Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Het Leven der Dieren - Deel 1, Hoofdstuk 04: De Roofdieren
Author: Brehm, Alfred Edmund, 1829-1884
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Het Leven der Dieren - Deel 1, Hoofdstuk 04: De Roofdieren" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



Vierde Orde.

De Roofdieren (Carnivora).


Grooter rijkdom van vormen dan die, welke de orde der Roofdieren
aanbiedt, komt misschien in geen andere Zoogdieren-orde voor. Bijna
alle lichaamsgrootten, die gelegen zijn tusschen de middelmatige,
en een, die de kleinste maar weinig overtreft, zijn in deze
orde vertegenwoordigd, de meest verschillende gedaanten in haar
vereenigd. Van den geweldigen Leeuw tot den kleinen Wezel--welk een
aantal tusschenvormen, welk een verscheidenheid van ontwikkeling! Hier
de evenredig gebouwde, lieftallige Kat, daar de logge Hyena; hier
de slanke, sierlijke Civetkat met haar fijne, gladde huid, daar de
krachtige, grove Hond; hier de logge, langzame, zwaarwichtige Beer,
daar de behendige, vlugge en lichte Marter: hoe kunnen zij alle
tot één groep behooren?--En hoe kunnen zij alle in één beschrijving
samengevoegd worden, zij, die deels op den bodem, deels op de boomen,
deels in het water wonen en leven? En toch moeten wij ze in verband
met elkander behandelen.

Bij alle Roofdieren merkt men zoowel in den lichaamsbouw als in
de geestesgaven bij alle verscheidenheid een in 't oog loopende
gelijkvormigheid op. Omgekeerd kan men uit de gewoonten, die al
deze dieren in meerdere of mindere mate gemeen hebben, uit de
overeenkomstige levenswijze en uit de gelijkheid van 't voedsel
afleiden, dat bij hen de vermogens van het lichaam--voortvloeiend
uit het maaksel der ledematen, van het gebit en van de
spijsverteringsorganen--zoowel als die van den geest in hoofdzaak
gelijkaardig moeten zijn. Van misvormingen en vreemdsoortigheden,
van caricatuurachtige wezens en afkeerwekkende gestalten worden in
de orde der Roofdieren bijna geen voorbeelden aangetroffen.

Hunne ledematen staan met het lichaam en onderling in evenredige
verhouding; zij hebben ieder 4 of 5 teenen, die steeds met meer of
minder krachtige, scherpe of stompe, in scheeden terugtrekbare of vrij
liggende klauwen gewapend zijn. De groote volkomenheid der zintuigen
is in 't oog vallend, hoe verschillend hun ontwikkeling ook moge
schijnen. Het gebit, dat uit alle drie soorten van tanden bestaat,
bevat krachtige, scherpe--deels meer of minder slanke en éénspitsige,
deels scherp getakte--in en tusschen elkander grijpende tanden, die
met lange wortels stevig bevestigd zijn in forsch gebouwde kaken,
waarvan de onderste door krachtige spieren bewogen wordt.

De maag is altijd enkelvoudig, niet in afdeelingen verdeeld, de
darm gewoonlijk kort of middelmatig lang, de blinde darm altijd
kort. Eigenaardig zijn bij sommige Roofdieren de aarsklieren, welke
een sterk riekend vocht afscheiden, dat evenzeer een middel is om
zich te verdedigen tegen sterkere als tot het aanlokken van zwakkere
dieren; deze klieren leveren soms een vettige stof tot het inwrijven
van het vel.

Bij het nauwkeuriger ontleden van de Roofdieren merkt men de volgende,
meer of minder voorkomende eigenaardigheden van lichaamsbouw op. Het
skelet, is in weerwil van de lichtheid en sierlijkheid van vele
leden dezer orde, betrekkelijk stevig. Het geraamte van den kop is
langwerpig; het schedelgedeelte is ongeveer even sterk ontwikkeld
als het aangezichtsgedeelte. De krachtige kammen en lijsten als ook
de gewelfde en tamelijk ver van den schedel afwijkende jukbogen
verschaffen aan de krachtige kauwspieren de voor hun bevestiging
vereischte oppervlakte. De oogholten zijn groot, de gehoorblazen
gezwollen, de beenderen en kraakbeenderen van den neus zeer uitgebreid:
aan de drie hierbij behoorende zintuigen wordt dus de noodige
ruimte aangeboden voor hun volledige ontwikkeling. Aan de wervels
merkt men sterke doornuitsteeksels en lange dwarse uitsteeksels op;
de lendewervels vergroeien dikwijls bijna volkomen met elkander; het
aantal staartwervels wisselt binnen vrij wijde grenzen af. De ledematen
vertoonen, in overeenstemming met het verschil van levenswijze, een
groote verscheidenheid van bouw; deze voldoet echter steeds aan alle
vereischten voor kracht, vlugheid en gemakkelijkheid van beweging.

De neus verlengt zich bij vele Roofdieren snuitvormig en is dan
dikwijls nog met eigenaardige kraakbeenderen voorzien, waardoor
hij geschikt wordt voor 't wroeten in den grond. Tevens zijn dan
de ledematen korter en dikker, geschikt om er mede te graven: de
bedoelde soorten leiden een onderaardsche levenswijze. Bij andere
soorten verlengen de ledematen zich en stellen de dieren in staat
om snel te loopen, of verbreeden zich door zwemvliezen en kunnen
voor 't zwemmen dienen. De klauwen zijn bij sommige terugtrekbaar,
gedurende het gaan beveiligd tegen afslijting, zoodat zij uitgestoken
zijnde, uitmuntende wapens en grijpwerktuigen vormen. Andere soorten
hebben stompe, minder beweeglijke klauwen, die daarom alleen voor de
beschutting van den voet of voor het woelen en graven in den grond
kunnen dienen, en hoogstens ook nog maken, dat het dier zich beter
vast kan houden. Het gebit ontleent zijn eigenaardigheid zoowel aan
de scherpe hoek- of hondstanden als aan de scheur- of vleeschkiezen;
het kan hierdoor uitstekende diensten bewijzen bij het vechten, alsmede
bij het vasthouden en verscheuren van den buit. Krachtige spieren en
pezen stellen het Roofdier tot een sterke en volhardende inspanning
in staat, terwijl de vorm en de aanhechtingswijze uitgebreide en
behendige bewegingen toelaat.

Hierbij komen nu nog de uitmuntend ingerichte zintuigen. Bij
uitzondering slechts is een van deze weinig of niet bruikbaar; dit
gemis wordt dan echter zeer zeker op voldoende wijze door de overige
zintuigen vergoed. Men kan geen zintuig aanwijzen, dat bij alle
Roofdieren bevoorrecht is boven alle overige; bij sommige is de reuk,
bij andere het gezicht, bij enkele het gehoor op bewonderenswaardige
wijze ontwikkeld; bij eenige speelt ook de tastzin een belangrijke
rol. Twee zinnen zijn in den regel zeer scherp: in de meeste gevallen
zijn deze de reuk en het gehoor, minder vaak het gehoor en het gezicht.

De verstandelijke vermogens zijn in overeenstemming met de physieke
begaafdheden. Onder de Roofdieren komen bewonderenswaardig verstandige
wezens voor; het behoeft ons dus niet te verwonderen, dat zij zich
weldra de list en de kunst van veinzen eigen maken, die voor hun
roovers- en dievenhandwerk vereischt worden. Hierbij komt nog, dat
het bewustzijn van hun kracht hun moed en zelfvertrouwen verschaft,
welke, in die mate vereenigd, bij andere dieren nimmer aangetroffen
worden. Maar juist uit deze eigenschappen vloeien weer andere voort,
die ons niet zeer innemen voor deze overigens zoo prachtige schepsels.

Doordat de Roofdieren gewoon zijn te overwinnen, ontwikkelt zich bij
hen, nevens de altijd sterker wordende heerschzucht, weldra wreedheid
en dikwijls ten slotte een onbedwingbare moordlust, ja zelfs bloeddorst
in den vollen zin van 't woord; deze hartstochten bezielen hen in die
mate, dat menig Roofdier te recht als zinnebeeld er voor gekozen is.

Met de natuurlijke begaafdheden en eigenschappen van lichaam en geest
stemmen de woonplaats en de levenswijze overeen. De Roofdieren wonen
en heersenen overal: op den bodem, in het water zoo goed als in de
kronen der boomen, op de gebergten zoowel als in de vlakten, in het
woud niet minder dan op het veld, in noordelijke gewesten evenzeer
als in zuidelijke. Men treft onder hen even volkomene nachtdieren als
dagdieren aan; sommige gaan in de schemering, andere bij het licht
der zon, nog andere in de duisternis van den nacht hun voedsel zoeken.

Vele leven gezellig, andere eenzaam; sommige vallen hun slachtoffer
openlijk aan, de meeste echter beloeren en besluipen het, overvallen
het onverwachts--hoe sterk zij ook zijn mogen. Alle verbergen zich zoo
lang mogelijk, uitsluitend met de bedoeling, om door hun verschijnen
niet te vroeg schrik aan te jagen; slechts weinige worden door het
bewustzijn van hun zwakheid gedreven om zoo schielijk mogelijk een
schuilplaats en toevluchtsoord op te zoeken, zoodra zij iets verdachts
bespeuren. Hoe meer zij van het daglicht houden, des te vroolijker,
levendiger, opgewekter en gezelliger toonen zij zich; hoe meer zij
aan den nacht de voorkeur geven, des te knorriger, wantrouwiger,
schuwer en ongezelliger zijn zij.

Alle Roofdieren voeden zich met andere dieren; slechts bij uitzondering
gebruiken eenige ook vruchten, zaden en andere plantaardige
voortbrengselen. Naar het verschil in voedingswijze onderscheidt men
"alleseters" en "vleescheters"; deze namen zijn echter niet volkomen
steekhoudend; want de alleseters geven evenzeer de voorkeur aan
een flink stuk vleesch als de grootste en wildste Roofdieren. Alle
leden van deze orde zijn naar aard en ontwikkeling geboren roovers
en moordenaars, onverschillig of zij kleine dan wel groote dieren
dooden; zelfs zij, die van plantaardig voedsel houden, toonen, als
de gelegenheid schoon is, dat zij geen uitzondering willen maken op
den regel der orde, wat roof en moord betreft. Het ligt in den aard
der zaak, dat er tusschen de Roofdieren, wat betreft de keuze van het
voedsel, of beter gezegd van den buit, even belangrijke verschillen
bestaan als ten aanzien van den lichaamsbouw, het vaderland, de
verblijfplaats en de levenswijze. Slechts weinige klassen van het
dierenrijk blijven voor de aanvallen en belastingheffingen dezer
roofridders beveiligd. De grootste en sterkste leden van de orde
bepalen zich meestal tot Zoogdieren, zonder evenwel andere dieren te
versmaden. Niet eens de Leeuw voedt zich uitsluitend met Zoogdieren;
de overige Katten betoonen zich nog minder kieskeurig dan hij. De
Honden, die eigenlijk echte "vleescheters" zijn, breiden hun jacht
nog verder uit dan de Katten; onder de Civetkatten en Marters vinden
wij reeds eenige soorten, die zich uitsluitend voeden met Visschen
en Amphibiën; de Beren eindelijk zijn echte "alleseters"; zij eten
werkelijk met evenveel smaak plantaardig als dierlijk voedsel. De
Gewervelde Dieren evenzeer als de Ongewervelde vinden dus onder de
Roofdieren hunne liefhebbers of liever hunne vijanden. Onverschillig
waar deze dieren zich ophouden, op den vasten grond of in het water of
tusschen de takken der boomen, in het noorden of in het zuiden, hoog
boven of beneden de oppervlakte der aarde: de Roofdieren verbreiden
overal den dood om zich heen, hun rooven en moorden wordt door niets
gestuit. Zij moeten leven en de zwakke moet voor den sterke onderdoen.

Bij eenige Roofdieren komt, naar men meent, een echte samenleving van
het mannetje met het wijfje voor; bij geen hunner duurt dit verbond
echter levenslang. Het bestaat bij eenige Katten en Marters niet
alleen gedurende, maar ook na den paartijd; in dit tijdperk zijn de
beide ouders enger verbonden dan gedurende den overigen tijd van het
jaar, gezamenlijk voeden, beschermen en verdedigen zij de jongen. Bij
andere, en wel bij de meeste Roofdieren, is de vader gewoon zijne
spruiten als een welkomen buit te beschouwen; hij moet door de moeder
teruggedreven worden, als hij de schuilplaats zijner nakomelingschap
toevallig ontdekt heeft; in dergelijke gevallen is de moeder natuurlijk
de eenige verzorgster van het kroost. Het aantal jongen van één worp
wisselt aanmerkelijk af; het bedraagt echter slechts bij uitzondering
niet meer dan één. Bij nagenoeg alle Roofdieren worden de jongen
blind geboren, en zijn gedurende geruimen tijd zeer hulpbehoevend;
zij ontwikkelen zich echter daarna betrekkelijk vlug. Hun moeder geeft
hun een vrij uitvoerig onderricht in haar bedrijf; zij begeleidt en
beschermt hen steeds zoo lang, als zij nog niet in staat zijn, om
voor zich zelf te zorgen. Bij dreigend gevaar dragen eenige, maar
zeer weinige moeders haar kroost in de armen of op den rug mede,
de overige sleepen het met den bek weg.

De mensch leeft met bijna alle soorten van Roofdieren in openlijken
strijd. Hoogst weinige van hen heeft hij door temming dienstbaar
trachten te maken; met één hunner is hem dit echter in zoo hooge
mate gelukt, dat er in het geheele dierenrijk geen tweede hiermede
overeenkomend geval te vinden is. Verreweg de meeste worden met meer
of minder recht als schadelijke dieren beschouwd, fel gehaat en daarom
zonder genade vervolgd; zeer weinige worden verschoond. Van sommige
wordt het vleesch of het vet gegeten, van andere wordt de prachtige
pels tot kostbare kleedingstukken gebruikt; in zulke gevallen kan men
tegen het dooden van deze dieren niets inbrengen; betreurenswaardig
is het echter, dat sommige Roofdieren, die niet slechts onschadelijk,
maar zelfs nuttig zijn, miskend worden; zij zijn de slachtoffers van
de blinde vernielzucht van den mensch. Reeds hierom verdient deze
orde door iedereen zorgvuldiger waargenomen te worden, dan tot dusver
geschiedde; het leeren onderscheiden van vrienden en vijanden moet
steeds van groot belang geacht worden.



Niemand zal een oogenblik in twijfel verkeeren, aan welke familie
van Roofdieren hij de eer zal gunnen aan de spits der geheele reeks
te staan. Ieder denkt hierbij aan een Kat, die reeds door de ouden de
"koning der dieren" werd genoemd, aan den Leeuw, en geeft hem gaarne
de voorkeur; daarom behandelen wij in de eerste plaats de familie
der _Katten_ (_Felidae_).

Van alle Roofdieren hebben de Katten de meest volkomene
roofdiergestalten. Een dergelijke evenredigheid tusschen de ledematen
en den stam, een even groote regelmatigheid en evenmatigheid van
lichaamsbouw, als bij haar, treft men bij de overige Roofdieren niet
aan. Bij haar is ieder lichaamsdeel lieftallig en sierlijk; juist
daarom bevredigt het geheele dier ons schoonheidsgevoel in zoo hooge
mate. Wij kunnen zonder gevaar voor vergissing onze Huiskat als type
van de geheele groep beschouwen.

De lichaamsbouw van de Kat mogen wij bekend veronderstellen; want het
krachtige en toch sierlijke lichaam, de bolronde kop met den sterken
hals; de matig hooge pooten met de dikke teenen, de lange staart
en het zachte vel met zijn steeds aangename, met de omgeving innig
harmonieerende kleur zijn kenmerken, die waarschijnlijk iedereen
duidelijk voor den geest staan. Het lichaam van de Kat is met de
meest volkomene wapens uitgerust. Haar gebit is vreeselijk. De
hoek- of grijptanden hebben den vorm van groote, sterke, bijna niet
gekromde kegels, die ver voorbij alle andere tanden uitsteken en een
waarlijk vernietigende uitwerking kunnen hebben. Naast hen treden
de opmerkelijk kleine snijtanden geheel op den achtergrond en komen
zelfs de flinke scheurkiezen, die zich door scherpe, wederzijds
in elkander grijpende takken en spitsen onderscheiden, ons zwak en
onbeduidend voor. De dikke en vleezige tong, die door hare fijne,
hoornachtige, op geplooide wratjes geplaatste, naar achteren gerichte
stekels bijzonder de aandacht trekt, is met dit gebied in volkomen
overeenstemming. De tanden zijn echter niet de eenige aanvalswapens
van de Katten; in hare klauwen bezitten zij niet minder vreeselijke
werktuigen voor het grijpen en doodelijk verwonden van haar prooi of
om zich te verdedigen in den strijd. Hare breede en afgeronde voeten
onderscheiden zich vooral, doordat zij naar verhouding zulk een geringe
lengte hebben, en deze is een gevolg van het bovenwaarts gericht zijn
der laatste teenleden, die bij het gaan in 't geheel niet met den bodem
in aanraking komen. Hierdoor wordt de afslijting voorkomen van de zeer
krachtige en uiterst puntige, sikkelvormig gekromde klauwen, die zeer
stevig aan deze teenleden bevestigd zijn. In den toestand van rust
en bij den gewonen gang wordt het klauwlid door twee rekbare banden,
waarvan de eene aan den bovenkant, de andere zijdelings bevestigd is,
in opgerichten stand gehouden; bij toorn en op 't oogenblik dat de
klauw dienst moet doen, trekt de krachtige, diep gelegene buigspier,
welker pees zich aan het onderste deel van het klauwkootje aanhecht,
dit deel met geweld naar beneden; de voet wordt hierdoor gestrekt
en in het vreeselijkste grijpwerktuig veranderd, dat er bestaat. Dit
maaksel van den voet heeft tengevolge, dat de Katten bij het loopen
nimmer een spoor achterlaten waarin de afdruksels van de klauwen
waarneembaar zijn; de onhoorbare gang daarentegen wordt veroorzaakt
door de zachte, dikwijls dicht behaarde ballen op de gedeelten van
den teen, die met den grond in aanraking komen.

De Katten zijn sterke en uiterst behendige dieren. Elke beweging van
haar getuigt zoowel van kracht als van lieftallige behendigheid. Bijna
alle soorten van deze familie gelijken op elkander zoowel door de
eigenschappen van het lichaam als door die van den geest, al is
het dan ook, dat de eene soort in het een of ander opzicht boven de
andere bevoorrecht schijnt te zijn, of bij de andere schijnt achter
te staan. Alle Katten gaan goed, maar langzaam, voorzichtig en zonder
gedruisch te maken; zij loopen snel en zijn in staat tot het maken
van horizontale sprongen over afstanden, die vele malen grooter zijn
dan haar lichaamslengte. Slechts weinige soorten, en wel de grootste,
zijn niet in staat om boomen te beklimmen, hoewel deze kunst door de
meeste met veel behendigheid wordt uitgeoefend. Ofschoon zij voor
't meerendeel een tegenzin hebben in 't water, zwemmen zij ingeval
van nood toch zeer goed; geen enkele soort althans verliest in 't
water licht haar leven. Bovendien hebben zij er slag van haar fraai
gevormd lichaam ineen te drukken of samen te rollen, maken met groote
vaardigheid gebruik van hare klauwen en verstaan de kunst om hiermede
met onfeilbare zekerheid een dier te grijpen, zelfs wanneer het
loopt of vliegt. Hierbij komt nu nog de naar verhouding zeer groote
spierkracht van de ledematen dezer dieren en haar volharding. De
grootste soorten kunnen met één slag van hare vreeselijke klauwen
en door de zwaarte van den schok die het besprongen dier treft, dit
ter aarde doen storten, al is het ook grooter, dan zij zelf zijn;
ook kunnen zij groote lasten voortsleepen.

De voortreffelijkste zintuigen van de Katten zijn ongetwijfeld die
van het gehoor en van het gezicht. Het gehoor wijst haar gedurende
hare rooftochten den weg. Op groote afstanden kunnen zij een gedruisch
waarnemen en op de juiste wijze beoordeelen; zij vernemen den zachtsten
stap, het zwakste kraken van het zand; hoewel de oorschelpen bij
nagenoeg geen van deze dieren bijzonder groot zijn, kunnen zij door
het gehoor zelfs een buit, dien zij niet gezien hebben, opsporen. Het
gezicht is minder goed ontwikkeld, hoewel het volstrekt niet zwak
genoemd mag worden. Waarschijnlijk kunnen zij niet op groote afstanden
zien, nabijgelegene voorwerpen echter zeer goed. De pupil, die bij de
grootste soorten rond is en bij toorn zich kringvormig verwijdt, neemt
bij vele kleinere soorten den vorm van een ellips aan en is dan voor
groote verwijding vatbaar. Over dag trekt zij zich onder den invloed
van het te felle licht tot een fijne spleet samen; bij opgewondenheid
of in de duisternis rondt zij zich tot een nagenoeg volledigen kring
af.--Op het gezicht mogen wij wel het gevoel laten volgen, welks
fijnheid zoowel uit het zeer goed ontwikkeld zijn der tastorganen als
uit de groote geschiktheid tot het waarnemen van allerlei op de huid
werkende prikkels blijkt. Als tastwerktuigen dienen voornamelijk
de baardharen aan weerszijden van de mondspleet en de tastharen
boven de oogen, bij de Lossen misschien ook het haarkwastje aan het
oor. Als men de baardharen van een Kat afknipt, brengt men dit dier
in een hoogst onaangenamen toestand; het wordt letterlijk radeloos
en ongeschikt om iets te doen; het toont althans merkbare onrust en
onzekerheid, die later, hoewel eerst na het aangroeien dezer borstels,
weder ophouden. Maar ook de pooten schijnen voor het tasten zeer
geschikt. De gevoeligheid is over het geheele lichaam verbreid. Alle
Katten zijn hoogst ontvankelijk voor uitwendige invloeden; zij toonen
een duidelijk merkbare ontstemming bij onaangename, daarentegen een
groot behagen in aangename prikkels. Als men haar vacht gladstrijkt,
zullen zij steeds in een bijna vroolijke stemming komen, terwijl zij,
groote ontevredenheid aan den dag leggen, als zij met vocht besprenkeld
of aan andere onaangename invloeden blootgesteld worden. De reuk en
de smaak staan waarschijnlijk ongeveer op gelijke hoogte; misschien
is de smaak nog beter ontwikkeld dan de reuk. De meeste Katten zijn
in weerwil van haar ruwe tong voor smaakprikkels zeer gevoelig. Uit de
merkwaardige voorliefde van sommige Katten voor sterk riekende planten,
zooals Valeriaan en Kattenkruid, leidt men af, dat de reuk bij haar
slechts een zeer ondergeschikte rol vervult; de Katten wentelen zich,
alsof zij gek zijn, over deze planten heen, geraken hierdoor als
't ware in een roes; terwijl dieren met meer verfijnde reukorganen
hun afschuw voor dergelijke voorwerpen niet verhelen.

De Katten nemen, wat de ontwikkeling harer geestvermogens betreft,
een lageren rang in dan de Honden, echter niet zooveel lager,
als gewoonlijk aangenomen wordt. Men moet hierbij niet uit het oog
verliezen, dat wij bij het beoordeelen van de geestesbekwaamheden
der beide familiën voortdurend twee typen voor oogen hebben, die
geen juisten maatstaf voor deze beoordeeling opleveren; men kan den
Huishond, die sedert duizenden van jaren door zijn verkeer met den
mensch ontwikkeld is, niet op één lijn stellen met de verwaarloosde
en niet zelden mishandelde Huiskat. Bij de meeste soorten van Katten
treden wel is waar de hoogere of edelere begaafdheden van den geest
minder op den voorgrond dan de lagere, maar toch levert onze Huiskat,
als hij goed behandeld wordt, ons het bewijs, dat ook Katten voor
opvoeding en veredeling van den geest vatbaar zijn. De Huiskat levert
vaak genoeg voorbeelden van trouwe gehechtheid aan den mensch en van
een goed ontwikkeld verstand. Gewoonlijk geeft de mensch zich niet de
moeite hare bekwaamheden nader te onderzoeken, maar laat zich tegen
haar innemen door het algemeen heerschend vooroordeel en wordt hierdoor
van een zelfstandig onderzoek teruggehouden. Het karakter van de meeste
soorten is een vereeniging van bedaarde omzichtigheid, volhardende
sluwheid, bloedgierigheid en vermetelheid. In de gevangenschap
vertoonen zij zich weldra geheel anders dan in vrijen toestand; zij
erkennen de oppermacht van den mensch, gevoelen dankbaarheid jegens
haar meester, verlangen, dat hij haar zal vleien en liefkoozen,
kortom zij worden dikwijls volkomen tam, zij het dan ook, dat soms
hare diep ingewortelde, natuurlijke neigingen plotseling weder op den
voorgrond treden. Dit is hoofdzakelijk de reden waarom men de Katten
valsch en arglistig noemt, want zelfs niet eens de mensch die gewoon
is dieren te kwellen en te mishandelen, wil hun het recht toekennen,
een enkele maal voor eenige oogenblikken het hun opgelegde juk der
slavernij af te schudden.

Katten vindt men tegenwoordig in alle deelen der Oude Wereld (met
uitzondering van het Australische faunistische rijk, waar hoogstens
verwilderde Huiskatten voorkomen) en in Amerika. Zij bewonen de
vlakten zoowel als de bergen, dorre zandgronden zoowel als vochtige
laagvlakten, het bosch zoowel als het veld.

Haar voedsel ontleenen de Katten aan alle klassen van de Gewervelde
Dieren, hoewel het niet te ontkennen valt, dat de Zoogdieren het meest
aan hare vervolgingen zijn blootgesteld. Eenige soorten maken bij
voorkeur jacht op Vogels, andere, die echter een kleine minderheid
uitmaken, eten bovendien het vleesch van sommige Kruipende Dieren,
vooral van Schildpadden, nog andere gaan zelfs op de vischvangst uit.

Bij 't vangen van een prooi handelen alle soorten van Katten ongeveer
op dezelfde wijze. Zachtjes, met onhoorbare schreden sluipen zij
door haar jachtgebied, uiterst nauwkeurig, acht gevend op alles,
in alle richtingen loerend en scherp luisterend. Zelfs van het
zwakste gedruisch trachten zij de oorzaak op te sporen. In diep
gebogen houding gaan zij er op af, den buik bijna op den grond,
zoodat zij schijnen voort te glijden. Steeds houden zij zich onder
den wind, om te voorkomen, dat de bewijzen van de nabijheid van het
roofdier door luchtstroomingen naar het slachtoffer overgedragen
worden. Eindelijk acht de Kat den afstand gering genoeg, om tot den
aanval over te gaan. Met één of twee sprongen heeft zij haar prooi
bereikt. De vreeselijke klauwen doorklieven den nek of de zijden van
het onverhoeds overvallen dier, dat met den bek aangevat, en eenige
malen achtereen hevig gebeten wordt. Vervolgens ontspannen de spieren,
die de kaken opeenklemmen, zich een weinig; de roover laat evenwel
zijn prooi niet los, houdt haar voordurend in 't oog, en bijt opnieuw,
zoodra hij bij den overwonnene een bewijs van leven opmerkt. Vele
Katten laten onder deze bedrijven een geknor of gebrul hooren, dat
evenzeer welgevallen als begeerigheid of toorn te kennen geeft; ook
bewegen zij de spits van den staart heen en weer. De meeste hebben de
afschuwelijke gewoonte, haar slachtoffer lang te martelen: schijnbaar
gunnen zij het een weinig vrijheid en laten het zelfs dikwijls een
eind ver loopen, om het echter steeds op 't rechte oogenblik weer
te vatten, opnieuw neer te drukken en nogmaals te laten loopen; dit
wreede spel wordt voortgezet, totdat het gepijnigde dier aan zijne
wonden bezwijkt. Zelfs de grootste soorten vermijden een gevecht met
dieren, van welke zij een grooten tegenstand verwachten, en vallen
hen alleen dan aan, als de ervaring hun geleerd heeft, dat zij,
ondanks de sterkte van haar tegenstander, overwinnaars zullen zijn
in den strijd, die op den aanval zou kunnen volgen. Zelfs de Leeuw,
de Tijger en de Jagoear zijn aanvankelijk bevreesd voor den mensch,
en gaan hem bijna lafhartig uit den weg; zoodra zij evenwel gezien
hebben, hoe gemakkelijk hij te overmeesteren is, worden vele van deze
Roofdieren zijne vreeselijkste vijanden. Ofschoon bijna alle Katten
goed kunnen loopen, laten vele toch de verdere vervolging van een
prooi na, wanneer haar de aanvalssprong mislukte. Alleen wanneer zij
die zeer veilig achten, verslinden zij de prooi op de plaats zelve,
waar de strijd beslecht werd; gewoonlijk sleepen zij het gegrepen dier,
dat gedood of althans weerloos gemaakt is, naar een stille, verborgen
plaats, waar zij ongestoord en op haar gemak het genot kunnen smaken,
dat de bevrediging van den honger teweegbrengt.

In den regel werpen de wijfjes-katten verscheidene jongen, bij
uitzondering slechts één. Vermoedelijk wisselt het aantal jongen
van 1 tot 6 af; men zegt, dat sommige soorten er meer ter wereld
brengen. De moeder verzorgt ze; de vader bekommert er zich slechts
bij uitzondering om. Een wijfjeskat met hare jongen levert een zeer
aantrekkelijk schouwspel op. De moederlijke teederheid en liefde
openbaren zich in elke beweging van de oude, zijn hoorbaar in ieder
geluid, dat men van haar verneemt. Er ligt dan een teederheid en
zachtheid in hare stem, die men hierin volstrekt niet verwacht zou
hebben. Bovendien let de moeder zoo zorgvuldig en opmerkzaam op de
jongen, dat men in 't geheel niet twijfelen kan aan de innigheid van
haar liefde. Een zeer aangenamen indruk maakt zulk een kattenfamilie
ook door de zindelijkheid, tot welke de moeder hare jongen reeds in
hun prille jeugd opwekt. Onophoudelijk is zij bezig met schoonmaken,
aflekken, gladstrijken, in orde brengen; zij duldt niet het minste vuil
in de nabijheid van het leger. Tegen vijandelijke bezoeken verdedigt
zij haar kroost met ware doodsverachting: alle groote soorten worden,
wanneer zij jongen hebben, in de hoogste mate gevaarlijk. Bij vele
kattensoorten moet de moeder hare kinderen soms ook tegen hun eigen
vader beschermen, omdat deze de jongen, zoolang zij nog blind zijn,
eenvoudig opvreet, wanneer hij het nest onbewaakt vindt. Dit is
vermoedelijk de voornaamste reden voor de zorgvuldigheid, waarmede
alle Katten hare jongen zoo goed mogelijk verbergen. Wanneer de jongen
wat grooter geworden zijn en zich reeds als echte Katten gedragen,
wordt de zaak anders; dan doet ook de kater hun geen kwaad meer. En
nu begint voor de kleine, steeds tot allerlei spelen en grappen
gezinde dieren een werkelijk vroolijk kinderleven. De natuurlijke
aanleg openbaart zich reeds in de eerste bewegingen en aandoeningen,
waarvoor de Katten vatbaar zijn. Hare kinderspelen reeds zijn altijd
oefeningen, waardoor zij zich voorbereiden om het jagersbedrijf der
volwassenen uit te oefenen. Elk zich bewegend voorwerp trekt haar
aandacht. Geen gedruisch ontgaat haar, de kleine jagers spitsen de
ooren bij het minste geritsel in hun nabijheid. In 't eerst is de
staart van hun moeder een bron van groot vermaak. Elke beweging van
dit lichaamsdeel wordt nageoogd, en weldra begint de geheele baldadige
bende haar best te doen om door pogingen om den staart te grijpen diens
bewegingen te stuiten en te voorkomen. Het oude dier laat zich echter
door deze plagerijen in 't minst niet storen en gaat voort met haar
gemoedsstemming te kennen te geven door de beweging van den staart; zij
laat zelfs gelaten toe, dat hare jongen dit lichaamsdeel als speelgoed
gebruiken. Weinige weken later ziet men het geheele gezin reeds met
allerlei drukke spelen bezig, nu gedraagt ook de moeder, de leeuwin
zoowel als de wijfjes-huiskat, zich geheel als een kind. Dikwijls is
het geheele gezelschap als een kluwen ineengerold; het eene dier tracht
den staart van het andere te grijpen. Naarmate de leeftijd toeneemt,
worden de spelen voortdurend ernstiger. De jongen leeren inzien,
dat de staart eenvoudig een deel van hun eigen lichaam is, en willen
liever hunne krachten aan iets anders beproeven. Thans brengt de oude
hun kleine, soms halfdoode, soms nog springlevende dieren. Deze laat
zij los, als zij bij hare jongen is en nu oefent zich het jongere
geslacht met ijver en volharding in het roovershandwerk, waardoor het
later aan den kost zal komen. Eindelijk neemt de oude de jongen mede
op de jacht; daar worden zij doorkneed in alle listen en sluipwegen,
in het toonen van zelfbeheersching, in het onverhoeds aanvallen,
kortom in de geheele rooverskunst. Eerst als zij geheel zelfstandig
zijn geworden, verlaten zij hun moeder of hunne beide ouders en leiden
van nu af gedurende geruimen tijd een eenzaam, zwervend leven.

De Katten staan als vijanden tegenover een groot deel van de
dierenwereld; daarom is de schade die zij aanrichten, buitengewoon
groot. Men moet hierbij echter in 't oog houden, dat de groote soorten
van de familie bijna alle leven in landen, die ongeloofelijk rijk aan
dieren zijn; zelfs is er reden om aan te nemen, dat eenige soorten
aan een voor ons schadelijke, te sterke vermenigvuldiging van sommige
Herkauwers en Knaagdieren paal en perk stellen, en dus indirect
ook voor ons nuttig zijn. Bij vele kleine soorten wordt de schade,
die zij ons berokkenen, meer dan opgewogen door de diensten, die zij
ons bewijzen. Zij maken alleen jacht op kleine Zoogdieren en Vogels;
vooral voor de kleine Knaagdieren, die den mensch zoo buitengewoon
veel last en schade kunnen aandoen, zijn zij de gevaarlijkste vijanden
en voor ons dus de ijverigste bondgenooten. Onze poes is ons geheel
onmisbaar geworden, maar ook de in 't wild levende soorten van
kleine Katten vergoeden vaak de door haar aangerichte schade door
belangrijke diensten. Bovendien maakt de mensch gebruik van het vel
en in sommige landen zelfs van het vleesch der Katten. In China,
en ook velerwege in Afrika, dienen de vellen van sommige soorten van
Katten als kenteekenen van waardigheid; de overige volken schatten het
genoemde artikel meer op grond van de schoone kleuren die het vertoont,
dan wegens de innerlijke waarde, want deze is niet bijzonder groot.

De jacht en de vangst van de schadelijke soorten worden overal met
grooten ijver uitgeoefend; er zijn menschen, die deze jacht, juist
wegens de gevaren die zij oplevert, tot de grootste genoegens dezer
wereld rekenen.

De samenvoeging van de verschillende soorten van Katten tot geslachten
biedt groote moeielijkheden aan. Wij meenen echter het recht te
hebben om de _Lossen_ (_Lynx_), de _Geparden_ of _Jachtluipaarden_
(_Cynailurus_) en de _Fretkat_ of _Fossa_ van Madagaskar
(_Cryptoprocta_) van de overige vormen--van de _eigenlijke Katten_
(_Felis_)--te mogen scheiden als afzonderlijke geslachten. Als type
van het laatstgenoemde geslacht kan onze algemeen bekende Huiskat
dienen. Van haar en de overige soorten van haar geslacht, welker
hoogst ontwikkelde leden aan den eenen kant de Leeuw, aan den anderen
de Tijger zijn, onderscheiden de _Lossen_ zich door de kortheid van den
staart, de lengte der pooten en het haarkwastje aan de lange ooren, de
_Geparden_ door de hoogte der pooten en de geringe terugtrekbaarheid
der klauwen; de _Fossa_ is kenbaar aan haar afwijkend gebit, haar
onbehaarde zool, en andere eigenaardigheden, die ons dit merkwaardig
dier doen kennen als een verren verwant van de Civetkatten, als een
"oerkat", zoo men wil.



In de eerste plaats beschouwen wij de _Eigenlijke_ Katten; de soorten
van de _Oude Wereld_ zullen wij gescheiden van die der _Nieuwe Wereld_
behandelen; verder berust de rangschikking, die wij aangenomen hebben,
op eigenaardigheden die de kleur van de vacht van het dier aanbiedt, en
wel zoo, dat de _dwars gestreepte_, de _gevlekte_ en de _eenkleurige_
Katten achtereenvolgens aan de beurt zullen komen.

In de groep van de min of meer dwars gestreepte Katten staat de
_Tijger_, die naast den Leeuw het meest ontwikkelde lid van de
geheele familie is, bovenaan. De Tijger is een echte Kat zonder
manen, met tamelijk lange baardborstels en met zeer duidelijk
zichtbare dwarsstrepen op zijn huid. Hij is de vreeselijkste van
alle Katten, een Roofdier, waartegen de mensch zelfs machteloos
is. Bij geen der Roofdieren gaat de verschrikkelijkheid met zooveel
waarlijk verleidelijke schoonheid gepaard, geen van hen kan de oude
fabel van de jonge, wijsneuzige Muis, die in de Kat een schoon
en beminnenswaardig wezen bewonderde, beter vestigen. Wanneer de
gevaarlijkheid als maatstaf voor de belangrijkheid van de Zoogdieren
moest gelden, zou men aan den Tijger den eersten rang dienen toe
te kennen; want hij heeft zich tegenover den beheerscher der aarde
verzet op een wijze, waarvan geen tweede voorbeeld te vinden is. In
plaats van verdreven en teruggedrongen te zijn door de bebouwing
van den bodem en den steeds verder voortdringenden mensch, is hij
gedeeltelijk juist hierdoor meer aangetrokken; zelfs heeft hij den
mensch sommige plaatsen doen ontvluchten. Wel verre van, gelijk de
Leeuw, uit bevolkte gewesten zich terug te trekken, en het gevaar, dat
hem met vernietiging bedreigt, te ontvlieden, gaat hij het stoutmoedig
of listig te gemoet en plaatst zich halsstarrig als vijand tegenover
den mensch, maar als een verborgen, onverwachts naderbij sluipenden
en daarom des te gevaarlijker vijand. Men heeft zijn moordlust en
zijn bloeddorst en ook zijn menscheneten veelvuldig overdreven, of
althans met zeer schrille kleuren geschilderd; dit mag ons echter
geen verwondering baren: want voor velen die hem schilderen konden,
was hij werkelijk de belichaming van de verschrikkelijkheid.

De _Koningstijger_, de _Bagh_, _Scher_ of _Nahar_ der Hindoes, de
_Harimau_ der Maleiers (_Felis tigris_), is een prachtige, wonderschoon
geteekende en gekleurde Kat. Hooger, slanker en lichter gebouwd dan de
Leeuw, staat de Tijger toch volstrekt niet bij dezen achter. De totale
lengte van het volwassene mannetje varieert van 260 tot 300 cM., die
van het volwassene wijfje is steeds 30 à 40 cM. geringer. De staart is
80 à 95 cM. lang; de hoogte van de schoften bedraagt 90 à 106 cM. Het
gewicht van twee vrouwelijke Tijgers bedroeg bij de eene 108.8, bij
de andere 158.7 KG., dat van twee mannelijke Tijgers was resp. 163.3
en 172.4 KG. De romp is een weinig langer en gestrekter, de kop ronder
dan bij den Leeuw, de staart eindigt niet in een haarkwast, de beharing
is kort en glad en slechts aan de wangen tot een baard verlengd. Het
wijfje is kleiner en haar wangbaard minder ontwikkeld. Alle Tijgers,
die in meer noordelijk gelegene landen wonen, dragen, althans gedurende
het koude jaargetijde, een veel dichter en langer haarkleed, dan die,
welker vaderland de heete laagvlakten van Indië zijn. De teekening van
het dier vertoont een merkwaardig schoone rangschikking van kleuren; er
is een scherpe tegenstelling tusschen de lichte, roestgele grondkleur,
en de donkere strepen, die er op voorkomen. Evenals bij alle Katten,
is de grondkleur op den rug donkerder, aan de zijden lichter;
de onderzijde, de binnenzijden der ledematen, het achterste deel
van den romp, de lippen en het onderste gedeelte der wangen zijn
wit. Bij den "Boschtijger" schijnt de grondkleur meer verzadigd te
zijn dan bij den "Dsjungeltijger". Van den rug naar de borst en den
buik loopen in schuinsche richting onregelmatige, zwarte dwarsstrepen,
die een weinig van voren naar achteren hellen, en welker onderlinge
afstand bij verschillende dieren ongelijk is. Eenige van deze strepen
splitsen zich, de meeste zijn onvertakt en in dit geval donkerder. De
staart is lichter van kleur dan de bovenzijde van het lichaam, maar
eveneens met donkere ringen geteekend. De baardborstels of snorren
zijn meestal wit. Het groote oog, dat een ronde pupil heeft, ziet
er geelachtig bruin uit. De jongen zijn precies zoo geteekend als de
ouden; bij hen heeft de grondkleur echter een iets lichtere tint.

Ook bij den Tijger worden verscheidene afwijkingen van kleur
aangetroffen; de grondkleur kan donkerder of lichter zijn; in zeldzaam
voorkomende gevallen is zij zelfs zwart, ook wel wit met nevelachtige
zijdestrepen.

Men zou kunnen meenen, dat een zoo prachtig geteekend dier reeds op een
afstand opgemerkt zal worden door alle dieren die het vervolgt. Dit
is echter niet zoo. Het is al reeds eerder ter sprake gekomen,
dat de kleur bij de dieren in 't algemeen in nauw verband staat
met de plaats waar zij zich ophouden; bij de Katten is dit meer in
't bijzonder het geval; ik kan hier dus volstaan met te herinneren
aan de bosschen, rietvelden en graslanden, die bij voorkeur door den
Tijger als woonplaats worden gekozen, om de meening te weerleggen,
dat de bedoelde teekening en kleurverdeeling het roofdier hinderlijk
zouden kunnen zijn. Het overkomt zelfs geoefende jagers niet zelden,
dat zij een Tijger, die op korten afstand vóór hen ligt, even goed
als andere dieren, volkomen over 't hoofd zien.

Het verbreidingsgebied van den Tijger is zeer uitgebreid. Want het
blijft volstrekt niet alleen tot de heete landen van Azië, en meer
bepaaldelijk tot Oost-Indië, beperkt, maar neemt van het grootste aller
werelddeelen een stuk in beslag, dat ons Europa in uitgestrektheid
verre overtreft. Dit dier komt voor tusschen 8° ZB. en 53° NB.,
en wel tot in het zuidoosten van Siberië. De noordelijke grens van
zijn verbreidingsgebied ligt nader bij de Noordpool dan Amsterdam:
bovendien houde men hierbij in 't oog, dat Siberië een geheel ander
en betrekkelijk veel kouder klimaat heeft dan Europeesche gewesten,
die op gelijke breedte gelegen zijn. Indië kan echter als het
eigenlijk vaderland van den Tijger aangemerkt worden; van hier uit
verbreidt hij zich naar 't noorden en oosten door geheel China tot in
het stroomgebied van den Amoer, naar 't noorden en westen door het
noordelijke deel van Afghanistan en Perzië naar de gewesten aan den
zuidelijken oever van de Kaspische zee, waar hij in de moerassige
oerwouden van Massenderan en Gilan nog vrij overvloedig gevonden
wordt. Enkele uit hun koers geslagen dieren zullen misschien wel nu
en dan buiten de genoemde grenzen rondzwerven; in de westelijke landen
komen zij echter niet tot aan den Kaukasus of tot aan de Zwarte Zee. Op
de eilanden van den Maleischen Archipel, met uitzondering echter van
Sumatra en Java, komt de Tijger niet voor. Evenmin vindt men hem op
het eiland Ceylon.

Over den Tijger op Java schrijft Dr. W. R. van Hoëvell o. a. het
volgende: "Overal waar de grond nog schaars is bebouwd, in de vlakten,
op de bergen, overal heeft hij zijn schuilplaats en zoekt hij zijn
prooi. Sommige streken zijn door haar plaatselijke gesteldheid bovenal
bij hem geliefd. In het zuiden van Bantam is hij menigvuldig. Binnen
het jaar had men er vijftig gedood. In een dorp woonden acht weduwen,
wier mannen door Tijgers waren geveld.

"Bijna nimmer ontmoet men op Java een Tijger in 't wild. Daar is
een natuurlijke reden voor; wij maken onze tochten als de zon aan den
hemel schijnt--maar in den regel ligt de Tijger dan in zijn schuilhoek,
dan verbergt hij zich voor de zonnestralen, dan slaapt hij.

"De volle middag is in Indië het beeld van den dood--de nacht van
kalme beweging en levende rust. Altijd hoort gij iets. Nu eens
oefenen talrijke nachtinsecten onvermoeid hunne geluidorganen, dan
weer zingen ontelbare Krekels, in de struiken verspreid, op schelle
tonen een avondzang--dan belasten honderden Padden en Kikvorschen
zich met de baspartij--nu en dan mengt zich het eentonig geschreeuw
van de Gekko's er tusschen, die het rieten dak onzer hut bewonen.

"Maar ziet--daar wordt plotseling dit gansche orkest overschreeuwd
door een klagend gehuil, al sneller en scherper, al snijdender en
harder. Wij vlogen naar buiten, om te onderzoeken wat het was. Het
geraas hield aan, maar bleek nu op een aanmerkelijken afstand, diep
in het woud zijn oorsprong te nemen. De Javanen die ons vergezelden,
ontvouwden ons de reden. 't Was het angstgeschreeuw der Apen, die
deze bosschen bewonen. Wanneer een talrijke groep in die, dikwijls
honderd voet hooge kruinen der boomen zich gerust aan den slaap heeft
overgegeven, dan nadert een groote Gestreepte Tijger en vlijt zich
aan den voet neer.

"Nauwelijks heeft een der bevolking in de takken het monster opgemerkt,
of de schrik perst hem een klagend gehuil af. Alle ontwaken--alle
zien den Koning der verschrikking beneden--alle schreeuwen en alleen
de tegenwoordigheid van dat vreeselijke dier jaagt hun zulk een
doodsangst aan, dat zij geheel verbijsterd, op en door elkander van
tak tot tak springen en, onder huilen en jammeren, den een den ander
verdringen. Ondertusschen blijft de Tijger stil en rustig liggen--maar
onbewegelijk fonkelen zijne oogen de arme Apen aan totdat er eindelijk
een in de verwarring en het rumoer naar beneden valt, die dan gegrepen
en verslonden wordt.

"De wilde Stier is een der schoonste dieren van Java's
wildernissen. Ook op hem aast de Tijger, maar hij treedt hem niet
tegen in een open ridderlijken kamp; hij bespiedt zijne gangen, wacht
hem af in een hinderlaag, en bespringt hem verraderlijk. Daar ligt de
moordenaar op de loer in de dichte struiken; hij weet, dat hij zijn
prooi weldra zal zien, want het malsche gras heeft den Stier reeds
menigen nacht herwaarts gelokt. Daar nadert eindelijk het trotsche,
fraai geteekende, met sierlijke hoornen gekroonde dier. Rustig, van
geen gevaar bewust, voor geen gevaar bevreesd, omdat het de kracht van
zijne spieren en kop en hoornen kent, geniet het de geurige kruiden,
door den dauw van den nacht besproeid.

"De Tijger ligt onbeweeglijk, hij verroert zich niet, hij houdt zijn
adem in, hij wacht--de Stier komt al grazende dichter bij--nog een
kleine wending en de gelegenheid zal gunstig zijn--en nu--slechts één
enkele sprong--en de Tijger zit zijn prooi op den rug--hij heeft hem
zijne klauwen in de breede borst geslagen--hij heeft hem de slagtanden
in den korten, rimpeligen nek gezet--een vreeselijk gebrul weergalmt in
den nacht en weerkaatst door het gebergte--de Stier ijlt, woedend van
pijn, in 't dichtst van het woud, maar de Tijger blijft in dezelfde
houding--de Stier slaat in razernij de horens tegen de stammen der
boomen, de Tijger verroert zich niet--de smarten doen den Stier al
harder en harder voortijlen, de Tijger drijft zijne tanden en klauwen
al dieper en dieper in het vleesch--de Stier werpt zich op den grond,
wentelt zich om, de Tijger laat los, doet een enkelen sprong, zet
de tanden in den strot van zijn slachtoffer--en weldra blaast het
rochelend den laatsten adem uit."

Behalve in de dsjungels ontmoet men den Tijger in groote, hoogstammige
bosschen tot op een bepaalde hoogte boven den zeespiegel. Tot in
de hooglanden en hooge gebergten van Azië dringt hij niet door, en
zelfs in de zuidelijke gedeelten van den Himalaja wordt hij slechts
nu en dan tot op een hoogte van ongeveer 2000 M. aangetroffen. Bij
voorkeur houdt hij zich op in de rietvelden aan de rivieroevers,
in ondoordringbare bamboesbosschen en op andere dicht begroeide
plaatsen; ook vindt men hem dikwijls te midden van bouwvallen; niet
zelden wordt hij op den kap van half verweerde muren en op tempels in
liggende houding gezien, soms zelfs drie of vier tegelijk. Bijzonder
merkwaardig en, volgens alle berichtgevers, sterker dan bij andere
dieren is zijn voorliefde voor vast bepaalde lig- en schuilplaatsen;
met groote nauwgezetheid trekt hij altoos en overal naar dezelfde
plaatsen terug, al zijn er ook even geschikte in de onmiddellijke
nabijheid te vinden. "Het eerste het beste, met lang gras of riet
begroeide plekje aan een rivieroever of moerasrand," schrijft Blanford,
"de een of andere dichte opeenhooping van tamarisken of eugeniën in
een uitgedroogd rivierbed, dat een dozijn andere, oogenschijnlijk
volkomen gelijke kreupelboschjes bevat, een bepaalde hoop rotsblokken,
de uitverkorene van honderd soortgelijke op dezelfde heuvelhelling,
herbergt jaar in jaar uit denzelfden Tijger. Wanneer bij geval de
vaste bewoner van dit plekje door een jager gedood wordt, zal weldra
een andere Tijger de vacant geworden plaats in beslag nemen."

De gewoonten en hebbelijkheden van den Tijger gelijken op die van de
overige Katten, behoudens het onderscheid, dat uit de verschillende
grootte voortvloeit. Zijne bewegingen zijn even sierlijk als die
der kleinere Katten en hebben plaats met buitengewone snelheid,
behendigheid en volharding. Onhoorbaar sluipt hij voort, doorloopt
op zijne rooftochten schielijk afstanden van uren gaans, beweegt zich
zeer snel in galop en zwemt uitmuntend. Zijn bekwaamheid in 't springen
heeft men dikwijls overdreven voorgesteld. Uit metingen aan de sporen
van Tijgers, die vluchtend wild vervolgd hadden, is nooit een grootere
sprongwijdte dan van 5 M. gebleken. _Boomen beklimt hij niet_ of alleen
bij groote uitzondering, n.l. als de stam hellend of knoestig is;
gladde, rechte, verticale stammen kan hij niet beklimmen. Wel springt
hij soms, evenals andere Katten, tot tijdverdrijf bij den stam van
een boom met zachte schors op, en krabt deze spelenderwijs stuk.

De Tijger is geen echt nachtdier. Evenals de meeste Katten zwerft hij
op elken tijd van den dag rond, zij het dan ook, dat hij aan de uren
kort vóór en kort na zonsondergang de voorkeur geeft. Op plaatsen
waar de wilde dieren komen drinken of zoutlekken, op landwegen,
woudpaden en dergelijke legt hij zich bij voorkeur in hinderlaag. In
het zuidoosten van Siberië bezoekt hij gedurende den zomer iederen
nacht de plaatsen waar het zout aan de oppervlakte van den bodem
uitweert, omdat hij, even goed als de daar woonachtige jagers,
weet, dat de Herten hier gewoon zijn te komen om zout te likken; daar
ontmoet hij dan ook dikwijls jagers, die hetzelfde voornemen hebben als
hij. Met uitzondering van de sterkste Zoogdieren, zooals Olifanten,
Neushoorndieren, Wilde Buffels en misschien andere Roofdieren, is
geen lid zijner klasse veilig voor hem: hij overvalt de grootste,
en is ook tevreden met de kleinste. Soms beproeft hij evenwel zijne
krachten aan den buitengewoon sterken Wilden Buffel; in den strijd met
dit dier, vooral met het mannetje, delft hij echter niet zelden het
onderspit; ook door een ouden, goed gewapenden mannetjes-Ever wordt
hij, volgens sommige berichtgevers, nu en dan leelijk toegetakeld. Ook
vergrijpt hij zich wel eens aan een Beer; bij voorkeur maakt hij
echter jacht op Wilde Zwijnen, Herten en Antilopen. In tijd van nood
eet hij al wat kruipt en vliegt: bij overstroomingen in Bengalen
voedt hij zich met Visschen, Schildpadden, Hagedissen en Krokodillen;
Simson vond de maag van een door hem gedooden Tijger met Sprinkhanen
volgepropt. Zelfs Kikvorschen worden, naar men zegt, niet door hem
versmaad; wanneer gedurende den winter in de noordelijkste gedeelten
van zijn verbreidingsgebied het wild schaarsch wordt, gaat hij om
zijn honger te stillen op de muizenjacht. Alle dieren hebben dus
deugdelijke redenen om wegens hem op hun hoede te zijn.

Gelijk bij ons de Kraaien en allerlei kleine Vogels, de gevederde
roovers van de lucht luid schreeuwend vervolgen, zoo laten ook vele
dieren in de tropische gewesten zich hooren, als zij den Tijger
opmerken. Zij kennen hem, en weten bij ervaring, wat hij op 't oog
heeft, als hij begint rond te sluipen. Forsyth en anderen brengen
voorbeelden bij van de wijze waarop hun jacht door de hulp van de
Apen begunstigd werd. "Eens," zoo verhaalt Forsyth, "werd ik bij het
vervolgen van een Tijger, die in een uitgedroogde regengeul liep,
uitstekend geholpen door de talrijke Hoelmans, die in het struikgewas
langs den oever vruchten plukten. Zoodra zij den Tijger onder zich
zagen, snelden zij de eene na den anderen op de naastbijgelegene
boomen toe, klommen tot in de hoogste takken, schudden deze hevig,
en schimpten en tierden zoo sterk tegen den rustverstoorder in de
diepte, dat men ze op grooten afstand hooren kon. Iedere bende bleef
leven maken, totdat zij den Tijger uit het gezicht verloren had,
en de naastbij wonende hem op dezelfde wijze van uit hare boomkruin
begroette, daarna keerde zij bedaard naar den grond terug en ging weer
aan het bessen plukken, alsof er niets gebeurd was. Op deze wijze
nauwkeurig op de hoogte gehouden van den weg dien de Tijger volgde,
kon ik daar, waar de geul een bocht maakte, dwars oversteken, het
Roofdier vooruitkomen, en een geschikte standplaats kiezen. Daar kwam
hij voor den dag met lange schreden, den staart tusschen de pooten, en
zag er precies uit als een van schuld bewuste, nachtelijke moordenaar;
zijn geweten was blijkbaar door misdaden bezwaard, want gedurende het
gaan keek hij telkens vreesachtig om, en omhoog naar de Apen, alsof
hij ze smeeken wilde, toch niet te verraden waarheen hij ging."--Een
kogel maakte een einde aan zijn loopbaan.

De stem van den Tijger staat, wat kracht betreft, ver achter bij
die van den Leeuw. Gewoonlijk bestaat zij uit een langgerekt,
klagend geluid, dat verscheidene malen korter en sneller herhaald
wordt. Bovendien brengt hij de zware keelgeluiden "A-o-oeng" voort,
die men in alle diergaarden van de meeste groote Katten verneemt,
voorts een luid "Ha-oeb" of "Wau," als hij verrast en verschrikt wordt,
verder een mokkend geknor, als iemand hem tergt, en een op hoesten
gelijkenden, korten schreeuw, die woede te kennen geeft, en dien hij
bij den aanval verscheidene malen, schielijk achtereen uitstoot.

De Tijger is over 't algemeen geen moedig dier. Meestal is hij
niet slechts voorzichtig en aarzelend, maar ronduit lafhartig,
hoewel hij een buitengewoon sluwe en listige roover is. Tijgers, die
voor de eerste maal menschen ontmoeten, gaan altijd op de vlucht,
andere laten zich door geschreeuw en gebaren van streek brengen;
voor een vastberaden tegenstander houdt waarschijnlijk geen enkele
Tijger stand. Deze en gene leert echter bij toeval den mensch kennen
als een zeer gemakkelijk te overmeesteren schepsel, en kan dan zeer
gevaarlijk worden, omdat hij niets kwaads vermoedende en weerlooze
personen beloert en deze onverwachts overvalt. Zoo wordt hij in sommige
gevallen niet slechts stoutmoedig, maar zelfs verregaande brutaal.

Dat de Tijger, wel verre van zich door vermeerdering van de
bevolking van een gewest te laten afschrikken, hierdoor niet
zelden wordt aangelokt, blijkt o.a. uit de geschiedenis van de stad
Singapoer, die in 1824 door Sir Stamford Raffles gesticht werd op
een eilandje bij de zuidelijkste punt van Malakka, en zich van een
klein visschersdorp tot een stad van meer dan één millioen inwoners
heeft uitgebreid. Aanvankelijk werden in de moerassige bosschen aldaar
geen Tijgers gevonden. In 1835 werd de eerste Tijger bemerkt; hij was
zwemmende van den overkant gekomen, over het tamelijk breede kanaal,
dat het eiland van het vaste land scheidt. Thans zijn de Tijgers er
zoo talrijk, dat ieder jaar honderden menschen door deze roofdieren
worden verslonden.

Vele gewesten zijn berucht wegens de rooverijen, die daar door Tijgers
gepleegd worden: men beweert, dat zonder de groote vrees, die zelfs
deze van menschenvrees over 't algemeen vrije dieren voor het vuur
en voor een troepje vastberaden mannen koesteren, een geregelde
gemeenschap tusschen sommige plaatsen en streken, die zeer sterk
door Tijgers geteisterd worden, nauwelijks mogelijk zou zijn. Uit de
nabijheid van dorpen, en zelfs tusschen de hutten weg, hebben zij op
klaarlichten dag menschen geroofd en de overige bewoners menigmaal zoo
beangst gemaakt, dat zij hun woonplaats verlieten. Het grootste gevaar
loopen natuurlijk die menschen, welke een meer of minder eenzaam leven
leiden en bij hun arbeid in de vrije natuur verkeeren, zooals herders,
houthakkers en boeren; de herders zijn bovendien voortdurend in zorg
over hunne kudden. Ook de postboden zijn er slecht aan toe.

Tegen het einde van het tijdperk 1860-1870 huisde in Maisoer een
menschenetende Tijger, die onder den naam van Benkipoer-Tijger een
treurige beroemdheid kreeg en in het Noeggerdistrict van Maisoer
grooten schrik verbreidde, totdat eindelijk een goed gemikte kogel
hem trof. Forsyth bevrijdde in den aanvang van hetzelfde tiental
jaren de Centrale-Provinciën van eenige menscheneters, welker daden
hij verhaalt. De eene had eenige wegen volkomen gesloten, de bewoners
van verscheidene dorpen verdreven en andere gedwongen hunne woningen
met versperringen te omgeven. Deze Tijger beheerschte een gebied van
50 à 60 KM. middellijn en moet meer dan 100 menschen geroofd hebben,
vóór het Forsyth gelukte, hem neer te vellen. In hetzelfde gebied
roofde, volgens Fayrer, een Tijger in de drie jaren 1867 tot 1869
resp. 27, 34 en 47 menschen, tot een val met automatisch afgaand
geweer hem doodde. Een Tijgerin verdreef de bewoners van 13 plaatsen,
stoorde den akkerbouw in een landstreek van ongeveer 1000 vierkante
KM. en wist op de listigste wijze aan alle vervolgingen te ontkomen,
totdat een Engelsche jager het geluk had haar te schieten.

Men mag echter uit het feit, dat zulke verschijnselen voorkomen,
niet afleiden, dat zij gewoon en alledaagsch zijn.

De thans gebruikelijke wijzen van jagen, waarbij de jager den begeerden
buit opspoort, bespiedt, vervolgt en onder de meest verschillende
omstandigheden waarneemt, hebben ons nauwkeurige berichten verschaft
over den aard en de handelingen van de Tijgers in Indië. Nu het
aantal van hen die zich met deze jacht bezighouden--er zijn zelfs
dames onder--, zeer groot geworden is, hebben de oude jachtverhalen
en moordgeschiedenissen, waarin de Tijger een rol speelde, veel van
hun waarde verloren, en is het niet moeilijk meer, alledaagsche van
ongewone gebeurtenissen op dit gebied te onderscheiden.

Zooals te verwachten was, bestaat er ook onder de Tijgers een
vrij groote ongelijkheid van aard en neigingen; toch kan men deze
Roofdieren, volgens hen die ze het best kennen, naar hun gewone
levenswijze in drie groepen onderscheiden: de wilddooders, de
veeroovers en de menscheneters.

De _wilddooder_ vermijdt de woonplaatsen der menschen, want hij houdt
zich in de eigenlijke wildernis op, waar hij op bijna alle uren van
den dag door het woud, de struiken en het gras sluipt. Door den nood
gedrongen, leidt hij een meer zwervend leven dan de andere Tijgers; hij
trekt met het wild, dat tengevolge van de wisseling der jaargetijden
andere verblijfplaatsen opzoekt, van de eene landstreek naar de andere,
naar de heuvels en de bergen, zoowel als naar de vlakten. Hoewel hij
aan de jachtliefhebbers een dikwijls zeer onaangename concurrentie
aandoet, is hij in vele opzichten een goede vriend van den landbouwer,
daar hij hem in zekeren zin voor "veldkat" dient, en meer bepaaldelijk
de Herten en Zwijnen verdelgt en verdrijft, tegen welker verwoestingen
de boer zijne akkers bijna niet kan beveiligen. De wilddooders zijn in
den regel slanker gebouwd en behendiger dan de andere Tijgers, ofschoon
ook onder hen zeer zware exemplaren aangetroffen worden. Zij vormen
verreweg de talrijkste afdeeling, en verzamelen zich gedurende den
heetsten en droogsten tijd bij de dan nog overgeblevene drinkplaatsen.

