Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Van Schooljongen tot Koning - Een verhaal samengesteld uit de aanteekeningen van Robert I, koning van Czernovië
Author: Bertrand, A. [Pseudonym.], 1873-1953
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Van Schooljongen tot Koning - Een verhaal samengesteld uit de aanteekeningen van Robert I, koning van Czernovië" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



				  Van Schooljongen tot Koning
		 Een verhaal samengesteld uit de aanteekeningen
							  Van
							Robert I
					  Koning van Czernovië



							  Door
						  A. Bertrand
				Geïllustreerd door Jan Sluyters



						   Amsterdam
						  H.J.W. Becht
							  1903



INHOUD.


I. Hoe dit Boek ontstond 1

	De ontvoering van een Hoogere-Burgerscholier op 13 October
	1901.--Na een jaar van angst en spanning zien zijn vrienden
	hem terug.--Er wordt hem f10.000 geboden voor een beschrijving
	van zijn lotgevallen.


II. Rob vliegt de Lucht in 11

	Wat Rob in het Vondelpark vond.--De geheimzinnige
	doos.--Rob meent een komplot op het spoor te zijn.--Hoe zijn
	nieuwsgierigheid gestraft werd.


III. Op het Luchtschip 16

	Rob komt aan boord van "De Vogel".--Hij wordt vriendelijk
	ontvangen en vindt een fraaie logeerkamer voor zich
	ingericht.--Hij leert het leven aan boord kennen.--De eerste
	dag valt hem niet tegen.


IV. Hoe "De Vogel" er uitzag 35

	Rob ondervindt dat er in de lucht ook een H.B.S. is.--La toont
	hem eenige wonderen.--De geheimen van de stuurkamer.--Bijna
	zoo hoog als de Mont-Blanc.--Rob gaat vroeg naar bed.


V. Een Strijd tusschen een Lucht- en een Oorlogsschip 46

	"De Vogel" gaat aan land.--Er dreigt gevaar.--Rob redt
	den commandant.--Een Engelsch oorlogsschip.--Een onbloedig
	gevecht.--Het jacht van den ontdekkingsreiziger Lane.--Rob
	wordt zeeman.--De landing te Dover.


VI. Rob komt in Londen 68

	De ontvangst te Dover.--De aankomst in Londen.--Het huis in
	Longmanstreet.--Li's eerste lezing over een nooit gemaakte
	Zuidpoolreis.--Alle Londensche heeren wenschen zich een
	poolmeisje tot vrouw.--Het diner van het Aardrijkskundig
	Genootschap.--Rob drinkt thee met den Koning.--De
	kroonjuweelen.


VII. Li steelt de Kroonjuweelen 80

	Li krijgt het koffertje te leen.--La verricht nieuwe
	wonderen.--De Koning ontvangt een splinternieuw koffertje.--Hoe
	hij beetgenomen werd.--De kroonjuweelen zijn gestolen!--Het
	verhaal van de diefachtige poes.--Li heeft de diamanten te
	pakken.--De groote ontdekkingsreiziger steekt met zijn jacht
	van wal.--Terug op "De Vogel".--De reis naar Transvaal.--Hoe
	het met de diamanten afliep.


VIII. Li vertelt z'n Geschiedenis 95

	Waarin verteld wordt, hoe 't maar 'n haartje gescheeld had,
	of Rob was weer in 't Vondelpark gaan wandelen.--Li vertelt
	zijn levensgeschiedenis.--Rob hoort van de stichting der
	Oranje-Republiek, van Rusland's booze plannen, van de dappere
	Elizabeth Helmont en den edelen ingenieur Van Stralen.


IX. Een onverwacht Avontuur 112

	De kust van Tripolis.--De leeuwenjacht.--De onderaardsche
	gewelven.--In handen van menscheneters!--De ontdekkingsreiziger
	Korling als goochelaar.--De vlucht.--Weer op "De Vogel"!


X. Nof en de Strandroover 138

	Nof is verdwenen.--Men wacht hem tevergeefs.--De man in het
	schuitje.--Het losgeld.--Nof komt terug.--Het verhaal van
	Quebranto den Strandroover.--Naar Czernovië!


XI. De "Vogel" wordt vernietigd 156

	De reis wordt door stormen vertraagd.--De nederdaling bij
	Midia.--Er ontploft een mijn en "De Vogel" vliegt in de
	lucht.--In Turksche gevangenschap.--De Dardanellen-Oorlog.--Li
	en Rob herkrijgen hun vrijheid.--De Engelsche spionnen gaan
	de doos in.--Naar Slavowitz!


XII. Rob maakt kennis met den Hertog van Bora 168

	In het Hotel Czernovië.--Van Stralen ontmoet zijn broer.--Daar
	komt de Prinses!--Een ontmoeting met den aanstaanden
	Prins-Gemaal.--Esse quam videri.--Van Stralen doet een duel
	op.--De tooneelspelen van Aeschylus.--Van avond om zes uur.


XIII. De Verrader 193

	Waarin we Maarschalk Zabern en Prinses Elizabeth leeren
	kennen.--Wat de gezant te Petersburg schreef.--Een verrader
	onder de Ministers.--Russakoff is ontsnapt!


XIV. Ivan Bavenski 202

	Een gesprek met den Minister van Binnenlandsche Zaken.--De
	drie verzegelde pakketten.--Elizabeth hoort van het duel.--De
	brief van Felix.--Zou hij het zijn?--Naar het Roode Woud!


XV. Het Duel 213

	De ontmoeting in het Roode Woud.--De Russische
	schildwacht.--Het duel begint.--De plotselinge verschijning
	der Prinses.--De Hertog wordt gearresteerd.--Zij hebben
	elkaar herkend!


XVI. Wat Katina van Russakoff vertelde 220

	De drie vrienden ontmoeten Zabern.--Katina, de patriot.--Zabern
	komt Russakoff op het spoor.--Met spoed naar Slavowitz terug!


XVII. Russakoff begaat een Moord 238

	Hoe Katina een troïka ment.--Het klooster.--De Russische wijk
	van Slavowitz.--De troïka komt in het gedrang.--Paul wordt
	doodelijk gewond.--Felix, Zabern en het raadselschrift.--Zou
	Rob werkelijk de oplossing gevonden hebben?


XVIII. Felix en Elizabeth 254

	Felix wordt bij de Prinses ontboden.--Het
	weerzien.--Wederzijdsche ontboezemingen.--Felix wordt tot
	Secretaris benoemd.


XIX. Een Staaltje van Schermkunst 262

	De Minister van Financiën en de Commandant der Citadel.--Een
	opstootje in de Kamer.--Wat het orkest van Mengelberg op z'n
	geweten heeft.--Felix verslaat zes tegenstanders.--De Furiën!


XX. Rob betrapt een Inbreker 278

	Rob gaat aan het cijferen.--Gevonden!--De inbraak in het
	Paleis.--Zabern redt Rob nog juist op tijd.--Het verbrande
	Charter.--Wat zal er van Czernovië worden?


XXI. Het Gezantschap van den Czaar 295

	Felix aanvaardt zijn nieuwe betrekking.--Graaf Feodor Orloff,
	Gezant van den Czaar, doet eenige brutale vragen.--Elizabeth
	antwoordt hem zeer beleefd.--Katina wordt eerst tegen haar zin,
	daarna vrijwillig gevangen.--Zabern schrijft een brief.


XXII. Een gemaskerd Bal 319

	Het wetsontwerp-Lipski.--Prinses Elizabeth teekent een
	contract.--De schatten van het St. Nicolaas-klooster.--Iedereen
	verliest den moed, behalve Zabern.


XXIII. Een Moordaanslag op de Prinses 338

	Rob wordt met een benoeming verrast.--De wapenschouwing.--Twee
	schoten op de Prinses.--De daders ontsnappen.--De wet-Lipski
	komt in stemming.--De verrassing van Zabern.--De moordenaar
	wordt gevat.--De kelder van Lipski.--Zabern schrijft een
	brief.--


XXIV. Een Russisch Leger aan de Grens 364

	Felix wordt uit Czernovië verbannen.--Hij gaat, maar hij
	zal terugkomen!--Zes Turksche krijgsgevangenen in het
	studeervertrek van Zabern.--Rob verdwijnt.--Ravenski komt
	met nieuwe bedreigingen.--De Czaar staat aan de grens!


XXV. De Vooravond van de Kroning 381

	Het Russische leger komt nader.--Ravenski hernieuwt zijn
	bedreigingen.--Elizabeth ontvangt een bezoek van den Hertog
	van Bora.--De drie verraders geknipt.


XXVI. Zabern en Ravenski 388

	Melchior, de verrader.--Zabern verschijnt.--De
	postduif.--Ravenski ontvangt een sabelhouw.--Het kanon van
	de Citadel.


XXVII. De Kroning 398

	Hoe het kwam dat de Hertog ontvluchtte.--De stoet zet zich
	in beweging.--Waar blijft Felix?--Waar blijft Rob?--Het
	St. Nicolaas-klooster door de Russen bezet.--De stem van
	Orloff.--De Hertog verschijnt.--De Czaar!--Rob brengt het
	Charter.--Elizabeth kiest Felix tot kampioen.


XXVIII. Het Kroningsduel 426

	De ontmoeting tusschen Elizabeth en Felix.--Het duel
	begint.--Edelmoedigheid van Felix.--De Hertog wordt doodelijk
	gewond.


XXIX. Eind goed, Al goed 438

	De kroning gaat door.--Czernovië is vrij!--Felix wordt
	Prins-Gemaal.--Felix en Elizabeth doen afstand van den
	troon.--Robert Rensma, President der Oranje-Republiek.--



EERSTE HOOFDSTUK.

HOE DIT BOEK ONTSTOND.

	De ontvoering van een Hoogere-Burgerscholier op 13 October
	1901.--Na een jaar van angst en spanning zien zijn vrienden
	hem terug.--Er wordt hem f10.000 geboden voor een beschrijving
	van zijn lotgevallen.


De groote gebeurtenis, die den 13en October 1901 het geheele land
in rep en roer bracht, waarover de kranten weken lang kolommen vol
schreven, en die weldra in alle deelen van Europa met schrik en
verwondering besproken werd--die gebeurtenis ligt ons allen nog zoo
versch in het geheugen, dat ik ze den lezer nauwelijks nader behoef
aan te duiden.

Nu echter de geheimzinnige sluier opgeheven is, waarmee deze
gebeurtenis een jaar lang was bedekt, en de geschiedenis van Rob
Rensma's lotgevallen in dit boek wordt bekend gemaakt, nu zij het
mij volledigheidshalve vergund de feiten nog even in 't kort aan
te stippen.

Het was ongeveer half negen in den morgen van den 13en October
1901. Rob bevond zich op dat tijdstip op het Leidsche Plein te
Amsterdam, en had dus geen haast te maken om met het spelen van negenen
in de Hoogere-Burgerschool te zijn. Maar daarom alleen liep hij niet
zoo langzaam: hij had twee zware repetities in 't vooruitzicht--en
hij had den heelen vorigen avond in 't Vondelpark gefietst! Meer
behoef ik er niet van te zeggen.

Rob slenterde dus zoo'n beetje langs de straat, z'n boeken onder
den arm en z'n oogen naar den grond, en hij trachtte zich vergeefs
'n formule uit zijn natuurkundeboek te binnen te roepen, die hij
totaal vergeten was, en waarnaar hem vandaag zeker gevraagd zou
worden. Ze vroegen hem altijd dingen die hij niet wist! Rob was niet
dom--integendeel. Hij had een vlug en helder verstand, maar hij
gebruikte 't niet altijd. Hij hield meer van lichamelijke dan van
geestelijke inspanning. Fietsen, zwemmen, voetballen--dat was je ware;
maar langer dan 'n uur rustig op de bank te zitten, daarvoor was Rob
te ongedurig.

"Ik gaf mijn nieuwe fiets ervoor," dacht Rob, "als ik vandaag niet naar
hok hoefde. Hè, als er nu eens onverwacht iets gebeurde, waardoor..."

Hij had dezen zin bij zichzelf nog niet voltooid, toen hij zich
opeens krachtig om het middel voelde gegrepen, opgetild en snel omhoog
gevoerd worden.

Eén minuut daarna was hij nog slechts als een stip, twee minuten
later was hij geheel niet meer te zien.

's Morgens om halfnegen is het op 't Leidsche Plein al zoo druk als in
een kleinere stad wanneer 't kermis is. 't Spreekt dan ook vanzelf, dat
zijn ontvoering niet onopgemerkt bleef. Maar 't is merkwaardig zooveel
verschillende verhalen men te hooren krijgt, als tien ooggetuigen
een gebeurtenis ieder op zijn eigen manier weergeven. Meer dan tien
menschen hadden waarschijnlijk 't verdwijnen van den zooeven nog
rustig wandelenden jongen niet van 't begin tot 't eind gezien;
want alles ging zoo verbazend snel in zijn werk, dat Rob al uit
't gezicht verdwenen was eer men goed begreep wat er gebeurde. Maar
toen later, ten behoeve van 't onderzoek, door de justitie getuigen
werden opgeroepen, verklaarden zich 234 personen bereid onder eede
te verklaren wat ze gezien hadden, terwijl bij vergelijking der op
schrift gebrachte verklaringen daarvan 159 zeer aanmerkelijk van
elkaar bleken te verschillen! De een had duidelijk gezien, dat een
groote roofvogel den jongen in zijn klauwen had gepakt; de tweede wist
zeker, dat er op het dak van den Stadsschouwburg een man had gestaan
die een langen lijn uitwierp met een haak er aan, en zoo den jongen
naar zich toe trok; de derde had Rob, dien hij zeer goed kende, om
halfnegen bij het Centraal-Station ontmoet, zoodat hij niet begreep
hoe er van dat ontvoeringsverhaal iets waar kon zijn; een vierde had
zonder eenigen twijfel een luchtballon gezien, waar Rob met een dreg
ingeheschen werd--kortom, ieder had een andere lezing van het geval,
en de een sprak tegen wat de ander gezien had.

Van een geregeld onderzoek kon in deze zaak geen sprake zijn. De
rechter van instructie bepaalde zich tot 't doen opschrijven van 234
getuigen-verklaringen, en overigens was niemand bij machte ook maar
de geringste aanwijzingen te geven omtrent een vermoedelijken dader
of omtrent de mogelijke aanleiding tot de daad.

"Het onderzoek wordt voortgezet"--dit was het laatste, wat de kranten
het nieuwsgierig publiek omtrent het positieve gedeelte van deze
geheimzinnige geschiedenis konden opdisschen. Maar het publiek was
daarmee natuurlijk niet tevreden, en zoo moesten de nooit uit het
veld geslagen krantenmannen het terrein der feiten wel verlaten,
om over te gaan tot dat der fantasie. Men _wilde_ nu eenmaal
niet tevreden zijn met het weinige, dat de justitie te weten was
gekomen. En de verslaggevers begonnen ijverig op hun onuitputtelijken
duim te zuigen. Avond aan avond verschenen er ellenlange artikelen
om de verdwijning te verklaren. In de buitenlandsche bladen werd
duchtig meegedaan. Zoo verscheen in de Figaro een meer geestig
dan wetenschappelijk artikel van een ongenoemde, waarin betoogd
werd dat hier niet anders kon gewerkt hebben dan een chemisch
proces. Aangezien immers door de proeven van professor Raymond
gebleken was dat het element falmium, door hem in het zonnespectrum
geconstateerd, een sterke oplossende kracht bezat, was het zeer goed
mogelijk--zoo redeneerde de Figaro-schrijver--dat door een tijdelijke
en plaatselijke versterking van dat element een zoo sterke oplossende
inwerking had plaatsgehad, dat Rob binnen enkele seconden in den
poedervorm was overgegaan. Niemand dacht eraan, en de schrijver zelf
waarschijnlijk 't minst van allen, deze redeneering in ernst op te
nemen. Maar evenmin wilde men geloof hechten aan het zeer geleerde en
langdradige opstel van den beroemden Duitschen metereoloog Von Müller
in de "Wissenschäftliche Blätter," dat ten doel had de verdwijning te
verklaren uit de opzuigende werking van een krachtigen luchthoos. Was
deze verklaring inderdaad de juiste, dan moest Rob immers hier of daar
weer neergekomen zijn, en zou men zijn overblijfselen hebben moeten
vinden. Dat nu was niet het geval. Aan de rechtbank werd niets anders
gedeponeerd dan het pak boeken, dat Rob onder den arm had toen hij
zich op weg naar school bevond, en dat hij klaarblijkelijk gedurende
zijn vliegtocht had laten vallen. Het was door een agent van politie
bij de kiosk opgeraapt.

De heer Von Müller liet het er echter niet bij zitten. Hij gaf nog
ettelijke naschriften op zijn artikel, en richtte ten slotte zelfs
zulke krachtige vertoogen tot de Nederlandsche Regeering, dat deze
zich tegenover de autoriteit van den geleerde niet verantwoord achtte
zijn mededeelingen over het hoofd te zien. Op last van den Minister
van Justitie werden gedurende eenige weken alle daken van alle huizen
in den omtrek van het Leidsche Plein onderzocht--echter zonder ander
resultaat dan dat de post "onvoorziene uitgaven" op de begrooting
met f10.000, zijnde de kosten van het onderzoek, moest verhoogd worden.

Na ongeveer vier weken begon de publieke belangstelling te luwen,
totdat opeens een nieuwe gebeurtenis alle gemoederen weer in beroering
bracht. Den 11en November toch werd bij den voogd van Rob, zijn ouders
leefden niet meer, Willemsparkweg 921, een brief in de bus gevonden
van den volgenden inhoud:


	"Ik ben in leven, en u hoeft u dus niet ongerust over me
	te maken. Alleen zult u geduld moeten hebben, want ik zal
	waarschijnlijk wel een jaar moeten wegblijven. Maar u kunt
	er vast op rekenen dat ik dan gezond en ongedeerd bij u
	terugkom. Ontvang de hartelijke groeten van

	uw liefhebbenden Rob."

	"P.S. Wilt u er vooral aan denken, dat mijn konijnen iederen
	morgen hun eten krijgen?

	Rob."


Ook deze gebeurtenis, de ontvangst van den brief, zal de lezer zich
nog duidelijk herinneren. Afdrukken ervan werden overal verspreid;
aan alle winkelruiten werd er een aangeplakt en alle kranten gaven
er een als gratis bijlage. Opnieuw ging er een storm van ontroering
door het land.

Professor Von Müller moest er het zijne weer van hebben. Hij schreef
aan de Nederlandsche Regeering, dat deze brief vervalscht moest
zijn. De hoos alleen was echt, en zou dit blijven zoolang niemand het
tegendeel bewees. De geleerde heer roerde zich zóo, dat een onderzoek
gelast werd naar de echtheid van het handschrift. Alle schoolcahiers,
alle verjaarbriefjes, die Rob ooit aan tantes en ooms had geschreven,
kwamen voor den rechter. Maar door iedereen, door Rob's voogd en
de familie Rensma in de eerste plaats, door de onderwijzers en de
schriftkundigen, werd pertinent verklaard dat niemand anders dan
Rob het bewuste briefje geschreven kon hebben. Nu werd de professor
kwaad, en begon een verwoeden veldtocht tegen de schriftgeleerden,
die volgens hem allemaal ezels waren. Hij schreef de eene brochure na
de andere, en werd ten slotte zoo vervelend, dat niemand meer notitie
van hem nam. Toen schonk de Duitsche Keizer hem de Kroonorde en den
personeelen titel van Geheimrath.

De zaak werd er niet duidelijker op, en er zou zeker nog heel wat tijd
en inkt aan besteed zijn, wanneer niet in die dagen de Transvaalsche
Oorlog alle aandacht in beslag had genomen. De kranten bepaalden
zich nu alleen tot enkele sensatieberichten. Ongeveer elke zes weken
kwam er opeens een telegram, nu uit Singapore, dan uit Groenland,
dan weer uit Valparaiso, dat er een jongen aangehouden was, wiens
signalement geheel overeenkwam met het overal verspreid portret
van den ontvoerde. Natuurlijk brachten zulke berichten telkens een
kortstondige maar hevige spanning, en bleken zij ook telkens onjuist te
zijn. Eens werd zelfs door de Japansche Regeering, op verzoek van de
onze, een jongmensch op staatskosten naar Amsterdam getransporteerd,
omdat men nu zeker meende Rob gevonden te hebben. Maar alle kosten
en moeiten waren vergeefs. Het jongemensch, een reizend Mongoolsch
marskramer, die eigenlijk heelemaal niet begreep wat men van hem
wilde, genoot eenige dagen de belangstelling van heel Amsterdam,
maar werd zoo bekeken, nageloopen, gedrongen en van het kastje naar
den muur gestuurd, dat hij dol blij was toen de Japansche Consul hem
weer overnam. Toch had hij de voldoening, met een aardig spaarduitje
weer naar zijn land terug te keeren, want de handige directie van
het Rembrandt-Theater had kans gezien hem tegen buitensporig hooge
betaling voor twee avonden te engageeren, en zijn aardige Mongoolsche
volksliederen hadden een uitbundig succes gehad.

Men kan begrijpen dat de familie Hartog, bij wie Rob in huis was
geweest, in groote spanning leefde. Ofschoon zij het 't beste
oordeelde, den raad van Rob op te volgen en te berusten, was de
justitie van oordeel dat men zich hier niet bij mocht neerleggen, en
gedurende drie maanden werd het huis op den Parkweg door een sterke
politiemacht bewaakt, ten einde te trachten den brenger van het
briefje, mocht hij opnieuw komen, in handen te krijgen. Men ontdekte
echter geen enkel spoor, en daar ook, noch uit het papier, noch uit
den inkt iets omtrent de herkomst der berichten kon afgeleid worden,
gaf men het ten slotte op.

Zoo verging het jaar 1901; het werd October 1902, en de belangstelling
was langzamerhand verflauwd; men begon het geval Rensma te vergeten.

Toen--we herinneren het ons allen nog levendig--gebeurde er opeens
iets, dat als een electrische schok door heel Nederland voer. Den
9en October ontving de familie Hartog een telegram uit Slavowitz,
de hoofdstad van Czernovië, luidende:


	"Ik kom den dertiende thuis.

	Rob."


Vier dagen van vreeselijke spanning! Zou het waar zijn? Zou dit
telegram werkelijk door Rob zijn afgezonden? Of had men weer met
een van die leugenachtige sensatieberichten te doen, waardoor al zoo
dikwijls teleurstelling was veroorzaakt?

Den 13en October, des avonds te elf minuten over achten, werd er
forsch aan de bel getrokken, en tien seconden daarna.... stond Rob
in de huiskamer, stralend, gezond, stevig!

Men begrijpt niet hoe zulke dingen uitlekken, maar zeker is, dat
de ochtendbladen van den 14en met vette letters aan het hoofd van
de eerste pagina de groote gebeurtenis meldden. Op den Parkweg zag
het zwart van de menschen; men verdrong zich voor de woning van de
familie Hartog. Rob moest op het balcon komen en werd met luide hoera's
begroet. De heele buurt vlagde. Krantenjongens deden buitensporige
zaken. De Amsterdammer Nieuwsbode, tot op dat oogenblik een kwijnend
blaadje van den derden rang, wist door een reeks handig-gestelde
artikelen de aandacht te trekken, en kreeg er in acht dagen tijds
zevenduizend abonnés bij. Zooals men weet is 't nu een Naamlooze
Vennootschap met een kapitaal van twaalfmillioen gulden. In alle
winkels verrezen speciale etalages, men kocht eenige weken slechts
Rensma-brood, Rensma-sigaren, Rensma-paraplu's, en er was geen lief
meisje in heel ons land, die Rob's portret niet op haar étagère
had staan.

Maar het handigst van allen wist de uitgever van dit boek van Rob's
terugkomst partij te trekken. Om ongeveer acht uur in den morgen was
door bulletins en telegrammen het groote nieuws bekend geworden;
om kwart voor negen stapte er iemand voor het huis Willemsparkweg
921 van zijn fiets, belde, gaf zijn kaartje af en fietste vijf
minuten later weer weg, met de schriftelijke verklaring in zijn zak,
waarbij hem--nadere regeling voorbehouden--de alleenuitgave verzekerd
werd van Rob's reisavonturen! De 17 Amerikanen, 11 Duitschers, 8
Franschen, 3 Russen, 2 Engelschen, 1 Deen en 1 Griek, die later op
den dag telegrafisch dezelfde autorisatie vroegen, vischten achter
het net. Eerst den volgenden dag kwamen de eerste aanbiedingen van
andere Hollandsche uitgevers in. Niet alleen waren zij allen te laat,
maar hun voorwaarden bleven ver ten achter bij die van eerstgenoemden
uitgever, die zonder nadere onderhandelingen f10,000 bood, en dit
bedrag onmiddellijk verdubbelde toen hij vernam, dat Rob het voor de
algemeene armen van Amsterdam wenschte te bestemmen.

Ondanks het gedane verzoek, had Rob geweigerd zelf het relaas van
zijn lotgevallen te schrijven. Hij verklaarde daartoe den tijd te
missen, en zooals we later zien zullen, was dit motief alleszins
gegrond. Het gevolg van een en ander was, dat de uitgever denzelfden
dag een telegram verzond van dezen inhoud:


	"A. Bertrand--Hotel de Draak-- Peking.

	"Rob Rensma terug--ben in het bezit van zijn
	aanteekeningen--wilt ge daaruit reisverhaal
	samenstellen--honorarium f5000."


De bewerker van dit verhaal maakte op dat oogenblik een reis
door China, bezig met het verzamelen van gegevens voor een nieuw
jongensboek, en seinde terug:


	"Ja--ik kom.

	A. Bertrand."


Veertien dagen later werd te Amsterdam een begin gemaakt met het
schiften en ordenen van Rob's notities, en als resultaat daarvan
ligt thans het volledige en getrouwe overzicht van Rob's wonderlijke
avonturen voor u.



TWEEDE HOOFDSTUK.

ROB VLIEGT DE LUCHT IN.

	Wat Rob in het Vondelpark vond.--De geheimzinnige
	doos.--Rob meent een komplot op het spoor te zijn.--Hoe zijn
	nieuwsgierigheid gestraft werd.


Het ligt voor de hand, dat men al gauw na Rob's verdwijning
zich de vraag stelde: wat is de onmiddellijke aanleiding tot zijn
ontvoering? Is hier een wraakoefening in het spel? Is er een bepaalde
reden waarom juist Rob het slachtoffer van deze geheimzinnige
geschiedenis moest worden?

De lezer zal zich deze vraag ook gesteld hebben, en het ligt daarom in
de bedoeling allereerst in dit opzicht een nadere verklaring te geven.

Iedereen weet, dat Rob den avond vóor de ontvoering in het Vondelpark
gefietst had, daarna nog even in zijn studieboeken had gesnuffeld,
en vervolgens naar bed gegaan was. Er was dien dag, noch de vorige
dagen, iets bizonders met hem gebeurd, en den volgenden dag was hij op
het gewone uur naar school gegaan. Deze eenvoudige feiten waren aan
ieder bekend, en men kon er met geen mogelijkheid eenige aanwijzing
in vinden, die steun aan het gerechtelijk onderzoek zou geven.

Maar wat tot op heden niemand geweten heeft, is het volgende.

Toen Rob door het Park fietste, liet hij zich als gewoonlijk geen
enkelen kwajongensstreek ontgaan, en, in zijn neiging om dingen te doen
die verboden zijn, reed hij ook zoo nu en dan door de voetpaden. De
parkwachter had hem voor deze overtreding al menig standje gemaakt,
maar op dat oogenblik was de man niet te zien, en bovendien begon
't al te schemeren. Op het wandelpad, dat langs den vijver loopt, had
Rob het ongeluk met zijn voorwiel een van twee mannen te raken, die
daar op een bank in fluisterend gesprek zaten. De mannen, blijkbaar
verschrikt, stonden haastig op; de een mompelde iets dat Rob niet
verstond, en daarna verwijderden beiden zich snel. Rob was ook even
geschrokken, meenende dat hij den man bezeerd had, maar toen hij
zag dat ze 't blijkbaar niet boos opnamen, maakte hij zich gereed om
weer in het zadel te springen. Daar werd hij echter op zijn schouder
getikt, en de parkwachter stond naast hem, zeggend: "al weer zonder
licht?" De wachter, een goedhartig man, wist wel dat Rob nu eenmaal
onverbeterlijk was, en liet het dus bij deze vermaning. Maar Rob vond
het toch verstandiger, zijn lantaren aan te steken. Daarom zette hij,
terwijl de wachter weer verder wandelde, zijn wiel tegen de bank, en
stak een lucifer aan. Weldra brandde de lantaren helder, en Rob wou
juist wegrijden toen hij op de bank een metalen voorwerp zag liggen,
dat de stralen van het lantarenlicht scherp weerkaatste. Dadelijk
was zijn nieuwsgierigheid geprikkeld; hij nam het voorwerp, dat een
stalen doos of kistje bleek te zijn, op zijn fiets mee, en besloot
het thuis eens op zijn gemak te bekijken.

Het zou zeer zeker verstandiger van Rob geweest zijn, als hij het
kistje aan den parkwachter ter hand had gesteld, of getracht had
de beide mannen in te halen, die het klaarblijkelijk hadden laten
liggen. Maar de vorm en het uiterlijk van zijn vondst trokken hem
zoo aan, dat hij niet laten kon het voorloopig in zijn bezit te
houden. Dat hij, thuisgekomen, het voorwerp aan niemand liet zien,
heeft een verklaarbare oorzaak. Een paar maanden geleden toch, in
de zomervacantie, had Rob, bij familie in Utrecht logeerende, bij
een der forten in den omtrek der stad een langwerpige huls gevonden,
die later bleek een dynamietpatroon te zijn, welke vermoedelijk na
een oefening van de genie-troepen was blijven liggen.

Dat wist Rob toen echter nog niet; hij had er aan gepeuterd en er
op gehamerd, en het gevolg was geweest dat 't ding, waarin zich nog
een overblijfsel van het springmiddel had bevonden, plotseling met
een hevigen slag was ontploft. Rob had vrij ernstige brandwonden aan
gezicht en handen gekregen, zijn haren en wenkbrauwen waren geschroeid,
en 't had maar weinig gescheeld of hij zou er een oog bij verloren
hebben. Natuurlijk had zijn voogd hem onder handen genomen, en hem
streng verboden ooit weer iets op te rapen waarvan hij vermoeden kon
dat het zulk een gevaarlijken inhoud bezat.

Rob had dit verbod op zijn manier opgevat, en bracht het in practijk
door voortaan nooit iets van zijn vondsten te vertellen. Toen hij
dan ook thuis kwam, bracht hij het doosje dadelijk op zijn kamer,
en eerst 's avonds in bed begon hij bij kaarslicht zijn buit te
onderzoeken. Hij bleek een blank stalen doos in den vorm van een
boek te pakken te hebben, ongeveer 20 cM lang, 15 cM breed en 3 cM
dik. Langs een der lange zijden liep een stalen draad, waarmee de
doos klaarblijkelijk gesloten werd gehouden. Daar de draad aan beide
uiteinden tegen de doos was vastgesoldeerd, trachtte Rob het soldeer
in de kaarsvlam te doen smelten. Dit lukte echter niet, en daar Rob
door de treurige ervaring van den afgeloopen zomer wel wat huiverig
was gevonden voor proefnemingen met vuur, stapte hij zijn bed uit en
scharrelde in zijn timmerkist een nijptang en een vijl op. Met behulp
van deze beide werktuigen gelukte het hem den draad te verbreken,
en nu ging de doos zonder veel moeite open. De inhoud bleek uit drie
bladen perkament te bestaan, althans uit bladen van een zeer taaie,
geoliede papiersoort. Het eerste blad was blanco, de beide anderen
waren met diepzwarten, glanzenden inkt beschreven. Op het eene bevonden
zich niets dan cijfers; het andere bevatte de volgende regels:


	Kroonjuweelen £1000.000
	15 October Green-eiland
	20 October Dover
	Huur hoek Longmanstreet 2610 en 2612
	Advertenties en aanplakbiljetten.


De beteekenis van deze zinnen was voor Rob totaal onverstaanbaar. Hij
begreep echter wel, in verband met het vreemde gedrag der beide mannen,
die de metalen doos verloren hadden, en ook omdat dit document zoo
stevig was verpakt, dat hij vermoedelijk met aanteekeningen te doen
had, die voor den eigenaar van groote waarde waren. Zijn levendige
fantasie spon een ganschen roman om de drie perkamenten bladen, en
toen hij, moe gekeken op de geheimzinnige woorden, die hij te vergeefs
met elkaar in verband trachtte te brengen, ten slotte in slaap was
gevallen, droomde hij voortdurend van alle wonderverhalen die hij in
zijn leven gelezen had. Hij was er van overtuigd dat hij een zeer
belangrijke vondst had gedaan, die hem misschien op het spoor van
een samenzwering of een andere avontuurlijke onderneming zou brengen.

Den volgenden morgen verborg hij de doos in den binnenzak van zijn
jas, voornemens om na schooltijd een kameraad in het geheim te nemen
en met diens hulp het document eens aan een nauwkeurig onderzoek
te onderwerpen.

Rob vermoedde weinig, dat hij niet lang ongestraft in het bezit van
het gevondene zou blijven. Toen hij den vorigen avond naar huis ging,
was een der mannen, die het kistje hadden laten liggen, hem gevolgd;
voor de deur van zijn woning had deze een eigenaardig gefluit doen
hooren, en kort daarna zweefde een donker voorwerp boven het huis,
en bleef daar gedurende den geheelen nacht, door niemand opgemerkt,
hangen. Hoe het verder met Rob toeging, weten we, en we hebben dus
nu na te gaan waar hij te land kwam, toen hij door die onverklaarbare
aantrekkingskracht van de aarde werd opgeheven.



DERDE HOOFDSTUK.

OP HET LUCHTSCHIP.

	Rob komt aan boord van "De Vogel".--Hij wordt vriendelijk
	ontvangen en vindt een fraaie logeerkamer voor zich
	ingericht.--Hij leert het leven aan boord kennen.--De eerste
	dag valt hem niet tegen.


Zij, die twee jaar geleden meenden gezien te hebben dat Rob van het
dak van den Stadsschouwburg door een man, die zich daar verborgen
hield, omhooggehaald werd, kunnen er zich thans op beroemen dat hun
getuigenis voor den rechter van instructie de waarheid het meest
nabij kwam. Want inderdaad kwam de gang van zaken ongeveer daarop neer.

Het bolvormige voorwerp, dat gedurende den nacht boven het huis van
den heer Hartog had gezweefd, had zich tegen den morgen tot boven
het dak van den Schouwburg verplaatst, waar het onzichtbaar bleef
voor de voorbijgangers. Toen Rob langs kwam, werd een metalen lijn
uitgeworpen, die ondanks zijn uiterste dunheid geheel onbuigbaar was,
en aan welks uiteinde een cirkelvormige band was bevestigd, die over
Rob's hoofd heengleed en daarna vast om zijn armen en zijn middel
werd dichtgetrokken. Boven op het dak gekomen, werd Rob door een man,
in een nauwsluitend zwart pak zonder eenige versiering gekleed en met
een zwart masker voor, in ontvangst genomen. Deze zei alleen: "niet
bang zijn; rustig blijven." Daarna haakte hij de lijn los, legde Rob
op een klein platform, dat onder aan een bol was bevestigd die op een
luchtballon leek, nam zelf plaats op een soort stuurstoel, die zich
aan het uiteinde van het platform bevond, en draaide snel een houten
kruk eenige malen om. Onmiddellijk daarna schoot de geheele toestel
met fabelachtige snelheid omhoog, zoo snel dat Rob den wind langs zijn
ooren voelde suizen. Rob was wel een beetje verschrikt, maar hij was
nog al niet bang van aard, en de manier waarop zijn ontvoerder hem
met kalme, heldere stem had aangemaand rustig te blijven, boezemde
hem zulk een vertrouwen in, dat hij weldra zijn bedaardheid terug
voelde keeren. Met open oogen lag hij rond te kijken; hij vond de
snelle beweging en de frissche wind die langs zijn gezicht streek niet
onaangenaam. Wel kon hij zich geheel niet bewegen, want zijn geleider
had ook een ring om zijn beenen gesloten, maar hij bemerkte dat zijn
boeien hem geheel geen pijn deden, en waarschijnlijk met een zachte
stof gevoerd waren. Ook begon hij het reisje wel romantisch te vinden,
en stelde hij zich al de verbaasde gezichten van zijn kameraden voor
als zij van zijn geheimzinnig verdwijnen zouden hooren.

Na enkele minuten zeer snel gestegen te hebben, draaide zijn geleider
weer aan de kruk, en de ballon bleef onbewegelijk hangen. Naar
beneden ziende, bemerkte Rob dat hij zich boven een dikke wolkenlaag
bevond, die de aarde aan zijn oog onttrok. De zon scheen vroolijk,
en kleurde de wolken met roze en gele tinten, zoodat ze een geheel
ander aanzien kregen dan men van beneden af gewoon was waar te nemen;
een paar vogeltjes kwamen op den rand van het platform zitten en
kwinkeleerden vroolijk; de heldere hemel boven de luchtschippers was
zoo diep en glanzend blauw als men dat in onze noordelijke landen
zelden of nooit waarneemt.

De man aan het roer opende een klein deurtje in den bodem van het
platform, en bracht een flesch, een glas, een bord en een doos van
eigenaardigen vorm en uit een paarlmoer-achtig metaal vervaardigd,
te voorschijn. Uit de flesch schonk hij een blauwe vloeistof in,
terwijl hij uit de doos een paar roodgekleurde rolletjes nam en die
op het bord legde. Ofschoon Rob kort geleden stevig ontbeten had,
voelde hij nu opeens een prikkelenden honger, en hij liet zich dus ook
niet lang nooden, toen zijn geleider een van zijn handen vrijmaakte,
en tot hem zei:

"Eet en drink iets. In deze hooge lucht krijgt men gauw honger."

Het zag er vreemd uit: die blauwe vloeistof en dat roode voedsel. Maar
de stem van den geheimzinnigen stuurman klonk weer zoo vriendelijk en
vertrouwenwekkend, dat Rob geen oogenblik aarzelde. Hij at en dronk,
en de uitwerking was hoogst merkwaardig. De drank had het prikkelende
en opwekkende van champagne, zonder de benevelende eigenschappen
daarvan; de kleine roode broodjes deden aan pasteikorst denken, maar
waren lichter en brosser, en toch voelde Rob zich na ze gegeten te
hebben zoo verzadigd en versterkt alsof hij een voedzaam maal genoten
had. Toen hij gereed was en zich weer heelemaal op zijn gemak voelde,
vroeg hij:

"Wat gebeurt er eigenlijk met me?"

De man met het masker antwoordde:

"Voorloopig kan ik je geen enkele inlichting geven. Vraag dus
niets. Ik zal je boeien losmaken, maar wees zoo verstandig en blijf
rustig zitten. Ontvluchten is natuurlijk onmogelijk, doe dus ook geen
poging om mij te bemoeilijken."

Rob beloofde dat hij in alles gehoorzamen zou. Toen deed de man ook den
band van zijn voeten af, en Rob ging rechtop zitten. Zijn geleider
schoof nu het masker opzij, en Rob keek in een flink, mannelijk
gezicht, waarin de donkere oogen scherp en helder schitterden. Om
den mond lag een ernstige, vastberaden trek.

"Schrik niet," zei de stuurman, "ik zal een signaal geven."

Hij opende een klepje in een buis, die zich naast de stuurkruk
bevond, en nu deed zich een zwaar, doordringend geluid als van een
misthoorn hooren. Na ongeveer een minuut werd dit signaal van uit de
verte beantwoord, en de stuurman sloot de klep. Weldra zag Rob uit de
wolkenmassa een donker gevaarte naderen, het nam snel in omvang toe, en
hield vlak naast het schuitje waarin Rob zich bevond stil. Nu zag Rob,
dat zich boven het kolossale luchtschip een aantal vleugelschroeven
bevond, die snel ronddraaiden, en hij begreep dat deze dienden om
den winddruk te neutraliseeren en het schip zwevende te houden. Op
dergelijke wijze was het ook mogelijk geweest het "schuitje," zooals
Rob het bij zichzelf noemde, bijna onbewegelijk op dezelfde plaats
te doen blijven.

Het luchtschip, waarop Rob nu overstapte--nadat hij met verbazing
gezien had, hoe zijn geleider met enkele weinige handbewegingen de
ballon van het schuitje deed leegloopen en daarna den geheelen toestel
opvouwde en in een betrekkelijk kleine kist borg--bleek een langgerekt
sigaarvormig lichaam te zijn, waarboven zich een ballon bevond die er
ongeveer als een liggende O uitzag. De lengte van het schip schatte Rob
op ongeveer 25 M., de breedte op nagenoeg 8 M. Verscheidene wentelende
schroeven en raderen deden een eigenaardig gedempt snorren hooren; hier
en daar merkte Rob toestellen en instrumenten op, waarvan de beteekenis
hem natuurlijk ontging. Aan het achtereinde van het dek stond een
huisje met glazen wanden, waarin zich een man, klaarblijkelijk de
stuurman, bevond; ook deze droeg dezelfde eenvoudige zwarte uniform
als zijn geleider, en was het eenige levende wezen dat op het dek te
bespeuren viel.

Op aanwijzing van zijn geleider daalde Rob een trap af, die zich aan de
voorzijde van het dek bevond en toegang gaf tot een gang, welke in de
lengte van het schip liep, en waarop verscheidene deuren uitkwamen. Een
daarvan, het nummer 9 dragende, werd voor hem geopend, en Rob werd
verzocht binnen te gaan en te wachten tot men hem zou doen roepen.

Toen de deur zich achter hen gesloten had, bleek Rob zich in een
kamertje van ongeveer 3 bij 4 M. te bevinden, dat er lang niet
ongezellig uitzag. Het was smaakvol gemeubeld, en ontving zijn licht
door een breed, vrij hoog in den wand aangebracht venster. Aan de
zoldering en langs de wanden bevonden zich electrische lampjes; tegen
een der zijmuren stond een ledikant, de andere was in regelmatige en
even groote vakken verdeeld, die elk een opschrift hadden in een voor
Rob onbekende taal, en klaarblijkelijk de deuren vormden van zich in
dien zijwand bevindende kastjes of bergplaatsen. De vloer was bedekt
met een zachte, veerkrachtige stof; de wanden waren van een glad, warm
gekleurd behangsel voorzien; het heele vertrek was even eenvoudig,
smaakvol als practisch ingericht. Op een bij het raam aan den muur
bevestigd lessenaartje lag een boek, waarop in het Hollandsch, Fransch,
Duitsch, Engelsch en de Rob onbekende taal het woord "Handleiding"
stond gedrukt; Rob wilde dit juist opnemen en inzien toen een stem
naast hem sprak:

"Ik kom eens even met je praten."

Rob schrikte een oogenblik, want hij had niemand hooren binnenkomen;
de deur was volkomen geruischloos opengaan en had zich evenzoo weer
gesloten. Hij keek om en zag iemand in de bekende zwarte kleeding
naast hen staan. Voor hij iets kon zeggen, sprak de binnengekomene:

"Je hebt zeker die metalen doos bij je, die je gisteren gevonden hebt?"

Rob haalde het gevraagde uit zijn binnenzak, en de ander nam haar
met een tevreden hoofdknik aan, bekeek den inhoud, en zei toen:

"Dat maakt het ons gemakkelijk. Ik vreesde dat we het voor goed kwijt
zouden zijn. Heb je gelezen wat er in staat?"

"Ja, dat heb ik."

"Ik dacht het wel; de sluiting is verbroken. Nu vrees ik echter,
dat de commandant je vooreerst niet kan laten gaan. De inhoud is zeer
belangrijk en niemand buiten ons mag die weten."

"Ik wil u graag beloven dat ik er nooit met iemand over spreken zal,"
zei Rob.

"Ja--dat geloof ik wel. Maar daar mogen we niet op rekenen. Het is
heel jammer, dat je het slachtoffer bent geworden van de slordigheid
van een onzer kameraden. Maar daar is niets aan te veranderen. Neem nu
een goeden raad van me aan. Wees kalm en onderwerp je in alles aan wat
je hier voorgeschreven zal worden. Dan verzeker ik je dat je 't hier
heel goed zult hebben en dat je, zoo gauw maar eenigszins mogelijk
is, weer vrijgelaten zult worden. Ik zal nu beginnen met je wat beter
thuis te brengen in onze omgeving, dan zal je ook spoedig op je gemak
zijn en je gevangenschap geduldig dragen. Laten we gaan zitten."

De spreker schoof twee stoelen bij het raam, en vervolgde nadat beiden
hadden plaats genomen:

"Hoe heet je?"

"Rob."

"Dat is een goede, korte naam. Dien zal je wel kunnen houden. We
houden hier van eenvoud en kortheid, en hebben daarom allen bondige
namen. Ik heet Lo; zoo moet je me ook voortaan noemen. Als je er aan
gewend bent, zijn onze namen volstrekt niet onwelluidender dan die
de menschen op aarde dragen. Verder behoor je te weten dat we elkaar
hier allemaal bij den naam noemen en met jij en je aanspreken. Ook
dat is eenvoudig en went gauw. Het maakt den omgang gemakkelijker en
aangenamer, en neemt volstrekt de achting voor elkaar niet weg. We
spreken ook den commandant, die Li heet, op die gemeenzame wijze
aan, en toch gehoorzamen wij hem gaarne. Kijk eens, in dat Handboek,
waarnaar je zooeven keek, vind je alles wat noodig is om je hier met
kennis van zaken te kunnen bewegen; maar om het je gemakkelijker te
maken, zal ik je in hoofdtrekken den inhoud vertellen, dan kan je
het later nog wel eens nalezen."

Lo nam nu het Handboek van het lessenaartje, sloeg het open, en zei:

"Je bent hier op het luchtschip De Vogel. Alweer een eenvoudige
naam, en tevens doelmatig, want je zult later bemerken dat dit schip
geconstrueerd is volgens dezelfde beginselen als het lichaam van
een vogel.

"Met het doel en de bestemming van De Vogel heb je voorloopig nog
niet te maken.

"Er zijn hier de volgende personen aan boord: Li, de commandant,
iemand van ongeveer dertig jaar, dien je straks zult leeren kennen;
La, onze geleerde, de wetenschappelijke raadsman van het schip, van
wien je nog wel genoeg zult hooren; zijn eenige fout is verstrooidheid,
en daaraan heb jij ook te danken dat je op 't oogenblik hier ben--maar
dat komt later wel ter sprake. Ten derde Mu, de stuurman, die je op
het dek zeker wel in zijn huisje hebt zien zitten; hij vervangt zoo
noodig den commandant. Dan hebben we Naf, Nef en Nof, die alle drie
een veelzijdigen, soms drukken werkkring vervullen. De eerste heeft
het toezicht op de gemeenschappelijke vertrekken--je zult weldra in
de gelegenheid zijn te zien welke dat zijn--hij springt desvereischt
voor den stuurman in, zorgt voor de bereiding van het voedsel, regelt
de uurwerken, houdt de vrij talrijke instrumenten in orde die er aan
boord zijn, en is kortom met de geheele leiding van de dagelijksche
bezigheden belast. Nef en Nof zijn onze boden; ze worden met
belangrijke zendingen naar de aarde belast--soms zelfs naar een andere
planeet--doen allerlei speur- en onderzoekingsdiensten, behandelen
in ernstige omstandigheden onze verweermiddelen (het geschut, zouden
ze op aarde zeggen) en hebben elk een klein vliegtoestel tot hun
beschikking, waarvan je er een dezen morgen hebt leeren kennen. De
zevende en laatste ben ik; je zoudt me den particulieren secretaris
van den commandant kunnen noemen. Ik breng het grootste deel van
mijn tijd in zijn werkkamer door, werk zijn plannen en bevelen uit,
breng die ter kennis van de overige bemanning, schrijf de geschiedenis
van het schip, beheer de geldmiddelen--die we hier in de lucht ook
noodig hebben, zooals je zien zult--voer daarvan de administratie,
en ben ten slotte belast met de zorg voor onze gasten."

"Hoor ik ook tot de gasten?" vroeg Rob eenigszins ondeugend.

"We noemen iedereen zoo die geen deel uitmaakt van de vaste bemanning,"
antwoordde Lo. "Op 't oogenblik ben je dus aan mijn bizondere zorgen
toevertrouwd. Je bevindt je in het vertrek voor de gasten van het
schip. Er zijn hier de volgende kamers, zooals je op dezen platten
grond duidelijk zien kunt: aan het einde van de gang de kamer van
den commandant, waarin tevens een schrijftafel voor mij; daarnaast de
eetkamer, waarin de leeskamer inkomt. Deze vertrekken zijn genummerd:
1, 2 en 3. Langs de gang bevinden zich 7 kamers, 4 rechts en 3
links, doorloopend genummerd; de nummers 4, 5, 6, 7 en 8 zijn voor
de bemanning (de commandant en ik hebben onze slaapvertrekken achter
de werkkamer); kamer 9 is voor eventueele gasten en kan zoo noodig
voor meerdere personen worden ingericht; kamer 10 is het zoogenaamde
laboratorium, tevens keuken--twee bestemmingen die zich hier, zooals
je zien zult, zeer goed laten vereenigen. Eindelijk bevindt zich
onder in het schip de badkamer, genummerd 11, en een bergruimte die
het nummer 12 draagt; met het glazen huis van den stuurman, n°. 13,
is het aantal compleet. In dit huis bevinden zich alle toestellen,
die voor het voortbewegen van het schip noodig zijn.

"Ziezoo, nu weet je den weg.

"Wat onze taal betreft, die is hoogst eenvoudig, en gemakkelijk
te leeren. La is er de uitvinder van en heeft het vraagstuk van
een practische, duidelijke en niet moeielijke taal schitterend
opgelost. Misschien, als je ons vertrouwen hebt weten te winnen,
zal hij je in de geheimen ervan inwijden. Maar voorloopig zal het
wel Latijn voor je blijven.

"En nu zal ik je nog even vertellen wat je hier in je kamer vinden
kunt.

"Zooals je ziet, is alles aanwezig wat je op aarde in een goed
ingerichte logeerkamer maar zou kunnen verlangen. Je hebt zeker
al opgemerkt dat alles er even eenvoudig en toch uiterst sierlijk
uitziet. En bovendien heeft elk voorwerp de uitstekende eigenschap van
onbreekbaar te zijn; glas of hout komt niet voor, alles is van metaal,
tot de dekens van je bed toe, hoe vreemd dit ook klinkt. Later zal
je dit duidelijker worden.

"Hier in dezen zijwand vind je alles wat je maar wenschen kunt;
elk vak heeft een deurtje--kijk, als ik op dit knopje druk, springt
bijvoorbeeld deur 2 open. In dat kastje liggen kleeren; je vindt
er compleete stellen van boven- en ondergoed, het is eenvoudig,
practisch en hygiënisch. Hoe het schoongehouden wordt, leer ik je
later. In kast 3 is beddegoed, in kast 4 schrijfgereedschap, nummer
5 bergt eenige wapens en instrumenten die je te pas komen--kortom,
je vindt hier alles wat maar nuttig of aangenaam kan zijn.

"Zie zoo. Nu ben je voorloopig op de hoogte. Het is nu halftwaalf. Kijk
nu eens een half uur in je kamer rond totdat je met alles vertrouwd
bent. Om twaalf uur kom ik je halen en gaan we naar den commandant."

Met deze woorden nam Lo afscheid en Rob werd voor een half uur aan
zichzelf overgelaten.

Hij moest bekennen dat hij zijn toestand zóo avontuurlijk vond, dat
hij eigenlijk hoopte voorloopig niet vrijgelaten te zullen worden. Hij
ging in gedachte alle boeken na, waaruit hij van wonderlijke reizen
en romantische avonturen had gelezen, en 't leek hem dat in geen
van die verhalen zulke ongeloofelijke dingen werden verteld als
hij nu meemaakte. Zoo dikwijls had hij gehoopt zélf eens zulke
avontuurlijke reizen te mogen maken, en nu werd op eens onverwacht
aan dat verlangen voldaan. Wat zouden het toch voor menschen zijn,
onder wie hij zich nu bevond? In elk geval wilden ze hem geen kwaad
doen, want de beide mannen met wie hij tot nu toe te doen had gehad,
waren bizonder vriendelijk voor hem geweest. Hij begreep wel dat
ze hem gevangen hielden omdat hij toevallig op het spoor van een
hunner geheimen was gekomen, maar hij zag eveneens in dat men hem
niet langer van zijn vrijheid zou berooven dan hoog noodzakelijk
was. In dit opzicht zag hij den toestand niet ernstig in. Wel was hij
bezorgd dat zijn kennissen in angst zouden verkeeren, en dat vergalde
veel van 't genoegen dat hij al in zijn avontuur gekregen had. Wat de
onderwijzers en de jongens van de H.B.S. van zijn verdwijnen zouden
denken, dat trok hij zich zoo erg niet aan; integendeel voelde hij
zich wel gewichtig tegenover hen. Maar 't hinderde hem dat zijn voogd
en diens vrouw ongerust zouden zijn. Waarschijnlijk zouden ze wel
gehoord hebben dat hij op het Leidsche Plein naar boven getrokken was,
want er waren natuurlijk menschen geweest die hem hadden zien vliegen,
al wist hij zich door den eersten schrik heelemaal niet te herinneren
welken indruk zijn ontvoering op de voorbijgangers had gemaakt. Maar
als niemand verdere berichten van hem kreeg, dan zouden ze zich thuis
toch erg ongerust gaan maken.

Rob dacht over dit alles nog na, toen de deur weer geruischloos werd
geopend en Lo hem uitnoodigde mee te gaan.

Ze liepen de gang ten einde en Lo opende de deur van een niet groot
maar eenvoudig en smaakvol ingericht studeervertrek, waar de commandant
Li aan zijn schrijftafel zat. Li bleek een man van ongeveer dertig
jaar te zijn, met een ernstig, energiek, maar vriendelijk gezicht,
die dadelijk toen Rob binnentrad, opstond, hem tegemoet kwam en de
hand uitstak.

"Ga zitten, Rob," zei Li. "Ik heb van den secretaris al 't een en ander
van je gehoord. Het spijt me dat ik genoodzaakt ben geweest je te doen
oplichten; maar daar was niets aan te verhelpen. Door een toeval had
je een document in handen gekregen, dat voor mij van veel gewicht is;
ik mocht je niet in 't ongestoord bezit daarvan laten. Vertel me nu
eens; hoe heet je?"

"Rob Rensma."

"Hoe oud ben je?"

"Zestien jaar."

"Waar ga je school?"

"Op de H.B.S. in Amsterdam."

"En waar woon je?"

"Willemsparkweg 921."

"Goed zoo," zei Li, terwijl de secretaris de antwoorden opteekende. "Ik
hoop dat ik je zoo gauw mogelijk naar huis kan terugsturen. Dat zal
ook veel van jezelf afhangen. Er is te eer kans op, naar mate je je
tegenover ons gedraagt als vriend. En dat laatste zal je gemakkelijk
vallen, want je zult hier aan boord niets zien gebeuren of niets
behoeven te verrichten dat niet met eer en geweten is overeen te
brengen. Om een duidelijker indruk van je goeden wil te krijgen, zal
ik je nu en dan een kleine opdracht doen uitvoeren in verband met onze
ondernemingen. Ik twijfel niet of je zult er eer mee inleggen. Ben
je gezond en sterk?"

"O ja," antwoordde Rob. "Ik mankeer nooit wat."

"Dat zal je goed te pas komen. Bovendien leiden wij hier een
regelmatig leven, bewegen ons doorgaans in hooge, zuivere lucht,
en hebben ten overvloede een uitstekenden dokter, onzen geleerden
La, aan boord. Ziekten komen dan ook zoo goed als nooit voor. Nu,
we spreken elkaar wel nader. Heb je nog iets te vragen?"

"Ja, ik zou wel graag willen dat mijn voogd iets van me hoorde;
die zal wel ongerust zijn...."

"Ik was juist bezig maatregelen daaromtrent te beramen; maar ik
vrees dat je nog eenig geduld zult moeten hebben. We maken op 't
oogenblik"--Li drukte op een knop aan den wand, en achter een zich
daarnaast bevindend ruitje sprong het cijfer 150 te voorschijn--"we
maken op 't oogenblik 150 K.M. per uur, en hebben dus sedert halftien
bijna 400 K.M. afgelegd. Op dit oogenblik een van de vliegtoestellen
af te zenden, zou nutteloos zijn, zooals je later zult leeren
begrijpen. In elk geval moet je maar beginnen met een briefje te
schrijven. Zoodra er gelegenheid is zend ik het af. Nog iets anders?"

Rob had geen andere wenschen kenbaar te maken, en werd nu weer verzocht
Lo te volgen, die hem in kamer 9 terugbracht.

Lo deed kastje 2 openspringen, en zei:

"Kies je hier nu een pak kleeren uit; in de Handleiding zal je vinden,
welke je noodig hebt en hoe je ze aan moet trekken. Kastje 6 is leeg,
en dient als bergplaats, doe daar de kleeren maar in die je nu aan
hebt. Vijf minuten vóor het eten zal je een bel hooren; ik kom je
dan halen voor den gemeenschappelijken maaltijd. Dan maak je tevens
met de andere schepelingen kennis."

Lo verdween en Rob begon van kleeren te verwisselen. Het trof
hem hoe practisch de kleeding, die hij uit het kastje haalde, was
ingericht. Alles zat vrij sluitend en belemmerde toch nergens de
bewegingen; hij had zelf een gevoel alsof hij bijna geen kleeren
aan had, en vond toch niet dat hij last had van de kou. De schoenen
waren van dezelfde stof als het pak, en maakten niettemin een zeer
solieden indruk; ze gleden gemakkelijk aan den voet, knelden nergens
en behoefden niet geregen of geknoopt te worden. Rob bekeek zich in
den spiegel en was van oordeel dat het pak hem heel goed stond. Hij
had zich in deze kleeding wel eens willen laten kieken!

Juist toen hij klaar was, ging de bel; een oogenblik daarna kwam
Lo binnen en verzocht hem mee te gaan. In de eetkamer waren de
overige reisgenooten reeds verzameld. De kennismaking werd Rob
zeer gemakkelijk gemaakt, want allen kwamen naar hem toe alsof hij
volstrekt geen vreemde voor hen was, drukten hem de hand en heetten
hem hartelijk welkom.

Aan tafel heerschte een opgewekte en gezellige toon. Er werd gepraat en
gelachen, en uit beleefdheid tegenover den gast werd er dezen middag
Hollandsch gesproken, ofschoon er uit gewoonte nu en dan een woord
Laïsch in het gesprek werd gemengd. Rob was in het eerst vrij stil,
want hij zag zooveel vreemde dingen om zich heen, dat zijn oogen en
ooren er geen raad mee wisten. Maar La en Lo, in wier midden hij zat,
lokten hem tot praten uit en beantwoordden met onuitputtelijk geduld
al wat hij vroeg.

De geleerde La vertelde hem, dat de toestanden op het schip niet
dadelijk waren geweest als nu. Men was begonnen met vrij gebrekkige
hulpmiddelen, had vooral onoverkomelijke bezwaren ondervonden ten
opzichte van voeding, kleeding, verlichting en verwarming. Maar La
was er in geslaagd door de eene uitvinding na de andere het leven
aan boord te vergemakkelijken en te vereenvoudigen, zoodat men
ten slotte door eigen productie in alle behoeften kon voorzien. De
verlichting bijvoorbeeld was geheel electrisch, en werd door dezelfde
toestellen geleverd als die, welke De Vogel in beweging brachten; met
accumulatoren had men niet te maken, daar de vele steeds rondwentelende
vliegschroeven en luchtschepraderen voor een onuitputtelijke
hoeveelheid wrijvingselectriciteit zorgden. De verwarming werd
geregeld door buizen met langs electrischen weg verhitte lucht. De
voeding, zooals Rob gelegenheid had proefondervindelijk op te
merken, was zeer eenvoudig, maar daarom niet minder versterkend; haar
voornaamste eigenschap bestond daarin, dat ze opwekte en verzadigde,
zonder dat loome, vadzige gevoel na te laten dat een "goed diner"
op aarde gewoonlijk tevoorschijn roept. Door langs chemischen weg uit
plantaardig voedsel die bestanddeelen af te scheiden, welke de mensch
in hoofdzaak voor het onderhoud van zijn lichaam noodig heeft, had
La in een betrekkelijk kleine ruimte genoeg levensmiddelen opgehoopt
om de eerste tien jaren aan een hongersnood het hoofd te kunnen
bieden; het laboratorium was de bewaarplaats van dezen voorraad,
waarvan elk onderdeel door hermetische sluiting tegen bederf werd
gevrijwaard. Elken dag bepaalde La het menu, dit op wetenschappelijke
gronden samenstellend; Naf, de kok, had dan slechts de capsules te
openen, door La aangewezen, en na enkele eenvoudige bewerkingen--de
eene spijs wat verwarmen, de andere oplossen in water--was de
maaltijd gereed. Daar men de gezelligheid en een vriendschappelijken
omgang aan boord naar waarde wist te schatten, was het gewoonte de
gemeenschappelijke maaltijden niet al te vluchtig in te richten,
hoewel de weinig omslachtige wijze van voedsel bereiden en nuttigen
er al licht toe leiden zou aan die maaltijden slechts een zeer
ondergeschikte plaats toe te kennen.

"Zooals je ziet," vertelde La, "drinken we water. Dat is onze
gewone drank, en we bevinden er ons op den duur best bij. Gezond
en gemakkelijk te verkrijgen, want aan regen hebben we natuurlijk
zelden gebrek! Dierlijk voedsel en alcohol komen aan boord nooit
op het programma. Hoogstens tracteeren we ons nu en dan op fructa,
een oplossing in water van nuttige bestanddeelen uit vruchten, met
wat koolzuur vermengd. Fructa heeft een mooie blauwe kleur."

"En hoe worden de kleeren gemaakt, die we dragen?" vroeg Rob, steeds
nieuwsgieriger.

"Bijna alles op het schip is van metaal," antwoordde La. "Dat wil
zeggen, ik noem het metaal omdat het zich ongeveer als zoodanig laat
bewerken. Voor zulk een stof hebben we eigenlijk op aarde geen naam. In
het Laïsch noemen we het monum. Monum is een delfstof--misschien
vertel ik je later wel eens waar we die vinden--die zeer taai en
buigzaam is, maar toch zoo goed als onbreekbaar. Wat uit monum is
vervaardigd, is althans gedurende een menschenleeftijd niet aan
slijtage onderhevig. Door het met azijnzuur te behandelen wordt 't
week en plooibaar, zoodat we er tapijten, dekens, kleedingstukken, uit
kunnen vervaardigen, meer of minder poreus, al naar mate we er meer of
minder door verwarmd wenschen te worden. De inwerking van salpeterzuur
maakt het doorschijnend, zoodat het voor glasruiten geschikt is; in
vloeibare lucht gedompeld (waarvan we hier een ruim gebruik maken,
zooals je zien zult) wordt het ruig en vouwbaar, en is het geschikt
voor schrijfpapier; in 't vuur gesmeed kunnen er zeer lange en toch
onbuigzame kabels van gemaakt worden...."

"Aan zoo'n kabel heesch ik jou naar boven, Rob," viel Nef den geleerden
spreker in de rede. "Je had zeker wel gewild dat 't ding gebroken was!"

"Nu, in 't eerst vond ik 't maar half leuk, zoo opgenomen te worden,"
antwoordde Rob, "maar nu begin ik er heusch schik in te krijgen!"

Deze woorden kwamen er zoo van harte uit, dat allen er om lachten. Li
knikte Rob eens toe en zei:

"Nu, we willen maar hopen dat je geen spijt zult hebben van je verblijf
aan boord."

Het liep intusschen tegen twee uur, en de tafel werd opgeheven. Rob
zag dat iedereen meehielp om een deel van het servies op te ruimen en
schoon te maken, en stak ook dadelijk een helpende hand uit, hetgeen
klaarblijkelijk een goeden indruk maakte. Later vertelde Lo hem,
dat het gewoonte was ieder te laten wegbergen en in orde houden wat
hij zelf gebruikte, een maatregel die tijd en arbeid bespaarde.

Toen ieder weer aan zijn bezigheden gegaan was, bracht Lo den gast in
de leeskamer, waar talrijke schilderijen aan den muur hingen en een
geheele wand door een kolossale boekenkast ingenomen was. Ook bevond er
zich een kleine vleugel en zag Rob er viool- en violoncelkisten staan.

"Hier brengen we onzen vrijen tijd door," zei Lo. "Je vindt hier
lectuur voor een menschenleeftijd; wetenschappelijke werken--voor een
groot deel handschriften van La--en ook zuiver letterkundige. Allerlei
geduld- en gezelschapsspelen vind je er ook, maar alleen zulke waarbij
alles aan het verstand, niets aan het toeval wordt overgelaten. Er zijn
ook zeer ingewikkelde en moeielijke bij--uitvindingen alweer van La."

Rob bracht den heelen middag in de leeskamer door, waar hij voortdurend
nieuwe dingen vond die zijn belangstelling gaande hielden; om zeven
uur had er wederom een gemeenschappelijke maaltijd plaats, en tegen
acht uur was Rob zoo vermoeid van de elkaar verdringende indrukken,
dat hij naar bed ging en weldra zoo vast insliep alsof hij in zijn
eigen kamertje op den Willemsparkweg lag.



VIERDE HOOFDSTUK.

HOE DE VOGEL ER UITZAG.

	Rob ondervindt dat er in de lucht ook een H.B.S. is.--La toont
	hem eenige wonderen.--De geheimen van de stuurkamer.--Bijna
	zoo hoog als de Mont-Blanc.--Rob gaat vroeg naar bed.


Den volgenden morgen werd Rob door een electrisch belletje, dat zich
boven zijn bed bevond, om zes uur gewekt. Hij had aan éen stuk door
geslapen, en voelde zich verkwikt en uitgerust. Hij zette zijn horloge
gelijk met de klok die zich, zooals in alle andere kamers van 't schip,
boven de deur bevond en zag nu eerst dat de wijzerplaat niet in twaalf
doch in vier-en-twintig uren verdeeld was. Na twaalf uur in den middag
begon men dus van dertien tot en met vier-en-twintig te tellen, om
dan weer met éen te beginnen. Zooals Rob later hoorde, was de tijd
aldus ingedeeld, omdat de soms zeer snelle verplaatsingen van het
luchtschip een regelmatige indeeling van dag en nacht, zooals men die
op aarde heeft, niet mogelijk maakten. Men zou dan immers de klokken
aan boord steeds moeten gelijk zetten met die van de plaats op aarde,
waarboven men zich op dat oogenblik bevond, hetgeen natuurlijk ten
gevolge kon hebben dat men eenige aarde-uren lang volgens de lucht-klok
slechts een enkel uur of misschien zelfs geheel niet vooruitging. Men
had daarom aan boord de volgende tijdsverdeeling, gelijk Rob ook
in de Handleiding vermeld vond: zes uur opstaan, zeven uur ontbijt,
dertien uur middagmaal, negentien uur avondeten, twee-en-twintig uur
naar bed. Zoo gebeurde het wel, dat men bij daglicht sliep, en in
het donker aan 't werk was; meestal echter zweefde men op zulk een
hoogte, dat het zonlicht weken achtereen zichtbaar bleef, en in elk
geval wendde men aan deze schijnbaar abnormale toestanden spoedig.

Na het ontbijt werd Rob verzocht in La's kamer te komen, en nu
vernam hij dat deze hem elken dag van acht tot elf en van veertien tot
zestien les zou geven in dezelfde vakken, die hij nu op de H.B.S. moest
missen. Eerst vond Rob dit wel een beetje 'n teleurstelling, want hij
vond zoo'n tijdje gedwongen vacantie wel aardig; maar hij moest La toch
toestemmen, dat 't niet prettig zou zijn wanneer hij zoo ten achter
was als hij in Amsterdam terugkwam, en ook begreep hij dat hij daardoor
in zijn heele volgend leven schade zou kunnen ondervinden. Weldra zag
hij dan ook in, hoe dankbaar hij voor deze welwillende en verstandige
beschikking van den commendant moest zijn. En toen hij ondervond hoe
kalm en duidelijk La in al zijn uitleggingen was, en hoe deze het
"droogste" vak intressant wist te maken, was hij niet alleen spoedig
met zijn lesuren verzoend, maar begon hij er een dagelijks weerkeerend
genot in te vinden. Ook stak hij in enkele dagen meer op, dan hij
bij klassikaal onderwijs in weken gedaan zou hebben. Dikwijls bleven
er van het werkprogram enkele uren over, die La gebruikte om hem in
allerlei dingen van het luchtschip-leven in te wijden, en zoodoende
hoorde hij telkens meer wat zijn achting en zijn vriendschap voor
zijn nieuwe kennissen deed toenemen. Hoewel hij nog steeds niet wist
wat het doel van hun eigenaardig bestaan was, leerde hij elken dag
hun opvattingen en hun levensbeschouwing hooger schatten. Vooral
de groote waarde, die zij aan een gezond, regelmatig leven bleken
te hechten en aan de juiste verdeeling van rust, handenarbeid en
hoofdwerk, maakte een aangenamen indruk, en hij begreep al gauw
dat hij hier met goede, hoogstaande menschen te doen had. Er werd
van elk zonder onderscheid tamelijk veel inspanning gevergd, maar
daartegenover stond dat men op de rustdagen ook in den uitgebreidsten
zin van het woord voor ontspanning zorgde. Steeds heerschte er een
opgewekte, vriendschappelijke geest onder de leden der bemanning,
en de waardeering waarmee men elkaars daden en woorden besprak en
beoordeelde, leidde tot de onmisbare eenheid en samenwerking, die voor
't bereiken van een gemeenschappelijk doel onontbeerlijk is.

Toen de middagles dien dag was afgeloopen, vertelde La aan Rob, dat
Nof gereed stond om met een van de kleine vliegtoestellen naar de
aarde te gaan, en of hij hem dus een briefje voor zijn voogd wilde
meegeven. Rob schreef een paar regels, en nadat Li deze had gelezen
en goedgekeurd, vertrok Nof er mee.

"Je moet je niet al te veel van deze zending voorstellen," zei La. "De
vliegtoestellen hebben nog niet die volmaking, welke wij ze op den
duur hopen te geven. De grootste moeielijkheid bestaat echter in het
vinden van den weg, afgezien nog van de omstandigheid dat ze meer aan
de willekeur van weer en wind zijn blootgesteld dan 't schip. Hier
aan boord kunnen we steeds met de meeste nauwkeurigheid bepalen waar
we ons ten opzichte van de aarde of van een andere planeet bevinden;
dat is een groot voordeel."

"Maar hoe gebeurt dat dan?" vroeg Rob.

"Wel, we hebben natuurlijk allerlei instrumenten voor plaatsbepaling,
die op zee en ook door den gewonen ballonvaarder gebruikt worden,
maar op den duur zijn die voor ons gebruik te omslachtig en ook niet
altijd toereikend gebleken. Ga maar eens mee naar de stuurkamer,
dan zal ik je laten zien wat ik er op gevonden heb."

Ze gingen samen de monum trap op, die naar het dek leidde, en werden
door Mu met een vriendelijk woord ontvangen.

"Ik ben altijd maar blij als er gasten aan boord zijn," zei Mu. "Dan
sjouwt onze museumgids La het schip met hen rond en krijgt de
stuurkamer in de eerste plaats een beurt."

"Je zit hier ook wel erg eenzaam, hè?" vroeg Rob.

"Jawel," antwoordde Mu, "maar dat is zoo erg niet. Ten eerste houd ik
wel van eenzaamheid; daaraan zijn we hier allemaal aan boord gewend,
en voor menschen die van denken en werken houden is alleen-zijn
trouwens niet zoo'n verdriet. Maar dat neemt niet weg dat ik zoo nu
en dan wel van een praatje houd."

"Neen, Mu heeft het nog zoo kwaad niet," zei La. "Hij doet vrijwel
't intressantste werk aan boord, ook wel 't meest inspannende en
verantwoordelijke, maar daarom kan hij zich ook nu en dan door Naf
laten aflossen."

"En welk stuk zal ik de heeren nu 't eerst vertoonen?" vroeg Mu
schertsend.

"Ik ben er 't meest benieuwd naar hoe je hier midden in de wolken
den weg kan vinden," zei Rob, die het een zonderlinge gewaarwording
vond zich te midden van een ruimte te bevinden, die niets dan lucht
en wolken te zien gaf. Het was een heerlijk, frisch gevoel, daar
boven op het dek, en elke ademhaling gaf genot. Iets griezeligs was
er ook wel in, zoo door de lucht te vliegen, maar toch bemerkte men
de voortgaande beweging alleen doordat de schroeven hun voortdurend
gesnor deden hooren, en het dek van monum-planken licht trilde;
overigens had men zich evengoed kunnen voorstellen, dat het schip
stillag en alleen de wolken bewogen.

Mu had bij Rob's vraag La even aangekeken, maar deze knikte
geruststellend en zei:

"De commandant heeft geen bezwaar, dat ik enkele dingen aan onzen
gast laat zien. Rob kan dat als een aangenaam bewijs van vertrouwen
opvatten."

Mu schoof nu een langwerpige metalen plaat opzij, die het bovenblad
van een vlak voor hem staand tafeltje bedekte, en nu zag Rob een
glazen oppervlak, waarover zich een reeks fotografische beelden
voortbewoog, die hem aan een voorstelling met den bioscoop deden
denken. Onwillekeurig riep hij dan ook uit:

"Net een kinematograaf!"

"Dat is het ook," zei Mu glimlachend. "Door middel van een verbeterde
kinematografische opname trekken langs deze plaat, sterk verkleind, de
afbeeldingen van het aardoppervlak, waarboven we ons bevinden. Zoolang
we ons binnen den dampkring bewegen en evenwijdig aan de oppervlakte
der aarde blijven, kan ik op de plaat precies den stand van het schip
ten opzichte der aarde waarnemen. Een enkele maal mag een hevig onweer
of een andere atmosferische storing de beelden eens onzuiver maken
of zelfs geheel verstoren--in het algemeen kan ik het gebruik van de
gewone instrumenten tot plaatsbepaling ontberen. De wolkenlaag die
ons van de aarde scheidt oefent geen nadeeligen invloed; het toestel
is zoo ingericht dat het door dergelijke beletselen heen toch zijn
werk blijft verrichten. Zijn we toevallig in de schaduw van de aarde
verzeild geraakt, dan hebben we maar wat hooger te stijgen en de
opname geschiedt weer even duidelijk. Deze uitvinding, de volmaking
van den kinematograaf, hebben we, evenals bijna alles aan boord,
aan onzen professor La te danken."

Toen La spottend een buiging maakte bij deze laatste woorden,
plaagde Mu:

"Ja, als de professor eens een oogenblik niet verstrooid is, vindt hij
soms wel een aardig stukje speelgoed uit. 't Is een echte knutselaar."

"Kijk jij maar naar je hoogtemeter," schertste La terug, "anders
zeilen we weer tegen den een of anderen top van de Himalaya aan,
zooals je ons al eens geleverd hebt!"

"Vierduizend meter," zei Mu, den hoogtemeter aflezend, een toestel
dat door middel van een kwikkolom, welks stand van de luchtdrukking
afhankelijk was, de hoogte boven het zeepeil aangaf.

"Dan zouden we tegen den Mont-Blanc kunnen stooten," zei Rob. "Die
is immers 4800 Meter!"

"Juist," zei Mu. "Maar op botsingen hebben we nu weinig kans, want
we zeilen boven den Atlantischen Oceaan. Kijk maar."

Rob keek naar de glazen plaat, en zag daarop inderdaad niets dan
een golvende beweging, waaruit hij begreep dat zich onder hen de
zee bevond. Nu en dan schoof er een vlekje, groot als een vlieg,
over de plaat; dat was zeker een schip.

"Wie stuurde er van morgen en van middag toen we aan tafel
zaten?" vroeg Rob, opeens bedenkend dat er toen niemand in de
stuurkamer kon geweest zijn.

"Niemand!" antwoordde Mu. "Wanneer er niets bizonders aan de hand
is, kom ik gewoonlijk aan tafel. Tusschen Li en mij in bevindt zich
een dergelijke plaat als hier, zoodat we ook gedurende de maaltijden
precies kunnen nagaan waar we zijn. Bovendien vliegen we dan meestal
met een matige snelheid of liggen we stil, zoodat er volstrekt geen
gevaar bij is. In de werkkamer van den commandant is ook zoo'n plaat,
benevens toestellen om de snelheid en de hoogte af te lezen. En verder
zijn alle kamers telefonisch met de stuurkamer verbonden. Ja Rob,
je kunt 't niet zoo verzinnen, of 't is er!"

Rob had veel schik in de vroolijke en duidelijke uitleggingen van Mu,
en hij hield dezen wel een uur met allerlei vragen aan de praat. Mu
legde hem de toestellen uit, waarmee de snelheid, het voor- en
achteruit vliegen, het stijgen en het dalen werden geregeld, en wees
hem ten slotte op de eenvoudige manier waarop het gas gefabriceerd en
naar den ballon gevoerd werd. Voor dit laatste was trouwens slechts
een zeer eenvoudige inrichting noodig, omdat het monum omhulsel van
den ballon maar éen liter gas per maand doorliet, geen noemenswaard
verlies dus.

Toen Rob zijn nieuwsgierigheid in de stuurkamer bevredigd had, maakte
La een wandeling met hem over het dek.

"Zijn dat allemaal kanonnen?" vroeg Rob, op een twaalftal toestellen
wijzend, die langs de verschansing stonden opgesteld.

"Ja, dat is ons geschut," antwoordde La. "Dat ziet er oorlogszuchtig
uit, hè? Maar toch is 't een heel humaan soort geschut. We kunnen nu
eenmaal niet buiten verweermiddelen, omdat we soms met kwaadwilligen
te doen hebben--wilde volksstammen bijvoorbeeld. En dat komt nog al
eens voor, daar we de enkele maal dat we aan land stappen, dit meestal
ergens in een afgelegen streek doen, waar we geen kans loopen door
beschaafde menschen ontdekt te worden. Dan moeten de kanonnen soms een
woordje meespreken. Maar dooden vallen er nooit. Een evenmensch het
leven te benemen--dat staat niet op ons programma; daartoe meenen we
het recht niet te hebben. Dit geschut, en evenzeer de pistolen, die elk
van ons onder zijn uitrustingstukken heeft, wordt geladen met patronen
die een bedwelmend gas bevatten. Wie er door getroffen wordt, blijft
volle vier-en-twintig uur buiten kennis, zonder daarvan later eenige
nadeelige gevolgen te ondervinden. Het is een poging om den oorlog,
zoolang deze helaas onvermijdelijk is, te humaniseeren. Overigens
zijn al deze kanonnen, evenzeer als onze pistolen, snelvuurwapenen."

"Maar als er nu toch eens iemand aan boord weet te komen, wat
dan?" vroeg Rob.

"Dat gebeurt uiterst zelden," zei La. "De kanonnen verspreiden zulk
een grooten kring van gas om het woord verwijderd]schip, dat niemand
daar straffeloos doorheen komt. Maar als laatste middel kunnen we
de geheele verschansing met electriciteit laden, zoodat ieder die
ze aanraakt, teruggeslingerd wordt. Zelfs het dek kunnen we over het
heele oppervlak van zulk een lading voorzien."

"Maar hoe kunnen we er dan zelf op loopen?" vroeg Rob.

"De zolen van onze schoenen zijn volkomen geïsoleerd."

"En hoe zit 't met dat bedwelmend gas?" ging Rob voort, "krijgen de
schutters daar dan geen last van?"

"Daartegen hebben we ieder een klein toestel, dat we met een enkele
beweging voor den mond kunnen vastmaken. Het sluit de neusgaten af en
voert versche lucht aan den mond toe. Je zult er zoo een in je kamer
vinden, kastje 5; ik raad je aan het steeds bij je te dragen. Zooals
je ziet, hebben wij die dingen meestal aan een gordel om ons middel,
dan zijn ze vlug bij de hand. Bovendien hoort tot ieders uitrusting een
kleine ransel om op den rug te dragen; die bevat genoeg om verscheiden
weken van huis te kunnen blijven zonder in eenig opzicht gebrek te
behoeven lijden."

"Wat zit daar dan allemaal in?"

"Te veel om op te noemen! Een doosje met voedings-capsules;
verbandmidden; een kleine electrische fakkel; schrijfgereedschap;
een cilinder met zuurstof--ziedaar de hoofdzaken."

"Maar er zit toch zeker wel een reserve-stel ondergoed in?"

"Neen; wel een klein toestel om zoowel boven- als ondergoed vlug
en eenvoudig schoon te maken. Onze monum-kleeding is namelijk zoo
goed als onverslijtbaar; met het stel kleeren dat we aan hebben
kunnen we dus verscheiden jaren toe. Het reinigen geschiedt niet,
zooals op aarde, door het goed te wasschen; dat zou te omslachtig
zijn. We persen er eenvoudig machinaal ozon doorheen; dat werkt tevens
ontsmettend. Ozon wordt ons natuurlijk in onbeperkte mate door onze
electriciteits-toestellen geleverd. Electriciteit en ozon kunnen we
hier in de lucht genoeg fabriceeren om alle fabrieken van de wereld
te voorzien."

Rob vroeg zooveel, en kreeg zooveel antwoorden, dat het hem begon
te duizelen en hij geen tijd had alles behoorlijk in zich op te
nemen. Toch kon hij niet nalaten nog te vragen:

"Hoe houden we 't hier uit, als we héel hoog stijgen? Dan is immers
de lucht zoo ijl, dat we er geen adem in kunnen halen? En komen we
wel eens buiten den dampkring?"

"Ja--nu vraag je te veel," zei La. "Dat is allemaal niet in 'n paar
woorden uit te leggen. Maar ik denk, dat je op die vragen wel eens
proefondervindelijk het antwoord zult krijgen. Heb dus wat geduld. Je
zult hier nog genoeg wonderlijke dingen meemaken."

Het was intusschen tijd voor het avondmaal geworden, dat in een even
gezellige stemming verliep als den vorigen dag.

's Avonds zat Rob nog wat op het dek in een makkelijken stoel, en
keek naar de millioenen prachtig fonkelende sterren, waarvan enkelen
er zoo groot en nabij uitzagen, dat het leek of het schip zich maar
enkele honderden meters behoefde te verheffen om die lichtende werelden
binnen te vliegen.

Vermoeid door de talrijke en ongewone indrukken, ging Rob ook dien
avond tijdig naar bed, en sliep zoo gerust en vast alsof hij een oude,
beproefde luchtrob was.



VIJFDE HOOFDSTUK.

EEN STRIJD TUSSCHEN EEN LUCHT- EN EEN OORLOGSSCHIP.

	De Vogel gaat aan land.--Er dreigt gevaar.--Rob redt den
	commandant.--Een Engelsch oorlogsschip.--Een onbloedig
	gevecht.--Het jacht van den ontdekkingsreiziger Lane.--Rob
	wordt zeeman.--De landing te Dover.


Toen Rob den 15en October door de electrische bel gewekt werd, scheen
de zon zoo helder in zijn kamer, dat hij vlug opstond en onwillekeurig,
evenals hij dat thuis gewoon was, dadelijk naar 't raam liep om te zien
hoe het weêr was. Tot zijn verbazing zag hij dat een paar wuivende,
groene boomtakken tegen het venster tikten.

"Zouden we aan land zijn gegaan?" dacht Rob.

Hij klom op een stoel om beter door het vrij groote raam te kunnen
zien, en zag nu, dat het schip inderdaad op den vasten bodem lag. Op
enkele meters afstand bruiste de zee.

Rob kleedde zich vlug aan. In de gang ontmoette hij Lo, die hem
vriendelijk goedenmorgen wenschte en zei:

"Je hebt zeker wel gezien dat we aan land zijn, nietwaar? Ga maar
meteen naar de eetkamer; de commandant verzoekt je niet aan dek
te komen."

In de eetzaal vond Rob alleen La, die nog zat te ontbijten, met een
boek naast zich, waarin hij al etend bladerde. De anderen schenen al
klaar te zijn; boven aan de trap had hij alleen Naf zien staan, met
een gaspistool in de hand. Er scheen iets bizonders te zijn gebeurd.

La keek even op toen Rob binnenkwam, zei goedenmorgen en las toen weer
door. Rob begreep dat hij het beste deed met zich niet nieuwsgierig
te toonen; hij ging zitten en at met smaak een paar tarwebroodjes,
die in hun capsule niet meer dan enkele kubieke centimeters ruimte
hadden ingenomen, maar na een klein kunstmatig gistingsproces
langs electrischen weg ongeveer de grootte van een kadetje hadden
aangenomen. Daar dit brood van den geheelen tarwekorrel, met omhulsel
en al, was gemaakt, bezat het bizonder voedzame eigenschappen.

Na een tijdje keek La van z'n boek op, en zei:

"Waar blijven de anderen toch? Ik kreeg zoo'n honger dat ik maar vast
begonnen ben."

"De anderen zijn al lang klaar," zei Rob, naar hun gebruikte borden
en glazen wijzend. "Er schijnt iets bizonders aan de hand te zijn."

"Hé ja," zei de verstrooide La, die dat eerst nu eveneens opmerkte. "En
ons laten ze hier maar zitten. Als er wat ongewoons gebeurt, schijn
ik er nooit in gekend te worden."

Rob moest even glimlachen om de kinderlijke verontwaardiging van La,
die hij aan den eenen kant begreep omdat het voor een man van zulke
buitengewone verdiensten ongetwijfeld niet aangenaam moest zijn als
men hem verwaarloosde, maar die hem aan den anderen kant verwonderde
omdat men zich hier aan boord zelden of nooit achteruitgezet,
prikkelbaar of ontevreden toonde. Integendeel had hij de doorloopende
goedgehumeurdheid en de onderlinge harmonie van zijn gastheeren
steeds bewonderd.

"Ik ga toch eens kijken," zei La.

Na eenige oogenblikken kwam hij echter terug en zei:

"Die Nof staat daar aan de trap met 't gezicht van een draak, die
z'n schatten bewaart. Hij zegt dat we niet naar boven mogen. 't Is
wat moois."

"Hij zal er wel goede redenen voor hebben," zei Rob. "De commandant
heeft 't zeker zoo gelast."

"Je geeft me daar een goed lesje, Rob," zei La glimlachend. "En je
hebt groot gelijk. Als Li 't zoo wil, dan zal 't wel goed zijn."

Met deze woorden boog La zich weer over zijn boek, en weldra was hij
zoo in zijn lectuur verdiept, dat hij de omgeving vergat.

Rob was te nieuwsgierig om stil te zitten. Hij ging naar het raam
en keek uit. Er vertoonde zich slechts een klein gedeelte van
de omgeving; een groep hooge boomen, waartusschen het luchtschip
verborgen scheen te liggen, belemmerde het uitzicht. Door op een
stoel te gaan staan en zich met een kijker te wapenen, slaagde
Rob er in zijn gezichtsveld wat te verruimen, en toen bemerkte hij
dat zich op enkele honderden meters afstand twee zwarte gestalten
sluipenderwijze door het hooge struikgewas voortbewogen. Een van
die beide mannen scheen hem toe de commandant te zijn, doch hij
kon dit niet met zekerheid bepalen. Vreemder leek het hem echter,
dat zich op een afstand achter hen eenige gedaanten vertoonden, die
hij gemakkelijker kon onderscheiden, omdat zij klaarblijkelijk voor
een deel in 't rood gekleed waren.

Lang tijd om dit schouwspel rustig gade te slaan had Rob niet,
want opeens zag hij, dat de roodjassen zich over een breeden
kring verspreidden, alsof zij de voor hen uit sluipende twee mannen
wilden omsingelen. Bij instinct voelde hij duidelijk, dat hier gevaar
dreigde. Hij kon het niet langer werkeloos aanzien. In enkele seconden
had hij zijn gaspistool uit het foudraal genomen, den zuurstoftoestel
voor den mond gegespt, en was hij de trap opgevlogen. Hij stiet Naf,
die hem wilde tegenhouden, opzij en snelde de enkele treden af van
het laddertje dat tegen den zijwand van het schip was bevestigd. Nof
zond hem een paar schoten achterna, zich streng aan het consigne
houdend, maar Rob bekommerde zich hier niet om, wetend dat de
zuurstoftoestel hem beschermde. In enkele groote sprongen had hij de
roodjassen achterhaald. Vóór dezen beseften wat er gebeurde, schoot
hij er drie neer, en hoewel het geluid van de gasontplofifing bij dit
merkwaardig soort pistolen zeer gedempt klonk, waren Li en Lo er toch
duidelijk genoeg door gewaarschuwd. Ze begrepen nu het gevaar waarin ze
verkeerden, snelden op hun schreden terug en kwamen Rob te hulp. Binnen
weinige oogenblikken lagen ook de drie overige roodjassen bewusteloos.

Laconiek als altijd, drukte Li zwijgend Rob's hand. Tijd tot veel
uitleggingen was er trouwens niet, want nauwelijks had men de zes
vijanden, die aan hun uniformen als Engelsche marine-soldaten kenbaar
bleken te zijn, naast elkaar in 't gras gelegd, in afwachting van wat
men later met hen doen zou, of er dreunde van uit zee een kanonschot,
weldra door een tweede en een derde gevolgd.

"Naar boord!" was 't eenige wat Li zei.

Op het schip gekomen, riep hij de bemanning bij elkaar.

"Het spijt me, den strijd openlijk te moeten beginnen," sprak hij. "Ik
had gehoopt dat we onopgemerkt zouden gebleven zijn. Maar het kan nu
niet anders meer. Op je plaatsen! Mu--vijftig meter!"

Nauwelijks was dit commando geuit of Naf en Nef stelden zich bij
de kanonnen op, terwijl Li met Lo en Rob in het midden van het
dek bleven staan. La, die, uit zijn lectuur opgeschrikt, met een
verbaasd gezicht boven de trap was komen uitkijken, ontving het bevel:
"dampkringtoestel; dubbele weerstand," en verdween onmiddellijk daarop
weer onder het dek.

Mu had de stijgkruk omgedraaid, en De Vogel verhief zich pijlsnel in
de lucht. Op vijftig meter hoogte gekomen, hield het schip stil. Rob
zag toen op enkele honderden meters van het strand een reusachtig
oorlogsschip liggen, dat de Engelsche vlag in top voerde. Hij begreep
nu, dat de landing van De Vogel door dit schip was bemerkt, en dat
Li reden had om zich niet van het eiland te laten verdringen. Wat
hier achter stak was hem nog niet duidelijk, doch daar men 't niet
noodig scheen te vinden hem hieromtrent in te lichten, deed hij ook
geen nieuwsgierige vragen.

Li gaf een teeken met de hand, en De Vogel bewoog zich langzaam in
de richting van het oorlogsschip. Zou Li met zijn rank luchtvaartuig
en zijn handvol mannen dat geweldige, zwaarbewapende en duimdik
gepantserde zeekasteel willen aanvallen? In groote spanning wachtte
Rob de komende gebeurtenissen af. Op den eersten indruk afgaande,
leek hem een gevecht tusschen twee zulke ongelijke tegenstanders
eenvoudig onzinnig. Daarentegen boezemde de kalme en besliste houding
der luchtvaarders hem zulk een vertrouwen in, dat hij geen oogenblik
twijfelde of ze zouden niets beginnen, waarvan ze den uitslag niet
van te voren met zekerheid konden voorspellen. En dat die uitslag in
hun voordeel zou zijn, ook dat stond bij Rob al spoedig, tegen alle
waarschijnlijkheid in, vast.

Aan boord van het Engelsche schip had men De Vogel bemerkt. Duidelijk
zag Rob, dat de snelvuurkanonnen geladen en gericht werden, en ook
zag hij een afdeeling marine-soldaten, met geweren bewapend, op het
voordek aantreden. Het zware belegeringsgeschut, dat tegenover het
luchtschip onbruikbaar was, zweeg al eenigen tijd.

Rob's spanning nam toe. Hoe moest dit afloopen? Wat zou er gebeuren
als straks een hagelbui van projectielen losbarstte? Zou dan De Vogel
niet doorboord worden als een zeef?

Hij had nauwelijks tijd gehad deze gedachte ten einde te denken, toen
een geweldig, oorverdoovend gekraak de lucht verscheurde. Het leek
alsof het oorlogsschip in vuur en vlam stond. Een ware sproeiregen
van kogels werd op De Vogel afgestuurd.

Rob zag Li aan. Deze wenkte Mu met de hand. De Vogel daalde langzaam
eenige meters. Het kanon- en geweervuur verdubbelde in hevigheid, maar
tot Rob's grenzenlooze verbazing scheen geen enkel projectiel De Vogel
te kunnen bereiken. Het leek wel alsof er zich een ondoordringbare
sfeer om het luchtschip bevond. De geweldige ijzermassa's, door de
Engelsche wapenen uitgebraakt, bereikten De Vogel klaarblijkelijk niet;
ze kwamen tot op enkele meters, en vielen dan, werkeloos, uitgeput,
sissend en klaterend deels in zee, deels op het oorlogsschip terug.

De Vogel was tot ongeveer vijf-en-twintig meter boven den waterspiegel
gedaald; Li wenkte, en Mu hield het luchtschip zwevende. Toen gaf
Li een fluitsignaal, dat schel boven het kanongebulder uitklonk,
en Naf en Nef drukten op den electrischen ontstekingsknop van een
viertal gaskanonnen. Electrisch geladen en afgevuurd, strooiden deze
kanonnen binnen enkele minuten tienduizendtallen gaspatronen over
het oorlogsschip. De uitwerking was verrassend. Na een bombardement
van nagenoeg vijf minuten was het kolossale vaartuig zoo volledig
in een dichten sfeer van verdoovend gas gehuld, dat zich aan boord
geen teeken van leven meer bespeuren liet. De gansche bemanning lag
bewusteloos. Gedurende enkele minuten zag men hier en daar een hoofd
boven het dek uitkomen, maar ook dit hield spoedig op; het gas drong in
alle hoeken en gaten door, en weldra was alles aan boord in diepe rust.

