Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De Decamerone van Boccaccio
Author: Boccaccio, Giovanni, 1313-1375
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De Decamerone van Boccaccio" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



							 De Decamerone

								   van

								Boccaccio



				Uit het italiaansch vertaald en bewerkt

								  door

							J. K. Rensburg.



				   Complete, geïllustreerde uitgave.

							   Amsterdam

				   Vennootschap "Letteren en Kunst".



Het Leven van Giovanni Boccaccio

Florentijnsch Dichter.


Gelijk steeds uit de bestanddeelen van heet ijzer, door den smidshamer
geslagen, tal van brandende vonken schitteren als schijnsels in een
glansenden kring, zoo verwekte Dante, daarna Petrarca,--mannen van
de grootste begaafdheid, die de verouderde Poëzie bewerkten, zoodat
zij den roest van vele eeuwen er uit verwijderden,--als uit een
vuursteen de flikkerende vonken van dichterlijken geest, en wiesen
lichtende vlammen in grootschen gloed. Aldus ook Zanobio da Strada,
van wien wij elders melding hebben gemaakt, en die Giovanni, van welke
wij thans hebben te spreken. Zijn vader was Boccaccio van Certaldo,
een dorp in het Florentijnsche gebied, een man beroemd door de gratie
van zijn manieren. Hij bevond zich voor zijn handelszaken te Parijs en
was even vrij en aangenaam van geest als luchtig van karakter en licht
tot beminnen geneigd. Door die aantrekkelijkheid van zijn aard en van
zijn manieren werd hij verliefd op een Parijsch meisje van een rang,
het midden houdend tusschen adellijk en burgerlijk, voor wie hij in
de hevigste liefde ontbrandde en gelijk de kenners der werken van
Giovanni het willen, verbond deze zich met hem in den echt, waaruit
die Giovanni is voortgekomen, het kind, dat onder Maestro Giovanni,
den vader van den dichter Zanobio slechts gebrekkig de spraakkunst
had geleerd. De vader begeerde van hem en noopte hem om redenen van
winstbejag zich op de rekenkunde toe te leggen en om dezelfde redenen
te reizen; zoo zwierf hij langen tijd door vele en verschillende
streken, dan hier, dan daar. Reeds op zijn achtentwintigste jaar naar
vaderlijk gebod te Napels gekomen, vestigde hij zich te Pergola, waar
hij verblijf houdende, op een dag voor zijn genoegen wandelde en op de
plaats kwam, waar de asch van Virgilius Maron begraven is. Giovanni
beschouwde deze grafstede met bewondering en lang ook hem, dien
deze omsloot en in twijfel peinzend over de faam van dat gebeente,
begon hij opeens het noodlot verwijten te doen en zich hierover te
beklagen, waardoor hij met geweld gedwongen was zich toe te leggen
op de hem antipathieke handelszaken. Van toen af aangegrepen door
een plotselinge liefde voor de heilige Muzen, keerde hij huiswaarts,
verwaarloosde zijn koopmanschap en wijdde zich met den vurigsten ijver
aan de Dichtkunst, waarin hij in korten tijd nobele gedachten met
brandenden ijver verbond en groote vorderingen maakte. Zijn vader
bemerkte dit en meende, dat de hemelsche liefde meer op den zoon
vermocht dan het vaderlijk gezag. Hij stemde eindelijk in zijn studiën
toe en hielp hem met zijn gunst, voor zoover het mogelijk was, hoewel
hij hem eerst tot de studie van het kanonieke Recht aangespoord had.

Toen Giovanni zich vrij voelde, begon hij met de grootste zorg
datgene na te vorschen, wat voor de Poëzie noodig was en ziende,
dat de beginselen en grondslagen der dichters, welke betreffende de
romans en de fabels bestaan, zoo goed als geheel waren verloren gegaan,
begaf hij zich, alsof hij door een voorbeschikking was bewogen, op weg
en schrikte niet terug voor de vermoeiendste zwerftochten. Daartoe
doorreisde hij vele en verschillende streken, waar hij met grooten
ijver bestudeerde, wat hij van de dichters kon bemachtigen en ook
legde hij zich op de Grieksche wetenschap met groote en volhardende
vlijt toe, zoodat hij alles kon nasporen, terwijl hij zich voor de
Grieksche dichtkunst wendde tot den zeer geleerden Meester Leontius,
den Graecus. Ten slotte bracht hij alles, wat hij met zijn langdurig
onderzoek kon vinden, samen in één boekdeel, dat hij "Over den
Geslachtsboom der Goden" betitelde, waarin de commentaren over
de antieke dichters met bewonderenswaardige orde en in sierlijken
stijl,--wat hij verbazend goed verstond--in allegorischen vorm zijn
verzameld, een ongetwijfeld aantrekkelijk en nuttig werk en zeer
noodig voor wie de werken der dichters wil kennen, zonder hetwelk het
moeilijk zou zijn ze te begrijpen en hun kunst te bestudeeren. Want
al de geheimenissen der dichters en de allegorische beteekenissen,
welke de historische romans of de fabel verbergen, maakt hij met
bewonderenswaardige scherpzinnigheid openbaar en als voor aller
hoofden bevattelijk. En aangezien de namen der rivieren, bergen,
wouden, meren, moerassen en zeeën, welke in de boeken der dichters en
historici beschreven worden, veranderd waren, hetzij door willekeur in
verschillende eeuwen of door verschillende gebeurtenissen en zij dus
met andere namen werden genoemd, welke hij las of veranderde of voor
twijfelachtig hield, stelde hij een boek samen over de rivieren, de
bergen en het andere bovengenoemde, waarin met opzettelijke aanduiding
elk met de namen naar den loop des tijds was opgeteekend, wat de lezers
van de studiën der Oudheid van vele dwalingen kan bevrijden. Hij
schreef ook een boek over de lotgevallen der groote mannen en een
ander over beroemde vrouwen, waarin hij door zooveel zeggingskracht
en sierlijkheid van stijl en statie schittert, dat men kan zeggen,
dat hij niet alleen de verhevenste geesten der Ouden in die studie
evenaart, maar misschien zelfs naar verdienste overtreft.

Behalve die gezegde werken maakte hij zestien zeer schoone
herderszangen en vele brieven in verzen en in proza, welke door
geleerden niet weinig worden op prijs gesteld en zeker toonen de
boeken, welke hij schreef aan waardige en zeer begaafde mannen, hoe
groot zijn genie was. Petrarca zelfs prijst hem, die zóó zijn vriend
was, dat zij als één ziel in twee lichamen werden beschouwd, in hooge
mate naar waarheid en niet door de warmte van zijn vriendschap,
gelijk hij zegt en de dichter Zenobio, zooals die in zijn verzen
bewijst, laat aan hem de vrijheid de stof voor zijn geschriften uit
te zoeken. Er zijn nog verschillende werken door hem geschreven in
volkstaal, sommige in rijm gezongen, een ander in prozaisch verloop
opgezet, waar zijn geest behagen schept--een weinig te openlijk--in
wulpsche jeugd, wat hij later, ouder geworden, in het duister wilde
laten. Maar hij kon, gelijk hij begeerde, het vroeger uitgesproken
woord niet naar de borst terugroepen, noch het vuur, dat hij met den
blaasbalg had aangewakkerd, met den wil dooven. Naar verdienste ook
paste het den grooten man met den dichterlauwer te zijn bekroond,
maar de droeve ellende der tijden, welke de bezitters der tijdelijke
goederen tot laag winstbejag had gebracht en ook zijn armoede beletten
dit. Doch de boeken, door hem voortgebracht, waard om te worden
bekroond, eeren in plaats van mirte en klimop zijn doorluchtige slapen.

De dichter was van eenigszins zwaarlijvig postuur en groot; zijn
gelaat was glad maar met de neus boven de neusvleugels een weinig
ingedrukt, met ietwat dikke lippen, niettemin fraai en wel belijnd;
de kin had een kuil en toonde, als hij lachte, een schoonen vorm. Hij
had een vroolijk en luchthartig uiterlijk, was aangenaam in al zijn
gesprekken en schiep tamelijk veel genoegen in het praten. Hij verwierf
zich door zijn voorkomendheid vele vrienden, echter geen een, die aan
zijn armoede dacht. Hij stierf in 1375 op den leeftijd van 62 jaar en
werd in het plaatsje Certaldo in het klooster van Santo Jacopo, ook wel
genoemd la Canonica, met eerbewijzen begraven onder het grafschrift,
dat hij voor zich zelf, nog in leven, maakte en dat aldus luidde:


    Onder deze steen rust de asch en het gebeente van Giovanni,
    Zijn geest zetelt bij God, geëerd naar de verdienste van
                                                        zijn werken:
    Sterfelijk was die van bestaan, zijn vader was Boccaccio,
    Zijn vaderstad was Certaldo, zijn lust was de liefelijke
                                                        Dichtkunst.


Er wordt in Florence geloof geslagen aan het gerucht, dat Boccaccio
tot de familie der Chellini's behoorde, en dat zijn vader van de
Florentijnsche Republiek als magistraat een inkomen genoot.



    _Het Boek, de_ Decamerone [1] _getiteld, bijgenaamd_ Vorst
    Galeotto [2] _vangt aan, waarin honderd novellen staan,
    verhaald in tien dagen door zeven jonge dames en drie jonge
    heeren._


Het is menschelijk medelijden te hebben met hen, die bedroefd zijn
en hoewel dit iedereen goed staat, wordt dit het meest gevraagd
van hen, die zelf vroeger behoefte hadden aan troost en dien steeds
vonden. Onder dezen, hetzij het hem aangenaam is of dat hij eertijds
er behagen in kreeg, als iemand hem daarom vroeg, behoor ook ik. Want
ik was van af mijn eerste jeugd af tot dezen tijd toe fel ontbrand
door een verheven en edele liefde [3], misschien veel meer dan het
naar mijn lagen stand zou schijnen en passen er van te spreken.

Hoewel ik bij hen, die bescheiden waren en tot wier kennis dit kwam,
er om geprezen zou zijn en nog veel meer bekend zou wezen, had ik er
niettemin veel last van, zeker niet door de wreedheid van de beminde
dame maar wel door het te overvloedige vuur, in den geest opgehoopt,
bij een slecht geregelde eetlust, welke, omdat die mij geen enkel
oogenblik verzadigd liet, mij verscheidene malen meer belemmering deed
gevoelen dan mij lief was. In dit soort lijden brachten de opwekkende
redeneeringen van zekeren vriend en zijn lofwaardige troostgronden
reeds zooveel verzachting, dat ik de onwrikbare meening in mij omdraag,
dat ik hieraan het leven te danken heb. Maar alnaar het Hem behaagde,
die--eeuwig zijnde--aan alle wereldsche zaken door onveranderlijke
wetten een einde stelde, verminderde mijn liefde, vuriger dan elke
andere na verloop van tijd van zelf, welke geen kracht van redeneering
of raad of in het oog loopende belachelijkheid of daaruit volgend,
mogelijk gevaar kon breken of buigen. Die liefde heeft aldus in mijn
ziel alleen die vreugde achter gelaten, welke de tijd gewoon is aan
hem te verschaffen, die niet te veel nadenkt, zoodat, waar het gevoel
gewoonlijk pijnlijk was, hij alle verdriet wegnam en het aangename
achter bleef.

Maar zoo de smart ophield, is daardoor de herinnering niet weggevlucht
van vroeger ontvangen weldaden, mij bewezen door hen, voor wien bij de
welwillendheid mij toegedragen van hun kant, mijn nooden als ernstig
golden en die heugenis zal, geloof ik, ook nooit vergaan, tenzij door
den dood. En omdat de dankbaarheid, naar ik meen, onder de andere
deugden hoogelijk is aan te bevelen en het tegengestelde laakbaar,
heb ik, om niet ondankbaar te schijnen, mij zelf voorgenomen met het
weinige, dat in mijn vermogen is, in ruil voor wat ik ontving, nu ik
mij vrij kan noemen, verlichting te verschaffen en zoo niet aan hen,
die mij hielpen--voor wien het door hun verstand of hun fortuin niet
behoeft--dan ten minste aan diegenen, die het wèl noodig hebben. En
ofschoon de steun of troost, die ik wil geven, vrij gering kan zijn
en is, toch schijnt het mij, dat ik die des te eerder moet schenken,
waar de behoefte grooter schijnt, zoowel omdat die er meer nut zal
doen als omdat die er meer op prijs zal gesteld worden.

En wie zal ontkennen, wie het ook zij, dat men die niet meer moet
schenken aan de schoone vrouwen dan aan de mannen? Zij houden in
hun teedere boezems vreesachtig en vol schroom de liefdevlammen
verborgen, welke zooveel meer kracht hebben dan de geopenbaarden,
naar zij weten, die dit hebben ervaren, en bovendien--gebonden door
de wilsuitingen, de luimen, de bevelen van vaders, moeders, broeders
en echtgenooten--blijven zij het grootste deel van den tijd in de
kleine ruimte van hun kamers opgesloten en schijnbaar rustig daar
zittend, willend en niet willend terzelfder ure, rollen ze in zich
zelf verschillende gedachten om, die zeker niet altijd vroolijk kunnen
zijn. En indien door dezen eenigerlei zwaarmoedigheid, ontstaan uit
de vurige begeerte, in hun hoofden opkomt, waarin deze zich gewoonlijk
nestelt met hevig verdriet, wordt die er niet uitgedreven door nieuwe
redeneeringen; buitendien zijn zij veel minder sterk dan de mannen
om dit te doorstaan. Dit gebeurt bij verliefde mannen niet, gelijk
wij duidelijk kunnen zien. Wanneer eenige melancholie of ernst van
gedachten hen bedroeft, hebben zij verschillende manieren om die te
verlichten of er zich over heen te zetten, omdat, als zij dit willen,
niets hen belet uit te gaan, veel te hooren en te zien, zich op de
vogelvangst te begeven, te jagen, te visschen, paard te rijden, te
spelen en handel te drijven. Op die wijze heeft elk de kracht hetzij
geheel, hetzij gedeeltelijk den geest tot zich zelf te roepen en hem
van trieste gedachten af te brengen, althans na eenig tijdsverloop,
waarna op de een of andere manier of troost verrast of de ontstane
smart vermindert.

Derhalve wensch ik, opdat door mij het kwaad van het Noodlot verzwakt,
waar bij minder kracht--gelijk wij bij de teedere donna's zagen--ook
minder steun bestond, tot hulp en toevlucht van hen, die beminnen
(hoewel voor de andere vrouwen de naald en de spil en de haspel
van het spinnewiel voldoende zijn) honderd verhalen te doen of
fabels of parabels of histories, al naar we die noemen willen. In
tien dagen werden ze door een eerzaam gezelschap van zeven dames en
drie jongelieden verteld en verzonnen gedurende den voorbij geganen
sterftetijd van de pest en ook enkele liederen van gezegde dames,
toen voor hun vermaak gezongen.

In deze novellen zullen zich komische en treffende liefdegevallen
voordoen en andere gelukkige gebeurtenissen, zoowel uit de oude
als uit de nieuwe tijden, waaruit de al genoemde vrouwen, die dezen
zullen lezen, evenzeer genoegen als nuttige raad kunnen halen door
de grappige feiten daarin verhaald en leeren wat daaruit dan ook
vermeden en nagevolgd moet worden, hetgeen ik niet geloof, dat kan
gebeuren zonder verdrijving van het verdriet.

Laten wij, indien dit geschiedt, (wat God geve) Amor daarvoor danken,
welke mij uit zijn banden bevrijdend, mij gedwongen heeft die te
kunnen aanwenden tot hun genoegen.



    _De eerste dag van de_ Decamerone _begint: waar aangetoond
    wordt, naar de verklaring van den auteur, waarom het gebeurde,
    dat de personen, die bij elkaar komen, zich moesten vereenigen
    om zich samen te onderhouden. Onder de leiding van Pampinea
    verhaalt men van wat het meest aan elk behaagt._


Zoo dikwijls als ik, zeer genadige donna's, bij mezelf denkend er op
let, hoe gij allen natuurlijk ernstig gestemd zijt, zoo vaak ben ik mij
bewust, dat het tegenwoordige werk, naar uw oordeel, een ernstigen en
droeven oorsprong moet hebben gelijk de smartelijke herinnering aan de
voorbijgegane, pest verbreidende sterfte in het algemeen hinderlijk
is voor ieder, die deze mocht zien of op andere wijze kennen. Het
boek bevat vooraan deze herinnering. Maar ik wil niet, dat dit u zal
afschrikken er meer van te lezen, alsof gij altijd onder tranen en
zuchten met de lectuur zoudt moeten voortgaan. Dat vreeselijke begin
zal u niet anders aandoen dan een ruwe en steile berg reizigers treft,
wanneer een zeer schoone, zachte en aangename rustplaats volgt, welke
hun des te behagelijker zal zijn, naarmate de moeite van het bestijgen
en afdalen daarvan grooter is geweest. En gelijk het uiterste van
vreugde smart inhoudt, zoo worden de verdrietelijkheden door daarop
volgende vreugde beëindigd. Op dit korte verdriet (ik zeg kort, omdat
dit in weinige woorden vervat is) volgt spoedig het genoegen en het
genot, dat ik u bij voorbaat had beloofd en dat misschien bij een
aldus gemaakt begin niet verwacht zou worden, indien ik het niet had
vermeld. Inderdaad, indien ik op fatsoenlijke manier op een andere
wijze had kunnen komen tot wat ik verlang dan langs het ruwe pad,
waarover ik dit doe, dan had ik het graag gedaan, maar daar ik de
oorzaak, door welke de dingen geschiedden, die later zullen gelezen
worden, niet kon verklaren zonder die herinnering, breng ik mijzelf,
als door noodzakelijkheid gedwongen, er toe om dit te beschrijven.

Ik zeg dus, dat de jaren sinds de Onbevlekte Ontvangenis van Gods
Zoon al gestegen waren tot het getal dertienhonderd achtenveertig,
toen in de zeer goede stad Florence, schooner dan elke andere
Italiaansche, de moorddadige pestziekte uitbrak, welke door den
invloed der hemellichamen of voor onze zondige daden door Gods
gerechten toorn onder de stervelingen gezonden, eenige jaren te
voren in het Oosten ontstond, een ontelbaar aantal levenden wegrukte
en zonder oponthoud van de eene plaats naar de andere voortgaande,
zich op allertreurigste wijze naar het Westen heeft verbreid. [4]
En hiertegen hielp geen enkele wetenschap noch menschelijke wijsheid,
hoe de stad ook gezuiverd werd van veel onreinheid door de beambten,
behalve van die, waarvan het reeds voorgeschreven was en evenmin baatte
het, dat het aan elke zieke verboden was de stad binnen te gaan. De
vele raadgevingen geschonken voor het behoud van de gezondheid, en ook
de nederige smeekbeden, niet ééns maar vele keeren zoowel in geordende
processies als op andere wijze tot God gericht door vrome menschen,
hielpen niets. Omstreeks het begin van de lente van het voornoemde
jaar begon de pest op vreeselijke wijze en op wonderbaarlijke manier
haar treurigen invloed te toonen. Zij woedde niet, gelijk zij in het
Oosten had gedaan, waarbij ieder, dien het bloed uit den neus kwam,
dit een zeker teeken was van onvermijdelijken dood, maar bij het
begin der ziekte ontstonden of in de lies of onder de oksels--bij
mannen als vrouwen op gelijke wijze--zekere gezwellen, van welke
enkelen groeiden als tot een gewone appel, anderen als tot een ei,
bij eenigen meer en bij anderen minder, welke de menschen uit het volk
pestbuilen noemden. Van de twee genoemde lichaamsdeelen uit begon in
korten tijd de reeds gezegde doodelijke pestbuil, onverschillig waar,
in een deel er van te ontstaan en op te komen en daarna begon het
uiterlijk van genoemd ziekteverschijnsel te veranderen in zwarte of
loodkleurige vlekken, welke onder de armen en op de heupen en op elk
ander lichaamsdeel verschenen, bij dezen groot en weinig, en bij genen
klein en veelvuldig. En daar de pestbuil het eerst was geweest en nog
was het zekere teeken van naderenden dood, zoo waren die vlekken het
ook bij elk, bij wien zij zich vertoonden. Het scheen, dat tot genezing
van dit soort ziekte noch raad van een dokter, noch kracht van welk
medicijn ook waarde had of verlichting bracht, daar of de aard van
den ramp het niet toeliet, of daar de onwetendheid der geneeskundigen
(van welke buiten de wetenschappelijke het aantal zoowel van mannen
als vrouwen, die nooit de medicijnen hadden gestudeerd, enorm was
geworden) de oorzaak niet kon verklaren. Daar men bij gevolg het
noodige geneesmiddel er niet voor koos, herstelden er niet slechts
maar weinigen van, maar ongeveer allen binnen drie dagen sinds de
verschijning van genoemde teekens, die wat eerder, gene wat later,
en de meesten zonder koorts of er bij komende omstandigheden, stierven.

En de kracht van die pest was nog grooter, omdat zij van de zieken
door gemeenschappelijk samenzijn zich op de gezonden wierp, op
dezelfde wijze als het vuur doet bij droge voorwerpen of gewrevenen,
als zij het dicht genoeg zijn genaderd. En er was een nog grooter
kwaad n.l. dat niet alleen het spreken en omgaan met de zieken aan
gezonden de ziekte bracht of de oorzaak van het gewone sterfgeval werd,
maar ook het aanraken van de lakens of welk ander voorwerp ook, dat
door deze zieken beroerd werd of gebruikt, scheen die ziekte op hem,
die ze betastte, over te brengen.

Het is een wonderlijke zaak om te hooren, die ik vertellen moet en
die, indien hij niet door vele en door mijn eigen oogen gezien was,
ik ternauwernood zou durven gelooven en niet den moed zou hebben neer
te schrijven, zoo ik dit niet van betrouwbare menschen had gehoord. Ik
beweer, dat de aard van de vermelde pest van zoodanigen invloed was
bij aanraking van het eene wezen met het andere, dat niet alleen de
eene mensch den ander, maar wat erger is en duidelijk genoeg bleek,
dat het goed van iemand, die daardoor ziek was geweest of overleden,
beroerd door een ander schepsel dan van het menschelijk geslacht, het
niet alleen daarmee aanstak, maar het in zeer korten tijd doodde. Met
mijn eigen oogen heb ik waargenomen, (gelijk kort te voren gezegd is)
dat op een dag onder andere gevallen de lompen van een arm man door
de ziekte bezweken, op den openbaren weg waren geworpen, toen twee
zwijnen naderden en naar hun gewoonte die eerst met den snuit en de
tanden opnamen en om den kop schudden. Kort daarop, na een paar maal
te hebben rondgewenteld, alsof ze vergift hadden ingenomen, vielen
beide op de ongelukslompen dood ter aarde.

Hierdoor en door heel wat meer andere gelijksoortige en erger gevallen
ontstonden verschillende angsten en inbeeldingen bij hen, die gespaard
bleven en allen kwamen tot een vrij wreede gevolgtrekking, namelijk
de zieken en hun omgeving te vermijden en te ontvluchten en aldus
handelend meende elkeen zich gelijkelijk redding te verschaffen. Er
waren er eenigen, die aanrieden, dat matig leven en zich te onthouden
van alle overdaad veel weerstand gaf tegen de zich voordoende ramp,
en na een gezelschap te hebben gevormd leefden zij afgescheiden van
ieder ander en zij vluchtten in hun huizen en sloten zich op daar,
waar geen enkele zieke was, en zij gebruikten om beter te leven
zeer matig de fijnste spijzen en de beste wijnen en vermeden elke
buitensporigheid zonder te spreken of iemand te laten spreken van
buiten over dood en zieken, of eenig nieuws te hooren en bleven
dáár bij muziek en bij alle genoegens, die zij zich verschaffen
konden. Anderen, van een tegengestelde meening overtuigd, beweerden
dat goed drinken en genieten en zingend naar buiten te gaan en zich
te vermaken en te voldoen aan iedere behoefte, waar het kon en te
lachen en te schertsen om al wat gebeurde, het zekerste middel was
tegen zulk een kwaad. Gelijk zij zeiden gingen zij dag en nacht naar
hun vermogen te werk, dan naar deze, dan naar die kroeg loopend, zonder
overleg en zonder maat drinkend. Zij deden veel meer dan in alle andere
omstandigheden alleen dat, wat zij meenden, dat voor hun aangenaam en
plezierig kon zijn. En zij konden dit gemakkelijk doen, omdat ieder
(alsof hij niet langer had te leven) zijn goederen in den steek had
gelaten of hij al dood wás, waardoor de meeste huizen gemeengoed waren
geworden. De vreemdeling gebruikte die, alsof hij er behoorde en gelijk
de eigen heer er gewoond zou hebben en met die hardvochtige gedachte
ontvluchtten zij, zooveel ze konden, steeds de zieken. In zulk een rouw
en ellende van onze stad was het eerbiedwaardig gezag van de wetten,
zoowel goddelijke als menschelijke, als het ware vervallen en geheel
losgelaten door de schepenen en de uitvoerders daarvan. Deze waren
gelijk andere menschen of dood of ziek of zoo van familie beroofd,
dat geen enkel ambt kon uitgeoefend worden; daardoor stond het aan
ieder vrij naar zijn welgevallen te handelen.

Velen volgden tusschen de twee gezegde levenswijzen een gemiddelde,
zich niet onthoudend van spijzen als de eersten, nog zich te buiten
gaande aan drank en andere losbandigheden gelijk de tweeden, maar
zij gebruikten naar genoegen volgens hun begeerten de levensmiddelen
en gingen naar buiten zonder zich op te sluiten en droegen deze,
bloemen, gene, welriekende kruiden in de handen en andere verschillende
specerijen, die zij vaak aan den neus brachten, denkend, dat dit een
uitstekend middel was om met dit soort reuk de hersens te versterken;
want het was er zoo mee gesteld, dat de lucht geheel van den stank
der doode lichamen en van de ziekte en van de medicijnen doortrokken
en onrein was.

Anderen waren van een nog wreeder gevoelen (alsof dat soms veiliger
zou zijn) en zeiden, dat er geen ander en beter middel tegen de pest
bestond dan er voor te vluchten en door deze redeneering aangezet, voor
niets zorgend dan voor zichzelf, verliet een groot aantal zoowel mannen
als vrouwen hun eigen stad, hun eigen huizen, hun positie en familie
en goederen en zochten de anderen steden op of althans hun omtrek,
alsof Gods toorn over de ongerechtigheid der menschen met die pest van
de plaats, waar zij waren, niet voort kon gaan, maar Hij die alleen
had verwekt om diegenen te tuchtigen, welke zich binnen de muren der
stad mochten bevinden; zij raadden niemand er te blijven en beweerden,
dat zijn laatste uur dan gekomen was. Daar zij, die een andere meening
hadden, niet allen stierven, vluchtte daardoor niet iedereen; van
beide partijen werden er echter velen ziek. Zij versmachtten verlaten
alom, alhoewel zij, toen zij zelf gezond waren, een voorbeeld van
levenswijze hadden gegeven, aan hen, die gezond bleven. Laten wij
verzekeren, dat de eene burger den ander vermeed, en daar zoo goed
als niemand voor een ander zorgde en bloedverwanten elkaar zelden of
nooit bezochten, was er van verre met den zoo veroorzaakten schrik
zulk een verbijstering gekomen in de gemoederen der mannen en vrouwen,
dat de eene broeder den ander verliet en de neef de nicht en de zuster
den broeder en dikwijls de vrouw haar echtgenoot; en (wat erger is
en haast ongeloofelijk) de vaders en moeders vermeden hun kinderen,
of het de hunnen niet waren, te bezoeken en te helpen. Hierdoor bleef
voor hen, wier aantal niet was te schatten, zoowel mannen als vrouwen,
die ziek werden, geen andere hulp dan de barmhartigheid van vrienden
(en van hen waren er maar weinig) of de hebzucht van oppassers,
die voor hoog salaris en schandelijke overeenkomsten dienden. Hun
aantal was door dit alles toch niet groot en de mannen zoowel als
de vrouwen waren dom en in vele gevallen nooit voor dergelijke werk
gebruikt, terwijl ze voor niets anders dienst deden dan eenige dingen
aan te reiken door de lijders gevraagd of om ze bij te staan, als zij
stierven. Wanneer zij die dienst verrichtten, gingen ze dikwijls met
winst en al dood. Daar de zieken verlaten waren door buren, verwanten
en vrienden en gebrek hadden aan oppassers, ontstond een gebruik,
vroeger ongehoord, dat een vrouw, hoe bekoorlijk en schoon en lief ze
ook was, wanneer zij ziek werd, zorg droeg een man tot haar dienst te
hebben, wie hij ook mocht zijn, jong of oud, waarvoor zij zonder eenige
schaamte elk lichaamsdeel ontblootte niet anders dan zij voor een vrouw
zou gedaan hebben. Want de nood van haar lijden eischte dit, wat bij
hen, die genazen, misschien de oorzaak was van minder kuischheid in
den tijd, die volgde. Bovendien overviel de dood velen van hen slechts
door tegenspoed, die gered zouden zijn, indien ze geholpen waren.

Tengevolge daarvan, zoowel door het gebrek aan de noodige oppassing,
welke de zieken niet konden krijgen als door de hevigheid van de pest
was de massa van hen, die dag en nacht stierven zoo groot in de stad,
dat het schrikbarend was om het te hooren vertellen, als men er slechts
acht op gaf. Daardoor als van zelf ontstonden naast vroegere gewoonten
van de burgers zeden in strijd met die, welke in zwang waren gebleven.

Het was gewoonte (gelijk we het nog in gebruik zien), dat de verwanten
en de buurvrouwen zich in het huis van den doode verzamelden, en
hier met hen, die hem meer vermaagschapt waren, treurden; en van den
anderen kant vereenigden zich vóór het huis van den doode de buren
en een aantal andere burgers met zijn mannelijke familieleden en naar
den rang van den overledene kwam de geestelijkheid en werd hij op de
schouders van zijn makkers met begrafenispraal van waskaarsen en zangen
gedragen naar de kerk, voor zijn overlijden door hem aangewezen. Die
gebruiken hielden, toen de felheid van de pest begon toe te nemen,
of geheel of grootendeels op en er kwamen geen andere nieuwen voor
in de plaats, zoodat niet alleen tal van lieden stierven zonder
klaagvrouwen, maar er waren er genoeg, die zonder getuige uit dit
leven scheidden en maar zeer weinigen, wien vrome klaagzangen en de
bittere tranen van zijn familieleden bleven voorbehouden. Liever in de
plaats daarvan sleten die hun leven door zooveel mogelijk te lachen en
te schertsen en gezellig feest te vieren, welke gewoonte de vrouwen,
die grootendeels de vrouwelijke vroomheid hadden afgelegd, voor hun
lijfsbehoud zeer goed hadden geleerd. Er waren er maar weinigen,
wier lichamen door meer dan tien of twaalf van de buren ter kerk
vergezeld werden, en voor welken de eerzame en achtbare burgers,
en niet een soort doodgravers, voortgekomen uit den laagsten stand,
die zich ook aldus lieten noemen en die deze diensten voor geld
verrichtten, onder de baar traden en haar met haastige passen niet
naar die kerk brachten, welke zij voor hun dood hadden aangewezen,
maar naar de meest naburige meestal achter vier of zes geestelijken
met weinig kaarslicht en menigmaal zonder één priester. Dezen met de
hulp van die doodgravers zonder zich met een te langen of plechtigen
lijkdienst te vermoeien, brachten die in de eerste de beste grafstede,
welke zij open vonden. Van den lageren stand en misschien voor een
groot deel van de middelklasse was de aanblik der alle ellende nog
veel erger, omdat die het meest door hoop of door armoe in hun huizen
werden teruggehouden of in hun buurt bleven en bij duizenden ziek
werden en noch bediend, noch geholpen met wat ook, zonder eenige
verzachting stierven. Er waren er genoeg, die op den openbaren weg
bij dag of nacht omkwamen en velen, die in hun huizen heengingen,
deden eerst door den stank van hun ontbonden lichamen dan aan de
buren bemerken, dat zij dood waren; zoowel hiervan als van anderen,
die overal bezweken, waren er een groot aantal. Er werd door de meeste
buren een middelweg gebruikt, daartoe niet minder bewogen door vrees,
opdat de besmetting van de dooden hun geen kwaad deed, als door de
barmhartigheid, die zij jegens de overledenen hadden.

Zij, zoowel door eigen kracht als met behulp van de dragers, zooveel ze
er van konden krijgen, sleepten de lichamen der reeds gestorvenen uit
hun huizen en plaatsten die voor hun deuren, waar vooral 's morgens,
wie uit was gegaan, er talloos veel had kunnen zien. Zij lieten
vervolgens baren komen en er waren er, die bij gebrek daaraan, ze op
een plank legden. Er was geen baar, die niet twee of drie tegelijk
er van torste, en het kwam misschien maar één keer voor, dat van
deze niet vrij zeker kon gezegd worden, dat zij de echtgenoote en
den man, de twee of drie broeders of den vader en den zoon of op die
wijze de familie droeg. Het gebeurde zeer vaak, dat, wanneer twee
of drie priesters met een kruis voor één baar afzonderlijk liepen,
dat drie of vier baren geheven door dragers, zich daarachter voegden;
en waar de priesters geloofden, dat zij één doode begroeven, deden zij
er dit zes of acht of nog meer. Zij werden ook niet geëerbiedigd met
een enkelen traan of kaarslicht of begeleiding; ook werd de toestand
van dien aard, dat men geen andere zorg droeg voor de menschen, die
stierven, dan men voor geiten over had. Daardoor bleek het duidelijk
genoeg, dat, terwijl de natuurlijke loop der dingen bij weinige en
zeldzame verliezen niet aan wijzen kon leeren die te dragen met
geduld, de grootste van de rampen zelfs de eenvoudige zielen had
kunnen maken tot verstandige en ongevoelige lieden. Blijkbaar door
de groote menigte dooden, die naar elke kerk iederen dag en zoo goed
als ieder uur, al naar het viel, gedragen werd, maakte men, daar de
gewijdde aarde voor de begrafenissen niet voldoende was en daar men
vooral aan ieder volgens de oude gewoonte een eigen plaats wilde
geven, op de akkers van de kerken, omdat elke plek grond vol was,
zeer groote kuilen, waarin men de later aangebrachten bij honderd
neerliet en in deze opgehoopt--gelijk men koopwaren laag op laag
in schepen legde--bedekte men ze met weinig aarde zoover, dat die
tot den rand van de kuil kwam. Maar opdat ik niet later aan iedere
bijzonderheid van de voorbijgegane ellende, onze stad overkomen, nog
herinner, vermeld ik, dat, toen deze booze tijd die bezocht, zij bij
haar voortduur evenmin de omliggende streek spaarde, waar (ik laat de
dorpen ter zijde, die door hun kleinheid bij de stad begrepen waren)
in de verspreide hofsteden en de velden de ongelukkige boeren en armen
en hun families zonder eenige hulp van dokter of steun van een oppasser
op de wegen en op hun akkers en in hun huizen, onverschillig bij dag
en bij nacht, niet als menschen maar als beesten stierven. Daardoor
werden zij als de poorters in hun gewoonten bandeloos en zorgden
niet meer voor hun werk of hun zaken. Allen ook als op den dag,
wanneer de dood, dien zij verwachten, zou komen, deden hun best op
allerlei wijze niet hun toekomstige winsten van vee en land en van
hun gedanen arbeid te vermeerderen maar te verkwisten, wat ze er
van in voorraad hadden. Aldus gebeurde het, dat de koeien, de ezels,
de schapen, de geiten, de zwijnen, de kippen en zelfs de honden, het
trouwst aan de menschen, uit hun eigen verblijfplaatsen verjaagd door
de velden wegliepen naar willekeur, waar ook het graan verlaten en
niet binnengehaald maar wel gemaaid was. En velen, die over dag goed
gevoed waren, dronken zich zonder toezicht van den herder 's nachts in
hun stal zat, of ze verstand hadden. Hieraan valt nog toe te voegen
(wanneer ik het platteland ter zijde laat en tot de stad terug ga)
dat, indien het niet in die mate is en zoozeer was door de wreedheid
des hemels en misschien ten deele door die der menschen, zoowel door
de kracht van de pest als doordat vele zieken slecht waren geholpen
en hunne behoeften verwaarloosd, ook door de vrees, die vele gezonden
hadden, men het aantal menschen, die zeker binnen de muren van de stad
Florence stierven, boven de honderdduizend schat. Hoevelen zou men
misschien vóór den verderfelijken ramp niet gedacht hebben daarbij
te moeten tellen? O hoeveel groote paleizen, hoeveel fraaie huizen,
hoeveel trotsche woningen, vroeger vol families, vol heeren en dames,
bleven tot op den minsten bediende ledig! O hoeveel aanzienlijke
geslachten, hoeveel groote erfgoederen, hoeveel befaamde rijkdommen
zag men zonder den wettigen erfgenaam blijven! Hoeveel invloedrijke
mannen, hoeveel schoone vrouwen, hoeveel lieve kinderen, die door geen
minderen dan Galienus, Hippocrates of Esculaap gezond zouden geacht
wezen, ontbeten 's morgens met hun ouders, met gezellen en vrienden,
die op den invallenden avond in de andere wereld met hun afgestorven
verwanten het avondmaal hielden!

Ik zelf voelde aandrang om tusschen zooveel ellende te gaan zwerven
en nu wil ik achterwege laten, wat ik gerust weglaten kan. Ik zeg dan,
dat, terwijl onze stad in dien toestand was, bijna leeg van bewoners,
(gelijk ik later van een betrouwbaar persoon vernam) toevallig in de
eerbiedwaardige kerk van Santa Maria Novella op een Dinsdagmorgen
zeven jonge dames bijeen kwamen, toen er haast niemand anders was
en nadat zij den heiligen dienst er gehoord hadden in rouwgewaad,
gelijk in die omstandigheden vereischt werd. Allen waren aan elkaar
verbonden door vriendschap, nabuurschap of verwantschap en geen een
was er ouder dan achtentwintig of jonger dan achttien; elk van hen
was ontwikkeld, van edel bloed, mooi gevormd, rijk van kleederdracht
en van fatsoenlijk uiterlijk. Het is mij niet veroorloofd hun ware
namen te melden, indien de reden althans gegrond is. Ik wil dit niet,
opdat zij over de dingen, die volgen en die door hen verhaald en
gehoord zijn, in de toekomst zich niet hoeven te schamen. Want de
wetten op de vermaken zijn thans wat streng, en waren toen door de
bovenvermelde oorzaken niet slechts voor hun leeftijd maar ook voor een
veel rijperen zeer zacht. Ook wil ik aan nijdigaards geen gelegenheid
geven, die gereed zijn ieder fatsoenlijk leven te bezoedelen, door
eenigerlei daad de eerbaarheid der waardige dames te verkleinen met
schadelijke praatjes. En opdat ieder later zonder verwarring kan
begrijpen, wat elk van hen hun vertelde, ben ik van plan door namen,
die met hun hoedanigheid of geheel of ten deele overeenkomen, ze aan
te duiden. Aldus zullen wij niet zonder reden de eerste en de oudste
Pampinea noemen, en de tweede Fiammetta, de derde Filomena, de vierde
Emilia, en wij zullen Lauretta als de vijfde aanduiden en de zesde
zullen wij Neifila en de laatste Elisa noemen. Dezen, die nog geen
besluit hadden genomen, maar toevallig in een deel der kerk bijeen
waren gekomen en als in een kring zich geplaatst hadden om te zitten,
begonnen na heel wat zuchten en nadat zij het prevelen van paternosters
hadden gestaakt, met elkaar te redeneeren over den aard der vele en
verschillende tijdsomstandigheden en na eenige oogenblikken, toen de
anderen zwegen, begon Pampinea aldus te spreken:

Mijn lieve donna's, gij kunt als ik meermalen gehoord hebben, dat
niemand kwaad doet, die goed zijn verstand gebruikt. Het is natuurlijk
van iedereen, bij wat er op deze aarde gebeurt, zooveel mogelijk zijn
leven te sterken en te behouden en te verdedigen. Men geeft dit zelfs
zoover toe, dat het een enkele maal al is voorgekomen, dat zonder
eenige schuld menschen om dit te behouden elkaar hebben gedood. En
indien de wetten dit veroorloven, in wier betrachting het voor ieder
sterveling goed is te leven, hoeveel te meer zonder iemand te hinderen
is het voor ons en ieder ander niet zedelijk voor het behoud van
ons leven die middelen te kiezen, welke in ons vermogen zijn? Ieder
oogenblik, dat ik onze wijze van doen van dezen morgen beschouw en ook
die van vroeger en bedenk, hoedanige en welke onze redeneeringen zijn,
begrijp ik--en gij kunt het eveneens begrijpen,--dat ieder van ons aan
zich zelf moet twijfelen: en dit nog verwondert mij niet, maar sterk
verbaast mij (in aanmerking nemend, dat wij alle vrouwelijk gevoel
hebben), dat wij zelf niet bemerken eigenlijk ieder voorbehoedmiddel
te vreezen. Wij blijven hier, naar het mij schijnt niet anders dan
om er de geheel vrijwillige en noodzakelijke getuigen van te zijn
hoeveel dooden hier ten grave worden gedragen en om te hooren of
de broeders van hier binnen, van welke het aantal haast tot nul is
geworden, op de verplichte uren hun dienst afzingen, of om aan ieder,
die hier verschijnt, onzen rang en de grootte van onze ellende te doen
zien. Ook: indien wij van hier weggaan, of de lijken of de zieken van
buiten zien vervoerd worden of hen aanschouwen, die het gezag der
publieke wetten vroeger tot ballingschap dwong voor hun misdaden,
en die daar als 't ware mee spotten, dewijl zij gewaar worden,
dat de uitvoerders daarvan dood of ziek zijn en met weerzinwekkende
brutaliteit het grondgebied afloopen of het schuim der stad, dat op
ons bloed verhit is en zich doodgravers noemt en om ons te beleedigen
paard rijdt en overal rondgaande met gemeene liedjes onzen trots
kwetst. Wij hooren hier niets anders dan: _die zijn dood_ en _de
anderen zijn er om te sterven_, en, indien er iemand in staat zou zijn
om ze te hooren, zouden wij overal droevige klachten vernemen. Indien
wij naar onze huizen terugkeeren (ik weet niet of u gebeurt, wat mij
overkomt) ontstel ik bij de gedachte van een groot gezin er niemand
te vinden dan mijn knecht en ik voel al mijn haren te berge rijzen,
en het schijnt mij, dat, waar ik er ga of sta, ik er hun schimmen
zie en zij mij verschrikken en niet met de gewone herinnering, die
ik van hen pleeg te hebben, maar met een afschuwelijk uiterlijk,
niet begrijpend, wat hen zoo deed veranderen. Daarom schijnt het mij
niet goed zoowel hier als hier buiten of thuis te blijven, en het komt
mij nog meer zoo voor van ons dan van iemand, die geen toevluchtsoord
heeft en die daarheen niet gaan kàn als wij, die er wel een hebben,
en die tòch hier gebleven zijn. Ik heb meermaals gezien en gehoord,
(indien er toch enkelen zoo zijn) dat deze zonder eenig onderscheid
te maken tusschen fatsoenlijke en onfatsoenlijke dingen, dat doen, wat
de begeerte hen ingeeft, zoowel alleen als in gezelschap en bij dag
als bij nacht wat hun het best bevalt. En niet slechts de wereldsche
lieden maar ook de in kloosters afgezonderden, die zich zelf wijs
maken, dat goed is, wat hun bevalt en slechts aan de anderen mishaagt,
denken zich op die wijze te bevrijden, nadat zij de gehoorzaamheid aan
de regels verbroken hebben, zich aan de lusten des vleesches hebben
overgegeven; en ze zijn wulpsch geworden en wellustig. Indien (wat
duidelijk blijkt) dit zoo is, wat zullen wij hier dan doen? Waarop
wachten wij? Wat denken wij? Waarom zullen wij voor ons heil trager
en langzamer zijn dan het geheele overig deel van de burgers? Achten
wij ons minder goed dan al de anderen? Of gelooven wij, dat ons
leven met een sterker keten aan ons lichaam is gebonden dan dat bij
anderen zoo is en in die mate, dat wij er in 't geheel geen zorg
voor behoeven te dragen, die de macht schenkt het te verdedigen? Wij
dwalen, wij zijn bedrogen: hoe groot is onze overmoed, indien wij dit
onderstellen? Zooveel keeren als wij ons zouden herinneren hoedanige
en welke de jongelieden en de meisjes geweest zijn, die door deze
wreede pest bezweken, zouden wij daarin een zeer overtuigend argument
vinden. En opdat wij door domheid of traagheid daartoe niet vervallen,
waaruit wij gelukkig op eenigerlei wijze, als we het maar willen,
kunnen ontsnappen (ik weet niet of u dit zoo zal voor komen als aan
mij), zou ik het opperbest gedaan achten, dat wij uit dit gebied
vertrekken zóó als we hier bij elkaar zijn, gelijk wij vele malen al
hebben gedaan en plegen te doen. Laten wij als de dood de slechte
voorbeelden hier ontvluchten en met eere naar onze buitenplaatsen
in de provincie gaan, met welke ieder van ons rijkelijk bedeeld is,
om daar te blijven en opdat wij daar die feestelijkheid, die vreugde,
dat genoegen smaken, wat wij kunnen zonder met eenige daad de grens van
wat betaamt, te overschrijden. Daar hoort men de vogeltjes zingen; daar
zullen wij de heuvels en de velden zien groenen en de akkers van graan
zien golven gelijk de zee en van boomen op wel duizend manieren. En
de hemel ziet men er ruimer, die, hoewel hij vertoornd is, daarom er
niet zijn eeuwige schoonheden verbergt, welke daar veel heerlijker
zijn om te aanschouwen dan de verlaten muren van onze stad. Daar is de
lucht veel frisscher dan hier en de dingen, thans noodig om te leven
zijn er in grooter overvloed en het verdriet is er minder. En wel,
omdat, hoewel daar de boeren sterven als hier de burgers, de rouw er
minder is, waar de huizen en de bewoners zooveel meer verspreid zijn
dan in de stad. En anderzijds hier, zoo ik goed zie, verlaten wij
niemand, zoo, dat zelfs wij eerder kunnen zeggen in waarheid hier
verlaten te zijn, omdat de onzen hetzij stervend hetzij den dood
ontvluchtend, alsof wij de hunnen niet waren, ons in al dien rouw
hebben achtergelaten. Er kan dus geen enkel verwijt op ons vallen,
indien wij dien raad volgen en zoo niet, dan zou smart en verdriet
en misschien de dood ons kunnen verrassen. En daarom, wanneer het u
goed dunkt, geloof ik, dat wij door onze bedienden mee te nemen en
die met de benoodigdheden te laten volgen heden ginds, morgen elders
en door die vroolijkheid en feestelijkheid te genieten, die deze tijd
kan verschaffen, wel doen, wat goed is om gedaan te worden en door
zoo te blijven handelen, tot wij zien (indien wij niet van te voren
door den dood worden achterhaald), wat eindelijk de hemel na deze
omstandigheden voor ons bewaart. Ik herinner U er aan, dat hij ons
niet zoozeer verbiedt op eerzame wijze heen te gaan, als wel aan de
anderen om voor een groot deel op schandelijke wijze hier te blijven.

Toen de andere donna's Pampinea gehoord hadden, prezen zij niet
alleen haar raad, maar verlangend dien te volgen waren zij al begonnen
onder elkaar afzonderlijk op die wijze te praten, zoodat zij hierop
van hun zetels zich verheffend als het ware hand in hand op weg
wilden gaan. Maar Filomena, die de voorzichtigste was, zei: Dames,
hoewel het betoog door Pampinea op uitstekende wijze is uiteengezet,
is het toch niet goed heen te gaan gelijk zij beweert, dat gij moet
doen. Ik herinner u er aan, dat wij alle vrouwen zijn en er is er
geen hier zulk een kind, dat zij wel kan weten, hoe de vrouwen te
samen verstandig zijn, en dat zij toch niet zonder het overleg van
een enkelen man kunnen handelen. Wij zijn bewegelijk, weerbarstig,
ergdenkend, kleingeestig en bangelijk; daarom betwijfel ik zeer of ons
gezelschap niet te spoedig, indien wij geen anderen gids dan den onze
nemen, uiteen gaat en met minder eer dan hier vereischte is. En daarom
is het goed zich hierbij te bezinnen, voor wij beginnen. Toen sprak
Elisa: Inderdaad zijn de mannen het hoofd der vrouwen en zonder hun
leiding komt slechts zelden een werk van ons tot een lofwaardig einde;
maar hoe kunnen wij ons die mannen verschaffen? Ieder onzer weet,
dat de meesten dood zijn en dat de anderen, die zijn blijven leven,
deze hier en gene daar in verschillende groepen--zonder dat wij weten
waarheen--dat ontvlieden, wat ook wij ontwijken en het uitnoodigen van
onbekenden zou niet eerbaar zijn. Daarom, als wij tot onze redding
ze willen volgen, is het noodig een middel te vinden, waardoor wij
zoo onze zaken regelen, dat ons, waar wij voor ons genoegen of onze
rust heengaan, geen verdriet of schandaal volgt.

Terwijl de dames onder elkaar zoo redekavelden, kwamen drie jongelieden
in de kerk, waaronder er geen minder dan vijfentwintig jaar oud was
als de jongste en onder welken noch de boosheid des tijds, noch het
verlies van vrienden of ouders, noch vrees voor zich zelf, de liefde
had kunnen uitblusschen of afkoelen. Een van hen heette Pamfilo, de
tweede Filostrato en de laatste Dioneo, elk heel aardig en welgemanierd
en zij gingen tot hun besten troost in zooveel verwarring hun donna's
zoeken, die toevallig alle drie zich onder de genoemde zeven bevonden,
terwijl de anderen allen daaraan verwant waren. En dezen vielen de
anderen nog niet in het oog of genen waren ook door hen opgemerkt,
zoodat Pampinea toen glimlachend begon: Kijk, de fortuin is voor
ons begin gunstig en heeft hier bij voorbaat bescheiden en dappere
jongelieden gebracht, die gaarne zoowel gids als dienaar willen zijn,
als wij ze voor dien dienst niet zullen ontvluchten. Neifile, toen
van schaamte over het geheele gelaat vuurrood, omdat elk van hun door
een der jongelui bemind werd, zei: Pampinea, bij God, let op wat je
zegt; ik weet zeker, dat men niets dan het beste van elk van hen kan
zeggen en ik meen evenzeer, dat wij hun gezelschap en de eer daarvan
moeten hooghouden, die niet voor ons, maar voor veel schooner en hooger
geplaatste dames dan wij bestemd zijn. Maar omdat het duidelijk is, dat
zij enkelen van ons, die hier zijn, beminnen, vrees ik, dat schande en
verwijt hierop volgt buiten onze of hun schuld, indien wij ze meenemen.

Daarop zei Filomena: Dat beduidt niets; daar waar ik eerbaar leef, zal
het geweten mij over niets kwellen, wie ook het tegendeel wil beweren;
God en de waarheid zullen dan voor mij de wapens opnemen. Mochten ze
nu maar gereed zijn om te komen, opdat wij, gelijk Pampinea beweerde,
waarlijk kunnen zeggen, dat de fortuin voor onzen tocht gunstig is. De
anderen, welke haar zoo hoorden spreken, zwegen niet slechts maar met
eenparige toestemming vonden zij goed, dat die zouden geroepen worden,
dat men hun het plan zou meededen en dat men hun zou vragen of het
hun mocht behagen bij den aldus voorgestelden tocht ze gezelschap
te houden. Hiertoe richtte zich zonder een woord meer Pampinea,
die opgestaan was en die hun allen door haar bloed verwant was, tot
deze heeren, die haar voortdurend stonden aan te kijken en na hen met
vriendelijk gelaat te hebben gegroet, maakte zij hun dit plan bekend
en verzocht hen elk afzonderlijk ze met reine en broederlijke geest
gezelschap te houden, indien zij zich verplicht voelden zich daartoe
gereed te maken. Eerst geloofden de jongelui, dat ze voor den mal
werden gehouden, maar toen zij merkten, dat de donna van plicht sprak,
antwoordden zij verheugd, dat zij bereid waren en zonder eenig uitstel
te maken bij het plan--daar zij ook vertrokken--gaven zij orders voor
wat ze bij hun uittocht te doen hadden. Nadat zij alles ordelijk in
gereedheid hadden gebracht en wisten, waar zij plan hadden heen te
gaan, begaven zich den volgenden morgen, namelijk Woensdag, bij het
krieken van den dag de dames met eenige van hun bedienden en de drie
jongelieden met drie van hun knechts, uit de stad trekkend, op weg. Zij
verwijderden zich van haar niet meer dan twee kleine mijlen, tot ze de
plaats bereikten door hen aangewezen. Die plek bevond zich boven een
kleinen berg van alle kanten ver van onze wegen, vol van verschillende
lage boomen en planten, allen met groen gebladerte, bekoorlijk
om te zien. Op den top daarvan was een paleis met een schoonen en
grooten hof in het midden en met terrassen en zalen en kamers, allen
afzonderlijk zoo fraai mogelijk en met aanlokkelijke, merkwaardige
schilderijen en getooid met weiden daarbuiten en wonderbare tuinen
en met zeer frissche waterputten en met gewelven vol kostbare wijnen,
meer geschikt voor belangstellende drinkers dan voor matige en eerbare
jonkvrouwen. Toen het was gereinigd en de bedden in de kamers waren
opgemaakt en alles met bloemen, welke men naar het seizoen kon krijgen,
en net was versierd, genoot de aanstaande club niet weinig. En toen
zij zich voor de eerste vergadering hadden neergezet, zeide Dioneo,
die meer dan elke andere jonkman bekoorlijk en welbespraakt was: Dames,
uw verstand meer dan onze voorzichtigheid heeft ons hierheen geleid;
ik weet niet welke van uw gedachten gij hier wilt toepassen; ik liet
de mijnen achter in de poort van de stad, toen ik voor kort met u naar
buiten ging. Daarom: of gij zijt bereid met mij te samen te schertsen
en te lachen en te zingen (zooveel, bedoel ik, als aan uwe waardigheid
past) of gij staat mij toe, dat ik tot mijn gedachten terugkeer en in
de geteisterde stad blijf. Daarop antwoordde Pampinea op geen andere
wijze dan de anderen insgelijks uit zich zelf gezegd zouden hebben,
vriendelijk: Dioneo, gij spreekt zeer goed, men wil vroolijk leven en
geen andere oorzaak dan verdriet heeft ons doen ontvluchten. Maar omdat
de dingen, die zonder eenig plan bestaan, niet lang kunnen duren, acht
ik, die de eerste was bij de gesprekken, waardoor dit goede gezelschap
is bijeengebracht, het noodig overeen te komen, dat er één hoofd zij,
dat wij zoowel eeren als gehoorzamen als meerdere en bij wien bovenal
de gedachte voorstaat, dat men hier er zich op toe moet leggen om
vroolijk te leven. Opdat ieder het gewicht van deze zorg begrijpt
naast het genoegen van de heerschappij en diensvolgens van de eene
zoowel als van de andere zijde beschouwd het niet mogelijk is, dat,
wie het ook zij, jaloersch wordt, stel ik voor, dat ieder voor één
dag de verantwoordelijkheid en de eer zelf aanvaardt. Ten eerste is
voor ons verplichtend: de verkiezing van een onzer uit hen, die nog
volgen, wanneer het avonduur zal naderen. Namelijk hij of zij, die
aan Hem of Haar daartoe behagen zal, welke dien dag de heerschappij
heeft gehad. Deze volgens zijn wil beveelt en bepaalt den tijd, dat
zijn heerschappij duurt en de plaats en de wijze, waarop wij hebben
te leven.

Deze woorden bevielen uitermate en eenparig kozen zij haar den eersten
dag, en Filomena, haastig naar een laurierboom geloopen, maakte haar
een eervollen en in het oog loopenden krans, opdat, toen zij genoeg
had hooren spreken over zoodanige eer, die groen loof waard was, zij
die op haar beurt de éér waard was, naar verdienste daarmee bekroond
werd; welk sieraad op het hoofd verder in hun gezelschap het duidelijke
teeken was voor iedereen van koninklijke heerschappij en meerderheid.

Pampinea, tot koningin gemaakt, beval dat elk man zou zwijgen, nadat
zij de knechts van de drie jongelui en hun bedienden, die vier in
aantal waren, had voor zich laten roepen en hun stilte gebiedend sprak
zij: Opdat ik aan u allen het voorbeeld geve, waardoor alles op zijn
best zal voortgaan en ons gezelschap ordelijk en met genoegen en zonder
eenige schande zal bestaan en dit zal duren, zoolang het ons behaagt,
stel ik vóór alles Parmeno, knecht van Dioneo, aan tot mijn hofmeester
en draag aan hem de zorg op en de verantwoordelijkheid voor ons geheele
huishouden en wat tot den zaaldienst behoort. Ik wil, dat Sirisco,
de knecht van Pamfilo, onze betaal- en penningmeester is en de bevelen
gehoorzaamt van Parmeno. Tindaro, in dienst van Filostrato en van de
andere twee, moet op hun kamers passen, wanneer de anderen, door hun
dienst op hun beurt belemmerd, dit niet zouden kunnen doen. Misia,
mijn bediende en Licisca van Filomena, zullen steeds in de keuken
bezig zijn en zullen voor u met zorg die spijzen gereed maken, welke
hun door Parmeno zullen worden opgegeven. Wij wenschen, dat Chimera
van Lauretta en Stratilia van Fiammetta voor het beheer der kamers
van de dames gereed zullen staan, en wij hechten aan de reinheid der
vertrekken en in het algemeen begeeren en bevelen wij, dat ieder,
die op onze gunst gesteld is, waar hij handelt, ga of sta, wat hij
hoort of ziet, geen ander dan vroolijk nieuws hier aanbrengt. En toen
deze bevelen uitdrukkelijk waren gegeven, welke namens allen waren
uitgevaardigd, zeide zij verheugd recht op staande: Hier zijn tuinen,
hier zijn velden, hier zijn andere plaatsen bekoorlijk genoeg, waar
ieder tot zijn genoegen zich ga vermaken en als het drie uur slaat,
zij ieder hier, opdat men voor het koel wordt, eten zal.

Toen aldus de vroolijke bende door de nieuwe koningin was vrij
gelaten, gingen de jongelui pratend met de schoone dames over vroolijke
onderwerpen met langzamen tred door een tuin. Zij vlochten zich schoone
kransen van verschillend loof en zongen op verliefde wijze. Nadat zij
hier bleven, zoolang de tijdruimte duurde door de koningin toegestaan,
vonden zij huiswaarts gekeerd, dat Parmeno ijverig aan zijn personeel
order had gegeven, zoodat, toen zij in een gelijkvloersche zaal
traden, zij hier de tafels gedekt zagen met puurwitte lakens en met
bekers, die van zilver schenen en alles met bloemen van priemkruid
getooid. Daarna, toen het water voor de handen was uitgereikt, gelijk
het aan de koningin behaagde, en naar hetgeen Parmeno geschikt had,
gingen allen zitten. Spijzen, heerlijk toebereid, werden opgedragen
en de fijnste wijnen waren opgezet en de drie knechts bedienden
zwijgend. Toen de maaltijd was afgeloopen, beval de koningin (daar
het er zoo mee gesteld was, dat al de dames konden dansen en ook de
jongelui en een deel van hen zeer goed kon muziek maken en zingen)
dat de instrumenten zouden komen, en op haar order nam Dioneo een luit
en Fiammetta een viool en begonnen zacht een dans te spelen. Hierop
vormde de koningin met de andere dames te samen en twee jongelui een
balfiguur en begonnen met langzamen pas, nadat zij de knechts om te
eten hadden weggezonden, een rondedans. Toen dit geëindigd was, zongen
zij lieve en blijde liedjes. Dit duurde zoo voort, tot het tijd voor
de koningin werd om te gaan slapen: hierop, na aan allen de vrijheid
te hebben gegeven, begaven zich de drie jongelieden naar hun kamers,
van die der donna's gescheiden, waar zij de bedden opgemaakt en die
vol met bloemen vonden gelijk de zaal en insgelijks de dames hun
vertrekken: hierop gingen zij, na zich ontkleed te hebben, te bed.

Het was niet ver van negen uur, toen de koningin ontwaakt, al de
anderen deed opstaan, ook de jongelui, daar zij beweerde, dat het
nadeelig was te veel overdag te slapen. Aldus begaven zij zich naar
een kleine weide, waar het gras groen en hoog was en men nergens de
zon zag, en toen, terwijl ze een luwe wind voelden komen, plaatsten
allen gelijk de koningin het verlangde, zich in een cirkel, tot wien
zij aldus sprak:

Gelijk gij ziet, is de zon hoog en de warmte groot, en toch hoort
men niets dan den krekel onder de olijfboomen; hierom zou het zonder
twijfel dwaas zijn zich naar een andere plaats te begeven. Hier is het
mooi en frisch verblijven en hier gelijk gij ziet, zijn betaalmeesters
en schatkamers [5] en ieder kan, al naar het hem bevalt, zich genoegen
verschaffen. Maar als het mij schijnt, dat iets volgt, wat niet behaagt
en dat aan den geest van de eene partij bevalt wat met niet al te veel
genoegen den andere dus minder schikt of waarvan het twijfelachtig is,
zullen we (hoewel het zich kan voordoen, dat een verteller het geheele
gezelschap, dat toehoort, vermaakt) het verhalen gedurende dit heete
gedeelte van den dag uitstellen. Gij zult geen historie behoeven te
eindigen, voordat de zon gedaald is en de warmte verdwenen en wij
kunnen, wanneer het U aangenamer is, pret gaan maken en wanneer,
wat ik u zeg, u bevalt, (daar ik bereid ben uw zin te volgen) doet
dat dan, en wanneer het u mishaagt, zal ieder doen tot het avonduur
wat hem goeddunkt. De dames en de heeren vonden het alle even goed
te verhalen. Dan, zeide de koningin, als dat u aanstaat, dan wil ik,
dat ieder den eersten dag vrij zij om de stof te kiezen, die hem het
aangenaamst is. En naar Pamfilo gekeerd, die rechts van haar zat,
zeide zij vriendelijk, dat hij voor de anderen den aanvang maakte
met een van zijn vertellingen, waarop Pamfilo dadelijk, het bevel
vernomen hebbend, door allen aangehoord, aldus begon:



Eerste Dag.



Eerste Vertelling.

    Sinjeur Ciappelletto [6] bedriegt een vromen monnik met
    een valsche biecht en sterft en na gedurende zijn leven een
    slechte kerel geweest te zijn, wordt hij na den dood als een
    heilige bekend en San Ciappelletto genoemd.


Het is een uitgemaakte zaak, liefste donna's, dat de mensch van elk
ding, dat hij doet, de oorzaak toeschrijft aan den bewonderenswaardigen
en heiligen naam van Hem, die van alles de Schepper was. Daarom, nu
ik als de eerste met ons vertellen een begin moet maken, ben ik van
plan aan te vangen met een van Zijn wonderlijke werken, opdat, wanneer
gij dit hebt gehoord, de hoop in Hem zich als in een onwrikbaar iets
versterkt en Zijn naam steeds door ons geprezen zij. Het is duidelijk,
omdat de wereldsche zaken allen voorbijgaande en eindig zijn, dat ze
ook in zichzelf en buiten zichzelf vol verdriet en angst en moeite
zijn en aan eindelooze gevaren blootstellen, welke in geen geval wij,
die hierin betrokken leven en er een deel van vormen, noch kunnen
verduren noch overwinnen, indien niet de bijzondere genade Gods en
diens wijsheid er zich toe leende. Wij kunnen niet gelooven, dat dit
voor ons en in ons uit eenige verdienste ontstaat, maar dat dit uit
Zijn eigen goedheid voortkomt, doordrongen van de gebeden van hen,
die--gelijk wij--stervelingen waren en die bij hun leven Zijn geboden
volgend, thans met hem onsterfelijk en gelukzalig zijn geworden. Aan
hen dragen wij zelf, als aan pleitbezorgers door ervaring bekend met
onze zwakheid, de zaken, die ons geschikt lijken op, misschien omdat
wij zelf niet moedig genoeg zijn onze gebeden te brengen onder het
oog van zulk een Rechter. En laten wij nog meer van Hem opmerken,
die jegens ons vol vrome welwillendheid is, dat het ons misschien
dan overkomt, daar hij de scherpte van het sterfelijk oog niet in de
geheimen van den goddelijken geest kan inwijden, dat wij, bedrogen
door onze meening, Hem van te voren tot pleitbezorger maken van een
soort gedachte, welke door dien geest met eeuwige ballingschap is
afgewezen. En toch verhoort hij, voor wien niets verborgen is en die
meer let op de reinheid der bedoeling van den smeekende dan op zijn
onwetendheid of op het afkeurenswaardige van zijn verlangen, hen die
tot Hem bidden, alsof die onder zijn aanblik zalig waren. Dit zal
duidelijk blijken uit de geschiedenis, die ik ga verhalen; duidelijk
zeg ik, niet Gods oordeel, maar dat wat de meening der menschen is.

Men vertelt dan, dat toen Musciatto Franzesi [7] van een zeer rijk en
groot koopman ridder was geworden en met Charles Sansterre, den broeder
van den koning van Frankrijk naar Toscane moest komen, ontboden en tot
gaan bewogen door paus Bonifacius, hij zijn gelden, gelijk vaak met die
der kooplieden het geval is, hier en daar in veel credietbrieven had
omgezet en ze niet gemakkelijk kon innen; hij dacht dit aan meerdere
personen op te dragen en vond voor alles een middel; alleen bleef hij
in twijfel wien hij voldoende kon vertrouwen om die van verschillende
Bourgondiërs los te krijgen. De reden van dien twijfel was, dat hij
wist, dat de Bourgondiërs twistzieke lieden van slecht soort en kwade
trouw waren en er schoot hem niemand te binnen van zoo groote slimheid,
dat hij er op aan kon, dat die er aan gewaagd was. Toen hij daarover
lang genoeg had gepeinsd, dacht hij aan een zekeren sinjeur Ciapperello
uit Prato, die dikwijls in zijn huis te Parijs verscheen. Daar de
Franschen van hem, omdat hij klein van persoon was en zeer net van
uiterlijk, niet begrepen, wat Cepparello wou zeggen, en geloofden, dat
hij zich Chapelet noemde,--dat is krans in hun taal--gaven zij hem,
daar hij klein was, gelijk wij zeiden, niet den naam van Cappello
maar Ciappelletto en als Ciappelletto werd hij overal bekend, daar
weinigen slechts hem als sinjeur Ciapperello kenden.

Die Ciappelletto had de volgende levenswijze: hij was notaris, maar
hij zou zich geweldig geschaamd hebben, wanneer hij onder zijn acten,
(waarvan hij er slechts weinig opmaakte) een anders dan valsch zou
geweest zijn; hiervan maakte hij er zooveel als verlangd werd en hij
gaf die liever voor niets dan een echte, die goed werd betaald. Hij
legde met het grootste plezier valsche eeden af, gevraagd of niet
en daar men in dien tijd in Frankrijk sterk op een eed vertrouwde,
en hij er niet om gaf ze valsch af te leggen, won hij te kwader
trouw zooveel processen als waar in hij geroepen werd onder eede de
waarheid te spreken. Hij had er buitengewoon veel genoegen in en hij
legde er zich sterk op toe om tusschen vrienden en bloedverwanten en
welke andere personen ook, haat en vijandschap en schandalen te doen
ontstaan, en hoe erger kwaad hij er uit zag volgen, hoe meer plezier
hij er in had. Werd hij gevraagd voor een moord of eenige andere
misdaad dan, zonder ooit te weigeren, nam hij er gaarne aandeel in;
hij liet er zich best voor vinden met eigen handen meermalen menschen
te wonden en te dooden. Hij was een groot lasteraar van God en de
heiligen en bij de nietigste zaak vloekte hij. Nooit ging hij naar
de kerk en hij smaadde al haar sacramenten met afschuwelijke taal als
booze dingen; daarentegen had hij de gewoonte naar kroegen en andere
slechte plaatsen te gaan. Hij hield net zooveel van de vrouwen als de
honden van een stok; hij gaf zich meer dan eenig ander treurig soort
man aan tegennatuurlijke zonde over; hij pleegde roof met hetzelfde
gevoelen, waarmee een vroom man geofferd zou hebben; hij was een
vreeselijke vreter en zuiplap telkens, als een of andere keer hem
iets hinderde, en een speler en een valsche dobbelaar. Waarom ik in
zooveel woorden over hem uitwijd? Omdat hij de grootste schoelje was,
die ooit werd geboren. De macht en den rang van messire Musciatto
steunden zijn boosheid langen tijd, waardoor hij menigmaal zoowel
ook door particulieren, die hij dikwijls genoeg beleedigde als door
het hof, hetwelk hij het altijd deed, gevreesd werd.

Toen die sinjeur Cepparello in de gedachten kwam van messire Musciatto,
die zijn leven uitstekend kende, meende genoemde heer Musciatto,
dat deze de ware was, welke de slechte gezindheid der Bourgondiërs
vereischte; daarom liet hij hem roepen en sprak hem aldus toe:
Sinjeur Ciappelletto, gelijk gij weet, wil ik mij van hier geheel
terugtrekken en daar ik onder anderen met de Bourgondiërs heb te
maken, zeer oneerlijke lui, weet ik niemand door wien ik beter het
mijne kan laten opeischen bij hun dan u en omdat u op het oogenblik
niets anders doet dan waar ik plan heb u toe te gebruiken, ben ik
van zins u den gunst van het hof te verschaffen en u dat aandeel te
geven van wat gij int, wat we overeenkomen. Ser Ciappelletto, die
niets om handen had en met wereldsch goed slecht bedeeld was en die
zich zag ontgaan, wat hem lang tot steun en toevlucht was geweest,
overlegde bij zich zelf zonder eenig uitstel, door nood gedwongen
en zeide, dat hij heel graag wilde. Hierna, toen ze het samen eens
werden, sinjeur Ciappelletto de bescherming en gunstige brieven van
den koning ontving en messire Musciatto vertrokken was, ging hij naar
Bourgondië, waar haast niemand hem kende. Daar begon hij, tegen zijn
natuur, op goedaardige en vriendelijke manier die schulden te innen
en deed, alsof hij gekomen was om tot het uiterste het twisten te
verhinderen. Terwijl hij zoo handelde en verblijf hield in het huis
van twee broeders uit Florence, die op woeker leenden en hem uit
vriendschap voor den heer Musciatto goed ontvingen, wilde het geval,
dat hij ziek werd, waarop de twee broeders doktoren lieten komen en
oppassers, die hem zouden bijstaan en alles wat voor zijn gezondheid
goed was lieten halen. Maar alle hulp was ijdel, omdat de goede man,
die al oud was en die losbandig had geleefd, naar de doktoren zeiden,
van dag tot dag van kwaad tot erger verviel als een doodelijk zieke
en daarover waren de gebroeders zeer treurig. Op een goeden dag,
dicht genoeg bij de kamer, waar ser Ciappelletto ziek lag, begonnen
zij aldus met elkaar te spreken: Wat zullen we, zei de een tot den
ander, met hem doen? Wij hebben van zijn toestand de ongunstigste
gegevens; daarom zou het schande en een teeken van weinig verstand
zijn hem zoo ziek uit ons huis te sturen, nadat de menschen zouden
zien, dat wij hem eerst hebben ontvangen en daarna zoo zorgzaam
hebben laten bedienen en genezen en dat wij hem nu, zonder dat
hij iets tot ons ongenoegen deed, opeens uit ons huis en doodziek
zouden wegzenden. Aan den anderen kant is het zoo'n gemeene kerel
geweest, dat hij niet zal willen biechten, noch eenig sacrament van
de Kerk zal willen aannemen, en als hij zonder biecht sterft, zal
geen enkele kerk zijn lichaam willen opnemen en hij daarna als een
hond in kuilen worden gegooid. Als hij toch biecht, zijn zijn zonden
zoo talrijk en zoo erg, dat hetzelfde er van zal komen, omdat noch
monnik noch priester hem zal willen of kunnen absolutie geven; zoo,
niet gezuiverd, zal hij toch in een kuil worden geworpen. Indien dit
gebeurt, zal het volk van deze streek zoowel omdat ons vak hun zeer
gemeen schijnt en zij er den ganschen dag kwaad van spreken als omdat
zij lust hebben ons te berooven, dit ziende, zich tot een opstootje
verheffen en schreeuwen: Die Lombardische [8] honden, die geen een kerk
wil begraven, mag men hier niet langer dulden, en zij zullen op onze
huizen toe loopen en wellicht, zullen zij hier niet alleen ons goed
rooven, maar de personen, bij wien wij in een slecht daglicht staan,
zullen ons vermoorden, als hij sterft. Ser Ciappelletto, die, gelijk
wij zeiden, dichtbij lag, waar zij redeneerden, had een fijn gehoor,
gelijk we dat dikwijls bij zieken zien, en vernam, wat die van hem
zeiden. Hij liet ze tot zich roepen en zeide hen: Ik wil niet, dat
gij op eenigerlei manier voor mij angst hebt, noch dat gij vrees hebt
door mij voor de minste schade; ik heb opgevangen, wat gij over mij
te zeggen hadt, en ik ben er zeker van, dat dit zou kunnen gebeuren
gelijk gij zegt, als het noodzakelijk was, wat gij meent; maar het zal
anders gaan. Ik heb God den Heere zoo zeer beleedigd in mijn leven,
dat door het bij mijn sterven nog eens te doen, dit niets meer of
minder zal beteekenen. En daarom doet uw best bij mij een heilige en
waardige broeder te doen komen, de beste, dien gij kunt krijgen en
die er te vinden is. Laat mij gaan, die flink uw zaken en de mijnen
zal in orde brengen, zoodat alles goed afloopt en gij tevreden zult
zijn. Hoewel de twee broeders er niet veel hoop op hadden, gingen zij
toch er op uit naar een monniksorde en verzochten om een heiligen
en wijzen man, die _een Lombardiër_ de biecht wilde afnemen, welke
in hun huis ziek lag. Hun werd een oude broeder meegegeven, van een
heilig en goed leven, een groot schriftgeleerde en zeer eerwaardig,
voor welke de burgers de grootste en bijzondere eerbied hadden; zij
begeleidden hem. Toen hij in de kamer kwam, waar ser Ciappelletto lag
en zich naast hem had neergezet, begon hij hem eerst zachtmoedig te
troosten en daarna vroeg hij hem hoe lang geleden hij eertijds gebiecht
had. Hierop antwoordde ser Ciappelletto, die nog nooit had gebiecht:
Mijn vader, ik ben gewoon eens in de week op zijn minst te biechten,
hoewel er genoeg weken zijn, dat ik het meer doe: het is waar,
dat ik, sinds ik ziek werd, acht dagen geleden, niet biechtte; zoo
groot is de stoornis, die de ziekte bij mij heeft veroorzaakt. Toen
zeide de broeder: "Mijn zoon, gij hebt wel gedaan en zoo moet gij
voortaan blijven doen. Ik zie wel, daar gij dikwijls biecht, dat ik
weinig zal te hooren en te vragen hebben." Ser Ciappelletto zeide:
"Heer broeder, spreek zoo niet, ik biechtte nooit zooveel en zoo
dikwijls, dat ik ooit in het algemeen al mijn zonden kon biechten,
die ik mij mocht herinneren van af mijn geboorte tot aan den dag van
deze biecht, en daarom bid ik, mijn goede vader, dat gij mij alles
zoo nauwkeurig zult afvragen alsof ik nog nooit gebiecht had en let
er niet op, dat ik ziek werd, want ik wil liever het vleesch pijnigen
dan dat ik door dit te bevredigen, schade zou doen aan mijn ziel,
die mijn Verlosser met zijn dierbaar Bloed redde."

Deze woorden bevielen den heiligen man zeer, en dit scheen hem een
teeken van een goedgestemde ziel; daar hij die wijze van doen aan
sinjeur Ciappelletto zeer had aanbevolen, begon hij te vragen of
hij ooit in wellust met eenige vrouw had gezondigd. Hierop antwoordde
Ciappelletto zuchtend: "Mijn vader, ik schaam mij u hiervan de waarheid
te zeggen, vreezend, dat ik zal zondigen door zelfverheffing." Toen
sprak de heilige broeder: "Zeg gerust wat waar is, want noch in
de biecht noch bij eenige andere daad zondigt men ooit." Waarop ser
Ciappelletto antwoordde: "Daar gij mij hieromtrent gerust stelt, zal ik
het u maar zeggen. Ik ben zoo maagdelijk als toen ik uit het lichaam
van mijn moeder kwam." "Dat God U zegene!" sprak de broeder. "Dan
hebt gij wel gehandeld! En gij hebt hierdoor zooveel meer verdienste,
daar gij, bij dien wil, meer vrijheid hadt het tegengestelde te doen
dan wij en alle anderen, die aan eenigen regel gebonden zijn." Hierop
vroeg hij hem, of hij nooit door eenige zonde van vraatzucht Gode zou
mishaagd hebben; toen antwoordde sinjeur Ciappelletto zuchtend van
ja en menigmaal: omdat het zoo met hem gesteld was, dat hij behalve
bij de groote vasten, waaraan zich jaarlijks vrome menschen houden,
minstens drie maal per week gewoon was dit te doen met water en brood
en met veel lust en trek water had gedronken. In het bijzonder wanneer
hij een vermoeienis had doorstaan, gebeden had of een pelgrimstocht
had gedaan, dronk hij als een groote wijndrinker en menigmaal had
hij dan evenveel zin in een kruidensalade als de vrouwen, wanneer
zij naar de stad gaan. En het eten scheen hem meermalen beter,
dan het schijnen moest aan elk, die uit vroomheid vastte gelijk
hij deed. Daarop antwoordde de broeder: "Mijn zoon, deze zonden zijn
natuurlijk en zeer licht; en hiervoor verg ik niet, dat gij uw geweten
meer bezwaart dan noodig is. Ieder mensch schijnt het na lang vasten,
hoe heilig hij ook zij, goed te eten en na vermoeienis te drinken."

"O," hernam ser Ciappelletto, "mijn vader, zeg dat niet om mij te
troosten; weet wel, dat ik mij bewust ben, dat de dingen, die God ten
gevalle geschieden, allen zeer rein gedaan moeten worden en zonder
eenigen afkeer des harten en dat wie anders handelt, zondigt." De
broeder voegde er zeer tevreden bij: "Ik ben zeer tevreden, dat Uw ziel
U zoo beheerscht, en Uw zuiver en goed geweten bevalt mij zeer. Maar,
zeg mij, hebt gij wel hebzucht gezondigd door meer te begeeren dan
geoorloofd was of te behouden, wat U niet toekwam?" Toen sprak ser
Ciappelletto: "Mijn vader, ik zou niet willen, dat gij mij wantrouwt,
omdat ik in het huis van die woekeraars ben: ik heb hier niets te
maken, daar ik hier veeleer gekomen ben om hen te waarschuwen en
te vermanen en hen van hebzucht af te houden. Ik geloof ook, dat
ik geslaagd was, als God mij niet aldus had bezocht. Maar gij dient
te weten, dat mijn vader mij als een rijk man achterliet, maar dat
ik het meeste, toen hij dood was, aan aalmoezen wegschonk, en toen
om mijn leven te behouden en om de armen van Christus te helpen,
heb ik kleine zaken gedreven. Hiermee heb ik geld willen verdienen
en heb altijd met Gods armen de helft gedeeld, mijn deel gebruikend
voor mijn behoefte, en ik schonk het andere aan hen. Daarin heeft
mijn Schepper mij zoo goed geholpen, dat ik mijn zaken steeds beter
heb gedreven." "Gij hebt goed gehandeld," zei de broeder, "maar hebt
ge U niet dikwijls boos gemaakt?" "O," zeide de heer Ciappelletto,
"dit kan ik u zeggen, dat ik dit vaak heb gedaan. En wie zou zich in
kunnen houden, als hij ziet, dat alle menschen slechte dingen doen,
de geboden Gods niet volgen en zijn uitspraken niet vreezen? Ik
heb menigen dag liever willen sterven dan leven, als ik zag hoe de
jongelingen zich aan ijdelheid overgeven, en als ik ze zag vloeken en
zweren, kroegloopen, niet naar de kerk gaan en veeleer een wereldsch
leven lijden dan een naar God gericht." Toen zeide de broeder: "Mijn
zoon dit is een goed soort toorn, en ik zou u daarvoor geen boete
kunnen opleggen. Maar heeft de toorn U soms vervoerd een moord te
doen of iemand te schelden of op eenige wijze te beleedigen?" Waarop
sinjeur Ciappelletto antwoordde: "Wee mij, heer, gij schijnt mij een
man Gods, daar gij mij dusdanige woorden zegt! O indien ik toch maar de
geringste gedachte zou hebben gehad van een der dingen, die gij zegt,
gelooft gij dan, dat ik meenen zou, dat God mij zoo had beschermd? Dat
zijn dingen, die moordenaars doen en slechte kerels, tot welke ik
ieder uur, dat ik er een zag, altijd heb gezegd: 'Ga, opdat God U
verbetere.'" Toen zeide de broeder: "Mijn zoon, zeg mij nu, opdat God
U zegene, hebt gij nooit valsche getuigenis afgelegd tegen iemand,
of kwaad van anderen gesproken of vreemde dingen van anderen gehouden
zonder dat zij als eigenaars dit goed vonden?" "Nooit, eerwaarde,"
hernam ser Ciappelletto, "heb ik van anderen kwaad gesproken, al
had ik vroeger een buurman, die met het grootste onrecht ter wereld
niets deed dan zijn vrouw slaan, zoodat ik eens kwaad van hem sprak
tot de verwanten van zijn vrouw; zooveel medelijden kreeg ik met die
ongelukkige, welke hij, telkens als hij te veel had gedronken, sloeg,
dat God er wel over zal oordeelen." Dan sprak de broeder: "Goed zoo;
je zegt mij, dat je handelsman geweest bent? Hebt gij nooit iemand
bedrogen gelijk kooplui dat doen?" "Bij God, ja, waarde heer, maar ik
weet niet wie het zou zijn dan een, die mij geld heeft gebracht, mij
schuldig voor een laken, dat ik aan hem verkocht, en ik deed het in
een geldkistje zonder het te wisselen, waarop ik na een maand vond,
dat er vier kleine geldstukken meer in waren dan moest. Daar ik hem
niet meer terug zag en ik ze wel een jaar lang had bewaard om ze
hem terug te geven, offerde ik ze als aalmoes." De broeder sprak:
"Dat was niet erg en je handelde wel door zoo te hebben gedaan." En
behalve dat vroeg hem de heilige broeder nog vele andere dingen, waarop
hij op die wijze antwoordde. En toen hij reeds tot de absolutie wilde
overgaan, zeide sinjeur Ciappelletto: "Mijnheer, ik heb nog één zonde,
die ik U niet heb verteld." De broeder vroeg welke en hij zei: "Ik
herinner mij, dat ik eens mijn dienaars Zaterdagsavonds het huis liet
vegen en aldus den Sabbat niet zoo heiligde als het behoorde." "O,"
sprak de broeder, "mijn zoon, dat beteekent niet veel." "Neen,"
zei sinjeur Ciappelletto, "zeg dat niet, dat het goed is om den
Zondag niet te eeren, omdat op dien dag onze Heer uit den doode tot
het leven opstond." Toen vroeg de broeder: "Hebt gij ook iets anders
gedaan?" "Ja heer," antwoordde sinjeur Ciappelletto: "ik heb eenmaal
per ongeluk in Gods kerk gespuwd." De pater begon te glimlachen en
zeide: "Mijn zoon, dat is geen zaak om je over te bekommeren; wij, die
vroom zijn, spuwen er den ganschen dag." Toen zeide ser Ciappelletto:
"Dan doet gij groot kwaad, omdat niets reiner moet gehouden worden dan
de tempel, waarin men Gode offert." En in het kort vertelde hij nog
veel en eindelijk begon hij te zuchten en erg te klagen, als iemand,
die het maar al te goed kan als hij dit wil. De vrome broeder vroeg:
"Wat heb je, mijn zoon?" Ser Ciappelletto hernam: "Wee mij, heer, dat
mij één zonde verbleven is, die ik nooit beken, zoo groote schaamte
voel ik om die te zeggen, en iedere keer, dat ik er aan denk, klaag
ik gelijk gij ziet en het schijnt mij zeer zeker, dat God nooit
zal vergeven, wat ik heb misdreven." Toen vroeg de heilige broeder:
"Kom, kom mijn zoon, wat zegt ge? Als alle zonden van alle menschen,
of alle zonden, bedreven zoolang als de wereld zal duren, op een mensch
rustten en hij zou zoo vol berouw en boetvaardig zijn als ik U zie,
dan is de goedheid en de barmhartigheid van God zoo groot, dat Hij,
indien hij Hem biecht, hem vrijelijk zou vergeven; en vertel die daarom
gerust." Toen zeide sinjeur Ciappelletto steeds erg klagende: "Wee
mij, mijn vader, het is een te groote zonde, en ik kan ternauwernood
gelooven, indien uwe gebeden er niet toe medewerken, dat die mij ooit
door God vergeven wordt." Hierop gaf de broeder tot bescheid: "Zeg
het gerust, daar ik U beloof God voor U te bidden." Ser Ciappelletto
klaagde toch nog en zeide het niet, maar de broeder spoorde hem
aan. Sinjeur Ciappelletto hield den monnik echter zeer langen tijd op;
hij slaakte een diepe zucht en zei: "Mijn vader, indien gij mij kunt
beloven tot God te bidden, zal ik het U zeggen. Weet, dat ik eens,
toen ik zeer klein was, mijn moeder heb uitgescholden." Toen hij dit
gezegd had, begon hij weer te weenen. De broeder sprak: "Mijn zoon,
schijnt U dat nu zulk een groote zonde? De menschen beleedigen God den
ganschen dag en toch vergeeft hij gaarne wien het berouwt Hem te hebben
beleedigd en gij gelooft niet, dat Hij U dit zal vergeven? Ween niet,
wees getroost, want zeker, als gij er een waart geweest van hen, die
Hem aan het kruis sloegen, en dezen Uw wroeging hadden, zou Hij het
U vergeven." Toen zeide sinjeur Ciappelletto: "Wee mij, mijn vader,
wat zegt gij? Mijn goede moeder, die mij negen maanden dag en nacht in
het lichaam droeg en mij honderd maal aan het hart drukte, heb ik te
veel kwaad gedaan door haar uit te schelden en dat is een te groote
zonde en als gij niet tot God bidt, zal Hij mij niet vergeven." Toen
de broeder zag, dat ser Ciappelletto niets anders te vertellen had,
gaf hij hem absolutie en zijn zegen en hield hem voor een heilig man,
alsof het waar was, wat ser Ciappelletto gezegd had. En wie zou het
niet geloofd hebben, die iemand stervende zoo zou hooren spreken? Toen
na dit alles zeide hij tot hem: "Sinjeur Ciappelletto, met Gods hulp
zult gij spoedig een heilige zijn; maar indien het mocht gebeuren,
dat God Uw gezegende en wel gestemde ziel tot zich zou roepen, zou het
U dan behagen, dat uw lichaam in ons klooster wordt begraven." Hierop
antwoordde deze: "Zeker, mijnheer, ik zou nergens liever willen zijn,
daar gij beloofd hebt tot God voor mij te bidden zonder dat ik ooit
speciale vereering voor Uw orde heb gehad. En daarom bid ik U, dat,
zoo gij in Uw klooster zult zijn, gij zorgt, dat het ware Lichaam van
Christus tot mij komt, wat gij 's ochtends op het altaar heiligt:
omdat ik (hoewel ik het niet waard ben) plan heb met Uw verlof het
tot mij te nemen en daarna het laatste, heilige oliesel, opdat ik,
zoo ik als zondaar heb geleefd, althans als christen zal sterven." De
heilige man zeide, dat het hem zeer beviel en dat hij wel sprak en
zou maken, dat het hem dan gebracht werd; en zoo geschiedde het. De
twee broeders, die er sterk aan twijfelden of ser Ciappelletto ze
niet bedroog, hadden zich opgesteld bij een beschot, welke de kamer,
waar die lag, scheidde van de andere en al luisterend, hoorden
en verstonden zij gemakkelijk wat hij tot den broeder zeide. Ja,
zij hadden elken keer zoo'n lust tot lachen, de dingen hoorend, die
hij had bekend, dat zij er haast van barstten en tot elkaar zeiden:
"Wàt een kerel is dat, dien noch ouderdom, noch zwakheid, noch vrees
voor den dood, waar hij zich nabij ziet, noch voor God voor wiens
rechterstoel hij verwacht binnen korten tijd te moeten verschijnen,
kunnen afbrengen van zijn boosheid, en dat hij wil sterven zooals
hij heeft geleefd." Maar toen zij toch zagen, dat wat hij gezegd had,
zou gebeuren, dat hij in de kerk zou begraven worden, konden zij hun
lachen niet houden. Kort daarop hield hij het Heilig Avondmaal en daar
hij steeds erger werd, kreeg hij het laatste Oliesel; en kort na den
avond van den dag, waarop hij de goede biecht had afgelegd, stierf
hij. Daar hij op zijn eigen aandringen op eervolle wijze wou begraven
worden en bevolen had dit te zeggen aan de monniken in het klooster,
en dat zij zouden waken volgens gebruik, 's avonds en 's morgens, bij
zijn lijk beschikten zij alles daartoe op de beste wijze. De heilige
broeder, die hem de biecht had afgenomen, hoorend dat hij dood was,
onderhield zich met den prior van het klooster en toonde aan, nadat
hij de kapittelklok had doen luiden voor de vereenigde priesters, dat
ser Ciappelletto een heilige was geweest, volgens de biecht, die hij
hem had afgenomen. En hopend, dat God de Heer door hem vele wonderen
zou doen, overtuigde hij hen, dat zijn lichaam met den grootsten
eerbied en wijding moest worden ontvangen, waar de prior en de andere,
goedgeloovige broeders op ingingen. Toen zij 's avonds allen daarheen
waren gegaan, waar het lichaam van ser Ciappelletto lag, hielden zij er
een groote en plechtige nachtwake en 's ochtends alle gekleed in hun
doophemden en misgewaden, met boeken in de hand en de kruisen voorop,
gingen zij zingend naar dit lijk en vervoerden het met groote pracht
en plechtigheid naar hun kerk, terwijl haast de gansche bevolking
der stad volgde. Zij plaatsten het in de kerk; de heilige broeder,
die hem had gebiecht, besteeg den kansel en begon van hem en zijn
leven, van zijn vasten, van zijn maagdelijkheid, van zijn eenvoud en
onschuld en zijn wonderbare heiligheid te prediken, en verhaalde wat
onder andere dingen ser Ciappelletto als zijn grootste zonde weenend
bekend had en hoe hij hem ternauwernood uit het hoofd had gepraat,
dat God hem zou vergeven en zich hiervan afwendend om zich te keeren
tot het luisterende volk zeide hij: "En gij, door God vervloekten,
bij iedere stroohalm, die u tusschen de voeten komt, smaadt gij God en
de Madonna, en heel het hemelrijk." Bovendien verhaalde hij veel van
zijn oprechtheid en van zijn reinheid, en in het kort met de woorden,
waaraan de menschen van die streek sterk geloof hechtten, vervulde
hij den geest met zooveel eerbied bij allen die daar waren, dat,
toen de dienst gedaan was, met het grootste gedrang van de wereld
alles samen liep om hem hoofd en handen te kussen. Al de kleeren
werden hem van het lijf getrokken, zoodat zich voor gelukkig hield,
wie er slechts een stukje van kon bemachtigen. Men kwam overeen, dat
het lijk daar den ganschen dag bewaard bleef, opdat het door allen
kon gezien en bezocht worden. Daarna werd hij den volgenden nacht in
een marmeren kist in een kapel eerbiedig bijgezet en dadelijk begonnen
den volgenden dag de menschen er heen te gaan, kaarsen aan te steken,
hem te aanbidden en bij gevolg ook aan hem geloften te doen en er
beelden van was heen te brengen in overeenstemming met hun gedane
beloften. Zoo groeide de faam van zijn heiligheid aan en de vereering
voor hem, dat er bijna niemand was in tegenspoed, die aan een anderen
Heilige dan aan hem geloften deed en zij noemden hem en noemen hem nog
San Ciappelletto. Men verzekert, dat God door hem vele wonderen heeft
verricht en nog iedere dag het doet voor elk, die zich devoot bij hem
aanbeveelt. Zoo leefde en stierf ser Ciappelletto van Prato en werd
heilig gelijk gij hebt gehoord. Ik wil het niet als mogelijk ontkennen,
dat hij zalig is geworden in Gods tegenwoordigheid, indien hij, hoewel
zijn leven gemeen en slecht was, op het uiterste zooveel wroeging
heeft gehad, dat misschien God zich over hem ontfermd zal hebben en
hem in zijn rijk zal hebben opgenomen: maar omdat dit onbekend is, naar
hetgeen recht kan schijnen, denk ik dan ook, dat hij eer in handen van
den duivel in verdoemenis is geraakt dan in het Paradijs. Is dit zoo,
dan kan men de zeer groote goedheid van God jegens ons daaruit kennen,
die niet op onze afdwaling lettend, maar op de reinheid van ons geloof,
aldus een vijand tot bemiddelaar voor ons maakt, terwijl wij meenen,
dat het een vriend is, en ons verhoort, alsof hij een echte heilige
was, als bemiddelaar van zijn genade in de tegenwoordige ellende. En
laat ons in dit zoo blijmoedig gezelschap gezond zijn en wel bewaard,
terwijl wij Zijn Naam prijzen, gelijk wij het in het begin deden,
en Hem eerbiedigen omdat wij Hem onze behoeften toevertrouwen, en er
zeker van zijn verhoord te worden. Hierop zweeg hij.



Tweede Vertelling.

    _De Jood Abraham [9] reist op aandrang van Jeannot de Sevigny
    naar het Hof van Rome en als hij daar de verdorvenheid der
    priesters ziet, gaat hij terug naar Parijs en wordt Christen._


Voor een deel lachten de donna's om de vertelling van Pamfilo en
over het geheel prezen de dames dit verhaal. Toen dit aandachtig was
aangehoord en ten einde gebracht, zette Neifile zich naast hem. De
koningin beval haar nu er een te vertellen, opdat zij de orde van
het aangevangen vermaak zou volgen. Zij, door niet minder hoffelijke
gewoonten dan door schoonheid uitmuntend antwoordde vriendelijk, dat
zij gaarne wilde en begon aldus: Pamfilo heeft in zijn vertelling
aangetoond, hoe Gods goedheid geen acht geeft op onze dwalingen,
wanneer zij voortvloeien uit iets wat wij niet kennen. Maar ik wil
in mijn verhaal U toonen, hoe diezelfde goedertierenheid geduldig
de gebreken verdraagt van hen, die en met daden en met woorden van
die fouten het ware bewijs geven, omdat zij slecht handelen. En
die goedheid doet uit zich zelf de kracht van onfeilbare waarheid
blijken, opdat wij, met des te meer standvastigheid van ziel nakomen,
wat wij gelooven.

Aldus, genadige donna's heb ik vroeger hooren vertellen, dat er in
Parijs een groot koopman leefde en een goed mensch, die Jeannot de
Sevigny werd genoemd, loyaal en rechtschapen en die een groote zaak
had in goederen. Hij had een bijzondere vriendschap voor een zeer
rijken jood, Abraham genaamd, die ook koopman was en een zeer eerlijk
en rondborstig man. Jeannot, die deze rechtschapenheid en eerlijkheid
zag, begon zeer te vreezen, dat de ziel van zulk een waardig, wijs
en goed man door gebrek aan Geloof te loor zou gaan. Daarom begon
hij hem vriendschappelijk te bidden, dat hij de dwalingen van het
joodsche Geloof zou laten varen en tot de christelijke Waarheid zich
zou bekeeren, die hij als heilig en echt altijd kon zien bloeien en
sterk worden; terwijl hij zijn geloof integendeel kon zien verminderen
en vergaan. De Jood antwoordde, dat hij niets heilig noch goed achtte
dan het Jodendom, dat hij daarin geboren was, er in wilde leven en
sterven en dat niets hem er ook van af zou brengen. Jeannot hield
echter niet op, of na eenige dagen kwam hij er met dergelijke woorden
weer op terug en toonde hem door redeneeringen zoo bot als kooplui er
op nahouden, waarom onze godsdienst beter was dan de Joodsche. Hoewel
de Jood van de israëlitische wet een groot kenner was, begonnen toch,
hetzij dat de groote vriendschap, die hij voor Jeannot had, hem bewoog
of dat misschien de woorden, welke de Heilige Geest den onnoozelen
man op de tong legde, het deden, de redeneeringen van Jeannot hem
zeer te behagen; maar toch koppig in zijn geloof, liet hij zich
niet overtuigen. Daar hij hardnekkig bleef en Jeannot nooit ophield
hem te overreden, zeide eindelijk de Jood door zulk een voortdurend
aandringen overwonnen: Kijk Jeannot, het bevalt jou, dat ik Christen
word en ik ben bereid dit te doen zoo waar als ik gereed ben eerst
naar Rome te reizen en daar hem te zien, dien gij Gods Stedehouder
op aarde noemt en zijn handelwijzen en gewoonten en eveneens die van
zijn broeders, de kardinalen. Indien dezen mij zóó schijnen, dat ik
door Uw woorden en door die dingen kan begrijpen, dat Uw geloof beter
is dan het mijne, gelijk ge U in het hoofd hebt gesteld te bewijzen,
dan zal ik doen, wat ik U gezegd heb; maar als het niet zoo mocht zijn,
zal ik Jood blijven gelijk ik het ben. Toen Jeannot dit had gehoord,
was hij zeer ontstemd, en zei in zichzelf: Ik heb de moeite verloren,
die het mij goed scheen aan te wenden in het vertrouwen, dat ik hem
zou bekeerd hebben, want wanneer deze man op reis gaat naar Rome en
het slechte en schandelijke leven der geestelijken ziet, zal hij zich
niet laten doopen, maar wanneer hij al tot het Christendom bekeerd
was, zou hij weer Jood worden. Tot Abraham gewend zeide hij: Zeg,
vriend, waarom wilt ge zooveel moeite doen en kosten maken, om van
hier naar Rome te gaan, daargelaten dat dit voor een rijke man als
gij zoowel ter zee als te land vol gevaar is. Geloof je soms, dat je
niemand vindt, die je hier kan doopen? En indien je misschien eenig
wantrouwen hebt jegens het geloof, dat ik je uiteenzet, zijn er dáár
dan soms betere meesters en geleerdere mannen dan die U hier kunnen
verklaren, wat gij zult verlangen of vragen? Daarom schijnt het mij,
dat Uw tocht overtollig is. Denk, dat de priesters daar dezelfden
zijn als die gij hier hebt kunnen zien en dat ze hier bovendien nog
beter zijn dan die in de nabijheid van den Opperherder. En die reis
zal volgens mijn raad U op een andere keer tot genoegen strekken,
doordat ik U dan zal gezelschap houden. Hierop antwoordde de Jood:
Ik wil gelooven, Jeannot, dat alles is, zooals gij mij zegt, maar
om kort te gaan, ik ben (indien gij wilt, dat ik doe wat gij mij
zoo hebt gevraagd) bereid er heen te trekken, en anders zal er niets
van komen. Jeannot, die zijn voornemen gewaar was geworden, hernam:
Ga dan met goed geluk. Hij dacht in zichzelf, dat die nooit Christen
zou worden, als hij het Hof van Rome zien zou, maar toch drong hij er
nu op aan, daar er niets meer bij te verliezen was. De Jood steeg te
paard en zoo snel hij kon, ging hij naar Rome, waar hij, aangekomen,
door zijn geloofsgenooten eervol werd ontvangen. Hij bleef daar zonder
te zeggen met welk doel hij er was en begon aandachtig te letten op
de zeden van den Paus en van de kardinalen en van de andere prelaten
en van al de hovelingen. Zoowel wat hij als scherpziend man ondervond
als wat hij vernam, deed hem begrijpen, dat allen van den hoogsten
tot den laagsten in het algemeen op de schandelijkste manier zich
aan wellust overgaven, en niet alleen aan natuurlijke maar ook aan
tegennatuurlijke, zonder eenige hinder van wroeging of schaamte,
zoodat de macht van de boeleersters en schandknapen om er een of
andere belangrijke zaak tot stand te brengen van niet weinig invloed
was. Behalve dat kende hij ze over het algemeen als veelvraten,
drinkebroers, onmatigen en het meest na den wellust aan ander zingenot
verslaafd, gelijk stompzinnige dieren. Hoe meer hij verder oplette,
hoe meer hij gewaar werd, dat zij alle hebzuchtig en begeerig naar
geld waren zoo, dat zij menschelijk bloed gelijk dat van Christus
en de goddelijke dingen, hoe of ze ook heetten en hetzij ze tot de
offeranden of tot de schenkingen behoorden, voor geld verkochten en
kochten en beter zaken er mee deden en er meer makelaars voor hadden,
dan er te Parijs voor den lakenhandel of welke andere ook waren. Ze
hadden voor openlijke verkoop van kerkelijke ambten den naam:
"zorg voor aanstelling" en voor hebzucht den naam: "ondersteuning"
gekozen, alsof God, (de beteekenis van de woorden laten wij daar)
niet de bedoeling der verdorven gemoederen zou kennen en gelijk de
menschen zich door de namen der dingen zou kunnen laten bedriegen. Daar
die feiten met vele andere bij elkaar, waarover wij kunnen zwijgen,
den Jood mishaagden, omdat hij een matig en bescheiden man was, en het
hem scheen, dat hij genoeg had gezien, besloot hij naar Parijs terug te
keeren en deed dit. Daarna, sinds Jeannot wist, dat hij terug gekomen
was--en er al aan wanhoopte hem tot een Christen te maken, wanneer
hij daar vandaan terug keeren zou--maakten zij te samen een groot
feest. En toen hij eenige dagen uitgerust had, vroeg Jeannot hem wie
van den Paus en de kardinalen en de andere hovelingen hem beviel. De
Jood antwoordde hierop snel: Ik meen, dat God ze allen niets dan
kwaad zal doen; en ik zeg U dit, omdat ik, indien ik goed heb opgelet,
daar hoegenaamd geen heiligheid, vroomheid, goed werk of voorbeeldige
levenswijze of wat ook bij eenig geestelijke kon ontdekken maar het
kwam mij voor daar wellust, hebzucht, brasserij, dergelijke en erger
dingen (als er erger dingen in eenig opzicht kunnen bestaan) in al hun
glorie te aanschouwen. Ik houd Rome dan ook eerder voor een brandpunt
van duivelsche dan van goddelijke dingen. Daarom meen ik, dat Uw Herder
met de meest mogelijke haast, overleg en kunst en zoo ook al de anderen
er zich voor beijveren den christelijken godsdienst te vernietigen en
uit de wereld te helpen dáár, waar zij de grondslag en steun er van
moesten wezen. En omdat ik niet zie gebeuren wat zij najagen, maar
dat uw godsdienst voortdurend groeit en verlichter en klaarder wordt,
schijnt het mij dienovereenkomstig, dat ik den Heiligen Geest van
deze als van een, die waarder en heiliger is dan van eenige andere,
als grondslag en steun ervan moet beschouwen. Daarom, zoo ik star en
hard bleef tegenover uw aansporingen en geen Christen wilde worden,
zeg ik je nu ronduit, dat niets mij thans zou weerhouden Christen te
worden. Laten wij dus naar de kerk gaan en laat mij daar volgens de
verplichte gewoonte van Uw heilig Geloof doopen. Jeannot, die lijnrecht
het tegengestelde als gevolgtrekking hieruit had verwacht, was, toen
hij hem dit hoorde zeggen, de tevredenste mensch ter wereld. Hij ging
met hem naar de Notre Dame te Parijs en verzocht de priesters, dat zij
Abraham zouden doopen. Zij, na gehoord te hebben, wat hij vroeg, deden
dit bereidwillig en Jeannot hief hem van het heilig doopbekken op en
noemde hem Johannes. Later liet hij hem door groote en waardige mannen
in ons Geloof volledig onderrichten, wat hij zeer snel leerde en sedert
werd hij een goed en rechtschapen man, die een heilig leven leidde.



Derde Vertelling.

    _De Jood Melchisedek [10] onttrekt zich met een geschiedenis
    van drie ringen aan een hinderlaag hem door Saladin [11]
    gelegd._


Toen allen de geschiedenis van Neifile geprezen hadden en zij daarop
zweeg, begon Filomena, gelijk het de koningin behaagde, aldus te
spreken:

De geschiedenis, door Neifile verhaald, doet mij denken aan het
gevaarlijke geval, dat een Jood overkomen is. Omdat er al goeds
genoeg is verhaald van God en van de waarheid van ons Geloof moet
men het afdalen tot gebeurtenissen en daden van menschen niet gering
achten. Want men zal zien, als gij dit eenmaal gehoord hebt, dat gij
misschien slimmer zult worden in antwoorden op vragen, die u zouden
gesteld worden. Lieve vriendinnen, gij moet weten, dat, zooals de
dwaasheid vele malen anderen uit een gelukkigen toestand rukt en in
de grootste ellende brengt, aldus ook de wijsheid den verstandige
uit zeer groote gevaren helpen kan en hem tot groote en zekere rust
voert. En dat het waar is, dat de dwaasheid uit geluk in ellende
stort, ziet men door vele voorbeelden. Ik behoef U die thans niet
meer te vertellen, als ik er op let hoe dit al uit duizend gevallen
gebleken is. Maar dat het verstand de oorzaak is van troost, dat zal
ik, gelijk ik beloofde, door een geschiedenisje kortelijk bewijzen.

Saladin, wiens dapperheid zoo groot was, dat die hem niet slechts van
een onbeteekenend man tot Sultan van Babylon maakte, maar hem ook vele
overwinningen op saraceensche en christelijke koningen deed behalen,
had in verschillende oorlogen en door zijn kolossale praal al zijn
rijkdom verteerd en toen hij door een toevallig ongeluk een flinke
hoeveelheid geld noodig had en niet wist vanwaar hij het zeer spoedig
kon krijgen, dacht hij aan een rijken Jood, Melchisedek genaamd, die
te Alexandrië op woeker leende. Hij meende zich van dezen te kunnen
bedienen, wanneer hij wilde.

Maar hij was zóó gierig, dat hij het nooit van zelf zou hebben
gedaan. De Sultan wilde hem geen geweld aandoen; maar daar de nood
hem drong, zon hij er op met alle macht, hoe hij zich van den Jood
zou bedienen en kwam op het idee hem te dwingen onder een masker van
overreding. Hij liet hem roepen en ontving hem vriendelijk, liet hem
bij zich plaats nemen en zeide toen tot hem: "Mijn waarde vriend, ik
heb van verschillende menschen gehoord, dat gij zeer geleerd zijt en
in godsdienstzaken zeer hoog staat, daarom zou ik van U willen weten,
welke van de drie godsdiensten gij voor den waarachtigen houdt:
de joodsche, de mohammedaansche of de christelijke?" De Jood, die
werkelijk een wijs man was, merkte al te wel, dat Saladin het er op
toe legde hem in zijn woorden te vangen om hem een ander soort vraag
te stellen. Hij meende, dat hij geen van de drie godsdiensten meer dan
de anderen moest prijzen, opdat Saladin zijn doel niet bereikte. Daar
het hem er op aan scheen te komen een antwoord te geven, waardoor
hij niet te vangen was, kwam hem na zijn vernuft gescherpt te hebben,
snel voor den geest, wat hij moest zeggen en antwoordde hij:

"Heer, de vraag, die gij mij doet, is schoon, en om U te zeggen,
wat ik er van denk, acht ik het goed U een geschiedenis te vertellen,
die gij moet aanhooren. Als ik mij niet vergis, herinner ik mij vele
malen te hebben hooren verhalen, dat er eens een groot en rijk man
leefde, welke onder de duurdere steenen, die hij bij zijn schatten had,
een zeer schoon en kostbaar juweel bezat, dat hij om zijn waarde en
zijn schoonheid eer wilde bewijzen en tot in der eeuwigheid aan zijn
nakomelingen wilde nalaten. Hij beval, dat diegene van zijn zoons,
bij welke de ring, als hij hem dien had nagelaten, weer werd gevonden,
zijn erfgenaam zou zijn en dat die door de anderen als meerdere geëerd
en geëerbiedigd zou worden. Diegene aan wien die werd nagelaten,
volgde denzelfden weg bij zijn afstammelingen en die deed gelijk
zijn voorganger had gedaan. Om kort te gaan: zoo ging de ring door
vele opvolgers van hand tot hand tot hij eindelijk in handen kwam
van een, die drie knappe en brave zonen had, zeer gehoorzaam aan hun
vader, zoodat hij van alle drie evenveel hield. En de jongelingen,
die de traditie van den ring kenden, verlangden elk de meest geëerde
der drie te zijn, en ieder verzocht den vader, dat die naar zijn
beste weten, daar hij al oud was, hem den ring zou nalaten, als hij
kwam te sterven. De brave man, die ze alle drie evenzeer liefhad,
wist niet te besluiten aan wie hij hem zou nalaten, en dacht er
over na, daar hij die aan alle drie beloofd had, hoe ze alle drie
te voldoen. Heimelijk liet hij door een goed kunstenaar twee anderen
maken, die zoo op den eersten geleken, dat hij zelf, die ze had laten
vervaardigen, ternauwernood den echten er uit kende. En stervend gaf
hij in vertrouwen aan elk der drie er een. Ieder van hen wilde zich
na den dood des vaders de erfenis en de eer toeëigenen; de een wilde
den ander ongelijk geven en bij de opening van het testament toch
rechtvaardig handelen. Elk bracht zijn ring te voorschijn. Daar de
ringen zoo gelijk aan elkaar gevonden werden, dat men den rechten
niet kon onderkennen, bleef de vraag, wie de ware erfgenaam van
den vader was hangende en nog is deze onbeslist. En dit zeg ik u,
o heer, ook van de drie wetten, gegeven door God den Vader aan de
drie volken betreffende welke gij die vraag hebt gesteld: ieder
meent, dat zijn erfenis, zijn wet en zijn geboden de waren zijn;
maar wie ze heeft, is een vraag, die nog onopgelost is als die van
de drie ringen." Saladin bemerkte, hoe uitstekend Melchisedek aan
den strik had weten te ontkomen, dien hij hem voor de voeten had
gehouden. Daarom besloot de Sultan hem zijn nood toe te vertrouwen
en te zien of hij hem wilde helpen. Zoo deed hij en vertelde hem wat
hij van plan was geweest te doen, indien Melchisedek hem niet zoo
verstandig had geantwoord. De Jood leende hem ruimschoots elke som,
dien Saladin vroeg. Deze betaalde hem dien later geheel terug en
bovendien gaf hij hem groote geschenken, hield hem steeds tot vriend
en hij bleef bij hem een hoogen en eervollen rang bekleeden.



Vierde Vertelling.

    _Een monnik vervalt tot een zonde, waarop de zwaarste straf
    staat. Hij bewijst echter, dat zijn abt hetzelfde op zijn
    geweten heeft en redt zich zoodoende uit zijn verlegenheid._


Reeds zweeg Filomena, toen Dioneo, die naast haar zat, zonder eenig
bevel van de koningin af te wachten, volgens de ingestelde orde aldus
begon te vertellen:

Lieve dames, indien ik van al het voorgaande de strekking goed heb
begrepen, zijn wij hier om ons te amuseeren door verhalen te doen. En
opdat het tegenovergestelde niet gebeurt, meen ik, dat het aan ieder
vrij moet staan de historie te vertellen, welke hij of zij gelooft,
dat het meest u zal vermaken. Nu gij gehoord hebt hoe door de goede
betoogen van Jeannot de Sevigny Abrahams ziel werd gered en hoe
Melchisedek zijn rijkdommen door zijn wijsheid verdedigde tegen de
valstrikken van Saladin, ben ik van plan in het kort te vertellen
door welk een list een monnik aan de zwaarste straf ontkwam, zonder
dat ik van U afkeuring hoef te verwachten.

Er was in Lunigiana, een landstreek niet ver van Florence een klooster,
heiliger en talrijker aan monniken dan er thans een bestaat. Daar
leefde een jonge monnik, wiens kracht en jeugd de vasten noch de
nachtwaken konden verzwakken. Op een middag om twaalf uur, toen al
de andere monniken sliepen en hij alleen buiten de kerk was gekomen,
welke op een eenzame plaats lag, ontmoette hij toevallig een nog al
mooi meisje, waarschijnlijk de dochter van een der boeren uit den
omtrek, die door de velden ging om zekere kruiden te zoeken. Hij
had haar nog niet gezien of hij werd geweldig door vleeschelijke
lust aangegrepen. Toen hij haar genaderd was, begon hij met haar
te spreken en kwam zoo van het een op het ander. Hij kon het best
met haar vinden en voerde haar met zich mede in zijn cel, terwijl
niemand er iets van merkte. Hij, vervoerd door te veel begeerte,
minnekoosde onvoorzichtig. Toevallig ontwaakte de abt en bemerkte,
toen hij langzaam de cel voorbijging, het gerucht dat zij te zamen
maakten. Om de stemmen beter te onderscheiden naderde hij stil de deur
van de cel, luisterde en hoorde duidelijk, dat er een vrouwenstem bij
was. Hij was al beslist van zins om de deur te laten openmaken, toen
hij opeens bedacht, dat een andere tactiek beter zou zijn. Naar zijn
kamer teruggekeerd wachtte hij tot de monnik naar buiten zou komen. De
monnik, die nog met het grootste genoegen en vermaak met het meisje
bezig was, bleef toch voortdurend op zijn hoede. Het scheen hem,
dat hij eenig gerucht van voeten in de slaapzaal had gehoord. Hij
loerde door een kleine spleet en vermoedde, dat de abt het meisje in
zijn cel bemerkt had. Daar hij wist, dat hieruit groote straf voor hem
zou kunnen volgen, was hij zeer ontstemd. Maar hij liet het meisje er
niets van merken. Hij overlegde vlug en haastte zich een redmiddel te
vinden. Er viel hem een list in en hij ging, na er goed over gedacht te
hebben, er toe over. Terwijl hij net deed of hij genoeg van haar had,
zeide hij: Ik moet iets verzinnen om je hier uit te krijgen zonder dat
iemand het ziet; houdt je daarom, stil tot ik terug ben. Hij ging naar
buiten, sloot zijn cel, en ging recht op de kamer van den abt af en
bood hem den sleutel aan, gelijk iedere monnik gewoon was te doen,
als hij naar bed toe ging. Hij zei met een uitgestreken gezicht:
Heer, ik kon niet al het hout bij mij laten bezorgen, dat ik liet
hakken, en met uw verlof wil ik daarom naar het bosch gaan en het
laten brengen. De abt om beter de zonde te onderzoeken, die de monnik
had begaan, en meenende, dat hij niet door hem was opgemerkt, dacht
aan toeval, verheugde zich er over, nam gretig den sleutel aan en
gaf hem tegelijkertijd verlof. Toen hij hem zag weggaan, begon hij
na te denken wat hij zou doen; hij kon in tegenwoordigheid van alle
monniken zijn cel openen en hun zijn misdaad toonen; die hadden dan
geen reden tegen hem te mopperen, als hij den monnik zou straffen, of
hij kon eerst van haar hooren hoe de zaak gebeurd was. Hij bedacht:
het kan wel een vrouw of de dochter van een man zijn, die ik liever
de schande wil besparen aan alle monniken vertoond te worden. Hij
nam zich voor eerst te zien wie er was en daarna te beslissen. Stil
ging hij naar de cel, opende die, trad binnen en sloot de deur. Het
meisje zag den abt komen, werd zeer beangst en begon vreezend voor
schande te jammeren. De heer abt, die zijn oogen den kost gaf, en zag,
dat zij mooi en jong was, gevoelde dadelijk, hoewel hij oud was,
niet minder de prikkelingen des vleesches dan de jonge monnik, en
zei tot zich zelf: Wel, waarom zou ik geen plezier hebben, als ik in
de gelegenheid ben! Altijd heb ik verdriet en onaangenaamheden gehad
als ik het niet wilde. Dit is een mooi meisje en niemand ter wereld
weet het; als ik haar er toe kan krijgen, mij genoegen te doen, weet
ik niet waarom ik het zal laten. Wie zal het weten? Nooit zal iemand
het merken en verborgen zonde is al half vergeven. Dit geval zal
misschien nooit meer voorkomen. Ik meen, dat het zeer verstandig is
van het goede gebruik te maken, wanneer God de Heer het schenkt. Dit
zeggend, liet hij geheel het voornemen varen, waarmee hij gekomen was,
en naderde het meisje dichter, troostte haar langzaam aan en verzocht
haar niet te huilen. Hij kwam van het eene in het andere en deed haar
zijn begeerte kennen. Het meisje, dat noch van ijzer noch van goud was,
leende zich gemakkelijk er toe den abt genoegen te doen Hij omhelsde
en kuste haar herhaaldelijk en sprong in het bed van den monnik; daar
hij misschien het groote gewicht van zijn waardigheid in aanmerking
nam en de teedere leeftijd van het meisje en wellicht vreesde haar
door te veel zwaarte te hinderen, legde hij zich niet op haar boezem,
maar haar op zijn borst en langen tijd drukte hij haar aan zijn hart.

De monnik, die net had gedaan of hij naar het bosch was gegaan en in
de slaapzaal verborgen zat, dacht, toen hij den abt in zijn kamer zag,
en daardoor gerustgesteld, dat zijn list moest geslaagd wezen. En toen
de cel van binnen werd gesloten, was hij er absoluut zeker van. Hij
ging heen, liep voorzichtig naar een spleet, waardoor hij hoorde en
zag, wat de abt deed en sprak. Toen de abt lang genoeg met het meisje
samen was geweest, en haar in de cel had gesloten, ging hij terug
naar zijn kamer. Nadat hij de monnik gewaar was geworden en geloofde,
dat die uit het bosch was teruggekeerd, wou hij hem streng berispen
en hem laten opsluiten, opdat hij de veroverde buit voor zich alleen
behield. Nadat hij hem had laten roepen, onderhield hij hem zeer
ernstig met verontwaardigd gezicht en beval, dat hij naar den kerker
gebracht werd. De monnik antwoordde gevat: Heer, ik ben nog niet zoo
lang lid van de Orde van Sint-Benedictus, dat iedere bijzonderheid van
haar mij bekend is. Gij hebt mij nog niet geleerd, dat de monniken de
vrouwen niet tot last moeten hebben gelijk de vasten en de nachtwaken,
maar nadat gij mij dit hebt voorgedaan, beloof ik u, indien gij mij
dit vergeeft, hierin nooit meer te zondigen, en ik zal altijd doen,
wat ik u heb zien doen. De abt, die een slimmerd was, begreep dadelijk,
dat hij meer van hem wist en dat de monnik gezien had, wat die had
uitgehaald. Daarom spijtig over zijn eigen schuld, schaamde hij zich
den monnik aan te doen, wat hij zelf had verdiend. Hij vergaf hem en
legde hem over hetgeen hij gezien had het zwijgen op, en ze brachten
het meisje netjes naar buiten. En daarna kan men gerust gelooven,
dat zij haar meermalen lieten terugkomen.



Vijfde Vertelling.

    _De dwaze liefde van den koning van Frankrijk voor de markiezin
    van Montferrat wordt door haar bekoeld met een gastmaal van
    niets dan kippen en met eenige geestige woorden._ [12]


Toen de geschiedenis door Dioneo verteld was, trof hij eerst het hart
der luisterende donna's, zoodat ze een weinig verlegen werden. Zij
gaven daarvan het bewijs door den eerzamen blos, die op hun gelaat
verscheen. Zij zagen elkander aan konden zich toch ter nauwernood
van lachen onthouden en hoorden glimlachend toe. Nadat het slot
ervan gekomen was en zij eenige zachte woorden hadden geuit, waarmee
zij wilden doen blijken, dat zulke histories niet aan dames verteld
mochten worden, beval de koningin, naar Fiametta gekeerd, die bij
haar op het gras zat, dat zij den regel zou volgen. Deze begon vol
gratie en met een vriendelijk gelaat:

Het staat mij aan, dat wij begonnen zijn met de vertellingen te
bewijzen, hoe groot de kracht van schoone en juiste antwoorden is,
en omdat de mannen een groote neiging hebben om steeds een donna
te beminnen van veel hooger afkomst dan zij zelf en ook omdat de
vrouwen een zeer groote voorzichtigheid kenmerkt om zich te kunnen
behoeden tegen de liefde van een man hooger geplaatst dan zij, kwam
ik er toe, schoone dames, in de historie welke ik nu moet vertellen,
aan te toonen hoe een adellijke dame zoowel met daden als met woorden
zich daartegen beschermde en er anderen van afhield.

De markies van Montferrat [13], een man van grooten moed, een
banierdrager der Kerk, was bij een kruistocht der Christenen
over zee getrokken. Toen men aan het Hof van koning Philippus den
Eenoogigen, die zich voorbereidde uit Frankrijk denzelfden tocht
te maken, over zijn moed sprak, werd er door een ridder beweerd,
dat er onder de sterren geen paar bestond gelijk aan dat van den
markies en zijn vrouw. Want even als de markies onder de ridders
om iedere deugd beroemd was, was de markiezin onder alle dames
der wereld de schoonste en de waardigste. Deze woorden troffen den
koning van Frankrijk zóó, dat hij zonder haar ooit te hebben gezien,
haar dadelijk hartstochtelijk begon te beminnen en hij nam zich voor
bij den kruistocht waar hij aan meedeed, nergens anders in zee te
steken dan te Genua, opdat hij, door over land te gaan, een eerlijk
voorwendsel had, om de markiezin noodzakelijk te zien. Hij overlegde
in stilte, dat, als de markies er niet was, hij aan zijn begeerte
kon voldoen. Zoo gezegd, zoo gedaan. Hij ging na alle manschappen
vooruit gestuurd te hebben met weinig volk en edellieden op weg en
toen hij de landgoederen van den markies naderde, liet hij één dag te
voren aan de donna berichten, dat zij hem den volgenden morgen aan
het middagmaal moest verwachten. De edelvrouw, wijs en voorzichtig,
antwoordde vriendelijk, dat dit een gunst was hooger dan ieder andere
en dat hij welkom zou wezen. Zij dacht er over na, wat het beteekende,
dat een koning, van zoo'n karakter, terwijl haar echtgenoot er niet
was, haar kwam bezoeken. Het idee bedroog haar dan ook niet, dat haar
schoonheid hem aantrok. Niettemin als een waardige vrouw was zij bereid
hem te ontvangen. Zij had die goede mannen tot zich laten roepen,
die achter gebleven waren volgens wier raad zij bij iedere gelegenheid
orders liet geven, maar zij wilde de bevelen voor het gastmaal en de
spijzen zelf geven. Zonder verwijl liet zij zooveel kippen als er in
de streek maar te krijgen waren bijeen brengen en liet uitsluitend
daarvan door de koks de verschillende gerechten voor het koningsmaal
bereiden. De koning kwam dan ook op den bepaalden dag en werd met
groote feestelijkheid en eer door de donna ontvangen. Zij scheen
hem, terwijl hij haar aanschouwde schooner, waardiger en hoffelijker
dan hij uit de woorden van de ridders had opgemaakt. Hij bewonderde
haar uitermate en vleide haar zeer. Het wakkerde des te meer zijn
begeerte aan, omdat hij vond, dat zij zijn vroegere voorstelling
nog overtrof. Nadat hij eenige rust had genomen in de kamers, die
versierd waren gelijk dit behoort om zulk een koning te ontvangen,
zetten zich de vorst en de markiezin, toen het uur van het middagmaal
geslagen had, aan een disch en de andere werden naar hun rang aan
andere tafels onthaald. Daar de koning van vele spijzen bediend werd
en van zeer goede en kostbare wijnen en hij bovendien telkens de zeer
schoone markiezin aanzag, genoot hij buitengewoon. Maar toch toen het
eene gerecht na het andere kwam, begon de koning zich te verbazen,
toen hij gewaar werd, dat, hoe verscheiden die ook waren, zij toch
uit niets anders bestonden dan kip.

Daar de koning de plaats kende, waar hij was en wist, dat er overvloed
van wildbraad moest zijn en hij van zijn komst van te voren de donna
had verwittigd, had hij haar tijd gegeven om te laten jagen. Hoewel
hij zich daar zeer over verwonderde, wilde hij haar over niets anders
laten spreken dan over haar kippen en zich met vriendelijk gezicht
tot haar wendend, zeide hij: "Worden er in dit land, mevrouw, alleen
kippen geboren zonder één haan?"

De markiezin, die de vraag maar al te wel verstond, en daar het haar
scheen, dat God haar volgens haar verlangen nu de gunstige gelegenheid
had gegeven om haar opzet te doen blijken, antwoordde den koning en
keerde zich naar hem in trotsche houding: "Neen, Sire, maar de vrouwen,
hoewel zij als de kippen in tooi en rangorde verschillen, zijn hier
van nature evenals elders." Toen de koning die woorden begrepen had,
doorzag hij al te wel de reden van het gastmaal met kippen en de
beteekenis verborgen in dit antwoord. Hij werd er van overtuigd, dat
aan zulk een dame alle woorden verspild waren en dat geweld hier niet
gebruikt kon worden. Daarom vond hij het wijs zijn slecht ontvangen
hartstocht bij hem te kwader ure ontbrand, tot zijn eigen eer te
beteugelen. Zonder haar verder met opmerkingen te vervolgen, at hij
bevreesd voor haar antwoorden, zonder eenige hoop op succes. Toen
het afgeloopen was, bedankte hij haar voor de bewezen eer en wilde
met een spoedig vertrek zoo gauw mogelijk zijn trouweloos bedoelde
komst herstellen. Hij beval haar Gode aan en begaf zich naar Genua.



Zesde Vertelling.

    _Een oprechte leek straft door een aardige zet de huichelarij
    van de monniken._


Toen allen de waardigheid van de markiezin en de aardige kastijding
van den Koning van Frankrijk geprezen hadden, begon Emilia, die
naast Fiametta zat, en naar het de koningin behaagde, vrijmoedig te
vertellen: Ik zal op mijn beurt spreken over een geestig en lofwaardig
woord door een leek gericht tot een gierigen monnik.

Er leefde dan, o waarde jongelieden, nog niet lang geleden in onze
stad een Minderbroeder [14], Inquisiteur van kettersche misdaden, die
alles deed om heilig te schijnen en een hechte liefde te koesteren voor
het christelijk geloof. Maar hij onderzocht even goed wie een volle
beurs had als wien hij verdacht van ongeloof. Daarnaar strevende trof
hij toevallig een man aan, die rijker aan geld was dan aan verstand,
en die, niet door gebrek aan geloof, maar misschien door wijn en
overgroote vroolijkheid verhit, er toe kwam tot zijn dischgenooten
botweg te zeggen, dat hij zulk een goeden wijn had als zelfs Christus
nooit had gedronken. Dit gezegde werd den Inquisiteur overgebracht
en deze wist, dat het vermogen van den schuldige zeer groot was. Met
de grootste gestrengheid viel hij daarom op hem aan met het doel
hem een vreeselijk proces op den hals te schuiven, niet zoozeer
met het plan om zijn ongeloof bij het verhoor te verminderen als
wel om diens florijnen in handen te krijgen. Hij liet hem roepen,
en vroeg hem, of het waar was, wat hem ter ooren was gekomen. De
goede man bekende en verklaarde zijn bedoeling. Hierop antwoordde
de zeer heilige en vrome Inquisiteur van Sint Johannes Goudmond:
Je hebt dus Christus voor een drinker uitgemaakt en een liefhebber
van de heilige wijnen, alsof hij een Cinciglione [15] was, zoo'n
soort dronkelap en kroeglooper als jij. En nu wil je met ootmoedig
praten beweren, dat dit niets beteekent. Het is niet zoo min als het
jou schijnt, want je hebt er den brandstapel mee verdiend, indien we
handelden naar onze plicht. Met deze en andere woorden en het gezicht
van een strijder voor het geloof of die man Epicurus geweest was,
welke onsterfelijkheid der zielen ontkent, sprak hij hem toe. In
korten tijd joeg hij hem zulk een vrees aan, dat de brave man hem
met een goede hoeveelheid der genademiddelen van Johannes Goudmond
[16] de handen wou zalven. Dit hielp veel voor de ziekte der hebzucht
van de geestelijken en speciaal voor de Minderbroeders, die geen geld
mogen aanraken, opdat hij barmhartig jegens hem te werk zou gaan. Die
zalving, die zeer krachtig werkt, hoewel Galienus er nergens in zijn
medische werken van spreekt, had zooveel invloed, dat de brandstapel
door die genade verminderde tot het dragen van een kruisteeken. [17]
En alsof hij hem tot een kruistocht wilde noodzaken gaf hij hem om
er mooier uit te zien een geel kruis op zijn zwart goed. Buitendien
hield hij hem na het geld ontvangen te hebben, enkele dagen bij zich
gevangen, en legde hem als straf op, dat hij elken morgen een mis in
Santa Croce moest hooren en 's middags bij hem moest komen. De rest
van den dag kon hij doen, wat hij wou. Terwijl hij dit stipt deed,
lette hij op een goeden morgen, bij een mis op een evangeliumtekst,
waarin de volgende woorden werden gezongen: _U zal honderdvoudig
vergolden worden, en gij zult het eeuwige leven deelachtig worden_. Dit
prentte hij stevig in het geheugen en naar het gegeven bevel op het
uur van het tweede ontbijt bij den Inquisiteur gekomen, vond hij hem
daar aan het middagmaal. Deze vroeg hem of hij dien morgen de mis
had gehoord. Hij antwoordde daarop: Ja. Toen hernam de Inquisiteur:
Hoorde je daarin niets, waaraan je zoudt twijfelen of waarover je iets
wilde vragen? Heelemaal niet, hernam de brave kerel, aan niets wat
ik hoorde, twijfel ik, en alles houd ik voor zeker en waar. Maar ik
heb één ding gehoord, dat mij zeer groot medelijden heeft gegeven en
zal geven met U en Uw andere broeders, toen ik dacht aan den slechten
toestand, waarin gij hiernamaals komen zult. Toen sprak de Inquisiteur:
Wat was het woord, dat Uw medelijden met ons opwekte? De goede man
antwoordde: Monseigneur, het was dat woord van het Evangelium,
dat zegt: _U zal honderdvoudig vergolden worden en gij zult het
eeuwige leven deelachtig worden_. De Inquisiteur zei: Dat is zoo, maar
waardoor heeft dat woord U geroerd? Monseigneur, hernam de goede man,
ik zal het U zeggen: sinds ik hier kom, heb ik elken dag buiten aan
arme lieden, dan een, dan twee groote ketels met soep zien geven,
welke men voor de broeders van dit klooster en voor U van te voren
toch als overtollig ter zijde zet. Daarom, indien men voor elkeen er
honderd hiernamaals U teruggeeft, dan zult gij er zooveel ontvangen,
dat gij allen zult moeten verdrinken. Terwijl de anderen, die aan de
tafel van den Inquisiteur zaten, allen moesten lachen, merkte deze,
dat de soep-huichelarij gehekeld werd en verschoot geheel van kleur
en als hij zich niet voor zichzelf geschaamd had, had hij hem een
ander proces op den hals geschoven. Met die grap waren hij en de
andere schelmen zóó geraakt, dat hij in zijn kwade bui hem beval weg
te gaan en niet meer terug te komen.



Zevende Vertelling.

    _Bergamino straft op een bedekte manier met een verhaal
    van Primasseau en den abt de Cligny een plotse aanval van
    gierigheid van monseigneur Cane della Scala._ [18]


De bekoorlijkheid van Emilia en haar vertelling bewoog de koningin
en alle anderen om over het nieuwe bijbelsche inzicht van den man
met een kruis gebrandmerkt, te lachen en het te prijzen. Maar toen
de lachbui eindelijk bedaard was, begon Filostrato, aan wien de beurt
tot verhalen kwam, aldus te spreken: Het is een verdienstelijke zaak,
waarde dames, met een teeken dat te brandmerken, wat nooit verandert,
maar ook is het wonderlijk, wanneer iets ongewoons opeens zich
voordoet en dan dadelijk door een boogschutter wordt geraakt. Het
verdorven en liederlijke leven van de geestelijken, vaak een vast
bewijs van voortdurende slechtheid, geeft gemakkelijk genoeg stof
tot spreken. Die brave man deed goed, omdat hij den Inquisiteur en
de huichelachtige weldadigheid der broeders geeselde, wien het goed
dunkte die gift aan de armen te schenken, welke zij net zoo goed aan
een zwijn hadden kunnen geven of weg smijten. Maar ik acht den man
nog meer te prijzen, van welke ik moet spreken, wanneer ik hierbij
aan de voorgaande vertelling denk. Deze heer, Cane della Scala, een
best man, werd voor een plotseling opwellende gierigheid gestraft
met een verhaal, dat zoowel op hem als op anderen sloeg, namelijk dit:

Gelijk de faam door de heele wereld het doet hooren, was die
heer Cane della Scala, die in vele dingen zeer fortuinlijk was,
een der meest geziene en vrijgevigste lieden, die men sinds Keizer
Frederik de Tweede in Italië kende. Hij had het plan opgevat voor
een merkwaardig en wonderbaar feest in Verona. Toen er vele lieden
uit alle streken waren bijeengekomen en zeer velen van het hof van
allerlei rang, zag hij (wat de reden er ook van zij) ineens van het
feest af; ten deele onthaalde hij nog, die gekomen waren en liet
ze weer heengaan. Slechts een, Bergamino genaamd, een man van wiens
sierlijkheid en vaardigheid in het spreken men zich geen denkbeeld
kon vormen zonder hem te hooren, bleef achter zonder iets te krijgen
of verlof tot heengaan te ontvangen, en hoopte dat het feest nog zou
plaats hebben en dat hij er nog bij zou noodig zijn. Maar monseigneur
Cane wist, dat al wat men Bergamino gaf, net zoo goed in het vuur
kon worden gegooid. Toch liet hij hem er niets van blijken door
woord of daad. Bergamino, die na eenige dagen bemerkte, dat hij noch
genoodigd noch gevraagd werd voor de zaak, waartoe hij gekomen was en
die bovendien in het logement met zijn paarden en zijn knechts zijn
geld verteerde, begon misnoegd te worden. Maar toch wachtte hij af,
daar het hem nog niet goed scheen te vertrekken. Hij had drie kostbare
kleedingstukken meegebracht, die hem door andere heeren gegeven waren
om met eere op dat feest te verschijnen. Toen zijn waard betaling
vroeg, gaf hij hem eerst één kleedingstuk, en toen besloot hij,
indien hij nog langer bij zijn waard zou logeeren, hem het tweede
te geven. Daarna begon hij op kosten van het derde geld te verteren,
bereid nòg zoo lang te blijven als dat toereikend was.

Terwijl hij ten koste van het derde kleedingstuk bleef, stond
Bergamino, terwijl monseigneur Cane middagmaalde, met een vrij misnoegd
gezicht voor hem. Toen Cane dit zag, zei hij meer uit spotzucht
dan om het genoegen een geestig woord van hem te hooren: "Wat heb je
Bergamino? Je ziet er zoo kwaad uit; zeg mij het eens?" Daarop vertelde
Bergamino zonder een oogenblik zich te bedenken, alsof hij echter lang
had gepeinsd, naar aanleiding van zijn eigen geval, deze historie:
"Gij moet weten, mijnheer, dat Primasseau een man was zeer bedreven
in het Latijn en bovendien een zeer groot en vaardig dichter, wat
hem zoo geëerd en beroemd maakte, dat, waar nog niet iedereen hem op
het gezicht kende, door naam en faam elkeen toch wist wie Primasseau
was. Eens bevond hij zich te Parijs in armelijken toestand, waarin
hij meestentijds verkeerde, omdat zijn talent weinig gewaardeerd werd
door lieden, die het wel konden doen. Hij hoorde daar van den abt van
Cligny en men vertelde, dat hij meende na den Paus de rijkste prelaat
aan inkomsten te zijn, die Gods Kerk had. Hij hoorde van hem wonderbare
en zeer goede dingen vertellen, dat hij een hofhouding had en dat hij
nooit had geweigerd te laten eten en drinken wie er ook om vroeg,
mits het op zijn etensuur was. Toen Primasseau dat vernam, maakte
hij plan, daar hij een man was, die gaarne menschen en edellieden van
beteekenis zag, om de weelde van dien abt in oogenschouw te nemen en
vroeg hoe ver hij van Parijs woonde. Men antwoordde hem hierop een mijl
of zes vandaar op zijn landgoed. Primasseau meende er te kunnen zijn
op het etensuur, als hij 's ochtends vroeg wegging. Nadat hij zich
dus den weg had laten wijzen, en niemand vond, die hem vergezelde,
vreesde hij, te verdwalen en op een plaats te komen, waar hij niet zoo
makkelijk te eten zou krijgen. Daartoe nam hij, om van den honger geen
last te hebben, drie brooden mee en dacht, dat hij water, hoewel hij
er niet van hield, wel overal zou vinden. Toen hij de brooden in den
zak had gestopt, begaf hij zich op weg en de reis ging zoo goed, dat
hij voor het etensuur kwam dáár, waar de abt woonde. Hij ging binnen
en zag overal rond. Toen hij de groote menigte gedekte tafels had
gezien en de kolossale toebereiding in de keuken en de andere dingen
gereed voor het middagmaal, zei hij tot zichzelf: Dat is werkelijk
prachtig, zooals beweerd wordt. Terwijl hij op dat alles lette,
beval de hofmeester van den abt water aan te reiken voor de handen,
omdat het etenstijd was. Hierna ging iedereen aan tafel. Toevallig
werd Primasseau juist tegenover de deur geplaatst, waar de abt moest
doorgaan om in de eetzaal te komen. Het was in dat huis gewoonte,
dat men nooit aan tafel wijn of brood of iets anders te eten of te
drinken opdroeg, voor de abt zich aan den disch had neergezet. Toen de
hofmeester de tafel gedekt had, liet hij den abt zeggen, dat, wanneer
het hem behaagde, het middagmaal gereed stond. De abt liet zijn kamer
openen om in de zaal te gaan en zag toevallig onder het binnentreden
als de eerste, die hem in het oog viel, Primasseau, die er tamelijk
armelijk uitzag en dien hij van aanzien niet kende Toen de abt hem
had opgemerkt, kwam hem onverwachts een slechte gedachte in den geest,
die daarin nog nooit was opgerezen. Hij zei bij zich zelf: Kijk, wat
voor lui, wien ik geef van het mijne! Hij keerde weer terug, beval,
dat de kamer gesloten zou worden en vroeg aan hen, die bij hem waren of
iemand dien vagebond kende, welke tegenover den uitgang van de kamer
aan tafel zat. Iedereen antwoordde van neen. Primasseau had eetlust
als iemand, die geloopen heeft en die niet gewoon was te vasten. Hij
had al eenigen tijd gewacht en zag, dat de abt niet terug kwam. Toen
haalde hij een der drie brooden uit zijn zak, die hij meegenomen had
en begon te eten. Nadat de abt eenigen tijd weg was geweest, beval hij
een van zijn lieden te zien of Primasseau was vertrokken. De bediende
antwoordde: Neen, monseigneur, en hij eet brood, dat hij zeker mee
heeft gebracht. De abt hernam: Als hij zijn brood nu eet, zal hij van
het onze niets krijgen. De abt had gewild, dat Primasseau van zelf zou
zijn weggegaan, maar wilde hem er niet uit laten gooien, Primasseau
had al één brood gegeten, maar de abt kwam nog niet. Daarop begon
hij het tweede te eten; dat werd ook aan den abt verteld, die weer
had laten kijken of hij vertrokken was. Daar de abt maar niet kwam,
begon Primasseau het derde brood te eten, wat ook aan den priester
werd gemeld, die bij zich zelf begon te denken en te zeggen: Kijk,
wat voor nieuwen inval heb ik gekregen? Wat een gierigheid! Wat een
onwil! En om wien! Ik gaf het mijne te eten, reeds vele jaren, aan
ieder, die wilde zonder op te letten of die edelman was of dorper,
arm of rijk, koopman of afzetter en tal van bandieten heb ik voor mijn
oogen zien zwelgen zonder dat ooit in mijn ziel de gedachte opkwam,
die bij dezen man in mij rees. Die gierigheid zou mij zeker niet
hebben overvallen, als hij geen bijzonder mensch was. Hij lijkt mij een
bandiet, maar het moet een man van gewicht zijn, waar het mogelijk is,
dat mijn geest zich zóó verzet hem aldus te ontvangen. Na deze gedachte
wilde hij weten wie die man was en hoorde, dat hij Primasseau heette,
daar gekomen om zijn weelde te zien, waarvan hij had vernomen. De abt,
die hem al lang als een begaafd man had hooren noemen, schaamde zich
en verlangend alles goed te maken, deed zijn best hem op allerlei
wijze te onthalen. Na hem te laten eten, deed hij, gelijk het voor
Primasseau behoorde, hem voornaam kleeden en na hem geld en paarden
te hebben gegeven, kon hij gaan en staan, waar hij wilde. Primasseau
hierover tevreden, dankte hem zooveel hij kon en keerde te paard naar
Parijs terug, waaruit hij te voet was vertrokken." Monseigneur Cane,
die veel doorzicht had, begreep zonder verdere aanwijzing zeer goed,
wat Bergamino bedoelde en zeide glimlachend: "Bergamino, je hebt
mij genoeg je schade, je talent en mijn gierigheid doen kennen en,
ook wat je van mij begeert en heusch, het is de eerste maal, dat ik een
opwelling had van gierigheid, maar ik zal haar met den stok verjagen,
dien jij mij hebt gegeven." Na den waard van Bergamino betaald te
hebben en hem met een zeer voornaam gewaad te hebben bekleed en hem
geld en paarden te hebben gegeven, liet hij het aan hem over naar
welgevallen heen te gaan of te blijven.