De _veeroover_ zoekt de nabuurschap der dorpen op en kiest zijn
buit bij voorkeur onder de huisdieren, die naar de weide gedreven
worden of des nachts toevallig los in 't dorp rondloopen. Daar de
boeren gewoon zijn hun vee vóór het invallen van de duisternis naar
een veilige plaats te brengen, heeft de roover zich aangewend, op
klaarlichten dag, gewoonlijk in de tweede helft van den namiddag,
te gaan fourageeren. Als hij niet vervolgd en bedreigd wordt, strekt
zijn jachtgebied zich in den regel slechts over eenige dorpen uit;
in 't tegengestelde geval begint hij verder rond te zwerven. In een
landschap van Maisoer, dat ongeveer 40 KM. lang en 20 KM. breed was,
leefden op deze wijze acht welbekende Tijgers ieder voor zich. Het
spreekt van zelf, dat zij ook Schapen, Geiten of Ezels voor lief nemen,
en dat zij ook wel Herten, Zwijnen en ander wild vangen, wanneer zij ze
toevallig tegenkomen. Eerst wanneer de Tijger oud, vet en gemakzuchtig
geworden is, zal hij zich geheel tot het veerooven bepalen; hij kiest
zich dan een aangename streek, waar vleesch en water in overvloed
verkrijgbaar zijn, tot hoofdkwartier. Met de dorpelingen leeft hij
op den voet van wederkeerige verdraagzaamheid; zoowat om den vierden
of vijfden dag ontneemt hij hun een Rund.

Hierbij moet men trouwens niet aan onze Runderen denken en daarnaar de
schade bepalen. Daar de Hindoes in 't geheel geen Runderen dooden, zijn
er in alle dorpen een groot aantal afgeleefde en ellendige exemplaren,
die niemand voordeel aanbrengen, maar veeleer schade opleveren, omdat
zij het voornamelijk zijn, die de veepest verbreiden; eigenlijk worden
zij nog het best besteed, wanneer zij als voedsel voor de Tijgers
dienen.--Zonder den krijg, dien de Tijgers en Luipaarden tegen de
Herten en Zwijnen voeren, zou het in vele districten in 't geheel niet
mogelijk zijn, een oogst te verkrijgen, die de moeite loont. Daarom
zijn de landbouwers er volstrekt niet altijd mede ingenomen, als
van hunne Tijgers de wilddooders en de bescheidene veeroovers, die
hun als 't ware den dienst van opzichters over den akker bewijzen,
al te zeer vervolgd worden. Toen een van ouds bekende, buitengewoon
sluwe en reusachtig groote veeroover door het doodelijk schot van
Sanderson neergeveld was, zeiden de inboorlingen, die treurig om
het lijk stonden: "Het spijt ons voor hem; hij heeft ons nooit eenig
kwaad gedaan."

_De menscheneter_ is in de meeste gevallen een gewezen veeroover, die
ten gevolge van het voortdurend verkeer met menschen, en vooral door
ontmoetingen met herders, de vrees voor den mensch heeft afgelegd. Soms
is het een oud mannetje, meestal echter een wijfje (vermoedelijk omdat
dit voor jongen te zorgen heeft), dikwijls ook een dier dat op de een
of andere wijze verminkt is en daarom niet meer op de gewone wijze
aan de kost kan komen. De mensch kan zooveel gemakkelijker beslopen en
overmeesterd worden dan een tam of wild dier, dat de Tijger, wanneer
hij eens de vrees voor den mensch verloren heeft, dezen als prooi
neemt, zoodra hij hem zonder gevaar kan krijgen. Dit heeft aanleiding
gegeven tot de meening, dat de Tijger aan menschenvleesch boven ieder
ander voedsel de voorkeur geeft, welke meening volkomen ongegrond is,
evenals die, dat de menscheneters in den regel zwak en mager zijn.

De Tijger wordt, naar men zegt, vooral in die gewesten een
menscheneter, waar de kudden slechts in bepaalde jaargetijden
heen gedreven worden, zoodat na hun vertrek de achtergeblevene
veeroovers door gebrek aan voedsel genoopt worden, de inboorlingen
te overvallen. De menscheneter toont volstrekt geen grooteren moed
dan de veeroover of wilddooder; hoewel merkwaardig brutaal, is hij
even lafhartig als listig; hij vlucht voor gewapende personen en
valt eenzame, weerlooze lieden aan; dezen weet hij zeer goed te
onderscheiden van genen. Daar hij tengevolge van zijn levenswijze
beter dan de andere Tijgers de gebaren van den mensch begrijpt, is hij
moeielijker te jagen. "Deze vreeselijke geesel", schrijft Sanderson,
"voor de vreesachtige en ongewapende Indiërs wordt thans gelukkig
zeer zeldzaam; van menscheneters van de ergste soort hoort men bijna
niet meer spreken, en als zij optreden, vinden zij spoedig hun meester.

"Te betreuren is het, dat men den Tijger vogelvrij heeft verklaard, hem
op alle mogelijke wijzen, niet alleen op jagersmanier, verdelgt. Men
meent, dat de Tijger schadelijk is. Voor deze ook in Engeland bij
het volk verbreide meening bestaat echter geen voldoende grond. Wel
is het noodzakelijk iederen menscheneter en zelfs de hardnekkigste
veeroovers met alle mogelijke middelen op te sporen en te dooden;
gewone Tijgers echter zijn niets minder dan gevaarlijk; zij hebben
zelfs hun nut. Moge de dag nog verre zijn, waarop er feitelijk
geen Tijgers meer bestaan!"--Als ambtenaar belast met de vangst van
Olifanten voor de Engelsch-Indische regeering, moest onze zegsman
wegens zijn beroep in de wildernis te midden van de wilde dieren leven;
hij kent door eigen aanschouwing de meest verschillende districten
van Indië en is hierdoor beter dan de meeste menschen bevoegd om
in dezen een oordeel uit te spreken. Zijne beschouwingen verdienen
te meer overwogen te worden, daar hij volstrekt niet de eenige is,
die tot deze slotsom geraakt. Sherwill zegt ronduit: "De Bengaalsche
Tijger is over 't algemeen een onschadelijk, vreesachtig dier, dat
alleen boosaardig en gevaarlijk wordt, wanneer het gewond is. Zelden
valt hij de menschen lastig, zonder getergd te zijn; menscheneters
komen in Bengalen nagenoeg niet voor, met uitzondering van de omstreken
der moerassige wouden (Sandarbands) van de Ganges-delta." Ook Fayrer,
die voor 't overige de gevaarlijkheid van den Tijger volkomen erkent,
verzekert, dat ongelukken van allerlei soort bij de tijgerjacht niet
vaker voorkomen, dan b.v. bij de vossenjacht in Engeland.

Op grond van de zooeven medegedeelde beschouwingen zal men den Tijger
anders moeten beoordeelen, dan tot dusver gebruikelijk was. Hij is
een Roofdier, dat in vele landen (althans van Indië) meer voordeel
doet dan schade, en dat slechts in zeldzame gevallen het "toonbeeld
van verschrikkelijkheid" wordt, waarvoor tot dusver alle leden van
deze soort zonder onderscheid aangezien werden.

Zoomin de Tijger als de Leeuw gaan bij het vangen van dieren te werk
op de wijze zooals dit gewoonlijk wordt voorgesteld, n.l. door op
een zekeren afstand van de prooi het lichaam te krommen en dan met
een verraderlijken sprong op het slachtoffer neer te storten. De
goede uitkomst van hun aanval berust voornamelijk hierop, dat hij
onverwachts plaats heeft. Een dier, dat door den Tijger beloerd of
bekropen werd, en dus dichtbij is, wordt direct gegrepen, een meer
verwijderde prooi tracht hij met snelle sprongen te bereiken, een
vluchtend dier vervolgt hij, en tracht intusschen, vooral bij groote
dieren, de spieren en peezen van de achterpooten door woedende slagen
met de klauwen te verscheuren; ook poogt hij vee, dat op de vlucht
geslagen en door schrik ontsteld is, langs verborgen omwegen vooruit
te komen, om het nogmaals te overvallen.

De Tijger is gewoon zijn prooi dadelijk, of eerst als de nacht invalt,
in een schuilhoek te midden van de struiken of van het riet te sleepen;
soms _draagt_ hij haar zelfs over een korten afstand. Sanderson staat
er als ooggetuige voor in, dat een zeer sterke, mannelijke Tijger
een os van omstreeks 180 KG. gewicht door allerlei struiken heen meer
dan 300 schreden ver _gedragen_ heeft. Als hij niet gestoord wordt,
vreet hij, zooveel hij verzwelgen kan,--volgens betrouwbare berichten
ongeveer 30 KG. vleesch in één maal. Gewoonlijk begint hij aan een
achterkwartier, slechts bij uitzondering aan een der zijden. Terwijl
hij zich verzadigt, gaat hij van tijd tot tijd naar een naburige
stroom of plas om overvloedig te drinken; naar men zegt, begeeft hij
zich dan vaak te water en dompelt, terwijl hij aan 't waden is, den
kop tot aan de oogen er in, voortdurend leppend en gorgelend, alsof
hij zich den keel uitspoelen wil. Na een overvloedig maal valt hij in
slaap; hij wijdt zich met een zekeren wellust aan de spijsverteering
en beweegt zich dan alleen om te drinken. Gewoonlijk des avonds, of
althans tusschen 4 en 9 uur 's namiddags, keert hij naar zijn buit
terug, om er nogmaals van te eten voor zoover er nog iets van over
is; want ook aan zijn tafel, evenals aan die van den Leeuw, komt
een troep hongerige bedelaars zich te goed doen; bij zijn nadering
nemen zij echter zoo schielijk mogelijk de vlucht. Buitengewoon
lang kan de Tijger honger en dorst verdragen. Twee Tijgers, die
in een met netten omringde, ondoordringbare wildernis van ongeveer
honderd schreden middellijn opgesloten waren, werden op den vijfden
dag aangeschoten en konden eerst op den tienden dag met behulp van
Olifanten gedood worden. Ofschoon zij bij zeer warm weder, aan alle
zijden door wachtvuren omringd, zoomin voedsel als water hadden,
en ook aan hunne wonden leden, gaven zij toch tot in hun laatste
levensuur bewijzen van hun kracht.

Behalve door de gewone jacht tracht men deze Roofdieren ook op vele
andere, ten deele zeer eigenaardige wijzen te dooden. Allerlei soorten
van vallen zijn hiervoor in gebruik, vooral valkuilen kunnen goede
diensten bewijzen. Vroeger werd midden in zulk een kuil, die later met
takken en bladen zorgvuldig bedekt wordt, een van boven scherp gepunte
paal in den grond geslagen; maar nadat een ongelukkige wandelaar den
dood had gevonden door op zulk een staak te vallen, werd het gebruik
ervan in de nabijheid van Singapoer verboden. Op Java maakt men,
naar Haszkarl mij bericht, groote vallen van boomstammen en voorziet
deze met een vastgebonden, levend geitje als lokaas. De Tijger, door
het geschreeuw van dit diertje aangelokt, kruipt na eenige aarzeling
in de val en tracht den buit weg te nemen; zoodoende trekt hij aan
een touw en veroorzaakt hierdoor het dichtslaan van de valdeur. Op
Sumatra stellen de inboorlingen, volgens H. O. Forbes, een lans,
die met een veerende en sterk gespannen stang verbonden is, op zulk
een wijze, dat het wapen met groote kracht door het lichaam van het
dier gedreven wordt, wanneer het door een gat in de omheining van
het dorp wil kruipen en daarbij tegen een touw drukt. In Assam legt
men, naar O. Flex verhaalt, met goed gevolg bij de plaats, waar het
dier gewoon is te drinken, een boog met vergiftigden pijl, die bij
aanraking van het toestel in 't lichaam doordringt, en zelfs bij
de geringste verwonding den dood teweegbrengt. Zoowel de Europeanen
als de inboorlingen die vuurwapens bezitten, brengen verder op veel
gebruikte wildpaden of op andere plaatsen waar een lokaas zich bevindt,
automatisch afgaande geweren aan, die zeer goed aan de verwachting
voldoen. In den laatsten tijd wordt dikwijls gebruik gemaakt van
strychnine om den Tijger zonder moeite en gevaar te verdelgen;
dit vergif werkt echter, naar men zegt, niet meer, als het hiermede
vergiftigde vleesch begint te verrotten.

Het voordeel dat een geoefende tijgerjager door zijn jacht
behaalt, is niet onaanzienlijk. Zonder nog melding te maken van
de belooning, die den gelukkigen schutter ten deel valt, kan hij
bijna alle lichaamsdeelen van den Tijger gebruiken, vooral het
vet, waarvan het dier gemiddeld 4 à 6 Liter bevat, en dat door de
inboorlingen van Indië beschouwd wordt, als dienstig tegen rheumatiek
en eenige ziekten van het vee. Hier en daar wordt voorts het vleesch
gegeten. Jagor verzekert, dat het volstrekt niet wansmakelijk is. In
eenige landen stelt men meer prijs op de tanden en klauwen, het vet
en de lever, dan op het vleesch en de beenderen. De tanden worden
door de Schikaris niet alleen als bijzonder kostbare zegeteekenen,
maar ook als middelen tot beschutting tegen aanvallen van Tijgers
beschouwd. De klauwen, in goud of zilver gevat, worden door Aziatische
en Europeesche dames als sieradiën gedragen. Het vel wordt, met de
een of andere looistof toebereid en met een middel tot wering van
de Insecten voorzien, gedroogd en komt zoo meestal in de handen van
Europeanen of Chineezen. De Kirgisen schatten het hoog en versieren
er hunne pijlkokers mede. In Europa vertegenwoordigt, volgens Lomer,
een tijgervel thans een waarde van 700 à 800 gulden, wanneer het zich
door grootte, fraaiheid en volledigheid onderscheidt.

De paartijd van den Tijger verschilt naar het klimaat van het door
hem bewoonde land, maar valt in noordelijke gewesten geregeld ongeveer
drie maanden vóór het begin van de lente in. In zuidelijke landen is
de paring aan geen bepaald jaargetijde gebonden, zooals blijkt uit
waarnemingen, die vooral in Indië verricht zijn. Omstreeks 100 à 105
dagen later brengt het wijfje 2 à 3, somtijds 4, ja zelfs, naar men
zegt, in enkele, zeldzaam voorkomende gevallen niet minder dan 5 of
6 jongen, op een ontoegankelijke, dicht met planten begroeide plaats
ter wereld. De diertjes zijn bij hun geboorte half zoo groot als een
Huiskat en, evenals alle jonge Katten, bekoorlijke schepseltjes. In
de eerste weken verlaat de moeder de geliefde kleintjes alleen dan,
als zij in hooge mate door den honger gekweld wordt; zoodra echter
het kroost wat grooter geworden is en ook naar vast voedsel verlangt,
strekt zij hare strooptochten verder uit.

"Jonge Tijgers," zegt Sanderson, "zien er allerliefst uit en zijn
buitengewoon goedaardig; men moet ze echter uit het nest nemen, voordat
zij een maand oud zijn en voordat zij met het leven in de wildernis
en met de vrees voor menschen bekend geworden zijn, anders kunnen zij
niet meer volkomen getemd worden. Zij toonen een groote gehechtheid
aan hun meester, volgen hem overal, liggen onder zijn stoel en geven
door een eigenaardig vroolijk gesnuif hun tevredenheid te kennen,
als hij ze liefkoost. Zoodra men hen met vleesch begint te voeden,
willen zij nooit meer iets anders gebruiken, en trekken, hoe jong zij
ook zijn mogen, voor den melkpot den neus op. Het is mij voldoende
gebleken, dat de meening, volgens welke zij door het gebruik van rauw
vleesch verwilderen, ongegrond is. Waar is het, dat zij alleen bij
gebruik van zulk voedsel uitstekend gedijen; als zij het in voldoende
hoeveelheid krijgen, kan men zeer goed met hen omgaan. Als zij vier
maanden oud zijn, hebben zij reeds een vrij aanzienlijke grootte en
kracht; men kan ze echter gerust nog veel langer laten rondloopen. Een
paartje hield ik op deze wijze, totdat het 8 maanden oud was; zij
speelden zeer lief met elkander, met de menschen en met een tammen
Beer. Volgens mijn ervaring zijn tamme Tijgers, die op deze wijze
opgevoed zijn, niet valsch en niet roofzuchtig; ook hebben zij geen
aanvallen van wildheid, als zij maar rijkelijk gevoederd worden. Ik
had er eens een van aanzienlijke grootte, die ik er aan gewend had in
mijn slaapkamer te slapen. Nadat ik ingeslapen was, sprong hij niet
zelden bij mij in 't bed, maar nam het mij nooit kwalijk als ik hem
hiervoor stompte en weer uit het bed wierp."

In den laatsten tijd heeft men ook dikwijls Tijgers gedresseerd. Zeer
dikwijls wagen dierentemmers het, bij hen in het hok te gaan, en met
hen allerlei spelen of zoogenaamde kunstverrichtingen te doen. Dit
blijft echter altijd een gevaarlijke zaak. Als een echte Kat, toont de
Tijger zich tegenover hen die hem vleien, aanhankelijk en onderworpen;
ook beantwoordt hij wel liefkoozingen, of ontvangt ze althans zonder
ontevredenheid te toonen; toch valt op zijn vriendschap niet veel
staat te maken; waarschijnlijk laat hij zich slechts zoolang hij
de heerschappij van den mensch erkent, van dezen een behandeling
welgevallen, die met zijn eigenlijken aard in strijd is. Een
volledig vertrouwen, verdient hij nooit; men heeft niet zoozeer zijn
kwaadaardigheid, dan wel het ontwaken van het bewustzijn zijner kracht
te vreezen. Kwaadaardig, arglistig en valsch is hij evenmin als onze
Huiskat; hij laat zich echter evenmin als deze mishandelen, en stelt
zich te weer wanneer de behandeling die de mensch hem aandoen wil,
hem niet bevalt. Men mag van een Roofdier van zijn soort niet het
onmogelijke vergen.

Nog in den tegenwoordigen tijd laten de Indische vorsten gevangene
Tijgers met andere sterke dieren vechten, n.l. met Olifanten en
Buffels. Tachard zag zulk een strijd in Siam. In een door paalwerk
omsloten perk leidde men drie Olifanten, welker kop met een soort van
pantser bedekt was. De Tijger was reeds daar, werd echter nog door
twee touwen in zijne bewegingen belemmerd. Hij behoorde niet tot de
grootste, en trachtte, toen hij de Olifanten zag, zich te verschuilen,
kreeg echter van hen dadelijk eenige slagen met de slurf op den rug,
zoodat hij omviel en een tijd lang als dood bleef liggen. Toen men hem
losgemaakt had, sprong hij op, brulde en wilde zich op de slurf van
den Olifant werpen. Deze werd echter opgeheven door het reusachtige
dier, dat gelijktijdig den Tijger een stoot gaf met de slagtanden,
waardoor hij in de hoogte geslingerd werd. Nu durfde het Roofdier geen
aanval meer wagen, maar liep weg langs de palen en sprong hierbij op,
alsof het zich tusschen de toeschouwers wilde verschuilen. Ten slotte
dreef men alle drie Olifanten op den Tijger aan, en deze brachten hem
zulke slagen toe, dat hij nogmaals voor dood bleef liggen en zijne
aanvallers vermeed. Indien men geen einde gemaakt had aan den strijd,
zouden de woedende Dikhuidigen hem zeker gedood hebben.

De ouden leerden den Tijger eerst zeer laat kennen. In den Bijbel
wordt hij niet genoemd, en ook de Grieken wisten slechts weinig van
hem. Nearchos, een veldheer van Alexander _den Grooten_ had wel
is waar het vel van een Tijger gezien, maar niet het dier zelf;
de Indiërs wisten hem echter te verhalen, dat het zoo groot was
als het grootste Paard, en alle overige schepsels door vlugheid en
kracht overtrof. Eerst Strabo maakt eenigszins uitvoeriger melding
van den Tijger. Den Romeinen was hij tot aan Varro's tijd (111-26
v. C.) volkomen onbekend; toen zij echter hun heerschappij tot aan
het rijk der Parthen uitbreidden, leverden deze hun ook Tijgers, die
naar Rome werden gebracht. Plinius schrijft, dat Scaurus (in het jaar
11 v. C.) voor 't eerst een getemden Tijger in een kooi heeft laten
zien. Claudius had er vier. Later kwamen deze dieren vaker naar Rome,
en Heliogabalus spande ze zelfs voor zijn wagen, toen hij als Bacchus
zich aan het volk vertoonde. Avitus eindelijk liet in een schouwspel
vijf van deze dieren dooden, wat vroeger nog niet vertoond was.



Evenmin als de Leeuw heeft de Tijger met andere soorten van zijn
geslacht een nauwe verwantschap; zijne naaste verwanten--waarvan
een, de Holentijger, Middel-Europa bewoonde--zijn uitgestorven. Een
Zuid-Aziatische met uit vlekken bestaande strepen geteekende Kat--de
_Nevelpanter_ (_Felis nebulosa_), de _Harimau dahan_ ("Boomtijger")
der Maleiers--komt door zijn langgerekten romp met krachtige, kleine
pooten, den kleinen zeer stompen kop met de afgeronde ooren en de
lange, zachte vacht, welker teekening nog meer of min aan die van den
Koningstijger herinnert, dezen het meest nabij. Hij is echter niet
alleen veel kleiner dan de Tijger, maar verschilt er ook van door de
in 't oog loopend korte pooten en den staart, die even lang is als 't
lichaam. De grondkleur van zijn vacht, die witachtig grijs, aschgrauw
of bruinachtig grauw, soms ook geelachtig of roodachtig getint is,
zweemt aan de onderdeelen naar runkleur. De kop, de pooten en het
onderlijf zijn met volle, zwarte, rondachtige of gekromde vlekken
en strepen geteekend. Over beide zijden van den hals strekken
zich drie onregelmatige, overlangsche strepen uit, over den rug
loopen twee soortgelijke naar achteren; smallere strepen bevinden
zich aan de zijden van den kop. Op den schouder, de zijden van den
romp en de heupen liggen onregelmatige, zwarte vlekken met hoekigen
zoom, zoo ook op den staart. De randen van den mond vertoonen een
zwarten zoom; de ooren zijn van buiten zwart met grijze vlekken. De
lichaamslengte bedraagt ongeveer 1 M., die van den staart 74 à 92
cM. Het verbreidingsgebied van dit dier is vrij uitgestrekt; het
omvat het geheele Zuid-oostelijke Azië met de Groote Soenda-eilanden.

Tot voor weinige jaren was de Nevelpanter even zeldzaam in de
verzamelingen als in de dierentuinen; eerst sedert kort ziet men
hem in de grootste inrichtingen van dien aard, steeds evenwel
slechts enkele exemplaren. De inboorlingen van Sumatra verzekeren,
dat hij in 't geheel niet wild is, en zich uitsluitend met kleine
Zoogdieren en Vogels voedt. Onder de Vogels die hem ten buit vallen,
moeten ook de Huishoenderen genoemd worden, waardoor hij soms groote
schade aanricht. Een zeer fraaie en gezonde Nevelpanter bevond zich
in de Londensche diergaarde--een prachtig, tam, lief dier, waarmede
de oppasser omging, alsof het een goedaardige Huiskat was. Ik ken,
behalve den Gepard, geen Kat, die wat inborst betreft, op hem gelijkt.



Dat de _Wilde Kat_ of _Boschkat_ (_Felis catus_) de stammoeder van onze
Huiskat zou zijn, wordt door vele onderzoekers onwaarschijnlijk geacht,
wegens het groote verschil, dat er tusschen deze dieren bestaat. Door
andere onderzoekers werd en wordt dit verschil beschouwd als een
gevolg van de domesticatie, d. i. als een gevolg van de veranderde
omstandigheden, waarin het dier geleefd heeft in de duizenden van
jaren, die er verloopen zijn, sedert het een huisdier is geworden. Al
dadelijk vallen bij vergelijking van de beide dieren de veel forschere
lichaamsbouw en de wildere blik van de Boschkat in het oog: de kop is
dikker, de romp meer ineengedrongen, het haarkleed langer en dichter,
de bovenlip met meer tastborstels voorzien, het gebit scherper en
krachtiger, de staart korter, dikker en ruiger. De staart van de Wilde
Kat is gelijkmatig van dikte over zijn geheele lengte, van den wortel
tot de spits, en hier als 't ware afgehakt of afgeknot; bij de Huiskat
echter wordt hij van 't midden tot de spits allengs dunner. Bij de
Huiskat is hij vóór de zwarte spits met 7 of 8 donkere dwarsstrepen
geteekend, die aan de bovenzijde min of meer ineenvloeien tot een
overlangsche, donkere streep, van onderen alleen aan de achterste
helft duidelijk doorloopen, aan de voorste daarentegen steeds nader bij
elkander komen en onduidelijker worden, naarmate zij dichter bij den
staartwortel gelegen zijn. Bij de Boschkat gaan aan de zwarte spits
drie breede, volslagen ringen vooraf, en is de voorste staarthelft
geteekend met vier smallere en minder duidelijke ringen, die zich niet
over de onderzijde uitstrekken. Bij de Huiskat is het spijskanaal 5
maal, bij de Boschkat slechts 3 maal zoo lang als het lichaam.

Andere kenmerken van de Wilde Kat zijn: de geelachtig witte vlek aan
de keel en de zwarte, of althans donkere, kleur van de onbehaarde
ballen aan de zool (aan den wortel van ieder klauwlid één, en achter
deze een groote, van voren tweelobbige, van achteren drielobbige bal,
waarop de worteleinden der eerste leden van vier teenen rusten). Ook de
onbehaarde of weinig behaarde deelen van het aangezicht (van oogleden,
neus en lippen) zijn voor 't meerendeel zwart; de binnenzijde van
het oor is echter rood- of geelachtig wit.

De Wilde Kat wordt soms wel 8 of 9 KG. zwaar. Haar lengte bedraagt,
bij 35 à 42 cM. schouderhoogte, in den regel 100 à 120 cM., waarbij
30 à 35 cM. voor den staart. Enkele Katers worden nog grooter, en
zijn ongeveer zoo groot als een Vos, dus 1/3 grooter dan de Huiskat.

De vacht is bij het mannetje aan de bovenzijde vaalgrijs,
soms zwartachtig, bij 't wijfje heeft zij een meer geelachtige
tint; het aangezicht is roodachtig geel, het oor aan de rugzijde
roestkleurig grijs. Vier evenwijdige, zwarte strepen, die aan het
voorhoofd beginnen, loopen tusschen de ooren door over de kruin;
de beide middelste zetten zich naar achteren voort, totdat zij
in de schouderstreek elkander boogvormig naderen; daartusschen
begint de zwarte streep, die zich over het midden van den rug en de
bovenzijde van den staart uitstrekt. Van deze streep gaan naar de
beide zijden vele aan den rand wegsmeltende dwarsstrepen uit, die een
weinig donkerder zijn dan de overige en naar den buik afdalen. De
buikzijde is geelachtig, met eenige zwarte vlekken gestippeld; de
pooten zijn met een gering aantal zwarte dwarsstrepen geteekend,
hun kleur wordt in de nabijheid van de teenen geler; de binnenzijde
van de achterpooten is geelachtig en ongevlekt. Het regenboogvlies
(van het oog) is geel; over dag is de pupil spleetvormig.

De Wilde Kat bewoont ook thans nog geheel Europa met uitzondering
van het hooge noorden van Skandinavië en Rusland. In Duitschland is
zij een vaste, hoewel steeds in gering aantal voorkomende bewoner
van alle boschrijke middelgebergten; van hier uit onderneemt zij,
van het eene bosch naar het andere trekkend, strooptochten tot
diep in de vlakten en kan daarom in uitgestrekte bosschen ten
naastenbij overal voorkomen. Veelvuldiger dan in Duitschland vindt
men haar in het zuidoosten van Europa. In de met bosschen begroeide
Voor-Alpen treft men haar overal aan, en wel in grooter aantal dan
in de Hoog-Alpen. In Spanje is zij nog overvloedig, in Frankrijk,
in sommige districten althans, niet zeldzamer dan in Duitschland; men
heeft haar niet eens in Groot-Britannië geheel kunnen uitroeien. Voor
zoover men tot dusver met zekerheid heeft kunnen nagaan, strekt haar
verbreidingsgebied zich niet ver over de grenzen van Europa uit. Ten
Zuiden van den Kaukasus heeft men haar alleen in Georgië (Grusia)
waargenomen; haar aanwezigheid in andere Aziatische landen is niet
gebleken. Zij houdt zich op in dichte, uitgestrekte wouden, vooral
in donkere naaldhoutbosschen; hoe eenzamer haar gebied is, des te
duurzamer is haar verblijf aldaar. Aan rotsachtige woudstreken geeft
zij de voorkeur boven alle andere, omdat de rotsen haar de veiligste
schuilplaatsen verschaffen. Bovendien bewoont zij holen van Dassen
en Vossen of groote holen in dikke boomen.

Alleen gedurende den voortplantingstijd en zoolang de jongen nog
niet zelfstandig zijn, leeft de Wilde Kat gezellig, anders altijd
alleen. Ook de jongen verlaten spoedig de moeder om voor hun eigen
levensonderhoud te jagen.

Als de schemering begint, vangt de Wilde Kat haar arbeid aan. Met
uitmuntende zintuigen uitgerust, voorzichtig en listig, onhoorbaar
naderbij sluipend en geduldig loerend, wordt zij voor kleine en
middelmatig groote dieren zeer gevaarlijk. Met de list, die aan alle
Katten eigen is, besluipt zij den Vogel in zijn nest, den Haas in
zijn leger en het Konijn vóór zijn hol, misschien ook het Eekhoorntje
op den boom. Groote dieren springt zij op den rug en bijt hen de
halsslagaders door. Als zij haar sprong gemist heeft, vervolgt zij het
dier niet verder, maar zoekt zich liever een nieuwen buit op: ook in
dit opzicht is zij een echte Kat. Tot geluk voor de jachtliefhebbers
bestaat haar gewone voedsel uit allerlei soorten van Muizen en kleine
Vogels. Waarschijnlijk valt zij slechts bij toeval grootere dieren aan:
een feit schijnt het echter te zijn, dat zij jonge Reeën en Edelherten
overvalt; voor zulk een prooi is zij trouwens sterk genoeg. Aan de
oevers van meren en beken loert zij ook op Visschen en watervogels,
en weet ze met groote behendigheid te overmeesteren. Zeer schadelijk
wordt zij in wildparken, het schadelijkst nog in fazantentuinen.

In verhouding tot haar grootte is de Wilde Kat over 't algemeen een
gevaarlijk Roofdier, vooral omdat zij, naar men zegt, even bloeddorstig
is als de meeste leden van haar geslacht. Om deze reden wordt zij dan
ook door de jagers fel gehaat en zonder genade vervolgd; want geen
jachtliefhebber acht het nut, dat zij door het verdelgen van Muizen
aanbrengt, van eenige beteekenis. Hoeveel van deze schadelijke dieren
zij vernielt, kan blijken uit een bericht van Tschudi, inhoudend,
dat hij in de maag van een Wilde Kat de overblijfselen van 26 Muizen
gevonden heeft. De drek van zulk een dier, die door Zelebor onderzocht
werd, bestond grootendeels uit overblijfselen van beenderen en haren
van Marter, Bunzing, Hermelijn en Wezel, Hamster, Kat, Water-,
Veld- en Bosch-muizen, Spitsmuizen en bevatte ook nog sporen van
lichaamsdeelen van Eekhoorntjes en boschvogels. Kleine Zoogdieren
vormen dus het voornaamste deel van den buit van ons Roofdier, en,
daar onder deze de Muizen veelvuldiger zijn dan alle overige, is
het nog zeer de vraag, of de schade, door de Wilde Kat veroorzaakt,
werkelijk grooter is dan het nut, dat zij aanbrengt. Naar ik meen,
mag men de uitkomsten van alle onderzoekingen hierover op de volgende
wijze samenvatten: de Wilde Kat is somtijds schadelijk, maar in den
regel nuttig; zij doodt meer schadelijke dieren dan nuttige; haar
werkzaamheid bevoordeelt _niet_ onze jacht, maar wel onze bosschen.

De jacht op Wilde Katten heeft overal met een als 't ware
hartstochtelijken ijver plaats. In Duitschland worden zij gewoonlijk
op drijfjachten gedood. "De grootste moeite kost het," zegt Zelebor,
"een Wilde Kat levend uit een hollen boom te halen. Twee, drie van de
sterkste mannen hebben, hoewel hunne handen door dikke handschoenen
beschut en bovendien nog met lappen omwikkeld zijn, al hunne krachten
noodig, om de Kat er uit te trekken en in een zak te steken." Ik
moet bekennen, dat deze wijze van vangst mij niet zeer geloofwaardig
voorkomt, daar alle andere berichten hierin overeenkomen, dat met
een volwassen Wilde Kat niet te gekken valt. Winckell geeft den
jager den raad, voorzichtig met haar te werk te gaan, en een tweede
schot niet te sparen, indien het eerste niet onmiddellijk den dood
veroorzaakt heeft, haar alleen dan te naderen, als zij niet meer
weg kan komen, en haar ook dan nog door eenige flinke tikken op den
neus de gelegenheid om zich te verweren te benemen, voordat men zich
verder met haar bemoeit. Gewonde Wilde Katten kunnen, wanneer zij in
't nauw gebracht zijn, recht gevaarlijk worden. "Neem u wel in acht,
schutter," schrijft Tschudi, "en tracht het beest goed te raken! Als
de Kat eenvoudig aangeschoten is, vliegt zij snuivend en naar wraak
dorstend op, nadert den jager blazend met omhoog gekromden rug en
opgerichten staart, maakt zich woedend tot den aanval gereed en springt
op den mensch af; hare spitse klauwen slaat zij stevig in zijn vleesch,
liefst in zijn borst, zoodat hij haar bijna niet losrukken kan, en
zulke wonden genezen niet spoedig. Voor de Honden heeft zij zoo weinig
vrees, dat zij, voordat zij den jager opmerkt, dikwijls vrijwillig
van den boom afkomt; er heeft dan een verwoed gevecht plaats. De
woedende Kat slaat met hare klauwen dikwijls scheuren in de huid,
heeft het vooral op de oogen van den Hond gemunt, en verdedigt zich
met de hardnekkigste woede, zoolang er nog een vonkje van haar taai
leven over is."

Van de eigenlijke Wilde Katten moeten de eenvoudig _verwilderde_
Huiskatten wel onderscheiden worden. Deze treft men niet zelden in de
bosschen van ons vaderland aan; zij bereiken echter nimmer de grootte
van de eigenlijke Wilde Kat, ofschoon zij veel grooter zijn dan de
gewone Huiskat. Wat wildheid en schadelijkheid, betreft, staan zij
niet ver achter bij de Wilde Kat; naar het schijnt, beginnen zij,
ingeval hare voorouders gedurende vele opeenvolgende geslachten in
't wild geboren en opgegroeid zijn, hoe langer hoe meer in kleur en
teekening op haar Afrikaanschen stamvorm, de Nubische Kat, en daardoor
ook op onze Wilde Kat, te gelijken, onverschillig hoe het uitzicht
der verwilderde voorouders was. Alleen ontbreken haar de als 't ware
afgehakte staart, de lichte vlek aan de keel en de donkere kleur der
zolen. Daar waar deze kenmerken wel eenigszins, maar niet volkomen
duidelijk voorkomen, heeft men misschien met bastaarden te doen.

De stammoeder van onze Huiskat, de _Nubische Kat_ (_Felis maniculata_),
werd door Rüppell ontdekt in Nubië aan de westzijde van den Nijl, bij
Amboekol in een woestijnsteppe, waar rotsachtige oorden afwisselen
met boschrijke. Latere verzamelaars hebben haar gevonden in geheel
Soedan, in Abessinië, in het diepste binnenland van Afrika en ook
in Palestina. Haar lichaamslengte bedraagt 50 cM., de lengte van den
hieronder begrepen staart is een weinig meer dan 25 cM. Dit zijn wel is
waar niet geheel de verhoudingen, die bij onze Huiskat voorkomen, maar
toch komen zij die van "Poes" tamelijk nabij. Ook door de teekening
van haar vacht gelijkt de Nubische Kat op vele verscheidenheden van
onze Huiskat.

De mummiën van Katten, die men in Egypte vindt, en de afbeeldingen, die
op de gedenkteekenen te Thebe en op andere oud-Egyptische bouwvallen
voorkomen, stemmen met deze soort het meest overeen. Hieruit schijnt
te blijken, dat zij het was, die door de oude Egyptenaars als huisdier
werd gehouden. Misschien brachten de priesters het heilige dier uit
het zuiden van Nubië naar Egypte; van hier uit kan het naar Arabië en
Syrië, later over Griekenland en Italië naar het westen en noorden
van Europa overgebracht zijn; in nog lateren tijd heeft het door de
reizen der Europeanen zulk een groote verbreiding verkregen.

Buitengewoon belangrijk tot bevestiging van de meening, dat de
Nubische Kat de stammoeder van onze Huiskat is, zijn de gegevens,
die Schweinfurth in het land der Njam-Njam verzamelde. Volgens zijne
mondelinge mededeelingen komt de Nubische Kat hier veelvuldiger voor
dan in eenig ander tot dusver bekend deel van Afrika, zoodat dus
het verre binnenland van het Donkere Werelddeel als het eigenlijke
vaderland of het knooppunt van den verbreidingskring van ons huisdier
beschouwd moet worden. De Njam-Njam nu bezitten de Huiskat in den
eigenlijken zin van het woord niet; wel gebruiken zij voor hetzelfde
doel, als waarvoor deze dient, half of geheel getemde Nubische Katten,
die door de knapen gevangen, dicht bij de hut vastgebonden en in korten
tijd zoozeer getemd worden, dat zij zich aan de woning gewennen en in
de nabijheid van deze ijverig bezig zijn met het vangen van Muizen,
die hier buitengewoon talrijk zijn.



"De Kat," zegt Ebers in zijn "Egyptische Konings-dochter", "was
waarschijnlijk het heiligste van de vele heilige dieren, die de
Egyptenaars vereerden. Terwijl de andere dieren slechts plaatselijk
vergood werden, stond de Kat bij alle onderdanen van de Pharaonen
in den reuk van heiligheid. Herodotus verhaalt, dat de Egyptenaars,
als hun huis in brand stond, niet eerder aan het blusschen dachten,
voordat hun Kat gered was, en dat zij als bewijs van rouw zich de
haren afschoren, als hun Kat stierf. Wie een van deze dieren doodde,
werd, onverschillig of de doodslag opzettelijk dan wel bij ongeluk
gepleegd was, zonder genade ter dood gebracht. Diodorus bericht als
ooggetuige dat de Egyptenaars een ongelukkigen Romeinschen burger, die
een Kat gedood had, van het leven beroofden, hoewel de gezaghebbenden,
om de gevreesde Romeinen te believen, al het mogelijke hadden gedaan,
om het volk tot bedaren te brengen. De lijken der Katten werden op
kunstige wijze gemummificeerd en bijgezet; onder de vele ingebalsemde
dieren zijn er geen, die in grooter aantal gevonden worden, dan de
zorgvuldig met linnen windsels omwikkelde, gemummificeerde Katten."

De tot dusver verrichte onderzoekingen geven recht tot de
veronderstelling, dat de Kat het eerst door de oude Egyptenaars,
en niet door de oude Indiërs of door de Noordsche volken, getemd
werd. De oud-Egyptische gedenkteekenen geven ons van deze temming
door afbeeldingen, opschriften en mummiën bepaalde berichten;
de geschiedenis van de andere volken levert in dezen niet eens
steun voor veronderstellingen op. De zoo even uitgesproken meening
wordt mijns inziens ook nog ondersteund door het feit, dat men in de
begraafplaatsen niet alleen van de Huiskat mummiën vindt, maar ook van
den Moeras-Los; wijl hierdoor het bewijs wordt geleverd, dat men ten
tijde van den bloei van het oud-Egyptische rijk zich nog voortdurend
met de vangst en, wat wel hetzelfde beduidt, met de temming van wilde
Katten bezig hield. Vóór den tijd van Herodotus komt de naam van de Kat
bij de oud-Grieksche schrijvers niet voor; hieruit en ook uit het feit,
dat deze naam door latere Grieken en Romeinen slechts terloops vermeld
wordt, mag men afleiden, dat zij zich van Egypte uit zeer langzaam
verbreid heeft. De uit Egypte afkomstige Kat werd waarschijnlijk in de
eerste plaats naar oostwaarts gelegen landen overgebracht; zoo weet men
o. a., dat zij een bijzondere lieveling van den profeet Mohammed is
geweest. In het noorden van Europa was zij vóór de 10e eeuw bijna in
't geheel nog niet bekend. De verzameling van wetten van Wales bevat
een verordening, waarin de waarde, van de Huiskat, alsook de straffen,
waardoor het mishandelen, verminken of dooden van dit dier geboet werd,
vastgesteld zijn. Deze wet is voor ons onderzoek van groot belang,
omdat zij het bewijs levert, dat men destijds de Huiskat als een zeer
kostbare bezitting beschouwde. Hieruit vloeit verder voort, dat de
Wilde Kat niet als stammoeder van de Huiskat aangemerkt mag worden;
want destijds waren er in Engeland zooveel Wilde Katten, dat het niet
moeielijk zou zijn geweest, om zooveel jonge dieren van deze soort,
als men verkoos, te vangen, ten einde ze te temmen.

Tegenwoordig vindt men de Huiskat in alle bekende landen, die
door menschen bewoond worden, met uitzondering van de noordelijkste
gedeelten der wereld en, naar Tschudi bericht, van den hoogsten gordel
der Andes. Zij heeft zich langzamerhand recht van inwoning verworven de
geheele wereld rond, ver in het noorden op, zoowel als ver zuidwaarts;
overal is zij een levend bewijs van den vooruitgang van den mensch,
van zijn streven naar het verkrijgen van een vaste woonplaats van
beginnende beschaving.

Toch heeft zij in alle omstandigheden tot op zekere hoogte haar
zelfstandigheid weten te behouden; haar onderworpenheid aan den
mensch gaat niet verder dan haar goeddunkt. Hoe meer de mensch zich
met haar bemoeit, des te trouwer wordt zij gehecht aan het _gezin_,
hoe meer hij echter de Kat aan zich zelf overlaat, des te grooter
wordt haar gehechtheid aan het _huis_, waarin zij groot gebracht
werd. Van den mensch hangt het altijd af, in welke mate een Kat tam en
huiselijk wordt. Waar zij aan zich zelf overgelaten is, komt het niet
zelden voor, dat zij in den zomer het huis geheel ontvlucht en zich
in de bosschen begeeft, waar zij soms geheel verwilderen kan. Bij
't begin van den winter keert zij in den regel naar haar vroegere
woning terug en neemt hierheen ook de jongen mede, die zij gedurende
haar verblijf in 't bosch ter wereld bracht. Het komt echter vooral
in warme landen vrij dikwijls voor, dat zij zich bijna in 't geheel
niet meer om den mensch bekommert, zelfs wanneer zij in zijn woning
is teruggekeerd. Zoo leiden, naar Rengger mededeelt, de Katten in
Paraguay een zeer zelfstandig leven. Toch komen daar nergens werkelijk
verwilderde Katten in de bosschen voor; zelfs zijn zij verdwenen uit
de vroeger bewoonde gewesten, waar zij bij het vertrek der blanken
achtergelaten werden.

Onze Huiskat is uitnemend geschikt, om ons de geheele familie der
Katten te doen kennen, juist omdat iedereen haar waarnemen kan. Zij
is een buitengewoon net, zindelijk, sierlijk en lieftallig dier; elke
beweging, die zij maakt, is aardig en bevallig; haar behendigheid is
waarlijk bewonderenswaardig. Zij loopt met afgemeten tred, en gaat
zoo zachtjes op hare fluweelen pootjes, welker klauwen zorgvuldig
teruggetrokken zijn, dat haar gang voor den mensch volkomen onhoorbaar
is. Bij elken stap openbaart zich de haar eigen beweeglijkheid en deze
gaat gepaard met de grootste bevalligheid en sierlijkheid. Alleen
wanneer zij door een ander dier vervolgd en plotseling verschrikt
wordt, bespoedigt zij haar gang tot een loopbeweging, die uit snel
opeenvolgende sprongen bestaat, haar vrij schielijk doet voortgaan
en bijna altijd uit het geweld van haar vervolger bevrijdt, omdat zij
met groote schranderheid van iederen schuilhoek gebruik weet te maken
en elke hooggelegen plaats weet te bereiken. Zij klimt gemakkelijk en
behendig omhoog langs boomstammen en muren (voor zoover deze oneffen
zijn of uit een zachte specie bestaan), door er zich met hare klauwen
aan vast te haken. In 't vrije veld loopt zij niet bijzonder snel;
zij wordt daar althans door iederen Hond achterhaald. Haar groote
behendigheid openbaart zich vooral bij sprongen, die zij vrijwillig of
gedwongen moet doen. Hoe zij ook valt, steeds zal zij op hare pooten te
recht komen en betrekkelijk zacht neerkomen op de elastische kussens
onder hare teenen. Het is mij nooit gelukt, een Kat die ik met den
rug naar onderen gekeerd op korten afstand van een tafel of van een
stoel losliet, zoo te doen vallen, dat zij met den rug het voorwerp
bereikte. Zij keert zich bliksemsnel om, zoodra men haar loslaat, en
staat dan geheel ongedeerd en stevig op alle vier pooten. Hoe zij dit
doet, terwijl zij zich op zoo korten afstand van het onder haar liggend
voorwerp bevindt, is ronduit onverklaarbaar; hoe dit geschiedt, als zij
van een aanzienlijke hoogte afvalt, is zeer gemakkelijk te begrijpen,
omdat zij dan haren recht omhoog gestrekten staart als roer gebruikt
en hierdoor de richting van den val regelt. Zij kan ook zwemmen,
maar maakt van deze bekwaamheid alleen dan gebruik, als zij in de
onaangename noodzakelijkheid verkeert, zich uit het water te moeten
redden. Dat een Kat vrijwillig te water gaat, is waarschijnlijk een
zeer zeldzame uitzondering op den regel; met ware angstvalligheid
vermijdt zij zelfs den regen. (Haacke kende evenwel een Kat, die in
een vijver sprong om Goudvisschen te vangen.)--Zij zit, evenals de
Hond, op haar achterdeel, en ondersteunt dan het voorste deel van
het lichaam met de beide voorpooten. Om te slapen rolt zij zich ineen
en gaat op de eene zijde liggen. Daartoe zoekt zij bij voorkeur een
zachte en warme ligplaats uit, kan het echter maar zelden verdragen,
dat zij ook nog toegedekt wordt. Het liefst neemt zij als peluw hooi,
waarschijnlijk omdat zij van den geur hiervan veel houdt. Van zulk
een ligplaats neemt haar vel een zeer aangenamen reuk aan.

Onder de zinnen van de Kat munten het gevoel, het gezicht en het gehoor
uit. Zeer gemakkelijk kan men zich overtuigen, dat de reuk het minst
ontwikkeld is, door aan een Kat het een of ander geliefkoosd gerecht
zoo voor te leggen, dat zij het slechts door den reuk kan vinden. Zij
nadert het voorwerp en draait, wanneer zij er dicht bij gekomen is, den
kop zoo vele malen heen en weer, dat men dadelijk aan deze bewegingen
kan zien, hoe weinig de reukzin haar leidt. Nog naderbij gekomen,
gebruikt zij hare snorharen, die uitstekende tastorganen zijn, steeds
meer dan den neus. Een Muis, die men in de gesloten hand verborgen
houdt, moet haar al zeer dicht onder den neus gehouden worden,
vóór zij de prooi bemerkt. Veel fijner is het gevoel. Dit blijkt het
duidelijkst aan de snorharen; als men een daarvan, hoe zachtjes ook,
aanraakt, zal men zien, dat de Kat dadelijk den kop terugtrekt. Het
tastgevoel zetelt bovendien, hoewel in mindere mate, in de zachte
kussens onder de teenen. Het gezichtszintuig is uitmuntend. Zij ziet
evengoed over dag als des nachts: zij kan haar pupil geschikt maken
voor het zien bij licht van verschillende sterkte, d. i. zij kan deze
opening bij fel licht zoozeer verkleinen en bij duisternis zoozeer
vergrooten, dat het zintuig haar zoowel in 't eene als in 't andere
geval uitmuntende diensten bewijst. En toch staat onder alle zinnen het
gehoor bovenaan; het is buitengewoon scherp. Lenz verhaalt, dat een in
de open lucht op zijn schoot zittend Katje plotseling achteruit sprong
naar een Muis, die, zonder dat zij door het katje gezien kon worden,
van den eenen struik naar den anderen liep over een gladden, steenen
vloer, waarop zij natuurlijk in 't geheel geen voor ons waarneembaar
gedruisch veroorzaakte. Hij vond, dat de afstand waarop het Katje de
Muis achter zich had gehoord, ruim 14 M. bedroeg.

Gewoonlijk wordt over de inborst van de Kat een geheel verkeerd oordeel
geveld. Men beschouwt haar als een trouweloos, valsch, arglistig dier,
en meent, dat zij nooit vertrouwen verdient. Vele lieden hebben een
onoverwinnelijken afschuw van haar. In den regel vergelijkt men
haar met den Hond, waarmede zij in 't geheel niet vergeleken mag
worden; omdat men bij haar niet dadelijk diens eigenschappen vindt,
bemoeit men zich niet verder met haar, maar beschouwt haar reeds van
te voren als een wezen, waarmede niets aan te vangen is. Zelfs door
sommige natuuronderzoekers wordt zij even ongunstig als eenzijdig
beoordeeld. Ik heb sinds mijn jeugd voor de Kat groote genegenheid
gevoeld, en mij veel met haar bezig gehouden, daarom stem ik in met
de onderstaande, door Scheitlin gegeven karakterschets, die, hoe
men er overigens over denken moge, alleszins de aandacht verdient
wegens haar oorspronkelijkheid, en naar het mij voorkomt, zich door
een oordeelkundige opvatting en een rechtvaardige waardeering van
den aard der Kat onderscheidt: "De Kat is een edel dier. Reeds uit
haar lichaamsbouw blijkt haar voortreffelijkheid. Zij is een lief
leeuwtje, een tijger in miniatuur. Al hare lichaamsdeelen zijn
evenredig, geen er van is te groot of te klein; daarom valt aan
haar reeds de geringste afwijking van den regel in het oog. Alles
is afgerond; het fraaist is de vorm van den kop, hetgeen reeds uit
de beschouwing van het geraamte blijkt: geen enkel dier heeft een
fraaier gevormden schedel. Het geheele beenderengestel is fraai en
verraadt een buitengewone vlugheid en geschiktheid tot lieftallige,
golvende bewegingen. Hare buigingen vormen geen zigzaglijn met scherpe
hoeken, hare wendingen zijn nauwelijks zichtbaar. 't Is alsof zij geen
beenderen heeft en uit niets anders dan een zachte stof bestaat. Groot
en volkomen passend bij haar lichaam is haar geschiktheid tot het
doen van zintuigelijke waarnemingen. Wij schatten de Katten gewoonlijk
veel te laag, omdat wij hare dieverijen haten, hare klauwen vreezen,
haar vijand, den Hond, hoog waardeeren, en van geen tegenstellingen
houden, wanneer wij ze niet tot eenheid kunnen verbinden.

"Vestigen wij nu onze aandacht op hare voornaamste
eigenaardigheden. Lichaam en ziel zijn vlug, beide als 't ware uit
één stuk. Hoe behendig draait zij zich in de lucht om, wanneer zij,
met den rug naar beneden gericht, valt, al bedraagt de valhoogte
slechts weinige voeten; hoe behendig houdt zij zich in evenwicht
bij 't loopen over smalle richels en boomtakken, zelfs wanneer deze
krachtig geschud worden! Aantrekkelijk is zij zoowel naar het lichaam
als naar den geest door haar liefde voor de zindelijkheid; zonder
ophouden belekt en poetst zij zich. Alle haartjes, van den kop tot
aan het puntje van den staart, moeten in de volmaakste orde liggen; om
de haren van den kop glad te maken en te kammen belekt zij de pooten
en strijkt zich vervolgens hiermede over den kop, zelfs de spits van
den staart krijgt een beurt. Haar vuil verbergt zij, begraaft het in
een door haar zelf in den grond gegraven kuil. Zij stelt haar lichaam
hoog, niet alleen in figuurlijken, maar ook in letterlijken zin, en
is hiervoor geschikt, doordat zij geen duizelingen kent en sterke
zenuwen heeft.--Zij is uitstekend in staat tot het onderscheiden
van kleuren en tonen: den mensch herkent zij aan zijn kleeding en
zijn stem: zij wil de deur uitgaan, als zij geroepen wordt. Zij
heeft een uitmuntend herinneringsvermogen voor plaatsen en trekt er
partij van. In de geheele buurt--in alle huizen, kamers, kelders,
onder alle daken, op alle hout- en hooizolders--is zij op bekend
terrein. Zij is een echt _huis_dier, meer gehecht aan het huis dan
aan zijne bewoners. Als deze verhuizen, blijft zij achter of keert
weer naar 't oude huis terug. Onbegrijpelijk is het, hoe zij haar
huis kan terugvinden, nadat zij uren ver in een zak weggedragen werd.

"Buitengemeen is haar moed; tegen Honden, die haar in grootte en
kracht ver overtreffen, houdt zij stand. Zoodra zij een Hond bespeurt,
krompt zij op een veel beteekenende wijze haar rug omhoog. Hare oogen
glinsteren van toorn of van plotseling opkomenden moed, gepaard aan
een zekeren afschuw. Reeds van verre blaast zij tegen hem; misschien
wil zij weg, den vijand ontvluchten, en springt daartoe, als zij in
de kamer is, op een vensterbank, op de kachel of naar de deur. Indien
zij echter jongen heeft, dan vliegt zij, als de Hond het nest nadert,
vol woede op hem af, zit hem met een sprong op den kop en krabt hem
erbarmelijk in de oogen, in 't aangezicht. Als in dezen tijd een Hond
haar aanvalt, zoo heft zij de pooten met de vooruitgestoken klauwen
op en wijkt niet. Steeds tracht zij van achteren gedekt te zijn; in
dit geval is zij onbezorgd, de zijden van haar lichaam kan zij met
hare klauwen beveiligen; zij kan de pooten als handen gebruiken. Al
komen vijf of meer Honden haar insluiten, op haar aanspringen, toch
wijkt zij niet. Met één sprong zou zij gemakkelijk over hen heen
kunnen komen, maar weet, dat zij dan verloren zou zijn, want de Hond
kan haar wel inhalen. Als deze, zonder haar aangevallen te hebben,
eindelijk weggaat, blijft zij dikwijls volkomen rustig zitten; zij
wacht, als de Honden terugkeeren willen, nog tienmaal hun aanval af
en weerstaat hen steeds. Andere trekken partij van de eerste de beste,
gunstige gelegenheid, en beklimmen snel een naburige hoogte.

"Met haar moed staat haar vechtlust in verband, haar groote neiging
om met hare soortgenooten te plukharen. Onverschrokkenheid en
tegenwoordigheid van geest gaan met dien moed gepaard. Men kan
de Katten niet verschrikt maken, zooals de Honden of de Paarden,
maar alleen wegjagen. Deze hebben meer doorzicht, gene meer moed;
men kan ze niet schichtig maken, niet in verwondering brengen. Men
spreekt veel van hare sluwheid en list: te recht doet men dit; listig
wacht zij doodstil voor het muizengat; listig kruipt zij ineen, wacht
lang,--het muisje is reeds half voor den dag gekomen, de oogen van
de Kat fonkelen, toch bedwingt zij zich. Zij is zich zelf meester,
evenals alle listigen, en kent het juiste oogenblik voor den aanval.

"Gevoel, trotschheid, ijdelheid heeft zij slechts in geringe mate;
zij is geen wezen voor gezelligheid, maar voor de eenzaamheid; zij
verheugt zich over geen zegepraal en schaamt zich ook nimmer. Als
zij van schuld bewust is, vreest zij alleen de straf. Als zij flink
uitgescholden en gekasteid is, schudt zij zich de pels even uit en
komt weinig minuten later met onbezwaard gemoed terug. Toch gevoelt
zij zich niet weinig gevleid, als zij uitbundig geprezen wordt, na
voor de eerste maal haar bekwaamheid in het muizenvangen getoond te
hebben, hetgeen zij doet, door de prooi in de kamer te brengen en
aan de menschen te laten zien. Zij komt dan ook later met haar buit
in de kamer en toont telkens bewijsstukken van haar groote vaardigheid.

"Men spreekt van de zucht tot vleien en de valschheid van de Kat, ook
wel van haar wraakzucht, maar overdrijft dan sterk. Als iemand haar
uitmuntend bevalt--want zij kan innig liefhebben en ook innig haten--,
strijkt zij dikwijls haar wang en hare zijden langs de wang en de
zijden van den uitverkorene, liefkoost dezen op allerlei wijzen,
springt 's morgens vroeg op zijn bed, kruipt zoo dicht mogelijk
tegen hem aan en kust hem. Vele Katten kan men echter nooit volkomen
vertrouwen. Zij bijten en krabben dikwijls, wanneer men dit in 't
geheel niet van haar verwachten zou. In de meeste gevallen evenwel
worden zij tot dit gedrag gedwongen om zich te verweren, daar men haar
maar al te dikwijls in 't geniep plaagt, zonder dat zij den plager
weten uit te vinden. Wel is waar doet de Hond dit niet, maar de Hond
is een goede sul. Men mag toch iemand, omdat hij niet goedaardig is,
niet dadelijk valsch noemen. Werkelijk valsche Katten zijn zeldzame
uitzonderingen, en zulke zijn er onder de Honden ook, ofschoon nog veel
zeldzamer. De uitdrukking 'valsche hond' is immers spreekwoordelijk
geworden, waar het een man geldt, evenals de benaming 'valsche kat'
voor een vrouw. De omstandigheden, waardoor een mensch valsch wordt,
hebben dezen invloed ook op de meest volkomen dieren."

Gewoonlijk paart de Huiskat tweemaal in ieder jaar: eerst in 't
einde van Februari of in het begin van Maart, voor de tweede maal in
't begin van Juni. 55 dagen na de paring brengt zij 5 à 6 jongen ter
wereld, die blind geboren worden en niet vóór den negenden dag leeren
zien. Gewoonlijk heeft de eerste worp tegen het einde van April of het
begin van Mei plaats, de tweede in het begin van Augustus. Vooraf zoekt
de moeder steeds een verborgen plaats op, meestal den hooizolder of
niet gebruikte bedden, en houdt hare jongen zoolang mogelijk verborgen,
vooral voor den Kater, die ze opvreet, als hij ze ontdekt.

De jonge Katjes zijn allerliefst, fraaie diertjes. De liefde van
de moeder voor hare jongen is buitengemeen. Zij maakt voor de
nog niet geboren schepseltjes een nest gereed en draagt de jongen
oogenblikkelijk van de eene plaats naar een andere, zoodra zij voor
hen gevaar ducht; daartoe vat zij ze zachtjes, slechts met de lippen,
bij het nekvel aan, en draagt ze zoo voorzichtig, dat de poesjes er
nagenoeg niets van bemerken. Zoolang zij zoogt, verlaat zij haar kroost
alleen, om voedsel te halen. Vele Katten weten met hare eerste jongen
niet om te gaan; het moet haar door de mensch en of door oude Katten
eerst aangegeven worden, hoe zij zich moeten gedragen. Dat alle Katten
gaandeweg beter leeren, hoe zij hare kinderen dienen te behandelen,
is een uitgemaakt feit.

Een zoogende Kat zal, wanneer een vreemde Hond of een andere Kat
haar nadert, met de grootste woede op de indringers afgaan, en zelfs
haar meester veroorlooft zij niet graag, hare geliefde jongen aan
te raken. Daarentegen toont zij in dien tijd ten opzichte van andere
dieren een medelijden, dat haar eer aandoet. Er zijn vele voorbeelden
van bekend, dat zoogende Katten jongen van Honden, Vossen, Konijnen,
Hazen, Eekhoorns, Ratten, ja zelfs Muizen voedden en groot brachten;
ik zelf heb als knaap met mijn Kat dergelijke proeven genomen en kan
het feit bevestigen. Aan een Kat, die van jongs af door mij opgevoed
was, bracht ik, toen zij voor de eerste maal jongen had geworpen,
een nog blind Eekhoorntje. Met teederheid nam zij het vreemde kind
onder hare eigene kinderen op, voedde en verwarmde het zoo goed
mogelijk en behandelde het dadelijk, van den beginne af met een echt
moederlijke zelfverloochening. Het Eekhoorntje groeide, evenals zijne
stiefbroeders, voorspoedig op, en bleef, nadat deze reeds weggegeven
waren, nog bij zijn pleegmoeder. Nu scheen deze haar voedsterling
met verdubbelde liefde te beschouwen. Er ontstond tusschen de beide
dieren eene zeer innige betrekking. De moeder en haar pleegkind
begrepen elkander volkomen, de Kat riep op de haar eigen wijze, het
Eekhoorntje beantwoordde dit met zijn gewone geknor. Weldra liep het
zijn pleegmoeder door het geheele huis en later ook in den tuin na.

Gewoonlijk wordt beweerd, dat de Kat niet opgevoed kan worden; men
doet haar hiermede groot onrecht aan. Zij geeft, wanneer zij goed
en verstandig behandeld wordt, bewijzen van innige gehechtheid aan
den mensch. Er zijn Katten--ik zelf heb er eenige gekend--, die reeds
verscheidene malen met hare meesters van de eene woning naar een andere
verhuisd zijn, zonder dat het haar in de gedachten kwam naar de oude
woning terug te keeren. Zij waren dus van oordeel, dat de mensch in
dit geval meer waarde heeft dan het huis. Andere Katten komen, zoodra
zij haar meester op een afstand zien, oogenblikkelijk naar hem toe,
vleien en liefkoozen hem, spinnen vol vertrouwen en trachten hem op
allerlei wijzen haar genegenheid te toonen. Zij weten daarbij zeer
goed personen die haar bekend zijn, van vreemden te onderscheiden,
en laten zich van gene, vooral van kinderen, ongeloofelijk veel
welgevallen, wel niet zooveel als alle, maar toch evenveel als sommige
Honden. Andere Katten vergezellen hare meesters op een zeer aardige
wijze bij wandelingen door hof en tuin, veld en bosch: ik zelf heb
twee Katers gekend, die zelfs de gasten van haar meesteres op hoogst
beminnelijke wijze uitgeleide deden, 10 à 15 minuten lang met hen
medegingen, dan echter na liefkoozingen en een welwillend gespin
afscheid namen en terugkeerden. De Katten sluiten niet alleen met
menschen, maar ook met dieren vriendschap. Vele voorbeelden van de
innigste vriendschap tusschen Honden en Katten zijn in tegenspraak
met de welbekende spreekwijze.

Men zou nog veel meer bewijzen voor het verstand van dit voortreffelijk
dier kunnen opnoemen. In de mooie maand Mei van het jaar 1859 had onze
Huiskat vier allerliefste jongen op den hooizolder ter wereld gebracht
en daar zorgvuldig voor aller oogen verborgen. Ongeveer 3 of 4 weken
later komt zij plotseling bij mijn moeder, vleit en smeekt, roept
en loopt naar de deur, alsof zij den weg wilde wijzen. Mijne ouders
volgen haar; zij springt verheugd de binnenplaats over, verdwijnt op
den hooizolder, komt boven aan de trap te voorschijn en werpt het
eene jonge katje voor, het andere na op een beneden liggenden hoop
hooi. De katjes werden vriendelijk opgenomen en geliefkoosd. Het bleek,
dat de Kat bijna in 't geheel geen zog meer had, en nadenkend over
een middel om dit gebrek te verhelpen, schrander genoeg was geweest,
om hare meesters met de zorg voor haar kroost te belasten.