Toen kwam er even een glimlach op het strakke, kalme gezicht van Li.

"Het kasteel van de Schoone Slaapster," zei hij tot Rob, die met
bewondering opzag tot den man, aan wiens gezag bovenaardsche krachten
onderworpen schenen te zijn.

Nog ongeveer tien minuten bleef men het Engelsche schip waarnemen. Toen
Li als vrij zeker kon aannemen, dat er niemand aan boord meer wakker
was, liet hij De Vogel dalen, en, door Lo en Rob vergezeld, ging hij
op het oorlogsschip over.

Rob, zeer in z'n schik met de onderscheiding die de commandant hem
verleende, keek aan boord de oogen uit. Welk een reusachtige, zwaar
bewapende kolos! Hoe was het mogelijk, dat de slanke, luchtige Vogel
dat dreigende monster binnen enkele minuten volledig had getemd!

Li wandelde het geheele schip door, hier en daar een enkelen
Engelschman die nog bewoog, met een schot tot rust brengend. Ten
slotte liet hij in de machinekamer den stoom ontsnappen, en deed hij
de ankerkettingen ratelend vallen; ook gaf hij bevel de zes soldaten,
die nog op het eiland lagen, aan boord te doen brengen.

"Zie zoo," sprak, Li, toen allen op De Vogel terug waren, "voorloopig
hebben we rust. Maar toch niet langer dan vier-en-twintig uren. Dan
zal onzen Engelschen vrienden de maag beginnen te jeuken, en worden
ze weer levend. Vóor dien tijd moeten we uit de voeten zijn. Ieder
weet wat hij te doen heeft; aan het werk dus. Ik zou wel willen,
dat Rob even in mijn werkkamer kwam."

Toen Li de deur van zijn kamer achter hen gesloten had, bood hij Rob
een stoel aan en zei:

"Je hebt je flink gedragen zooeven. Lo en ik hadden inderdaad niet
gemerkt dat ze ons op de hielen zaten. Nu was dat wel niet zoo erg,
want we hadden een weerstandstoestel bij ons. Maar dat kon jij niet
weten, en je daad blijft dus even flink en beslist."

"Wat is dat: een weerstandstoestel?" vroeg Rob, die sedert zijn komst
aan boord een voortdurend vragen-en-antwoorden-spelletje speelde,
elke gelegenheid aangrijpend om achter de vele wonderen te komen
waarmee hij zich omringd zag.

"Dat is alweer een van de pracht-uitvindingen van La," antwoordde de
commandant. "Het is een toestel, dat de lucht op enkele meters om ons
heen sterk verdicht, de zwaartekracht zóo doet toenemen, dat zelfs de
snelste projectielen uit aardsche vuurwapenen hun kracht verliezen en
machteloos terugtuimelen. In het groot bezitten we zulk een toestel
onder aan De Vogel, in een uitbouw. La is er zoo trotsch op, dat hij
het steeds zelf bedient. Op die manier hadden we zoo even zulk een
ondoordringbaar verdichte luchtsfeer om ons schip, dat er geen schot
door kon."

Rob was eigenlijk een beetje teleurgesteld. Hij had gedacht, dat
hij den commandant en Lo van den dood had gered, en nu vernam hij,
dat zijn tusschenkomst vrijwel overbodig was geweest!

Maar Li scheen de teleurstelling op zijn gezicht te lezen. Ten minste
hij ging voort:

"Maar nu moet je niet denken, dat ik je niet dankbaar ben voor
je optreden. Het bewijst me, dat je geen wrok voelt tegen ons,
niettegenstaande we je hier zoo lang te logeeren houden. 't Liefst
zou ik je beloonen door je vrij te laten; maar dat kan onmogelijk. Ik
vertrouw wel op je zwijgen, maar niemand kan weten hoe je tegen je
eigen voornemen en wil in, mij ooit zou kunnen schaden. Heb dus nog
wat geduld; ik zal je geregeld de gelegenheid geven met je familie
te correspondeeren. Ik wilde je nu echter over wat anders spreken. Om
je te bewijzen hoe ik je daad van dezen morgen op prijs stel, zal ik
je wat meer inwijden in mijn plannen. Misschien zal je dat den lust
geven in ons aller belang mee te werken.

"Je hebt zeker wel begrepen, dat je door een verzuim van La in onze
handen bent geraakt. Hij was met een zending naar Amsterdam belast,
in samenwerking met Nef, die wegens het wetenschappelijk karakter
der zending het moeielijk alleen kon doen. Hij liet een trommel met
belangrijke stukken in het Vondelpark liggen, en jij vondt dien. Toen
zat er niets op, dan jou en den trommel in te pikken!"

"Nu, ik ben niets boos op La, hoor!" zei Rob. "'t Is een goeie man en
hij heeft me al heel wat laten zien en onderwezen in die paar dagen."

"Wel, dat doet me genoegen," zei Li. "La heeft er erg 't land over
gehad. En nu hoor ik met pleizier dat jullie samen kunnen opschieten.

"Je hebt gelezen wat er op de monum blaadjes stond, die in den trommel
zaten, nietwaar?"

"Ja, voor zoover ik 't begreep," antwoordde Rob.

"Nu, kijk dan nog eens hier."

Li nam uit een loket in den wand, waarvan hij 't deurtje deed
openspringen door een druk op een verborgen veer, een doos, waarin
zich een stapel van hetzelfde taaie, onverscheurbare papier bevond,
dat Rob indertijd in den trommel had gevonden. Li nam er een blaadje
uit, en reikte het Rob over. Er stond hetzelfde op wat deze al eens
gelezen had:


	Kroonjuweelen _£_ 1000.000
	15 October Green-eiland,
	20 October Dover
	Huur hoek Longmanstreet 2610 en 2612
	Advertenties en aanplakbiljetten.


"Met een kleine toelichting is de bedoeling duidelijk," zei Li. "De
bedoeling is de in dit stuk vermelde kroonjuweelen, ter waarde van
1000.000 pond, en op het oogenblik in 't bezit van de Engelsche
Koninklijke Familie, machtig te worden."

Rob keek den spreker verbaasd aan. Met welk doel zou dit moeten
gebeuren? dacht hij. Van een gewonen diefstal kon toch bij de mannen
van De Vogel geen sprake zijn.

Maar Li zag zijn verbaasd gezicht, en zei:

"Dat klinkt je vreemd, hè? Misschien neem je me die struikrooversstreek
minder kwalijk, als je hoort dat de opbrengst van die sieraden dienen
zal om de Transvalers van geld te voorzien, opdat ze hun oorlog langer
kunnen volhouden."

Rob's gezicht helderde op. Dat vond hij een prachtig idee! Zoo zou
dus de Engelsche Koning gedwongen worden ook het zijne bij te dragen
tot de verbetering van den financiëelen nood bij de Boeren! Nu,
zoo'n poets wilde hij dien Engelschen wel mee helpen bakken!

"Daar heb je schik in, hè?" vroeg Li. "Maar vind je eigenlijk niet,
dat het niet te pas komt iemand z'n bezittingen af te nemen, al is
't met een goed doel?"

"Ja," zei Rob na eenig nadenken, "dat is eigenlijk niet in den
haak. Ik vindt 't wel prettig als die dappere Boeren eens flink
van geld worden voorzien, want dat kunnen ze best gebruiken. Maar
tegenover den Engelschen Koning blijft 't toch diefstal."

"Goed geredeneerd," zei Li. "Oogenschijnlijk is 't ook zoo. Maar nu
zal ik je eens wat anders vertellen. Van 't oogenblik, dat de Boeren
de eerste diamantvelden begonnen te ontginnen, hebben de Engelschen
begeerige oogen op dat rijke land geslagen. Als ze maar eenigszins kans
er toe zagen, staken ze hun neus in de Transvaalsche huishouding. Toen
nu de Boeren-Republieken onder Engelsche suzereiniteit kwamen,
waren er eenige jaren, waarin de oogst zeer slecht uitviel en de
Republieken niet in staat waren de hooge belastingen op te brengen die
het Engelsche Gouvernement van hen vergde. Misschien heb je er wel eens
van gehoord--er is ten minste heel wat over gepraat en geschreven--dat
de Engelschen toen beslag legden op een partij zeer mooie, groote en
zuivere diamanten, die door de Staatsmijnen waren opgeleverd, en in
de reservekas der Transvaalsche Republiek berustten. Het heette toen,
dat men deze diamanten alleen in waarborg nam, dat ze teruggegeven
zouden worden zoodra de achterstallige belastingen waren voldaan. De
waarheid was echter, dat het Engelsche Gouvernement al sedert jaren
begeerige oogen op die edelsteen en had geslagen, waarvan de kleinste
nog in omvang de beroemde Koh-i-noor overtrof.

"Nauwelijks waren de kostbaarheden in Engeland, of ze werden in een
kroon en een diadeem verwerkt--dezelfde die Koning Edward en zijn
Gemalin met het kroningsfeest zijn aangeboden. Dat was op zichzelf
al niet in den haak, maar het ergste is, dat de Engelschen tot nog
toe in gebreke zijn gebleven, het verschuldigde terug te betalen."

"Maar hebben de Boeren dan hun achterstallige belasting voldaan?" vroeg
Rob.

"Die hadden ze vijf jaar geleden al, met den interest, tot den
laatsten cent opgebracht. De Engelsche Regeering had zeker zulk een
stiptheid niet verwacht. Althans, ze zoekt nu al vijf jaren allerlei
uitvluchten in die diamanten-zaak. De eene leugen stapelt ze op de
andere, rakelt verhalen van oude schulden op, die Transvaal nog aan
Engeland te voldoen had, kortom tracht zich op allerlei manieren
van haar verplichtingen te ontdoen. En nu de oorlog is uitgebroken,
is er natuurlijk van teruggave geen sprake meer. Zoo hebben de Boeren
hun belastingen dus dubbel betaald."

"Dat is schandelijk!" zei Rob verontwaardigd.

"Dat is het," zei Li. "Toen ik achter die geschiedenis kwam, riep
ik hetzelfde als jij nu. En het trof me zoo sterk, dat ik me er
zelfs door liet afleiden van het eigenlijke doel, dat ik mij met mijn
geheimzinnige luchtreizen had gesteld, en waarin je ook later, naar ik
hoop, zult worden ingewijd. Ik heb me voorgenomen die kroonjuweelen
machtig te worden, en ze aan de Transvaalsche Regeering terug te
geven. Eerst daarna zal ik het eigenlijke doel van mijn onderneming
weer opvatten."

"Maar hoe wil je je daarvan meester maken?" vroeg Rob nieuwsgierig.

"Dat zal je wel merken," antwoordde Li. "Let maar goed op wat er van
nu af aan gebeurt. We beginnen al dadelijk, want we moeten klaar
zijn en vertrekken, eer de Engelschen weer tot bewustzijn gekomen
zijn. Dit eiland is een Engelsche bezitting, maar de eigenaars kwamen
er nooit, omdat het onbewoond is, en niets oplevert. Daarom heb ik
er sedert eenigen tijd een bergplaats gemaakt, die je straks zien
zult. Het is me nu echter gebleken, dat de Engelschen er voor kort een
kolenstation hebben gevormd; vandaar de onverwachte aanwezigheid van
het oorlogsschip. Het was dus in mijn belang, die heeren voorloopig
onschadelijk te maken."

Met deze woorden stond Li op, en verzocht Rob hem te volgen; hij zou
dan wel nader zien wat er gebeuren ging.

Veel dingen waren Rob nu duidelijker geworden, en met belangstelling
volgde hij Li, in gespannen verwachting naar de dingen die komen
zouden.

Nadat Naf bij het oorlogsschip op post was gezet en Mu de bewaking van
De Vogel was opgedragen, ging Li, gevolgd door de overigen, van boord,
en sloeg een voetpad in dat naar het midden van het eiland leidde. Daar
bevond zich een rotsachtige hoogte van ongeveer vijf-en-twintig meter
boven de oppervlakte der zee, vanwaar men het geheele kleine eiland
kon overzien, dat niet meer dan een kilometer in omtrek mat.

Op de hoogte, waar ze zich nu bevonden, stond een vrij dicht boschje
van laag hout. Li boog de struiken uiteen, door de anderen gevolgd,
en stond nu voor een rotsblok, dat schijnbaar den verderen doorgang
belemmerde. Het werd met eenige inspanning door de mannen opzij
geschoven, en nu werd een ongeveer vier meter breede, donkere opening
zichtbaar, waarboven de stijlen van een ijzeren ladder uitstaken.

"Dit eiland is waarschijnlijk door vulkanische werkingen opgeworpen,"
zei Li tot Rob. "We staan nu althans voor de opening van een sinds
lang uitgedoofden krater. We ontdekten die toevallig, en nu hebben
we er een bergplaats van gemaakt."

Nadat allen hun electrische lantarens hadden ontstoken, daalde men
in de duistere opening af. Beneden gekomen, verwijdde de trechter
zich, en bevond men zich in een kelderachtige ruimte waar allerlei
scheepsmateriaal en eenige kisten stonden opgestapeld.

"Nu worden we zee- in plaats van luchtvaarders," zei Li.

Met vereende krachten werden allerlei voorwerpen naar boven gesleept,
waarvan Rob de beteekenis en het gebruik niet dadelijk begreep. Toen
allen weer uit den krater geklauterd waren en de opening weer met
den steen was afgesloten, zag Rob dat de mannen uit enkele eenvoudige
onderdeelen vlug en handig een wagen ineen zetten, die een groot plat
bovenvlak had. Daarop werden de kisten en een massa ander materiaal
geladen, en ten slotte werd de wagen naar het strand gereden.

"Zoo'n bewaarplaats is wel gemakkelijk, niet waar?" vroeg Li. "Toen
ik ze ontdekte, was dat door een bizonder toeval. We hadden bij
Green-eiland overnacht, toen we bij het aanbreken van den morgen--'t
was stormachtig weer--een stoomjacht onder Engelsche vlag met de
branding zagen worstelen. Dadelijk schoten we te hulp, maar te laat om
redding te brengen. We zagen slechts hoe twee mannen al zwemmende het
land trachtten te bereiken; de een werd tegen de klippen verpletterd,
de ander bereikte den wal, doch overleed eenige uren later aan de
bekomen wonden. Het bleek al gauw uit de papieren, die we aan boord
vonden, dat we hier te doen hadden met den Engelschen ontdekker
James Lane, over wien verleden jaar in de kranten zoo veel te doen
was. Lane was een zonderling; een wel handig en zelfs geleerd man,
doch die de buitensporigste plannen op touw zetten, welke telkens
mislukten, hoeveel moeite en kosten hij er ook aan besteed had. Zijn
laatste onderneming was een reis naar de Zuidpool, in een door hemzelf
geconstrueerd stoomjacht. Hij vertrok onder veel belangstelling en
zelfs uitgeleid door vertegenwoordigers van den tegenwoordigen Koning,
die zich voor den avontuurlijken man intresseerde. Sedert hoorde
men niets meer van hem; hoe het met hem gegaan is, heb je zoo even
gehoord. Zijn bemanning had hij onderweg in een Fransche haven aan wal
moeten zetten, daar ze hem beschuldigde van roekelooze waaghalzerij en
bevreesd werden voor hun toekomst. Hij zette toen koppig de reis voort,
slechts door zijn secretaris trouw gebleven. Het resultaat weet je."

"En heb je toen zijn jacht bewaard?" vroeg Rob.

"Zooals je ziet," zei Li, op de overigen wijzend, die intusschen bezig
waren het vaartuig ineen te zetten. "Bij onderzoek van het jacht
bleek dit zeer vernuftig gebouwd te zijn, namelijk met uitneembare
onderdeelen. Ook was het door een geniale constructie zoo ingericht,
dat het zelfs door de zwaarste zeeën niet omgeworpen kon worden. La
maakte het voor electrische drijfkracht gereed, zoodat het veel
eenvoudiger te besturen is. We deden er reeds een proefvaart mee,
en zullen 't nu voor de eerste maal voor een grootere reis gebruiken."

"Heeft men nooit getracht Lane op te sporen?" vroeg Rob.

"Jawel; het Britsch Aardrijkskundig Genootschap, door de Regeering
gesteund, rustte een expeditie uit, toen de berichten van Lane
ophielden. Zonder eenig resultaat natuurlijk. Overigens was Lane een
zonderling, eenzelvig man, die kind noch kraai op de wereld bezat,
zoodat ten slotte niemand zich meer om zijn lot bekommerde. Het moet
wel een eigenaardige gewaarwording zijn als men hem nu in eens te
Londen terug ziet."

Rob keek Li verwonderd aan. Daar begreep hij nu niets van.

"Ben je daar verbaasd over?" glimlachte Li. "Als we straks aan boord
zijn, zal je Lane zien. Wacht maar."

Na ongeveer twee uren gewerkt te hebben, had men het jacht gereed. Er
was nu nog eenige tijd noodig om de benoodigde levensmiddelen en vele
andere onmisbare artikelen uit De Vogel in het jacht over te laden,
doch eer de avond viel was men gereed te vertrekken.

"Ziezoo," zei Li, toen allen aan boord waren. "Nu zal ik mijn geweten
geruststellen en het jacht met toebehooren aan de Engelsche Regeering
afleveren, ofschoon het de vraag is of het mij als strandvonder niet
rechtens toekomt."

Toen het donker inviel, en het oorlogsschip met zijn slapende bemanning
nog slechts als een reusachtige, logge, zwarte massa zichtbaar was,
koos het jacht, de "Lane" genaamd, zee. Op eenigen bovenwaartschen
afstand volgde De Vogel, alleen met Mu bemand.

Men zat er gezellig bijeen in het rooksalon, behalve Naf, die zich in
de stuurkamer bevond, en Li die naar de commandantshut was gegaan,
toen Rob's oog op een groot, uitvoerig geschilderd portret viel, op
welks lijst geschreven stond: "James Lane." Hij wilde er heen gaan
om het eens van dichterbij te bekijken, toen de deur geopend werd,
en een man binnentrad, die als van het schilderij weggeloopen scheen.

"James Lane!" riep Rob onwillekeurig uit.

"Juist!" zei vroolijk de binnenkomende--en Rob herkende Li's
stem--"lijkt 't niet sprekend?"

De vermomming was inderdaad treffend. Li had in zijn uiterlijk volkomen
de figuur van Lane nagebootst; alleen was zijn gezicht wat gebruinder,
waren zijn haren wat grijzer.

"Nog vijf dagen," zei Li, "en Lane komt in Engeland terug. Nu, Rob,
denk je niet dat ze den grooten ontdekkingsreiziger, die zooeven van
de Zuidpool terugkeert, met pracht en praal, en zelfs aan het Hof
zullen ontvangen?"

Nu begreep Rob, van welke toevallige omstandigheden Li gebruik wilde
maken om zich toegang te verschaffen tot de onmiddellijke omgeving
van den Koning. Het plan leek hem gewaagd, maar hij twijfelde niet
of Li zou het met zijn gewone zekerheid en behendigheid tot een goede
uitvoering brengen.

Nadat men nog eenigen tijd Li's vermomming bewonderd had, ging deze
zich weer daarvan ontdoen, en kwam weldra terug om nog een paar
gezellige uren in den kring der kameraden door te brengen. Rob voelde
zich nu geheel thuis; hij bemerkte met genoegen dat allen hem als een
der hunnen behandelden, zijn oordeel vroegen, hem in vertrouwen namen,
kortom hem zoo zeer op zijn gemak zetten, dat hij dankbaar was goede
en vriendelijke menschen te hebben ontmoet.

Het ontbrak gedurende de eentonige zeereis niet aan afwisseling. Men
hield zich aan boord met muziek en lectuur bezig, Rob's lessen bij La
gingen geregeld door, en de gezellige gesprekken des avonds aan en na
tafel waren voor Rob even aangenaam als leerrijk. Het viel hem op,
hoe allen hun best deden om vriendelijk en goedgehumeurd tegenover
elkander te zijn, hoe men zich beijverde om het gesprek nooit te doen
verwateren in alledaagsche praatjes, maar 't altijd daarheen te leiden,
dat de een steeds van den ander iets leerde. Vaak was men het ook over
't een of ander onderwerp oneens, maar hoe levendig de discussie ook
werd, altijd bleef de toon hoffelijk en opgewekt, en men eindigde
onveranderlijk met elkaars gevoelens nog meer te waardeeren dan
te voren, ook al was men niet tot overeenstemming kunnen komen. Li
bezat een bewonderenswaardigen tact om zulke discussies te leiden,
en zoo noodig ook tijdig te doen eindigen.

Gedurende de reis was Rob herhaaldelijk in de gelegenheid den
marconi-toestel in werking te zien, die door La bediend werd. Deze
deelde hem nu mee, dat Nof niet alleen met het overbrengen van het
briefje aan Rob's ouders belast was, maar ook eenige toebereidselen
moest treffen in Londen en in Dover, waar men landen zou. Vandaar zond
hij telkens draadlooze telegrammen naar het jacht. Ook met De Vogel,
die nu zoo hoog gestegen was, dat hij zonder kijker niet meer was
waar te nemen, werden nu en dan marconigrammen gewisseld.

Den 24en October, den dag vóor men zou landen, liet Li Rob in de
commandantshut komen, en zei:

"Ik zal je nu enkele dingen vertellen, die je noodig hebt te weten,
omdat ze je misschien te pas kunnen komen. Ten eerste dan, moet je
weten, dat we in Londen met ongeduld verwacht worden."

"Weten ze daar dan al dat je komt?" vroeg Rob.

"Zeker! Nof is vooruitgegaan als mijn particulier secretaris, of liever
als die van Lane. Hij is over land gekomen, naar 't heet, en heeft al
zalen in Londen afgehuurd, en contracten met impressario's afgesloten,
ten doel hebbende de lezingen van den ontdekkingsreiziger Lane voor te
bereiden, welke deze over zijn Zuidpooltocht zal houden. Dagelijks heb
ik hem berichten geseind, welke hij in de groote bladen heeft doen
opnemen, en het publiek is al zoo opgezweept, dat zich officiëele
comité's van ontvangst hebben gevormd en de Koning zijn verlangen te
kennen heeft gegeven den ontdekkingsreiziger te ontmoeten. Heel Dover
en Londen zijn door Nofs zorg met groote, gekleurde aanplakbiljetten
beplakt, waarop mijn, of liever Lane's, welgelijkend portret is
afgebeeld. Men draagt al Lane-dassen, drinkt Lane-limonade, rookt
Lane-sigaren. Het Britsch Aardrijkskundig Genootschap zal ons een
groot feestmaal aanbieden."

Rob zag het eene wonder zich al weer op het andere stapelen. Dat zou
intressant worden. Als hij er nu maar bij kon zijn!

"En hoe gaat het nu met ons allemaal?" vroeg hij. "Wat stellen
wij voor?"

"Wel, daar jullie allemaal Hollanders zijn, stel je Hollandsche
ingenieurs en oud-zeeofficieren voor, die ik voor mijn reis heb
aangeworven nadat mijn scheepsvolk was weggeloopen. Dat klinkt
voornaam; voor matrozen zouden jullie er trouwens niet zeebonk-achtig
genoeg uitzien. En jij zult fungeeren als mijn adjudant; dan kan je
me overal volgen."

"Dat is heerlijk!" juichte Rob. "Dan kom ik dus ook bij den Koning! En
hoe krijg je nu de diamanten?"

"Geduld! dat zal je wel zien," lachte Li. "Voorloopig moet je maar
precies doen wat ik zeg, en op de vragen, die men je mocht stellen,
voorzichtige antwoorden geven."

Rob kon dien nacht bijna niet slapen van opwinding bij de gedachte aan
de avontuurlijke dingen die voor de deur stonden. Hoe zou Li het wel
aanleggen? Zou het lukken? Was het eigenlijk niet een gevaarlijke
onderneming, en wat zou hun lot worden als de list eens ontdekt
werd? Al dergelijke vragen bestormden Rob en hielden hem wakker,
maar ten slotte herkreeg zijn blind vertrouwen in Li, die zoo zeker
van zijn zaak was, en geen oogenblik scheen te aarzelen, de overhand,
en hij sliep gerust in.

De zee was dien nacht, evenals trouwens gedurende de heele reis,
zeer kalm, en de vernuftige inrichting van het jacht maakte dat
het bijna niet slingerde. Rob had dan ook geen oogenblik last van
zeeziekte gehad, en hij sliep dien nacht zoo rustig, dat hij den
volgenden morgen eerst na vijf minuten het geweldig kanongebulder
hoorde, waarmee het jacht, de Engelsche vlag in top voerend, begroet
werd door de ter reede van Dover liggende oorlogsbodems. Snel stond
hij op, kleedde zich vlug aan en liep naar het dek, dat door een
prachtige herfstzon vroolijk beschenen werd.



ZESDE HOOFDSTUK.

ROB KOMT IN LONDEN.

	De ontvangst te Dover.--De aankomst in Londen.--Het huis in
	Longmanstreet.--Li's eerste lezing over een nooit gemaakte
	Zuidpoolreis.--Alle Londensche heeren wenschen zich een
	poolmeisje tot vrouw.--Het diner van het Aardrijkskundig
	Genootschap.--Rob drinkt thee met den Koning.--De
	kroonjuweelen.


Nauwelijks was Rob op het dek, of hij hoorde boven het kanongedonder
uit de muziek van een groot aantal muziekkorpsen, die aan de kade waren
opgesteld, en die onophoudelijk het Engelsche volkslied speelden. Alle
huizen in den omtrek waren versierd en bevlagd; alle schepen waren
met tallooze kleine vlaggetjes opgetuigd en de in het want staande
matrozen joelden. Het was een leven dat hooren en zien hem verging.

Nauwelijks had Lo den jongen in 't oog gekregen of hij duwde hem aan
een arm de kajuitstrap af, en fluisterde hem haastig toe:

"Ga je vlug verkleeden, er ligt een pak voor je in de rookzaal."

Zoo gauw hij kon, trok Rob het mooie, zwarte pak aan, dat hij vond
liggen, en waarin hij er zooveel deftiger en ouder uitzag dan te voren,
dat hij den spiegel, die hem vertelde dat hij nu zijn eerste gekleede
jas aanhad, bijna niet gelooven kon. Toen hij weer naar het dek was
gesneld, vond hij daar Li-Lane eveneens stemmig in 't zwart gekleed,
en de overigen in reistoiletten van allerlei kleuren.

Vóor hij daarover zijn verbazing te kennen had kunnen geven, wees
Li hem op een stoomsloep, die, met muziek aan boord, snel het jacht
naderde.

De sloep kwam op zij, en een deftig heer, in groot ornaat en met
een gouden keten om den hals, beklom de scheepstrap. Boven gekomen,
trad hij met uitgestrekte handen op Li toe, en zei:

"Mister Lane, als burgemeester van Dover, en daartoe door Z.M. den
Koning uitgenoodigd, heet ik u welkom op Engelschen bodem. Het
heeft Z.M. behaagd een koninklijken salon-trein tot uw beschikking
te stellen, die u onmiddellijk naar Londen zal voeren. Het spijt
de burgerij van Dover, dat zij den grooten ontdekkingsreiziger niet
eenigen tijd in haar midden zal mogen behouden, doch zij heeft vernomen
dat u reeds een woning in Londen gehuurd hebt, en zeer verlangend
zijt daar de rust te genieten, die gij na de ontberingen van uw reis
zoo ruimschoots hebt verdiend. Het is mij een eer en een voorrecht, u
uit naam van den Koning, welkom te heeten op den vaderlandschen grond."

Li, die deze toespraak met een vriendelijken glimlach en overigens
zonder een spier te vertrekken had aangehoord, dankte nu den mayor
met een sierlijke, in onberispelijk Engelsch uitgesproken rede. Toen
hij zweeg, werd op de stoomsloep een vlaggetje geheschen, en dadelijk
daarna brak de muziek en het gebulder van het geschut weer los.

Li en de zijnen werden nu uitgenoodigd den burgemeester naar den wal
te volgen, waar ze eenige versierde open rijtuigen vonden gereedstaan,
die hen onder het gejuich der menigte naar het station brachten. Li
groette en boog naar alle zijden, met de rust en het gemak van iemand,
die zooveel groote emoties heeft meegemaakt, dat een huldebetoon als
dit hem niet meer overweldigen kan. Li had met den burgemeester, Lo en
Rob in het voorste rijtuig plaats genomen en deed den mayor een verhaal
van een wonderbaarlijke redding uit de handen van zuidpoolsche wilden,
die hij aan het cordate optreden van Rob te danken had, en waaraan
het toe te schrijven was dat hij Rob steeds in zijn onmiddellijke
nabijheid wilde zien.

"Had deze jonge man mij het leven niet gered," zoo besloot hij zijn
verhaal, "dan zou ik niet in staat geweest zijn de wetenschap met
mijn nederige diensten ter zijde te staan."

De burgemeester vond hierin aanleiding Rob eenige waardeerende woorden
te zeggen, die deze met een verlegen buiging beantwoordde.

Onder het gewuif en gejuich der dicht opeen gepakte menschenmassa
zette de trein zich in beweging, en daar de reis ook door eenige
autoriteiten werd meegemaakt, was men voortdurend verplicht zich te
laten complimenteeren en de rol van beroemde mannen te spelen.

Aan de stations, waar opgehouden werd, en men toespraken moest
aanhooren van burgemeesters en presidenten van corporaties, die
met haar banieren op het perron stonden, kocht Lo eenige kranten,
waarin ze allerlei berichten over zichzelf vonden, die niet weinig
vermakelijk waren om te lezen.

In Londen aangekomen, speelde zich het Doversche programma nogmaals
af. Muziek, toespraken, gejuich, kanongebulder. Door de drukke straten,
die zwart waren van de menschen, reed men in open rijtuigen naar de
Longmanstreet, waar twee kolossale huizen voor Lane en zijn gezelschap
waren gehuurd.

Nog verscheiden malen moesten de reizigers zich op het balkon aan de
geestdriftige menigte vertoonen, die zich niet verstrooide dan nadat
Lane een toespraak had gehouden. En ook daarna werd het niet rustig,
want den geheelen dag regende het bloemen, invitaties en telegrammen
van gelukwensching. Maar vooral werd Li bestormd door verslaggevers van
kranten, die hij allervriendelijkst te woord stond, alle inlichtingen
gevend die ze wenschten, en door wie hij zich ontelbare malen in
allerlei houdingen liet kieken.

Eindelijk tegen den avond, ook doordat Li in de kranten had doen
plaatsen, dat hij de eerstvolgende dagen gaarne met rust zou gelaten
worden, werd het wat stiller, en zat men gezellig bijeen, hartelijk
lachend om de vermakelijke avonturen van dien dag.

Werkelijk vermoeid door de snelle reis en al het eerbetoon, ging
men vroeg naar bed. Naf had uitstekend gezorgd; het geheele huis
was uitstekend gemeubileerd en van alles voorzien wat men maar
wenschen kon, en Rob merkte wel dat Li op de een of andere manier
over onuitputtelijke geldmiddelen beschikte.

Toen Rob naar zijn kamer ging en het venster wilde sluiten, hoorde
hij beneden op straat wapengekletter. Hij keek naar buiten, en zag
dat een compagnie garde-grenadiers een eerewacht had betrokken, en
dat twee reusachtige schildwachts met statige passen voor het huis
heen en weer liepen.

Den volgenden dag bleef men rustig thuis. Li zat aan zijn
schrijftafel, snuffelde in dikke boeken en schreef vele vellen papier
vol. Tegen den avond vernam Rob, dat Li een lezing zou houden voor
twintigduizend menschen in de groote concertzaal van het Koninklijk
Conservatorium. Hij stelde zich veel van die lezing voor, benieuwd
wat Li zijn hoorders zou opdisschen, maar toen men den avond daarop
in open rijtuigen naar het Conservatorium was gereden en Li het podium
had bestegen, stond Rob versteld van de kalmte en de schijnbare kennis
van zaken, waarmee Li zijn Poolreis verhaalde. Na een beschrijving
gegeven te hebben van zijn ondervindingen en ontberingen gedurende
de reis er heen, stond hij uitvoerig stil bij de bizonderheden die
de Pool zelf betroffen. Hij schilderde die als een vrij uitgestrekte,
zeer bewoonbare streek, waar niet, zooals men dikwijls verondersteld
had, het opeengehoopte ijs allen plantengroei en het dierlijk leven
onmogelijk maakte, maar waar integendeel weelderige bosschen en
een zeer intelligente bevolking gevonden waren, welke laatsten de
koene ontdekkers vriendelijk ontvangen had, hoewel zeer verbaasd,
dat er buiten hen zelven nog andere wezens op aarde bestonden die
er ongeveer als zij uitzagen. De bewoonbaarheid en den plantengroei
verklaarde Li hierdoor, dat de warmte, ontstaan door de wrijving van
de aarde om de aardas, groot genoeg was om het ijs over een groote
uitgestrektheid te ontdooien. Toen Li vertelde dat de Poolbewoners
hoogstwaarschijnlijk afstamden van de leden eener sinds onheugelijke
tijden daar aangekomen, doch door de buitenwereld verloren gewaande
expeditie, en dat deze expeditie een Engelsche moest geweest zijn,
aangezien de heerschende taal een wel is waar verbasterde ofschoon
nog zeer begrijpelijke vorm van het Engelsch bleek te zijn--toen
Li dit vertelde, barstte er onder het gevleide publiek zulk een
daverende storm van toejuichingen uit, dat er volle twintig minuten
noodig waren eer het publiek gekalmeerd was en Li zijn rede kon
voortzetten. Na eenige wetenschappelijke verhandelingen ten beste te
hebben gegeven omtrent de aswenteling der aarde, besloot Li zijn met
gespannen aandacht gevolgde lezing door een geestdriftige schildering
van de Zuidpoolsche vrouwen te geven. In haar was naar zijn zeggen
schoonheid en lieftalligheid harmonisch vereenigd. Aan de Zuidpool
kwamen geen ongelukkige huwelijken voor; wie met een Zuidpoolsche
trouwde, kon verzekerd zijn van een duurzaam geluk. Deze met gloed en
geest uitgesproken slottirade bracht het publiek opnieuw in verrukking,
en nog dienzelfden avond wist een verrukt jongmensch zevenduizend
handteekeningen van trouwlustige lotgenooten te verzamelen voor het
stichten van een "South-Polar-women-import-fund." Den volgenden dag
sprak heel Londen over de plotseling beroemd geworden Zuidpoolschen,
en gedurende vele weken werden ze in alle café-concerts in woord
en kleedij geprezen en nagebootst aan de hand van de uitvoerige
beschrijving, die Li van haar uiterlijk had gegeven.

Den 29en October had het groote diner plaats, door het Aardrijkskundig
Genootschap aangeboden. Rob zat op een eereplaats, links van de
echtgenoote van den secretaris, en rechts van de vrouw van den
president, die aan de zijde van Li was gezeten. Het diner, dat
eindigde met de aanbieding van het buitengewoon eerelidmaatschap aan
den ontdekker James Lane, kenmerkte zich door het overgroote aantal
speechen, die Li met onvermoeibaren ijver beantwoordde, daarbij een
kennis van zaken ten toon spreidend, waarvan Rob nu en dan verstomd
stond.

De 1e November eindelijk was bestemd voor de soiree ten Hove. Alle
bewoners van De Vogel, Rob incluis, staken zich voor die gelegenheid
in rok, en Li gaf zijn metgezellen, vooral den jongsten, voor het
vertrek nog de noodige goede lessen met betrekking tot de talrijke
voorschriften, waaraan zij zich aan het ceremoniëele Engelsche Hof
hadden te houden.

Om klokslag negen uur kondigde de Chambellan met luider stem de komst
aan van Sir James Lane en gezelschap, welke betiteling Li er op wees,
dat het den Koning behaagd had den grooten ontdekkingsreiziger een
onderscheiding te verleenen, waarvoor Li Zijne Majesteit nog niet had
bedankt, toen deze zijn vorstelijke mildheid nog verder uitstrekte door
zijn beroemden onderdaan dadelijk na de begroeting met de versierselen
van het commandeurskruis der Bath-orde te omhangen.

Terwijl de gasten zich al pratend door de ruime zalen bewogen,
onderhield de Koning zich zeer vriendelijk met Li en Rob. Zijne
Majesteit deed allerlei vragen, die duidelijk blijk gaven van zijn
belezenheid over het onderwerp, een belezenheid van vermoedelijk jongen
datum. Li gaf uitgebreide, wetenschappelijk getinte antwoordden,
en vooral de beschrijving der Zuidpoolsche dames intresseerde den
Koning zeer. Toen Li vertelde, dat hij aan de Pool ook uitgebreide
diamantvelden had ontdekt, die nog onontgonnen lagen en bestemd waren
kolossale schatten op te leveren, begonnen de oogen van den Vorst te
schitteren. Merkwaardig was het, dat 't woord "diamant" nauwelijks was
uitgesproken, of een lang, correct-gerokt heer, met een monocle in
't oog en een orchidee in 't knoopsgat, die een minuut geleden nog
aan 't andere einde der zaal had gestaan, mengde zich in 't gesprek,
al pratend eenige aanteekeningen in zijn notitieboekje makend. Deze
heer werd voorgesteld als Zijner Majesteits Minister van Koloniën.

Toen het gesprek eenmaal op diamanten was gekomen, wist Li door een
handige overgang ook de kroonjuweelen in de conversatie te mengen,
en hij vroeg, of de edelgesteenten, die den Koning en de Koningin
bij de kroning waren aangeboden, werkelijk van een zoo verbazenden
omvang waren als de dagbladen, waarin hij de beschrijving had gelezen,
vermeld hadden.

In antwoord hierop gaf de Koning een geestdriftige beschrijving van
de kroon en den diadeem, die, naar hij zeide, in een zeer kunstig
uit hout gesneden kastje werden bewaard, dat steeds zorgvuldig in
een brandkast stond gesloten. De brandkast bevond zich in 's Konings
slaapvertrek, en was van een hoogst vernuftige sluiting voorzien,
waarvan het geheim alleen aan hem zelf bekend was.

Li deed nog eenige belangstellende vragen, en haalde intusschen al
pratend een marokijn leeren étui uit den zak, waarin zich eenige
prachtige groote steenen bevonden, welke hij zich veroorloofde den
Koning als een souvenir aan de reis aan te bieden. Zijne Majesteit
was verrukt over de helderheid en het slijpsel der steenen, die
volgens Li door hem zelf aan de Pool waren gedolven, en het behaagde
hem het geschenk welwillend te aanvaarden. Toch kon hij, met een
kennersblik de juweelen monsterend, de opmerking niet weerhouden,
dat de kroondiamanten nog grooter van omvang waren.

Nu gaf Li luide zijn verbazing te kennen. Dat er steenen zouden
bestaan, grooter nog dan die, welke het Zijne Majesteit behaagd
had als een nederige hulde van een zijner meest getrouwe onderdanen
aan te nemen, kwam hem verwonderlijk voor, en hij waagde het zelfs
op zeer bescheiden wijze de mogelijkheid te opperen, dat de Koning
zich vergiste.

Zijne Majesteit, een-en-al welwillendheid, bood den ontdekkingsreiziger
nu aan, zich persoonlijk te gaan overtuigen van de pracht der
kroonjuweelen, die door deskundigen op minstens een millioen
pond waarde werden geschat, en Li toonde zich verrukt over dit
gunstbewijs. Door enkele ministers en andere hoogwaardigheidsbekleeders
vergezeld, ging men nu naar het slaapvertrek, waar zich dicht
naast het praalbed een sierlijk geornamenteerde brandkast bevond,
die door den Koning met enkele onmogelijk te volgen handgrepen werd
geopend. Daarna drukte Zijne Majesteit op een veer, en er schoof een
kunstig bewerkt houten koffertje te voorschijn, waarvan het deksel
zich, eveneens door een druk op een verborgen veer, opende. Nu lagen,
achter glas opgesteld, de kroondiamanten in schitterende pracht voor
de bewonderende oogen der toeschouwers. Het electrisch licht tooverde
de heerlijkste kleurfonkelingen in de geslepen vakken, en allen waren
het er over eens, dat nergens ter wereld de weerga van zulk een pracht
gevonden kon worden.

Alleen Li scheen meer in bewondering voor het koffertje dan voor de
diamanten verdiept te zijn, en vroeg ten laatste:

"Is dit van Indisch maaksel?"

"Juist," antwoordde de Koning. "Het is een voortbrengsel van
Britsch-Indische houtsnijkunst, en een geschenk van den Emir van
Paschuda ter gelegenheid onzer Kroning."

Nadat het gezelschap weer in de zaal teruggekeerd was, liep het gesprek
nog eenigen tijd over het koffertje. Li gaf zijn groote belangstelling
te kennen voor dergelijke industrie in 't algemeen, en vertelde dat
hij op zijn reizen zooveel merkwaardige voorwerpen van handenarbeid
en gebruikskunst had verzameld, dat hij 't de moeite loonend vond
een vergelijkende studie van zuidelijke inlandsche industrie te
gaan schrijven. Zelfs had hij al eenige bladzijden voor dat boek
op schrift gebracht, met het plan het van talrijke illustraties te
voorzien. Daartoe wilde hij vooreerst fotografische opnamen maken van
de voorwerpen uit zijn eigen collectie, maar ook zou hij een dankbaar
gebruik maken van al wat museums en particuliere verzamelaars hem
konden en wilden bieden.

Zijne Majesteit, die het er op gezet scheen te hebben den gast met
gunstbewijzen te overladen, gaf onmiddellijk te kennen, dat hij de
eerste wilde zijn die hem in dit schoone werk ter zijde stond, en bood
Li het Indische kistje in bruikleen aan. De juweelen konden zoo lang in
de brandkast liggen, en wanneer Li beloofde dat hij het koffertje met
de grootste omzichtigheid zou behandelen en het niet langer aan zijn
bestemming onttrekken dan voor de beschrijving en het doen van opnamen
strikt noodig was--in elk geval niet meer dan tweemaal vier-en-twintig
uur--dan was er tegen het in leen geven geen enkel bezwaar.

Li stribbelde nog wat tegen, sprak van de te groote eer die hem
bewezen werd, meende dat hij het aanbod niet mocht aannemen--doch
eindigde met er een dankbaar gebruik van te maken.

En zoo werd dan besloten, dat het koffertje den volgenden morgen
onder militair geleide in Li's hotel zou gebracht worden.

Het was inmiddels vrij laat geworden. Zijne Majesteit trok zich in
zijn appartementen terug; de rijtuigen der gasten werden afgeroepen,
en ook Li met gezelschap reed in hofkoetsen naar Longmanstreet.

Daar aangekomen, zat men nog enkele oogenblikken gezellig bijeen. Li
was klaarblijkelijk zeer ingenomen met den gang van zaken, en zei
vroolijk tot Rob:

"Het halve werk is gedaan!"

"Maar ik dacht," zei Rob, "dat je het koffertje _zonder_ de diamanten
te leen kreeg!"

"Natuurlijk, beste jongen!" lachte Li, "maar ik had ook geen oogenblik
gedacht dat ik de diamanten er bij zou krijgen!"

"Maar hoe wil je dan..." begon Rob.

"Geduld maar! Je zult 't wel zien, hoe 't nu verder gaat. Nu komt
onze geleerde La in actie."

"Electriciteit overwint alles!" antwoordde deze raadselachtig.

"Ik ben erg benieuwd," zei Rob. "Maar vertel eens, Li, hoe kwam je
aan dien prachtigen diamant? en was 't eigenlijk niet zonde om dien
weg te geven?"

"Niet erg," zei Li leuk. "Kijk onze alchimist eens lachen--'t is
alweer La, die er achter zit. Die fabriceert in z'n vrijen tijd
valsche diamanten--van koolstof onder electrischen druk--en je ziet
dat z'n uitvinding ons al goed te pas is gekomen!"



ZEVENDE HOOFDSTUK.

LI STEELT DE KROONJUWEELEN.

	Li krijgt het koffertje te leen.--La verricht nieuwe
	wonderen.--De Koning ontvangt een splinternieuw koffertje.--Hoe
	hij beetgenomen werd.--De kroonjuweelen zijn gestolen!--Het
	verhaal van de diefachtige poes.--Li heeft de diamanten te
	pakken.--De groote ontdekkingsreiziger steekt met zijn jacht
	van wal.--Terug op De Vogel.--De reis naar Transvaal.--Hoe
	het met de diamanten afliep.


De volgende dagen waren weer gewijd aan lezingen, officiëele bezoeken,
feestmaaltijden, waaraan geen einde scheen te komen. Li en zijn
metgezellen schenen wel van ijzer te zijn, zoo onvermoeid namen
ze aan al die dingen deel, maar Rob werd het nu en dan te machtig,
en Li zorgde er dan ook menigmaal voor dat hij tijdig naar bed ging
en er voor zijn afwezigheid bij het een of ander feest een geldige
reden werd gevonden.

Den 3en November werd er aan het hotel in Longmanstreet een
kabinetschrijven van den Koning bezorgd, inhoudende dat dienzelfden
middag door een officier van de Householdguards, onder geleide van
zes manschappen het koffertje zou bezorgd worden, waarin de beroemde
edelsteenen bewaard werden. Toen Li den brief las, glimlachte hij
zwijgend. Rob verbaasde zich wat Li met dat kistje doen zou, maar
zweeg eveneens en wachtte af.

Des middags werd het kostbare voorwerp gebracht. Li gaf het
onmiddellijk aan La over, en nu begaven allen zich in een vertrek,
waarvan Rob het bestaan nog niet wist, en waar voor La een geheel
laboratorium bleek te zijn ingericht, en wel door Nof, die met zijn
vliegmachine des nachts al de benoodigde instrumenten naar binnen
had gebracht.

La zette zich aan het werk. Hij maakte een vorm van het zoo gemakkelijk
te bewerken en te plooien monum, die geheel om het kistje sloot,
zoodat alle onderdeelen van het snijwerk daarin werden afgedrukt. Uit
de kranten wetende, dat het koffertje vervaardigd was van een in
Britsch-Indië veelvuldig voorkomende acacia-houtsoort, had hij
gezorgd zich reeds lang van te voren een blok van die houtsoort te
verschaffen. De monum-vorm werd nu met de opening naar boven gelegd,
het houtblok haaks gezaagd, zoodat het eenigszins grooter inhoud had
dan de vorm binnenwerks, en vervolgens boven de opening geplaatst. Een
sterke electrische stroom werd nu door het monum geleid, en Rob zag
tot zijn verbazing, dat een lichte druk boven op het blok voldoende
was om dit in den vorm te doen zakken. Het overtollige hout werd door
den scherpen rand van den vorm afgesneden, en nadat het monum was
weggenomen vertoonde het blok uiterlijk geheel den vorm van het kistje.

Nu sneed La het blok met een zeer dun, door electriciteit in gloeiïng
gebracht zaagje in tweeën, zoodat hij het in een doos en een deksel
scheidde; daarna werden beide blokken eveneens met een monum-vorm
geheel volgens het model uitgehold. Ten slotte werden scharnieren
aangebracht, en het geheel met een bruine vloeistof bestreken,
waardoor het volkomen de kleur van het model verkreeg. En zoo stonden
er nu twee treffend op elkaar gelijkende kistjes naast elkaar op de
werkbank, die in niets van elkaar verschilden!

Het moeielijkste kwam echter nu eerst. Lo bracht nu tegen den
achterwand een zeer smallen tweeden wand aan, die zoo was ingericht,
dat hij bij het sluiten van den deksel een op den bodem van het
koffertje gelegd voorwerp geheel verborg, zonder dat er uiterlijk
iets van dien dubbelen bodem te bemerken was. Opende men opnieuw den
deksel, dan bleef die dubbele wand liggen.

Alles was nu gereed.

Toen de termijn verstreken was, vroeg Li een audiëntie bij den
Koning aan, ten einde zelf het koffertje te mogen terugbrengen, en
zoo de gelegenheid te hebben Zijne Majesteit voor deszelfs groote
welwillendheid dank te zeggen.

De audiëntie werd toegestaan. Met belangstelling beschouwde de Koning
de foto's, die Li door La van het kistje had doen maken, en hij was
zelfs zoo welwillend den grooten Poolreiziger uit te noodigen zijn
hulp te verleenen bij het weder op hun plaats brengen der juweelen. Li
nam dit aanbod gaarne aan; met eigen handen legde de Koning kroon en
diadeem weer in het koffertje, en toen Li het deksel gesloten had, wist
hij dat de dubbele wand de sieraden geheel bedekte, dat het bij het
opnieuw openen van het kistje den schijn zou hebben als was de inhoud
verdwenen, en dat men de list niet zou doorzien, omdat de onderwand
van het nagemaakte kistje zoo aanmerkelijk veel dunner was dan de
zeer zware bodem van het echte, dat de dubbele bodem even diep onder
de bovenzijde lag als de enkele bij het oorspronkelijke koffertje.

Nadat de Koning zorgvuldig de brandkast had gesloten en zich nog
eenigen tijd met Li onderhouden had, nam deze afscheid.

In het hotel aangekomen, vond hij zijn reisgenooten in gespannen
nieuwsgierigheid bijeen.

Hij knikte hen vroolijk toe.

"Alles gaat uitstekend," zei hij. "Binnen een week zijn de juweelen
hier in huis."

Men was gewoon, dat Li zulke uitspraken niet deed, of de feiten stelden
hem in het gelijk. Maar dit nam niet weg, dat men zeer benieuwd was hoe
het nu verder met deze geschiedenis zou afloopen. Rob vooral toonde
zich zeer verlangend naar den uitslag der onderneming en begreep nog
niet goed hoe het gaan moest.

Lang behoefde men niet in spanning te blijven. Reeds den volgenden
avond ontving Li bezoek van een in 't zwart gekleed heer, die zich
eenvoudig liet aandienen als mr. Johnson, maar daarna de Eerste
Kamerheer van den Koning bleek te zijn, die Li onder vier oogen
meedeelde, dat Zijne Majesteit hem den volgenden morgen wenschte
te ontvangen, en dat hij daartoe in een gesloten huurrijtuig zou
worden afgehaald.

Toen mr. Johnson vertrokken was, en Li de overigen den inhoud van
't gesprek meedeelde, schrok Rob erg.

"Het geheim van 't koffertje kan toch niet ontdekt zijn?" vroeg
hij angstig.

"Geen sprake van," antwoordde Li kalm. "Laten we maar tijdig naar
bed gaan en rustig slapen, blij dat we van avond eens geen officiëel
feest hebben bij te wonen."

Den volgenden morgen om tien uur kwam het rijtuig voor.

Li steeg in, en weldra bevond hij zich in 's Konings particulier
kabinet. Het gezicht van Zijne Majesteit stond zeer ernstig.

"Mr. Lane," sprak hij, "ik heb u doen ontbieden in verband met een
zeer vreemd geval. Gisterenmiddag opende ik het koffertje, dat de
kroonjuweelen bevat, eerlijk gezegd omdat ik nog eens nauwkeurig
wilde nagaan of het geen schade had geleden terwijl het in uw
handen was. U moet mij dat niet kwalijk nemen; ik hecht zoo aan dat
meesterwerk van houtsnijkunst, dat ik er steeds een overdreven zorg aan
wijd. Natuurlijk vond ik het in de beste orde, niet het minste spoor
van een minder voorzichtige behandeling was er aan te bemerken--iets
wat ik trouwens verwachten kon, maar waarvoor ik u toch dankbaar ben."

Li boog zwijgend, en de Koning vervolgde:

"Stel u echter mijn verbazing en tevens mijn schrik voor, toen ik de
diamanten spoorloos verdwenen vond! Een oogenblik durfde ik mijn oogen
niet vertrouwen; ik meende zelfs aan een zinsbegoocheling onderhevig
te zijn. Maar het bleek maar al te waar: de diamanten waren en bleven
weg! Had ik ze niet zelf een dag te voren eigenhandig in het koffertje
gelegd--het geen u, die daarbij aanwezig was, immers bevestigen
kunt--dan zou het verdwijnen mij niet zoo sterk verbaasd hebben als
nu. Er is natuurlijk geen andere mogelijkheid dan diefstal--wonderen
komen in onzen tijd niet voor! Maar wie is de dief? En hoe had de
diefstal plaats? Even zeker als, theoretisch beschouwd, alleen door
diefstal de steenen verdwenen kunnen zijn, even vast staat het,
dat die diefstal uit een practisch oogpunt eenvoudig ondoenlijk
is. Niemand kent het zeer samengesteld geheim van de sluiting der
brandkast--deze was trouwens geheel onbeschadigd--maar sterker is,
dat de deur van mijn slaapvertrek dag en nacht door twee schildwachten
wordt bewaakt, die door mijn ordonnans-officier, den commandant der
paleiswacht en mijzelf herhaaldelijk worden gecontroleerd. Ik vraag u:
zou men hier niet bijna aan een mirakel gaan gelooven?"

"Het is ongetwijfeld een hoogst merkwaardig geval, Sire," zei Li
nadenkend. "Toch moeten we niet te gauw aan bovennatuurlijke werkingen
gelooven of zulk een gebeurtenis te diep onderzoeken. Ik heb wonderen
zien verrichten door Indische fakirs, die oppervlakkig beschouwd
zuiver hekserij schijnen, en die toch een hoogst eenvoudigen truc tot
grondslag hebben. Zoekt men hun oorsprong te ver, dan kan men zeker
zijn te dwalen."

"U bedoelt daarmee, dat...."

"Dat de zaak vermoedelijk veel eenvoudiger is dan we denken. Doch
ik ben zoo onbescheiden op Uwer Majesteit's vermoedelijke plannen
vooruit te loopen."

"Integendeel, ik hecht waarde aan uw advies. U was trouwens degene,
die, met mij, de diamanten het laatst gezien heeft, die evenals ik
de absolute zekerheid bezit dat ik eigenhandig kroon en diadeem in
het kistje plaatste. Ik dacht daarom dadelijk aan u, toen ik die
kostbare voorwerpen miste. U kunt misschien helpen een, zij 't ook
zeer vaag, spoor te vinden. Herinner u eens goed, wie waren in onze
omgeving, toen u mij het kistje terugbracht? Zag u in de vertrekken
en gangen die wij doorgingen, geen personen, wier aanwezigheid
daar u vreemd voorkwam? Weet u zeker, dat de beide schildwachten
voor mijn kamerdeur stonden? Hebt u duidelijk gezien dat ik de
brandkast zorgvuldig sloot? Hebt u bij uw vertrek uit het paleis niets
verdacht waargenomen? Zooals u ziet zijn er vragen genoeg, de moeite
van het overwegen waard. Niemand weet nog van het verdwijnen der
kostbaarheden. Ik verlang ook dat daaraan voorloopig niet de minste
ruchtbaarheid wordt gegeven. Juist door in stilte en stelselmatig
te werk te gaan, hebben we de meeste kans van slagen. Bovendien zou
ik niet gaarne den schijn op mij laden, zulk een kostbaar geschenk
als die juweelen slecht beheerd te hebben. Kortom, ik heb alle reden
vooreerst alleen op uw hulp te vertrouwen. En ik hoop met succes."

"De taak, die Uwe Majesteit zich verwaardigt mij op te leggen, is
vereerend, maar zwaar. Ik zou verkeerd doen, met mij in de uitvoering
daarvan te overhaasten. Wil mij eenige dagen toestaan, waarin ik
rustig over het geval kan nadenken. Ik woonde op mijn reizen meer
zulke geheimzinnige diefstallen bij, die later bleken een verbluffend
eenvoudig verloop te hebben gehad, en het zou mij niet verwonderen
als ook hier iets dergelijks in 't spel was. Instinctmatig voel ik,
dat de oplossing hier zeer voor de hand ligt. Misschien zelfs vind ik
in de vele aanteekeningen, die ik over mijn reizen maakte, gevallen
vermeld, die op dit gelijken. Hoorde Uwe Majesteit ooit, hoe uit den
Grooten Tempel te Delhi het Gouden Hart van Boeddha gestolen werd?"

Toen de Koning ontkennend antwoordde vervolgde Li:

"Eenige jaren geleden verdween dat voorwerp plotseling uit den
tempel. Er heerschte groote verslagenheid, want de bevolking zag er
het voorteeken van een naderend onheil in. Maar ook brak men zich het
hoofd met de vraag, hoe die verdwijning mogelijk was. Het Gouden Hart
was dien dag in processie door den tempel gedragen, ter gelegenheid van
een godsdienstig feest. Daarna had men het voor ieder zichtbaar op zijn
gewone plaats boven het altaar gelegd, dat dag en nacht bewaakt werd
door biddende priesters. Alle uitgangen van den tempel, ja zelfs de
vensters, werden steeds en onder alle omstandigheden door krijgslieden
bewaakt. Tien minuten nadat het Hart boven het altaar geplaatst was,
en de tempelgangers inmiddels het gebouw ontruimd hadden, strekte
de Hoogepriester met een kreet van schrik de hand naar het altaar
uit.... De biddende priesters zagen op--het Gouden Hart was verdwenen!"

"En hoe was dit wonder geschied?" vroeg de Koning in gespannen
belangstelling.

"Op een bijna kinderachtig eenvoudige wijze, Sire," vervolgde Li. "Een
vreemdeling, hartstochtelijk verzamelaar, bezat een merkwaardig middel
om in het bezit te komen van die voorwerpen, welke hij niet door geld
machtig kon worden, en die hij toch zoo gaarne aan zijn collectie
wilde toevoegen. Dat middel was--een kat! Dit slimme dier was er van
jongs af op gedresseerd zich vlug en onbemerkt meester te maken van
elk voorwerp, dat zijn meester hem met een enkel gebaar aanduidde. Zoo
ging het ook met het Gouden Hart. De zwarte, in de namiddagschemering
nauw zichtbare kat deed haar werk voortreffelijk. Ze sloop naar het
altaar, had binnen enkele seconden het verlangde voorwerp in haar
bek en schoot met onhoorbare snelheid tusschen de priesters door,
den tempel uit en haar meester achterna. Later ontdekte men, bij
gelegenheid van een anderen diefstal, het vermiste voorwerp in de
collectie van den vreemdeling, en zoo kwam ook de kattenlist aan het
licht. Toen bleek dus, dat een eenvoudige poes bewerkt had, wat de
priesters voor een mirakel van godenhand hadden uitgemaakt."

"Uw verhaal is even intressant als spannend," zei de Koning. "En uw
ondervindingen op dit gebied geven me hoop, dat u het spoor in deze
duistere geschiedenis zult kunnen vinden. Dus--zwijgen tegenover
iedereen; zoodra u iets meent gevonden te hebben, ontvang ik bericht."

Li beloofde nogmaals zijn uiterste best te zullen doen, en keerde
toen naar huis terug.

"Over twee dagen!" zei hij alleen tot Rob, die hem vragend aanzag.

Er gingen nu twee dagen voorbij, die Li gebruikte om door middel van de
nieuwsbladen te doen rondbazuinen, dat hij in de volgende week voor een
paar maanden met zijn jacht den Atlantischen Oceaan ging doorkruisen.

Toen die twee dagen om waren, vroeg Li opnieuw een audiëntie bij den
Koning aan, welke dadelijk werd toegestaan.

Zijne Majesteit kwam Li met uitgestrekte handen tegemoet, en vroeg
terstond:

"Wel, hebt u kans gezien, eenig licht te vinden in de duistere zaak?"

"Ik geloof inderdaad, Sire, dat ik den dader op het spoor ben."

"Den dader?" riep de Koning verrast. "Dus u gelooft dat we hier
werkelijk met een diefstal te doen hebben?"

"Ik geloof het niet alleen, ik weet reeds zeker, dat er een zeer
eenvoudige, hoewel sluw aangelegde diefstal in het spel is. Ik heb
echter nog niet alle bewijzen in handen."

"Maar vertel me dan voorloopig hoe u tot die schitterende ontdekking
gekomen bent," vroeg de Koning nieuwsgierig.

"Vergeef me, Majesteit," sprak Li, "dat ik Uw geduld nog eenigen tijd
op de proef stel. Ik kan me immers vergissen, en zou niet graag willen,
dat ik U zoowel als mezelf met een ijdele hoop gevleid had. Vergun
me dus, dat ik U niets mededeel, eer ik met volkomen zekerheid kan
oordeelen."

"Ik waardeer en begrijp uw voorzichtigheid, mr. Lane," antwoordde de
Koning, "en ik zal u daarom niet langer met nieuwsgierige vragen lastig
vallen, hopende u daarmee tevens te toonen welk een volkomen vertrouwen
ik in u stel. Ik wil u op alle mogelijke wijzen van dienst zijn. Zeg
mij slechts, waarmee ik u in het belang uwer verdere onderzoekingen
van dienst kan zijn."

"Wanneer het niet te veel van Uw goedheid gevergd is," zei Li "zou
ik gaarne nogmaals tijdelijk in het bezit gesteld worden van het
kistje. Het kan me bij mijn nasporingen van groot nut zijn."

"Met het meeste genoegen zal ik het u nogmaals in gebruik afstaan,
en wel voor zoo lang als u het denkt noodig te hebben. U kunt het
zelfs nog heden in uw rijtuig meenemen."

Na deze woorden haalde de Koning zelf het koffertje te voorschijn. Eer
hij een lakei ontbood, die het zorgvuldig verpakt in Li's rijtuig
zou brengen, drukte hij nogmaals op de veer, die het deksel deed
openspringen, en staarde met weemoedigen blik in de leege ruimte.

"Hoe lang zal het duren, eer ik mijn schatten weer terug heb," sprak
hij met een zucht.

"Misschien korter dan U denkt, Sire," zei Li. "Ja, ik heb zulke goede
verwachtingen van den uitslag mijner pogingen, dat het is alsof ik
de juweelen daar reeds weer op den boden van het kistje zie liggen."

Toen Li in Longmanstreet teruggekeerd was, riep hij zijn getrouwen
bijeen. Hij toonde hun het koffertje, deed het open, sloeg den
dubbelen wand opzij--en daar lagen voor aller verbaasde oogen de in
veelkleurigen glans schitterende kroonjuweelen!

Li bergde de kostbare stukken eenvoudig in het handtaschje dat hem
steeds op reis vergezelde; toen gaf hij het nagemaakte kistje aan Lo,
die het twee minuten later door middel van een electrischen stroom
tot een fijn poeder verbrand had.

"Ziezoo," zei Li. "Nu kan de Koning zijn eigen koffertje terug
krijgen."

Drie dagen later was Li opnieuw ten paleize. Hij overhandigde het
avontuurlijke kistje weer aan den Koning, en meldde dezen, dat hij nu
nog slechts over eenigen tijd moest kunnen beschikken, en de diamanten
zouden terecht zijn.

"Wees ervan verzekerd, Majesteit, dat de juweelen aan den rechtmatigen
eigenaar zullen teruggegeven worden," zei hij met een fijn glimlachje.

De Koning was verrukt. Hij drukte Li herhaaldelijk de hand, en beloofde
hem de grootst denkbare eerbewijzen als zijn taak tot een goed einde
zou gebracht zijn.

"Uwe Majesteit zal vernomen hebben," zei Li, "dat ik volgens
de nieuwsbladen het plan heb eenige maanden in den Atlantischen
Oceaan te gaan kruisen. Mijn eigenlijk doel is echter, den dief te
achterhalen, die het koninkrijk verlaten heeft, en omtrent wien ik
zekere aanwijzingen heb dat hij op weg is naar Zuid-Afrika."

De Koning kon geen woorden vinden om zijn dankbaarheid te uiten,
en toen Li met zijn reisgenooten den volgenden dag in zijn jacht
Dover verliet, was hij tot Pair van Engeland verheven, en bezat hij,
behalve het grootkruis van de Engelsche Huisorde, een mandaat, dat
hem machtigde levenslang uit 's Konings particuliere schatkist een
jaargeld van vijfduizend pond te trekken. Het jacht was nog geen
vijf minuten in zee, of Li strekte de hand uit, en achtereenvolgens
plompten de aanstelling tot Pair, de Bathorde, de Huisorde en het
mandaat in de golven.

"Ik heb immers de diamanten!" zei hij eenvoudig.

Daarna keerde hij zich tot Rob en vroeg vroolijk:

"Wel--wat zeg je nu van ons avontuur?"

"Ik heb in al mijn boeken van Bertrand nog nooit zoo iets gelezen,"
zei Rob, "en die zijn toch wel de mooiste en avontuurlijkste boeken
die ik ken. Las je ze wel eens?"

Li had schik in de verbazing van den jongen, en zei:

"In mijn jeugd bestonden er zulke prachtige boeken nog niet. Maar ik
maakte er wel eens kennis mee. Ze schijnen in alle talen vertaald
te worden, want op mijn vele reizen zag ik ze zoowel in China als
in Amerika, op Groenland, in Siberië en op de Zuidzee-Eilanden. Maar
dat is zeker, ons diamanten-avontuur is 'n aardig stukje geweest."

Rob kon niet nalaten te zeggen:

"Alles is je wel erg meegeloopen. Het gebeurde eigenlijk allemaal
net zooals je het graag wou. Maar wat zou je nu gedaan hebben als
het eens niet zoo vlot van stapel was geloopen?"

"Ach," zei Li leuk, "dan had ik er wel weer een ander middel op
gevonden. Hebben moest ik ze."



De zeereis was weer even voorspoedig als te voren. Den 15en November
was men weer op Green-Eiland, met een hoera verwelkomd door Mu, die De
Vogel weer op zijn gewone plaats onder de boomen had verborgen. Ditmaal
was er geen oorlogsschip te zien dat de reizigers bemoeielijkte.

Enkele uren na de landing kwam ook Nof met de vliegmachine aan, en
bracht het voor Rob heerlijke bericht, dat het hem gelukt was den
brief aan Rob's voogd des nachts onbemerkt in de bus te doen. Ook
bracht hij eenige kranten mee, waarin al de in 't Eerste Hoofdstuk
vermelde gissingen omtrent Rob's verdwijning stonden, en waarin allen,
de held niet 't minst, veel schik hadden.

Nof kreeg niet lang rust, want Li gelastte hem dadelijk het jacht
naar Dover te brengen, het daar onbeheerd in de haven te laten liggen,
opdat de Engelsche regeering er over kon beschikken, en dan met de mee
te nemen vliegmachine zich weer bij de overigen te voegen. Het punt
van bijeenkomst werd hem door Li schriftelijk in cijfertaal opgegeven.

Alles, wat uit het huis in Longmanstreet in het jacht was geladen,
werd nu op De Vogel overgebracht, en men was reisvaardig voor het
verdere doel van de onderneming.

Nog denzelfden avond stak De Vogel van wal. De reis ging nu
rechtstreeks naar Vrijheid, waar de Transvaalsche Regeering op dat
oogenblik haar zetel had. De lucht was voortdurend helder, hoewel
koud, en het was een heerlijke gewaarwording met de maximum snelheid,
die De Vogel kon ontwikkelen, door den ijlen, drogen dampkring te
vliegen. Niet altijd was het gemakkelijk, den juisten weg te vinden;
de kinematografische opnamen van den Atlantischen Oceaan gaven slechts
vage beelden, waarin het oog vergeefs een steunpunt zocht, en zoo
moest herhaaldelijk aan zon en sterren gevraagd worden waar men zich
bevond. Gemiddeld genomen, ging de reis echter zeer voorspoedig, en
in den nacht van den 26en op den 27en November werden de Transvaalsche
steenen in de tent van den waarnemenden President gedeponeerd, zonder
dat deze zich van hun herkomst ook maar in de verste verte rekenschap
kon geven.

Men zal zich herinneren, dat op het eind van 't jaar 1901 de kranten
vage, verwarde berichten gaven omtrent een belangrijken diefstal van
diamanten aan het Engelsche Hof. Enkele weken daarna werden geruchten
weer tegengesproken, en ten slotte vernam men er niets meer van. De
toedracht van dit geval weet de lezer nu grootendeels. Er behoeft
nog slechts aan toegevoegd te worden, dat de Transvaalsche Regeering,
edelmoediger en fierder dan de Engelsche, de diamanten onmiddellijk
terugzond, met de laconieke mededeeling dat het haar aan geld niet
ontbrak. De Koning gelastte dat men de grootste stilzwijgendheid zou
bewaren over deze gebeurtenis, waarin hij zelf immers een min of meer
komische rol vervuld had. Meermalen heeft hij daarna de diamanten
en het kistje peinzend bekeken; de spoorlooze verdwijning van Sir
James Lane, Pair van Engeland, drager van verscheiden hooge orden,
heeft hem steeds zonderling toegeschenen--maar het rechte verband
der dingen is hem nooit goed duidelijk geworden.



ACHTSTE HOOFDSTUK.

LI VERTELT Z'N GESCHIEDENIS.

	Waarin verteld wordt, hoe 't maar 'n haartje gescheeld had,
	of Rob was weer in 't Vondelpark gaan wandelen.--Li vertelt
	zijn levensgeschiedenis.--Rob hoort van de stichting der
	Oranje-Republiek, van Rusland's booze plannen, van de dappere
	Elizabeth Helmont en den edelen ingenieur Van Stralen.


Eenige dagen na het vertrek uit Zuid-Afrika, terwijl De Vogel met
groote snelheid in noordoostelijke richting voortvloog, verzocht Li
zijn jongen vriend bij hem in zijn werkkamer te komen. Nadat hij hem
had uitgenoodigd te gaan zitten, sprak hij:

"Ik ben je langzamerhand geheel tot de vaste bemanning van het
luchtschip gaan beschouwen, Rob. Terwijl ik het onaangenaam blijf
vinden, dat ik je van je vrijheid moest berooven, ben ik toch dankbaar
dat we zulk een goeden vriend in je gevonden hebben. En het zou me
moeielijk vallen van je te scheiden. We stellen trouwens allen op je
tegenwoordigheid prijs. Ik heb nooit eenige belofte van je gevergd, en
toch heb je je tegenover ons zoo flink, trouw en eerlijk gedragen alsof
je door je woord en door verplichtingen aan ons gebonden was. Dat heeft
me heel veel genoegen gedaan. En er is nog iets waarvoor je ten zeerste
lof verdient. Toen we in Londen waren, heb ik je geheel vrij gelaten;
je kon in de stad ongehinderd rondloopen en had alle gelegenheid ons
te verraden of te verlaten. Integendeel heb je alles gedaan om onze
plannen te doen slagen. We weten nu, dat we een trouw kameraad in je
hebben gevonden. Als dank wil ik daar iets tegenover stellen."

Li zweeg even, en vervolgde toen:

"Wanneer je wilt, zal ik je binnen acht dagen naar Amsterdam
terugbrengen."

Rob aarzelde geen oogenblik met zijn antwoord.

"Als je er niets tegen hebt, Li, dan zou ik liever nog wat blijven."

Li drukte hem hartelijk de hand, en de glimlach op zijn flink,
mannelijk gezicht bewees duidelijk dat het antwoord van Rob hem goed
deed. Toch vroeg hij nog:

"Maar verlang je dan niet naar je huis terug?"

"Zeker doe ik dat," zei Rob, "ik verlang wel terug, want mijn voogd
was altijd heel goed voor me, en ook zou ik de zusters en broers
graag terugzien. Maar toch zou ik wel hier willen blijven ook..."

"Wanneer je ouders nog leefden, Rob, zou ik er zeker bezwaar tegen
hebben dat je nog bleef. In de bestaande omstandigheden durf ik het
echter wel op me nemen je nog wat hier te houden, te meer daar het in
verband met mijn verdere plannen niet ongewenscht is. Maar we zullen
afspreken, dat je volkomen vrij bent zelf den dag van je vertrek
te bepalen, en dat er iedere vier weken, als de omstandigheden het
toelaten en ik een der vliegtoestellen missen kan, een bericht naar
je voogd gaat."

Rob dankte Li voor zijn welwillende beschikkingen. Hij voelde
inderdaad nu en dan wel een soort van heimwee naar huis, naar zijn
schoolkameraden, naar zijn fiets en zijn voetbal; maar hij merkte
toch ook dat dit gevoel langzamerhand minder werd. Het avontuurlijke
van dit leven in de lucht trok hem sterk aan, en ook had hij zich
langzamerhand zeer aan de goedgehumeurde, vriendelijke en toch zoo
flinke en doortastende Vogel-bewoners gehecht. Bovendien verveelde hij
zich geen oogenblik; voortdurend werd er voor de noodige ontspanning
gezorgd: men maakte muziek aan boord, las elkaar voor, speelde
ping-pong, en zelfs La's aangename en helder-voorgedragen lessen
waren hem een uitspanning. Hij voelde zich goed vorderen, en was zelfs
verder dan hij op dit oogenblik geweest zou zijn wanneer hij nog op de
schoolbanken zat. La legde vooral op algemeene ontwikkeling den nadruk,
hield hem op de hoogte van de nieuwste uitvindingen en ontdekkingen,
en legde hem de politieke gebeurtenissen en verhoudingen in Europa
uit, hoofdzakelijk door middel van de nieuwsbladen, die nu en dan
op voorzichtige wijze aan boord gebracht werden. Daartoe daalde De
Vogel soms des nachts in een bosch of op een bergtop, en een der
"opvarenden" begaf zich naar een nabijliggende stad, uit den rijken
costuumvoorraad de noodige vermomming kiezend.

Nadat wederom eenige dagen verloopen waren, had Li opnieuw een ernstig
gesprek met Rob

"Over enkele dagen gaan we zeer belangrijke gebeurtenissen tegemoet,
Rob," sprak Li. "Het oogenblik lijkt me nu gekomen je in een
geschiedenis in te wijden, die ons allen, behalve jou, bekend is. De
geschiedenis namelijk van mij en mijn lotgenooten. Die is de volgende.

"Zooals je uit je geschiedenis zult weten, werd in 1809 door eenige
Nederlandsche uitgewekenen, die deels om politieke redenen door
Napoleon waren verbannen, deels vrijwillig zich aan de Fransche
heerschappij onttrokken, een kolonie gesticht op de Russische
grens, ten noordoosten van het Balkanschiereiland. De grond, een
uitgestrektheid ongeveer met die van Nederland overeenkomende, werd
daartoe van den Russischen Staat gekocht, die zich alleen enkele
schijnbaar onbeteekenende rechten van toezicht op de jonge Republiek
voorbehield. Tot de voornaamste kolonisten behoorde mijn grootvader,
evenals mijn vader en ik Johan Willem van Stralen geheeten. Hij,
een vurig patriot, een verwoed tegenstander van Napoleon, tegen
wien hij in Spanje, Italië en Duitschland in vreemden krijgsdienst
de wapenen had gedragen, werd tot President gekozen. Onder zijn
krachtig beheer geraakte de Republiek binnen weinige jaren tot
ongekenden bloei; zóo sterk ontwikkelde zij zich zelfs, dat Rusland,
wat trouwens te verwachten was, een begeerig oog op den nabuurstaat
begon te slaan. Mijn grootvader deed alles om de onafhankelijkheid der
Republiek te handhaven. Doch dit was verre van gemakkelijk, vooral daar
zijn onvervalscht Hollandsch bloed hem tot geen enkele concessie aan
Russische wenschen of zeden liet verleiden. Hij bleef Nederlander in
merg en been, deed alles om de Nederlandsche taal in de kolonie te doen
voortleven, en bezielde ook zijn zoon met dergelijke gevoelens. Toen
deze, na den dood van mijn grootvader, tot President werd gekozen, werd
de strijd tegen den Russischen invloed onverflauwd voortgezet. Maar
het was mijn vader niet beschoren zijn taak ten einde te brengen. Hij
stierf aan moeraskoortsen, toen ik nog te jong was om naar de hooge
betrekking te dingen die nu open kwam, en zijn dood was oorzaak van
een menigte verwikkelingen. In den loop der jaren hadden zich talrijke
vreemdelingen in de Republiek gevestigd, Turken, Oostenrijkers, maar
vooral Russen. Ondanks de uiterste pogingen om het Hollandsch karakter
van de Republiek te bewaren, wijzigde zich dit hoe langer hoe meer,
en de verkiezingen, die voor de benoeming van een nieuwen President
waren uitgeschreven, gaven aanleiding tot heftige tooneelen. De
Russische Regeering stookte in 't geheim, vermeerderde de oneenigheid,
en trachtte zoodoende een gelegenheid tot interventie in 't leven te
roepen. Toen er ten slotte een botsing tusschen de Nederlandsche en de
Russische partijen plaats had, waarbij enkele schoten werden gewisseld,
mengde Rusland zich in de kwestie. Eenige Russische regimenten bezetten
de hoofdstad; de orde werd met geweerschoten en knoetslagen hersteld,
en een keizerlijke ukaze vermeldde weldra, dat de Czaar goedgevonden
had voor de Republiek, die een gevaar voor de naburige staten begon
te worden, persoonlijk een nieuwen President aan te wijzen, van wien
verwacht kon worden dat hij de orde zou weten te handhaven.

Oogenschijnlijk leek de keuze van dien President zeer neutraal, ja
zelfs geheel in den geest van het Nederlandsche deel der bevolking. De
Czaar toch had daartoe den hoogbejaarden jeugdvriend van mijn
grootvader, den vroegeren staatssecretaris Helmont, aangewezen, die de
algemeene achting genoot, bij iedereen, ook bij de vreemdelingen, zeer
goed stond aangeschreven, doch die wegens zijn gevorderden leeftijd
en zijn zeer wankelbare gezondheid in andere opzichten juist niet de
aangewezen man voor een zoo zwaar ambt scheen te zijn. Helmont nam
de betrekking aan, deels uit plichtsgevoel, deels onder den dwang
der Russische Regeering, tegenover wier verpletterende overmacht
de kleine Republiek machteloos was. Hijzelf echter, evenzeer als de
heele bevolking, wist dat hij hoogstens voor enkele jaren tegen zijn
moeielijke taak opgewassen zou zijn.

De Russische Regeering begreep dat natuurlijk ook; in die wetenschap en
in het feit, dat zij de waardigheid van President erfelijk verklaarde
in de Republiek, lag echter haar geheele kracht. Helmont toch bezat
slechts een enkele dochter uit zijn tweede huwelijk, en toen de
oude man stierf, kwam het looden gewicht van de regeeringstaak op
de zwakke schouders van het jonge meisje. Zij bezat de energieke,
taaie natuur van het Hollandsche ras, en zij aanvaardde het bewind
met het volle besef van haar groote verantwoordelijkheid; ja, zij liet
de illusie niet los haar land eenmaal geheel van vreemden invloed te
bevrijden. Het spreekt echter vanzelf, dat de zwaarte van haar taak
haar menigmaal deed wankelen. Het duurde dan ook niet lang, of er
deden zich politieke verwikkelingen voor, die de Russische diplomatie
opnieuw aanleiding gaven zich in de aangelegenheden der Republiek te
mengen. Dat geschiedde in het jaar 1899, juist toen het Europeesch
Congres in St. Petersburg plaats had. De Russische afgevaardigden
wisten hun belangen zoo goed te bepleiten, en den politieken toestand
in de Republiek als zoo gevaarlijk voor de omringende staten voor te
stellen, dat de groote mogendheden terwille van den Europeeschen vrede
een besluit uitvaardigden, waarbij bepaald werd dat Rusland tot lid der
regeering, tevens commandant van het leger, een persoon zou aanwijzen,
die in deze functiën aan de mogendheden verantwoordelijk zou zijn voor
de rust in de Hollandsche Republiek. Hollandsche--dit woord werd wel
is waar in het besluit niet genoemd, want om te meer met elke hoop op
toekomstige zelfstandigheid te breken, werd op het Congres tevens de
naam Oranje-Republiek in Czernovië, die van de hoofdplaats, Willemstad,
in Slavowitz veranderd! En de mogendheden zagen dit schandelijk onrecht
aan zonder een hand uit te steken! Alleen het kleine Nederland zond
protest op protest, Koningin Wilhelmina deed een kostbaar gedenkteeken
plaatsen op het graf van mijn te vroeg gestorven vader, als wilde zij
in zwijgende verontwaardiging de plek aanwijzen, waar de vrijheid der
Oranje-Republiek van nu aan begraven lag... Overigens zweeg Europa;
zwijgend, wreed en koud zag het toe hoe die handvol dappere Hollanders
onderdrukt werd, evenals het toegezien had toen de Finnen, de Boeren,
de Polen, de Denen verdrukt werden.

"Het Congres-besluit was voor de Republiek het teeken van algemeenen
rouw. Toen de eerste vertegenwoordiger der mogendheden--de Russische
Hertog Alexander van Bora, achterneef van den Czaar--zijn intocht deed
in Willemstad, waren alle vensters en luiken gesloten, de gordijnen
neergelaten, de lantarens met krip omwoeld, de vlaggen halfstoks
geheschen. Het was een vreeselijke dag, en vele dappere mannen zwoeren
toen, dat ze hun leven zouden geven voor de vrijheid van Czernovië!

"Voor mij--en nu zal ik je vertellen op welke wijze mijn geschiedenis
aan 't zooeven verhaalde verbonden is--was deze ommekeer een dubbel
zware slag. Ik had het land waar ik geboren was innig lief; van mijn
grootvader en mijn vader had ik geleerd voor vrijheid en voor recht
te leven--en desnoods te sterven. De langzame maar zekere ondergang
van mijn land greep me hevig aan. Maar er was meer. Elizabeth
Helmont, die na haar vader's dood de regeering had aanvaard, was
mijn verloofde. Daar ik in dien tijd mijn studiën nog niet geheel
voltooid had, was onze verloving nog niet openlijk bekend; maar wij
hadden elkaar van kind af aan gekend, waren te samen opgegroeid, hadden
elkaar altijd liefgehad. Toen haar zoo onverwacht de eerste plaats in
's lands vergaderzaal werd aangewezen, gaf dat een vreemde wijziging in
onze verhouding, maar wij zagen geenszins in dat die toestand ooit ons
toekomstig geluk in den weg zou kunnen staan. Het Congres-besluit viel
als een donderslag. Want de bepaling, die ons beiden rechtstreeks trof,
was deze: het hoofd van den Czernovischen Staat mocht geen huwelijk
aangaan zonder toestemming van den Russischen Souverein.

"De bedoeling hiervan was duidelijk, en de Russische diplomatie liet
niet na, er nog menigmaal ondubbelzinnig den nadruk op te leggen,
dat alleen een Rus het gouvernementshuis met Elizabeth zou deelen.

"Hoe het kwam, dat ik slechts tweemaal een kort onderhoud met mijn
verloofde had over deze voor ons zoo verschrikkelijke gebeurtenissen,
zal je straks duidelijk worden. In die enkele uren echter werden we
het over twee dingen geheel eens: nooit zouden we een ander dan elkaar
toebehooren--maar niet eer, dan zoodra de belangen van het vaderland
dit toelieten. We hielden onze liefde hoog, maar ook de toekomst
van ons arme land lag ons na aan 't hart, en het op dit oogenblik
lafhartig in den steek te laten om zelfzuchtig eigen verlangens na te
streven--dat zou ons beiden tegen de borst gestuit hebben. Ik behoorde
onder de eersten die Elizabeth tot standhouden aanmoedigden, die de
begaafde, energieke vrouw, in begrippen van eer en zelfverloochening
opgevoed, steunden bij haar onvermoeid streven den Oud-Hollandschen
naam hoog te houden. Wij hadden geduld, wij konden wachten; eerst
ons land, daarna wijzelf.

"Mijn verhaal nadert nu tot de omstandigheden waaronder De Vogel
ontstond. Je moet weten, dat ik aan de universiteit te Willemstad voor
ingenieur studeerde, en wel speciaal op 't gebied van machinebouw. Als
kind was ik al 'n knutselaar geweest, en ik had altijd gedroomd 'n
groot uitvinder te zullen worden. In de electriciteit lag, meende ik,
de toekomst, en daar in de Oranje-Republiek reeds sinds jaren in alle
bedrijven de stoom was afgeschaft, voertuigen, fabrieken, kortom alle
machinale beweging, ook de verlichting, door electriciteit werden
gevoed, had die meening een redelijken grond. Het jaar, waarin het
Congres-besluit werd uitgevaardigd, voltooide ik mijn studies door
een practischen cursus in de werktuigen-fabriek en het laboratorium
van den Staats-Adviseur voor technische zaken, de geleerde professor
Lingmans, een schatrijk man, die zijn vermogen en zijn leven wijdde aan
wetenschappelijke uitvindingen ten bate van den Staat. Het eiland Riva,
aan de Zwarte-Zeekust, dat hem persoonlijk toebehoorde, was geheel
ingericht voor zijn werkzaamheden; daar woonde dagelijks een honderdtal
studeerende jongelui zijn cursussen en proefnemingen bij. Daar werkte
hij ook onvermoeid aan zijn bestuurbaar luchtschip, dat hij reeds
tot een ongekende trap van volmaking had gebracht. Gelukte het hem
zijn theorie geheel in toepassing te brengen, dan zou zijn reeds
in heel Europa gevestigde naam met onvergankelijken roem overladen
worden. Iedereen wist, dat hij onophoudelijk aan zijn groote uitvinding
werkte, maar de details ervan waren een geheim. In een zeer groote
loods, waar trouwens meer proeven genomen en uitvindingen gedaan werden
waarvan niets uitlekte, was de ballon verborgen, en daar kwamen,
behalve Lingmans, slechts enkele ingewijden: de oud-genie-officier
Melling, de directeur van de militaire luchtscheepvaart-compagnie Van
Woelderen, de gouverneur van de Zeevaartschool Halmans, de luitenant
der pantserfort-artillerie Weeningh, de doctor in de chemie Lenthoven
en de ingenieur Van Stralen. Wanneer je die namen hoort, zou je zoo
zeggen, dat 't meerendeels mannen van middelbaren leeftijd waren. Maar
dat is niet zoo. Ze wisselden af tusschen de twintig en de dertig; in
de Oranje-Republiek riep men bij voorkeur de kundigsten tot openbare
ambten, zonder in de eerste plaats naar den leeftijd te vragen;
een naar mijn inzicht zeer juist beginsel. Het kwam zoodoende wel
voor, dat een kapitein van dertig, twee-en-dertig jaar tot militair
adviseur van den Staat werd benoemd, en zoo lang het Hollandsche
element onvervalscht was, en de jeugd in de beginselen van mijn
grootvader werd opgevoed, kwam zooiets iedereen natuurlijk voor en
gaf het nooit aanleiding tot afgunst.

"Om je nu maar dadelijk uit den droom te helpen, wil ik je vertellen,
dat de personen die ik je zooeven opnoemde, in dezelfde volgorde
genomen, met Lingmans te beginnen, tegenwoordig heeten: La, Mu,
Naf, Nef, Nof, Lo--en Li! Ik wil mezelf niet roemen, maar uit de
omstandigheid, dat professor Lingmans onder zijn vele leerlingen
mij het eerst tot ingewijde in zijn uitvinding had gekozen, kun je
opmaken dat ik zijn lessen niet zonder vrucht had gevolgd.

"En nu komt het groote feit, dat de directe aanleiding werd tot onze
tegenwoordige onderneming.

"Eén dag vóor Hertog Alexander zijn intocht deed binnen Slavowitz,
hadden Lingmans en wij de laatste hand gelegd aan De Vogel. De
grendels van het openslaande dak der loods waren losgemaakt; het
luchtschip was geheel gereed om op een wenk van den maker, door het
stuksnijden van een enkel touw, omhoog te stijgen, de vrije lucht
in. Drie dagen later stonden we met ons zevenen op het bovendek van
De Vogel. Niemand wist, hoever het met 't werk stond; het liep tegen
den avond, alle werklieden en studenten hadden het eiland verlaten;
de zon was reeds ondergaan. Het plan van Lingmans was, dien avond op
te stijgen, De Vogel boven de stad te doen stilhouden, en dan opeens
al de electrische lichten aan boord te ontsteken, zoodat de bevolking
verbaasd omhoog zou zien, en weten dat de luchtscheepvaart een nieuw
stadium was ingetreden.

"Alles was gereed; op een wenk van La sneed ik het touw door.... De
Vogel zette zich langzaam en statig in beweging.... reeds waren
we ongeveer vijf-en-twintig meter gestegen.... daar weerklonk een
donderend geraas, alsof orkanen en onweders uit alle hoeken van
het heelal gelijktijdig losbraken! De hemel was rood en zwavelgeel
gekleurd, bliksemflitsen doorsneden het luchtruim, onder ons spatte
en schuimde de zee huizenhoog op, een dichte grijze nevel onttrok de
aarde aan ons gezicht, een hoos van zand en steenen wervelde omhoog
en deed De Vogel hulpeloos ronddraaien....

"Het was een ontzettend geweld. Hooren en zien verging ons, en
gedurende enkele minuten waren we allen onze bezinning kwijt. Mu was
de eerste die zijn tegenwoordigheid van geest herkreeg; hij draaide
den stuurkruk snel en krachtig eenige malen om--als een pijl schoot De
Vogel eenige honderden meters omhoog, buiten het bereik der woedende
elementen.

"Langzamerhand begonnen we den omvang van het gebeurde te overzien. Het
bleek dat een geweldige zeebeving het gansche eiland met al wat er op
was had verwoest, voor honderdduizenden aan waarde, al La's kostbare
bezittingen, vernietigend!

"De kalmte van La was bewonderenswaardig. "Mijn doel is immers
bereikt," zei hij rustig. "De Vogel vliegt--en hoe!" En toen voegde
de even geleerde als edele man er aan toe: "Hoe gelukkig, dat er geen
menschen op het eiland waren! Daarvoor moeten wij in de eerste plaats
dankbaar zijn."

"Daar zweefden wij nu honderden meters boven de aarde. Het was
inmiddels geheel donker geworden, onze lichten, toen nog niet zoo
volmaakt als nu, doorboorden slechts moeielijk den zwaren nevel. We
bezaten ook nog niet die uitstekende middelen om ons te oriënteeren,
en Mu kon in 't minst niet vaststellen waarheen hij ons bracht. Toen
gelastte La, den ballon zwevende te houden, en we kwamen in de
commandantskamer bijeen om te beraadslagen over hetgeen ons te
doen stond.

"Mij, als jongste, werd het eerst mijn meening gevraagd. Ik had die
al gereed. In de beide dagen na den intocht van Hertog Alexander
had ik, in wanhopige gesprekken met Elizabeth, op de onzinnigste
middelen gepeinsd om een uitweg te vinden. Als gevolg daarvan
was een plan in me gerijpt, dat ik niemand, ook Elizabeth niet,
had meegedeeld. Alleen had ik me voorgenomen, het La in vertrouwen
ter beoordeeling voor te leggen. Ik wilde hem, niet minder vurig
patriot dan ikzelf, voorstellen, zijn uitvinding in dienst te brengen
van het vaderland. Wetend, over welke verschrikkelijke wapenen La
beschikken kon, hoe onuitputtelijk zijn geniale hersens waren in
het uitvinden van middelen om de natuurkrachten aan zijn wil te
onderwerpen, had ik ingezien dat niets ter wereld in staat zou zijn
met vrucht een strijd te beginnen tegen den onoverwinnelijken Vogel,
voorzien als deze was van alle denkbare hulpmiddelen om den wil van
een handvol vastberaden mannen tot zelfs den machtigsten potentaten
der aarde op te dringen. Kort en goed: ik stelde de vergadering voor,
reeds nu, op dit oogenblik, La's beginsel in toepassing te brengen:
alles voor het vaderland! Jong en geestdriftig als ik was, hield ik
een gloeiende rede, wees nogmaals op het schandelijk onrecht dat ons
land werd aangedaan en eindigde met te zeggen, dat wij, door ons van
den persoon van Hertog Alexander, ja desnoods van den Czaar zelf,
meester te maken, de toekomst van de Oranje-Republiek in handen
hadden! En wat beteekende het voor ons, zulk een slag te slaan? De
groote snelheid, die De Vogel ontwikkelen kon, stelde ons immers in
staat, plotseling van uit groote hoogte neer te schieten, den Prins
of den Czaar op een wandeling of een rijtoer te verrassen, en ons
dan met onzen kostbaren buit uit de voeten te maken. Als voorwaarde,
waarop we onzen gevangene zouden uitleveren, konden we dan de meest
volkomen waarborgen vragen voor de onafhankelijkheid van ons land!

"Toen ik uitgesproken had, heerschte er eenige seconden diepe
stilte. Mannen als de daar vergaderden waren niet gewend overijlde
besluiten te nemen of in de vervoering van het oogenblik een voorstel
toe te juichen, waarvan zij de degelijkheid nog niet grondig hadden
onderzocht.

"La was de eerste die sprak.

"Het voorstel van Van Stralen hangt nog in de lucht," zei hij. "Maar
het komt me voor, dat het zeer goed tot een levensvatbaar plan is
uit te werken. Ja, ik ben daarvan zoo overtuigd, dat ik nu reeds wijs
op de groote voordeelen, welke het zooeven gebeurde ongeluk voor ons
heeft. Riva is verwoest, met al wat er op was. Van het feit, dat wij
ontkomen zijn, is niemand bewust; evenmin zijn er sporen te vinden
die dit feit zouden kunnen uitwijzen. Ieder is ervan overtuigd,
dat wij zijn omgekomen; over acht dagen zijn de opvolgers voor
onze betrekkingen aangewezen. Meer wil ik voorloopig hierover niet
zeggen. Overhaasting is schadelijk. Voor heden breng ik daarom alleen
in rondvraag, of iemand er iets tegen heeft, tot morgenochtend met
De Vogel verborgen te blijven, om daarna tot nadere beraadslagingen
over te gaan. We hebben dan allen tijd tot nadenken gehad." Niemand
had hiertegen bezwaar, en zoo hield Mu dien nacht De Vogel achter
een dikke wolkenlaag drijvende.

"Den volgenden morgen riep La ons opnieuw bijeen en sprak:

"Wat mij betreft, ik ben besloten, evenals Van Stralen, op De Vogel
te blijven en onze aanwezigheid voor ieder verborgen te houden, totdat
we op goede grondslagen een operatieplan hebben gebouwd, in elk geval
niet weer naar de aarde terug te keeren eer we de volkomen zekerheid
hebben dat een onderneming, als door Van Stralen voorgesteld, totaal
onuitvoerbaar is. We zijn allen ongetrouwd; ik geloof niet, dat er
bezwaar is, gezamenlijk die onderneming door te zetten. Natuurlijk
is ieder echter vrij, te doen wat hij wil. Morgenochtend komen we
opnieuw bij elkaar. Wie dan besloten heeft heen te gaan, zal ik op
de aarde terugbrengen; het spreekt vanzelf dat ik van hem volkomen
geheimhouding verwacht."