Achtste Vertelling.

    _Guiglielmo Borstere straft met een grappig woord de gierigheid
    van monseigneur Ermino de' Grimaldi._


Naast Filostrato zat Lauretta, die, nadat zij de handigheid van
Bergamino had hooren prijzen en merkend, dat aan haar de beurt van
vertellen was, zonder eenig bevel af te wachten, aldus op bekoorlijke
wijze begon te spreken:

Waarde metgezellen. De vorige vertelling drijft mij er toe U er mee
te willen bekend maken hoe een waardig hoveling eveneens niet zonder
vrucht de hebzucht van een zeer rijk koopman strafte. Mijn vertelling
lijkt, wat de strekking betreft, op de voorgaande historie. Zij moet
U er echter niet minder om wezen, als gij bedenkt, dat er ten slotte
goeds uit voortkomt.

Er leefde dan in Genua lang geleden een ridder, Ermino de'Grimaldi
genaamd, welke (naar hetgeen door allen geloofd werd) door zeer
groote rijkdommen en gelden ver de rijkdom van alle andere zeer
welgestelde burgers overtrof, die men toen in Italië kende. Gelijk
hij elk overtrof met schatten, die Italiaan was, zoo was hij ook in
gierigheid en karigheid iederen anderen schraper en vrek, die er op
de wereld bestond, de baas. Niet alleen voor het onthalen van anderen
hield hij de beurs gesloten maar bij zaken voordeelig voor hem zelf,
stelde hij zich, om niets te verteren, aan groote ontberingen bloot
tegen de gewoonte der Genueezen, die zich voornaam kleedden. Evenzoo
deed hij met eten en drinken. Hierdoor en terecht was de eigennaam
der Grimaldi's vervallen en werd hij door ieder monseigneur Ermino
Avarizia (Gierigheid) genoemd.

Terwijl hij door niets te verteren, het zijne vermenigvuldigde, kwam
er eens te Genua een waardig, welgemanierd en welsprekend hoveling,
Guiglielmo Borsiere genaamd, in niets gelijk aan de tegenwoordige
ridders, die edellieden genoemd willen worden en als zoodanig bekend
willen zijn zonder groote schaamte over hun verdorven en schandelijk
leven.

Ze moesten liever ezels genoemd worden, omdat ze veeleer in de laagheid
en slechtheid der gemeenste lui zijn opgevoed dan aan hoven. Het was
in die tijden hun streven moeite te doen tot het sluiten van vrede,
waar strijd of twisten tusschen edellieden waren ontstaan, huwelijken,
familieverbindingen en vriendschap te doen sluiten, met schoone en
aardige woorden de zielen der bedroefden te troosten, de hofkringen
te amuseeren en met ernstige vermaningen vaderlijk de slechte lieden
te onderhouden en dit belangeloos. Thans leggen zij er zich op toe
hun tijd zoek te brengen met kwaad van elkaar te spreken, twist te
zaaien, slechte en treurige dingen te vertellen en wat nog erger is
ze openlijk te bedrijven en hun booze daden, schandalen en laagheden,
waar of niet, elkaar voor de voeten te gooien en met drogredenen
de goede menschen tot gemeene en schelmsche dingen te verleiden. En
hij wordt het meest gewaardeerd en het meest door die ellendige en
ontaarde heeren geëerd en met de grootste belooningen begiftigd,
die de laagste woorden zegt of de gemeenste daden doet, tot groote
schande en blaam voor de tegenwoordige wereld en als duidelijk bewijs,
dat de deugden al op dit ondermaansche verdwenen zijn en de schelmsche
en ellendelige stervelingen in een poel hebben achtergelaten.

Maar opdat ik den draad weer opvat, van welke ik door rechtmatige
verontwaardiging verder ben afgeweken dan ik wilde, vertel ik U thans,
dat voornoemde Guiglielmo door alle edellieden in Genua geëerd werd
en zeer gezien was. Hij was daar eenigen tijd en hoorde veel van de
schraperigheid en gierigheid van Ermino en was nieuwsgierig om hem te
ontmoeten. Monseigneur Ermino had al gehoord, dat de heer Borsiere
een voortreffelijk man was en daar hij bij al zijn gierigheid toch
een vonkje wellevendheid bezat, ontving hij hem met zeer vriendelijke
woorden en met een opgeruimd gezicht, liet zich over verschillende
dingen met hem in en leidde gedurende het gesprek hem en eenige
Genueezen, die mede waren gekomen, in een fraai, nieuw huis, dat hij
had laten bouwen en toen hij hem dit alles vertoond had, sprak hij
tot hem: Monseigneur Guiglielmo, U hebt toch veel gezien en gehoord,
kunt U mij één ding toonen, dat men nog nooit zag om het in mijn huis
te laten schilderen?

Guiglielmo antwoordde hem op zijn wonderlijke vraag: Mijnheer, ik
geloof niet U iets te kunnen noemen, wat men nog nooit heeft gezien
behalve het niesen of zoo iets; maar ik zou U wat willen noemen,
dat U zelf (naar ik geloof) nog nooit hebt gezien.

En wat zou dat dan zijn? vroeg Ermino.

Laat de Hoffelijkheid uitschilderen, antwoordde Guiglielmo.

Bij die woorden voelde de heer Ermino zich plotseling bevangen door
zulk een schaamte, dat die hem bewoog zijn geheele gezindheid te
veranderen en hij antwoordde: Mijnheer Guiglielmo, ik zal die zoo
laten schilderen, dat noch U, noch wie ook mij ooit weer zal kunnen
verwijten, dat ik haar noch gezien, noch gekend heb. En van dien
dag af werkten de woorden van Guiglielmo zoo sterk op hem, dat hij
de vrijgevigste en joviaalste edelman werd van de wereld en vreemden
en medeburgers met meer gastvrijheid ontving dan ieder ander Genuees.



Negende Vertelling.

    _De Koning van Cyprus, door een Gasconsche dame bestraft,
    wordt van een traag een werkzaam man._


Het laatste bevel van de koningin had betrekking op Elisa, die zonder
dit af te wachten, zeer opgeruimd begon:

Jonge dames. Het gebeurt dikwijls, dat, wanneer vele berispingen en
straffen bij iemand niet hielpen, een enkel woord per ongeluk--niet
eens met opzet--gezegd, baatte. Wat duidelijk bleek uit de vertelling
van Lauretta, zal ook ik U in het kort aantoonen. Want dit is iets,
hetwelk goede menschen altijd verheugt, wanneer het door hen aandachtig
wordt aangehoord, wie het ook vertelt.

In den tijd van den eersten koning van Cyprus, na de verovering van
het Heilige Land door Godfried van Bouillon [19] toog een edelvrouw
uit Gascogne ter bedevaart naar het Heilige Graf. Toen zij bij
haar terugreis op Cyprus kwam, werd zij door eenige gemeene lui
schandelijk mishandeld. Haar smart daarover was grenzenloos en zij
wilde zich bij den koning gaan beklagen. Maar men vertelde haar,
dat zij moeite deed voor niets, want de koning was zulk een traag
en lui mensch, dat hij op de klachten van anderen niet inging, en
dat hij zelfs niet den smaad, hem vaak zeer onbeschaamd toegevoegd,
wilde vervolgen. Daarom liet iedereen, die hem al had beleedigd, zich
jegens hem met verachting en schimp uit. De dame, die dit hoorde en
alle hoop opgaf, om voldoening te krijgen, nam zich voor haar toorn
wat te bekoelen en daartoe den koning zijn laffe luiheid voor de
voeten te werpen. Met tranen in de oogen trad ze voor hem en zeide:
"Sire, ik kom niet tot u om wraak te eischen voor den smaad, dien
men mij heeft aangedaan, maar ik wil u slechts om de gunst bidden,
dat gij mij leert, hoe gij de vele beleedigingen verdraagt, die men
(naar ik hoor) u dagelijksch toevoegt, opdat ook ik zal leeren de
mijnen gelaten te verduren. Ik zou die bij God gaarne aan u overdoen,
daar gij die zoo goed kunt verdragen."

De koning, die tot nu toe laksch en traag was geweest, leek uit een
droom te ontwaken. Hij wreekte zich voor de dame op de strengste
wijze over de haar aangedane beleediging en sinds dien tijd strafte
hij zoo zwaar mogelijk, ieder die het waagde, de eer van zijn kroon
aan te randen.



Tiende Vertelling.

    _Dokter Alberto van Bologna maakt op bedekte wijze een dame
    beschaamd, die hem voor den gek wil houden, omdat hij verliefd
    op haar is._


Nu Elisa zweeg, moest alleen de koningin nog vertellen, die met
vrouwelijke gratie zeide:

Waarde jongelui: Gelijk in de lichtende avonden de sterren het sieraad
des hemels zijn en in de lente de bloemen dit in de groene velden, zoo
zijn de geestige woorden het bij lofwaardige manieren en in aangename
gesprekken. Dezen passen, zoo zij kort zijn, beter aan de vrouwen dan
aan de mannen, daar veel en lang spreken, indien dit niet noodig is,
aan de dames meer dan aan de heeren misstaat, ofschoon er thans haast
geen donna voorkomt, die een aardig woord kent of op een gezegde,
indien ze het althans begrepen heeft, weet te antwoorden: Het is een
algemeen gebrek van ons en van alle vrouwen, die thans leven. Die
deugd, welke vroeger aanwezig was in den geest der voorvaderen hebben
de nakomelingen op uiterlijken tooi overgebracht; zoo ook gelooft
zij, die op haar lichaam meer gekleurd en geschakeerd laken en met
veel strepen heeft, daardoor meer in aanzien en meer geëerd te zijn
dan andere vrouwen. En zij denkt niet, dat een ezel nog veel meer
strepen zou dragen, indien er maar iemand was, die ze hem van voren
en van achteren aan deed, noch dat zij daarom ook niet meer dan een
ezel geëerd behoeft te worden.

Ik schaam mij dat te zeggen, daar ik niet aan anderen beken, wat ik
mij zelf verzwijg; die vrouwen zoo bont gekleed, zoo geschakeerd,
zoo gestreept, staan of als marmeren beelden stom en ongevoelig of
antwoorden niettemin, indien ze iets gevraagd wordt, zóó, dat het
beter zou geweest zijn, dat ze hadden gezwegen. Zij maken zich wijs,
dat het uit de reinheid der ziel voortkomt, wanneer dames en waardige
mannen niet met elkaar weten te praten, en aan hun stompheid hebben zij
den naam fatsoen gegeven, alsof slechts een dame fatsoenlijk zou zijn,
die alleen met haar knecht of werkvrouw of bakkersvrouw praat. Maar
indien de natuur dat gewild had, gelijk zij zich wijs maken, zou
deze dit geestig praten wel op andere wijze beletten. Het is waar,
dat hierbij als bij andere zaken in aanmerking genomen moet worden
de tijd en de plaats en de persoon met wien men spreekt. Want het
gebeurt menigmaal, dat een dame of heer gelooft met een geestig woord
een ander te doen blozen, maar zijn of haar krachten tegenover die van
een ander heeft overschat en de blos, welken hij bij anderen meende
op te wekken, bij zich zelf voelde opkomen. Opdat gij u daarvoor weet
te behoeden en bovendien, opdat men op u niet de volgende zegswijze
kan toepassen, die men gewoonlijk overal gebruikt, namelijk dat de
vrouwen in alles altijd het slechtst wegkomen, wil ik, dat gij deze
laatste vertelling van dezen dag, welke ik moet verhalen, onthoudt,
en opdat gij, die door zielenadel boven anderen uitmunt, ook door de
voortreffelijkheid van uwe manieren boven anderen toont uit te steken.

Nog niet vele jaren geleden leefde er in Bologna een zeer groot
medicus, door een schitterenden naam bekend over de heele wereld
en die er misschien nog leeft. Hij heette Maëstro Alberto [20],
was bijna zestig jaar oud en was zoo nobel van geest, dat zoo uit
het lichaam elke natuurlijke passie al verdwenen was, hij het niet
ontweek verliefd te worden bij een feest op een zeer schoone weduwe,
volgens het zeggen van enkelen, mevrouw Malgherida de' Ghisolieri
genaamd. Zij behaagde hem zeer, alsof hij een jongeling was, welke
de liefdevlammen in zich opneemt en die 's nachts niet goed scheen
te slapen, als hij den vorigen dag niet het schoone en teedere
gelaat van zijn donna had gezien. Dit hield hij vol soms te voet en
dan weer te paard, alnaar het hem het best leek langs het huis der
dame. Tengevolge daarvan bemerkten zij en vele andere donna's de reden
waarom hij telkens voorbij kwam. Meermalen spotten zij er samen over,
dat ze een man zoo oud en wijs verliefd zagen en dachten, dat die
hartstochtelijke liefde alleen in de dwaze zielen van jongelieden kon
post vatten en standvastig kon blijven. Daarom, toen maestro Alberto
steeds voorbij bleef komen, spraken zij op een zekeren feestdag met
elkaar, toen die dame met vele andere voor de deur van haar huis zat
en zij hem van verre zagen naderen af, hem te zamen te ontvangen,
hem beleefd te behandelen en hem daarna om zijn verliefdheid voor
den mal te houden. Zoo deden zij; zij stonden allen op en na hem
te hebben uitgenoodigd, leidden zij hem op een koele binnenplaats,
waar zij de fijnste wijnen en confituren lieten komen. Eindelijk
vroegen zij hem met vele schoone en lieve woorden, of hij op die
schoone dame verliefd was, terwijl hij toch wist, dat vele knappe,
aardige en geestige jongelui ook op haar verliefd waren. De dokter,
die zich op bedekte manier zag bespotten, trok een vriendelijk gezicht
en antwoordde: Dat ik verliefd ben, mevrouw, zal geen verstandig man
verwonderen en vooral niet, dat ik u bemin, die dit waard zijt. Wanneer
aan oude heeren door de Natuur de krachten ontnomen zijn, welke men
voor de liefde noodig heeft, ontbreekt hun daarom toch niet de goede
wil, noch het besef van wat het zeggen wil verliefd te zijn, maar zij
zijn zooveel beter kenners, omdat ze zooveel meer ondervinding hebben
dan jongelui. Nu wil ik u zeggen, waarom ik, oude man, nog hoop heb,
ofschoon gij door vele jongelieden bemind wordt.

Ik ben dikwijls bij het avondmaal geweest, waar ik de vrouwen
wolfsboonen en prei zag eten. Hoewel de prei geen goed eten is, maar
alleen de kop goed en lekker in den mond, houdt gij in het algemeen
door een verkeerden smaak geleid den kop in de hand en eet gij het
loof, dat niet alleen niet deugt, maar ook slecht smaakt. Zoo ik me
niet vergis, doet gij bij het kiezen van Uw minnaars hetzelfde. Indien
gij het niet doet, zal ik gekozen worden en de anderen zullen worden
weggeworpen. De edelvrouw schaamde zich en ook de andere dames;
zij zeide: Maëstro, gij hekelt onze bevooroordeelde denkwijze goed
en hoffelijk; Uwe liefde is mij zeer dierbaar gelijk die van een
verstandig en waardig man dit behoort te zijn en daarom kunt gij met
inachtneming van mijn eer, U elk genoegen gunnen, dat u behaagt. De
dokter stond met zijn geleide op, bedankte de dames, vertrok lachend
en nam vergenoegd afscheid. Zoo werd de vrouw, die niet vermeed iemand
te bespotten en geloofde te overwinnen, overwonnen. Gij, indien gij
wijs wilt zijn, moet daarvoor waken, dames!

Reeds was de zon ter kim gedaald en werd het zoeler, toen de
vertellingen van de jonge dames en de drie jonge heeren ten einde
waren. Daarom zeide de koningin op innemend wijze:

Thans, waarde gezellinnen, is er voor mij niets anders te doen op
dezen dag dan u een nieuwe koningin te geven, die wat er gebeuren
moet volgens uw oordeel, haar leven en het onze tot eerbaar vermaak
regelt, zoolang de dag nog duurt. Want wie niet te voren overlegt,
kan niet goed voor de toekomst zorgen. Opdat de nieuwe koningin
kan bedenken wat voor morgen goed is, meen ik, dat op dit uur de
volgende regeeringsdagen telkens moeten beginnen. En ter eere van
Hem, waardoor alles leeft en tot ons vermaak zal den volgenden
dag de zeer bescheiden jonge dame Filomena als koningin het bewind
voeren. Na dit gezegd te hebben, stond zij op, zette den lauwerkrans
af en overhandigde dien eerbiedig aan Filomena; zij eerst en daarna
al de anderen begroetten deze als koningin en onderwierpen zich
welwillend aan haar heerschappij. Filomena een weinig blozend van
verlegenheid, toen ze zich gekroond zag voor het bestier en zich de
woorden herinnerend kort te voren door Pampinea gesproken, vatte moed,
opdat zij niet dom zou schijnen en nam het gansche bestuur over, haar
zooeven door Pampinea geschonken. Zij stelde vast welk maal voor den
volgenden morgen en daarna moest worden gereed gemaakt en waar zij
den volgenden dag zouden verblijven en begon aldus te spreken:

Zeer waarde gezellinnen, hoewel Pampinea meer door haar hoffelijkheid
dan door mijn verdienste mij tot uw aller koningin heeft benoemd,
ben ik daarom toch niet geneigd in de manier van ons leven u mijn
oordeel op te dringen, maar samen te rade te gaan, en opdat gij weet
wat mij goed dunkt, en gij bijgevolg naar uw welgevallen er kunt
bijvoegen of afnemen, zal ik u mijn voornemen met weinig woorden
uiteenzetten. Indien ik nu wel heb acht gegeven op de regels, waar
Pampinea zich aan hield, schijnt het mij, dat gij die even lofwaardig
als aangenaam beschouwt. Voor zoover die regels door den langen duur of
om een andere reden niet vervelend worden, wil ik ze in stand houden.

Aangenomen dus de orde, waarmee we reeds zijn begonnen, zullen wij,
nadat we hier opstaan, ons een weinig gaan vermaken. Daar de zon
zal ondergaan, zullen wij, terwijl het frisch is, avondmalen en na
eenige gezangen en andere genoegens, zal het goed zijn om te gaan
slapen. Morgen, als we gedurende de koelte ontwaken, zullen wij ons
elders gaan vermaken. Naar elk dit verkiest en gelijk wij heden hebben
gedaan, zullen wij op het afgesproken uur gaan eten en dansen. Als
we weer opstaan, zullen we weer gaan vertellen. Het komt mij voor,
dat het grootste deel van het genoegen daarin bestaat en dat het ook
van nut is. Wat Pampinea niet kon doen, omdat zij te laat voor de
regeering was verkozen, wil ik vast stellen, namelijk binnen zekeren
duur elk verhaal te beperken en u dien aan te geven, opdat ieder
tijd hebbe om over een mooie vertelling naar een gegeven te denken,
namelijk, als 't U bevalt, dat het ook hierin gaat als bij het begin
der wereld, toen de menschen door verschillende lotgevallen bewogen
werden en het ook zullen zijn tot het einde toe en dat ook hier:
_Wat door verschillende oorzaken zich ook zal voordoen, boven alle
verwachting tot een goed einde zal voeren._

De dames en heeren prezen allen gelijkelijk dien regel en zeiden
dien te zullen volgen. Alleen Dioneo zeide, terwijl al de anderen
zwegen: Mevrouw, gelijk al die anderen hebben gezegd, vind ook ik,
dat de regel door u gesteld ten hoogste aangenaam en lofwaardig is,
maar ik vraag u als bijzondere genade een gunst, die mij moet worden
toegestaan, zoolang ons gezelschap bijeen zal wezen, en dat is deze:
dat ik niet aan die wet onderworpen word om een verhaal te doen op
aangegeven tijd, indien ik het niet wil, maar alleen wanneer het mij
aanstaat er een te vertellen. En opdat niemand geloove, dat ik die
gunst wil, als iemand, die geen verhalen kent, verzoek ik tot nader
order steeds de laatste te zijn. De koningin, die hem een aardig en
prettig man vond en die maar al te wel wist, dat hij dit niet vroeg
dan alleen om het gezelschap, wanneer het moe was van het spreken,
met een grappige vertelling op te vroolijken, schonk hem vriendelijk
met de toestemming der anderen dien gunst. Na te zijn opgestaan,
begaven zij zich met langzamen tred naar een beek, met rein helder
water, die van een bergje daalde in een vallei beschaduwd door vele
boomen tusschen bonte steenen en groene grassprieten. Daarna met
de schoenen uit en de bloote beenen door het water gaande begonnen
zij onder elkaar verschillende grappen te maken. Toen het uur van
het avondmaal naderde, keerden zij naar het paleis terug en aten
genoegelijk. Nadat zij de instrumenten hadden laten komen, beval de
koningin, dat een dans werd uitgevoerd en terwijl Lauretta leidde,
zong Emilia een lied met de mandoline. Lauretta vormde een dans en
regelde die, terwijl Emilia op verliefde wijze dit lied zong:



    Ik ben zoo verlangend naar mijn schoonen man,
    Dat ik nooit aan andere liefde
    Denken zal, noch ooit er hartstocht voor zal gevoelen.
    Ik zie in deze, elk uur, dat ik mij spiegel,
    Het goede, dat mijn ziel bevredigt,
    En dat noch een nieuwe gebeurtenis, noch een oude gedachte
    Mij zoo dierbaar genoegen kan ontrooven.
    Welk ander voorwerp van bekoring
    Zou ik dan ook ooit kunnen zien,
    Dat mij nieuw verlangen stortte in het hart?
    Dit heil, telkens als ik verlang
    Het weer te zien tot mijn bevrediging,
    Vlucht niet, maar zweeft mij dan voor
    Zoo zoet om te gevoelen, dat het met geen woorden
    Te zeggen is, noch ooit
    Voor een sterveling te begrijpen,
    Die niet van zulk een verlangen brandde.
    En ik, die van uur tot uur meer ontvlam,
    Hoe meer ik de oogen op hem houd gevestigd,
    Des te meer geef ik mij over, gansch lever ik mij hem over,
    Reeds proevend van wat hij mij heeft beloofd;
    En hooger vreugd voel ik al naderen
    Bij een hartstocht zooals men
    Nog nooit hier gevoelde.



Toen dit danslied uit was, waarop alle vroolijk hadden geantwoord,
hoewel de woorden ieder toch te denken gaven, behaagde het de koningin,
nadat eenige andere rondedansen waren gedaan en reeds een deel van
den korten nacht voorbij was, den eersten dag te eindigen. Zij beval,
nadat ze toortsen had laten aansteken, dat iedereen ging slapen. Toen
begaf zich elk naar zijn kamer en deed aldus.



Tweede Dag.

    _De eerste dag van de_ Decamerone _eindigt; de tweede vangt
    aan, waarop onder het bewind van_ Filomena _besproken wordt,
    wie door verschillende oorzaken gekweld is en boven alle
    verwachting met een heugelijk einde slaagt._


Reeds had de zon met zijn licht overal den nieuwen dag aangekondigd
en zongen de vogels op de groene takken lieve liederen en gaven er
aan de ooren getuigenis van, toen de donna's en de drie jongelieden
tegelijk opstonden, in de tuinen traden, waar zij de van dauw volle
grassprieten met de voeten doorwoelden, voor elkaar schoone kransen
vlochten en gedurende een lange wandeling zich vermaakten. Gelijk zij
den vorigen dag hadden gedaan, deden zij ook dezen; gedurende den tocht
aten zij en gingen zij na een kort bal rusten. Toen zij na den noen
opgestaan waren, kwamen zij aan een groene weide en zetten zich, gelijk
het de koningin behaagde, rondom haar in een kring neer. De koningin
was schoon en van zeer aangenaam uiterlijk. Zij bleef met haar krans
gekroond een oogenblik staan, zag het gansche gezelschap aan, en beval
aan Neifile, dat die een begin maken zou met de volgende vertellingen
en deze, zonder eenigen omhaal begon opgeruimd aldus te spreken:



Eerste Vertelling.

    _Martellino doet of hij kreupel geworden is en of hij door den
    heiligen Erich geneest. Als men zijn bedrog ontdekt, wordt
    hij geslagen en gevangen genomen. Hij loopt zelfs gevaar te
    worden opgehangen, maar ontkomt dit._ [21]


Liefste dames, het gebeurt menigmaal, dat wie er zich op toe heeft
gelegd anderen voor den mal te houden en het meest die zaken te
bespotten, die heilig zijn, zich zelf hiermee bespot ziet en dan met
schade terugkomt. Hiertoe wil ik, opdat ik aan het bevel der koningin
gehoorzaam en een begin maak met een vertelling, die van pas is,
u die verhalen van hetgeen eerst bij ongeluk en daarna boven al zijn
verwachting toch nog gelukkig, een onzer medeburgers overkwam.

Niet lang geleden was er te Treviso een Duitscher Erich genaamd,
die arm was en lastdrager van beroep. Men dacht algemeen, dat hij
een zeer heilig en goed leven leidde. Of dit nu waar was of niet,
toen hij stierf, beweerden de Trevisanen, begonnen op het uur van
zijn dood van de hoofdkerk van Treviso, hoewel door niemand geluid,
de klokken te bommen. Dit leek ieder een wonder en zij hielden allen
daarom Erich voor een heilige. De gansche bevolking van de stad liep
naar het huis, waar zijn stoffelijk overschot lag. Ze droegen het
als het lijk van een heilige naar de hoofdkerk en namen kreupelen,
lammen en blinden en anderen, door welk soort ziekte of gebrek ook
getroffen mede, alsof die alle door het aanraken van zijn lichaam
gezond konden worden. Gedurende dit tumult en dien toeloop, kwamen er
in Treviso drie van onze medeburgers, van welke de een Stecchi, de
ander Martellino en de derde Marchese heetten, mannen, die de hoven
der groote heeren bezochten en die met het nadoen van alle andere
menschen met gelijksoortige gebaren de toeschouwers vermaakten en
daarvan leefden. Zij waren daar nog nooit geweest en toen zij alle
menschen zagen toeloopen, verwonderden zij zich er over en de reden
vernemend waarom dit gebeurde, wenschten zij dit ook te zien. Nadat
zij hun bagage in een herberg hadden neergezet, zei Marchese: Wij
zullen dien heilige gaan kijken, maar ik begrijp nog niet, hoe wij er
komen kunnen, want ik heb gehoord, dat het plein vol Duitschers en
andere soldaten is, welke de heer van dit gebied er opstelde, opdat
er geen woeling plaats heeft en bovendien is de kerk, waarvan hier
sprake is, zoo vol menschen, dat om zoo te zeggen niemand er binnen
kan komen. Daarop zeide Martellino, die verlangend was dit te zien:
Daarvoor blijf ik niet; ik zal toch wel een middel vinden om tot het
heilige lichaam door te dringen. Marchese vroeg: Hoe? Martellino
antwoordde: Dat zal ik je vertellen. Ik zal mij voordoen als een
lamme en gij zult mij aan den eenen en Stecchi aan den anderen kant
ondersteunen, alsof ik niet loopen kan en jullie zult doen of je
me daarheen wilt voeren, opdat die heilige mij geneest; er is dan
niemand, die dit ziende geen plaats maakt en ons doorlaat. Dit beviel
aan Marchese en Stecchi en zonder verwijl werd uit de herberg gegaan
en op een eenzame plaats gekomen, verwrong Martellino zoo de handen,
de vingers, de armen, de beenen en ook het geheele gelaat, dat het
vreeselijk was om te zien en ieder, die het zou aanschouwd hebben,
zou gezegd hebben, dat hij werkelijk een geheel en al verloren man en
verlamd was. Nadat Marchese en Stecchi den zoo misvormden man hadden
vastgegrepen, begaven zij zich naar de kerk, met een heel vroom en
ootmoedig gezicht en vroegen om Gods wil aan ieder, die voor hen stond,
dat hij voor hen plaats zou maken, wat ze ook licht gedaan kregen. Om
kort te gaan, iedereen was welwillend, en terwijl ze overal riepen:
maak plaats! maak plaats! kwamen zij daar, waar het lichaam van den
heiligen Erich neergezet was. Door eenige edellieden die er omheen
stonden, werd Martellino vlug opgeheven en boven het het lichaam
gehouden, opdat hij aldus de zegen van de gezondheid verwierf.

Daar ieder nieuwsgierig was om te zien wat hem zou gebeuren, begon
Martellino na eenigen tijd in die houding gebleven te zijn, te doen
of hij een van de vingers uitstrekte en toen de hand en daarna den
arm en eindelijk rekte hij zich zoo geheel uit. Toen de menschen
dit zagen, ontstond er zoo'n tumult ter eere van den heiligen Erich,
dat men er den donder niet had kunnen hooren. Toevallig was er een
Florentijner in de buurt, die Martellino zeer goed kende, maar die
hem, daar hij zoo veranderd was, niet had herkend, en die, toen hij
hem weer normaal zag en ontdekte, begon te lachen en opeens zeide:
Heere, wat een treurig geval; wie zou niet geloofd hebben, die hem
zag komen, dat hij werkelijk verlamd was! Deze woorden hoorden eenige
Trevisanen, die terstond vroegen: Wat! Is die kerel niet lam? Waarop
de Florentijn antwoordde: Neen, God beware hem; hij is altijd recht
van lijf en leden geweest net als wij, maar hij weet beter dan wie
ook, zooals jullie hebt kunnen zien, de aardigheid te verkoopen om
zich in iedere gedaante voor te doen waarin hij dit wil.

Toen zij dit gehoord hadden, was er niets meer noodig om hen met kracht
naar voren te doen dringen. Zij begonnen te schreeuwen: Die verrader en
bespotter van God en de heiligen moet gevat worden, die niet lam is,
maar die zich zoo voordoet en hier kwam om met onzen heilige en ons
den draak te steken! Bij deze woorden grepen zij hem, trokken hem van
de plaats waar hij was, namen hem bij de haren, scheurden hem al de
kleeren stuk en begonnen hem vuistslagen en stompen te geven; er scheen
niemand te zijn, die daar niet aan meedeed. Martellino schreeuwde: Om
Godswil genade! en verweerde zich zoo goed hij kon. Maar dit beteekende
niets, de menigte werd steeds grooter. Stecchi en Marchese zagen dit,
zeiden elkaar, dat de zaak mis liep en twijfelend aan hun eigen kracht,
beijverden zij zich niet om hem te helpen; liever schreeuwden zij
met de anderen mede, dat hij dood was, maar hadden toch plan hem in
ieder geval uit de handen van het gepeupel te halen, dat hem zeker
zou hebben gedood, indien er geen middel was geweest, dat Marchese
dadelijk aangreep. Daar de geheele gewapende macht van het gebied
buiten stond, ging Marchese zoo snel hij kon naar hem toe, die er het
bevel voerde, en zeide: Help om Gods wil! Hier is een gemeene kerel,
die mijn beurs heeft gerold met wel honderd florijnen; ik bid u, dat
u hem gevangen neemt, opdat ik het mijne terug krijg. Onmiddellijk
liepen, toen zij dit hoorden, twaalf manschappen daarheen, waar den
armen Martellino zonder kam toilet werd gemaakt en toen zij met de
grootste moeite de menigte hadden uiteengedrongen, trokken zij hem lam
gebeukt en heelemaal plat getrapt uit haar handen en voerden hem naar
het stadhuis, waarheen velen hem volgden, die zich door hem voor den
mal gehouden achtten, en dien het dus scheen, toen zij gehoord hadden,
dat hij gearresteerd was als zakkenroller, dat zij geen beter middel
hadden hem een ongeluk aan te doen en daarom allen tegelijk begonnen
te vertellen, dat hij hen allen de beurs had ontroofd. De rechter
hoorde dit. Hij was een zeer streng man en nam hen snel in afzonderlijk
verhoor. Maar Martellino antwoordde schertsend, alsof hij niets om de
arrestatie gaf. De rechter werd hierover boos, liet hem op de pijnbank
leggen en verscheidene flinke slagen geven om hem te doen bekennen,
wat die lieden beweerden en hem dan te laten ophangen. Maar toen hij
weer opstond, vroeg de rechter hem of het waar was, wat zij tegen hem
inbrachten en dat het ontkennen niets hielp. Hij zeide: Neen, ik ben
bereid de waarheid te bekennen, maar laat ieder, die mij beschuldigt
zeggen, wanneer en waar ik hem de beurs stal en ik zal u zeggen,
wat ik gedaan heb en wat niet. De rechter sprak: Mij goed, en nadat
hij er enkelen had laten roepen, zeide de een, dat het acht dagen
geleden was, dat hij hem dien had ontstolen, de ander zes, de ander
vier en enkelen zeiden op dien dag zelf. Toen Martellino dat hoorde,
hernam hij: Neen, zij liegen, dat ze zwart zien en dat ik de waarheid
spreek, daarvan kan ik u het bewijs geven, omdat ik voor het eerst
hier ben gekomen. Toen ik hier pas aankwam, ging ik tot mijn ongeluk
dit heilige lichaam bezoeken, waar ik zoo afgeranseld vandaan ben
gekomen, als gij nu ziet. En dat--wat ik zeg--waar is, kan bewezen
worden door den beambte, die de paspoorten nakijkt, door zijn boek en
door mijn waard. Daarom, indien gij bevindt, dat wat ik beweer, zoo is,
zult gij mij niet dadelijk door die schelmen laten martelen en dooden.

Terwijl de zaken zoo stonden, zeiden Marchese en Stecchi tegen elkaar,
die gehoord hadden, dat de rechter tegen hem streng te werk ging en hem
al gepijnigd had, zeer bevreesd: Wij hebben heel verkeerd gehandeld en
hebben hem van den wal in de sloot geholpen. Derhalve gingen zij in
allerijl naar huis en toen zij hun waard gevonden hadden, vertelden
zij hem het gebeurde. Hij lachte over die geschiedenis en bracht hen
bij een zekeren Sandro Agolante, die in Treviso woonde en die zeer
in den gunst van den landsheer stond. Toen hem alles naar behooren
verteld was, verzochten de waard en zij, dat hij zich met het geval
van Martellino zou bemoeien. Sandro, na erg te hebben gelachen, ging
naar den landsheer en kreeg gedaan, dat Martellino werd ontboden;
dit gebeurde. De lieden, die naar hem toe gingen, vonden hem nog in
zijn hemd als voor den rechter en heel bang, omdat de rechter niets
tot zijn verontschuldiging wilde hooren. Daar die bovendien nogal haat
tegen de Florentijnen had, was hij geneigd om hem te laten opknoopen
en wilde hem volstrekt niet loslaten, voor hij zijns ondanks er toe
gedwongen werd.

Toen hij voor den heer stond en alles geregeld verteld had, verzocht
hij hem als hoogste genade hem te laten weggaan, omdat, zoolang hij
niet in Florence was, het hem zou schijnen, dat hij het touw van de
galg om zijn hals had. De landsheer barstte het uit van het lachen
over het gebeurde en na aan elk der drie een kleed te hebben gegeven,
keerden zij boven hun verwachting en aan een groot gevaar ontsnapt,
gezond en wel terug naar huis.



Tweede Vertelling.

    _Rinaldo d'Asti wordt beroofd, komt te Castel Guiglielmo,
    wordt daar opgenomen door een weduwe en keert na schadeloos
    te zijn gesteld, gezond en wel weer terug naar huis._ [22]


Over de lotgevallen van Martellino verteld door Neifile lachtten de
donna's uitermate en het meest onder de jongelui Filostrato, aan wien,
omdat hij bij Neifile zat, de koningin beval, dat hij het vertellen zou
vervolgen. Deze begon zonder verwijl: Schoone dames, ik heb lust u een
verhaal te doen van kerkschelmerij en liefde door elkaar. Het kan niets
anders dan nut stichten, als gij dit hebt gehoord, in het bijzonder
onder degenen, die door de onveilige landen der liefde zwerven,
bij hen, die het paternoster van San Giuliano [23] niet vele malen
hebben opgezegd, en die een goed bed, maar een slechte herberg vinden.

Er was dan in den tijd van den markies Azzo van Ferrara, een
koopman, Rinaldo d'Asti genaamd, die voor zijn zaken naar Bologna
was gegaan. Toen hij klaar was, naar huis ging, Ferrara verliet en te
paard naar Verona reed, ontmoette hij eenige lieden, welke kooplieden
schenen, maar straatroovers waren, gemeene kerels, die een slecht
leven leidden, met welke hij zich onvoorzichtig inliet. Zij, die zagen
dat hij koopman was en meenden, dat hij geld bij zich droeg, spraken
onder elkaar af, dat zij hem bij de eerste gelegenheid de beste zouden
berooven. Opdat hij geen argwaan zou krijgen, liepen zij als bescheiden
en welopgevoede menschen en spraken met hem over eerlijke en loyale
zaken en gedroegen zich, zooveel ze maar konden en wisten, aardig en
welwillend jegens hem. Zoo rekende hij het zich tot een groot geluk
ze te hebben getroffen, daar hij slechts met een van zijn bedienden
te paard zat. Aldus pratend over het eene na het ander, gelijk dat
bij het spreken gebeurt, kwamen ze ook onder meer op de gebeden,
die de menschen tot God richten en een van de drie bandieten zei tot
Rinaldo: En gij, edelheer, wat zijt gij gewoon te bidden op reis?

Rinaldo antwoordde hierop: Werkelijk, ik ben in die dingen een
practisch gewoon mensen, en heb weinig gebeden bij de hand; ik die op
ouderwetsche wijze zoo leef, ik laat Gods water over Gods akker loopen,
maar niettemin heb ik altijd de gewoonte gehad op reis en 's ochtends,
wanneer ik de herberg verlaat een paternoster op te zeggen en een ave
maria voor de ziel van de vader en moeder van San Giuliano en dan bid
ik God en hem, dat zij mij den volgenden dag een goede herberg geven.

Ik ben dikwijls genoeg in groote gevaren geweest, waaraan ik alle
ontkomen ben en toch 's nachts op een goede plaats en goed beherbergd
geweest; daarom geloof ik vast, dat San Giuliano, tot wiens eere ik
bid, voor mij die genade heeft afgebeden van God. Het komt mij voor,
dat ik overdag niet goed zou kunnen voortgaan, noch bij den komenden
nacht goed aankomen, als ik 's ochtends het paternoster niet had
opgezegd. Hierop zeide degene, die hem dit had gevraagd: En hebt gij
het ook vanmorgen opgezegd? Rinaldo antwoordde: Welzeker. Daarna
zeide de bandiet tot zich zelf, die al wist wat er gebeuren zou:
Het komt je te pas, want indien er niets in den weg komt, zal je naar
mijn plan toch leelijk gelogeerd zijn en toen hernam hij: Ook ik heb
insgelijks veel gereisd en heb het toch nooit opgezegd, hoewel ik
het van velen al meermalen heb hooren aanprijzen. Toch is het mij
nog nooit gebeurd, dat ik slecht gehuisvest was en hedenavond zult
gij toevallig kunnen zien, wie een betere herberg zal hebben, gij,
die het hebt opgezegd, of ik, die het niet deed. Het is echter goed,
dat ik in plaats daarvan het "Dirupisti" of de "intemerata" of het
"Deprofundis" toepas, welke, naar een mijner grootmoeders placht te
zeggen, van zeer groote kracht zijn.

En zoo over velerlei zaken sprekende en op hun reis voortgaande,
wachtten zij plaats en tijd voor hun boos plan af. De drie bandieten
vielen hem aan, bij Castel Guiglielmo bij de doorwaadbare, eenzame
en afgesloten plek van een stroom, toen het donker was en beroofden
hem. Zij lieten hem te voet en in zijn hemd staan en zeiden, toen ze
heengingen: Ga en zie, dat San Giuliano je vannacht een goede herberg
geeft gelijk onze heilige aan ons zal geven. Zij gingen van die plaats
weg den stroom over.

De knecht van Rinaldo, toen hij hem zag aanvallen, deed als een
lafbek niets om hem te helpen, maar het paard gekeerd hebbende,
waarop hij zat, ging die zoo hard hij kon naar het dorp Guiglielmo
[24] en daar overnachtte hij, toen het al laat was, zonder zich over
iets te bekommeren. Rinaldo bleef in zijn hemd en barrevoets staan,
terwijl het zeer koud was en sterk sneeuwde niet wetende wat te
doen. Hij zag, dat het al nacht was. Bevend en klappertandend begon
hij rond te kijken of er ergens in de buurt een schuilplaats was,
waar hij gedurende den nacht kon blijven, opdat hij niet zou sterven
van koude. Maar hij zag niets, omdat er kort te voren oorlog was
gevoerd in de streek, waar alles was platgebrand, en voortgedreven
door de koude, richtte hij zich haastig naar Castel Guiglielmo,
hoewel hij niet wist of zijn knecht daar of elders heen gevlucht was
en dacht, als hij er maar binnen kon komen, dat God hem wel eenige
hulp zou verschaffen. Maar de donkere nacht verrastte hem op bijna
een mijl afstand van de vesting, waardoor hij er zoo laat aankwam,
dat de poorten al gesloten en de bruggen al opgehaald waren en hij
er niet binnen kon komen. Daarom dwalend en troosteloos keek hij
klagend rond, waar hij binnen kon gaan, zoodat het tenminste niet
op hem sneeuwde en gelukkig zag hij een huis op de wallen van het
kasteel, dat ietwat naar voren sprong, waaronder hij besloot tot den
dageraad te blijven. Toen hij daarheen was gegaan, vond hij onder
dien voorsprong een deur, die gesloten was, aan welker voet hij wat
stroo ontdekte. Treurig en klagend legde hij zich er op neer, keerde
zich herhaaldelijk bedroefd tot San Giuliano en zeide, dat dit niet
overeenkwam met het geloof, dat hij in hem had. Maar San Giuliano,
die op hem lette, bereidde hem zonder dralen een goede schuilplaats.

Er was in dat slot een zeer jonge weduwe, schooner dan eenige andere
vrouw, die de markies Azzo lief had als zijn leven en die haar op dat
oogenblik onderhield. Gezegde donna woonde in dat huis onder welks
voorsprong zich Rinaldo had begeven om te overnachten. Den vorigen
dag was juist de markies daar gekomen om den nacht bij haar door te
brengen en had in haar huis stil een bed laten gereed maken en een
heerlijk avondmaal. Maar toen alles klaar was en zij niets anders
wachtte dan de komst van den markies aan het avondmaal, kwam er een
knecht aan de deur, die berichten bracht aan hem, welke hem dadelijk
dwongen te paard te stijgen. Hierdoor na te laten zeggen aan de donna,
dat zij niet zou wachten, ging hij haastig weg. Daardoor was de donna
een weinig mistroostig en niet wetende wat te doen, nam zij zich voor
in het bad te gaan gemaakt voor den markies, en dan te avondmalen en
naar bed te gaan. Ze ging dan ook in het bad.

Nu was dit bad dicht bij den uitgang, waar de armzalige Rinaldo buiten
was, zoodat zij daarin staande het klagen en het klappertanden hoorde
van Rinaldo, dat het geklepper van een ooievaar scheen. Daarom zeide
zij na haar meid te hebben geroepen: Ga naar boven en zie over den
rand van den muur, wie er aan de voet van de deur ligt, en wat hij
er doet. De meid ging heen en daar de klaarheid van de lucht haar
te hulp kwam, zag zij hem in zijn hemd en blootsvoets daar zitten,
gelijk verteld is, en vreeselijk beven. Toen vroeg zij hem, wie
hij was. Rinaldo was zoo koud, dat hij ternauwernood kon spreken,
zeide haar hoe en waarom hij daar kwam, zoo kort hij kon en begon
haar nederig te smeeken, om indien het kon, hem daar niet van koude
te laten sterven. De meid, die medelijden met hem had, ging naar de
donna en vertelde haar alles. Ook die was barmhartig en na zich te
hebben herinnerd, waar de sleutel was van de deur, die telkens dienst
deed bij de geheime binnenkomst van den markies, zeide zij: Ga en doe
hem zachtjes open; hier is het avondmaal. Er is niemand om het op te
eten en er is plaats genoeg om hem te logeeren. De meid prees de dame
zeer om haar menschlievendheid, ging heen en opende de deur en nadat
zij hem binnen had gelaten, zei de donna hem haast bevroren ziende: Ga
bijtijds, goede man, in het bad, dat nog warm is. Hij, zonder verdere
uitnoodiging af te wachten, deed het van zelf. Toen hij door die warmte
hersteld was, scheen het hem, dat hij van den dood tot het leven was
teruggekeerd. De donna leende hem daarna kleeren van haar echtgenoot,
die kort te voren was overleden en die, toen hij ze had aangetrokken,
hem naar het lijf gemaakt schenen. Terwijl hij de verdere bevelen der
dame afwachtte, begon hij God en San Giuliano te danken, die uit zulk
een boozen nacht, gelijk hij verwachtte, hem hadden verlost en naar
het hem voorkwam, naar die goede herberg geleid. Toen de donna na
haar bad een weinig gerust had en een groot vuur had laten aanleggen
in de kamer, waarin zij kwam, vroeg zij hoe het met den goeden man was.

Hierop antwoordde de meid: Mevrouw, hij heeft zich opnieuw gekleed, is
een knap man en schijnt zeer welgemanierd. Ga dan heen, zei de donna,
roep hem en zeg hem, dat hij hier bij het vuur komt en het avondmaal
gebruikt, want ik weet, dat hij dit nog niet heeft gedaan. Rinaldo
kwam binnen, zag de donna en daar zij hem van hoogen stand scheen,
groette hij haar eerbiedig en dankte haar voor de gunsten, die zij
hem bewees, zoo goed hij kon. Toen de donna hem goed had aangekeken
en aangehoord, scheen hij haar, wat de meid van hem gezegd had. Ze
ontving hem vriendelijk, liet hem familiaar naast haar bij het vuur
zitten en vroeg hem welk ongeluk hem daarheen had gevoerd. Rinaldo
vertelde alles geregeld achter elkaar. Zij had bij de komst van
Rinaldo's knecht in het kasteel al iets er van gehoord, zoodat zij,
wat hij vertelde, volkomen geloofde. Zij zeide hem ook, wat zij van
zijn knecht al wist en hoe hij dien allicht den volgenden morgen
kon aantreffen. Toen de tafel gedekt was begon, gelijk de donna het
wilde, Rinaldo na met haar te samen de handen te hebben gewasschen,
te eten. Hij was groot van figuur, schoon en aangenaam van gelaat,
van zeer lofwaardige en sierlijke manieren en een jonge man van
middelbaren leeftijd. De dame had er meermalen op gelet en hem
zeer geprezen en reeds, omdat de markies die daar moest komen om
te slapen, de begeerte tot bijslaap in haar had opgewekt, had zij
daar zin in. Nadat zij van tafel was opgestaan, vroeg ze haar meid,
of het die goed scheen nu de markies haar voor den mal had gehouden,
dat zij gebruik zou maken van de goede gelegenheid, haar door de
fortuin aangeboden. Daar de meid de begeerte van haar donna kende,
raadde zij haar ten sterkste aan om dit te doen. Hierop keerde zij
naar het vuur terug, waar zij Rinaldo alleen had achtergelaten, begon
hem verliefd aan te zien en zei: Zeg Rinaldo, waarom zit je zoo in
gedachten! Geloof je niet je te kunnen schadeloos stellen voor een
paard en een paar kleeren, die je hebt verloren? Troost je en wees op
je gemak, alsof je thuis waart; ik had je al eerder willen zeggen,
dat ik je al honderd maal had willen omhelzen en kussen, toen ik
je in de kleeren van mijn overleden man zag en het mij scheen, of
hij het was. Als ik niet bang was geweest, dat het je onaangenaam
zou zijn, had ik het zeker gedaan. Rinaldo, die deze woorden hoorde
en den gloed in de oogen van de donna zag, daar hij niet gek was,
zeide met geopende armen tegenover haar: Mevrouw, wanneer ik er aan
denk, dat ik altijd zal moeten zeggen, dat ik aan u het leven dank,
als ik er acht op geef, hoe gij mij hebt geholpen, zou het van mij
een schelmenstreek zijn, als ik niet geneigd was alles te doen,
wat u aangenaam is. Voldoe dus aan uw begeerte door mij te omhelzen
en te kussen, want ik zal het u meer dan gaarne doen. Meer woorden
waren hierbij niet noodig. De donna, die van liefdeverlangen brandde,
wierp zich spoedig in zijn armen en nadat zij hem wel duizend malen
verlangend had omhelsd en gekust en van hem gekust was, stonden zij
op, gingen in de slaapkamer en begaven zich dadelijk ter ruste en ten
volle en meermalen, tot het dag werd, bevredigden zij hun begeerten.

Toen de dageraad aanbrak en zij opstonden, gaf de donna, opdat niemand
er erg in zou hebben, hem eenige vrij armelijke kleeren en vulde zijn
beurs met geld. Zij verzocht hem stilzwijgendheid en na hem eerst den
weg te hebben gewezen om in het kasteel zijn knecht te vinden, liet
zij hem door het deurtje, waar hij binnen kwam, weer uit. Hij deed,
toen het helder dag werd, of hij van verre aankwam, ging, toen de
poorten geopend waren, in het slot en vond zijn knecht. Daar, toen
hij zijn eigen kleeren uit het valies had aangedaan en op het paard
van zijn knecht wilde stijgen, werden als door een hemelsch wonder de
drie bandieten, die hem den vorigen avond beroofd hadden, wegens een
ander misdrijf, waarvoor zij kort daarop gevat waren, in het kasteel
gebracht en hij kreeg na hun bekentenis, het paard, de kleeren en het
geld terug, zoodat hij er niets bij verloor dan een paar kousebanden,
waarvan de roovers zelf niets meer wisten. Rinaldo steeg te paard,
dankte God en San Giuliano, keerde gezond en wel naar huis terug en
den volgenden dag spartelden de drie bandieten aan de galg.



Derde Vertelling.

    _Drie jongelieden, die hun geld op dwaze wijze hebben verkwist,
    geraken in armoede. Een neef van hen, die wanhopig naar
    huis terugkeert, ontmoet een abt, die de dochter blijkt te
    zijn van den koning van Engeland. Na hem te hebben getrouwd,
    herstelt zij voor haar ooms alle schade en brengt ze weer in
    goeden doen._ [25]


De lotgevallen van Rinaldo d'Asti werden met bewondering door de dames
aangehoord en zijn vroomheid geprezen en God en San Giuliano door hen
gedankt, dat zij bij zijn hoogsten nood hem hulp hadden verleend. Maar
de donna (wat men ook zei van dat middel om het te verbergen) werd
niet dwaas genoemd, die de goede gelegenheid had weten te gebruiken,
welke God haar had gegeven. Terwijl men glimlachend sprak over den
goeden nacht, dien zij had doorgebracht, begon Pampinea, die naast
Filostrato zat en bedacht, dat aan haar de beurt kwam, te peinzen,
wat zij zou vertellen. Na het bevel van de koningin ving zij niet
minder flink dan blijmoedig, spoedig aldus aan te spreken:

Waardige donna's. Hoe meer men spreekt van de lotswisselingen der
fortuin, des te meer blijft er voor wie de zaken wel wil beschouwen,
over om te bespreken en dit is niet te verwonderen, indien men
bescheiden bedenkt, dat alle dingen, die wij hoovaardig de onzen
noemen, in haar handen zijn en bijgevolg door haar naar haar verborgen
oordeel van het eene in het andere en van het andere in het een [26]
achtereenvolgens, zonder eenigen bij ons bekenden stelregel door
haar kunnen veranderd worden. Wanneer men het te goeder trouw in
alle en dezen ganschen dag aantoont en het bovendien nog in eenige
vertellingen is uiteengezet, zal het toch aan onze koningin behagen,
dat men hierover spreekt. En het zal misschien niet zonder nut zijn
voor de toehoorders, waarvoor ik een vertelling van mij aan de reeds
verhaalden zal toevoegen, welks strekking u wel zal behagen.

Er was vroeger in onze stad een ridder, Tedaldo genaamd, die, naar
enkelen beweren, uit het geslacht der Lamberti's stamde. Anderen houden
vol, dat hij aan de Agolanti's ontsproot, daar zij misschien hun
meening meer dan op iets anders grondden op het vak, dat zijn zonen
later uitoefenden en dat de Agolanti's steeds hadden uitgeoefend en
nog uitoefenen. Maar daar latend wat hiervan waar zij, vertel ik u,
dat hij destijds een zeer rijk ridder was en dat hij drie zoons had,
van welke de eerste Lamberti, de tweede Tedaldo en de derde Agolante
heette, alle drie knappe en beminnelijke jongelieden. De oudste was
nog geen achttien jaar, toen de rijke messire Tedaldo kwam te sterven
en hun, zijn wettigen erven, al zijn roerend en onroerend goed naliet.

Zij voelden zich zeer rijk en aan gelden en aan goederen; zij kenden
geen perken voor hun eigen welbehagen en begonnen zonder eenigen teugel
of tucht hun bezittingen te verkwisten, hielden een groot personeel,
vele en goede paarden, honden, pluimvee, ontvingen voortdurend gasten,
gaven geschenken, hielden steekspelen en leefden niet slechts gelijk
het aan edellieden betaamt, maar bovendien al naar het in hun jeugdig
brein opkwam. Het duurde dan ook niet lang of op die wijze werd de
schat hun door hun vader nagelaten minder en toen voor hun reeds
begonnen uitgaven hun inkomsten niet voldoende meer waren, verkochten
en verpandden ze hun bezittingen. Zij verkochten den eenen dag dit,
den volgenden wat anders en de armoede opende hun de oogen, welke de
rijkdom hun gesloten had gehouden. Lamberti, riep daarom de andere twee
tot zich en zeide hen hoe groot de naam van hun vader was geweest, hoe
groot de hunne en hoe groot hun rijkdom was en tot welk een armoede
zij door hun wanordelijke verkwisting gekomen waren. Hij gaf hun den
raad, voor hun ellende nog meer aan den dag kwam, met hem te samen
het weinige wat hun nog gebleven was te verkoopen, en weg te gaan en
zoo deden ze. Zonder afscheid te nemen en zonder opzien te baren,
trokken zij uit Florence en hielden zich nergens op, totdat zij in
Engeland waren. Toen huurden zij in Londen een huisje, maakten zeer
weinig vertering en leenden op woeker zonder genade. Hierbij was de
fortuin hun zoo gunstig, dat zij binnen enkele jaren een groote som
gelds overhielden. Aldus keerde de een na den ander naar Florence
terug, ze kochten hun bezittingen weer op, wisten bovendien nog meer
te koopen en kozen zich vrouwen. Daar zij nog altijd in Engeland
op woeker leenden, zonden zij tot het waarnemen van hun zaken een
jonkman, een neef van hen daarheen, die Alexander heette. Ze hadden
alle drie te Florence vergeten in welk een toestand de dwaasheid
der verkwisting hen had gebracht en begonnen, hoewel zij een familie
hadden gevormd, meer dan ooit overmatig geld te verteren. Zij hadden
het grootste crediet bij ieder koopman en van elk een groote som gelds
in handen. Het geld door Alexander gezonden hielp hen eenige jaren lang
om hun verkwistingen vol te houden. Alexander leende aan baronnen op
hun kasteel en op andere inkomsten, die er met groote winst hem goed
borg voor stonden. Terwijl de drie gebroeders rijkelijk verteerden
en het geld hun ontbrak en zij leenden, daar zij altijd vaste hoop
op Engeland hadden, brak er daar toevallig tegen de verwachting van
iedereen een oorlog uit tusschen den koning en een van zijn zoons. Het
geheele eiland raakte verdeeld, zoodat deze met den een en eene het
met den ander streed. Hierdoor waren al de kasteelen der baronnen van
Alexander verpand en alle andere inkomsten geheel onzeker. Daar men van
dag tot dag nog hoopte op vrede tusschen vader en zoon en dat bijgevolg
alles aan Alexander zou worden teruggegeven zoowel de rente als het
kapitaal en Alexander niet van het eiland vertrok, beperkten de drie
broeders, die te Florence waren hun zeer groote verteringen in niets
en borgden elken dag meer. Maar toen men na enkele jaren niets van de
gekoesterde hoop zag komen, verloren de drie gebroeders niet alleen
hun crediet, maar hun schuldeischers drongen op betaling aan en zij
werden gevangen genomen. Daar hun bezittingen niet toereikend waren
om te betalen, bleven zij voor goed in de gevangenis en hun vrouwen
en kleine kinderen zwierven van dorp tot dorp rond in schamele kleeren
en zij wisten niet beter dan dat zij eeuwige armoede te wachten hadden.

Alexander, die in Engeland verscheidene jaren vergeefs op den vrede
gewacht had, zag dat hij niet kwam. Het scheen hem daar twijfelachtig
voor zijn levensbehoud en voor verdiensten te blijven. Hij nam
zich voor naar Italië terug te keeren en ging geheel alleen op
weg. Toen hij Brugge verliet, zag hij, dat toevallig eveneens een
witte benedictijner-abt de stad uitreed door vele monniken vergezeld
en met veel dienstpersoneel en bagage vooruit. Daarop volgden een
paar oude ridders, verwant met den koning, met welke Alexander
als met bekenden een gesprek begon en in hun gezelschap werd hij
goed ontvangen. Terwijl hij aldus met hen voorttoog, vroeg hij hun
stilletjes wie de monniken waren, die met zooveel bedienden te paard
reisden en waar zij heengingen. Hierop antwoordde een der ridders: Die
daar vooruit rijdt, is een ons verwant jonkman, die onlangs tot abt is
gekozen van een der rijkste abdijen van Engeland. En omdat hij volgens
de wetten te jong is om zulk een waardigheid te erlangen, gaan wij met
hem naar Rome om van den Heiligen Vader gedaan te krijgen, dat hij hem
wegens den jeugdigen leeftijd dispensatie verleent en hem dan in die
waardigheid bevestigt. Maar u moet daarover niet met anderen spreken.

Daar nu de jonge abt dan eens voorop, dan weer achteraan in den stoet
reed, gelijk wij allen dit van voorname heeren elken dag zien, kwam
hij op dien tocht dicht bij Alexander, die een zeer knap man was van
figuur en gelaat en die meer dan iemand het wezen kon, welopgevoed
en aangenaam en van goede manieren was. Deze beviel hem op het eerste
gezicht buitengewoon, zooveel als ooit iemand hem behaagd had en hem
tot zich roepende, begon hij heel gezellig met hem te praten en te
vragen wie hij was, vanwaar hij kwam en waar hij heenging. Aan hem
legde Alexander vrijelijk zijn geheelen toestand bloot, voldeed aan
zijn vragen en bood zich tot elken dienst, hoe weinig het ook zijn
mocht, aan. De abt hoorde naar zijn aangenaam en geregeld gesprek en
toen hij aandachtiger zijn manieren beschouwde en er van overtuigd
werd, dat hij ondanks zijn nederig beroep, edelman moest zijn, werd
hij met hem nog meer ingenomen. Hij was vol medelijden over zijn
ongelukken, troostte hem vriendelijk en zeide hem, dat hij goeden moed
moest houden, omdat, als hij een flink man was, God hem opnieuw zou
plaatsen, vanwaar hij hem verworpen had en hooger zelfs. Hij verzocht
hem, omdat hij ook naar Toscane ging, hem gezelschap te houden,
daar de ander er insgelijks heentoog. Alexander bedankte hem voor
dien troost en zeide, dat hij gereed was tot elk verzoek van hem.

Terwijl de abt aldus voortging en bij hem nieuwe gedachten opkwamen
door den geest van Alexander, bereikten zij na eenigen tijd een
dorp, dat niet al te rijk van herbergen was voorzien. Daar de abt
er wilde logeeren, liet Alexander hem bij een waard afstijgen, die
hem nogal toegedaan was, en liet voor hem een kamer in orde maken
in het geriefelijkste vertrek van het huis. Nu hij als het ware de
hofmeester van den abt was geworden en hij zeer practisch was, had
hij het personeel van den abt, deze hier en gene daar, onder dak
gebracht. Toen de abt het avondmaal had genuttigd en al een goed
deel van den nacht voorbij was en iedereen was gaan slapen, vroeg
Alexander, waar hij kon ter ruste gaan. Hierop antwoordde de waard:
ik weet het werkelijk niet; gij ziet, dat alles vol is en gij kunt
mij en mijn huishouden zien slapen op banken; evenwel zijn er in de
kamer van den abt een soort graankisten, waar ik u heen kan brengen
en u wat beddegoed kan geven en waarop gij op de beste manier als
het u belieft, dezen nacht kunt liggen. Hierop sprak Alexander: Hoe
zal ik in de kamer van den abt kunnen komen; gij weet, dat die zoo
klein is, dat er door haar nauwheid zelfs niet een van zijn monniken
kon liggen? Had ik dat geweten, toen de gordijnen er opgehangen
werden, dan had ik op de graankisten zijn monniken laten slapen en
mij bevonden, waar de monniken nu liggen. De waard hernam: Het is
nu eenmaal zoo en gij kunt als gij wilt, daar het best logeeren. De
abt slaapt, de voorhangen zijn dicht, ik zal u er zacht een matras
toeschuiven en gij legt u er dan ter ruste. Alexander, die zag,
dat dit kon gebeuren zonder den abt te storen, stemde er in toe en
zoo stil hij kon, ging hij er liggen. De abt, die niet sliep, maar
daarentegen hartstochtelijk aan zijn jeugdige begeerten dacht, hoorde,
dat de waard en Alexander spraken en had ook gemerkt, waar Alexander
zich had neergelegd. Hierdoor zeide hij in zichzelf zeer welgemoed:
God heeft mij het geschikte oogenblik voor mijn wenschen gezonden;
indien ik het niet aangrijp, zal het zoo per toeval in langen tijd
niet terugkeeren. Nadat de abt over alles had nagedacht om hem bij
zich te hebben en alles stil scheen in de herberg, riep hij met een
zeer zachte stem Alexander en verzocht hem zich naast hem te leggen,
die na vele weigeringen zich ontkleedde en dit deed. De abt, die
hem de hand op de borst legde, begon die niet anders te beroeren
dan de mooie meisjes het hun minnaars doen, waarover Alexander zich
zeer verwonderde en er zeer aan twijfelde of de abt niet bewogen
werd door ongeoorloofden hartstocht. De abt begreep dadelijk die
twijfel òf door argwaan, òf door een beweging, die Alexander maakte
en glimlachte en nadat hij haastig van zijn lichaam het hemd, dat
hij aanhad, had neergetrokken, nam hij de hand van Alexander die hij
op zijn borst legde en zei: Alexander, verban die dwaze gedachte
en eer zoekend kennen, wat ik je hier verberg. Toen Alexander de
hand op het lichaam van den abt had gelegd, vond hij twee gladde,
stevige en zachte borsten als van ivoor. Toen hij die gevonden had
en begrepen, dat dit een vrouw moest wezen, wilde hij zonder een
verdere uitnoodiging af te wachten en haar snel te hebben omarmd,
haar kussen en zij zeide: Hoor, voor dat gij mij nadert, wat ik je
zeggen wil. Gelijk je kunt weten ben ik een vrouw en geen man. Ik
heb als jonkvrouw mijn huis verlaten en ging naar den Paus, opdat
die mij zou uithuwelijken. Het is uw geluk of mijn ongeluk, dat,
toen ik u gisteren zag, mij de liefde ontbrandde als nooit een man
een vrouw deed. Hierom had ik besloten u boven allen tot echtgenoot
te verlangen. Zoo gij mij niet tot vrouw wilt, ga dan dadelijk hier
uit en keer op uw plaats terug. Alexander, hoewel die haar nog niet
kende, maar op het gezelschap lette, dat zij had, meende, dat zij edel
en rijk moest zijn, en zag, dat zij zeer schoon was; daarom zonder
al te lang na te denken antwoordde hij, dat, als het haar beviel,
het hem zeer aangenaam zou zijn. Zij ging daarop in het bed rechtop
zitten voor een plaat, waarop God was afgebeeld, gaf hem een ring in
de hand en huwde hem en na elkaar te hebben omhelsd met groot genoegen
van weerskanten, waren zij gelukkig zoolang de nacht duurde. Nadat
zij maatregelen hadden beraamd en orde op hun zaken hadden gesteld,
stond Alexander bij het krieken van den dag op en ging vervolgens de
kamer uit, waar hij binnen was gekomen zonder dat iemand wist, waar
hij had geslapen. Hij was bovenmatig verheugd, ging met den abt en
diens gezelschap op reis en na vele dagen kwamen zij te Rome. Daarna,
sinds zij er eenigen tijd hadden vertoefd, kwamen de abt met de twee
ridders en Alexander bij den Paus en nadat zij hem den verschuldigden
eerbied hadden betuigd, begon, de abt aldus te spreken:

Heilige Vader, gelijk gij het beter dan iemand kunt weten, moet ieder,
die goed en fatsoenlijk wil leven zooveel mogelijk alles vermijden,
wat hem tot iets slechts zou kunnen leiden. Opdat ik, die fatsoenlijk
wil blijven, dit naar welgevallen kan doen, ben ik in het kleed, waarin
gij mij ziet, heimelijk gevlucht met het grootste deel der schatten
van den koning van Engeland, mijn vader (die mij met een oud man,
den koning van Schotland, wilde laten trouwen, terwijl ik nog een
jong meisje ben gelijk gij ziet.) Ik kwam hier, opdat Uw Heiligheid
mij zou uithuwelijken en mij daarbij hielp. Nu deed mij niet zoozeer
de leeftijd van den koning van Schotland vluchten als de vrees door
de zwakheid van mijn jeugd iets te doen, wanneer ik eenmaal met hem
getrouwd zou zijn, wat tegen de goddelijke wetten was en tegen de
eer van het koninklijk bloed van mijn vader. En terwijl ik met dit
geloof hier kwam, heeft God, die alleen het best weet, wat ieder
behoeft,--ik geloof door zijn barmhartigheid--mij dezen toegevoerd,
die het Hem behaagde, dat mijn echtgenoot zou worden. Dat is deze jonge
man, die Alexander heet en dien gij thans voor u ziet en wiens zeden
en moed een of andere groote dame waardig zijn, hoewel misschien de
adel van zijn bloed niet zoo doorluchtig is als het koninklijke van
mij. Hem heb ik genomen en hem wil ik dan ook hebben. Nooit wil ik
een ander bezitten, wat ook mijn vader of anderen er van zeggen. Nu
is de voornaamste reden, waarom ik op reis ging, vervallen, maar
het behaagt mij mijn tocht voort te zetten, zoowel om de heilige en
eerbiedwaardige plaatsen op te zoeken, van welken deze stad vol is
als om Uwe Heiligheid in persoon te aanschouwen en ook opdat het
huwelijk door Alexander en mij alleen gesloten voor God, openlijk
zal worden voltrokken in Uw tegenwoordigheid en zoodoende van alle
andere menschen. Daarom bid ik U nederig, dat, wat aan God en mij
behaagde, ook U welgevallig zal zijn en gij Uw zegen geeft, opdat
wij hiermee als met meer zekerheid omtrent de goedkeuring van hem,
wiens Stedehouder gij zijt, ter eere van God en van u kunnen leven
en eindelijk sterven. Alexander verwonderde zich er over, dat zijn
vrouw de dochter was van den koning van Engeland en was vervuld van
wonderbaarlijke, geheime vreugde maar de twee ridders verbaasden zich
nog meer en waren zoo verstoord, dat zij, als ze elders dan bij den
Paus waren geweest, Alexander en misschien ook de donna een leelijke
poets hadden gebakken.

Anderzijds verwonderde de Paus zich zeer, zoowel over de vermomming van
de dame als over haar verkiezing tot abt, maar daar hij zag, dat men
er niets aan kon veranderen, voldeed hij aan haar bede. Eerst bracht
hij de ridders, die hij verstoord zag, tot kalmte, verzoende hen weer
met de donna en Alexander en gaf order tot wat er te doen bleef. Toen
de dag, door hem bepaald, gekomen was, liet hij in tegenwoordigheid
van alle kardinalen en van een groot aantal hooggeplaatste personen,
die waren uitgenoodigd en die waren verschenen om aanwezig te zijn
bij het prachtige feest, dat hij had laten voorbereiden, de donna
komen koninklijk getooid, die zoo schoon en bekoorlijk leek, dat zij
naar waarheid door allen werd geprezen en evenzoo Alexander prachtig
uitgedost, in uiterlijk en manieren heelemaal niet een jongeling,
die op woeker had geleend, maar veeleer een prins van koninklijken
bloede en door de twee ridders zeer geëerd. Daarop liet de Paus opnieuw
plechtig het huwelijk vieren en na een schoone en weelderige bruiloft,
liet hij ze gaan met zijn zegen.

Het stond Alexander en ook de donna aan van Rome vertrekkend naar
Florence te reizen, waar reeds de faam het nieuws had verbreid. Daar
liet de donna, door de burgers met de hoogste eer ontvangen, de drie
gebroeders bevrijden, nadat ze eerst iedereen had laten betalen en aan
hen en hunne vrouwen hun bezittingen teruggaf. Alexander en zijn vrouw
vertrokken onder de toejuichingen van allen en voerden Agolante met
zich mede en te Parijs gekomen, werden zij met eerbewijzen door den
koning verwelkomd. Vervolgens gingen de twee ridders naar Engeland en
onderhandelden zoo met den koning, dat hij hun genade schonk en met
een zeer groot feest haar en zijn schoonzoon ontving, dien hij met
de grootste plechtigheid tot ridder sloeg en wien hij het graafschap
Cornwales schonk. Alexander was zoo bekwaam en wist zoo te handelen,
dat hij den zoon met den vader verzoende, waaruit veel goeds voor
het eiland volgde en waardoor hij de liefde verwierf en de gunst
van alle bewoners. En Agolante moet ook weer alles ontvangen hebben,
wat men hem schuldig was en kwam weer buitengewoon rijk te Florence,
nadat graaf Alexander hem eerst tot ridder had verheven.

De graaf leefde sinds dien tijd roemrijk met zijn vrouw en volgens
het zeggen van enkelen veroverde hij door zijn verstand en moed en
met de hulp van zijn schoonvader daarna Schotland en werd daar tot
koning gekroond.



Vierde Vertelling.


    _Landolfo Ruffolo wordt arm, en daarna zeeroover. Door de
    Genueesen gevangen genomen lijdt hij schipbreuk en redt zich
    op een kist vol kostbare juweelen. Hij wordt op Corfoe door
    een vrouw opgenomen en keert rijk naar huis terug._


Laurette zat naast Pampinea en toen zij die tot het roemvol einde van
haar vertelling gekomen zag, begon zij zonder langer te wachten aldus
te spreken: Zeer genadige donna's. Geen daad kan naar mijn oordeel u
meer er een van de fortuin blijken dan iemand van de diepste ellende
tot koninklijken rang zich te zien verheffen gelijk de vertelling van
Pampinea aantoonde, dat Alexander overkomen is. En opdat, wat van de
voorgestelde stof ook in het vervolg gezegd wordt, zal overeenstemmen
met hetgeen ik nu van dezelfde strekking verhaal, zal ik mij niet
weerhouden u een historie te vertellen, die, hoewel zij de grootste
ellende inhoudt, echter niet zulk een schitterenden uitslag heeft. Ik
weet wel, als ik daar op let, dat die met minder aandacht zal worden
aangehoord, maar omdat ik niet anders kan, zal het mij worden vergeven.

Men houdt den zeekant van Reggio tot Gaeta voor het liefelijkste deel
van Italië. Hier bevindt zich in de nabijheid van Salerno een kust,
die op de zee uitziet, welke de bewoners la Costa d'Amalfi noemen,
vol kleine steden, tuinen en beken, bewoond door de rijkste en
ondernemendste kooplieden. Onder gezegde steden is er een Ravello
[27] genaamd, waar, zoo er heden al rijke lieden wonen, destijds een
zeer rijke leefde, Landolfo Ruffolo. Daar hij niet genoeg had aan
zijn geld en verlangde dit te verdubbelen, liep hij gevaar alles te
verliezen met zijn leven er bij. Hij dan, gelijk dat gewoonte is bij
kooplieden, na een plan te hebben gemaakt, kocht een zeer groot schip,
bevrachtte het voor zijn rekening met verschillende koopwaren en ging
hiermee naar Cyprus. Na hier te zijn aangekomen, vond hij hier met
hetzelfde soort koopwaren, die hij had aangebracht, andere schepen,
zoodat hij niet alleen heel goedkoop moest verkoopen wat hij had
meegebracht, maar als hij ze kwijt wou raken, ze moest wegsmijten,
zoodat hij hierover de wanhoop nabij was. Hij had hiervan zeer veel
verdriet, niet wetend wat te doen, nu hij zag, dat hij van een zeer
rijk man in korten tijd arm was geworden en hij dacht er over òf
te sterven òf door roof zijn schade te herstellen, opdat hij, waar
hij rijk vandaan was gekomen, niet arm zou terugkeeren. Toen hij een
kooper voor zijn groot schip gevonden had, kocht hij met dit geld en
met het andere, wat hij voor zijn koopwaar had ontvangen, een licht
scheepje om te kapen en voorzag dit met al wat hiertoe noodig was,
rustte het uitstekend uit en begon op alles jacht te maken, vooral
op de Turken. Bij de kaapvaart was de fortuin hem zeer gunstig, die
't hem niet was geweest in den handel. Misschien in één jaar roofde en
nam hij zooveel schepen van de Turken, dat hij niet alleen herkregen
had, wat hij in den handel had verloren, maar hij had het meer dan
verdubbeld. Toen hij van de eerste smart van het verlies hersteld was
en wist, dat hij genoeg had, nam hij zich voor er geen tweede keer
in te loopen en dat, wat hij nu had, hem genoeg zou zijn. Hij besloot
naar huis terug te keeren en beangst voor den handel, wilde hij zijn
geld niet meer in koopwaar omzetten, maar stak met het scheepje,
waarmee hij het had gewonnen, in zee.

Toen hij reeds in den Archipel was, verhief zich 's avonds een storm,
die niet slechts tegen zijn koers in ging, maar die de zee zeer ruw
maakte, wat zijn scheepje niet goed kon verduren, zoodat hij in een
zeeboezem, welken een klein eiland gevormd had, voor dien wind beschut,
zijn toevlucht nam en zich voornam beter weer af te wachten. Hij
was hier pas kort, toen er twee galjoenen van Genueezen ankerden,
die van Constantinopel kwamen om hetzelfde weer als Landolfo te
ontvluchten en met moeite er in slaagden. De manschappen hiervan, die
het scheepje zagen en hem den weg hadden afgesloten om te vertrekken,
hoorden, wie hij was en daar zij al bij gerucht wisten, dat hij zeer
rijk was, besloten zij, gelijk natuurlijk is bij menschen begeerig
naar geld en roofziek, het te bemachtigen. Toen zij een deel van hun
volk met den voetboog en wel gewapend hadden aan land gezet, lieten
zij een gedeelte er van naderen, zoodat niemand van het scheepje,
als hij niet wilde doorboord worden, er uit kon komen. De anderen,
die booten hadden laten zakken, naderden, begunstigd door de zee, het
vaartuig van Landolfo en met weinig moeite hadden ze in korten tijd het
heele scheepsvolk zonder een man te verliezen in handen. Zij brachten
Landolfo op een van hun galjoenen, namen alles van zijn scheepje weg,
deden dat zinken en lieten hem slechts een armzalig wambuis.

Toen den volgenden dag de wind gekeerd was, zeilden de galjoenen naar
het westen en dien geheelen dag was hun reis gunstig, maar tegen den
avond stak er een storm op, die hooge zeeën voortjoeg en de twee
schepen van elkaar scheidde. Door de kracht van den wind stootte
het schip, waarop de ellendige en arme Landolfo zich bevond, met
een vreeselijken schok op de hoogte van het eiland Cefalonia op een
zandbank en op dezelfde wijze als een glas tegen een muur geslagen,
barstte het geheel uiteen. De arme schipbreukelingen, die er zich op
bevonden, begonnen, terwijl de zee vol drijvende koopwaren was en vol
kisten en planken, gelijk dat gewoonlijk geschiedt en terwijl de nacht
zeer donker was en de zee dreigend en hol, te zwemmen, voor zoover
dat mogelijk was en zich vast te klampen aan de voorwerpen, die bij
toeval vóór hen dreven. Onder hen was ook de ellendige Landolfo,
die nog den vorigen dag herhaaldelijk den dood had aangeroepen,
dien hij verkozen had, liever dan dat men hem arm naar huis zag
terugkeeren. Maar hij was toch bevreesd, nu hij dien onder de oogen
zag. Toen hem ook een plank in handen kwam, ging hij daaraan hangen,
opdat misschien God hem het verdrinken zou besparen en hem hulp zou
zenden tot zijn redding. Schrijlings hield hij zich, zoo goed hij
kon, hieraan vast door de zee en de wind dan hier en dan daarheen
geslingerd, tot het dag werd. Toen rondziende, ontwaarde hij niets
dan lucht en water en een kist, die op de golven dreef, welke hem
telkens tot zijn grooten schrik naderde, daar hij vreesde, dat die
hem zou stooten, zoodat hij zou verdrinken. Iederen keer als die hem
nabij kwam, verwijderde hij die, zooveel hij kon, hoewel hij weinig
kracht over had, met de hand. Maar terwijl dat gebeurde, kwam er uit
de lucht opeens een windstoot los en gaf de zee aan de kist zoo'n
schok en aan de plank, waarop Landolfo zat, dat hij omgesmeten onder
water raakte en zwemmend boven kwam meer door vrees dan door kracht
en zich ver van de plank verwijderd zag. In angst die niet te kunnen
bereiken, naderde hij de kist, die vrij dichtbij was en met de borst
aan het deksel geleund, stuurde hij haar zoo goed hij kon met de armen
vooruit. Op die manier door de zee dan hier, dan daarheen geslingerd,
zonder te eten, omdat hij niets had, en meer drinkend dan hem lief was,
en zonder iets anders dan water te zien, bleef hij den geheelen dag
en bij den invallenden nacht in dien toestand. Den volgenden dag,
òf naar Gods wil, òf doordat de kracht van den wind het deed, en
terwijl hij haast een spons was geworden, en de zijden van de kist
met de beide handen stevig vasthield (gelijk we het drenkelingen
zien doen, als ze iets beet pakken), kwam hij aan de kust van het
eiland Corfoe, waar een arm vrouwtje toevallig haar potten met zand
en zeewater waschte en schoon maakte. Toen zij hem zag naderen en
niet wist, wat het was, twijfelde zij en liep schreeuwend weg. Hij
kon niet spreken en niets zien, maar daar de zee hem toch naar den
vasten wal voerde, werd de vorm van de kist voor de vrouw duidelijk
en daarna scherper oplettend en kijkend, ontwaarde zij eerst de armen
om de kist uitgestrekt. Vervolgens ontdekte zij het menschengezicht en
begreep wel, wat dat had te beduiden. Daarom bewogen door medelijden,
ging zij een eind het water in, dat al stil was, trok hem bij de haren
met de heele kist aan land en maakte met moeite zijn handen daarvan
los. Terwijl zij de kist op het hoofd van een harer dochters laadde,
die bij haar was, droeg zij hem als een klein kind op het land, bracht
hem in een badkamer en wreef en waschte hem zoo met warm water, dat de
verloren warmte in hem terugkeerde en een deel der verdwenen krachten.

Toen het tijd scheen, liet zij hem uit de badkamer gaan en versterkte
hem met goeden wijn en beschuit en op een goeden dag had hij welhaast
zijn krachten herwonnen en wist, waar hij zich bevond. Derhalve achtte
de goede vrouw zich verplicht hem de kist terug te geven, die zij
had gered en hem te zeggen, dat hij voortaan zijn geluk verder te
zoeken had en zoo deed zij. Hij herinnerde zich niets van een kist,
maar nam die toch aan gelijk de brave vrouw hem die gaf, denkend,
dat die zoo weinig waard was, dat hij er geen dag vertering van zou
kunnen betalen. Daar hij die zeer licht vond, ontbrak hem haast
alle hoop. Niettemin, toen zij niet thuis was, brak hij die open
om te zien, wat zich daarin bevond en werd daarin vele gezette en
losse, kostbare steenen gewaar. Hij zag, dat ze van groote waarde
waren en dankte God, dat die hem niet geheel had verlaten en kwam
geheel op streek. Maar daar hij in korten tijd tweemaal wreed door
de fortuin was bedrogen en hij voor den derden keer bang was, dacht
hij er over na zeer voorzichtig te werk te gaan om die zaken naar
huis te krijgen. Na ze daarom zoo goed hij kon in oude lompen te
hebben gewikkeld, zeide hij tot de brave vrouw, dat hij de kist niet
meer noodig had, maar dat zij hem daarvoor een zak zou geven, en dat
zij die mocht behouden. De goede vrouw deed dit volgaarne en nadat
hij haar zooveel mogelijk bedankt had voor de hem bewezen weldaad,
deed hij zijn zak om den hals, vertrok vandaar en besteeg een bark,
ging naar Brindisi en vervolgens langs de kust tot Trani, waar hij
eenige lakenhandelaars vond, die zijn medeburgers waren en bij wien
hij uit barmhartigheid ontvangen werd, daar zij al zijn ongelukken
al hadden hooren verhalen behalve van de kist. Bovendien leenden zij
hem een paard en gaven hem geleide om hem naar Ravello te vergezellen,
waarheen hij wilde terugkeeren. Toen hij daarna in veiligheid scheen,
dankte hij God, dat die hem hierheen had gevoerd, opende zijn bundeltje
en onderzocht nauwkeuriger alles, wat hij eerst niet had gedaan. Hij
bevond, dat hij zoovele en dure steenen bezat, dat, als hij ze tegen
schappelijken prijs verkocht en nog minder, hij dubbel zoo rijk zou
wezen als toen hij vertrok. Nadat hij den weg gevonden had om zijn
steenen te verkoopen, zond hij naar Corfoe een flinke hoeveelheid
geld als loon voor de bewezen dienst aan de brave vrouw, die hem uit
de zee had gesleept en zoo ook behandelde hij te Trani hen, die hem
hadden geholpen. Het overige behield hij zonder opnieuw handel te
drijven en leefde er braaf van tot aan zijn stervensuur.



Vijfde Vertelling.

    _Andreuccio van Perugia gaat naar Napels om paarden te
    koopen. In een nacht heeft hij drie ongelukken, waaraan hij
    echter weer ontkomt. Hij gaat met een robijn weer naar huis._


De steenen gevonden door Landolfo, begon Fiametta, aan welke de beurt
van verhalen kwam, hebben mij een vertelling in de gedachte geroepen,
niet minder vol gevaren dan die door Lauretta medegedeeld, maar in
zoover daarvan verschillend, dat gene in meerdere jaren, maar deze,
gelijk gij hier hooren zult, in één nacht plaats vond.

Er was--naar hetgeen ik vroeger gehoord heb--in Perugia een jongeling,
die Andreuccio di Pietro heette, een paardenkoopman, die, nadat hij
gehoord had, dat er te Napels goedkoope beesten te krijgen waren,
honderdvijftig goudguldens in zijn beurs stak. Hij was vroeger nog
nooit van huis geweest en ging daar nu met andere kooplieden heen. Toen
hij er op een Zondagavond bij den vesper was binnen gekomen en bij den
waard inlichtingen had gewonnen, was hij den volgenden morgen op de
markt, zag er zeer vele paarden die hem bevielen en hij onderhandelde
wel daarover maar kon over geen enkel tot een accoord komen. Als blijk,
dat hij er kwam om te koopen, was hij zoo onnoozel en onvoorzichtig,
dat hij meermalen ten aanschouwe van ieder, die er kwam en ging, zijn
beurs met florijnen te voorschijn haalde. Terwijl hij zoo onderhandelde
en zijn beurs had vertoond, ging een zeer schoon Siciliaansch meisje
voorbij, maar gereed voor een geringen prijs aan elk man ter wille te
zijn, zonder dat hij haar opmerkte. Zij zag zijn beurs en zei dadelijk
in zich zelf: Wat zou mij beter te pas komen dan dat dit geld aan mij
kwam? en ging verder. Bij het meisje bevond zich een oude vrouw, ook
een Siciliaansche, die, toen zij Andreuccio zag, het meisje vooruit
liet gaan en hartelijk toeliep om hem te omhelzen. Het meisje zag dit
en zonder iets te laten blijken, bleef zij op een hoek op haar wachten.

Andreuccio keerde zich naar de oude, herkende haar, en betuigde
haar hierover zijn genoegen. Zij beloofde hem te komen opzoeken
in zijn herberg en zonder veel woorden meer te verspillen vertrok
zij. Andreuccio keerde zich om tot onderhandelen maar kocht dien morgen
niets. Het meisje, dat eerst zijn beurs en daarna de familiariteit van
haar oude met hem had gezien, begon om te beproeven of er een middel
kon gevonden worden dit geld geheel of ten deele te bemachtigen,
voorzichtig te vragen wie hij was en vanwaar, wat hij daar deed en
hoe hij haar kende. Hierop vertelde zij haar al de bijzonderheden
omtrent Andreuccio, gelijk hij zelf haar die met weinige woorden
verhaald had, want zij had lang met zijn vader op Sicilië en daarna
in Perugia geleefd en zij meldde haar ook, waar hij logeerde en met
welk doel hij gekomen was. Het meisje, geheel op de hoogte zoowel
van zijn familie als van hun namen, maakte hierop het plan door
een sluw bedrog aan haar begeerte te voldoen. Tehuis gekomen, gaf
zij de oude den geheelen dag werk, zoodat zij Andreuccio niet zou
kunnen ontmoeten en koos een meisje uit, dat tot het verrichten van
zulke diensten goed was uitgestudeerd om dien avond naar de herberg
te gaan, waar Andreuccio verblijf hield. Zij kwam daar en ontmoette
bij toeval hem aan de deur en vroeg hem naar zijn naam, waarop die
antwoordde, dat hij zelf de bedoelde persoon was. Zij sprak, na hem
ter zijde te hebben gevoerd: Signor, een voorname donna van deze stad
wil u, wanneer u dit behaagt, gaarne spreken. Toen hij dit hoorde,
was hij daar geheel van vervuld en daar hij zichzelf een knap man
toescheen, meende hij, dat die dame op hem verliefd moest wezen,
omdat hij dacht, dat er geen ander schoon jonkman dan hij toen in
Napels was, en antwoordde haastig, dat hij zou komen. Hij vroeg, waar
en wanneer die dame hem wilde spreken. Het dienstmeisje antwoordde:
Heer, wanneer het u bevalt; zij wacht u tehuis. Andreuccio hernam
zonder zich in de herberg bekend te maken: Ga dan nu vooruit, ik
zal na je komen. Toen leidde het meisje hem tot haar woning, die
in een straat stond Malpertugio (kwaad hol) genaamd, waar al blijkt
uit den naam zelf, hoe netjes het er was. Maar hij, die niets wist
noch vermoedde, verbeeldde zich, dat hij naar een fatsoenlijke buurt
ging en naar een lieve dame en trad onbezorgd met het meisje voorop,
het huis binnen. Hij vloog de trappen op, terwijl het meisje reeds
haar meesteres geroepen had en die zeide: Hier is Andreuccio! Hij zag
haar op den hoek boven aan de trap staan, waar ze hem afwachtte. Zij
was nog zeer jong, groot van persoon en met een zeer schoon gelaat,
voornaam gekleed en getooid. Toen Andreuccio haar naderde, ging zij
hem met geopende armen drie treden tegemoet, omhelsde hem, en stond
zoo eenigen tijd zonder een woord te spreken als door overvloedige
teederheid belemmerd. Daarop kustte zij hem weenend het voorhoofd
en zeide met haast gebroken stem: O, mijn Andreuccio, gij zijt
welkom. Hij, verwonderd over die zoo teere liefkozingen, antwoordde
verbaasd: Mevrouw, het doet mij genoegen u hier te ontmoeten. Daarna
leidde zij hem bij de hand naar boven naar de zaal en trad van deze
zonder een woord te spreken in haar kamer, welke geheel doorgeurd was
van rozen, oranjebloesems en andere bloemen. Daar zag hij een prachtig
bed met gordijnen en vele gewaden op rekken naar de gewoonte aldaar en
andere fraaie en rijke sieraden. Als jonge man geloofde hij hierdoor,
dat zij zeker een groote dame moest zijn. Zij zetten zich te samen
op een kist aan den voet van haar bed en zij begon aldus tot hem te
spreken: Andreuccio, ik ben er zeker van, dat gij u verwondert zoowel
over de liefkozingen, die ik u schenk als over mijn tranen, daar gij
mij niet kent en bij toeval nooit over mij hebt hooren spreken; maar
gij zult spoedig iets vernemen, wat u misschien nog meer zal verbazen,
namelijk, dat ik uw zuster ben. En ik zeg u, dat nu God mij zooveel
genade heeft geschonken, dat ik voor mijn dood één van mijn broeders
heb aanschouwd (hoewel ik verlangde ze allen te zien), ik op dit uur
tevreden zal sterven. Indien gij dit wellicht nooit hebt gehoord,
zal ik het u verklaren. Pietro, mijn vader en de uwe, naar ik geloof,
dat gij hebt kunnen weten, woonde lang in Palermo en door zijn goedheid
en vriendelijkheid was hij er en is er nog door hen, die hem kenden,
zeer bemind. Maar onder de anderen, die veel van hem hielden, was
mijn moeder, die edelvrouw was en destijds weduwe, degene, die het
meest van hem hield, zoodat zij ter zijde gesteld hebbend de vrees
voor haar vader en broeder en haar eer, zoo met hem samen leefde, dat
ik er uit geboren werd en daardoor ben ik, die gij hier ziet. Sinds
er een reden kwam voor Pietro om uit Palermo te vertrekken en naar
Perugia terug te keeren, liet hij mij als klein kind met mijn moeder
achter, en nooit, voor zoover ik gewaar werd, dacht hij meer aan mij
of haar. Hierover zou ik, als het mijn vader niet was geweest, hem
groote verwijten doen, wanneer ik let op zijn ondankbaarheid jegens
mijn moeder (ik laat daar de liefde, die hij mij als zijn dochter,
niet afkomstig van een dienstmaagd of een vrouw uit het volk, had
moeten toedragen) welke gelijkelijk het hare en zich zelf, zonder
overigens te weten wie hij was, door de trouwste liefde bewogen, in
zijn handen stelde. Maar wat! De slechte dingen, die lang geleden zijn,
zijn gemakkelijker af te keuren dan te herstellen. Maar zoo stond het
dan toch er mee. Hij liet mij als klein kind in Palermo achter, waar,
toen ik opgroeide tot wat ik nu ben, mijn moeder als rijke donna,
mij ten huwelijk gaf aan een der Gergenti's, een goed edelman, die
uit liefde voor mijn moeder en mij in Palermo bleef wonen. Daar hij
zeer guelfisch [28] gezind was, liet hij zich in tot onderhandelen met
onzen koning Karel, die, toen koning Frederik dat bespeurde, voordat
het gevolg kon hebben, daarom de vlucht nam naar Sicilië, waar ik
verwachtte de eerste edelvrouw te worden, die er ooit op dat eiland
was. Vandaar vluchtten zij naar dit land, de weinige zaken medenemend,
die wij medenemen konden (ik zeg weinigen met betrekking tot de velen,
die wij hadden) en lieten de landgoederen en de paleizen achter. Daar
vonden wij koning Karel, die zoo goed voor ons was, dat hij ten deele
onze schade, voor hem geleden, herstelde en er ons bezittingen en
huizen gaf. En nog geeft hij altijd aan mijn man, die uw zwager is,
een goed inkomen, gelijk gij nog kunt zien. En zoo ben ik hier als
gij mij vindt, dank zij God en niet u, lieve broeder. Hierna omhelsde
zij hem opnieuw en kuste hem nog teeder weenend op het voorhoofd.

Toen Andreuccio haar dat fabeltje, zoo netjes en goed in elkaar
gezet, hoorde vertellen, die nooit bleef haperen, nooit stotterde
en toen hij zich herinnerde, dat zijn vader werkelijk in Palermo
geweest was en daar hij zelf als jongeling de neigingen kende der
jongelieden, die de jeugd lief hebben en toen hij de teedere tranen
zag en de omhelzingen en de eerzame kussen, geloofde hij, dat dit
meer dan waar was. Nadat zij zweeg, antwoordde hij haar: Mevrouw,
het zal u niet verrassen, dat ik mij verwonder, omdat òf mijn vader,
die wel wist waarom hij het deed, nooit van uw moeder en van u sprak,
òf indien hij er wel van sprak, dit niet ter mijner kennis is gekomen
en ik niets van u wist, alsof gij niet op de wereld bestond. Het is mij
echter des te aangenamer hier een zuster te hebben gevonden, omdat ik
hier alleen ben en dit niet had gehoopt en inderdaad ken ik geen man
van hoe hoogen rang ook, aan wien gij niet dierbaar zoudt zijn zoo
goed als aan mij, die maar een klein koopman ben. Maar met een zaak,
bid ik u, doet gij mij een groot genoegen: Hoe wist gij, dat ik hier
was? Hierop antwoordde zij: Een arme vrouw liet het mij van ochtend
weten, die dikwijls hier komt, omdat zij met onzen vader (naar wat zij
mij vertelt) lang zoowel in Palermo als in Perugia leefde en wanneer
het mij niet fatsoenlijker had geschenen, dat gij in mijn huis kwaamt
dan ik bij u in dat van anderen, was ik al lang bij u gekomen.

Daarna begon zij hem nauwkeurig en met name naar al zijn verwanten
te vragen, waarop Andreuccio antwoord gaf en geloofde daardoor nog
meer, wat hij moest wantrouwen. Daar het praten lang had geduurd en
de hitte groot was, liet zij grieksche wijn komen en confituren en
gaf aan Andreuccio te drinken, die hierop wilde vertrekken, omdat het
het uur was voor het avondmaal. Zij liet dit niet toe, maar deed of
ze heel kwaad werd en zeide hem omhelzend: O wee mij! Ik zie al te
wel, hoe weinig ik je waard ben! Wat moet men er van denken, dat je
met één zuster bent, die je nog nooit zaagt en in haar huis, waar je,
als je daar komt, wilt weggaan en naar de herberg vertrekken om daar te
avondmalen! Werkelijk, ge moet bij mij blijven soupeeren en hoewel mijn
man er niet is, wat mij zeer spijt, zal ik u toch als vrouw wel goed
weten te ontvangen. Andreuccio, niet wetend wat er op te antwoorden,
zeide: Ik houd van u als zuster zooveel als het moet, maar als ik
niet ga, zal ik den geheelen avond ten eten worden verwacht en ik zal
onbeleefd zijn. Daarop zeide zij: God zij geloofd, dat ik nog hier
wel iemand heb om te berichten, dat men u niet moet afwachten. Het
zou nog hoffelijker van u zijn en uw plicht, om aan uw metgezellen te
laten weten, dat zij hier zouden komen om te avondmalen, en dan, als
gij toch wilt weggaan, zoudt gij allen met elkaar kunnen vertrekken.

Wat mijn metgezellen betreft, sprak Andreuccio, die verlang ik vanavond
niet hier, maar als je bepaald wilt, dat ik hier blijf eten, dan zal ik
dit gaarne doen. Zij deed, alsof ze in zijn herberg liet berichten, dat
men op hem met het eten niet zou wachten. Toen zij na nog veel gebabbel
aan tafel waren gezeten en zij met een overvloed van gerechten bediend
werden, rekte zij slim het maal zoolang, dat het al duister werd en
nadat zij opgestaan waren van de tafel en Andreuccio van haar vandaan
wilde gaan, sprak de juffrouw, dat zij dit volstrekt niet veroorloofde,
omdat Napels geen stad was, waar men bij nacht kan loopen en vooral
geen vreemdeling. Zij gaf voor evenzoo in de herberg te doen weten,
dat hij bleef slapen. Andreuccio, die dit al geloofde en zich daarmee
verblijdde, hoewel hij door lichtvaardig vertrouwen bedrogen was,
dat hij bij zijn zuster vertoefde, bleef daar ook. Hun gesprek, hun
gekeuvel duurde zeer lang na den eten en niet zonder reden en toen
de nacht al voor een groot deel verstreken was, liet zij Andreuccio
in zijn kamer om te gaan slapen met een klein jongske om hem naar
believen te helpen, als hij iets begeerde: aldus begaf zij zich ook
met de andere vrouwen, die zij bij haar had, naar een ander vertrek. Nu
was het in dien tijd van het jaar zeer heet, zoodat Andreuccio ziende,
dat hij daar alleen gebleven was, zich haastig van zijn wambuis ontdeed
en ook zijn broek uittrok, die hij aan het hoofdeinde van zijn bed
lei. Daar gevoelde hij den nooddrang der natuur om het overvloedig
gewicht van zijn buik te verminderen en vroeg daarom den jongen naar
het geheime gemak, die hem een deur wees in een van de hoeken der
kamer, zeggende, dat hij daar binnen zou treden. Zonder argwaan ging
Andreuccio daar binnen, waar hij per ongeluk zijn voet op een plank
zette, die los op een balk lag aan het eene einde, zoodat de plank met
het andere einde omhoog wipte en hij daarmee van boven neerviel. Maar
God bewaarde hem, dat hij zich bij het vallen niet meteen kwetste,
hoewel hij van een tamelijke hoogte neerkwam. Toch werd hij overal
vuil van de uitwerpselen, waar die plek vol van was. Hoe die plaats
was, zal ik beschrijven, opdat gij hetgeen ik verteld heb en wat er
nog te zeggen valt, goed zult begrijpen. Daar waren in een smalle en
kleine ruimte, zooals men dikwijls tusschen de huizen ziet, enkele
planken geplaatst op twee balken, die van het eene huis naar het
andere gelegd waren en die tot zitplaats boven die geul als privaat
dienden. Andreuccio was met een dier planken neergetuimeld. Hij bevond
zich plotseling in de straatgeul en was verstoord door dit onvoorziene
ongeval en riep den jongen toe. Zoodra de knaap hem had hooren vallen,
ging die het zeggen aan zijn meesteres. Zij liep naar zijn kamer,
zocht of zijn kleeren er waren, vond die daar en ook het geld, dat
hij wantrouwend, altijd dwaas bij zich droeg. Daartoe had zij haar
netten uitgezet. Daartoe had zij--van Palermo afkomstig--geveinsd
een der dochteren van Perugia te zijn. Derhalve bekommerde zij zich
verder niet over Andreuccio, maar sloot vlug de deur, waar hij uit
was gegaan, toen hij van boven neerviel. Andreuccio merkend, dat de
jongen hem geen antwoord gaf, ging door met nog veel harder te roepen,
maar het was voor een doovemansdeur. Toen begon hij kwaad te vermoeden
en al te laat het bedrog te bemerken en klom op een kleinen muur,
die het uitzicht op de straat in de geul belette.

Toen hij daaruit naar buiten was gesprongen, zocht hij op de straat
naar de deur van het huis en riep daarvoor langen tijd vergeefs en
stommelde en stootte er tegen. Toen hij hierover klagend zijn ongeluk
gewaar werd, begon hij te roepen: O wee, in hoe weinig tijd heb ik
honderdvijftig florijnen en een zusje verloren! En na vele andere
woorden begon hij opnieuw op de deur te slaan en te schreeuwen en hij
deed dit zoo hard, dat de omwonende buren, die dit rumoer niet konden
verdragen, van hun bed opstonden. Daar was ook een der dienstmaagden
van de juffrouw, die met nogal slaperig voorkomen naar het venster
kwam en kwaad tot hem zei: Wie ben jij, die daar beneden klopt? Och,
sprak Andreuccio, kent u mij niet, ik ben Andreuccio, de broer van uw
juffrouw Fiordaliso. Hebt gij, vriendlief, wat te veel gedronken? Ga
dan maar goed slapen en kom morgen weer terug; ik weet van geen
Andreuccio en weet ook niet wat voor dwaasheden gij vertelt. Ga
hier dus in 's hemels naam weg en laat ons asjeblieft stilletjes
slapen. Wat? sprak Andreuccio, weet u dan niet, wat of ik zeg? Zeker
weet je dat! Is de familie van Sicilië van zulk een soort, dat men die
in zoo korten tijd vergeet, geef me dan tenminste mijn kleeren terug,
die ik hier heb gelaten en ik zal met God weggaan. Daarop zeide zij
lachend: Me dunkt, vriendje, je droomt. Met dit antwoord ging zij
naar binnen en sloot het venster. Andreuccio reeds zeker van zijn
schade werd tegelijk door verdriet en toorn haast razend en nam zich
voor met geweld te bemachtigen, hetgeen hij niet door goede woorden
wist te verkrijgen. Daarom nam hij een steen en begon met veel luider
slagen dan te voren weer aan de deur te kloppen. De buren, die van te
voren ontwaakt en van hun bed opgestaan waren, hoorden dit gedaver en
dachten, dat hij een of andere rustverstoorder was, die zoo sprak om
deze goede dame te kwellen; boos door het groote spektakel, dat hij
maakte, staken zij daarom hun hoofden uit de ramen en begonnen alle
tegelijk te schreeuwen net als de honden op straat blaffen achter den
staart van een vreemde hond, die daar loopt: het is een schandaal
op dit uur zoo aan de deur te komen van fatsoenlijke vrouwen en
die dwaasheden toe te roepen, ga dus in 's hemelsnaam hier vandaan,
goeie man en laat ons slapen asjeblieft. Als u met haar iets hebt
uit te staan, kom dan morgen terug en hinder ons zoo niet den heelen
nacht. Door die woorden vatte wellicht een knecht van de juffrouw
moed, dien Andreuccio daar binnenshuis noch gezien noch gehoord had
en die uit het venster kwam en met een ruwe, vreeselijke en barsche
stem zeide: Wie is daar beneden? Door die klank hief Andreuccio het
hoofd op en zag daar een man, welke, naar Andreuccio kon merken,
een groote vechtersbaas scheen te zijn, met een ruigen, zwaren baard
om zijn mond en die geeuwend en gapend zijn oogen wreef of hij van
bed was gekomen uit een zwaren slaap. Hem antwoordde Andreuccio niet
zonder angst: Ik ben de broeder van de juffrouw van dit huis. Maar
die hoorde zijn woorden niet tot het einde aan en sprak hem nog
veel barscher toe dan hij de eerste maal had gedaan, zeggende: Ik
weet niet waarom ik mij laat weerhouden beneden te komen en je met
een eind hout zoo te laten rondspringen, dat je je niet meer kunt
verroeren, daar je hier vannacht niemand laat slapen, stomme ezel
en dronkelap, die je bent. Hierbij trok hij het hoofd naar binnen
en sloot het venster. Sommige van de buren, die den aard van dien
man wel kenden, spraken goedig tot Andreuccio: In 's hemels naam,
vriend, maak bijtijds, dat je weg komt en laat je niet doorsteken,
ga veilig weg zooals men je zegt; dat is het beste. Andreuccio,
ontsteld van de stem van dien man en van zijn gezicht en bewogen door
den raad der buren, die (gelijk hij meende) te goeder trouw spraken,
ging als de treurigste man ter wereld en om zijn verlies wanhopig
weg. Hij begaf zich naar die wijk, waar hij daags te voren het meisje
gevolgd was en zonder goed den weg te weten, om naar de herberg terug
te keeren. Bovendien was hij nog boos, omdat hij zoo leelijk rook,
en begeerde hij aan den zeekant te geraken om zich te wasschen. Hij
verdwaalde aan den linkerkant en liep door de Catalonische straat
opwaarts. Zoo het hoogste deel der stad bereikend, ontmoette hij
toevallig twee mannen, die hem tegen kwamen met een lantaarn in de
hand. Daar hij vreesde, dat het de wacht of anders kwaad volk mocht
zijn, verborg hij zich om ze te ontwijken in een oud vervallen huis,
dat hij daar in de nabijheid vond. Maar daar gingen ook deze lieden
op af als met opzet, waar de een, die ijzeren gereedschappen op den
schouder droeg, met den ander begon rond te kijken en over allerlei
dingen daartusschen door spraken zij. Hierbij zeide een van hen:
Wat beteekent dat? Ik ruik de leelijkste lucht, die ik ooit van mijn
leven bespeurd heb. Bij die woorden hief hij den lantaarn omhoog en
zag den ongelukkigen Andreuccio, zoodat zij verwonderd vroegen: Wie
is daar? Andreuccio sprak geen woord. Maar zij naderden hem met het
licht en vroegen hem, wat hij, zoo smerig, daar deed. Toen vertelde
Andreuccio hun van het begin af aan, wat er met hem gebeurd was. Zij
vermoedden op den gis af, waar hem dit ongeluk gebeurd kon wezen,
en zeiden met nadruk: Dat kan zeker nergens anders geweest zijn,
dan bij Scarabon, den brandstichter. Daarom keerden zij zich tot
Andreuccio en zeiden hem: Als dat zoo is, vriend, dat jij je geld
hebt verloren, dan mag je God nog danken voor het geluk van boven
neer te zijn gevallen en dat je niet meer in dat huis mocht komen,
want je kunt er van op aan, dat ze je daar vermoord hadden, zoodra je
in slaap zoudt zijn gevallen en je zoudt dan je leven met je geld zijn
kwijt geraakt. Maar wat helpt je al dat schreeuwen! Je zoudt eerder
de sterren van den hemel kunnen halen dan een cent van je geld uit
hun handen. Ja, je zoudt nog doodgestoken worden, zoodra die kerel
hoorde, dat je er nog altijd over sprak. Hierna fluisterden zij een
poosje te samen en spraken hem daarop weer toe. Hoor vriend, we hebben
medelijden met je en als je in ons gezelschap wilt wezen om iets te
doen, wat wij ons hebben voorgenomen, meenen wij er haast zeker van
te zijn, dat jou veel meer ten deel zal vallen dan de waarde van wat
je verloren hebt. Andreuccio in volslagen wanhoop, antwoordde, dat hij
daartoe bereid was. Nu was dienzelfden dag de aartsbisschop van Napels
begraven, Monseigneur Philippus Minutolo, in een rijk gewaad en met een
robijn aan zijn vinger, die meer dan vijfhonderd goudguldens waard was,
welken die twee zich hadden voorgenomen te gaan berooven. Zij gaven
dit aan Andreuccio te kennen. Deze, meer begeerig dan bedachtzaam,
begaf zich met hen op weg. Toen zij nu naar de groote kerk gingen en
Andreuccio vreeselijk rook, sprak een van hen: Zouden wij geen middel
kunnen vinden, opdat deze man zich ergens kan wasschen en dat hij niet
zoo gruwelijk ruikt? Best, zei de ander, we zijn hier dicht bij een
put. Daar is gewoonlijk een strik in met een grooten emmer. Laat ons
daarheen gaan, wij zullen hem flink afspoelen. Daar gekomen vonden
zij wel het touw, maar de emmer was er afgenomen. Zij overlegden om
hem in den put te laten zinken, opdat hij zich zelf daar zou wasschen
en als hij schoon was, zou hij aan het touw schudden, opdat zij hem
dan terstond weer zouden optrekken. Zij hebben hem zoo daarin laten
zakken. Maar het toeval wilde, dat, zoodra hij beneden in de put was,
eenige mannen van de wacht naar de put liepen om te drinken, zoowel
omdat het zeer warm was als omdat zij iemand nagezeten hadden en
dorstig werden. Zoodra dit tweetal de wacht zag, gingen zij haastig op
de vlucht. De mannen van de wacht bemerkten hen niet, maar Andreuccio,
die beneden in de put gereinigd was, begon het touw te schudden. Boven
om den put stonden de wachters, die hun schilden, hun wapens en hun
mantels afgelegd hadden en het touw optrokken. Zij meenden, dat er een
emmer vol water aan hing. Toen Andreuccio merkte, dat hij de opening
van de put naderde, liet hij het touw los en sloeg zijn handen op
den kant; de anderen, die dit zagen, schrikten er zoo geweldig van,
dat zij uit angst het touw lieten schieten en zoo hard als ze konden,
weg liepen. Hierover verbaasde Andreuccio zich zeer, welke, indien
hij zich niet stevig had vastgehouden, weer ruggelings op den bodem
van den put was gevallen en dat niet zonder groote verwonding of den
dood. Maar toen hij desondanks er uit gekomen was en er de wapens
vond liggen, die hij wel wist, dat zijn metgezellen daar niet hadden
heengebracht, begon hij zich nog meer te verwonderen. In dien angst
niet wetend wat dat beteekende, beklaagde hij zich over zijn ongeluk
en besloot daar vandaan te gaan zonder een van die voorwerpen aan
te roeren. Zoo liep hij er weg zonder te weten waarheen en kwam zijn
twee kameraden tegemoet, die zich terug begaven om hem uit den put te
trekken. Toen zij hem zagen, waren ze toch zeer verwonderd en vroegen
hem wie of hem daaruit had getrokken. Andreuccio antwoordde, dat hij er
eigenlijk niets van af wist en verhaalde geregeld achter elkaar, hoe
het in zijn werk ging en ook wat hij rondom den put had gevonden. De
anderen hoorden toe en vertelden hem lachend, waarom zij daar vandaan
gevlucht waren en wat voor lui hem daaruit hadden getrokken. Zij
gingen, toen het middernacht was, zonder verdere afspraak naar de
groote kerk. Zij kwamen daar zonder moeite binnen en gingen naar
het graf, een marmeren, buitengewoon groote tombe. Ondanks haar
geweldige zwaarte werd zij door hen met hun ijzers en gereedschappen
zoo hoog geheven, dat een man er in kon komen en stutten zij den steen
op die wijze van onderen. Toen dit gebeurd was, sprak een van hen:
Wie zal er nu in gaan? De ander zei daarop: Ik niet. En ik evenmin,
hernam de eerste, maar laat Andreuccio er in afdalen. Ik zal het ook
niet doen, sprak Andreuccio. Toen keerden zij zich beide tot deze en
zeiden: Hoe dat? Ga je er niet in? Daal je er niet in af, bij God,
dan zullen wij jou met deze ijzeren bouten zooveel slagen op je kop
geven, dat we je er in laten doodvallen. Andreuccio was bang, dat
zij doen zouden, waarmee zij dreigden en dacht onder het afdalen bij
zich zelf: die twee laten mij hier in gaan om mij te bedriegen. Want
als ik hun alles gegeven zal hebben, zullen zij er mee gaan strijken
en hun kans waarnemen, terwijl ik bezig ben er uit te komen. Zoo zou
ik hier blijven zonder iets te behouden. Daarom nam hij zich voor,
eerst voor zich zelf te zorgen, voordat hij er uit geholpen zou
zijn en denkend aan den prachtigen ring, waarvan hij hen had hooren
spreken, heeft hij die, zoodra hij daar beneden was, van de hand van
den Aartsbisschop getrokken en aan de zijne gestoken. Daarna nam hij
den staf, den mijter, en de handschoenen en toen hij hem tot op het
hemd beroofd had, reikte hij alles aan zijn metgezellen toe en zei,
dat er niets meer te vinden was. Die beweerden toen, dat de ring
er bepaald moest wezen en zeiden, dat hij overal goed moest zoeken,
maar hij antwoordde, dat hij dien niet vond, deed zich voor, alsof
hij zocht en liet hen een beetje wachten. Maar zij, die van hun kant
net zoo sluw waren als hij, hielden nog altijd vol, dat hij goed zou
kijken en namen, toen het hun goed dacht, de stutten weg, die de zerk
over de tombe omhoog hielden. Zij vluchtten daarop heen en lieten den
armen Andreuccio daaronder opgesloten. Iedereen kan licht begrijpen,
hoe het Andreuccio te moede werd, toen hij dit zag. Hij beproefde
herhaaldelijk met het hoofd en de schouders om de zerk op te beuren,
maar zijn moeite was tevergeefs. Tengevolge daarvan werd hij door
de grootste droefheid overmand en viel op het doode lichaam van den
Aartsbisschop in zwijm, zoodat, indien op dat oogenblik iemand beide
had gezien, deze zeer moeilijk had kunnen weten wie van hun tweeën het
meest dood was, de Aartsbisschop of Andreuccio. Toen hij weer tot zich
zelf was gekomen, begon hij hierbij bitter te schreien, daar hij zag,
dat hij zeker moest sterven, wat er bij twee mogelijkheden ook mocht
gebeuren: omkomen van honger en van den stank onder de wormen van
het lijk, zoo niemand hem daaruit verloste, of ongetwijfeld als een
kerkroover opgehangen worden, indien er al enkele menschen zouden
komen, die hem daar vonden. Met zulke gedachten en zeer treurig,
hoorde hij lieden langs de kerk gaan en spreken, die daar, gelijk
hij dacht, heen kwamen om hetzelfde te doen, wat hij nu al met zijn
metgezellen had verricht, waardoor zijn angst nog vermeerderde. Die
kwamen naar de tombe, openden deze en zetten die op stutten, maar
zij begonnen het er over oneens te worden wie van hen naar beneden
zou gaan, wat niemand doen wilde. Ten slotte, na een langen twist,
zeide een hunner, een pater: Waarom zijn jullie bang? Vrees je, dat
hij je op zal eten? De dooden eten nooit menschen, daarom zal ik er
nu in afdalen. Toen hij dit gezegd had, hield hij zijn borst tegen
den kant van het graf, stak zijn hoofd naar buiten en liet de beenen
er in zakken om er in af te dalen.

Andreuccio, die zich al opgericht had, zag dit, en greep den dief
bij een van zijn beenen en deed net, alsof hij hem naar onderen
wou trekken. De ander werd dit gewaar, gaf een vreeselijken gil en
slingerde zich zelf snel op den kant van het graf omhoog. De anderen
daardoor hevig ontzet, lieten het graf open staan en vluchtten,
alsof hun honderdduizend duivels tegelijk op de hielen zaten. Toen
Andreuccio dit merkte, werd hij boven verwachting verheugd; hij
sprong op den rand van het graf en liep de kerk uit den weg langs,
dien hij gekomen was. Toen de dageraad nu al rees, is hij al dolende
met den ring aan de hand toevallig aan de haven gekomen en daarna aan
zijn herberg. Daar ontwaarde hij zijn gezelschap en den kastelein,
die allen dien nacht zeer bezorgd over hem geweest waren. Nadat hij
verteld had, wat hem overkomen was, scheen het hem op raad van den
herbergier het best meteen uit Napels te vertrekken, wat hij haastig
deed. Hij kwam weer te Perugia, nadat hij dus zijn geld met een ring
had verwisseld, waar hij was heengegaan om paarden te koopen.



Zesde Vertelling.

    _Madonna Beritola wordt op een eiland gevonden met twee
    geitjes, nadat zij haar twee zoons heeft verloren. Zij gaat
    naar Lunigiana, waar een van haar zoons bij haar huisheer in
    dienst trad en met de dochter van hem samen gevonden wordt
    en in de gevangenis wordt gezet. Bij den opstand van Sicilië
    tegen koning Karel, als de moeder haar zoon herkent, huwt hij
    de dochter van zijn heer en nadat zijn broeder is weergevonden,
    komen zij alle drie weer tot groot aanzien._


De dames en ook de jongelieden hadden erg gelachen om de lotgevallen
van Andreuccio, door Fiammetta verhaald, toen Emilia bemerkend, dat
de geschiedenis ten einde was, op bevel der koningin aldus begon:
Ernstig en droevig zijn de verschillende wisselingen der Fortuin, naar
welke, omdat telkens als men er over spreekt, onze hoofden ontwaken,
die lichtelijk door zijn listen inslapen, ik meen, dat het luisteren
nooit nadeel kan doen noch aan de gelukkigen, noch aan de ongelukkigen
voor zoover het de eersten verstandig maakt en de tweeden troost. En
daarom, hoewel er al belangrijke dingen hiervoor verteld zijn, wil ik
u een niet minder ware dan treurige historie verhalen, die, hoewel ze
een blijmoedig einde had, zoo groot en lang was van smartelijkheid,
dat ik nauwelijk geloof, dat deze ooit zal worden verzacht door de
vreugde, die volgde.

Liefste donna's, gij weet, dat na den dood van Keizer Frederik
den Tweeden er in Sicilië een Koning was gekroond, die Manfredi
heette. Bij deze bevond zich in groot aanzien en hooge waardigheid een
napolitaansch edelman Arrighetto Capece; [29] deze had tot echtgenoote
een schoone en edele vrouw, Beritola Caracciola, ook afkomstig uit
Napels. Deze Arrighetto had het bewind over het gemelde Koninkrijk
Sicilië. Toen hij vernomen had, dat Karel de Eerste den slag bij
Beneventum gewonnen en Koning Manfredi verslagen had, zag hij,
dat het Rijk oproerig was en hij durfde niet vast vertrouwen op
de ongewisse wankelmoedigheid der Sicilianen. Om niet de onderdaan
des vijands van zijn Heer te worden, maakte hij zich gereed tot de
vlucht. Maar de Sicilianen vernamen dit en leverden hem terstond met
verscheidene andere vrienden en dienaren van Koning Manfredi over
aan Koning Karel, wien zij ook dadelijk het bezit van het eiland
in handen stelden. Madame Beritola wist bij deze groote omkeering
met dat al niet, waar haar man heen was gegaan en bleef steeds
bezorgd om hetgeen er gebeurd was. Daarom verliet zij uit vrees
voor geweld en schennis harer eer al hare goederen en begaf zich
scheep op een kleine bark met haar zoontje Giusfredi, ongeveer acht
jaar oud en vluchtte zoo arm en nog van een ander zoontje zwanger,
naar Lipari, waar zij het knaapje baarde, dat zij Scacciato, (den
Verjaagden) noemde. Daar nam zij een voedster aan en ging met haar
twee kinderen en de voedster in een klein scheepje om terug te keeren
naar Napels bij haar verwanten. Maar het ging haar anders dan zij
had verwacht. Want het scheepje, dat naar Napels zou zeilen, werd
gedreven door een sterken tegenwind naar het eiland Ponzo, [30] waar
zij in een kleinen zeeboezem landden en moesten wachten om hun reis
voort te zetten. Madame Beritola betrad evenals de anderen het eiland,
waar zij een eenzame plaats vond ver uit den weg, en zij alleen zijnde
om haar man begon te treuren en zijn ongeluk te beklagen Terwijl zij
dit dagelijks deed, kwam in haar droefheid, zonder dat de schipper
of iemand anders het bemerkte, er toevallig een galei met zeeroovers,
die het andere zeevolk zonder slag of stoot gevangen namen en dadelijk
wegvoeren. Toen Madame Beritola haar dagelijksche klachten eindigde,
keerde zij weer naar het zeestrand terug om bij haar kinderen te
komen, gelijk zij dat gewoon was. Maar toen zij daar niemand vond,
verwonderde zij zich sterk. Zij vreesde voor wat er gebeurd kon zijn
en richtte haar blikken in zee, waar zij de galei zag, die nog niet
ver van land was en het kleine scheepje voortsleepte.

Klaar besefte zij, dat zij nu haar kinderen verloren had gelijk haar
man en dat zij zich daar arm, alleen en verlaten bevond zonder eenige
hoop te hebben ooit weer een van hen te zullen terug zien. Zij begon
jammerlijk om haar man en haar kinderen te roepen en viel in onmacht
op het strand neer. Er was niemand, die haar met koud water of met
eenig ander middel bijstond om haar weer tot zich zelf te brengen,
zoodat haar geesteskrachten konden gaan, waar ze wilden. Maar toen de
verdwenen krachten weer met tranen en klachten in haar ellendig lichaam
terug keerden, begon zij langen tijd om haar kinderen te roepen, die
zij lang in alle holen liep te zoeken. Ten laatste echter ziende,
dat alle moeite tevergeefs was, dat de nacht daalde en hopende en
niet wetend waarom, ging zij op zich zelf letten. Zij verliet daarom
het strand en keerde terug naar hetzelfde hol, waar zij gewoon was
te weenen en te treuren.

Toen nu de nacht met ondenkbare angst en droefheid was doorgeleden, de
dag gekomen en het al negen uur was, is zij daar ze den vorigen avond
niet gegeten had van honger kruiden gaan nemen; daarmede verzadigde
zij haar maag zoo goed ze kon en vroeg zich weenend met allerlei
gedachten hoe het toch met haar gaan zou. Nu zag zij een reegeit komen,
die daar in de buurt in een hol ging, een poosje daarna er weer uit
kwam en het bosch in liep. Zij stond op en begaf zich daarheen, waar
zij het beest uit had zien komen en vond daar twee jonge geitjes,
die misschien dienzelfden dag geworpen waren. Die schenen zeer lief
en aardig in haar oogen. En daar haar zog nog niet op was, heeft zij
die zachtjes opgenomen en aan haar borsten gelegd. Deze weigerden
die weldaad niet en zogen bij haar, alsof het hun moeder geweest was,
zoodat zij van af dat oogenblik geen onderscheid meer kenden tusschen
haar geitenmoeder en Madame Beritola. Daardoor scheen het deze edele
vrouw, dat zij een soort gezelschap in de eenzaamheid had gevonden,
en zij leefde op kruiden, dronk water en weende zoo dikwijls zij
aan haar man, haar kinderen en haar vroeger leven dacht. Zoo was zij
bereid aldaar te moeten leven en sterven, en door dit verblijf werd
zij gemeenzaam met de moeder en met de jonge geitjes. In dien toestand
werd de edele vrouw geheel verwilderd. Een paar maanden later kwam
daar toevallig een ander scheepje met eenige Pisaners aan, dat daar
enkele dagen bleef liggen. Daarop bevond zich ook een edelman Currado
(Coenraad) genaamd, Markgraaf van Malespina, die zijn echtgenoote bij
zich had, een deugdzame, heilige vrouw. Zij kwamen te samen van een
bedevaart uit de provincie Pulia, waar zij al de heilige plaatsen
bezocht hadden, eer zij huiswaarts togen. Deze ging op een goeden
dag om zich te ontspannen met zijn huisvrouw, een deel van zijn
bedienden en met zijn honden langs dit eiland wandelen en kwam nabij
de plaats, waar Madame Beritola zich bevond. De honden begonnen de
twee geiten te volgen, die nu al wat grooter geworden, daar gingen
grazen. Deze opgejaagd door die dieren vluchtten maar naar het hol,
waar Madame Beritola was. Zij zag dat en sprong dadelijk op, greep een
stok en joeg de honden weg. Zoo kwamen daar ook Messire Currado met
zijn huisvrouw, die hun honden volgden. Zij verwonderden zich zeer,
toen zij die dame zagen, die nu al bruin en mager was geworden met
verwilderde haren en zij was niet minder verbaasd over deze lieden.

Maar toen de edelman naar haar verlangen zijn honden tot zich had
geroepen, gaf zij na lang vragen toe met te zeggen wie zij was en
wat zij daar deed en verklaarde hun toen haar toestand, haar ongeluk
en haar beslist voornemen. De edelman, die haar man zeer goed had
gekend, hoorde dit alles aan en begon uit medelijden te schreien en
deed zijn best met zachte woorden haar af te brengen van zulk een
wreed plan. Hij beloofde haar weer in haar eigen huis te brengen of
haar bij zich thuis te onderhouden in zulk een aanzien, alsof zij zijn
eigen zuster was. Daar zou zij mogen blijven tot God haar meer geluk
zou schenken. Toen zij deze schoone aanbieding niet wilde aannemen,
heeft Messire Currado zijn huisvrouw tot haar laten gaan met den last
haar aldaar eten te doen brengen en ook haar met eenige van haar
kleeren uit het schip te voorzien, daar die van Madame Beritola al
versleten waren, maar bovenal beval hij zijn ega aan al het mogelijke
te doen haar mee te brengen. Die goede vrouw bleef daar bij haar,
weende met haar bitter over haar ongeluk en liet haar kleeren en
spijzen brengen en bracht haar met de grootste moeite van de wereld
zoover, dat zij ten laatste nog in het eten daarvan bewilligde. Daar
Madame Beritola beslist zeide nooit te willen komen op de plaats,
waar zij bekend was, haalde zij na veel bidden die over, dat zij mede
zou reizen tot Lunigiana met de twee geitjes en de moeder, die daar
bij gekomen groote vriendschap bewees aan Madame Beritola en dat niet
zonder groote verbazing van de edelvrouw. Toen het goed weer werd, is
Madame Beritola met Messire Currado en zijn echtgenoote scheep gegaan
en nam de geit met de twee jongen mede. Daar de anderen haar naam
niet kenden, werd zij de Cavriuola (geitenmoeder) genoemd. Zij zeilden
met den wind voor snel tot in den mond van de rivier Magra [31]. Daar
zijn zij aan land gegaan in hun kasteel, waar Madame Beritola bij de
echtgenoote van Messire Currado bleef wonen in weduw-kleeren als een
van haar juffrouwen eerbaar, ootmoedig en gehoorzaam. Zij behield
altijd groote liefde voor haar geitjes, die zij daar deed opvoeden.

De zeeroovers, die het scheepje bemachtigd hadden te Ponzo, waarmede
Madame Beritola daar was aangekomen en die haar, omdat ze haar niet
hadden opgemerkt, daar achterlieten, kwamen met de anderen, die zij
hadden weggevoerd te Genua. Daar deelden de hoofden van de galei den
buit onderling en is onder meer bij loting de voedster der kinderen
van Madame Beritola met de twee zoontjes van deze ten deel gevallen
aan een zekeren Messire Guasparrino d'Oria.

Deze nam de zoogster en de kinderen in zijn huis om ze als lijfeigenen
voor allerlei diensten te gebruiken. De minne was ontroostbaar over den
ongelukkigen toestand, waarin zij en de kinderen zich bevonden. Toen
zij echter bedacht, dat zij met tranen niets uitrichtte en dat zij met
hen in een en dezelfde dienstbaarheid leefde, nam zij als een wel arme,
maar verstandige en voorzichtige vrouw ten eerste het besluit zich te
troosten, zoo goed zij kon en voor het tweede overlegde zij,--omdat
zij onderzocht, wat er van de kinderen geworden was--dat het licht
schadelijk voor hen kon worden, wanneer men mocht weten, wie zij
waren. En daar zij bovendien hoopte, dat wellicht eenmaal de kans
kon keeren en de kinderen, als zij lang genoeg leefden, zich weer
tot hun vroegeren staat konden verheffen, was zij van plan niemand
te vertellen wie zij waren, eer er zich zulk een gunstige gelegenheid
voordeed. Zij gaf ze derhalve tegenover iedereen, die het vroeg, voor
haar eigen kinderen uit en noemde den oudsten knaap niet Giusfredi,
maar Gianotto di Procida. Zij achtte het niet noodig den naam van den
kleinste te veranderen; daarentegen spaarde zij geen moeite Giusfredi
(Godfried) begrijpelijk te maken, waarom zij hem een anderen naam
had gegeven en hoe gevaarlijk het voor hem kon worden, wanneer hij
herkend zou worden; zij herinnerde hem daaraan niet slechts eens maar
zeer dikwijls. De knaap, wien het niet aan doorzicht ontbrak, richtte
zich ook ijverig naar de aanwijzingen van zijn wijze voedster. Beide
broeders leefden diensvolgens met hun zoogster menig jaar geduldig
in het huis van Messire Guasparrino, slecht gekleed en nog slechter
geschoeid en voor allerlei nederige diensten gebruikt. Zoodra echter
Giannotto zestien was geworden en daar hij meer trots bezat dan
met zijn dienstbaren staat overeenkwam, versmaadde hij de nederige
knechtschap, ontvluchtte den dienst van Messire Guasparrino, ging
op een galei, die naar Alexandrië zeilde en reisde door vele landen
zonder echter ergens vooruit te komen. Eindelijk ongeveer vier jaar,
nadat hij van Messire Guasparrino ontvluchtte en welhaast een knappe,
groote jongeling was, hoorde hij, dat zijn vader nog leefde, dien
hij steeds dood had gewaand, maar dat Koning Karel hem gevangen en in
slavernij hield. Daar hij lang haast wanhopig aan zijn fortuin als een
vagebond had rondgezworven, kwam hij naar Lunigiana. Het toeval wilde,
dat hij bij Currado Malespina in dienst trad, dien hij zeer trouw
was en wiens sympathie hij daardoor verwierf. Ofschoon hij vaak zijn
moeder, die zich bij de echtgenoote van Currado bevond, te zien kreeg,
kende hij haar toch niet en zij ook hem niet, daar de jaren hun beide,
sedert zij elkaar het laatst hadden aanschouwd, sterk hadden veranderd.

Gedurende den tijd, dat Giannotto bij Messire Currado in dienst was,
kwam bij toeval, een dochter van hem, Spina genaamd, de weduwe van
zekere Niccolo van Grignano weer naar haars vaders huis en liet als een
mooi, jong en vroolijk wijfje van zestien jaar hare oogen op Giannotto
rusten en hij de zijnen op haar, zoodat zij beide smoorlijk op elkaar
verliefd werden. Deze liefde bleef niet lang zonder gevolg en duurde
verscheidene maanden, voor men het merkte. Daardoor werden echter de
minnenden te zeker en begonnen hun maatregelen minder voorzichtig te
nemen dan bij zulke gelegenheden noodig was. Toen zij dan ook een dag
samen in een schoon en dicht bosch wandelden, scheidden zij zich van
het overige gezelschap en liepen er ijlings in en toen zij geloofden
de anderen ver genoeg achter gelaten te hebben, lieten zij zich op
een aanlokkelijk grasperk neer met bloemen bedekt en door boomen
verborgen en gaven zich aan de genoegens der liefde over. Daar zij
zich echter langen tijd (die hun voor hun genoegen te kort scheen)
te samen ophielden, werden zij eerst door de moeder van de jonge
vrouw en dadelijk daarop door Currado zelf verrast.

Zeer toornig over het niet vermoedde schouwspel liet deze hen
beide (zonder te laten blijken met welk doel) door drie van zijn
bedienden binden en geboeid naar een van zijn kasteelen brengen,
want tandenknarsend van toorn en woede was hij van plan ze beide een
smadelijken dood te doen sterven. De moeder der jonge dame, die ook
zeer vertoornd op haar dochter was en geloofde, dat haar misdrijf
een zware tuchtiging verdiende, had intusschen uit eenige woorden,
die haar gemaal ontvallen waren, zijn bloeddorstige voornemens met de
beide schuldigen vermoed en kon dit niet verdragen; zij ijlde daarom
den vertoornden man na en bad hem smeekend haar ter wille niet zoo snel
het besluit te nemen op zijn leeftijd den moordenaar van zijn dochter
te worden en zijn handen te bezoedelen met het bloed van zijn knecht,
daar hij toch andere middelen kon vinden om zijn wraak uit te voeren,
wanneer hij ze in de gevangenis liet zetten en hen daar liet lijden en
hun misdaad betreuren. Met dergelijke en andere redeneeringen bracht
de brave vrouw hem er toe, dat hij zijn beslissing veranderde en in
plaats ze te laten ombrengen, beval hij ze beide op verschillende
plaatsen in te kerkeren, ze onder streng toezicht te houden, hun
spaarzaam voedsel te geven en zeer te kort te doen, tot hij anders
over hen zou vonnissen. Dit gebeurde en men kan zich voorstellen,
hoe het hun in de gevangenis te moede werd, waar voortdurend weenen
hun lot was en zij meer vasten moesten dan hun lief was.

Terwijl nu Giannotto en donna Spina onder deze bekommeringen wachtten
en reeds een paar jaar hadden doorgebracht zonder dat Currado aan
hen dacht, zette koning Piero di Raona [32] door de medewerking van
den heer Gian di Procida [33] der Sicilianen tot opstand aan en gaf
aan koning Karel het eiland, hetwelk Currado als een echte Ghibellijn
groote vreugde veroorzaakte. Zoodra dit Giannotto door een van zijn
cipiers werd bericht, riep hij met een zucht: "O wee! Het duurt nu al
veertien jaar, dat ik mij door de wereld in ellende heb rondgesleept en
slechts op zulk een omstandigheid heb gewacht en nu, nu die werkelijk
is ingetreden, moet ik, opdat mij geen hoopvol uitzicht over blijft,
hier in de gevangenis zitten, waaruit ik nooit durf hopen levend te
voorschijn te komen."

Hoe zoo? sprak de kerkermeester. Wat gaat het jou aan wat er tusschen
twee groote koningen gebeurt en wat hadt je dan in Sicilië te doen?

Giannotto antwoordde: Het verscheurt mij het hart, wanneer ik bedenk,
wat eens mijn vader daar te doen had, van wien ik mij nog wel herinner,
dat hij ten tijde van koning Manfredi een aanzienlijk man was,
ofschoon ik nog een kleine knaap was, toen ik moest ontvluchten.

Wie was dan je vader? vroeg de kerkermeester.

Ik mag u gerust zijn naam noemen, antwoordde Giannotto, daar het
gevaar nu toch voorbij is, wat ik anders had te vreezen, wanneer
ik dien had bekend gemaakt. Hij noemde zich (en noemt zich nog,
zoo hij nog leeft) Arrighetto Capece en ik heet niet Giannotto,
maar mijn naam is Giusfredi en ik ben er zeker van, dat, wanneer
ik van hier ontvluchten en mij in Sicilië vertoonen kon, ik daar
tot groot aanzien zou komen. De goede man zonder verder te vragen,
ging, zoodra hij gelegenheid had, dit vertellen aan Currado. Toen
die dit hoorde, deed hij wel tegen den kerkermeester of hij er zich
niet aan stoorde, maar hij ging naar mevrouw Beritola en vroeg haar
vriendelijk of zij een zoon had gehad bij Arrighetto, die Giusfredi
heette. Weenend gaf de donna hem ten antwoord, dat, als de oudste
van de twee nog in leven was, die zoo heette en twee-en-twintig jaar
oud moest zijn. Na dit te hebben vernomen, meende Currado, dat die
het moest wezen en het viel hem in, zoo het aldus er mee gesteld was,
dat hij tegelijk een daad van groote barmhartigheid kon doen en diens
schande en die van zijn dochter uitwisschen door hem die tot vrouw
te geven. Hij liet daarom Giannotto in het geheim bij zich komen
en vroeg in bijzonderheden naar zijn vroeger leven. Hij vond hier
genoegzaam bewijzen, dat hij werkelijk de zoon van Arrighetto Capece
was en zeide: Giannotto gij weet, welk een beleediging gij mij in
de persoon van mijn eigen dochter hebt aangedaan, terwijl ik u goed
en vriendschappelijk behandeld heb, waarom gij, gelijk het een goed
dienaar betaamt, mijn eer en mijn voordeel altijd had moeten zoeken
en bevorderen. Velen, die in mijn plaats geweest waren, hadden om
hetgeen gij mij hebt gedaan, u een smadelijken dood laten sterven,
maar mijn lankmoedigheid duldde dit niet. Nu echter de zaken staan
gelijk gij zegt, dat gij de zoon zijt van een edelman en edelvrouw,
wil ik aan uw lijden een einde maken en u uit de ellende en de
gevangenschap verlossen, waarin gij verkeert en meteen uw eer en die
mijner dochter tot dezelfde hoogte weer verheffen. Gelijk gij weet,
is donna la Spina, die gij tot liefde bewogen hebt op een voor u en
haar onbetamelijke wijze weduwe en haar bruidschat is groot en goed;
gij weet ook hoe haar zeden zijn en wie haar vader en haar moeder;
van uw tegenwoordigen toestand spreek ik niet.

Daarom, wanneer gij wilt, ben ik er toe bereid, dat zij, die op
oneerbare wijze uw vriendin was, uw eerbare echtgenoote wordt en zoo,
dat gij als mijn zoon bij mij en haar, wanneer u dat behaagt, blijft.

De lange gevangenschap had wel de lichaamskrachten van Giannotto
verminderd maar de edelmoedige geest door afkomst geërfd, had die
niet in het minst verzwakt en ook niet de innige liefde, die hij voor
zijn donna had. Hoe vurig hij ook verlangde, wat Currado hem aanbood
en hoezeer hij het in zijn bereik zag, onderdrukte hij toch geenszins
wat de grootheid van zijn ziel hem gebood te zeggen en hij antwoordde:
Currado, noch eerzucht, noch hebzucht, noch eenige andere reden kon
mij bewegen tegen uw bloed of wat ook aan u behoort, als een verrader
bedrog te plegen. Ik beminde uw dochter, bemin haar nog en zal haar
steeds beminnen, omdat ik haar mijn liefde waard acht en indien ik
niet eerlijk genoeg heb gehandeld en volgens de meening van gewone
menschen een zonde deed, is dit altijd een gevolg van de jeugd en
men zou bevinden, dat, indien men die wilde vernietigen, men meteen
de jeugd zelf zou verdelgen, welke, zoo de ouderen zich herinneren
wilden jong te zijn geweest en de fouten van anderen met de hunnen
wilden vergelijken en omgekeerd, ook niet zoo ernstig zou schijnen
als u en anderen dit voorkomt. Ik heb dan ook als vriend en niet als
vijand gefaald. Wat gij aanbiedt, heb ik altijd verlangd en als ik
had geloofd, dat mij zou worden toegestaan, wat gebeurd is, had ik
het al lang gevraagd en het zal mij nu dus te aangenamer zijn, omdat
de hoop zooveel te geringer was. Indien gij niet de gezindheid hebt,
die uit uw woorden doorstraalt, voedt mij dan niet met ijdele hoop,
laat mij naar de gevangenis terugkeeren en laat mij, als het u bevalt,
daar treuren, hoewel ik, zoolang ik la Spina bemin, u als haar vader
zal liefhebben en eeren, hoe gij ook jegens mij handelen zult.

Toen Currado dit gehoord had, verwonderde hij zich en hield hem voor
een man van een groot karakter, prees zijn liefde en achtte hem er
des te meer om. Daarom stond hij op, omhelsde en kuste hem en zonder
de zaak langer te vertragen, beval hij, dat la Spina insgelijks in
't geheim tot hem gebracht werd. Zij was in de gevangenis bleek,
mager en zwak geworden en bijna geheel veranderd gelijk Giannotto
als man. Zij bedongen met wederzijdsch goedvinden, volgens gewoonte,
de huwelijksvoorwaarden. Nadat Currado eenige dagen lang zonder dat
iemand wist, wat er geschiedde, hun beiden alles verschaft had, wat
voor hen noodig en aangenaam was, scheen het hem tijd te zijn, ook
hun moeder te verheugen; daarom liet hij zijn vrouw en de Cavriuola
roepen en zeide tot de laatste: Wat zoudt gij wel zeggen, mevrouw,
indien ik u uw zoon weer bracht en hem u beide als de man van mijn
dochter zou voorstellen? Ik zou niet anders kunnen zeggen, antwoordde
la Cavriuola, dan dat, indien ik u nog meer verplicht kon worden,
dan ik het u reeds ben, mijn verplichting jegens u des te grooter
zou wezen als gij mij datgene zoudt teruggeven, wat mij dierbaarder
is dan mezelve. Wanneer gij mij die zoudt terugschenken, zooals gij
mij zegt, zoudt gij in mij de verloren hoop weer doen herleven. En
weenend zweeg zij. Toen zei Currado tot zijn vrouw: En hoe zou het
jou schijnen, als ik je zoo'n schoonzoon gaf? Hierop antwoordde die:
Zelfs als het geen edelman was van hun slag maar een mindere man,
zou het mij ook aanstaan, wanneer het u behaagde. Currado hernam:
Binnen kort hoop ik aldus twee vrouwen gelukkig te maken. Hij
vroeg aan de twee jongelieden, die al hun vroeger uiterlijk hadden
teruggekregen en naar hun stand gekleed waren: Hoe zou het u niet
aangenaam zijn behalve de vreugde, die gij geniet, bovendien hier
uwe moeder terug te zien? Giusfredi antwoordde: Ik geloof niet, dat
de smart over haar ongelukken haar nog in leven heeft gelaten, maar,
als dat zoo was, dan zou dit mij groote blijdschap schenken als ook,
dat ik door uw goeden raad weer een groot deel van mijn goederen in
Sicilië zou terug krijgen. Toen liet Currado daar beide dames binnen
komen. Zij ontvingen de jonge bruid zeer vriendelijk en vroegen
zich niet weinig verbaasd af, welke gedachte het geweest kon zijn,
die Currado tot zulk een welwillendheid had gevoerd, dat Giannotto
daardoor met haar was verloofd. Mevrouw Beritola, die de woorden
van Currado gehoord had, begon oplettend te kijken en een geheime
aandrift verhelderde in haar een vage herinnering aan de kinderlijke
trekken van het gelaat van haar zoon en zonder eenig verder bewijs af
te wachten vloog ze hem met open armen om den hals. De overvloeiende
teederheid en de moedervreugde beletten haar een woord te spreken;
zelfs alle bewustzijn verliet haar, zoodat ze voor dood in de armen
van haar zoon lag. Deze verwonderde er zich zeer over, nu hij zich
herinnerde, dat hij haar vele keeren te voren in hetzelfde kasteel zag
en haar echter nooit had herkend. Toch herkende hij nu het uiterlijk
van zijn moeder terstond, deed zich zelf verwijten over zijn vroeger
onoplettendheid en kuste haar teeder, terwijl hij haar in zijn armen
hield. Maar toen mevrouw Beritola, vriendelijk geholpen door donna
Currado en door la Spina zoowel met koud water als met andere middelen,
in zich zelf de verloren krachten had teruggeroepen, omhelsde zij haar
zoon onder vele tranen en met veel zoete woorden. En vol moederlijke
liefde kuste zij hem duizend maal en misschien meer en hij zag haar
vele malen eerbiedig aan en sprak haar lief toe.

