden, die het molenrad van
mevrouw _Storks_ tongetje om deed loopen, en fluisterde telkenmale
mevrouw _Van Hoel_ zijne bewondering van "den knappen jongen", toe;
al weder tot zijn niet gering nadeel in de schatting van die dame,
die met onbegrijpelijk veel statigheid hare oogen over een gezelschap
weiden liet, waaraan _zij_ naar haar inzicht den grootsten luister
bijzette. En wanneer _Gerrit_ zijne oogen maar opsloeg, dan zag
hij den mooien _Hateling_, die met den zoetsten glimlach tusschen
zijne gladde bakkebaarden, een allerlevendigst gesprek voerde met de
schoone _Clara_, en al zijne hoffelijkheid en oplettendheden over
haar zat uit te gieten. Mevrouw _Witse_ zag met een welgevallig
oog op _Hateling_ neder, die een groot gunsteling van haar was,
en keek dan weer eens tot _Gerrit_ op, dien zij toeknikte "of hij
niet extra goed _zat?_" waarop zij, daar hare stem hem niet bereiken
kon om het hem rechtstreeks te vragen, aan _Hateling_ en _Klaartje_
begon te vertellen, dat zij _Gerrit_ niet beter had kunnen onthalen,
dan door hem naast mevrouw _Stork_ te plaatsen, die een savante was,
"dat 's te zeggen, geen eigenlijke savante, want zij was heel lief,
maar een stille savante, die alle talen verstond, veel gezien had,
en onbegrijpelijk interessant was". Dan schertste zij weder eens met
_Wagestert_ over de slechtheid van de mannen en riep mevrouw _Van Hoel_
tot getuige, die ze ook "al heel slecht" vond. En intusschen vertelde
mevrouw _Vernooy_ zoo veel liefs en goeds van _Klaartje Donze_, als zij
ooit liefs en goeds van _Gerrit_ uit papa _Witses_ mond gehoord had;
en de laatste was niet ongevoelig voor haar lief gezichtje. De heer
_Van Hoel_ zat met een sceptisch en ironisch gezicht mevrouw _Stork_
gade te slaan, in zijn koopmanstrots zeer laag nederziende op al dat
onzinnig gesnap, en sprak tusschenbeiden een wijs woord met _Witse_ en
_Vernooy_, bij welke gelegenheid hij machtig veel, zoo aan het staats-
als aan het stadsbestuur te berispen vond, en de wereld beklaagde,
dat zij geene oogen had om er "die knappe menschen in te kiezen, die
zich gaarne de moeite zouden getroosten alles op pooten te stellen".

Het dessert kwam, en mevrouw _Witse_ liet met zekeren nadruk de
flesschen veranderen.

De heer _Vernooy_, in de goelijkheid van zijn hart, begreep
dadelijk dat er een toost op den jongen candidaat wezen moest,
maar hij was de man niet om toosten in te stellen. Wel is waar,
hij was hier waarschijnlijk de oudste; maar hem docht, de eer kwam
den hoogaanzienlijken _Van Hoel_ toe, die 't er, dacht hij verder,
ook veel beter af zou brengen dan hij. Nu was het zeer zeker dat de
hoogaanzienlijke heer _Van Hoel_ van dezelfde meening was, maar hij
gevoelde geen zier lust of roeping tot de zaak; en schoon de gedachte
aan den noodzakelijken toost ook in _Wagesterts_ hoofd opkwam, hij
smoorde ze met de bewustheid dat hij "nooit toosten instelde en het
weergasche gekheid vond", waarbij ook nog kwam dat hij de kunst _niet_
machtig was. Het was in dezen als met zijn geheele zonderlingheid,
die in vele opzichten niets anders was dan het goed heenkomen zijner
mislukte pogingen om met eenige gratie en goeden uitslag te handelen
als andere menschen. Blooheid en onhandigheid hadden in een schoon,
eendrachtig en zusterlijk verbond hem tot een vertreder van alle
vormen en bespotter van alle beleefdheden gemaakt.

Een geschrikt paard slaat aan 't hollen, breekt den toom, en trapt
den wagen stuk.

Het nagerecht werd gediend, en niemand sprak den toost uit. _Vernooy_
werd hoe langer hoe benauwder. Hij vond het onbeleefd en onbehoorlijk
het te _laten_, maar als hij er aan dacht het te _doen_, brak het koude
zweet hem uit. Twee of drie malen sloeg hij de hand aan zijn glas
om het plechtig op te nemen, maar telkens liet hij het weer staan;
ja, tweemaal hief hij het werkelijk op in de hand, maar bedacht
zich, en verborg zijn voornemen onder het voorwendsel van mevrouw
_Van Hoel_ een nietsbeduidende opmerking te maken omtrent de kleur
van den wijn en het aangename van een puntig glas. Ondertusschen
werden de omstandigheden al nijpender en nijpender. Mama _Witse_
begon met eene hooge kleur hare oogen ongerust te laten rondgaan,
en maakte telkens kleine pauzen in haar gesprek. Verscheidene glazen
waren reeds weder ledig, en alle flesschen aangebroken. Het _moest_
eindelijk. _Vernooy_ vermande zich, en met een bleek gezicht, een
domig voorhoofd, en trillende lippen, zeide hij: "Vrienden, wij moesten
eens een vol glaasje inschenken". Hoewel nu het gesprek in de laatste
oogenblikken groote gapingen had gehad, waarin men de dessertmessen
duidelijk hun werk had hooren verrichten, zoo was het oogenblik,
waarop de goede _Vernooy_ deze inleiding maakte, allerongelukkigst
gekozen, want _Wagestert_ had juist een appel uit een dessertmandje
genomen en begon er de "appelbijtsters" als van ouds mede te plagen.

De goede man ontveinsde daarop zichzelven gesproken te hebben en wijdde
veel aandacht aan het patroon van het tafellaken. Een oogenblik daarna
vermande hij zich weer: "Vrienden!" zeide hij.

"Ik geloof dat mijnheer _Vernooy_ iets zeggen wilde," zei mevrouw
_Witse_, over de tafel heenbuigende tot dat zij hem in 't gezicht
kreeg; "niet waar, _Vernooy_?"

"Ja, _Keetje_," zei de hartelijke man, "ik wilde een glaasje brengen
aan _Gerrit_, om hem nogmaals te feliciteeren met zijne bevordering
tot candidaat. Ik heb geen kinderen, maar ik verheug mij zeer in
't geluk van mijne vrienden, die ze wèl hebben en er genoegen aan
beleven. Met _Gerrit_ meen ik het goed, en ik durf zeggen, dat we
dit allemaal doen. Dus _Gerrit_! van harte, man."

"_Gerrit_!"--"_Gerrit_!"--"_Gerrit_!"--"mijnheer _Witse_!" klonk het
met allerhande stembuiging over de tafel; de glazen werden neushoogte
opgelicht, en daarna gedronken.

"Mijnheer _Witse_!" zei ook _Klaartje_; maar 't was als of er iets
spottigs in haar gezicht was, en haar compliment werd ook maar in 't
voorbijgaan uitgebracht; want _Hateling_ had beweerd, dat hij aan de
amandelen vanbuiten zien kon of het philippines waren of niet, en ten
bewijze bood hij haar op een lepel een dubbelen aan. Zij nam een der
tweelingen, en het verbond werd aangegaan tegen de eerste maal dat zij
elkander weer zouden ontmoeten, "maar niet onder den blooten hemel".

"Welke toost met algemeene opgewondenheid gedronken werd!" zei
_Wagestert_ koddig-deftig. "Niet waar, moeder _Witse_! Leve de
volharding! _Gerrit_ studeert voor professor, doet hij niet?"

"Foei, mijnheer!" zei mevrouw _Witse_.

_Klaartje_ en _Hateling_ glimlachten.

Het pijnlijk oogenblik was voor _Gerrit_ spoedig voorbij en hij genoot
een soort van vrede, toen mevrouw _Stork_ op den inval kwam dat hij
"zeker wel heel mooi reciteeren kon, en of hij het niet eens doen
wilde; 't was nu zoo'n goede gelegenheid".

Dit is meer beweerd. Als het geheele gezelschap verzadigd is van
allerlei spijzen en wijnen, de sinaasappelen rondgaan en de amandelen
gekraakt worden; als degeen die reciteeren zal een hoofd heeft als
twee andere van benauwdheid en warmte, natuurlijke gevolgen van epulae
lautae in groot gezelschap, en de toehoorders, gemerkt het gebruik van
de gaven des wijnstoks en der vijf werelddeelen, zeer vatbaar zijn
om op de golven der versmaat de haven van Morpheus in te drijven,
dan heet men dat "een goede gelegenheid om eens te reciteeren". Ik
weet niet hoe _Gerrit_ hier over dacht: maar dit wist hij, dat het
te geener ure zijn zaak was, en hij verontschuldigde zich alzoo. Maar
mevrouw _Stork_ sloeg hare blikken diagonaal over de tafel om mevrouw
_Witse_ te hulp te roepen.

"Is _dat_ waar, mevrouw?" vroeg zij op den toon van het hardnekkigst
ongeloof, "dat uw zoon nooit reciteert?"

Mevrouw _Witse_ verklaarde dat zij integendeel vond, dat hij het heel
lief deed.

"Eigen verzen?" vroeg _Klaartje_.

En de belegering werd voortgezet met verdubbelden moed, en allen die
het meenden of niet meenden vormden een koor, waarvan de inhoud was
dat _Gerrit_ zou reciteeren. Deze bleef echter onverbiddelijk.

Mevrouw _Van Hoel_ was daarop de eerste om hem dit kwalijk te nemen
en merkte met een lief lachjen aan: "dat dit zeker te min was voor een
geleerde als _Gerrit_". Zijne moeder vroeg hem: "of zij de versjes niet
eens halen mocht, die hij op zijn twaalfde jaar voor haar verjaardag
gemaakt had". _Klaartje_ lachte, _Gerrit_ volhardde.

"Het mooiste vers," zei _Wagestert_, om er een wending aan te geven,
daar de zaak ernstig werd, "dat ik ooit in mijn leven gehoord heb,
is een vers van vier regels op _Beronicius_, die een groot dichter en,
met permissie, een groote lap was."

"Och! en hoe was dat, mijnheer _Wagestert_?" vroeg mevrouw _Stork_,
"hoe was dat?"

"Mevrouw," hernam _Wagestert_ zeer plechtig, "het was een grafschrift;
een grafschrift op den grooten _Beronicius_, die in een moddersloot
een plotselingen dood gevonden had. Het luidde aldus:


    "Hier leit een wonderlijke geest;
    Hij leefde en stierf gelijk een beest;
    Het was een misselijke sater;
    Hij leefde in wijn en stierf in water."


Hoe geestig ook voorgedragen, dit meesterstuk van _Buizero_ had
niet dat uitwerksel van vervroolijking, hetwelk de heer _Wagestert_
daarvan gaarne gezien had. Er moest dua nog een punt aan gemaakt
worden, en _Gerrit_ was er het slachtoffer van.

"En weetje nu wel, mijnheer de candidaat in de beide medicijnen! wat
het mooie van dit vers is?"

"Volstrekt niet!" zei _Gerrit_ met veel nadruk.

"Weetje dan niet welk een groote lofspraak het voor den overledene
inhoudt?"

"Neen!" zei _Gerrit_, bijna overbluft door den zonderlingen man,
voor wien hij wel wist dat men somtijds niet genoeg op zijne hoede
wezen kon. Het geheele gezelschap verbeidde met gespannen verwachting.

"Niet?" zei _Wagestert_ eindelijk, nadat hij _Gerrit_ lang en strak
had aangezien. "Niet? Dan zal ik het je uitleggen. Hierom, mijnheer
de candidaat, omdat het bewijst, mijnheer de candidaat, dat de groote
dichter _Beronicius_ bij leven noch sterven medicijnen gebruikt heeft."

Daarop nam hij zeer laconiek een handvol ulevelletjes, stak ze in
zijn zak en fluisterde mama _Witse_ in: "voor me kindertjes".

Het geheele gezelschap lachte, vooral mevrouw _Van Hoel_, en het:
"die _Wagestert_!" enz. was in volle kracht. _Gerrit_ had een
driegulden willen geven voor een weerwoord, maar hij vond er geen,
voor en aleer hij dien avond op zijn bed lag, zooals dat in dergelijke
gevallen den snedigsten overkomen kan; en mevrouw _Stork_ leidde
hem af, door hem te raadplegen over de hiëroglyphen van verscheiden
Fransche ulevelpapiertjes, met kalveren, die _vos_, en heggen, die
_est_ beteekenden, en in welker ontcijfering de mooie _Hateling_
oneindig veel knapper was dan hij.

Het laatste "tafellestje" (het woord is van _Hooft_), de gember,
ging rond. Gember is eigenlijk een hatelijk eten; een ernstige wenk
om heen te gaan. De dames stonden op, en de heeren volgden spoedig.

In de andere kamer ontstond onder de eersten een ijselijk krakeel,
daar zij allen mevrouw _Witse_ wilden helpen in het schenken van de
koffie; het werd echter bijgelegd, en de schoone _Hateling_ deelde
de kopjes uit. Nu begaven zich de heeren, met het kopje in de eene
en het schoteltje in de andere hand, in een zeer druk gesprek. Zij
hadden den geheelen dag nog _zoo_ wijs niet gekeken.

"Nu of nooit!" dachten onze dagbladen, vlugschriften, verzen, en al
dat moois in den jare 1831. Het werd echter _toen_ niet gedaan, en het
is acht jaar later, zoo ver als 't voeten had, terechtgekomen. "Nu of
nooit," dacht ook _Gerrit_ in den jare 1838, op dien gedenkwaardigen
na-den-eten, daar _Klaartje_ bij den schoorsteen stond en een
geborduurd haardscherm bekeek. Hij naderde haar met zoo veel
vrijmoedigheid als hij verzamelen kon.

"Uw Buiten, juffrouw _Donze_, ligt, meen ik, aan den straatweg
tusschen ..."

Daar keerde _Wagestert_, die aardigheden aan _Hateling_ stond te
verknopen, zich kort om, stiet _Gerrit_ aan den elleboog, en de kop
koffie, die hij in de hand had, vloog over het kleedje van grijs
gros-de-naples, dat _Clara's_ lieve leden omgaf.

_Gerrits_ verlegenheid was verschrikkelijk. De dames vlogen toe,
behalve mevrouw _Van Hoel_; er werden geen zakdoeken gespaard om het
vocht op te nemen. Mevrouw _Storks_ mond stond niet stil van te beweren
dat eau de cologne een panacé was tegen alle vlakken; mevrouw _Vernooy_
verhaalde een troostrijke legende van een belangwekkende vlak, die
vanzelf verdwenen was; en verscheidene dames tegelijk vonden het
gelukkig, dat het "nog al in de plooien" kwam. Mevrouw _Van Hoel_
voerde aan, dat champagne in 't geheel geen vlakken naliet, eene
vertroosting, die hier minder te pas kwam; mevrouw _Witse_ maakte
duizend verontschuldigingen voor haar zoon en voor haar koffie; een
practisch vernuft ried _Klaartje_ de voorbaan achter te laten zetten;
_Wagestert_ merkte aan dat zij "een lief souvenir" van mijnheer had;
_Hateling_ zweeg met een triomfanten glimlach; mijnheer _Van Hoel_
sprak nog eens weer van distracties en van de Blaak; _Gerrit_ deed
zijn best om een redelijk figuur te blijven maken. En de schoone
_Clara_ zelve deed niets dan lachen over al de drukte en ontroering,
en herhaalde honderdmaal "dat het niets was", met een gezicht,
dat gelukkig geheel met deze lichtvaardige beschouwing van de zaak
overeenstemde.

Evenwel, nadat alles tot rust kwam, had _Gerrit_ den moed niet zijn
gedoodverfd gesprek over het Buiten aan den straatweg op te werken,
en liet het veld aan _Hateling_ over.



De speeltafeltjes werden gezet en er vormden zich drie
partijtjes. Mevrouw _Stork_ verklaarde zich een hartstochtelijk
liefhebster van omberen, "een charmant mooi spel"; mijnheer _Van
Hoel_ zei met al de bedaardheid van iemand, die het dagelijks doet,
dat hij er ook wel van hield; en _Gerrit_ moest de derde man zijn.

De rest van 't gezelschap verdeelde zich aan twee bostontafeltjes. Aan
het eene vertoonden zich _Gerrits_ ouders, met mevrouw _Van Hoel_
en mijnheer _Vernooy_; aan het andere zaten mevrouw _Vernooy_,
_Klaartje Donze_, _Wagestert_ en _Hateling_.

Mevrouw _Storks_ hartstocht voor het omberspel scheen min of meer hare
bekwaamheid te overtreffen; althans er was eene zekere onevenredigheid
tusschen deze twee vereischten, die den heer _Van Hoel_ kennelijk
hinderde. HEd. redeneerde machtig veel onder het spelen, en niet
zelden gebeurde het dat zij al pratende een of andere kleinigheid
over het hoofd zag. Zij had eene geheimzinnige wijze van de kaarten
door hare hand heen en weer te schuifelen telken reize als zij moest
opspelen, en het kwam wel voor dat, als de heeren heel lang op de
beslissing hadden zitten wachten, zij plotseling de gewichtige vraag
opperde, wie van hun beiden ombre was; ook scheen er ten gevolge van
haar weduwtranen iets in hare oogen te zijn dat haar het kenmerkende
tusschen een heer en eene vrouw soms niet duidelijk deed onderscheiden;
soms had zij ook de aardigheid haren maat de slagen zonder naspeurlijke
reden af te nemen, of den ombre de geestige verrassing te bereiden van
aan het einde van het spel een kaart op te spelen van eene kleur daar
zij vroeger in gerenonceerd had; en dat alles onder het mededeelen
van gewichtige anecdotes omtrent voles die zij gemaakt en lichte
sans-prendres die zij gewonnen had, en het uiten van smaadredenen op
alle andere spelen, die, bij omberen vergeleken, zoo simpel waren. _Van
Hoels_ welwillendheid was in een gestadigen strijd met zijn achting
voor het plechtig omberspel. Hij was zeer ernstig en stroef, en
als hij zich onmogelijk weerhouden kon eene aanmerking te maken,
dan richtte hij zich tot _Gerrit_ als wrijfpaal. "Mijnheer _Witse_,
je moet nooit troef uitspelen, of je moet er in dóórgaan," "mijnheer
_Witse_! je moet altijd..." Maar _wij_ kunnen geene lessen uitdeelen,
lezer, en _gij_ zijt even onschuldig als _Gerrit_.

Aan het bostontafeltje met mevrouw _Van Hoel_ heerschte een ander
gebrek. Mijnheer en mevrouw _Witse_, schoon voor het overige altijd
in de beste harmonie levende, konden namelijk op het gevaarlijk
stuk van des duivels prenteboek niet best te zamen overweg, en namen
het elkander geregeld eenigszins kwalijk als zij een spel verloren,
waarin zij malkaars whist geweest waren; bij welke gelegenheid de goede
_Vernooy_ altijd als scheidsman door mevrouw _Witse_ werd in den arm
genomen en altijd beweerde dat zij onmogelijk anders had kunnen spelen,
en dat _Witse_ ook onmogelijk anders had kunnen spelen, en dat hij
het zelf was, "die ongelukkig zoo vinnig tegenzat". Deze waardige man
was eigenlijk een van de weinige schepselen, die voor het kaartspel
geschikt zijn, en wien het in 't geheel niet schaadt het te plegen. Het
wond hem niet op, het verveelde hem niet, het verbitterde hem niet,
hij kon tegen zijn winst, hij kon tegen zijn verlies, hij bleef er
vroolijk en, wat alles zegt, "geheel dezelfde" bij.

Wat het derde partijtje betreft, daaraan werd de hoogste toon gevoerd
door _Wagestert_, die niet, zooals _Vernooy_, naar den ouden stijl, de
klaveren uit aardigheid _klavooren_, de harten, uit dito, beurtelings
_harsens_ of _hartzeer_ noemde, en bij ieder hachelijk spel beweerde
"dat het zoowel vriezen als dooien kon",--neen, de heer _Wagestert_
was veel orgineeler en obstineerde zich de poppen nooit anders dan bij
hare bijbelsche namen te noemen: _Sara_, _David_, _Esther_ enz. Maar
_Hateling_ schermde er zacht fluisterend tegen _Klaartje_ met zijn
"malheureux au jeu, heureux en mariage" tusschen, en speelde haar
de slagen toe, en was haar winst met een teeder gevoel in de oogen,
en hielp haar op het bostonkaartje kijken, en kwam zoo dicht bij
haar aangezicht, dat haar mooie krullen zijn wang en bakkebaarden
aanraakten, en prees mevrouw _Vernooys_ verstandig spelen, en mevrouw
_Vernooy_ was verrukt van den lieven, hupschen, gezelligen _Hateling_,
die zoo recht geschikt was om uit eten te gaan!

Het laatste toertje werd bepaald; de mooie zijden beurzen kwamen voor
den dag. Mevrouw _Stork_, die het niet wist, maar aanmerkelijk verloren
had, had de edelmoedigheid al de fiches door elkander te gooien;
aan de andere tafeltjes oordeelde men dat niemand iets gewonnen had.

Men stond op.

Nog eenmaal waagde _Gerrit_ zich aan _Klaartje_, en vroeg haar naar de
ligging van haar Buiten; hij vertelde haar, hoe hij er voorbijgekomen
was, en haar had gezien. "Hij deed toen een voetreis."

"O!" zei _Klaartje_, "een voetreis; een geleerde reis zeker, mijnheer
_Witse_?"

Hij kon niet antwoorden; tranen van spijt sprongen hem uit de oogen.

"Is dat _uw_ boa, juffrouw _Donze_?" vroeg _Hateling_, haar met
dat kleedingstuk naderende, en hij wierp het haar over de gladde
schouderen.

De gasten vertrokken.

Nog ééne folteering wachtte _Gerrit_.

"Waarom wou je nu niet reciteeren?" vroeg zijn mama, toen alles tot
rust was.

"Omdat ik het niet kan, mama!" was zijn antwoord.

"Och," zei de oude _Witse_, "wij zullen er maar niet over spreken;
maar het is een miserabel ding. De menschen zeggen allemaal dat
je knap bent; en wanneer er iemand is, dan ben je altijd stil en
ingetrokken. _Wij_ merken er het minste van. Ik kon duidelijk aan
mijnheer _Van Hoel_ zien, dat hij dacht: is dat nu die knappe _Witse_?"

"Ja, _Gerrit_! het is _niet_ pleizierig," voegde mama er bij. "Daar
hadje nu mevrouw _Stork_. Het mensch heeft waarlijk geen moeite
gespaard; ze heeft je op alle manieren aangepakt! Het is een knappe
vrouw, eene heele bijzondere, knappe, vrouw"--zij drukte afzonderlijk
op elk dezer woorden--"en je waart zoo strak als een pop."

"Mevrouw _Stork_ liet me niet aan 't woord komen, lieve moeder!" zei
_Gerrit_ met een flauw lachje.

"Nu vriend! dat is ééns, maar nooit weer," zei papa; "ik bedank er
voor; wat hebje aan je geleerdheid, als je ze niet toont?"

_Gerrit_ ging dien avond naar zijn kamer, en weende over zijne
geleerdheid. "Ik wenschte wel," zei _Gerrit_, de deur op het nachtslot
gooiende, "ik wenschte wel dat ik een stommeling was."



Dokters lief en leed.


Twee jaren later zat de jongeling dien wij als Med. Cand. verlaten
hebben, als Med. Doctor in eene Geldersche stad aan het ontbijt. De
kamer, die hij hier gekozen had, was nog zoo veel mogelijk op den voet
van een studentekamer ingericht; het eerwaardig gelaat van den grooten
_Hufeland_, dat te Leiden met een paar spelden aan 't behangsel was
vastgemaakt geweest, had intusschen een zwaarmoedige lijst gekregen,
maar het gevilde menschebeeld, den doctoren zoo aangenaam, hing
ook hier, als wedergade van die zekere tabel, waarop men in zachte
overgangen den Apollo van Belvédère in een kikvorsch veranderen ziet.

Maar waar was het vrouwebeeldje, dat zoo sprekend op _Klaartje Donze_
geleek? Lang had hij het te Leiden nog voor zijne oogen gehad; maar
daar de vriend van het zweetkamertje, die in het geheim was, het
hem over de schoone met de duif op 't hoofd lastig maakte en zekere
Rotterdamsche herinneringen hem daarbij een kleur in 't aangezicht
joegen, was het zachtjes aan naar het achtervertrek verhuisd, zonder
op te houden hem ook daar somwijlen een blos op de wangen te brengen.

Twee jaren verliepen; _Gerrit_ werd ouder en, zooals hij meende,
wijzer. Hij zag vele andere meisjes, en het ontbrak niet aan kleine
verliefdheden voor een dag, of een week, of een maand.

De schoone _Clara_ geraakte op den achtergrond. Te Rotterdam kwam
zij niet meer. Mijnheer en mevrouw _Vernooy_ werden schaarsch door
hem bezocht. Haar naam werd zelden genoemd. Het portretje geraakte,
bij andere kunstvoorbrengselen, in een portefeuille.

Heden echter, daar wij den dokter aan zijn ontbijt vinden, zien wij de
herinnering aan het bevallig meisje weder bij hem opgewekt. Vóór hem
ligt een brief van den vriend uit het zweetkamertje, die hem meldt,
dat hij het hart van den kolonel vermurwd heeft, en zijne schoone
dochter, in spijt van zijn knevelbaard, getrouwd. Hij kan niet nalaten
er bij te berichten, dat de vooroordeelen bij den krijgsman tegen
zijn persoon, bij nader inzien, toch zoo sterk niet geweest waren,
als hij zich in het eerst wel verbeeld had.

"Hij ook al getrouwd!" mompelde _Gerrit_, "een zoekend advocaat. Wat
heeft hij een vrouw noodig? Maar ik, die zoekend dokter ben--ik
behoorde lang gehuwd te wezen. Welk dokter krijgt een degelijke
praktijk, zoolang hij niet een degelijke vrouw heeft?"

Een degelijke praktijk. Hij had nog zoo goed als in het geheel geen
praktijk. Maar zooveel temeer collega's. (Nog gisteren was er een
kers-versch van de Utrechtsche hoogeschool gearriveerd.) Hij had geen
praktijk, maar zooveel temeer tijd, dien hij _toch_ niet in zijne
geliefde boeken mocht doorbrengen. Of moest hij niet op straat gezien
worden, alsof hij iets te doen had? Moest hij niet beleefd zijn en
bezoeken afleggen, alsof niets hem beter smaakte? Zoowel als zijn
patent betalen, alsof hij zijn patent verdienen kon?

Eén geluk was er voor _Gerrit_ als hij aan huwen dacht. Vele jonge
doctoren verkeeren in het volgend troosteloos dilemma: zij hebben
eene vrouw noodig om praktijk, en zij hebben praktijk noodig om
een vrouw te krijgen. Maar _Gerrit Witse_ was bemiddeld. De heer
notaris had akten genoeg gemaakt in zijn leven, om zijn zoon het
doen opmaken der gewenschte huwelijksakte mogelijk te maken, al was
het ook dat zijne keuze viel op een meisje, dat behalve haar deugd
en haar schoonheid niets ten huwelijk bracht Had _Klaartje Donze_
iets meer? Was _Klaartje Donze_ reeds gehuwd? Hij wist het niet. Maar
waarom dacht hij nu weer aan _Klaartje Donze_?

Het sloeg negen uren. _Gerrit_ kleedde zich, en begaf zich naar het
militaire hospitaal, waar hij, bij gebrek aan eigen praktijk, het
een voorrecht achtte het ziekenbezoek van den chirurgijn majoor te
mogen bijwonen, en van daar naar de weinige zieken in achterbuurten en
stegen, die hem door een ouden collega welwillend waren opgedragen. Hij
hoorde met het uiterste geduld hunne vreemdsoortige klachten aan,
loopende over "geruusch, zuzelingen en drilligheden in den kop,
knoeperingen in den hals, stiktens in de long, draaiingen van het hart,
water over hetzelve hart loopende, watergal, koekeren van winden",
en wat dies meer zij, met en benevens "loopende wurmen, vliegende
jichten, en stijgende moeren".

Toen weder naar huis. "Zijn er ook boodschappen?" Antwoord als
gisteren: "Neen".

Daarna moest de oude collega bezocht en verslag afgelegd worden
van de opgedragen patiënten. De oude collega was een man van een
zeventig jaar, die op zieken en gezonden gromde, en daardoor veel
ontzag onder beiden had. Zijn taal scheen orakeltaal, zijne recepten
werden als sibyllijnsche bladen op prijs gesteld, en zulks vooral door
de artsenijmengers, die den ouden dokter afgodeerden. In gevallen,
die eenigszins ernstig waren, schreef hij er gewoonlijk vijf in de
vierentwintig uren. De jonge dokter kon het hem moeielijk naar den zin
maken. Reeds verkorf hij het grootendeels door de militaire praktijk
in het hospitaal bij te wonen. De bloedzuigers hadden des geleerden
grijsaards sympathie in geenen deele.

Voor ditmaal echter bleef het schrollen op de _"non missurae cutem",_
dat zich anders dagelijks herhaalde, achterwege.

"Ik heb hoofdpijn," zei de oude collega, "en het lijden hindert mij
vandaag. Wees zoo goed in den achtermiddag een buitenpatiënt voor mij
te bezoeken; de dochters van vrouw _Sijmens_, te Sprankendel. Een mooie
wandeling. Gij kunt met de koelte terugkomen. De meid is zwaar ziek."

De opgedragen taak was _Witse_ niet onaangenaam. Sprankendel was een
schilderachtig gehucht, te midden van lachende heuvelen, terzijde
van den grooten weg gelegen. De wandeling derwaarts mocht een groot
uur kosten. Na zijn maaltijd genuttigd te hebben, aanvaardde hij ze
welgemoed. Hij zou het buitenverblijf voorbijgaan, waar hij eenmaal
de schoone _Clara_ had zien zitten, met de duif op 't hoofd.

Het geschiedde. Maar nooit scheen een buitenverblijf zoo uitgestorven
als dat waar hij thans zoo gaarne leven gezien had. Het was een
warme dag; niemand waagde zich op het terras, door een brandende
zon beschenen. Aan den ganschen voorgevel waren alle zonneschermen
zorgvuldig gesloten. Eenige witte duiven zaten onbewegelijk op het
dak en schitterden in het felle licht. "Ziedaar de duiven," zeide
_Witse_, "maar waar is de schoone? Misschien logeert zij weer bij de
eene of andere tante, waar de een of andere _Hateling_ haar het hof
maakt; misschien, wie weet het? staat zij op het punt zoo'n wezen
te trouwen. Arme vrouwen, die het ongeluk hebt een mooi gezicht
te hebben! Welke strikken spant men uw geluk! Gij meent dat men u
liefheeft met al de oprechtheid, al de kracht, al den eenvoud eener
eerste liefde, en ondertusschen..."

Ondertusschen zat het onschuldig voorwerp dezer misanthropische
bespiegelingen hoogst waarschijnlijk aan een goeden maaltijd.

_Witse_ moest weldra den straatweg verlaten om het schoone Sprankendel
op te zoeken. De kleine beek, daar het gehucht zijn naam naar droeg,
wees hem het naaste pad tusschen de vruchtbare heuvelen. Nu eens
verschool zij zich als een nietsbeduidende sprank bijna geheel onder
overhangende struiken en onkruid; maar dan kwam zij weder dartel en
helder te voorschijn, met niet weinig drukte van een hooger grond
afdalende. Eindelijk bereikte _Witse_ den oorsprong, waar het water
zachtkens uit het zand opwelde, en een kleine kom vormde, waaruit
zich verscheidene spranken in onderscheiden richting over gladde
keisteenen een weg baanden.

Een jeugdig echtpaar scheen dit plekje, schaduwachtig en koel, tot
eene rustplaats te hebben uitgekozen. De bevallige jonge vrouw, op
het gras nedergezeten, hield een vroolijken krullebol op den schoot,
die tegen de waterbellen en schuimkrinkels lachte; de jeugdige man,
met een glimlach op de lippen, zag beurtelings naar moeder en zoon.

"Ziedaar het geluk dat ik verlang," zuchtte _Witse_.

Een zijpad bracht hem bij de weduwe, wier dochter zijne zorgen
behoefde. Het was haar eenig kind niet. Zij had nog eene dochter,
die met de nu zieke haar bijstond in het wasch- en bleekwerk, dat
voor een gedeelte in haar onderhoud voorzag, en daarenboven een
zoon die voerman was en het drietal koeien verzorgde, dat zij op de
omgelegene heuvelen weidde. Het was een dier gelukkige huisgezinnen,
die geen vreemde hulp behoeven, waar nimmer gebrek is, maar ook nimmer
overvloed, en zuinigheid en werkzaamheid onontbeerlijk zijn.

Voor de deur vond onze arts de oudste dochter, een beeld van
gezondheid, bezig een dier groote koperen melkkannen te schuren,
die in heuvelachtige streken op hot hoofd gedragen worden.

"Hoe gaat het met _Barte_?" vroeg hij haar.

"Oolik, dokter; oolik," zei de deerne, haar voorhoofd met het buitenste
van de hand afvegende. "Heeroom is er bij."

En zij vervolgde haar taak. In zulke huishoudens moet zoolang mogelijk
alles zijn gang gaan. Slechts den hoogeren standen is het vergund
zich aan hunne zieken te _wijden_.

_Gerrit_ trad binnen. Op bevel van den ouden dokter was het volslagen
donker in de ziekekamer. Op _Witses_ verzoek om "een beetje licht
te maken," rees een kleine gestalte, die voor een stoel op de knieën
gelegen had, op en stiet een luik open. _Witse_ trad inmiddels voor
de hooge en benauwde bedstede, waarin de zieke lag.

Het was onmogelijk in haar eene jonge dochter van nauwelijks achttien
jaar te herkennen. Nog voor weinige dagen was zij het evenbeeld harer
gezonde zuster, en zoo vroolijk als zij mooi was. Maar nu lag zij
machteloos uitgestrekt, met een bleek gelaat, dat akelig afstak bij
de gitzwarte haren, die ordeloos uit haar mutsje te voorschijn kwamen;
hare wangen waren gansch geslonken, haar ingevallen oog half gesloten,
hare lippen zwart als inkt.

"_Barte_," sprak _Witse_ met een nadrukkelijke stem. De zieke opende
de oogen, en staarde den vreemden dokter met verbazing aan.

Hij nam haar bij de hand. Die hand was droog als leder.

De pastoor en de broeder stonden verslagen bij de bedstede, wachtende
op hetgeen de dokter zeggen zou. De moeder lag weder op de knieën
voor een stoel, den rozekrans in de handen, dien zij sedert drie
dagen niet had terzijde gelegd.

De pastoor schudde het hoofd.

"Zou ze sterven?" vroeg de broer, die een kerel als een boom was,
en barstte in tranen uit, als hij het woord van sterven uitte.

De moeder zag op, en staarde strak en angstig naar den dokter.

"Wij hopen van neen," zei _Witse_, "maar ga van het bed. Gij benauwt
de zieke."

Nogmaals schudde de pastoor het hoofd.

"Zou ze sterven, heer pastoor?' vroeg de broer andermaal.

"Bij God zijn alle dingen mogelijk," troostte de geestelijke. Maar
ook ditmaal schudde hij het hoofd. De goede oude hield van _Barte_.

_"Frustra cum morte pugnabis,"_ zei hij tot _Witse_.

_"Exspecto crisin,"_ antwoordde deze. "De ziekte is nog niet op haar
hoogst. Doch, doe gij uw plicht," voegde hij er zachtjes bij.

De moeder vloog op. Het doodvonnis van haar dochter was getekend! Zij
gaf een gil en ijlde de deur uit. _Gerrit_ ijlde haar na.

Hij vond haar aan de voeten van eene jonge dame, die juist uit een
hittewagen gestapt was en de leidsels nog in de hand hield.

"Mijn kind, mijn kind!" riep de ongelukkige vrouw, de knieën der
jonge dame omarmende. "Mijn kind is dood!"

Hare stem verzwakte, hare handen gleden naar beneden, haar hoofd
zakte doodsbleek op den grond.

"Help deze vrouw, dokter!" zei _Klaartje Donze_. "Zij ligt van
haarzelve. Is haar dochter gestorven?"

"Neen, juffrouw _Donze_," stamelde _Gerrit_ ontroerd. "Haar dochter
is niet dood. En zoo _Mieke_ mij helpen wil hare moeder op te tillen,
en _Gillis_ uw paard mag bezorgen..."

Dit laatste was niet noodig. "Laat maar los, _Mieke_!" sprak _Klaartje
Donze_, die een traan in de oogen had, maar geen oogenblik hare
bedaardheid had verloren. En zij bracht zelf haar klein paard bij
het hek, waaraan zij het vastbond.

Intusschen droeg _Witse_ met behulp van _Mieke_ de verstijfde moeder
naar een ander vertrek, waar zij haar op een bed nederlegden. _Clara_
volgde hen op den voet.

"Wat moet er gedaan worden, mijnheer _Witse_?" vroeg zij.

"Drink een glas water, juffrouw _Donze_!" sprak _Gerrit_, gelukkig dat
zij hem herkend had; "en laat dit meisje het ook doen. Wees zoo goed
de kleeren van de oude vrouw los te maken. Laat haar azijn ruiken,
zoo die er is, er wrijf haar de polsen en de slapen van het hoofd. Zie
dat gij haar een teug water ingeeft." En hij begaf zich op nieuw aan
het leger van _Barte_.

Na eenige oogenblikken kwam hij terug. _Clara_ lag op hare beurt
geknield, en hield de hand der oude vrouw zachtjes in de hare. Deze
was een beetje bijgekomen, en zag het schoone meisje met een naamlooze
uitdrukking van dankbaarheid en liefde aan.

"Ik weet immers, vrouw _Sijmens_," zei _Klaartje_, "dat gij den moed
niet verliezen zult. _Barte_ is nog niet opgegeven--en de goede God
is almachtig."

"Wij moeten allen voor één God verschijnen," zei de oude vrouw,
er aan denkende dat _Klaartje_ niet roomsch was.

"En tot een zelfden God bidden," antwoordde _Clara_, "en door een
zelfden troost getroost worden. Wat zoekt gij, vrouw _Sijmens_?"

"Mijn paternoster," zei de oude vrouw. "Ik had het zoo even nog."

"Als gij bidt," sprak _Klaartje_, "laat het zijn in een vast vertrouwen
op de macht en de liefde van God. Zulk bidden zal u versterken,
vrouw _Sijmens_, en God zal het verhooren. Gij weet hoe gevaarlijk
_mijn_ moeder geweest is, en zij is nu weer zoo frisch en gezond als
ikzelf. En _Barte_ is zooveel jonger."

"Het was een bloem op aarde," zei de oude vrouw, en een glans van
vergenoegen kwam op haar gelaat. Daarop betrok het weer. "Te denken,"
zeide zij, "dat ik haar bij haar vader onder de groene boompjes
brengen moest ..."

"De dokter zegt dat er nog hoop is, vrouw _Sijmens_! Als gij den
moed verliest, doet gij zonde," zei _Klaartje_, een paar groote
tranen afwisschende.

De dokter bevestigde het.

"Kom aan, _Mieke_," zei de oude vrouw, zich vermannende, "doe mijn
jakje dicht; ik ga bij _Barte_."

"Maar gij zult u goed houden, niet waar, vrouw _Sijmens_?" vleide
_Klaartje_.

"Komde _gij_ nog eens weer?" vroeg de moeder.

_Klaaktje_ beloofde het. Het was nu haar tijd om te vertrekken. _Gerit_
hielp haar het paard losmaken. Met een wip was zij in het
rijtuig. _Gerrit_ reikte haar de leidsels. Daar reed zij heen.

Maar nog even hield zij haar paardjen in, dat zulks kwalijk genoeg
scheen te nemen en met zijn kop trok en schudde, als van zoo kribbig
een hitje te wachten was.

"Dokter," zei _Klaartje_:, "hoe laat komt gij morgen bij de zieke?"

"Reeds in de vroegte, juffrouw _Donze_, 'was het antwoord.

"Zoudt gij, terugkomende, even op Wildhoef willen aankomen, om te
zeggen hoe het gaat?" vroeg zij blozende.