"Den volgenden morgen vergaderden we wederom, en zooals te verwachten
viel, wenschte niemand zijn vrijheid terug.

"Toen stelden we een uitgebreid programma op, waarvan de hoofdinhoud
hierop neerkwam, dat we Hertog Alexander, een bekend jager, op een
zijner jachtpartijen in de boschrijke streken rond Willemstad zouden
trachten op te lichten. Er werd echter tevens besloten, dat we daartoe
niet zouden overgaan, eer De Vogel, die ondanks zijn hooge mate van
volmaaktheid, nog in zijn kindsheid verkeerde, volkomen voor zijn
taak berekend zou zijn. Daarom zwierven we nog vele maanden rond,
dien tijd gebruikend om de talrijke verbeteringen aan te brengen,
die ons luchtschip tot zijn tegenwoordige ontwikkeling brachten. In
dien tijd stichtten we ook onze nederzetting op Green-Island,
benevens een verborgen schuilplaats in de hoogste toppen van het
Himalaya-gebergte, waar we nu en dan neerdaalden als we--wat in
't begin dikwijls gebeurde--er naar verlangden weer eens vasten
grond onder de voeten te hebben. In die periode verdeelden we ook
onze werkzaamheden zooals die op 't oogenblik verdeeld zijn, en werd
ik op uitdrukkelijk verzoek van La, die zijn tijd geheel aan nieuwe
uitvindingen en verbeteringen wilde blijven wijden, tot commandant
benoemd. We kregen toen ook onze tegenwoordige onpersoonlijke namen,
en kwamen langzamerhand tot de gewoonten en gebruiken, die jij nu
ook hebt leeren aannemen, en die niet anders zijn dan de vervolmaking
van de reeds jaren in de Oranje-Republiek heerschende beginselen.

"In al dien tijd heb ik Elizabeth niet gezien; dat zij echter getrouw
is gebleven aan haar overtuigingen, daarvan ben ik zeker. Door
courantenberichten en geregelden spionnendienst zijn we steeds
op de hoogte gebleven van de politieke gebeurtenissen in Europa,
speciaal in Czernovië, en we weten ook dat binnen enkele weken het
juiste oogenblik gekomen is om onzen slag te slaan. Hertog Alexander
wordt algemeen genoemd als de aanstaande gemaal van Elizabeth, en
zijn nakomelingen zullen de koningskroon ontvangen, om Czernovië als
Russischen vazalstaat te regeeren.

"Onze tocht naar Engeland is slechts een uitstapje geweest, een
afwijking van het programma, die ik mij meende te mogen veroorloven. Nu
gaat het recht op Slavowitz aan, en je begrijpt hoe ik er naar verlang
mijn vaderland terug te zien, het te bevrijden, en"--besloot Li
zijn lang verhaal met een diepen zucht--"Elizabeth wederom de mijne
te noemen!"

Rob had gespannen geluisterd; toen Li geëindigd had, zwegen beiden
geruimen tijd.

Rob's bewondering voor deze dappere mannen, die al hun moed en hun
kennis in dienst stelden van hun ideaal, groeide met het oogenblik,
en vooral voelde hij eerbied voor de zelfverloochening, waarmee Li
zijn toch zoo zwaar wegende persoonlijke belangen aan de goede zaak
ten offer bracht. Hij drukte Li krachtig de hand, en beloofde alles
in het werk te stellen om naar vermogen van krachten tot de bereiking
van het grootsche doel mede te werken.

Toen zij weer naar hun bezigheden terugkeerden, was elk hunner
overtuigd in den ander een waar en trouw vriend gevonden te hebben.



NEGENDE HOOFDSTUK.

EEN ONVERWACHT AVONTUUR.

	De kust van Tripolis.--De leeuwenjacht.--De onderaardsche
	gewelven.--In handen van menscheneters!--De ontdekkingsreiziger
	Korling als goochelaar.--De vlucht.--Weer op De Vogel!


Het was 4 December 1901 geworden, en De Vogel daalde neer op de kust
van Tripolis, eenige mijlen ten oosten van Bengasi, waar niet veel kans
bestaat opgemerkt te worden. De streek is daar eenzaam en onbewoond.

Hier was het punt waar Nof zich met den vliegtoestel weer bij zijn
reisgenooten zou voegen.

Toen De Vogel neerdaalde, was het tien uur in den morgen; men wist dat
Nof tegen den middag kon aankomen, en er werd daarom besloten De Vogel
onder toezicht van Mu, en onder een groep palmboomen verborgen, achter
te laten. De anderen wilden dan een tochtje maken door 't kustgebergte,
wat volgens de Vogelbewoners veilig kon geschieden, daar deze streek
tot eenige mijlen landwaarts in geheel onbewoond was. De plantengroei,
de mooie vergezichten, die men hier en daar over de Middellandsche
Zee had, dit was aanleiding genoeg om het uitstapje te wagen.

Van eenig voedsel voorzien, en als altijd met de gaspistolen en de
voorraadtasch bij hen, gingen de zes mannen aan land, Mu de boodschap
achterlatend, dat ze niet vóor den avond zouden terugkomen.

Hoewel de zon fel scheen, het zand en de rotsen den gloed weerkaatsten,
vergat men dat gaarne voor het prachtige landschap, dat bij elken pas
de bewondering opwekte. Nu en dan beklom men een kleinen heuvel, en
vandaar had men een prachtig uitzicht op den Middellandschen Oceaan,
die met recht zijn bijnaam "de Blauwe Oceaan" mocht dragen, want de
golven zagen er uit als vloeibare blauwe edelgesteenten, die in de
zonnestralen gloeiden en flonkerden.

Op eens bleef Rob staan, greep Li bij den arm en wees op een hoog
rotsblok, dat eenige honderden meters meer zuidwaarts lag.

"Een leeuw!" zei Li, zoo kalm alsof hij een onschuldig huisdiertje
gezien had in plaats van dezen woestijnkoning.

"Een leeuw!" herhaalden de anderen.

Hoewel vertrouwend op hun wapens, bleven toch allen onbewegelijk staan,
onwillekeurig onder den indruk bij het zien van dit majestueuse dier,
dat, de naderenden bemerkend, opgestaan was uit zijn lui-liggende
houding, en den staart langzaam heen en weer bewoog.

De leeuw deed een dreigend gebrul hooren, dat door de rotsen
honderdvoudig werd weerkaatst, en nu vertoonde zich naast hem een
minder groot, niet zoo majestueus dier, dat een leeuwin bleek te
zijn. Beiden bleven op de plaats waar ze waren, nu en dan een dof
gebrul uitstootend, en zonder de reizigers uit het oog te verliezen.

"Het is het beste, dat we er recht op af gaan," zei Li. "Omkeeren
en vluchten zou dwaasheid zijn, dan hebben ze ons weldra met enkele
sprongen ingehaald."

Rob voelde het hart in de keel kloppen.

Hij was niet bang van aard, maar den leeuw kende hij tot nog toe alleen
uit Artis, waar de tralies hem veilig van den toeschouwer scheiden. Het
was wel een schouwspel om ook den moedigste angst aan te jagen, daar
zoo van aangezicht tot aangezicht tegenover dit machtige dier te staan.

Maar de overigen waren op hun reizen aan zulke ontmoetingen gewoon
geraakt, en zonder een oogenblik te aarzelen, gingen ze recht op het
leeuwenpaar af, de pistolen gereed houdend.

Als verbaasd over zooveel stoutmoedigheid, bleven de beide dieren
staan, totdat de mannen op ongeveer twintig meter waren genaderd.

Toen deed de leeuw een geweldigen sprong naar beneden, en kwam brullend
op Li af, die rustig staan bleef.

Het dier was hem tot op vijf passen genaderd, het hief den
verschrikkelijken klauw op, en Rob verwachtte elk oogenblik zijn
onverschrokken vriend ter aarde te zien storten.

Maar Li richtte bedaard, trok af, en, door het uitstroomende gas
bedwelmd, bleef de leeuw zonder zich te verroeren bewusteloos aan
Li's voeten liggen.

Een tweede schot, en de inmiddels toegesprongen leeuwin had hetzelfde
lot ondergaan.

"Een prachtig dier," zei Li. "Ik houd er niet van een weerloos
dier te dooden, vooral niet een, dat ons volstrekt geen kwaad heeft
gedaan. Maar anders zou zijn huid een fraai figuur maken als haardkleed
in onze eetzaal."

"Laten we verder gaan," zei La. "Deze dieren zijn voor vierentwintig
uur buiten gevecht gesteld; tegen dat zij bijkomen, hebben wij Afrika
al verlaten."

Men beklom nu de rots, om te zien of zich daarboven het hol van de
leeuwenfamilie zou bevinden. Men vond er echter tot zijn verrassing
slechts een soort leger van gedroogde planten, waar de dieren hun
middagslaapje hadden willen doen, en, om zich heen ziende, bemerkte
Rob op eens twee jonge leeuwtjes, niet grooter dan een flinke kat,
die angstig zaten te kijken waar hun ouders bleven, en nu en dan een
gehuil deden hooren als van een bevreesd, verdwaald kind.

"Daar moesten we er een van vangen en tam maken," zei La, "we zouden
dan op De Vogel ook een huisdier hebben."

"Misschien kan 't wel als waakhond dienen," zei Rob.

Men ging nu op de beide dieren toe, die echter verschrikt op de
vlucht sloegen.

Gedurende eenige minuten liepen de mannen ze na, de dieren niet uit
het oog verliezend.

Op eens waren ze beiden als in een rotswand verdwenen. Slechts een
opening van ongeveer een halven meter doorsnede toonde aan waar ze
verdwenen waren.

"Ha!" zei Li, "daar hebben we het leeuwenhol! Daar moeten we in."

Hij ging op den buik liggen, en trachtte naar binnen te zien. Het
was daar echter geheel donker. Het hoofd en de schouders naar binnen
werkend, ontstak hij zijn electrische lamp en verlichtte daarmee
het hol.

"Het hol wordt van binnen wat wijder," zei Li, "we zouden er wel in
kunnen kruipen."

"Maar als er nu eens nog meer leeuwen in waren?" onderstelde Rob,
'n beetje beangst.

"Dat zal niet," zei Li, "er woont nooit meer dan éen leeuwenfamilie
tegelijk in een hol."

"Maar," riep op eens La, "het kan immers onmogelijk een leeuwenhol
zijn! Door die kleine opening kunnen die groote dieren toch niet
naar binnen!"

Men zag de juistheid van die opmerking in, doch nu was men slechts
te nieuwsgieriger om te weten te komen wat dit voor een onderaardsche
gang was.

"Laten we er in gaan," zei Li, als altijd door het avontuurlijke
aangetrokken.

Niemand had daar iets tegen, en nu ging men een voor een, Li vooruit,
naar binnen, allen met de electrische lantaarn in de hand.

Gedurende eenige meters moest men op den buik voortkruipen; toen
werd de gang hooger en breeder, en kon men gaan staan. Voor zich
uit ziende, bemerkte men zich in een soort onderaardsche straat te
bevinden, die over een onafzienbaren afstand in rechte lijn doorliep.

La bukte zich, en onderzocht den bodem.

"Dit is waarschijnlijk een oude stroombedding," zei hij, "de aard
van den bodem wijst er op. Vermoedelijk heeft vroeger een rivier hier
voor een deel van zijn loop onder de aardoppervlakte doorgestroomd."

"Dan zou 't wel aardig zijn eens te onderzoeken waar deze gang aan
de andere zijde uitkomt," zei Li.

Zijn voorstel vond bijval en nu begon men in zuidelijke richting
door te loopen, hier en daar losse steenen tot hoopjes opstapelend,
om op die manier bij het teruggaan een herkenningsteeken te hebben.

Na ongeveer tien minuten in rechte lijn te hebben doorgeloopen, kwam
men op een soort pleintje, waarop, behalve de weg dien men gevolgd was,
verscheidene andere gangen uitmondden. Enkele daarvan liep men in,
doch deze bleken slechts weinige meters diep te zijn; daar niemand
voorkeur had voor een bepaalde richting, en dat ook moeielijk hebben
kon, besloot men den weg te volgen die ongeveer in het verlengde van
den oorspronkelijken lag.

Na een kwartier te zijn voortgegaan, besloot men halt te houden,
en eenig voedsel te gebruiken.

Dit middagmaal onder de oppervlakte van den beganen grond had voorzeker
iets eigenaardigs, en deed den lust tot avonturen nog toenemen.

Toen men weer reisvaardig was, had alleen La eenig bezwaar tegen den
verderen tocht.

"Is het eigenlijk geen dwaasheid," zei hij, "een onbekenden weg naar
een onbekend doel te blijven volgen, zonder dat ons dat, naar alle
waarschijnlijkheid ten minste, eenig nut kan opleveren?"

In die uitspraak lag ongetwijfeld veel waars, maar de meeste stemmen
verklaarden zich toch voor het doorzetten van den tocht, ten eerste
omdat men wou volvoeren wat men eenmaal begonnen was, en ten tweede
omdat men immers elk oogenblik kon terugkeeren wanneer de onderneming
gevaarlijk of te langdurig zou blijken te zijn.

Men ging dus verder.

Rob bleef echter staan en vroeg:

"Wie heeft dit doosje lucifers laten liggen?"

"Lucifers?" vroeg La verwonderd, "dat kan jijzelf alleen gedaan
hebben. Zulke dingen van barbaarschen oorsprong worden aan boord van
De Vogel niet gebruikt. Daar heerscht de electriciteit oppermachtig."

"Maar ik had heelemaal geen lucifers bij me toen ik aan boord kwam,"
zei Rob, het doosje bekijkend. "Het moet van een van jullie zijn."

Ook de anderen bekeken het doosje, maar het bleek geen van allen toe
te behooren. Het droeg een Hollandsch etiket en was blijkbaar ook in
Holland gemaakt.

"Dat is vreemd," zei La. "Steek het bij je, Rob. Na dezen vondst zou
ik er voor zijn den tocht voort te zetten."

Nog gedurende een half uur ging men verder.

Nu eens moest men op den buik kruipend voortgaan, daar de zoldering
zich verlaagde, dan weer waadde men tot over de enkels door het water,
waarmee enkele gangen waren volgeloopen. Het aangenaamste van dit
verblijf onder den grond was de heerlijke koele temperatuur die er
heerschte, in tegenstelling met de brandende warmte daarboven.

De vondst van het doosje lucifers, waaraan La zeer veel waarde scheen
te hechten, was aanleiding dat men telkens naar den grond zag,
hopende nog iets dergelijks te vinden. En inderdaad raapte Nef na
eenigen tijd een knoop op.

Tot aller verbazing droeg deze--zooals trouwens meer op knoopen
voorkomt--een randschrift. Niet over dit feit op zichzelf was
men verbaasd, maar over de woorden die er stonden: F. Sinemus,
Leidschestraat, Amsterdam.

Wel, dit was de naam van een bekend Amsterdamsch magazijn, zooals
Rob meedeelde. Hoe kwam die Hollandsche knoop hier verzeild?

La scheen iets te vermoeden, maar zei niets.

De tocht werd voortgezet.

Een paar maal bleek men zich, door 't voortdurend kronkelen en wenden
dat de gangen sedert eenige minuten deden, in de richting te hebben
vergist, en kwam men langs een omweg weer op een punt terug dat men
eenigen tijd te voren verlaten had. Dat maakte de reis lastig en
tijdroovend, maar nu men eenmaal zooveel moeite gedaan had, was men
het er over eens, dat men tot het einde zou doorgaan.

Met nieuwen moed legde men opnieuw een weg van ongeveer vijftien
minuten af.

Toen bukte La zich en raapte een stukje papier op, dat de aandacht der
anderen ontsnapt was. Het was blijkbaar een snipper van een grooter
stuk, en bevatte niets dan enkele onleesbare, afgebroken woorden,
en onderaan in een hoek de letters W.K.

"W.K! Zou het mogelijk zijn!" mompelde La onder het verder gaan,
zonder dat zijn verbaasde reisgenooten hem tot een nadere verklaring
konden brengen.

Weer vorderde men tien minuten, toen Li, die vooraan liep, de anderen
opeens tot stilstaan dwong en den vinger op de lippen legde, ten
teeken dat ze zouden zwijgen.

Allen luisterden nu in gespannen aandacht, en daar hoorde men op
eenigen afstand een verward geluid van stemmen, dat nu en dan door
gejuich scheen te worden onderbroken.

"Deze gewelven zijn bewoond!" fluisterde Li.

"Zouden we verder durven gaan?" vroeg een van de anderen.

"Mits met voorzichtigheid, _moeten_ we verder gaan," zei La nu. "Ik
geloof dat onze tocht nu _een doel_ begint te krijgen."

Voet voor voet ging men nu voorwaarts.

Bij het omslaan van een hoek sprong Li opeens terug, en dwong de
anderen zich tegen den wand gedrukt op te stellen.

Voorzichtig keek Li om den hoek, en wenkte toen de anderen, dat ze
nader konden komen. Nog enkele passen slopen ze vooruit, en toen trok
een zeer merkwaardig schouwspel, dat ze door een smallen spleet in
de rotsen konden bijwonen, hun aandacht.

In een met flambouwen verlichte groote ruimte, die waarschijnlijk wel
met deze gangen in verband zou staan, bevonden zich een groot aantal
negers, die allen slechts spaarzaam gekleed waren, en waarvan de
meesten om polsen en enkels ringen van doodsbeentjes, vruchtenpitten
en dierentanden droegen. Ze zaten meerendeels op den grond gehurkt,
slechts enkelen stonden, en allen waren gewapend met een schild en
een speer.

De heele vergadering had den rug naar de verborgen toeschouwers
gekeerd, en zag met groote aandacht naar den tegenoverliggenden wand
der "zaal," waar klaarblijkelijk het een of ander gebeurd was dat zij
zeer merkwaardig vonden, doch waar op het oogenblik niets bizonders
te zien was.

Hoe vreemd het moge klinken, het geheel maakte den indruk van een
schouwburg, waarin de negers de toeschouwers vormden.

En weldra zagen Li en zijn vrienden tot hun groote verbazing, dat
hier inderdaad een soort van voorstelling plaats had, die men eer in
een West-Europeesch land dan in deze Afrikaansche wildernissen zou
gezocht hebben.

Een rechthoekig gedeelte van den donkeren wand, dat het tooneel scheen
te vormen, werd plotseling hel verlicht.

Men zag nu een houten vierkant tentje van ongeveer 2 M. hoog, 1.5
M. diep en 1.5 M. breed, waarvoor naar beide zijden opengeslagen
gordijn hingen. Het houten huisje was geheel ledig.

Onder een oorverdoovende muziek, die de negers op steenen, met huiden
overspannen potten en op lange rieten fluiten te weeg brachten, kwam
nu een man naar voren, die geheel het voorkomen had van een neger, ook
zwart van gelaatskleur was, doch wiens bewegingen schenen aan te duiden
dat hij van een ander ras was. Hij stak de hand op en gebood stilte.

Nu begaf hij zich in het huisje, en werd door een helper aan den
achterwand vastgemaakt. Dit geschiedde door zijn nek, zijn enkels
en zijn polsen te omsluiten met halfcirkelvormige banden, die aan
den achterwand waren vastgemaakt, en om een hunner uiteinden konden
draaien. Het andere uiteinde werd daarna door negers uit het publiek,
die zich daartoe kinderlijk opdringend aanboden, met hangsloten aan
een eveneens in den wand gestoken oog bevestigd. De sloten werden
omgedraaid en daarna gingen de gelukkige eigenaars der sleutels weer
naar hun plaatsen terug, overtuigd dat een hangslot als 't hunne,
waarover ze een week lang met hun gebrekkige hulpmiddelen hadden
gesmeed, nooit te openen zou zijn.

De helper schoof nu het gordijn dicht. Enkele seconden daarna, terwijl
dezelfde helsche muziek de pauze had aangevuld, opende de helper het
gordijn--en de gevangene was gevlogen!

De negers waren stom van verbazing. Ze liepen op het huisje toe,
rukten aan hun hangsloten, maar begrepen niet hoe men deze, trouwens
nu weer gesloten, voorwerpen had kunnen openen.

Een stormachtig gejuich ging op, en de vertooner van het kunststuk
moest allerlei huldebetuigingen in ontvangst nemen.

De achter de rots verborgen toeschouwers keken elkaar met een glimlach
aan. Wat beteekende deze kermisvertooning hier in de wildernis,
bijgewoond door een natuurvolk, dat van zulke uitvindingen der
beschaving nooit gedroomd had?

Zij hadden echter niet veel tijd tot nadenken, want de voorstelling
scheen hiermee geëindigd, en het gezelschap maakte aanstalten tot
heengaan.

Om zich niet te verraden, bleven de zes mannen onbewegelijk in hun
hoekje zitten, hopend onbemerkt te ontsnappen zoodra de zaal leeg was.

Zij hadden echter niet er op gerekend, dat de "schouwburg" zijn
voornaamsten uitgang had naar de gewelven waar zij zelf zich op het
oogenblik bevonden, en voor zij er op bedacht waren, stond een tiental
negers verbaasd naar hen te kijken.

Tegenwoordigheid van geest was het eenige wat onze vrienden redden
kon. In de handen te vallen van dezen negerstam had niet de minste
bekoring voor hen, en het was dus zaak door een vastberaden optreden
te doen zien dat ze niet van plan waren zich gevangen te geven.

Zes gaspistolen gingen af, en de voorste rijen der negers vielen
bewusteloos neer. Snel hun neusknijpers opzettend brandde de kleine
troep dapperen nogmaals los, en ook een rij van de nu opdringende
negers viel neer. Maar het aantal was te groot, en een in het nu
geopende gewelf binnendringende luchtstroom joeg het bedwelmende
gas weg. Ook van uit andere gangen kwamen negers aansnellen, en de
overmacht was zoo groot, dat het onverschrokken zestal weldra overmand
en gebonden werd weggevoerd.

Dat was een verschrikkelijke gebeurtenis.

In het begin had men een flauwe hoop, dat er met zulke moderne
negers, die vertooningen hielden, waarmee men in het Amsterdamsche
Rembrandt-Theater een goed figuur zou maken, wel te redeneeren zou
zijn. Maar weldra bleek niet alleen, dat men zich op geen enkele
manier verstaanbaar kon maken, doch ook dat men blijkbaar met een
bloeddorstigen stam te doen had, getuige de talrijke trofeeën van
schedels en doodsbeenderen, die men opgesteld zag in een ander,
eveneens met flambouwen verlicht gedeelte van de gewelven, waar de
zes vrienden nu heengebracht werden.

Eenige zeer rijk versierde negers, die blijkbaar tot de
regeeringspartij van den stam behoorden, namen nu op een
uit rotsblokken gevormde verhevenheid plaats, en schenen
raad te houden. Zij gaven een teeken, en de gevangenen werden
voorgebracht. Eerst beproefde men elkaar door gebaren te begrijpen,
maar toen dit geheel mislukte, scheen een der hooge heeren op een
beter denkbeeld te komen. Hij zond een boodschapper af, en deze kwam
terug met den helper, die zooeven bij de comedievoorstelling had
geassisteerd. Men wilde hem blijkbaar als tolk doen dienen.

Benieuwd wat deze neger van zijn betrekking terecht zou brengen, keken
de gevangenen toe. Het opperhoofd gaf den tolk eenige instructies,
en tot groote verbazing der zes mannen, vroeg de neger hun in zuiver
Hollandsch:

"Wie van u is de verantwoordelijke persoon van uw expeditie?"

"Ik," antwoordde Li.

"Het opperhoofd van den stam der Ligo-Ambura [1] vraagt of zij u
zonder gevaar uw wapens kunnen afnemen."

"Dat kan," zei Li, "maar wij zullen ze zelf wegleggen, want wanneer een
oningewijde ze aanraakt, zal hij groote rampen over den stam brengen."

De tolk bracht dit antwoord over, en het opperhoofd gelastte nu,
dat Li hem de pistolen zou brengen.

Het opperhoofd keek er eenigszins angstig naar, en liet toen door
den tolk weten, dat hij verlangde er mee te zien schieten. Tevens
gaf hij bevel een der andere negers als doel te gebruiken.

Li deed hem opmerkzaam maken, dat dit niet ging, want dat de neger
dan bewusteloos zou neervallen.

Maar dat scheen het opperhoofd een zaak van ondergeschikt belang,
en hij herhaalde zijn bevel zoo dreigend, dat Li wel moest gehoorzamen.

Er werd nu een slaaf voorgebracht, en Li schoot een gaspatroon op hem
af, met het gevolg, dat de man bewusteloos neer viel, veroordeeld om
daar vier-en-twintig uur te blijven liggen.

Deze uitwerking bracht er eenigszins den schrik in, vooral toen de
gassen bovendien nog vier andere negers, die in de nabijheid stonden,
eveneens bewusteloos deden worden. Het opperhoofd kreeg nu zooveel
ontzag voor de wapens, dat hij Li deed gelasten ze bij elkaar op
een daarvoor aangewezen rotsblok aan het verste gedeelte der zaal
neer te leggen. Verscheiden negers bleven er angstig om heen dwalen,
nieuwsgierige blikken naar die wonderdingen werpend, maar niemand
durfde zich in de nabijheid wagen.

Toen volgde de vraag, of de gevangenen bovennatuurlijke wezens waren.

Li liet hierop antwoorden, dat ze reizigers waren die leeuwen kwamen
schieten en overigens slechts vredelievende bedoelingen hadden.

Het opperhoofd deed nu nog verscheidene vragen stellen, die de tolk
naar zijn eigen inzicht beantwoordde. In de plaats daarvan, doende
of hij de vragen vertaalde, hield hij het volgend gesprek met Li.

De tolk: "Weet u wel waar u hier bent?"

Li: "Neen."

De tolk: "In handen van menscheneters."

Li: "Maar wat doet u dan hier?"

De tolk: "Ik ben een Hollander, de bediende van een
ontdekkingsreiziger. We zijn al een jaar hier gevangen."

Li: "Maar waarom sparen ze u het leven?"

De tolk: "Professor Korling geeft allerlei
goochelvoorstellingen. Daarmee heeft hij zichzelf en mij het leven
gered, en op die manier hebben we dat leven al een jaar lang gerekt."

Li: "Dat is verschrikkelijk. En wat denkt u dat ze met ons zullen
doen?"

De tolk: "Opeten, zonder twijfel. Elke blanke die in hun handen valt,
wordt levend geroosterd en daarna opgegeten."

Li: "Een prettig vooruitzicht. Komen er hier veel blanken?"

De tolk: "Tamelijk veel. Ze gaan hier dikwijls op de leeuwenjacht,
en vermoeden dan niet dat zich in deze eertijds onbewoonde streken
kannibalen ophouden. De Ligo-Ambura zijn een stam, die zich van de
hunnen hebben afgescheiden. Uit Midden-Afrika gekomen, hebben ze ze
zich hier in die holen, een oude stroombedding, gevestigd."

Li: "Denkt ge, dat er kans is te ontsnappen?"

De tolk: "Zeer weinig, anders hadden wij het al gedaan."

Hiermee eindigde het gesprek, want het opperhoofd gaf het bevel de
gevangenen weg te brengen.

Zij werden nu in een andere "zaal" gebracht, grenzende aan deze,
en werden daar den geheelen dag gelaten.

Tegen den avond bracht men hun eenig voedsel, hoofdzakelijk bestaand
uit wat taai, oneetbaar leeuwenvleesch, en daarna liet men hen weer
aan hun lot over.

Toen ze alleen waren werd er raad gehouden. Li stelde voor zich
van de pistolen meester te maken, maar de omstandigheid dat de stam
verscheidene honderden leden telde, deed hen van een algemeenen aanval,
waarbij zij toch wel het onderspit zouden delven, afzien.

Het was een wanhopige toestand.

De groote kans, dat zij morgen levend gebraden en opgegeten, zouden
worden, stemde hen geen van allen vroolijk, maar ze bleven toch nog
geruimen tijd over middelen ter ontsnapping nadenken, nu evenals
altijd den moed niet verliezend.

Tegen tien uur 's avonds werd een zwaar rotsblok, dat den ingang
afsloot, opzij geschoven; twee negers kwamen binnen, en de deur,
of liever gezegd het rotsblok, ging weer dicht. Zoodra de opening
gesloten was, kwam een der negers, dien men herkende als hem, die
dien middag de voorstelling had gegeven, met uitgestrekte handen op
hen toe, en zei in het Hollandsch:

"Hoe heerlijk, dat ik landgenooten tref! Maar hoe treurig, dat u
lotgenooten moet zijn!"

Hij stelde zich nu voor als de bekende ontdekkingsreiziger Willem
Korling, en vertelde dat hij, evenals zijn knecht, gedwongen was
geworden een negercostuum aan te trekken en zich zwart te verven,
opdat zij de negers door hun Europeesche kleeding en hun blanke kleur
niet voortdurend zouden ergeren.

"Korling!" zei La, "dus ik heb goed geraden!"

"Wist u dan, dat ik hier was?"

"Neen. Maar ik vond op weg hierheen dit doosje lucifers, dezen knoop,
en dit papiertje met uw voorletters"--de professor herkende die
inderdaad als van hem afkomstig--"en daar ik wist dat u in Nederland
al sedert een jaar als gestorven betreurd wordt, omgekomen op de
kust van Tripolis, vermoedde ik dadelijk dat ik uw spoor gevonden
had. Het is mij een groote vreugde dat u nog leeft, maar ik vind het
verschrikkelijk u onder deze omstandigheden te moeten aantreffen."

La had de avonturen van den ontdekkingsreiziger--den Hollandschen
natuurkundige en Afrika-kenner Korling, tevens professor in de
oude talen--in de nieuwsbladen gelezen, en ook Rob herinnerde zich
nu zeer goed daarvan gehoord te hebben. Na eenige zeer geslaagde
ontdekkingsreizen te hebben ondernomen, onder meer naar de bronnen
van den Nijl, was Korling bij zijn laatsten tocht met zijn schip
door hevige stormen op de kust van Tripolis geworpen; alle opvarenden
waren omgekomen, behalve hijzelf en zijn bediende, die in handen der
Ligo-Ambura waren gevallen. In Nederland wist men niet beter of de
beminde en beroemde man was een afgrijselijken dood gestorven.

"Men was reeds bezig," vertelde Korling, "het vuur te stoken waarboven
wij gebraden zouden worden, toen ik op de gedachte kwam door enkele
kleine goochelkunstjes, waarmee ik mijn kinderen wel bezig hield,
de aandacht af te leiden. Die poging gelukte boven verwachting. Ik
tooverde een armring van het opperhoofd weg, en bracht die uit den
neus van zijn vrouw weer te voorschijn; ook vertoonde ik eenige
toeren met lucifers en geldstukken. Het succes was verbazend. Het
opperhoofd benoemde mij tot zijn hofkunstenaar, en sedert dien tijd
ben ik bijna onafgebroken bezig met sensationeele voorstellingen te
geven. Het is wel droevig," zei hij met een zucht en een glimlach,
"te moeten bedenken dat ik, professor en ontdekkingsreiziger, mijn
leven moet rekken door als kermisgoochelaar op te treden. Maar wat
doet men al niet om te verhinderen dat men opgegeten wordt? Dat zou
toch al een heel onwaardig einde zijn!"

De professor vertelde nu ook nog, dat zijn natuurkundige kennis
hem in staat had gesteld met allerlei eenvoudige, zelfs gebrekkige
hulpmiddelen, proeven te vertoonen, waarvoor deze wilde menschen het
grootste respect toonden.

"U zult niet willen gelooven," zei hij lachend, "dat ik hier de
zegeningen der modernste beschaving heb binnengeleid. Zoo heb ik
bijvoorbeeld electrisch licht weten te verkrijgen en zelfs een telefoon
aangelegd, waarmee het opperhoofd me soms een heelen dag opschelt
en ellenlange gesprekken met me houdt; want ik heb natuurlijk in
dat jaar gelegenheid genoeg gehad om de taal der Ligo-Ambura grondig
te leeren. De kunst die ik van middag vertoonde, kent men in Europa
onder den naam van "De gevangene van Zenda." Ze is heel merkwaardig,
vindt u niet?"

Het was eigenaardig, zooals deze man over zijn goocheltoeren sprak, en
't leek wel of hij er plezier in had en niets liever wilde dan hier
zijn leven als "hofkunstenaar" te slijten. Maar men moet bedenken,
dat hij zich met die toeren het leven had gered, en dus groote waarde
er aan toekende, ja, er dag en nacht geheel van vervuld was.

"Hoe gaat die toer eigenlijk?" vroeg Rob nieuwsgierig.

"O, dat is heel eenvoudig," antwoordde Korling. "De oogjes, waarover
het losse uiteinde van de om nek, enkels en polsen sluitende halve
bogen past, kunnen door het wegnemen van een spie aan den achterkant
worden losgemaakt uit den wand. De gevangene trekt ze dan eenvoudig
met de halve bogen, de hangsloten en al naar zich toe, en--is vrij. De
sloten hebben er dus eigenlijk niets mee te maken en kunnen zoo stevig
zijn als men maar wil. De gevangene stapt door den achterwand, die
om een spil in het midden draaien kan, uit het huisje, na de halve
bogen weer met die spieën aan den achterwand bevestigd te hebben."

"Dat is zeker heel eenvoudig," zei Rob.

"Morgen zal ik u nog een veel mooieren toer laten zien," zei de
professor. "Dan ga ik in een rechtopstaande doodkist staan, en verander
voor uw oogen in een geraamte. Griezelig, hè? Maar toch is 't heel
eenvoudig. 't Was indertijd in de Warmoesstraat in Amsterdam te zien."

"Ja!" riep Rob, in wien nu al de belangstelling en de nieuwsgierigheid
van den schooljongen loskwam. "Dat herinner ik me heel goed. Maar ik
begreep er toen niets van. Hoe doen ze dat?"

"Wel, dat gaat als volgt," zei de professor. "Recht voor den
toeschouwer staat een open doodkist; daarin ga ik rechtop staan,
schel verlicht door lampjes aan weerszijden. De doodkist staat
achter op het tooneel; naar de toeschouwers toegaande, staan er
rechts twee en links twee coulissen, zwart evenals de achtergrond,
en het tooneel in gelijke deelen verdeelend. Tusschen twee van die
coulissen, rechts of links naar verkiezing, maar verborgen voor den
toeschouwer, staat precies zoo'n kist als de eerste, doch in richting
loodrecht daarop. Deze bevat een geraamte--dat hier nog al gemakkelijk
te krijgen is! Nu draait men de lichten naast de kist, waarin ik
sta, langzaam uit, zoodat ik geheel in 't donker kom en onzichtbaar
wordt. Tegelijkertijd worden de lichten van de andere kist langzaam
opgedraaid en het spiegelbeeld daarvan wordt zichtbaar op een groote
glazen plaat, die van de linker- (rechter-) voorste coulisse onder
een hoek van vijfenveertig graden met den horizon, naar de rechter-
(linker) achterste coulisse loopt. Dit beeld bedekt nu volkomen het
intusschen verdwenen eerste beeld. Met andere woorden: men ziet mij
langzamerhand in een geraamte veranderen. U begrijpt dat de negers
daar verrukt van zullen zijn!"

Het verhaal intresseerde Rob zeer, die het heerlijk vond zoo in de
geheimen van de kermis te worden ingewijd.

Maar Li vond het tijd worden den professor op andere gedachten
te brengen.

"Ziet u geen kans om ons weg te tooveren, professor? Met andere
woorden: een middel tot ontsnapping aan de hand te doen?"

Daar scheen de professor nog niet over gedacht te hebben. Hij was
zoo gewoon geraakt aan zijn gevangenschap, en zoo overtuigd dat elke
poging tot ontsnapping vruchteloos zou zijn, dat hij eigenlijk wat
verbaasd van die vraag opkeek.

"Het zou misschien mogelijk zijn ons van de wapens meester te maken,"
zei de bediende van den professor. "We kunnen er wel niet veel mee
uitrichten tegen overmacht, maar wanneer de voorstelling morgen
veel succes heeft, hebben we kans dat de heele stam tegen den avond
smoordronken ligt te slapen. Dan is er misschien iets uit te richten."

"Maar we kunnen toch niet over de Middellandsche Zee zwemmen?"

"Het middel om over de zee te komen zou ik u misschien kunnen
verschaffen," zei Li.

"Wat!" riep de professor opspringend. "En hoe?"

"Dat moet u aan me overlaten," antwoordde Li. "Ik mag het u niet
zeggen voorloopig."

Natuurlijk dacht Li aan De Vogel. Mu en de inmiddels teruggekeerde Nof
zouden ongerust zijn over hun wegblijven, en trachten met De Vogel hun
sporen te volgen. Li hoopte het luchtschip den volgenden dag te kunnen
praaien. Voor zulke gevallen had men steeds een signaalfluitje, dat een
zeer doordringend geluid gaf en waarmee men elkaar seinen kon geven.

Het werd tijd om te gaan rusten, ten einde op de gebeurtenissen van
den volgenden dag voorbereid te zijn. Men kon niet veel anders doen
dan op den naakten grond te gaan liggen, en zoo te ondervinden hoe
de professor en zijn bediende tot nog toe den nacht in hun nu door
zes lotgenooten gedeeld verblijf hadden doorgebracht.

Den volgenden morgen werd men vrij vroeg gewekt en voor het opperhoofd
gebracht. Deze liet hen meedeelen, dat ze tegen den middag de eer
zouden genieten door hemzelf, zijn vrouwen en hovelingen te worden
opgegeten.

Toen deze mededeeling was gedaan, hield de professor een lange
toespraak tot het opperhoofd.

Hij vertelde hem, dat hij verkeerd zou doen met de vreemdelingen
zoo spoedig dat groote gunstbewijs te schenken, daar zij bizondere
eigenschappen bezaten, waardoor hun gebeente ook na den dood de macht
bleef houden om te leven en te bewegen.

Dat vond het opperhoofd uiterst merkwaardig.

Hij had al heel wat blanken opgegeten, maar nooit had hij in de
overgebleven botjes nog eenig leven bespeurd. Ook het gebeente van
de gestorven negers was steeds zoo dood gebleven als het was.

"Maar als zij na hun dood blijven leven," merkte het opperhoofd op,
"dan is het ook niet onaangenaam voor hen doodgemaakt te worden,
niet waar?"

"Dat is zoo," zei de professor.

"Welnu, dan zullen we ze maar zoo gauw mogelijk opeten," zei het
opperhoofd met echte neger-logica, "des te eer kunnen we ons van de
waarheid uwer woorden overtuigen."

Korling vond, dat het gesprek een onverwachte en onaangename wending
nam, en merkte daarom haastig op:

"Daartegen is echter een bezwaar. Het geraamte moet bepaald in zijn
geheel blijven. Gaat er een beentje verloren, dan mislukt de proef."

"Dan zullen we zorg dragen ze heel voorzichtig af te kluiven, zoodat ze
ongeschonden blijven," zei het opperhoofd, niet uit het veld geslagen.

"Dat heeft toch bezwaren bij het eten," opperde Korling. "het is niet
gemakkelijk zoo'n heel lichaam te hanteeren."

Daarvoor voelde de neger blijkbaar wel wat, en zoo verkreeg de
professor ten slotte de toezegging, dat de blanken nog tot morgen
van het braadspit bevrijd zouden worden.

In den middag begon de voorstelling.

De professor had de armen en beenen van het skelet door middel van
touwtjes beweegbaar gemaakt, en zoo gelukte het hem, niet alleen
opvolgend de zes gevangenen in geraamten te veranderen, maar hen in
dien toestand nog de vroolijkste sprongen te doen maken, zoodat de
toeschouwers inderdaad wel veronderstellen moesten dat doodgaan voor
hen een allerplezierigste ondervinding was.

De voorstelling had een uitbundig succes.

Telkens en telkens moest de professor zijn kunststuk weer vertoonen,
en toen men eindelijk verzadigd was, ruimde Korling met behulp van
zijn bediende snel het tooneel op, opdat men er niet achter zou komen
welken poets hij ze gespeeld had.

Er volgde nu een vroolijk feest, als gewoonlijk na zulke gelukte
voorstellingen. De professor verrichtte nog een aantal eenvoudige
goocheltoeren, en ten slotte bereikte de feeststemming zulk een hoogte,
dat bijna alle negers verregaand dronken waren. De gevangenen moedigden
hen in 't drinken aan, en toen eindelijk de waggelende wachter hen
in hun slaapvertrek had opgesloten, kon men het snurken der dronken
in den dut gevallen feestvierders in de gewelven met een zware echo
hooren weerschallen.

Toen alles rustig was, gaf de bediende van den professor het teeken
tot opstaan.

"Er is een doorgang naar de nevenzaal," zei hij, "waar de pistolen
liggen. We zullen deze gaan halen."

Op zijn aanwijzing schoof men met gezamenlijke krachten een rotsblok
op zij, en zoo kwam men bij de pistolen, die nog op dezelfde plaats
lagen, maar door een slapenden neger "bewaakt" werden.

Ieder stak spoedig zijn wapen weer in den gordel, en nu nam men
denzelfden weg als die, welken Li en zijn reisgenooten hierheen
gevolgd waren. De professor kende hier overal uitstekend den weg,
en, door de electrische lantarens bijgelicht, bereikte men na vijf
kwartier loopen den uitgang.

Welk een blijdschap en een opluchting, toen men zich weer vrij voelde!

Er was echter geen tijd zich lang aan die blijdschap over te geven.

Elk oogenblik kon hun ontsnapping bemerkt worden, en dan zou het met
hun leven spoedig gedaan zijn.

Zoo snel mogelijk spoedde men zich naar de groep van palmboomen,
waar De Vogel was achtergebleven.

Deze was er niet!

Welbeschouwd behoefde dit niet zoo te verwonderen, want
begrijpelijkerwijs zou Mu met Nof aan 't zoeken zijn gegaan naar
de vermisten.

Er bestond op De Vogel echter de vaste regel, dat men in gevallen
als deze steeds na een bepaalden tijd met het luchtschip weer op de
plek terugkwam waar men gescheiden was, om te zien of de vermisten
zich daar ook bevonden.

Dank zij dezen verstandigen maatregel, maakte men zich niet ongerust
over de afwezigheid van het luchtschip, en besloot onder de palmen
rustig zijn komst af te wachten.

Tegen vier uur in den morgen werd Li's signaalfluitje van uit de
lucht beantwoord.

Onmiddellijk daarop werden de professor en zijn bediende geblinddoekt,
nadat men hun meegedeeld had dat ze zich met volle vertrouwen konden
overgeven, maar dat deze maatregel noodzakelijk was, omdat zij niet
wenschten dat hij de inrichting zag van het vaartuig waarmee men hen
zou wegbrengen. Te voren was overeengekomen dat men hen in Marseille
zou afzetten, waar de professor goede bekenden had wonen. Men had
intusschen wijselijk steeds Laïesch gesproken als het dingen betrof
die geheim moesten blijven, en zich overigens gehouden of men uit
Holland afkomstig was.

Mu daalde snel met De Vogel neer, en weldra waren allen aan boord. Nu
zette het luchtschip met den meesten spoed koers naar Marseille.

Natuurlijk vertelde Mu, dat hij erg in de benauwdheid gezeten, en
overal gezocht had, en de anderen moesten in kleuren en geuren hun
avonturen vertellen. Gelukkig dat nu alles voorbij was, en men alweer
een les in de voorzichtigheid had ontvangen.

"Het ligt aan de aarde," zei Li ernstig. "Zoolang we hier op De
Vogel zijn, denken we niet aan onvoorzichtigheden en waaghalzerij,
maar zoo gauw zijn we niet op den vasten grond, of we schijnen ons
geroepen te voelen kwajongensstreken uit te halen."

Opeens, bemerkend dat Nof er niet was, zei Li:

"Waar is Nof? Die is toch al lang aan boord?"

"Neen," antwoordde Mu, "hij is niet gekomen; ik dacht dat hij jullie
ontmoet had en verbaasde me al dat hij niet bij jullie was."

"Nu, hij zal zeker een dag later komen; hij heeft nog al
tegenwind. Maar dan moeten we morgen weer naar de kust terug."

"En ons niet meer door negers laten inrekenen!" zei Rob lachend.

"Daar zal ik wel voor oppassen," zei Li. "Niemand gaat van boord!"



Men bereikte spoedig Marseille, en in den vroegen morgen werd de
professor met een vliegmachine aan wal gezet. Daar moest men hem wel
aan zijn lot overlaten.

De lezer heeft ongetwijfeld in 't laatst van December 1901 uit de
kranten gezien, dat professor Korling, dien men dood waande, opeens in
Nederland teruggekomen was en dat onbekende personen, die Hollanders
zeiden te zijn, hem met een luchtballon naar Marseille hadden gebracht.

De eigenlijke toedracht van deze gebeurtenis heeft tot nu toe eigenlijk
niemand goed begrepen, ook de professor zelf niet. De lezer zal daarom
zeker met belangstelling in dit hoofdstuk den geheimzinnigen sluier
hebben zien oplichten.



TIENDE HOOFDSTUK.

NOF EN DE STRANDROOVER.

	Nof is verdwenen.--Men wacht hem tevergeefs.--De man in het
	schuitje.--Het losgeld.--Nof komt terug.--Het verhaal van
	Quebranto den Strandroover.--Naar Czernovië!


Toen men weer bij Bengasi terugkwam, was het helder dag.

De Vogel bleef eenigen tijd zwevende boven de zee, en met behulp
van sterke kijkers begon men den omtrek in alle richtingen af te
zoeken. Maar er was niets van Nof te zien.

Toen de dag voorbijging en de avond viel, zonder dat men iets van den
vermiste vernam, begon men zich ernstig ongerust te maken. De tijd
was ruim berekend, en Nof had al lang terug kunnen zijn; er was dus
reden om aan een ongeluk te gaan gelooven.

Toch kon men voorloopig niet veel anders doen dan in de buurt blijven
kruisen, hopend dat Nof ten slotte zou komen opdagen.

Men nam dus een afwachtende houding aan.

Twee, drie dagen gingen voorbij, maar Nof bleef weg.

De eenige afleiding, die men zich schenken kon, was boven
de rotsenwoning van den negerstam te gaan zweven, en zich dan te
vermaken met den schrik dier zwarte heeren, toen ze daar zulk een
gevaarte door de lucht zagen zeilen. Waarschijnlijk vermoedden ze
niet, dat daar op De Vogel het maaltje blank vleesch te vinden was,
dat hun eenige dagen geleden zoo leelijk den neus voorbijgegaan was.

Toen men weer twee dagen gewacht had en Nof nog niet verschenen was,
besloot Li desnoods de geheele reis te maken, die Nof verricht had,
hopend hem onderweg te zullen vinden. Wat den omtrek betreft, die was
nu over twee uur in het rond zoo grondig doorzocht, dat men veilig
kon aannemen Nof daar niet te zullen vinden.

Alles werd dus voor de reis klaargemaakt, toen, op het punt van te
vertrekken, Rob's aandacht getrokken werd door een klein bootje,
dat langs de kust voer, en waaruit een man stapte, die, na 't bootje
aan wal getrokken te hebben, recht op de palmengroep afging waar De
Vogel zich gewoonlijk verdekt opstelde.

Van achter de rotsen, waar het luchtschip zweefde, bleef men den man
waarnemen. Hij vertoefde slechts enkele oogenblikken bij de boomen,
zocht daarna z'n schuitje weer op, en roeide dicht langs het strand
in westelijke richting weg.

Dit was ongetwijfeld een merkwaardig verschijnsel, en Li besloot
zich op de hoogte te gaan stellen van wat die man in het palmbosch
had uitgevoerd. Daar aangekomen, vond men een briefje aan een der
stammen gespijkerd--het was van Nof!

Snel brak Li het open, en las:


	"Leg op deze plaats ten spoedigste tienduizend gulden
	neer. Tracht niet een onderzoek in te stellen of mij te hulp
	te komen.

	Nof."


Het leed geen twijfel, dit briefje was van Nof. En er zat niets anders
op, dan het gevraagde geld te deponeeren, daar alleen dan Nof tot
hen zou kunnen terugkeeren.

't Was een geheimzinnige kwestie. Vermoedelijk was Nof in handen
van roovers geraakt, maar hoe dit zij, het was 't beste rustig af
te wachten welke uitwerking het neerleggen van 't geld zou hebben,
om daarna te besluiten wat er nader te doen stond. Het spoor van den
man in 't bootje te volgen, of andere maatregelen te nemen, zou tegen
den wensch van Nof en dus gevaarlijk zijn.

Tienduizend gulden was een behoorlijke som, maar het leven van Nof was
die som wel waard, en gelukkig was er een zeer aanzienlijke hoeveelheid
geld aan boord, daar de mannen bij hun eerste opstijging daarvoor
gezorgd hadden, voorziende dat de proef met De Vogel mislukken kon,
en zij dan bij het neerdalen in een misschien onbekende streek dankbaar
zouden zijn over het noodige geld te kunnen beschikken.

De gevraagde som werd dus gedeponeerd, en men wachtte, op eenigen
afstand achter de rotsen verborgen, den uitslag af.

Tegen den morgen kwam dezelfde man met het bootje, stapte aan land,
zag behoedzaam om zich heen, en stelde zich daarna in het bezit
van 't geld. Toen verdween hij weer op de zelfde manier waarop hij
gekomen was.

Men wachtte nu weer eenige uren in angstige spanning, brandend van
verlangen om den man na te gaan, totdat ongeveer tegen vier uur
het bootje weer zichtbaar werd. Dezen keer zaten er twee mannen in,
en toen men het bootje zag teruggaan, nadat een der mannen aan land
gestapt was, herkenden allen in dien laatste Nof!

Nu zette Mu De Vogel in beweging; het schip daalde bij de palmen,
en Nof was weer bij zijn vrienden terug!

Nadat van weerszijden de blijdschap zich in handdrukken en
gelukwenschen had geuit, moest Nof vertellen wat er toch eigenlijk
gebeurd was.

"Er stond nog al wind in de Middellandsche Zee," vertelde Nof, "en
daarom moest ik 's nachts nu en dan aan de kust neerdalen om me niet
te veel aan gevaar bloot te stellen.

"Dergelijke dalingen liepen altijd goed af. Een enkele maal bemerkte
ik menschen in de nabijheid, maar meestal zagen ze mij niet of kon
ik me tijdig uit de voeten maken. Acht dagen geleden ben ik echter de
dupe geworden van mijn te groote vertrouwen in de omstandigheden. Ik
had me eenige mijlen westelijk van hier met mijn toestel op de kust
neergelaten en me daar te slapen gelegd, ofschoon ik voetstappen in
't zand had gezien, en een uitgedoofd vuur eveneens op de nabijheid
van menschen wees.

"Tegen den ochtend werd ik wakker doordat ik om me heen hoorde
praten. Tot mijn schrik zag ik een zestal mannen met wijde mantels
en groote hoeden voor me staan, waarvan er vier me vastgrepen toen
ik een beweging maakte om naar den vliegtoestel te snellen, en twee
dien toestel geheel vernielden, zonder blijkbaar te weten waarmee ze
te doen hadden.

"Ik bood hevigen weerstand, maar kon mijn handen niet vrij krijgen om
van mijn pistool gebruik te maken, en zoo werd ik ten slotte overmand
en vastgebonden.

"Men leidde me door een woeste, onbewoonde streek, door eenzame,
sombere bosschen en over kale, door de zon geroosterde rotsen. Er wonen
in dat kustland enkele schaapherders en een paar houthakkers, maar
men komt ze slechts zelden tegen langs de smalle, door muilezelhoeven
gevormde paden. Op mijn vraag, waar men me heenbracht, antwoordde
een der mannen: "naar Quebranta!"

"Wat!" riep La, toen Nofs verhaal zoover gevorderd was. "Woont die
schurk tegenwoordig daar?"

"Ken je hem dan?" zei Nof verwonderd.

"'t Is een speciale vriend van hem!" spotte Li.

"Ik heb wel van hem gelezen," zei La. "Hij maakte jaren lang het
Andalusische hoogland, tusschen Jerez en Almeria, onveilig, maar de
Spaansche Regeering heeft hem ten slotte zoo weten op te jagen, dat
hij de zee overgestoken is. Niemand wist waarheen hij verdwenen was,
maar Nof heeft dus zijn schuilplaats ontdekt."

"Helaas ja!" zei Nof. "Ik zou gaarne een ander de eer hebben
gegund. Maar om verder te gaan. Men bracht me dan bij Quebranta,
een man met een geel, mager gezicht, scherpe gelaatstrekken, een
merkwaardig spitsen neus en doordringende oogen. Ik hoorde later dat
er een soort van geheimzinnig waas over hem hangt, weinigen uit den
omtrek hebben hem ooit gezien, maar tot in de verafgelegen steden
kent en vreest men hem. En de meesten hebben zijn macht gevoeld; hij
weet alles wat er gezegd, gedaan, ja gedacht wordt in het geheele
uitgestrekt gebied waarover hij heerscht. Hij deelt belooningen en
straf uit met dezelfde vrijgevige hand. Als een geitenhoeder iets
doet dat naar zijn zin is, maakt hij den man rijk voor zijn leven;
maar niemand leeft lang genoeg om hem tweemaal valsche inlichtingen
te verschaffen.

"Van uit zijn verborgen schuilplaats in de rots, honderd voet boven het
kamp van zijn volgelingen, gedraagt hij zich tegenover het omringende
land als een havik tegenover een vlucht patrijzen.

"Dikwijls genoeg zijn er expedities tegen hem uitgezonden, maar
steeds zonder resultaat; hij verschanst zich in de rotsen, en schijnt
onderaardsche wegen te weten, die in dit land zoo talrijk voorkomen,
en waarin een oningewijde niet gemakkelijk den weg vindt."

"Nu--dat hebben wij ondervonden," lachte Li.

"Quebranta vindt zichzelf allesbehalve een gewonen roover; hij is
een heerscher. En bovendien is hij er trotsch op een goed koopman te
zijn. Wie zonder behoorlijke papieren (en die zijn natuurlijk in zijn
oogen nooit behoorlijk) zijn gebied betreedt, is zijn eigendom. En
dat eigendom verkoopt hij daarna tegen den besten prijs dien hij
er voor krijgen kan. Dat wil zeggen, hij vermoordt zijn gevangenen
slechts zelden, maar vraagt een losprijs voor ze, en laat daarop geen
cent afdingen.

"Toen Quebranta me van het hoofd tot de voeten had opgenomen, knikte
hij even, en liet me daarna op eenige passen afstand van hem met
kettingen aan de rotsen vastmaken.

"Daar lag ik, beproevend mijn lot zoo gelaten mogelijk te ondergaan. Ik
bleef kalm voor me uit kijken en zei geen woord.

"Dat scheen Quebranta merkwaardig te vinden. Gewoonlijk, zoo vertelde
hij me later, kwam in gevallen als deze het karakter van zijn
gevangenen het best uit. Bijna allen smeekten, deden vragen, waren
nieuwsgierig wat er met hen gebeuren zou en bleven geen oogenblik
rustig. Dat ik daar totaal onbewogen zat, koel, onverschillig en
zonder een enkele vraag te doen, maakte indruk op hem.

"Na eenigen tijd liet hij me los maken, blijkbaar overtuigd dat ik
me kalm gedragen zou. Hij schoof een stoel bij (zijn hol was heel
aardig van meubels voorzien) en noodigde me uit te gaan zitten. Daar
hij en de zijnen gelukkig wat Fransch spraken, hoewel zeer gebrekkig,
konden we ons verstaanbaar maken.

"Señor," zei Quebranta. "We moeten eens over het losgeld spreken. Bezit
u of uw familie veel vermogen?"

"Ik vertelde hem dat dit maar zeer magertjes was.

"U bent dus niet rijk. U zegt het ten minste. Welnu, ik zal u gelooven
en een matige som vaststellen. Daarna zullen we over dit onderwerp,
zoolang u mijn gast bent, niet meer spreken."

"Ik keek eens rond naar de hooge klippen, die dit verblijf omringden,
en een ontsnapping zeer onwaarschijnlijk maakten; daarna vestigde ik
mijn blikken op het eigenaardige kleine personage, dat daar tegenover
me aan den ingang van het hol zat, dat hem tot woonplaats diende.

"Quebranta zat in den zonneschijn, kouwelijk gehuld in een
wijden, geplooiden mantel, en met een breeden hoed diep over de
oogen gedrukt. Hij rookte een sigaret, en nooit zag ik zoo iets
roofdierachtigs als de hand, die als een lange, gele klauw die
sigaret vasthield.

"Misschien," vervolgde hij, "wilt u zoo goed zijn mij eenig begrip
van uw werkkring, uw maatschappelijke positie te geven, opdat ik het
bedrag van het losgeld met eenige juistheid bepalen kan."

"Ik werd getroffen door den hoffelijken toon, waarop deze roover sprak,
en antwoordde, dat mijn beroep luchtreiziger was, een vak dat niet
veel inbracht.

"Zoo," zei Quebranta langzaam. "En waar is uw ballon?"

"Men heeft hem hedenmorgen bij mijn gevangenname vernietigd."

"Maar dat kleine ding--men bracht me de overblijfselen zoo even--wilt
u toch geen ballon noemen?"

"Het is een moderne uitvinding, die werkt, of liever werkte, door
electriciteit."

"Dat intresseerde den roover, en ik moest hem 't een en ander van de
werking uitleggen.

"Hebt ge hier in de buurt menschen wonen die een losgeld voor u
betalen willen?"

"Bij Bengasi bevinden zich vrienden van me, eveneens met een
ballon. Die zullen wel geneigd zijn me vrij te koopen."

"Bij Bengasi," zei Quebranta peinzend, alsof hij er over dacht of
ook dat gezelschap niet ingepikt kon worden.

"Ik liet hem merken, dat ik zijn gedachten raadde, en zei:

"Ze zijn zwaar gewapend en van de nieuwste verdelgingsmiddelen
voorzien; er zou dus voor u niets dan nadeel in gelegen zijn ze aan
te vallen."

"Hij antwoordde kort:

"U schijnt niet te weten hoe ver mijn macht reikt."

"Na even gezwegen te hebben vervolgde hij:

"In elk geval zal ik zorgen, dat ze uw verblijf hier voorloopig niet
te weten komen. Zoodra ik het oogenblik gekomen acht, zal er een man
naar hen toe gaan om het losgeld op te eischen. Trachten ze de betaling
te ontwijken of u met geweld te bevrijden, dan laat ik u onmiddellijk
neerschieten. Dat moet u ze zelf in een briefje schrijven--dan hebben
zij, u en ik de beste waarborgen."

"Quebranta liet me nu tot den avond alleen. Toen kwam hij weer bij
me zitten en zei:

"Ik ben op éen ding trotsch, señor, en dat is, dat ik nooit verandering
breng in wat ik eenmaal bepaald heb. Ik wilde nu namelijk het bedrag
van uw losgeld vaststellen."

"Dat is goed," zei ik kalm.

"Die kalmte scheen hem belangstelling in te boezemen. Hij keek me aan,
of hij zeggen wilde: "je intresseert me." Maar ik voelde, dat ik hem
intresseerde evenals een kikvorsch het een vivisector doet.

"Zullen we dan maar zeventienduizend peseta's zeggen?" vroeg hij. "Die
som heb ik juist noodig."

"U hebt het gezegd," antwoordde ik, "en er zal dus weinig aan
te veranderen zijn. Maar ik betwijfel zeer of u die som krijgen
zal. Zeventienduizend peseta's--dat is ongeveer tienduizend
gulden. Zooveel geld is er gewoonlijk niet aan boord van 'n
luchtballon. Ik denk dat u niet veel meer dan vijf- of zesduizend
zult krijgen."

"Op deze manier probeerde ik met hem te onderhandelen, en wat
afgedongen te krijgen. Maar daar was geen sprake van.

"Ik hoop voor u," zei Quebranta, "dat de heele som bijeen wordt
gebracht, want een teleurstelling in mijn verwachtingen leidt altijd
tot zeer onaangename gevolgen. Zeer onaangenaam."

"Hij schudde het hoofd en ging heen.

"Den volgenden morgen dicteerde hij me het briefje, dat jullie aan
den palmboom hebt gevonden. Hij nam het in ontvangst, maar scheen nog
niet van plan het af te zenden, want hij hield me nog een paar dagen
bij zich zonder dat ik iets van jullie antwoord vernam. Misschien
wilde hij eerst nog eens zien of er niet meer van me te halen zou zijn.

"Die dagen waren onaangenaam en spannend. Ik had wel veel hoop, dat ik
door jullie losgeld gered zou worden, maar de kans kon ook verkeeren;
onder roovers heerschen andere begrippen van eer en eerlijkheid dan
bij ons. En zoo zat ik naar de toppen der pijnboomen te kijken, die
wuifden in den wind, en wenschte tevergeefs dat ik iets anders doen
kon dan zitten en wachten!

"Het is een hard ding om te moeten bedenken, dat je misschien over
enkele dagen opgehouden hebt te bestaan, terwijl je hersens nog zoo
goed werken, en er in je hoofd nog zooveel onuitgewerkte plannen voor
de toekomst liggen. Ik snakte er naar den kleinen rooverhoofdman een
poets te spelen, want ik wist dat het niet weinig beteekenen zou zoo
iets te doen.

"Des avonds kwam hij weer bij me, en zei:

"Nu beschouw ik u als gast, en u mag om alles vragen wat u
wenscht--behalve om uw vrijheid natuurlijk. Ik zal mijn best doen een
goed gastheer te zijn en u bij uw vertrek de beste herinneringen aan
uw verblijf in ons midden te doen meenemen. Ik heb dus uw woord dat
ge niet ontsnappen zult?"

"Ik aarzelde. Het viel me moeielijk mijn woord te geven aan een
roover. Maar ten slotte zei ik:

"Ja."

"Wanneer we bij elkaar zaten te praten, was het eigenaardig te zien,
hoe die kleine, kouwelijke, bij het vuur zittende toehoorder belang
stelde in de nieuwste berichten uit de beschaafde wereld. Sedert jaren
was hij daarmee niet in aanraking geweest, sedert jaren zag hij in zijn
eigen klein gebied de wereld. Met zijn geheele aandacht luisterde hij
toe, als ik hem van den vooruitgang der wetenschap vertelde, en hij
stond verbaasd over het toenemend gebruik der electrische stroomingen.

"Een echte Spanjaard is die Quebranta, en een Spanjaard met al de
eigenschappen van zijn ras in zich, maar tot uitersten gedreven. Angst
kent hij niet, trotsch is hij boven mate, in hoffelijkheid overtreft
niemand hem, en wreed is hij--ongeloofelijk.

"Op een middag liet hij twee van zijn volgelingen, die de orde
verstoord hadden, eenvoudig afmaken en voor de gieren werpen. Dit
vond ik afschuwelijk, en het leek me of ik achter zijn roofvogelachtig
voorkomen den waanzin zag gluren. Maar hij zei kalm:

"Dit is onvermijdelijk. Ik _moet_ gehoorzaamd worden. Deze troep
volgelingen zijn niet anders dan wolven, ik moet ze met de zweep
regeeren. Bovendien zijn er altijd liefhebbers genoeg om me te
volgen. Ik kan er dus best een paar missen."

"Maar dat zal daarmee eindigen, dat ze zich op een goeden dag tegen
u keeren," waagde ik op te merken.

"Daarop heb ik gerekend. Neen--als ik sterf, zal 't met mijn vrijen
wil en op mijn eigen manier zijn."

"Hij zweeg eenige oogenblikken, en ik begon werkelijk met alle kracht
die in me was, te snakken naar het oogenblik waarop de losprijs komen
zou. In de nabijheid van zoo'n man werd het me te angstig.

"Quebranta was opgestaan, en had een guitaar te voorschijn gehaald.

"Wat is ons leven eigenlijk ook waard," zei hij, de snaren beroerend,
"dat we er zooveel om geven zouden? Ik leef hier, gevreesd en
gehoorzaamd zooveel ik maar wil. Soms heb ik het voorrecht een
welopgevoed man tot gezelschap te hebben, zooals nu. Maar soms ook
krijg ik er genoeg van, en dwaal ik rusteloos in de bergen rond. Muziek
is het eenige dat me niet verveelt."

"Hij speelde nu eenige melancolieke Andalusische liedjes, en zong
zelfs met bevende stem oude Spaansche melodieën van lang vergeten
menschen en daden.

"Zoo gingen enkele dagen voorbij, totdat er op een avond iets
bizonders gebeurde.

"Alleen door mijn woord gebonden, wandelde ik door de rotsen, toen
ik op een gegeven oogenblik van uit het struikgewas mijn naam hoorde
noemen. Natuurlijk was dit de een of andere verborgen schildwacht,
maar 't verwonderde me, dat deze nog een paar maal, op een zachten,
geheimzinnigen toon mijn naam noemde.

"Wat is er?" vroeg ik.

"Wat ik u zeggen wil, moet tusschen ons beiden blijven. U kunt ons
helpen, en wij u. Blijf staan waar ge staat. Als u belooft ons te
helpen, zal ik u mijn gezicht laten zien."

"Ik beloof niets."

"Omdat ge niet weet wat ik zeggen wil. Quebranta wil u al uw geld
ontnemen, niet waar?"

"Ja."

"En u zou het liever willen behouden, evenals wij, is het niet zoo?"

"Dat kan wel."

"Doe 't dan. 't Kost maar weinig moeite. U zult me niet verraden?"

"Dat kan ik niet, want ik weet niet wie u bent."

"Maar ge zult het niet doen?"

"Neen."

"Neem dit dan."

"Ik stak de hand in het gebladerte, en voelde me een revolver in de
hand drukken.

"Je wilt dus dat ik hem vermoord?"

Er volgde een onderdrukt gelach, en daarna zei de stem:

"Natuurlijk. Je hebt er de gelegenheid voor. Dan zijn we allen vrij,
want we haten hem."

"Toen verdween de spreker.

"De verzoeking was sterk. Door éen schot kon ik mijzelf en velen
anderen een dienst bewijzen. Ik stak de revolver in mijn zak en
ging naar het hol. Quebranta zat met zijn rug naar mij toe bij het
vuur te schrijven. Hoe gemakkelijk zou het nu zijn, den trekker over
te halen...

"Quebranta had me hooren aankomen, en wendde zich om. Hij keek me
scherp aan, als vermoedde hij dat er iets bizonders in me omging.

"Toen zei hij:

"Er is een belangrijk bericht voor u."

"Wat dan?"

"Het losgeld."

"En---?"

Hij haalde de schouders op.

"Negenduizend gulden," zei hij. "Ik heb tienduizend gevraagd."

Op dit oogenblik viel Li den spreker in de rede:

"Maar we hebben toch de volle som meegegeven."

"Dat weet ik," vervolgde Nof. "Hij noemde opzettelijk duizend gulden
te weinig. Straks zult ge begrijpen waarom."

"En dus?" vroeg ik.

"En dus," zei Quebranto, "ben ik bereid mijn belofte te houden. Dat
wil zeggen: voor negen tienden."

"Hoe bedoelt ge dat?"

"Wel--men heeft slechts negen tienden van het losgeld betaald. Ik
zal u dus morgen, vóor de zon opgaat, voor negen tienden in vrijheid
stellen."

"Ik begreep hem nog niet recht.

"Moet ik daar dankbaar voor zijn?" vroeg ik.

"Wel--u hebt me aangenaam bezig gehouden. U intresseert me. Ik zal u
daarom de vrijheid laten zelf te kiezen welk tiende gedeelte van uw
lichaam ge achterlaten wilt als herinnering aan uw bezoek."

"Quebranto maakte een buiging, en vervolgde:

"Het doet me oprecht leed, dat het hiertoe gekomen is. Maar ik zie
geen anderen uitweg. U kunt wel wat missen, u bent zwaar gebouwd. Ik
raad u dus sterk aan, een uwer ledematen achter te laten. Men kan
ook zonder een voet of een hand leven."

"Een koude rilling ging door mijn lichaam. Dit was verschrikkelijk.

"Opnieuw kwam de verzoeking over me, van mijn wapen gebruik te maken,
dat zoo te rechter tijd mijn pistool was komen vervangen, dat men me,
evenals mijn overige uitrusting, had afgenomen. Een geladen revolver
was onder mijn hand, waarom zou ik niet elk gewetensbezwaar op zij
zetten tegenover het ongehoord wreede gedrag van dien man?

"Maar ik had mijn woord gegeven, en ik voelde nu opnieuw hoe ons
eergevoel dikwijls een lastige bezitting blijkt te zijn.

"In elk ander geval had ik misschien geen bezwaar gehad zulk een
tegenstander neer te schieten, ja, ik zou blij zijn geweest er een
verontschuldiging voor te hebben.

"Maar in dit bizondere geval aarzelde ik.

"Nog een uur--en ik zou aan zijn helpers overgegeven worden, om voor
mijn leven verminkt te worden, en als ze wisten dat ik van het mij
gegeven middel om hen te bevrijden geen gebruik gemaakt had, zou dat
er zeker niet toe bijdragen om hun wijze van behandeling te verzachten.

"Quebranto zat naar me te kijken met knippende oogen. Hij scheen met
genoegen te constateeren dat mijn onverschilligheid geweken was.

"En dat was zoo.

"Toen de bandiet nogmaals zei:

"Werkelijk, ik zou u raden een voet of een hand als souvenir achter
te laten," toen verliet mijn kalmte me, en ik riep: "Lage, gemeene
roover! Schooier!"

"Quebranto sprong op en greep naar zijn mes, terwijl hij me strak
aankeek.

"Weet je, wat me alleen spijt?" ging ik woedend voort, "dat ik je
gepermitteerd heb zoo gemoedelijk met me om te gaan. Als ik geweten
had wat 'n bandiet je was, had ik nooit een woord met je gepraat. Nu
weet je wat ik van je denk, en ik verzeker je, dat ik graag de prijs
betalen zal, die ik weet dat je voor deze woorden vragen zult!"

"Het was uiterst onvoorzichtig van me, zoo te spreken, want het stond
gelijk met het onderteekenen van mijn doodvonnis. Maar ik was mezelf
niet meer meester.

"Quebranto's gezicht was geel geworden. Zijn lichaam schokte. Elk
woord had doel getroffen. Zijn bloedelooze oogleden knipten.

"Señor, u hebt tegen me gesproken, zooals niemand te voren ooit
heeft durven doen," zei hij. "Ik heb mijn woord gegeven, en u zult
uw vrijheid hebben. Maar bedenk, dat ik recht heb op het tiende deel
van uw lichaam. En ik verzeker u, _dat ik niet één tiende, maar
tien honderdste deelen zal nemen_! Als ge vertrekt, zal niemand u
meer herkennen!"

"Het waren afschuwelijke woorden, deze laatsten. Maar ik was zoo
woedend, dat ze geen indruk op me maakten.

"Jij lafaard!" zei ik, "beul! Je mag alles doen wat je wilt, als ik
je afschuwelijke gezicht maar niet hoef te zien."

"En ik keerde me om en keek naar buiten. Maar mijn mond was droog,
het zweet stond op mijn voorhoofd. Daar beneden brandden de vuren,
daar wachtte men op me, wachtte op het bevrijdend schot dat ik niet
wilde, niet kon afvuren.

"Na eenige oogenblikken zei Quebranta:

"U hebt een geladen revolver in uw zak. Waarom gebruikt u die niet?"

"Ik gaf geen antwoord, hoewel verwonderd dat hij dit wist.

"Bent u niet bang voor wat er gebeuren zal?"

"Ik antwoordde ook nu niet. Ik voerde een inwendigen strijd met mezelf.

"Waarom schiet u me niet neer, señor?" vroeg hij weer.

Ik wendde me om en stak hem de revolver toe.

"U weet wel dat ik u niet neerschieten kan," zei ik ernstig.

"Quebranta nam het wapen niet aan, maar vroeg:

"Omdat u je woord gegeven had?"

"Natuurlijk," antwoordde ik.

"Het was even stil. Toen vroeg ik:

"Hoe wist u dat ik een revolver had?"

"Ik gelastte dien man ze u te geven. Ik wilde zien of ik u karakter
goed beoordeeld had. Maar het spijt u toch dat u me niet dood kon
schieten. Is het niet zoo?"

"Ik wilde dat ik het nu nog doen kon!" zei ik. "Maar wat behoeft
er verder tusschen ons gepraat te worden. Neem een tiende van me,
en laat me vrij. Of dood me!"

"Toen gebeurde er iets zeer merkwaardigs.

"Señor," zei Quebranta, "wanneer ik iemand als u ontmoet, laat ik hem
het liefst zooals hij is. U hoort niet tot het soort menschen dat van
mij kwaad zal ondervinden. Een man, die zijn eer weet te bewaren zooals
u dat gedaan hebt, _ook tegenover een bandiet_, is waard te leven. Had
u me doodgeschoten, dan zou uw naam in Spanje en Afrika als dien van
een verlosser genoemd worden. Maar nu--neem uw leven uit mijn handen
aan. En wat het losgeld betreft, wees gerust: de volle som is er.

"Na morgen zullen we elkaar nooit meer zien; maar herinner u altijd,
dat ge eens een man hebt ontmoet, die, evenals gij, voor niets bang
was. Die, evenals gij, zijn woord gestand deed. Vaarwel, Señor!"



Hiermee was Nofs verhaal geëindigd. We weten, dat hij den volgenden
dag behouden op De Vogel terug was.

Allen hadden ademloos zijn verhaal aangehoord, en Nof was niet weinig
verrast, toen hij hoorde dat de anderen in dien tusschentijd ook
zulke spannende avonturen hadden beleefd.

Gelukkig waren ze nu weer vereenigd, en ze beloofden elkaar plechtig
nooit weer zulke waagstukken uit te halen.

Met een en ander was intusschen veel tijd verloren gegaan, en men
maakte zich gereed om met de meeste snelheid de onderbroken reis
voort te zetten.

"Naar Czernovië!" was nu het wachtwoord.



ELFDE HOOFDSTUK.

DE VOGEL WORDT VERNIETIGD.

	De reis wordt door stormen vertraagd.--De nederdaling
	bij Midia.--Er ontploft een mijn en De Vogel vliegt in de
	lucht.--In Turksche gevangenschap--De Dardanellen-Oorlog.--Li
	en Rob herkrijgen hun vrijheid.--De Engelsche spionnen gaan
	de doos in.--Naar Slavowitz!


Het was 1 Januari 1902 geworden. De eigenlijke reis had zoo lang
niet geduurd, maar twee omstandigheden waren van nadeeligen invloed
geweest. Ten eerste kenmerkte de geheele maand December van het
jaar 1901 zich door hevige stormen en onweders, die--hoezeer ook De
Vogel onafhankelijk was van atmosferische storingen--de snelheid van
het luchtschip aanmerkelijk vertraagden. Het kostte Mu de grootste
moeite de juiste richting te bewaren, en om de motoren niet aan al
te groote inspanning te onderwerpen, was men soms dagen achtereen
genoodzaakt voorzichtig te laveeren, of, tegen den storm in, juist
genoeg snelheid te ontwikkelen om De Vogel op eenzelfde punt drijvende
te houden. Ten tweede trof bij een zwaar onweer de bliksem een der
vele afleiders, die zich op het dek verhieven, en ontstond er door
een tot dusver onopgemerkt gebrek aan isoleering een begin van brand
in de stuurkamer, waardoor de kinematografische plaat werd beschadigd,
en La geruimen tijd in de weer was om het ongeluk te herstellen. Daar
men er op De Vogel niet van hield los over dergelijke storingen,
die trouwens wel meer voorkwamen, heen te loopen, gaf een en ander
aanleiding tot langer oponthoud dan men wel gewenscht had.

Dien 1en Januari, toen de dikke nevels die tot dusver boven de aarde
hadden gehangen, wat opgetrokken waren, meldde Mu tegen het vallen
van den avond, dat men eenigszins oostelijk van de koers was afgeweken
en zich nu boven Midia bleek te bevinden, aan de Oostkust van Turkije.

Het kwam Li wenschelijk voor, nu eenigen tijd zwevende te blijven,
ten einde het operatieplan, dat nu weldra zou uitgevoerd worden,
nog eens onderling te bespreken. Ook leek het hem gewenscht zich
wat nauwkeuriger omtrent den toestand op aarde te doen inlichten
eer men tot beslissende stappen overging. Tot nu toe was dat steeds
gebeurd door een van de leden der bemanning met een vliegtoestel
omlaag te zenden, van welke reis hij dan met de noodige nieuwsbladen
terugkwam. Daartoe werd dan gewoonlijk tegen den avond ergens op een
afgelegen plek geland; de vliegtoestel werd verborgen, en in de een
of andere vermomming, gewoonlijk die van een onschadelijk toerist,
ging men de nabijgelegen stad binnen, hoorde naar de gesprekken in
koffiehuizen en trachtte zoo het noodige te weten te komen.

Door het noodweer van de laatste weken was daarvoor in langen tijd
geen gelegenheid geweest; Li stelde daarom voor Midia te bezoeken,
en gaf zijn voornemen te kennen dit persoonlijk te doen.

Bij deze gelegenheid wachtte Rob een verrassing. Een half uur vóor
De Vogel op de eenzame kust zou neerdalen om Li aan land te zetten,
vroeg deze hem of hij lust had mee te gaan. Natuurlijk was Rob hiermee
zeer ingenomen, en op aanwijzing van Li kleedde hij zich even als
deze in een eenvoudig maar smaakvol reiscostuum.

"Zoo zien we er uit als Hollanders," zei Li. "Die vermomming is
me altijd het beste voorgekomen, want men mag over 't algemeen de
Hollanders op reis nog al lijden. En voor overmaat van voorzichtigheid
zullen we ons nog wat grimeeren ook; vooral jou kan dat te pas komen,
want ze zullen je wel overal zoeken, en wie weet of we in Midia jouw
portret niet voor de winkels zien hangen."

Met een door La uitgevonden onschadelijk kleurmiddel werden de beide
vrienden van blond in zwart herschapen, en het was verwonderlijk te
zien hoe onherkenbaar ze nu waren geworden.

"Wees maar niet bang dat je zoo zult blijven," zei Li lachend,
"La heeft een uitstekend middeltje waarmee je de kleurstof weer
kunt verwijderen, en je zult er volstrekt geen nadeelige gevolgen
van ondervinden. Nu nog een paar biljetten op de Czernovische Bank
meenemen, die zijn in Turkije wel in te wisselen."

Met verbazing zag Rob hoe Li voor een enorme waarde aan papieren geld
bij zich stak.

"Je kan nooit weten," verklaarde Li. "Je moet op alles voorbereid
zijn. Geen kleeren, geen eten--dat hindert niet. Geen geld--dan ben
je verloren."

Er was besloten niet met een der vliegtoestellen aan land te gaan,
doch met Vogel en al de aarde te bereiken. Li kende de kust bij Midia
als zeer eenzaam en woest, en er was bij een daling volstrekt geen
gevaar, vooral niet wanneer men zorgde alle lichten te dooven.

Behoedzaam daalde het luchtschip neer. De avond was zeer donker,
het weer vrij onstuimig; men hoorde niets dan de branding die tegen
de rotsen sloeg.

Even vóor men den bodem zou bereiken, gaf La opeens een teeken aan Mu,
deze bracht het schip tot stilstand, en vroeg wat er was.

"Wanneer we eens allemaal aan land gingen?" zei La. "Ik geloof dat daar
geen bezwaar tegen is voor enkele uren; we komen in een beschaafde
streek, en niet bij kannibalen ditmaal. Mu houdt het schip op een
flinke hoogte drijvend en we vinden hem vanavond hier weer terug."

Li vond het voorstel aanvankelijk wat onvoorzichtig, maar allen
hadden in zoo lang geen vasten grond onder de voeten gehad, en de
ondervinding had bovendien zoo dikwijls geleerd dat men voor enkele
uren zoo'n uitstapje wel kon wagen--dat Li ten slotte geen bezwaren
meer had, en besloten werd gezamenlijk aan wal te gaan.

Ook de andere vijf bewoners van De Vogel staken zich dus vlug in een
reiscostuum, en daarna legde de ballon de enkele meters af, die hen
van de aarde scheidde. Het trapje werd neergelaten, en behalve Mu
stapten allen aan land.

Men sloeg nu gezamenlijk den weg naar Midia in. Nauwelijks had men
eenige honderden meters afgelegd, of men hoorde snelle voetstappen
achter zich en Mu kwam aanhollen met een portefeuille, die La had
laten liggen.

"Je legitimatiepapieren," hijgde hij.

"O juist, goed dat je er aan dacht," zei La. "Dankjewel. Die kunnen
altijd wel te pas komen."

Mu plaagde La wat met z'n verstrooidheid, omdat hij alweer wat had
laten liggen, en legde Rob uit dat men nooit zonder de noodige papieren
aan wal ging.

"Maar hoe kom je daar dan aan?" vroeg Rob.

"O, heel eenvoudig. Ik heb de papieren van 'n Hollandsch
koopvaardijkapitein, dien we eens in zee drijvende vonden,
vastgesjord op een vlot van planken en tonnen--wie weet wat de arme
man had doorgemaakt. We legden het lijk op het strand bij een klein
visschersdorp, met een briefje, zijn herkomst behelzende, er bij. Jij
hebt in je binnenzak--heb je dat nog niet eens gemerkt?--dergelijke
papieren, op een van onze tochten gevonden, en de anderen zijn
allen van Engelsche documenten voorzien die we op het jacht van Lane
inpikten. Zooals je ziet, rekenen we op alles."

Mu was intusschen weer in de richting van De Vogel gegaan, die hij
niet gaarne langer dan hoog noodig was onbeheerd wilde laten. Toen hij
er nog ongeveer tweehonderd meter van verwijderd was, voelden allen
plotseling den grond onder hun voeten trillen; een geweldige slag
weerklonk, die lang nadreunde, en een metershooge vlam verlichtte
gedurende enkele seconden de omgeving. Toen hoorde men het ruischen
van neervallend stof en het kletteren van omlaag komende steenen.

Eenige oogenblikken stonden allen als bedwelmd; toen volgde men het
voorbeeld van Li en snelde in de richting van De Vogel, vanwaar men
de slag gehoord meende te hebben.

Bij de plaats aangekomen, waar men kort te voren geland was, bleven
allen als vastgenageld aan den grond staan. De groote donkere vorm van
De Vogel teekende zich niet langer tegen de lucht af. Het rotsblok,
waarachter hij verborgen had gelegen, was tot op zijn grondvlak
afgebrokkeld, het strand lag met gruis en steenen als bezaaid. De zee
sloeg met geweldige golven over den oever, de laatste overblijfselen
met zich voerend van het vernielingswerk dat hier had plaatsgegrepen.

Enkele seconden heerschte er een verschikkelijke stilte; allen stonden
sprakeloos, nog niet goed beseffend wat er eigenlijk gebeurd was.

La was de eerste die tot bezinning kwam. Hij ging naar Mu toe, en
zei rustig:

"Hoe dankbaar ben ik, dat ik mijn portefeuille liet liggen."

Toen drukte hij Mu de hand en gaf overigens door geen woord of beweging
de ontroering te kennen, die zich ongetwijfeld van hem meester gemaakt
moest hebben. Want nu begrepen allen het gebeurde: door een tot dusver
onverklaarde oorzaak was De Vogel, met al wat er zich op bevond, in de
lucht gevlogen--en daarmee al het werk vernietigd, waaraan La sedert
jaren onbaatzuchtig zijn leven, zijn kunde en zijn fortuin gegeven had.

De Vogel-bewoners waren geen menschen die luide aan hun emoties
lucht gaven; ook nu wisten ze hun ontroering te verbergen. Maar
Rob voelde hoe Li hem krampachtig de hand drukte, en hoe een snik
het krachtige lichaam van dezen nooit ontmoedigden, onwrikbaren man
doorschokte. Vernietigd, het werk, de hoop, de illusie van jaren!

Er was geen lange tijd tot nadenken of treuren. Want opeens bemerkte
men, dat het in den omtrek levendig begon te worden. In de verte
hoorde men dof tromgeroffel en geschetter van signaalhoorns, het
gestamp van talrijke regelmatige voetstappen kwam naderbij en aan
alle zijden zag men flambouwen het duister doorvlammen. Bij instinct
begrepen allen hier tegenover een vijandige beweging te staan. Reeds
grepen enkelen naar hun wapenen, maar Li hield hen terug.

"Kalmte--dat is op 't oogenblik het eenige noodige. Ons verweren tegen
overmacht kunnen we niet. Het is trouwens de vraag, waarom en of we
ons zouden moeten verweren. Ik weet in 't minst niet wat er gaande
is--een reden echter te meer om rustig af te wachten."

De voetstappen naderden snel; wapengekletter werd verneembaar. Nog
enkele minuten, en de zeven mannen waren door talrijke Turksche troepen
omringd; een officier sommeerde hen zonder verzet mee te gaan, en te
midden der soldaten werden allen naar Midia geleid.

Daar voerde men hen dadelijk voor een hooggeplaatst officier, die
vroeg of een der gevangenen Turksch verstond. Daar alle Czernoviërs,
door de veelvuldige aanraking met het naburige volk, die taal min
of meer machtig zijn, hadden allen behalve Rob die vraag kunnen
beantwoorden. Li trad echter snel naar voren en zei in het Turksch:

"Ik spreek die taal vrij goed. Mijn metgezel"--hij wees op Rob--"kent
geheel geen Turksch. Van de andere heeren zou ik het u niet kunnen
zeggen; ik zie hen heden avond voor het eerst."

"U bent allen Engelschen, niet waar?" vroeg de officier verder.

"Deze heer en ik zijn Hollanders," antwoordde Li. "Wij zijn enkele
uren geleden hier aangekomen, om de stad te zien. Die andere heeren
ken ik niet."

"Dus u gaat een stad zien, die op 't punt is gebombardeerd te
worden, en u bereist een land, waar binnen enkele uren een oorlog
zal losbarsten? Dat lijkt mij een vreemde onderneming."

"Wij reizen als dagbladcorrespondenten," antwoordde Li gevat,
"vandaar dat we het gevaar eer zoeken dan vermijden."

"Bent u in het bezit van papieren?"

Li gaf het gevraagde over, en beduidde Rob hetzelfde te doen.

De officier zag de stukken in, begreep er klaarblijkelijk niet veel
van, en vroeg nog:

"Hoe kwam u daar aan het strand?"

"We waren verdwaald, en door de duisternis overvallen."

De ondervrager gaf een wenk, en eenige soldaten voerden Li en Rob in
een zijvertrek, waar men hen ongeveer twee uren in het onzekere liet
omtrent hun lot. Daarna verscheen een officier, die hen in een gesloten
rijtuig naar een hoog, somber gebouw bracht, waar hun ieder een zeer
eenvoudig gemeubeld, hoewel zindelijk vertrek werd aangewezen. Op
hun vraag, wat men met hen en de andere gevangenen van plan was,
ontvingen ze geen antwoord. Tegen tien uur werden in elke cel een
matras, een kussen en twee dekens gebracht, benevens een stuk brood,
wat boter en een kop koffie. De soldaat die een en ander bracht,
vertelde dat zij morgenochtend wel nadere berichten zouden ontvangen,
liet een kaars achter en ging heen. Van binnen hoorde men hem de
zware grendels voor de deur schuiven.

Rob had op De Vogel geleerd zich wijsgeerig in zijn lot te schikken,
en hij deed dat ook nu. Wel had hij weinig gedroomd dat hij nog eenmaal
in Turksche gevangenschap zou komen, maar de behandeling was naar
omstandigheden niet onvriendelijk, het brood en de koffie smaakten
goed, en Rob was zoo moe, dat hij weldra in gerusten slaap viel.

Li kon zich minder gemakkelijk schikken. Ook hem verlieten zijn
gewone kalmte en zijn hoop op de toekomst niet, maar de vreeselijke
gebeurtenissen der laatste uren, het in de lucht vliegen van De Vogel
en zijn daarop gevolgde arrestatie stemden hem toch somber, en hij
begreep, dat op het oogenblik bijna alle hulpmiddelen om zijn doel
te bereiken, hem uit de handen waren geslagen, dat er hem slechts
éen ding was gebleven om op te blijven vertrouwen: eigen kracht. Vol
onrustige gedachten zocht hij zijn eenvoudig bed op.

Den volgenden morgen werd Li voor den zelfden officier gebracht,
die hem tevoren in verhoor had genomen, en die zich nu bekend
maakte als generaal Iradin Effendi, gouverneur der vesting Midia. Li
vernam nu met groote verbazing, dat op 1 Januari de oorlog tusschen
Engeland en Turkije was uitgebroken, de oorlog dien wij kennen als
den Dardanellen-Oorlog, omdat hij ontstond doordat Turkije, tegen
de bestaande verdragen in, aan Russische bewapende oorlogsschepen
toegestaan had de Dardanellen te passeeren. We weten ook, dat die
oorlog door de tusschenkomst van Rusland, welks belangen meebrachten,
dat Engeland geen invloed zou krijgen op het Balkan-schiereiland, vrij
spoedig werd gestuit; op dat oogenblik was die snelle afloop echter nog
niet te verwachten. Daar men berichten had ontvangen, dat Engelsche
oorlogsvaartuigen op de Zwarte-Zeekust bij Midia zouden trachten te
landen, was deze plaats in staat van beleg gebracht, en had men, onder
meer veiligheidsmaatregelen, eenige zware mijnen langs de kuststrook
aangelegd, die electrisch met de vesting waren verbonden, zoodat men
ze van daar uit kon doen ontploffen, zoodra de landingstroepen aan
wal zouden komen. Li begreep nu ook, dat De Vogel het ongeluk had
gehad op zulk een mijn terecht te komen; dadelijk daarop was een
electrische bel in het fort in beweging gekomen, en enkele minuten
daarna had men de ontploffing bewerkstelligd. Tegelijkertijd zag
Li in, dat, gaven de Hollandsche papieren Rob en hem groote kans om
hun vrijheid te herwinnen, de Engelsche passen, waarvan de anderen
door een ongelukkige speling van het toeval waren voorzien, hen
van den wal in den sloot zouden helpen. Ontkenden ze Engelschen
te zijn, dan zou men hun eigenlijke nationaliteit willen weten;
hielden ze vol inderdaad Britsche onderdanen te zijn, dan zouden
ze onder vermoeden van vijandelijke bedoelingen worden gevangen
gehouden. Alles in aanmerking nemende, begreep Li dat het laatste,
hoe hard ook voor de slachtoffers, toch nog het beste zou zijn. Rob
en hij zouden misschien ongehinderd Czernovië kunnen binnendringen,
om dan te overwegen in hoever ze hun plan konden doorzetten; kwamen
ze echter allen gezamenlijk in hun land terug, dan zou de kans op
herkenning sterk vergroot worden, en daarmee die op mislukking.

De generaal deelde Li mede, dat hij diens papieren had onderzocht,
en door een tolk doen vertalen, en dat ze hem voorkwamen in orde
te zijn. Li moest echter nog een aantal vragen beantwoorden,
zijn aanwezigheid op het strand nader verklaren en een berisping
aanhooren over zijn onvoorzichtigheid. Daarna werd hij naar zijn cel
teruggebracht, en onderging Rob een gelijkluidend verhoor. Daar Li
den vorigen avond met hen besproken had wat zij zouden antwoorden,
kon de gouverneur over het resultaat tevreden zijn.

Nog drie weken brachten de beide vrienden in hun gevangenschap door;
in dien tijd werden ze nog eenige malen verhoord, en ten slotte
vernamen ze, dat door voorspraak van den Nederlandschen Consul in
Konstantinopel hun invrijheidstelling was bewerkt.

En zoo stonden Rob en Li in 't laatst van Januari als vrije mannen op
de stoep van het grijze gebouw, dat hen zoo lang tegen hun wil had
geherbergd, en lag de toekomst weer voor hen open. Vóor hun vertrek
vernamen ze nog, dat de Engelschen, die men tegelijk met hen gevangen
had genomen, van spionnage verdacht werden, en voorloopig wel in
krijgsgevangenschap zouden blijven.

"Ziezoo," zei Li, die in zijn cel genoeg gelegenheid had gehad om te
overdenken wat hem te doen stond, "nu naar Slavowitz!"



TWAALFDE HOOFDSTUK.

ROB MAAKT KENNIS MET DEN HERTOG VAN BORA.

	In het Hotel Czernovië.--Van Stralen ontmoet zijn broer.--Daar
	komt de Prinses!--Een ontmoeting met den aanstaanden
	Prins-Gemaal.--Esse quam videri.--Van Stralen doet een duel
	op.--De tooneelspelen van Aeschylus.--Van avond om zes uur.


In de eerste dagen van Februari zaten Rob en Li op de veranda van
het Hotel Czernovië, het voornaamste in Slavowitz, de schilderachtige
hoofdstad van de voormalige Oranje-Republiek. Zij waren overeengekomen,
te reizen als gefortuneerde toeristen, die de vele merkwaardigheden
der hoofdstad kwamen bezien, en zich overigens van de menschen en
dingen om hen heen weinig aantrokken.

Een marmeren tafeltje stond tusschen hen in, en daar ze nu ter
wille van den uiterlijken schijn afstand moesten doen van hun
sobere Vogelgewoonten, zal het den lezer niet verwonderen, dat op het
tafeltje een flesch chartreuse en een kistje sigaren prijkten, alsmede
twee koppen voortreffelijke koffie, waarvan ze na een uitstekenden
maaltijd--men dineerde in Czernovië algemeen om 1 uur--met welbehagen
genoten. Beneden hen stroomde het vroolijke Czernovische leven
voorbij, en als luie, voor hun genoegen bestaande toeristen keken ze
langs den roezemoezigen boulevard. Toch waren hun gesprekken niet
zoo onbezorgd als hun voorkomen zou doen veronderstellen. Telkens
vormden de achtergelaten vrienden het onderwerp ervan, en als zij
zich vergeefs hadden bezonnen op een middel om hen te bevrijden, was
de overtuiging des te treuriger, dat het in veel opzichten misschien
beter was wanneer ze voorloopig gevangen bleven. Een ander ding, dat
vooral Rob bezig hield, was de vrees, dat men zich nu in Amsterdam,
zonder berichten, zeer ongerust over hen zou maken.