Doch nadat de eerbare en blijde omhelzingen drie of vier keer waren
herhaald niet zonder groote vreugde en welgevallen van de aanwezigen
en zij elkaar hun geschiedenis hadden verteld, zeide Giusfredi tot
Currado, die al aan zijn vrienden tot ieders genoegen de nieuwe
verbintenis door hem bekend gemaakt en het plan tot een schoon en
prachtig feest had opgevat: Currado, gij hebt mij met vele dingen
verheugd en gij hebt mijn moeder langen tijd goed ontvangen, opdat
nu in geenen deele door u wordt nagelaten wat gij kunt doen, bid ik
u, dat gij mijn moeder, mijn feestgezelschap en mij verheugen zult
door de tegenwoordigheid van mijn broeder, die in de gedaante van
een dienaar in het huis van Guasparrin d'Oria verblijf houdt, welke
mij en hem, gelijk ik u al vertelde, op reis gevangen nam. En dan:
dat ge iemand naar Sicilië zendt, die grondig navraag doet naar de
gesteldheid en den toestand van het land en er zich voor beijvert
te weten te komen, wat er van mijn vader d'Arrighetto geworden is,
of die dood is of levend en indien hij leeft in welk een toestand en
dat die bode van alles goed op de hoogte tot ons terug keert. Het
verzoek van Giusfredi stond Currado aan en zonder verwijl zond hij
zeer vertrouwde personen zoowel naar Genua als naar Sicilië. Degeen,
die naar Genua ging en messire Guasparrino vond, verzocht hem dringend
namens Currado, dat hij dien Scacciato en zijn voedster moest zenden,
en vertelde hem geregeld wat door Currado voor Giusfredi en voor
zijn moeder gedaan was. Toen de heer Guasparrino dit hoorde, was hij
zeer verwonderd en zeide: Zeker zou ik voor Currado alles doen wat
ik kon om hem genoegen te verschaffen, ik heb werkelijk al veertien
jaar den jongen man naar wien gij vraagt in huis en zijn moeder,
die ik hem gaarne wil sturen; maar zeg hem namens mij, dat hij niet
te veel aan de verzinsels hecht van dien Giannotto, die zich nu
Giusfredi laat noemen, omdat die sluwer is dan deze wel denkt. Na
die woorden liet hij den braven man onthalen, liet in 't geheim de
voedster roepen en onderzocht met haar dit feit. Toen zij van de
opstand van Sicilië had gehoord en dat Arrighetto leefde, verjoeg zij
de vrees, die zij had gekoesterd, vertelde alles achtereenvolgens
en vertrouwde hem de redenen toe, waarom zij aldus die wijze van
doen had volgehouden. Messire Guasparrino zag, dat de woorden van
de zoogster met die van den bode van Currado goed overeenstemden en
kreeg er vertrouwen in.

Toen hij als een uitgeslapen heerschap nog op verschillende wijzen dit
had onderzocht en hij telkens meer de zaak moest gelooven, schaamde
hij zich over de vernederende behandeling van den jongen en als
vergoeding hiervoor, wetend, dat hij een Arrighetto was en bleef en
daar hij een mooi meisje had van elf jaar, gaf hij hem die met een
groote bruidschat tot vrouw. Er werd een groot feest gemaakt en hij
begaf zich met den jongen, het meisje, den bode van Currado en de
min op een welgewapende galei naar Lerici. Hij werd er door Currado
met zijn geheele geslacht ontvangen en ging naar een slot van deze,
daar niet ver vandaan, waar een groot feest was voorbereid.

Hoe groot de vreugd der moeder was bij het terugzien van haar zoon,
die van de twee broeders en van alle drie en van de drie jegens de
trouwe voedster, hoe groot ook die van allen om messire Guasparrino en
zijn dochter en van hem om allen en van allen te samen met Currado en
zijn vrouw en zijn zoons en vrienden, kan niet uit woorden blijken;
en daarom, dames, moet ge u dit maar verbeelden. Opdat de vreugde
volledig werd, behaagde het God den Heer, den overvloedigsten gever,
wanneer Hij eenmaal begint te schenken, blijde berichten te doen
inkomen van het leven en den toestand van Arrighetto Capece. Want
toen de vreugde groot was en de gasten (dames en heeren) nog aan
tafel bij het eerste gerecht, kwam de bode terug, die naar Sicilië
gegaan was en die onder anderen van Arrighetto vertelde, dat, toen
die gevangen werd gehouden door koning Karel, op het oogenblik, dat
het oproer tegen den koning op dat eiland begon, het woedende volk
naar de gevangenis liep, de wachters doodde, hem er uit haalde en hem
als de voornaamste vijand van koning Karel tot hun kapitein maakte
en hem volgde om de Franschen te verjagen en te dooden. Hierdoor was
hij in de hoogste gunst gekomen van koning Pietro, die hem in al zijn
rijkdom en aanzien had hersteld. Vandaar dat hij weer tot hoogen rang
en grooten rijkdom was gekomen. Hij voegde er bij, dat Arrighetto hem
zeer eervol had ontvangen en onbeschrijfelijk verheugd was geweest over
zijn vrouw en zijn zoon, waarvan hij nooit voor zijn gevangenschap iets
meer had vernomen. Bovendien zond hij naar hen een jacht met eenige
edellieden, die den bode op den voet volgden. Currado met eenige
van zijn vrienden gingen de edellieden, die voor vrouwe Beritola en
Giusfredi kwamen, haastig tegemoet en hij ontving hen vriendelijk
ook aan zijn gastmaal, dat nog op het midden was, toen hij ze binnen
leidde. Daar aanschouwden de donna Giusfredi en bovendien alle anderen
hem met zulk een vreugde als nooit nog was voorgekomen. Dezen, voor
ze zich ten maaltijd zetten, groetten, bedankten, zoo goed ze konden,
namens Arrighetto Currado en zijn vrouw voor de bewezen eer en ook de
dochter en den zoon. Arrighetto bood zich met al wat hij kon tot hun
dienst aan. Toen keerden zij zich tot Messire Guasparrino, op wiens
goedheid niet gerekend was, en zeiden hem, dat zij er zeker van waren,
dat al wat hij voor Scacciato gedaan had, als Arrighetto het zou weten,
door deze met gelijke en meerdere gunsten zou worden beloond. Hierop
zetten zij zich zeer verheugd aan den disch van de twee jonggehuwden.

En niet alleen dien dag gaf Currado een feest voor zijn schoonzoon
aan zijn andere familielieden, verwanten en vrienden, maar nog vele
andere dagen. Nadat vrouwe Beritola had uitgerust, scheen het haar
en Giusfredi en de anderen, tijd om te vertrekken en met vele tranen
namen zij, op het jacht gestegen, afscheid van Currado en zijn vrouw en
messire Guasparrino, en namen la Spina mede. Ze hadden voorspoedigen
wind, kwamen weldra in Sicilië, waar en de zoons en de donna's met
zooveel vreugde door Arrighetto werden ontvangen in Palermo, dat het
niet te beschrijven is. Men gelooft, dat zij daar langen tijd volkomen
gelukkig leefden en dat zij erkentelijk voor de ontvangen weldaad,
vrienden waren van Messire, den goeden God.



Zevende Vertelling.

    _De sultan van Babylon geeft een zijner dochters ten huwelijk
    aan den koning van Algarvië, welke door verschillende avonturen
    binnen den tijd van vier jaar door de handen gaat van negen
    mannen in verschillende streken. Eindelijk aan den vader
    als jonkvrouw teruggegeven, gaat zij gelijk vroeger naar den
    koning van Algarvië als bruid._


Indien de vertelling van Emilia langer geduurd had, zou het medelijden
van de jonge dames met de lotgevallen van vrouwe Beritola ze hebben
doen schreien. Maar toen hieraan een einde was gemaakt, behaagde
het de koningin, dat Pamfilo zou volgen om de zijne te vertellen;
daarom begon hij, die zeer volgzaam was:

Lieve dames! Het is moeilijk door ons te beseffen wat goed voor ons
is. Zoo heeft men dikwijls kunnen zien, dat vele lieden, die meenden
zonder zorg en rustig te kunnen leven, wanneer zij rijk werden, tot God
daarom baden niet alleen, maar geen enkele moeite of gevaar ontzagen
om dit te worden. Dezen, zoodra ze dat bereikten, vonden menschen,
die uit begeerte naar een zoo groot vermogen, hen weer vermoorden,
en welke op hun beurt, voor ze zich verrijkt hadden, weer hun wijze
van leven wenschten. Anderen van een lage afkomst tot het toppunt van
staatsmacht gestegen door duizend gevaarlijke veldslagen, door het
bloed van broeders en vrienden en die geloofden dat dit de hoogste
toestand van geluk was, zonder de eindelooze zorgen en angsten waarvan
zij dien ook vol zagen en bespeurden, leerden niet anders dan door
hun wijze van sterven, dat men in het goud op de koningstafel vergift
drinkt. Er waren er velen, die de lichaamskracht en de schoonheid en
ook zekere menschen, die sieraden met de hevigste begeerte verlangden
en die eveneens als genen niet van te voren gewaar werden naar iets
verkeerds te hebben gehaakt en dat die verlangens de oorzaak waren van
hun dood of van een treurig leven. En opdat ik niet afzonderlijk van
alle menschelijke begeerten spreek, beweer ik alleen, dat er niets
door een sterveling kan worden uitgekozen, dat met volle zekerheid
tegen de wisselingen der fortuin, bestand is. Willen wij dus wijs
handelen, dan moeten wij ons houden aan wat Hij geeft en kan geven,
die alleen weet, wat goed voor ons is. Maar daar gij, donna's, het
meest zondigt in één opzicht, gelijk de menschen in verschillende
dingen door begeerten, namelijk door het verlangen schoon te zijn,
in zoover dat ge, niet tevreden met de schoonheden u door de natuur
geschonken, die nog door wonderlijke kunstmiddelen zoekt te verhoogen,
staat het mij aan u te verhalen, hoe ongelukkig het was voor een
Saraceensche vrouw om schoon te zijn, die in minder dan vier jaar
daardoor negenmaal opnieuw bruiloft vierde.

Reeds lang geleden leefde er een Sultan van Babylon [34], die Beminedab
heette en bij wien zijn leven lang alles naar wensch geschiedde. Deze
had onder anderen onder zijn vele telgen, mannelijke en vrouwelijke,
een dochter, Alathiel, die, volgens het zeggen van elk die haar zag,
de schoonste vrouw ter wereld van dien tijd was. Omdat hij in een
groote nederlaag, die hij veroorzaakt had aan een menigte Arabieren,
welke hem van achteren hadden aangevallen, uitstekend was geholpen
door den koning van Algarvië [35], had hij, toen de koning hem een
bijzonderen gunst vroeg, hem deze tot vrouw geschonken. Hij deed haar
een goed bewapend en flink loopend schip bestijgen met een aanzienlijk
geleide van mannen en vrouwen en met een voorname en rijke uitrusting
zond haar hem zoo toe en beval haar Gode aan. Toen de zeelui zagen,
dat het goed weer was, zetten ze volle zeilen bij, vertrokken uit de
haven van Alexandrië en voeren zoo verscheidene dagen. Reeds waren zij
Sardinië voorbij en scheen het einde van hun reis hun nabij, toen op
een dag plotseling verschillende winden opstaken, die elk op andere
wijze heftig het vaartuig, waarop de donna en de zeelieden waren, zoo
rammeiden, dat zij zich meermalen voor verloren hielden. Maar toch als
dappere mannen, alle kunst en alle kracht aanwendend, hielden zij het
door de eindelooze zee bestreden toch vol. Toen de derde nacht van den
opgestoken storm naderde en die niet ophield, maar meer en meer toenam,
wisten zij niet, waar ze waren en konden het noch door zeemanskunst
noch op het gezicht af weten, omdat de hemel donker bewolkt en zwart
van duisternis was. Ze waren niet ver van Majolica [36] en voelden
het schip splijten. Aldus geen middel ziende om te ontvluchten en daar
ieder aan zich zelf en niet aan anderen dacht, lieten ze een sloep in
zee en daar ze zich hierin meer vertrouwden dan op het lekke schip,
wierpen de officieren er zich het eerst in. Daarop volgden de mannen,
die op het vaartuig waren, de een na den ander, hoewel wie het eerst er
in waren afgedaald met het mes in de hand wilden beletten, dat allen
er insprongen, maar geloovend den dood te ontvluchten sprongen zij
allen er in neer. Daar de boot niet zooveel menschen kon dragen door
de woeligheid van het weer, ging zij onder en alle, die er in waren,
verdronken. Het schip, dat door een hevigen wind werd voortgedreven,
hoewel het lek was en reeds bijna vol water, liep zeer snel en stiet
op een strand van het eiland Majolica, terwijl er niemand op gebleven
was dan de donna en haar vrouwen, die allen overwonnen door den storm
op zee en de angst, voor dood daarop lagen uitgestrekt. De schok was
zoo hevig, dat alles vastliep in het zand op een steenworp afstand
zoowat van het strand. Daar bleef het geteisterd door de zee den
ganschen nacht zonder door den wind te worden vlot gemaakt. Toen het
helder dag werd en de storm een weinig bedaarde, hief de donna, die
halfdood was, het hoofd op en zoo zwak als zij was, begon zij dan die,
dan gene van haar metgezellen aan te roepen; maar zij riep voor niets,
want de geroepenen waren veel te ver weg.

Daar zij op niets antwoord hoorde geven, noch iemand zag, verwonderde
zij zich zeer en begon zeer bevreesd te worden. Zij hief zich op zoo
goed zij kon en zag de donna's die in haar gezelschap waren en al
de andere vrouwen liggen. Zij onderzocht dan de een, dan de ander,
maar vond na veel roepen er weinigen bij bewustzijn, alsof zij allen
dood waren door vreeselijken honger of van angst, waardoor de vrees
van de donna nog grooter werd. Maar niettemin bedwong zij haar angst
uit behoefte aan beraad, omdat zij zich geheel alleen daar bevond,
niet wetend waar ze was en wekte de anderen op, die bij kennis waren,
en deed die opstaan. Toen zij bemerkte, dat die niet wisten, waar de
mannen waren heengegaan en toen zij het schip op het strand geloopen
en vol water zag, begon zij met hen te zamen jammerlijk te klagen. Het
was reeds middag, voor zij iemand op het strand of elders zagen, aan
wien zij eenig medelijden konden inboezemen om hen te helpen. Het uur
van den noen was al voorbij toen toevallig van zijn huis gaande daar
een edelman voorbij kwam, die Pericon van Visalgo heette, met enkele
van zijn trawanten te paard, die, het schip ziende, dadelijk begreep
wat er gebeurde en aan een van zijn knechten beval onmiddellijk er
op te klimmen en hem te vertellen wat er aan de hand was. Hoewel
de knecht het met moeite deed, klom hij er toch op en vond er de
adellijke jonge dame met het weinige geleide, dat zij had, die
zich zeer verlegen onder de sneb van den voorsteven van het schip
verborgen hield. Toen die hem zagen, riepen zij klagend meermalen
zijn barmhartigheid in, maar daar het zoo gesteld was, dat zij niet
verstaan werden noch dat zij hem verstonden, deden zij hun best met
gebaren hun ongeluk te beduiden. De knecht beschouwde alles zoo goed
hij kon en vertelde aan Pericon wat er gaande was. Hij liet de vrouwen
er spoedig afhalen en de kostbaarste dingen, die er op waren en ging
met hen naar zijn kasteel. Toen de donna's met levensmiddelen en met
rust versterkt waren, begreep hij door de rijke gewaden, dat de donna,
die hij gevonden had een voorname edelvrouw moest wezen en merkte,
dat ook aan den eerbied, die hij háár alleen door de anderen zag
bewijzen. En hoewel zij bleek was en geheel ontdaan door de woede der
zee, schenen haar trekken aan Pericon toch zeer schoon. Hierdoor maakte
hij dadelijk bij zich zelf het plan, dat, als zij geen echtgenoot had,
hij haar tot vrouw wilde hebben en als hij haar niet tot echtgenoote
kon krijgen, dan haar vriendschap te vragen. Pericon was een man
van fier uiterlijk en heel zwaar gebouwd. Hij had haar steeds
uitstekend laten bedienen, en toen zij geheel hersteld was en hij
zag, dat ze boven alle verwachting schoon was, betreurde hij zeer,
dat hij haar niet kon verstaan noch zij hem en aldus niet weten kon
wie zij was, maar ontvlamde niettemin bovenmatig door haar schoonheid
in liefde. Met hoffelijke en verliefde attenties deed hij zijn best
haar zonder tegenstand tot zijn bevrediging over te halen, maar dat
hielp niets. Zij wees zijn gedienstigheid beslist af en de hartstocht
van Pericon werd daardoor nog grooter. De dame bemerkte het, daar ze
al gedurende verscheidene dagen daar verkeerde en begreep door de
gewoonten van die lieden, dat zij zich onder Christenen bevond en
op een plaats, waar, indien zij zich had bekend gemaakt en als men
het had geweten, het haar weinig had geholpen. Zij bedacht, dat op
den duur òf met geweld òf door toe te geven, zij Pericon's zin moest
volgen en besloot met hoogheid van ziel de ellende van haar lot te
trotseeren. Zij beval aan haar vrouwen, waarvan er niet meer dan drie
over waren, dat zij aan niemand zouden toonen wie ze waren, behalve
als ze zich ergens bevonden, waar zij blijkbaar uitkomst voor hun
bevrijding zagen. Bovendien vermaande zij hen vooral hun kuischheid
te bewaren, en beweerde, dat zij zich had voorgenomen, dat niemand
ooit dan alleen haar man van haar zijn zin zou krijgen. Haar vrouwen
prezen haar daarom en zeiden naar hun vermogen haar raad te zullen
opvolgen. Pericon ontbrandde van dag tot dag sterker en hoe meer hij
zich in de nabijheid van het begeerde voorwerp zag en hoe meer hij
zich verstooten voelde en bemerkte, dat zijn listen hem niets baatten,
hoe meer hij sluwheid en kunstmiddelen aanwendde om het gebruiken van
geweld tot het uiterste te bewaren. Hij had een enkele maal bemerkt,
dat de donna van wijn hield, juist omdat zij niet gewoon was deze te
drinken, daar haar godsdienst het haar verbood en hij besloot hiermee
als met een dienaar van Venus haar machtig te worden.

Hij deed, alsof hij zich niet meer bekommerde om hetgeen, waarvan
de donna zich zoo afkeerig toonde, en gaf op een avond bij wijze
van een plechtig feest een mooi avondmaal, waarop de donna kwam. Op
dat feest gaf hij, daar het gastmaal door verschillende oorzaken
vroolijk was, bevel aan hem, die haar bediende, haar van verschillende
gemengde wijnen te laten drinken. Dit gelukte zeer goed en zij, die
er zich niet voor in acht nam, bekoord door het drinken, gebruikte
meer dan met haar eerbaarheid was overeen te brengen, zoodat zij,
alle voorbijgaande tegenspoed vergetend, vroolijk werd en toen zij
eenige vrouwen op de wijze van Majolica zag dansen, begon zij op de
Alexandrijnsche manier. Pericon zag dit en scheen, wat hij verlangde,
nabij te zijn. Deze zette met meer overvloed van spijzen en wijnen
het maal voort en rekte dit tot laat in den nacht. Toen eindelijk
de gasten vertrokken waren, trad hij alleen de kamer binnen met de
donna, welke meer verhit door den wijn dan bekoeld door eerzaamheid,
alsof Pericon een van haar vrouwen was, zonder eenige schaamte zich
in zijn tegenwoordigheid ontkleedde en zich te bed begaf. Pericon
stelde het niet uit haar te volgen, maar toen hij het licht had
uitgedaan, legde hij zich snel naast haar neer en na haar in zijn
armen te hebben gesloten begon hij zonder eenige tegenspraak van
haar zich op verliefde wijze te verheugen. Toen zij dit gewaar werd
berouwde het haar, daar zij nooit van te voren had geweten van welk
wapen de mannen zich bedienen, dat zij niet dadelijk op de vleierijen
van Pericon was ingegaan en zonder te wachten, dat zij tot zoo zoeten
nacht werd uitgenoodigd, verzocht zij er zelf herhaaldelijk om niet met
woorden, die zij niet verstaanbaar kon maken, maar met gebaren. Bij
dit groote genoegen van Pericon en haar, bereidde de fortuin niet
tevreden haar van koningin te hebben gemaakt tot vriendin van een
kasteelbezitter haar nog treuriger liefdesverhouding. Pericon had
een broeder van vijfentwintig jaar, knap en frisch als een roos,
die Marato heette. Toen deze haar gezien had en zij hem zeer beviel,
scheen het hem, naar de gebaren, die hij van haar kon begrijpen, dat
hij zeer in haar gunst stond en meenend, dat niets wat hij verlangde,
hem haar zou ontnemen dan alleen de waakzaamheid van Pericon, kwam
hij op een wreede gedachte en op dat denkbeeld volgde zonder verwijl
de booze daad.

Er was toen toevallig in de haven van de stad een vaartuig beladen
met koopwaren voor Clarentza [37] in Romania, waarvan twee jonge
Genueezen de meesters waren en reeds was het zeil geheschen om,
daar de wind gunstig was, te vertrekken. Met hen sloot Marato een
overeenkomst en beval, hoe door hen de donna den volgenden nacht
moest worden opgenomen. Toen dit gedaan was en het nacht werd en
hij met zich zelf had overlegd, wat er gebeuren moest, ging hij
heimelijk naar het huis van Pericon, die nergens op verdacht was, met
eenige van zijn betrouwbaarste metgezellen, welke hij had verzameld
om ze te zeggen wat hij van plan was en verborg zich volgens hun
afspraak aldaar. Een deel van den nacht ging voorbij; hij deed
zijn metgezellen open en begaf zich daarheen, waar Pericon met de
donna sliep. Daar ontsloot hij de kamer; zij vermoordden Pericon in
den slaap, bedreigden de ontwaakte en klagende vrouw met den dood,
als zij eenig rumoer maakte en voerden haar mede. Zonder opgemerkt
te worden begaven zij zich met een groot deel der kostbaarheden van
Pericon naar de kade. Zonder verwijl gingen Marato en de donna scheep,
terwijl de metgezellen huiswaarts keerden. De zeelieden spanden met een
goeden en frisschen wind het zeil voor hun reis. De dame beklaagde zich
bitter zoowel over het eerste ongeluk als over het tweede, maar Marato
gebruikt een middel, dat God hem gaf en begon haar zoo te troosten,
dat zij zich naar hem voegde en Pericon vergat en reeds scheen zij
gelukkig, toen de fortuin haar een nieuwe smart bereidde of die met
de voorbijgeganen niet tevreden was. Want daar zij zeer schoon was,
gelijk wij al meermalen zeiden en van zeer lofwaardige manieren,
werden de twee heeren van het schip zoo op haar verliefd, dat zij alles
vergetend en van plan haar het hof te maken, zich steeds in acht namen,
dat Marato er de oorzaak niet van zag. Ze merkten die liefde echter bij
elkander op, hadden hierover een geheim onderhoud en kwamen overeen
den buit van die liefde te deelen, alsof liefde gelijk handelswaar
of geld wordt behandeld. Zij zagen, dat Marato zeer op haar lette en
dat zij daardoor in hun plannen werden gedwarsboomd. Daarom zetten ze
op een goeden dag alle zeilen bij en toen Marato op den achterspiegel
stond, naar de zee keek en op niets acht gaf, naderden zij tegelijk,
grepen hem snel van achteren aan en wierpen hem in het water. Eerst
nadat zij een mijl ver weg waren, kon pas iemand bemerken, dat Marato
over boord was geraakt. De donna vernam dit en geen middel ziende om
hem terug te krijgen, begon zij op het schip op nieuw te weeklagen. De
twee minnaars kwamen haar dadelijk troosten en met zoete woorden en
groote beloften, hoewel zij er weinig van verstond, wisten zij haar,
die niet zoozeer den verloren man als wel haar ongeluk betreurde,
te kalmeeren. Na verschillende malen lange gesprekken met haar te
hebben gehouden, scheen zij hen als het ware getroost en begonnen
zij onder elkaar te bepraten, wie het eerst van hen met haar zou
slapen. Daar elk de eerste wilde zijn en zij het hierover niet eens
werden, begonnen zij met kwade woorden en onder beleedigingen te
twisten en toen hun toorn toenam, gingen zij elkaar met de hand aan
het mes woedend te lijf en gaven elkaar (daar wie op het schip waren,
ze niet konden redden) verscheidene steken, zoodat er een dood viel
en de ander op vele plaatsen van zijn lichaam ernstig verwond bleef
leven. Dit mishaagde de donna zeer, daar zij zich daar alleen zag
zonder hulp of raad van wien ook. Zij vreesde zeer, dat de toorn van
de verwanten en vrienden der twee heeren zich tegen haar zou richten,
maar de gebeden van den gekwetste en de snelle aankomst te Chiarenza,
bevrijdden haar van het doodsgevaar.

Daar ging zij met den gewonde aan land en terwijl zij met hem in een
herberg was, verbreidde zich de faam van haar schoonheid door de stad
en kwam den prins van Morea ter ooren, die zich toen te Chiarenza
bevond. Daarom wilde die haar zien en toen dit plaats had en zij
hem toen schooner leek dan de faam meldde, werd hij dadelijk zoo op
haar verliefd, dat hij aan niets anders kon denken. Toen hij gehoord
had, hoe zij daar was gekomen, begreep hij, dat hij haar zou kunnen
bezitten. Terwijl hij middelen zocht en daar de verwanten van den
gekwetste hem kenden, stuurden zij haar zonder af te wachten aan den
prins, wat hem zeer aangenaam was en ook aan de dame, omdat zij uit
een groot gevaar scheen te zijn gered. Nu de prins haar zag, meende
hij, behalve door haar schoonheid, getooid met koninklijke dracht,
en daar hij op geen andere wijze kon weten wie zij was, dat zij een
edelvrouw moest zijn en daardoor nam zijn liefde voor haar nog meer
toe. Hij onderhield haar eervol niet als vriendin, maar behandelde
haar als zijn eigen vrouw.

Sinds de donna op de voorbijgegane rampen niet meer terug zag en zij
daar een zeer goed leven had en geheel herstelde, werd zij opgeruimd
en haar schoonheden fleurden zoo op, dat men in heel Romania over
niets anders scheen te kunnen spreken. Aldus kreeg de hertog van
Athene, een jong en knap man, een vriend en verwant van den prins,
de begeerte haar eens te zien. Hij kondigde aan een bezoek te
komen brengen, gelijk hij vaak gewoon was, kwam met een fraai en
aanzienlijk gezelschap te Chiarenza en werd daar met eer en met een
groot feest ontvangen. Toen men eenige dagen later over de schoonheden
van die donna sprak, vroeg de hertog of zij zoo wonderbaar mooi was
als men zeide. Hierop antwoordde de prins: Veel mooier, maar laat
niet mijn woorden, doch uwe oogen er u het bewijs van leveren. Op
het verzoek van den hertog aan den prins, gingen zij naar haar toe;
zij ontving ze, toen zij van te voren van hun komst verwittigd was,
zeer hoffelijk en met vriendelijk gelaat en tusschen hen gezeten,
kon zij zich niet onderhouden in hun gesprekken, omdat zij weinig of
niets van hun taal verstond. Daarom beschouwde elk haar als een schoon
voorwerp en het meest de hertog, die ternauwernood kon gelooven,
dat zij een stervelinge was. Hij werd het liefdegift niet gewaar,
dat hij bij het aanschouwen met de oogen indronk en geloofde zijn
genoegen te kunnen voldoen door haar te zien, maar werd ellendig
onrustig, doordat hij zich vurig in haar verliefde. Toen hij met den
prins van haar afscheid nam, achtte hij dien boven allen gelukkig,
dat hij zulk een schoon voorwerp tot zijn welgevallen had en na vele
en verschillende overwegingen meer lettend op zijn vurige liefde dan op
zijn eer, overlegde hij of hij den prins niet van dit genot zou kunnen
berooven en zichzelf er mee gelukkig kon maken. Daar hij geneigd was
zich te haasten en alle reden en recht van een der partijen ter zijde
liet, zon hij met zijn gansche ziel op listen.

Op een goeden dag, volgens het booze plan door hem ontworpen met
een geheimen kamerheer van den prins, die Ciuriaci heette, maakt
hij zeer in 't geheim al zijn paarden en bagage klaar om te kunnen
vertrekken. Toen de nacht viel, werd hij met een metgezel, geheel
gewapend, stil door gezegden man binnen in de kamer van den prins
gelaten. Deze stond, terwijl de donna sliep, wegens de grootte hitte
geheel naakt aan een venster naar de haven gekeerd om een koelte op
te vangen, die vandaar kwam. Daar hij zijn metgezel van te voren had
gewaarschuwd wat er te doen was, ging hij zachtjes door de kamer naar
het venster en trof den prins met een mes in de ribben dat het aan de
anderen kant er uit kwam, pakte hem beet en wierp hem naar buiten. Het
paleis was boven de zee en zeer hoog en het venster, waaraan de prins
toen stond, zag uit op een muurwerk, dat het geweld van de zee had
vernield, op een kade, waar weinig of nooit iemand kwam. Aldus gelijk
de hertog had voorzien, werd de val van het lichaam van den prins door
niemand opgemerkt, wat ook niet kon. Toen de metgezel van den hertog
zag, dat dit gebeurd was, deed hij of hij Ciuriaci wilde omhelzen en
wierp hem haastig een door hem meegebrachten strik om bij wijze van
strop en trok zoo, dat Ciuriaci geen geluid kon maken. De hertog kwam
er ook bij, ze worgden den kamerdienaar en smeten hem er uit evenals
de prins. Toen dit gebeurd was en dit blijkbaar noch door de donna,
noch door anderen bespeurd was, nam de hertog een licht in de hand
en hield dit over het bed en ontwaarde heimelijk de donna, die vast
sliep. Hij zag haar geheel en bewonderde haar zeer en hoewel hij haar
reeds gekleed had gezien, beviel zij hem naakt nog meer. Hierdoor
van nog heeter begeerte ontbrand en niet verschrikt door de misdaad
pas door hem bedreven, boog hij zich nog met bebloede handen naast
haar en legde zich nevens haar, die geheel slaapdronken geloofde,
dat het de prins was. Maar toen hij eenigen tijd met het grootste
genoegen naast haar had gelegen, liet hij na opgestaan te zijn en
eenige van zijn dienaren te hebben laten komen, de donna oppakken,
zoo dat ze geen geluid kon geven en door een geheime deur, waardoor
hij binnen was gekomen, wegbrengen en zoo stil mogelijk te paard
zetten. Hij ging met zijn geheele gevolg op reis en weer terug naar
Athene. Maar omdat hij gehuwd was, ging hij niet naar die stad, maar
naar een zeer schoon landgoed, dat hij niet ver daar buiten aan zee
bezat, waar hij de diep bedroefde donna heenvoerde en haar verborgen
hield en met onderscheiding liet bedienen van wat zij noodig had. De
hovelingen van den prins hadden den volgenden morgen tot het uur van
den noen gewacht, dat hij zou opstaan, maar toen zij niets hoorden,
trapten zij de deuren van zijn kamers open, die niet op slot gedaan
waren. Daar zij er niemand vonden, dachten zij, dat hij in het geheim
was weggegaan om eenigen tijd tot zijn genoegen met die schoone dame
alleen te blijven en maakten er zich niet ongerust meer over. Maar
terwijl dat geschiedde, kwam een gek den volgenden dag tusschen de
ruïnes, waar de lichamen van den prins en van Ciuriaci lagen, trok
Ciuriaci bij den strik te voorschijn, liep er vandaan en sleepte hem
achter zich voort. Dit werd niet zonder verbazing door velen gemerkt,
die met listen door den gek zich daarheen lieten leiden, waar hij
dien vandaan gesleurd had en waar men tot zeer groote smart van de
heele stad dat van den prins vond. Men begroef hem met eerbewijzen
en toen men de bedrijvers van zulk een misdaad zocht en zag, dat de
hertog van Athene er niet meer was, maar heimelijk was vertrokken,
dacht men, dat hij het moest gedaan hebben en dat hij de donna
met zich mee had gevoerd. De stedelingen vervingen hun prins door
een broeder van deze en spoorden dien zooveel ze konden tot wraak
aan. Hij verzekerde zich, dat het was, gelijk men dacht en vrienden en
verwanten en dienaars van verschillende plaatsen opgeroepen hebbend,
verzamelde hij een mooi, groot en machtig leger en toog uit om den
hertog van Athene te beoorlogen. Toen de hertog dit hoorde, maakte
hij ook al zijn krachten tot zijn verdediging gereed en vele edelen
kwamen hem te hulp. Daaronder bevonden zich gezonden door den keizer
van Constantinopel diens zoon Constantijn en zijn neef Manovello
met een mooi en groot gevolg, welke door den hertog met eere werden
ontvangen en nog meer door de hertogin, omdat die hun zuster was.

Daar de zaken van dag tot dag verergerden, liet de hertogin op een
geschikt oogenblik beide in haar kamer komen en met veel tranen en
veel woorden verhaalde zij hun daar de heele historie en de oorzaken
van den oorlog. Zij maakte melding van de beleediging haar door den
hertog wegens die vrouw aangedaan. Hij geloofde haar in het verborgene
te onderhouden. Zij beklaagde zich hierover zeer en bad hen voor de
eer van den hertog en tot haar verlichting herstel aan te brengen,
wat door hen het best kon gebeuren. De jongelieden wisten, hoe alles
had plaats gehad en daarom zonder haar veel te vragen, troostten zij de
hertogin zoo goed ze konden en vervulden haar van goede hoop. Toen ze
van haar wisten, waar de donna zich bevond, vertrokken zij en daar zij
de wonderbare schoonheid van de dame dikwijls hadden hooren roemen,
verlangden zij haar te zien en verzochten den hertog, dat hij haar
vertoonde. Deze herinnerde zich niet, wat met den prins was gebeurd
door haar aan hem zelf te doen aanschouwen en beloofde dit. Hij liet in
een zeer fraaien tuin op de plaats, waar de donna woonde een prachtig
middagmaal gereed maken en liet hen daar den volgenden morgen met
weinig anderen metgezellen eten. Terwijl Constantijn met haar aanzat,
begon hij haar vol bewondering te beschouwen en gaf in zich zelf toe,
dat hij nooit zoo iets schoons had gezien en dat het de hertog zeker te
vergeven was en ieder ander, die om zulk een schoonheid te bezitten,
verraad pleegde of een andere lage daad. Doordat hij haar telkens
aankeek en haar steeds meer bewonderde, overkwam hem hetzelfde als
den hertog. Hij vertrok verliefd op haar, liet alle gedachte aan den
oorlog varen, en peinsde hoe hij haar het best aan den hertog kon
ontvoeren en zijn liefde voor iedereen zou verbergen. Maar terwijl
hij van dat vuur brandde, kwam de tijd tot uitrukken tegen den
prins, die het gebied van den hertog al naderde. Daarom vertrokken
de hertog en Constantijn en al de anderen volgens het gegeven plan
uit Athene. Hij ging naar de grenzen om weerstand te bieden en opdat
de prins niet meer kon voorwaarts rukken. Hier bleef Constantijn en
had altijd zijn ziel en geest bij die donna, en verbeeldde zich, dat,
nu de hertog niet in de buurt was, hij aan zijn lust zeker zou kunnen
voldoen door een reden te hebben naar Athene terug te keeren en deed
of hij zeer ziek was. Daarom met verlof van den hertog ging hij,
na al zijn macht aan Manovello te hebben overgedragen naar Athene,
naar zijn zuster. Na eenige dagen bracht hij haar aan het praten over
de behandeling, die zij van den hertog scheen te ondergaan, doordat
deze de donna onderhield. Hij zeide haar, dat hij haar zou helpen
voor zoover zij het verlangde en dat hij de donna, waar zij zich ook
bevond, zou laten wegvoeren. De hertogin meende, dat Constantijn
dit deed om harentwil en niet uit liefde voor de donna, en zeide,
dat het haar zeer naar den zin was, indien hij het werkelijk zoo
deed, dat de hertog nooit zou weten, dat zij er in had toegestemd,
waar Constantijn ten volle voor instond. De hertogin stemde er in toe,
dat hij deed, wat hij het geschiktst achtte. Constantijn liet stil een
lichte bark uitrusten en liet die op een avond komen in de buurt van
den tuin, waar de donna woonde, na aan de zijnen, die er op waren,
te hebben uiteengezet, wat er te doen was. Daarna ging hij met de
anderen naar het paleis, waar de donna verblijf hield.

Daar werd hij door hen, die in haar dienst waren, vriendelijk ontvangen
en ook door de donna, en ging met haar, gevolgd door haar dienaren en
zijn metgezellen, naar den tuin, zooals hij begeerde. En alsof hij
de donna namens den hertog alleen wilde spreken, begaf hij zich met
haar naar een poort, die op de zee uitkwam en welke reeds door een
van zijn trawanten geopend was. Nadat hij daar volgens het afgesproken
teeken de bark had gemerkt, liet hij haar snel opnemen en op het schip
zetten en zeide gekeerd tot haar gevolg: Niemand mag zich verroeren
of een woord spreken, indien hij niet wil sterven, omdat ik niet van
plan ben den hertog van zijn vrouw te berooven, maar de schande uit
te wisschen, die hij mijn zuster aandeed. Niemand durfde hierop te
antwoorden. Onderwijl besteeg Constantijn met de zijnen het schip,
naderde de dame, die weeklaagde, beval, dat de riemen in het water
werden gestoken en in zee te gaan. Eer vliegend dan drijvend kwamen
zij bij den volgenden dageraad te Egina. Constantijn stapte hier aan
land, rustte uit en voldeed aan zijn verlangen met de donna, die zich
over haar noodlottige schoonheid beklaagde. Zij bestegen vervolgens
weer het schip, kwamen in enkele dagen te Chios en daar uit vrees
voor een berisping van zijn vader en dat de geroofde dame hem niet
zou worden toegestaan, behaagde het Constantijn als op een veilige
plaats te blijven. Daar beweende de schoone donna verscheidene dagen
haar lot, maar er op nieuw door Constantijn getroost zooals hij het
den vorigen keer had gedaan, begon zij pleizier te krijgen in wat de
fortuin haar van te voren had bereid.

Terwijl de zaken aldus voortgingen, kwam Osbech, destijds koning
der Turken, die in voortdurenden krijg was met den keizer, in dien
tijd toevallig te Smirna. Hij hoorde er, dat Constantijn zich te
Chios ophield zonder eenige voorzorg en er een wellustig leven
leidde met een vrouw, die hij had geroofd. Hij begaf zich op een
nacht met enkele lichte oorlogschepen er heen, landde er heimelijk
met zijn manschappen, overviel er velen in den slaap, eer zij konden
bemerken, dat er vijanden gekomen waren en ten slotte werden enkelen
gewaarschuwden, die naar de wapens grepen, gedood. Na het heele eiland
te hebben platgebrand, en den buit en de gevangenen op schip te hebben
gebracht, keerden zij naar Smirna terug. Daar aangekomen vond Osbech,
die een jonge man was bij het beschouwen van den buit de schoone donna
en wetend, dat zij het was, die met Constantijn had geleefd en op bed
slapend was gevangen genomen, was hij zeer gelukkig haar te zien,
maakte haar dadelijk tot zijn vrouw, vierde bruiloft en legde zich
verscheidene maanden lang met haar verheugd ter ruste.

De keizer, die voor dat die dingen gebeurden, een verdrag had aangegaan
met Basano, koning van Capadocië, opdat die tegen Osbech met zijn
krachten aan den eenen kant aanviel, en hij van de andere zijde dien
met de zijnen zou aangrijpen, en die het nog niet had kunnen nakomen,
omdat enkele zaken, die Basano eischte, hem niet aanstonden als minder
voordeelig, stond, toen hij vernam wat er met zijn zoon was gebeurd,
zeer bedroefd, zonder uitstel, toe wat de koning van Capadocië
verlangde. Hij spoorde hem aan, zooveel hij kon, zich op Osbech te
werpen en maakte zich gereed hem van de andere zijde te lijf te gaan.

Osbech vernam dit, verzamelde zijn leger, voor hij door de twee
machtige souvereinen was ingesloten, ging den koning van Capadocië
tegemoet, liet de schoone dame in Smirna ter bewaking achter aan een
trouwe dienaar en vriend en na den koning van Capadocië kort daarop
ontmoet te hebben, streed hij, werd in den slag gedood en zijn leger
verslagen en verstrooid. Hierdoor rukte Basano zegevierend naar Smirna
en zag, dat alle hem als overwinnaar gehoorzaamden. De dienaar van
Osbech, die Antiochus heette, aan wien de schoone donna ter bewaking
was gebleven, werd, hoewel hij reeds bejaard was, op haar verliefd,
omdat hij haar zoo schoon vond zonder de trouw aan zijn vriend en heer
te bewaren. Daar hij haar taal kende (wat haar zeer aangenaam was,
daar het haar scheen, dat zij gedwongen werd verscheidene jaren als
doofstomme te leven, omdat zij niemand kon verstaan noch door wie
ook begrepen kon worden), maakte hij, door de liefde geprikkeld,
zich in weinige dagen met haar zoo gemeenzaam, dat zij kort daarop,
niet meer lettend op hun heer, die oorlog voerde, niet alleen vrienden
werden door intimiteit, maar verliefd werden en elkaar wonderbaarlijk
genoegen verschaften. Doch toen zij vernamen, dat Osbech overwonnen
en dood was en dat Basano naderde en alles plunderde, namen zij samen
het besluit dien niet af te wachten, maar na het grootste deel der
kostbaarheden, die aan Osbech behoorden te hebben meegenomen, begaven
zij zich te samen heimelijk naar Rhodes, waar zij niet lang bleven of
Antiochus werd doodelijk ziek. Hij was er toevallig gelogeerd met een
koopman van Cyprus, van wien hij veel hield en die zijn vertrouwdste
vriend was. Toen hij zijn einde voelde naderen, dacht hij er aan hem
zoowel zijn goederen als zijn dierbare donna na te laten. Reeds den
dood nabij, riep hij ze beide tot zich en sprak tot hen:

Ik voel mij zonder twijfel verzwakken, wat mij leed doet, daar ik mij
nooit zoo er in verheugde te leven als ik het nu deed. Het is waar,
dat ik over één zaak tevreden sterf, omdat ik daartoe gedwongen,
mij zie heengaan in de armen van de twee personen, die ik meer dan
eenige anderen, die er op de wereld bestaan, bemin, namelijk in de
uwe, beste vriend en in die van deze vrouw, die ik meer dan mijzelf
heb lief gehad, sinds ik haar kennen leerde. Het is waar, dat het
zorgelijk voor mij is, haar hier te zien blijven als vreemde en
zonder hulp of raad, terwijl ik sterf, en het zou voor mij nog erger
zijn, indien ik u niet hier zag, die--geloof ik--voor haar dezelfde
vriendschap zal hebben als gij voor mij zoudt gehad hebben. Daarom bid
ik u zooveel ik kan, dat, zoo ik mocht sterven, aan u mijn goederen en
haar zullen toevertrouwd zijn en dat gij voor de een zoowel als voor
de anderen doet, wat gij meent, dat mijn ziel rust zal geven. En u,
liefste vrouw, verzoek ik, dat gij na mijn dood mij niet vergeet,
opdat ik mij daarop kan beroemen, dat ik op dit ondermaansche bemind
ben geweest door de schoonste vrouw, die ooit door de natuur was
voortgebracht. Indien gij beide mij hierop geruststelling kunt geven,
zal ik zonder twijfel getroost heengaan. De bevriende koopman en de
donna weenden beide evenzeer bij het hooren van die woorden en toen
hij dit gezegd had, gaven zij hem moed en beloofden hem op hun woord
dat te doen, wat hij vroeg, indien hij mocht sterven. Het duurde niet
lang of hij overleed en zij lieten hem eervol begraven.

Toen eenige dagen later de koopman van Cyprus alles had geregeld,
wat hij op Rhodes te doen had en naar Cyprus wilde terugkeeren op een
schip van Catalanen, dat zich daar bevond, vroeg hij aan de donna, wat
zij wilde doen, daar hij naar Cyprus terug moest. De donna antwoordde
hem, dat zij, als het hem beviel gaarne met hem mee zou gaan, hopend,
dat zij uit vriendschap voor Antiochus door hem als een zuster zou
behandeld worden. De koopman antwoordde, dat hij met al, wat haar
aanstond, tevreden was, en opdat zij tegen iedere beleediging, die
kon voorkomen, voor zij in Cyprus waren, beveiligd zou zijn, beweerde
hij, dat zij zijn vrouw was. En toen zij op het schip gingen, werd
hun een hut bij den voorsteven gegeven, opdat de daden niet met de
woorden tegenstrijdig waren en sliep hij met haar in een vrij klein
bed. Hierdoor gebeurde wat bij het vertrek van Rhodes geen van beide
van plan was, namelijk dat door de duisternis, de gelegenheid en de
warmte van het bed, omstandigheden, die niet gering zijn (terwijl
ze de vriendschap en liefde voor den overleden Antiochus vergaten),
zij door een gelijke begeerte gedreven, elkaar begonnen te liefkozen,
zoodat zij eer zij te Baffa aangekomen waren, een verbintenis hadden
aangegaan. Toen zij te Baffa waren, leefde zij er nog lang met den
koopman. Toevallig kwam daar voor zaken een edelman Antigono genaamd,
op hoogen leeftijd, maar van hooger verstand en met weinig geld,
omdat hem, daar hij zich voor vele dingen in dienst had gesteld van
den koning van Cyprus, de fortuin ongunstig was geweest. Op een goeden
dag ging hij langs het huis, waar de schoone donna woonde, toen de
Cypriaansche koopman met zijn waren zich in Armenië bevond en werd hij
bij toeval door die dame daar aan een venster opgemerkt. Omdat zij zeer
schoon was, begon hij haar strak aan te kijken en zich te herinneren,
dat hij haar vroeger moest gezien hebben, maar hij kon maar niet
bedenken waar. De schoone dame, die langen tijd de speelbal der fortuin
geweest was, maar die den tijd naderde, dat haar ongelukken een einde
moesten nemen, herinnerde zich, zoodra hij Antigono gewaar werd, dat
zij hem in Alexandrië in dienst van haar vader in niet weinig aanzien
had gekend Aldus kreeg zij dadelijk hoop, dat zij nog eens door zijn
raad tot den koninklijken rang kon terugkeeren, en wetend, dat haar
koopman er niet was, liet zij zoo gauw ze kon Antigono roepen. Toen
die kwam, vroeg zij verlegen of hij Antigono van Famagosta was gelijk
zij geloofde. Antigono antwoordde van ja en zeide bovendien: Madonna,
ik meen u te herkennen, maar ik kan mij op geenerlei wijze herinneren
vanwaar, en bid u daarom, indien dit u niet hindert dat gij mij in
het geheugen terugbrengt wie gij zijt. De donna hoorde wie hij was
en luid weenend wierp ze zich met haar armen om zijn hals en vroeg
na eenigen tijd aan hem, die zich zeer verbaasde, of hij haar nooit
in Alexandrië gezien had. Zoodra Antigono de vraag vernam, herkende
hij haar dadelijk als Alathiel, de dochter van den Sultan, die men in
zee verdronken waande en wilde haar de verschuldigde eerbied betuigen.

Maar zij dulde het niet en verzocht hem een oogenblik naast haar te
gaan zitten. Toen Antigono dit deed, vroeg hij haar eerbiedig hoe
en wanneer en van waar zij hier gekomen was, omdat men het in den
ganschen lande van Egypte voor zeker hield, dat zij reeds voor vele
jaren den dood had gevonden in de golven. Daarop antwoordde de donna:
Ik wou maar, dat het gebeurd was liever dan het leven te leiden wat
ik gehad heb en ik geloof, dat mijn vader hetzelfde zou wenschen,
indien hij het ooit te weten kwam en na die woorden begon zij bitter
te weenen. Toen hernam Antigono: Mevrouw, verlies den moed niet, voor
het noodig is. Vertel mij, als het u behaagt, uw lotgevallen en hoe
uw leven geweest is. Misschien kan de zaak door ons nog zoo loopen,
dat wij met Gods hulp alles in orde maken Antigono, sprak de schoone
donna, het schijnt, als ik u zie, dat ik mijn vader aanschouw en mij
bewogen voel door die liefde en door die teederheid, die ik hem moet
toedragen. Terwijl ik mij voor u kon onbekend houden, heb ik mij aan u
doen kennen en er zijn weinig menschen, waarover ik door ze toevallig
te zien, zoo blij had kunnen zijn als ik het ben door u te hebben
aanschouwd en herkend. Daarom zal ik aan u, wat ik in mijn ongelukkig
leven steeds verborgen hield, als aan een vader openbaren. Indien
gij mij op eenigerleiwijze tot mijn vroegeren toestand kunt doen
terugkeeren, bid ik u het te beproeven. Indien gij het niet kunt,
verzoek ik u aan niemand ooit te zeggen mij te hebben gezien of
ooit iets van mij te hebben bespeurd. Bij die woorden schreide zij
voortdurend over hetgeen haar was overkomen van den dag af, dat zij
op Majolica schipbreuk leed tot op het oogenblik, dat zij hem verslag
deed. Hierover begon Antigono medelijdend te weenen en zei na eenig
nadenken: Mevrouw, daar het geheim is gebleven bij uw ongelukken wie
gij zijt kan ik u zonder twijfel aan uw vader nog dierbaarder weergeven
en daarna aan den koning van Algarvië als echtgenoote. Toen zij vroeg
hoe, zette hij haar planmatig uiteen wat er gedaan moest worden en
opdat er geen oponthoud zou tusschen komen, ging Antigono dadelijk
naar Famagosta terug, kwam bij den koning en zeide: Sire, indien het
u behaagt, kunt gij u zelf op een zelfde oogenblik groote eer aandoen
en aan mij een grooten dienst bewijzen zonder groote kosten voor u. De
koning vroeg hoe. Toen sprak Antigono: Te Baffa is de schoone, jonge
dochter van den Sultan aangekomen, van welke zoo lang het gerucht ging,
dat zij verdronken was en om haar eer te redden heeft zij lang groote
ontbering geleden; zij is nu arm en verlangt naar haar vader terug
te keeren. Indien het u aanstaat haar onder mijn hoede te stellen,
zal dat voor u een groote eer zijn en voor mij een groot voordeel. Ik
geloof niet, dat de Sultan dien dienst ooit zal vergeten. De vorst
door koninklijke edelmoedigheid bewogen, antwoordde dadelijk, dat het
hem behaagde, liet haar met eerbewijzen halen en te Famagosta komen,
waar zij door hem en door de koningin met een onbeschrijfelijke vreugde
en met buitengewoon eerbetoon werd ontvangen. Door den koning en de
koningin naar haar lotgevallen ondervraagd, antwoordde zij volgens
de voorlichting haar door Antigono gegeven en verhaalde alles.

Weinige dagen daarna zond de koning haar op haar verzoek met een
schoon en aanzienlijk geleide van heeren en dames onder de leiding van
Antigono naar den Sultan, die haar--wat niemand hoeft te vragen--met
vreugde ontving en ook Antigono met haar geheele gevolg. Toen zij wat
had uitgerust, wilde de Sultan weten, waardoor ze nog leefde en waar
zij zoo lang gebleven was zonder ooit iets van haar toestand te laten
vernemen. De donna, die de voorlichtingen van Antigono zeer goed had
onthouden, begon tot haar vader aldus te spreken:

Mijn vader, ongeveer den twintigsten dag na mijn afscheid van u werd
ons schip door een zwaren storm aangegrepen en stiet op een nacht
op zekere stranden daar in het Westen nabij een plaats Aigues-Mortes
genaamd. Wat er van de mannen geworden is, die op het schip waren zal
ik wel nooit te weten komen. Zooveel herinner ik mij wel, dat toen het
dag werd en ik als uit den doode opstond, het gebarsten schip reeds
door boeren was opgemerkt. Die waren uit de gansche streek toegeloopen
om het te plunderen. Ik en twee vrouwen werden op het strand gedragen
en dadelijk door jonge mannen gegrepen, die deze de eene en gene de
andere van onze gezellinnen medenamen en vluchtten. Wat er van hen
geworden is, zal ik ook wel nooit te weten komen. Maar toen ik door
twee jongelieden werd aangerand, die met elkaar streden om mij te
bezitten, en die mij bij de haren sleepten, terwijl ik steeds luid
schreeuwde, kwamen er langs dezen, die mij een eind weegs voortsleurden
om in een groot bosch te gaan, vier mannen op dat oogenblik te paard
aanrijden. Zoodra toen de jonge mannen, welke mij voorttrokken, die
zagen, lieten ze mij dadelijk los en namen de vlucht. De vier mannen,
die mij van een gezaghebbend uiterlijk schenen, kwamen, dit ziende,
naar de plaats, waar ik was en vroegen mij vele dingen. Ik antwoordde
veel maar werd niet door hen verstaan en kon het ook hen niet. Na
lang beraad zetten zij mij op een van hun paarden, leidden mij naar
een klooster van vrouwen van hun godsdienst en daar--al weet ik niet,
wat ze ook zeiden--werd ik zeer welwillend en steeds met onderscheiding
opgenomen en met groote vroomheid heb ik toen met hen te samen den
Heiligen Crescentius van Valcreuse gediend, dien de vrouwen van dit
land zeer lief hebben. Maar toen ik al eenigen tijd bij hen was,
reeds een weinig hun taal had geleerd en zij mij vroegen wie ik was
en van waar, begreep ik ook waar ik was en vreesde ik, dat, als ik
de waarheid zou zeggen, zij mij zouden verjagen als vijandin van hun
Kerk. Ik antwoordde, dat ik de dochter van een groot edelman op Cyprus
was, die mij naar Creta had gestuurd om te worden uitgehuwelijkt,
waar wij bij ongeluk op het strand geloopen waren en schipbreuk leden.

Dikwijls uit vrees voor erger volgde ik hun dienst; eindelijk vroeg
mij het hoofd van die dames, welke zij abdis noemen, of ik naar Cyprus
wilde terugkeeren en ik antwoordde, dat ik niets liever wilde, maar
zij, bezorgd voor mijn eer, had mij aan niemand willen toevertrouwen,
die naar Cyprus ging. Maar er waren zekere goede lieden met hun
vrouwen uit Frankrijk gekomen, waarvan er eene een verwante was van
de abdis en toen zij vernam, dat zij naar Jeruzalem gingen om het
Heilige Graf te bezoeken, waar zij Hem, dien zij voor God houden,
werd begraven, nadat Hij door de Joden was gekruisigd, beval zij
mij hun aan en verzocht hun mij op Cyprus aan mijn vader terug te
geven. Hoeveel eer die edellieden mij bewezen en hoe vriendelijk zij
met hun dames mij behandelden, zou een lange geschiedenis wezen om te
vertellen. Wij kwamen aldus scheep gegaan na enkele dagen te Baffa
en toen ik mij daar zag aankomen, waar niemand mij kende en ik niet
wist wat te zeggen aan de edellieden, die mij aan mijn vader wilden
terugbrengen gelijk hun door de eerbiedwaardige abdis was gelast,
liet Allah, die zich misschien over mij erbarmde, op de kade Antigono
voor mij gereed staan op het oogenblik, dat wij te Baffa aan wal
stapten. Haastig riep ik hem en in onze taal om niet door de edellieden
noch door hun vrouwen verstaan te worden, en vroeg ik hem mij als zijn
dochter te ontvangen. Hij begreep mij dadelijk en na mij een groote
vreugd te hebben betuigd, bewees hij, voor zoover zijn armoede het
hem veroorloofde, eer aan die heeren en dames en leidde mij naar den
koning van Cyprus. Deze ontving mij met zulke eerbewijzen en heeft mij
zoo naar u teruggezonden, dat het niet te vertellen is. Als er aan u
nog iets moet verhaald worden, zal Antigono, die mijn lotgevallen van
mij vele malen heeft gehoord, dit doen. Antigono zeide toen zich tot
den Sultan keerend: Heer, zij heeft gesproken gelijk zij verscheidene
malen met mij deed en gelijk deze heeren en dames, waarmee zij kwam,
mij berichtten. Alleen heeft zij nagelaten een ding te zeggen, en ik
meen, dat zij dit verwaarloosde, omdat het haar niet zou passen het
u mede te deelen, namelijk hoe vaak die edellieden en die dames,
waarmee zij kwam, spraken van haar eerbaar leven onder die vrome
nonnen en van haar deugd en van haar reine zeden en van de tranen
en de klachten dier dames en heeren, toen zij, nadat die zusters
haar mij hadden overgegeven, vertrokken. Wanneer ik u hiervan alles
zou willen vertellen, zou niet alleen deze dag, maar ook de volgende
nacht niet voldoende zijn; ik wil er alleen dit nog maar van zeggen,
dat volgens hen en naar wat ik er van heb kunnen zien, gij u er op
kunt beroemen, dat gij de schoonste, de braafste en de waardigste
dochter hebt van alle vorsten, die thans een kroon dragen.

De Sultan gaf naar aanleiding hiervan een fabelachtig feest en bad
Allah meermalen, dat Hij hem de genade verleende aan allen de dure
diensten te kunnen vergelden, die zijn dochter hadden geëerd en vooral
aan den koning van Cyprus, door wien zij met zooveel onderscheiding
was terug gezonden. Eenige dagen later, nadat hij groote geschenken had
laten gereed maken voor Antigono, gaf hij hem verlof naar Cyprus terug
te keeren en liet aan den koning per brief en door bijzondere gezanten
dank betuigen voor wat hij voor zijn dochter had gedaan. Hierna,
omdat hij wilde ten einde brengen wat hij had begonnen namelijk,
dat zij de vrouw werd van den koning van Algarvië, liet hij hem dit
alles uiteen zetten en schreef hem bovendien, dat die, indien het hem
behaagde haar te bezitten, haar liet halen. De koning van Algarvië
deed dit zeer verheugd en na met alle eerbewijzen haar te hebben laten
overkomen, ontving hij haar zeer vriendelijk. En zij die misschien
door acht mannen tienduizend keer geliefkoosd was, legde zich als een
maagd aan zijn zijde en deed hem gelooven, dat zij het was en leefde
zeer gelukkig langen tijd met hem als koningin. En daarom zegt men:
Een gekuste mond verliest geen geluk, maar vernieuwt zich integendeel
als de maan.



Achtste Vertelling.

    _De graaf van Angers wordt valsch beschuldigd, vlucht
    in ballingschap en laat zijn twee kinderen in Engeland
    achter. Hij keert daar terug uit Ierland onder anderen naam,
    vindt ze in een goeden toestand, gaat als stalknecht naar het
    leger van den koning van Frankrijk en wordt na onschuldig te
    zijn bevonden, in zijn vroegeren rang hersteld._


De dames zuchtten vaak over de verschillende lotgevallen van de schoone
donna, maar wie weet welke reden hen deed zuchten? Misschien waren er
onder hen, die niet minder van verlangen naar een zoo vaak herhaalde
bruiloft dit deden dan uit medelijden met Alathiel. Doch dit zullen
we voor het oogenblik ter zijde laten. Toen de laatste woorden van
Pamfilo ze hadden doen lachen en de koningin daardoor zag, dat de
vertelling geëindigd was, keerde zij zich tot Elisa en beval haar,
dat die met een van haar histories de orde zou vervolgen. Deze met
een blijmoedig gelaat zeide: Het is een zeer ruim terrein, waarop wij
ons heden begeven en ieder kan er niet een, maar al licht wel tien
tochten op ondernemen. Zoo heeft de fortuin dit gebied voorzien van
vreemde en ernstige gevallen en om er een te gaan verhalen van dit
oneindig aantal, zeg ik dan:

Sinds de heerschappij over Rome van het Frankische Huis was overgegaan
van de afstammelingen van Karel den Grooten op de Duitschers,
ontstond er tusschen de Franken en eerstgenoemde natie een zeer
groote vijandschap en een felle en voortdurende oorlog, waarvoor
zoowel ten behoeve van de verdediging van zijn land als voor de
ontvangen beleediging de koning van Frankrijk en een zijner zonen
met alle macht uit hun gebied met bijna alle vrienden en verwanten,
die zij bijeen konden brengen, een groot leger verzamelden om tegen
de vijanden op te rukken. Voordat zij vertrokken, maakten zij om
hun rijk niet zonder bestuur te laten Gautier d'Angers in hun plaats
tot vicaris-generaal van het geheele fransche Koninkrijk en begaven
zich op weg, want zij meenden, dat die een edel en wijs man en een
getrouw vriend en dienaar was en hoewel vrij bedreven in de kunst van
oorlogvoeren, scheen hij het hun nog meer voor die moeilijkheden dan
voor dit werk. Gautier begon aldus, toen hij het ambt eenmaal aanvaard
had, met verstand en orde over alles te spreken met de koningin en
haar schoondochter en hoewel zij onder zijn hoede en jurisdictie
[38] waren gesteld, eerde hij ze toch steeds als zijn gebiedsters
en meerderen. Deze Gautier was zeer schoon van gestalte, misschien
veertig jaar oud en zoo beminnelijk en hoffelijk als eenig ander
edelman maar zijn kon en bovendien was hij de aardigste en de meest
kiesche ridder, die men toen kende en die het meeste zorg besteedde aan
zijn uiterlijk. Toen de koning van Frankrijk en zijn zoon al naar den
oorlog waren, waarvan ik gesproken heb, en de vrouw van Gautier stierf,
die hem zonder meer slechts een jongen en een meisje, nog zeer jong
naliet, liet de vrouw van den zoon des konings, terwijl hij het hof
van die vorstinnen bezocht en met hem vaak over de staatszaken sprak,
de oogen op hem rusten, beschouwde met groote genegenheid zijn persoon
en zijn manieren en ontbrandde voor hem in felle, verborgen liefde.

Daar zij zich jong en frisch voelde en wist, dat hij zonder vrouw
was, dacht zij licht haar begeerte te kunnen voldoen en dat haar
niets verhinderde dan haar verlegenheid. Zij besloot hem die liefde
te toonen en die verlegenheid te verjagen. Toen ze eens alleen was en
het oogenblik gekomen scheen, liet zij hem halen, alsof ze over andere
zaken met hem wilde spreken. De graaf, wiens gedachte ver van die dame
was, ging dadelijk naar haar toe en nadat hij zich met haar, gelijk
zij wilde, op een sofa had neergezet heel alleen in een kamer, en de
graaf reeds twee keer gevraagd had, waarom zij hem had ontboden en
zij zweeg, begon zij eindelijk door liefde bewogen en geheel vuurrood
van schaamte, klagend en bevend te stamelen: Mijn zeer lieve en zoete
vriend en heer, gij kunt als wijs man licht beseffen hoe groot de
zwakheid der mannen en vrouwen is en om verschillende redenen grooter
bij den een dan bij den ander. Daarom moet volgens een rechtvaardig
rechter dezelfde zonde door het verschillende karakter der bedrijvers
niet dezelfde straf ontvangen. En wie zou zeggen, dat men niet veel
meer een armen man en een arme vrouw moet brandmerken, die met arbeid
hun brood moeten verdienen, als zij door liefde worden geprikkeld
en daaraan zouden toegeven dan een rijke en niets doende dame en aan
wien niets, wat aan haar begeerten behaagt, zou ontbreken? Ik geloof
bepaald niemand. Daarom meen ik, dat gezegde dingen een groote reden
tot verontschuldiging moeten zijn ten gunste van haar, die ze kan
aanvoeren, indien zij aan haar liefde toegeeft. En het overige moet
het feit doen, dat zij een wijs en waardig minnaar heeft gekozen,
indien dit de oorzaak is, dat zij bemint. Deze oorzaken, schijnt
het mij, zijn bij mij aanwezig en bovendien meer anderen moeten mij
tot liefhebben dwingen, als mijn jeugd en de afwezigheid van mijn
echtgenoot, die thans mij ten dienste staan tot verdediging van mijn
vurige liefde tot U. Indien die zaken op U denzelfden invloed hebben
als op wijze mannen, bid ik u om mij raad en steun te geven bij wat ik
u zal vragen. Het is waar, dat door de afwezigheid van mijn echtgenoot
ik geen weerstand kon bieden aan mijne begeerten noch aan de kracht
der liefde, welke van zooveel invloed zijn, dat die de sterkste mannen
en niet slechts de teedere vrouwen reeds meermalen hebben overwonnen
en ze nog elken dag overwinnen en dat ik in de rijkdom en ledigheid,
waarin gij mij ziet, mij heb laten verleiden aan de genoegens der
liefde toe te geven en verliefd te worden. Daar ik weet, dat, indien
dit bekend werd, het niet eerbaar zou genoemd worden, vind ik het
niettemin, mits het verborgen is en blijft, volstrekt niet erg. Want
toch is Amor zoo gunstig voor mij geweest, dat hij mij niet alleen
de noodige kennis heeft gegeven voor het kiezen van mijn minnaar,
maar dat hij mij er zeer bij geholpen heeft, daar hij u aan mij
waardig heeft getoond om door een edelvrouw gelijk ik ben, bemind
te worden, u, die, als mijn oordeel mij niet bedriegt, de schoonste,
beminnelijkste, aangenaamste en wijste ridder zijt, dien men in het
fransche koninkrijk vinden kan. En indien ik zeggen kan zonder man
te zijn, kunt gij ook beweren gij zonder vrouw te wezen; daarom bid
ik u in naam van een liefde zoo groot als die ik u toedraag, dat gij
mij de uwe niet weigert en dat gij medelijden hebt met mijn jeugd,
die werkelijk als het ijs in het vuur door u verteert.

Bij die woorden kwamen de tranen in zulk een overvloed, dat zij,
die nog meer tot hem smeeken wilde, er niet verder over kon spreken,
maar het gelaat buigend en als overwonnen, liet zij schreiend het
hoofd op de borst van de graaf vallen. De graaf, die een zeer loyaal
ridder was, begon met de ernstigste verwijten die zoo dwaze liefde
te berispen en haar terug te stooten, die hem al om den hals wilde
vliegen. Hij begon haar te bezweren, dat hij liever wilde gevierendeeld
worden dan zoo iets toe te staan tegen de eer van zijn heer hetzij
door hem, hetzij door iemand anders. Toen zij dit hoorde, vergat de
donna opeens de liefde en in wilde woede ontbrand zeide zij: Aldus
zou ik door u, een gewonen ridder, op die wijze met mijn verlangen
versmaad worden! Maar God beware u, nu gij mij wilt doen sterven,
dat ik u niet uit de wereld help. Bij die woorden greep zij plots met
de handen in de haren en terwijl ze die verwarde en alle uitrukte en
zich bijna de kleeren van de borst scheurde, begon zij met luider
stem te schreeuwen: Help, help! De graaf van Angers wil mij geweld
aandoen! De graaf dit ziende en meer wantrouwend jegens den nijd van
de hovelingen dan jegens van zijn geweten en bevreesd, dat er meer
geloof zou worden geschonken aan de kwaadwilligheid van die vrouw
dan aan zijn onschuld, stond zoo spoedig mogelijk op, snelde uit het
vertrek en het paleis en vluchtte naar zijn huis, waar hij zonder
anderen raad af te wachten zijn twee kinderen te paard zette en zelf
op een ander gestegen zich zoo spoedig mogelijk naar Calais begaf.

Bij het gerucht van de donna liepen velen toe, die, toen zij haar
zagen en de oorzaken van haar kreten hadden gehoord, niet alleen
aan haar woorden geloof hechtten, maar er bij voegden, dat het
knappe uiterlijk en de galante manieren van den graaf lang door hem
waren aangewend om dat te bereiken. Ze liepen dan ook woest naar de
huizen van den ridder om hem in hechtenis te nemen, maar toen zij
hem er niet vonden, begonnen zij die alle te plunderen en men brak
ze daarop tot op den grond toe af. De tijding, zoo ongunstig als
men die verbreidde, bereikte in het leger den koning en zijn zoon,
die zeer vertoornd hem en zijn afstammelingen veroordeelden tot een
eeuwige ballingschap en rijke geschenken beloofden aan wien ze levend
of dood bij hen bracht. De graaf, die het betreurde dat hij door
te vluchten van onschuldig zich schuldig deed schijnen, kwam zonder
herkend te worden of zich te doen kennen met zijn twee kinderen te
Calais, stak snel naar Engeland over en ging armelijk gekleed naar
Londen, waar hij voor er binnen te gaan uitvoerig zijn twee kleine
kinderen raad gaf en voornamelijk betreffende twee zaken: ten eerste,
dat zij met geduld hun armoe droegen, waarin buiten hun schuld de
fortuin hun met hem had gebracht en verder, dat zij met de meeste
voorzichtigheid zich er voor zouden hoeden nooit aan iemand te toonen,
waar zij vandaan kwamen noch wiens zonen zij waren, als ze hun leven
liefhadden. De zoon, Louis genaamd, was negen jaar oud en de dochter,
die Violante heette, misschien zeven. Gelijk met hun jeugdigen leeftijd
overeenkwam, begrepen ze beide de les van hun vader volkomen en toonden
dit ook later door hun daden. Om te slagen scheen het hem beter hun
namen te veranderen en zoo deed hij; hij noemde den jongen Perot en
het meisje Jeannette en armelijk gekleed te Londen aangekomen, gelijk
wij dat van Fransche vagebonden zien, begonnen zij daar te bedelen.

Toen zij bij toeval hierdoor op een morgen bij een kerk stonden, kwam
daaruit een voorname dame, die de vrouw was van een der hofmaarschalken
van den koning van Engeland. Zij zag den graaf en zijn twee kindertjes,
die om een aalmoes baden en vroeg, waar zij vandaan kwamen en of
het zijn kinderen waren. Hierop antwoordde hij, dat hij uit Picardië
kwam en dat hij door een vergrijp van zijn oudsten zoon, een schelm,
met die twee gedwongen was te vertrekken. De dame, die medelijdend
was, liet de oogen op het meisje rusten, dat haar zeer beviel,
omdat zij schoon, lief en innemend er uit zag en zeide: Beste man,
als gij er vrede mee hebt, dat ik uw dochtertje tot mij neem, omdat
zij zoo'n gunstig uiterlijk heeft, zal ik haar gaarne huisvesten en
indien zij een brave vrouw wil worden, zal ik haar uithuwen op het
gunstig oogenblik zoo, dat het haar wel zal gaan. Dit verzoek beviel
den graaf zeer; hij stemde haastig toe en gaf haar onder tranen aan
haar over en beval haar zeer aan. Toen hij zoo zijn dochter geplaatst
had en wel wist bij wien, besloot hij niet langer daar te blijven;
bedelend trok hij het eiland door en kwam met Perot in Wales niet
zonder groote vermoeidheid, daar hij niet gewoon was te voet te
gaan. Daar was een andere maarschalk des konings, die in grooten staat
met een talrijk personeel leefde, in welks hof telkens de graaf en
zijn zoon verschenen om te eten. In dien hof, waar een der zoons van
den maarschalk en andere adellijke kinderen waren en er knapenspelen
uitvoerden als hardloopen en springen, begon Perot zich met hen te
vermengen en even vlug of vlugger dan eenig ander dit te doen. Toen
de maarschalk dit eens zag en hem de manier en de wijze van doen van
den jongen bevielen, vroeg hij wie dit was. Hem werd verteld, dat hij
de zoon was van een arm man, die dikwijls om een aalmoes daar kwam,
waarop de maarschalk dien liet ontbieden. De graaf, die God om niets
anders bad, stond hem vrijelijk af, hoezeer het hem verdriet deed van
hem te moeten scheiden. Toen hij aldus zijn zoon en dochter geborgen
zag, wilde hij niet langer in Engeland blijven, maar zoo goed hij kon
ging hij naar Ierland en te Stanford gekomen verhuurde hij zich aan
een vazal van den graaf van dat land als knecht en deed alles wat een
bediende of stalknecht behoort te doen en daar bleef hij langen tijd
zonder herkend te worden onder veel moeite en lasten.

Violante, Jeannette genaamd, die met de edelvrouw in Londen gebleven
was, groeide in jaren, in kracht en in schoonheid en kwam zoo in
de gunst zoowel van de dame als van haar man en van ieder ander in
het huis en van elkeen, die haar kende, dat het een wonder was om
te zien. Er was dan ook niemand, die op haar gewoonte en manieren
lette, die niet beweerde, dat zij de grootste rijkdom en eer waardig
was. Hierdoor had de donna, die haar van haar vader ontvangen had,
zonder ooit te kunnen weten wie Violante was dan door wat ze van
hem gehoord had, zich voorgesteld haar op eervolle wijze naar
den stand, waartoe de edelvrouw haar rekende te behooren, uit te
huwelijken. Maar God, de rechtvaardige kenner van de hoedanigheden,
kende haar als adellijke jonkvrouw en wist, dat zij zonder schuld voor
de zonde van anderen leed en beschikte het anders. Men moet gelooven,
dat hetgeen gebeurde, opdat zij niet in de hand van een minderen
man kwam, door Zijn goedheid werd bewerkstelligd. De edelvrouw,
bij welke Jeannette woonde, had van haar man een eenigen zoon,
dien deze en zij ten zeerste lief hadden, zoowel omdat het een
jongen was als omdat hij het door zijn deugd en zijn hoedanigheden
verdiende, daar hij meer dan een ander welopgevoed was, waardig,
dapper en schoon van gestalte. Hij was misschien zes jaar ouder dan
Jeannette en daar hij haar zeer schoon en vol gratie vond, werd hij
zoo hevig op haar verliefd, dat hij buiten haar niets meer zag. En
daar hij zich verbeeldde, dat zij van lage afkomst was, waagde hij
het niet alleen haar aan zijn vader en moeder tot vrouw te vragen,
maar vreezend dat hij berispt zou worden, omdat hij begonnen was als
een poorter verliefd te worden, hield hij zijn liefde zoo goed hij
kon verborgen. Daardoor martelde die liefde hem nog meer dan wanneer
hij haar had geopenbaard. Hiervan werd hij door overmaat van smart
ernstig ziek. Verscheidene doctoren werden tot zijn genezing ontboden
en nadat zij elk teeken van zijn ziekte hadden beschouwd en geen die
kon begrijpen, wanhoopten zij allen aan zijn genezing. De vader en de
moeder van den jonkman werden hierover zoo bedroefd en neerslachtig,
dat er niets ergers voor hen bestond om te dragen en meermalen
smeekte zij met medelijdende vragen wat de oorzaak van zijn lijden
was, waarop hij zuchtend als antwoord gaf, dat hij zich geheel voelde
verteren. Eens was een heel jonge maar zeer geleerde dokter bij hem
en hield hem bij den arm, waar men den pols pleegt te voelen, toen
Jeannette, die uit eerbied voor zijn moeder hem met zorg bediende,
om eenige reden in de kamer kwam, waar de jonge man lag. Zoodra de
jongeling haar zag, voelde hij zonder een woord te spreken of een
gebaar te maken met meer kracht het liefdevuur in het hart, waardoor
zijn pols sterker dan gewoonlijk begon te kloppen, wat de medicus
dadelijk merkte. Hij verwonderde zich en bleef zwijgen om te zien,
hoe lang dat kloppen zou duren. Zoodra Jeannette de kamer uitging,
hield het kloppen op; daardoor scheen het den arts, dat hij voor een
deel de oorzaak van zijn ziekte had geraden en een oogenblik later,
alsof hij aan Jeannette iets wilde vragen en de zieke steeds bij den
arm houdend, liet hij haar roepen. Ze kwam onmiddellijk en ze was nog
niet in de kamer of het kloppen van de pols kwam bij den jonkman terug
en toen ze weg was, hield het op. Toen de dokter daardoor voldoende
zekerheid dacht te hebben, stond hij op en na den vader en de moeder
ter zijde te hebben geroepen zeide hij tot hen: De gezondheid van uw
zoon is niet in de macht der doktoren maar berust in de handen van
Jeannette, welke, gelijk ik duidelijk uit zekere teekenen heb begrepen,
den jongeling vurig lief heeft, hoewel zij er niets van merkt naar
ik meen te zien. Weet thans wat u te doen staat, als zijn leven u
lief is. De edelman en zijn vrouw waren verheugd, toen zij hoorden,
dat er toch een middel was tot zijn herstel, hoewel het hun speet,
dat waar was, waaraan zij twijfelden, namelijk dat zij Jeannette aan
hun zoon tot vrouw moesten geven. Zij gingen dan ook toen de dokter was
vertrokken naar den zieke en de donna sprak tot hem aldus: Mijn zoon,
ik had nooit geloofd, dat gij mij een van uwe verlangens zoudt hebben
verborgen en dat ik u zou zien verzwakken door hieraan niet te voldoen,
omdat gij er zeker van kunt en moet zijn, dat ik alles, wat ik tot
uw bevrediging zou kunnen aanwenden, al was het minder dan eerlijk,
van zelf zou doen. Maar nu gij zoo hebt gehandeld is God barmhartiger
voor u geweest dan gij zelf en opdat gij aan die ziekte niet sterft,
heeft Hij mij de oorzaak van uwe ziekte geopenbaard, die niets anders
is dan een hartstochtelijke liefde, die gij voor een jong meisje hebt,
wie het dan ook zij. Gij hoeft u er werkelijk niet over te schamen,
omdat uw leeftijd het eischt en als gij niet verliefd zoudt zijn, zou
ik u er minder om achten. Aldus mijn zoon, wees voor mij niet op uw
hoede maar beken mij al uw verlangens en werp de zwaarmoedigheid en
de gedachte, die gij hebt en waaruit die ziekte voortkomt, weg; vat
moed en wees er zeker van, dat er niets bestaat tot uw bevrediging,
wat ik zoo mogelijk niet zal doen voor u, die ik meer lief heb dan
mijn leven. Verjaag de verlegenheid en de vrees en zeg mij vrij of ik
voor uw liefde iets kan doen. En als gij meent, dat ik mij er niet
om bekommer en dit tot een goed einde voert, houdt mij dan voor de
wreedste moeder, die ooit een zoon baarde.

Toen de jongeling de woorden van de moeder hoorde, bloosde hij
eerst; hij bedacht, dat niemand meer aan zijn verlangen kon voldoen,
verjoeg zijn verlegenheid en zeide: Mevrouw, niets anders heeft
mij mijn liefde doen verbergen dan dat ik bemerkt heb bij de meeste
lieden dat zij, als zij oud zijn, zich hun jeugd niet meer willen
herinneren. Maar omdat ik u daartoe wel bereid zie, zal ik niet alleen
bekennen, wat gij hebt gemerkt, maar ik zal u toevertrouwen op wie ik
verliefd ben op voorwaarde, dat binnen uw vermogen zoodanig gevolg
uit uw belofte voortkomt, dat gij mij weer gezond zult zien. De
donna--te veel vertrouwend, dat het gebeuren zou op de wijze,
waarnaar zij zich het voorstelde--antwoordde gulweg, dat hij gerust
elk verlangen zou openbaren, want dadelijk zou zij beproeven wat hem
zou bevredigen. Mevrouw, zei toen de jonkman, de groote schoonheid en
de lofwaardige manieren van onze Jeannette en de onmogelijkheid haar
mijn liefde te doen bemerken, hoewel zij medelijdend is en het gemis
aan moed die liefde aan wie ook toe te vertrouwen, hebben mij in den
toestand gebracht waarin gij mij ziet. Indien gij, wat gij mij hebt
beloofd op de een of andere wijze niet nakomt, wees er dan zeker van,
dat mijn leven kort zal zijn. De donna, die het meer tijd achtte voor
bemoediging dan voor berisping, zeide glimlachend: Ah, mijn zoon,
woudt gij daarvoor ziek worden? Bedaar en laat mij begaan tot gij
eenmaal beter zult zijn. De jonkman vol goede hoop toonde in den
kortst mogelijken tijd teekens van de grootste verbetering, waarover
de donna zeer verblijd begon met na te komen, wat zij had beloofd.

Ze liet op een goeden dag Jeannette roepen en vroeg haar
schertsenderwijze zeer hoffelijk of ze een of anderen minnaar
had. Jeannette werd zeer rood en antwoordde: Mevrouw, een arm meisje
en uit haar huis verjaagd gelijk ik ben en die in dienst van anderen
verkeert gelijk ik doe, vraagt men niet en past het niet liefde te
verwachten. Hierop sprak de donna: Indien gij er geen hebt, willen
wij er u een geven, met wien gij zeer gelukkig zult zijn en meer
behagen zult hebben in uw schoonheid, want het zou niet betamen aan een
meisje zoo mooi als gij, dat gij zonder minnaar zoudt blijven. Hierop
antwoordde Jeannette: Mevrouw, gij hebt mij uit de armoede van mijn
vader gescheiden en mij als uw dochter opgevoed en daarom zal ik
alles tot uw genoegen doen maar hierin niet, daar ik geloof er goed
mee te handelen. Indien het u behaagt mij een man te geven zal ik dien
trachten lief te hebben, maar geen ander, want van de erfenis mijner
voorvaderen is mij niets overgebleven behalve de eer, welke ik hoop te
bewaren en te dienen, zoolang ik leef. Dit woord scheen zeer nadeelig
aan de donna voor haar plan om de belofte aan haar zoon te houden,
hoewel zij als verstandige vrouw in stilte het meisje zeer prees en
zeide: Maar Jeannette, als Zijne Majesteit de koning, die een jong
man is gelijk gij een mooi meisje, van u liefde begeerde, zoudt gij
hem die weigeren? Zij antwoordde daarop dadelijk: De koning zou mij
geweld aan kunnen doen, maar hij zou mij nooit anders kunnen krijgen
dan op eerlijke wijze. De dame begreep hoe ze dacht, liet alle woorden
verder ter zijde en besloot haar op de proef te stellen. Aldus gaf zij
haar zoon het plan te kennen om als hij genezen zou zijn, haar met hem
in een kamer te laten en dat hij zijn best zou doen met haar zich zijn
genoegen te verschaffen. Zij zeide, dat het haar schandelijk leek voor
haar zoon op te komen als een koppelaarster en het meisje te bidden. De
jongeling was hierover in 't geheel niet tevreden en werd opeens veel
erger ziek. Toen de donna dit zag, openbaarde zij haar bedoeling aan
Jeannette. Maar zij vond haar standvastiger dan ooit. Zij vertelde
aan haar echtgenoot, wat zij met het meisje had besproken en hoewel
het hun pijnlijk scheen, overlegden zij met wederzijdsch goedvinden
haar aan hem tot gemalin te geven, daar ze liever haar zoon levend
zag dan met een echtgenoote zijner niet waardig dan dood en zonder
eenige vrouw, en zoo deden zij na vele gesprekken.

Jeannette was hierover zeer verheugd en dankte God met vroom gemoed,
dat Hij haar niet had vergeten, maar toch noemde zij zich nooit
anders dan de dochter van een Picardiër. De jonge man genas, vierde
gelukkiger dan ieder ander man bruiloft en wijdde veel tijd aan haar.

Perot, die met den maarschalk van den koning van Engeland in Wales
was gebleven, steeg ook in den gunst van zijn heer en werd een
knapper en dapperder man dan wie ook op het eiland, zoodat noch
bij de steekspelen, noch bij het worstelen, noch bij eenige andere
wapenoefening er iemand was, die hem evenaarde. Daarom was hij onder
den naam Perot, de Picardiër, bij allen bekend en beroemd. En gelijk
God zijn zuster niet had vergeten, zoo toonde Hij ook aan hem te
denken, want toen er in die streek een pestziekte kwam, nam die de
helft der bewoners weg zonder te rekenen, dat het grootste deel van
de rest uit vrees naar andere streken vluchtte, zoodat het geheele
land verlaten scheen. Door die ziekte stierven de maarschalk, zijn
heer, diens vrouw, een zijner zoons en vele anderen zoowel broeders
als neven en verwanten, en er bleef geen ander over dan een reeds
huwbaar meisje en met eenige andere dienaren: Perot. Toen de pest een
weinig ophield, nam ze hem, die een rechtschapen en goed man was tot
echtgenoot, tot genoegen en op raad van een klein aantal vasallen,
die in het leven waren gebleven en maakte hem tot heer van alles,
wat aan haar vervallen was. Het duurde niet lang of toen de koning
van Engeland hoorde, dat de maarschalk dood was en daar hij de kracht
van Perot, den Picardiër, kende, zette hij hem in de plaats van den
overledene en gaf hem diens waardigheid. Dat gebeurde in korten tijd
met de twee onschuldige kinderen van den graaf van Angers, door hem
als verloren achtergelaten.

Het was al achttien jaar geleden, dat de graaf van Angers vluchtend
Parijs had verlaten en sinds woonde hij in Ierland. Hij had een vrij
ellendig leven, had veel moeten verduren en toen hij al oud werd,
kreeg hij zin om te weten, zoo hij kon, wat er van zijn twee kinderen
geworden was. Daar hij zich geheel van uiterlijk veranderd zag en hij
zich sterker voelde door lange arbeid dan toen hij als jonkman niets
uitvoerde, bleef hij niet, waar hij lang was geweest maar vertrok arm
en slecht uitgerust, kwam in Engeland en ging daarheen, waar hij Perot
had achtergelaten. Hij vond hem als maarschalk en als een groot heer
en zag hem gezond, sterk en knap terug; dit beviel hem zeer, maar hij
wilde zich niet laten herkennen voor hij wist, wat er van Jeannette
geworden was. Daarom begaf hij zich op weg en maakte geen halt, voor
hij in Londen kwam en daar, na voorzichtig naar de donna te hebben
gevraagd aan wien hij het meisje had overgelaten, vond hij Jeannette
als vrouw van haar zoon. Dit viel hem zeer mee en hij achtte al zijn
vroegere tegenspoed gering, nu hij zijn kinderen levend en in goeden
staat had terug gevonden en verlangend haar te zien, begon hij als
arm man zich op te stellen in de buurt van haar huis. Toen Jacquet
Lamiens--zoo heette de echtgenoot van Jeannette--hem daar eens zag,
arm en oud, kreeg hij medelijden en beval aan een van zijn bedienden,
dat hij hem in zijn huis voerde en dat hij hem uit barmhartigheid
te eten gaf, wat de knecht gaarne deed. Jeannette had reeds van
Jacquet verscheidene zoons gekregen, waarvan de oudste niet ouder dan
acht jaar was. Het waren de mooiste en de aanvalligste kinderen ter
wereld. Zoodra zij den graaf zagen eten, gingen zij om hem heen staan
en begonnen hem vreugde te betuigen alsof zij zich door geheime kracht
bewogen voelden, dat hij hun grootvader was. De graaf herkende zijn
kleinkinderen en begon ze liefde te toonen en te streelen; daardoor
wilden de kinderen niet meer van hem weg, hoezeer de man belast met
het toezicht op hen ze ook riep. Jeannette bemerkte dit, ging de kamer
uit, kwam, waar de graaf zich bevond en dreigde ze te kastijden,
als ze niet deden, wat hun meester wilde. De kinderen begonnen te
schreien en te zeggen, dat zij bij dien braven man wilden blijven,
dien zij meer lief hadden dan hun meester. De dame en de graaf lachten
daarom. De graaf was opgestaan niet op de wijze van een vader, maar
als een arm man om zijn dochter eerbied te betuigen als edelvrouw en
voelde, toen hij haar zag, in het hart een wonderbare vreugde.

Maar noch toen, noch later herkende zij hem, omdat hij zeer was
verouderd bij wat hij placht te zijn, daar hij oud en kaal was en
een langen baard had en mager en bruin was geworden en eer een ander
man scheen dan de graaf. Toen de donna zag, dat de kinderen niet
van hem wilden scheiden en huilden, toen zij ze wilde doen heengaan,
zeide zij tot den meester, dat hij ze toch daar maar een weinig liet
blijven. Terwijl dit gebeurde, kwam de vader van Jacquet terug en
hoorde dit van hun meester. Daarom zeide hij, die Jeannette minachtte:
Laat ze aan het slechte avontuur over dat God hen bezorgt, want zij
keeren terug, vanwaar ze afkomstig zijn. Zij stammen door hun moeder
af van bedelaars en het is dus niet te verwonderen, dat zij gaarne
met bedelaars verkeeren. De graaf hoorde deze woorden en was er zeer
bedroefd over, maar toch het hoofd gebogen duldde hij die beleediging
gelijk hij vele anderen gedragen had. Jacquet, die de ontvangst had
gezien, welke de kinderen den goeden man bereidden, namelijk aan den
graaf, hoezeer het hem ook mishaagde, hield toch zooveel van hen,
dat hij liever dan ze te zien schreien beval, dat, indien de goede
man daar in eenigen dienst wilde treden, hij er welkom zou zijn. Hij
antwoordde, dat hij daar gaarne bleef, maar dat hij niet anders kon
dan de paarden oppassen, wat hij zijn heele leven gedaan had. Men
vertrouwde hem derhalve een paard toe en hij begon, zoodra hij dit
verzorgd had, met de kinderen te spelen.

Terwijl de fortuin op die wijze als hier beschreven den graaf van
Angers en de kinderen leidde, stierf de koning van Frankrijk na vele
wapenstilstanden met de Duitschers en in zijn plaats werd zijn zoon
gekroond, wiens vrouw den graaf had verjaagd. Toen die den laatsten
wapenstilstand met de Duitschers had geëindigd, begon hij op nieuw
een zeer fellen krijg, waarbij om hem als nieuwe verwant te helpen
de koning van Engeland een groot aantal soldaten zond onder bevel
van Perot, zijn maarschalk en van Jacquet Lamiens, den zoon van den
anderen maarschalk, waarmee de brave man, te weten de graaf, heen ging
en zonder door iemand herkend te worden langen tijd in het kamp bleef
als stalknecht. Daar gedroeg hij zich als een flink man, zoowel door
raadgevingen als door daden meer dan men van hem vergde. Gedurende
den oorlog werd de koningin van Frankrijk ernstig ziek en toen zij
haar einde zag naderen, biechtte zij, gedreven door haar zonde,
vroom aan den aartsbisschop van Rouaan, die door allen als een zeer
heilig en goed mensch werd beschouwd en onder andere zonden verhaalde
zij hem, dat door haar aan den graaf van Angers groot onrecht was
gedaan. Ze had er geen vrede mee het hem slechts te vertellen, maar
zij verhaalde in tegenwoordigheid van vele andere waardige mannen
alles, wat er gebeurd was en verzocht hen bij den koning te bewerken,
dat de graaf, indien hij leefde, in zijn rang zou worden hersteld en
zoo niet dan een van zijn zoons. Niet lang daarna werd zij, uit dit
leven verscheiden, begraven.

Toen die bekentenis aan den koning was verteld, bewoog hem dit na
eenige zuchten over het onrecht den braven man aangedaan door het
gansche leger en bovendien op vele andere plaatsen een oproep te
doen, opdat, wie hem inlichtingen zou verstrekken over den graaf
van Angers of althans over zijn zoons, ruimschoots door hem beloond
zou worden, daar hij hem voor onschuldig hield aan hetgeen waarvoor
hij in ballingschap was gegaan volgens de bekentenis gedaan door de
koningin en plan had hem tot zijn vroegeren rang en een meerderen
te doen terugkeeren. Toen de graaf in de gedaante van een stalknecht
dit hoorde en merkte, dat dit waar was, begaf hij zich dadelijk naar
Jacquet en verzocht hem samen te komen met Perot, omdat hij hun wilde
aanwijzen wie de koning zocht. Toen alle drie aldus vereenigd waren,
zeide de graaf tot Perot, die er al aan dacht zich bekend te maken:
Perot, hier is Jacquet, die uw zuster tot vrouw heeft, maar die nooit
een bruidschat heeft gehad en opdat uw zuster niet zonder bruidschat
blijft, wil ik, dat hij en geen ander de belooning krijgt, die de
koning zoo groot voor u belooft en ik zeg u als zoon van den graaf van
Angers en voor Violante, uw zuster en uw vrouw en voor mij, dat ik zelf
de graaf van Angers en uw vader ben. Perot hoorde dit, keek hem strak
aan, herkende hem spoedig, omhelsde hem en viel schreiend aan zijn
voeten. Jacquet hoorde eerst, wat de graaf gezegd had en toen ziende
wat Perot deed, werd hij op eens zoo overstelpt door verwondering en
blijdschap, dat hij nauwelijks wist wat te doen. Maar toch sloeg hij
geloof aan zijn woorden en schaamde zich zeer over de beleedigende
woorden, die hij jegens den graaf als stalknecht had gebruikt,
viel hem schreiend te voet en vroeg voor elke vroegere beleediging
vergeving, welke de graaf, na hem welwillend te hebben opgeheven,
hem schonk. Nadat zij alle drie over hun verschillende lotgevallen
hadden gesproken en zich te samen zeer hadden beklaagd en verheugd,
wilde Perot en Jacquet den graaf van kleeding laten verwisselen, maar
hij stond dit niet toe en wilde dat eerst Jacquet de zekerheid had
de beloofde belooning te ontvangen en dat hij, als dit gebeurd was,
hem aan den koning zou voorstellen in zijn dracht van palfrenier om
hem meer beschaamd te maken. Jacquet verscheen dus met den graaf en
Perot voor den koning en bood aan hem den graaf en diens kinderen
voor te stellen, waardoor deze hem volgens den gedanen oproep moest
beloonen. De koning liet spoedig in aller tegenwoordigheid de belooning
brengen, die wonderbaar scheen in de oogen van Jacquet. Hij beval hem
die mee te nemen, indien hij werkelijk den graaf en zijn kinderen
bracht, gelijk hij het beloofde. Toen keerde Jacquet zich om en na
den graaf-stalknecht en Perot voor zich te hebben geplaatst zeide
hij: Sire, zie hier vader en zoon; de dochter, die mijn vrouw is
en niet hier, zult gij met Gods hulp spoedig zien. De koning, dit
hoorend, zag den graaf aan en hoewel hij veel was verouderd bij wat
hij vroeger was, herkende hij hem toch na hem eenigen tijd te hebben
aangezien en met tranen in de oogen hief hij hem die geknield bleef,
op, kuste en omarmde hem, sprak met Perot vriendelijk en beval, dat
de graaf dadelijk van kleederen, bedienden, paarden en wapenrusting
voorzien zou worden, gelijk dat zijn adeldom eischte, wat spoedig
gebeurde. Bovendien behandelde de koning Jacquet met veel eer en
wilde alles weten van zijn vroegere lotgevallen. En toen Jacquet de
hooge belooningen aanvaardde, omdat hij hem den graaf en de kinderen
had aangewezen, zeide de graaf tot hem: Neem dit van de schatten van
Zijne Majesteit den koning en denk er aan tot uw vader te zeggen, dat
uw zonen, zijn kleinkinderen en de mijnen niet van moederskant van
een bedelaar afstammen. Jacquet nam de geschenken aan en liet zijn
vrouw en schoondochter te Parijs komen. De vrouw van Perot kwam ook
mee en daar maakte zij allen met den graaf een groot feest, dien de
koning in al zijn rechten had hersteld en meer had gemaakt dan hij
ooit was geweest. Toen ging elk met 's konings verlof huiswaarts en
de graaf leefde te Parijs tot aan zijn dood roemrijker dan ooit.



Negende Vertelling.

    _Bernabo van Genua wordt door Ambrogiuolo bedrogen, verliest
    zijn geld en beveelt daarom zijn onschuldige vrouw te
    laten dooden. Zij ontvlucht en in mansgewaad dient zij den
    Sultan, vindt den bedrieger en laat haar man naar Alexandrië
    komen, waar deze gestraft wordt. Zij doet daarop weer haar
    vrouwenkleeren aan en keert met haar man, rijk geworden,
    naar Genua terug._


Nadat Elisa met haar aandoenlijke geschiedenis haar plicht had
vervuld, zeide koningin Philomena, die schoon en groot was van
gestalte en meer dan een andere een innemend en lachend gelaat had:
Men moet zich houden aan de overeenkomst aangegaan met Dioneo en daar
er geen anderen overblijven dan hij en ik om te verhalen, zal ik het
eerst mijn historie vertellen en hij, die dit als een gunst verkreeg,
zal als laatste spreken. Na die woorden begon zij aldus:

Men pleegt onder het volk dikwijls het spreekwoord te gebruiken dat
de bedrieger de slaaf wordt van den bedrogene, waarvan men op geen
enkelen grond de waarheid zou kunnen aantoonen, indien de feiten
het niet bewezen. Om ons voornemen te volgen en omdat dit alles,
lieve donna's, waar is, gelijk men beweert, heb ik lust gekregen
het u aan te toonen. Het zal u niet onaangenaam zijn dit te hooren,
opdat gij u voor bedriegers kunt in acht nemen.

Er waren in een herberg in Parijs eenige zeer groote Italiaansche
kooplieden, volgens hun gewoonte de een voor deze, de ander voor
gene zaak. Nadat zij op een avond onder elkaar allen gezellig hadden
gegeten, begonnen zij over verschillende dingen te spreken en van het
eene onderwerp op het andere komend, begonnen zij te praten over hun
vrouwen, die ze thuis hadden gelaten en schertsend begon er een te
zeggen: Ik weet niet, hoe de mijne doet, maar dit weet ik wel, dat,
wanneer een meisje mij in handen komt dat mij bevalt, ik de liefde
ter zijde laat, die ik voor mijn vrouw voel en hiervan profiteer
zooveel ik kan. De ander antwoordde: En ik handel zoo insgelijks,
want als ik geloof, dat mijn vrouw er haar plezier van neemt, dan doet
zij het, en als ik het niet geloof, doet ze het ook en dus doen we
wederkeerig hetzelfde, leer om leer. De derde kwam, het woord nemend,
tot dezelfde meening en om kort te gaan scheen het allen, dat ze het
hierover eens werden, dat zij door het achterlaten van hun vrouwen
hun tijd niet verloren. Slechts een, die den naam droeg van Bernabo
Leomellin van Genua, beweerde het tegendeel en hield vol, dat hij
door bijzondere genade van God een vrouw tot echtgenoote had, die
meer begaafd was met alle deugden dan in het algemeen een edelvrouw,
een ridder of een page, die er misschien in Italië zijn. Want zij
was schoon van vorm en nog zeer jong, handig en sterk en er was
niets van vrouwelijke bedrevenheid, als het borduren van zijden
handwerken en dergelijke dingen meer, wat zij niet beter deed dan wie
ook. Behalve dat, zeide hij, was er geen schildknaap of bediende, die
beter en vlugger aan de tafel van een heer diende en die hoffelijker,
wijzer en meer bescheiden was. Daarna prees hij haar nog meer, omdat
ze paard kon rijden, een valk dragen, lezen, schrijven en rekenen
alsof ze een koopman was en toen na vele loftuitingen kwam hij, die
daarover sprak, er toe plechtig te beweren, dat er geen eerbaarder
en kuischer vrouw was te vinden dan zij. Daarom geloofde hij zeker,
dat, indien hij tien jaar of zelfs altijd buitenshuis bleef, zij zich
nooit zou afgeven met een anderen man. Bij die kooplieden, die zoo
spraken was een jonge man, Ambrogiuolo genaamd van Piacenza, die met
de laatste loftuiting, welke Bernabo gegeven had aan zijn vrouw, den
grootsten spot der wereld begon te drijven en schertsend vroeg hij
of de keizer hem dit voorrecht boven alle andere mannen geschonken
had. Bernabo zeide een weinig onthutst, dat niet de keizer maar God,
die wat meer vermocht dan de keizer, hem die genade had verleend. Toen
zeide Ambrogiuolo: Bernabo, ik twijfel er niet aan, dat gij in deze
zaken gelooft de waarheid te zeggen, maar naar het mij schijnt,
hebt gij op hun aard weinig acht gegeven; want indien gij dit had
gedaan zou ik niet denken, dat gij in deze bekende dingen zoo dom
waart en gij hierover niet kalmer zoudt spreken. En omdat gij niet
gelooft, dat wij, die zeer vrij over onze vrouwen gesproken hebben,
ons verbeelden andere vrouwen te hebben of anders gemaakt dan de uwe,
maar dat wij aldus gesproken hebben gelijk wij meenen, wil ik met u
een weinig over die zaak praten. Ik heb altijd gehoord, dat de man
het edelste dier is onder de andere schepsels door God geschapen
en daarna de vrouw, maar de man gelijk men algemeen gelooft en ziet
door zijn werken is de volmaaktste en daar hij volmaakter is, heeft
hij zonder twijfel meer vastberadenheid en standvastigheid, daar de
vrouwen in het algemeen veel bewegelijker zijn en waarom, dat zou
men om vele natuurlijke redenen kunnen aantoonen, welke ik nu wil ter
zijde laten. Indien de man dus van grooter vastberadenheid is en zich
niet kan weerhouden, laat staan tegenover een, die het hem vraagt,
zelfs tegenover het ontberen van een vrouw, die hem bevalt en bij die
begeerte nog alles wil doen om zich met haar te verstaan en dit niet
eens in de maand maar duizend keer per dag, wat kunt gij dan hopen,
dat een veranderlijke vrouw doen kan tegen de beden, de listen, de
geschenken en de duizend andere middelen, die een slim man heeft,
welke haar bemint? Denkt gij, dat zij weerstand kan bieden? Zeker,
hoezeer gij het ook zoudt volhouden, ik zou niet gelooven, dat gij
het zelf denkt. En gij zegt, dat u echtgenoote een vrouw is en dat
zij van vleesch en been is als de anderen. Als dit zoo is, moeten
haar begeerten ook dezelfden zijn en haar krachten geen anderen om
die natuurlijke lusten te weerstaan. Daarom is het mogelijk, hoe
eerbaar zij ook mag wezen, dat zij als een andere handelt en geen
enkele mogelijkheid kan zoo sterk ontkend worden gelijk gij doet als
het tegengestelde bevestigd kan worden. Hierop antwoordde Bernabo:
Ik ben koopman en geen wijsgeer en zal dus als koopman antwoorden. Ik
zeg u, dat wat ik weet, kan gebeuren aan gekkinnen, die geen eergevoel
hebben, maar zij, die verstandig zijn waken zoo voor hun eer, dat
zij veel sterker daarin worden dan de mannen, die er zich niet om
bekommeren. En zoo is het met de mijne gesteld. Ambrogiuolo zeide:
Waarlijk, indien elken keer, dat zij zich tot zulke histories laten
overhalen hun een hoorn op het voorhoofd groeide, die getuigenis gaf
van wat zij hadden gedaan, dan zou ik gelooven, dat weinigen er toe
zouden overgaan, maar in plaats, dat er een hoorn groeit, blijft er bij
hen, die wijs zijn spoor noch indruk achter en de schande en de blaam
bestaan slechts bij bekend geworden zaken; daarom, als zij het kunnen,
doen zij het, of wel ze laten het uit domheid. En houdt dit voor zeker,
dat die alleen kuisch is, die nooit gevraagd is door iemand of zoo
zij het zelf vroeg, niet werd verhoord. En hoewel ik weet, dat dit om
natuurlijke en ware redenen zoo moet zijn, zou ik er niet van spreken
zoo overtuigd als ik het doe, indien ik niet herhaalde malen en met
vele gevallen het bewijs had gehad. Ik zeg u dit namelijk, dat ik,
indien ik bij uw heilige donna was, ik geloof haar in korten tijd over
te halen tot wat ik bij anderen gedaan heb gekregen. Bernabo antwoordde
verlegen: Ons twistgesprek zou met woorden te lang kunnen duren; gij
zoudt dit zeggen en ik dat en eindelijk zou er niets uit volgen. Maar
omdat gij zegt, dat allen zoo buigzaam zijn en gij zoo zijt aangelegd,
ben ik bereid, opdat gij u van de eerbaarheid van mijn donna verzekert,
mij het hoofd te laten afslaan, indien gij haar ooit kunt voeren tot
wat u behaagt. Indien gij het niet kunt, wil ik, dat gij mij minstens
duizend goudguldens betaalt. Ambrogiuolo, al door dit gesprek verhit,
zeide: Bernabo, ik weet niet, wat ik met uw bloed zou doen, indien ik
zou overwinnen, maar indien gij er lust in hebt het bewijs te zien van
wat ik al gezegd heb, zet gij er dan vijfduizend goudguldens tegen,
die u minder dierbaar moeten zijn dan uw hoofd. En daar gij nog geen
enkelen termijn hebt vastgesteld, wil ik mij verplichten naar Genua te
gaan en binnen drie maanden van af den dag, dat ik van hier vertrek,
zal ik uw vrouw naar mijn wil hebben geleid en tot bewijs er van een
van haar dierbaarste zaken met mij terug brengen om u zoodanige en zoo
groote bewijzen te geven, dat gij zelf zult bekennen, dat het waar
is, op voorwaarde, dat gij mij belooft op uw woord niet binnen dien
bepaalden termijn naar Genua te gaan, noch haar iets over die zaak
te schrijven. Bernabo zeide, dat het hem zeer aanstond en hoewel de
andere kooplieden, die tegenwoordig waren, hun best deden hem hiervan
af te brengen, wetend dat er groot kwaad uit kon geboren worden,
waren toch de geesten der twee kooplieden er zoo door verhit, dat
ondanks den wil van de anderen door mooie contracten zij tegenover
elkaar wat dat betreft verplichtingen aangingen.

Toen die geteekend waren, bleef Bernabo achter en Ambrogiuolo kwam
zoo gauw mogelijk te Genua. Na er eenige dagen gebleven te zijn en met
veel voorzorg zich te hebben op de hoogte gesteld van de straatnaam,
waaronder de donna woonde en van haar manier van leven, had hij er
weer van gehoord, wat hij al van Bernabo vernomen had. Daarom scheen
het hem, dat hij een dollen streek had gedaan. Maar toch na een arme
vrouw te hebben gesproken, die veel in haar huis kwam en aan wien de
donna welgezind was kocht hij, daar hij geen ander middel wist, haar
met geld om en liet zich door haar in een opzettelijk gemaakte kist
er heen dragen, en niet alleen in huis, maar zelfs in de kamer der
donna en daar, alsof de goede vrouw wilde weggaan voor eenige dagen,
verzocht zij volgens de les, die Ambrogiuolo haar had gegeven, dat men
de kist er gedurende eenige dagen bewaarde. Toen de kist daar bleef
en de nacht inviel, maakte Ambrogiuolo op het uur, dat hij dacht,
dat de dame sliep, de kist open, en kwam stil in de kamer, waar een
licht brandde. Hij begon de ligging van de kamer te onderzoeken,
de schilderijen en alle andere merkwaardige zaken, die er in waren,
om ze in het geheugen te prenten. Daarop naderde hij het bed en zag,
dat de donna en een klein kind bij haar vast sliepen. Hij deed haar
geheel naakt liggen en zag, dat zij even schoon was als gekleed, maar
dat hij geen enkel teeken kon medenemen behalve een, dat zij op de
linkerborst had en dat bestond uit een kleine uitwas, waarom eenige
goudblonde haren groeiden. Dit ziende, dekte hij haar weer stil toe,
hoewel hij, terwijl hij haar zoo schoon zag, begeerde zijn leven te
wagen om bij haar te liggen. Maar daar hij gehoord had, dat zij zoo
onverzettelijk was in die dingen, durfde hij het niet. Hij bleef het
grootste deel van den nacht op zijn gemak in de kamer, trok een beurs
en een vest zonder mouwen uit een van haar koffers, een ring en een
gordel en deed alles in zijn kist. Hij ging er ook in en sloot die als
te voren en zoo bracht hij twee nachten door zonder dat de donna er
iets van merkte. Op den derden dag volgens het afgesproken plan kwam
de goede vrouw haar kist halen en bracht die terug, vanwaar ze haar
gehaald had. Ambrogiuolo kwam er uit en nadat hij de vrouw volgens
de gedane belofte had tevredengesteld, keerde hij zoo gauw hij kon,
vóór den bepaalden termijn met die zaken naar Parijs terug.

Toen hij daar de kooplieden had bijeen geroepen, die tegenwoordig
waren geweest bij het gesprek en het doen van de weddenschap, zeide
hij in tegenwoordigheid van Bernabo, dat hij de weddenschap tusschen
hen aangegaan, had gewonnen, omdat hij volvoerd had, waar hij zich
op had beroemd. En om te bewijzen, dat dit waar was, beschreef hij
eerst den vorm van de kamer en de schilderijen, toonde daarna de
voorwerpen, die hij mee had gebracht en beweerde die van haar te
hebben gekregen. Bernabo gaf toe, dat de kamer was zooals hij die
beschreef en bovendien erkende hij ook, dat die voorwerpen aan zijn
donna hadden behoord. Maar hij beweerde, dat hij van een der bedienden
des huizes het voorkomen van de kamer kon weten en op gelijke wijze
die voorwerpen kon hebben gekregen. Daarom, indien hij daartegen niets
had in te brengen, scheen dit hem niet voldoende om zich overwonnen
te verklaren. Daarom zeide Ambrogiuolo: Dit moet wel degelijk
voldoende zijn, maar, daar gij wilt, dat ik nog meer zeg, zal ik dan
ook meer zeggen. Ik weet, dat mevrouw Ginevra onder de linkerborst
een tamelijk groote vlek heeft met misschien zes goudblonde haren
er om heen. Toen Bernabo dit hoorde, leek het hem of hij een smart
voelde als van een messteek in het hart, en daar hij geheel van kleur
veranderde, hoewel hij geen woord had gesproken, gaf hij duidelijk
genoeg blijk, dat het waar was, wat Ambrogiuolo vertelde en zeide:
Heeren, wat Ambrogiuolo zegt, is waar, en omdat hij gewonnen heeft,
mag hij om het geld komen, wanneer hij wil. Aldus werd Ambrogiuolo
den volgenden dag volkomen bevredigd. Bernabo, van Parijs vertrokken,
ging met zeer verbitterden geest naar de donna te Genua. Toen hij het
naderde, wilde hij er niet binnen gaan maar bleef er wel twintig mijlen
vandaan op een van zijn landgoederen en hij zond een knecht, waarin
hij veel vertrouwen stelde, met twee paarden en met zijn brieven naar
Genua, schreef aan de donna, dat hij was teruggekeerd en dat zij met
den bediende tot hem zou komen. Hij gaf bovendien in het geheim aan
den knecht last, dat die op een plaats, waar deze het het geschikst
achtte zonder genade de donna moest vermoorden en dat hij dan naar
hem moest terugkeeren. Toen de knecht te Genua aankwam en de brieven
waren overhandigd en de boodschap was overgebracht, werd hij door de
vrouw met groote vreugde ontvangen, welke den volgenden morgen met den
knecht te paard steeg en den weg naar zijn landgoed insloeg. Terwijl
zij samen voortreden en over allerlei dingen spraken, kwamen zij in een
zeer diepe en eenzame vallei, afgesloten door hooge rotsen en boomen,
die aan den knecht de plaats leek om veilig het bevel van zijn meester
te volvoeren. Hij trok het mes, nam de donna bij den arm en zeide:
Mevrouw, beveel uw ziel eerst aan God, daar gij zonder verder voort te
reizen moet sterven. De donna zag het mes, hoorde de woorden en zeide
geheel ontsteld: Bij God genade! Voor gij mij doodt, zeg mij, waarmee
ik u kwaad heb gedaan, dat gij mij moet dooden? Mevrouw, zei de knecht,
gij hebt mij met niets kwaad gedaan en waarmee ge het uw echtgenoot
deed, weet ik niet, alleen dat hij mij beval zonder medelijden met
u te hebben, u op dezen weg te dooden en als ik het niet zou doen,
dreigde hij mij te laten ophangen. Gij weet wel, hoe ik gebonden ben
en hoe ik, wat hij mij gelast, niet kan weigeren. God weet, hoe ik met
u begaan ben, maar ik kan niet anders. Daarop hernam de donna weenend:
In Gods naam wordt niet om anderen te dienen de moordenaar van iemand,
die u nooit iets kwaads toevoegde. Aan God, die alles weet, is bekend,
dat ik nooit iets deed waardoor ik van mijn man zulk een loon moest
ontvangen. Maar laat ons dit nu ter zijde stellen: gij kunt wanneer
gij wilt, tegelijkertijd aan God, aan mijn man en aan mij een dienst
doen, doordat gij mijn kleederen aantrekt en gij mij alleen uw wambuis
en een overrok geeft. Keer hiermee naar mijn en uw heer terug en zeg
hem, dat gij mij hebt gedood en ik zweer u bij het leven, dat ik u
schuldig ben, dat ik mij zal verwijderen en dat noch hij, noch gij,
noch iemand in deze streken iets van mij zal hooren. De knecht,
die haar ongaarne doodde, kreeg spoedig medelijden. Hij nam haar
kleeren en na haar zijn wambuis en overrok te hebben gegeven en haar
het weinige geld achter gelaten te hebben, dat zij bij zich had,
verzocht hij haar, dat zij uit die streek wegging, liet haar in de
vallei met een paard alleen en begaf zich naar haar heer, tot wien
hij zeide, dat zijn bevel niet slechts was volvoerd, maar dat haar
lichaam door de wolven was verslonden.

Bernabo ging na eenigen tijd naar Genua terug, waar hij, toen het
feit bekend werd, zeer werd geminacht. De donna, alleen en troosteloos
achter gelaten, ging, zoodra de nacht gekomen was en zoo goed mogelijk
vermomd, naar een dorp daar in de buurt en hier kocht zij van een oude
vrouw al wat ze noodig had, bracht het wambuis naar haar lichaamsmaat
in orde door het te verkorten en maakte zich uit haar overrok een
paar broeken. Zij knipte zich de haren en geheel vervormd in de
gedaante van een zeeman ging zij naar de zeekant. Daar vond zij bij
toeval een Catalonisch edelman, segnor Encararch genaamd, die van
zijn schip, dat niet ver vandaar lag, te Alba was afgestapt om zich
aan een fontein te verfrisschen. Zij trad met hem in onderhandeling,
bood zich hem als dienaar aan, ging er scheep en liet zich Sicurano
van Finale noemen. Hier trok hij betere kleeding aan in de liverei van
den edelman en begon dien zoo goed en met zooveel toewijding te dienen,
dat hij zeer in zijn gunst kwam. Niet lang daarna voer die Catalonieër
met een lading naar Alexandrië, bracht eenige pelgrimsvalken aan den
Sultan en bood hem die aan. De Sultan onthaalde hem een paar maal
en nadat hij de manieren van Sicurano gezien had, die hem steeds
bediende en welke hem behaagden, vroeg hij dien van den Catalonieër
over te nemen. Hoewel het dien verdroot, stond hij hem dezen toch af.

Sicurano verwierf in korten tijd niet minder de genade en de liefde
van den Sultan door zijn goede wijze van werken als hij het bij
den Cataloniër had gedaan. Na verloop van tijd gebeurde het, dat
er op zekeren datum van het jaar, bij wijze van kermis, een groote
verzameling moest bijeenkomen van kooplieden zoowel Christenen
als Mahomedanen te Acre, dat onder de heerschappij van den Sultan
stond. Opdat de kooplieden er veilig waren, was de Sultan gewoon er
behalve andere beambten, een van zijn grootwaardigheids-bekleeders heen
te zenden met lieden, die als wacht dienst deden. Toen dat tijdstip
naderde, had hij plan om er Sicurano heen te sturen, die uitstekend
de taal kende en zoo deed hij. Toen Sicurano in Acre kwam als heer en
kapitein van de garde der kooplieden en van den handel en daar goed
en ijverig deed, wat tot den dienst behoorde en allen om zich heen
beschouwde, zag hij er veel Siciliaansche, Pisaansche, Genueesche,
Venetiaansche en andere Italiaansche kooplieden en onderhield zich
met hen gaarne tot herinnering aan zijn land. Toen hij eens onder
andere keeren was gekomen in een winkel van Venetiaansche kooplieden,
zag hij onder meer kostbaarheden een beurs en een gordel, welke hij
wel als de zijnen herkende en was daarover verwonderd, maar zonder
een ander gezicht te trekken, vroeg hij vriendelijk van wie ze waren
en of ze hem die wilden verkoopen. Nu was Ambrogiuolo van Piacenza
hierheen gekomen met veel koopwaar op een Venetiaansch schip,
dat hem behoorde. Hij vernam, dat de kapitein van de garde vroeg
van wie ze waren, kwam naar voren en zei lachend: Heer, het zijn
voorwerpen van mij en ik verkoop ze niet, maar als zij u bevallen,
zal ik ze u gaarne schenken. Sicurano, die hem zag lachen, vermoedde,
dat de koopman door een of ander gebaar hem had herkend, maar toch
hield hij zich goed en zeide: Gij lacht misschien, omdat gij mij als
krijgsman ziet vragen naar zulke vrouwenzaken. Ambrogiuolo zeide:
Neen, daar lach ik niet om, maar ik lach om de manier, waarop ik ze
verkreeg. Sicurano antwoordde hem: Kijk, als God U goed geluk geeft,
en dit geen geheim is, zeg mij dan, hoe gij ze hebt gekregen. Neen,
hernam Ambrogiuolo, dezen werden mij met iets anders geschonken door
een edelvrouw van Genua, mevrouw Ginevra genaamd, echtgenoote van
Bernabo Leomellin, een nacht, dat ik met haar sliep en zij mij vroeg,
of ik ze van haar liefde wilde behouden. Nu lach ik, omdat ik mij de
dwaasheid van Bernabo herinner, die gek genoeg was om vijfduizend
goudguldens tegen duizend te verwedden, dat ik zijn vrouw niet zou
kunnen verleiden naar mijn wil, wat ik deed, zoodat ik de weddenschap
won. Hij, om haar zoo gauw mogelijk te straffen voor het misdrijf,
dat alle vrouwen begaan, keerde van Parijs naar Genua terug, en liet
haar, naar wat ik sinds gehoord heb, dooden. Toen Sicurano dit hoorde,
begreep hij snel wat de reden was van den toorn van Bernabo jegens hem
en begreep volkomen, dat dit de oorzaak was van zijn lijden en hij
besloot in stilte ze hem niet ongestraft te laten houden. Sicurano
deed dus of de geschiedenis hem zeer ter harte ging en verbond zich
listig met hem tot een nauwe vriendschap, zoo, dat toen de jaarmarkt
afgeloopen was, Ambrogiuolo door zijn aanmoediging met hem en met
al wat hij had, zich naar Alexandrië begaf, waar Sicurano voor
hem een winkel liet inrichten en hem daarvoor geld genoeg ter hand
stelde. Deze ziende, dat er groot voordeel voor hem was te behalen,
bleef er gaarne. Sicurano begeerig zijn onschuld te bewijzen aan
Bernabo, rustte niet, eer hij door middel van eenige groote Genueesche
kooplieden, die in Alexandrië waren, nieuwe listen vond om hem te
doen overkomen. Bernabo kwam in armzalige omstandigheden aan en hij
werd heimelijk door een van Sicurano's vrienden ontvangen, tot het
hem tijd scheen zijn plan uit te voeren.

Reeds had Sicurano de historie door Ambrogiuolo aan den Sultan doen
vertellen, die er behagen in schepte. Maar toen hij Bernabo daar zag,
dacht hij, dat uitstel niet goed was, koos het geschikte oogenblik,
en verzocht den Sultan, dat die Ambrogiuolo en Bernabo voor zich
deed verschijnen. Hij zou in tegenwoordigheid van Bernabo, indien
het niet met zachtheid bij Ambrogiuolo kon gebeuren, met gestrengheid
aan den dag brengen, hoe de zaak naar waarheid geschied was, waarop
hij zich betreffende de vrouw van Bernabo beroemde. De Sultan beval,
toen Ambrogiuolo en Bernabo verschenen waren in tegenwoordigheid
van velen, met strengen blik, dat de eerste naar waarheid vertelde,
hoe hij van Bernabo vijfduizend goudguldens had gewonnen. En hier
was Sicurano bij, in welken Ambrogiuolo meer vertrouwen had en die
met een nog boosaardiger gelaat hem met de vreeselijkste folteringen
bedreigde, als hij het niet bekende. Ambrogiuolo dubbel verschrikt
en zeer gedwongen verklaarde, daar hij geen andere straf er voor
verwachtte dan de teruggaaf van de vijfduizend goudguldens en van
de voorwerpen, in tegenwoordigheid van Bernabo en van vele anderen,
duidelijk hoe het feit was gebeurd en verhaalde alles. Toen Ambrogiuolo
gesproken had, zeide Sicurano als uitvoerder van des Sultans bevelen
tot Bernabo gekeerd: En wat deedt gij uw vrouw naar aanleiding van dat
bedrog? Hierop antwoordde Bernabo: Ik, overmand door den toorn over
het verlies van mijn geld en over de blaam en de schande, die ik om
mijn vrouw op mij scheen te hebben geworpen, deed haar door een van
mijn knechts dooden en naar wat die mededeelde, is zij spoedig door
de wolven verslonden.

Toen dat alles in tegenwoordigheid van den Sultan gezegd was en door
hem gehoord en begrepen, zonder dat hij nog inzag, wat Sicurano,
die zelf de vragen gesteld had, er mee voorhad, zeide deze: Heer,
gij kunt wel begrijpen, hoezeer die goede dame zich kan beroemen op
haar minnaar en haar echtgenoot, want de minnaar ontrooft haar de eer
en tegelijk vernietigt hij haar goede naam met bedrog en maakt haar
echtgenoot ongelukkig en de echtgenoot eerder geloovend aan de leugens
van anderen dan aan de waarheid, die een langdurige ervaring hem had
doen kennen, laat haar dooden en verslinden door de wolven. En behalve
dit gaat de liefde zoowel van den minnaar als van den echtgenoot voor
haar zoover, dat, terwijl beide lang met haar leven, geen van beide
haar leert kennen. Maar opdat gij volkomen zult inzien, wat elk van
hen heeft verdiend, waar gij mij de bijzondere gunst wilt toestaan
den bedrieger te straffen en den bedrogene te vergeven, zal ik haar
hier zoowel in Uw tegenwoordigheid als in de hunne doen verschijnen.

De Sultan geneigd om in deze zaak in alles Sicurano ter wille te
zijn, zeide, dat hij het goed vond en dat hij de donna zou doen
komen. Bernabo verwonderde zich hierover zeer, daar hij vast geloofde,
dat zij dood was en Ambrogiuolo, die zijn ongeluk al vermoedde, had
nu vrees voor erger dan alleen zijn geld terug te betalen en wist
niet of hij meer te hopen dan te vreezen had, omdat de donna daar
kwam en verwachtte met groote verwondering haar komst.

Toen de Sultan aan Sicurano dit had toegestaan, wierp die zich weenend
aan de voeten van den vorst, liet tegelijk haar mannenstem varen en
haar mannelijk voorkomen en zeide: Heer, ik ben de ongelukkige Ginevra;
ik heb zes jaar in mansvermomming door de wereld gezworven door dien
verrader van een Ambrogiuolo valsch en oneerlijk beschuldigd en door
dezen wreeden en onrechtvaardigen man aan een knecht overgeleverd om
te worden gedood en om verslonden te worden door de wolven. Zij rukte
haar kleeren vaneen en toonde door haar boezem een vrouw te wezen
en maakte dit aan den Sultan en ieder ander duidelijk en zich toen
tot Ambrogiuolo wendend vroeg zij hem honend of hij ooit, gelijk hij
blufte, met haar had geslapen. Deze herkende haar reeds en als door
schaamte verstomd, zeide hij niets. De Sultan, die haar altijd voor
een man had gehouden was, toen hij dit zag en hoorde, zoo verwonderd,
dat, hoe meer hij er van vernam, hij des te meer geloofde, dat het
eer een droom was dan werkelijkheid.

Maar toch, toen de verbazing ophield en hij de waarheid kende,
prees hij met den grootsten lof het leven, de standvastigheid, het
gedrag en de deugdzaamheid van Ginevra, die tot nu toe Sicurano was
genoemd. Hij liet eerbare vrouwenkleederen voor haar komen en vrouwen,
die haar gezelschap zouden houden op haar verzoek en schold Bernabo de
verdiende doodstraf kwijt. Toen deze haar herkend had wierp hij zich
schreiend aan haar voeten, en vroeg vergiffenis, die zij, hoe weinig
hij het ook waard was, hem welwillend schonk, hief hem op en omhelsde
hem innig als echtgenoot. Daarna beval de Sultan, dat Ambrogiuolo op
een of andere plaats van de stad aan een paal zou worden gebonden en
met honig zou worden ingewreven en er niet van zou worden losgemaakt,
eer hij er van zelf afviel. Dit geschiedde. Daarna gaf hij last, dat,
wat aan Ambrogiuolo behoord had, aan de donna zou worden gegeven,
wat niet zoo weinig was, want het was een geldswaarde van meer dan
tienduizend pistolen. Daarna gaf hij een prachtig feest, waarbij
hij Bernabo als echtgenoot van mevrouw Ginevra en mevrouw Ginevra
als zeer waardige vrouw eerde en schonk ze aan juweelen en gouden
en zilveren vaatwerk en geld nogmaals voor een waarde van meer dan
tienduizend pistolen. Na hem een schip te hebben geleend, gaf hij
hun na het feest verlof, wanneer het hun aanstond, naar Genua terug
te keeren, waar zij zeer rijk en met groote vreugde aankwamen en met
groote eer werden ontvangen vooral mevrouw Ginevra, die door allen
dood gewaand werd en die steeds bekend was geweest om haar groote
eerbaarheid en hare vele deugden. Ambrogiuolo werd denzelfden dag
aan den paal gebonden en met honing ingewreven en tot vreeselijke
straf door muggen, wespen en horzels, waarvan dit land vol is, niet
alleen gedood maar eindelijk tot op het gebeente verslonden. Zijn
gebleekte beenderen, nog slechts samenhangend door pezen, gaven nog
lang, zonder te worden weggenomen, aan iedereen getuigenis van zijn
boosheid. Zoo bleef de bedrieger de slaaf van den bedrogene.



Tiende Vertelling.

    _Paganino van Monaco rooft de vrouw van signor Ricciardo van
    Chinzica. Deze, wetend, waar zij zich bevindt, reist weg,
    wordt de vriend van Paganino en eischt haar weer op. Hij
    staat haar, als zij het wenscht, aan hem af, maar zij wil
    niet met hem terugkeeren en als de heer Ricciardo sterft,
    wordt zij de echtgenoote van Paganino_.


Ieder in het eerzaam gezelschap vond de geschiedenis door hun koningin
verhaald schoon, en vooral Dioneo, die alleen nog dien dag moest
vertellen. Hij zeide, nadat er vele loftuitingen waren uitgesproken:
Schoone donna's. Een deel der geschiedenis van de koningin heeft mij
van besluit doen veranderen om in plaats van de geschiedenis, die ik in
het hoofd had, U een andere te vertellen, dan die over de stompheid van
Bernabo,--wat voor goeds er ook voor hem uit voortkwam--en van allen,
die zich wijs maken, wat zij voor anderen veinzen te gelooven namelijk,
dat, terwijl ze de wereld doortrekken en zich verheugen zoowel met
deze als gene vrouw, op dit uur met die en op dat uur met een andere,
zij zich verbeelden, dat de thuis gebleven echtgenooten de handen
aan den gordel houden, alsof wij niet weten, die met hen geboren en
getogen zijn, wat die begeeren. Wanneer ik U die historie vertel,
zal ik U meteen bewijzen hoedanig de dwaasheid is van degenen, die zoo
denken en hoe die nog grooter is van hen, die zich machtiger geloovend
dan de Natuur, meenen door fabelachtige proefnemingen te vermogen wat
dezen niet kunnen en zich inspannen daartoe aan anderen hun aard te
ontnemen, terwijl het karakter van dezen er niet naar is aangelegd.

Er leefde dan eens te Pisa een rechter, meer geestelijk dan lichamelijk
begaafd, die messire Ricciardo di Chinzica heette [39], welke geloofde
met dezelfde middelen de vrouwen te kunnen voldoen, die hij gebruikte
voor zijn studie en die als zeer rijk man, daarom niet minder zich
beijverde een schoone en jonge vrouw tot echtgenoote te verkrijgen,
hoewel hij het een als het ander had moeten vermijden, indien hij
zich zelf raad had kunnen geven gelijk hij het anderen deed. De heer
Lotto Gualandi [40] gaf hem een zijner dochters tot vrouw, Bartolomea
genaamd, een der mooiste en begeerenswaardigste meisjes van Pisa,
waar er maar heel weinig leven, die niet slimmer als de geschakeerde
hagedissen zijn. Toen de rechter haar met zeer groote vreugde naar zijn
woning had geleid en een schoone en schitterende bruiloft had gevierd,
waagde hij het toch maar een keer gedurende den eersten nacht haar
geheel te bezitten om het huwelijksteest te besluiten en het scheelde
maar weinig of hij had de partij niet kunnen uitspelen. Daarom als
een mager, droog en zwak man moest hij den volgenden morgen goeden
wijn, versterkend voedsel en andere middelen gebruiken om in het
leven terug te keeren. Nu begon die mijnheer de rechter, beter kenner
van zijn krachten dan te voren, aan haar een kalender te verklaren
goed voor kinderen om te leeren lezen en die misschien eertijds
te Ravenna [41] was gemaakt, zoodat, naar wat hij haar aantoonde,
er geen dag was, die niet één of zelfs méér dan een feestdag was,
ter eere van welke hij aantoonde, dat man en vrouw zich moesten
onthouden om verschillende redenen van echtelijke verbindingen,
waarbij nog kwamen de vasten, de quatertempers, en de vigiliën der
apostelen en van duizend andere heiligen, en dan zoowel de Vrijdag
als de Zaterdag en de Zondag, de geheele vasten, zekere maanstanden
en nog vele andere uitzonderingen. Hij dacht misschien, dat hij met de
vrouwen kon doen wat hij dikwijls deed bij het bepleiten van een zaak.

Hij hield zich lang aan die gewoonte (niet zonder groote droefheid van
de donna, van wie hij ternauwernood eens in de maand genoot), terwijl
hij wel oppaste, dat een ander haar de werkdagen niet leerde gelijk
hij haar de rustdagen had onderwezen. Toen het eens zeer warm was,
kreeg messire Ricciardo lust om zich te gaan verpoozen op een mooie
villa van hem, dicht bij Monte Nero, en daar eenigen tijd te blijven
om met zijn schoone donna de buitenlucht te genieten. Terwijl hij daar
verblijf hield, wilde hij, om haar eenig genoegen te verschaffen,
haar eens laten visschen en in twee booten, waarvan hij in een was
met de visschers en zij in een andere met andere donna's, gingen
zij toekijken. Het genoegen sleepte ze voort, zoodat ze zonder het
te merken, verscheidene mijlen ver in zee dreven. Ze bleven daar
aandachtiger toezien, tot opeens een galei opdaagde van Paganino Da
Mare [42], een beroemd zeeroover uit dien tijd, welke, toen deze de
booten had bespeurd, zich daarheen richtte. Dezen konden zoo spoedig
niet vluchten als Paganino die bereikte, waarin de vrouwen waren. Toen
hij daarin de schoone donna zag, begeerde hij niets anders meer en
bracht haar op zijn schip over onder de oogen van messire Ricciardo,
die al op het land was en ging weer heen.

Messire de rechter, die jaloersch was en bang als een haas, was--wat
men niet behoeft te vragen--treurig. Zonder gevolg beklaagde hij
zich zoowel te Pisa als elders over de boosheid der zeeroovers. En
hij wist niet, wie hem zijn vrouw had ontroofd of waar zij heen was
gevoerd. Paganino vond haar zeer mooi; zij stond hem aan en daar hij
geen vrouw had, wilde hij die altijd bij zich houden en zij, die eerst
zeer schreide, begon zoetjes aan te bedaren. Toen de nacht aanbrak,
viel de kalender uit haar gordel; al de feest- en rustdagen gingen
haar uit het geheugen en hij begon haar met daden te troosten, omdat
woorden hem dien dag weinig schenen te hebben geholpen. En hij verdreef
haar smart zoo, dat zij, zoodra zij te Monaco waren aangekomen, den
rechter en zijn wetten vergat en zij op de aangenaamste manier ter
wereld met Paganino leefde. Nadat deze haar naar Monaco gebracht had,
leefde hij, behalve dat hij haar dag en nacht troostte, met haar eervol
als zijn echtgenoote. Toen het op zekeren dag messire Ricciardo ter
ooren gekomen was, waar zijn vrouw zich bevond, overlegde, dat hij
nooit beter doen kon dan naar haar toe gaan en met brandend verlangen
besloot hij daartoe over te gaan, bereid elke som gelds te geven om
haar terug te krijgen. Hij ging scheep, begaf zich naar Monaco en zag
daar haar en zij ook hem. Zij vertelde het 's avonds aan Paganino en
onderrichtte dien van zijn plan. Den volgenden morgen zag messire
Ricciardo Paganino, sprak hem aan en toonde hem in korten tijd een
groote welwillendheid en vriendschap, terwijl Paganino veinsde hem
niet te kennen en afwachtte, wat hij zou willen doen. Toen het messire
Ricciardo den tijd scheen naar zijn beste weten en het meest geschikt,
bekende hij hem de reden, waarom hij was gekomen en verzocht hem,
dat hij zou eischen wat hem beviel, maar dat hij de donna terug
gaf. Hierop antwoordde Paganino met een leuk gezicht: Messire, gij
zijt welkom en om U in het kort te antwoorden, zal ik U dit zeggen:
het is waar, dat ik een jonge vrouw in huis heb, waarvan ik niet weet
of ze van U of van een ander is, omdat ik noch U ken noch haar dan voor
zoover zij korten tijd bij mij heeft gewoond. Indien gij haar man zijt,
gelijk gij zegt, zal ik, omdat gij mij een beminnelijk edelman schijnt,
U bij haar brengen en ik ben er zeker van, dat zij, indien zij U goed
kent en hetgeen gij zegt, waar is, met U wil meegaan, terwille van
Uw beminnelijkheid, en dat gij mij als schadevergoeding wilt geven,
wat gij zelf wilt. Mocht het niet zoo zijn, dan zoudt gij mij een
schurkenstreek leveren door haar mij te ontnemen, daar ik een jonge
man ben, die als ieder ander een vrouw kan bezitten en vooral deze,
die de liefste is, welke ik ooit heb gezien. Daarop hernam messire
Ricciardo: Zij is wel degelijk mijn vrouw en als gij mij brengt, waar
zij is, zult gij het zien; zij zal mij dadelijk om den hals vallen
en daarom vraag ik niet anders dan dat dit gebeurt, gelijk gij het
zelf hebt voorgesteld. Laat ons dan gaan, zeide Paganino. Zij gingen
dus naar het huis van Paganino en wachtend in een zijner zalen, liet
Paganino haar roepen en zij gekleed en getooid kwam uit haar kamer
en ging daarheen, waar messire Ricciardo met Paganino zich bevond,
maar sprak dien niet anders toe dan zij een anderen vreemde zou hebben
gedaan, die in Paganino's huis zou zijn gekomen. Toen de rechter dit
zag, die verwacht had, dat hij door haar met de grootste vreugde zou
zijn ontvangen, verwonderde hij zich zeer en begon tot zich zelf te
zeggen: Misschien hebben de neerslachtigheid en de langdurige smart,
die ik heb doorstaan sinds ik haar verloor, mij zoo verouderd, dat zij
mij niet herkent. Daarom zeide hij: Vrouw, het heeft mij duur gekost U
ter vischvangst te hebben geleid, omdat ik nooit een smart heb gevoeld
gelijk aan die ik heb verduurd, sinds ik U verloor en het schijnt,
dat gij mij niet herkent, zoo koel ontvangt gij mij. Ziet gij niet,
dat ik uw messire Ricciardo ben, hier gekomen om te betalen, wat deze
edele heer wil en in wiens huis wij zijn, om U terug te hebben en U van
hier te voeren; hij wil zoo goed wel zijn, omdat ik het wil, U aan mij
terug te geven! De dame keerde zich tot hem en zeide met een lichte
glimlach: Messire, spreekt U tot mij! Pas op, dat gij mij niet voor
een ander houdt, daar ik, wat mij betreft, mij niet herinner U ooit
te hebben gezien. Messire Ricciardo antwoordde: Let op wat gij zegt;
zie mij goed aan, indien gij 't U wel zult willen herinneren, zult
gij wel zien, dat ik Uw Ricciardo van Chinzica ben. De donna zeide:
Mijnheer, gij zult mij vergeven, misschien omdat het niet eerbaar
voor mij is, gelijk gij denkt, om U lang aan te zien, maar ik heb U
niettemin zoo goed beschouwd, dat ik wel weet U nooit te hebben gezien.

Messire Ricciardo verbeeldde zich, dat zij zoo deed uit vrees voor
Paganino om niet in diens tegenwoordigheid te bekennen, dat zij hem
kende, daarom vroeg hij na eenige oogenblikken als gunst van Paganino,
dat hij haar alleen een oogenblik in de kamer mocht spreken. Paganino
zeide, dat het hem beviel, op voorwaarde, dat hij haar niet tegen
haar wil zou kussen en hij beval aan de donna, dat zij met hem in een
kamer zou gaan aanhooren, wat hij haar wilde zeggen en antwoorden,
wat zij verkoos. De donna en messire Ricciardo gingen dus alleen in
een kamer en toen zij gezeten waren, zeide Ricciardo: Kijk, hart van
mijn lichaam, mijn zoete ziel, mijn hoop, herkent gij uw Ricciardo
niet, die u meer bemint dan zichzelf? Hoe kan dat zoo zijn? Ben ik
zoo veranderd? Kijk, mijn mooi-oogje, beschouw mij nog een weinig. De
donna begon te lachen en zonder hem te laten uitspreken, zeide zij:
Gij weet wel, dat ik niet zoo kort van geheugen ben. Ik weet wel, dat
gij messire Ricciardo van Chinzica zijt, mijn echtgenoot, maar gij,
terwijl ik met u was, hebt getoond mij al zeer slecht te kennen, want
als gij wijs waart geweest of zijt, waarvoor gij wilt gehouden worden,
hadt gij wel zooveel besef gehad, dat gij hadt moeten begrijpen,
dat ik jong en frisch en ondeugend was en bijgevolg moeten weten,
wat voor jonge vrouwen behalve gekleed worden en eten, al schamen zij
zich het te zeggen, vereischt wordt; hoe gij dat deed, weet gij. En
als de studie der wetten u liever is dan de vrouw, hadt gij haar niet
moeten nemen, hoewel het aan mij nooit scheen, dat gij een rechter
waart, maar veeleer een stadsomroeper van heilige dagen en feesten,
zoo goed kende gij die evenals de vastendagen en de vigiliëen. En
ik zeg u, dat, indien gij zooveel feestdagen hadt laten vieren door
de boeren, die uw velden bearbeiden, als gij aan hem hebt laten doen,
die mijn klein veld had te bewerken, gij geen korrel graan zoudt hebben
geoogst. Ik heb hem getroffen, welken God, die welwillend mijn jeugd
behoedde, heeft uitgekozen en met wien ik deze kamer bewoon, waarin
geen sprake is van zulke feestdagen (ik meen van zulke feesten als
gij, meer devoot voor God dan voor vrouwenvereering, zoo dikwijls hebt
gevierd,) en nooit komt door dezen uitgang de Zaterdag of de Vrijdag
of de vigiliëen of de quatertempers of de vastentijd, die zoo lang is,
maar dag en nacht wordt hier gewerkt en het linnen geslagen en van af,
dat dien nacht de vroegmetten klonken, weet ik wel, hoe het bovendien
van af den eersten keer gaat. En daarom wil ik bij hem blijven en
werken zoolang ik jong ben. En de feesten, de boetedagen en de vasten
zullen wij dienen, wanneer ik oud zal zijn. En maakt jij op goed geluk,
zoo gauw je kunt, dat je weg komt en doe zonder mij, wat je bevalt.

Toen messire Ricciardo die woorden hoorde, ondervond hij een onduldbare
smart en zeide, toen hij haar zag zwijgen: Kijk, mijn zoete ziel,
wat spreekt gij daar voor taal! Let gij dan niet op de eer van uw
ouders en de uwe? Wilt gij liever hier blijven als bijzit van deze
en in doodzonde dan te Pisa als mijn vrouw? Hij zal u, zoodra gij hem
zult vervelen, met groote schande door uw eigen schuld wegjagen; ik zal
u altijd liefhebben en altijd zelfs als ik het niet zou willen, zult
gij mijn huisvrouw zijn. Moet gij voor die bandelooze en schandelijke
begeerte uw eer achter stellen en die van mij, die u meer bemin dan
mijn leven? Kom, mijn schat, spreek zoo niet meer, maar ga met mij
mee; van af heden, nu ik uw verlangen ken, zal ik mijn best doen dit
te bevredigen en daarom, mijn zoetelief, verander Uw besluit en ga
met mij mee, want ik heb mij nooit wel gevoeld, sinds gij mij zijt
ontnomen. Hierop antwoordde de donna: Wat mijn eer betreft wil ik,
dat, nu er niets aan te doen is, niemand anders dan ik er zorg voor
draagt; jammer, dat mijn ouders er zich niet om bekommerd hebben,
toen zij mij aan U afstonden. Maar daar ze op de mijne niet gelet
hebben, ben ik nu niet van plan op de hunne acht te slaan. En als ik
nu zondig met een vijzel, zal ik hier nog liever blijven, wanneer
ik er zondig met een stamper er bij; geeft gij daarom niet meer om
mij. Dit zeg ik U: hier--schijnt het mij--ben ik de vrouw van Paganino,
terwijl het mij scheen, dat ik te Pisa Uw bijzit was, daar ik dacht,
dat slechts door de standen van de maan en meetkundige berekeningen
de planeten tusschen U en mij samen kwamen, terwijl hier Paganino mij
den ganschen nacht in de armen sluit en mij omhelst en innig kust en
hoe hij met mij omgaat, mag God U in mijn plaats zeggen. Gij belooft
ook, dat gij Uw best zult doen. Met wat dan? Door het in drieën te
doen en door je zelf er met stokslagen toe te drijven? Ik zie, dat
gij een dappere held zijt geworden, sinds ik van U af ben. Ga heen en
tracht te leven, hoewel het mij eerder schijnt, dat gij op deze wereld
slechts als huurder van je leven en niet als eigenaar er van bestaat,
zoo aamborstig en uitgemergeld ziet gij er uit. En dit zeg ik U nog
bovendien: dat, als hij mij in den steek zou laten--wat hij mij niet
van zins schijnt, zoolang ik bij hem wil blijven--, ik niet van plan
ben bij U terug te keeren, want als men je heelemaal zou uitpersen
als de druiven, zou je nog geen schoteltje vocht opleveren. Daar
ik tot mijn groote schade en teleurstelling eens bij U geweest ben,
zal ik mijn voordeel dan elders zoeken. En hierom zeg ik U nogmaals,
dat er hier geen feesten zijn noch vigilieën; daarom wil ik hier ook
blijven en gaat gij dus maar heen met God, anders zal ik schreeuwen,
dat gij mij geweld wilt aandoen.