Uit dit alles blijkt, dat de Katten de vriendschap van den mensch
in de hoogste mate waardig zijn, en dat het eindelijk tijd wordt,
de onrechtvaardige meeningen en de ongunstige oordeelvellingen
over haar in overeenstemming met de waarheid te verzachten en te
verbeteren. Bovendien moet men ook de diensten die de Katten ons
bewijzen, hooger waardeeren, dan gewoonlijk geschiedt. Wie nooit in een
bouwvallig huis gewoond heeft, waarin Ratten en Muizen naar hartelust
rondspoken, weet in 't geheel niet, wat het zegt, een goede Kat te
hebben. Als men jaren lang met dit ongedierte onder één dak gewoond en
gezien heeft, hoe volkomen machteloos de mensch tegenover hen is, als
men herhaaldelijk schade geleden en zich dagelijks vele malen over deze
afschuwelijke Knaagdieren geërgerd heeft, dan komt men langzamerhand
tot de overtuiging, dat de Kat een van onze allerbelangrijkste
huisdieren is, en derhalve niet alleen de grootste zorg en bescherming,
maar ook dankbaarheid en genegenheid verdient. _Reeds de aanwezigheid
van een Kat is voldoende_, om de overmoedige Knaagdieren van streek te
brengen, en zelfs, om hen tot den aftocht te dwingen. Het Roofdier, dat
hen van stap tot stap zorgvuldig nasluipt, het vreeselijke schepsel,
dat hen in den nek pakt, vóór zij nog iets van zijn komst gemerkt
hebben, boezemt hun afgrijzen en ontzetting in; zij verlaten daarom
liever een op deze wijze tegen hen beveiligd huis; doen zij het niet,
dan weet de Kat het op een andere wijze wel met hen klaar te spelen.

Muizen van verschillende soort, vooral Huismuizen en Veldmuizen,
zijn het liefste wild van de Kat. De meeste Katten, hoewel niet
alle, durven ook wel Ratten aan. Spitsmuizen vangt en doodt zij,
althans zoo lang zij jong en onervaren is; zij eet ze echter niet
op, waarschijnlijk omdat de muskus-reuk die deze Insecteneters
verbreiden, haar tegenstaat; als de Kat ouder geworden is, laat zij
ze ongehinderd loopen. Hagedissen, Slangen en Kikvorschen, Meikevers,
Sprinkhanen en andere Insekten eet zij tot afwisseling. Bij haar
jacht toont iedere Kat evenveel volharding als behendigheid. Evenals
alle leden van de Roofdieren-orde, maakt ook zij zich trouwens wel
eens schuldig aan misdrijven. Menig vogeltje wordt, zoolang het nog
jong en hulpbehoevend is, door de Kat geroofd; zij durft vrij groote
Hazen en bijna volwassene of afgematte Patrijzen aanvallen, loert ook
wel op de kuikentjes der Huishoenderen, en houdt zich soms zelfs met
de vischvangst bezig. Aan de keukenmeid verschaft zij veel reden tot
ergernis, doordat zij met haar van meening verschilt over hetgeen aan
een bewoner van het huis geoorloofd is, en de provisiekast plundert,
zoodra hiervoor de gelegenheid bestaat. Alles bijeengenomen is de
waarde van de diensten die de Kat ons bewijst, echter veel grooter
dan de schade, die zij aanricht.

Van de _Kat_ (_Felis maniculata domestica_) bestaan weinig
verscheidenheden. Bij ons komen de volgende kleuren het meest
voor: Effen zwart met een witte vlek midden op de borst; effen wit,
lichtbruinachtig geel en voskleurig rood; donkerder en met dezelfde
kleur getijgerd; effen blauwachtig grijs; lichtgrijs met donkere
strepen; driekleurig met groote witte en gele, of met geelachtig
bruine en koolzwarte (of grijze) vlekken. De blauwgrijze Katten
zijn zeer zeldzaam, de lichtgrijze of Cypersche Katten algemeen;
de echte moeten echter zwarte teenkussens en aan de achterpooten
zwarte zolen hebben. Het fraaist zijn de Zebra-katten, die met
donkergrijze of zwartachtig bruine dwarsstrepen als een Tijger
geteekend zijn. Eigenaardig is het, dat de driekleurige Katten, die
op sommige plaatsen voor heksen aangezien en daarom gedood worden,
bijna zonder uitzondering wijfjes zijn.

De _Angora-kat_ (_Felis maniculata domestica angorensis_) wordt bijna
algemeen beschouwd als een ras in den eigenlijken zin van het woord;
zij is een der fraaiste Katten die er bestaan; zij onderscheidt zich
door hare grootte en lang, zijdeachtig zacht haar, dat zuiver wit,
geelachtig, grijsachtig of ook wel gemengd van kleur is; de lippen
en de zolen zijn vleeschkleurig.



Een enkele blik op het lichaam van den _Leeuw_, op de uitdrukking van
zijn gelaat is voldoende om ons de overoude opvatting van alle volken,
die dit dier leerden kennen, van ganscher harte te doen deelen. De
_Leeuw_ is de "koning" van de viervoetige roofdieren, de heerscher
in het rijk der Zoogdieren. En hoewel de onderzoeker die zich met
het rangschikken der dieren bezig houdt, den Leeuw eenvoudig moet
beschouwen als een Kat van bijzonder krachtigen lichaamsbouw: de
geheele indruk dien het dier maakt, zal ook hem nopen, den Leeuw in
de familie der Katten de eereplaats toe te kennen.

De _Leeuwen_ kunnen gemakkelijk van alle overige Katten onderscheiden
worden. Hunne voornaamste kenteekenen zijn gelegen in den sterk
gebouwden, krachtigen romp met de korte, glad neerliggende, eenkleurige
beharing, in het breede, betrekkelijk kleinoogige aangezicht, in den
koninklijken mantel, die de schouders van het mannetje bedekt, en in
den kwast die het einde van den staart versiert. In vergelijking met de
andere Katten is de romp bij den Leeuw kort, de buik ingetrokken, het
geheele lichaam hierdoor zeer krachtig, hoewel niet plomp. De staart
eindigt in een in den haarkwast verborgene, hoornachtige spits, die
reeds door Aristoteles werd opgemerkt, maar welks bestaan door vele
latere natuuronderzoekers ontkend werd. De oogen hebben een ronde
pupil, de snorren zijn op 6 à 8 reeksen geplaatst. De mannelijke
Leeuw onderscheidt zich vooral door de manen, die hem het trotsche,
koninklijke voorkomen verschaffen. Deze manen bedekken, als zij
volkomen ontwikkeld zijn, den hals en het voorste gedeelte van de
borst, vertoonen echter zooveel verscheidenheid, dat men hiernaar--te
recht of te onrecht, dit moeten wij onbeslist laten--verscheidene
onder-soorten van Leeuwen onderscheiden heeft. Deze verschillende
afwijkingen zullen hieronder in 't kort beschreven worden; daarna
moet ik het aan mijne lezers overlaten, zich over dit vraagpunt een
oordeel te vormen. In de eerste plaats vestigen wij onze aandacht
op den _Leeuw van Barbarije_, want hij is het, die sinds overouden
tijd beroemd geworden is door zijn moed, zijne stoutmoedigheid en
lichaamskracht, dapperheid en heldhaftigheid, door zijne adel en
grootmoedigheid, zijn ernst en kalme bedaardheid, waardoor hij den
naam van "koning der dieren" heeft gekregen.



De _Leeuw van Barbarije_ (_Felis leo barbarus_) heeft, evenals
zijne verwanten, een krachtigen, gedrongen gebouwden romp, welks
voorste gedeelte wegens de breede borst en de versmalde liesstreek
veel omvangrijker is dan het achterste gedeelte. De dikke, bijna
vierhoekige kop verlengt zich tot een breeden en stompen snuit, de
ooren zijn afgerond, de oogen niet meer dan middelmatig groot, maar
levendig en vurig, de ledematen gedrongen en buitengewoon krachtig,
de teenen zijn (wat hun volstrekte lengte betreft, en misschien ook
wel naar evenredigheid van de grootte van het geheele dier) grooter dan
bij alle overige Katten; de lange staart eindigt in een korten doorn,
die door een vlokkigen kwast bedekt wordt. Een glad- en kortharige
vacht van helder roodachtig gele of vaalbruine kleur bedekt het
aangezicht, den rug, de zijden, de pooten en den staart; op sommige
plaatsen hebben de haren zwarte spitsen of zijn geheel en al zwart,
en juist hierdoor ontstaat de kleurenmengeling. De kop en de hals zijn
door dichte manen omgeven. Ook de benedenzijde van den romp is in het
midden over haar geheele lengte met lange, dicht bijeengeplaatste,
sluike haren (buikmanen) bezet; zelfs aan de ellebogen en aan de
voorste gedeelten der dijen staan minstens nog eenige vlokken van
zulke haren. Dit geldt van het volwassen mannetje, bij wien de hoogte
in de schoften 80 à 100 cM., bij 1.6 à 1.9 M. lichaamslengte en 75
à 90 cM. staartlengte bedraagt. Hieruit blijkt dus, dat de geheele
lengte van het dier, van het voorste gedeelte van den snuit tot
aan de spits van den staart omstreeks 2.4 à 2.8 M. is. Pas geboren
Leeuwen zijn ongeveer 33 cM. lang, zij hebben zoomin manen als een
staartkwast, maar zijn met een wollig, grijsachtig haarkleed bedekt;
dit vertoont aan den kop, aan de pooten en de zijden, over den rug en
aan den staart een teekening, die den in 't vergelijken van dieren
geoefenden onderzoeker onmiddellijk aan den Panter herinnert. Deze
teekening verbleekt reeds in het eerste levensjaar, hoewel zij,
vooral bij de wijfjes, nog gedurende verscheidene jaren, vooral aan
de pooten en aan de onderzijde van het lichaam zichtbaar blijft. De
Leeuwin blijft altijd min of meer op het jonge dier gelijken; vooral
door de beharing onderscheidt zij zich van het mannetje: de haren
zijn overal even lang of alleen aan het voorste gedeelte van het
lichaam een weinig langer. De Barbarijsche Leeuw is beperkt tot het
Atlas-gebergte en naburige gewesten.

De _Senegal-Leeuw_ (_Felis leo senegalensis_) verschilt van de zooeven
genoemde ondersoort door de weinig ontwikkelde of geheel ontbrekende
buikmanen; de manen aan 't voorste gedeelte van 't lichaam zijn goed
ontwikkeld, maar korter en minder dicht dan bij den vorigen vorm.

De _Kaapsche Leeuw_ (_Felis leo capensis_), en, naar het schijnt, ook
die van Abessinië, onderscheidt zich door aanzienlijke grootte en heeft
donkere manen. Het verbreidingsgebied van den Senegal-Leeuw en van den
Kaapschen Leeuw--die misschien tot dezelfde ondersoort behooren--omvat
alle landen van Middel- en Zuid-Afrika, van de westkust tot aan de
oostkust en van ongeveer 20° N.B. tot het Kaapland. Hij komt aan den
Blauwen en Witten Nijl en in Abessinië in boschrijke streken geregeld,
in vele steppenlanden van Middel- en Zuid-Afrika veelvuldig voor.

De _Perzische Leeuw_ (_Felis leo persicus_), die bleek isabelkleurig
is en ruige manen heeft, welke uit dooreengemengde, bruine en zwarte
haren bestaan, is van Perzië tot Indië verbreid; wij kennen hem
nog te weinig, om met bepaaldheid te kunnen zeggen, of hij met de
Senegal-Leeuw dan wel met die van Guzerate grootere overeenkomst
vertoont.

De _Leeuw van Guzerate_ (_Felis leo guseratensis_), zoo genoemd naar
een gebied in Vóór-Indië, heet ten onrechte ook wel "Manenlooze
Leeuw," en is ook niet altijd kleiner dan zijne verwanten, zooals
vaak beweerd werd. Dit reeds aan de ouden bekende dier is geheel en
al vaal roodachtig geel of geelachtig bruin gekleurd, met uitzondering
van den donkeren staartkwast en van de ooren, die aan de buitenzijde,
dicht bij hun plaats van aanhechting, min of meer zwart getint zijn.

De tijden toen men 600 Leeuwen voor de wilde dierengevechten in
de arena bijeen kon brengen, liggen reeds meer dan duizend jaren
achter ons. Sedert dien tijd heeft de "koning der dieren" zich voor
den "beheerscher der aarde" meer en meer teruggetrokken. De mensch
bestrijdt hem overal zoo krachtig mogelijk, en zal hem, evenals tot
nu, verder en verder terugdringen en eindelijk geheel vernietigen. De
Barbarijsche Leeuw was vroeger ook over het geheele noordoosten
van Afrika verbreid en kwam in Egypte niet veel minder veelvuldig
voor dan in Tunis of in Fez en Marokko; door de vermeerdering van
de bevolking en de toenemende beschaving werd hij echter allengs
verdrongen, zoodat hij thans reeds in het Beneden-Nijldal niet meer
voorkomt en in nagenoeg geen enkele kuststreek van de Middellandsche
Zee meer aangetroffen wordt. Ook nu nog echter is hij in Algerië en
Marokko niet zeldzaam, in Tunis en de oase Fezzan op zijn minst genomen
geen ongewone verschijning. Vooral in Algerië is het aantal Leeuwen
sterk verminderd: door de veelvuldige oorlogen van de Franschen
met de Arabieren zijn zij verdrongen; de Fransche leeuwenjagers,
van welke Jules Gérard vooral vermelding verdient, hebben hunne
rijen gedund. De Senegal-Leeuw verkeert in gunstiger omstandigheden:
de inboorling van Middel-Afrika, die meestal met een lans, minder
dikwijls met vergiftige pijlen en slechts bij uitzondering met een
geweer gewapend is, kan aan zijn lastigen belastinggaarder slechts
weinig afbreuk doen. Toch wordt de Leeuw ook door den donkerkleurigen
mensch meer en meer teruggedrongen.

De Leeuw leeft eenzaam; alleen in den paartijd blijft hij bij zijn
wijfje. Buiten dien tijd bewoont iedere Leeuw in Noord-Afrika zijn
eigen gebied, hoewel het niet in zijn aard ligt om wegens het voedsel
met andere dieren van zijn soort strijd te voeren. In Zuid-Afrika komt
het vaak voor, dat verscheidene Leeuwen zich vereenigen tot groote
jacht-expedities. Volgens Livingstone zwerven troepen van 6 à 8 stuks
gemeenschappelijk jagend rond. In buitengewone omstandigheden komen
zij tot nog talrijker troepen bijeen. Selous, wiens berichten uit den
laatsten tijd afkomstig zijn, zegt eveneens: "In het binnenland van
Zuid-Afrika treft men troepen van 4 à 5 Leeuwen, die te zamen jagen,
veelvuldiger aan dan eenzaam rondzwervende individuën; troepen van
10 à 12 stuks zijn niet zeldzaam."

De Leeuw is geen bewoner van het oerwoud, maar houdt van het open
veld: hij geeft de voorkeur aan met gras begroeide landstreken
met verspreid heestergewas en kreupelhoutboschjes, aan steppen met
armzalige struiken en aan woestijnachtige landstreken, onverschillig
of zij bergachtig zijn of vlak. Op de een of andere gedekte plaats
kiest hij zich een ondiepen kuil tot leger; hij rust hier één of meer
dagen, al naar de streek arm of rijk, onrustig of rustig is. In Soedan
vestigt hij zich het liefst in boschjes; in Zuid-Afrika geeft hij de
voorkeur aan de breede strooken van langhalmige rietgrassen langs de
oevers der stroombeddingen, die slechts gedurende een deel van het
jaar water bevatten; daar waar deze ontbreken bewoont hij boschjes
van doornstruiken. Gedurende zijne reizen blijft hij liggen daar,
waar de morgen hem verrast.

Over 't geheel genomen gelijken zijne gewoonten op die van andere
Katten; in vele opzichten onderscheidt hij zich echter van deze. Hij
is trager dan de overige leden zijner familie, en houdt volstrekt niet
van groote strooptochten, maar tracht het zich zoo gemakkelijk mogelijk
te maken. Volgens de ervaringen van Selous, wil de Zuid-Afrikaansche
Leeuw zich liever verzadigen aan het wild dat door den jager neergeveld
is, dan het zelf te dooden. Om dezelfde reden volgt hij elders, in
Oost-Soedan b.v., geregeld de nomadische veefokkers, waarheen zij ook
trekken. Hij begeeft zich met hen in de steppe en keert met hen naar
het woud terug; hij beschouwt hen als zijne schatplichtige onderdanen,
en eischt van hen werkelijk de drukkendste van alle belastingen.

Hij leidt een nachtelijk leven. Over dag ontmoet men hem zelden; in
het woud komt men hem misschien nooit toevallig tegen, maar ziet hem
alleen dan, wanneer men hem, op zijne gewoonten lettend, opzoekt en
door Honden uit zijn rustplaats laat verdrijven. In de nabuurschap
van de dorpen komt hij niet vóór het derde uur van den nacht. "Drie
maal," zeggen de Arabieren, "kondigt hij door gebrul zijn komst aan,
en waarschuwt hierdoor alle dieren hem uit den weg te gaan." Deze
goede meening berust ongelukkig op zwakke grondslagen; want zoo vaak
ik het gebrul van den Leeuw vernam, heb ik de ervaring opgedaan, dat
hij zonder gedruisch te maken naar het dorp was geslopen, en het een
of ander stuk vee had geroofd. Ook andere onderzoekers verhalen, dat de
Leeuw zeer dikwijls zachtjes nadersluipt "als een dief in den nacht."

Hieruit moet men echter niet afleiden, dat hetgeen de Arabieren zeggen,
onwaarheid is, maar alleen, dat zij een onjuiste verklaring geven van
iets, dat werkelijk geschiedt. Mij zelf is het gebleken, dat dit gebrul
geen waarschuwing is aan de dieren, die de Leeuw als prooi verlangt,
maar ten doel heeft het jachtgebied in opschudding te brengen, de
dieren tot vluchten te nopen en ze hierdoor toe te voeren aan den
een of anderen Leeuw; zoo niet aan hem die het gebrul laat hooren,
dan misschien aan zijn ergens op den loer liggenden jachtgezel. Mijn
inziens brult de Leeuw in de nabijheid van de omheinde ruimte, die
tot berging van vee dient, om het opgesloten vee een panischen schrik
aan te jagen, en daardoor te verleiden los te breken. Ik zal trachten
een dergelijken rooftocht te beschrijven.

Met zonsondergang heeft de nomade zijn kudde binnen de "seriba"
gedreven en opgesloten. Deze 3 M. hooge en ongeveer 1 M. dikke,
uiterst dichte heg, die uit de doornachtige takken van de Mimosa's
samengevlochten werd, is de veiligste vestingwal, dien hij maken
kan. De Schapen blaten naar hunne jongen, de Runderen, die reeds
gemolken zijn, hebben zich neergevleid. Een troep waakzame Honden
houdt de wacht. Het wordt stiller en rustiger; het geraas verstomt;
de vrede van den nacht daalt op de legerplaats neder. Vrouw en kind
van den eigenaar hebben in de eenige tent rust gezocht en gevonden. De
mannen hebben hunne laatste bezigheden verricht en zijn ook van plan
hunne slaapplaatsen op te zoeken. Van de naastbijgelegene boomen laten
de langstaartige Geitenmelkers hun nachtlied hooren, of dragen vliegend
hun vederentooi door de lucht, naderen dikwijls en met voorliefde de
seriba en ijlen als geesten over de slapende kudde heen. Overigens
is alles stil en rustig. Zelfs de keffende Honden zijn verstomd, maar
toch niet nalatig geworden in den dienst, die van hen verlangd wordt.

Eensklaps schijnt de aarde te dreunen: in de onmiddellijke
nabijheid brult een Leeuw! Thans staaft hij zijn naam "_Essed_,"
d. i. oproerverwekker, want een werkelijk oproer, de grootste
ontsteltenis, ontstaat er in de seriba. De Schapen rennen als zinneloos
tegen de doornhaag, de Geiten schreeuwen luid, de van angst steunende
Runderen dringen tot een verwarde troep bijeen, de Kameel tracht,
omdat hij graag zou vluchten, de kluisters die hem tegenhouden, te
verbreken, en de moedige Honden die Luipaarden en Hyena's bevochten,
huilen jammerlijk en zoeken bescherming bij hun meester. Met een
geweldigen sprong is de machtige vijand over den muur van doornen
geschoten, om zich een slachtoffer uit te zoeken. Door een enkelen slag
met zijne vreeselijke klauwen heeft hij een jong Rund neergeveld; het
krachtige gebit verbrijzelt de halswervels van het weerlooze dier. Dof
brullend ligt het Roofdier op zijn buit; de schitterende oogen fonkelen
van roofgierigheid en van blijdschap over de behaalde zege; met den
staart zweept hij de lucht. Voor een oogenblik laat hij het stervende
dier los, en grijpt het daarna met zijn vermorzelend gebit opnieuw
aan, totdat het zich eindelijk niet meer beweegt. Nu begint hij den
terugtocht. Hij moet weer over den hoogen muur, en wil zijn prooi niet
achterlaten. Hij heeft al zijn geduchte kracht noodig om met het Rund
in den bek den terugsprong uit te voeren. Maar hij bereikt zijn doel:
ik heb een meer dan manshooge seriba gezien, waarover een Leeuw met
een tweejarig Rund in den bek was heengesprongen; ik heb het indruksel
waargenomen, achtergelaten door den zwaren last op de kruin van de
omheining, en aan de andere zijde den door den val veroorzaakten kuil
in het zand opgemerkt, waarin het naar beneden stortende Rund lag,
voordat de Leeuw het verder sleepte. Men kan de vore, die door het
voortsleepen van het dier ontstaat, dikwijls zeer duidelijk volgen
tot aan de plaats, waar het roofdier zijn prooi verscheurd heeft.

Het is te begrijpen, dat alle dieren, die dezen roover kennen,
vreesachtig worden, zoodra zij zijn gebrul hooren. Men moet echter
niet meenen, dat de Leeuw te allen tijde zijn gebrul door de wildernis
laat weerklinken. Zijne gewone geluiden zijn een langgerekte toon,
gelijkende op het miauwen van een reusachtige Kat en een dof geknor of
gebrom; schrik wordt te kennen gegeven door een kort gekuch, dat als
"Hoef" of "Wau" klinkt. Het echte brullen verneemt men slechts zelden;
menigeen, die zich in een door Leeuwen bewoond gebied heeft opgehouden,
heeft het nooit gehoord. Het gebrul is kenschetsend voor het dier. Men
zou het een bewijs van zijn kracht kunnen noemen: het is eenig in zijn
soort en wordt, wat volheid van klank betreft, door de stem van geen
ander levend wezen overtroffen, tenzij, zooals Pechuel-Loesche opmerkt,
door het geluid van het mannelijke Nijlpaard. De Arabieren duiden
het zeer eigenaardig aan door het woord, "raäd", d. i. donderen. Diep
uit de borst schijnt het te voorschijn te komen; het is, alsof deze
zal barsten.

Onbeschrijfelijk is de uitwerking van de stem van den koning der
dieren op zijne onderdanen. Het gehuil van den Hyena verstomt, zij
het dan ook voor korten tijd; het gegrom van den Luipaard houdt op;
de Apen laten hunne keelgeluiden hooren en klimmen vol angst tot in de
hoogste takken; de Antilopen ijlen in razende vlucht door de struiken;
de blatende kudde houdt zich doodstil; de beladen Kameel siddert,
gehoorzaamt niet meer aan het bevel van zijn drijver, werpt zijn last
en zijn berijder af en tracht zich door een snelle vlucht te redden;
het Paard steigert, snuift, blaast de neusgaten op en wil terug;
de niet aan de jacht gewende Hond zoekt huilend bescherming bij
zijn meester.

De Noord-Afrikaansche Leeuw vestigt zich in de nabijheid van dorpen,
zoo hij hiervoor een goede gelegenheid vindt, en richt dan zijne
rooftochten uitsluitend daarheen. Hij is een onaangename buurman
en laat zich niet zoo licht verdrijven, vooral omdat hij bij zijne
plotselinge aanvallen met buitengewone sluwheid handelt. "Als de Leeuw
te oud wordt, om op het wild jacht te maken," bericht ook Livingstone,
"begeeft hij zich naar de dorpen om Geiten te rooven, en, wanneer
hij hierbij een vrouw of een kind ontmoet, zullen deze hem ten prooi
vallen. De Leeuwen, die menschen aanvallen zijn steeds oude dieren;
als een van deze gevaarlijke Roofdieren in een dorp is doorgedrongen
en Geiten weggehaald heeft, zeggen de inboorlingen: zijne tanden zijn
afgesleten; hij zal nu spoedig een mensch dooden."

Geheel anders dan bij den aanval op tamme dieren gedraagt zich de
Leeuw, als hij met wild te doen heeft. Hij weet, dat dit hem op
tamelijk grooten afstand ruikt en snelvoetig genoeg is om hem te
ontkomen. Daarom beloert hij de in 't wild levende dieren, of besluipt
hen uiterst voorzichtig onder den wind, dikwijls in gezelschap
van andere dieren zijner soort; hij wacht hiervoor volstrekt niet
altijd den nacht af, maar doet dit ook wel, als de zon schijnt. Toch
zijn zulke jachten gedurende den dag altijd uitzonderingen op den
regel. Gewoonlijk stelt de Leeuw zijn jacht minstens tot aan de
schemering uit. De wilde kudden volgt hij op hare reizen, evenals
de tamme. Gelijk andere Katten legt hij zich in hinderlaag in de
nabijheid van de meest betreden wildpaden. In de steppen b.v. zoekt
hij met de bedoeling om buit te maken de plaatsen op, waar de dieren
van de wildernis hun dorst lesschen.

Volgens Livingstone pakt hij zijn prooi gewoonlijk bij den hals, ook
wel echter in de liesstreek, waar hij bij voorkeur het dier begint
te verslinden. Selous bevestigt het bericht, dat de Leeuw zijn buit
steeds aan 't achterste gedeelte van het lichaam begint op te eten,
en het eerst de ingewanden en andere edele deelen gebruikt; ook heeft
hij opgemerkt, dat het Roofdier deze deelen soms op een hoop rolt en
met aarde bedekt; ongetwijfeld geschiedt dit met het doel, om ze voor
den volgenden nacht te bewaren, en ze te beveiligen tegen de Gieren,
die er over dag bij zouden komen. Over de wijze waarop de Leeuw jaagt,
zegt hij: "Volgens mijn ervaring overvalt de Leeuw zijn prooi op zeer
verschillende wijzen. Ik heb een Paard, een jongen Olifant en twee
Paard-antilopen gezien, die door een beet in de keel gedood waren;
daarentegen zag ik een ander Paard en verscheidene Zebra's, bij welke
de doodelijke wonden in den nek werden toegebracht. Buffels worden,
naar ik veronderstel, dikwijls gedood door de ontwrichting van een
halswervel, die teweeggebracht wordt, doordat de Leeuw het dier op den
schouder springt, het met een poot bij den neus pakt, en nu den nek
plotseling omdraait. Ik heb een menigte Buffels gezien en geschoten,
die zich nog te rechter tijd hadden weten te bevrijden, maar aan den
nek on de schoften vreeselijk gebeten waren."

De Leeuw geeft aan groote dieren de voorkeur boven kleine, ofschoon
hij deze, als hij ze krijgen kan, ook niet versmaadt. Uitdrukkelijk
wordt verzekerd, dat hij zich somtijds zelfs met Sprinkhanen
tevreden stelt. Hij streeft er echter steeds naar, een groote prooi
te bemachtigen, hetgeen nog het duidelijkst blijkt uit het feit, dat
hij juist daar het veelvuldigst voorkomt, waar veel wild of vee van de
grootste soort is te vinden. Zijn voornaamste voedsel bestaat uit vee,
uit Zebras, Antilopen en Wilde Zwijnen. In sommige gevallen versmaadt
hij echter ook krengen niet. Selous zegt: "De Zuid-Afrikaansche Leeuw
is dikwijls volstrekt niet keurig op zijn voedsel. Als de jagers
Olifanten gedood hebben, verzadigen de Leeuwen zich zeer dikwijls aan
de stinkende lijken dezer reusachtige dieren, die, door de tropische
zon beschenen spoedig tot verrotting overgaan en vol maden geraken;
verscheidene nachten achtereen keeren zij naar dit feestmaal terug,
tot er geen vleesch meer overig is." Zij worden hierbij vaak genoeg
geholpen door talrijke tafelschuimers, die van de gunstige gelegenheid
gebruik maken om met hun "koning" te dineeren. De luie en lafhartige
Hyena en alle soorten van Echte Honden vinden het zeer gemakkelijk,
een ander voor zich te laten rooven; zij eten, zoodra de Leeuw zijn
maal verlaat, zich vol daaraan. De "koning" duldt hen echter niet
altijd aan zijn disch; soms komen, zooals duidelijk gebleken is,
om deze reden ernstige vechtpartijen voor.

De Leeuw valt uiterst zelden menschen aan. De hooge gestalte van
den man boezemt hem, naar 't schijnt, ontzag in. In Soedan althans,
waar de "oproerverwekker" in sommige gewesten veelvuldig voorkomt,
zijn nagenoeg geen gevallen bekend, dat menschen door Leeuwen opgegeten
zijn. Daar verliezen meer menschen het leven door Krokodillen en Hyenas
dan door Leeuwen. Uit Zuid-Afrika daarentegen zijn genoeg voorbeelden
bij te brengen van aanvallen van Leeuwen op menschen. Zonder zich
om de wachtvuren te bekommeren dringen deze Roofdieren tot binnen de
omheining van het kamp door, om vee te rooven of zelfs om menschen van
bij het vuur weg te halen. Waarschijnlijk worden zij hiertoe alleen
door den uitersten honger gedreven, zooals de sterke, van zessen
klare Leeuwin, van welke Selous bericht, dat zij, ondanks de vuren,
de wachtposten en de schoten, driemaal in één nacht het kamp overviel,
eerst een Paard en daarna twee bij het vuur zittende inboorlingen
greep, maar telkens tot den aftocht gedwongen en ten slotte gedood
werd. "Een hongerige Leeuw is een duivel," zegt men in Zuid-Afrika. In
zulke omstandigheden zullen zoowel volkomen krachtige als oude en
zwakke Leeuwen, bij dag of bij nacht, ook wel menschen overvallen,
en als de ervaring hen eens geleerd heeft, hoe gemakkelijk deze
prooi beslopen en overmeesterd kan worden, zal hij dikwijls op zulk
een gemakkelijke wijze een maal trachten te verkrijgen. Werkelijke
"menscheneters," zooals onder de Tijgers in Indië voorkomen, worden de
Zuid-Afrikaansche Leeuwen echter niet, omdat de inboorlingen, waarmede
zij te maken hebben, zich niet door de Leeuwen laten verdrukken.

Niemand heeft de Zuid-Afrikaansche Leeuwen op een natuurlijker
en nauwkeuriger wijze beschreven dan Selous: "Mij is het steeds
voorgekomen, dat het woord 'majestueus' bijzonder slecht toepasselijk
is op een wilden Leeuw; over dag heeft deze steeds iets onzekers en
schuws over zich, dat onvereenigbaar is met het begrip 'majesteit'. Om
zoo genoemd te kunnen worden, zou hij den kop hoog moeten dragen,
en dit doet hij zelden. Bij het loopen houdt hij den kop omlaag, nog
beneden den ruglijn, en eerst als hij menschen in zijn nabijheid
bemerkt, heft hij menigmaal den kop omhoog, maar laat hem dan
gewoonlijk ook weer zakken en draaft met een kort gebrom verder. Als
hij, in het nauw gebracht, den kop met den geopenden muil en de
fonkelende oogen diep tusschen de schouders houdt, voortdurend een
dof gebrom laat hooren en met den staart de zijden van het lichaam
zweept, kan geen dier er dreigender uitzien, maar zelfs dan is er in
zijn voorkomen niets, wat den naam majesteit verdient. Wanneer de Leeuw
den staart twee- of driemaal achtereen snel loodrecht omhoog slingert,
pas dan op! want dit is bijna geregeld het teeken van een onmiddellijk
volgenden aanval. Leeuwen, die men over dag ontmoet, ontwijken den
mensch bijna altijd, zelfs wanneer zij bij een pas geroofd dier zich
bevinden en dus waarschijnlijk hongerig zijn. Als men ze echter
boos maakt of wondt, kan men een aanval verwachten. Volgens mijn
ervaring zijn Leeuwen meer geneigd om aan te vallen dan eenig ander
Zuid-Afrikaansch wild dier, dat ik ontmoet heb. Daar zij geschikter
zijn om zich te verbergen, vlugger en behendiger in 't aanvallen dan
de Olifant, de Buffel en het Neushoorndier, houdt ik ze voor veel
gevaarlijker dan deze. Evenals de menschen en de andere dieren, zijn
echter ook de Leeuwen zoo ongelijk van aard, dat het niet aangaat,
al wat de eene doet, zonder nader onderzoek ook van den anderen te
verwachten. Mijns inziens heeft niemand het recht de Leeuwen lafhartig
te noemen, omdat de 2 of 3 exemplaren, die hij geschoten heeft zich
niet moedig in den strijd betoonden. Dat er meer ongelukken voorgekomen
zijn bij ontmoetingen met Buffels dan met Leeuwen, kan niet aangehaald
worden als een bewijs, dat gene gevaarlijker zijn dan deze; daar,
althans in de jaren van zeventig, bij de jachten niet meer dan één
Leeuw werd ontmoet tegen 50 Buffels."

De ontzagwekkende gestalte van den Leeuw, zijn geweldige kracht,
zijn koene moed zijn van oudsher erkend en bewonderd. En al heeft
ook de bewondering dikwijls de juiste maat overschreden en den Leeuw
eigenschappen toegedicht, die hij in werkelijkheid niet bezit; geheel
ongerechtvaardigd is zij toch niet. In de eigenschappen, die door
de meest geachte natuuronderzoekers aan den Leeuw zijn toegekend,
ligt mijns inziens nog adel genoeg. En, ieder die den Leeuw nader
leerde kennen, die, zooals ik, jaren lang dag in dag uit met een
gevangen Leeuw verkeerde, hem zal het gaan, zooals het mij gegaan
is. Hij zal hem genegen zijn en achten, zooals ooit een mensch voor
een dier genegenheid en achting kan gevoelen.

Vijftien tot zestien weken of 100 à 108 dagen na de paring werpt de
Leeuwin 1 à 6, gewoonlijk echter 2 of 3 jongen. Deze komen met geopende
oogen ter wereld, en hebben bij de geboorte ongeveer de grootte van
een half volwassen Kat. Gewoonlijk behandelt de leeuwin hare jongen
met groote teederheid; men kan zich bijna geen schooner schouwspel
denken dan deze moeder met haar kroost. De kleine, allerliefste
diertjes spelen als vroolijke katjes met elkander; hun moeder kijkt
wel is waar ernstig, maar toch met blijkbaar genoegen naar het spel
van hare kinderen. Men heeft dit dikwijls waargenomen, omdat het
volstrekt geen zeldzaamheid is, dat een leeuwin in de gevangenschap
jongen werpt. In een doelmatig ingerichte en goed bestuurde diergaarde
fokt men tegenwoordig Leeuwen bijna even zeker en geregeld als Honden;
zelfs in reizende menagerieën, waar de dieren, zooals bekend is,
slechts een zeer geringe speelruimte voor hunne bewegingen hebben en
dikwijls niet eens voldoende voedsel krijgen, worden Leeuwen geboren
en grootgebracht.

Jonge Leeuwen zijn in den eersten tijd van hun leven zeer
hulpbehoevend. Zij leeren eerst in de tweede maand loopen en beginnen
nog later hunne kinderlijke spelen. In 't eerst miauwen zij geheel
als Huiskatten, later wordt hun stem sterker en voller. Bij hunne
spelen toonen zij zich onhandig en plomp; maar de behendigheid komt
mettertijd. Tegen het einde van het eerste jaar hebben zij de grootte
van een flinken Hond. Tegen het derde jaar merkt men bij de mannetjes
de eerste beginselen van manen op, doch eerst in het zesde of zevende
jaar zijn de dieren van beiderlei geslacht geheel volwassen en normaal
van kleur. De leeftijd dien zij bereiken kunnen, is geëveneedigd
aan dezen langzamen groei. Er zijn voorbeelden bekend van Leeuwen,
die 70 jaar in gevangenschap geleefd hebben; zij krijgen dan echter,
zelf bij de best mogelijke verzorging, vrij schielijk een afgeleefd
voorkomen, en verliezen veel van hun schoonheid.

Jong gevangen Leeuwen worden bij verstandige verpleging zeer
tam. Zij erkennen den mensch als hun verzorger, en betoonen hem des
te meer genegenheid, naarmate hij zich meer met hen bemoeit. Men
kan zich moeielijk een lieftalliger wezen voorstellen dan een op
deze wijze getemden Leeuw, die zijn vrijheid--ik zou haast zeggen
zijn koningschap--vergeten heeft, en den mensch met hart en ziel
is toegedaan.

Een leeuw kan, als hij goed gevoed wordt, vele jaren de gevangenschap
verduren. Hij heeft per dag ongeveer 4 KG. vleesch noodig. Daarbij
bevindt hij zich goed en wordt welgedaan en vet.

Het is niet te verwonderen, dat de Afrikaan den Leeuw met alle
middelen, die hem ten dienste staan, tracht te verdelgen. Zoo erg
als men zich bij ons voorstelt, is bij hem echter de vrees voor
den Leeuw niet. Men ontmoet den geweldenaar daar, waar hij zijn
vaste verblijfplaats heeft en zelfs daar geenszins iederen dag. Hij
tracht niet voortdurend vee te rooven, maar zoekt zich ook voedsel
in de wildernis; hij wordt door zijn jacht voor enkele volken zelfs
nuttig. De Bosjesmannen danken hem menig smakelijk maal. De streek
waar hij gejaagd heeft, doorzoeken zij vroeg in den morgen; zij
vinden hier nog dikwijls belangrijke overblijfselen van het wild,
dat de Leeuw gedurende den nacht gedood heeft. Zij laten trouwens
niet na, den roover van zijn buit te verdrijven, opdat er zooveel
mogelijk voor hen zal overschieten.

Maar ook de bewoners van Noord-Afrika klagen weinig over de
verliezen, die zij door den Leeuw lijden. Zij spreken wel over
zijne rooftochten, maar toonen niet veel ergernis over de schade,
die zij er door geleden hebben, of vreezen te zullen lijden door het
verlies van vee; veeleer beschouwen zij dit als een beschikking van
het noodlot, als iets onvermijdelijks. Kolonisten van Europeesche
afkomst hebben andere begrippen over de waarde van hun eigendom dan
de zorgelooze Afrikanen. Volgens een berekening van Jules Gérard
veroorzaakten in het jaar 1855 ongeveer 30 Leeuwen, die zich in de
provincie Constantine ophielden, een schade van ruim 80.000 gulden:
een enkele Leeuw gebruikt dus voor ongeveer 2700 gulden aan voedsel
per jaar. In de jaren 1856 en 1857 hebben zich volgens denzelfden
berichtgever in Bona alleen 60 Leeuwen opgehouden, die 10.000 stuks
groot en klein vee verslonden hebben. Verder op in het binnenland
is de schade naar verhouding veel geringer, omdat de veeteelt, die
daar den eenigen tak van bestaan van de bewoners uitmaakt, op veel
uitgebreider schaal gedreven wordt dan in de landen, waar de landbouw
de overhand heeft. Toch is de schade nog altijd gevoelig genoeg; de
arme veeboer heeft menigmaal voldoende redenen om wanhopig te worden
over de verwoestingen, die de Leeuw aanricht.

In het Atlasgebergte wordt de Leeuw op verschillende wijzen
gejaagd. Als hij in de nabuurschap van het kamp van een Bedoeïnenstam
al te lastig wordt, omringen de weerbare mannen het kreupelbosch,
waarin hun hoofdvijand zich verborgen heeft en trachten door geschreeuw
en schoten hem er uit te verdrijven. Als hij eindelijk voor den
dag komt, zenden zij hem zooveel kogels toe, dat hij gewoonlijk er
het leven bij inschiet, menigmaal trouwens eerst, nadat hij eenige
van zijne vervolgers leelijk toegetakeld of gedood heeft. Ook "op
den aanstand" (van een hinderlaag uit) wordt de Leeuw geschoten. De
Arabieren graven een kuil, dekken dezen van boven stevig toe, zoodat
er alleen schietgaten overblijven, en leggen daarvóór een pas gedood
Wild Zwijn; ook gaan zij wel in de boomen zitten om van hier uit te
schieten. Bovendien vangen de Arabieren van den Atlas den Leeuw in
valkuilen, die 10 M. diep en 5 M. breed zijn. Zoodra het koninklijke
dier in den kuil ligt, loopen alle menschen uit den omtrek rondom
den gevallen vijand te hoop en maken een ontzettend geraas. Iedereen
schreeuwt, schimpt en werpt steenen naar beneden. Het gekst stellen
zich echter de vrouwen en kinderen aan. Ten slotte schieten de mannen
het dier dood. Eerst als het volkomen zonder beweging ligt, waagt
iemand het in den kuil af te dalen, om den Leeuw touwen om de pooten
te binden, waarmede het lijk met moeite wordt opgeheschen, want de
volwassen mannelijke Leeuw kan wel 200 KG. zwaar worden. Iedere knaap
krijgt een stuk van het hart te eten, opdat hij moedig zal worden. De
haren van de manen worden als amuletten gebruikt, omdat men gelooft,
dat hij, die zulke haren bij zich draagt, voor de tanden van den
Leeuw beveiligd is.

In den Bijbel wordt op vele plaatsen melding gemaakt van den Leeuw,
die door de Hebreërs met verschillende namen aangeduid wordt. De
Grieken en Romeinen deden over het koninklijke dier zeer uitvoerige
verhalen, waarin talrijke sprookjes voorkomen.

Het Romeinsche volk werd voor 't eerst op het schouwspel van
een leeuwengevecht onthaald door den aedilis Scaevola, voor de
tweede maal door den dictator Sulla. Deze had reeds 105 Leeuwen in
den circus. Pompejus liet 650, Julius Caesar minstens 400 van deze
dieren vechten. De leeuwenvangst was voorheen een zeer moeielijk werk
en geschiedde gewoonlijk met behulp van valkuilen. Onder Claudius
ontdekte een herder echter bij toeval een gemakkelijker middel. Hij
wierp den Leeuw zijn kleed over den kop, en het dier werd hierdoor
zoo verbluft, dat het zich zonder moeite liet gevangen nemen. In den
circus werd dit middel later dikwijls toegepast. M. Antonius reed na
den slag van Pharsalos door de stad met een tooneelspeelster in een
wagen, die door twee Leeuwen getrokken werd. Hanno, de ons reeds van
vroeger bekende Carthager (p. 6), was de eerste, die een getemden
Leeuw met zijne handen regeerde. Hij werd daarom echter uit zijn
vaderland verbannen, omdat men van oordeel was, dat hij, die zich
met het temmen van een Leeuw bezig hield, ook er naar streefde,
de menschen aan zich te onderwerpen. Hadrianus liet in den circus
dikwijls 100 Leeuwen te gelijk dooden. Marcus Aurelius liet er 100
met pijlen doodschieten. Op deze wijze verminderde het aantal Leeuwen
zoo sterk, dat men de particuliere leeuwenjachten in Afrika verbood,
om een voldoenden voorraad van deze dieren voor de kampspelen over
te houden. Evenwel was eerst met de uitvinding van het schietgeweer
de macht van den "koning der dieren" voor goed gebroken.



"Het is zeer wel mogelijk," zegt Prof. Schlegel, "dat de oude
Grieken en Romeinen twee soorten van _Luipaarden_ gekend hebben,
n.l. den gewonen Noord-Afrikaanschen en den Noordschen Luipaard van
Siberië. De oude Grieken hadden echter, zooals men uit Xenophon en
Aristoteles moet opmaken, slechts één naam, _Pardalis_, voor deze
dieren. Plinius benoemt de Luipaarden met den naam van _Pardus,_
en gebruikt ook voor deze dieren het Grieksche woord _Panthera_
(waarmede de Grieken een geheel ander dier, waarschijnlijk de Civetkat,
bedoelden). Daar hij beweert, dat de _Panthera_ bijkans door niets,
dan de witachtige kleur van den _Pardus_ te onderscheiden is, zoo wordt
het wederom waarschijnlijk, dat met den _Panthera_ der Romeinen de
Noordsche Luipaard gemeend is, wiens grondkleur inderdaad sterk naar
het witte trekt. De naam _Leopardus_ is van nog lateren oorsprong,
en komt voor het eerst voor bij Julius Capitolinus, een schrijver
uit de laatste helft der derde eeuw; deze naam, uit _Leo_ (Leeuw) en
_Pardus_ samengesteld, moest den vermeenden bastaard van Luipaard en
Leeuw voorstellen. Bij de Portugeezen is het woord _Leontius_ (kleine
Leeuw) waarschijnlijk tot _Uncia_, _Onza_ of _Onça_ verbasterd,
dat bij de ontdekking der Nieuwe Wereld door hen op den Jagoear
werd toegepast. Wat het woord _Tigris_ (Tijger) betreft, zoo lijdt
het geen twijfel, dat de Ouden daaronder slechts den Koningstijger
begrepen hebben.

"Deze benamingen zijn,--behalve die van _Pardalis_ of _Pardus,_
welke slechts in het Hoogduitsch als een weinig gebruikelijk woord
(Pardel of Parder) bewaard is--van lieverlede in de meeste nieuwe
talen, met weinig veranderingen overgenomen. Het Hollandsche woord
'Luipaard' schijnt veeleer als een verbastering van _Leopardus_
beschouwd te moeten worden, dan als samengesteld uit Luip-aard of,
gelijk sommigen zeer onjuist schrijven, Lui-paard. Een nader onderzoek
leert ons echter, dat bij de verschillende natiën van Europa, deze
woorden dikwijls met verscheidene wijzigingen worden toegepast. Zoo
worden de groote gevlekte Katten door de meeste dier volken Luipaarden
of Panters genoemd; terwijl in Holland de benaming van 'Tijger' voor
deze dieren, verreweg meer gebruikelijk is, dan die van Luipaard of
Panter, welken laatsten naam men zelden of nooit uit den mond des
volks verneemt. Het woord Tijger wordt daarentegen in de meeste
overige talen, en in het Hoogduitsch altijd, ter aanduiding van
den eigenlijken Tijger gebruikt, aan welken men in het Hollandsch,
om hem van den Luipaard of gevlekten Tijger te onderscheiden, den
bijnaam van Konings-, gestreepten of Bengaalschen Tijger geeft."

De "_Luipaard_" (_Felis pardus_) heeft een lengte van 170 à 200 cM.,
waarbij voor den staart 60 à 80 cM. De kop is groot en rondachtig, de
snuit steekt weinig vooruit, de hals is zeer kort, de romp krachtig,
de geheele gestalte gedrongen; de pooten zijn middelmatig hoog en
sterk, de teenen niet bijzonder groot. De licht roodachtig gele
grondkleur is op den rug donkerder, gaat aan de keel en aan het
voorste gedeelte van de borst in lichtgeel of witachtig geel, aan de
onderzijde en aan de binnenzijde van de ledematen in geelachtig wit
over. Het aangezicht, de kruin, de de nek, de zijden van kop en hals,
de schouders, de buitenzijde van bovenarm, onderarm, bovenbeen en
onderbeen, de keel en het voorste deel van de borst zijn dichtbezet
met kleine, zwarte, rondachtige vlekken, welker grootte afwisselt
tusschen die van een erwt en die van een walnoot. Aan het achterste
gedeelte van den hals vormen zij schuins naar voren gerichte reeksen;
op de schouders en pooten vloeien zij bij tweeën of drieën tot
onregelmatige vlekken ineen, die reeksen vormen, welke van boven
naar onderen gericht zijn. Aan weerszijden van den romp komen 6 à 10
dwarsloopende reeksen van ringvlekken voor. Deze ringen omsluiten
ieder een "hof", die iets donkerder is dan de grondkleur; zij zijn
ieder uit 2 à 4 halvemaanvormige vlekken samengesteld, die ook wel
tot een volkomen ring ineenvloeien. Ringvlekken vindt men ook aan
't bovenste gedeelte van de dij en aan den wortel van den staart;
voor het overige is deze met onregelmatige vlekken geteekend, met
uitzondering van de onderzijde bij de spits, waar hij bijna zuiver
wit is. De teekening van de onderzijde en van de binnenzijde der
ledematen bestaat uit volle vlekken, waarvan eenige twee aan twee
ineenvloeien. Het oor is aan de buitenzijde grijsachtig zwart, met
uitzondering van een groote, witachtige vlek bij de spits. Het oog
heeft een groenachtig gele iris en een ronde pupil. Er bestaat geen
belangrijk verschil in teekening zoomin tusschen mannetjes en wijfjes,
als tusschen de oude dieren en de zelfstandig geworden jongen. Sommige
exemplaren zijn echter donkerder van kleur of zelfs geheel zwart. Een
glanzig bruinachtig zwarte verscheidenheid, die alleen in 't volle
zonlicht gevlekt schijnt, wordt in Abessinië _Gesela_ genoemd en om
zijn vel ijverig vervolgd.

Van den Luipaard zegt men, dat hij bijna alle landen van Afrika
bewoont.

Aan den "_Panter_" (_Felis panthera_) worden de volgende kenmerken
toegeschreven: Een totale lengte van 200 à 240 cM., waarvan er
ongeveer 82 à 96 op den staart komen. De kop is matig groot en
langwerpig rond, de snuit steekt duidelijk vooruit, de hals is
kort, de romp krachtig maar toch gestrekt, de stevige pooten zijn
naar verhouding zeer sterk, de teenen zijn groot. De grondkleur,
licht okergeel, gaat op den rug in donker roodachtig geel, aan de
onderzijde van den romp en aan de binnenzijde van de ledematen in
geelachtig wit over; zij gelijkt dus op die van den Luipaard, maar
komt veel duidelijker uit. De kop is minder rijkelijk gespikkeld dan
bij dezen, de vlekken zelf zijn over 't algemeen iets kleiner, en de
kop schijnt hierdoor lichter gekleurd. Behalve op den kop, den nek,
de zijden van den hals, de keel en het bovenste gedeelte van de borst
vindt men alleen nog op de voorarmen en onderbeenen volle vlekken,
die meestal door samenvloeiing van 2 of 3 kleinere vlekken ontstaan
zijn. De schouder en het bovenbeen daarentegen zijn, evenals de rug
en de zijden, met ringvlekken of hofvlekken bezet. Alle hofvlekken
onderscheiden zich van die van den Luipaard door haar aanzienlijkere
grootte: de ruime hof is helder roodachtig geel, de hem omgevende
ring bestaat uit 5 à 7, soms 8, kleine, halvemaanvormige vlekken.

Als woonplaats van den Panter worden het zuiden en oosten van het
Aziatisch vastland aangegeven, ook Palestina, Klein-Azië en de
Kaukasus.

De _Soendaneesche_ of _Langstaartige Panter_ (_Felis variegatus_)
van Sumatra en Java moet, naar men zegt, gemakkelijk onderscheiden
kunnen worden van den Luipaard en den Panter. Als zijne kenmerken
worden opgegeven: de kleine, lange kop, de langwerpige hals, de zeer
gestrekte romp, de staart die minstens even lang is als de romp,
de korte, krachtige, met betrekkelijk zeer sterke klauwen gewapende
pooten. Bovendien vertoont de teekening eigenaardigheden: de vlekken
zoowel als de door hen gevormde ringen zijn veel kleiner, donkerder en
dichter bijeengeplaatst dan bij de reeds genoemde verwanten. Hierdoor
verkrijgt het vel een zwartachtig blauwen weerschijn, die duidelijk
zichtbaar wordt, als men den blik er langs laat strijken. De grondkleur
is donker leem-geel, de kleur van den hof der ringvlekken bruinachtig
geel, de onderzijde van den romp en de binnenzijde van de ledematen
zijn grijsachtig of geelachtig wit.

De onderscheiding van den zoogenaamden _Zwarten Panter_ of _Zwarten
Luipaard_ (_Felis melas_) berust eenvoudig op een bij enkele individuen
voorkomende sterkere ontwikkeling van de huidkleurstof. Volgens
Rosenberg, worden de zwarte, zooals ieder Javaan weet, met de gele,
in een en hetzelfde nest gevonden. Zij komen op het vaste land zoowel
als op de eilanden voor. Volgens Sanderson, leven zij uitsluitend
in dichte, groote bosschen en niet overal, zooals hunne lichter
gekleurde verwanten. Zwarte Panters vindt men tegenwoordig in bijna
alle diergaarden; in sommige worden zij zelfs geregeld gefokt, daar
zwarte exemplaren, onderling parend, een nakomelingschap van gelijke
kleur voortbrengen.

Hoewel jagers, handelaars, enz. den Luipaard, die kleiner is en een
meer ineengedrongen lichaam heeft, op grond van zijne levenswijze en
uitwendige eigenschappen vrij zeker weten te onderscheiden van den
grooteren, slanker gebouwden Panter, wordt toch deze onderscheiding
door den dierkundige niet gemaakt, omdat zij niet vol te houden
is. Voor hem vormen Panter en Luipaard één soort: _Felis Pardus,_ die
door de West-Afrikaansche Bantoe-stammen _Ngo_, in Perzië _Palang_,
in Indië _Tsjita_, _Adnara_, _Honiga_, _Kerkal_ en door de Maleiers
_Harimau-bintang_ genoemd wordt. De grootte, de vorm van den kop,
de gedrongenheid of slankheid van den lichaamsbouw, de lengte van
den staart, de eigenaardigheden van het haarkleed, zooals lengte en
dichtheid van de beharing, de vorm en de verdeeling der vlekken,
de grondkleur enz. wisselen bij deze soort binnen wijde grenzen
af. Exemplaren met geelachtige of roodachtige huidkleur, ook bruine (in
alle tinten van lichtbruin tot donkerbruin) of zelfs volkomen zwarte
dieren (welker huid slechts dan gevlekt schijnt, als het licht er op
een bepaalde wijze op valt) zijn in de verst uiteenliggende gedeelten
van het verbreidingsgebied dezer soort gevonden. Ook albino's komen
voor. De verschillende grootte is misschien een gevolg van verschil
in leeftijd, woonplaats en voeding.

Men kan dus van den Panter en den Luipaard spreken, en dan aan deze
woorden de beteekenis hechten, die de jagers er aan geven, of de
beide namen als synoniem beschouwen, en al de bedoelde dieren Panter
of Luipaard noemen. Ook zou men echter, zooals wij zullen doen, aan
de Afrikaansche vertegenwoordigers van deze soort den naam Luipaard,
aan de Aziatische den naam Panter kunnen toekennen. Alle stemmen zij
met elkander overeen wat aard en levenswijze betreft, voor zoo ver dit
bij verschillende grootte en lichaamskracht mogelijk is. Gene zijn met
klein wild en kleine huisdieren tevreden, terwijl deze, behalve groot
wild en groot vee van allerlei soort, ook menschen overmeesteren,
en door hun roofzucht den Tijger nabij komen; in Indië worden zij
dikwijls zelfs gevaarlijker geacht dan deze. Dergelijke waarnemingen
zullen ook in Afrika gedaan worden, wanneer dit werelddeel grondiger
doorzocht zal zijn. Dat ook hier de grootte, de teekening en andere
uitwendige eigenschappen van den Luipaard belangrijk varieeren,
is althans niet meer twijfelachtig.

Het verbreidingsgebied van de bedoelde soort is zeer groot: het
omvat geheel Afrika en het geheele zuiden van Azië. In het westen
gaan hare vertegenwoordigers verder noordwaarts dan de Tijger,
daarentegen blijven zij in 't oosten ver bij hem achter. Van Perzië
aan den eenen kant, van het hoogland van Klein-Azië en het daaraan
grenzende Armenië aan den anderen kant verbreidt de Panter zich tot in
den Kaukasus. Ofschoon zijne rijen nu reeds sterk gedund zijn, is hij
toch nog steeds een vaste bewoner van het zuiden van Daghestan. In
de gewesten tusschen de westelijke helling van den Kaukasus en de
Zwarte Zee dringt hij, naar men zegt, nog verder noordwaarts door;
tot dusver echter kan de noordelijke grens van dit deel van zijn
woongebied nog niet met zekerheid aangeduid worden. In Centraal-Azië
wordt zijn verbreiding beperkt door den midden- en benedenloop van den
Oxus, wegens de Toerkmenen-woestijn die dezen stroom begeleidt. In
Indië ontbreekt hij, volgens Blanford, in Pandsjab en in gedeelten
van Sinde; ook in Hoog-Azië komt hij niet voor.

Er is reden om deze dieren stil te noemen; daar hun niet luide stem
zelden gehoord wordt. Bij gevangene individuen heeft men klagende,
aan kattengeschreeuw herinnerde geluiden waargenomen. Soms laten zij
in de wildernis een 3 of 4 maal herhaald, heesch geschreeuw hooren,
dat volgens Pechuel-Loesche, ongeveer als "hoera-ak" klinkt; als
zij verschrikt zijn, getergd worden of een aanval doen, verneemt men
hetzelfde schor geschreeuw, maar dan scherper, als 't ware kuchend;
dit geluid gaat dan ook wel gepaard met het onbeschrijfelijke,
ratelende geknor, dat een woedende Hond laat hooren.

De Luipaard of Panter is de schoonste van alle Katten. Te recht noemt
men den Leeuw den Koning der dieren, den Tijger het gevaarlijkste
lid van het geheele gruwzame gezelschap, te recht roemt men den
kleurenrijkdom van den Ocelot: wat evenredigheid van lichaamsbouw,
schoonheid van teekening van de huid, kracht en behendigheid,
bevalligheid en sierlijkheid van bewegingen betreft, staan zij en alle
overige soorten van Katten ver achter bij den Luipaard. Hij vereenigt
alles in zich, wat de verschillende soorten van Katten ieder in het
bijzonder onderscheidt; zoowel de lichamelijke voorrechten als de
geestesgaven van deze dieren komen bij hem op de volledigste wijze
tot hun recht. Zijn fluweelen pootje wedijvert in zachtheid met
dat van onze poes; het verbergt echter klauwen, die niet behoeven
onder te doen voor die van eenige andere Kat van gelijke grootte;
zijn gebit is naar verhouding veel krachtiger dan dat van zijn
koninklijken stamgenoot. Even schoon als buigzaam, even gespierd als
behendig, even stoutmoedig als listig is hij een type van een volkomen
ontwikkeld Roofdier.

Op het eerste gezicht zou men kunnen meenen, dat het kleed van
den Luipaard veel te bont is voor een roover, die zijn buit moet
vermeesteren door uit een hinderlaag op hem te loeren en daarna
langzaam te besluipen en die zich daarom zooveel mogelijk voor het
scherpzichtige oog van zijne tegenpartij moet verbergen. Doch reeds
na oppervlakkige kennismaking met de gewesten die het dier bewoont,
ziet men de onjuistheid van deze meening in. Wie dit gebied door eigen
aanschouwing kent, vindt het zeer natuurlijk, dat tusschen de daar
aanwezige planten en gesteenten een zoo bont gekleurd dier, zelfs op
geringen afstand, over het hoofd kan worden gezien. Hij wordt overal
in betrekkelijk groot aantal aangetroffen, waar samenhangende bosschen
voorkomen, vooral als deze dicht zijn, en uit hoogstammige boomen
bestaan, maar ook wel als zij met onderhout schraal bezet zijn. Van
met gras begroeide vlakten houdt hij niet, hoewel hij in de steppe
niet zeldzaam is; in bewoonde streken ligt hij dikwijls in akkers en
aanplantingen of in het naburige kreupelhout verborgen. Zeer gaarne
houdt hij zich op in het gebergte, welks rijk begroeide hoogten hem
niet alleen uitmuntende schuilplaatsen, maar ook een rijken buit
verschaffen.

In weerwil van zijn niet bijzonder aanzienlijke grootte is de Luipaard
een waarlijk vreeselijke vijand van alle dieren en zelfs van den
mensch, ofschoon hij dezen zoolang mogelijk ontwijkt. Meesterlijk
ervaren in alle lichaamsoefeningen en listiger dan andere Roofdieren,
verstaat hij de kunst om zelfs het vlugste en schuwste wild te
overrompelen. In het klimmen wordt hij door slechts weinige Katten
overtroffen. Men treft hem bijna even dikwijls op boomen aan, als in
het struikgewas verscholen. Als hij vervolgd wordt, klimt hij steeds in
een boom. Als het noodig is, schroomt hij niet, over tamelijk breede
stroomen te zwemmen. Eerst gedurende zijne bewegingen vertoont hij
zich in al zijn schoonheid. Ieder van deze op zich zelf beschouwd is
zoo smijdig, zoo veerkrachtig, vlug en behendig, dat men schik in het
dier moet hebben, hoe zeer men den roover ook haat. Bij hem bemerkt
men geen spoor van inspanning. Het lichaam kronkelt en draait zich in
alle richtingen; de pooten worden zoo zachtjes neergezet, alsof zij
het lichtste lichaam dragen. Elke buiging van dit dier is sierlijk,
afgerond en zacht, kortom een loopende of sluipende Luipaard levert
aan ieder een prachtig schouwspel op, zooals slechts één andere,
maar veel kleinere roover, n.l. de Genetkat, ons verschaffen kan.

Ongelukkig is zijn gemoedsaard niet in overeenstemming met de
schoonheid van zijn lichaam, althans niet volgens de eischen die wij
stellen. De Luipaard is geveinsd, boosaardig, wild, moordgierig,
wraakzuchtig en bovendien niets minder dan lafhartig. Zelfs geeft
men in sommige streken van Afrika aan hem (evenals in Amerika aan
den Jagoear) den naam van Tijger, omdat deze naam spreekwoordelijk
geworden is ter aanduiding van een bloeddorstig wezen. En waarlijk
geen andere Kat van de oude Wereld verdient meer dan hij om met
het vreeselijkste lid van de geheele familie den naam gemeen te
hebben. Hij moordt alle schepsels, onverschillig of zij groot of
klein zijn, of zij zich verweren, of hem ten buit vallen zonder
weerstand te bieden. Antilopen, Jakhalzen en klein vee zullen wel
zijn voornaamste voedsel zijn; hij vervolgt echter ook de Apen in de
boomen, de Klipdassen te midden van de rotsen; hij bespringt zoowel
de Trappen en Paarlhoenders als de kleinste Vogels en versmaadt zeer
zeker ook de Kruipende Dieren niet. Alle dieren zijn naar zijn smaak;
volgens Pechuel-Loesche's ervaringen verslindt hij echter ook de
vette vruchten van den oliepalm. Hij zit de Bavianen voortdurend op
de hielen; hij verhindert, dat deze dieren op een voor ons gevaarlijke
wijze in aantal toenemen: dit blijkt indirect ook uit hun talrijkheid
op hoogten, waar hij niet komt.

Onder kudden die binnen een omheining zijn opgesloten, richt hij,
naar men zegt, soms een echt bloedbad aan; in een enkelen nacht zal
hij soms een dozijn of meer schapen dooden. Daarom wordt hij door den
veehouder meer gevreesd dan andere roovers, die meestal met één dier
tevreden zijn. Onophoudelijk besluipt hij de Hoenderen.