Het was twee uur.

De veranda van het hotel was behalve door onze beide vrienden nog
slechts door een enkel heer bezet, die met den arm op de balustrade
geleund en den rug naar Li en Rob toegekeerd, in gedachten verzonken
een cigaret zat te rooken. Terwijl Li met Rob zat te praten, had
hij het oog niet van dien heer afgewend; toen deze het hoofd een
oogenblik meer naar hun kant draaide, brak Li opeens het gesprek af,
en wenkte een kelner, wien hij vroeg:

"Wie is die heer!"

"Dat is de kapitein der artillerie Van Stralen, Particulier Secretaris
van Prinses Elizabeth."

"Zoo," zei Li onverschillig. "Dank je wel. Ik heb dien heer meer
ontmoet, geloof ik. Daarom vroeg ik het."

Een oogenblik daarna stond Li op, en ging op den heer af. Rob zag
met verbazing toe, en begreep heelemaal niet hoe hij het had, toen
hij Li de beide handen op de schouders van den ander zag leggen,
blijkbaar om hem te verhinderen op te staan.

Daarna hoorde hij Li zeggen:

"Blijf zitten. Toon vooral geen verbazing."

Toen de aangesprokene, blijkbaar verrast, een beweging maakte om op
te springen, hield Li hem tegen, en zei rustig:

"Kom bij ons zitten."

De Secretaris stond nu op en voegde zich bij Rob en Li. Toen sprak Li:

"Rob--ik stel je mijn broer voor. Hij wist niet dat ik nog leefde--ik
wist niet dat hij tegenwoordig zulk een hooge betrekking bekleedde."

Ofschoon Li's broer klaarblijkelijk een even koelbloedig man was als
Li zelf, kon hij eerst geen woorden vinden om zijn verbazing te uiten
en was hij door aandoening geheel van streek. Eindelijk zei hij:

"Het is onbegrijpelijk. Als ik je stem niet duidelijk herkende, zou
ik het niet gelooven. Hoe kom je zoo veranderd? Je haar is zwart,
je kleur zoo donker... En waarom leef je eigenlijk nog?"

Nu moest Li hartelijk lachen. Hij antwoordde:

"De hoofdzaak is, _dat_ ik leef. Laten we voorloopig daarmee tevreden
zijn. Ik leg je later alles uit. Ik herkende je dadelijk, en toen ik
hoorde dat je Secretaris van Prinses Elizabeth was, vond ik daarin
een reden om mijn incognito voor deze eerste en laatste maal op te
heffen. Je kunt me onschatbare diensten bewijzen. Maar laten we
beginnen met naar mijn kamer te gaan, daar kunnen we rustiger en
veiliger spreken."

Ze gingen nu met hun drieën naar binnen, en weldra werd er over en
weer over het gebeurde van den laatsten tijd druk gepraat. Li vertelde
in groote trekken zijn lotgevallen, en zijn broer beloofde natuurlijk
in alle opzichten de stiptste geheimhouding.

Toen de eerste vreugde van het ongedachte en onverwachte weerzien
voorbij was, begon men wederzijds te vragen en te antwoorden in
verband met Li's plannen, en de hulp die hij daarbij van zijn broer
Paul meende te kunnen hebben.

Paul vertelde, dat men in geheel Czernovië van den dood der zeven
mannen overtuigd was, te meer daar het geheele eiland Riva immers
met al wat er op was, in de golven was verdwenen. En Li zei:

"Ik had je dadelijk herkend, maar was eerst niet van plan je aan
te spreken. Toen de kelner me echter vertelde, dat je Particuliere
Secretaris van Elizabeth was geworden, begreep ik van die omstandigheid
te kunnen partij trekken. Vertel eens, waarom sprak die man van
"Prinses" Elizabeth?"

"Wel, sedert een maand heeft de Czaar bij wijze van vorstelijke
beleefdheid aan Elizabeth den titel van Prinses gegeven; je weet
dat de Russen daarmee nog al vrijgevig zijn--van welk denkbeeldig
Russisch bezit ze Prinses is, weet ze geloof ik zelf niet goed. Maar
de bedoeling van het cadeau is duidelijk genoeg. Als Elizabeth
Prinses genoemd kan worden, is het voor den Czaar gemakkelijker
Hertog Alexander aan haar uit te huwelijken, en dat is dan toch
ten slotte de bedoeling. We worden trouwens langzaam maar zeker
gerussificeerd. Allerlei veranderingen in den regeeringsvorm hebben we
ons moeten laten welgevallen, en ik weet niet hoe dit eindigen moet."

"Is er niets van verzet te merken? Geloof je niet dat er geheime
plannen gevormd worden om een omwenteling te weeg te brengen?"

Paul haalde de schouders op.

"Wat willen wij tegen het machtige Rusland beginnen? Elk verzet is
in beginsel een dwaasheid. Het volk protesteert met waardigheid;
het begroet elke nieuwe Russische hervorming met rouwbetoon. Maar
wat geeft dat? We zullen wel moeten berusten."

Li zweeg eenige oogenblikken en zag voor zich uit.

"Elizabeth gelooft natuurlijk ook aan mijn dood?" vroeg hij toen,
echter zoo rustig, dat Rob er verwonderd van opzag. Het leek wel
alsof er een diepere bedoeling achter lag, hetgeen trouwens ook,
naar hij later zien zou, het geval was.

"Natuurlijk. Ze heeft er vreeselijk onder geleden, maar haar groote
geestkracht stelde haar in staat haar verdriet te beheerschen en zich
met alle toewijding aan het welzijn van den Staat te geven. Ik ben
de eenige met wien ze over je spreekt."

"Denk je, dat ze dien Hertog van Bora trouwen zal?"

"Ze roert dat onderwerp wijselijk zelden aan," zei Paul ontwijkend;
"ze wil, en kan trouwens ook niet, de eerste zijn die dat ter sprake
brengt. Maar het zou me verwonderen als men haar daartoe brengen kon."

Op dit oogenblik hoorde men beneden in de straat een verward gegons
van stemmen. Paul was naar het venster gegaan en zei:

"Daar komt de Prinses!"

Li voelde zijn hart kloppen alsof het wilde bersten, toen hij de oogen
naar den naderenden stoet wendde. Het juichen der langs de boulevards
geschaarde menschenmenigte kwam nader en nader.

Een detachement ulanen opende den stoet, hun lansen glinsterden in
den zonneschijn, aan de punten fladderden groene vaantjes. Daarna
volgde de Prinses in een open landauer. Nog een oogenblik en het
rijtuig bereikte het hotel, en alsof het geluk Li gunstig was, kwam
het juist tegenover het balcon waarop hij stond, tot stilstand.

De equipage zag er zeer sierlijk uit, met blauwe zijde bekleed, en het
Czernovische wapen in goud op de portieren. De mooie zwarte paarden,
wier huid als satijn glom, hadden lichtbruin met zilver beslagen tuig.

Maar Li zag niets van dat alles, zijn oogen waren op haar gericht,
die in het rijtuig zat.

Ja, zij die daar met vriendelijken glimlach en hoffelijke buiging
het juichende volk dankend groette--die jonge en schoone vrouw was
Elizabeth! Voor een oogenblik werd alles, de straat, de huizen,
de menschen, tot een verward visioen; het gonsde in zijn ooren als
het stroomen van een geweldige rivier. Met inspanning bedwong hij
zijn eerste opwelling om het hotel uit te snellen, en haar tegemoet;
hij trad iets terug en verborg zich achter eenige aloë-planten, opdat
hij kon blijven zien zonder opgemerkt te worden. Het was verbazend,
neen het was een verrukking voor hem, te zien met welk een waardigheid
en een gemak Elizabeth haar nieuwen staat wist te dragen.

De landauer van de Prinses had stilgestaan, omdat zij twee voetgangers
wenschte aan te spreken, die, te oordeelen naar den eerbied, hun door
de menigte bewezen, personen van aanzien in Czernovië waren.

De eerste was een bejaard, zilverharig man van een statig voorkomen,
en die zich onderscheidde door een ouderwetsche hoffelijkheid.

"Graaf Radzivil," antwoordde Paul op Li's vraag, "de Eerste-Minister
van Czernovië."

De ander was iemand van breeden, stevigen lichaamsbouw, met een
donkergetint, niet onknap gelaat, zwarte oogen en een zwarten
puntbaard. De zonnestralen speelden met den zilveren adelaar op zijn
helm; zijn prachtige uniform glinsterde van goud galon, sterren en
orden. Hij liep rechtop, met de linkerhand op het gevest van zijn
sabel, en het was duidelijk dat hij zoowel in eigen oogen als in die
van zijn omgeving, een zeer gewichtig personage was.

"Wie is dat?" vroeg Li.

"Alexander, Hertog van Bora, commandant van het Czernovische leger,
lid van het kabinet, neef van den Czaar en vermoedelijk troonopvolger."

"Dat is dus de man, die zijn intocht deed, toen ik met De Vogel
vertrok, het plan vormend hem in mijn macht te krijgen," zei Li; en na
een oogenblik voegde hij er bitter aan toe: "zooals de zaken nu staan,
zal ik duchtig moeten oppassen dat het omgekeerde niet plaats heeft."

Hij zag nu hoe Elizabeth zich in haar rijtuig vooroverboog, vroolijk
lachend, en klaarblijkelijk in druk gesprek met den Prins. Hij
kreeg zelfs den indruk dat ze alles in het werk stelde om hem te
behagen. Onwillekeurig vormde hij zich een oordeel over den Prins:
iemand met een niet al te vlug verstand, maar eerzuchtig; een ruw,
door de uiterlijke voorschriften der etiquette slechts met moeite
in bedwang gehouden karakter. Wat kon Elizabeth in dien man zien,
dat haar belangstelling inboezemde?

"De Prins schijnt op zeer goeden voet met Elizabeth," merkte hij op.

"Natuurlijk--zijn aanstaande vrouw," sprak Paul met een zucht.

Li antwoordde niet. Hij zag hoe de Prinses, die haar gesprek geëindigd
had, den rechterhandschoen uittrok, en de blanke bejuweelde hand
den Hertog toestak, met een glimlach en een sierlijkheid van gebaar,
die den verborgen toeschouwer door de ziel sneden.

"Ze heeft me vergeten," sprak hij bij zichzelf. "En dat is eigenlijk
wel te begrijpen--ze moet wel denken dat ik niet meer terug kom...."

Bora bracht Elizabeth's hand aan de lippen, en Graaf Radzivil nam
den hoed af. Toen gleed het rijtuig weer voort langs den boulevard,
gevolgd door een detachement ulanen in dezelfde uniform als zij die
er aan voorafgegaan waren.

Toen het rijtuig uit het gezicht verdwenen was, zei Paul:

"Ik moet tot mijn spijt weg. De Prinses heeft 's middags na
den maaltijd mijn diensten noodig. Het kan ook zijn, dat mijn
tegenwoordigheid slechts kort of in 't geheel niet vereischt wordt--in
dat geval kom ik dadelijk terug."

Rob en Li--of laten we hem nu liever weer bij zijn eigenlijken naam
noemen--Rob en de ingenieur Van Stralen begaven zich na Paul's vertrek
weer naar de veranda, de eerste zonder eenigszins te beseffen hoe
deze verwikkelingen zich ontwarren zouden, de ander vol vertrouwen
op de toekomst en bezield met den vasten wil tot slagen, maar op
het oogenblik toch zonder een juist en duidelijk overzicht van de
komende dingen.

Van Stralen sprak geen woord, en leunde over de balustrade, zonder
te zien keek hij peinzend langs den boulevard. Rob, hem niet willende
storen, zweeg eveneens.

Ze hadden eenige oogenblikken zoo gezeten, en Rob was juist van
plan zijn reisgenoot een wandeling door de stad voor te stellen,
toen hij naast zich het gekletter van een sabel en het rinkelen van
gespoorde voeten hoorde, terwijl een ruw verschoven stoel onzacht zijn
arm raakte. Hij keek op, en zag twee heeren, die hij onmiddellijk
als den Hertog van Bora en Graaf Radzivil herkende. Reeds had de
antipathie, die Van Stralen voor den Hertog voelde, zich ook aan
hem zoo meegedeeld, dat hij een oogenblik de drift in zich voelde
opbruisen over de onbeleefde wijze waarop die man hem, zonder eenig
woord van verontschuldiging, letterlijk op zij drong om gemakkelijker
te kunnen zitten. Ook de toon, waarop hij den toeschietenden kelner
wijn bestelde, en hem daarna afsnauwde, omdat de man hem niet dadelijk
begreep, klonk Rob zeer afstootend in de ooren. Toen de Hertog
dan ook, een oogenblik daarna, ongedurig weer opstond, en, naar een
gemakkelijker zetel omziend, zonder veel complimenten den stoel greep,
waarop Van Stralen en Rob hun hoeden hadden uit de hand gelegd, sprong
ook Rob op, nam den Hertog snel den stoel weer uit de hand, en legde
de op den grond gevallen hoofddeksels weer op hun vorige plaats.

De Hertog, gewoon te doen en te laten wat hij wilde, stond een
oogenblik verstomd. Zijn oogen glinsterden van toorn, hij sloeg
onwillekeurig de hand aan het gevest van zijn zwaard, en bulderde:

"Hoe durft u, meneer! Weet u niet wie ik ben?"

Daar deze woorden in het Russisch werden uitgesproken, dat Rob niet
verstond, gaf deze geen onmiddellijk antwoord; Van Stralen, uit
zijn droomerij ontwaakt, had zich intusschen tot den Hertog gewend,
en zei in het Hollandsch:

"Wij weten zeer goed, wie u is, meneer. Daarom verbaast uw
onbeleefdheid ons des te minder."

De zwarte oogen van den Hertog flikkerden woest; hij had gedurende
zijn verblijf in Czernovië de landstaal te goed geleerd, om te kunnen
veinzen dat hij Van Stralen's woorden niet verstond. Zijn gezicht
werd dreigend en donker van uitdrukking, en hij riep uit:

"Bent u gek of dronken? Is het al niet erg genoeg dat u niet opstond
en mij niet groette toen ik binnenkwam, zooals elk Czernoviër gewoon
is? Wees zoo goed, Graaf Radzivil, de namen dezer heeren te noteeren;
ze zullen hun onbeleefdheid boeten."

Graaf Radzivil fluisterde den Hertog iets toe, waarop deze eenigszins
scheen te kalmeeren; daarna naderde hij Van Stralen met een hoffelijke
buiging en stelde zich voor:

"Graaf Radzivil, Premier van Czernovië. Mag ik weten, met wien...."

"Ik ben Hollander, mijn naam is Van Heelstra," antwoordde Van
Stralen, opzettelijk Rob buiten de kwestie houdend. "Mag ik vragen
wie deze--eh--heer is?"

De Hertog zag nu, dat hij met vreemdelingen te doen had, en dus wijzer
deed geen twist met hen te beginnen. Hij antwoordde kort:

"Ik ben de Hertog van Bora, commandant van het Czernovische leger. Ik
had u voor Czernoviërs aangezien."

Met die woorden draaide hij zich om, meenend nu voldoende excuses
gemaakt te hebben, en Van Stralen zou er zich op hebben kunnen
verheffen, dat hij de eenige man was, aan wien ooit de Hertog op zijn
manier verontschuldigingen had aangeboden.

Graaf Radzivil echter, wiens hoffelijke aard niet gedoogde, dat een
vreemdeling zou heengaan met een onaangename herinnering aan Czernovië
en zijn hooggeplaatste inwoners, vond het noodig Van Stralen nog
eenige vriendelijkheden te zeggen.

"U zult als Hollander zeker veel zien in deze stad, waardoor u aan
uw eigen land wordt herinnerd?"

"Zeker," antwoordde de ingenieur. "Maar helaas ook veel, wat mij den
Russischen invloed in herinnering brengt."

De Prins had zich bij deze woorden wrevelig afgewend, en deed alsof
hij aan het verdere gesprek geen aandacht schonk.

"Een gesprek daarover," zei graaf Radzivil glimlachend, "zou ons op
het gevaarlijk terrein der politiek brengen. Zeker is, dat Czernovië
de laatste jaren veel van haar oorspronkelijk karakter verloren
heeft. Men leert zich in het onvermijdelijke schikken."

"Ook de Prinses?" vroeg Van Stralen scherp.

"De persoonlijke gevoelens der Prinses heb ik niet de eer te kennen,"
antwoordde Radzivil diplomatiek. "Wel staat vast, dat zij--zelf van
Hollandschen oorsprong--haar genegenheid voor den Hollandschen stam
niet verbergt. Meerdere personen uit haar omgeving zijn afstammelingen
van Hollandsche geslachten; ik zelf ben het van de zijde mijner
moeder; de Particuliere Secretaris der Prinses, de heer Van Stralen,
is volbloed Hollander. Waarschijnlijk hebt u, zonder het te weten,
dien heer dezen middag hier ontmoet; hij gebruikt geregeld zijn diner
in dit hotel."

"Ik had zelfs het genoegen door een toeval met hem kennis te maken,"
zei Van Stralen.

"Wel, dat is zeker toevallig," vervolgde de Graaf, en, zich tot den
Hertog wendend, sprak hij:

"De heer Van Heelstra maakte dezen middag met onzen vriend den
Secretaris der Prinses kennis, Hoogheid; gelooft u niet, dat..."

Maar de Hertog veinsde hem niet te hooren. Hij haatte den Secretaris,
en alleen daarom den onbekenden Hollander des te meer.

"Van Stralen is een uitnemend man," vervolgde de goedpraatsche
Radzivil; "hij bewees ons menigen goeden dienst. Een belangrijk
cijfertelegram dat ons onlangs in handen viel, en waarmee de
deskundigen geen raad wisten, pluisde hij uit. Hij heeft een belangrijk
werk over raadselschrift geschreven, ofschoon ik tot mijn schande
bekennen moet het nooit gelezen te hebben. Hij strekt onzen kleinen
Staat tot eer. We mogen niet veel beteekenen onder de grootmachten,
maar door de voortreffelijke eigenschappen van vele Czernoviërs zijn
we toch sterker dan velen denken."

"Esse quam videri [2]," glimlachte Van Stralen.

Nauwelijks had hij deze woorden geuit, of het bleek dat de Hertog
het gesprek zeer goed gevolgd had. Hij keerde zich plotseling om,
zijn gezicht teekende verbazing en toorn, en hij vroeg ruw:

"Wat meent u daarmee?"

"Gaarne wil ik het voor u vertalen, Hoogheid, daar u klaarblijkelijk
geen latijn kent. Esse quam videri wil zeggen..."

"Beleedig me niet langer!" riep de opgewonden Hertog. "Ik weet zeer
goed wat het zeggen wil. Ik vraag alleen, waar u die woorden gelezen
hebt, hoe u...."

Buiten zichzelf van woede, kon hij geen woorden vinden om zich
juist uit te drukken, en terwijl hij daarnaar nog zocht, vervolgde
Van Stralen:

"Uwe Hoogheid heeft een eigenaardige manier om iemand een uitlegging
te vragen. Waar ik die woorden las? Waarschijnlijk waar ook u ze las,
daar u ze immers ook blijkt te kennen."

"Dat is een leugen!" riep de Hertog.

"Voorzichtig, Hoogheid," wierp Radzivil in 't midden, terwijl hij om
zich heen zag, "laten we geen publiek schandaal uitlokken."

Van Stralen had moeite zich deze beleediging te laten aanleunen,
maar daar hij met zijn handelwijze een bepaald plan had, hield hij
zich kalm, en zei:

"Uwe Hoogheid laat zich zeer kwetsend over mij uit, doch ik ben bereid
die woorden als niet gesproken te beschouwen. U zult mij echter
ten goede houden, dat ik nu ook op uw vragen geen nader antwoord
kan geven."

Met deze woorden ging Van Stralen weer kalm aan zijn tafeltje zitten
en stak een nieuwe sigaar op.

De Hertog was echter volstrekt niet van plan het hierbij te laten. Hij
ging naar den ingenieur toe, wiens terugtrekkende beweging hij voor
lafheid hield, en vroeg:

"U wenscht mij dus niet te antwoorden?"

"Neen."

"U weigert?"

"Beslist."

"Dan zult u met mij duelleeren."

Van Stralen voelde veel lust de uitdaging aan te nemen; zijn
tegenstander had hem na de korte kennismaking al genoeg afkeer
ingeboezemd. Maar het leek hem toch verstandiger zulk een conflict
voorloopig, als 't eenigszins mogelijk was, te vermijden. Ten eerste
zou met het overhoop steken van den Hertog de Czernovische kwestie
volstrekt niet opgelost zijn, ten tweede zou het duel aanleiding kunnen
geven tot een openbare bespreking daarvan, waardoor Van Stralen zich
meer bloot zou geven dan hij op dit oogenblik wel wenschte.

Hij antwoordde dus rustig:

"Neen Hoogheid, ik zal niet duelleeren."

"Als u niet vechten wilt, kan ik u er niet toe dwingen. Maar ik kan
u ten minste als een lafaard brandmerken."

En zijn stok oplichtend, gaf hij Van Stralen een slag op de wang.

"Hoogheid!" riep Radzivil, en begaf zich, boos en verontwaardigd,
naar het andere einde der veranda.

De kleur was uit Van Stralen's gelaat geweken; alleen een roode streep
gloeide op zijn linker wang.

"Zult ge nu vechten?" zei de Hertog met een tartenden glimlach,
terwijl hij den stok opnieuw ophief. "Of hebt ge nog een nadere
opwekking noodig?"

"Vechten? Ja, waarachtig, dat zal ik!" antwoordde Van Stralen,
diep ademhalend. "Zend uw getuigen hierheen; ze zullen de mijnen
ontmoeten. Ik heb u verder niets meer te zeggen. Onze sabels zullen
het overige doen."

Een glans van wilde vreugde ging over het gelaat van den Hertog.

"Mijn getuigen zullen binnen een uur hier zijn. Maar eerst een
waarschuwing aan Radzivil. Die is te praatziek: en de kwestie behoeft
niet aan de groote klok gehangen te worden."

De Hertog verwijderde zich, en Van Stralen bleef naast den verschrikt
zwijgenden Rob zitten, terwijl de enkele gasten van het hotel,
die zich op het balcon bevonden, de oogen op hem richtten, en tot
elkaar zeiden, dat de Hertog zeker weer een van zijn onderdanen op
zijn gewone zachtaardige manier voor een onbeleefdheid had gestraft.

De Hertog, volstrekt niet beschaamd over zijn uitbarsting van woede,
alleen geërgerd omdat Radzivil zulke duidelijke teekenen van afkeuring
had gegeven, ging naar het tafeltje waar de Premier zich had neergezet.

De laatste dorst niet veel meer dan zwakke tegenwerpingen maken,
want hij verkeerde in een moeielijke positie. Het was niet handig
zich iemand tot vijand te maken, die bestemd was Prins-Gemaal van
Czernovië te worden.

"Uwe Hoogheid vergeet dat het duel bij de wet verboden is."

"Ik ben de aanstaande Prins-Gemaal en sta boven de wet," antwoordde
de Hertog hooghartig.

"De Prinses zal waarschijnlijk die meening niet deelen. Herinner
u hoe ijverig zij gewerkt heeft om de Wet tegen het Tweegevecht er
door te krijgen. Als een van haar eigen Ministers die wet overtreedt,
zal zij zich daar zeker niet bij neerleggen. U hebt, vergeef mij dat
ik het zeg niet zeer voorzichtig gehandeld."

"Bah, m'n beste Radzivil, zorg maar dat je weet te zwijgen, en ze
zal er nooit van hooren. Denk er aan," voegde hij er dreigend bij,
"dat, wanneer Hare Hoogheid de zaak te weten komt, ik niet twijfelen
zal aan de herkomst van haar inlichtingen."

Hij dronk haastig een glas wijn leeg, en wierp een blik vol haat in
de richting van den ingenieur.

"Weet ge wel, Radzivil, dat de spreuk, die deze Hollander zooeven
uitsprak, gegraveerd staat in de binnenzijde van een ring, welken de
Prinses draagt? Slechts eenmaal legde zij dien, doordat een der steenen
beschadigd was, in mijn tegenwoordigheid af. Ik had toen de gelegenheid
het inschrift te lezen, en vroeg wie haar dien ring had geschonken. De
Prinses bleef niet alleen het antwoord schuldig, maar was blijkbaar
in verlegenheid. Dat kwam mij verdacht voor, evenals 't me verdacht
voorkomt, dat die vreemdeling zooeven dezelfde spreuk aanhaalde."

"Maar welke conclusie zou Uwe Hoogheid daaruit dan willen trekken?"

"Dat er de een of andere verhouding bestaan heeft, misschien zelfs
nog bestaat, tusschen de Prinses en dien man daar."

"Uwe Hoogheid moet zich vergissen. De heer Van Heelstra bezoekt
Slavowitz voor de eerste maal in zijn leven. Waar en wanneer zou de
Prinses hem ontmoet kunnen hebben?"

"Dat weet ik evenmin als jij, maar ik wil, en zal dat ook, te weten
komen. Er zijn geruchten, die van een vroegere verloving der Prinses
spreken, vóor zij het bestuur in handen kreeg."

"Daarvan hoorde ik ook wel spreken. Het schijnt echter, dat die
geruchten op zeer losse gronden berusten; niemand weet er iets
met zekerheid van te zeggen. Bovendien zou de persoon in kwestie,
ook al weer volgens zeer vage geruchten, behoord hebben tot de zeven
geleerden, die bij de ramp van Isola Riva omkwamen. En op geen hunner
gelijkt deze Hollander ook maar in de verte. De onderstelling alleen
trouwens, dat hij die ramp zou hebben overleefd, is te dwaas om van
te spreken."

"Dat is zoo," antwoordde de Hertog, "Er zou trouwens ook geen enkele
reden te noemen zijn waarom de overlevende zich dan schuilhouden en
vermommen zou."

"Nu ziet u immers zelf uw dwaasheid in! Mij dunkt, dat u die
duel-kwestie nu maar moest bijleggen."

"Het komt niet in me op," antwoordde de Hertog koppig. "Juist omdat
dit geval zoo raadselachtig is, wil ik de oplossing er van vinden. Als
deze Hollander mijn vragen niet goedschiks wil beantwoorden, zal hij
het kwaadschiks doen, of--met een sabelhouw zijn onwil boeten. Ik
duld zelfs den schijn niet, dat ik een mededinger heb. Ik begin
nu zelfs te gelooven, dat de Prinses zoo ijverig de Wet op het
Tweegevecht doordreef, om haar geliefde de gelegenheid te geven,
zich ongemoeid in Czernovië op te houden. Zij wilde hem tegen mijn
sabel beveiligen. En nu ben ik er ook van verzekerd, dat zij reeds
lang met hem heeft gecorrespondeerd, terwijl haar vriend Van Stralen,
die voor zulke dingen heel geschikt is, als tusschenpersoon heeft
gediend. Voor onze Prinses, die er een geheime liefde op na houdt,
is zulk een handige cijfermeester een geschikt werktuig."

Hij keek wederom met zulk een haat in zijn blik naar Van Stralen, dat
de Premier, een nieuwe scène vreezend, de gedachten van den Hertog
poogde af te leiden, door het woord "cijfer," dat deze zoo even had
uitgesproken, tot het onderwerp van een gesprek te maken.

"De Secretaris is, zooals u zegt, een kundig ontcijferaar van
geheimschrift, maar op het oogenblik schiet zijn kunst toch te kort."

"Hoezoo?"

"Wel, onlangs is hem een cijferbericht voorgelegd door Zabern...."

"Zabern!" viel de Hertog hem wrevelig in de rede. "Alweer zoo'n
halfslachtig wezen in het Kabinet. De Czaar heeft gemeend goed te doen
door de regeering langzamerhand in Russische handen te brengen. Wat
mij betreft is de keus zeker heel goed geweest, maar in Zabern--en
evenzeer in een zekeren Graaf Radzivil--is van moederszijde nog te veel
Hollandsch bloed. Als 't aan mij lag ging men veel radicaler te werk."

"De Czaar voelt klaarblijkelijk meer voor een geleidelijken overgang,
en hij heeft dunkt me van zijn standpunt uit gelijk. Maar ik wilde dan
vertellen, dat vier weken geleden in een herberg een twist tusschen
Czernoviërs en Russen zoo hoog rees, dat men de hulp van een militaire
patrouille inriep, die de belhamels naar de wacht meenam. Daar had de
gebruikelijke fouilleering plaats, en op een van de mannen vond men
een paspoort op naam van Ivan Russakoff, hetgeen de man verklaarde
hem toe te behooren."

Radzivil was er uitstekend in geslaagd de aandacht van den Hertog
af te leiden. De toorn week van zijn gelaat. Van Stralen en het duel
schenen voor een nieuwe belangstelling te zijn geweken.

"Deze Russakoff droeg een kaftan, in welks voering een breed, in
tweeën gevouwen stuk papier was verborgen, aan beide zijden bedekt,
niet met woorden, maar met lange rijen cijfers. Des morgens werden de
arrestanten ontslagen, behalve Russakoff, van wien men een verklaring
verlangde omtrent de beteekenis van het papier. Hij weigerde die
te geven. Hij zei de agent te zijn van een lakenkoopman uit Warsim,
en had trouwens een tasch bij zich met stalen van lakenstoffen. Een
onderzoek wees uit, dat er in Warsim inderdaad een lakenkoopman,
genaamd Paskovitch, woont, wiens agent Russakoff is, en dat de
kleedermakers van Slavowitz aanzienlijke bestellingen bij dien
man doen."

"Daarna liet men den man zeker los?"

"Integendeel. De zaak kwam Zabern ter oore, en hij liet den man voor
zich brengen. "Wat beteekenen die cijfers?" vroeg Zabern. "Dat zijn
beroepsgeheimen," antwoordde Russakoff. "Daaraan twijfel ik niet,"
zei de Maarschalk. "Je beroep is dat van spion. Je laken-verkooperij
is een dekmantel voor je eigenlijke bedoelingen." Zabern nam den
man langen tijd in verhoor. Russakoff weigerde de beteekenis van
het geheimzinnig papier te onthullen; hij kon geen bevredigende
verklaringen geven betreffende de wijze waarop hij zijn tijd in
Slavowitz had doorgebracht, en de Maarschalk, overtuigd dat de man
een spion is in Russischen dienst, heeft hem voor meerdere veiligheid
naar de Citadel doen brengen, waar hij nu is. Het papier is in handen
van Van Stralen om het te ontcijferen, en daarbij is de zaak op
't oogenblik gebleven."

"En Van Stralen ziet geen kans het raadsel op te lossen?"

"Hij weet er totaal geen weg mee."

De Hertog scheen dat met genoegen te hooren.

"Zabern ziet een spion in iedereen die uit Rusland komt," spotte hij.

"Wel, we zullen de waarheid spoedig weten. Zabern schijnt den man te
willen gijzelen op water en brood. Dat maakt de tong los."

"Maar 't is tegen de wet," zei de Hertog, met gefronst voorhoofd.

"Evenals duelleeren," gaf de Premier terug.

Bora scheen op 't punt een boos antwoord te geven maar hield zich in
en zei:

"En die zoogenaamde spion werd een maand geleden gearresteerd, zegt
u? Als Zabern die zaak zoo gewichtig oordeelt, waarom werd ik dan,
als Minister, er niet van op de hoogte gebracht?"

"De zaak valt onder Zabern's departement, daar hij immers Minister
van Justitie is. Ik voor mij hoorde er eerst gisteren van, en toen
nog door een toeval. En," voegde hij er bij, vaag glimlachend bij de
wetenschap dat hij geen meester was in zijn eigen kabinet, "u weet
hoe Zabern gewoon is buiten voorkennis van zijn collega's te handelen,
en dat de Prinses steeds zegt: "Zabern heeft een streepje voor.""

Niemand wist dit beter dan de Hertog zelf, en hij dacht bij zichzelf,
dat die toestand wel veranderen zou, zoodra _hij_ op den troon kwam,
en Czernovië een koninkrijk werd.

De beide heeren dronken hun glas wijn leeg en gingen heen.

Intusschen had Van Stralen met Rob zacht zitten praten. Rob was zeer
ontdaan over het gebeurde, niet omdat de Hertog hem vrees inboezemde,
maar omdat hij het vreeselijk vond dat zijn vriend nu gedwongen was te
vechten, en dat hij, Rob, daartoe eigenlijk de aanleiding was geweest.

"Had ik me maar zoo boos niet gemaakt," zei Rob, "maar ik wist niet
dat die Hertog zoo opvliegend zou zijn."

"Maak je geen verwijten, kerel," zei Van Stralen. "Je hebt me onwetend
een dienst gedaan. Als we hier elken dag blijven zitten, en sigaartjes
rooken en lekker eten, dan komen we er niet. Ik had al lang naar een
middel gezocht om met dien Hertog in aanraking te komen, en dat is
me nu gelukt."

"Maar als hij je nu misschien laat gevangen nemen, en ze gaan
uitvisschen waar je vandaan komt, en...."

"Dat gebeurt allemaal niet. Hij wil veel te graag duelleeren en daar
't duel in Czernovië verboden is, zal hij wel zorgen dat niemand er
van hoort."

"Waarom werd hij eigenlijk zoo woedend toen je die Latijnsche
woorden zei?"

"Wel, ik zei ze met opzet, juist om te kijken wat hij dan doen
zou. Toen ik Elizabeth de laatste maal zag, gaf ik haar een ring,
om die steeds als aandenken te dragen, daar ik wel wist dat ze mij
in langen tijd niet zien zou. De woorden "Esse quam videri" waren
aan de binnenzijde gegrift. Uit de woede van den Hertog begreep ik
wat ik weten wilde, namelijk dat Elizabeth den ring nog bezit, dat
Bora de inscriptie door het een of ander toeval gelezen heeft, dat
hij heeft willen weten, wie de gever was en zich boos heeft gemaakt
toen Elizabeth hem dat niet wilde vertellen. En je begrijpt, dat ik
uit dit alles conclusies kon trekken, die me niet onaangenaam zijn."

"Maar hoe moet die duel-kwestie nu afloopen?" vroeg Rob.

"Nu--een van ons beiden zal een houw krijgen, waarschijnlijk de
Hertog. Dooden zal ik hem niet, ten eerste uit beginsel, ten tweede
omdat 't niet politiek zou zijn. Ik vind 't al erg genoeg, dat we
onze goede, verdraagzame Vogelgewoonten hier op deze bloeddorstige
aarde moeten afleggen."

Op dit oogenblik kwam Paul terug. Bij hun tafeltje gekomen, bukte
hij zich en raapte een boekje op, dat op den grond lag, zeggend:
"is dat van jou?"

"Neen," antwoordde van Stralen, "en van Rob ook niet, voor zoover
ik weet."

Daar ook Rob 't boekje niet voor zijn eigendom herkende, maakten
de vrienden de conclusie dat Radzivil of Bora het zooeven moesten
hebben laten vallen. Het bleek een zakuitgave van Aeschylus' gedichten
te zijn, dat den Griekschen tekst der zeven tooneelspelen bevatte,
zonder vertaling, noten of toelichting.

Paul bladerde er in, en fronste plotseling de wenkbrauwen in verbazing.

"Wat zou hem er toe gebracht hebben al die moeite te doen, en waartoe
dient het?" mompelde hij,

"Mijn boek, meneer de Secretaris," klonk opeens een stem achter hem,
en opziende, keek hij in de scherpe zwarte oogen van den Hertog,
die achterdochtig op hem gevestigd waren. "Ik merkte zooeven, dat ik
dit had laten liggen. Zooals u ziet, houd ik mijn klassieken nog bij."

"U bestudeert ze zelfs zeer aandachtig," zei Paul. "Niet ieder neemt
de moeite al de letters van een Grieksch tooneelstuk te tellen."

Bora keek hem aan alsof hij een verborgen bedoeling in zijn antwoord
wilde ontdekken, en ging toen heen, klaarblijkelijk niet op zijn gemak.

Paul kwam nu aan het tafeltje zitten, en merkte dadelijk den rooden
streep op, die over het gelaat van zijn broer liep.

"De handteekening van den Hertog," zei Van Stralen, met ingehouden
toorn. Daarna vertelde hij het gebeurde, evenals het vroeger
meegedeelde onder geheimhouding, waarop hij natuurlijk tegenover Paul,
die trouwens de gevoelens van zijn broer voor Prinses Elizabeth kende,
volkomen rekenen kon.

Paul luisterde met verontwaardiging.

"Die vlegel!" mompelde hij. "Dat kost je 't leven, Felix. De Hertog
is een meester op de sabel. Hij heeft zijn weerga niet in Czernovië."

"Dat zegt niet veel. Czernovië is klein."

"Hij heeft al dertig duels achter den rug, waarvan er zeven-en-twintig
ten nadeele van zijn tegenstander afliepen."

"Het een-en-dertigste zal hem niet veel eer doen inleggen. Jij en
Rob moeten mijn getuigen zijn."

"Ik? De Prinses is streng tegen het duel. De Russen hebben het hier
trachten in te voeren, maar op haar aandringen stelde Zabern een
wetsontwerp op tegen het tweegevecht, en Elizabeth wist het te doen
aannemen. Daders en getuigen worden met gevangenschap bedreigd."

"Ik zal 't je niet moeielijk maken, Paul," zei Van Stralen op zijn
gewone eenvoudige manier, die allen schijn van grootspraak miste. "De
Van Stralens zijn van ouds meester op alle wapenen, jij zoo goed
als ik. En ik heb het schermen duchtig onderhouden. Het gevecht
zal onbeslist blijven--hoogstens krijgt de Hertog een onbeduidende
wond. Maak je niet ongerust."

"Ik hoop het beste. Daar komen Baron Ostrova en Graaf Itar, de gewone
bijstanders van Bora in zijn eerezaken. Welk instructies, Felix?"

"Van avond zeven uur. Sabels. Totdat er bloed vloeit."

En Felix bleef nog eenige oogenblikken met Rob zitten praten en een
sigaar rooken, zoo kalm alsof er niets bizonders gebeurd was.

"Maar hoe moet dit alles afloopen?" vroeg Rob. "Steek je je nu niet
in allerlei moeielijkheden? Bereiken we op deze manier ons doel?"

"Wacht rustig af, mijn beste jongen. Vooreerst moet de Hertog mijn
verklaarde vijand zijn. Langs hem kom ik tot den Czaar. Je zult zien
dat dit de weg tot ons doel is. Het zal langzaam gaan--maar we komen
er zeker."

En Rob zweeg, nog niet begrijpend, maar vast vertrouwend op het succes
van al wat deze merkwaardige man wenschte te ondernemen.



DERTIENDE HOOFDSTUK.

DE VERRADER.

	Waarin we Maarschalk Zabern en Prinses Elizabeth leeren
	kennen.--Wat de gezant te Petersburg schreef.--Een verrader
	onder de Ministers.--Russakoff is ontsnapt!


In een der vertrekken van het paleis zaten Graaf Radzivil en Maarschalk
Zabern.

De beide Ministers zouden de Prinses den inhoud van een belangrijk
telegram mededeelen, dat zoo juist van den Czernovischen ambassadeur
te St. Petersburg was ontvangen, en wachtten slechts tot zij bij de
Prinses zouden toegelaten worden.

Ladislas Zabern was een man van een kranig militair voorkomen,
als uit eikenhout gesneden en met ijzer beslagen. Moed stond op
zijn gelaat gestempeld. Ofschoon drie-en-vijftig jaar oud, had hij
niets van de voortvarendheid der jeugd verloren. Evenals Radzivil
vertegenwoordigde hij in het Kabinet den overgang tot het russicisme;
maar meer dan zijn ambtgenoot, die voorzichtiger en plooibaarder was,
verdacht men hem van oud-Czernovische sympathieën, en de Russische
regeering zocht reeds naar redenen om hem te vervangen. Inderdaad was
hij door zijn krachtige persoonlijkheid de leider van het Kabinet,
terwijl Radzivil slechts Premier in naam was.

Radzivil, praatziek als gewoonlijk, vertelde den Maarschalk het
gebeurde tusschen den Hertog en den Hollander.

"Uitstekend!" zei Zabern. "Dat duel moet doorgaan. Het kan niet anders
dan in het belang van den Staat zijn."

"Maar...." protesteerde de Graaf verbaasd, "dat gaat toch niet! De
overige Ministers zijn er evenals ik van overtuigd, dat de Prinses
tusschenbeiden moet komen!"

"Graaf," zei Zabern op bevelenden toon, "dat duel moet doorgaan. Het
begin van voor het land nuttige verwikkelingen kan er het gevolg van
zijn. En denk er aan: geen woord hierover aan de Prinses!"

Voor de Premier kon antwoorden, weerklonk een zilveren klokje uit de
audiëntiezaal, ten teeken dat de Prinses gereed was haar bezoekers
te ontvangen.

De vleugeldeuren werden wijd opengeworpen.

De twee Ministers gingen de Witte Zaal binnen, die zoo genoemd werd
daar al het houtwerk wit verlakt, en alleen met smalle gouden biezen
afgezet was.

Aan een tafel zat de Prinses, en noodigde de Ministers tot plaatsnemen
uit.

Zabern was in 't bizonder haar gunsteling, en hij van zijn kant was
gereed zijn leven te offeren voor de belangen van zijn meesteres,
zij het ook dat hij deze gevoelens nooit in het openbaar ten toon
spreidde. Hij was een sterk, hoewel stilzwijgend tegenstander van
Elizabeth's toekomstig huwelijk met den Hertog, zoowel omdat hij er
uit een politiek oogpunt een onheil in zag voor den Staat, als wat
betreft de ongelijkheid van zulk een paar, die niet anders dan tot
een zeer ongelukkig huwelijk zou kunnen leiden.

Daarom wilde Zabern alles doen om zulk een vereeniging te voorkomen,
en het scheen hem toe dat deze dag zijn plannen begunstigde.

"U komt op een ongewoon uur, heeren," begon de Prinses. "Waarschijnlijk
hebt ge dus belangrijke berichten?"

"Onze gezant te St. Petersburg," antwoordde de Premier, eenige papieren
uit zijn portefeuille nemend, "meldt dat enkele dagen geleden de Czaar
op een hofbal in het Winterpaleis naar hem toe kwam, en op strengen
toon--klaarblijkelijk opdat iedereen het hooren zou--uitriep:

"Is het waar, meneer, dat de Czernovische Regeering nog steeds niet
voldoende gezuiverd is van weerspannige elementen? Dat de Prinses
zelfs onbewimpeld te kennen durft geven, alleen uit eigen vrije
beweging een huwelijk te zullen aangaan?"

"Ik heb mij nooit openlijk in dien geest uitgelaten," merkte Elizabeth
op. "Waarschijnlijk was dit slechts een zijdelingsche poging om van
mijn gezindheid op de hoogte te komen. En wat antwoordde de gezant?"

"Natuurlijk, dat hij omtrent de persoonlijke gevoelens der Prinses
niet was ingelicht, en de vraag niet zonder nadere instructies uit
Slavowitz kon beantwoorden."

"Wat zei de Czaar hierop?"

"Dat hij een gezantschap zou afvaardigen, om de Prinses aan de
besluiten van het Petersburger Congres en alle daar uit voortgevloeide
nadere regelingen te herinneren."

"We zullen dat gezantschap gastvrij ontvangen," zei Elizabeth met
een glimlach.

"Uwe Hoogheid beschouwt de zaak wat luchtig," vervolgde
Radzivil. "Mijns inziens zal het nuttig zijn als men te St. Petersburg
ondubbelzinnig op de hoogte wordt gebracht van uw gevoelens. Bij uw
komst aan de regeering hebt ge de gedenkwaardige woorden gesproken,
dat het landsbelang boven uw persoonlijke neigingen zou gaan. Welnu,
het landsbelang eischt, wil Czernovië niet onverbiddelijk bij Rusland
ingelijfd worden, uw huwelijk met Prins Alexander, Hertog van Bora. Ik
geloof, dat u wel zoudt doen, in die noodzakelijkheid niet alleen te
berusten, maar van die berusting het gezantschap ten duidelijkste te
doen blijken."

"Het is de vraag of Czernovië's belang dit huwelijk eischt, Graaf
Radzivil," antwoordde de Prinses. "In elk geval ben ik niet van
plan het gezantschap, noch wie ook, op dit punt eenige beloften
te doen. Zeker, ik ben door de bestaande bepalingen gebonden, geen
huwelijk aan te gaan zonder toestemming van den Czaar..."

...."Het is echter zeer de vraag," vulde Zabern aan, "of daaruit
ook volgt dat men u tegen uw wil tot een bepaald huwelijk dwingen
kan. Dit is de oude kwestie, die tusschen u, Prinses, Graaf Radzivil
en mij meermalen een punt van bespreking heeft uitgemaakt. In
deze dagen is ze meer dan ooit van gewicht. Men zal in Europa,
waar de verontwaardiging over het in Zuid-Afrika gepleegde onrecht
zeer groot is, niet ten tweede male werkeloos den ondergang van een
Oud-Hollandsche republiek willen aanzien. Wij kunnen een beroep doen
op de beslissing der Mogendheden, die trouwens belang er bij hebben
uitbreiding van Russisch grondgebied tegen te gaan. Het is de vraag
of een rechtskundige uit de bestaande regelingen ten opzichte van
Czernovië, niet weet te bewijzen dat de Prinses volstrekt niet tot
een huwelijk gedwongen kan worden."

Radzivil, de voorzichtige, schudde bedenkelijk het hoofd. Hij zag
vol zorg nieuwe verwikkelingen tegemoet.

Na een korte tusschenpoos van stilte, zei de Prinses, de wenkbrauwen
fronsend:

"Wij hebben onze plannen omtrent een stelselmatig verzet tegen dat
huwelijk steeds stipt geheim gehouden. Noch van u, Maarschalk, noch van
u, Graaf, kan ik onvoorzichtigheid in dit opzicht veronderstellen. Hoe
kan het mogelijk zijn, dat hieromtrent den Czaar iets ter oore is
gekomen?"

De twee Ministers zag elkaar veelbeteekend aan.

Radzivil antwoordde:

"Onze vermoedens daaromtrent zijn van zoo onaangenamen aard, dat wij
ze tot nog toe Uwe Hoogheid niet hebben meegedeeld, hopend dat ze
gelogenstraft zouden worden. Maar tevergeefs. We kunnen niet langer
blind zijn voor het feit, dat er een verrader in onze omgeving,
in het Kabinet zelf misschien is."

"Een verrader!" riep Elizabeth uit.

"Met tegenzin zijn wij tot deze conclusie gekomen. Geheimen die in den
Ministerraad werden behandeld, zijn aan de raadslieden van den Czaar
overgebracht. De brieven van onzen gezant laten daaromtrent niet
den minsten twijfel. Wel is waar kunnen wij van een gedeeltelijk
door Rusland beïnvloed Ministerie geen anti-Russische politiek
verwachten, maar wel mogen we van alle leden der Czernovische Regeering
eerbiediging eischen van staatsgeheimen, hoe ook hun persoonlijke
gevoelens zijn mogen."

Daarna las de Minister verscheiden uittreksels voor om zijn bewering
te staven.

"Een van mijn Ministers voert dus een geheime briefwisseling met den
Czaar," riep Elizabeth verachtelijk. "Wie is de verrader?"

En daarna de beide Ministers beurtelings scherp aanziend, vervolgde
zij:

"Wien verdenkt ge, heeren?"

De Premier antwoordde:

"Ik weet volstrekt niet op wien ik de verdenking zou moeten doen
vallen."

Maar Zabern glimlachte onmerkbaar, alsof hij met Radzivil's
onnoozelheid spotte.

Elizabeth zag hem aan, en vroeg:

"Verdenkt _u_ iemand, Maarschalk?"

"Ja, Hoogheid," antwoordde Zabern kort en beslist.

"Zijn naam?" vroeg de Prinses snel.

Maar Zabern antwoordde niet dadelijk.

"Ik zou er de voorkeur aan geven mijn vermoedens tot volkomen zekerheid
te brengen eer ik ze uitspreek, Hoogheid."

"Dat eerbiedig ik volkomen," sprak de Prinses, "en toch..."

"Uw geduld zal niet op al te zware proef worden gesteld, Hoogheid,"
vervolgde Zabern. "Mijn spionnen volgen de bewegingen van den verrader
reeds. Meer zelfs: zijn handlanger heb ik in de Citadel achter slot
en grendel."

"Meent ge Russakoff?" vroeg Radzivil.

"Ja. Ik ben overtuigd, dat hij de tusschenpersoon is in deze
verraderlijke briefwisseling. Zijn eenzame opsluiting op water en
brood zal zijn tong wel los maken."

"Ik maak u opmerkzaam, Excellentie," zei de Prinses, "dat ik niet den
minsten schijn van dwangmiddelen duld. Ik verzoek u, bevelen te geven,
dat die man op denzelfden voet als andere gevangenen behandeld wordt."

Zabern boog zwijgend het hoofd, doch veroorloofde zich daarna met
een lichten glimlach op te merken:

"De gevangene is een Rus, Hoogheid... Hij zal zich zelfs nog
verwonderen over de zachte behandeling die hij ondervindt."

"U hebt mijn verlangen begrepen, niet waar?" vroeg Elizabeth, het
hoofd fier opgericht en met dien gebiedenden blik, aan welks invloed
zelfs een man als Zabern niet ontkwam. Daarna voegde ze er zachter
en met een glimlach aan toe:

"Nu en dan spreekt het Poolsche bloed, Maarschalk! Ik zal _u_ toch
niet van Russische sympathieën moeten verdenken?"

"Wanneer het zoover is, Hoogheid," antwoordde Zabern, eveneens lachend,
"dan zal ik, als Minister van Justitie, de eerste zijn die den verrader
Zabern in de Citadel doet opsluiten!"

"Zoover zal het wel nooit komen," schertste de Prinses. Maar daarna
plooide haar gelaat zich weer tot ernst, en ze vervolgde:

"Wat denkt ge dus met dien man te doen?"

"Hij was in het bezit van een cijferbericht, Hoogheid. Voorloopig
zullen we afwachten of het uw Secretaris gelukt den sleutel te vinden."

Men sprak nog eenige oogenblikken over onverschillige zaken; daarna
gaf de Prinses te kennen, dat zij de audiëntie wenschte op te heffen.

"Maarschalk," zeide Radzivil bij 't verlaten van het paleis, "wat hebt
ge toch voor reden om dat duel te doen doorgaan? Wilt ge dan met alle
geweld mijn plan betreffende het huwelijk der Prinses tegengaan?"

"Juist. Dat is mijn doel. De Prinses zal zeer zeker verontwaardigd
zijn, te zien dat haar toekomstige Gemaal zich boven de wet
stelt. Zij zal daar stof tot verwikkelingen uit kunnen putten, die
mijn plannen begunstigen. De Hertog is in mijn net geloopen, zooals
ik wel verwachtte."

"Welk net?"

"De Wet tegen het Duel. Waarom deed ik zoo mijn best die aangenomen
te krijgen?"

"Om de Prinses een genoegen te doen."

"Gedeeltelijk; maar meer nog omdat ik er een middel in zag om den
Hertog te vangen. Ik wist wel, dat hij geen maand zonder een duel
kan blijven, en dat hij zichzelf boven de wet verheven acht. En mijn
plan is geslaagd. Vandaag zal de Hertog op de sabel duelleeren. Het
is mogelijk dat ze elkaar dooden; zoo niet, dan zijn er twee dingen
mogelijk: de Hollander doodt den Hertog, wat voor Czernovië een zegen
zou zijn, of--"

"Of, wat meer waarschijnlijk is, de Hertog doodt den Hollander."

"Dat zou jammer zijn, omdat de Hollander, zooals ge me verteld hebt,
een flinke kerel schijnt te zijn. Maar--in dat geval zal de Hertog,
overeenkomstig de wet, terecht moeten staan wegens moord."

Radzivil stond verbluft. Zóo ver had hij zich nog niet eens in de
zaak ingedacht.

"En als de Prinses zich aan de letter van de wet houdt," vervolgde
Zabern met onwrikbare koelbloedigheid, "dan zal ze--vol eerbied voor
de wetten, zooals ge weet--haar toekomstig Gemaal tot gevangenschap
en verbanning buiten het grondgebied van den Staat veroordeelen."

"Goede hemel!" riep de Premier.

"Mijn stelsel werkt mooi, niet? Dat was ook mijn bedoeling."

"Maar dat zal niet gebeuren! De Prinses moet tusschenbeiden komen en
dat duel verbieden. Ik ga dadelijk terug en zal haar inlichten."

"Halt!" zei Zabern ernstig. "Laat de Hertog zijn dwaasheden bot
vieren. Wat denkt ge--zouden gij en ik onze portefeuilles lang behouden
als Bora den troon kwam deelen?"

Ze waren nu buiten het park gekomen, dat het Paleis omringde. Een
ordonnans stond aan het hek, en meldde den Maarschalk dat hij een
bericht had over te brengen.

"En wat is dat, Nikita?

"Maarschalk, de spion Russakoff is uit de Citadel ontsnapt."

"Vervloekt! Daar zal de wacht voor boeten!"



VEERTIENDE HOOFDSTUK.

IVAN RAVENSKI.

	Een gesprek met den Minister van Binnenlandsche Zaken.--De
	drie verzegelde pakketten.--Elizabeth hoort van het duel.--De
	brief van Felix.--Zou hij het zijn?--Naar het Roode Woud!


Na het vertrek van haar beide Ministers ging de Prinses door de
openslaande deuren van de audiëntiezaal in den, door helderen
zonneschijn verlichten tuin. De schildwachten op het terras
presenteerden de geweren toen zij voorbijkwam.

In nadenken verzonken over het klaarblijkelijk gepleegd verraad volgde
zij met naar den grond gerichte oogen de breede, met lindeboomen
beplante laan, toen een schaduw op haar pad viel, die haar deed opzien.

Voor haar stond Ivan Ravenski, de Czernovische Minister van
Buitenlandsche Zaken. Hij was een man van ongeveer vijf-en-veertig
jaar, maar zag er veel jonger uit; zijn gelaat was streng en ernstig,
maar niet onaangenaam om te zien. Den hoed afnemend, boog Ravenski
diep; Elizabeth groette hem met een lichte beweging van het hoofd,
doch haar gezicht nam een koele uitdrukking aan. Ze mocht den Minister,
een onvervalschten Rus van afstamming en politieke gevoelens, niet
lijden, en hoewel ze hem nooit tot haar vertrouweling had gemaakt,
integendeel, in afwachting van beter tijden, hem steeds in den waan
had trachten te brengen, dat zij in een huwelijk met Bora het heil
van den Staat zag, voelde zij toch bij instinct dat deze man haar
innerlijke gedachten doorgrondde.

Met een waardigheid als nam hij de plaats in die hem toekwam, begaf
hij zich ter linkerzijde der Prinses en begon naast haar in de schaduw
der linden de laan op en neer te loopen.

"Als ik mij niet zeer bedrieg, Prinses," begon Ravenski, "hebt u
zooeven van de beide Ministers, die ik het paleis zag verlaten,
bericht ontvangen omtrent een gebeurtenis aan het Russische Hof,
die u persoonlijk betreft."

Elizabeth zag geen enkele reden om de waarheid hiervan te ontkennen,
en antwoordde daarom:

"Dat is zoo. Mag ik echter vragen hoe u tot die wetenschap kwam?"

"Het is slechts een gissing, Hoogheid," antwoordde Ravenski, "maar een
gissing die zeer voor de hand ligt. Als Minister van Buitenlandsche
Zaken ben ik immers evenzeer als de Premier door den gezant te
St. Petersburg ingelicht omtrent hetgeen de Czaar op het hofbal sprak."

"En al is dit zoo," zei Elizabeth koel, "wat is daarin dan voor u de
aanleiding mij dat nogmaals mede te deelen?"

"Dat zal u aanstonds duidelijk worden, Prinses. Vergun me eerst deze
vraag: U ziet immers de noodzakelijkheid in--meermalen vernam ik dit
uit uw eigen mond--van een huwelijk met den Hertog van Bora?"

"Inderdaad. Ik geloof, dat de belangen van den Staat dit eischen. Het
Russischgezinde deel der bevolking zal dat huwelijk gaarne zien;
daarenboven," voegde zij er met een zucht bij, "is het een politieke
noodzaak. Leen ik er mij niet toe, dan zal de Czaar mij wel weten
te dwingen."

"De toon, waarop u mij dit antwoord geeft, Prinses, versterkt mij in
de meening, die ik sinds lang koesterde, dat uw persoonlijke verlangens
zich niet in de richting van dit huwelijk bewegen!"

Elizabeth verwaardigde zich niet deze uitspraak te bevestigen. Door
dit zwijgen stoutmoediger geworden, vervolgde Ravenski:

"Zoudt ge geen middel weten, Prinses, aan de noodzakelijkheid van
dat huwelijk te ontkomen?"

"Die vraag stelt _u_ me, Excellentie?" vroeg Elizabeth, verbaasd, "_u_,
die toch als geboren Rus niets anders moest wenschen dan dat huwelijk?"

"Ik begrijp, dat deze vraag u verbaast, maar ik herhaal ze: zoudt u
geen middel weten?"

"U tracht me in een val te lokken," zei Elizabeth streng, "en ik
ben niet van plan uw vraag te beantwoorden. U en ik behooren in het
belang van den politieken toestand te berusten in mijn huwelijk met
den Hertog. Ik begrijp niet...."

"Er zijn overwegingen, Hoogheid, die sterker zijn dan de eischen
der politiek. U kunt den Staat dienen en toch de inspraak van uw
hart volgen."

"Ik begrijp u niet. Verklaar u, wees duidelijk, verzoek ik u."

"Welnu--ik zal zonder omwegen op mijn doel afgaan. Rusland wenscht den
Hertog van Bora als Prins-Gemaal te zien, opdat diens afstammelingen,
en dus afstammelingen van een Rus, Czernovië regeeren. Of de Hertog
daartoe u tot gemalin kiest, is een bijzaak. Ook voor den Hertog is
die omstandigheid bijzaak. Hij verlangt meer naar het bezit van een
kroon dan naar het bezit van Prinses Elizabeth. En dus...."

"En dus wilt u...."

"Ik wil niets. Ik doe u een denkbeeld aan de hand. U zoudt--en ziedaar
de kern van dat denkbeeld--vrijwillig afstand kunnen doen van den
troon, ten behoeve van den Hertog."

Elizabeth voelde duidelijk, dat er een diepere, baatzuchtige bedoeling
schuilde achter dit schijnbaar belangeloos voorstel. Met een spottenden
glimlach antwoordde ze:

"U is wel vriendelijk, Excellentie, u zoo met mijn persoonlijke
belangen in te laten, en daarvoor zelfs uw Russische sympathieën
geweld aan te doen. Ik deed dus volgens u het beste lafhartig de
zorgen der regeering van mij af te schuiven, en ergens als ambteloos,
vergeten burgeres te gaan leven?"

"_Met_ den man, die u liefheeft, Prinses!" fluisterde Ravenski.

"Met den man, die.... Excellentie, wat bedoelt ge? Wie is die man,
wie zou...."

"_Ik_, Hoogheid," sprak Ravenski hartstochtelijk, "_ik_ wil die man
zijn! Nu weet ge mijn geheim: ik heb u lief!"

"Ik wilde dat Zabern u hooren kon!" sprak Elizabeth, zich vol afschuw
omwendend. "Laat ons dit gesprek afbreken. Het is verraad."

"Neen, Prinses. Luister. Ik heb u liefgehad sedert ik door mijn
plaats in de Regeering met u in aanraking kwam. Ik heb voor een
groot deel medegewerkt om u de macht en den titel te doen verkrijgen,
die ge heden bezit, ten einde te toonen wat ik voor u over had. Ik
offer mijn politieke plichten aan u op--Prinses, bewijst u dat niet
voldoende de oprechtheid mijner liefde?"

Bevend van verontwaardiging, wendde Elizabeth onwillekeurig den blik
naar de beide schildwachten, die met langzamen pas het terras op en
neer gingen.

Ravenski zag die beweging, en vervolgde:

"Eén oogenblik, Prinses, eer ge last geeft mij te arresteeren. Ik
heb deze bekentenis niet gedaan zonder mijzelf een waarborg te
verzekeren. Luister! Er woont op dit oogenblik aan de andere zijde
der grens--het doet er niet toe waar--een persoon die mijn belangen
is toegewijd. Hem heb ik de zorg voor drie verzegelde pakketten
toevertrouwd. Zoodra hij mijn arrestatie verneemt, handelt hij als
volgt. Een der pakketten zal hij aan den Russischen Minister van
Buitenlandsche Zaken verzenden, het tweede aan den Hertog van Bora,
het derde aan de redactie van de Czernovische Nieuwsbode, welks
Russisch-gezinde uitgever Lipski maar al te graag den inhoud zal
publiceeren, en waardoor een beweging in Czernovië zal ontstaan. Daar
zijn uw schildwachten. Roep ze. Arresteer me. Maar wees er van
verzekerd: binnen acht dagen daarna zijt ge onttroond."

Elizabeth zweeg, maakte geen beweging.

"Vergeef me, Prinses, dat ik u met bedreigingen toespreek, ik ging
er niet dan met tegenzin toe over. Maar--gij erkent mijn macht,
en ge weet dat ik u liefheb. Wat is uw antwoord?"

Elizabeth maakte een beweging van ongeduld.

"Ik hecht niet veel aan uw bedreigingen. Wat zouden die pakketten
kunnen bevatten?"

"Ik zal 't u zeggen. Het eerste een wasrol van een fonograaf, die
ik, achter een meubel verborgen, een door u gevoerd gesprek met uw
Secretaris deed opnemen, en die met uw eigen, zeer goed te herkennen
stem het overtuigend bewijs levert, dat gij, hoewel uiterlijk berustend
in het door Rusland gewenschte huwelijk met den Hertog, elk gunstig
oogenblik afwacht om Rusland's plannen te verijdelen. Welke middelen
gij daartoe wilt aanwenden, is mij nog onbekend, doch vast staat dat
ge op niets minder dan een staatsgreep zint."

"Verrader! Lafaard!" riep de Prinses, met een van verontwaardiging
trillende stem. "Ik wist, dat geen middel tot bereiking van uw doel
u te laag was, maar dat ge dit zoudt durven....!"

"Verrader?" sprak Ravenski spottend. "Noem liever uw vrienden Zabern
en Radzivil zoo, die ik sterk verdenk--zoo ze al niet in uw plannen
zijn ingewijd--de uitvoering daarvan gaarne te zullen begunstigen."

De Prinses was met uiterste inspanning haar ontroering meester
geworden. Uiterlijk kalm vroeg ze:

"En het tweede pakket?"

"Is gelijk aan het eerste, Hoogheid."

"Het derde?"

"Bevat een eenigszins fantastisch verhaal van den door u beraamden
staatsgreep, dat de bladen gretig zullen overnemen."

Eenige oogenblikken beschouwde Ravenski de uitwerking zijner woorden,
toen vervolgde hij:

"Overdenk dit alles goed. Ik zal er u ruim den tijd toe geven. Ik
heb geduld. Bedenk, dat wanneer de sombere muren van een Russische
vesting u omringen, wanneer ruwe soldaten uw cipiers zijn, wanneer
geen uwer angstkreten tot de buitenwereld doordringt--dat dan zelfs
de liefde van Ravenski begeerenswaard zou zijn."

Elizabeth kon het gevoel van afschuw niet onderdrukken, dat door deze
woorden werd opgewekt.

"Stort dus niet uzelf, noch uw vrienden, in 't verderf, Zabern,
Radzivil, Dorislas, al de ministers wier politiek Rusland een doorn
in 't oog is, en die door den Hertog aan den Czaar zouden worden
overgeleverd. Czernovië zou door kozakken worden bezet en onder de
krijgswet geplaatst, de mannelijke bewoners bij het Russische leger
ingelijfd, de Universiteit gesloten, de wetten geschorst, kortom,
uw land ten onder gaan."

"Maar wanneer ik afstand doe," riep Elizabeth wanhopig, "wanneer Bora
de regeering aanvaardt, zal het land dan niet eveneens ten onder gaan?"

"Zeer zeker. Maar niet door geweld. En bovendien niet door uw direct
toedoen. Daar ligt het zwaartepunt der kwestie. Nogmaals: gij hebt
te kiezen. Ik zal wachten."

"En ge zult lang moeten wachten, Excellentie," antwoordde Elizabeth
trotsch. Ze waren op dit oogenblik den uitgang van het park genaderd;
met een handbeweging noodigde ze den Minister uit te vertrekken.

Ravenski bleef echter staan, en sprak:

"Nog een enkel woord, Prinses. Hedenmiddag is mij een bericht ter
oore gekomen, dat U zal intresseeren. In het Hotel Czernovië, waar
vele vreemdelingen afstappen, en waar ik natuurlijk, belang stellend
in buitenlandsche zaken, spionnendienst doe uitoefenen, heeft heden
enkele uren geleden een twist plaats gehad tusschen den Hertog
van Bora en een kortelings hier aangekomen Hollander. Merkwaardig
genoeg schijnt een Latijnsche spreuk--esse quam vederi, wanneer mijn
berichtgever goed verstaan heeft--de onmiddellijke aanleiding tot
den twist te zijn geweest. Ik moet bekennen, dat dit gedeelte der
zaak mij niet recht duidelijk is. Hoe het zij, het gevolg zal een
duel zijn tusschen den Hollander en den Hertog, hedenavond te zeven
uur. Hoogstwaarschijnlijk zal de Hertog, die dertig duels achter den
rug heeft, en nooit gewond werd, den Hollander dooden. De kans bestaat
echter, en we moeten daarmee rekening houden, dat de Hertog verwond
wordt. Eenigen tijd geleden zou daarin geen bezwaar gelegen hebben;
sedert de tot-stand-koming der duelwet zou de Hertog zich echter aan
een strafvervolging blootstellen. U moet dat voorkomen."

Elizabeth was plotseling verbleekt, als had een hevige schrik,
die op dat oogenblik alleen _zij_ zou kunnen verklaren, haar
bevangen. Ravenski, evenmin als de lezer, die echter zoo straks
ingelicht zal worden, begrijpend wat er in haar binnenste omging,
gaf een uitleg aan haar ontroering, die--naar we aanstonds zien
zullen--onjuist was.

"Ge verbleekt, Prinses. Ik begrijp dat. De mogelijkheid, dat de Hertog
u op deze manier een wapen tegen zichzelf in handen geeft, komt als een
onverwacht redmiddel tot u, dat u aanlokt, en waarvan ge toch aarzelt
gebruik te maken. Vandaar uw ontroering. Ik zeg u echter: stijg te
paard, rijd zoo snel ge kunt met een escorte naar het Roode Woud, waar
het duel zal plaats hebben--en voorkom het. Het leven van den Hertog
_moet_ gespaard blijven,--dat is immers in _mijn_ belang. Werkt ge dat
belang tegen, staat ge mij niet voor de veiligheid van den Hertog in,
dan beschuldig ik u openlijk, een officiëel te uwer kennis gebracht
misdrijf, door de landswetten verboden, niet te hebben voorkomen."

Elizabeth hield zich aan het hek van de parkpoort vast om niet te
vallen, ze wankelde, en sprak alleen nauw verstaanbaar:

"Ik zal gaan.... dadelijk...."

Een triomfantelijke glimlach speelde om Ravenski's lippen. Hij
geloofde den weerstand der Prinses gebroken te hebben en voelde zijn
zaak reeds half gewonnen.

Zwijgend ontblootte hij het hoofd, boog diep en eerbiedig, en verliet
met snelle schreden het park.



Tot recht begrip van het vorenstaande is een kleine uitlegging noodig,
die in de aanteekeningen van Rob Rensma eerst op de laatste bladzijden
voorkomt, omdat hij ze op dit tijdstip zijner avonturen nog niet van
zijn vriend Van Stralen vernomen had. Toen laatstgenoemde hem namelijk
zijn hier voren vermelde levensgeschiedenis meedeelde, verzweeg hij
daaruit met opzet een punt van belang, dat hij zeer terecht op dat
oogenblik nog geheim wenschte te houden, doch waarvan de lezer ter
wille van de duidelijkheid thans behoort kennis te nemen.

Zoodra men, na de verwoesting van het eiland Riva, tot het besluit
was gekomen "De Vogel" in dienst te stellen van de bevrijding van het
vaderland, had Li door middel van een der vliegmachines Elizabeth des
nachts in het paleis een brief doen toekomen van den volgenden inhoud:


	"Ik leef. Tracht den bestaanden toestand sleepend te houden
	door de Russische eischen toenaderend te behandelen. Vernietig
	dezen brief. Voorzichtigheidshalve zal ik niet meer schrijven,
	doch reken er op dat ik, zoodra de gelegenheid mij gunstig
	voorkomt, in Slavowitz verschijn en mij van Bora meester
	maak. Houd moed. Blijf mij liefhebben. Eenmaal zullen we
	elkander toebehooren. Leve de Oranje-Republiek!

	Felix."


Er was geen twijfelen mogelijk geweest: dezen brief had Felix
geschreven! Door welk wonder hij aan den dood was ontsnapt, bleef
Elizabeth een raadsel--maar wat deed dit er toe: hij leefde! En hij
zou terugkomen om Czernovië en haar te redden, daarop vertrouwde ze
vast. Felix was geen man van ijdele woorden.

Vele maanden na die gebeurtenis had ze niets meer van hem vernomen,
vergeefs, maar met onbeperkt vertrouwen, gewacht tot hij zou
terugkomen. Telkens wanneer een verdacht vreemdeling was aangehouden,
telkens als zij de arrestatie van een spion had vernomen, had ze
gebeefd van angst bij de gedachte, dat dit Felix zou zijn. Toen men
haar dien morgen van den spion Russakoff had verteld, was dadelijk het
denkbeeld in haar opgekomen: hij is 't! Nu Ravenski haar van het duel
met den Hollander onderrichtte, had ze onmiddellijk als bij ingeving
gevoeld: die Hollander is Felix! Wel begreep ze een oogenblik daarna,
dat dit instinct op een zeer zwakke mogelijkheid berustte, dat het
niets meer dan een vage onderstelling was--maar de gedachte: het kòn
misschien zoo zijn, was haar voldoende om tot een verijdeling van het
duel te besluiten. Zij kende immers Bora's meesterschap op de wapenen,
zij wist dat er onder de twintigduizend man van het Czernovische
leger niet een was die zijn doodend zwaard durfde weerstaan, zij had
hem in de schermzaal van het Paleis in snelle opeenvolging de beste
schermers onder haar officieren zien ontwapenen. Zabern, Dorislas,
Miroslav--wie kon zich met Bora meten?

Men zal nu de ontroering begrijpen, die zich van haar meester maakte,
toen zij Ravenski's mededeeling aanhoorde. Van haar ontsteltenis
bekomen, moest zij onwillekeurig glimlachen bij de gedachte dat
Ravenski haar misschien, onwetend natuurlijk, een grooten dienst
had bewezen.

Zij dacht er niet over na, welke gevolgen haar tusschenbeide treden
kon hebben, zij dacht slechts aan éen ding: Felix moest gered worden!

En, haar zelfbeheersching hernemend, gaf ze snel en beslist orders
voor een onmiddellijk vertrek.



VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

HET DUEL.

	De ontmoeting in het Roode Woud.--De Russische
	schildwacht.--Het duel begint.--De plotselinge verschijning
	der Prinses.--De Hertog wordt gearresteerd.--Zij hebben
	elkaar herkend!


De avond viel, toen Felix met Rob en Paul hun weg zochten naar de
grens van Czernovië.

Van Slavowitz waren ze in een troïka, een met drie paarden bespannen
voertuig, tot aan het Roode Woud gereden, volgens voorafgegane
overeenkomst langs een anderen weg dan Bora en zijn getuigen.

Nadat ze de troïka in een eenzame herberg aan den weg hadden
ondergebracht, geleidde Paul de beide vrienden naar de afgesproken
plaats, waar een smal voetpad door een dicht dennenbosch heenvoerde.

"Prachtige dennen!" zei Felix, de kaarsrechte en statige stammen
beschouwend.

"Daar verschuilen de wolven zich achter in den winter," merkte Paul
op. "Soms verscheuren ze de Russische schildwachten."

Het voetpad ten einde loopend, kwamen ze op een ruime open vlakte.

"De grenslijn moet ergens over deze vlakte loopen. Juist, daar staat
de steen."

Paul wees op een zwaar, rechthoekig steenblok, op welks oostelijke
zijde, diep ingesneden, zich de letters R-U-S-L-A-N-D bevonden,
terwijl de zuidzijde de letters C-Z-E-R-N-O-V-I-E vertoonde.

"Nu zijn we op Russisch grondgebied," zei Paul, "en we mogen wel goed
uitzien, opdat niet de een of andere verborgen schildwacht een schot
op ons afvuurt."

"Zoo? Is dat tegenwoordig Russische gewoonte om op wandelaars te
schieten?"

"Het komt voor, tenminste langs deze grens. Waarschijnlijk om
vijandelijkheden van Czernovische zijde uit te lokken. Aha! daar is
er al een. Ik dacht wel dat we niet ver zouden kunnen gaan zonder er
een te ontmoeten."

Werkelijk zat op ongeveer honderd meter afstand, in de schaduw der
boomen, een Kozak te paard, de lans omhoog gericht.

Het gezicht van dezen ruiter was wel geschikt om allerlei gedachten
in Felix wakker te roepen.

Ver, ver van hier, aan de bevroren stranden van Kamchatka, hielden
andere vedetten de wacht. De afstand tusschen de beide grenzen was
meer dan zesduizend mijlen.

En dit rijk, zoo reusachtig uitgestrekt, bedreigde het kleine
Czernovië! Het was bijna niet denkbaar, dat Czernovië ooit de ijzeren
militaire vuist van dien reus ontkomen kon. De gedachte alleen was
een dwaasheid.

En toch....

Opeens kwam de kozak, de lans vooruit stekend, snel aanrijden. Bij
de drie vrienden aangekomen, hield hij zijn paard in.

"Uw paspoorten?"

"Hier," zei Paul, hem eenige roebels in de hand drukkend. "Dat paspoort
is overal geldig. We gaan niet verder dan tot hier; we komen alleen
maar even een duel uitvechten."

"Een duel! Dat is tegen de Russische wet. Het wachthuis is hier niet
ver vandaan. Als de commandant komt, worden we allemaal ingepikt."

"Wel neen," zei Paul. "Ik heb nog meer paspoorten, voor den commandant
ook. Kijk maar."

De kozak dacht na. Hij stak de roebels in zijn linkerlaars. Hij hield
wel van roebels, en zag graag vechten ook.

"We zijn de eersten," merkte Paul op. "Nog vijf minuten."

Felix gaf den kozak een sigaar, stak er zelf een op, en liep kalmpjes
heen en weer. Hij scheen lang niet zoo ongerust als Paul, ofschoon
deze niets merken liet, en zeker heel wat bedaarder dan Rob, die zich
niets op z'n gemak voelde.

"Het is eigenlijk een gek ding, dat duel," zei Paul. "Je doet er
niemand een dienst mee. Als Bora valt, kan de Czaar het Czernovische
kabinet als medeplichtig aan zijn dood beschouwen, omdat Radzivil,
van het duel wetend, dit niet voorkwam. En dan...."

"Ik heb dat alles overdacht," zei Felix. "Ik zal daarom zorg dragen
hem hoogstens zoo te verwonden, dat hij voorloopig het duelleeren
zal moeten uitstellen."

"Als je dat doen kunt, des te beter," antwoordde Paul, hoewel hij zeer
twijfelde of Felix dit voornemen tegenover een uitstekend schermer
als de Hertog zou kunnen ten uitvoer brengen.

Ruim dertig minuten na het vastgestelde uur verscheen de Hertog,
door zijn getuigen vergezeld. De aanwezigheid van een dokter had men
van weerszijden overbodig geacht.

Baron Ostrova trad onmiddellijk op Paul toe en groette beleefd.

"U bent laat, baron."

"Wil ons verontschuldigen. Ons rijtuig verloor een wiel onderweg. Laten
we ons daarom haasten. Hier zijn de sabels."

Paul vergeleek de beide wapens, koos er een voor Felix uit, en gaf
het sein tot het gevecht.

Als een leeuw vloog Bora op Felix af, als wilde hij hem bij den
eersten houw buiten gevecht stellen.

Maar nauwelijks hadden de sabels elkaar geraakt, of het bevel
weerklonk:

"In naam der wet--houdt op!"

Deze woorden werden door een vrouwenstem gesproken, een stem die
Felix van ontroering deed trillen. Een houw van den Hertog pareerend,
deed hij snel een pas achterwaarts, en terwijl hij zijn verdedigende
houding bewaarde, wierp hij een blik in de richting vanwaar het bevel
gekomen was.

En daar, bleek en schoon, en zoo dicht bij hem dat hij haar in de
oogen kon zien, stond Elizabeth, ademloos van overhaasting. Niemand
der aanwezigen begreep waar zij opeens vandaan gekomen was; geheel in
beslag genomen door het duel had men trouwens haar zachten voetstap
niet vernomen.

Felix vergat zijn verdedigende houding. Hij vergat alles. Zijn sabel
gleed hem uit de handen en viel op den grond.

Een doodsche stilte ontstond, toen men daar de Prinses zag staan,
een jonge, weerlooze vrouw wel is waar, maar die op dat oogenblik de
macht van den Staat vertegenwoordigde, en wier gevoelens ten opzichte
van het duel men kende.

Een oogenblik zweeg Elizabeth. Ze zag den vreemdeling aan--hij was
het niet! Dat was Felix niet, die zwartharige, gebronsde man!

Maar toen ze hem haar vraag:

"Wie lokte dit duel uit?"

beantwoorden hoorde met vaste heldere stem:

"Dat deed ik!"

toen waren die drie woorden genoeg om haar te overtuigen dat de
lang verlorene hier voor haar stond. Ze begreep dat de verandering,
die met hem had plaats gegrepen, slechts schijnbaar was, dat hij
een uiterlijke vermomming had aangenomen, en niemand zou haar nu de
overtuiging kunnen ontnemen dat Felix zich op slechts enkele passen
van haar bevond. Die stem, den blik van die oogen, ze zou die na jaren
en uit duizenden herkend hebben. Opnieuw maakte een diepe ontroering
zich van haar meester en ze voelde haar hart hevig kloppen. Maar ze
wist zich te beheerschen, en sprak:

"Het past een van _mijn_ ministers niet zich boven de wet te stellen."

Daarna, zich omwendend, riep ze:

"Maarschalk, geleid uw gevangene naar de citadel."

Verrast volgden alle aanwezigen de richting van haar blik, en nu zag
men aan den zoom van het bosch, aan de Czernovische zijde van de
grens, den Maarschalk Zabern staan, met gevouwen armen, uiterlijk
even weinig te doorgronden als een sfinx, innerlijk verheugd over
den loop van zaken.

Een weinig meer achterwaarts stond een peloton lansiers van het Blauwe
Legioen, en in hun midden een licht voertuigje, een elegante droschky,
geschikt voor snelle ritten.

"Maarschalk, geleid uw gevangene naar de citadel."

De Hertog lachte spottend bij deze woorden:

"Bedenk, dat ik op Russisch grondgebied sta! Ik stel mij onder
bescherming van dezen kozak."

De kozak, die tot nog toe zwijgend had toegezien, maakte bij deze
woorden een angstige beweging. Hij vond het niets prettig op deze
manier in de kwestie gemengd te worden, want hij vreesde al elk
oogenblik den commandant van de wacht te zien komen, en dan zou hij
ongetwijfeld duchtig worden gestraft, omdat hij deze schending van
Russisch grondgebied had toegelaten. Geheel niet wetend met welke
personen hij hier te doen had, zei hij nu in zijn benauwdheid iets,
waarmee hij onwillekeurig de Prinses te hulp kwam, namelijk:

"Ik kan u niet beschermen, want u mag op Russisch grondgebied ook niet
duelleeren, en als ik mijn plicht deed zou ik u moeten gevangen nemen."

Toen begreep de Hertog het nuttelooze van verder tegenstreven; hij
stapte op Czernovisch grondgebied over, en gaf zich gewonnen.

"Uw sabel," sprak Zabern.

En met een bitteren glimlach gaf Bora den maarschalk zijn zwaard over.

"Daar is uw escorte naar Slavowitz," zei de Prinses, op de afdeeling
ulanen wijzend.

Een der manschappen kwam met een handpaard naar voren, en de Hertog
steeg op, gereed zich in gevangenschap te begeven.

"De getuigen van den Hertog bevinden zich op Russisch grondgebied,"
vervolgde de Prinses, "ik kan hen dus niet gelasten zich eveneens
over te geven. Het is aan hun keuze overgelaten zich aan de
Russische of de Czernovische wet te onderwerpen. Wat den Secretaris
betreft"--er klonk oprechte spijt uit haar stem--"hij is van zijn ambt
vervallen. Ik mag niet dulden dat een mijner onderdanen, wie hij zij,
de wet overtreedt. Tegenover de beide andere heeren ben ik, daar zij
vreemdelingen zijn, machteloos. Ik zou het echter op prijs stellen,
in 't belang van het justitiëele onderzoek, hen ten spoedigste in
mijn Paleis te ontmoeten."

Alleen Felix had de ontroering bemerkt, die bij deze laatste woorden
in haar stem trilde. Hij begreep dat zij hem herkend had en boog
zwijgend het hoofd.

Door Zabern geholpen, steeg de Prinses weer in haar droschky. De
stoet zette zich in beweging, en verdween even snel en geheimzinnig
als hij gekomen was.



ZESTIENDE HOOFDSTUK.

WAT KATINA VAN RUSSAKOFF VERTELDE.

	De drie vrienden ontmoeten Zabern.--Katina, de patriot.--Zabern
	komt Russakoff op het spoor.--Met spoed naar Slavowitz terug!


Het was voor Paul geen opwekkend denkbeeld, dat hij, en dat door
eigen schuld, bij de Prinses in ongenade was gevallen. Maar hij
was, evenals zijn broer, een man die nooit den moed liet zinken,
en altijd op zijn goed gesternte rekende dat hem er wel weer zou
uitredden. Bovendien begreep hij heel goed, dat de Prinses ten
aanhoore der vele toeschouwers moeilijk anders had kunnen handelen,
en dat zij hem zoowel als Felix te zeer noodig had om niet op haar
besluit terug te komen.

Terwijl de drie vrienden, den straatweg weer opzoekend, over deze
dingen liepen te praten, naderde hen op eens een in een mantel gehulde
gedaante en hoorden zij een sabel tegen gespoorde laarzen kletteren.

"Maarschalk Zabern!" riep de Secretaris. "Wat! Gaat u niet met de
prinses mee naar Slavowitz?"

"Ik wil een bezoek brengen aan de herberg "Oranje," waar ik iemand
spreken moet. Hare Hoogheid heeft mij daarom toegestaan haar te
verlaten."

"Dan gaan we denzelfden weg, want wij lieten onze troïka in die
herberg. Deze beide heeren, mijn vrienden, zijn Hollanders, die ik
heden morgen leerde kennen."

Paul stelde hen aan elkaar voor, en weldra was men in een druk gesprek,
dat in hoofdzaak over de geschiedenis der Republiek liep, daar Zabern
begreep dat deze den Hollanders intresseeren moest.

Hij toonde ook van hun vaderlandsche historie goed op de hoogte te
zijn, en maakte eenige vleiende opmerkingen over het roemrijk verleden
van hun land. Ook over zijn eigen geschiedenis kwam hij te spreken;
hij vertelde hoe hij wel oorspronkelijk van Russische afkomst was,
maar toch Poolsch, en van moederszijde Czernovisch bloed in de aderen
had, zoodat zijn sympathie voor een Staat als Czernovië, die zich
aan de Russische overmacht trachtte te ontworstelen, wel begrijpelijk
was. Vóor hij zich als Czernoviër had laten naturaliseeren, had hij
in meer dan éen gevecht meegeholpen de Russen afbreuk te doen, en
het was dus wel begrijpelijk dat omgekeerd de Russen hem met leede
oogen zulk een belangrijke rol zagen spelen in het Czernovisch kabinet.

"Bovendien heb ik nog iets anders te wreken," zei de Maarschalk,
den wijden rechtermouw van zijn mantel opslaand, "dit!"

En tot hun ontzetting zagen Felix en Rob, die van deze bizonderheid
natuurlijk niet op de hoogte waren, dat Zabern de rechterhand miste.

"Een kozak sloeg mij die af. Terwijl ik een sabelhouw afweerde, die men
mij op het hoofd wilde toebrengen, voelde ik opeens een eigenaardige
gewaarwording aan de rechterpols, en daar, voor me op de sneeuw,
lag mijn eigen hand, de sabel nog omklemmend. Ze was juist bij het
gewricht afgesneden, zooals ge ziet."

"Verschrikkelijk!" riep Rob ontsteld.

"Zeker. Het was alles behalve aangenaam, vooral omdat het de rechter
was, en ik me nooit geoefend had in het gebruik van de linker. Maar--ik
heb me er spoedig aan gewend, en deze linker doet nu even goed dienst
als de verlorene."

Zabern vertelde nu ook nog, dat hij in denzelfden veldslag, die
hem een hand kostte, door de Russen gevangen genomen en naar Siberië
getransporteerd werd. Na vijf jaar wist hij te ontsnappen, en vond een
wijkplaats in Czernovië. Rusland had, bedenkend misschien dat vroegere
dieven soms goede politiedienaars worden, dezen onverzoenlijke aan
zich trachten te binden door hem een ministersportefeuille te bieden.

Felix bewonderde in stilte dezen forschen, koelbloedigen man, het type
van den vechtsoldaat, maar hij kon toch een gevoel van teleurstelling
niet onderdrukken, dat Elizabeth zulk een ruw en ontembaar element in
haar Ministerie had opgenomen, iemand, die zeer zeker haar belangen
zou dienen, maar ongetwijfeld dikwijls op minder zachtaardige en
menschelijke manier dan de Prinses dit zelf wel gewoon was.

"Apropos," zei de Maarschalk, zich tot Paul wendend, "de ongenade
van de Prinses moet geen reden worden om je belangstelling in den
cijferbrief te doen verminderen, dien we op den spion Russakoff
vonden. Los me dat raadsel op, en ik zal trachten je bij de Prinses
in eere te herstellen."

"Ik vrees dat er op die voorwaarde niet veel van mijn eerherstel
zal komen," zei Paul somber. "Het cijferschrift is me totaal
onbegrijpelijk. Ik zou een aanwijzing hebben wanneer ge den schrijver
wist te noemen."

"Hoe zoo?"

"De eerste stap in een vraagstuk van deze soort is, te weten in welke
taal het document geschreven is; en dat kan ik niet ontdekken. Hoe kan
ik dan voortgaan? De grondbeginselen, die een deskundige op de eene
taal toepast, falen bij een andere. Maar als ik weet wie de schrijver
is, en dat hij bijvoorbeeld alleen maar Russisch kent, dan schiet ik
een heel eind op. Ook wanneer ik weet, dat ik tusschen een bepaald
aantal talen te kiezen heb, is dat een heele steun, ofschoon het
't werk tijdroovender maakt. Hebt u geen enkele aanwijzing omtrent
den schrijver?"

Zabern zweeg, en zag van terzijde naar de beide vreemdelingen.

"U kunt die heeren vertrouwen als mijzelf, Maarschalk," zei Paul.

"Ik geloof u gaarne. Overigens heb ik er toch geen bezwaar tegen dat
zij dit gesprek hooren: ten eerste omdat het mij slechts éen woord
zou kosten ze onschadelijk te maken, wanneer ik hen niet vertrouwde;
ten tweede omdat zij mijn vermoeden eer met genoegen dan met tegenzin
zullen vernemen. Ik geloof namelijk vast en zeker dat de schrijver
of de geadresseerde van dezen brief is--de Hertog!"

"De Hertog!" riep Paul verbaasd. "U beschuldigt den Hertog van een
verraderlijke briefwisseling met Rusland! Onmogelijk."

"Waarom onmogelijk?"

"Is het aan te nemen, dat hij iets in 't schild zou voeren tegenover
een Prinses met wie hij eenmaal trouwen zal?"

Zabern glimlachte spottend.

"De Hertog geeft niet zoo heel veel om dien halven troon, die hem
wacht, met op den koop toe een vrouw die zich niet door hem zal
laten gezeggen. Zijn geheim doel is los te komen van de Prinses,
en te regeeren onder Russische suzereiniteit. Let er eens op, hoe
hij allerlei hervormingen invoert die hem van nut kunnen zijn. Alle
officieren van Hollandsche afkomst weert hij uit het leger. Bovendien
hebben we het bewijs, dat er een verrader in het Kabinet is. Wien
zoudt ge anders kunnen verdenken dan hem?"

Paul antwoordde niet. Hij scheen in diep nadenken verzonken. Op eens
schitterden zijn oogen alsof een nieuw verrassend idee in hem opkwam.

"Maarschalk," zei hij met nadruk, "u zult morgenochtend de verklaring
van dien brief hebben."

Er was heel wat noodig om den Maarschalk verbaasd te doen staan;
toch was hij een oogenblik zeer verrast.

"Wat!" riep hij uit. "Je gelooft den sleutel gevonden te hebben,
terwijl je een minuut geleden zelfs de taal niet kende waarin de
brief geschreven is?"

"De taal is Grieksch," zei Paul, nu bijna even verbaasd over zijn
ontdekking als zijn metgezellen. "Ja, ja, nu begrijp ik alles. Een
buitengewoon vernuftig ingericht cijferschrift. Alleen een toeval kon
tot de ontdekking leiden. U hebt gelijk, Maarschalk, wat den Hertog
betreft. Hij _is_ een verrader, en die brief zal het bewijzen. Van
nacht zal ik er aan werken, en morgenochtend zult u den uitslag weten."

"Goed," zei de Maarschalk, nog steeds verwonderd over de snelheid
waarmee Paul een raadsel had opgelost, dat gedurende de afgeloopen
maand zijn vernuft weerstaan had.

De schemering viel, toen het viertal de herberg "Oranje" bereikte. Het
was een ruime en schilderachtige woning, deels van hout en deels van
steen gebouwd, en beschaduwd door overhangende beukeboomen.

Buiten het gebouw, twee paarden vasthoudend, stond Zabern's ordonnans
Nikita, die daarheen was gezonden om zijn meester op te wachten.

Zabern trad binnen, en geleidde zijn gezelschap naar een afzonderlijke,
met eikenhout beschoten kamer.

"Ik heb overal mijn spionnen," zei hij, "ook hier. Er komen in deze
herberg, die op de grenzen en aan den hoofdweg ligt, veel verdachte
personen, en uit hun gesprekken valt soms veel af te leiden. De dochter
van Boris Ludovski, de herbergier, houdt er een oog in 't zeil voor
me, en door haar toedoen is de politie van Slavowitz dikwijls van
waardevolle inlichtingen voorzien. Daarom kom ik ook nu hier; het is
mogelijk dat ze me iets weet te vertellen over Russakoff, die heden
morgen uit de Citadel ontsnapte. Ah! daar is Katina juist!"

Het meisje, dat binnenkwam, was geheel volgens Russische gewoonte
gekleed, maar de vorm van haar gezicht, haar blonde haren en haar
donkerblauwe oogen wezen duidelijk op haar Czernovische afkomst
van moederszijde. Zij werd door Zabern aan de overigen voorgesteld,
en toen zij vernam, dat er een breuk had plaats gehad tusschen den
Hertog en de Prinses, waarvan zelfs de arrestatie van eerstgenoemde
het gevolg was geweest, danste zij van vreugde.

"Hoe is dat gebeurd?" vroeg ze.

Zabern legde het uit, en toen ze hoorde dat Felix de indirecte
aanleiding was geweest van de geschiedenis, vloog ze hem bijna om
den hals.

"U hebt een goed werk voor Czernovië gedaan!" riep ze onstuimig. En
Felix vermaakte zich met de bijna kinderlijke geestdrift van het
meisje.

"Maar wat is dat nu!" riep Zabern opeens, "wat hangt daar?"

En hij wees naar een vuil, berookt olieverfportret, dat aan een der
muren hing.

Katina schudde de vuist tegen het portret.

"Dat verwondert u, nietwaar?" zei ze. "Het portret van den Czaar in
deze kamer! Toch heeft 't zijn nut, om Russische klanten te trekken,
die het plezierig vinden dat hun vadertje op hen neer ziet terwijl
ze drinken. Waarom zou ik van den vijand geen schatting eischen? Hun
kopeken zijn allen ten bate van de goede zaak."

"Maar wat zeggen de Czernoviërs ervan?"

"Wel--de laatste bezoekers waren Russen, vandaar dat de Czaar er nog
hangt. Wanneer er Czernoviërs komen, doe ik eenvoudig zóo--kijk!"

Ze draaide het schilderij om, en zie! aan de andere zijde vertoonde
zich een welgelijkend portret van Elizabeth.

"Prachtig!" lachte Zabern. "'t Is jammer dat je geen man bent,
Katina. Je zou een rol in de politiek hebben kunnen spelen. Patriotten
als jij hebben we noodig. U weet, heeren, welke oude rekening Katina
met Rusland te vereffenen heeft? Laat eens zien, Katina!"

Het meisje stroopte een der mouwen een weinig op, en nu zagen de
toeschouwers met ontzetting dat haar arm met diepe en breede litteekens
bezaaid was, alsof men er de stukken vleesch uitgesneden had.

"Zoo ziet mijn geheele bovenlichaam er uit," zei Katina bitter. "De
lange riem van de knoet slingert zich geheel om het slachtoffer heen."

"De knoet!" riep Rob, vol afschuw bij de gedachte dat men zulk een
verschrikkelijk strafmiddel op een jong meisje had toegepast.

"De meest welsprekende rede kan u niet meer anti-Russischgezind maken
dan het gezicht van dien arm, niet waar?" vroeg Zabern, die dadelijk
begrepen had, dat de beide vreemdelingen hem van nut konden zijn,
en ze nu voor zich trachtte te winnen door een openhartigheid,
waarbij hij zich niet meer bloot gaf dan hij zelf wilde.