De heer Ricciardo zag zich in een kwaad parket en erkende nu de
dwaasheid, een jonge vrouw te hebben genomen, ging treurig en
neergeslagen de kamer uit en zei nog veel tot Paganino, wat hem
voor niets hielp. Ten slotte zonder iets te hebben uitgericht, en de
donna te hebben achtergelaten, ging hij naar Pisa terug en verviel
door smart tot zulk een stompzinnigheid, dat hij, wanneer hij door
die stad liep, aan ieder, die hem groette of hem iets vroeg, niets
anders antwoordde dan: de gemeene dief verlangt geen rustdag en
kort daarop stierf hij. Daar Paganino de liefde wist en kende, die
de donna hem toedroeg, nam hij haar tot echtgenoote en zonder ooit
feesten of vigilieën of vasten te houden, hielden zij elkaar bezig zoo
veel ze konden en besteedden goed hun tijd. Daarom schijnt het mij,
lieve donna's, dat de heer Bernabo in twist met Ambrogiuolo de zaken
averechts behandeld heeft.

Die geschiedenis liet het heele gezelschap zoo lachen, dat er geen een
was, wien er de kaken niet pijn van deden en eenstemmig wisten al de
donna's, dat Dioneo de waarheid had gezegd en dat Bernabo een domoor
was geweest. Maar toen de historie uit was en het lachen ophield,
zag de koningin, dat het al laat was. Daar allen gesproken hadden en
het einde van haar heerschappij was gekomen volgens den ingestelden
regel, nam zij den krans van het hoofd, plaatste dien op het kopje
van Neifile met blij gelaat en sprak: Voortaan, waarde gezellin,
zal aan u de regeering zijn over dit kleine volk en zij ging zitten
om te rusten. Neifile bloosde door de ontvangen hulde een weinig
en op haar gelaat verscheen de rozige gloed van April of Mei, die
zich toont bij den dageraad en de schoone oogen schitterend als de
morgenster hield ze een weinig neergeslagen. Maar toen het jolige
rumoer van de aanwezigen, waarmee zij vroolijk hun gezindheid jegens
de koningin betuigden, ophield, kreeg zij weer moed, zette zich wat
hooger dan gewoonlijk, en zeide:

Daar ik uw koningin ben en niet wil afwijken van de orde gevolgd
door hen, die voor mij geweest zijn en waarvan gij door uwe
gehoorzaamheid het gezag hebt goedgekeurd, zal ik u in weinig woorden
mijn meening doen kennen en als die met u raad is goedgevonden,
zullen wij die nakomen. Gelijk gij weet, is het morgen Vrijdag
en overmorgen Zaterdag, vervelende dagen voor de meeste menschen,
wegens de spijzen, die men dan pleegt te eten, zonder te rekenen,
dat de Vrijdag onze eerbied waard is, omdat het de dag is, waarop Hij
stierf, die voor ons leed. Daarom denk ik is het juist en geschikt tot
Gods eere, dat wij ons dien dag eer met gebeden dan met vertellingen
bezighouden. Bovendien hebben de dames op Zaterdag de gewoonte zich het
hoofd te wasschen en zich van het stof te ontdoen en van de onreinheid,
die zij hebben opgedaan door hun bezigheden in de afgeloopen week. Zij
hebben insgelijks de gewoonte te vasten ter eere van de Moedermaagd
van Gods Zoon en den geheelen volgenden Zondag geenerlei arbeid te
verrichten. Daar wij dien dag onzen leefregel niet geheel kunnen
volgen, acht ik het voegzamer ons dien dag van het verhalen van
histories te onthouden. Daarna, omdat wij hier vier dagen gebleven
zijn, geloof ik, indien wij willen vermijden, dat nieuwe gasten
komen, dat het goed zal zijn van plaats te veranderen en elders heen
te gaan en ik heb al bedacht en voorzien, waarheen wij ons zullen
begeven. Wanneer wij ons dus op die nieuwe plaats zullen vereenigd
hebben op Zondag na de siësta--daar wij heden genoeg gelegenheid
gehad hebben om te spreken en van gedachten te wisselen--vermeen
ik, zoowel omdat gij meer tijd zult hebben om na te denken als
omdat het nog mooier zal zijn een weinig de ongebondenheid van de
geschiedenissen te beperken, dat men zal moeten spreken _van hen, die
door hun ijver gekregen hebben, wat zij lang hadden begeerd, of die
hebben weergevonden, wat zij hadden verloren_. Dat hierover elkeen
nadenke om iets te zeggen wat nuttig of althans aangenaam kan zijn
voor het gezelschap, terwijl het voorrecht van Dioneo behouden blijft.

Ieder prees de taal der koningin en de door haar voorgestelde orde
en zij beslisten, dat het zoo zou wezen. Nadat de koningin haar
hofmeester had laten komen, wees zij hem nauwkeurig aan, waar hij 's
avonds de tafels moest zetten en wat hij daarna moest doen gedurende
den geheelen tijd van haar bewind. Toen dit gedaan was, stond zij met
het gansche gezelschap op en gaf aan ieder verlof te doen, wat hem het
meest beviel. De dames en heeren begaven zich dientengevolge naar een
kleinen tuin, en daar, nadat zij een weinig hadden gewandeld, hielden
zij op het aangewezen uur het avondmaal met vreugd en genoegen. Nadat
zij hiervan waren opgestaan, leidde, naar het de koningin behaagde,
Emilia den dans en werd het volgende lied gezongen, waarop de ander
antwoordde:



    Welke donna zal zingen, als ik het niet doe,
    Die voldaan ben in al mijn begeerten!



    Kom dan, Amor, oorzaak van al mijn vreugde
    Van al mijn hoop, van al mijn blij geluk;
    Laat ons samen wat zingen
    Niet van zuchten, noch van bittere pijnen,
    Die mij thans Uw vreugde zoeter maken
    Maar alleen van het heldere vuur,
    Waarvan ik brandend in blijdschap leef en mij verheug
    U aanbiddend als mijn god.



    Gij hebt mij voor de oogen gesteld, o Amor,
    Den eersten dag, dat Uw vuur in mij gloeide
    Zulk een jongeling,
    Dat er aan schoonheid, aan hartstocht noch moed
    Ooit een betere zal zijn te vinden
    Noch aan hem gelijk.
    Ik ben zoo voor hem ontvlamd, dat ik
    Blij met U zing, o mijn heer.



    En wat mij hierin het meest verheugt,
    Is, dat ik hem evenveel behaag als hij mij,
    Dank zij U, Amor.
    Ik hoop in deze wereld mijn verlangen
    Te bevredigen en in de andere vrede te vinden
    Door het volkomen vertrouwen,
    Dat ik hem toedroeg. God, die dit ziet,
    Zal er zich in zijn hemelrijk nog over erbarmen.


Hierna zong men er nog vele anderen, deed men nog verscheidene dansen
en bespeelde men verschillende instrumenten. Maar toen de koningin het
tijd achtte om te gaan rusten, ging elk, voorafgegaan door toortsen,
naar zijn kamer en de twee volgende dagen vrij van de taak, waarvan
de koningin had gesproken, verwachtten zij met verlangen den Zondag.



Derde Dag.

    _De tweede dag van de Decamerone_ eindigt; de derde vangt aan,
    waarop men spreekt onder het bewind van Neifile van degenen,
    die een zaak, door hen zeer verlangd, weten te verkrijgen of
    een verlorene weten te herwinnen.


Reeds begon de dageraad bij het naderen van de zon van rozenrood oranje
    te worden, toen de koningin op Zondag opgestaan, haar heele
    gezelschap deed oprijzen. Reeds had de hofmeester een groote
    hoeveelheid der benoodigdheden vooruit gezonden naar de plaats,
    waar zij moesten heengaan en de bedienden, die er moesten
    gereed maken, wat men gebruiken zou, toen hij de koningin op
    weg zag en er al het andere haastig heen liet dragen, nu men
    het verblijf daar had opgeheven en er met de bagage heentoog
    gezamenlijk met het dienstpersoneel achter de donna's en de
    heeren. De koningin met langzamen tred vergezeld en gevolgd
    door haar donna's en de drie jongelingen en begeleid door
    den zang van misschien twintig nachtegalen en andere vogels,
    ging door een niet te veel gebruikt pad, maar vol groene
    kruiden en bloemen, welke zich bij het opgaan der zon allen
    begonnen te openen, nam den weg naar het westen en sprekend,
    schertsend en lachend met haar gezelschap, zonder meer dan
    tweeduizend schreden te hebben gedaan, leidde zij dat ruim,
    voor de zon anderhalf uur op was, [43] naar een zeer schoon en
    rijk verblijf, dat een weinig verheven uit de vlakte op een
    heuvel stond. Toen zij daar binnen waren getreden en overal
    rond waren gegaan, roemden zij het daar het een groote zaal
    had en geboende en versierde kamers, die vol waren van al wat
    in een vertrek noodig is, hoogelijk en beschouwden den bezitter
    als een groot heer. Toen zij naar beneden gegaan de zeer ruime
    en vroolijke binnenplaats er van hadden gezien, de gewelven
    vol van de beste wijnen en het zeer frissche water, dat er
    in groote massa opwelde, prezen zij het nog meer. Vervolgens
    verlangend een weinig te rusten, gingen zij op een galerij
    zitten, die den ganschen hof beheerschte en geheel gevuld
    was met bloemen, welke de tijd opleverde en met groen. Toen
    kwam de bescheiden hofmeester en ontving en versterkte hen
    met heerlijke meelspijzen en uitstekende wijnen. Hierna
    lieten zij zich een tuin openen naast het paleis, die rondom
    ommuurd was en waar zij binnen traden en daar die hen bij de
    eerste binnenkomst allen van een wonderbare schoonheid scheen,
    begonnen zij aandachtiger alle deelen er van te beschouwen. De
    tuin had rondom en in het midden vrij breede paden, allen
    recht als pijlen en bedekt met houtwerk voor wingerdranken,
    welke een grootschen aanblik vertoonden van veel druiven voor
    dat jaar. En de bloemen verspreidden door den tuin zulk een
    sterken geur, vermengd met die van vele andere planten, die
    in deze gaarde welriekendheid verbreidden, dat het hen toe
    scheen of zij zich daardoor bevonden tusschen alle specerijen,
    die ooit in het Oosten groeiden. De zoomen van die paden waren
    allen vol van witte en roode rozen en van jasmijnbloemen,
    zoodat men niet alleen in den morgen, maar wanneer de zon
    hooger was in geurige en aangename schaduw zonder door deze
    gehinderd te worden, overal kon rondgaan. Het zou lang duren
    om te vertellen hoeveel en hoedanige planten er waren en hoe
    men ze had gerangschikt; maar geen is er prijzenswaardig,
    welke ons klimaat verdraagt, van welke daar geen overvloed
    was. In het midden daarvan (wat niet minder maar nog meer
    prijzenswaardig is dan de voorafgaande dingen) was een weide
    met zeer kort gras en zoo groen, dat het haast zwart leek,
    geheel bezaaid met wel duizend soorten bloemen, rondom omsloten
    van zeer groene en krachtige oranjeboomen en ceders, die rijpe
    vruchten droegen en ook onrijpe en nog bloemen en die niet
    alleen heerlijke schaduw gaven voor de oogen maar ook den reuk
    streelden. In het midden van den tuin was een fontein van het
    blankste marmer en met wonderbaar beeldhouwwerk. Daar binnen
    wierp die--ik weet niet of het door een kunstmatige of een
    natuurlijke ader was--door een beeld heen, dat op een zuil
    in het midden daarvan overeind stond, zooveel water en zoo
    hoog ten hemel, dat het steeds met heerlijk gedruisch in den
    helderen spiegel terugviel en er zelfs minder van noodig zou
    zijn om een molen mee te bewegen. Dit water--dat de fontein
    deed overstroomen, als die vol was--verdween langs geheimen
    weg van de weide en ging door zeer schoone en kunstig gemaakte
    kanaaltjes. Eenmaal daarbuiten, in het daglicht gekomen,
    omringde het dien geheel en het liep vandaar in dezen door
    elk deel van den tuin heen en verzamelde zich eindelijk
    op een plek, waar de mooie tuin zijn uitgang had en daar
    stroomde het helder naar de vlakte neer, waar het, voor het
    daar neerstortte, met zeer groote kracht en tot niet weinig
    nut voor den heer twee molens deed draaien. Het gezicht van
    dien tuin, zijn schoone orde, de planten en de fontein met
    de kleine beken, die er uit neervloeiden, behaagde zoo aan
    elke donna en aan de drie jongelingen, dat alle begonnen te
    beweren, dat, indien er op aarde een Paradijs te maken was, zij
    geen andere gedaante er voor wisten te vinden, dan deze tuin
    geven kon, en dat zij ook niet dachten, dat zij buiten dezen
    een dergelijke schoonheid zouden aantreffen. Terwijl zij er
    zeer vergenoegd rondgingen en zich van verschillende bladeren
    zeer schoone kransen maakten, hoorden zij van alle kanten
    op wel twintig manieren vogels, die als om strijd zongen,
    en bespeurden zij een bekoorlijke schoonheid, welke zij,
verrast door de andere, nog niet hadden opgemerkt. Zij zagen namelijk
den tuin vol van wel honderd soorten schoone dieren, die zij elkaar
aanwezen. Van den eenen kant kwamen konijnen te voorschijn, van de
anderen liepen hazen voorbij; daar zagen zij geiten liggen en ginds
jonge herten weiden. Bovendien gingen er verscheidene onschadelijke
beesten gelijk huisdieren heen en weer. Al die dingen schonken hun
na de andere bekoringen een nog veel grooter genoegen. Toen zij het
een en het ander voldoende gezien hadden en naar hun verlangen hadden
gewandeld, lieten zij rondom de schoone fontein de tafels zetten en
nadat zij hier eerst zes liederen hadden gezongen en eenige dansen
hadden gedaan, naar het de koningin beviel, begonnen zij te eten en
werden zij in de grootste en schoonste en rustigste orde bediend. Door
de goede en heerlijke spijzen vroolijker geworden stonden zij op en
gaven zich weer over aan muziek, zang en dans, tot het de koningin
bij de opkomende hitte tijd scheen, om aan wien het behaagde, te
gaan slapen. Dezen gingen er toe over, genen door de schoonheid van
dit oord overmeesterd, wilden niet heengaan maar bleven daar de een
bezig was met het lezen van romans, de ander met schaakspelen of met
dammen, terwijl de anderen siësta hielden. Maar toen de noen voorbij
was, stond men op, waschte het hoofd met frisch water en kwam men op
de weide, gelijk het de koningin behaagde, bijeen. Nadat men zich
aldaar volgens gewoonte had neergezet, wachtte men het oogenblik
af om geschiedenissen te gaan vertellen over het onderwerp door de
koningin voorgesteld. De eerste onder hen, aan wien de koningin dien
last opdroeg was Filostrato, die aldus begon:



Eerste Vertelling.

    _Masetto van Lamporecchio laat zich voor een doofstomme
    doorgaan, wordt tuinman van een nonnenklooster en allen
    eindigen met met hem te slapen._ [44]


Zeer schoone donna's. Er zijn heel wat mannen en vrouwen, die, dwaas
genoeg gelooven, dat, als aan een jong meisje de witte kap op het
hoofd is geplaatst en om haar lichaam de zwarte rok is gehangen, zij
dan geen vrouw meer is en niet meer de vrouwelijke begeerten gevoelt,
alsof door haar tot non te maken, men haar in steen veranderde. En
als zij misschien iets hooren tegen hun geloof, worden zij zoo kwaad,
dat het is of er een zeer groote en schelmsche misdaad tegen de Natuur
is bedreven, en ze bedenken niet, en willen er ook niet op letten,
dat zij zich zelf niet kunnen bevredigen, hoewel zij volle vrijheid
hebben en evenmin op den grooten invloed van het niets doen en van
de eenzaamheid. Zoo zijn er ook genoeg, die al te licht gelooven,
dat het houweel, de spade, het slechte voedsel en de vermoeienissen
geheel aan de landbouwers den lust tot den bijslaap ontnemen en
hun verstand en oordeel zeer verstompen. Maar hoe bedriegen zich al
diegenen, welke dit gelooven. Het behaagt mij, omdat de koningin het
mij gelast, en omdat het niet van het door haar voorgestelde afwijkt,
u dit duidelijk te maken met een kleine historie. In onze streek was
en is nog een nonnenklooster genoegzaam bekend wegens zijn heiligheid
(wat ik niet zal noemen om in geenen deele zijn roem te verminderen),
waarin niet lang geleden, daar er niet meer dan acht vrouwen waren
met een abdis en allen jong, een goed manneke was, gaardenier van hun
zeer schoonen tuin, die niet tevreden met zijn loon, zijn rekening
vereffende met den beheerder der donna's en naar Lamporecchio, waar hij
woonde, terug ging. Hier, onder de anderen, die hem blijde ontvingen,
was een jonge, sterke en forsche boer en voor een dorper was hij een
knappe kerel, die Masetto heette. Hij vroeg hem, hoe lang hij daar was
geweest. De goede man, Nuto genaamd, vertelde het hem. Masetto vroeg
hem, wat hij in het klooster uitvoerde. Nuto antwoordde: Ik bewerkte
den mooien en grooten tuin en bovendien ging ik soms naar het bosch
om hout te halen, putte water en verrichtte meer zulke diensten;
maar de donna's gaven mij zoo weinig loon, dat ik er ternauwernood
mijn schoenen van betalen kon. Bovendien zijn ze allen jong en het
schijnt mij, dat zij den duivel in het lijf hebben, omdat men ze
niets naar den zin kan maken; integendeel, wanneer ik op een keer
in den tuin werkte, zei de een: Breng dat hier en de ander: Breng
dat daar; en een ander nam mij de spade uit de handen en zeide: Dat
is niet goed. En zij gaven mij zooveel last, dat ik het werk er bij
neer legde en uit den tuin wegging, zoodat ik zoowel door het een als
het ander er niet langer wilde blijven en er vandaan ben gegaan. De
beheerder vroeg mij, toen ik vertrok, of ik, als ik iemand wist,
die dat werk kon doen, hem dien zou sturen en dat beloofde ik hem,
maar God make hem sterk van ribben, als ik er iemand heenzend of ik
stuur er niemand naar toe. Bij Masetto kwam, toen hij de woorden van
Nuto hoorde zulk een groote begeerte op om bij die nonnen te wezen,
dat hij er geheel van brandde en begreep door de woorden van Nuto,
dat hij door hem moest bereiken, wat hij verlangde. Maar hij overlegde,
dat hij niet zou slagen, als hij er Nuto niet van sprak, en zeide: Wel,
daar hebt gij goed aan gedaan om hier te komen! Hoe kan een man bij
vrouwen blijven. Hij zou beter met duivels kunnen samen zijn. Van de
zeven keer weten ze zes maal niet, wat ze zelf willen. Maar toen hun
gesprek ophield, begon Masetto er over te denken zich een middel te
verschaffen om bij hen te kunnen zijn en daar hij wist, dat hij wel
de diensten kon bewijzen, waarvan Nuto sprak, was hij er niet bang
voor daarom niet te worden aangenomen, maar hij vreesde niet te worden
ontvangen, omdat hij te jong en van te goed voorkomen was. Daarom na
vele dingen in zich zelf te hebben overpeinsd, dacht hij: De plaats
is hier vrij ver vandaan en niemand kent mij daar; indien ik net zal
doen of ik stom ben, zal ik zeker welkom zijn.

En aan die list zich houdend, begaf hij zich met zijn bijl op den nek
zonder aan iemand te zeggen, waar hij heen ging, naar het klooster als
een arm man. Daar aangekomen trad hij binnen en vond bij toeval den
beheerder in den hof. Tegenover hem maakte hij gebaren als een stomme
en zette hem zoo uiteen, dat hij om eten vroeg uit barmhartigheid en
dat hij, als het noodig was, hout voor hem zou kloven. De beheerder
gaf hem gaarne te eten en gaf hem daarna zekere stammen, die Nuto
niet had kunnen kloven, welke hij, die heel sterk was in korten tijd
geheel had klein gehakt. De opzichter, die naar het bosch moest gaan,
nam hem met zich mede en liet hem daar hout hakken; toen, nadat hij
den ezel voor hem had gezet, beduidde hij hem door teekens, die naar
zijn stal te brengen. Dat deed hij heel goed, en omdat de opzichter
hem verschillende dingen wou laten verrichten, die hem te pas kwamen,
hield hij hem nog verscheidene dagen. Aldus zag hem de abdis en vroeg
aan den opzichter wie hij was. Hij zeide: Madonna, het is een arme,
stomme man, die hier op een goeden dag om een aalmoes kwam, zoo dat
ik hem goed heb gedaan en ik hem wat dingen heb laten verrichten, die
noodig waren. Als hij den tuin kan bewerken en hier wil blijven, geloof
ik, dat wij goeden dienst van hem kunnen hebben, omdat hij hier noodig
is. Hij is sterk en men kan hem laten doen, wat verlangd wordt en
bovendien gij behoeft niet te denken, dat hij tot Uw jonge nonnen zal
spreken. Hierop antwoordde de abdis: Bij mijn geloof in God, ge spreekt
juist. Onderzoek of hij kan werken en beproef hem hier te houden;
geef hem een paar schoenen, een oude pij, spreek hem vriendelijk toe,
verzorg hem en geef hem goed te eten. De opzichter zeide, dat hij het
zou doen. Masetto was niet ver af, maar deed of hij den hof schoon
veegde, terwiji hij dit alles hoorde en zeide verheugd tot zich zelf:
Indien je mij daar binnen brengt, zal ik den tuin voor je bewerken,
zooals het nog nooit gebeurd is. Toen nu de opzichter gezien had,
dat hij heel goed kon arbeiden, en hem door teekens had gevraagd of
hij daar wou blijven en deze aldus had geantwoord, dat hij zou doen,
wat de ander verlangde, nam hij hem aan, gelastte hem den tuin te
onderhouden, gaf hem nog meer in het klooster te doen en liet hem
toen alleen. Terwijl hij het eene na het andere deed, begonnen de
nonnen het hem lastig te maken en hem te bespotten gelijk anderen
dikwijls doofstommen doen en ze voegden hem de gemeenste woorden
toe, daar zij geloofden, dat hij het niet verstond. En de abdis, die
misschien dacht, dat hij evenzeer zonder bloed als zonder woord was,
bekommerde zich daar weinig om. Nu gebeurde het op een goeden dag,
dat hij na hard gewerkt te hebben uitrustte en dat twee jonge nonnen,
die door den tuin gingen, naderden, waar hij lag en welke hem,
die deed of hij sliep, begonnen te bekijken. Daardoor zei er een,
die brutaler was dan de andere: Als ik mag gelooven, dat gij het
geheim houdt, had ik u meermalen al een gedachte toevertrouwd, die
u ook misschien genoegen zou doen. De ander antwoordde: Zeg het maar
gerust aan mij, die het zeker nooit aan een ander zal vertellen. Toen
begon de stoutmoedige: Ik weet niet of gij er over hebt nagedacht,
hoe wij opgesloten zijn en dat nooit een man hier durft binnen treden
dan alleen die opzichter, die oud is en die doofstomme, en ik heb
dikwijls door vele vrouwen, die tot ons kwamen, hooren zeggen, dat
alle andere genietingen der wereld kinderspel zijn bij die, welke
de vrouw bij den man heeft. Daarom heb ik mij dikwijls voorgenomen,
omdat ik het met anderen niet kan, met dezen doofstomme te beproeven,
of dat zoo is. Hij is er de geschikste ter wereld voor, want al zou
hij het willen, hij zou het niet weten of kunnen over vertellen. Gij
ziet, dat het een jonge dwaas is veeleer sterk dan verstandig;
ik zou graag willen hooren, hoe u dat lijkt. Helaas! zei de ander,
wat zegt gij daar? Weet gij niet, dat wij onze maagdelijkheid aan God
hebben beloofd? O, hernam deze, men belooft den ganschen dag zooveel,
dat men niet houdt. Als wij het Hem beloofd hebben, vindt men wel de
een of de ander, die er zich aan zal houden. Daarop zeide de gezellin:
En als wij zwanger worden, hoe zal het dan gaan! Toen voegde de ander
er aan toe: Gij begint al gedachten te hebben over het kwaad, eer het
u bereikt. Mocht dit voorkomen, dan zullen we er aan gaan denken. Er
zijn duizend middelen om te maken, dat men het nooit zal weten, mits
wij het zelf niet vertellen. Toen gene dit hoorde, die nog meer lust
had om te ondervinden hoe dierlijk de mensch is, zeide zij: Welnu,
hoe zullen wij doen? Waarop de ander antwoordde: Gij ziet, dat het het
uur is van den noen, ik geloof, dat alle zusters goed slapen behalve
wij; laten wij door den tuin kijken of er niemand is en zoo ja, dan
hebben wij niets anders te doen dan hem bij de hand te nemen en hem
in gindsche hut te brengen, waar hij voor den regen schuilt en daar
zal de eene met hem zijn en de andere de wacht houden. Hij is zoo
dwaas dat hij wel goed zal vinden, wat wij willen.

Masetto hoorde dit heele gesprek en tot gehoorzamen bereid, verwachtte
hij niets anders dan door een van hen meegenomen te worden. Toen dezen
goed overal hadden opgelet en ziende, dat zij nergens opgemerkt konden
worden, naderde zij, die het woord had genomen, Masetto, riep hem
op en deze hief zich dadelijk van den grond. Daarop nam zij hem met
vleiende gebaren bij de hand; hij zette een dwaas lachend gezicht en
zij leidde hem naar de hut, waar Masetto zonder zich te veel te laten
uitnoodigen, dat deed, wat zij wilde. Deze, toen zij haar zin had, gaf
als eerlijke vriendin aan de ander gelegenheid en Masetto nog altijd
den onnoozele spelend, voldeed aan haar begeerte. Daarom eer zij er
uit gingen, wilden zij elk nog eens ondervinden, wat de doofstomme
kon. Daarna spraken zij er dikwijls over, en zeiden, dat het zulk
een heerlijk genot was en grooter dan zij gehoord hadden. Zij namen
er voortaan op het geschikte uur den tijd voor om met den doofstomme
zich te verheugen.

Eens gebeurde het, dat een van hun gezellinnen, die het gemerkt had
door het raam van haar cel, het aan twee anderen vertelde. Alle drie
hadden eerst een onderhoud om het aan de abdis te gaan overbrengen,
maar daarop veranderden zij van meening, werden het onder elkaar eens
en werden deelgenooten van de kracht van Masetto. Door verschillende
toevallen werden ook de andere drie op verschillende tijden
gezellinnen. Ten slotte vond de abdis, die het nog niet gemerkt
had, door den tuin alleen gaande, toen het zeer warm was, Masetto
(die van weinig werk overdag maar te veel ruiterdienst bij nacht,
vermoeid was) geheel in den schaduw uitgestrekt van een amandelboom en
slapende en daar de wind de slip van zijn hemd naar voren oplichtte,
lag hij geheel naakt. Toen de donna dit zag en zich alleen bespeurde,
verviel zij tot dezelfde begeerte als hare kloosterlingen en na
Masetto te hebben opgewekt, leidde zij hem naar haar kamer, waar
zij hem verscheidene dagen tot groote teleurstelling van de nonnen,
die den tuinman niet meer in den tuin zagen werken, hield en waar
zij die zaligheid genoot en weer genoot, welke zij vroeger bij
anderen gewoon was te misprijzen. Daar zij hem eindelijk van haar
kamer dikwijls uit zijn vertrek riep en hem vaak weer zag en meer
voor zich vroeg, dan Masetto bij zooveel anderen kon geven, dacht
hij er over, of zijn doofstomheid hem van dienst kon zijn, als bij
langer verblijf die hem te veel zou verzwakken. Daarom verbrak hij
op een nacht met de abdis alleen het zwijgen en zeide: Madonna, ik
heb gehoord, dat een haan voldoet voor tien kippen, maar dat tien
mannen slecht en met moeite een vrouw kunnen voldoen, zoodat ik er
geen negen kan bedienen, wat ik om alles ter wereld niet uithouden,
kan. Integendeel ben ik door hetgeen ik tot nu toe heb gedaan, tot een
toestand gekomen, waarin ik nog weinig nog veel meer verrichten kan,
en daarom laat mij weg gaan met God of verzin er een ander middel
op. Toen de donna hem hoorde spreken, dien zij voor doofstom hield,
was zij geheel verbluft en zeide: Wat is dat? Ik dacht dat je doofstom
was? Madonna, zei Masetto, ik ben dat, geweest maar niet van nature,
slechts door een ziekte is mij de spraak ontnomen en pas hedennacht
voel ik mij die voor het eerst terug gegeven, waarvoor ik God prijs
zooveel ik kan. De abdis geloofde hem en vroeg hem wat hij met die
negen vrouwen bedoelde, die hij had te bedienen. Masetto vertelde
haar de geschiedenis. Toen de abdis die hoorde, en dat er geen non
was wijzer dan zij, besloot zij daarom als stilzwijgende vrouw zonder
Masetto te laten vertrekken zich met haar nonnen te verstaan over
die gebeurtenissen, opdat het klooster niet door Masetto zou worden
geschandvlekt. Daar een dier dagen de opzichter stierf, kwamen de
nonnen wederkeerig dit overeen, nadat onderling ontdekt was, wat zij
gedaan hadden: zij spraken met toestemming van Masetto af, opdat de
omwonende lieden het zouden gelooven, dat door hun gebeden en dank
zij den heilige, waarnaar het klooster was genoemd, aan Masetto,
die lang stom was geweest, de spraak was terug geschonken en hem
opzichter te maken. En zij verdeelden zijn taak zoo, dat hij die
kon dragen. Hoewel hij heel wat nonnetjes had voortgebracht, bleef
de zaak in 't geheim bij hen voortgaan, zoodat niemand er iets van
merkte behalve na den dood van de abdis, toen Masetto al oud was en
verlangde rijk naar huis terug te keeren. Toen dit bekend werd, viel
dit hem te lichter. Aldus kwam Masetto oud terug, rijk en als vader
zonder de moeite te hebben zijn kinderen te voeden en ze te onderhouden
en nadat hij door zijn overleg zijn jeugd wel had weten te besteden,
waar hij heen was gegaan met een bijl op den schouder, beweerde hij,
dat Christus aldus behandelde wie Hem Zijn bruiden ontnam.



Tweede Vertelling.

    _Een stalknecht slaapt met de vrouw van koning Agilulf,
    wat deze in stilte bemerkt. Hij vindt hem en knipt hem een
    lok haar af; de geknipte doet het alle andere bedienden en
    ontkomt daardoor aan een boos lot._ [45]


Toen het einde der geschiedenis van Filostrato gekomen was, welke de
dames soms een weinig had doen blozen en die ze soms had doen lachen,
behaagde het aan de koningin, dat Pampinea met verhalen voortging. Deze
begon met lachend gelaat en zeide: Er zijn enkele menschen, die niet
bescheiden genoeg zijn om te verbergen wat zij weten en kennen, en
wat niet goed voor hen is te weten en dikwijls meenen zij, door de
fouten te berispen, die zij bij anderen hebben opgemerkt, de hunnen
te verminderen, waardoor zij die juist eindeloos vermeerderen. En dat
dit waar is, zal ik tot tegenstelling, verliefde dames, u bewijzen
door u in den geest van een dapper koning een sluwheid te toonen,
die misschien voor minder moet worden gehouden dan die van Masetto.

Agilulf, koning der Longobarden [46] gelijk zijn voorgangers plaatste
te Pavia, de hoofdstad van Lombardije, den zetel van zijn regeering
na Teudelinga [47] tot vrouw te hebben genomen, welke als weduwe was
achtergebleven van Autarius, insgelijks vroeger koning der Longobarden,
die een zeer schoone, wijze en eerlijke vrouw was maar ongelukkig in
de liefde. De zaken der Longobarden gingen dank zij de deugd en de
wijsheid van dien koning Agilulf eenigen tijd goed en voorspoedig,
tot een stalknecht van genoemde koningin, een man wat zijn afkomst
betreft van gemeenen oorsprong, maar overigens veel slimmer dan zijn
laag baantje eischte en even groot en knap als de koning, mateloos
op de koningin verliefd werd. En daar zijn lagen rang hem niet had
belet te begrijpen, dat zijn liefde zeer onwelvoegelijk was, bekende
hij, dit wetend, die aan niemand noch had hij den moed die met zijn
blikken aan de koningin te doen bemerken.

Hoewel hij zonder eenige hoop leefde haar ooit te kunnen behagen,
beroemde hij er zich in zich zelf op zijn gedachten zoo hoogte hebben
verheven en gelijk iemand, die geheel van liefdevuur gloeide, deed
hij ijverig behalve bij zijn geleide, al wat aan de koningin behagen
kon. Als de koningin moest paardrijden, ging zij liever door dien
palfrenier bewaakt uit dan met eenig ander, wat hij, wanneer het
gebeurde, als een zeer groote gunst beschouwde en nooit liet hij
de teugels los, gelukkig als hij soms toch maar haar kleederen
kon aanraken. Maar gelijk wij dikwijls elders zien, wanneer het
verminderen van de hoop de liefde grooter doet worden, geschiedde
het ook bij dien armen palfrenier, waarbij het voor hem zeer moeilijk
was dit groote verlangen zoo verborgen te houden, daar hij door geen
enkele hoop gesterkt werd. En meermalen besloot hij in stilte, daar
hij zich van die liefde niet kon genezen, om te sterven. Terwijl hij
dacht aan het middel, nam hij het besluit dien dood zoo te doen plaats
hebben, dat men zou bemerken, dat hij gestorven was door de liefde,
die hij de koningin had toegedragen en toedroeg. Hij stelde zich voor
het zoo te doen, dat hij hiermee zijn fortuin beproefde om geheel
of half zijn verlangen te bevredigen. Hij wilde er de koningin geen
woord van zeggen noch door een brief zijn liefde doen gevoelen, daar
hij wist dat het vergeefs was haar dit te zeggen of te schrijven,
maar hij wilde door list beproeven met de koningin te slapen. Er
was geen andere list noch een andere weg, als middel dan de persoon
des konings zelf, van wien hij wist, dat die steeds bij haar sliep,
om tot haar door te dringen en haar kamer binnen te treden. Daartoe,
opdat hij zou zien op welke wijze en in welk kleed de koning liep,
als hij zich tot haar begaf, verborg hij zich meermalen 's nachts in
een groote zaal van het paleis, welke in het midden was tusschen de
kamer des konings en die van de koningin. En onder anderen zag hij
op een nacht den koning uit zijn kamer komen gewikkeld in een grooten
mantel, in de hand een aangestoken toorts houdend en in de andere een
ring en naar het vertrek van de koningin gaan. Daar klopte hij zonder
een woord te spreken een of twee keer aan de kamerdeur met dien ring en
dadelijk werd hem open gedaan en de toorts uit de hand genomen. Toen
hij dit gezien had en hij hem op dezelfde wijze had zien terugkeeren,
dacht hij insgelijks zoo te moeten handelen. Nadat hij een middel
had gevonden om een mantel te krijgen gelijk hij bij den koning had
gezien en een toorts en een kleinen ring en na zich eerst in een warm
bad goed te hebben gewasschen, opdat de reuk van den stal misschien
de koningin niet zou hinderen of haar de list zou doen gewaar worden,
verborg hij zich hiermee, gelijk hij gewoon was, in de groote zaal. En
toen hij gewaar werd, dat men overal sliep en het hem tijd scheen aan
zijn begeerte te voldoen, of stoutmoedig om die reden den weg te banen
naar den verlangden dood, maakte hij met een steen en met een zwam,
die hij bij zich droeg, wat vuur, stak zijn toorts aan en gehuld in
en omwikkeld van zijn mantel, begaf hij zich naar de kamerdeur en
klopte tweemaal met den ring. De kamer werd door een zeer slaperige
kamenier geopend en hem het licht uit de handen genomen en gedoofd,
waarop hij zonder een woord te spreken door het gordijn ging, den
mantel aflegde en in het bed kwam, waar de koningin sliep. Hij sloot
haar verlangend in zijn armen en deed of hij een kwade bui had (omdat
hij de gewoonte des konings kende, die, als hij boos was, geen woord
sprak) zonder een woord te uiten en zonder zich iets te laten zeggen en
leerde meermalen de koningin kennen. Daar het heengaan hem zwaar viel,
maar hij toch vreesde, dat een lang verblijf de oorzaak zou zijn, dat
het ondervonden genoegen in verdriet zou veranderen, stond hij op en na
zijn mantel te hebben opgezocht en het licht, ging hij zonder eenige
reden weg en zoo gauw hij kon, sloop hij naar zijn bed terug. Hij kon
er ternauwernood wezen, toen de koning opstond en naar de kamer der
koningin ging, waarover zij zich zeer verwonderde. Toen hij in het
bed was gekomen en haar blijmoedig had gegroet, vatte zij door zijn
opgeruimdheid moed om hem te zeggen: Mijn heer, wat is dat vannacht
voor nieuwigheid? Gij hebt mij ternauwernood verlaten en buiten Uw
gewoonte hebt gij van mij genoten en gij komt zoo gauw terug? Let
op wat gij doet. Toen de koning die woorden hoorde, vermoedde hij
dadelijk, dat de koningin door gelijkenis van gewoonte en persoon
bedrogen was geworden, maar als verstandig man vatte hij dadelijk
het plan op, daar hij zag, dat de koningin er niets van gemerkt
had, om haar niets daarvan te doen bespeuren. Vele dwazen zouden
dit niet hebben gedaan, maar zouden gezegd hebben: Ik, ik was niet
hier! Wie was het, die hier kwam? Hoe kwam hij? Wie is het? Waaruit
verschillende dingen zouden ontstaan zijn, waardoor hij nutteloos de
koningin verdriet zou hebben gedaan, en haar ten tweeden male zou
hebben doen verlangen, wat zij al ondervonden had. Als hij er over
zweeg, kon dit geen schande over hem brengen, maar als hij sprak,
zou hij er oneer mee hebben behaald. De koning antwoordde haar dan
ook meer innerlijk dan door gelaat en met woorden vertoornd: Vrouw,
schijn ik U niet een man, die hier kan geweest zijn en die weer kort
daarop kan terugkeeren? Daarop antwoordde de donna: Ja, mijn heer;
maar in ieder geval bid ik U op Uw gezondheid te letten. Toen sprak
de koning: Het behaagt mij Uw raad te volgen en ditmaal wil ik zonder
U verder te verontrusten terugkeeren. Het hart vol toorn en van
ongenoegen over hetgeen hem was aangedaan, nam hij zijn mantel weer
op, ging de kamer uit, dacht, dat hij wel stil zou vinden, wie dat
misdreven had en meende, dat die tot het paleis moest behooren. Wie
het ook was, hij zou er niet levend uit komen. Hij zette een klein
lichtje in een lantarentje en begaf zich in een zeer lange slaapzaal
in zijn paleis boven de paardenstallen, waarin bijna zijn geheele
personeel in verschillende bedden sliep. Hij dacht, dat bij wien dat
gedaan had, wat de donna zeide, noch de pols noch het hart door de
verduurde onrust alweer rustig kon slaan, en stil beginnend bij een
der uiteinden van het logies begon hij bij allen de borst aan te raken,
om te zien hoe die klopte. Hoewel ieder ander vast sliep, was dit niet
het geval bij dengeen, die bij de koningin was geweest. Toen hij den
koning zag naderen, en dacht, dat die aan het zoeken was, begon hij
evenzeer te vreezen voor zijn hartslag als voor de doorgestane angst,
zoodat hierdoor bij de benauwdheid een nog grootere kwam en hij meende
beslist, dat, als de koning het zou gewaar worden, hij hem dadelijk zou
doen sterven. Daar hem verschillende gedachten door het hoofd gingen
van wat hij moest doen, maar hij den koning zonder wapens zag, had
hij plan net te doen of hij sliep en af te wachten, wat de koning zou
aanvangen. Nadat de vorst zeer had gezocht en niet dengeen vond, dien
hij meende, dat de dader was, kwam hij bij dezen en daar hij voelde,
dat diens hart sterk sloeg, zei hij tot zich zelf: Die is het. Maar
omdat hij iemand was, die niets wilde doen wat men zou kunnen merken,
deed hij hem niets anders dan hem met een schaar, die hij hij zich had,
aan eenen kant de haren afsnijden, welke men destijds zeer lang droeg,
opdat hij door dit merk hem den volgenden morgen zou herkennen. Toen
dit gedaan was, ging hij heen en keerde naar zijn kamer terug.

Hij, die dit had gemerkt, en die slim was, begreep al te wel, dat
hij daarmee geteekend was. Daarom stond hij zonder verwijl op, vond
toevallig een andere schaar, die in den stal diende voor de paarden,
ging zacht langs allen, die in het logies sliepen en knipte ze allen
boven de ooren het haar af op dezelfde manier en toen dit gedaan was,
ging hij, zonder te worden opgemerkt, slapen. Toen de koning 's morgens
opstond, beval hij, dat, voor de poorten van het paleis opengingen,
al zijn bedienden voor hem kwamen en dat gebeurde. Daar deze allen
blootshoofds voor hem stonden, begon hij te kijken of hij den door
hem geknipten zou herkennen en toen hij het meerendeel van hen op
dezelfde wijze geknipt zag, verwonderde hij zich en zei in zich zelf:
Hij, die ik zoek, toont hoe laag zijn stand ook is, van groot verstand
te zijn. Daar hij toen zag, dat hij zonder gerucht niet dengeen kon
vinden, dien hij zocht, en hij niet van plan was voor een kleine wraak
een groote schande op te loopen, beperkte hij zich den schuldige met
een enkel bedekt woord te waarschuwen en hem te doen gewaar worden,
dat hij het gemerkt had. Hij keerde zich tot allen en sprak: Dat hij,
die het deed, het nooit meer doet, en gaat gij allen met God. Een ander
zou hem hebben laten blozen, pijnigen, onderzoeken en ondervragen,
en dit doende, zou hij ruchtbaar hebben gemaakt, wat elk getracht
zou hebben te verbergen. En als hij het geopenbaard had, had hij, al
zou hij ook volledige wraak hebben genomen, niet zijn schande hebben
verminderd maar vermeerderd en de eer van zijn vrouw geschonden. Zij,
die deze woorden hoorden, waren verwonderd, en onderzochten lang
onder elkaar, wat de koning hiermee had willen zeggen, maar niemand
begreep dit, behalve hij op wien dit sloeg. Deze als een wijs man,
sprak er nooit over zoolang de koning leefde en stelde nooit meer
zijn leven door zulk een daad aan gevaar bloot.



Derde Vertelling.

    _Een donna, verliefd op een jonge man, brengt onder den schijn
    van vroomheid en van een zeer rein geweten, een eerzamen
    monnik er toe, zonder dat die het merkt, haar de gelegenheid
    te geven haar begeerte geheel te bevredigen._ [48]


Reeds zweeg Pampinea en werden de vermetelheid en de sluwheid van den
stalknecht door het meerendeel van hun geprezen en evenzoo het verstand
van den koning toen de koningin, die zich naar Filomena gekeerd had,
haar gebood te vervolgen. Aldus begon Filomena vol gratie te spreken:
Ik ben van plan u een grap te vertellen, die werkelijk is uitgehaald
door een schoone dame met een ernstigen geestelijke, welke des te meer
aan elken leek moet bevallen, omdat de geestelijken meestal zeer dwaas
zijn en menschen van vreemde manieren en gewoonten, zich in alles
van veel meer waarde achten en van alles veel meer meenen te weten,
terwijl zij veel minder zijn dan de anderen. Want het zijn lieden,
die door lafheid van ziel geen middel hebben als de anderen om zich
te onderhouden en daar hun toevlucht zoeken, waar zij als het varken
maar te eten kunnen krijgen. Ik zal die geschiedenis vertellen, o
bekoorlijke dames, niet alleen om de ingestelde orde, maar ook om u
te doen opmerken, dat ook de geestelijken, welke wij, veel te licht
geloovig te veel vertrouwen verleenen, aardig voor den mal gehouden
kunnen worden en soms ook misleid zijn, niet alleen door ons mannen,
maar ook door een of andere vrouw uit ons midden.

In onze stad, waar meer misleiding voorkomt dan liefde en vertrouwen,
leefde, nog niet lang geleden, een edelvrouw, die zich onderscheidde
door haar bekoorlijkheden en manieren en die door de natuur met een
hoogen geest en een fijne opmerkingsgave was bedeeld, wier naam ik
niet wil openbaren als die van ieder ander, welke in deze vertelling
voorkomt, daar ik weet, dat er nog menschen leven, die zich daarover
zouden verontwaardigen, hoewel men er slechts met een lach zou moeten
over heengaan. Die dame, die haar hooge afkomst kende en gehuwd was
met een wolwever, kon evenwel het denkbeeld niet van zich afzetten,
dat een man van lagen stand, hoe rijk ook, een edelvrouw waardig
was. En daar zij zag, dat haar man met al zijn geld tot niets anders
kon komen dan tot het afhaspelen van een streng of het spannen
van een doek of met een weefster ruzie te maken over een weefsel,
nam zij zich voor zich geheel aan zijn omhelzingen te ontrukken,
zoover zij die kon weigeren en zij wilde om zich zelf te voldoen,
iemand vinden, die meer dan de wolwever haar dit waardig scheen. Zij
werd verliefd op een flink man van middelbaren leeftijd, zoodat,
als zij hem zag, zij den volgenden nacht niet zonder smart door kon
brengen. Maar de waardige man bemerkte het niet en bekommerde er
zich dus niet om en zij, die zeer slim was, liet het haar minnaar
noch door een vrouwelijke gezant, noch door een stoutmoedigen brief
bemerken, vreezend voor mogelijke gevaren. Toen zij bemerkt had,
dat die minnaar veel omging met een geestelijke, die, hoezeer hij
ook kaalhoofdig en dom was, niettemin, daar hij zeer heilig leefde,
door ieder voor een zeer eerwaardig man werd gehouden, dacht zij,
dat die uitstekend tot bemiddelaar kon dienen tusschen haar en dezen.

Na wel het middel overdacht te hebben, dat zij moest gebruiken,
begaf zij zich op het geschikte uur naar de kerk, waar hij woonde,
liet hem roepen en zei, dat ze, als het hem beviel, bij hem wilde
biechten. De broeder zag haar en daar hij meende, dat zij een
edelvrouw was, hoorde hij haar gaarne aan. Zij sprak tot hem na
de biecht: Mijn vader, ik moet tot U mijn toevlucht nemen en raad
vragen voor hetgeen gij zult hooren. Daar gij weet, omdat ik het
U zelf gezegd heb, wie ik ben en gij dus ook mijn ouders en mijn
echtgenoot kent, die mij meer dan zijn leven lief heeft, verlang ook
ik niets van hem, die een rijk man is en het wel doen kan, of ik heb
het dadelijk, zoodat ik ook hem meer dan mij zelf lief heb. Ik laat
ter zijde wat ik doen zou, maar, ik beweer, dat, als ik alleen maar
zou denken aan iets wat tegen zijn eer of geluk was, geen slechter
vrouw meer dan ik het vuur zou verdienen. Nu is er iemand, van wien
ik den naam niet weet, maar die mij een goed mensch schijnt en die,
als ik mij niet bedrieg, veel met U omgaat, knap en groot van stuk,
zeer fatsoenlijk in 't bruin gekleed, en die misschien niet denkt,
dat ik zoo standvastig ben en mij schijnt te willen belagen, want ik
kan mij niet aan deur of venster vertoonen, noch het huis verlaten
of hij verschijnt dadelijk voor mij. En ik verwonder mij, dat hij
thans niet hier is, waarover ik mij verheug, omdat die soort dingen,
vaak zonder de minste schuld gebeurd, een blaam werpen op fatsoenlijke
vrouwen. Ik heb mij eens voorgenomen het aan mijn broeders te zeggen,
maar later heb ik bedacht, dat de mannen dikwijls een boodschap doen,
zoo dat de antwoorden ongunstig zijn, waaruit twisten geboren worden
en uit twisten ontstaat strijd. Daarom, opdat er geen kwaad en geen
schandaal uit voortkomt, heb ik gezwegen en heb ik besloten het liever
aan U te zeggen dan aan anderen, zoowel omdat gij zijn vriend schijnt
te wezen als omdat het U past niet slechts vrienden maar zelfs vreemden
over zulke zaken te berispen. Daarom bid ik U bij den eenigen God,
dat gij hem hierover zult onderhouden en verzoeken, dat hij verder
niet meer zoo handelt. Er zijn genoeg andere vrouwen, die gelukkig
daartoe bereid zijn en het zal hun behagen door hem bespied en begeerd
te worden, terwijl het voor mij een zeer hinderlijke last is, daar
ik op geenerlei wijze in zoo iets zin heb. Nadat zij dit gezegd had,
deed ze of zij wilde huilen en boog zij het hoofd.

De heilige broeder dacht dadelijk, dat, wat zij zeide, waar was en
nadat hij de donna zeer over haar goed karakter had geprezen en hij
vast geloofde, dat zij oprecht sprak, beloofde hij haar, dat hij
zoo zou handelen, dat zij van hem geen last meer zou hebben. Daar
hij wist, dat zij zeer rijk was, prees hij haar zeer voor haar daden
van barmhartigheid en aalmoezen en vertelde haar zijn nooden. Hierop
antwoordde de donna: Ik bid U er God voor, indien hij zou ontkennen,
zeg hem dan bepaald, dat ik het geweest ben, die het U verteld heb
en mij er over heb beklaagd. Toen zij daarna gebiecht had en boete
had gedaan en zich de vertroostingen herinnerde haar door den broeder
geschonken wegens haar liefdadige werkzaamheid, vulde zij hem stil de
hand met geldstukken en verzocht hem missen te lezen voor de ziel en
van haar overleden familie. Zij stond op en begaf zich naar huis. Kort
daarop kwam de brave man als gewoonlijk bij den heiligen broeder,
met wien hij over een en ander sprak, tot deze hem ter zijde nam en
hem op zeer beleefde manier er over onderhield, dat hij de donna het
hof maakte en bespiedde, gelijk hij ook geloofde, en zooals zij hem
had te verstaan gegeven. De brave man verwonderde zich, daar hij haar
nooit nageloopen was en gewoon was zelden haar huis voorbij te gaan en
begon zich te verdedigen, doch de monnik liet hem niet uitspreken,
maar zeide hem: Doe nu niet of gij u verwondert en verlies geen
woorden door het te ontkennen, omdat gij het niet kunt; ik ben dat
niet van buren te weten gekomen, maar zij zelf heeft het mij verteld
en zich zeer beklaagd. Zoo weinig als die dingen u ooit passen, zoo
zeker zeg ik u, dat, als er eenige vrouw wars is van die dwaasheden,
dan is het deze. Daarom voor haar eer en om harentwil verzoek ik u,
houdt op en laat haar gaan in vrede. De brave man, slimmer dan de
heilige broeder, begreep zonder veel moeite de sluwheid van de donna,
veinsde zich te schamen en zeide zich voortaan niet meer met haar bezig
te zullen houden. Hij ging van den broeder weg en begaf zich naar het
huis van de donna, die stond op te letten aan een klein raampje om
hem te zien, als hij voorbijging. Toen zij hem zag aankomen, toonde
zij zich zoo vroolijk en lief, dat hij maar al te wel besefte, dat
hij het ware van de woorden des broeders gevat had. Van af dien dag
placht hij voortaan zeer voorzichtig met genoegen en tot zeer groot
welgevallen en troost van de donna, terwijl hij net deed of daar een
andere reden voor was, door die buurt te gaan. Maar toen de donna
bemerkt had na eenigen tijd, dat zij aan hem evenzeer behaagde als hij
aan haar en zij verlangde hem nog meer te ontvlammen en zich van de
liefde te verzekeren, die zij hem toedroeg, koos zij plaats en tijd,
begaf zich naar den heiligen broeder en na zich in de kerk aan zijn
voeten te hebben geplaatst, begon zij zich te beklagen. De broeder
zag dit en vroeg haar medelijdend, welk nieuws zij had. De donna
antwoordde: Mijn vader, de tijdingen die ik heb, zijn geen anderen dan
van dien door God vervloekten vriend van U, waarover ik mij vroeger
heb beklaagd, zoodat ik geloof, dat hij tot een zeer groote plaag
voor mij geboren is en om mij iets aan te doen, waardoor ik nooit
meer rust zal hebben en waardoor ik mij nooit meer aan uw voeten zal
kunnen werpen. Hoe! sprak de monnik, heeft hij niet opgehouden u nog
meer verdriet te doen? Zeker niet, antwoordde de donna, integendeel;
nadat ik mij er bij u over had beklaagd, is hij, alsof hij er een
hekel aan had, daar hij mij zeker kwalijk nam, dat ik mij er over
uitte, tegen vroeger een, thans--geloof ik--wel zeven keer voorbij
gekomen. En dat het Gode maar behaagde, dat het voorbijgaan en mij
beloeren hem voldoende was, maar hij is zoo brutaal en onbeschaamd
geweest om mij niet later dan gisteren een vrouw te sturen om mij
bericht van hem te zenden en praatjes te verkoopen en alsof ik geen
beurzen en geen gordels had, zond hij mij een beurs en een gordel,
wat ik hem zoo kwalijk nam en nog neem, dat ik geloof, zoo ik niet
vreesde te zondigen, en dan nog uit genegenheid voor u, dat ik voor
den duivel zou hebben gespeeld. Maar ik heb mij toch ingehouden
en ik heb niets willen doen of aan iemand iets zeggen, voordat ik
het u liet weten. Bovendien heb ik de beurs en den gordel al terug
gegeven aan de vrouw, die dezen bracht, opdat ze die hem weerom gaf
en ik heb haar barsch weg gesnauwd, maar vreezend, dat zij die voor
zich hield en hem zou vertellen, dat ik die zou hebben aangenomen,
gelijk ik meen, dat ze wel eens doen, heb ik haar terug geroepen en ze
die vol minachting uit de handen gerukt en ze hier naar U gebracht,
opdat gij ze hem terug brengt en hem zeggen zult, dat ik zijn zaken
niet noodig heb, omdat, dank zij God en mijn man, ik zooveel beurzen
en gordels heb, dat ik er in zou kunnen wegzinken. Hierna vraag ik
U als aan een vader mij te vergeven, dat, als hij nu niet ophoud,
ik het aan mijn man zal zeggen en aan mijn broeders, er mag dan van
komen wat wil. Want ik zie hem liever beleedigd, als het moet, dan
dat ik door hem wordt geschandvlekt. Vaarwel, vader! Na deze woorden
en zeer schreiend trok zij uit haar gewaad een zeer schoone en rijke
beurs met een fraaien en duren gordel en wierp die den broeder in den
schoot. Deze geloofde ten volle, wat de donna zeide, nam haar hevig
vertoornd ter zeide en sprak: Mijn dochter, als gij U daarover kwelt,
verwondert het mij niet en zou ik U er niet over kunnen misprijzen,
maar ik vind het zeer goed van U, dat gij hierin mijn raad volgt. Ik
nam hem voor kort onder handen en hij heeft slecht gehouden, wat hij
mij heeft beloofd, daarom om het een en het ander, dat hij op nieuw
heeft uitgehaald, ben ik van plan hem nu zoo de ooren te wasschen,
dat hij U geen hinder meer zal veroorzaken en laat U met Gods zegen
niet door toorn vervoeren over hetgeen hij U gezegd heeft, waaruit
slechts al te veel kwaad voor hem zou volgen. Vrees ook niet, dat
er voor U schande uit zal voortkomen, want ik zal altijd voor God en
alle menschen de zekerste getuige zijn van Uw eerbaarheid.

De donna wendde voor eenigzins gerust te zijn gesteld en na dit
onderwerp te hebben losgelaten, daar zij zijn hebzucht en die der
andere monniken kende, zeide zij: Heer, in de laatste nachten zijn mij
verscheidene van mijn verwanten verschenen en het schijnt mij, dat zij
in den grootsten nood zijn en niets anders dan aalmoezen vragen en in
het bijzonder mijn moeder, die mij zoo bedroefd en ongelukkig voorkomt,
dat het jammerlijk is om te zien. Ik geloof, dat zij zeer gepijnigd
wordt mij in die ongelegenheid te zien met dien vijand des Heeren en
daarom wensch ik, dat gij voor hun zielen de veertig missen van den
heiligen Gregorius [49] leest en eenige van Uw gebeden, opdat God ze
voert uit dit martelvuur en bij die woorden stopte zij hem een florijn
in de hand. De heilige broeder nam die opgeruimd aan, en versterkte
met goede woorden en met vele goede voorbeelden haar vroomheid en liet
haar gaan na haar zijn zegen te hebben gegeven. De donna ging heen,
maar hij merkte niet, dat hij voor den gek was gehouden en ontbood
zijn vriend. Toen die gekomen was en die hem boos vond, begreep hij
dadelijk, wat voor nieuws hem de donna verteld had en wachtte hij af,
wat de broeder zou zeggen. Hij herhaalde zijn vroegere woorden en sprak
hem opnieuw scherp en bitter toe, berispte hem zeer over hetgeen hem
de donna gezegd had, dat deze zou hebben misdreven. De brave man,
die nog niet zag, waartoe de broeder wilde komen, ontkende vrij
zwakjes, dat hij een beurs en een gordel gestuurd had, opdat hij den
broeder het geloof niet zou ontnemen, als de donna hem dit geschonken
had. Maar de broeder zeide zeer vertoornd: Hoe kan je dat ontkennen,
booswicht? Daar zijn ze, die zij mij zelf huilend heeft gebracht;
zie of je ze kent? De brave man, die veinsde zich zeer te schamen,
zeide: Wel zeker, ken ik ze; ik biecht u op, dat ik kwaad heb gedaan
en ik zweer u, dat gij, daar ik haar van zulk een karakter zie, er
nooit meer een woord over zult hooren. Zij spraken daarop veel, ten
slotte gaf de malle broeder aan zijn vriend de beurs en den gordel
en na hem duchtig te hebben onder handen genomen en verzocht, dat
hij aan zoo iets niet meer zou toegeven en deze hem dit had beloofd,
liet hij hem gaan.

De brave man, zeer verheugd zoowel over de zekerheid, die hij meende
te hebben omtrent de liefde van de donna als over de schoone gift,
ging, zoodra hij den monnik verlaten had, naar een plaats, waar hij
voorzichtig aan zijn donna liet zien, dat hij zoowel het eene als het
andere voorwerp ontvangen had. Hierover was de donna zeer tevreden en
nog meer, omdat het haar scheen, dat haar list hoe langer hoe beter
slaagde. Zij wachtte op niets anders om haar werk te voltooien dan
dat haar echtgenoot elders heenging en om een of andere reden moest
kort daarop haar man zich naar Genua begeven. Denzelfden ochtend,
dat hij te paard steeg en vertrok, ging de donna naar den heiligen
broeder en na veel krokodillentranen te hebben geweend zeide zij:
Mijn vader, ik zeg U nu eens en vooral, dat ik het niet meer kan
uithouden, maar omdat ik vroeger U beloofd heb niets te doen zonder
het U te hebben gezegd, ben ik gekomen om mij te verontschuldigen
en opdat gij gelooft, dat ik reden heb om te schreien en te klagen,
deel ik U mede, wat Uw vriend of liever die duivel uit de hel mij
vanmorgen leverde. Ik weet niet welk noodlottig ongeval hem deed
hooren, dat mijn man gisterochtend naar Genua ging; in ieder geval,
vanmorgen, op het uur, dat ik U zeide, kwam hij in mijn tuin en klom
hij langs een boom tot het venster van mijn kamer, dat boven den
tuin is en reeds had hij dit geopend en wilde hij er binnen treden,
toen ik ontwaakte en dadelijk opstond en begon te schreeuwen en zou
geroepen hebben, als hij, die nog niet binnen was, mij niet om Gods
wil en de Uwe genade gesmeekt had en mij zeide, wie hij was. Daarop,
toen ik hem hoorde, zweeg ik om Uwentwil en zoo naakt, als ik geboren
werd, liep ik naar het venster en sloot het voor hem en ik geloof, dat
hij met den Satan weer wegging, want ik hoorde niets meer van hem. Nu,
als dat behoorlijk is en uit te houden, probeer het dan zelf maar eens;
ik voor mij ben niet van plan het langer te dulden, ik heb er veeleer
terwille van U te veel door uitgestaan. Toen de broeder dit hoorde,
was hij de vertoorndste man ter wereld en wist niet wat te zeggen;
alleen vroeg hij haar meermalen of ze wel gezien had, dat het geen
ander was dan hij. Ik zeg U, dat hij het is en als hij het ontkent,
moet gij hem niet gelooven. Toen zeide de broeder: Mijn dochter, hier
is niets anders te zeggen dan dat dit een al te groote vermetelheid
en een al te groot kwaad is, en gij deed Uw plicht door hem weg te
sturen. Maar ik wil U verzoeken, opdat God U voor schande behoedt,
dat gij, daar gij twee keer mijn raad hebt gevolgd, het ook ditmaal
nog eens doet, namelijk door mij te laten begaan zonder U er over te
beklagen bij een bloedverwant, opdat ik zie of ik dien losgebroken
duivel kan vast leggen, dien ik voor een heiligen hield. En als ik
zooveel kan doen, dat ik hem dien dierlijken lust kan ontnemen, zal
het goed zijn en als ik het niet zou kunnen, geef ik U nu tegelijk
met mijn zegen mijn woord, dat gij zult kunnen doen, wat Uw ziel U
zegt, dat welgedaan zal zijn. Nu, ziedaar--zei de donna,--ditmaal wil
ik U niet boos maken noch U ongehoorzaam zijn, maar handelt U zoo,
dat hij zich er voor in acht neemt mij voortaan te kwellen, want ik
verzeker U, dat ik verder om die reden niet meer bij U kom. Zonder
een woord meer te spreken ging zij van den broeder weg of zij boos was.

De donna was nog niet buiten de kerk, of de brave man kwam aan en
werd door den broeder geroepen, wien deze, na hem terzijde te hebben
gevoerd, de grootste beleediging toevoegde, die ooit iemand was
toegeslingerd, en hem oneerlijk en meineedig en verrader noemde. De
ander, die al twee keer had ondervonden wat de verwijten van dien
monnik beteekenden, lette wel op en met verbaasde antwoorden zette
hij hem aan tot spreken en zeide voor alles: Waarom zoo boos, waarde
heer? Heb ik Christus gekruisigd? De broeder antwoordde: Wat een
schaamtelooze kerel! Hoort me eens aan, wat die durft te zeggen! Hij
spreekt niet meer of minder, alsof er al twee, drie jaar waren
verloopen en door lengte van den tijd zijn misdaden en oneerlijkheid
vergeten waren. Is het je dan van af van morgen pas uit het geheugen
gegaan, dat ge anderen beleedigd hebt? Waar was je gisterenmorgen
vroeg voor zonsopgang? De brave man antwoordde: Ik weet niet, waar
ik was, maar de boodschap is U wel heel vroeg gebracht. Het is waar,
zeide de broeder, dat het mij is bericht; ik denk, dat gij geloofde,
nu de echtgenoot er niet was, dat de edelvrouw u dadelijk met open
armen zou ontvangen. Ach, onschuldig lam, ach eerlijke vriend! Hij
is nachtelijk zwerver, tuin-inbreker en boomklimmer geworden. Dacht
gij door uw brutaliteit de eerbaarheid van die donna te overwinnen,
omdat gij bij nacht door de boomen tot haar vensters klimt? Er is
niets ter wereld wat haar meer mishaagt dan gij en toch beproeft
gij het opnieuw. Waarlijk, laten wij ter zijde, dat zij het u in
vele opzichten getoond heeft, maar gij zijt wel gebeterd door mijn
vermaningen. Dit wil ik u echter zeggen: tot hiertoe heeft zij niet
om de liefde, die zij u toedraagt maar op mijn aandringen verzwegen,
wat gij haar gedaan hebt, maar zij zal niet langer zwijgen. Ik heb
haar de vrijheid gegeven om, indien gij haar in wat ook nog mishaagt,
te handelen naar haar goeddunken. Wat zult gij doen, als zij het aan
haar broeders zegt?

De brave man, die voldoende begrepen had, wat hij noodig had te weten,
deed den monnik, zoo goed hij wist en kon, bedaren. Toen hij vertrokken
was, ging hij den morgen na den volgenden nacht den tuin in, klom
op den boom, vond het venster open en wierp zich zoo gauw hij kon
in de armen van zijn schoone donna. Daar deze hem met het grootste
verlangen had gewacht, ontving zij hem verheugd en zei: Ik ben veel
dank schuldig aan den heer broeder, die u zoo goed den weg wees
om hierheen te komen. Vervolgens na van elkander te hebben genoten,
spraken en lachten ze veel over de onnoozelheid van den dommen monnik,
versmaadden de spinrokkens, de kammen en de koorden en verheugden
zich met groot welbehagen. Nadat hun plannen geregeld waren, zonder
den heer monnik meer noodig te hebben, vonden zij elkaar met gelijk
genoegen vele volgende nachten terug. En ik bid God, dat Hij door zijn
heilige genade mij spoedig hetzelfde schenkt en alle christenzielen,
die het begeeren.



Vierde Vertelling.

    _Don Felice leert aan broeder Puccio [50], hoe die gelukzalig
    kan worden door een zeker soort boete. Terwijl broeder
    Puccio [51] dit doet, maakt don Felice met diens vrouw van
    de gelegenheid gebruik._


Toen Filomena na haar verhaal geëindigd te hebben, zweeg en Dioneo
met zoete woorden de slimheid van de donna geprezen had en vooral
het gebed aan het slot door Filomena gedaan, keerde de koningin
zich lachend tot Pamfilo en zeide: Welnu Pamfilo, zet met een of
ander aardig verhaal ons vermaak voort. Pamfilo antwoordde haastig,
dat hij het gaarne deed en begon: Madonna er zijn genoeg menschen,
die, terwijl ze zich beijveren in het Paradijs te komen, zonder het
te merken er anderen heen sturen, wat een onzer buurvrouwen nog niet
lang geleden overkwam, gelijk gij zult kunnen vernemen.

Naar wat ik heb hooren zeggen, leefde er vroeger bij San Brancazio
[52] een goed en rijk man, die Puccio de Rinieri heette, en, geheel
opgegaan in het geestelijke, een leekebroeder werd van de orde
van Sint Franciscus en broeder Puccio genoemd werd. Daar hij dit
geestelijk leven volgde en geen andere familie had dan een vrouw
en een dienstmaagd, en bijgevolg niet noodig had een beroep uit te
oefenen, ging hij veel naar de kerk. Omdat hij een onnoozel man was
en van grof maaksel, prevelde hij zijn paternoster, liep naar de
preeken, woonde de missen bij en ontbrak nooit bij de lofzangen,
die de leekebroeders zongen en hij vastte, geeselde zich zelf en
trompette, daar hij tot de flagellanten [53] behoorde. De ega, die
vrouw Isabella heette, nog jeugdig, tusschen de twintig en dertig jaar,
frisch, mooi en rond als een granaatappel, moest veel te lang door de
heiligheid en misschien door den leeftijd van haar man zich veel meer
genietingen ontzeggen dan haar lief was. Wanneer zij had willen slagen
of misschien zich met hem had willen verheugen, vertelde hij haar het
leven van Christus, en de preeken van broeder Nastagio of de klacht
van Magdalena en zoo meer. In dien tijd kwam er van Parijs een monnik,
sinjeur Félix genaamd, een kloosterbroeder van San Brancazio, jong en
knap, met een scherpe kop en van groote geleerdheid, die met broeder
Puccio een enge vriendschap sloot. En omdat deze hem elken twijfel
ophelderde en bovendien met zijn toestand bekend, zich als een zeer
heilig man voordeed, nam broeder Puccio de gewoonte aan, hem dikwijls
thuis te brengen en hem voor het avondeten te verzoeken, zoodra hij
er gelegenheid toe had en de donna van haar kant uit liefde voor
broeder Puccio was zijn vriendin geworden en deed hem gaarne eer aan.

Daar de monnik voortging het huis van fra Puccio te bezoeken en hij
zag, dat de vrouw zoo frisch en rond was, begreep hij, waaraan zij
het grootste gebrek had en hij had plan, indien hij kon om broeder
Puccio van die moeite te ontslaan door hem te vervangen. Hij wierp haar
meermalen een heimelijken lonk toe en deed dit, tot hij in haar geest
hetzelfde verlangen had opgewekt. Toen de monnik dit had gezien, sprak
hij bij de eerste gelegenheid met haar over zijn genegenheid. Maar
hoewel hij haar geneigd vond om de zaak tot een goed einde te voeren,
wist hij geen middel te vinden, omdat zij op geen plaats ter wereld
zich aan den monnik wilde toevertrouwen dan in haar huis en daar
kon het niet, omdat fra Puccio nooit uit de stad ging, waarover de
monnik zeer bedroefd was. En na veel gepeins kwam hij op een middel
om met de donna in haar huis te zijn zonder argwaan, hoewel broeder
Puccio er ook was. Op een dag was hij bij deze en sprak aldus: Ik heb
al meermalen begrepen, broeder Puccio, dat Uw geheele verlangen is
een heilige te worden, en mij schijnt het, dat gij dit zult bereiken
langs een langen weg, terwijl er een zeer korte bestaat, welken de
Paus en de andere hooge prelaten kennen. Maar zij maken er gebruik
van en houden dien geheim, omdat de geestelijkheid, die vooral van
aalmoezen leeft, dadelijk zou geruïneerd zijn, wanneer de leeken ze
niet meer met aalmoezen of met iets anders hielpen. Maar daar gij mijn
vriend zijt en mij dikwijls goed hebt ontvangen en ik daarom geloof,
dat gij het aan geen mensch ter wereld zult vertellen en dien weg wilt
volgen, zal ik U dien wijzen. Broeder Puccio verlangend dit te weten,
begon eerst met de grootste standvastigheid te bidden, dat hij hem
dien leerde en hem te zweren, dat hij, tenzij de ander het wilde,
nooit het aan iemand zou zeggen en beweerde, dat, als hij dien kon
volgen, hij het zou doen. Nu gij mij dat belooft, zeide de monnik,
zal ik U dien ook wijzen. Gij moet weten, dat de heilige Kerkvaders
volhouden, dat het noodig is voor wie zalig wil worden om de boete te
doen, die gij zult vernemen, maar luister wel: ik zeg niet, dat gij
na de boete geen zondaar zult zijn als thans, maar de zonden, die gij
hebt bedreven tot op het oogenblik der boete, zullen allen uitgewischt
worden en zullen U daardoor vergeven worden en die, welke gij later
zult bedrijven, zullen niet opgeschreven worden tot Uw verderf,
maar zullen daarentegen met wijwater verdwijnen als licht kwaad. Men
moet dus vooral met grooten ijver beginnen zijn zonden te bekennen,
wanneer men de boete begint en daarna vasten en zich zeer onthouden,
wat veertig dagen moet duren, waarin gij niet slechts geen andere
vrouw, maar ook Uw eigen vrouw niet moogt aanraken. Bovendien moet
gij in Uw eigen huis een plaats kiezen, waar gij 's nachts den hemel
kunt zien, op het uur van de lofzangen na den vesper daarheen gaan
en gij moet daar een zeer breede tafel plaatsen, zoo gezet, dat gij,
als gij overeind staat, er de ribben op kunt steunen en de voeten
uitstrekkend naar de aarde de armen kunt uitbreiden in de gedaante
van een kruis. Als gij de handen aan een paar palen wilt vasthouden,
kunt gij dit ook doen. Op die manier moet gij naar den hemel staren
en stil blijven zonder u te bewegen tot aan den morgen. Indien gij
geletterd waart, zou het goed zijn, dat gij onderwijl zekere woorden
zoudt spreken, die ik u zou opgeven, maar daar dit niet zoo is,
past het u driehonderd paternosters te prevelen met drie honderd ave
maria's ter eere van de Drie-Eenheid, en terwijl gij naar den hemel
ziet, moet gij er steeds aan denken, dat God de schepper was van
hemel en aarde en aan het lijden van Christus, zoo staande als hij
aan het kruis. Dan als de vroegmetten luiden, kunt gij als gij wilt,
gaan en u zoo gekleed te bed werpen en slapen en den ochtend daarna
moet gij naar de kerk gaan en daar op zijn minst drie missen hooren,
vijftig paternosters opzeggen en evenveel ave's. Daarna kunt gij in
eenvoud des harten zaken doen, indien gij dezen hebt, dan middagmalen
en vervolgens tijdens den vesper in de kerk zijn Dan zult gij eenige
gebeden opzeggen, die ik u geschreven zal geven, zonder welke het
anders niet lukt en eindelijk weer op dezelfde wijze voortgaan. Als gij
zoo zult handelen gelijk ik reeds vroeger, hoop ik, dat gij, voor het
einde van uwe boete komt, de wonderbaarlijke gewaarwording der eeuwige
zaligheid zult gevoelen, indien gij die boete vroom hebt gedaan.

Broeder Puccio zeide toen: Dat is zoo moeilijk niet en niet zoo erg
langdurig en is best uit te voeren. Daartoe wil ik in Gods naam Zondag
beginnen. Hij vertrok, ging naar huis en vertelde met zijn verlof
alles stipt aan zijn vrouw. De echtgenoote begreep maar al te wel,
wat de monnik er mee voor had, dat hij tot den morgen zonder zich te
verroeren op een plaats zou blijven. Zij zeide, dat het middel haar
zeer goed scheen, dat zij tevreden was, als hij op alle manieren
zijn zin zou volgen en dat, opdat God zijn boete voordeelig zou
maken, zij met hem zou vasten, maar meer niet. Zij werden het dus
eens en toen het Zondag was, begon broeder Puccio zijn boete en de
heer monnik kwam met de donna samen, op een uur, dat hij niet kon
gezien worden, gebruikte meestentijds 's avonds met haar het maal,
zorgde er steeds voor goed te eten en te drinken en legde zich dan
met haar te slapen, waarna hij, als hij was opgestaan, heenging en
broeder Puccio zich te bed begaf. De plaats, die broeder Puccio voor
zijn boete had uitgekozen, terzijde van die, waar de donna sliep, was
hiervan slechts door een dunnen muur gescheiden. Terwijl nu de monnik
bij zijn geestelijke oefeningen met de donna en zij met hem wat al te
heftig te werk ging, scheen het broeder Puccio, dat de planken vloer
van het huis door beweging schudde. Derhalve, nadat hij honderd van
zijn paternosters had opgezegd, hield hij op, riep de donna zonder
zich te bewegen en vroeg haar, wat zij deed. De donna, die vroolijk
geluimd was en misschien het paard van San Benedetto bereed of dat van
San Giovanni Gualberto, antwoordde: Bij God, man, ik beweeg mij zoo
hard ik kan. Toen zeide broeder Puccio: Waarom beweegt gij u? Wat wil
dat bewegen bij u beduiden? De donna lachend en in vroolijke stemming,
daar zij een schelmsche vrouw was en ze zeker reden had om te lachen,
hernam: Waarom weet gij niet, wat ik wil zeggen? Ik heb het al duizend
keer van u gehoord: Wie 's avonds niet eet, woelt den ganschen nacht.

Broeder Puccio geloofde, dat het vasten de reden was, dat zij niet kon
slapen; daarom zeide hij goedgeloovig: Vrouw, ik heb het U wel gezegd,
_niet vasten_; maar daar gij het toch hebt willen doen, denk daar dan
niet aan, maar tracht rust te nemen. Gij geeft zulke schokken aan het
bed, dat gij alles doet schudden. De donna antwoordde: Maak U niet
ongerust; ik weet wel wat ik doe. Gaat gij Uw gang maar, ik zal wel
goed doen, wat ik kan. Broeder Puccio hield zich stil en begon weer
met zijn paternosters. Vanaf dien nacht lieten de donna en mijnheer
de monnik in een ander deel van het huis een bed opmaken, waarin,
zoolang de boete van broeder Puccio duurde, zij met het grootste
genoegen samen waren. Op een bepaald uur ging de monnik weg en keerde
de donna naar haar eigen bed terug en kort daarop kwam broeder Puccio
van de boete daarheen. Terwijl aldus de broeder de boete volhield en
de donna met den monnik haar genoegen voortzette, zeide zij meermalen
schertsend tot hem: Gij laat broeder Puccio een boete doen, waardoor
wij het paradijs hebben gewonnen. En daar dit heel goed scheen te
bevallen aan de vrouw, raakte zij zoo gewend aan de verboden vrucht
van den monnik, terwijl zij door haar echtgenoot lang op dieet was
gehouden, dat, toen eenmaal de boete van broeder Puccio eindigde,
zij een middel zocht om aldus met dezen daarvan te eten en zij maakte
er in stilte nog veel gebruik van.

Daarom, opdat mijn laatste woorden niet in strijd zijn met de eerste,
meende broeder Puccio, dat hij zich het paradijs zou winnen en bracht
den monnik er in, die hem daarheen den weg had gewezen en aan zijn
vrouw, die met hem in groot gebrek leefde aan datgene, waarvan de
monnik haar barmhartig voorzag.



Vijfde Vertelling.

    _Il Zima geeft aan messire Francesco Vergellesi een paard
    voor het verlof met zijn vrouw te mogen spreken. Daar zij
    echter zwijgt, geeft hij zelf in haar naam antwoord en alles
    geschiedt volgens zijn woorden._ [54]


Pamfilo had niet zonder gelach van de donna, de geschiedenis van
broeder Puccio geëindigd, toen de koningin met vrouwelijke gratie
Elisa gelastte om te volgen. Deze op hooger toon dan gewoonlijk--niet
uit kwaadwilligheid maar oudergewoonte,--begon aldus te spreken:

Vele gelooven, doordat zij veel weten, dat anderen niets weten, zoodat
zij zeer dikwijls, terwijl ze anderen meenen voor den mal te houden,
zich later door anderen misleid zien. Daarom noem ik het een groote
dwaasheid van ieder noodeloos de slimheid van een ander op de proef te
stellen. Maar, omdat wellicht niet elkeen van mijn meening zal zijn,
heb ik lust u te vertellen wat een pistojaansch ridder overkwam,
terwijl ik den vastgestelden regel nakom.

Er leefde in Pistoja uit de familie der Vergellesi een ridder, messire
Francesco genaamd, een zeer rijk en wijs man, in alles behoedzaam,
maar buitengewoon gierig. Hij moest als gevolmachtigde naar Milaan
gaan en had zich van al het noodige voorzien om voornaam op reis
te gaan behalve van een paard, dat hij mooi vond. Daar hij er geen
machtig werd, dat hem beviel, bleef hij er over nadenken. Er was toen
in Pistoja een jonkman, die Ricciardo heette, van nederige afkomst
maar zeer rijk, die zoo netjes en verfijnd was, dat hij gewoonlijk
door iedereen il Zima (de fat) werd genoemd. Hij begeerde lang
hopeloos diens vrouw, welke zeer schoon en eerbaar was. Nu had hij
een van de mooiste sierpaarden van Toscane en hield er zeer veel van
om zijn schoonheid. Daar iedereen wist, dat hij de vrouw van messire
Francesco beminde, zeide iemand deze, dat, indien hij het hem vroeg,
hij het zou krijgen door de liefde, die il Zima zijn vrouw toedroeg.

Messire Francesco door gierigheid geprikkeld liet il Zima bij zich
roepen, en vroeg hem zijn paard te koop, opdat il Zima het hem ten
geschenke zou geven. Il Zima, die dit hoorde, beviel dit en antwoordde
den ridder: Heer, indien gij mij alles ter wereld gaaft, wat gij
hebt, zoudt gij door aankoop mijn paard niet kunnen verkrijgen,
maar gij kunt het ten geschenke ontvangen, wanneer het u belieft,
onder deze voorwaarde: dat ik, vóór gij het neemt, met uw goedvinden
en in uw tegenwoordigheid eenige woorden mag spreken met uw vrouw,
maar zoo van iedereen afgezonderd, dat ik door niemand dan door haar
verstaan wordt. De ridder aangespoord door hebzucht en die hoopte
hem voor den gek te houden, antwoordde, dat het hem aanstond. Wanneer
hij zou willen, mocht hij, toen hij hem in de zaal van zijn paleis had
gelaten, naar de kamer van zijn vrouw gaan en na haar gezegd te hebben,
dat hij gemakkelijk het sierpaard kon winnen, gebood hij haar il Zima
aan te hooren, maar dat zij wel moest oppassen, dat zij op niets,
wat hij zeide, weinig of veel zou antwoorden. De donna misprees dit
zeer, maar daar zij zich er in schikte den zin van haar echtgenoot te
volgen, zeide zij het toch te zullen doen. Daarop ging de man naar de
zaal om te hooren, wat il Zima zou zeggen. Daar deze met den ridder
de overeenkomst hernieuwd had, ging hij op een plaats in de zaal,
ver genoeg verwijderd van elk ander mensch met de donna zitten en
begon aldus te spreken:

Waarde donna, het schijnt mij zeker, dat gij zoo wijs zijt, dat gij
reeds langen tijd wel hebt kunnen begrijpen, tot welk een liefde
mij uw schoonheid heeft kunnen voeren, welke zonder twijfel die van
ieder andere vrouw overtreft, die mij ooit verscheen. Ik laat nu de
lofwaardige manieren en de bijzondere deugden terzijde, die gij bezit,
en die de kracht hebben het trotsche hart van elk man te stelen en
daarom is het niet noodig, dat ik u met woorden bewijs, dat mijn liefde
de grootste en de hevigste is, die ooit een man een vrouw toedroeg. En
zonder twijfel zal ik dit doen, zoolang mijn ellendig leven deze
ledematen zal dragen en nog langer, want als men daarboven lief heeft
als hier, zal ik u eeuwig beminnen. Daarom kunt gij er zeker van zijn,
dat gij niets hebt, hetzij het kostbaar is of gewoon, dat gij zóó als
het uwe kunt beschouwen en waarop gij in alles zóó kunt rekenen als
op mij en evenzoo op al wat ik bezit. Opdat gij hiervan een zeker
bewijs hebt, zeg ik u, dat ik het mijn grootste gunst zou noemen,
als gij mij iets zoudt gelasten, dat ik om u te behagen, zou mogen
doen en ik zou daar meer op gesteld zijn dan dat de geheele wereld
mij zou gehoorzamen, als ik te bevelen had. En nu ik zóó de uwe ben
als gij gehoord hebt, zal ik mij niet zonder reden beijveren mijn
beden naar uw heerlijkheid te richten, waar alleen al mijn vrede,
al mijn geluk en al mijn heil van kan komen en niet van elders. En
wanneer ik u als uw nederigste dienaar smeek, mijn dierbaarst goed
en eenige hoop van mijn ziel, die leeft voor het liefdevuur, waarin
hij op u vertrouwt, laat dan uw welwillendheid zoodanig zijn en
de hardheid, die gij jegens mij getoond hebt, zoo verzacht worden,
dat ik door uw medelijden gesterkt kan zeggen, aan uw schoonheid,
waardoor ik verliefd ben, het leven te danken te hebben, zoodat ik,
als uw trotsche geest zich niet voor mij buigt, zonder twijfel zal
verzwakken en sterven en dat gij dan mijn moordenaarster kunt genoemd
worden. Daar latend, dat mijn dood u geen eer zou verschaffen, geloof
ik niettemin, dat uw geweten u soms zou kwellen, omdat gij dit niet
hadt moeten doen en gij zoudt soms, beter gestemd, tot u zelf zeggen:
Helaas, wat een kwaad heb ik gedaan, doordat ik geen medelijden had
met mijn il Zima en daar dit berouw u niet zou baten, zou het voor
u de oorzaak zijn van nog grooter verdriet. Opdat dit niet gebeurt,
nu gij aan mij denken kunt, denk er daarom nu aan, en wordt, voor
ik sterf, door medelijden bewogen, omdat het van u alleen afhangt
mij den gelukkigsten zoowel als den ongelukkigsten man te maken, die
er leeft. Ik hoop, dat uw welwillendheid zoo groot zal zijn niet te
zullen dulden, dat ik door zulk een en door zoodanige liefde den dood
als loon ontvang, maar dat gij met een blijmoedig antwoord en vol
gratie mijn geest zult versterken, welke geheel verschrikt siddert
bij uw aanblik. En toen zwijgend kwamen hem na zeer diepe zuchten
eenige tranen in de oogen en begon hij te wachten op wat de donna
hem zou antwoorden.

De donna, die het lange zuchten, zijn wapenspelen, zijn aubaden,
en andere gelijksoortige liefdebetuigingen van il Zima niet hadden
kunnen bewegen, roerden de liefdevolle woorden van den zeer vurigen
minnaar en zij begon te gevoelen, wat zij nooit van te voren had
gevoeld namelijk, wat liefde is. En hoewel zij, om het bevel van den
echtgenoot te volgen, zweeg, kon daarom echter niet een zucht dat
verbergen, wat zij, als zij il Zima had kunnen antwoorden, getoond
had. Il Zima, die een wijle gewacht had en die zag, dat geen antwoord
volgde, verbaasde zich en begon daarna de list te bemerken door den
cavaliere gebruikt, maar toch zag hij haar aan en merkte, dat zij
hem soms blikken toewierp en bespeurde bovendien, dat zij zuchten
slaakte, welke zij haar best deed niet met al hun kracht uit haar
borst te doen ontsnappen. Hij vatte toen goeden moed en met behulp
daarvan vormde hij een nieuw plan en begon, of hij de donna was,
en zij naar hem hoorde, zich zelf op deze wijze te antwoorden:

Mijn Zima, zonder twijfel heb ik al lang gemerkt, dat Uw liefde
jegens mij zeer groot en volmaakt was en ik ken haar nu nog beter
door Uw woorden en ben hier gelukkig mee gelijk ik moet. Evenwel,
zoo ik U hard heb moeten schijnen en wreed, wil ik niet, dat gij
gelooft, dat ik in mijn ziel geweest ben, wat ik met het gelaat
heb geveinsd; integendeel, heb ik U steeds lief gehad en zijt gij
mij boven ieder ander man dierbaar geweest, maar zoo moest ik doen
zoowel uit vrees voor anderen als om den naam van mijn eerbaarheid
te dienen. Maar thans komt de tijd, waarin ik U klaar kan toonen,
dat ik U lief heb en U als loon van die liefde wat kan terug geven,
die gij mij toe hebt gedragen en nog toedraagt. Houdt daarom moed en
blijf hopen, daar messire Francesco binnen enkele dagen naar Milaan
moet gaan als gezant, gelijk gij weet, omdat gij uit liefde tot mij
hem het sierpaard hebt geschonken. Zoodra hij heen zal zijn gegaan,
beloof ik U zonder twijfel bij mijn geloof in God en bij de goede
liefde, die ik U toedraag, dat gij in enkele dagen bij mij zult zijn
en dan zullen wij onze liefde heerlijk en geheel bevredigen. En opdat
ik U niet weer noodig heb hierover te spreken, zult gij binnen weinige
dagen twee mutsen aan het venster van mijn kamer zien hangen, welke
zich boven onzen tuin bevindt, en de avond van dien nacht moet gij
oppassen, dat gij niet gezien wordt, opdat gij mij bij de tuindeur
komt zoeken. Daar zult gij mij vinden, waar ik U zal wachten en
wij zullen den ganschen nacht verheugd zijn en van elkaar genieten,
gelijk wij verlangen.

Toen il Zima aldus had gesproken in plaats van de donna, begon hij weer
voor zich te spreken en antwoordde: Zeer geliefde donna, de overmatige
vreugde, die uw antwoord mij veroorzaakte, heeft mijn kracht zoo in
beslag genomen, dat ik ternauwernood een antwoord kan schenken om
de door u gegeven gunsten te vergelden. Als ik kon spreken gelijk ik
wensch, zou ik geen lang genoeg antwoord kunnen vinden, dat mij voldoen
zou om u ganschelijk te bedanken en gelijk mij past te doen. Daarvoor
laat ik het aan uw kiesche zienswijze over te erkennen, wat ik, hoewel
ik het verlang, niet met woorden u kan zeggen. Alleen zeg ik u, dat
ik stellig denk niet anders te handelen dan op uw bevel en misschien
meer verzekerd van het zoo groote geschenk, dat gij mij hebt toegestaan
zal ik mijn best doen u mijn dank te toonen, zooveel mij dit mogelijk
is. Er blijft ons niets anders te zeggen voor het oogenblik en daarom
mijn allerliefste donna, geve God u die, blijmoedigheid en dat heil,
dat gij het meest verlangt en beveel ik u Gode aan.

De donna sprak bij dit alles geen woord, daarop stond il Zima op
en begon zich naar den ridder te wenden, die dit zag, hem tegemoet
kwam en lachend zeide: Hoe bevalt het je? Heb ik mijn belofte niet
goed aan je gehouden? Neen, heer, antwoordde il Zima, want gij hebt
mij beloofd mij met uw vrouw te laten spreken en gij hebt mij laten
praten tegen een marmer beeld. Dit woord beviel zeer aan den ridder,
die daarbij een goede meening over de vrouw had en een nog betere
kreeg en zeide: Nu behoort toch het sierpaard wel aan mij, dat het
uwe was? Hierop antwoordde il Zima: Ja, heer, maar als ik van die
gunst het gevolg had kunnen verkrijgen, dat ik er van verkregen heb,
had ik het U gegeven zonder het te vragen en had het God nu maar
behaagd, dat gij het paard van mij gekocht had voor geld, dan zou ik
het U op die manier niet verkocht hebben. De ridder lachte hierom en
voorzien van het sierpaard ging hij een paar dagen daarna op reis
en begaf zich belast met de volmacht naar Milaan. De donna, vrij
achtergebleven in haar huis, herinnerde zich de woorden van il Zima,
dacht aan de liefde, die hij haar toedroeg en zag hem dikwijls haar
huis voorbijgaan. Ze zeide toen tot zich zelf: Wat doe ik? Waarom
verlies ik mijn jeugd? Hij is naar Milaan gegaan en zal er in geen
zes maanden vandaan komen en wanneer zal ik mijn schade ooit kunnen
inhalen? Wanneer ik oud ben? En bovendien, wanneer zal ik ooit zulk
een minnaar als il Zima terugvinden? Ik ben alleen en ik heb angst
voor niemand. Ik weet niet, waarom ik van de goede gelegenheid geen
gebruik zou maken, als ik kan. Ik zal niet steeds tijd hebben gelijk
nu en niemand zal dit ooit weten. En als hij het later mocht weten,
is het beter het te doen en er berouw over te hebben dan er alleen
berouw over te gevoelen en het te hebben gelaten. En na aldus met
zich zelf te hebben overlegd, plaatste zij op een goeden dag twee
mutsen aan het venster van den tuin, gelijk il Zima gezegd had. Toen
deze dit zag, ging hij, toen het nacht was geworden, zeer verheugd
heimelijk en alleen naar den uitgang van den tuin van de donna en vond
dien open en vervolgens trad hij door een andere deur het huis in,
waar hij de edelvrouw vond, die hem wachtte. Zij zag hem komen, stond
voor hem op en ontving hem met de grootste vreugde, en hij omhelsde
en kuste haar honderdduizend maal en volgde haar de trap op. Zonder
verwijl gingen zij naar bed en kenden zij de hoogste genietingen der
liefde. Evenwel was die eerste keer de laatste niet, omdat, terwijl
de ridder te Milaan was en nog na zijn terugkeer il Zima er vele van
de andere malen terugkwam tot groot genoegen van alle partijen.



Zesde Vertelling.

    _Ricciardo Minutolo bemint de vrouw van Filipello
    Fighinolfi. Daar hij bemerkt, dat zij jaloersch is, doet hij
    haar gelooven, dat Filipello zijn eigen vrouw bij zich in
    een badhuis wil laten komen en haalt haar over daarheen te
    gaan. Als zij echter meent, dat zij haar man betrapt heeft,
    ontdekt zij, dat ze er met Minutolo geweest is._


Er bleef voor Elisa niets meer over om te vertellen, toen de koningin,
nadat zij de slimheid van il Zima geprezen had, aan Fiammetta beval,
dat die met een verhaal voortging. Deze antwoordde nog lachende:
Gaarne, Madonna, en begon:

Wij moeten een oogenblik onze stad verlaten, die in alle opzichten
overvloed heeft en vol is van voorbeelden voor ieder onderwerp en
gelijk Elisa gedaan heeft, iets vertellen van de dingen, die in een
ander deel der wereld gebeurd zijn. Daarom zal ik naar Napels mij
verplaatsend verhalen, hoe een van die huichelaarsters, die veinzen
van de liefde niets te willen weten, er door de slimheid van haar
minnaar toe gebracht werd de vrucht der liefde te kennen voor haar
bloemen, wat u tevens voorzichtig zal maken voor die dingen, die
kunnen gebeuren en u genoegen zullen geven over hetgeen gebeurd is.

In Napels, die aloude stad, en misschien even bekoorlijk, zoo niet
meer dan iedere andere van Italië, leefde vroeger een jonge man,
bekend door den adel van zijn bloed en befaamd om zijn rijkdommen,
die Ricciardo Minutolo heette. [55] Deze, hoewel hij tot vrouw een
zeer schoone en zeer begeerenswaardige jonge donna had, werd op een
ander verliefd, die volgens de meening van allen verre in schoonheid
alle andere schoone napolitaanschen overtrof en die Catella heette,
de vrouw van een jonge man insgelijks van adel, Fillipello Fighinolfi
genaamd, die hij als zeer eerbare vrouw beminde en liefhad boven alles.

Daar nu Ricciardo Minutolo deze Catella beminde en alles in het werk
stelde om de gunst en de liefde van die donna deelachtig te worden
en hij door dit alles zijn begeerte niet kon voldoen, was hij bijna
wanhopig. Omdat hij zich van die liefde niet wist noch kon losmaken,
wou hij noch sterven noch leven. En in dien toestand werd hem door
dames, die met hem verwant waren, op een goeden dag geraden, dat
hij van die liefde afstand zou doen, omdat hij vergeefs moeite deed,
want Catella kende geen ander geluk dan haar Filippello met wien zij
zoo jaloersch leefde, dat zij geloofde, dat iedere vogel, welke door
de lucht vloog, dien aan haar zou ontrooven. Ricciardo, die van de
jaloerschheid van Catella had gehoord, maakte opeens een plan voor zijn
begeerten en deed of hij aan de liefde voor Catella wanhoopte en zijn
genegenheid naar een andere donna richtte en uit liefde tot haar begon
hij wapenspelen en tournooien te vertoonen en al die dingen te doen,
welke hij voor Catella pleegde te verrichten. Het duurde niet lang of
zoo goed als alle Napolitanen en ook Catella geloofden, dat hij niet
meer Catella maar die andere donna het meest lief had. Hij hield zoo
vol zich voor ieder gesloten te houden, dat niet de anderen slechts
maar ook Catella de terughoudendheid liet varen, die zij jegens hem
toonde om de liefde, die hij haar placht toe te dragen en zij begon
hem ais buurman vriendelijk te groeten en aan te zien, gelijk zij het
anderen deed. Toen het warm weer was en vele groepjes van dames en
heeren volgens Napolitaansche gewoonte aan den zeekant gingen verblijf
houden en daar ontbeten en avondmaalden, ging Ricciardo, die wist,
dat ook Catella daar met haar gezelschap heen gegaan was, er met het
zijne heen en werd in dat der donna's van Catella ontvangen na zich
eerst lang te hebben laten bidden, alsof hij niet zeer verlangend was
er in te verblijven. Hier begonnen de donna's en met hen Catella met
hem te schertsen over zijn nieuwe liefde, waardoor hij veinsde zeer
ontbrand te zijn en gaf hun ruim stof er over te babbelen. Toen op
den langen duur de donna's, deze hier en gene daarheen waren gegaan,
gelijk men op die plaatsen doet, en Catella met weinigen achter
gebleven was, waar Ricciardo zich bevond, wierp Ricciardo haar een
woord toe over een zekere liefde van Filipello, haar man, waardoor zij
plotseling zeer jaloersch werd en innerlijk gansch van verlangen begon
te branden te weten, wat Ricciardo bedoelde. Na zich eenigen tijd te
hebben ingehouden, kon zij het niet langer verduren en vroeg Ricciardo,
dat hij bij de liefde van de donna, die hij het meest beminde, haar een
genoegen kon doen te verklaren, wat hij van Filippello gezegd had. Deze
zeide: Gij hebt mij bezworen in naam van iemand, wien ik niet durf te
weigeren, wat gij mij vraagt en daarom haast ik mij het u te zeggen,
mits gij mij belooft, dat gij er nooit over zult spreken noch met
hem noch met anderen, voor gij er het bewijs van hebt, dat, wat ik
zal zeggen, waar is; dus, wanneer gij wilt, zal ik u onderrichten,
hoe gij het kunt te weten komen. Wat hij vroeg, stond de donna aan
en deed haar te meer gelooven, dat het waar was. Zij zwoer hem het
nooit te zeggen. Nadat hij haar dus ter zijde had genomen, opdat
zij niet door anderen zouden gehoord worden, begon Ricciardo aldus
te spreken: Madonna, indien ik u zou beminnen, zooals ik u vroeger
lief had, zou ik iets durven zeggen, wat ik geloof, dat u verdriet
zou doen, maar omdat die liefde voorbij is, zal ik mij minder hoeden
u de waarheid van alles te openbaren. Ik weet niet of Filipello ooit
zich boos heeft gemaakt over de liefde, die ik u toedroeg of dat hij
heeft geloofd, dat ik ooit door U werd bemind. Maar of dit zoo zij
of niet, ik toonde het nooit uit mezelve, maar thans, misschien den
tijd afwachtend, wanneer hij geloofde, dat ik er minder argwaan in
zou hebben, schijnt hij mij dat te willen doen, wat ik vermoed, dat
hij vreest door mij aan hem te zijn gedaan, namelijk zijn genoegen er
van te nemen met mijn vrouw en naar wat ik bespeurde, heeft hij haar
sinds korten tijd heimelijk met meerdere boodschappen vervolgd, welke
ik allen van haar heb vernomen en zij heeft de antwoorden gezonden,
gelijk ik haar beval. Maar toch van morgen, voor ik hier kwam, heb ik
in huis met mijn vrouw een andere in druk gesprek gevonden, welke ik
dadelijk beoordeeld heb naar wat zij is, waarom ik de mijne riep en
haar vroeg wat die verlangde. Zij zei mij: Zij is de handlangster van
Filippello, dien gij, door het geven van antwoorden en van hoop, mij
op den hals hebt geschoven en zij zegt, dat hij, voor alles wil weten,
wat ik van plan ben en dat hij, wanneer ik mocht willen, zou maken,
dat ik heimelijk hier in de stad in een badhuis zou komen. Daarom
bidt en smeekt hij mij. En was het niet, dat gij mij er toe bracht,
ik weet niet waarom, deze onderhandelingen vol te houden, dan zou ik
mij er op de een of andere manier aan onttrokken hebben, zoo, dat
hij nooit zou nagespoord hebben, waar ik was. Toen scheen het mij,
dat dit te ver ging en dat het niet meer was uit de houden en ik het
U moest zeggen, opdat gij zult weten, welk loon Uw gansche vertrouwen
kreeg en waardoor ik als op het punt was te sterven. En opdat gij niet
gelooft, dat dit woorden zijn en verzinsels, maar gij het, wanneer
de begeerte er U toe drijft, duidelijk zoowel kunt zien als tasten,
heb ik mijn vrouw voor de persoon, die haar wachtte, als antwoord
laten opstellen, dat zij bereid zou zijn morgen op het uur van den
noen, als iedereen slaapt, in dat badhuis te zijn. De vrouw vertrok
van haar hierover zeer voldaan. Nu meen ik niet, dat gij gelooft,
dat ik haar er heen zal zenden, maar als ik in Uw plaats was, zou
ik maken, dat hij mij vond in plaats van haar, die hij er gelooft te
zullen vinden en als ik eenigen tijd met hem samen zou geweest zijn,
zou ik hem laten bemerken, met wien hij geweest was en ik zou hem
dan de eer aandoen, die hem toe kwam. Als gij aldus handelt, zou hij
zich zoo schamen, dat tegelijkertijd de beleediging, die hij U wil
aandoen en mij, gewroken zal zijn. Toen Catella dit hoorde, begon zij
zonder eenigzins acht te geven wie het was, die het haar vertelde
of op zijn bedriegerijen naar de gewoonte der jaloersche menschen,
dadelijk aan zijn woorden geloof te slaan en zekere dingen, voor dien
tijd gebeurd, hiermede in verband te brengen. En in plotselingen toorn
ontbrand antwoordde zij, dat ze het dadelijk doen zou, dat het niet
zoo moeilijk was uit te voeren en dat zij zeker, als hij er kwam,
hem zoo zou beschamen elken keer, dat zij hem met een vrouw zag,
dat zijn hoofd er van zou draaien. Ricciardo was hierover tevreden,
het scheen hem, dat zijn overleg goed was geweest en gevolg had,
hij versterkte haar daarin nog met vele andere woorden en deed het
haar nog meer gelooven, terwijl hij haar verzocht het aan niemand
te vertellen, dat zij het van hem had gehoord, wat zij hem bij haar
geloof in God toezegde.

Den volgenden morgen ging Ricciardo naar een goede vrouw, die het
badhuis, dat hij naar Catella genoemd had, hield, vertelde haar,
wat hij van plan was te doen en verzocht haar hem hierin zooveel zij
kon ter wille te zijn.

De goede vrouw, die hem zeer verplicht was, zeide hem, dat zij dit
gaarne deed en beschikte met hem, wat er noodig was om te doen of
te zeggen. Zij had in het huis, waar de badinrichting was, een zeer
donkere kamer, omdat er in deze geen enkel venster was, dat licht
gaf. Deze maakte de goede vrouw volgens de aanwijzingen van Ricciardo
in orde en plaatste er zoo goed zij kon een bad in, waarin Ricciardo
gelijk hij het had voorgeschreven zich neerlegde en Catella begon af
te wachten. De donna ging na de woorden van Ricciardo, waaraan zij
meer geloof hechtte dan noodig was, vol gramschap 's avonds naar huis,
waarheen toevallig Filippello insgelijks vol andere gedachten thuis
kwam en haar misschien niet zooveel aandacht schonk als hij gewoon
was te doen. Toen zij dit zag, kreeg zij nog meer argwaan dan zij had
en sprak in zich zelf: Hij is zeker met zijn geest bij die donna, met
welke hij morgen gelooft genoegen en bevrediging te hebben, maar dat
zal bepaald niet gebeuren en met die gedachte en met het voornemen,
hoe zij het hem moest zeggen, als zij daar met hem geweest was, bleef
zij den ganschen nacht bezig. Maar wat er meer van te zeggen? Bij het
begin van den noen, nam Catella haar kamenier met zich mede en zonder
haar plan te veranderen, ging zij naar het badhuis, dat Ricciardo
haar had aangewezen en na hier de goede vrouw gevonden te hebben,
vroeg zij haar of Filippello er dien dag geweest was. Zij antwoordde
daarop voorgelicht door Ricciardo: Is u die donna, die hem moet komen
spreken? Catella antwoordde: Dat ben ik. Gaat u, zeide de goede vrouw,
hem dan opzoeken. Catella, die hem ging zoeken, welke zij niet had
willen vinden, liet zich naar de kamer leiden, waar Ricciardo was, kwam
met het hoofd gesluierd daar binnen en sloot er zich in op. Ricciardo
zag haar komen, stond verheugd op en na haar in zijn armen te hebben
gesloten, zeide hij langzaam: Wees welkom, mijn ziel. Catella om goed
te veinzen, dat zij een andere was dan zij voorgaf, omhelsde en kuste
hem en ontving hem blijde, zonder een woord te spreken, vreezend,
als zij sprak door hem herkend te worden. De kamer was zeer donker,
waarover elk der beide partijen tevreden was. Alleen door er lang te
blijven kregen de oogen er meer macht.

Ricciardo bracht haar naar het bed zonder te spreken uit zeer groote
vrees, dat zij anders zijn stem zou herkennen en zij bleven daar tot
groot genoegen en voldoening van beide partijen. Maar toen het aan
Catella den tijd scheen haar opgevatte verontwaardiging te openbaren,
begon zij van hevigen toorn ontbrand aldus te spreken: Wat is het
geluk der vrouwen gering en hoe slecht wordt de liefde van velen door
hun echtgenooten beloond! Ik, ongelukkige, die ik ben, heb U al meer
dan acht jaar lief gehad, ik heb U meer dan mijn leven bemind en gij,
gelijk ik bemerkt heb, brandt en verteert U geheel door de liefde
voor een vreemde vrouw, schuldige en slechte man, die gij zijt. Met
wie denkt gij nu te zijn geweest? Gij zijt samen met degene, die gij
al genoeg met valsche liefkoozingen hebt bedrogen, en dien gij liefde
voorspiegelde, terwijl gij op een ander verliefd waart. Ik ben Catella
en niet de vrouw van Ricciardo, oneerlijke bedrieger, die je bent. Hoor
of je mijn stem herkent; ik ben het wel en het schijnt mij, dat wij wel
duizend jaar moeten leven, eer ik U kan beschaamd maken zooals gij het
verdient, gemeene, schandelijke hond, die je bent. Helaas! ongelukkige,
die ik ben, voor wien heb ik zooveel jaren liefde gekoesterd? Voor
dien bedriegelijken hond, die, meenend een vreemde vrouw in de armen te
hebben, mij meer liefkoozingen en liefdesbetuigingen heeft gegeven in
dien korten tijd, dat ik met hem geweest ben dan in al den anderen,
dat ik overigens met hem leefde. Gij zijt nu, verraderlijk beest,
wel goed geweest, die tehuis U zoo zwak, overwonnen en machteloos
placht te toonen. Maar geloofd zij God, dat gij Uw veld en niet dat
van een ander hebt bewerkt, gelijk gij geloofde. Ik verwonder mij er
niet over, dat gij mij vannacht niet zijt genaderd; gij dacht elders
te zijn om Uw last af te werpen en wilde als een kersversch ridder den
veldslag beginnen, maar dank zij God en mijn slimheid is het water
toch daarheen geloopen, waar het moest. Waarom antwoordt gij niet,
trouwelooze kerel? Waarom spreekt gij hier niet over? Ben je door mij
te hooren stom geworden? Bij God, ik weet niet wat mij weerhoudt,
dat ik je niet de handen in de oogen zet en ze uitruk. Je dacht,
dat verraad heelemaal in het geheim te kunnen doen. Bij God! De een
weet er net zooveel als de ander van; het is niet gelukt. Ik heb je
beter speurhonden achter de hielen gezet dan je geloofde.

Ricciardo moest in zich zelf om die woorden lachen en zonder iets
te antwoorden omhelsde en kuste hij haar en meer dan ooit gaf hij
haar hartstochtelijke liefkoozingen. Daarop ging zij door: Ja, dacht
je mij nog met je geveinsde liefkoozingen te bedriegen, vervelende
kerel, die je bent en mij te verzoenen en tevreden te stellen? Ge hebt
gedwaald. Ik zal er nooit over getroost worden, voordat ik je er over
geschandvlekt heb in tegenwoordigheid van al de familie en buren en
vrienden, die wij hebben. Of ben ik, gemeene vent, niet net zoo mooi
als die vrouw van Ricciardo Minutolo? Ben ik ook niet edelvrouw? Waarom
antwoordt je niet, vervloekte hond? Wat heeft zij meer dan ik? Ga weg,
raak mij niet aan, want je hebt nu al te veel wapenfeiten verricht. Ik
weet wel, dat thans, nu ge weet wie ik ben, je met geweld kunt doen,
wat je hebt gedaan, maar als God mij Zijn genade geeft, zal ik je de
begeerte er naar doen gevoelen. En ik weet niet, wat mij weerhoudt,
dat ik dien Ricciardo laat komen, die mij meer dan zich zelf heeft
lief gehad en die er zich nooit op kon beroemen, dat ik hem ook maar
één keer heb aangekeken en ik weet niet of het kwaad zou zijn het
te doen. Gij hebt geloofd uwe vrouw hier te hebben en het is of gij
haar gehad hebt: in zoover dat het niet van u afhing; zoo ook ik,
als ik hem had gehad, zou jij het mij niet met recht kunnen verwijten.

Nu was het genoeg en de verwijten van de donna waren groot; toch
besloot Ricciardo denkend, dat, als hij haar in dat geloof liet,
er veel kwaad uit zou volgen zich aan haar bekend te maken en haar
uit den waan te verlossen, waarin zij was. Nadat hij haar in zijn
armen had gesloten en zoo goed had beetgepakt, dat zij zich niet kon
wegrukken, zeide hij: Mijn zoete ziel, wat ik niet door eerlijk te
beminnen vermocht, heeft Amor mij geleerd met bedrog te verkrijgen, ik
ben uw Ricciardo. Toen Catella dit hoorde en zijn stem herkende, wilde
zij zich dadelijk uit het bed werpen maar kon niet; daarom wilde zij
schreeuwen, maar Ricciardo sloot haar met een hand den mond en zeide:
Madonna, het is niet mogelijk, dat wat geschiedde, toch niet heeft
plaats gehad, al zoudt u je heele leven blijven doorschreeuwen. En
indien gij het toch zoudt doen of iets zoudt uitrichten, waardoor
iemand dit ooit merkt, zullen er twee zaken uit voortkomen. De eene
zal wezen, (waarom gij niet weinig moet geven) dat uw eer en uw goede
naam verdwenen zullen zijn, omdat, zoodra gij zegt, dat ik het hier
tot bedrog heb laten komen, ik zal zeggen, dat het niet waar is, maar u
hier heb doen komen voor geld en voor geschenken, die ik u had beloofd,
waarover gij, omdat ik ze u niet zoo mild gegeven heb, als gij hoopte,
kwaad zijt en die woorden spreekt en dit rumoer maakt. En gij weet,
dat de wereld meer geneigd is het kwade dan het goede te gelooven
en daarom zal men mij eerder gelooven dan u. Daaruit zal tusschen Uw
man en mij doodelijke vijandschap volgen en het zou kunnen gebeuren,
dat ik hem eerder zou dooden dan hij mij. En daarom, hart van mijn
lichaam, schandvlek mij niet en breng niet gelijktijdig Uw man en mij
in strijd. Gij zijt de eerste niet en zult de laatste niet zijn, die
bedrogen is en ik heb dit ook niet gedaan om U Uw man te ontnemen,
maar door de overmatige liefde, die ik U toedraag en die ik bereid
ben U steeds toe te dragen om Uw nederigste dienaar te zijn. En
daar het al lang geleden is, dat ik en mijn goederen en al wat ik
kan en begeer, de Uwen zouden geweest zijn en tot Uw dienst, ben ik
van plan, dat ze het van nu af aan meer dan ooit zullen wezen. Nu
zijt gij onderricht in de andere zaken en ik ben er zeker van,
dat gij het ook hierin zult zijn. Catella weende bitter, terwijl
Ricciardo die woorden sprak, en daar zij zeer boos was en hem zeer
sterke verwijten deed, gaf zij niettemin zooveel toe aan de waarheid
van Ricciardo's woorden, dat zij het mogelijk dacht te gebeuren, wat
Ricciardo beweerde en daarom zeide zij: Ricciardo, ik weet niet of God
de Heer mij zal toestaan de beleediging en het bedrog te verduren,
die gij mij hebt aangedaan; ik wil hier niet schreeuwen, waar mijn
onnoozelheid en mijn bovenmatige jaloerschheid mij gebracht hebben;
maar wees van één ding zeker, dat ik nooit weer blijmoedig zou zijn,
eer ik mij op een of andere wijze zal hebben gewroken over hetgeen
gij mij hebt gedaan. En laat mij daarom los, houdt mij niet langer
vast. Gij hebt gehad, wat gij verlangd hebt en gij hebt mij bedrogen
gelijk U beviel. Het is nu tijd om te eindigen. Laat mij los, bid ik U.

Ricciardo, die zag, dat haar geest nog veel te vertoornd was, had zich
voorgenomen haar nooit los te laten, voor hij van haar den vrede had
verkregen. Daarom begon hij haar met zeer zachte woorden te verzoenen
en zei haar zooveel en bad en bezwoer haar zoo, dat zij, overwonnen,
goed met hem werd. En met wederzijdsch goedvinden bleven zij langen
tijd daarna met het grootste genoegen bijeen. En toen de donna bevond,
hoeveel zoeter de kussen waren van den minnaar dan van den echtgenoot,
verkeerde haar hardheid jegens Ricciardo in teedere liefde en zij
beminde hem vanaf dien dag zeer innig en daar zij heel slim te werk
gingen, hadden zij menigmaal genoegen van hun liefde. God late ons
van de onze genieten.



Zevende Vertelling.

    _Tedaldo in twist met zijn geliefde verlaat Florence. Hij
    komt na eenigen tijd vermomd als pelgrim terug, spreekt met
    de donna, doet haar haar dwaling kennen en bevrijdt haar
    echtgenoot van den dood, dien men beschuldigt hem te hebben
    vermoord, verzoent hem met zijn broeders en verheugt zich
    daarna listig met diens vrouw._


Reeds zweeg Fiammetta door allen geprezen, toen de koningin om geen
tijd te verliezen haastig aan Emilia opdroeg te spreken. Deze begon:
Het behaagt mij in onze stad terug te keeren, waaruit mijn twee
voorgangers wilden vertrekken om u te toonen, hoe een onzer burgers
zijn verloren donna herwon.

Er leefde dan eens in Florence een jonkman van adel, die Tedaldo
degli Elisei [56] heette en die vreeselijk verliefd was op een dame
Monna Ermellina genaamd en de vrouw van Aldobrandino Palermini en
die voor zijn lofwaardige manieren wel verdiende zijn verlangen te
bevredigen. Hiertegen verzette zich het Noodlot als de vijandin der
gelukkigen; wat de oorzaak er ook van zij, nadat de donna een tijd
lang behagen had gehad in Tedaldo, wilde zij hem in 't geheel niet
meer bekoren en niet alleen geen boodschappen meer van hem ontvangen
maar hem in 't geheel niet meer zien, zoodat hij zeer neerslachtig
en ontstemd werd, doch zijn liefde was zoo verborgen, dat niemand
geloofde, dat dit de oorzaak was van zijn droefheid. En sinds hij
op verschillende wijzen zijn uiterste best had gedaan de liefde te
heroveren, die hij buiten zijn schuld scheen verloren te hebben en hij
alle moeite vergeefsch zag, besloot hij zich uit de wereld terug te
trekken om niet door het aanschouwen van zijn dood háár te verheugen,
die de oorzaak was van zijn lijden. Nadat hij het geld medegenomen had,
dat hij krijgen kon, ging hij heimelijk zonder er een woord over te
spreken met een vriend of verwant weg, alleen wel met één metgezel,
die alles wist en kwam te Ancona, waar hij zich Filippo di Santodeccio
liet noemen. Na daar met een rijk koopman kennis te hebben gemaakt,
trad hij bij hem in dienst en ging met hem op een schip van deze naar
Cyprus. Zijn gewoonten en manieren bevielen den koopman zoo, dat hij
hem niet alleen een goed salaris gaf, maar hem ten deele tot zijn
compagnon maakte en hem bovendien een groot deel van zijn zaken in
handen liet, welke hij zoo goed en met zulk een ijver dreef, dat hij
in enkele jaren een goed, rijk en beroemd koopman werd. Zoo doende,
hoewel hij zich dikwijls zijn wreede donna herinnerde, hevig door
de liefde was gekwetst en zeer verlangde haar terug te zien, was hij
zoo standvastig, dat hij zeven jaren lang in dien strijd meester bleef.

Maar eens, toen hij op een goeden dag op Cyprus een lied hoorde
zingen, dat door hem zelf was gemaakt en waarin gesproken werd van
de liefde, die hij zijn donna toedroeg en zij hem, en hoe hij door
haar was bekoord en hij dacht, dat het niet kon zijn, dat zij hem had
vergeten, ontbrandde hij van zulk een verlangen haar weer te zien,
dat hij het niet langer kon uithouden en zich gereed maakte naar
Florence terug te keeren. Toen hij al zijn zaken in orde had gemaakt,
kwam hij alleen met een knecht te Ancona en toen daar zijn bagage
was aangekomen, zond hij die te Florence naar een vriend van zijn
Ancoonschen compagnon en hij kwam zelf daarna vermomd als pelgrim,
die van het Heilige Graf terugkeerde, met zijn knecht. In Florence
aangekomen, begaf hij zich naar een herberg van twee gebroeders,
die dicht bij het huis was van zijn donna. Hij ging het eerst naar
haar huis om als het kon haar te zien. Maar hij zag de ramen en de
deuren en alles gesloten, zoodat hij zeer twijfelde of ze niet dood
was of vandaar was verhuisd. Hierover zeer nadenkend begaf hij zich
naar het huis van haar broeders, waarvan hij vier van dezen alle in
het zwart gekleed zag, en was daarover zeer verwonderd. Daar hij wist,
dat hij zóó was veranderd van kleed als van de persoon, die hij was,
toen hij vertrok, dat hij niet licht kon herkend worden, sprak hij
flinkweg een schoenmaker aan en vroeg hem, waarom die lieden in het
zwart gekleed waren. De schoenmaker antwoordde: Die zijn in het zwart
gekleed omdat nog geen veertien dagen geleden een broeder van hen,
die sinds lang niet hier was en Tedaldo heette, vermoord werd en ik
begrijp wel, dat zij voor het gerecht hebben bewezen, dat een zekere
Aldobrandino Palermini, die gevangen is genomen, hem vermoord heeft,
omdat hij diens vrouw welgezind was en niet herkend was teruggekomen
om met haar te zijn.

Tedaldo was er zeer over verbaasd, dat iemand zoo op hem leek, dat men
dien voor hem aanzag en het ongeluk van Aldobrandini hinderde hem. Toen
hij gemerkt had, dat de donna leefde en gezond was en het reeds nacht
werd, keerde hij vol verschillende gedachten naar de herberg terug
en nadat hij het avondmaal had gebruikt met zijn knecht, werd hij
naar de hoogste verdieping van het huis gezonden om te slapen en daar
zoowel door de vele gedachten, die hem kwelden als door de slechtheid
van het bed en misschien door het schrale avondeten, was de helft
van de nacht al voorbij, toen Tedaldo nog niet kon insluimeren. Het
scheen hem in het midden van den nacht, dat hij iemand van het dak
van het huis daarin hoorde afdalen [57] en daarna zag hij door de
spleten van de kamerdeur een licht naderen. Daarom stilletjes tegen
een spleet geleund, begon hij af te loeren, wat dat beteekende en hij
zag een zeer schoon, jong meisje het licht vasthouden en drie mannen
naar haar toe komen, die van het dak daar waren afgedaald. Nadat zij
elkaar hadden verwelkomd, zeide een van hen tot het jonge meisje:
Wij kunnen, God zij geloofd, voortaan gerust zijn, omdat wij zeker
weten, dat de dood van Tedaldo Elisei is bewezen door zijn broeders
ten laste van Aldobrandino Palermini. Deze heeft het bekend en het
doodvonnis is al geschreven. Maar men moet niettemin goed zwijgen,
omdat, wanneer men toch zou te weten komen, dat wij het gedaan hebben,
wij aan hetzelfde gevaar zouden zijn blootgesteld, waarin Aldobrandino
nu verkeert. Toen dit met de donna besproken was, die zich hierover
zeer verheugd toonde, gingen zij naar beneden om te slapen.

Tedaldo hoorde dit en begon er over na te denken, hoevele en hoedanig
de dwalingen waren, welke de geesten der menschen kunnen bevangen,
ten eerste peinzend over de broeders, die een vreemde hadden beweend
en in zijn plaats begraven en die daarna den onschuldige door valsche
verdenking hadden beticht, die hem met onware getuigenissen hadden
gedoemd te sterven en behalve dat de blinde strengheid der wetten en
der rechters, die dikwijls genoeg als zoogenaamd ijverige zoekers
naar de waarheid door martelingen het valsche doen bewijzen en die
zich handlangers noemen der gerechtigheid en van God, terwijl zij de
helpers zijn van het onrecht en van den duivel. [58] Daarna keerde
hij zijn gedachte naar de redding van Aldobrandino en stelde vast,
wat hij te doen had. Toen hij 's ochtends opstond, liet hij zijn
knecht achter en toen het hem tijd scheen, ging hij alleen naar het
huis van zijn donna. Toevallig vond hij de deur open, trad binnen en
zag haar op den grond zitten in een klein, gelijkvloersch zaaltje,
dat daar was, vol tranen en verdriet, waardoor hij uit medelijden
schreide, haar naderde en sprak: Madonna, kwel U zelve niet; Uw vrede
is nabij. De donna, dit hoorend, hief het hoofd op en zei weenend:
Mijn goede man, gij schijnt mij een buitenlandsch pelgrim, wat weet gij
van vrede of van mijn verdriet? Toen antwoordde de pelgrim: Madonna,
ik ben van Constantinopel en ik ben sinds kort hier gezonden door
God om Uw tranen in een lach te veranderen en Uw echtgenoot van den
dood te bevrijden. Hoe, zeide de dame, als gij van Constantinopel
zijt en sinds kort toch maar hier, weet gij wie mijn echtgenoot
en ik zijn? De pelgrim, beginnend bij het begin, vertelde de heele
geschiedenis van het ongeluk van Aldobrandino, zeide haar wie zij
was, hoelang zij gehuwd was en meer andere dingen, die hij zeer
goed uit zijn zaken kende. De donna was daarover zeer verwonderd,
hield hem voor een profeet, knielde voor hem en verzocht hem bij God,
als hij voor het heil van Aldobrandino was gekomen, voort te maken,
daar de tijd kort was. De pelgrim, die voorgaf een zeer heilig man
te zijn, zeide: Mevrouw, sta op, ween niet, let wel op hetgeen ik U
zeggen zal en neemt U in acht dit nooit aan een ander te vertellen:
Door hetgeen God mij heeft geopenbaard, is de kwelling, die gij thans
ondervindt, het gevolg van een zonde, vroeger door U bedreven, welke
God ten deele heeft willen uitwisschen met dit verdriet en Hij wil,
dat gij U er geheel van bevrijdt, daar gij anders tot een grooter
leed zult vervallen.

Toen antwoordde de donna: Messire, ik heb genoeg gezondigd, maar
ik weet niet, waarom God de Heer wil, dat ik mij meer van de eene
dan van de andere zonde bevrijdt. Als gij het wel weet, zeg het mij
dan en ik zal doen, wat ik kan om mij er van te verlossen. Madonna,
zei toen de pelgrim, ik weet wel, welke zonde dat is en ik zal u
niet ondervragen om het nog beter te weten, maar opdat gij door
het zelf te bekennen er meer berouw over zult hebben. Doch laat ons
tot het feit zelf komen. Zeg mij: herinnert gij U ooit een minnaar
gehad te hebben? Toen de donna dit hoorde, slaakte zij een diepe
zucht en verwonderde zich zeer, dat ooit iemand dit wist, behalve
hij die gedood was en welke, voor Tedaldo gehouden, begraven werd,
tenzij men er iets van verraden had met zekere woorden onvoorzichtig
geuit door den metgezel van Tedaldo, die dit wist en zij antwoordde:
Ik zie, dat God U al de geheimen der menschen openbaart en daarom
ben ik bereid U de mijnen te bekennen. Het is waar, dat ik in mijn
jeugd een ongelukkig jonkman zeer lief had, wiens dood aan mijn man
wordt toegeschreven, hetgeen ik evenzeer betreur als dit mij verdriet
deed, omdat, hoewel ik mij hard en barsch jegens hem getoond heb
voor zijn vertrek, noch zijn lange afwezigheid, noch zijn treurige
dood hem uit mijn hart konden rukken. Hierop antwoordde de pelgrim:
De ongelukkige jongeling, die gedood is, heeft U nooit bemind,
maar wel Tedaldo Elisei. Maar zeg mij: Wat was de reden waarom gij
boos op hem waart? Heeft hij U ooit beleedigd? Hierop antwoordde de
donna: Neen, dat bepaald nooit, maar de reden van mijn toorn waren de
woorden van een vervloekten monnik, waaraan ik eens biechtte, omdat,
toen ik hem eens sprak van de liefde, dien ik dezen toedroeg en de
vriendschap, die ik voor hem had, hij mij zulk een spektakel maakte,
dat ik er nog bang van ben, en hij beweerde, dat, als ik niet ophield,
ik in het diepst van de hel in den muil van den duivel zou terecht
komen en dat ik geworpen zou worden in het eeuwige vuur. Hierdoor
werd ik zoo bevreesd, dat ik besloot heelemaal geen vriendschap met
hem te onderhouden en om er geen aanleiding toe te geven, wilde ik
boodschap noch brief meer van hem ontvangen. Ik geloof, dat als hij
meer had doorgezet--maar naar ik vermoed, ging hij wanhopig weg--ik,
daar ik hem zag verteren als sneeuw voor de zon, mijn hard voornemen
had laten varen, omdat ik geen grooter verlangen had dan naar hem.

Toen sprak de pelgrim: Madonna, dit is de eenige zonde, die U thans
kwelt. Ik weet zeker, dat die Tedaldo U geen geweld zou hebben
aangedaan; want toen gij verliefd op hem werd, hebt gij dit uit
eigen beweging gedaan, daar hij U beviel en omdat gij het zelf wilde,
kwam hij tot U en maakte van Uw vriendschap gebruik, waarin gij met
woorden en daden hem zooveel lieftalligheid toonde, dat gij, indien
hij ook al het eerst verliefd werd, zijn liefde wel duizend maal deed
verdubbelen. Indien dit zoo was (en ik weet, dat het zoo was), welke
reden hadt gij dan om U zoo streng van hem te vervreemden? Hieraan hadt
gij eerst moeten denken en indien gij meent er berouw over te moeten
hebben als van iets slechts, hadt gij het niet moeten doen. Gelijk
hij de Uwe is geworden, zijt gij het de zijne. Gij kondt voorgeven
naar verkiezing te doen of hij de Uwe niet was; maar U zelf aan hem
te onttrekken, die de Uwe was, dit was een diefstal en onbehoorlijk,
daar dit tegen zijn wil geschiedde. Nu moet gij weten, dat ik monnik
ben en dus al hun gewoonten ken en als ik wat vrij in Uw voordeel
er van spreek, is mij dat niet verboden gelijk aan een ander en het
bevalt mij dit te doen, opdat gij ze voortaan beter zult kennen dan
gij tot nu toe schijnt te hebben gedaan. Vroeger waren de monniken
zeer heilige en eerbare mannen maar wie zich thans broeders noemen
en er voor willen worden gehouden, hebben van het monnikschap niets
anders dan de kap en zelfs die niet, omdat, terwijl de stichters der
orden bevalen, dat die nauw, armoedig en van grof goed zouden zijn en
van den geest getuigden, die de wereldsche zaken minachtte, wanneer zij
het lichaam in zulk een simpel gewaad staken, zij thans rijk en dubbel
en schitterend en van fijne stof zijn en ze die in een sierlijken en
priesterlijken vorm hebben gebracht, zoodat zij zich niet schamen in
de kerken en op de wandelplaatsen, gelijk de leeken met hun gewaden
doen, er als pauwen mee te pronken. En gelijk de visscher met het
net met één ruk in de rivier veel visschen tracht te vangen, zoo in
hun wijde dracht rondgaande, doen zij hun best vele huichelaarsters,
vele weduwen en tal van andere dwaze vrouwen en mannen te vatten, wat
meer dan eenige andere godsdienstoefening hun voornaamste bezigheid
is. Daarom, om U oprechter toe te spreken, dragen zij niet de kap der
monniken maar alleen hun kleuren. En terwijl de vroegeren het heil der
menschen zochten, begeeren zij tegenwoordig de vrouwen en het geld en
zij hebben er al hun zinnen op gezet en zetten die er op met spektakel
en hun bangmakerij de geesten der dwazen te ontstellen en voor te
geven, dat zij met aalmoezen en missen hun zonden kunnen uitwisschen,
opdat hun, die uit luiheid en niet uit vroomheid monnik worden en
om niet te werken, deze brood geve, gene wijn verschaft en een ander
zielemissen voor zijn voorvaderen betaalt. En het is wel zeker, dat
de aalmoezen en de gebeden van zonden reinigen, maar indien zij, die
de aalmoezen geven, zagen aan wie zij dit doen, of ze zouden kennen,
zouden zij die even graag houden of ze liever voor evenveel andere
zwijnen werpen. Naarmate anderen minder grooten rijkdom bezitten,
zijn zij daarentegen meer tevreden en doen zij hun best met hun
geschreeuw en hun bedreigingen anderen geld te ontrooven, dat hun
eenig verlangen uitmaakt. Zij bulderen tegen de wellust der mannen,
opdat zij, die aldus overschreeuwd zijn, afstand doen van de vrouwen
en de vrouwen naar de bulderaars komen; zij vervloeken den woeker en
de oneerlijke winsten, opdat zij aangewezen om die terug te geven,
hun kappen rijker kunnen maken bij hun jacht op bisschopstitels en
andere, hoogere priester-waardigheden met dezelfde winsten, waarmee
zij hebben beweerd, dat die tot het verderf leidden van wie ze maakten.

Wanneer zij over deze dingen en vele andere schanddaden, die zij
bedrijven, onderhouden worden, hebben zij als antwoord klaar: _Doe,
wat wij zeggen en niet wat wij doen_ en meenen, dat dit een waardige
verontschuldiging is voor elke zware zonde, alsof het eerder aan de
schapen mogelijk is om standvastig te zijn en van ijzer dan aan hun
zieleherders. En hoevelen er niet zijn aan wien zij zulk een antwoord
geven, dat die het niet begrijpen door de manier, waarop zij dit geven,
dat weet een groot deel van hen. De hedendaagsche monniken willen,
dat gij doet, wat zij zeggen, namelijk dat gij hun beurs vult met
geld, dat gij hun uwe geheimen toevertrouwt, dat gij de kuischheid
bewaart, geduldig zijt, de beleedigingen vergeeft, u er voor hoedt
kwaad te spreken, allemaal goede, eerlijke en heilige dingen. Maar
waarom dit? Opdat zij dat kunnen doen, wat, als de leeken het deden,
zij niet zouden kunnen. Wie weet niet, dat zonder geld hun luiheid
niet kan voortduren? Indien gij er geen plezier meer in hebt aan
hen uw geld te verkwisten, kan de broeder in de orde niet meer
luieren. Indien men buitenshuis niet naar de vrouwen gaat, zijn de
broeders binnenshuis hun plaats kwijt. Indien gij geduldig zijt en
beleedigingen vergeeft, zal de broeder niet in uw huis durven komen
om uw huisgezin te schandvlekken. Maar waarom zal ik mij bij alles
ophouden? Zij beschuldigen zich elken keer, dat zij in tegenwoordigheid
van wie hen hooren deze verontschuldigiging aanvoeren. Waarom blijven
zij zelf niet thuis, als zij niet gelooven kuisch en heilig te kunnen
zijn? Of als zij dit toch willen nakomen, waarom volgen zij dan niet
dit andere heilige woord van het Evangelium: _Christus begon te doen,
daarna te spreken?_ Laten zij ook eerst handelen en dan de anderen
les lezen. Ik heb er onder de mijnen duizenden gezien, verliefd,
minnaars, bezoekers, niet alleen van de wereldlijke vrouwen maar ook
van de nonnen en juist onder degenen, die het meeste drukte maken op
hun kansels. Waarom zullen wij zulke lieden naloopen? Die het doet,
doet wat hij wil, maar God weet of hij wijs doet. Maar aangenomen,
dat men toch moet toegeven, wat de monnik, die U berispt, zegt,
namelijk dat het een zeer ernstig misdrijf is de echtelijke trouw
te verbreken, is het dan niet erger een mensch te bestelen? Is het
niet veel erger hem te dooden of hem in ballingschap te sturen om de
wereld door te zwerven? Dat zal ieder erkennen. Dat een vrouw van
de genegenheid van een man gebruik maakt is een natuurlijke zonde,
maar hem te berooven, te verwonden of te verjagen komt voort uit
laagheid van aard. Dat gij Tedaldo bestolen hebt door U aan hem te
onttrekken, die uit eigen beweging de zijne zoudt geworden zijn,
heb ik U al vroeger aangetoond. Ik beweer ook, dat, in zooverre het
van U afhing, gij hem hebt getoond, omdat het van U niet afhing, die
steeds meer wreedheid voorgaaft, dat hij zich niet eigenhandig van
kant maakte en de wet zegt, dat hij, die de oorzaak is van het kwaad,
dat geschiedt, even schuldig is als hij, die het kwaad doet. En dat
gij van zijn ballingschap en van zijn zwerven door de wereld gedurende
zeven jaren de oorzaak zijt, kan men ook niet ontkennen. Zoodat gij
een veel grooter zonde hebt bedreven door een der drie gezegde dingen
dan door Uwe betrekking tot hem. Maar laat ons zien. Verdiende Tedaldo
dit misschien? Zeker niet; gij hebt het zelf al erkend, ook zonder dat
ik weet, dat hij U meer bemint dan gij hem. Niemand was zoo geëerd,
zoo verheven, zoo verheerlijkt als gij boven iedere andere donna
door hem, indien hij zich bevond op een plaats, waar hij eerlijk en
zonder argwaan op te wekken, van U kon spreken. Al zijn rijkdom, al
zijn eer, al zijn vrijheid, alles van hem gaf hij U in handen. Was
hij niet van adel en jong? Was hij niet schoon vergeleken bij zijn
andere medeburgers? Was hij niet uitmuntend in die dingen, die aan de
jongelingen eigen zijn? Was hij niet bemind? Werd hij niet op prijs
gesteld? Werd hij niet gaarne door iedereen gezien? Gij zult hierop
toch niet neen antwoorden? Dus, hoe hebt gij naar het woord van een
mallen, dommen en jaloerschen broeder zulk een wreed besluit tegen
hem kunnen nemen? Ik begrijp niet wat die dwaling is van de vrouwen,
die de mannen ontwijken en ze weinig achten, wanneer zij bedenken wat
zij zelf zijn en hoe groot en hoedanig de adel is, die God aan den
man boven elk ander wezen heeft geschonken en zij er zich op moesten
beroemen, wanneer zij door een van hen bemind worden en hem boven
alles moesten liefhebben en alles moesten doen om hem te behagen,
opdat hij nooit zou ophouden hen te beminnen. Wat gij gedaan hebt,
bewogen door het woord van een monnik, die zeker een of andere vraat
is, een liefhebber van taarten, dat weet gij. En misschien zou hij
verlangen zich op dezelfde plaats te stellen, waaruit hij zijn best
doet anderen te verdrijven. Dit is de zonde, welke de goddelijke
gerechtigheid, die met juiste balans al haar werken ten uitvoer brengt,
niet ongestraft heeft willen laten en gelijk gij U zelf aan Tedaldo
hebt willen onttrekken, zoo was en is nog Uw man zonder reden door
Tedaldo in gevaar en gij in tegenspoed. Wanneer gij daarvan bevrijd
wilt worden, dan is wat U past te beloven en het best om te doen, dat
gij, indien ooit Tedaldo uit zijn lange ballingschap hier terug komt,
hem Uw gunst, Uw liefde, Uw welwillendheid en vriendschap terug geeft
en in dien toestand hem terug brengt, waarin hij was, voordat gij,
dwaas genoeg, den mallen broeder geloofde.

Toen de pelgrim zijn woorden geëindigd had, zeide de donna, die
zeer aandachtig ze opving, omdat die redeneeringen haar zeer waar
schenen en omdat zij zich werkelijk om die zonde, hiernaar hoorend,
bezocht achtte: Vriend van God, ik weet genoeg, dat de dingen die gij
zegt, waar zijn en ik erken voor een groot deel door Uwe verklaring
wat de monniken waard zijn, die ik tot nu toe allen voor heiligen
heb gehouden en zonder twijfel beaam ik, dat mijn misstap groot is
geweest in hetgeen ik tegen Tedaldo deed en als het mij mogelijk is,
zal ik het gaarne vergoeden op de wijze door U gezegd. Maar hoe kan
dit! Tedaldo zal nooit kunnen terugkeeren; hij is dood en omdat het
dus niet kan, weet ik niet waarom ik noodig heb het te beloven. Hierop
antwoordde de pelgrim: Madonna, Tedaldo is heelemaal niet dood naar
hetgeen God mij bewijst, maar levend, gezond en wel, mits hij Uwe
gunst heeft. Toen zeide de donna: Pas op hetgeen gij zegt; ik zag hem
dood voor mijn deur getroffen door verscheidene messteken, ik hield
hem in mijn armen en heb zijn dood gelaat met vele tranen besproeid,
welke misschien de oorzaak waren, dat men er zooveel over sprak, als
men er op lasterlijke wijze over gepraat heeft. Toen zeide de pelgrim:
Madonna, wat gij ook beweert, ik verzeker U, dat Tedaldo leeft en als
gij wilt beloven hem te behandelen, gelijk ik gezegd heb, hoop ik,
dat gij hem spoedig zult zien. Toen hernam de donna: Dat doe ik gaarne
en zal ik gaarne doen en niets zou mij zoo tot vreugde kunnen strekken
dan mijn man vrij te zien buiten gevaar en Tedaldo levend. Nu scheen
het Tedaldo tijd zich bekend te maken en de donna met de zekerste hoop
omtrent haar echtgenoot te sterken en sprak hij: Mevrouw, opdat ik U
betreffende Uw man gerust stel, moet ik U een geheim openbaren, dat gij
moet bewaren zonder ooit in Uw gansche leven er iets van te verraden.

Zij waren op een vrij afgezonderde plaats en alleen en de donna had het
grootste vertrouwen gekregen in de heiligheid, welke de pelgrim scheen
te vertoonen. Daarom trok Tedaldo een ring, dien hij zorgvuldig bewaard
had en welke de donna hem den laatsten nacht had gegeven, dat zij samen
geweest waren, te voorschijn en zeide, terwijl hij dien vertoonde:
Madonna, kent gij dien? Toen de donna dien zag, herkende zij dien en
antwoordde: Zeker, heer, ik gaf dien aan Tedaldo. Daarop verhief zich
de pelgrim en de kap terugwerpend en den hoed van het hoofd, sprak
hij in het florentijnsch: En kent gij mij? Toen de donna hem zag en
begreep dat hij Tedaldo was en geheel ontzet, bevreesd voor hem als
voor dooden, die men als levenden ziet loopen, verschrikte zij en zij
ontving hem niet als Tedaldo teruggekeerd van Cyprus maar als Tedaldo
teruggekeerd uit het graf en wilde in angst vluchten. Tedaldo sprak
tot haar: Madonna, vrees niet, ik ben uw Tedaldo levend en gezond en
ik stierf niet, noch was ik dood, hoewel gij en mijn broeders het
gelooven. De vrouw een weinig gerust gesteld, met ontzag voor zijn
stem en hem wat langer beschouwend, werd er zekerder van, dat hij
Tedaldo was, wierp zich weenend om zijn hals, kuste hem en sprak:
Mijn lieve Tedaldo, gij zijt gelukkig teruggekeerd. Tedaldo omarmde
en kuste haar en zeide: Madonna het is nu nog geen tijd voor een
inniger ontvangst, ik wil te werk gaan, opdat Aldobrandino U gezond
en veilig zal worden teruggegeven. Wat dat betreft hoop ik, dat gij
voor morgen tijdingen zult vernemen, die u zullen bevallen. Indien
ik werkelijk, gelijk ik geloof, goede hoop heb omtrent zijn behoud,
zal ik vannacht bij U kunnen komen en het U meer op mijn gemak kunnen
vertellen dan thans. Hij wierp opnieuw de kap terug en den hoed,
kuste de donna nog eens, versterkte haar met goede hoop, nam afscheid
van haar en ging daarheen, waar Aldobrandino in de gevangenis zat en
dacht meer aan de vrees voor den naderenden dood dan aan de hoop op
toekomstig behoud. Alsof hij er heen was gegaan om hem te troosten,
kwam hij er binnen met toestemming van de bewaarders, zette zich
naast hem en zeide: Aldobrandino, ik ben een vriend van U door God
tot U gezonden om U te verlossen, die wegens Uw onschuld medelijden
met U had. Daarom, indien gij uit eerbied voor Hem mij een kleine
gunst wilt toestaan, dien ik U zal vragen, zult gij zonder twijfel
voor morgenavond in plaats van het doodvonnis, dat U wacht, dat van
Uwe bevrijding vernemen. Aldobrandino antwoordde hem: Beste man, daar
gij U voor mijn behoud beijvert en ik U niet ken noch mij herinner U
ooit gezien te hebben, moet gij een vriend zijn gelijk gij zegt. En
werkelijk de zonde, waarvoor men zegt, dat ik ter dood veroordeeld
moet worden, heb ik nooit bedreven; ik heb genoeg anderen gedaan, die
mij er misschien toe gebracht hebben. Maar dit zeg ik U tot Gods eere,
indien Hij thans met mij erbarming heeft, zal ik gaarne een groote daad
doen liever dan een kleine en die liever doen dan beloven. Daarom:
vraag wat U behaagt, daar ik die belofte zonder twijfel, als ik
er aan ontsnap, zal nakomen. Toen zeide de pelgrim: Wat ik wil,
is niets anders dan dat gij de vier broeders van Tedaldo vergeeft,
die U zoover gebracht hebben, daar zij geloofden, dat gij aan diens
dood schuldig waart en dat gij hen als broeders en vrienden aanneemt,
als zij U hiervoor vergeving vragen. Aldobrandino antwoordde: Niemand
weet, hoe zoet de wraak is, noch hoezeer men die verlangt, behalve
hij, die de beleediging ontvangen heeft, maar ik zal ze gaarne, opdat
God mijn bevrijding wenscht, vergeven en vergeef hen thans en als ik
hier levend en ongedeerd uitkom, zal ik mij er aan houden zoo hierin
te handelen, dat het U aangenaam zal zijn.