"Zonder twijfel," betuigde _Gerrit_, volstrekt niet voor haar
onderdoende.

En zij liet het hitje weder opschieten, dat een sprong deed, waarvan
_Gerrit_ schrikte.

"Geen nood!" zeide zij, "wij kennen malkaar." En het hek van de werf
uitdraaiende, op eene wijze, die geen Amsterdamsch koetsier haar zou
verbeterd hebben, liet zij het vurig paardje zijn hart ophalen aan
den zandweg en draafde heen.

"Zal de dokter blieven na de stad te riden?" vroeg _Gillis_.

"Dank u," zei _Witse_, "ik wandel liever?" En nog eens de beschikkingen
herhalende, die hij gegeven had, nam hij de thuisreis aan.

Zijn eerste werk was een hoogen heuvel te beklimmen, of hij _Klaartjen_
ook nog kon gewaar worden. Dit gelukte. Rustig zat zij achter haar
lustig paardje, dat zij meesterlijk regeerde en eerlang vergunde in
den stap te komen. Met een onuitsprekelijk welgevallen sloeg _Oerrit_
haar gade. "Welk eene ontwikkeling in dat meisje!" riep hij uit;
"welk een kloekheid! Zulk een vrouw zou me lijken, verlegen en linksch
als ik altijd ben. Zooals ik haar daar nu zie..."

Maar het hitje sloeg een bijdehandschen zijweg in; echter niet dan
na grooten lust geopenbaard te hebben om een tegenovergesteld pad
van nabij in oogenschouw te nemen. _Klaartjb Donze_ was voor heden
niet meer te zien. Maar morgen...

_Cetera desunt._

1840.



Bijvoegsel der Derde Uitgave tot de Narede en Opdracht aan een Vriend.


Bijna twaalf jaren zijn verloopen en de toegezegde "Nieuwe
Vertooningen" [21] verschenen niet. Wel lagen, reeds op het oogenblik
der toezegging, eenige schetsen gereed, maar het _spelen_ met de
Camera Obscura, waardoor ze tot een boekdeel zouden zijn aangegroeid,
moest ophouden. De tijd van het _incidere ludum,_ waarvan mijn
motto gesproken had  [22], was met nadruk daar. Ik kon voortaan mijn
instrument beter gebruiken.

Sommige mijner vrienden beweren dat ik er sedert niet of weinig aan
gehad heb; andere meenen dat het mij nog altijd goede diensten gedaan
heeft. Zoo dit laatste het geval mocht zijn, blijft het met te meer
nadruk: _nec lusisse pudet._

Intusschen heeft eene te groote belangstelling de uitgevers tot een
derden druk van _Hildebrands_ boekske verleid, en zij wenschten; het
woord blijft natuurlijk geheel voor hunne rekening; zij wenschten
dien te verrijken met hetgeen zij maar al te wel wisten dat nog in
de sedert lang geslotene portefeuille voorhanden was. Had hij moeten
weigeren? Dan zou het toch waarlijk geweest zijn: _lusisse pudet._

Ik weet niet of de te dezer gelegenheid voor 't eerst aan 't licht
gebrachte opstellen beter of slechter dan de andere zijn. Maar het
zou mij verwonderen, daar alle te zamen de voortbrengselen zijn
van een zelfden geest en tijd. Veel is er in het geheele boekdeel,
dat ik u thans voor de derde maal aanbied, dat ik nu anders zou
gevoelen, beschouwen en voorstellen; veel dat _le mérite de l'
à-propos_ verloren heeft. Maar ik geef het zooals het is en voor
hetgeen het is. _Il faut juger des écrits d'après leur date_ blijft
een treffelijke spreuk. Indien ik op dit oogenblik gelegenheid of
genegenheid had om denzelfden vorm van schrijven te gebruiken, ik
zou meenen tot iets belangrijkers, iets geestigers verplicht te zijn;
en vooral tot iets dat van een dieper menschenkennis en vruchtbarer
levensbeschouwing getuigde.

Indien ik daartoe onvermogend ware, ik zou moeten zeggen: ik heb een
dozijn jaren te vergeefs geleefd.

Waarde vriend, er heeft, sinds ik u voor de eerste en tweede
maal het meerendeel dezer minbeduidende opstellen opdroeg, al
vrij wat plaats gehad in en rondom ons. Het leven is ons sedert
eerst duidelijk, ja, wij mogen wel zeggen eerst _bekend_ geworden,
en op onderscheidene wijzen werden wij bij den ernst des levens en
bij onszelven bepaald. Het is wel eens bang geweest daarbinnen en
donker daarboven. Er hebben tranen gevloeid, van wier bitterheid onze
vroolijke jeugd, ondanks al haar verbeeldingskracht, geen denkbeeld
had. Gelukkig indien wij vreugden en ook vertroostingen hebben leeren
kennen, waarvan de kracht en de zaligheid in onze jonge harten niet
was opgeklommen. Zij zijn er; en Diezelfde die ons onze vroolijke
jeugd schonk, heeft ze te zijner beschikking, en geeft ze aan die ze
behoeft. Danken wij Hem, die ons een hart gaf om _alles_ te gevoelen,
een hart waaraan niets menschelijks vreemd bleef, en dat ook voor
het goddelijke niet onaandoenlijk is. Ook in dien speeltijd van onzen
geest, dien dit boekdeel ons herinnert, stonden wij nu en dan stil, als
op een aanraking met het hoogere, met het hoogste. De tijd is gekomen
om daaraan geheel ons hart over te geven en, bij het waarachtige
licht, alles en allen, maar allereerst onszelven te zien. Neen, het
is de vraag niet meer van _spelen,_ maar wel van wederom _kinderm
te worden._ En daar is een _kind zijn_, waarin alleen de kracht,
de wijsheid, en de vreugde van den man gelegen is.

1 October 1851.



Laatste Bijvoegsel.
(Zevende Uitgave.)


En nu--het is gedaan! Deze Zevende druk zal onder uwe oogen niet
komen; gij zult dien niet opnemen met dien genoegelijken glimlach,
die u zoo eigen was, en waarmede door u elke nieuwe uitgave van dit
boekdeel werd ontvangen en begroet.

Die oogen zijn voor goed gesloten. Geen mensen zal dat beminlijk
gelaat meer zien. Onze boeken, onze personen, onze "vertooningen",
onze werkelijkheden--het is alles voor u voorbijgegaan. Vriend
mijner vroegste jaren en, het gansche leven door, steeds meer mijn
vriend! Vriend en Broeder! Gij zijt mij van het hart gescheurd. Het
graf is tusschen ons.

Ach, welk een dag, als ik u op dat ziekbed vond, dat binnen tweemaal
vierentwintig uren uw sterfbed wezen zou! Nog had ik eenige hoop. Uw
hoofd was zoo goed. Gij waart nog zoo dezelfde in spreken en
vragen. Vier dagen later stond ik bij de voor u geopende groeve.

Nooit zal ik die begrafenis vergeten. Neen, ik had mij niet vergist,
beste kerel: toen ik, onder al de vrienden mijner jeugd, u de eerste
plaats in mijn hart gaf. Ik had niet te veel gewaagd, toen ik,
voor nu reeds meer dan dertig jaren, in deze bladen, bij het geheele
Vaderland een zoo gunstig denkbeeld van u poogde in te boezemen, als
mij, zonder al te zeer in uwen lof uit te weiden, maar eenigszins
mogelijk was. Het zegel is er op gezet. Allen hebben, voor en na,
u den man bevonden, dien ik in u gezien en aangeduid had, en gij
zijt zoo hartelijk bemind en oprecht beweend ten grave gedaald als
weinigen stervelingen mag gebeuren.

Het was een der eerste dagen van April; een vroege zondagmorgen. Wij
brachten u buiten de stad op het kerkhof van het bekoorlijk
Ubbergen. Hoe heugde het mij, dat ik het met u bezocht had, voor
achtentwintig jaar, toen dat graf voor 't eerst was opengegaan, om dat
dierbaar kind, dien lieven jongen, te ontvangen, over wiens verlies
uw hart nooit geheel heeft opgehouden te bloeden!--Nu was het nog zoo
stil op straat, de meeste menschen nog in de rust. Maar de geringe
luidjes langs den Voerweg waren op, en kwamen, als wij voorbijreden,
aan het open venster en in de deur, en keken zoo bedrukt, en schudden
zoo weemoedig het hoofd; want daar _ging_ die goede beste dokter,
die er in die vijfendertig jaren zoo velen geholpen, en zoo velen,
die hij niet helpen kon, met zijn hartetaal en deelnemend gezicht
vertroost had, en die ook "voor _ons_ menschen" zoo goed was geweest!

Buiten de poort sloot zich, ongenoodigd, een lange, lange reeks van
rijtuigen met deelnemende vrienden aan. Rondom het graf verdrong zich
een dichte schaar; menschen van allerlei leeftijd, stand, denkwijze,
betrekking op u. Zoo vele aanwezigen, zoo vele bedroefden. Van uwe
medebroeders in het menschlievend gild der artsen ontbrak er niet
een. Maar _wie_ van uwe vrienden, die erbij kon wezen, wilde er
ontbreken?--Ook gij drongt door de menigte heen, om te zien waar hij
gelegd werd, en liet de paarden de paarden, trouwe voerman, die hem
zoo menig-menigmaal naar zijn buiten-patiënten gereden hadt en ook
thans in functie waart! En dikke tranen rolden in uw bakkebaarden.

Vele hartelijke woorden werden gesproken. Woorden van smart, van
liefde, van hoogachting, van dank, van troost, van gebed. Drie
diepbewogene stemmen heb ik gehoord. Ook ik sprak een woord. Wat ik
zeide weet ik niet meer, maar wel wat ik gevoelde. Nog gevoel ik het.

Toen ik, vier weken later, dat plekje nog eens bezocht, was het
Mei geworden en alles groen. Men had mij gezegd dat langs den weg
naar Ubbergen de nachtegaal reeds overvloedig te hooren was; maar ik
bevond het op dien morgen niet alzoo. Basterdnachtegalen, Bram! waar
wij het mee deden en zoo gaarne de echten in hooren wilden, als er
geen echte waren; basterdnachtegalen, anders niet'! Maar als ik bij uw
graf stond en mijn eenzaam hart vol werd--daar hoorde ik op eenmaal den
echten! Daar hief hij aan, luid en klaar, met die lange uithalen--,met
dat krachtig georgel, dat niemand hem nadoet. Het scheen mij een lied
te uwer eere, vriend van gezang, vriend van schoone natuur en van al
wat schoon was en welluidend! Vriend in alles van het _echte_!

Rust zacht, dierbare Broeder! Gij hebt in uwen Heiland geloofd. Bij
Hem hoop ik u weer te zien. Uw beeld rust in mijn hart. En zoet is
mij de gedachte dat, zoolang dit boek in Nederland gelezen worden zal,
ook uw naam in Nederland niet zal worden vergeten.

1 Juni 1871.


                                  In Memoriam
                        Abrahami Scholl van Egmond. M D.
             _Nat_. IV Oct. MDCCCX _Denat_. XXXI Mart. _MDCCCLXXI_

                                       ·

                      Multis ille bonis flebilis occidit,
                           Nulli flebilior quam mihi.

                                                        _Hildebrand_.



Verspreide Stukken van Hildebrand.



Vooruitgang [23].


    Klein, klein kleuterken.
    Wat doe jij in me hof!
    Je plukt men al de bloemkens of
    En maakt het veel te grof.


_Oud Deuntje_.


Spoken! O, ik heb allen eerbied voor ons beter licht; maar het spijt
me razend, dat er geen spoken zijn. Ik wenschte er aan te gelooven,
aan spoken en aan toovergodinnen! O, moeder de Gans, lieve Moeder
de Gans! laarzen van zeven mijlen! onuitwischbare bloedvlek op dien
noodlottigen sleutel! en gij, stroom van rozen en paarlen uit den
mond der jongste dochter! hoe verkwiktet gij mij in mijne jeugd! Mijn
grootmoeder kon de historie van Roodkapjen al zeer goed vertellen. 's
Zaterdags-avonds, als zij haren bijstand kwam verleenen bij het
vouwen van de wasch; alvorens zij dat gewichtige werk aanvaardde,
in het schemeruur; en de kleinste zat op haar schoot en speelde
met haar zilveren kurketrekker in de gedaante van een hamer. Hoe
blonken hare oude oogen, als zij den wolf nabootste, op het oogenblik
dat hij toebeet! Zekerlijk, "Vader _Jacob_ en zijne kindertjes"
is een heel mooi boekje; "de Brave _Hendrik_" is allerbraafst;
maar ik had toen een afkeer van al die geschriften, op wier titel
prijkt "voor kinderen", "voor de jeugd"; en wat betreft titels als:
"Raadgevingen en Onderrigtingen", zij waren mij een gruwel. Als kind
begreep ik de nuttigheid van het nuttige niet zoozeer. Maar ik had
een mooie uitgaaf van Moeder de Gans: half Fransch, half Hollandsch;
zonder omslag, zonder titel, en al de bladzijden boven en beneden als
een jachthond behangen. Van de poëtische zedeleer aan het eind van
ieder verhaal, cursief gedrukt, begreep ik niets. Maar ik begreep
het verschrikkelijke van het "Zuster _Anna_, zuster _Anna_! ziet
ge nog niets komen?" en dan het wrekend zwaard van den opgedaagden
broeder! o, Die Blauwbaard, die verschrikkelijke, die gruwelijke,
die heerlijke Blauwbaard! Was mij zijne geschiedenis de schoonste der
geheele verzameling: toch was ik er eenigszins bang voor. Als ik bet
boek in handen nam, draaide ik er omheen, met een zekere begeerige
schuwheid, als eene mug om de kaars. Eerst las ik al het andere;
eindelijk viel ik op den vrouwenbeul aan, beet toe, en verslond
zijne historie. Mijn ademlooze belangstelling, mijne bleeke wangen,
mijn kippevel, mijn omzien naar de deur, mijn hevig schrikken als
er in die oogenblikken iets van de tafel viel of iemand binnenkwam,
dat alles staat mij levendig voor den geest, en ik wenschte, o ik
wenschte, dat ik dat alles nog zoo voelen en genieten konde! Gelooft
gij dat die tijd verloren was? dat zulk een uur niet tot mijne vorming
medewerkte? dat het mijne verbeeldingskracht niet uitzette, sterkte,
en haar voedsel gaf?

En nu--waar mijn Moeder de Gans van die dagen gebleven is, weet ik niet
[24]. Mijn jongere broers en zusters hebben er nooit zooveel werk van
gemaakt. Ik heb ze nooit in hunne handen gezien. De kinderen onzer
dagen lezen allerhande nuttigheid, geleerdheid, vervelendheid. Zij
lezen van volwassenen, die zij niet begrijpen, en van kinderen, die
zij niet zouden durven navolgen. Eerst van engeltjes in jurkjes en
broekjes, die hun spaargeld aan een arm mensch geven, op het oogenblik
dat zij er speelgoed voor dachten te koopen; later van groote mannen,
naar hun begrip versneden en pasklaar gemaakt [25]. En dan worden zij
altijd _leerzame jeuqd_ en _here kinderen_ genoemd. Men weet niet dat,
ofschoon menig volwassene wenscht kind te zijn, er geen kind ter wereld
is, dat zich gaarne dien titel hoort geven. Het verstandige woord van
_Van Der Palm_ tot de jeugd: "Ik wil u niet vernederen, maar opheffen"
[26], is voor de meeste kinder-auteurs een onbegrepen wenk. En wie
wil altijd leerzaam en lief heeten? Kinderen zijn er te bescheiden toe.

Doch dit alles verandert. Onze kleine morsbroekjes zijn anticipaties
op volwassen menschen. Voor hen bestaat, van moeders schoot af, geen
enkel vroom bedrog, geen enkele wonderbaarlijke jokken meer. Moeder
de Gans is veracht; zij weten, dat al wat zij vertelt onmogelijk is,
dat er nooit katten geweest zijn, die spreken konden, dat er geene
moei ter wereld uit een pompoen eene koets kan maken: zij weten, dat
St. Nicolaas niet door den schoorsteen komt; dat "wie aan den zwarten
man gelooft, van zijn verstand beroofd is!" dat alles natuurlijk toe
moet gaan, met handen gemaakt, of voor geld opkocht worden.--Het is
mooi, het is verstandig. Het is beter.

En toch geloof ik, dat het geheel afsluiten dier bovennatuurlijke
wereld, het volstrekt beperken der kinderlijke begrippen tot het
gebied van het physiek-mogelijke, zijne kwade zijde heeft, en in menige
jeugdige ziel den grond legt tot een later scepticisme, rationalisme,
of ten minste tot een zekere koelheid voor eene menigte van zaken, die
anders op het gemoed plegen te werken. Waarlijk, men maakt der jeugd te
veel indrukken onmogelijk. Onze kleine mannetjes zijn al te verstandig,
al te wijs. Zij leeren te veel op zinnen en zintuigen vertrouwen, en
dat wederspannige van te willen zien en tasten, alvorens aan te nemen,
blijft. Gij leert uwe kinderen vroeg van een "Lieven Heer" spreken, die
alles ziet en hoort: ijver dan ook niet te zeer tegen die verhalen der
kinderkamer, met welker indruk een dergelijk geloof veel beter strookt,
dan met dien van uwe volksnatuurkunde, vroegtijdig ingeprent. Maar
gij vreest, dat uwe kinderen bang, vreesachtig, lafhartig, zullen
worden. Eilieve! indien dat in hun bloed of in hunne zenuwen is, zullen
zij het toch worden; zoo niet voor spoken, dan voor beesten, voor
dieven, voor struikroovers. Eene kinderziel _wil_ hare verschrikkingen
hebben. Het wonderbaarlijke--hoe verlokkelijk is het! Of is het uzelven
niet een genoegen, spook- en wondergeschiedenissen te lezen! Ik voor
mij lees Swedenborg liever dan _Balthazar Bekker_. Gij doorbladert de
_Mille et une nuits_ met genoegen; een onzer eerste mannen leest ze
sedert onheugelijke jaren dagelijks. Gij gaat tooverballetten zien;
gij zijt de vrijwillige dupe van eenen _Faust_, eenen _Samiël_,
en een _Cheval de Bronze_. Het bovenzinnelijke, het onbegrijpelijke
streelt u. Welnu, die trek is bij uwe kinderen nog grooter. Laat der
jeugd dan hare wonderen! Aan haar al het schitterende der schatrijke
verziering, aan haar Brisemontagne, aan haar de Schoone Slaapster,
aan haar de Rijstebrij-berg en Luilekkerland; voor u de flauwe, dorre,
ware werkelijkheid; voor u onze kleine groote mannen, onze wakende
leelijken, en onze arme wereld, waar men niets omniet beeft! Dat is
eerlijk gedeeld; of zoudt gij willen, dat kinderen zoo wijs zouden
zijn als gij kinderachtig zijt?

Dichters, schrijvers, schilders onder ons! Gelooft gij niet, dat gij
veel, oneindig veel, aan uwe minne, uwe kindermeid, uwe grootmoeder
verschuldigd zijt? Hebt gij u zelven wel niet eens betrapt op een
indruk in de kinderkamer ontvangen? Kunt gij u niet voorstellen,
dat de schoone wereld uwer idealen dáár is aangelegd, dáár allereerst
bevolkt--en zoudt gij tegen het opkomend geslacht wreed kunnen zijn?

Zooveel voor de kinderen. Maar inderdaad, ons aller lof is droeviger
geworden, sedert men zoo vlijtig aan het opdekken der waarheid is
gegaan. De verziering is meestal mooier; het bedrog minder vervelend,
_l'Heureux temps que celui de ces fables!_ riep _Voltaire_, en het
ware te wenschen, dat hij het wat beter gevoeld had, de leelijke
spotter! hij zou er zoovele niet uitgekleed hebben. Hij zou niet
medegeholpen hebben aan het afbreken onzer schoone luchtpaleizen,
aan het verwoesten onzer heerlijke dorado's. Arme tijden. In plaats
van wonderdieren en wonderkrachten--natuurlijke historie en physica;
in plaats van tooverij--goochelboeken. Wat heeft de poëzie al niet
verloren! Geen vogel feniks meer, zich in zijn ambergraf van geurig
hout verbrandende en uit zijn asch herlevende; geen salamander meer,
in het vuur ademende; geen palmboom meer, te weliger groeiende,
naarmate hij meer gedrukt wordt. In spijt van het Engelsehe wapen,
geen eenhoorn meer. Geen vliegende draak, geen basiliscus. Monsieur le
Baron _De Buffon_ en andere liefhebbers van zijn stempel hebben al deze
geslachten uitgeroeid; dreiging en moord blazende tegen alle illusiën,
is het alsof zij eenen grooten maaltijd van al deze gedierten hebben
aangericht. Het zou een schoon onderwerp voor een belangrijken roman
kunnen zijn: _Nera, of de laatste der Zeemeerminnen._ De familiehaat
tusschen het geslacht der Natuuronderzoekers en dat der geheimzinnige
Zeebewoonsters kon er treffend in geschetst worden. En wat zijn wij
op een aantal punten beter dan onze vaderen onderricht! De padden
zijn niet vergiftig, en hebben geen diamant in het voorhoofd (het was
anders eene schoone allegorie, eene moreele waarheid); de walvisch is
geen visch, en _Jona_ heeft in een haai gezeten; de ooievaars dragen
hunne zwakke ouders niet, als _Aeneas_, op den rug; de olifanten
gelijken meer op menschen dan de apen; men moet niet gelooven dat
de jakhalzen de prooi voor den leeuw opsporen;--dit alles hebben
die heeren ons geleerd, en voor al de schoone wonderdieren, die zij
ons hebben weggenomen, gooien zij ons eenige ellendige verdroogde
Mammouthen en Ichthyosauri en Mastodonten naar het hoofd, waarvan
wij àlles gelooven moeten wat zij ons verkiezen te vertellen. Ik
betwist het nut dier wetenschappen niet. Maar maken ze ons het hart
niet koud? De schoone natuur blijft nauwelijks schoone natuur, als
men haar zoo koelbloedig geclassificeerd en geanatomiseerd heeft. Sla
ze op, die boeken der natuurlijke historie, met hunne klassen, orden,
familiën, geslachten, soorten, met hunne natuurlijke en kunstmatige
stelsels, hoe dikwijls zult gij er tevergeefs naar een vroom en
hartelijk woord van bewondering en verrukking zoeken. Waarlijk, men
heeft de wonderdoende natuur te veel ontcijferd, te veel met passers,
ontleedmessen, tabellen en vergrootglazen nageloopen.

_Göthe_ (of een ander, maar ik meen, dat het _Göthe_ was) sprak
uit mijn hart, toen hij mikroscopen en vergrootglazen met zijn
banvloek trof. Ons oog, dacht _Göthe_, of die andere, ons oog en
ons schoonheids-gevoel zijn slechts ingericht en geschikt om de
schoonheid dier wereld te begrijpen, die onder het bereik onzer
zinnen valt. Daarom moeten wij onszelven het onrecht niet doen,
ons in eene wereld te begeven, waar wij geen zin, geen medegevoel
voor hebben, die ons, aan andere afmetingen gewend en voor andere
vormen ingericht, leelijk moet voorkomen. En inderdaad, daar is voor
mijn gemoed iets ondankbaars, iets onbescheidens in, in het bezit der
groote aarde, nog datgene te vervolgen, wat buiten onze heerschappij
ligt; eene nieuwsgierigheid, die wij dan ook gewoonlijk met walging,
afschuw of ontzetting boeten. Of gevoeldet gij niet een akelig
mengsel dezer drie gewaarwordingen, toen de oxygeen-mikroscoop u de
verschrikkingen van een droppel water vertoonde en sidderen deed voor
de afgrijselijke gedrochten, die er zich in bewogen? Voor mij, het
geluk van des morgens met een blij gelaat mijn lampet aan te grijpen
en het heldere frissche water op mijne handen te gieten, heeft veel
van zijne bekoorlijkheid verloren, sedert ik het klare vocht als het
voermiddel dier afschuwelijkheden heb leeren aanschouwen; sedert ik
niet kan nalaten aan die monsters te denken met schorpioen-staarten
en meer dan griffioen-klauwen gewapend, die er elkander in bestrijden
[27]. Lieve medemenschen! welke is uwe gewaarwording, als gij bedenkt,
dat gij bij iederen tred duizend moorden begaat, bij iederen zucht
duizend heirlegers verplaatst, met iedere ademhaling gansche benden
inademt; dat de kus der min er duizenden verplettert; ja wat meer
is, dat gij in iedere porie uwer huid eene gastvrijheid uitoefent,
waarbij die van _Hatem_, wiens tent honderd poorten had, niets
is? Ik voor mij wenschte niet te weten, dat ik zoo overgoedertieren
ben. Waarlijk, vrienden! dat alleven is niet uit te houden. Bedenkt
het toch! Misschien heeft er op dit oogenblik een tornooi plaats in de
hoeken van uw mond of een veldslag op den zoom van uw oor. Misschien
mejuffrouw! viert het uitschot der oneindig kleinen een bacchanaal
op uw smetteloozen hals; misschien hooggeleerde! gaat er een rei van
dartele ijdeltuitjes ten dans in de plooien van uw kin!--Ba! het
is afschuwelijk! Hoe dit gebroed afgeschud? Hoe dit krioelend
heelal ontloopen? Helaas! aantrekkingskracht en middelpunt-schuwende
kracht--de onverbiddelijke wetenschap zegt het--beletten het u. Zalige
tijd, toen gij het niet wist! Toen kondt gij in uwe gedachten schoon,
zuiver, _alleen_ zijn. Maar gij hebt van den Boom der Kennis gegeten,
en zijt uzelven een afschuw geworden. Ik voor mij geloof dan maar
liever aan de "Edammer Seemaremin!"

Ziedaar voor de natuur. Hoe ging het met de geschiedenis? Ook dáár
moest, tot in kleinigheden toe, de waarheid, de koude waarheid,
hardnekkig vervolgd worden. Ik keur goed, dat nieuwe onderzoekingen
aan een _Sardanapalus_ recht laten wedervaren en veranderingen maken,
niet minder gewichtig dan die van den _Médecin malgré lui_, als hij
het hart van de linker- naar de rechterborst verplaatste--maar, bij
voorbeeld! De ton van _Diogenes_ is een klein hutje geworden: alsof
de grootste ton niet ruim zoo aardig was als het kleinste hutje ter
wereld. Van de wolvin, die _Romulus_ en _Remus_ zoogde, in een gemeen
vrouwspersoon gemaakt. _David_ was zoo klein niet, en _Goliat_ niet
zoo heel groot. Men bedoelt het Hebreeuwsche, als men van _Erasmus_
zegt, dat hij twaalf jaren oud was, eer hij het A. B. C. machtig was;
de pannekoeken die czaar _Peter_ te Zaandam at, waren zoo'n gemeen
gebak niet, en zijn scheepstimmeren was juist niet veel. En dan
al die steden, gesticht door mannen, die nooit op die plek zullen
geweest zijn, en al die mooie gezegden, die zoo mooi niet waren en
waar iets anders mede bedoeld was; en dan die heerlijke gezangen,
welke geen dichter gehad hebben; en dan die bekrompenheid om getallen
te rectificeeren! _Leonidas_ verdedigde Thermopylae wel met slechts
driehonderd Spartanen, maar daar waren nog andere honderden bij,
dat geen Spartanen waren; in plaats dat _St. Ursula_ met elf duizend
maagden den marteldood onderging, onderging zij dien met geene elf
duizend maagden; wat en hoeveel waren het dan?--En dan dat uitlachen
als wij medelijden hebben, b.v. met _Tasso_ en _Petrarca_, door te
zeggen, de een had het zoo hard niet te Ferrara, en de andere _was_
niet zoo heel verliefd!--Zie, indien een geestig schrijver gezegd
heeft, dat de historie niets anders is dan eene fabel, waaromtrent
men overeenkomt, waarom zijn er dan zoo vele spelbrekers, die ons
met een hatelijken glimlach overal iets ontnemen, iets veranderen,
iets verbroddelen?--Ik geloof dat dit alles nuttig is,--maar ik zou
er bij kunnen schreien--Eilieve! geef mij dat kleine boekjen eens
aan! dáár, van den rand dier canapé. Ik dank u. "Daer was eens een
Koning en eene Koningin ..."

Nog iets. "Weet ge wat mij verbaast? Dit: dat, terwijl onze tijd er
zoo op uit is, om alle vorige geschiedschrijvers en overleveraars
beschaamd te zetten voor het minste krulletje dat zij te veel of
te scheef gemaakt hebben, diezelfde eeuw alles in het werk stelt
om hetgeen onder hare oogen gebeurt zooveel mogelijk opgesierd en
mooigemaakt tot de nakomelingschap te brengen, Wij, die op al wat nu
geschiedt medailles slaan, op alles oden maken, al het tegenwoordige
ten breedsten uitmeten en zoo pittoresk mogelijk voorstellen; wij,
die in de bewondering van ons-zelven schrijven en zingen en alles
als in het vuurwerk onzer opgewondenheid zetten; wij, die aan alles
wat het onze is eene romaneske, eene ridderlijke tint geven;--wij
nemen de goede voorgeslachten zoo ernstig te biecht en vallen hun zoo
hard, omdat zij hier en daar de Helden en de Wijzen wat in het _Held-
en Wijze- zijn_ geholpen hebben, omdat zij hier en daar een lichtje,
een bloempje, een pareltje, een gordijntje hebben aangebracht! ... Het
is onbillijk.

"Daer was eens een Koning en eene Koningin, die so bedroeft waren,"
enz.



Het Water


Neen, ik kom van mijn denkbeeld terug dat er, in spijt van _Newton_
en _Herschel_, eene verandering in ons wereldstelsel zou hebben
plaats gehad. Mijn barbier had er mij bijna toe overgehaald. "Die
komeet van _Halley_", had hij wel tienmaal gezegd, "is niet pluis
geweest!"--en toen nu de winters wegbleven, en het in Italië kouder
was dan bij ons; toen de Meimaanden Novemberweer meebrachten, toen
ik zaterdags vóór Paschen (en het was een late Paschen, van 't jaar)
over den straatweg narde, en op oudejaarsmorgen laatstleden drie
bloeiende viooltjes plukte--toen begon ik in den man met den langen
blauwen jas en de zilveren oorringetjes, die altijd iets te scheren
en altijd iets te praten weet, geloof te stellen, en ik zei met hem:
"die komeet van _Halley_ zal het hem gedaan hebben".

Maar nu schijnen alle dingen weer op den ouden voet te zijn en,
indien het al waarschijnlijk is dat wij een uitstap hebben gemaakt,
het is zeker dat wij weer zijn teruggebracht, dat wij weer tehuis
zijn. Het is weer winter in Januari. Mijn grootmoeder was trotsch op
den winter van Vijfennegentig, "toen er nog zoo geen kachels waren",
en ik verhef mij op de koude van Drieëntwintig, toen er van de veertig
jongens maar zeven school kwamen, van welke ik er één was, wien de
lofspraak, die het mij van den meester bezorgde, op een bevroren neus
te staan kwam; om niet te spreken van een "kaartje van vlijt", dat
mij ontging, omdat mijne handen veel te rood en veel te koud waren
om een mooi middelmaat schrift te schrijven, op en tusschen de lijn,
met zuivere ophalen, en zonder aandikken. Helaas! ik heb het in het
schrijven nooit heel ver gebracht; daarom laat ik nu ook maar drukken.

Ik mag wel een wintergezichtje. Alle landschapschilders beginnen
met wintergezichtjes, waaruit ik opmaak dat een wintergezichtje
gemakkelijk en eenvoudig is. Er ligt in die soberheid der natuur
in de koude maanden iets aantrekkelijks, iets plechtigs, iets kalm
verhevens. Indien deze bevroren ruiten het maar wat beter wilden
gedoogen, hoe zou ik het vergezicht genieten! Waarlijk, het is
schoon! Een heldere, blauwe lucht, geheel klaarheid, als wilde de
zon met licht vergoeden wat zij aan warmte onthoudt. Een heerlijke
noordsche dag;


    "Een telg der zon in sneeuwkleedij."


Maar de sneeuw is nog weinig. Hoe liefelijk rust dat weinige op de
immergroene dennetoppen! Al de andere boomen hebben het afgeschud;
maar ook de lange, lange beukenlaan met hare onafzienbare reeks
grauwe takken heeft iets indrukmakends. En het verre verschiet:
hoe duidelijk is het; hoe scherp teekent zich dat rieten dak tegen
den azuren hemel! ... Maar daar is iets, dat voor mijn gemoed al
de schoonheid van dit wintertooneel bederft; het is ... Moet ik het
zeggen? Het is--het ijs!

Een heldere, frissche, noordsche dag doet een mannelijk bewustzijn
van kracht, een besef van gezondheid ontstaan. De koude geeft een
edelen moed; zij sterkt de ziel gelijk de spieren. Men weet ook wel,
wat mannen en wat beginselen het Noorden heeft voortgebracht; welke
gezonde, reine, zuivere en heldere denkbeelden, er van het frissche
Noorden zijn uitgegaan; welke edele krachten het forsche Noorden heeft
ontwikkeld; welke reuzen, gewoon de sneeuwvlok in den baard te voelen
en den hagelsteen te hooren kletteren op het harnas, met


    "daden in de vuisten",


uit het geharde Noorden zijn opgetreden. En daarom: ik acht, ik
eer de koude, den zuiveren, gezonden wind, de blanke, smettelooze
sneeuw;--maar het ijs--o, vergun mij het ijs te haten!

De koude maakt de beweging noodzakelijk, de luiheid onmogelijk, of
het moest de luiheid van het bed wezen. Alle inspanning, alle vlijt,
iedere vermoeienis wordt met het zaligste beloond, dat men in den
winter genieten kan: warm te worden. En dan de haard! die dierbare
haard! O gij, middelpunt aller wintergenoeglijkheden! Vurig voorwerp
der vurige liefde van huismenschen en huisdieren! Onderpand en outer
der huiselijkheid zelve! hoeveel verliest gij van uwe bekoorlijkheden,
van uwe waarde en van uw gezag, in die laffe, wakke, flauwhartige,
waterzuchtige winters! Men verachteloost, men vergeet, men spreekt
kwaad van u. Tweemaal in de week wil de schoorsteen niet trekken;
zesmaal in de veertien dagen is het hout te vochtig om te branden;
dagelijks zijt gij als een twistappel in de huisgezinnen, als de een
u te warm, de ander niet warm genoeg aangestookt acht. Maar _nu,_
gij wordt, van een noodzakelijk kwaad, een onbeschrijfbaar geluk, van
eene gedoogde dienstbode, een gevierde prinses! Men moedigt u aan, men
prijst, men verheft, men bewondert u: gij wordt aangebeden! Uren kan
men u zitten aanstaren! Gij zijt het ideaal van winterheil! Gewis, voor
de lustige vlammen gezeten, met het boek van een lievelmgsschrijver
in de hand on het vooruitzicht van een krachtigen wintermaaltijd
des middags, of van opwekkelijke punch des avonds, nu en dan een
blik te slaan op het bevrozen tooneel, dat buiten is, de helderheid
van hemel, aarde en haard te genieten, het flikkeren van de witte
sneeuw met dat der gele en oranje vlammen te vergelijken ... het is
zalig--Maar het ijs, het ijs! ... Waarom ijs?--Ja, het ijs is voor
mij een voorwerp van afschuw. Het moest winter kunnen zijn zonder
ijs. Ik bemin den winter,--ik gevoel, dat ik den winter noodig heb;
ik zie veel minder tegen het korten der dagen dan tegen onze natte
schrale voorjaren op--maar noch het glas water, dat ik elken avond
op mijne nachttafel gereed zet, moest stollen, noch de lieve breede
vijver, waar ik hier het uitzicht op heb--mijn mikrokosmos, noch mijn
makrokosmos--moest bevriezen! En waarom niet? Ach gij zoudt de vraag
niet doen, zoo gij wist, hoe dierbaar mij het water is, het heldere,
levende water! welke aandoeningen het in mij opwekt, welke gedachten
het mij toespiegelt,--hoe teeder ik het bemin.

_Cooper_ verhaalt van een zeeman, die niet inzag, waartoe er éénig
land op de wereld noodig was, dan effentjes een klein eiland, en dan
ook nog maar, om den wil van het zoete water. Zoo verre gaat mijn
hartstocht niet. Het is het vaste land, dat mij het water te meer doet
waardeeren; maar ik bemin het dan ook met een gloed, die aller zeeën
en stroomen tezamengedreven vocht niet in staat zou wezen te blusschen.

Zie, daar stort zich de schuimende waterval met daverend geweld uit de
hoogte neder in de diepte. Het is een prachtig gezicht, een majestueus
gedruisch. De zeven kleuren des lichts worden gescheiden; de lucht
dreunt; en de wind voert het witte, vlokkige schuim wijd en zijd
mede. De harde rots siddert, en geheele brokken worden afgescheurd;
de pasgeboren stroom voert ze mede als lichte vederen, en ploft ze
neder in de diepte, waar alleen hij ze kan oplichten. Water! gij zijt
de sterkste de krachtigste, de edelste der vier hoofdstoffen! De
Aarde is stom, dood en roerloos; maar uwe stem is als de donder,
uwe spraak heeft allerlei geluid; gij leeft, gij zijt als bezield;
gij beweegt u naar alle kanten als eene kronkelende slang: als eene
bevallige schoone, als een ontstuimig ros, dat struikelblok acht noch
slagboom ontziet! Onzichtbaar is de Lucht; maar gij blinkt als een
edel metaal, met maagdelijk smettelooze reinheid! Uwe veerkrachtige
oppervlakte werpt de vermogende stralen der zon terug, en doet het
trillend geluid huppelen naar uwe maat! Het Vuur is afhankelijk van
voedsel en lucht; maar gij zijt vrij en u-zelf genoegzaam, ja, gij
vernietigt zelfs het vuur, waar het (te vroeg!) naar de oppermacht
staat over al de elementen! Schiet heen, koninklijke bergstroom! schiet
heen en heersch, vervul de dalen, splijt de heuvelen, spot met den
trots en het zelfvertrouwen der vaste stof! Richt uwen weg werwaarts
gij wilt! Zwel schuimende, verbreed u bruisende! Word gevreesd en
geëerd! En leg u dan ter ruste in den schoot des breeden oceaans;
hij alleen is uwer, gij zijt zijner waardig! Gij beiden zult leven tot
"de hemelen met een gedruisch zijn voorbijgegaan en alle hoofdstoffen
branden zullen en vergaan".

Gegroet, gegroet, gij frissche stroomen en heldere rivieren! Gij
dooradert de aarde, gelijk het bloed de leden doorvloeit van de
kinderen der menschen! Wee, wee het oord, dat gij veracht! Dáár is
woestijn, verschrikking en hongersnood! Gezegend de landen, door u
gezuiverd, gevoed, verrijkt, gesierd en gelukkig gemaakt! Wel moogt
gij den hemel weerkaatsen, en de wonderen des hemels weerspiegelen, gij
weldadigen! Wel mogen de zaden der liefelijkste bloemen nedervallen aan
uw oevers, de weelderigste takken der schoonste boomen hun lommer over
u uitbreiden, de geurigste kruiden van wederszijden u toewalmen! Geen
olmekruin toch spiegelt zich in uw o helderheid en geene lelie buigt
zich met Liefde, naar uwe frissche rimpeling, of zij groeien en bloeien
door u! De wijnbergen aan uwe zoomen voeden uit u de verkwikkende
trossen, en de goud-gele oogst bootst het gedruisch uwer golven
niet na, dan als een hulde, U toegebracht! Gij doorwandelt de aarde
goeddoende en waar gij de oorden in liefde omhelst, daar baren zij
welvaart en vruchtbaarheid, schoone dochteren, op hare beurt moeders
van vrede en geluk!