Felix van zijn kant doorzag de bedoeling van den Maarschalk zeer goed,
doch vermeed er te spoedig op in te gaan, daar het hem voorloopig niet
geraden voorkwam zijn geheim te verraden. In stilte moest hij lachen
bij de gedachte, dat men _hem_ beproefde te winnen voor Elizabeth
en Czernovië.

Terwijl Katina heengegaan was om een laten bezoeker te bedienen,
dien men van uit de gelagkamer om wodka hoorde roepen, vroeg Felix:

"Wat heeft ze gedaan om zoo afschuwelijk behandeld te worden?"

"Ik zal u haar geschiedenis vertellen," zei Zabern. "Katina's
ouders--de vader een Pool, de moeder een onvervalscht
Czernovische--woonden in Warschau. Omdat ze een schuilplaats hadden
verleend aan een uitgeweken politieken misdadiger, een Pool, en
dien dus aan de justitie onttrokken hadden, werd de geheele familie
Ludovski naar een der mijnen in den Oeral verbannen. Daar trok Katina's
schoonheid de aandacht van den gouverneur Feodor Orloff; hij beloofde
haar, dat hij de familie Ludovski de vrijheid zou hergeven, zoo ze
zijn vrouw wilde worden. Dat voorstel bracht Katina, die alle Russen
verfoeide, in zulk een verontwaardiging, dat ze Orloff met de vlakke
hand in 't gezicht sloeg.

"Den volgenden dag was de Czaar jarig; Orloff deed de Poolsche
gevangenen voor zich brengen en deelde hen mee, dat ze dien dag
niet zouden behoeven te werken; daartegenover eischte hij, dat ze
"Leve de Czaar" zouden roepen. Sommigen weigerden, en daaronder de
koppige Katina. Nu had Orloff een kans. Wegens ontrouw aan den Czaar
werd Katina tot vijftien knoetslagen veroordeeld.

"Hebt ge ooit iemand zien knoeten? Neen? Wel, ik hoop dat 't u nooit
gebeuren zal, want 't is geen prettig gezicht, zelfs voor wie zenuwen
van ijzer heeft. Ik ben gedwongen geweest in Siberië meer dan een
zoo'n geeseling bij te wonen, en ik kan u zeggen dat er geen helscher
straf kan uitgedacht worden.

"Het slachtoffer wordt, met ijzeren ringen om polsen en enkels,
aan een in den grond gestoken latwerk bevestigd, zóo, dat hij niet
de minste beweging kan maken.

"Ongeveer twintig pas van hem af staat de beul, die de knoet met beide
handen vasthoudt. Het is een reep dik leder, driehoekig gesneden, een
duim breed, negen tot twaalf voet lang, en uitloopend in een punt; dit
uiteinde is aan een ongeveer twee voet lange houten schacht verbonden.

"De beul gaat voorwaarts, met gebogen lichaam, en den langen riem
tusschen de voeten voortsleepend. Als hij drie of vier passen van
zijn slachtoffer is, heft hij opeens de knoet boven zijn hoofd: de
riem vliegt door de lucht, daalt fluitend, en sluit het bovenlichaam
van den vastgebondene als in een ijzeren ring. Niettegenstaande hij
is vastgebonden, schokt het slachtoffer onder den slag als door een
galvanische ontlading getroffen, en uit een kreet, dien men, eens
gehoord, nooit meer vergeten kan.

"Bij het terugtrekken van den riem, scheurt deze de wond nog wijder
en dieper open.

"De beul gaat terug, en herhaalt dezelfde beweging. Vleesch en
spieren worden ten slotte als met een scheermes in driehoekige
stukken gehakt. Het slachtoffer, rood van bloed, wringt zich in
verschrikkelijke stuiptrekkingen.

"Zóo hebben de Russen Katina behandeld."

Allen waren een oogenblik stil, toen ze dit afgrijselijk verhaal,
dat maar al te zeer de werkelijkheid weergeeft, vernamen. Rob kon
zijn verontwaardiging niet in toom houden; hij riep tot Katina,
die bij de laatste woorden van Zabern weer binnengekomen was:

"Als die Orloff nog leeft, zeg me dan waar ik hem vinden kan, en ik
zal je wreken!"

"Neen, dappere vreemdeling, neen. Die wraak behoort mij. Niemand mag
me die ontnemen. En de dag komt! Het noodlot voert Graaf Orloff in
de nabijheid van Czernovië!"

"Juist," voegde Zabern er aan toe. "Hij is tot gouverneur van de
Russische provincie Warsim benoemd, die aan Czernovië grenst."

"En zijn handlangers gaan hem vooraf! Maarschalk, ge zult het niet
kunnen gelooven, maar de man die mij op Orloff's bevel de knoetslagen
toebracht--ik heb hem dezen zelfden dag gezien!"

"Onmogelijk, Katina!"

"Neen, Maarschalk, neen! Ik zag hem vandaag, dezen middag, in de
kamer waar wij nu zijn. Ik kon me in dat gezicht niet vergissen, te
meer niet daar ik er een herkenningsteeken op terugvond, een bruine
vlek bij de slaap, die ik er ook vroeger gezien had."

"Goede hemel, Katina, wat zeg je!" viel Zabern haar in de rede, met
meer heftigheid dan men van hem gewoon was. "Die man, met die bruine
vlek op z'n gezicht, is vanmiddag hier geweest? Had hij een blauwen
kaftan, een rooden baard, een..."

"Precies, Maarschalk."

"Russakoff--zoo waar ik leef! Jouw beul en mijn spion zijn dezelfde
persoon! Zou het mogelijk zijn? En hoe laat was hij hier?"

"Ongeveer vier uur."

"Dat is dus vijf uur geleden," zei Zabern, zijn horloge
raadplegend. "Hij moet dadelijk na zijn ontsnapping hierheen gegaan
zijn, ongetwijfeld met het doel de grens te bereiken. Had ik dat maar
eerder geweten! Vertel verder, Katina!"

"Vanmiddag," vervolgde Katina, "kwam ik van mijn wandeling terug,
toen ik mijn zuster met een kan en twee glazen deze kamer zag
binnengaan. "Katina," zei ze, "er zijn twee bezoekers, die er heel
verdacht uitzien. Ze hebben om een afzonderlijke kamer gevraagd en
wodka besteld. Ga jij het brengen, en zie eens wat je van ze denkt." Ik
nam de wodka over en ging naar binnen.

"Daar zaten twee mannen. De een had den rug naar me toegekeerd;
tegenover hem zat de ander, dien ik onmiddellijk herkende als de man
die mij de knoetslagen toediende in Orenburg."

"Herkende de booswicht jou niet?"

"Hij keek niet naar me toen ik binnenkwam; zijn heele aandacht
was gevestigd op wat de andere man vertelde. Bovendien is het heel
begrijpelijk, dat die Russakoff--zooals u hem noemt--van de vele
menschen, die hij in zijn leven geknoet heeft, niet al de gezichten
kan onthouden. Ik trachtte den anderen man wat beter in 't oog te
krijgen, maar het lukte me niet zijn gezicht duidelijk te zien, want
zijn hoed was diep over zijn voorhoofd gedrukt, en de kraag van zijn
jas kwam bijna aan z'n mond. Toch maakte hij den indruk--en de toon
van zijn stem bevestigde dat later--van veel voornamer stand te zijn
dan zijn metgezel."

"Waarom riep je niet je vader en je broers te hulp, om den man ook
eens te laten voelen hoe de knoet neerkomt?"

"Dat was ook mijn eerste gedachte. Maar toen ik de kamer uitging,
hoorde ik hem iets zeggen, dat mijn aandacht trok, en waarom ik
't verstandiger vond eerst eens naar hun gesprek te luisteren. Op
afluisteren zijn we hier ingericht; een achter het houtwerk verborgen
buis maakt 't ons gemakkelijk in onze woonkamer alles te hooren wat
men hier spreekt."

"Daarom ga ik altijd zoo ver mogelijk van die buis afzitten," zei
Zabern lachend.

"Russakoff zei, terwijl ik juist de deur achter me wilde sluiten:
"ge krijgt me er niet toe weer naar Slavowitz te gaan; ik heb weinig
lust weer in Zabern's handen te vallen." Op het hooren van uw naam,
Maarschalk, werd mijn nieuwsgierigheid nog grooter, zoodat ik mij
haastte het oor aan de hoorbuis te leggen.

"Ze spraken zacht, maar nu en dan verhieven hun stemmen zich, en kon
ik enkele woorden verstaan.

"Ik begrijp niet, dat Orloff zulk een onhandigen vent als jou
gebruikt," zei Russakoff's metgezel. "Je kan niet van de wodka
afblijven, mengt je in een kroegruzie en laat je arresteeren met
een belangrijk politiek document in je zak! Als de Secretaris van
de Prinses dien brief ontcijfert, wordt het heele plan van Rusland,
om Czernovië zonder geweld, wettig en kalm, in beslag te nemen,
verijdeld."

"Wat?" riep Zabern. "Zeg dat nog eens, Katina!"

Katina herhaalde haar woorden.

"Czernovië zonder geweld in handen krijgen! En hoe zou men dat wel
willen aanleggen?"

Zabern's oogen schoten vonken van onder de overhangende
wenkbrauwen. Zou men in Rusland beschuldigingen tegen de Prinses weten
in te brengen, ernstig genoeg om haar den troon te ontnemen? Zeker,
al was dit tusschen Elizabeth en hem, Zabern, nooit onomwonden
uitgesproken, hij wist dat de Prinses elk middel zou aangrijpen om
haar huwelijk met Bora te verijdelen--maar was men van dat geheime
voornemen in Rusland al zóó overtuigd, dat men 't als een wapen tegen
haar durfde gebruiken?

Felix volgde een dergelijken gedachtengang, met dit verschil alleen
dat hij, zekerder nog dan Zabern, wist dat Elizabeth nooit Bora zou
toebehooren! Overigens verbaasde ook hij zich er over hoe men in
Rusland daaromtrent was ingelicht geworden. Vrees greep hem aan,
toen hij bedacht dat een regeering als de Russische er zelfs niet
voor zou terugdeinzen den dolk van den een of anderen fanaticus te
bezigen, om Elizabeth uit den weg te ruimen, zoodat Bora over haar
lijk den troon zou bereiken! Wanneer het cijferschrift eens zulk een
verschrikkelijk komplot inhield!

"Ga verder, Katina. Wat zeiden ze nog meer?"

"Na eenig gefluister, hoorde ik Russakoff zeggen: "neen, 't is te
gevaarlijk. Bovendien--wat zijn vierhonderd roebels?"--"We zullen
de som verdubbelen als het binnen twaalf uren gebeurt," antwoordde
de ander.

"Ik begreep duidelijk, dat er een misdaad beraamd werd. Snel liep
ik naar buiten, riep mijn twee broeders, die hier aan het werk
waren. We haalde onze wapens, traden de gelagkamer binnen--maar,
tot onzen schrik--"

"Waren de vogels gevlogen!"

"Ja! Hun glazen waren nog vol; ze hadden dus waarschijnlijk bemerkt
dat ze beluisterd werden, en kozen het hazenpad. We deden alles om ze
te achterhalen, zochten in alle richtingen, maar konden geen spoor
van hen ontdekken. Daar we de zaak van belang oordeelden, zonden we
dadelijk Juliska naar Slavowitz om u in te lichten, maar u hebt haar
natuurlijk niet meer gezien."

"Neen; ik heb de stad klaarblijkelijk verlaten eer ze aankwam. Katina,
je hebt opnieuw bewezen een waardig onderdaan van de Prinses te
zijn. Dus deze spion staat in dienst van Graaf Orloff. We zullen
dien nieuwen gouverneur zeker geen onrecht aandoen wanneer we hem
verdenken van een aanslag op Czernovië's onafhankelijkheid. Welnu,
Katina, het zal nu een dubbele overwinning zijn, die er voor ons op
Orloff te behalen valt! En zooals nu duidelijk is, bestaat er een
betrekking tusschen den Hertog en Orloff, terwijl Russakoff hun agent
is. Ge ziet nu de belangrijkheid van het cijferbericht, Van Stralen,
en de noodzakelijkheid het dadelijk te ontraadselen. Laten we ons dus
niet langer ophouden.--Als Russakoff zich voor tweemaal vierhonderd
roebels heeft laten overhalen naar Slavowitz terug te keeren, dan
moeten mijn spionnen hem in handen hebben eer de nacht verstreken
is. En dus--" besloot hij, plotseling opstaand--"naar Slavowitz."

Katina snelde onmiddellijk heen om den koetsier te waarschuwen van de
troïka, waarin Paul, Felix en Rob de tocht hierheen hadden gemaakt. De
vier mannen traden naar buiten en vonden den soldaat Nikita daar nog
staan met de twee paarden, alsof hij geen duim van de plaats geweken
was. De nacht was gevallen en de sterren flonkerden. Het heldere licht
van uit de herbergdeur stroomde vroolijk over den weg naar de boomen
aan den anderen kant.

"Vergeef mijn haast, heeren," zei Zabern, "maar ik zou verkeerd
doen langer te talmen. De arrestatie van den Hertog, de streken
die Russakoff mogelijk al heeft uitgehaald--daarin ligt voor
het Russisch gedeelte der bevolking genoeg reden om een oproer te
beginnen. Misschien zullen er een paar kanonschoten noodig blijken. Ik
rijd vooruit; de heeren zullen me verplichten met zoo spoedig mogelijk
te volgen; na al wat ze nu weten, kunnen hun diensten me aangenaam
zijn."

Zabern sprong in het zadel, kuste Katina die hem tot afscheid groette,
de hand, en een oogenblik daarna galoppeerde hij naar Slavowitz,
gevolgd door zijn trouwen ordonnans.

Een minuut later verscheen de istvostchik (koetsier) met de troïka.

De vrienden namen plaats, en nauwelijks hadden ze dit gedaan,
toen in het lichtschijnsel van de herberg een man verscheen, die
dadelijk daarop weer door de duisternis was opgeslokt, doch wiens
groote cilindervormige hoed en zwarte soutane hem als een "papa"
of priester van de Oostersche kerk aanduidden.

Toen de istvostchik dezen geestelijke zag, kruiste hij zich naar
Grieksche wijze, en stapte tegelijkertijd uit de troïka, zeggend:

"Het spijt me, vadertjes, maar ik kan u van avond niet rijden."

"Wat beteekent dat nu?" vroeg Felix aan Katina.

"De arme kerel is een Rus," zei ze met een medelijdenden glimlach,
"en Russen achten het een slecht voorteeken als ze bij den aanvang
van een reis een priester van hun eigen geloof ontmoeten."

"Dat is een vreemde manier om hun geestelijkheid te eeren," zei Felix,
maar intusschen was met geen mogelijkheid, noch door geld, noch door
woorden, van den ouden koetsier gedaan te krijgen dat hij op zijn
besluit terugkwam.

"Ik heb een troïka," zei Katina, "en daar ik toch over een uurtje
mijn zuster Juliska uit Slavowitz zou gaan halen, kan ik nu wel
vast inspannen. Bovendien is mijn troïka veel ruimer; we kunnen er
gemakkelijk alle vier in."

Dit was een gelukkige uitkomst, en men nam het aanbod gaarne
aan. Katina ging daarop haar orders geven, en kwam weldra terug, met
een zeer mooien bonten mantel om, gereed voor de reis. Tegelijkertijd
werd een sierlijke, met rood leder bekleede troïka voorgebracht,
waarvan de bespanning uit drie prachtige ponies bestond.

"Ze zijn mooi, niet waar?" vroeg Katina, de beide paarden streelend
die onder den duga of houten boog waren aangespannen, en die bij het
trekken het eigenlijke werk doen. Dit is Elizabeth--die heet naar de
Prinses; en dat Stephanie, naar mijn moeder."

"En de derde?" vroeg Felix.

"O, die maakt alleen parade, maar trekt niet. Omdat ze dus van weinig
nut is, heeft mijn zuster haar natuurlijk Katina genoemd. Nu--wanneer
de heeren klaar zijn....?"

Men stapte in, Katina in het midden tusschen Felix en Paul, Rob tegen
over hen, met den rug naar het paard.

"Reis vanavond niet, vadertjes," zei de istvostchik, toen hij ze zag
instappen, "er wachten u booze dingen."

Katina zette de paarden met een ongeduldige beweging aan.

Paul lachte.

Felix keek ernstig: er was voor zijn gevoel iets wonderlijk
indrukwekkends in de rustige waardigheid van den ouden man, zooals
hij daar op de treden van de herbergdeur stond, met z'n muts in de
hand en z'n blikken naar de sterren gericht.



ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

RUSSAKOFF BEGAAT EEN MOORD.

	Hoe Katina een troïka ment.--Het klooster.--De Russische wijk
	van Slavowitz.--De troïka komt in het gedrang.--Paul wordt
	doodelijk gewond.--Felix, Zabern en het raadselschrift.--Zou
	Rob werkelijk de oplossing gevonden hebben?


Ofschoon Katina alle Russen haatte, had zij toch een eigenschap met
hen gemeen--den hartstocht voor wild rijden.

Met voetgetrappel en luide kreten zette zij de paarden steeds tot meer
spoed aan. Ze had een lange zweep met een kort handvat, en daarmee
knalde ze lustig, doch zonder de paarden te raken. Onder het rinkelen
der zilveren bellen, waarmee de duga was behangen, snelden de vurige
dieren voort alsof ze een wedstrijd met elkaar hielden, terwijl Katina
het span mende met een kracht waarover de drie mannen zich verbaasden.

Was de weg breed, dan spreidde ze de galoppeerende paarden uit als
een waaier; en als de weg zoo nauw was, dat men er nauwelijks langs
kon, dan wist ze de dieren bij elkaar te houden alsof ze bijna geen
ruimte innamen, terwijl ze geen oogenblik de snelheid van het voertuig
verminderde.

Nu en dan stond ze op, boog zich voorover als een menner van
een Romeinsche zegekar, en riep den vrienden vroolijk lachend een
"vasthouden!" toe; in het volgend oogenblik vloog de troïka een steile
helling af--plotseling spatte en plaste het water om hen heen, en
eer men begreep dat het voertuig door een riviertje getrokken werd,
beklommen de ponies alweer den tegenover liggenden oever.

De verrassende kunststukken waarmee deze stoutmoedige bestuurster
nu eens de troïka langs den rand van een kloof joeg, dan weer een
hinderpaal vermeed die zich plotseling in haar weg stelde, gaan alle
beschrijving te boven, en elk oogenblik meende Rob, die nog nooit van
zulk rijden gehoord had, dat de troïka in splinters zou vliegen. De
snelle, wiegende beweging, die sommigen dezelfde gewaarwording geeft
als zeeziekte, was wel vreemd, maar op De Vogel en op het jacht van
Lane was hij aan zulke ondervindingen gewoon geraakt.

"We zullen met deze snelheid den Maarschalk gauw inhalen," zei Felix.

"We volgen denzelfden weg niet," antwoordde Katina. "Ik rijd gewoonlijk
dezen weg, al loopt hij om. En vanavond was het me er om te doen u
dit klooster te laten zien."

Ze bracht de troïka tot staan, en wees naar een reusachtig gebouw,
dat ongeveer honderd meter van den weg lag, en in middeleeuwsche
statigheid tegen den helderen hemel afstak.

"Dit klooster is tevens een sterke vesting en heeft menigmaal
Turksche en Russische legers tegengehouden," zei Katina. "Hoort ge dat
orgel en die zingende monniken wel? Dat klinkt nu al, dag en nacht,
onafgebroken door sedert het Petersburger Congres. Men bidt er voor
de vrijheid van Czernovië. De bewoners zijn in drie deelen verdeeld;
als het eene werkt, rust het andere en zingt het derde. Zoo is het
er geen oogenblik stil. En het heeft nooit aan stemmen ontbroken;
de bewoners worden steeds aangevuld en bestaan grootendeels uit
ontslagen of ontsnapte staatsgevangenen, die Rusland naar Siberië
zond. Verdienen zij niet, dat hun gebed verhoord wordt?"

Katina nam de teugels weer op, en opnieuw vloog de troïka voort,
zoo snel dat ze nauwelijks den grond scheen te raken. Het majestueuse
klooster en de geheimzinnige stemmen verdwenen in de duisternis.

Onophoudelijk vuurde Katina de paarden aan, en een uur na het vertrek
kwam Slavowitz in het gezicht, dat sedert de Russische bedreigingen
in een sterke vesting was veranderd.

"Zal ik de Troitzka Poort doorrijden?" vroeg Katina.

Paul knikte toestemmend.

"Dat spaart een omweg uit," zei hij, "en dan zien we meteen eens hoe
de stemming in het Russische kwartier is."

Maar al te spoedig kwam men, het Troitzkoi Prospekt doorrijdend,
tot de ontdekking dat die stemming alles behalve rustig was. In
Russograd, het kwartier waar door toedoen van Zabern alle Russen of
Russischgezinde personen verplicht waren te wonen, heerschte groote
opgewondenheid, klaarblijkelijk veroorzaakt door het vernemen van 's
Hertogs arrestatie. Ofschoon het reeds laat was, scheen men nog lang
niet van plan te ruste te gaan; mannen en vrouwen verdrongen elkaar
in de straten en bespraken luid en met heftige gebaren de Czernovische
politiek. Russen, Tartaren, Kozakken en andere vreemdelingen, die men
wijselijk, ten einde ze beter in het oog te houden, gezamenlijk in
Russograd liet wonen, vergaten nu hun onderling getwist en verwenschten
eendrachtelijk de vermetelheid van Prinses Elizabeth.

"Ik wou dat die menschen maar wat op zij gingen," zei Katina, die
groote moeite had om haar drie paarden door het gedrang te sturen,
"zoo zullen we er nooit doorkomen."

Daar de straten opgepakt stonden met menschen, en het asfalt door
een regenbui van dien middag wat glibberig was geworden, kon het
voertuig slechts langzaam voortkomen, en zoo vingen de inzittenden
telkens gesprekken op, die om hen heen gevoerd werden.

"Ik zag den Hertog binnenbrengen door de St.-Florian Poort," zei een
vrouw tot een kring omstanders.

"Ze dorsten hem natuurlijk niet door de Troitzka Poort brengen,"
voegde haar man er aan toe, die naast haar stond. Op zijn wang was
een lange streep opgedroogd bloed te zien.

"Hij reed midden in den troep," vervolgde de vrouw, "en toen mijn man:
"Leve de Hertog" riep, gaf een der ulanen hem een slag met zijn lans."

"Ja," riep de man, "en toen de Prinses daarna in haar droschky
voorbijkwam, scheen ze 't zich heelemaal niet aan te trekken dat de
Hertog de gevangenis inging."

"Niet aantrekken, zeg je?" schreeuwde z'n vrouw. "Ik verzeker je dat
ik nooit iemand er zoo blij zag uitzien als zij vanavond. Verbeeld je,
dat zoo'n meisje zoo maar 'n grooten kerel als de Hertog in de doos
kan stoppen! 't Wordt tijd dat er een soldaat aan de regeering komt,
en niet zoo'n kind."

"Dat wordt 't zeker," zei 'n ander. "Bovendien is de Prinses een
vijand van den Czaar. De schoenen die ze draagt, zijn op de zolen
met het portret van den Czaar bedrukt, dan kan zij bij elken stap op
hem trappen."

Deze anecdote, die natuurlijk niet de minste waarheid bevatte, vond
gretig gehoor.

"Ze ontneemt den Hertog zijn bevel over het leger om Zabern in zijn
plaats aan te stellen. En waarom Zabern? Omdat hij een Pool is,
en de Russen haat!"

Intusschen ging de troïka steeds langzamer voort, totdat ze eindelijk
geheel tot staan werd gebracht, omdat de menschen niet konden of
wilden op zij gaan.

"Na pravo!" (naar rechts) riepen zij die links stonden nijdig,
terwijl zij die rechts stonden even nijdig riepen:

"Na levo!" (naar links.)

Ze konden nu geen enkele richting meer uit, en zoo bleef de troïka
midden in een menigte staan, die blijkbaar kwaad in den zin had,
en grootendeels uit het lagere deel der bevolking bestond, dat de
Russen het "Tshornoi Narod" of "Zwarte Volk" noemen.

Russograd was nooit een veilige plaats voor aanhangers van de Prinses,
maar op het oogenblik was hun verschijning voldoende om het fanatisme
van dit gepeupel tot een gevaarlijke hoogte te brengen, te meer daar
men Paul dadelijk herkende als den Secretaris van Elizabeth. Men was
in de troïka slecht voor een verdediging gewapend--Rob en Felix hadden
een stok, Paul geen ander middel om zich te verweren dan zijn vuisten,
en Katina haar zweep. Toch hield men zich kalm, gereed om zoo noodig
van die gebrekkige wapens gebruik te maken.

Katina beproefde nogmaals voorzichtig, de paarden aan te zetten.

"Pas op, menschen!" riep ze, "ga even wat op zij!"

"Pas jij zelf op!" riep een ruwe stem, en een man in een blauwen
kaftan en met een rooden baard greep de teugels van een der paarden
vast. "Wou je over me heen rijden?"

Katina herkende die stem onmiddellijk. Ze sprong op en riep:

"Arresteer dien man! Hij is een ontsnapte gevangene!"

"Arresteer die vrouw!" riep de man met een grijnslach. "Ze is een
ontsnapte gevangene uit Orenburg; de Russische justitie zoekt haar!"

Bevend van woede lichte Katina den zweep op, en zou er den man als
met een sabelhouw het gezicht mee hebben opengereten wanneer Felix
haar niet wijselijk bij den gordel gegrepen en op haar zitplaats
terug gedrongen had.

"En kennen jullie dien man niet?" ging Russakoff voort, op Paul
wijzend. "Dat is de Secretaris van de Prinses--nu weet je al genoeg."

De menigte begon een steeds dreigender houding aan te nemen, zoodat
Paul om zich heen keek om te zien of geen der patrouilles te zien was,
die 's avonds dit kwartier doorkruisten.

"We _moeten_ er door," zei Felix vastbesloten, "Katina--de zweep
er over!"

Alsof Russakoff deze gefluisterde woorden verstaan had, strekte hij
de hand naar Felix uit.

"En dat is de man, die met den Hertog gevochten heeft!" riep hij. "Is
dat rechtvaardig menschen, dat de Prinses hem vrij laat, en den Hertog
gevangen neemt?"

"Gooit ze er uit!"

"Sla ze den kop af!"

"Scheur ze in stukken!"

Felix sprong op, den stok boven het hoofd zwaaiend.

"Vooruit, Katina!" riep hij, dol van woede, toen een steen haar aan
't voorhoofd raakte.

Katina boog achterover, en met een kracht die men niet van haar
verwacht zou hebben, trok ze de teugels zoo strak aan, dat de paarden
gedwongen waren de voorbeenen op te heffen. In de lucht trappelend,
beschreven ze zulke gevaarlijke cirkels met hun hoeven, dat de
dichtstbijstaande menschen angstig terugweken.

Toen legde Katina met geweld de zweep over het span, liet plotseling de
teugels schieten, en met een wilden kreet joeg ze de razend geworden
paarden door de menigte, rechts en links slaande met haar weldra rood
gekleurden zweep.

De menigte week uiteen als water voor den boeg van een schip,
en de troïka schoot als een pijl door de opening heen. Vloeken en
verwenschingen, steenen en stukken hout vlogen het voertuig na, dat
met zware schokken over enkele gevallen menschenlichamen reed. Nog
eenige seconden, en de troïka snelde het Troitzkoi Prospekt af,
de woedende menigte ver achter zich latend.

"Bravo, Katina!" riep Felix. "Dat was maar juist op tijd, Secretaris,"
zei hij, zich tot Paul keerend.

Maar deze antwoordde niet. Met een kreet van ontzetting zag Felix
dat hij een diepe wond in de zijde had, waaruit straalsgewijze het
bloed liep.

"O God!" riep Katina verschrikt, de paarden inhoudend, "men heeft
hem vermoord!"

Ze hief zachtjes zijn hoofd op, en liet het in haar schoot rusten;
intusschen trachtte Felix het bloed te stelpen.

Maar het was te laat.

"Het was Russakoff," stamelde de stervende. "Denk er aan, Felix,
de Furiën--de Furiën--van...."

Hij voltooide dezen zonderlingen zin niet. Nog even bewoog hij de
lippen, en zakte toen ineen--dood.

"Russakoff heeft z'n roebels verdiend," zei Katina somber.

De geheele gebeurtenis was zoo snel afgespeeld, dat het bijna
onmogelijk was aan de werkelijkheid ervan te gelooven; maar
het beweginglooze lichaam duidde daar maar al te zeer op. Een
volle halve minuut staarde Felix hulpeloos op zijn ongelukkigen
broeder. Schrik--verbazing--smart--die allen deden hem verstomd en
radeloos staan; toen wekten die gevoelens voor een oogenblik een
wilde begeerte naar wraak in hem op.

"Ik zal den moordenaar vinden," zei hij, uit de troïka springend. "Ik
zal hem op de plaats neerslaan, al zou het mijn dood zijn."

Maar enkele woorden van Katina brachten hem tot bezinning. Ze greep
hem bij de pols en zei:

"Wie zou er gebaat zijn met uw dood? Ge zult niet gaan. Laat den
moordenaar aan Zabern over, die zal hem weten te vinden. De hemel
zij gedankt, daar is de Maarschalk!"

Werkelijk hoorde men het getrappel van hoeven, en in de richting van
het geluid ziend, bespeurde Felix een troep lanciers met Zabern aan
het hoofd.

Toen de Maarschalk de troïka ontwaarde, hield hij zijn paard in,
en zei:

"Hoe hebt ge 't in 's hemels naam gewaagd op een avond als dezen door
Russograd te rijden?"

Toen zag hij het beweginglooze lichaam in de troïka liggen, en met
een kreet van schrik sprong hij van zijn paard.

"Van Stralen dood! Mijn God, dat is verschrikkelijk! Van Stralen--dien
ik onder de banier van de Prinses hoopte te zien strijden! Dood! En
terwijl hij op het punt stond het cijferbericht op te lossen!"

"Ja, het is verschrikkelijk," zei Felix. "Maar het is nu geen tijd
voor woorden. De moordenaar is onder gindsche menigte, en zijn naam
is Ivan Russakoff."

De naam van den spion werkte als een tooverspreuk op Zabern. Hij gaf
eenige orders, en eenige oogenblikken later werd de samengeschoolde
menigte door tien ulanen met gevelde lansen verspreid; hun doel was
de Troitzka Poort te bezetten en zoo den moordenaar het ontsnappen
te beletten. Zoo snel mogelijk werden ook ten opzichte der andere
poorten dergelijke maatregelen genomen, en de geheele Russische wijk
werd vervolgens behendig binnen een cordon ulanen getrokken. Nieuwe
detachementen en een sterke politiemacht rukten op Zabern's bevel aan.

De Maarschalk zag wel in dat het niet gemakkelijk zou vallen de
bewoners van de vreemdelingenwijk tot het uitleveren van den spion
te bewegen, wiens moord op een gouvernements-beambte hem recht gaf op
hun sympathie. Iedereen zou er trotsch op zijn hem een schuilplaats te
verstrekken. Daarom kon Zabern er niet mee volstaan halve maatregelen
te nemen, maar zou Russograd er eenige uren moeten uitzien alsof de
staat van beleg was afgekondigd.

"Denk er aan, Russakoff moet levend gegrepen worden; zijn dood kan
me van geen enkel nut zijn," zei Zabern. "Maar aarzel overigens niet
geweld te bezigen wanneer er weerstand geboden wordt. Nikita, stijg af,
en help het lijk van den Secretaris vervoeren. Meneer Van Heelstra,
het zou me zeer aangenaam zijn als u en uw reisgenoot me naar het
Paleis wilden vergezellen."

Zabern's uitgebreide voorzorgen mochten niet baten.

Ofschoon alle straten van Russograd werden doorkruist, elk verdacht
persoon ondervraagd, ofschoon de politie alle gebouwen onderzocht,
en de Maarschalk onmiddellijk een instructie deed openen, die den
geheelen nacht voortduurde, en door welker leider een groot aantal
getuigen werden gehoord, kwam men niet tot een resultaat.

Daar de spion na het nemen der militaire maatregelen niet ontsnapt
kon zijn, deed Zabern het onderzoek met ijver voortzetten. 's Morgens
om zeven uur ontbood hij Nariskin, het politiehoofd in Russograd,
en deelde hem mede, dat hij het uit vreemdelingen samengesteld
corps politiebeambten, dat in die wijk dienst deed, zou ontbinden,
en voortaan de vreemdelingenwijk onder het directe toezicht van
Slavowitzsche politie zou stellen. Wanneer Nariskin dergelijke wandaden
als die van den vorigen avond niet voorkomen kon, dan moest het met
de voorrechten van Russograd maar gedaan zijn. Tevens overhandigde
de Minister hem een afschrift van een besluit, waarbij bekend werd
gemaakt, dat de vreemdelingenwijk onder militaire bewaking zou blijven
totdat de moordenaar was uitgeleverd.

Tot Felix zei hij:

"Ik vrees dat dit alles niet veel helpen zal. De heele bevolking van
Russograd doet natuurlijk alles om den spion te verbergen."



In het Paleis, in een der vertrekken die Paul het laatst bewoond had,
lag het lijk van den armen, zoo ongelukkig omgekomen Secretaris. Met
sombere gezichten stonden Zabern en Felix naast den doode, beiden
vervuld van hun zoo uiteenloopende en toch in veel opzichten
overeenstemmende gedachten. Felix sprak de zijne niet uit. Hij
wist, dat hij het groote doel, dat hem steeds voor oogen zweefde,
niet zonder opofferingen zou kunnen bereiken; maar dat hier nu, als
eerste slachtoffer der hem vijandige machten, het ontzielde lichaam
lag van zijn eerst kortelings teruggevonden broeder, greep hem meer
aan dan hij Zabern blijken liet.

"Een droevig lot!" mompelde Zabern, wiens ietwat ruw en onaandoenlijk
gemoed toch ontroerd werd door Paul's ontijdig en tragisch einde. "En
ten deele ben ik daar de oorzaak van."

"Hoe zoo?"

"Het cijferbericht dat ik hem toevertrouwde was de oorzaak van
zijn dood."

"Ge meent, dat hij vermoord werd om te verhinderen dat hij het
ontcijferen zou?"

"Juist. De Hertog deinst voor niets terug om zijn verraad te
verbergen."

"Welk bewijs hebt u voor zijn medeplichtigheid?"

"Bewijzen--geen. Maar ernstige vermoedens genoeg. Gisteren morgen
vernam de Hertog de gevangenneming van Russakoff, en dat Van Stralen
bezig was het cijferbericht te ontraadselen. Het was niet bepaald
mijn doel, dat hij dit vernemen zou; Graaf Radzivil, die wel eens
wat gemakkelijk aan 't praten te brengen is, vertelde het hem. Nu,
't doet er betrekkelijk weinig toe; bovendien hecht ik niet veel aan
geheimzinnigheid. Mijn ondervinding heeft me geleerd, dat men zelfs
in de gewichtigste politieke kwesties de grootste openhartigheid kan
gebruiken. Geheimhouding leidt tot niets, wekt achterdocht. Niets
brengt zoo zeer op een dwaalspoor als eerlijkheid.

"Maar ter zake. Radzivil meende te merken, dat de Hertog lang niet
op z'n gemak was toen hij van de arrestatie hoorde. Eigenaardig is
't dat daarna de Hertog een inspectie-bezoek bracht aan de Citadel,
in z'n kwaliteit als Leger-Commandant natuurlijk. En nog eigenaardiger
is, dat twee uur later Russakoff's cel ledig gevonden werd. Hoe? Groot
is de macht van den roebel!"

"Als de Hertog die macht nu ook maar niet te baat neemt!"

"Ik heb zorg gedragen, dat zijn bewaking aan vertrouwde personen
is overgelaten. Maar om op den cijferbrief terug te komen. Die is
nog steeds een geheim. En Van Stralen was juist den sleutel op het
spoor! Sprak hij daar niet over onderweg? Gaf hij u geen enkele
aanwijzing?"

"Niets."

"De inhoud van dien brief," zei Zabern, "zou ons de gelegenheid geven
Rusland's geheime plannen te ontmaskeren, maar helaas! waar zullen
we den uitlegger vinden!"

De beide mannen hadden onder deze woorden het vertrek verlaten en
begaven zich in Zabern's studeerkamer. De zeer ruime en practische
inrichting van het Paleis liet namelijk toe, dat een vleugel geheel
aangewezen was voor vergaderzalen, bureau's voor elk der Ministers,
archieven, bibliotheken enz.

Op de gang kwam Rob hen tegemoet, die evenals zij en Katina alles
gedaan had om de zaak tot klaarheid te brengen. Katina was ten slotte
bij kennissen eenige rust gaan zoeken, en Rob was juist van plan
Felix voor te stellen naar het hotel te gaan, daar hij doodmoe was.

Zabern, de man van ijzer en staal, glimlachte even toen hij het
vermoeide gezicht van den jongen Hollander zag. Maar hij zei dadelijk:

"De heeren zullen naar rust verlangen. Ik heb een kamer met twee bedden
doen inrichten naast mijn studeervertrek. U zult me een genoegen doen
daarvan gebruik te maken."

Felix en Rob namen het aanbod dankbaar aan; de weg naar het hotel was
lang, en ze zouden zeker nergens zoo rustig slapen als hier. Bovendien
zag Felix in de tegemoetkomingen van Zabern een poging om hem
en Rob aan zich te verbinden, waartegen hij niets geen bezwaar
had. Integendeel, door zich den Maarschalk tot vriend te maken,
hoopte hij zijn doel des te sneller te bereiken.

"Goedennacht, heeren," zei Zabern, en voegde er glimlachend aan toe:
"droom niet van het cijferschrift!"

"Naar aanleiding van dat cijferschrift wilde ik u graag iets vragen,
Excellentie," zei Rob op eens.

Felix keek hem verbaasd aan.

"En dat is?" vroeg Zabern.

"Ik bedacht me zooeven, dat we misschien te weinig waarde hechtten
aan de laatste woorden van den Secretaris...."

"Wat waren die dan?"

"Denk er aan," zei hij, "het zijn de Furiën!"

"De Furiën?" vroeg Zabern verwonderd, "wat kan hij daarmee bedoeld
hebben?"

"Ik voor mij heb er niet anders in gezien dan onsamenhangende woorden,
die hij zonder bewustzijn uitsprak, misschien verward door pijn en
doodsangst," zei Felix.

"Het is mogelijk," vervolgde Rob, "maar ik heb zoo'n voorgevoel, dat
die woorden niet alleen een bepaalde bedoeling hadden, maar zelfs in
verband stonden met het cijferschrift."

Zabern en Felix zagen hem ongeloovig aan, tegelijkertijd toch in
hun wanhopen aan de oplossing Rob's vermoeden aangrijpend als den
stroohalm, waarnaar de verdrinkende grijpt.

"En wat meer is," zei Rob, "ik meen zelfs met behulp van die woorden
den sleutel op het spoor te zijn."

"Is het mogelijk!" riep Zabern verrast.

"Zoudt Uwe Excellentie mij het document, of een afschrift ervan,
gedurende enkele uren willen afstaan?"

Zabern's gelaat drukte aarzeling uit. Zou het voorzichtig zijn,
zulke belangrijke staatsgeheimen in handen te geven van iemand,
dien hij eerst sedert enkele uren kende?

Rob begreep zijn aarzelen.

"Sluit me desgewenscht onder bewaking op, Excellentie. Bovendien
wil ik u elke verklaring afleggen, die ge ten opzichte van mijn
vertrouwbaarheid verlangt."

Maar Zabern's bezwaren waren reeds verdwenen.

"Ge zult den brief hebben," zei hij. "'t Is waar, ik bezit alle
middelen om mij tegen verraad uwerzijds te waarborgen. Vergeef me dat
ik zoo spreek; het belang van den Staat gaat vóor alles, ik behoor
daaraan desnoods iedereen, zelfs u, die ik in dezen korten tijd reeds
leerde waardeeren, op te offeren. Maar weest verstandig, gaat nu beiden
eenige uren slapen, en begeef u dan met frisschen moed aan het werk."

De beide vrienden namen dezen raad. ter harte, en zochten de voor
hen bestemde kamer op.

Toch konden ze den slaap niet dadelijk vatten. Nog eenigen tijd
bespraken ze de gebeurtenissen van dien dag, herdachten weemoedig den
dood van Paul, en verwonderden zich over de merkwaardig openhartige
politiek van Zabern, die toch zoo zeker van zijn daden en woorden
scheen te zijn.

"Dat is een merkwaardig man," zei Felix. "Hij kan ons tot een machtig
vriend en helper worden, maar reken er op, dat hij ons ook zou weten
te treffen, wanneer we verraders bleken te zijn."

Hij zweeg eenige oogenblikken en vervolgde toen:

"Alles gaat goed. Beter dan je misschien denkt, Rob. Al deze verwarde
avonturen zullen ons ten slotte tot ons doel brengen; ik zie den weg
reeds duidelijk voor me afgebakend liggen."

Ze hadden zich intusschen ontkleed, en stapten in bed.

Na een oogenblik vroeg Felix:

"Waarin ligt nu de beteekenis van Paul's laatste woorden? Je hebt me
vreeselijk nieuwsgierig gemaakt."

Maar Rob antwoordde niet. Hij was, door vermoeienis overmand, in een
vasten slaap gevallen.

"Verwonderlijk," dacht Felix, terwijl hij ook langzamerhand zijn
bewustzijn voelde wegvloeien. "Wie had gedacht, dat ik nu reeds onder
éen dak met Elizabeth zou zijn! En louter door een toeval!"

Toen sliep hij in.



ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

FELIX EN ELIZABETH.

	Felix wordt bij de Prinses ontboden.--Het
	weerzien.--Wederzijdsche ontboezemingen.--Felix wordt tot
	Secretaris benoemd.--


Na eenige uren rust genoten te hebben, stond Felix op, van plan
om naar het hotel terug te gaan en met Rob nader het cijferschrift
te bekijken. Juist toen hij echter Rob wekken wilde, werd er aan de
deur geklopt, en werd hem bericht, dat de Prinses, vernomen hebbende,
dat de vreemdeling die bij den dood van haar Secretaris aanwezig was,
zich in het Paleis bevond, hem in een particuliere audiëntie wenschte
te ontvangen.

Felix begreep, dat deze audiëntie geen zeer officiëel karakter zou
behouden, en hij voelde een diepe ontroering bij de gedachte dat hij
binnen enkele oogenblikken met Elizabeth alleen zou zijn. Hij hield
zich tegenover den lakei echter goed, en maakte eenige bedenkingen
wat betrof zijn toilet, vragend of er tijd was om zich in het hotel
te gaan verkleeden. De lakei deelde hem evenwel mee, dat de Prinses,
de omstandigheden begrijpend, genoegen zou nemen met de kleeding die
de bezoeker op dit oogenblik aanhad.

Felix werd nu naar een vertrek geleid, waar een kamerheer hem
opwachtte, die het noodig oordeelde hem in te lichten omtrent de
etiquette, waaraan hij zich te houden had, namelijk dat hij behoorde
te blijven staan zoo hij niet tot zitten werd uitgenoodigd; dat
hij slechts de vragen te beantwoorden had die hem gedaan werden en
overigens uit zichzelf geen opmerkingen mocht maken; dat hij eerst
kon heengaan als de Prinses het teeken daarvoor gaf, en dat hij het
vertrek achterwaarts behoorde te verlaten, met het gezicht naar de
Prinses gericht.

Felix hoorde hem geduldig aan, en moest onwillekeurig glimlachen als
hij dacht aan de wijze waarop hij deze voorschriften ten uitvoer zou
brengen. Ook trof hem het eigenaardige verschil in zijn verhouding tot
Elizabeth, als hij den tegenwoordigen toestand vergeleek bij dien van
enkele jaren geleden: toen waren ze beiden zorgelooze kinderen, die
elkaar liefhadden, en dacht hij slechts vaag aan de mogelijkheid dat
hij eenmaal zijn vader in diens hooge betrekking zou kunnen opvolgen;
nu was hij een zwervend avonturier--zij Prinses van Czernovië,
geroepen om over enkele jaren een koningstroon te bestijgen! En wie
zou zeggen, welke wonderbaarlijke veranderingen de toekomst nog voor
hen verborgen hield?

Toen Felix het Witte Salon binnentrad, zag hij Elizabeth aan een
schrijftafel zitten, met een potlood aanteekeningen makend op
een stapel voor haar liggende papieren. Ze had een ivoorkleurige
satijnen japon aan met een overkleed van witte tulle, dat schitterde
van zilveren borduursels. Klaarblijkelijk was ze in een zenuwachtigen
toestand. Het potlood beefde in haar vingers. Ze keek niet naar Felix,
maar hield de oogen op de papieren voor haar gericht.

Nauwelijks was de kamerheer verdwenen, of ze stond op en snelde
op Felix toe. Hij breidde de armen uit en sloot haar aan zijn
borst. Eindelijk hadden ze elkaar dan wedergevonden!

Toen de eerste vreugde van het wederzien voorbij was, zei Elizabeth:

"Ga daar zitten. En laten we voorzichtig zijn. In dit Paleis hebben
de muren ooren. Vertel me nu: hoe kom je hier? waar heb je dien tijd
van onze scheiding doorgebracht?"

Felix deed nu het geheele verhaal. Hoe hij met De Vogel had
rondgezworven, de inrichting van het luchtschip in dien tijd steeds
verbeterend, en het juiste tijdstip afwachtend om in Czernovië zijn
slag te slaan; hoe hij Rob had leeren kennen, en hoe deze zich aan hem
had gehecht; hoe De Vogel was verongelukt en hij een oogenblik gevreesd
had alle hoop te moeten opgeven; hoe het geluk hem echter gediend
had en hij den weg meende gevonden te hebben die naar het doel kon
leiden. Kortom, Felix bracht Elizabeth geheel op de hoogte, verhaalde
ook dat zijn overige lotgenooten in Turksche gevangenschap verkeerden,
maar dat het voor 't oogenblik verstandig leek geen pogingen tot hun
bevrijding in 't werk te stellen, hoe hard hun lot ook was. Voorloopig
was het beter dat men hen allen, vurige vaderlanders, voor dood
bleef houden; nu zij hun sterkste wapen, De Vogel, verloren hadden,
was hun kracht meer in een voorzichtig en bedekt optreden te vinden.

Elizabeth bracht hem, voor zooveel noodig, op de hoogte van den
politieken toestand. Die was ongetwijfeld zeer moeielijk. Het aantal
vreemdelingen in Czernovië vormde verreweg de minderheid en voor
ernstige binnenlandsche onlusten behoefde geen vrees te bestaan. De
betrekkingen tot het buitenland, vooral die tot Rusland, waren echter
zeer gespannen. De Czaar wenschte beslist, dat Elizabeth den Hertog
van Bora zou huwen; hij had geduld, hij kon wachten, wilde zelfs niets
liever dan den schijn bewaren dat Elizabeth uit zichzelf tot dit
huwelijk had besloten--maar zoo Elizabeth den toestand al slepende
trachtte te houden, rekenend op Rusland's geduld, begreep ze toch
dat dit spel hoogstens een jaar te spelen zou zijn. Dan zou de Czaar
niet aarzelen door dwang te verkrijgen, wat men hem goedschiks niet
geven wilde. En in deze moeielijke omstandigheden had ze een Kabinet
naast zich, dat uit zeer verschillende bestanddeelen was samengesteld,
waarvan ze slechts enkele leden geheel durfde vertrouwen. Op Zabern was
al haar hoop gebouwd. Wel werd deze door andere beweegredenen geleid
dan zij, maar zijn aanhankelijkheid was onverdacht. En eigenlijk was
met Zabern de eenige Minister genoemd, op wiens politiek, zoowel
tegenover binnen- als buitenland, zij geheel vertrouwen durfde;
Radzivil, de Premier, hoewel ongetwijfeld de Prinses zeer toegedaan,
was geen krachtige figuur, meer hoveling dan staatsman; Ravenski, te
laf om verraad in het groot te plegen, werd zoozeer door zijn eigen
belangen en begeerten gedreven, dat hij nooit iets voor anderen
zou kunnen beteekenen; de Hertog--nu, diens Russische gezindheid
was onverdacht; en wat de overigen aangaat--meerendeels twijfelaars,
mannen wier Ministerschap hun ijdelheid bevredigde, en die niet graag
openlijk partij kozen in een zaak die hun gevaarlijk kon worden. Ten
slotte vertelde Elizabeth nog van de onvoorzichtigheid die ze eens
begaan had, aan Paul te vertellen hoe ze altijd hoopte een middel
te vinden om haar huwelijk met Bora te verijdelen, en op welke wijze
Ravenski van die bekentenis misbruik had weten te maken. Hij was dus
de eenige die haar geheim kende, want--al steunden ook Radzivil en
Zabern haar plannen, geheel uitgesproken had ze die tegenover hen
nooit. In zoover kwamen nu echter Felix, Zabern en zij zelf overeen,
dat de Hertog op de een of andere, mits wettige, wijze op zij geruimd
moest worden; daarin lag althans een middel om de onderhandelingen
met Rusland langer slepende te houden. En de omstandigheden hadden een
begin van uitvoering aan dit plan gegeven, al waren op het oogenblik
de gevolgen die er uit zouden voortkomen, nog niet geheel te overzien.

"Voor jou te kunnen leven en voor mijn volk!" zei Elizabeth, "ziedaar
de illusie die ik verwezenlijkt hoop te zien!"

Toen kwam het gesprek op Paul en zijn treurigen dood.

"Een verschrikkelijke gebeurtenis is dat," zei Elizabeth bewogen. "Je
was getuige van den moord, vertel me alles er van!"

Felix deed het geheele verhaal, dat, op zichzelf reeds droevig, nog
pijnlijker voor Elizabeth werd door de gedachte, dat het ongeval zoo
spoedig nadat zij hem als secretaris ontsloeg, plaats gegrepen had. De
ontroerde uitdrukking van zijn gelaat, waarmee hij haar beslissing had
vernomen, zou nooit uit haar herinnering gaan. Ze gevoelde het verlies
diep, te meer daar hij niet alleen haar trouwe helper, maar ook haar
trouwe vriend was geweest; en langen tijd zat ze met Felix over hem
te spreken, over zijn aanhankelijkheid en zijn uitstekende diensten.

"Ik zal een nieuwen Secretaris moeten benoemen," zei ze. "Felix--jij
moet zijn plaats innemen. Wil je dat?"

Geen betrekking kon hem meer aanlokken dan die; hij zou er door in
dagelijksch gezelschap van Elizabeth zijn. Maar hij voelde toch ook
de bezwaren ervan.

"Zal die benoeming geen aanstoot geven?"

"Waarschijnlijk wel; aan sommigen ten minste. Maar ik kan daarmee geen
rekening houden. Het Czernovische deel der bevolking keurt al wat ik
doe onvoorwaardelijk goed; de Russischgezinden zullen natuurlijk de
noodige tegenwerpingen maken. Maar wat hindert dat!"

"Men zal 't verdacht vinden, dat je mij kiest, een vreemdeling,
dien je gisteren voor het eerst zag."

"Het ambt van Particulier Secretaris is geen officieele betrekking;
de keuze van den persoon is geheel aan mij. Het kan heeten dat ik,
juist om beide partijen tevreden te stellen, een vreemdeling kies,
en dat jij daartoe in aanmerking kwam omdat je getoond hebt, mijn
belangen te behartigen."

Felix voelde zich nog niet geheel gerustgesteld, maar hij zag toch
te veel voordeel in het plan om er niet op in te gaan.

"Welnu, Hoogheid," zei hij schertsend, "ik neem de benoeming aan!"

"Dat is goed! Je zult zien, dat het minder verbazing zal wekken dan je
denkt. Men is hier aan vreemde dingen gewoon, en men weet bovendien dat
ik doorgaans doe wat ik zelf wil. En nu moeten we onze maskers weer
opzetten en onze rol behoorlijk spelen, want ik zal den Maarschalk
Zabern doen roepen, opdat hij mijn besluit verneemt."

Elizabeth gaf orders den Maarschalk te doen ontbieden, en deze liet
zich spoedig daarna aandienen.

Toen hij binnentrad, zag hij Felix scherp aan, als verwachtte hij
op diens gelaat iets te zullen lezen omtrent den aard van zijn
langdurig onderhoud met de Prinses. Maar Felix was, als hij wilde,
even ondoordringbaar als Zabern zelf, en zijn gezicht verraadde niets.

"Welk nieuws is er omtrent Russakoff?" vroeg de Prinses.

"Het spijt mij, Hoogheid, te moeten melden dat de spion nog niet
teruggevonden is."

"Het zal hem blijken, dat hij niet veel gewonnen heeft door een man,
die mij trouw was, te dooden om zijn Hollandsche afkomst. Want ik heb
hem vervangen door een anderen Hollander, die nu reeds getoond heeft
mij even trouw te zullen zijn. Maarschalk--mijn nieuwe Secretaris."

Zabern boog.

"Het kabinet zal zeker met die benoeming ingenomen zijn," antwoordde
hij.

"Het is een aangelegenheid, Maarschalk," antwoordde Elizabeth hoog,
"die buiten de waardeering van het Kabinet valt."

Zabern ging op een ander onderwerp over.

"Hoogheid, de Hertog van Bora verzoekt U een vraag te mogen stellen."

"En die is?"

"Zijne Genade zou gaarne weten hoe lang zijn gevangenschap duren zal."

"In elk geval totdat deze striem van het gelaat van mijn Secretaris
verdwenen is. Overigens verzoek ik u de zaak voor het Hooggerechtshof
aanhangig te maken, geheel volgens de daarvoor gestelde regelen. Wil
ook dit den Hertog mededeelen."

"Het zal mij een genoegen zijn, Hoogheid," antwoordde Zabern ironisch,
"den Hertog Uw beslissing over te brengen."



NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

EEN STAALTJE VAN SCHERMKUNST.

	De Minister van Financiën en de Commandant der Citadel.--Een
	opstootje in de Kamer.--Wat het orkest van Mengelberg op z'n
	geweten heeft.--Felix verslaat zes tegenstanders.--De Furiën!--


Toen Zabern en Felix, die gezamenlijk het Paleis hadden verlaten,
het park doorstaken, kwamen hen twee heeren, waarvan een in uniform,
tegemoet, aan wie Felix door Zabern werd voorgesteld.

De jongere van de twee, die blond haar had, blauwe oogen, en een
gezicht dat op een doorloopend goed humeur scheen te wijzen, was
Dorislas, de Minister van Financiën. De ander, die er 'n beetje knorrig
uitzag, was Miroslav, de Commandant van de Citadel, en, zooals Zabern
er bijvoegde, "op het oogenblik de bewaker van den Hertog."

"Ja--de Hertog!" zei Dorislas tot den Commandant. "Ik verwonder me
erover, dat ge de citadel nog niet tegen geweld te verdedigen gehad
hebt. Zullen onze vrienden in Russograd niet in verzet komen?"

"De citadel heeft dikke muren," antwoordde de Commandant alleen.

"En ik heb last gegeven," voegde Zabern er bij, "den Hertog te
doen fusileeren, wanneer de bevolking hem met geweld zou trachten
te bevrijden."

"Geen halve maatregel!" lachte Dorislas. "En vindt de Prinses dat
goed?"

"Waarschijnlijk niet," antwoordde Zabern droog. "Maar ook in het meest
verlichte land moet men onder dringende omstandigheden z'n toevlucht
tot geweld nemen. Bovendien ben ik tot Minister van Oorlog ad interim
aangewezen. Desverkiezend kan ik in geval van dreigend gevaar van de
zijde der vreemdelingen, tot buitengewone maatregelen overgaan."

"Je spreekt erover, collega," schertste Dorislas, "alsof je er naar
verlangt, dat ze herrie zullen gaan maken!"

Dorislas en Miroslav waren, zooals bleek, op weg naar de schermzaal,
die midden in den Hoftuin stond. Het was hun gewoonte daar elken dag
bijeen te komen om zich in de behandeling der wapenen te oefenen,
een gewoonte, die in Czernovië, waar lichaamsoefeningen hoog staan
aangeschreven, niets buitengewoons heeft. Het Gouvernement moedigt
er het verstandig ontwikkelen van lichamelijke kracht zeer aan;
op alle lagere scholen behooren gymnastiek, zwemmen en schermen tot
de verplichte leervakken, aan de inrichtingen van hooger onderwijs
zijn daaraan ook oefeningen in het paardrijden, roeien en schieten
toegevoegd.

Zabern noodigde Felix uit mede een kijkje te gaan nemen in de
schermzaal.

"En het cijferschrift, maarschalk?" zeide de nieuwe Secretaris.

"Ik sprak uw jongen vriend zooeven," antwoordde Zabern. "Hij wilde me
nog niets zeggen, maar ik zag aan zijn gezicht dat hij goed op weg
was. Mij dunkt, het werk is aan hem toevertrouwd. Laten we hem niet
storen. En wat ons beiden betreft, we hebben afleiding verdiend. Een
partij sabel zal ons naar geest en lichaam verfrisschen."

Felix had geen verdere bezwaren, en terwijl hij zich bij den Commandant
voegde, volgde Zabern met Dorislas op eenigen afstand.

"Maarschalk, wat beteekent dezen geheimzinnige geschiedenis?" vroeg
de Minister van Financiën met een zijdelingschen blik op Felix. "Er
loopt een vreemd gerucht, dat hij en de Prinses elkaar vroeger gekend
hebben, en dat dit bleek uit een gesprek tusschen hem en den Hertog
op de veranda van het Hotel Czernovië--van welk gesprek een kelner
iets schijnt te hebben opgevangen. Op dat gesprek volgt een duel
met den Hertog; de Prinses, daarvan onderricht, snelt den Hollander
te hulp, verwijst haar aanstaanden Gemaal naar de citadel, maar laat
den anderen duellant ongemoeid. En nu brengt u het verrassende nieuws
dat de Prinses dezen Van Heelstra haar Secretaris heeft gemaakt. Wat
beteekent dit alles?"

"Vraag dat Hare Hoogheid," zei Zabern droog, en van onderwerp
veranderend, voegde hij er bij: "gebeurde er iets bizonders in de
kamerzitting gisteravond?"

"Wat, Maarschalk! hebt ge daarvan niet gehoord?" riep Dorislas,
terwijl zijn gezicht de uiterste verbazing te kennen gaf.

"Gehoord? Ik heb niets gehoord. Ik ben tot zeven uur in den morgen
bezig geweest met het spoor van dien Russakoff te zoeken, en daarna
heb ik geslapen. Wat voor nieuwe dwaasheid hebt gij en de rest van
het Ministerie dan weer in mijn afwezigheid uitgehaald?"

"Wel, er werd ter sprake gebracht, dat de Czaar zich zeer duidelijk
had uitgelaten over het huwelijk van de Prinses met den Hertog van
Bora; de Russisch-gezinde afgevaardigde Lojgoroucki vroeg daaromtrent
nadere inlichtingen aan de Regeering, en sprak de wenschelijkheid uit,
dat men omtrent de gevoelens der Prinses aangaande deze omstandigheid
nauwkeurig werd ingelicht."

"Dat is nog al brutaal. En--werd hij op z'n nummer gezet?"

"Radzivil antwoordde voor zijn doen zeer voorzichtig, wees er op dat
de persoonlijke gevoelens van de Prinses geen regeeringszaak waren."

"En zoo liep alles zeker met een sisser af?"

"Het zou zeker zoo gegaan zijn, als de uitgever Lipski, de
afgevaardigde der Slavowitzsche Russen, den boel niet bedorven
had. Hij haalde een nummer van zijn avondeditie uit den zak, en
las een stuk voor, waarin leelijke noten gekraakt worden over de
gezindheid der Prinses tegenover Rusland, ja, waarin zelfs gewezen
wordt op de mogelijkheid van een staatsgreep, door de partij der
Prinses te ondernemen. Lipski verklaarde, de verantwoordelijkheid voor
het artikel in de Kolokol niet op zich te willen nemen, maar daar
hij verzekeren kon, dat het afkomstig was van een hooggeplaatst,
invloedrijk en welingelicht persoon, meende hij toch dat het de
aandacht der Volksvertegenwoording ten zeerste waard was."

"De vent liegt natuurlijk alles," viel Zabern hem in de rede. "Dat
artikel zal hij zelf wel geschreven hebben."

"Juist toen hij uitgesproken had," vervolgde Dorislas, "drong
het bericht van de arrestatie van den Hertog in de vergaderzaal
door. Een onbeschrijfelijk tumult greep plaats. Allen schreeuwden
door elkaar. "Dat is de staatsgreep!" riepen de Russen. "Gooit
de vreemdelingen er uit!" riepen de Czernoviërs. Het lukte den
voorzitter niet de orde te herstellen, en de vergadering werd een
half uur geschorst."

"Hij had dien Lipski door de boden er uit moeten laten zetten,"
bromde Zabern. "En toen?"

"Een half uur daarna zette men de vergadering voort. Lipski diende een
motie in, luidend, dat de Kamer de zienswijze der Regeering wenschte
te vernemen omtrent haar gedragslijn tegenover de Russische eischen
nopens het huwelijk der Prinses."

"De vlegel! Natuurlijk juichten de Russen. Was Ravenski er?"

"Neen. Hij waagt zich niet graag in 't gewoel, en verkoos de Opera
boven de Kamer."

"De lafaard! Ik wou dat ik er geweest was!"

"In de Opera? Nu, dat was wel de moeite waard, want...."

"Geen gekheid. Wat gebeurde er daarna?"

"Wel, men begon over de motie te stemmen. En ze werd aangenomen."

"Aangenomen? Terwijl de vreemdelingen in de minderheid zijn?"

"Vergeet niet, dat Mengelberg hier gisteravond was."

"Mengelberg?" vroeg Zabern. "Wie is dat? Wat had die in de Kamer
te maken?"

"In de Kamer?" lachte Dorislas. "Daar was hij niet. In de concertzaal
van de Opera. Maar u weet toch wel wie Mengelberg is! Heel de wereld
kent hem."

"De duivel mag hem halen. Verder."

"Wel, bijna alle leden van onze partij woonden het concert bij. Men
speelde de Piet-Hein-Rapsodie van Van Anrooy. Prachtig. Subliem. Jammer
dat u er niet was. Ze waren er bijna allemaal, onze partijmannen."

"Een zekere ezel, Dorislas genaamd, niet uitgezonderd. Maar wat
drommel, liet Radzivil jullie dan niet door soldaten naar de Kamer
sleepen?"

"Radzivil zond Opalinski naar de Opera. Opalinski kwam binnen. Juist
had Mengelberg den dirigeerstok opgeheven. Opalinski's schoenen
kraakten. Mengelberg keek hem zoo doordringend aan, dat hij geen voet
meer dorst verzetten. De muziek begon, en toen het stuk uit was,
was de motie aangenomen. Toen we de Kamer binnenkwamen, werden we
door het hoongelach der Linkerzijde begroet."

"Nu--laat ze plezier hebben van hun motie. Ik zal Radzivil wel
dicteeren wat hij er op antwoorden moet."

Het viertal had nu de schermzaal bereikt. Boven den ingang wapperde de
Czernovische vlag--rood-wit-blauw, met een gouden ster in het midden.

Zabern wees naar de vlag. "De ster is er nog," zei hij. "De leid-ster
van Czernovië. En zoo lang ik er ben, zal ze niet uitdooven."

Men ging naar binnen. Daar dit gebouw gedurende Felix' afwezigheid was
gesticht, behoefde hij geen verwondering te veinzen over de grootsche
inrichting er van. Trouwens, er was onder Elizabeth's bestuur zooveel
ontstaan en gewijzigd, dat het Felix doorgaans gemakkelijk viel
niet te verraden dat hij een geboren Czernoviër was. Zijn hem zelden
verlatende kalmte, en de gewoonte om weinig te spreken, kwamen hem
daarbij te hulp.

Door een ruime en koele voorhal bereikte men een enorme zaal, versierd
met wapenrustingen, zwaarden, musketten, pistolen, schilderijen van
veldslagen en wapenfeesten, en portretten van beroemde schermers.

"Als het aan mij lag," zei Zabern, "zou ik ieder, die in een
verantwoordelijke betrekking voor bevordering werd voorgedragen,
hier willen brengen. Een partij sabel van tien minuten zou me beter
inlichten omtrent z'n karakter dan een onderzoek of een examen van
een maand."

Felix maakte deze woorden, in verband met zijn benoeming tot
Secretaris, onwillekeurig op zichzelf toepasselijk, en hij begreep
wederom dat Zabern ook nu van zins was hem--in wien hij een aanhanger
van zijn plannen vermoedde--nader op de proef te stellen en te
leeren kennen.

Onder de hooggeplaatste personen en officieren, die zich in de zaal
bevonden, merkte Felix ook Graaf Radzivil op, en het trof hem dezen
zeventigjarigen man te zien aanvallen en pareeren met al de lenigheid
van een jongen van zestien. Maar meer nog verraste hem een aantal
dames, die aan het andere einde der zaal aan het schermen waren; Zabern
vertelde hem dat de doctoren deze oefeningen zeer hadden aanbevolen,
en dat de Czernovische dames er blijkbaar behagen in hadden. Ook
maakte hij hem opmerkzaam op een afgescheiden deel der zaal, dat
op bepaald verlangen der Prinses voor iedereen toegankelijk was;
op dit oogenblik waren er twee meisjes aan het schermen, in een van
wie Felix dadelijk Katina herkende, terwijl Zabern hem vertelde dat
de andere haar zuster Juliska was.

Toen Zabern binnenkwam, hadden de meesten hun partijen gestaakt, en
men zag met eenige nieuwsgierigheid naar den vreemdeling dien hij
meebracht. Zabern stelde Felix aan het gezelschap voor, en weldra
begreep ieder dat dit de merkwaardige Hollander moest zijn die
het gisteren tegen den Hertog had durven opnemen. Er ontstond een
gefluister, er werden blikken gewisseld, en ten slotte zei Zabern
lachend tot Felix:

"Deze dames en heeren zijn benieuwd, eenige staaltjes van uw
schermkunst te zien, opdat men er zich een denkbeeld van kan vormen
hoe het duel van gisteren ongeveer afgeloopen zou zijn."

Felix verklaarde zich bereid een of meer partijen te trekken, hopend
dat zich iemand als zijn tegenstander zou willen beschikbaar stellen.

"We hebben hier," zei Zabern, "de zes beste schermers in Czernovië
na den Hertog. Wanneer ge een van hen kunt verslaan, zullen we ons
eenig denkbeeld kunnen vormen van hoe het hem onder uw handen vergaan
zou zijn."

De zes kampioenen waren, in volgorde van hun verdienste: Zabern,
Miroslav, Dorislas, Radzivil, Brunowski, de President der Kamer,
en Nikita, de ordonnans van Zabern.

"Wanneer we een zevende moesten kiezen," fluisterde Zabern tot Felix,
"ik verzeker u, dan zou die geen man zijn, maar niemand anders dan
Katina."

Felix voorzag zich van een scherm-sabel en zeide, gereed te zijn
een der genoemde heeren, of zoo men wilde, allen achtereenvolgens,
te ontmoeten. Daar hij niet geneigd was zelf een tegenstander aan
te wijzen, ontstond er een vriendschappelijke woordenwisseling over
de vraag wie zich het eerst zou aanbieden. Na eenige aarzeling trad
Graaf Radzivil naar voren.

Allen kwamen naderbij om het gevecht goed te kunnen zien. Er werden
stoelen voor de dames in een kring gezet, en de heeren stelden zich
daarachter op.

Felix begreep wel, dat volstrekt niet alle aanwezigen hem gunstig
gestemd waren. Men kende hem nauwelijks bij naam, en bovendien zou
menigeen weinig gesticht zijn over zijn benoeming tot Particulieren
Secretaris, een betrekking die menigeen in stilte begeerde, en die
nu toegewezen was aan een onbekende, al was hij dan ook door zijn
nationaliteit aan Czernovië verwant. Deze omstandigheid prikkelde
Felix te meer om zich tot het uiterste in te spannen.

Toen hij tegenover Radzivil stond, was het hem eerst een vreemde
gewaarwording een zoo veel ouderen tegenstander te moeten bestrijden;
weldra bleek hem echter dat Radzivil's arm niets van zijn jeugdige
kracht of lenigheid had verloren. Felix was niettemin beslist de
meerdere; binnen vijf minuten slaagde hij er in den Graaf verscheiden
houwen toe te brengen en hem ten slotte te ontwapenen. De sabel vloog
door de lucht en zou Katina getroffen hebben, wanneer deze niet met
haar schermdegen behendig een afwerende beweging had gemaakt.

Zabern, die met een onbewegelijk gezicht had staan kijken, scheen
ingenomen met den uitslag.

"Dat kan den beste gebeuren!" zei Dorislas, overtuigd dat de Premier
toch de sterkste van beiden was. Hij zelf volgde op Radzivil, en weer
stond Zabern elke beweging van Felix met aandacht te beschouwen.

Dorislas was een beter schermer dan Radzivil, maar ditmaal had zijn
driftig verlangen om de eer van Czernovië te wreken hem te pakken;
hij maakte te weinig werk van zijn verdediging, viel te onstuimig en
roekeloos aan, en in korter tijd dan de eerste maal was het Felix
gelukt hem herhaaldelijk eenige houwen toe te brengen, zonder zelf
een enkele maal getroffen te worden.

"Mooi zoo!" zei Zabern, klaarblijkelijk zeer in z'n schik. "Dat kan
den beste gebeuren, Dorislas!"

Dorislas zag zoo beteuterd rond bij dit zoo weinig verwachte resultaat,
dat de toeschouwers onwillekeurig in lachen uitbarstten.

"Zeg maar niets, Dorislas!" werd er geroepen, "je bent immers
morsdood!"

Felix begon in hun achting te stijgen.

Daarna waagde Miroslav een partij, en opnieuw keek Zabern zoo gespannen
toe, dat het wel leek of zijn eigen leven van den afloop afhing.

Gebruik makend van de les die Dorislas ontvangen had, begon de
Commandant zeer voorzichtig en kalm, hoofdzakelijk de slagen
afwerend. Toen hij echter eenige malen, door de afwering heen,
getroffen werd, verdween zijn bedaardheid gauw. Hij gaf Felix meer
moeite dan zijn voorgangers, maar ten slotte werd ook hem de sabel
uit de hand gewrongen.

Zabern verkneukelde zich.

"Dat is boffen, en geen schermkunst!" riep Miroslav opgewonden. "Ik
moet nog een partij met u doen, meneer Van Heelstra; dat loopje zal
u geen tweede keer lukken."

Felix was hier dadelijk toe bereid, maar verscheidene heeren
protesteerden. De Hollander had volgens hen niets ongeoorloofds gedaan,
en er was geen enkele reden waarom Miroslav een kans meer zou krijgen
dan de anderen.

"Miroslav schijnt in een slecht humeur vandaag," fluisterde een dame
tot den achter haar staanden heer.

"Hij heeft er ook reden toe," antwoordde deze. "De Prinses schijnt
hem zeer hard te hebben gevallen over de ontsnapping van Russakoff."

"De heer Van Heelstra moest nu zijn arm eens wat rust geven," merkte
een der aanwezigen op.

Maar Felix, die van de gunstige stemming wenschte te profiteeren,
verklaarde volstrekt geen vermoeidheid te gevoelen.

"Nu ben ik aan de beurt," zei Zabern, een sabel in zijn linker en
eenige hand nemend. "Ik raad u aan voorzichtig te zijn."

De waarschuwing was niet overbodig. Zabern werd algemeen beschouwd
als de beste schermer na den Hertog, en Felix had weldra gemerkt,
dat hij ditmaal een tegenstander gevonden had, die hem minstens
in behendigheid gelijk stond. De Maarschalk had een arm van staal;
en een man, die op menig slagveld in de loop van een geladen geweer
had gezien, zou niet gauw zijn koelbloedigheid verliezen bij een
schermpartij. Kalm en bedachtzaam deed hij enkele schijn-uitvallen
om den ander op de proef te stellen; daarna nam hij een verdedigende
houding aan, wachtend op het gunstige oogenblik. Felix zag geen kans
door het defensief van Zabern heen te breken, en deze vierde partij
nam daardoor een slepend karakter aan, dat scherp afstak tegen de
schitterende en onstuimige partijen die voorafgingen. Reeds begon
men te vreezen, dat er vooreerst geen eind kwam aan dit gevecht,
toen Zabern opeens in de houding terugkwam, met zijn wapen salueerde,
en zei:

"Ik heb voldoende gezien, dat ik uw mindere ben, meneer Van
Heelstra. Gaarne verklaar ik me overwonnen."

En, merkwaardig genoeg, Zabern scheen zelf met deze bekentenis van
zijn nederlaag zeer ingenomen te zijn.

"Ik ben het niet met u eens, Maarschalk," antwoordde Felix. "Niemand
kan zeggen hoe de partij zou afgeloopen zijn. Tegen uw rechterhand
zou ik het in geen geval uitgehouden hebben."

Hij wendde zich nu naar de beide overblijvende tegenstanders, Brunowski
en Nikita.

"Zouden we 't hierbij maar niet laten?" vroeg de President. "Voor
Nikita en mij zijn de kansen nu toch verkeken."

"Misschien wil de heer Van Heelstra u beiden tegelijk te woord staan,"
zei Zabern lachend.

Brunowski vond in 't eerst iets vernederends in dit voorstel, maar
daar hij toch zelf begonnen was met zijn minderheid te erkennen,
stemde hij ten slotte er in toe.

De dames stonden nu op, de stoelen werden verplaatst, en men vormde een
wijderen kring, daar de drie mannen veel ruimte noodig zouden hebben.

"Duizend roebels tegen honderd dat de Hollander wint," zei Zabern tegen
Dorislas, die echter, als verstandig financier, de weddenschap afsloeg.

De vijfde partij vormde een schitterend slot.

Brunowski en Nikita, aangetast in hun eergevoel, maakten 't den
vreemdeling uiterst moeielijk. Hoewel niet zulke kranige schermers
als Zabern, waren hun krachten toch lang niet gering te achten, en
Felix was weldra een heel eind door hen teruggedrongen. De vorige
partijen schenen bij deze vergeleken kinderspel. Aanval en afwering
volgden elkaar zoo snel op, dat de toeschouwers de verblindend vlugge
bewegingen der wapens bijna niet konden volgen. Nikita's sabel was
overal tegelijk, Brunowski's kling suisde in fluitende cirkels door
de lucht.

Maar het gelukte hun geen van beiden den tegenstander te treffen. Felix
liet zich tot tegen den muur terug dringen, steeds afwerend; toen sloeg
hij met een geweldigen houw Nikita's sabel aan splinters, en bracht
tegelijkertijd Brunowski een slag op den borstbeschermer toe, die den
President den adem benam en hem een oogenblik deed terugdeinzen. Van
die seconde maakte Felix gebruik--rinkelend vloog Brunowski's sabel
door een glasruit.

De omstanders zagen elkaar in ademlooze verwondering aan. Daarna
weerklonk een levendig gejuich; alle haatdragende gevoelens waren
verdwenen en in oprechte bewondering overgegaan.

"Zoo iets hebben we nog nooit in Czernovië gezien," zei een stem.

"Tienduizend duivels," bromde Zabern bij zichzelf, "waarom heeft de
Prinses gisteren dat duel niet laten doorgaan?"

En luider voegde hij er aan toe:

"Dames en heeren, we zullen toestemmen, dat de Hertog alle reden
heeft tot dankbaarheid."

Niemand sprak hem tegen en Zabern's oogen glinsterden van genoegen.

Op dit oogenblik kwam Katina langs; ze had uit de verte alles gade
geslagen, en was nu op 't punt met Juliska naar huis te gaan. Bij
den Maarschalk bleef ze even staan, als wilde ze een verzoek tot
hem richten.

"Maarschalk," fluisterde ze, "u hebt een proef genomen! Is het niet
zoo? Zeg me eens waar u over denkt op het oogenblik?"

"Dat het een vroolijk feest zal worden, het huwelijk van de
Prinses!" antwoordde Zabern in orakeltaal. Dadelijk daarop vroeg hij
haar luid:

"Laat ons eens zien, Katina, dat de Czernoviërs schieten kunnen,
al kunnen ze niet schermen!"

Katina liet nu een witgeschilderd houten bord aan den muur hangen,
ging op tien passen afstand staan en legde een aantal geladen revolvers
naast zich. Vervolgens schoot ze de eene revolver na de andere zoo
snel af, dat er nauwelijks een oogenblik stilte tusschen twee schoten
was te vernemen. Als resultaat daarvan vertoonde zich een groot ovaal
op het bord. Toen de revolvers opnieuw geladen waren, zette Katina
haar kunststuk voort en binnen het ovaal verschenen lijnen en punten,
die uit het geheel het portret van een man deden ontstaan, waarvan
het origineel dadelijk door sommigen der aanwezigen werd herkend.

"Orloff, de gouverneur van Warsim!" riepen verscheiden stemmen.

"Begrijpt ge, waarom ik dit geleerd heb?" vroeg Katina fluisterend
aan Zabern. Deze knikte zwijgend, en zei, rondziende naar Felix:

"Kan iemand dit nadoen?"

Er werd ook voor Katina in de handen geklapt, maar niemand waagde
het zich met haar te meten en ook Felix glimlachte ontkennend.

Langzamerhand verliet het gezelschap de schermzaal; tegenover zulke
meesters als er heden middag aan 't woord waren geweest, schrok men
terug voor het ten toon spreiden van zooveel zwakkere krachten.

"En hoe maakt onze gevangene het?" vroeg Radzivil onder het weggaan
den Commandant der citadel.

"'n Beetje uit z'n humeur," antwoordde Miroslav. "Hij brengt zijn
tijd hoofdzakelijk door met het drinken van ouden Rijnwijn, en
in zichzelf te zitten mopperen. Tusschen twee haakjes, hij scheen
vooral zeer verontwaardigd dat we hem fouilleerden, want hij scheurde
enkele dingen, die we hem wilden ontnemen, van woede in stukken. Nu,
't was dan ook niet plezierig voor hem, maar 't is nu eenmaal regel
in de citadel."

"Wat verscheurde de Hertog?" vroeg Zabern, die de laatste woorden
gehoord had, achterdochtig.

"Niets bizonders, een boek," antwoordde Miroslav. "Ik liet de snippers
door een soldaat opvegen, en zag toen toevallig den titel op een stuk
van den omslag staan."

"Hoe heette het?"

"Tooneelspelen van Aeschylus. 't Was zonde van 't mooie boekje."

"Het is jammer, dat ge dat boek niet hebt kunnen redden. Zijn de
overblijfselen misschien nog te vinden?"

"Al het afval in de citadel wordt tweemaal daags verbrand; u weet,
zoo wil de Inspecteur van den Militairen Gezondheidsdienst het."

"Dat is heel jammer," zei Zabern nadenkend. "Als goed soldaat had ge
moeten bedenken, Commandant, dat _elke_ aanwijzing, ook de kleinste,
van waarde is. Ik ben ervan overtuigd, dat de Hertog een grondige reden
had om dat boek te verscheuren. Aeschylus, Aeschylus--" herhaalde hij,
"wat schreef die ook weer? Mijn Grieksch heeft me wel wat in den
steek gelaten."

Op eens maakte Felix een driftige beweging.

"Mijn God, Maarschalk! Ik weet het: Aeschylus schreef onder anderen
"_De Eumeniden, of De Furiën_!"

Zabern greep Felix bij den arm, en nam hem ter zijde.

"De sleutel van het cijferschrift," fluisterde hij. "Dat waren de
laatste woorden van Van Stralen:--_de Furiën_!"



TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

ROB BETRAPT EEN INBREKER.

	Rob gaat aan het cijferen.--Gevonden!--De inbraak in het
	Paleis.--Zabern redt Rob nog juist op tijd.--Het verbrande
	Charter.--Wat zal er van Czernovië worden?


De opsteller der aanteekeningen, waaruit dit boek geput werd,
liet zijn eigen persoon zoo bescheiden op den achtergrond, dat de
beschrijver van zijn avonturen de lezers en zichzelf gelukwenschen
moet met elke gelegenheid, die eens wat naders doet vernemen omtrent
zijn persoonlijk aandeel aan de hier vermelde gebeurtenissen.

Die gelegenheid is er thans.

Gedurende de afwezigheid toch van Felix en Zabern, had Rob zich met
alle aandacht aan het werk gezet om het cijferschrift nader tot zijn
oplossing te brengen.

Door den Paleis-bibliothecaris had hij zich een Grieksche uitgave van
de Eumeniden doen geven, en, dankbaar voor La's lessen die hem in staat
hadden gesteld althans van enkele Grieksche woorden de beteekenis te
kunnen vatten, zette hij zich aan den arbeid, ten overvloede met een
Grieksch-Czernovisch woordenboek gewapend.

Het papier dat de Maarschalk hem had gegeven was met rijen cijfers
bedekt, die door punten van elkaar gescheiden waren.

De eerste acht getallen luidden aldus:


	6 . 42 . 50 . 37 . 97 . 39 . 65 . 21


Wat stelden deze getallen voor? Zekere woorden uit het
tooneelstuk? Wanneer het zesde woord uit de Eumeniden, het
twee-en-veertigste, het vijftigste, en zoo voort, opgezocht en naast
elkaar werden geplaatst, zouden ze dan een verstaanbaren zin opleveren?

Hij paste deze methode toe, maar het resultaat moedigde hem niet
aan de proef voort te zetten. Er kwam een totaal onbegrijpelijke
opeenvolging van woorden te voorschijn.

Bij nader inzien werd het hem duidelijk, dat de getallen niet in de
plaats van woorden konden staan, daar immers de vocabulaire van een
klassieken Griekschen dichter moeielijk toereikend kon zijn om te
voorzien in alle termen, die bij de moderne schrijvers in gebruik zijn.

Een andere waarneming bevestigde deze onmogelijkheid. Aan het eind
van den brief kwam namelijk het getal 8537 voor, terwijl het aantal
woorden uit de Eumeniden een aanmerkelijk lager cijfer bereikt. Werden
daarentegen de letters in volgorde genummerd, dan bleek het totale
aantal al gauw de 8537 te overtreffen.

Rob besloot deze theorie te beproeven, namelijk dat 6 de zesde,
42 de twee-en-veertigste letter, enzoovoorts, beteekende.

Groot was zijn vreugde toen hij het volgend resultaat
verkreeg:



------
TABLE

	6 . 42 . 50 . 37 . 97 . 39 . 65 . 21
	N i c o l a a s
------



Nicolaas! Dat beteekende ten minste iets.

Op de zelfde wijze voortgaand, vond hij voor de acht volgende cijfers
de woorden "stemt toe."

"Waarin stemt Nicolaas toe?" mompelde Rob. "Laat ik daar eens gauw
probeeren achter te komen. Het is duidelijk dat ik nu den sleutel in
handen heb."

Hij begreep nu, dat het 't beste zou zijn de Eumeniden eerst
geheel door te loopen, en bij voorbeeld elke tiende letter met zijn
overeenkomstig volgnummer te merken. Als dat gedaan was, zou het
ontcijferen verder slechts enkele minuten kosten.

Rob begon dit eentonig werk, dat hem meer dan vier uren in beslag
nam, ook omdat hij nu en dan zijn vorige telling moest verifieeren,
daar elke fout zich natuurlijk tot het einde zou voortplanten, en
verwarring brengen in de uitkomst.

Toen zijn exemplaar van de Eumeniden eindelijk geheel becijferd gereed
lag, bedacht hij zich nog met schrik dat misschien wel beschouwd
zijn heele werk vergeefs was. De mogelijkheid bestond immers dat de
schrijver een andere uitgave had gebruikt dan hij, en er waren meer
lezingen dan éen van de klassieken!

Maar gelukkig werd zijn geduld beloond.

Juist toen de Maarschalk en Felix de kamer binnenkwamen, nieuwsgierig
naar Rob's onderzoekingen, en hopend dat zij hem met hun laatste
ontdekking van dienst konden zijn, stond Rob op en ging hen
triomfantelijk tegemoet, het cijferschrift boven het hoofd zwaaiend.

"Ik heb het! Ik heb het!"

"Wel?" vroeg Zabern. Waren het de Furiën?"

"Ze waren het! En ze hebben me op de hielen gezeten bij het werk. Daar
ligt het, kant en klaar."

Het was duidelijk, dat de ontcijfering juist was, want het resultaat
bestond uit een reeks op zichzelf samenhangende en begrijpelijke
zinnen. De beteekenis van het geheel was hun echter geen van drieën
recht helder, ten minste niet op het eerste gezicht.

Rob las de oplossing voor, die als volgt luidde:


	_"Nicolaas stemt toe. Maak dus spoed. Overbrenging van het
	document te gevaarlijk. Daarom dadelijk te verbranden. Bericht
	daarna. Gezantschap volgt dan._

	_"Lipski's wetsontwerp kloosterbelasting goed. Geld langs
	gewonen weg beschikbaar. Ontdekking voorraden rechtvaardigt
	annexatie._

	_Orloff_."


Bij het zien van de onderteekening had Zabern een onderdrukt gegrom
doen hooren, als van een wild dier dat gereed staat zijn prooi te
bespringen.

"Orloff! Ik wist het wel!"

Daar het intusschen nacht was geworden, raadde Zabern de beide vrienden
aan, rust te gaan nemen. Hijzelf, de man van ijzer, wilde nog eenigen
tijd besteden aan de bestudeering van het document; hij nam daarom
alle papieren mee, Rob uitbundig lof brengend voor zijn vernuftige
oplossing. Felix werd door een lakei naar een drietal ineenloopende,
weelderig ingerichte vertrekken geleid, dat op speciaal bevel der
Prinses in orde was gebracht; Rob behield de kamer die hij tot nog
toe met zijn reisgenoot had gedeeld.

Felix, moe van het schermen, viel onmiddellijk in slaap; Rob kon
echter, na zooveel uren ingespannen cijferen, niet dadelijk tot rust
komen. Hij had al dien tijd in een gesloten kamer zitten werken,
en verlangde naar lucht. Daarom opende hij een venster en leunde
naar buiten.

Het was donker, en de lucht was zwaar bewolkt; een windstoot joeg
hem eenige regendroppels in het gezicht.

Het venster gaf uitzicht op een binnenhof, waaromheen het paleis
hoefijzervormig gebouwd lag. Toen Rob toevallig den blik op den
tegenoverliggenden vleugel vestigde, scheen het hem toe, dat zich daar
iets of iemand ongeveer halverwege het dak en den grond bewoog. Zijn
oogen tot het uiterste inspannend, zag hij dat de donkere vlek, die
zich tegen den grijzen muur afteekende, de gedaante van een man was
die in de lucht hing: want daar er van een ladder niets te zien was,
kwam hij tot de conclusie dat de man aan een touw vastgebonden was.

De gedaante bleef op dezelfde hoogte, en Rob meende hem voortdurend
den arm in horizontale richting te zien heen en weer bewegen. Een
zacht schurend geluid versterkte hem in de meening, dat de man bezig
was de tralies door te vijlen die een der vensters aan de overzijde
van buiten beveiligden.

Daar hij zelf niet gezien kon worden, omdat hij het licht in zijn kamer
uitgedraaid had, bleef hij de verdachte bewegingen nog eenigen tijd
waarnemen. Het leek hem een gevaarlijke onderneming, die daar op touw
werd gezet. Klaarblijkelijk leed het geen twijfel of iemand trachtte
zich door een der vensters toegang te verschaffen tot het Paleis;
de man werd wel is waar door de duisternis en door het geruisch van
wind en regen begunstigd, maar hij kon elk oogenblik verrast worden
door de nachtelijke ronden, die hun weg zoowel over den hof beneden,
als boven over de platte daken namen.

Vroeger op den avond had Rob de voetstappen en het aanroepen gehoord
van twee schildwachten, die op de buitengalerij liepen, vanwaar
uit de binnenplaats overzien kon worden. Sliepen die nu? Zoo niet,
dan hielden ze wel heel slecht wacht, dat deze man zulk brutaal werk
onder hun oogen kon verrichten.

Opeens begreep Rob de waarheid. Die inbreker was zelf een soldaat,
een van de twee, die speciaal waren aangewezen om dit deel van het
Paleis te bewaken. De ander was zijn medeplichtige. Beiden waren bezig
't een of ander boos opzet te volvoeren. Verraad bedreigde het Paleis!

Zijn eerste ingeving was, naar beneden te snellen en de wacht te
waarschuwen. Maar vreezend, dat tijdverlies den inbrekers gelegenheid
zou geven weer tot hun oorspronkelijke functie terug te keeren,
besloot hij de zaak zonder hulp af te handelen.

Hij stak een geladen revolver bij zich, en mat den afstand van
zijn raam naar de daarboven gelegen, onder langs het dak loopende
buitengalerij, die een soort van borstwering vormde. Buiten op de
vensterbank staande kon hij met de handen juist de benedenzijde
der galerij bereiken; hij vond er echter geen houvast voor
zijn handen. Rondtastend stootte hij tegen een afvoerbuis, en een
oogenblik dacht hij er aan, daarlangs omhoog te klimmen. De buis was
echter zoo glad, en lag zoo dicht tegen den muur aan, dat hij er de
handen niet omheen kon slaan. Toen deed het toeval hem een ijzeren
handvat grijpen, dat in den muur was bevestigd, en, zooals hij den
volgenden dag waarnam, een onderdeel uitmaakte van een reeks dergelijke
handvatten, welke, met het oog op brandgevaar, dienen moesten om het
dak te bereiken. Zich aan de bovenbinnenzijde van het raam vasthoudend,
zette hij een voet op zulk een haak, trok den anderen voet bij, en
greep met de hand den volgenden, hooger geplaatsten haak. Nog een stap,
en hij stond op de galerij. In een vensternis verborgen, keek hij de
galerij langs. Op eenige passen afstand, afstekend tegen de lucht,
stond de donkere, in een mantel gehulde figuur van een schildwacht,
die op zijn geweer leunde en de oogen naar het venster gericht hield,
waar Rob zooeven den inbreker had gezien.

In dezelfde richting kijkend, ontdekte Rob een flauw lichtschijnsel
achter het geheimzinnig venster. Hij maakte daaruit op, dat 't den
man gelukt was naar binnen te komen.

Zonder gedruisch voortsluipend, gaf Rob den schildwacht plotseling
een klap op den schouder, wees naar het getraliede venster en zei:

"Ben je van plan dien schurk te arresteeren?"

De schildwacht wendde zich hevig verschrikt om. Zich ontdekt ziend,
velde hij het geweer en deed met de bajonet een stoot naar Rob. Deze
was op zijn hoede, en greep, opzij springend, het geweer bij de
loop. Met een enkele krachtige beweging had hij het den soldaat
ontrukt, en in 't volgend oogenblik bracht hij hem met de kolf zulk
een slag op 't hoofd toe, dat de man neerviel, en onbewegelijk liggen
bleef, zonder een kreet geuit te hebben.

Over de borstwering kijkend om te zien of deze schermutseling de
aandacht had getrokken, zag Rob tot zijn verrassing een blauw licht
achter het venster aan de overzijde. De man zwaaide gedurende enkele
seconden, blijkbaar als sein, een lantaren heen en weer.

Dadelijk snelde Rob de galerij langs en bereikte het punt waar het
touw bevestigd was.

In een vensternis knielend en omlaag ziende, bemerkte hij dat een
dunne rookkolom uit het venster opsteeg.

Wat gebeurde daarbinnen? Stak de man het Paleis in brand?

Het lag niet in Rob's aard hier lang over na te denken. Hij besloot
dadelijk de kamer binnen te dringen om aan die kwaadwilligheid een
eind te maken. Het touw met beide handen grijpend, liet hij zich
zakken. Zoodra zijn voeten het kozijn raakten, nam hij zijn revolver
in de hand, en zonder zelf een blik naar binnen te werpen, wrong hij
zich tusschen de spijlen door en liet zich naar binnen glijden. De
kamervloer bleek vrij laag te liggen, en Rob viel languit op den
steenen grond, maar hij was onmiddellijk overeind en trachtte nu de
duisternis en den rook te doorboren, waarin de kamer gehuld was.

Nauwelijks stond hij op zijn voeten of een fluisterende, verschrikte
stem sprak:

"Ben jij dat, Peter? Wat kom je hier doen? Maak in hemelsnaam geen
leven. Gabor staat in de gang op post!"

"Dan moet Gabor binnenkomen!" riep Rob met donderende stem. "Hallo,
Gabor! kom binnen, hier is een gevangene voor je!"

Op het geluid van de stem afgaande, sprong Rob door de duisternis op
den man toe, greep hem met de linkerhand bij de keel, en hield hem
met de rechter de revolver op het voorhoofd.

De soldaat--want Rob voelde aan de uniformknoopen dat het een soldaat
was--was bij dien onverhoedschen aanval ruggelings op den grond
getuimeld, en bleef, door schrik en angst bevangen, onbewegelijk
liggen.

"Verroer je niet, of ik schiet!" beet Rob zijn tegenstander toe,
en daarna riep hij zoo luid hij kon: "Gabor Gabor! te hulp!"

Dadelijk daarop hoorde hij stemmen en voetstappen aan de andere zijde
van de deur.

"Gauw, Lasco!" werd er geroepen. "Haal den sleutel van de
wacht. Melchior, vlieg de galerij op en zorg dat er niemand door het
raam ontsnapt. Vooruit Lasco! stommeling! wat sta je te gapen! Haal
den sleutel! Den sleutel, ezelskop!"

"_Hier_ is de sleutel," riep een zware stem, die Rob dadelijk
herkende. En in de gang weerklonk het rinkelen van Zabern's Hessische
laarzen.

Het was tijd. Want de soldaat, een stevige, groote kerel, die Rob
gemakkelijk met éen hand had kunnen neerslaan, was van den schrik
bekomen en nu nog slechts op lijfsbehoud bedacht. Hij wist met een
plotselinge beweging Rob de revolver uit de hand te slaan, en, zich
omgooiend, greep hij zijn veel kleineren aanvaller bij de keel.