Van zijn koenen moordlust leverde de Luipaard ook aan mij een
treffend bewijs. Wij reden op een voormiddag door een deel van het
Bogos-gebergte. Het geblaf van de Bavianen boven ons, dat een voor
den jager onweerstaanbare aansporing tot de jacht bevat, deed ons
besluiten onze buksen op de levenmakers te beproeven. Onze bedienden
bleven beneden in het dal om op de muildieren te passen; wij klauterden
langzaam bij de berghelling op, kozen een vrij goede standplaats en
vuurden van hier uit op de omhoog gezeten Apen. Zij zaten vrij hoog,
waardoor verscheidene schoten het doel misten; eenige waren echter
raak; de getroffene dieren stortten ter aarde of namen gewond de
vlucht. Zoo zagen wij een stokouden Mantelbaviaan, die aan den hals
getroffen was, van de rotsen tuimelen, bij ons langs komen, en meer
en meer in de richting van het dal zich bewegen, waar wij zijn lijk
hoopten te vinden.

Op eens ontstond er onder de Apen een waar oproer, weinige seconden
later hoorden wij een woest rumoer in het dal. Alle mannelijke
Mantelbavianen begaven zich naar den rand van de rots, knorden,
bromden, brulden en sloegen woedend met de handen op den grond; aller
oogen richtten zich omlaag, de geheele bende rende heen en weer;
eenige bijzonder grimmige mannetjes begonnen bij den rotswand naar
beneden te klauteren. Wij dachten reeds, dat wij nu aangevallen
zouden worden en haastten ons iets meer dan gewoonlijk met het
laden van de buksen. Toch bracht het geraas in de diepte teweeg,
dat wij onze opmerkzaamheid vestigden op hetgeen er beneden ons
voorviel. Wij hoorden onze Honden blaffen, de menschen roepen, en
verstonden eindelijk de woorden: "Help! Help! Een Luipaard!" Bij de
berghelling langs ziende, herkenden wij ook werkelijk het Roofdier,
dat regelrecht op onze bedienden toesnelde, zich echter reeds bezig
hield met een voorwerp, dat wij niet duidelijk konden onderscheiden,
wijl het door het lichaam van den Luipaard bedekt was. Onmiddelijk
daarna vielen in het dal twee schoten, waarop het geraas verstomde
met uitzondering van het aanhoudend geblaf der Honden.

Het geheele voorval had zoo schielijk plaats gehad, dat wij nog altijd
niet wisten, wat er eigenlijk gebeurd was. Wij begaven ons daarom
tamelijk haastig naar het dal. Hier ontmoetten wij onze bedienden,
die in de meest verschillende houdingen allen de oogen op een naburig
kreupelboschje gevestigd hielden: daar zat de Luipaard in, zeiden
zij. Voorzichtig ging ik naar het boschje, maar kon, hoe ik ook mijn
best deed, niets van het dier bespeuren, voordat een van de bedienden,
zich vermannend, naderkwam en met de hand naar een bepaalde plaats
wees. Hier, dicht voor mij, zag ik den Luipaard eindelijk liggen. Hij
was dood. Ongeveer 10 schreden verder het dal in lag de eveneens
gedoode Hamadryas.

Nu werd ons alles duidelijk. Bij het naar boven klimmen waren wij
ongetwijfeld buitengewoon dicht langs de legerplaats van het Roofdier
gegaan. Daarna hadden wij omstreeks tien schoten gelost, welker knal
steeds vele malen door de naburige rotsen was teruggekaatst. De naar
het dal hompelende gewonde Aap was besprongen door den Luipaard,
welke zich in 't geheel niet stoorde aan de menschen, die hij gezien
en gehoord had, maar in weerwil van de schoten, die aan alle dieren
zooveel schrik inboezemen, en ondanks den helder lichten, zonnigen
dag, een prooi trachtte te bemachtigen. Als een te paard zittend
ruiter, was hij op den Baviaan naar beneden gereden in het dal, en
was niet eens afgedeinsd voor het schreeuwen en geraasmaken onzer
lieden. De kok had, "in doodsangst", naar hij bekende, de tweede
buks van zijn meester opgenomen, haar de juiste richting gegeven en
gelukkig den Luipaard een kogel midden door de borst gejaagd. Toen
had hij ook den Hamadryas neergeveld, waarschijnlijk zonder recht
te weten met welke bedoeling. Zooals later bleek, had de Luipaard
den Aap met de klauwen van de beide voorpooten juist voor aan den
bek aangepakt, en hier diepe gaten ingescheurd; met de achterpooten
had hij getracht zich aan het zitvlak van het dier vast te klemmen,
of ze, gedurende een deel van den weg althans, achter zich aan laten
slepen. Onbegrijpelijk was het ons, dat de Mantelbaviaan geen gebruik
had gemaakt van zijn vreeselijk gebit. De wonde, die wij hem hadden
toegebracht, kon hiervan de reden niet zijn.

In steden en dorpen, die dicht bij het bosch liggen, bezoekt de
Luipaard maar al te vaak de huizen, rooft hier voor de oogen van de
bewoners het een of ander dier, en sleept het weg, zonder zich aan
het geschreeuw der menschen te storen, of zich zijn prooi te laten
ontrukken. Ieder huisdier is hem welkom, en niet het minst de Honden,
ofschoon deze zich duchtig te weer stellen. In vele gewesten van
Afrika zien de inboorlingen zich genoodzaakt voor hunne huisdieren
stevige stallen van stijlen en planken te bouwen, opdat zij althans
's nachts tegen den Luipaard beveiligd zijn.

Wanneer de Luipaard zijne jongen bedreigd acht, en ook wanneer hij
aangevallen of gewond wordt, werpt hij zich dikwijls als een razende
op zijn tegenstander. Er zijn echter ook voorbeelden bekend, dat de
roover, zonder op de een of andere wijze getergd te zijn, den mensch
aanvalt. In Abessinië komen ieder jaar dergelijke ongelukken voor;
zelfs volwassene, weerbare mannen worden door den Luipaard aangevallen
en gedood; nog vaker rooft hij kinderen. Ook in West-Afrika brengt
hij menigmaal menschenlevens in gevaar.

Uit ambtelijke mededeelingen in Indië blijkt, dat in de 10 jaren
1876-1886 ieder jaar 194 à 300, in 't geheel 2368 menschen door
Luipaarden gedood zijn, terwijl deze dieren in hetzelfde tijdperk ieder
jaar 3047 à 5466 stuks vee roofden. Er wordt hierbij (en ook bij de
statistieken, die op den Tijger betrekking hebben) niet medegedeeld,
hoeveel van deze ongelukken door getergde en gewonde dieren veroorzaakt
zijn. Sanderson zegt uitdrukkelijk, dat hem geen geval is voorgekomen,
dat Panters, evenals Tijgers, echte menscheneters geworden zijn; toch
wordt hierover in verschillende deelen van Indië geklaagd. Blanford
schrijft, dat zij "zich, als de omstandigheden hiervoor gunstig zijn,
aan het menscheneten gewennen, en dan, wegens hun stoutmoedigheid,
tot een nog vreeselijker plaag voor den mensch worden dan de Tijgers
met gelijke gewoonten."

Het is moeielijker op Luipaarden dan op Tijgers geregeld jacht te
maken. Ofschoon de Luipaarden veel talrijker zijn, bestaat er minder
kans ze op te sporen, daar zij niet zoo veel behoefte aan water
hebben, niet aan bepaalde plaatsen gebonden zijn en zich overal op
een verbazingwekkende wijze weten te verbergen. Uit alle berichten
blijkt bovendien, dat zij moediger zijn, en op een behendiger wijze
tegenstand bieden dan de Tijgers; hierdoor verzwaren zij de taak van
den jager zeer. Een Panter, verhaalt Sanderson, wiens verblijfplaats
door netten omgeven zou worden, sprong dadelijk tegen de pas opgerichte
schutting op, wierp haar neder, viel een der daarbij staande wachters
aan, scheurde hem het vleesch van den linker arm, en was verdwenen,
voordat iemand hulp kon bieden. Hij werd vervolgd, in het kreupelhout
verborgen gevonden en nogmaals door netten omgeven. Hij weigerde echter
hardnekkig het boschje te verlaten, ondanks de steenen en knuppels
die men naar hem wierp. De vervolgers waren te opgewonden om geduld
te oefenen. Sanderson, vergezeld door een vast aaneengesloten troep
van met lansen gewapende volgelingen, betrad de door netten omgeven
ruimte en ging op het kreupelboschje af. Zooals bekend is, deinst de
Tijger voor zulk een phalanx steeds terug, de Panter echter niet: hij
sprong plotseling te voorschijn uit zijn schuilhoek, wierp bliksemsnel
den derden man links van Sanderson op den grond en wondde hem met de
klauwen; ook den man daarnaast en dien daarachter behandelde hij op
deze wijze; vóórdat een lans of een kogel hem bereiken kon, had hij,
rechts en links van zich afslaand, zich een weg gebaand door den stoet
zijner aanvallers, en was voor altoos verdwenen. Op één dag had dit
dier dus vier mannen buiten gevecht gesteld, en was zelf zonder een
schram den dans ontsprongen.

De paartijd van den Luipaard valt in de maanden, die in het
door hem bewoonde land aan de lente voorafgaan. Dan verzamelen
zich dikwijls verscheidene mannetjes op één plaats en strijden
woedend met elkander. Bij gevangene dieren heeft men waargenomen,
dat het wijfje ongeveer 90 dagen na de paring 3 à 5 jongen werpt,
die blind ter wereld komen en op den 10en dag de oogen openen. Zij
zijn allerliefst, zoowel door de fraaie teekening van hun huid
als door hunne handelingen. Gelijk Katten spelen zij vroolijk met
elkander en met hun moeder, die hun veel liefde betoont en met moed
verdedigt. Zij heeft voor haar kroost een schuilplaats gereed gemaakt
in een rotshol, onder de wortels van een dikken boom of te midden van
dicht struikgewas; zoodra de jongen echter de grootte van een Huiskat
hebben, begeleiden zij hun moeder op hare nachtelijke rooftochten,
en zijn, dank zij het goede onderricht dat deze hun geeft, weldra in
staat om zelf in hun onderhoud te voorzien. Een zoogende Luipaard
is een plaag voor den geheelen omtrek. Zij rooft en moordt met de
grootste stoutmoedigheid, is echter voorzichtiger dan ooit te voren,
zoodat men haar of hare jongen slechts zelden bemachtigen kan.

Tijdens mijn verblijf in Afrika hield ik gedurende geruimen tijd
een mannelijken Luipaard in gevangenschap; ik heb het echter niet
zoover kunnen brengen, dat er tusschen ons een dragelijke verhouding
bestond. Zoodra ik bij zijn hok kwam, gaf hij door grijnzen of zijn
tanden te laten zien, ook wel door blazen zijn ontevredenheid te
kennen, en als ik maar een duim naderbij kwam dan gewoonlijk, miste
het nooit, of hij sloeg zijne klauwen naar mij uit, natuurlijk steeds
op een oogenblik dat ik er het minst op bedacht was. Ik had hem,
evenals alle Roofdieren, die ik bij mij had, aan een langen ketting
laten leggen, en kon mij dus ook het genoegen gunnen, hem soms uit
zijn hok te laten gaan. Zoodra hij op de binnenplaats kwam, werd hij
als razend, maakte dolle sprongen, rekte zich uit, trok gezichten,
blies en keek woest naar alle zijden. Bovendien wilde hij ieder,
die hem naderde, dadelijk te lijf gaan, en gedroeg zich zoo, dat er
geen twijfel kon bestaan, of hij zou ons allen neergeveld hebben,
als hij ons had kunnen bereiken. Hoe meer ik den ketting door een
touw verlengde, des te doller werden zijne bewegingen, des te grooter
zijn woede. De zoo lang met geweld onderdrukte woeste aard van het
in vrijheid levende Roofdier kwam weer voor den dag, zijn bloeddorst
ontwaakte, en zijne blikken bedreigden alle overige, hier aanwezige
dieren met dood en verderf. Met een door den schrik hun afgeperst,
gorgelend keelgeluid vlogen de Apen bij de muren, palen en pilaren
omhoog, de Geiten blaatten van angst, de Struisvogels renden als
dol hun kooi op en neer, brommend keek de Leeuw den razenden Roeland
aan. Deze trachtte op alle mogelijke wijzen zijn vrijheid te heroveren
en meermalen sloeg ons de schrik om 't hart bij het zien van zijne
woeste pogingen. Uiterst moeilijk was het, den Luipaard weer in zijn
hok terug te drijven. Uit eigen beweging ging hij niet, en 't was
haast niet mogelijk hem te dwingen. Bedreigingen hadden in 't geheel
geen invloed op hem: als wij hem den zweep voorhielden, liet hij ons
zijne klauwen zien; op ons roepen antwoordde hij met blazen; als wij
op hem afgingen, maakte hij zich tot een sprong gereed. Wij moesten
zijn koppigheid breken zonder hem te mishandelen: want daar hij mijn
eigendom niet was, moest ik hem ontzien. Ik waagde het niet eens,
gebruik te maken van den uit een nijlpaardenhuid gesneden zweep, die
bij andere dieren gewoonlijk volkomen voldoende was; ik waagde het
niet, omdat de zweep mij niet lang genoeg voorkwam, en ik het dier
in zijn kooi moest drijven. Daarom nam ik een nieuwen stalbezem en
maakte dezen vast aan een langen, dunnen stang: met deze tuchtroede
werd den weerspannige een kastijding toegediend, die echter niets
baatte, zoodat ik andere dwangmiddelen moest bedenken. Het beste van
alles, en dat ik toevallig ontdekte, was, hem met water te begieten;
daarbij bewees een groote spuit mij uitmuntende diensten. Toen hij
een emmer water over den kop gekregen had en door den straal van de
spuit doornat geworden was, zocht hij, zoo gauw hij kon, zijn kooi
op. Later bracht ik het zoo ver, dat ik hem den bezem en de spuit
alleen maar behoefde te toonen, om hem oogenblikkelijk te nopen,
in zijn schuilhoek terug te keeren.

Luipaarden en panters speelden dikwijls een rol bij de wilde
dierengevechten, die de Romeinen in de hoofdstad te aanschouwen
kregen. Destijds waren deze Katten in Klein-Azië veel talrijker dan
thans. Caelius schreef aan Cicero, die toen landvoogd in Sicilië was:
"Als ik bij mijne spelen niet geheele kudden van Pardels toon, zal
men de schuld op u werpen." Scaurus was de eerste, die, terwijl hij
de waardigheid van aedilis bekleedde, zulke dieren in de arena bracht;
hij liet er 150 tegelijk vechten, Pompejus echter 410 en Augustus 420.



Waarschijnlijk is de _Noordsche Luipaard_, _Sneeuwluipaard_ of _Irbis_
(_Felis uncia_) het naast aan den Luipaard of Panter verwant. In
grootte komt hij hem zeer nabij. De grondkleur van zijn vacht is
witachtig grijs, naar lichtgeel zweemend; evenals zijne verwanten
(p. 108) is hij aan de rugzijde donker, aan de onderzijde echter wit
van kleur. De duidelijk bij de grondkleur afstekende, zwarte vlekken
zijn op den kop klein en vol, aan den hals grooter en ringvormig en
breiden zich aan den romp uit tot uit stippels bestaande ringen,
die ieder een aan den rand lichten, in 't midden donkerden hof
omsluiten. Behalve door de kleur verraadt de beharing ook door
gekroesdheid en wolligheid, dat haar bezitter koudere gewesten bewoont
dan de Luipaard. "Hij vervangt," volgens A. Walter, "den Panter in
de gebergten van Toerkestan, bevolkt den Altaï en de Zuid-Siberische
gebergten, breidt zich door het zuidoosten van Boekharije, den Pamir,
Kaschmir in oostelijke richting over geheel Tibet uit." In den Himalaja
voedt hij zich met Wilde Schapen, Wilde Geiten, Knaagdieren, Vogels,
rooft ook kleine huisdieren, en valt, naar men zegt, zelfs Paarden aan;
dat hij ook menschen bespringt, is nooit gebleken.



Een drietal kleinere soorten van Katten der Oude Wereld, die met
de zooeven genoemde verwant zijn, verdienen nog vermelding. De
_Gestippelde Kat_ of _Visschende Kat_ (_Felis viverrina_) komt,
wat grootte betreft, met de Boschkat overeen. Haar vacht heeft
een grijsachtige grondkleur met over 't geheele lichaam verspreide
stippels. Zij bewoont Oost-Indië, het zuiden van China en het Maleische
schiereiland, waar zij aan de oevers van rivieren en moerassen Visschen
vangt, die haar voornaamste voedsel uitmaken; zij overvalt echter ook
wel grootere Zoogdieren, zooals Honden en Schapen. De meeste zijn in
de gevangenschap wild en moeilijk te temmen.

Nog kleiner--niet grooter dan de Huiskat--is de _Koeëroek_ of
_Dwergkat_ (_Felis minuta_), die over geheel Oost-Azië verbreid is en
o. a. op Java zeer talrijk voorkomt. Zij onderscheidt zich door haar
behendigheid in 't klimmen van boomen en door haar bloedgierigheid. Het
is nog maar zelden gelukt haar eenigszins te temmen.

Als een overgangsvorm tusschen de Katten en de Lossen kan men den
_Serval_ (_Felis serval_), den "Boschkat" van de Zuid-Afrikaansche
Boeren, beschouwen. Hij is slank gebouwd, de kop schijnt in 't oog
vallend hoog door de groote, breede ooren, de vacht is licht vaalgeel
met zwarte strepen op den rug en zwarte stippels op de zijden. In
Zuid-Afrika, doch ook in alle overige steppenlanden van Afrika,
komt deze Kat vrij algemeen voor. Haar voedsel bestaat vooral uit
Vogels, doch ook uit kleine Zoogdieren. Als zij jong gevangen is,
wordt zij bij doelmatige behandeling zeer tam; de oude dieren zijn
echter dikwijls ontembaar. Haar vel, dat niet hoog geschat wordt,
komt onder den naam van "Afrikaansche Tijgerkat" in den handel voor.



Onder de _Katten der Nieuwe Wereld_, met welker beschrijving wij nu
beginnen, meende men vroeger de naaste verwanten van den Leeuw te
vinden; ten onrechte werd toen deze rang toegekend aan de _éénkleurige
Katten van Amerika_; want door haar in 't oog loopend kleinen kop
zonder manen, haar slanken, op korte pooten rustenden romp verschillen
zij belangrijk van den "koning der dieren".

De meest bekende soort van de genoemde groep is de _Koegoear_
of _Poema_ (_Felis concolor_). Dit dier kan 1.85 M. lang worden
(waarbij voor den staart 65 cM.), terwijl de hoogte in de schoften 65
cM. bedraagt. De dichte, korte en zachte beharing is aan den buik een
weinig overvloediger dan aan de rugzijde. De kleur is grootendeels
donker geel-rood, het donkerst op den rug, aan den buik geelachtig
wit, aan de binnenzijde van de ledematen en aan de borst lichter, aan
de keel en aan de binnenzijde van de ooren wit, aan hun buitenzijde
zwart, in 't midden naar rood zweemend. Boven en onder het oog staat
een kleine, witte, vóór het oog een zwartachtig bruine vlek; beide
soorten van vlekken kunnen echter ook wel ontbreken. De kop is grijs,
de staartspits donker. Tusschen het mannetje en het wijfje bestaat geen
verschil in kleur; de jongen echter zijn geheel anders. De kleur van
de volwassen dieren is trouwens in verschillende landstreken ongelijk;
die uit het Zuiden zijn lichter, bijna zilver-grijs; die welke in
Mexico en de Vereenigde Staten leven, zijn donkerder roodachtig geel,
of zelfs vaal bruinachtig grijs.

De Koegoear heeft een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied. Hij
komt voor in geheel Zuid-Amerika, van Patagonië tot Nieuw-Granada;
hij bewoont echter ook de landen ten noorden van de landengte van
Panama--Mexico en de Vereenigde Staten--en strekt zijne rooftochten
zelfs tot in Canada uit. In vele gewesten is hij zeer menigvuldig, in
andere reeds nagenoeg uitgeroeid, en was dit ook reeds ten tijde van
Azara, die in 't einde van de vorige eeuw de eerst goede beschrijving
van den Poema leverde.

De Poema laat zich bij de keuze van een verblijfplaats leiden door
de geaardheid van het land. In boomrijke gewesten geeft hij aan het
woud duidelijk de voorkeur boven het vrije veld; het liefst houdt hij
zich echter op in den zoom van het woud en in de met zeer hoog gras
begroeide vlakten, hoewel hij deze, naar het schijnt, alleen bezoekt
om er te jagen; althans wanneer hij hier door menschen vervolgd wordt,
vlucht hij dadelijk naar het woud. Van de Pampas van Buenos Ayres, die
in 't geheel geen bosschen bevatten, is hij echter een standvastig
bewoner; hij weet zich hier zeer geschikt tusschen het gras te
verbergen. Van rivieroevers en ook van landstreken die dikwijls
overstroomd worden, schijnt de Koegoear niet te houden. Evenals vele
van zijne verwanten, heeft hij zoomin een leger als een bepaalde
woonplaats. Den dag brengt hij slapend op boomen, in struiken of
in het hooge gras door; des avonds en des nachts gaat hij op roof
uit. Bij zijne strooptochten legt hij dikwijls in een enkelen nacht
verscheidene uren gaans af, zoodat de jagers hem niet altijd aantreffen
dicht bij de plaats, waar hij een prooi overmeesterd heeft.

Alle bewegingen van den Poema geschieden met groot gemak en bewijzen
zijn groote spierkracht: naar men beweert, kan hij sprongen maken van 6
M. en meer. In den nacht en bij schemerlicht kan hij beter zien dan op
klaar lichten dag: evenwel schijnt hij niet veel hinder te hebben van
het zonlicht; hij wordt er niet door verblind. Zijn reuk is zwak, zijn
gehoor daarentegen uiterst scherp. Alleen in den grootsten nood toont
hij moed; in andere gevallen vlucht hij steeds voor menschen en Honden.

Alle kleine, zwakke Zoogdieren dienen hem tot voedsel: Koatis,
Agoetis en Pakas, Reeën, Schapen, jonge Kalveren en Veulens,
de beide laatstgenoemde, wanneer zij van hun moeder gescheiden
zijn. Zelfs de behendige Apen en de snelvoetige Nandoe zijn voor zijne
aanslagen niet veilig, want hij beheerscht de hoogten zoowel als den
bodem. Rengger zag hem eens op de apenjacht. Het fluitend geroep
van eenige Kapucijner-apen trok de aandacht van den onderzoeker,
en deed hem zijn geweer grijpen om er een of meer te dooden. Op eens
echter liet het geheele apengezelschap een heesch geschreeuw hooren
en snelde in de richting van den waarnemer voort. Met de hun eigen
behendigheid zwaaiden de dieren zich van tak tot tak, van den eenen
boom op den anderen; door hun jammerende stem, en meer nog, doordat
zij hun drek lieten vallen, gaven zij grooten schrik te kennen. Zij
werden nagezeten door een Koegoear, die hen met groote sprongen van
den eenen boom op den anderen begeerig vervolgde. Met ongeloofelijke
behendigheid sloop hij tusschen de door slingerplanten omstrengelde
en verward samengebonden takken door, waagde het, er langs te gaan,
totdat de tak zich naar beneden boog, en deed dan een sprong, die zijn
doel niet miste, naar het uiteinde van een tak van een naburigen boom.

Als de Koegoear een buit gegrepen heeft, scheurt hij hem onmiddellijk
den hals open, en lekt, eer hij begint te eten, gretig het uitvloeiende
bloed op. Kleine dieren eet hij geheel op, van grootere dieren
verslindt hij een gedeelte, gewoonlijk het voorste, en bedekt het
overschot, gelijk Azara zag, met stroo of zand. Dikwijls laat hij
het niet bij het dooden van een enkel dier, en wordt hierdoor tot
een zeer schadelijken vijand van de vee-eigenaars. Nooit sleept hij
een door hem gevangen prooi ver weg van de plaats, waar hij haar
doodde. Grootere dieren, b. v. Schapen, valt hij zelden aan: Paarden,
Muilezels, Stieren en Koeien zijn veilig voor hem, zoo ook de Honden,
hoewel hij de woningen soms tot op korten afstand nadert.

Wegens de bloeddorstige wreedheid en de hiermede samenhangende,
onevenredig groote schadelijkheid van den Koegoear wendt men alle
mogelijke middelen aan om hem ten spoedigste kwijt te raken. In Noord
Amerika wordt hij gewoonlijk door Honden op een boom gejaagd en dan
van daar naar beneden geschoten. Ook vangt men hem wel in dichtslaande
vallen. De jacht op dit dier biedt bijna geen gevaar aan. In het
noordelijk deel van den staat New-York, in de Adirondack-bergen,
schoot Pechuel-Loesche met groven hagel een grooten Poema, die naast
hem door het struikgewas sloop. Wanneer men de noodige voorzorgen in
acht neemt, heeft men zelfs van een gewonden Poema, die, door pijn
woedend geworden, op zijn aanvaller toespringt, niet veel te vreezen.

Het volgende verhaal is, naar het mij voorkomt, voldoende om den aard
van het dier te kenschetsen: Een Engelsche reiziger, die in de Pampas
Wilde Eenden vervolgde, kroop met zijne licht vogelgeweer gewapend
over den grond op de Vogels af. Hij had om niet in 't oog te vallen
het hoofd en het lichaam omhuld met een "poncho", den mantel dien men
daar gewoonlijk draagt. Op eens hoort hij een kort, heesch geluid, en
voelde bijna in 't zelfde oogenblik dat hij aangeraakt werd. Snel het
kleed van zich afschuddend, zag hij tot zijn niet geringe verrassing
een Koegoear op een armslengte afstand naast zich. Deze was echter ook
niet weinig verwonderd, keek den jager eenige oogenblikken verbaasd
aan, ging langzaam achteruit, totdat hij tien schreden van zijn
tegenstander verwijderd was, bleef nogmaals staan, en nam toen met
groote sprongen de vlucht.

Koegoears, die niet jong meer zijn, als zij gevangen worden, versmaden
soms het voedsel, dat men hen in de gevangenschap geeft, en sterven
vrijwillig den hongerdood. Zeer jong gevangen dieren worden spoedig
volkomen tam. Dikwijls kan men ze zonder bezwaar vrij in huis laten
rondloopen. Zij zoeken hun verzorger op, vleien zich tegen hem aan,
likken hem de handen en gaan aan zijne voeten liggen. Als zij gestreeld
worden, spinnen zij op soortgelijke wijze als de Katten. Dit doen
zij ook wel in andere omstandigheden, als zij zich recht op hun gemak
gevoelen. Hun vrees geven zij te kennen door een soort van snuiven, hun
ontevredenheid door een knorrend geluid; men hoort ze nooit brullen.

Twee door mij verzorgde Poemas begroetten hunne bekenden steeds door
een niet bijzonder luid, maar scherp en bovendien kort afgebroken
gefluit, zooals ik het nooit van andere Katten hoorde.

Een onaangename gewoonte van den tammen Koegoear is echter, dat hij,
als hij veel van zijn meester heeft leeren houden en graag met hem
speelt, zich bij zijn nadering pleegt te verstoppen, om vervolgens
onverwachts op hem toe te springen; iets dergelijks doen tamme Leeuwen
ook. Men kan zich licht voorstellen, hoe onpleizierig zulk een bewijs
van genegenheid in sommige gevallen kan zijn.

Het vel van den Poema wordt in Paraguay niet gebruikt, wel echter in
het noorden van Amerika. In sommige streken eet men zijn vleesch,
dat zeer smakelijk is en op kalfsvleesch gelijkt; sommige planters
in Carolina beschouwen het zelfs als een lekkernij.



De naaste stamverwant van den Poema is de _Yagoearondi_ (_Felis
yaguarundi_), een slank, schraal dier, dat door zijn lang gerekt
lichaam en zijn langen staart bijna aan de Marters herinnert. De kop
is klein, het oog middelmatig groot, het oor afgerond, de beharing
dicht, kort en zwartachtig grijsbruin van kleur; ieder haar is aan
den wortel donker zwartachtig grijs, in 't midden zwart en aan de
spits donkerbruin. Het wijfje is altijd een weinig lichter van kleur
dan het mannetje. De Yagoearondi is veel kleiner dan de Koegoear;
want de lichaamslengte bedraagt hoogstens 87 cM. (waarbij voor den
staart 32 cM.), de hoogte in de schoften 34 cM.

De Yagoearondi bewoont Zuid-Amerika van Paraguay tot Panama; volgens
O. Stoll komt hij misschien ook in 't zuiden van Guatemala voor,
waar hij "Gato de monte" genoemd wordt.

Gewoonlijk leven deze dieren paarsgewijs in een bepaald gebied en
ondernemen van hier uit korte strooptochten. Niet zelden deelt hij
zijn jachtgebied ook met andere paren, wat overigens niet de gewoonte
der Wilde Katten is: Rengger's Honden joegen eens zes volwassene
Yagoearondi's op uit een enkel kreupelhoutboschje. De jacht op dit
dier is niet gevaarlijk, daar het den mensen niet aanvalt. Men schiet
het van een hinderlaag uit, of vangt het in vallen, of jaagt het met
Honden, waartegen hij zich alleen in den uitersten nood verdedigt.

Rengger heeft verscheidene van jongs af door hem opgevoede
Yagoearondi's in gevangenschap gehouden. Zij werden zoo tam als de
zachtmoedigste Huiskat; hun roofzucht was echter zoo groot, dat men
hun niet kon toestaan, vrij in huis rond te loopen.



Het beruchtste van alle Roofdieren der Nieuwe Wereld, de _Jagoear_ of
_Once_ (_Felis onza_), is de grootste en sterkste van alle _gevlekte_
en _overlangs gestreepte Amerikaansche Katten_. Reeds in de eerste
berichten over Amerika wordt van dit dier melding gemaakt; ook nu
nog heeft bijna iedere reiziger iets van hem te verhalen; uit deze
mededeelingen blijkt, dat de oudere schrijvers de verschrikkelijkheid
van den Jagoear sterk overdreven hebben; hunne beschrijvingen berusten
te weinig op eigen ervaring; zij bevatten een groot aantal uit den
mond van het volk opgeteekende bijzonderheden, en zijn derhalve met
vele fabelen doormengd.

De gestalte van den Jagoear verraadt meer kracht dan behendigheid en
is eenigszins log. De romp is niet zoo lang als die van den Luipaard
of van den Tijger, en de ledematen zijn in verhouding tot den romp
korter dan bij deze Katten. Een geheel volwassen Jagoear is, volgens
Rengger, 145 cM. lang, van den top van den snuit tot aan den wortel
van den staart gemeten, en 68 cM. van hier tot aan de spits van den
staart. A. von Humboldt maakt echter melding van sommige exemplaren,
die even groot waren als de Koningstijger. In de schouders is de
Once ongeveer 80 cM. hoog, een weinig meer of een weinig minder. De
vacht is kort, dicht, glanzig en zacht, aan de keel, het onderste
deel van den hals, de borst en den buik langer dan op het overige
lichaam. De kleur vertoont nog al veel afwisseling, zoowel wat
de grondkleur als wat de vlekken betreft. De grondkleur is bij de
meeste roodachtig geel, met uitzondering van de binnenzijde van het
oor, het benedenste deel van den snuit, de onderkaak, de keel, de
buikzijde van het overige lichaam en de binnenzijde der vier pooten,
waar de witte kleur de overhand heeft. Het vel is overal geteekend,
ten deele met kleine, zwarte vlekken, die cirkelvormig, langwerpig
rond of ook wel onregelmatig zijn, ten deele met grootere vlekken en
ringen, die geelachtig rood zijn met zwarte randen en één of twee
zwarte punten in 't midden. De volle vlekken bevinden zich vooral
aan den kop, den hals, de onderzijde van het lichaam en de ledematen;
daar waar de grondkleur wit is, zijn zij minder talrijk, maar grooter
en onregelmatiger dan aan de overige lichaamsdeelen, zij vormen soms
aan de binnenzijde van de pooten dwarse strepen. Ook zijn zij grooter
aan de achterste lichaamshelft (met inbegrip van den staart) dan aan de
voorste; aan het achterste gedeelte van den staart (welks spits zwart
is) bevinden zich twee of drie volslagen ringen. Steeds is aan elken
mondhoek een zwarte vlek te vinden en een dergelijke vlek (met een
gele of witte stip in 't midden) aan de buitenzijde van het oor. Op
den rug vloeien de vlekken ineen tot een regelmatige streep, die zich
op het kruis in tweeën verdeelt; op de zijden van het lichaam vormen
zij min of meer evenwijdige, overlangsche reeksen. Een nauwkeuriger
beschrijving is niet wel mogelijk, daar er waarschijnlijk geen drie
vellen in alle opzichten gelijk geteekend zijn. Het wijfje is over
't algemeen eenigszins lichter van kleur dan het mannetje; zij heeft
ook minder ringvormige vlekken aan den hals en op de schouders,
daarentegen zijn de zijden van den romp bij haar met meer vlekken
voorzien, die daarom natuurlijk kleiner zijn. Zwarte Jagoears zijn
niet zeer zeldzaam; bij hen heeft het vel zulk een donkere grondkleur,
dat de zwarte vlekken er weinig bij afsteken. Daar zelfs geoefende
waarnemers verscheidene soorten onderscheiden, moeten de afwijkingen
van grootte, grondkleur en teekening wel aanzienlijk, en tevens,
wat de hoofdkenmerken betreft, tamelijk bestendig zijn.

De naam "Jagoear" is aan de taal der Guaranen ontleend, die het dier
"Jaguarette" d. i. "lichaam van den hond" noemen. Bij de Spanjaarden
heet hij "Tigre", bij de Portugeezen "Onça". Zijn verbreidingsgebied
strekt zich uit van Buenos Ayres en Paraguay over geheel Zuid-Amerika
tot in Mexico en het zuid-westelijk gedeelte van de Vereenigde Staten
van Noord-Amerika. Het talrijkst is hij in de gematigde gewesten van
Zuid-Amerika, het zeldzaamst in de Vereenigde Staten, waar de steeds
vooruitdringende blanke hem meer en meer verdringt. Hij bewoont de
met bosschen begroeide oevers van de stroomen, rivieren en beken,
den zoom van de bosschen die dicht bij de moerassen liggen, en het
moerasland waar meer dan 2 M. hooge gras- en rietsoorten groeien. Op
het open veld en in het binnenste van de groote bosschen vertoont hij
zich zelden; hij doet dit alleen, als hij uit de eene streek naar de
andere trekt. Waar de opgaande zon hem verrast, legt hij zich neder,
in het dichtst van het woud of in het hooge gras, en brengt hier den
dag door.

In de morgen- en avondschemering en ook wel bij helder maan- en
sterrenlicht, nooit echter op 't midden van den dag of in een zeer
duisteren nacht, gaat de Jagoear op roof uit. Alle groote Gewervelde
Dieren die hij bemachtigen kan, dienen hem tot voedsel. Hij is in
alle opzichten een vreeselijk Roofdier. Hoe plomp zijn gang ook moge
schijnen, toch kan hij zich in geval van nood gemakkelijk en vlug
bewegen. Zijn kracht is voor een dier van zijne afmetingen buitengewoon
groot, en kan alleen met die van den Leeuw of van den Tijger vergeleken
worden. De zintuigen zijn goed en gelijkmatig ontwikkeld. Het gezicht
is scherp, het gehoor voortreffelijk, de reuk echter, evenals bij de
overige Katten, niet bijzonder fijn; toch kan hij altijd nog wel op
eenigen afstand een buit ruiken. Dit dier is dus op zulk een wijze
uitgerust, dat het als roover zeer gevaarlijk kan worden.

De Jagoear is niet kieschkeurig. In zijn drek vond Azara de stekels van
een Stekelzwijn; zijn maag bevatte, volgens Rengger, overblijfselen
van Ratten en Agoetis; hieruit blijkt, dat hij ook kleine dieren
belaagt. Men heeft trouwens waargenomen, dat hij in het riet op
watervogels jacht maakte, en zeer behendig Visschen uit het water
haalde. Reeds Pöppig bericht, dat zelfs de Kaaiman door hem niet
met vrede gelaten wordt. "De Jagoear," zegt A. von Humboldt, "de
gruwzaamste vijand van de Arrau-Schildpad, volgt deze op het strand,
waar zij hare eieren legt. Hij overvalt haar op het zand, en keert
haar om, om haar gemakkelijker te kunnen verslinden. De Schildpad
kan hare pooten niet weer op den grond krijgen, en daar de Jagoear
veel meer van deze dieren omwentelt, dan hij in één nacht opeten kan,
maken de Indianen dikwijls in hun belang gebruik van zijn arbeid. Men
kan de geschiktheid van den poot van het dier voor deze jacht niet
genoeg bewonderen; het dubbele pantser van de Schildpad wordt er mede
geledigd, alsof de spierbundels met een heelkundig instrument van de
beenderen waren losgemaakt."

"Het valt een geoefenden jager niet moeielijk," schrijft Rengger,
"den Jagoear gedurende zijne jachten na te gaan, vooral langs de
rivieren. Men ziet hem dan naar den oever sluipen, waar hij vooral de
Waterzwijnen en de Vischotters lagen legt. Van tijd tot tijd blijft
hij staan, alsof hij luistert, en kijkt dan opmerkzaam in 't rond;
nooit heb ik echter kunnen bespeuren, dat hij door den reuk geleid,
met den neus op den grond het spoor van een dier gevolgd heeft. Als
hij b.v. een Waterzwijn heeft waargenomen, wendt hij ongeloofelijk
veel geduld en omzichtigheid aan, om het te naderen. Als een slang
kronkelt hij zich over den bodem, houdt zich daarna weer eenige
minuten lang stil, om de plaats waar zijn slachtoffer zich bevindt,
te leeren kennen, en maakt dikwijls groote omwegen, om deze plaats
van een anderen kant, waar hij minder goed ontdekt kan worden,
te bereiken. Als het hem gelukt is ongezien zijn prooi te naderen,
springt hij in eens, zelden in twee sprongen, op haar af, drukt haar
op den grond, scheurt haar den hals open en draagt het nog met den
dood worstelende dier het bosch in."

De schade die de Jagoear onder het vee aanricht, is niet
onbelangrijk. Vooral het jonge hoornvee, de Paarden en de muilezels
hebben veel van hem te lijden.

De Jagoear grijpt zijn buit zoowel in het water als op het land; in
de boomen jaagt hij niet, hoewel hij ze vrij goed weet te beklimmen,
wanneer hij vervolgd wordt. Men heeft veel gefabeld over de wijze,
waarop hij zich Visschen weet te verschaffen. Rengger bericht hierover
het volgende: "Toen ik op een zwoelen zomeravond, van de eendenjacht
terugkeerend, in mijn schuit naar huis voer, bemerkte mijn metgezel,
een Indiaan, aan den oever van den stroom een Jagoear. Wij naderden
hem zooveel mogelijk en verborgen ons, om te zien, wat hij zou
doen. Ineengehurkt zat hij op een uitstekende punt van den oever,
waar het water eenigszins sneller stroomde, de gewone verblijfplaats
van een roofvisch, die hier te lande 'Dorado' heet. Onverpoosd tuurde
hij in 't water, en boog zich af en toe voorover, alsof hij in de
diepte wilde zien. Na ongeveer een kwartier zag ik hem plotseling met
den poot een slag op het water geven en een grooten Visch op het land
werpen. Hij vischt dus geheel op dezelfde wijze als de Huiskat."

Als de Jagoear een klein dier gedood heeft, verslindt hij het dadelijk
met huid en haar; van een grootere prooi echter, zooals van Paarden,
Runderen en dergelijke, eet hij slechts een deel, zonder voor het
eene of andere stuk van 't lichaam een bepaalde voorkeur te toonen;
de ingewanden laat hij liggen. Na den maaltijd keert hij in het bosch
terug, verwijdert zich evenwel in den regel niet meer dan een kwartier
gaans van de plaats, waar hij at, en gaat dan slapen. Des avonds of
den volgenden morgen zoekt hij zijn buit weer op, eet er ten tweeden
male van en laat vervolgens het overschot voor de Gieren achter.

Meer dan tweemaal eet de Jagoear, volgens Rengger, niet van een gedood
dier; bedorven vleesch raakt hij in 't geheel niet aan. Nooit doodt
hij meer dan één stuk vee te gelijk, en vormt hierdoor een gunstige
uitzondering op hetgeen voor de andere groote Katten regel is.

Een Jagoear, die den mensch nog niet heeft leeren kennen, wijkt
vol ontzag, als hij hem ontmoet, of beschouwt hem nieuwsgierig van
uit de verte. Er is geen voorbeeld van bekend, dat een mensch in
onbewoonde wouden door een Jagoear verscheurd werd. De Oncen, die zich
in bewoonde gewesten of bij rivieren met veel scheepvaart ophouden,
verliezen echter zeer schielijk hun vrees voor den mensch, en vallen
ook hem aan. Volgens een algemeen verbreide overlevering hebben zij
zich 's nachts wel eens verstout tot een bezoek aan vaartuigen, die
aan den wal vastgelegd waren, en hebben van daar vleesch of Honden
geroofd, ja zelfs matrozen doodelijk gewond; gewoonlijk echter hebben
deze menschen dit lot aan hun onvoorzichtigheid te wijten; zij die
voorzichtig zijn, ontkomen er aan. Dat de Jagoear zich door het vuur
niet laat afschrikken, is volkomen zeker.

Het veelbesprokene "gebrul" van den Jagoear kan niet bijzonder
indrukwekkend zijn. Vroegere reizigers hebben onnadenkend dit woord
ter aanduiding van de stem van den Jagoear gebruikt; het kan ook wel
zijn, dat zij deze verward hebben met de stem van een ander dier, of
van de geluiden der voor hen vreemde en verontrustende omgeving een
al te grootschen indruk kregen. De reizigers uit lateren tijd spreken
niet van gebrul. Evenals de Luipaard en den Tijger is de Jagoear in
den regel stilzwijgend; hij knort, gromt, huilt en laat hoogstens
een kattengeschreeuw hooren, dat aan zijn grootte geëvenredigd is.

De Jagoear blijft dezelfde streek bewonen, zoo lang hij hier buit kan
vinden en niet al te veel verontrust wordt. Als de voorraad voedsel
te gering, of de vervolging door den mensch te fel wordt, verlaat hij
de streek en verhuist naar een andere. Dit geschiedt gedurende den
nacht. Hij schroomt in dit geval niet door dicht bevolkte gewesten te
trekken, en wordt zelfs door zeer breede stroomen niet teruggehouden,
daar hij uitmuntend zwemmen kan.

"De telken jare wederkeerende overvulling van de stroomen en rivieren,"
merkt Rengger op, "verdrijft den Jagoear van de eilanden en met bosch
begroeide oevers, zoodat hij in dezen tijd nader bij de bewoonde
gewesten komt en schade aanricht onder menschen en vee. Bij groote
overstroomingen wordt hij niet zelden gezien te midden van een stad,
die aan een hoogen oever gelegen is, of in een dorp. Toen wij in 't
jaar 1825 bij hoogen waterstand te Santa-Fé aan wal stapten, verhaalde
men ons, dat voor weinige dagen een Franciskaner-monnik, juist toen
hij de vroegmis wilde lezen, onder de deur van de sacristie door een
Jagoear was verscheurd. Er gebeurt trouwens niet altijd een ongeluk,
als zulk een Roofdier in een stad verdwaald geraakt, want het geblaf
van de Honden, die het vervolgen, en het te hoop loopen van de menschen
brengen het zoo zeer in de war, dat het zich tracht te verbergen. De
wonden die de Jagoear toebrengt, zijn altijd hoogst gevaarlijk,
niet alleen wegens hun diepte, maar ook wegens hun aard. Daar n.l. de
klauwen en de tanden van dit dier niet bijzonder scherp zijn, zal elke
verwonding met kneuzing en verscheuring van de weefsels gepaard gaan."

De Jagoear leeft, naar Rengger bericht, gedurende het grootste gedeelte
van het jaar alleen; in de maanden Augustus en September echter
zoeken de beide geslachten elkander op. Het wijfje brengt omstreeks
3 of 3 1/2 maanden later (het juiste tijdsverloop is onbekend) 2,
zelden 3 jongen ter wereld; het zoekt hiertoe een schuilplaats in een
ongenaakbare wildernis van het woud of onder een half ontwortelden
boom. De moeder verwijdert zich in de eerste dagen nooit ver van
hare jongen, en draagt ze met den bek naar een ander leger, wanneer
het eerstgekozene haar niet veilig genoeg voorkomt. Haar liefde voor
haar kroost schijnt zeer groot te zijn; zij verdedigt het met woede,
en vervolgt, naar men zegt, den roover van hare jongen uren ver.

Niet zelden worden jonge Jagoears door de menschen groot
gebracht. Hiervoor moeten zij echter als zuigelingen gevangen
worden, daar zij zich anders niet meer laten temmen. Zij spelen met
jonge Honden en Katten; zeer vermaken zij zich echter met houten
ballen. Hunne bewegingen geschieden vlug en met gemak. Zij leeren
hun verzorger zeer goed kennen, zoeken hem op, en toonen blijdschap,
als zij hem terugzien. Zoodra de Oncen van hun kracht bewust worden,
ongeveer in het derde levensjaar of nog vroeger, verzuimen zij niet,
ten nadeele van hun meester van hunne tanden gebruik te maken. Het
baat niet veel, of men hun de hoek- en snijtanden tot aan den wortel
afvijlt en hunne klauwen van tijd tot tijd inkort; hun groote kracht
stelt hen in staat ook zonder wapens onheil te stichten. Zoolang zij
nog jong zijn, kan men ze door slagen in bedwang houden; later is het
moeielijk baas over hen te blijven. Grootmoedigheid en erkentelijkheid
zijn den Jagoear onbekend; hij toont geen duurzame genegenheid voor
zijn verzorger of voor een dier, dat met hem werd opgevoed; het is
daarom altijd een waagstuk, hem langer dan een jaar in gevangenschap
te houden zonder hem op te sluiten.

Wegens zijn schadelijkheid wordt de Jagoear in bewoonde streken op
alle mogelijke wijzen gejaagd en gedood. In Zuid-Amerika maken de
Indianen hiertoe gebruik van hunne met het vreeselijke woerari-gif
gedrenkte pijlen. Veel gevaarlijker dan deze wijze van jagen is de
volgende: De jager omwikkelt zich den linker arm met een schapenvel
en wapent zich met een tweesnijdend mes of dolk van omstreeks twee
voet lengte. Zoo uitgerust zoekt hij met 2 of 3 Honden den Jagoear
op. Tegen zulk een gering aantal Honden stelt deze zich dadelijk te
weer; de jager gaat op hem af, gewoonlijk tergt hij hem bovendien
door woorden en gebaren. Hierdoor vertoornd springt de Jagoear zijn
vijand te gemoet en gaat met wijd opengesperden muil overeind staan
evenals onze Beer. Op dit oogenblik houdt de jager den omwikkelden
arm tot het afweren van de klauwen der beide voorpooten gereed, en
stoot, terwijl hij een weinig naar rechts uitwijkt, den dolk in de
linkerzijde van het Roofdier.

De bewoners van Paraguay vallen, te paard gezeten, den Jagoear
eenvoudig met den lasso aan, werpen hem den strik om den hals, slepen
hem in galop voort en worgen hem, dikwijls met behulp van een tweeden
lasso, die in tegenovergestelde richting aangetrokken wordt. Soms
schiet men den Jagoear van een hinderlaag uit. In sommige streken
worden ook wel valkuilen aangebracht, of plaatst men bij een door
den Jagoear gedood dier een geweer, dat afgaat, zoodra het dier de
prooi aangrijpt.

Het vel van den Jagoear heeft in Zuid-Amerika slechts geringe waarde
en wordt hoogstens voor voetkleeden en dergelijke zaken gebruikt. Het
vleesch van een Once, dat door Von den Steinen gegeten werd, bleek
taai te zijn; daarentegen zegt hij van een tweede door hem geschoten
dier: "Het oncevleesch smaakt vet als gebraden varkensvleesch; bij de
coteletten zou roode kool zeer goed passen." Sommige lichaamsdeelen
van den Jagoear worden als geneesmiddelen gebruikt.



Een kleine Kat van de Nieuwe Wereld is de _Ocelot_ of _Pardelkat_
(_Felis pardalis_). Haar lengte bedraagt 1.30 à 1.40 M. (waarbij 40
à 45 cM. voor den staart), de hoogte in de schoften ongeveer 50 cM.;
het dier komt dus door zijn lengte nagenoeg overeen met onzen Los,
maar staat, wat hoogte betreft, ver bij dezen achter. De romp is
naar verhouding krachtig, de kop vrij groot, het oor kort, breed en
afgerond, de pupil langwerpig eivormig; de staart, die naar de spits
dunner wordt, is tamelijk lang, de beharing dicht, glanzig, zacht en
even bont als smaakvol geteekend. De grondkleur van de bovenzijde is
bruinachtig of roodachtig geel-grijs, die van de onderzijde geelachtig
wit. Aan weerskanten loopt een zwarte, overlangsche streep van de oogen
naar de ooren. Aan de bovenzijde van den kop komen geen stippels voor;
de wangen zijn voorzien met dwarse strepen, van welke een keelstreep
uitgaat; over den rug loopen verscheidene overlangsche strepen,
meestal vier; langs den rug ziet men aan weerszijden een reeks van
smalle, zwarte vlekken, waarbij eenige door grootte uitmunten; aan de
zijden komen overlangsche reeksen van breede, gekromde, bandvormige
strepen voor, die zich van de schouders tot aan de dijen uitstrekken,
en een sprekender kleur hebben dan de grondkleur: deze strepen zijn
zwart gezoomd, en omgeven dikwijls stippels. Het onderlijf en de
pooten zijn versierd met volle vlekken, die op den staart tot ringen
worden. Deze kleur en teekening varieeren trouwens zeer.

De Ocelet heeft een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied. Het omvat
het zuidelijke gedeelte van Noord-Amerika en de noordelijke landen
van Zuid-Amerika tot Peru, Bolivia en Paraguay. Hij houdt zich liever
op in de onbewoonde bosschen van het binnenland dan in de nabijheid
van bewoonde plaatsen, ofschoon hij hier niet ontbreekt. In het open
veld vindt men hem nooit, wel echter in boschrijke, rotsachtige en
moerassige gewesten. Op vele plaatsen komt hij in grooten getale
voor. Naar het schijnt, heeft hij geen bepaald leger. Over dag slaapt
hij in het donkerste gedeelte van het woud in een ondoordringbaar
labyrint van bladen en struiken, soms ook in holle boomen; in de
morgen- en avondschemering, vooral echter 's nachts gaat hij op roof
uit; hij doet dit zoowel in heldere nachten bij sterrenlicht, als
bij donker, stormachtig weer. Het laatste is hem zelfs aangenaam,
omdat hij dan, onbemerkt door de Honden, de boerenhuizen naderen en
daar naar verkiezing moorden kan. In donkere nachten moet de eigenaar
zijn hoenderstal goed sluiten; want als de Ocelot er in kan komen,
richt hij een geweldig bloedbad onder de Hoenderen aan. In de vrije
natuur bestaat het voedsel van de Pardelkat uit Vogels, die zij in
den boom of op den grond in hunne nesten besluipt, bovendien uit
allerlei kleine Zoogdieren, jonge Reeën, Zwijnen, Apen, Agoetis,
Pakas, Ratten, Muizen enz.

De Ocelot leeft bij paren in een bepaald gebied. De jager kan er zeker
van zijn, dat hij, zoodra er één is opgejaagd, in de onmiddellijke
nabijheid den anderen zal ontmoeten. Meer dan één paar treft men
echter nimmer in hetzelfde bosch aan. Het mannetje en het wijfje
gaan niet te zamen op roof uit, ieder jaagt voor zich; ook helpen
zij elkander niet bij de jacht of bij vijandelijke aanvallen.

Den mensch doet de Ocelot slechts weinig schade; hij vreest hem en
de Honden te zeer, dan dat hij in de nabijheid van bevolkte gewesten
zou komen. Alleen woningen, die dicht bij bosschen gelegen zijn,
worden nu en dan door hem bezocht; doch ook dan neemt hij hoogstens
een paar Hoenderen of een Bisam-eend weg, sleept ze in 't naburige
kreupelhout en verslindt ze onmiddellijk. Als zijn eerste rooftocht
gelukt is, komt hij gewoonlijk in de volgende nachten terug, tot hij
gevangen of verjaagd wordt. Men jaagt hem in Paraguay met Honden of
vangt hem in vallen. Hij is zeer schuw, ziet den jager 's nachts bij
helder maanlicht eerder, dan deze hem opmerkt en vlucht dan spoedig.

Ocelotten worden dikwijls jong gevangen en getemd. Als jonge Huiskatten
stoeien zij met elkander, spelen met een stuk papier, een kleinen
sinaasappel en dergelijke voorwerpen. Hun verzorger leeren zij
spoedig kennen, springen hem achterna, likken hem de hand, leggen
zich aan zijne voeten neder en klimmen bij hem op. Zij houden veel van
liefkoozingen en beginnen oogenblikkelijk te spinnen, wanneer men ze
vleit. Nooit toonen zij valschheid. Met de Honden en Katten, waarmede
zij samenleven, houden zij zeer goed vrede; zij kunnen het echter niet
laten, het gevogelte te vervolgen. Zonder zich aan vroegere straffen te
storen, springen zij, zoodra de lust hiertoe haar bekruipt, op een Hoen
toe, en laten zich op 't oogenblik van den roof door geen tuchtiging
weerhouden het dier te vermoorden. Wegens hun onuitroeibare roofzucht
houdt men ze gewoonlijk in een kooi of vastgebonden aan een touw.



Zoo nauw verwant aan den Ocelot, dat men haar wel eens als een
variëteit van dezen heeft beschouwd, is de in Brazilië en Guyana
levende _Margoeay_ of _Tijgerkat_ (_Felis tigrina_). Deze is echter
veel kleiner; daar zij slechts 80 cM. lang wordt (waarbij 30 cM. voor
den staart), dus hoogstens zoo groot als onze Huiskat. De grondkleur
van het fraaie, zachte vel is van boven en aan de zijden vaal geel
en, evenals bij de meeste overige Katten, aan de onderzijde wit. De
romp is met verscheidene overlangsche reeksen van donkere vlekken
geteekend. Kleinere vlekken versieren de pooten en den buik, ringen
den staart. Twee donkere strepen loopen over de wangen, twee andere
over de kruin. De ooren zijn zwart met witte vlekken.

Bijna in alle opzichten komt de levenswijze van deze Kat met die van
den Ocelot overeen. Jong gevangen is zij zeer leerzaam, en wordt weldra
zeer aan den mensch gehecht. Waterton had er in Guyana een, die hem
als een Hond volgde. Voortdurend in strijd met de Ratten en Muizen,
wist de Margoeay het huis van zijn meester in korten tijd grootendeels
te bevrijden van de schadelijke Knaagdieren, die er de plaag van waren.



Veelvuldiger dan de Margoeay schijnt de _Langstaartige Kat_ (_Felis
macrura_) in de Braziliaansche wouden voor te komen. "Langstaartig" is
zij in vergelijking met de _Tsjati_ (_Felis mitis_), een iets grootere,
eveneens in de Braziliaansche oerwouden levende Kat. De eerstgenoemde
komt ongeveer met een flinke Huiskat in grootte overeen (90 à 100
cM. lang, waarvan 30 à 35 cM. op den staart komen; schouderhoogte 25
à 30 cM.); maar staat veel hooger op de pooten. Kenmerkend voor deze
soort zijn de kleine kop, de groote oogen, de lancetvormig afgeronde
ooren en de sterk gekromde, witachtige klauwen. Haar grondkleur is
roodachtig bruingrijs, aan de zijden lichter, van onderen wit. Het
geheele lichaam is met grijsbruine of zwartbruine, op overlangsche
reeksen geplaatste vlekken geteekend; sommige vlekken bevatten een
lichteren hof.

Door hare slanke gedaante en bontgekleurde huid is zij een der
schoonste leden van de Kattenfamilie. Door de Brazilianen wordt
zij _Gevlekte Wilde Kat_ genoemd en wegens haar vel dikwijls
geschoten. Daar zij behendig en met groot gemak klimt, begeeft zij
zich bijzonder graag langs de slingerplanten, die de boomstammen
omstrengelen, op en af; zij doorzoekt de boomkronen en verslindt alle
kleine dieren, die zij daar vindt. Behalve voor de op boomen nestelende
Vogels is zij ook gevaarlijk voor wilde en tamme Hoenderen, die zij
dikwijls in de nabijheid van de menschelijke woningen rooft. Als
slaapplaats maakt zij gebruik van holle boomstammen, rotskloven of
holen in den grond, waarin zij ook, evenals onze Wilde Katten, hare
jongen ter wereld brengt.



Van alle Katten is de _Pampaskat_ (_Felis pajeros_) het duidelijkst
overlangs gestreept. Bij de overigens fraai zilvergrijs gekleurde
vacht steken de meer of minder donker roestbruinroode strepen sterk
af. Ieder haar is bij den wortel grijs, verderop lichtgeel, aan de
spits zilvergrijs; de spitsen van de haren, die de strepen vormen, zijn
echter licht roestkleurig geel. Op het midden van den rug zijn zwarte
en donker roestkleurig roode haren dooreengemengd; aan den kop zijn
zij van onderen vaalgrijs, in 't midden zwart en aan den top wit. Over
de bijna effen vaalgele wangen loopt een smalle roestroode streep. De
ooren zijn van buiten licht-, aan den rand donker-roestbruin, van
binnen vaalwit. De staart heeft dezelfde kleur als de rug en is bij
de spits voorzien met 4 à 6 donkerder ringen; de pooten vertoonen 6
à 7 breede, regelmatige, roestroode strepen op geelachtigen grond;
de onderzijde is onregelmatig, licht roestkleurig-rood gestreept
op witachtig vaalgelen grond. Door deze teekening van de huid wordt
de Pampaskat in weerwil van de dofheid der kleuren een der fraaiste
soorten van de groep. Groote katers hebben een lengte van 120 à 130
cM., waarvan 30 cM. op den staart komen; de schouderhoogte bedraagt
30 à 35 cM.

De Pampaskat komt voor in de steppen van Zuid-Amerika, in Patagonië tot
aan de straat van Magalhaes, vooral aan de oevers van den Rio Negro.



Bijna alle natuuronderzoekers zijn van oordeel, dat de _Lossen_
(_Lynx_) beschouwd moeten worden als een afzonderlijk geslacht. Zij
onderscheiden zich van de overige Katten door de haarkwastjes op de
ooren van den tamelijk grooten kop. De meeste soorten hebben bovendien
sterk ontwikkelde bakkebaarden, een zijdelings samengedrukten, maar
toch krachtigen romp, die op lange pooten rust, en een korten (bij
de meeste soorten zelfs zeer korten) staart.

In alle werelddeelen--met uitzondering van Australië, dat geheel van
Katten verstoken is--komen Lossen voor, in Europa twee duidelijk
te onderscheiden soorten. Zij bewonen bij voorkeur aaneengesloten
bosschen, en hiervan de moeielijkst toegankelijke plaatsen; men
vindt ze echter ook in steppen en woestijnen en zelfs in streken,
die in cultuur gebracht zijn. Alle zonder uitzondering mogen als hoog
ontwikkelde Katten aangemerkt worden; zij zijn roofgierig en kunnen
veel schade doen door het dooden van wild en van huisdieren.

De schoonste, sterkste en grootste van alle leden van het geslacht is
de _Gewone Los_ (_Lynx vulgaris_). Voordat ik de exemplaren, die in
het Museum van Christiania voorkomen, gezien had, wist ik niet, hoe
groot de Los worden kan; in de meeste verzamelingen treft men slechts
exemplaren van middelmatige grootte aan. Een volkomen ontwikkelde Los
is minstens even zwaar, doch een weinig korter en hooger op de pooten,
dan de Luipaarden, die in de wilde dierenspellen vertoond worden. Zijn
lichaamslengte bedraagt zonder den staart 1 M. en kan nog wel tot 1.3
M. toenemen; de staart is 15 à 20 cM. lang; de hoogte in de schoften
bedraagt 25 cM. De mannelijke Los kan een gewicht van 30, ja zelfs,
naar men mij in Noorwegen verzekerde, van 45 KG. bereiken. Dit dier
heeft een buitengewoon krachtigen, ineengedrongen lichaamsbouw,
stevige ledematen en forsche teenen, gewapend met scherpe, groote
klauwen, welke aan die van den Tijger of van den Luipaard herinneren;
het blijkt dus reeds na een oppervlakkig onderzoek, dat hij een zeer
krachtig roofdier is. De ooren zijn tamelijk lang en loopen spits uit;
aan den top zijn zij voorzien met een kwastvormigen bundel van zwarte,
dicht bijeen geplaatste, overeindstaande haren van 4 cM. lengte. Op
de dikke bovenlip staan verscheidene reeksen van stijve en lange
tastborstels. De dichte, zachte beharing verlengt zich in 't aangezicht
tot een aan weerszijden spits toeloopenden, naar beneden gerichten
baard, die, in vereeniging met de haarkwastjes op de ooren, aan den
kop van den Los een zeer eigenaardig voorkomen verschaft. De kleur
der bovendeelen is roodachtig grijs met wit gemengd, op kop, hals
en rug en aan de zijden dicht bezet met roodbruine of grijsbruine
vlekken; de onderzijde van het lichaam, de binnenzijde der pooten,
het voorste deel van den hals, de lippen en de randen van de oogspleet
zijn wit. Het aangezicht is roodachtig, het oor van binnen wit, aan
de rugzijde bruin en zwart behaard. Bijna de geheele achterste helft
van den overal even lang en even dicht behaarden staart is zwart van
kleur. De voorste helft is geteekend met onduidelijke ringen, die
aan de onderzijde niet doorgaan en aan de bovenzijde uitvloeien. De
vacht is in den zomer kortharig en rossig van kleur, in den winter
min of meer witachtig grijs en langharig. Er bestaan echter talrijke
afwijkingen van kleur en teekening. Het wijfje verschilt, naar het
schijnt, altijd van het mannetje door een rossere kleur en minder
duidelijke vlekken; de pasgeboren jongen zijn witachtig.

Hoewel de Los aan de ouden bekend was, werd hij in Rome veel
zeldzamer vertoond dan de Leeuw en de Luipaard, omdat deze dieren
gemakkelijker levend gevangen konden worden. Onder Pompejus werd een
Los uit Gallië levend naar Rome gebracht. Van het leven dezer dieren
in de vrije natuur was destijds, naar het schijnt, niets bekend;
allerlei bijgeloovige verhalen over hen vonden geloovige hoorders. In
de godenleer van de oude Germanen speelde de Los ongeveer dezelfde
rol als de Kat, want waarschijnlijk was niet deze, maar gene aan
Freya gewijd en bestemd om haar wagen te trekken.