Aan dezen oever lust het mij te toeven en het heerlijk tooneel te
genieten. Met hoe sierlijk een bocht beweegt zich de blauwe rivier
over hare zachte bedding en besproeit de groene zoomen, frisch en
vroolijk door hare bevochtiging. De zon giet er haar licht over uit;
maar het is of zij hare stralen slechts even indoopt, en dan schuchter
terugtrekt, met een tinteling als van vuurvonken en diamant. De lage
wilg met zijn hollen knokigen stam; de slanke popel, wuivende van
het zachte koeltje; het hooge en dichte riet, de scherpe blaren en de
zwarte pluimen schuddende; het kleine boerenhuis, waaruit het blauwe
rookwolkje geestig en langzaam opstijgt, en in de lucht vervloeit;
de roodbonte koe, tot de knieën in het water, een koel bad nemende op
gindsche zandplaat,--het wordt alles getrouw verdubbeld door het klare
vocht, en zijn dun vernis doet ieder voorwerp schooner glanzen. Kunt
gij den lust weerstaan met mij in dit bootje te stappen?--Reik mij
de hand, en ik zal u midden in dit bekoorlijk tooneel brengen. Een
oogenblik zal het geplas der riemen de liefelijke stilte afbreken,
een oogenblik de effenheid gestoord worden, en dan zullen wij ons
op den stroom laten drijven. 0 wellust! te drijven, te vlotten, zich
te laten gaan! losser van het stof der aarde, als een golf onder de
golven, zich over te geven aan den vriendelijken Geest der wateren,
wiens onzichtbare hand u voortstuwt over zijn gebied. Zie, nu is het
hemel boven en onder en rondom u, en gij gevoelt u zelven het gelukkig
middelpunt eener sfeer van schoonheid en weelde. Dat gij uwe luite bij
u haddet. De zachte melodie is het liefelijkst op het water. De malsche
noten vallen er op neder als dons; en zacht, als de boezem eener vrouw,
heft het water ze op; en verzoet, maar versterkt, als verkwikte hem die
aanraking! zweeft de toon van rimpel tot rimpel, van golf tot golf,
en vervult beide de oevers met den wellust des geluids. Waarlijk,
het water is bezintuigd, is gevoelig; het bemint al het schoone:
het welluidend toongeruisch, de zachte kleurschakeering, den zoeten
geur. Ik zou den riem niet met woestheid kunnen bewegen, noch onnoodig
rumoer maken in een element, zoo aandoenlijk, zoo teeder. Ja, het edele
water, het doet de aarde leven; het verheugt ieder landschap, het is
het schoonste sieraad aan het weelderig kleed der aardsche schepping!

Maar des avonds, als zich de breede schaduwen nedervlijen aan uwen
boezem; als de maan haar troostend licht doet trillen op uwe effenheid
en al de sterren in u haren glans verdubbelen, dan, heerlijke vloed is
er eene stem, die opstijgt uit uwe bedding, en roerend en verlokkend
spreekt tot mijne ziel! Dan is het geluk, op den, alleruitersten rand
des oevers te staan, mij overgevende aan zoet en weemoedig gepeins. En
telkens als het windje zich verheft en in den stroom een stroomender
plekje vormt, is het alsof de lokstem inniger en verleidender wordt. En
het oog volgt uwe oppervlakte, tot waar zij met de geheimzinnige
schemering ineensmelt, en duizende gedachten, duizende herinneringen
golven af en aan met uwe rimpeling. Het is een wellust.

Zoo stond ik menigen schoonen zomeravond aan uwen rand, liefste aller
vijvers! gij weet, of ik u liefheb. Thans!--(helaas! ik schrijf dit
alles bij een groot kolenvuur!)--thans zie ik treurig naar u uit!--Gij
zijt een ijsklomp; gij zijt verstijfd, roerloos, dood. Voor weinige
dagen zag ik de bleeke winterzon nog schijnen op uwe golving, en de
groene dennen ter linker-, de lommerlooze groepen van acacia's en
beuken ter rechterzijde in uwen spiegel weerkaatst; en met welgevallen
rustte mijn oog op het zonnige plekje, dat hoenders en duiven plachten
uit te kiezen om zich te verkwikken aan uw vocht. Helaas! wat is er
van u geworden? Wat anders zijt ge nu dan


    "'t Misvormde lijk van 't uitgebloeide Schoon"?


Wat is het harde, gevoellooze ijs? Stof, koude, ziellooze stof,
als de logge aarde. _Shakespeare_ noemde het water _valsch_, maar
hij lasterde; het water is zoo oprecht als doorschijnend; het vleit
niemand met de onmogelijkheid van gevaar, die het waagt zijn heiligdom
in te gaan; het is het ijs, dat valsch en verraderlijk is.--Het ijs! O,
het is dubbelhartig, het is een bastaard, het is; om het met een woord
te noemen, dat ik aan een onzer beroemdste hoogleeraren verschuldigd
ben, en dat een verschrikkelijk vonnis van veroordeeling uitspreekt;
het ijs is _hybridisch_!--Ik wenschte dit zelfde wintertooneel te
zien, maar zonder dat ellendige deksel op hetgeen de natuur schoonst
en vriendelijkst en bezieldst heeft. Doch werwaarts ik mijne oogen
wende, nergens ontdekken zij het voorwerp mijner liefde; het ligt
onder deze dikke, nijdige, blauwe zerk begraven, en ijdele slaven
van het vermaak dartelen over dat graf!

Neen, gevoellooze, onvermurwbare korst, beeld van onverschilligheid
en koude wreedheid! neen, ellendig namaaksel van glas! mijn voet zal
u niet betreden! Ik zal niet, als een lichtzinnige dwaas, mijne zolen
met ijzer schoeien om u te vereeren, en de rustplaats te ontwijden
van mijn dierbare! Lig dáár, en mest u met het kostbare bloed der
aarde! Maar wee u, huichelaar! die uit valsche schaamte uwe afkomst
verloochent en voor uw minderen door wilt gaan! Roem vrij op uwe
sterkte, op uw geweld! De boeien zullen verbroken worden. Ik zeg
u, het zal dooien! In den lieven lentewind zal het triomflied der
vrijheid weerklinken; en de schoone dochter der natuur zal haren
kerker uitbreken, en opnieuw schitteren voor het aangezicht der zonne!

En laat ons nu nog eens stoken.


_Buiten_, 9 Jan. 1838.



Begraven.

Mijne vrienden! men zal ons allen begraven.

Ziet er uw lichaam op aan: gezond, sterk, vlug, gehoorzaam aan uwen
wil, gevoed, gevierd, gekleed, opgeschikt! Er zal een tijd komen dat
het daar nederligt--nederligt op een bed, hoop ik!--, zielloos, koud,
stijf, in een enkele doodswa gehuld, onder een lang wit laken--als een
steen. Het is nu nog het uwe: het zal dan het uwe niet meer zijn. Gij
zijt dan niet meer een persoon, maar een ding. Men staat er bij,
liefde en genegenheid staan er bij, en zoo zij niet dan weenende
het kunnen gadeslaan, niet dan weenende er van kunnen scheiden, zij
schamen zich bijna zoo veel gevoeligheid, zooveel eer te bewijzen aan
een onding, dat reden en godsdienst haar leeren geringschatten. Maar
neen! zij schamen zich niet--de menschelijkheid zou er tegen opkomen:
de liefde ziet hem, dien zij heeft liefgehad, nog in zijn lijk;
beminnelijke liefde!--Men strekt u eerbaar en voorzichtig uit. Zoo
men u aanraakt, om te voelen of gij reeds koud, en hoe koud! gij
zijt, men doet het met eene zachtheid alsof gij sliept, alsof men
schroomde u wakker te maken! Men spreekt niet dan fluisterende in
de sterfkamer. O! voor wie u teeder beminde, is het eene behoefte
het doove lijk nog eens bij _uwen_ naam te noemen. Zachtkens en met
eerbied vlijt men u in uw laatste verblijf neder. Statig voert men
u ten grave. Met ongedekten hoofde ziet men de kist nederdalen. Met
plechtigen ernst wordt de schop aarde er op geworpen. Dan eerst heeft
men met dat doode lichaam gedaan.--Maar neen! wellicht schrijven
achting of liefde een kort woord op uwe zerk, of planten zij eene
vriendelijke bloem op uwe zode, en komen van tijd tot tijd weder,
om te zien waar men u gelegd heeft en uwer te gedenken op de plaats,
waar gij niet zijt, doch waar datgene rust wat men het langst van u
behield; waar de menschelijkheid van u afscheid nam.

Ik weet wel, dat het tot de _verstandigheden_ onzer dagen behoort,
dit alles bekrompen, belachelijk en onnoodig te vinden. Men heeft zoo
veel boeken gelezen! Ik weet wel, dat het eenen sterken geest bewijst,
wanneer men den heldenmoed heeft van te zeggen: "het is mij om het
even wat er na mijn dood mei mijn lichaam gebeurt, ik zal er niets
van voelen: om het even waar het liggen zal, ik zal er niettemin
dood om zijn; het kan alleen voor de mijnen van belang wezen, dat
mij eene eerlijke begrafenis ten deele valt; maar, wat raakt dat
mij?"--Ik weet, dat men den Engelschman bewondert, die wilde dat er,
ten algemeenen nutte, knoopen van zijn gebeente en snaren van zijne
ingewanden zouden gedraaid worden--maar ik gruw er van. Ik weet, dat
het vrijzinnig beginsel in dezen zoo sterk is dat het reeds op onze
publieke inrichtingen gewerkt heeft, en de zaak der dooden "minder
omslachtig" is gemaakt;--ik begrijp, dat hiermee het vrij algemeen
nalaten van den rouw in verband staat, en dat men zijn manlijkheid
toont door te zeggen: "ik wil niet dat het zich iemand aantrekke als
ik sterf";--maar ik beklaag de menschen die zoo heel wijs zijn en
zichzelven zoo menig zoete gedachte onmogelijk maken; wier gansche
leven, door eigen schuld, een gedurige worstelstrijd is tusschen
hoofd en hart; en ik spreek mijn "wee!" uit tegen die groote mannen,
die de wereld zoo hebben gemaakt. Maar de eerste schuld ligt toch bij
hen, door wie al die wijsheid is uitgelokt; bij hen, die de zaak des
gevoels zóó ver trokken, dat het verstand boos werd. Toen wij lang
op eens anders kerkhof, waarmee wij niets hadden te maken, geweend
hadden, en naar sterren en wormen en welkende bloempjes gekeken, toen
kwamen de tegenvoeters en de afbrekers, de spotters en de prozaïsten,
en dreven de andere mode door; de worm werd doodgetrapt, de seraf naar
huis gestuurd; de zerken werden voor afbraak verkocht; de lange witte
zakdoeken werden gemeen; men zag nauwelijks om naar zijn eigen dooden;
en daar hadden wij A + B = C. De thermometer daalde van Bloedwarmte
tot Vorst. Het sneeuwde groote ideeën. Het was een frissche, maar op
den duur onaangename koude.

Wat nu die groote ideeën aangaat, ik laat nog gelden, dat groote
mannen ze uitspreken. _Byron_ mocht, onafhankelijke genie die hij was,
en na al wat hij ondervonden had, nog eens zeggen:


    "Ik wil niet dat mijn stervensmaar
    Een enkel uur van vreugd bederf,
    Noch eisch dat vriendschap, als ik sterf
    Zal siddren bij mijn baar;"


schoon ik liever zijn zachtzinnige coupletten, beginnende "O,
weggerukte in schoonheids bloei", leze.--Maar dat ieder schoolmeester
en schooljongen zich tot eene dergelijke grootheid van ziel wil
opheffen--zie, dat is wat forsch, dat vind ik belachelijk en
ongelukkig tegelijk! En als men de leer der onsterfelijkheid, als
men de goddelijke Openbaring durft misbruiken, om mij te bewijzen dat
mijn menschelijk gevoel dwaas of schuldig is, dan beklaag ik hen diep,
die de vriendelijke leer van 't Evangelie zoo weinig verstaan.

Neen, het is onnatuurlijk onverschillig te zijn, of ons stoffelijk
bekleedsel met eerbied, met belangstelling, met liefde zal behandeld
worden, of niet; of het in bekenden en den levende dierbaren grond
zal rusten, dan in verre landen of diepe zeeën zal vernietigd
worden. Gij zult het niet gevoelen, zegt gij, met een kalmen
glimlach.--Zoo? Gaat u bij uw leven _niets_ aan van hetgeen na uwen
dood geschieden zal? Is het denkbeeld te leven in de gedachtenis der
uwen u reeds nu geheel onverschillig? Laat de hoop op den lof der
nakomelingschap, waarvan gij niets hooren. niets ondervinden zult,
u geheel koud? Of is zij veeleer een sterke prikkel voor uwen ijver,
een troost (de éénige) bij de onaangenaamheden die de weg des roems
u opwerkt, bij de ondankbaarheid des tijdgenoots? Of, zoo gij u dáár
over heen gezet hebt--eilieve! zeg mij eens oprecht: verheugt het u
wel eens te denken, dat uwe beeltenis in handen zal komen van dien
uwer vrienden, dien gij het liefst hadt; dat, na uw dood, de ring,
dien gij daar aan uwen vinger draagt, zal overgaan aan die welbeminde
hand die hem dragen zal tot dat zij verstijft? dat uw zoon in uw huis
zal wonen, in uwen armstoel zitten? dat uwe familie u zal zegenen om
de liefderijke, de edelmoedige wijze, waarmee gij over het uwe hebt
beschikt?--Verhard uw gemoed eerst tegen al deze aandoeningen, en
zeg dan, dat bij den dood alle gemeenschap tusschen u en uwe naasten
ophoudt, en dat het u om het even is, hoe zij bij uwe sponde staan,
wáár zij uw lijk begraven zullen!

Mij is het eene aangename gedachte--en mij dunkt, zij zal mijn
sterfbed zachter spreiden--te mogen hopen, dat een vriendelijke,
een lieve hand mij de oogen zal sluiten en mijn hoofd goed leggen;
dat menige treurende gedaante in de eerste dagen dat sterfbed,
zal naderen, "om hem nog eens te zien"; dat menig sidderende hand
mijne koude vingeren zal opvatten, om ze mistroostig weer te laten
vallen; dat menig weenend oog met moeite afscheid zal nemen, ook
van dit nietsbeteekenend overschot: en dat men mij met ernst en
plechtigheid uitgeleide zal doen naar eene rustplaats, mij dierbaar,
als de rustplaats van dierbaren.--Ja ook dat! ik gevoel het, ook dat
zal mij een troost zijn, te weten dat, uit _wier_ armen mij de dood ook
seheure, ik tot dezulken ga, die ik zal hebben beweend,--dat één zelfde
graf hen en mij, en eenmaal hen die mij treurende overleven moesten,
zal besluiten; dat wij daar allen te zamen zullen rusten... O, het
is niets, het is niets! ik weet dat het niets is; maar het is eene
zoete gedachte,--en ik bid de verstandigen der aarde, mij niet uit
te lachen, maar mij te benijden.



Men weet op wat wijze de gewoonte van in het heiligdom te begraven
in de wereld is gekomen. Eerst bouwde men de kerken op de graven,
daarna bracht men de graven in de kerken. Waar de asch der
martelaren rustte, wier bloed het cement der kerk is daar richtte
de eerbiedige dankbaarheid der eerste christenen het bedehuis op,
de beste eerzuil! Later bracht men vaak hun dierbaar gebeente uit
het onaanzienlijk graf, waarin het vernachtte, naar de kerk over, en
begroef het onder het outer. In hunne nabijheid te rusten, was sinds
lang de vrome wensch van menig stervende, en de eerste christenkeizer
was de eerste die binnen den gewijden omtrek der door hem gebouwde
kerk een graf begeerde. Het was een stoute wensch; maar hij vond
alras navolging en voldoening. Opvolgers van den grooten bekeerde
verboden het begraven in het heiligdom; doch de christenheid vond het
denkbeeld te stichtelijk, de rust in Gods huis te benijdbaar, om ze
op te geven! Het begraven in de kerken werd algemeen. Ieder belijder
van den naam des Heilands sterkte zich onder de vermoeienissen en de
lasten des levens met het denkbeeld, dat de Heer hem rust zou geven
in Zijn Huis; en het scheen hem bemoedigend Zijne wederkomst aldaar
af te wachten. Elke zerk van het plaveisel werd een grafsteen, en de
gemeente vond het opbouwend, het woord des levens te hooren, gezeten op
de verblijven der sterfelijkheid; en over levenden en dooden welfden
zich de gewijde bogen, waaronder de leer verkondigd werd van hem
"die de dooden levend maakt en roept de dingen die niet zijn alsof
zij waren". Onze grootouders vonden dit alles nog troostrijk. Met
uitzondering van weinige, was een graf in de kerk hun een dierbare,
een onschatbare bezitting. Geen bewijzen der schadelijkheid van de
dooden voor de levenden konden hen van hun stuk brengen. En toch dat
moest niet zijn! Onze eeuw was rijp om het offer te brengen. Onze
onverschilligheid maakte het misschien gemakkelijk. Maar zoo gij
hier of dáár nog een ouderwetsch christen ontmoet, wien het grieft
dat hij niet rusten zal in het graf zijner vaderen, in de schaduw
van het heiligdom, waar hij en zij aanbaden--bespot hem niet, bid ik
u! Broeders, het is een eerbiedwaardige zwakheid.



Maar wilt gij weten, wat _ik_ bespottelijk, wat _ik_ ergerlijk
vind? Het zijn uwe wapenborden, uwe grafnaalden, uwe eerzuilen in
de kerk; uwe lofverzen op stof en assche, onder het oog van God en
in Zijn heilig huis op aarde, geschreven. Het zijn de tropeeën van
dwazen trots, wereldsche ijdelheid, nietigen rijkdom, verwaande
wetenschap, bloedigen oorlog, dáár te pronk gesteld, waar ootmoed
en eerbiedigheid zich met gebukten hoofde voor het oog des Heeren
stellen. Het is de hulde, vaak overdrevene, altijd dáár misplaatste
hulde, in het huis ter eere Gods gesticht, toegebracht aan alle
soort van verdiensten. Waarlijk, het is een vreemd, een (laat ik
het zeggen!) belachelijk schouwspel, die bonte rij van allerlei
deugden en gaven, in het heiligdom geloofd, geprezen, en vergood. Het
zijn de deugden en gaven van den krijg, der geleerdheid, van het
kabinet, der kunst, der nijverheid, gehuldigd in de overblijfsels
van menschen van allerlei neiging, allerlei gedrag, allerlei geloof
en ongeloof. O! het belgt mij niet, dat de gemeente, aan wie het
oordeel niet toekomt, hun allen gelijkelijk een plaats ingeruimd
heeft in hare kerk; maar dat zij er liggen als zondaren!--niet
als groote mannen, niet met den titel van _naturae se superantis
opera_, niet onder de uitgebreide vleugelen der faam, niet onder de
brallende uitspraken van tijdgenooten en vereerders, maar in stille
afwachting van het oordeel Desgenen, "die weet wat er in den mensch
is!"--Wilt gij de namen uwer grooter mannen beitelen en vergulden,
omlauweren en omstralen; wilt gij hun standbeelden oprichten, zuilen
stichten; wilt gij hunne deugden voor de nakomelingschap vereeuwigen,
de jeugd door hun doorluchtig voorbeeld en de eer die hun weervaart,
prikkelen: naar de openbare plaatsen, naar de academiepleinen, naar de
raadhuizen, naar de trappen der paleizen, naar de schouwburgen, naar
de markten, met uwe vereering! Hier--is het heilige grond. Ontbindt
uwe schoenzolen! Hier geene namen, geene lofspraken geuit, dan die den
Hemel welgevallig zijn! Hier wordt alleen God en zijn Zoon geprezen,
en in Hun naam geroemd. Wilt gij hier zuilen oprichten, doet het zoo
vaak de Heer u uit groote benauwdheden redt, in groote gevaren behoedt:
"Eben Haëzer; tot hiertoe heeft ons de Heer geholpen". Maar--hier
geene menschvergoding! hier God alléén en het geloof!

Ik weet dat onze protestantsche leer het kerkgebouw niet als heilig
doet beschouwen, maar ik weet ook, dat onze christelijke ootmoed ons,
in zijn omtrek vooral, de praalzucht behoort te verbieden. Ik weet,
dat onze strenge toepassing van het "God te aanbidden in geest en in
waarheid!" uit voorzichtigheid, in aanmerking nemende de menschelijke
zwakheid, niet duldt dat wij voorstellingen van _Christus_ en zijn
daden op aarde in onze bedehuizen ophangen; maar veel minder voegen
er die beelden, welke er de aandacht van Hem afleiden en bij eigen
grootheid stil doen staan. Neen, niets, niets moest de éénheid van
doel in het heiligdom breken; alles moest op God wijzen--alleen op
God! [28].



Maar ofschoon dit aloude misbruik (zoo als het in mijne oogen _is_)
niet geheel met het begraven in de kerken heeft opgehouden, het is er
toch aanmerkelijk door gefnuikt. Wij allen zullen onder den blooten
hemel rusten, en wat men op ons graf moge schrijven of oprichten,
het zal geen gemoedelijk kerkganger ergeren. Welnu, dat denkbeeld
heeft ook veel schoons, veel zoets, veel zaligs: te rusten in een
liefelijke streek, te midden der natuur, die wij bemind hebben, in een
zacht graf, waar rondom het alles bloeit en groent, waarover de zwoele
winden waaien, waarover de heerlijke sterren van den nacht schijnen!

Ik kan evenwel niet zeggen dat de hoog romaneske begraafplaatsen
onzer dagen mij altijd evenzeer aanstaan.

Vele zijn veel te zwierig, veel te bloeiend, veel te gekunsteld,
veel te rijk, te overladen met dichterlijke zinnebeelden. De dood is
arm, en heeft zijne eigene poëzie. Waar de natuur de begraafplaats
schilderachtig maakt, is het wèl; waar de kunst het doet, verraadt het
de menschelijke zucht om alles op te schikken te zeer. Het verschilt
als een wilde bloem en een gevlochten krans. Niet bij iedere zerk moet
een roos geplant zijn; niet over ieder graf een treurwilg weenen. Doch
dáár staan zij geheel gereed, om op de dooden te wachten. Het zijn hier
niet droefheid en liefde, die ze bij de rustplaats van het voorwerp
harer vereering planten: het is het overleg van den aanlegger, die
weet hoe het behoort, die ze elken doode als voor bestemt, en op
liefde en achting vooruitloopt.

Mij bevallen onze oude dorpskerkhoven nog altijd het best, en
misschien te beter omdat zij zoo weinig van hoven hebben.--Onze oude
dorpskerkhoven; zonder een verwaande spreuk of een heiligen tekst, die
in ieders hart vanzelf opkomt, op het hek; zonder kunstmatigen opschik,
zonder weelde, zonder van buiten aangebrachte dichterlijkheid, waar de
doodenschaar een breeden kring om het huis Gods slaat, in welks omvang
het "gij zijt stof!" gepredikt wordt en welks toren ten hemel wijst,
verkondigen zij dood en opstanding met meer waarheid, meer ernst,
meer nadruk, meer onversierde welsprekendheid! Zij zijn _natuur_;
geen _smaak_! Het hooge gras, de zonder opzet opschietende bloem, de
eenvoudige gedenkteekenen; het armelijke van het geheel komt overeen
met de gedachten, die mij daar vervullen. Geene begrafenisplechtigheid
werkt ook zóó zeer op mijn gemoed, als die, zooals ze bij ons op het
platte land plaats heeft. Dan luidt de oude dorpsklok uit den toren,
en de kleine optocht komt langzaam nader. Geene beambten, geen noodiger
met een gewichtig gezicht; alleen de bloedverwanten, de vrienden, de
buren. Geen ander rijtuig dan de wagen, die den overledene gediend
heeft om voor zich en de zijnen het eerlijk onderhoud te winnen,
voert hem nu ten grave, en deze wordt getrokken door zijn geliefd
paard, den deelgenoot van zijn arbeid. Met het gezicht in de groote
zwarte huik verborgen, zitten de vrouwen op de kist zelve. Bij
het graf spreekt de leeraar, aller vriend, een kort woord; de kist
wordt neergelaten; de naaste betrekking werpt er de eerste aarde op;
en den eerstvolgenden zondag gaat hij over dat graf ter kerke, waar
hij woorden van troost hooren zal. Want in den kleinen kring eener
landgemeente heeft men bevrediging voor elks behoefte.

Uit dit alles ziet men wel, dat ik juist niet veel gevoel voor
ceremoniëele begrafenissen, lange rouwslepen, _magna funera_! Het
is dikwijls akelig zulk een mommespel te zien, met aangetrokken
rouwkleedij en aangetrokken treurige gezichten. Maar het begraven
van stadswege, zooals dat reeds hier en daar plaats heeft, is toch
een koud denkbeeld. Neen, de buren, de buren moeten begraven; geen
daartoe aangestelden die, als op hoog bevel, uwen dierbare, als
ware hij publiek eigendom geworden, komen opeischen en weghalen,
terwijl de gewoonte hun verbiedt eenige deelneming ook maar voor
te doen. Maar zóó ver gaat de koelbloedigheid in sommige plaatsen,
dat indien gij arm zijt en niet hebt om uwen vader, of uwe moeder,
of uwe dierbare vrouw, of uw lief kind eene eerlijke begrafenis te
geven, men u niet van de kosten ontheft, zonder op het rouwlaken met
groote letteren het verwijt te schrijven: "_Van de Armen_". Dat is
toch wat heel hard, en neemt de gansche weldaad terug!



Ik sprak met een woord van het rouwdragen; ik wilde te dezer
gelegenheid mijne denkbeelden daaromtrent blootleggen. Ik weet wel
dat men somtijds, uit aanmerking van de bekrompen omstandigheden
waaronder men een groot gezin nalaat, de bepaling maakt dat niemand
het zwarte kleed zal aantrekken. Maar waar deze, of eene andere nog
geldiger reden niet bestaat, o mijne vrienden! maakt, bid ik u, die
bepaling niet. Laat het nooit eene gril wezen, die gij denkt dat u
fraai staat, nooit een gekozen partij worden, waar gij niet van wilt
terugkomen. Gij weet niet, hoe gaarne men over dierbare betrekkingen
rouwt; hoe zoet het is eenen geliefden doode voor het oog der wereld
deze geringe hulde te brengen! Honderd vertoogen over de nietigheid
der uitwendigheden, honderd bewijzen dat het rouwkleed _niets_
bewijst, honderd voorbeelden van huichelaren die het ontwijdden,
van lichtzinnigen wie het verveelde, nemen niets weg van het zacht
weemoedig gevoel waarmee de hartelijk bedroefde het aantrekt! En o,
ik weet, op den bodem uws gemoeds _is_ die wensch, dat men uw dood niet
onopgemerkt voorbijga, dat men het niet te veel zal achten iets voor uw
nagedachtenis te doen. Maar uw verstand weerspreekt dien? Weest dan zoo
hardvochtig verstandig niet,--weest natuurlijk, eenvoudig, menschelijk,
en ten minste niet wreed jegens anderen. Ziet! ik wenschte, dat
al die philosofen-, al die studenten-ideeën maar één hoofd hadden,
om ze met een enkelen slag van de wereld te doen verdwijnen!



Het dorpje O. is zoo weinig uitgestrekt, dat het zelfs geene Kerk
heeft, maar welk vlek is zoo klein, dat het geene begraafplaats
behoeft? Dáár is zij een lieve zandige heuvel, vanwaar men op bosschen
en hoven nederziet, en in de nabijheid blinken de witte duinen. Enkele
bewoners van de naburige stad hebben er graven. Daar bracht ik mijn
eerste offer aan den dood. Daar legde men een mijner vroegste en beste
vrienden weg. Ik was toen achttien jaar oud. Het was een heldere dag,
en de zon scheen liefelijk op het vredig landschap en het kleine
kerkhof. Het geheele tooneel staat in al zijne bijzonderheden mij nog
levendig en helder voor den geest. Met eenige der naaste betrekkingen
en nog een vriend van den overledene, wachtte ik er het lijk op. Nog
zie ik den voorsten drager de kist tegen den heuvel optorsen. Toen
werd zij op de planken gezet, en daarna voorzichtig nedergelaten op
die eener zuster--almede eene jeugdige doode, die eene zelfde kwaal
ten grave had gesleept! Het was geen kuil; het was een grafkelder. Van
dat oogenblik af heb ik iets tegen grafkelders. Mij dunkt, ze zijn zoo
kil! De moederlijke aarde klemt zich niet om den doode, opdat hij zijn
stof met het hare vermenge, maar hij blijft aan zichzelven overgelaten;
dit geeft onaangename voorstellingen. Ook begraaft men den doode
niet; veeleer bergt men hem weg. De zon wierp hare heldere stralen
in den geheelen kelder, en de witte kist met hare koperen ringen
glinsterde in haar licht. Maar weldra schoof men den zwaren steen op
de opening, en het licht werd langzamerhand uit dat somber verblijf
uitgesloten. Ik weet wel, dat het dit was dat mij bijzonder aandeed,
en dat ik met belangstellende aandacht de zwarte schaduw verder en
verder over het deksel sluipen zag, totdat zij de laatste lichtstreep
had verzwolgen. Maar het moest zoo zijn. Toen ik het graf verliet, had
ik een vreemd gevoel. Het was mij duidelijk dat ik aan eene droevige
plechtigheid had deelgenomen, maar dat ik _hem_ had zien begraven,
dien ik zoo zeer geacht en bemind had, bij wiens ziekbed ik zoovele
nachten had gewaakt, dien ik na zijn dood zoo dikwijls beschouwd had,
zooals hij daar lag, rustig uitgestrekt, met blij moedigen glimlach en
effen voorhoofd; dat hij nu in dien donkeren kelder lag, voor altijd
weg uit mijne oogen... het was mij wonderlijk.

Nooit bezoek ik dat kleine dorp, of ik bezoek dat graf. Nooit geleid
ik iemand in den omtrek van dien stillen heuvel met blauwe zerken en
groene zoden, of ik wijs hem dien aan en zeg--"dáár rust een mijner
vrienden; hij was een goed mensch".



Ik eindig zoo als ik begon: "Mijne vrienden, men zal ons allen
begraven!" O dat wij allen, als deze, dezulken bij ons graf vergaderen
die ons betreuren; dat ons aller nagedachtenis in zegening blijven
moge! Zoo slape ons stof in den schoot der aarde, totdat de groote
en ontzaglijke dag des Heeren komt!

1837.



Eene Tentoonstelling van Schilderijen.


Mijn vriend _Baculus_ heeft een klein boekje geschreven, waarin hij
over het verval der kunst klaagt en een weinigje knort! Als oorzaak van
dit haar verval geeft hij voornamelijk op, dat zij buiten haar doel
is geplaatst, dat zij niet op haren rechten prijs geschat wordt. De
kunst is een meisje, dat leelijk wordt bij gebrek aan aanbidders. Hij
bewijst u dat de kunst in het geheel niet meer wordt aangebeden,
maar wel te kijk en te koop gezet, als iets bijzonders en aardigs,
als eene curiositeit. Hierin nu is dunkt mij veel waarheid, en het
staat in zijn boekjen in sierlijk Fransch te lezen. Inderdaad, het
komt mij meer en meer voor alsof de groote kunst zoo ingekrompen was,
dat men met haar als met een dwerg op de kermissen rondreisde. Gij
begrijpt dat dit leventje haar zekere kwade gewoonten doet aannemen
en haar in hare eigene oogen vernedert. Ook is zij sedert lang niet
vrij te pleiten van allerlei laaggeboren ondeugden en neigingen. Zij
is van tijd tot tijd vrijpostig en onbeschaamd, ophakkerig en
driest. Zij houdt van bonten opschik, schreeuwt drie tonen te hoog,
en is nu en dan wel eens wat heel los in den mond; daarbij heeft zij
iets wreedaardigs en koelbloedigs gekregen.--En wat denkt gij nu van
de tentoonstellingen van schilderijen? _Baculus_ ijvert er geweldig
tegen en, als men de dingen een weinigjen uit de hoogte beziet, is
men het zeker met hem eens; maar dan loopt men gevaar van fantastisch
te worden, zooals de lieden van het onderzoek zeggen; daarom laat
ons uit de laagte opkijken [29], en dan zullen wij toestemmen
dat de jaarlijksehe expositiën groote en veelzijdige _nuttigheid_
hebben. Maar het is vervelend altijd over nuttigheden te praten;
duizend "lezers" doen dit maandelijks in duizend lezingen; en voor
een liefhebber der schilderkunst is één uurtjen in eene zijkamer met
een portret van _Kruseman_ of eene zee van _Schotel_ alleen gelaten,
ruim zoo aangenaam als de aanblik van die gansche zaal vol goud en
glans, waar de kunstgewrochten in lagen opgestapeld zijn, en waarin de
kleuren van den regenboog dooréénschemeren als die der zijden draden
in de weerschijnen sakken onzer grootmoeders.

Of welke speldeprikken (neen, dolksteken!) denkt gij, dat eene voor
kunstschoon vatbare ziel zich voelt geven, als zij een kaarslicht
van _Schendel_, voorstellende een ouden bedelaar (levensgrootte)
met een kandelaar in de hand, hangen ziet tusschen twee grasgroene
landschappen van ik weet niet wien, met duizend boomen, die elk zoo
groot zijn als de kaars van den grijsaard, en daarboven misschien een
ruiker van _Bloemers_, geflankeerd door het portret van een gouden
huzaren-officier en de mislukte afbeelding van een opengesneden
kabeljauw met bijhebbend gezelschap van roggen en mosselschelpen?

En echter verzuim ik niet de tentoonstelling te bezoeken, en kan ik
er met innig genoegen uren doororengen. Eerst maak ik den toer van
de schilderijen en doe er zooveel wetenschap op als noodig is om in
de gezelschappen te redetwisten over "het mooiste van allen", vast
besloten het met de vrouw des huizes of de liefste dochter eens te
zijn; om vervolgens de Haagsche en de Amsterdamsche tentoonstellingen
onderling te vergelijken, waarbij de plaats waar ik mij bevind mij
altijd het oordeel helpt vellen; om daarna de portretten van mijnheer
en mevrouw A, B, C, en het geheele alphabet te roemen; echter sterk
volhoudende dat zij volstrekt niet geflatteerd zijn, en eindelijk des
noods met de jonge dames te lachen over het slechte toilet van deze of
gene, die, verbeeld u! verkozen had in het groen te worden voorgesteld,
terwijl zij toch "zoo _heel_ blond" is, en den heeren in te fluisteren,
dat zij voor die groene japon te weinig goed heeft gebruikt; aan al
hetwelk ik ten laatste de kroon opzet door de volkomene ontleding van
een zeer slecht stuk en de uitvoerige beschouwing van dat kleine stukje
"daar ik wel een uur bij had kunnen stilstaan, zoo klein als het was!"

Maar dan keer ik mij, vermoeid van kleuren en tinten, verguldsel en
vernis, dooreengewarde nommers en nagekomen stukken, tot de beschouwing
dergenen, die met mij opgekomen zijn om te zien wat er al zoo in een
jaar tijds is op het doek gebracht. Van de gladde, zachte, gepolijste
gezichten in lijsten, tot de menschelijke troniën in hoeden; van de
_tableaux de genre_ aan den wand, tot de _tableaux de genre_ op den
vloer; en uren lang zou ik kunnen besteden in de natuurbeschouwing van
dien af- en aanvloeienden stroom van kunstbeschouwers. Het verwondert
mij dat er geen schilders nederzitten om studiën te maken. Ik heb er
eene geheele verzameling van schilderijen opgedaan. Zie hier eenige
nommers van mijn catalogus.

N_o_. 1. _Een Teekenmeester, zijn eigen werk beschouwende._

Het is een kort, tenger mannetje, min of meer grauw van tint, met
kleine, grijze oogen en een scherpe kin. Bij het binnentreden overziet
hij de zaal in de vier richtingen met een kennersoog, en geen stap
gaat hij verder alvorens hij zijn bril heeft opgezet. Hij is gekleed
in een vettigen, versleten zwarten rok en dito pantalon. Een lederen
stropje van eigen maaksel knelt om zijn hals, en hij draagt een
katoenen overhemd, op de borst fijntjes geplooid. Hij vergoedt het
volslagen gemis van handschoenen door de buitensporige lengte van de
opslagen zijner roksmouwen, die hem tot het tweede lid der vingeren
komen. In het voorhuis reeds heeft hij den catalogus opengeslagen en
naar binnen omgevouwen. Hij heel _Aegidus Punter_. De P. blinkt op de
bovendrijvende bladzijde. Hij is nu bezig, met een zekere handbeweging,
alleen den teekenmeesters eigen, een volslagen potlood met een lange,
scherpe punt uit zijn kamizoolzak op te delven. Wilt gij meer van
hem weten? O! het is niet moeielijk in hem een dier ongelukkige
martelaars der kunst te onderscheiden, "die miskend worden", en wier
schitterende gaven alleen waardeering vinden bij de jonge dames die
hunne voorbeelden copiëeren. Het ontbreekt hem aan aanmoediging en
tijd, anders werd hij een van de grootste schilders van het land. Dan
had hij een ridderorde, dan ging hij naar Italië, dan kwam hij in
de nieuwe uitgaaf van het groot Schilderboek!... Maar niemand let
op hem. Hij gelooft somtijds dat hij een te stipt christen, een te
nauwgezet burger is, om een schildersnaam te maken. Voor het overige,
wanneer hij over de kunst spreekt, gebruikt hij de woorden: toon,
kracht, geest, warmte, vergelijkende tint en wat dies meer zij,
zoo dikwijls als de doorluchtigste van het gild. Zijne voornaamste
verdienste bestaat in de edele onverschrokkenheid waarmede hij zich
aan alle genres waagt. Hij teekent kerken, hij teekent historie,
hij teekent landschap naar de natuur; hij vervaardigt, zoo gij het
verkiest, uw portret in waterwerf of crayon; hij doet al wat gij
wilt. Maar hij maakt jaarlijks één schilderijtje, dat hij naar de
tentoonstelling zendt. Het maakt de bewondering uit van zijn vrouw,
van zijn meid, van al zijn kweekelingen, en van al de leden van het
kunstlievend gezelschap daar hij lid van is.