Daar ratelde de sleutel in het sleutelgat, de zware deur vloog open,
en Zabern stond op den drempel. Het volle licht van de gang stroomde
nu naar binnen, en twee soldaten met geladen geweren hielden zich
gereed ieder neer te schieten die zich in den weg zou stellen.

Zoowel de Maarschalk als de beide soldaten waren ten hoogste verbaasd
toen ze zagen wie daarbinnen waren.

"Wel--dat is Michael!" riep Gabor.

"Rensma!" zei de Maarschalk alleen. Een seconde daarna
had hij Michael de zware laars op de borst gezet, en Rob kon
opstaan--ongedeerd. Ofschoon hijgend van inspanning en verward door
de ongewone gebeurtenissen, zag hij dadelijk dat Zabern zijn oplossing
van het cijferbericht in de hand had.

"Juist op tijd!" zei de Maarschalk, die het verband tusschen Orloff's
brief en de verraderlijke daad van Michael onmiddellijk begreep. "Gabor
en Lasco--ga in die kamer daar; de krijgsraad wacht je wanneer je er
uit komt. Ik zal het met dien man alleen wel klaarspelen."

De beide soldaten gingen heen.

"Goedennacht, Michael," fluisterde Gabor. "_Hem_ zullen we niet
weerzien. Ik ken den Maarschalk."

Nu Rob weer vrij was, zag hij dat hij zich in een gewelfde steenen
kamer bevond, ongeveer twintig pas in 't vierkant, en slechts spaarzaam
van meubelen voorzien. Tegen een der muren was een ijzeren kist met
krammen bevestigd; Rob begreep instinctmatig dat de inhoud daarvan
het doel van Michael's onderneming geweest was.

Zabern deed een paar snelle schreden naar de kist, en scheen verlucht
toen hij deze gesloten vond.

Daarna wendde hij zich weer tot den soldaat, die verstijfd van schrik
op den grond was blijven liggen, bovendien door Rob's revolver in
bedwang gehouden.

Zabern vouwde de armen over elkaar, en zag den man met een vreeselijken
blik aan.

"Ik zal niet vragen waarom je hier kwam. Jij en ik weten dat beiden. Je
hebt het dus niet te pakken gekregen?"

Michael antwoordde niet.

"Is het nog in de kist?"

Michael bleef zwijgen. Hij scheen van ontzetting de spraak verloren
te hebben.

"Waarom zeg je niets?"

"Toen ik binnenkwam," zei Rob, "hing hier een rooklucht."

Zabern was meer dan eens een man genoemd, die nooit vrees had
gekend. Ditmaal echter faalde die uitspraak. Zijn geheele wezen drukte
de grootste vrees uit, toen hij zich de woorden herinnerde uit het
papier dat hij in de hand hield:

"_Overbrenging van het document te gevaarlijk. Daarom dadelijk te
verbranden._"

"Als je het gedaan hebt, kerel, vermoord ik je! Had je een
sleutel? Geef op!"

Steeds antwoordde Michael niet.

De richting van zijn oogen volgend, zag Zabern een sleutel op den
grond liggen. Hij opende er de kist mede, en vond dat deze niets dan
eenig verkoold papier bevatte. Zijn gelaat nam zulk een afschuwelijk
verwrongen uitdrukking aan, dat Rob onwillekeurig terugdeinsde. Een
kreet om genade klonk door het vertrek, toen Zabern de revolver uit
Rob's handen rukte en op Michaël aanvloog. Een knal, een doffe slag--en
daarna was alles stil. Het was zoo snel in zijn werk gegaan, dat Rob,
met afgrijzen vervuld, geen tijd had gevonden tusschen beiden te komen.

"Zonder krijgsraad!" zei hij streng. "Dat gebeurt in Holland niet!"

"Er zijn oogenblikken, waarop men niet met de voorschriften van een
wet rekening kan houden," antwoordde Zabern somber. "Die man wist een
geheim, dat zelfs de meest vertrouwde leden van een krijgsraad niet
behoorden te weten. Ik heb hem gevonnisd in het belang van den Staat."

"En hoe zult ge die daad verantwoorden?"

Zabern haalde schouders op.

"Zelfverdediging. Een soldaat brak in in het Paleis. Ik betrapte
hem--toen hij zich verzette, schoot ik hem neer. En denk er aan,"
sprak hij zoo dreigend, dat Rob naar de deur keek, als wilde hij
ontvluchten, "wanneer ik niet wist dat ik op uw stilzwijgen vertrouwen
kon, dan--schoot ik ook u hier op de plaats neer! In het belang van
den Staat is _alles_ geoorloofd."

Rob zweeg. Een zonderlinge vermenging van afkeer en bewondering voor
dezen verschrikkelijken man vervulde hem. Eensdeels betreurde hij het,
dat een beschaafd, verlicht land zulke geweldige naturen als Zabern
noodig had, om zich tegenover dreigend buitenlandsch gevaar staande
te houden; aan den anderen kant begreep hij, dat ook het humaanste,
zedelijk hoogst-staande volk het onderspit moest delven in een strijd
tegen brutale overmacht, zoo het niet werd aangevoerd door mannen als
Zabern, mannen met ontembaren wil en ijzeren vuisten. Maar dit hoopte
hij van ganscher harte: dat eenmaal de tijd zou aanbreken, waarin
geweld en onrecht zouden wijken voor menschelijkheid en verstand,
waarin Czernovië een vrij, gelukkig land zou zijn in een vrij,
gelukkig Europa. En dat dan de Zaberns gemist konden worden!

Terwijl Rob dit overdacht, had er eenige oogenblikken een pijnlijke
stilte geheerscht. Rob verbrak die met de vraag:

"Wat was de misdaad van dien man?"

"De afschuwelijkste misdaad die hij tegenover de Prinses plegen kon,
en waardoor de vrijheid van geheel een volk werd vernietigd. Uw
ontcijfering van het document is te laat gekomen, slechts enkele
minuten te laat om ons van nut te zijn," antwoordde Zabern bitter.

"Ik begrijp u niet, Maarschalk."

"Waarop is de vrijheid van Czernovië gegrond? Op het Charter, dat
Keizer Nicolaas ons gaf, toen de Republiek op van Rusland gekochten
grond gesticht werd. Dat Charter is nu tot asch verbrand. Ziedaar
het eerste bedrijf van het drama. Het volgende zal zijn, zooals uit
het cijferbericht blijkt, dat de Czaar een deputatie zendt, die de
gronden verzoekt te vernemen, waarop Czernovië zich onafhankelijk
meent te mogen verklaren. Welk antwoord kunnen we geven? Welke
bewijzen voorbrengen? Zonder ons Charter zijn we aan de genade van
Rusland overgeleverd. Zijn Ministers--Nicolaas Bardogolski, de in
het document genoemde Minister van Buitenlandsche zaken in de voorste
rij!--zullen volhouden dat zulk een Charter nooit werd verleend, dat
onze vrijheid op een leugen berust, dat alle bestaande afschriften van
dat stuk op een legende steunen, welke wij langzamerhand tot historie
vervormd hebben. "Laat ons het origineel zien!" zullen ze zeggen,
"Toon ons de autenthieke handteekening van den Czaar!" Begrijpt ge
nu wat die man deed?"

De duivelsche toeleg van het complot deed Rob huiveren van afkeer. En
zijn gedachten gingen uit naar de Prinses, die op dat oogenblik rustig
sliep in haar op ruimen afstand van hier gelegen kwartier van het
reusachtig Paleis, nog onwetend van dit nieuwe gevaar dat haar troon
bedreigde. Hij voelde nu minder medelijden met den ongelukkige die
daar aan zijn voeten lag.

"Waarom verzond hij het document niet naar Rusland?"

"De reden hebt ge in het cijferbericht gelezen. Het was minder
gevaarlijk het dadelijk te vernietigen. En zooals ge gezien hebt, had
Orloff, de handlanger der Russische Regeering, dat goed begrepen. Had
deze man het Charter immers bij zich gestoken, dan was het nu weder
in ons bezit. O, ik kan mezelf vervloeken dat ik dit niet voorkomen
heb! "Bewaarder van het Charter," luidt een mijner titels. Een goed
bewaarder inderdaad! Gelukkig weten u en ik alleen, dat het complot
gelukt is, want die beide soldaten daar begrijpen er niets van. Ze
weten niet eens wat een Charter is, nog minder dat het hier bewaard
werd."

"Ik vrees, Maarschalk, dat er anderen zijn die het weten," zei Rob,
een lantaarn met blauw glas oprapend. "Ik zag een teeken geven met
deze lantaarn--wat werd daarmee anders bedoeld dan een ergens opgesteld
handlanger te berichten dat het Charter verbrand was?"

De Maarschalk stiet een vloek uit.

"Dan kunnen we het gezantschap van den Czaar spoedig verwachten,"
zei hij.

Naar het venster gaande, onderzocht hij de tralies.

"Het doorvijlen van die zware staven moet meer dan éen nacht hebben
gekost. Hoe is het mogelijk dat de post op de borstwering dit niet
belette?"

"Hij maakte zelf deel uit van die post," zei Rob. "Dat herinnert me
er aan, dat er nog een man daarginds ligt; ik sloeg hem neer met zijn
eigen wapen."

"Nog een? Bij alle duivels! Dat je dien vergeten kon! Wanneer hij
eens ontsnapt was met het bericht van wat hier was gebeurd!"

Zabern snelde de kamer uit, en klom een wenteltrap op die naar het dak
leidde. Rob volgde hem op den voet. De schildwacht lag nog op de plaats
waar Rob hem gelaten had. Zabern onderzocht hem slechts een oogenblik.

"Hij zal nooit weer den verrader spelen. Ge hebt hem den schedel
verbrijzeld. En óok zonder een krijgsraad!" voegde hij er droog bij.

Na Gabor en Lasco geroepen te hebben, gaf Zabern hun aanwijzingen
om de twee lijken weg te brengen; tevens beval hij de strengste
geheimhouding over het gebeurde.

Daarna liep hij, met Rob naast zich, eenigen tijd somber en zwijgend
langs de galerij.

"Die twee worden morgen naar een garnizoen in 't Westen verplaatst,"
zei hij, op de beide soldaten doelend, die nu met hun last de trap
afgingen. "Vertrouwbaar zijn ze, geloof ik, wel,--maar wie _is_ er
welbeschouwd te vertrouwen, niet waar? Mijn spreuk is: "wees tegenover
iedereen op je hoede--vooral tegenover je zelf." Ik had gedacht mijn
omgeving nu langzamerhand van verraders gezuiverd te hebben, maar,
zooals ge ziet, ze huizen overal."

Er was nog een punt in de kwestie, dat Rob niet duidelijk was. Daarom
vroeg hij:

"Hoe is het eigenlijk mogelijk, dat het complot uitgevoerd werd,
terwijl toch de brief in onze handen viel, in plaats van aan zijn
adres terecht te komen?"

"Mogelijk werden er twee boodschappers uitgezonden, of werd Orloff
ongerust toen Russakoff niet binnen een vastgestelden tijd terugkwam,
en stuurde hij een anderen brief--die helaas het verlangde resultaat
ten gevolge had."

"Gelooft u, dat de Russische Regeering dit plan op touw heeft gezet?"

"Dat zou ik niet direct willen verzekeren. Wel ben ik ervan overtuigd,
dat, zoo ze niet de oorspronkelijke opsteller van het plan is, haar
toch elk wapen welkom was dat men tegen Czernovië wist te smeden. En
wie aan deze zijde van de grens de Russen in de kaart speelt, dat
behoef ik u niet te zeggen."

"De Hertog van Bora?"

"Wie anders? En toch ontbreekt me het tastbare bewijs van zijn
verraad. Misschien had ik beter gedaan dien Michael te laten leven. Hij
zou heel wat hebben kunnen vertellen..."

"Maar bewijst het niets tegen den Hertog, dat hij in 't bezit
was van een exemplaar van de Eumeniden, waarin cijfers waren
opgeteekend--terwijl nu gebleken is, dat de sleutel uit dat boek te
vinden was? Juist de omstandigheid dat ik hem in het Hotel Czernovië
dat boek in de hand zag hebben, terwijl ook de laatste woorden van
den Secretaris er op doelden, bracht mij op het spoor."

"Zeker bewijst dat iets--in onze oogen althans. En meer nog:
in de gevangenis scheurde de Hertog dat boek aan stukken. Maar
wat zullen zijn verdedigers zeggen? "Een toevallige samenloop van
omstandigheden!" Bovendien durf ik den Hertog op dat vermoeden niet
voor een rechtbank brengen; de rechters zouden het verschrikkelijke
feit vernemen dat Czernovië zonder Charter is, een geheim dat voor
iedereen, ook voor de Prinses verborgen moet blijven. Laat Hare
Hoogheid dit nooit hooren; zij heeft reeds genoeg te dragen."

"Vertrouw op mijn stilzwijgen, Maarschalk," antwoordde Rob.

De ochtend begon aan te breken.

"Nu moeten we gaan slapen," zei eindelijk de Maarschalk. "Czernovië
gaat moeielijke tijden tegemoet. Maar ik zal op mijn post zijn. Peter
de Groote zei: "er zijn drie Joden noodig om slimmer te zijn dan een
Rus." Welnu: er zullen heel wat Russen noodig zijn om slimmer te zijn
dan Zabern."



EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

HET GEZANTSCHAP VAN DEN CZAAR.

	Felix aanvaart zijn nieuwe betrekking.--Graaf Feodor Orloff,
	Gezant van den Czaar, doet eenige brutale vragen.--Elizabeth
	antwoordt hem zeer beleefd.--Katina wordt eerst tegen haar zin,
	daarna vrijwillig gevangen.--Zabern schrijft een brief.--


Den volgenden morgen werd Felix in de Witte Zaal ontboden, waar hij,
onder de aangename leiding der Prinses zelve, in de geheimen van zijn
nieuwe betrekking werd ingewijd. Tot dusver liepen de gebeurtenissen
hem mee; ongetwijfeld had hij geen beteren weg kunnen vinden om
leidende macht te verkrijgen in de staatsaangelegenheden van Czernovië.

Zij, die aan de geruchten hadden geloofd, die van een uit vroeger
tijden dateerende relatie tusschen de Prinses en Felix gewaagden,
konden uit de verhouding dier beide personen tot hun verwondering
niets opmaken, dat die geruchten ook maar eenigermate bevestigde. Zoo
ongedwongen als natuurlijk hun omgang was wanneer zij samen waren, zoo
voorzichtig gedroegen zij zich in het openbaar. Geen blik, geen woord
verried hun geheim; Felix behield steeds de bescheiden houding van den
ondergeschikte, Elizabeth de autoritaire waardigheid van een Vorstin.

Aan Zabern's scherp oog was het mysterie niet ontsnapt, dat deze twee
menschen klaarblijkelijk aan elkaar verbond; wat hij echter ook van de
keuze der Prinses dacht, de voorzichtige Maarschalk liet daarvan niets
raden. Hij zag in de toekomst dingen, die voor anderen nog verborgen
waren, en, vast overtuigd, dat Felix verborgen redenen had om de
onafhankelijkheid van Czernovië te bevorderen, begreep hij te goed
dat deze vreemdeling hem in zijn overeenkomstige plannen van groot
nut kon zijn, dan dat hij zich verzetten zou tegen een toenadering,
die hij eer aanmoedigde dan vreesde.

Een van de eerste dingen, die Elizabeth met haar Secretaris besprak,
was het tooneel, dat tusschen Ravenski en haar had plaats gehad. Zij
had aan de bedreigingen van dien man in het begin niet te veel waarde
gehecht, wetend dat hij even laf als egoïst was, en geen persoon om
zich in ernstige politieke verwikkelingen te wagen. Het artikel in
de Kolokol had haar echter doen opschrikken, en ze vertelde nu aan
Felix het gebeurde, hopend dat hij raad zou weten te verschaffen.

"Voorloopig kunnen we niet anders doen dan dien man in 't oog houden,"
zei Felix. "En ten slotte is het misschien het beste om de geruchten,
die hij heeft opgewekt, niet tegen te spreken. Zeker, hij heeft het
bewijs, ten minste een moreel bewijs, dat je niet van plan bent in
een huwelijk met Bora toe te stemmen, maar wat doet dit er eigenlijk
toe? Dat je met iemand anders hoopt te trouwen, iemand, die door
Rusland nooit zal erkend worden--dat weet hij niet, en daarin ligt toch
eigenlijk de hoofdzaak. Bovendien, het Congres heeft alleen bepaald,
dat je geen huwelijk mag sluiten zonder toestemming van Rusland,
maar er is nooit gezegd, dat je niemand anders kiezen mag dan den
Hertog van Bora!"

Intusschen had de Hertog verscheiden dagen in de citadel
doorgebracht. Zijn arrestatie was aanleiding geweest tot een vraag van
Lipski, den afgevaardigde van Russograd, die in de kamer de Regeering
daaromtrent had geïnterpelleerd, klaarblijkelijk met het doel die
arrestatie onwettig te doen verklaren. Zabern had kort geantwoord,
dat dit een zaak was die den geachten afgevaardigde niet aanging;
waarop de geachte afgevaardigde een rede van twee uren hield om
te betoogen dat, de Hertog Lid der Kamer zijnde, zijn arrestatie
de geheele Kamer, en dus ook hem, Lipski, aanging. Hetgeen Zabern
beantwoordde door te zeggen, dat de rechter wel zou uitmaken wie
gelijk had. De Hertog had zich bovendien vrijwillig overgegeven, en
toonde zich niet tegen zijn gevangenneming te willen verzetten. De
Minister zou echter de Prinses in overweging geven den Hertog in
afwachting van het vonnis op vrije voeten te stellen.

Deze laatste mededeeling was het gevolg van een gesprek tusschen
Felix en de Prinses, waarin deze laatste gezegd had:

"De striem is nu van je wang verdwenen, Felix; als je er geen bezwaar
tegen hebt, zouden we den Hertog voorloopig wel zijn vrijheid kunnen
teruggeven."

Felix had hiertegen natuurlijk geen bezwaren, protesteerde zelfs
dat Elizabeth de beslissing van hem deed afhangen; en zoo ging er
een order naar de citadel, waarbij de gevangene ontslagen werd. Nu
bereidde Elizabeth zich op nieuwe moeilijkheden voor. Want als Bora
vernemen zou, dat Elizabeth klaarblijkelijk alles in het werk stelde
om een huwelijk met hem te verijdelen, zou hij niet nalaten zich
openlijk haar vijand te toonen.

Dien zelfden avond werd Felix bij Zabern geroepen, die hem in een
sombere stemming ontving.

"Het vermoeden van uw vriend was juist," zei hij tot Felix,
die omtrent het avontuur van Rob was ingelicht, "dat signaal met
het blauwe licht was ongetwijfeld een afgesproken teeken met een
handlanger. Het verbranden van het Charter is aan derden bekend
geworden. Het complot breidt zich uit. Wie denkt ge dat over enkele
dagen hier zal zijn? Feodor Orloff!"

"Orloff!?"

"Niemand anders dan hij. Als afgezant van den Czaar komt hij een
audiëntie vragen bij de Prinses. Ge begrijpt het doel van zijn komst?"

"Hij wil zeker het Charter zien!"

"Natuurlijk!"

"Maar wordt het dan geen tijd dat we de Prinses alles vertellen? Wat
moeten we doen wanneer ze hem op zijn vraag antwoordt, dat hij het
Charter zal mogen zien?"

"Dat zal ze niet doen. Ik heb haar overtuigd dat dit verkeerd zou
zijn, dat we door zulk een toegevendheid een gevaarlijk voorbeeld
zouden stellen. Het gaat niet aan, ons maar door elke deputatie
die er lust toe heeft, naar onze huishoudelijke aangelegenheden te
laten vragen. Geloof me, de Prinses zal hem weten te antwoorden. Een
diplomatiek gesprek is haar toevertrouwd."

Acht dagen later maakte Prinses Elizabeth zich gereed audiëntie te
verleenen aan Graaf Feodor Orloff, Gouverneur van Warsim, buitengewoon
gezant van Zijne Keizerlijke Majesteit den Czaar.

Eenige minuten vóor dit onderhoud plaats had, gebeurde er een
zonderling tooneel in het studeervertrek van Zabern. Juist toen de
Maarschalk zich gereed maakte dit heiligdom te verlaten, werd de deur
geopend, en Katina Ludovska door een viertal soldaten, die daarna
weer vertrokken, binnengebracht.

"Mijn spionnen hebben je dus gevonden," zei hij met een glimlach van
voldoening. "Waar heb je je de laatste dagen opgehouden?"

"Dus is het waar, dat ik op uw bevel gevangen genomen ben!" riep
Katina met fonkelende oogen.

"Volkomen waar. Deze kamer zal voorloopig je verblijf zijn. Kijk eens,
hoe gemakkelijk, ja weelderig, ik ze voor je heb ingericht. De vensters
zijn getralied, maar om zoo'n kleinigheid zal je wel niet geven."

"Waarom ben ik hier?"

"Om je leven te sparen. Weet je wel, Katina, dat, wanneer je Orloff
doodschoot, ik, als Minister van Justitie, zou moeten zorgen dat je
ter dood veroordeeld werd?"

"Dus u hebt mijn plan geraden," zei ze bitter.

"En ik moet het verijdelen. Kom, Katina, wees verstandig. Waarom zou je
je in gevaar brengen. Door den gezant van den Czaar te vermoorden zou
je bovendien een reden doen ontstaan om Czernovië te annexeeren--een
land waar onschendbare personen niet veilig zijn!"

"En ge zoudt me dus mijn wraak ontnemen?" zei Katina met een gebaar
van wanhoop. "Welke andere gelegenheid zal ik er nu ooit voor
hebben? Wanneer men me in Rusland niet te goed kende, was ik al lang
de grens overgegaan om hem neer te schieten. Maar zoodra ik een voet in
Rusland zette, zou ik gegrepen en weer naar Orenburg gezonden worden."

"Ik voel alles voor je boosheid, en ik zou hoogstwaarschijnlijk even
zoo doen als ik Katina was. Maar ik ben Zabern, zie je, en ik moet
het eerst denken aan de belangen van het Gouvernement. Schiet Orloff
op neutraal terrein dood--prachtig! Maar hier op Czernovischen grond
zouden we zelfs den duivel moeten respecteeren wanneer hij in de
gedaante van gezant kwam."

In de verte klonk nu een fanfare van trompetten, ten teeken dat de
ambassade den ingang van het Paleis had bereikt.

Dit geluid scheen Katina razend te maken.

"Dus hij zal hier met praal en pracht ontvangen worden, terwijl ik
niets mag doen om me te wreken! Naar de hel met de politiek!" riep
ze hartstochtelijk. "Ga opzij. Ik laat me niet tegenhouden!"

Ze snelde naar de deur, maar Zabern was op zijn hoede, en stelde zich
met uitgespreide armen in den weg.

Toen zag Katina het nuttelooze van haar pogingen in, en ze viel
moedeloos in een stoel neer.

Zwijgend ging Zabern heen, de deur zorgvuldig achter zich sluitend.



Elizabeth had last gegeven de audiëntie met groote pracht te doen
plaats hebben. De Troonzaal, een reusachtige ruimte, welker gewelfd
dak schitterde van het goud, was er voor uitgekozen. De wanden
waren beschilderd met tooneelen uit de geschiedenis van Czernovië
en Nederland; de meubels waren met het zeldzaamste en kunstigste
snijwerk versierd.

Langs de muren stonden de reusachtigste grenadiers, die de Lijfgarde
bezat; in hun onbewegelijkheid leken ze eer op beelden dan op menschen.

Aan elke zijde van den troon, waarop Elizabeth in een wit satijnen
kleed, waarover een purperen statiemantel, had plaats genomen, stonden
de Ministers en andere hoogwaardigheidsbekleeders, grootendeels mannen
die elk oogenblk gereed waren voor de Prinses te sterven.

Felix, achterwaarts van den troon aan een kleine marmeren tafel
gezeten, belast met het opteekenen van wat er dien middag gesproken
zou worden, kon niet nalaten de poëtische pracht van het geheel te
bewonderen. En toch speelden hem in dit oogenblik toekomstdroomen
door het hoofd, die zeer van deze werkelijkheid verschilden. Hij was
zeer zeker niet ongevoelig voor het indrukwekkende, dat van de zaal,
de uniformen, de ceremoniën, kortom van dit geheele schitterende
tooneel uitging; maar zijn gedachten waren naar den eenvoud van vroeger
teruggegaan, en zijn geheele levensopvatting deed hem vurig verlangen
naar een nieuw, hervormd toekomst-Czernovië, een Oranje-Republiek,
waar niet de praal, maar de wijsheid zou heerschen, waar niet de
machtigste en rijkste, maar de edelste en verstandigste mannen den
Staat zouden leiden, uit welke klasse der maatschappij ze ook mochten
zijn voortgekomen. Hij wist dat Elizabeth deze denkbeelden deelde, maar
beiden begrepen ze, dat de tijd daarvoor nog niet gekomen was, dat de
tegenwoordige omstandigheden zelfs zulke verouderde tentoonspreidingen
van macht en uiterlijke praal eischten.

De gezant van den Czaar was een man van reusachtigen lichaamsbouw,
in een schitterende uniform gestoken. Zijn gelaatsuitdrukking wees
op een ruwe en wreede natuur; hij was juist om zijn onbesuisde en
brutale manier van optreden voor deze zending uitgekozen, in de hoop
dat zijn ruwheid de Prinses tot onvoorzichtige, door toorn ingegeven
antwoorden zou verlokken, waaruit Rusland reden tot moeielijkheden
zou kunnen putten. Daarom had Elizabeth, door Zabern gewaarschuwd,
zich voorgenomen den gezant, hoe onbeschaamd hij zich mocht uitlaten,
niet in de kaart te spelen.

Toen Orloff binnenkwam, wisselden Zabern en Felix een blik, waaruit
hun verachting sprak voor dezen man, den beul van Katina, den bewerker
van den aanslag op Czernovië's onafhankelijkheid.

"Zijn overgrootvader was al een misdadiger," fluisterde Zabern
Felix toe.

"Wat misdeed zijn overgrootvader?"

"Hij vermoordde een Czaar. Wist je dat niet? Hij is de afstammeling
van Gregorius Orloff."

Ofschoon het onrechtvaardig was zich te laten leiden door wat een
voorzaat van Orloff gedaan had, voelde Felix toch zijn afkeer van dien
man toenemen. Dat zoo'n man als gezant tegenover Elizabeth moest staan!

Orloff had zijn lederen handschoenen uitgetrokken, en het leek Felix
alsof zijn zware, breede handen dezelfde waren die den ongelukkigen
Czaar Peter III de keel hadden dichtgeknepen.

Met een zonderlinge mengeling van nederigheid en trots knielde
de gezant voor den troon, en, na zijn geloofsbrieven te hebben
overhandigd, richtte hij zich weer in zijn volle lengte op, en begon
met luide stem:

"Zijne Majesteit de Czaar, Keizer aller Russen"--hier volgde een
lange rij titels, waaronder ook "Suzerein van Czernovië," een titel
die velen fluisteren deed: "voor hoe lang nog?"--"verzoektte mogen
vernemen of de Prinses voornemens is zich in een huwelijk te begeven
zonder toestemming van hem, den Czaar?"

"Ofschoon ik het recht van den Czaar ontken om mij deze vraag te
stellen," antwoordde Elizabeth rustig, "behaagt het mij nochtans die
te beantwoorden. Men schrijft mij geheel ten onrechte het voornemen
toe tot een huwelijk--zoodat dus ook de mogelijkheid niet bestaat
van een huwelijk zonder toestemming van den Czaar."

"In dat geval verzoekt de Czaar te mogen weten, welke bezwaren er van
de zijde der Prinses zouden zijn tegen een huwelijk met een door hem,
den Czaar, aan te wijzen toekomstig Prins-Gemaal?"

Op deze vraag volgde het laconieke antwoord:

"Voorloopig deze drie bezwaren: ten eerste dat die toekomstige
Prins-Gemaal klaarblijkelijk nog niet aangewezen is, ten tweede dat
de zekerheid nog niet bestaat of hij die aanwijzing zou volgen; ten
derde dat--ingeval hij ze volgde--mijn antwoord op zijn aanzoek nog
twijfelachtig is."

Orloff, die gehoopt had een formeele weigering tegenover den Hertog
te zullen vernemen, was niet weinig uit 't veld geslagen door dit
diplomatieke en toch zeer duidelijke antwoord, dat een glimlach bij
de aanwezigen opwekte.

"Ik zal Uw antwoord aan den Czaar overbrengen," zeide Orloff. Daarna
ging hij tot het tweede punt over.

"De Czaar moet tot zijn leedwezen constateeren, dat een inbreuk op
de Russische rechtsmacht is gepleegd, door een zijner bloedverwanten,
den Hertog van Bora, op Russischen bodem te doen arresteeren."

"Hebt gij een bewijs voor deze voorgewende schending?"

"Voorgewende schending?" riep Orloff met geveinsde
verbazing. "Beteekent dit twijfel aan het woord van den Czaar?"

"In zooverre, Graaf Orloff, dat ik als ooggetuige kan verklaren den
Hertog op Czernovisch gebied te hebben zien arresteeren."

"Van Russische zijde verklaren twee getuigen het tegengestelde."

"Die getuigen zijn?"

"De Secretaris van den Hertog, Baron d'Ostrova, en een Kozak die aan
de grens op schildwacht stond."

Een gemompel van verontwaardiging over deze woorden ging door de zaal.

"Het woord van een Prinses weegt wel tegen die verklaringen op. En
die Prinses, Graaf Orloff, beroept zich op andere getuigen dan een
Kozak! De Hertog van Bora wordt verzocht nader te komen."

En tot verbazing van den Graaf, die met de aanwezigheid van den eerst
kortelings in vrijheid gestelden Hertog onbekend was, trad Bora tot
voor den troon. Hij had niet verwacht zoo opeens tot getuige geroepen
te worden, en hoezeer met tegenzin, voelde hij zich gedwongen hier,
in het bijzijn van hen die zijn arrestatie gezien hadden, de waarheid
te zeggen.

Met een gedwongen glimlach boog hij voor zijn mede-samenzweerder.

"Inderdaad moet er hier een vergissing in het spel zijn," sprak
hij. "Mijn arrestatie geschiedde aan de Czernovische zijde der grens."

Orloff kon niet zeggen dat het hem meeliep; hij liet daarom dit punt
rusten en ging voort:

"Er zijn twee strafbare feiten gepleegd, waaromtrent de Czaar
nader ingelicht verzocht te worden: ten eerste een duel op Russisch
grondgebied, ten tweede omkooping van een Russisch schildwacht ten
einde dat duel mogelijk te maken."

"Diezelfde eerlijke Kozak," vroeg Elizabeth vriendelijk, "wiens
getuigenis ge zooeven tegen mij gebruiken wilde?"

Een glimlach ging door de vergaderzaal.

Orloff fronste de wenkbrauwen, ging niet op Elizabeth's vraag in,
en vervolgde:

"Daarom wenscht de Czaar, wegens inbreuk op de Russische wet, de
uitlevering van twee personen: den Hertog van Bora, en den Hollander
Van Heelstra, thans Uwer Hoogheids Secretaris."

"Mijn Secretaris," antwoordde Elizabeth, "is zooals u hem terecht
noemt, Hollander. Het zal daarom voorzichtiger zijn te wachten,
totdat de Hollandsche gezant te St. Petersburg geraadpleegd is. En
dan blijft het nog de vraag in hoeverre de wetten uitlevering
toestaan. Om geen ongelijkheid in 't leven te roepen, moet ook de
kwestie betreffende de uitlevering van den Hertog blijven rusten tot
die vraag is beantwoord. De Hertog kan trouwens het land niet verlaten
eer de rechtbank zijn zaak geheel heeft onderzocht."

Orloff begreep, dat hij niet veel verder kwam. De Prinses beantwoordde
zijn vragen welwillend en afdoende, zoodat er geen enkele reden te
vinden was om zich over de ontvangst te Slavowitz te beklagen. Maar
Orloff had nog andere pijlen in zijn koker, en maakte zich gereed
die af te schieten.

"Uwe Hoogheid beroept zich op wetten en voorrechten, waarvan het
recht van bestaan zou kunnen betwijfeld worden. Berusten zij op het
Charter van Czaar Alexander?"

"Maarschalk, ik verzoek u een afschrift van het Charter te doen
brengen."

"Vergeef me, Hoogheid," zei Orloff snel, een blik wisselend met Bora,
die door Zabern gezien en begrepen werd, "geen afschrift! Ik zou
gaarne het oorspronkelijk document zien."

Elizabeth zag hem onderzoekend aan, zonder te vermoeden welk
verraderlijk doel zijn vraag had.

"Ge wilt het oorspronkelijk document zien? Dat is een zonderling
verlangen. Het Charter werd in duplo geteekend, het voor
Rusland bestemde exemplaar werd in de archieven van het Kremlin
gedeponeerd--waarom hebt ge _uw_ origineel niet geraadpleegd? Wat
doet u in Czernovië zoeken, hetgeen in uw eigen land te vinden is?"

"De omstandigheid, Prinses, dat wij in het Kremlin tevergeefs
zochten. Wij hebben de beweerde aanwezigheid van dat document niet
kunnen constateeren."

"De _beweerde_ aanwezigheid?" herhaalde Elizabeth verbaasd.

"Ja," antwoordde Orloff, met zulk een onbeschaamden grijnslach, dat men
hier en daar een sabel ten halve uit de schee hoorde vliegen. "Ja--want
de waarheid is dat Czernovië nooit zulk een Charter bezeten heeft. Hoe
het den eersten zoogenaamden President der Oranje-Republiek gelukt is,
met den koop der gronden van Rusland enkele vrijheden te verkrijgen,
is ons onbekend; vast staat echter dat het verhaal betreffende een
Charter, door den Czaar verleend, een samenweefsel van leugens moet
zijn, waaraan weldra een einde zal gemaakt worden. De Russische
Regeering bezit de bewijzen, dat de onafhankelijkheid van Czernovië
op een legende berust."

Elizabeth lichtte de hand op om aan het toornig gemompel der
vergadering een einde te maken.

"En uit het niet-bestaan van het Charter zou volgen--?"

"Dat Czernovië, evenals de andere provinciën, onder het rechtstreeksch
bestuur van Rusland behoort te staan."

Elizabeth zag den gezant verachtelijk aan.

"Gedurende een eeuw hebben zich dus, volgens u, de slimme Russische
staatslieden, uit wier midden gij gekozen zijt, om den tuin laten
leiden! En erger nog: het Congres van St. Petersburg heeft twee
grootmachten in Rusland's onvergeeflijke domheid doen deelen. Vestig
de aandacht van den Czaar eens op het decreet van dat Congres, Graaf
Orloff: dáárvan zal het origineel wel niet verdwenen zijn! Het behelst
onder anderen deze zinsnede: "De Staat van Czernovië zal volgens het
door den Czaar verleende Charter bestuurd worden, behoudens de bij
dit Congres nader aangeduide omschrijvingen. Rusland, Oostenrijk en
Duitschland worden gevolmachtigd de uitvoering van dit besluit te
bewaken." Zie, Graaf Orloff, zoo sprak het Congres. Het nam dus het
bestaan van het Charter aan. En nu zou de Czaar het ontkennen?"

"Inderdaad, Hoogheid. Alleen wanneer het Charter mij getoond werd,
zou de Czaar van zijn twijfel terugkomen. En ik geloof dat het U een
kleine moeite zou kosten mij op dit punt tevreden te stellen."

"Maarschalk Zabern is de Bewaarder van het Charter. Hij zou u zeer
zeker het in den oostelijken vleugel van het paleis bewaarde Charter
kunnen laten zien. Ik meen echter..."

"Vergun mij op te merken," viel Zabern de Prinses in de rede, "dat het
Charter sinds eenige maanden niet meer in het Paleis berust. Vrees
voor brandgevaar deed mij besluiten het in de Czernovische Bank te
deponeeren, waar het absoluut veilig is. Het exemplaar, waarvan Uwe
Hoogheid spreekt, is een afschrift, te Uwer eventueele raadpleging
gereedliggend."

De natuurlijke wijze waarop Zabern sprak deed Felix zelf bijna de
dupe dezer woorden worden. Te meer maakten ze indruk op Orloff,
wiens gezicht ontsteltenis uitdrukte. Het Charter in den oostelijken
vleugel een afschrift! Dus het complot had slechts de vernietiging
van een waardeloos stuk papier ten gevolge gehad--Czernovië stond
vast als te voren!

Orloff's schrik en verslagenheid werden door Bora's gelaat
weerspiegeld. Felix zag het, en hij was benieuwd hoe de man zich
hieruit redden zou.

"Ik moet dus aannemen," sprak hij, "dat men den gezant van den Czaar
weigert, het Charter te onderzoeken?"

"Volstrekt niet, Graaf Orloff," antwoordde Elizabeth op haar
beminnelijksten toon. "Ik betwijfel echter of Rusland de
voorzichtigheid niet te buiten gaat, door dit onderzoek zonder
Oostenrijk en Duitschland te willen verrichten, die toch bij het
Petersburger Congres dezelfde rechten van toezicht ontvingen. _Zij_
hebben geen twijfel aan 't bestaan van het Charter geopperd. Een
gezantschap der _drie_ Mogendheden zal ik zeer gaarne in de gelegenheid
stellen het gevraagde onderzoek te verrichten."

Orloff voelde de nieuwe moeielijkheid die hier in 't leven werd
geroepen. Het was ontwijfelbaar, dat Rusland ten opzichte van
Czernovië geen ingrijpende maatregelen kon nemen zonder de beide
andere mogendheden daar in te kennen, die op hun beurt niet zeer
geneigd zouden zijn mede te werken in een onderneming, waarbij alleen
Rusland winnen kon. Nog éen kans zag Orloff open, zij 't dan ook dat
hij daarvan geen dadelijk gebruik kon maken.

"De Czaar is voornemens Uwe Hoogheid niet slechts den personeelen
titel van Prinses te blijven toekennen, die Zijne Majesteit U eertijds
als blijk zijner gunst en vriendschap verleende, doch op een nader te
bepalen tijdstip U als Prinses van Czernovië te doen kronen, waartoe
de instemming van Oostenrijk en Duitschland reeds is verkregen. Ik zou
het mij tot een voorrecht rekenen, Zijne Majesteit Uw ingenomenheid
met dit plan te mogen overbrengen."

Elizabeth had dit allerminst verwacht; zij begreep dat het een begin
was om de nog slechts in naam bestaande Republiek tot een monarchie,
een vazalstaat, daarna een bezitting van Rusland te vervormen. In
haar onzekerheid omtrent het te geven antwoord, zag zij Zabern van ter
zijde aan; deze vertrok geen spier, doch knikte alleen nauw merkbaar
toestemmend met het hoofd.

De Prinses begreep dit teeken, en antwoordde:

"Voorloopig voel ik geen bezwaar deze vriendschapsbetuiging van den
Czaar, waarin ik overigens slechts een formaliteit zie, te aanvaarden."

Orloff, ofschoon hiermee slechts ten halve tevredengesteld, was
zoo verheugd eenig terrein gewonnen te hebben, dat hij gretig de nu
volgende vraag stelde:

"Wanneer de plechtigheid der kroning plaats heeft, zal het noodzakelijk
zijn, eenige wijzigingen aan te brengen in het Charter--in zooverre
immers het bestaan daarvan door U wordt volgehouden. Ingrijpende
veranderingen zullen dat niet zijn; louter onbeteekenende, doch naar
den vorm noodzakelijke wijzigingen, waartegen Uwe Hoogheid in geen
geval bezwaren zult hebben. Ik mag er ongetwijfeld op rekenen, dat bij
die plechtige gelegenheid het Charter, waarop Uwe Hoogheid den eed van
trouw ook in Uw nieuwe waardigheid zult hebben te hernieuwen, aan het
volk en aan de vertegenwoordigers van den Czaar zal vertoond worden?"

"Ik noodig u, Graaf Orloff, in 't bizonder uit, met Maarschalk Zabern
zitting te nemen in den Kanselarij-Raad, in welker handen ik dien
eed zal afleggen."

"Onder nadere goedkeuring van mijn Keizerlijken meester reken ik het
mij tot een voorrecht die onderscheiding aan te nemen," zei Orloff,
door den rustigen en vasten toon, waarop de Prinses die woorden sprak,
nog sterker geschokt in zijn geloof aan het verbranden van het echte
Charter.

Wat Zabern betreft, hij voelde dat de Prinses, ofschoon niet anders
kunnende handelen, een gevaarlijke belofte gedaan had. Wat zou het
gevolg zijn, wanneer op den Kroningsdag inderdaad het Charter bleek te
ontbreken? Er welde een vraag naar zijn lippen, die in het volgende
oogenblik door de Prinses werd uitgesproken, zij het ook door een
geheel andere overweging daartoe geleid. Er kwam een lichte trek van
spot op haar gelaat, toen ze vroeg:

"Uw gebieder is zoo welwillend, Graaf Orloff, klaarblijkelijk tot
den dag der Kroning het bestaan van ons Charter nog als bewezen aan
te nemen. Wanneer nu echter op dien dag zijn vermoedens omtrent het
niet-bestaan van dat document inderdaad gegrond blijken te zijn?"

"Zijne Majesteit heeft mij niet gemachtigd die vraag te beantwoorden,
Prinses," sprak Orloff. "Ik meen echter mijn bevoegdheid niet te buiten
te gaan, door U nu reeds te verzekeren, dat daarvan ongetwijfeld zeer
ingrijpende veranderingen voor Czernovië het gevolg zouden zijn."

De Prinses vroeg niet verder.

Orloff boog, zeggend:

"Mijn zending is geëindigd."

"Graaf Radzivil," zoo wendde Elizabeth zich tot den Premier, "ik
verzoek u onzen gast in alle mogelijke opzichten van dienst te zijn
voor den tijd dien hij nog binnen de grenzen van dezen Staat wenscht
door te brengen."

Maar Orloff, weinig ingenomen met den uitslag van zijn zending, en
wetend dat hij in Czernovië niet veel vriendelijke gezichten zou zien,
wees dit aanbod van de hand, door te verklaren dat hij onmiddellijk
naar St. Petersburg wenschte terug te keeren.

"Tegenover den Czaar ben ik verplicht niet te dralen met het
overbrengen Uwer antwoorden."

"De Czaar is om zulk een bescheiden dienaar te benijden. Mijne Heeren,
ik verklaar de audiëntie voor geëndigd."

Zabern was de eerste, die naar oud Poolsch gebruik zijn zwaard trok
en dit als beschermend boven Elizabeth's hoofd uitstrekte; ofschoon
dit geen Czernovische gewoonte was, voelden de overige aanwezigen
zich onwillekeurig meegesleept door deze uiting van ridderlijk
eerbetoon. Een dubbele rij vormend, volgde men zijn voorbeeld, en de
schoone heerscheres verliet, met een glimlach en een blos, onder dit
veilig gewelf van blinkende klingen de zaal, nagejuicht door kreten
van: "Leve de Prinses!"

Zij had een diplomatische overwinning op Rusland behaald, maar niemand
wist beter dan zij dat deze slechts tijdelijk was, en dat Rusland
elke gelegenheid zou aangrijpen om een nieuwen aanval te wagen.

Het gezelschap verspreidde zich. Orloff vertrok onmiddellijk naar
St. Petersburg. De Hertog, met wrok in het hart, volgde de Prinses
naar haar studeervertrek, ten einde eens voor al uit haar eigen mond
te vernemen, of zij inderdaad voornemens was van een huwelijk met
hem af te zien. De Ministers zochten den Hoftuin op, waar zij het
gebeurde bespraken.

"De Czaar zal zich daar niet bij neerleggen," zei Radzivil, "en toch
kon de Prinses moeielijk anders spreken, wilde zij haar waardigheid
ophouden."

"Hebt ge op de twee verraders gelet?" zei Zabern tegen Felix, die
met hem in de Troonzaal was achtergebleven. "Ze zullen nu wel aan
het succes van hun complot gaan twijfelen. En Orloff is zoo goed als
overtuigd, dat het Charter nog ongedeerd is."

"Toch heeft hij vermoedens, vrees ik," zei Felix. "U hebt de
moeielijkheid verschoven, doch tijdelijk. Wat zal er gebeuren, als
het Charter op den kroningsdag ontbreekt? En is eigenlijk die kroning
op zichzelf niet een gevaarlijk ding?"

"Ach," antwoordde Zabern luchtig. "Komt tijd, komt raad. Ik zal er
wel wat op vinden. En wat die kroning betreft--zoo iets bedreigde
ons elken dag. Het bericht kwam alleen wat vroeger en onverwachter
dan ik gedacht had. De kroning is natuurlijk het voorspel van het
huwelijk--of van een annexatie. Maar zoover zijn we nog niet!"

"Veroorloof me nog een vraag. Gelooft u, dat de Hertog de eenige
verrader is in het Kabinet?"

"Geen oogenblik," lachte Zabern. "Er is nog een tweede vogel
dien ik knippen wil. En de Prinses weet even goed als gij wien ik
bedoel--Ravenski!"

"U weet alles, Maarschalk!"

"Heel veel ten minste. Ik wist alleen tot nu toe niet, wat de
Prinses mij eerst gisteren meedeelde, en wat zij ook u had verteld:
het tooneel dat tusschen haar en Ravenski plaats greep. Wel, Ravenski
beteekent als tegenstander niet veel. Bovendien staat zijn verraad op
zichzelf. Hij tracht alleen zijn eigen persoon te bevoordeelen. Laat
hem maar aan mij over."

Daarna, als waren al deze dreigende gevaren van weinig gewicht,
ging de Maarschalk luchtig op een ander onderwerp over:

"Zie ik u vanavond op het bal masqué?"

"Zonder twijfel," antwoordde Felix. Had de Prinses, die in haar costuum
en achter haar masker onherkenbaar zou zijn, niet beloofd met hem te
dansen? "Maar zult u er zijn, Maarschalk?" ging hij voort. "Ik dacht
niet dat u een man voor muziek en dans was!"

"Dat ben ik ook niet. Maar de maskerade, die vanavond op bevel der
Prinses gegeven wordt, is iets meer dan louter een feest. Ook op een
bal sluit men de politiek niet buiten. Maar ge zult het wel zien. Let
op mijn woorden: op het bal van dezen avond zal de geschiedenis van
Czernovië geschreven worden. Tot ziens!"

Met deze woorden ging Zabern heen, en zocht de kamer op waar hij
Katina had achtergelaten.

Hij vond haar in nadenken verzonken bij het venster zitten; een
revolver lag naast haar. Hij had verwacht met onstuimige verwijten
ontvangen te zullen worden; in plaats daarvan zag ze hem met een
blijden glans in de oogen aan. Zabern verwonderde zich over die
merkwaardige verandering.

"Je gevangenschap is geëindigd, Katina," zei hij vriendelijk. "Orloff
is vertrokken."

"Ik weet het," antwoordde ze, "want ik heb hem zien gaan. Hij nam
zijn weg door den tuin, en van uit dit venster kon ik hem duidelijk
waarnemen. O, Maarschalk Zabern"--Katina tikte met den vinger op de
revolver--"dat was niet handig van u, mij mijn wapen niet te ontnemen!"

"En waarom maakte je er geen gebruik van?" vroeg Zabern, die voelde
den steek te verdienen. "Deed de gedachte aan Czernovië..."

Katina verborg haar gelaat in de handen.

"Het was zelfzuchtig van me--maar, neen, niet het heil van Czernovië
weerhield mijn hand. Iets... iemand anders."

"Iemand? Iemand, die zooveel invloed op je heeft, dat..."

Katina knikte zwijgend. Daarna zag ze Zabern in de oogen, en vulde
zijn woorden aan:

"Iemand, dien ik zoo liefheb, dat ik om zijnentwil zelfs mijn wraak
ondergeschikt maakte aan zijn verlangen."

"Dus jij, Katina--de wraakzuchtige, onbesuisde Katina--je bent
ontvankelijk voor die zachtere gevoelens?"

"Hebt ge daaraan ooit getwijfeld?"

"Ik had me er aan gewend, te denken dat je hierin evenzoo zou zijn als
ik--ongevoelig voor alles, behalve voor onze liefde tot het vaderland!"

"En is dat waarlijk zoo, Maarschalk? Is er in uw hart werkelijk voor
zachtere gevoelens geen plaats? Zou zij, die u liefheeft, nooit op
wederliefde mogen hopen?"

Er was een oogenblik stilte.

Toen scheen het, alsof Zabern, de stoere, ruwe Zabern, die nooit vrees
had gekend, die gespot had met dood en gevaar--alsof die sterke man
zwak was geworden als een kind.

"Katina!" was 't eenige wat hij stamelen kon. En op de knieën
neervallend verborg hij het hoofd in haar schoot.

"Dus mij heb je lief. Mij, den leelijken ouden kerel met éen hand,
en een verweerd gezicht vol sabelhouwen! En dat terwijl duizend jonge
Czernoviërs op leven en dood zouden willen vechten om jou als bruid
te verwerven!"

"Maar geen van hen is immers als Zabern!" zei Katina, in haar
verwarring blozend en bevend tegenover een aandoening, sterker dan
ze ooit in haar leven gevoeld had.

Zabern drukte haar in zijn armen.

"Katina," sprak hij, en nooit had ze geweten dat zijn stem zoo zacht
en welluidend kon klinken, "Katina, kus me!"

Zoo waren dan deze twee onwrikbare, onoverwinnelijke menschen in
enkele oogenblikken weerloos gemaakt en tot slaven van een macht,
die sterker is dan alle Zaberns en Katina's ter wereld: de Liefde!

Nog geruimen tijd zaten ze te samen, en de Maarschalk ging zoo
geheel in deze voor hem nieuwe gewaarwordingen op, dat, toen op
zeker oogenblik een Secretaris aan de deur klopte, meldend dat hij
regeeringsbrieven te overhandigen had, Zabern alle politiek vergat
en den Secretaris toeriep, de papieren aan den duivel te brengen.

"Dat blijft in de familie," mompelde de verschrikte Secretaris,
terwijl hij, verwonderd over dezen uitval, heenging.

"Ik geloof toch wel," zei Katina, "dat dit prettiger is dan opgehangen
te worden voor het dooden van Orloff!"

"Dat is het zeker," antwoordde Zabern. "En het doodschieten van Orloff
zou bovendien een veel te lichte straf voor hem geweest zijn. Ik weet
iets anders voor hem. En daarbij heb ik jou hulp noodig."

"Als ik er toe in staat ben, beschik dan over me."

"Je hebt slechts je pen te gebruiken om me te helpen. Luister hoe. Maar
bedenk, dat ik je een staatsgeheim toevertrouw, dat zelfs de Prinses
en het Kabinet onbekend is."

Zabern zette haar nu zijn plan uiteen, eindigend met de woorden:

"Nu begrijp je dus hoe je me helpen kunt?"

"O Ladislas!" zeide ze, ernstig het hoofd schuddend, "ik geloof dat
je me toch aan de galg wilt brengen!"

"Dat zal je meevallen!" lachte Zabern. "Dit plan is het eenig
mogelijke om Czernovië te bevrijden. Slechts jij en ik mogen het
weten, en niemand zal het zoo goed als jij kunnen uitvoeren. Je zult
het dus doen?"

"Ik zal alles doen wat je me vraagt," antwoordde Katina eenvoudig.



Dadelijk na haar vertrek schreef Zabern een brief van den volgenden
inhoud:


	"Waarde Ludovski,


	"Mijn onderzoekingen in Warschau hebben, na zeer veel
	mislukkingen, zooveel succes gehad, dat ik de zekerheid
	heb binnen enkele maanden u de familiepapieren te
	kunnen verschaffen, die Orloff bij uw verbanning had
	achtergehouden. Dan zal het zeer eenvoudig zijn u uw
	rechtmatigen titel van Graaf Boris Ludovski te doen hergeven,
	en keert ge tot uw vroegere waardigheden terug. Nog slechts
	kort zult ge de drievoudige ellende behoeven te dragen arm,
	verloochend en bewoner van een armzalige herberg te zijn;
	een woning, u en de uwen waardig, wacht u in Slavowitz. Uw
	benoeming tot een eervolle staatsbetrekking, waaraan een
	zeer ruime bezoldiging verbonden is, ligt gereed en is geheel
	overeenkomstig uw talenten en aspiratiën.

	"Bedank mij niet. Ik heb mijzelf de onevenredig groote
	belooning voor dezen geringen dienst reeds verzekerd; uw
	dochter Katina zal u hedenavond bij haar thuiskomst wel
	mededeelen waarin deze bestaat.

	"Geloof mij nu en steeds de trouwe vriend uit uw jeugd


	Ladislas Zabern."


Snel sloot Zabern dit schrijven in een envelop, belde, en zei tot
den binnentredenden ordonnans:

"Te paard, Nikita, en in galop naar de herberg van Ludovski. Breng
hem dezen brief."



TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN GEMASKERD BAL.

	Het wetsontwerp-Lipski.--Prinses Elizabeth teekent een
	contract.--De schatten van het St. Nicolaas-Klooster.--Iedereen
	verliest den moed, behalve Zabern.


Het was zeven uur in den avond. Het bal masqué waarvan Felix met Zabern
sprak, zou te tien uur beginnen. Weinig vermoedden Felix en Katina,
toen zij gedeeltelijk in Zabern's plannen werden ingewijd, dat er
een zeer nauw verband bestond tusschen dit bal en de Kamerzitting,
die van half acht tot half tien gehouden zou worden.

Toch was dit zoo; niemand was daarvan beter op de hoogte dan Zabern,
die uit de geheime depêche van Orloff meer gelezen had dan Rob en
Felix er uit begrepen hadden. In deze zitting toch zou de afgevaardigde
Lipski een wetsontwerp indienen, om, in overweging nemende de daling
der rijksinkomsten en de zware lasten die voor versterking van levende
en doode weermiddelen geëischt werden, voortaan de kloosters, die tot
nog toe door den fiscus ongemoeid werden gelaten, te verplichten tot
een bijdrage aan 's lands schatkist.

Dit wetsvoorstel zag er eenvoudig en vrij onschuldig uit; in den mond
van een Russischgezind afgevaardigde klonk het zelfs zeer belangeloos,
wanneer men in aanmerking nam dat het tegemoet wenschte te komen aan
militaire uitgaven, die toch allereerst versterking van de Russische
grens ten doel hadden. Bovendien zouden ook de meeste Czernovische
afgevaardigden het voorstel, oppervlakkig beschouwd, zeer billijk
achten. Het budget van Dorislas was dit jaar onmatig hoog, er moest
op alle geoorloofde manieren geld verschaft worden. Al meermalen was
daartoe het voorstel geopperd, de kloosters te belasten, en nu Lipski
de eerste was die den moed had een daartoe strekkend ontwerp in te
dienen, zou men hem zeer zeker toejuichen. Het oude gebruik, geen
belasting te heffen van de vrij talrijke kloosters--die meerendeels
bewoond werden door uit omringende staten onverdraagzaam verdreven
monniken, aan wie Czernovië, waar de godsdienst geheel vrij was,
toevlucht had verleend--dat oude gebruik was niet rechtvaardig. Enkele
kloosters waren zeer rijk; waarom zouden zij niet naar mate van
krachten bijdragen in de lasten van een land, dat hun gastvrijheid
verleende?

Zabern, en enkele ingewijden met hem, wisten echter welke list achter
Lipski's optreden verscholen was; door den cijferbrief gewaarschuwd,
zou hij Lipski het genoegen ontnemen hem onverwacht met zijn voorstel
op het lijf te vallen--waarvan de afgevaardigde zich natuurlijk
te voren een feest had gemaakt--en bovendien had hij daardoor de
gelegenheid gehad zich tegen de in te dienen wet te wapenen.

Hoe een en ander in zijn werk ging, en welk listig doel Lipski met
zijn voorstel beoogde, zullen we uit het volgende vernemen.

Te halfacht opende Brunowski de Kamerzitting. Met de behandeling van
allerlei onderwerpen was het negen uur geworden. Daar Lipski zich onder
de laatste sprekers had doen inschrijven, vermoedde Zabern dat hij
opzettelijk eerst tegen het einde der vergadering aan het woord wilde
komen, om een uitgebreid debat over zijn voorstel tegen te gaan, dit
onmiddellijk verwezen te zien naar een commissie van onderzoek, en dan
de beraadslaging in een eerstvolgende zitting te doen plaats hebben.

Toen nu de President eenige adressen en andere stukken van
ondergeschikt belang aan de orde wilde stellen, nam Zabern het woord
en vroeg, tot verbazing der vergadering, of het niet gewenscht was,
wegens de belangrijkheid van het onderwerp, eerst het voorstel van
den afgevaardigde Lipski ter tafel te brengen, strekkende tot heffing
eener belasting op de eigendommen der Czernovische kloosters.

Lipski, klaarblijkelijk verrast: "Zou ik mogen weten, hoe de Minister
van Justitie zoo juist is ingelicht omtrent den inhoud van mijn
voorstel?"

Zabern, droogjes: "Heb ik mijn mond voorbijgepraat? Was uw onderwerp
een geheim?"

Lipski: "Het lag in mijn bedoeling de Kamer aangenaam te verrassen."

Zabern: "En nu heb ik u de vreugde van die verrassing ontnomen! Dat
spijt me."

Lipski: "Het spijt _mij_, dat men me klaarblijkelijk bespionneert;
de geheimen van mijn studeerkamer schijnen zelfs niet meer voor het
schrikbewind van den Minister van Justitie veilig te zijn."

Zabern: "U vleit me. Ik heb inderdaad een uitstekend corps
spionnen. Gaarne geef ik u echter de verzekering, dat uw schrijftafel
de eenige plaats is, waar zij nog niet zijn doorgedrongen. Maar
misschien zal ik ook daarin spoedig slagen." (Gelach).

Lipski, woedend: "Ik vraag, hoe u er achter bent gekomen!"

Zabern, verlegenheid veinzend: "Ik weet 't waarlijk niet meer.... Laat
ik me eens bedenken--heb ik 't niet in de Kolokol gelezen?" (Gelach).

De Voorzitter: "Heeren, we kunnen deze kwestie laten rusten. De
afgevaardigde Lipski zal zijn voorstel in 't openbaar behandelen; wat
zoo straks door ons allen vernomen wordt, en nog heden avond door alle
nieuwsbladen verspreid, kan men bezwaarlijk een geheim noemen. Hoe
de Minister van Justitie den inhoud van het ontwerp te weten is
gekomen, is van geheel ondergeschikt belang, daar hij, geen geheim
geschonden hebbende, eenvoudig den loop der beraadslagingen eenigszins
vooruitgeloopen is. Verlangt iemand hieromtrent nog het woord?"

Lipski, driftig: "Ik verlang een nadere verklaring van den Minister!"

Zabern: "De beste verklaring lijkt me deze: ik ontvang dagelijks
zooveel inlichtingen, dat ik niet op elk oogenblik precies kan
opgeven hoe ik aan mijn gegevens kom. Het is best mogelijk, dat ik
niet langs rechtstreekschen weg den inhoud van het ontwerp ben te
weten gekomen--ik herinner me dat waarlijk niet meer. Maar als ik
den geachten afgevaardigde van Russograd daarmee kan gerust stellen,
verklaar ik gaarne, dat ik aan de omtrent hem ontvangen inlichtingen
hoegenaamd geen waarde heb gehecht. (Gelach). Zeker niet genoeg waarde,
om een langdurige discussie als deze te rechtvaardigen." (Daverend
gelach).

De Voorzitter: "De afgevaardigde Lipski heeft het woord voor de door
hem aangekondigde rede."

Lipski, die al de helft van zijn succes verloren zag, zette nu kort
de bedoeling van zijn ontwerp uiteen. Zooals Zabern wel verwacht had,
werd het met instemming door het meerendeel der leden ontvangen. Er
werd een commissie benoemd, de beraadslaging werd voor de volgende
samenkomst bestemd, en daarna haastten zij, die het bal zouden
bijwonen, zich hun costuum te gaan aantrekken.

Om tien uur waren de zalen en tuinen van het Paleis reeds vol vroolijke
gasten. Het middelpunt der feestelijkheid was de ruime balzaal, waar
het schitterende licht der gouden candelabres de talrijke veelkleurige
costuums bescheen.

Onder de menigte bevond zich Felix, overal zoekend naar de gemaskerde
Elizabeth, die hem niet had willen zeggen welk costuum zij aantrok,
en schertsend had opgemerkt dat hij, zoo hij haar werkelijk liefhad,
haar ook in elke vermomming zou terugvinden.

Terwijl hij zich door de zaal bewoog, trok hij menigen nieuwsgierigen
blik tot zich, want zoowel zijn forsche figuur als zijn prachtig
costuum vestigden onwillekeurig de aandacht op hem. Hij had zich een
Oud-Hollandsche kleedij gekozen; een breedgerande hoed met wapperende
veeren dekte zijn blonden krulpruik; een sierlijke fluweelen mantel
hing in gracieuse plooien van zijn schouders, die door een kraag
van echte Vlaamsche kant waren omsloten; de beenen staken in hooge
bruin-lederen laarzen, en zijn hand leunde op het met diamanten
bezette gevest van den degen. Ongetwijfeld was hij onder de vele
kranige figuren de kranigste, en telkens werd er fluisterend gevraagd
wie hij wel zijn kon.

Eindelijk kreeg Felix een slanke vrouwengestalte in het oog, omhuld
door het zilvergrijze nonnenkleed, die eenzaam in een deuropening
stond, welke naar de balzaal leidde. Hij kwam naderbij, en toen de
non opeens het hoofd naar hem toewendde, hem door de kijkgaten van
haar masker een blik toewerpend, twijfelde hij er geen oogwenk aan
wie zij was.

"Waarom zulk een somber costuum?" vroeg hij.

"Is dit costuum niet het teeken der onschuld?"

"Zeker--maar ook beteekent het: afstand doen van de liefde!"

"En waarom zou ik daarvan geen afstand doen?"

"Omdat je mij trouw gezworen hebt!"

"Ah, Felix--dus je hebt me herkend," fluisterde Elizabeth, glimlachend
onder haar masker. "En nu vraag ik op mijn beurt: waartoe dit
Oud-Hollandsch costuum?"

"Omdat ik meende jou daarmee het meest genoegen te doen."

"En je hebt het goed geraden! Juist vanavond krijgt het een
eigenaardige beteekenis--spoedig zal je begrijpen waarom. Ga mee naar
het terras."

Felix legde haar arm in de zijne, en leidde haar uit de woelige
balzaal naar het rustige marmeren terras, waar hij in een afgelegen
hoekje naast haar ging zitten.

Het was een heerlijke zomernacht. De lucht was zuiver en zoel;
het klateren van talrijke fonteinen klonk als muziek. De zilveren
maansikkel, scherp tegen een donkerblauwen hemel afstekend, en de
gekleurde lampjes die overal tusschen het groen gloeiden, verspreidden
een poëtisch, tooverachtig licht.

Ze hadden eenigen tijd zoo gezeten, zelfs achter hun vermomming de
grootste voorzichtigheid betrachtend, omdat Zabern verzekerd had dat
er Russische spionnen in de zaal waren, toen Elizabeth opeens uitriep:

"Ah--wie komt daar?"

Felix voelde haar arm in den zijne trillen, toen langs het door de
maan verlichte terras een hooge, statige figuur, in een monnikspij
gekleed, langzaam het tweetal naderde. Zijn pij was in kleur geheel
gelijk aan die van Elizabeth, en evenals de hare op elken schouder
van een rood kruis voorzien.

Toen de monnik voor hen stond, zag hij Elizabeth eenige oogenblikken
aandachtig aan, en vroeg toen:

"Mag een broeder eenige woorden richten tot een zuster van dezelfde
orde?"

"Zijn wij van dezelfde orde?"

"Kunnen de bewoners van het St. Nicolaas-klooster zich in elkaar
vergissen?"

"Felix," fluisterde zij, "ik moet dien man enkele oogenblikken alleen
spreken. Wacht hier."

De Prinses stond op, en liep met den monnik al pratend het terras op
en neer, terwijl ze telkens Felix voorbij gingen.

Ofschoon dit gedrag van Elizabeth vreemd leek, giste Felix toch de
reden. Hij wist dat het St. Nicolaasklooster het groote gebouw met de
zingende monniken was, dat Katina hem op hun rit in de troïka gewezen
had. Ook kende hij de bewoners van dat klooster als onverzoenlijken,
die reikhalzend uitzagen naar het oogenblik waarop ze van de Russische
overheersching zouden worden bevrijd. Felix vermoedde dus, dat deze
gemaskerde een monnik was, uit dat geheimzinnig klooster met de een
of andere gewichtige mededeeling gezonden.

Het gesprek, waarvan hij geen woord kon afluisteren, duurde ongeveer
een kwartier, en eindigde daarmee, dat de monnik de Prinses eenige
papieren overhandigde, die zij zoo snel in haar pij verborg, dat
Felix eigenlijk niet wist of hij goed gezien had of niet.

Daarna sloop de monnik weg, en de Prinses keerde bij Felix terug.

Eer hij den tijd had Elizabeth te vragen wat dit voorval beteekende,
zag hij tot zijn verbazing een tweeden gemaskerden broeder naderen. Hij
was geheel gekleed als de vorige, zoodat Felix eerst meende dat het
dezelfde was, maar weldra zag hij dat deze nieuwe bezoeker kleiner
was en steviger gebouwd. Zonder twijfel wilde ook hij de Prinses om
een onderhoud verzoeken. Hoe lang zou dit zoo voortgaan?

Elizabeth raadde zijn gedachte, en glimlachte onder de zijden franje
van haar masker.

"Geduld," fluisterde ze. "Dit is de tweede en laatste. Daar komt
Maarschalk Zabern aan, hij zal je alles uitleggen."

Bij de nadering van den monnik werden dezelfde woorden van zooeven
gewisseld, blijkbaar een afgesproken herkenningsteeken, en daarna
stond Elizabeth wederom op om naast den monnik op het terras heen en
weer te loopen.

Een oogenblik later verscheen wederom iemand op het tooneel, in wien
Felix, trots domino en masker, den Maarschalk herkende.

Zabern ging naast hem zitten, en richtte de blikken op de Prinses,
die op eenigen afstand over de balustrade van het terras leunde,
klaarblijkelijk bezig iets te schrijven.

"Wat denkt ge dat de prinses op 't oogenblik doet?" vroeg Zabern.

"Het lijkt wel of ze haar naam in het balboekje van een danser
schrijft--maar dat zal zeker 't geval niet zijn?"

"Meneer de Secretaris," zei de Maarschalk nadrukkelijk, "ge zijt
getuige van een gebeurtenis, die voorbestemd is de kaart van Europa te
wijzigen. De Prinses teekent een geheim verdrag met Leopold Kossuth,
den kleinzoon van Lodewijk Kossuth, den ongekroonden Koning van
Hongarije."

De verbazing van Felix laat zich niet beschrijven, en hij drong bij
den Maarschalk op naderen uitleg aan.

"Sedert eenige maanden," vervolgde Zabern, "heb ik een onderneming
op touw gezet, die een gezamenlijken opstand van Polen, Hongarije
en Czernovië ten doel heeft. Het oogenblik van uitvoering is zeer
nabij. Alles is gereed. De Prinses, die aan het hoofd der beweging
staat, heeft reeds een verdrag met den leider der Poolsche bondgenooten
geteekend. Die twee monniken zijn onze geheime agenten. De eerste
is een Pool, die documenten uit het hoofdkwartier der patriotten te
Warschau overbracht. De tweede is een Hongaar uit Buda, die belast
is met de onderhandelingen met Kossuth. De maskerade van dezen avond
werd gehouden om het naderen der Prinses mogelijk te maken, daar geen
andere manier de vermoedens der ons omringende spionnen zoo afleidt. De
verrader Bora, die op het oogenblik in de balzaal alle dames het hof
maakt, vermoedt weinig wat op zoo korten afstand van hem gebeurt."

"Maar denkt ge dat die drie landen het tegenover de macht van
Oostenrijk en Rusland zullen winnen?"

"Ongetwijfeld. Hongarije houdt Oostenrijk in bedwang; Polen en
Czernovië bedreigen Rusland, en het lijdt geen twijfel of meerdere
Balkanstaten zullen ons te hulp snellen. Bovendien vinden wij een zeer
sterken bondgenoot in de omstandigheid, dat Engeland op het punt is
Rusland den oorlog te verklaren in Mandschoerije, waardoor talrijke
troepen naar de Aziatische grenzen geschoven moeten worden."

"En het geld?"

"Stroomt ons bij millioenen toe, vooral uit Polen, waar de minste
boer zijn laatste kopeke gegeven heeft. Ook de financiëele steun
van Finland is niet gering te achten. Ja, het is zelfs vrij zeker,
dat ook de Finnen naar de wapens zullen grijpen. Behalve over een
sterk leger, beschikken we dus ook over een enorme oorlogskas, wat
welbeschouwd de hoofdzaak is."

"En waar worden die schatten bewaard?"

"In het St. Nicolaas-klooster."

"Als dan de wet van Lipski er door komt, waarvan ik vanavond hoorde
vertellen, zou men zich wel eens kunnen verwonderen over den grooten
rijkdom van dat klooster," merkte Felix op.

"Daar roert ge, zonder 't te weten, een zeer belangrijke kwestie
aan. Oogenschijnlijk richt die wet zich alleen tegen de kloosters in
't algemeen, maar inderdaad is ze op het St. Nicolaas-klooster in
't bizonder gericht. De Russisch-gezinden schijnen te vermoeden, dat
de monniken van die inrichting nog andere dingen doen dan zingen. Dat
ze dit vermoeden hadden opgevat, bleek me uit het tweede deel van den
cijferbrief, die nu ook u duidelijker zal worden. Als de beambten,
met de taxatie belast, dat klooster binnengaan, zullen ze niet
alleen onzen voorraad goud ontdekken, maar bovendien documenten
die onze samenzwering aan 't licht zouden brengen, en meer dan
dat: plannen en modellen van Russische vestingen, wapens voor niet
minder dan honderdduizend man, springmiddelen en projectielen van
de nieuwste vinding, die sinds maanden op allerlei manieren zijn
binnengesmokkeld. Vindt men dat alles, dan is natuurlijk bewezen dat
Czernovië tegen Rusland complotteert, en het doel van de wet-Lipski
is bereikt. Alles moet dus in het werk gesteld worden om de aanneming
te verijdelen."

Op dit oogenblik voegde Elizabeth zich bij hen, en dadelijk daarna
naderden twee zwarte domino's, in wie Zabern den Premier en Dorislas
herkende. Men begroette elkaar, en Zabern maakte de Prinses en Felix
aan de beide Ministers bekend.

Radzivil zette zich naast de Prinses, Dorislas leunde met over
elkaar geslagen armen tegen de balustrade. Naar het scheen waren
beide mannen onder den indruk van het in de Kamerzitting verhandelde,
en verkeerden ze in een sombere stemming.

"Heeft Uwe Hoogheid het verdrag met Kossuth geteekend?" begon Radzivil.

"Een uur geleden. De Hongaarsche agent is er mee vertrokken."

"Ik vrees, Prinses, dat op het laatste oogenblik moeielijkheden
rijzen. Ge weet wat er in de Kamer is voorgevallen--wanneer we onzen
schat verliezen, zijn we zelf verloren."

"De wet is nog niet aangenomen, Graaf. De Czernovische patriotten
hebben de meerderheid in de kamer."

"Maar zij beseffen de geheime bedoeling niet van de wet! Zij zullen
te goeder trouw vóórstemmen! En het zou te gevaarlijk zijn ons geheim
aan tachtig personen mede te deelen, hoe goed ze ons ook gezind mogen
zijn. Lipski legde heden avond nog eenige statistieken ter inzage, de
waarde der schatten in de verschillende kloosters aangevend. Natuurlijk
zijn die denkbeeldig--..."

"Omdat," viel Dorislas in, "Lipski er geen begrip van heeft hoeveel
millioenen in het St.-Nicolaasklooster liggen opgehoopt."

"Juist," vervolgde Radzivil. "Uit die statistieken volgt, dat
de opbrengst der kloosterbelasting gedurende een geheel jaar alle
bestaande rijksbelastingen zou kunnen vervangen. Daar is men natuurlijk
begeerig op aangevallen. Ook aan onze zijde zal men vrij algemeen
vóór de wet stemmen."

Men zat eenige minuten in zwijgen verzonken, onder den indruk
van Radzivil's woorden. Zou die sluwe Lipski nu opeens aan de zoo
schoone verwachtingen der patriotten den bodem inslaan? Zou alles
vergeefs geweest zijn? Een sombere, neergeslagen stemming maakte
zich van die kleine groep onverzoenlijken meester. Alleen Zabern
scheen allen moed niet te hebben verloren; een onmerkbare glimlach
speelde om zijn lippen, als zag hij een uitkomst, waar de anderen
aan redding wanhoopten. Maar hij verried door geen enkel woord zijn
geheime gedachten.

"Kunt Uwe Hoogheid niet weigeren de wet te teekenen?" vroeg Felix.

"Het Charter verplicht mij elke wet te teekenen, die door de Kamer
is aangenomen. Wel kan ik in enkele gevallen weigeren, doch dan heeft
de Kamer het recht van beroep op de drie toeziende Staten."

"Kunt ge de Kamer niet ontbinden, en een nieuwe verkiezing
uitschrijven?" vervolgde Felix.

"We zouden er niets bij winnen," zei Radzivil, "hoe de meerderheid
ook is, Russisch of Czernovisch--de wet behoudt haar zelfde
aantrekkelijkheid."

Dorislas, die graag Zabern's middeleeuwsche maatregelen nadeed,
stelde voor:

"Laten we doen als Cromwell: op den dag der stemmen worden soldaten
achter de zetels der kamerleden geplaatst. Wie niet tegenstemt voelt
een bajonet in zijn hals. Ook zouden we enkele leden in de doos kunnen
stoppen, totdat de stemming afgeloopen is."

Elizabeth glimlachte.

"Dat zou de rechte manier zijn om de tusschenkomst der drie Mogendheden
te bewerken!"

"Is het niet mogelijk," opperde Felix, "alle papieren, schatten en
wapens in't geheim weg te voeren?"

"Onmogelijk," zei Dorislas. "Alle kloosters worden door militairen
bewaakt. Dat is een zeer begrijpelijke maatregel, dien ik in Lipski's
geval ook geëischt zou hebben. Hadden de monniken de gelegenheid
hun bezittingen in veiligheid te brengen, dan zou de heele wet een
dwaasheid zijn."

Niemand durfde meer een oplossing aan de hand doen, die er trouwens
niet scheen te zijn.

"Als de wet wordt aangenomen," zei Dorislas, "zie ik maar éen weg
uit de moeielijkheid. De monniken moeten trachten den een of anderen
donkeren nacht het klooster in stilte te verlaten, een langzaam
brandenden lont achterlatend, waardoor het kruitmagazijn in de lucht
vliegt."

"En daarmee zou al onze hoop vervlogen zijn!" zuchtte de Prinses.

"Dat zou 't. Maar bedenk, Hoogheid, wat er gebeuren zou, ook al
werden de papieren tijdig verbrand: Rusland zou in het klooster,
dat eigenlijk meer een fort en een arsenaal is, een enormen voorraad
goud en oorlogsmateriaal vinden. Dat staat evenzeer gelijk met onzen
ondergang."

"Het verwondert me, dat de Maarschalk nog niets gezegd heeft,"
glimlachte Elizabeth. "Dat is het zekere bewijs dat hij over een of
ander plan denkt. Zeg ons eens, Maarschalk, denkt ge wezenlijk dat
er nog iets te redden valt?"

"Ik ben er vast van overtuigd, Hoogheid," zei Zabern bedaard, en tot
groote verrassing der overigen.

"De wet-Lipski zal met groote meerderheid worden verworpen."

"Wat!" riep Radzivil, ongeloovig, en benieuwd naar het door Zabern
aan te geven middel, "en hoe wilt ge dat resultaat bereiken?"

"Wanneer ik dat vertel, is alles al van te voren mislukt. Mijn plan
eischt absolute geheimhouding."

"Zelfs voor de Prinses?" vroeg Elizabeth.

"In de eerste plaats voor de Prinses," antwoordde Zabern met een
eigenaardigen glimlach.

Elizabeth was natuurlijk zeer verwonderd over dit antwoord.

"Ik zal me daarbij neerleggen, Maarschalk, ofschoon u mijn
nieuwsgierigheid op een harde proef stelt. Maar u hebt mijn vertrouwen
nooit beschaamd--"

"En ik zal 't ook nu niet doen, Hoogheid."

"Dan," zei Elizabeth, terwijl uit de balzaal de muziek van een slepende
Hongaarsche wals naar buiten ruischte, "dan mag de Prinses dansen,
als Zabern de wacht houdt. Secretaris--uw arm. Ik beloofde u een
dans, en ik zal mijn woord houden. Maar wil eerst deze papieren van
mij overnemen, Maarschalk; het zou gevaarlijk zijn als ik ze op den
dansvloer liet vallen!"

En Elizabeth, den Maarschalk de documenten overhandigend die zij
zooeven had ontvangen, ging aan Felix' arm naar de balzaal.

Dit gunstbetoon aan haar Secretaris deed Radzivil en Dorislas een blik
van verwondering wisselen, maar eer zij er verder over konden nadenken,
werd hun aandacht getrokken door een rumoer van verscheiden stemmen,
dat uit de richting kwam tegengesteld aan die welke de prinses had
ingeslagen.

De drie Ministers zagen een groep gemaskerden op zich toekomen,
dames en heeren, in fantastische costuums gekleed, en blijkbaar in
de vroolijkste stemming, daar ze luid lachten en praatten.

"Wie is dat nu?" vroeg Radzivil, naar een forschgebouwde gestalte
wijzend, die als Peter de Groote was gekleed.

"Een barbaar, die een anderen barbaar naäapt," zei Zabern, den
bedoelden persoon herkennend.

"De Hertog van Bora?"

"Juist, en omringd door zijn gunstelingen en satellieten, juichend
om het onbetwijfeld succes van Lipski's wet, waarvan ze den val
der Prinses verwachten. Laat ze lachen. Over enkele dagen zullen ze
huilen. We zullen onze maskers afdoen en ze aan het praten brengen;
ik ben benieuwd wat ze te vertellen hebben."

Toen de Hertog en zijn vrienden naderden, ontmaskerde het drietal
zich. Bora herkende hen en kwam naar hen toe, blijkbaar zich spitsend
op de verslagenheid der Ministers.

"Dat is een leelijke knauw voor de Prinses, Maarschalk," zei de Hertog
brutaal, terwijl hij een sigaret opstak. "De wet-Lipski gaat er zeker
door." I

"Door? O heden neen. Niets daarvan!" zei Zabern allervriendelijkst.

"Wat?" riep Bora, onder het gelach van zijn aanhangers. "Denkt u dat
ze allemaal zullen stemmen als u? Zelfs de heftigste patriotten zijn
er vóor!"

"Zoudt u denken?" vroeg Zabern koeltjes. "Het Huis zal voltallig zijn,
honderdtwintig leden. Nu, ik waag me aan de voorspelling, dat er een
getal van zeventig leden zal gevonden worden om de wet te verwerpen."

"Dus met twintig stemmen meerderheid voor het Ministerie?"

"Juist. Twintig stemmen."

Bora lachte luidkeels.

"Ik zou wel eens willen weten, wat u daaronder verwedden wilt!"

"Elke som die u wenscht te noemen."

"Ik zet vijfduizend roebels tegen!" zei de Hertog.

"O, Uwe Genade! Als u zoo zeker is van uw slag, geef uzelf dan een
grooter kans," zei Zabern bescheiden.

"Wel, dan verdubbel ik het bedrag. Tienduizend roebels, dat de
tegenstemmers beneden de zeventig blijven."

"Dezelfde som, als het Ministerie geen zeventig stemmen aan haar
kant heeft!"

"Aangenomen!"

"Dat zou ik wel graag op papier hebben," zei Zabern.

Terwijl ten overstaan der wederzijdsche getuigen de overeenkomst op
schrift werd gesteld, richtte Radzivil zich op verontwaardigden toon
tot den Hertog.

"En u gaat dus een weddenschap aan op een maatregel, waarvan u weet
dat hij de Prinses onaangenaam is?"

Bora haalde de schouders op.

"Och, over deze wet kunnen de beste vrienden van meening
verschillen. Denk er aan," zoo wendde hij zich opeens tot Zabern,
"dat er niet ondershands gewerkt moet worden om de wet te doen vallen,
of mijn weddenschap wordt krachteloos verklaard. Geen omkooperij van
de zijde van het Ministerie."

"Omkooperij laten we aan Lipski over, en aan zijn lastgever Orloff,"
zei Zabern. "Of moet ik 't in het meervoud zeggen: zijn lastgevers?"

Bora maakte even een verschrikte beweging.

"Ge ziet, waarde Hertog," zei Zabern luchtig, "dat we op de hoogte zijn
van wat er achter de schermen omgaat. Orloff trekt aan de touwtjes
in zijn paleis te Warsim, en de poppen in de Kamer van Slavowitz
dansen. De volgende week zult ge _mij_ aan de touwtjes zien trekken!"

De Hertog werd eenigszins ongerust door de zekerheid waarmee Zabern
sprak, en de juistheid waarmee hij scheen ingelicht. Zou die man
opnieuw over hem triomfeeren?

"Ge durft heel wat zeggen, Maarschalk," sprak hij dreigend, "maar ik
denk dat ik mijn roebels zal winnen!"

Met deze woorden ging hij heen, door zijn gezelschap gevolgd.

Toen hij weg was, keerde Radzivil zich tot Zabern, en zei verschrikt:

"Het lijkt wel of die Hertog uw beste vriend is! u verraadt hem
alles. Hoe durft u zoo openlijk met hem spreken!"

"Omdat ik zoo zeker van mijn zaak ben," zei Zabern kalm. "En ge
weet, ik houd niet van geheimzinnigheid in de politiek. Ja, ik ben
zoo zeker van mijn zaak, dat ik de Prinses hedenavond een besluit
heb doen teekenen, waarbij de gevangenisstraf, die den Hertog morgen
door de rechtbank voor die duelkwestie wordt opgelegd, bij wijze van
gratie wordt veranderd in vervallenverklaring van zijn waardigheden
als Minister en als Legercommandant. We kunnen nu openlijk optreden. We
zijn niet bang meer voor Rusland, en we behoeven den Hertog niet meer
te sparen. Ook heeft de Prinses hem heden middag ronduit medegedeeld,
dat zij onherroepelijk van een huwelijk met hem afziet. Dat verbaast
u, heeren? U zult u nog veel meer verbazen. De 15de September zal de
val van Bora zijn."

"De 15de September?" zei Dorislas. "Dat is immers de kroningsdag van
de Prinses?"

"Juist," antwoordde Zabern, "de kroningsdag van de Prinses, de sterfdag
van den Hertog, de bevrijdingsdag van Czernovië."

Radzivil en Dorislas zwegen verbaasd, zóoveel orakeltaal ging hun
verstand te boven.



DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN MOORDAANSLAG OP DE PRINSES.

	Rob wordt met een benoeming verrast.--De wapenschouwing.--Twee
	schoten op de Prinses.--De daders ontsnappen.--De wet-Lipski
	komt in stemming.--De verrassing van Zabern.--De moordenaar
	wordt gevat.--De kelder van Lipski.--Zabern schrijft een
	brief.--


De dag, waarop in de avondzitting der Kamer over het lot der wet-Lipski
zou beslist worden, en mogelijk dus ook over het lot van Czernovië,
viel toevallig samen met de jaarlijksche wapenschouwing over het
Czernovische leger.

Deze revue had plaats op een groote vlakte, eenige mijlen buiten
Slavowitz, en werd door de Prinses zelf gehouden.

Reeds in den vroegen morgen was men algemeen bezig zich voor te
bereiden voor dit feest. Het was gewoonte dat bijna de geheele
bevolking de revue kwam bijwonen, terwijl zij die 't zich veroorloven
konden in rijtuigen, en voorzien van eet- en drinkwaren, naar het
veld reden. Men mocht dus terecht van een feest spreken.

Ook Rob, die verlangend was dit militair schouwspel van naderbij te
bezien, stak zich al tijdig in de kleeren, bij zichzelf berekenend
hoe hij het meest van den dag zou kunnen profiteeren. Juist wilde hij
op weg gaan, toen een bediende--Rob logeerde nog steeds in het Hotel
Czernovië--hem berichtte, dat een lakei hem, namens den Maarschalk
Zabern, verzocht in het Paleis te willen komen. Benieuwd wat de
Maarschalk verlangde, haastte hij zich naar het Paleis en verzocht
den commandant der wacht, hem bij den Minister van Justitie te doen
aandienen.

Enkele oogenblikken daarna stond hij in het studeervertrek van den
Maarschalk. Deze was bij zijn binnenkomst opgestaan, en kwam hem nu
tegemoet, hem vriendelijk de hand reikend. Nadat hij hem verzocht
had plaats te nemen, zei Zabern:

"Meneer Rensma, ik voel behoefte u nogmaals mijn dank te betuigen voor
de diensten, die u het land bewezen hebt door uw krachten met zulk
succes aan de oplossing van het cijferschrift te beproeven. Zooals
u weldra ervaren zult, hebt u daarmee een nog verdienstelijker werk
verricht dan u zelf wellicht vermoedt. Het zal u later duidelijk worden
waarom ik juist vandaag behoefte gevoel u dien dank te brengen. Er is
bovendien meer wat ik in u meen te moeten prijzen. Ik heb herhaaldelijk
uw handelingen gadegeslagen, en daarbij met vreugde waargenomen,
dat ge alles in het werk stelt om Czernovië te leeren kennen en een
goed Czernoviër te worden."

Hier merkte Rob bescheiden op, dat hij dit zeker niet had kunnen doen
zonder de hulp van den Maarschalk, die hem in staat had gesteld zich
nader te bekwamen als schutter en schermer, die de manége en het
stalpersoneel van het Paleis voor hem beschikbaar had gesteld om
zich in het paardrijden te oefenen, die hem toegang had verschaft
tot alle museums en andere inrichtingen van wetenschap en kunst in
Slavowitz--kortom, zonder wien hij nooit had kunnen doen waarvoor
hij nu lof oogstte.

De Maarschalk vervolgde:

"Ik heb naar een middel gezocht om uw ijver en uw toewijding
te beloonen, en ik meen dat middel gevonden te hebben in het
volgende. Mijn werkzaamheden nemen met den dag toe; ik heb steeds
hardnekkig geweigerd daarbij hulp aan te nemen, ten deele ook omdat
ik in de meesten mijner politieke aangelegenheden geen vreemde oogen
wensch toe te laten. Het werk overstelpt me echter; daarom--wetende
dat ik op uw stilzwijgendheid kan rekenen--noodig ik u uit de benoeming
tot mijn Particulier Secretaris te aanvaarden."

Rob kon zijn ooren nauw gelooven. In den mond van een man als Zabern
namen zulke woorden een zeer belangrijke beteekenis aan, en hij wist
niet wat hij tegenover zulk een groote onderscheiding doen moest. Hij
stamelde zijn dank en drukte de hoop uit, dat hij aan het gestelde
vertrouwen zou kunnen voldoen.

"Aan dat laatste twijfel ik niet!" zei Zabern lachend. "Wanneer
ik je niet vertrouwen kon, waarde Secretaris, had ik dat al lang
gemerkt. Mijn spionnen hebben je nader op de hielen gezeten dan je
zelf ooit wist."

En op een vragenden blik van Rob vervolgde Zabern:

"Ik ga nooit over éen nacht ijs. Zoolang jij en je vriend hier
zijn en ik de overtuiging had dat jullie me van nut konden worden,
heb ik je beiden duchtig laten bewaken. Voor je deur heeft dag en
nacht een van mijn agenten gestaan. Toen ik je het cijferschrift in
handen had gegeven, zou elke verdachte beweging je den hals hebben
gekost! Ja--de oude Zabern is nu eenmaal 'n gevaarlijk heer om mee
om te gaan. Maar als je 't tot z'n Secretaris hebt gebracht--och,
dan zal z'n gevaarlijkheid je nog wel meevallen. Maar we verpraten
onzen tijd. Er is een plaats voor je in een rijtuig, dat met den
stoet van de Prinses meegaat. Hier is het bewijs, dat je aan den
ceremoniemeester moet laten zien, dan is alles in orde. En hier--je
benoeming tot Secretaris, steek die in je zak. Ik had er maar op
gerekend dat je het zou aannemen. Een uniform krijg je ook nog, alleen
'n beetje minder mooi dan die van Van Heelstra. Ja, ja--'t is goed,
hoor; bedank me maar niet. 't Is hoog tijd om te vertrekken."

Tien minuten daarna had Rob het rijtuig gevonden en zette de stoet
zich in beweging naar het paradeveld.

De revue was een schitterend schouwpel, en Felix gaf, tot ingenomenheid
der Prinses, telkens zijn bewondering te kennen.

Een eigenaardig en beteekenisvol onderdeel van dit schouwspel
vormde het St.-Nicolaasklooster, welks achterzijde op de vlakte
uitzag. Elizabeth's landauer stond bijna in de schaduw van zijn grijze
Gothische torens.

Het gezang der monniken, sinds jaren onafgebroken, was duidelijk te
hooren, al mengde het zich met de krijgshaftige geluiden daarbuiten. Om
het klooster liepen langzaam de schildwachten heen en weer, de Prinses
toonend dat er op dit oogenblik een macht bestond, waarvoor haar
wil moest buigen. Deze gedachte stemde haar somber, niettegenstaande
Zabern's verzekeringen dat alles goed zou afloopen; hoe ze ook zon,
ze begreep niet welke maatregelen hij genomen kon hebben om de wet
te doen vallen. Naar haar overtuiging bestond er maar éen middel:
de patriottische afgevaardigden in het geheim te nemen, en hen de
reden mee te deelen waarom de Prinses de wet wilde zien vallen,
hoezeer deze oogenschijnlijk in het belang van Czernovië was. Maar
zou een geheim, aan zeventig personen bekend, nog een geheim zijn? En
bovendien: mocht de gezindheid dier zeventig mannen van elk hunner
als onverdacht beschouwd worden?

Niets had gedurende deze week de meening gewijzigd, dat de Kamer
omtrent de wet van gedachten zou veranderen; integendeel bewees de
toon der debatten dat er slechts een zeer klein aantal tegenstemmers
zou zijn.

Geen wonder, dat Elizabeth, ofschoon zij elk regiment dat voorbij
marcheerde met een glimlach begroette die aller harten won, een
vreesaanjagende moedeloosheid voelde bij de gedachte aan den komenden
avond.

Toen de revue geëindigd was, nam de Prinses met haar gevolg den
terugweg aan. Felix en Radzivil zaten naast elkaar in denzelfden
landauer als Elizabeth, terwijl Zabern daarachter reed aan het hoofd
van een afdeeling huzaren.

Ongeveer een mijl van de paradeplaats af, was de weg over een
grooten afstand met dicht kreupelhout omzoomd. Terwijl het rijtuig
voortreed, zagen de voorrijders twee mannen aan den kant van den weg
op een omgevallen boomstam zitten. Ze zagen er ruw en armoedig uit,
waarschijnlijk kolenbranders of houthakkers; de eene, met een zwarten
baard, hield een krant in de handen en las er blijkbaar uit voor,
terwijl zijn kameraad, een man met een rooden baard, te luisteren
scheen.

Toen de landauer tot op enkele passen van de mannen was genaderd,
sprongen zij met verbluffende snelheid op, en men zag dat de roodbaard
een revolver in de hand hield. Zijn wapen opheffend, richtte hij het
op de Prinses en schoot het zoo snel af, dat de voorrijders zelfs
den tijd misten om een kreet te uiten.

Elizabeth had niets van het dreigend gevaar bemerkt, daar ze met den
Premier in een levendig gesprek was gewikkeld.

Een schot schoot een struisveer van haar hoed in stukken, een tweede
kogel vloog zoo dicht langs haar slaap, dat de wenkbrauw licht
geschroeid werd.

Daarna, als ontsteld over de stoutheid van hun daad, en vreezend
door de huzaren achtervolgd en gegrepen te worden, keerden de twee
mannen zich om, zonder de uitwerking van de schoten waar te nemen,
en stortten zich in het kreupelhout, juist toen Zabern's stem een
donderend: "Vuur!" commandeerde.

Een twaalftal karabijnen brandde los--maar een seconde te laat.

Felix en Radzivil, die met den rug naar de paarden hadden gezeten,
begrepen eerst nu wat er voorgevallen was.

"Prinses, is u gewond?" riep de Premier, die veel verschrikter was
dan Elizabeth zelf.

"Neen," antwoordde ze met een zwakke stem, maar glimlachend, "ze
hebben me gemist."

"Graaf Radzivil," riep Felix, "blijf bij de Prinses, terwijl ik de
schurken nazit!"

De verschrikte jockey's hadden het rijtuig tot staan gebracht; Felix
sprong er uit, juist toen Zabern met de huzaren kwam aangaloppeeren,
getuigen van een daad die zij niet hadden kunnen verhoeden.

Bemerkend dat de boomen te dicht opeen stonden om de paarden door te
laten, sprongen zij uit den zadel, en snelden Felix achterna, die nu
in het kreupelhout was verdwenen. Onder de voorsten behoorden Zabern
en Nikita.

Op vrij grooten afstand voor zich kreeg Felix de beide schurken in het
oog; ze liepen achter elkaar, en telkens zag Felix ze als kangaroes in
de hoogte springen--een omstandigheid waarvan hij spoedig de oorzaak
begreep. Want toen hij zijn revolver al loopende op den achtersten
man afvuurde, struikelde hij over een verborgen hindernis, en het
schot ging de lucht in. Ofschoon duizelend van den val, sprong hij
weer op, en zag de beide mannen achter de kromming van een nauw pad,
dat ze nu volgden, verdwijnen. Nauwelijks had hij tien passen gedaan,
of opnieuw stootte hij op een hindernis en sloeg hij tegen den grond.