Nog in de Middeleeuwen was de Los een vaste bewoner van alle groote
bosschen van Duitschland; hij werd algemeen gehaat en fel vervolgd. In
het einde van de 15e eeuw werd hij in Pommeren als het gevaarlijkste,
inheemsche Roofdier beschouwd. Na dezen tijd is het aantal dezer
dieren in Duitschland voortdurend afgenomen; tegenwoordig kan men ze
voor uitgeroeid houden. In Beieren, dat aan de Alpen--aan het ook nu
nog door den Los bewoonde gebied--grenst, was hij tot in het einde
van de vorige en het begin van deze eeuw een aan alle jagers van
beroep welbekende verschijning. De laatste Los werd in 1838 in het
district Rottenschwangen buit gemaakt. In het Thuringer Woud werden
tusschen de jaren 1793 en 1796 nog vijf Lossen gedood, in deze eeuw,
voor zoover mij bekend is, slechts twee. De laatste Westfaalsche Los
verloor in 1745 het leven; in den Harz werden in de jaren 1817 en 1818
de beide laatste gedood; in geheel Duitschland (met uitzondering van de
Pruisische gewesten die aan de Russische grenzen gelegen zijn) vindt
men er geen meer sedert 1845. In de genoemde grensdistricten en in de
Duitsch-Oostenrijksche landen is het anders gesteld. Daar worden bijna
ieder jaar nog een of meer Lossen waargenomen, hier heeft men er nog in
den laatsten tijd zoovele gedood, dat er van uitroeiing dezer dieren
nog geen sprake kan zijn. In Zwitserland komt hij, volgens Tschudi,
niet vaker voor dan de Wilde Kat; vóór 30 jaar was hij echter ook
hier geen zeldzaam verschijnsel, zooals blijkt uit het feit, dat er
in Bünden alleen in één jaar 7 of 8 stuks gedood werden. Tegenwoordig
is hij ook hier zeer zeldzaam, ofschoon hij nog wel voorkomt in de
hoog gelegen wouden van de Walliser, Tessiner en Berner gebergten,
evenals ook in de Urner, Glarner, Oescher en Boexer Alpen. Over het
voorkomen van dit dier in Tirol ontbreken mij de berichten; van het
oostelijk gedeelte der Alpen kan ik echter dit zeggen, dat hij reeds
in Krain nog geregeld, in Karinthië nu en dan voorkomt.

Het gebied, dat thans nog door ons Roofdier bewoond wordt, neemt naar
't Oosten een aanvang in de Karpathen en aan de Pruisisch-Russische
grenzen; hier beginnend, strekt het zich naar het noorden en oosten
over geheel Rusland uit; ook in Skandinavië is de Los nog vrij
veelvuldig overal waar aaneengesloten bosschen voorkomen. Bovendien
bewoont de Los het geheele oosten van Siberië, waar het land bergachtig
en met bosschen bedekt is, en verbreidt zich zuidwaarts minstens tot
in Toerkestan en tot in den Himalaja, waar hij tot in het bovenste
gedeelte van het Indusdal aangetroffen wordt.

Voorwaarden voor het duurzaam verblijf van dit roofdier zijn
uitgestrekte, aaneengesloten bosschen, die rijk zijn aan dicht
begroeide of om andere redenen moeielijk toegankelijke plaatsen en
wild van allerlei soort bevatten. In dun bezette bosschen vertoont de
Los zich slechts bij uitzondering, nl. in den winter om daar Hazen te
zoeken, of ook wel, wanneer een algemeene ramp, bv. een boschbrand,
hem tot verhuizingen noopt. In zulke omstandigheden kan het gebeuren,
dat hij in de boomgaarden van de dorpen vlucht. In tegenstelling met
den Wolf, houdt de Los zich soms langen tijd achtereen in hetzelfde
gebied op, doorkruist het in alle richtingen, begeeft zich in één
nacht mijlen ver, maakt daarbij niet zelden zonder eenigen schroom
van gewone wegen gebruik, en keert na verscheidene dagen weer in
dezelfde streek terug, om haar op nieuw te doorzoeken.

Naar het schijnt, staat de Los wat de gaven van lichaam en geest
betreft, bij geen enkele andere Kat achter. Hij loopt zeer lang
achtereen, springt als het zijn moet, uitstekend, doet werkelijk
verbazende sprongen, klimt vrij goed en zwemt, naar het schijnt, met
gemak. Zonder twijfel staat onder zijne zinnen het gehoor bovenaan; het
kwastje op zijne ooren kan dus als een rechtmatig onderscheidingsteeken
aangemerkt worden. Waarschijnlijk is zijn gezicht eveneens uitmuntend,
hoewel de waarnemers van onzen tijd geen feiten hebben opgemerkt, die
een verklaring zouden kunnen geven van den oorsprong der oude sage,
volgens welke de Los door muren en andere ondoorzichtige voorwerpen
heen kan zien. Vroegere waarnemers vergelijken de stem van de Los
met het gehuil van een Hond, maar beschrijven haar hierdoor zeer
onjuist. Zijn geschreeuw is veeleer een brullende toon, die hoog en
fijn begint, maar dof en zwaar eindigt; in klank gelijkt het op het
gebrul van een Beer.

De Los is, volgens Nolcken, een volkomen nachtelijk Roofdier, dat
zich bij 't aanbreken van den dag verschuilt en dan, als het niet
gestoord wordt, liggen blijft, totdat het weer duister is; hierdoor
onderscheidt de Los zich zeer van den Wolf. Als ligplaats kiest hij
een rotskloof of een dicht begroeide plaats, soms misschien ook wel
een niet te klein hol, zelfs een woning van een Vos of een Das. Als
hij zich verschuilen of slapen wil, loopt hij bij voorkeur langs den
een of anderen weg tot in de nabijheid van de dicht begroeide plaats,
die hij uitgekozen heeft, en begeeft zich dan met verscheidene groote
sprongen er in. Altijd kiest hij hiervoor de dichtste plekjes, die
hij vinden kan, jong naaldhout b.v., zonder zich er voor 't overige
veel om te bekommeren, of er in de nabijheid menschen komen.

Als de schemering begint, wordt hij wakker en geneigd om zich te
bewegen. Gedurende den dag schijnt hij wel een steenen beeld, dat,
zoodra de avond valt, leven en beweging krijgt; hij wacht steeds den
nacht af om zich op de jacht te begeven en blijft dikwijls staan,
evenals een Kat doet, die over een open plaats wil gaan, welke haar
onveilig voorkomt. Zooveel mogelijk volgt hij daarbij steeds hetzelfde
pad. Zijn spoor zou alleen door iemand zonder eenige ervaring op dit
gebied met dat van een ander dier verward kunnen worden; wegens de
onevenredig groote teenen is het zeer groot, grooter dan dat van een
flinken Wolf; het is in 't oogloopend rond en, omdat de indruksels
van de nagels ontbreken, van voren stomp: de stap is betrekkelijk
kort. Het spoor vormt een soort van parelsnoer, dat door iedereen,
die het eens gezien heeft, gemakkelijk weer herkend zal worden.

De eigenaardige gedaante van den Los doet ieder zijner bewegingen
vreemd en zelfs eenigszins plomp schijnen. Hij zet zijne pooten niet
zoo zachtjes neer en loopt meer wijdbeens dan de overige Katten. Hoewel
hij de bevalligheid zijner verwanten mist, staat hij in behendigheid
niet bij hen achter; hij kan zeer goed klimmen, en, hoewel hij niet
tot de uitstekende loopers behoort, overtreft hij zijne verwanten
door de snelheid en volharding zijner bewegingen. Wat hij doen kan,
ziet men in de versch gevallen sneeuw het duidelijkst vooral daar,
waar hij een buit besprongen heeft.

Voor den Los schijnt elk dier, dat hij op de een of andere wijze
meent te kunnen overmeesteren, een welkome prooi te zijn. Te beginnen
bij de kleinste Zoogdieren of Vogels is waarschijnlijk geen enkel
warmbloedig dier, dat niet grooter is dan een Ree, een Woerhaan of een
Trap, veilig voor hem; vermoedelijk zullen slechts bij uitzondering
zeer flinke Lossen zich aan Edelherten, Elanden en Wilde Zwijnen
wagen. Hij geeft duidelijk de voorkeur aan groot wild boven klein;
met het vangen van Muizen b.v. schijnt hij zich niet in te laten.

In het Noorden waar het klein wild talrijk, het groot wild schaarsch
is, veroorzaakt de Los betrekkelijk weinig schade. In de gematigde
gewesten daarentegen maakt hij zich zoowel bij den jager als bij
den herder gehaat, niet alleen omdat hij veel meer dieren doodt,
dan hij voor zijn voeding noodig heeft, maar ook omdat hij van een
prooi slechts het bloed oplekt en het lekkerste stukje eet, het
overige echter liggen laat ten buit voor de Wolven of Vossen. Hier
keert hij hoogst zelden tot het door hem gedoode dier terug; wel
doet hij dit, in streken, die arm aan wild zijn, zooals Lijfland;
zelfs zoo, dat hij gedurende eenigen tijd in de nabuurschap blijft
en de jacht nagenoeg geheel schijnt te laten varen. Geheel anders
gedraagt hij zich in streken, die rijk zijn aan wild en vee. In de
Zwitsersche Alpen beloert hij, volgens Schinz, Dassen, Marmotten,
Hazen, Konijnen en Muizen, sluipt de Reeën in het bosch, de Gemzen
op de Alpen na, overvalt Woer-, Berk-, Hazel- en Sneeuwhoenderen en
onderneemt rooftochten tegen de Schapen, Geiten en Kalveren. Volgens
Bechstein doodde een Los in één nacht 35 Schapen, volgens Schinz
moordde een dergelijk Roofdier in nog korter tijd er 30 à 40 stuks,
volgens Tschudi bracht een Los in een rooftocht meer dan 100 Schapen
en Geiten om 't leven. Geen wonder dus, dat jager en herder even
begeerig zijn, den Los zoo schielijk mogelijk onschadelijk te maken.

Gevangene dieren van deze soort behooren ontegenzeggelijk tot de
aantrekkelijkste van alle Katten. Vooral als zij in hunne jeugd een
zorgvuldige opvoeding genoten, is hun gedrag allerliefst. Loewis
verhaalt van een tammen, jongen Los, dien hij bezat, o. a. het
volgende: "Weinige maanden waren voldoende om het dier zijn naam
_Lucy_ goed te leeren onderscheiden. Uit de vele namen van Honden,
die gedurende de jacht door mij genoemd werden, herkende de Los steeds
zijn eigen naam, en gaf met voorbeeldelooze gehoorzaamheid gevolg aan
mijn roepstem. Zonder dat zulks mij eenige moeite had gekost, was hij
zoo fijn gedresseerd, dat hij de wildste en hartstochtelijkste (maar
hem verboden) jacht op Hazen, Vogels of Schapen onmiddellijk staakte,
zoodra mijn dreigende roepstem door hem gehoord werd; hij ging dan
beschaamd op den grond liggen, en hoopte als een Hond op genade voor
recht. Spoedig leerde hij de beteekenis van het geweerschot voor de
bevrediging van zijn eetlust kennen. Als hij te veraf was om mijn stem
te hooren, dan was een geweerschot voldoende om hem ten spoedigste
bij mij terug te doen komen.

"_Lucy_ maakte vrijwillig, en zelfs met genoegen, alle jachten in den
herfst mede, waarbij zij mij op den voet volgde. Als een arme Haas voor
ons opsprong, of wanneer er een, die door de Honden vervolgd werd, in
de nabijheid kwam, dan maakte onze Los er dadelijk jacht op. Ondanks
zijn onbeschrijfelijke opgewondenheid bij zulk een gelegenheid behield
hij steeds zooveel overleg om de verhouding tusschen zijn snelheid
en volharding en die van den Haas, schijnbaar althans behoorlijk te
schatten. Hij luisterde alleen naar de stem van mijn broeder of de
mijne, en toonde alleen tegenover ons zelfbedwang en achting. Als wij
beiden den geheelen dag van huis waren, kon niemand over _Lucy_ baas
worden; ieder onbedachtzaam Hoen, iedere zorgelooze Eend moest het
ontgelden. Bij 't invallen van de duisternis, klom zij op het dak van
het woonhuis, waar zij tegen een schoorsteen geleund rust nam. Zoodra
laat in den avond of in den nacht de wagen voor de overdekte
ingangstrap van het huis stilhield, was het dier met eenige sprongen
van het dak van het huis op dat van den trap overgegaan; riep ik nu
zijn naam, dan liet het aanhankelijke schepsel zich bij de pilaren naar
beneden glijden en vloog met groote, boogvormige sprongen op mij toe,
vleide zich aan mijn borst, sloeg zijne krachtige voorpooten om mijn
hals; luid spinnend, duwde en wreef het op de wijze van een Kat zijn
kop tegen mij aan; het volgde ons daarna in de kamer, waar het op de
sofa, op het bed of bij de kachel zijn nachtleger opsloeg.

"Eens moesten mijn broeder en ik gedurende een geheele week afwezig
zijn. In dien tijd was de Los menschenschuw, zocht ons onder luid
geschreeuw met groote onrust; reeds den tweeden dag verliet hij het
huis, en koos een naburig berkenboschje tot verblijfplaats, zonder
voedsel uit de keuken te ontvangen. Alleen des nachts keerde hij
nog naar zijn gewone standplaats bij den schoorsteen van het huis
terug. Zijn vreugde, toen wij na zoo lange afwezigheid des nachts
terugkeerden, kende geen grenzen. Als een bliksemstraal schoot hij
van het dak naar beneden aan mijn hals, en drukte ons, nu eens mij,
dan weer mijn broeder, bijna plat met zijne innige liefkoozingen. Van
stonde af keerde hij tot zijn gewone levenswijze terug, en leverde
's avonds weder aan alle aanwezigen een even zeldzaam als boeiend
schouwspel op, zooals hij daar, achter den rug van mijn moeder, die ons
iets voorlas, lang uitgestrekt op de sofa lag, familiaar weg spinnend,
gapend of duchtig snorkend."

Niet alleen wegens de groote schade, die de Los onder het vee of
het wild aanricht, maar ook om het genoegen dat dit jachtbedrijf aan
iederen liefhebber verschaft, wordt de Los overal waar hij voorkomt,
met ijver vervolgd; vooral in het Noorden worden geregeld iederen
winter Lossenjachten gehouden.

Het vel van den Los is een zeer gezochte pelterij; de Skandinavische
vellen worden als de mooiste beschouwd en tegenwoordig met f 15 à f
18 betaald; 25 jaar geleden was de prijs tweemaal zoo hoog. Siberië
levert ieder jaar ongeveer 15000, Rusland en Skandinavië ongeveer
9000 van deze vellen. Die van oostelijk-Siberië komen uitsluitend in
den Chineeschen handel, en worden door de volken aan den Mongoolschen
grens zeer begeerd.

Het vleesch van den Los werd en wordt overal als welsmakend
geroemd. Kobell bericht, dat gedurende het Weener congres in 1814
dikwijls Lossen-gebraad op den vorstelijken disch prijkte, en ook,
dat in 1819 den koning van Beijeren de raad gegeven werd om tegen
duizeligheid Lossen-vleesch te eten. Ook in Lijfland wordt het
Lossenvleesch door vele menschen niet alleen uit den minderen, maar
ook uit den gegoeden stand gaarne gegeten en zelfs gezocht. Het is
malsch en licht van kleur, gelijkt op het beste kalfsvleesch en heeft
geen onaangenamen wildsmaak, het komt in dit opzicht nog het meest
met dat van den Woerhaan overeen.

In het zuiden van Europa wordt de gewone Los door den _Pardel-los_
(_Lynx pardinus_) vervangen. Deze is veel kleiner dan zijn in
noordelijker gewesten wonende neef; want zijn lichaamslengte bedraagt
hoogstens 1 M. Door de kortheid van de beharing, de betrekkelijk zeer
groote bakkebaarden en de lange haarkwastjes aan de ooren, en ook
door de zeer verschillende, meer samengestelde teekening onderscheidt
hij zich.



De genoemde Europeesche soorten zijn in Noord-Amerika vervangen door
den _Pischoe_ of _Kanadeeschen Los_ (_Lynx borealis_). Hij is een
weinig kleiner dan zijne verwanten uit Noord-Europa; zijn lichaam
bereikt slechts zelden een lengte van 1.15 M. De beharing is korter
en overvloediger dan die van den Europeeschen Los. Zijn vaderland is
het deel van Noord-Amerika, dat ten noorden van de groote meren en
ten oosten van het Rotsgebergte ligt. Hier leeft hij in boschrijke
gewesten geheel op de wijze van onzen Los.

De Kanadeesche Los is met den _Rooden Los_ (_Lynx rufus_), die eveneens
Amerika bewoont, een hoogst nuttige wilde Kat, omdat van hun vel veel
gebruik wordt gemaakt. Vele duizenden vellen van deze Lossen komen
ieder jaar in den handel, die dan door onze bontwerkers naar kleur
en kwaliteit gesorteerd en met verschillende namen aangeduid worden.



Van de in zuidelijker landen levende Lossen zij nog vermeld de
_Karakal_ (_Lynx caracal_ en _Caracal melanotis_), een echte woestijn-
en steppenbewoner. In grootte staat hij ver achter bij zijne verwanten
in noordelijker gewesten, daar zijn lichaamslengte slechts 65 à 75
cM. bedraagt, zonder den bijna 25 cM. langen staart.

Het verbreidingsgebied van den Karakal is buitengewoon groot. Hij
bewoont geheel Afrika, Voor-Azië en Indië, hij houdt zich zoowel in
woestijnen als in steppen op; in bosschen komt hij niet voor. Zijn
levenswijze gelijkt op die zijner verwanten. Hij maakt jacht op
alle kleine Zoogdieren en Vogels van de woestijn, maar valt ook
Antilopen aan: dit werd mij althans herhaaldelijk verzekerd door de
Arabieren, die dit dier _Khoet el Chala_ noemen. En hiermede staat
dan ook het sinds lang bekende feit in verband, dat de Karakal in Azië
(vooral in Indië) voor de jacht op Antilopen, Hazen en Konijnen wordt
afgericht. Volgens mijn ervaring is hij het woedendste en ontembaarste
lid van de geheele familie. In geen enkele dierentuin is men er tot
dusver ingeslaagd het woedende beest te temmen. In den regel brengt
men het daarmede niet eens zoover, dat hij zijn oppasser in zijn
hok toelaat.



De _Moeras-Los_ (_Lynx Chaus_), die de moerassige en met bosch
begroeide gewesten aan de oevers van de Kaspische Zee en van het
meer van Arel, in Perzië, Syrië, Egypte, Nubië en Abessinië bewoont,
is, evenals de Karakal, slank gebouwd en hoog op de pooten. Zijn
staart is echter langer, zijne oorkwastjes zijn veel kleiner. Zijn
vacht is meer gevuld, over 't algemeen van geelachtige grijze of
groen-geel-grijsachtige kleur, waarop onduidelijke donkere strepen
zichtbaar zijn. De lichaamslengte bedraagt ongeveer 90 cM., waarvan
26 à 27 cM. op den staart komen.

Meermalen heb ik den Moeras-Los in het Nijldal ontmoet. In Egypte
is hij niet zeldzaam, hoewel men hem niet vaak te zien krijgt. In
dit land ontbreken de groote bosschen, waarin een Roofdier zich zou
kunnen verbergen, bijna geheel; dit moet derhalve gebruik maken van
andere schuilhoeken, zooals bosschen van riet en cyper-grassen en
korenvelden. De Moeras-Los sluipt zoowel over dag als 's nachts rond
om een prooi te zoeken. Hij schroomt niet, bij zijne strooptochten
dicht bij de dorpen te komen; de groote tuinen in de nabijheid zijn,
naar het schijnt, lievelingsplekjes voor hem.

In de dierentuinen treft men ze zelden aan; die welke reeds oud zijn,
als zij gevangen worden, blijven onvriendelijk en woedend; jonge
dieren daarentegen kunnen door liefdevolle verzorging zeer gehecht
worden aan den mensch. Zoo verhaalt de Egyptoloog Dümichen van een
jongen Moeras-Los, die hij bij het doorzoeken van een tempel-ruïne
half verhongerd in een onderaardschen gang aantrof: "De Los deed,
toen ik hem greep, geen pogingen om weerstand te bieden, maar liet
zich alles welgevallen; toen het uitgehongerde dier het voedsel,
dat hem gegeven werd, verslonden had, liet hij toe dat ik hem opnam
en liefkoosde. De dienst, die hem bewezen was, scheen hij volkomen
te begrijpen, hij bleef na dien tijd mijn onafscheidelijke geleider,
volgde mij op den voet, waar ik ook heenging, sprong bij mij op de
Kameel als ik op reis ging, trok zoo in mijn gezelschap geheel Nubië
door, en bleef, terwijl ik uren achtereen bezig was opschriften te
kopieeren, voortdurend in mijn nabijheid. Tusschen hem en mijn Hond
bestond een vriendschappelijke verhouding: zij twistten of vochten
nooit, maar speelden iederen dag urenlang zeer aardig met elkander."



Op de Lossen laten wij een eigenaardigen overgangsvorm tusschen
de Katten en de Honden volgen, n.l. de _Jachtluipaarden_ of
_Geparden_. Deze dragen hun geslachtsnaam (_Cynailurus_), die
"Hondskat" beteekent, met volle recht, want zij zijn werkelijk half
Kat, half Hond. Katachtig is nog de kop, katachtig de lange staart,
hondachtig is echter het geheele overige lichaam. Vooral de pooten,
die lang zijn en welker teenen slechts gedeeltelijk de eigenschappen
van katteteenen bezitten, herinneren sterk aan die van den Hond. De
geheele toestel voor het intrekken en uitsteken der klauwen is nog
aanwezig; de hierbij behoorende spieren zijn echter zoo zwak en
krachteloos, dat de klauwen bijna altijd vooruitsteken, en daarom,
evenals bij de Honden, door afslijting stomp worden, het gebit komt in
de meeste opzichten met dat van de Echte Katten overeen, de hoektanden
zijn echter, evenals bij den Hond, zijdelings samengedrukt. Ook
wat de eigenschappen van den geest betreft zijn zij tusschenvormen;
katachtig is nog de uitdrukking van het gelaat; de hondenaard blijkt
echter uit het oog, dat zachtmoedigheid en goedaardigheid verraadt.

De tegenwoordige staat van onze kennis veroorlooft ons niet uit te
maken, of het geslacht der Geparden meer dan één soort omvat. Eenige
onderzoekers zijn van meening, dat de Afrikaansche en de Aziatische
Jachtluipaard tot dezelfde soort behooren, andere onderscheiden,
behalve de _Tschita_ of _Aziatische Gepard_ (_Cynailurus jubatus_) en
de _Fahhad_ of _Afrikaansche Gepard_ (_C. guttatus_), nog de _Gevlekte
Gepard_ (_C. Soemmeringii_) en de _Wollige Gepard_ (_C. laneus_). De
Tschita is zeer lang en schraal, ook veel hooger op de pooten dan de
eigenlijke Katten; de kop is klein en meer als een hondekop verlengd,
dan als een kattekop afgerond, het oor is breed en kort, het oog heeft
een ronde pupil; de beharing is vrij lang en ruig, vooral op den rug,
de grondkleur van de vacht is zeer licht geelachtig grijs, hierop staan
zwarte en bruine vlekken, die op den rug dicht opeengedrongen zijn,
ja zelfs bijna ineenvloeien, ook over den buik zich voortzetten en
zelfs den staart nog gedeeltelijk bedekken, daar zij slechts in de
nabijheid van de spits zich tot ringen vereenigen. De lichaamslengte
van den Tschita bedraagt hoogstens 137, de lengte van den staart
hoogstens 76, de hoogte in de schoften 76 à 84 cM. De Fahhad heeft
bijna in 't geheel geen nekmanen, de grondkleur van zijn vacht is bijna
oranjegeel, de buik echter is wit en ongevlekt; ook zijn de vlekken
een weinig anders; de spits van den staart is wit in plaats van zwart.

De Tschita wordt in geheel Zuidwestelijk Azië gevonden, en, als men
den gevlekten Gepard met hem vereenigen wil, ook in Afrika, althans
in het Noord-westen. Hij is een echt steppen-dier, dat minder door
kracht dan door behendigheid in zijn levensonderhoud moet voorzien.

Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit de middelmatig groote en
kleine Herkauwers, die in zijn gebied leven, en die hij zeer knap
weet te vangen. Zijn liefste buit zijn Antilopen; in de door hen
bewoonde gewesten wordt hij dan ook het veelvuldigst gevonden;
gewoonlijk vestigt hij zijn woonplaats te midden van rotsklompen op
lage heuvels. De deskundigen verzekeren eenstemmig, dat voor een niet
te grooten afstand de Tschita het snelvoetigste van alle Zoogdieren
is. Hij maakt echter ook van sluwheid en list gebruik om zijn prooi
te bereiken. Zoodra hij een kudde grazende Antilopen of Herten ziet,
drukt hij den romp tegen den grond aan, en kruipt nu als een slang,
zachtjes maar behendig, over den bodem, om zich voor de waakzame
oogen van het wild te verbergen. Daarbij houdt hij rekening met alle
eigenaardigheden dezer dieren, komt nooit boven den wind aansluipen,
houdt zich stil en bewegingloos, zoodra het opperhoofd van de kudde
den kop opheft om rond te kijken. Zoo tracht hij de dieren tot op den
kortst mogelijken afstand te naderen, zoekt intusschen het gunstigst
geplaatste dier uit en stormt eindelijk met razende vaart op dezen
buit af, den vluchteling achterna; hij brengt dezen gewoonlijk door
slagen met de klauwen tegen de pooten ten val en pakt hem vervolgens
bij de keel. Wanneer hij zijn prooi slechts tot op een afstand van
een goed geweerschot kan besluipen, aarzelt hij niet, vol vertrouwen
op zijn snelheid, het vlugste wild te vervolgen.

De groote sluwheid en geschiktheid voor de jacht, die den Gepard
aangeboren zijn, moesten wel de aandacht trekken van de menschen,
die hetzelfde land bewonen als hij, en hen aansporen tot pogingen om
partij te trekken van de talenten van dit dier. Door een eenvoudige
dressuur hebben zij er een uitmuntenden bondgenoot van den jager van
gemaakt, die, hoewel op een ander jachtterrein, nagenoeg denzelfden
dienst bewijst als de Edelvalk. In het Oosten en in geheel Indië is
het jagen met den Jachtluipaard reeds sinds eeuwen in zwang. Joseph
Barbaro zag in het jaar 1474 honderd Jachtluipaarden bij den vorst
van Armenië. De shah van Perzië blijft aan deze oude gewoonte getrouw;
de Jachtluipaarden, die hij in een hiervoor ingericht huis onderhoudt,
zijn uit Arabië afkomstig. Ook door sommige Indische vorsten worden
aanzienlijke sommen aan de jacht met deze "Kathonden" besteed. Aan
ervaren personen is hun africhting opgedragen; geoefende jagers,
die een nagenoeg even hooggeachte positie innemen als onze vroegere
valkeniers, moeten de dieren gedurende de jacht vergezellen; goedkoop
zal dit jachtvermaak dus wel niet zijn. De Gepard is bij het begin van
de jacht aan een dunne lijn bevestigd, en wordt, met een muts over de
kop, die hem de oogen bedekt, op een der daar algemeen gebruikelijke,
lichte, tweewielige karren naar het jachtveld gereden. Men tracht
met de kar zoo dicht mogelijk bij het wild, een kudde Gazellen b.v.,
te komen. Evenals overal, laat zelfs het schuwste Aziatische wild een
kar op veel korter afstand naderen dan voetgangers. Men kan daarom
met den Gepard voortrijden, totdat men nog maar 200 of 300 schreden
ver van de kudde verwijderd is. Nu neemt de jager den Tschita den
kap van 't hoofd, en maakt hem door duidelijke gebaren en zachte
aansporingen opmerkzaam op het wild. Zoodra het uitmuntende jachtdier
den hem aangewezen buit ziet, ontwaakt in hem de oude hartstochtelijke
jachtlust, en openbaren zich de list en geslepenheid die hem eigen
zijn. Op sierlijke wijze, zonder dat het wild hem ziet of hoort,
verlaat hij den wagen, sluipt voorzichtig naar de kudde, totdat de
dieren de vlucht nemen, of totdat hij zeker weet, dat hij ze zal kunnen
vangen. Dan ontwikkelt hij op eens een verbazende snelheid, en is met
eenige sprongen bij zijn prooi, die hij bij den hals grijpt en op den
grond drukt. De jager snelt toe, snijdt het slachtoffer den keel door,
verzamelt het uitstroomende bloed in een houten nap, geeft dit den
Tschita te drinken, en schuift hem dan weer den kap over den kop.

Ook de Arabieren van de Noordelijke Sahara en de Abessiniërs gebruiken
den Gepard bij de jacht. Zelfs in Europa hebben sommigen, ofschoon
in vroegere eeuwen, dit jachtvermaak kunnen aanschouwen. Geszner
maakt melding van twee voor de jacht afgerichte "Luipaarden" bij
den koning van Frankrijk. Leopold I, keizer van Duitschland, kreeg
van den Turkschen sultan twee gedresseerde Tschitas, waarmede hij
dikwijls op de jacht ging.

Vreemd moet het den lezer voorkomen, dat men van het leven in den
natuurstaat dezer zoo vaak getemde Katten nog zeer weinig weet. Ik
heb in Afrika zelfs bij de nomaden tevergeefs hierover inlichtingen
trachten te verkrijgen. Het eenige, wat deze lieden, die het dier
volkomen goed kennen, mij konden mededeelen, was, dat men het in
strikken vangt, en, ondanks de wildheid, die het aanvankelijk aan
den dag legt, binnen korten tijd temt.

Dat het temmen niet moeielijk kan gaan, zal iedereen duidelijk
zijn, die een gevangen Gepard gezien heeft. Ik meen mij niet aan
overdrijving schuldig te maken, als ik beweer, dat geen enkel lid
van de Katten-familie beter in staat is, om zich onze genegenheid te
verwerven dan de Jachtluipaard; ik betwijfel, of een dezer Roofdieren
zoo gemakkelijk getemd kan worden als hij. Goed vertrouwen is de
grondtrek van het karakter van dit dier. Het valt den vastgebonden
Gepard in 't geheel niet in, het dunne touw dat hem vasthoudt, stuk
te bijten. Het komt hem niet in de gedachten, iemand, die zich met
hem bezighoudt, kwaad te doen; zonder schroom kan men op hem afgaan,
hem streelen en liefkoozen. Schijnbaar onverschillig neemt hij zulke
liefkoozingen in ontvangst, en het hoogste wat men bereiken kan, is,
dat hij iets sneller spint dan gewoonlijk. Zoolang hij n.l. wakker
is, spint hij onophoudelijk, evenals een Kat, maar een weinig
zwaarder en luider. Dikwijls staat hij uren lang onbeweeglijk in één
richting te staren, en spint daarbij op hoogst tevreden wijze. Op
zulke oogenblikken verwaardigt hij de Hoenderen, Duiven, Musschen,
Geiten, Schapen, die hem voorbijgaan, nauwelijks met een blik. Zijn
gemoedelijke en droomige stemming wordt alleen door andere Roofdieren
verstoord. Het voorbijsluipen van een Hond windt hem merkbaar op;
hij houdt onmiddellijk op met spinnen, ziet den Hond, die gewoonlijk
eenigszins bedremmeld is, scherp aan, spitst de ooren en maakt soms
bewegingen, alsof hij met eenige flinke sprongen hem wilde aanvliegen.

Ik bezat een Gepard, die zoo tam was, dat ik zonder bezwaar met hem
in de straten wandelen kon, als ik hem aan een touw hield. Zoolang
hij alleen menschen te zien kreeg, liep hij bedaard naast mij; dit
werd anders, zoodra wij een Hond ontmoetten. Hij werd dan telkens
zoo onrustig, dat ik op het denkbeeld kwam, eens te beproeven,
wat hij doen zou, indien hij een weinig meer vrijheid van beweging
had. Ik maakte hem daarom vast aan een lijn van 15 à 20 M. lengte,
die ik mij losjes om de hand en den elleboog wikkelde, en ging zoo
met hem wandelen. Twee groote, luie straathonden liepen over den
weg. _Jack_, zoo heette mijn Gepard, keek ze verwonderd aan, staakte
zijn argeloos gespin, en werd ongeduldig; ik vatte toen het einde van
het touw en wierp het overige op den grond, zoodat hij speelruimte
had. Oogenblikkelijk ging hij plat op den grond liggen en kroop nu
op de reeds vroeger beschreven wijze op de Honden toe, die beteuterd
en verwonderd het vreemde dier aankeken. Hoe nader hij bij de Honden
kwam, hoe opgewondener, maar ook hoe voorzichtiger hij werd. Als
een slang gleed hij over den bodem. Eindelijk achtte hij den afstand
klein genoeg, sprong met drie of vier groote sprongen op een van de
Honden toe, die wel aan den loop ging maar ingehaald werd, en wierp
hem op den grond. Dit geschiedde op een vreemdsoortige wijze. Hij
sloeg zijne klauwen niet in den Hond, maar ranselde hem eenvoudig
met de voorpooten af, totdat het dier op den grond viel. De arme Hond
kreeg doodsangsten, toen hij die Kattentronie boven zich zag, en begon
jammerlijk te huilen; alle Honden van de straat kwamen in beweging,
en huilden en blaften uit medelijden; een dichte volkshoop verzamelde
zich en ik moest goedschiks of kwaadschiks mijn Gepard medenemen,
zonder eigenlijk mijn doel bereikt te hebben, d.i. zonder gezien te
hebben, wat hij met de Honden doen wilde.



Uit de onderzoekingen van Pollen en Schlegel is gebleken, dat een
Roofdier, waaraan tot dusver den naam van _Buidelfret_ werd gegeven,
en dat in familie der Civetkatten of Viverren een plaats had gekregen,
nog tot de Katten gerekend, maar als een overgangsvorm tusschen deze
familie en die der Viverren beschouwd moet worden. Dit dier, dat bij de
Madagassen _Fossa_ heet, en dat wij _Fretkat_ (_Cryptoprocta ferox_)
zullen noemen, heeft met de Katten de meeste eigenaardigheden van
den lichaamsbouw, de uitdrukking van het gezicht en de tamelijk ver
terugtrekbare klauwen gemeen; op de Viverren gelijkt het door zijn
langwerpige gedaante, zijne korte pooten, zijne korte, eivormige ooren,
lange snorharen en eenige andere eigenschappen. Het bereikt een lengte
van 1.5 M., waarvan 68 cM. op den staart komen, en staat zeer laag op
de pooten, daar deze slechts 15 cM. lang zijn. De vacht bestaat uit
korte maar dicht bijeen geplaatste, eenigszins stijve, op den kop en
aan de voeten als 't ware afgeschoren haren; zij heeft een roodachtig
gele kleur, die aan de bovendeelen donkerder is, omdat ieder haar
afzonderlijk hier bruin en lichtgeel geringd is; de ooren dragen aan
de binnen- en buitenzijde lichter gekleurde haren; de snorren zijn
deels zwart, deels wit van kleur; de grijs-groenachtig gele pupil,
gelijkt op die van de Huiskat.

Het vaderland van de Fretkat is het eiland Madagaskar, waar dit dier
algemeen bekend is, en op een werkelijk bespottelijke wijze gevreesd
wordt; men beschuldigt het zelfs van aanslagen op het leven van den
Mensch, en vertelt een aantal fabels, waarin het een belangrijke rol
speelt. Van zijn leven in den natuurstaat is nog slechts weinig bekend.



De leden van de familie der _Civetkatten_ of _Viverren_ (_Viverridae_)
onderscheiden zich van de Katten door hun langwerpige, dunnen, ronden
romp, die op korte pooten rust, door een langen, dunnen hals met een
spits toeloopenden kop verbonden is en van achteren eindigt in een
(bijna zonder uitzondering) langen staart, die meestal over den grond
sleept. De oogen zijn gewoonlijk klein, de ooren soms tamelijk groot,
meestal klein; de pooten hebben vier of vijf teenen, met klauwen, die
bij vele soorten teruggetrokken kunnen worden. Naast de aarsopening
bevinden zich 2 of meer "aarsklieren", die een eigenaardige, zelden
welriekende vloeistof afscheiden. Vóór de aarsopening komen bij
sommigen bovendien nog "civetklieren" voor, welker afscheidingsproduct
zich in een eigenaardigen "klierzak" verzamelt.

Over 't geheel genomen gelijken de Viverren eenigszins op onze Marters,
die zij in de zuidelijke landen der Oude Wereld vervangen. In andere
opzichten herinneren vele van deze dieren aan de Katten, ja zelfs aan
de Beren. Dit heeft aanleiding gegeven tot het vermoeden, dat zij,
meer dan hunne verwanten uit andere familiën, op de alleroudste
Roofdieren gelijken. Van de Marters onderscheiden zij zich vooral
door hun gebit, dat scherper is en spitser getakte kiezen heeft.

De Viverren ontbreken in Australië geheel; zij bewonen de zuidelijke
landen van de Oude Wereld, vooral Afrika en Zuid-Azië. In Europa
komen slechts drie soorten van deze familie voor, die uitsluitend de
landen aan de Middellandsche Zee bewonen, en waarvan één alleen in
Spanje inheemsch is. Evenals de familie der Marters onderscheidt de
familie der Viverren zich door een grooten vormenrijkdom, hoewel zij
een veel beperkter gebied bewoont. De verblijfplaatsen dezer dieren
zijn zoo verschillend als zij zelf. Sommige soorten bewonen droge,
onvruchtbare, hoog gelegene gewesten, woestijnen, steppen, gebergten
of de ijle bosschen van de regenarme gedeelten van Afrika en van
het Aziatisch hoogland; andere geven aan de vruchtbaarste vlakten,
vooral aan de oevers van rivieren of aan dichte rietbosschen, boven
alle andere woonplaatsen de voorkeur; eenige komen in de nabijheid van
de nederzettingen der menschen, andere blijven schuw in de duisternis
der dichtste wouden; er zijn er, die op boomen leven, terwijl andere
zich alleen op den grond ophouden. Rotsspleten en kloven, hooge
boomen en gaten in den grond, die zij zelf graven of van anderen in
bezit nemen, dichte opeenhoopingen van struiken enz. vormen hunne
woningen en rustplaatsen gedurende het deel van den dag, waarop zij
hunne krachten sparen.

De meeste Viverren zijn nachtdieren, vele daarentegen echte dagdieren,
die zich, behalve gedurende de middaguren, met de jacht bezighouden,
zoolang de zon aan den hemel staat, maar zich na zonsondergang in
hunne schuilhoeken terugtrekken.

Slechts enkele soorten zou men traag, langzaam en eenigszins log kunnen
noemen; de meeste kunnen in behendigheid en vlugheid met de flinkste
Roofdieren wedijveren. Eenige geslachten zijn echte teengangers,
terwijl andere bij 't gaan de geheele zool op den grond laten rusten;
enkele soorten klimmen, de meeste blijven op den grond. Hunne zinnen
zijn zeer scherp, vooral de drie edelste: het gezicht, het gehoor en
de reuk. Dit maakt hen uitnemend geschikt voor het roovershandwerk;
slechts in de eigenlijke Marters vinden zij beroepsgenooten, die
tegen hen opgewassen zijn. Alle Viverren zijn in de hoogste mate
roofzuchtig en bloedgierig; zij vallen alle dieren aan, die zij meenen
te kunnen overmeesteren. Waarschijnlijk vormen kleine Zoogdieren,
Vogels, vogeleieren en allerlei Insecten de hoofdbestanddeelen van hun
voedsel; niet weinige soorten maken echter ook jacht op Reptiliën,
Amphibiën, Visschen en Schaaldieren. De behendigheid en de moed,
die vele Viverren in den strijd met de vergiftigste Slangen toonen,
werden reeds in overouden tijd geroemd door alle volken, die hen
leerden kennen; van enkele soorten worden naar aanleiding van dezen
strijd zeer zonderlinge fabels verteld. Zoolang zij wakker zijn,
zwerven zij onverpoosd door hun jachtgebied, bespieden en onderzoeken
elke opening, elke spleet, elke uitholling, het open veld zoowel
als het dicht begroeide bosch, de rietbosschen zoowel als de met
steenen bedekte hellingen, kortom iedere plaats waar zij een prooi
kunnen verwachten. Hun rusttijd brengen zij daarentegen, meestal tot
een bal ineengerold, in stille afzondering door; gewoonlijk blijven
zij liggen op de plaats, waar de morgen hen verrast; daar slechts
weinige een vaste slaapplaats hebben.--Van sommige soorten hoort men
een heesch en dof geknor, van andere een schel, eentonig gefluit;
in de stem van enkele soorten is meer afwisseling op te merken.

Merkwaardig is de vrij sterke muscusreuk, die vele soorten
verbreiden. Deze is te danken aan het "civet"--een olieachtige of
vettige, welriekende stof, die door de reeds genoemde civetklieren
afgescheiden en in een zak vóór de aarsopening opgehoopt wordt.

Evenals bij de overige Roofdieren varieert ook bij de Viverren
het aantal jongen tamelijk sterk; voor zoover men weet, wisselt
het af van 1 tot 6. De moeders betoonen zeer veel liefde aan haar
kroost; bij eenige soorten neemt de vader een deel van de zorg voor
de kinderen op zich. In den regel kunnen de jongen gemakkelijk
getemd worden; zij worden even vertrouwelijk als goedaardig, als
de oude dieren bijtlustig, wild en onhandelbaar zijn. Tegen de
gevangenschap zijn zij goed bestand; in eenige landen houdt men van
sommige soorten een menigte exemplaren gevangen met het doel om het
kostbare afscheidingsproduct der civetklieren gemakkelijker te kunnen
verkrijgen. Andere Viverren worden met goed gevolg binnenshuis voor
de jacht op schadelijk gedierte gebruikt.

Over 't geheel genomen, kan het nut, dat de Viverren ons aanbrengen,
waarschijnlijk wel opwegen tegen de schade, die zij aanrichten. In
de landen die zij bewonen, hinderen de door hen gepleegde rooverijen
den mensch niet veel; deze zag echter al voorlang in, dat de Viverren
hem nuttig zijn door het verslinden van schadelijke dieren, zooals
o.a. blijkt uit het voor heilig houden van een der Viverren door de
Egyptenaars der oudheid.



De beide belangrijkste geslachten van deze familie zijn dat der
_Civetkatten_ (in engeren zin) (_Viverra_) en dat der _Mangoesten_
(_Herpestes_), gene hebben geheel, of ten deele terugtrekbare, deze
vooruitstekende nagels.

De _Civetkatten_ (in engeren zin) hebben een langwerpig lichaam met
slappen, langen of middelmatig langen staart; zij staan tamelijk
hoog op de pooten, hebben behaarde zolen (als de Katten) en zijn
teengangers; de voeten hebben vijf teenen met in den regel half
terugtrekbare nagels. De overige kenmerken van het geslacht zijn:
de korte, breede ooren, de matig groote oogen met rondachtige pupil,
de spits toeloopende snuit, waarvan de neus sterk vooruitsteekt, het
zachte vel en de zeer sterk ontwikkelde, vóór de aarsopening gelegen
klierzak, waarin zich de stof verzamelt, die door de civetklieren
afgescheiden wordt.



De _Afrikaansche Civetkat_ (_Viverra civetta_) heeft ongeveer de
grootte van een middelmatigen Hond, maar heeft meer het uiterlijk van
een Kat; zij houdt, wat haar voorkomen betreft, ongeveer het midden
tusschen deze en een Marter. De gewelfde, breede kop heeft een tamelijk
spits toeloopenden snuit, kort toegespitste ooren en scheefgeplaatste
oogen met ronde pupil. De romp is langwerpig, maar niet schraal,
krachtig gebouwd in vergelijking met de meeste andere leden van de
familie; de staart is ongeveer half zoo lang als het lichaam en dus
middelmatig; de pooten zijn middelmatig lang. De niet bijzonder lange
beharing is dicht, grof en los; de tamelijk lange, stijve haren op
het midden van hals en rug kunnen opgericht worden; deze "manen"
zijn zelfs op een deel van den staart nog merkbaar. Van de fraaie,
aschgrauwe, soms naar geel zweemende grondkleur onderscheiden zich
duidelijk de talrijke, ronde en hoekige, zwartbruine vlekken, welker
grootte en rangschikking bij verschillende individuën zeer ongelijk kan
zijn; op de zijden vormen zij duidelijk dwarse strepen. De manen zijn
zwartachtig bruin, de buikzijde is lichter van kleur dan de rugzijde,
en de zwarte vlekken zijn hier duidelijker begrensd. De staart, die
aan den wortel tamelijk dik met haar begroeid is, vertoont 6 of 7
zwarte ringen en eindigt in een zwartachtig bruine spits. Een lange
vierhoekige, schuin van boven naar achteren gerichte, witte vlek,
bevindt zich aan iedere zijde van den hals. Het lichaam is ongeveer 70
cM. lang zonder den half zoo langen staart; de hoogte in de schouders
bedraagt 30 cM.

De Afrikaansche Civetkat bewoont hoofdzakelijk de westelijke gedeelten
van tropisch Afrika, nl. Opper- en Neder-Guinea. Ook in het oosten
van Afrika komt zij voor, hoewel in kleiner aantal. Evenals de meeste
soorten der familie, is zij meer nachtdier dan dagdier. Den dag brengt
zij slapend door, des nachts gaat zij op roof uit en tracht de kleine
Zoogdieren en Vogels, die zij bemachtigen kan, sluipend te naderen
of te verrassen. Men zegt, dat vogeleieren haar lievelingskost zijn,
en dat zij zeer ervaren is in het opsporen der nesten, waartoe zij
zelfs in de boomen klimt. In geval van nood eet zij ook Amphibiën,
ja zelfs vruchten en wortels.

Men houdt dit dier opgesloten in stallen of kooien, die zoo ingericht
zijn, dat men gemakkelijk het civet kan verkrijgen; hiertoe wordt
het dier met een touw vastgebonden aan de staven van de kooi;
met de vingers wordt de klierzak omgekeerd en de klieren, welker
afscheidingsproduct door vele openingen in dezen zak uitmonden,
uitgedrukt. In den regel geschiedt dit twee maal per week; de opgaven
omtrent de hoeveelheid civet, die men hierdoor verkrijgt, loopen zeer
uiteen. In verschen toestand is het civet een witte schuimachtige stof,
die later bruin wordt en iets van haren fijnen geur verliest. De beste
soort is, naar men zegt afkomstig van de Aziatische Civetkat, en wel
van het eiland Boeroe, een der Molukken. Het Javaansche civet heet ook
nog beter te zijn dan het Bengaalsche en Afrikaansche. Tegenwoordig
is de handel in dit artikel aanmerkelijk verminderd, daar de muscus
meer en meer boven het civet wordt verkozen.

Alpinus zag in Kaïro bij verscheidene Joden Civetkatten in ijzeren
kooien. Men gaf dezen dieren niet anders dan vleesch te eten om te
maken, dat zij de grootst mogelijke hoeveelheid civet afscheiden en
goede rente opleveren zouden. In zijn tegenwoordigheid werd van deze
dieren civet verkregen; voor 1 drachme moest hij 4 dukaten betalen. In
vroegeren tijd werden ook te Lissabon, Napels, Rome, Mantua, Venetië,
Milaan, verscheidene Duitsche steden en vooral ook in Nederland
met het genoemde doel Civetkatten in gevangenschap gehouden. Jong
gevangen dieren verdragen het verlies van hun vrijheid veel beter,
dan exemplaren die op lateren leeftijd buit gemaakt zijn en worden
weldra zeer tam en aan den mensch gehecht. De sterke muscusreuk,
die deze dieren verbreiden, is voor menschen met zwakke zenuwen
bijna onverdraaglijk.



Bijna alles wat van de vorige soort gezegd werd, geldt ook van
de _echte_ of _Aziatische Civetkat_ (_Viverra zibetha_), die in
Indië _Bagdos_, _Bhran_ of _Khatas_ wordt genoemd, en lang voor een
verscheidenheid van de Afrikaansche soort gehouden werd. Zij verschilt
van deze echter niet alleen door de kleur en de vlekkenteekening,
maar in vele opzichten ook door de gedaante. Haar kop is spitser,
haar romp schraler, hare ooren zijn langer, en van manen is bij
haar niets te bespeuren. Haar grondkleur is dof bruinachtig geel,
waarbij een groot aantal dicht bijeen geplaatste, donker roestroode
vlekken van verschillenden vorm afsteken. Op den rug vloeien deze
vlekken ineen tot een breede, zwarte streep, aan de zijden zijn zij
zeer onduidelijk. Een volwassen dier van deze soort heeft zonder den
56 cM. langen staart een lengte van 80 cM. en een schouderhoogte van
38 cM.; het weegt 8 à 12 KG.

De Aziatische Civetkat werd door de Maleiers, die haar _Tinggalong_
noemen, ver verbreid. Haar vaderland is volgens Blanford: Bengalen,
Assam, Birma, Zuid-China, Siam en het Maleische Schiereiland. In den
regel leeft dit dier eenzaam en zwerft 's nachts rond, niet zelden
strekt het zijne plundertochten ook tot in de woningen der menschen
uit, en rooft dan vooral Hoenderen en Eenden. Voor het overige voedt
het zich met vruchten en wortels van verschillende soort, alsook met
Insecten, Vorschen, Slangen, eieren en met alle Zoogdieren en Vogels,
die het overmeesteren kan.



In den laatsten tijd komt een Civetkat, die _Rasse_ (_Viverra
malaccensis_) heet, dikwijls in de dierentuinen voor. Zij is
aanmerkelijk kleiner dan de vorige, maar heeft een langeren staart;
haar lichaamslengte bedraagt hoogstens 60 cM., zonder den omstreeks
50 cM. langen staart. De zeer smalle kop met de betrekkelijk groote
ooren kenmerken haar. De ruige vacht is grijsgeel-bruinachtig en
zwart gevlamd, met reeksen van donkere vlekken; de staart is met
verscheidene ringen geteekend.

De Rasse bewoont, met uitzondering van het Indusgebied en het
westen van Radschpoetana, geheel Indië van den voet van den Himalaja
tot en met Ceylon, voorts Assam, Birma, Zuid-China, het Maleische
Schiereiland, Sumatra, Java en vermoedelijk ook andere eilanden van
Zuidoost-Azië. In haar vaderland staat zij in hoog aanzien wegens
het civet, waarvan door de Maleiers een veelvuldig gebruik wordt
gemaakt. Men besprenkelt met deze welriekende stof, waaraan andere
geurige stoffen toegevoegd worden, de kleederen, maar geeft op
deze wijze ook aan de kamers en bedden een voor Europeesche neuzen
onverdraaglijken geur.



Het ondergeslacht der _Genetkatten_ (_Genetta_) is gekenmerkt door
den zeer lang gerekten romp, de onbehaarde overlangsche strook op
de zolen, de terugtrekbare klauwen aan de vijf teenen der voor- en
achterpooten, den langen staart en de middelmatige groote ooren. Een
ondiepe klierzak bevindt zich vóór de aarsopening.

De meest bekende soort is de _Genetkat_ (_Viverra genetta_), de eenige
in Europa voorkomende Civetkat; zij en twee Mangoesten zijn de eenige
Europeesche vertegenwoordigers van de familie der Viverren. In vele
opzichten gelijkt zij op hare vroeger beschrevene verwanten, ook wat
de kleur betreft. Haar lichaam is, zonder den 40 cM. langen staart, 50
cM. lang, de hoogte in de schouders bedraagt 15 à 17 cM. Het lichaam
staat zeer laag op de pooten en is buitengemeen slank; de kleine,
van achteren breede kop eindigt in een langen snuit en draagt breede,
in een stompe punt uitloopende ooren. De pupil is, als die van de Kat,
over dag spleetvormig. De afscheiding van een vettig, naar muscus
riekend vocht is hier slechts gering. De grondkleur van de korte,
dichte en gladde vacht is een naar geel zweemend lichtgrijs met
donkere vlekken.

Het Atlas-gebied is het eigenlijke vaderland van dit diertje, dat
een bijzonder sierlijke gestalte heeft, maar tevens zeer moord- en
roofgierig, bijtlustig en moedig is. Het komt echter ook in Europa
voor: vooral in Spanje is de Genetkat een vaste bewoner van de
voor haar geschikte verblijfplaatsen, hoewel men haar hoogst zelden
ontmoet. Zij houdt zich zoowel in bosch- en boomlooze als in boschrijke
gebergten op, komt echter ook in de vlakten. Aan vochtige plaatsen in
de nabijheid van bronnen en beken, boschrijke gewesten, berghellingen,
die met vele ravijnen doorsneden zijn, en dergelijke plaatsen geeft zij
de voorkeur. Hieruit wordt zij soms ook wel over dag door den jager
opgeschrikt; die haar gewoonlijk wegens de gelijkheid van hare kleur
met die der omgeving te kort in 't gezicht behoudt, om haar te kunnen
treffen. Zij kronkelt zich als een Aal, met de behendigheid van een
Vos, tusschen de steenen, struiken en kruiden door. Hare bewegingen
zijn even bevallig en sierlijk als vlug en behendig. Ik ken geen enkel
Zoogdier, dat zoo zeer de buigzaamheid van de Slang aan de snelheid
van den Marter paart. De volmaaktheid van hare bewegingen is werkelijk
bewonderenswaardig. Uit Tschintschotscho, een der standplaatsen van de
Loango-expeditie van Güszfeldt, schreef Pechuel-Loesche: "Civetkatten
en Genetten hebben wij hier vaak gevangen gehouden. De Civetkatten
zijn zeer onaardige dieren, die men nooit recht vertrouwen kan, en
welker reuk bovendien onverdraaglijk is; de Genetten echter worden
zeer tam, luisteren naar haar naam, loopen haar verzorger zelfs op
klaarlichten dag als Honden na, en verschaffen op allerlei wijzen
zeer veel genoegen. In onze hoofdbarak was een half-volwassen dier
van deze soort, die zich volkomen thuis gevoelde; hij vond er naar
het scheen, rijkelijk voedsel aan de Ratten, die er tot onze spijt
in groote menigte waren. Als wij des avonds in de gemeenschappelijke
kamer gezellig bij elkander zaten, vertoonde het diertje zich dikwijls
op de onderste balken van het dak, keek nieuwsgierig naar omlaag en
wipte dan met een sierlijken sprong op de tafel. Daar schuifelde het,
terwijl het zachtjes zijn helder geluid liet hooren, van den een naar
den ander, liet zich een oogenblikje streelen en plagen, en verdween
weldra zooals het gekomen was."--In Noord-Amerika wordt dit dier,
evenals onze Kat, voor het bestrijden der Ratten- en Muizenplaag in
de huizen gehouden. Het vel van de Genetkat wordt door de bontwerkers
zeer gezocht.



Het naast aan de Civetkatten komen de _Palmrollers_ of _Rolmarters_
(_Paradoxurus_). Zij zijn half-zoolgangers: aan het achterste gedeelte
van den voetwortel komt een onbehaarde eeltbal voor. De staart,
die tot den naam van deze dieren aanleiding heeft gegeven, is bij
verscheidene soorten voor oprolling vatbaar; deze eigenaardigheid
valt echter niet bijzonder in 't oog. De vijf teenen van voor-
en achterpooten hebben klauwen, die in meerdere of mindere mate
terugtrekbaar zijn, en, evenals die der Katten, bij het grijpen van
de prooi en als verdedigingsmiddel dienst doen.

Alle soorten bewonen Zuid-Azië en de naburige eilanden, gaan eerst
na zonsondergang op roof uit, en bewegen zich dan vlug en behendig
genoeg om kleine Zoogdieren en Vogels met goed gevolg te naderen;
zij voeden zich echter ook met vruchten.



De _Indische Palmroller_ (_Paradoxurus niger_) gelijkt door zijn
gestalte en ook door zijn kleurschakeering op de Genetkatten. Hij
is ongeveer zoo groot als onze Huiskat: het lichaam is 45 à 55 cM.,
de staart bijna even lang; de schouderhoogte bedraagt 18 cM. De
romp is langwerpig, maar dikker dan bij de Genetkatten; de pooten
zijn kort en krachtig; de lange staart kan zoowel naar onderen als
naar boven ineengerold worden. De ooren zijn middelmatig groot;
de zeer uitpuilende oogen hebben een bruine iris en een groote,
buitengemeen beweeglijke pupil, die tot een haarfijne spleet vernauwd
kan worden. De vacht bestaat uit veel wol- en weinig bovenhaar. Haar
grondkleur wisselt af van zwart tot bruingrijs, en is met donkere
streepen en reeksen van vlekken geteekend.

De Indische Palmroller komt algemeen voor op Ceylon en (met
uitzondering van het Indusgebied) in nagenoeg alle gewesten van
Voor-Indië, tot aan den voet van den Himalaja, voor zoover zich
daar bosschen of boomaanplantingen bevinden; hij leeft zoowel in de
wildernis als in de nabijheid van menschelijke woningen, waar hij zich
niet zelden in de bijgebouwen nestelt. Evenals alle leden der familie
maakt hij ijverig jacht op Zoogdieren en Vogels, eet ook de eieren
en de jongen in het nest op, voedt zich ook wel met Hagedissen,
Slangen en Insecten en houdt bijzonder veel van vruchten. In de
ananas-kweekerijen richt hij soms groote schade aan; in de koffietuinen
is hij dikwijls een hoogst lastige gast; ook is hij een liefhebber
van palmwijn. Bovendien plundert hij niet zelden het hoenderhok.



De Indische Palmroller wordt in Birma, Siam, het Maleische
Schiereiland, Sumatra, Java en Borneo vervangen door den
_Maleischen Palmroller_, _Musang_ of _Koffie-rat_ (_Paradoxurus
hermaphroditus_). Deze heeft een lichaamslengte van 42 cM.; zijn staart
is gewoonlijk een weinig korter. De kleur van de vacht vertoont ook
bij hem veel variatie.

Van het leven van dit dier in den natuurstaat en meer bepaaldelijk van
zijn werkzaamheid in de Javaansche koffietuinen heeft Junghuhn een
verslag gegeven: "Als de vruchten van de koffie-boomen rijp worden,
meer en meer een scharlakenroode kleur aannemen, als volwassenen en
kinderen van beiderlei geslacht de roode bessen van de takken plukken
en met gevulde korven zich naar de lager gelegene drogerijen begeven,
ziet men dikwijls op de wegen, die rechtlijnig en elkander kruisend
door de koffietuinen loopen, zonderlinge, witachtige drekhoopjes
liggen, die geheel en al uit aaneengekleefde, maar overigens volkomen
gave koffieboonen bestaan. Deze zijn afkomstig uit het spijskanaal
van den Musang, die bij de bergbewoners als hoenderdief in een kwaden
reuk staat, maar zich ook met vruchten voedt; bijzonder graag bezoekt
hij de koffietuinen, als de vruchten rijp zijn; hier wordt hij dan ook
het meest door de Javanen gevangen. Hij verteert het vleezige, sappige
gedeelte van den vruchtwand, en werpt de koffieboonen onverteerd weer
uit. Volgens de Javanen leveren juist deze boonen de allerbeste koffie,
waarschijnlijk omdat het dier alleen de rijpste vruchten eet. Behalve
met vruchten voedt de Musang zich met Vogels en Insecten, vangt vele
Wilde Hoenderen, zuigt de eieren uit van tamme en wilde Vogels,
en schijnt vooral van eieren veel te houden. Gevangen dieren zijn
dikwijls weken achtereen met pisang tevreden; zij worden weldra zoo
gehecht aan het huis van hun meester, dat deze hen vrij kan laten
rondloopen. Als honden volgen zij den persoon, die hen van voedsel
voorziet en van tijd tot tijd op een kippenei tracteert; zij laten
zich door hem opnemen en streelen."



Een in China en op Formosa levende soort is de _Larfroller_
(_Paradoxurus larvatus_). In grootte stemt hij ongeveer overeen met
zijne verwanten. De kleur van zijn dicht haarkleed is aan den kop
grootendeels zwart, aan wangen, onderkaak, keel en hals echter grijs,
aan de bovendeelen van den romp geelachtig grijs. Een witachtige
streep, die bij het onbehaarde puntje van den neus begint, loopt over
het voorhoofd tot aan het achterhoofd, een andere streep is boven de
oogen en een derde onder de oogen gelegen. De ooren, de staartspits
en de voeten zijn zwart.



Van de Viverren met niet terugtrekbare klauwen moeten in de eerste
plaats genoemd worden de _Mangoesten_ of _Ichneumons_, die sedert
overouden tijd beroemd zijn.

De _Mangoesten_ (_Herpestes_) onderscheiden zich door de volgende
kenmerken: de romp, die altijd op korte pooten rust is langgerekt en
rolvormig, de kop klein of hoogstens middelmatig groot, de snuit
toegespitst, het oog tamelijk klein, de pupil cirkelvormig of
langwerpig rond, het oor kort en rondachtig, de neus kort, naakt,
van onderen glad, in het midden gegroefd, iedere poot vijfteenig,
de staart kegelvormig, het vel ruig en langharig. Het gebit bestaat
uit 40 voor 't meerendeel krachtige tanden.



Het is billijk, dat wij aan den _Ichneumon_, de "_Pharao-rat_",
het heilige dier der oude Egyptenaars (_Herpestes ichneumon_)
den voorrang geven, wegens den roem, dien het zich reeds in de
oudste tijden verworven heeft, en de achting, die het vroeger
genoot. Reeds Herodotus verhaalt, dat de Ichneumons in iedere stad
op heilige plaatsen gebalsemd en begraven werden. Strabo bericht,
dat dit voortreffelijke dier nooit groote slangen aanvalt, zonder
eenige van zijne metgezellen te hulp te roepen, maar dan ook zelfs
over de vergiftigste dieren gemakkelijk zegepraalt. Daarom duidt
zijn beeltenis in het heilige beeldenschrift een zwak mensch aan,
die den bijstand van zijne medemenschen niet ontberen kan. Aelianus
daarentegen beweert, dat het onverzeld op de slangenjacht gaat, maar
listig genoeg is, om zich uit voorzorg in het slijk te wentelen en de
slijkkorst in de zon te laten drogen, om een pantser te verkrijgen,
dat zijn lichaam tegen zijn vijand beschut, terwijl het den snuit tegen
beten beveiligt door er den staart voor te houden. De sage is hiermede
echter nog niet voldaan, maar dicht aan den moedigen strijder voor het
algemeen belang nog andere daden toe, die ons door Plinius medegedeeld
worden. De Krokodil n.l. gaat, als hij zich zat gegeten heeft, rustig
op een zandbank liggen en spert dan den vreeselijk getanden muil
ver open, ieder met den dood bedreigend, die het wagen mocht, hem te
naderen. Slechts aan een kleinen Vogel is dit geoorloofd; deze heeft de
stoutmoedigheid het voedsel, dat tusschen de tanden is blijven zitten,
van daar weg te pikken. Ieder dier ontwijkt vol vrees de nabijheid
van het monster, behalve de bedoelde Vogel en--de Ichneumon. Deze
nadert stil, wipt met een stouten sprong in den gevaarlijken bek,
bijt en woelt zich door het keelgat heen, verscheurt het hart van
het slapende ondier, doodt het zoodoende en baant zich nu, met bloed
bedekt, met zijne scherpe tanden een weg door het lichaam van het
monster naar buiten. Ook spoort de overal rondsluipende Ichneumon
de plaatsen op, waar het gevreesde Reptiel zijne talrijke eieren
verborgen heeft; het graaft en woelt den grond op, totdat het de
diep verborgen schat bereikt; dan eet het in korten tijd, ondanks de
waakzaamheid van de moeder, het geheele nest leeg en wordt hierdoor
tot een onwaardeerbaren weldoener van de menschheid. Het valt niet
te betwijfelen, dat de Egyptenaren deze verhalen geloofd hebben,
en dat zij eerst door hun tusschenkomt ter kennis van de hierboven
genoemde schrijvers zijn gekomen: deze overigens zoo nauwkeurige
onderzoekers hebben zich laten beetnemen. Want al die fraaie verhalen
over den Ichneumon zijn onjuist. Hoewel men eerst in den laatsten
tijd nauwkeurige berichten over de levenswijze en de gewoonten van
dit dier heeft kunnen krijgen, hebben verscheidene reizigers toch al
eeuwen geleden in hunne geschriften het groote nut van den Ichneumon
in twijfel getrokken; deze kwestie had men dus reeds voor lang als
afgedaan kunnen beschouwen, indien niet vele menschen al te hardnekkig
bleven hangen aan overleveringen, die hun dierbaar geworden zijn.