Dit beviel den pelgrim en zonder hem iets anders te zeggen, vroeg hij
hem vooral goeden moed te houden, daar hij zeker, voor de volgende
dag zou eindigen, beslissende tijdingen zou hooren omtrent zijn
bevrijding. Hij nam afscheid van hem, ging naar het gerechtshof en
sprak in het geheim tot een ridder, die er zich bevond: Mijnheer,
elkeen moet er zich voor beijveren, dat de waarheid der dingen
bekend wordt en het meest diegenen, welke de plaats bekleeden, die
gij inneemt, opdat niet zij de straf dragen, welke de zonde niet
hebben bedreven en opdat de ware zondaars gestraft worden. Opdat
dit geschiedt, ben ik tot Uw eer en tot straf van degenen, die dit
heeft verdiend, hier gekomen. Gelijk gij weet, zijt gij streng tegen
Aldobrandino Palermini te werk gegaan en het schijnt als waar te zijn
bevonden, dat hij het is, die Tedaldo Elisei heeft vermoord en gij
zijt op het punt hem ter dood te laten brengen. Dit is zeker verkeerd,
daar ik hoop, eer het middernacht is, de moordenaars van den jongen
man U in handen te stellen. De brave man, dien het lot van Aldobrandino
verontwaardigde, leende gaarne het oor aan de woorden van den pelgrim
en nadat hij verschillende dingen hierover met hem besproken had,
liet hij op diens aandringen in hun eersten slaap de twee gebroeders
herbergiers en hun knecht zonder weerstand gevangen nemen. Toen hij
hun om te weten, hoe de dingen gebeurd waren, wou laten pijnigen,
lieten zij dit niet toe, maar ieder voor zich en daarna allen te
zamen bekenden openlijk, dat zij het geweest waren, die Tedaldo
Elisei hadden gedood, terwijl zij hem niet kenden. Men vroeg hen de
reden en zij antwoordden: Omdat hij aan een van hun vrouwen, terwijl
zij niet in de herberg waren, veel last had veroorzaakt en haar had
willen dwingen zijn wil te doen. De pelgrim ging, na dit te hebben
vernomen met verlof van den edelman heen en in stilte begaf hij zich
naar het huis van madonna Ermellina en vond haar, terwijl elk daar
ter ruste was gegaan, hem alleen wachtend en eveneens verlangend
goede tijdingen van haar man te hooren en bereid zich geheel met
haar Tedaldo te verzoenen. Toen hij tot haar kwam, zeide hij met
een verheugd gelaat: Mijn zeer geliefde donna, verblijdt U, daar
gij zeker Uw Aldobrandino morgen gezond en ongedeerd hier zult terug
hebben. En om haar meer geloof te schenken verhaalde hij haar alles,
wat hij gedaan had. De donna door die zoo onverwachte gebeurtenissen,
namelijk Tedaldo levend te zien, dien zij werkelijk als dood had
beweend en Aldobrandino vrij van gevaar, dien zij voor enkele dagen
als overleden meende te moeten beweenen, zoo blijde als zij nog nooit
was, omhelsde en kuste haar Tedaldo innig en nadat zij samen naar bed
waren gegaan, hadden zij met goeden wil een heerlijke en aangename
rust en genoten ten zeerste van elkaar. Toen de dag naderde, stond
Tedaldo op na al voor de donna te hebben uiteengezet, wat hij doen
wilde en na haar opnieuw te hebben verzocht dit zeer stil te houden,
ging hij weer in pelgrimskleed uit haar huis om als het tijd was,
zich met de zaken van Aldobrandino bezig te houden.

De rechtbank, die, toen het dag werd, volkomen op de hoogte scheen
gesteld van de zaak, liet Aldobrandino spoedig vrij en liet een
paar dagen later de boosdoeners, die den moord hadden begaan, het
hoofd afslaan. Toen Aldobrandino aldus vrij was tot groote vreugde
van hem en zijn vrouw en al zijn vrienden en kennissen en daar hij
zeker wist, dat het door de bemoeiing van den pelgrim kwam, hielden
zij hem in huis, zoolang hij in de stad wou blijven. Daar konden
zij niet genoeg te zijner eere en vreugde doen en vooral de donna,
die wel wist, voor wien zij dit deed. Maar na eenigen tijd, toen
hij meende, dat hij de broeders moest verzoenen met Aldobrandino,
en hij niet alleen wist, dat zij door diens vrijspraak gekwetst
waren maar uit vrees ook gewapend herinnerde Aldobrandino aan de
belofte dit in orde te maken. Aldobrandino antwoordde edelmoedig,
dat hij bereid was. De pelgrim liet hem den volgenden dag een fraai
gastmaal gereed maken, waarop hij zeide, dat hij zijn verwanten en
hun vrouwen, de vier broeders en hun donna's zou ontvangen en voegde
er aan toe, dat hij zelf dadelijk ze van zijn kant tot een feestmaal
zou uitnoodigen ten teeken van vrede. Daar Aldobrandino, over al wat
den pelgrim behaagde, tevreden was, ging deze dadelijk naar de vier
broeders en na met hen genoeg woorden te hebben gewisseld, die met
betrekking tot de zaak vereischt werden, wist hij hen ten slotte
met onweerlegbare redenen vrij gemakkelijk er toe over te halen
de vriendschap van Aldobrandino te herwinnen door hem vergeving te
vragen. Toen dit geschied was, noodigde hij ze den volgenden morgen
met hun donna's tot een middagmaal uit en zij van zijn goede trouw
verzekerd namen de uitnoodiging aan. Den volgenden morgen op het
etensuur kwamen de vier broeders van Tedaldo, nog gekleed in het
zwart, met eenigen van hun vrienden naar het huis, waar Aldobrandino
ze wachtte. Daar, voor allen, die door Aldobrandino verzocht waren
om hen gezelschap te houden, wierpen zij de wapens ter aarde en
stelden zich ter beschikking van hem, dien zij vergeving vroegen,
voor hetgeen zij hem hadden gedaan. Aldobrandino ontving ze weenend
met erbarmen en na ze allen op den mond gekust te hebben en de zaak
met weinig woorden te hebben afgehandeld, vergaf hij elke ondergane
beleediging. Daarna kwamen al hun zusters en hun vrouwen, allen in het
bruin gekleed naderbij en zij werden door madonna Ermellina en door
de andere dames vriendelijk ontvangen. Toen de heeren zoowel als de
dames bij het feestmaal uitstekend bediend waren en daar niets bij was,
wat men kon misprijzen, behalve een stilzwijgen veroorzaakt door de
pas geleden smart, uitgedrukt in de donkere kleeren van de verwanten
van Tedaldo, (waardoor het denkbeeld en het gastmaal zelf van den
pelgrim door enkelen werd gelaakt, wat hij wel gemerkt had), stond hij,
toen hij het oogenblik gekomen achtte om dit te doen eindigen op en
zeide, terwijl men nog vruchten zat te eten: Niets heeft ontbroken
om dit gastmaal vroolijk te maken dan Tedaldo, dien ik, daar gij hem
voortdurend bij U hadt zonder hem te kennen, U wil toonen. Hij wierp
de kap en het heele pelgrimsgewaad achterwaarts, bleef in een rok
van groene zijde staan en werd niet zonder aller grootste verbazing
beschouwd en lang duurde het voor hij herkend was en voordat men het
waagde te gelooven, dat hij het was. Toen Tedaldo dit zag, begon hij
veel gebeurtenissen te vertellen die op hun verwantschap betrekking
hadden. Hierdoor kwamen de broeders en de andere mannen, alle de oogen
vol vreugdetranen, tot hem om hem te omhelzen en daarna deden zoo
ook de donna's, de vreemde zoowel als de verwante, behalve mevrouw
Ermellina. Toen Aldobrandino dit zag, zeide hij: Wat beteekent dat,
Ermellina? Waarom betuigt gij geen vreugde aan Tedaldo als de andere
donna's? Waarop, terwijl allen het hoorden, de donna antwoordde:
Niets zou ik hem liever hebben betuigd en niemand wil dit meer dan ik,
die hem meer verplicht ben dan ieder ander, in aanmerking genomen,
dat ik U door zijn daden heb terug gekregen. Maar de laster over mij
gesproken op den dag, dat wij hem beklaagden, dien wij geloofden,
dat Tedaldo was, weerhouden mij. Hierop antwoordde Aldobrandino:
Ga Uw gang, gelooft gij, dat ik hecht aan de lasteraars? Door naar
mijn geluk te streven, heeft hij voldoende getoond, dat dit onwaar is,
zoodat ik het ook nooit gelooven zal. Sta gauw op, ga en omhels hem. De
donna, die niet anders wenschte, was niet langzaam in het gehoorzamen
van haar echtgenoot; daarom verhief zij zich gelijk de anderen hadden
gedaan en deed hem, door hem te omhelzen, groot genoegen.

Deze edelmoedigheid van Aldobrandino beviel aan de broeders van
Tedaldo en aan elk man en vrouw, die er was en elke wrok, die had
kunnen ontstaan in de geest van enkelen door de gesproken woorden,
werd gebluscht. Toen aldus elk Tedaldo gevierd had, rukte hij zelf de
zwarte kleeren der broeders van het lijf en de bruinen van de zusters
en de schoonzusters en hij wenschte, dat men er andere kleeren liet
komen. Toen zij op nieuw gekleed waren, gaf men veel zangen en dansen
en andere genoegens ten beste. Hierdoor had het gastmaal, dat zoo stil
begon, een rumoerig einde. En zij gingen allen, zooals zij waren,
naar het huis van Tedaldo en daar hielden zij het avondmaal. En
meerdere dagen daarna zetten zij op die manier volhoudend het feest
door. De Florentijnen beschouwden Tedaldo langen tijd als een weder
opgestaan mensch en als een wonder, en bij velen, ook bij de broeders
bleef er nog een zwakke twijfel in de ziel of hij het was of niet,
en zij wilden het nog niet vast gelooven en zij hadden het misschien
nooit geheel geloofd, als er niet een feit gebeurd was, waardoor het
hun klaar werd wie gedood was en wie dit was geweest. Eens kwamen
voetknechten van Lunigiana langs hun huis en toen die Tedaldo zagen,
gingen zij hem tegemoet met de woorden: Goeden dag, Faziuolo! Hierop
antwoordde Tedaldo in tegenwoordigheid van de broeders: Gij hebt mij
voor een ander gehouden. Toen dezen dit hoorden, schaamden zij zich,
vroegen hem vergeving en zeiden: In waarheid gelijkt gij meer op onzen
metgezel, die zich Faziuolo van Pontremoli noemt dan wien wij ooit
op iemand zagen gelijken en die hier misschien voor veertien dagen
of iets meer kwam en waarvan wij nooit konden weten, wat er van hem
geworden was. Het is wel waar, dat wij verwonderd waren over het pak,
dat gij draagt, daar deze soldaat was als wij. De oudste broeder
van Tedaldo kwam bij die woorden nader en vroeg, hoe die Faziuolo
gekleed was. Zij zeiden dit en men vond, dat het juist was geweest
gelijk zij beweerden. Hierdoor, behalve door deze en andere teekens,
werd herkend, dat wie vermoord was geworden, Faziuolo was geweest en
niet Tedaldo, zoodat vandaar de argwaan bij de broeders en bij allen
verdween. Tedaldo nu, die zeer rijk was geworden, volhardde in zijn
liefde en zonder dat de donna zich weer vertoornde, ging hij stil te
werk en genoten zij hiervan langen tijd. God late ons genieten van
de onze.



Achtste Vertelling.

    _Ferondo, door het slikken van zekere poeders, wordt voor dood
    begraven. Door den abt, die met zijn vrouw zich verheugt,
    wordt hij uit de kist gehaald en in een gewelf gezet, waar
    men hem doet gelooven, dat hij in het vagevuur is. Daarna
    weder opgestaan neemt hij een zoon van den abt, waarvan zijn
    vrouw beviel, als den zijne aan._


Toen het lange verhaal van Emilia ten einde was, dat evenwel door zijn
lengte niemand verveelde, maar door alle erkend werd kort te zijn
verteld, daar men acht gaf op de hoeveelheid en de verscheidenheid
der daarin vermelde gebeurtenissen, schonk de koningin, die door
een enkel teeken aan Lauretta haar verlangen had te kennen gegeven,
haar gelegenheid om te beginnen: Zeer geliefde donna's. Ik geloof,
dat ik U een waarheid moet zeggen, die veel meer dan op wat zij was,
op een leugen geleek en die ik mij herinnerde, toen ik hoorde, dat
iemand in plaats van een ander beweend en begraven werd. Ik zal U
dan vertellen, hoe een levende als doode begraven werd en hoe daarna
hij zelf en vele anderen geloofden, dat hij als een geest weer was
opgestaan en door hen als heilige vereerd werd, ofschoon hij veeleer
verdiende als schuldige te worden veroordeeld.

Er was dan en er is nog in Toscane een abdij gelegen, gelijk wij er
velen zien, op een plaats weinig door de menschen bezocht, waarin
een monnik abt werd gemaakt, die in alles zeer heilig was, behalve
in den omgang met vrouwen en hij wist dit zoo sluw aan te leggen,
dat niemand het vermoedde en men er ver van was het te weten, omdat
hij in ieder opzicht voor zeer heilig en eerlijk werd gehouden. Nu
was de abt bevriend met een zeer rijken boer, die Ferondo heette, een
zeer zinnelijk en grof man zonder opvoeding (wiens sympathie om geen
andere reden aan den abt beviel dan omdat hij er zich mee vermaakte
hem met zijn onnoozelheid vaak voor den mal te houden). Hierbij
bemerkte de abt, dat Ferondo een zeer schoone vrouw tot echtgenoote
had, waarop hij zoo vurig verliefd werd, dat hij dag en nacht aan
niets anders meer dacht. Maar daar hij hoorde, dat Ferondo--hoezeer
in andere opzichten onnoozel en dwaas--in het beminnen en bewaken van
zijn vrouw zeer wijs was, werd hij haast wanhopig. Maar toch, hoewel
Ferondo zeer slim was, slaagde hij er in hem met zijn vrouw soms een
luchtje te laten scheppen in den tuin van het klooster en hier sprak
hij met hen bescheiden over de zaligheid van het eeuwige leven en van
de zeer heilige werken van vele vroegere mannen en vrouwen, zoodat
bij de donna de begeerte opkwam bij hem te biechten. Zij vroeg en
verkreeg daarvoor het verlof van Ferondo. Toen de donna bij den abt
kwam biechten tot zijn groot genoegen en zij zich aan zijn voeten
had gezet, begon zij voor iets anders dit te zeggen: Mijn heer,
als God mij den waren echtgenoot had gegeven of niet, misschien zou
het mij dan licht vallen op Uw aansporingen den weg te betreden,
waarvan gij mij hebt gesproken en die naar het eeuwige leven leidt;
maar wanneer ik Ferondo beschouw en zijn dwaasheid, kan ik mij weduwe
noemen en toch ben ik in zoover getrouwd, dat ik, zoolang ik leef,
geen ander tot echtgenoot mag hebben. En hij, zoo dwaas als hij is, is
zonder eenige reden zoo vreeselijk jaloersch op mij, dat ik hierdoor
niet anders dan in verdriet en ongeluk met hem kan leven. Hierom,
de eerste keer dat ik U weer biecht, bid ik nederig zooveel ik kan,
dat gij, wat dit aangaat, eenige raad zult geven, omdat het biechten,
als ik van af dien keer niet goed begin te handelen, mij overigens
weinig zal helpen.

Die redeneering trof den abt met groot genoegen; het scheen hem,
dat de fortuin hem den weg naar zijn grootste verlangen geopenbaard
had en hij zeide: Mijn dochter, ik geloof, dat het een groote smart
is voor een mooie en teergevoelige vrouw als gij zijt tot man een
gek te hebben, maar ik geloof, dat het nog erger is, een jaloersche
te hebben. Daarom, daar gij allebei in hem bezit, geloof ik gaarne,
wat gij van Uw verdriet zegt. Maar om kort te gaan, ik zie er raad
noch baat voor behalve dit eene, dat Ferondo zich van dien naijver
geneest. Het middel om hem te verbeteren zou ik al te goed weten
te bereiden, mits gij den moed hebt geheim te houden, wat ik U zal
zeggen. De donna zeide: Mijn vader, twijfel daar niet aan, omdat ik
liever zou sterven dan dat ik aan anderen vertelde, wat gij mij zegt
voor anderen te moeten verzwijgen. Maar hoe kan dat gebeuren? De abt
antwoordde: Indien wij willen, dat hij beter wordt, is het noodig dat
hij in het vagevuur gaat. En hoe, vroeg de donna, zal hij daar levend
in kunnen gaan. De abt hernam: Hij moet sterven en zoo zal hij er in
gaan, en wanneer hij zooveel pijn zal doorstaan hebben, dat hij van
zijn jaloerschheid zal zijn genezen zullen wij met zekere gebeden God
smeeken, dat hij in dit leven terugkeert en Hij zal het doen. Dus,
zei de donna, zal ik weduwe moeten blijven? Ja, antwoordde de abt,
gedurende een zekeren tijd, waarin gij wel zult moeten oppassen
niet met een ander te huwen, omdat God het U kwalijk zou nemen, en
als Ferondo hier terugkeert, zoudt gij naar hem toe moeten gaan en
hij jaloerscher zijn dan ooit. De donna zeide: Mits hij geneest van
die ziekte, zal ik tevreden zijn, daar het mij niet behaagt altijd
als in een gevangenis te leven; doe wat gij wilt. Toen zeide de abt:
Goed, ik zal het doen, maar welke belooning zal ik krijgen voor dien
dienst? Mijn vader, zeide de donna, dat wat gij verkiest, mits ik
het kan; maar wat kan een vrouw als ik doen voor een man als gij,
dat hem bevalt. Toen zeide de abt: Madonna, gij kunt niet minder voor
mij doen dan ik voor u, omdat, wanneer ik er toe bereid ben te doen,
wat uw welzijn en troost moet zijn, gij evenzoo dat kunt doen, wat
tot heil en geluk van mijn leven kan strekken. Toen zeide de donna:
Indien dit zoo is, ben ik bereid. Dan, zei de abt, zult gij mij uw
liefde geven en gij zult mij met u te goed doen, waarnaar ik zoo vurig
verlang en wat mij verteert. De donna antwoordde bij die woorden geheel
verschrikt: Wee mij, mijn vader, wat vraagt gij? Ik geloofde, dat gij
een heilige waart en gaat het nu voor heilige mannen aan degenen, die
tot hen komen om raad, zulke dingen te vragen? Hierop hernam de abt:
Mijn schoone ziel, verwonder u niet, omdat hierdoor de heiligheid
niet minder wordt, daar die in de ziel zetelt en wat ik u vraag een
zonde des lichaams is. Maar hoe dit ook zij, uw begeerlijke schoonheid
heeft zooveel geweld over mij gehad, dat de liefde mij dwingt aldus te
handelen. En ik zeg u, dat gij meer dan andere donna's op uw schoonheid
u kunt beroemen, daar ik meen, dat zij aan de heiligen behaagt, die
gewoon zijn die des hemels te zien en bovendien hoewel ik abt ben, ben
ik een man als de anderen en gelijk gij ziet, ben ik nog niet oud. Dat
moet voor u niet moeilijk zijn om te doen; gij moet het integendeel
verlangen, omdat, terwijl Ferondo in het vagevuur zal blijven, ik u,
die u bij nacht gezelschap houdt, dien troost zal geven, dien hij u
moest schenken. Nooit zal iemand er iets van merken, daar ieder van
mij dit gelooft en meer dan wat gij kort geleden geloofde. Weiger
de genade niet, die God u schenkt, want de vrouwen zijn talrijk,
die zouden begeeren wat gij hebben kunt en zult hebben, indien gij
wijs naar mijn raad luistert. Behalve dat heb ik mooie juweelen en
kostbare steenen, die ik niet wil, dat aan een ander zullen behooren
dan aan u. Doe dus, mijn zoete hoop, voor mij, wat ik voor u gaarne
doe. De donna hield het gelaat omlaag en wist niet hoe hem te weigeren
en het hem toe te staan scheen haar ook niet goed; daardoor scheen
de abt, die zag, hoe zij had geluisterd en niet dadelijk antwoordde,
dat hij haar al half had overreed en ging met vele andere woorden na
de laatsten voort, eer hij ophield en omdat hij zich ingepraat had,
dat dit wèl gedaan was. Daardoor zeide zij heel verlegen, dat zij
tot elk verzoek van hem bereid was, maar niet te kunnen voor Ferondo
in het vagevuur was gegaan. Hierop antwoordde de abt zeer tevreden:
Wel, wij zullen maken, dat hij er dadelijk naar toegaat, zorg maar,
dat hij morgen of overmorgen mij komt opzoeken.

Na deze woorden en na haar heimelijk een zeer fraaien ring in handen te
hebben gegeven, liet hij haar gaan. De donna verheugd over het geschenk
en in afwachting van de anderen, keerde tot haar gezellinnen terug om
bijna wonderbare dingen te vertellen over de heiligheid van den abt
en ging met hen naar huis. Een paar dagen daarna ging Ferondo naar de
abdij, waar, zoodra de abt hem zag, deze zich voornam hem naar het
vagevuur te sturen en zocht naar een poeder van wonderbare kracht,
dat hij van een machtig Vorst had gekregen uit de streken van den
Levant, die beweerde, dat de Oude van den Berg [59] het gewoon was te
gebruiken, wanneer hij iemand slapend naar het paradijs wou sturen, of
hem er uit voeren, en dat het in meerdere of mindere dosis gegeven,
zonder eenige hindernis meer of minder hem deed slagen, die het
nam, en dat zoolang zijn kracht duurde, het voor drie dagen slapen
voldoende was. Hij gaf het in een beker wijn, die nog troebel was,
aan Ferondo in zijn cel te drinken zonder dat die het merkte en voerde
hem vervolgens in het klooster, waar hij met verschillende anderen
van zijn monniken zich over zijn dwaasheden begon te vermaken. Het
duurde niet lang of het poeder begon te werken en Ferondo werd door
zulk een plotselingen en zwaren slaap bevangen, dat hij nog staande
insluimerde en zoo neerviel. De abt, die net deed of hij ongerust
werd over dit ongeval, liet hem ontkleeden, koud water halen, het in
zijn gezicht werpen en vele andere middelen beproeven om hem tot het
leven terug te voeren en het bewustzijn te hergeven, alsof hij door
een of andere maagaandoening of iets anders was aangetast. Toen de
abt en de monniken zagen, dat hij van dit alles niets gewaar werd,
men hem den pols voelde en geen gevoel bespeurde, geloofden allen als
zeker, dat hij dood was. Daarom lieten zij aan zijn vrouw en aan zijn
bloedverwanten zeggen, dat zij er allen haastig heen zouden komen
en toen de vrouw met haar familie hem eenigen tijd hadden beweend,
werd hij, gekleed als hij was, door den abt in een doodkist gelegd.

De donna keerde naar huis terug en zeide, dat zij nooit van een klein
kind wilde scheiden, dat zij van hem had en aldus achtergebleven
begon zij het kind en den rijkdom te beheeren, die aan Ferondo
behoord hadden.

Gedurende den nacht stond de abt met een bologneeschen monnik in wien
hij veel vertrouwen stelde en welke dien dag van Bologna gekomen was,
heimelijk op; zij haalden Ferondo uit de kist en droegen hem in een
gewelf, waarin men in 't geheel geen licht zag en dat tot gevangenis
was ingericht voor monniken, die iets misdreven hadden. Nadat zij
hem als monnik hadden aangekleed, zetten zij hem op een bos stroo en
lieten hem daar blijven, tot hij tot zich zelf zou komen. Ondertusschen
begon de bologneesche monnik, door den abt onderricht van wat hij
te doen had, zonder dat anderen er iets van wisten, op te letten,
tot Ferondo ontwaakte. De abt ging den volgenden dag met eenigen van
zijn monniken bij wijze van bezoek naar het huis van de donna, welke
hij in het zwart gekleed vond en bedroefd, en na haar wat getroost
te hebben herinnerde hij haar de belofte. De donna zag zich vrij en
zonder belemmering van Ferondo of anderen en bespeurde bovendien aan
den vinger van den abt een anderen schoonen ring, zeide, dat zij bereid
was en stelde met hem vast, dat hij den volgenden nacht kwam. Zoo
ging de abt, toen de nacht inviel, gekleed in het gewaad van Ferondo
en door zijn monnik vergezeld, sliep met haar tot den morgen met
het grootste genot en welbehagen en keerde toen naar de abdij terug,
welken weg hij voor denzelfden dienst vaak aflegde en ieder, zoowel bij
het komen als bij het gaan, als hij een keer ontmoet werd, geloofde,
dat het Ferondo was, die door die streek liep om een boete te doen
en er werden heel wat praatjes over verteld onder het grootste deel
der dorpers en ook aan de vrouw zelf, die wel wist, wat het beteekende.

Toen Ferondo ontwaakte en zich daar bevond zonder te weten waar hij
was, kwam de bologneesche monnik binnen met een vreeselijke stem en
met een roede in de hand, pakte hem beet en gaf hem een flink pak
slaag. Ferondo, klagend en schreeuwend deed niets dan vragen: Waar ben
ik? waarop de monnik antwoordde: Je bent in het vagevuur. Wat! zei
Ferondo: dus ik ben dood? De monnik hernam: Welzeker. Hierop begon
Ferondo over zich zelf te huilen en over zijn vrouw en zijn zoon
en vertelde de ongehoordste dingen van de wereld. Toen bracht de
monnik hem te eten en te drinken. Ferondo dit ziende zeide: O, eten de
dooden? Ja, zei de monnik, en wat ik u breng, is datgene, wat uw vrouw
vanmorgen naar de kerk bracht om missen te laten lezen voor uw ziel en
God de Heer wil, dat dit u hier wordt aangeboden. Toen sprak Ferondo:
Heere, geef haar een goed jaar, ik wenschte haar zeer veel goeds, voor
ik stierf, zóó dat ik haar den ganschen nacht in mijn armen hield en
niets deed dan haar kussen en meer, wanneer ik er lust in had. Daarop,
omdat hij er groote behoefte aan had, begon hij te eten en te drinken
en zeide, omdat de wijn hem niet goed genoeg scheen: God zal haar
straffen, omdat zij aan den priester geen wijn gaf uit het vat tegen
den muur. Maar toen hij had gegeten, pakte de monnik hem opnieuw beet
en gaf hem met dezelfde roede een groot pak ransel. Ferondo zei tot
hem, na te hebben geschreeuwd: Zeg, waarom doe jij mij dat? De monnik
sprak: Omdat God de Heer mij bevolen heeft, dat het u twee keer per
dag gebeurt. En waarom? vroeg Ferondo. De monnik voegde er bij: Omdat
jij jaloersch bent geweest, terwijl je de beste donna had, die er in
jou streken als echtgenoote te vinden was. Wee mij, klaagde Ferondo,
gij zegt de waarheid en zij was de zachtzinnigste, zij was zoeter dan
suiker; maar ik wist niet dat God het den man kwalijk nam jaloersch
te wezen; anders zou ik het niet geweest zijn. De monnik sprak: Gij
had dit moeten bemerken, toen gij daarboven leefde en er u van moeten
zuiveren en als het ooit gebeurt, dat gij er terug keert, zorg dan in
gedachten te houden, wat ik nu bij u maken zal, dat gij daar nooit meer
jaloersch zult zijn. Ferondo zeide: Och, keert daar wel iemand terug,
die sterft? Zeker, zei de monnik, als God het wil. O, antwoordde
Ferondo, als ik er ooit terugkeer, zal ik de beste echtgenoot ter
wereld zijn, ik zal haar nooit slaan, ik zal haar nooit beleedigen,
behalve over den wijn, dien zij mij vandaag heeft gestuurd, en ook
omdat zij mij geen kandelaar heeft gezonden en ik in het duister
heb moeten eten. De monnik sprak: Dat deed ze wel, maar zij branden
bij de missen. O, zei Ferondo, gij zegt de waarheid, en voorzeker,
indien ik er terugkeer, zal ik haar laten doen, wat zij wil. Maar
zeg mij, wie zijt gij, dat gij mij dat doet? De monnik antwoordde:
Ik ben ook dood en kom van Sardinië en omdat ik het vroeger zeer
prees in mijn heer jaloersch te zijn, ben ik door God tot dezelfde
straf gedoemd, die ik u moet geven tot eten en drinken en slaag, tot
God over u en mij anders zal beschikken. Ferondo vroeg: Zijn er geen
anderen dan wij met ons beide? De monnik hervatte: Zeker, duizenden,
maar gij kunt ze zien noch hooren evenmin als zij u. Ferondo vroeg:
hoever zijn wij van onze landen? Hojo, antwoordde de monnik: heel
wat verder dan wij kunnen rijden. Duivels, dat is ver! riep Ferondo
en naar het mij schijnt, moeten wij buiten de wereld zijn, zoo'n
afstand als dat is. Aldus met zulke en gelijksoortige gesprekken,
met eten en slaag werd Ferondo tien maanden lang gevangen gehouden,
in welke de abt dikwijls genoeg zeer gelukkig de schoone donna bezocht
en vaak met haar de mooiste gelegenheid van de wereld had.

Maar zooals de ongelukken gebeuren, werd de donna zwanger en daar zij
het spoedig had bemerkt, zeide zij het aan den abt; daarom scheen het
beide goed, dat Ferondo dadelijk uit het vagevuur tot het leven zou
worden teruggeroepen en dat hij tot haar terugkeerde en zij vertelde,
dat ze van hem zwanger was.

De abt liet aldus den volgenden nacht met een nagemaakte stem
Ferondo in de gevangenis roepen en hem zeggen: Ferondo, troost u,
want het behaagt God, dat gij ter wereld terugkeert; daar opgestegen
zult gij van uw vrouw een zoon krijgen, dien gij den naam moet geven
van Benedetto, omdat u die genade geschonken is door de gebeden van
uw heiligen abt en van uw vrouw en door de liefde van den heiligen
Benedictus. Toen Ferondo dit hoorde, was hij zeer blijde en zeide:
Dat bevalt mij zeer. Onze Lieve Heer geve aan mijnheer den goeden
God een goed jaar en aan den abt en aan Sint Benedictus en aan mijn
goede, zoete, lieve vrouw. De abt liet hem in den wijn, dien hij hem
stuurde, zooveel van het poeder sturen, dat hij hem misschien vier
uur deed slapen, hem zijn kleeren terug gaf en hem met zijn monnik
samen stil weer in de kist legde, waarin hij opgesloten was geweest,
's Ochtends bij het krieken van den dag kwam Ferondo bij zinnen,
en zag door een spleet van de kist licht, wat hij wel in geen tien
maanden gezien had: daarom, nu hij meende weer levend te worden,
begon hij te roepen: _Doe mij open! doe mij open!_ en hij begon
zelf hard met het hoofd tegen den deksel van de kist te bonzen,
zoo sterk, dat hij dien, omdat ze niet zwaar was, ophief en bijna
weg schoof. Toen de monniken de vroegmetten hadden opgezegd, liepen
zij daarheen, herkenden de stem van Ferondo en zagen hem al uit de
kist komen; zij door de vreemdheid van dit feit ontzet, vluchtten en
gingen naar den abt. Deze, die deed, alsof hij uit het gebed zich
verhief, zeide: Mijn zonen, weest niet bevreesd, neem het kruis en
het wijwater en kom bij mij, en laat ons dat aanschouwen wat Gods
macht wil openbaren, en zoo deed hij. Ferondo was geheel wit als een
man, die langen tijd den hemel niet had kunnen zien, uit de kist te
voorschijn gekomen. Toen hij den abt zag, viel hij dien te voet en
zeide: Mijn vader, uw gebeden, naar wat mij werd geopenbaard, en die
van Sint Benedictus en van mijn vrouw hebben mij uit de pijnen van
het vagevuur bevrijd en mij in het leven doen terugkeeren waarom ik
God bid, dat hij u een goed jaar zal geven en goede dagen, nu en het
geheele leven door. De abt zeide: Geprezen zij Gods macht, ga dan,
mijn zoon, nadat Hij u hier heeft teruggezonden en troost uw vrouw,
die steeds, sinds gij uit dit leven zijt gegaan, in tranen is gebleven,
en wees van nu af aan Gods vriend en dienaar. Ferondo zeide: Mijn heer,
dit is mij goed gezegd, laat mij maar gaan, want, zoodra ik haar zal
vinden, zal ik haar zoo kussen als ik haar liefheb. De abt, die met
zijn monniken was achtergebleven, veinsde over die gebeurtenis een
groote verbazing en liet er vroom het _Miserere_ om zingen.

Ferondo keerde naar zijn dorp terug, waar ieder hem schuw aanzag,
gelijk men het vreeselijke schouwspelen pleegt te doen, maar hij
riep de menschen terug en hield vol, dat hij weer uit den doode was
opgestaan. Ook zijn vrouw was evenzeer bang voor hem. Maar toen men
wat meer gerust gesteld was, en men zag, dat hij levend was, en men
hem heel wat vroeg, die veilig uit het vagevuur was weer gekomen,
antwoordde hij allen en bracht hun tijdingen van de zielen van hun
verwanten en verzon uit zichzelf de schoonste fabels van de wereld
over de dingen uit het vagevuur en vertelde ook in aller aanwezigheid
van de openbaring hem gedaan bij monde van Ragnolo Braghiello [60],
voor hij weer opstond. Hierop naar zijn vrouw teruggekeerd, en weer in
het bezit gekomen van zijn goederen maakte hij haar zwanger, naar hij
meende, en toevallig gebeurd het, dat op den gewenschten tijd volgens
de meening van dwazen, die gelooven, dat de vrouw de kinderen negen
maanden dragen--de donna een zoon baarde, die Benedicto Ferondo werd
genoemd. De reis van Ferondo en zijn woorden, daar iedereen geloofde,
dat hij weer was opgestaan, deden de faam der heiligheid van den abt
zonder einde toenemen.

Ferondo, die wegens zijn minnenijd veel slaag had gehad, was er zoo
van genezen, dat hij volgens de belofte, voor den abt aan de donna
gedaan, voortaan nooit meer jaloersch was. De donna leefde hierdoor
tevreden en eerbaar met hem als vroeger, zoo eerbaar, dat, wanneer
zij kans zag zij gaarne met den heiligen abt samen kwam, die haar
goed en ijverig in haar grootste behoeften had gediend.



Negende Vertelling.

    _Gilette de Narbonne geneest den koning van Frankrijk van
    een zweer. Zij vraagt tot echtgenoot Bertram de Roussillon,
    die haar tegen zijn zin huwt en naar Florence gaat uit
    baloorigheid. Hij wordt er verliefd op een jong meisje, onder
    wier naam Giletta met hem slaapt en van hem een tweeling
    krijgt. Hierna begint hij haar te beminnen en behoudt haar
    tot vrouw._


Daar de koningin het voorrecht van Dioneo niet wilde vernietigen,
bleef alleen aan haar te spreken over, toen hiermee de geschiedenis
van Lauretta ten einde was. Daarom begon deze, zonder te wachten, dat
de haren het haar verzochten en zeer verlangend te vertellen, aldus:

Wie zal een verhaal doen, dat mooi schijnt, na dit van Lauretta te
hebben gehoord? Zeker is het een voordeel voor ons geweest, dat zij
niet de eerste was, want alsdan zouden die van de anderen weinig
hebben bekoord, maar toch hoop ik, dat het nog zal gebeuren met die,
welke nog dezen dag verteld moeten worden. Maar hoe het ook zij,
wat mij nu over het voorgestelde onderwerp invalt, zal ik u verhalen.

Er leefde in het koninkrijk Frankrijk een edelman, dien men Isnard,
graaf de Roussillon noemde, die, omdat hij niet zeer gezond was,
altijd een dokter bij zich hield, meester Gérard de Narbonne
genaamd. Genoemde graaf had een eenigen, kleinen zoon Beltram [61]
genaamd, die heel mooi en aardig was en dien men met andere kinderen
van zijn leeftijd opvoedde, onder welken een kind was van dien dokter,
dat Giletta heette. Dit meisje voelde voor dien Beltram een eindelooze
liefde en heviger dan gewoonlijk op dien teederen leeftijd het geval
is. Toen de graaf dood was en hij in handen des konings werd gesteld,
moest hij naar Parijs gaan, waarover het jonge meisje ontroostbaar
bleef. Toen haar vader kort daarop insgelijks stierf, was zij, als zij
maar een gunstige gelegenheid had kunnen vinden, graag daarheen getogen
om Beltram te zien. Maar daar zij streng bewaakt werd, omdat zij rijk
en alleen was achtergebleven, zag zij er geen eerlijk middel toe. Daar
zij al op huwbaren leeftijd kwam en Beltram nooit had kunnen vergeten,
had zij al velen, aan wie haar verwanten haar wilden doen trouwen,
geweigerd zonder de reden te verklaren. Terwijl zij meer dan ooit
van liefde voor Beltram brandde, daar zij gehoord had, dat hij een
zeer schoon jonkman was geworden, kwam de tijding tot haar, dat de
koning van Frankrijk door een gezwel, dat hij op de borst had en dat
slecht was genezen, een zweer had overgehouden, die hem zeer veel pijn
en angst veroorzaakte. Er was nog geen geneesheer te vinden, hoewel
velen het beproefd hadden, die hem hiervan hadden kunnen bevrijden,
maar allen hadden het verergerd. Hierdoor wilde de koning daarover
wanhopig van geen enkele verdere raad of hulp weten. Maar ook was de
jonge dame nu zeer tevreden en dacht zij niet alleen een gewettigde
reden te hebben om naar Parijs te gaan, maar als het de kwaal was,
welke zij onderstelde, kon zij het licht gedaan krijgen om Beltram
tot echtgenoot te bezitten. Vandaar, dewijl zij vroeger van haar
vader heel wat had geleerd, dat zij haar poeder van zekere heilzame
kruiden klaarmaakte, voor de ziekte, welke zij het meende te zijn,
te paard steeg en naar Parijs ging.

Zij hield zich eerst met niets anders bezig dan Beltram te zien en
daarna voor den koning verschenen, vroeg zij hem als gunst haar zijn
kwaal te toonen. De koning, die haar een schoon en voorkomend jong
meisje vond, kon haar niet weigeren en toonde haar die. Zoodra zij
die zweer gezien had, maakte zij zich dadelijk sterk die te kunnen
genezen en zeide: Majesteit, als het u behaagt, heb ik hoop op God u
zonder eenige pijn of lijden in acht dagen van dit ongemak te hebben
verlost. De koning spotte in zich zelf eerst om haar woorden en zeide:
Wat de beste doktoren van de wereld niet hebben gekund of geweten,
zou een jonge vrouw dat vermogen? Hij bedankte haar dus voor haar
goeden wil en antwoordde, dat hij zich had voorgenomen niet meer den
raad van een dokter te volgen. Het meisje sprak: Heer, gij minacht
mijn kunde, omdat ik jong en vrouw ben, maar ik herinner u er aan, dat
ik niet met mijn wetenschap genees, maar met Gods hulp en de kennis
van meester Gerard de Narbonnees, die mijn vader was en een zeer
beroemd arts, toen hij leefde. Toen dacht de koning bij zich zelf:
Misschien is zij mij van God gezonden; waarom beproef ik niet, wat
zij kan doen, daar zij zegt mij in korten tijd te zullen genezen? En
na besloten te hebben het te beproeven, zeide hij: En als u mij niet
geneest, mejuffrouw, na mij van mijn besluit te hebben afgebracht,
wat wilt gij, dat er uit volgt? Heer, antwoordde de jonge dame,
laat mij bewaken en als ik u in acht dagen niet genees, laat mij dan
verbranden; maar als ik u wel herstel, wat zal ik dan voor belooning
krijgen? De koning hernam: Gij schijnt mij nog ongetrouwd; indien gij
dit doet, zullen wij u goed en voornaam uithuwen, Het jonge meisje
zeide: Neen, het doet mij waarlijk genoegen, dat gij mij uithuwt,
maar ik wil een echtgenoot gelijk ik u zal vragen zonder een van uw
zonen of een prins van het vorstelijk Huis te verlangen. De koning
beloofde haar dadelijk dit te doen. Het meisje begon onverwijld haar
kuur en voor den vastgestelden termijn maakte zij hem beter. Hierdoor
zeide de koning, toen hij zich genezen gevoelde: Mejuffrouw, u hebt
uw echtgenoot gewonnen. Zij antwoordde: Dan, heer, heb ik Beltram de
Roussillon gewonnen, welke ik van af mijn kindsheid begon te beminnen
en die ik altijd zeer lief heb gehad. Het scheen den koning een lastig
ding om haar dien te schenken, maar omdat hij het beloofd had en
zijn woord niet wilde breken, liet hij hem tot zich roepen en zeide
tot hem: Beltram gij zijt nu een groot, volwassen man; wij willen,
dat gij terugkeert om uw graafschap te besturen en gij zult een jonge
dame met u mede voeren, die wij u tot echtgenoote hebben gegeven.

Beltram vroeg: En wie is die jonge dame, heer? De koning antwoordde:
Het is degene, die mij met haar geneesmiddelen de gezondheid heeft
terug geschonken. Beltram, die haar kende en gezien had, zeide, hoewel
zij hem zeer schoon leek maar wist, dat zij niet van een afkomst was,
die met zijn adel overeenstemde, zeer verontwaardigd: Heer, waarom wilt
gij mij een doktores tot vrouw geven? God verhoede, dat ik ooit zoo'n
vrouw neem. De koning antwoordde: Wilt gij dan, dat wij ons woord niet
nakomen, wat wij om onze gezondheid te herwinnen aan die jonge dame
gaven, die u als loon hiervoor tot man vroeg? Heer, hernam Beltram,
gij kunt mij alles ontnemen, wat ik bezit en mij geven als uw onderdaan
aan wien het u behaagt. Maar wees er zeker van, dat ik nooit over dit
huwelijk tevreden zal wezen. Toch--sprak de koning--zult gij het zijn,
omdat de jonge dame mooi en wijs is en veel van u houdt; daarom hopen
wij, dat gij een veel aangenamer leven met haar zult hebben dan met
een edelvrouw van hooger geboorte. Beltram zweeg en de koning liet
groote toebereidselen maken voor het bruiloftsfeest. Toen de hiervoor
bestemde dag gekomen was, huwde Beltram, hoe ongaarne hij het ook deed,
de juffrouw, die hem meer dan zichzelf liefhad. Hierop als iemand, die
reeds bij zichzelf heeft bedacht, wat hem te doen staat, zeide hij,
dat hij naar zijn graafschap wilde terugkeeren en er het huwelijk
wilde voltrekken en vroeg verlof aan den koning. Hij steeg te paard
en ging niet naar zijn graafschap, maar begaf zich naar Toscane. Hij
wist, dat de Florentijnen oorlog voerden met de Sienneezen en hij koos
voor de eersten partij. Hij werd bij hen met vreugde en eer ontvangen
en tot kapitein gemaakt van een zeker aantal manschappen. Toen hij
van hen goeden voorraad had ontvangen, bleef hij een langen tijd in
hun dienst. De jonge vrouw weinig tevreden met dit voorval, hoopte
door goed te werk te gaan hem in zijn graafschap terug te roepen
en ging naar Roussillon, waar zij door allen als hun gebiedster werd
ontvangen. Daar vond zij, gedurende den langen tijd, dat zij zonder den
graaf was, alles verwaarloosd en in verwarring en als een verstandige
vrouw bracht zij alles weer in orde. Haar onderhoorigen waren hierover
zeer tevreden, stelden haar zeer hoog, droegen haar groote liefde toe
en laakten den graaf zeer, dat hij met haar niet tevreden was. Toen
de dame in het land alles in orde had gebracht, deed zij dit aan den
graaf door twee ridders weten en verzocht hem, indien het om haar was,
dat hij niet in het graafschap kwam, het haar te berichten en dat
zij dan om hem genoegen te doen, zou vertrekken. Hierop antwoordde
deze zeer hard: Laat zij daarin haar zin volgen, ik voor mij zal bij
haar komen, wanneer zij dezen ring aan den vinger heeft en een zoon
van mij gewonnen op den arm. Hij stelde dien ring zoo op prijs, dat
hij er nooit van scheidde wegens de kracht, die men hem had verteld,
dat deze bezat. De twee ridders begrepen de hardheid van de voorwaarde
gesteld in die bijna onmogelijke dingen en ziende, dat zij door hun
woorden hem niet van zijn plan konden afbrengen, keerden zij naar
de donna terug en verhaalden haar zijn antwoord. Deze zeer bedroefd,
overlegde na lang nadenken of die twee dingen mogelijk konden worden,
omdat zij dan haar echtgenoot terug kreeg.

En na gedaan te hebben wat zij plicht dacht, verzamelde zij een deel
der grootste en voornaamste vazallen van haar graafschap, vertelde hun
geregeld en met zachte woorden, wat zij al gedaan had uit liefde voor
den graaf en toonde, wat er uit was voortgekomen. Ten slotte zeide
zij, dat haar plan niet was door haar verblijf aldaar den graaf in
eeuwige ballingschap te houden, maar dat zij integendeel de rest van
haar leven met pelgrimstochten wilde doorbrengen en met diensten van
barmhartigheid tot heil van haar ziel. Zij verzocht hun, dat zij de
bewaking en de regeering van het graafschap overnamen en aan den graaf
zouden berichten, dat zij het gebied vrij en verzorgd gelaten en er
zich uit verwijderd had om nooit meer in Roussillon terug te keeren.

Toen zij zoo sprak, werden er heel wat tranen door de goede vazallen
geschreid en veel beden tot haar gericht, opdat het haar zou behagen
van plan te veranderen en te blijven, maar zij bereikten niets. Zij,
na hen aan God te hebben aanbevolen, ging vergezeld van een neef en
een kamervrouw in pelgrimskleederen, goed voorzien van geld en dure
edelsteenen op weg zonder te weten, waar zij heen ging en zij hield
geen rust voor zij binnen Florence was. Bij toeval daar aangekomen,
trok zij zich terug in eene kleine herberg, welke een goede weduwe
hield en bleef daar geheel als een arme pelgrimsvrouw verlangend iets
van haar heer te hooren. Toevallig zag zij aldus den volgenden dag
Beltram te paard met zijn compagnie de herberg voorbijgaan en zij
vroeg, hoe goed zij hem ook kende, wie hij was. De herbergierster
antwoordde: Dat is een aardig en hoffelijk, vreemd edelman, die
graaf Beltram heet en die in deze stad zeer bemind is. Het is de
verliefdste man ter wereld op een van onze buren, een edelvrouw maar
arm. Ze is zeer fatsoenlijk en huwt nog niet uit armoede, maar blijft
bij haar moeder, een zeer wijze en goede donna. En misschien, als die
haar moeder niet was, had zij al gedaan wat aan den graaf zou hebben
behaagd. Toen de gravin die woorden hoorde, onthield ze die goed en na
alles nauwkeurig te hebben onderzocht en elke bijzonderheid te hebben
gezien, vormde zij haar plan. Nadat haar het huis was aangewezen en
de naam van de donna en van haar dochter, bemind door den graaf, ging
zij er op een dag in pelgrimskleed stil heen. Zij vond de donna en
haar dochter in armoede, groette hen en zeide aan de donna, dat zij,
wanneer het haar schikte, haar wilde spreken. Nadat de edelvrouw
was opgestaan, zeide zij bereid te zijn haar aan te hooren en toen
zij alleen in een kamer getreden waren en zich neerzetten, begon de
gravin: Madonna, het schijnt mij, dat de fortuin u als mij vijandig
is, maar als gij wilt, zult gij toevallig ons beiden, u en mij,
tevreden kunnen stellen. De donna antwoordde, dat zij niets anders
verlangde dan zich op eerzame wijze te troosten. De gravin vervolgde:
Ik heb uw woord noodig, maar als ik er op vertrouw en gij bedriegt
mij, zult gij uw eigen zaken en de mijnen bederven. Zeker, zei de
edelvrouw, zeg mij al, wat u bevalt, want nooit zult gij u door mij
bedrogen vinden. Toen vertelde haar de gravin, die begon over haar
eerste liefde, wie zij was, en wat er geschied was tot op dien dag
van haar bezoek zóó, dat de edelvrouw vertrouwde op haar woorden, ook
omdat zij die al ten deele van anderen gehoord had en kreeg medelijden
met haar. De gravin vertelde haar lotgevallen en ging voort: Gij hebt
bij mijn andere ongelukken die twee dingen gehoord, die ik noodig heb
om mijn man terug te krijgen. Ik ken niemand anders, die ze mij kan
verschaffen dan gij, indien het waar is, wat ik verneem, dat de graaf,
mijn echtgenoot, ten zeerste uw dochter bemint.

De edelvrouw antwoordde: Madonna, of de graaf mijn dochter bemint,
weet ik niet, maar hij geeft er zich zeer den schijn van. Maar wat
kan ik hierbij doen, dat gij verlangt? Madonna, antwoordde de gravin,
ik zal het u zeggen. Doch ten eerste wil ik u dat uiteenzetten, wat ik
wil, dat er voor u uit volgt, indien gij mij van dienst zijt. Ik zie,
dat uw dochter schoon en groot genoeg is voor een huwelijk en naar
wat ik vernomen heb en meen te begrijpen, is het gebrek aan geld om
haar uit te huwen, dat u haar thuis doet houden. Ik ben van plan tot
loon voor den dienst die gij mij zult bewijzen, haar van mijn geld
spoedig een bruidschat te schenken, die gij zelf voornaam genoeg
zult achten en voldoende om haar te laten trouwen. De donna, die
het noodig had, beviel dit, maar daar zij een adellijken geest had,
zeide zij: Mevrouw, zeg mij wat ik voor u kan verrichten en als dat
mij fatsoenlijk schijnt, zal ik het gaarne doen en gij zult daarna
handelen gelijk gij verkiest. De gravin zeide: Ik heb noodig, dat gij
door iemand, dien gij vertrouwt, aan den graaf mijn echtgenoot, laat
zeggen, dat uw dochter bereid is hem elk genoegen te doen, mits zij
er zeker van kan zijn, dat hij haar zoo bemint gelijk hij voorgeeft en
dat zij het nooit moet gelooven, indien hij haar niet den ring geeft,
dien hij aan de hand draagt en van welken zij gehoord heeft, dat hij
daaraan zoo gehecht is. Als hij u dien geeft, zult gij dien aan mij
schenken en daarna zult gij uw dochter opdragen te zeggen, dat zij
gereed is zijn genoegen te doen. Gij zult hem in 't geheim hier laten
komen en gij zult mij in plaats van uw dochter aan zijn zijde doen
liggen. Misschien zal God mij de genade schenken zwanger te worden
en zoo met zijn ring aan den vinger en een kind door hem verwekt op
den arm, zal ik hem heroveren en ik zal bij hem blijven gelijk een
vrouw met haar man leven moet, en daarvan zult gij dan de oorzaak
zijn. Dit scheen aan de edelvrouw een heel ding, daar zij vreesde,
dat er misschien voor haar dochter schande uit volgen zou; maar daar
zij toch vond, dat het een eerlijke zaak was, dat de goede dame haar
man terugkreeg en dat zij tot een eerbaar doel zich er toe zetten om
dit te doen, vertrouwde zij op haar goede en fatsoenlijke gezindheid
en beloofde het niet alleen aan de gravin maar binnen weinige dagen
met geheime voorzorg, volgens den last haar opgedragen, had zij
dien ring (hoe bezwaarlijk dit den graaf ook scheen) en liet haar in
plaats van de dochter op meesterlijke wijze met hem samenslapen. Na
de eerste samenkomsten zeer hartstochtelijk door den graaf verlangd,
werd de gravin naar het Gode behaagde zwanger van twee knapen gelijk
de tijdige bevalling deed blijken. En de edelvrouw bevredigde niet
slechts eens de gravin met omhelzingen van haar echtgenoot maar
vele malen, zoo heimelijk te werk gaande, dat hij er nooit een woord
van wist. De graaf geloofde altijd, dat hij niet bij zijn vrouw was
geweest maar bij degene, die hij beminde. Hij gaf haar, toen hij 's
ochtends heenging, verscheidene schoone en dure geschenken, welke de
gravin alle met zorg bewaarde.

Toen zij zwanger was, wilde zij de edelvrouw niet langer lastig vallen
met dien dienst, maar zij sprak tot haar: Mevrouw, God en u zij dank,
heb ik nu, wat ik verlangde, en daarom is het tijd, dat ik doe wat u
aangenaam zal zijn, opdat ik daarna vertrek. De edelvrouw zei haar,
dat, indien zij had, wat zij begeerde, dit haar genoegen deed, maar
dat zij het niet had gedaan met eenige hoop op belooning, doch omdat
het haar scheen, dat zij dit moest doen om goed te handelen. De gravin
ging voort: Madonna, dit bevalt mij zeer en van mijn kant ben ik niet
van plan u iets te geven als belooning, maar om goed te doen, wat mij
plicht schijnt. De edelvrouw toen door noodzakelijkheid gedwongen,
vroeg haar met groote verlegenheid honderd lire om haar dochter te
doen trouwen. De gravin, die haar verlegenheid zag en haar bescheiden
vraag hoorde, gaf er haar honderd vijftig en zooveel schoone en dure
juweelen, dat die evenveel waard waren, waarover de edelvrouw meer
dan tevreden zoo goed zij kon de gravin bedankte, welke afscheid
van haar nam en naar de herberg terugkeerde. De edelvrouw om aan
Beltram elke reden te ontnemen iets meer te gelasten of om verder
in haar huis te komen, ging met haar dochter te zamen in haar land
naar de woning van haar verwanten. Wat Beltram betreft, hij ging
naar zijn verblijf daar terug, toen hij eenigen tijd later door zijn
vazallen werd geroepen en hoorde, dat de gravin zich had verwijderd. De
gravin wetend, dat hij Florence had verlaten en naar zijn gebied was
teruggekeerd, was zeer tevreden en bleef zoolang in die stad, tot het
oogenblik der bevalling kwam en baarde twee jongens, die zeer op hun
vader geleken en die zij met zorg liet zoogen. Toen het tijd werd,
begaf zij zich op weg zonder door iemand gekend te worden, kwam te
Montpellier en na eenige dagen te hebben uitgerust en omtrent den
graaf inlichtingen te hebben gekregen en waar hij zich bevond en zij
wist, dat hij op Allerheiligen te Roussillon een groot feest moest
geven van edelvrouwen en ridders, ging zij weer in pelgrimskleed,
gelijk zij gewoon was, daarheen. Zij vernam, dat de dames en heeren in
het paleis van den graaf bijeen waren om aan tafel te gaan en zonder
van kleederen te verwisselen klom zij met die knaapjes op haar armen
naar de zaal en ging van gast tot gast, tot waar zij den graaf zag,
wierp zich aan zijn voeten en zeide: Mijnheer, ik ben uw ongelukkige
echtgenoote, welke om u in huis te laten terugkeeren en blijven,
langen tijd rondgezworven heeft. Ik herwin u door God, zoo gij u
aan de voorwaarden houdt mij gesteld door de twee ridders, die ik u
toezond. Ziedaar op mijn armen niet slechts één zoon van u, maar twee
en ziehier uw ring. Het is dus tijd, dat ik door u ontvangen word
als uw vrouw volgens uw belofte. De graaf dit hoorende was geheel
buiten zichzelf en herkende den ring en ook de kinderen, die zoo
op hem leken, maar hij zeide: Hoe kan dit gebeurd zijn? De gravin
tot groote verbazing van den graaf en van alle aanwezigen vertelde
achtereenvolgens, wat er gebeurd was en hoe. De graaf, die zag, dat
zij de waarheid sprak en haar volharding en haar scherpzinnigheid
bewonderde en ook die zoo schoone knaapjes, wierp zoowel wegens de
belofte, die hij had gedaan als om aan al zijn vazallen en edelvrouwen
genoegen te doen, zijn wreede koppigheid van zich af, daar zij allen
hem vroegen haar als zijn wettige echtgenoote voortaan te ontvangen
en te eeren en deed de gravin opstaan. Hij omhelsde en kuste haar,
herkende haar als zijn wettige vrouw en de kinderen als de zijnen. Hij
liet haar met gewaden overeenkomstig haar rang kleeden en tot groote
blijdschap van allen, die er waren en van al zijn andere vazallen,
die dit vernamen, maakte hij niet alleen dien dag, maar vele anderen
een zeer groot feest en van af dien tijd eerde hij haar steeds als
zijn echtgenoote en vrouw, beminde haar en stelde haar zeer hoog.



Tiende Vertelling.

    _Alibek wordt kluizenaarster. De monnik Rustico leert haar
    den duivel naar de hel te sturen; dan vandaar geroofd, wordt
    zij de vrouw van Neerbal._ [62]


Dioneo, die ijverig bij het verhaal van de koningin had toegeluisterd,
zag, dat het geëindigd was en dat aan hem alleen de beurt bleef om
te vertellen. Zonder bevel af te wachten begon hij lachend: Genadige
donna's. Gij hebt misschien nooit gehoord, hoe men den duivel terug
jaagt naar de hel en daarom zonder af te wijken van het onderwerp,
waarover gij allen gesproken hebt, ga ik u dit verhalen. Misschien kunt
gij, als gij het verneemt, er de ziel bij winnen en erkennen, dat,
hoezeer Amor veel liever de vreugdevolle paleizen en de fluweelige
salons bewoont dan de armelijke hutten, hij niettemin tusschen de
dichte bosschen, de wilde bergen en de verlaten spelonken zijn kracht
doet gevoelen, waaruit men kan begrijpen, dat alles aan zijn macht
onderworpen is.

Dus om tot het feit te komen, zeg ik, dat in de stad Capsa [63]
in Barbarije vroeger een zeer rijk man leefde, die behalve eenige
zoons een schoone en lieve dochter had, die Alibek heette. Deze was
geen Christin en daar zij van vele Christenen, die in de stad waren,
het christelijk geloof en het dienen van God hoorde roemen, vroeg
zij op een goeden dag aan een er van op welke wijze en hoe men het
gemakkelijkst God kon dienen. Deze antwoordde haar, dat diegenen God
het best dienden, die vooral de wereldsche zaken ontvluchtten gelijk
zij deden, welke zich in de eenzaamheid der woestijnen van Thebaïda
hadden terug getrokken. Het meisje, dat hoogst eenvoudig was en
misschien veertien jaar oud, ging niet door een zelfbewust maar door
een kinderlijk verlangen zonder er iemand iets van te laten merken,
den volgenden morgen naar de woestijn van Thebaïda [64] geheel alleen
in 't geheim en met groote inspanning den honger verdurend bereikte
zij na eenige dagen die eenzame oorden. Zij zag van verre een huisje,
ging er heen en vond op den drempel een heiligen man, die verwonderd
haar te zien haar vroeg wat zij daar kwam zoeken. Zij antwoordde, dat
zij door een ingeving van God in Zijn dienst zocht te komen en dat
hij haar zou leeren, hoe het haar paste Hem te dienen. De waardige
man, die haar jong en zeer schoon vond en vreesde, dat hij, als hij
haar hield, door den duivel zou worden verleid, prees haar goede
gezindheid en nadat hij haar eenige wortels had te eten gegeven en
wilde appels en dadels en wat water om te drinken, zeide hij: Mijn
dochter, niet ver van hier woont een heilig man, die in de dingen,
welke gij zoekt meer meester is dan ik; gaat gij naar hem toe. Zij
begaf zich op weg. Zij kwam bij hem en nadat zij dezelfde woorden
vernam en verder ging, kwam zij aan de cel van een jongen kluizenaar,
een zeer vroom en goed man, die Rustico heette en zij vroeg hem,
wat zij ook de anderen gevraagd had.

Deze om zijn standvastigheid op een groote proef te stellen, stuurde
haar niet als de anderen weg, maar hield haar in zijn cel en toen
de nacht kwam, maakte hij haar een bed van palmtakken en op dezen
vroeg hij haar zich uit te strekken. Toen dit gedaan was, kon hij
de verleiding niet langer weerstand bieden om slag te leveren. Hij
weldra hierdoor bedrogen, boog zonder te veel verzet het hoofd en gaf
zich als overwonnene over. En de heilige gedachten, de gebeden en de
oefeningen ter zijde latend, begon hij in zijn herinnering de jeugd
en de schoonheid van het jonge meisje terug te roepen en behalve dat
te peinzen over den weg en de manier, die hij moest volgen bij haar,
opdat zij niet bemerkte, hij als een besluiteloos man wilde bereiken,
wat hij van haar verlangde.

Na eerst eenige vragen gesteld te hebben als proef, bemerkte hij
spoedig, dat zij nooit een man gekend had en dat zij even eenvoudig
was, als zij er uit zag. Daarom maakte hij het plan om onder het
voorwendsel van God te dienen haar tot zijn bevrediging over te
halen. Voor alles toonde hij haar met vele woorden aan, hoezeer
de duivel een vijand is van God den Heer en daarna gaf hij haar te
verstaan, dat men hiermee den grootsten dienst deed aan God den duivel
naar de hel terug te jagen, waartoe God hem verdoemd had. Het meisje
vroeg hem, hoe hij dit deed. Rustico antwoordde hierop: Gij zult
het spoedig weten en daartoe zult gij doen, wat gij mij ook zult
zien verrichten. Hij begon zich van de weinige kleeren te ontdoen,
die hij aanhad en bleef geheel naakt en zoo deed ook het kind; hij
deed haar op de knieën liggen, alsof zij wilde bidden en plaatste
haar recht tegenover hem. In die houding, toen Rustico meer dan
ooit in begeerte ontbrand was door haar zoo schoon te zien, kwam
de prikkel des vleesches, wat Alibek zag en verwonderd deed zeggen:
Rustico, wat is dat, wat ik bij u zie, dat bij u zoo uitsteekt en wat
ik niet heb? O mijn dochter, zeide Rustico, dat is de duivel, waarvan
ik je gesproken heb. En ziet gij: hij kwelt mij nu in de hoogste mate,
zoodat ik het ternauwernood kan uithouden. Toen zeide het jonge meisje:
O God zij geloofd, dat ik beter af ben dan gij, omdat ik dien duivel
niet heb. Rustico antwoordde: Gij zegt de waarheid, maar gij bezit iets
anders wat ik niet heb en dat hebt gij daarvoor in ruil. Alibek hernam:
Wat dan? Hierop antwoordde Rustico: Gij hebt de hel en ik verzeker u,
dat ik geloof, dat God u hierheen heeft gezonden voor het heil van
mijn ziel, opdat, terwijl die duivel mij zooveel kwelling veroorzaakt,
gij zooveel medelijden moet hebben om toe te staan, dat ik hem in
die hel breng, waardoor gij mij een zeer groote verlichting zult
schenken en aan God een zeer groot welgevallen en dienst bewijzen,
indien gij hier gekomen zijt om te doen, wat gij zegt. Het meisje
antwoordde te goeder trouw: Mijn vader, daar ik die hel heb, mag dit
gebeuren, wanneer het u zal behagen. Rustico sprak: Mijn dochter,
wees gezegend, laten wij dan beginnen en laten wij hem er brengen,
opdat hij mij dan met rust laat. Na die woorden legde hij het meisje
op een van hun twee bedden en toonde haar, hoe zij zich moest houden
om dien door God vervloekte gevangen te houden. Het meisje, dat nog
nooit een duivel naar de hel had gestuurd, voelde eerst een weinig
pijn, waarom zij tot Rustico zeide: Zeker, mijn vader, die duivel moet
een kwade wezen, en werkelijk een vijand des Heeren, want zelfs in de
hel doet hij anderen lijden, als hij er in is gestuurd. Rustico ging
voort: Mijn dochter, hij zal er niet altijd zoo blijven. En om te
zorgen, dat dit niet gebeurde, stuurden zij zes keer achter elkaar,
voor zij van het bed opstonden den duivel naar de hel, zoodat zij
hem eindelijk het hoofd deden buigen en hij zich stil hield. Maar
daarna toen zij hem meermalen deden terugkeeren en het gehoorzame,
jonge meisje zich er steeds toe leende, begon het spelletje haar te
behagen en zeide zij tot Rustico: Ik zie wel, dat de waarde mannen
in Capsa waarheid spraken, dat den Heer te dienen zulk een aangename
zaak was. En zeker herinner ik mij niet, dat ik ooit iets anders
deed, wat mij zooveel genoegen en behagen verschafte als den duivel
naar de hel te jagen. Daarom meen ik, dat ieder, die zich met iets
anders bezighoudt dan God te dienen een beest is. Hierdoor ging zij
dikwijls Rustico opzoeken en zeide tot hem: Mijn vader, ik ben hier
gekomen om God te dienen en niet om rust te houden; laten wij weer
den duivel in de hel doen. Bij zoo'n gelegenheid zeide zij eens:
Rustico, ik weet niet, waarom de duivel uit de hel vlucht, want als
hij er zoo graag bleef, wanneer de hel hem ontvangt en gevangen houdt,
zou hij er nooit uit komen.

Doordat het meisje dikwijls Rustico uitnoodigde en tot den dienst des
Heeren hem opwekte, trok zij hem zoo het katoen uit het hemd, dat
hij zich koud voelde, wanneer een ander zou hebben gezweet. Daarom
begon hij aan het meisje te zeggen, dat de duivel niet gekastijd
en naar de hel gestuurd moest worden dan, wanneer hij trotsch het
hoofd ophief. En wij hebben hem, Goddank, zoo getuchtigd dat hij den
hemel bidt om rustig te blijven, en zoo legde hij aan het meisje het
zwijgen op. Deze, toen zij zag, dat Rustico haar niet terug riep om den
duivel naar de hel te sturen, zeide hem eens: Rustico, als uw duivel
geranseld is en u geen last meer veroorzaakt, laat mijn hel mij geen
rust, daarom zult gij goed doen, dat gij met uw duivel helpt om de
razernij in mijn hel te stillen, gelijk ik u geholpen heb om met mijn
hel den trots van uw duivel te buigen. Rustico, die van kruidwortelen
en water leefde, kon moeilijk op de uitnoodigingen ingaan en zeide
haar, dat er te veel duivels noodig zouden zijn om de hel tot bedaren
te brengen, maar dat hij zou doen, wat hij kon. Zoo voldeed hij haar
enkele malen maar zoo weinig, dat dit niet meer was dan een boon te
werpen in den muil van een leeuw. Hierover was het jonge meisje zeer
ontstemd wien hij God niet zoo scheen te dienen, als zij wilde.

Terwijl tusschen den duivel van Rustico en de hel van Alibek dit door
te veel begeerte en te weinig macht gaande was, brak er in Capsa
een brand uit, die in het eigen huis den vader van Alibek, al zijn
kinderen en dienaars verbrandde, zoodat Alibek de erfgename werd van
al diens goederen. Dadelijk begon een jonkman Neerbal genaamd, die in
bandeloosheid al zijn bezittingen verkwist had en vernam, dat zij nog
leefde, haar te zoeken en vond haar terug, eer het gerecht beslag had
gelegd op de goederen van haar vader als van een man gestorven zonder
erfgenaam. Tot groot genoegen van Rustico en tegen den wil van haar
bracht hij haar terug naar Capsa en nam haar tot vrouw en werd met
haar te samen erfgenaam van het groote, ouderlijke goed. Doch toen
haar gevraagd werd door de vrouwen, voor zij met Neerbal had geslapen,
met wat zij God in de woestijn had gediend, antwoordde zij, dat zij
Hem diende door den duivel naar de hel te jagen en dat Neerbal een
groote zonde had bedreven door haar aan dien dienst te onttrekken. De
vrouwen vroegen: Hoe jaagt men den duivel daarin? Het meisje toonde
het hun met woorden en met gebaren. Zij moesten daar zoo om lachen,
dat zij het nog doen en zeiden: Wordt maar niet neerslachtig kind,
neen, want men doet dat hier ook en Neerbal zal God den Heer ook
goed met u dienen. Toen daarna de een na de ander het door de stad
verspreidden, werd het daar een algemeen gezegde, dat men God geen
meer welgevalligen dienst kon bewijzen dan door de duivel in de hel
te doen. Dit gezegde vandaar over zee gekomen bestaat nog. Daarom,
jonge dames, die Gods genade noodig hebt, leer den duivel in de hel
sturen, omdat dit den Heere welgevallig is en aan hen, die het doen
en omdat er veel goeds uit kan geboren worden en volgen.

Wel duizend malen had het verhaal van Dioneo de eerbare donna's doen
lachen, zoo komiek schenen hun zijn woorden. Toen de historie ten
einde was, en de koningin zag, dat de termijn van haar heerschappij was
verstreken, hief zij daarom den lauwer van het hoofd, welke zij zeer
lieftallig zette op dat van Filostrato en zeide: Wij zullen spoedig
zien of de wolf beter de schapen weet te leiden dan de schapen het
de wolven deden. Toen Filostrato dit hoorde zeide hij lachend: Als
ik dat geloofd had, zouden de wolven aan de schapen geleerd hebben
den duivel in de hel te jagen niet erger dan Rustico bij Alibek deed
en spreekt daarom niet van de wolven, waar gij nog geen schapen zijt
geweest. In ieder geval naar het mij gegeven zal zijn, zal ik de mij
opgedragen regeering aanvaarden. Hierop antwoordde Neifile: Luister,
Filostrato, gij hadt, terwijl gij ons wilde onderrichten, wijsheid
kunnen opdoen, gelijk Masetto van Lamporecchio van de nonnen en zoo
dikwijls hebben te spreken, dat uw beenderen zonder meester geleerd
hadden te toeteren. [65]

Filostrato ziende, dat zij net zooveel schichten hadden als hij pijlen,
hield op met schertsen en begon zich te wijden aan het bestuur des
rijks. Hij liet den hofmeester roepen, van wien hij wilde weten hoe de
zaken stonden en behalve aan deze, gaf hij naar hetgeen hij meende,
dat goed was en het gezelschap zou voldoen, in stilte bevelen, voor
zoolang zijn heerschappij zou duren. Daarna keerde hij zich tot de
donna's en zeide: Verliefde donna's. Sinds mijn ongeluk, weet ik
wel uit mijn lijden, dat ik steeds door de schoonheid van een uwer
ben onderworpen geweest aan Amor en noch mijn nederigheid, noch mijn
gehoorzaamheid, noch hem te volgen daarin, wat mij bekend is tot hulp
bij al zijn gewoonten hebben mij iets geholpen, daar ik eerst voor een
ander verlaten en daarna steeds van kwaad tot erger ben vervallen, en
zoo geloof ik, dat ik van hier den dood tegemoet ga. Daarom wil ik, dat
men morgen van niets anders spreekt dan van wat met mijn lotgevallen
overeenstemt, namelijk _van hem, wier liefde een ongelukkig einde
had_, omdat ik op den duur verwacht, dat het mij zeer ongelukkig
zal gaan, ware het slechts door den naam, waarmee gij mij noemt,
vanwege haar, die wel weet, dat ik gedwongen werd mij zoo te noemen
[66]. En bij die woorden stond hij op om aan elk tot het avondmaal
vrij te geven. De tuin was zoo schoon en bekoorlijk, dat niemand er
uit wilde gaan om elders grooter genoegen te scheppen. Integendeel,
daar de hitte al zoo was afgenomen, dat men niet vermoeid werd door
de geiten, de konijnen en de andere dieren te volgen, die zich daar
bevonden en die, terwijl men gezeten was, meer dan honderd maal de
aanwezigen in de war brachten door tusschen hen in te springen, gingen
zij die na. Dioneo en la Fiammetta begonnen te zingen van Messire
Guiglielmo en van de Dame del Vergiù; Philomena en Pamfilo gingen
zitten schaken, en zoo, deze dit en gene dat doende, vloog de tijd om
en verraste het ternauwernood verwachte uur van het avondmaal. Toen
de tafels bij de schoone fontein waren geplaatst, aten zij met het
grootste genoegen. Filostrato om niet af te wijken van den weg, die
de koninginnen voor hem gegaan waren, beval, toen de tafels werden
weggezet, dat Lauretta een dans zou vormen en een lied zou zingen. Zij
zeide: Mijnheer, ik weet niets van de zorgen der anderen, maar ik heb
er geen onder de mijnen, dat geschikt is voor den geest van een zoo
blijmoedig gezelschap. Indien gij er, van die ik heb, een wilt hooren,
zal ik U dit gaarne voordragen. Daarop zei de koning: Al wat van U
komt, kan niet anders dan schoon en bekoorlijk zijn, daarom zing het
gelijk gij het hebt. Lauretta met een zeer liefelijke stem maar op een
ietwat klagelijke wijze begon aldus, terwijl de anderen antwoordden:



    Geen troostelooze
    Heeft zich zoo te beklagen als ik,
    Want, helaas, ik zucht vergeefs in liefde.



    Hij, die den hemel beweegt en elke ster
    Maakte mij naar zijn welbehagen
    Lief, bekoorlijk, gracieus en schoon
    Om hier omlaag aan elk hoog verstand
    Eenig teeken te geven
    Van de schoonheid, die Hem altijd voor oogen staat,
    En de menschelijke onvolmaaktheid,
    Die mij slecht heeft gekend,
    Viert mij niet maar heelt mij zelfs geminacht.



    Vroeger was er een, die mij lief had en die gaarne
    Als jong meisje mij nam
    In zijn armen en daarna in al zijn gedachten
    En voor mijn oogen geheel ontvlamde.
    En de tijd, die licht voorbij vliegt
    Verkwiste hij geheel met mij te beminnen,
    En ik, die hoffelijk ben,
    Maakte hem mijner waardig,
    Maar nu tot mijn droefenis mis ik hem.



    Toen kwam tot mij een trotsche
    En fiere jonkman,
    Die zich edel roemde en dapper
    En mij nam en hield en met valsche gedachte
    Jaloersch is geworden.
    Daarover, helaas, ben ik wanhopig,
    In waarheid wetend
    Dat ik, voor het heil van velen ter wereld
    Gekomen, door één geheel ben vermeesterd.



    Ik verfoei mijn ongeluk,
    Toen ik om vrouw te worden
    Het ja! ooit uitsprak; zoo schoon en blijde
    Zag ik mij vroeger in het donker onheil, waarin ik nu
    Een hard leven leid,
    Terwijl ik minder dan vroeger als eerbaar bekend ben.
    O smartbrengende vreugde!
    Waarom ben ik niet gestorven,
    Voor ik dit en zoo heb beleefd!



    O dierbare minnaar, waarover ik eerst
    Meer dan over ieder ander blijmoedig was,
    En die thans in den hemel is bij Hem,
    Die ons schiep, zie heb medelijden
    Met mij, die voor anderen
    U niet kan vergeten: doe mij gevoelen,
    Dat de vlam niet is uitgebluscht,
    Die voor mij U verteerde,
    En erlang daar voor mij het wederzien.



Hier eindigde Lauretta het lied, dat door allen geprezen op
verschillende wijze werd begrepen. Er waren er, die het op zijn
Milaneesch wilden verstaan en volhielden dat een goed varken beter is
dan een mooi meisje. Anderen waren van een meer verheven en beter en
waarder gedachte, maar het voegt niet er nu over uit te weiden. Hierna
liet de koning, die op het gras en tusschen de bloemen vele fakkels
had doen aansteken, verscheidene andere liederen zingen, tot elke
ster begon te dalen, die was opgegaan. Daarom beval hij, toen het
hem tijd scheen om te slapen, dat elk tot een goeden nacht naar zijn
kamer terugkeerde.



Vierde Dag.

    _De derde Dag van de _Decamerone_ eindigt; de vierde vangt aan,
    waarop onder het bewind van Filostrato gesproken wordt van hen,
    wier liefde een ongelukkig einde had._


Zeer geliefde donna's. Zoowel door de woorden van wijze mannen, die ik
hoorde als door de vele dingen meermalen door mij gezien en gelezen,
meende ik, dat de hevige en brandende wind van de afgunst slechts de
hooge torens of de verhevenste toppen der boomen kon schudden, maar
ik vond mij in mijn meening bedrogen; daarom vluchtend en altijd mijn
best doende de wreede kracht van dien wind te ontvluchten, was ik er
steeds op uit niet alleen door de vlakten, maar ook door de diepste
valleien te gaan. Wat duidelijk genoeg kan blijken aan wien de hier
gegeven geschiedenissen beschouwt, welke door mij niet alleen zijn
geschreven in de florentijnsche volkstaal en in proza en zonder titel,
[67] maar ook in den meest gewonen en sobersten stijl, zooveel als
maar mogelijk is. Toch heb ik daardoor niet kunnen beletten, dat ik
geheel door zulk een wind wreed werd geschud en ook bijna ontworteld
en geheel verscheurd door de beten van den nijd. Daarom kan ik best
begrijpen, dat het waar is, wat de wijzen plegen te zeggen, dat alleen
de ellende in de tegenwoordige wereld zonder afgunst is.

Er zijn dan, bescheiden dames, enkele lieden geweest, die deze
novellen lezende, hebben gezegd, dat gij mij te veel behaagt en
dat het geen eerlijke zaak is, dat ik er zooveel behagen in schep u
te willen bekoren en u te troosten en anderen hebben het nog erger
genoemd u te prijzen gelijk ik deed. Anderen, die wilden voorgeven,
bedachtzamer te spreken, hebben gezegd, dat het op mijn leeftijd [68]
niet past mij voortaan met die dingen bezig te houden, namelijk met de
donna's te spreken of hen te behagen. En velen zeggen, zeer twijfelend
aan mijn goeden naam, dat ik beter deed bij de Muzen op den Parnassus
te blijven dan mij met die dwaasheden onder u te mengen. En er zijn
er ook, die meer met teleurstelling dan met wijsheid spreken, en die
gezegd hebben, dat ik bescheidener deed er aan te denken, vanwaar
ik brood kon krijgen dan die fratsen voort te zetten en wind te
happen. En zekere anderen doen hun best aan te toonen, dat de dingen
anders zijn gebeurd door mij verhaald dan ik ze voorstel, tot nadeel
van mijn arbeid. Aldus, waarde dames, terwijl ik tot uw dienst strijd,
is het door zulke vlagen van nijd, door zulke wreede tanden, door
zulke woorden, dat ik word geslagen, beleedigd en levend doorboord,
welke dingen ik met kalm gemoed--God weet het--hoor en verneem. En voor
zoover uw verdediging op mij in dit alles rust, ben ik niet van plan
mijn krachten te sparen; integendeel zonder zooveel te antwoorden als
noodig is, wil ik met een kort antwoord mij er de ooren van bevrijden
en dit zonder uitstel doen, zoodat, terwijl ik nog niet tot het derde
deel van mijn werk gekomen ben, en zij al talrijk zijn en zich heel
wat aanmatigen, ik meen, voor ik aan het einde kom, dat zij zoo zich
kunnen vermenigvuldigen, dat--zij in het begin niet beantwoord--mij
met weinig moeite er onder kunnen werken, en dat uw krachten, hoe
groot die ook zijn, er ook niet voldoende tegen zouden wezen.

Maar eer ik aan ieder ga antwoorden, staat het mij aan ten mijnen
gunste niet een heele novelle te verhalen, opdat het niet schijnt,
dat ik mijn verhalen met die van een zoo lofwaardig gezelschap wil
vermengen als dit was, waarvan ik u hier sprak, maar een deel er van,
opdat uit zijn gebrekkigheid zelf blijkt, dat het niet van u is en
nu aan mijn vijanden het verhalende, zeg ik: [69]

In onze stad leefde al lang geleden een burger, die Filippo Balducci
heette, een man van zeer nederige afkomst, maar rijk en zeer benijd
en ervaren in de zaken betreffende zijn beroep. Hij had een vrouw,
die hij zeer beminde en zij hem; zij leidden samen een rustig leven
en deden voor niets meer hun best dan om elkaar geheel te behagen. Nu
gebeurde het als met elkeen, dat de goede donna kwam te sterven en
aan Filippo niets anders van haar naliet dan een zoon door haar ter
wereld gebracht, die misschien twee jaar oud was. Hij bleef over den
dood van zijn donna zoo troosteloos als ooit iemand, wanneer die een
geliefd wezen verloor. En ziende, dat hij alleen was gebleven zonder
de gezellin, die hij het meest beminde, nam hij zich voor niet meer
van deze wereld te zijn maar zich te wijden aan den dienst van God en
hetzelfde te doen met zijn kleinen zoon. Nadat hij daarom alles aan
de armen gegeven had, ging hij zonder verwijl naar den berg Asinajo
[70] en daar trok hij zich met zijn zoon in een kleine hut terug,
waarin zij beide van aalmoezen in vasten en bidden leefden en hij zich
ten sterkste er voor hoedde met zijn zoon van eenige wereldlijke zaak
te spreken of hem er iets van te laten zien, opdat dit hem niet van
dezen dienst afleiden zouden, maar altijd van de glorie van het eeuwige
leven en van God en van de heiligen en leerde hem niets anders dan de
heilige gebeden en hij liet hem vele jaren zoo leven, en nooit uit de
hut gaan of hem ooit iets anders aanschouwen. De eerwaarde man placht
soms naar Florence te gaan en vandaar, geholpen naar zijn behoeften,
keerde hij naar zijn hut terug. Toen de jongen al achttien jaar was
en Filippo al oud, vroeg hij hem eens, waar hij heenging. Filippo
zeide het hem. De jongen antwoordde: Vader, gij zijt nu oud en kunt
slecht vermoeienis verdragen; waarom brengt gij mij niet een keer
naar Florence, opdat, wanneer gij mij de vrienden en vromen van God
en van u doet kennen, ik die jong ben en mij beter kan inspannen,
voor onze behoeften later naar Florence kan gaan, wanneer het u
bevalt? En gij kunt dan hier blijven.

De eerwaarde man, die bedacht, dat zijn zoon al groot was en zoo
gewoon was aan den dienst van God, dat de dingen der wereld hem
moeilijk voortaan daaraan konden onttrekken, zeide tot zich zelf:
Hij redeneert goed. Daarom, toen hij er heen moest gaan, nam hij hem
mee. Toen de jonkman daar de paleizen zag, de huizen, de kerken en al
de andere zaken, waarvan de heele stad vol was, begon hij, omdat hem
nooit uit zijn herinnering zoo iets voorstond, zich zeer te verbazen
en vroeg van velen aan zijn vader, wat dat waren en hoe zij heetten. De
vader vertelde hem dit. En hij, die dit vernam, bleef voldaan en vroeg
nu iets anders. Terwijl de zoon zoo vroeg en de vader zoo antwoordde,
ontmoetten zij toevallig een gezelschap schoone en getooide jonge
meisjes, die van een bruiloft kwamen. Toen de jongeling die zag, vroeg
hij ook wat dat voor een ding was. De vader sprak dan: Mijn zoon, sla
de oogen ter aarde neder; kijk er niet naar, dat is een kwaad ding. De
zoon ging voort: O hoe heeten die? De vader, om niet in den zinnelijken
geest des jongelings een schadelijke, zondige begeerte op te wekken,
wilde ze niet bij hun eigen naam noemen, maar zeide: Het zijn ganzen.

Het is wonderbaar om te hooren! Hij, die er nooit een gezien
had, bekommerde zich niet meer om de paleizen, om os, paard noch
ezel, noch om geld, noch om wat hij ook had aanschouwd, maar zei
onmiddellijk: Vader, ik bid u, dat gij zorgt, dat ik zulk een
gans krijg. Wee mij, mijn zoon, sprak de vader, zwijg, zij zijn
een boos ding. De zoon vroeg hem toen: Ik weet niet, wat gij zegt,
noch waarom die wezens slecht zijn; wat mij betreft, mij heeft nog
nooit iets zoo schoon of bekoorlijk geschenen als dezen zijn. Zij zijn
schooner dan de geschilderde engelen, die gij mij meermalen hebt doen
aanschouwen. Kijk, als gij om mij geeft, zorg dan dat wij een van die
ganzen naar boven medenemen en ik zal die voeren. De vader sprak: Ik
wil het niet; gij weet niet, waarmee zij zich voeden. En hij bemerkte
dadelijk, dat de natuurdrift machtiger was dan zijn geest en had er
berouw van zijn zoon naar Florence te hebben gevoerd.

Maar dit is tot hiertoe van deze geschiedenis voldoende verteld en ik
wil mij weer wenden tot hen, die ik deze verhaald heb. Eenige van mijn
verbeteraars zeggen, dat ik kwaad doe, o jonge dames, doordat ik mij er
te veel op toeleg u te behagen en dat ge mij te veel bekoort. Dit beken
ik openlijk, namelijk, dat gij mij bekoort en dat ik mijn best doe u te
bevallen. En ik vraag hen, waarom zij er zich over verwonderen als zij
niet eens in aanmerking nemen, dat ik de verliefde kussen gekend heb en
de heerlijke omhelzingen en de zalige samenkomsten, welke men van u,
allerzoetste donna's, dikwijls geniet. Zij schijnen er alleen op te
letten, dat ik gezien heb en voortdurend zie uw sierlijke manieren
en uw begeerenswaardige schoonheid en uw schoonen tooi en behalve
dat uw aristocratische eerbaarheid. Zou dan iemand die gevoed,
opgegroeid en volwassen is op een wilden en eenzamen berg binnen
de muren van een enge hut zonder ander gezelschap, dan zijn vader,
zoodra hij u ziet, niet u alleen begeeren, niet u alleen verlangen,
niet u alleen met hartstocht volgen? Laten zij, die mij misprijzen,
mij maar bijten, mij verscheuren, als ik, wiens lichaam de hemel
geheel heeft geschapen om u te beminnen en die van af mijn kindsheid
u mijn ziel heb gegeven, de kracht maar heb van het licht uwer oogen,
de zachtheid van uwe honingzoete woorden te gevoelen en ik ontbrand
door uw medelijdende zuchten, terwijl gij mij bekoort of als ik mijn
best doe u te behagen en zeker indien ik er op let, dat gij ook aan een
kleinen kluizenaar, aan een jonkman zonder gevoel, haast aan een wild
beest hebt bekoord? Voorzeker wie u niet bemint, en niet verlangt door
u bemind te worden als iemand, die noch de genoegens noch de kracht
der natuurlijke aandrift voelt noch kent, laat die mij maar hekelen;
daar geef ik weinig om. En zij, die tegen mijn leeftijd gaan spreken,
toonen, dat zij slecht weten, dat de prei, die een witten kop heeft,
een groenen staart bezit. Aan hen, scherts ter zijde latend, antwoord
ik, dat ik tot de uiterste grens van mijn leven mij niet zal schamen
daarin genoegen te vinden, waarin Guido Cavalcanti en Dante Alighieri
al bejaard en messire Cino van Pistoja al zeer oud een eer stelden,
en het hoog schatten hierin behagen te scheppen. En als het niet gaan
was buiten de gewone manier van vertellen, zou ik geschiedenissen
ter verdediging aanvoeren en ik zou toonen, dat die allen vol zijn
met voorbeelden van antieke en waardige mannen, die in hun rijpste
jaren hun best hebben gedaan aan de donna's te behagen. En als die
het niet weten, laten zij dan maar gaan en het leeren.

Dat ik mij met de Muzen op den Parnassus moet bezighouden, ik beken,
dat dit een goede raad is, maar ik kan niet mijn heele leven bij de
Muzen blijven, noch zij bij mij, en wanneer de man van hen scheidt
en zich vermeit hen te aanschouwen, die op dezen gelijken, valt
dat niet te laken. De Muzen zijn donna's en hoewel de donna's niet
verlangen, wat de Muzen begeeren, hebben zij er op het eerste gezicht
overeenkomst mee, zoodat, als die mij om niets anders bekoorden, zij
het daarom moesten doen zonder te rekenen, dat vroeger voor mij de
dames de oorzaak waren, dat ik duizend verzen dichtte, wat de Muzen
nooit van mij verkregen. Wel hielpen zij mij en wezen mij, hoe die
duizend te maken en misschien, dat zij, bij het schrijven van deze
geschiedenissen, hoewel die zeer onbeduidend zijn, verscheidene malen
tot mij gekomen zijn om bij mij te blijven misschien ten dienste en
ter eere van de gelijkenis, die de donna's met hen hebben. En daarom
als ik ze samen stel, verwijder ik mij noch van den berg Parnassus,
noch van de Muzen, wat ongelukkig velen meenen.

Maar wat zullen wij zeggen tot hen, die zooveel bezorgdheid over mijn
honger hebben, dat zij mij raden mij brood te verschaffen? Zeker,
ik weet het niet, wanneer ik er over denk, wat hun antwoord zou zijn;
als ik uit nood het hun zou vragen, dan meen ik, dat zij zouden zeggen:
Ja, zoek het met verdere vertelsels te verdienen. En vroeger hebben
de dichters er meer met hun fantasiën bij gevonden dan vele rijken
onder hun schatten. Velen zelfs door hun verhalen te verbeelden, deden
hun leven bloeien, terwijl integendeel velen bij het zoeken naar meer
brood dan ze noodig hadden, jong te gronde gingen. Wat meer? Dat zij
mij wegjagen, wanneer ik er hun om vraag? Neen, Goddank, heb ik het
nog niet noodig en mocht de nood toch nog komen, dan weet ik volgens
den Apostel, den overvloed te verdragen en de armoede en daarom dat
niemand zich meer met mij bemoeit dan ik het doe met een ander.

Voor hen, die zeggen, dat ik de dingen niet vertel zooals ze gebeurd
zijn, zou ik zeer op prijs stellen, dat zij de bronnen voor den dag
haalden, en dan, als ze met wat ik schrijf in strijd waren, zou ik
zeggen, dat hun aanmerkingen juist waren en ik zou mijn best doen
ze zelf te verbeteren. Maar zoolang mij niets anders voor de oogen
komt dan praatjes, zal ik ze in hun meening laten, de mijne volgen
en van de hunne zeggen, wat zij van de mijne beweren. En denkend,
dat ik er voor ditmaal genoeg op heb geantwoord, zeg ik, dat ik met
Gods hulp en de uwe, liefste donna's, waarop ik hoop, gewapend en
met veel geduld hiermee zal voortgaan en het hoofd keer tegen dien
wind in, welke ik laat blazen. Omdat ik niet zie, dat er voor mij
iets anders uit kan voortvloeien dan wat er met het stof gebeurt,
dat, wanneer een wind blaast, of niet van de aarde opstuift of als
het wordt opgeheven, omhoog wordt gedragen en dikwijls op de hoofden
der menschen, op de kronen der koningen en keizers en dikwijls op
de trotsche paleizen en de verheven torens neerkomt, waarvan het,
als het weer neerslaat, niet lager kan dalen dan het reeds opgejaagd
is. En als ik mij er ooit op toelegde met al mijn kracht u te behagen,
zou ik mij er nu meer dan ooit aan wijden, want ik weet, dat men
met recht niets anders zal kunnen zeggen dan dat de anderen en ik,
die u liefhebben, zeer natuurlijk handelen. Tegen die wetten in te
gaan, namelijk tegen de natuurwetten, gebeurt niet alleen dikwijls
tevergeefs, maar tot groote schade van de daders. Ik beken, dat ik
die krachten niet heb en dat ik ze hiervoor niet begeer; en als ik ze
had, zou ik ze liever anderen leeren dan ze zelf te gebruiken. Laten
daarom mijn vijanden zwijgen en als zij niet kunnen in vuur raken,
doordat zij zoo verstompt leven in hun genoegens, of liever in hun
verdorven begeerten, laten zij mij in het korte leven mij gesteld,
de mijnen gunnen. Maar om terug te keeren tot hetgeen, waarvan wij
zeer zijn afgeweken, o schoone donna's, laten wij daarvan weer uitgaan
en de ingestelde orde volgen.

De zon had van den hemel elke ster en van de aarde den vochtigen
nevel van den nacht verdreven, toen Filostrato opstond, zijn geheele
gezelschap deed herrijzen en nadat zij zich in den schoonen tuin hadden
begeven, gingen zij daarin wandelen. Toen het etensuur gekomen was,
ontbeten zij daar, waar zij den vorigen avond gegeten hadden. En
na geslapen te hebben, toen de zon op zijn hoogste punt stond,
verhieven zij zich en volgens gewoonte zetten zij zich neer bij de
schoone fontein. Daar beval Filostrato aan Fiammetta, dat die met
de vertellingen zou beginnen, welke zonder verder te wachten, wat er
gelast werd, vol gratie aldus begon:



Eerste Vertelling.

    _Tancredi, prins van Salerno doodt den minnaar van zijn dochter
    en zendt haar zijn hart in een gouden beker. Het jonge meisje
    neemt vergift in en sterft._


Onze koning heeft ons heden een moeilijk onderwerp opgegeven om te
behandelen als wij bedenken, dat wij, bijeen gekomen om elkaar op te
vroolijken, moeten verhalen van de tranen van anderen, waarvan men
niet kan spreken zonder dat zij, die er van vertellen of die er van
hooren, geroerd worden. Misschien heeft hij het bevolen om een weinig
het genoegen gedurende de voorafgaande dagen gesmaakt, te temperen,
maar wat hem er ook toe mag hebben bewogen, ik zal, daar het aan
mij niet past zijn wil te veranderen, een betreurenswaardig voorval
vertellen of veeleer ongelukkig en uw tranen waard.

Tancredi, prins van Salerno, was een zeer menschlievend en welwillend
heer, (als hij niet op zijn ouden dag de handen bezoedeld had met
het bloed van verliefden), die in zijn heele leven niet meer dan een
dochter had en die veel gelukkiger zou geweest zijn, als hij die niet
bezeten had. Deze werd door haar vader even teer bemind als ooit
een andere dochter, en juist door die teedere genegenheid, hoewel
zij sinds vele jaren den leeftijd te boven was om te trouwen, omdat
hij van haar niet wilde scheiden, huwde hij haar niet uit. Nadat hij
haar eenigen tijd had gegeven aan een zoon van den hertog van Capua,
bleef zij korten tijd bij hem, werd weduwe en keerde weer naar haar
vader terug. Zij was zeer schoon van lichaam en van gelaat zooals
ooit een vrouw het was, jong, schelmsch en slimmer dan het in sommige
omstandigheden van een donna geeischt wordt. Zij leefde met haar vader
teeder als een groote donna, verzorgd met vele kiesche oplettendheden,
maar daar zij bemerkte, dat haar vader door de liefde, die hij haar
toedroeg, er weinig aan dacht om haar uit te huwen en het haar geen
eerbare zaak scheen het hem te vragen, dacht zij zoo mogelijk in stilte
een minnaar haar waardig te krijgen. Zij zag, dat vele heeren het hof
van haar vader bezochten, edelen en uit het volk, gelijk wij dit aan
hoven aanschouwen en nadat zij op de manieren en de gewoonten van velen
had acht gegeven, behaagde haar onder de anderen een jonge knecht van
haar vader, die Guiscardo heette, een man van zeer nederige afkomst,
maar door deugd en nobele manieren beter dan wie ook en op hem werd
zij in stilte, hem vaak ziende, zeer verliefd, en prees steeds meer
zijn gedrag. En de jonkman, die van zijn kant ook niet dom was,
had het van haar opgemerkt en droeg haar zoo in het hart, dat hij
aan niets anders dacht dan haar te beminnen. Terwijl zij zoo elkaar
in stilte lief hadden en het meisje niets anders verlangde dan met
hem samen te komen en zij die liefde aan niemand wilde toevertrouwen,
dacht zij een nieuw middel uit om hem die te bekennen. Zij schreef een
brief, legde hem daarin uit, wat hij den volgenden dag moest doen na
dien in een hollen stok te hebben gestoken en gaf dien schertsend aan
Guiscardo met de woorden: Maak er voor uwe dienares een blaasbalg van,
opdat zij er het vuur mee zal doen opvlammen. Guiscardo nam hem aan en
denkend, dat zij niet zonder reden hem dien gaf en zoo sprak, ging heen
en begaf zich daarmee naar huis. Toen hij de stok onderzocht en vond,
dat die hol was, opende hij dien en vond er haar brief in, las deze
en wel begrijpend, wat hem te doen stond, was hij de gelukkigste man,
die ooit heeft bestaan en maakte zich gereed om naar de jonge vrouw
te gaan door het middel, hem door haar aangewezen.

Er was ter zijde van het paleis van den prins een grot in den berg
uitgehold, zeer lang geleden daar gemaakt, waarin een gat met geweld
daarin geboord eenig licht in die spelonk gaf. De opening was verlaten
en met struiken en kruiden begroeid, verborgen. Men kon in die grot
komen langs een geheime trap in een der gelijkvloersche kamers van het
paleis, waarin de donna verblijf hield, hoewel die door een stevige
deur gesloten was. En die trap was geheel aan allen uit het geheugen
gegaan, daar die in lange tijden niet was gebruikt, zoodat bijna
niemand zich meer herinnerde, waar die was. Maar Amor, voor wiens
oogen niets geheim is, of hij ziet het, had het de verliefde donna
doen onthouden. Deze, opdat niemand er iets van zou merken, had vele
dagen om een middel geworsteld om dien uitgang open te krijgen. Toen
dit gelukt was en zij in de grot was afgedaald en het gat had gezien,
waardoor zij Guiscardo bevolen had te trachten bij haar te komen,
had zij hem de hoogte aangegeven, die dit van den grond verwijderd
was. Om hierin te voorzien had Guiscardo haastig een koord met knoopen
en strikken klaar gemaakt om daarlangs te kunnen afdalen en weer
opklimmen en gekleed in leer, dat hem tegen de struiken beschermde,
ging hij zonder dat hij het iemand zeide den volgenden nacht naar
het gat en na een der einden van het koord aan een sterken stam te
hebben vastgemaakt, die in de holte van het gat was ontstaan, liet
hij zich daardoor in de grot glijden en wachtte de donna af. Deze
deed den volgenden dag of zij wilde slapen, zond haar kameniers weg
en na zich alleen in haar kamer te hebben opgesloten, maakte zij de
deur open en daalde in de grot af, waar zij Guiscardo vond en zij zich
samen zeer verheugden. Zij gingen samen naar haar kamer en bleven er
een groot deel van den dag met het grootste genoegen. Nadat zij alles
zeer voorzichtig hadden geregeld, opdat hun liefde geheim zou blijven,
keerde Guiscardo naar de grot terug, sloot zij de deur en ging zij tot
haar kameniers naar buiten. Daarop ging Guiscardo bij het invallen van
den nacht langs het touw klimmend door het gat, waarin hij binnen was
gekomen, weer heen en begaf zich naar huis. Nu hij den weg had geleerd,
keerde hij meermalen in verloop van tijd er terug. Maar de fortuin,
afgunstig op zulk een lang en een zoo groot genoegen, veranderde de
vreugde der beide minnenden door een treurig voorval in droeve klacht.

Tancredi was gewoon soms geheel alleen in de kamer van zijn dochter
te komen en daar bij haar te blijven, wat met haar te praten en dan
heen te gaan. Deze was op een dag na den eten daar gekomen, terwijl de
donna, die Ghismonda heette, in een van haar tuinen was gegaan met al
haar jonkvrouwen, zonder dat hij er door iemand was gezien of opgemerkt
en daar hij haar niet in haar vermaak wilde storen en de vensters van
de kamer gesloten vond en de gordijnen van het bed omlaag, zette hij
zich aan de voeten daarvan neer op een verhooging en met het hoofd op
het bed geleund en de gordijnen om zich heen getrokken, alsof hij zich
daar met zorg had verborgen, sliep hij in. Terwijl hij aldus sluimerde
kwam Ghismonda, die per ongeluk dien dag Guiscardo had ontboden en haar
vrouwen in den tuin had achtergelaten, stilletjes binnen in de kamer
en na die gesloten te hebben en zonder te merken, dat er iemand was,
maakte zij de deur open, waarachter Guiscardo haar wachtte en toen zij
naar het bed gingen, gelijk zij gewoon waren, en samen schertsten en
grappen maakten, werd Tancredi wakker en merkte en zag wat Guiscardo en
zijn dochter deden. Hierover zeer treurig, wilde hij eerst schreeuwen,
maar besloot toen te zwijgen en verborgen te blijven, indien hij kon,
om voorzichtiger te doen--en met minder schande voor hem zelf--wat
hem daartoe reeds inviel. De twee minnenden bleven lang te samen,
gelijk zij gewoon waren, zonder Tancredi te zien en toen het hun tijd
scheen, verlieten zij het bed; Guiscardo keerde in de grot terug en
zij ging de kamer uit. Hieruit sprong Tancredi zoo oud als hij was
door een venster in den tuin en zonder door iemand gezien te zijn,
keerde hij doodelijk bedroefd naar zijn kamer terug. Op zijn bevel
werd bij den uitgang van het gat den volgenden nacht Guiscardo in
zijn eersten slaap, in leer gekleed van het paartje gevangen nemen
en in 't geheim werd hij voor Tancredi gebracht. Toen deze hem zag,
zeide hij klagend: Guiscardo, mijn welwillendheid jegens U had de
beleediging en de schande niet verdiend, die gij mij hebt aangedaan,
gelijk ik nu met eigen oogen heb gezien. Hierop antwoordde Guiscardo
niet anders dan dit: Amor vermag dikwijls meer dan wij. Tancredi beval
toen, dat hij heimelijk in een kamer van het kasteel werd bewaakt en
zoo geschiedde het. Den volgenden dag, terwijl Ghismonda hier niets van
wist en Tancredi in zich zelf verschillende en onderscheidene nieuwe
dingen daarover had bedacht, kwam hij na den eten volgens zijn gewoonte
in de kamer van zijn dochter, liet haar daar roepen en na zich daarin
met haar te hebben opgesloten begon hij klagend te spreken: Ghismonda,
het scheen mij, dat ik uwe deugd en uwe eerbaarheid kende, maar ik
zou het nooit geloofd hebben, wanneer het mij gezegd was, indien
ik het niet met eigen oogen gezien had, dat gij u zoudt overleveren
aan een man, die uw echtgenoot niet was. Hierover zal ik het weinige
van mijn leven, dat mij als ouden dag dient, altijd treurig blijven,
als ik het mij herinner. En had het God maar behaagd, omdat gij u tot
zulk een oneerbaarheid liet verleiden, dat gij een man hadt genomen
van U passenden adel, maar onder de velen, die mijn hof bezoeken, hebt
gij Guiscardo uitgekozen, een jonkman van zeer lage afkomst, aan ons
hof uit barmhartigheid van kindsbeen af tot heden opgevoed. Hierdoor
hebt gij mij in groote verlegenheid gebracht, daar ik niet weet, hoe
ik met u moet handelen. Wat Guiscardo betreft, dien ik van nacht heb
laten gevangen nemen, toen hij uit het gat kwam en in de gevangenis
liet zetten, weet ik wat mij te doen staat, maar God weet, hoe ik met
u moet te werk gaan. Aan den eenen kant trekt mij de liefde, die ik
u meer heb toegedragen dan ooit een vader zijn dochter deed en aan
den anderen kant de zeer rechtmatige verontwaardiging, die mij beving
wegens uw groote dwaasheid. Gene wil, dat ik u vergeef en deze dat ik
tegen mijn wil wreed tegen u ben. Maar voor ik beslis, wensch ik dat
te hooren, wat gij hierop hebt te zeggen. Bij die woorden boog hij
het gelaat voorover en weende zoo bitter als een hevig geslagen kind.

Toen Ghismonda haar vader had aangehoord en wist, dat niet alleen
haar geheime liefde ontdekt was, maar ook Guiscardo was gevangen
genomen, gevoelde zij een onuitsprekelijke smart en stond op het punt
met geschrei en tranen gelijk de vrouwen meestal doen die te toonen,
maar toch, zij overwon in haar trotsche ziel die zwakheid, hield haar
gelaat met bewonderenswaardige kracht onbewegelijk en besloot liever
dan te smeeken niet langer te blijven leven, daar zij dacht, dat haar
Guiscardo al dood was. Daarom zeide zij niet als een klagende vrouw of
een, die berispt wordt over haar fout, maar zorgeloos en dapper, met
strak en open gelaat en geenszins verontrust tot haar vader: Tancredi,
ik ben noch bereid tot ontkennen noch tot smeeken, omdat noch het een
mij tot iets dienen zou, noch het andere mij iets waard is en behalve
dat ben ik niet van plan door eenige daad uw zachtmoedigheid en liefde
te winnen, maar de waarheid te zeggen en ik wil eerst met ware redenen
mijn eer verdedigen en dan met feiten ten sterkste de grootheid van
mijn ziel toonen. Het is waar, dat ik Guiscardo bemind heb en nog bemin
en als men hiernamaals lief heeft, zal ik niet ophouden dit te doen,
maar de vrouwelijke zwakheid heeft mij niet zoozeer daartoe gebracht
als uw weinige zorg om mij weer uit te huwen en zijn deugd. Het moet
u duidelijk zijn, Tancredi, daar gij van vleesch zijt, dat gij een
dochter van vleesch hebt voortgebracht en niet van steen of van ijzer
en gij moet u ook herinneren hoewel gij nu oud zijt, hoe en hoedanig
en met welk een kracht de wetten der jeugd zich doen gelden. En hoewel
gij u als man in uw beste jaren in den wapenhandel heb geoefend, moet
gij even goed weten wat ledigheid en de zoetheid van het leven vermag
bij de ouden niet minder dan bij de jongen. Ik ben uit u van vleesch
geboren en ik heb zoo weinig geleefd, dat ik nog jong ben en door
het een en ander was ik vol begeerte naar bijslaap, waar het huwelijk
bij is gekomen, als wonderbare kracht en het kennen van dit genot dit
verhoogde. Daar ik aan die krachten geen weerstand kon bieden, was ik
geneigd die te volgen, welke mij aantrokken als een jonge vrouw en ik
werd verliefd. Voorzeker, ik verzette mij er tegen met al mijn deugd,
te willen dat, waartoe deze natuurlijke zonde mij aantrok, noch aan
u noch aan mij schande zou veroorzaken. Hiertoe hadden voor mij de
barmhartige Amor en de welwillende fortuin een weg gevonden en mij die
aangewezen, waardoor ik zonder dat iemand het merkte, mijn verlangen
kon voldoen. En dat wat gij hebt bewezen en weet, ontken ik niet. Ik
heb Guiscardo genomen niet bij toeval gelijk velen doen, maar na rijp
beraad heb ik hem boven elkeen uitgekozen en heb hem met overleg bij
mij binnen gevoerd en met een wijze volharding van mij en van hem
heb ik mij lang in mijn begeerte verheugd. Het schijnt dus, dat gij,
behalve dat ik uit liefde heb gezondigd mij met nog meer bitterheid
verwijt,--daar gij meer de gewone meening volgt dan de waarheid--dat ik
(alsof gij niet ontroerd moest zijn als ik een edelman had uitgekozen
boven hem) mij met een man van lage afkomst heb opgehouden. Gij bemerkt
niet, dat gij hierin niet mijn zonde, maar die der fortuin afkeurt,
die dikwijls genoeg de onwaardigen hoog verheft en de waardigsten doet
zinken. Maar dit ter zijde latend, let een weinig op de beginselen
der dingen: gij zult dan bemerken, dat ons aller vleesch gemaakt is
uit een massa vleesch en dat de schepper elke ziel geschapen heeft
met gelijke krachten en met gelijke deugd. De deugd onderscheidde
ons eerst, die allen gelijk geboren werden en worden; en die deze
bezaten en er het grootste deel van hadden, werden edelen genoemd en
de rest bleef volk. En hoewel een tegengestelde gewoonte die wet heeft
verkracht, is die nog niet verdwenen, noch vernietigd door de natuur
of door goede zeden. Dus wie zich goed gedraagt, toont daardoor van
adel te zijn, en als iemand hen anders noemt, is het niet hij, die
genoemd wordt, maar hij die noemt, welke een fout begaat. Zie onder
al uwe edellieden en onderzoek hun deugd, hun zeden en hun manieren
en beschouw van den anderen kant die van Guiscardo; indien gij zonder
vijandigheid wilt oordeelen, zult gij hem zeer edel noemen en al die
edellieden dorpers. Over de deugd en de waarde van Guiscardo heb ik
niet geoordeeld naar de meening van iemand anders maar naar uwe woorden
en met mijn oogen. Wie prees hem ooit zoo aan als gij, toen gij hem
hebt aanbevolen in al die lofwaardige dingen, in welke een waardig
man moet geprezen worden? En zeker niet ten onrechte, want als mijn
oogen mij niet hebben bedrogen, werd hem door u geen lof verstrekt,
welke hij niet verdiende, maar heel veel meer dan uwe woorden het
konden uitdrukken. Indien ik mij hierin toch eenigszins bedrogen heb,
dan ben ik het door u. Zult gij dan nu zeggen, dat ik met een man
van lage afkomst heb omgegaan? Dan zult gij geen waarheid spreken,
maar indien gij zult zeggen met een arm man, zal men u tot uwe schande
kunnen na geven, dat gij een waardig man als uw dienaar niet in goeden
stand hebt kunnen verheffen. De armoede ontneemt aan niemand zijn adel,
maar wel zijn bezittingen. Vele koningen, vele groote vorsten waren
vroeger arm en velen van hen, die de aarde spitten en het vee hoedden,
waren eenmaal zeer rijk en zoo is het nog heden. De laatste twijfel,
dien gij bij u zelf verwekt, namelijk wat gij met mij hebt te doen,
verjaag dien geheel, indien gij in uwen hoogsten ouderdom geneigd
zijt te doen, wat gij als jonkman niet gewoon waart namelijk wreed
te worden; oefen jegens mij uwe wreedheid uit, die niet van zins ben
eenige smeekbede tot u te richten, als gij daartoe de eerste aanleiding
vindt in de zonde, indien er gezondigd is. Want ik verzeker u, dat,
wat gij van Guiscardo zult gemaakt hebben of maken zult, zal ik met
mijn eigen handen van mij maken als gij het niet doet. Welnu, ga als
de vrouwen huilen en breng door wreed te worden met een zelfden dood
hem en mij om, als wij het aan u verdiend hebben.

De vorst leerde aldus de grootheid van ziel van zijn dochter kennen,
maar hij geloofde niet, dat zij zoo sterk geneigd was tot datgene,
wat zij zeide en waarop haar woorden zinspeelden. Hij ging van haar
weg en nadat hij de gedachte verwijderd had, dat zij er zelf onder zou
lijden, bedacht hij een middel om zijn brandende liefde in het leed van
anderen te verkoelen en beval aan twee man, die Guiscardo bewaakten,
dat zij hem zonder gedruisch den volgenden nacht zouden worgen en hem
zijn hart zouden brengen, na hem dit te hebben uitgerukt. Zij deden
dit gelijk hun bevolen was. Daarop liet de prins den volgenden dag
een grooten en schoonen gouden beker komen, liet daarin het hart van
Guiscardo  doen, zond zijn meest vertrouwden bediende naar zijn dochter
en gelastte hem haar het volgende te zeggen bij het overreiken van
dezen: Uw vader zendt u dit om u te troosten over hetgeen gij het meest
bemind hebt gelijk gij hem troostte over wat hij het meest lief had.

Ghismonda niet afgebracht van haar beslist plan, liet toen haar
vader haar had verlaten, kruiden komen en vergiftige wortels, die zij
afkookte en in water oploste om ze gereed te hebben, als gebeuren zou,
wat zij vreesde. Toen de knecht gekomen was zoowel met de aanbieding
als met de woorden van den vader, nam zij den beker met een strak
gelaat aan, deed dien open, zag het hart en hoorde de woorden en
hield het voorzeker, dat dit het hart was van Guiscardo. Daarom het
aangezicht heffend naar den bediende, zeide zij: Er past geen minder
waardige bewaarplaats dan van goud aan een hart, als dit is: hierin
heeft mijn vader passend gehandeld. Bij die woorden naderde zij den
beker, kuste het en zei: In alles, altijd en tot het einde van zijn
leven heb ik bij mijn vader teedere liefde voor mij gevonden, maar
thans meer dan ooit en daarom zult gij hem van mijn kant voor een
zoo groot geschenk de laatste liefdebetuigingen teruggeven, die ik
hem ooit vergelden kan.

Bij die woorden boog zij zich over den beker, dien zij omklemde,
en sprak het hart aanschouwend: O zeer teedere schuilplaats van al
mijn vreugden, vervloekt zij de wreedheid van hem, die mij dwingt u
met stoffelijke oogen te zien! Het was mij genoeg u steeds met die
des geestes te aanschouwen. Gij hebt uw loopbaan volbracht: gij zijt
gekomen tot het eind, dat ieder bereikt; gij hebt de ellenden en
de zorgen der wereld achtergelaten en gij hebt van uw vijand zelf
het graf, dat gij hebt verdiend. Niets ontbrak u om een volkomen
begrafenis te hebben dan de tranen van haar, die u bij uw leven
zoozeer heeft bemind en opdat gij die zoudt ontvangen, gaf God het
mijn onvermurwbaren vader in u aan mij toe te zenden en ik zal ze u
wijden, hoewel ik besloten had met droge oogen te sterven en met een
door niets ontzet gelaat. En wanneer ik u die zal hebben geschonken,
zal ik zonder verwijl maken, dat mijn ziel u dienend bij die komt,
welke gij zoo zorgvuldig hebt bewaard. En met welk ander geleide
dan dit zou ik tevredener of geruster kunnen vertrekken naar de
onbekende gewesten? Ik ben er zeker van, dat zij nog hierin is en
dat zij de plaatsen van uwe en mijn vreugden aanschouwt. En deze,
waarvan ik zeker ben, dat hij mij bemint, verwacht mij, die hem het
meest lief had. Daarna alsof zij een bron in het hoofd had, zonder
kreten te uiten gelijk de vrouwen gewoon zijn, boog zij zich over
den beker en zuchtend begon zij zooveel tranen te storten, dat het
vreeselijk was om te zien en kuste tallooze malen het doode hart.

Haar jonkvrouwen, die om haar heen stonden, begrepen niet wat
dat hart beteekende of wat die woorden zeggen wilden, maar door
medelijden overwonnen, weenden zij allen en vroegen haar tevergeefs
met een uitdrukking van erbarming naar de oorzaak van haar tranen en
trachtten haar, zoo goed ze wisten en konden, te troosten. Toen zij
genoeg scheen geschreid te hebben, hief zij het hoofd op, wischte
haar oogen af en sprak: O teer bemind hart, elke plicht jegens u heb
ik volbracht, mij rest niets anders om te doen dan om u met mijn ziel
te begeleiden. En bij die woorden liet zij zich het fleschje geven,
waarin het water was, dat zij den vorigen flag had klaar gezet,
wat zij in den beker deed, waarin het hart met haar tranen was
gewasschen en zonder eenige vrees hief zij het aan den mond en dronk
het geheel leeg. Daarna legde zij zich met den beker in de hand te
bed en zich zoo eerbaar mogelijk in haar kleeren wikkelend, strekte
zij haar lichaam daarop uit; dicht bij haar hart bracht zij dat van
den vermoorden minnaar en wachtte zonder iets meer te zeggen op den
dood. Haar kamervrouwen, die deze dingen hadden gezien en gehoord,
maar die niet wisten, wat voor water het was, dat zij had gedronken,
lieten alles aan Tancredi melden. Deze bevreesd voor wat zou gebeuren,
daalde ijlings naar de kamer van zijn dochter af, waar hij juist
kwam, toen zij op het bed lag. En toen hij te laat zich had opgeheven
om haar met zoete woorden te troosten en zag in welk een toestand
zij was, begon hij smartelijk te schreien. Hierop sprak de donna:
Tancredi, laat die tranen dienen voor een voorval minder gewenscht
dan dit en wijdt ze niet aan mij, die ze niet verlang. Wie zag ooit
iemand, behalve u weenen over wat hij zelf heeft gewild! Maar toch,
indien er iets van de liefde, die gij mij vroeger hebt toegedragen
nog in u leeft, sta mij als laatste geschenk dan toe, daar het niet
naar uw zin was, dat ik zwijgend en in stilte met Guiscardo leefde,
dat mijn lichaam met het zijne, waar gij het hebt doen neerwerpen,
openlijk begraven wordt. De beklemming van zijn tranen belette den
vorst te antwoorden. Toen voelde de jonge vrouw haar einde naderen,
drukte het doode hart aan haar borst en sprak: Blijf achter met God,
want ik ga heen. En de oogen sluitend en zonder bewustzijn verscheidde
zij uit dit smartelijk leven. Zulk een treurig einde, als gij nu hebt
gehoord, had de liefde van Guiscardo en Ghismonda. Nadat Tancredi
hen zeer had beklaagd en te laat berouw had over zijn wreedheid,
liet hij hen onder de algemeene droefenis van alle Salerners beide
eervol in een zelfde tombe begraven.



Tweede Vertelling.

    _Broeder Alberto laat aan een dame gelooven, dat de engel
    Gabriël verliefd op haar is en laat zich voor dien engel
    doorgaan om verscheidene malen met haar samen te zijn. Uit
    vrees voor haar verwanten ontvlucht hij haar huis en verschuilt
    zich bij een armen man, die hem den volgenden dag op het
    plein brengt vermomd als wildeman. Daar wordt hij herkend
    door haar zwagers en naar den kerker gevoerd._


De geschiedenis door Fiammetta verhaald had het gezelschap reeds
meermalen de tranen in de oogen doen staan, maar toen deze geëindigd
was, zeide de koning met een somber gelaat: Het leven schijnt mij van
weinig waarde, als ik dit moest geven voor de helft van het genot,
dat Ghismonda met Guiscardo had en niemand van u moet er zich over
verwonderen, daar het hiermee zoo gesteld is, dat ik levend mij
steeds duizend dooden voel sterven zonder dat mij gedurende al dien
tijd het minste beetje genot wordt geschonken. Maar wanneer ik voor
het oogenblik mijn lotgevallen in hun eigen kring besloten laat,
wil ik toch, dat Pampinea met treurige verhalen en ten deele aan mijn
avonturen gelijk, met spreken vervolgt; indien zij voortgaat gelijk
Fiammetta is begonnen, zal ik zonder eenigen twijfel een verkoeling
voelen dalen op mijn vuur. Toen Pampinea zag, dat het haar beurt was,
begreep zij veeleer door haar welgezindheid van haar gezelschap het
verlangen daarnaar dan dat des konings door diens woorden derhalve
meer geneigd het een weinig op te vroolijken dan alleen aan het bevel
des konings te voldoen, en daardoor gedwongen te zijn een vertelling
te verhalen om te lachen zonder van het voorgestelde onderwerp af te
wijken, maakte zij zich gereed en begon aldus:

De menschen uit het volk gebruiken dit spreekwoord: Die slecht
is en voor goed wordt gehouden, kan kwaad doen zonder dat men het
gelooft. Dit verschaft mij overvloed van stof om over hetgeen mij
is voorgesteld te spreken en bovendien om aan te toonen, hoe groot
en hoedanig de huichelarij is der monniken. Met hun breede en lange
gewaden en hun kunstmatig verbleekte gezichten en met hun nederige en
zachte stem als zij anderen vragen en trotsch en barsch om in anderen
hun eigen ondeugden te misprijzen, verklaren zij, dat zij door te
nemen en anderen door te geven, tot verlossing komen. Bovendien niet
als menschen, die het Paradijs moeten winnen evenals wij, maar als
bezitters en heeren daarvan geven zij aan ieder, die sterft naar de
hoeveelheid geld door hem nagelaten een meer of minder goede plaats en
trachten hiermee eerst zich zelf, indien zij dit gelooven en vervolgens
anderen, die in hun woorden vertrouwen stellen, te bedriegen. Als
het mij geoorloofd was dit aan te toonen, gelijk ik wenschte, zou
ik naar aanleiding hiervan spoedig uiteen zetten, hoeveel zij onder
hun wijde kappen verborgen houden. Maar mocht het Gode behagen, dat
aan allen in hun kunstenmakerij overkwam, wat aan een Minderbroeder
geschiedde, geen onbeduidend jonkman maar een, die voor een van de
beste casuisten [71] werd gehouden te Venetië. Dat wil ik heel graag
vertellen om hierdoor een weinig uw zielen vol medelijden met den
dood van Ghismonda, misschien met gelach en plezier op te beuren.

Er leefde dan, zeer waarde dames, te Imola een man van een boos en
verdorven gedrag, die Berto della Massa heette, waarvan de slechte
daden bij de bewoners van die stad zeer bekend waren en hem zoo
brandmerkten, dat er niemand meer in Imola was, die niet alleen niet
aan de leugens, maar ook niet aan de waarheden, die hij vertelde,
geloofde. Daarom, toen hij gewaar werd, dat zijn bedriegerijen er
niet meer hielpen, ging hij wanhopig naar Venetië, een vergaarbak
van allerlei onzedelijkheid en dacht daar op andere wijze naar zijn
boosheid te werk te gaan, wat hij aldaar niet had kunnen doen. En alsof
hij door zijn geweten gekweld werd wegens de valschheden vroeger door
hem gedaan, toonde hij zich van een uiterste nederigheid en bovendien
beter katholiek dan ieder ander en werd Minderbroeder. Hij liet zich
broeder Alberto van Imola noemen en in hun gewaad begon hij voor den
schijn een leven van ontbering te leiden en de boete en het vasten
te prijzen en hij at geen vleesch en dronk geen wijn, wanneer hij er
geen had, die hem beviel. Men had ternauwernood gemerkt, dat hij van
een dief een wellusteling, een falsaris, een moordenaar, een groot
prediker was geworden zonder daarom de genoemde ondeugden te hebben
verbeterd, die hij als hij kon, in 't geheim bot vierde. Bovendien,
daar hij priester was geworden, weende hij altijd bij het altaar,
wanneer hij de mis bediende en velen zagen hem schreien over het
lijden van den Verlosser, als iemand wien de tranen weinig kostten,
als hij het wilde. En in korten tijd door zijn prediken en tranen wist
hij op zoo'n wijze de Venetianen te misleiden, dat hij tot vertrouwde
en bewaarder van elk testament werd gemaakt, dat er opgesteld werd
en kassier van de gelden van velen en biechtvader en vertrooster van
vele mannen en vrouwen. Zoo was hij van wolf herder geworden en zijn
roep van heiligheid was daar veel grooter dan ooit die van Franciscus
van Assisi. Nu kwam een onnoozele en dwaze jonge dame, die madonna
Lisetta van het huis Quirino heette en de vrouw van een groot koopman,
die met de galeischepen naar Vlaanderen was gegaan met andere dames
bij dien broeder biechten. Deze dame zat aan zijn voeten en nadat zij
hem als Venetiaansche--en die zijn allen dwaas--een deel van haar
zonden gebiecht had, nam broeder Alberto haar in verhoor en vroeg
haar of ze niet een of anderen minnaar had. Daarop antwoordde zij
met een verontwaardigd gezicht: Och, messire de monnik, hebt u geen
oogen in uw hoofd? Schijnen mijn schoonheden u geschapen als die der
anderen? Ik zou te veel minnaars hebben, als ik wilde; maar de mijnen
zijn er niet op gemaakt om door deze of gene bemind te worden. Hoevelen
ziet u er, waarvan de schoonheden gevormd zijn als de mijnen, van mij,
die nog in het paradijs schoon zou zijn? En bovendien vertelde zij
zooveel over haar eigen schoonheid, dat het vervelend was om aan te
hooren. Broeder Alberto begreep dadelijk, dat zij verwaand was en daar
dit hem een terrein scheen voor zijn plannen, werd hij dadelijk zeer
op haar verliefd. Maar hij hield zijn valstrikken voor een geschikter
oogenblik verborgen en om zich voor een heilige uit te geven, begon hij
haar voor ditmaal te berispen en haar te zeggen, dat dit een ijdele
roem was en meer van die dingen. Daarom zei de donna hem, dat hij
een ezel was en dat hij de eene schoonheid niet van de andere wist te
onderscheiden. Broeder Alberto, die haar niet al te boos wilde maken,
liet haar, nadat zij gebiecht had, heengaan met de andere vrouwen.

Eenige dagen later ging hij vergezeld van een zijner getrouwen naar
het huis van madonna Lisetta en nadat hij zich met haar alleen in
een zaal had begeven en door geen anderen kon gezien worden, wierp
hij zich voor haar op de knieën en sprak: Madonna, ik bid God, dat
gij mij vergeeft, wat ik u Zondag, toen ik over uw schoonheid sprak,
gezegd heb, daar ik er den volgenden nacht zoo wreed voor gekastijd
ben, dat ik daarna mij niet meer kon oprichten voor heden. Toen
vroeg de malle donna: En wie kastijdde u aldus? Alberto ging voort:
Dat zal ik u vertellen. Toen ik 's nachts bezig was te bidden gelijk
ik steeds gewoon ben, zag ik opeens in mijn cel een groote glans
en eer ik mij had kunnen omwenden om te zien, wat dat beteekende,
zag ik boven mij een schoonen jongeling met een grooten stok in de
hand, die mij bij de kap greep, mij neerdrukte en mij zoo ranselde,
dat hij mij geheel radbraakte. Ik vroeg hem daarna, waarom hij zoo te
werk was gegaan en hij antwoordde: Omdat gij heden u verstout hebt
de hemelsche schoonheid van madonna Lisetta te misprijzen, welke
ik, God uitgezonderd, boven alles lief heb. Toen vroeg ik: Wie is
u! Hierop antwoordde hij, dat hij de engel Gabriël was. O mijn heer,
zei ik, ik bid u mij te vergeven. Toen voegde hij er bij: Welnu, ik
zal u vergeven, mits gij naar haar toe gaat, zoo spoedig gij kunt en
u doet vergeven door haar. Maar als zij het niet doet, zal ik hier
terugkeeren en ik zal je zooveel slaag geven, dat ik jou je heele
leven zal vergallen, zoolang als je op deze wereld blijft. Wat hij
mij daarop vertelde, durf ik u niet mede te deelen, indien gij mij
niet eerst genade schenkt. Donna Leeghoofd, die niet erg galachtig
was uitgevallen, werd zeer blijde, toen zij die woorden hoorde en
geloofde, dat alles waar was en zeide kort daarop: Ik zei het wel,
broeder Alberto, dat mijn schoonheden hemelsch waren, maar als God mij
helpt, heb ik medelijden met u en opdat u geen kwaad meer overkomt,
vergeef ik u, indien gij mij naar waarheid verhaalt, wat de engel
u daarna zeide. Fra Alberto ging voort: Madonna, omdat gij mij hebt
vergeven, zal ik het u gaarne zeggen, maar denk aan een ding, dit zeg
ik u, dat gij er u voor wacht aan wien ook ter wereld te vertellen,
wat de engel Gabriël mij meldde, dat ik u moest berichten en dat gij
hem zoo bekoorde, dat hij meermalen 's nachts bij u zou zijn gekomen,
als het niet was geweest om u niet te verschrikken. Nu bericht hij
u door mijn mond, dat hij een nacht bij u wil komen en een heelen
tijd bij u wil blijven en omdat hij engel is en gij hem niet in de
gedaante daarvan, als hij komt, kunt aanraken, zegt hij, dat hij om
u een plezier te doen in de gestalte van een man wil komen en daartoe
vraagt hij of gij hem wilt laten weten, wanneer hij kan komen en in de
gedaante van wien en dat hij zich hierheen zal begeven. Hierom moogt
gij u meer dan eenige andere donna, die leeft, gelukkig achten. Madonna
de Zottin antwoordde toen, dat het haar zeer zou bevallen, indien de
engel Gabriël haar lief had, daar zij hem zeer beminde en dat zij nooit
faalde op de plaatsen, waar zij zijn beeld zag, een kaars te branden,
die niet minstens een mattapan [72] waard was en dat hij op welk uur
hij verkoos mocht komen; dat hij haar heel alleen in de haar kamer zou
vinden, maar op voorwaarde dat hij haar niet voor de Heilige Maagd in
den steek zou laten, waarvan men haar verteld had, dat die deze zeer
welgezind was en dat scheen haar ook zoo te zijn, want overal waar
zij hem slechts zag, lag hij voor deze op de knieën. Bovendien stond
het aan hem te komen in welken vorm hij maar wilde, mits zij er maar
niet bang voor behoefde te zijn. Toen zeide fra Alberto: Madonna,
gij spreekt verstandig en ik zal alles op zijn best met hem in orde
brengen gelijk gij zegt. Maar gij kunt mij een groote gunst bewijzen,
die aan u niets zal kosten en dat is deze, dat gij verlangt, dat hij in
mijn gedaante komt. En hoor, waardoor gij mij aldus een gunst bewijst,
hij zal mij den geest uit het lichaam trekken en dien in het paradijs
voeren. Hij zal in mijn lichaam wezen, zoolang hij met u zal zijn en
ik zal zoolang in het paradijs zijn. De domme juffrouw antwoordde:
Dat bevalt mij zeer. Ik wil, dat in plaats van de slagen, die hij u
om mijnentwil gaf, gij dien troost zult deelachtig worden. Toen sprak
broeder Alberto: Zorg dan, dat hij vannacht de deur van uw huis open
vindt om binnen te kunnen treden, omdat, wanneer hij in menschelijk
gedaante komt, gelijk hij zal doen, hij alleen door deze binnen kan
gaan. De donna antwoordde, dat het zou gebeuren. Broeder Alberto
ging heen en zij bleef zoo verheugd achter, dat zij geen oogenblik
meer stil kon blijven zitten en dat het haar duizend jaar scheen
te duren, eer de engel Gabriël kwam. Broeder Alberto die bedacht,
dat hij dien nacht ruiter en geen engel moest wezen, begon zich met
meelspijzen en ander goed voedsel te versterken, opdat hij niet licht
van het paard zou worden geworpen. En nadat hij verlof had gekregen,
begaf hij zich met een metgezel, toen het nacht was, naar het huis
van een zijner vriendinnen, waar hij meermalen van was uitgegaan,
wanneer hij merries moest berijden. Vandaar, toen het oogenblik hem
gekomen scheen, begaf hij zich verkleed naar de woning van de donna en
toen hij daar binnen was gekomen, veranderde hij zich met de kleeren,
die hij bij zich droeg, in den engel en klom naar boven en trad de
kamer van de donna in. Toen deze hem zoo in het wit zag, knielde zij
voor hem neer, de engel zegende haar, deed haar opstaan en gaf haar een
teeken, dat zij naar bed moest gaan. Zij geneigd om te gehoorzamen,
deed dit spoedig en de engel ging naast de hem toegewijdde donna
liggen. Broeder Alberto was een knap man en forsch van lichaam en hij
stond maar al te goed op zijn beenen. Daar hij bij donna Lisetta lag,
die frisch was en teeder en hij haar heel wat beteren bijslaap gaf
dan haar man, vloog zij menigen nacht zonder vleugels, waarover zij
zeer tevreden was. Bovendien sprak hij haar veel van de hemelsche
glorie. Toen de dag naderde en hij zijn terugkeer had geregeld, ging
hij met zijn gewone kleeren naar buiten en ging naar zijn metgezel,
welke, opdat hij niet bang hoefde te wezen om alleen te slapen, de
huishoudster vriendelijk gezelschap had gehouden. Nadat de donna
had ontbeten, ging zij met haar gezellin naar broeder Alberto en
vertelde hem nieuws van den engel Gabriël en wat zij gehoord had van
de glorie van het eeuwige leven en wat hij gedaan had en voegde er
nog wonderlijke verzinsels bij. Hierop antwoordde broeder Alberto:
Madonna, ik weet niet, hoe gij u met hem bevonden hebt. Wel weet ik,
dat van nacht, toen hij bij mij kwam en ik uw boodschap aan hem had
gebracht, hij mijn ziel dadelijk tusschen zooveel bloemen en rozen
voerde, als men er ooit van aanschouwde en ik bleef tot vanmorgen bij
de vroegmetten in een van de bekoorlijkste oorden, die er bestond. Wat
er met mijn lichaam gebeurd is, weet ik niet. Zeide ik het u niet
sprak de donna.--Uw lichaam bleef den geheelen nacht in mijn armen
met den engel Gabriël en als gij mij niet gelooft, zie dan onder de
linkerborst, waar ik een sterke kus aan den engel gaf, zoodat het spoor
er van verscheidene dagen zal blijven. Vervolgens ging broeder Alberto
voort: Ik zal heden wel iets doen, wat ik sinds lang niet gedaan heb:
ik zal mij ontkleeden om te zien of gij de waarheid spreekt. En na
veel onzin te hebben verteld, ging de donna naar huis terug, waarheen
sedert broeder Alberto zich meermalen begaf in de gedaante van een
engel zonder op eenige hindernis te stuiten.

Eens echter, toen madonna Lisetta bij een van haar buurvrouwen was
en zij met haar over de schoonheid sprak, zeide zij om die van haar
zelf boven elke andere te stellen als een vrouw, die weinig goeds
in haar hoofd had: Als gij wist aan wien mijn schoonheid bevalt,
zoudt gij werkelijk over de anderen zwijgen. De buurvrouw begeerig
om dit te hooren, daar zij haar wel kende, zeide: Madonna, gij kunt
de waarheid zeggen, maar toch, daar ik niet weet wie het is, zouden
anderen het niet zoo licht gelooven. Toen antwoordde de donna, die
zeer onnoozel was:--Buurvrouw, dat mag men niet zeggen, maar mijn
minnaar is de engel Gabriël, die mij meer dan zichzelf lief heeft
als de schoonste donna gelijk hij zegt, die er is op de wereld of
aan de zeekust. [73] De buurvrouw wilde er om lachen maar zij hield
zich goed om haar meer te doen praten en zeide: Bij God, madonna,
als de engel Gabriël uw minnaar is en hij heeft dit gezegd, moet
dit wel zoo zijn, maar ik geloofde niet, dat de engelen die dingen
deden. De donna zeide: Buurvrouw, gij vergist u, bij Christus' wonden,
hij behandelt mij beter dan mijn echtgenoot en hij zegt mij, dat dit
hierboven ook gebeurt, maar omdat ik hem mooier schijn dan wie ook
in den hemel, is hij verliefd op mij geworden en komt hier om heel
dikwijls met mij samen te zijn. Begrijpt gij het nu?

Toen de buurvrouw van madonna Lisetta was weggegaan, scheen het haar
duizend jaar lang te duren eer zij ergens was, waar zij dit weer kon
vertellen en toen zij op een feest was in een groot gezelschap van
donna's, verhaalde zij die historie achtereenvolgens. Deze dames
vertelden het aan hun echtgenooten en aan andere donna's en dezen
aan weer anderen en aldus was in minder dan twee dagen Venetië er
vol van. Maar onder degenen, dien dit ter oore kwam, waren ook haar
schoonbroeders, die zonder iets te zeggen, zich vast hadden voorgenomen
dien engel te vinden en om te weten te komen of hij vliegen kon en
zij stonden verscheidene nachten op den loer. Toevallig kwam broeder
Alberto hiervan niets ter ooren, die om weer de donna te zien een
nacht daar heen was gegaan. Ternauwernood had hij zich ontkleed of haar
schoonbroeders, die hem hadden zien komen, waren aan den uitgang van de
kamer om hem open te doen. Toen broeder Alberto merkte, wat er aan de
hand was en geen andere schuilplaats vond, opende hij een venster, dat
op het Groote Kanaal uitzag en wierp zich daarna te water. De diepte
was er zeer groot, maar hij kon goed zwemmen, zoodat hem niets kwaads
gebeurde. Na naar een ander deel van het Kanaal te zijn gezwommen
trad hij haastig in een geopend huis en bad een man, die daar binnen
was, dat die hem om Gods wil het leven zou sparen en verzon maar wat
waarom hij op dat uur zich daar zoo naakt bevond. De goede man tot
medelijden bewogen en die naar zijn werk moest gaan, liet hem op zijn
bed, liggen en zeide hem, dat hij er tot zijn terugkeer moest blijven
en na hem binnen te hebben gesloten, ging hij aan den arbeid.

De schoonbroeders van de donna vonden in de kamer gekomen,
dat de engel Gabriël, die er de vleugels had achtergelaten, was
weggevlogen. Hierover teleurgesteld beleedigden zij de donna zeer,
lieten haar ten slotte mistroostig achter en keerden naar huis terug
met de pij van den engel Gabriël. Ondertusschen, terwijl het licht was
geworden, hoorde de goede man, terwijl hij op den Rialto was, dat de
engel Gabriël bij nacht had geslapen bij madonna Lisetta en door de
schoonbroeders gevonden, uit angst zich in het Kanaal had geworpen
en men wist niet, wat er van hem geworden was. Daarom dacht hij,
dat die bij hem in huis het moest wezen. Toen hij daar gekomen was
en hem had herkend en over veel met hem gesproken had, kwam hij met
hem overeen, dat, als hij niet door hem wilde aan de schoonbroeders
overgeleverd worden, hij hem vijftig ducaten moest laten bezorgen en
dit gebeurde. Daarna, toen broeder Alberto verlangde er uit te gaan,
zeide hem de goede man: Daar is geen middel voor, tenzij gij dit niet
wilt. Wij zullen heden een feest maken, waarop ieder een man leidt
als een beer gekleed of als een wilde of in een andere vermomming en
zoo zullen wij een jacht maken op het plein van San Marco en als dat
gedaan is, eindigt het feest en dan gaat ieder met dengeen, dien hij
geleid heeft, waar hij wil. Indien gij wilt, dat men niet zal weten
wie gij zijt, zal ik u in een van die vermommingen daar brengen en ik
zal u vervolgens kunnen leiden, waar gij verkiest. Anders zie ik niet,
hoe gij hieruit zult kunnen gaan zonder herkend te worden, want de
zwagers van de dame van meening, dat gij op eenige plaats in den omtrek
verborgen zijt, hebben overal schildwachten uitgezet om u te krijgen.

Hoewel het hard scheen aan broeder Alberto zoo vermomd te vertrekken
bracht de vrees hem er toch toe, die hij voor de verwanten van de
donna had en zeide hij aan hem, waar hij heen gebracht wilde worden en
dat hij tevreden zou zijn, mits men hem er heen leidde. Nadat hij hem
heelemaal met honing had ingewreven, bestoken had met kleine veeren
en hem een keten in den mond had gedaan, een masker voor het gelaat
en in de eene hand een groote stok had gegeven en in de andere twee
groote honden, die hij van de slagerij had gebracht, zond hij iemand
naar den Rialto, die bekend maakte, dat wie de engel Gabriël zien
wilde naar het San Marco-plein moest gaan. En dit is de Venetiaansche
betrouwbaarheid! [74] Toen dit gedaan was, liet hij hem er uitgaan,
hield hem van achteren vast aan een keten, niet zonder groot rumoer
van de menigte, die om strijd riepen: Wat is dat? Wat is dat? en
leidde hem het plein op, waar degenen, die hem achterna gegaan waren
en ook degenen, die de bekendmaking op den Rialto hadden gehoord,
een eindelooze massa menschen vormden. Toen zij daar waren aangekomen
op een verheven en hooge plaats, bond hij den wildeman aan een zuil,
en deed of hij de jacht afwachtte, terwijl aan dien laatste de muggen
en de paardenvliegen, omdat hij met honing was ingewreven, zeer grooten
last veroorzaakten. Maar toen de ander het plein zeer vol zag en deed
of hij zijn wildeman wilde ontketenen, trok hij broeder Alberto het
masker af en zeide: Heeren, daar het wilde zwijn niet ter jacht komt
en die anders niet doorgaat, wil ik, opdat gij niet voor niets zijt
gekomen, dat gij den engel Gabriël ziet, die 's nachts van den hemel
ter aarde daalt om de Venetiaansche donna's te troosten. Zoodra het
masker was afgerukt, werd Fra Alberto dadelijk door allen herkend,
tegen wien zich een algemeen gejouw verhief, terwijl men hem de
grofste scheldwoorden en de grootste beleedigingen toevoegde, die
men ooit een schurk nagaf en behalve dat wierp elk, deze hem eene,
gene hem een andere hoop vuil in het gezicht. Zoo hielden zij hem een
heelen tijd vast, totdat toevallig het nieuws tot zijn ordebroeders was
doorgedrongen en zes van hen er heen kwamen, hem een kap op den rug
gooiden en hem geketend niet zonder zeer groot rumoer naar hun huis
voerden, waar hij werd gevangen gezet en men gelooft, dat hij na een
ellendig leven stierf. Aldus durfde hij, die voor goed werd gehouden
en die kwaad deed, hoewel men het niet geloofde, den engel Gabriël
spelen en vermomd als wilde man, werd hij op den langen duur, gelijk
hij verdiend had, geschandvlekt en beklaagde vergeefsch de bedreven
zonden. Zoo behage het aan God, dat het aan alle anderen zal gaan.



Derde Vertelling.