De vluchtelingen hadden maatregelen genomen om hun terugtocht te
verzekeren. Sterke ijzerdraden, op onregelmatige afstanden en te
halver kniehoogte geplaatst, liepen van boom tot boom, en waren
door het dichte struikgewas verborgen. Toen Felix dit begreep en ook
kangaroe-sprongen begon te maken om over het ijzerdraad heen te komen,
hadden de vluchtelingen al een ruimen voorsprong beet.

Even voorbij den laatsten draad splitste het pad zich in drieën,
en de hier bijeen gekomen vervolgers stonden een oogenblik stil, om
uit te maken welke richting zij kiezen zouden. Het scherpe oog van
Zabern ontdekte een lichtkleurig voorwerp, dat eenige passen verder
op het linkerpad lag. Het bleek een roode muts te zijn, die de man
met den zwarten baard had gedragen, en die met een blikken plaatje,
waarop 't portret van den Czaar, versierd was.

"Dan dezen weg in!" riep Zabern.

Men zette de vervolging weer voort; het pad was zoo smal, dat men
slechts achter elkaar loopen kon. De grond begon hoe langer hoe weeker
en moerassiger te worden. Dat bracht Zabern tot staan.

"Er zijn hier geen voetsporen. We zijn op een verkeerden weg. Terug. De
schurken hebben die muts opzettelijk hier neergegooid om ons te
misleiden."

Woedend over dit tijdverlies snelden zij terug naar het knooppunt,
en terwijl Zabern met Felix en Nikita het rechter pad volgden, namen
eenige huzaren, die door hun zware laarzen slechts langzaam vooruit
gekomen waren, het middelste.

"Misschien hebben ze geen van deze paden gevolgd," zei Felix onder
't loopen, "en liggen ze ergens in 't bosch verborgen."

"Dat kan; maar laten we eerst de wegen afzoeken; daarna kunnen we
nog altijd een cordon om het bosch trekken."

"Maarschalk, zag u het gezicht van den man die vuurde?" vroeg Nikita.

"Niet duidelijk."

"Russakoff, de spion--of ik heet geen Nikita."

"Dat dacht ik eerst ook, maar Russakoff is veel grooter," zei
Felix. "Deze twee troffen me juist door hun korte gestalte."

"Toch ben ik er zeker van!"

"Nu, wanneer we ze eenmaal hebben, dan zullen we wel zien wie gelijk
heeft."

Na enkele minuten kwamen ze uit op den grooten weg aan de andere
zijde van het bosch. Een snelle blik naar rechts bracht Zabern in de
hevigste woede.

Ver op den witten, stoffigen weg, die zich tot aan den horizon in
een rechte lijn uitstrekte, waren drie zwarte voorwerpen zichtbaar,
die elk oogenblik kleiner werden.

"Ontsnapt!" riep Zabern. "Kijk--daar zijn hoefslagen in de klei. Er
was dus een handlanger die hen opwachtte. Binnen tien minuten zijn ze
over de grens, en ik twijfel er niet aan of ze hebben goede Russische
paspoorten."

Hiermee was elke gedachte aan een verdere vervolging een dwaasheid
geworden.



De nacht was gevallen.

Zoowel binnen als buiten de Kamer heerschte groote opgewondenheid. De
wet-Lipski was langzamerhand een volkszaak geworden, zonder dat men
recht wist waarom. De een koos partij er tegen, omdat hij de kloosters
haatte, de ander er vóór omdat hij hetzelfde geloof beleed als de
monniken. Deze was de wet gunstig gezind omdat ze geld inbracht, gene
hoopte op haar val, omdat de Prinses er niet mee ingenomen was. En
allen voelden instinctmatig, dat er iets achter deze wet schuilde.

Allerlei menschen stonden voor het kamergebouw opeen gepakt: Polen,
Russen, Joden, Tartaren, Kozakken, Hongaren, Rumenen, Serviërs--maar
uit een politiek oogpunt beschouwd waren er slechts twee partijen:
Czernovisch- en anti-Czernovischgezinden. Neutralen waren er niet.

De opgewondenheid was zoo groot, dat Zabern's rijtuig door kwaadwillige
Russen werd bemoeilijkt, en door soldaten ontzet moest worden; hetgeen
eenige verontwaardigde Polen aanleiding gaf, Lipski niet binnen
te laten eer hij een flink pak slaag in ontvangst genomen had. Dit
eenmaal begonnen spelletje werd algemeen voortgezet, zoodat een sterke
militaire en politiemacht ontboden moest worden om de afgevaardigden
gelegenheid te geven de Kamer te bereiken. Het voorplein werd door
een cordon huzaren afgezet.

Het rumoer drong ook in de Vergaderzaal door, waar dien avond over de
wet beslist zou worden. De vergadering was, wat niet dikwijls gebeurde,
voltallig; rechts van de voorzitterstafel zaten de Ministeriëelen,
links de Oppositie. Brunowski's bel was voortdurend in beweging,
want het debat had een zeer scherpen toon aangenomen.

Lipski beschuldigde het Ministerie boeven te hebben omgekocht om de
leden van de Oppositie te beletten de Kamer te bereiken.

Zabern wees op zijn gehavende kleeren, en bracht spottend hulde
aan het gepeupel, dat zijn gunsten onpartijdig over de beide zijden
verdeeld had.

De Hertog van Bora, hoewel geen lid van de Regeering meer, was als
afgevaardigde aanwezig, en had duidelijk zijn partijkeuze kenbaar
gemaakt door een plaats naast Lipski in te nemen.

Lesko Lipski, afgevaardigde van Russograd, uitgever van het
anti-ministeriëele nieuwsblad De Kolokol, leider van de oppositie, en
ontwerper van de Klooster-Wet, wiens costuum volgens de laatste mode
een beetje door de Polen gehavend was, keek rond met dien brutalen,
uitdagenden glimlach, waarvan hij de uitsluitende bezitter was.

Er was in de Kamer die zenuwachtige spanning, welke voorafgaat aan alle
beslissende oogenblikken, waarin een knagende onzekerheid opgeheven
zal worden, en die te opmerkelijker was, daar toch eigenlijk iedereen,
behalve Zabern, zich overtuigd hield dat de wet er door komen zou.

De moordaanslag, welke dien ochtend op de Prinses was gepleegd,
had niet weinig bijgedragen tot de zenuwachtige spanning waarin men
verkeerde. Haar populariteit, de sympathie, die de patriotten haar
toedroegen, was er zeer door versterkt, en de oppositie had er een
onrustig vermoeden uit geput, dat deze omstandigheid van invloed zou
zijn op de stemmen der patriotten, die allicht, onder den indruk van
het gebeurde, en wetend dat de Prinses om de een of andere onbekende
reden de wet niet genegen was, zich zouden laten beïnvloeden om tegen
hun eigen overtuiging in te stemmen. In elk geval was men algemeen
van oordeel, dat de Regeeringspartij sedert dien morgen zeer in kracht
was toegenomen.

Een half uur vóor middernacht stond Zabern op om het debat ten gunste
van het Kabinet te keeren.

Zijn opstaan was het sein tot een vijandige beweging van Russische
zijde. Men was--al wilde men 't niet bekennen--aan die zijde bang voor
't geen hij zeggen ging. Niet dat de Maarschalk zulk een welsprekend
redenaar was; integendeel. Hij had alle verachting van den soldaat
voor veel praten en voor de "mannen van het woord," zooals hij de
afgevaardigden noemde; hij voelde meer voor een militair dictatoriaat
dan voor een parlementaire wetgeving. Daarom werd zijn stem zelden
in de Kamer gehoord; maar _als_ hij sprak, was het kort, gebiedend
en raak; en meermalen besliste hij over de twijfelaars te zijnen
gunste. En het aantal twijfelaars was dezen avond groot.

In het eerst kon zelfs de donderende stem van Zabern zich niet
verstaanbaar maken. Telkens als hij beproefde te spreken, gingen
zijn woorden in het rumoer verloren, dat de oppositie in de plaats
stelde van haar welsprekendheid, en dat voornamelijk in het stampen
met voeten en het klapperen met lessenaars bestond.

Voor volle twee minuten bewoog Brunowski de bel, maar zonder eenig
effect. Blijkbaar wilde de oppositie Zabern beletten aan het woord
te komen.

Ten slotte gaf Brunowski een wenk aan een der boden, en bijna
onmiddellijk daarop trad een afdeeling gewapende grenadiers binnen,
waarvan er zich een achter den stoel van elken afgevaardigde
opstelde. Een plotselinge stilte volgde. De President verklaarde nu,
elkeen die de orde wilde verstoren onmiddellijk uit de zaal te zullen
doen verwijderen. Dat hielp, want de oppositie begreep geen enkele
stem te kunnen missen.

De Maarschalk begon nu met te zeggen, dat hij zich verplicht gevoelde
eenigen uitleg te geven omtrent den aanslag, die heden morgen op de
Prinses was gepleegd.

Nauwelijks had hij dit gezegd, of Lipski stond op.

"Meneer de voorzitter, ik protesteer. De Maarschalk is buiten de
orde. Hij vermijdt het eigenlijke onderwerp van het debat."

"De Maarschalk zal ongetwijfeld het verband duidelijk weten te maken,"
antwoordde Brunowski.

"De Kamer zal begrijpen," vervolgde Zabern, "waarom de geachte
afgevaardigde den naam der Prinses buiten de discussie wenscht
te houden. Wie is verantwoordelijk voor den moordaanslag? Niet
de ellendige, wiens schot, gelukkig voor de Prinses en Czernovië,
zijn doel miste. Neen, heeren, veroordeel dan den kogel of straf
het pistool. De daders huizen elders. De ware daders zijn zij, die
in woorden en geschriften verzet kweeken tegen de openbare macht en
het hoofd van den Staat. En van die personen"--hier verhief Zabern
donderend zijn stem--"is de afgevaardigde voor Russograd het hoofd!"

Lipski vloog op.

"Meneer de President, moet ik hier blijven zitten, en me moordenaar
laten noemen zonder te mogen protesteeren?"

"Zeker niet. De Maarschalk moet zijn beschuldiging intrekken,
of--bewijzen."

"Het bewijs volgt. De twee ellendelingen, die op de Prinses schoten,
zaten vóor den aanslag aan den weg, een krant lezend, waaruit zij
blijkbaar de goedkeuring van hun daad putten. Ik zie den uitgever van
dat blad al onrustig worden, want de naam ervan is de Kolokol. De
moordenaars waren ijverige bestudeerders van de Kolokol, en in den
uitgever zagen ze blijkbaar een groot politiek leider."

"Waarom?" riep de Hertog.

"Om de volgende reden," antwoordde Zabern, een vuil exemplaar van
de Kolokol te voorschijn halend. "Hier is het blad dat de mannen op
hun vlucht lieten liggen. Het bevat een artikel getiteld: "Harmodius
de Patriot", en in margine zijn potloodaanteekeningen gemaakt als:
"Goed zoo!"--"Zeer waar!"--ja, zelfs staat er in slecht Russisch:
"Dood aan de Prinses!""

Zabern hield de krant voor zich uit, om die de vergadering te laten
zien.

"Ik behoef de Kamer er wel niet aan te herinneren, dat Harmodius
een Griek was, die den regeerder van Athene vermoordde en voor die
daad door zijn medeburgers als een goed patriot werd geëerd. Waarom
publiceert een uitgever, in plaats van de politieke gebeurtenissen
van den dag, een artikel over een voorval dat meer dan drie-en-twintig
eeuwen oud is? Omdat hij de leer wenscht te verkondigen, dat het ook
heden een goede daad kan zijn het hoofd van een Staat te vermoorden."

"Ik protesteer tegen die uitlegging!" riep Lipski.

"Ten minste twee van uw lezers zijn 't met me eens, en hebben uw
wenken in practijk gebracht. Ge ziet nu het effect van uw onderwijs
in politiek; neem nu ook de verantwoordelijkheid voor uw uitingen op
u. Ik zal de vrijheid nemen uw artikel voor te lezen."

Zabern deed dit, en toen hij geëindigd had, ging er een storm van
verontwaardiging op bij de rechterzijde, terwijl de linker een norsch
stilzwijgen bewaarde.

"We weten allen, dat de Prinses steeds sterk geijverd heeft voor de
instandhouding van de vrijheid der Pers. Dit artikel bewijst hoe men
die ruimheid van opvatting weet te waardeeren! Zoo, mijne heeren,
zijn de gevoelens, zoo is het karakter van den afgevaardigde van
Russograd. En die aanprijzer van den vorstenmoord durft de goedkeuring
op een wetsvoorstel inroepen van mannen van eer, van onvervalschte
Czernoviërs, die hun Vorstin getrouw zijn tot in den dood! Zult ge
voor deze wet stemmen? Nooit! Al was ze het fraaiste voorbeeld van
wetgeving dat ooit het vernuft van een staatsman schiep! Wie kan den
man scheiden van zijn voorstel? Elke stem ten gunste van zijn wet,
is een stem ten gunste van den vorstenmoord. Laten zij, die zich
verheugen in de redding der Prinses, hun sympathie toonen door een
wet te verwerpen die haar gevoelens kwetst."

En nu had een dramatisch tableau plaats, dat door den handigen Zabern
was voorbereid.

Een kleine deur rechts van den voorzittersstoel ging open, en Elizabeth
kwam de zaal binnen, tot groote verbazing der aanwezigen, die eerst
dachten dat zij de Kamer wilde ontbinden.

Brunowski bood dadelijk zijn stoel aan, doch de Prinses, wier
bekoorlijke verschijning een liefelijke tegenstelling vormde bij de
booze gezichten der afgevaardigden, bleef staan. Een oogenblik waren
allen, zonder uitzondering, onder den indruk van haar stralende
schoonheid. Toen zag men opeens met verwondering dat de Prinses,
als door een plotselinge ingeving geleid, haar hoed losmaakte en dien
naast zich legde.

Brunowski maakte een beweging als wilde hij dit voorkomen.

"Vergeef me, meneer de Voorzitter," sprak Elizabeth, "maar zooals
ik zie brengen de gebruiken der Kamer mee, dat hier slechts _een_
persoon het hoofd gedekt zal houden."

Aller blikken wendden zich naar Lipski, die, terwijl alle
afgevaardigden met ontbloot hoofd waren opgestaan, met z'n hoed op
was blijven zitten.

Hij had geen tijd lang van zijn lompheid te genieten. Zabern, alle
etiquette vergetend, liep dwars door de zaal op Lipski toe. Een seconde
daarna lag Lipski's hoofddeksel tien meter hooger op de galerij.

"Meneer de President," zei Radzivil, "ik stel voor den afgevaardigde
van Russograd het bijwonen der zitting voor den verderen duur te
ontzeggen."

"O neen, Graaf," viel Elizabeth hem in de rede. "Laat men ons niet
kunnen verwijten dat wij een afgevaardigde van zijn stem beroofden."

Toen de bel van den Voorzitter de toejuichingen had onderdrukt,
die deze opmerking te weeg had gebracht, begon Elizabeth de reden
van haar aanwezigheid in deze vergadering te verklaren.

"Meneer de President, Heeren Ministers en Afgevaardigden," sprak ze
met zelf beheersching en waardigheid, "het is waar dat de Prinses
zich niet behoort te mengen in de aangelegenheden der Kamer, maar
eenvoudig de besluiten der meerderheid heeft te aanvaarden. Doch,
Heeren, uw Prinses is geen automaat, maar een menschelijk wezen met
menschelijke gevoelens. Die gevoelens zijn door de kloosterwet zeer
in beroering gebracht; ik aarzel niet dit te bekennen."

Zij zweeg een oogenblik, en vervolgde toen:

"Ik zal steeds overeenkomstig mijn eed handelen. Wordt de wet
aangenomen, dan zal ik er mijn handteekening niet aan onthouden."

De Linkerzijde juichte.

"Maar ik vertrouw, dat de Kamer de wet _niet_ zal aannemen."

Sensatie.

"Wanneer mijn gevoelens eenigen invloed op uw meening kunnen hebben,
dan doe ik een beroep op uw aller medewerking--tot welke partij ge
behoort--om de wet te verwerpen."

Met deze woorden boog ze naar beide zijden, en verliet de kamer te
midden van geestdriftige kreten: "Leve de Prinses!"

De ridderlijkheid van het meerendeel der leden was opgewekt. Wat de
Oppositie had willen bereiken, was door twee pistoolschoten en door
het beroep der Prinses verijdeld.

Zabern triomfeerde.

Zoodra de President zijn zetel weer had ingenomen, zette de Maarschalk
zijn rede voort.

"De Prinses heeft het tot een persoonlijke kwestie tusschen haar
en Lipski gemaakt. Welnu, mijne heeren, ge hebt de Prinses gezien,
en--ge ziet Lipski," vervolgde hij, op dien afgevaardigde wijzend,
die een treurig figuur maakte in dat oogenblik. "Zal iemand nog
twijfelen voor wie hij stemmen gaat?"

Het was middernacht.

Te midden van een onbeschrijflijke opwinding kondigde Brunowski de
stemming aan.

"Ik stel een gesloten stemming voor," zei Zabern.

"Ik ben er tegen!" riep Bora.

De President bracht dit punt in omvraag, met het gevolg, dat Zabern
zijn zin kreeg. Hij begreep dat hem dit eenige stemmen in zijn
voordeel zou geven, want het goud van Orloff had enkele twijfelaars
onder de Czernoviërs omgekocht, en onder het toezicht van Lipski en
Bora zouden ze het bij een openlijke stemming nooit gewaagd hebben
hun lastgever te verloochenen.

In de Slavowitzsche Kamer werden zoogenaamde gesloten stemmingen door
middel van zwarte en witte schijven gehouden, waarvan elk lid er een
in zijn lessenaar had. Zwart diende om tegen, wit om vóor te stemmen.

Met den gekozen schijf in de gesloten hand ging nu ieder afgevaardigde
langs de tafel van den President, en gedurende eenige oogenblikken
hoorde men slechts den metalen klank waarmee de schijven in een
bronzen urn vielen. Telkens wanneer iemand op die manier gestemd had,
werd zijn naam opgeschreven, zoodat ten slotte het aantal schijven
met het aantal namen moest overeenstemmen.

"Honderdtwintig leden hebben gestemd," zei de griffier die de namen
had aangeteekend. Dit was het grootste aantal, ooit bij een stemming
verkregen.

De vraag was nu, hoe er gestemd was?

Op een teeken van den President werd de inhoud van den urn langzaam
op het roode tafelkleed uitgestort.

In hun opwinding verdrongen de leden zich om de tafel, in gespannen
verwachting omtrent den uitslag.



Op het voorplein was de beweging toegenomen. Een groote opschudding
had het bericht veroorzaakt, dat de Prinses in de vergadering was
geweest. Men wist elkaar te vertellen, dat zij met tranen in de oogen
voor de afgevaardigden op de knieën was gevallen, en dat Zabern met
een sabel in de hand door de zaal had geloopen, dreigend iedereen
den hals af te snijden die niet tegen de wet stemde.

Aller oogen waren op de groote vleugeldeuren gericht, vanwaar uit
een schitterend licht het plein overstroomde.

Tien minuten na middernacht ontstond er een beweging bij de trap die
naar den ingang leidde; een bode van de Kamer kwam naar buiten, met
een papier in de hand, waarop de uitslag van de stemming geschreven
stond. Toen hij de hand ophief, werd het volkomen stil. Geen beweging,
geen woord, geen ademhaling.

"Er zijn uitgebracht 120 stemmen. Daarvan zijn er 39 voor, en 81
tegen. De wet is dus verworpen met een meerderheid van 42 stemmen."

Deze publicatie werd door een oogenblik van verbaasd stilzwijgen
gevolgd. De patriotten konden niet gelooven in zulk een overwinning,
de Russischgezinden niet in zulk een nederlaag. Maar toen men Zabern
naar buiten zag treden, wien zijn aanhangers gelukwenschend de hand
drukten, was er geen twijfelen meer mogelijk, en nu ontstond een
geweldig tumult. De beide partijen wilden elkaar te lijf, en het
plein moest door de huzaren worden schoongeveegd.

Ook binnen het Kamergebouw was de opwinding groot. Lipski en de zijnen
waren geheel verslagen en de eerste beklaagde zich vooral de kolossale
sommen die besteed waren om de patriotten om te koopen.

Na het besluit genomen te hebben dat de militaire bewaking der
kloosters werd opgeheven, gingen ook de laatste afgevaardigden heen.

In een kleine kamer, grenzend aan de vergaderzaal, zat Elizabeth,
omringd door haar Ministers.

"Een aantal van 81 stemmen! Meer dan twee-derden! Welk een triomf!" zei
ze, stralend van vreugde.

"Ons geheim is veilig," zei Radzivil, "Kossuth krijgt zijn geld."

"Weer een nederlaag voor Rusland," zei Zabern. "Wat zal Orloff zijn
roebels betreuren!"

Door een van de gangen gaande, ontmoette Zabern den Hertog van Bora.

Deze Minister had eindelijk het masker afgeworpen, maar de gelegenheid
was hem niet gunstig geweest. In de hoop op een nederlaag van het
Kabinet, had hij openlijk partij gekozen voor de oppositie, en
zich naast Lipski gezet, alleen om des te meer van zijn triomf te
genieten. Men kan begrijpen met welk een uitdrukking hij Zabern's
glimlach beantwoordde.

"U schijnt niet in zoo'n vroolijke stemming te zijn als de vorige
week op het terras," zei Zabern. "Mag ik deze gelegenheid waarnemen
om u mijn vordering van tienduizend roebels aan te bieden? Het is
een heele som, maar ik zal ze zonder wroeging aannemen, omdat ik weet
dat het Orloff-fonds u wel zal schadeloos stellen."

Inwendig woedend, maar zonder iets te zeggen, schreef de Hertog
onwillig een cheque voor het benoodigd bedrag.

"Een onvoorziene omstandigheid heeft u uw weddenschap doen winnen,"
zei hij kort.

"Ja, 't was een heel--eh--onvoorziene omstandigheid," zei Zabern,
terwijl hij met de cheque in den zak wegging.

Toen de straten tot hun rust waren teruggekeerd reed Elizabeth,
vergezeld door Felix, die op de galerij de zitting had bijgewoond,
naar het Paleis terug. Daar vonden ze Zabern, in gezelschap van Rob,
die reeds in zijn nieuwe functie aan de Prinses was voorgesteld. De
Prinses noodigde de drie mannen uit, ondanks het late uur, nog een
oogenblik in de Witte Zaal te verwijlen; zij voelde behoefte, zeide
ze, haar drie trouwe onderdanen nog eens dank te zeggen voor wat ze
hun verschuldigd was.

"Dat pistoolschot had goede gevolgen, Maarschalk," merkte ze op. "Ik
had nooit gedacht dat een moordaanslag zoo nuttig kon zijn, en ik
zou in staat zijn de moordenaars vergiffenis te schenken."

"Dan zult Uwe Hoogheid daartoe de gelegenheid hebben," antwoordde
Zabern, "want de dader is in de kamer hiernaast."

Hij stampte driemaal met den voet op den grond. Een deur ging open,
en Katina Ludovska kwam binnen met haar zuster Juliska. Ze gingen
eenigszins beschroomd op de Prinses toe en knielden voor deze
neer, totdat zij verzocht werden op te staan. Zij waren beiden geen
vreemden voor Elizabeth, die haar dikwijls in de schermzaal had zien
oefenen. Voor de verwonderde Prinses begreep wat dit te beteekenen had,
zei Zabern, op Katina wijzend:

"Deze man met den rooden baard vraagt Uwe Hoogheid vergiffenis,
dat zij zonder toestemming op U geschoten heeft."

"Verklaar dat nader," zei de Prinses, hoog, en met een blik die zelfs
de onvervaarde Katina deed terugdeinzen.

"Zij handelde," vervolgde Zabern kalm, "op bevel van den Maarschalk
Zabern. Het was noodig, dat Uw populariteit, Prinses, vandaag sterker
dan ooit werd gevoeld, als voorbereiding tot Uw optreden in de Kamer
zooals ik dat hedennamiddag met U vaststelde. Daarom besloot ik dat
er een moordaanslag op U geschieden zou. En met scherpe patronen,
die U slechts een haarbreedte zouden missen. Aan den doffen knal van
een losse patroon zou men de list hebben herkend."

"Maar Maarschalk," riep de Prinses, nog half verontwaardigd, "dat
was een zeer gevaarlijk spel!"

"Niet in 't minst," antwoordde Zabern. "Ik wist dat Katina Ludovska, de
beste schutter van ons land, den kogel leiden zou waarheen ze wilde."

"Maar dat neemt niet weg," zei de Prinses, ontsteld over zulk een
roekeloosheid, "dat het een gevaarlijke proef was. In zulke dingen
heeft toch zelfs de beste schutter zich nooit geoefend!"

"Het spijt mij, Hoogheid, dat U voor de eerste maal Uw vertrouwen in
mij blijkt te missen," zei Zabern, nog steeds onverstoord. "Katina
had zich onder mijn leiding herhaaldelijk in dit schot geoefend. Haar
zuster Juliska reed haar in de troïka voorbij, en zes achtereenvolgende
malen schoot Katina haar op tien pas een kogel door de veeren van haar
hoed, en een tweede langs haar slapen. Wanneer ik in aanmerking neem,
dat Uwe Hoogheid het geheel aan mij had overgelaten, den val der
kloosterwet te bewerken, en dat noch U, noch ik eenig ander middel
wisten te vinden--dan meen ik mij als volkomen verantwoord te mogen
beschouwen."

Bij de herinnering aan den schrik van dien morgen, was Elizabeth's
eerste gewaarwording van verbazing in toorn overgegaan; maar bij de
gedachte dat welbeschouwd alles ten beste gekeerd was, keerde haar
kalmte en de vriendelijke uitdrukking op haar gelaat terug.

"Ge speelde een even roekeloos spel met uw levens als met het mijne,"
zei ze tot Katina en haar zuster. "Wanneer de huzaren u geraakt
hadden?"

"Nikita was in het complot, Hoogheid," zei Zabern. "Hij had
hun patronen uitgereikt, die ik voor deze gelegenheid had doen
vervaardigen, en waarvan de kogel na het schot versplintert. Maar ik
beken, dat ik lust had uw Secretaris een sabelhouw te geven toen ik
hem zijn revolver zag aanleggen. Gelukkig struikelde hij juist."

"Ik dacht weinig dat ik op Katina aanlegde," glimlachte Felix,
"en ik ben dankbaar dat ze niet terugschoot. Dus Nikita was in het
complot? En hij beweerde in een van de twee Russakoff te herkennen?"

"Maar u zag hem niet lachen achter uw rug!"

"En die roode muts..."

"Was opzettelijk op den verkeerden weg geworpen."

"En die aanteekeningen op de Kolokol..."

"Waren van mijn hand."

Felix vroeg niet verder. Evenals Rob vervulde hem een gevoel van
treurigheid bij de gedachte, dat door zulke middelen het land gered en
de Vorstin hoog gehouden moesten worden. Waar de macht alleen gesteund
en gevoed kon worden door list en geweld, daar was de grondslag,
waarop die macht beruste, wrak en wankelbaar. Tijdelijk zou zulk
een toestand kunnen behouden worden, maar op den duur beteekende hij
bederf en ondergang. En opnieuw kwam den beiden vrienden een toekomst
voor den geest, waarin dit alles niet meer noodig zou zijn.

Ook Elizabeth voelde de tragische grootheid van een man als Zabern.

"Maar Maarschalk," zei ze ernstig, "u hebt me in een scheeve positie
gebracht, door mij tegenover de Kamer als het ontsnapte slachtoffer
van een moordaanslag voor te stellen. Bovendien hebt u getracht Lipski
in verband te brengen met een daad, waar hij geheel buiten stond. Is
dat te verantwoorden?"

"Prinses," zei Zabern koel, "in gevallen als deze vraagt een staatsman
niet naar verantwoording. _Het moest._ Ik had moreele bezwaren
kunnen hebben--maar dan had ik U en Czernovië opgeofferd. Ik zal hem
bewonderen, die een anderen uitweg wist aan te geven. Het oordeel
over mijn daden laat ik aan de geschiedenis over."

Er was een pijnlijke stilte. Allen begrepen, dat het gemakkelijker
was de daden van dezen man te beoordeelen, dan in zijn plaats te
moeten handelen.

Na eenige oogenblikken vervolgde Zabern, nu op zijn oude, luchtige
manier:

"Wanneer Lipski het niet voor deze maal verdiend heeft, dan heeft
hij het voor een ander maal. Onlangs heb ik een leeg huis door mijn
spionnen doen onderzoeken, dat aan dat van Lipski grenst. Zij braken
eenige steenen uit den tusschenmuur die de kelders scheidt--ik verzeker
u dat er onder Lipski's woning ruim tienduizend klein-kaliber geweren
liggen. Dat is óok verborgen materiaal! Maar voor een verraderlijken en
oneerlijken strijd. Reken er op, dat Russograd zich den 14en September
daarmee wapenen zal."

"Den vooravond van mijn kroning!" riep Elizabeth met een verschrikte
beweging.

"Juist. Ik weet door spionnen dat men een gewapenden opstand tegen
dien datum voorbereidt. Maar ook ditmaal heb ik hoop op een goeden
afloop. Mijn plan is al gemaakt. Op Lipski en zijn geweren houd ik
het oog."

"Ik laat ook dit aan uw zorg over."

"En Uwe Hoogheid vergeeft die kleine aardigheid van den moordaanslag?"

Elizabeth stak den Maarschalk met een glimlach de hand toe.

"Zonder uw zorg, Maarschalk, zouden we niets kunnen."



Het was twee uur in den nacht, en het gezelschap scheidde.

Maar Zabern, de onvermoeibare, zette zich aan zijn
schrijftafel. Wederom was zijn brief aan Boris Ludovski gericht.


	"Waarde Boris,


	"Ik heb u een verblijdend bericht te melden. Zooeven heeft mijn
	agent in Warschau mij bericht, dat het hem na de grootste
	moeite gelukt is, van uw in beslag genomen bezittingen
	tienduizend roebels vrij te maken. Ik zend ze u hierbij,
	hopende de in mijn vorig schrijven bedoelde familiepapieren
	spoedig te doen volgen.

	"In gedachten drukt u de hand uw toekomstige schoonzoon en
	oude vriend


	Ladislas Zabern."



Reeds vroeg in den morgen had de Maarschalk Bora's cheque aan de
Czernovische Bank ingewisseld, en een uur daarna had Nikita bovenstaand
schrijven met zijn kostbare bijlage veilig aan Ludovski overgebracht.



VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN RUSSISCH LEGER AAN DE GRENS.

	Felix wordt uit Czernovië verbannen.--Hij gaat, maar hij
	zal terugkomen!--Zes Turksche krijgsgevangenen in het
	studeervertrek van Zabern.--Rob verdwijnt.--Ravenski komt
	met nieuwe bedreigingen.--De Czaar staat aan de grens!


Eenige weken na deze gebeurtenissen liep Felix op een laat uur door
de Paleis-tuinen, niet met het doel Elizabeth te ontmoeten, maar
aangetrokken door de schoonheid van het maanlicht.

Hij zat eenzaam aan den oever van een met boomen omzoomden vijver,
peinzend over de eigenaardige, romantische wending die zijn leven
genomen had.

Maar nog iets anders hield zijn gedachten bezig, een raadselachtige
zaak, die 't hem onmogelijk was te ontwarren.

Nog slechts enkele minuten geleden had Rob hem verlaten, na hem een
mededeeling te hebben gedaan, waarvan hij de beteekenis vergeefs
trachtte te vatten.

Rob was bij hem gekomen met een uitdrukking van vreugde op het gelaat.

"Ik heb een plan ontworpen," zei hij, "zóo gewaagd, dat ik zelf aan de
mogelijkheid der uitvoering twijfel. Maar ik zal 't beproeven. Gelukt
het, dan kan de redding van Czernovië er 't gevolg van zijn."

Natuurlijk had Felix op een nadere verklaring aangedrongen, maar Rob
had deze geweigerd.

"Ik wil je mijn plan niet zeggen, omdat ik zeker weet dat je 't me dan
zult afraden, uit vrees dat ik mijn leven te zeer bloot stel. En ook,
omdat je dan zelf deel er aan zult willen nemen. Het is veel beter dat
jij hier blijft, waar je van nut kunt zijn, en dat slechts een van ons
beiden zich in de waagschaal stelt. Ik kan gemist worden--jij niet."

Op alle verdere verzoeken van Felix had hij slechts geantwoord:

"Ontneem me deze gelegenheid niet om je te vergelden wat je voor mij
gedaan hebt. Morgen verdwijn ik uit Slavowitz. Niemand weet van mijn
vertrek, ook Zabern niet. Ik zal hem alleen een schrijven achterlaten,
waarin ik hem verzoek, mijn heengaan den schijn van een diplomatieke
zending op zijn last te geven. Dan zal men zich niet verwonderen,
of argwaan krijgen over mijn vertrek. Geloof me, het is beter dat
niemand mijn geheim weet, dan behoef ik ook niemand teleur te stellen
als het plan mislukt."

Met deze woorden was Rob heengegaan, Felix verbaasd en ongerust
achterlatend.

Een plotseling geritsel in de struiken maakte een einde aan Felix'
overpeinzingen, en, opziend, zag hij Elizabeth naast zich staan.

Ze was in een opgewonden stemming, en haar eerste woorden waren:

"Felix--laten we Czernovië verlaten, nog dezen avond, nu dadelijk! Neem
me met je mee."

Een oogenblik twijfelde Felix of hij goed verstaan had; toen vroeg hij:

"Wat is er gebeurd, dat je tot zulk een dwaasheid zou brengen?"

"Er blijft ons niet anders over. Hoor wat er vanavond in den
Ministerraad is besproken. Ravenski deed de vraag, of het waar
was dat ik den Hertog van Bora medegedeeld had hem nooit te zullen
huwen. Natuurlijk diende Ravenski als spreekbuis van den Hertog. Zabern
en ik waren op deze vraag voorbereid, zooals te begrijpen is, en
ik antwoordde dan ook onomwonden, dat het waar was, er bijvoegend
dat dit overigens een zaak was die mij alleen aanging, omdat ik wel
verplicht was Rusland's toestemming voor een huwelijk in te roepen,
doch niet gedwongen kon worden tegen mijn zin te huwen. Daarop volgde
de vraag, waarop we geheel niet voorbereid waren, en die ons dan ook
zeer verraste: of ik me zou willen verklaren omtrent mijn verhouding
tot mijn Particulieren Secretaris. Een oogenblik was ik van zins
de vraag hooghartig af te wijzen, maar nu ze eenmaal gesteld was,
nu ik voelde dat deze vraag door een afwijzend antwoord niet meer
terug te dringen was, integendeel Czernovië als een loopend vuur zou
doorkruisen--nu verklaarde ik, voor ik 't eigenlijk zelf besefte,
dat ik van zins was mijn Secretaris tot Prins-Gemaal te verheffen--met
of zonder toestemming van den Czaar."

"En wat voor indruk maakte dat?" vroeg Felix, in een oogenblik de
talrijke en gewichtige gevolgen overziend die Elizabeth's antwoord
meebracht.

"Radzivil en Dorislas keken elkaar aan alsof ze zeggen wilden, dat ze
dit wel gedacht hadden, de overigen vonden blijkbaar mijn voornemen
zeer bedenkelijk; Zabern zweeg en vond 't dus waarschijnlijk beter
voorloopig zijn persoonlijke opinie ondergeschikt te maken aan de
algemeene."

"En die algemeene opinie was?"

"Dat er van een huwelijk tusschen jou en mij nooit sprake kan
zijn. Meer nog: men drong er op aan dat je onmiddellijk Czernovië
verlaten zou. Ik wilde dit weigeren, maar Zabern gaf me een teeken om
toe te geven. En, als altijd me aan zijn wil onderwerpend, beloofde ik
op mijn woord dat je binnen vier-en-twintig uur vertrekken zou. Maar
toen ik 't gezegd had, schrok ik voor mijn eigen woorden terug. Ik
besloot je te vergezellen als je heen ging--dat kan niemand me
verbieden. Ik zal nooit afstand van je doen. Je bent me meer waard
dan een vorstinnekroon, ja dan mijn leven. Laten we vluchten Felix,
ik smeek het je, laten we Czernovië aan zijn lot overlaten...."

Felix zag, dat ze haar zelfbeheersching geheel verloren had. De
zelfbewuste Prinses, die zooveel gevaren moedig onder de oogen
had gezien, was veranderd in een smeekende, van ontroering en angst
trillende vrouw, wier oogen vol tranen stonden. Hij trachtte haar tot
kalmte te brengen, haar de dwaasheid van haar besluit te doen inzien.

"Als je je woord hebt gegeven dat ik vertrekken zal--dan moet ik gaan,
en... alleen."

"Zonder mij?" riep Elizabeth. "Wil je daarmee zeggen dat we voor
altijd scheiden moeten?"

"Neen, dat nooit. Maar we moeten elkaar tijdelijk vaarwel zeggen. Ik
ga, maar jij moet blijven. Bedenk dat je als Vorstin niet aan
je zelf, maar aan je volk toebehoort. Als je Czernovië verlaat,
geef je den Hertog de kroon, die hij door list en verraad tracht
te bemeesteren. Laat dien verrader niet slagen. Geef je vaderland
niet over aan zijn tirannie. Dat staat gelijk met de totale triomf
van Rusland."

"Die is toch niet ver meer," zei Elizabeth bitter. "Onze gezanten
te Berlijn en te Weenen meldden ons, dat Rusland door Oostenrijk en
Duitschland is gevolmachtigd naar eigen inzichten met Czernovië te
handelen. De annexatie staat voor de deur."

Opeens vormde zich een plan in Felix' hoofd. Misschien kon deze
onverwachte verbanning hem van nut zijn. De raadselachtige woorden die
Rob dezen avond gesproken had, kwamen hem te binnen, en het was hem
of het besluit, waarbij hem het verblijf in Czernovië ontzegd werd,
in verband met die woorden een bizondere beteekenis kreeg. Hij was
immers verantwoordelijk voor zijn jongen vriend: hij zou hem niet
alleen laten gaan. Ook tegen Rob's wil zou hij hem vergezellen.

"Toch zal ik gaan," sprak hij. "Er is een kans, dat Czernovië de
Russische wapenen nooit meer te vreezen zal hebben. Die kans is gering,
maar beter te wagen en te mislukken, dan nooit iets te wagen. Lukt
het plan, waarop ik doel, dan zal het Ministerie me bij terugkomst
misschien met vriendelijker oogen aanzien."

Ofschoon Felix zich niet nader over zijn plan wilde uitlaten, toonde
hij zooveel vertrouwen in de toekomst, dat Elizabeth ten slotte voor
zijn aandrang bezweek en beloofde in zijn wil te zullen berusten.

Nog langen tijd zaten ze bijeen, geen van beiden den moed voelend
tot de scheiding. Maar eindelijk scheurde Felix zich los, en met een
hoopvol: "tot weerziens" verliet hij Elizabeth, om zich in zijn kamer
in het Paleis voor zijn vertrek gereed te maken.

In de vestibule ontmoette hij Zabern, die hem vroeg:

"Dus gaat ge Czernovië verlaten?"

"Het Ministerie wenscht het."

"Maar ge moet terugkomen."

"Wanneer?"

"Op den vooravond der kroning."

"Waarom op dien dag?"

Zabern keek voorzichtig om zich heen, en fluisterde daarna Felix iets
in 't oor.

"Is dat dus het plan van den Hertog?" vroeg deze verrast.

"Dat is het. En gij alleen kunt het verijdelen. Dus ge zult er zijn?"

"U kunt op mij rekenen, Maarschalk."

"Goed. Ik verzeker u--_wij_ zullen het laatst lachen. Nog éen ding. Kom
morgenochtend, voor ge vertrekt, in mijn studeerkamer."

Felix beloofde te komen, en zocht zijn kamer op, waar hij, na zijn
koffer te hebben gepakt, vermoeid in slaap viel.



Den volgenden morgen vond Felix Zabern en Rob in het studeervertrek
van den Maarschalk.

"Vóor dat ge vertrekt, meneer de Secretaris," zei Zabern, "wilde
ik u nog een verrassing bereiden. U moet weten dat ik sedert eenige
weken in drukke correspondentie ben met het Turksch Ministerie van
Buitenlandsche Zaken, en wel over de volgende kwestie. Men heeft
bij Midia, in het begin van den Dardanellen-Oorlog, acht Engelsche
krijgsgevangenen gemaakt, die met een luchtballon aan de kust waren
neergedaald en die men voor spionnen hield."

Felix hield met moeite een uitroep van verrassing binnen, en zag Rob
aan, wiens gezicht echter onbewegelijk bleef.

"Ik sprak van Engelsche gevangenen," vervolgde Zabern, "maar het
schijnt dat het met de opgave der nationaliteit, welke de gevangenen
deden, niet in den haak was. Twee hunner, over wie straks nader,
herkregen hun vrijheid, maar de andere zes, wier papieren op Engelsche
afkomst wezen, hield men in bewaring. Den eersten tijd, toen de
oorlog de handen vol gaf, bekommerde men zich weinig om het zestal;
later echter, toen er tusschen de Engelsche en Turksche Gouvernementen
over uitwisseling van krijgsgevangenen werd onderhandeld, bood men de
zes genoemde personen aan in ruil voor den Turkschen generaal Ben Ali
Pacha. Toen bleek, dat de Engelsche papieren niet in orde waren en
toebehoord hadden aan reeds lang overleden Engelschen. De gevangenen
vielen door de mand, en bekenden Hollanders te zijn. Ook deze bewering
bleek bij onderzoek onjuist; daar men echter de zes mannen, met wie
men eigenlijk geen raad wist, kwijt wilde zijn, werd het onderzoek
naar hun herkomst nader voortgezet. Het lag voor de hand, dat men ook
in Czernovië informeerde, omdat dit een Hollandsch-sprekende bevolking
heeft. Door een toeval werd het schrijven van den Turkschen Minister,
bij afwezigheid van onzen Minister van Buitenlandsche Zaken, aan mij
ter afdoening in handen gegeven. Ik zou misschien zooveel beteekenis
niet aan de zaak hebben gegeven, als niet het Turksche schrijven
ook sprak van de twee mannen, die in vrijheid gesteld waren omdat
hun papieren in orde waren en zij Hollanders bleken te zijn. Hun
signalement paste volkomen op u beiden. Ge begrijpt dat mijn lust
tot naspeuren en spionneeren hier een ruim veld vond."

Zabern zweeg een oogenblik, en vermeide zich in de verbazing van Felix,
die een poging deed om het geval te verklaren.

"Doe geen moeite, waarde Van Stralen," zei Zabern lachend, Felix nu
bij zijn waren naam noemend, "ik ben reeds volkomen ingelicht. Mijn
jeugdige Secretaris"--op Rob wijzend--"heeft geen geheimen voor me;
hij meende me uw geschiedenis in haar geheel te moeten vertellen,
en ik geloof dat hij daar goed aan gedaan heeft."

"Ik geloof het ook, Maarschalk," zei Felix. "U hebt ons zoo dikwijls
uw vertrouwen getoond, wij willen nu ook u de bewijzen van het
onze geven."

"U begrijpt," ging Zabern voort, "dat veel mij nu duidelijker is
geworden. Ook waarom u zulk een goed Czernoviër bent geworden. En u
zult het met me eens zijn, dat deze ontdekking van grooten invloed
op de hangende gebeurtenissen kan zijn. U hadt gelijk met tot nog toe
de geheele geschiedenis geheim te houden; in uw tegenwoordig karakter
kunt u de belangen van den Staat ongetwijfeld het beste dienen. Nu het
echter tusschen u en den Czaar een kwestie is geworden om het bezit
van de Prinses, zal het een groote factor in uw belang zijn, wanneer
het patriottisch gedeelte der bevolking op het beslissend oogenblik
in u den kleinzoon van den stichter der Republiek herkent, en den
rechtmatigen regeerings-pretendent, en als 't weet dat uw verloving
met de Prinses reeds van uw jeugd dateert. Dit alles versterkt nog mijn
hoop op de toekomst. Maar nu moet ik u nog vertellen hoe het met uw zes
vrienden is gegaan. Mijn Secretaris verzocht me hun invrijheidstelling
tot elken prijs te bewerken. Met behulp van officiëele papieren--het
papier is geduldig onder Zabern's hand!--bewees ik dat de Turksche
krijgsgevangenen Czernovische onderdanen waren, en verzocht daarom
hun uitlevering. Deze werd toegestaan."

Zabern klapte in de handen, een deur ging open, en--daar traden ze
binnen! La, Lo, Mu, Naf, Nef en Nof!

Men kan zich de vreugde van het weerzien voorstellen. Men drukte
elkaar wederzijds de hand, vertelde honderd uit, en moest ten slotte
door Zabern tot rede gebracht worden, die er op wees dat het reeds
naar den middag liep.

La was de eerste, die aangaf wat er nu te doen stond. Hij wist
dat Felix weer voor eenigen tijd afscheid moest nemen, en was van
oordeel dat deze zelf het best kon beoordeelen hoe en waar hij
dien tijd wilde doorbrengen, zoodat hij geheel vrij moest blijven
in zijn handelingen. Wat hemzelf en zijn vijf lotgenooten betrof,
hun bestemming was als vanzelf aangewezen. Ze zouden zoo spoedig
mogelijk en met de snelste vervoermiddelen hun schuilplaats in de
Himalaya opzoeken. Daar zou hun eenige en onverpoosde arbeid zijn:
het vervaardigen van een nieuwen, maar nog machtiger en vernuftiger
ingerichten "Vogel"!

Opnieuw bewonderde Rob de energie en het idealisme van La, die na al
zijn teleurstellingen opnieuw zichzelf, zijn kennis en zijn fortuin
in dienst van de wetenschap en het vaderland stelde. Ja, met zulke
mannen kon een land tot bloei gebracht worden; hij voelde het: de
terugkeer van La en zijn metgezellen beteekende de terugkeer van
Czernovië's bloei en grootheid, met hen zou de victorie beginnen!

"Heeft men hier niets van jullie terugkomst gemerkt?" vroeg Felix.

"Niets. We zijn gisteren middag ongemerkt binnen het paleis gebracht,
niet waar Maarschalk?"

"Als galeiboeven!" lachte Zabern. "In een gesloten dievenwagen! Maar
ik meende er u een dienst mee te bewijzen."

Daarmee was men 't eens. Voorloopig bleef geheimhouding gewenscht,
en daarom besloten de zes mannen dan ook spoedig en onbemerkt te
vertrekken. Zij namen afscheid, en enkele uren daarna vernam het
Ministerie dat de Secretaris der Prinses Czernovië had verlaten, zonder
dat iemand, ook Elizabeth niet, wist waarheen hij vertrokken was.

Even nadat Felix van den Maarschalk afscheid genomen had, liet deze
vergeefs een paar malen zijn Secretaris, die zijn vriend uitgeleide
gedaan had, verzoeken bij hem te komen.

Men zocht in Rob's kamer, in de Paleistuinen--maar Rob was niet
te vinden.

Ofschoon dit den Maarschalk verwonderde, daar Rob wist dat zijn
diensten dien dag nog verlangd konden worden, en de jeugdige Secretaris
overigens het voorbeeld zelve van stiptheid was, dacht hij er verder
niet over na, vertrouwende dat het geval zich zoo aanstonds wel
ophelderen zou.

Terwijl hij echter op zijn schrijftafel eenige brieven rangschikte,
viel zijn oog op een couvert, waarop in Rob's handschrift zijn adres
was gesteld.

Den brief openend, las hij tot zijn verbazing het volgende:


	"Excellentie,


	"Ik heb een plan gevormd in het belang van Czernovië. Vergeef
	me dat ik u den inhoud niet meedeelde en zonder uw toestemming
	vertrek. Ik heb daar ernstige redenen voor, die ik u--zoo ik
	in leven blijf--later zal mededeelen. Hoe ook de uitslag zij,
	deze zal bewijzen dat ik de Prinses, het vaderland en u,
	Maarschalk, getrouw ben geweest.

	"Ten einde geheel vrij in mijn handelingen te zijn, geef
	ik u in overweging mijn afwezigheid te verklaren door een
	diplomatieke zending uwerzijds.


	Robert Rensma."


Zabern's verbazing duurde nooit lang, en ook ditmaal nam hij de
omstandigheden weldra voor wat ze waren.

"Mijn menschenkennis moet me al zeer bedriegen," sprak hij tot
zichzelf, "als die jonge Hollander niet drommels goed weet wat hij
doet. Ik zal hem z'n gang laten gaan. Wie zal zeggen wat hij nog
voor wonderen weet te bewerken? Want 'n wonder hebben we noodig om
Czernovië te redden. Het beste is, hier maar niet al te zeer op te
rekenen--dan kan 't niet anders dan meevallen!"



Dienzelfden avond was er opnieuw een vergadering van den Ministerraad,
door Elizabeth gepresideerd. Het gold de bespreking van een schrijven,
door de Russische Regeering gezonden, en waarin de ceremoniën
omschreven werden die men bij de kroningsplechtigheid wilde zien in
acht nemen.

Het schrijven behelsde tot in details alle bizonderheden, waaronder er
waren van zulken zonderlingen, verouderden aard, dat Elizabeth er eerst
om geglimlacht had en er daarna eenigszins mee verlegen was geweest. Ze
had zich een eenvoudige kerkelijke kroning voorgesteld, waarbij de
eed op het Charter al de voornaamste plechtigheid zou uitmaken, en nu
verraste het Russisch schrijven haar met een menigte voorschriften,
waarvan de meesten op oude overleveringen en bijgeloovige gebruiken
berustten.

Zabern had de schouders opgehaald, toen Elizabeth hem vroeg wat hij
er van dacht.

"Ik ken die kronings-formulieren," zei hij, "Rusland schrijft ze
altijd voor bij dergelijke gelegenheden; soms, als de betrokken
persoon voor die middeleeuwsche gebruiken voelt, volgt men ze op,
maar doorgaans wordt er de hand mee gelicht. We zullen zien wat de
Ministerraad er van zegt."

Het stuk werd in den Raad voorgelezen; er werd bepaald welke personen
met de leiding van het geheel en die der onderdeelen zouden worden
belast, en daarna kwamen de voorgeschreven gebruiken ter sprake.

Onder meer was bepaald, dat er een zoogenaamde kampioen moest worden
aangewezen, die, vóor de Prinses de kroon ontving, zich voor den troon
moest opstellen, een handschoen neerwerpen, en ieder die de Prinses
het recht op de kroon zou willen betwisten, tot een gevecht uitdagen.

"Natuurlijk," zei Radzivil, nadat hij dit had voorgelezen, "is dit
niets dan een vorm, wordt er slechts een symbolische handeling
mee bedoeld. Daar de Czaar zelf uw kroning wenscht, zal geen
Russisch-gezinde er zich tegen verzetten, en de Czernoviërs zullen
het natuurlijk nog minder doen."

"Maar als het slechts een vorm is," zei Elizabeth met een medelijdenden
glimlach, "zouden we dan zulk een kinderachtig oud gebruik niet
achterwege laten?"

Dit voorstel vond eenige tegenkanting bij Ravenski en de andere
verdachte leden van het Kabinet, die van oordeel waren dat de wil
van den Czaar tot in kleinigheden moest worden uitgevoerd.

"Maar wat zouden daar dan de gevolgen van zijn?" riep Elizabeth. "Stel,
dat iemand zoo dwaas is den handschoen op te rapen en de uitdaging aan
te nemen, dan moet volgens de letter der voorschriften het gevecht
plaats hebben. Maar als nu de kampioen valt, zou dan de Prinses van
haar waardigheid afstand moeten doen? Dat is toch al te dwaas!"

Men scheen dit in te zien, ofschoon Zabern tot Elizabeth's verbazing
zich met geen enkel woord in de discussie mengde, en ten slotte kwam
men overeen onder meer ook dit gedeelte van de kroningsplechtigheid
te doen vervallen.

Nadat nog verscheiden andere zaken waren geregeld, die de kroning
betroffen, ging de vergadering uiteen.



Eenige tijd ging nu zonder bizondere voorvallen voorbij.

Twee dagen voor de kroning echter ontving Elizabeth een bezoek van
Ravenski. Deze verrader had haar geruimen tijd met rust gelaten,
maar alleen om daarna met te meer zekerheid zijn slag te slaan.

Met een brutaliteit, sommige laffe menschen eigen, kwam hij op
zijn vroegere voorstellen terug. Hij wees er op, dat men in Rusland
Elizabeth's weigering om den Hertog van Bora te huwen, schijnbaar
zonder protest had aangenomen, maar hij waarschuwde haar dat de Czaar
zich voorbereidde haar voor die daad te doen boeten.

"Reken er op Prinses, dat uw kroningsfeest een doodsfeest zal worden,
zoo ge uw weigering niet intrekt. Door openlijk te erkennen, wat tot
nog toe door middel van mijn fonograaf alleen mij bekend was, hebt ge
mijn plan met de drie gezegelde pakketten van nul en geener waarde
gemaakt. Ik heb mij daardoor echter niet laten overbluffen. Alle
maatregelen tot uw ondergang zijn getroffen. Daarom vraag ik u voor
de laatste maal: doe afstand van de regeering, volg mij als mijn
vrouw--het is het eenige middel om uw leven te redden."

Opnieuw wees Elizabeth zijn beleedigend voorstel van de hand, en
beval den Minister zelf onmiddellijk te vertrekken, wilde hij niet
door haar lijfwacht gearresteerd worden.

Maar Ravenski beantwoordde haar bedreiging met een smalenden glimlach.

"Arresteer mij, Prinses," zei hij, "maar weet dat, zoodra mijn
gevangenneming bekend wordt, een mijner handlangers den Czaar het
bewijs levert, dat het Charter, waarop ge uw kroningseed zult zweren,
valsch is. Daarmee zal de annexatie een voldongen feit zijn."

"Het Charter valsch! Ge weet niet wat ge zegt. Goed, lever dat bewijs
als ge kunt! Het zal u niet gelukken. Ik spot met uw bedreigingen,
die slechts dienen om mij een ongegronde vrees aan te jagen, En
nu nogmaals: ga heen, of de grenadiers van mijn lijfwacht zullen u
gehoorzaamheid leeren!"

Met den smalenden glimlach nog op de lippen ging Ravenski zwijgend
heen.

Toen hij vertrokken was, voelde Elizabeth zich onwillekeurig onder
den indruk van zijn woorden. Aan den eenen kant wist ze, dat hij
haar slechts angst wilde aanjagen, want er was immers geen sprake
van: het Charter, echt en onvervalscht, berustte veilig en wel in
de Bank. Aan den anderen kant echter miste ze den moed Ravenski voor
zijn beleedigend gedrag te doen straffen; hij had zoo dreigend en met
zulk een zekerheid gesproken, dat ze niet nalaten kon een verborgen
beteekenis aan zijn woorden te hechten. Zou er misschien inderdaad met
het Charter iets niet in orde zijn? Waarom, zoo herinnerde zij zich
nu, had Zabern er zoo op aangedrongen, dat ze Orloff dit document in
geen geval toonen zou?

Ze besloot den Maarschalk in dezen twijfel om raad te vragen.

Een onverwachte gebeurtenis kwam echter dit voornemen op den
achtergrond dringen.

In den vroegen morgen van den dag die aan de kroning voorafging,
lieten Radzivil en Zabern zich bij de Prinses aandienen.

"Hoogheid," zeide de Premier, "een Russisch leger van honderdduizend
man trekt samen bij Zamoska."

Zamoska, geen zes mijlen van de Czernovische grens!

"Een Russisch leger bij Zamoska?" herhaalde Elizabeth.

"En aangevoerd door den Czaar in persoon."

"Wat heeft de Czaar voor met een revue over zijn troepen zoo dicht
bij onze grenzen?"

"Toen het nieuws ons gisteravond bereikte," vervolgde Radzivil,
"wilden we U niet in Uw slaap storen. Ik veroorloofde me daarom uit
Uw naam den Czaar opheldering te doen vragen omtrent dit verzamelen
van troepen bij onze grens."

"Daar deed ge goed mee. Is de boodschapper terug?"

"Zoo juist. Hij ontving als verklaring het bericht dat enkele Russische
afdeelingen zich bij Zamoska vereenigden voor de herfstmanoeuvres."

"U gelooft dat toch niet?" vroeg Elizabeth aan Zabern.

"Zeker niet, Prinses. Ge zult U op het ergste moeten voorbereiden. Naar
mijn overtuiging maakt de Czaar zich gereed U na Uw kroning met geweld
van wapenen den volgenden eisch te stellen: den Hertog van Bora te
huwen. Ge weet wat dit beteekent en waarvan dat huwelijk het voorspel
zou zijn."

"Maar met welk recht wil de Czaar dien eisch stellen!" riep Elizabeth
met fonkelende oogen. "Met welk recht?"

"Met het recht, dat de heele wereld erkent: het recht van den
sterkste. De diplomatie heeft gefaald--nu zal het kanon spreken. En
Prinses, wanneer de Russen onzen grond betreden--?"

"Dan zullen we ze met de wapenen ontvangen!"

"Maar, Hoogheid," zei Radzivil bedrukt, "welke kans hebben wij om ze
te verslaan?"

"Een zeer kleine," antwoordde Elizabeth, "maar wat zoudt ge dan
willen? Dat ik me op de knieën voor den veroveraar wierp, den slag
afwachtend? Nooit! Zoo lang me een man en een geweer overblijft,
zoo lang zal ik tegenstand bieden!"

"Wil Uwe Hoogheid het Kabinet en de Kamer niet bijeen roepen?" vroeg
de Premier.

"Om naar lafhartige of verraderlijke raadgevingen te
luisteren? Neen. Maarschalk, geef onmiddellijk bevel, dat onze troepen
de grens bezetten. Neem alle maatregelen die ge voor de verdediging
van het land noodig oordeelt."

"Wenscht Uwe Hoogheid de kroning uit te stellen?" vroeg Radzivil.

"Alsof we bang waren? Neen. Geen uitstel. Na de plechtigheid zal ik
het leger gereed vinden en mij aan het hoofd er van stellen. En nu--te
wapen! Een Oud-Hollandsche Republiek valt niet zonder slag of stoot!"

"Het is de geest van Uw voorouders die spreekt," zei Zabern. "Prinses,
waarom zijt ge niet als man geboren!"

"Een vrouw die _wil_, Maarschalk, staat in niets achter bij den man!"



VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DE VOORAVOND VAN DE KRONING.

	Het Russische leger komt nader.--Ravenski hernieuwt zijn
	bedreigingen.--Elizabeth ontvangt een bezoek van den Hertog
	van Bora.--De drie verraders geknipt.


De toebereidselen tot de kroning waren gereed; de laatste vlaggestok,
de laatste eereboog was opgericht; de stad was vroolijk versierd met
bloemen en kleurige lampions.

Vreemdelingen en landvolk uit de omgeving liepen bewonderend door de
stad, en telkens werd Elizabeth door hun geestdriftige kreten op het
balkon geroepen.

De vroolijk-versierde stad vormde een vreemde tegenstelling met de
komende onheilen. Elizabeth voelde dat:

"Zoo heeft menige stad er uitgezien aan den vooravond van haar val,"
sprak ze bij zichzelf, zich steeds ongeruster makend over de inkomende
berichten, en verwonderd, neen beangst door het uitblijven van elke
tijding betreffende Felix. Wanneer hij een plan had tot redding van
Czernovië, dan was 't nu tijd dat uit te voeren!

Elk uur brachten koeriers haar tijding aangaande de bewegingen bij
de grens. Vroeg in den morgen was het Russische leger opgebroken,
het lag nu ongeveer een mijl van de grens. Telkens reden Kozakken,
op hun vurige kleine paarden, in galop uit de linie, de Czernovische
schildwachten door hun kreten als het ware tot vuren uitlokkend. Op
heuveltoppen zag men Russische officieren staan, die door hun kijkers
het omliggende terrein waarnamen.

Twee boden, door Elizabeth afgezonden om in het Russisch kamp de
reden van dit alles te vragen, waren niet teruggekomen.

Men was in Czernovië gereed. Twaalfduizend man hadden de grensforten
en hun tusschenliniën bezet, elk kanon stond gereed de toegangswegen
tot Czernovië te bestrijken. De overige achtduizend man moesten in
Slavowitz blijven, daar Zabern elk oogenblik gereed wilde zijn het
te verwachten oproer te onderdrukken.

Het was een spannende tijd. Vijanden binnen en buiten; een leger,
dat in aantal verreweg het eigen overtrof, lag zoo dicht bij de
grens, dat elk bij toeval of door kwaadwilligheid afgegaan schot de
vijandelijkheden kon openen.

Elizabeth overdacht dit alles in een sombere stemming, toen zij bericht
ontving dat de Hertog van Bora in het Paleis was en haar verzocht
te spreken. Ze was op zijn komst niet onvoorbereid, en haar gelaat
stond vastbesloten toen zij de trap afging naar het Witte Salon,
waar de Hertog wachtte.

Onderweg kwam zij Zabern tegen.

"De Hertog is er!" fluisterde zij.

"Alles is gereed," antwoordde de Maarschalk.

Toen Elizabeth de Witte Zaal binnenkwam, boog de Hertog met een
glimlach van kwalijk verborgen triomf. Hij voelde zich volkomen
veilig bij de gedachte, dat de Russen in de nabijheid waren, en hij
kwam nu als een soort veroveraar zijn voorwaarden stellen, meenend de
Prinses onderworpen en geheel onder den indruk der gebeurtenissen te
vinden. Maar het spel dat hij speelde, bewees wel dat zijn diplomatieke
gaven niet zeer groot waren.

"Ik ben gekomen," begon hij, zonder zich door haar koel optreden te
doen afschrikken, "om u aan een belofte te herinneren die ge mij zoo
dikwijls deed--de belofte om mijn vrouw te worden."

Elizabeth antwoordde niet, zag hem alleen met een verachtelijken
blik aan.

"Het is waar," vervolgde Bora luchtig, "dat ge mij op dat punt uw
zoogenaamde eindbeslissing eenigen tijd geleden al meedeelde. Maar de
loop der gebeurtenissen doet een mensch zoo vaak zijn aanvankelijke
besluiten herroepen."

"En waarom meent ge, dat de gebeurtenissen dit thans zouden doen?"

Bora glimlachte geheimzinnig:

"Ik wil alleen zeggen, dat ge u een weigering van mijn aanzoek zeer
zult berouwen."

"Ge ontwijkt mijn vraag. Dan zal ik ze beantwoorden. Gesteund door
den Czaar, hoopt ge over Czernovië te regeeren. Niet mij--mijn
positie alleen wenscht ge te bezitten. Ge streeft naar den troon
van Czernovië, wel wetend dat ge die het zekerst en het rustigst
zult bezitten door mij tot uw vrouw te maken. Heb ik uw lafhartige
drijfveeren goed doorzien?"

De Hertog zag nu zijn dwaling in; hij had verwacht de Prinses angstig
en onderworpen te vinden; in plaats daarvan maakte haar streng optreden
hem eenigszins ongerust. Hij deed echter een laatste poging om haar
vrees aan te jagen, en zei trotsch:

"U wijst mijn aanzoek af? Goed! Dan is dit onderhoud geëindigd."

En na een vluchtigen groet ging de Hertog naar de deur. Elizabeth
bewoog zich niet, liet hem rustig gaan. Hij rukte driftig de deur
open, maar deinsde op het zelfde oogenblik terug: de mondingen van
drie revolvers hadden hem aangegrijnsd.

Snel sloot hij den toegang tot de Witte Zaal weer.

"Dat is verraad, Prinses!" riep hij woedend. "Dat is sluipmoord! Laat
me door!"

En, om zich heenziend, snelde hij naar de breede glazen tuindeuren,
waardoor men het terras bereikte. Hij had den deurknop nog niet
gegrepen of vier grenadiers kruisten de bajonetten en versperden hem
bij voorbaat den doortocht.

"Ga zitten, Hertog, doe toch geen vergeefsche moeite," zei Elizabeth
kalm. "Er zal u geen kwaad geschieden; ik wensch slechts dat ge
wachten zult tot ik uitgesproken heb."

Onwillig nam de Hertog weer plaats.

"Waarom," vroeg Elizabeth, "hebt ge me sedert een jaar met betuigingen
van liefde, met huwelijksaanzoeken beleedigd?"

"Beleedigd? Waartoe dat woord?"

"Omdat ge intusschen in 't geheim met mijn vijanden samenspande."

"Ge hebt naar de woorden van Zabern geluisterd!"

"Neen--naar die van Lipski. Ge schrikt--en ge hebt er reden
toe. Zooeven, Hertog, heeft de Regeering Lipski's woning doen
overvallen. Dat wist ge niet! Zijn kelders bleken duizenden wapens
te bevatten, in zijn kamers vergaderden Russische agenten, waaronder
de spion Russakoff. Lipski heeft alles bekend."

"Wat bekend?" vroeg Bora, als door een bliksemstraal getroffen bij
het vernemen van dit onverwachte nieuws.

"Bij voorbeeld dit:

"Ongeveer een jaar geleden stichtte hij een nieuw blad, de Kolokol. Het
kweet zich zoo goed van zijn anti-regeeringsgezinde taak, dat in
korten tijd tweedracht werd gezaaid waar vroeger rust en eenheid
was. De Russen en andere vreemdelingen, vroeger even aanhankelijk
als de Czernoviërs, zijn onder den invloed van dat opruiende blad
vijanden van het Gouvernement geworden. En wie was de eigenaar van dat
blad? Wie betaalde het? Wie gaf de strekking aan? Gij--Alexander Bora!"

"Dat heeft Lipski gelogen!"

"We zullen zien. U zult de gelegenheid hebben hem dat persoonlijk
te zeggen. Is het ook een leugen, dat de Kloosterwet uw medewerking
had? Dat ge de afgevaardigden trachtte om te koopen met het goud
van Orloff?"

"Leugens!" mompelde de Hertog, meer en meer verslagen.

"En het complot om het Charter te vernietigen? Op uw verzoek vroeg
Orloff goedkeuring op dat plan van de Russische Regeering. Gelukkig
mislukte het door de waakzaamheid van Zabern," zei Elizabeth, niet
wetend dat de Maarschalk haar van dit voorval nooit de juiste toedracht
had verteld.

De Hertog zag angstig om zich heen. Hij zou in staat geweest zijn
Elizabeth te dooden, als hij daardoor had kunnen ontsnappen, want
hij wist dat zijn verraad nu bekend was, en dat de gevangenis hem
wachtte. Maar Elizabeth zag hem zoo doordringend aan, dat hij geen
beweging maken durfde.

"Er is nog meer!" ging ze voort. "Mijn Secretaris, mijn trouwste
en aanhankelijkste onderdaan en vriend--hij werd op uw aanstoken
vermoord. Russakoff werd er voor betaald door Lipski--vierhonderd
roebels ontving hij. Ontken het niet--onlangs heeft Katina Ludovska
aan Lipski's stem den man herkend die Russakoff in haar vaders herberg
tot de misdaad omkocht. Met _uw_ medeweten! Het cijferschrift mocht
niet opgelost worden! En nu--volg me. Hier zijn uw medeplichtigen."

Elizabeth had een zijdeur geopend, en daar zag hij Lipski en Russakoff,
door een afdeeling soldaten bewaakt. De Hertog trachtte niet langer
te ontkennen; zwijgend en gebroken hoorde hij de Prinses aan.

"Dat was dus uw plan--Russograd te wapenen, barricaden op te werpen,
en wanneer het Gouvernement zou trachten den opstand te dempen, den
Czaar te verzoeken hulp aan de onderdrukte Moscoviten te verleenen! En
de Czaar zou zijn hulp niet weigeren: Bora op den troon, en de Prinses
tusschen twee mogelijkheden geplaatst: hem te trouwen, of--haar verdere
levensjaren te slijten op het fort Schlüsselburg, in de grijze wateren
van het Ladoga-meer. De uitvoering van uw programma is verijdeld. En
ge zult niet opnieuw beginnen."

Elizabeth drukte op den knop van een electrische schel, en Zabern
kwam binnen, gevolgd door een afdeeling grenadiers. Vijf minuten
daarna werden de drie verraders met geboeide handen in een gesloten
wagen naar de citadel gevoerd.

Eerst daarna, maar zooals we zien zullen, nog niet te laat, vond
ze gelegenheid Zabern met de bedreigingen van Ravenski in kennis
te stellen.



ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

ZABERN EN RAVENSKI.

	Melchior, de verrader.--Zabern verschijnt.--De
	postduif.--Ravenski ontvangt een sabelhouw.--Het kanon van
	de Citadel.


Op dienzelfden dag vóor de Kroning, den 14en September 1902, had er
in het studeervertrek van Ravenski, die even als de andere Ministers
over drie appartementen van het Paleis voor eigen gebruik beschikte,
een bijeenkomst plaats tusschen dezen titularis en den portier van
het St. Nicolaas-klooster, Melchior Obrowitch.

Terwijl het verwerpen van de wet-Lipski de aandacht van de kloosters
had afgeleid, was Ravenski in stilte voortgegaan het geheim uit te
vorschen, dat naar zijn vermoeden achter het zoo in de gunst der
Prinses staande St. Nicolaas-klooster lag verborgen. Door middel van
geld en beloften had hij den bovengenoemden Melchior, een uitgeweken
Rus, die jaren geleden door Ravenski's invloed tot portier was
benoemd, voor zich weten te winnen, en deze had hem sinds lang op
de hoogte gehouden van allerlei gebeurtenissen in het klooster,
welke het vermoeden wekten, dat daar politieke samenkomsten plaats
hadden. Ja, meer dan dat: het aantal kisten, zoogenaamd levensmiddelen,
meubelen, kleederen of iets dergelijks bevattend, dat den laatsten
tijd het klooster was binnen gebracht, had den portier verwonderd,
en de omstandigheid dat men hem al eenige maanden geleden den sleutel
der kelders had ontnomen, en die aan de bewaring van een der monniken
toevertrouwd, deed hem gelooven dat in die kelders nog andere dingen
verborgen lagen dan vaten wijn en brandstoffen.

Ravenski was met al deze inlichtingen zeer ingenomen, maar vooral
deed het hem genoegen dezen avond van Melchior te vernemen, dat hun
vermoeden, als zou het Charter van Czernovië wel degelijk verdwenen
zijn, zekerheid geworden was. Ravenski had dus de Prinses niet op
ijdele gronden met de openbaarmaking van dat geheim bedreigd. Ravenski
had zich namelijk, den dag na dien, waarop Orloff als gezant ten
Paleize was geweest, met dezen in verbinding gesteld, getrouw aan zijn
aard alle middelen aangrijpend die hem voordeel konden bezorgen. En
zijn vermoeden, dat er met het Charter iets niet in den haak was, vond
weldra bevestiging. Zoodra hij zijn diensten Orloff aangeboden had,
ontstond het begin van een levendige briefwisseling tusschen die beide
mannen, en Ravenski kwam te weten, dat er volgens Orloff's inlichtingen
wel degelijk een papier was verbrand dat den inhoud vormde van den
ijzeren koffer die het Charter moest bevatten. Een afgesproken signaal
met een blauwe lantaren had hem immers die zekerheid gegeven. Na de
verklaring van Zabern omtrent de overbrenging van het Charter naar
de Czernovische Bank, was Orloff echter verlangend te weten te komen
of dus inderdaad slechts een copie was vernietigd, dan wel of Zabern
een handig verzinsel voor waarheid had doen gelden.

Onvermoeid had Ravenski dit nagespeurd, en hedenavond bracht Melchior,
zijn handlanger, hem de zekerheid dat het Charter niet meer bestond!

"Ik ben daarvan om twee redenen overtuigd," zei Melchior. "De eerste
is deze. Een paar dagen geleden bracht een meisje uit den omtrek,
Katina Ludovska, een bezoek aan het klooster-museum. Dit is op
zichzelf niets bizonders; vele vreemdelingen, en ook landgenooten,
vooral studenten en andere mannen der wetenschap, bezoeken dit museum,
dat zeer merkwaardige boeken en perkamentrollen bezit, van belang voor
de geschiedenis van kerken en kloosters. Terwijl ik Katina rondleidde,
trof het mij, dat ze herhaaldelijk stilstond voor een document,
dat de eigenhandige naamteekening van Czaar Alexander I draagt;
telkens bekeek ze het met een aandacht die me vreemd voorkwam. Maar
het merkwaardigst was, dat, op haar verzoek om dit stuk in bruikleen
te mogen ontvangen als hulpmiddel bij een wetenschappelijke studie,
de beheerder van het museum, broeder Angelico, dadelijk bereid was het
af te staan, ofschoon anders slechts copieën, nooit oorspronkelijke
stukken als dit, mogen worden meegenomen.

"Dienzelfden dag ging ik Katina na; niet alleen overtuigde ik mij,
dat ze in allerlei winkels van Slavowitz naar monsters van perkament
vroeg, maar ook weet ik dat ze herhaaldelijk door Zabern ontvangen is,
en langdurige bezoeken aan zijn studeervertrek bracht. Ziedaar mijn
tweede reden.

"Er is dunkt me geen twijfel aan: Zabern liet haar op een copie van
het Charter de handteekening van Czaar Alexander namaken, en het stuk,
dat gister in de ijzeren koffer naar de kerk werd overgebracht, is
een valsch stuk, dat dienen moet om morgen de Prinses den kroningseed
daarop te doen afleggen."

"Uitstekend!" riep Ravenski. "Dat zijn inlichtingen die goud waard
zijn, en zoo dadelijk gaat een brief, die deze tijding bevat,
naar den Czaar. Nu heb ik bewijzen genoeg om de Prinses ten val te
brengen. Morgen is Czernovië Russisch grondgebied!"

De portier boog, en op een wenk van Ravenski liet hij dezen alleen.

Onmiddellijk daarna stelde de Minister het gehoorde op schrift,
adresseerde zijn brief aan den Czaar, en stak een copie daarvan
in zijn binnenzak. Dit gedaan hebbende, leunde hij een oogenblik
met gesloten oogen achterover in zijn armstoel, genietend van zijn
aanstaanden triomf. Door het geopende venster drongen de vroolijke
geluiden der feestvierende Czernoviërs naar binnen, die zich reeds
verheugden op den dag van morgen.

Ravenski hoorde het, en met spottenden glimlach zei hij luid:

"Morgen zal uw blijdschap in rouw veranderen!"

"_Wees daar niet te zeker van!_" zei een ironische stem.

De eenige man in Czernovië, dien Ravenski op dit oogenblik het minst
verlangde te zien, was Zabern--en toch was het Zabern die gesproken
had!

Hevig verschrikt opende Ravenski de oogen, en zag den Maarschalk
met over elkaar geslagen armen aan de andere zijde van de tafel
staan. Achter hem stond zijn ordonnans, Nikita. Een vrouw, Katina,
was bezig de deur van het vertrek zorgvuldig te sluiten. In het
besef van het gevaar strekte Ravenski de hand uit naar een bel,
die op tafel stond. Maar Zabern was hem voor.

"Geen geluid! of ik schiet je neer!"

"Wat wilt ge van me?!"

"Je leven!"

Ravenski begreep dat Zabern tot geen ander doel gekomen kon zijn;
toch gingen deze beide woorden hem als met een schok door het lichaam.

"Ge wilt me dus vermoorden!" hijgde hij.

"Noem het vermoorden. Het is me om 't even. Ik noem 't terechtstellen."

"En mijn misdaad...?"

"Ligt daar!" zei Zabern, snel den brief grijpend, waarop zijn scherp
oog het adres gelezen had, en dien ook Ravenski in datzelfde oogenblik
trachtte te verbergen.

Zabern scheurde het couvert open.

"Het bewijs van uw verraad. Er behoeft hierover geen woord meer
gesproken te worden. Hier is een revolver. Ik geef u de gelegenheid
zelfmoord te plegen. Dan zal men ten minste nog denken, dat ge
éens in uw leven gevoeld hebt een geweten te bezitten, éens in uw
leven wroeging hebt gekend. Het is de eervolste dood dien ik u kan
aanbieden."

Ravenski werd lijkbleek.

"Geef me tien minuten slechts," hijgde hij, "tien minuten in de
kamer hiernaast."

"Met welk doel?"

"Om--om te bidden."

"Ik zie het nut daarvan niet in," zei Zabern droog. "Nooit kan een
leven van gebed uw zonde uitwisschen."

"Vijf minuten maar, opdat ik mijn geweten tot rust kan brengen in
deze laatste oogenblikken van mijn leven! Ik smeek er u om."

"Goed. Vijf minuten. Maar in deze kamer."

"Het vertrek hiernaast is een bidvertrek," pleitte Ravenski.

"Willig zijn wensch in, Maarschalk," zei Katina, die het geheele
tooneel afschuwelijk vond, en reeds te voren vergeefs gepoogd had
Zabern van deze ontzettende terechtstelling terug te brengen.

"Maar dan ontsnapt hij ons!" riep Nikita.

"Ik kan niet ontsnappen. Het bidvertrek heeft geen enkelen uitgang. Het
venster is vijftig voet boven den grond."

Zabern, vermoedend dat Ravenski een list voor had, doorzocht het
vertrek, doch vond er niets dat kwade vermoedens kon opwekken. Er
stond een bidstoel, er hing een enkele lamp; overigens was er niets
wat een ontsnapping kon begunstigen.

"Neem uw vijf minuten," zei Zabern. "Maar denk er aan, ik houd u in
het oog. Tracht niet te ontsnappen."

Ravenski ging met bevende schreden in het bidvertrek, en knielde neder.

Zabern volgde elke beweging.

"Maarschalk," vroeg Katina, een laatste poging aanwendend om de
menschelijkheid te doen zegevieren, "is de gevangenis niet een
voldoende straf voor zijn misdaad?"

Zabern schudde alleen zwijgend het hoofd.

"Wie zal trachten den Maarschalk te weerstaan?" zei Nikita, bijgeloovig
en onderworpen als hij was.

"_Dat zal ìk!_" zei een stem.

Bij deze woorden zag het drietal elkaar verbaasd aan, want de stem
kwam uit het bidvertrek en kon van niemand anders zijn dan van
Ravenski. Van de oogenblikkelijke verrassing bekomen, wierp Zabern,
een list vreezend, de deur wijd open.

"Maarschalk Zabern," zei Ravenski, "wanneer gij den troon der Prinses
wenscht te beschermen, kom dan geen stap nader. Zie goed wat ik hier
in mijn hand heb."

Het raam van het bidvertrek, dat te voren gesloten was geweest, stond
nu open, en het maanlicht viel op het bleeke gelaat van Ravenski, die
voor het venster stond. In zijn rechterhand hield hij een duif, aan
wier hals een brief was gebonden. Op dit gezicht bleven de drie mannen
onbewegelijk staan, want zij begrepen dat deze vogel een postduif was.

Ravenski's list had dien van Zabern overtroffen, en de Maarschalk
vervloekte het oogenblik van toegevendheid, dat hem deze nieuwe
moeielijkheden berokkend had.

"Zie je wel," mompelde hij tot Katina. "In de politiek is
menschelijkheid een onvergeeflijke fout!"

"Luister!" riep Ravenski, de hand waarschuwend opheffend. "Als ge
een voet verzet, laat ik de duif los. Deze brief bevat een copie van
dien, welken de Maarschalk zich zooeven toeëigende. De Czaar zal
er uit lezen, dat het Charter door Katina Ludovska is vervalscht,
en dat het St. Nicolaas-klooster de bewijzen eener Czernovische
samenzwering bevat."

"Praat niet te lang," zei Zabern met geveinsde onverschilligheid,
"de vijf minuten zijn om."

"Deze duif heeft reeds meermalen in het donker het kamp van den Czaar
bereikt," vervolgde Ravenski. "Wanneer ge me nadert, zal ze den weg
weten te vinden, en Czernovië is verloren. Beloof me mijn leven te
sparen, en ik zweer dat ik van mijn plannen afzie."

Zabern begreep dat er gehandeld moest worden.

"Katina," fluisterde hij, "schiet! Niet Ravenski, maar de duif."

Onmiddellijk weerklonk een schot, gevolgd door een snelle beweging
van Zabern om de duif te grijpen. Maar de kogel had den pols van
Ravenski geraakt, zijn hand liet het dier los, en dit vloog door het
open venster naar buiten. Katina, hoe goed een schutter overigens,
had het doel gemist.

"In hemelsnaam, Katina," riep Zabern, als gek geworden naar het venster
stormend, terwijl hij naar de duif wees, wier witte gedaante duidelijk
tegen de donkere lucht afstak. "In hemelsnaam, schiet!"

De duif, onzeker nog welken weg te kiezen, bewoog langzaam voort in
groote kringen, elk oogenblik stijgend. Katina legde aan, volgde den
vogel in zijn vlucht, en toen zij zeker scheen van haar schot, haalde
zij den trekker over. Een tweede schot weerklonk. Angstig staarde
Zabern naar de duif, hopend haar te zien vallen. Katina hield zich
reeds gereed naar den Hoftuin te snellen en het dier op te rapen. Maar
er fladderden slechts enkele veertjes door de lucht. Katina had opnieuw
gemist en in een rechte lijn vloog de duif voort, een oogenblik later
achter de boomtoppen verdwijnend.

Met een verwensching liet Katina het wapen vallen.

Maar er was geen tijd tot aarzelen. Van de verwarring gebruik
makend, was Ravenski het bidvertrek uitgesneld, naar de deur van zijn
zitkamer. Daar trad Nikita hem met uitgespreide armen in den weg, om
hem den doortocht te versperren. Maar Ravenski, slechts op lijfsbehoud
bedacht, greep met beide handen den zwaren eikenhouten leunstoel,
om er Nikita het hoofd mee in te slaan. Hij hief den stoel op--maar
Zabern was achter hem. Schuimbekkend van woede, geen oogenblik meer
bedenkend dat hij tegenover de buitenwereld den schijn van zelfmoord
had willen bewaren, bracht hij den ongelukkige een sabelhouw toe,
die hem den schedel letterlijk in tweeën spleet.

"Naar de hel, en zeg dat Zabern je gezonden heeft!"



De kerkklokken lieten de vroolijke melodie hooren, die het slaan der
uren voorafgaat. Na een tusschenpoos van plechtige stilte klonk de
eerste slag van middernacht.

"De Kroningsdag!" mompelde Zabern.

"Hoor eens hoe ze juichen," zei Nikita.

Uit elk deel der stad, van wijde pleinen en nauwe straten, klonk het
steeds aanzwellend gejubel der bevolking. De feestdag was aangebroken!

Met een bitteren glimlach blikte Zabern naar het oosten. De hemel
was in die richting roodgekleurd door de talrijke wachtvuren van het
Russische kamp--het kamp waarheen de vlugge duif nu haar weg zocht
met de voor Czernovië zoo noodlottige tijdingen. Hoe lang nog zou
het duren, eer--

Zabern schrikte op.

Boven het juichen der bevolking klonk een onheilspellend, dreunend
geluid door de nachtlucht. De losbranding van een enkel, niet ver
verwijderd kanon.

Zabern begreep bij ingeving de beteekenis.

"Het kanon van de Citadel!" riep hij, de kamer uitsnellend. "Bij alle
duivels--_de Hertog is ontsnapt!_"



ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DE KRONING.

	Hoe het kwam dat de Hertog ontvluchtte.--De stoet zet zich
	in beweging.--Waar blijft Felix?--Waar blijft Rob?--Het
	St. Nicolaas-klooster door de Russen bezet.--De stem van
	Orloff.--De Hertog verschijnt.--De Czaar!--Rob brengt het
	Charter.--Elizabeth kiest Felix tot kampioen.


De morgen van Elizabeth's kroning brak zoo zonnig en zoel aan, dat
het bijna onmogelijk was op zulk een mooien dag aan de komst van
noodlottige gebeurtenissen te gelooven.

Enkele uren vóor het begin der plechtigheid ontving de prinses haar
Ministers, om nog eenige dingen te bespreken.

Tot nog toe hadden er geen vijandelijkheden plaats gehad. Alle koeriers
kwamen met de tijding terug, dat het Russisch leger de grens niet
dichter genaderd was dan te voren. Niets wees op vijandige bedoelingen,
zoodat sommige Ministers zich zelfs wat gerustgestelder gingen voelen.

Zabern alleen wist maar al te goed, dat er geen enkele reden tot
geruststelling was; niemand beter dan hij kende het gevaar dat
Czernovië bedreigde. Hij had, wat natuurlijk onvermijdelijk was,
de Prinses met den dood van Ravenski in kennis gesteld, maar er van
gesproken als van een moordaanslag, welks daders hij op 't spoor
was. Het leek hem overbodig de Prinses de overige bizonderheden te
vertellen, en ook wilde hij liever het gebeurde met de duif voor haar
verborgen houden. Wanneer de loop der gebeurtenissen haar van alles
op de hoogte bracht, was het nog tijd genoeg; waartoe haar zorg en
haar vrees nog te vermeerderen?

"Bovendien," dacht Zabern, "wat heeft het voor nut, de Prinses al
deze ellende te doen meeleven? Het eind is gekomen, al mijn werken is
vergeefsch geweest, we moeten ons gewonnen geven. Alleen een wonder
kan Czernovië nog redden--laten we in berusting dat wonder afwachten."

Inderdaad, ondanks alles, had Zabern nog hoop. En dat gaf hem de
kracht, ofschoon hij zich somber gestemd voelde, uiterlijk zijn gewone
kalmte en vastberadenheid te bewaren.

Het gesprek der Ministers kwam ook op den moord van Ravenski.

"Een verschrikkelijke en geheimzinnige historie," zei Radzivil. "De
dokters zeggen, dat de houw met een sabel moet toegebracht zijn,
en door een vaste hand, die gewoon is het wapen te hanteeren."

"Dan zal de Hertog van Bora 't wel gedaan hebben," zei Zabern droog.

Radzivil vond de aardigheid ongepast, en vroeg:

"U hebt toch zeker wel een belooning uitgeloofd voor wie de daders
aanwijst?"

"Geen roebel," zei Zabern kort.

"Dat is tegen uw gewoonte!"

"Waarom zou ik een premie uitloven als ik den dader ken? Hij heeft
twee medeplichtigen."

"U kent den dader? En waarom is hij dan nog niet gegrepen?"

"Omdat ik gewichtige redenen heb hem nog ongemoeid te laten."

"Maar als hij ontsnapt?"

"Hij kan me niet ontsnappen. Bij elken pas, dien hij doet, heb ik
hem in het oog. Ik kan elk oogenblik even gemakkelijk de hand op
hem leggen als ik nu bijvoorbeeld de hand op mijn eigen arm leg,"
zei Zabern glimlachend.

Radzivil wilde op een nadere verklaring aandringen, maar Elizabeth,
die het onderwerp onaangenaam vond, verzocht hem over iets anders te
spreken. Nog den vorigen dag had ze met zooveel haat aan Ravenski
gedacht, dat het haar nu toescheen alsof ze daardoor alleen mede
schuld droeg aan zijn dood.

Zabern voelde zulke zelfverwijten niet; het speet hem alleen, dat hij
den Hertog ook niet op die manier van de baan geschoven had. Dan zou
het viertal compleet geweest zijn, want dien morgen had hij gezorgd
weldra bekend te kunnen maken, dat Lipski en Russakoff zich door
ophanging in hun cel van 't leven hadden beroofd.

"U hebt geen berichten omtrent Bora?" vroeg Elizabeth den Maarschalk.

"Nog niet, Hoogheid," antwoordde deze, "maar daar komt iemand, die
u wellicht het geheim kan oplossen.

Aller oogen wendden zich naar een deur, waardoor een onderofficier
met twee soldaten binnenkwam, in wier midden Miroslav, de Commandant
der Citadel, zich bevond.

"Ik heb uw opdracht uitgevoerd, Excellentie," zoo richtte de
onderofficier zich tot Zabern. "De Commandant werd gegrepen, juist
toen hij de stad wilde verlaten."

"Goed," antwoordde Zabern. "Prinses, de Commandant Miroslav is tot
Uw beschikking."

"Verdedig u!" zei de Prinses streng. "U ontving orders den Hertog
zeer nauwgezet te doen bewaken. Toch gelukte het hem te ontsnappen!"

"Met mijn medeweten, Prinses!"

"Hoe?" riep Elizabeth verbaasd, "met uw medeweten?"

"Ja, Prinses. Ik zal u dat nader verklaren. Gisteravond werd mij gemeld
dat er iemand aan de poort stond en mij spreken wilde. Ik liet vragen
wie hij was. Daarop gaf hij mijn boodschapper een briefje in gesloten
couvert mee. Hier is het."

Elizabeth nam het aan. Zij las de enkele woorden die er op stonden,
en gaf het toen met een ontsteld gelaat aan Radzivil. Onder een
doodsche stilte lazen ook de overigen het briefje, dat van den
volgenden inhoud was:


	"Ik gelast u den Hertog van Bora in vrijheid te
	stellen. Weigering kost u het leven.


	Alexander."


"Toen ik de onderteekening zag," vervolgde Miroslav, "gelastte ik den
bezoeker onmiddellijk binnen te laten. Toen hij zijn mantel opensloeg,
herkende ik dadelijk den Czaar.

"Is het bevel tot invrijheidstelling al gegeven?" waren zijn eerste
woorden. Tevergeefs verklaarde ik daartoe alleen door de Prinses
gevolmachtigd te kunnen worden. De Czaar gelastte mij, als Suzerein
van Czernovië, aan zijn bevel te voldoen."

"En u erkende die Suzereiniteit?" vroeg Elizabeth verachtelijk.

"Hoogheid, ik was zoo onder den indruk der Keizerlijke tegenwoordigheid
en van zijn autoritair optreden; de gedachte aan zijn macht en de
angst voor mijn leven hadden zulk een overwicht op me, dat ik niet
anders dan gehoorzamen kon. De Maarschalk zelf zou in mijn geval niet
anders gedaan hebben."

Zabern lachte minachtend.

"Ik bracht den Hertog binnen, en de Czaar verliet met hem de citadel,
ik weet niet waarheen. Uwer Hoogheids toorn vreezend, besloot ik uit
het land te vluchten. Ik geef me aan Uw genade over."

"Het was uw plicht," sprak Elizabeth, "uw gevangenen te behouden,
zelfs waar het uw leven gold. Door bevelen van een ander dan van mij
aan te nemen, hebt ge verraad gepleegd."

En zich tot den onderofficier wendend, vervolgde ze:

"De Commandant blijft in het Paleis, totdat de kroning afgeloopen
is. Daarna zullen we verder zien. De Minister van Justitie wordt
verzocht de zaak aanhangig te maken."

"De ezel!" mompelde Zabern. "Waarom liet hij den Czaar niet
onmiddellijk opsluiten! Niemand schijnt tegenwoordig meer te durven!"

De soldaten verlieten met hun gevangene het vertrek.

"De Czaar in 't geheim binnen onze stad!" mompelde Radzivil. "Wat
zou zijn doel zijn?"

"Niet veel goeds, Graaf!" zei Elizabeth.

Het geheime bezoek van den Czaar aan Slavowitz, en zijn gelukte poging
om den Hertog in vrijheid te stellen, maakten een ontmoedigenden indruk
op de Ministers. Zouden ze een kroning of een onttroning bijwonen? Zou
de plechtigheid eindigen met een triomf voor de Russische partij? Met
een gevoel van medelijden zagen ze naar hun jonge heerscheres, die
echter niets verried van hetgeen in haar omging. Zij begrepen dat,
zoo de Prinses vallen zou, haar val een waardige zou zijn, die zelfs
haar tegenstanders met eerbied zou vervullen.

Wat Zabern betreft, van hem maakte nog een andere onrust zich
meester. Niet in de eerste plaats het wegblijven van Rob, hoezeer hij
zich ook aan zijn jeugdigen Secretaris had gehecht, en hoe smartelijk
hem de gedachte was, dat de arme jongen misschien het slachtoffer van
zijn waagzucht geworden was. Neen, er was iets anders dat zwaarder
nog woog dan dit: Van Stralen zou op den Kroningsdag terugkeeren,
hij had het plechtig beloofd, en er was geen enkele reden om aan
die belofte te twijfelen. Maar waar bleef hij? Waarom had Zabern
tot nu toe niets van hem gehoord? Was hij nog in leven? En zoo ja,
waar? Al deze vragen drongen zich aan den Maarschalk op. Hij, die nog
éen lichtstraal van hoop zag, wist dat 't van Van Stralen afhing of
ook die laatste hoop vernietigd zou worden. Want Zabern's scherpe en
snelle geest had in deze laatste oogenblikken van vreezend verwachten
een combinatie van mogelijkheden gemaakt, waarvan het ontsnappen
van den Hertog en de hoop op Felix' terugkomst de hoofdbestanddelen
uitmaakten. Kwam Felix terug--dan zou de vlucht van Bora een zegen voor
Czernovië kunnen worden. Hoe? ja, dat wist op dit oogenblik Zabern
alleen. Hoewel dus om geheel andere redenen dan Elizabeth hoopte hij
even vurig als zij, dat Felix zijn woord gestand kon doen. Zonder
't te weten waren in dit uur hun gedachten met hetzelfde onderwerp
vervuld. Felix had gesproken van een stout plan, dat redding brengen
zou--waar bleef hij? waar bleef de redding? zoo vroeg Elizabeth zich,
elke minuut dat de kroning nader kwam, angstig af.

Het was voor de Prinses tijd geworden zich in haar kroningsgewaad te
kleeden. Terwijl zij haar kleedvertrek opzocht, zag zij daarbuiten,
op het ruime voorplein, den langen stoet zich vormen, die haar naar
de kerk volgen zou. In veel opzichten was het een historische stoet:
allerlei Oud-Hollandsche kleederdrachten zag men er, die misschien
veroordeeld waren morgen tot het verleden te behooren.

In den stoet bevond zich ook Katina, door een vrijwillige eerewacht
van Czernovische vrouwen gekozen het vaandel dier wacht te dragen. In
een sierlijk costuum, een degen aan den gordel, bereed ze het fraaiste
paard van al haar vrouwelijke mede-Amazonen.

Langs den stoet rijdend, hield Zabern een oogenblik bij haar stil.

"Een degen van hout en blik, nietwaar?" vroeg hij glimlachend, op
het wapen wijzend.

"Staal!" zei Katina alleen, het half uit de scheede trekkend.