Maar altijd wordt het slecht geplaatst, allerslechtst geplaatst! Hij
ziet in de commissie een schandelijk komplot, tegen zijn opgang en
belangen saamgespannen. Hij leest den Konst- en Letterbode, hij leest
het Handelsblad: nooit is er melding van zijn stuk gemaakt. O! welke
zoete droomen droomt hij den eersten nacht nadat hij het heeft ingepakt
en met een uitvoerig adres verzonden! Het zal de verbazing van alle
beschouwers uitmaken! _Teylers_ museum zal het willen aankoopen;
de Prinses van Oranje zal het moeten bezitten; een liefhebber zal
aanbieden het met goud te beleggen! Groote schilders zullen hem zijn
penseel benijden; vreemdelingen zullen naar de plaats zijner woning
komen reizen "om den grooten _Punter_ te zien"; en wanneer hij hun
dan, zoo eenvoudig en nederig als hij is, in zijn simpel zwart rokjen
en op zijn hooge schoenen, de deur zal openen, en zij vragen: "is de
groote _Punter_ te huis?" welk een triumf zal het zijn, te zeggen:
"dat ben ik zelf, mijnheer! om u te dienen!"--Helaas, zijn stukje
komt weerom--het is niet in aanmerking gekomen.--Eens, eens--de
waarheid eischt van den geschiedschrijver dat hij het vermelde--ééns
scheen het in aanmerking gekomen te zijn. Eene dame van rang en
liefhebberij had er een kunstkooper last op gegeven. De kunstkooper
schreef aan _Punter_, en _Punter_ schreef aan den kunstkooper. Hoeveel
woordenstrijd had deze briefwisseling tusschen juffrouw _Punter_ en
haar waardigen eega gekost, als het haar voorkwam dat hij te zedig was
in het bepalen van den prijs, en zij hem toescheen voor een eersten
keer wel wat inhalig te wezen! Eenige dagen duurde het eer hij een
tweeden brief ontving. Reeds wisten al zijne jonge juffrouwen en
de geheele stads-teekenschool dat het stukje van meester _Punter_
was "aangekocht voor een kabinet"; reeds had men er hem in zijn
kunstlievend gezelschap mee gelukgewenscht; reeds had hij vol ijver
en hoop een nieuw stukje begonnen. Het zou ditmaal in den smaak
van _Ostade_ zijn. Twee passediezende boeren met de echt Ostadische
korte pijpjes, en den eeuwigen wingerdtak belet vragende door het
venster. De eene geheel spel; de andere half bierkan!--Hij zou er
het dubbel voor vragen van hetgeen zijn eersteling had opgebracht;
en zijne vrouw zou een kerkboek krijgen, met een gouden slot. Zoo
zou hij langzaam opklimmen tot de hoogste hoogte; zoo was het _Frans
Hals_, zoo _Van Dijck_, zoo _Rembrandt_ gegaan.--Maar, o slag des
noodlots! Daar brengt hem de koelbloedige post een brief.--Men had
zich in het nommer vergist. De kunsthandelaar is beleefd genoeg
vergeving voor deze onachtzaamheid te vragen. Vergeving voor deze
onachtzaamheid! Wat onachtzaamheid? Neen, hij vrage veeleer vergeving
voor een der verschrikkelijkste grieven, die men een eenvoudig
burgerman kan aandoen! vergeving voor een dolksteek, die een van
blijdschap zwellend hart doorboort; voor een mokerslag, die honderd
der schoonste luchtkasteelen doet ineenstorten! vergeving voor een
zedelijken en schilderlijken moord!--Ziedaar een enkele bladzijde
uit de geschiedenis van dit klein, tenger mannetje. Verbaast het u
thans, dat zijn rok zoo kaal, zijn gelaat zoo geel, zijn mond zoo
droevig geplooid is, dat hij de opgewektheid verliest zijne sluike
haren éénmaal in de maand te doen knippen? Zie hem daar nu weder
op de tentoonstelling. Zijn stukje--het is ditmaal eene keukenmeid,
die een koperen emmer schuurt--zal wel weer slecht geplaatst zijn;
zeker te hoog of te laag voor menschelijke beschouwing. De vorige
maal was het alsof het zijne bewonderaars onder de engelen zocht: nu
zal het misschien in de diepte zijn nedergestort. _Flectere si nequeo
Superos, Acheronta movebo!_ zucht hij niet, want hij verstaat geen
Latijn. Zijn vader was een rijtuigschilder, beroemd om zijn blinkend
en nooit barstend vernis; maar de zoon had te veel _"zenie"_ om bij dat
vak te blijven. Hij vorscht met schijnbare onverschilligheid de plaats
uit, aan zijn meesterstuk beschoren. Het schikt nogal, wat de hoogte
betreft; maar in dit hoekjen is immers weer niets geen licht op den
koperen emmer! Ach! de geheele wereld gaat er ook voorbij. Nutteloos
staat deze Apelles op de wacht; zoomin de tripjes als de voet van
zijn keukenmeid worden beoordeeld! Niemand zegt iets van den koperen
emmer, waarvan zijn vrouw immers had betuigd, dat zij meende er haar
muts in te kunnen opzetten! Als de bewegelijke rij der toeschouwers,
"die toch waarlijk bij erger prullen stilstaat", tot _zijn_ werk is
genaderd, schijnen zij plotseling gezicht en spraak verloren te hebben.


    Stillswijgen is een Vloeck die meer bijtt als quaed-spreken.


Zijn eigen onafgebroken aandacht wekt zelfs niemands opmerkzaamheid
op.--"En daar moesten zij dan die lijst nog om beschadigen!" zucht
hij--"die lijst van twaalf gulden tien!" Want het verguldsel had een
knauw gekregen, doordien het nog nat was geweest toen hij zijn tafereel
inpakte en, een maand te vroeg, verzond. Troosteloos verwijdert hij
zich, om in stilte zijn gemoed te koelen aan het portret van dien
poedelhond, wiens rechteroor misteekend is. Maar, daar is het alsof
hij iets hoort in den hoek van _zijne_ schilderij. Inderdaad! Eene
jonge welgekleede dame en een dito jonge heer staan er in eene gebukte
houding op te turen. Zoo schijnt dan nog iemand dit der moeite waardig
te achten! Zie, hoe lang vertoeven zij! het zijn zeker liefhebbers,
ontegenzeggelijk kenners!--Maar welk een onderdrukt gelach, nu zij
er afstappen? Gerechte hemel! zij trekken een gezicht alsof zij het
vroolijkste _Jan-Steentje_ gezien hadden in plaats van zijn eerbare
keukenmeid, en nog even vangt hij de woorden op: "het heeft meer
van een hond".--Dat verwijt geldt, arme kunstenaar! het katjen op uw
voorgrond, niet veel grooter (ik beken het) dan een schaap van het
kleinste ras! Het katje, waarvoor uw eigen poes tot model verstrekte;
het katje, dat gij uitteekendet des avonds, terwijl uwe teedere gade
uw slaapmuts warmde op haar stoof! En (tot overmaat) daar hoort hij
diezelfde jonge lieden hunne bewondering uitgillen over dienzelfden
poedel, wiens rechteroor misteekend is!--"Het is," zeggen zij, nota
bene!--"het is alsof hij leeft."

"De naam is alles," zucht hij, en kijkt op zijn zilveren zakuurwerk,
het zilveren zakuurwerk van zijn eerzamen vader, den rijtuigschilder,
beroemd door zijn blinkend en nooit barstend vernis. Het uur is
geslagen, hij moet les geven. Ga heen, ongelukkig martelaar! ga heen
naar de jongejuffrouw C. en vertel haar voor de honderdste maal "dat
zij toch hulplijnen moet zetten"; zij heeft het weder vergeten, en nu
staat de geheele anjer scheef; ga heen, en bedenk u onderweg nog eens
of gij u wel wagen zult aan die voorstelling van de heldendaad van
_Van Speyk_, waar ook al voorstellingen genoeg van zijn. Vervolg uwe
lessen van uur tot uur en van dag tot dag! Met een weinig meer talent
zoudt gij misschien, met een weinig minder, zeer zeker gelukkig zijn.

N°. 2. _Een familietafereel._

Het is een mijnheer en eene mevrouw van middelbare jaren, en een
jongeheer en eene jongejuffrouw in den bloei der jeugd, en een kleine
jongen van zeven jaar daarbij. Ik beschrijf u hunne kleederdracht
niet: er is weinig opmerkenswaardigs aan. Het zijn menschen uit den
deftigen middelstand, goede lieden, niet Haagsch, maar kleinsteedsch
gekleed. Ik sla een blik op de wezenstrekken. Mijnheer ziet, dunkt mij,
een beetje knorrig. Vraagt gij de reden? Deze menschen komen eigenlijk
zoo pas uit een naburige stad met een calèche aangereden, waarin zij
met hun vijven hebben gepakt gezeten. Mijnheer heeft drukke zaken,
waarbij zijn tegenwoordigheid slecht gemist kan worden; hij ziet tegen
alle uitstapjes op, als tegen zoovele bergen, en hij houdt daarenboven
niet van rijden. Maar mevrouw wilde zoo "dolgraag" de tentoonstelling
zien; al de mevrouwen zagen die. In een zwak oogenblik, hij moet het
bekennen, had hij het haar beloofd. Ik meen wel, aan den avond van
een dag, dat hij geen lust gehad had menschen te zien. Ook waren de
kinderen nooit in den Haag geweest, en het Haagsche Bosch--"het was zoo
heerlijk!" Vroeg in den morgen kwam het rijtuig voor. Het was tamelijk
mooi, ja! het was mooi weer! Maar zoodra de paarden het Haagsche Bosch,
"dat zoo heerlijk was", hadden bereikt--of het spel sprak--scheen het
dat donkere wolken den hemel betrokken! en nòg was het Paleis van Prins
_Frederik_ niet in het gezicht of de stortregen kwam neder!--In het
plan stond, dat men op het Tornooiveld, in den Doelen, af zou stappen
en zich eerst behoorlijk en op zijn gemak verkwikken. Mijnheer is
gesteld op zijn leefregel. Maar men heeft geen regenscherm! En dan--de
straten!--Men vindt dus beter dadelijk op de tentoonstelling aan te
rijden. Van dat de eerste zwarte wolk was komen aandrijven en de eerste
rimpel op papa's voorhoofd bespeurd is, heeft mama alles in het werk
gesteld om het gesprek levendig te houden. Zij was onuitputtelijk
in het verhalen van de genoegens, die zij in hare jeugd in dit
"eigenste Haagsche Bosch" gesmaakt had. Maar bijna geen woord is er
gesproken sedert de eerste vochtdruppel viel en het "daar hebben wij
het al!" van de lippen van het achtbaar hoofd des huisgezins geklonken
heeft. Mevrouw, die de reis heeft dóórgedrongen, het jonge meisje, dat
haren vader met haar "vooruitgebabbel" over dat feest heeft verveeld,
en de jongeheer, die gezworen heeft dat het mooi weer zou blijven,
voelden zich als het ware verantwoordelijk voor iederen regendrop,
die viel, vallen zou, of zou kunnen vallen, en ongerust zagen zij
elkander aan. "Kom aan dan maar!--de tentoonstelling!" had papa
gezegd, toen het rijtuig stilhield en de familie werd uitgepakt. Maar
in de stemming, waarin ZEd. verkeerde, viel het hem nogal tegen dat
hij voor ieder persoon van zijn gezin een catalogus te koopen had,
alleen de kleinste uitgezonderd. Maar mevrouw!--Haar triomfante blik
roept mij toe: "wij zijn er!" en het beminnelijkst lachje vervangt,
zoodra zij zich in het lokaal gevoelt, den angstigen trek die in de
volle calèche om haren mond speelde. Ondertusschen is deze lieve
familie nu véél te vroeg gekomen. Daar is nog bijna niemand. Dit
valt de nog wel eenigszins wereldsche dame tegen; niemand om gezien
te worden! niemand om hare lieve dochter te zien! Het is waarlijk
een mooi gezichtje en, mij dunkt, het gelukkigste van alle; een
ongemaakte vreugde verschijnt op haar gelaat, nu zij de bonte rijen
van tafereelen overziet. Maar zij had zich toch alles veel grooter
en veel mooier en veel treffender voorgesteld. Tien zulke zalen,
duizend meesterstukken! Zij telt pas zestien jaren.--Mijnheer haar
broeder is een jaar ouder, en dus in dien lieven leeftijd, waarin
men meent voor iets goeds te zullen gehouden worden, wanneer men
den schijn aanneemt van iets kwaads dat men niet is. Hij heeft al
de kenteekenen, al de bewegingen van een recht lastigen wijsneus,
en schijnt nog in twijfel te hangen wat hij liever wezen zal, een
fat of een lomperd. Hij verbeeldt zich kunstkennis te hebben en is,
om daarvan proeven te geven, gestadig in de contramine. Al de stukken
die zijne goede moeder opgetogen doen staan van verrukking, acht hij
"infaam geschilderd, slecht van kleur, dwaas van gedachte, plat, zonder
diepte", kortom rechte bokken van ongerechtigheid, die hij met al de
fouten van alle slechte schilderijen belaadt. Zijn zuster dwingt hij
tot de bewondering van grove, wilde, breedgepenseelde studiekoppen van
bandieten en ijzervreters "daar genie in zit", en die haar volstrekt
beter moeten bevallen dan het liefste heiligbeeld der wereld. Hij is
altijd een schilderij of wat vooruit, zoekt ter sluiks de nommers op
in den catalogus, en toont dan zijne meerderheid over zijn vader door
hem in strikken te lokken en tot dwaze weddenschappen te verleiden
over den waarschijnlijken schilder van dit of dat tafereel, van
wien de gedrukte letter hem den naam heeft doen kennen; en na hem
bewezen te hebben dat hij dien aan zijne lichtvalling, of aan zijn
behandeling, of aan zijn stoffeering, of aan zijne ordonnantie kent,
laat hij den goeden man, die toch al niet wel gemutst is, van tijd tot
tijd een ongelukkige figuur maken. Mevrouw heeft een treurig gebrek
aan ordelijkheid in hare beschouwing. Nu is zij in dit gedeelte der
zaal, maar plotseling verplaatst zich hare nieuwsgierigheid naar het
tegenovergestelde; nu eens wordt zij door deze of gene uitblinkende
verf aangetrokken, dan weder verlokt door haar aangeboren zucht om
gelijkenissen op te merken. "Zie toch eens, lieverd! vinje niet, dat
dat jongetje veel van ons _Pietje_ heeft?" Het tafereel, waarvan ze
spreekt, is de voorstelling van een lief kind, met het hoofd voorover
gebogen op den ruigen kop van een patrijshond, en door een onzer
eerste meesters geschilderd; een recht serafijnen gezichtje waarmee
ik, in het voorbijgaan, de moeder gelukwensch. _Pietje_--het is een
zevenjarig jongetje, dat ik u nog niet beschreef--_Pietje_ is een
ongelukkig wicht, door de engelsche ziekte mishandeld, met een groot
driekant hoofd, en bleek, zeer bleek! In zijne fletse oogjes schemert
maar eene flauwe levensvonk. Ik weet niet recht of hij een zakdoek
bij zich heeft. Maar aan zijn kleedij is smaak, noch kosten, noch
tijd gespaard. De kinderen van onze dagen worden allerdichterlijkst,
allertheatraalst uitgedost. Eene vierkante uhlanemuts met een gouden
kwast siert zijn jeugdig hoofd, en een schotschbont kieltje, waarvan
de breede plooien door een nog breeder verlaktlederen riem met een
onmatigen gesp worden in toom gehouden, en waar de ruiten zoo groot van
zijn, dat de rug van het schaap volmaakt een gevierendeeld wapenbord
vertoont, begraaft zijne tengere ledematen. Een fijngeplooid kraagje,
dat hem in de ooren prikt, wordt naar hetzelfde stelsel van inperking
te keer gegaan in iedere buitensporige golving die het zou kunnen
aannemen, door een dasje van turkschgele zijde, zeer uitvoerig
gestrikt. Een wit engelschlederen broekje, tot groote zielesmart
van mama aan de treden der calèche bij het uitstappen vuil gemaakt,
omkleedt zijne kromme beentjes, eindigende in witte kousjes en
lage schoentjes. "Vinje niet, lieverd! dat dit jongetje veel van
ons _Pietje_ heeft?" vraagt de moederlijke moeder. Maar hoe groot
is hare ontzetting, nu zij, opziende naar een antwoord, niet haren
echtvriend gewaarwordt, maar wie weet welk een groot Haagsch heer, met
een ridderorde en een knevelbaard! "Excuseer, mijnheer!" en met een
kleur als vuur ijlt zij weg, en sleept nu haren wettigen gemaal voor
de beeltenis van den lieven jongen, "die zooveel van _Pietje_ heeft".

Zoo heeft men een geheel uur gesleten. Mijnheer meent dat het lang
genoeg is; de wijsneus beweert dat er niets "eigenlijk moois" is; de
jonge juffrouw heeft een dollen zin opgedaan om met een blooten hals
en een gouden ketting geportretteerd te worden; en mevrouw vindt dat
men niet weg moet gaan "eer men de Haagsche menschen nog eens gezien
heeft." Het rijtuig, dat intusschen weer voorgekomen is, zal daarom
nog wat wachten. Maar de Haagsche menschen komen nog niet; de _beau
monde_ zou nog niet _kunnen_ komen. Men slentert nog een half uurtje,
en ziet, de zon breekt door! Men moet van het goede weer gebruik
maken om naar het Haagsche Bosch te gaan, "dat zoo heerlijk is". De
familie vereenigt zich bij den uitgang. "Heden mijn tijd!" zegt
mevrouw, "daar hebben we het stukje van _Ko_ nog niet gezien! Dat
moesten we toch nog eventjes opnemen."--"Och laat dat stukje van
_Ko_ nu maar rusten!" zucht mijnheer. "Het zal wat wezen!" merkt de
wijsneus aan. Maar mevrouw durft de moeder van _Ko_ niet onder de
oogen komen, tenzij ze het stukje van _Ko_ gezien heeft. _Ko_ nu,
is een neefje van de familie, een bedorven kind dat niet onaardig
teekent, weshalve zijn moeder besloot dat hij moest schilderen;
en toen hij iets dragelijks voortbrengen kon, besloot zij al verder,
dat hij iets naar de tentoonstelling zenden moest. "O zijn koetjes! me
dunkt dat ze zóózoo zullen gaan bulken!" En nu de zaal weer binnen! En
nu zoekt mijnheer in den catalogus, en mevrouw in den wilde, en de
dochter in schijn, en de wijsneus in het geheel niet naar het stukje
van _Ko_. Het stukje van _Ko_ is nergens te vinden. "Hoe groot zou
het zoo wat zijn? Zeker niet zoo heel groot." Eindelijk vindt men
een stukje met koeien, van _Ravenzwaay_ of een ander,--"ja dat zal
het wezen; dat is wel zoo wat in zijn manier"--en liever zonder den
catalogus op te slaan, uit vrees van uit den droom geholpen te worden,
sleept mijnheer de familie nu mede, volmaakt tevreden over het stukje
van _Ko_. Daar gaan zij heen. Het is ondertusschen weer begonnen te
regenen. Het geheele luchtruim schijnt uit grauw papier gesneden. Daar
gaan zij heen--om het Haagsche Bosch te zien, "dat zoo heerlijk",
en in het Scheveningsche Badhuis te eten, "dat zoo voornaam is",
om daarna huiswaarts te rijden: mijnheer, met de zekerheid, dat hij
morgen dubbel zal moeten werken; mevrouw maar half tevreden, omdat zij
zoo weinig menschen gezien heeft; de zestienjarige, met den hopeloozen
wensch in het hart om met een blooten hals en een gouden ketting te
worden geportretteerd; en de wijsneus, veroordeeld om den geheelen
weg over met den kleinen Schotschen engel op zijn knie te zitten.

N_o_... Maar neen, ik stap van de nommers af; ik weet niets
vervelenders en ontrustenders dan getallen; ik geloof, dat zij u
in sommige omstandigheden de koorts op het lijf jagen. Ik sluit
dus mijn catalogus en noodig u liever, u met mij te verplaatsen te
midden van dien bonten hoop van bezoekers, nu het uur _du bon ton_
geslagen heeft, en het vol wordt in de zaal. Welk een gefluister! welk
eene drukte! welk een gedrang! Maar een zacht, een beleefd gedrang,
een gedrang van zijde en fluweel! Zie deze oude barones, geleund
op den arm van haar zoon, den kamerheer. Zij is blij dat ze boos
kan zijn omdat er nog altijd eenige burgerlieden in de zaal zijn
gebleven.--Zie deze brillante modemaakster, met haar valsch goud
en geplekt zijden kleed, zich de airs gevende van eene freule, en
nu eens met een radde Haagsche tong, dan eens in slecht Fransch,
de schilderijen ruim zoo luidkeels beoordeelende als de hoogste
hooggeborene.--Aanschouw dat lieve burgermeisje, slachtoffer van
de eerzucht haars broeders, die schrijver is bij een ministerie en
alzoo een bril en veel fijner laken draagt dan zijn vader uit den
lintwinkel. Hij wilde volstrekt niet vóór het _fashionable_ uur naar
"de expositie", en nu leeft zijn lief zustertje, dat zich wel naar
hem schikken moest, in gestadige angsten, en durft zich niet in het
gedrang wagen, en heeft de vermetelheid nauwelijks om zich voor het
beeld van die "oude vrouw, den Bijbel lezende" te plaatsen, waarvan
zij zoo veel heeft hooren spreken; zij bereikt het eindelijk, maar
beschouwt het niet dan met een schuchteren blik en gereed om de vlucht
te nemen voor de eerste groote dame die er haar lorgnet op schijnt te
zullen richten. Ach! zij gevoelt zoo diep en zoo dikwijls dat zij maar
"een juffertje" is. Tot haar groot geluk redt haar de komst van haar
broeders chef uit al de pijnlijkheden dier folterzaal.

Geef u de moeite den blik van stomme bewondering dezes eenvoudigen,
van onverschilligheid dezes onbeduidenden, onderling, en met het
oog van verachting dezes veertigjarigen jongelings, "die zóó veel
gezien heeft in zijn leven en op zijne reizen", te vergelijken. Let
op dezen rampzaligen Narcissus, gelukkig door zijn bont vest en zijn
stroogele handschoenen, die, op den knop van zijn rotting zuigende,
zichzelven voor eene zeldzame vereeniging aller mannelijke schoonheden
houdt, die de dames meer belangstelling vergt dan al de portretten
van geleerden en cavalerie-officieren en zeemannen in de zaal,
en waardig is in al de bochten, waarin hij zich wringt, te worden
afgebeeld om de bewondering aller tentoonstellingen uit te maken. De
onbetaalbare levende ledeman! Sla uw oog op dezen geaffaireerden
bezoeker, neen doorvlieger van de zaal, wiens gewichtig gelaat
het telkens luider uitgilt "dat hij wel wat anders te doen heeft
dan schilderijtjes na te loopen;"--op deze jonge dame, die zelve
schildert en, met een tuyau in de hand, niet rusten kan vóór zij de
stukken van haren lievelingsschilder "genoten" heeft, "dan is haar de
rest onverschillig;"--op dien student, die sterven zal, zoo er niet
spoedig iemand komt, aan wien hij vertellen kan dat hij de laatste
_Ausstellung_ te Dusseldorf heeft bezocht.--"Maar wie is die jonge
mensch," vraagt gij, "met dien lagen, breedgeranden hoed, die wilde
haren, dien dikken stok, dat heele korte jasje, dien wijden, geruiten
pantalon?"--Gij meent een schilder, een jong schilder. Gij vergist
u; het is de vriend van iemand, met nog lager, nog breeder geranden
hoed, met lange, maar schoone, gekrulde haren, met een nog dikker,
maar ook mooier stok, met een nog korter, maar fluweelen jasje, en
nog bonter pantalon. En _die_ iemand is een schilder. _Deze_ is zijn
_alter ego_, zijn onafscheidelijke, zijn jakhals, zijn bewonderaar,
zijn namaaksel, zijn overdruk, zijne schaduw. Hij wandelt met den
schilder, hij ontbijt met den schilder, hij doet keertjes te paard
met den schilder, hij gaat met den schilder naar den schouwburg,
hij rookt, hij zwetst, hij biljart met den schilder; alleen, hij
schildert met den schilder niet. Dagelijks kunt gij hem in deze zaal
vinden; want hij is een hartstochtelijk bewonderaar der schilderkunst
en der schilders. Indien gij op dezen afstand het woord _artiste_ op
zijn voorhoofd meent te lezen, zult gij hem tot den gelukkigsten der
stervelingen maken. "Ook is _zijn_ schilder hem menig idee verplicht,
en zoo hij wilde... ja zoo hij wilde!"



Zult gij nu nog vertoeven, totdat de laatste laatsten _du beau monde_
verschijnen, die de zaal door huns gelijken bijna ontruimd vinden en,
tot hun groote wanhoop weder volgeloopen met "gepeupel", dat reeds
gegeten heeft--? Of willen ook wij nu maar heengaan, uit vreeze,
dat deze of gene onderzoeker òns uitteekent, als caricaturen van
onverdragelijke leegloopers, die zich het voorkomen van opmerkers
geven?--

1838.



De Wind.


Het stormt buiten. Hoort gij het, mijne vrienden? het stormt. De wind
is verschrikkelijk: vlaag om vlaag; hij loeit om uw dak, hij fluit
door iedere opening, door elken doortocht. Hij schudt uwe deuren
en vensterramen. Het is noodweer. Zegt niet: "laat ons opstoken en
bijeenschikken, en eten en drinken, en zóó luid spreken dat wij den
wind niet hooren." Het is epicurische lafhartigheid. Gelijk gij bij
zacht en liefelijk weer den blik wel duizendmaal uit het venster werpt
en, de vriendelijke natuur in al haar rustig schoon aanschouwende,
telkens uitroept: "het is heerlijk!" zoo ook past het u op een dag
als heden, althans een enkele maal naar den orkaan te luisteren, zijn
woeden aan te zien, te denken aan de algemeene beroering, en te zeggen:
"het is ontzaglijk!" Dit, dunkt mij, betaamt een man. Zij, die het
niet willen--ik vreeze dat zij de stormen des levens met dezelfde
kleinmoedigheid zullen zoeken te ontduiken. Neen, zij zeker zijn het
niet, die in rampen en verschrikkingen, in onheil en nood, zich van
hun toestand overtuigen durven, of in den storm des tegenspoeds het
hoofd opsteken en zeggen: "hier ben ik!" Zij sluiten hunne oogen voor
het gevaar; zij schuwen het in te denken; zij sterken zich het hart,
noch oefenen hunne zielskracht; zij hebben geen nut van hun leed;
het zijn bloodaards. Laten wij naar den storm luisteren.

Die wind, die ontzettende wind! Van waar komt hij? Werwaarts gaat
hij henen? Vergeefsche vragen, door zijn krachtigen adem medegevoerd
en verstrooid! De onzichtbare, de geweldige, de alomtegenwoordige,
de reus der geheimenis! Hoog, hoog boven de aarde, om de lenden der
bergen worstelt, woelt, en geeselt hij; door rotsspleten en spelonken
waart hij rond met snerpend geloei; in den diepen afgrond gromt hij;
in de eenzame woestijn, waarin geen geluid gehoord wordt dan het
zijne, drijft hij het zand te hoop; door de wildernis wandelt hij om,
met luidruchtig geweld;--en de onmetelijke zee,--is hij niet grooter
dan zij? haar broeder, haar ontzaglijke speelgenoot, haar woedende
bestrijder!

De onafhankelijke: hij waait werwaarts hij wil. Als gij hem uit
het oosten wacht, verheft hij zich in het noorden. Gij gelooft, dat
hij sluimert in het zuiden--ziet, hij staat op in het westen! Hoe
spoedig is hij ontwaakt, hoe ijzingwekkend is zijn kreet,
hoe onweerstaanbaar zijn aanval! De sterke: soms is hij speelsch
en dartel; maar wee! wee! als het hem ernst is; want eer hij den
kampstrijd aangaat, is zijn triumf verzekerd. Het woud gaat hij door,
als door _Sanheribs_ leger de slaande Engel des Heeren. De wateren
woelen, zieden en branden. Hij ontbloot de beddingen, hij smakt de
steenrots van haar voetstuk. De gelederen der golven breekt hij door,
en speelt met haar schuim als waren het witte vederen, haren gehelmden
kruinen afgerukt. Te vergeefs zoo de zee zich opheft als een bezetene,
dol van woede, bruisende van toorn. Hij grijpt haar aan, en schudt
haar tot zij machteloos en stuiptrekkende nederstort--en wie zich
aan haar borst vertrouwden, wie zich waagden op hare gevaarlijke
diepten... Heere! behoed hen! zij vergaan.

Krachtige stem der natuur! Hoe schokt gij de harten der menschen! Alle
geluid van het onbezielde is door u, levende stem der lucht! Gij
spreekt; de echo der bergen, de schoot der wateren, het dichte loover
antwoordt u. Maar gij, gij overschreeuwt die allen. Wel moogt gij
de stem des Heeren heeten. Voorzeker neen: geen ontgrendeld rotshol,
geen gonzende knots, geen losgelaten vleugelpaard, geen adelaar met
klappende wieken bracht u voort: gij zijt de stem des Almachtigen. Zijn
Geest is een adem, een aanblazing, een krachtig ruischen. Woest was
de baaierd, woest en ledig; geen orde, geen onderscheiding, geen
licht, geen geluid. De duisternis zweefde over den afgrond. Alles
stil en levenloos. Maar een krachtig, een zwoel, een vruchtbaarmakend
windgeruisch ging over de diepte. Het was de adem Gods broedende [30]
over de wateren. Zij sidderden op die aanraking; die siddering was
leven. De stilte was gebroken. Sinds dat oogenblik gingen van God uit
scheppende kracht, orde en leven!--In het suizen van den avondwind
behaagde het Jehova den eersten zoon des stofs te verschijnen; en uit
den wervelwind sprekende tot _Job_, leerde hij hem sidderen voor de
mogendheid zijner almacht. Hoort gij dit plechtig geloei? Welnu! zulk
een gedruisch vervulde het gebouw, waar de discipelen bijeenzaten
op den Pinksterdag; het was Gods Geest, op aarde nederdalende in het
ruischen "als van eenen geweldigen gedrevenen wind".

Maar dit symbool der kracht Gods, zoo onzichtbaar, zoo geducht, is het
ook niet een schaduw zijner weldadigheid? Ziet, nu is hij geweldig en
verpletterend; maar hij is toch geen woestaard, alleen uitgaande tot
verdelgen! Als alles doodsche stilte is; de zon brandend; de korst
der aarde gespleten; het geboomte verschroeid; het pas opgeschoten
veldgewas schraal en met stof bedekt; als de kanker der vertering in
stilte voortvreet, en de stinkende damp des verderfs hevelt uit het
lauw moeras--dan verheugt zich de dood in een rijken oogst. Maar,
in de verte ziet gij een wolkje, niet grooter dan uw vuist, en het
is als hoordet gij den slagregen reeds ruischen; want de bode des
Heeren is opgestaan, de breedgewiekte wind, die het in een oogwenk
tot u zal brengen. Hij komt, de afgebedene, de gezegende. Voor
zich henen drijft hij den pestwalm, die om uwe hoofden zweefde, en
onder zijne wieken voert hij mede de trezoren der vruchtbaarheid en
des bloeis, der gezondheid en der kracht. Hij vernieuwt het gelaat
des aardrijks. Hij vaagt het stof af van den oogst; de sluimerende
groeikracht wekt hij op uit hare bezwijming. Verkwikkend gaat hij om,
en deelt frissche teugen uit van welvaart en van leven.

Herinnert gij u den weelderigen zomeravond, dien gij zoo zeer
genoot? De dag was drukkend geweest en benauwd. De zon, krachtig
tot het laatst toe, was ondergegaan te midden van purper en
rozen. Nog zongen de vogelen niet. Er lag eene zwaarte op de geheele
natuur. Alles was stil. Maar daar ontwaakte een zacht gerucht,
het suizen van een liefelijk koeltje. Hoe vingt gij het op met
dorstige lippen, met hoeveel wellust ademdet gij het in, en liet het
spelen door uwe bedauwde lokken! Het kwam vriendelijk aangezweefd,
beladen met den geurigen wasem van blad en bloem, en koelde loover
en grasscheuten. Fladderend streek het over het lauwe water, en
helderder en frisscher rimpelde dat, en ruischte als verheugd; de
toppen der boomen vingen aan welluidend te zwatelen:--het was een
liefelijk ineensmelten van zachte en vredige geluiden. Het was u,
als hoordet gij een stem van enkel liefde. Welnu! het was de stem der
liefde Gods. Zoo ruischte zij den profeet in de ooren, op den top
van Horeb, waar hij stond en den Heer verbeidde. "En ziet, de Heer
ging voorbij, en een groote en sterke wind [als deze!] scheurende
de bergen en brekende de steenrotsen voor den Heere henen. Doch de
Heer was in den wind niet. En na den wind, eene aardbeving; de Heer
was ook in de aardbeving niet. En na de aardbeving, een vuur; de
Heer was ook in het vuur niet. En na het vuur, de stemme eener zachte
koelte. Toen sprak de Heer tot _Elia_".--Dit, mijne vrienden, staat in
den Bijbel, opdat gij het lezen zoudt, in dezen stormachtigen tijd! O,
's nachts, 's nachts, als gij slapeloos nederligt, en de ontboeide
wind gierende omgaat om uw huis als een brullende leeuw die schijnt
te zullen binnendringen--dan gaat eene huivering u door de ziel! Zegt
mij, hebt gij gebeden? God, de Heer! voor wien stormen en orkanen
zijn als dienaren die, als hij ze roept, tot hem komen en zeggen:
"Hier zijn wij!" God, die ze uitzendt en terugroept als boden en
slaven--die Almachtige is zachtmoedig en liefderijk als eene zachte
koelte. Slaapt dan in! Al waart gij ook teedere moeders, wier zonen
verre zijn; misschien wel op den breeden vloed! Nog eenmaal gebeden,
en dit bedacht! en het zal u wezen, als zweeg de wind! en als omringde
u alleen de zachte, de kalmte aanbrengende liefde Gods. Slaapt in;
die liefde sluimert nooit. Vreest niet--gelooft alleenlijk.

October 1838.



Antwoord op een brief uit Parijs [31].


Eindelijk heb ik hem gezien, mijn vriend, gezien en bewonderd! Het
monster van Bleekloo, de aangebedene, de gevierde, de hoop van allen,
die nog niet wanhopen aan den goeden smaak en den echten geest
der Hollandsche schilderschool; van allen, die nog gelooven in het
dunne coloriet van _Van Dijck_ en het krachtig penseel van _Frans
Hals_. Hoe zal ik u een denkbeeld geven van zijn manier, van zijn
talent, ik die het Vaticaan niet gezien heb, en dat nog wel aan u,
die geen der naaischolen van Bleekloo te vinden weet: of zeg mij,
kunt gij vergelijkingen maken tusschen de vermoedelijke bekwaamheden
der verschillende echtgenooten van de verschillende naaivrouwen _Blok,
Over den Kant, Preveilie_ en andere? Neen voorzeker, gij weet niet, dat
noch de man van juffrouw _Over den Kant_, noch die van juffrouw _Blok_,
noch die van juffrouw _Preveilie_, noch zelfs die van _Naatje de Zoom_
ooit of ooit het penseel behandeld hebben, overmits deze geen van allen
den maagdelijken voor den huwelijken staat hebben verwisseld. En toch,
hoog over het hoofd van juffrouw _De Zoom_ zetelt het genie, zetelt
de hoop des vaderlands; het is haar vader. Het is niet de kunstenaar,
dien gij in hem groet; het is de kunst zelve. Nauwelijks heeft hij den
ouderdom van achtenzestig jaren bereikt; welk een heerlijke dageraad
gaat voor de Hollandsche schilderschool op!--Helaas! ik weet niet
hoe ik het u duidelijk zal maken wat wij in hem te wachten hebben,
wat zijn talent kenteekent, wat hem op de onbereikbare hoogte, die
hij besteeg, geheel alleen doet staan, _geheel_ op zichzelf! En toch,
ik wil het beproeven; want ik wil den Avondbode een vlieg afvangen
en het Handelsblad vooruitzijn. Ik wil u, in het hartje van Parijs,
het vaderlandsche bloed van edelen trots doen gloeien; ja gloeien, ja
tintelen, ja bruisen moet het! Gij zult weten wie onze Bleekloosche _De
Zoom_ is, al zou ik ook aan de æsthetische beschouwing van zijn talent
iedere uitboezeming van vriendschap en hartelijkheid ten offer brengen,
al moest ook dit mijn geschrijf veel meer van een feuilleton in een
der genoemde dagbladen of van een artikel in den Letterbode hebben dan
van een vertrouwelijken brief--al moest, van bladzijde 1 tot bladzijde
4 toe, _De Zoom, De Zoom, De Zoom_! uw lezende aandacht absorbeeren.

Zoo ik begin met u te zeggen dat _De Zoom_ een monster is, zeg ik niet
te veel. Hij heeft, als ik reeds zeide, pas achtenzestig jaren bereikt;
nooit heeft hij een meester gehad; de natuur deed hem geboren worden
met dat eigenaardig gevoel voor 't schoone en verhevene, dat hij met
zooveel waarheid en kracht op het doek weet uit te drukken. Als een
klein kind op school, teekende hij reeds zijn meester uit op de lei,
met een pijp in den mond, en maakte hij patroontjes voor zijn zuster
die uit borduren ging. Ook beschilderde hij niet zelden de deuren der
pakhuizen en der nachtwachtsverblijven met wit en rood krijt. Een
voorbijganger vond hem met dit werk bezig en bewonderde de kracht
van zijn schetsen. Die voorbijganger was zelf kunstenaar. Hij was
huisschilder en glazenmaker. Weldra vertrouwde hij hem de kunst toe
en wijdde hem in de geheimen van het tempermes in. Niet lang duurde
het of _De Zoom_ begon zich op de uithangborden toe te leggen. Het
eerst leerde hij koffiekannen en trekpotten schilderen, daarna
werd hem zelfs de uitvoering van een glas bier toevertrouwd. Het
opmerkelijkste was het schuim. Nooit had men zulk schuim gezien. Het
was meer dan bierschuim; het was champagneschuim. Verbeeld u, mijn
waarde! welk een verbeeldingskracht in een huisschildersjongen,
wiens vader mandemaker was, en die dus, naar alle waarschijnlijkheid,
nooit champagne had zien schuimen. Langzamerhand liet zijn meester
hem toe ook wapens te malen; en hierin was het vooral dat zijn goede
smaak uitschitterde. Met voorbeeldelooze stoutmoedigheid bracht hij
alles tot het natuurlijke terug; alle leeuwen geel met zwarte manen,
gelijk de echte barbarijsche. Hij wist van geen roode, geen blauwe,
geen zwarte. Die hem van _keel_ en _sabel_ sprak, deed hij het aanbod
van een pak slagen, en hij zou eens bijna gestorven zijn van woede,
toen men hem zeide dat sommige wapenschilders roode arenden hadden
voorgesteld met blauwe neb en blauwe klauwen. "Want", zeide hij,
"een arend is toch bruin". En hij had gelijk. Ondertusschen was hij
nu op de hoogte om tot het eigenlijk dierschilderen, voor zoover dit
zijn meester te pas kwam, over te gaan, en reeds had hij werkelijk de
schets gemaakt van een _dorstig hart_, toen de ongelukkige _troubles_
van die dagen--tusschen 85 en 90--ook den jeugdigen _De Zoom_ in
hunnen maalstroom meevoerden. Hij verdween nu voor een poos van het
tooneel en men hoorde niet van hem. Men spreekt van een spotprent,
die hij op den Prins zou hebben gemaakt, waarvan de hoofdgedachte
was: _een groote goudsbloem die door een keeshond van zijn steel werd
gebeten_; en van nog eene andere op de Engelsche natie, waarvan de
voorstelling vergeten is geraakt. Hoe het zij, men zou ook _De Zoom_
bijna vergeten hebben, ware hij niet verleden jaar plotseling weder
te voorschijn gekomen met zijn meesterstuk: _'t Is een toer om der op
te komen_. Het denkbeeld is niet nieuw. Een groot paard staat geheel
opgetuigd en gezadeld, en een zeer klein man maakt zich gereed het
te bestijgen, 't welk hem, aangezien de kleinheid van zijn postuur,
zeer moeielijk valt. Alles is in deze schilderij leven en beweging. De
pogingen van den dwergachtigen ruiter _die der niet op kan komen_
spreken, door het groene jachtbuis dat hij aanheeft heen,--men ziet
hem vlak op den rug--in alle spieren. Met veel geestigheid heeft de
schilder de laarzen en de sporen zóó zwaar en kolossaal voorgesteld,
dat men gevoelen moet dat ook deze eene belemmering zijn om het paard
te beklimmen. Het uitstekendste van alles is echter het paard zelf,
in hetwelk voor te stellen men zeggen mag dat het genie van _De
Zoom_ het zenith van zijn vlucht heeft bereikt. Met voorbeeldelooze
stoutmoedigheid heeft hij over de zwarigheden van zijn bestek, ja
zelfs over de natuur gezegevierd, en de evenredigheden dermate weten
te beheerschen en in te richten, dat vooral de hoogte van het ros,
en dus de moeielijke bestijgbaarheid, sterk in 't oog springt. Dit
heeft ten gevolge gehad, dat de hals zeer inëengedrongen heeft moeten
worden, en zelfs de kop niet dan klein kon wezen. Zooals het hier is
voorgesteld, gelijkt het teffens op een paard, een olifant, en een
hazewindhond; maar de karakters dezer drie schepselen spelen derwijze
dooreen in de schilderij, dat men zeggen kan dat het scheppend genie
des schilders hier een nieuw wezen heeft voortgebracht. Ik spreek niet
van de uitvoerigheid, waarmee het hoofdstel van het ros, waarmede
de gestreepte rijbroek van den ruiter zijn afgemaald, noch van het
landschap, waarover een donderwolk hangt, die door een toovergloed die
uit den grond schijnt op te komen, wordt verlicht. Mijn bestek verbiedt
mij hier verder over uit te weiden. Ook vergt gij het niet. Hetgeen
ik van _De Zoom_ gezegd heb, zal u genoegzaam hebben doen blijken dat
dit jeugdig talent gemakkelijk alle andere talenten in ons vaderland
achteruitzet en overtreft.