De volwassen Ichneumon is aanmerkelijk grooter dan onze Huiskat,
want zijn lichaamslengte bedraagt, zonder den minstens 45 cM. langen
staart, ongeveer 65 cM. Wegens zijne korte pooten schijnt hij echter
korter dan hij is. Slechts zelden vindt men volwassene mannetjes, die
in de schouders hooger dan 20 cM. zijn. Het lichaam is slank zooals
bij alle Civetkatten, maar op lange na niet zoo sierlijk als bij de
Genetkatten; het is in vergelijking met de meeste andere leden dezer
familie zelfs zeer krachtig gebouwd. De pooten zijn kort, de zolen
onbehaard en de teenen bijna tot op de helft van hun lengte door
korte spanvliezen vereenigd. De lange staart schijnt door de lange
beharing aan den wortel zeer dik; men zou haast kunnen zeggen, dat hij
onmerkbaar in den romp overgaat; hij eindigt in een penseelvormigen
kwast. De omgeving van de oogen is naakt, daardoor komen de kleine,
vurige oogen, die een ronde pupil hebben, des te duidelijker voor
den dag. De ooren zijn kort, breed en afgerond. De vacht is zeer
eigenaardig. Zij bestaat uit dicht bijeengeplaatste wolharen van
roestgeelachtige kleur, die echter overal door de 6 à 7 cM. lange
bovenharen overdekt worden. Deze zijn zwart en geelachtig wit geringd
en loopen in een vaalgele spits uit. Hierdoor verkrijgt het geheele
haarkleed een groenachtig grijze kleur, die uitmuntend past bij de
verblijfplaatsen van het dier. Aan den kop en op den rug wordt de
kleur donkerder, aan de zijden en aan den buik valer; de pooten en
de staartkwast zijn donker zwart; er komen echter ook afwijkingen voor.

De Pharaorat is niet alleen over geheel Noord-Afrika en over een
groot deel van Voor-Azië (Palestina b.v.) verbreid, maar komt ook in
Oost- en Zuid-Afrika voor, en misschien ook in andere landen van dit
werelddeel, alsook op Madagaskar, waar zij waarschijnlijk door den
mensch ingevoerd is. Nooit verwijdert zij zich ver van de vlakten. Haar
eigenlijke woonplaatsen in Egypte zijn de dicht begroeide oevers van
de rivieren en de dichte rietbosschen, die vele velden omgeven. Hier
houdt het dier zich over dag op en maakt tusschen de riethalmen smalle,
maar hoogst zorgvuldig gezuiverde looppaden, die naar diepe, maar niet
zeer uitgestrekte holen leiden. Hier brengt het wijfje in de lente-
of eerste zomermaanden 2 à 4 jongen ter wereld, die zeer lang gezoogd
en nog veel langer door beide ouders opgepast worden.

Den naam Ichneumon, die "opspoorder" beteekent, verdient dit dier in
ieder opzicht. Door zijne gewoonten en inborst gelijkt de "opspoorder"
op de in gestalte met hem overeenkomende Marters, welker onaangename
reuk hem eigen is en waarmede hij de listigheid, de behendigheid in
't stelen en de moordlust gemeen heeft. Hij is in de hoogste mate
vreesachtig, voorzichtig en wantrouwend. Nooit waagt hij zich in
't open veld, altijd sluipt hij zoo goed mogelijk gedekt en met de
grootste voorzichtigheid voort, toch strekt hij zijne zwerftochten
vrij ver uit. Hij gaat over dag op roof uit en eet alles, wat hij met
zijn list overmeesteren kan: alle Zoogdieren, die niet grooter zijn
dan een Haas, alle Vogels, die niet grooter zijn dan het Hoen en de
Gans. Bovendien verslindt hij Slangen, Hagedissen, Insecten, Wormen
enz. en waarschijnlijk ook vruchten. Door zijne dieverijen heeft hij
zich den grootsten haat en de verachting van de Egyptische boeren op
den hals gehaald; omdat hij hunne hoenderhokken en duiventillen op
de onbarmhartigste wijze plundert, en vooral zeer gevaarlijk wordt
voor de hoendernesten, die daar geheel op de wijze van de Vogels,
die in den natuurstaat leven, aangelegd zijn. Werkelijk nut doet
hij zoo goed als in 't geheel niet; tenzij men hem de verdelging van
Slangen zeer hoog wil aanrekenen.

Zijn gang is hoogst eigenaardig: 't is, alsof het dier over den grond
voortkruipt, zonder een lid te bewegen; want daar de korte pooten door
de lange haren van den romp volkomen bedekt worden, is hun beweging ter
nauwernood zichtbaar. In de zomermaanden ziet men hem zelden alleen,
maar steeds in gezelschap van zijn gezin. Het mannetje gaat vooraan,
het wijfje volgt, en na de moeder komen de jongen. Ieder lid van de
familie loopt altijd vlak achter het andere, en zoo heeft het er allen
schijn van dat de geheele reeks van dieren slechts een enkel wezen
vormt, dat ongeveer vergeleken kan worden met een merkwaardig lange
slang. Soms blijft de vader staan, licht den kop op en kijkt rond; hij
richt daarbij de neusgaten naar alle zijden en snuift als een hijgend
dier. Als hij de zekerheid heeft verkregen, dat er geen reden voor
vrees bestaat, gaan alle in optocht verder; als hij een buit bemerkt,
kronkelt hij zich als een Slang onhoorbaar tusschen de halmen door om
naderbij te komen en plotseling ziet men hem 1 of 2 sprongen maken,
zelfs naar een reeds opgevlogen Vogel. Voor een muizengat loert hij
zonder beweging te maken; een Rat, een jonge Vogel sluipt hij met
grappige bedachtzaamheid na.

Waarschijnlijk speurt hij even goed als de beste Hond; men weet
althans zeker, dat hij zich op de jacht voornamelijk door den reuk
laat leiden. Als hij eieren vindt, drinkt hij ze leeg; van Zoogdieren
en Vogels zuigt hij in den regel alleen het bloed uit, en vreet de
hersenen op. Hij vermoordt veel meer dieren, dan hij verslinden kan.

Zijn stem hoort men alleen dan, als hij door een kogel aangeschoten
wordt, anders zwijgt hij, zelfs bij de pijnlijkste verwonding. De
Egyptenaars beweren echter, dat hij ook in den paartijd zijn vrij
schel, eentonig gefluit laat hooren.

De Ichneumon-jacht is in de oogen van de Egyptenaars een in de hoogste
mate verdienstelijk werk. Men behoeft slechts in een dorp te gaan,
en daar te berichten, dat men de _Nims_--zoo heet dit dier bij de
Arabieren--wil jagen: dan is voorzeker oud en jong gaarne bereid om
den gehaten schurk en gauwdief te helpen dooden. Men gaat op weg naar
een lange strook rietland, kiest daar een geschikte standplaats en
laat de menschen langzaam het wild opdrijven. Het dier bemerkt zeer
goed waar het om te doen is, en zoekt, zoodra de drijvers geraas
beginnen te maken, een schuilplaats in een van zijne holen; dit
baat hem echter maar zeer weinig, want de Arabieren verdrijven hem
met hunne lange stokken ook uit zijne vluchtgangen en zoo ziet hij
zich genoodzaakt tot een ander rietveld zijn toevlucht te nemen. Met
groote voorzichtigheid sluipt hij tusschen de halmen door, luistert
en snuffelt van tijd tot tijd, maar hoort de vervolgers al nader en
nader komen en moet eindelijk toch het besluit nemen over een plek,
waar hij zich niet volkomen dekken kan, heen te loopen. Hij is gewoon
in gebogen houding en zachtjes er over heen te glijden, om zich niet te
verraden door een snelle beweging. Men moet hem met zeer groven hagel
en op korten afstand schieten, als men hem dooden wil; want wegens
de ongeloofelijke taaiheid van zijn leven verdraagt hij een geducht
schot, en ontsnapt stellig nog, indien hij niet dadelijk gedood wordt.

Fransche onderzoekers verklaren, dat gevangen exemplaren zich
gemakkelijk laten temmen, zachtzinnig worden, de stem van hun meester
herkennen en dezen als een Hond volgen. Nooit zijn zij echter in rust,
verschuiven alles in het huis en worden door het omwerpen van allerlei
zaken lastig. Daarentegen maken zij zich in een ander opzicht zeer
verdienstelijk. Een huis, waarin men een Ichneumon houdt, is in den
kortst mogelijken tijd geheel gezuiverd van Ratten en Muizen; want
het Roofdier houdt zich onverpoosd met de jacht op deze Knaagdieren
bezig. Met den gevangen buit loopt hij in een donkeren hoek, en
toont door zijn grommen en knorren, dat hij zijn eigendom wel weet
te verdedigen.



Alle Mangoesten gelijken in lichaamsbouw op elkander; de meeste
komen ook door hunne handelingen overeen. Wij zouden dus met de
bovenstaande beschrijving van den Ichneumon ons doel bereikt kunnen
achten, indien nog niet eenige andere soorten waard waren besproken
te worden. De soort, die in beroemdheid op de Pharao-rat volgt, en
deze in Indië vervangt, is de _Mungo_, de _Mungoose_ der Engelschen
(_Herpestes mungo_). Deze is aanmerkelijk kleiner dan de Ichneumon;
zijn lichaamslengte bedraagt 40 à 50 cM., de lengte van den staart
is iets geringer. Het lange, ruige haar is grijs, onder de spits
breed wit geringd, waardoor een zilverkleurige sprenkeling en een
lichtgrijze kleur ontstaan.

Het verbreidingsgebied van deze soort omvat geheel Vóór-Indië,
oostwaarts waarschijnlijk tot Assam, westwaarts stellig tot Afghanistan
en Beloetsjistan, bovendien ook Ceylon.

De Mungo houdt van omheiningen, hagen en aanplantingen, van de met
bosch begroeide oevers van waterloopen en van met steenen bedekte
hellingen, waar veel struikgewas groeit; dikwijls houdt hij zich
bij de woningen van menschen op, waar hij niet zelden groote schade
aanricht onder het gevogelte. In door hem zelf gegraven holen in den
grond werpt hij 3 of 4 jongen. Hij houdt, naar 't schijnt, ook van
sappige vruchten, maar doet vooral zijn best om vleesch te krijgen. Hij
loopt van rots tot rots, van steen tot steen, van 't eene hol naar
't andere en onderzoekt de streek zoo grondig, dat hem niet licht
iets eetbaars ontgaan zal. Van tijd tot tijd ziet men hem in het een
of ander klein hol verdwijnen, en als hij weer te voorschijn komt,
brengt hij stellig een Muis, Rat, Hagedis, Slang of dergelijk dier
mede, dat hij in diens eigen woning gevangen heeft

Beroemd en geëerd is de Mungo vooral geworden door zijn strijd met
de vergiftige Slangen. Ondanks zijn geringe grootte kan hij zelfs de
Brilslang dooden. Zijn behendigheid verschaft hem de overwinning. De
inboorlingen beweren, dat hij, na door een vergiftige Slang gebeten
te zijn, een kruid met een zeer bitteren wortel, dat onder den
naam "Mangus wail" bekend is, uitgraaft, door het gebruik van dit
geneesmiddel oogenblikkelijk herstelt, en na weinige minuten den
strijd met de Slang kan voortzetten. Zelfs nauwgezette onderzoekers
verzekeren, dat er iets waars is in deze zaak; zij berichten althans,
dat de gebeten en afgematte Mungo van de strijdplaats wegloopt, om
wortels te zoeken, en hierdoor gesterkt, den strijd hervat. Blanford
noemt het verhaal van het tegengif ongegrond. Indien werkelijk de Mungo
over een tegengif kon beschikken, zou het onverklaarbaar zijn, waarom
andere slangenjagers, zooals de Sekretaris-vogel, de verschillende
soorten van Slangenarenden enz., zonder een dergelijk middel de
Slangen aanvallen. Ook zou men in dit geval kunnen verwachten, dat het
bewustzijn van de onwerkzaamheid van het gif hem zou nopen bij zijn
aanval zonder eenigen schroom te handelen, terwijl men integendeel,
behalve zijn stoutmoedigheid, juist de merkwaardige vlugheid en
behendigheid moet bewonderen, waardoor hij de vooruitschietende
bewegingen van de zich verwerende Slang weet te ontgaan, en de list,
die hij bij den aanval ten toon spreidt. Bovendien maken zijne stijve
haren, die gedurende den strijd overeind staan, en zijn dikke huid
het voor de Slang veel moeielijker hem haar gif in te enten; wanneer
haar dit echter gelukt, sterft de Mungo er aan, evenals ieder ander
dier, hoewel bij hem, naar het schijnt, de verschijnselen langzamer
optreden dan bij andere, even groote Zoogdieren.

In de jaren tusschen 1870 en 1880 is de Mungo op Jamaika ingevoerd;
sedert dien tijd heeft hij, naar gezegd wordt, door verdelging van de
Ratten, die de suikerrietplantages vernielen, een schade voorkomen,
die op meer dan een millioen gulden per jaar geschat wordt.

Van alle Mangoesten is de Mungo--die aan het geheele geslacht den naam
heeft verschaft--het meest geschikt om getemd te worden, omdat hij een
bijzonder zindelijk, net, vroolijk en betrekkelijk goedaardig dier is.

Sterndale bezat een Mungo, die drie jaar lang in Indië zijn
vaste begeleider en bovendien gehoorzaam en trouw als een Hondje
was. "_Pips_" wist precies, wanneer zijn meester hem een vogel wilde
schieten, ging opzitten, als het geweer werd aangelegd, en zoodra
de prooi gevallen was, haalde hij deze ten spoedigste. Hij was zeer
zindelijk; zelfs gebruikte hij na het eten zijne klauwen op een
hoogst grappige wijze als tandenstokers. Hij was zeer stoutmoedig,
ging zelfs eens met goed gevolg een grooten Hond te lijf, en bracht
in den strijd met een kolossalen, mannelijken Trap, die zes maal
zoo zwaar was als hij zelf, dezen Vogel zulke wonden toe, dat hij
stierf. _Pips_ doodde ook vele Slangen. Als hij opgewonden was, stond
zijn haar zoo steil overeind, dat zijn omvang bijna dubbel zoo groot
was als gewoonlijk; het sussend opsteken van den vinger door zijn
meester was echter voldoende om het woedende dier onmiddelijk tot
bedaren te brengen. Later vergezelde hij zijn meester naar Engeland,
en werd de lieveling van allen, die hem zagen. Hij kon een groot aantal
kunstjes verrichten: springen, kopje-over buitelen, met een muts op
den kop op een stoel zitten, soldaatje spelen en exerceeren. _Pips_
stierf van verdriet: toen hij eens gedurende geruimen tijd van zijn
meester gescheiden was, weigerde hij eenig voedsel te gebruiken.



Behalve de Ichneumon verdient de _Melon_ of _Meloncillo_ (_Herpestes
Widdringtonii_) vermelding, omdat hij de eenige Europeesche
vertegenwoordiger van dit geslacht is. Het dier was reeds lang aan
de Spaansche jagers bekend, voordat een natuuronderzoeker het in
handen kreeg. De jacht op den Meloncillo loont de moeite, omdat zijn
staartharen voor 't maken van schilderspenseelen zeer gezocht zijn
en duur betaald worden; de jagers schoten echter het dier alleen om
deze haren en, nadat zij deze hadden uitgetrokken, wierpen zij het
overige weg.

Deze soort leeft in Spanje in de rivierdalen, vooral in de provinciën
Estremadura en Andalusië, geheel op de wijze van den Ichneumon. Hij
bewoont bijna uitsluitend de rietbosschen en de met esparto, een
borstelgras, begroeide vlakten, komt echter volstrekt niet in het
gebergte voor, zooals bericht werd. Zijn lengte bedraagt 1.1 M.,
waarvan de staart ongeveer 50 cM. in beslag neemt. De over 't geheel
korte beharing verlengt zich op het midden van den rug, en verdwijnt
bijna geheel aan het voorste deel van den hals en aan het onderlijf,
welke deelen bijna naakt zijn. De donker grijze grondkleur is lichter
gesprenkeld.



Tot de merkwaardige soorten van de groep behoort ook de
_Zebra-Mangoeste_, de _Sakie_ der inboorlingen (_Herpestes
fasciatus_.) Zij is een van de kleinste leden van het geheele
geslacht. Men zegt, dat zij zonder den 20 cM. langen staart een lengte
van 40 cM. bereikt; ik zelf heb echter veel grootere individuën van
deze soort gezien.

Naar het schijnt, komt onze Mangoeste in geheel Oost-Afrika van
de Kaap de Goede Hoop tot aan Abessinië en tot aan de overzijde,
in West-Afrika, in tamelijk groot aantal voor.

De fonkelende oogen van deze sierlijke Viverre verraden haar
bloedgierigen aard. Haar voedsel bestaat uit alle kleine Zoogdieren,
Vogels, Kruipende Dieren en Insecten, die zij overmeesteren kan,
uit eieren en stellig ook uit vruchten.

In West-Afrika wordt de Zebra-Mangoeste zeer dikwijls in factorijen,
zendingsposten en soms ook op stoombooten tam gehouden. Zij heeft hier
een volledige vrijheid, maar denkt er niet aan, naar de wildernis terug
te keeren. Haar grappig voorkomen maakt haar tot ieders lieveling;
naar het schijnt, hecht zij zich echter, evenals de Huiskat, meer aan
huis en hof dan aan de menschen, hoewel zij niet zelden voor sommige
personen een groote genegenheid toont, hen naloopt, hun op den schoot
klimt, en zich door hen graag krauwen en koesteren laat, waarbij zij
haar tevreden stemming door allerlei geluiden openbaart. Eieren maakt
zij open door ze met de voorpooten ergens tegen aan te tikken, nog
vaker echter door ze tusschen de achterpooten door in achterwaartsche
richting tegen een weerstandbiedend voorwerp te smijten. Bij 't
spelen behandelt zij ook andere kleine en rondachtige voorwerpen
op deze wijze; het is daarom raadzaam voorwerpen van eenige waarde
buiten haar bereik te houden. Pechuel-Loesche vond een dikke glazen
flesch, waarin het kwik voor den kunstmatigen horizon geborgen was,
in gruis tegen een blikken kist liggen, en E. Teusz verhaalde hem,
dat een Zebra-Mangoeste te Malandsche een onmisbaren chronometer
reeds meermalen flink tegen kasten en muren had geworpen, voordat
men bemerkte, met welk duur speelgoed zij zich den tijd verdreef.



Ten slotte zal ik nog een soort van dit geslacht noemen, nl. de
_Krabben-Mangoeste_ of _Urva_ (_Herpestes urva_), daar zij een overgang
schijnt te vormen tusschen de echte Mangoesten en de Veelvraten. De
gedaante en het gebit van de Urva verschillen niet belangrijk
van die der overige Mangoesten; in vele opzichten herinnert haar
gestalte echter aan die van den Veelvraat. De snuit is langwerpig
en toegespitst, de romp gedrongen en krachtig. De teenen hebben
groote spanvliezen en de aarsklieren zijn in 't oog loopend sterk
ontwikkeld. Wat de algemeene kleur van de vacht betreft, gelijkt de
Urva op de overige Mangoesten. De bovendeelen zijn vuil ijzergrauw
met grijsachtig bruin gemengd; de onderdeelen en de pooten zijn
gelijkmatig donkerbruin. Over het bovenlichaam loopen dikwijls
donkerder strepen; van het oog naar den schouder loopt een witte,
bij de grondkleur scherp afstekende strook; ook de staart, die aan
den wortel zeer sterk behaard is, vertoont eenige dwarsbanden. In
grootte wordt de Urva waarschijnlijk door geen andere soort van haar
geslacht overtroffen; volwassen mannetjes worden 80 à 90 cM. lang,
waarvan ongeveer 30 cM. op den staart komen.

Hodgson ontdekte de Urva in de moerassige dalen van Nepal. Volgens
haar ontdekker moet zij half en half een waterdier zijn, dat zich
vooral met Vorschen en Krabben voedt.



Bij de Mangoesten sluiten zich verder eenige dieren aan, welker
voornaamste onderscheidend kenmerk in den bouw van den voet gelegen
is; daar de voorvoeten vijf, de achtervoeten vier teenen hebben en
de zolen gedeeltelijk behaard zijn.

De _Vos-Mangoeste_ of het _Honds-fret_ (_Cynictis penicillata_)
bereikt, zonder den omstreeks 30 cM. langen staart, een lengte
van ongeveer 40 cM. De vacht is glad, de staart ruig. De tamelijk
gelijkmatige, lichtroode of geelbruine kleur is aan den kop en de
ledematen donkerder; de staartharen zijn met zilvergrijs doormengd
en vormen een witte spits. Lange, zwarte tastharen staan boven de
oogen en op de lippen.

Zij bewoont de zandstreken van Zuid-Afrika, te beginnen aan de Kaap
de Goede Hoop, woont in gaten in den grond en voedt zich met Muizen,
Vogels en Insecten; zij is wild en bijtlustig, listig en behendig;
er wordt echter weinig of geen jacht op haar gemaakt; daarom heeft
nog geen onderzoeker berichten over haar levenswijze gegeven.



De _Surikate_ (_Suricata_ of _Rhyzaena tetradactyla_), tot dusver de
eenige bekende soort van dit geslacht, bewoont Afrika van het meer
Tsad tot aan de Kaap de Goede Hoop. De kop met den langen puntigen
snuit, de hooge pooten met vier teenen aan elken voet, de gelijkmatig
dun behaarde staart en het gebit onderscheiden de Surikate van de
haar verwante Mangoesten. Aan de voeten is dit dier, dat niet ten
onrechte door de Duitschers "Scharrthier" (Graafdier) wordt genoemd,
het best te herkennen; zij zijn gewapend met lange en sterke klauwen;
vooral die van de voorpooten vertoonen een sterkere ontwikkeling dan
bij eenig ander lid van de familie. Hiermede kan de Surikate vrij
gemakkelijk diepe gangen graven.

Door zijne uitwendige eigenschappen houdt deze zoolganger het midden
tusschen de Mangoesten en de Marters. Hij is 50 à 60 cM. lang, de
helft van deze lengte wordt door den staart geleverd. De tamelijk
ruige vacht heeft een grijsachtig bruine grondkleur met geelachtige
weerschijn; 8 à 10 donkere dwarsstrepen steken op het achterste deel
van den rug bij de grondkleur af.



Rijker aan vormen dan de familie der Viverren is die der _Marters_
(_Mustelidae_). Het is zeer moeielijk een op al deze dieren
toepasselijke beschrijving te geven; de lichaamsbouw, het gebit en
het maaksel van den voet wijken bij hen meer uiteen dan bij eenige
andere familie der Roofdieren-orde. De Marters zijn middelmatig
groote of kleine Roofdieren met een zeer in de lengte gerekten romp,
die op zeer lage pooten rust, welker voeten 4 of 5 teenen hebben. In
de nabijheid van de aarsopening komen klieren voor, evenals bij de
meeste Viverren; nooit echter scheiden zij een welriekende stof af,
zooals bij sommige van de laatstgenoemde dieren; integendeel de ergste
stinkers van de geheele orde behooren tot de Marters. Het lichaam is
gewoonlijk zeer dicht en fijn behaard; de meest geschatte pelterijen
zijn van dieren uit deze groep afkomstig.

De Marters verschenen in 't tertiaire tijdvak voor 't eerst op
't wereldtooneel. Tegenwoordig bewonen zij alle werelddeelen (met
uitzondering van Australië), alle klimaten en hoogtegordels, de
vlakten zoowel als de gebergten. Hunne verblijfplaatsen zijn wouden
of rotsachtige landstreken, maar ook vrije, opene velden, tuinen
en menschelijke woningen. Sommige zijn landdieren, andere bewonen
het water; gene kunnen gewoonlijk uitstekend klimmen, alle zijn in
't zwemmen ervaren. Vele graven zich gaten en holen in den grond of
gebruiken reeds aanwezige holen als woningen; andere maken zich meester
van holen in boomen of ook wel van de nesten van den Eekhoorn en van
vele Vogels: kortom, men kan zeggen, dat de leden dezer familie van
bijna alle schuilplaatsen partij weten te trekken: van de door de
natuur gevormde rotsspleet tot het kunstmatig gegraven hol, van de
donkere hoeken in menschelijke woningen, zoowel als van de verborgene,
uit dooreengegroeide takken of wortels bestaande toevluchtsoorden,
die het eenzame woud oplevert. De meeste hebben een vaste woonplaats;
vele zwerven rond, al naar de behoefte aan voedsel hen hiertoe
dringt. Eenige soorten, die noordelijke gewesten bewonen, vervallen
in winterslaap, de overige blijven gedurende het geheele jaar werkzaam.

Bijna alle Marters zijn in hooge mate vlug, behendig, beweeglijk en in
alle lichaamsoefeningen buitengewoon goed ervaren. Bij 't gaan zetten
zij de geheele zool op den grond, bij 't zwemmen gebruiken zij hunne
pooten en den staart, bij 't klimmen weten zij zich, ondanks hunne
stompe klauwen, uiterst geschikt vast te klemmen en in evenwicht te
houden. Onder de zinnen van de Marters schijnen de reuk, het gehoor en
het gezicht op nagenoeg even hoogen trap van volkomenheid te staan,
maar ook de smaak en het gevoel mogen als goed ontwikkeld aangemerkt
worden. Even uitstekend als hunne lichamelijke begaafdheden zijn hunne
geestesgaven. Het verstand staat bij de meeste soorten op een hoogen
trap van ontwikkeling. Zij zijn schrander, listig, wantrouwend en
behoedzaam, uiterst moedig, bloeddorstig en gruwzaam, tegenover hunne
jongen echter ongemeen liefderijk. Sommige houden van gezelligheid,
andere leven eenzaam of tijdelijk bij paren. Vele zijn zoowel bij
dag als bij nacht werkzaam; de meeste echter moeten als nachtdieren
beschouwd worden. In bewoonde en druk bezochte streken gaan alle
uitsluitend na zonsondergang op roof uit. Hun voedsel bestaat bij
voorkeur uit dieren, namelijk kleine Zoogdieren, Vogels, vogeleieren,
Kruipende Dieren en Insecten. Enkele eten Slakken, Visschen, Kreeften
en Schelpdieren; verscheidene versmaden niet eens rottende stoffen;
andere voeden zich ook wel tijdelijk met voortbrengselen uit het
plantenrijk, en houden vooral van zoete, saprijke vruchten. In 't oog
loopend sterk is de bloeddorst, die al deze dieren bezielt. Zij dooden,
indien de gelegenheid hiertoe bestaat, veel meer dieren dan zij voor
hun voeding noodig hebben; verscheidene soorten worden letterlijk
bedwelmd door het bloed, dat zij hunne slachtoffers uitzuigen.

De jongen, welker aantal wijd uiteenloopt (voor zoover men weet,
van twee tot tien), komen blind ter wereld, en moeten lang gezoogd
en verzorgd worden. Hun moeder bewaakt ze zorgvuldig, verdedigt ze
met grooten moed bij dreigend gevaar of sleept ze, zoodra ze zich niet
veilig acht, naar andere schuilhoeken. Jongen die in den gevangen staat
een zorgvuldige opvoeding ontvangen, worden zeer tam; zij kunnen er
toe gebracht worden, hun meester als een Hond na te loopen, voor hem
te jagen en te visschen. De nakomelingen van één soort leven zelfs
sedert onheuglijke tijden in gevangenschap en worden door den mensch
voor een bepaalde wijze van jagen gebruikt.

Door hunne roofgierigheid en bloeddorst veroorzaken zij den mensch
een niet onbelangrijke schade; over 't geheel genomen overtreft
echter het voordeel, dat zij onmiddellijk of middellijk aanbrengen,
in hooge mate de schade, die zij aanrichten. Door het dooden van
schadelijk gedierte bewijzen zij ons niet onbelangrijke diensten,
en, moge men het hun ook niet vergeven, dat zij inbreuk maken op ons
eigendomsrecht, toch moet erkend worden, dat de beroofde in den regel
de schade, die hij lijdt, slechts aan zijn nalatigheid te wijten heeft.

Hoe groot het aantal Marters is, die ieder jaar om hun vel gedood
worden, blijkt uit de statistieke opgaven betreffende de opbrengst van
den pelterijhandel. Volgens Lomer komen ieder jaar omstreeks 3 millioen
vellen van verschillende soorten van Marters, ter waarde van meer
dan 12 millioen gulden, in de handen van Europeanen en op de markt;
hierbij komen nog die, welke door de Indiaansche en Aziatische jagers
zelf gebruikt worden. Verscheidene Indiaansche en Mongoolsche stammen
leven bijna uitsluitend van de opbrengst van de jacht op pelsdieren,
waaronder de Marters, gelijk algemeen bekend is, den eersten rang
innemen. Duizenden van Europeanen vinden in den pelterijhandel een
middel van bestaan. Zeer uitgestrekte, vroeger onbekende gewesten
zijn door de pelsjagers bekend geworden.



Bij onze beschrijving beginnen wij natuurlijkerwijze met het geslacht
der Eigenlijke Marters en laten hierop volgen de overige geslachten,
welker leden, evenals de Eigenlijke Marters, teengangers zijn. Zij
vormen de eerste onderfamilie, die de _Marters_ (_Martidae_). Een
tweede onderfamilie bestaat uit den Das en de overige _zoolgangers_
der familie--de _Dassen_ (_Melidae_). Een derde onderfamilie eindelijk
omvat de Vischotter en zijne verwanten, die wij onder den naam
_Zwemvoetigen_ van de overige Marterachtige dieren onderscheiden--de
_Otters_ (_Lutridae_).



Den eersten rang in de eerste onderfamilie kennen wij toe aan den
_Edelmarter_ en de overige leden van zijn geslacht (_Mustela_). Deze
zijn middelmatig groote, slank gebouwde, in de lengte gerekte,
kortpootige dieren met een naar voren smal uitloopenden kop, een
toegespitsten snuit, dwars geplaatste, vrij korte, bijna driezijdige,
aan den top zwak afgeronde ooren en middelmatig groote, levendige
oogen; zij hebben vijfteenige voeten, die scherpe klauwen dragen, een
middelmatig langen staart, aarsklieren die een muscus- of bisamachtige
vloeistof afscheiden en een langharige, zachte vacht.

De _Marter_, _Edelmarter_ of _Boommarter_ (_Mustela martes_) is een
even fraai als vlug Roofdier van 55 cM. lichaamslengte, zonder den 30
cM. langen staart. De vacht is aan de bovendeelen donkerbruin, aan den
snuit vaal, aan het voorhoofd en de wangen lichtbruin, aan de zijden
van den romp en aan den buik geelachtig, aan de pooten zwartbruin en
aan den staart donkerbruin. Een smalle, donkerbruine streep strekt
zich onder de ooren uit. Tusschen de achterpooten bevindt zich een
roodachtig gele, donkerbruin gezoomde vlek, die zich soms als een vuil
gele streep tot aan de keel voortzet. De keel en de onderzijde van den
hals zijn fraai dooiergeel gekleurd; deze "bef" is het meest bekende
kenteeken van het dier. De dichte, zachte en glanzige beharing bestaat
uit tamelijk lange, stijve bovenharen en korte, fijne wolharen, die
aan het benedeneinde roodachtig grijs, aan de spits licht roodachtig
geel gekleurd zijn. Op de bovenlip staan 4 rijen snorharen; bovendien
zijn er nog eenige borstelharen onder de ooghoeken, onder de kin en
aan de keel. In den winter is de algemeene kleur donkerder dan in den
zomer. Het wijfje onderscheidt zich van het mannetje door de bleekere
kleur van den rug en de minder duidelijke "bef". Bij de jonge dieren
zijn de keel en de onderzijde van den hals lichter van kleur.

Het vaderland van den Edelmarter strekt zich uit over alle met bosch
begroeide gewesten van de noordelijke helft van de Oude Wereld. In
Europa vindt men hem in Skandinavië, Rusland, Engeland, Duitschland,
Nederland, Frankrijk, Italië en Spanje, in Azië tot aan den Altaï,
zuidwaarts tot aan de bronnen van den Jenisséi. "Ook ons land schijnt
hij in zijn geheele uitgestrektheid te bewonen," zegt Schlegel,
"ofschoon hij door het uitroeien van bosschen en de talrijke bevolking
op de meeste plaatsen thans niet meer of slechts hoogst zeldzaam
voorkomt." Volgens Staring komt hij in ons land tegenwoordig alleen
in de bosschen van "de graafschap" Zutfen voor. Volgens Ritzema
Bos wordt hij ook nog op den Doornwerth (en vermoedelijk ook in
de bosschen van de Veluwe en van Limburg) aangetroffen. Zooals te
begrijpen is bij zulk een uitgestrekt verbreidingsgebied, merkt men
bij deze soort niet onbelangrijke variaties op, vooral wat de kleur
van de vacht betreft. De grootste Edelmarters wonen in Zweden, de
vacht van deze dieren is nog eens zoo dicht en zoo langharig als
die van onze Marters, haar kleur is grijzer. Onder de inheemsche
komen meer geelachtig bruine, dan donkerbruine exemplaren voor;
de laatstgenoemde vindt men vooral in Tirol, en gelijken dikwijls
bedriegelijk op de Amerikaansche Sabeldieren (p. 138). De Edelmarters
van Lombardije zijn bleek grijsachtig bruin of geelachtig bruin, die
van de Pyreneeën zijn groot en forsch, maar eveneens licht van kleur,
die uit Macedonië en Thessalië zijn middelmatig groot, maar donker.

De Edelmarter bewoont de bosschen met breedgebladerde boomen,
zoowel als die met naaldboomen; hoe eenzamer, dichter en donkerder de
bosschen zijn, des te veelvuldiger komt hij er in voor. Hij is een echt
boomdier en klimt zoo meesterlijk, dat geen ander Roofdier hem hierin
overtreft. Holle boomen, verlaten nesten van Wilde Duiven, Roofvogels
en Eekhoorntjes kiest hij het liefst tot verblijfplaats; zelden neemt
hij zijn toevlucht tot rotsspleten. Op zijn leger rust hij gewoonlijk
gedurende den geheelen dag; met den aanvang van den nacht echter,
meestal reeds voor zonsondergang, gaat hij op roof uit, en maakt dan
jacht op alle dieren die hij meent te kunnen overmeesteren. Te beginnen
bij het Reekalf en den Haas, afdalend tot de Muis is geen enkel
Zoogdier voor hem veilig. Hij besluipt en overvalt ze plotseling en
doodt ze door een beet in den hals. Verscheidene boschopzichters hebben
waargenomen, dat hij soms ook jonge en zwakke Reeën aanvalt. Een even
groote slachting als onder de Zoogdieren richt de Boom-Marter trouwens
ook onder de Vogels aan. Alle inheemsche en gefokte Hoender-soorten
hebben in hem een vreeselijken vijand. Zacht, zonder gedruisch te
maken sluipt hij naar de slaapplaatsen dezer Vogels, hetzij ze zich
op boomen of op den vlakken grond bevinden; nog voordat de anders
zoo waakzame Hen de aanwezigheid van den bloedgierigen vijand heeft
vermoed, zit deze haar op den nek, verbrijzelt haar met eenige beten
den hals of scheurt haar de slagaders open, zich gretig lavend aan
het uitvloeiende bloed. Bovendien plundert hij alle vogelhesten uit,
rooft den honing uit de bijenkorven, of vergast zich aan sappige
vruchten--zoowel aan bessen die dicht bij den bodem groeien, als
aan peren, kersen en pruimen. Als het voedsel in 't bosch schaarscher
begint te worden, wordt hij stoutmoediger; in den hoogsten nood begeeft
hij zich naar de menschelijke woningen. Hier bezoekt hij kippenhok en
duiventil en richt grootere verwoestingen aan dan eenig ander dier,
met uitzondering van de andere soorten van zijn geslacht.

Negen weken na de paring, in het einde van Maart of het begin van
April, werpt het wijfje 3 of 4 jongen in een met mos gevoerd leger
in een hollen boom, zelden in een nest van een Eekhoorn of van een
Ekster of in een rotsspleet. De moeder zorgt met opofferende liefde
voor hare jongen en verlaat nooit de nabuurschap van het leger, uit
vrees van haar kroost te zullen verliezen. Reeds na weinige weken
volgen de jongen de ouden na bij hunne pleizierwandelingen in de
boomen; zij springen vlug en haastig op de takken rond, worden door de
voorzichtige moeder duchtig geoefend in allerlei lichaamsoefeningen
en bij het minste gevaar gewaarschuwd en tot een snelle vlucht
aangespoord. Jongen van dezen leeftijd kan men vrij gemakkelijk
opvoeden en lang in 't leven houden, als men ze aanvankelijk met melk
en wittebrood, later met vleesch, eieren, honig en vruchten voedt.

"Den 29en Januari," verhaalt Lenz, "kreeg ik een jongen Edelmarter,
welke dienzelfden dag uit een hollen boom was gehaald. Weldra dronk
hij lauwe melk; ook at hij reeds in melk geweekt wittebrood, weinige
uren nadat hij mij gebracht was. Aan dit diertje heb ik goed kunnen
waarnemen, hoe de smaak zich ontwikkelt in overeenstemming met de
omstandigheden. Aanvankelijk, n.l. in Juni of Juli, krijgt de jonge
Edelmarter van zijne ouders bijna alleen Vogels, later moet hij zich
ook gewennen aan Muizen, vruchten enz., al naar het jaargetijde.

"Op den tweeden dag bood ik hem een Kikvorsch aan: hij sloeg er in
't geheel geen acht op; onmiddellijk daarna gaf ik hem een levende
Musch: terstond pakte hij deze aan en verslond haar, vederen en al. Den
vierden dag liet ik hem honger lijden en bood hem daarna een Kikvorsch,
een Hagedis en een Hazelworm aan. Hij lette op geen van deze dieren,
en wilde ook een jonge Raaf niet eten. Den zesden dag kroop hij 's
nachts uit zijn hok, beet een in 't nest zittenden Torenvalk dood en
at den kop, den hals en een deel van de borst van dit dier. Naderhand
gaf ik hem nog allerlei spijzen, en vond, dat hij kleine Vogels liever
had dan iets anders.

"Toen hij voor drie vierde volwassen en buitengewoon vraatzuchtig
was, hield ik hem weer een Hazelworm voor. Hij had juist honger,
toch kwam hij voorzichtig nader en sprong bij elke beweging van het
dier terug. Toen hij zich eindelijk overtuigd had, dat het dier niet
gevaarlijk was, beet hij toe; de staart van den Hazelworm brak af;
hij vrat dien op en droeg daarna het dier in zijn nest, waar het
hem ontsnapte en onder het hooi kroop. Hij haalde het er weder uit,
beet nog een stuk van het overgebleven staartstompje af; eerst na 2
uren waagde hij het echter den Hazelworm bij den hals te pakken en te
verscheuren. Hij droeg hem daarna in zijn nest en at haar langzamerhand
met smaak, doch niet zeer gretig op. Nog was hij met den Hazelworm
niet gereed, toen ik een ongeveer 60 cM. lange Ringslang in zijn kist
wierp. Dadelijk kwam hij voorzichtig nader, sprong echter verschrikt
terug, telkens als de Slang zich bewoog of siste. Terwijl hij bezig
was met de Ringslang te spelen, bracht ik hem een versch gedoode,
groote Adder. Voorzichtig kwam hij er onmiddellijk op af, overtuigde
zich, dat zij dood was, nam haar op, droeg haar nu eens hier, dan weer
daarheen en at haar na een uur met kop en giftanden op. Ik gaf hem
daarna een Hagedis, die hij eveneens snuffelend begroette; het diertje
liet een heesch gesis hooren, bijna als een Slang, sperde den muil open
en sprong wel tien maal op den Marter toe. Deze vertrouwde de zaak
niet en ontweek hare beten, werd echter voortdurend stoutmoediger,
en pakte, daar de Hagedis hem geen kwaad deed, na verloop van een
uur dit dier aan, beet het dood en vrat het op.

"Hieruit blijkt, dat hij van nature weinig lust heeft in het dooden van
Slangen en andere Kruipende Dieren; op grond van de genoemde ervaringen
is het echter niet onwaarschijnlijk, dat hij ze 's winters, wanneer
hij ze toevallig in weerloozen toestand ontmoet, om 't leven brengt
en opvreet; want in dit jaargetijde zal hij vermoedelijk dikwijls
bitteren honger lijden, daar hij zeer vraatzuchtig is.

"Ik wil hier nog de aandacht vestigen op een dwaling, die vrij
algemeen verbreid is. Men meent n.l., dat de Wezel-soorten, als
zij een dier dooden, steeds de dikke slagaders van den hals met de
hoektanden treffen en doorsnijden. Dit is niet zoo. Wel pakken zij
de groote dieren bij den hals om ze te dooden; dit gebeurt echter,
zonder dat zij juist die bloedvaten treffen; daarom zijn zij ook niet
in staat hun het bloed uit te zuigen, maar stellen zich tevreden met
het opslikken van het toevallig uitvloeiende bloed. Daarna eten zij
het dier gedeeltelijk op en beginnen gewoonlijk met den hals; bij
dieren, die iets grooter zijn, zooals groote Ratten, Hoenderen enz.,
wordt bij het dooden niet eens de huid van den hals, die taai is en
meegeeft, doorgesneden, maar geschiedt dit eerst later.

"Zoolang mijn Boom-Marter nog jong was, speelde hij graag met menschen,
als deze het spel begonnen; later was het niet raadzaam met hem te
spelen, omdat hij bij 't grooter worden de gewoonte aannam, om, zelfs
wanneer hij het niet kwaad meende, alles met de tanden stevig aan te
pakken; mij heeft hij met de hoektanden eens door dikke handschoenen
heen in 't vleesch gebeten; hij deed dit trouwens zonder eenige
vijandige bedoeling. Eigenlijke liefde voor zijn opvoeder blijkt
niet uit zijne houding en gebaren, hoewel hij goede kennissen nooit
kwaad doet, als hij goed behandeld wordt. In zijne zwarte oogen staan
alleen begeerte en moordlust te lezen. Als hij recht genoeglijk in
zijn nest ligt, laat hij dikwijls een trommelend gebrom hooren, dat
eenigen tijd aanhoudt. Het gniffelen van den Bunzing heb ik nooit
van hem gehoord. Als hij boos is, knort hij hevig."

De Edelmarter wordt overal op de nadrukkelijkste wijze vervolgd,
niet zoo zeer om zijn moordgierigheid, maar veeleer om zijn kostbaar
vel machtig te worden. Het gemakkelijkst kan men hem dooden,
als er pas sneeuw gevallen is, omdat men dan, (niet alleen op den
grond, maar zelfs op de met sneeuw bedekte takken) zijn spoor kan
volgen. Toevallig ziet men hem ook wel eens in 't bosch liggen,
gewoonlijk lang uitgestrekt op een boomtak. Het is niet moeilijk
hem daar te schieten; als men hem gemist heeft, kan men dikwijls
nog eens laden, omdat hij vaak niet van de plaats wijkt en den jager
voortdurend blijft aanstaren.

Bij de jacht op den Edelmarter moet men een Hond hebben, die flink
toebijt en den Marter stevig vasthoudt, omdat deze gewoon is woedend
tegen zijn vervolger op te springen, waardoor een minder goede Hond
licht afgeschrikt wordt. Betrekkelijk gemakkelijk laat hij zich
vangen in een ijzeren klem, die opzettelijk voor dit doel vervaardigd
en zeer verborgen geplaatst wordt; men vangt hem echter ook in den
zoogenaamden slagboom en in de kastval. Als lokaas dient gewoonlijk een
stukje brood, dat men met een schijfje ui in ongezouten boter en honig
gebraden en met kamfer bestrooid heeft. Andere lokspijzen worden uit
velerlei sterk riekende stoffen volgens bepaalde voorschriften bereid.

Het bont van den Edelmarter is het kostbaarste pelswerk, dat door
inheemsche Zoogdieren wordt voortgebracht; het komt, wat kwaliteit
betreft, nog het naast aan dat van het Sabeldier. Voor de vacht van
een gedurende den winter gevangen Marter wordt f 10 à f 12 betaald. De
schoonste vellen komen uit Noorwegen, dan volgen in kwaliteit die
van Schotland; de overige worden geleverd door Italië, Zweden,
Noord-Duitschland, Zwitserland, Opper-Beieren, Tartarije, Rusland,
Turkije en Hongarije.



De _Steen-_ of _Huismarter_ (_Mustela foina_) verschilt van den
Edelmarter door zijn iets geringere grootte, de naar verhouding
kortere pooten, den kop die, ondanks het kortere aangezicht langer
is, de kleinere ooren, de kortere vacht, de lichtere haarkleur en
de witte keel. De totale lengte van het volwassen mannetje bedraagt
70 cM., waarvan een weinig meer dan een derde op den staart komt. De
grijsbruine kleur van de vacht (met wit wolhaar) wordt op de pooten
en den staart donkerder en gaat op de voeten in donkerbruin over; de
keelvlek die altijd kleiner is dan bij den Edelmarter, bestaat uit
zuiver witte, in de jeugd dikwijls uit roodachtige of geelachtige
haren; de randen van de ooren zijn met korte witachtige haren
bezet. De Steenmarter komt voor in bijna alle landen en gewesten,
waar de Edelmarter gevonden wordt. Geheel Middel-Europa en Italië
(met uitzondering van Sardinië), Engeland, Zweden, het gematigde deel
van Europeesch Rusland (tot aan den Oeral, den Krim en den Kaukasus)
en West-Azië, vooral Palestina, Syrië en Klein-Azië, zijn het vaderland
van deze soort. Hij bewoont echter ook Afghanistan en een groot deel
van den Himalaja, dezen echter slechts op hoogten van niet minder dan
1600 M. In de Alpen begeeft hij zich gedurende den zomer tot boven
den dennengordel, in den winter keert hij gewoonlijk naar lagere
streken terug. In Nederland is hij, naar het schijnt, tegenwoordig
zeldzaam. Toch is hij in verscheidene provinciën, Noord-Brabant,
Zeeland, Noord- en Zuid-Holland, Overijsel, Friesland en Groningen
waargenomen. In Noord-Brabant wordt hij _Fluwijn_ genoemd. In de
andere landen van ons werelddeel komt de Steenmarter bijna overal
veelvuldiger voor dan de Edelmarter; hij nadert de woningen der
menschen veel meer, dan deze doet; men mag zelfs zeggen, dat hij zich
bij voorkeur in dorpen en steden ophoudt. Eenzaam gelegene schuren,
stallen, tuinhuizen, oude muren, steenhoopen en groote houtmijten
in de nabijheid van dorpen worden geregeld door dezen gevaarlijken
vijand van het tamme gevogelte bewoond.

De levenswijze en de gewoonten van den Huismarter stemmen in vele
opzichten overeen met die van den Edelmarter. Hij is een meester
in alle lichaamsoefeningen, even levendig, behendig en vaardig,
even moedig, listig en moordzuchtig als zijn stamgenoot; hij klimt
zelfs bij gladde boomstammen naar boven, kan groote sprongen maken,
zwemt met gemak, is in het sluipen ervaren en kan door zeer nauwe
openingen heendringen.

Zijn voedsel is ongeveer hetzelfde als dat van den Edelmarter;
toch richt hij veel meer schade aan dan deze, omdat hij veel
meer gelegenheid vindt, den mensch merkbare verliezen toe te
brengen. Waar hij er maar eenigszins kans toe ziet, dringt hij in
de woningen der tamme Vogels door en moordt hier met onverzadelijke
bloedgierigheid. Bovendien vangt hij Muizen, Ratten, Konijnen, allerlei
Vogels en, als hij in het bosch jaagt, Eekhoorntjes, Kruipende Dieren
en Amphibiën. Eieren schijnen voor hem een lekkernij te zijn; ook zijn
allerlei soorten van vruchten--kersen, pruimen, peren, kruisbessen,
lijsterbessen, hennep en dergelijke--naar zijn smaak.

Goede ooftsoorten moet men voor hem beveiligen; dit kan op een
eenvoudige wijze geschieden, door, zoodra men rooverijen van dit
dier opmerkt, den stam van den vruchtboom met tabakssap of petroleum
te besmeren. De hoenderhokken en duiventillen moet men echter voor
hem vrijwaren door ze goed te sluiten; men moet er op bedacht zijn,
dat hij door iedere opening, voor zoover deze half zoo groot is als
een rattengat, binnen dringen kan.

Zelfs exemplaren, die gevangen worden, als zij reeds oud zijn,
laten zich tot op zekere hoogte temmen.--In Schotland heeft men eens
op de volgende vreemde wijze een Steenmarter gevangen en getemd:
Gedurende langen tijd had de ongenoode gast zich in een dorp van het
gebergte opgehouden, en daar tallooze schanddaden ten nadeele van het
hoenderengeslacht gepleegd. Met behulp van goede Honden verdreef men
hem eindelijk uit de eenzame schuur, zijn roovershol, en joeg hem in
't open veld. Tevergeefs wendde hij al zijn list en behendigheid aan,
om aan de Honden te ontkomen. Zij kwamen hem al nader en nader op de
hielen, en hadden hem eindelijk aan den rand van een afgrond bijna
gegrepen. Hij nam een kort en goed besluit, en sprong in den wel 30
M. diepen afgrond. Deze val was hem toch te hevig; hij lag beneden
als dood en verroerde zich niet meer. Zijne vervolgers waren vast
overtuigd, dat hij te pletter gevallen was. Om het vel te bemachtigen
daalde een van de lieden in den afgrond af en lichtte den verongelukten
Marter op. Plotseling begon deze zich opnieuw te bewegen en toonde
den persoon, die hem ving, ook dadelijk door een flinken beet ten
duidelijkste, dat hij zijn bewustzijn herkregen had. Toch liet de
gewonde man zijn prooi niet los, maar stelde haar, door haar aan den
hals te vatten, buiten staat om verder tegenweer te bieden; zoo nam
hij haar mede naar zijn huis. Hier werd de Steenmarter vriendelijk
en zacht behandeld en was na verloop van korten tijd werkelijk tam,
misschien ten gevolge van den zwaren val of uit dankbaarheid voor de
hem bewezen vriendschap. Zijn meester besloot, hem als muizenvanger te
gebruiken, en bracht hem in den paardenstal. Hier gevoelde hij zich in
korten tijd volkomen thuis; zelfs had hij een vriendschapsband weten
te sluiten,--met een van de Paarden n.l. Zoo vaak men in den stal kwam,
vond men hem bij zijn kameraad, die hij door een dof geknor in zekeren
zin trachtte te verdedigen. Soms zat hij op den rug, soms op den hals
van het Paard; hij liep over zijn vriend heen en weer, of speelde met
diens staart of ooren; het Paard scheen zeer verheugd te zijn over
de genegenheid, die het van het kleine Roofdier ondervond. Ongelukkig
werd deze merkwaardige vriendschapsband op wreede wijze verscheurd. De
Marter geraakte op een van zijne nachtelijke uitstapjes in een val
en werd den volgenden morgen dood gevonden.



Een van de naaste verwanten van de inheemsche Marters is het wijd
vermaarde _Sabeldier_ (_Mustela zibellina_). Van den Edelmarter
onderscheidt het zich door den kegelvormigen kop, de groote ooren,
de hooge, krachtige pooten, de groote voeten en het glanzige,
zijdeachtig zachte vel. Dit geldt voor des te fraaier, naarmate
de beharing dichter, zachter en gelijkmatiger van kleur is; vooral
echter hangt de kwaliteit af van de duidelijkheid waarmede de naar
't blauwachtig grijze zweemende, roodbruine kleur van het wolhaar op
den voorgrond treedt. Hoe lichter van kleur het bovenhaar is, des
te geringer, hoe gelijkmatiger van kleur en hoe donkerder het is,
des te hooger schat men de waarde van het vel. De fraaiste vellen
zijn aan de bovendeelen zwartachtig, aan den snuit zwart en grijs
gemengd, op de wangen grijs, aan den hals en aan de zijden roodachtig
kastanjebruin, aan den onderhals fraai dooiergeel van kleur; het oor
heeft gewoonlijk een grijs-witachtigen of lichtbleekbruinen rand. Hoe
meer de gele kleur van de keel bij het levende dier in 't oog viel,
des te schielijker zal zij verbleeken na zijn dood.

Het oorspronkelijke verbreidingsgebied van het Sabeldier reikte van
den Oeral tot aan de Behring-zee en van de Zuidelijke grensgebergten
van Siberië tot op omstreeks 68° N.B.; bovendien omvatte het
een zeer uitgestrekt deel van Noord-Amerika; langzamerhand is
het echter zeer ingekrompen. De onophoudelijke vervolgingen,
waaraan het is blootgesteld, hebben het de wijk doen nemen naar
de donkerste wouden van de gebergten van Noordoost-Azië; daar de
mensch het ook hier begeerig, ja zelfs met gevaar voor zijn eigen
leven vervolgt, moet het zich al verder en verder terugtrekken en
wordt steeds zeldzamer. Gedurende den gouden tijd voor de handelaars
in sabelvellen werden in Kamtschatka vele vereenigingen, voor de
vangst van Sabeldieren opgericht; sedert dien tijd echter is hun
aantal zoowel daar als in andere landen en gewesten van Oost-Azië
afgenomen. De vervolgingen waaraan deze Marter van de zijde der
jagers is blootgesteld, zijn oorzaak, dat hij allengs verdwijnt. Hij
onderneemt echter ook groote zwerftochten; volgens de meening van de
inboorlingen geschieden zij met het doel om de Eekhoorntjes, zijn
lievelingswild, te volgen. Bij het vervolgen van deze Knaagdieren
zwemt hij, zelfs gedurende het kruien van het ijs, zonder aarzeling
over breede stroomen, die hij overigens schijnt te vermijden. Zeer
gewenschte verblijfplaatsen bieden hem de arvenbosschen, welker
reusachtige stammen hem goede schuilhoeken verschaffen, terwijl hij
in de zaden hunner kegels een geschikt voedsel vindt.

In gewoonten komt dit dier, naar het schijnt, het meest met den
Edelmarter overeen, wiens vlugheid en geschiktheid voor 't klimmen
ook het Sabeldier eigen zijn. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk
uit Eekhoorntjes en andere Knaagdieren, Vogels enz.; het versmaadt
echter ook de Visschen niet, daar het zich door visch als lokaas
in vallen laat lokken; ook heeft men opgemerkt, dat het zeer veel
houdt van den honing van Wilde Bijen. Ceder-"noten" acht het een zeer
gewenschte spijs; bij de meeste Sabeldieren, die Radde onderzocht,
was de maag stijf gevuld met deze zaden. Ieder jaar brengt het jagen
en vangen van het Sabeldier alle weerbare mannen van geheele stammen
in beweging, en doet het de kooplieden reizen van duizenden mijlen
ondernemen. Evenals in de vorige eeuw (toen de Duitsche onderzoeker
Steller en later de Russische reiziger Schtschukin Siberië doorreisden)
komen ook thans nog de meeste Sabeldieren voor in de duistere bosschen
tusschen den Lena en de verder oostwaarts gelegen zee; ook thans nog
vormt de opbrengst van de vellen dezer dieren de voornaamste bron
van inkomsten van de inboorlingen en van de Russische kolonisten. De
jacht duurt van October tot het midden van November of het begin van
December. De jagers vereenigen zich tot kleine gezelschappen op het
jachtterrein; ieder gezelschap heeft hier zijn eigen woning; de Honden
moeten gedurende de reis de sleden trekken, die met levensmiddelen
voor verscheidene maanden beladen zijn. De jacht heeft in hoofdzaak
nog steeds plaats op de door Steller beschreven wijze. Vallen en
strikken van zeer verschillende inrichting worden hierbij gebruikt;
ook volgt men op sneeuwschoenen het spoor van het Sabeldier, omgeeft
zijn schuilhoek met netten of doodt het vluchtende dier met pijlen
of met het geweer. Het meest in trek zijn die soorten van vallen,
waarin het vel van het dier in 't geheel niet beschadigd wordt. De
jager en zijne gezellen hebben verscheidene dagen noodig om alle vallen
op te stellen; iederen dag moeten zij er bij langs om ze na te zien;
dikwijls blijkt dan, dat een verwaten Sneeuwvos of een ander Roofdier
den kostbaren buit opgevreten heeft. Het gebeurt ook wel, dat de jager
door slecht weer en rampspoeden van allerlei aard overvallen, tot den
terugtocht genoopt wordt, en zelfs zich haasten moet om zijn leven te
redden, zonder aan het inzamelen van de dieren, die mogelijkerwijze
in de val geraakt zijn, te kunnen toekomen. Vaak is de jacht op het
Sabeldier een onafgebroken reeks van allerlei bezwaren. Dikwijls
blijkt het bij het einde van den jachttijd, dat de gewonnen buit
ternauwernood voldoende is om de gemaakte kosten te dekken, terwijl
de moeiten aan het bedrijf verbonden, nooit behoorlijk beloond worden.

Over het leven van het Sabeldier in den gevangen staat zijn de
berichten nog zeer schaarsch. Een Sabeldier in het paleis van den
aartsbisschop van Tobolsk was zoo volkomen getemd, dat het naar eigen
goedvinden in de stad mocht gaan wandelen. Andere getemde Sabeldieren
speelden zeer vroolijk met elkander, gingen dikwijls opzitten om
zoo beter te kunnen vechten, sprongen opgeruimd in hun hok rond,
en gaven gelijk jonge Honden, hun tevredenheid door kwispelstaarten,
hun toorn door grommen en knorren te kennen.



_Stinkmarters_ (_Putorius_ of _Foetorius_) heeten de leden van een
ander Martergeslacht op grond van een algemeen bekende eigenschap
van den Bunzing, die bovenstaanden naam zeer zeker verdient, wat van
de andere soorten der groep geenszins gezegd kan worden. De hiertoe
behoorende Marter-soorten zijn gekenmerkt door een naar voren sterk
in breedte afnemenden kop, een toegespitsten snuit, kort afgeronde,
driezijdige ooren, een slanken, langgerekten romp, korte pooten met
lange teenen, en een ronden, vrij lang behaarden staart, welks lengte
geringer is dan de halve lichaamslengte.



De _Bunzing_ of _Bonzing_ (_Putorius foetidus_), in Holland ook wel
_Eierendief_, in Overijsel, Drente en Gelderland _Ulk_, in Groningen
_Meert_ of _Meerten_, op de grenzen van Noord-Brabant en Limburg
_Vis_, in Friesland _Mud_ genoemd, heeft een lichaamslengte van 40
à 42 cM., zonder den 16 à 17 cM., langen staart. De vacht is aan de
onderzijde effen zwartbruin, aan de bovendeelen en aan de zijden van
romp (wegens het vooral hier doorschemerende, geelachtige wolhaar)
lichter, gewoonlijk donker kastanjebruin. Over het midden van den
buik loopt een onduidelijk begrensde, roodbruine streep; de kin en de
spits van den snuit, met uitzondering van den donker gekleurde neus,
zijn geelachtig wit. Achter de oogen bevindt zich een niet zeer scherp
begrensde, geelachtig witte vlek, die met een onduidelijke, achter de
ooren beginnende streep samenvloeit. Verscheidene afwijkingen--waarvan
er eenige als afzonderlijke soorten beschouwd zijn--komen voor,
o. a. albino's en effen geel gekleurde Bunzingen. Het wijfje
onderscheidt zich hoofdzakelijk door de zuiver witte kleur van alle
lichaamsdeelen, die bij het mannetje geelachtig zijn. De vacht is
wel dicht, maar toch veel minder fraai dan die van den Edelmarter.

In het zuidoosten van Europa, noordwaarts tot in Polen, treedt nevens
den Bunzing een van zijne verwanten op: de _Tijger-bunzing_ (_Putorius
sarmaticus_), die in het zooeven genoemde gebied nergens veelvuldig,
in sommige gedeelten van West-Azië zeer zeldzaam, in het zuiden van
Afghanistan daarentegen, vooral in de omstreken van Kandahar, algemeen
is. In levenswijze komen beide soorten geheel met elkander overeen.

De Bunzing bewoont de geheele gematigde gordel van Europa en
Azië, breidt zich zelfs over een deel van den noordelijken gordel
uit. Met uitzondering van Lapland en Noord-Rusland is hij in ons
werelddeel overal te vinden. In Azië vindt men hem in Tartarije
en tot aan de Kaspische Zee en verder oostwaarts door Siberië tot
in Kamtschatka. Iedere plaats, die hem voedsel belooft, is hem
welgevallig; daarom bewoont hij zoowel de vlakte als het gebergte,
het bosch zoowel als het veld; bij voorkeur vestigt hij zich
echter in de nabijheid van menschelijke woningen, vooral van groote
boerderijen. Zijn leger slaat hij op in holle boomen, rotsspleeten,
oude vossenholen en andere gaten in den grond, die hij toevallig
ontmoet; ingeval van nood graaft hij zelf een hol. Op het bouwland
verschuilt hij zich in het hooge koorn; bovendien houdt hij zich
op in de nabijheid van rotsen, tusschen paalwerk, onder bruggen, in
bouwvallen, tusschen de wortels van groote boomen, in dichte hagen:
kortom hij neemt iedere woonplaats voor lief. Waar dit mogelijk is,
laat hij liever andere dieren voor zich graven en woelen, dan dat hij
dit zelf doet. Gedurende den winter slaat hij ten onzent graag zijn
verblijf op in onbewoonde gebouwen, schuren en stallen, op zolders en
zelfs onder hoopen steenen of hout. Hij komt dan op het jachtveld van
de Huiskat of van den Huismarter, evenals deze legt ook hij van tijd
tot tijd bezoeken af aan de hoenderhokken, duiventillen, konijnenhokken
en andere woonplaatsen van huisdieren, waar hij tot groot verdriet van
den mensch een bedrijvigheid openbaart, die door zijne familie-genooten
wel geëvenaard maar niet overtroffen kan worden. Daarentegen bewijst
hij ons ook diensten. Als de boeren goed voor de veiligheid van
hunne hoenderen, duiven en konijnen zorgen, hebben zij alle reden
om over hun gast tevreden te zijn, daar deze een onnoemelijk aantal
Ratten en Muizen vangt, de omgeving van bewoonde plaatsen volkomen
bevrijdt van Slangen, en hiervoor niets anders verlangt dan een warme
ligplaats in den donkersten hoek van den hooizolder. Er zijn streken,
waar men hem even gaarne ziet, als men hem op andere plaatsen haat.