"Goed! Op een dag als deze moet men gewapend zijn," zei Zabern,
terwijl hij verder reed.

Het trappelen der paarden, de voetstappen der soldaten, het schetteren
van trompetten en het rollen van wielen drong tot Elizabeth door in
haar kleedvertrek, en ze vroeg zich af, hoe dit alles eindigen moest?

Een slank, wit Arabisch paard stond gereed haar naar de kerk
te voeren. Zij had dit verkozen boven een statie-koets, hopend
de sympathie der bevolking te winnen door zich zoo openlijk te
vertoonen. Aan Radzivil en Zabern was de eer gegeven naast haar te
rijden; wat Zabern betreft, hij hechtte minder aan de eer dan aan de
gelegenheid om haar zoo noodig met zijn lichaam te beschermen.

De stoet zou zich tegen tien uur in beweging zetten. Kort voor dat uur
ontmoetten Zabern en Radzivil, op prachtige zwarte paarden gezeten,
elkaar voor de Paleispoort.

"Vreemd is het," zei Zabern onder het wachten, "dat de Secretaris er
nog niet is."

"De Secretaris?" vroeg Radzivil verbaasd. "Welke? Felix van
Heelstra?" Heeft de Prinses hem dan terug geroepen?"

"Neen, maar ik. En zijn wegblijven is een ernstige reden tot
ongerustheid. Zat de Hertog nog in de Citadel, dan kwam het er niet
op aan. Nu echter.... Maar daar komt de Prinses. Ge zult later wel
begrijpen wat ik bedoel."

Precies om éen minuut voor tienen verscheen Elizabeth aan den ingang
van het Paleis, en, de marmeren treden afdalend, besteeg ze met behulp
van Radzivil haar wit paard.

Tegelijkertijd wuifde Zabern met de hand, en een artillerie-salvo
van het dak van 't Paleis verkondigde de wachtende bevolking dat de
Prinses het Paleis had verlaten.

Onder het slaan der trommen, het schetteren der muziek en het
klokgelui van alle kerktorens, werden de groote bronzen poorten van
de Paleistuinen wijd opengeworpen, en het Blauwe Legioen, met in
den zonneschijn flikkerende lansen, zette zich als het hoofd van den
stoet in beweging.

De weg was aan weerzijden als met menschen geplaveid. Aan elk venster,
op elk dak, op elk balcon vertoonden zich toeschouwers. Heel Czernovië
was er; iedereen had zich voorgenomen een plaats te veroveren. Waar
maar een voet staan kon, had zich iemand opgesteld, op kroonlijsten,
voetstukken van standbeelden, in lantarens, boomen en telefoonpalen.

Zabern maakte bij zichzelf de opmerking, dat er in geval van nood
toch nog heel wat mannen te wapenen zouden zijn, en onder het rijden
zat hij zelfs al een plan in die richting uit te werken.

Zoodra Elizabeth verschenen was, had men haar met geestdriftig gejuich
begroet. De jubelkreten rolden, zich als golven voortplantend, langs
de boulevard, stegen omhoog, en waren bijna luid genoeg om in het
kamp van den Czaar gehoord te worden. Zoo groot was het enthousiasme,
dat de troepen die den weg hadden afgezet, de menigte slechts met de
grootste moeite konden weerhouden naar haar toe te snellen.

De vijanden van de Prinses, trouwens zelf onder den indruk
der liefelijke verschijning, droegen wel zorg hun gevoelens te
onderdrukken. Eenvoudig in witte zijde gekleed, maakte Elizabeth in
alle opzichten een vorstelijken indruk. Haar donker haar was onbedekt,
slechts een smalle gouden diadeem omsloot het, terwijl een doorzichtige
kanten sluier achter langs het hoofd afviel.

De rit naar de kerk was een onafgebroken triomftocht, die door geen
enkel voorval van vijandigen aard werd verstoord.

"Zullen we dus hier de ontknooping moeten afwachten?" mompelde
Zabern, toen de stoet het kerkgebouw naderde, welks muren dreunden
van orgelklank en klokgelui.

Zij, die de kerk mochten binnengaan, hetzij door hun aandeel in de
plechtigheid, hetzij door een voorrecht, verbonden aan hun betrekking,
zochten door verschillende deuren de hun aangewezen plaatsen op.

Toen Zabern op de breede, met rood fluweel belegde treden stond, en
de groote menigte daarbuiten overzag, werd zijn aandacht plotseling
getrokken door een ruiter, die aan het andere einde van de boulevard,
door niets in zijn rit belemmerd, met groote snelheid kwam aanrijden,
ondanks de kans om op het gladde asfalt te storten, zijn paard steeds
tot meer spoed aanzettend.

"Een koerier!" riep het volk, bij ingeving begrijpend dat hij
gewichtige tijding bracht. "Wat is er? Wat is er?"

Maar de ruiter antwoordde niet.

"Nikita!" mompelde de Maarschalk verwonderd.

Toen het trillende paard aan den voet der kerktrap stilstond, snelde
Zabern zijn ordonnans tegemoet.

"Het St. Nicolaas-klooster is bezet, Maarschalk!"

"Onmogelijk! Ik gaf gisteravond laat speciale orders voor de bewaking
van 't klooster!"

"Het is zoo. De monniken, zwijgen. De Russische vlag waait van
den toren."

"Maar wie heeft je dien onzin verteld?"

"Ik heb het gezien, Maarschalk. Generaal Trevisa zendt me."

"De postduif, Nikita!" zei Zabern somber. "Dat is het begin van
Russische overheersching. Maar waar zijn de monniken, waarom hebben
ze den brand niet in het kruit gestoken, als Trevisa zijn plicht niet
wist te doen?"

"Ik weet het niet, Maarschalk. Ik bracht een bericht van een der
voorposten over, toen de generaal Trevisa mij gelastte u te melden
dat het klooster door de Russen bezet is. Ik zag de Paulovski-Garde
de uitgangen bewaken. Baron Ostrova, de vroegere Secretaris van
den Hertog, gaf bevelen. Generaal Trevisa maakte zich gereed met
duizend man het klooster te hernemen; zijn artillerie rijdt op om
een bombardement te beginnen."

"Onzin," mompelde Zabern. "Salongeneraals, die Czernoviërs! We hebben
hard behoefte aan een flinken oorlog."

Toen keerde hij zich om en wenkte een der ordonnans-officieren der
Prinses.

"Wees zoo goed den luitenant-generaal Trevisa te verzoeken, het
bevel aan den generaal-majoor Elling over te dragen, en zich naar
het Paleis te begeven, waar hij wachten zal op mijn terugkomst. De
nieuwe commandant moet in stelling blijven en niets doen vóor men
hem aanvalt. Deze soldaat zal u den weg wijzen. Dank u."

Nikita en de ordonnans-officier zetten hun paarden om, en een
seconde daarna sloegen de hoeven der rennende dieren de vonken uit
het asfalt. Verbaasd keek de volksmenigte hen na.

Zabern verbeet zijn woede. Het kostte hem moeite niet onmiddellijk
naar de grens te rijden en het commando op zich te nemen. Maar zijn
tegenwoordigheid in de kerk was noodzakelijk; het werd zelfs hoog
tijd naar binnen te gaan.

Toen Zabern de kerk wilde binnengaan, ontmoette hem de
Opper-Ceremoniemeester, die met de regeling der plechtigheid belast
was geweest.

"Maarschalk, de kerk is overvloedig vol, en toch staan er honderden
te wachten aan de noorderpoort, die roepen om binnengelaten te worden
en van geldige toegangsbewijzen voorzien zijn."

"Dat hebt u dan heel slecht geregeld."

"Neen, Maarschalk. Het aantal uitgegeven kaarten komt juist overeen
met het aantal zitplaatsen."

"Zoo!" zei Zabern. "Dus u wilt zeggen, dat er eenige honderden menschen
binnen zijn, die daar geen recht op hebben?"

"Juist, Maarschalk. Een groot deel van de kerk is gevuld met menschen,
van wie ik zeker weet dat ze niet uitgenoodigd zijn, en die zich
dus van valsche toegangskaarten hebben voorzien. Het zijn voorname
inwoners van de Russische wijk."

"Wel, wel!" mompelde Zabern. "Dus nu 't ze niet gelukt is zich
met Lipski's geweren te wapenen, gaan ze 't op een andere manier
probeeren."

"Sommigen zijn in uniform, anderen in galacostuum, maar bijna allen
zijn ze gewapend. Wanneer ik tracht ze te doen verwijderen, ontstaan
er ongetwijfeld ernstige botsingen. Wat moet ik doen?"

"Voorloopig niets. We moeten wanorde trachten te voorkomen. Houden
ze zich kalm--des te beter; willen ze geweld uitoefenen, dan krijgen
ze met Zabern te doen."

"En de menschen aan de noorderpoort?"

"Zullen daar wel moeten blijven," zei Zabern, de schouders ophalend.

Hij ging de kerk binnen.

Het tooneel daarbinnen verblindde zelfs hem. De rijke toiletten der
dames en de schitterende uniformen der heeren vormden een van kleuren
gloeiend geheel; overal glansde goud en flonkerden edelgesteenten.

Toen Zabern langzaam zijn plaats opzocht, ontgingen hem enkele
spottende blikken van de zijde der Russograders niet. Klaarblijkelijk
hadden ze kwaad in den zin; maar hun aantal was geringer dan dat der
aanwezige patriotten, en een enkel woord was voldoende om duizend
geweerloopen op de kerk te richten. Zabern beangstte zich dus niet
over hun aanwezigheid.

Op een tafel onder den preekstoel lag het Charter, dat slechts bij
gelegenheden als deze in het openbaar werd tentoongesteld; aan iedere
zijde van de tafel had een zwaar gewapend hellebaardier post gevat.

Een weinig achter die tafel stond een groote eiken stoel, waarin de
Prinses zou plaats nemen; links en rechts daarvan, maar iets meer
achterwaarts, waren de zetels der Ministers opgesteld.

Terwijl Zabern scherp de onrechtmatig binnengedrongen bezoekers zat
op te nemen, de gedachte maar niet van zich af kunnende zetten dat de
Czaar zich onder hen bevond, maakte zich een groote onrust van hem
meester. Liep alles zooals hij verwachtte, had hij de plannen van
den Czaar goed doorzien--dan viel er nog iets--veel misschien!--te
redden. Maar dan was de aanwezigheid van Felix noodzakelijk. En Felix
bleef weg! Niets wees op zijn tegenwoordigheid of zijn nadering!

Een zijdeur ging open, en Elizabeth trad binnen. Haar blik ontmoette
dien van Zabern--ze raadden elkanders gedachten. Ook de Prinses noemde
in dit bange uur den naam van Felix,--van hem dien ze misschien nooit
zou weerzien!

Elizabeth's bleek, doch vastberaden gezicht verried door geen enkele
beweging haar innerlijke ontroering. Blootshoofds, gehuld in een
purper fluweelen kleed, met hermelijn omzoomd en glinsterend van
parels, doorschreed ze met langzamen, doch vasten tred de kerk,
gevolgd door vier kamervrouwen die haar sleep droegen.

De Prinses had haar plaats ingenomen.

De met het godsdienstig gedeelte der plechtigheid belaste predikant
herdacht in een korte rede de aanleiding tot en de beteekenis van
de kroning; daarna maakte de Kanselarij-Raad, waarin Orloff, die
niets meer van zich had laten hooren, door Radzivil vervangen was,
zich gereed de Prinses den eed te doen afleggen. De predikant zou
daarna in een tweede toespraak de Prinses en het volk gelukwenschen,
en daarmee zou de op verlangen van Elizabeth van alle verder vertoon
ontdane, zeer eenvoudige plechtigheid geëindigd zijn.

Elizabeth was opgestaan.

Zij trok den rechterhandschoen uit, en, de linkerhand op het Charter
leggend, hief zij de twee voorste vingers der andere hand op, gereed
om de woorden van den eed uit te spreken, dien Radzivil haar zou
voorzeggen.

Op dat oogenblik gebeurde er iets ontzettends.

Radzivil opende den mond tot spreken--daar klonk een stem, als
bazuingeluid de kerk doorschallend.... de stem van Orloff:

"Burgers van Czernovië, _het Charter is valsch!!_"

En nauwelijks waren die woorden gesproken, of de Hertog van Bora,
als uit den grond opgerezen, stond tegenover de Prinses.

Enkele seconden was het doodstil, als waren alle aanwezigen met
verschrikking geslagen. Toen barstte een geweldig tumult los.

De Czernoviërs waren opgesprongen, hun zwaarden vlogen uit de scheeden,
en als een oorlogskreet klonk hun:

"Leve de Prinses!"

Maar ook de Moscoviten grepen naar hun wapens, en beantwoordden de
uitdaging met een:

"Leve de Hertog van Bora!"

Reeds weerklonk het gekletter der zwaarden, de beide partijen drongen
op elkaar in; Zabern gaf een teeken om de Lijfwacht te ontbieden,
vast besloten de kerk des noods met geweld te ontruimen.

Maar Elizabeth had haar tegenwoordigheid van geest niet verloren; snel
als de gedachte wierp ze zich tusschen de beide elkaar bedreigende
partijen, en hief de hand op ten teeken dat ze spreken wilde.

Dit maakte indruk.

Allen waren nieuwsgierig naar hetgeen de Prinses in dit beslissende
oogenblik zeggen wilde, en de stilte keerde terug.

"Maarschalk Zabern!" riep zij met een stem, die als muziek klonk na
het wilde rumoer van enkele oogenblikken te voren, "hier staat een
ontvluchte gevangene--voer hem terug naar de Citadel!"

"Ge bedreigt _mij_ met gevangenschap?" zeide de Hertog met een
smalenden glimlach, "Het is aan mij te bedreigen, en aan u te
gehoorzamen. Ik kom hier als afgezant van den Czaar!"

Dit woord deed een nieuw tumult ontstaan. Men zag inderdaad,
dat de Hertog, gekleed in het groot uniform van Maarschalk
der Semenovski-Garde, met aan een blauw lint het kruis der
Sint-Andreasorde, hier in het openlijk karakter van Russisch afgezant
verscheen.

"Stilte!" gebood de Hertog. "Luistert, wat ik u namens den Keizer
aller Russen te boodschappen heb. De Czaar verlangt het bewijs,
dat dit Charter echt is. Antwoord mij, Prinses: is dat zoo, of stond
ge op het punt als een meineedige trouw te zweren op een document,
waarvan ge weet dat het door den Maarschalk Zabern is vervalscht?"

"Dood aan den Maarschalk!" klonk het van Russische zijde, "sleept
hem de kerk uit! Leve de Hertog! Weg met de Prinses!"

Maar donderend overstemden de Czernoviërs deze bedreigingen met een
duizendvoudig:

"Leve Elizabeth! Dood aan den Hertog!"

Met over elkaar geslagen armen hoorde Zabern dit alles aan, koel,
onbewogen. Een verachtelijke glimlach speelde om zijn lippen. Hij
begreep dat de toestand uiterst kritiek was; wel kon een enkel woord
uit zijn mond de Lijfwacht te hulp roepen, maar hij aarzelde nog,
vreezend dat in het bloedig gevecht dat dan ontstaan zou, de Prinses
leed zou geschieden. Hij aarzelde, maar zijn uiterlijk verried daarvan
niets; vertrouwend op zijn goed gesternte, voelde hij instinctmatig
dat hij ook ditmaal een uitweg vinden zou.

De Prinses had opnieuw stilte weten te verkrijgen.

"Maarschalk!" riep ze, plotseling een vreeselijk vermoeden in zich
voelende oprijzen, "zeg mij de volle waarheid: is dat stuk het
oorspronkelijke Charter van Alexander I?"

Er ontstond een ademlooze stilte.

Aller blikken richtten zich op Zabern. Wat zou hij antwoorden?

Zabern, de man van het oogenblik, begreep dat verdere ontkenning
nutteloos zou zijn; de tegenpartij had immers de volledige bewijzen
der valschheid.

En, bezwijkend voor haar smeekenden blik die zoo duidelijk zei:
"zeg me de waarheid!", antwoordde hij:

"Het is een getrouw afschrift."

Elizabeth begreep het veelbeteekenend antwoord. Zabern had haar doen
gelooven, dat het complot van Orloff mislukt en het Charter ongedeerd
was. Ongetwijfeld had hij dit met een goede bedoeling gedaan, wetend
dat Elizabeth's geweten zich er tegen verzetten zou, zich een kroon
te verwerven door middel van oneerlijk verkregen rechten.

Uiterlijk bleef ze onbewogen. Maar deze slag, zoo onverwacht gevallen,
had haar des te zwaarder getroffen. Ze wist, dat haar land, dat
zijzelf verloren was.

"Ge hoort het, volk van Czernovië," vervolgde de Hertog triomfantelijk,
"het Charter is valsch! Maarschalk Zabern, ik, uw vorst, gebied u deze
indringster te arresteeren, die zich van mijn troon heeft trachten
meester te maken!"

Tot eenig antwoord trok de Maarschalk zijn zwaard.

Deze beweging was het sein tot een rumoer, dat alle beschrijving te
boven gaat.

"Mannen van Czernovië!" riep een vrouwenstem, "zult ge toelaten dat
uw Prinses aldus beleedigd wordt door huurlingen van den Czaar? Waar
is de Oud-Hollandsche geest gebleven?"

Aller oogen wendden zich naar de spreekster, die niemand anders was
dan Katina Ludovska. De Czernoviërs voelden de beteekenis van haar
woorden. Wat hun voorvaderen gedaan hadden, konden ook zij doen. Haar
uitroep was het teeken om op te staan, de Moscoviten aan te vallen
en uit de kerk te jagen. En toen ze met luide stem het Czernovische
volkslied aanhief, voer een golf van ontroering door haar verzamelde
landgenooten. De herinnering aan hun verleden bracht het bloed van
alle patriotten aan 't gloeien. Door een gelijktijdigen drang bewogen
sprongen ze op, trokken hun zwaarden en zongen het refrein mee.

Het glinsteren van duizend klingen in het veelkleurig licht dat door de
gebrande kerkramen viel, het schitteren der feestelijke gewaden en der
ontelbare edelgesteenten, het machtige galmen der orgelklanken--want
de organist, door geestdrift meegesleept, bespeelde zijn instrument
zooals hij nooit in zijn leven meer doen zou--dat alles gaf een
tooneel, waarvan de wederga in de gansche geschiedenis niet te vinden
is. Vrouwen vielen flauw van aandoening, forsche mannen zongen met
tranen in de oogen.

Maar de Moscoviten op hun beurt stemden het Russische volkslied
in, en nu barstte van weerszijden een stroom van verwenschingen en
uitdagingen los.

"Weg met de Russen!"

"Leve de Hertog!"

"Dood aan de Prinses!"

"Czernovië voor eeuwig!"

Katina, met getrokken degen, stond vooraan in de rij.

"Verdedig je, vrouwenbeul!" riep ze, haar ouden vijand, Graaf Orloff,
een slag met het plat van haar wapen toebrengend.

Haar voorbeeld vond talrijke navolgers, en weldra weerklonk overal
zwaardgekletter.

Een zestal Russen, met sabels in de hand, hadden een beschermenden
kring om den Hertog gevormd, die onbewegelijk het rumoer stond te
aanschouwen. Zabern, beangst voor Katina's leven, drong zich door de
menigte heen, trachtend haar te bereiken.

Elizabeth, vergeefs op een middel zinnend om de vechtenden te scheiden,
smeekte Radzivil de Lijfwacht te ontbieden.

Toen klonk opeens een stem, die als een donderslag het tumult
overstemde:

"_De wapens neer!_"

En, met de eene hand op de balustrade van het koor geleund, de andere
gebiedend omhoog geheven, was daarboven een man verschenen, een statige
figuur, in een schitterend en indrukwekkend uniform gekleed. Een
oogenblik meende men een bovenaardsche verschijning te zien.

"De duivel zelf!" mompelde Zabern.

De gedaante van den vreemdeling richtte zich nog hooger op, en,
met een stem van iemand die geboren is tot bevelen, riep hij nogmaals:

"De wapens neer!"

Zijn persoon en zijn woorden hadden een merkwaardige uitwerking.

"De Czaar! De Czaar!"

Het gevecht hield op. Aan elke zijde weken de strijdenden terug. Het
geraas stierf weg in een doodsche stilte. De gewonden hielden hun
jammerkreten in, want er waren gewonden, zoo kort de schermutseling
geduurd had; en een doode zelfs was er gevallen: Orloff, door Nikita's
hand verslagen.

De Czaar wendde de blikken naar alle richtingen. Onwillekeurig staken
de meesten hun zwaarden op.

Elizabeth was de eerste die begreep, dat het nu een strijd zou worden
tusschen twee souvereinen, en dat zij alles moest doen om te voorkomen
dat de Czaar de vruchten van zijn indrukwekkend optreden plukte.

Daarom, nog vóor hij opnieuw had kunnen spreken, vroeg Elizabeth,
en haar kalme, heldere stem werd in de verste hoeken van het gebouw
gehoord:

"Ik verzoek den Czaar mij te zeggen, met welk recht hij een verrader
in vrijheid stelde, die op mijn bevel gevangen was genomen?"

Met deze woorden strekte ze de hand uit naar den Hertog van Bora.

Haar stoutmoedigheid deed een rilling door de zaal gaan. Waar, in de
geheele geschiedenis der menschheid, was het voorbeeld van iemand,
die zóo een Russisch Keizer had durven toespreken?

Voor den autocraat, van wien men gewoon was te zeggen: "er is slechts
éen wil in Rusland--die van den Czaar," was zulk een taal even nieuw
als verrassend.

Hij zag met verbazing, maar niet zonder bewondering, naar de jonge
vrouw die het waagde op zulk een toon het woord tot hem te richten.

"Wat geeft u het recht tot zulke taal in tegenwoordigheid van den
Czaar?"

"De overtuiging, dat niemand dan _ik_ in Czernovië te gebieden heeft!"

"En die overtuiging durft ge putten uit een Charter, dat nooit bestaan
heeft, uit het bedriegelijk en valsch document dat daar ginds is
neergelegd?"

Elizabeth voelde zich den moed ontzinken. Ze zocht vergeefs naar
een antwoord.

Reeds klonken uit de rijen der Russischgezinden opnieuw dreigende
kreten, toen opeens een beweging ontstond bij den hoofdingang van het
gebouw. Aller oogen richtten zich daarheen, met vuisten en elbogen
drong zich iemand naar voren, baande zich een weg tot voor de tafel,
waarop het nagemaakte Charter lag, en riep:

"_Hier is het Charter van Czernovië!_"

Het was Rob, die zoo sprak.

Met hijgende borst en fonkelende oogen stond hij daar, de triomf over
zijn welvolbrachte daad in de oogen, en met uitgestrekten arm bood
hij de Prinses een perkament aan, waaraan de zware roode zegels van
Alexander I hingen.

Een oogenblik maakte de Hertog van Bora een beweging om naar voren
te dringen, maar Rob zag hem zoo dreigend aan, er was iets in zijn
blik, dat zoo overtuigend als van een heilige zending sprak--dat de
Hertog terugdeinsde. En opnieuw stonden allen ontzet en onbewegelijk;
slechts enkelen zagen het Charter van nabij, maar men wist het:
_die man sprak de waarheid_. De vaste klank van zijn stem, de
diepe overtuiging waarmee hij sprak, de edele uitdrukking van zijn
gelaat--alles wees er op dat hij een heilige plicht, een niet te
verloochenen roeping vervulde.

De Czaar was met snelle schreden de plaats genaderd waar Rob stond;
hij bezag het Charter--er was geen ontkennen aan: het droeg niet
alleen de authentieke handteekening van den schenker, maar was ook
door de namen der opvolgende Czaren, ook door den zijne, gewaarmerkt.

Met onuitsprekelijke verbazing staarde hij op het document; toen
vroeg hij met weifelende stem:

"Waar hebt ge dit Charter gevonden?"

Rob hief het hoofd op, zag den Czaar recht in de oogen, en zei fier:

"_In het Kremlin_, Sire!"

Zabern was de eenige, die begreep. Toen Elizabeth, als altijd in
raadselachtige gevallen, de oogen vragend op hem richtte, als wilde
ze uit zijn mond de verklaring van Rob's woorden vernemen, ontving
ze voor het eerst geen antwoord. Zabern staarde recht voor zich uit,
onbewegelijk. En uit de oogen van dien ijzeren, onverzettelijken,
door niets te ontroeren man stroomden tranen! Tranen, die hij niet
trachtte te verbergen! In dit oogenblik aanschouwde zijn vooruitziende
geest een visioen, dat werkelijkheid zou worden: Czernovië behouden,
de Oranje-Republiek hersteld, bestuurd door een wijs, vastberaden
heerscher, die slechts het goede wilde!

Maar de beproevingen waren nog niet ten einde.

Er was den Czaar een laatste redmiddel gebleven, en hij greep dit
aan. Hoe het mogelijk was dat het duplicaat van het Charter, tot dusver
veilig in de archieven van het Kremlin bewaard, hier plotseling op
die tafel voor hem was neergelegd--hij vermocht dat raadsel niet op
te lossen. Hij beproefde het ook niet, de vruchteloosheid van zulk een
poging begrijpend. Maar zijn hoop was op den Hertog van Bora gevestigd,
en, dezen een beteekenisvollen blik toewerpend, sprak hij luid:

"Volk van Czernovië! Het Charter is inderdaad in zijn oorspronkelijken
en ongeschonden staat hier aanwezig. Als handhaver van recht en
waarheid behoor ik elke onjuistheid, ook al ben ik, de Czaar, zelf de
oorzaak daarvan, openlijk te bekennen en te herstellen. Mijn twijfel
aan het bestaan van het Charter is dus opgeheven.

"Ik ben hier echter ook gekomen om te wijzen op een onrechtmatige
afwijking van de door mij voorgeschreven kroningsceremoniën, welke
de Prinses zich vermeten heeft. Het was mijn uitdrukkelijke wensch,
dat men zich bij de kroning houden zou aan de door mij gegeven
voorschriften. Dit is niet geschied. De Russische wet wil, dat bij
plechtigheden als deze de gekroonde, in persoon of door middel van een
kampioen, zijn rechten met het zwaard verdedigt. Verzet zich niemand
tegen die rechten, dan worden ze als erkend beschouwd, en zal nooit
eenige twijfel daaraan geduld worden. Komt echter iemand in verzet,
dan is de gekroonde of zijn kampioen verplicht den strijd aan te
nemen en het zwaard te doen beslissen. Valt de kampioen, dan is de
kroning nietig."

Toen de Czaar deze woorden gesproken had, ging er een gejuich op onder
zijn aanhangers. De bedoeling van het gesprokene was hun duidelijk. En
bij de andere partij zag men het nuttelooze in van elk verzet tegen
deze totaal verouderde, barbaarsche instelling. Voor men trouwens kon
overwegen op welke wijze men daartegen zou protesteeren, had de Hertog
van Bora de Prinses zijn lederen handschoen voor de voeten geworpen.

"Ik verzet mij tegen de rechten der Prinses!" riep hij. "Wie wil haar
kampioen zijn, en het tegen mij opnemen?"

Het was volkomen stil na deze woorden. Waar was de kampioen, die het
zwaard van den Hertog zou durven trotseeren? Zelfs Zabern durfde dien
handschoen niet opnemen. Gaarne zou hij zijn leven voor haar hebben
geofferd, maar zijn dood zou in dit geval haar ondergang beteekenen.

"Ik geef de Prinses tien minuten om een kampioen te benoemen--zoo
wil het de wet!" riep de Czaar.

Tien minuten! Tien minuten die over het lot van Czernovië zouden
beslissen, alles vernietigend wat Zabern met zooveel krachtsinspanning
had opgebouwd!

"Alles is tegen ons!" mompelde de Maarschalk, de vuist krampachtig
ballend. "Ik hoopte in dit geval voorzien te hebben, wetend dat
deze uitdaging geschieden zou. En nu moeten we het gevecht afwijzen,
want onze kampioen is er niet!"

De wanhopigste plannen kwamen bij Zabern op. Hij wilde de Lijfwacht
ontbieden, den Czaar gevangen nemen; hij dacht er zelfs over den Czaar
een doodelijken sabelhouw toe te brengen, kortom, de krankzinnigste
daad leek hem nog beter dan deze verschrikkelijke machteloosheid. Maar
hij dwong zich zijn koelbloedigheid te bewaren. Eén onberaden
handeling, en het Russische leger zou Czernovië binnentrekken.

Vijf, zes, zeven, acht lange minuten van angst en spanning waren
voorbijgegaan.

Het bestaan van Czernovië was nog slechts bij seconden te tellen.

Meer dan duizend menschen hielden onafgewend den blik op het uurwerk
gericht, dat boven den ingang hing, en welks wijzer langzaam maar
zeker het oogenblik ging verkondigen, waarop de Czaar zijn ijzeren
hand vernietigend op heel een volk zou leggen.

Negen minuten....

Op een teeken van den Czaar deed de Hertog een stap voorwaarts.

"Nog éen minuut, Prinses!" zoo klonk zijn waarschuwende stem. "Waar
is uw kampioen?"

"_Hier is hij!_" sprak een vaste, heldere stem.

Het eene wonder verdrong dezen dag het andere!

Iedereen wendde de oogen naar den spreker, die juist de kerk door de
oostelijke poort was binnengekomen--een jonge man met een door de zon
gebronsd gezicht, maar wiens blond haar, wiens athletische gestalte
en edele gelaatsbouw duidelijk zijn Oud-Czernovische afkomst verrieden.

Wie was deze man?

Er werden namen genoemd, men fluisterde, bezon zich, er werden
veronderstellingen geuit en weer tegengesproken--totdat Zabern opeens
den naam uitsprak, die reeds velen op de lippen zweefde:

"Van Stralen!"

Ja--hij was het: Felix van Stralen, in wien enkelen nu hardnekkig
eenige gelijkenis wilden zien met den verbannen Secretaris der
Prinses, maar die anderen aanleiding gaf op de beide praalgraven
van den vader en den grootvader te wijzen--zie, was het niet geheel
hetzelfde gezicht, dat daar in een steenen medaillon was uitgehouwen?

En een storm van geestdrift voer door de zaal! Het oude geslacht
der Van Stralens, het geslacht dat de Oranje-Republiek gesticht
en grootgemaakt had, keerde terug! Door een wonder, dat niemand
wist te doorvorschen, maar dat hier voor hun oogen geschied was,
had de dood dezen man aan Czernovië teruggegeven, op het oogenblik
dat alleen zijn naam voldoende zou geweest zijn grootsche daden in
de herinnering te roepen en tot nog grootschere aan te sporen! Ja,
de dood had hem teruggegeven, want stond niet daarginds, bij het graf
zijner vaderen, de gedenkplaat waarop het droevig omkomen van zeven
der meest geziene Czernoviërs werd herdacht?

Dit was een wonder! een wonder! Een vingerwijzing naar den weg, dien
het Czernovische volk voortaan te gaan had! Ja, nu voelde men zich
sterk om elk juk, hoe zwaar ook, af te schudden, nu kwamen de oude
tijden terug!

Te midden van een geweldige geestdrift, waartegenover de Czaar en
zijn aanhangers machteloos stonden, trad Felix op den Hertog toe.

Elizabeth, wier hart, deels van bewondering, deels van angst wild
klopte, staarde hem aan. Ze wist voor welk doel hij gekomen was.

Felix had den handschoen opgeraapt, die daar tien minuten lang
onaangeroerd had gelegen, en terwijl hij hem met een achteloos gebaar
den Hertog voor de voeten wierp, sprak hij:

"Hertog, ik neem uw uitdaging aan. Op leven en dood!"

Opnieuw golfden de losbarstingen van gejubel door de kerk. Slechts
met moeite wist de Czaar zich verstaanbaar te maken, toen hij vroeg:

"Prinses, wenscht gij dezen man als kampioen?"

Een minuut te voren had zij vurig naar een triomf over den Czaar
verlangd--nu ging de Prinses in de Vrouw verloren. Een geweldige
strijd had in haar binnenste plaats. Wat moest ze doen? Was het niet
beter land, volk, troon, alles op te offeren, maar hem te behouden,
met hem en hun geluk te vluchten naar een eenzaam hoekje, waar het
rumoer van vreeselijke tooneelen als dit niet doordrong? Mocht ze,
moest ze Felix opofferen?

"De Prinses moet een kampioen aanwijzen, of zich gereed maken afstand
te doen van den troon," sprak de Czaar.

Toen drukte Zabern's vuist haar arm zoo vast en ruw, dat de pijn haar
tot bezinning bracht.

"Prinses," fluisterde de Maarschalk, "het _moet_. En ik weet, _ik
weet_" voegde hij er met nadruk bij, "dat Felix overwinnen zal."

Toen raapte Elizabeth al haar krachten bijeen.

_Het moest._

"Ik wijs dezen man aan tot mijn kampioen," sprak ze helder en vast.

Nu daverde het gejubel der Czernoviërs door de kerk, dat muren en
vensters trilden. Allen, de patriotten, de Moscoviten, de Czaar
zelf--ze gevoelden het: de oude Oranje-Republiek herrees, een nieuw,
sterk volk ontstond, dat door geen leger ter wereld ten onder gebracht
zou kunnen worden!

Toen het gejuich was weggestorven, zag men dat de Prinses, bewusteloos,
door haar kamervrouwen werd weggedragen.



ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

HET KRONINGSDUEL.

	De ontmoeting tusschen Elizabeth en Felix.--Het duel
	begint.--Edelmoedigheid van Felix.--De Hertog wordt doodelijk
	gewond.


Zij, die de kerk waren binnengekomen in de verwachting een intressante
plechtigheid te zien, bemerkten dat de werkelijkheid hun verwachting
verre had overtroffen.

Inderdaad had een reeks dramatische tooneelen elkaar opgevolgd,
en nog was het hoogtepunt niet bereikt. De troon van Czernovië was
afhankelijk geworden van den uitslag van een duel.

Op aanwijzing van den Czaar werd alles voor dat duel in gereedheid
gebracht. Men had er een grasveld voor gekozen, dat achter de kerk was
gelegen, ingesloten door den grooten, aan de kerk behoorenden tuin,
welks zware begroeide hekken den toegang en het inzicht van buiten
af beletten.

Het gebouw stroomde weldra leeg; ieder trachtte zich een zoo
goed mogelijke plaats te bezorgen. Enkele zetels en banken werden
aangesleept; op het grasveld werd met behulp van tusschen palen
gespannen touwen een groot vierkant afgezet. Al deze maatregelen
namen eenigen tijd in beslag, van welken de ministers gebruik maakten
om Felix de hand te drukken en hun spijt te betuigen dat ze hem
uit Czernovië verdreven hadden. Ook Rob was het voorwerp van een
ovatie; van alle kanten bestormde men de beide helden met vragen,
maar het oogenblik was te vol van ernstiger dingen, dan dat zij nu
in verklaringen konden vervallen, die even goed tot een volgenden
dag konden wachten.

Bovendien werd Felix weldra weggeroepen. Een page meldde hem, dat de
Prinses hem wenschte te spreken.

De Hertog, die het bericht hoorde overbrengen, lachte spottend,
maar de kalme, ongedwongen manier waarop Felix den page aanhoorde en
daarna beloofde te zullen komen, gaf den Hertog en zijn keizerlijken
beschermer toch een onwillekeurig gevoel van ongerustheid.

Felix ging naar de woning van den kerkbewaarder, waar hij Elizabeth
aantrof, ontdaan van haar zwaren kroningsmantel; het zuivere wit van
haar zijden kleed was niet witter dan haar gelaat in dit oogenblik.

Op een teeken van de Prinses gingen de kamervrouwen heen.

"Hoe vreeselijk," mompelde een van haar onder het weggaan, "dat zulk
een edel man sterven moet!"

Elizabeth stond op, maar haar ontroering was zoo groot, dat ze
gevallen zou zijn als Felix haar niet in zijn armen had opgevangen,
waar zij nu bleef en zich aan hem vastklemde.

"O, Felix, Felix!" mompelde ze, en gedurende enkele minuten kon ze
niet anders doen dan dien naam herhalen.

Zou dit een scheiding voor eeuwig zijn? Haar troon, haar macht,
haar weelde, haar diplomatieke overwinningen--het was alles niets
in vergelijking met haar liefde voor Felix. Hij was haar kostbaarst
bezit, en toch--en toch--kon deze omarming de laatste zijn! Binnen
een uur kon zijn lijk de kerk uitgedragen worden, en de Czaar zou haar
vervallen-verklaring proclameeren, en de troonsbestijging van Bora.

En wat zou het leven zijn zonder Felix!

"Ween niet, Elizabeth," zei hij zacht. "Deze dag zal de schoonste
van ons leven worden."

Maar Elizabeth dorst het niet gelooven.

"O Felix!" riep ze, "het is zelfzuchtig, het is slecht van me om jouw
leven te wagen voor dat barbaarsche duel!"

"Het is nu te laat voor zelfverwijten," antwoordde hij ernstig. "Ik
heb in het openbaar mijzelf als kampioen aangeboden, en zelfs de
Prinses zal me daarvan niet terugbrengen."

"Maar ben je dan zoo zeker van de overwinning?"

"Even zeker als jij 't over een uur zijn zult."

"Een uur!" kreet Elizabeth. "Nooit zal ik de kracht hebben zoo lang te
wachten. Felix, ik doe afstand--we zullen samen naar een ander land
gaan, waar we het geluk zullen vinden. Zeg dat je dit ook wilt! Neem
dat duel niet aan! Wanneer je komt te vallen...."

"Dat zal ik niet. Zou ik zoo roekeloos je troon in de waagschaal
stellen?"

"Mijn troon!" herhaalde Elizabeth bitter. "Is die het waard, jouw
leven er voor te wagen?"

"Ja," antwoordde Felix beslist. "Zouden we in een zwak oogenblik ons
levensdoel opgeven? vluchten als lafaards? een naam achterlaten,
beladen met het verraad aan heel een volk gepleegd, dat op ons
vertrouwde? Nooit!"

Hij kuste haar, en zacht haar armen van zijn schouders losmakend,
verliet hij de kamer.

De Hertog van Bora fronste de wenkbrauwen toen Felix terugkwam. Niemand
twijfelde aan den aard van het onderhoud dat tusschen hem en Elizabeth
had plaats gegrepen; allen wisten dat hij naar het gevecht ging met
de kussen van Elizabeth nog gloeiend op de lippen.

"Als die man er nooit geweest was," mompelde Bora, "was ik nu
Prins-Gemaal."

"Wees een man, Bora," sprak de Czaar, "wat niet is, kan komen. Versla
dien kampioen, en geheel Europa zal u uw nieuwen titel onbetwist
laten."

Men was gereed.

De voorschriften, volgens welke het duel moest plaats hebben, werden
voorgelezen. Bovendien werd den beiden strijders een eed afgevergd
waarbij ze verklaarden een rechtvaardige zaak te verdedigen, en hun
tegenstander met eerlijke middelen te zullen bevechten.

Er heerschte een gespannen stilte.

Men wist, dat dit gevecht niet eindigen zou zoolang een der strijders
nog leefde, en hierin vooral lag de afgrijselijke aantrekkingskracht
er van. Een rilling van angstige verwachting ging door de talrijke
vrouwen die langs het grasveld stonden opeengedrongen; de mannen,
meer koel en kritisch, trachtten den afloop af te leiden uit bouw en
uiterlijk voorkomen der tegenstanders.

Op die wijze beschouwd, scheen het voordeel aan de zijde van den
Hertog, die een forsche en gespierde lichaamsbouw bezat; Felix was
kleiner en tengerder gebouwd, maar daardoor ook leniger en vlugger
in zijn bewegingen.

De omstandigheden, waaronder dit duel zou plaats hebben, maakten het
eenig in de geschiedenis van Czernovië.

De eene kampioen, Bora, aangevuurd door de tegenwoordigheid van zijn
keizerlijken gebieder, den Czaar, vocht om een kroon te veroveren, de
andere, Felix, om de hand eener Prinses. Er lag een romantische tint
over deze gebeurtenis, die sterk aan lang vervlogen dagen deed denken.

Elk der partijen vertrouwde in het succes van zijn kampioen. De
Moscovieten bluften op de dertig duels van den Hertog, uit welke
hij steeds zonder een enkele wond te voorschijn was getreden. De
Czernoviërs konden zich niet op zulke daden beroemen; de wapenfeiten in
de schermzaal waren eertijds niet van algemeene bekendheid geworden,
en de zekerheid, dat de vreemdeling van toen dezelfde persoon was
als de gestorven gewaande zoon van den laatsten President, die nu
voor hen stond, was nog slechts tot enkelen doorgedrongen. Rob had
namelijk ten slotte geen weerstand kunnen bieden aan de vele vragen,
waarmee men hem bestormde, en in 't kort iets van Felix' en zijn
eigen wedervaren verteld. Hoe het zij, de Czernoviërs hadden toch
vertrouwen in hun kampioen, want de rustige, vastberaden wijze, waarop
hij den handschoen had opgeraapt, had hen ontzag ingeboezemd. En
meer dan woorden 't konden doen, had de wilde vreugde, die op het
gelaat van Zabern verschenen was bij die handeling, hun vertrouwen
versterkt. Felix' koele, fonkelende blik, zijn dichtgeknepen lippen
en zijn onverschrokken uiterlijk bewezen dat hij een gevaarlijk
tegenstander zou zijn.

De beide mannen ontdeden zich van hun jas, en ontvingen ieder een
sabel, nadat men zich overtuigd had dat de beide wapens in niets van
elkaar verschilden.

Intusschen was het nieuws ook tot de menigte daarbuiten doorgedrongen,
en de opgewonden kreten der zich bij de kerk verzamelende bevolking
vormden een zonderling contrast met de doodsche stilte, die in de
onmiddellijke omgeving der strijders heerschte.

Op het platte dak der kerk kon men twee mannen zien staan; zij hadden
twee vlaggen, een witte en een zwarte, aan den voet van den vlaggestok
gelegd. De oogen van heel het volk waren op dien stok gevestigd,
want het was bekend geworden dat het hijschen van de witte vlag de
overwinning van den kampioen der Prinses zou aankondigen, terwijl de
zwarte zijn nederlaag zou melden.

Het oogenblik was gekomen.

Op een teeken van den Czaar salueerden de duellanten eerst elkaar en
daarna de aanwezigen. Toen kletterden de sabels tegen elkander.

De voorbereiding had zoolang de toeschouwers in spanning gehouden,
dat het begin van den strijd inderdaad voor allen een verlichting was.

Een huivering voer door de menigte. Vijfduizend paar oogen waren
op die twee mannen gericht. Een bliksemstraal had de heldere lucht
kunnen doorklieven, een aardbeving de kerk doen instorten--niets zou
de aandacht van hen hebben kunnen afleiden.

Zabern, die graag een goede partij zag schermen, keek met onverholen
blijdschap toe, zeker als hij was van den uitslag.

De Czaar was eveneens in zijn element, en zat voorovergebogen toe
te kijken, met de handen op het gevest van zijn zwaard geleund, even
vol vertrouwen in de overwinning van Bora als Zabern het was in die
van Felix.

De Hertog, brandend van verlangen om zich in de oogen van den Czaar
te onderscheiden, en blijkbaar het gevecht in den kortst mogelijken
tijd willende beslissen, viel zoo onstuimig op Felix aan, dat deze
niets anders kon doen dan zich verdedigen. Zoo machtig viel Bora's
kling neer, dat Felix' arm bij iederen slag trilde, zoo snel was zijn
houw, dat Felix dien dikwijls slechts op enkele millimeters afstand
van zijn schedel kon afweren. Het oog kon nauwelijks de beweging der
sabels volgen, zulke bliksemsnelle kringen beschreven ze in de lucht.

De Hertog drong zijn tegenstander steeds meer achteruit, zoodat deze
bijna de omheining van het afgezette terrein had bereikt.

De Czernovische toeschouwers zagen angstig toe; dit wijken was een
slecht teeken.

"Onze kampioen is lang niet meer zoo sterk als toen we hem in de
schermzaal zagen," zei Radzivil verschrikt.

"Bah! mijn beste Radzivil," zei Zabern vol vertrouwen, "zie je
niet dat hij den Hertog uitput? Bora is dom met zoo z'n kracht te
verspillen. Dit is te hevig dan dat 't lang kan duren. Ah! wat zei
ik je? Het eerste bloed is voor ons!"

De Hertog was een oogenblik te roekeloos geweest, en had van Felix
een steek in de zijde ontvangen die enkele millimeters diep was. Dit
was zoo vlug geschied, dat bijna niemand 't had gezien, ofschoon
allen toekeken.

"De Hertog is gewond!"

"Hij is niet gewond!"

De twijfel verdween, toen zich op Bora's wit hemd een kleine roode
vlek vertoonde, die zich langzaam uitbreidde.

Zabern glimlachte boosaardig bij het zien van den woedenden Hertog,
die wel een stier in een Spaansche arena leek, wiens huid door de
eerste banderillo wordt doorboord. Hij keek tegelijk verwonderd en
ongeloovig, niet begrijpend hoe zoo iets hem gebeuren kon.

Dit was de eerste wond die hij als duellist ooit bekomen had, en zijn
gevoel van overmacht was door die omstandigheid meer geknakt dan de
pijn het doen kon. Maar weldra herstelde hij zich, en het gebeurde
deed hem dubbel op zijn hoede zijn.

Het behendig gebruik dat Felix van een onachtzaamheid van zijn
tegenstander had gemaakt, wekte het vertrouwen der patriotten in
verhoogde mate op, tegelijkertijd een gevoel van verslagenheid bij
de Moscoviten teweeg brengend.

De Hertog ging nu omzichtiger te werk, en zoo ontstond een waarlijk
schitterende tentoonspreiding van schermkunst, die ieders bewondering
wekte.

Elke beweging der klingen werd met vreezen en beven waargenomen,
vooral door de Czernoviërs, die wisten dat dit gevecht tusschen
vrijheid en despotisme zou beslissen.

Vele der aanwezige dames, die het gevecht nauwelijks durfden
aanzien, verborgen haar gelaat in de handen, om het dan weer, door
een verschrikkelijke nieuwsgierigheid gedreven, naar het tooneel van
den strijd te keeren. Sommigen zagen toe met den zakdoek voor den mond
gedrukt, om de angstkreten te smoren die de duellanten gehinderd zouden
hebben. De vreeselijke ontroering deed er verscheidenen flauwvallen.

Er scheen een wending ten gunste van Felix te ontstaan. Hij begon
den Hertog, wiens kracht slonk, achterwaarts te dringen. Opeens,
toen de Hertog zich sterk op zij boog, om een slag te ontgaan dien
hij niet had kunnen afweren, verloor deze het evenwicht en viel,
terwijl Felix hem op hetzelfde oogenblik het zwaard uit de hand sloeg.

En daar lag hij, op een knie geleund, weerloos, overgeleverd aan de
genade van zijn tegenstander.

Felix' gevoel van ridderlijkheid weerhield hem den noodlottigen slag
toe te brengen.

"Ik vermoord geen ongewapende," zei hij.

"Wat een dwaasheid is dit!" riep Zabern, toornig opspringend. "Spaarde
hij uw broer? Zou hij u sparen als gij daar in zijn plaats lag? Het
is nu geen tijd om edelmoedig te zijn. Sla toe!"

Bora bewoog zich niet; sprakeloos van schrik wachtte hij zijn einde af.

Maar Felix bleef weigeren.

"Doodt hem, doodt hem! Sla toe!" riepen de Czernoviërs.

De tuin weerklonk van woedende kreten. Zelfs zachtmoedige vrouwen,
door de opwinding van het oogenblik meegesleept, deelden in de
dreigende kreten der mannen. Om zich heen ziende, ontwaarde Felix
niets dan een zee van wuivende handen en hoorde hij slechts stemmen
die hem aanmoedigden tot den laatsten slag.

"Genade mag niet verleend worden!" riep een stem.

"Het duel is op leven en dood!" riep een ander.

Maar Felix bleef onbewegelijk. Vechten wilde hij--moorden niet.

De Czaar maakte van deze gelegenheid gebruik om de autoriteit van
zijn woord in de schaal te werpen, en op zijn voorstel herkreeg de
Hertog zijn sabel, en begon het duel opnieuw.

De Russischgezinden herademden. Hun kans was weer vergroot.

"Het is een schande," mompelde Zabern. "Nu heeft hij nieuwe kracht
opgedaan."

Gedurende dit intermezzo had Bora meer dan eens den Czaar aangekeken,
als smeekend om diens tusschenkomst. Maar de Keizer zat onbewegelijk
als een beeld, en deed of hij de zwijgende vraag niet verstond. Hij
wilde dit zoo zorgvuldig ineengezet plan, om de Prinses uit den weg
te ruimen, niet zoo gemakkelijk laten varen. Ook al zou de Hertog
er het slachtoffer van worden. Wee den man, die den Czaar in zijn
val meesleept! Bora's hart kromp ineen bij het zien van 's Keizers
onbewegelijk gelaat.

De strijd ging nu zijn laatste beslissende periode in.

Er was geen twijfel meer; alle aanwezigen wisten dat het nog slechts
een kwestie van tijd was die hier uitgevochten werd.

En de Hertog wist dit het best van allen. Zijn zelfvertrouwen begaf
hem. Hij streed niet meer voor een kroon--hij streed voor zijn leven.

Hij deed geen poging om Felix aan te vallen. Waarom zou hij ook? Hij
kon niet meer doen dan hij gedaan had. Telkens en telkens had hij zijn
tegenstander trachten te bereiken, en met een enkel sierlijk gebaar
had deze elken houw afgeweerd. Er was geen mogelijkheid meer om den
dood te ontsnappen, tenzij Felix een onvoorzichtigheid beging, die
van zijn vaste hand en zijn scherp oog moeielijk te verwachten viel.

Meer en meer werd Bora achteruit gedrongen, totdat zijn rug ten
laatste het koord raakte waarmee het veld was afgesloten; toch zou
hij nog verder moeten wijken wilde hij de sabelpunt ontgaan, die,
snel en doodelijk als de tong van een slang, onophoudelijk op enkele
centimeters van zijn gezicht en zijn borst glinsterde.

Zijn krachten vloeiden snel heen; zijn arm was uitgeput door het
voortdurende afweren; hij snakte er naar het zwaard weg te werpen en
om genade te smeeken. Het was een verschrikkelijk schouwspel.

Terwijl de zweetdruppels hem het gezicht benamen, worstelde hij steeds
voort, totdat ten slotte het eind kwam.

Met een laatste wanhopige poging hief hij den arm hoog op om Felix
een slag op het hoofd toe te brengen, waarvoor hij al de hem gebleven
spierkracht verzamelde. Maar snel als de gedachte maakte Felix gebruik
van het doel, dat Bora's breede, onbeschermde borst nu aanbood;
den sabel horizontaal vooruitbrengend, bracht hij den Hertog een
steek toe die de borst doorboorde en, onder den linkerschouder door,
in den rug uitkwam.

Bora's armen sloegen met een wilden zwaai omhoog, zonder den slag te
hebben toegebracht; zijn sabel viel rinkelend op den grond; hij uitte
slechts een zucht, en toen gleed zijn lichaam als een vormlooze massa
op den grond.

"Nu, er is mooi gevochten!" zei Zabern.

Een daverende triomfkreet steeg uit de rijen der Czernoviërs op,
eenige seconden later door een geweldig juichen van de buitenstaande
bevolking gevolgd, toen de witte vlag langs den stok omhoog gleed,
de overwinning van Elizabeth's kampioen verkondigend.



NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

EIND GOED, AL GOED.

	De kroning gaat door.--Czernovië is vrij!--Felix wordt
	Prins-Gemaal.--Felix en Elizabeth doen afstand van den
	troon.--Robert Rensma, President der Oranje-Republiek.--


Toen de Czaar zijn nederlaag begreep, nam zijn gelaat een oogenblik
een uitdrukking van smartelijke verslagenheid aan. Maar hij wist
zich onmiddellijk te beheerschen, liet het lijk van den Hertog met
een doek bedekken en wegbrengen, en sprak toen:

"Het woord van den Czaar is heilig. Elizabeth is de wettige vorstin
van Czernovië; een nieuw Charter van mijn hand zal voor nu en eeuwig
de volkomen onafhankelijkheid van dat Rijk erkennen en verzekeren. Laat
de kroning voortgang hebben."

Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of Prinses Elizabeth, die
de blijde tijding door een boodschapper van Zabern ontvangen had, kwam
door de kerkdeur naar buiten. Recht op Felix toegaande, reikte zij hem
de hand, en dit gebaar was welsprekender dan de langste proclamatie
had kunnen zijn. Alle aanwezigen wisten het: daar stonden de Prins en
de Prinses van Czernovië! Geen ander dan zij beiden zou hen regeeren.

En terwijl de juichkreten der in den tuin verzamelde menigte nog niet
waren weggestorven, terwijl de Moscoviten deels zwijgend toezagen,
deels haastig en langs afgelegen straten naar hun huizen terugslopen,
begonnen opeens alle kerkklokken der stad met jubelenden galm te
luiden, en vreugdeschoten overstemden het hoera-geroep dat door heel
Slavowitz weerklonk.

Verrast zag Elizabeth op. De hekken van den grooten tuin werden
opengeworpen, ja ingedrukt, en het volk stormde binnen, wierp zich
aan de voeten van Felix en Elizabeth, riep honderdduizendstemmig:

"Leve de Prins! Leve de Prinses!"

En Zabern, als altijd bedacht op den vragenden blik van Elizabeth,
dien zij in zulke gevallen op hem richtte, zei met een glimlach:

"Heel Slavowitz weet reeds, Prinses, dat gij uw aanstaanden Gemaal
den titel: Prins van Czernovië hebt verleend."

"Maar--hoe kan men dat weten? Ik heb mij in dien geest geheel niet
uitgelaten, nog minder eenig besluit geteekend!"

"Neen Prinses," antwoordde Zabern rustig, "maar u zou het ongetwijfeld
spoedig doen. Daarom heb ik er maar op gerekend. Sedert een week lagen
tienduizend proclamaties gereed, vijfduizend om het volk uw verloving
mede te deelen, even zoo veel om de benoeming van uw Gemaal tot Prins
bekend te maken. Door een uitstekende regeling dezer aangelegenheid is
't me mogelijk geweest deze proclamaties binnen een half uur overal
te doen aanplakken."

Elizabeth kon niet nalaten te lachen. Zabern moest toch altijd
zulke eigenmachtige dingen doen! Maar ze was het van hem gewend en
kon het hem ook niet kwalijk nemen. Alleen zei ze, half schertsend,
half verwijtend:

"En als de Hertog van Bora het duel gewonnen had?"

"Dan had ik de proclamaties bewaard voor een gunstiger oogenblik,
Prinses. Want Czernovië mocht Russisch worden--zoolang Zabern leefde,
zou het nooit Russisch _blijven_!"

Dit antwoord was Zabern waardig, en diep geroerd drukten Elizabeth
en Felix hem zijn linker en eenige hand.



Inmiddels had de Czaar bevelen gegeven om het St. Nicolaasklooster,
om welks bezit reeds eenige kleine schermutselingen hadden plaats
gegrepen, te ontruimen, en het Russische leger de grens te doen
verlaten. Alleen een klein escorte bleef achter om den Czaar uit
te geleiden.

Hoewel het Elizabeth nu louter een vorm leek, en ook de toeschouwers,
die hun plaatsen in de kerk weer hadden ingenomen, de plechtigheden
meer bijwoonden om van het gelukkig einde der gebeurtenissen getuige
te zijn, dan wel om de waarde die zij er aan hechtten, besloot men
de kroning niet uit te stellen, en in handen van den Czaar legde
Elizabeth den kroningseed af.

Een half uur na die plechtigheid had de Russische Keizer het
grondgebied van Czernovië verlaten, zonder dat velen zijn heengaan
betreurden.



Het was een veelbewogen dag geweest, en aan den maaltijd ten Paleize,
waar de Prinses, behalve haar toekomstigen Gemaal, Zabern, Radzivil,
Dorislas en Rob genoodigd had, werd natuurlijk over niets anders
gesproken dan over den angst en de spanning waarin men sedert dien
morgen verkeerd had.

Ieder op zijn beurt werd aan het woord gelaten om zijn aandeel in de
gebeurtenissen, of zijn oordeel erover mee te deelen.

Zabern, anders weinig spraakzaam, was uitgelaten als een kwajongen;
tot groot vermaak der aanwezigen deed hij een uitvoerig verhaal
van het ingewikkeld netwerk van listen en lagen, dat hij gesponnen
had om de tegenpartij te verschalken, en men bewonderde opnieuw de
geestkracht en de onvermoeibaarheid van dezen man, die, wanneer het
noodig was, zich den tijd niet gunde tot slapen of eten, die zich
om zoo te zeggen op tien plaatsen tegelijk vertoonde, en die maanden
vooruit zag naderen, wat voor anderen nog verborgen bleef wanneer ze
er vlak voor stonden. Hoe ruw en roekeloos deze man soms zijn mocht,
hij bezat ongeëvenaarde verdiensten, en zonder hem zouden de dingen
ongetwijfeld geheel anders geloopen zijn dan nu het geval was geweest.

De held van den dag was natuurlijk Rob.

Hij moest omstandig vertellen hoe hij het Russische duplicaat van het
Charter machtig was geworden, en op zijn gewone bescheiden wijze deed
hij dit.

Toen de Maarschalk hem den dag voor Felix' vertrek had meegedeeld,
dat de zes mannen van "De Vogel" zich in het Paleis bevonden, had hij
opeens begrepen dat niemand beter dan zij hem behulpzaam konden zijn
bij de uitvoering van een plan, dat hem reeds lang bezighield.

Hij had namelijk terecht ingezien, dat al de moeielijkheden waarin
Czernovië verkeerde, haar brandpunt hadden in het ontbreken van het
Charter, het onmiskenbare bewijs van 's lands onafhankelijkheid. Kon
men dit terugbezorgen, dan zou reeds veel gewonnen zijn, vooral wanneer
het volkomen in 't geheim geschiedde. Natuurlijk was hierop maar éen
weg: het duplicaat, dat in de Archieven van het Kremlin moest berusten,
machtig te worden. Wel had Orloff verzekerd dat men in Rusland dit
duplicaat tevergeefs had gezocht, maar aan het leugenachtige van deze
verklaring bestond geen twijfel. Er bleef een groote kans over, dat
men zekerheidshalve het duplicaat vernietigd had, doch waar slechts
van een mogelijkheid, niet van een zekerheid sprake was, zou het
onverantwoord zijn geweest het bestaan van die mogelijkheid niet nader
te onderzoeken. In een zaak van zulk een gewicht als deze behoorde men
zich aan een stroohalm vast te houden, en zelfs de gewaagdste pogingen
niet nalaten, zoodra ze slechts een vage kans op succes hadden.

Zabern was dit geheel met Rob eens, en hij verklaarde, toen deze zoo
ver met zijn verhaal was gevorderd, dat hij nu niet begrijpen kon zelf
dat denkbeeld gemist te hebben. Bij gebrek aan een Charter er een te
maken, dat was dadelijk in hem opgekomen, maar geen oogenblik had hij
den inval gehad om een onderzoek naar het bestaan van een duplicaat
in te stellen. Hij bracht Rob in de vleiendste bewoordingen lof, en
verzekerde de aanwezigen, dat zijn leerling hem binnen enkele jaren
ongetwijfeld over het hoofd zou groeien.

Rob vroeg dus Zabern, zoodra deze hem de aankomst der zes Turksche
gevangenen had bericht, dadelijk bij hen toegelaten te worden. Hij
nam La in het geheim, en deze had wel ooren naar zijn voorstel. Om te
beginnen moesten ze allen trachten zoo gauw mogelijk hun schuilplaats
in de Himalaya te bereiken; eenmaal in het bezit van hun voorraden
en hulpmiddelen, zouden ze gemakkelijker kunnen overleggen wat hun
daarna te doen stond.

Op het punt van te vertrekken, voegde Felix zich bij hem en de
omstandigheid dat hij genoodzaakt was Czernovië te verlaten, gaf Rob
aanleiding om zich niet langer tegen zijn meegaan te verzetten. Felix
werd nu met de plannen in kennis gesteld, en toonde zich daar zeer
mee ingenomen.

In hun schuilplaats aangekomen, gingen ze dadelijk aan het werk. Er
lagen groote voorraden monum, ook waren er talrijke instrumenten en
machinerieën beschikbaar, en op La's voorstel werd terecht het eerst
gezorgd een kleine vliegmachine gereed te maken. De nieuwe, verbeterde
"Vogel," waarvan La in de gevangenis het ontwerp al geheel gereed
had gemaakt, was een kwestie van later zorg.

Toen een vliegmachine voor twee personen gereed was, zetten Rob en
Felix daarmee rechtstreeks koers naar Moskou. Hun taak werd daar
spoediger volvoerd dan ze dachten. Des avonds op het dak neergekomen,
vonden ze weldra hun weg naar de Archieven. Alle afsluitingen te doen
smelten met een verbeterde thermiet-samenstelling was slechts een
kleine moeite. Elke afsluiting week voor hun pogingen. Enkele personen,
die hun in den weg traden, moesten ze met hun gaspistolen bedwelmen,
maar overigens ondervonden ze geen tegenstand. Het zoeken naar het
Charter kostte den meesten tijd, en telkens stootten ze op groote
bundels papieren, die nagebladerd moesten worden en geen van allen
het begeerde bleken te bevatten. Totdat Rob eindelijk een ijzeren
kistje vond, waaruit tot hun groote vreugde het waardevolle document
te voorschijn kwam!

Het was inmiddels 14 September geworden, en de vliegmachine moest
haar grootste snelheid ontwikkelen om tijdig haar doel te bereiken.

De groote opgewondenheid die in de stad heerschte leidde de aandacht
van hun neerdaling, die trouwens op een verlaten weiland plaats had,
af. Ze brachten den toestel in veiligheid, en Rob snelde naar de kerk,
waar hij in het laatste oogenblik, maar juist op tijd, aankwam. Het
overige weet men. Felix, die zijn vermomming had afgelegd, was, van
de verwarring gebruik makend, de kerk binnengedrongen, en had rustig
het tijdstip afgewacht om zijn slag te slaan.

Zoo was dus door het optreden dezer beide mannen Czernovië gered,
en het lijdt geen twijfel of de geschiedboeken zullen hun namen met
dankbaarheid en eerbied vermelden.

Tegen het eind van het maal verrichtte Elizabeth een daad van
edelmoedigheid, door den Commandant Miroslav en den generaal
Trevisa te doen ontbieden en hen, wegens het nationale feest dat
heden gevierd werd, gratie te verleenen. Dit liet niet na vooral op
Miroslav een goede uitwerking te oefenen, en hoewel in een andere,
minder verantwoordelijke betrekking, bleef hij nog lange jaren het
land uitstekende diensten bewijzen.

Toen door de berichten in de nieuwsbladen de geheele en juiste
toedracht der gebeurtenissen bekend werd, nam de geestdrift, en
daarmee de populariteit van Elizabeth, Felix en Rob, steeds toe.

Er werden herhaaldelijk ovaties aan het Paleis gebracht, en zoodra
een der drie genoemde personen zich in het openbaar vertoonde, kwam
er geen einde aan de toejuichingen en het eerbetoon.

Elizabeth, door Zabern geleid, begreep terecht, dat van deze stemming
een krachtig en beleidvol gebruik moest worden gemaakt.

Er werden nu talrijke hervormingen ingevoerd, die uitstekende
gevolgen bleken te hebben, en daar, door den dood van Kossuth, het
met dezen gesloten verdrag van onwaarde was geworden, kwam een groot
gedeelte van het verzamelde geld weer vrij. Maar voor zoover dit door
Czernoviërs was bijeen gebracht, wilde geen hunner van terugname weten,
en ettelijke millioenen vloeiden daardoor in de staatskas, waarvan
een richtig gebruik het land niet anders dan ten goede kon komen.

De Czaar, het moet tot zijn eer gezegd worden, toonde al den
eerbied en de bewondering waarop een vorstin als Elizabeth recht
had. Hij zond een nieuw Charter en gaf tevens de meest volledige
waarborgen voor de duurzame onafhankelijkheid van het land, dat hij
zoo ernstig had bedreigd. Uit de dagbladen weten we allen, dat door
toedoen van Koningin Wilhelmina het Congres te 's-Gravenhage, van 1
December 1902, bijeengeroepen werd, waarop alle groote Mogendheden
de onafhankelijkheid van Czernovië erkenden, zoodat ook de laatste
vrees voor vreemde inmenging is verdwenen. Bovendien is het thans
bekend genoeg, dat Czernovië, door zijn sterke, zedelijk hoogstaande
organisatie, tegenwoordig een voorbeeld vormt voor andere beschaafde
landen, dat van heinde en ver geleerden worden uitgezonden om zijn
staatsinstellingen te bestudeeren, en dat het een aanbeveling en een
eer is voor iedereen, te kunnen zeggen dat hij aan een Czernovische
universiteit zijn opleiding genoot.



Den 28en September had het huwelijk van Felix en Elizabeth plaats,
nadat daags te voren, in allen eenvoud, Zabern en Katina in den echt
verbonden waren.

Het zou te ver voeren, het huwelijk van den Prins en de Prinses
uitvoerig te beschrijven; men begrijpt trouwens dat deze plechtigheid
alle van dien aard verre overtrof. Zij kenmerkte zich echter door
een gebeurtenis, die hier niet onvermeld mag blijven.

Toen, onder het bruisen van het orgel, de feeststoet de kerk verliet,
daalde plotseling van hoog uit de lucht een regen van bloemen op het
rijtuig neer, waarin Felix en Elizabeth hadden plaats genomen. Verbaasd
richtten zich aller oogen naar boven, en--daar zag men hoe een groot,
sierlijk gebouwd luchtschip, met vlaggen in de Czernovische kleuren
rijk getooid, snel daalde, om op eenige meters boven den grond
onbewegelijk te blijven hangen.

Het was De Vogel!

Dit door La zoo kunstig vervaardigde, volmaakte luchtschip, was
bestemd de vraag van den bestuurbaren ballon volkomen en schitterend
op de lossen, en daarmee ook een sociale kwestie van het hoogste
belang. Want met die uitvinding waren de grenzen, die tot nog toe de
volkeren scheidden, als het ware weggewischt. Afstanden, natuurlijke
hinderpalen bestonden niet meer; straks zouden alle natiën éen worden,
verbroedering, samenwerking en eenheid zouden alle partijtwisten,
allen haat en elke onverdraagzaamheid doen ophouden. De periode van
wereldvrede en naastenliefde was aangebroken!



Den 8sten October kwamen Felix en Elizabeth van hun reis terug en
toen werd Czernovië verrast door een onverwacht bericht.

De Prins en de Prinses deden afstand van de regeering!

In het eerste oogenblik kon niemand aan de waarheid van dat besluit
gelooven. Maar weldra verkondigde een proclamatie, dat de geruchten
waarheid bevatten.

Zeer lang en ernstig hadden Felix en Elizabeth dit plan besproken
en overdacht. Ze voelden zich beiden zeer aangegrepen door de snelle
opeenvolging van schokkende gebeurtenissen der laatste tijden; niet
alleen maakte een dringende behoefte aan rust en afzondering zich
van hen meester, maar ook begrepen ze dat een jongere kracht beter
dan zij het werk zou kunnen voleindigen, waarvan zij de vaste en
onomstootelijke basis hadden gelegd. De Russische elementen hadden zich
hoe langer hoe meer uit Czernovië teruggetrokken, de onafhankelijkheid
van het land was onaantastbaar, hun taak kon als geëindigd beschouwd
worden. Bovendien was naar hun vaste overtuiging de terugkeer tot de
republiek het ideaal, dat voor Czernovië moest nagestreefd worden; ook
dat zou bereikt worden door afstand te doen, en een verkiezing voor
een President uit te schrijven. Wat hun persoonlijke keuze betreft,
deze kon niet twijfelachtig zijn.

De proclamatie, waarin de afstand werd medegedeeld, omschreef
uitvoerig de redenen die daartoe geleid hadden, en hoewel niet allen
zich daar volkomen mee konden vereenigen, velen zelfs trachtten Felix
en Elizabeth van hun besluit terug te brengen, moest men zich ten
slotte gewonnen geven.

De verkiezing werd uitgeschreven.

Niets belette, die volgens de wetten van het land te doen houden, want
de republiek bestond feitelijk nog, de constitutioneele gebruiken die
langzamerhand waren ingeslopen hadden van Czernovië slechts in naam
een vorstendom gemaakt. De titels, aan Elizabeth en Felix gegeven,
waren in den grond niets dan een uiterlijke vorm, een door een bevriend
vorst verleende waardigheid, waarmee de Czernovische wetten niets te
maken hadden. De omstandigheden hadden tot dezen abnormalen toestand
geleid, de oorspronkelijke regeeringsvorm was er echter in zijn wezen
niet door veranderd.

Maar het volk, verblind door de praal, waarmee het in den laatsten
tijd was geregeerd, wilde deze dingen niet zoo kalm overdenken.

Toen door Felix en Elizabeth als candidaat voor den Presidentszetel
Rob werd aanbevolen, de man die Czernovië gered had, was de verkiezing
vrijwel overbodig. Men stemde als éen man op hem. Maar toen hij met
bijna algemeene stemmen was gekozen, wilde het geestdriftige volk hem
tot Koning uitroepen. Wat men ook deed, hoe Rob zelf ook telkens weer
verklaarde die hooge waardigheid niet te begeeren, ze zelfs voor het
land ongewenscht te vinden--het volk liet zich niet overtuigen. Het
sprak hardnekkig van den "Koning," de dagbladen noemden hem in hun
berichten "Robert I, Koning van Czernovië."

Zabern, de man van den ouden stempel, had wel graag gezien, dat Rob
zich dit Koningschap had laten welgevallen. Maar Felix en Elizabeth
waren 't met den "Koning" eens, dat het 't beste zou zijn deze vlaag
te laten uitwoeden, en dan geleidelijk het volk te overtuigen van de
zegeningen, die een republikeinsch bestuur zou brengen.

Inderdaad is Rob dan ook nooit tot Koning gekroond, en in zooverre
is de titel van dit boek, waarin het verhaal zijner avonturen is
samengevat, niet juist. Maar het feit, dat het hem slechts éen
woord gekost zou hebben om zich een troon te veroveren, het feit,
dat een bevolking van acht millioen zielen er behagen in schiep hem
"Koning Robert" te noemen, was oorzaak dat de samensteller van dit
verhaal niet nalaten kon hem, en voor het laatst, ook op zijn beurt
dien titel toe te kennen.

In een proclamatie, die Rob na zijn verkiezing, den 9en October des
morgens om 10 uur, tot zijn volk richtte, deelde hij mede, dat het de
uitdrukkelijke wensch der afgetreden Vorstin was, het presidentschap
hersteld te zien, en dat hierin ongetwijfeld reden te over zou
gevonden worden om ook aan zijn persoonlijk verlangen te voldoen
en hem een republiek, geen koninkrijk te schenken. Hij zette nader
zijn denkbeelden over een republikeinsch stelsel van bestuur uiteen,
en eindigde met de overtuiging uit te spreken dat men ten slotte
zijn inzichten zou deelen. En zijn onderschrift luidde: "Gedaan te
Willemstad, den 9en October 1902. De President der Oranje-Republiek:
Rensma."

Het herstel van die twee zoo lang in onbruik geraakte bewoordingen
had een diepgaande uitwerking. Het stemde tot nadenken, riep den
goeden Oud-Hollandschen tijd terug, en stemde tot dankbaarheid bij
de gedachte dat de nieuwe President niet anders wenschte dan de oude
gebruiken aan den nieuwen tijd onderworpen te maken.

De tijd heeft dan ook geleerd, dat men Rob's inzichten is gaan deelen.



Felix en Elizabeth bewonen een door het Gouvernement voor hen gebouwde
villa in het mooiste gedeelte der stad; Zabern, die zich ouderwetsch
begon te gevoelen, trok zich uit het politieke leven terug en ontving
eveneens van den Staat een sierlijk huis, even buiten de stad gelegen,
waar hij met Katina nog menig gelukkig jaar hoopt door te brengen. Maar
alle vier blijven ze warme belangstelling voelen voor alles wat hun
land en zijn bestuurders betreft, en Rob hoopt nog lang van hun zeer
gewichtige en op ervaring gegronde raadgevingen gebruik te maken.



Deze geschiedenis zou niet volledig zijn, zoo niet nog met enkele
woorden van de terugkomst van Rob in Amsterdam werd melding gemaakt.

Toen ook de drukte der verkiezingen voorbij was dacht Rob het eerst
aan zijn voogd, zijn vrienden en bekenden in het vaderland, van wie
hij zoolang gescheiden was geweest, en hij besloot, alvorens zijn
taak in de Oranje-Republiek te aanvaarden, naar Amsterdam te gaan en
zijn omgeving met zijn nieuwe levensrichting bekend te maken.

Hij zond het ons bekende telegram, nam den nachttrein over Weenen,
en stond, zooals wij weten, op eens tegenover zijn innig verheugden
voogd, die reeds aan zijn behoud was gaan twijfelen.

In de nieuwsbladen had men toen ter tijde reeds veel over de
Czernovische gebeurtenissen gelezen. Maar zooals dat gaat, vooral
wanneer er zulke snel opeen volgende verwikkelingen plaats hebben,
die berichten hielden slechts verwarde mededeelingen in, waarvan de
meeste op verzinsels en misverstanden berustten. Ja, men kan veilig
zeggen dat de bladen in die dagen over Czernovië de grootste dwaasheden
opdischten. Men sprak van een avonturier, die zich met geweld van
de regeering had meester gemaakt, na de Prinses, die onlangs ver
beneden haar stand gehuwd was, verbannen te hebben. Kortom, de pers
verspreidde de gebruikelijke, op vage geruchten berustende "berichten
van speciale correspondenten," alleen om die den volgenden dag weer
tegen te spreken.

Rob's aankomst in Amsterdam, en de enkele ophelderingen die hij aan
hem bestormende reporters gaf, brachten ten slotte meer helderheid
in de krantenberichten.



De aanteekeningen van den President houden hier op, en daarmee is de
taak van hem, die er dit boek uit samenstelde, ten einde.

De uitgever wenschte echter, dat er nog het volgende aan toegevoegd
zou worden.

De bladen hebben dezer dagen, enkele weken vóor de verschijning van
dit werk, het bericht gebracht dat de President der Oranje-Republiek
(die er duizend exemplaren van bestelde voor de openbare bibliotheken),
den heer A. Bertrand benoemd heeft tot officieel geschiedschrijver
in dienst van den Staat.

Deze benoeming is inderdaad geschied, en naar aanleiding daarvan
ontvangt de uitgever talrijke brieven en telegrammen, waarin gevraagd
wordt "of de boeken van Bertrand nu toch zullen blijven verschijnen."

Het is den schrijver dier boeken een voorrecht en een genoegen,
bij zijn vertrek naar Willemstad de Nederlandsche jeugd te kunnen
meedeelen, dat haar belangstelling hem vleit, en dat hij hoopt nog
menig werk van zijn hand over de Nederlandsche grenzen te zenden!



AANTEEKENINGEN

[1] Snelvoeten.

[2] Wees zooals ge u voordoet.



_Bij den uitgever dezes verscheen mede:_

_In dienst van den Kroonprins_

EEN VERHAAL UIT DEN FRANSCH-DUITSCHEN OORLOG

DOOR

A. BERTRAND

MET VELE EN FRAAIE PLATEN.

Prijs ingenaaid f _2.40_, in prachtband f _2.90_.

_"In dienst van den Kroonprins"_ speelt tijdens den Fransch-Duitschen
Oorlog, en het is niet alleen een gelukkige gedachte geweest een
episode uit dien belangrijken, altijd boeienden reuzenstrijd tusschen
twee Europeesche grootmachten tot achtergrond voor een romantisch
verhaal te kiezen, maar het mag ook een uitstekende eigenschap van
dit boek genoemd worden, dat de inhoud _geheel op historische feiten
is gegrond_, en die _met groote nauwgezetheid_ weergeeft. Nergens
is den loop der geschiedkundige gebeurtenissen geweld aangedaan;
integendeel zijn de avonturen van den jeugdigen held, die den oorlog
eerst als toeschouwer, daarna als onverschrokken strijder meemaakt,
zoo onopgesmukt en toch met zooveel waarheidsliefde verteld, dat
men telkens gevoelt, hoe hier de geestdriftige, maar gewetensvolle
geschiedschrijver aan het woord is. Bizonder gelukkig is de
schildering der groote veldslagen; zoowel Franschen als Duitschers
laat de samensteller recht wedervaren, en bij het te boek stellen der
geweldige botsingen tusschen hun kolossale legers, stijgt zijn taal
meer dan eens tot geestdriftige vervoering, ja tot een inderdaad
dramatische hoogte. _Zeldzaam aangrijpend_ zijn die veldslagen
beschreven, en daarbij zoo meeslepend, dat de lezer gedwongen wordt
in ademlooze spanning het verhaal ten einde toe te blijven volgen.

Dit boek is zoo degelijk geschreven, dat ook ouderen van dagen, vooral
militairen, het zullen willen lezen. Terwijl alle wetenschappelijke
geleerdheid is vermeden, is _door deskundig toezicht bij de bewerking
waarborg gegeven aan de strikt juiste boekstaving der zeer populair
vertelde militaire operaties_. Het behoeft geen betoog dat dit de
waarde van het boek verhoogt.

Mocht men nog vreezen, dat dit nieuwe jongensboek een te
oorlogszuchtigen geest ademt, dan zal een vluchtig doorbladeren
doen zien, dat de schrijver zich beijverde de afschrikkende zijde
van den oorlog in een scherp licht te stellen, en elke gelegenheid
aangreep om den vrede te verheerlijken. _Gevoelens van eer,
zelfverloochening, vaderlandsliefde, schoone voorbeelden van trouw
en plichtsvervulling--elke bladzijde voert ze den lezer op ongezochte
wijze voor oogen._

Het lijdt geen twijfel, of elkeen, wiens hart toegankelijk is voor
edele gevoelens, zal dit boek met stijgende verrukking lezen; een
schat van goede lessen zal hij er uit putten, en niemand zal zich de
lezing berouwen. Moge die lezing er, voor zoover noodig, toe leiden
om ook aan de andere boeken der serie-Bertrand de aandacht te wijden,
die zij--blijkens achterstaande pers-beoordeelingen--zoo ruimschoots
verdienen.



_Het Vaderland._

't Is een boek vol avonturen, dat met spanning door de jongens gelezen
zal worden. En daarbij is het een goed boek. Geen oorlogszuchtige
strekking, al handelt het over den oorlog, geen ruwe opgesierde
verhalen, maar een boeiende, der waarheid getrouwe vertelling van
wat Hans heeft meegemaakt. _Ook de ouderen, vooral de militairen,
zullen het met genoegen lezen._ Het heeft vele en fraaie platen.


_De Oprechte Haarlemsche Courant._

De serie Bertrand is met een kloek werk--meer dan 400 bladzijden groot
en flink gedrukt--vermeerderd. _Voor hen, die houden van aankweeking
van vaderlandsliefde en gloeien van vereering voor het Vorstenhuis,
is het een hoogst begeerlijk boek._

De lotgevallen van een cadet van den Kroonprins van Pruisen in den
oorlog van 1870 worden op boeiende wijze beschreven. Leerrijk is dit
werk, omdat de lezers op onderhoudende wijze in de gelegenheid zijn,
geschiedkundige kennis op te doen van den Fransch-Duitschen oorlog.

Zoo nu en dan wordt eene vergelijking gemaakt met het Nederlandsche
leger, dat gewoonlijk--en naar wij meenen dikwijls niet ten
onrechte--een veeg uit de pan krijgt.

_Aan avontuurlijke voorvallen en wonderbaarlijke ontsnappingen is het
verhaal bijzonder rijk. Vooral de veldslagen zijn goed geteekend. Het
is den auteur niet voldoende met enkele penhalen een schets te geven
van een veldslag. Zijne teekeningen zijn af._

De twaalf, goed in den tekst passende houtgravuren, zijn vol leven
en verhoogen zeer de aantrekkelijkheid van den inhoud.


_Bij den uitgever van dit boek verscheen ook:_

H. BERTRAND, _De Ridders van de Rozenorde._

----, _Het Gezonken Goudschip._

----, _Eindelijk Gesnapt._

----, _Getrouw aan den Koning._

----, _Voor Koning en Vaderland._

----, _Een Strijd om de Schatten van Alva._



OORDEEL DER VOORNAAMSTE BLADEN

OVER

_De Ridders van de Rozenorde._


_Het Nieuws van den Dag._

In het bekende kloeke formaat van Becht's St.-Nicolaas-jongensboeken
is verschenen _De Ridders van de Rozenorde_. De heer H. Bertrand, die
al de voorgaande bewerkte, heeft ook dit verhaal in het Nederlandsch
overgebracht.

Was dus de bewerking weder aan goede handen toevertrouwd, dat de
inhoud niet onderdoet voor de belangwekkende lotgevallen, die verhaald
werden in "Voor Koning en Vaderland," "Het gezonken Goudschip" en de
andere boeken, dat zullen de jeugdige lezers begrijpen, als wij hun
mededeelen, dat deze bijna 400 bladzijden bevatten de avonturen en
krijgsbedrijven van vier jongens--ware zeehelden--die dienst namen
onder den admiraal Drake en o.a. deel hadden aan het verslaan van
de Spaansche Onoverwinnelijke Vloot. 't Waren deze jongens, die de
Rozenorde stichtten, een orde, waarvan de leden plechtig bezwoeren
al het mogelijke te zullen doen om elkander te overtreffen in trouw
aan de Koningin, in dapperheid tegenover hare vijanden, in daden
van ridderlijkheid en van barmhartigheid tegenover de armen en zwaar
beproefden.

Een aantal flink uitgevoerde platen zijn aan het werk toegevoegd.


OORDEEL DER VOORNAAMSTE BLADEN

OVER

_Het Gezonken Goudschip._


_Het Nieuws van den Dag._

Een jongensboek van _Hans Von Zobeltitz_ behoeft ten onzent geen
uitvoerige aankondiging meer. De Nederlandsche jeugd heeft hare
goedkeuring aan al zijn vroegere verhalen geschonken en 't is dan ook
geen wonder, dat de uitgever (_H.J.W. Becht_, te Amsterdam) voortgaat
met _Zobeltitz_' boeiende boeken verder onder haar bereik te brengen.

Dezen keer is de keuze al bizonder gelukkig geweest. Nooit kwam een
boek beter op zijn tijd dan dit; dit zal duidelijk zijn, als we zeggen,
dat het pakkende verhaal gedeeltelijk speelt in ... Transvaal. En
wel ten tijde van Jamesons beruchten inval. De hoofdpersonen komen
met Oom Paul in eigen persoon in aanraking, maken vermetele tochten
met de Boeren mede, helpen een handje vechten, enz. enz.

Hoe dit alles in elkaar zit, wordt in 437 bladzijden van: _Het gezonken
Goudschip "De Admiraal De Ruijter"_ (zoo is de titel van het boek)
uiteengezet op een wijze, die onze jongens ook dit werk van den
talentvollen schrijver weder zal doen verslinden.

De Heer _Bertrand_ wijdde ook thans weder groote zorg aan de
bewerking. We behoeven niet te zeggen, dat het _Goudschip_ van een
mooien stempelband voorzien en fraai geïllustreerd is.


_Dagblad voor Z.-Holland en 's-Gravenhage._

Een overzicht te geven van dit lijvige boek--bijna 450 bladzijden, ik
denk er niet aan. Wel wil ik het werk van heeler harte aanbevelen. Het
zal in deze dagen dubbel belangstelling wekken, omdat de Jamesonraid
er in ter sprake komt: onze Hollandsche jongens vooral zullen er in
groeien. Maar de ouderen ook wel.

Er is in dit boek een onweerstaanbare humor. Jochem Päsel, die per
slot toch geen ezel bleek te zijn, houdt er de vroolijkheid in. Hoe de
auteur het verbazend aantal personen "in de hand houdt", is eenvoudig
verwonderlijk;--ook om deze reden, afgescheiden van den omvang van
het boek, zou het een onbegonnen werk zijn in détails te treden.

Ik zou bezwaarlijk uit de laatste jaren 'n werk kunnen noemen dat met
dit te vergelijken is, in 't zelfde genre natuurlijk. Het is met mooie
platen geïllustreerd. Kortom, 'n boek aanbevelenswaard van alle kanten.



OORDEEL DER VOORNAAMSTE BLADEN

OVER

_Eindelijk Gesnapt._


_Het Nieuws van den Dag._

_Eindelijk gesnapt_ is door den Heer _H. Bertrand_ op even
voortreffelijke wijze als de vorige boeken in het Nederlandsch
overgebracht.

Wat zullen de jonge lezers dit boeiende verhaal weder verslinden!

Hoe zullen zij medeleven met de verrassende lotgevallen van Hasso
Gehren, den leerling van het Gymnasium, die op zoo interessante
wijze bij een sensatie-makende inbraak betrokken wordt. Deze wakkere
Hasso heeft namelijk den inbreker gesproken (welk een inbreker!) en
hij wordt daardoor de held, die de handhavers van het recht op het
spoor kan brengen. Hij gaat mee met de politie, om in verre landen
den voortvluchtige na te zitten. En zij krijgen hem eindelijk: na
een wedloop om den aardbol heeft de politie, dank zij de schrandere
aanwijzingen van den knaap, haar prooi ten slotte te pakken. Maar
wat heeft dat een moeite gekost: spoorwegongelukken, brand aan
boord, vechten met de Chineesche zeeroovers, wij noemen hier maar
een klein gedeelte op van het verbazingwekkende dat Hasso bij deze
vervolgingsjacht doorleeft.

Dit nieuwe boek van _Zobeltitz_, met zijn fraaien band en
verdienstelijke platen, zal het verrukkelijkst cadeau zijn, dat een
jongen zich wenschen kan.


_Nieuwe Rotterdamsche Courant._

Zoo modern mogelijk zijn de wonderlijke reizen, verteld in het dikke
boek van _Hans van Zobeltitz_, door _H. Bertrand_ vertaald, en door
_H.J.W. Becht_ uitgegeven. _Eindelijk gesnapt na een wedloop om den
aardbol_ is de titel. Een wedloop als de reis om de aarde in tachtig
dagen. Maar wat een avonturen! Wat een gevaarvolle ontmoetingen,
wat een mislukkingen als het doel juist zal worden bereikt, wat een
bedriegerijen hier en zelf-opofferingen daar.... En dat alles onder
de "modernste" omstandigheden van reisgelegenheden enz. Het begin is
trouwens al up to date. Een hotel is gevestigd boven een Bank. Een
logé van het hotel breekt in in de Bank. Maar met wat een schat van
nieuwerwetsche inbrekersmiddelen! Men moet zijn natuurkunde maar
kennen! Hij wordt, wegvluchtend, nog net gezien door een gymnasiast,
en de detective die hem achter na gaat, neemt mitsdien dezen jongen
mede. Men ziet: de opzet is eenvoudig als het ei van Columbus. Maar
de avonturen zijn overheerlijk.


OORDEEL DER VOORNAAMSTE BLADEN

OVER

_Een strijd om de Schatten van Alva._


_Het Nieuws van den Dag._

_"Een Strijd om de Schatten van Alva of de Watergeuzen in 1572"_
is de titel van een dik boek, in prachtband, dat verscheen bij den
uitgever _H.J.W. Becht_ te Amsterdam.

Voor jongens, die al vrij wat van de vaderlandsche geschiedenis weten
en die dus zulke heele kleine jongens niet meer zijn, zal dit spannende
boek ongetwijfeld een begeerlijke lectuur zijn.

Alva's schatten, om welke hier op zoo avontuurlijke wijze gestreden
wordt, zijn de rijkdommen, afkomstig van den tienden penning en des
ijzeren hertogs beeldschoone dochter. Beiden vallen, als het loon
der dapperheid, ten deel aan den hoofdpersoon der geschiedenis, een
Engelsch edelman, die met de Watergeuzen gemeene zaak gemaakt heeft,
en dan ook dien hatelijken Alva troeft wat hij kan.

De belangrijkste episoden uit het verhaal worden door fraaie
illustraties veraanschouwelijkt.


_De Telegraaf._

_Niet alleen een boeiend, maar ook een leerzaam boek._ Het is
geschiedkundig juist, zonder dat daarom de fantasie er in gemist wordt.


_De Kerkelijke Courant._

Dit dikke boek is als aangewezen voor elke jongensbibliotheek. Het
leert eerbied voor de helden der geschiedenis, en doet dat op een
volstrekt niet schoolsche wijze. Integendeel: _elke bladzij getuigt
van geest en fantasie_.


_De Amsterdammer._

_Een Strijd om de Schatten van Alva_ is een merkwaardig boeiend
jongensboek, dat den verzamelaar der serie, den heer BERTRAND, alle
eer aandoet.


_De Avondpost._

Dit prachtig jongensboek _boeit van het begin tot het einde_.


_Algemeen Handelsblad._

Wat zal _dit meesleepende boek_ verslonden worden!


OORDEEL DER VOORNAAMSTE BLADEN

OVER

_Getrouw aan den Koning._


_Het Nieuws van den Dag._

De serie jongensboeken van _Hans von Zobeltitz_, die de Heer _Bertrand_
zoo keurig in het Nederlandsch overbrengt en die dan door den Heer
_H.J.W. Becht_ zoo smaakvol worden uitgegeven, is weer vermeerderd
met een deel even dik en even onderhoudend als zijn voorgangers.

De talentvolle schrijver behandelt, onder den titel _Getrouw aan den
Koning_, op de hem eigene wijze de geschiedenis van de gedenkwaardige
jaren 1813-1815. De ondergang van Napoleon en de weder-opleving van
Europa na zijn val worden op aanschouwelijke wijze verhaald, al zijn
natuurlijk de merkwaardige lotgevallen van de helden van het boek
in deze geschiedenis de hoofdzaak. In de levendige beschrijvingen
van den slag bij Waterloo en den volkerenslag bij Leipzig, en het
aandeel, dat daarin ook ons land nam, zullen de jongens zeer zeker
groot behagen scheppen.


_De Amsterdammer._

Bij den uitgever _H.J.W. BECHT_, alhier, is verschenen _Getrouw aan
den Koning_, een verhaal uit de jaren 1813-1815, naar het Duitsch van
_Hans von Zobeltitz_ door _H. Bertrand_. Een heerlijk jongensboek vol
afwisseling. De wapenfeiten van Maarschalk Blücher, de veldslagen van
Napoleon, zijn tocht naar Rusland, zijn er in beschreven, doch niet uit
een geschiedkundig oogpunt, zoodat het steeds boeiend blijft. Menige
jongen zal dan ook dit boek met graagte lezen.


_Het Algemeen Handelsblad._

_Getrouw aan den Koning_ behoeft door zijne dikte niemand af te
schrikken. Deze geschiedkundige roman uit de dagen van Leipzig en
Waterloo moge wel wat erg veel _histoire bataille_ geven, men kan
hem niet de deugd ontzeggen van bijzonder boeiend te zijn. Ook de
geschiedenis die zich nergens op vervelende wijze op den voorgrond
dwingt, schijnt met eerbied te zijn behandeld.


_Het Nieuwe Schoolblad._

In een romantisch verhaal wordt de bevrijding van Duitschland
geschetst, op levendige en boeiende wijze. 't Is een mooi boek,
zoowel voor ouderen als voor de jeugd (12 jaar en ouder), en voor
onze scholen wel geschikt.



OORDEEL DER VOORNAAMSTE BLADEN

OVER

_Voor Koning en Vaderland._


_Het Haagsche Dagblad._

Alles te zamen kunnen we dit flinke boek--roy. 8°, 424 bldz.--ten volle
aanbevelen als gezonde kost voor jongelieden, waaruit ze den veelszins
belangrijken tijd van Frederik den Groote--als Kroonprins--en diens
Koninklijken vader, en van zooveel krachtige figuren meer wat nader
kunnen leeren kennen.


_Het Vaderland._

Zoo'n prettig geschreven historisch-romantisch verhaal en vooral een,
waardoor men niet zoo spoedig heen komt (424 blz.), is juist iets
voor onze jongens.


_Nederland._

_Voor Koning en Vaderland_ heeft in Duitschland opgang gemaakt. Hiertoe
werkt, behalve de vaderlandsche strooming daar en de belangstelling
voor al wat het Brandenburgsche huis aangaat, ook het werkelijk
amusante van het boek mee. _Het is flink geïllustreerd en behoort
tot de avontuurlijke jongensromans in het genre van Marryat._


_De Telegraaf._

Een zeer aardig boek, met goede Duitsche houtgravuren. Het is een
hoogst boeiende roman voor jongelieden, die van lezen houden en nog
niet tot de overtuiging gekomen zijn, dat er eigenlijk geen leesbare
boeken meer bestaan. De Duitsche auteur heeft het bekende tijdvak van
_Zopf und Schwert_ gekozen, toen Koning Frederik Wilhelm I in onmin
leefde met zijn zoon, later Frederik de Groote. Twee jongelieden,
Frits Wünke en Christiaan von Stachow, treden in dienst van den
Kroonprins, en deelen in zijn lief en leed tot aan zijne verheffing
op den troon zijns vaders. _Er heerscht een uitmuntende geest in dit
boek, dat met veel handigheid is samengesteld._


_De Arnhemsche Courant._

Het is een jongensboek, waaraan heel wat te lezen valt: 424 bladz. Toch
gelooven we, dat de jongelui, die het lezen, spijt zullen hebben,
dat het al uit is. Het speelt in de eerste helft der achttiende
eeuw in den oorlog om Silezië, die de grondslag was van Pruisen's
macht en grootheid. Aan tafereelen uit het krijgsmansleven zijn deze
bladzijden rijk en al zijn zij geen soldaten, zullen de jongelui gaarne
de campagnes medemaken, die op zoo levendige en aanschouwelijke wijze
verhaald worden.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Van Schooljongen tot Koning - Een verhaal samengesteld uit de aanteekeningen van Robert I, koning van Czernovië" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home