_De Zoom_ is niet groot van gestalte; zijn gelaat is meer vervallen dan
mooi. Gewoonlijk draagt hij een blauwe slaapmuts met witten omslag;
hij rookt en snuift beide. Hij draagt sedert vijf jaren een bruinen
jas, halfsleets op een boelhuis gekocht. Zoo zag ik hem vóór mij;
bezig zijnde met het portret van een zijner vrienden. Hij leide de
laatste hand aan het haar, om vervolgens tot het voorhoofd over te
gaan; want hij behoort niet tot die losbollen van schilders, die voor
zij nog eens geteld hebben hoeveel rimpels gij in uwe tronie hebt,
maar aanstonds zes, zeven groote strepen neerzetten, kris, kras,
heb ik jou daar! en u langzamerhand als uit een mist in het leven
roepen. "Men moet met orde werken," zegt hij: "menig schilder heeft
een portret bedorven door aan den bakkebaard te beginnen, eer hij de
wenkbrauwen haar eisch gegeven had." "Dit haar," zeide hij mij, "komt
u wat stijf voor; maar de man draagt een pruik," voegde hij er bij,
"en ik zeg altijd, een pruik moet een pruik blijven."

Van waar--o mijn vriend, verklaar mij dit raadsel!--vanwaar heeft
een mandemakerszoon deze stoutmoedige denkbeelden? O! het genie! Het
genie!... Ik moet afbreken.

Bewaar dezen wel. Ik wil hem naderhand laten drukken.


17 Januari 1839. Uw vriend,
_Hildebrand_.


P.S. "Wisch de tranen over den dood van _Schotel_ uit uwe oogen.



Teun de Jager.


Het laatste eenigszins teekenachtige dorp aan Hollands westelijken
kustkant is zonder twijfel het armelijk Schoorl. Het ligt aan den
voet der duinen, ter plaatse waar die het allerbreedst zijn, om bij
Camp plotseling geheel af te breken en, tot Petten toe, het land hare
bescherming te onttrekken en dat groote open te veroorzaken, hetwelk
de beroemde Hondsbossche zeewering, tot welker instandhouding zooveel
paalwerk en zooveel maaltijden onvermijdelijk zijn, noodzakelijk
maakt. Evenals in het aangrenzend Bergen treft hier den wandelaar
het aangenaam schouwspel eener hooge, met dicht kreupelhout en koele
bosschages bewassen duinhelling; en van die Heerlijkheid af, welke
_Borselens, Brederodes_, en _Nassaus_ onder hare vroegere bezitters
telt, tot aan ons klein Schoorl toe, gaat men, langs een bevallig
slingerenden zandweg, ter wederzijde altijd in do schaduw van eiken,
iepen, berken en allerlei geboomte, langs welks stammen zich hier
en daar het klare duinwater in kronkelende beekjes voortdringt,
en waartusschen zich aan weerskanten, van afstand tot afstand, de
kleine stulpjes der bewoners vertoonen, aan de westzijde niet zelden
half in het duin begraven en van boven grauw van bloeiende mossen en
knoestige zwam.

Aan het einde van dit aangenaam pad steekt het groene torentje van
Schoorl spits in de hoogte, om op het eigenlijk dorp en zijne vele
graanakkers neder te zien, waar de gort geoogst wordt die tot de
vermaardheden der Alkmaarsche markt behoort. Die deze liefelijke
bosschages doorwandeld heeft en, na zich eerst in de koele lommer
en daarna in de eenige herberg van het dorp te hebben verkwikt,
nog hooger noordwaarts op wil, moet eerst zijn rekening met het
geboomte sluiten; want hem toeft niet anders dan het Hondsbosch, dat
in het geheel geen bosch is, daarna de Zijpe, Westfrieslands grootste
drooggemaakte vlakte, en dan de woestijn van het Koegras, totdat hij
bij den Helder in het Marsdiep staat te staren en aan den oostkant
het eiland Tessel ziet opdoemen, waar reizigers van verzekeren dat
er een lief boschje bestaat, tusschen den Burg en het Schild, nietig
overschot van vroegere woudpracht.

Het was in de laatste dagen van September 183*, op een zeer vroegen
morgen, voordat do zon nog op was, dat de kleine deur van een der
boven beschreven stulpjes aan den duinkant nabij Schoorl openging,
en zich een jonge man op den drempel vertoonde, die met oplettendheid
lucht en windstreek in beschouwing nam. Een schoone bruingevlekte
patrijshond was reeds, zoodra de bovendeur was opengegaan, over de
onderdeur gesprongen, en rolde zich nu met kennelijk genoegen voor
zijne voeten in het zand of sprong tegen zijne knieën op, en legde
zich dan weder voor een oogenblik, met de voorpooten uitgestrekt en
den kop daartusschen, neder, om straks weer op te springen, zachtkens
jankende en alle de geluiden en figuren ten uitvoer brengende van
een jachthond, die genoegen smaakt. Over 't geheel is er geen dier,
dat lichter te vermaken valt en minder spoedig blasé is. Zijn meester
behoeft slechts naar het geweer te grijpen, en deze beweging roept
onmiddellijk de schitterendste vooruitzichten van genot en zaligheid
voor de ontvlamde verbeelding van den hond, waarvan ik mij overtuigd
houd dat de opgenoemde vreugdeteekenen niet dan flauwe bewijzen zijn,
vergeleken bij het gevoel dat zijn ruige borst doortintelt; en zulks
niettegenstaande hij zeer wel weet dat voor hem al de genoegens van
den dag zullen bestaan in loopen, staan, drijven, en aanbrengen,
zonder ooit of immer eenige hoop te mogen voeden op het geringste
aandeel in den buit.

De jonge jager--want het was er een--zag er in zijn versleten groen
buis, met de oude weitasch en ouden hagelzak kruiselings over de beide
schouders, de broek in de laarzen, de groene lakensche muts schuins
opgezet, en het kort dubbel jachtgeweer, met het groen, afhangend
cordon onder den arm, recht teekenachtig uit. Hij was groot en forsch,
een blonde zoon der Celten, en zijn bruinverbrand gelaat deed het
heldere blauw zijner oogen te meer uitkomen; maar op dit oogenblik,
als hij eerst naar de lucht en daarna om zich heen keek, hadden zij
eene neerslachtige uitdrukking.

"Koesta, Veldin!" riep hij, en het was alsof de blijde sprongen van
het dier hem verveelden, dat niet gehoorzaamde aan dit bevel, maar
zijne knieën nog steeds met dezelfde vroolijkheid bleef lastig vallen,
daar hij de deur sloot. Hij gaf Veldin een schop.

Het dier droop met den staart tusschen de beenen af, en jankte.

"Kom maar hier, Veldin!" hernam de jager, berouw toonende. En hem
den kop streelende, voegde hij er bij: "Kan jij 't helpen, dat de
baas slecht geslapen het?"

Hij nam den weg aan naar het dorp.

Indien de Schoorlsche jeugd haar _Teun_ den Jager, want zoo heette hij
algemeen, op dezen vroegen morgen had zien gaan, zij zou haar oogen
nauwelijks geloofd hebben. Want nooit zag zij zijn oog zoo droevig,
nooit zoo ter aarde geslagen; nooit was zijn stap zoo slenterend
en onverschillig. Hij was bij haar voor den opgeruimdsten borst van
het dorp bekend; en het zij bij de kinderen en nieuwsgierige knapen
wonderlijke jachtleugens diets maakte, hetzij hij de jonge meisjes
koude hagelkorrels onder den halsdoek vallen liet, of de oude besten
met zijne vroolijke invallen opleukerde bij het spinnewiel, altijd
scheen het uit zijn hart te komen, uit zijn zorgeloos en blijmoedig
en luchtig hart. En toch behoorde _Teun_ de Jager tot die gestellen,
bij wie de vroolijkheid minder eene eigenschap dan een vermogen der
ziel schijnt te zijn, en was er onder deze levendige beek zijner
opgeruimdheid, waar zich niets dan licht en bloemen in schenen te
spiegelen, een bodem van ernst en droefgeestigheid. Aan deze gaf hij
zich niet zelden in de eenzaamheid over, en eene kleinigheid was in
staat hem in die stemming te brengen. Dan was hij zwaarmoedig, ja
moedeloos. Dan dacht hij, zonder merkbaren overgang, aan zijne moeder
en zijn vader die hij had zien sterven, en "aan de groene boompjes"
van het kerkhof; dan zag hij voor zichzelven geen ander verschiet
dan van armoede en gebrek; totdat de tegenwoordigheid van menschen
hem uit die mijmering opwekte, en hij weer de vroolijke, grappige
_Teun_ de Jager was van altijd. De jacht was zijn lust en zijn leven,
en van half September tot 1 Januari genoot hij eerst recht. Met het
blijmoedigst gezicht van de wereld ging hij telken morgen vóór de
zon in 't veld, maar wonderlijke dingen kon hij denken op die lange,
eenzame wandelingen, met het geweer in de hand en niemand òm hem dan
zijn getrouwe Veldin. Heden scheen er veel naargeestigs op til te
zijn voor hoofd en gemoed, want traag en druilend was reeds het begin.

Zijn gelaat helderde evenwel niet weinig op, als hij bij een klein
huisje stilstond, dat zich aan zijn rechterhand half tusschen het
geboomte verstak. Hij luisterde aan het gesloten venster. Een oogenblik
scheen hij te aarzelen; toen vermande hij zich en tikte met de bruine
knokkels twee-driemaal tegen het oude luik. Een geluid van binnen,
alsof er eene stoel verzet werd, beantwoordde dit sein.

Hij glimlachte.

"Ze zullen er wezen!" riep hij luide.

"Wêl goed!" antwoordde een welluidende vrouwestem, die uit de diepte
scheen te komen.

Nog een oogenblik vertoefde hij; en langzaam vloeide de glimlach weg
op zijne lippen en hernam zijn gelaat de sombere uitdrukking van zoo
even. Hij hief zijn hoofd op en miste den hond.

Hij floot zachtkens. Veldin was dichter bij dan hij gedacht had
en sprong uit het hooge toeterloof, waaronder zich, vlak naast het
stulpje, eene kleine duinsprank verschool, te voorschijn.

"Duivelsche hond! motje nou al zuipen?" gromde hij baloorig. Maar
terstond veranderende, zei hij zacht tot zichzelven: "Als _Sijtje_ wist
dat ik knorrig op den hond was! Ik verdien vandaag ongelukkig te zijn."

Een ongelukkige overtuiging voor iemand die ter jacht gaat.

Nu verhaastte _Teun_ de Jager zijne schreden en bereikte het dorp.

De hond scheen het akkerland voor zijne bestemming te houden en
verwijderde zich rechtsaf. Hij riep hem terug.

"Hierheen, Veldin!" zei hij vriendelijk: "je mot klimmen, man Ze hebben
de stoppels nog niet noodig; in 't duin is nog genoeg te grazen." En
hij wendde zich links.

"Mot je boven wezen, _Teun_?" vroeg een man, die ook al op bleek
te zijn en plotseling te voorschijn kwam, met een grijs buis met
jachtknoopen, een stok in de hand, en een hoed, met een groenen band
er om, op.

"Ja, _Jantje_!" antwoordde de jager; "ze zijn nog te drok bezig op
de geest.

"Je spreekt een waar woord," zei de oppasser van het Berger Bosch,
want die was het. "Wil je niet reis opsteken?" voegde hij er bij,
hem minzaam zijn pijp voorhoudende.

"Dankje, _Jantje_!" hernam _Teun_; "'k heb van daag me tabak nog niet
verdiend. Je bent er al vroeg hij. Heb je een strooper op 't spoor,
of hoe zit het?"

"Neen, maat!" antwoordde de oppasser. "Ik ga op Schoorldam af; ik
mot te Alkmaar wezen, en ik rij met _Jaapie_ mee. Een gelukkige jacht!"

"Dankje, hoor!" zei de ander. En, van den hond gevolgd, naderde hij
het duin en maakte zich een weg door het kreupelhout, nat van den
mist, waaruit duizend nietswaardige mosschen verschrikt opvlogen,
en klom naar boven.

Toen hij den top des heuvels onder zich had, zag hij op het dorpje
terug. De zon begon de kim te bereiken en wierp reeds hare eerste
stralen uit. De najaarsmist begon te blinken van al die kleurige
tinten, die het doen schijnen alsof de regenboog op aarde is afgedaald;
het kruis op de torenspits begon te glimmen, en de droppels, die
aan de punten der dichte bladeren beefden, namen hunne dichterlijke
gelijkenis op schitterende juweelen aan. Zijn oog zocht het plekje,
waar _Sijtjes_ stulpje zich onder het geboomte verschool. Niets bewoog
zich daar, en ook in geheel het dorp was alles nog in stilte begraven;
een enkele haan kraaide; een enkele hond kroop langzaam uit zijn hok te
voorschijn; maar geen menschelijk wezen bewoog zich. Alleen zag hij,
op het rechte pad naar Schoorldam, den jachtoppasser, die zijnen weg
met haastige schreden vervolgde.

"Alles slaapt nog," zei _Teun_ de Jager tot zichzelven,
"en _Sijtje_ is zeker ook weer ingesluimerd. Zouën ze allegaar
droomen?"--"Gekheid!" vervolgde hij; en haalde zijn veldflesch te
voorschijn; en, zich houdende alsof hij den hond toedronk: Komaan,
Veldin! den eerste zen dood!"

Daarop spande hij de beide hanen van zijn dubbelloop, en begon het
jachtveld af te treden.

In geheel Schoorl en Bergen was geen beter jager dan _Teun_. Hij
behoorde tot die weinige gelukkigen die zoo goed als zeker van hun
schot zijn. "Weet je wel, waar 't an houdt," had de oude _Krelis_
eens gezegd, daar hij voor _De Roode Leeuw_ met eenige boeren op de
bierbank zat en _Teun_ voorbijkwam, beladen met een zwaren jachtbuit;
"weet je wel, waar 't an houdt, dat _Teun_ de Jager, als er twee
hoenders opgaan, de een vóór hem en de ander achter zijn rug, ze
toch allebei neerleit?"--"Omdat ie een dubbeld geweer het," had men
geantwoord.--"Mis, maat!" had _Krelis_ gezeid: "omdat ie een dubbelde
kerel is." Vandaar, dat _Teun_ de Jager ook nimmer klaagde over al die
tegenwerkende omstandigheden in de vier elementen, waaraan een aantal
jagers het alleen toeschrijven, als zij platzak thuiskomen, en zelden
breed opgaf van hazen of patrijzen, die hij wel niet thuisbracht,
maar waarvan hij zich toch overtuigd hield dat zij in een of andere
onnaspeurlijke krocht aan hunne wonden zouden moeten overleden zijn.

De teug, het voor een jager zoo welluidend getik der hanen van zijn
geweer, de blijde zonneschijn, schenen _Teun_ de Jagers somberheid te
verdrijven en hem moed in te boezemen; de omstandigheid dat hij het
jachtveld werkelijk bereikt had wekte zijnen geest op. Veldin sprong
wakker voor hem uit en begon al spoedig zeer gewichtig met den neus
langs den grond te snuffelen.

"De hond begint nou al te werken," zei _Teun_; "dat zel goed gaan."

Ook duurde het niet lang, of een schuchter haas sprong op. De twee
schoten vielen, het een na het andere. De hond sloeg aan; het haas
was vrij.

"Wat duivel nou!" nep _Teun_ de Jager, en smeet het geweer
neder. Verbaasd zag hij den langoor na, die nergens gekwetst was en,
van den hond vervolgd, de vlakte dóórrende, tot hij aan de andere
zijde van een duin verdween, waar Veldin hem woedend en met een
onafgebroken kort keffen nazat, maar telkens grond verloor.

Hij floot den hond terug en laadde op nieuw.

"Ik dacht wel, dat ik ongelukkig wezen zou," riep hij uit. "Nou,
't was maar een haas! Zacht, Veldin!" En hij vervolgde zijn weg.

"'t Was maar een haas," zei _Teun_ de Jager; maar wat wilde hij
dan? Laat ik u iets van _Sijtje_ vertellen, en gij zult het begrijpen.

Ik zal niet beginnen met te zeggen dat _Sijtje_ het mooiste was van
al de Schoorlsche meisjes; want zulk een uitdrukking zegt soms niets,
soms te veel, en is in alle gevallen afgezaagd. In duizend verhalen is
het meisjen altijd het mooiste van den omtrek. Maar zeker was dit een
allerliefst kind; teerder en fijner dan de meeste boerinnetjes, en dat
het zilveren oorijzer van 's zondags, in de week zeer goed missen kon
om er allerbevalligst uit te zien. Zij was een weeskind en de steun
en troost van een oude grootmoeder en een doofstom broertje van een
jaar of tien. Dit drietal maakte te zamen het kleine huishouden van
't stulpje onder 't geboomte uit. En behalve hare grootmoeder en het
ongelukkige kind, had _Sijtje_ niemand liever dan _Teun_ den Jager,
en indien zij 't hart had gehad om ooit of ooit aan haar grootmoeders
dood te denken, zou zij er misschien al heel na aan toe geweest zijn
om zich voor te stellen _Teun_ de Jagers vrouw te worden. Zooals de
zaken nu stonden, plaagde zij _Teun_, en _Teun_ haar, uit alle macht,
en verder kwam het niet. Maar de oude grootmoeder mocht _Teun_
graag hooren schertsen, en het doofstomme kind was overgelukkig
als het hem naderen zag, en als hij het leerde knippen van steenen
te maken om mosschen te vangen, en _Sijtje_ zag _Teun_ met groote,
heldere, donkerblauwe oogen al heel vriendelijk aan, als hij den jongen
voorthielp of liet hobbelen op zijn knie, tot hij van vreugd het eenig
geluid maakte dat hij te voorschijn kon brengen. En 's avonds als
_Teun_ naar huis ging, gebeurde het wel, dat zijne lippen haar blank
aangezichtjen (en ook niet meer) aanraakten; en het "wel te rusten,
_Teun_!" was er niet minder vriendelijk om.

Maar gisterenavond had _Sijtje_ hem erg geplaagd, want het was reeds de
zesde dag van de jacht, en schoon _Teun_ menig haas had thuisgebracht,
hij had nog geen enkel patrijs geschoten.

"Neen, _Teun_-broer!" had _Sijtje_ gezegd: "haar, dat gaat nog;
maar veeren kanje niet schieten; die zijn je te gauw of, maat!"

"Hoeveel hoenders wilje, dat ik je morgen thuisbreng?" vroeg _Teun_.

"Ik zal 't je maar niet te zwaar opleggen, jongen!" antwoordde
_Sijtje_. "Schiet er twee, en ik zel leuven dat je 't nog kenne."

"'t Zel beuren, _Sij_!" riep de jager, en sloeg zijn arm om haar
middel, "'t Zel beuren na je woorden, of mijn naam zal geen _Teun_
de Jager meer zijn!" En hij trok haar naar zich toe.

"Bedaard, _Teun-tje_!" riep het meisje; "geen gekheid hoor! Zoenen,
ben je raar? Als er maar eerst hoenders zijn, dan zullen we reis
kijken. Foei, jongen, geen gekheid!" En zij lachte dat ze schaterde,
om aan hare ernstige waarschuwing klem bij te zetten.

"Erg best," antwoordde de minnaar; "maar weet je wat, _Sij_? geef me
een zoen op hand; en als ik je morgen geen hoenders breng, dan nooit
geen zoen meer; maar breng ik ze mee: wee je gebeente!"

"Gedaan!" riep _Sijtje_ vroolijk, en zij trad naar hem toe, en gaf
hem een fikschen handslag, en liet zich een kus op de wang drukken,
waarbij zich haar mondje iet of wat minder afdraaide dan anders; en de
doofstomme jongen, die het aanzag, lei zijn hoofd in den nek, sprong in
het rond van genoegen en klapte in de handen op het heugelijk gezicht.

Verbaast het u, dat _Teun_ de Jager heden met eenige minachting op
"maar een haas" nederziet?

En toch! Had hij het haas maar gehad! want het scheen er meer en meer
naar te staan alsof hij niets thuis zou brengen. Te vergeefs had
hij reeds een paar uur door het breede Schoorler duin omgedwaald;
door valleien, waar hij tot over de enkels in het dichte, bruine
mos stapte; over witte blinkerds, waar het droge, rollende zand zijn
voetstappen uitwischte; langs vlakten, waarin brakke poelen den grond
doorweekten; nergens, om een Noordhollandsche jachtterm te gebruiken,
nergens "bedekte [32] hij leven". Wel speurde hij hier den "voet"
van een haas, en verder het "gewei" [33] van hoenders; maar noch
het eerste noch de laatste deden zich voor. Hij schoot met zekere
kwaadaardigheid een witten uil, die zich op zijne lichte spokige wieken
uit een heesterwilg ophief, raapte hem op, en smeet hem verachtelijk
van zich. Veldin berokkende hem ook nog eene laffe teleurstelling,
daar hij voor iets stond dat, toen het eindelijk uit het dikke mos
opvloog, bleek niets meer dan een slechte leeuwerik te wezen. En
zoo verliepen de trage uren, en _Teun_ de Jagers neerslachtigheid
kwam terug, nog vermeerderd door de vermoeienis en de hitte van den
stijgenden dag. Opeens was het alsof er een luchtig windjen opstak,
dat verkwikkend door zijn bezweete haren blies, en toen hij daarop
nog éénen hoogen witten zandheuvel besteeg, zag hij de groote zee
voor zich.

De zee is altijd een ontzaglijk gezicht, maar als men haar ziet op
een volstrekt eenzame plek, met niets dan het dorre duin links en
rechts en achter zich, zonder hut aan het strand of zeil op hare
vlakte, dan grijpt de aanblik dier uitgestrekte ledigheid u dubbel
aan. U overvalt een gevoel alsof gij nu werkelijk aan de uiterste
grens der wereld stondt, alsof gij nu inderdaad de eenige, de laatst
overgeblevene bewoner der aarde waart. Huiverend zette _Teun_ de
Jager zich op den top des heuvels neder, zette het geweer in de rust,
en staarde op de zonnige golven. De hond rustte hijgend naast hem uit;
zijn roode tong hing lang en droog uit zijn bek. Hier aan de volle zee,
en toch geen lafenis!

_Teun_ de Jager haalde een stuk brood en een paar zure appelen uit
zijn weitasch te voorschijn en deelde met zijn vriend. Ook nam hij
de veldflesch om een teug te nemen, maar zette haar weer van den mond.

"Neen!" zeide hij met een zucht. "Och, die droom! Ik wou dat ik dien
droom kwijt was!"

Hij wilde den bangen droom van dien nacht, waarover wij hem reeds
hebben hooren klagen en die de oorzaak zijner neerslachtigheid was,
van zich afschudden; maar het gezicht van de zee bracht er hem
bijzonderheden van te binnen, die hij reeds had vergeten. Alras
verdiepte hij er zich slechts te levendiger in.

Hij was weer, even als in zijn slaap, ter jacht met de zonen van
de ambachtsvrouw van Schoorl; evenwel niet in het Schoorler Veld,
maar in het Berger Bosch. Hij droeg een nieuw jachtbuis met zonnige
gouden knoopen, en _Sijtje_ had hem de veer van een fazanten haan op
de muts gestoken. Plotseling vlogen er drie hoenders voor hem uit,
maar hij kon ze niet onder schot krijgen; telkens vielen zij neder,
als om hem te sarren; maar zoodra hij naderde, kraaiden zij, klapten
met de vleugels, en vlogen verder. Eindelijk wilde hij een poging doen
om ze van zeer verre te schieten; maar zijn geweer ketste en viel hem
uit de handen. Toen kraaiden de patrijzen alle drie driemaal, en een
er van vloog op den hoed van den jonker, waar het zitten bleef. "Mag
ik schieten, jonker?" riep hij. De jonker wuifde vriendelijk met de
hand van ja. Hij lei aan--het hoen viel. Maar toen hij ging om het
op te rapen, was noch het hoen, noch de jonker van Schoorl te vinden;
maar daar lag het bloedige hoofd van _Sijtje_, en zag hem met gebroken
oogen aan; en toen hij daar lang op staarde, daar kwam eensklaps
de zee, en het hoofd begon op de golven te bewegen, en achteruit
te gaan, en verdween, en kwam weer boven, en verdween weer, totdat
hij ontwaakte. Zijn haan kraaide; het licht scheen door de reten en
vensters. Hij kleedde zich tot de jacht.

En nu, daar hij lang op de zee staart, herhaalt zich het visioen,
en het hoofd van _Sijtje_ verschijnt tusschen de zonnige, schuimige
rimpels van de Noordzee, en gaat op en neder met de golven.

Hij wendde zijn gezicht af van den plas, en strekte zich voorover in
het hangen van den heuvel uit, met de armen onder het hoofd. Weldra
geraakte hij in slaap, en het akelig schouwspel speelde hem op nieuw
voor den geest; maar de gansche zee werd rood als bloed, en vlammetjes
en vonken dansten er op rond, en zwierden er overheen in kringen. Op
eens, daar dreunden twee schoten. Hij ontwaakte. Veldin was door het
geluid opgevlogen en draafde reeds den heuvel af.

Statig trok een blauwe rookwolk van achter een naburig duin omhoog,
en een groote klucht patrijzen vloog haar verschrikt vooruit. _Teun_
riep den hond terug en volgde de hoenders met de oogen. Zij zakten
aan den anderen kant van den heuvel zachtkens lager, en trokken mèt
den wind zuidwaarts heen. Het volgende oogenblik verscheen er een man
op den top van dat duin en zag rond waar zij bleven; maar zij waren
reeds weer gevallen. Daarop laadde hij bedaard zijn geweer en _Teun_
de Jager zag hem een koppel mooie hoenders in de tasch bergen, nadat
hij die eerst een oogenblikje met welgevallen bekeken had.

Het was _Derk Joosten_, de eenige mensch in geheel Schoorl, die
hem niet lijden mocht, en dien hij niet kon uitstaan. Want _Derk
Joosten_ was een gemeene knaap, en die er niet vies van was het vak
van strooper aan dat van jager te verbinden, en hij had hem eenmaal
betrapt, daar hij in den laten avond bezig was strikken te zetten,
eene liefhebberij, waaromtrent de Schorelaars in een kwaden naam
zijn. Voor het overige was hij een slecht jager en, met stroopen
en al, bracht hij in een jachtseizoen niet half zooveel thuis als
"de dubbelde" _Teun_; wat hem in dezen zeer verdroot.

Zoo ras _Derk Teun_ den Jager bemerkte, riep hij hem half gebiedend
toe:

"Waar zijn ze heen 'etrokken, _Teunis_?"

"Dat mot _jij_ weten!" antwoordde deze.

"Kan ik dan door den berg heen kijken?" grauwde _Derk Joosten_. "Heb
_jij_ al wat?"

"Geen haar of veer!" riep _Teun_ de Jager openhartig.

"Ik al!" riep _Derk_ grijnslachend; en hij haalde een haas en drie
patrijzen uit de tasch, en hield die triomfant in de hoogte.

"Ieder zijn beurt, _Derk_!" riep de andere hem toe.

"Ja!" schreeuwde _Derk_; "en of jij van daag ereis geen beurt hadde,
d..derskind!"

Toen daalde hij het duin af, en ging zijns weegs, zich naar het
noorden wendende.

"Nou naar het Achterveld, Veldin!" zei _Teun_ de Jager tot zijn hond,
en een straal van moed blonk weder in zijne oogen; een blijde lach
kwam op zijn bruin gezicht. Hij nam een korte teug uit de veldflesch,
en wandelde zuidwaarts op.

Hij had de plek waar hij de patrijzen had zien vallen goed in
zijn ziel geprent. Naar alle berekening was het eene hem zeer wel
bekende vlakte, die er uitziet als eene mislukte ontginning en hier
en daar bezet is met kleine boschjes van bremstruiken, kruipwilg,
en dwergachtige berkeboompjes. Hij hield echter nog meer zuidwaarts
aan, als ging hij de plek voorbij, om de hoenders tegen den wind te
schieten. Toen naderde hij de vlakte; maar de patrijzen waren wild
geworden. En lang voor hij ze onder schot kon hebben, vlogen ze op en
trokken een goed end wegs zuidoostelijk af, waar ze weder neervielen.

"Geduld," dacht _Teun_; en nadat hij vruchteloos de vlakte had
afgezocht of er ook een enkel was achtergebleven, ging ook hij in
die richting, om de klucht te vervolgen.

Zoo ging het hem nog drie of vier malen, evenals in zijn droom; de
patrijzen bleven hem telkens vooruit. Hij verloor echter den moed
niet; het gezicht der hoenders in 't verschiet, hoe sarrend ook,
hield dien gaande. Maar zóó was zijn ziel van patrijzen vervuld,
dat ik bijna geloof dat er dwars over zijn weg een haas had kunnen
heengaan zonder dat hij het, hoe goed jager hij ook was, anders dan te
laat zou bemerkt hebben. Na een paar uren jagens rustte hij nogmaals
uit bij een plek, waar de hond welwater vond. Het dier, niet tevreden
zich te laven, legde zich geheel op zijn buik in den plas, maar zag
er na die verkwikking ook weer zoo levendig en wakker uit, als in den
vroegen morgen. _Teun_ nam er een voorbeeld aan en vervolgde de jacht.

Reeds had hij het Berger Bosch op zijde. Op eens ziet hij de klucht
weer opvliegen, en kort daarop nedervallen. Hij haastte zich in
die richting aan te treden. Reeds naderde hij tot de plek waar zij
wezen moesten! De hond hield den neus met de meeste oplettendheid
langs den grond. _Teuns_ hoop was nog zoo levendig niet geweest
dien ganschen dag. Maar op eens! daar valt hem de jachtpaal van den
Ambachtsheer van Bergen in 't oog, wiens ban zich nog eenige roeden
verder dan het bosch uitstrekt. Reeds was de hond dien snuffelend
voorbij gegaan. De verzoeking was groot. Hij had nog niets opgedaan,
na eene vermoeiende jacht van zoovele uren! Nog meer! hij had zich
beroemd dat hij patrijzen mee zou brengen. Hoe zou _Sijtje_ hem
den beloofden kus weigeren; erger! hoe zou zij hem uitlachen! Zijn
naam zou geen _Teun_ de Jager meer zijn. De oppasser van het Berger
Bosch was naar Alkmaar. _Derk Joosten_--ha, hoe tergend had hij de
hoenders opgeheven!--was noordwaartsuit gegaan. En dáár, een veertig
schreden verder misschien, lagen de voorwerpen van zijn verlangen,
neen, van zijn behoefte, de mooie hoenders, vermoeid van den langen
tocht, wie weet hoe vast, uit te rusten in het hooge mos.

Hij gevoelde dat hij beefde; het hart sloeg hem in de keel. De
hond ging al snuffelend verder. Hij hief zijn oogen op en zuchtte
diep. Een ondeelbaar oogenblik--en hij riep den hond terug, die
onwillig gehoorzaamde. "_Teun_ de Wilddief wil ik dan toch voor
mezelven niet hieten", verzuchtte hij.

Hij keerde den jachtpaal en het jachtveld des Heeren van Bergen den rug
toe, en op eens--als om hem te beloonen--een luid gesnor! Met de korte
vleugels ruischende, vloog, vlak vóór hem, een koppel hoenders op;
achterblijvers, die den trein niet hadden kunnen volgen. Op hetzelfde
oogenblik was zijn vinger aan de trekkers; de twee schoten knalden. Het
eene patrijs viel onmiddellijk loodrecht neder; het andere trok nog
een oogenblik verder, draaide in de lucht, en viel evenzeer. Terwijl
Veldin het eerste greep, ging hij om het ander zelf op te rapen. Het
leefde nog, en poogde zich in het mos te verbergen, maar hij pakte
het. Droevig en klagelijk zag het dier hem aan met zijn klein rond
oog, waarin het licht reeds half was uitgebluscht. Hij liet het weder
vallen. Met zulk een oog had _Sijtje_ hem aangezien in dien akeligen
droom. Het geheele visioen stond hem voor den geest. Toen hij het
patrijs opnieuw opraapte, was het grijze vlies geloken.

De noodlottige herinnering is voorbij, en _Teun_ de Jager vervolgt
vroolijk het overige gedeelte van zijn weg. Hij heeft wat hij
wenschte. De tot instandhouding zijns naams vereischte twee patrijzen
hangen op zijn heup. Hij heeft _Sijtjes_ kussen niet verbeurd. Het
weder geladen geweer valt hem licht. Zoo stapt hij door hoog heidekruid
en bremstruiken verder. Een kwartier uurs later, en een haas springt
op, en valt bijna op hetzelfde oogenblik, "door het snellere lood
in zijn vaardige sprongen gestuit", als de dichterlijkste jager van
geheel Holland gezongen heeft.

"Hoe later op de markt hoe schooner volk!" zegt _Teun_ de Jager. En
weltevreden met zijn jacht, stapt hij rustig op Schoorl aan.

Het was reeds laat na het middaguur, en nog een vermoeiende klim en
verre wandeling, ofschoon de afstand hemelsbreedte zoo groot niet
was. Maar wat beteekende vermoeienis? Triomfant zou hij _Sijtje_
met zijn jacht voor de oogen treden.

"Mag _ik_ het haas dragen, _Teun_?" vroeg een kleine jongen met
stroogeel haar en koffiebruine wangen, die op het laatste duin van
Schoorl uit het kreupelhout te voorschijn kwam waarin hij zich een
stok gesneden had, als hij de ruige pooten door het net van de weitasch
steken zag.

"Jawel, _Krelis_-broer!" zei _Teun_ de Jager vroolijk: "ik zel 't
je geven; maar je mot er niet van snoepen, hoor!" Hij zette zich op
den grond en, de tasch openende, wierp hij er eerst de hoenders uit,
die hij bovenop geschikt had. De jongen greep er een op, en bekeek het.

"Hè, wat een vette!" zei de jongen. "En watte mooie oochies!" voegde
hij er bij, in kinderlijke speelschheid een der oogen van het hoen
opentrekkende en het _Teun_ voorhoudende.

"Laat de oogen dicht, kwajongen!" zei _Teun_ de Jager met drift;
en weder kwam er een wolk over zijn voorhoofd.

Toen hing hij het haas, met de achterloopers door elkaar gestoken op
den stok van den knaap; en deze, trotsch op zijn vracht en zich groot
gevoelende boven al de boereknapen der gecombineerde Heerlijkheid
Schoorl, Groet en Camp, daalde gezwind met den langoor naar beneden.

Maar _Teun_ de Jager verborg de beide hoenders in den binnensten zak
van zijn weitasch, dat er geen veertjen uitstak. "Ik zal me oolijk
houen," zei hij tot zichzelven, "en reis kijken wat ze doet."

Zoo wandelde hij het dorp door en den zandweg op, in stilte berekenende
of het waarschijnlijk was dat _Sijtje_ op dit uur van den dag thuis
zou wezen of niet. Hij was nog een vijftig schreden van haar stulpjen
af. Daar ritselde het hout aan zijn linkerhand, en _Sijtje_ sprong
met een luiden kreet, om hem te verschrikken, te voorschijn. Het
doofstomme kind volgde haar langzaam.

_Teun_ de Jager verschrikte werkelijk meer dan _Sijtje_ had kunnen
verdachten. Een koude rilling ging hem door de leden. Maar hij
herstelde zich.

"Platzak!" riep hij met een lach.

"Da's niet waar!" zei het vroolijke meisje, "want ik heb den jongen al
'ezien met 'et haas. Maar waar zijn de hoenders, _Teun_?"

"Ik heb er geen te pakken kennen krijgen!" zei _Teun_ de Jager; maar
hij gevoelde dat zijn gezicht hem verried. "Toch niet, _Sij_!" voegde
hij er bij, toen deze hem ongeloovig aanzag.

"Al waar, maat?" zeide zij, en greep naar de tasch om zich te
overtuigen.

Maar hij trok haar de tasch uit de lieve hand en schoof ze met een
woesten ruk op zijn rechter zijde. Het meisje lachte en sprong voor
hem heen, om er toch in te zien. Het schot dreunde; de hond sloeg aan;
en _Sijtje_ lag bloedende aan zijn voeten.

In de plotselinge beweging om de weitasch op zijn andere zijde te
schuiven, had een der kleine mazen van het net den haan van zijn linker
loop gevat, het geweer in de hoogte geheven, en het schot doen afgaan.

_Teun_ de Jager en de beide knapen stonden versteend; maar het
doofstomme kind kwam het eerst tot bewustzijn; woedend vloog het
op _Teun_ aan en beet hem in den arm. Het geweer was op den grond
gevallen. Op eens bukt de ongelukkige jager zich en vat het bij de
greep; maar een forsche hand grijpt de tromp, en ontrukt het hem. Het
was een boer, die toegeschoten was, en nu den anderen loop in de
lucht afschoot. Het halve dorp snelt toe en dringt zich om het lijk
van _Sijtje_ en om den rampzalige, die zijn geweer terug begeert en
in stomme razernij met de omstanders worstelt.



Aan _Sijtje_ was niets meer te doen. Ieder weet, dat een schot hagel
_à bout portant_ duizendmaal erger wonden maakt dan een kogel; want
iedere korrel maakt eene afzonderlijke, en de hoeveelheid lood is
ongelijk zwaarder. Maar ook, het schot had het lieve kind vlak onder
het hart getroffen. Van geheel Schoorl beweend, ging zij ter ruste
onder "de groene boompjes" van het kerkhof. De oude grootmoeder en
het doofstomme kind waren alles kwijt.

De ongelukkige _Teun_ de Jager verviel in zware koortsen, waarin hij
onophoudelijk ijlde en raasde. In den nacht nadat _Sijtje_ begraven
was, ontsloop hij zijn in slaap gevallen waker en klom het venster
uit. De oppasser van het Berger Bosch, die laat tehuiskwam, zag hem
in den maneschijn boven op het duin in zijn hemd arbeiden. Hij ging
op hem af. _Teun_ herkende hem niet.

"Wat doe je daar, _Teun_?" riep hij met een forsche stem, en greep
hem bij den arm.

"Jonker!" zei de ongelukkige verschrikt en zachtjes: "Ik begraaf
haar. Aanstonds komt de zee."

En hij dekte zand over een der patrijzen, waar hij een kuil voor
gegraven had met zijne vingeren.

Den volgenden avond had hij den geest gegeven.


1840.



De Veerschipper.


Ik heb zoo menigmaal in trekschuiten gevaren, dat ik in staat ben er
het grootste paskwil en de grootste lofrede op te schrijven. Eens heb
ik er mij hevig tegen uitgelaten [34]: maar 't spijt me half. Ik geloof
dat ik het deed om de zaak der spoorwegen te bevorderen; uit louter
ongeduld. Maar nu ik zie, dat er reeds één trekveer metterdaad vervalt,
en in de lucht zwevende pijpemanden (echt Hollandsch signaal) ook aan
verscheidene andere veeren het _memento mori_ toeroepen, krijgt de zaak
voor mij zulk een droefgeestig voorkomen, dat ik in staat zou zijn de
roef van Amsterdam naar Rotterdam af te huren, om in eenzaamheid een
klaaglied te schrijven over de veranderde tijden. Niet zoo zeer om
de _Schuiten_ spijt het mij; zij hebben te vele gebreken, en er zijn
betere dingen om mee vooruit te komen; maar om de _Schippers_! Want aan
hen, mijne vrienden! zullen wij verliezen. Het is een goed, eerlijk,
trouw en ouderwetsch slag van volk, en jammer zal het zijn, als het van
de aarde of, laat ik zeggen, van de wateren verdwijnt. Eerbied voor
hen! Heb een vasten schipper, en geef hem een mondelinge boodschap,
een onverzegelden brief, een groote som gelds, een kostbaar stuk
meubel mede; geen woord zal aan de boodschap, geen stuiver aan het
geld te kort komen, geen letter in den brief gelezen, geen krasjen
op het kostbare stuk worden gemaakt. Laat hij slechts _weten_ wat
gij aan zijne zorgen toevertrouwt, en wees zoo gerust als of gij uw
eigen zoon zondt. Hier staat uw beeld mij voor oogen, trouwe _Van der
Velden_! Gij behoort tot het vriendelijk personeel mijner academische
herinneringen. Wiens voetstap hoorde _Hildebrand_ liever dan den uwen
op de ongelijke trap van zijn nederig studenteverblijf, als gij de
krakende sluitmand of het welbekend koffertje, dat geen adres meer
noodig had, daar tegenop sleeptet en met uw vriendelijk "compliment,
en als dat de familie heel wel was," zijn ongeduld voorkwaamt, dat
naar den dubbelganger van den sleutel zocht, waarmee zijne lieve
moeder het hangslot gesloten had? Gingt gij ooit bij hem voorbij,
zonder te hooren "of mijnheer ook iets te zeggen had?" Of kondt gij
te eenigertijd in zijn vaderstad het ouderlijk huis passeeren, zonder
eventjes te gaan vertellen "dat gij mijnheer gisteren nog hadt gezien"
en de hartelijkste groeten van zijnentwege te improviseeren?--Hadt
gij hem niet meer dan eens in uw schuit verborgen, toen hij "groen"
was, totdat de studententafel op de Mare was afgeloopen? En toen hij
was gepromoveerd, en gij hem geluk wenschtet--wat scheelde er toch
aan uwe oogen, dat die bonte zakdoek niet in den zak kon blijven,
als gij aanmerktet, dat gij nu "zijn meeste koffertjes wel zoudt
hebben gehaald"?--Drommels, _Van der Velden_! het veer moest niet
worden afgeschaft.