    _Drie jongelieden worden op drie zusters verliefd en vluchten
    met hen naar Creta. De oudste doodt haar minnaar uit jaloezie,
    de tweede redt de oudste zuster het leven door te slapen met
    den hertog van dit eiland, wier minnaar haar doodt en met de
    oudste vlucht. De derde minnaar en de derde zuster worden
    beschuldigd van den moord; zij bekennen dit na gevangen
    genomen te zijn en uit vrees voor den dood koopen zij den
    bewaarder om en vluchtten arm naar Rhodes, waar zij in ellende
    sterven. [75]_


Toen Filostrato het einde der geschiedenis van Pampinea gehoord had,
bleef hij eenigen tijd stil en zeide toen naar haar gekeerd: Er was
wel wat goeds--en dat beviel mij--in het slot van uw verhaal, maar
er was in den aanvang te veel in om te lachen, wat ik liever niet
had gewild. Daarop sprak hij naar Lauretta gewend: Donna, volgt u
nu met een beter verhaal, indien dit kan. Lauretta zeide lachend:
Gij zijt te wreed jegens de minnenden, indien gij toch maar voor
hen een ongelukkig einde wenscht. En ik om u te gehoorzamen zal u er
een vertellen van hen, die eveneens er slecht bij voeren en weinig
pleizier van hun liefde beleefden en na die woorden begon zij:

Jonge dames. Gelijk gij zeer goed kunt begrijpen, kan elke ondeugd in
het grootste nadeel verkeeren voor hem, die er misbruik van maakt en
dikwijls ook voor anderen. En onder de gebreken, die ons met losse
teugels in het verderf voeren, schijnt mij de drift te behooren,
welke geen andere is dan een plotselinge en ondoordachte beweging,
ontstaan door een gevoel van treurigheid, dat alle rede verdrijft en
onze geestesoogen met duisternis verblindend in de ziel een hevige
woede doet ontvlammen. Daar dit dikwijls bij de mannen gebeurt en
bij den een meer dan bij den ander, ziet men die ondeugd met nog
grooter nadeel bij de vrouwen, omdat die in hen lichter ontbrandt, met
helderder vlam ontstoken wordt en minder zelfbedwang ze weerhoudt. Daar
is niets wonderlijks in, omdat wij het vuur, als wij willen opletten,
van nature eerder lichte en zwakke dingen zullen zien aantasten dan
harde en zwaardere. Toch--en de mannen nemen het niet als een kwaad
op--zijn wij veel gevoeliger dan zij zijn en veel bewegelijker. Daarom
in aanmerking nemend, dat wij hiertoe van nature geneigd zijn en als
we daarna beschouwen, hoe onze zachtmoedigheid en welwillendheid aan
de mannen een groote rust en genot schenken, met welken wij moeten
leven en dat aldus de drift en de woede een groot nadeel en gevaar
zijn en dat wij hierdoor een sterker karakter bewaren, wil ik met
mijn geschiedenis aantoonen, waarin de liefde van drie jongelieden
en even zooveel donna's gelijk ik hierboven zeide, door den toorn
van een hunner van gelukkig zeer ongelukkig is geworden.

Marseille is gelijk gij weet gelegen in Provence aan den oever der
zee, een antieke en zeer voorname stad en die vroeger vol was van
rijke lieden en van grooter kooplui dan men heden ziet. Onder deze was
er een Arnaud Claude genaamd, een man van geringe geboorte, maar van
goede trouw en eerlijke koopmanschap grenzeloos rijk aan bezittingen en
geld, die van zijn vrouw meerdere dochters had, van welke drie meisjes
waren ouder dan de zonen. Van de eerste waren er twee tweelingen van
vijftien jaar en de derde was veertien. De ouders verwachtten niets
anders om ze te huwen dan de terugkeer van Arnaud, die met zijn waren
naar Spanje was gegaan. Van de twee eersten waren achtereenvolgens
de namen Ninetta en Madeleine, de derde heette Berthole. Op Ninetta
was een jong edelman, die helaas arm was en Restagnon heette, vurig
verliefd en het meisje op hem. Zij hadden zoo te werk weten te gaan,
dat, zonder dat iemand ter wereld het wist, zij in hun liefde zich
verheugden en reeds hadden zij zich er een heelen tijd in verblijd,
toen twee jonge metgezellen, waarvan de een Fouques heette en de ander
Hugues en waarvan de vaders dood waren en die zeer rijk achter bleven,
de een op Madeleine en de ander op Berthole verliefd werden. Restagnon
bemerkte dit, daar Ninetta hem er op gewezen had en dacht zijn eigen
geldgebrek te kunnen overwinnen door hun liefde. Hij verbond zich
met hen en vergezelde dan den een en dan den ander en soms beide om
hun donna's en de zijne te zien en toen hij genoeg met hen bekend
en bevriend was, riep hij ze eens bij zich thuis en zeide tot hen:
Zeer waarde jongelui, onze omgang kan u verzekerd hebben, hoe groot
de vriendschap is, die ik u toedraag en dat ik voor u zou doen,
wat ik voor mij zelf zou verrichten en omdat ik u zeer mag lijden,
wil ik u uiteenzetten wat mij is te binnen gevallen en daarna zult
gij met mij samen die partij kiezen, welke u het voordeeligst zal
schijnen. Gij, als uwe woorden niet liegen en ook door wat ik uit
uw daden bij dag en nacht meen te begrijpen, brandt van zeer groote
liefde voor de twee jonge dames door u bemind en ik voor de derde,
hun zuster voor welken gloed, als gij het eens kunt worden, het hart
mij een zeer zacht en aangenaam geneesmiddel wijst, namelijk dit: Gij
zijt zeer rijke jongelieden, wat ik niet ben; indien gij uw bezittingen
tot een wilt verbinden en mij tot den derden bezitter met u te samen
er van wilt maken en overleggen naar welk deel der wereld wij willen
gaan om een heerlijk bestaan met hen te hebben, geeft mijn hart mij
zonder twijfel mij in het volgende te doen: dat de drie zusters met
een groot deel der goederen van hun vader met ons mede zullen gaan,
waarheen wij willen en daar kan ieder met de zijne en wij dus als drie
broeders, leven als de tevredenste menschen, die er op de wereld zijn
te vinden. Aan u staat het verder partij te kiezen door u hiermee
te vereenigen of het na te laten. De twee jongelieden, die zeer
ontgloeiden, toen zij hoorden, dat zij hun meisjes zouden krijgen,
vermoeiden zich niet te veel met beraadslagen, maar zeiden, dat men
dit moest navolgen, wat zij bereid waren te doen. Toen Restagnon dit
antwoord van de jongelieden ontvangen had, ontmoette hij een paar dagen
later Ninette, bij wien hij niet zonder groote moeite kon komen en
nadat hij eenigen tijd met haar samen was geweest, vertelde hij haar
wat hij met de jongelui afgesproken had en deed zijn best met vele
redeneeringen haar dit voornemen te doen bevallen. Maar dit beviel
haar zeer, omdat zij nog meer dan hij verlangde hem zonder argwaan
te zien. Daarom antwoordde zij vrijmoedig, dat zij het goed vond en
dat de zusters en het meest hierin, dat zouden doen wat zij wilde,
en zeide hem, dat hij elk gunstig middel hiertoe zoo gauw hij kon,
moest aanwenden. Restagnon keerde tot de jongelieden terug, die hem
sterk aanspoorden tot wat hij besproken had en hun zeide, dat van den
kant van hun donna's het werk op den goeden weg was, Zij beraadslaagden
onder elkaar om naar Creta te gaan, verkochten enkele bezittingen die
zij hadden onder voorwendsel baar geld te krijgen voor den handel,
maakten al het andere te gelde, kochten een fregat en bewapenden dit
heimelijk geheel, en wachtten den gegeven termijn af. Anderzijds
zette Ninette, die genoeg van de begeerte van haar zusters wist,
met mooie woorden hen tot zooveel verlangen hiernaar aan, dat zij
zich verbeeldden niet meer te kunnen leven, eer dit gebeurd was. Toen
de nacht aanbrak, waarin zij het fregat moesten bestijgen, haalden
de drie zusters na een groote kist van hun vader geopend te hebben,
daaruit een zeer groote hoeveelheid geld en juweelen, gingen hiermee
alle drie volgens de afspraak stil uit het huis en vonden de drie
minnaars, die hen wachten. Met hen bestegen zij dadelijk het schip,
staken de riemen in het water en gingen weg. Zonder zich ergens op te
houden kwamen zij den volgenden avond te Genua, waar de jonge minnenden
voor het eerst weer vreugde en genoegen hadden van hun liefde. Nadat
zij zich voorzien hadden van al wat zij noodig hadden, gingen zij weg
en van haven tot haven kwamen zij, voor acht dagen om waren, zonder
hindernis op Creta, waar zij zeer groote en schoone gronden kochten en
zij vrij dicht bij Candia [76] zeer fraaie en aangename woningen deden
bouwen. Daar begonnen zij met veel bedienden, met honden en vogels en
paarden, bij gastmalen en feesten en in vreugde met hun donna's als de
tevredenste menschen ter wereld bij wijze van baronnen te leven. Aldus
gelijk wij iederen dag zien, dat de aangenaamste dingen vervelen,
wanneer men er te grooten overvloed van heeft, begon Restagnon, die
veel van Ninette gehouden had en die haar tot zijn behagen hebben
kon _en zonder eenige vrees genoeg van haar te krijgen_ en bijgevolg
zijn liefde te verflauwen. Toen hij zich op een feest bevond, had
een jong meisje van dit eiland hem zeer behaagd. Het was een schoone
en lieve donna, die hij met den grootsten ijver volgde en hij begon
haar wonderlijk te vieren en te eeren. Ninette merkte dit, werd zeer
jaloersch op hem, zoodat hij geen pas kon verzetten of ze wist het
en kwelde hem daarna met woorden en schimp. Maar gelijk de overvloed
der dingen hinderlijk wordt, zoo vergroot de onthouding van begeerten
het verlangen en zoo vermeerderden de scheldwoorden van Ninette de
vlammen der nieuwe liefde van Restagnon. Door verloop van tijd--hetzij
Restagnon de gunsten van de donna verkreeg of niet--verviel Ninette,
die het van wie ze het ook hoorde, voor waar hield, tot zulk een
droefheid, toen tot zulk een toorn en daarna tot zulk een woede, dat
de liefde voor hem omsloeg in fellen haat, en zij besloot, verteerd
door gramschap door den dood van Restagnon de beleediging te wreken,
die zij meende, dat haar was aangedaan.

Zij ging naar een oude Griekin, zeer ervaren in het samenstellen
van vergiften en haalde haar door beloften en geschenken over een
doodelijke drank te bereiden, die zij zonder verder te aarzelen op een
avond aan Restagnon te drinken gaf, die het warm had en er niet op
lette. De kracht daarvan was zoo groot, dat die hem vóór den morgen
gedood had. Toen Fouques en Hugues en hun vrouwen diens dood hoorden
zonder te weten, dat hij door vergift was vermoord, beweenden zij hem
bitter met Ninetta te samen en deden hem eervol begraven. Maar weinige
dagen later werd de oude vrouw, die voor Ninette het venijnige vocht
had klaar gemaakt, voor een andere misdaad gevangen genomen, die bij
haar andere misdrijven op de pijnbank dit bekende en ten volle aangaf,
waardoor dit was geschied. Hierdoor kwam de hertog van Creta zonder er
iets van te zeggen, een nacht stil in het paleis van Fouques en zonder
eenig rumoer of tegenspraak, voerde hij Ninette, die in hechtenis werd
genomen, weg. Fouques en Hugues hadden van den hertog gehoord--en hun
donna's weer van hen--waarom Ninette was gevangen genomen, wat hun
zeer onaangenaam was en zij deden alles om Ninette aan den brandstapel
te ontrukken, waartoe zij dachten, dat zij zou worden veroordeeld,
als een, die het wel had verdiend. Maar het scheen niets te helpen,
omdat de hertog vast besloten was recht te doen. Madeleine, die een
mooi, jong meisje was en lang den hertog had begeerd zonder ooit
iets te hebben willen doen, dat hem zou behagen, verbeeldde zich,
dat zij hierdoor haar zuster van den vuurdood zou kunnen redden en
gaf hem door een voorzichtigen bode te kennen, dat zij tot elk bevel
van hem gereed was, waaruit twee zaken moesten volgen: ten eerste,
dat zij haar zuster veilig en vrij zou terug krijgen, ten tweede, dat
dit een geheim zou blijven. De hertog hoorde de boodschap, deze beviel
hem en hij dacht lang na, wat hij zou doen. Eindelijk stemde hij toe
en zeide, dat hij bereid was. Alsof hij inlichtingen van hen wilde
hebben, liet hij Fouques en Hugues een nacht gevangen nemen en sliep
met toestemming van Madeleine in 't geheim met haar. Nadat hij eerst
deed of hij Ninette in een zak had laten doen en dienzelfden nacht in
zee werpen met een steen om den hals, voerde hij haar met zich mede
naar haar zuster terug en gaf haar deze als loon. Hij verzocht haar,
dat zij 's morgens zou vertrekken en dat die nacht, welke de eerste van
hun liefde was geweest niet de laatste zou zijn. Bovendien gelastte
hij haar, dat zij de schuldige donna wegzond, opdat zij hem niet zou
schandvlekken en hem niet zou noodzaken haar opnieuw te vervolgen. Den
volgenden morgen werden Fouques en Hugues vrijgelaten, nadat zij hadden
hooren vertellen, dat Ninette dien nacht verdronken was geworden en
zij geloofden dit en keerden terug naar hun huis om hun vrouwen over
de dood van hun zuster te troosten, hoewel Madeleine haar best deed
haar goed verborgen te houden, maar toch bemerkte Fouques, dat zij er
was. Hierover was hij zeer verwonderd en kreeg dadelijk argwaan (daar
hij al bemerkt had, dat de hertog Madeleine had bemind) en vroeg haar,
hoe het mogelijk was, dat Ninette zich daar bevond. Madeleine spon een
lang verzinsel uit om het hem te willen verklaren, die haar, omdat hij
slim was, weinig geloofde en die haar dwong de waarheid te zeggen, wat
zij na weinig praten dan ook maar deed. Fouques door smart overwonnen
en in woede ontbrand trok een degen en terwijl zij tevergeefs genade
vroeg, doodde hij haar. Hij vreesde den toorn en de vervolging van
den hertog, liet haar dood in de kamer achter en begaf zich daarheen,
waar Ninette was en zeide haar met een geveinsd vroolijk gelaat: Laten
wij dadelijk heengaan, waar het door uw zuster afgesproken is, waarbij
ik u zal leiden, opdat gij niet meer in handen van den hertog valt.

Ninette geloofde dit en daar zij bang was en daardoor verlangde te
vertrekken, begaf zij zich met Fouques zonder verder afscheid van
haar zuster te nemen op weg. En met dat weinige geld, waarop Fouques
de hand kon leggen, gingen zij naar de haven, bestegen een bark en
nooit kwam men te weten, waar zij landden. Den volgenden dag, toen
Madeleine vermoord gevonden werd, waren er eenigen, die door nijd en
haat jegens Hugues het dadelijk aan den hertog berichtten. De hertog,
die Madeleine zeer beminde, liep hierdoor in groote woede naar het
huis, nam Hugues gevangen en zijn vrouw en dwong hen, die van de zaak
nog niets wisten namelijk van het vertrek van Fouques en Ninette, te
bekennen gezamenlijk schuldig te zijn met Fouques aan den dood van
Madeleine. Daar zij door die bekentenis terecht den dood vreesden,
kochten zij met groote list degenen, die hen bewaakten, om, door
hun een zekere hoeveelheid geld te geven, die zij in hun huis voor
mogelijke gelegenheden verborgen hadden gehouden en met de wachters
zelf, zonder tijd te hebben iets vandaar te kunnen medenemen, bestegen
zij een bark en vluchtten 's nachts naar Rhodes, waar zij in armoede
en ellende niet lang leefden. Zoo voerden hen en anderen de dwaze
liefde van Restagnon en de woede van Ninette tot zulk een einde.



Vierde Vertelling.

    _Gerbino, ondanks het gegeven woord van koning Guiglielmo,
    zijn grootvader, valt een schip aan van den koning van Tunis
    om een dochter van dezen te schaken. Zij wordt gedood door
    hen, die op het schip waren. Gerbino doodt ze allen en op
    zijn beurt wordt hem later het hoofd afgeslagen._


Toen Lauretta haar verhaal geëindigd had, zweeg zij en elk in het
gezelschap pratend deze met gene en die met een ander, treurde over
het ongeluk der minnenden en de een laakte de toorn van Ninette en
de ander zei dit en een derde dat, toen de koning van een diepe
gedachte bevrijd, het gelaat ophief en aan Elisa een teeken gaf,
dat zij zou voortgaan, welke nederig begon: Bekoorlijke donna's. Er
zijn genoeg menschen, die gelooven, dat Amor alleen zijn pijlen werpt,
nadat men door het gezicht ontbrand is, en spotten met hen, die willen
staande houden, dat men van hooren zeggen verliefd kan worden. Dat
dezen bedrogen uitkomen, zal duidelijk blijken uit een novelle,
welke ik wil vertellen. Gij zult er uit zien, dat niet alleen de
faam prikkelt zonder dat de minnenden elkaar ooit hebben aanschouwd,
maar het zal duidelijk worden, dat die allen hier tot een ellendigen
dood heeft gevoerd.

Guiglielmo, de tweede koning van Sicilië [77], gelijk de Sicilianen
willen, had twee kinderen, een zoon Ruggieri en een dochter
Gostanza. Deze Ruggieri [78] stierf voor zijn vader en liet een zoon na
Gerbino genaamd, die door zijn grootvader met zorg werd opgevoed, een
schoone jongeling werd en beroemd door dapperheid en hoffelijkheid. En
zijn faam bleef niet alleen beperkt binnen de grenzen van Sicilië, maar
klinkend in verschillende deelen der wereld, was zij zeer verbreid in
Barbarije, dat in dien tijd aan den koning van Sicilië schatplichtig
was. En onder velen, wier ooren de groote faam van de kracht en de
hoffelijkheid van Gerbino bereikte, was een dochter van den koning
van Tunis, die, volgens elk, die haar had gezien, een der schoonste
schepsels was, welke ooit door de natuur werd gevormd en met een groote
en edele ziel. Deze, die gaarne van dappere mannen hoorde spreken,
ontving met zooveel welwillendheid de moedige daden door Gerbino
verricht door den een en den ander verteld, dat zij, in zich zelf
zich verbeeldend hoe hij moest wezen, hevig op hem verliefd werd en
liefst van hem sprak en luisterde naar wie dit deed. Van den anderen
kant had de groote naam van haar schoonheid en waardigheid op gelijke
wijze Sicilië bereikt en kwam niet zonder groote bekoring noch vergeefs
Gerbino ter oore, zoo dat hij niet minder op haar ontvlamde dan zij op
hem. Hierdoor tot hij een eerlijke reden van zijn grootvader verkreeg
tot verlof om naar Tunis te gaan, gelastte hij aan elken vriend van
hem, die daar heenging aan haar zooveel mogelijk zijn geheim en groote
liefde op de meest geschikte manier toe te vertrouwen en hem nieuws van
haar te melden. Een van hen deed dit op zeer schrandere wijze, onder
voorwendsel juweelen voor dames te brengen gelijk de kooplieden en te
laten zien. Hij openbaarde haar geheel de hartstocht van Gerbino en
bood zich aan om voor haar en haar zaken te zorgen. Zij ontving met een
blij gelaat den bode en de boodschap en nadat zij hem had geantwoord,
dat zij van gelijke liefde brandde, zond ze hem een van haar duurste
juweelen als getuigenis. Gerbino ontving dit met zooveel vreugde,
als hij eenige kostbaarheid maar ontvangen kon, schreef door diens
bemiddeling haar meermalen, zond zeer dure geschenken en maakte met
haar bepaalde afspraken om elkaar, indien de fortuin het zou toestaan,
te zien en met haar te spreken.

Doch toen de zaken aldus voortgingen en wat langer duurden dan noodig
was en het jonge meisje en Gerbino wederkeerig van liefde brandden,
huwde de koning van Tunis haar uit aan den koning van Granada. [79]
Zij was hierover zeer bedroefd denkend, dat zij niet alleen door
den afstand verder van haar gelietde verwijderd was, maar dat zij hem
geheel werd ontvoerd. En als zij een middel had geweten, opdat dit niet
zou gebeuren, zou zij van haar vader gevlucht zijn en naar Gerbino
zijn gekomen. Evenzoo was Gerbino, toen hij van dit huwelijk hoorde,
zeer bedroefd en dacht er dikwijls over of er een middel zou zijn om
haar met geweld te schaken, indien zij over zee naar haar echtgenoot
zou gaan. De koning van Tunis, die iets van die liefde vernomen had en
van het voorstel van Gerbino en die bevreesd was voor zijn moed en zijn
kracht, verzocht, toen de tijd gekomen was om haar weg te sturen, aan
koning Guglielmo hem te verklaren, wat die voornemens was en wat hij
van plan was te doen om verzekerd te zijn, dat hij noch door Gerbino
noch door wie ook hierin belemmerd zou worden. Koning Guglielmo, die
een oud man was, die niets van de verliefdheid van Gerbino had bespeurd
en zelfs niet vermoedde, dat hem daartoe die zekerheid gevraagd werd,
stond die gaarne toe en ten teeken hiervan zond hij aan den koning van
Tunis zijn handschoen. Toen hij die waarborg had ontvangen, liet hij
een zeer groot en schoon schip in de haven van Carthago uitrusten en
het voorzien van al wat noodig was voor wie er op moest gaan en het
wapenen en inrichten om daarop de dochter naar Granada te zenden. Hij
wachtte niet anders af dan gunstig weer. De jonge dame, die alles
wist en zag, zond in stilte een van haar dienaren naar Palermo en
gelastte hem, dat hij Gerbino in haar naam liet groeten en hem zeggen,
dat zij binnen enkele dagen naar Granada zou gaan, waardoor men dan
nu zou zien of hij zulk een dapper man was, als men zeide en of hij
haar zoozeer beminde, als hij haar meermalen had te kennen gegeven.

Hij, aan wien de boodschap was opgedragen, verrichtte deze zeer goed en
keerde naar Tunis terug. Toen Gerbino dit hoorde en wist, dat koning
Guglielmo, zijn grootvader de geruststelling had gegeven aan den
koning van Tunis, wist hij niet wat te doen, maar toch werd hij door
liefde aangespoord, en had hij de woorden der donna begrepen. Om niet
laf te schijnen ging hij naar Messina, waar hij ijlings twee lichte
galeien deed bewapenen; nadat hij er dappere mannen op geplaatst had,
begaf hij zich met die schepen naar Sardinië, omdat hij meende,
dat daar het vaartuig van de donna moest voorbijgaan. Het gevolg
van zijn plan bleef niet lang uit, daar weinige dagen later het
schip met weinig wind niet ver van de plaats, waar hij het in stilte
verwachtte, aankwam. Gerbino zag dit en zeide tot zijn metgezellen:
Heeren, wanneer gij zoo dapper zijt als ik denk, geloof ik niet,
dat een van u nooit liefde zal gevoeld hebben of nog gevoelt, zonder
welke, naar ik zelf meen, geen sterveling eenige deugd of iets goeds
in zich kan dragen en als gij verliefd geweest zijt of nog zijt,
zal het voor u gemakkelijk zijn te begrijpen wat ik verlang. Ik heb
lief en de liefde drijft mij u deze inspanning te veroorzaken en wie
ik lief heb, bevindt zich op het schip, dat gij daar voor u ziet,
hetwelk met dat wat ik het meeste begeer vol groote rijkdommen is,
die wij, als gij dappere kerels zijt, met weinig moeite door flink te
vechten, kunnen veroveren. Van deze zegepraal zoek ik niets anders
als aandeel voor mij dan een vrouw; uit liefde tot haar voer ik de
wapenen; al het andere behoore u volop. Laat ons dus gaan en met goed
geluk het schip aanvallen. God, gunstig gestemd voor onze onderneming,
houdt het hier vast zonder het wind te verte verleenen. De knappe
Gerbino had zooveel woorden niet noodig, omdat de Messineezen, die hem
vergezelden, begeerig waren naar buit en reeds geneigd waren dat te
doen, waartoe Gerbino ze met woorden aanzette. Daarom hieven zij bij
het slot van zijn woorden een luid geschreeuw aan van: Zoo zij het! en
de trompetten klonken, zij grepen de wapens, staken de riemen in het
water en bereikten het schip. Zij, die er op waren, zagen de galeien
van verre komen en daar zij niet konden vertrekken, maakten zij zich
gereed tot verdediging. De schoone Gerbino, toen hij het naderde,
beval, dat de heeren van het schip op de galeien zouden komen, indien
zij geen gevecht wenschten. De Saracenen, wetend wie zij waren en wat
zij wenschten, zeiden, dat dit tegen de verzekering was hun gegeven
door den koning van hun aanvallers en tot teeken daarvan toonden zij
den handschoen van koning Guiglielmo en weigerden volstrekt ooit,
tenzij door een strijd, zich over te geven of iets wat zich op hun
schip bevond af te staan. Gerbino, die op den achtersteven van het
schip de donna gezien had, veel schooner, dan hij in zich zelf had
gedacht, nog meer dan vroeger ontvlamd, antwoordde bij het toonen van
den handschoen, dat er geen valken waren, zoodat er geen handschoen
noodig was [80] en zich, daar ze de donna niet wilden overgeven, gereed
te maken den slag te beginnen, welke zonder uitstel plaats had. Zij
begonnen elkaar duchtig met pijlen te beschieten en met steenen te
gooien en lang tot schade van beide vochten zij op die wijze. Ten
slotte zag Gerbino, dat het weinig hielp, nam een klein scheepje,
dat hij van Sardinië had meegevoerd, stak het in brand en naderde
met de twee galeien vlak bij het vaartuig. De Saracenen ontwaarden
dit en begrepen, dat zij zich moesten overgeven of sterven, lieten de
koningsdochter op het dek komen, die in het ruim weende en leidden die
naar den voorsteven van het schip. Zij riepen Gerbino en doodden haar,
terwijl zij voor zijn oogen genade en hulp smeekte, wierpen haar in
zee en zeiden: Neem haar, wij geven haar gelijk wij kunnen en gelijk uw
trouw het heeft verdiend. Gerbino, die hun wreedheid zag, verlangend te
sterven, liet zich niet lettend op pijl of steen tot het schip naderen
en daarop geklommen, ondanks zij, die zich daar bevonden, doodde hij
vele Saracenen evenzoo als een hongerige leeuw onder een kudde kalven
gekomen, die dan deze, dan gene ombrengt, en eerst zijn woede, welke
de honger is, met zijn tanden en nagels verzadigt. Zoo deed hij het
met een degen in de hand dan deze dan gene vermoordend. Reeds wies het
vuur op het aangestoken schip en had hij er door zijn matrozen laten
afhalen, wat de vijanden tot betaling kon dienen, toen hij er afdaalde
met een niet zeer blijde overwinning op zijn tegenstanders behaald.

Vervolgens liet hij het lichaam van de schoone donna uit zee ophalen
en beweende het langen tijd met vele tranen. Hij keerde naar Sicilië
terug en liet haar in Ustica, een klein eilandje zoo goed als
tegenover Trapani, eervol begraven en keerde bedroefder dan wie ook
terug naar huis. Toen de koning van Tunis het nieuws hoorde, zond hij
zijn gezanten in het zwart gekleed naar koning Guglielmo, beklaagde
zich over de belofte, die zoo slecht was gehouden en vertelde hem hoe
alles gebeurd was. Hierover was koning Guglielmo zeer vertoornd en
daar hij geen weg zag om de gerechtigheid te weigeren, (die zij van
hem eischten) liet hij Gerbino gevangen nemen en hij zelf, zonder dat
de beden van een zijner baronnen hem konden vermurwen, veroordeelde
hem tot onthoofding en liet hem het hoofd in zijn tegenwoordigheid
afhakken, daar hij liever zonder kleinzoon wilde blijven dan gehouden
worden voor een vorst zonder trouw. Zoo stierven dus binnen weinige
dagen de twee minnenden zonder eenige vrucht van hun liefde te hebben
genoten een kwaden dood, gelijk ik gezegd heb.



Vijfde Vertelling.

    _De broeders van Isabella dooden haar minnaar; hij verschijnt
    haar in een droom en wijst haar de plaats aan, waar hij
    begraven is. Zij graaft in stilte het hoofd op en plaatst dit
    in een pot van basiliek. [81] Daarbij blijft zij iederen dag
    langen tijd weenen, de broeders nemen haar dien af en zij
    sterft kort daarop van smart._


Toen het verhaal van Elisa geëindigd was en door den koning nogal werd
geprezen, werd aan Filomena opgedragen te spreken; deze vol medelijden
met den ongelukkigen Gerbino en zijn donna, begon na een teedere zucht:
Gracieuse donna's, mijn novelle zal niet handelen over menschen van zoo
hoogen stand als die waren, van welke Elisa heeft gesproken, maar zij
zal daarom niet minder roerend zijn. En het zal mij dat herinneren, wat
Messina mij voor kort in 't geheugen riep, waar het voorval plaats had.

Er waren dan in Messina drie jonge broeders en kooplieden en vrij
rijk gebleven na den dood van hun vader, die van San Grimignano [82]
was, en zij hadden een zuster, een jong, zeer schoon meisje van goede
manieren, welke zij, wat er ook de reden van ware, nog niet hadden
uitgehuwelijkt. Behalve dat hadden die drie broeders in een van
hun winkels een Pisaansch jonkman Lorenzo genaamd, die al hun zaken
leidde en deed. Deze was zeer knap van persoon en heel aardig en had
meermalen Lisabetta gezien, zoodat hij aan haar ten zeerste begon te
behagen, wat Lorenzo bemerkte en een en ander maal op dezelfde wijze
liet hij zijn andere verliefdheden ter zijde en begon zijn geest naar
haar alleen te richten. En het ging zoo, daar de een de ander gelijk
beviel, dat het niet lang duurde of, toen zij zeker van elkaar waren,
zij deden, wat elk het meest verlangde. Daar zij hiermee voortgingen
en te samen genoeg plezierigen tijd en voldoening hadden, wisten zij
het niet zoo geheim te doen of op een nacht, toen Lisabetta daarheen
ging, waar Lorenzo sliep, bemerkte het de oudste van de broeders,
zonder dat zij het gewaar werd.

De broeder, die een verstandig jongmensch was, hoezeer de zaak hem
ook hinderde, die hij kende, toch tot een eervoller besluit geleid,
overwoog zonder een woord te spreken of te zeggen, verschillende dingen
en wachtte tot den volgenden morgen. Toen de dag was aangebroken
vertelde hij aan zijn broeders, wat hij in den afgeloopen nacht van
Isabetta en Lorenzo gezien had en met hen te samen na lang beraad,
kwam hij tot de beslissing, opdat noch voor hen, noch voor de zuster
er eenige schande uit zou volgen, er stil over heen te gaan en te
veinzen, dat zij er niets van hadden gezien of geweten tot de tijd
kwam, waarop zij zonder schade en gevaar voor hen, die blaam, voor
dit verder ging, aan het gezicht konden onttrekken. Zoo bleven zij
schertsen en lachen met Lorenzo, gelijk zij gewoon waren en toen zij
eens deden of zij alle drie uit de stad gingen voor hun uitspanning,
namen zij Lorenzo mede. Op een eenzame en afgelegen plaats gekomen,
zagen zij de kans schoon en doodden Lorenzo, die er in 't geheel
niet voor gewaakt had en begroeven hem, zoodat niemand het merkte. In
Messina teruggekeerd vertelden zij, dat zij hem voor hun zaken ergens
heen hadden gestuurd, wat licht werd geloofd, omdat zij gewoon waren
hem dikwijls naar buiten te zenden. Toen Lorenzo niet terug keerde en
Isabella het meermalen en dringend aan de broeders vroeg als iemand,
wien die lange afwezigheid kwelde, zeiden zij eens, toen zij het
zeer met nadruk herhaalde: Wat wil dat zeggen? Wat hebt gij met
Lorenzo te maken, dat gij zoo vaak naar hem vraagt? Als gij het niet
meer zult vragen, zullen wij U een antwoord geven, dat U aangenaam
is. Daardoor bleef het jonge meisje droef en treurig, vreezend en
niet wetend, zonder dat zij er meer om vroeg en meermalen riep en
bad zij 's nachts, dat hij zou komen en dikwijls beklaagde zij zich
met vele tranen over zijn lange afwezigheid en zonder een oogenblik
zich op te vroolijken bleef zij altijd wachten. Op een nacht, toen
zij lang over Lorenzo had geklaagd, die niet terugkeerde en zij ten
slotte schreiend was ingeslapen, verscheen haar Lorenzo in den droom,
bleek en geheel ontdaan met verscheurde en bebloedde kleederen en het
scheen haar, dat hij zeide: O Lisabetta, gij doet niets dan mij roepen
en treurt over mijne lange afwezigheid en gij beschuldigt mij wreed
met uw tranen. Weet daarom, dat ik niet meer hier kan terugkeeren,
omdat op den laatsten dag, dat gij mij hebt gezien, uw broeders
mij doodden en de plaats aanwijzend, waar zij hem hadden begraven,
zeide hij haar, dat zij hem niet meer moest roepen of verwachten en
hij verdween. Het meisje werd wakker, had vertrouwen in den droom en
weende bitter. Toen het morgen werd, durfde zij niets aan de broeders
zeggen, nam zich voor naar de aangewezen plaats te gaan en te zien,
of het waar was, wat er in haar droom was geopenbaard. Nadat zij
verlof had gekregen wat buiten de stad te gaan voor haar genoegen,
ging zij in gezelschap van een dienstmeid, die vroeger bij hen was
en die alles van haar wist, er zoo spoedig mogelijk heen.

Zij veegde de droge bladeren weg, die er lagen, en waar de aarde minder
hard scheen begon zij te graven. Zij had nog niet lang gezocht of
zij vond het lichaam van haar ongelukkigen minnaar nog in geen enkel
opzicht misvormd of bedorven, waardoor zij duidelijk begreep, dat
haar visioen waar was geweest. Hierover treuriger dan eenige andere
vrouw zag zij in, dat het daar de plaats niet was om te jammeren en
had zij, als ze had gekund, gaarne het heele lichaam weggedragen om
het een eervolle begrafenis te geven, maar ziende, dat dit niet kon,
sneed zij, zoo goed ze kon, met een mes het hoofd van den romp en na
dit gewikkeld te hebben in een doek en over de rest van het lichaam
de aarde te hebben geworpen, stopte zij 't in het schort van de
dienstmaagd zonder door iemand te zijn opgemerkt, ging vandaar heen
en keerde naar huis terug. Daar sloot zij zich met het hoofd in de
kamer op, klaagde lang en bitter, baadde het geheel met haar tranen
en gaf het overal duizend kussen. Toen nam zij een groote en schoone
pot van het soort, waarin men de majoleine of basiliek plant en deed
dit er in, gewikkeld  in een laken. Daarna bedekte zij die met aarde
en plantte er verscheidene stammen van den basiliek op en besproeide
die met niets anders dan rozen- of oranjebloesem-water of met haar
eigen tranen. En zij had de gewoonte aangenomen altijd bij dat hoofd
te gaan zitten en het met al haar liefde te beschouwen, omdat die haar
Lorenzo verborgen hield en als zij het lang bestaard had, boog zij
zich er over en begon lang te schreien, totdat de basiliek doorweekt
was van tranen. Die plant, zoowel door de lange en voortdurende
zorg als door de vetheid der aarde, welke uit het ontbonden hoofd
voortkwam, dat er in was, werd zeer schoon en geurde sterk. Toen
het jonge meisje voortging zoo te treuren, werd het meermalen door
de buren gezien. Dezen, terwijl de broeders zich verwonderden, omdat
haar schoonheid verwelkte en dat haar oogen hol in het hoofd stonden,
zeiden tot hen: Wij hebben gemerkt, wat zij elken dag doet.

De broeders hoorden dit, werden het gewaar en nadat zij haar dit
eenige malen verweten hadden en het niet hielp, lieten zij dien pot
in 't geheim weghalen. Toen zij dien niet terug vond, vroeg zij hem
met den grootsten aandrang weer velen malen terug en toen men dien
haar niet gaf, hield zij niet op met klagen en weenen, werd ziek en
vroeg in haar lijden niets anders dan haar bloempot. De jongelieden
verwonderden zich zeer over haar vraag en wilden ten slotte zien,
wat die pot inhield. Zij wierpen de aarde er uit, zagen het laken
en daarin het hoofd, nog niet zoo verteerd, of zij herkenden aan het
gegolfde haar, dat het dat van Lorenzo was. Zij verbaasden zich zeer
sterk en vreesden, dat men dit te weten zou komen. Nadat zij dit hadden
begraven, gingen zij zonder het de ouders te zeggen, voorzichtig uit
Messina weg en na alles voor hun vertrek te hebben in orde gebracht,
togen zij naar Napels. Het meisje hield niet op met weenen en altijd
om haar bloempot roepend, stierf zij en zoo eindigde die ongelukkige
liefde. Maar toen de geschiedenis aan velen na zekeren tijd bekend
werd, was er iemand, die er het volgende lied op dichtte, wat men
nog zingt:



    Wie was de slechte Christen,
    Die mij mijn bloempot heeft afgenomen,
    Waarin mijn basiliek was van Salerno!
    Hij was met kracht gegroeid.
    Ik plantte hem met eigen hand
    Den dag zelf van mijn geboorte,
    Die het goed van anderen steelt, begaat een lafheid.



    Die het goed van anderen steelt, begaat een lafheid
    En de zonde is zeer groot.
    O ongelukkige, die mij
    Een pot met bloemen had gezaaid.
    Hij was zoo schoon, dat ik in zijn schaduw sliep,
    Benijd door de menschen.
    Hij is mij ontroofd en voor mijn deur.



    Hij is mij ontroofd en voor mijn deur.
    Ik was daarover zeer bedroefd.
    Ongelukkige, hoe ben ik niet gestorven,
    Ik, die er zoozeer aan was gehecht!
    Toch den vorigen dag, dat ik slecht waakte
    Voor den heer, die ik zoo beminde.
    Ik had hem gansch omringd van majoleine.



    Ik had hem gansch omringd van majoleine
    Gedurende de schoone maand van Mei;
    Ik besproeide hem elke week drie malen;
    Ook zag ik, hoe hij goed wortel vatte.
    Nu is het klaar, dat hij mij is ontroofd.



    Nu is het klaar, dat hij mij is ontroofd.
    Ik kan hem niet meer verbergen,
    Maar als ik van te voren had geweten,
    Dat dit mij zou gebeuren,
    Zou ik voor de deur hebben geslapen
    Om mijn bloempot te bewaren:
    De groote God moge mij helpen.



    De groote God moge mij helpen,
    Indien het Hem behaagt
    Tegen den man, die zoo schuldig jegens mij is,
    Die mij in pijn en kwelling heeft gebracht,
    Die mijn basiliek heeft gestolen,
    Welke vol was van zooveel geur,
    Zijn balsem streelde mij zoo zeer.



    Zijn balsem streelde mij zoo zeer,
    Zoo frisch geurde hij
    En 's ochtends, als ik hem besproeide
    Bij het rijzen van de zon,
    Was iedereen verwonderd:
    Waar komt zooveel geur vandaan?
    En ik uit liefde voor hem zal sterven van verdriet.



    En ik uit liefde voor hem zal sterven van verdriet.
    uit liefde voor mijn pot met bloemen.
    Als iemand mij zou willen wijzen, waar die is,
    Zou ik die graag terugkoopen;
    Ik heb in mijn beurs wel honderd onsen goud
    Die ik hem gaarne zal geven,
    En een kus, als hij het zou verlangen.



Zesde Vertelling.

    _Andreuola bemint Gabriotto; zij verhaalt hem een droomgezicht
    en hij haar een ander. Vlak daarop sterft hij in haar armen;
    terwijl ze hem met een meid van haar naar huis dragen, worden
    zij door de wacht aangehouden en vertelt zij, wat er gebeurd
    is. De schout wil haar geweld aandoen, maar zij weigert. Haar
    vader herkent haar en nadat zij onschuldig is bevonden,
    wordt zij in vrijheid gesteld. Zij weigert volstrekt in de
    wereld te leven en wordt non. [83]_


Deze novelle door Filomena verhaald, trok de dames zeer aan, omdat zij
dat lied dikwijls genoeg hadden hooren zingen, maar zij hadden nooit
kunnen weten, zelfs als zij het vroegen, welke de reden was, waarom
dat was gemaakt. Maar toen de koning het slot er van had gehoord,
beval hij aan Pamfilo de ingestelde orde te volgen. Pamfilo zeide toen:
De droom in het voorafgaande verhaal vermeld geeft mij stof U er een te
vertellen, waarin van twee droomen sprake is, welke betreffen de eene,
wat gebeurd was, de andere wat gebeuren zou en ternauwernood waren die
droomen verteld door hen, die ze hadden gehad of het gevolg van beide
kwam. En toch, verliefde donna's, moet gij weten, dat het een algemeene
neiging is van elk levend wezen verschillende dingen in een droom
te zien, welke, hoewel zij aan hem, die droomt zeer waar schijnen,
wanneer hij ontwaakt sommigen hem waar, anderen waarschijnlijk
voorkomen en voor een deel met elke waarheid tegenstrijdig zijn; toch
bevindt men, dat velen zijn uitgekomen. Daardoor hechten velen aan
elke droom zooveel geloof, als zij zouden verleenen aan de dingen,
die zij wakend zien en zij bedroeven of verheugen zich naar wat zij
volgens dezen of vreezen of hopen. En er zijn er integendeel ook,
die er niets van gelooven, voor zij zich in het reeds voorspelde
gevaar zien. Ik vind noch de eenen noch de anderen te loven, omdat
droomen noch altijd waar, noch altijd valsch zijn. Dat ze niet
altijd waar zijn, kan elk van ons een voldoend aantal keeren hebben
waargenomen, en dat zij niet altijd valsch zijn, is hiervoor reeds
in de geschiedenis van Filomena aangetoond en in de mijne wil ik,
gelijk ik het van te voren zeide, ook bewijzen. Daarom meen ik, dat
men door geen tegenstrijdigen droom moet nalaten deugdzaam te leven
en te handelen noch daarvoor de goede waarschuwingen verwaarloozen;
wat tegennatuurlijke en slechte dingen betreft, moet men er niets van
gelooven, hoezeer droomen daarvoor gunstig schijnen en met gunstige
uitleggingen versterken zouden, wie ze heeft en ook in het in het
tegenovergestelde moet men geen volkomen vertrouwen schenken.

In de stad Brescia was een edelman, messer Negro van Ponte Carraro
genaamd, die onder meerdere zonen een dochter had, welke Andreuola
heette, een mooi, jong meisje en zonder man, welke toevallig op een
buurman van haar, Gabriotto, verliefd werd, een man van lage afkomst,
maar vol lofwaardige manieren en van persoon knap en bekoorlijk en
met de samenwerking en de hulp van de meid, handelde het meisje zoo,
dat Gabriotto niet alleen wist, dat hij door Andreuolo bemind werd,
maar meermalen in een schoonen tuin van haar vader tot genoegen van
beide partijen werd geleid. En opdat niets anders dan alleen de dood
hen in hun zalige liefde zou scheiden, werden zij in 't geheim man
en vrouw. Terwijl aldus tersluiks hun bijeenkomsten voortgingen,
scheen het meisje op een nacht ingeslapen in een droom te zien, dat
zij met Gabriotto was, dien zij tot groot genoegen van beide in haar
armen hield en terwijl zij zoo bij elkaar bleven, leek het haar,
dat uit zijn lichaam een donker en vreeselijk ding te voorschijn
kwam, welks vorm zij niet kon herkennen en dat het ding Gabriotto
beetpakte en ondanks haar met wonderlijke kracht hem uit haar armen
nam en met hem onder den grond verdween; de een kon den ander nooit
meer terugzien, waarover zij onnoemelijk veel smart voelde en daarop
ontwaakte zij. Hoewel zij ontwaakt blij was door te zien, dat zij
het slechts had gedroomd, kreeg zij van het droomgezicht angst. Toen
Gabriotto den volgenden nacht bij haar wilde komen, deed zij zooveel
zij kon haar best, dat hij dien avond daar niet kwam. Maar daar zij
toch zijn wil zag, ontving zij, opdat zij niets anders vermoedde,
hem den volgenden nacht in haar tuin, waar zij na vele witte en
roode rozen geplukt te hebben, omdat 't het seizoen er voor was,
met hem aan de voeten van een schoone en klare fontein in den tuin
ging zitten. Nadat zij elkaar een goede en lange ontvangst hadden
bereid, vroeg Gabriotto wat de reden was, waarom zij zijn komst den
vorigen dag had ontweken. Het meisje verhaalde hem den droom, dien
zij den vorigen nacht had gehad en de argwaan, die haar daardoor had
aangegrepen. Gabriotte hoorde dit, lachte er om en zeide, dat het
een groote dwaasheid was aan eenigen droom geloof te slaan, omdat
die voortkomen uit overlading van de maag of gebrek aan voedsel en
dat men elken dag ziet, dat ze ijdel zijn. Daarop zeide hij: Indien
ik acht had willen geven op droomen niet op een van u, maar op een,
die ik den vorigen nacht heb gehad, zou ik niet hier gekomen zijn,
waarbij ik in een schoon en heerlijk woud scheen te wezen. Daar ving ik
op jacht een ree zoo mooi en bekoorlijk, als men er nooit een zag. En
het scheen mij, dat zij witter was dan sneeuw en in korten tijd zoo
eigen met mij werd, dat zij mij in 't geheel niet meer verliet. Van
mijn kant scheen zij mij zoo dierbaar, naar het mij voorkwam, dat
ik, om door haar niet te worden verlaten haar een halsband van goud
om den hals deed, en dat ik haar met een gouden keten in de hand
hield. Daarna leek het mij, dat die ree een oogenblik rustte en de
kop op mijn borst houdend daaruit een panter, zwart als kool--ik weet
niet van waar--voortkwam, uitgehongerd en vreeselijk van aanblik en
dat die op mij toekwam. Alle weerstand scheen mij onmogelijk; het
was of die zijn muil in mijn linkerborst zette en zoover door beet,
dat hij tot mijn hart kwam, mij dit ontroofde en het wegdroeg. Ik
voelde hierdoor zulk een pijn, dat mijn droom ophield en ik zocht
ontwaakt met de hand dadelijk of er niets aan de borst mankeerde,
maar daar ik geen letsel vond, spotte ik zelf er mee, dat ik gezocht
had. Maar wat wil dat zeggen? Ik heb van zulke en erger dingen er
genoeg gezien en van niets ter wereld is mij daardoor meer of minder
overkomen. Laat ze daarom varen en laten wij ons den tijd aangenaam
maken. Het meisje, zeer ontsteld door haar droom, hoorde het en
dit werd haar te veel, maar om Gabriotto geen reden tot ongenoegen
te geven, verborg zij haar angst zooveel mogelijk. En terwijl zij
zich bevredigde door hem meermalen te omhelzen en te kussen en door
zich van hem te laten omhelzen en kussen, vreezend en niet wetend,
staarde zij meer dan gewoonlijk rond en keek door den tuin of zij
niets zwarts van eenige zijde zag aankomen. Toen dit zoo voortduurde,
slaakte Gabriotto een groote zucht, omarmde haar en zij zeide: Wee,
mijn ziel, help mij, ik sterf!--en bij die woorden viel hij op het
gras van het perk op de aarde. Het jonge meisje zag dit, en hief hem
op, trok hem op haar borst en sprak klagend: O mijn lieve heer, o wat
voelt gij? Gabriotto antwoordde niet, maar hevig sidderend en bedekt
met zweet ging hij na korten tijd uit dit leven. Hoe vreeselijk en
treurig dit voor het meisje was, kan ieder zich denken. Zij klaagde
zeer en riep hem meermalen vergeefs. Maar daar zij toch merkte, dat
hij dood was, nadat zij elk deel van zijn lichaam onderzocht had en
hem geheel koud vond en niet wetend wat te doen of te zeggen, ging
zij betraand als zij was en vol angst haar meid roepen, welke van die
liefde kennis droeg en toonde deze haar ellende en haar smart. Toen
zij samen droevig eenigen tijd hadden geklaagd over het doode gelaat
van Gabriotto, zei het meisje tot de dienstmaagd: Omdat God mij deze
heeft ontnomen, wil ik niet langer leven. Maar voor ik mij van kant
maak, zou ik willen, dat wij een middel zochten om behoorlijk mijn
eer te dienen en de geheime liefde, die er tusschen ons was en dat
het lichaam, waaruit de genadige ziel verdwenen is, begraven wordt.

Hierop antwoordde de meid: Mijn kind, zeg niet u zelf te willen
dooden, omdat gij, indien gij hem hier verloren hebt, hierdoor hem in
de andere wereld ook zult verliezen, want gij zult naar de hel gaan,
waar ik zeker ben, dat zijn ziel niet is neergedaald, omdat hij een
goed jonkman was, maar het is veel beter u te sterken en er aan te
denken en met gebeden en andere goede dingen zijn ziel te helpen;
indien deze het voor eenige, begane zonde noodig heeft. Er is een
middel om hem spoedig in dezen tuin te begraven, wat nooit iemand
zal weten, omdat niemand bekend is, dat hij er ooit kwam en als gij
dit niet wilt, laten wij hem dan buiten den tuin brengen en hem daar
laten. Dan zal hij morgen gevonden worden en naar zijn huis gedragen en
begraven door zijn familie. Het meisje, hoezeer het ook vol droefenis
was en voortdurend weende, luisterde toch naar den raad van haar meid;
en nadat zij het eerste niet goed had gevonden, antwoordde zij op het
tweede: God wil zeker mij niet toestaan, dat een zoo lieve jonkman,
zoo door mij bemind en mijn man, als een hond zou begraven worden
of op straat zou worden achter gelaten. Hij heeft mijn tranen gehad
en zooveel ik zal kunnen, zal hij die van zijn familie hebben en het
schiet mij nog te binnen, wat wij hiervoor moeten doen.

Snel zond zij haar weg om een stuk zijden doek te halen, dat zij in
haar koffer had en toen zij terugkwam, spreidden zij het op de aarde
uit en plaatsten daarop het lichaam van Gabriotto na hem het hoofd op
een kussen te hebben gelegd. Met vele tranen sloten zij hem de oogen
en den mond, vlochten hem een krans van rozen en na hem geheel bedekt
te hebben met rozen, die zij hadden geplukt, sprak zij tot de meid:
Van hier tot aan de deur van zijn huis is de afstand klein, daarom
zullen gij en ik, gelijk wij van plan waren, hem daarheen dragen
en hem van hier daarheen voeren. Het zal niet lang duren, dat het
dag wordt en hij zal opgenomen worden en hoewel dit geen troost zal
wezen voor de zijnen, zal dit toch een voldoening zijn voor mij, in
wiens armen hij stierf. Bij die woorden wierp zij zich op nieuw met
overvloedige tranen op zijn gelaat en weende langen tijd. Eindelijk
sterk aangespoord door haar meid, omdat het dag werd, stond zij op,
trok denzelfden ring, waarmee zij zich met Gabriotto had verbonden,
van haar vinger, deed dien aan den zijne en zeide schreiend:
Mijn lieve heer, indien Uw ziel mijn tranen ziet of indien eenige
kennis of gevoel na het heengaan daarvan in het lichaam overblijft,
ontvang dan welwillend van deze de laatste gift, die U bij Uw leven zoo
beminde. Bij die woorden viel zij bewusteloos op hem neer en na weer te
zijn bijgekomen en opgestaan, nam zij met de meid samen het doek op,
waarover het lijk lag, gingen er mee den tuin uit en gingen naar zijn
huis. Terwijl zij zich daarheen begaven, werden zij toevallig opgemerkt
door de wachters van den schout, die door een of andere oorzaak daar
juist langs kwamen en zij werden met den doode aangehouden.

Andreuola, die meer begeerde te sterven dan te leven en die de knechten
van de overheid kende, zeide vrijmoedig: Ik weet wie gij zijt en dat
het vluchten mij niet zou baten; ik ben bereid met U voor de rechters
te verschijnen en die te zeggen, wat er gebeurd is, maar laat niemand
van U begeeren mij aan te raken, indien ik U gehoorzaam ben, noch
dit lichaam te naderen, opdat ik hem niet beschuldig. Aldus, zonder
te worden aangeraakt, ging zij met het heele lichaam van Gabriotto
naar het paleis. Toen de baljuw dit hoorde, stond hij op, liet haar
in zijn kamer komen en onderzocht wat er plaats had gegrepen. Nadat
hij door een paar doktoren had laten schouwen of de goede man door
vergift of iets anders was omgebracht, bevestigden allen van niet,
maar dat er een gezwel bij het hart was doorgebroken, dat hem had doen
stikken. Toen hij dit hoorde en begreep, dat zij er weinig schuld aan
had, deed hij zijn best haar te doen blijken, dat hij haar wilde geven,
wat hij niet kon verkoopen en zeide, dat, als zij zijn genoegen wilde
bevredigen, hij haar zou loslaten, maar als zijn woorden niet hielpen,
dat hij haar naar willekeur door geweld zou krijgen. Maar Andreuola
door verontwaardiging ontvlamd en zeer sterk geworden, verdedigde
zich moedig, en stiet hem met beleedigende en fiere woorden terug.

Doch toen het dag werd en dit verteld was aan messire Negro, ging
deze doodelijk bedroefd met vele van zijn vrienden naar het paleis
en toen hij door den schout van alles op de hoogte was gesteld,
vroeg hij schreiend of zijn dochter hem werd teruggegeven. De schout,
die zich eerst wilde verontschuldigen wegens het geweld, dat hij de
jonge vrouw had willen aandoen, voor hij door haar beschuldigd werd,
begon haar standvastigheid te prijzen en zeide, dat hij, wat hij
gepoogd had, deed om haar op de proef te stellen. Daarom bij het
zien van haar vasten wil, had hij groote liefde voor haar opgevat
en indien dit behaagde aan hem, die haar vader was evenals aan haar,
zou hij, hoewel zij een man had gehad van lagen afkomst, haar gaarne
huwen. Terwijl hij zoo sprak, werd Andreuola voor haar vader geleid en,
wierp zich weenend aan zijn voeten en zeide: Vader, ik geloof niet,
dat het noodig is U de geschiedenis te vertellen van mijn liefde en
mijn ongeluk, want ik ben er zeker van, dat gij, die gehoord hebt
en weet; en daarom vraag ik zooveel ik kan, vergiffenis voor mijn
misslag, namelijk zonder uw voorkennis den man te hebben gekozen,
die mij het meest beviel. En ik vraag dat niet, opdat mij het leven
zal geschonken worden, maar om als uw dochter en niet als uw vijandin
te sterven. En schreiend viel zij aan zijn voeten.

Messire Negro, die al oud was en van goedmoedigen en beminnelijken
aard, begon bij die woorden, te huilen, hief zijn dochter teerhartig
op en zeide: Kind, het zou mij aangenamer zijn geweest, als gij er
een gekozen had, die mij voor u geschikter had geschenen en als gij er
een hebt genomen gelijk U beviel, zou ook dat mij nog genoegen hebben
gedaan, maar dat gij hem verborgen hebt door uw weinig vertrouwen,
dat doet mij verdriet en meer nog, dat ik het niet heb geweten. Maar
toch, omdat het zoo is, wil ik, wat ik gedaan zou hebben om u te
bevredigen, als hij nog leefde, namelijk hem eeren als mijn schoonzoon,
hem nu doen na den dood. Hij keerde zich daarop tot de zonen en zijn
verwanten en gelaste hun, dat de begrafenis, die zij voor Gabriotto
in orde brachten, grootsch en eervol zou zijn. Intusschen waren de
mannelijke en vrouwelijke familie-leden van het meisje toegeloopen,
die het nieuws hadden vernomen en alle donna's en mannen, die er in
de stad waren. Toen het lichaam in het midden van den hof geplaatst
was op de doek van Andreuola met al haar rozen, werd hij niet alleen
door haar en haar familie, maar in het openbaar door alle vrouwen
van de stad en door vele mannen beweend. En hij werd niet bij wijze
van een plebejer, maar van een ridder uit de openbare binnenplaats
met de grootste eer op de schouders van de edelste burgers naar het
graf gedragen. Eenige dagen later, toen de schout volhardde bij wat
hij gevraagd had en messire Negro er zijn dochter over gesproken had,
wilde zij er niets van hooren. Toen haar vader haar hierin haar zin
gaf, werden zij en haar dienstmaagd in een klooster, dat wel bekend
was om zijn heiligheid, non, waarin beide langen tijd eerbaar leefden.



Zevende Vertelling.

    _Simona bemint Pasquino; zij komen in een tuin samen,
    waar Pasquino zich met een salie-blad de tanden wrijft en
    sterft. Simona wordt gevangen genomen en om aan den rechter
    te toonen, hoe hij gestorven is, doet zij het ook en sterft
    op haar beurt._ [84]


Pamfilo had zich van zijn taak gekweten, toen de koning, die niet
het minste medelijden toonde met Andreuola, Emilia aanzag en haar
vertrouwelijk te kennen gaf, dat het hem aangenaam zou zijn, indien
zij hun, die gesproken hadden, zou navolgen. Deze zonder eenig uitstel
begon: Waarde gezellinnen. De novelle, verteld door Pamfilo, drijft
mij er toe u er een te verhalen geheel aan de zijne gelijk. Zoo ook van
Simona gezegd moet worden, dat zij als Andreuola haar minnaar verloor
en als deze werd gevangen genomen, bevrijdde zij zich niet door kracht
en deugd, maar door een plotselingen dood van haar rechters.

En gelijk het al onder ons gezegd is, dat, hoewel Amor graag de huizen
der edelen bewoont, hij niet weigert in die der armen te verblijven,
maar integendeel er soms zijn krachten toont, doet hij zich als de
machtigste meester bij de rijksten vreezen. Dit zal zoo niet geheel
dan toch voor een groot deel uit mijn vertelling blijken, waarbij het
mij behaagt in onze stad terug te keeren, waarvan wij heden door over
zooveel dingen te spreken en door verschillende deelen der wereld te
doorreizen, ons zoo ver hebben verwijderd.

Er leefde dan niet lang geleden in Florence een schoon en lief jong
meisje, wanneer men haar karakter beschouwde en de dochter van een
armen vader, die Simona heette, en hoe gaarne zij ook met eigen handen
haar brood wilde verdienen en haar bestaan onderhouden met het spinnen
van wol, was zij toch niet zoo arm van ziel, dat zij niet brandde om
Amor in haar hart te ontvangen, die onder de trekken en de aangename
woorden van een jonkman van niet hooger stand dan zij en belast was
door zijn meester, een wolhandelaar, haar de wol te brengen, een
grooten lust toonde om er plaats in te vinden. Na hem dus te hebben
ontvangen in den vorm van den bekoorlijken jongeling, die haar beminde
en die Pasquino heette, brandde zij zeer van verlangen en durfde niet
verder gaan met spinnen en bij iedere streng gesponnen wol, die zij
om den spil draaide, stiet zij duizend zuchten uit heeter dan vuur,
en dacht aan hem, die haar deze te spinnen had gegeven. Hij van den
anderen kant, die er zich voor beijverde, dat de wol van zijn meester
goed gesponnen werd, lette alleen op die, welke Simona spon en op geen
andere of zij alleen het heele weefsel moest maken. Daar de een waakte
en de ander blij was bewaakt te worden, en de een meer begeerte had en
de andere meer vrees en schaamte verjoeg dan gewoonlijk, vereenigden
zij zich tot gemeenschappelijke genoegen. Deze genoegens bevielen
hun zoo, dat zij niet alleen niet wachtten tot de een door den ander
werd uitgenoodigd, maar dat beide genoodzaakt werden het elkaar te
vragen. Terwijl zoo hun heerlijkheid van den eenen dag op den anderen
voortging en bij het voortgaan steeds vermeerderde, zeide Pasquino
tot Simona, dat hij wilde, dat zij een middel zocht om in den tuin
te komen, waar hij haar heen wilde leiden, opdat zij dit meer op hun
gemak en met minder argwaan konden verkrijgen. Simona zeide, dat het
haar beviel en nadat zij op een zondag na den eten aan haar vader te
verstaan had gegeven, dat zij plan had naar den aflaat van San Gallo
te gaan, begaf zij zich met een van haar gezellinnen, Lagina genaamd,
naar den tuin, die Pasquino haar had aangewezen. Daar vond zij hem
met een van zijn vrienden, die Puccino heette, maar die lo Stramba
(de Krombeen) werd genoemd en nadat er een nieuwen liefdebond was
gesloten tusschen Stramba en Lagina, namen zij hun genoegen waar in
het eene deel van den tuin en lieten Stramba en Lagina in een ander
deel hun gang gaan.

Er was in dat deel van de gaarde, waar Pasquino en Simona zich hadden
begeven, een zeer groote en schoone salie-struik. Zij zetten zich
aan diens voet neer en na zich langen tijd te hebben verheugd en
veel te hebben gesproken over een avondmaal, dat zij in dien tuin
rustig wilden houden, keerde Pasquino zich tot dien grooten plant,
plukte daarvan een blad en begon zich daarmede de tanden en het
tandvleesch te wrijven, zeggende, dat de salie zeer goed reinigde van
alles wat er in achter bleef, wanneer men gegeten had. En nadat hij
zich een weinig had gewreven, keerde hij met zijn praten terug tot
het avondmaal, waarvan hij eerst sprak. Hij ging daar nog niet lang
mede voort, toen hij geheel van uiterlijk begon te veranderen en na
dien omkeer duurde het maar kort, dat hij het gezicht en de spraak
verloor en weldra stierf hij. Simona dit ziende, begon te schreien
en te jammeren en Stramba en Lagina te roepen. Zij kwamen haastig
aanloopen en daar zij Pasquino  niet alleen dood zagen, maar geheel
gezwollen en vol donkere vlekken op het gelaat en het lichaam, riep
Stramba opeens: O, slecht schepsel, jij hebt hem vergiftigd. Hij maakte
veel alarm, zoodat het door velen, die vlak bij den tuin woonden,
werd vernomen. Deze kwamen op het geschreeuw aanzetten. Toen zij
hem dood vonden en opgezwollen en Stramba hoorden klagen en Simona
hoorden beschuldigen, dat zij hem verraderlijk had vergiftigd en zij,
door de smart over het onverwachte ongeluk, dat haar haar minnaar
had ontnomen, buiten zich zelve zich niet wist te verdedigen, werd
door allen beweerd, dat het was gelijk Stramba zeide. Zij werd daarom
gevangen genomen, terwijl ze steeds bitter weende en naar het paleis
van den schout gebracht. Daar, op aandringen van Stramba, l'Atticciato
(de Sterke) en Malagevole (de Lastige), gezellen van Pasquino, die
er bij waren gekomen, begon een rechter zonder uitstel aan de zaak te
geven, het feit te onderzoeken. Daar hij niet kon begrijpen, dat zij
bij deze gebeurtenis kwaadwillig of schuldig was geweest, wilde hij
in haar tegenwoordigheid het lijk zien en de plaats en het middel,
door haar aan hem verteld, omdat hij het door haar woorden niet goed
genoeg begreep. Hij liet haar dus zonder gedruisch naar de plek voeren,
waar het lichaam van Pasquino nog lag, gezwollen als een vat, en nadat
hij er later heen was gegaan en zich over den doode had verwonderd,
vroeg hij haar, hoe het gebeurd was. Zij ging naar de saliestruik
en na elk voorafgaand voorval verteld te hebben, deed zij om het
gebeurde geheel te doen begrijpen, juist gelijk Pasquino had gedaan
door zich met een van de bladen de tanden te wrijven. Ondertusschen
werd dit door Stramba en l'Atticciato en door de andere vrienden en
metgezellen van Pasquino in tegenwoordigheid van den rechter nietig
en ijdel verklaard en zij met meer nadruk van misdaad beschuldigd
en eischten zij niet anders dan dat de brandstapel de straf voor
zulk een boosheid zou zijn. De ongelukkige was door smart over den
verloren minnaar en door vrees voor de straf, geeischt door Stramba,
ontzet en doordat zij zich met het blad de tanden gewreven had, viel
zij in den toestand, waarin eerst Pasquino verkeerd had, tot groote
verbazing van de aanwezigen, neer.

O gelukkige zielen, wien het op één dag ten deel valt de hevige
liefde en het vergankelijke leven te eindigen! En gelukkiger nog,
indien gij te samen op een plaats heengaat! En het gelukkigst, indien
gij elkaar hiernamaals lief hebt en zooals gij het hier deed! Maar
gelukkig boven allen de ziel van Simona--naar ons oordeel,--waarvan
de fortuin niet duldde, dat de onschuld onder de getuigenis leed van
Stramba en l'Atticciato en Malagevole, misschien wolkaarders of nog
minder soort lieden, en die het voor zich een eervoller weg vond om
met hetzelfde stervenslot van haar minnaar zich aan hun schurkerij
te onttrekken en de ziel van haar Pasquino door haar zoo bemind, te
volgen. De rechter geheel ontsteld evenals allen, die er bij waren,
wist niet wat te zeggen en bleef langen tijd onbewegelijk. Toen
tot meerder nadenken gekomen, zeide hij: Dit bewijst, dat die salie
vergiftig is, wat gewoonlijk niet met die plant het geval is. Maar
opdat deze geen ander op die wijze schade kan doen, moet men die
tot de wortels afhakken en in het vuur smijten. Toen dit door den
tuinwachter in tegenwoordigheid van den rechter was gebeurd, had
men den grooten struik nog niet neer gehouwen of de oorzaak van den
dood der arme minnenden bleek. Er was onder den struik van die salie
een pad van wonderlijke grootte, waarvan zij bevestigden, dat het
venijn de plant moést hebben vergiftigd. Daar niemand de pad durfde
naderen, legden zij rondom een zeer grooten hoop van droog hout
en verbrandden hem met de salie-struik. Dat was het einde van het
proces van den heer rechter bij den dood van den armen Pasquino. Hij
met zijn Simona werden zoo opgezwollen door Stramba en 1'Atticciato
en Guccio Imbratta en Malagevole in de kerk van San Paolo begraven,
waarvan zij parochianen waren.



Achtste Vertelling.

    _Girolamo bemint Salvestra; toegevend aan de beden van zijn
    moeder, gaat hij naar Parijs, keert terug en vindt haar
    gehuwd. Hij treedt heimelijk in haar huis en sterft aan haar
    zijde. Men draagt hem in een kerk, waar Salvestra aan zijn
    zijde sterft._


Het verhaal van Emilia vond haar einde, toen op bevel des konings,
Neifile aldus begon: Waardige donna's. Naar mijn meening zijn er
lieden, die meenen meer te weten dan anderen en die minder weten en
daarom zijn ze niet alleen verwaten genoeg tegen den raad der menschen
maar ook tegen de natuur der dingen hun denkwijze te stellen, uit
welke aanmatiging reeds zeer groote kwalen zijn voortgekomen, terwijl
men er nooit iets goeds uit zag volgen. En omdat onder de andere,
natuurlijke dingen, zij, die het minst raadgevingen of tegenspraken
duldt, de liefde behoort, wier aard het is, dat zij eer zich zelf
verteert dan dat zij zich ophoudt bij een ontvangen waarschuwing,
is het mij te binnengevallen U een vertelling te doen van een donna,
die trachtend wijzer te zijn dan zij behoorde te wezen en was en die
de zaak niet gedoogde, waarin zij haar verstand wou toonen en gelooft
de liefde uit het hart te kunnen rukken van een minnaar, welke de
sterren wellicht er in geplaatst hadden, er toe kwam tegelijkertijd
de liefde en de ziel uit het lichaam van haar zoon te verdrijven.

Er was dan in onze stad, naar hetgeen de ouden verhalen, een zeer
groot en rijk koopman, wiens naam Leonardo Sighieri [85] luidde, die
van zijn donna een zoon Girolamo had en na diens geboorte, nadat hij
zijn zaken met zorg had geregeld, uit dit leven scheidde. De voogden
van het kind met zijn moeder te samen leidden goed en eerlijk zijn
zaken. Het kind groeide op met de anderen van de buren en sloot met
meer dan eenig ander uit den omtrek vriendschap met een meisje van
zijn leeftijd, de dochter van een kleermaker. Toen de ouderdom toenam,
veranderde de vriendschap in liefde en zoo vurig, dat Girolamo zich
niet goed voelde, als hij haar soms niet zag en zeker had zij hem
niet minder lief dan hij haar.

De moeder van den jongen, die dit gezien had, schold hem verscheidene
malen en sloeg hem. Daarna, daar Girolamo zich niet weerhouden kon,
beklaagde zijn moeder zich er over bij zijn voogden en daar zij
geloofde, door den grooten rijkdom van haar zoon, van den pruimenboom
een oranje-appel te kunnen plukken, zeide zij tot hen: Die jongen van
ons, die nauwelijks veertien jaar is, is zoo verliefd op de dochter
van onzen buurman, den kleermaker, die Salestra heet, dat, indien wij
haar niet uit zijn oogen weg halen, hij haar tot zijn ongeluk op een
goeden dag tot vrouw zal nemen, zonder dat iemand het weet en ik zal
daarna nooit meer vroolijk zijn of hij zal verteren, als hij haar met
een ander zal zien trouwen en daarom schijnt het mij, dat gij om het te
ontwijken hem ergens ver hier vandaan moet sturen om in een winkel te
dienen, opdat zij op die manier van hem verwijderd, hem niet zien kan
en daar uit de gedachte zal gaan en wij hem later een welgeboren donna
tot vrouw kunnen geven. De voogden zeiden, dat de donna gelijk had en
dat zij naar hun vermogen zouden handelen. Nadat zij het kind in den
winkel hadden laten roepen, begon er een te zeggen op beminnelijken
toon: Mijn jongen, je wordt nu groot; het is goed, dat gij zelf uw
zaken leert behartigen; daarom zouden wij er zeer mee ingenomen zijn;
als gij eenigen tijd in Parijs zoudt vertoeven, waar gij zult zien,
hoe een groot deel van uw geld verhandeld wordt zonder te rekenen,
dat gij er veel beter en meer opgevoed en rijker zult worden,
wat hier niet gebeuren kan, daar gij er vele ridders en baronnen
en edellieden zult zien, en als gij hun zeden hebt leeren kennen,
kunt gij hier later terugkeeren. De jongen luisterde ingespannen en
antwoordde kort, dat hij er niets van wilde weten, omdat hij even
goed als een ander meende in Florence te kunnen blijven. De waarde
heeren hoorden dit en berispten hem nog meer, maar daar zij uit hem
geen ander antwoord konden krijgen, vertelden zij het aan de moeder.

Deze fel vertoornd, niet wegens zijn weigering naar Parijs te gaan
maar om zijn liefde, beleedigde hem zwaar en toen om het te verzoeten
met lieve woordjes begon zij hem te vleien en hem zacht te vragen,
of hij wou doen, wat zijn voogden wenschten en zij wist hem zoo te
bepraten, dat hij toestemde er een jaar en langer te blijven en dat
gebeurde. Girolamo ging dus zeer verliefd naar Parijs en werd er met
uitstel op uitstel twee jaar gehouden. Vandaar keerde hij meer dan
ooit ontvlamd terug, vond zijn Salvestra gehuwd met een goed jonkman,
tentenmaker van beroep en was daarover uiterst bedroefd. Maar toen
ziende, dat het niet anders kon, deed hij zijn best zich rust te
verschaffen en na ontdekt te hebben, waar zij woonde, begon hij volgens
de gewoonte der verliefde jongelieden daar langs te gaan in het geloof,
dat zij hem niet vergeten had, gelijk hij haar niet. Maar de zaak nam
een anderen keer; zij dacht niet meer aan hem, alsof zij hem nooit
had gezien en als zij er zich nog iets van herinnerde, toonde zij het
tegendeel, wat de jongeling in korten tijd gewaar werd en niet zonder
zeer groote smart. Maar niettemin deed hij, al wat hij kon om dit in
zijn ziel te verbergen; daar echter niets scheen te helpen, besloot
hij om niet weg te kwijnen haar te spreken. Nadat hij door een buurman
ingelicht was, hoe het huis van zijn vriendin was gebouwd, trad hij
er op een avond, toen zij en haar man waren gaan waken bij buren, in
't geheim binnen en verborg zich in haar kamer achter tentendoeken,
die er waren uitgespannen en wachtte, totdat zij huiswaarts gekeerd en
te bed waren en hij zag, dat de man sliep en ging toen naar die zijde,
waar hij gemerkt had, dat Salvestra was gaan liggen, legde zijn hand
op haar borst en zeide zachtjes: O mijn ziel, slaapt gij al! De vrouw,
die niet sliep, wilde schreeuwen, maar de jonkman sprak haastig: Bij
God, schreeuw niet, want ik ben uw Girolamo. Toen zij dit hoorde,
zeide zij sidderend: Zeg, bij God, Girolamo, ga heen; de tijd is
voorbij, dat het in onze kindsheid niet verboden was verliefd te zijn;
ik ben, gelijk gij ziet gehuwd; daarom past het niet meer, dat ik op
een anderen man acht geef dan op mijn echtgenoot en nu bid ik u bij
den eenigen God, dat gij heengaat. Want als mijn man u zou bespeuren,
kunnen wij onderstellen, dat, zoo er geen ander kwaad uit voortkomt,
er toch uit zou volgen, dat ik noch in vrede noch in rust meer met hem
zou kunnen leven, waar ik door hem bemind in rust met hem leef. De
jonkman hoorde die woorden en voelde diepe smart en toen hij aan
den vroegeren tijd dacht en aan zijn liefde nooit door den afstand
verminderd en er de vele beden en beloften van vroeger bijvoegde,
bezat hij er niets meer van. Daarom met het verlangen te sterven,
bad hij haar ten slotte, dat zij, als loon voor zooveel liefde, zou
toestaan, dat hij naast haar ging liggen, zoodat hij zich een weinig
kon verwarmen, want hij was door het wachten als ijs geworden. Hij
beloofde haar, dat hij er niets van zou zeggen, noch haar zou aanraken
en dat hij heen zou gaan, als hij een weinig verwarmd was.

Salvestra, die medelijden met hem had, stond hem dit onder die
voorwaarden toe. Aldus strekte hij zich naast haar uit zonder
haar aan te raken en in een opwelling herdenkend de langdurige
liefde, haar toegedragen, en haar tegenwoordige hardheid en de
verloren hoop, besloot hij niet langer te leven en zijn geest
in zich zelf vernietigend, sloot hij de vuist en stierf aan haar
zijde. Na eenigen tijd verwonderde zich de jonge vrouw over zijn
standvastigheid, vreesde, dat haar man zou wakker worden en begon
te zeggen: Wel, Girolamo, waarom ga je niet weg? Maar daar zij hem
niet hoorde antwoorden, dacht zij, dat hij was ingeslapen. Daarom
de hand uitstrekkend om hem te wekken, begon zij hem te betasten
en hem aanrakend, voelde zij een ijzige koude, waarover zij zich
zeer verbaasde. Toen zij hem met meer kracht beroerde en voelde,
dat hij niet bewoog, zag zij na dit meermalen te hebben herhaald,
dat hij dood was. Hierover was zij zeer bedroefd en bleef in groote
verlegenheid niet wetend wat te doen. Ten slotte bedacht zij te zien,
wat haar echtgenoot zou zeggen alsof het een ander persoon betrof en na
hem te hebben gewekt, vertelde zij wat haar overkomen was, alsof het
met een ander gebeurd was en vroeg hem daarop, wat, indien het haar
gebeurde, te doen stond. De goede man antwoordde, dat het hem scheen,
dat men hem, die dood was in stilte naar zijn huis moest voeren en hem
daar laten, zonder eenige kwaadwilligheid jegens de vrouw te hebben,
welke hem niet voorkwam te hebben gefaald. Toen zeide de jonge vrouw:
Wel, dat moeten wij dan doen, en zijn hand nemend liet zij hem den
dooden jonkman aanraken. Hij, zeer ontsteld, stond op, stak een licht
aan en zonder met de vrouw verder te spreken, trok hij het lijk zijn
eigen kleeren aan, en zonder uitstel, overtuigd van de onschuld zijner
vrouw, tilde hij dit op zijn schouders, droeg het naar de deur van
diens huis, legde het neer en liet het daar achter.

Bij het aanbreken van den dag, toen men den man dood voor de deur zag,
ontstond er een groot rumoer, vooral door de moeder en nadat men overal
gezocht had en gekeken en noch wond noch stoot ontdekte, geloofden de
doktoren algemeen, dat hij van verdriet was dood gebleven, zooals hij
daar lag. Het lichaam werd dan ook in een kerk gebracht en hier kwam de
moeder met vele andere verwante donna's en buurvrouwen en zij begonnen
over hem zeer heftig te weenen en te treuren. Terwijl het geklaag zeer
groot werd, zeide de goede man, in wiens huis hij gestorven was, tot
Salvestra: Zeg, doe een mantel over je hoofd, ga naar de kerk, waar
Girolamo is heen gevoerd, begeef je tusschen de vrouwen en luister,
naar wat men u vertelt. Ik zal hetzelfde doen onder de mannen, opdat
wij vernemen of men iets kwaads van ons zegt. Dit beviel aan de jonge
vrouw, die door een laat medelijden was aangegrepen, want zij verlangde
hem te zien, aan wien zij bij zijn leven met niet één kus genoegen
had willen doen en ging er heen. Maar het is wonderlijk te denken,
hoe moeilijk de krachten der liefde zijn te verklaren. Het ongeluk
opende dat hart, dat de blijde fortuin van Girolamo niet had kunnen
doordringen en al de oude vlammen laaiden weer omhoog en veranderden
dit tot zooveel erbarmen, toen zij het gelaat van den doode zag, dat
zij verborgen onder haar mantel en gemengd tusschen de andere donna's
geen stand hield, voor zij tot het lijk was genaderd. Daar stiet zij
een schrillen kreet uit, wierp zich op het gelaat van den jonkman en
had den tijd niet zijn gelaat met tranen te baden, want ternauwernood
had zij hem aangeraakt of, gelijk het Girolamo gebeurd was, ontnam
de smart haar het leven. De andere vrouwen wilden haar bemoedigen,
zeiden, dat zij wat op zou staan en herkenden haar nog niet. Toen zij
zich nog niet verhief en men haar wilde doen oprijzen en onbewegelijk
vond en haar toch zich deed verheffen, zag men dat zij Salvestra was
en tegelijk bespeurde men, dat zij was gestorven. Daarop begonnen de
vrouwen, door dubbel medelijden bewogen, nog meer te weeklagen. De
tijding verspreidde zich buiten de kerk onder de mannen, en bereikte
ook haar echtgenoot, die tusschen hen stond en die zonder te hooren
naar troost of steun van wie ook, langen tijd weende. En toen hij
de geschiedenis, die dien nacht gebeurd was van dien jonkman en
zijn vrouw aan een genoegzaam aantal van hen had verteld, deed die
elkeen leed. Toen de overleden jonge vrouw was opgenomen en versierd
gelijk men dit gewoon is met de dooden te doen, legde men haar op
dezelfde baar naast den jongen man en nadat daar lang was getreurd,
werden beide in eenzelfde graf begraven en hen, die de liefde niet
als levenden had kunnen vereenigen, verbond onafscheidelijk de dood.



Negende Vertelling.

    _Seigneur Guillaume Roussillon geeft zijn gemalin het hart te
    eten van seigneur Guillaume Gardestagne, dien hij doodde en
    dien zij beminde. Als zij dit te weten komt, werpt zij zich
    uit een hoog venster op de aarde, sterft en wordt met haar
    minnaar begraven._ [86]


Toen de geschiedenis van Neifile geëindigd was, niet zonder het geheele
gezelschap tot groot medelijden te hebben bewogen, begon de koning,
die het voorrecht van Dioneo niet wilde schenden, daar er geen ander
te spreken had: Medelijdende donna's. Ik heb thans een vertelling
gereed, welke, omdat de ongelukken der liefde u zoo ontroeren,
u niet minder tot erbarming zal bewegen dan de voorafgaande, omdat
dezen, die ik u ga vertellen met menschen van hooger hoedanigheid
geschied is en nog van treuriger verwikkeling dan die in de vorigen
verhaald. Gij moet dan weten, dat, naar wat de Provençalen verhalen,
er in Provence twee edele ridders leefden, die elk een kasteel en
vazallen beheerschten en waarvan de een Guillaume Roussillon en
de ander Guillaume Gardestagne heette. Daar zij beide mannen waren
bedreven in den wapenhandel, hielden ze veel van elkaar en hadden de
gewoonte altijd samen te gaan tournooien of ten steekspel te gaan, of
naar iedere andere wapenoefening en gekleed in dezelfde kleuren. Hoewel
elk op zijn kasteel woonde en het een van het andere wel tien mijl
verwijderd was, werd toch, daar seigneur Guillaume Roussillon een zeer
schoone en begeerlijke vrouw tot echtgenoote had, seigneur Guillaume
Gardestagne ten zeerste ondanks de vriendschap en den omgang tusschen
hen, op haar verliefd en zoo, dat hij door een en andere daad het de
donna deed bemerken. Daar zij hem als een zeer dapper ridder kende,
beviel haar dit en begon zij hem liefde toe te dragen, zóó dat zij
niets anders dan hem verlangde en beminde, en zij verwachtte ook niets
anders dan door hem te worden veroverd. Het duurde ook niet lang of
dit gebeurde en zij waren te samen en meermalen beminden zij elkaar
zeer. Toen zij het minder verborgen deed, werd de echtgenoot dit
gewaar en was zeer verontwaardigd, waardoor de groote vriendschap,
die hij voor Gardestagne koesterde, overging in een doodelijken
haat. Maar hij wist dit beter te verbergen dan de twee minnenden
hun liefde en overlegde, hoe ze te dooden. Toen Roussillon in dien
toestand was en er een groot tournooi in Frankrijk werd aangekondigd,
berichtte hij dit dadelijk aan Gardestagne en gelastte hem te zeggen,
of hij, indien het hem behaagde, bij hem kwam en te samen zouden zij
overleggen of zij er heen zouden gaan en hoe, Gardestagne antwoordde
verheugd, dat hij zonder dralen den volgenden dag bij hem zou komen
avondmalen. Roussillon vernam dit en dacht, dat de tijd was gekomen om
hem te kunnen dooden en den volgenden dag steeg hij gewapend met een
van zijn knechten te paard en stelde zich een mijl van het kasteel in
een bosch in hinderlaag, waar Gardestagne voorbij moest komen. Na een
geruime poos op hem te hebben gewacht, zag hij hem met twee bedienden
bijna ongewapend naderen als iemand, die nergens op verdacht is en toen
hij hem daar zag, waar hij het wenschte, doodde hij hem verraderlijk
en vol boozen toeleg met een lans in de vuist en riep hem na: _jij
bent des doods!_ Dit te zeggen en hem die lans door de borst te
stooten, was het werk van een zelfde oogenblik. Gardestagne zonder
zich eenigszins te kunnen verdedigen of een woord te kunnen spreken,
viel van die lans doorboord en stierf kort daarop. Zijn knechten,
zonder herkend te hebben wie het had gedaan, keerden de koppen der
paarden en vluchtten zoo snel zij konden naar het kasteel van hun heer.

Roussillon steeg af, opende met een mes de borst van Gardestagne
en rukte er met eigen handen het hart uit, liet dit in een pennoen
(lans-wimpel) wikkelen en beval aan een van zijn knechten, dat die
het daarin zou dragen. En nadat hij aan elk had gezegd, dat ze den
moed niet moesten hebben er over te spreken, steeg hij weer te paard
en toen het al nacht was, ging hij weer naar zijn kasteel terug. De
donna, die gehoord had, dat Gardestagne dien avond ten eten zou komen
en met het grootste verlangen hem verwachtte, verwonderde zich zeer,
dat zij hem niet zag naderen en zei tot haar man: Hoe komt het, heer,
dat Gardestagne niet gekomen is? Hierop zeide de echtgenoot: Madame,
ik heb van hem gehoord, dat hij eerst morgen hier kan zijn, waarover
de donna een weinig verstoord was. Toen Roussillon was afgestegen
liet hij den kok roepen en zeide tot hem: Gij zult dit hart van een
wild zwijn nemen en er een gerecht van maken zoo goed en lekker om
te eten als gij het maar weet, en wanneer ik aan tafel zal zijn,
zult gij het mij opdragen in een zilveren schotel.

De kok nam het aan, wijdde er al zijn kunst aan en al zijn ijver,
hakte het, deed er goede kruiden bij en maakte er een uitstekenden
ragout van. Toen het tijd was, zette seigneur Guillaume zich met zijn
vrouw aan tafel. Het maal kwam, maar hij door de begane misdaad in
gedachte gestoord, at weinig. De kok bracht hem den ragout, welke
hij voor de donna liet neerzetten, hield zich dien avond verzadigd
en prees dien zeer. De donna, die trek had, begon er van te eten en
die scheen haar goed; daarom at zij dien geheel op. Toen de ridder
gezien had, dat zij hem geheel had opgegeten, zeide hij: Mevrouw, hoe
is u die spijs bevallen? De donna antwoordde: Mijn heer, werkelijk,
hij beviel mij goed. God helpe mij, ik geloof u--zei de ridder--en
het verwondert mij niet, als dood u bevallen heeft, wat levend meer
dan iets anders u aanstond.

De vrouw hoorde dit en bleef een oogenblik onbewegelijk. Toen zei ze:
Hoe! Wat hebt gij mij laten eten? De ridder antwoordde: Dat, wat gij
gegeten hebt, is werkelijk het hart geweest van den heer Guillaume
Gardestagne, dien gij als oneerlijke vrouw hebt bemind en weet wel,
dat hij het is geweest, omdat ik hem dit met deze handen uit de borst
heb gerukt, kort voor ik hier kwam. Men behoeft niet te vragen of de
donna dit hoorende van hem, dien zij boven alles beminde, bedroefd was
en na eenige oogenblikken antwoordde zij: Gij deed wat een oneerlijk
en slecht ridder moest doen; want indien ik, terwijl hij mij niet er
toe dwong, hem tot den heer van mijn liefde heb gemaakt en u hiermee
had beleedigd, had niet hij maar ik de straf moeten dragen. Maar dat
het aan God behage, dat nooit andere spijs op een zoo nobel voedsel
volgt als op het hart van dien dapperen en hoffelijken ridder,
gelijk Guillaume Gardestagne was. Zij stond op en wierp zich zonder
verder bedenken uit een venster achter haar. Het raam was zeer hoog
boven den grond, zoodat de vrouw niet alleen stierf, maar geheel werd
verpletterd. Toen seigneur Guillaume dit zag, was hij geheel verbluft
en het scheen hem, dat hij kwaad had gedaan en daar hij bevreesd was
voor de boeren en voor den graaf van Provence, deed hij de paarden
zadelen en ging heen. Den volgenden morgen was het door de geheele
streek bekend, wat er gebeurd was; daarom werden door de lieden van
het kasteel van Guillaume Gardestagne en ook van die uit het slot van
de donna met de grootste droefenis en weedom de twee lijken afgehaald
en in de slotkapel van de vrouwe in een zelfde grafgewelf geplaatst
en daarop verzen geschreven, die uitdrukten wie zij waren, die er in
begraven lagen en de wijze en de oorzaak van hun dood.



Tiende Vertellingen.

    _De vrouw van een dokter doet haar voor dood gehouden,
    bedwelmden minnaar in een koffer, welke twee woekeraars met
    hem er in naar hun huis dragen. Zij worden hem gewaar en hij
    wordt voor een dief gehouden. De dienstmaagd van de donna
    verhaalt voor het gerecht, dat zij het was, die hem in den
    koffer der woekeraars deed, waardoor hij de galg ontloopt
    en de woekeraars worden wegens diefstal van den koffer tot
    geldboete veroordeeld._


Daar de koning zijn verhaal geëindigd had, bleef alleen Dioneo zijn
taak over, die dit wetend en al daartoe aangespoord door den koning,
begon: De verhaalde ellenden der ongelukkige liefden hebben niet
slechts aan u, donna's, maar ook mij de oogen en het hart bedroefd,
waardoor ik zeer heb verlangd, dat er een einde aan kwam. Nu, God
zij geloofd, zijn zij geëindigd, tenzij ik nog aan die kwade waar
een slechte zou willen toevoegen, waarvoor de hemel mij behoede. Want
zonder te blijven bij zulk een triestig onderwerp, zal ik over iets
vroolijkers en beters beginnen, waardoor ik misschien een aanwijzing
geef tot wat morgen moet verteld worden.

Gij moet dan weten, zeer schoone jonge dames, dat er nog niet
lang geleden in Salerno een groot medicus in de chirurgie leefde,
die maestro Mazzeo delle Montagna [87] heette, die tot den hoogsten
ouderdom gekomen, een schoone en lieve donna uit zijn stad tot vrouw
had genomen in het bezit van voorname en rijke gewaden en van andere
kostbaarheden en van al wat aan een donna kan behagen meer dan eenige
anderen van die plaats; het is waar, dat zij het meestal koud in bed
had, omdat zij door den maëstro slecht werd toegedekt. Deze, gelijk
messer Ricciardo di Chinzica, van wien wij spraken, die aan de zijne
de rustdagen leerde waarnemen, beweerde tegenover haar, dat slapen met
een vrouw, ik weet niet hoeveel dagen kostte, om zich te herstellen
en dergelijke onzin meer, waar ze maar heel slecht tevreden mee was;
evenwel verstandig en van grooten geest, besloot zij om het geld voor
het huis te sparen, de eerste gelegenheid de beste waar te nemen en te
genieten met een ander en nadat zij hoe langer hoe meer jongelingen
had beschouwd, hield zij er eindelijk een in het hart, waaraan zij
met al haar hoop hechtte, met haar geheele ziel en haar geheele
vermogen. De jonkman bemerkte dit en haar zeer beklagend, keerde
ook hij al zijn liefde tot haar. Deze heette Ruggieri van Jeroli,
van edele geboorte, maar van een slecht leven en een laakbaar gedrag,
zóó dat hij verwant noch vriend had, die hem goed wilde doen of hem
zien wilde en door heel Salerno werd hij beschuldigd van diefstallen
en andere laagheden, waarom de donna weinig gaf, daar hij haar om een
andere reden beviel en zij regelde alles zoo met een dienstmaagd, dat
zij samen konden komen. En nadat zij eenig genoegen hadden gesmaakt,
begon de donna hem te laken wegens zijn schandelijk leven en hem
te verzoeken uit liefde tot haar hiermee op te houden en om hem de
gelegenheid te geven dit te doen, begon zij hem dan met eene, dan
met een andere som geld te steunen.

Terwijl zij dit intusschen samen zeer heimelijk volhielden, werd den
dokter een zieke toevertrouwd, die een kwaal aan het been had. De
medicus zag dit en zeide tot zijn ouders, dat, als hij er een rottend
gebeente uithaalde, hij het dan heelemaal moest laten afzetten of hij
zou sterven. Door hem het been er uit te snijden, kon hij genezen, maar
hij zou het niet ondernemen zonder hem als ten doode opgeschreven te
beschouwen. Toen zijn ouders hierin hadden toegestemd, gaven zij hem
met dit doel aan hem over. De arts, die meende, dat de zieke zonder
bedwelming de pijn niet zou verduren, noch zich zou laten helpen,
moest tot na den vesper wachten, om dat te doen en liet voor hem
's morgens een soort drank bereiden, welke opgedronken hem even lang
zou doen slapen als hij tijd noodig had om hem pijn te doen met de
bewerking. Hij liet dien drank bij zich thuis brengen en zette dien
neer in een hoek van zijn kamer zonder aan iemand te zeggen wat
dit was.

Het uur van den vesper brak aan en de maestro moest tot hem gaan. Toen
kwam er een bode tot hem van een zijner grootste vrienden van Amalfi
[88], welke hij om niets ter wereld anders dan dadelijk zou moeten
bezoeken, omdat die in een groot gevecht was geweest, waarbij velen
gekwetst waren geworden. De dokter stelde het genezen van het been
tot den volgenden morgen uit, besteeg zijn kleine bark en begaf zich
naar Amalfi. Daar de donna wist, dat hij dien nacht niet naar huis
zou komen als gewoonlijk, liet zij in stilte Ruggieri komen, liet hem
in haar kamer en sloot hem daarin op tot andere lieden uit het huis
zouden gegaan zijn om te slapen. Ruggieri bleef dus in de kamer op de
donna wachten en had, hetzij door de vermoeienis op den dag verduurd
of door zout eten te hebben genuttigd of misschien uit gewoonte een
vreeselijken dorst en zag in het venster dien drank, welken de dokter
voor den zieke had bereid, en denkend water te drinken, bracht hij
dien aan den mond en dronk dien geheel op. Het duurde niet lang of
een zware slaap beving hem en hij sluimerde in. De donna, zoo gauw
ze kon, kwam in de kamer, vond Ruggieri ingeslapen, begon hem te
betasten en met gedempte stem te zeggen, dat hij zou opstaan, maar
het hielp niets; hij antwoordde, noch bewoog. Daardoor een weinig
vertoornd stiet de donna hem met meer kracht aan en sprak: Sta op,
slaapkop; want als je wilt slapen, moet je naar huis gaan en niet hier
komen. Ruggieri, aldus geschud, viel van een stoel, waarop hij lag,
ter aarde en toonde niet meer gevoel dan een doode. Hierover nog al
ontsteld, wilde de donna hem optillen en hem nog sterker schudden,
hem bij den neus nemen en aan den baard trekken; maar het was alles
ijdel, hij had zijn ezel goed vastgebonden [89]. Daarom begon de
donna te vreezen, dat hij dood was, maar toch begon zij hem vinnig
in de huid te prikken en die te schroeien met een aangestoken kaars,
maar niets baatte. Daarom geloofde zij, die geen geneeskundige was
als haar man, dat hij zonder twijfel dood was. Men behoeft dus niet
te vragen, daar zij hem boven alles beminde, of zij treurig was. Daar
zij geen leven durfde maken, begon zij zacht over hem te klagen en
te weenen over dit ongeluk. Maar na eenigen tijd uit vrees bij haar
schade schande op te loopen bedacht zij, dat zij dadelijk een middel
moest vinden om hem als doode het huis uit te krijgen en daar zij geen
raad wist, riep zij stilletjes haar meid, toonde haar het ongeval
en vroeg haar meening. De meid, die zich zeer verwonderde, hem nog
trok en kneep en zonder gevoel zag, beweerde, gelijk de donna zeide,
dat hij heusch dood was en gaf den raad, dat hij buitenshuis moest
gebracht worden. De donna antwoordde haar: En waar zullen wij hem
heen dragen, opdat men er geen erg in krijgt, dat men hem van hier
heeft weggebracht wanneer het morgen zal gezien worden? De meid ging
voort: Mevrouw, ik zag van avond heel laat voor den winkel van dien
timmerman onzen buurman, een niet al te groote kist, die als de baas
hem niet in huis heeft gezet, al te goed voor ons plan te pas komt,
omdat wij hem daarin kunnen doen en hem twee of drie messteken kunnen
geven en hem daar laten. Wie hem er in zal vinden, weet niet of hij
van hier of elders er in is gestopt; bovendien zal men gelooven,
omdat hij een gemeene jongen is geweest, dat hij uitgegaan voor iets
kwaads, door een vijand van hem gedood is en daarna in de kist geduwd.

De raad van de meid beviel aan de donna, maar niet hem een por te geven
en zij zeide, dat om niets ter wereld haar ziel zou dulden, dat dit
gebeurde en gelastte haar te kijken of de kist daar nog stond, die zij
had gezien. Zij keerde terug en zeide van ja. De meid nu, die jong en
sterk was, geholpen door de donna, tilde Ruggieri op haar schouders
en terwijl de donna vooruit ging om te zien of er niemand aankwam,
liepen zij naar de kist, deden hem er in, sloten die en lieten haar
staan. Eenige dagen te voren hadden een paar huizen verder twee jonge
mannen hun intrek genomen, die op woeker leenden en die begeerig veel
te verdienen en weinig te verteren, behoefte hadden aan meubelen en
den vorigen dag de kist gezien hadden en samen hadden afgesproken,
als die er 's nachts bleef staan, die in huis te dragen. Toen het
middernacht werd, gingen zij het huis uit, vonden die en zonder verder
te kijken droegen zij die haastig, hoewel ze hun zwaar scheen, naar
binnen en zetten haar in een kamer neer, waar hun vrouwen sliepen,
zonder zich er om te bekommeren haar behoorlijk te plaatsen en na
haar dus te hebben laten staan, gingen zij slapen.

Ruggieri, die een aardig dutje gedaan had, den drank al had verteerd
en de kracht er van verwerkt, werd bij het naderen van den morgen
wakker en daar hij door de bedwelming als geradbraakt was en zijn
zinnen hun kracht hadden teruggekregen, bleef bij hem toch in de
hersens een verbazing achter, welke niet alleen dien nacht, maar daarna
verscheidene dagen hem buiten westen hield. Toen hij de oogen opende
en niets zag en de handen hier en ginds uitstrekte en zich in die kist
bevond, begon hij zijn herinneringen te verzamelen en tot zich zelf te
zeggen: Wat is dat? Waar ben ik? Slaap ik of waak ik? Ik herinner mij
toch, dat ik van avond in de kamer van mijn donna kwam en nu schijn ik
in een kist te liggen. Wat wil dat zeggen? Zou de dokter zijn thuis
gekomen of er een ander ding zijn gebeurd, waardoor de donna mij,
die sliep, hier zou hebben verborgen? Ik geloof het en het zal zeker
zoo zijn. Daarom begon hij zich stil te houden en te luisteren of hij
iets gewaar werd. Toen hij dit lang had gedaan en hij het in de kist,
die klein was, erg benauwd kreeg en zich geheel gekneusd voelde aan
de zijde, waarop hij lag, wilde hij zich op de andere draaien, maar
deed dit zoo bijdehand, dat hij met een der ribben tegen de kanten
van de kist stootte, die niet op een gelijken vloer was geplaatst,
en haar deed tuimelen en daarna vallen en met dien val maakte zij
een groot geraas, zoodat de vrouwen, die naast elkaar sliepen,
wakker werden, bang werden en uit angst zich stil hielden. Ruggieri
wist niet wat te denken van den val van de kist, maar daar hij haar
door dit voorval open zag, dacht hij het beter, dat er iets anders
gebeurde dan er in te blijven. En daar hij niet wist, waar hij was en
dan het eene, dan het andere zich verbeeldde, begon hij op den tast
af door het huis te gaan om te weten of hij een trap of deur vond,
waardoor hij weg kon komen. Toen de vrouwen, die wakker waren, hem
hoorden stommelen, begonnen zij te roepen: _Wie is daar?_ Ruggieri,
die de stemmen niet kende, antwoordde niet; daarom begonnen de vrouwen
de twee jonge mannen te roepen, die, omdat zij lang hadden gewaakt,
vast sliepen en die van dit alles niets hadden bemerkt. Daarop stonden
de vrouwen nog meer bevreesd geworden op, gingen naar de vensters en
begonnen te schreeuwen: _Houdt den dief! Houdt den dief!_ Toen liepen
van verschillende plaatsen tal van buren, deze over het dak en gene
van de eene en een derde van een andere zijde samen en traden het
huis binnen en ook de jongelieden, ontwaakt door dit rumoer, stonden
op. Ruggieri (die dit zag en door verbazing buiten zich zelve naar
geen kant wou of kon vluchten) gaven zij gevangen in handen van de
wachters van den baljuw dier gemeente, die daar op het leven waren
toe geloopen. Voor den schout gebracht, omdat hij door allen voor
een grooten schurk werd gehouden, werd hij dadelijk op de pijnbank
gelegd en bekende in het huis van den woekeraar te zijn getreden om te
stelen; daarom wilde de baljuw hem zonder uitstel laten opknoopen. Het
nieuwtje werd 's ochtends door heel Salerno verbreid, dat Ruggieri
gevat was om te stelen in het huis der woekeraars. Toen de donna en
de meid dit hoorden, waren zij zoo vol verbazing over dit nieuws,
dat zij haast geloofden, dat, wat zij den afgeloopen nacht gedaan
hadden, niet gebeurd was, doch slechts een droom geweest was. Maar
bovendien voelde de donna over het gevaar, waarin Ruggieri verkeerde,
zulk een smart, dat ze haast niet tot bedaren was te krijgen. Kort
na drie uur, toen de medicus van Malfi teruggekeerd was, vroeg hij,
waar de drank was gebleven, omdat hij zijn zieke wilde genezen en
toen hij vond, dat de flesch leeg was, maakte hij een groot rumoer,
dat er niets in het huis op zijn plaats bleef. De donna, die door
erger smart gepijnigd werd, antwoordde woedend: Wat zoudt gij zeggen,
meester, bij een gewichtige zaak, als gij voor zoo'n omgevallen flesch
met drank al zoo'n spektakel maakt! Is er niet meer van te krijgen
op de wereld? Hierop ging de maëstro voort: Vrouw, gij dacht, dat het
klaar water was; het is het niet, maar een drank om te doen slapen. En
hij vertelde haar, waarom hij die had bereid. Toen de donna dit had
gehoord, meende zij, dat Ruggieri die gedronken had en hem daarom
dood had geschenen en zeide: Maestro, dat wisten wij niet en maakt
u daarom een anderen. Kort daarop keerde de meid, die op bevel van
mevrouw uit was gegaan om te weten, wat men van Ruggieri vertelde,
terug en zeide: Madonna, men zegt van Ruggieri, dat hij een slechte
kerel is en dat, naar wat ik kon vernemen, vriend noch verwant is
opgestaan of het wil om hem te helpen, en men houdt het voor zeker,
dat de Stadico [90] hem morgen laat ophangen.

En behalve dat zal ik u een andere nieuwe zaak vertellen, die ik
meen te begrijpen, namelijk hoe hij in het huis der woekeraars is
geraakt en hoort u wel: u kent wel de timmerman, waar tegenover de
kist stond, waar wij hem in stopten; hij was juist met iemand, die
beweerde, dat het zijn kist was, in den grootsten twist ter wereld,
want hij vroeg er een prijs voor en de meester antwoordde, dat hij
de kist niet had verkocht, maar dat die hem van nacht was ontstolen.

Hierop antwoordde deze: Het is niet waar, gij hebt hem integendeel
verkocht aan de twee woekeraars, gelijk die mij van nacht vertelden,
toen ik in hun huis was op het oogenblik, dat Ruggieri er gevangen
werd genomen. De timmerman antwoordde: Dat liegen ze, want ik verkocht
hun die nooit, maar ze hebben die van nacht gestolen; laten wij naar
hen toe gaan. En dadelijk gingen zij eensgezind naar het huis der
woekeraars en ik ben hier gekomen. En gelijk gij kunt zien, begrijp ik,
dat op die manier Ruggieri, waar hij gevonden werd, heen is gevoerd,
maar ik weet niet, hoe hij er uit is gekomen. De donna begreep toen
best, hoe het met de zaak stond, vertelde aan de meid, wat zij van den
dokter gehoord had en verzocht haar tot de bevrijding van Ruggieri hulp
te verleenen, daar zij tegelijkertijd, als ze wilde, Ruggieri kon doen
ontkomen en haar eer kon dienen. De meid sprak: Madonna, onderricht
mij het en ik zal gaarne alles doen. De donna, die het benauwd had
en met onmiddellijk beraad overlegd had, wat er moest gedaan worden,
stelde de meid geregeld op de hoogte. Deze ging eerst naar den dokter
en begon klagend te zeggen: Messer, ik moet u vergeving vragen voor
een groote domheid, die ik jegens u heb begaan. De dokter zei: Hoe
zoo? En de meid, die niet ophield met schreien, ging voort: Mijnheer,
gij weet, wat met den jongen Ruggieri van Jeroli het geval is, met wien
ik, terwijl ik hem beviel, zoowel door vrees als door liefde dit jaar
heb geleefd. Daar hij wist, dat u gisteravond niet hier waart, drong
hij zoo bij mij aan, dat ik hem in uw huis in mijn kamer meenam om
te slapen en daar hij dorst had en ik geen toevlucht had tot water of
wijn en ik niet wilde, dat mevrouw, die in de zaal was, mij zou zien,
herinnerde ik mij, dat ik in uw kamer een flesch met water gezien
had. Ik liep daar heen, gaf hem dit te drinken en zette de flesch
weer neer, waar ik haar vandaan had gehaald, waarover ik hoorde,
dat u in huis groote ruzie hebt gemaakt. En zeker beken ik, dat ik
kwaad deed, maar wie doet dit wel eens niet? Het spijt mij erg, dat
ik het gedaan heb, niet zoozeer daarom als om wat er uit zal volgen,
dat Ruggieri op het punt staat het leven te verliezen. Daarom bid ik
u zooveel ik kan, dat u mij vergeeft en dat u mij toestaat, dat ik
Ruggieri ga helpen, waarin ik het kan.

Toen de medicus dit hoorde, antwoordde hij, hoe kwaad hij ook geweest
was, schertsend: Gij hebt u zelf geschonken, omdat gij, waar gij
geloofde van nacht een jonge man te hebben, die u zeer goed de peluw
zou schudden, je een slaapkop naast je hadt. Ga daarom en zorg voor
de redding van uw minnaar en pas voortaan op hem niet meer in huis te
brengen, want dan zal ik je die keer en deze betaald zetten. De meid,
dien het scheen, dat zij voor den eersten stap goed te werk was gegaan,
ging zoo gauw zij kon naar de gevangenis, waar Ruggieri zich bevond
en vleide den bewaarder zoo, dat hij haar Ruggieri liet spreken. Zij,
na hem te hebben verteld, wat hij voor den Stadico moest antwoorden,
indien hij wilde vrij worden, deed zoo haar best, dat zij voor den
rechter kwam. Deze, voor hij naar haar wilde luisteren, omdat zij
flink en sterk was, wilde eerst eens zijn haak slaan in die dwaze
meid van Onzen Lieven Heer [91] en zij om gehoord te worden, had er
niet op tegen en toen zij van die omhelzing was opgestaan, zeide zij:
Heer, gij hebt Ruggieri van Jeroli als dief gevangen genomen, maar
dat is niet waar. En met den aanvang beginnend vertelde zij hem de
geschiedenis van stukje tot beetje, hoe zij als zijn minnares hem in
het huis van den dokter had gebracht en hem er drank had te drinken
gegeven in onwetendheid en hoe zij hem als een doode in de kist had
gestopt; daarna vertelde zij, wat zij tusschen den meester-timmerman
en den eigenaar van de kist had hooren praten en verklaarde zoo, hoe
Ruggieri in het huis van de woekeraars kwam. De Stadico, die begreep,
dat het gemakkelijk viel om te weten of het waar was, vroeg eerst
aan den dokter of dat van dien drank een feit was. Toen liet hij den
timmerman komen en hem aan wien de kist had behoord en de woekeraars
en bevond na veel gepraat, dat de woekeraars de kist dien nacht hadden
gestolen en in huis hadden gevoerd.

Ten slotte ontbood hij Ruggieri en na hem te hebben gevraagd, waar
hij den vorigen avond zijn onderkomen had gevonden, antwoordde hij,
dat hij dit niet wist, maar dat hij zich wel herinnerde, dat hij zijn
logies zou gaan zoeken bij de meid van maestro Mazzeo, in wiens kamer
hij den drank had gedronken, omdat hij zoo'n dorst had, maar dat hij
niet wist, hoe het gebeurde, dat hij in de kist der woekeraars was
gevonden. De rechter, die dit alles hoorde, en er groot pleizier van
had, liet het de meid en Ruggieri en den timmerman en de woekeraars
meermalen opnieuw vertellen. Toen hij ten slotte zag, dat Ruggieri
onschuldig was, veroordeelde hij de woekeraars, die de kist hadden
gestolen tot een geldboete van tien oncen [92] en liet Ruggieri
vrij. Hoezeer haar dit ten harte ging, hoeft men niet te vragen en de
donna was er ten zeerste blij mee. Deze lachte er dikwijls om met hem
en met de goede meid, die hem messteken had willen geven en beleefde
er pleizier van, terwijl hun liefde en genoegen steeds van goed tot
beter ging. En ik zou willen, dat het mij ook zoo ging, maar niet,
dat ik in de kist wordt gestopt.

Zoo de eerste verhalen de harten der begeerenswaardige donna's zeer
hadden bedroefd, deed dit laatste van Dioneo ze lachen en vooral
toen hij vertelde, dat de rechter zijn haak had ingeslagen, dat zij
zich konden herstellen van de meewarigheid met de anderen. Maar toen
de koning zag, dat de zon geel begon te worden en dat het einde van
zijn heerschappij gekomen was, verontschuligde hij zich met aardige
woorden over hetgeen hij had gedaan, namelijk over zoo treurige stof
te hebben laten spreken en over die van den rampspoed der minnenden en
toen dit geschied was, stond hij op, hief den lauwerkrans van het hoofd
en terwijl de donna's afwachtten, wie hem zou dragen, plaatste hij dien
bekoorlijk op het geheel blonde hoofd van Fiammetta met de woorden: Ik
draag aan u deze kroon over, als degene, die het best voor den zwaren
dag van heden ons met dien van morgen zal kunnen troosten. Fiammetta,
wier haren gekruld waren, lang en van goud en bij wien ze over blanke
en ranke schouders vielen en waarvan het gelaat eenigzins dik was,
had een glanzende, natuurlijke kleur als van blanke leliën vermengd met
roode rozen, met twee oogen in het hoofd als van een pelgrims-valk en
met een allerliefst klein mondje, waarvan de lipjes robijnrood waren
en antwoordde lachend: Filostrato, ik neem haar gaarne aan en opdat
gij beter bemerkt, wat gij hebt gedaan, wil en beveel ik, dat van
nu af aan ieder zich voorbereidt om morgen te spreken van _wat aan
een of ander minnaar, na enkele wreede en ongelukkige voorvallen,
gelukkig ten deel werd._ Dit voorstel beviel aan allen. En zij, na
den hofmeester te hebben geroepen en over de zaken, die te pas kwamen,
met hem te hebben beschikt, gaf, nadat het heele gezelschap van zijn
zetels was opgestaan, tot aan het uur van het avondmaal blijmoedig aan
ieder de vrijheid. Dezen derhalve, begonnen ten deele door den tuin,
welks schoonheid niet zoo spoedig ging vervelen en ten deele naar
den molen, die buiten deze werkte en dezen hier en gene daar, naar
hun verschillenden smaak zich onderscheidene genoegens te verschaffen
tot aan het uur van het avondmaal. Toen dit was aangebroken en allen
bijeen waren als naar gewoonte, aten zij bij de schoone fontein met
zeer groot genoegen en wel bediend. En daarvan opgestaan, gaven zij
zich, gelijk bij hen gebruik was, over aan dans en zang en terwijl
Filomena den dans leidde, zei de koningin: Filostrato, ik wil niet
afwijken van mijn voorgangers, maar gelijk die hebben gedaan, wil ik,
dat men op mijn bevel een zang zal zingen en omdat ik er zeker van ben,
dat uw liederen zoodanig zijn als uwe verhalen, willen wij, opdat geen
andere dan deze dag gestoord zij door de ongelukkige liefden, dat gij
er een opzegt, dat u het meest zal behagen. Filostrato antwoordde, dat
hij gaarne wilde en zonder verwijl begon hij op deze wijze te zingen:


    Weenend toon ik,
    Hoe een hart zich met recht beklaagt,
    Omdat Amor in zijn geloof is bedrogen.

    Amor, die eerst
    In mijn hart haar heeft gesteld voor wie ik zucht,
    Zonder op heil te hopen,
    Gij hebt haar zoo vol deugd getoond.
    Dat ik elke marteling licht achtte,
    Die in mijn geest,
    Droef gebleven,
    Mij was overkomen; maar mijn dwaling
    Ken ik thans en niet zonder smart.

    Wat mij mijn dwaling heeft doen kennen,
    Is mij van haar verlaten te zien,
    In wien ik alleen hoopte;
    Want toen dacht ik het meest te zijn
    In haar gratie en haar dienaar.
    Zonder de schade vooruit te zien
    Van mijn toekomstig leed
    Bemerkte ik, dat zij van anderen de waarde
    Daarin had opgenomen en mij er uit had verjaagd.

    Toen ik mij daaruit verjaagd zag,
    Ontstond er in het hart een droeve klacht.
    Die er nog in klinkt.
    En dikwijls vervloek ik den dag en het uur,
    Dat mij het eerst haar verliefd gelaat verscheen
    Door hooge schoonheid gesierd
    En meer dan ooit ontvlamd,
    Vergaat mijn geloof, mijn hoop en mijn moed,
    Mijn ziel, die versmachtend dit alles verfoeit.

    Hoezeer mijn smart zonder troost is,
    Heer, dat kunt gij gevoelen, zoo vaak ik u roep
    Met trieste stemme,
    En ik zeg u, dat ik zóó brand,
    Dat ik om minder foltering den dood verlang.
    Kom dan en maak
    Aan mijn wreed en ongelukkig leven
    Met één slag een einde en aan mijn razernij;
    Want waar ik ook zal gaan, zal ik die minder gevoelen.

    Geen ander leven, geen andere troost
    Redt mij meer dan de dood van mijn smart,
    Dat men mij dien voortaan schenke.
    Maak een einde, Amor, door dezen aan mijn pijnen
    En dat men mijn hart van zulk een ellendig leven ontrooft.
    Ach, doe dit, omdat ten onrechte.
    Mij alle vreugd en genoegen ontnomen is,
    Maak haar gelukkig, door mij te doen sterven, o Heer,
    Gelijk gij haar gelukkig hebt gemaakt met een nieuwen minnaar.

    O mijn lied, indien niemand u leert,
    Kan het mij niet schelen, omdat niemand
    Dan ik u kan zingen,
    En moeite alleen wil ik u geven,
    Dat gij Amor terug vindt en dat gij aan hem alleen
    Toont ten volle, hoe onverschillig
    Het trieste, bittere leven,
    Mij is, hem biddend, dat hij in beter
    Haven mij brengt door zijn waarde.

    Weenend toon ik, enz.


De woorden van dit lied toonden duidelijk genoeg, hoe de zielstoestand
was van Filostrato en de oorzaak daarvan en misschien had nog beter
het gelaat van de dame het getoond, die aan den dans deelnam, indien de
schaduwen van den komenden nacht den blos op haar gezicht niet zouden
hebben verduisterd. Maar toen hij dit ten einde had gebracht, werden er
verscheidene anderen gezongen, totdat het uur van slapen gekomen was:
daarom op bevel van de koningin, trok ieder zich in zijn kamer terug.



Vijfde Dag.

    _De vierde dag van de_ Decamerone _eindigt: de vijfde vangt
    aan. Onder het bewind van Fiammetta spreekt men van wat
    met een of anderen minnaar na eenige wreede en noodlottige
    voorvallen gelukkig gebeurt._


Reeds was het Oosten geheel wit en hadden de rijzende stralen klaarheid
verbreid door ons gansche halfrond, toen Fiammetta ontwaakt door de
zoete zangen der vogelen, die van af de eerste stonde van den dag
vroolijk op de jonge boomen zongen, opstond en al de andere donna's en
de drie jongelieden deed roepen. Met langzamen tred ging zij naar de
velden, door de ruime vlakte met het bedauwde gras, tot de zon hoog was
gestegen en wandelde met haar gezelschap in gesprek over verschillende
dingen. Maar toen zij voelde, dat de zonnestralen warmer werden,
richtte zij hun schreden naar hun verblijfplaats, waar zij gekomen
en na zich hersteld te hebben van hun lichte vermoeidheid met beste
wijnen en meelspijs, zich in den aangenamen tuin vermeiden tot aan
het etensuur. Toen dat oogenblik aangebroken was en alles door den
zeer bescheiden hofmeester was in orde gebracht en een lied en een
of twee dansliederen waren gezongen, begonnen zij vroolijk gestemd,
naar het de koningin behaagde, te eten. En toen dit ordelijk en
blijmoedig was geschied en omdat zij den ingestelden regel van te
dansen niet vergeten waren, voerden zij met de instrumenten en de
zangen eenige dansen uit. Hierna gaf de koningin tot na het uur der
siësta vrij; eenigen van hen gingen sluimeren en anderen bleven tot
hun genoegen in den tuin. Maar allen verzamelden zich, toen het uur
van den noen even voorbij was, daar, waar het de koningin beviel,
volgens de gewoonte bij de fontein. Daar zag de koningin gezeten,
alsof zij bij een rechtbank voorzitter was, naar Pamfilo en glimlachend
beval zij hem de eerste te zijn, die met de verhalen van geluk zou
beginnen. Hij deed dit gaarne en sprak aldus:



Eerste Vertelling.

    _Cimon wordt verstandig door lief te hebben en schaakt in zee
    zijn vrouw Ephigenie. Hij wordt op Rhodes in de gevangenis
    gezet. Lysimachos bevrijdt hem en opnieuw rooft hij met hem
    Ephigenia en Cassandra, als die bruiloft vieren. Zij vluchten
    met hen naar Creta en vervolgens, als zij hun echtgenooten
    zijn geworden, roept men ze naar hun huis terug._ [93]


Lieve donna's. Om een zoo blijden dag te beginnen als deze zal zijn,
staan mij vele novellen voor den geest om te verhalen, waarvan er
een mij het meest behaagt, omdat gij daardoor zult kunnen begrijpen,
niet het heugelijke doel, waarvoor wij beginnen te spreken, maar
ook hoe heilig, hoe machtig en hoe weldadig de krachten der Liefde
zijn, welke velen, zonder te weten, wat zij zeggen, zeer ten onrechte
veroordeelen en schandvlekken, wat, indien ik mij niet bedrieg--daar
ik geloof, dat gij verliefd zijt--U zeer aan 't hart moet gaan.

Aldus, (gelijk wij het al gelezen hebben in de antieke geschiedenissen
der Cyprioten) leefde er op het eiland Cyprus een zeer edel man,
die Aristippos heette, meer dan eenig ander bewoner daarvan zeer rijk
aan alle aardsche goederen en als de fortuin hem niet over een zaak
treurig gemaakt had, had hij meer dan wie ook tevreden kunnen zijn. En
dat was deze, dat hij onder zijn overige zonen er een had, die alle
andere jongelingen in grootheid en schoonheid van lichaam overtrof,
maar die bijna en haast hopeloos idioot was, Galeso genaamd. Maar
daar nooit de lessen van meesters, de vaderlijke liefkozingen of de
kastijdingen hem iets in het hoofd hadden kunnen brengen of hem de
minste welgemanierdheid hadden  geleerd en hij daarentegen sterk en
grof in de volkstaal sprak en zijn handelwijzen meer met die van een
dier overeenstemden dan met die van een mensch, werd hij ironisch Cimon
genoemd, wat in hun taal hetzelfde beteekent als in de onze: Groot
Beest. De vader verdroeg zijn verloren bestaan met zwaar verdriet en
reeds was hem alle hoop ontvloden niet steeds de oorzaak van zijn smart
voor zich te zien, toen hij hem gelastte naar een dorp te gaan en en er
bij de landbouwers te blijven. Dit was voor Cimon zeer aangenaam, omdat
hem de gewoonten en de gebruiken dier ruwe menschen beter bevielen dan
die der stedelingen. Toen Cimon zich dan naar het dorp begeven had en
daar zich bezig hield met den veldarbeid, trad hij eens, na den middag,
terwijl hij van het eene veld naar het andere ging met een stok op
den nek, in een boschje, dat zeer schoon was in deze streek en dat,
daar het Meimaand was, geheel was doorlooverd. Hij ging hier doorheen
en alsof de fortuin hem gevoerd had, kwam hij in een kleine weide,
omringd door zeer hooge boomen; in een van de hoeken was een zeer
schoone en koele fontein; ter zijde van deze zag hij op het groene
veld een zeer schoon jong meisje slapen in een zoo licht kleed, dat
het haast niets van het blanke vleesch verborg en alleen van af den
gordel naar beneden bedekt was met een wit en licht gewaad. Aan haar
voeten sliepen eveneens twee vrouwen en een man, haar dienaren.

Toen Cimon haar aanzag, alsof hij nog nooit een vrouwelijke figuur had
aanschouwd, leunde hij op zijn stok en zonder een woord te spreken,
begon hij haar met de grootste bewondering aan te staren. En in zijn
ruwe borst, waar meer dan duizend lessen niet den minsten indruk
had kunnen doen doordringen van een heerlijk genot, voelde hij een
aandrang ontwaken, die hem in zijn botten en groven geest zeide, dat
dit jonge meisje het schoonste was wat ooit door eenig sterveling
was aanschouwd. Dadelijk begon hij in iedere bijzonderheid alle
deelen van haar lichaam te onderzoeken en bewonderde de haren, die
hij van goud waande, het voorhoofd, den neus en den mond, de hals en
de armen en vooral den weinig opwelvenden boezem en van boer opeens
schoonheidsrechter geworden, verlangde hij vurig haar schoone oogen
te zien, die zij gesloten hield in haar diepen slaap en om ze aan te
staren had hij ineens den lust om haar te wekken. Maar daar zij hem
schooner scheen dan ooit eenige vrouw, die hij eertijds had gezien,
twijfelde hij er aan of zij geen godin was en toch had hij wel zooveel
gevoel, dat hij de goddelijke dingen waardiger vond om geëerd te
worden dan de menschelijke en hield zich daarom in, afwachtend tot
zij van zelf zou ontwaken en hoewel het tijdverlies hem te groot
scheen, kon hij toch door het genoten welbehagen niet heengaan. Na
een lange poos werd het meisje wakker, die Ephigenia heette, en vóór
dat de anderen ontwaakten; ze hief het hoofd op, opende de oogen en
zag Cimon op zijn stok geleund voor haar staan, waarover zij zich
zeer verwonderde en zeide: Cimon, wat zoekt gij op dit uur in dit
bosch? (Cimon was door zijn manier van doen en ook door zijn grofheid
zoowel als door den adel en den rijkdom van zijn vader aan iedereen
in het land bekend.) Hij antwoordde niets op de woorden van Ephigenia,
maar toen hij haar oogen geopend zag, begon hij vast daarin te staren
en het scheen hem, dat hem daaruit een zachtheid tegenstraalde, die
hem vervulde van een zaligheid nog nooit door hem gevoeld. Het meisje
zag dit en begon te vreezen, dat door haar zoo star aan te zien, zijn
boerschheid hem tot een daad zou drijven, die haar kon schandvlekken,
daarom riep zij haar vrouwen, stond op en zeide: Cimon, ga met Zeus.

Cimon antwoordde: Ik zal met u gaan. En hoewel het meisje steeds voor
hem bevreesd, zijn gezelschap weigerde, kon zij zich niet van hem
bevrijden, voor hij haar had begeleid tot aan haar huis. Vandaar ging
hij naar de woning van zijn vader en hield vol, dat hij niet meer naar
het dorp wilde terugkeeren, wat zijn vader en de zijnen goed vonden,
hoewel het hem hinderde en zij de reden trachtten te ontdekken, die hem
van besluit had doen veranderen. Zoo was dan het hart van Cimon, waarin
geen enkele les had kunnen binnen dringen, dank zij de schoonheid van
Ephigenia door de pijl van Amor doorboord en in zeer korten tijd door
van de eene gedachte tot de andere op te klimmen verwonderde hij zijn
vader en al de zijnen en elkeen door wat hij begreep. Eerst vroeg hij
zijn vader hem gekleed en getooid te doen gaan gelijk zijn broeders,
wat deze zeer welgemoed deed. Sedert in omgang met begaafde jonge
mannen volgde hij de manieren en de gewoonte der edellieden na en
vooral die der verliefden en leerde niet alleen tot elks verbazing in
zeer korten tijd de eerste letters, maar werd van beteekenis onder de
geleerden. Daarna (en dit alles was de oorzaak der liefde, die hij
Ephigenia toedroeg) legde hij niet alleen de grove en boersche taal
af voor fatsoenlijke en steedsche, maar hij werd een meester in zang
en muziek, in het paard rijden en den wapenhandel zoowel ter zee als
te land en zeer ervaren en dapper. In het kort (opdat ik niet elke
bijzonderheid van zijn deugden hoef te vertellen) eindigde hij nog
niet het vierde jaar van zijn eerste liefde of hij herrees als de
aardigste en de hoffelijkste jonkman en van meer uitnemenden moed dan
eenig ander, die er op Cyprus was. Wat zullen wij, bekoorlijke dames,
dan van Cimon zeggen? Zeker niets anders dan dat de jaloersche fortuin
de groote gaven, die de hemel in zijn dappere ziel had neergelegd,
gebonden had en verborgen in een zeer klein hoekje van zijn hart met
de sterkste banden, welke Amor--machtiger dan deze alle--losmaakte en
brak. Hij als wekker van de ingeslapen geesten, rukte door zijn kracht
de deugden van Cimon uit de wreede schaduwen, die ze verduisterden
in het heldere licht en toonde duidelijk, vanwaar hij de geesten aan
hem onderworpen kan opheffen en waarheen hij ze met zijn stralen leidt.

Hoewel Cimon dan, door Ephigenia te beminnen gelijk verliefde
jongelieden dikwijls doen, in enkele opzichten buitensporigheden
beging, verdroeg Aristippos, deze in aanmerking nemend, dat Amor hem
van een idioot tot een mensch had gemaakt, en bemoedigde hem in het
volgen van al zijn genoegen. Maar Cimon, die weigerde Galeso genoemd
te worden, daar hij zich herinnerde, dat hij zoo door Ephigenia
genoemd was, wilde aan zijn verlangens een eerbaar doel geven en
wilde herhaaldelijk Cypseos, den vader van Ephigenia, verzoeken hem
haar tot vrouw te geven, maar Cypseos antwoordde steeds, dat hij haar
toegezegd had aan Pasimundos, een edel jonkman van Rhodes, wien hij
niet te kort wilde doen. Toen de tijd, vastgesteld voor de bruiloft
van Ephigenia, gekomen was en de echtgenoot haar had laten halen,
zeide Cimon in zich zelf: Nu is het tijd te toonen, o Ephigenia,
hoe gij door mij wordt bemind. Door U ben ik man geworden en indien
ik U kan bezitten, twijfel ik er niet aan roemrijker te worden dan
eenig god en ik zal U zeker krijgen of sterven. Na die woorden riep
hij de hulp in van eenige edele jongelieden, die zijn vrienden waren
en na in het geheim een schip te hebben uitgerust met al wat noodig
was voor een zeegevecht, stak hij in zee, in afwachting van het
vaartuig, waarop Ephigenia naar haar echtgenoot op Rhodes zou worden
vervoerd. Ephigenia ging in zee, nadat haar vader aan de vrienden van
haar man alle eer had bewezen en men begaf zich op weg en richtte den
steven naar Rhodes. Cimon, die niet sliep, volgde het den dag daarna
met zijn schip en riep met kracht op den voorsteven van zijn schip
tot hen, die op Ephigenia's vaartuig waren: Maak halt, doe de zeilen
dalen of reken er op overwonnen te worden en in zee geworpen. De
tegenstanders van Cimon hadden hun wapens getrokken op de brug en
maakten zich ter verdediging gereed, waarop Cimon na die woorden een
ijzeren harpoen nam en die wierp op den voorsteven van de Rhodiërs,
die snel wilden vluchten en dezen met geweld naar dien van zijn schip
trok en verwoed als een leeuw, zonder door iemand gevolgd te worden,
sprong hij daarop of hij ze allen voor niets rekende. Daar aangespoord
door Amor, stortte hij zich met een wonderbare kracht tusschen de
vijanden met een mes in de hand en dan deze dan gene verwondend,
sloeg hij ze neer als schapen. Toen de Rhodiërs dat zagen, wierpen
zij de wapens op het dek en gaven zich eenstemmig over.

Cimon sprak tot hen: Jonge mannen, noch begeerte naar buit, noch haat,
die ik tegen Ü zou hebben deed mij van Cyprus vertrekken om in volle
zee gewapenderhand U aan te vallen. Wat mij bewoog is voor mij iets
te verkrijgen wat mij zeer dierbaar is en het is voor U gemakkelijk
genoeg om mij dit in vrede toe te staan en dit is Ephigenia, door
mij boven alles bemind, welke ik van haar vader niet krijgen kon als
vriend en goedschiks, zoodat Amor mij dreef die op U kwaadschiks en
gewapend te veroveren. Daarom wil ik voor haar zijn, wat Uw Pasimundos
voor haar moest wezen; geef haar mij en ga met de gunst van Zeus. De
jongelieden, die meer het geweld dan de vrijgevigheid dwong, stonden
klagend Ephigenia aan Cimon af. Hij zag haar schreien en zeide: Edele
donna, wees niet mistroostig, ik ben Uw Cimon, die door langdurige
liefde veel meer verdiend heeft U te bezitten dan Pasimundos door
gegeven belofte. Daarna keerde Cimon zich tot zijn gezellen (nadat
hij haar reeds op zijn schip had doen springen zonder iets anders
van de Rhodiërs aan te raken) en liet hen gaan. Cimon was toen meer
dan wie ook tevreden over den zoo dierbaren verworven buit. Nadat
hij eenigen tijd had genomen om haar, die weende, weer te troosten,
overlegde hij met zijn makkers naar Cyprus terug te keeren. Daarom
met gelijke gedachte van allen, richtte hij den steven van hun schip
naar Creta, waar iedereen en het meest Cimon door oude en nieuwe
verbintenissen en door veel vrienden geloofde, dat men met Ephigenia
veiliger zou zijn. Maar de fortuin, die zeer blijmoedig de verovering
van de donna aan Cimon had toegestaan, niet standvastig, veranderde
opeens de onbeschrijfelijke vreugde van den verliefden jonkman in
treurige en bittere klacht.

Er waren nog geen vier uur verloopen, dat Cimon de Rhodiërs had
achtergelaten toen bij het vallen van den nacht, welke Cimon blijder
dan eenigen anderen ooit verwachtte, een zeer bar en stormachtig
weer begon, dat den hemel met wolken vulde en de zee met woedende
winden. Daardoor kon hij niet zien wat hij moest doen of waar hij heen
moest gaan, noch zich op het schip staande houden om eenigen dienst
te doen. Hoe dat aan Cimon verdroot, behoeft men niet te vragen. Het
scheen, dat Zeus hem zijn verlangen had toegestaan om hem van meer
teleurstelling te doen sterven, waarom hij zich eerst als dat niet was
gebeurd, weinig bekommerd zou hebben. Ook zijn metgezellen beklaagden
zich, maar vooral Ephigenia en zij vreesden elke golfslag en in haar
geschrei vervloekte zij ruw de liefde van Cimon en laakte zijn moed en
beweerde, dat die vreeselijke storm door niets anders was ontstaan,
dan omdat de goden niet wilden, dat hij, die tegen hun wil haar tot
echtgenoot had begeerd, van zijn aanmatigend verlangen zou genieten
maar dat hij haar eerst zou zien sterven en daarna zelf ellendig zou
omkomen. Bij zulke klachten en nog meer anderen wisten de zeelieden
niet wat te doen en terwijl de wind steeds sterker werd, wisten of
beseften zij niet, waar zij heen gingen en kwamen nabij het eiland
Rhodes, maar zij herkenden dit niet en deden al hun best om te landen,
zoo het mogelijk was ten einde hun leven te redden. De fortuin was hun
daarin gunstig en stond hen toe te landen in een kleinen zeeboezem,
waarin kort voor hen, de Rhodiërs gekomen waren, die Cimon had
verlaten. Zij bemerkten pas, dat ze op het eiland Rhodes gekomen
waren, toen de dageraad aanbrak en de hemel helderder werd en zij
zich ternauwernood op een pijlschot afstand ontwaarden van het schip
den vorigen dag door hen verlaten. Hierover was Cimon zeer treurig,
vreezend, dat gebeuren zou, wat hem ook werkelijk geschiedde. Hij
beval, dat men alle kracht zou aanwenden om vandaar weg te gaan en
dan daarheen, waar de fortuin het behaagde ze heen te voeren, want
het kon op geen andere plaats erger zijn dan daar. Zij spanden zich
zeer in om daar uit te komen, maar vergeefs: de machtige wind blies in
tegengestelde richting, zoodat zij uit de kleine golf niet weg konden
komen, maar of ze wilden of niet, hield die hen aan het strand vast.

Toen zij het strand bereikten, werden zij door de Rhodische matrozen,
die van hun vaartuig waren afgedaald, herkend. Snel liep er een van
hen naar een dorp, waar in de buurt de edele Rhodische jonge mannen
waren gegaan en vertelde hun, dat toevallig Cimon met Ephigenia op hun
schip evenals zij daar waren aangekomen. Toen die dit hoorden, namen
zij zeer verheugd velen van hun mannen mede en waren spoedig aan zee
en Cimon, die al van zijn vaartuig gestegen, het plan had opgevat in
een naburig woud te vluchten werd met allen en met Ephigenia gevangen
genomen en naar het dorp gebracht. En vandaar, toen Lysimachos van
de stad kwam, in welks nabijheid hij dat jaar de opperrechter der
Rhodiërs was, voerde die met een zeer groot aantal gewapende mannen,
Cimon en zijn makkers allen naar de gevangenis, gelijk Pasimundos,
wien het nieuws bereikte, woedend met den senaat van Rhodes, bevolen
had. Zoo verloor de ellendige en verliefde Cimon zijn Ephigenia
pas door hem gewonnen zonder iets meer van haar te hebben gekregen
dan eenige kussen. Ephigenia werd door vele edele vrouwen van Rhodes
ontvangen en herstelde, zoowel voor de smart geleden door haar schaking
als van de vermoeienis ondergaan op de toornende zee en zij bleef bij
hen tot aan den dag vastgesteld voor haar bruiloft. Aan Cimon en zijn
gezellen werd wegens de edelmoedigheid jegens de Rhodische jongelingen
den vorigen dag betoond, het leven geschonken, wat Pasimundos met
al zijn macht hun wilde ontnemen en zij werden tot levenslange
gevangenisstraf veroordeeld, waarin zij, gelijk men kan denken,
in smart achterbleven en zonder hoop ooit eenig genoegen te hebben.

Maar Pasimundos verhaastte zijn aanstaande bruiloft zooveel hij kon. De
fortuin, of zij berouw had over den onverwachten slag, dien Cimon trof,
bracht een nieuw voorval tot zijn heil teweeg. Pasimundos had een
broeder, minder in jaren maar niet in deugd, die Ormisda heette en die
lang had onderhandeld om als echtgenoote een edel en schoon meisje uit
de stad te krijgen, Cassandra genaamd; dat Lysimachos ten zeerste lief
had, maar het huwelijk was door verschillende gebeurtenissen meermalen
belemmerd. Daar Pasimundos zag, dat hij gedwongen was zijn bruiloft met
een groot feest te vieren, achtte hij het best, om niet meer kosten
en feesten te maken, dat hij zorgde, dat op hetzelfde feest Ormisda
en zijn vrouw huwen zouden. Hij hervatte daartoe de onderhandelingen
met de ouders van Cassandra en met goed gevolg. Hij en zijn broeders
besloten, dat Pasimundos denzelfden dag Ephigenia zou huwen, waarop
Ormisda Cassandra zou trouwen. Lysimachos hoorde dit en het beviel hem
in 't geheel niet, omdat hij zich van zijn hoop verlaten zag, welke
hij koesterde haar zeker te krijgen als Ormisda haar niet nam. Maar
als verstandig man verborg hij zijn spijt en hij begon te bedenken
hoe hij kon beletten, dat dit gevolg had en hij zag er geen anderen
weg op dan haar te rooven. Dit scheen hem gemakkelijk door het ambt,
dat hij bekleedde maar ook oneerlijker dan wanneer hij dien post
niet had bezet. Maar om kort te gaan na lange overpeinzing week de
eerlijkheid voor de liefde en besliste hij, dat, wat er ook mocht
gebeuren, hij Cassandra zou rooven. En denkend aan de hulp, die hij
daarvoor noodig had en de maatregelen, die hij daarvoor moest nemen,
herinnerde hij zich Cimon, dien hij met zijn makkers gevangen hield
en meende geen beter en geen trouwer metgezel in deze zaak te kunnen
hebben dan hem. Daarom liet hij hem den volgenden nacht heimelijk in
zijn kamer komen en begon hem aldus toe te spreken:

Cimon, gelijk de goden de beste en mildste schenkers van loon zijn
voor de menschen, zoo beproeven zij ook het wijste hun moed en hen,
die zij flink en standvastig vinden in alle omstandigheden, maken zij
ook, als de besten, de grootste belooningen waardig. Zij hebben van
Uw moed een zekerder bewijs gewild dan gij binnen de perken van Uws
vaders huis had kunnen leveren, dien ik als overmatig rijk ken. Eerst
hebben zij U door de heftige aandoeningen der liefde van een redeloos
dier, gelijk ik hoorde, tot mensch willen vormen; daarna hebben zij
door harde tegenspoed en thans met treurige gevangenschap willen zien
of uw ziel zich van wat die was, niet verandert, wanneer gij voor
korten tijd de verlangde prooi had veroverd. Indien die dezelfde is
als voorheen, schonken zij U nooit zulk een vreugde als zij U thans
bereiden, wat ik U wil aantoonen, opdat gij Uw krachten herwint
en weer moed vat. Pasimundos, verheugd over Uw ongeluk en die met
aandrang Uw dood heeft gezocht, verhaast zooveel hij kan het vieren
van de bruiloft met Uw Ephigenia, opdat hij zich dan verblijdt met
den buit, welke eerst de gunstige fortuin U had toegestaan en toen
opeens gramstorig U ontnam. Dit moet U leed doen naar ik zelf weet,
indien gij haar zoo lief hebt als ik geloof; want op denzelfden dag
maakt Ormisda, zijn broeder, zich gereed, om mij een dergelijke hoon
aan te doen met Cassandra, die ik boven alles bemin. Om zooveel smaad
en zooveel verdriet van het ongeluk te ontgaan, zie ik geen anderen
weg open dan de kracht van onze zielen en van onze rechtervuisten,
waarin wij het zwaard moeten voeren en waarmee wij ons ruim baan
moeten maken gij voor den tweeden en ik voor den eersten roof van
onze beide vrouwen. Daarom, indien gij wilt--ik wil niet zeggen de
vrijheid, waarom gij, denk ik, zonder Uw vrouw weinig geeft--dat gij
Uw vrouw terug krijgt, hebben de goden, die mij bij mijn onderneming
willen helpen, dit in Uw handen gesteld.

Deze woorden deden al de verloren wilskracht in Cimon terugkeeren en
zonder te veel tijd voor het antwoord te nemen, zeide hij: Lysimachos,
gij kunt geen sterker en trouwer makker in deze zaak hebben, indien
er voor mij uit moet volgen, wat gij zegt en daarom vertel mij,
wat U goed dunkt, dat ik moet doen en gij zult zien, dat het met een
bewonderenswaardige kracht zal gebeuren. Lysimachos antwoordde hem:
Binnen drie dagen zullen de jonge vrouwen het eerst de huizen hunner
mannen betreden, waarin gij gewapend met Uw makkers en ik met de
mijnen, die ik genoeg vertrouw, bij het vallen van den avond zullen
binnentreden en welke wij te midden van de gasten geroofd naar een
schip zullen brengen, dat ik in 't geheim heb laten gereed maken,
terwijl wij iedereen zullen dooden, die zich vermeet ons weerstand
te bieden. Dit plan beviel aan Cimon en stil begaf hij zich tot den
bepaalden tijd naar de gevangenis. Toen de dag van de bruiloft kwam,
was de staatsie groot en prachtig en elk deel van het huis was vol
van het vroolijke feest.

Lysimachus, die alles gereed had gemaakt, vereenigde Cimon en
zijn makkers met zijn eigen vrienden en hij verdeelde ze, toen het
oogenblik hem gekomen scheen, in drie groepen alle met wapens onder
hun kleederen na ze met woorden ten gunste van zijn onderneming te
hebben aangespoord. Een groep werd zonder gedruisch naar de haven
gezonden, opdat niemand ze zou beletten het schip te bestijgen,
wanneer het noodig zou zijn. Met de andere twee ging hij naar het
huis van Pasimundos, waar hij aangekomen er een bij de deur liet,
opdat niemand hem er kon insluiten of hem den aftocht belemmeren
en met de derde beklom hij den trap gevolgd door Cimon. In de zaal
gekomen, waar de jonge bruiden aan tafel waren gezeten om te eten
met een groot aantal andere dames, wierpen zij zich vooruit, smeten
de tafels omver en nadat elk van hun zijn vrouw genomen had en in
handen had gesteld van zijn makkers, gaven zij order ze dadelijk
naar het schip te leiden, gereed om hen te ontvangen. De jonge
vrouwen begonnen te huilen en te schreeuwen, evenals de anderen en
de dienaren en opeens was het huis vol rumoer en geklaag. Maar Cimon
en Lysimachus, die hun zwaarden hadden getrokken en alles op hun
weg verjoegen, richtten zich naar de trappen; zij daalden ze af,
tot ze Pasimundos ontmoetten, die met een grooten stok in de hand
op het leven afkwam: Cimon sloeg hem woedend op het hoofd, kloofde
hem den schedel en deed hem dood aan zijn voeten neerstorten. Toen
de ongelukkige Ormisda tot zijn hulp aansnelde, werd hij eveneens
door de slagen van Cimon gedood en alle anderen, die wilden naderen,
werden gekwetst en achteruit geworpen door de makkers van Lysimachos
en Cimon. Zij lieten het huis achter vol bloed, vol tumult, tranen
en droefenis en in een dichte groep bereikten zij te zamen met hun
prooi het schip. Hierop zetten zij de vrouwen neer en klommen er zelf
op met hun gezellen, toen het strand al vol gewapend volk was, dat
tot bevrijding van de vrouwen aankwam. Zij staken de riemen in het
water en gingen verheugd over hun bedrijven heen. Op Creta gekomen
werden zij door vele vrienden en verwanten blijde ontvangen, huwden
de vrouwen en na een groot feest genoten zij gelukkig van hun roof. Op
Cyprus en Rhodes was het rumoer en de stoornis groot en lang door hun
daad. Ten slotte nadat hun vrienden en verwanten op het eene en het
ander eiland als bemiddelaars waren opgetreden, vonden die een uitweg,
zoodat na eenigen tijd van ballingschap Cimon met Ephigenia gelukkig
naar Cyprus terugkeerde en Lysimachus ook met Cassandra naar Rhodes
en elk leefde langen tijd met zijn vrouw gelukkig in zijn land.