Wij zijn het volkomen eens met Lenz, waar hij iederen boschbeambte
aanraadt den Bunzing in het bosch te sparen, want hier is hij geheel op
zijn plaats; hier doet hij ontegenzeggelijk veel goeds door het vangen
van Muizen en vooral ook van Adders, terwijl hij zich op het bouwland
bovendien zeer verdienstelijk maakt door het dooden van Hamsters. De
genoemde onderzoeker nam vele proeven met half-volwassen Bunzingen,
waaruit bleek, dat zij levende en doode Kikvorschen, Hazelwormen,
Ringslangen en Adders gretig verslinden, zich om de beten van de
Adders niet bekommeren en er ook geen nadeel van ondervinden.

De Bunzing voedt zich als een echte Marter met alle dieren die hij
overmeesteren kan. Hij is een vreeselijke vijand van alle Mollen, Veld-
en Huismuizen, Ratten en Hamsters, zelfs van de Egels, alsook van
alle Hoenderachtigen en Eenden. Kikvorschen zijn, naar het schijnt,
een lievelingsgerecht voor hem; hij vangt ze dikwijls in groote
menigte en verzamelt ze bij dozijnen in zijn woning. In geval van
nood is hij tevreden met Sprinkhanen en Slakken. Hij gaat echter
ook op de vischvangst; bij beken, meren en vijvers beloert hij de
Visschen, springt hen plotseling in 't water na, duikt en grijpt ze
zeer behendig; naar men zegt, haalt hij ze 's winters zelfs van onder
het ijs weg. Bovendien houdt hij veel van honig en vruchten. Zijn
bloedgierigheid is groot, hoewel minder dan die van de eigenlijke
Marters. In den regel doodt hij niet al het gevogelte, dat hij in
het door hem bezochte hok vindt, maar neemt het eerste het beste
dier en gaat er mede naar zijn schuilhoek; hij herhaalt echter zijn
bezoek verscheidene malen in één nacht. Meer dan andere soorten van
Marters heeft hij de gewoonte om voorraad bijeen te brengen; niet
zelden vindt men in zijne woningen een niet gering aantal Muizen,
Vogels, eieren en Kikvorschen bijeengeborgen. Door zijn behendigheid
valt het hem niet moeielijk, zich altijd van proviand te voorzien.

Alle bewegingen van den Bunzing zijn behendig, vlug en
doelmatig. Meesterlijk verstaat hij de kunst om een prooi te besluipen
en haar met een sprong te bereiken; met gemak loopt hij langs den
dunsten stang, klimt, zwemt, duikt, kortom maakt gebruik van allerlei
middelen om tot zijn doel te geraken. Bovendien is hij sluw, listig,
behoedzaam, voorzichtig en wantrouwend, zeer scherpzinnig en, als
hij aangevallen wordt, moedig, opvliegend en onmiddellijk gereed om
te bijten, dus volkomen geschikt tot het verrichten van rooverijen op
groote schaal. Op de wijze der Stinkdieren verdedigt hij zich in geval
van nood door het uitspuiten van een stinkende vloeistof; dikwijls
schrikt hij hierdoor de hem vervolgende Honden af. Hij is ongeloofelijk
taai van leven. Zonder er nadeel door te lijden springt hij van
een aanzienlijke hoogte naar beneden, verdraagt bijna onverschillig
allerlei pijnen en bezwijkt eerst na buitengewoon zware verwondingen.

Twee maanden na de paring, gewoonlijk in Mei, werpt het wijfje in
een hol, nog liever in een houtmijt of in een hoop takkebossen, 4 à
5, soms ook 6 jongen. De moeder houdt zeer veel van hare kinderen,
verzorgt ze op de liefderijkste wijze, en beschermt ze tegen iederen
vijand; soms zelfs gaat zij, bij het vernemen van gedruisch in de
nabijheid van het nest, ook zonder aangevallen te zijn, op menschen
af. Na een kindsheid, die ongeveer 6 weken duurt, gaan de jongen met
de ouden op roof uit; na afloop van de derde maand zijn zij bijna
even groot geworden als deze.

Men kan jonge Bunzingen door zoogende Katten laten voeden om ze
daarna te temmen; men beleeft echter niet veel genoegen van hen,
omdat de aangeboren bloeddorst zich mettertijd openbaart en zij dan
ieder weerloos huisdier vervolgen. Tegenover menschen gedragen de
in vrijheid levende Bunzingen zich soms zeer vermetel; voor kinderen
kunnen zij zelfs gevaarlijk worden.

"Te Verna, een dorp in Keur-Hessen," verhaalt Lenz, "had een
zesjarige knaap zijn broertje in de nabijheid van een kanaal op den
weg neergezet, om het met minder moeite te kunnen oppassen. Plotseling
kwamen drie Bunzingen te voorschijn en vielen op het kind aan. De
eene beet zich in den nek vast, de andere aan de zijde van het hoofd
en de derde aan het voorhoofd. Het kind begon luid te schreeuwen; de
knaap wilde het te hulp komen, maar van het kanaal kwamen nog andere
Bunzingen toegeloopen, die hem wilden aanvallen. Gelukkig kwamen
twee mannen van het veld de kinderen te hulp: zij sloegen twee van
de Bunzingen dood, waarna de overige de vlucht namen."

Wegens de aanzienlijke schade die het dier aanricht, wordt het bijna
overal met ijver vervolgd. Allerlei vallen en wapenen doen hierbij
dienst. Op plaatsen waar men zeer veel last van Muizen heeft, zou
het beter zijn, den Bunzing zijn gang te laten gaan, en de moeite
die de vangst van dit dier veroorzaakt, liever aan te wenden tot het
herstellen en beter sluiten van de hoenderhokken.--"Sommige lieden,"
schrijft Rombouts, "maken er hun vak van om Bunzings te vangen, zij
nebben daarin een bijzondere handigheid gekregen; met een langen stok
gewapend en van een paar Honden vergezeld, loopen zij de boerenerven
af en het gebeurt menigmaal, dat zij onder houtmijten en hooiklampen
een Bunzing weg halen, vóórdat de boer gemerkt heeft, dat hij zulk een
roover in zijn nabijheid had. Zulk een jacht werpt nog al voordeelen
af, want de huid wordt soms met zes gulden betaald."

Het vel van den Bunzing levert een warm en duurzaam pelswerk, dat
echter wegens zijn aanhoudenden en werkelijk onverdragelijken reuk
veel minder geschat wordt, dan het wegens zijn dichtheid verdient. Van
de lange staartharen maakt men penseelen; het vleesch is volkomen
onbruikbaar en wordt zelfs door de Honden versmaad.



Het is tegenwoordig voor alle natuuronderzoekers een uitgemaakte
zaak, dat het _Fret_ (_Putorius furo_) een door gevangenschap en
temming eenigszins veranderde afstammeling van den Bunzing is. Het
Fret is reeds sinds overouden tijd bekend, hoewel alleen in getemden
toestand. Aristoteles vermeldt het onder den naam _Iktis_, Plinius
noemt het _Viverra_. Op de Balearische eilanden hadden zich eens de
Konijnen zoo sterk vermenigvuldigd, dat de bewoners keizer Augustus
om hulp smeekten. Hij zond eenige "Viverrae" over, die zich zeer
verdienstelijk maakten. Zij werden in de gangen der Konijnen gelaten
en dreven de verderfelijke Knaagdieren er uit en in het net hunner
vijanden.

Het Fret gelijkt wat gestalte en grootte betreft, op een Bunzing. Wel
is het iets kleiner en schraler, maar dit is bij vele dieren het geval,
die geheel van den mensch afhankelijk zijn en dus slechts in den
gevangen staat leven. De lichaamslengte bedraagt 45 cM., zonder den
13 cM. langen staart. Dit is dezelfde verhouding als bij den Bunzing
voorkomt, die ook door den bouw van het geraamte niet noemenswaard
van het Fret verschilt. Gewoonlijk ziet men het Fret in Europa alleen
als "Kakkerlak" of Albino, d. w. z. witachtig geel, van onderen
iets donkerder van kleur en met lichtroode oogen. Slechts weinige
exemplaren hebben een donkerder en daardoor een echt Bunzingachtig
voorkomen. Met zekerheid kan men zeggen, dat men tot dusver nog geen
doorgaand verschil tusschen den Bunzing en het Fret heeft kunnen
vinden, en dat alle redenen die aangevoerd zijn, om te bewijzen dat
het Fret een afzonderlijke soort is, geen steek houden. Deze meening
was vooral gegrond op de grootere gevoeligheid en kouwelijkheid,
op de zachtaardigheid en grootere geschiktheid om getemd te worden
van het Fret in tegenstelling met de reeds genoemde eigenschappen van
den Bunzing. Mijns inziens bewijst echter dit feit even weinig als de
overige bewijsgronden, want alle Albinos zijn zwakkelijke, gevoelige
wezens. Eenige natuuronderzoekers hebben de meening uitgesproken,
dat het Fret uit Afrika afkomstig zou zijn, en zich vandaar over
Europa verbreid zou hebben; zij waren echter niet bij machte om voor
deze meening bewijzen aan te voeren.--Het Fret komt dus alleen in
gevangenschap voor en dient bij ons alleen voor de Konijnenjacht;
de Engelschen gebruiken het echter ook voor de Rattenjacht, en achten
de Fretten, die "Rattendooders" genoemd worden, veel hooger dan die,
welke alleen voor de Konijnenjacht kunnen dienen. Deze dieren worden
in een kist of een kooi geborgen; men moet ze dikwijls versch hooi
en stroo geven en 's winters tegen de koude beschutten. Gewoonlijk
worden zij met wittebrood en melk gevoed; het is voor hun gezondheid
echter veel beter, dat men hun malsch vleesch van pas gedoode dieren
geeft. Volgens de ervaringen van Lenz kan men ze met Kikvorschen,
Hagedissen en Slangen zeer goedkoop in 't leven houden; want zij
houden veel van allerlei Kruipende Dieren en Amphibiën.

In aard komt het Fret met den Bunzing overeen met dit verschil,
dat het niet zoo opgewekt is als deze; zijne bloedgierigheid en
rooflust zijn echter niet geringer dan die van zijn in 't wild
levenden broeder. Zelfs als het reeds nagenoeg verzadigd is, valt
het als een razende de Konijnen, Duiven en Hoenderen aan, pakt ze
in den nek en laat ze niet eerder los, voordat alle beweging van
de prooi ophoudt. Ongeloofelijk gretig wordt het bloed, dat uit de
wonden vloeit, opgelekt en ook de hersenen zijn, naar het schijnt, een
lekkernij. Amphibiën nadert deze roover met grootere voorzichtigheid
dan andere dieren, en van de gevaarlijkheid van de Adder schijnt
hij niet onbewust te zijn. Ringslangen en Hazelwormen grijpt hij,
volgens Lenz, zonder eenigen schroom aan, ook als hij deze dieren voor
de eerste maal ziet; hij pakt ze, ondanks hunne hevige kronkelingen,
bijt hun de wervelkolom stuk en verslindt ze dan gedeeltelijk. Uiterst
voorzichtig nadert hij echter de Adder en tracht dit valsch gedierte in
't middelste gedeelte van 't lichaam te bijten. Het Fret wordt door
den beet van de Adder niet gedood, maar wel ziek en lusteloos.

Zelden gelukt het, een Fret volkomen te temmen; er zijn echter
voorbeelden van bekend, dat enkele hun meester als een Hond op den voet
volgden en zonder schroom los loopen konden. De meeste maken, als zij
uit hun kooi ontsnappen kunnen, een ander gebruik van hun vrijheid;
zij begeven zich naar 't bosch, vestigen zich in een Konijnenhol,
dat hun gedurende den zomer als leger en toevluchtsoord dient, en
zijn na verloop van korten tijd den menschen geheel ontwend. Als zij
niet weder gevangen worden, sterven zij echter geregeld gedurende
den winter, omdat zij veel te gevoelig zijn om aan de winterkoude
weerstand te kunnen bieden.

De stem van het Fret is een dof geknor, als het pijn lijdt een schel
gekrijsch. Het laatstgenoemd geluid hoort men zelden; gewoonlijk ligt
het Fret volkomen stil ineengerold op zijn leger, en alleen als het
zijn roofgierigheid bevredigen kan, wordt het wakker en levendig.

Het wijfje werpt in het begin van Mei 5 à 8 jongen die 2 à 3 weken
blind blijven. Zij worden door de moeder zeer zorgvuldig verpleegd
en na verloop van omstreeks 2 maanden gespeend; dan zijn zij geschikt
om ieder afzonderlijk opgevoed te worden.

Ofschoon het Fret bij de Konijnenjacht uitstekende diensten bewijst,
is toch het voordeel, dat het aanbrengt, gering, in verhouding tot
de kosten die het veroorzaakt.

Des morgens begeeft men zich op de jacht. De Fretten worden in een
zacht bekleeden korf of kist, soms ook in de weitasch meegedragen. Bij
het konijnenhol gekomen, zoekt men alle daarbij behoorende gangen
op, legt voor ieder een zakvormig net van ongeveer 1 M. lengte,
dat om een grooten ring gevlochten en aan dezen vastgemaakt is;
men laat nu het Fret in den hoofdgang gaan, die vervolgens eveneens
gesloten wordt. Zoodra de Konijntjes den in hunne woning gedrongen
vijand bemerken, gaan zij verschrikt op de vlucht, komen in het net
en worden hier gedood. Het Fret zelf wordt door een kleinen muilkorf
of door het afvijlen van de tanden verhinderd, een Konijn in het hol
te dooden en krijgt een schel klinkend klokje aan den halsband, om
te maken, dat men steeds weten zal, waar het zich bevindt. Zoodra
het Fret weder aan den ingang van het hol verschijnt, wordt het
onmiddellijk opgenomen; want als het in het hol terugkeert, gaat het
daar slapen, en laat dan dikwijls uren lang op zich wachten. Van zeer
veel belang is het, dit dier aan fluiten of roepen te gewennen. Als
het niet buiten wil komen, tracht men het hiertoe te bewegen door
allerlei lokmiddelen. O. a. bindt men aan een dunne lat een Konijn
en steekt dit in het hol. Aan zulk een uitnoodiging tot bevrediging
van de bloedgierigheid, welke het Fret beheerscht, kan dit dier geen
weerstand bieden; het slaat zijne tanden in het Konijn en laat zich
met zijn prooi uit den gang trekken.

In Engeland gebruikt men het Fret minder voor de jacht op Konijnen, dan
wel voor die op Ratten en nog liever eenvoudig voor den strijd met deze
bijtlustige Knaagdieren. Een Fret, dat alleen voor de Konijnenjacht
werd afgericht, is, naar men zegt, volkomen onbruikbaar voor de
Rattenjacht, omdat het voor elke groote Rat bang is. De Rattenjager
moet dus opzettelijk voor zijn bedrijf opgevoed worden. In den beginne
laat men hem alleen met jonge en zwakke Ratten vechten; zoo gewent hij
langzamerhand aan den strijd en aan de zege. Dan wordt de aangeboren
bloeddorst in hem wakker; de moed van den kleinen roover neemt toe,
en ten slotte krijgt hij zulk een bekwaamheid in den strijd met het
bruine of zwarte wild, dat hij als 't ware wonderen verricht. Een
volkomen goed gedresseerde Fret kan in één uur tijds 50 Ratten dooden,
die zich in een ruimte van 2 bij 3 M. bevinden.

Soms ontmoet het Fret bij de Konijnenjacht onder den grond een dier,
dat een verlaten Konijnenhol als toevluchtsoord gebruikt, b.v. een
Bunzing; in dit geval ontstaat tusschen deze beide wezens een strijd
op leven en dood, die geenszins de goedkeuring wegdraagt van den
eigenaar van het getemde lid der Marter-familie, omdat deze alle
reden heeft om gevaar te duchten voor het leven van zijn jachtgezel.



De Wezel en hare naaste verwanten zijn nog veel slanker en gerekter
dan de overige Marters. Alle hiertoe behoorende soorten houden zich
het liefst op in velden, tuinen, holen in den grond, spleten in 't
gesteente, onder steenen en houtmijten; zij jagen bijna evenveel over
dag als 's nachts. Hoewel zij de kleinste leden van de Roofdieren-orde
zijn, onderscheiden zij zich zoozeer door moed en roofgierigheid,
dat zij als echte toonbeelden van de Marter-familie beschouwd kunnen
worden.

De _Wezel_ (_Putorius vulgaris_), in Friesland ook wel _Wezeling_
genoemd, bereikt een lichaamslengte van 20 cM., waarbij 4 1/2 cM. op
het korte staartje komen. Het buitengewoon gerekte lichaam ziet er,
wegens het geringe verschil tusschen hals en kop, nog slanker uit
dan het werkelijk is. Van den kop tot aan den staart bijna overal
even dik, is het lichaam slechts bij volwassenen in de liesstreek
een weinig versmald; aan den snuit is het eenigszins toegespitst. De
romp rust op zeer korte en dunne pooten met zeer fijnen voet; de
zool is tusschen de teenballen behaard; de teenen zijn met dunne,
spitse en scherpe klauwen gewapend. De betrekkelijk korte staart wordt
van den wortel tot de spits allengs dunner. De neus is stomp en door
een overlangsche groeve eenigszins verdeeld. De breede en afgeronde
ooren staan zijdelings en ver naar achteren; de scheef geplaatste
oogen zijn klein, maar zeer vurig. Een middelmatig lange, gladde
beharing bedekt het geheele lichaam en is alleen in de nabijheid
van de spits van den snuit een weinig overvloediger. Bovendien,
komen vóór en boven de oogen lange snorren en onder de oogen enkele
borstelharen voor. De kleur van de vacht is roodachtig bruin; de
rand van de bovenlip en de geheele onderzijde van 't lichaam alsmede
de binnenzijde van de pooten zijn wit. Achter elken mondhoek staat
een kleine, rondachtige, bruine vlek; soms bevinden zich ook enkele
bruine vlekken op den lichtgekleurden buik. In gematigde en zuidelijke
gewesten blijft de kleur 's zomers en 's winters in hoofdzaak dezelfde;
verder noordwaarts echter verkrijgt de Wezel, evenals de Hermelijn,
een winterkleed: wit met bruine vlekken of zuiver wit, echter zonder
de fraaie, zwarte staartspits, die den Hermelijn zoozeer onderscheidt.

De Wezel komt in geheel Europa vrij veelvuldig voor, hoewel misschien
niet in zoo groot aantal als in Noord-Azië; zij bewoont zoowel
de vlakke als de bergachtige streken, boomlooze vlakten zoowel
als bosschen, bevolkte plaatsen in niet minder grooten getale dan
eenzame. Hoe talrijk zij in ons land voorkomt, kan blijken uit het
door Van Bemmelen medegedeelde feit, dat tijdens het betalen van
premiën voor elk in ons land gedood Roofdier (tot in het jaar 1857
in gebruik) 5000 à 6000 Wezels ieder jaar werden aangegeven. Overal
vindt zij een voor haar geschikte verblijfplaats, want zij weet van de
omstandigheden partij te trekken, en ontdekt overal een schuilhoek,
die haar voldoende beveiligt tegen groote vijanden. Zoo woont zij nu
eens in holle boomen, in steenhoopen, in bouwvallen, dan weer onder
holle oevers, in mollegangen, hamster- en rattenholen, in den winter
in wagenhuizen en schuren, kelders en stallen, op vlieringen enz.,
dikwijls ook in steden. Waar zij met vrede wordt gelaten, zwerft zij
ook over dag rond; waar zij zich vervolgd ziet, jaagt zij alleen des
nachts, of neemt over dag de uiterste voorzichtigheid in acht.

Als men oplettend en zonder gedruisch te maken, plaatsen voorbij gaat,
waar zij zich verscholen heeft, kan men licht het genoegen smaken, haar
te beluisteren. Men hoort een onbeduidend geritsel in de afgevallen
bladen en ziet een bruin diertje zich voortreppen, dat, zoodra het
den mensch bemerkt, argwaan toont en op de achterpooten gaat staan,
om beter te kunnen rondkijken. Gewoonlijk denkt het dwergje er niet
aan, de vlucht te nemen; het kijkt integendeel moedig en vermetel de
wereld in, en neemt een echt uitdagende houding aan. Als men het tot
op korten afstand nadert, is het ook wel driest genoeg, zelf nader
bij den rustverstoorder te komen en dezen met een onbeschrijfelijke
onbeschaamdheid aan te kijken, alsof het wilde onderzoeken, wat deze
ongenoode gast hier eigenlijk te maken heeft.

Meer dan eens is het gebeurd, dat dit stoutmoedige dier zelfs den
mensch aangevallen en eerst na langen strijd losgelaten heeft. Ook
heeft het zich wel eens met de tanden vastgehecht aan een poot van
een voorbijgaand Paard, zoodat het eerst door de vereende inspanning
van paard en ruiter afgeschud kon worden. De moed gaat hier met een
onvergelijkelijke tegenwoordigheid van geest gepaard, waardoor de Wezel
bijna altijd nog een uitweg vindt. Zelfs als zij door de klauwen van
een Roofvogel gegrepen is, acht zij zich nog niet verloren. Zoo heeft
men eens een Wouw op het veld zien neerschieten om een klein Zoogdier
op te nemen, waarmede hij zich in de lucht verhief. Op eens begon de
Vogel te slingeren; zijn beweging werd onvast; weldra stortte hij dood
ter aarde. De hierover verbaasde toeschouwer zag, toen hij nader kwam,
een Wezel zich vlug voortreppen. Zij had haar vreeselijken vijand
behendig den hals stukgebeten en zoo haar eigen leven gered.

In de hoogste mate moedig en vermetel, is de Wezel een werkelijk
weergalooze roover, die aan alle kleine Zoogdieren den oorlog
heeft verklaard, en onder hen dikwijls een ontzettende slachting
aanricht. Van de Zoogdieren vallen haar ten buit: Huis-, Bosch-
en Veldmuizen, Water- en Huisratten, Mollen, jonge Hamsters, Hazen
en Konijnen. Uit de klasse der Vogels rooft zij: jonge Hoenderen
en Duiven, Leeuweriken en andere op den grond levende Vogels, en
zelfs zulke, die op boomen slapen; zij plundert ook hunne nesten,
voorzoover zij deze bereiken kan. Onder de Kruipende Dieren maakt
zij jacht op Hagedissen, Hazelwormen en Ringslangen en durft zelfs de
gevaarlijke Adder aan te vallen, hoewel zij na eenige malen gebeten
te zijn, bezwijkt. Bovendien eet zij ook kikvorschen en Visschen,
kortom zij gebruikt iedere soort van vleesch, zelfs dat van dieren
van haar eigen soort. Insecten van allerlei orden beschouwt zij
als een lekkernij; als zij Kreeften kan machtig worden, weet zij
hun harde schaal behendig stuk te maken. Haar geringe grootte en
ongeloofelijke vlugheid komen haar op de jacht goed te stade. Men
kan gerust zeggen, dat geen enkel klein dier veilig voor haar is. Men
heeft zelfs waargenomen, dat zij in vereeniging met hare soortgenooten
jaagt, wat geen verwondering kan wekken, als men bedenkt, dat zij
gezellig leeft, en op sommige plaatsen in grooten getale gevonden
wordt: zoo zag Pechuel-Loesche een troep van zeven volwassen Wezels,
waarschijnlijk tot één familie behoorend, over dag een met struiken
begroeid terrein doorzoeken; zij deden dit op de gewone wijze, zonder
zich veel te bekommeren om de haar volgende toeschouwers. De Wezel
pakt kleine dieren in den nek of bij den kop; groote tracht zij aan
den hals te grijpen. Eieren zuigt zij uit, zonder dat er een druppel
van den inhoud verloren gaat; behendig worden hiervoor aan het eene
einde één of verscheidene gaten gemaakt. Groote eieren klemt zij,
naar men zegt, als zij ze vervoeren moet, tusschen de kin en de borst,
kleinere draagt zij in den bek weg. Bij grootere dieren stelt zij
zich tevreden met het bloed, dat zij oplekt, zonder het vleesch aan
te raken, kleinere dieren verslindt zij geheel: die, welke zij eens
gepakt heeft, laat zij niet weder los. In de onmiddellijke nabijheid
van bewoonde gebouwen jaagt zij bijna zonder eenigen schroom.

In Mei of Juni, na een draagtijd van vijf weken, krijgt het wijfje
3 à 8 jongen, die zij meestal in een hollen boom of in een van hare
onderaardsche schuilplaatsen ter wereld brengt, altijd echter op een
verborgen plaats, in een nest, dat van stroo, hooi, droge bladen en
dergelijke materialen vervaardigd is, neerlegt. Zij koestert zeer
veel genegenheid voor hare jongen, zoogt ze gedurende langen tijd
en voedert ze daarna nog verscheidene maanden achtereen met Huis-,
Bosch- en Veldmuizen, die zij hun in levenden toestand brengt. Als
de jongen verontrust worden, draagt de moeder hen met den bek naar
een andere plaats. In tijd van gevaar verdedigt zij haar kroost met
grenzenloozen moed. Zoodra deze alleraardigste diertjes volwassen zijn,
spelen zij over dag dikwijls met hun moeder; een even merkwaardig als
aantrekkelijk familieleven aanschouwt men, als allen in het felste
zonnelicht zich vermaken op een weide, waarin vele onderaardsche
gangen, vooral mollegaten, voorkomen.

Jonge Wezels, die de moeder nog niet verlaten hebben, zijn het best
geschikt om getemd te worden. De meening, dat deze dieren ontembaar
zouden zijn, is sedert Buffon van den eenen natuuronderzoeker
op den anderen overgegaan; voor de volwassene is zij niet geheel
ongegrond. Wezels, die sinds haar kinderlijken leeftijd met den
mensch verkeeren, worden echter buitengewoon tam en zijn dan
allerliefst. Hierover komt in Wood's "_Natural History_" een door
vrouwenhand geschreven verhaal voor, waarvan ik een uittreksel
zal geven.

"Als ik een weinig melk in mijn hand giet," zegt de bedoelde dame,
"drinkt mijn tamme Wezel daarvan een behoorlijke, hoeveelheid; zij zal
echter niet licht een druppel van deze haar zoo goed smakende vloeistof
nemen, als ik haar niet de eer aandoe, mijn hand als drinkbeker te
mogen gebruiken. Zoodra zij verzadigd is, gaat zij slapen. Mijne kamer
is haar gewone verblijfplaats, daar ik een middel heb gevonden om den
onaangenamen reuk van dit diertje door welriekende stoffen volkomen
weg te nemen. Over dag is haar slaapplaats een voetkussen, waarin
zij heeft weten door te dringen; gedurende den nacht dient hiervoor
een blikken doos in een kooi; zij houdt echter volstrekt niet van
deze gevangenis en verlaat haar met genoegen. Als zij haar vrijheid
herkrijgt, voordat ik wakker word, komt zij in mijn bed en kruipt na
tal van kapriolen onder de dekens om in mijn hand of aan mijn boezem
te rusten. Als ik bij haar komst al wakker ben, houdt zij zich wel een
half uur met mij bezig en liefkoost mij op allerlei wijzen. Zij speelt
met mijne vingers als een hondje, springt mij op het hoofd of in den
nek, of klimt bij mijn arm of bij mijn lichaam op met zulke vlugge en
sierlijke bewegingen, als ik bij geen ander dier heb waargenomen. Als
ik haar op een afstand van 1 M. mijn hand voorhoud, springt zij er
in, zonder ooit te vallen. Om in het een of ander geval haar zin te
krijgen, handelt zij met veel overleg en list; dikwijls schijnt het,
alsof zij uit lust tot ongehoorzaamheid een verbod niet telt.

"Het diertje herkent mijn stem uit twintig andere, weet mij spoedig
te vinden en springt over iedereen heen, om bij mij te komen.

"Een bijzondere eigenschap van mijn bevallige beschermeling is haar
nieuwsgierigheid. Het is letterlijk onmogelijk een kist, een kastje
of een doos te openen, ja zelfs eenvoudig naar een papier te kijken,
zonder dat ook mijn Wezel het voorwerp beschouwt. Als ik haar ergens
heen wil lokken, heb ik niets anders te doen, dan een stuk papier of
een boek te nemen en er aandachtig naar te zien; dadelijk komt zij bij
mij, loopt over mijn hand heen, en bekijkt het voorwerp dat ik bezie,
met de grootste opmerkzaamheid. Ten slotte moet ik er nog op wijzen,
dat het dier graag speelt met een jonge Kat en een Hond, die beide
reeds tamelijk groot zijn."

Bij goede behandeling kan een Wezel 4 à 6 jaren in gevangenschap leven;
waarschijnlijk kan het in den natuurstaat een leeftijd van 8 à 10
jaar bereiken. Ongelukkig worden deze kleine, nuttige diertjes door
onwetende menschen veel vervolgd en uit pure baldadigheid gedood. In
vallen met een lokaas van eieren, vogeltjes of Muizen kan men de
Wezel gemakkelijk vangen. Dikwijls vangt men haar in rattenvallen,
waarin zij bij toeval geraakt. In plaats van dit voortreffelijk
dier te vervolgen, zou men het wegens het groote nut dat het sticht,
zorgvuldig moeten beschermen. Gerust mag men beweren, dat geen enkel
dier zoo uitmuntend uitgerust is voor de muizenvangst als de Wezel.



De naaste verwant van de Wezel is de _Hermelijn_ (_Mustela
erminea_). In zijn zomerkleed wordt hij gewoonlijk, evenals _Mustela
vulgaris_, "_Wezel_" genoemd en met deze verward; terwijl hij in het
winterkleed _Hermelijntje_ en _Witte Wezel_ heet, ook _Harmpje_,
_Harmel_ en _Harmken_ (in Gelderland en Overijsel). Hij gelijkt
zeer veel op de Wezel door zijn gestalte en levenswijze, maar is
aanmerkelijk grooter dan zijn kleine geslachtsgenoot. Hij heeft een
lengte van 32 à 33 cM., waarvan 9 cM. voor den staart; in noordelijker
landen wordt hij, zegt men, grooter dan bij ons. De bovendeelen en
de staartwortelhelft zijn in den zomer bruinrood, in den winter
wit; zij hebben in 't eerstgenoemde seizoen bruinroodachtig, in
't laatstgenoemde wit wolhaar; de onderzijde is altijd wit met een
geelachtige tint; de achterste helft van den staart is altijd zwart.

De kleursverandering, die de Hermelijn in den zomer en in den winter
ondergaat, wordt door de natuuronderzoekers op verschillende wijzen
verklaard. Eenige nemen aan, dat dit dier twee maal verhaart; anderen,
waarbij ik mij voeg, zijn van oordeel, dat het zomerhaar tegen den
winter, als het fel koud begint te worden, eenvoudig verbleekt,
zooals men dit bij den Sneeuwhaas en den Poolvos kan waarnemen. Over
de kleursverandering in de lente heeft de Zweedsche onderzoeker
Grill, wiens interessante beschrijvingen wij zullen mededeelen, bij
gevangene dieren zeer volledige gegevens verzameld: "Den 4en Maart",
zegt hij, "kon ik voor 't eerst eenige donkere haren tusschen de oogen
bespeuren. Den 10en zag ik op dezelfde plaats een bruine, hier en daar
door wit afgebroken vlek, half zoo breed als het voorhoofd. Boven de
oogen en om den neus vertoonden zich nu verscheidene kleine, donkere
vlekken. Als het dier zich kromde, zag men, dat de diepst gelegen
deelen van de vacht langs het midden van den rug, onder de schouders en
op de kruin donker waren. De kleursverandering had zeer snel plaats,
vooral in den beginne, zoodat er dagelijks, ja zelfs iederen halven
dag verschil viel op te merken. Den 3en April waren alleen de volgende
deelen nog wit: de onderzijde van den hals en van de keel, de geheele
buik, de ooren en de ruimte tusschen deze en de oogen, die met een
kleinen ring omgeven waren, een kort stuk vóór de zwarte helft van
den staart, en de geheele onderzijde van de voorste staarthelft,
de geheele voet alsmede de binnenzijde van voor- en achterzijde van
de dijen. Den 19den waren ook de ooren bruin, op een klein deel van
den onderrand na. Het haarkleed is op geen enkele plaats borstelig
geweest, behalve aan het voorhoofd, waar verscheidene witte haren bij
elkander zitten en kleine vlekken vormen. Eerst groeiden de donkere
haren _alle tegelijk_ naar buiten, en, voordat zij gelijke hoogte
hadden als de witte, waren deze reeds uitgevallen. Waarschijnlijk
heeft de eigenlijke haarwisseling in de eerste helft van de maand
Maart plaats; na den 19den Maart heeft het bruine haarkleed zich
eenvoudig meer uitgebreid en allengs het witte verdrongen."

De Hermelijn heeft een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied in het
noordelijke faunistische rijk van de Oude Wereld. Hij bewoont geheel
Europa, voor zoover het ten noorden van de Pyreneeën en van den Balkan
gelegen is; bovendien komt hij in Noord- en Middel-Azië tot aan de
oostkust van Siberië voor. In Klein-Azië, Perzië en Afghanistan heeft
men hem eveneens waargenomen. In geen dezer landen is hij zeldzaam;
zoowel in ons land als in Duitschland is bij een der meest veelvuldige
Roofdieren.

Evenals de Wezel neemt ook de Hermelijn elk gewest, ja zelfs iedere
plaats voor lief; hij heeft er slag van, zich overal op de aangenaamst
mogelijke wijze in te richten. Gaten in den grond, gangen van Mollen
en Hamsters, rotskloven, gaten en spleten in muren, steenhoopen,
boomen, onbewoonde gebouwen en honderd andere dergelijke gelegenheden
verschaffen hem een ligplaats en een schuilplaats gedurende den dag,
dien hij voor een groot deel in zijn woning verslaapt, ofschoon
het volstrekt geen zeldzaamheid is, dat hij bij helder zonlicht
in de vrije natuur rondloopt en zich driest aan de blikken der
menschen blootstelt. Zijn eigenlijke jachttijd vangt echter eerst
met de schemering aan. Reeds tegen den avond begint hij zich te
roeren. Wie omstreeks dezen tijd de voor Hermelijnen geschikte plaatsen
voorbijgaat, zal, zonder te zoeken, weldra een dezer scherpzinnige en
schrandere dieren opmerken. Zonder overdrijving mag men den Hermelijn
een meester in alle lichaamsoefeningen noemen. Hij loopt en springt
uitmuntend, klimt voortreffelijk en zwemt, als 't noodig is, snel en
onbeschroomd over een breed water.

De geestesgaven van den Hermelijn zijn in volkomen harmonie met
zijne lichamelijke bekwaamheden. Hij is even moedig als zijn kleine
stamgenoot; een onbedwingbare moordlust en de bloedgierigheid, die
aan alle leden van zijn geslacht eigen is, maken de grondtrekken van
zijn karakter uit.

De Hermelijn maakt, om zich voedsel te verschaffen, jacht op
alle soorten van kleine Zoogdieren en Vogels, die hij door list
overweldigen kan, en waagt niet zelden een aanval op dieren, die hem
in lichaamsgrootte aanmerkelijk overtreffen. Hij leeft aanhoudend
op voet van oorlog met de Muizen, Hamsters, Mollen en Konijnen, met
de Musschen, Leeuweriken, Duiven, Hoenderen en Zwaluwen, die hij uit
hunne nesten haalt, met de Slangen en Hagedissen; zelfs de Hazen zijn
niet veilig voor hem.

Wie een Hermelijn kan bespieden bij een van zijne liefste
jachtbedrijven, n.l. bij het vervolgen van een Waterrat, zal een
alleraardigst schouwspel genieten. Het vlugge Knaagdier wordt door
den onverbeterlijken roover te water en te land nagespoord en delft
steeds het onderspit, hoe ongunstig het eigenlijke element van deze
Ratten voor den Hermelijn schijnbaar is. Het Roofdier begint met alle
holen te besnuffelen. Zijn fijne reuk verraadt hem zonder fout, of
een dezer woningen op dit oogenblik als rustplaats dient voor een of
twee Ratten. Zoodra de Hermelijn een hol ontdekt heeft, dat hem buit
belooft, gaat hij er zonder aarzeling in. De Rat weet natuurlijk geen
beteren raad, dan hals over kop te water te gaan; zij is voornemens
door het rietbosch te zwemmen, maar dit beveiligt haar niet voor
haar onvermoeiden vervolger en ergsten vijand. Den kop en den nek
boven het water houdend, zooals een zwemmende Hond pleegt te doen,
glijdt de Hermelijn met de behendigheid van den Vischotter door het
hem eigenlijk vreemde element en vervolgt met zijn bekende volharding
de vluchtende Rat. Deze is verloren, als niet een toeval haar redt.

Men vangt den Hermelijn in vallen van allerlei soort, dikwijls ook in
rattenvallen, waarin hij bij toeval geraakt. Jong uit het nest genomen
Hermelijnen worden zeer tam en verschaffen hun verzorger veel genoegen;
men zegt dat sommige zoo tam worden, dat men hun toestaan kan, naar
verkiezing te komen en te gaan, en dat zij hun meester als een Hond
volgen. Maar ook met op lateren leeftijd gevangen dieren gelukt het
temmen soms.

"Eenige dagen voor Kerstmis 1843," verhaalt Grill, "kreeg ik een
mannelijken Hermelijn, die in een houtmijt gevangen was. Hij droeg
zijn zuiver winterkleed. De zwarte ronde oogen, de roodbruine neus en
de zwarte staartspits staken sterk af bij de sneeuwwitte vacht, die
slechts aan den wortel en aan de binnenste helft van den staart een
fraaie, zwavelgele tint vertoonde. Het was een allerliefst, uiterst
beweeglijk diertje. Ik plaatste het aanvankelijk in een groote,
onbewoonde kamer, waarin zich weldra de onaangename reuk verbreidde,
die aan alle leden van het Martergeslacht eigen is. Zijn vaardigheid
in het klimmen, springen en zich verbergen was bewonderenswaardig. Met
gemak klauterde hij bij de venstergordijnen omhoog; als hij daarboven
verschrikt werd, liet hij zich dikwijls met een angstkreet op den
vloer vallen. Op den tweeden dag klom hij bij de kachelpijp op, en
bleef daar, zonder iets van zich te laten hooren, totdat hij eindelijk,
na verscheidene uren, met roet bedekt weer te voorschijn kwam. Dikwijls
fopte hij mij uren achtereen, als ik hem zocht, totdat ik hem eindelijk
verscholen vond op een plaats, waar ik hem het minst vermoedde. Daar er
in de kamer niet gestookt werd, gebruikte hij een bedstede als leger,
en koos voor zich een bepaalde plaats uit, die hij echter onmiddellijk
verliet, als iemand de deur binnenkwam. Het bed bleef echter van nu
af zijn liefste schuilplaats. Gewoonlijk zoekt hij dit op, als men
snel op hem afgaat; wanneer men hem echter vriendelijk toespreekt
en overigens geen beweging maakt, blijft hij dikwijls staan of gaat
nieuwsgierig eenige schreden vooruit, waarbij hij zijn langen hals
vooruitsteekt, en een van de voorpooten optilt. De nieuwsgierigheid
van dit dier is algemeen bekend, en heeft aanleiding gegeven tot de in
Zweden gebruikelijke spreekwijze: 'het Wezeltje heeft er schik in, als
men het prijst.' Als hij zeer opmerkzaam is, of als iets hem verdacht
voorkomt en hij verder wil zien dan zijn geringe hoogte toelaat, gaat
hij op de achterpooten staan en richt het lichaam hoog op. Als men
nadert, blaft hij, voordat hij vlucht, met een hard en schel geluid,
dat nog het meest op de stem van den Grooten Bonten Specht gelijkt. Nog
vaker verneemt men van hem een gesis als dat van een Slang.

"Toen de Hermelijn op den derden dag in een groote kooi werd geplaatst,
waaruit hij, naar hem duidelijk bleek, niet ontsnappen kon, en waar hij
zich veilig achtte, liet hij niemand naderen, zonder naar de traliën
te springen, hevig met de tanden te dreigen en het reeds genoemde
geluid, gevolgd door een langen triller, die zeer veel op het tjakkeren
van een Ekster geleek te laten hooren. In de kooi was hij niet bang
voor den Hond, wiens geblaf hij beantwoordde, terwijl beide dieren
dicht bij elkaar, maar ieder aan een andere zijde van de traliën,
stonden. Als men een voorwerp, b.v. den vinger van een handschoen
door de traliën stak, beet hij er in en trok er met kracht aan.

"Als hij zeer boos is (en dit wordt hij reeds, als men hem van zijn
leger opjaagt), staat elk haar van zijn langen staart overeind. Over
't geheel genomen is hij zeer boosaardig. Van muziek heeft hij een
afkeer. Als iemand voor de kooi op de gitaar speelt, springt hij,
alsof hij gek is, bij de traliën op, en blaft en sist zoolang als
de muziek aanhoudt. Hij tracht nooit de klauwen voor het verscheuren
van zijn prooi te gebruiken, maar pakt deze steeds met de tanden aan.

"Eerst op den 7den Mei, nadat ik het dier ongeveer 4 1/2 maand gehad
had, beproefde ik hem te streelen, maar had uit voorzorg handschoenen
aangetrokken. Hoewel hij zich hierin vastbeet, voelde ik de spitsen
zijner tanden niet, en deze lieten dan ook geen sporen achter. In
't eerst trachtte hij mijne liefkoozingen te ontwijken; ten slotte
bleek het echter duidelijk, dat zij hem welgevallig waren: hij ging
op den rug liggen en sloot de oogen. Den volgenden dag herhaalde ik
mijne pogingen, daar ik mij vast voorgenomen had, het dier zoo tam te
maken, als mogelijk was. Weldra kon ik mij zonder handschoenen aan
even veilig als vroeger met hem bezighouden. Hij liet zich gewillig
streelen en krauwen, zoolang ik dit verkoos; ik kon hem den poot
oplichten, ja zelfs den bek openen, zonder dat hij boos werd. Als ik
echter zijn lichaam omvatte, gleed hij mij vlug en zonder inspanning
als een Aal door de vingers. Om hem niet bang te maken, moest men hem
zachtjes naderen; bij de behandeling van deze en andere wilde dieren
komt het er vooral op aan te gelijker tijd te toonen, dat men niet
bang is en dat men het dier geen kwaad wil doen."

Het vel van den Hermelijn levert bont, dat wegens zijn fraaiheid
geschat wordt, maar niet duur is. Vroeger werd het alleen door
vorstelijke personen gedragen; het is nu veel algemeener geworden.



De _Nerts_ en zijne naaste verwanten komen veel met den Bunzing
overeen; zij verschillen van dezen alleen door den iets platteren kop,
de meerdere grootte van de knobbelkies, de korte pooten, de spanvliezen
tusschen de teenen, die vooral aan de achterpooten duidelijk zichtbaar
zijn, den naar verhouding iets langeren staart en het glanzige, met
dicht bijeengeplaatste, glad neerliggende, korte haren bedekte vel,
hetwelk aan dat van den Vischotter herinnert, ook door de kleur, die
zoowel van boven als aan de onderzijde effen bruin is. Behalve de
Europeesche _Nerts_ beschrijven wij den Amerikaanschen _Mink_. Tot
in den laatsten tijd wist men van de levenswijze dezer beide dieren
slechts zeer weinig af, en ook thans nog zijn de bekend geworden
onderzoekingen verre van volledig, althans wat de Europeesche soort
betreft. Aan de vriendelijkheid van een jachtliefhebber uit de
omstreken van Lubeck dank ik een belangrijke uitbreiding van onze
bekendheid met den Nerts; over den Mink hebben Audubon en de _prins_
von Wied mededeelingen gedaan.

De _Nerts_, die ook wel _Kreeftotter_, _Steenhond_, _Waterwezel_ en
bij Lubeck _Menk_ of _Watermenk_ (_Putorius lutreola_) wordt genoemd,
bereikt een lengte van 50 cM., waarvan ongeveer 14 cM. op den staart
komen. Het lichaam is gerekt en slank; het rust op korte pooten, en
gelijkt over 't geheel genomen op dat van den Vischotter; de kop is
echter nog slanker dan bij dit verwante dier. De voeten gelijken op die
van den Bunzing, maar alle teenen zijn, zooals reeds gezegd is, door
vliezen met elkander verbonden. De glanzige vacht bestaat uit dichte
en glad aanliggende, korte, vrij harde bovenharen van bruine kleur,
waartusschen en waaronder het grijsachtige, zeer dichte wolhaar zich
bevindt. Op het midden van den rug, vooral echter aan den nek en op
het achterlijf, is de kleur het donkerst, ook de haren van den staart
zijn gewoonlijk donkerder dan die van de zijden van den romp. Aan de
buikzijde gaat de kleur in grijsbruin over. Een kleine, lichtgele of
witachtige vlek bevindt zich aan de keel; de bovenlip is van voren,
de onderlip over hare geheele lengte wit.

Nagenoeg dezelfde kleur heeft de vacht van den _Mink_ (_Putorius
vison_), die veel hooger geschat wordt, omdat zij wolliger en
zachter is.

Ten aanzien van de levenswijze zullen de beide dieren waarschijnlijk
in alle hoofdzaken overeenstemmen; daarom komt het mij wenschelijk
voor, aan de korte beschrijving van de gewoonten en den aard van den
Nerts een overzicht van de belangrijkste feiten uit de mededeelingen
van de reeds genoemde Amerikaansche onderzoekers over den Mink te
laten voorafgaan.

Na den Hermelijn is, volgens Audubon's bericht, de Mink het ijverigste
en vernielzuchtigste Roofdier, dat om het boerenerf of om den
Eenden-vijver van den landman zwerft; de aanwezigheid van een of
twee dezer dieren zal weldra blijken uit het plotseling verdwijnen
van verscheidene jonge Eenden en kuikens. Geduld is het eenige middel
om den schadelijken roover kwijt te raken. Audubon ondervond dit zelf
bij een Mink, die zich in de onmiddellijke nabijheid van zijn huis in
den steenen dam van een kleinen vijver had genesteld. De vijver was
eigenlijk voor de Eenden van de plaats, door opstuwing van het water,
aangelegd, en bood dus het Roofdier een goed voorzien jachtgebied
aan. Zijn schuilhoek was even vermetel als listig gekozen: zeer dicht
bij het huis en nog nader bij de plaats, waarlangs de Hoenderen moesten
afdalen om te drinken. Vóór het hol lagen twee groote stukken graniet;
zij dienden den Mink tot uitkijkplaats, van waar hij de boerderij
en den vijver kon overzien. Hier lag hij dag in dag uit uren lang op
de loer, en van hier uit roofde hij op klaarlichten dag Hoenderen en
Eenden, totdat onze berichtgever aan zijn bedrijf een einde maakte,
na lang op hem geloerd te hebben.

Vooral aan den Ohio trof Audubon den Mink zeer veelvuldig aan; hij
merkte op, dat dit dier ook nuttig is door de vangst van Muizen en
Ratten. Behalve met dit voor den mensch voordeelig bedrijf houdt hij
zich ook met allerlei wilddieverijen en vooral met de vischvangst
bezig. Volgens de waarnemingen van onzen zegsman, zwemt en duikt de
Mink met de grootste behendigheid, en maakt, evenals de Otter, jacht op
de snelste Visschen, zelfs op de Zalmen en Forellen. In geval van nood
behelpt hij zich trouwens ook met Kikvorschen en Salamanders; wanneer
de gelegenheid hiervoor bestaat, is hij echter zeer kieschkeurig. In
het moeras volgt hij de Waterratten, Rietmusschen, Vinken en Eenden,
aan de oevers der meren maakt hij jacht op Hazen, aan de zeekust zamelt
hij Oesters in en van den bodem der rivieren haalt hij schelpdieren
op: kortom hij weet zich overal naar de gesteldheid van de plaats
in te richten en altijd iets buit te maken. Als hij beangst is,
verbreidt hij evenals de Bunzing, een zeer onaangenamen reuk.

De 5 of 6 jongen, die ieder wijfje werpt, vindt men tegen einde van
April in holen onder overhangende oevers of op kleine eilandjes,
in het moeras en ook wel in holle boomen. Als men ze spoedig uit
het nest neemt, worden zij zeer tam, men kan er mede omgaan als met
schoothondjes. Richardson zag er een in het bezit van een Canadeesche
vrouw, die het diertje over dag in een zak van haar kleed bij zich
droeg.

De Mink laat zich licht vangen in alle soorten van vallen; hij wordt
even vaak geschoten als gevangen; wegens de taaiheid van zijn leven
heeft hij echter een goed schot noodig.

Over den Nerts zijn de berichten veel onvollediger. Reeds Wildungen
zegt in zijn "Nieuwjaarsgeschenk voor bosch- en jachtliefhebbers," voor
het jaar 1799, dat de Moerasotter een in Duitschland zeer zeldzaam, aan
menigen wakkeren jager waarschijnlijk nog geheel onbekend dier is,--dat
hij reeds lang gewenscht had, nader met dit dier bekend te worden,
en dat hij de vervulling van dezen wensch alleen aan de onvermoeide
zorg van Graaf Mellin te danken heeft. Van dezen natuuronderzoeker
deelt hij eenige waarnemingen mede. "Door zijn loopen met gekromden
rug, door zijn vaardigheid in het sluipen door de nauwste openingen
gelijkt de Nerts op den Marter. Evenals het Fret is hij voortdurend
in beweging om alle hoeken en gaten te onderzoeken. Hij loopt slecht,
klimt ook niet in de boomen, is echter, evenals de Gewone Vischotter,
een zeer bekwaam zwemmer, die zeer lang onder water kan blijven.

"De Moerasotter houdt van stilte en eenzaamheid op zijn
woonplaats. Hoewel hij de menschen ontwijkt en met grooter
schranderheid aan hunne vervolgingen weet te ontkomen, bezoekt hij toch
soms de hokken van het huisgevogelte, en moordt dan, evenals de Marter
en de Bunzing, zoolang er nog Vogels zijn en hij niet gestoord wordt;
dit geschiedt echter alleen in afgelegene visscherswoningen; ik heb
nooit gehoord, dat hij in dorpen is gekomen, om daar te rooven. Zijn
gewone voedsel bestaat uit Visschen, Vorschen, Kreeften, Slakken;
waarschijnlijk vallen hem ook vele jonge Snippen en waterhoenderen
ten buit. Door den verlokkend hoogen prijs van zijn vel, dat ook
in den zomer goed is, wordt de vervolging van het steeds zeldzamer
wordende dier zeer in de hand gewerkt; indien de thans heerschende
zachte winters hem niet eenigermate voordeelig zijn geweest, is het
niet onmogelijk, dat deze diersoort ook in Pommeren, waar Mellin haar
heeft weggenomen, weldra geheel uitgeroeid zal zijn."

In deze mededeelingen is eigenlijk alles bevat, wat wij tot dusver
van den Nerts vernomen hebben. De vrees, dat hij in Duitschland
geheel uitgeroeid zou zijn, is langzamerhand vrij algemeen geworden,
maar berust gelukkig niet op goede gronden. De Nerts komt in
Noord-Duitschland nog allerwege voor, hoewel overal in zeer gering
aantal. Zijn eigenlijk vaderland is het oosten van Europa: Finland,
Polen, Litauen, Rusland. Hier vindt men hem van de Oostzee tot den
Oeral, van den Dwina tot de Zwarte Zee, en niet bijzonder zeldzaam. In
Bessarabië, Zevenburgen en Galicië leeft hij ook. In Moravië behoort
hij tot de zeer zeldzame dieren; in Silezië wordt hij nu en dan
gevangen. Dat hij in Holstein voorkomt, wist men, zonder hierover
echter iets bepaalds te kunnen mededeelen. Des te meer verblijdde het
mij, dat ik van een in de natuurwetenschap ervaren jachtliefhebber,
van den houtvester Claudius, berichten over dit dier ontving:

"De Nerts houdt van de moerassige en met riet begroeide omstreken
van meren en rivieren, waar hij, evenals de Bunzing, een hol in een
damvormige verhevenheid te midden van de elzenwortels tot woning kiest;
hij graaft dit hol zoo dicht mogelijk bij het water, en voorziet het
met weinig uitgangen, die aan den waterkant open zijn. Vluchtgangen
in een andere richting of gangen naar naburige dammen worden hier
niet gevonden. Terwijl de Bunzing, die uit zijn hol verdreven is,
zich in geen geval te water begeeft, maar altijd zijn heil zoekt in
de vlucht op het land, waar hij een voldoend aantal schuilhoeken kent,
stort de Menk zich in zulke omstandigheden onmiddelijk in 't water en
wel in vertikale richting; hij duikt onder en onttrekt zich op deze
wijze aan de blikken zijner vervolgers. Het gelukt zelden hem in 't
water te schieten, daar hij lang onder de oppervlakte blijft en steeds
op een verafgelegen plaats weder te voorschijn komt. Voor den Hond is
hij in het water, zelfs wanneer dit beperkte afmetingen heeft, veilig."

Jaren zijn voorbijgegaan, voordat Claudius, en door zijn tusschenkomst
ik, het gewenschte doel bereikte en in het bezit geraakte van een
levenden Nerts. Eerst in het begin van 1868 kon mijn ijverige vriend
mij mededeelen, dat er een wijfje van deze soort gevangen en bij
hem gebracht was; het dier werd met melk en versch vleesch gevoed
en bevond zich daarbij zeer wel; zijn verzorger hoopte, wegens de
bedaarde gemoedstemming van het dier, dat de door het ijzer van de
val veroorzaakte wonden weldra genezen zouden zijn. "De Nerts is," zoo
schreef Claudius mij, "veel goedaardiger dan zijne geslachtsgenooten
en wordt alleen boos, wanneer men hem plaagt; gewoonlijk let hij niet
eens op mij; hij laat zich met een stokje over 't vel strijken zonder
boos te worden. Den geheelen dag ligt hij aan den eenen kant van de
kooi ineengerold op zijn leger van hooi, terwijl hij den anderen kant
gebruikt om er zijne natuurlijke behoeften te verrichten; des nachts
wandelt hij in zijn ruime woning rond, waaruit hij reeds verscheidene
malen met geweld is losgebroken. Alleen de eerste maal vond ik hem
echter des morgens buiten de kooi, in een hoek van de kamer verborgen;
later vond ik hem, als hij 's nachts uit zijn gevangenis ontsnapt was,
des morgens geregeld weer op zijn leger; het was, alsof zijn nachtelijk
uitstapje alleen ten doel had, hem eenige afwisseling te verschaffen,
en niet een poging was om zijn vrijheid te herkrijgen."

Nadat de Nerts zich met zijn gevangenschap volkomen verzoend had
en zoo tam geworden was, dat hij zich door zijn verzorger liet
aanvatten zonder weerstand te bieden, en ook liefkoozingen aannam,
zond Claudius hem aan mij in een gesloten kist. Toen ik deze opende,
bemerkte ik volstrekt niet den onaangenamen reuk, dien de Bunzing
in dergelijke omstandigheden verbreidt, waardoor ik overtuigd werd,
dat het dier in de kist wel degelijk een Nerts was. Ik mag wel zeggen,
dat, voorzoover ik weet, de ontvangst van geen enkel dier mij zooveel
genoegen veroorzaakte, als die van dezen zeldzamen, reeds jaren
lang door mij begeerden Europeeschen Marter; jaren lang heb ik hem
in den besten welstand behouden. Hij verlaat zijn leger eerst vrij
laat in den avond, althans nooit voor zonsondergang, en beweegt zich
gedurende den nacht in zijn kooi. Hij wijkt nooit van dezen regel af,
en dit acht ik een voldoende verklaring van de onbekendheid, waarin
men over 't algemeen verkeert ten aanzien van de levenswijze van
dit dier in den natuurstaat. Want wie kan in de duisternis van den
nacht den Nerts in zijn eigenlijk woongebied, het broekland of het
moeras, volgen? Zijne bewegingen gelijken, voorzoover ik hierover kan
oordeelen naar aanleiding van waarnemingen aan mijn in een nauwe ruimte
opgesloten gevangene, nog het meest op die van den Bunzing. Hij heeft
volkomen de behendigheid van de Marters, maar bezit niet de vaardigheid
in 't klimmen, die bij de bekendste leden dezer familie voorkomt en
evenmin hun lust om zich te bewegen; men zou veeleer kunnen zeggen,
dat hij geen stap doet, zonder dat dit noodig is. Terwijl hij zich
beweegt, is het veel schranderheid verradend kopje geen oogenblik
in rust; de scherpziende oogen waren onophoudelijk door de geheele
ruimte rond, en de kleine ooren worden zoover mogelijk gesplitst,
om op te merken wat aan de oogen zou kunnen ontgaan. Als men hem
nu een levend dier voorhoudt, dan komt hij oogenblikkelijk nader,
pakt het dier met de behendigheid van een echten Marter, bijt het
met een paar snelle beten dood en sleept het in zijn hol.

Visschen en Vorschen zijn, naar het schijnt, zijn liefste voedsel,
hoewel Claudius meende, dat hij vleeschkost boven alles verkoos, en
alleen dan Visschen gebruikte, als hij geen vleesch krijgen kon. Het
heeft mij vooral getroffen, dat mijn gevangene eerder afkeerig is van
het water, dan dat hij er naar verlangt. Een Vischotter tracht zelfs
in de kleinste ruimte op de een of andere wijze partij te trekken van
het element, waarin hij zich t'huis gevoelt: de Nerts denkt hier niet
aan; hij gebruikt het water alleen als drank, en niet om er zich in
te baden of er in te spelen.



De _Veelvraat_, een van de plompste vormen van de familie der Marters,
vertegenwoordigt een afzonderlijk geslacht (_Gulo_), dat de volgende
kenmerken vertoont: De romp is krachtig en gedrongen, de staart kort en
zeer ruig, de hals dik en kort, de rug omhoog gebogen, de kop groot,
de snuit langwerpig, tamelijk stomp afgeknot; de pooten zijn kort en
sterk, de plompe voeten hebben vijf teenen, die met sterk gekromde
en zijdelings samengedrukte klauwen gewapend zijn.

De _Veelvraat_ (_Gulo borealis_) is 95 cM. à 1 M. lang, waarvan 12 à
15 cM. op den staart komen, en in de schouders 40 à 45 cM. hoog. Op
den snuit zijn de haren dun en kort, aan de voeten stevig en glanzig,
aan den romp lang en ruig; stijve en lange haren bedekken den bovenarm,
het bovenbeen en den staart en vormen de lichter gekleurde strepen
langs de zijden. In de vacht van kruin en nek zijn bruinzwarte
met grijze haren gemengd; de rug, de onderdeelen en de pooten zijn
donkerzwart; tusschen oog en oor bevindt zich een lichtgrijze vlek;
een lichtgrijze streep begint aan iederen schouder en strekt zich
langs de zijden van den romp naar achteren uit. Het wolhaar is grijs,
aan de onderzijde meer bruin.

De Veelvraat bewoont de noordelijke landen der aarde. Te beginnen
bij het zuiden van Noorwegen en Finmarken vindt men hem door
geheel Noord-Azië en Noord-Amerika tot in Groenland. Vroeger was de
zuidelijkste grens van zijn verbreidingsgebied op lagere breedte
gelegen dan thans; in den Rendiertijd strekte het zich tot aan de
Alpen uit. Bechstein verhaalt van een Veelvraat, die bij Frauenstein
in Saksen, Zimmermann van een anderen, die bij Helmbstedt op
Brunswijksch gebied gedood werd. De beide laatstgenoemde worden als
verdwaalde dieren beschouwd, daar het niet zeer waarschijnlijk is,
dat de Veelvraat nog voor betrekkelijk korten tijd zoo ver zuidwaarts
kwam. Tegenwoordig vormen Noorwegen, Zweden, Lapland, Noord-Rusland
(vooral de gewesten om de Witte Zee en Perm), geheel Siberië,
Kamtschatka en Noord-Amerika zijn woongebied.

De natuuronderzoekers uit vroegeren tijd verhalen van dit dier de
fabelachtigste zaken; aan hen is het te danken, dat dit dier in vele
talen aangeduid wordt met namen, die gelijke beteekenis hebben. Men
heeft zich tevergeefs beijverd het woord Veelvraat uit het Zweedsch
of Deensch af te leiden. Sommigen zeggen, dat het samengesteld is uit
"fjäl" en "fräsz" en "rotskat" beteekent; Lenz zegt echter, dat het
woord "fjälfräsz" als diernaam in 't geheel niet tot de Zweedsche
taal behoort, en weerspreekt ook de veronderstelling, dat het uit
het Finsch afgeleid zou zijn. Bij de Finnen heet het dier _Kampi_,
waarmede men echter ook den Das aanduidt, bij de Russen _Rosomacha_
of _Rosomaka_, bij de Skandinaviërs _Jerf_; de Kamtschadalen noemen
het _Dimug_ en de Amerikanen _Wolverene_. Hoogst waarschijnlijk is
de naam Veelvraat ontstaan naar aanleiding van de verhalen, die over
dit dier de ronde deden, en het is door letterlijke vertaling van de
eene taal in de andere overgegaan. Wie deze verhalen leest en gelooft,
zou instemmen moeten met het oude kinderrijmpje:


	"De Veelvraat heet zoo, 't is gewis,
	Omdat hij zeer vraatzuchtig is."


Michow zegt n.l.: "In Litauen en Moskovië leeft een dier, dat zeer
vraatzuchtig is en _Rosomaka_ heet. Het is zoo groot als een Hond,
heeft oogen als een Kat, zeer sterke klauwen, een langharigen, bruinen
romp en een staart als de Vos, hoewel korter. Als het een aas vindt,
vreet het zoo lang, totdat zijn lichaam zoo vol is als een trommel; dan
wringt het zich tusschen twee dicht bij elkander staande boomen door,
om zich te ontlasten, keert weder terug, vreet opnieuw en wringt zich
nogmaals tusschen de boomen door, totdat het aas geheel verslonden
is. Het schijnt verder niets te doen dan te vreten, te drinken en
dan weer te vreten." Deze ongerijmde fabelen zijn reeds door Steller
weersproken, terwijl reeds door Pallas een juiste levensbeschrijving
van dit vreemdsoortige dier gegeven werd.

De Veelvraat bewoont de bergachtige gewesten van het noorden; hij geeft
aan de kale toppen van de Skandinavische Alpen de voorkeur boven de
ontzaglijke wouden, die de lagere gedeelten van dit gebergte bedekken,
ofschoon hij ook hier gevonden wordt. In de minst bezochte wildernissen
houdt hij zich op. Hij heeft geen vaste verblijfplaats, maar kiest een
andere woning telkens als hij er een noodig heeft. Als de nacht invalt,
verbergt hij zich op iedere plaats, die hem een schuilhoek verschaft,
zoowel in het dichtst van het woud als in rotskloven, in een verlaten
vossenwoning zoowel als een door de natuur gevormd hol. Hoewel hij,
evenals alle Marters, meer nachtdier dan dagdier is, houdt hij zich
in zijn woongebied, dat weinig door den mensch verontrust wordt,
niet aan een bepaalden regel; ook bij 't zonlicht sluipt hij rond;
hij moet dit ook wel doen, daar, zooals men weet, in de noordelijkste
gedeelten der aarde de zon gedurende den zomer maanden achtereen dag
en nacht boven de kim blijft.