Maar behalve dezen had ik menig vriend aan het veer, die mijn koffer
en reiszak een kwartier uurs ver kon onderscheiden, en straks voor
mij het lekkerste kussen uit de roef haalde, opschudde en in den
stuurstoel legde, bereid om, als de bodem nat was, mij het gebruik
van zijn sabotten af te staan. Als het eenigszins kon, zat ik in den
stuurstoel, en van dezen heb ik nooit iets kwaads gezegd. Ik kende
de geschiedenis van al de schippers en al de knechts; van hunne
vroegere betrekkingen en van hunne latere wederwaardigheden aan het
veer. Elk hunner had zijne eigene verdienste in de conversatie. De
een wist overal eenden en hazen aan te wijzen op de landerijen, die
wij voorbijvoeren; de ander kon zoo gezellig op zijn pijpje smakken
en oude verhalen van zijn schooltijd opdisschen; de derde sprak van
"_Boneparte_," en hoe bang die voor de "Kezakken" moet geweest zijn,
met al de nauwkeurigheid van een tijdgenoot en gemeenzaam vriend. Ik
herinner mij den ouden _Mulder_, met den geverfden hoed en de korte
broek; hij voer altijd de volste schuiten; den langen _Rietheuvel_;
hij was befaamd in het redden van drenkelingen; en zijn broeder,
die "de Mottige" genoemd werd, die wel niet al het statige van
den schippersstand had, maar een aardige, praatzame grappenmaker
was, die een anecdote uit kon rekken, zoo vele bruggen ver als
gij verkoost. Indien _hij_ het begin van dit stuk las, het zou hem
ergeren; want ik weet dat niets hem meer verveelt, dan dat men hem
en den geheelen trekschuitwinkel in de toekomst beklaagt.

"Je zelt haast gedaan hebben, schippertje!" zei een juffrouw in de
roef, onder haar bril uitkijkende, tot onzen _Rietheuvel_, nadat zij
vruchtelooze pogingen had in 't werk gesteld om een heer, die in 't
hoekje zat, aan den praat te krijgen. "Je zelt haast gedaan hebben,
schippertje!"--"Hoe zoo, juffrouw?" vroeg de kapitein.--"Wel, met die
Spoorwegen!"--"Spoorwegen! juffrouw da's geen duit waard. As 't anders
niet was; _die_ hebben haast gedaan. Maar dat nieuwe."--De juffrouw
wist ter wereld niets nieuwer dan spoorwegen, en "men zou er _haar_
ook niet opkrijgen".--"Ja maar," merkte _Rietheuvel_ aan, "in dat
nieuwe ga je wèl. Je hebt ommers wel gelezen van dien Onderaardschen
Schietblaasbalk?"--"Van die wat?" vroeg de juffrouw, haar bril van
den neus nemende, "van die wat?"--"Wel, van dien Onderaardschen
Schietblaasbalk?" riep de schipper, zoo hard als zijn verweerde
stem gedoogde. "Heerlijk hoor! Je hebt pijpen, buizen, kanalen;
onderaardsche, weetje? 'k zel zeggen van Amsterdam na Rotterdam, en
vicie versie; dat zijn de twee grootste. Nou heb je dan ook korte, voor
Halfweg, Haarlem, Leiën,.... dat begrijpje, na venant."--De juffrouw
spitste de ooren en opende den mond.--"Best; je komt in 't ketoor; je
ziet een partij luiken in de' vloer, met groote letters, beschilderd;
al de plaatsen, weetje, die staan der op. Halfweg, Haarlem, Leiën,
allemaal. Je ziet een groote schaal hangen en een knecht in leverei,
netjes as 't hoort, der bij. Waar mot de juffrouw nou b.v. wezen? Zeg
maar wat!" Hier wachtte de verhaler op een antwoord, maar de juffrouw
wist niet wat ze zeggen zou, en vreesde dat het geheele verhaal een
strik was om hare onnoozelheid te vangen.--"Nou goed; as je 't dan
maar weet. Ik zel maar zeggen: je mot te Rotterdam zijn. Je krijgt een
kaartje. Best. Belieft u maar op de schaal te stappen."--Hier kon de
juffrouw zich niet bedwingen: "Op de schaal, schipper?" riep zij uit,
en hare oogappels werden van verbazing zoo groot als tafelborden,
"wat mot ik op de schaal doen?"--"Dat zel je hooren. UE. wordt
gewogen. Je bent nog al dikkig. Goed. Zooveel pond, zooveel kracht op
de' blaasbalk. Belieft u maar op dat luikie te gaan staan. Pof! je
zakt in de' grond, Ruut! daar ga je, hoor! Je ziet niks niemendal
as egyptische duisternis. 't Hoeft ook niet. Tien menuten! knip,
knap, gaan de veeren. Daar sta je _weer_ in een ketoor; je denkt in
't zelfde? Mis! Je bent te Rotterdam. Is 't waar of niet, _Piet_?"

Op dit beroep antwoordt de aangesprokene, die als knecht met den
Mottige vaart, niet anders dan door het hoofd te schudden en een
pruimpje te nemen.--"Piet wordt er Weger bij," vervolgt de schipper:
"je kunt er de teekening van zien; 't zou al lang ingevoerd wezen, me
lieve juffrouw! maar 't het motten wachten totdat die wije mouwen uit
de mode waren.--_Pietje_, 't wordt koud, man! je hebt je jaren. Wees
niet nuffig omdat er een juffer in de schuit is; trek je schanslooper
an, maat; en geef mijn me zuidwester, want 'et begint te regenen."

"Ja menschen!" merkt de juffrouw aan, "je mag wel voor je gezondheid
zorgen. Ik weet niet hoe je 't uithoudt!"

"Uithouën?" zegt de schipper: "de juffrouw mot weten dat er geen
menschen ouèr worden as schippers en schoolmeesters. De schoolmeesters,
van de onschuldige asempies van de kinderen, en de schippers, van
weer en wind."



De Schippersknecht.


"Indien wij eens een meid minder hielden," zei Burgemeester
_Dikkerdak_ tegen mevrouw _Dikkerdak_, op een mooien morgen, en hij
plukte aan de franje van zijn japongordel, op eene wijze alsof hij
er een zwaar hoofd in had dat dit voorstel fortuin zou maken.--"Een
meid minder!" riep zij uit, en hare oogen begonnen gevaarlijk te
vonkelen: "dat's onmogelijk, mijnheer! Als er te veel verteerd is,
het is door de meiden niet geschied. De meiden moeten blijven. _Ik_"
(en zij drukte verbazend op dat voornaamwoord) "_ik_ kan geen enkele
domestique missen!"--Burgemeester kreeg een hevige hoestbui, want
hij was vol op de borst; hij vouwde het exemplaar van de Haarlemsche
Courant van Dinsdag--October 18--(het is lang geleden) bedaard in
"deszelfs" officiëele plooien, lei een blokje bij op het vuur,
wandelde naar de vensterruiten, keek eens naar de boomen van zijn
buitenverblijf, en daarna, over zijn buik heen, naar de punten van
zijn gevlamde pantoffels; kreeg nog een hoestbui: verliet de kamer met
statigheid; ging zich laten poeieren, en sloot zich, deze plechtigheid
volbracht zijnde, in zijn eigen kamer op. Toen strekte hij zijne hand
uit en schelde.

"Laat _Kees_ boven komen!" sprak hij tot de binnengetreden dienstmaagd.

_Kees_ kwam; gepoeierd als zijn heer; een man van ongeveer vijftig
jaar, van middelbare gestalte. "Wat belieft meheer?"

"_Kees_," begon Burgemeester; maar een nieuwe aanval van de volle
borst belette hem verder te gaan.--_Kees_ hoorde in de eerbiedigste
houding de bui uit.--"_Kees_," hervatte de Burgemeester: "je hebt
me tweeëntwintig jaar trouw gediend; eerlijk gediend; ijverig
gediend..." _Kees_ schepte moed; hij had gedacht dat er iets
onaangenaams aan de hand was, en de Burgemeester was een gestreng
heer. Maar als de Burgemeester zag dat het gezicht van _Kees_
opklaarde, vatte hij ook moed; zoodat er op dat oogenblik twee menschen
bijeenwaren, die beide den besten moed van de wereld hadden.--"Trouw
gediend!" herhaalde de Burgemeester.

"Na mijn beste weten," zei _Kees_ bedaard, en bekeek de roode opslagen
van zijn grijsgelen rok.

De Burgemeester nam een snuifjen en zeide: "Ik heb maar naar de
gelegenheid gewacht om er u voor te beloonen."

"Wat dat betreft, meheer!" hernam _Kees_, en een groote traan kwam
om het hoekje van zijn neus kijken, want hij was een gevoelig man,
ondanks zijn bakkebaarden: "Menheer is altijd een goed heer voor me
geweest. Ik verlang..."

"Hoor, _Kees_," zei de Burgemeester, "kort en goed: er is een
stadspostje vacant, en ik had gunstig over je gedacht. Het is een
makkelijk postje, een goed postje..."

"Maar," zei _Kees_, "as ik de vrijïgheid nemen mag menheer in de rede
te vallen; ik wenschte volstrekt niet te veranderen..."

De Burgemeester kreeg wederom een geweldige hoestbui.

"En as ik de vrijïgheid mag nemen," ging _Kees_ voort, "te vragen:
welk possie?..."

Burgemeester _Dikkerdak_ streek zich met deftigheid langs de
kin. "Het beneficie van knecht aan het ...sche veer", zei Burgemeester
_Dikkerdak_ met majesteit. "Het wordt binnenkort vergeven. Bedenk er
u op, _Kees_! Ik raad het u aan. En ga nu heen--(kuche! kuche!) en
vraag (ùche, ùche) of mevrouw (ùche, ùche) mijn stroopje wil boven
sturen met _Betje_; ik heb (ùche, ùche) het weer schrikkelijk weg."

_Kees_ wenschte nog iets in het midden te brengen. Maar de Burgemeester
hoestte zoo ontzettend, en werd zoo rood in 't gezicht, en wenkte zoo
duidelijk met de hand dat hij het stroopje volstrekt terstond hebben
moest, dat _Kees_ het raadzaam oordeelde te vertrekken.

"Schippersduvelstoejager!" riep _Kees_, een uur daarna zijn huis
binnentredende, en zijn gegalonneerden hoed op de steenen smijtende,
zoo ver die vliegen wou. "Schippersduvelstoejager!"

Zijn goede _Leentje_ dacht dat hij gek geworden was, raapte den hoed
op, en vroeg wat hem scheelde?

"Ik mot schippersknecht worden," riep hij, en zijne oogen rolden
vreeselijk in zijn hoofd: "Schippersknecht, omdat ik menheer
tweeëntwintig jaar trouw gediend heb! Met den zwabber hé...? Een
mooi baantje! Hoo--o--o--! roepen met twintig o's bij een brug;
en hu--u--u--u--! met vijftig u's bij een schoeiing... Heerlijk hé!"

De goede eegade begreep juist niet al te veel van deze uitboezemingen,
maar welke was hare ontzetting en afschuw, toen zij de oorzaak
vernam! "Wat?" riep zij uit... "Jij met pakkies langs de deuren loopen;
een karrepoesmus op je gepoeierde hoofd! Jij een soldatekapot om je
lieve lijf in plaats van je rok met passement! En je hebt ommers pas
een nieuwe?..."

"Het helpt niet, vrouw!" zei _Kees_; "ik heb 't al gemerkt; der is
zwarigheid bij menheer; maar 't is maar ongelukkig voor die 'et treft."

"'t Zel _niet_ gebeuren!" riep _Leentjen_ uit. "Laat menheer je
afschaften; laat ie je op straat sturen; maar geen schippersknecht,
as je tweeëntwintig jaar knecht bij een heerschap bent geweest."

En met eenparigheid van stemmen werd besloten dat het _niet_ gebeuren
zou. _Wat_ er gebeurde, mag _Kees_ op zijn eigen manier vertellen,
zoo als hij het meer dan eens gedaan heeft, met de hand aan de roerpen.

"Dat bleef zoo hangen: maar 'en veertien dagen; 't was op een
dingesdag, en menheer ging alle dingesdaggen na burgemeesterskamer;
zoo reeën we na stad. Stilgehouën voor 't stadhuis; ik klim der of
en help menheer der uit. Wacht hier een oogenblikkie, _Kees_! zeit
ie.--Met 'et rijtuig? vraag ik.--Neen, _Kees_, zeit ie; jij alleen;
ga maar bij de bodes, daar heb je nog kennis bij.--Nou, ik _had_
er een vollen neef bij. Wat kom _jij_ hier doen? zeit me neef. Ik
zeg, ik weet 'et niet, zeg ik; en menheer stapt zoo binnen. Nou, ik
docht: menheer zal alevel zoo gek niet wezen dat ie daar binnen van
dat possie spreekt; want ik docht, dat ding is ofgedaan; hij het wel
gezien dat ik der geen zin in heb. Maar al zen leven! Ik wacht wel
een hallefuur; daar wordt gescheld. Me neef na binnen, met 'n bos op
zen borst, wat ben je me! In een ommezien was ie weerom; daar hadje 't
lieve leven gaande. Ik most boven kommen. Daar hadje menheer zitten,
die nog al tamelijk dik is, en dan hadje die dikke _Van Zuchter_, en
dan menheer _Daats_, die zen zoon nou ook al burgemeester is, loof ik,
en dan de overleden heer _Watser_ met z'n staartpruik, en dan menheer
_Kierewier_; maar die had dan eigenlijk niets te zeggen; die was zoo
veul als sikretaris, en die zat midden in de pampieren. Nou had die
dikste, die _Van Zuchter_, zoo'n hamertje in zen hand; en die begon
me daar een preek te doen, en een gelukwensching en, in één woord,
te zeggen dat, deur mooi praten zus en zoo van menheer _Dikkerdak_
(_mijn_ menheer dan), de heeren zoo over me gedocht hadden, om me
dan te maken, na me begeerte, note bene! knecht bij 'et veer; en dat
ze hoopten dat ik die post trouw en eerlijk, en al die viezevazen,
waar zou nemen. Kijk! ik werd zoo kwaad menheer! dat ik docht een
beroerte te krijgen; en ik docht: wacht, dikke! hou jij maar reis
'en oogenblikkie op, dan zel _ik_ reis-meepraten--want weetje wat? ik
meende ze vierkant te zeggen dat ik 't _niet en dee_. Maar ja wel! zou
gou as ie amen gezeid had, zel ik maar zeggen, daar begonnen ze
allemaal me te filiciteeren en te doen, dat het een aard had; en
die _Kierewier_ was ook al klaar met een pampier, dat ie me in men
hand duwde; en _mijn_ menheer dee maar niets as hoesten; nou _was_
ie vol op de borst; en eer ik wat zeggen kon, daar tastte menheer
_Van Zuchter_ na zoo'n groote tafelschel; ik weet niet dat ik me
leven zoo'n tafelschel meer gezien heb; het leek wel zoo'n klok;
en toen--luien wat ben je me! En toen kwam neef weer binnen, en
ik had maar te vertrekken.--Maar wat die vrouw anging, toen ik daar
thuiskwam als schippersknecht....! Maar ik _was_ nog haast niet thuis,
of daar had je mevrouw _Dikkerdak_ al, en de jongejuffrouw! allemaal
maar filiciteeren, en dat ik gou schipper zou worden! Een mooi ding;
al de schippers zijn jonger van jaren as ik; en ik ben nou op drie
na de jongste knecht; van dienst dan.--En wat me vrouw huilde,
toen ik op 'en kouën ochtend na de schuit most, met me schanslooper
over men arm! Lieve kinderen menschen!--Och ja, zoo sukkelen we nou
maar vort. Menheer is dood, en mevrouw is dood, en de jonge juffrouw
het onderlaatst nog met me gevaren; maar ze zei temet geen gendag of
genavend; en ik ben nou in me tweeënzeuventigste...! Hoo--o--o--o--h,
jagertje! De lijn kan wel stuk met die horten! Hij mot nog langer
mee as ik: as 't God blieft!"



De Barbier.


                    Omme
            den Heer J.D. _van den Aanzett_,
            Chirurgus te Monnickendam.

Mijn waarde Collega!


De lange winteravonden en het betrekkelijk klein getal patiënten
permitteeren mij u toch vóór nieuwejaar nog eens een confraterlijken
brief te schrijven, waartoe ik lang lust, laat ik zeggen, waar aan
ik al lange behoefte ben geweest hebbende; zoodat ik nu den stumilus
niet langer kan wederstaan. Gij zoudt niet gelooven hoe in deze
hoofdstad het getal dagelijks vermindert der confraters, met wie
men eens redelijk over de wetenschap van denkbeelden wisselen kan;
het zijn bijna alle tegenwoordig menschen zonder eenige de minste
studie, die ja, de operatie verstaan, dat wil zeggen er het manuaal,
de dexteriteit van bezitten, maar zonder eenige theorie of systema te
werk gaan en geen rekenschap van hunne zaak kunnen geven; die zelfs
niet capabel zijn, indien zij door eene toevallige omstandigheid eene
ulceratie veroorzaken, dezelve secundum legum artum te genezen, of
een emplastri te smeren; waarom zij dan ook gewoonlijk, bij gemaakte
blessure, niet beter weten aan te raden dan koud water of een watje.

Och, mijne goede _Van den Aanzett_, toen wij te zamen bij uw
waardigen oom in de Amstelstraat het vak in onze jeugd beoefenden,
was het een ander vak en een andere tijd. Wie zou het gewaagd hebben
dien doorkundigen geleerde den onteerenden naam van barbier of
scheermeester te geven, welke in de uitvoerigste woordenboeken van
die dagen zelfs niet gevonden werd? Tegenwoordig worden wij aldus
door groot en klein genoemd. Men heeft ons vak uit den kring der
medische wetenschappen weggerukt en op zichzelven geplaatst, zoodat
het verdort en verdroogt als een afgescheurde tak, van den boom
geamputeerd. Weinige zijn zoo gelukkig als wij, dat het hun vergund
is gebleven het hooger chirurgische nog te blijven uitoefenen; maar
welke is de consideratie die wij genieten? welk is het cas, dat men
van ons bij de Provinciale Geneeskundige Commissiën maakt? En moeten
wij niet bekennen, ons scheermes in dezen stikdonkeren tijd al de
fiducie van ons lancet wegneemt?

Vonden wij nog maar in de tractatie van hetzelve scheermes een
overvloedig middel van bestaan, zooals eene kunst behoorde te kunnen
opbrengen, welke in zulk een nauw verband staat met de beschaving,
en van welke zoo onbegrijpelijk veel afhangt in de maatschappij, wij
zouden ons alsdan ten minste kunnen getroosten het algemeen profijt
niet geheel zonder profijt voor onszelven te behartigen. Maar indien
het u als mij gaat, dan verliest gij ook dagelijks kalanten en worden
er geen nieuwe geprocreëerd. Gisteren; en deze omstandigheid moveert
mij juist u heden te schrijven; gisteren verloor ik mijn laatste
patiënt, die gewoon was zich tot in den nek toe te laten razeeren,
met een breed instrument en een weinigjen in het harde systema, zooals
onze overledene patroon gewoon was de burgemeesters te behandelen, toen
men er nog op gesteld was, de deelen der onderkin en des halzes een
blozend voorkomen hadden. Nu is het aan de orde zooveel mogelijk haar
te laten staan, tot groot affront voor de uitvinding _Tubal-kains_ en
van het chirurgische vak, en ik durf zeggen, tot groot detriment van de
goede zeden daarenboven. Want ik praesummeer op goede gronden, dat alle
koningsmoorders, zelfmoordenaars, oproermakers en comedieschrijvers,
in Frankrijk en elders, hunne verwildering grootendeels hieraan
te danken hebben, zij van de jaren der pubertas af, hun baard den
vrijen teugel en op die revolutionnaire wijze groeien laten, welke men
"een jonge Frankrijk" noemt.

Ik zie ze dagelijks in de printewinkels.

Maar om tot den ontslapene terug te keeren. Ik kan wel zeggen met
ZEd. mijn geheele ambitie voor het vak is ten grave gedaald. Want wat
wil men tegenwoordig? Met achterstelling van al het gracieuse, al het
waarlijk schoone der operatie, wil men alleen gauw geholpen wezen,
en zoo zacht en ongevoelig, alsof men den baard weg _waschte_. Wie
kan op zulk een wijze het vak eer aandoen? wie zich een waarachtig
discipel betoonen van onzen onvergetelijken _Blaaskrop_, als alles in
vijf minuten moet afgeloopen wezen? Maar weet gij, mijn waarde _Van
den Aanzett_, wie het zijn, die u en mij en het geheel chirurgicale
vak bederven? Niemand anders dan die infame Engelsche natie, die de
bron is van al onze ongelukken.

Sla de eerste courant de beste op, die gij in handen krijgt, en gij
zult er u van overtuigen. Overal zult gij de emblemata van ons vak
in slechte houtsnee op een misselijke wijze zien afgebeeld, om er
tot uwe interne indignatie bij te lezen dat er weder een nieuwe soort
van "patent razoors, patent stroppen, patent zeepen" is uitgevonden,
alleenlijk met het doel om de paarlen, ik mag zeggen, voor de zwijnen
te werpen, ons moeielijk kunstvak tot een allemans goed te maken,
en ons en onze kinderen te bestelen. Ik vraag maar, mijn waarde
collega! Ik vraag maar, wat beteekent die gansche fraaie instelling
der patenten, indien het iedereen, niet alleen ongegradueerden,
maar zelfs ongepatenteerden, veroorloofd is zichzelven den baard af
te nemen? Ziedaar eene vraag, welke het wel der moeite waard ware
der Tweede Kamer eens te presenteeren, en ik ben nieuwsgierig hoe
de Heeren er zich zouden uitredden. Maar wat zou het baten, _Van den
Aanzett_? wat zou het baten? Geloof mij, indien gij het te Monnickendam
gelooven kunt; maar hier in de hoofdstad heb ik abondantelijk occasie
om er mij van te overtuigen; dat een derde der Edelmogenden (o schimmen
der voorvaderen!) zich de hulp der faculteit ontzegt.

Maar laten wij dit voor ons beiden chagrinant capittel laten varen;
mijn brief is reeds lange, en ik heb dezen avond bepaald tot exercitie
mijner beide zonen, die elkander voor het eerst wederkeerig bij
kaarslicht de operatie doen zullen. Nog slechts een woord van de
gezondheidstoestanden in deze hoofdstad. Er zijn hier nog altijd vele
koortsen, en ik blijf ze met onzen onvergelijkelijken patroon aan de
principiums noncentiums van het water toeschrijven, in combinatie met
de humeuren van de athmosfeer. Maar geloof mij, dat het kinazout er op
den duur veel kwaad aan doet. Ik heb onlangs de eer gehad een patiënt
te cureeren, dien men met die miserabele sulphatis quinini totaliter
in den grond hielp, enkel en alleen door ZEd. aan te raden gewone
trosrazijnen te eten op een nuchtere maag, vóór ik den baard afnam;
met dien effecte, de intermittentis hem verlaten hebben. En nu ga ik
ook u verlaten. Vaarwel, Amicissimi Collega! Mijne hartelijke groete
aan Mejuffrouw de Chirurgijnsche, ook uit naam van de mijne.


Amsterdam, 12 Dec. 18--.

Uw geeffectionneerde Collega,
_Joris Krastem_.


P.S. Ik geloof dat gij wèl zult doen den opgezetten krokodil, die in
uwen winkel misschien nog, als van ouds, aan den zolder hangt, weg te
nemen. Men begint in dezen profanen tijd met al zulke wetenschappelijke
zaken te spotten. O Tempores! o Mora!



De Huurkoetsier.


De eerste schemering van den morgen ligt over de academiestad. Hier
en daar verspreidt het gloeiende pitje van nog een enkele réverbère
een noodeloos licht. Alles slaapt nog op de Breestraat. Alleen de
kraaien zijn op en wandelen in grooten getale over de steenen, en
vliegen op den Ossekop bij _Rivé_, en op de koppen van de leeuwen,
die de Leidsche sleutels op de trappen van 't stadhuis bewaken, zich
verbazende dat de schildwacht zoo slaperig kijkt, en waarom hij geen
blinkende stevels meer draagt als tevoren. Uit eerbied voor de rust der
geleerde hoofden in dit Nederlandsch Atheen, onthouden zij zich echter
van nutteloos geschreeuw. Op eens jaagt het klappen van een zweep ze
op, en doet een aanrollende calèche "met de vier" ze de vlucht nemen
naar torens en schoorsteenen. De calèche houdt stil voor een smal,
nog gesloten winkelhuis. 't Is een goed rijtuig, veel malen gebruikt en
beproefd bevonden; en op den bok zit, in al de glorie van zijn postuur,
met een hoed in blinkend foedraal op 't hoofd, een paar bakkebaarden
op zij, ringen in de ooren, een geestig oog en een vroolijken mond,
en voorts bedolven in een jas van grijs laken met langen mantel,
_Gerrit van Stienen_; wegens zijn deels wezenlijke, deels geveinsde
vermetelheid met de edele rossen, als Dolle _Gerrit_ bekend.

"Hiep, hie!" roept Dolle _Gerrit_. Alles blijft doodstil. Hij zet
zich overeind voor den bok, en klapt driemaal met de lange zweep,
dat de kraaien opvliegen alsof het haar geldt, en carousel beginnen
te rijden rondom de peer van 't stadhuis. Nog eenmaal heft hij zijn
vervaarlijk "hiep, hie!" aan.

Het bovenraam opent zich; een jong mensch met een zijden doek om
't hoofd (studenten haten slaapmutsen), en een jeune france om de
kin, kijkt er uit, in een japon met schotsche ruiten. "Zoo, Dolle'
dat's opgepast, vent."--"Goeie morgen, menheer!" antwoordt de Dolle,
met een schuin en toegenepen oog: "heb je zóó allang zitten wachten?"

De heer met de jeune france slaat een oog op het span. "Moeten _zij_
het doen, _Gerritje_?"--"Ja menheer! ze verlangen as harten."--"Ze
zien der niet florissant uit, _Gerrit_!"--"Mot ook niet, menheer! maar
het bennen bazen van binnen."--"Me dunkt, ze staan zoo droomerig
tegen mekaar aan te leunen."--"Ze bennen pas uit bed, mot menheer
denken; en beste staanders zijn 't ook al niet: maar _loopers!!!_
heb ik jou daar."

Drie jonge menschen dagen op uit verschillende hoeken van de stad,
en vereenigen zich luidruchtig genoeg op de kamer van den student
met de jeune france. Een oogenblik daarna wordt er ingestegen.

"Fiks doorjakkeren, _Gerrit_!" zegt menheer _Deze_, de tree
opvliegende. "Dat zegt _hij_ ook," antwoordt _Gerrit_, de zweep
toonende. "In twee uren naar Haarlem," beveelt de heer _Die_, zijn
mackintosh dichtknoopende. "As ze 't niet in zeven kwartier kennen,"
zegt _Gerrit_, knipoogende, is er geen aardigheid an." "Nooit
stappen; zelfs in 't zand niet, _Gerritje_!" roept mijnheer _Zus_,
plaats nemende. "Ze zouen zich hebben dood te schamen," herneemt
_Gerrit_. "Klappen dat het davert!" juicht de heer _Zoo_, het
portier dicht trekkende; en het antwoord is klets, klats, klets met
de zweep; en de kraaien vliegen met een luid geschreeuw weder op;
en het rijtuig rolt heen, en doet al de ruiten, van de Breestraat af
tot de Rijnsburger poort toe, sidderen in de sponningen.

Men pleistert bij den Geleerden Man. "Je hebt nog niet hard
gereden, _Gerrit_!"--"Kniebandjes losmaken, heeren," zegt de man,
zijn jas uittrekkende, daar de zonneschijn hem begint te hinderen,
en zich vertoonende in zijn blauw buis met korte panden, geel vest,
en fulpen broek, waarvan de pijpen op zij met een menigte beenen
knoopen prijken. De studenten, _Gerrit_, en de paarden nemen hun
prandium. Alles is reeds weder in gereedheid. "Wacht!" roept _Zus_, "we
moeten een grap hebben. _Duin_! Steek de lantarens op."--"Lantarens bij
klaarlichten dag?" vraagt _Duin_, bleek wordende. "Wis en zeker!" roept
_Gerrit_ van den bok, knipoogende en met de grootste deftigheid,
"je kan 't niet weten: een ongeluk zit in een klein hoekje. Hiep,
hie! haastje wat, _Duintje_."

Zoo komt men te Haarlem met lichtende lantaarns. De rit heeft _over_ de
twee uren geduurd. "De klokken schelen!" zegt _Gerrit_. Men overtuigt
hem van het tegendeel met een horloge. "Dat heeft te hard geloopen
om de paarden bij te houen!" Nieuw geknipoog; en de lange zweep gaat
weer links en rechts, en de lucht davert van den slag, en de paarden
draven door de goede stad, dat de kruideniers er schande van spreken
achter hunne toonbanken.

De Nieuwpoort uit; den straatweg op; Zandpoort om; Bloemendaal;
het zand; stappen!

"Stap je nu toch, _Gerritje_?" gilt het viertal. "De voorste
bijdehandsche zen ijzer is los, en de achterste het in de spijkers
van den voorsten getrapt." Maar ondanks deze ongevallen, zoodra hij
het hek van Zomerzorg genaakt: klets, klats, klets, gaat de zweep;
in vollen draf gaat het, het huis voorbij, bij de brug langs, omgewend
met een korten draai, en _pal_ voor de deur. "Mooi, Dolle!" roepen de
heeren uit éénen mond, en men spreekt af dat niemand zoo goed rijden
kan als "de Dolle". Deze oogst zijne zegepralen in, met herhaald
geknipoog tegen de wachtende staljongens.

Een groot kwartier daarna: de paarden zijn aan de ruif, en _Gerrit_
krijgt, met opgeslagen mouwen en op de midden aangevatte tang, een
kooltjen uit den keukenhaard om zijn kort pijpjen op te steken. "Nou,
_Kaatje_, me kind!" heet het uit zijn mond tot een zwaarlijvige, niet
heel mooie keukenmeid: "Ik kon niet langer van je van daan blijven. Ik
zeg teugen de heeren: me zellen de vier der reis voorzetten; me motten
reis na Zomerzorg; ik wil weten of _Kaatje_ nog geen vrijer het".--"Dat
kan jou ook wat schelen, _Gerrit_," antwoordt de beminnelijke, "je
hebt een vrouw thuis."--"Een vrouw," is 't antwoord, en _Gerrit_
neemt bij die herinnering zijn blinkende hoed eerbiedig af, "een
vrouw as twee, _Ka_! en je mot het complement van der hebben. Vraag
't an de heeren! Ik zeg: heeren! help me onthouen dat ik _Kaatje_
de complementen van me wijf breng".

De heeren zitten aan tafel. De eerste tijdperken zijn
doorgeloopen. Conticuere; Rumor in casâ; etc. Het wordt een
gejoechjach, een geschater, een instellen van toosten zonder end! De
heer _Deze_ komt met glimmende oogjes, de helft kleiner dan anders,
achter loopen: "_Gerrit_, heb je wel wijn?"--"Wijn, menheer?" vraagt
_Gerrit_ met het onnoozelste gezicht van de wereld, zich een glas
bier inschenkende. "Bij de goden!" roept de heer _Deze_: "_Gerrit_
heeft geen wijn!" en, naar voren geloopen, komt hij met een gebefte
flesch terug. Als ZEd. de keuken verlaten heeft, knipoogt _Gerrit_
buitengemeen zeer; overdubbel tevreden.

De heeren rijden af. Ze zijn ontstuimig. De een wil rijden. De ander
wil achterop staan. De derde wil de zweep hebben. De vierde gilt dat
hij _Gerrit_ een tientje wil geven, als hij maakt dat ze omvallen.--"Ik
heb geld genoeg, menheer! al sterf ik morgen," zegt _Gerrit_, en zit
vast op den bok, en klapt met de zweep, en knipoogt en antwoordt met
aardigheden, en rijdt geen stap harder dan hij verkiest.

Het is laat in den nacht als _Gerrit_ thuiskomt. De stalknecht sluit de
deur open, en licht hem met zijn lantaarn in 't gezicht. "Ze zijn een
beetje warm, hé! Ik kreeg slaap op 't laatst; en ik had ze van morgen
gespaard."--"Een goeie fooi, _Gerrit_?" vraagt de stalknecht, in zijn
linnen jas schurkende van koude, slaap, en begeerigheid.--"Van de man
een pop, _Driesje_!"--"'t Is 'en schande, _Gerrit_! zulke fooien as jij
altijd sleept."--"Daar hei je der één van," zegt _Gerrit_, "maar laat
me na kooi kruipen, zonder dat ik me met iets meer heb te bemoeien."



Het Noordbrabantsche Meisje.


Op een mooien Augustusvoormiddag des jaars 1839, betraden twee jonge
menschen den vermoeienden, maar schoonen zandweg tusschen Terheide
en Oosterhout. Zij waren ter eerstgenoemde plaats uit de diligence
gestapt en zouden ter laatstgenoemde het middagmaal houden. De zon
scheen wel heerlijk op de welige akkers van rogge en boekweit ter
wederzijde van den weg, maar tevens niet minder stovend op hunne
stroohoeden en ransels; en daar het jong eikenhout, dat zij langs,
en de kleine denneboschjes die zij nu en dan door-gingen, te laag
en te iel waren om veel schaduw te geven, begon men toch gewaar te
worden dat ook zelfs een voetreis hare onaangenaamheden hebben kan.

"Die drommelsche toren;" begon de jongste, stilstaande en den knop
van zijn stok in de zijde zettende om een oogenblik uit te blazen:
"die drommelsche toren is nu rechts en dan links, en we vorderen niet."

"Het is toch de goede weg," sprak de oudere, die het eerteeken van
den tiendaagschen veldtocht droeg, ik ken hem wel. Zie, daar ginder,
rechts van den toren, is de molen daar we een post bij hadden."

"Is het een mooi plaatsje?" vroeg de eerste, weder voorttredende.

"Allerliefst; gij zult het zien. Koning _Lodewijk_ noemde het een stad;
maar daar is 't niet beter om. Er is een marktplein; een ruime kerk
met gebeeldhouwd outerstuk, een Berg Calvarië; voorts een mooie ruïne;
en veel knappe nieuwe huizen. Maar het mooiste is _Keetje_. Wij gaan
naar _Keetje_. Gij zult zien hoe hartelijk zij ons ontvangt."

"Ik hoop," zei de ander twijfelachtig, "dat zij de moeite van dezen
afmattenden weg waard mag zijn; want ik heb niet veel op met uwe
herbergdeernen. Ze zijn nog al aardig in liedjes en reisverhalen. Maar
ik voor mij heb ze nooit anders bevonden dan grof, preutsch en
knorrig. Men kan ze niet vriendelijk aanzien of zij denken dat gij
ze bederven zult. En zegt gij haar een galanterietje, zoo gapen zij
u aan zonder het te begrijpen, of lachen zoo dom tegen "me heir",
dat hij eens voor al genoeg heeft."

"Je kent _Keetje_ niet!" viel de ander met gemaakte hoogdravendheid
zijn vriend in de rede: "bij alle goden, je kent _Keetje_ niet! Gij
zijt niet waardig haar aangezicht te aanschouwen. _Keetje_, het fijnst,
het netst besneden bekje van alle Noordbrabantsche meisjes, die ik
onder eenigen stand gezien heb. _Keetje_, met het rankste figuur, de
liefste voetjes, de kleinste handjes, met kuiltjes op iederen vinger;
dat blanke gezichtje, die groote blauwe oogen, met dien doordringenden
opslag! Het geestige, hupsche, vroolijke _Keetje_, die zoo lief praat,
en zoo lief lacht..."

"En zoo zoet zoent?..." vroeg de jongste; "want als zij zóó is, als
gij ze beschrijft, dan is zij licht, vrindlief, en dan zeg ik als in
het oude stuk,


    "Een mooie meid zou, in een herberg, eerlijk zijn!"


"_Kareltje_!" hernam de andere op den theatraalst mogelijken toon:
"dwing mij niet te midden dezer welige natuur een moord te begaan. Nog
één woord ten nadeele van _Keetje_, en ik maai uw eerloos hoofd weg,
als gindsche maaier de rijpe aren."--En daarop in den natuurlijken
toon vallende, ging hij voort: "Ik zou niet graag willen biechten,
vriend! hoe menigmaal ik, in den tijd dat wij hier te Oosterhout lagen,
haar om een zoen geplaagd, gesmeekt heb. Zoo het mij driemaal gelukt
is er een te krijgen, is het veel; en dan is er één bij van toen we
wegtrokken. De geheele compagnie was op haar verliefd. Het was _Keetje_
voor, en _Keetje_ na; allen vrijden naar haar; allen droomden van haar;
iedereen wou met haar wandelen; met haar naar Raamsdonk rijden--ja
er waren er, geloof ik, die haar wilden trouwen...."

"En zij," merkte _Karel_ aan, "zij was à tout le monde, en verhoorde
ieders klachten."

"In 't geheel niet; ze was er te verstandig toe, en dat niet alleen,
maar ook te braaf. Gij moest haar naar de kerk hebben zien gaan, met
de breede zwarte falie, eerst hangende over de schouders, met vrij
wat meer gratie dan waarmee b. v. mijn nicht haar mantille draagt,
en dan, bij 't ingaan van de deur, over 't hoofd, dat haar lief,
devoot gezichtjen er effentjes uitstak. Maar dat daargelaten! Er was
niemand, die zich op eenige gunst van haar te beroemen had; er was
niemand, dien zij lomp behandelde of boos maakte; zij bleef zoo lief
en vriendelijk tegen allen, dat allen dachten met haar op goeden voet
te zijn. Het was zot, van zes of zeven menschen dezelfde confidenties
te krijgen, die op dezelfde nietigheden berustten...."

"Zij speelde de coquette," zei _Karel_, "net als dat heele duivelsche
dorp, of stadje, als het zoo wezen moet, dat telkens weer achter de
boomen kruipt; zij speelde de coquette, man! en had haar vingers vol
ringen, en haar kast vol presenten van allerlei aard...."

"Geen een! ik verzeker u, dat zij niets aannam O, zoo je wist hoe
zij over die dingen dacht! Ik was haar vertrouwde zoowat. Zij sprak
nog al eens veel met mij."

"En gij vielt in de termen van die gelukkigen, daar je zoo even van
spraakt, die meenden dat voor hen alleen was, waarin zij met zes,
zeven andere deelden?"

"Je zult niet overtuigd zijn, voor je haar hebt gezien en hooren
spreken, ellendige!" sprak de ander. "Maar je hadt haar moeten vinden
zooals ik, de mooie oogen vol tranen, na een onkieschen voorslag
van _Van der Krop_, die te veel gedronken had. Hoe bitter had ze
't op haar zenuwen!"

"En was die _Van der Krop_ een knap manskerel?" vroeg de
onverbiddelijke reisgenoot.

"Dat had juist niet over. Ik voor mij noemde hem een monster, en
_Keetje_ desgelijks. Er waren er wel die meer indruk op haar lief
hartje maakten ...."

"Gij, bij voorbeeld, niet waar?--"

"Nu ja; maar in een anderen zin; ik was haar een vriend; maar onze
vriend _Everards_, die stond hoog bij haar aangeschreven. Het zou
mij niet verwonderen, zoo zij om diens wil wel eens andere tranen
had geschreid."