Tweede Vertelling.

    _Gostanza bemint Martuccio Gomito, welke hoorend, dat hij
    dood is, uit wanhoop zich alleen in een bark neerzet, die
    door den wind naar Susa gevoerd wordt. Zij vindt hem levend
    terug in Tunis, doet zich aan hem kennen en daar hij zeer
    bevriend wordt met den koning voor geschonken raadgegevingen,
    huwt hij haar en keert rijk met haar terug naar Lipari._


Toen de koningin bespeurde, dat de novelle van Pamfilo uit was,
gelastte zij, na die zeer te hebben geprezen, dat Emilia zou voortgaan
met het verhalen van een andere, die aldus begon: Ieder moet zich
terecht verheugen in de dingen, waarin men de belooning op genegenheid
ziet volgen en wel omdat de liefde op den langen duur eerder vreugde
verdient dan smart. Met veel grooter genoegen zal ik door deze stof
te behandelen de koningin gehoorzamen dan het ik om de voorafgaande
deed aan den koning.

Teedere donna's. Gij moet dan weten, dat er in de nabijheid van Sicilië
een eilandje is, Lipari genaamd, waarop nog niet lang geleden een zeer
mooie meisje geboren werd, Gostanza, uit zeer achtenswaardige familie
vandaar. Op haar werd een jonkman, die er woonde, Martuccio Gomito,
zeer aardig en beschaafd en bekwaam in zijn vak, verliefd. Zij werd
eveneens zoo door hem ontbrand, dat zij zich nooit goed gevoelde,
als zij hem niet zag. En daar Martuccio haar tot vrouw begeerde, liet
hij haar aan haar vader vragen. Deze antwoordde, dat hij arm was en
haar daarom niet wilde geven. Martuccio verontwaardigd, omdat hij zich
haar zag weigeren om zijn armoede, zwoer met eenige van zijn vrienden
en verwanten nooit in Lipari terug te keeren dan rijk. Hij vertrok
vandaar en begon als zeeroover de kust van Barbarije te bevaren elk
bekapend, die minder machtig was dan hij. De fortuin was hem hierbij
zeer gunstig, als hij zich maar met zijn voorspoed tevreden had kunnen
stellen. Maar daar het hem niet genoeg was, dat hij en zijn vrienden
in korten tijd zeer rijk werden, daar zij meer dan rijk wilden worden,
werd hij door zekere schepen der Saracenen na een lange verdediging
gevangen genomen en weggevoerd en het grootste deel van hen door de
Mahomedanen verdronken. Nadat zijn schip was vernield, werd hij naar
Tunis in de gevangenis gevoerd en in lange ellende bewaard. Op Lipari
kwam de tijding, dat al degenen, die met Martuccio op het schip waren,
verdronken. Het meisje, dat over het heengaan van Martuccio mateloos
bedroefd was, toen zij hoorde, dat hij als de anderen dood was,
klaagde langen tijd en besloot niet langer te leven. In 't geheim
verliet zij 's nachts haars vaders huis en aan de haven gekomen zag
zij toevallig afgescheiden van de andere schepen een visscherspink,
die zij, hoewel de eigenaars er voor het oogenblik af waren, voorzien
vond van een mast, zeilen en riemen. Zij klom er snel op, roeide met
de riemen in zee en daar zij eenigszins de zeevaart meester was als
al de vrouwen op dit eiland, heesch zij het zeil, stak de riemen
in het water, wierp de roerpen achteruit en liet zich geheel gaan
voor den wind. Zij dacht, dat bepaald de wind de bark zonder lading
en zonder evenwicht zou omslaan of dat een schok die moest breken en
verpletteren, waardoor zij, zelfs als zij het wilde ontgaan, niet kon
maar zeker moest verdrinken. Zij wikkelde het hoofd in haar mantel
en legde zich klagend op den bodem van de bark. Maar het gebeurde
heel anders dan zij had verwacht, omdat de wind, die haar voerde,
tramontaansch (noordelijk) was en zacht en er haast geen golfslag
bewoog en die de bark goed leidend op den dag na den nacht, dat zij
die had bestegen, haar tegen den vesper ongeveer op honderd mijlen
boven Tunis op een strand dreef in de buurt van de stad Susa. [94]

Het jonge meisje bemerkte niet meer of zij in land of in zee was,
want zij had besloten, wat er ook zou gebeuren het hoofd niet op te
heffen en had dit dan ook niet gedaan. Er was bij toeval op het strand,
toen de bark er op zou stooten, een arme goede vrouw bezig de netten
der visschers uit de zon te trekken en die bij het gezicht van de
bark er zich over verwonderde, dat men die met vol zeil op de kust
had laten loopen. Denkend, dat de visschers er op waren ingeslapen,
begaf zij zich er heen en zag er slechts een jong meisje in, dat
sliep. Nadat zij het meermalen geroepen had, wist zij het eindelijk
te wekken en daar zij het aan haar kleederen herkend als Christin en
zij Latijn [95] sprak, vroeg zij haar, hoe zij daar zoo alleen in
die bark gekomen was. Het jonge meisje, dat Latijn hoorde spreken,
twijfelde er aan of zij misschien niet door een anderen wind naar
Lipari was teruggekeerd en plotseling opgestaan keek zij rond en daar
zij dit wel kende, vroeg zij aan de goede vrouw, waar zij was. Deze
antwoordde: Mijn kind, gij zijt dicht bij Susa in Barbarije. Toen
het jonge meisje dit hoorde, ging het aan den voet van de bark zitten
wanhopig, dat God haar den dood niet had willen zenden en vreezend,
dat haar schande zou overkomen en begon te schreien.

Toen de goede vrouw dit zag, had zij medelijden met haar en op haar
aandringen slaagde zij er in haar naar haar hut mee te krijgen en daar
behandelde zij haar zoo liefderijk, dat het jonge meisje haar vertelde,
wat er gebeurd was. Daar de goede vrouw begreep, dat zij nog nuchter
was, bracht zij het hard brood, wat water en een paar visschen en bad
haar zoo, dat zij er iets van at. Na gegeten te hebben vroeg Gostanza,
wie zij was. Zij zeide, dat zij van Trapani kwam en Carapresa
heette en dat zij de dienstmaagd was van een paar christelijke
visschers. Toen het meisje Carapresa hoorde spreken, vond zij dit,
hoewel zij troosteloos was en niet wist, wat haar daartoe dreef, een
goed teeken bij het hooren van dien naam en begon te hopen zonder te
weten hoe en een weinig haar begeerte te laten varen om te sterven en
zonder bekend te maken wie zij was of van waar, bad zij de goede vrouw
om Gods wil medelijden met haar te hebben en met haar jeugd en haar
eenige raad te geven, opdat men haar niet zou beleedigen. Carapresa
hoorde haar als een brave vrouw, die zij was, aan, liet haar in haar
hut blijven en na vlug haar netten te nebben opgehaald, kwam zij haar
halen. Na haar van het hoofd tot de voeten in haar mantel gewikkeld
te hebben, nam zij haar mee naar Susa en daar zeide zij tot deze:
Gostanza, ik zal U bij een zeer goede saraceensche dame brengen,
aan wien ik diensten doe; het is een oude en barmhartige vrouw; ik
zal U zoo goed ik kan aan haar aanbevelen en ik ben er zeker van,
dat zij U gaarne zal ontvangen en U als haar dochter zal behandelen;
wat U betreft, gij moet al het mogelijke doen, wanneer gij bij haar
blijft, om haar te dienen en haar gunst te winnen, totdat God U meer
geluk zal zenden. En zij voegde de daad bij het woord.

De donna, waar de oude heen gegaan was, zag het meisje in het gelaat
en begon te schreien, nam haar aan, kuste haar het voorhoofd en leidde
haar toen bij de hand in haar huis, waarin zij zonder man met eenige
vrouwen woonde en allen met hun handen verschillende voorwerpen
maakten van zijde, van palmhout of van leer. Het meisje leerde die
binnen enkele dagen vervaardigen, begon met hen samen te werken en
het kwam zoo in de gunst en won zoo de genegenheid van de donna en
van de anderen, dat het een wonder was. En in den korten tijd, dat
zij haar die onderwezen, leerde zij hun taal. Terwijl het meisje aldus
in Susa bleef, werd zij thuis al beweend als verloren en gestorven.

Destijds was Mariabdela koning van Tunis en verzamelde een jonkman van
hooge geboorte en groote macht, die zich te Granada bevond een zeer
groote menigte manschappen met de bewering, dat hem de heerschappij
over Tunis toebehoorde en rukte tegen dien koning op om hem van den
troon te jagen. Dit kwam Martuccio Gomito in de gevangenis ter ooren,
die het Barbarijsch goed kende en toen hij hoorde, dat de koning
van Tunis een zeer groote macht tot zijn verdediging bijeen bracht,
zeide hij tot een der lieden, die hem en zijn makkers bewaakten:
Wanneer ik den koning mag spreken, maak ik mij sterk hem een raad
te geven, waardoor hij in zijn strijd zal zegevieren. De wachter
bracht die woorden aan zijn heer over, die het dadelijk aan den
koning berichtte. De koning gelastte, dat Martuccio bij hem gebracht
werd en vroeg hem, wat die raad was. Deze antwoordde hem aldus:
Heer, als ik wel in een vroeger tijd, toen ik Uw rijk bezocht, Uw
strijdwijze heb gade geslagen, schijnt het mij, dat gij die eerder
met boogschutters volgt dan met andere soldaten en daarom, als men
een middel kon vinden, dat Uw tegenstanders pijlen zouden missen
en de Uwen er in overvloed hadden, denk ik, dat gij in den krijg
zoudt winnen. Hierop sprak de koning: Zonder twijfel, als dat kon,
zou ik zeker overwinnaar zijn. Martuccio ging voort: Heer, indien
gij het wilt, kan dat heel goed en ziehier hoe: gij moet voor de
bogen van Uw boogschutters koorden laten maken veel dunner dan men ze
gewoonlijk overal gebruikt; dan moet gij pijlen laten vervaardigen,
waarvan de kepen alleen op die koorden passen en dat alles moet zoo
in 't geheim geschieden, dat Uw tegenstander het niet weet, want
anders zal hij een middel vinden tot tegenweer. En ziehier waarom ik
zoo spreek: wanneer de boogschutters van Uw vijand hun pijlen zullen
hebben geworpen en de Uwen hun schichten, weet gij, dat de vijanden de
pijlen oprapen, die de Uwen hebben afgeschoten evenals wij die van den
vijand. Maar als de vijand zich van de onzen niet kan bedienen, omdat
de kleine kepen niet op zijn dikke koorden passen, terwijl juist het
tegenovergestelde het geval zal zijn met de schichten van den vijand,
zullen de dunne koorden wel de pijlen dragen met een groote keep en
zoo zullen de Uwen er overvloedig van voorzien worden, terwijl Uw
tegenstanders er gebrek aan zullen krijgen. [96]

De raad van Martuccio beviel aan den koning, die een zeer wijs man was
en hij volgde hem geheel op, waardoor hij den slag won. Daardoor steeg
Martuccio hoog in zijn gunst en werd aldus machtig en rijk. Het gerucht
van die dingen ging door het gansche land en het bereikte de ooren van
Gostanza, dat Martuccio Gomito leefde, dien zij langen tijd dood had
gewaand. Hierdoor ontvlamde haar liefde, die reeds in haar hart zeer
was verkoeld, opnieuw en werd grooter en de gedoode hoop herleefde.

Derhalve vertelde zij geheel aan de goede dame, waar zij was, haar
lot en zeide zij, dat zij verlangde naar Tunis te gaan, opdat zij met
de oogen zich verzadigde aan wat de ooren van de ontvangen geruchten
haar hadden doen begeeren. Deze prees haar verlangen zeer en alsof
zij haar moeder was geweest, ging zij met haar op een bark te zamen
naar Tunis, waar zij met Gostanza bij een bloedverwante eervol in huis
werd ontvangen. En daar Carapresa met haar mee was gegaan, gelastte
zij die te vernemen, wat zij van Martuccio kon te weten komen. Toen
zij bevonden had, dat hij leefde en heel voornaam en Carapresa het
haar had gemeld, behaagde het de edelvrouw, dat zij het zou zijn,
die aan Martuccio zou berichten, dat zijn Gostanza voor hem daarheen
was gekomen.

Toen zij op een dag zich begeven had daarheen, waar Martuccio woonde,
zeide zij tot hem: Martuccio, in mijn huis is een dienaar van U van
Lipari gekomen, die U daar in stilte wil spreken en omdat ik het niet
aan anderen wilde toevertrouwen, ben ik, gelijk hij het verlangde,
zelf hier gekomen om het uiteen te zetten. Martuccio bedankte haar en
ging toen naar haar huis. Toen hij het meisje zag, stierf hij haast
van vreugde en daar hij zich niet kon weerhouden, vloog hij haar met
open armen om den hals en omarmde haar en begon uit medelijden over
de vroegere ongevallen en door de blijdschap van het oogenblik zonder
een woord te kunnen spreken, zeer te weenen. Martuccio zag het meisje
aan, bleef eenigzins verwonderd en zei toen zuchtend: O mijn Gostanza,
hoe leef je nog? Het is al lang geleden, dat ik gehoord heb, dat gij
dood waart en ook in ons land wist men niets van U en na die woorden
schreide hij zeer en omarmde en kuste haar. Gostanza vertelde hem
al haar avonturen en de eer, die haar te beurt was gevallen bij de
edelvrouw, waar zij was blijven wonen. Na vele gesprekken nam Martuccio
afscheid van haar, ging naar zijn heer, den koning en vertelde hem
alles, namelijk zijn lotgevallen en die van het meisje en voegde er
bij, dat hij met zijn verlof volgens onze wet haar wilde huwen.

De koning verwonderde zich hierover en ontbood het meisje en nadat
hij van haar had gehoord, dat het zoo was als Martuccio had verteld,
zeide hij: Gij hebt dan Uw man wel verdiend. Hij liet zeer groote
en voorname geschenken komen, gaf een deel aan haar en een deel
aan Martuccio en liet hun de vrijheid met elkaar te doen, wat elk
het liefst was. Martuccio bewees veel eer aan de edelvrouw, waarbij
Gostanza had gewoond, en na haar bedankt te hebben voor wat zij in haar
dienst had gedaan en haar geschenken te hebben gegeven, die haar te
pas kwamen en haar aan God te hebben aanbevolen, ging zij niet zonder
veel tranen van Gostanza heen. Na het verlof des konings bestegen
zij een scheepje en met hen keerde Carapresa naar Lipari terug onder
voorspoedigen wind, waar zulk een groote vreugde heerschte, dat men
het nooit zou kunnen beschrijven. Hier huwde Martuccio haar en maakte
een groote en schoone bruiloft en daarna verheugden zij zich lang te
samen door hun liefde in vreugde en rust.



Derde Vertelling.

    _Pietro Boccamazza vlucht met Agnolella. Hij ontmoet dieven;
    het meisje vlucht door een woud en komt bij een burcht. Pietro
    wordt gevangen genomen en ontsnapt aan de dieven. Na eenige
    avonturen komt hij in het kasteel, waar Agnolella is, huwt
    haar en keert naar Rome terug._


Er was niemand onder hen, die de geschiedenis van Emilia niet prees
en de koningin, die bemerkte, dat zij geëindigd had, keerde zich naar
Elisa en beval haar voort te gaan. Deze, verlangend te gehoorzamen,
begon: Genadige donna's. Ik herinner mij een boozen nacht, die twee
onvoorzichtige jongelieden doorbrachten, maar omdat daarop vele
blijde dagen volgden en dit daarom met ons voorschrift overeen komt,
behaagt het mij U dit te vertellen.

Te Rome, dat vroeger de kop der wereld was, maar thans de staart [97]
er van is, leefde voor kort een jonkman Pietro Boccamazza van een
aanzienlijk geslacht onder de romeinsche families en die verliefd werd
op een zeer schoon en zeer begeerenswaardig jong meisje Agnolella,
de dochter van een zekeren Gigliuozzo Saullo, een plebejer, maar
zeer bij de Romeinen bemind. En daar hij haar liefhad, wist hij zoo
te werk te gaan, dat het meisje van hem niet minder begon te houden
dan hij van haar. Pietro door een heftig lijden gedreven, veroorzaakt
door verlangen naar haar, vroeg haar tot vrouw. Zoodra zijn verwanten
dit vernamen, gingen zij allen, naar hem toe en laakten zeer, wat hij
doen wilde en anderzijds deden zij aan Gigliuozzo Saullo weten, dat
hij geen acht zou slaan op Pietro's woorden, omdat, zoo hij het deed,
hij ze nooit tot vriend noch tot familie zou hebben. Toen Pietro zich
den weg zag afgesneden, langs welken hij alleen meende zijn begeerte
te kunnen bevredigen, was hij op het punt te sterven van verdriet en
indien Gigliuozzo had toegestemd, had hij tegen het genoegen van elken
bloedverwant, dien deze had, zijn dochter tot vrouw genomen. Maar toch
nam hij zich bepaald voor, indien dit het meisje aanstond, te zorgen,
dat het gevolg zou hebben en door de tusschenkomst van een welwillend
persoon sprak hij met haar af met haar uit Rome te vluchten. Toen
dit geregeld was, stond Pietro op een morgen zeer vroeg op, steeg met
haar samen te paard en zij sloegen den weg in naar Alagna [98], waar
Pietro zekere vrienden had, waarin hij veel vertrouwen stelde. Aldus te
paard gezeten hadden zij geen tijd hun liefkoozingen voort te zetten,
omdat zij vreesden vervolgd te worden, begonnen over hun minnarijen
te spreken en kusten elkaar van tijd tot tijd. Daar Pietro den weg
niet goed kende, namen zij, toen zij op acht mijl misschien van Rome
verwijderd waren en zij rechts moesten houden, den weg links. Zij
waren nog geen twee mijlen verder gereden of zij bevonden zich in de
nabijheid van een klein kasteel, waaruit, daar zij er gezien waren,
dadelijk twaalf knechten te voorschijn kwamen en toen zij al dicht
bij hen waren, ontwaarde het meisje hen en zeide daarom schreeuwend:
Pietro, laat ons vluchten, want wij worden aangevallen en zoodra
hij het merkte, richtte hij het paard naar een zeer groot woud en
de sporen strak aan het lijf houdend, hield zij zich aan den haarkam
vast. Het paard, dat zich voelde aanzetten, droeg haar galoppeerend
door het woud weg. Pietro, die meer op haar lette dan op den weg,
had niet zoo snel als zij de manschappen bemerkt en terwijl hij nog
keek zonder te begrijpen, vanwaar zij gekomen waren, werd hij door
hen achterhaald, gevangen genomen en gedwongen van het paard te
stijgen. Zij vroegen hem, wie hij was en toen hij dit gezegd had,
begonnen zij onder elkaar raad te houden en te zeggen: Hij behoort
tot de vrienden van onze vijanden; wat moeten wij anders doen dan hem
de kleeren afnemen en het paard en hem ten spijt van de Orsini's aan
een van deze eiken ophangen? Zij werden het daar allen over eens en
bevalen aan Pietro zich uit te kleeden. Terwijl hij dit deed en hij
zijn treurig lot al vermoedde, kwam op eens uit een hinderlaag een
troep van vijfentwintig man te voorschijn en schreeuwde achter hen:
_Dood aan hen, dood aan hen!_ Dezen door de anderen verrast, lieten
Pietro staan en wendden zich om ter verdediging, maar toen zij zagen
veel minder in aantal te zijn dan hun aanvallers, begonnen zij te
vluchten en de anderen hen te vervolgen.

Toen Pietro dit zag, nam hij zijn goed bijeen, sprong op zijn paard
en begon zoo hard hij kon te vluchten langs den weg, waarlangs hij
het meisje had zien vlieden. Maar daar hij door het woud pad noch
straatweg zag noch een spoor van een paard, scheen het hem daarna
veiliger zoowel buiten de macht van hen, die hem hadden gevangen
genomen als ook buiten die der anderen, welke hadden aangevallen, te
zijn. En daar hij zijn meisje niet terug vond, begon hij bedroefder dan
eenig ander man te schreien en links en rechts door het woud gaande
haar te roepen, maar niemand antwoordde hem en hij durfde niet terug
keeren en voorwaarts gaande wist hij niet, waar hij zou aankomen.

Van den anderen kant had hij groote angst voor de wilde dieren, die
gewoonlijk in de bosschen huizen en voor zijn meisje, dat misschien al
verslonden was door een beer of door een wolf. De ongelukkige Pietro
liep toen den ganschen dag door het woud te schreeuwen en te roepen
en kwam dikwijls op zijn schreden terug, als hij meende voorwaarts
te gaan en eindelijk door het schreeuwen en klagen en den angst en
het lange vasten was hij zoo vermoeid, dat hij niet meer voorwaarts
kon. Toen hij den nacht zag aanbreken en hij zich geen anderen raad
wist te verschaffen, vond hij een grooten eik, steeg van het paard, dat
hij er aan vast bond en daarna om niet door de wilde dieren gedurende
den nacht te worden verscheurd, klom hij er in. Kort daarna ging de
maan op en het weer werd zeer helder. Hoewel hij den moed niet had
in te slapen, daar hij bang was te vallen, was hij ook niet op zijn
gemak, omdat de smart en de gedachten aan het jonge meisje hem geen
rust lieten. Hij waakte zuchtend en klagend en vervloekte zijn lot.

Het vluchtende meisje, gelijk wij vroeger al zeiden, wist niet waar
heen te gaan tenzij daarheen, waar haar paard haar naar toe scheen te
dragen en zij begaf zich zoo diep in het woud, dat zij de plaats niet
meer kon vinden, vanwaar zij er binnen was gekomen. Aldus dwaalde
zij evenals Pietro den ganschen dag dan weer halt houdend dan weer
voortgaande en klagend en roepend en treurend over haar ongeluk door
het bosch. Eindelijk ziende, dat Pietro niet kwam en dat het reeds
avond was, sloeg zij een klein pad in. Toen zij iets meer dan twee
mijlen gereden had, zag zij van verre een huisje, waar zij, zoo gauw
zij kon, heenging en daar vond zij een bejaard, goed man met zijn
vrouw, die ook al oud was. Zij zagen haar alleen en zeiden: O kind,
wat doet gij op dit uur zoo alleen in deze streek? Het treurende
meisje zeide, dat zij haar gezelschap in het woud verloren had en
vroeg, hoe dicht zij bij Alagna was, waarop de goede man antwoordde:
Mijn dochter, dat is geen weg om naar Alagna te gaan; dat is meer
dan twaalf mijlen afstand. Het meisje ging voort: En zijn er dan hier
woningen om te overnachten? Hierop antwoordde de goede man: Meisje,
het zal mij aangenaam zijn, als gij dezen avond bij ons blijft, maar
wij willen U in ieder geval er aan herinneren, dat door deze streken
bij dag als nacht, zoowel bevriende als vijandige troepen gaan, welke
U herhaaldelijk groot leed en groote schade kunnen doen en indien bij
ongeluk, terwijl gij er zoudt zijn, er een langs kwam en U zou zien
mooi en jong als gij zijt, zouden zij U last en schande aandoen en wij
zouden U niet kunnen helpen. Wij willen U dit zeggen, opdat gij, indien
dit gebeurde, het ons niet kunt verwijten. Het meisje ziende, dat het
al laat was, terwijl de woorden van den oude haar nog meer ontstelden,
zeide: Als het God mag behagen, zal Hij U en mij dit verdriet besparen;
als het mij zou overkomen, zou het veel minder zijn door mannen te
worden aangerand dan in de bosschen door de wilde dieren te worden
verslonden. Bij die woorden steeg zij van haar paard, trad in de hut
van den armen man en avondmaalde daar met wat zij hadden, povertjes
en wierp zich daarna geheel gekleed met hen samen in een bed en hield
dien heelen nacht niet op te zuchten en haar ongeluk te beklagen en
dat van Pietri, waarvan zij niets anders dan kwaad verwachtte. Toen de
morgen al nabij was, hoorde zij een groot rumoer van menschen naderen,
hierdoor stond zij op, ging op een groote plaats, die achter het kleine
hutje was en zag daar een grooten hoop hooi, waarin zij zich verborg
om niet zoo spoedig, indien die daar heen kwamen, gezien te worden.

Ternauwernood had zij dit gedaan of zij, die een grooten troep
bandieten vormden, kwamen bij de deur van de kleine hut, lieten
zich open doen, traden binnen, zagen het paard van het meisje, dat
zijn zadel nog op had en vroegen wie daar was. De goede man, die het
meisje niet zag, zeide: Er is hier niemand dan wij, maar dat paard, van
wien het ook is, kwam hier gisteravond en wij hebben het doen binnen
komen om niet door de wolven te worden verscheurd. Dan, zei het hoofd
van de bende, zal het goed voor ons zijn, omdat het geen ander heer
heeft. Nadat zij zich allen door het boschje hadden verspreid, ging
een deel van hen naar de binnenplaats en daar zij hun lansen en hun
houten schilden neerlegden, stak een van hen zijn spies, niet wetend
wat te doen, in het hooi en het scheelde maar weinig of hij doodde het
jonge meisje, dat daarin verborgen was en dat hij haast gedwongen had
zich te vertoonen, omdat de lans zoo dicht langs haar linkerborst ging,
dat het ijzer haar kleeren scheurde en zij bijna een grooten gil had
gegeven uit angst gewond te worden, maar zich de plaats herinnerend,
waar zij was, hernam zij al haar koelbloedigheid en hield zich stil.

De mannen van de bende braadden hun geiten- en ander vleesch aten en
dronken, gingen deze hier-, gene daarheen naar hun bezigheden en namen
het paard van het meisje mede. Toen zij al op eenigen afstand waren,
vroeg de goede man de vrouw: Waar was ons meisje, dat gisteravond
hier aankwam? Ik heb haar niet gezien, sinds wij opstonden. De goede
vrouw antwoordde, dat zij het niet wist en ging kijken. Toen het
meisje bemerkte, dat de roovers vertrokken waren, kwam zij uit het
hooi te voorschijn, waarmee de goede man zeer vergenoegd was, omdat
hij zag, dat zij niet in hun handen was gevallen en daar het al dag
werd, zeide hij: Nu het morgen wordt, zullen wij, als gij wilt, U
vergezellen tot een kasteel, hier vijf mijlen vandaan en dan zult gij
op een veilige plaats zijn, maar gij zult er te voet moeten heengaan,
omdat die schelmentroep, toen ze hier wegging, Uw paard met zich mede
heeft gevoerd. Het jonge meisje, op dat punt gerust gesteld, bad hem
bij God haar naar dit kasteel te leiden; daarna gingen zij op weg en
kwamen er op de helft van het derde uur aan. Het kasteel behoorde aan
een der Orsini's, die zich Liello di Campo di Fiore noemde en toevallig
hield zich daar zijn vrouw op, die zeer goed en heilig was. Toen zij
het meisje zag, herkende zij het spoedig ontving het met vreugde en
wilde alles nauwkeurig weten. Het meisje vertelde dit. De donna, die
ook Pietro kende, daar deze een vriend van haar man was, werd zeer
treurig over het geval en hoorend, waar hij was gevangen genomen,
meende zij, dat hij dood was; zij zeide dan tot het meisje: Daar gij
niet weet, wat er van Pietro geworden is, zult gij bij mij blijven,
totdat ik in staat zal zijn U zonder gevaar naar Rome terug te zenden.

Pietro op den eik gezeten, zoo treurig als hij maar kon wezen, zag op
het uur van den eersten slaap een kudde van wel twintig wolven komen,
welke allen, zoodra zij het paard zagen, daarom een kring vormden. Het
paard werd ze gewaar, hief het hoofd op, brak de teugels en wilde
vluchten, maar daar het omsingeld was en niet weg kon, verdedigde
het zich langen tijd met zijn tanden en zijn hoeven; eindelijk door
hen ter aarde gelegd, werd het in stukken gescheurd en dit dadelijk
de ingewanden uit het lijf gehaald en allen aten er van zonder iets
anders over te laten dan het rif en gingen weg. Pietro, die hoopte in
het paard een makker te hebben en een steun in zijn vermoeienissen, was
heel neerslachtig en meende nooit weer uit dat woud te komen. Terwijl
het al haast dag was, en hij bijna van koude op den boom stierf en
steeds rond keek, zag hij op een mijl misschien voor zich uit een groot
vuur. Toen het geheel dag werd, klom hij niet zonder vrees uit dien
eik, begaf zich daarheen en ging zoover, tot hij het bereikte. Rondom
dat vuur vond hij herders, die aten en zich vermaakten en hij werd
uit medelijden door hen opgenomen. Nadat hij gegeten en zich verwarmd
had, hun zijn ongeluk had verhaald en hoe hij daarheen was gekomen,
vroeg hij hen of er daar ergens een dorp of kasteel was, waar hij heen
kon gaan. De herders zeiden, dat daar misschien op drie mijl afstand
een kasteel stond van Liello di Campo Fiore, waarin ook toen zijn
donna zich bevond. Pietro hierover zeer vergenoegd verzocht hun, dat
een van dezen hem naar het kasteel zou vergezellen, wat twee er van
gaarne deden. Toen Pietro daar aankwam en zag, dat hij bij bekenden
was, vroeg hij het jonge meisje te laten zoeken in het woud, waar de
donna hem liet roepen; hij ging dadelijk naar haar toe; en daar hij
Agnolella naast haar zag, was hij verheugd als nooit te voren. Hij
verging van verlangen haar te omhelzen, maar uit verlegenheid, die hij
had tegenover de donna van het kasteel, liet hij het na. En zoo hij
blijde was, was de vreugde van het meisje niet geringer. De edelvrouw
berispte hem zeer, toen hij na de ontvangst alles verteld had en zij
hoorde, wat hem gebeurd was, omdat hij tegen den wil van zijn ouders
zijn zin had gevolgd. Maar toen zij zag, dat hij toch niet anders
gestemd werd en dat hij aan het meisje behaagde, zeide zij: Waarom
zal ik mij moe maken? Zij houden van elkaar; zij kennen elkaar; elk
is evenzeer bevriend met mijn man en hun verlangen is eerlijk en ik
geloof, dat dit aan God behaagt, omdat de een aan de galg ontsnapt
is en de andere aan de lans en beide aan de wilde dieren des wouds
en laat het daarom maar gebeuren. En zich tot hen wendend zeide zij:
Indien het u dan toch behaagt man en vrouw te worden,--en ook mij
staat dit aan--doe het dan maar en hier zal bruiloft gevierd worden
op kosten van Liello. Ik zal den vrede weten te stichten tusschen U
en Uw ouders. Pietro was zeer blijde en Agnolella nog meer. Zij huwden
toen en zoover dat in het bergland mogelijk was, bereidde de edelvrouw
het bruiloftsfeest voor en daar genoten zij de eerste vruchten hunner
allerzoetste liefde. Een paar dagen daarna steeg de donna met hen
samen te paard en keerden zij onder goed geleide naar Rome terug,
waar Pietro zijn ouders zeer vertoornd vond over wat hij had gedaan,
maar weer tot een verzoening met hen geraakte. En hij leefde in groote
rust en genoegen met zijn Agnolella tot in zijn ouderdom.



Vierde Vertelling.

    _Ricciardo Manardi wordt door messer Lizio van Valbona met
    zijn dochter gevonden. Hij huwt haar en verzoent zich met
    haar vader._


Toen Elisa zweeg en naar de loftuitingen hoorde van haar gezellinnen
over haar verhaal, beval de koningin aan Filostrato, dat hij er een
zou vertellen, die lachend begon: Ik ben zoo dikwijls door u gelaakt
door u gedwongen te hebben over een pijnlijk onderwerp te spreken en
u te doen klagen, dat ik mij verplicht acht, ten einde het verdriet
wat te doen vergeten, dat ik u iets moet vertellen, waarom ik u zal
doen lachen. En daarom wil ik u in een vrij kleine historie een liefde
vertellen, die tot een vroolijk einde gevoerd werd en door geen andere
smart gestoord dan door zuchten en een kortstondigen angst vermengd
met schaamte.

Waarde donna's. Het is niet lang geleden, dat er in Romagna een rijk en
welgemanierd ridder leefde, die Lizio van Valbona heette. Hij kreeg,
toen hij al haast oud was bij zijn vrouw, madonna Giacomina genaamd,
een dochter die meer dan eenige andere in den omtrek in haar groei
schoon en aardig werd en daar zij hun eenigste kind was, werd zij
door dezen ten zeerste bemind en gekoesterd en met wonderbare zorg
behoed in afwachting haar een groot huwelijk te doen sluiten. Nu
kwam er dikwijls in het huis van messire Lizio, een knap en frisch
jonkman en hield zich daar veel op; hij was van de familie Manardi
van Brettinoro en heette Ricciardo, dien de heer Lizio en zijn vrouw
vertrouwden als een eigen kind. Ricciardo zag het meisje dikwijls,
dat zeer schoon was en vol gratie van manieren, wel opgevoed en reeds
huwbaar, werd wanhopig op haar verliefd en hield zijn liefde met de
grootste zorg verborgen. Het meisje zag dit en begon zonder ontmoeting
te vermijden hem evenzeer lief te hebben, waarover Ricciardo zeer
blijde was. En hoewel hij dikwijls zin had er haar over te spreken,
had hij toch uit vrees gezwegen, maar een dag, toen hij tijd en
moed vond, sprak hij: Catharina, ik bid u mij niet uit liefde voor
u te doen sterven. Het jonge meisje antwoordde dadelijk: Het moge
aan God behagen, dat gij ook mij niet van liefde doet sterven. Dit
antwoord gaf Ricciardo veel genoegen en moed en hij zeide tot haar:
Het zal aan mij niet liggen alles te doen, wat aangenaam voor u is,
maar het staat aan u een middel te vinden om Uw leven en het mijne te
redden. Het meisje ging voort: Ricciardo, gij ziet, hoe ik bewaakt word
en daarom weet ik niet, hoe gij tot mij kunt naderen, maar indien gij
een weg ziet, die ik kan volgen zonder schande, zeg mij dien en ik
zal dien betreden. Ricciardo, die over vele middelen had nagedacht,
zeide opeens: Mijne zoete Catharina, ik zie geen weg, behalve dat gij
slapen gaat of komen kunt op de galerij, die dicht bij den tuin is
van Uw vader, waar ik, als ik zou weten, dat gij er 's nachts zijt,
komen kan, hoe hoog die ook is. Hierop antwoordde Catharina: Als gij
den moed hebt daar te komen, geloof ik goed te doen, door daar te gaan
slapen. Ricciardo zeide, dat dit goed was. En bij die woorden kusten
zij elkaar slechts één keer vluchtig en gingen heen. Den volgenden
dag,--het liep reeds tegen het einde van Mei--begon het meisje zich bij
haar moeder er over te beklagen, dat zij den afgeloopen nacht niet had
kunnen slapen van de hevige warmte. De moeder sprak: Och kind, welke
groote warmte? Het was integendeel heelemaal niet warm. Catharina
ging voort: Moeder, gij moet zeggen: _Naar het mij scheen_ en dan
zult gij misschien de waarheid spreken, want gij moet bedenken hoeveel
warmbloediger de meisjes zijn dan de vrouwen op leeftijd. Toen zei de
donna: Mijn dochter, dat is waar, maar ik kan geen warmte en koude
maken naar mijn wil, gelijk gij misschien zoudt wenschen. Men moet
het weer verdragen, gelijk de seizoenen het schenken; misschien zal
het van nacht koeler zijn en zult gij beter slapen. Nu God behage
het--zei Catharina--maar gewoonlijk worden de nachten, wanneer men
naar den zomer gaat, niet kouder. De donna vervolgde: Maar wat wil
je dan, dat er gebeurt? Catharina hernam: Als vader en U het zouden
goedvinden, zou ik graag een bed laten opslaan op de galerij, die
naast zijn kamer is en boven den tuin en daar slapen en het gezang
van den nachtegaal hooren en het frisscher hebben. Ik zou het daar
veel beter maken dan in Uw kamer. Toen ging de moeder voort: Kind,
wees gerust, ik zal het aan je vader zeggen, en wij zullen doen,
wat hij wil. Toen messer Lizio dit hoorde van zijn donna, zeide hij,
omdat hij oud was en misschien om die praatjes een beetje stuursch:
Wie is die nachtegaal, bij wiens gezang zij slapen wil? Ik kan haar wel
doen slapen bij het gezang van den krekel. Toen Catharina dit vernam,
kon zij meer van boosheid dan van hitte niet alleen den volgenden
nacht niet slapen, maar zij liet ook de moeder geen rust en klaagde
maar steeds over de warmte. De moeder hoorde dit, kwam 's ochtends bij
messer Lizio en zeide: Messer, gij geeft niet veel om dat kind; wat
hindert het U, dat zij op die galerij slaapt? Zij heeft den ganschen
nacht door de warmte geen rust gehad. En bovendien verwondert gij U,
dat zij er plezier in heeft den nachtegaal te hooren zingen, omdat zij
een kind is. De jonge meisjes zijn begeerig naar dingen, die op hen
gelijken. Messer Lizio hoorde dit en sprak: Goed, laat haar dan een bed
maken gelijk gij wilt, laat er gordijnen van serge om hangen en laat
ze daar slapen en het gezang van den nachtegaal hooren, als ze wil.

Het meisje vernam dit en liet er snel een bed opslaan en daar
zij er den komenden avond zou slapen, wachtte zij er zoolang, tot
zij Ricciardo zag en gaf hem een teeken, tusschen hen afgesproken,
waardoor hij verstond, wat er te doen was. Toen messire Lizio bemerkte,
dat het meisje naar bed was gegaan, sloot hij een deur, die van zijn
kamer op de galerij uitkwam en ging ook naar bed. Ricciardo merkte,
dat alles stil werd, klom met behulp van een ladder op een muur en
één maal daarop haakte hij aan enkele steenen van een anderen muur
en kwam hij met groote moeite en gevaar, als hij gevallen zou zijn,
op de galerij, waar hij heimelijk met de grootste vreugde door het
meisje werd ontvangen en na veel kussen gingen zij samen te bed en
genoten gedurenden den ganschen nacht van elkaar en lieten verscheidene
malen den nachtegaal zingen.

De nachten waren kort, maar het genoegen was groot en de dag al
nabij wat zij niet geloofden. En zij waren nog zoo warm zoowel door
het weer als door het genoegen, dat zij zonder bedekking in slaap
vielen, terwijl Catharina haar rechterarm om den hals had geslagen
van Ricciardo en hem met den linker elders vasthield. En zoo sliepen
zij zonder te ontwaken, tot de dag aanbrak en messer Lizio opstond.

Toen hij zich herinnerde, dat het meisje op de galerij sliep, maakte
hij stil de deur open en zeide: Laat ons kijken of de nachtegaal
Catharina vannacht heeft laten slapen. Hij ging verder, hief het
serge omhoog, waarmee het bed was omgeven en zag Ricciardo en haar
naakt en zonder dek in elkaars armen slapen op de wijze als hierboven
beschreven. Nadat hij Ricciardo goed had herkend, ging hij daar weg
naar de kamer van zijn vrouw, riep haar en zeide: Spoedig vrouw, sta
op en kom kijken, uw dochter was zoo begeerig naar den nachtegaal,
dat zij hem gevangen heeft en in haar armen houdt. De donna sprak:
Hoe is dat mogelijk? Messire Lizio ging voort: Je zult het dadelijk
zien. De donna, die zich haastig kleedde, volgde zonder gedruisch
messer Lizio en beide kwamen bij het bed, hieven het gordijn op en
daar kon mevrouw Giacomina duidelijk gewaar worden, hoe haar dochter
den nachtegaal gevangen had en koesterde, dien zij zoo verlangd had
te hooren zingen. De donna, die zich zeer door Ricciardo bedrogen
zag, wilde schreeuwen en hem beleedigen, maar messire Lizio zeide
haar: Vrouw, pas er voor op een woord te spreken, als gij op mijn
liefde gesteld zijt, want heusch, omdat hij haar genomen heeft,
zal zij de zijne worden. Ricciardo is van adel en een rijk jonkman;
wij kunnen slechts een goede verbintenis met hem aangaan. Als hij
goedwillig hier vandaan zal gaan, zal hij haar eerst hier huwen,
zoodat hij den nachtegaal in zijn eigen kooi zal hebben gedaan en
niet in die van anderen. Hiermee was de donna getroost, toen zij
zag, dat haar man er niet kwaad over was en in aanmerking nam, dat
de dochter een goeden nacht had, best had geslapen en den nachtegaal
had gevangen en zij zweeg. Kort na die woorden ontwaakte Ricciardo en
toen hij zag, dat het helder dag was, hield hij zich voor verloren,
riep Catharina en zeide: Wee mijn ziel, hoe zullen we doen, daar de
dag is aangebroken en mij hier heeft verrast! Bij die woorden kwam
messer Lizio toeloopen, hief het gordijn op en zeide: Wij zullen goed
te werk gaan. Toen Ricciardo hem zag, scheen het hem, dat het hart
hem uit het lijf werd gerukt en nadat hij in het bed op ging zitten,
zeide hij: Mijn heer, ik vraag u bij God om genade. Ik weet, dat ik
als oneerlijk en slecht man den dood heb verdiend en doe daarom met
mij wat gij wilt, maar wel bid ik u, dat gij mij het leven schenkt
en dat ik niet zal sterven. Hierop zeide messire Lizio: Ricciardo,
de liefde, die ik u toedroeg en het vertrouwen,  dat ik in u had,
zouden u die belooning niet waard maken, maar toch, omdat het nu
eenmaal zoo is en de jeugd u tot zulk een misstap heeft gevoerd, huw,
opdat gij den dood ontkomt en ik de schande, Catharina als wettige
vrouw, opdat zij, gelijk dezen nacht voortaan met u zal leven. Zoo
kunt gij mijn vrede en uw geluk erlangen, maar als gij het niet wilt
doen, beveel uw ziel dan aan God.

Terwijl zij die woorden spraken, liet Catharina den nachtegaal
vrij, verborg zich onder het dek en begon zeer te schreien en haar
vader te smeeken, dat hij het Ricciardo zou vergeven. En van den
anderen kant bad Ricciardo, dat zij deed, wat messer Lizio wilde,
opdat zij voortaan met zekerheid allebei zulke nachten konden
hebben. Maar daarvoor waren niet veel smeekbeden noodig, omdat van
den eenen kant de schande over den beganen misstap en het verlangen
dien te herstellen en van den anderen kant de vrees te sterven en de
begeerte gezond en wel te ontkomen en ten slotte de brandende liefde
en de begeerte het beminde voorwerp te bezitten, aan Ricciardo vrij
deden zeggen en zonder aarzeling, dat hij bereid was te doen, wat aan
messer Lizio zou behagen. Daarom liet messer Lizio zich van zijn vrouw
Giacomina een van haar ringen leenen en huwde Ricciardo Catharina in
hun tegenwoordigheid zonder van plaats te veranderen. Hierop gingen
messer Lizio en de donna heen en zeiden: Slaap maar voort, want gij
hebt dit denkelijk meer noodig dan op te staan.

Toen zij vertrokken waren, omhelsden de jongelieden elkaar opnieuw
en daar zij dien nacht niet meer dan zes mijl gereisd hadden, legden
zij er nog twee meer af en besloten zoo den eersten dag van hun
huwelijkstocht. Toen zij daarna opstonden en Ricciardo met messer
Lizio meer geregeld had gesproken, huwde hij eenige dagen later,
gelijk men overeenkwam, op nieuw in tegenwoordigheid der vrienden en
verwanten het meisje en leidde haar met groote vreugd naar huis en
maakte een eervolle en schoone bruiloft en langen tijd in vrede en
rust hoorde hij met haar naar den zang der nachtegalen dag en nacht,
zooveel hij begeerde.



Vijfde Vertelling.

    _Guidotto van Cremona laat aan Giacomina van Pavia een
    dochter achter en sterft. Zij wordt bemind door Giannuol
    di Severino en Minghino di Mingole in Faënza. Zij twisten
    met elkaar. Wanneer men ontdekt, dat zij een zuster is van
    Giannòle, wordt zij aan Minghino tot vrouw gegeven._ [99]


De dames hadden bij het luisteren naar de vertelling van den
nachtegaal, zoo gelachen, dat, hoewel Filostrato met verhalen had
opgehouden, zij zich nog niet houden konden. Maar toch, toen zij
genoeg hadden gelachen, zeide de koningin: Zeker, indien gij ons
gisteren bedroefd hebt, hebt gij thans u voor ons zoo beijverd,
dat het onrechtvaardig zou zijn U iets te verwijten. Daarna tot
Neifile het woord richtend, beval zij, dat die zou voortgaan. Deze
begon blijmoedig te spreken: Omdat Filostrato met vertellen Romagna
is binnengegetrokken, behaagt het ook aan mij daar wat rond te gaan
met mijn verhaal.

Ik zeg dan, dat er in de stad Faënza twee Lombarden woonden, waarvan de
een Guidotto van Cremona genoemd werd en de ander Giacomin van Pavia,
beide mannen op leeftijd. Zij waren in hun jeugd altijd onder de wapens
en soldaat geweest. Toen Guidotto stierf en hij geen vrouw naliet noch
een anderen vriend of verwant, dien hij meer vertrouwde dan Giacomin,
liet hij aan dien laatste een meisje na, dat hij thuis had, nauwelijks
tien jaar oud, en evenzoo al wat hij op de wereld bezat en na hem lang
over zijn zaken gesproken te hebben, stierf hij. In die tijden kwam
de stad Faënza, die lang in oorlog en ongeluk was geweest, in beteren
toestand en aan ieder stond het vrij er terug te keeren, die dit wilde;
daarom kwam Giacomino, die er vroeger had gewoond en wien het verblijf
er beviel, met al zijn goed er terug en voerde het kind met zich mede,
dat hem door Guidotto was nagelaten en dat hij als zijn eigen dochter
beminde en behandelde. Dit groeide op en werd het mooiste meisje meer
dan elk ander, dat er toen in de stad woonde en zoo schoon als zij was,
was zij ook welopgevoed en eerbaar. Hierdoor begonnen verscheidenen
haar te begeeren, maar bovenal twee heel aardige jongelingen, die haar
beide gelijkelijk liefde toedroegen, zoodat zij elkaar uit minnenijd
vreeselijk gingen haten. De een heette Giannole di Severino en de
andere Minghino di Mingole. Daar zij al vijftien jaar was, hadden
beide haar gaarne getrouwd, als het door hun ouders zou toegestaan
zijn; daarom ziende, dat zij hun op eerlijke wijze werd ontnomen,
zocht elk van hen naar het beste middel om haar toch te krijgen.

Giacomino had in huis een oude dienstmeid en een knecht Crivello,
een zeer aardig en vriendelijk man: met hem verbond Giannole zich en
aan hem openbaarde hij, toen hij het oogenblik gekomen achtte, zijn
liefde en verzocht hem, dat hij hem voor zijn verlangen gunstig gezind
zou zijn en beloofde hem daarvoor groote belooning. Hierop antwoordde
Crivello: Ziet gij: hierin zou ik U niet anders kunnen helpen dan zoo:
Wanneer Giacomino ergens gaat avondmalen, breng ik U daar, waar het
jonge meisje zal zijn, want als ik wat voor U zou willen zeggen,
zou zij mij niet willen aanhooren. Als U dat bevalt, beloof ik U
het te doen, gij zult vervolgens dat doen, wat gij gelooft, dat goed
is. Giannole zeide, dat hij niets meer verlangde en zij werden het
eens. Van zijn kant had Minghino nu een bond gesloten met de meid
en met haar zoo onderhandeld, dat zij meermalen boodschappen had
weggebracht van het meisje en dat zij van liefde voor Minghino was
ontbrand. Behalve dat had zij hem beloofd hem bij haar te brengen,
wanneer Giacomino om een of andere reden 's avonds van huis zou
gaan. Niet lang na deze woorden, ging Giacomino door den invloed van
Crivello bij een van zijn vrienden avondmalen en nadat hij Giannole
had gewaarschuwd, kwam hij met hem overeen, dat hij, wanneer hij een
bepaald teeken zou geven, zou komen en de deur open zou vinden. De meid
van den anderen kant, die daar niet van wist, deed om Minghino weten,
dat Giacomino niet thuis avondmaalde en zeide hem, dat hij nabij het
huis moest blijven, tot zij een teeken zou geven en hij dan zich er
heen zou begeven en binnen moest komen. Op den avond, daar de beide
minnaars niet van elkaar wisten, maar ze elkaar wantrouwden,--kwam
gevolgd door een aantal gewapende metgezellen, die gereed waren om
binnen te treden, Minghino met de zijnen om het teeken af te wachten,
hield zich op in het huis van een vriend, een buurman van het meisje
en Giannole stond met de zijnen op een afstand van haar huis. Crivello
en de meid deden hun best, daar Giacomino er niet was om de een den
ander weg te krijgen. Crivello zeide tot de meid: Waarom ga je nu
niet slapen? Waarom dwaal je nog zoo door het huis? En de meid zei
tot hem: Maar waarom gaat gij Uw meester niet na, die U verwacht,
omdat hij reeds heeft geavondmaald? En zoo kon de een den ander niet
weg krijgen. Maar Crivello, die wist, dat het uur vastgesteld met
Giannole gekomen was, zeide: Wat kan die mij schelen? Als zij zich niet
stil houdt, zal zij er slecht bij varen. En na het afgesproken teeken
gegeven te hebben, maakte hij de deur open en Giannole trad met zijn
twee makkers binnen, vond het meisje in de zaal en zij pakten haar
beet om haar weg te voeren. Het meisje begon weerstand te bieden en
erg te schreeuwen en de meid insgelijks. Minghino werd dit gewaar,
liep er hard met zijn metgezellen heen en toen hij het meisje de
deur uit zag sleepen, trokken zij hun degens, en riepen allen: Ah
"verraders, gij zijt des doods. Dat gaat zóó niet. Wat is dat voor
geweld!" Bij die woorden begonnen zij te steken en van den anderen
kant kwamen de buren op het rumoer te voorschijn met wapens en met
licht en begonnen die zaak te bespotten en Minghino te helpen. Na
een langen strijd ontrukte Minghino het meisje aan Giannole en bracht
haar in het huis van Giacomino terug. De schermutseling was nog niet
geëindigd of de manschappen van den kapitein van de stad bemoeiden zich
er mee en namen velen van hen gevangen en onder de anderen bevonden
zich Minghino en Crivello en ze brachten die naar de gevangenis.

Doch toen de zaak in orde was gemaakt en Giacomino terugkeerd hierover
zeer neerslachtig onderzocht had, hoe het gebeurd was, bevond hij,
dat het meisje er geenerlei schuld aan had en stelde hij zich weer
gerust en nam zich voor, opdat zoo iets niet meer zou plaats hebben,
haar zoo gauw hij kon te huwen. Toen het morgen werd, waren de
ouders van den eenen en van den anderen kant bij hem. Daar zij de
waarheid der historie hadden vernomen, zagen zij het kwaad in, dat
er van de jongelieden uit kon voortkomen, als Giacomino wilde doen,
wat hij naar alle recht kon. Met zoete woordjes verzochten zij hem,
dat hij niet zoozeer acht zou slaan op de beleediging ondergaan door
het onverstand der jongelieden als op de liefde en de welwillendheid,
welke zij geloofden, dat hij aan hen, die hem smeekten toedroeg en
boden hem bovendien aan elke schadevergoeding, die hij wilde, met de
jongelieden samen, die het kwaad hadden gedaan, te betalen. Giacomino
die in zijn leven heel wat had gezien en die goedhartig was, antwoordde
kortweg: Heeren, als ik in mijn gebied was als gij in het Uwe, houd
ik mij toch zoo voor Uw vriend, dat ik hierin als in elke andere zaak
geheel zou handelen naar Uw genoegen, en bovendien moet ik dus te meer
Uw verlangens vervullen, omdat gij U zelf hebt beleedigd, daar dit
meisje, misschien gelijk vele meenen niet van Cremona is, noch van
Pavia maar integendeel van Faentina, hoewel noch ik, noch zij, noch
diegene, van wien ik het kind heb, ooit wisten van wien zij de dochter
was. Daarom zal ik ten opzichte van wat gij mij verzocht, alles doen,
wat ik kan. Toen de waardige mannen hoorden, dat zij van Faënza was,
waren zij daarover verwonderd en na Giacomino bedankt te hebben voor
zijn mild antwoord, verzochten zij hem hun te zeggen hoe zij in zijn
handen was gekomen en hoe hij wist, dat zij van Faentina was. Giacomino
antwoordde hun: Guidotta van Cremona was mijn metgezel en vriend en
toen hij op sterven lag, zeide hij mij, dat, wanneer deze stad door
Keizer Frederik genomen werd en alles werd geplunderd, hij met zijn
metgezellen in een huis trad en het vol buit vond en verlaten door hen,
die het bewoonden behalve door dat kind, dat ongeveer twee jaar oud was
en dat, toen het hem de trappen zag opklimmen, hem vader noemde. Uit
medelijden met haar, droeg hij het met alles uit het huis weg naar
Fano en stierf daar, waar hij het met alles, wat hij had, mij naliet
en mij opdroeg, wanneer het tijd zou zijn, haar uit te huwelijken en
dat ik, wat hem had behoord, haar als bruidschat zou geven. Toen zij
op den huwbaren leeftijd kwam, heb ik geen gelegenheid gehad haar te
geven aan een man, die mij beviel. Ik zou het gaarne doen, uit vrees,
dat een avontuur als dat van gisteren mij opnieuw overkomt.

Er was daar onder anderen een zekere Guiglielmino van Medicina, die
met Guidotto bij die inneming tegenwoordig geweest was en die zeer
goed wist aan wien het huis had behoord, dat Guidotto had geplunderd
en toen hij hem daar onder de anderen zag, kwam hij tot deze en zeide:
Bernabuccio, hoort gij, wat Giacomin zeide? Bernabuccio antwoordde:
Ja, en juist dacht ik er sterk aan, omdat ik mij herinner, dat
ik in die wanorde een dochtertje verloor van den leeftijd, dien
Giacomin noemt. Hierop ging Guiglielmo voort: Dan is zij het zeker,
omdat ik mij daar bevond, waar ik van Guidotto hoorde vertellen,
dat hij zijn buit had verkregen en ik herkende, dat het uw huis is
geweest. Herinner u daarom, of gij gelooft haar aan eenig teeken te
kunnen herkennen. Onderzoek het, want gij zult zeker zien, dat het
Uw dochter is. Bernarbuccio dacht hierover na en herinnerde zich,
dat zij een litteeken in den vorm van een kruis boven het linkeroor
had, ontstaan uit een zweer, die hij haar kort voor die gebeurtenis
had laten uitsnijden. Daarom zonder uitstel te nemen, naderde hij
Giacomino, die daar nog was en verzocht hen, dat hij hem mee naar
huis nam en hem dit meisje zou toonen. Giacomino nam hem gaarne
mede en liet haar voor hem komen. Zoodra Bernarbuccio haar zag,
scheen hij geheel en al het gezicht van haar moeder te ontwaren,
die nog een schoone vrouw was. Maar toch, daar niet bij blijvend,
verzocht hij aan Giacomino, of hij zoo goed wilde zijn haar de haren
te laten oplichten boven het linkeroor, waarmee Giacomino tevreden was.

Bernarbuccio naderde haar, die verlegen stond, hief met de rechterhand
de haren op en zag toen het kruis. Daardoor zeker wetend, dat het
zijn dochter was, begon hij te schreien en haar te omhelzen, hoewel
zij het niet wilde en zeide tot Giacomino gekeerd: Mijn broeder, dat
is mijn dochter. Het was mijn huis, dat door Guidotto werd geplunderd
en zij werd in de plotselinge verschrikking daar achter gelaten door
mijn vrouw en haar moeder en tot heden hebben wij geloofd, dat zij
verbrand is in het huis, dat dien dag in de asch werd gelegd. Toen
het meisje dit hoorde en hem zag als een man op leeftijd en vertrouwen
schonk aan zijn woorden, begon zij door geheime kracht bewogen, zijn
omhelzingen beantwoordend, met hem teerhartig te schreien. Bernarbuccio
liet dadelijk de moeder halen en haar verwanten en zusters en broers
en toonde haar aan hen allen, en verhaalde het gebeurde; elk ontving
haar na duizend omhelzingen met groote vreugde, waarover Giacomino
zeer tevreden haar naar zijn huis geleidde. De kapitein van de stad
kwam dit te weten en toen hij hoorde, dat Giannole, dien hij gevangen
had genomen, de zoon was van Bernarbuccio en de eigen broeder van het
jonge meisje, meende hij, dat hij eendoor hem begane overtreding met
goedmoedigheid door de vingers moest zien en nadat hij zich hierover
met Bernabuccio en Giacomino had verstaan, wist hij ook Giannole
en Minghino vrede te doen sluiten. Aan Minghino gaf hij tot groote
vreugd van al zijn verwanten het meisje tot vrouw, wier naam Agnesa
was en met hen samen gaf hij de vrijheid aan Crivello en de anderen,
die in die zaak waren betrokken. Daarna richtte Minghino een schoone
en groote bruiloft aan en na haar huiswaarts te hebben geleid, leefde
hij met haar nog vele jaren in vrede en welstand.



Zesde Vertelling.

    _Gian van Procida wordt gevonden met een meisje, dat hij bemint
    en overgeleverd aan koning Frederik om met haar aan één paal
    gebonden te worden verbrand. Maar Gianni wordt door Ruggieri
    d'Oria herkend, ontsnapt aan de straf en wordt haar man._


Toen de novelle van Neifile geëindigd was en zeer aan de donna's had
behaagd, beval de koningin aan Pampinea zich gereed te maken er een
te verhalen. Deze, een opgeruimd gezicht toonend, begon: Bekoorlijke
donna's. Zeer groot zijn de krachten der liefde en zij vereischen
van de minnenden groote inspanning en werpen ze in onnoemelijke en
onvoorziene gevaren, gelijk men door vele dingen, die heden en vroeger
verteld werden, kan nagaan, maar niettemin heb ik lust U er nog een
te vertellen van een verliefden jonkman.

Ischia is een eiland dicht bij Napels. Daar was vroeger onder anderen
een heel jong, schoon en aardig meisje, Restituta, de dochter van een
edelman van dat eiland, die Marin Bólgaro heette. Een jonge man van
een eiland bij Ischia: Procida, Gianni [100] genaamd, had dit meisje
meer dan zijn eigen leven lief en zij hem. Deze had niet slechts
de gewoonte om bij dag naar Ischia te komen om haar te zien, maar
reeds menigmaal was hij 's nachts, als hij geen bark had gevonden,
van Procida naar Ischia gezwommen om, als het niet anders kon,
slechts de muren van haar huis te zien. Terwijl die vurige liefde
voortduurde, was het jonge meisje eens op een zomerdag alleen naar
den zeekant gegaan en van rots tot rots loopend met een mes in de
hand om de schelpen van de steenen los te maken, kwam zij op een
plaats om te rusten tusschen de wanden. Daar, zoowel om den schaduw
als om de nabijheid van een fontein met koel water, waren een aantal
Italiaansche jongelieden vereenigd, die op een fregat van Napels
gekomen waren. Bij het gezicht van het zeer mooie, jonge meisje,
dat hen nog niet had opgemerkt en dat zij alleen zagen, overlegden
ze met elkaar haar te rooven en weg te voeren en op de beraadslaging
volgde de daad. Zij namen haar, hoewel zij hard schreeuwde, op,
brachten haar op het schip en gingen heen, en in Calabrië gekomen,
twisten zij er met elkaar over, aan wien het meisje zou behooren en
ieder, om kort te gaan, wilde haar hebben. Daarom konden zij het
onder elkaar niet eens worden, vreesden, dat dit steeds erger zou
worden en hun zaken door haar zouden worden bedorven en zij besloten
haar Frederik, koning van Sicilië, [101] te geven, die toen nog jong
was en daarin behagen schepte. Te Palermo gekomen, deden zij dit. De
koning zag, dat zij mooi was en stelde prijs op haar, maar daar hij
een weinig lijdend was, beval hij, tot hij sterker was geworden, haar
in een zeer mooi paleis te midden van een zijner tuinen te brengen,
welke men la Cuba noemde en er haar goed te behandelen. Dit geschiedde.

Er werd druk over het geroofde meisje op Ischia gesproken en wat
dit nog verhoogde, was, dat men niet kon weten wie het waren, die
haar hadden ontvoerd. Maar Gianni, wien dit meer dan wien ook leed
deed en die wachtte, tot hij iets van haar op Ischia vernam en wist
in welke richting het fregat was gegaan, deed er ook een bewapenen,
besteeg het en kruiste zoo gauw hij kon de heele kust af van Minerva
tot Scalea in Calabrië en deed overal naar het meisje onderzoek. In
Scalea werd hem gezegd, dat zij door Siciliaansche zeelieden was
weggevoerd naar Palermo. Daar liet Gianni, zoo gauw hij kon zich heen
voeren en na veel zoeken, vond hij, dat het meisje aan den koning was
geschonken en door hem in la Cuba werd bewaard, zoodat hij haast alle
hoop verloor niet alleen haar ooit terug te krijgen maar zelfs haar te
zien. Maar toch door de liefde weerhouden, zond hij het fregat terug
en ziende, dat niemand hem er kende, bleef hij te Palermo. Dikwijls
ging hij langs la Cuba en zag hij haar bij toeval op een dag aan een
venster en zij hem, waarmee beide gelukkig waren. Daar Gianni zag,
dat de plaats eenzaam was, naderde hij zooveel hij kon, sprak haar toe
en door haar ingelicht over de wijze, waaraan hij zich moest houden
om haar opnieuw daarna te spreken, ging hij heen na vóór alles de
gesteldheid van de plaats te hebben opgenomen. Hij wachtte den nacht
af en liet een goed deel daarvan voorbij gaan, kwam er terug en na
zich vastgehaakt te hebben aan plaatsen, waaraan spechten zich zelfs
niet hadden kunnen vasthouden, kwam hij in den tuin en vond daar een
kleinen scheepsmast, zette dien tegen het venster door het meisje
aangewezen en sprong hierlangs vrij gemakkelijk er doorheen.

Het meisje, dat haar eer als verloren beschouwde, en met die gedachten
aan Gianni weerstand had geboden, meende nu niemand meer dan hem
waardig die te geven en in de hoop, dat hij haar zou kunnen wegvoeren,
had zij besloten hem in alles zijn zin te geven. Zij had het venster
open gelaten, opdat hij sneller er binnen kon komen. Gianni trad
heimelijk binnen en legde zich naast het meisje, dat niet sliep,
neer. Zij, voor zij tot iets anders overgingen, verklaarde hem haar
verlangen en vooral bad zij hem haar vandaar mee te nemen en haar weg
te voeren. Gianni antwoordde haar, dat hij niets liever dan dat wilde
en dat hij zonder twijfel, zoodra hij van haar weggegaan zou zijn,
alles in het werk zou stellen, zoodat hij bij zijn eersten terugkeer,
haar vandaar kon wegvoeren. Hierna omhelsden zij elkaar met het
grootste genoegen en hadden die verrukking, boven welke de liefde
geen grootere kan verleenen en nadat zij dit meerdere malen hadden
herhaald, vielen zij, zonder dat zij het merkten, in elkaars armen,
in slaap. De koning, wien het meisje op het eerste gezicht zeer had
behaagd, herinnerde zich haar en toen hij zich goed voelde, besloot
hij, hoewel het bijna dag was, een poosje bij haar te gaan vertoeven
en ging heimelijk met enkelen van zijn dienaren naar la Cuba. Toen
hij het paleis was binnen getreden, en hij de deur had laten openen
van de kamer, waarin hij wist, dat het jonge meisje sliep, trad hij
binnen met een groote toorts en naar het bed kijkend, zag hij haar
naakt en in de armen van Gianni slapen.

Hij werd hierover dadelijk zeer verstoord en werd zoo woedend, dat
zonder iets te zeggen, het maar een haar scheelde of hij had met
een mes, dat hij aan zijn zijde droeg, beide gedood. Daarna denkend,
dat het voor elkeen zeer laag was en ook voor een koning twee naakte
menschen in den slaap te vermoorden, hield hij zich in en wilde ze in
het openbaar en op den brandstapel doen sterven. Hij keerde zich tot
een der metgezellen, dien hij bij zich had en zeide: Wat denkt U van
dat ellendige vrouwspersoon, waarop ik al mijn hoop heb gesteld? Daarna
vroeg hij hem of hij den jonkman kende, die den moed had gehad, in zijn
huis te komen tot zulk een beleediging en teleurstelling. Deze, door
hem ondervraagd, zeide, dat hij zich niet herinnerde ooit zoo iets te
hebben gezien. De koning ging gramstorig uit de kamer en beval, dat de
twee gelieven zoo naakt als zij waren, gevangen zouden worden genomen
en vastgebonden en als de dag zou aanbreken naar Palermo gestuurd en
op het plein aan één paal geboeid rug aan rug en zoo tot het derde
uur, opdat zij door allen gezien zouden worden en daarna verbrand,
gelijk zij hadden verdiend. Vervolgens keerde hij te Palermo in zijn
kamer zeer verstoord terug.

Toen de koning vertrokken was, grepen velen onmiddellijk de beide
minnenden en wekten ze niet alleen, maar namen ze zonder erbarmen
gevangen en boeiden hen. Toen de beide jongelieden dit zagen, werden
zij wanhopig, vreesden voor hun leven en weenden en klaagden, wat
men zich wel kan voorstellen. Zij werden op bevel des koning naar
Palermo gevoerd en aan één paal op het plein gebonden en voor hun
oogen werden de brandstapel en het vuur gereed gemaakt om ze op het
uur door den koning aangegeven te verbranden. Dadelijk liepen hier
de Palermers, mannen als vrouwen heen om de twee minnenden te zien;
de mannen richtten hun blikken op het jonge meisje en gelijk die haar
prezen als schoon en welgemaakt, zoo kwamen de donna's den jonkman
kijken en prezen hem als ten hoogste knap en goed gebouwd, maar
de ongelukkige gelieven, beide zeer beschaamd, stonden met gebogen
hoofden en beweenden hun ongeluk van uur tot uur in afwachting van den
dood. En terwijl zij daar tot de vastgestelde stonde werden gehouden
en overal het gerucht ging van een misstap door hun bedreven en
dit Ruggier dell'Oria [102] ter ooren kwam, een man van onschatbare
waarde en destijds admiraal des konings, ging hij daarheen, waar zij
stonden vastgebonden.

Daar gekomen beschouwde hij eerst het meisje en vond haar zeer mooi
en toen hij daarna den jonkman bekeek, herkende hij dien dadelijk,
naderde hem en vroeg hem of hij Gianni van Procida was. Gianni hief
het gelaat op en antwoordde den admiraal herkennend: Mijn heer,
ik was vroeger, dien gij vraagt, maar sta op het punt het niet
meer te zijn. Toen vroeg hem de admiraal, wat hem hiertoe gebracht
had. Gianni hernam: Liefde en de toorn des konings. De admiraal deed
hem de geschiedenis uitvoeriger vertellen en toen hij wist, hoe alles
gebeurd was en wilde heengaan, riep Gianni hem terug en zeide: Zeg,
mijnheer, zoo het kan, tracht dan voor mij een genade te verkrijgen
van hem, die mij hier zoo laat staan. Ruggieri vroeg: _Welke?_ Hierop
zeide Gianni: Ik zie, dat ik--en spoedig--moet sterven. Ik vraag
als gunst in plaats rug aan rug te worden gebonden met dat meisje,
dat ik meer dan mijn leven liefheb en die mij ook zoo heeft bemind,
dat men ons met het gelaat naar elkaar toe plaatst en ik getroost kan
heengaan. Ruggieri zeide lachend: Graag, ik zal zoo te werk gaan, dat
gij haar nog tot vervelens toe zien zult. Van hen heengegaan, beval
hij aan hen, wien gelast was de terechtstelling uit te voeren, dat
zij zonder nader bevel des konings, die niet zouden laten geschieden
en zonder verwijl begaf hij zich naar den vorst.

Hoewel hij dien zeer vertoornd zag, besloot hij niettemin hem zijn
meening te vertellen en zeide: Koning, waarmee hebben die twee
jongelieden U beleedigd, die gij bevolen hebt daar op het plein te
laten verbranden. Toen de vorst het hem gezegd had, ging Ruggieri
voort: De misstap door hem begaan eischt dit wel, maar niet van U en
zoo de misstappen straf vorderen, eischen de goede daden belooning
zonder te spreken van genade en barmhartigheid. Kent gij hen, die
gij wilt laten verbranden? De koning antwoordde van niet. Toen zeide
Ruggieri: Maar ik wil, dat gij ze zult kennen, opdat gij ziet, hoe
licht gij U door den aandrang van den toorn hebt laten meeslepen. De
jonkman is een zoon van Landolfo van Procida, een eigen broeder van
messer Gianni van Procida, door wiens werk gij koning en heer van
dat eiland zijt. Het meisje is de dochter van Marin Bolgaro, wiens
macht de oorzaak is, dat uw heerschappij thans niet verdwenen is op
Ischia. Zij zijn jonge menschen, die elkaar lang hebben liefgehad en
daartoe door liefde genoodzaakt waren en niet om U te beleedigen,
hebben zij die zonde bedreven, indien men zonde kan noemen, wat
jongelieden uit liefde doen. Waarom wilt gij dus hen doen sterven,
terwijl gij ze met zeer groote genoegens en geschenken moest eeren! De
koning hoorde dit en bevond, dat Ruggieri de waarheid sprak. Hij
had er niet alleen berouw van, dat men met de straf zou voortgaan,
maar ook van het reeds gebeurde. Daarom beval hij onmiddellijk, dat
de twee jongelieden van den paal zouden losgemaakt worden en voor hem
gebracht en zoo geschiedde het. Toen hij hun geheelen toestand had
leeren kennen, meende hij, dat hij met eer en geschenken den aangedanen
smaad kon herstellen en na ze eervol te hebben doen kleeden en nadat
hij zag, dat zij van eenerlei gezindheid waren, liet hij Gianni het
meisje trouwen en na hen prachtige geschenken te hebben gegeven,
zond hij ze gelukkig naar huis, waar zij met zeer groote blijdschap
ontvangen langen tijd in vrede en vreugd te samen leefden.



Zevende Vertelling.

    _Teodoro, verliefd op Violante, de dochter van messire
    Amerigo, zijn heer, maakt haar zwanger en wordt tot de galg
    veroordeeld. Na er met geeselslagen heen te zijn geleid,
    wordt hij door zijn vader herkend en in vrijheid gesteld en
    neemt Violante tot vrouw._


De donna's, die allen in spanning vreesden te hooren, dat de twee
gelieven verbrand waren, en vernamen, dat ze ontkwamen, prezen God en
verheugden zich allen opnieuw. En de koningin, die het einde gehoord
had, droeg aan Lauretta de volgende vertelling op, die met een blij
gelaat begon te spreken: Zeer schoone donna's. Toen de goede koning
Guiglielmo [103] Sicilië regeerde, was er op dat eiland een edelman,
messire Amerigo Abate van Trapani, die onder andere aardsche goederen
wel van kinderen was voorzien. Daarom toen hij dienaars noodig had
en er eenige galeien van Genueesche zeeroovers van den Levant waren
gekomen, waar zij vele jonge slaven hadden gevangen bij het kruisen op
de kust van Armenië, kocht hij er eenigen van in de meening, dat dit
Turken waren. Onder dezen, waarvan de meesten herders schenen te zijn,
was er een van aardig en beter uiterlijk, die Teodoro heette. Bij
het opgroeien, hoewel hij steeds als lijfeigene werd behandeld,
werd hij toch opgevoed met de kinderen van messire Amerigo en daar
hij zich meer liet leiden door de natuur dan door het noodlot, begon
hij beschaafd te worden en van goede manieren, zoodat hij dermate
aan messire Amerigo beviel, dat die hem tot een vrij man maakte
en daar hij geloofde, dat hij Muzelman was, liet hij hem doopen en
Pietro noemen, maakte hem tot zijn rentmeester en stelde in hem veel
vertrouwen. Gelijk de andere kinderen van messer Amerigo opgroeiden,
gebeurde dit ook zijn dochter Violante, een schoon en bevallig jong
meisje, welke daar haar vader haar te lang liet wachten met trouwen,
verliefd werd op Pietro. Hoewel zij hem lief had en hem hoog achtte
om zijn goed voorkomen en zijn talenten, schaamde zij zich toch dit
aan hem te bekennen. Maar Amor ontnam haar die moeite, omdat Pietro,
die haar meermalen in het geheim had gade geslagen, zoo verliefd op
haar was geworden, dat hij zich niet wel voelde, als hij haar niet
zag; toch vreesde hij haar te toonen wat hij gevoelde, daar dit hem
niet wenschelijk scheen.

Het meisje, dat hem gaarne zag, bemerkte dit en om hem meer zekerheid
te geven, toonde zij er zich zeer gelukkig mede, van welken stand ze
ook was. En zoo bleef het lang, en zij durfden niets aan elkaar te
zeggen, hoezeer elk het ook begeerde. Maar terwijl beide van dezelfde
liefdevlam brandden, vond de fortuin, alsof die overlegd had, dat
dit zou geschieden, een weg om hun vrees, die ze schuchter maakte en
het belette, te verjagen. Messire Amerigo had op misschien een mijl
afstand van Trapani een schoon landhuis, waar zijn vrouw met zijn
dochter met andere vrouwen en donna's dikwijls heen placht te gaan
om zich te ontspannen. Terwijl zij daar heengegaan waren op een dag,
dat het zeer warm was en zij Pietro mee hadden genomen en daar bleven,
werd de hemel, gelijk wij dat dikwijls zien gebeuren, opeens bedekt
met donkere wolken. Daarom begaf zich de donna met haar gezelschap,
opdat het slechte weer haar daar niet zou verrassen, weer op weg terug
naar Trapani en zij liepen zoo snel ze konden. Maar Pietro die jong
was en ook het meisje, liepen haar moeder en de andere gezellinnen
een eind vooruit, misschien niet minder gedreven door de liefde dan
door de vrees voor het weer. En daar zij de donna en de anderen al
zoover vooruit waren, dat men hun ternauwernood zag, viel er opeens
na verscheidene donderslagen een zware en onophoudelijke hagelbui,
welke de donna en haar gezelschap ontvluchtte in het huis van een
boer. Pietro en het meisje, die niet eerder een schuilplaats vonden,
traden een oude en geheel vervallen hut binnen, waarin niemand woonde
en waarin zij onder een overgebleven stuk dak zich borgen en waar de
weinig ruimte noodzakelijk ze dwong elkaar aan te raken. Deze aanraking
was de oorzaak, dat zij de zielen een weinig moed gaf voor elkaar hun
liefde te bekennen en Pietro begon het eerst te spreken: God mocht
geven, dat ik hier mocht blijven en die regen nooit ophoudt. En het
jonge meisje sprak: Dat zou mij zeer aangenaam zijn. Na die woorden
kwamen zij er toe elkaar bij de hand te nemen en wederkeerig te drukken
en hierop elkaar te omarmen en dan te kussen, terwijl het maar altijd
hagelde. En om mij niet bij elke bijzonderheid op te houden: het weer
werd niet beter, voor zij de hoogste verrukkingen der liefde gekend
hadden en hun maatregelen genomen hadden om in 't geheim van elkaar
te genieten. Het slechte weer hield op en bij de poort van de stad,
die daar niet ver vandaan was, wachtten zij de donna en keerden met
haar terug naar huis.

Zij vonden elkaar meermalen terug met groote voorzichtigheid en in
stilte tot elkanders groot genoegen. En het ging zoo, dat het meisje
zwanger werd, wat beide zeer hinderlijk was. Daarom zocht zij met vele
kunstmiddelen tegen den loop der natuur de vrucht af te drijven, maar
kon het niet gedaan krijgen. Daarom zeide Pietro haar, dat hij voor
zijn eigen leven vreesde en plan had te vluchten. Toen zij dit hoorde,
zeide zij: Als gij vlucht, zal ik mij zeker van kant maken. Hierop
antwoordde Pietro, die veel van haar hield: Hoe wilt gij, mijn donna,
dat ik hier blijf? Uw zwangerschap zal onzen misstap openbaren. U zal
men het licht vergeven, maar ik, ongelukkige, zal het zijn, die voor
Uw zonde en de mijne de straf zal moeten dragen. Het meisje hernam:
Pietro, men zal mijn zonde wel kennen, maar wees er zeker van, dat
men, indien gij de Uwe niet zult vertellen, dit nooit zal weten. Toen
sprak Pietro: Nu gij mij dit belooft, zal ik blijven, maar denk er
aan Uw belofte te houden.

Het jonge meisje, dat zooveel zij kon, haar zwangerschap had verborgen
gehouden en zag, dat de omvang, die haar lichaam kreeg, haar niet
veroorloofden dien langer te verbergen, bekende die een dag met vele
tranen aan haar moeder en smeekte die haar te redden. De donna ten
zeerste bedroefd hoonde haar zeer en wilde weten, hoe dit gebeurd
was. Het jonge meisje verzon, opdat er aan Pietro niets kwaads zou
geschieden, een historie en vertelde de zaak op haar manier. De donna
geloofde haar en om den misstap van haar dochter te verbergen, zond
zij haar naar een van haar landhuizen. Toen daar de tijd der bevalling
gekomen was, schreeuwde het meisje, gelijk de vrouwen in dergelijke
omstandigheden doen en daar haar moeder niet voorzag, dat messer
Amerigo, die bijna nooit op die plaats kwam, er juist zou komen,
verwonderde hij zich, die terugkwam van de vogelvangst en langs de
kamer ging, waar zijn dochter schreeuwde, kwam opeens binnen en vroeg,
wat er gaande was. De donna, die haar man op het onverwachtst zag,
stond zeer onthutst op en vertelde hem, wat er met haar dochter was
gebeurd. Maar hij--minder spoedig geneigd om te gelooven, wat men
hem vertelde dan de donna--zeide, dat het niet waar kon zijn, dat
zij niet wist, van wien ze zwanger was en verklaarde, dat hij alles
wilde weten en dat door het te zeggen zijn dochter zijn genegenheid
kon herwinnen, maar als ze het niet deed, dat ze er dan aan moest
denken zonder genade te sterven.

De donna deed haar best, zooveel ze kon, haar echtgenoot tevreden te
stellen met wat zij gezegd had, maar dat hielp niets. Hij, in woede
ontbrand, liep met uitgetogen degen in de hand op zijn dochter toe,
welke, terwijl de moeder haar vader met woorden tegenhield, van
een knaapje beviel en zei: Of gij bekent van wien gij dit kind hebt
gekregen of gij zult dadelijk sterven. Het meisje brak in doodsangst
de belofte aan Pietro gedaan en openbaarde, dat het van hem en haar
was. Toen de ridder dit hoorde en haast razend was geworden van woede,
weerhield hij zich ternauwernood haar te vermoorden, maar nadat hij
gezegd had, wat de toorn hem ingaf, steeg hij te paard, kwam te Trapani
en liet door een zekeren Currado, die door den koning tot kapitein was
benoemd, Pietro onverhoeds gevangen nemen na hem den hoon verteld te
hebben hem door deze aangedaan en op de pijnbank leggen, waar hij alles
bekende. Na eenige dagen werd hij door den kapitein veroordeeld door
de gemeente heen gegeeseld te worden en daarna opgehangen. Opdat een
zelfde uur de twee minnenden en het kind van de aarde deed verdwijnen,
goot messer Amerigo, wiens toorn door de ter dood veroordeeling van
Pietro nog niet was gestild, vergift in een beker wijn, gaf die aan een
van zijn knechts, overhandigde dien met een ontbloote dolk en zeide:
Ga Violante zoeken met die twee dingen en zeg haar uit mijn naam,
dat zij spoedig een van beide kiest om te sterven: gift of metaal; zoo
niet, dan zal ik haar voor de oogen van alle burgers laten verbranden
gelijk zij het heeft verdiend en daarna zult gij het kind nemen door
haar gebaard en na dit het hoofd tegen den muur verpletterd te hebben,
zult gij het den honden als voedsel voorwerpen. Toen de beestachtige
vader zulk een wreed bevel tegen zijn dochter en kleinkind gegeven had,
ging de dienaar meer ten kwade dan ten goede geneigd weg.

Pietro, veroordeeld, liep naar de galg, gegeeseld door de
beulsknechten, die hem er heen voerden, toen hij naar den wil van
hen, die de groep leidden, langs een herberg kwam, waar zich drie
edellieden uit Armenië bevonden, welke hun koning als gezanten naar
Rome had gestuurd om met den Paus te onderhandelen over gewichtige
zaken betreffende een doortocht van troepen, die plaats moest hebben en
die daar waren afgestegen om zich te verfrisschen en er eenige dagen
te blijven. Zij werden met veel eer ontvangen door de edellieden van
Trapani en in het bijzonder door messire Amerigo. Toen zij degenen
zagen voorbijgaan, die Pietro leidden, kwamen zij aan een venster om
te kijken. Pietro was tot op den gordel naakt en had de handen op den
rug gebonden. Een der gezanten, een bejaard man en van groot gezag,
Fineo genaamd, die hem per toeval had aanschouwd, zag op zijn borst een
groote, roodachtige plek niet geschilderd maar op natuurlijke wijze
op de huid afgedrukt, als die, welke de vrouwen gewoon zijn rozen
te noemen. Bij dat gezicht herinnerde hij zich plotseling een van
zijn zonen, die hem reeds voor vijftien jaar geleden door zeeroovers
op de kust van Lajazzo ontvoerd was en waarvan hij nooit meer iets
had gehoord en toen hij over den leeftijd dacht van den ongelukkige,
die gegeeseld werd, meende hij, indien zijn zoon nog leefde, dat hij
dit moest zijn en denzelfden leeftijd moest hebben als deze en hij
begon te vermoeden door dit teeken, dat hij het werkelijk was. En
hij meende, dat, als hij het zou wezen, hij zich nog zijn naam en
dien zijns vaders en de taal van Armenië herinneren moest. Toen hij
in zijn nabijheid was, riep hij derhalve: O Teodoro! Pietro hoorde
die stem en hief dadelijk het hoofd op. Hierop zeide Fineo in het
Armenisch: Waar ben je vandaan? Wiens zoon ben je? De wachters, die
Pietro geleidden, hielden uit eerbied voor den waardigen man stand,
zoodat Pietro kon antwoorden: Ik kwam uit Armenië als zoon van iemand,
die Fineo heette, waarvan ik als klein kind door ik weet niet wat
voor lieden werd geroofd. Fineo vernam dit en wist nu zeker, dat hij
de zoon was, dien hij had verloren: daarom liep hij klagend met zijn
metgezellen naar beneden en vloog hem tusschen de soldaten om den
hals en na hem een mantel van zeer rijk laken te hebben omgeworpen,
dien hij aan had, bad hij hen, die hem naar de strafplaats leidden,
te wachten, gelijk hij wilde en te blijven tot zij een order zouden
ontvangen. Zij antwoordden, dat zij dit gaarne deden. Fineo had de
reden al vernomen, waarom Pietro ter dood zou worden gebracht, daar
het nieuws zich overal had verbreid. Daarom ging hij haastig met zijn
gezelschap en hun bedienden naar messer Currado en sprak tot hem:
Messere, hij, die zich ter dood wil laten brengen als bediende is een
vrij man en mijn zoon en hij is bereid haar tot vrouw te nemen van
wie men zegt, dat hij haar maagdelijkheid heeft geroofd. En derhalve
moge het U behagen de terechtstelling zoo lang op te schorten,
dat men kan weten of zij hem tot man wil, opdat zij, zoo zij wil,
niet tegen de wet handelt. Toen Messer Currado hoorde, dat deze de
zoon was van Fineo, was hij verbaasd en zich schamend over de zonde,
die het noodlot hem deed begaan en na herkend te hebben, dat hij
_werkelijk, die het zeide_, Fineo was, liet hij hem snel naar huis
terugkeeren en liet messere Amerigo halen en vertelde hem alles.

Messer Amerigo, die dacht, dat zijn dochter en kleinzoon al dood
waren, was de bedroefdste man ter wereld over wat hij had gedaan,
met het besef, dat, als zij niet dood was, daar veel goeds uit kon
voortkomen, maar niettemin zond hij iemand er op uit naar de dochter,
opdat, als zijn bevel nog niet was opgevolgd, dit niet zou gebeuren,
Hij, die ging, vond den knecht door messere Amerigo afgezonden,
die de dolk en het gift voor zich had geplaatst, en omdat zij niet
zoo spoedig koos, haar beleedigde en haar wilde dwingen er een te
kiezen. Doch na het bevel van zijn heer gehoord te hebben, liet hij
haar met rust, keerde naar hem terug en zeide hem, hoe het met de zaak
stond. Hierover was messere Amerigo tevreden, begaf zich naar Fineo,
klagend, daar hij nu beter wist, en verontschuldigde zich over hetgeen
er was voorgevallen, vroeg vergeving en beweerde, als Teodoro zijn
dochter tot vrouw wenschte, dat hij zeer verheugd zou zijn die hem
te geven. Fineo nam gaarne de verontschuldigingen aan en antwoordde:
Ik wil, dat mijn zoon Uw dochter neemt en als gij niet wilt, ga dan
voort met het vonnis, dat hem is voorgelezen. Daar Fineo en messer
Amerigo het eens waren, terwijl Teodoro nog geheel in doodsangst
verkeerde en blijde was zijn vader te hebben teruggevonden, vroegen
zij op hun beurt hem, wat hij wilde. Teodoro hoorend, dat Violante,
mits hij wilde, zijn vrouw zou zijn, was zoo verheugd, dat de hel
hem in den hemel scheen te veranderen en zeide, dat dit voor hem de
hoogste genade zou wezen, wanneer dat beide ouders behagen kon. Men
vond iemand om den wil te vernemen van het meisje; toen zij hoorde,
wat Teodoro overkomen was en wat hem te wachten stond, terwijl zij
bedroefder dan welke vrouw ook den dood afwachtte, hechtte zij na lang
praten geloof aan die woorden, vroolijkte een weinig op en antwoordde,
dat, als zij daarin haar verlangen mocht volgen, niets blijders haar
kon gebeuren dan de vrouw te worden van Teodoro, maar dat zij in elk
geval zou doen, wat haar vader gelasten zou.

Toen zoo allen het eens waren geworden, huwde men het meisje uit en het
feest was zeer groot tot het hoogste genoegen van alle burgers. Het
meisje, na zich hersteld te hebben en haar zoontje te laten zoogen,
werd na korten tijd schooner dan ooit en na van het kraambed te
zijn opgestaan, wachtte zij Fineo bij zijn terugkeer van Rome af en
eerde hem als haar vader. En hij zeer tevreden met zijn zoo mooie
schoondochter, maakte met zeer groote vreugde en blijdschap voor hen
bruiloft en ontving en behield haar altijd als zijn dochter. Nadat
eenige dagen later zijn zoon en zijn kleinzoon op een galei waren
gestegen, nam hij ze met zich mede naar Lajazzo, waar de twee gelieven
in rust en vrede, zoolang zij leefden, bleven wonen.



Achtste Vertelling.

    _Nastagio deglie Onesti, die een donna uit de familie
    Traversari bemint, verkwist zijn rijkdommen zonder wederliefde
    te vinden. Op verzoek der zijnen gaat hij naar Chiassi. Daar
    ziet hij een ridder een vrouw najagen en haar dooden en
    door twee honden verscheuren. Hij noodigt zijn familie en de
    donna door hem bemind tot een ontbijt en deze ziet diezelfde
    jonge vrouw in stukken rijten. Uit vrees voor een dergelijke
    behandeling stemt zij toe Nastagio [104] tot man te nemen._


Toen Lauretta zweeg, begon Filomena op bevel der koningin aldus:
Beminnelijke donna's. Indien het medelijden een deugd is, die in ons
wordt geprezen, zoo wordt ook de wreedheid, waaraan gij U schuldig
maakt door de goddelijke gerechtigheid uit U te verjagen, gewroken en
om u dit aan te toonen heb ik zin U een verhaal te doen niet minder
roerend dan aangenaam.

Er was vroeger in Ravenna, een zeer oude stad van Romagna een groot
aantal edele ridders, onder welken een jonkman Nastagio degli Onesti,
dien de dood van zijn vader en van een zijner ooms onschatbaar rijk
had achtergelaten. Deze, gelijk het met jongelieden gebeurt, omdat
hij zonder vrouw was, werd verliefd op de dochter van messer Paolo
Traversaro [105], een meisje van veel hooger adel dan hij en hij
hoopte door zijn pogingen haar op hem verliefd te maken. Maar dezen,
hoe grootsch, schoon en lofwaardig ze ook waren, deden haar niet alleen
geen genoegen, maar schenen haar zelfs te vervelen, zoo wreed, hard
en ruw toonde zich het beminde meisje, misschien door haar bijzondere
schoonheid of door haar zoo hoogen adel zoo trotsch en aanmatigend
geworden, dat noch hij, noch iets van hem haar kon behagen. Dat was
voor Nastagio zoo zwaar te dragen, dat hij van verdriet meermalen na
zich beklaagd te hebben, van plan was haar te vermoorden. Daarna zich
bedwingend, nam hij zich vaak voor haar geheel te laten varen, of,
indien hij kon, haar te laten gelijk zij hem. Maar vergeefs nam hij
zulk een besluit, omdat, hoe meer hem de hoop ontbrak, des te meer
groeide zijn liefde aan. Daar hij volhield het meisje lief te hebben
en doorging met bovenmatig geld verteren, scheen het aan sommigen van
zijn vrienden en verwanten, dat hij beide: zich zelf en het zijne
te verteren scheen. Daarom verzochten en raadden zij hem meermalen
uit Ravenna te vertrekken en eenigen tijd in een andere plaats te
vertoeven; dan zou daardoor de liefde en de verkwisting ophouden.

Nastagio spotte meermalen met dien raad, maar toch door hen
aangespoord, kon hij niet langer weigeren en stemde toe. Hij liet een
groote uitrusting gereed maken, alsof hij naar Frankrijk of Spanje
of naar een andere vergelegen streek wilde gaan, steeg te paard en
vergezeld van vele vrienden ging hij uit Ravenna weg en begaf zich naar
een plaats op drie mijlen misschien vandaar, Chiassi [106] genaamd
en daar--nadat hij paviljoenen en tenten had laten opslaan--zeide
hij tot hen, die hem vergezeld hadden, dat hij daar wilde blijven en
dat zij naar Ravenna zouden terugkeeren. Terwijl Nastagio daar halt
maakte, begon hij het mooiste, het schitterendste leven te leiden,
dat ooit geleefd was en noodigde dan dezen dan genen tot een avond-
of middagmaal uit, gelijk hij gewoon was. Daar het begin van Mei was
en zeer mooi weer en hij over de wreede donna nadacht, verzocht hij aan
zijn heele personeel hem alleen te laten om weer naar zijn welgevallen
aan haar te kunnen denken en ging voet voor voet zich zelf verstrooiend
door te peinzen tot in een pijnbosch. Daar het vijfde uur van den
dag haast voorbij was en hij bijna een halve mijl er in was gegaan
en er niet aan dacht te eten of aan iets anders, scheen hij opeens
een zeer groote klacht te hooren en schrille kreten, geuit door een
donna. Daarom brak hij zijn zoete gedachten af en hief het hoofd op om
te zien wat er gaande was en verwonderde zich er over, dat hij zich in
het pijnhout bevond. Daarna voor zich uitziende, zag hij uit een zeer
dicht bosch van boompjes en doornstruiken naar de plaats, waar hij
was, een zeer schoon jong meisje loopen, naakt, met loshangende haren
en geheel verscheurd door de distels en de doornstruiken, die weende
en luid om genade riep. En behalve dat zag hij aan haar zijden twee
zeer groote en wreede waakhonden, die haar dicht op de hielen wreed,
waar zij haar maar krijgen konden, beten en achter haar zag hij op
een zwart strijdros een bruinen ridder met een zeer verwoed gezicht en
een degen in de hand, die haar met vreeselijke en beleedigende woorden
met den dood bedreigde. Dit verbaasde en ontstelde hem tegelijkertijd
en wekte ten slotte zijn medelijden op met de ongelukkige donna,
waaruit de begeerte ontstond haar, als hij kon, van dien angst en
van zulk een dood te bevrijden. Maar hij was ongewapend en na zijn
toevlucht te hebben genomen tot een boomtak bij wijze van stok, ging
hij de honden en den ridder tegemoet. Maar de ridder, die dit zag,
schreeuwde hem van verre toe: Nastagio, meng U er niet in, laat de
honden en mij dat doen, wat die slechte vrouw heeft verdiend. En
bij die woorden grepen de honden het meisje met kracht in de zijden,
deden haar stand houden en de ridder, die volgde, steeg van zijn paard.

Hierop zeide Nastagio, die nader kwam: Ik weet niet, wie gij zijt,
dat gij mij zoo kent maar ik zeg U, dat het een groote lafheid is van
een gewapend ridder een naakte vrouw te willen vermoorden en haar de
honden na te sturen of zij een wild dier is. Ik wil haar zeker zoo
goed verdedigen als ik kan. Toen zeide de ridder: Nastagio, ik was
van denzelfden staat als gij en gij waart nog een klein kind, toen ik,
die messer Guido degli Anastagi genoemd werd, veel meer verliefd op die
vrouw werd dan gij het nu zijt op die der Traversari en haar hardheid
en wreedheid maakten mij zoo ongelukkig, dat ik eens met dienzelfden
degen, welke gij in mijn hand ziet als wanhopig mij doodde en ik
ben tot de eeuwige straffen veroordeeld. Maar het duurde niet lang,
dat zij, die over mijn dood zeer verheugd was, stierf en wegens de
zonde van haar wreedheid en de vreugde over mijn martelingen had zij
geen berouw, daar zij geloofde hierdoor niet te zondigen maar zich
verdienstelijk te hebben gemaakt en daarom werd en is ook zij tot de
straffen der hel veroordeeld. Zoodra zij er in afdaalde, werd dit aan
haar en mij als straf gegeven: aan haar voor mij uit te vluchten en
aan mij, die haar zoozeer beminde, haar te volgen als een doodvijand
niet als een beminde donna en zoo vaak ik haar achterhaal, dood ik
haar met den degen, waarmee ik mij zelf doodde en open haar de borst
en dat harde en koude hart, waarin nooit liefde of medelijden konden
binnentreden, ruk ik haar, gelijk gij dadelijk zult zien, uit het
lichaam en geef het te eten aan de honden. Maar het duurt niet lang
of gelijk de gerechtigheid en de macht van God het wil, staat zij,
alsof zij niet gestorven was, weer op en opnieuw begint de treurige
vlucht en volgen de honden en ik haar. En elken Vrijdag op dit uur
bereik ik haar en volvoer ik die marteling, welke gij zien zult. En
geloof niet, dat wij op andere dagen uitrusten, maar dan haal ik haar
op andere plaatsen in, waar zij jegens mij wreed dacht of handelde en
daar ik van minnaar vijand geworden ben gelijk gij ziet, moet ik aldus
haar zooveel jaren volgen, als zij maanden wreed jegens mij geweest
is. Laat dus de goddelijke gerechtigheid haar gang gaan en verzet U
niet tegen datgene, waaraan gij geen weerstand zult kunnen bieden.

Toen Nastagio die woorden hoorde, werd hij geheel verlegen en
had haast geen haar op het lichaam, dat niet overeind stond, ging
achteruit en naar het meisje ziende, begon hij beangst af te wachten
wat de ridder zou doen. Toen deze met spreken ophield, liep hij als
een dolle hond met den degen in de hand naar het meisje, dat geknield
en stevig vastgehouden door de honden hem om genade smeekte. Hij stak
dien met al zijn kracht door het midden van de borst, die hij geheel
doorboorde. Nauwelijks had het jonge meisje den stoot ontvangen,
of zij viel voorover op de aarde en klaagde en gilde voortdurend
en de ridder, die een mes nam, opende haar de ribben en trok er het
hart uit en al wat er om was en wierp het den honden voor, die als
uitgehongerd het dadelijk opaten. Het duurde slechts een oogenblik
of het meisje, alsof er niets gebeurd was, stond weer dadelijk op en
begon te vluchten naar de zee, terwijl de honden achter haar steeds
haar beten en de ridder, op zijn paard gestegen, nam den degen weer
ter hand, begon haar te volgen en in korten tijd waren zij zoo ver weg,
dat Nastagio ze niet meer kon zien.

Na dit bijgewoond te hebben stond hij langen tijd medelijdend en
beangst en het kwam hem voor, dat dit veel voor hem waard kon zijn,
omdat het tooneel er zich elken Vrijdag herhaalde. Daarom na wel de
plaats te hebben opgemerkt, ging hij naar zijn bedienden terug en
vervolgens, toen het hem goed dacht, zeide hij tot zijn verwanten
en vrienden, die hij had ontboden: Gij hebt mij lang aangespoord
mijn vijandin niet meer te beminnen en een eind te maken aan mijn
verkwisting en ik ben bereid dit te doen, wanneer gij mij één gunst
toestaat namelijk deze, dat gij aanstaanden Vrijdag het zoo regelt,
dat messer Paolo Traversaro, zijn vrouw, zijn dochter, al de hun
verwante vrouwen en alle andere donna's, die gij verkiest, bij mij
zullen komen middagmalen. Wat ik hiermee wil, zult gij dan zien. Het
scheen hun een licht werk om dit te doen en te Ravenna terug gekeerd
noodigden zij, toen het tijd was, hen uit, die Nastagio wenschte en
hoewel het moeite kostte het meisje er heen te krijgen door hem bemind,
ging dit er toch met de anderen samen heen. Nastagio liet een prachtig
maal gereed maken en liet de tafels onder de pijnboomen zetten vlak
bij de plek, waar hij het verscheuren van de wreede donna had gezien
en nadat hij de heeren en dames aan tafel had laten gaan, had hij dit
zoo geregeld, dat het beminde meisje juist door hem geplaatst werd
tegenover  de plek, waar het feit weer moest geschieden. Toen het
laatste gerecht was opgedragen, begonnen allen de wanhoopskreten van
de opgejaagde donna te hooren. Iedereen was daarover zeer verwonderd
en vroeg, wat dat dat was en daar niemand het wist te zeggen, stonden
zij allen recht overeind en kijkend, wat dat kon wezen, zagen zij
het klagende meisje en den ridder en de honden, en het duurde maar
een oogenblik, of zij waren bij hen. Het rumoer werd groot, zoowel
van de honden als van den ridder en velen, om het meisje te helpen,
liepen er op af. Maar de ridder sprak hen toe gelijk hij het Nastagio
had gedaan en deed ze niet alleen terug deinzen, maar verschrikte ze
allen en vervulde ze met verwondering. Hij deed, wat hij vroeger had
gedaan en zooveel donna's, als er waren (want er waren er genoeg, die
verwant geweest waren of met het klagende meisje of met den ridder en
die zich zoowel zijn liefde als zijn dood herinnerden) begonnen allen
jammerlijk te schreien, alsof zij het zich zelf zagen doen. [107] Toen
dit gebeurd was en de donna en de ridder waren verdwenen, begonnen zij,
die dit gezien hadden, daarover vele en verschillende gesprekken,
maar onder degenen, die het meest verschrikt waren, bevond zich de
wreede, jonge dame door Nastagio bemind, welke alles duidelijk had
gezien en gehoord en in zich zelf begrepen had meer dan iemand anders
op wie die dingen sloegen, terwijl zij zich de wreedheid herinnerde,
door haar steeds tegen Nastagio volgehouden. Daarom scheen het haar,
of zij al voor hem, die vol toorn was, vluchtte en of zij de honden
aan haar zijden voelde. En zoo groot was de vrees, die daaruit bij
haar ontstond, dat het haar niet zou overkomen, dat zij den tijd
niet afwachtte (welke haar dienzelfden avond gegeven was) om met haat
in liefde veranderd, een kamenier aan haar getrouw naar Nastagio te
sturen, die hem van haar kant verzocht, of hij bij haar wou komen. Want
zij was bereid alles te doen, wat hij begeerde. Hierop liet Nastagio
antwoorden, dat hem dit zeer aangenaam was, maar dat, als het haar
zou behagen, hij haar genoegen slechts met eer wenschte en dat was om
haar te trouwen. Het meisje, dat wist, dat het slechts haar schuld
was, als zij niet de vrouw van Nastagio werd, liet hem antwoorden,
dat het haar aanstond. Daarom maakte zij zich zelf tot bode van dit
alles en zeide tot haar vader en moeder, dat zij er tevreden mee was
de vrouw van Nastagio te worden. Dezen waren daarover zeer verheugd en
den volgenden Zondag huwde Nastagio haar en vierde bruiloft en leefde
lang gelukkig met haar. En die angst was niet alleen de oorzaak van
dit geluk, maar alle Ravenneesche donna's werden er bang van, zoodat
zij sedert veel inschikkelijker werden voor de genoegens der mannen
dan zij eerst geweest waren.



Negende Vertelling.

    _Federigo degli Alberighi bemint en wordt niet bemind. Daar
    hij al zijn bezittingen verkwist, blijft hem slechts een
    valk over, die hij, daar hij niets anders heeft, aan zijn
    donna te eten geeft, als zij eens bij hem aan huis komt. Zij
    ziet dit nieuwe bewijs van liefde, verandert van gezindheid,
    neemt hem tot echtgenoot en maakt hem rijk._


Reeds had Filomena opgehouden met praten, toen de koningin, die gezien
had, dat niemand iets meer had te zeggen behalve Dioneo met zijn
voorrecht de laatste te zijn, met blij gelaat sprak: Nu is het aan mij
de beurt om te vertellen, en--zeer geliefde donna's--ik zal het gaarne
doen met een verhaal gelijk aan de voorgaanden niet alleen, opdat gij
weet hoeveel macht Uw schoonheid over edelmoedige harten heeft maar
ook, opdat gij leeren zult U zelf te zijn, wanneer gij schenksters moet
wezen van Uw belooningen zonder de fortuin leidsvrouw te laten wezen,
welke ze meestal zonder onderscheidingsvermogen blindelings verdeelt.

Gij moet dan weten, dat Coppo di Borghese Domenichi, die in onze stad
woonde en er misschien nog een man is van groot aanzien en groot gezag
en zoowel door zijn manieren als zijn deugd, nog meer dan door den
adel van zijn bloed zeer bekend en eeuwige roem waard, reeds oud er
behagen in schepte met zijn buren en anderen over de dingen van het
verleden te spreken, welke hij in meer orde en met beter geheugen
en sierlijker bewoordingen wist te vertellen dan een ander man. Hij
was gewoon onder andere schoone zaken te verhalen, dat er vroeger
in Florence een jonkman leefde Federigo genaamd, zoon van messire
Filippo Alberighi, en die in den wapenhandel en in hoffelijkheid
boven elk jong edelman van Toscane hooggeschat werd. Deze gelijk met
de meeste edellieden gebeurt, werd verliefd op een edeldame, monna
Giovanna genaamd, die destijds tot de schoonsten en liefsten gerekend
werd, die er in Florence waren en opdat hij haar liefde kon winnen,
worstelde, schermde hij, hield hij feesten en schonk en verkwistte
zonder eenig zelfbedwang zijn goederen. Maar zij niet minder eerbaar
dan schoon, gaf niets om de dingen door hem gedaan, noch om hem, die ze
deed. Daar Federigo boven zijn macht veel verteerde en niets verkreeg,
begonnen, gelijk licht gebeurt, zijn rijkdommen te verminderen. Hij
werd arm en bleef achter zonder iets anders dan een kleine landhoeve,
van welker rente hij zeer karig leefde en had behalve dat slechts een
der beste valken van de wereld. Daarom verliefder dan ooit en ziende,
dat hij niet langer het stadsleven kon leiden, gelijk hij wenschte,
ging hij te Campi, waar zijn boerderij was, wonen. Hier droeg hij,
zoo goed hij kon met de vogelvangst en zonder iemand iets te vragen,
geduldig zijn armoede. Nu gebeurde het, toen Federigo zoo tot de
uiterste armoede kwam, dat de man van monna Giovanna ziek werd en
toen hij den dood zag naderen, maakte hij zijn testament. En daar
hij zeer rijk was, liet hij als erfgenaam een reeds grooten zoon
achter en na dezen, daar hij monna Giovanna zeer had bemind, maakte
hij haar in diens plaats tot erfgenaam, wanneer de zoon zonder wettig
nakomeling zou sterven. Monna Giovanna bleef dus als weduwe achter en
gelijk het de gewoonte is van onze donna's, ging zij het zomerseizoen
met haar zoon buiten doorbrengen op een landgoed vrij dicht bij dat
van Federigo. Hierdoor begon die jongen met Federigo vriendschap te
sluiten en zich met vogels en honden te vermaken.

Daar hij dikwijls de valk van Federigo had zien vliegen en die
hem buitengewoon beviel, verlangde hij zeer dien te bezitten, maar
durfde hem dit niet te vragen, daar hij zag, hoe deze op den vogel
gesteld was. Terwijl de zaak zoo stond, werd de knaap ziek, waarover
de moeder zeer treurig was, daar zij niets anders had en hem zooveel
zij kon liefhad; zij was den ganschen dag bij hem, hield niet op hem
te sterken en vroeg hem dikwijls of hij iets verlangde, hem smeekend
het haar te zeggen, daar zij hem zeker, als het haar mogelijk was, hem
dit zou bezorgen. De knaap, die dikwijls deze vragen hoorde, zeide:
Moeder, als gij mij den valk zoudt kunnen geven van Federigo, zou ik
spoedig beter worden. De donna, die dit hoorde, bleef een oogenblik
in gedachten en begon er over te peinzen, wat haar te doen stond. Zij
wist, dat Federigo haar lang had bemind, maar dat hij van haar nooit
een enkele blik had gehad. Daarom zeide zij: Hoe zal ik sturen om
hem dien valk te vragen, die, naar ik heb gehoord, de beste is,
die er ooit vloog en die bovendien zijn troost in deze wereld is? En
hoe zou ik zoo zelfzuchtig zijn er een edelman van te ontdoen, wien
geen ander genoegen is overgebleven! Door die gedachten verontrust,
hoewel zij er zeker van was den valk te krijgen, dien zij wenschte,
wist zij niet, wat zij aan haar zoon zou zeggen en antwoordde hem
niet. Eindelijk nam de liefde, die zij haar zoon toedroeg, zoo de
overhand, dat zij besloot  hem tevreden te stellen en wat er ook
mocht gebeuren, zelf den vogel te gaan vragen in plaats het te laten
doen en zij antwoordde het kind: Jongen, houdt moed en doe je best te
herstellen, want ik beloof je, dat het eerste, wat ik morgen doen zal,
is den valk te gaan halen en ik zal je dien brengen. Het kind hierover
verheugd toonde denzelfden dag al eenige beterschap.

De donna na een andere tot gezelschap te hebben medegenomen, ging
den volgenden morgen bij wijze van uitspanning naar het tuintje van
Federigo en liet hem roepen. Daar het weer niet gunstig was en hij dien
dag niet op de vogelvangst ging, was hij in zijn tuin en liet er eenig
werk in orde maken. Toen hij hoorde, dat monna Giovanna naar hem vroeg,
was hij zeer verwonderd en liep verheugd naar haar toe. Toen zij hem
zag komen, stond zij voor hem met vrouwelijke bekoorlijkheid op en
nadat Federigo haar eerbiedig gegroet had, zeide zij: Het ga U wel,
Federigo. En zij vervolgde: Ik ben gekomen om U de schade te vergoeden,
die gij door mij hebt geleden, toen gij mij meer lief hadt dan noodig
was en de vergoeding is deze, dat ik met mijn gezellin van ochtend
vriendschappelijk bij U wil blijven middagmalen. Federigo antwoordde
nederig: Madonna, ik herinner mij niet ooit eenige schade door U
geleden te hebben, maar integendeel zooveel goeds van U te hebben
ontvangen, dat, zoo ik ooit iets waard ben geweest, het aan U te danken
is en aan de liefde, die ik U heb toegedragen, dat dit gebeurd is. En
zeker is Uw welgemeende komst mij aangenamer dan dat het mij gegeven
zou zijn opnieuw te kunnen verkwisten, wat ik verteerd heb, hoewel
gij bij een armen gastheer zijt gekomen. Bij die woorden ontving
hij haar verlegen in zijn huisje en voerde haar vandaar in den tuin
en daar hij er niemand had om haar gezelschap te houden, zeide hij:
Madonna, omdat er niemand is, zal deze goede vrouw, de echtgenoote
van dien tuinman, U gezelschap houden, terwijl ik de tafel ga dekken.

Hoewel zijn armoede uiterst groot was, had hij nog nooit gemerkt, hoe
hem de rijkdommen ontbraken, die hij teugelloos verkwist had. Maar
die ochtend, toen hij niets vond, waarmee hij de donna eer kon
bewijzen, uit liefde tot welke hij al aan eindeloos veel menschen
genoegen had gedaan, deed het hem inzien. En buitengewoon angstig,
zijn lot vervloekend als een man, die buiten zich zelve was, liep
hij dan hier dan daar heen en weer. Hij vond geld noch wissel en het
werd al laat en zijn verlangen was groot om toch met een of ander de
edelvrouw te ontvangen en daar hij niemand anders dan zijn tuinman
hulp wilde vragen, wierp hij de oogen op den goeden valk, die hij in
zijn kamertje op den stang zag zitten. Daar hij tot niets anders zijn
toevlucht kon nemen, nam hij dien en vond hem dik en dacht, dat deze
een waardige spijs voor de donna zou zijn. En daarom zonder verder
nadenken draaide hij hem den hals om, liet hem door zijn bediende,
geplukt en toebereid, aan het spit steken en flink braden. En na de
tafel gedekt te hebben met hagelwitte servetten, waarvan hij er nog
eenige had, ging hij met blij gelaat terug naar de donna in zijn tuin
en zeide, dat het middagmaal, dat hij voor haar had kunnen bereiden,
gereed was. Daarop stonden de donna en haar gezellin op en gingen
aan tafel en zonder te weten, wat zij aten, deden zij zich evenals
Federigo te goed met den valk, dien hij met genoegen liet opdienen.

Toen zij van tafel waren opgestaan en eenigen tijd met hem in
aangename gesprekken waren gebleven, scheen het aan de donna tijd om
dat te zeggen, waarvoor zij gekomen was en begon aldus vriendelijk
tegen Federigo te spreken: Federigo, wanneer gij U Uw vroeger
leven herinnert en mijn eerbaarheid, welke gij ongelukkigerwijze
voor hardheid en wreedheid hebt gehouden, twijfel ik er niet aan,
dat gij U moet verwonderen over mijn aanmatiging, wanneer gij weet,
waarom ik hoofdzakelijk gekomen ben. Maar indien gij kinderen hebt
of gehad hebt, waardoor gij zoudt weten, hoe groot de kracht is der
liefde, die men hun toedraagt, schijnt het mij zeker, dat gij mij
ten deele zult verontschuldigen. Gij hebt er echter geen en ik wel;
ik kon dus de wetten voor alle moeders gelijk niet ontloopen. Omdat
het mij past dien aandrang te gehoorzamen, moet ik, tegen mijn
goedvinden en tegen elken regel van wellevendheid in U een geschenk
vragen, wat ik weet, dat U zeer dierbaar is en wat de reden is,
waarom Uw slecht fortuin U geen ander genoegen, geen ander vermaak,
geen anderen troost heeft gelaten en dat geschenk is Uw valk, waarnaar
mijn kind zoo begeerig is, dat, als ik het dien niet breng, ik vrees,
dat hij veel zieker wordt Dit zal tengevolge zal hebben, dat ik hem zal
verliezen, als het niet gebeurt. Daarom bid ik U niet bij de liefde,
die gij mij toedraagt--waardoor gij tot niets verplicht zijt--maar
bij Uw adel, welke gij door het schenken van Uw beleefdheid getoond
hebt meer dan in wat ook, dat gij mij dien met genoegen zult geven,
opdat ik zeggen kan door die gift mijn zoon in het leven te hebben
gehouden en U aan hem daardoor steeds te danken te hebben. Toen
Federigo hoorde, wat de donna vroeg en begreep, dat hij haar niet
van dienst kon zijn, omdat die tot spijs gediend had, begon hij in
haar tegenwoordigheid te zuchten en kon niets antwoorden. De donna
geloofde eerst, dat die smart meer voortkwam uit de scheiding van
den goeden valk dan uit iets anders en was op het punt te zeggen,
dat zij het niet meer verlangde, maar zich inhoudend, wachtte zij na
het klagen het antwoord van Federigo af, die aldus sprak: Madonna,
sinds het aan God heeft behaagd, dat ik op U mijn liefde had gericht,
is de fortuin mij in heel wat dingen tegen geweest, en ik heb mij er
over moeten beklagen, maar allen zijn licht geweest in vergelijking
tot wat zij mij heden aandoet, waarover ik nooit vrede met haar zal
hebben, als ik er aan denk, dat gij hier in mijn arm huis gekomen
zijt, waar gij, toen ik rijk was, U niet hadt verwaardigd te komen en
van mij nu een klein geschenk wilt hebben en zij het thans zoo heeft
besteld, dat ik U dit niet kan geven. Waarom dit niet kan, zal ik U
in het kort zeggen: Zoodra ik gehoord had, dat gij dank zij Uw gunst
met mij wilde middagmalen, nam ik Uw hoogen rang en waardigheid in
aanmerking en heb ik het een welvoegelijke en passende zaak geacht U
met de beste spijs naar mijn vermogen te onthalen veel meer dan men in
't algemeen voor andere personen doet. Daarom, toen ik aan den valk
dacht, dien gij mij vraagt en aan zijn deugdelijkheid, heb ik die
waardige spijs voor U geacht en gij hebt hem van ochtend gebraden
op den schotel gehad, dien ik daartoe zeer goed besteed achtte, maar
nu ik zie, dat gij dien op andere wijze begeert, doet het mij groot
leed, dat ik U niet van dienst kan zijn, zoodat ik geloof mij zelf
nooit rust te kunnen geven. En bij die woorden liet hij de veeren,
de klauwen en de bek van den valk voor haar werpen.

De donna zag en hoorde dit en berispte hem eerst, dat hij om een
vrouw te onthalen zulk een valk had gedood, maar bewonderde daarna
in stilte weer zijn grootmoedigheid, welke zijn armoede niet had
kunnen noch kon neerslaan. Daarna zonder hoop den valk te krijgen en
misschien ook daartoe op het herstel van haar zoon, ging zij geheel
terneergeslagen heen en keerde tot den jongen terug. Deze, hetzij
door zwaarmoedigheid, omdat hij den valk niet kon krijgen of omdat
de ziekte er toch de oorzaak van was, stierf na verloop van eenige
dagen tot zeer groote smart van de moeder. Zij bleef een tijd vol
tranen en bitterheid, maar daar zij zeer rijk was, werd zij dikwijls
door haar broeders aangespoord om weer te trouwen. Hoewel zij het
niet wilde, maar hen toch zag volhouden en zij zich de waarde van
Federigo herinnerde en zijn laatste gulheid, namelijk zulk een valk
gedood te hebben om haar te ontvangen, zeide zij tot de broeders:
Ik zou gaarne, als gij het ook wenschte, alleen willen blijven,
maar als gij toch wilt, dat ik een man neem, zal ik zeker geen ander
huwen dan Federigo degli Alberighi. De broeders spotten hiermee en
zeiden: Hoe dwaas! Wat zegt gij? Hoe wil je hem hebben, die niets op
de wereld bezit? Daarop antwoordde zij: Mijn broeders, ik weet wel,
dat dit zoo is, maar ik wil liever een man, die behoefte heeft aan
rijkdom dan rijkdom, die een man noodig heeft. De broeders, die haar
gezindheid vernamen en Federigo kenden als iemand van veel waarde,
hoewel hij arm was, gaven haar, gelijk zij het wilde, aan hem met al
haar rijkdommen. Hij huwde de vrouw van dien rang, welke hij zoo had
bemind, werd aldus ook zeer rijk en eindigde met haar, nu zorgzamer
geworden voor zijn geld, zijn dagen in vreugde.



Tiende Vertelling.

    _Pietro di Vinciola gaat buitenshuis middagmalen. Zijn
    vrouw laat een kleine jongen komen. Als Pietro terugkeert,
    verbergt zij den jongen in een kippenmand. Pietro verhaalt,
    dat bij Ercolano, waarmee hij avondmaalde, een jonkman gevonden
    werd, dien zijn vrouw er had binnengeleid. De donna laakt de
    vrouw van Ercolano. Bij ongeluk zet een ezel zijn hoef op de
    vingers van den jongen, die onder de mand zit. Hij schreeuwt,
    Pietro loopt er heen en ontdekt het bedrog van zijn vrouw,
    waarmee hij tot zijn schande in vrede blijft leven._


De vertelling van de koningin was ten einde en het werd door allen
geprezen, dat God Federigo waardig had beloond, toen Dioneo, die
nooit een bevel afwachtte, begon: Ik weet niet of ik zeggen kan,
dat het een toevallige ondeugd bij de menschen is en door de slechte
gewoonten bij dezen ontstaan of een natuurlijk gebrek eerder om de
slechte dan om de goede daden te lachen en in het bijzonder, wanneer
die ons persoonlijk niet raken. En daar de moeite, die ik genomen heb
en die ik ook thans weer nemen zal, geen ander doel heeft dan U van
neerslachtigheid te bevrijden en U gelach en vroolijkheid te schenken,
en hoewel de stof van mijn volgend verhaal, verliefde jonge dames, ten
deele minder dan eerbaar is, zal ik het toch vertellen om U genoegen
te verschaffen. Wat U betreft bij het aanhooren, zult gij acht geven,
gelijk gij gewoon zijt, wanneer gij een tuin binnentreedt en gij Uw
kleine hand uitstrekkend, de rozen plukt en de doornen vermijdt. Zoo
zult gij ook handelen als gij den slechten man, waarvan ik U spreken
zal, aan zijn ongeluk en zijn schande overlaat, maar gij zult lachen
om de liefdesschelmerijen van zijn vrouw, Uw medelijdend bewarend
voor het ongeluk van anderen, wanneer dit noodig is.

Niet lang geleden leefde er in Perugia een rijk man Pietro di Vinciolo
genaamd, die misschien minder om anderen te bedriegen en de algemeene
achting niet te verliezen dan om de begeerte, die hij daarvoor had,
een vrouw nam. De fortuin stemde met zijn verlangen samen zoo, dat de
echtgenoote, die hij koos, een gezet jong meisje was, met rossig haar
en licht ontvlambaar, die liever twee mannen dan er een had gehad,
daar het haar overkwam er een te hebben, die veel meer zin had voor
iets anders dan om haar te voldoen. Zij bemerkte dit na korten tijd
en daar zij zag, dat ze mooi en frisch was en zich ondeugend en sterk
voelde, begon zij er eerst heel boos over te worden en er met haar
man over te twisten, met wien zij een slecht leven leidde. Daarna
ziende, dat dit eer tot uitputting van haar gezondheid kon voeren
dan tot verbetering van de slechtheid van haar man, zeide zij tot
zich zelf: Die ellendige verlaat mij om met zijn verdorvenheid op
sandalen te gaan bij droog weer en ik zal mijn best doen een ander
in mijn schip te voeren over water. Ik heb hem tot man genomen en
ik heb hem een groote en goede bruidschat gegeven denkend, dat het
een man was en in het geloof, dat hij lief zou hebben, wat de mannen
beminnen en moeten beminnen, en als ik dat niet had gemeend, had ik
hem nooit genomen. Waarom nam hij, die wist, dat ik een vrouw was,
mij tot echtgenoote, als hij het land aan de vrouwen heeft? Dat kan
ik niet dulden. Als ik niet in de wereld had willen blijven, zou
ik non zijn geworden, maar daar ik er in wil leven, gelijk ik dat
wensch en ben, zou ik vergeefs ongelukkig oud worden met wachten,
indien ik van hem genoegen of plezier bleef begeeren. En wanneer ik
oud zal zijn en ik zou mij dan terugzien, zou ik er vergeefs over
klagen mijn jeugd verloren te hebben. Hij is zelf goed genoeg om mij
aan te duiden, hoe ik mij daarover moet troosten, door mij daarmee
genoegen te verschaffen, waarmee hij het ook heeft, welk genoegen
mij tot eer, maar hem tot schande verstrekt en in hooge mate. Ik zal
alleen de wetten overtreden, terwijl hij en de wetten en de natuur
verkracht. Toen de donna zoo had nagedacht en misschien meer dan eens,
sloot zij om hieraan in het geheim gevolg te geven vriendschap met
een oude vrouw, die zich voor deed als een Santa Verdiana, welke zelfs
de slangen te eten zou geven. Zij ging steeds met haar rozenkrans in
de hand naar elken aflaat en sprak nooit over iets anders dan over
de Heilige Vaders of over de wonden van Sint Franciscus en werd door
allen voor een heilige gehouden. Toen het haar tijd scheen, legde de
jonge vrouw haar duidelijk haar bedoelingen bloot. De oude zeide: Mijn
dochter, God, die alles kent, weet, dat gij goed wilt handelen en als
gij geen andere reden hadt, zoudt gij het moeten doen als elke goede
jonge vrouw om den tijd van haar jeugd niet te verliezen, want er is,
voor wie verstand heeft, geen grooter smart dan zijn jeugd te hebben
verloren. En waar zijn wij dan anders goed voor, als wij oud zijn,
dan om de asch bij het vuur te bewaren? Als er zijn, die het weten
en het kunnen getuigen, behoor ik daartoe; want nu ik oud ben, is
het niet zonder een zeer groote en bittere beklemming, dat ik weet
voor niets den tijd te hebben laten verstrijken en hoewel ik niet
alles verloren heb--want ik zou niet willen, dat gij mij voor een
gekkin zoudt houden--heb ik toch niet gedaan, wat ik zou hebben kunnen
doen. Hierover, als ik er aan denk, en gij mij zoo leelijk ziet, als
ik ben, dat ik niemand zou vinden, die mij met een vod [108] vuur zou
geven,--God weet het--voel ik smart. Zoo is het niet met de mannen;
zij worden geboren goed voor duizend dingen en niet alleen hiervoor
en de meesten van hen zijn beter oud dan jong, maar de vrouwen komen
alleen ter wereld om lief te hebben en kinderen te krijgen en daarom
bemint men ze. En als gij het bij niets anders bemerkt hebt, hebt gij
het moeten gewaar worden daaraan, dat wij steeds bereid zijn lief te
hebben, wat bij de mannen niet het geval is. Bovendien zou bij dit
spelletje een vrouw verscheidene mannen uitputten, waar meer mannen
een vrouw niet zouden voldoen. En omdat wij daarvoor geboren zijn,
zeg ik U opnieuw, dat gij wel zult handelen, Uw wettige man met een
kluitje in het riet te sturen, zoodat Uw geest aan Uw vleesch geen
verwijten hoeft te doen, als gij oud zult wezen. Ieder heeft van dit
leven, slechts wat hij er van neemt en vooral de vrouwen, waar voor
het veel meer dan voor de mannen noodig is den tijd wel te besteden,
wanneer zij het kunnen, omdat gij zult zien, dat, wanneer wij oud zijn,
echtgenooten noch anderen ons hebben willen, maar ons integendeel
naar de keuken sturen om praatjes te gaan vertellen aan de kat en
de potten en de schotels te gaan tellen. Het is nog erger als zij
ons voor den mal houden en zeggen: Aan de jongen de goede hapjes en
aan de ouden de restjes; en zij zeggen nog bovendien veel meer. Maar
opdat ik niet langer met U praat, zeg ik U thans, dat gij aan niemand,
die U van meer dienst kan zijn, het hart kunt luchten dan aan mij,
omdat er geen man zoo bij de hand is, dien ik niet den moed heb te
zeggen, wat noodig is, noch zoo hard of ruw, dat ik hem niet klein
krijg en gebruik voor wat gij wilt; zeg dus maar wat gij verlangt
en laat mij gaan. Maar denk aan één ding, mijn kind, dat ik U voor
oogen houd, omdat ik arm ben en ik wensch, dat gij deelt in al mijn
aflaten en ik alle paternosters, die ik zeggen zal, opdat God licht
zal geven en kaarsen voor al Uw afgestorvenen. Daarop zweeg zij.

Het meisje was het dus hierover met de oude eens geworden, dat, als zij
een jonkman zag, welke dikwijls door de buurt ging, waarvan zij haar
alle kenteekens opgaf, dat zij dan zou weten, wat haar te doen stond
en na haar een weinig gezouten vleesch te hebben gegeven, beval zij
haar Gode aan. De oude zond haar na eenige dagen dien jongen, waarvan
zij had gesproken, in haar kamer en kort daarop een ander naar het de
donna beviel. Zij altijd in angst voor den echtgenoot en wat daaruit
kon voortkomen, liet echter geen gelegenheid ongebruikt. Toen op een
avond haar man bij een vriend moest gaan avondmalen, die Ercolano
heette, gelastte de jonge vrouw aan de donna haar een jongen te doen
toekomen, die een der knapsten en aardigsten was van Perugia. Deze
volgde dit haastig op. Nadat zij zich met deze aan tafel had gezet om
te avondmalen, riep opeens Pietro aan de deur, die voor hem geopend
moest worden. De donna beschouwde zich toen als verloren, maar toch
wilde zij zoo mogelijk den jonkman verbergen. Daar zij geen toevlucht
zag om hem weg te sturen of hem elders te verbergen dan in een klein
kabinet, dat naast de kamer was, waar zij aten, stopte zij hem onder
een kippenmand, die daar was en wierp er een groote doek over van
een zak, dien zij dienzelfden dag had laten ledigen; daarna deed zij
haar man ijlings open. Hij trad in de kamer en zij zeide tot hem:
Je hebt dat avondmaal gauw opgepeuzeld. Pietro antwoordde: Wij hebben
het niet aangeroerd. En hoe kwam dat? vroeg de donna. Pietro hernam:
Ik zal het U zeggen. Wij waren al aan tafel, Ercolano, zijn vrouw
en ik, toen wij vlak boven ons hoorden niezen, waarover wij ons den
eersten en den tweeden keer een weinig hebben verontrust, maar toen
hij die geniesd had, het een derden, vierden en vijfden keer deed en
nog vele malen, waren wij zeer verwonderd. Hierop zeide Ercolano,
die wat ruzie met zijn vrouw had gehad, omdat zij ons langen tijd
aan de deur had laten wachten, voor zij ons opende, woedend: Wat
beteekent dat? Wie niest zoo? En nadat hij van tafel was opgestaan,
ging hij naar een trap daar in de nabijheid, waaronder een hok was
van planken om er een hoop dingen in te bergen, gelijk wij het zien in
de huizen van hen, die hun logies in orde houden. Daar het hem leek,
dat het genies vandaar kwam, opende hij dadelijk een klein deurtje en
hieruit kwam de vreeselijkste zwavellucht van de wereld, veel sterker
dan wij eerst geroken hadden en de donna sprak na hierover beknord te
zijn: Dat is het; ik heb mijn zeilen met zwavel gewit en daarop heb
ik den ketel onder de trap gezet, waarover ik ze had uitgespannen om
den stoom op te vangen zóó, dat die reuk er nog vandaan komt.

Toen Ercolano de deur had geopend en de lucht was verdreven, keek
hij in het hok en zag hem, die geniesd had en die nog niesde, daar
de kracht van den zwavel hem benauwde. Hoewel hij niesde, had de
zwaveldamp hem zoo den adem afgesneden, dat, als hij er een oogenblik
langer in gebleven was, hij nooit meer geniesd zou hebben. Ercolano zag
hem en schreeuwde: Nu zie ik, vrouw, waarom gij ons straks zoo lang
aan de deur hebt gelaten, alvorens ons te openen, maar ik zal nooit
meer in iets genoegen hebben, als ik je dit niet betaald zet. Toen
de vrouw dit hoorde en haar misstap ontdekt zag, stond zij zonder
een verontschuldiging te voelen van tafel op en vluchtte ik weet niet
waarheen. Ercolano zonder op de vlucht van zijn vrouw te letten, riep
meermalen tot hem, die geniesd had, er uit te komen, maar hij, die niet
meer kon, verroerde zich niet, wat Ercolano ook zeide. Hij pakte hem
bij een voet, trok hem er uit en zocht een mes om hem te vermoorden,
maar ik, die voor mij zelf de justitie vreesde, stond op en belette,
dat hij hem doodde of eenig kwaad deed, maar schreeuwde, terwijl ik
hem verdedigde, waardoor er eenige buren op af kwamen, die den half
dooden jonkman beet namen en uit het huis voerden, ik weet evenmin
waarheen. Zoo werd ons avondmaal gestoord en ik heb het niet alleen
niet gegeten, maar ik heb het zelfs niet aangeraakt gelijk ik U zeide.

Toen de donna dit hoorde, zag zij dat anderen even slim waren als zij,
hoewel een andere ook soms een ongeluk opliep en zij had graag de
vrouw van Ercolano verdedigd, maar omdat het laken van de fout van
anderen haar den weg vrijer zou laten, begon zij te zeggen: Dat is
wat moois! Dat is me een goede en heilige vrouw! Dat is de trouw van
een fatsoenlijke donna, bij wien ik zou gebiecht hebben, zoo vroom
als ze mij scheen. En wat erger is, zoo oud als ze reeds is, geeft
zij een mooi voorbeeld aan de jonge dames. Dat het uur vervloekt zal
wezen, waarop zij ter wereld kwam en ook die zij nog zal leven, die
verraderlijke en schuldige vrouw, de schande en blaam voor alle vrouwen
van de wereld, zij, die zich niet geschaamd heeft haar eerbaar leven
weg te werpen en de trouw beloofd aan haar echtgenoot en de achting
der wereld, van hem, een zoo goed man en een zoo eerzaam burger en die
haar zoo goed behandelde, en hem met een ander man te schandvlekken en
zichzelf met dezen. God beware mij; met zulke vrouwen moet men geen
medelijden hebben, men moest ze dooden, men moest ze levend in het
vuur werpen en in asch doen verkeeren. Toen aan haar minnaar denkend,
dien zij onder de mand dicht genoeg bij zich had, begon zij Pietro aan
te zetten, dat die naar bed ging, omdat het daarvoor tijd was. Maar
Pietro, die meer trek had om te eten dan te slapen, vroeg toch of er
niets van het avondmaal voor hem over was. De donna antwoordde: Zeker
is er van het avondmaal over. Hebben wij de gewoonte 's avonds te eten,
als gij er niet zijt. Houdt ge mij voor de vrouw van Ercolano? Zeg,
waarom ga je niet? Slaap van avond. Daar zou je beter mee doen!

Dien avond kwamen enkele boeren van Pietro met eetwaren uit het dorp
en hadden hun ezels zonder ze te drinken te geven in een kleinen stal
geplaatst, welke naast het kabinetje was. Een der ezels had grooten
dorst, maakte den kop los van het koord, ging uit den stal en berook
alles om te zien of hij water vond en kwam ook zoo in het midden van de
kamer bij de korf, waaronder de jongen zat. Daar de jongen zich als op
vier pooten moest houden, had hij een van zijn handen buiten de mand
gestoken en zijn ongeluk was, dat de ezel hem den poot op den vinger
zette. De hevige pijn, die hij voelde, deed hem een schrillen kreet
uitstooten. Toen Pietro dit hoorde, was hij verwonderd en merkte,
dat dit in huis moest zijn. Daarom ging hij uit de kamer en hoorde
opnieuw schreeuwen, daar de ezel zijn poot nog niet van zijn vingers
had gelicht, maar met klem vroeg hij: _Wie is daar?_ en liep naar de
mand en toen hij die ophief, zag hij den jongen, die behalve door de
trappen, die hij van den ezel had ontvangen, van angst geheel voor
Pietro trilde, die hem niets geen kwaad deed. Pietro, die hem herkend
had, daar hij langen tijd hem met zijn schandelijke voorstellen had
vervolgd, vroeg hem: _Wat doet gij?_ waarop hij niets antwoordde maar
hem bij Gods genade bad hem geen kwaad te doen. Hierop zeide Pietro:
Sta op, vrees niet, dat ik U eenig kwaad zal doen, maar zeg mij,
hoe je hier bent en waarvoor? De jongen zeide hem alles. Pietro niet
minder blijde hem te hebben gevonden dan dat zijn donna er om treurde,
nam hem bij de hand en voerde hem in de kamer mede, waar de donna hem
met den grootsten angst van de wereld afwachtte. Nadat hij tegenover
haar was gaan zitten, zeide hij: Nu, gij vervloekte zooeven de vrouw
van Ercolano en zeide, dat men haar moest verbranden en dat zij voor
U allen een schande is; hoe spreekt gij nu van U zelve? Of, als gij
het niet wilt zeggen, hoe durft gij het dan van haar, wetend, dat
gij zelf hebt gedaan, wat zij heeft misdreven? Zeker, niets dwong U
er toe dan dat gij allen zoo zijt geaard en met de fouten van anderen
Uw eigen misstappen tracht te verbergen. Dat het vuur van den hemel U
allen verbrandt, ellendig geslacht, dat gij zijt. De donna, die zag,
dat hij bij de eerste ontmoeting hem geen ander kwaad had gedaan
dan met woorden en wien het scheen, dat hij heel tevreden was, omdat
hij zulk een knappen jongen bij de hand hield, vatte moed en zeide:
Ik ben er zeker van, dat gij wilt, dat er van den hemel een vuur zou
vallen, dat ons allen verbrandde als een man, die even begeerig is
naar ons als een hond naar stokslagen, maar bij het kruis van God: Uw
verlangen zal niet vervuld worden. Gaarne evenwel wil ik een beetje
met U praten om te weten, waarover gij U beklaagt en zeker zou het
mooi wezen mij te vergelijken met de vrouw van Ercolano, die een oude
schijnvrome is, een huichelaarster, die van hem alles heeft, wat ze
wil en die haar koestert, gelijk men dat een vrouw moet doen, wat mij
niet gebeurt. Want, zoo ik wel voorzien ben van kleeren en schoeisel,
weet gij wel, hoe het met het andere staat en hoe lang het geleden is,
dat gij naast mij hebt gelegen. En ik zou liever met lompen op den rug
gaan en barrevoets en door U goed behandeld worden dan alles verder
in overvloed te hebben, terwijl gij mij zoo bejegent. En weet wel,
Pietro, dat ik een vrouw ben als de anderen, en wil, wat zij willen
zóó, dat als ik het niet van U krijg en ik het mij toch verschaf,
men het mij niet kwalijk kan nemen. Tenminste doe ik U al genoeg eer
door mij niet af te geven met knechts of met liederlijke kerels.

Pietro, die zag, dat ze den heelen nacht niet zou ophouden met spreken,
zeide hem als een man, die weinig om haar gaf: Genoeg nu, vrouw;
ik zal U wat dat betreft wel tevreden stellen. Gij zult zeer goed,
zijn, als wij iets tot avondeten krijgen, want die jongen schijnt mij
evenals ik nog niet te hebben gegeten. Zeker niet, zeide de donna,
want toen gij te kwader ure gekomen zijt, gingen wij aan tafel. Nu
dan, zeide Pietro, maak, dat wij eten en daarna zal ik alles zoo
schikken, dat gij geen reden tot klagen hebt. De donna ziende, dat
haar man tevreden was, stond op, liet de tafel weer spoedig dekken en
het avondmaal opdragen, dat zij had klaar gemaakt en at verheugd te
samen met haar boozen echtgenoot en den jongen. Na het avondmaal is
mij uit het geheugen gegaan, wat Pietro deed tot voldoening van alle
drie. Zooveel weet ik wel, dat, toen den volgenden morgen de jongen op
straat werd gezet, men nooit zeker heeft geweten, wie hem die nacht
meer gezelschap had gehouden. Daarom moet ik U, mijn lieve donna's,
dit zeggen: Wie U te kort doet, zet het hem betaald en als gij het
niet dadelijk kunt, onthoudt het dan, tot gij er toe in staat zijt,
opdat wie U een kat in den zak geeft, er net zoo een terug krijgt.

Toen de geschiedenis van Dioneo geëindigd was en de donna's zich
weerhouden hadden te lachen minder uit schaamte, dan omdat zij er
weinig genoegen bij gesmaakt hadden en de koningin zag, dat zijn
verhaal uit was, stond zij op, nam zich den lauwerkrans van het hoofd,
plaatste die vol gratie op het hoofd van Elisa en sprak tot haar:
Aan U, madonna, behoort thans het bewind. Elisa, die deze eer had
aangenomen, deed, gelijk te voren gedaan was en na den hofmeester
eerst order gegeven te hebben omtrent alles, wat bij den duur van
haar leiding noodig zou zijn, zeide zij tot groote voldoening van
het gezelschap: Wij hebben al dikwijls gehoord, dat velen met schoone
woorden of snelle verdediging of met vlugge invallen vroeger met de
noodige wraak de tanden van anderen hebben weten te ontkomen of een
dreigend gevaar te verdrijven en omdat die stof schoon is en nuttig
kan zijn, wil ik, dat men morgen met Gods hulp binnen die beperking
spreekt, namelijk _van hen, die aangezet door een of andere scherts,
zich hebben geweerd of met een vlug antwoord of een wijs vooruitzienden
blik verlies, gevaar of schande ontkwamen._ Dit werd door allen zeer
geprezen. De koningin stond op en gaf ze allen tot aan het avondmaal
vrij. Het heele eerzame gezelschap rees op, toen het de koningin
zag opstaan en volgens gewoonte gaf elk zich over aan, wat hem het
meest beviel. Maar toen de krekels al met zingen hadden opgehouden
en iedereen werd terug geroepen, gingen zij allen naar het avondmaal,
dat vroolijk eindigde en gaven zich over aan zang en muziek. En nadat
reeds met goedvinden van de koningin Emilia een dans had gevormd, werd
er aan Dioneo bevolen, dat hij een lied zou zingen. Hij begon spoedig:
_Monna Aldruda, licht Uw staart op, omdat ik U goede tijdingen breng._
Hierom begonnen allen te lachen en het meest de koningin, die hem beval
hiermee op te houden en een ander in te zetten. Dioneo sprak: Madonna,
als ik cymbalen had, zou ik zingen: _Licht de slippen van je hemd op,
monna Lapa;_ of _Onder den olijfboom en het groene gras_ of zoudt gij
willen, dat ik zing: _Het water van de zee doet mij groot kwaad_? Maar
ik heb geen cymbaal en daarom kies, wat gij van de anderen wilt. Zou
U bevallen: _Kom naar buiten, dat gij wordt gesneden als een vrucht in
het veld?_ De koningin sprak: Neen, zeg een ander op. Dan, zei Dioneo,
zal ik zingen: _Monna Simona, zing, zing, wij zijn niet in October._
De koningin zei lachend: Kijk, dat is slecht van pas; zeg een mooi
vers op, indien gij wilt, want dit verlangen wij niet. Dioneo sprak:
Neen, Madonna, maak U er niet boos om, maar wat bevalt U dan toch
wel? Ik weet er meer dan duizend. Of wilt gij: _O deze, mijn schelp,
zoo ik haar niet prik_ of _Zeg, zachtjes aan, mijn man_, of wel: _Ik
zal een haan koopen van honderd lire._ De koningin, een weinig boos,
hoewel al de anderen lachten, zeide: Dioneo, houdt op met schertsen
en zeg een mooi gedicht op en zoo niet, dan zult gij kunnen bewijzen
hoe kwaad ik kan worden. Toen Dioneo dit hoorde, hield hij op met de
grappen en begon spoedig aldus te zingen:


    Amor, het levendige licht
    Dat uit de schoone oogen van mijn liefste straalt,
    Heeft mij tot Uw slaaf gemaakt en tot den hare.

    De glans, die uit haar schoone oogen vloeit,
    Ontstak mij voor Uw vlam het hart,
    Terwijl gij mij doorboorde,
    En hoe groot uw macht is,
    Heeft haar schoon gelaat mij geopenbaard
    En het mij verbeeldend,
    Voelde ik al mijn deugden van mij gaan
    En legde die aan haar voeten,
    Het nieuwe voorwerp van mijn zuchten.

    Zoo werd ik een der Uwen.
    Dit ben ik, geliefde Heer en gehoorzaam verwacht ik
    Genade van Uw macht.
    Maar ik weet niet, of zij gansch de onmetelijke liefde kent,
    Die zij mij in het hart heeft gebracht,
    Noch mijn geheele trouw,
    Zij, die zoo mijn ziel bemachtigde,
    Dat ik geen vrede zou hebben
    Noch buiten haar willen zou.

    Daarom bid ik U, mijn zoete Heer,
    Dat gij haar die toont en haar doet gevoelen
    Een weinig van Uw vuur
    Tot mijn heil, want gij ziet, dat ik
    Van liefde verteer en door mijn marteling
    Langzaam sterf
    En dan, als het tijd zal zijn,
    Beveel mij bij haar aan, gelijk gij moet,
    Want ik zou gaarne met U gaan om dit te doen.


Toen Dioneo met zijn zang toonde door te zwijgen, dat die gedaan
was, liet de koningin hem er nog vele anderen zingen, hoewel zij het
vers van Dioneo toch zeer prees. Maar daar de nacht al grootendeels
verstreken was en de koningin gevoelde, dat de warmte al overwonnen
was door de koelte van den nacht, beval zij, dat elk tot den volgenden
dag voor zijn genoegen zou gaan slapen.



Zesde Dag.

    _De vijfde dag van de Decamerone_ eindigt, de zesde vangt
    aan. Onder het bewind van Elisa spreekt men van dengene, die,
    aangespoord door een of andere aardige zet zich verweert, of
    met een snel antwoord of doorzicht zich behoedt voor schade,
    gevaar of schande.


De maan in het midden des hemels geklommen, had zijn stralen verloren
en reeds onder het nieuwe, wassende licht, was elk deel der aarde
verhelderd, toen de koningin opgestaan haar gezelschap liet wekken en
zij zich met langzame schreden verwijderden van den schoonen heuvel,
zich over het gras verspreidden, over verschillende dingen spraken,
van gedachten wisselden over de meerdere of mindere schoonheid van
verhaalde novellen en nog over de verscheidene daarin voorkomende
gevallen weer lachten, tot het aan allen tijd scheen, toen de zon
warmer begon te worden, naar huis terug te gaan. Daarom keerden zij
hun schreden daarheen, vanwaar ze gekomen waren. En ginds, waar de
tafels al gedekt stonden en alles met geurige kruiden en met schoone
bloemen bezaaid was, begonnen zij, voor het warmer werd, op verzoek der
koningin te eten. Toen zij verzadigd waren, zongen zij, voor zij iets
anders deden, eenige schoone en aardige liederen; deze ging slapen,
gene schaakspelen en een ander hervatte dit. En Dioneo met Lauretta
begonnen samen Troïlus en Crescida [109] te zingen. En reeds was het
uur om consistorium [110] te houden weergekeerd, toen de koningin
alle als gewoonlijk had laten roepen en zij rondom de fontein gingen
zitten. Reeds wilde zij bevel geven de eerste geschiedenis te verhalen,
toen er iets gebeurde, wat nog nooit was geschied, namelijk dat er door
de koningin en allen een groot rumoer werd gehoord, dat de meiden en
knechts in de keuken maakten. Men liet daarom den hofmeester komen en
vroeg hem, wat de oorzaak was van het geschreeuw en het tumult en hij
antwoordde, dat het leven gaande was tusschen Licisca en Tindaro. Maar
de reden wist hij niet, hoewel hij er toch heen wou gaan om ze te
doen zwijgen, wanneer hij van hunnentwege daartoe bevel kreeg. De
koningin gelastte hem Licisca en Tindaro dadelijk te laten komen;
nadat dit geschied was, vroeg zij hun, wat de oorzaak van het tumult
was. Tindaro wilde er op antwoorden, toen Licisca, die een vrouw van
een zekeren leeftijd was en trotscher dan eenige andere en verhit door
haar geschreeuw, met een kwaad gezicht naar hem gekeerd, zeide: Kijk,
die ezel van een vent, die den moed heeft, wanneer ik er bij ben, vóór
mij te spreken! Laat mij aan het woord. En tot de koningin gewend,
ging zij voort: Madonna, die wil mij de vrouw van Sycophante leeren
kennen. Die wil mij, alsof ik haar nooit bezocht had, wijs maken, dat
in de eerste huwelijksnacht, toen Sycophante met haar sliep, Messire
Mazza met geweld en bloedverlies in den Zwarten Berg kwam. [111] En
ik zeg, dat het niet waar, is maar dat het integendeel vreedzaam ging
en tot groot genoegen van beide. En hij is wel zoo stom, dat hij maar
al te goed gelooft, dat de jonge meisjes gek genoeg zijn om hun tijd
te verliezen en berusten voor hun vader en broeders, die hun zes van
de zeven keer drie of vier jaar langer laten wachten dan ze moesten
om ze uit te huwen. Ze zouden het goed maken, broederlief, als ze zoo
lang wachtten. Bij het geloof in Christus--en ik moet toch weten wat
ik zeg, als ik zweer--ik heb geen buurvrouw, die als maagd naar haar
man is gegaan en ook van de getrouwde vrouwen weet ik, hoe en wat
voor poetsen ze hun mannen bakken. En die ezel wil mij de vrouwen
doen kennen of ik van gisteren ben. Terwijl Licisca sprak, moesten
de donna's zoo lachen, dat men ze al hun tanden had kunnen trekken.

De koningin had haar wel zes maal het zwijgen opgelegd, maar het
hielp niets, zij hield maar niet op voor ze gezegd had, wat haar
uit den mond viel. Toen zij klaar was, zeide de koningin lachend tot
Dioneo: Dioneo, dat is iets voor U. En daarom, als wij onze verhalen
verteld hebben, zult gij zorgen, dat gij hierover het eindoordeel
uitspreekt Hierop antwoordde Dioneo haastig: Madonna, het oordeel
is uitgesproken zonder dat er meer voor noodig is om te hooren en ik
zeg, dat Licisca gelijk heeft en geloof, dat het is zooals zij zegt
en Tindaro is een ezel. Toen Licisca dit hoorde, begon zij te lachen
en tot Tindaro gewend, zeide zij: Dat heb ik je wel gezegd. Ga weg
met Gods genade; geloof jij er soms meer van te weten dan ik, jij,
die als de zuigelingen je oogen nog niet open hebt gedaan. Ik heb,
Goddank, niet voor niets geleefd.

Als de koningin haar niet met een kwaad gezicht het zwijgen
had opgelegd, en haar niet bevolen had er geen woord meer aan toe
te voegen noch ruzie te maken, als ze geen slaag wou hebben en met
Tindaro weggejaagd worden, had men den heelen dag wel met haar aan den
gang kunnen blijven. Toen zij heengegaan waren, beval de koningin aan
Filomena, dat zij met de verhalen aanving. Zij begon blijmoedig aldus:



Eerste Vertelling.

    _Een ridder vraagt aan madonna Oretta [112] met hem te paard
    te gaan zitten en haar een verhaal te doen. Als hij echter
    slecht vertelt, verzoekt zij hem haar weer te doen afstijgen._


Jonge dames. Evenals op de schoone avonden de sterren de sieraden
des hemels zijn en in de lente de bloemen van de groene weiden en de
struiken bedekt met hun loover de heuvels tooien, zoo zijn de geestige
woorden dit van de lofwaardige manieren en de schoone gesprekken. En
omdat zij kort moeten zijn, passen zij beter de donna's dan de heeren
te meer, omdat het lange spreken meer aan de vrouwen dan aan de mannen
misstaat. Het is waar, dat, wat er ook de reden van zij, of door
de minderheid van onzen geest of door de zonderlinge vijandschap,
die de hemel aan onzen tijd toont, er thans weinig donna's of geen
zijn, die er een kan zeggen op het juiste oogenblik of indien men
er haar een zegt, het weet te verstaan gelijk het behoort, wat in 't
algemeen ons tot schande strekt. Maar daar er over dit onderwerp al
genoeg beweerd is door Pampinea, wil ik er niet meer van zeggen. Maar
om U te doen zien, hoeveel schoons zij in zich bevatten, als zij op
het juiste oogenblik verteld worden, behaagt het mij U te verhalen
van de hoffelijke manier, waarop een edelvrouw aan een ridder het
stilzwijgen wist op te leggen.

Gelijk velen van U het hebben kunnen zien of hooren, leefde er nog
niet lang geleden in onze stad een lieve, welopgevoede en welsprekende
donna en van een waardigheid, zoo dat ik haar naam niet verbergen
wil--zij heette dan madonna Oretta en was de vrouw van messer Ger
Spina--welke toevallig buiten was gelijk wij nu. Zij ging van de eene
plaats naar de andere om zich te ontspannen met donna's en cavalieri,
welke zij dien dag allen ten middagmaal had gehad. Daar de weg was
van daar, waar men vertrok tot ginds, waar allen te voet wilden
heengaan, zeide een der ridders van het gezelschap: Madonna Oretta,
wanneer gij wilt, zal ik U te paard een groot deel van den weg nemen,
dien wij zullen gaan en ik zal U dan een der schoonste verhalen van
de wereld doen. Hierop antwoordde de donna: Messire, daarom bid ik
U ten zeerste en het zal mij zeer aangenaam zijn.

Messire de ridder, wien misschien de degen beter aan de zijde stond
dan het verhalen met den mond, hoorde dit en begon een novelle, die hij
zelf voor zeer schoon hield, maar daar hij drie of vier keer dezelfde
woorden herhaalde en dan op hetzelfde terugkwam en telkens zei: _Ik
heb het niet goed gezegd_, en vaak de namen verwarde en den een met
den ander verwisselde, bedierf hij die op barbaarsche wijze zonder
er van te spreken, dat hij zeer slecht de hoedanigheid der personen
en de gebaren, die zij maakten, weergaf. Hiervan brak madonna Oretta
herhaaldelijk, terwijl zij hem hoorde, het zweet uit en werd ze wee om
het hart, alsof zij ziek was en flauw dreigde te vallen. Toen zij het
eindelijk niet langer kon uithouden, en begreep, dat de edelman in de
war was en er niets meer van terecht zou brengen, zeide zij schertsend:
Messer, Uw paard heeft een te harden loop, daarom bid ik U mij te laten
afstijgen. De ridder, die eigenlijk beter toehoorder dan verteller was,
begreep dit woord en nam dit in scherts als aardigheid op en begon
over andere dingen te spreken, terwijl hij zonder die af te maken,
de begonnen en slecht voortgezette vertelling staakte.



Tweede Vertelling.


    _De bakker Cisti [113] doet met een woord messer Geri Spina
    inzien, dat hij een onbescheiden vraag doet._


Het antwoord van madonna Oretta werd door elk der donna's en der
heeren zeer geprezen, waarop de koningin beval, dat Pampinea zou
volgen. Daarom begon zij aldus: Schoone donna's. Ik zou door mij zelf
niet kunnen beoordeelen wie meer zondigt of de natuur door een nobele
ziel aan een slecht lichaam te verbinden of de fortuin door een gewoon
beroep op te leggen aan een lichaam met een edelen geest begaafd als
bij onzen medeburger Cisti, wat wij ook nog bij velen hebben kunnen
zien. Dezen Cisti met een hooge ziel begiftigd, maakte de natuur
bakker. En zeker zou ik en de natuur en de fortuin gelijkelijk
verfoeien, indien ik niet wist, dat de natuur zeer voorzichtig is
en de fortuin duizend oogen heeft, hoewel de dwazen haar als blind
voorstellen. Ik geloof, dat zij als bedachtzame lieden, dikwijls doen,
onzeker zijn van de toekomst, de kostbaarste voorwerpen om ze in
veiligheid te stellen op de minste plaatsen in huis verbergen als de
minst verdachte plekken en ze er slechts bij hooge noodzakelijkheid
uit te voorschijn halen, daar de minste plaats juist zekerder dienst
doet dan de mooiste kamer het zou kunnen. En aldus verbergen dikwijls
de twee hoogste regeerders der wereld hun kostbaarste dingen in het
duister van de beroepen, die als de laagsten bekend staan, opdat,
als zij er die uit te voorschijn halen, hun glans des te klaarder
verschijnt. Het behaagt mij U een kleine historie te verhalen, hoe de
bakker Cisti, die de oogen des geestes terug gaf aan messer Geri Spina,
dit toonde, wat mij de geschiedenis in het geheugen riep van madonna
Oretta, die zijn vrouw was. Ik zeg dan, dat paus Bonifacius [114],
bij wien messer Geri Spina in groot aanzien stond, eenige van zijn
edellieden als ambassadeurs naar Florence had gezonden voor eenige
belangrijke zaken [115], die in het huis van messer Geri Spina waren
afgestegen, welke hen bij de zaken van den Paus hielp. Wat er ook de
reden van zij, elken morgen gingen messer Geri en de gezanten van den
Paus langs Santa Maria Ughi, waar de bakker Cisti zijn bakkerij had
en persoonlijk zijn beroep uitoefende. Hoewel de fortuin hem een zeer
nederig beroep had gegeven, was zij hem toch zoo welwillend geweest,
dat hij er rijk in was geworden en zonder dit beroep ooit voor een
ander te verlaten zeer ruim leefde, terwijl hij onder andere goede
dingen altijd de beste witte en roode wijnen had, die men in Florence
of buiten vond. Hij zag elken morgen messer Geri en de gezanten van
den Paus langs zijn deur gaan en daar het zeer warm was, meende hij,
dat het een groote beleefdheid was hun witten wijn te drinken te geven,
maar op zijn stand lettend en dien van messer Geri, scheen het hem
niet passend hem uit te noodigen, maar hij wilde een middel verzinnen,
dat messer Geri er toe zou voeren zich zelf uit te noodigen. Daar hij
een geheel wit vest aan had en een altijd gewasschen sloof, die hem
eer het uiterlijk gaven van een molenaar dan van een bakker, liet hij
zich elken morgen op het uur, dat messer Geri met de gezanten moest
voorbijgaan voor zijn deur een nieuwe kan vol frisch water brengen en
een kleine, nieuwe, bologneesche flesch met zijn goeden witten wijn
en twee bekers, die van zilver schenen, zoo blank waren die. Daarna
ging hij zitten en als ze voorbijgingen, na twee of drie keer te
hebben gespuwd begon hij zoo smakelijk dien wijn van hem te drinken,
dat een doode er trek in zou krijgen.

Toen messer Geri dat een of twee ochtenden gezien had, vroeg hij op den
derden: Wel, Cisti, is die goed! Cisti stond snel op en zeide: Zeker,
messere, maar ik kan het U niet doen begrijpen, als gij er niet van
proeft. Messer Geri, wien of de hitte van het weer of meer dan gewone
arbeid of misschien het smakelijk drinken, wat hij Cisti had zien doen,
dorst had gegeven, zeide glimlachend tot de gezanten gekeerd: Heeren,
het is goed, dat wij eens proeven van den wijn van dezen waarden
man; misschien is die zóó, dat wij er geen berouw van zullen hebben,
en met hen samen ging hij naar Cisti. Deze, die dadelijk een mooie
bank uit den winkel had laten halen, verzocht hen te gaan zitten en
zeide tot de knechts, die al vooruit kwamen om de glazen te vullen:
Metgezellen, ga achteruit en laat mij dien dienst verrichten, want ik
kan niet minder goed wijn mengen dan bakken. En wacht u er niet mee
er een teug van te proeven. Bij die woorden, na zelf vier schoone en
nieuwe bekers gespoeld te hebben, liet hij een kleine flesch van zijn
wijn komen, waarvan hij gedienstig messer Geri en zijn metgezellen
te drinken gaf. Het scheen hun de beste wijn, dien zij sinds lang
gedronken hadden; daarom na hem veel geprezen te hebben kwam messer
Geri, zoolang de gezanten daar bleven, elken morgen met hen drinken.

Toen hun zaken afgedaan waren en zij tot vertrek gereed waren, gaf
messer Geri een prachtig gastmaal, waaraan hij een groot deel van
de eerzaamste burgers uitnoodigde en ook Cisti, die er op geenerlei
voorwaarde wilde komen. Messer Geri beval daarop aan een van zijn
knechts aan Cisti een kleine flesch van diens wijn te gaan vragen en er
bij de eerste spijzen een halven beker per persoon van te schenken. De
knecht misschien zeer aanmatigend, omdat hij nooit van dien wijn
had kunnen drinken, nam een groote flesch, maar toen Cisti deze zag,
zeide hij: Mijn zoon, messer Geri heeft u niet tot mij gezonden. De
knecht beweerde herhaaldelijk het tegendeel, maar kreeg geen ander
antwoord, keerde naar messer Geri terug en vertelde hem dit. Hierop
antwoordde messer Geri: Ga terug en zeg hem, dat ik het deed en als
hij u weer zoo antwoordt, vraag hem dan naar wien ik u dan zend?

De knecht ging terug en zeide: Cisti, stellig zendt messer Geri
mij toch naar u. Cisti antwoordde: Mijn zoon, dat is bepaald niet
waar. Aan wien zendt hij mij dan? vroeg de knecht. Cisti hernam: Naar
de Arno. [116] De knecht berichtte dit aan messer Geri en dadelijk
gingen zijn geestesoogen hem open en sprak hij tot den knecht: Laat
mij de flesch zien, die gij medebrengt. Nadat hij die had gezien,
zeide hij: Cisti zegt de waarheid en na hem te hebben beschimpt liet
hij hem een passende flesch meenemen, Cisti zag de flesch opnieuw en
zeide: Nu weet ik zeker, dat hij u naar mij toezendt en hij vulde haar
met genoegen. Denzelfden dag liet hij een vat met dien wijn vullen
en liet dit zachtjes [117] naar het huis van messer Geri dragen,
ging er vervolgens zelf heen, vond hem en zeide: Messer, ik wilde
niet, dat gij gelooven zoudt, dat de groote flesch vanmorgen mij had
verschrikt, maar daar het mij scheen, dat gij vergeten waart, dat ik
mij aan u dezer dagen vertoond had met kleine flesschen, namelijk
met wijn die niet voor de bedienden is, heb ik u dit vanochtend
willen herinneren. Daar ik er niet langer op wil passen, heb ik u
dien doen toekomen; doe er thans mee wat gij wilt. Aan messer Geri
was het geschenk van Cisti zeer aangenaam en hij toonde hem zooveel
dank als passend was en hield hem daarna steeds in eere en tot vriend.



Derde Vertelling.

    _Monna Nonna de'Pulci maakt met een vlug antwoord aan de minder
    eerlijke scherts van den bisschop van Florence een einde._


Toen Pampinea haar vertelling geëindigd had, en zoowel het antwoord
als de vrijgevigheid van Cisti door allen zeer waren geprezen,
behaagde het aan de koningin, dat Laurella daarna zou spreken,
die vroolijk aldus met verhalen begon: Bekoorlijke donna's. Eerst
heeft Pampinea en nu Filomena inderdaad genoeg gesproken van ons
gebrek aan geest en de schoonheid van gevatte woorden, waartoe het
dus niet noodig is terug te keeren. Maar behalve dat, wat al van
antwoorden gezegd is, is hun hoedanigheid zoo, dat zij hen, die ze
verstaat, niet meer moeten bijten als schapen en niet als de hond,
want wanneer het woord zóó sterk bijt, dan is het geen scherts meer
maar een beleediging. Dit deden heel goed zoowel de woorden van
mevrouw Oretta als het antwoord van Cisti. Het is waar, dat, als men
tot verweer spreekt en hij, die dan antwoordt, bijt als een hond,
diegene mij niet te laken schijnt, die het eerst door een hond is
gebeten, daar dit anders niet zou gebeurd wezen en men moet dus er op
letten, hoe, wanneer en met wien en ook waar men schertst. Omdat een
onzer prelaten daar geen acht op gaf, ontving hij geen minderen beet,
dan hij gaf, wat ik u in een klein verhaal wil aantoonen. Toen messer
Antonio d'Orso bisschop was van Florence, een waardig en wijs prelaat,
kwam daar een catalaansch edelman, messer Dego [118] della Ratta,
maarschalk van koning Ruberto [119]. Daar die edelman zeer schoon
van lichaam was en een zeer groot liefhebber van vrouwen, bekoorde
onder de andere florentijnsche donna's hem er een, die zeer schoon
was en de nicht van een broeder des genoemden bisschops. Daar hij had
bemerkt, dat haar echtgenoot, van hoe goede familie ook, zeer gierig
was en slecht, kwam hij met hem overeen hem vijfhonderd goudguldens te
geven, als hij hem een nacht met zijn vrouw zou laten slapen. Daarom
liet hij zilveren popolijnen [120], die toen koers hadden, vergulden
en gaf hem die na met de vrouw te hebben geslapen, hoewel het tegen
haar zin was. Daar allen dit wisten, had de gemeene kerel er schade
bij en spot en de bisschop als wijs man deed of hij niets er van wist.

Daar de bisschop en de maarschalk veel met elkaar omgingen, zagen zij
op Sint Johannes [121] naast elkaar rijdend de donna's loopen langs
den weg, waar wedloopen werden gehouden, en bemerkte de bisschop een
jong meisje, dat de tegenwoordige pestziekte ons ontnomen heeft en
dat monna Nonna de'Pulci heette, een nicht van messer Messer Rinucci
en dat gij alle moet gekend hebben. Het was toen een frisch en een
mooi meisje, dat goed praatte en openhartig was van natuur.

Zij wachtte sinds een oogenblik haar man bij de poort van San
Piero. De bisschop toonde haar aan den maarschalk en toen hij bij
haar was, legde hij zijn hand op haar schouder en sprak: Nonna, hoe
bevalt U deze man. Gelooft gij hem te kunnen veroveren? Het scheen
aan Nonna, dat die woorden een weinig haar eer raakten en van dien
aard waren, dat die haar konden schandvlekken voor degenen,--en dat
waren er vele--die ze hoorden. Daarom niet bedoelend die besmetting
af te wisschen maar stoot om stoot te geven, antwoordde zij snel:
Messire, misschien zou hij overwinnen, maar ik zou dan geen valsch
geld vragen. Toen de maarschalk en de Bisschop zich gelijkelijk
aangetast voelden, de een als dader van een oneerlijke zaak jegens
de nicht van des bisschops broeder en de andere als degeen, die de
beleediging trof, omdat het zijn nicht was, gingen zij zonder elkaar
aan te zien beschaamd en zwijgend weg en spraken den heelen dag geen
woord meer. Zoo was het dus de jonge vrouw, die gebeten werd, niet
verboden anderen met scherts terug te bijten.



Vierde Vertelling.

    _Chichibio, kok van Currado Gianfigliazzi doet tot zijn
    redding met een vlug antwoord den toorn van Currado in lachen
    overgaan en ontsnapt aan het kwade lot, waarmee hij door
    Currado werd bedreigd._


Reeds zweeg Lauretta en werd Nonna ten hoogste door allen geprezen,
toen de koningin gelastte, dat Neifile zou volgen. Zij sprak:
Verliefde donna's. Hoewel de zwakheid van geest dikwijls vlugge en
nuttige en schoone woorden ingeeft aan hen, die ze zeggen al naar
de omstandigheden, komt ook dikwijls de fortuin vreesachtige lieden
te hulp en legt er hun opeens op de tong, die nooit met kalm brein
door den spreker zouden kunnen gevonden worden, wat ik U door mijn
novelle wil aantoonen. Currado Gianfigliazzi, gelijk elk van U het
heeft kunnen hooren en zien, is altijd beschouwd geworden als een edel
burger van onze stad. Vrijgevig en prachtlievend leidt hij een leven
van baanderheer, liefhebbert voortdurend met honden en vogels om nu
niet te spreken van zijn ernstiger werken. Hij had eens op een dag
met een van zijn valken bij Peretola [122] een kraanvogel gedood en
daar hij haar vet en jong vond, liet hij dien naar zijn kok brengen,
die Chichibio heette, een Venetiaan, en gelastte hem dien te braden
voor het avondmaal en haar wel te verzorgen. Chichibio, die net zoo
nieuwbakken van hersens was als hij er uitzag, maakte den kraanvogel
klaar, deed hem op het vuur en begon hem met ijver te braden. Toen die
zoo goed als gaar was en er een sterke geur van af kwam, kwam er een
vrouwtje van het land, Brunetta genaamd, waarop Chichibio zeer verliefd
was, in de keuken en toen zij den reuk van den kraan gewaar werd en
den vogel zag, verzocht zij Chichibio dringend er haar de dij van te
geven. Chichibio antwoordde haar zingend: _Gij zult haar niet van mij
hebben, donna Brunetta, gij zult haar niet van mij hebben._ Hierover
kwaad antwoordde Brunetta: Bij het geloof in God, als gij mij haar
niet geeft, zal je van mij nooit meer iets hebben, wat je bevalt. En
in korten tijd wisselden zij vele woorden. Tenslotte gaf Chichibio,
na een van de dijen losgesneden te hebben, die aan de donna om haar
niet boos te maken. Toen de kraan daarna opgediend was voor Currado en
een vreemdeling, dien hij had uitgenoodigd, zonder die dij, en Currado
daarover verwonderd was, liet hij Chichibio roepen en vroeg hem wat
daarmee gebeurd was. De domme Venetiaan antwoordde dadelijk: Signor,
de kraanvogels hebben maar één dij en één poot. Currado antwoordde
woedend: Wat duivel hebben ze maar een dij en een poot? Heb ik dan geen
andere kranen dan die gezien? Chichibio ging voort: Het is, mijnheer,
zooals ik U zeg en als het U aanstaat, zal ik het U bij de levenden
laten zien. Currado ter wille van den vreemdeling, die bij hem was,
wilde er verder geen woorden over hebben, maar zeide: Daar gij mij
zegt dit te zullen aantoonen bij de levenden, iets wat ik nooit heb
gezien of hooren zeggen, wil ik dit morgenochtend zien en zal dan
tevreden zijn, maar ik zweer u bij het lichaam van Christus, dat,
als het anders zal wezen, ik u zal tracteeren op een manier, dat gij
u tot uw schade mijn naam zult herinneren, zoolang gij hier zult leven.

Het onderhoud hield dus voor dien avond op en den volgenden morgen,
zoodra het dag werd, stond Currado, die door den toorn niet had
kunnen slapen, nog geheel prikkelbaar op en beval, dat de paarden
werden voorgebracht en nadat hij Chichibio op een hengst had laten
klimmen, zeide hij, terwijl hij hem naar een rivier leidde, aan welker
oever altijd bij den dageraad kraanvogels te zien waren: Nu zullen we
spoedig zien, wie gisterenavond gelogen heeft, gij of ik. Chichibio,
die zag, dat de toorn van Currado nog voortduurde en dat hij zijn
domheid bekennen moest en niet wist, hoe hij het doen moest, reed
in den grootsten angst van de wereld naast Currado en had graag, als
hij had gekund, willen vluchten, maar daar dit onmogelijk was, keek
hij dan weer vooruit en dan weer achteruit en op zijde en al, wat hij
zag, waren, meende hij, kraanvogels, die op twee pooten stonden. Maar
ternauwernood waren zij bij de rivier gekomen of het eerste wat zij
zagen, waren een twaalftal kranen, die allen op een poot stonden,
gelijk zij gewoon zijn, als zij slapen. Daarom wees hij ze ijlings
aan Currado en zeide: Gij kunt duidelijk genoeg zien, messer, dat ik
u gisteravond de waarheid heb gezegd, dat de kraanvogels maar een dij
en een poot hebben, als gij ziet naar hen, die daar staan. Currado
zeide bij het zien van deze: Wacht maar, tot ik je zal toonen,
dat ze er twee hebben en ze wat meer naderend, schreeuwde hij: _Ho,
ho,_ door welken kreet de kraanvogels de andere poot uitstaken en na
eenige treden begonnen te vluchten. Hierop zeide Currado tot Chichibio
gekeerd: Hoe lijkt het, je schelm? Schijnt het je nu, dat zij er twee
op na houden? Chichibio, geheel van streek, antwoordde, niet wetend,
hoe het in hem opkwam: Ja, messer, maar u hebt niet _Ho, ho,_ geroepen
tegen dien van gisteravond, want als U daartegen zoo hadt geschreeuwd,
had die ook de andere dij en den anderen poot uitgestoken, zooals
dezen hebben gedaan. Dit beviel zoo aan Currado, dat al zijn toorn in
goedmoedigheid en lachen veranderde en hij sprak: Chichibio, je hebt
gelijk; ik had dit moeten doen. Zoo vermeed Chichibio met zijn vlug
en aardig antwoord het kwade gevolg en verzoende zich met zijn meester.



Vijfde Vertelling.

    _Messer Forese van Rabatta [123] en meester Giotto, de
    schilder, komen van Mugello en bespotten elkaar onderweg over
    hun leelijk voorkomen._


Zoodra Neifile zweeg en de donna's veel genoegen hadden gehad in
het antwoord van Chichibio, sprak Pamfilo naar den wil der koningin:
Zeer geliefde donna's. Het gebeurt dikwijls, dat, gelijk de fortuin
onder lagere beroepen soms zeer groote schatten van deugd verbergt, wat
Pampinea kort te voren aantoonde, aldus ook in de leelijkste gedaanten
van menschen wonderbare geest door de natuur is neergelegd. Dit blijkt
zeer sterk bij twee onzer burgers, van wien ik u in 't kort hoop
te spreken. Want de een, die messer Forese van Rabatta heette, was
klein en misvormd van figuur met een plat en knorrig gezicht, zoodat
hij bij wien ook der Baronci [124] vergeleken nog leelijk zou geweest
zijn. Deze was zoo doorkneed in de kennis der wetten, dat hij door vele
bekwame mannen voor een heele boekenkast van rechtsgeleerdheid werd
gehouden. En de ander, die Giotto heette, had een zoo uitstekenden
geest, dat er niets was in de natuur, de moeder en de oorzaak aller
dingen door de voortdurende wenteling des hemels, dat hij niet met
het stilet, de pen of het penseel weer kon geven, dat zij daarop niet
slechts gelijkend maar eer de voorwerpen zelf schenen, zoodat het
zintuig van het gezicht der menschen, er door misleid, hen die deed
houden voor echt in plaats nagebootst. En daar hij die kunst weer in
het volle licht heeft gesteld, die vele eeuwen begraven was onder de
dwalingen van enkelen, die meer schilderden om de oogen der onwetenden
te bekoren dan den geest der kenners te voldoen, kan men met recht
hem een der stralen van Florence's glorie noemen. En dit des te meer,
omdat hij in leven als meester onder de anderen dien roem met zooveel
meer nederigheid verwierf, daar hij steeds weigerde meester genoemd
te worden. Deze titel door hem verworpen omglanst hem des te meer,
naarmate die met des te meer verlangen door hen, die minder dan hij
kenden of door zijn leerlingen gretig werd aangenomen. Maar hoewel zijn
kunst zeer groot was, was hij daarom nog niet van figuur of van aanblik
mooier dan messer Forese. Maar laat ik tot de geschiedenis overgaan:

Messer Forese en Giotto hadden in Mugello hun bezittingen en toen
messer Forese de zijnen was gaan zien, in dien tijd van den zomer
als de rechtbanken vacantie nemen en op een slecht karrepaard er heen
ging, ontmoette hij den reeds gezegden Giotto, die eveneens de zijnen
bezichtigd had en die naar Florence terugkeerde. Deze was noch door
zijn paard, noch door zijn bagage beter voorzien dan de ander en
als oude lieden vergezelden zij elkaar met langzamen gang. Gelijk
wij het dikwijls zien gebeuren, overviel hen een plotse stortbui,
die hen zoo spoedig ze konden deed vluchten in het huis van een boer,
met wien zij beide bevriend en bekend waren. Maar daar de regen na
eenigen tijd niet scheen te willen ophouden en zij denzelfden dag te
Florence wilden zijn, leenden zij van den landman twee oude mantels
van laken van Romagna en twee hoeden heelemaal rood van ouderdom,
omdat er geen beteren waren en begaven zich weer op weg. Toen zij
eenigen tijd waren voortgegaan en zich geheel doorweekt zagen en
smerig door de modderspatten, die de paarden met de pooten in menigte
opwierpen--wat ze er juist niet beter deed uitzien--en het weer
wat opklaarde, begonnen zij, die lang zwijgend waren voortgegaan,
te spreken. Messer Forese, die voortreed en naar Giotto luisterde,
welke een zeer goed prater was, begon hem van ter zijde, van boven
en overal te bekijken en daar hij er in elk opzicht zoo schandelijk
en ontoonbaar uitzag, begon hij zonder eenigen eerbied voor zijn
persoon te lachen en zeide: Giotto, als ons op dit oogenblik een
vreemde tegemoet kwam, die u nooit zou gezien hebben, gelooit gij,
dat hij zou wanen, in u den grootsten schilder van de wereld voor
zich te hebben gelijk gij zijt? Giotto antwoordde  snel: Messire,
ik geloof, dat hij het zou denken, wanneer hij u ziende, zou meenen,
dat u het a, b, c kent. [125] Toen messer Forese dit hoorde, erkende
hij zijn dwaling en zag zich met dezelfde munt betaald, waarmee hij
zijn koren verkocht had.



Zesde Vertelling.

    _Michele Scalza bewijst aan zekere jongelieden, dat de Baronci
    de oudste edellieden ter wereld zijn en van de Maremma en
    wint er een avondmaal mee._


De donna's lachten nog om het gevatte antwoord van Giotto, toen de
koning aan Fiammetta beval te volgen, die aldus begon te spreken:
Jonge dames. Pamfilo, [126] door aan de Baronci te herinneren,
die gij toevallig niet kent als hij, heeft mij een verhaal in het
geheugen geroepen, waarin zonder van ons onderwerp af te wijken,
u wordt aangetoond hoe groot hun adel was en daarom behaagt het mij
u dit te vertellen.

Nog niet lang geleden was er in onze stad een jonkman, Michele
Scalza genaamd, die de aardigste en aangenaamste mensch ter wereld
was en die de nieuwste nieuwtjes bij de hand had. Daarom zorgden
de florentijnsche jongelieden er wel voor hem in hun gezelschap te
hebben. Toen hij op een goeden dag met eenigen van hen te Mont' Ughi
was, deed zich onder hen de vraag op wie de edelste en oudste lieden
van Florence waren. Enkelen van hen beweerden, dat het de Uberti's
waren, en anderen de Lamberti's en deze die en gene weer anderen,
naar het hun inviel. Scalza hoorde deze, glimlachte en sprak: Ga heen,
simpelen, die jullie bent, gij weet niet, wat ge zegt: de edelste
en oudste lieden niet van Florence maar van de heele wereld en van
de Maremma [127] zijn de Baronci en alle philosoofjes en elk, die
ze kent, zijn het er met mij over eens. En opdat gij begrijpt, dat
ik van geen anderen dan van hen spreek, zeg ik u, dat ik de Baronci
bedoel, uw buren van Santa Maria Maggiore. Toen de jongelieden, die
van hem iets anders verwachtten, dit hoorden, begonnen zij allen met
hem te spotten en zeiden: Gij scheert met ons den gek, alsof wij de
Baronci niet zouden kennen als gij. Scalza zeide: Neen, bij de heilige
Evangeliën, ik zeg integendeel de waarheid, en indien er iemand onder
u is, die er een avondmaal om wil verwedden om dit aan te bieden aan
hem, die overwint, met de zes kameraden, die hem bevallen, zal ik mij
gaarne daartoe verbinden en nog meer: ik zal mij er bij onderwerpen
aan het oordeel van elk, dien gij wilt. Een van hen, Neri Mannini
sprak: Ik ben bereid om dit avondmaal te wedden en nadat zij het er
over eens waren geworden tot rechter Piero di Fiorentino te nemen,
in wiens huis zij woonden, gingen zij naar hem toe en al de anderen
om Scalza te zien verliezen en hem te plagen en vertelden alles,
wat door hem gezegd was.

Piero, die een voorzichtig jongmensch was en die eerst de woorden van
Neri had aangehoord, keerde zich daarna tot Scalza en zeide: En hoe
kunt gij bewijzen, wat gij beweert? Scalza antwoordde: Wat? Ik zal
het zóó bewijzen, dat niet alleen gij, maar hij, die het ontkent,
zal zeggen, dat ik de waarheid vertel. Gij weet, dat, naarmate het
geslacht van menschen ouder is, het ook als edeler beschouwd wordt
en daarvan was juist zoo pas onder hen sprake en de Baronci zijn
ouder dan eenige andere familie, zoodat zij edeler zijn en als ik
bewijs, dat zij de oudsten zijn, zal ik zonder twijfel bij de zaak
hebben overwonnen. Gij moet weten, dat de Baronci al geschapen zijn
door God den Heer in den tijd, dat hij schilderen begon te leeren,
maar de anderen in den tijd, toen Hij het kon. En om te weten, dat
ik hierin de waarheid zeg, herinner u daartoe de Baronci en de andere
menschen; waar gij alle anderen kunt zien met goed gebouwde gezichten
en behoorlijk van verhoudingen, kunt gij de Baronci zien: den een met
een heel lang en smal gelaat, den ander met een buitengewoon breed
gezicht en dezen met een heelen langen neus en dien met een korten en
genen met de kin vooruit en om zich zelf gebogen en met kaken, welke
die van een ezel schijnen. En deze heeft het eene oog grooter dan het
andere en die nog het eene lager dan het andere gelijk de gezichten
plegen te wezen, welke de kinderen maken, als zij pas beginnen teekenen
te leeren. Daaruit, zooals ik reeds zeide, blijkt voldoende, dat God
de Heer ze maakte toen hij leerde schilderen, zoodat zij aldus ouder
zijn dan de andere lieden en daardoor adellijker. Hierover dachten toen
zoowel Piero, die scheidsrechter was als Neri, die om het avondmaal
had gewed en ieder ander en nadat zij de geestige redeneering van
Scalza hadden gehoord, begonnen allen te lachen en te bevestigen,
dat Scalza gelijk had en dat hij het avondmaal gewonnen had en dat
voorzeker de Baronci de edelste en de oudste familie waren niet slechts
van Florence, maar van de wereld en van de Maremma. En het is daarom,
dat Pamfilo, die de leelijkheid van het gezicht van messer Forese
wou weergeven, met recht had gezegd, dat hij leelijk had geschenen
naast een der Baronci.



Zevende Vertelling.

    _Madonna Filippa wordt door haar echtgenoot met een minnaar
    gevonden en voor de rechtbank geroepen. Zij bevrijdt zich
    met een vlug en aardig antwoord en doet de wet wijzigen._ [128]


Reeds zweeg Fiammetta en nog lachte iedereen om de nieuwe redeneerwijze
door Scalza gebruikt om boven allen de Baronci tot den adel te rekenen,
toen de koningin aan Filostrato beval te vertellen en hij begon te
zeggen: Waardige donna's. Het is een schoone zaak in alle opzichten
goed te kunnen spreken, maar ik vind dit het schoonste het dáár te
kunnen doen, waar de noodzakelijkheid het vereischt. Dit verstond
een edelvrouw, waarvan ik wil spreken, die niet alleen haar hoorders
tot vroolijkheid en lachen bracht, maar zich uit de strikken van een
smadelijken dood losmaakte gelijk gij zult hooren.

In de gemeente van Prato bestond vroeger een wet, waarlijk niet minder
schandelijk dan hard, welke zonder eenig onderscheid te maken beval,
dat de vrouw verbrand moest worden, welke door den echtgenoot met een
minnaar op overspel werd betrapt evenals die, welke voor geld met een
ander man gevonden werd. Terwijl die wet bestond, werd een edelvrouw,
schooner en verliefder dan welke andere ook, die madonna Filippa
heette, in haar eigen kamer op een nacht gevonden door Rinaldo de'
Pugliesi, haar man, in de armen van Lazzarino de' Guazzagliotri,
een adellijk en knap jonkman uit die gemeente, dien zij meer dan
zich zelf lief had. Toen Rinaldo dat zag, weerhield hij zich zeer
verwoed ternauwernood ze na te zitten en ze te vermoorden en indien
hij niet aan zich zelf getwijfeld had, had hij het, den aandrang van
zijn toorn volgend, gedaan. Daar hij zich daarvan weerhouden had,
kon hij zich niet bedwingen dat te wenschen door de wet van Prato,
wat hem zelf niet veroorloofd was teweeg te brengen, namelijk
den dood van zijn vrouw. En daar hij om de schuld van de donna te
bewijzen genoegzame gegevens had, liet hij, zoodra het dag werd,
zonder verder raad in te winnen en de vrouw te hebben aangeklaagd,
haar voor het gerecht roepen. De donna, die een groot hart had, gelijk
gewoonlijk zij plegen te hebben, die van nature hartstochtelijk zijn,
was, hoewel haar ouders en vrienden het haar afraadden, geheel gereed
te verschijnen en zij wilde liever door de waarheid te bekennen met
sterke ziel sterven dan laf vluchten, bij verstek veroordeeld in
ballingschap leven en zich onwaardig toonen jegens zulk een minnaar,
in wier armen zij den verloopen nacht had doorgebracht.

Terwijl zij vergezeld was van een groot aantal donna's en mannen, en
door allen werd aangeraden te ontkennen, vroeg zij voor den magistraat
met een flink gelaat en een vaste stem, wat hij van haar wilde. De
magistraat, die haar aanzag en vond, dat zij zeer schoon was en
van zeer lofwaardige manieren en gelijk haar woorden het getuigden,
van grooten moed, begon medelijden met haar te krijgen en vreesde,
dat zij dat zou bekennen, waardoor hij haar moest doen sterven,
terwijl hij haar eer wilde redden. Maar toch, daar hij zich niet kon
onthouden haar te vragen, wat hem haar had doen dagvaarden, zeide
hij tot haar: Madonna, gelijk gij ziet, is hier Rinaldo, uw man en
hij beklaagt zich over U, van wie hij zegt, dat hij U met een ander
man op echtbreuk heeft betrapt; en daarom vraagt hij, dat ik volgens
een wet hier geldig, U daarvoor straf door U te doen sterven; maar ik
kan dat niet doen, wanneer gij het niet bekent en pas daarom wel op
wat gij antwoordt en zeg mij of het waar is, waarvan Uw echtgenoot U
beschuldigt. De donna, zonder een oogenblik te vreezen, antwoordde
met zeer bekoorlijke stem: Messire, het is waar, dat Rinaldo mijn
echtgenoot is en dat hij mij in den afgeloopen nacht in de armen
vond van Lazzarino, waarin ik door de goede en volmaakte liefde,
die ik hem toedroeg, dikwijls was en dit zal ik nooit ontkennen,
maar gelijk ik zeker ben, dat U bekend is, moeten de wetten gelijk
zijn en gemaakt met de toestemming van hen, op wien zij betrekking
hebben. Dat gebeurt evenwel niet, daar zij alleen de arme vrouwen
dwingt, welke veel beter dan de mannen voor vele wetten bevoegd zouden
zijn. En bovendien heeft geen enkele donna, toen die wet gemaakt werd,
er niet alleen geen toestemming bij gegeven, maar geen een werd er
bij geraadpleegd; daarom mag men die terecht slecht noemen. En indien
gij daar de uitvoerder van wilt zijn ten koste van mijn lichaam en
ziel, ben ik tot Uw beschikking, maar eer gij voortgaat met eenige
zaak te beoordeelen bid ik U, dat gij mij een kleine gunst bewijst,
namelijk dat gij mijn man vraagt of ik elken keer en zooveel keer
als hem beviel zonder ooit te weigeren uit mij zelf mij hem geheel
overgaf of niet. Hierop antwoordde Rinaldo zonder af te wachten, wat
de rechter zou vragen, haastig, dat de vrouw zonder eenigen twijfel
aan elk verlangen van hem geheel tot zijn genoegen had voldaan. Dan,
vervolgde de donna gevat, mijnheer de rechter, indien hij altijd
van mij heeft gekregen, wat hij noodig had en begeerde, wat moest
ik of wat moet ik doen met wat hij mij vrij laat? Moet ik dat aan de
honden voor werpen? Is het niet beter er een edelman mee te dienen,
die mij meer dan zich zelf lief heeft dan het verloren te doen gaan
of het te laten bederven?

Bij dit onderzoek van zulk een bekende vrouw waren alle bewoners van
Prato toegeloopen, die na deze geestige vraag lachend als met één stem
schreeuwden, dat de donna gelijk had. Op aanraden van den rechter,
veranderde men de wreede wet zóó, dat deze alleen betrekking had op
die vrouwen, welke voor geld ontrouw werden. Rinaldo verliet verlegen
het verhoor en de donna ging in glorie vroolijk naar huis.



Achtste Vertelling.

    _Fresco dringt bij zijn nicht aan niet in een spiegel te
    kijken, wanneer haar het zien van leelijke menschen hinderde._


De novelle verhaald door Filostrato trof de harten van de donna's met
eenige schaamte en zij gaven er met een eerbaren blos zichtbaar op
hun gelaat blijk van en toch konden zij zich ternauwernood van lachen
onthouden. Toen hij tot het einde gekomen was, keerde de koningin
zich tot Emilie en gelastte, dat die zou volgen. Deze verhief zich,
alsof zij uit den slaap opstond en begon zuchtend: Verliefde,
jonge dames. Omdat een langdurige gedachte mij hier ver vandaan
heeft gevoerd, zal ik gedwongen zijn onze koningin te gehoorzamen,
misschien met een korter historie dan wanneer ik met mijn geest hier
aanwezig was geweest. Ik zal u de zotte dwaling vertellen van een
meisje, dat door een scherts van een harer ooms zou verbeterd zijn,
zoo zij verstandig genoeg was geweest hem te hebben begrepen.

Een zekere Fresco van Celatico had een nicht, schertsend Ciesca
genaamd, die hoewel zij schoon was van vorm en gelaat, toch niet zoo
engelachtig was als dikwijls het geval is en zich zoo edel waande,
dat zij gewoon was mannen, vrouwen en alles te laken, zonder er op
te letten, dat zij zelf onbehagelijker en driftiger dan eenige andere
donna was. Zij was zoo trotsch, alsof zij tot de dynastie der koningen
van Frankrijk behoord had. Als zij op straat liep, scheen zij zoo
sterk de lucht van verbrand vuil te ruiken, dat zij niets deed dan
haar neus snuiten, alsof zij bij iedereen stank bespeurde. Bovendien
had zij nog vele andere, hinderlijke manieren. Zij ging eens naar huis
teruggekeerd, waar Fresco was, zitten, vol landerigheid en deed niets
dan zuchten. Fresco vroeg haar: Ciesca, waarom zijt gij, terwijl het
heden feest is, zoo spoedig naar huis terug gekeerd? Zij antwoordde
geheel uit de hoogte door zotheid: Omdat ik geloof, dat er nooit op de
wereld zooveel onaangename en vervelende menschen zijn geweest als nu;
er is er niet een op straat of die mishaagt mij als de duivel. En ik
geloof niet, dat er een vrouw op de wereld is, wien het hinderlijker
is al die nare gezichten te zien en om daar niet naar te kijken ben
ik naar huis gegaan.

Fresco, wien de manieren van zijn nicht zeer hinderden, antwoordde:
Meisje, als de onaangename gezichten je zoo verdrieten en je toch
blijmoedig wilt leven, kijk dan nooit in den spiegel. Maar zij van
ziel zoo hol als een riet en die Salomo meende te evenaren, verstond
de ware beteekenis der scherts van Fresco niet beter dan een schaap:
Integendeel, zeide zij, ik wil mij zelf zien als de andere vrouwen
en zoo bleef zij in haar stompzinnigheid en is nog zoo.



Negende Vertelling.

    _Guido Cavalcanti beleedigt in beleefde termen zekere
    florentijnsche ridders, die hem hadden verrast._


Toen de koningin bemerkt had, dat Emilia haar verhaal had verteld en
dat behalve degeen, die het voorrecht had, het laatst te spreken,
zij dit nog moest doen, begon zij aldus: Lieve donna's. Hoewel gij
mij twee van de novellen ontnomen hebt, die ik wilde verhalen, is er
mij één overgebleven, waarvan het slot een zoo aardig antwoord bevat,
dat er misschien nooit een met zulk een diepen zin gezegd is.

Gij moet dan weten, dat er vroeger in onze stad veel schoone
en lofwaardige gebruiken bestonden, waarvan er slechts een is
overgebleven, dank zij de gierigheid, die tegelijk met den rijkdom
is toegenomen en de eersten er uit verdreven heeft. Een van die
gewoonten was, dat de edellieden zich op verschillende plaatsen in
Florence verzamelden en groepen vormden en slechts hen toelieten,
die de kosten konden dragen. Zij hielden dan bij den een, dan bij
den ander open tafel. Zij noodigden dikwijls vele vreemde edellieden
en ook burgers uit. Eens per jaar minstens kleedden zij zich op
dezelfde wijze en de adellijksten reden te paard, hielden wapenspelen
en dikwijls bij voorname feesten of als een of ander blij bericht
van overwinning of van iets anders de stad had bereikt. Onder deze
gezelschappen was er een van messer Betto Brunelleschi [129], messer
Betto, die met zijn metgezellen dikwijls zijn best had gedaan, Guido,
den zoon van Cavalcante de'Cavalcanti te halen, omdat hij behalve
een der beste redenaars ter wereld een uitstekend natuur-philosoof
(het gezelschap gaf daar weinig om) en heel aardig was, wel bemind,
zeer bespraakt en omdat hij beter wist, wat hem paste dan welk edelman
ook. Hij was zeer rijk en wist volgens alle eischen te ontvangen. Maar
messer Betto was er bij hem nooit in geslaagd dit gedaan te krijgen
en hij en zijn kameraden geloofden, dat het kwam, omdat Guido in
zijn bespiegelingen zeer afgezonderd van de menschen leefde. En omdat
hij in eenige opzichten van de meening der Epicuristen was, zeide de
groote menigte, dat hij met zijn bespiegelingen geen ander doel had
dan om te bevinden, dat er geen God was.

Eens was Guido vertrokken van den Tuin van San Michele en langs de
renbaan van Adimari tot San Giovanni gekomen. Er waren toen rondom San
Giovanni groote graven in marmer en steen, die thans zich bevinden in
Santa Reparata. Toen hij tusschen de zuilen van porfier [130] gekomen
was, en die graven en de poort van San Giovanni, welke gesloten was
kwam messer Betto met zijn gezelschap over het Santa Reparata-plein en
toen ze Guido tusschen die graven zagen, zeiden ze: Laten we hem eens
plagen. Ze gaven hun paarden de sporen, alsof zij voor de grap een
aanval op hem deden, waren achter hem, voor hij het merkte en zeiden
hem: Guido, gij weigert ons gezelschap, maar kijk, als gij bevonden
zult hebben, dat God niet bestaat, wat zult gij dan doen? Hierop
antwoordde Guido vlug, die zich door hen ingesloten zag: Heeren, u
kunt mij bij u thuis zeggen, wat gij wilt, en nadat hij zijn hand op
een van die graven had gelegd, die groot waren, sprong hij er licht
over heen en kwam aan den anderen kant en ging van hen bevrijd heen.

Zij keken elkander aan en zeiden tegen elkander, dat Guido zijn hoofd
verloren had en dat, hetgeen hij gezegd had, niets beteekende, omdat
het er zóó mee stond, dat zij daar niets meer te vertellen hadden
dan alle andere burgers en Guido niet minder dan een van hen. Messer
Betto keerde zich toen tot hen en zeide: Gij zijt leeghoofden,
als gij niet hebt begrepen, dat hij goed en in weinige woorden de
grootste beleediging van de wereld heeft gezegd. Want deze graven
zijn de huizen der dooden, omdat de dooden daarin liggen en blijven,
welke hij onze huizen noemt om ons te toonen, dat wij en de andere
menschen dwazen en en ongeletterden zijn vergeleken bij hem en andere
wetenschappelijke mannen en minder dan dood zelfs en daarom zegt hij,
zijn wij tehuis. Toen begreep ieder met schaamte, wat Guido had willen
zeggen; nooit hinderden zij hem meer en hielden van af dat oogenblik
messer Betto voor een slim en verstandig ridder.



Tiende Vertelling.

    _Broeder Cipolla belooft aan een paar boeren, hun een veer
    te toonen van den engel Gabriël. Hij vindt daarvoor in de
    plaats kolen en hij zegt hun, dat het die zijn, waarmee Sint
    Laurentius geroosterd is._ [131]


Toen ieder met vertellen gereed was, wist Dioneo, dat het zijn beurt
was. Daarom geen plichtgevoel afwachtend, legde hij allen stilte
op, die het scherpe woord van Guido prezen en begon: Bekoorlijke
donna's. Hoewel ik het voorrecht heb te zeggen, wat mij het meest
behaagt, wil ik heden niet afwijken van onderwerp, waarover gij allen
zeer verstandig gesproken hebt. Maar ik wil u aantoonen met welk een
voorzichtigheid en onverwacht een der broeders van Santo Antonio aan
een strik ontsnapte hem door twee jongelieden gespannen.

Certaldo is een burcht in den Val d'Elsa in ons graafschap gelegen,
dat, hoe klein ook, vroeger door edele en welgestelde lieden werd
bewoond. Daar hij er veel geld kreeg, had frate Cipolla een der
broeders van Santo Antonio de gewoonte er eens per jaar langen
tijd heen te gaan, om er de aalmoezen, gegeven door stommelingen,
in te zamelen. Hij was er gezien niet minder om zijn naam dan door
vroomheid, daar die plaats de best bekende uien [132] voortbrengt van
geheel Toscane. Cipolla was klein van gedaante, rood van haar, van een
vroolijk uiterlijk, een gezellig man en behalve dat, hoewel hij niets
wist, was hij zoo'n goed en handig spreker, dat wie hem niet kende,
hem niet slechts voor een groot redenaar zou gehouden hebben, maar
voor Cicero zelf of misschien voor Quintilianus en daarom was hij van
allen in die streek de vertrouwde, de vriend of de beschermer. Daar
hij volgens zijn gewoonte op een Zondagmorgen in de maand Augustus
gekomen was en de mannen en de vrouwen van de naburige dorpen in de
hoofdkerk naar de mis waren gegaan, sprak hij: Dames en heeren. Het
is uw gewoonte elk jaar aan de armen van baron messer Santo Antonio
van uw graan en haver te sturen elk naar zijn vermogen en vroomheid,
opdat de zalige Santo Antonio Uw ossen en ezels en varkens en schapen
onder zijn bescherming neemt. En in het bijzonder betaalt gij hen,
die bij onze broederschap zijn ingeschreven, den kleinen cijns, die men
eens per jaar opbrengt. Ik ben door mijn meerdere, dat is de heer abt,
gezonden om U daaraan te herinneren en daarom met Gods zegen, als gij
de klokken zult hooren luiden na den noen, zult gij hier komen buiten
de kerk, waar ik ook tot U zal spreken en gij het kruis zult kussen. Ik
ken U allen als zeer devoot jegens den baron, messer Antonio, en zal U
door bijzondere genade een zeer heilig en zeer schoon reliek toonen,
dat ik zelf uit het Heilige Land van over zee hebt meegebracht, een
der veeren van den engel Gabriel, die in de kamer van de Maagd Maria
achterbleef, toen hij haar de Boodschap bracht in Nazareth. Er waren,
toen broeder Cipolla deze woorden sprak, twee zeer sluwe jongelieden
in de kerk, Giovanni del Bragoniera en Biagio Pizzini. Nadat zij een
weinig gelachen hadden over het reliek van broeder Cipolla, stelden
zij elkaar voor, hoewel zij met hem bevriend waren hem met die veer
een poets te bakken.

Zij wisten, dat broeder Cipolla dien ochtend in het kasteel ontbeet
met een van zijn vrienden en zoodra zij hem daar aan tafel bemerkt
hadden, gingen zij naar de herberg, waar de monnik was afgestapt na
overeengekomen te zijn, dat Biagio den knecht van broeder Cipolla
aan de praat moest houden en Giovanni dan onder de bagage van den
broeder naar die veer zou zoeken en die stelen. Broeder Cipolla had
een knecht, Guccio Balena, door anderen Guccio Imbratta en Guccio
Porco genaamd. Hij was zoo leelijk, dat Lippo Topo nooit zijn
gelijke geschilderd heeft. Broeder Cipolla maakte er dikwijls met
zijn gezelschap gekheid over en zeide van hem: Mijn knecht bezit
negen eigenschappen en als een in het bezit was geweest van Salomo,
Aristoteles of Seneca, was die voldoende geweest om hun deugd, hun
verstand en hun heiligheid te bederven. Denk eens na en hij heeft
er negen, die er noch deugd, noch verstand, noch heiligheid op na
houdt. Als men hem soms vroeg naar die negen dingen, antwoordde hij,
die ze op rijm had gebracht: Hij is langzaam, vuil en leugenachtig,
slordig, ongehoorzaam, kwaadsprekend, zorgeloos, zonder geheugen
en ongemanierd. Bovendien heeft hij nog andere ondeugden, waarover
het beter is te zwijgen. En het lachwekkendst is, dat hij overal een
vrouw wil nemen en een huis huren. Omdat hij een grooten, zwarten en
glanzenden baard heeft, gelooft hij zoo mooi te zijn en aardig, dat
alle vrouwen die hem zien, verliefd op hem worden en als men hem liet
gaan, zou hij ze naloopen, tot hij er zijn gordel bij verloor. Het
is waar, dat hij voor mij een groote steun is, omdat er niemand is,
hoe vertrouwelijk hij ook met mij mee spreekt, of mijn knecht moet
er het zijne van weten en vraagt men mij iets, dan is hij zóó bang,
dat ik niet zal weten te antwoorden, dat hij dadelijk ja of neen zegt,
al naar hij 't het best acht. Broeder Cipolla had hem in de herberg
achtergelaten en hem gelast op te passen, dat niemand zijn knapzakken
zou aanraken, omdat zich daarin heilige dingen bevonden. Maar Guccio
Imbratta, die nog verlangender was in de keuken te zijn dan een
nachtegaal op de groene takken en vooral als hij er een dienstmeid zag,
had in dien van den waard er een gevonden vet, dik, klein en mismaakt
en met een paar borsten, die twee mestmanden leken en met een gezicht,
dat aan de Baronci herinnerde, en erg zweetend, smerig en berookt;
daarop wierp hij zich als een gier op aas en liet de kamer van broeder
Cipolla in den steek. Hoewel het Augustus was, ging hij bij het vuur
zitten, begon met haar, die Nuta heette, een gesprek, zeide, dat hij
volgens getuigenis van een procureur edelman was en dat hij meer dan
duizende florijnen rijk was, zonder te rekenen wat hij aan anderen
schuldig was en dat hij tot meer in staat was dan God zelf. Zonder
te letten op haar muts, waarop zulk een laag vet was, dat zij er den
soepketel van Altopascio [133] mee had kunnen klaar maken, en op haar
verscheurde en gelapte schort. Om haar hals en oksels zat vuil zweet
en meer vlekken en kleuren dan ooit tartaarsche of indische kleeden
vertoonden en hij zeide haar, alsof hij heer van Castiglione was, dat
hij haar goed wilde kleeden, haar uit die ellende bevrijden anderen
te dienen en haar de hoop te geven op meer fortuin en vele andere
dingen. En hoewel hij het op zeer welgezinden toon zeide, verging
het in den wind en er bleef niets van over gelijk de schoonsten van
zijn ondernemingen. De twee jongelieden vonden aldus Guccio Porco
[134] met Nuta bezig. Verheugd door die omstanstandigheid, traden
zij in de kamer van broeder Cipolla; het eerste wat zij zochten,
was de knapzak, waarin de veer lag. Toen zij die openden, vonden zij
een klein kistje; zij ontsloten dit, ontdekten er een veer in uit
een papagaaienstaart en meenden, dat dit degene moest zijn, die hij
beloofd had te vertoonen. En allicht kon hij dat in die tijden doen
gelooven, omdat nog niet de weeldeartikelen van Egypte, tenzij in een
klein deel in Toscane waren ingevoerd en zij hadden zelfs nog nooit
van papagaaien gehoord. De jongelingen, blijde die veer gevonden te
hebben, namen die mede en het kistje vulden zij met kolen, die zij in
een hoek in de kamer zagen. Na het weer te hebben gesloten gingen zij,
ongezien, verheugd heen. De onnoozele menschen, die in de kerk waren,
vernamen, dat zij na den noen de veer van de engel Gabriël zouden
zien. De eene buurman vertelde het aan gene en de eene buurvrouw
aan de andere en zoodra ieder had gemiddagmaald; liepen zij naar het
kasteel en vonden er ternauwernood plaats en wachtten af om die veer
te zien. Broeder Cipolla, die goed gegeten had en een weinig geslapen
en de menigte boeren zag, beval aan Guccio Imbratta te zeggen, dat hij
met de heiligenklokjes naar het slot zou opklimmen en zijn knapzakken
zou brengen. Guccio rukte zich met moeite uit de keuken van Nuta en
ging met de gevraagde dingen naar boven. Toen hij daar was aangekomen,
ging hij op last van frater Cipolla naar de deur van de kerk en begon
met kracht de klokken te luiden.

Frate Cipolla begon, daar hij er niets van had gemerkt, dat zijn bagage
veranderd was, zijn preek en zeide tot staving van de feiten vele
woorden. Hij moest nu de veer vertoonen, zeide met groote plechtigheid
het _Confiteor_ op, liet twee toortsen aansteken, wikkelde zacht het
taf los en na eerst zijn kap te hebben afgenomen haalde hij het kistje
te voorschijn. Eerst sprak hij eenige zinsneden uit tot lof en eer van
den engel Gabriël en van zijn reliek en opende toen het kistje. Hij zag
het met kolen gevuld en dacht, dat Guccio Baleta hem dat niet geleverd
had, omdat hij hem er niet toe in staat rekende en hij schold hem even
uit, omdat hij het zoo slecht bewaakt had en begreep, dat anderen hem
dit hadden gedaan, maar hij vervloekte in stilte zich zelve, dat hij
het bewaren van zijn goed had opgedragen aan hem, dien hij kende als
slordig, ongehoorzaam, zorgeloos en kort van geheugen. Doch zonder
van kleur te verschieten hief hij het gelaat en de handen ten hemel en
sprak luide: O Heer, steeds zij uw macht geprezen. Hij sloot het kistje
en sprak tot de menigte: Dames en heeren. Gij moet weten, dat ik, toen
ik nog zeer jong was, door mijn meerdere gestuurd werd naar dat deel
der wereld, waar de zon opgaat en mij werd opzettelijk gelast, dat ik
zou zoeken tot ik er de bullen van den grooten Porcellana zou vinden,
welke hoewel ze niets kosten om ze zegelen, meer voor anderen van nut
zijn dan voor ons. Ik ging op reis, vertrok uit Vinegia en kwam langs
den Burcht der Noordoostwinden, reed vandaar door het koninkrijk van
Garbo en Baldacca, bereikte Parione en vandaar uit, niet zonder dorst,
kort daarna Sardigna. Maar waarom zal ik u van alle landen spreken,
die ik heb doorzocht! Ik kwam, nadat ik het kanaal was overgestoken,
den arm van San Giorgio genaamd, in Truffia [135] en Ruffia [136],
zeer bevolkte rijken en vandaar kwam ik in het gebied van Menzogna
[137], waar ik vele van onze broeders en van andere godsdiensten vond,
die allen den arbeid ontweken uit liefde tot God en zich om weinig
bekommerden, mits zij er voor zich zelf voordeel in zagen en veel
geld verkwistten. Vandaar trok ik naar het gebied der Abruzzen [138],
waar de mannen en vrouwen op klompen over de bergen gaan en de varkens
met hun eigen darmen aankleeden [139] en dicht daarbij vond ik lieden,
die het brood op stokken en den wijn in zakken dragen. Vandaar kwam ik
bij de bergen van Bacchus, waar alle wateren naar beneden loopen en in
korten tijd drong ik zoo ver door, dat ik India Pastinaca bereikte,
waar ik u zweer bij mijn ordekleed, dat ik de snoeimessen [140] zag
vliegen, iets ongeloofelijks. Maar dit kan mij zelfs Maso del Saggio
niet ontstrijden, den grooten koopman, dien ik daar vond, die noten
kraakte en de schalen als afval verkocht. Maar omdat ik niet vinden
kon, wat ik zocht, keerde ik terug en kwam in het Heilige Land, waar
in den zomertijd het oudbakken brood vier denari kost en het versche
voor niets wordt verkocht. En daar vond ik den eerwaardigen vader,
messer Nonmiblasmete Sevoipiace [141], den allereerwaardigsten
patriarch van Jerusalem, die uit eerbied voor het ordekleed van
baron messire Sint Antonius wilde, dat ik al de heilige relieken
zag, die hij bij zich had. En er waren er zooveel, dat ik, zoo ik ze
allen wilde tellen, tot verscheidene duizenden zou komen. Maar toch
om U niet zonder troost te laten, zal ik U er eenigen noemen. Eerst
toonde hij mij den vinger van den Heiligen Geest zoo volledig en gaaf,
als die ooit is geweest en de kuif van den Serafijn, die aan Sint
Franciscus verscheen en een der nagels van de Cherubijnen, een der
ribben van het vleesch geworden Woord aan de vensters uitgestald,
kleeren van het katholieke Heilig Geloof, eenige stralen der Ster,
die aan de drie Magiërs in het Oosten verscheen, een flesch vol zweet
van den heiligen Michael, toen hij tegen den Duivel vocht, de kaak als
doodsbeen van Sint Lazarus en anderen. En daar ik hem gul een afschrift
schonk der plagiaten van Monte Morello in de volkstaal en van eenige
hoofdstukken van Caprezio, die hij lang had gezocht, maakte hij mij
deelgenoot van zijn heilige relieken en gaf mij een der nagels van
het Heilige Kruis en een klein fleschje gevuld met een weinig klank
der klokken van den tempel van Salomo, de veer van den engel Gabriël,
waarvan ik U gesproken heb en een der klompen van San Gherardo da
Villa Magna, welke ik onlangs te Florence aan Gherardo van Bonsi gaf,
die er een zeer grooten eerbied voor heeft. Ook gaf hij mij kolen,
waarop de gelukzalige martelaar Sint Laurentius gebraden werd. Deze
dingen heb ik alle meegebracht en ik heb ze allen bij mij.

Het is waar, dat mijn meerdere mij nooit heeft toegestaan die te
vertoonen, voor hij er zeker van was, dat ze echt waren. Maar nu
het door zekere wonderen van hen uitgegaan en door brieven ontvangen
van den Patriarch zeker is, heeft hij mij dit veroorloofd, maar ik,
bevreesd ze aan anderen toe te vertrouwen, draag die altijd bij
mij. Ik draag de veer van den engel Gabriel, opdat die niet bederft,
in een kistje en de kolen, waarop San Lorenzo gebraden werd in een
ander. Dezen zijn zoo aan elkaar gelijk, dat ik dikwijls het eene voor
het andere aanvat; dat is mij nu gebeurd, want ik dacht het kistje
met de veer te hebben meegenomen en nu heb ik dat meegedragen met de
kolen. Ik geloof niet, dat dit het gevolg alleen van een dwaling is
maar Gods wil, daar ik mij herinner, dat het feest van San Lorenzo
binnen twee dagen plaats heeft. En daar God wenschte, dat ik door U
de kolen te toonen, waarmee hij gebraden is, in Uw zielen weer het
vuur der vroomheid doe opvlammen, heeft Hij mij de gezegende kolen
bedropen van de vochten uit dat heilige lichaam doen meenemen.

Daarom, gezegende zonen, neem Uw kappen af en nader vroom om ze te
aanschouwen. Maar weet eerst, dat elk, die door die kolen gemerkt wordt
met het teeken des Kruises, het heele jaar er zeker van kan zijn, dat
het vuur hem niet zal aanraken zonder dat hij het voelt. Na die woorden
zong hij een loflied voor San Lorenzo, opende het kistje en toonde
de kolen. Toen de dwaze menigte met vrome bewondering alles had gade
geslagen, drongen allen naar broeder Cipolla en gaven hem een beter
offerande dan gewoonlijk. Broeder Cipolla begon met de kolen in de
hand op de witte hemden, op de keurslijven en de sluiers der vrouwen
de grootste kruisen te trekken, die er op konden staan, denkend,
dat hoe meer die versleten, hoe meer ze het kistje met geld zouden
vullen gelijk hij meermalen ondervonden had. Na op die wijze niet dan
tot zijn grootste voordeel al de Certaldeezen te hebben bekruist,
deed hij door zijn tegenwoordigheid van geest hen de bedrogenen
blijven, die hem voor den mal dachten te houden. Zij waren bij de
preek tegenwoordig geweest en daar zij het nieuwe verdedigingsmiddel,
door hem aangewend, hadden gehoord, hadden zij zoo gelachen, dat zij
dachten hun kaken er bij te verliezen. En toen de menigte vertrokken
was, gingen zij naar hem toe en bekenden met genoegen, wat zij hadden
uitgehaald en gaven hem zijn veer terug, welke hem het volgende jaar
niet minder opbracht dan dien dag de kolen.

Deze historie schonk aan het heele gezelschap groot genoegen en vermaak
en het meest toen broeder Cipolla sprak van zijn pelgrimstocht en
over de relieken door hem aanschouwd en medegebracht. De koningin zag
haar heerschappij geëindigd en stond op, nam den krans en plaatste
dien lachend op het hoofd van Dioneo en zeide: Het is tijd, Dioneo,
dat gij een weinig den last gewaar wordt van donna's te regeeren en
te leiden. Wees dus koning en bestuur ons aldus, dat als uw rijk uit
is, wij U moeten prijzen. Dioneo antwoordde met een lach, de kroon
aanvaardend: Gij kunt er reeds velen gezien hebben, ik meen koningen
van het schaakbord, die meer waard zijn dan ik, maar zeker, indien
gij mij gehoorzaamt gelijk men een koning eerbiedigt, zal ik u daarvan
doen genieten zonder hetwelk zeker geen feest volmaakt vroolijk is. Ik
zal regeeren, zoo goed ik kan. En nadat hij volgens de gewoonte den
hofmeester had laten komen, gelastte hij hem, wat hij te doen had,
zoolang zijn heerschappij duurde en sprak daarna:

Waardige donna's. Er is op zoo verschillende manieren over menschelijke
bekwaamheid en de verschillende voorbeelden daarvan gesproken, dat,
als juffrouw Licisca niet kort geleden hier was gekomen om mij stof te
geven voor de aanstaande vertellingen van morgen, ik er aan twijfel,
of het mij niet veel moeite zou gekost hebben een onderwerp te kunnen
vinden om over te spreken. Zij, gelijk gij hoorde, zeide, dat zij geen
buurvrouw had, die als maagd tot haar echtgenoot was gegaan en zij
voegde er aan toe, dat zij wel wist hoe vele en hoedanige streken de
getrouwde vrouwen nog aan hun mannen hadden geleverd. Maar het eerste
daar gelaten, meen ik, dat het tweede aardig moet zijn om over te
spreken en daarom wil ik, dat men morgen spreekt, daar donna Liscisca
er mij aanleiding toe gaf, _over de streken, die of uit liefde of tot
hun redding de vrouwen jegens hun mannen hebben uitgehaald, hetzij die
het al of niet merkten_. Het behandelen van deze stof scheen aan elk
der donna's slecht te passen en zij verzochten hem het al voorgestelde
te veranderen. De koning antwoordde hun: Donna's. Ik ken het onderwerp,
dat ik u voor heb geschreven niet minder goed dan gij en wat gij mij
wilt aantoonen, kan mij er niet van af brengen, want ik meen, dat nu de
tijd zoo is, dat de menschen er op uit zijn oneerbaar te handelen, elk
verhaal geoorloofd is. Of weet gij niet, dat door de verdorvenheid van
dit tijdvak de rechters de rechtbanken hebben verlaten, dat de wetten
zoowel goddelijke als menschelijke zwijgen en dat groote vrijheid
aan elk is geschonken om het leven te beveiligen? Daarom, indien uw
eerbaarheid wat minder gevoelig wordt door dit te vertellen, is dat
niet om er een of andere laakbare daad op te doen volgen. Maar om u en
anderen te vermaken, zie ik niet, welke reden men zou kunnen aanhalen
om u later verwijten te kunnen doen. Bovendien is uw gezelschap van
af den eersten dag van samenkomst tot op dit uur zeer eerbaar geweest
bij alles, wat men ook verteld heeft en het schijnt mij niet, dat het
door eenige slechte daad geschandvlekt is, noch met Gods hulp worden
zal. En: wie is er die uw fatsoen niet kent? Ik geloof niet, dat dit
door genoegelijke gesprekken en zelfs niet door de vrees voor den dood
kan verzwakt worden. En om u de waarheid te zeggen, indien men wist,
dat gij er een oogenblik voor aarzelde over die streken te praten, zou
men misschien denken, dat gij u er schuldig aan voelde en er daarom
niet over wilt spreken. Zonder te rekenen dat gij mij een groote eer
aandoet, mij, die tot heden aan allen hebt gehoorzaamd, nu gij mij tot
uw koning hebt gemaakt, wilt gij mij nu de wet toevertrouwen en niet
spreken over wat ik u beveel. Laat dus liever die bedenking varen,
die meer eigen is aan slechte zielen dan aan de uwen en laat ieder
met goed geluk een mooi verhaal doen.

Toen de dames dit hadden gehoord, zeiden zij, dat het zou gebeuren
gelijk hij wenschte; daarom gaf de koning verlof aan elk tot aan
het uur van het avondmaal te doen, wat men wilde. De zon stond
nog zeer hoog, daar de gedachtenwisseling kort was geweest; toen
derhalve Dioneo met de andere jongelieden was gaan schaak spelen,
zeide Elisa, die de andere donna's geroepen had. Daar wij hier zijn,
heb ik verlangd u te leiden naar een plaats hier dicht bij, waar ik
meen, dat nooit iemand van u was en die men de Dames-Vallei noemt
en ik heb nog geen gelegenheid gehad u er heen te brengen, behalve
nu, want de zon staat nog hoog en daarom als het u behaagt er heen
te gaan, twijfel ik er bepaald niet aan, dat gij, wanneer gij er
zult zijn, zeer voldaan zult wezen u er heen te hebben begeven. De
donna's antwoordden, dat zij gereed waren en nadat zij een van hun
dienstmaagden hadden geroepen zonder er iets van te zeggen aan de
jongelieden, begaven zij zich op weg. Zij waren niet verder dan een
mijl gegaan, toen zij de Dames-Vallei bereikten. Zij gingen die door
een zeer nauw pad binnen, waaraan een van de zijden een zeer heldere
beek liep en vonden die zoo schoon en aangenaam en in het bijzonder
op dat oogenblik, toen het zeer warm was, dat men die onder geen
beter omstandigheid had kunnen zien. En naar hetgeen elk van hen mij
later herhaalde, was de vlakte, die het diep van de vallei vormden
zoo rond of zij met een passer was afgecirkeld; zoozeer scheen zij
een kunstwerk der natuur en niet van menschenhand. Zij was in omtrek
meer dan een halve mijl, omringd door zes kleine bergen niet al te
hoog en op den top van elk zag men een verblijf in den vorm van een
schoon lustoord. De hellingen van die kleine bergen daalden zacht
naar die vlakte af gelijk wij in de theaters de trappen van hun top
van boven naar beneden achtereenvolgens geordend zien dalen, steeds
meer hun kring vernauwend. En deze hellingen, voor zoover ze naar
het Oosten zich uitstrekten, waren bedekt met wijnranken, olijven,
amandelboomen, kersenboomen, vijgenboomen en een groot aantal andere
vruchtboomen, zonder dat een duim gronds verloren ging. Zij, die de
vlakte tegen den noord oostenwind beschutten, waren allen bedekt met
eiken, esschen en andere gewone boomen in de grootste orde geplant. De
vlakte, die volgde en die geen anderen toegang had dan die de dames
waren ingegaan, was vol dennenboomen, cypressen, laurierboomen
en eenige pijnboomen zoo goed gerangschikt en opgesteld, alsof de
beste kunstenaar ze daar neergezet had. Zelfs als de zon hoog stond,
drong hij er bijna niet door tot den bodem, die een kleine, groene
weide was en vol purperkleurige en andere bloemen. En bovendien,
wat niet het minst genoegen verschafte, was een beekje, dat uit een
der valleien tusschen de genoemde bergjes afdaalde en bij sprongen
viel over levendig gekleurd gesteente en dat neerschietend een zeer
aangenaam gedruisch maakte en uiteenspattend van verre levend zilver
scheen, dat uit een of ander dof voorwerp opschitterde. Beneden in
de kleine vlakte gekomen en ontvangen in een klein kanaal liep het
vlug tot in het midden van de weide en vormde daar een klein meertje
gelijk aan de vijvers, welke de burgers dikwijls in de tuinen maken,
als zij dit kunnen. Dit meertje was niet dieper dan een man tot de
borst hoog is, zonder dat er eenige troebelheid in was, en toonde
in zijn heldere diepte zeer fijn zand, zoodat, wie niets anders te
doen zou gehad hebben, de korrels kon tellen, als hij gewild had. En
niet alleen liet de diepte water zien, maar er schoten hier en daar
zooveel visschen doorheen, dat dit ook een wonder was van genoegen. Het
meertje had geen anderen oever dan den bodem van de weide, die te meer
schoonheid verspreidde rondom, naarmate zij er meer vochtigheid van
ontving. Het te overvloedige water werd in een ander kanaal ontvangen,
waardoor het uit de vallei stroomde en liep naar de laagste gedeelten.

Toen de jonge dames hier aangekomen waren na overal te hebben
rondgekeken, prezen zij die plaats zeer. Daar het zeer warm was en
zij het waterbekken voor zich zagen, overlegden zij of zij daar
zouden baden. Na hun meid last te hebben gegeven op den weg te
blijven staan en op te letten of er iemand aankwam, ontkleedden zij
zich alle zeven en gingen in het water, dat de blankheid van hun
lichaam niet meer verborg dan een doorschijnend glas het een roode
roos zou hebben gedaan. Daar ze allen er in gegaan waren, zonder
dat het water er eenigszins onhelder van geworden was, begonnen zij
hier en daar de visschen te vangen met de handen, daar die zich niet
konden verbergen. Bij dit vermaak maakten ze er enkelen buit en na
eenigen tijd gingen zij er uit; zij kleedden zich weer aan en toen
was het uur daar om huiswaarts te keeren. Vroegtijdig bij het paleis
aangekomen, vonden zij er nog de jongelieden bij het spel. Pampinea
sprak lachend: Wij hebben ons heden waarlijk bedrogen! Waarom,
vroeg Dioneo, begint gij dan eerst met daden eer gij met woorden
aanvangt! [142] Pampinea vertelde hem uitvoerig, vanwaar zij kwamen
en hoe de plaats er uit zag en wat zij hadden gedaan. De koning,
die van de schoonheid van die plek hoorde en deze verlangde te zien,
liet snel het avondmaal komen; toen dit allen verzadigd had, gingen
de drie jongelieden met hun bedienden naar die vallei en zij prezen
deze als een van de schoonste plaatsen van de wereld. En nadat zij
er gebaad en zich weer aangekleed hadden en het reeds zeer laat was,
keerden zij huiswaarts, waar zij de donna's dansende vonden, op een
wijs, die Fiammetta zong. Toen de dans gedaan was, begonnen zij over
de Dames-Vallei te praten en spraken met zooveel lof daarvan, dat de
koning den hofmeester ontbood, beval hem het maal voor den volgenden
morgen daar klaar te zetten en er bedden te laten aandragen, indien
men er wilde slapen of s'esta houden. Hierna liet hij lichten komen,
wijn en meelspijzen. Na gebruik daarvan beval hij, zich gereed te
maken tot den dans. Toen Pamfilo op zijn bevel een dans geordend had,
keerde de koning zich tot Elisa en sprak tot haar met gratie: Schoone,
jonge dame. Door u had ik de eer de krans te worden opgezet, en nu
wil ik vanavond u de eer laten voor den zang en zing dus het lied,
dat U het meest zal behagen. Elisa antwoordde glimlachend, dat zij
dit gaarne wilde en begon met een zachte stem aldus:


    Liefde, indien ik aan uw klauwen kan ontsnappen,
    Kan ik nauwelijks gelooven,
    Dat niet een andere klauw mij grijpt.

    Ik ging heel jong in uw oorlog
    Geloovend, dat dit een hooge en zoete vrede was,
    En ik legde al mijn wapens neder
    Als hij die vertrouwen heeft:
    Maar gij, trouwelooze tyran, tuk en roofziek,
    Gij waart mij op de hielen
    Met uw wapens en uw wreede nagels.

    Toen, eenmaal omslingerd door uw ketens
    Voor hem, die geboren werd om mij te doen sterven,
    Vol bittere tranen en smarten,
    Maakte gij mij gevangen en gij hebt mij in zijn macht gesteld;
    En zijn heerschappij is zoo wreed,
    Dat nooit zuchten hem bewogen
    Noch klachten, die mij dooden.

    Al mijn gebeden vervaagt de wind.
    Hij luistert naar geen, noch wil hij er naar hooren
    Daardoor stijgt mijn marteling ieder uur
    En is dus het leven mij een last, en toch kan ik niet sterven.
    Heer, heb medelijden met mijn smarten
    En doe, wat ik niet vermag
    Lever mij hem over in uw ketenen.

    Indien gij dit niet wilt, ontkluister dan althans
    De banden geknoopt door de hoop.
    Zie! ik bid U, Heer, dat Gij dit wilt,
    Want als Gij dit doet, heb ik nog vertrouwen
    Weer schoon te worden, zooals ik placht te wezen,
    En als de smart verdwijnen zal,
    Zal ik mij tooien met witte en roode bloemen.


Nadat Elisa met een zeer meewarige verzuchting haar zang had geëindigd
en hoewel allen over zulke woorden verwonderd waren, kon toch niemand
raden, wat de aanleiding was. Maar de koning, die in goeden luim was,
liet Tindaro roepen, en beval hem, dat hij zijn doedelzak voor den
dag haalde, op welk geluid hij vele dansen liet uitvoeren. Maar daar
reeds een groot deel van den nacht voorbij was, gelastte hij toen,
dat elk zou gaan rusten.



Zevende Dag.

    _De zesde dag van de_ Decamerone _eindigt, de zevende vangt
    aan. Onder het bewind van Dioneo wordt gesproken over de
    streken, welke de vrouwen, gedreven door liefde of tot hun
    redding tegenover hun echtgenooten hebben uitgehaald, die
    het al of niet merken._


Alle sterren waren reeds in het Oosten geweken, behalve die wij
Lucifer noemen en die nog schitterde in den blankenden dageraad, toen
de hofmeester opstond en met veel goed zich naar de Dames-Vallei begaf
om er alles te ordenen. Niet lang na zijn vertrek ontwaakte de koning,
dien het rumoer van de badende bedienden en der lastdieren had gewekt
en hij liet al de donna's en de jongelieden volgen. Ternauwernood
schenen de zonnestralen, toen allen zich op weg begaven en nooit
was het hun voorgekomen, dat de nachtegalen en de andere vogels zoo
lustig hadden gezongen als dien morgen; door hun liederen begeleid
gingen zij tot aan de Vallei der Donna's, waar, omdat zij door nog
meer vogels werden toegekweeld, het hun leek, dat die zich over
hun komst verheugden. Zij wandelden er weer in rond en die scheen
hun nog zooveel te schooner dan den vorigen dag, naarmate het uur
meer met zijn schoonheid overeen kwam. En nadat zij met goeden wijn
en meelspijs zich hadden ontnuchterd, begonnen zij, opdat zij niet
werden overtroffen door de vogels, te zingen en de vallei met hen zong
steeds dezelfde liederen als zij, waarbij de vogels, alsof zij niet
overwonnen wilden worden zoete, nieuwe tonen kweelden. Maar toen het
dansuur was aangebroken en de tafels gezet waren onder de levendige
laurierboomen en de andere schoone stammen dicht bij het meertje,
zaten zij aan en onder het eten zagen zij de visschen in zeer talrijke
scholen het meer doorzwemmen, wat hun meermalen even goed reden tot
kouten als tot kijken gaf. Maar toen het verblijf was geëindigd,
begonnen zij nog opgeruimder dan te voren te zingen. Vervolgens,
toen er op verschillende plaatsen rustbedden waren opgeslagen, en die
allen door den zeer bescheiden hofmeester waren omgeven en gesloten
met fransche serge gordijnen, kon elk, met verlof des konings, wien
dit beviel, gaan slapen, en wie dit niet verkoos, kon naar welbehagen
van hun andere genietingen gebruik maken. Toen het uur gekomen was,
dat allen opstonden en het tijd was om te gaan vertellen, werden
niet ver van die plaats, tapijten op het gras uitgespreid; en zij
zetten zich dicht bij het meer neder en de koning beval, dat Emilia
zou aanvangen, die blijde glimlachend aldus met verhalen begon:



Eerste Vertelling.

    _Gianni Lotteringhi hoort bij nacht aan zijn deur kloppen. Hij
    wekt zijn vrouw en zij doet hem gelooven, dat dit een spook
    is. Zij beginnen het met een gebed te bezweren en het tikken
    houdt op._


Mijn heer, het zou mij zeer aangenaam geweest zijn, indien het u
had behaagd, dat een ander met zulk een schoonen stof begonnen ware,
maar omdat het u bevalt, dat ik hierdoor al de anderen moed schenk,
doe ik het gaarne. Zeer geliefde donna's. Ik zal u iets verhalen, wat
u in de toekomst van nut kan zijn, zoo gij even bang zijt als ik en
het meest voor een spook, waarmee ik--God weet het--niet bekend ben,
en ik vond ook niemand, die het nog zag en om dit, daar wij het allen
evenzeer vreezen, weg te jagen, wanneer gij maar goed mijn geschiedenis
onthoudt en ook een heilig en goed gebed kunt leeren.

Er leefde vroeger te Florence in de San Brancazio-straat een
fijnlinnenkaarder Gianni Lotteringhi, een man gelukkiger in zijn vak
dan in andere dingen, omdat hij onnoozel van geest, meermalen tot
koorvoerder was gemaakt van de Laudesi van Santa Maria Novella om voor
hun vergaderplaats te zorgen. Dit beviel hem, omdat hij als welgesteld
man zeer vaak goede gastmalen aan de broeders gaf. Dezen, omdat de
een er kousen, de ander een kap en gene er vaak een schoudermantel
mee verdienden, leerden hem goede gebeden en gaven hem het Pater
noster in de volkstaal en den zang van Sint Alexis en de klacht van
Sint Bernardus en het loflied van donna Mathilde en al dergelijke
gekkepraat meer, waar hij zeer veel mee ophad en die hij met groote
zorg voor het heil van zijn ziel bewaarde.

Nu had hij een zeer mooie en bekoorlijke vrouw, monna Tessa, de dochter
van Mannuccio van la Cuculia, tevens wijs en zeer schrander. Zij,
die de onnoozelheid van haar man kende, was verliefd op Federigo di
Neri Pegolotti, een knappe en frissche jonkman en hij op haar. Zij
regelde het met haar meid, dat Federigo haar kwam spreken op een zeer
mooie plek, die gezegde Gianni in Camerata had, waar zij den ganschen
zomer bleef en Gianni soms kwam eten en slapen en 's ochtens naar
zijn winkel ging en enkele malen naar zijn Laudesi. Federigo, zeer
verlangend, koos den tijd, die hem was opgegeven en ging gedurende
den vesper heen, en daar Gianni er dien avond niet kwam, bleef hij
geheel op zijn gemak en met veel genoegen bij de donna avondmalen en
slapen. Terwijl zij in zijn armen lag, leerde zij hem gedurende den
nacht wel zes van de lofzangen van haar man. Maar daar zij niet wilde,
dat dit de laatste maal was en tevens de eerste en Federigo evenmin,
stelden zij het volgende vast, opdat de dienstmeid niet telkens tot hem
moest gaan: dat hij elken dag, wanneer hij ging naar of terugkwam van
zijn buiten, hij acht zou geven op een wijnrank langs haar huis. Hij
zou een ezelskop zien geplaatst op een der wijngaardstaken. Wanneer
hij den snuit gekeerd zag naar Florence, kon hij zeker dien nacht
bij haar komen en als hij de deur niet open vond, had hij maar drie
keer te kloppen. Maar wanneer hij den kop zou zien met den spits naar
Fiesole, zou Gianni er zijn. Zoo kwamen zij dikwijls bijeen. Doch
eens zou Federigo avondmalen met Monna Tessa. Zij had voor hem twee
groote kapoenen laten braden, en Gianni kwam zeer laat. Daarover was
de donna zeer treurig en hij en zij aten een beetje van het gezouten
vleesch, dat zij afzonderlijk had laten koken. Zij liet de meid de
twee gebraden kippen in een witten doek doen en verscheidene versche
eieren en een flesch met goeden wijn in haar tuin dragen, waar men
in kon komen zonder door het huis te gaan en waar zij gewoon was
soms met Federigo te avondmalen en zij zeide haar, dat zij die moest
neerleggen aan den voet van een perzikboom, die aan den kant van
een veld stond. Haar toorn was zoo groot, dat zij vergat aan de meid
te zeggen, dat zij zoo lang wachtte en hem te berichten, dat Gianni
er was en dat hij dien voorraad uit den tuin zou medenemen. Aldus,
toen zij en Gianna naar bed waren gegaan en ook de meid, duurde
het niet lang of Federigo kwam en klopte een keer hard aan de deur,
welke zoo dicht bij de kamer was, dat Gianni het onmiddellijk hoorde
en de donna ook, maar opdat Gianni niets kon vermoeden, deed zij of
ze sliep. En na eenigen tijd gestaan te hebben, klopte Federigo ten
tweeden male, waarover Gianni verwonderd de donna een weinig aan de
elboog stootte en zeide: Tessa, hoor je, wat ik hoor? Het schijnt, dat
men aan onze deur klopt. De donna, die veel beter dan hij had gehoord,
deed of zij wakker werd en zeide: Wat zegt gij? Ik zeg, zeide Gianni,
dat het schijnt, dat men aan onze deur klopt. De donna zeide: Klopt
men? O wee, Gianni, weet je dan niet, wat dat is? Dat is het spook,
waarvoor ik deze nachten den grootsten angst heb gehad, zoodat ik,
zoodra ik het gewaar werd, het hoofd onder de dekens stak en het er
niet onderuit durfde trekken, voor het licht werd. Toen zeide Gianni:
Kom, vrouw, wees niet bang, want ik heb maar dadelijk het _Te Lucis_
en de _Intemerata_ en andere gebeden op te zeggen, wanneer wij naar
bed gaan en maak aan elken hoek van het bed het teeken des kruises
in naam van den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest, dan hoeft gij
niet bang meer te zijn, daar het U dan geen kwaad meer kan doen.



De donna, opdat Federigo geen argwaan kreeg en met haar ging twisten,
stond toch op om hem te doen bemerken, dat Gianni er was en zeide tot
den echtgenoot: Wel, wel, dat zijn mooie woorden! Ik voor mij, ik zou
mij niet veilig achten, indien wij het niet bezwoeren, terwijl gij er
bij zijt. Gianni hernam: En hoe bezweert men het? De donna sprak: Ik
weet het wel te bezweren, want eergisteren, toen ik naar den aflaat te
Fiesole ging, leerde mij een van de kluizenaarsters, die, Giannilief,
voor mij wel het heiligst van allen zijn en die mij zoo bang zag,
een heilig en goed gebed en zeide, dat zij het altijd met goed gevolg
beproefd had, voor zij kluizenaarster was. God weet, dat ik nooit den
moed heb gehad om het alléén te beproeven, maar nu gij er zijt, wil ik,
dat wij het bezweren. Gianni zeide, dat het hem zeer beviel. Zij gingen
samen zachtjes naar de deur, waar Federigo al argwanend afwachtte. Toen
zeide de donna tot Gianni: Gij moet spuwen, als ik het U zeg. Goed,
zei Gianni. En de donna begon het gebed en zeide: Spook, spook, dat
's nachts rondgaat, gij zijt hier gekomen met opgeheven staart in den
tuin naar den voet van den grooten perzikboom, waar gij het gebradene
tweemaal gebraden zult vinden en honderd eieren van mijn hen; zet je
mond aan de flesch en ga heen en doe geen kwaad noch aan mij, noch
aan mijn Gianni. Hierna sprak zij tot den echtgenoot: Spuw Gianni,
en Gianni spuwde. Federigo hoorde dit, van minnenijd vertoornd,
en had ondanks al zijn neerslachtigheid zulk een lust te lachen,
dat hij er van barstte en zachtjes sprak hij, terwijl Gianni spuwde:
Spuw je tanden uit. De donna, die drie maal het spook had bezworen,
ging met den echtgenoot weer naar bed. Federigo, die verwacht had
met haar te avondmalen, en die haar woorden wel had verstaan, ging
den tuin in en vond alles aan den voet van den grooten perzikboom,
droeg het naar huis en avondmaalde daar zeer op zijn gemak.

Later lachte hij met haar dikwijls over die bezwering. Het is waar,
dat sommigen zeggen, dat de donna wel de ezelskop naar Fiesole gekeerd
had, maar dat een landman door den wijngaard gaande hem een stokslag
gaf en hem om en om draaide en hij naar Florence gekeerd bleef en
dat daardoor Federigo in de meening geroepen te zijn, gekomen was en
dat de donna het gebed aldus had gedaan: Spook, spook, ga met God,
want ik heb het ezelshoofd niet omgekeerd, maar een ander en dat God
hem er over bedroeve; ik ben hier met mijn Gianni; en dat hij daarop
heengegaan zonder nachtverblijf en avondmaal bleef. Maar een mijner
buurvrouwen, een zeer oude donna, vertelde mij, dat het allebei waar
was, naar wat zij er van wist als kind; maar dat het laatste niet met
Gianni Lotteringhi gebeurd was maar met iemand, die Gianni di Nello
heette, welke bij de poort San Piero woonde, niet minder dwaas dan
Gianni Lotteringhi. En daarom, mijn lieve donna's, staat het aan U
van de beide lezingen die te kiezen, welke U het meest van de twee
bevalt of beide. Zij hebben een zeer groote kracht bij zulke dingen,
gelijk gij--hoop ik--gehoord hebt. Leer ze en dan kan dat U nog helpen.



Tweede Vertelling.

    _Peronella stopt haar minnaar in een groot wijnvat, als haar
    man thuis komt. Als deze zegt, dat hij dit verkocht heeft,
    zegt zij, dat zij dit ook heeft verkocht aan iemand, die er
    in is gekropen om te zien of het in goeden staat is. Deze
    springt er uit en laat het door den echtgenoot schoon maken,
    terwijl hij de vrouw liefkoost en laat het daarna bij zich
    thuis brengen._


De novelle van Emilia werd met zeer groot gelach aangehoord en het
gebed door allen als goed en heilig geprezen en toen die geëindigd
was, beval de koning aan Filostrato te vervolgen, die aldus begon:
Zeer geliefde donna's. De bedriegerijen, die de mannen jegens U
uithalen en vooral de echtgenooten zijn zoo talrijk, dat, wanneer
soms een vrouw haar man bedriegt, gij niet alleen voldaan moet zijn
en U tevreden toonen het te weten of het aan iemand te hooren zeggen,
maar gij moet het zelf overal vertellen om aan de mannen te leeren,
dat, als die poetsen weten te bakken, de vrouwen het ook kunnen,
wat niet anders dan zeer nuttig kan zijn, omdat, als men weet,
dat de tegenpartij het ook kan, men die niet zoo licht zal willen
bedriegen. Wie twijfelt er dus aan, dat, wanneer het thans bij de
mannen bekend wordt, het niet hun grootste reden tot zelfbedwang zal
zijn, als zij weten, dat gij hen evenzeer voor den mal kunt houden? En
aldus wil ik U vertellen wat een jonge vrouw van hoe lagen stand ook
in een ommezien tot haar zelfbehoud aan haar man leverde.

Nog niet lang geleden nam in Napels een arm man een schoone en
begeerenswaardige vrouw tot echtgenoote, Peronella en hij als metselaar
en zij door te spinnen verdienden moeilijk den kost. Eens werd een
aardig jonkman, die Peronella zag, op haar verliefd en beijverde zich
zoo voor haar, dat zij zich met hem eigen maakte. Om samen te zijn,
namen zij deze maatregel: daar de echtgenoot elken morgen vroeg moest
opstaan om te werken of werk te vinden, stond de jonkman ergens om
hem naar buiten te zien komen en daar de straat, waar hij woonde en
die Avorio heette, zeer eenzaam was, kon hij, als de ander heenging,
in haar huis komen en zoo deden zij meermalen. Eens kwam Giannello
Strignario, de jonkman, toen de man er op uit was gegaan in huis en
bleef met Peronella samen. Na eenigen tijd kwam de man, hoewel hij
gewoonlijk den heelen dag niet thuis kwam, terug. Daar hij de deur
van binnen gesloten vond, klopte hij en zeide in zichzelf: O God,
wees altijd geprezen; want, hoewel Gij mij arm hebt gemaakt, hebt Gij
mij tenminste getroost met een goede en brave vrouw. Ziet Gij, hoe zij
spoedig van binnen sloot, opdat niemand er in zou komen, die haar zou
hinderen. Peronella, die den echtgenoot bemerkte, daar zij zijn wijze
van kloppen kende, zeide: Wee mij, Giannellief, ik ben des doods,
want daar is mijn man, dien God bedroeve, omdat hij is teruggekeerd
en ik begrijp het niet, dat hij op dit uur komt; misschien, dat hij
U zag. Maar bij de liefde van God, wat er ook gebeurd is, kruip in
dat vat, ik zal open gaan doen en kijken wat het beduidt. Giannello
kroop haastig in het wijnvat en Peronella opende haar man en zeide
stuursch: Wat is dat voor nieuwigheid, dat gij hedenmorgen zoo vroeg
naar huis komt? Het schijnt mij, dat gij niets uitvoert, want ik zie
U terugkeeren met uw gereedschappen in de hand, en als gij zoo doet,
waar zullen wij dan van leven! Gelooft gij, dat ik duld, dat gij mijn
rok en andere kleeren naar den lommerd brengt. Ik doe dag en nacht
niets anders dan spinnen, zoodat het vleesch mij van de nagels gaat
voor de olie van de lamp. Man, man, er is geen buurvrouw, die er zich
niet over verwondert en die niet met mijn zwoegen den draak steekt,
zooveel als ik heb te verduren en gij komt me thuis met hangende
handen, wanneer gij uit werken moest gaan. En bij die woorden begon
zij te huilen en opnieuw te zeggen: Wee mij, laat mij treuren. Op
wat een kwaad uur ben ik geboren? Want ik heb zulk een welgestelden
jonkman kunnen trouwen en ik heb U genomen, die niet denkt aan haar,
die hij thuis heeft. De anderen profiteeren met hun minnaars en er
is er niet één, die er niet twee of drie heeft en zij toonen aan
hun echtgenooten de maan voor de zon en ik, ongelukkige, omdat ik
goed ben, lijd en heb tegenspoed; waarom ontzeg ik mij minnaars als
de anderen? Hoor wel, man, dat, als ik kwaad zou willen doen, ik
er wel zou vinden, die heel aardig zijn, mij liefhebben en die mij
groote sommen gelds hebben laten bieden, kleeren of edelgesteenten,
maar mijn hart duldde dit niet, omdat ik mijn moeders dochter ben en
gij keert naar huis terug, wanneer gij moet werken. De man zeide:
Vrouw, bij God, maak je niet zoo treurig. Ik ken U wel en dit heb
ik van ochtend gemerkt; ik ging uit om te werken, maar wij vergaten,
dat het heden Santo Galeone is, een rustdag, en daarom kwam ik thuis,
maar ik heb toch het middel gevonden, dat wij voor meer dan een maand
brood zullen hebben, want ik heb het wijnvat aan iemand, die bij mij
zal komen, verkocht, aan hem, die daarvoor al zoolang om het huis
heeft gedraaid en hij gaf mij er vijf goudlelies (goudguldens) voor.

Peronella antwoordde: Dat is juist mijn verdriet, dat gij een man
zijt, die van de wereldsche dingen moest weten en een vat voor vijf
goudlelies verkocht hebt, terwijl ik, vrouwtje, die nooit buiten de
deur kwam, den last ziende, die het ons veroorzaakte, het een man heb
verkocht, die, toen gij terugkeerde, er in is gegaan om te zien of het
heel is. Toen de echtgenoot dit hoorde, was hij meer dan tevreden en
hij zei tot hem, die met hem mee was gegaan: Mijn goede man, ga met
God, want gij hoort, dat mijn vrouw het tegen zeven heeft verkocht,
terwijl gij er maar vijf voor gaaft. De man sprak: Goed, en ging
heen. En Peronella zeide tot den echtgenoot: Regel met hem onze
zaken. Giannelli, die de gespitste ooren overeind hield of hij ook
voor iets bang moest zijn, wierp zich haastig uit het vat en alsof hij
niets van het binnenkomen van den echtgenoot had gemerkt, zeide hij:
Waar zijt gij, brave vrouw! Hierop antwoordde de echtgenoot: Hier ben
ik, wat verlangt gij? Giannello hernam: Wie zijt gij? Ik vraag het
aan de donna, met wien ik onderhandelde. De echtgenoot sprak: Handel
gerust met mij, want ik ben haar man. Giannello voegde er bij: Het vat
schijnt mij goed in orde, maar het komt mij voor, dat gij er vuil in
hebt laten liggen, want het is heelemaal smerig van ik weet niet wat
voor droog goed, dat ik er met de nagels niet af kan krijgen en ik
neem het niet, voor het schoon is. Toen sprak Peronella: Neen, daarom
zal de verkoop niet uitblijven, mijn man zal het heelemaal schoon
maken. Na zijn gereedschappen te hebben neergelegd en zich in zijn
hemd te hebben gezet, liet de echtgenoot licht aansteken en zich een
schrapijzer geven; toen sprong hij in de kuip en begon te schrappen. En
Peronella, alsof zij wilde zien, wat hij zou doen, stak het hoofd door
den mond van het vat, die niet zeer groot was en een van de armen met
den schouder en zei: Schrap hier, schrap daar en ook ginder en: kijk,
daar is nog wat vuil overgebleven. En terwijl zij zoo den echtgenoot
onderrichtte, besloot Giannello, die dien morgen zijn verlangen nog
niet bevredigd had, het te doen gelijk hij kon. Hij naderde haar, die
de opening van het vat geheel gesloten hield en zooals in de wijde
velden de losse merries en de verhitte hengsten van Parthië te werk
gaan, bevredigde hij zijn jeugdige begeerte. Toen het vat gekrabd was
liet hij haar los. Petronella zei tot Giannello: Houdt dat licht vast,
manlief en zie of het naar Uw zin schoon is gemaakt. Giannello, die
er in keek, zeide, dat het in orde was en nadat hem zeven goudlelies
waren geschonken, liet hij het naar zijn huis brengen.



Derde Vertelling.

    _Broeder Rinaldo slaapt met zijn petemoei; de echtgenoot
    vindt hem, met haar in de kamer en zij doen hem gelooven,
    dat hij de wormen van het zoontje bezwoer._


Filostrato wist niet op zóó bedekte wijze over de parthische paarden
te spreken, of de ondeugende donna's lachten er om en deden of het om
iets anders was. Maar toen de koning zag, dat de novelle geëindigd
was, gelastte hij Elisa te verhalen. Deze gehoorzaamde en begon:
Bekoorlijke donna's. Het bezweren van het spook van Emilia heeft mij
een geschiedenis in het geheugen geroepen van een andere bezwering,
die ik zal verhalen, hoewel deze niet zoo schoon is als de voorgaande,
maar daar mij voor ons onderwerp op het oogenblik geen andere invalt.

Gij moet weten, dat er in Siena een heel aardig jonkman was van
voorname familie, Rinaldo. Hij was vurig verliefd op een zeer schoone
buurvrouw, de echtgenoote van een rijk man en hoopte een middel te
vinden haar zonder argwaan te spreken en alles te verkrijgen, wat
hij verlangde. Maar daar hij er geen kans toe zag en de donna zwanger
was, dacht hij er aan haar peet te worden en na vriendschap te hebben
gesloten met haar man zeide hij hem zijn wensch en het geschiedde.

Rinaldo peet geworden van madonna Agnesa en meer in de gelegenheid haar
te spreken, verzekerde zich er van haar met woorden zijn bedoeling
te doen kennen, die zij te voren uit de uitdrukking van zijn oogen
had kunnen opmaken. Hoewel aan de donna niet mishaagde, wat zij
had gehoord, gaf het hem niet veel. Het duurde niet lang of wat er
ook de reden van zij, Rinaldo werd monnik, doch hij bleef naar haar
verlangen, hoewel hij eenigen tijd de liefde ter zijde had gesteld,
die hij zijn petemoei toedroeg. Doch na verloop van tijd zonder het
kleed af te leggen, wakkerde hij zijn ijdelheden weer aan en begon er
behagen in te scheppen zich goed gekleed te vertoonen, liederen en
sonnetten en balladen te maken en te zingen en al dergelijke dingen
meer. Maar wat zeg ik van onzen broeder Rinaldo? Welke monniken doen
zoo niet? O schande van de verdorven wereld! Zij schamen zich niet
te verschijnen met dik geverfd gelaat, verwijfd in hun kleeren en
in alles. Zij loopen niet als duiven maar als zegevierende hanen met
opgeheven kam en de borst vooruit. En wat nog erger is--laat staan,
dat zij hun cellen vol potjes met pommade en olie hebben, met potten
vol verschillende confituren, met flacons en glazen karaffen, met
reukwaters en oliën, met fleschjes van malvezij en griekschen wijn en
andere zeer kostbare wijnen, zoodat het geen monniks-cellen schijnen
maar eer aan de toeschouwers apotheken en winkels van reukwerk--zij
schamen zich niet drankzuchtig te zijn en zij verbeelden zich, dat men
niet weet, dat de vasten, grove en eenvoudige spijzen en een sober
leven de menschen mager en licht en het gezondst maken. En als zij
ziek worden, zijn zij het niet het minst van de jicht, waarvoor men
als geneesmiddel kuischheid pleegt voor te schrijven en andere dingen
behoorend tot het leven van een nederigen monnik. En zij gelooven,
dat men niet weet, dat buiten een karig leven, de lange nachtwaken,
het bidden en de leefregels de menschen bleek en droefgeestig moeten
maken en dat noch San Domenico, noch San Francesco er vier kleeden op
na hielden, noch gekleurde rokken, noch heidensch goed, maar alles
van grof linnen en van natuurlijke kleur om de koude te verdrijven
en niet om te pronken. Hierin moge God voorzien, gelijk noodig is
voor de zielen der onnoozelen, die hen onderhouden. Aldus begon frate
Rinaldo tot zijn begeerten teruggekeerd de petemoei vaak te bezoeken
en daar zijn vermetelheid groeide, begon hij met meer volharding dan
eerst haar te vragen, wat hij verlangde. De donna op een goeden dag
door hem lastig gevallen zag, hoezeer zij begeerd werd en daar frate
Rinaldo haar misschien schooner scheen dan eerst, zocht daarbij hulp,
wat allen doen, die willen toestaan, wat hun gevraagd wordt en zeide:
Hoe, broeder Rinaldo, doen de broeders zulke dingen? Hierop antwoordde
frate Rinaldo: Madonna, als ik die kap van mijn rug zal hebben--en
ik zal dit vlug doen,--zal ik U een man schijnen als de rest en
geen broeder. De donna glimlachte en zeide: Helaas, ongelukkige,
die ik ben, gij zijt mijn peetvader en ik heb dikwijls gehoord, dat
dit een al te groote zonde is en zeker, als het niet zoo was, zou ik
doen, wat gij wilde. Frate Rinaldo zeide: Gij zijt een dwaze vrouw,
als gij het daarom nalaat. God vergeeft erger, als men er berouw
over heeft. Maar zeg mij, wie is meer verwant met Uw zoon, dan ik,
die hem ten doop zal houden of Uw echtgenoot, die hem voortbracht? De
donna antwoordde: Mijn man is hem nader. Gij zegt de waarheid, sprak de
broeder, en slaapt Uw man niet met U? Zeker, antwoordde de donna. Dan,
zei de broeder, moet ook ik, die minder verwant met Uw zoon ben,
bij U slapen. De donna, die de logica niet kende en die maar weinig
geest noodig had om te gelooven of te doen, alsof zij geloofde,
dat de broeder de waarheid sprak, antwoordde: Wie zou op Uw wijze
opmerkingen weten te antwoorden? En daarna ondanks de verwantschap
stemde zij toe naar zijn genoegen te handelen.

Onder den dekmantel van het peetschap meer op hun gemak, omdat de
argwaan minder was, waren zij meermalen samen. Eens toen frate Rinaldo
bij de donna kwam en er niemand was dan een kleine en aardige meid,
zond zij die naar den duiventil met een metgezel van hem om haar
het Paternoster te leeren. Zij nam haar kind bij de hand, sloot de
deur en zij begonnen op een sofa elkaar te liefkozen. Terwijl dit
geschiedde, kwam de vader thuis zonder door iemand opgemerkt te worden,
klopte aan de deur van de kamer en riep de donna. Madonna Agnesa,
die dit gewaar werd, zeide: Daar is mijn man; nu zal hij merken,
wat de reden is van onze vriendschap. Broeder Rinaldo was ontkleed,
dat wil zeggen zonder kap en gewaad, in een gewoon wambuis en sprak,
toen hij dit vernam: Gij zegt de waarheid, als ik maar gekleed was,
zou er wel een middel op zijn, maar als gij opent en hij mij zoo
vindt, is er geen voorwendsel te vinden. De donna door onmiddellijk
overleg geholpen zei: Kleedt je aan, neem Uw petekind op den arm en
luister goed, wat ik hem zeggen zal, opdat Uw woorden goed met de
mijnen overeen stemmen. De man had nog niet opgehouden met kloppen,
of de vrouw antwoordde: Ik kom bij je. Zij ging met een welgemoed
gezicht naar de deur van de kamer, en zeide: Man, broeder Rinaldo
onze peetvader is hier en God zond hem; want als hij niet gekomen was,
zouden wij vandaag ons kind verloren hebben. Toen de arme dwaas [143]
dit hoorde, was hij buiten zich zelf en zeide: Hoe dat?

O man, zei de donna; het heeft pas zulk een hevige flauwte gehad, dat
ik geloofde, dat hij dood was. Onze peetvader, die hier was, heeft hem
op den arm genomen, sprak: Petemoei, hij heeft wormen in het lijf, die
het hart naderen en hem zeker zullen dooden, maar wees niet bang, want
ik zal ze bezweren en doen sterven en gij zult Uw kind gezond zien. Wij
hadden U hier noodig om gebeden op te zeggen, en daar de meid U niet
wist te vinden, heeft hij ze toch doen uitspreken door zijn metgezel
op de hoogste verdieping van ons huis. Geen ander dan de moeder van
het kind mag bij een dergelijke plechtigheid tegenwoordig zijn en
opdat niemand ons zou storen, sloten wij ons hier op en ik geloof, dat
hij niet langer wacht dan tot zijn metgezel zijn gebeden zal opgezegd
hebben, want het kind is nu al geheel tot zich zelf gekomen. De dwaas
geloofde die dingen; zóó greep de liefde voor zijn zoon hem aan. Hij
slaakte een diepen zucht en zeide: Ik wil het zien. De donna sprak:
Neen, ga niet, gij zoudt bederven, wat er gebeurd is; wacht af en ik
zal U dan roepen. Broeder Rinaldo kleedde zich op zijn doode gemak
aan, nam het kind op den arm en riep toen gelukkig: O petemoei, hoor
ik niet den peetvader? De dwaas antwoordde: Ja, messer. Dan, zeide
frate Rinaldo, kom hier. De dwaas ging er heen. Rinaldo zei hem: Gij
behoudt Uw zoon door Gods genade; nog pas geloofde ik, dat gij hem
tot den vesper niet levend zoudt zien. Laat zijn evenbeeld van was
tot Gods eere voor het beeld zetten van San Ambruogio, door wiens
bemiddeling God U die genade schonk. Toen het kind den vader zag,
betuigde het hem vreugde, gelijk kleine kinderen doen; hij nam het in
zijn armen, weende, alsof hij het uit het graf had opgehaald, kuste het
en bedankte den peetvader. De metgezel van broeder Rinaldo, die niet
één maar misschien wel vier paternosters aan de meid had geleerd en
haar een beursje had gegeven van witte zijde, dat een non aan hem had
geschonken en haar tot zijn toegewijde had gemaakt, had de peetvader
naar de kamer van de vrouw hooren roepen en was zachtjes naar een kant
er van gekomen, waar hij zien en hooren kon, wat men er deed. Toen
hij de zaak tot een goed einde gevoerd zag, ging hij naar beneden
en zeide de kamer binnen tredend: Broeder Rinaldo, de vier gebeden,
die gij mij hebt gelast te prevelen, heb ik allen opgezegd. Hierop
hervatte frate Rinaldo: Mijn broeder, gij hebt goeden adem. Ik had,
toen mijn peetvader kwam, er nog maar twee opgezegd, maar God de Heer
heeft door ons het kind genade geschonken. De dwaas liet goede wijnen
en meelspijzen komen en bewees aan zijn peetvader en zijn gezel eer
in, wat ze meer noodig hadden dan iets anders. Toen ging hij met hen
samen het huis uit en beval ze Gode aan en zonder eenig uitstel liet
hij den afdruk van was maken en zond dien om met anderen te worden
opgehangen bij het beeld van Sint Ambrosius maar niet die van Milaan.



Vierde Vertelling.

    _Tofano sluit een nacht zijn vrouw buiten de deur, die niet
    bij machte door smeekbeden binnen te komen, doet alsof zij
    zich in een put werpt. Tofano loopt het huis uit, gaat er
    heen en zij komt er in, sluit hem buiten, en beleedigt hem
    met luid geschreeuw._


Toen de koning zag, dat de historie van Elisa geëindigd was, keerde
hij zich zonder verwijl naar Lauretta en toonde haar daardoor, dat zij
zou volgen; daarom zonder af te wachten, begon zij aldus: O Liefde,
hoedanige en welke zijn Uw krachten! Hoe groot Uw raadgevingen en Uw
oordeel! Welke wijsgeer, welke kunstenaar kon ooit die listen toonen,
dit doorzicht, die aanwijzingen, die gij dadelijk geeft aan wie Uw
sporen volgt? Zeker, alle andere wetenschap is achterlijk bij de
Uwe. Verliefde donna's, ik zal U een list vertellen aangewend door
een zeer eenvoudige vrouw, die alleen Amor haar had kunnen leeren.

In Arezzo leefde een rijk man, Tofano. Hij kreeg een zeer schoone
vrouw tot echtgenoote, monna Ghita, waarop hij zonder te weten
waarom spoedig jaloersch werd. Toen de donna dit merkte, was zij zeer
verontwaardigd en omdat hij niet anders dan vage en ongeldige redenen
daarvoor kon opgeven, besloot zij hem aan het kwaad te doen sterven,
waar hij zonder reden bang voor was. Zij bemerkte, dat een jonkman
haar begeerde en begon zich stilletjes met hem te verstaan. Aan hunne
verhouding ontbrak slechts van het woord tot de daad over te gaan. Zij
kende onder de slechte gewoonten van haar man zijn drankzucht en begon
hem niet alleen dit aan te bevelen, maar hem zelfs kunstmatig daartoe
aan te sporen. Als zij hem goed dronken zag, en hij in slaap was, begaf
zij zich naar haar minnaar en ging zoo voort hem te ontmoeten. Door
zijn drinken kreeg zij niet alleen den moed haar minnaar in huis
te laten komen, maar zij ging een groot deel van den nacht in het
zijne doorbrengen, wat daar niet ver vandaan was. De ongelukkige
echtgenoot bemerkte, dat, als zij hem aanspoorde te drinken, zij
het zelf nooit deed. Dit gaf hem argwaan en hij vermoedde, dat de
donna hem beschonken maakte om haar genoegen te kunnen waarnemen,
terwijl hij sliep. Hij wilde er de proef van nemen, en hield zich,
zonder dat hij iets op had, een avond geheel buiten westen.

De donna meende, dat hij niet meer hoefde te drinken en spoorde hem
aan te gaan slapen. Toen hij dit deed, ging zij het huis uit naar dat
van haar minnaar en bleef daar tot het midden van den nacht. Tofano
stond op, sloot de deuren van binnen en ging aan de vensters zitten,
totdat hij de donna zou zien huiswaarts keeren om haar te toonen, dat
hij haar rondsluipen bemerkt had. Zij keerde huiswaarts en toen zij
het huis van buiten gesloten vond, was zij zeer treurig en beproefde
met geweld de deur te openen. Na eenigen tijd zeide Tofano: Vrouw,
gij maakt U vergeefs moe, omdat gij er toch niet in kunt komen. Ga,
keer terug, vanwaar gij komt en wees er zeker van, dat gij nooit hier
terug zult keeren, tot ik U in tegenwoordigheid van Uw ouders en buren
die eer heb aangedaan, die U toekomt. De donna begon hem toen bij de
liefde van God te smeeken, dat het hem zou behagen haar open te doen,
omdat zij niet kwam, vanwaar hij meende, maar van het waken bij een
harer buurvrouwen, omdat de nachten lang waren en zij altijd slecht
sliep. De gebeden hielpen niets, omdat die wreedaard besloten had,
dat al de bewoners van Arezzo haar schande zouden weten. De donna,
die zag, dat het bidden niet baatte, ging tot bedreigingen over en
zeide: Als gij mij niet open doet, zal ik U tot den rampzaligsten man
maken. Tofano antwoordde hierop: Wat kunt gij mij doen? Amor had den
geest der donna met zijn raadgevingen verscherpt en antwoordde: Voor
ik de schande wil dragen, die gij mij ten onrechte wilt veroorzaken,
zal ik mij in gindschen put werpen en dood daar in gevonden zal
iedereen gelooven, dat gij in dronkenschap mij er in hebt gesmeten
en aldus zult gij moeten vluchten, verliezen wat gij bezit en in
ballingschap leven of men zal U het hoofd afslaan als mijn moordenaar,
wat gij ook werkelijk geweest zult zijn. Tofano raakte evenwel
van zijn dwaze meening niet af. Daardoor zeide de donna: Nu dan,
ik kan die behandeling van U niet meer dulden; God vergeve het U,
gij kunt mijn spinrokken komen halen, dat ik hier achter laat. En
bij die woorden, terwijl de nacht zoo donker was, dat de een den
ander ternauwernood kon zien, ging de donna naar de put, nam een
grooten steen, die ter zijde lag en liet hem met een schreeuw van
_God vergeve het mij_ er in vallen. De steen op het water ploffend
maakte een groot gedruisch. Tofano dacht bepaald, dat zij zich er
in had geworpen, nam den emmer met het touw en snelde naar de put
om haar te helpen. De donna, die zich bij de deur van haar huis had
verborgen, nam, zoodra zij hem naar de put zag loopen, de vlucht in
huis, sloot het van binnen, ging naar de vensters en zeide: Men moet
bijtijds water in zijn wijn doen.

Tofano, die dit hoorde, zag, dat hij er in was geloopen en daar
hij de deur niet kon openen eischte hij dit van haar. Zij, die hem
stilletjes liet praten gelijk hij het eerst haar had gedaan, begon hem
toe te schreeuwen: Bij het kruis van God, vervelende dronkelap, gij
komt vannacht niet de deur in: ik kan die manieren niet meer dulden,
het is noodig, dat ik aan iedereen laat zien, wie je bent en op welk
uur je naar huis komt. Tofano op zijn beurt verbitterd begon haar te
beleedigen en te schreeuwen, waardoor de buren die het rumoer hoorden,
opstonden, naar de vensters gingen en vroegen wat er aan de hand was.

De donna begon huilend te spreken: Het is die slechte kerel, die
me 's avonds dronken thuis komt of in de kroegen in slaap valt en
daarna op dit uur huiswaarts keert. Lang heb ik dat verdragen, maar
nu duld ik het verder niet en ik heb hem de schande aangedaan hem
buiten de deur te sluiten om te zien of hij zich wil verbeteren. Van
den anderen kant vertelde de beestachtige Tofano, hoe het feit had
plaats gehad en bedreigde haar zeer. De donna zeide tot haar buren:
Kijk, wat een kerel? Wat zoudt gij zeggen, als ik op straat zou staan
en hij in huis zou zijn? Bij het geloof in God, dan zou ik denken,
dat gij gelooft, dat hij de waarheid zegt. Gij kunt nu zijn verstand
kennen. Want hij zegt juist, dat ik dat heb gedaan, wat ik geloof,
dat hij heeft uitgevoerd. Hij dacht mij te verschrikken door zich
in een put te werpen; had het God mogen behagen, dat hij er zich
werkelijk in gegooid had en verdronken was, dan had hij een weinig
water in den wijn gedaan, dien hij te veel heeft gedronken. De buren
gaven Tofano de schuld en begonnen hem te beleedigen over hetgeen hij
de donna toevoegde. Het rumoer werd zoo groot, dat het eindelijk de
ouders van de donna bereikte. Deze kwamen daar en hoorden de zaak van
de buren. Zij pakten Tofano beet en gaven hem zooveel slagen, dat zij
hem geheel gebroken achterlieten. Daarna in het huis gekomen, namen zij
tot zich, wat aan de donna behoorde, voerden haar mede naar hun woning
en bedreigden Tofano met nog erger. Tofano, die zich door de jaloezie
in dien slechten toestand zag, nam, daar hij het goed met zijn vrouw
voor had, eenige vrienden als bemiddelaars en deed zijn best de donna
in vrede in zijn huis terug te krijgen, aan welke hij beloofde nooit
meer naijverig te zijn. Behalve dat gaf hij haar verlof alles naar
haar genoegen te doen maar zoo, dat hij het niet zou merken. En aldus
als een dwaze stommeling, sloot hij na de schade deze overeenkomst. En
leve de liefde en dood aan de tweedracht en de heele boel.



Vijfde Vertelling.

    _Een jaloersch man vermomd als priester neemt zijn vrouw de
    biecht af, wien zij voorliegt, dat zij een priester bemint,
    die elken nacht bij haar komt. Terwijl de ijverzuchtige man
    bij de deur op post staat, laat de donna haar minnaar over
    het dak binnen komen en blijft met hem._


Nadat Lauretta haar verhaal had geëindigd en ieder de donna geprezen
had, die den booswicht behandelde zooals paste, keerde de koning,
om geen tijd te verliezen, zich naar Fiammetta en beduidde haar
op beminnelijke wijze te vertellen, die aldus begon: Zeer edele
donna's. De voorafgaande geschiedenis drijft mij er toe U ook van een
ijverzuchtig man te spreken, want dat, wat de vrouw doet en vooral
wanneer de mannen zonder reden jaloersch zijn, is welgedaan. En
als de wetgevers alles wel overwogen, zouden zij geen andere straf
voor de vrouwen bepaald hebben dan zij voor ieder vaststelden, die
een ander treft om zich zelf te verdedigen, want de ijverzuchtigen
zijn de belagers der jonge vrouwen en zoeken met alle macht hun
dood. Zij blijven de heele week opgesloten en nemen de familie- en
de huiselijke plichten waar, verlangend gelijk elk om op feestdagen
eenige verlichting, rust en vermaak te hebben gelijk de boeren buiten,
de handwerkers in de steden en de regeerders aan de hoven, gelijk
God zelf, die den zevenden dag rustte en gelijk de heilige en de
burgerlijke wetten het willen, die Gods eer en het gemeenschappelijk
welzijn in het oog houdend de dagen van den arbeid onderscheidde
van den rustdag. Dit willen de jaloersche mannen niet toestemmen;
integendeel, als alle anderen vroolijk zijn, houden zij hun vrouwen
meer opgesloten en achteraf en maken hen ongelukkiger en treuriger. Hoe
groot en hoedanig het verlangen is van die misdeelden, weten alleen
zij, die dit ondervonden hebben. Dus: wat een vrouw ten onrechte
aan een jaloersch echtgenoot doet, moet men zeker niet veroordeelen
maar prijzen.

Er was dan in Arimino een rijk koopman, met veel bezittingen en geld,
die een zeer schoone echtgenoote had. Hij was zeer jaloersch op haar
en had geen andere reden daarvoor dan dat hij veel van haar hield
en haar heel mooi vond en wist, dat zij al haar best deed om hem te
behagen en aldus dacht, dat ieder man haar zou beminnen en zij allen
schoon moest voorkomen en ook, dat zij moeite deed aan anderen te
behagen, wat de meening was van een slecht, ongevoelig man. Door
zijn ijverzucht was hij zoo waakzaam en hield haar zoo gebonden,
dat misschien vele ter dood veroordeelden door de gevangenbewaarders
met evenveel voorzorg worden in het oog gehouden. De donna kon naar
geen bruiloft, feest of kerk gaan of een voet buitenshuis zetten en
durfde zich niet aan een venster vertoonen. Aldus was haar leven
zeer treurig en zij droeg dat verdriet met des te meer ongeduld,
naarmate zij zich minder schuldig voelde.

Daar zij zich door haar man verongelijkt zag, peinsde zij er over tot
haar vertroosting een middel te vinden om dat te doen, waardoor haar
dit met recht zou geschieden. Daar zij geen middel had zich verblijd
te toonen met de liefde, die de een of ander aan den dag legde voor
haar, welke door de straat ging, dacht zij er over na, dat er in
het huis naast het hare een knap en aardig jonkman was en of er in
de scheidsmuur geen gat was, waardoor zij zoo dikwijls kon loeren,
als zij met den jonkman zou spreken en hem haar liefde te schenken,
indien hij die wilde aannemen. Zij kon hem zoo terug vinden en haar
treurig leven veranderen, tot de duivel bij haar man uit het lijf was
gedreven. Daar zij het geheele huis doorliep, als de man er niet was,
zag zij in den muur der woning bij toeval in een vrij afgelegen deel,
dat er een spleet in was. Zij keek door die scheur en kon slecht,
wat er achter was, onderscheiden, maar werd een kamer gewaar en zeide
tot zich zelf: Indien dit de kamer van Filippo is, (haar buur) zijn
wij bijna klaar. En voorzichtig liet zij haar dienstmeid, die haar
welgezind was, verspieden en die bevond, dat de jonkman werkelijk
heel alleen daar sliep. Zij ging daarom dikwijls naar die spleet toe
en als zij er den jonkman bemerkte, liet zij door de scheur kleine
steentjes vallen en dergelijke prutserijen, zóó, dat de jonkman om
te zien, wat dat beteekende, er heen kwam. Zij riep hem zachtjes. En
hij, die haar stem kende, antwoordde haar en zij, die nu gelegenheid
had, opende hem haar geheele ziel. Hierover was de jongeling zeer
blijde en maakte het gat grooter zoo, dat niemand het merkte. Zij
keuvelden dikwijls en gaven elkaar de hand, maar meer konden zij
niet doen door de voortdurende waakzaamheid van den jaloerschen
echtgenoot. Toen het Kerstfeest naderde, zeide de donna tot haar
man, dat, als het hem beviel, zij 's ochtends naar de kerk wilde gaan
biechten en deelnemen aan de plechtigheid, gelijk de andere christenen
doen. Hierop antwoordde de nijdigaard: Hebt gij dan gezondigd, dat gij
wilt gaan biechten? De donna sprak: Hoe! Gelooft gij, dat ik heilig
ben, omdat gij mij opgesloten houdt! Gij weet wel, dat ik zonden bega
als de andere stervelingen, maar die wil ik U niet zeggen, want gij
zijt geen priester. De nijdigaard kreeg argwaan en wilde de zonden,
die zij had bedreven, te weten komen en peinsde over een middel. Hij
vond het goed, maar wilde niet, dat zij naar een andere kerk ging dan
naar hun kapel en dat zij er bij tijds naar toe zou gaan en er biechten
bij hun kapelaan of den priester, dien de kapelaan haar zou aanwijzen
en dan dadelijk naar huis zou gaan. De donna begreep het maar half,
maar zonder een woord meer antwoordde zij, dat zij het zou doen. Toen
de morgen van den feestdag kwam, stond de donna bij het krieken van
den dag op en ging naar die kerk. De jaloersche man stond ook op,
ging naar dezelfde kerk en was er eerder dan zij en daar hij het al
met den priester eens was, wat hij wilde doen, trok hij haastig een
gewaad van den priester aan met een groote, om het hoofd sluitende kap,
welke hij een weinig naar voren had getrokken en zette zich neer in
het koor. De donna liet den priester roepen. De priester kwam en toen
hij van de donna hoorde, dat zij wilde biechten, zeide hij, dat hij
haar niet aan kon hooren, maar dat hij een metgezel zou sturen en zond
tot diens ongeluk den jaloerschen man. Deze veranderde zich zooveel
mogelijk, hoewel het nog niet helder dag was en had zich de kap ver
over de oogen getrokken, maar wist zich niet zoo te vermommen, dat hij
door de donna niet spoedig werd herkend. Toen zij dit zag, zeide zij
tot zich zelf: Geloofd zij God, dat deze van jaloersch man priester
is geworden; maar ik zal hem geven, wat hij zoekt. Zij deed of zij
hem niet kende en ging aan zijn voeten zitten. Messer de jaloersche
had zich eenige steentjes in den mond gestoken, opdat die hem een
weinig de spraak zouden belemmeren, zoodat hij geloofde geenszins
ontdekt te kunnen worden. In de biecht vertelde de donna, dat zij
gehuwd was en dat zij verliefd was op een priester, die elken nacht
met haar sliep. Toen de nijdigaard dit hoorde, was het hem of hij een
messteek in het hart kreeg en ware het niet geweest, dat de begeerte
hem drong er meer van te weten, dan had hij de biecht laten varen en
zou heengegaan zijn. Hij hield zich dus goed en vroeg de donna: Hoe
zoo? Slaapt uw man met U? De donna antwoordde: Zeker, messire. Maar,
zei de nijdigaard, hoe kan de priester met U slapen? Messer, hernam
de donna, ik weet niet door welk kunstmiddel, maar er is in huis geen
deur zoo gesloten, die, als hij klopt, niet opengaat en wanneer hij
tot de deur van mijn kamer gekomen is, spreekt hij, voor hij die
opent, zekere woorden uit, waardoor mijn man dadelijk inslaapt en
zoodra hij dit merkt, komt hij binnen en blijft bij mij. Toen sprak
de nijdigaard: Madonna, dat is een leelijk ding en mag zeker niet
zoo blijven. De donna hernam: Messire, ik kan niet van hem scheiden,
omdat ik hem veel te lief heb. Dan, sprak de nijdigaard, kan ik U geen
absolutie geven. De donna voegde er aan toe: Ik ben er treurig om,
want ik kwam niet hier om U leugens te vertellen, en als ik gelooven
zou het te kunnen, zou ik het U zeggen.

De nijdigaard sprak toen: Werkelijk, mevrouw, ik heb medelijden met U,
want ik zie, dat gij uw ziel zult verliezen, maar ik wil moeite doen
om mijn gebeden afzonderlijk tot God te richten in uw naam, misschien
zullen die U geholpen hebben en als dat zoo is, zullen wij er mee
voortgaan. De donna antwoordde hierop: Messer, stuur niemand bij mij,
want als mijn man het te weten komt, is hij zoo vreeselijk jaloersch,
dat niemand hem uit het hoofd kan praten, dat men voor iets anders
dan kwaad komt, en ik zou het geheele jaar geen goed bij hem kunnen
doen. Hierop antwoordde de nijdigaard: Madonna, twijfel er niet aan,
want ik zal zoo te werk gaan, dat gij er voor hem nooit iets over
zult hooren. Toen sprak de donna: Indien gij dit durft, stem ik er
in toe. En nadat de absolutie gegeven was, ging zij naar de mis. De
nijdigaard met zijn leelijk avontuur deed zuchtend de kleeren van den
priester uit en ging naar huis, verlangend een middel te ontdekken
om den priester en zijn vrouw een leelijke poets te bakken. De donna
zag wel aan het gezicht van den echtgenoot, dat zij hem een kwaad
feest had gegeven, maar hij trachtte, zooveel hij kon, te verbergen,
wat hij gedaan had en wat hij meende te weten. Daar hij besloten had
in den komenden nacht bij de deur te gaan staan en af te wachten,
tot de priester kwam, zeide hij tot de donna: Ik moet van avond
elders eten en slapen en daarom moet gij goed de straatdeur sluiten
en ook die op het midden van de trap en van de kamer en ga dan naar
bed. De donna antwoordde: Goed. En zoodra zij de gelegenheid had,
ging zij naar het gat en gaf het gewone teeken. Zoodra Filippo dit
vernam, kwam hij dadelijk. De donna vertelde hem, wat er dien morgen
gebeurd was en zeide toen: Ik ben er zeker van, dat hij zich op den
loer zal leggen bij de deur en vindt gij dus een middel, opdat gij
vannacht over het dak komt. De jongeling hierover zeer tevreden zeide:
Madonna, laat mij gaan. Toen de nacht kwam, verborg zich de nijdigaard
heimelijk met zijn wapens in een gelijkvloersche kamer en de donna had
alle deuren laten sluiten en het best, die op het midden van de trap,
opdat de nijdigaard niet kon komen. Toen haar het oogenblik gunstig
scheen en de jongeling langs een zeer verborgen weg kwam, gingen zij
naar bed en gaven elkaar goede gelegenheid en veel genoegen. Bij het
aanbreken van den dag ging de jongeling naar huis. De nijdigaard,
treurig en zonder avondmaal, stervend van koude, stond den geheelen
nacht met zijn wapens naast de deur om te wachten, tot de priester
kwam en toen het dag werd en hij niet meer kon waken, ging hij in de
gelijkvloersche kamer slapen. Hij stond om drie uur in den morgen op
en daar de deur van het huis open was, deed hij, of hij van elders
kwam, klom de trap op en ontbeet. Kort daarop liet hij een kleinen
jongen komen, alsof het de klerk van den priester was, en zond dien
naar haar toe met de vraag of de priester gekomen was. De donna,
die den bode wel kende, antwoordde, dat hij dien nacht niet gekomen
was en als het zoo voortging, hij dien kon vergeten maar zij niet. De
nijdigaard stond verscheidene nachten op post om den priester bij de
deur te beloeren en de donna nam voortdurend met den jonkman de kans
waar. Ten slotte vroeg de nijdigaard, die het niet meer uithield met
een vertoornd gelaat, wat zij dien ochtend gebiecht had. De donna wilde
het niet zeggen, daar dit niet eerbaar was. De nijdigaard antwoordde:
Slechte vrouw. Ik weet toch, wat gij hem gezegd hebt en ik moet weten
wie de priester is, waarop gij zoo verliefd zijt en die door zijn
tooverijen alle nachten met U slaapt, anders zal ik je ervoor laten
bloeden. De donna ontkende, dat zij op een priester verliefd was. Wat,
sprak de nijdigaard, heb je dat dan niet verteld aan den priester,
die U de biecht afnam? De donna hernam: Hij heeft het U niet over
verteld, maar voor mijn part zoudt gij er bij geweest zijn.

De nijdigaard sprak: Zeg mij, wie die priester is. De donna glimlachte
en zeide: Het doet mij veel genoegen, wanneer een wijs man zich laat
leiden door een onnoozele vrouw gelijk men een ram bij de horens
naar de slachtplaats voert, hoewel gij niet verstandig waart van het
oogenblik af, dat de booze geest der jaloezie in Uw borst drong en
daarom hoe dwazer en dommer gij zijt, des te minder kan ik met mijn
list eer inleggen. Gelooft gij, man, dat ik blind ben met de oogen
in mijn hoofd gelijk gij met die van den geest? Ik heb den priester
herkend, die mij de biecht afnam; gij waart het zelf en trachtte U in
het hoofd te praten, wat gij zoeken gingt. Waart gij wijs geweest,
gelijk gij U verbeeldt, en hadt gij niet beproefd de geheimen te
weten te komen van Uw goede vrouw, en zonder ijdele argwaan zoudt gij
er op gelet hebben, of, wat zij U bekende, waar was, terwijl zij in
geen enkel opzicht had gezondigd. Ik zeide U, dat ik een priester
liefhad en hadt gij U zelf niet, dien ik ten onrechte bemin, tot
priester gemaakt? Ik zeide U, dat ik geen enkele deur van het huis
voor hem gesloten kon houden, wanneer hij met mij wilde slapen. Ik
zeide U, dat de priester zich elke nacht bij mij bevond en wanneer
waart gij niet bij mij? Zondt gij Uw klerkje tot mij, dan wist gij,
dat gij niet bij mij waart en ik liet U weten, dat de priester niet
bij mij geweest was. Welke dwaas, behalve gij, die U door ijverzucht
hebt laten verblinden, had dit niet begrepen? Gij hebt aan de deur
gewaakt en hebt mij willen wijs maken, dat gij ergens anders zijt gaan
avondmalen en slapen. Verander U, wordt weer man, gelijk gij het waart;
en laat U niet voor den mal houden, want ik zweer bij God, dat, als ik
U horens wilde doen dragen en gij honderd oogen hadt gelijk thans twee,
ik mijn zin zou volgen, zóó, dat gij het niet zoudt gewaar worden.

De booze nijdigaard, die zeer handig het geheim van de donna meende te
hebben gemerkt, dacht, dat hij niet bedrogen was, hield zijn vrouw voor
goed en wijs en ontdeed zich van zijn minnenijd, toen hij er reden voor
had, terwijl hij er van verging, toen het onnoodig was. Daardoor had de
sluwe donna niet meer noodig als de katten haar minnaar over het dak
te laten komen maar door de deur. Zij ging stil te werk en verschafte
zich zelf en hem meermalen een goede gelegenheid en een vroolijk leven.



Zesde Vertelling.

    _Madonna Isabella, die zich bij haar minnaar Leonetto bevindt,
    ontvangt bezoek van messer Lambertuccio. Als haar man thuis
    komt, laat zij hem messer Lambertuccio met een mes in de hand
    tegemoet gaan en haar man vergezelt daarna Leonetto._


De novelle van Fiammetta beviel allen wonderbaar en elk beweerde,
dat de donna zeer goed had gehandeld en dit goed was voor den dommen
echtgenoot. Daarop beval de koning, dat Pampinea zou volgen. Zij begon
te zeggen: Er zijn er velen, die onnoozel beweren, dat de liefde de
menschen verblindt en dat wie liefheeft, zijn bezinning verliest. Dit
schijnt mij een dwaze meening en blijkt ook uit de verhaalde histories
en ik heb plan het nog meer te bewijzen.

In onze rijke stad leefde een lieve en zeer schoone donna, de vrouw van
een zeer waardig ridder. En gelijk dikwijls gebeurt: verandering van
spijs doet eten en daar haar man niet goed voldeed, werd zij verliefd
op een jonkman Leonetto en hij evenzoo op haar. En daar het altijd
goed gevolg heeft, wat elk der partijen wil, duurde het niet lang of
zij konden hun liefde genoegdoening verschaffen. Nu werd ook op deze
donna een ridder verliefd, messer Lambertuccio, welken zij, omdat hij
haar onaangenaam en vervelend scheen, niet mocht lijden. Hij viel haar
met boodschappen lastig en toen dit ook niets hielp, dreigde hij haar,
daar hij machtig was, te schandvlekken. Daarom besloot zij, die bang
was en hem kende, hem ter wille te zijn. De dame, madonna Isabella,
was 's zomers naar gewoonte naar een van haar schoone buitengoederen
gegaan om daar te verblijven en daar haar man op een morgen te paard
was gestegen om eenige dagen elders te vertoeven, verzocht zij aan
Leonetto bij haar te komen, die zeer verheugd dadelijk kwam. Messer
Lambertuccio, die wist, dat haar man heen was gegaan, steeg geheel
alleen te paard, begaf zich ook tot haar en klopte aan de deur. De
meid van de donna, die wist, dat zij met Leonetto samen was, ging haar
roepen en zeide: Mevrouw: messer Lambertuccio is beneden. De donna,
die dit hoorde, was de bedroefdste vrouw van de wereld, maar daar
zij heel bang voor hem was, bad zij Leonetto, dat hij geen bezwaar
zou maken zich eenigen tijd achter het bedgordijn te verbergen, tot
messer Lambertuccio zou weggaan. Leonetto, die niet minder bang voor
hem was dan de donna, verborg zich; en zij beval aan de meid, dat zij
messer Lambertuccio zou openen. Deze steeg van een zijner sierpaarden;
na het aan een haak vastgebonden te hebben, ging hij naar boven. De
donna, die een vriendelijk gezicht zette en boven aan de trap stond,
ontving hem met vriendelijke woorden en vroeg hem, wat hij kwam doen.

De ridder omhelsde haar en sprak: Mijn ziel, ik hoorde, dat Uw man er
niet was, zoodat ik kom om een beetje bij U te blijven. Daarna trad hij
de kamer in, sloot de deur en begon zich met haar te verheugen. Geheel
buiten verwachting van de donna kwam de echtgenoot terug; toen de
meid dezen dicht bij het verblijf zag, liep zij dadelijk naar de
kamer van de donna en sprak: Madonna, daar is mijnheer; ik geloof,
dat hij al in den hof is. Toen de donna dit hoorde en wist, dat er
twee mannen in huis waren en dat de ridder zich niet kon verborgen
houden door het sierpaard, dat in den hof stond, hield zij zich voor
verloren. Niettemin wierp zij zich dadelijk uit het bed op den grond,
nam een besluit en zeide tot messer Lambertuccio: Messer, indien gij
mij goed gezind zijt en mij den dood wilt doen ontloopen, zult gij
doen, wat ik U zal zeggen. Gij zult Uw mes ontbloot in Uw hand nemen,
woest de trappen afgaan en woedend zeggen: Ik zweer bij God, dat ik
hem elders zal vinden. En als mijn man U wil terug houden of U iets
wil vragen, zegt gij niets anders dan wat ik U gezegd heb en te paard
gestegen blijft gij om geen enkele reden bij hem. Messer Lambertuccio
zeide, dat hij dit gaarne wilde en na het mes te hebben getrokken en
met geheel ontvlamd gelaat door de moeite, die hij zich gaf zoowel
als door den toorn, dien hij voelde over den terugkeer van den ridder,
deed hij, gelijk de donna hem bevolen had.

Haar echtgenoot, die al in den hof was afgestegen en zich over het
sierpaard verwonderde en er op wilde springen, zag messer Lambertuccio
toornig de trap afkomen en verwonderde zich en zeide: Wat is dat,
messere? Messer Lambertuccio, die den voet in den stijgbeugel zette
en er opklom, zeide niets anders dan: Bij het Lichaam van God, ik zal
hem elders vinden en hij ging heen. De edelman, die naar boven ging,
vond zijn donna geheel onthutst en vol angst en hij zeide tot haar:
Wat is dat? Waaro