"Och heden, kom!" zei _Karel_, "het wordt al te aandoenlijk. En nu
geen woord meer van _Keetje_, totdat we haar zien."

De twee vrienden kwamen te Oosterhout, en zagen _Keetje_. Zij
traden de herberg binnen en vonden haar bij het venster bezig met
eenig naaiwerk. De groote geplooide slippen van de Brabantsche muts,
waar twee donkere platgestreken haarlokken eventjes uitkeken, vielen
over een donkerrood doekje met groene ruiten, dat haar schouders
en boezem tot hoog in den hals bedekte en wonderwel afstak bij haar
blank kinnetje. Zij zag op, en haar groot blauw oog maakte zulk een
indruk op den jongste der beide reizigers, dat hij oogenblikkelijk
het getal harer aanbidders vergrootte.

"Zulje dan eeuwig even mooi blijven, _Kee_!" riep de oudste in
bewondering uit, haar de hand toestekende: "het is negen jaar geleden
sedert we goede vrinden waren, en je bent geheel dezelfde."

"Ik _zij_ toch negen jaar ouer geworden, mijnheer!" zei _Keetje_,
vriendelijk lachende, en een rij van de gelijkste tanden ontblootende,
die ooit tusschen rozeroode lippen hebben uitgeschenen.

_"Mijnheer!"_ hernam de ander, "kenje me niet meer? Denk aan de
Leidsche Jagers."

_Keetje_ rimpelde haar lief voorhoofd om zich te bedenken. "Ik
geloof...." zeide zij aarzelende, "ik geloof mijnheer .... _Van
.... der Krop_? ...."



De Limburgsche Voerman.


"Goeden mergen, heern!" zei _Christoffel Hermans_, daar hij bezig
was zijn groot paard voor de huifkar te zetten, die ons eenige uren
verder voeren moest. "Goeden mergen, heern!"

In dit woord was voor ons eene teleurstelling. Hoe armoedig wij er
ook uitzagen; hoe vuil onze Brabantsche kielen, na eene reize van
ettelijke weken ook mochten geworden zijn; hoe slap de randen van
onze hoeden neerhingen; hoe nederig wij den vorigen avond, na het
nederwerpen onzer ransels, onze voeten op de plaat van den gemeenen
haard gezet hadden, en met hoeveel eenvoudigheid en gemeenelui's
handigheid wij het oude grootjen ook hadden bijgestaan in het snijden
van snijboonen tot haar wintervoorraad, het was ons niet gelukt voor
reizende kooplui of gelukzoekers door te gaan; wij waren _heeren_,
en moesten, niettegenstaande den droevigen staat onzer finantieën,
er op voorbereid wezen, benevens onze melksoep van gisteravond, ons
logies van vannacht, en ons ontbijt van vanmorgen, nog den titel van
heeren te betalen.

_Christoffel Hermans_, zeg ik, was bezig zijn groot paard voor de
huifkar te zetten; en verrichtte dezen arbeid op een kleine voorplaats,
waar hem zijne kippen en kalkoenen over de voeten liepen, gedurig
met het paard redeneerende.

"Stappertje! opgepast van daog, zulle! ge kraogt het nuwe vliegennet
over den baste, en de nuwe bellen. 'En biesjen achteruut, maot;
ziede ga niet dat ga de poes op de poot trappen zult. Zie zoo; kaaik,
we zallen eenen goeden oop ooi in den zak doen. Dan modde ga ook goed
stappen, zulle!" enz.

Onder deze hartsterkende taal werd het kolossale dier op een
schitterende wijze uitgedost met een groot geknoopt vliegennet van
het vurigste klaproosrood, waarvan het voorste gedeelte onder den
voorriem van het hoofdstel werd doorgetrokken, en het achterste om den
staart gestrikt; rondom behangen met eene lange, luchtige franje van
't zelfde, en twee groote roode kwasten over de haken der boomen.

Het is opmerkelijk hoeveel bijhangsels er tot de optuiging van een
Limburgsen paard behooren waarvan men geene mogelijke nuttigheid kan
uitdenken, en die ook alle, volgens getuigenis van den voerman, "allien
maor voor den sieraod" zijn. Daaronder tellen een groot getal korte
riemen en touwen, die van het hoofdstel tot het haam gaan, terwijl toch
het beest enkel door stem en zweep (met hot en her) geregeerd wordt;
daaronder, een paar koperen instrumenten, in de gedaante van breede
groote haarkammen, op hetzelve haam, die niet zouden mogen ontbreken,
hoe volstrekt doelloos zij ook zijn. Voeg hierbij een zwaren ijzeren
ketting langs den boom der kar, en een krans van bellen om den nek van
't paard, waarvan de eerste een openlijke bespotting is van de groote
makheid van het dier, en de andere een dadelijk paskwil op de breede
wegen, waarop men elkander een uur ver ziet aankomen.

Toen al deze fraaiïgheden naar behooren waren in orde gebracht en
een groote hoop versch hooi in het tusschen de wielen bengelend net
was geworpen, werd, dwars in de kar, een dikke bos stroo geklemd,
waar _Vlerk_ en _Hildebrand_ plaats op namen; de deuren van den
hoenderhof werden opengezet, en _Christoffel Hermans_, een kerel
van zes voet, met een schoone blauwe kiel aan, trad vooruit, met
de zweep van gevlochten teen losjes in den elboog gesteund, en wees
zijn stapper den weg. Het roode vliegennet kwam in beweging als een
langzaam golvende bloedstroom, de bellen klonken, de keten rammelde,
de twee zware wielen van de kar dreunden. Wij joegen den haan,
die op de huif gevlogen was, weg, en onze tocht ving aan, terwijl
_Christoffel Hermans_ in 't blauw, en het groote paard in 't rood,
wedijverden wie de grootste stappen konde nemen.

"Hoeveel tijd rekenje, dat er noodig is van hier naar Quaadmechelen,
voerman?"

"Laot zien," zei hij; "'t mag drie uren gaons wezen; dats begens
vierdehalf uur met de ker."

Men merkt op dat de huifkar een uitmuntend middel van vervoer is
voor personen die niet gaarne willen dat al wat zij voorbijrijden
hun geel en groen voor de oogen wordt. Inderdaad, ik kan het aan alle
voetreizigers aanbevelen, daar het in de gelegenheid om het land te
zien (mits men de huif oprolle) geen de minste belemmering brengt. Het
is ook waarlijk alleraangenaamst voor dezulken die wel eens stijf van
't zitten worden, aangezien niets gemakkelijker is dan zich van tijd
tot tijd, tot verpoozing, achter van de kar te laten afglijden terwijl
het paard voort blijft stappen, en een weinigje langs de wielen te
wandelen, zonder dat zulks eenig oponthoud in de reis veroorzaakt. Hier
komt bij, dat men naar alle menschelijke berekeningen geen nood heeft
een ongeluk te krijgen; daar er noch riemen zijn die knappen, noch
veeren die doorzetten kunnen. Wat betreft het afloopen van een wiel,
ik ben overtuigd dat dit geen de minste stremming zou te weeg brengen,
daar de velgen zoo breed zijn, dat ik zeker ben dat het geheele
gevaarte evengoed op één als op twee wielen kan overeindstaan. Voeg
hierbij, dat deze manier van vooruitkomen niet duur is, en dat gij
behalve "een glaoske bier" aan den voerman, die daar op den duur nog
al behoefte aan heeft, met geene verdere onkosten te maken hebt, daar
het paard zijn ruif onder den wagen met zich voert, en ook lang zoo
maltentig en verlekkerd met is als onze goede Hollandsche paarden,
die geen anderhalf uur kunnen loopen zonder te moeten blazen, brood
te krijgen, en te worden gedrenkt.

Zoo gij daarenboven een voerman aantreft als onzen _Christoffel
Hermans_, een goeden hartelijken kerel, vol mededeelingen en verhalen
uit den "veldtocht", wordt de lange wijle u nog al aardig verkort. Gij
hadt hem moeten hooren vertellen van de opschudding, die de Leidsche
studenten te Quaadmechelen gemaakt hadden, en hoe een juffrouw,
die in de verwarring vóór in de borst geschoten was dat de "koegel"
achter uitkwam, er desalniettemin dik en vet tegenin geworden was;
hoe "vrundelijk de mogendheden van den Ollander" zijn, daar èn de
Prins van Oranje èn "den anderen Prins" hem teruggegroet hadden,
toen hij zijn hoed had afgenomen; en hoe hij op deze zelfde kar het
doode lichaam vervoerd had van een soldaat, door "de mogendheid van
Saksen Weimar" met eigen hand in tweeën geslagen, omdat hij begon
"te plunderen en te ontrampeneeren" en tot een Limburger had gezegd:
"trek de broek uit, want de mijne is stuk". En hetzij uw voerman een
Ollandsch, hetzij bij een Belgisch Limburger wezen moge, gij zult
met vreugd de opmerking maken dat hij, in ieder geval, door taal,
karakter en levenswijze zoo goed bij Holland behoort als gij en ik.



De Markensche Visscher.


                            Ultima Thule


Telken jare, in den beginnne van het jaar, wordt het Haarlemsch
straatpubliek onthaald op het voortreffelijk gezicht van een vijf- of
zestal jonge reuzen, welke, met een ouden reus aan 't hoofd, langs de
straten worden gezien, vooral op de hoogte van het Gouvernementshuis en
den Doelen, waar zij door straatjongens met even veel belangstelling
worden aangegaapt en nageloopen als een bedelende Poolsche Jood met
langen baard en spitse muts of, omstreeks den kermistijd, een Parijsche
Armeniër met geparfumeerde kleederen en gebloemden tulband. Het
personeel der jonge reuzen verandert jaarlijks, daar er bij dezen
optocht geen andere geduld worden dan die hun achttienden verjaardag
gevierd hebben en hun negentienden nog niet hebben beleefd. Maar de
oude reus, die aan 't hoofd stapt, is en blijft dezelfde en wordt
slechts met ieder jaar een jaartjen ouder. Deze reuzen zijn alle
volmaakt op dezelfde wijze gekleed. Zij dragen (om te beginnen met
hetgeen het meest in 't oog loopt) ontzettend wijde korte broeken,
met diepe zakken waarin zij hun handen bestendig verborgen houden, en
nauw om 't lijf sluitende wambuizen, waaronder zich een dichtgeknoopte
damasten of blauwkatoenen borstrok, naar gelang van den geldelijken
toestand des eigenaars, vertoont. Buis en broek zijn van een grove
bruine stof, geen laken. Op het kleine hoofd voeren zij een lagen,
breedgeranden ronden hoed om, en hunne dikke kuiten zijn omkleed
met grijze kousen. Hooge schoenen bedekken hunne groote voeten. Als
versierselen van weelde dragen sommige, en althans de oude, kleine
ronde gouden of zilveren knoopjes in de roodgeruite das, aan de
hemdsmouwen, en vóór in de broek. Het uitzicht dezer reuzen is
niet kwaadaardig. Zij hebben knokige, vooruitstekende voorhoofden
en jukbeenderen, waartusschen hunne vriendelijke lichtgrijze oogen
verborgen liggen; breede monden; kleine witte tanden, en dunne haren
van de echt Celtische kleur, die bij den ouden reus reeds eenigszins
beginnen te verbleeken. Zooals zij zich daar op Haarlems straten
vertoonen, maken zij uit het contingent van het eiland Marken voor
de nationale militie, met den Edelachtbaren Heer Burgemeester van
datzelve eiland aan 't hoofd.

Kent gij het eiland Marken? Het levert het doorslaandst bewijs
dat soberheid en ontbering de kloekste menschengeslachten kweeken
en in stand houden. Marken is, zou men zeggen, een hoop slijk in de
Zuiderzee; meer niet; hier en daar een weinig gras voor een enkel mager
paard, en voorts geen plantenleven dan een steel of wat lepelblad,
tegen de scheurbuik. Op Marken geene schaduw van een enkelen boom. Op
Marken geen schijn of zweem van eenigen oogst. Op Marken zelfs geen
bakker. Het brood dat het reuzengeslacht, hetwelk op dien moddergrond
tiert, eet, wordt in Monnikendam bereid; en als de veerschuit, die
het dagelijks aanbrengt, de slechte haven niet binnen kan loopen,
hongeren de reuzen. En toen heeft zich aldaar het waarachtig type
onzer oudste voorouders bewaard, in die mannen van meer dan zes voet,
met schouders als Atlassen en goudgele lokken; en de nieuwsgierige,
die den voet onder dit eenvoudig visschersvolk zet, vindt er de huizen,
de gewoonten, de zeden, de begrippen van voor twee eeuwen; ofschoon
het niet te ontkennen is, dat de lichtingen voor den krijgsdienst,
en het verval der groote en kleine visscherijen, dat den Markenaar nu
ook tot een ansjoviszouter maakt, hem eenigszins uit zijn afgesloten
kring hebben gerukt. Ik voer er heen met een zeventigjarig grijsaard
aan 't roer, die zoo vast aan spoken en toovernaars geloofde als
aan de Heilige Drieëenheid. Ik hoorde er een godgeleerd gesprek,
waarin van Voetianen en Coccejanen werd gesproken op eene wijze, alsof
die twisten nog aan de orde van den dag, alsof de heeren Voetius en
Coccejus, in blakenden ijver, nog alle dag te spreken waren. Ik zat
er in de burgemeesterswoning mijn kleeren te drogen bij een vuur,
waarvan de rook geen anderen uittocht had dan door het dak. En toch
werd mij ook aldaar de keus gegeven tusschen een glas Parfait Amour,
of een glas Rose sans épines, naar welgevallen, en de man verhaalde
mij, dat hij er "den Gouverneur spuutwien" (zoo noemde hij champagne)
had "voorgezet", toen ZEx. hem, op zijn toer langs de eilanden,
bezocht had. Ik moet hem evenwel het recht doen van te verklaren,
dat hijzelf zoo min het een als het ander met de aanraking zijner
burgemeesterlijke lippen verwaardigde.

Verwonderenswaardig is de hoogte der bedsteden, waarin dit reuzenvolk
den zegen des slaaps geniet. Het zijn een soort van torens, welke zij
met verscheidene trappen beklimmen. Indien gij echter hunne woning
beschouwt, en van een dezer groote zwaluwnesten, tegen den zolder
opgehangen, de gordijnen ziet opengeschoven, en uw oog stuit op een
hoogen stapel kussens, waarvan de sloopen op een zeer eigenaardige en
alleen Markensche wijs zijn bewerkt en waarover een keurige sprei ligt,
op dezelfde wijs bestikt, zoo waan niet dat daar de plaats is, waar
de Titan zijne Titane in de armen zinkt. Het is het pronkbed. Want
ook hier wordt gepronkt. Dat getuigen bovendien alle de wanden der
armelijke hut, niet minder blinkende van gedreven koperen schotels,
dan de poffertjeskraam der beroemde firma _Spandonk_.

Maar gij verbaast u, als gij dit eiland in zijne lengte en breedte
doorwandelt, ja zelfs de huizen binnentreedt, geene vrouwen te
zien. Geen wonder; zij zijn volkomen menschenschuw en vluchten op den
aanblik van een vreemdeling. Zoo gij er echter eene enkele te zien
krijgt, zult gij bemerken dat zij een paar hoofden kleiner zijn dan
de mans en zelden uitmuntende in schoonheid. Zij dragen witte kappen,
waaruit het vóórhaar in twee lompe, onbevallige, niet krullende vlokken
langs haar aangezicht valt. Haar jak en rok zijn van grove stof,
en op de borst spelden zij een witten doek, al wederom op Markensche
wijze bestikt. Het jak is meestal veelkleurig, en wel zoo, dat het
van achteren anders is dan van voren; doorgaans toonen de Markensche
vrouwen een rooden boezem en groenen rug, of omgekeerd. De kinderen
hebben geen ander speelgoed dan een tamgemaakte zeemeeuw, die zij
een ijzeren ring om den hals doen dragen. Wat hun voorkomen betreft:
gij moet ze niet beoordeelen naar het proefje, dat daarvan op de
laatste kermissen is te zien geweest, toen gij u, tot uw uiterste
verbazing, eenige honderden ponden gevormd menschenvleesch, op naam
van een zuigeling van drie maanden, zaagt voorstellen. Het toonde
u echter wat de natuur op Marken vermag, en welk een voedzaamheid
de Markensche moedermelk bezit; weshalve ik alle Monnikendamsche
huisvrouwen, die wel Markensche dienstmaagden gebruiken, aanraden
zoude zich van Markensche minnen te onthouden.

De koddigste figuur maken te midden van dit ouderwetsch, dit
zeventiende-eeuwsch geslacht, de predikant, de schoolmeester en de
chirurgijn; pygmeeën, bij ongeluk onder deze enakskinderen verdwaald,
en wier meer hedendaagsche kleeding zonderling afsteekt bij die
der landskinderen, die allen orthodox, allen hardleersch, en allen
welvarende zijn.



De Jager en de Polsdrager.


"Morgen!" zegt de jager en hij steekt zijn groen gemutst hoofd om 't
hoekje van de deur der woning, waarin de boer en de boerin met acht
à negen kinderen, twee knechts en een meid hun ochtendstuk zitten
te gebruiken.

"Morgen, _Arie_!" roept de boer, terwijl de roggebroodskruimels, die
hem bij deze begroeting uit den vollen mond vallen, door den jachthond
worden opgesnuffeld. "Rais opsteken?"--"Twaalf blaadjes!" zegt de
jager, zich op de stalling nederzettende en een pijpjen uit zijn pet
krijgende, terwijl hij het geweer tusschen de beenen houdt, waarvan
de boerin de oogen niet af kan houden.

"'t Staat in de rust, moeder!"--"Nou ja, _Arie_; da's goed; maar een
mensch is er toch altijd skrimpeljeuzig van!"

"Heb je der al gevangen, _Arie_?" vraagt de boer. De boeren noemen
het _vangen_.

"Twee _Krelis_-oom, twee; ik heb ze zoolang bij _Sijmen_ neergeleid."

"Nou," merkt de vrouw aan, "ik denk dat _Arie_ der al menig ientje
'hikt het."

"Ik wou ze wel rais bij mekaar zien," zegt de jager. Jagers hebben
altijd het heimwee naar een dal _Josaphats_ van het door hen geschoten
wild.

"Zie je der hier nogal?" vraagt hij verder.

"_Ik_ bespeur ze zoo niet," zegt _Krelis_, "maar hier me _Piet_,
die ziet ze nogal dik."

"Gisteren avend," zegt _Piet_, een opschietende knaap, de oudste van
_Krelis_-oom, die met een wensch in de oogen beurtelings den jager
en de weitasch en het geweer heeft aangekeken; "gisteren avend ging
er temet ien tusschen me bienen deur. Een dikke, hoor."

"Mag de jongen rais meeloopen?" vraagt _Arie_ aan _Krelis_-oom.

"Nou ja", antwoordt deze: "'t zel wel lukken."

_Piet_ verslikt zich haast aan de laatste korst van zijn roggebrood
met kaas. Een taaie sliet wordt uit den dorsch te voorschijn gehaald,
en pols en polsdrager zijn geïmproviseerd.

Zoodanig is de wording van den polsdrager; maar nooit was een schepsel
ter wereld dankbaarder voor zijn bestaan; geen begunstigde slaaf kleeft
zijn meester getrouwer aan dan de polsdrager den jager. Hij verlaat
zijn zijde niet. Hij springt den jager vóór over alle slooten en klimt
hem over honderd dijkjes na; hij wandelt met hem het jachtveld met
vermoeiende ziegezagen af; hij staat, als de hond staat, en apporteert
als de hond apporteert. Spreekt de jager: hij hangt aan zijne lippen,
bezield met het onbepaaldst geloof. En niet licht zijn de proeven,
waarop hij in dezen gesteld wordt. Geen grooter leugenaars dan
schaatserijders en jagers, zegt men wel. Maar wat wondergeschiedenissen
deze laatsten ook mogen opdisschen; van zes hazen geschoten op één
stuk, van twee watersnippen in één schot in den donker; van hazen,
die op één looper nog een gezicht ver wegliepen; van andere, die
met uitgeschoten oogen tegen den hond insprongen; van hoenders die
ronddraaiden, neervielen, weer opvlogen, weer ronddraaiden, en nog reis
neervielen; van arenden die op den hond gingen zitten, en roerdompen
die met den laadstok wegvlogen: de polsdrager trekt geen enkele dezer
groote gebeurtenissen in twijfel; de jager in het algemeen is zijn
orakel, zijn afgod; het valt hem niet in dat er mogelijkheid bestaan
zou van eenige opsiering, eenige vergrooting bij 's mans verhalen; en
in 't bijzonder houdt hij _dien_ jager, met wien hij op dat oogenblik
jaagt, voor den grootsten van alle jagers den Nimrod Nimrodorum. Ja,
zelfs, indien er iets vergroot moet worden, hij is de eerste om den
jager die moeite te besparen, wanneer hij hem al de verhalen, die hij
zich van hem herinnert, nogmaals te binnen brengt, en zich nogmaals
doet mededeelen. Schiet de jager raak: de polsdrager, schoon hij niets
gezien heeft dan wat vuur en rook, heeft het haas driemaal over den
bol zien buitelen; is het haas vrij: de polsdrager beweert dat hij
er de wol bij vlokken heeft zien afstuiven. Gebeurt het een enkele
maal; het gebeurt _nooit,_ zweren jagers en polsdragers; maar het zou
toch kunnen zijn; na een ongelukkige jacht; met sneeuw aan de lucht;
tegen het sluiten;... dat er een haas ... _meegenomen_ moet worden,
die--op de grensscheiding van een privatievejacht ligt,--kortom! om het
hatelijk woord dan maar te zeggen,--in 't leger moet worden geschoten,
ofschoon er dan ook strikt genomen een pols en een polsdrager is om
hem te doen rijzen ... Poef! de lepels hebben zich niet boven het
gras opgeheven--hij ligt al te trekken--

"Net toen hij oprees," zegt de jager.

"Je was der gouw bij", zegt de polsdrager, "hij was je haast te
gouw of."

"Een ander zou 'em in het leger geschoten hebben!" zegt de jager.

"Dat loof ik er ook wel van," zegt de polsdrager; "hij zou aars net
het dijkie overëwipt hebben toen ie 't beet kreeg."

De polsdrager spreekt aldus, niet uit beleefdheid of uit laagheid,
maar uit volle overtuiging.

"Een mooi haas," zeit de jager, daar hij den armen drommel met een
klap in den nek afmaakt. "Een mooie rammelaar".

"Een mooie rammelaar," echoot de polsdrager.

"Ik zei 't je ommers wel, dat er op dit stuk ien raizen zou?" herinnert
de jager.

"'t Is waar ook," antwoordt de polsdrager, schoon de jager de woorden
niet van zijn lippen heeft laten komen. "Je zag het vast an den hond?"

"Neen!" zeit de jager, die (let wel!) nimmer des polsdragers
venatorische gissingen goedkeurt, "dat niet."

"Had je 'm dan 'speurd in 't slik an den dam?"

"Ook niet!" herneemt de jager met groote wijsheid; "maar daar was
daareven ommers een voedster opëgaan."

"Was dat een voedster, _Arie_, die je misschoot?"

"Misschoot?" vraagt de jager met verontwaardiging. "Hij had hagel
genoeg. Je zelt 'em morgen wel vinden...."

En de polsdrager is den anderen dag op dat stuk, om den aan de
gevolgen zijner wonden overledene te zoeken; en indien hij hem
niet vindt--stroopers moeten er vóór hem geweest zijn om hem weg
te halen, een wild dier hem hebben verslonden, of wel, medelijdende
natuurgenooten zullen hem, daar zij hem vonden, wentelende in zijn
"zweet" (d.w.z. bloed), op hun rug hebben, weggedragen, tot dicht bij
de naaste eendekooi, waar hij, onder bescherming van het kooirecht,
den adem rustie heeft kunnen uitblazen, aan het ruige kantje van een
kille sloot, wel overtuigd dat het hem niet aan hagel ontbroken heeft.



De Leidsche Peuëraar.


    Een Leidenaar sprak eenmaal Charon aan:
    "Ik bid u, bootsman! hoor mijn beden!
    Zoo 'k eenmaal in uw schuit moet treden,
    Och, laat het zijn bij donkre maan!
    Indien 'k mag peuren uit uw bootje,
    Krijgt gij de helft van 't waterzootje,
    En 'k wijs u bovendien den grond,
    Daar ik mijn vetste wurmen vond."


_Studenten-Almanak_ 1836.

Het wapen der stad Leiden vertoont de _sleutels_ van _St. Pieter_. Een
onvergefelijke misslag! Het had zijn _vischnet_ moeten wezen. Het
is de stad der visscherij; óók de academiestad; óók de stad der
egyptische Farao's, óók de stad van bul en bolussen; maar boven en
behalve dat alles, de stad der visschers.--Nader haar van den kant der
Hoogewoerds-, der Koe-, der Witte-, der Rijnsburger-, der Marepoort,
of van welke poort gij wilt: overal wappert u van de leuning der
poortbrug een opgeheschen totebel tegen.--Wandel de Leidsche singels
rond: geen drie boomen zult gij zien, of gij ziet bij den derden een
hengelaar, in das, jas, en gras gedoken, een neuswarmer in den mond,
aan zijn rechterhand een kluit vuil geworden vischdeeg, aan zijn linker
drie of vier zieltogende bliekjes. Bezoek Leiden bij hoog water: gij
zult de lieden van den Apothekersdijk en de Oude Vest op heeterdaad
verrassen, daar zij bezig zijn in hunne voorhuizen de binnengespoelde
stekelbaarsjes te verschalken. Volg Leiden in de vergaderzaal der
Edelmogenden: gij zult het zich met hand en tand zien weren tegen de
droogmaking van het Haarlemmermeer, op grond van het overoud recht
der Stad op een gedeelte van het vischwater.

Als ik echter zeide dat de stad Leiden een vischnet voeren moest,
noemde ik het gepaste, maar het meest gepaste nog niet. Ik sprak
van het net, om bij _St. Pieter_ te blijven; maar zoo gij mij vraagt
wat het eigenlijk wezen moest? Een paar gekruiste hengelrieten, een
paar vischhoeken overkruis. Het is! zelden om den visch, dat men te
Leiden vischt; het is om te visschen; en de langzaamste genieting
van dit genot gaat voor de beste. Niet om met een enkelen trek
van de zegen, een tweemaal daags ophalen van een schakel, of met
zethengels, die hun dienst doen terwijl gij slaapt, een macht van
"schubbig watervolk" bijeen te brengen, is het den echten Laienaar
te doen. De zaligheid van het _nop_ hebben, van het zien trillen,
indoopen, onderduiken van den dobber, en daarin, van het zuigen van
een langwijlig aaltje, het leuteren van een zeurig postje aan den
onmerkbaren hoek, is hem genoeg. Katvisch is hem even welkom als
doop- en waterbaars. Katvisch is den Laienaar dierbaar! Al wat aan
den angel bijt en, met bloedende kieuwen en half uitgeboorde oogen,
vanden angel kan worden afgescheurd--ziedaar wat hem gelijkelijk
gelukkig maakt.--"Een hengelaar kan geen goed mensch zijn," heeft
Lord _Byron_ gezegd; maar de Laienaar heeft één troost: "'en slecht
minsch die 't zait!" Mij dunkt; ik hoor het hem antwoorden.

Van Engelschen gesproken! zij hengelen met geschilderde vliegen,
om niet bij iedere vangst een _dubbele_ wreedheid te begaan. Wat
zouden zij wel zeggen van de gruwzaamheid, waartoe zich de Laienaar
in staat gevoelt, als hij den peurstok gereed maakt?--_Please, Sir!_
volg mij in deze achterbuurt. Het heet hier De Kamp. Kijk eens, zoo
gij kunt, door dit groene vensterglas naar binnen. Wat ziet gij?--"Ik
zie een vrouw met de haren door de muts, die kleine ronde koekjes
bakt."--Best; van water en meel en een beetje olie. Het is voor de
lui, voor wie een oortjesbroodje te duur is opeens. Het is de vrouw
van den Leidschen Peuëraar. Ziet gij haar man niet?--"_Yes_, die
_fellow_ met een slaapmuts op, in een duffelsche jas?" Dezelfde. Het
is de Leidsche Peuëraar in eigen persoon. Een karakter, dat alleen in
deze stad gevonden wordt. De linkervleugelman van de opgaande linie
van Leidsche visschers. De verwerpelijkste vorm, waaronder zich de
algemeene hengelliefhebberij voordoet. Wat doet hij?--"Hij rijgt
iets aan een touw, dat hij uit een rooden pot haalt; iets langs,
iets smerigs."--Recht zoo! het zijn pieren _Sir_! niets dan pieren,
pieren van het echte soort, met gele kransjes om de koppen. In dien pot
zijn meer dan honderd pieren; en zij worden door zijne nijvere handen
aan een vrij dik snoer geregen, bij den kop in, en bij den staart uit.

Straks zult gij hem van dezen pierenguirlande een soort van kwast
zien maken, niet ongelijk aan het uiteinde van een bloedkoralen
bayadère. Met deze wormenfranje wordt gevischt; dat heet peuren;
en deze zonderlinge passementmaker heet de Peuëraar! _"Horrible,
horrible, most horrible!"_--"Net niet!" zou de Peuëraar antwoorden,
indien hij u verstond, "net niet, jou vreemde stoethaspel, want door
_die_ weg krijgen de (n)alen geen hoek in der gezicht. Zieje wel; je
kent alle dingen tweileidig opvatten."--Het plat Leidsch is leelijk,
en het Leidsch van den Peuënaar is het platste.

Als de maan donker is, gaat de Peuënaar tegen het vallen van den
nacht uit, met een lantaarn onder den arm, en zijn korten peurstok,
waarvan de bovenbeschrevene wormentroetel af moet hangen, in de hand,
de blauwe slaapmuts op 't hoofd, de duffelsche jas aan, klompen aan
de voeten, een "paip in zen hoofd". In zijn zak berust een groote
flesch jenever, en in zijn tabaksdoos bewaart hij een briefje, waarin
de commissaris der Politie van Leiden getuigt dat de daarin genoemde
Peuëraar geen schelm is, en misschien wel geen hout kapen zal, al komt
hij met zijn schuitje wat dicht onder een zaagmolen. Zoo wandelt hij
naar het een of ander kroegje, waar hij volgens afspraak een anderen
Peuëraar vindt en, na nog gauw "voor drie cintjes" genomen te hebben,
begeven zich de collega's naar hun gemeenschappelijk schuitje, een
klein platboomd vaartuigje, dat zij met riemen en een gerafeld stuk
doek, onder den geüsurpeerden titel van zeil aan een stok opgestoken,
in beweging brengen. Zooras men een goede ligplaats gevonden heeft,
wordt het zeil gestreken, het anker geworpen, een rietmat tegen den
wind opgezet, en het peuren neemt een aanvang. Het is een aesthetisch
ding. Alles komt hier aan op het gevoel. De kunst van peuren bestaat
in het zachtjes op en neder bewegen van den peurstok, waardoor de
verlokkelijke wormenfranje in een gestadige onrust is. En telkens als
des Peuëraars fijngevoelige vingertop--neen! als zijn _hart_ hem zegt
dat hij beet heeft--slaat hij op, en het verschalkte aaltje spartelt
in de schuit. En zoo ras het vischwater daar ter plaatse is uitgeput,
wordt het zeil geheschen en een andere ligplaats opgezocht. Zoo dwalen
de Peuëraars over Rijn, Zijl, Leidsche vaart, Haarlemmermeer, ja,
komen dikwijls tot zeer nabij de hoofdstad; en nacht op nacht wordt
gesleten in onvermoeid gepeur.

"Hoe zuur wordt dat eerlijk stuk brood gewonnen!" Dank voor uw
medelijden, mevrouw! het doet uw hart eer aan. Maar geloof nooit dat
het dezen lieden om brood te doen is. Uwe edele ziel waant dat hier
voor vrouw en kroost wordt gezorgd, met opoffering van nachtrust en
gemak. In het minst niet. Er is een test met vuur, er is zout, er is
een koekepan aan boord. De aal wordt op de plaats gevild, gesneden,
gebraden, en door het vriendenpaar, onder rijkelijke bevochtiging
met Schiedamsch vocht, gegeten, terwijl de vrouw haar cents-koekjes
bakt, en zelve met hare kinderen honger lijdt. Daarom ook, als deze
Ulyssessen, na hun langen zwerftocht, eindelijk hunne huisgoden
weder komen opzoeken, worden zij gewoonlijk door hunne getrouwe
Penélopé's met den vereerenden titel van _Luibak_ begroet; een
liefdenaampje, hetwelk deze teederen voor hare dierbare wederhelften
hebben uitgedacht.

"Loibak!" heet het van hare bespraakte rozelippen, "Loibak! kom je
weer oit je smulschoit?"

Want dezen naam draagt het peurvaartuig in den huiselijken kring



De Noordhollandsche Boerin.


Een flink wijf is _Gees Riek_, rijzig, kloek en welgemaakt. Haar
aangezicht blinkt van dat frissche rood en dat glanzige wit, hetwelk
aan de Westfriesche vrouwen eigen is, waarbij als zij "op 'er Zundags"
zijn, het snoer van bloedkoralen, groot als knikkers, zoo helder
"ofspeurt" (afsteekt). Ik verzeker u dat zij die niet bleekdragen,
en _Gees_ allerminst. Ieder vindt dat de kap haar goed staat op dat
glad, wit voorhoofd, bij dat kleine rechte neusje, die kleurige wang,
die groote blauwe oogen, die zachte ronde kin, dien blanken hals! Het
eenig gebrek van haar schoonheid, een gebrek dat zij met de meeste
Noordhollandschen gemeen heeft, is haar gebit, bedorven door zoetekoek
en oneindig veel slappe koffie. Gij vraagt wat voor kleur van haar
zij heeft. Niemand weet dat. Het is tot den wortel afgeschoren; daar
komt geen lokje voor den dag. Haar wordt een onwaardig versiersel
gerekend, waar men een gouden naald over 't voorhoofd, een goud ijzer
(vergeef de tegenstrijdigheid der benaming) over de ooren, een paar
gouden boeken aan de slapen, en een paar gouden spelden daarnevens
draagt, en men er bij wagen zoude, dat de kap, de mooie, heldere,
spierwitte, zorgvuldig gestrekene kap, niet glad zou zitten.--Maar wat
is dan dat zwarte dotje, dat bij de gouden boeken uitkomt? Het is een
kleinigheid valsch haar, onbescheiden vrager! aldaar aangebracht als
eene verontschuldiging voor het afscheren van eigen; of nog liever,
als een wetenschappelijk bewijs dat de Noordhollandsche boerin, zoowel
als al wat papillotten legt, friseert en brandt, zeer wel weet, dat
er tot dat opzichtig gedeelte van 't menschelijk lichaam, hetwelk
het hoofd heet, haar behoort. Alle boerinnen dragen dit toertje;
het is een ingehaald krulletje, dat de staart in den bek steekt,
van zwart haar. Blond is bij allen verafschuwd.

Als gij al de bijzonderheden van haar uitwendige persoon behoorlijk
hebt opgenomen, begeef u dan tot de beschouwing van haar innerlijke
waarde.

Daar staat zij nu die, na zijn beesten, het hoogst staat aangeschreven
in de schatting van _Dries Riek_, haar welbeminden echtgenoot. Ik zeg,
na zijn beesten. Want als zijn beesten sterven, kost de inkoop van
andere geld; een vrouw is omniet terug te vinden, en brengt mogelijk
nog wel een stuivertje mee. Misschien wel zoo'n beste _keezer_
niet--maar een mensch moet wat wagen,--in de koeien zit hij _ook_
niet! 't Kan goed en kwalijk uitvallen; da's aventuur."

De bestemming der Noordhollandsche boerin, als zoodanig, is _keezen,
keezen_, altijd _keezen_, is bestendig te zorgen dat de melk, die 's
ochtends en 's avonds na "melkerstaid" wordt binnengebracht, de deur
niet uitga dan in de gedaante van goede, gezonde en niet barstende
kaas. En dat geeft haar dagelijks zoo veel werk, dat men niet weet
hoe zij den tijd vindt om kinderen te krijgen. Nochtans krijgt zij
ze in groote menigte. Maar ook, als het "puppie" (de pasgeborene)
een dag of drie door de buren is "gekeken", en in deszelfs bewonderde
tegenwoordigheid het betamelijk aantal suikerstukken (beschuiten met
suiker) gegeten werd, verlaat zij de kraamkamer alweer, en begeeft
zich oogenblikkelijk aan de kaastobbe.

Indien gij zindelijkheid zien wilt die het hart goed doet,
kom dan haar boerderij binnen. Het is hier niet de Zaansche en
Broek-in-Waterlandsche kleingeestigheid, die op muilen rondsluipt en
alle meubelen en huisraad spaart, wrijvende, poetsende, en gladmakende
wat zij niet zou durven gebruiken; maar een heldere reinheid, die
altijd wascht en schoonhoudt en blinken en glanzen doet, temidden
van het veelvuldigst, het onophoudelijkst gebruik. Zie deze lange
rij van ter halfmanshoogte afgeschotene appartementjes, over bijna de
geheele lengte der boerderij; de beschotten en posten alle spierwit, en
blinkend koperwerk daartegen opgehangen; den vloer met zand bestrooid
en in figuren aangeveegd. Gij zoudt er met uw besten rok in gaan
zitten. Echter zijn dit dezelfde plaatsen waar des winters de beesten
staan. Uit de groep (goot), die er langs heen loopt, zoudt ge immers
melk lusten! Maar zie nu de karn, de kaastobbe, de pers, de kuipen,
de doeken, de koppen waarin de kaas haar zout en haar vorm krijgt:
het is alles even zuiver en lekker om aan te zien. Het hout is ruw en
het koper glad van 't schuren. En _Gees_ zelve! laat zij vrijelijk
voor uw oogen met haar blooten dikken arm in de melktobbe roeren,
waarin zij het stremsel gegoten heeft,--de kaas zal er u niet minder
om aanstaan.--(Het is heel wat anders, een Noordhollandsche boerin,
of een keukenmeid op een stoomboot!)--De kleine kinderen, ziedaar het
eenige dat vuil is. Maar ze rollen ook den geheelen dag met de kleine
honden op de werf in 't zand. Binnenshuis is hun grondgebied geenszins,
dan om te slapen en te eten. Allerminst in dat gedeelte der woning,
waar de kaas gemaakt wordt. Daar is de boerin alleen. Maar als de
melk thuis komt, ontwaken in onderscheidene hoeken der boerderij:
een cyprische kater, een witte poes, een zwarte en een roodbonte kat
uit hun dutje en komen, nog rekkerig en geeuwerig, op de emmers aan,
waartegen zij zich op hunne achterpooten verheffen, gelijk geleerde
kermishonden om een trom, en zulks, zindelijk als deze dieren zijn,
om met hun zindelijke tongen het hun toekomend gedeelte van de melk
af te roomen, en daarna hun zoete droomen wederom op te vatten, op
de plaat, op een warme stoof, en in 't kozijn van een venster daar
de zon op staat.

_Gees_ is goedhartiger, spraakzamer, en een weinig minder eigenzinnig
en bevooroordeeld dan haar man, met wien zij nooit kijft dan in 't
geval dat hij den hoogsten prijs niet voor de kaas gemaakt heeft,
die haar teedere handen bereid hebben. In haar jonge jaren was zij
vrij luidruchtig als ze eenmaal losraakte, maar op den duur zou men
het haar niet hebben aangezegd. Zij had vele aanbidders, waarmede
zij, naar 's lands wijs, beurtelings kermis hield, zonder hare keuze
te willen bepalen en zonder dat het eenigszins tot gevolgtrekking
leiden mocht. Haar echtvriend heeft haar een beetje bij verrassing
genomen. Zij betuigt een goed man aan hem te hebben en zou hem niet
graag missen. En aan die waarheid moet gij niet twijfelen, al verneemt
gij dat zij, bij eventueel overlijden van haar _Dries_, binnen 't jaar
met haar knecht trouwt, een "jong borst", dien zij er nooit op heeft
aangekeken, bijna zoo oud als haar oudste zoon,--niet omdat _zij_
volstrekt een man, maar omdat de boerderij een boer moet hebben.

De wijze nu, waarop _Dries Riek_ zijn _Geesje_ vrijde en trouwde was
een recht staal van Noordhollandsche zeden en, uit zijn eigen mond
opgeschreven, aldus:

"Dinsdag anësniejen, vrijdag anëteekend. Je zelt zeggen: hoe dat zoo
haastig? Maar we waren met zijn drieën jonge borsten vrijgezel, en we
hadden mekaar der de hand op 'geven; die 't lest trouwt, die zei 't
gelag betalen. Nou, den iene van ons die was al weg, met de Franschen,
weetje; daar hebben we nooit meer van 'hoord. Doodgeschoten, wil ik
denken, deur de kezakken. Maar zaterdag hoor ik, dat me broer--die
was dan eindelijk de derde man, verstaje!--trouwen gong. Ik denk,
jonges! 't gelag betalen, en gien waif; dat geet niet an. Nou,
's zundags gong ik er op uit, hoor; maar ik wier gesteurd. Deer ik
_toe_ kwam, was gezelskap; dat kon 'k al hooren, weetje, buiten de
deur. 'k Docht, nien! deer pas ik niet. Maar dinsdag; toe vond ik er
iene. En toe kreeg ik 't klaar. Ze kon me wel; maar toch alevel, dàt
had ze niet 'docht. En ik trouwde net met me broer op dezelve dag;
gnap hoor--Och heer! de witkoppen"--daarmede het schoone geslacht
bedoelende--"de witkoppen te bedotten, _da's_ geen duit weerd. Altijd
'en best waif der an 'ehad. En keezen! ze ben der geen beter."



De Noordhollandsche Boer.


Kom op een vrijdag voormiddag in het kaasseizoen te Alkmaar! De meer
dan zeventig dorpen, die rondom de Noordhollandsche metropolis liggen,
hebben hun contingent geleverd. Beemster, Purmer, Schermer, Waard
hebben zich leeg geschud in het kleine, nette stadje. Al de straten
die in een poort eindigen, en vooral de zoogenaamde Dijk, een breed
plein binnen de stad, staan vol van hun geel en groen afgezette wagens,
op het krat beschilderd met bloempotten, krulletters, gedichten. Al de
stallen rooken van den damp hunner paarden; al de bierhuizen en kroegen
dampen van den rook hunner pijpen. Al de scheerstoelen prijken met
hunne ingezeepte aangezichten. Waar gij komt: bij den tabaksverkooper,
in de koomenij, in den pottewinkel, bij den schoenmaker, die alle
dubbel hebben uitgestald, bij den notaris, den advocaat, den dokter,
en ten huize van de duizend en een dijkgraven en penningmeesters van
polders, overal ontmoet gij een boer. De een zoekt er den burgervader
van zijn dorp die, van Alkmaar uit, de belangen zijner kinderen het
best behartigen kan; de ander haalt bij den smidsbaas een recept voor
een ziek paard, dat deze nooit anders dan gezond gezien heeft. Dat
Alkmaar, al de overige dagen van de week zoo stil en levenloos, dat
het een stedeken schijnt opzettelijk vervaardigd voor begrafenissen;
een gissing, waarin de bijzondere kosten aan de begraafplaats
besteed een iegelijk versterken moet die ze zich verstout; is nu
aan een van gewemel en gegons vervulde bijenkorf gelijk. Inderdaad
zijn hier de bijen bijeen, die uit de Kenmersche en Westfriesche
boterbloemen haar honig en was zuigen.--De Langestraat--een straat,
die haar naam van de familie _De Lange_ schijnt te ontleenen welke,
beurtelings met elk der letters van 't A B C gequalificeerd, op drie
vierden der deurposten prijkt--is van boeren en boerinnen vervuld;
de laatste in lange "reeken" bijeen, de stoepen der goudsmeden op-
en af drentelende, of de koekwinkels in- en uitstroomende, in luid
gesprek, lachende met groote monden, en zich op de knie kloppende
bij iedere nieuwe uitbarsting van boerinnegeestigheid.

Maar de grootste drukte is op het Waagplein, waar de kleine gele
kazen bij duizende ponden op uitgespreide en met het naamcijfer
der eigenaars gemerkte zeilen nederliggen.--Al wat gij hier ziet,
moet vóór klokslag van tweeën verkocht zijn. Na dat uur mag geen
koop meer worden gesloten, en geen boer wil of kan zijn kaas weer
meenemen. Hij _moet_ ze verkoopen, even zeker als de kooplieden uit
de eerste hand haar _moeten_ inslaan. Den hoogsten prijs te maken is
een kunstje, dat menig boer, die er vrij dom uitziet en 't op alle
andere punten in geen geringe mate _is_, uitnemend verstaat. Aardig
is de gemaakte toorn, waarin geloofd en geboden en waarmede de koop
eindelijk gesloten wordt, alsof de beide partijen elkander met grimmige
gezichten wijs willen maken dat het bloed er uit moet.--Maar nu komen
de kaasloopers in hun witte pakken en met hun gele, groene, en roode
hoeden, op hun onveranderlijk sukkeldrafje, en brengen den verkochten
stapel op burries waar hij heen moet, in een schip, of in een pakhuis.

Zie hier nu de levenskracht van Noordholland. Het is niets anders
dan deze kaas, die het verdedigt tegen de woede der zee, die het een
groen land doet zijn en blijven die al Noordhollands schoorsteenen
rooken doet.--Wilt gij weten of het den boer welgaat? Zoo verneem
naar den prijs van de kaas.--Vraagt gij of het armenzakje het des
zondags gewaar wordt dat de vrijdag voordeelig is geweest? of de
landheer het merkt, dat de kaas het geheele jaar door "praizig"
was?--Antwoord: Neen.--Goudsmeden en koekebakkers merken het al zoo
goed; boerekermissen, de Alkmaarsche kermis, floreeren er van. Want
de vrouw houdt van opschik en zoetigheid, en de man weet grof geld te
verteren als hij uit is voor zijn pleizier. In dit regenjaar 1841,
is het hooi bitter slecht uitgevallen, maar toen de kermisklok te
Alkmaar geluid had, kwamen er niet minder sjeezen en wagens om binnen,
langs alle wegen en door alle poorten, beladen met boeren en boerinnen,
die er zich den witten wijn en den rooden met suiker en al wat verder
tot opscherping der levensgeesten ter tafel kon worden gebracht,
en de pontekoek daarbij, niet minder om lieten smaken dan in eenig
vorig jaar; en het paardespel daverde niet minder afgrijselijk van
hunne onbepaalde bewondering voor de edele kunst der halsbrekerij
en de onovertreftelijke grappen van den clown die omvalt als een
stok.--De klachten--werden "tegen korstijd" voor den landheer gespaard,
om ZEd. in rekening te valideeren.

Het echt oud Noordhollandsch boerentype verdwijnt langzamerhand,
of wijzigt zich, zooals alle typen. Op deze Alkmaarsche kaasmarkt,
vindt gij het in allerlei schakeeringen. Dit oude kereltje, wiens
vroolijke oogen, ruim zoo goedlachs als zijn mond, uitkijken onder den
breeden rand van een rondbolligen hoed, dien hij met een pijpesteeltje
op zijn hoofd vastschroeft tegen den wind, is het oudste type. Een
smal gevouwen rood katoenen dasje is met gouden knoopjes om zijn
hals vastgemaakt. Een lang bruin wambuis met één rij groote knoopen
op nonactiviteit (haken en oogen doen den dienst) hangt hem tot over
de heupen. Zijn korte broek acht het gebied over schenen en kuiten
harer onwaardig, en laat het geheel over aan de grijze kousen die in
dikke schoenen met zware zilveren gespen eindigen.--Zoo wandelen er
hier nog enkele rond, met lange geschilde stokken in de hand, die hen
tot de kin reiken.--Mijn bestek verbiedt mij al de tusschentypen te
beschrijven;--maar wilt gij het jongste zien? Hier is het. Een blauw
buisje met een fulpen kraag, dat hem tot even onder de schouderbladen
reikt,--de rest geheel pantalon, pantalon van groen fluweel; een wollen
das, rood, groen en geel gevlamd, om den hals, en naar verschil van
gelegenheden, een grooten, hoogen, breed opgaanden, veel omvattenden
hoed op 't hoofd, of een bontharige pet, met de klep, naarmate van
regen of zonneschijn, in de oogen of in den nek gedraaid.--Tien tegen
een, dat het oudste type een vroolijke praatvaar, en het jongste een
stugge, stijve, achterdochtige houten hark van een vent is.

Te markt gaan is de voornaamste bezigheid van den Noordhollandschen
boer. Hij is eigenlijk een koopman en beheerder van zijn
bezittingen. Dat is al. Zijne zedelijke eigenschappen zijn meer
negatief dan positief. Vraagt gij of hij een ijverige kerel is? Ik
antwoord: "Hij past op zijn spul". Vraagt gij of hij geregeld
leeft? Antwoord: "Hij drinkt alleen op marktdagen en kermissen". Is
hij een ophakker en een smijter? "Nooit als hij nuchteren is". Is hij
eerlijk? "Hij melkt geen andermans koeien uit". Is hij barmhartig? "Hij
is goed voor zijn beesten". Heeft hij zijn vrouw lief? "Der is geen
beter keezer". Bemint hij zijn kinderen? "Ze krijgen dikke stukken"
(boterhammen), "en de miester mot ze niet an 't hoofd sleen". Is hij
godsdienstig? "Hij gaat getrouw ter kerk".

Zijn ideaal is te wonen op een eigen boereplaats, in een gedeelte
van den polder, waar hij de wijde vlakte rondom zich heeft, zonder
iets dat zijn vergezicht afbreekt, en geen andere meiden of knechts
na te houden dan zijn eigen kinderen. De afgoden van zijn hart zijn
een mooi zwartbont beest met volle uiers, en een jong paard voor een
blinkende boeresjees met vergulde wielen. Als hij, op dat luchtigste
en sierlijkste van alle ouderwetsche en nieuwerwetsche rijtuigen,
met zijn opgeschikt wijf naar een boerekermis rijden mag, en het
gelukt hem, door middel van zijn paard (de zweep gebruikt hij zelden)
afgrijselijk in den bek te trekken, zijn evenmensch voorbij te rijden,
dan smaakt hij een genoegen, waaraan de Abstwouder boer niet gedacht
heeft, toen hij zich zoo opwond over:


    "Appels enten, peereplukken,
    Maeien, hooien, schuur en tas
    Stapelen vol veltgewas;
    Schaepescheeren, uiers drukken",


en wat dies meer zij.

1841.



De Baker.


De naam van _Baker_ is een zonneklaar bewijs dat er (schoon 't volk
baakster zegt) juist geen uitgang op _ster_ vereischt wordt, om de
titularis van een bij uitnemendheid vrouwelijk ambt te kennen te
geven. Vrouwelijker dan het hare is er wel geen. De onbescheidenheid
van het geslacht der mannen heeft hen reeds, in spijt der natuur, in
verscheidene vakken van maatschappelijke bedrijvigheid ingedrongen,
die oorspronkelijk en naar recht tot het grondgebied der vrouw
behooren. Er worden mannen gevonden, die voor ons de naald hanteeren;
er zijn er, die ons den pot koken, ja zelfs zijn wij mannen, voor
het grootste gedeelte, met verachting der welvoegelijkheid, door
mannen ter wereld geholpen. Maar nog nimmer heb ik de eer gehad
iemand van mijne kunne te ontmoeten, te kennen, of te hooren noemen,
die het beroep van baker, anders dan in cas van de hoogste urgentie
en slechts voor een enkel oogenblik, had uitgeoefend. Heeft een man u
gebakerd, mijnheer? Zou een man u hebben _kunnen_ bakeren? Dat zij
verre. De uitvoerige zorg die dat vereischte, die gij behoefdet,
trotsche heer der schepping! die daar heenstapt als een pauw en op
laarzen met sporen!--die gij behoefdet, heer vrouwenhater! die daar
geen andere verplichtingen aan de teedere kunne erkent of begeert,
dan dat zij u ter wereld gebracht heeft--die gij behoefdet in dat
aandoenlijk oogenblik, toen gij schreiend en naakt dit tooneel uwer
heldhaftigheid werdt opgedragen, opdat licht en lucht u niet terstond
beschadigen, uwe eigene onbesuisdheid u niet voor goed ongelukkig
maken zoude, en gij er niet al uw leven zoudt uitzien als een Turk;
die uitvoerige zorg kon onmogelijk iemand anders dan een _baker_
(zelfst. n. w. vrouwelijk) u bewijzen. Het is ijselijk jammer dat
gij uzelven toen niet aanschouwd hebt, met uwe knietjes opgetrokken
tot uw kinnetje, en liggende voor de mande in haar warmen schoot;
dat gij de vriendelijke oogen niet over u hebt zien lichten, met een
uitdrukking van zoo teeder, zoo ontfermend een liefde, dat zij u al
uw leven zou zijn bijgebleven. Maar wat was het? Gij hadt toen nog
geene oogen die zien konden. Veel minder droegt gij een bril.

De naam _baker_ komt van _baken;_ dat is _warmen, koesteren._ Een
baker gehad te hebben is: in de eerste dagen zijns levens gebroeid
en gekoesterd te zijn. Het is niet anders. Spijt het u, heer Jeune
France? Meent gij dat het beter zou geweest zijn u, op zijn Laplandsch,
in heet water te baden en daarna in de sneeuw te rollen, in plaats
van u met de voetjes voor de mand te houden en u in doek op doek in
te wikkelen, zoodat slechts deze uwe handen en dit uw aangezicht--het
zag, op mijn woord, toen zoo geel als goud--zichtbaar bleven, om de
bewondering van huisgenooten en buren gaande te maken over _zulk_
een kind? Meent gij dat, bij eene andere behandeling, uw baard nog
voorspoediger zou zijn opgegroeid, uw hand zich nog gespierder onder
uw glacé handschoentje zou hebben vertoond, en gij u te paard en te
voet nog krachtiger en leniger bewogen zoudt hebben dan nu? Het is
mogelijk. Maar hier is het portret van mijnheer uw overgrootvader. Ook
gebakerd, mijnheer! Ook gebakerd in zijn tijd; en ik geloof vrij wat
broeiender, vrij wat stijver dan gij; de gebakerde kindertjes geleken
toen ongelijk veel meer dan nu op de poppen van den zijdeworm; maar
wat dunkt u? Hij ziet op u neder, alsof gij _nog_ in de luren laagt.

Houd uwe baker in eere. In het vooruitzicht der bange ure, bij
haar naderen, als zij dáár was, was de stille, altijd bedaarde,
ondervindingrijke, medegevoelende, handige, _zacht_handige,
kloekzinnige vrouw voor uwe moeder als een engel Gods. En ook
daarna! Haar trouwe zorg voor _u_ was het eenige niet. De jonge moeder
had nog steeds veel zorgen noodig; zij, die zoo zorgeloos was, toen
alles goed ging en haar eersteling aan haar boezem lag, en die allerlei
gedaan en allerlei gewaagd zou hebben dat haar jong leven had kunnen
in gevaar stellen en u van een moeder berooven, eer gij nog wist dat
gij een moeder hadt. Wat u betreft: nooit heeft, in uw volgend leven,
een vreemde zooveel geduld gehad met al uw kuren bij dag en bij nacht:
nooit een vriend (zelfs geen kunstvriend) u zoo overvloedig in het
aangezicht geprezen; nooit een weldoener zoo veel "stank voor dank"
van u ingeoogst. Van harte hoop ik, mijnheer! dat gij hare ontschatbare
diensten nog eenmaal zult weten te waardeeren, bij het kraambed van
de echtgenoote van uw hart, bij de vuurmand van uw eerstgeboren zoon.

Dan zij het oogenblik daar, waarin gij zeggen zult: "O, mijn Baakster,
gezegd Baker! Gij trokt een goed loon; gij hadt veel noten op uw
zang; de meiden haatten u deswege met al het vuur van een gloeienden
partijhaat; gij ontvingt een schat aan fooien; gij deedt mijn moeders
amandelstrikken en moscovisch gebak verdwijnen als een morgennevel;
maar gij waart onbetaalbaar! Gij hadt, als ik het zeggen mag,
uwe vooroordeelen, uwe bijgeloovigheden, uwe eigenzinnigheden; gij
waart wellicht niet geheel en al vrij van kwaadsprekendheid. Maar
uwe teedere, nauwgezette, waakzame zorg geven u aanspraak op een
kroon. Mij is in mijn kindsche dagen, op alle scholen, in alle
geschriften voor de jeugd, steeds voorgehouden de plichten van
dankbaarheid te betrachten jegens mijne ouders en onderwijzers; maar
mijnen kinderen zal ik erkentelijkheid inprenten jegens hunne ouders,
en onderwijzers, en Bakers...

"En zulks te meer, nu het getal onderwijzers met een leeraar in de
gymnastiek vermeerderd is."



Dit opstel schijnt alleen van de _goede_ bakers te spreken.



_Hildebrand_ heeft geene slechte gekend. Zijn eigen baker was een
uitstekende. Hij zal zich zijn leven lang verbazen dat er, met zulk
een baker, niets voortreffelijkers van hem geworden is.

1841.



Brief van Hildebrand aan Schipper Rietheuvel [35]


Aan den eerzamen Dirk Rietheuvel, bijgenaamd den Mottige,
Emeritus-Schipper bij het Haarlemsche Veer; op het _Levendaal_,
te Leiden.

Geachte Vriend!

Hoe menig, menig jaar is reeds voorbijgesneld sedert dien gelukkigen
tijd, waarin het mij zoo menigmaal gebeuren mocht een genoeglijk uurtje
(laat mij zeggen: een _viertal_ uurtjes achtereen) met u te slijten in
den _stuurstoel_ of, wanneer de weersgesteldheid dit minder wenschelijk
maakte, in de _roef_ uwer schuit; gij, in dat geval, op den drempel
van het deurtje gezeten, den schanslooper aan, den zuidwester op,
terwijl de knecht aan 't roer stond en niet kon nalaten van tijd tot
tijd eens mede te grinneken, wanneer uw onuitputtelijke geest aan
't werken was. Drommels, Rietheuvel! ik heb vele mensenen ontmoet
die aardig waren, en nog oneindig meer die het volstrektelijk wilden
wezen, maar uws gelijken in aardigheid heb ik zelden gevonden. Hoe gaat
het tegenwoordig, bestevaar? En wat zeggen er de kleinkinderen van,
daar gij bij uw Guurtje, uw jongste, naar ik mij meen te herinneren,
het restje uwer dagen slijt? Hangen zij u niet aan de lippen, als de
oude vertelsels weer opkomen, in het schemeruurtje, als er geen licht
in 't vertrek is dan het wisselvallig licht van het vlammetje dat door
de kieren van de kacheldeur schijnt? Van de _kachel_deur; want, gelijk
den bloei van het veer, hebt gij ook den bloei van het _haardvuur (sit
venia verbo_--als prof. S. zeide, dien gij zoo menigmaal hebt gevaren
dat gij 't van hem overgenomen hebt) reeds vele jaren overleefd.

Deze opmerking wekt misschien eene reeks van weemoedige gedachten bij
u op, die ik echter zeker ben dat gij weder eensklaps met een luimige
wending weet af te breken. Doch dit laatste, mijn beste Mottige! zal
niet noodig zijn, wanneer gij mijn brief slechts niet uit de handen
legt, eer gij hem ten einde toe hebt gelezen: een brief met geen
ander oogmerk geschreven dan om uwen laten levensavond niet weinig
op te leukeren door eene mededeeling, welke u alleszins stof tot
zelfvoldoening en een billijk gevoel van waarde opleveren zal.

Heugt het u niet, mijn waarde vriend! hoe, nu dertig jaren geleden,
alle mogelijke roefreizigers schenen saamgezworen te hebben om u,
dag uit, dag in, te vervelen met hun schijnheilig beklag, omdat
het te voorzien was dat de spoorwegen (rare dingen, waarvan geen
hunner nog eenig denkbeeld had!) niet altijd in Nederland onbekend
blijven en gewisselijk uw eerzaam beroep ten eenemale in den grond
boren zouden? Hoe gij, in die moeielijke dagen, al de krachten
van uwen vaardigen geest hadt in te spannen om uw goede luim te
redden en het eentonig gejammer keer op keer af te snijden? En
zou het u daarbij vergeten zijn, hoe gij, te midden van deze
worstelingen, op eenmaal op het treffend denkbeeld kwaamt van een
nieuw vervoermiddel, door een nieuwe beweegkracht gedreven, waarvan
uw ver vooruitziende geest voorspelde dat het, eenmaal in practijk
gebracht, tot stoom en spoorwegen staan zoude, gelijk deze thans tot
de trekschuiten? Gij gaaft aan deze uwe vinding den schilderachtigen
naam van _Onderaardschen Schietblaasbalg_ en wist de werking van dit
mechanisme, door niets anders gedreven dan de _persing der lucht_, zoo
duidelijk en, ik mag zeggen, zoo smakelijk voor te stellen, ja ook met
teekeningen van eigene of bevriende hand zoo gelukkig op te helderen,
dat menig trekschuitreiziger uw roef niet zonder een diepen indruk van
't gehoorde verliet, gelijk ikzelf dien dan ook altijd bewaard heb,
en zelfs zoo vrij ben geweest dien weder te geven in een opstel, onder
den nederigen titel van "De Veerschipper", buiten uw weten gedrukt,
en dat misschien nimmer onder uwe oogen gekomen is, maar waarin,
zoo aan uwe begaafdheden in het algemeen, als aan deze uwe vinding in
't bijzonder, eene welverdiende hulde is toegebracht.

Welnu, geniaalste aller geniale veerschippers, hetzij die al of niet
van de kinderpokken geschonden zijn, en het meerder vernuft al of
niet als eene gelukkige tegemoetkoming aan mindere lichaamsschoonheid
bij hen te beschouwen zij!--wat zult gij zeggen, indien ik u naar
waarheid verhaal, dat de uitvoerbaarheid van uw denkbeeld gebleken,
dat uw stoute gedachte verwezenlijkt, dat de _Onderaardsche
Schietblaasbalg_, in het oogenblik waarin ik u schrijf, in vollen
gang is--vooralsnog niet "tusschen Amsterdam en Rotterdam", waar de
waterachtigheid van den bodem wellicht nog lang duchtige bezwaren
tegen een dergelijke onderneming zal opleveren--maar in Engelands
groote hoofdstad Londen, waarvan het u wel bekend zal wezen dat
zij alleen eene oppervlakte beslaat van een uur of zes, zeven in
't rond, nergens van eenig kanaal of trekvaart doorsneden! ... Geen
nood! Zij heeft hare talrijke _omnibus_-lijnen, die haar in alle
richtingen doorkruisen; zij heeft hare _spoorweg_-lijnen, over hare
hemelhooge huizen heen en tusschen hare ontelbare schoorsteenen
door, zoowel als hare spoorweglijnen onder den grond; doch thans
ook; wie is het geweest, Rietheuvel! die uw denkbeeld gestolen,
die uw echt Hollandsche vinding, onder den grond, onder den bodem
der zee door, naar Brittanje overgevoerd heeft, ener tot zijn eigen
profijt hoogstwaarschijnlijk bij het Engelsche parlement een patent op
gevraagd, dat u van alle voordeelen uitsluit?--thans heeft zij ook haar
_Onderaardschen Schietblaasbalg_--"pijpen, buizen, kanalen, weetje",
(van het eene einde van de stad naar het andere) en "vicie versie",
waarin, met de hoogst mogelijke snelheid, brieven en pakketten, en
ook menschen, vervoerd worden door geen ander middel dan de _persing
der lucht;_ met den besten uitslag; geheel naar uw gronddenkbeeld;
ofschoon onder een anderen naam, lang niet zoo duidelijk als dien,
welken uw vaardig brein tegelijk met de zaak had opgeworpen, en
meer naar de lamp riekende dan naar eenig ander licht, den naam van
_Pneumatische Expeditiebuis_ [36]. Slechts, opdat ik u dit terstond
zegge, slechts dames zijn door dit middel nog niet vervoerd kunnen
worden. Want hoewel de stijve wijde mouwen, waarvan gij voor dertig
jaren gewaagdet, nu geen bezwaar meer opleveren, zoo is sedert, in de
zoogenaamde _crinolines,_ een ander ontstaan, hetwelk onoverkomelijk
is, zal er, nevens de kanalen van den Schietblaasbalg in questie, in
het Onder-aardsche Londen nog eenige ruimte overblijven voor hetgeen
billijkerwijze voor gas-, water-, en andere leidingen gevorderd wordt.

Het moet een treffend oogenblik geweest zijn, waarde vriend! toen,
voor weinige weken, na eenige voorloopige proefnemingen met
levenlooze pakjes en ongevoelige zakken, de eerste personentrein van
het zoogenaamde Holborn afging om, men mag zeggen "in een zucht",
en niet alleen _"in_ een zucht", maar nu ook "door middel van een
zucht", een afstand af te leggen van meer dan een half uur gaans, en
dat heen en terug. De plechtigheid had plaats onder opzicht van den
Hertog van Buckingham, _Chairman of the Pneumatic Despatch Company,_
hetwelk ik voor u niet beter weet te vertalen dan door _Commissaris
van het Onderaardsche Schietblaasbalg-Veer_, en in tegenwoordigheid
van een aantal mannen van wetenschap. Laatstgenoemden waren metterdaad
de eerste passagiers, en het moet een aandoenlijk schouwspel geweest
zijn, toen de een voor, de ander na--niet op de weegschaal die,
bij uwe eerste vinding onontbeerlijk, bij deze na-vinding gemist
schijnt te kunnen worden, maar--in de laden stapte, die allen voor
eenige oogenblikken aan het daglicht onttrekken zouden. De houding,
welke de geleerde heeren hierbij hadden aan te nemen, was om de
waarheid te zeggen, noch opwekkelijk, noch gemakkelijk. Zij waren
genoodzaakt zich plat op den rug neder te leggen, niet zonder de
behoefte aan een hoofdkussen te gevoelen, hetwelk hier ontbrak,
maar door u zeker niet vergeten zou zijn geworden, en lagen daar,
twee aan twee, niet ongelijk aan dooden in hunne kisten. Het geheel
deed metterdaad eenigszins den indruk van een levendbegrafenis-,
een Albrecht-Beyling-tooneel. Maar nauwelijks had men den tijd
zich dit te zeggen, of ziet! daar waren onze mannen reeds weder
terug en hadden, behalve van eenige oogenblikken "niks niemendal
as egyptische duisternis", van niets te vertellen dan van eene min
of meer onaangename gewaarwording bij het afgaan en aankomen; (het
"geknipknap der veeren" waarschijnlijk), en voorts van, _op de ooren_,
een zeker gevoel van drukking, hetwelk ongeveer het vierde deel van
een minuut aanhield en "best te vergelijken scheen met hetgeen men" (ik
weet niet of gij het u herinnert?) "in een _duikerklok_ ondervindt, een
zuiging, alsof men onder een golf werd doorgetrokken"; op de _oogen_,
een zeer opmerkelijke koude, niet ongelijk aan die van vallend water,
waarschijnlijk min of meer alsóf men onder den drop van een dakgoot
uitgestrekt lag; en voor den _neus_, geen de minste gewaarwording als
zoude de atmosfeer in de buis vuil of bedorven zijn, maar wel hier
en daar een roestluchtje, dat verdwijnen zal als de machine wat meer
gebruikt zal worden en alzoo zichzelve glad maken en houden. Wat de
beweging betreft, men had ze niet onaangenamer bevonden dan die van
een oude waggon op een niet al te besten spoorweglijn, en gij zult
mij toestemmen dat men, sedert de roekelooze verwaarloozing der
trekschuiten, wel nergens ter wereld op iets dat veel beter zoude
kunnen zijn, rekenen kan. De eerste passagiers van de _Pneumatische
Expeditiebuis_ waren dan ook ten eenemale voldaan; de Hertog van
Buckingham gaf zijne hooge tevredenheid onbewimpeld te kennen;
de aandeelhouders in de onderneming betoonden zich ondubbelzinnig
in hun schik; en het gevolg van den proefrit is geweest, dat men
besloten heeft het onderaardsche Londen zoo spoedig mogelijk van
een Schietblaasbalg-net te voorzien, zoo volkomen, dat daardoor alle
bovenaardsche spoorwegstations en markten en postkantoren onderling
vereenigd zullen zijn. Met 35 Engelsche mijlen aan buizen en een
kapitaal van vijftien millioen Hollandsche guldens is dit te doen. [37]

Bij mijn eerstvolgend bezoek aan Engeland, hoop ik mij met eigen oogen
te gaan overtuigen hoe ver men gevorderd is. Maar hoe zeer zoude ik
wenschen u daarbij aan mijne zijde te hebben, waardige man! tot nog
toe niet erkende, maar daarom niet minder hoogst verdienstelijke
Uitvinder van hetgeen bestemd is zoo krachtig bij te dragen tot de
oneindige eer onzer zoo bewonderenswaardige eeuw! Denk er eens over,
Rietheuveltje! Gij zijt wel hoog bejaard, maar zoo ik verneem nog
krachtig genoeg. Voor zeeziekte behoeft gij, bevaren Schipper! wel
niet bang te wezen, en de zaak heeft voor u een belangrijkheid, als
voor niemand anders. Maar als gij het doet, gij kunt er stellig op
rekenen dat er alle werk van gemaakt zal worden om u aan den Hertog
van Buckingham en, door dezen, aan de Koningin te doen voorstellen,
en als gij besluiten kondt u te laten angliseeren, ik zie niet waarom
er met zoo wel een _Sir_ Derrick Reedhill zou kunnen gemaakt worden,
als er een _Sir_ Joseph Paxton gemaakt is.

Hoe het indertijd met die der Trekschuiten is gegaan, weet ik niet;
maar alle groote uitvindingen hebben dit bijzondere gemeen, dat
zij meer dan eens, en niet zelden in verschillende landen, òf te
gelijkertijd, òf op onderscheidene tijden, hebben plaats gehad.

Dit is met het Kompas, met het Buskruit, met de Drukkunst, de
Gasverlichting, en ook met het gebruik van den Stoom als beweegkracht
geschied. Menigmalen gaat het zooals het hier gegaan is. Een genie
als het uwe vindt iets uit, voor de menschheid van het hoogste
gewicht. Maar die menschheid is op dat oogenblik de uitvinding nog
niet waardig; zij is voor de weldaad, welke deze in staat is aan te
brengen, nog niet rijp. Zij beschouwt die uitvinding als een aardig
denkbeeld, een zonderbaren inval, een grap, indien maar niet, zooals
met den eersten uitvinder van het stoomgebruik het geval geweest is,
als een gewrocht van onzinnige hersenen! Eeuwen of, in ons geval (wij
leven in deze onze 19de eeuw zoo snel) tientallen van jaren moeten
verloopen, eer een tweede genie opstaat, gelukkiger dan het eerste, om
de uitvinding te herhalen of weder aan den dag te brengen, en nu alles
gereed te vinden om haar op te nemen en haar een heilrijk succes te
doen te beurt vallen. En terwijl de wereld vervuld is van het gedruisch
dat zij bij deze hare tweede verschijning maakt, en schatten en
eereteekenen hun toevloeien die het geluk mogen smaken haar metterdaad
in werking te brengen, ligt de eerste vader (de grootvader!) van het
vruchtbare denkbeeld reeds sedert lang te vermolmen in een vergeten
graf, of brengt, als gij, mijn beste Rietheuvel! onder den titel van
emeritus-veerschipper, het overschot zijner dagen, met een allerkarigst
pensioentje, in een buurt als het Levendaal door, en heeft niemand die
hem op de rijke denkbeelden van zijnen eertijds zoo machtigen geest
en hunne gelukkige verwezenlijking door anderen, opmerkzaam maakt,
dan zijnen hem altijd in liefde gedenkenden vriend

Dec. 1865. _Hildebrand_.


P.S. Vóór het sluiten dezes verneem ik nog, dat ook reeds de Pruisische
hoofdstad Berlijn van een _Schietblaasbalg_ voorzien is.



AANTEEKENINGEN


[1] Aan het slot eener beoordeeling van _Geel's_ _Onderzoek en
Phantasie_, geplaatst in _De algemeene Konst- en Letterbode_, 1838,
N_o_. 1. Het stuk was onderteekend met een T. Men meende destijds
zoo zeker te weten wie de steller was, als nu b.v. wie in Nederland
de eerste stuurman is op het schip van staat. [Niemand minder dan
Thorbecke.]

[2] [Zie over deze vertaling de artikelen van Jean Kleyntjes in
_L'Enseignement des Langues modernes_. I_e_ Ann. Livr. 5 & 6. III_e_
Ann. Livr. 2 Brux. 1887, 1889.] _Bijv._ 1888.

[3] Zie tot nadere toelichting van dit merkwaardig verschijnsel:
Jon_s_. _Dyserinck_, Hildebrands _Camera Obscura_. Middelburg, 1882,
bl. 40.

[4] [Van een hem ten jare 1885 beleefdelijk te kennen gegeven voornemen
eener gedeeltelijke vertaling in het Volapük schijnt niet gekomen te
zijn. Ook heeft de S. haar, voor zooveel in hem was, verbeden.] _Bijv._
1888. [Toch verscheen dit jaar eene vertolking van "Een oude Kennis"
in die z.g. wereldtaal. (Arnhem, de Muinck & Co.)] _Bijt._ 1891.

[5] _Hildebrands_ _Camera Obscura_ door
Joh_s_. _Dyserinck_. Vermeerderde herdruk uit "de Gids" van
Dec. 1881. Middelburg, J.C. en W. Altorffer. 1882.

[6] Welk een vereenvoudiging brengen de "24 Artikelen" in 't lager
onderwijs! Het heele jonge Holland wint in gemak bij de omwenteling
van Dertig.

[7] "Humor ist das Romantisch-Komische, das umgekehrte Erhabene,
worin das Endliche auf das Unendliche, der Verstand auf die Idee
angewand wird".

[8] In de eerste en tweede uitgaven vermeldde ik _roode,_ doch ben
onderricht geworden dat zoodanige klinkers niet bestaan. Ik moet mij
dus verzien hebben.

[9] Ik waag de gissing dat _"Barnave_, par _Jules Janin_" mijn goeden
oom en zijn vriend door 't hoofd gespeeld heeft.

[10] Sinaasappelen zijn schaarsch in October. Zij zijn er echter nog
bij menschen als mijn tante, die van sparen en bewaren weten.

[11] Een kleine schuur, ook tot berging van gereedschappen
enz. bestemd.

[12] Ik twijfel niet of er zullen menschen gevonden worden, die zich
beklagen dat er geene circumflexen en veel te weinig comma's in mijn
boek te lezen staan. Ik had er over gedacht hier ten slotte eene
geheele bladzijde met die teekens bij te voegen om naar willekeur
over de bladzijden uit te strooien, maar ik vreesde dat het al te
aardig staan zou.

[13] Dat in de sedert gevolgde uitgaven deze drukfouten niet meer
voorgekomen zijn, laat zich denken, en dat ook in deze, gelijk
reeds sedert de zevende uitgave, de spelling van het Woordenboek der
Ned. Taal naar vermogen gevolgd is, heeft de lezer wel opgemerkt.

[14] Hier volgen de sedert de 3de uitgave (1851) bijgevoegde,
maar sedert de 2de (1840) reeds gereed liggende "Nieuwe
Vertooningen." (Zie bl. 132.)

[15] De keggen zijn misschien aan mijne lezers niet zoo bekend als bij
de timmerlieden. Het is een soort van wiggen, waarvan de eene kant
schuin afloopt, de andere horizontaal is; zij dienen om, met kracht
hier of daar tusschen geslagen wordende, zware lichamen eenigszins
op te lichten, waterpas te stellen, of twee lichamen sterk tegen
elkander aan te drijven.

[16] Vier gulden.

[17] _Wilhelm Meisters Lehrjahre_.

[18] D.i. dun, schraal.

[19] D.i. Holsblokken.

[20] D.i. een vijfje trek- of strijkgeld halen.

[21] Zie Tweede uitgave, bl. 132. Narede.

[22] _Nec lusisse pudet, sed non incidere ludum,_ _Hor_. Ep. 1. 14;
Men schaamt zich 't spelen niet, maar 't altijd door te spelen.

[23] "Dit stukje was door den auteur losweg geschreven, in de stemming
die het motto, waarmee het ditmaal pronkt, aangeeft. Hij meende er
schertsende mede te velde te trekken tegen het al te mathematische
in wetenschap en opvoeding. Onloochenbaar is het, dat hem hier
en daar een ernstiger wenkje is ontvallen, en wat daar waars en
behartigingswaardigs in zou kunnen zijn, neemt hij ook nu niet terug;
maar hij wilde niet gaarne, dat men zijn opstel voor een opzettelijke
smaadrede op wetenschappelijk onderzoek aanzag, en het er voor hield,
alsof hij eene kinderachtige lofrede op kinderachtig bijgeloof had
willen schrijven". Aant. bij den 2den druk van deze--_boutade_,
in 1840. (_Proza en Poëzy; Verspr. Opst. en Verzen;_ bl. 1-13).

[24] Ik moet hier recht doen aan de edelmoedigheid van mijn vriend
_Baculus_, die mij voor eenige maanden alleraangenaamst met een
exemplaar van dit mijn lievelingswerk veraste. De goede man deed wat
hij kon; maar het was _mijne_ Moeder de Gans niet.

[25] Of men laat hen bladeren in boeken, als b.v. _De fabelen van_
_Gellert_ (die _niet_ voor de jeugd geschreven zijn), opdat zij toch
vroeg zouden leeren hunne naasten te mistrouwen en met de vrouwen
te spotten.

[26] _Bijbel voor de Jeugd,_ D. I. bl. 3.

[27] Sedert men begonnen heeft de insecten-wereld te beschaven,
waarvan de heer _Bertolotto_ met zijn "Industrielles" een verheven
voorbeeld gegeven heeft, is er ten minsten een lichtstraal van troost
gekomen. En wanneer de Maatschappij tot Zedelijke Verbetering en het
Matigheids-genootschap der Infusoria zullen zijn opgericht, is het
te verwachten, dat de oxygeen-mikroscoop ons vreedzamer tooneelen
zal kunnen aanbieden.

[28] Zoo moesten, dunkt mij, de kerken ook volstrekt niet vernederd
worden tot verzamelingen van curiositeiten. Ik ken eene stad, anders
uitmuntende door den prijs dien zij op het statige harer bedehuizen
stelt, waar onder anderen, op een der muren van de hoofdkerk, de maat
is aangewezen van een befaamden reus en van een niet minder vermaarden
dwerg, die in of nabij die stad geleefd hebben. Evenmin moest men
dulden dat men de heiligdommen tot eene soort van groote pakhuizen
gebruikte, waar brandemmers en ladders aan de muren hingen. Over het
geheel kon er meer orde en eenvoud en zindelijkheid en betamelijkheid
heerschen. Een apostel heeft gezegd: "Laat alle dingen eerlijk en
met orde geschieden".

[29] Osmer, an ei tis en mesoi toi puthmeni tou pelagous oikun, oioito
te epi tis thalattis oikein, kai dia tou udatos oron ton ilion kai ta
alla astra, tin thalattan igoito ouranon einai, k. t. l., Plato
(Phaedon. C. 58.)

[30] Gen. I vs,. 2. Vgl. Deut. XXXII. vs. 11. Hebr.

[31] Het volgende stukje, hier om den wille der volledigheid opgenomen,
is niet meer dan een grap. Het is de _parodie_ van een brief aan
Hildebrand door zijn vriend Baculus geschreven; brief, waarvan de
inhoud enkel bestond uit eene (voor het overige welverdiende en
welsprekende) lofrede op het genie der beroemde treurspelspeelster
_Rachel_.

[32] ontdekte.

[33] drek.

[34] Zie hiervoor: _Varen en Rijden_. (1837).

[35] Zie hiervoor (bl. 320 en vlg.) "De Veerschipper"; een opstel
van 1840.

[36] _Pneumatic Despatch Tube._

[37] £ 1.250.000. Zie alle hiergenoemde bijzonderheden in _The
Illustrated London News_ van 18 Nov. 1865, _Suppl._ p. 496; waarbij
een plaat p. 493.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Camera Obscura" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home