In den winter, die hij, op gelijke wijze als zijne naaste verwanten
uit de familie der Marters, doorbrengt zonder langen tijd te slapen,
stellen zijne groote teenen hem in staat, om met gemak over de sneeuw
te loopen; daar hij niet keurig is op zijn voedsel, leidt hij over 't
algemeen een onbezorgd en rustig leven, zonder ooit in grooten nood te
komen. De wijze, waarop hij zich voortbeweegt, is zeer eigenaardig;
vooral zijn gang verschilt van dien van alle andere, mij bekende
dieren. Deze bestaat namelijk uit groote, boogvormige sprongen, welke
gepaard gaan met een zonderling hompelen en buitelen. Toch komt hij
hierdoor snel genoeg vooruit, om kleine Zoogdieren zonder moeite
in te halen, en grootere na een langdurige vervolging tot staan te
brengen. Hoe log hij ook is, toch kan hij boomen van geringe hoogte
beklimmen. Op de takken van deze boomen ligt hij, dicht tegen den
stam aangedrukt, op de loer, en wacht, totdat een prooi onder hem
langs gaat. Van zijne zinnen is de reuk het meest ontwikkeld; ook
het gezicht en het gehoor zijn tamelijk scherp.

Zijn hoofdvoedsel bestaat uit de verschillende soorten van Muizen,
die in het noorden leven, en vooral uit Lemmingen, waarvan hij
een verbazend groot aantal exemplaren verdelgt. Wegens de groote
veelvuldigheid van deze dieren in sommige jaren behoeft hij bijna niet
naar ander wild om te zien. Hij volgt de Wolven en Vossen op hunne
rooftochten, in de hoop iets van hun buit te kunnen rooven. In geval
van nood maakt hij zelf jacht op groote dieren. Zeker is het, dat
hij Rendieren, en zelfs Elanden aanvalt en doodt. Thunberg vernam,
dat hij zelfs koeien om 't leven brengt, door haar den strot te
verscheuren. Lôwenhjelm vermeldt in zijn reisbeschrijving van Nordland,
dat de Veelvraat hier schade aanricht onder de schapenkudden. Erman
hoorde van de Ostjaken, dat dit dier den Eland op den rug springt
en door beten doodt. Mijn jachtgezel Erik Swenson verhaalde mij,
dat de Veelvraat zich in Skandinavië, vooral als de sneeuw zeer
hoog ligt, zachtjes in den wind op naar de plaatsen begeeft, waar de
Sneeuwhoenderen hunne holen hebben gegraven, ze daarin vervolgt en
zonder moeite doodt. De jagers haten hem in hooge mate. Mijn geleider
verzekerde mij, dat ieder door hem gedood Rendier, dat hij niet
zorgvuldig onder steenen verborgen had, gedurende zijn afwezigheid
door den Veelvraat werd aangevreten. Zeer dikwijls eet deze het
lokaas uit de vallen op, en verslindt de hierin gevangen dieren
ten deele. Op dezelfde wijze handelt hij in Siberië en Amerika. In
de hutten der Lappen richt hij dikwijls belangrijke verwoestingen
aan. Hij baant zich met de klauwen een weg door de deur of het dak, en
rooft vleesch, gedroogde visch, kaas en dergelijke voedingsmiddelen,
verscheurt bovendien de dierenhuiden, die hier bewaard worden, en
vreet ze zelfs gedeeltelijk op, als hij zeer hongerig is. Gedurende
den winter is hij bij dag en bij nacht in de weer; als hij vermoeid
is, graaft hij eenvoudig een gat in de sneeuw, laat zich insneeuwen,
en rust in deze nu warme slaapplaats op zijn gemak uit.

Een kleine prooi wordt dadelijk met huid en haar verslonden, een
grootere wordt echter zorgvuldig begraven, om nog voor een tweeden
maaltijd dienst te kunnen doen.

Door alle bewoners van de noordelijke gewesten wordt de Veelvraat
wegens zijn tallooze rooverijen zooveel mogelijk vervolgd en gedood,
ofschoon zijn vel niet overal gebruikt wordt. De Kamtschadalen schatten
het echter zeer hoog, en zijn van oordeel, dat geen huid beter dan
deze voor bont geschikt is.

In weerwil van zijn betrekkelijk geringe grootte is de Veelvraat
geen tegenstander om mede te spotten, omdat hij buitengewoon sterk,
woest en flink gewapend is. Tegen den mensch verweert hij zich alleen,
als hij hem niet meer ontwijken kan. Gewoonlijk neemt hij bij 't zien
van een jager de vlucht, of klimt, wanneer de drijvers hem opjagen,
in een boom, of zoekt een toevlucht op de hoogste rotspunten, waar
zijne vijanden hem niet volgen kunnen. Door vlugge Honden wordt hij
in vlakke, boomlooze landstreken spoedig ingehaald; ook tegen hen
verdedigt hij zich echter met moed en groote behendigheid.

Zoo lang een gevangen Veelvraat jong is, gedraagt hij zich zeer
grappig, bijna als een jonge Beer. Wanneer hij met een touw aan een
paal vastgebonden is, loopt hij in een halven cirkel heen en weer,
schudt intusschen den kop en laat een grommend geluid hooren. Als
er slecht weer zal komen, wordt hij nukkig en brommig. Ofschoon
zijne bewegingen niet bijzonder vlug zijn, is hij toch voortdurend
in beweging, en alleen wanneer hij slaapt, ligt hij stil op een
en dezelfde plaats. Een boom, die in zijn kooi staat, beklimt hij
met gemak, en hij schijnt bijzonder veel genoegen te hebben in de
merkwaardige gymnastische toeren, die hij in de takken verricht.

De Veelvraat toont zijn eigenlijken aard eerst dan, als hij in
gezelschap van zijne soortgenooten is. In den Berlijnschen dierentuin
waren drie exemplaren van dit in onze kooien zoo zeldzame dier,
n.l. een oud en twee nog niet volwassene, die er op zeer jeugdigen
leeftijd gekomen zijn. Men kan zich bijna geen grappiger en vroolijker
schepsels denken dan de beide jonge dieren waren. Zeer zelden
kwam het voor, dat zij zich gedurende korten tijd rustig hielden;
het grootste deel van den dag sleten zij met spelen, waarmede zij
oorspronkelijk volstrekt geen booze bedoeling gehad schenen te hebben,
maar die spoediger ernstiger werden en van tijd tot tijd in een
tweegevecht ontaardden, waarbij de beide helden gebruik maakten van
hun gebit en hunne klauwen. Als het spel uit was, draafden de beide
plompe dieren achter elkander aan, doorkruisten hun hok in allerlei
richtingen, doorsnuffelden alle hoeken en gaten, wierpen de etens-
en drinkbakken het onderste boven, ergerden de brave schoonmaaksters,
die hun kooi moesten schoonmaken, door hun nimmer verflauwden ijver in
het onderzoeken van voorwerpen en gereedschappen, waarmede zij niets
te maken hadden, werden nogmaals boos op elkander en hervatten het
oude spel, dat oplettende toeschouwers uren lang kon boeien. Geheel
anders gedroegen zij zich in tegenwoordigheid van den oppasser,
die hun voedsel bracht. Van alle middelen, waardoor een dier zijn
honger te kennen kan geven, maakten zij gebruik. De oorsprong van
den naam Veelvraat werd mij, toen ik ze voor de eerste maal zag
voederen, op eens duidelijk. Jankend, huilend, knorrend, keffend,
tandenknarsend renden zij, elkander af en toe op oorvegen onthalend,
de kooi rond, alsof zij dol en van zinnen waren; begeerig keken
zij naar het vleesch, wentelden zich, als de oppasser het hun niet
oogenblikkelijk toereikte, als 't ware vol wanhoop over den grond,
schoten, zoodra het stuk hun toegeworpen werd, er gretig op af, en
kauwden nu, terwijl zij druk smakten, knorden en bliezen, zoo ijverig,
slokten en verzwolgen zoo gulzig, dat men er niet aan kan twijfelen,
of de sprookjes van de oude schrijvers hebben hun ontstaan en in
zekeren zin hun rechtvaardiging gevonden in het waarnemen van het
gedrag van zulke gevangene Veelvraten.



In Brazilië leven de _Huronen_ of _Grisons_ (_Galictis_). Deze slank
gebouwde Marterachtige dieren zijn gekenmerkt door den tamelijk dikken,
van achteren verbreden kop, die bij het begin van den snuit slechts
weinig ingedeukt is, de korte, afgeronde ooren en de betrekkelijk
groote oogen; de romp rust op korte pooten, welker matig groote
voeten vijf door spanvliezen vereenigde teenen dragen en naakte,
eeltachtige zolen hebben; de staart is middelmatig of tamelijk lang;
het haarkleed kort; het gebit vertoont belangrijke afwijkingen van dat
der overige Marters. Naast de aarsopening bevinden zich klierachtige
plekken, die een sterk naar muskus riekend vocht afscheiden. Tot nu
toe zijn twee soorten van dit geslacht bekend, die zich in bosschen
en in struikgewas ophouden. Zij zijn behendig in al hunne bewegingen,
klimmen ook zeer goed en zijn hierdoor flinke jagers, die kleine
en middelmatig groote Zoogdieren vervolgen, en evenals de Ratel of
Honigdas en de Beren, zeer veel van honig houden. Deze beide soorten
zijn de _Tayra_ der bewoners van Paraguay, die de Brazilianen _Hyrare_
noemen, (_Galictis barbara_), en de _Grison_ (_Galictis vittata_).



Ter eere van onzen Grimbert noemen wij de uit Zoolgangers bestaande
tweede onderafdeeling van de Marter-familie _Dassen_ (_Melidae_)
en vereenigen hierin de plompste en gedrongenste vormen van de
geheele familie, die zich bovendien door hun zeer onaangenamen reuk
onderscheiden.

De _Das_ is het volmaakste type van een zelfzuchtige, wantrouwige,
slecht gehumeurde persoon, die als 't ware met zichzelf in strijd
verkeert. In dit opzicht stemmen nagenoeg alle onderzoekers overeen,
hoewel zij het nut, dat deze eigenaardige Marter aanbrengt, niet
miskennen. De Das is het onschadelijkste van de groote Europeesche
Roofdieren en wordt toch vervolgd en beoorloogd als de Wolf of de Vos,
zonder dat hij vele verdedigers heeft gevonden, zelfs niet onder de
jachtliefhebbers, die toch, zooals bekend is, het meest houden van de
dieren, die zij het ijverigst vervolgen. Zij, die hem zoo onbarmhartig
beschuldigen en veroordeelen, bedenken hierbij niet, dat hij op zijn
wijze zich eenvoudig en netjes gedraagt en zoo veel mogelijk eerlijk
en braaf zijn levenspad bewandelt. Zijn eigenaardige levenswijze
is de eenige aanleiding tot het harde oordeel, dat over hem geveld
wordt. Men kan niet ontkennen, dat hij een kniezerig, menschen en
dieren ontwijkend, eenzelvig schepsel is, en bovendien zoo op zijn
gemak gesteld, zoo lui als geen ander; al deze eigenschappen zijn
zeer zeker niet geschikt, om iemand vrienden te doen verwerven. Wat
mij betreft, ik moet erkennen, dat ik wel iets met hem op heb: zijne
levenswijze en zijn voorkomen vermaken mij.

Een gedrongene, stevige en gespierde romp, een dikke hals, een lange
kop met een slurfvormig toegespitsten snuit, kleine oogen en kleine,
maar duidelijk zichtbare ooren, naakte zolen en stevige klauwen
aan de voorpooten, een korte, behaarde staart, een dichte, grove
vacht alsmede een dwarse spleet, die naar een aan den aars gelegen
klierzak leidt, kenmerken het geslacht _Meles_, dat door den Das wordt
vertegenwoordigd. Aan het gebit vallen de stevigheid der tanden, vooral
de buitengewone grootte van de eenige knobbelkies in de bovenkaak en
de stompheid van de scheurkies als eigenaardigheden in 't oog.

De _Das_ (_Meles taxus_) bereikt zonder den 18 cM. langen staart een
lichaamslengte van 75 cM. bij een hoogte in de schouders van ongeveer
30 cM. Oude mannetjes worden in den herfst tot aan 20 KG. zwaar. Een
glanzige, uit vrij lange, stijve, bijna borstelachtige haren bestaande
vacht bedekt het geheele lichaam en omhult ook de ooren. Haar kleur
is aan den rug witachtig grijs en zwart dooreengemengd, omdat ieder
haar afzonderlijk aan den wortel meest geelachtig, in het midden
zwart en aan de spits grijsachtig wit is; aan de zijden van het
lichaam en aan den staart is de kleur roodachtig, aan de onderdeelen
en de voeten zwartachtig bruin. De kop is wit, maar een doffe, zwarte
streep loopt aan iedere zijde van den snuit, verbreedt zich, strekt
zich over de oogen en de wit behaarde ooren uit en loopt in den nek
allengs te niet. De wijfjes onderscheiden zich van de mannetjes
door hare geringere grootte en breedte, alsook door de lichtere
kleur, die een gevolg is van het doorschemeren van het witachtige
wolhaar. De jagers onderscheiden de jonge en oude dieren dikwijls door
de namen "Hondsdassen" en "Varkensdassen" wegens den vorm van den
snuit. Volkomen witte Dassen zijn zeer zeldzaam; nog zeldzamer zijn
die, welke op een witten grond donker kastanjebruine vlekken hebben.

Met uitzondering van het eiland Sardinië en het noorden van Skandinavië
bewoont de Das geheel Europa, zoo ook Azië van Syrië af door Georgië
en Perzië tot in Japan, en Siberië tot aan den Lena. Vroeger kwam
hij vrij algemeen in ons geheele land voor, nu is hij bijna overal
zeldzaam, en vermindert daarenboven van jaar tot jaar; in Gelderland en
Noord-Brabant is hij het algemeenst, in de meeste streken van Utrecht,
Overijsel, Drente, Groningen zeldzaam. Hij leeft eenzaam in holen,
die hij zelf met zijne sterke, kromme klauwen aan de zonzijde van met
bosch begroeide heuvels uitgraaft, met 4 à 8 uitgangen en luchtgaten
voorziet, en van binnen op de gemakkelijkste wijze inricht. Het
voornaamste gedeelte van de woning, de kamer, die met verscheidene,
ieder 8 à 10 M. lange gangen in gemeenschap staat, is meestal 1 1/2 à
2 M., soms wel 5 M. diep onder de oppervlakte gelegen, en zoo groot,
dat zij een dik, zacht moskussen en het dier zelf benevens zijne
jongen bevatten kan. Slechts weinige gangen dienen om in en uit het
hol te komen, de meeste doen alleen in geval van grooten nood dienst
als vluchtwegen of ook als luchtgangen. Overal heerscht de grootste
zindelijkheid en reinheid; hierdoor onderscheidt het hol van den
Das zich van bijna alle overige dergelijke onderaardsche woningen
van Zoogdieren. Boschranden, die niet ver van vlakten gelegen zijn,
ja zelfs boomlooze hellingen te midden van een vlakte worden bij
voorkeur voor het aanleggen van deze woningen gebruikt; altijd echter
zijn het stille en eenzame plaatsen, die de kluizenaar hiervoor
uitkiest. Hij houdt er van, een rustig en gemakkelijk leven te leiden
en vooral om zijn afzondering zooveel mogelijk te handhaven. Door
zijn lichaamskracht is het hem gemakkelijk, holen te graven; evenals
eenige andere onder den grond levende dieren, kan hij zich in weinige
minuten in den bodem verschuilen.

In dit hol brengt de Das het grootste deel van zijn leven door en eerst
als het volkomen nacht geworden is, verwijdert hij zich er op grooten
afstand van. In zeer stille bosschen zwerft hij in 't midden van den
zomer ook wel in de laatste uren van den namiddag voor zijn genoegen
buiten rond; ik zelf heb hem in de nabijheid van Stubbenkammer op Rügen
op klaarlichten dag ontmoet; zulke uitstapjes over dag behooren echter
tot de zeldzaamheden. "Van een jager," verhaalt Tschudi, "die het
zeldzame geluk had, een Das in de vrije natuur ongestoord gedurende
langen tijd te kunnen waarnemen, ontvingen wij een merkwaardig
verslag van zijne ervaringen. Herhaaldelijk bezocht hij het hol van
een Das, dat aan den rand van een ravijn aangelegd was en dus van de
overzijde goed kon worden waargenomen. Van den toegang tot het hol was
blijkbaar een druk gebruik gemaakt, de versch opgeworpen aarde voor
den hoofdingang was echter zoo effen en glad als een dorschvloer
en zoo vastgetreden, dat men niet zien kon, of er jongen in het
hol waren. Toen de wind hiervoor gunstig was, sloop de jager aan de
tegenoverliggende zijde tot in de nabijheid van het hol, en zag weldra
een ouden Das, die brommig, in zijn eigen vervelendheid verdiept,
nederzat, maar overigens in de warme zonnestralen zeer veel genoegen
scheen te smaken. Dit was geen toeval: de jager had het dier, zoo vaak
hij op heldere dagen naar het hol keek, in de zon zien liggen. Met
gelukzalig nietsdoen bracht het den tijd zoek. Terwijl het daar zoo
zat, keek het ernstig om zich heen, beschouwde daarna enkele voorwerpen
nauwkeuriger en wiegelde zich eindelijk op de wijze van de Beren op
de voorpooten op zijn gemak heen en weer. Plotseling werd echter zijn
zoete rust op wreede wijze verstoord door bloeddorstige parasieten,
die onmiddellijk op een buitengewoon haastige wijze met de tanden en
klauwen ter verantwoording werden geroepen. Eindelijk stelde de Das,
die blijkbaar tevreden kon zijn over de uitwerking van de door hem
gehouden strafoefening, zich opnieuw in de gemakkelijkste houding
aan den invloed van de zonnestralen bloot, die hij nu eens op zijn
breeden rug, dan weer op zijn goed doorvoeden buik liet schijnen. Lang
duurde echter dit tijdverdrijf niet: hij had, naar het scheen, ergens
de lucht van gekregen. Hij stak den neus omhoog, wendde dien in alle
richtingen, zonder evenwel iets te kunnen ontdekken. Toch scheen hij
het raadzaam te achten voorzorgsmaatregelen te nemen, en stapte daarom
zijn hol binnen."

In den paringstijd leeft de Das in gezelschap van zijn wijfje, hoewel
niet voortdurend; gedurende den overigen tijd van het jaar bewoont
hij zijn eigen hol en onderhoudt zoomin met zijn wijfje als met andere
dieren vriendschapsbetrekkingen. In oude, uitgestrekte woningen dringt
de Vos zich niet zelden als commensaal aan hem op; de beide dieren
bekommeren zich echter niet veel om elkander; de Vos bewoont steeds
de bovenste, de Das de onderste gangen en kamers. Dat Reintje door
zijne uitwerpselen den zindelijken Grimbert zou verdrijven, is een
door latere onderzoekers weerlegd jagerssprookje.

De bewegingen van den Das zijn langzaam en traag; hij heeft, naar 't
schijnt, een slependen en loggen gang; zelfs als hij op zijn vlugst
loopt, beteekent zijn snelheid niet veel; men beweert, dat een goed
voetganger Grimbert kan inhalen. Het dier maakt een eigenaardigen
indruk. In 't eerst zou men hem eerder voor een Zwijn dan voor een
Roofdier houden; men moet, naar het mij voorkomt, al eenigermate met
zijn gestalte en zijn aard vertrouwd zijn, om hem te herkennen voor
wat hij is. Aan het Zwijn herinnert ook zijn knorrende stem.

Zijn voedsel bestaat in de lente en den zomer hoofdzakelijk uit
wortels, Insecten van allerlei soort, Slakken en Aardwormen,
bij gelegenheid echter ook uit jonge Hazen, vogeleieren en jonge
Vogels. De Regenwormen boort hij zeer behendig met de scherpe,
lange nagels van zijne voorpooten uit hunne holen te voorschijn,
en van dezelfde werktuigen maakt hij gebruik voor het opzoeken van
de larven van den Meikever en van andere schadelijke Insecten, die
op akkers, weiden en andere plaatsen onder den grond leven. Hier en
daar graaft hij een Hommel- of Wespennest uit en eet met smaak de met
larven gevulde en honigzoete raten op, zonder zich veel te storen aan
de angels der vertoornde eigenaars; zijn ruige pels, de dikke huid
en de daaronder gelegen vetlaag beveiligen hem trouwens volkomen
voor de steken dezer dieren. Slakken, misschien ook wel rupsen,
Vlinders en dergelijke dieren, zoekt hij van de boomen af. In den
herfst eet Grimbert geen beukenootjes, eikels enz., daarentegen
wel afgevallen ooft van allerlei soort, wortels en rapen; kleine
Zoogdieren (Veldmuizen, Mollen enz.) worden ook niet versmaad; hij
eet zelfs Hagedissen, Kikvorschen en Slangen. In de wijnbergen richt
hij soms verwoestingen aan; hij drukt de zwaar beladen wijnstokken
zonder bezwaar met de pooten om en eet zich letterlijk dik aan hunne
zoete vruchten. Hoogst zelden steelt hij jonge Ganzen en Eenden van de
boerderijen, die in de onmiddellijke nabijheid van het bosch liggen,
want hij is buitengewoon wantrouwig en vreesachtig en waagt zich daarom
alleen dan buiten het bosch, als hij overtuigd is, dat hij dit volkomen
veilig doen kan. Met zelden maakt hij van aas gebruik. Over 't geheel
genomen eet hij weinig en verzamelt geen grooten wintervoorraad in
zijn hol. Belangrijke schade richt de Das in Europa niet aan, in alle
gevalle nooit en nergens zoo veel, dat het nut, door hem gesticht door
het wegvangen en verslinden van allerlei ongedierte in bosch en veld,
er niet rijkelijk tegen opweegt. Van alle Marters is hij de nuttigste;
hij helpt het bosch in stand houden, in plaats van het te vernielen:
de boschbeamte, die hem tracht uit te roeien, benadeelt dus zich zelf
en het bosch dat aan zijne zorgen is toevertrouwd.

Als de herfst ten einde spoedt, heeft de Das zich vet gemest. Thans
denkt hij er aan, den winter zoo prettig mogelijk door te brengen en
maakt de belangrijkste toebereidselen voor zijn winterslaap. Hij brengt
bladen in zijn hol en maakt er een warm en dicht leger van. Totdat de
eigenlijke koude begint, voedt hij zich met den door hem verzamelden
voorraad. Nu rolt hij zich samen, gaat op den buik liggen, steekt den
kop tusschen de voorpooten, en vervalt in den winterslaap. Deze wordt
echter, evenals die van de Beren, zeer dikwijls afgebroken. Wanneer
de koude niet aanhoudt, of als het weder zachter wordt, vooral bij
dooi en in niet zeer koude nachten, wordt hij wakker, en verlaat soms
zelfs 's nachts zijn woning om te drinken. Bij betrekkelijk warm weder
begeeft hij zich reeds in Januari of op zijn laatst in Februari van
tijd tot tijd buiten het hol om wortels uit te graven en, als het geluk
hem dient, ook misschien een muisje te verrassen en te vangen. Het
vasten bekomt hem echter slecht; als hij in de lente weder voor den
dag komt, is hij, die zich voor eenige weken nog op het bezit van een
rond buikje kon verheffen, bijna zoo mager als een geraamte geworden.

In het laatst van Februari of in het begin van Maart werpt het
wijfje 3 à 4 blinde jongen op een met zorg samengesteld leger van
mos, bladen, varen en lang gras. Dat zij in dien tijd een eigen hol
bewoont, spreekt van zelf; want de vrouwelijke Das is even zoo goed
een verstokte heremiet als het mannetje. De jongen worden door haar
liefderijk verzorgd. Zij brengt hun na den zoogtijd zoo lang Wormen,
wortels en kleine Zoogdieren in het hol, tot zij in staat zijn zelf
voedsel te zoeken.

Na ongeveer 3 of 4 weken wagen de kleine, zeer lieve diertjes, door
hun moeder vergezeld, zich reeds tot aan den ingang van het hol,
ook gaan zij soms wel daarbuiten in de zon liggen. Daar spelen
zij op echt kinderlijke wijze allerliefst met elkander; zij die
zoo gelukkig geweest zijn, dit zeldzame schouwspel te genieten,
roemen het als zeer aantrekkelijk. Tot aan den herfst blijven de
jongen bij de moeder; dan heeft de scheiding plaats en gaat ieder
zijns weegs. In het tweede jaar zijn deze dieren geheel volwassen;
zij bereiken een leeftijd van 10 of 12 jaar.

De Das wordt in verschillende vallen gevangen; ook wordt hij wel
uitgegraven, of, afschuwelijk genoeg, met een kurketrekkervormig
werktuig, dat in den grond wordt geboord, gedood. Ook verdrijft men
hem uit zijn hol door flinke Dashonden, en schiet hem dood als hij
er uit komt. Alleen door zich in zijn woning zoo te verbergen, dat
zelfs de Honden hem niet vinden kunnen, ontkomt hij aan dit dreigend
gevaar, want hij is zoo log van beweging, dat het hem niet baten zou,
voor de Honden te vluchten. Hij tracht zich daarom, als hij in zijn
hol vervolgd wordt, gewoonlijk hierdoor te redden, dat hij stil, maar
zeer snel zich dieper ingraaft; werkelijk ontsnapt hij hierdoor vaak
genoeg aan de nasporingen zijner vijanden. Zeer vroeg in den morgen kan
men den Das ook wel op den "aanstand" (d. i. van een schuilhoek uit)
beloeren en hem dooden. Des avonds is de aanstand hoogst vervelend,
want het wantrouwig dier verschijnt steeds eerst midden in den nacht
en gaat zoo stil mogelijk zijns weegs.

Oud gevangen Dassen, die bij het ontgraven van hun hol buitgemaakt
werden, zijn werkelijk afschuwelijke dieren, ongevoelig voor goede
behandeling, onvatbaar voor eenige opvoeding, lui, wantrouwend, valsch
en boosaardig. Over dag verroeren zij zich niet, alleen 's nachts komen
zij te voorschijn; bij elke gelegenheid laten zij de tanden zien, en
zijn gevaarlijk, door iedereen te bijten, die hen onvoorzichtig nadert.

Geheel anders gedraagt zich de Das, als hij jong gevangen en zorgvuldig
opgevoed werd. Vooral wanneer men hem uitsluitend of hoofdzakelijk
plantaardig voedsel geeft, wordt hij tam en aan den mensch gehecht;
zelfs kan hij er toe gebracht worden zijn oppasser te volgen en op
diens roep van uit de open lucht in zijn hok terug te keeren.

Over een getemden Das schrijft Ludwig Beckmann mij: "Ik heb
vroeger een wijfjes-Das gehad, die geheel en al een huisdier was
geworden. _Kaspar_, zoo werd zij ondanks haar geslacht genoemd,
was een door en door eerlijke, hoewel eenigszins logge gast. Hij
wilde graag met iedereen in vrede leven, werd echter wegens zijne
ruwe grappen dikwijls verkeerd begrepen en deed dan soms onaangename
ervaringen op. Zijn eigenlijke speelkameraad was een uiterst behendige,
verstandige Patrijshond, die ik sinds zijn jeugd gewend had met
allerlei wilde dieren om te gaan. Met dezen hond voerde de Das op mooie
avonden echte kampspelen op; van heinde en ver kwamen dierenliefhebbers
mij bezoeken om dit zeldzaam schouwspel bij te wonen. De strijd bestond
hoofdzakelijk hierin, dat de Das, na herhaaldelijk met den kop geschud
te hebben, als een Ever regelrecht op den ongeveer 12 pas verder
staanden Hond toeschoot en in het voorbijrennen zijwaarts met den
kop naar zijn tegenpartij sloeg. Deze wipte met een sierlijken sprong
over den Das heen, wachtte een tweeden en derden aanval af, en liet
zich daarna door zijn tegenstander in den tuin jagen. Gelukte het den
Das de Hond bij een achterpoot te grijpen, dan ontstond er een hevige
vechtpartij, die echter nooit in een ernstigen strijd ontaardde. Als
het _Kaspar_ te erg werd, ging hij, zonder zich om te keeren, een eind
weegs terug, ging al snuivend en bevend op zijn achterpooten staan,
zette zijne haren overeind en hompelde dan als een opgeblazen Kalkoen
voor den Hond op en neer. Na eenige oogenblikken ging het haar en het
geheele lichaam van den Das langzaam naar beneden en na eenige malen
met den kop te hebben geschud en na een kalmeerend geknor, dat als
'hoe, goe, goe, goe' klonk, begon het lieve leven weer van voren af.

"Omdat hij volkomen zindelijk was, mocht hij in huis vrij
rondloopen. Het scheen een bijzondere liefhebberij van hem te zijn,
bij de trappen op en af te trippelen; niet zelden draafde hij echter
eenzaam en stil op den zolder rond, waar hij den kop nieuwsgierig
in alle hoeken stak. Hij beschouwde het als een bijzondere gunst,
gedurende het middagmaal bij mij te mogen blijven. Hij drong dan den
Patrijshond zonder complimenten ter zijde, ging op zijne achterpooten
staan, legde de voorpooten en den bonten, gladden kop op mijne knieën,
en eischte nu met het gewone 'hoe, goe, goe, goe' een stukje vleesch,
dat hij zeer behendig en zachtjes met de voortanden van den vork
trok. In den winter hield hij er veel van, zich voor den oven plat
op den rug te leggen en den breeden schaars behaarden buik aan de
warmte bloot te stellen.

"In den zomer vergezelde hij mij zeer gaarne naar een strook dicht
boschland, waarin hij zich volkomen op zijn gemak gevoelde, en bij
iederen stap nieuwe ontdekkingen deed. Nu eens ving hij een Hommel of
trok een Worm uit den grond, dan weer greep hij een bruine Aardslak
met zijne nagels. Op den terugweg volgde hij mij met tegenzin en liep
vlak achter mijne hielen; hij begon dan in den regel spoedig aan mijn
broek te trekken. Een flinke schop met het breedste deel van den voet
moedigde hem slechts aan om met zijne lompe grappen voort te gaan;
de zachtste slag met de hand of met een stokje bracht hem echter zeer
uit zijn humeur."



Een ander geslacht is dat der _Honigdassen_ (_Mellivora_). Het bevat
dieren met een breeden rug, een korten snuit en een korten staart;
de romp is plomper dan bij onzen Das en diens naaste verwanten, als
't ware van boven naar onderen samengedrukt; de rug is breed en plat,
de snuit lang; de kleine oorschelpen verheffen zich slechts weinig
boven de huid; de oogen zijn klein en ingezonken; de korte en sterke
pooten hebben naakte zolen; de teenen van de voorpooten zijn met lange,
voor 't graven geschikte klauwen voorzien.



De _Honigdas_ of _Ratel_ (_Mellivora capensis_) bereikt in volwassen
toestand een lengte van ruim 70 cM., waarvan op den betrekkelijk zeer
langen staart ongeveer 25 cM. komen. Het haar is lang en stijf; het
voorhoofd, het achterhoofd, de nek, de rug, de schouders en de staart
zijn aschgrauw, de snuit, de wangen, de ooren, het onderste deel van
den hals, de borst, de buik en de pooten zwartachtig grijs van kleur,
scherp gescheiden van de kleur der bovendeelen. Gewoonlijk ligt een
lichtgrijze randstreep tusschen deze beide kleuren in; vooral door
het bezit van deze streep onderscheidt de _Afrikaansche Honigdas_
zich van den _Indischen_.

De Ratel leeft in holen onder den grond, die door hem zelf gegraven
worden; hij toont een ongeloofelijke vaardigheid in dit soort van
werk. Daar hij overigens langzaam en onhandig is, zou hij aan zijne
vijanden nagenoeg niet kunnen ontkomen, indien hij niet de kunst
verstond, om, althans daar waar de grond zacht is, letterlijk in
den bodem te verzinken, d. i. zoo schielijk een hol te graven, dat
hij zich onder de aardoppervlakte verborgen heeft, voordat een op
hem afkomende vijand dichtbij genoeg is om hem te grijpen. Hij leidt
een nachtelijke levenswijze en gaat over dag slechts zelden op roof
uit. Op onzen jachttocht naar de Bogoslanden, zagen wij hem tweemaal,
telkens tegen den avond, maar toch voordat de zon was ondergegaan. Des
nachts daarentegen zwerft hij langzaam en op zijn gemak rond en maak
jacht op kleine Zoogdieren (n.l. Muizen, Springmuizen enz.), Vogels,
Schildpadden, Slakken en Wormen, graaft wortels en knollen uit, of
zoekt vruchten op. Eén liefhebberij bepaalt zijn geheele levenswijze:
hij is namelijk hartstochtelijk verlekkerd op honig en om deze reden
een der ijverigste bijenjagers.

In de boomlooze gewesten van Afrika bouwen de Bijen hare nesten
hoofzakelijk in den grond en wel in verlaten holen van allerlei aard,
zooals sommige Hommels en Wespen bij ons doen. Zulke nesten nu zijn
voor den Honigdas de meest gewenschte vondst; zoodra hij zulk een
schat ontdekt heeft, gaat hij hem onmiddellijk vol ijver opgraven. De
Bijen verweren zich zoo goed zij kunnen en trachten den aanrander
met haar angel zooveel mogelijk te wonden; zijn dicht behaarde,
zeer dikke huid is echter tegen bijensteken het beste schild dat er
bestaat, omdat zij zoo losjes verbonden is met de daaronder liggende
vetlaag als waarschijnlijk bij geen ander dier. Men beweert, dat
de Ratel zich letterlijk in zijn vel zou kunnen omdraaien. De Bijen
zijn volkomen machteloos tegenover zulk een vijand en deze woelt nu
gretig in hare woningen rond en verkwikt zich naar welgevallen aan
haren kostelijken inhoud.

De Ratel maakt trouwens niet alleen op honig jacht, maar houdt ook
van krachtiger voedsel. Carmichael zegt, dat de Honigdas door de
eigenaars van hoenderhokken als een van de schadelijkste dieren wordt
beschouwd. Bij de Algoa-baai betwisten eens eenige Boeren elkander het
eigendomsrecht op de eieren, die door de Hoenderen verlegd waren. De
Ratel maakte in één nacht aan dezen strijd een einde door eenvoudig
alle Hoenderen, omstreeks 30 stuks, de keel door te bijten en drie
er van in zijn hol te sleepen.



De _Indische Honigdas_ (_Mellivora indica_) komt, wat levenswijze
betreft, met den Afrikaanschen overeen; ook hij is wegens het
bezoeken van hoenderhokken zeer schadelijk. Hij is over geheel Indië
ten westen en noordwesten van de golf van Bengalen tot aan den voet
van den Himalaja verbreid, met uitzondering echter van de kust van
Malabar en van Beneden-Bengalen. Op Ceylon komt hij niet voor.

Jong gevangen Ratels worden tam en zijn zeer vermakelijk door de
plompheid en zonderlingheid van hunne bewegingen.



De _Stinkdas_, op Sumatra _Tellego_ of _Teledoe_, op Java _Segoeng_,
op Borneo _Saät_ genoemd, (_Mydaus meliceps_, p. 155), is, zonder het
ongeveer 2 cM. lange staartstompje, 35 cM. lang. Het dicht en lang
behaarde vel is, met uitzondering van het achterhoofd en den nek,
effen donkerbruin van kleur. Een witte of geelachtig witte streep
loopt langs den rug tot aan de staartspits. De onderzijde van het
lichaam is lichter gekleurd dan de bovenzijde. De vacht bestaat uit
zijdeachtig zachte wolharen en grof bovenhaar, dat aan de zijden en
op den nek een soort van manen vormt. De Stinkdas bewoont Sumatra,
Java en Borneo; of hij ook op het Maleische Schiereiland en andere
deelen van het vastland voorkomt, is nog niet uitgemaakt.

Horsfield heeft ons voor 't eerst de levenswijze van dit eigenaardige
dier leeren kennen. Zijn woning legt de Stinkdas met groote
voorzichtigheid en veel behendigheid op geringe diepte onder de
oppervlakte aan. Als hij een plaats heeft gevonden, die door lange en
stevige boomwortels goed beveiligd is, graaft hij tusschen de wortels
een hol, zoodat de bolvormige kamer, die bijna 1 M. middellijn heeft
en regelmatig uitgegraven wordt, onder den boom komt te liggen. Van
hier uit leiden gangen van ongeveer 2 M. lengte naar de oppervlakte;
zij zijn naar verschillende zijden gericht en hunne openingen
zijn gewoonlijk onder takken en droge bladen verborgen. Gedurende
den dag blijft hij in zijn hol verscholen; na het invallen van
den nacht begint hij jacht te maken op allerlei larven en Wormen,
vooral Aardwormen, die in de vruchtbare teelaarde in buitengewoon
grooten getale voorkomen. Hij wroet de Regenwormen als een Zwijn
uit den grond, en richt hierdoor op de akkers schade aan. Volgens
Horsfield is hij op Java uitsluitend beperkt tot hoogten die meer dan
2000 Meter boven den zeespiegel liggen, en komt hier even geregeld
voor als sommige plantensoorten. Door latere onderzoekers wordt deze
mededeeling echter uitdrukkelijk weersproken. Karl Bock verzekert,
dat de Saäts, die in Zuidoostelijk Borneo "even overvloedig zijn als
de Ratten," daar gevonden worden op hoogten, "die 800 of 1000 voet
niet te boven gaan. Ook op Sumatra," zegt hij verder, "bedraagt de
grootste hoogte, waarop de Saät wordt aangetroffen, geen 1000 voet,
en op deze hoogte komt hij slechts zelden voor."

Alle bewegingen van den Stinkdas zijn langzaam; hij wordt daarom
dikwijls door de inboorlingen gevangen, die volstrekt niet bang voor
hem zijn; naar gezegd wordt, eten zij zijn vleesch in de meening,
dat ieder die dit durft doen, voortaan tegen ziekte gevrijwaard is.

Horsfield gaf gedurende zijn verblijf in het gebergte Prahoe op Java
aan de inboorlingen last hem voor zijne onderzoekingen Stinkdassen te
verschaffen; deze werden hem in zoo groote menigte gebracht, dat hij
er weldra geen enkele meer kon aannemen. "Men verzekerde mij," zegt
deze onderzoeker, "dat het vleesch van den 'Teledoe' zeer goed smaakt;
het was echter noodig, het dier schielijk te dooden en zoo spoedig
mogelijk de stinkklieren te verwijderen, voordat deze hun helschen
stank aan de overige lichaamsdeelen hadden medegedeeld. Van mijn
Indischen jager vernam ik, dat de Stinkdas zijn stikvocht slechts op
een afstand van hoogstens 60 cM. kan spuiten. Dit vocht is kleverig;
zijn werking berust op de gemakkelijkheid waarmede het verdamt;
soms worden de omstreken van een dorp er geheel door verpest; in de
onmiddellijke nabijheid van de plaats waar deze stof werd uitgespoten,
is de stank zoo hevig, dat sommige lieden flauw vallen, als zij
genoodzaakt zijn eenigen tijd daar te blijven. De Amerikaansche
Stinkdieren verschillen van onzen Teledoe o. a. hierdoor, dat zij
het vocht verder kunnen spuiten."

"De Stinkdas is zachtaardig en vreedzaam van natuur en kan, als men
hem jong vangt, gemakkelijk getemd worden. Een Exemplaar, dat ik
gevangen hield, werd weldra zeer lieftallig, schikte zich in zijne
gevangenschap, herkende zijn oppasser en geraakte nimmer in zulk een
woede, dat hij van zijne stinkklieren gebruik maakte."



Men kan niet zeggen, dat eenig lid van de familie der Marters een
aangenamen geur verspreidt; integendeel zelfs bij de inheemsche
soorten zijn er, welker stank spreekwoordelijk is geworden. Wat
beteekent echter de stank van onzen Bunzing in vergelijking met dien
van eenige zijner in Amerika en Afrika levende verwanten en met dien
van den zoo even beschreven Stinkdas uit het zuidoostelijke gedeelte
van de Oude Wereld! Zij zijn de stinkers bij uitnemendheid! Als men
leest, welk een afschuw zij kunnen inboezemen overal waar en zoodra
zij zich vertoonen, begrijpt men eerst recht, welk een uitmuntend
verweermiddel een echte stinkklier is. Alle Amerikaansche reizigers
en natuuronderzoekers verklaren eenstemmig, dat het niet mogelijk is,
de werking van het afscheidingsproduct der stinkklieren naar behooren
te beschrijven. Geen scheikundig laboratorium, geen riool, geen kreng,
verbreidt een stank zoo hevig, zoo onuitstaanbaar als dien, waaraan de
(voor het uitwendige zoo sierlijke) _Stinkdieren_ hun naam te danken
hebben; weken, zelfs maanden lang blijft hij gebonden aan het hiermede
bezoedelde voorwerp. Men noemt dezen stank terecht een "pestlucht";
want iemand, die het ongeluk heeft, met een Stinkdier in aanraking
te komen, wordt werkelijk door iedereen gemeden als ware hij een
pestlijder. Ondanks hun geringe grootte zijn de Stinkdieren zulke
vreeselijke en machtige vijanden van den mensch, dat zij ieder, dien
zij met hun vreeselijk vocht bespuiten, in den letterlijken zin van
't woord uit de samenleving verbannen; zij zijn dus bij machte hem een
straf op te leggen, die al mee tot de zwaarste ontberingen behoort,
die iemand kunnen ten deel vallen. Zij zijn in staat een huis geheel
onbewoonbaar te maken, of een met de kostbaarste goederen gevulde
schatkamer haar waarde te doen verliezen.

De Stinkdieren onderscheiden zich van de overige Dassen door den
aanmerkelijk slankeren romp, den langen, dicht behaarden staart, den
grooten gezwollen neus, de zwarte grondkleur, die met witte banden
geteekend is. De kop is klein in verhouding tot het lichaam en loopt
spits toe; de kleine oogen hebben een doordringenden blik; de ooren
zijn kort en afgerond; de korte pooten hebben matig groote voeten
en vijf bijna geheel met elkander vergroeide teenen, die vrij lange,
zwak gekromde nagels dragen; van de zool zijn minstens de eeltballen
onbehaard. De beide stinkklieren hebben een aanzienlijken omvang en
monden in den endeldarm uit; iedere klier bevat een holte ter grootte
van een hazelnoot, bekleed met een klierlaag, die de gele, olieachtige
vloeistof afscheidt, welke de holte vult en voorts omgeven door een
dikke spierlaag, die door haar samentrekking het vocht verscheidene
Meters ver voortstuwen kan. Van oude dieren en vooral van mannetjes
heeft dit vocht, naar men zegt, een heviger werking, dan van wijfjes
en jongen.

De Stinkdieren zijn geen echte woudbewoners; zij geven aan gewesten,
die met gras en struiken begroeid zijn, de voorkeur boven de
uitgestrekte, uit hoogstammige boomen bestaande wouden. Over dag
liggen zij verborgen en slapen in holle boomen, in rotsspleten en
in onderaardsche holen, die zij zelf graven; des nachts springen en
huppelen zij vlug heen en weer om een prooi te overmeesteren. Hun
gewone voedsel bestaat uit Wormen, Insecten, Amphibiën, Vogels en
kleine Zoogdieren; zij eten echter ook bessen en wortels. Alleen
als zij geplaagd of vervolgd worden, maken zij gebruik van het
bedwelming veroorzakende afscheidingsproduct hunner aarsklieren om
hunne vijanden af te weren. In geval van nood houden zij hiermede
zelfs de bloeddorstigste en roofgierigste Katten op een behoorlijken
afstand; alleen in zeer moedige Honden, die, nadat zij bespoten zijn,
den bedrijver van dit schelmstuk met ware doodsverachting te lijf
gaan, vindt deze een vijand, die tegen hem opgewassen is. Alle bekende
soorten komen in levenswijze met elkander overeen; wij kunnen daarom
met de beschrijving van een of twee soorten volstaan.

Het grootste deel van Zuid-Amerika wordt bewoond door een stinkdier,
dat bij de Brazilianen _Surilho_ heet (_Mephitis suffocans_);
het heeft een lengte van 40 cM. zonder den 28 cM. langen staart,
en is buitengewoon verschillend van kleur en teekening. Het dichte,
lange en overvloedige haar, dat op den snuit kort is en van hier te
beginnen allengs langer wordt, verschilt in kleur van zwartachtig
bruin tot glinsterend zwart. De witte strepen beginnen aan het
voorhoofd, en loopen, van elkander gescheiden door een strook ter
breedte van een vinger, tot aan den wortel van den staart; soms, doch
zelden ontbreken zij geheel, zoodat het dier effen zwart is. Hensel
verzekert, dat er waarschijnlijk geen twee Surilho's te vinden zijn,
die volkomen overeenstemmen.

De levenswijze van den Surilho verschilt niet belangrijk van die
der Marters. Hoewel hij het oerwoud vermijdt, komt hij toch alleen
in de met boomen begroeide gedeelten van het laagland en van het
gebergte voor. Hier verraadt hij zijn aanwezigheid door de kleine,
trechtervormige gaten, die hij dicht bij den rand van 't bosch in den
met gras begroeiden bodem maakt met het doel om Mistkevers te zoeken.



In het noorden van Amerika leeft als evenknie van den Surilho de
slechts befaamde _Skunk_ (_Mephitis varians_). De lichaamslengte van
dit dier bedraagt 40 cM.; zijn staart is bijna even lang. Zwart is de
grondkleur van de glanzige vacht. Aan den neus begint een smalle, witte
streep, die tusschen de oogen doorloopt, zich op het voorhoofd tot
een ruitvormige vlek verbreedt, zich op den hals nog sterker uitbreidt
en eindelijk in een band overgaat, die zich tusschen de schouders in
twee breede strepen verdeelt, welke tot aan de staartspits reiken en
zich daar weder vereenigen. Aan den hals, in de schouderstreek, aan
de buitenzijde der achterpooten, minder dikwijls ook aan de borst en
den buik komen kleine, witte vlekken voor. Over den staart strekken
zich, zooals gezegd is, twee breede, witte overlangsche strepen uit;
soms zijn de witte en de zwarte kleur op een minder regelmatige wijze
over dit lichaamsdeel verdeeld.

De _Skunk_ is wegens de onbarmhartige wijze, waarop hij een van onze
gevoeligste zintuigen beleedigt, reeds sedert langen tijd goed bekend,
en doet ook thans nog in alle reisbeschrijvingen van zich spreken. Zijn
verbreidingsgebied is tamelijk uitgestrekt; het veelvuldigst wordt
hij in de nabijheid van de Hudsonbaai gevonden, van waar uit hij zich
naar het zuiden verbreidt. Hij houdt zich in hoog gelegen gewesten op,
voornamelijk in bosschen en kreupelhoutstrooken langs de rivieroevers,
ook wel in rotsachtige streken, waar hij spleten en holen van het
gesteente bewoont.

Het Stinkdier is zoo goed bewust van de vreeselijkheid van zijn wapen,
dat hij volstrekt geen schuwheid of lafhartigheid toont. Al zijne
bewegingen zijn langzaam. Hij kan zoomin springen als klimmen, maar
alleen gaan en huppelen. Bij 't gaan zet hij nagenoeg de geheele
zool op den grond, kromt den rug naar boven en draagt den staart
benedenwaarts gericht. Af en toe wroet hij in den grond, of snuffelt
rond om iets eetbaars te vinden. Als men dit dier toevallig ontmoet,
blijft het rustig staan, licht den staart, op, draait zich om, en
spuit, als het noodig is, het pestvocht rechtuit naar achteren. Als
de honden het staande houden, legt het, volgens Hensel, den staart als
een zittend Eekhoorntje over den rug, keert het achterdeel naar de op
hem aandringende vijanden, en maakt uit toorn zonderlinge, huppelende
bewegingen, zooals men soms van gevangene Beren in het hok ziet. De
honden kennen het gevaarlijke wapen van hun tegenstander zeer goed,
en houden zich meestal op een eerbiedigen afstand. Slechts weinige
Honden hebben den moed, het Stinkdier te grijpen en te dooden. Nooit
verspilt het aangevallen dier zijn pestvocht voorbarig; het bepaalt
zich tot bedreigingen, zoolang de Honden eenige schreden ver van hem
verwijderd blijven.

Audubon ervoer de vreeselijkheid van het Stinkdier aan zichzelf. "Dit
kleine, aardige diertje, dat er zoo onschuldig uitziet," zegt hij,
"is niettemin in staat om iederen praalhans door het eerste schot
op de vlucht te jagen, en hem van angst te doen schreeuwen. Ik zelf
heb eens als kleine schooljongen zulk een droevige ondervinding
opgedaan. De zon was juist ondergegaan. Ik ging met eenige vrienden
langzaam mijns weegs. Op eens zagen wij een allerliefst, ons geheel
onbekend diertje, dat bedaard rondsloop, vervolgens staan bleef en ons
aankeek, alsof het ons als een oude bekende opwachtte om ons gezelschap
te houden. Het diertje zag er zoo onschuldig en aanlokkelijk uit; het
hield zijn ruigen staart recht omhoog, alsof het hierbij aangevat en
in onze armen naar huis gedragen wilde worden.--Ik was geheel verrukt,
tastte vol blijde verwachting toe--en pats! daar schoot het duivelsche
beest mij zijn pestvocht in den neus, in den mond, in de oogen. Als
door den bliksem getroffen, liet ik het monster vallen en nam in
doodsangst de vlucht."

De in Zuid-Amerika levende Stinkdieren verschillen, wat de
krachtige werking van hun pestvocht betreft, volstrekt niet van de
Noord-Amerikaansche.

In de gevangenschap ledigen de Stinkdieren hunne klieren niet, wanneer
men zich zorgvuldig wacht hen te plagen. Zij worden na korten tijd
zeer tam en geraken eenigermate aan hun verzorger gewoon, ofschoon
zij in 't eerst met het achterdeel naar hem gericht zich bewegen,
den staart omhoog heffend, om voortdurend gereed te zijn den vijand
de volle laag te geven. Hooi is hun liefste leger. Zij bereiden zich
een gemakkelijk bed en rollen zich daarop als een bal ineen. Na het
eten poetsen zij zich den snuit met de voorpooten; want zij zijn
zindelijk en houden hun haar steeds netjes en glad; ook laten zij
hun vuil nimmer op hun leger vallen. Zij worden met vleesch gevoed;
het liefst eten zij Vogels.

Het vel van den Skunk, waaraan men den onaangenamen reuk geheel kan
ontnemen, vormt sedert 1860 een belangrijk handelsartikel. Ieder jaar
worden ongeveer 600.000 van deze vellen (welker prijs f 3.60 à f 7.20
bedraagt) uitgevoerd, voornamelijk naar Rusland en Polen.



In Afrika vindt men in plaats van de Stinkdieren de _Bandbunzingen_,
die door hun vorm en andere uitwendige eigenschappen veel op de
dieren van de vorige groep gelijken; hun gebit komt echter meer met
dat van de Marters dan met dat van de Stinkdieren overeen. Zij hebben
behaarde zolen.

De best bekende soort van dit geslacht is de _Zorilla_, de _Muishond_
van de Europeesche kolonisten in het Kaapland (_Rhabdogale mustelina_),
een dier van 35 cM. lichaamslengte benevens 25 cM. staartlengte.

Hij is over geheel Afrika verbreid, gaat ook nog verder dan de
landengte van Suez, komt in Klein-Azië voor, en wordt zelfs, naar men
zegt, in de nabijheid van Konstantinopel (natuurlijk alleen aan de
Aziatische zijde van de zeeëngte) aangetroffen. Bij voorkeur houdt
hij zich in rotsachtige gewesten op. Hier leeft hij in spleten van
het gesteente of in zelf gegraven holen onder boomen en struiken. Hij
heeft een zuiver nachtelijke levenswijze; hierdoor komt het, dat hij
over 't geheel slechts zelden gezien wordt. Zijn voedsel bestaat uit
kleine Zoogdieren, voornamelijk uit Muizen, kleine Vogels, vogeleieren,
Amphibiën en Insecten. Niet zelden wordt hij gevaarlijk voor het
pluimvee, omdat hij op de wijze van de Marters in de boerderijen
sluipt en als een Bunzing moordt.

Door zijne bewegingen gelijkt hij niet op de Marters; want hij is
minder behendig en moet eerder traag genoemd worden. Het klimmen
verstaat hij niet, en ook voor het water heeft hij een grooten afschuw,
ofschoon hij, als het zijn moet, zeer goed zwemt. Zijne afschuwelijke
wapens gebruikt hij geheel op dezelfde wijze als het Stinkdier.



In de derde onderfamilie van de Marters vereenigt men de _Otters_
(_Lutridae_). De hiertoe behoorende soorten, ongeveer 20 in getal,
zijn gekenmerkt door den gestrekten, platten, op korte pooten rustenden
romp, den platten kop met den stompen snuit, kleine, uitpuilende oogen
en korte, ronde ooren, de zeer ontwikkelde zwemvliezen tusschen de
teenen, den langen, spits toeloopenden, eenigszins plat gedrukten
staart en het korte, stijve, gladde, glanzige haar. Hunne voor- en
achterpooten hebben vijf teenen, de beide middelste zijn slechts weinig
langer dan de zijwaarts gerichte. In de aarsstreek komt geen klierzak
voor; twee klieren monden echter naast de aarsopening uit. Door het
gebit en den bouw van het geraamte geleken de Otters nog zeer op
de overige Marters. Een zeer eigenaardig kenmerk, dat ook aan het
geraamte zichtbaar is, levert echter de in 't oog loopend platte kop,
welks breede schedel zich aan het voorhoofd sterk versmalt, en die
in een korten snuit eindigt.

De Otters bewonen de rivieren en de zee; zij zijn over bijna alle
deelen der aarde, met uitzondering van Australië en de Poolgewesten,
verbreid. Slechts door den nood gedwongen verwijderen zij zich van
het water; ook dan doen zij dit alleen met de bedoeling om een ander
water op te zoeken. Zij zwemmen en duiken meesterlijk, kunnen langen
tijd onder water blijven, loopen ondanks hunne korte pooten tamelijk
snel, zijn sterk, moedig en koen, verstandig en geschikt om getemd
te worden; bijna overal leven zij echter op gespannen voet met den
mensch, omdat zij dezen zooveel nadeel doen, dat de kostbare pels,
die zij leveren, daarvoor op lange na geen vergoeding schenkt.



Europa dient tot woonplaats aan een enkele soort van deze onderfamilie,
de _Otter_ of _Vischotter_ (_Lutra vulgaris_), een Watermarter van
ruim 1.2 M. lengte, waarvan 40 à 43 cM. op den staart komen. De kop
is langwerpig rond, de snuit afgerond, de oogen klein maar vurig; de
romp is vrij slank, maar plat, de staart meer of minder rondachtig,
aan de spits sterk versmald; de zeer korte pooten, welker teenen met
elkander verbonden zijn door zwemvliezen, die zich tot aan de klauwen
uitstrekken, worden met de geheele zool op den grond gezet. Een dichte
en kort aanliggende beharing, die uit stevig, stijf, glanzig bovenhaar
van donkerbruine kleur bestaat, bedekt het lichaam; alleen aan de
onderdeelen wordt de haarkleur iets lichter; onder den hals en aan de
zijden van den kop gaat zij over in witachtig grijsbruin, terwijl de
in 't haar verborgen rand van 't oor een lichtbruine kleur heeft; een
lichte, wegsmeltende, witachtige vlek bevindt zich boven het midden
van de onderlip; enkele onregelmatige, zuiver witte of witachtige
vlekjes komen aan de kin en tusschen de onderkaakshelften voor. Sommige
exemplaren hebben eer een grijsbruine dan een donkerbruine kleur.

Onze Vischotter bewoont geheel Europa en bovendien het grootste
gedeelte van Noord- en Middel-Azië; in oostelijke richting strekt
zijn verbreidingsgebied zich uit tot aan den mond van den Amoer,
zuidoostwaarts minstens tot aan de noordwestelijke gedeelten van
den Himalaja. In de Poolgewesten dringt hij, naar het schijnt,
niet ver noordwaarts door, toch vindt men hem, hoewel zelden,
ook nog in Lapland; in Siberië komt hij niet binnen den Poolcirkel
voor. In Indië, China en Japan wordt hij door nauw verwante soorten
vervangen, in Afrika en Amerika door soorten, die men tot afzonderlijke
onder-geslachten brengt. In Middel- en Zuid-Europa bewoont hij elk
water, dat hem voedsel belooft, zelfs rivieren en beken van de
volkrijkste gedeelten van sterk bevolkte staten; in Middel-Azië
ontbreekt hij evenmin op plaatsen die voor hem geschikt zijn. De
Indische Otter gaat zelfs in brak water en zeewater, leeft in de
monden van rivieren en bezoekt nu en dan de zee.

De Vischotter was voorheen in de groote en kleine wateren van ons
geheele land vrij algemeen; hij wordt echter elk jaar zeldzamer en
is in vele streken reeds geheel uitgeroeid. Het meest houdt hij van
rivieren, welker oevers tot op grooten afstand met bosch begroeid
zijn. Hier woont hij in onderaardsche gangen, die geheel naar zijn
smaak en in overeenstemming met zijne gewoonten ingericht zijn. De
ingang van het hol bevindt zich steeds onder water, gewoonlijk 1/2
M. onder den waterspiegel. Van hier gaat een ongeveer 2 M. lange gang
in schuinsche richting naar boven, en komt uit in een ruime kamer,
die geregeld met gras bekleed en steeds droog gehouden wordt. Een
tweede, enge gang loopt van de kamer naar den bovenrand van den oever,
en doet als luchtververschingskanaal dienst. Steeds heeft de Otter
verscheidene woningen, tenzij het water, waarin hij zich ophoudt,
buitengewoon rijk aan Visschen is, zoodat hij geen groote zwerftochten
behoeft te ondernemen. Bij hoogen waterstand, als zijn hol overstroomd
wordt, zoekt hij een schuilplaats op nabijgelegen boomen of in holle
stammen, en rust hier uit; ook ontspant hij zich hier, als hij van
zijn jachtterrein, van 't water, terugkomt.

Aan eigenaars van vischwaters en aan hartstochtelijke hengelaars
geeft de Otter, door de groote schade die hij aanricht, veel stof
tot ergernis; voor den natuuronderzoeker levert hij echter een zeer
aantrekkelijk onderwerp van studie op. Het leven van dit dier is
zoo eigenaardig, dat het iederen vriend der natuur moet boeien. Aan
den Vischotter is alles merkwaardig: zijn handel en wandel in 't
water, zijne bewegingen, de wijze waarop hij zich voedsel verschaft,
en zijne geestelijke vermogens. Ontegenzeggelijk is hij een van de
belangwekkendste dieren van ons werelddeel. Dat hij een echt waterdier
is, ziet men dadelijk, ook als hij zich op het land bevindt. Wegens
zijne korte pooten gelijkt zijn gang, die echter volstrekt niet
langzaam is, op het kruipen van een Slang.

Geheel anders beweegt hij zich in 't water, zijn eigenlijke woonplaats,
die hij bij de geringste aanleiding tot vluchten tracht te bereiken,
om het gevaar, dat hem te land bedreigt, te ontgaan. De bouw van
zijn lichaam stelt hem in staat om op een onovertreffelijke wijze
te zwemmen en te duiken: het slangvormige, breede lichaam met de
korte, door groote zwemvliezen in krachtige roeiorganen veranderde
voeten, de gespierde en tamelijk lange staart, die uitmuntend als
roer gebruikt kan worden, en de gladde, glibberige pels--al deze
eigenschappen te zamen genomen maken het snel doorklieven van het
water mogelijk. Voor het grijpen van den buit dient hem het scherpe,
voortreffelijke en krachtige gebit, dat het eenmaal gevatte voorwerp,
hoe glad en glibberig het ook zij, nooit weder loslaat. In den winter,
als het water met een ijskorst bedekt is, zoekt hij de gaten in het
ijs op, waardoor hij zich te water begeeft en die hij weer opzoekt
om adem te halen. Zulke wakken of bijten weet hij zonder zich ooit te
vergissen weer terug te vinden; even behendig is hij in het ontdekken
van andere wakken gedurende zijn tocht onder het ijs. Een gat in 't
ijs, dat groot genoeg is om zijn neus er door te steken en waardoor
hij dus lucht kan krijgen, is voldoende om hem in staat te stellen
tot het jagen in het toegevroren water.

In de vrije natuur hoort men de stem van den Vischotter veel minder
dikwijls, dan van het gevangen dier, dat veel vaker aanleiding vindt
tot opwinding. Als hij zich recht op zijn gemak gevoelt, hoort men
hem zacht grinniken; het geschreeuw, dat men van hem verneemt, als
hij honger heeft, of wanneer men zijn eetlust prikkelt, klinkt als
de dikwijls en snel achtereenvolgens herhaalde klank "gierk"; het is
zoo schel, dat de ooren er zeer van doen; een krijschend geschreeuw
verraadt toorn, een helder en welluidend gefluit verliefdheid.

De zinnen van den Vischotter zijn zeer scherp; hij kijkt, luistert
en speurt uitmuntend. Reeds op een afstand van verscheidene honderden
schreden bemerkt hij de nadering van een mensch of van een Hond; zulk
een verschijning is voor hem steeds een reden om ten spoedigste naar
het water de wijk te nemen. De onophoudelijke vervolgingen, waaraan
hij is blootgesteld, hebben hem zeer sluw en voorzichtig, maar ook zeer
listig gemaakt, en zoo komt het, dat men dagen lang op hem loeren kan
zonder hem waar te nemen. In den regel gaat hij eerst na zonsondergang
op de vischvangst uit, waarmede hij zich gedurende den nacht bezig
houdt, het liefst en het ijverigst bij helder maanlicht. Bij zulke
jachten nadert hij de menschelijke woningen niet zelden tot op een
afstand van weinige schreden, trekt ook geregeld door buurtschappen
die aan groote rivieren of stroomen liggen, meestal zonder dat men
van zijn aanwezigheid iets bemerkt.

Oude Vischotters leven gewoonlijk afgezonderd; oude wijfjes zwerven
echter langen tijd met hare jongen rond, of voegen zich bij andere
wijfjes of tegen den paartijd bij de wijfjes en mannetjes, die dan
gezamenlijk op de vischvangst gaan. Steeds zwemmen zij den stroom op,
en zoeken dezen niet zelden tot op mijlen afstand van hunne woningen
terdege af; tevens bevisschen zij tot op een afstand van een mijl van
hunne woningen alle rivieren, beken en vijvers, die in de hoofdrivier
uitmonden of met haar in gemeenschap staan.

In het water speelt de Vischotter de rol, die op het land den Los en
den Vos gezamenlijk ten deel is gevallen. In ondiep water drijft hij
de Visschen in de inhammen bijeen om hen het vluchten te verhinderen
en ze des te gemakkelijker te vangen, of noopt hen, door meermalen
met den staart op het water te slaan, zich in gaten van den oever of
onder steenen te verschuilen, waar zij hem dan zeker ten buit vallen.

De Vischotter voedt zich ook met Kreeften, Waterratten, kleine
en zelfs groote Vogels; hoewel Visschen, vooral Forellen, zijn
lievelingsspijs zijn.

Een bepaalden bronsttijd heeft de Otter niet; want men vindt in
elke maand van het jaar jongen. Negen weken na den paartijd, bij ons
gewoonlijk in Mei, werpt het wijfje op een veilig, d. i. onder oude
boomen of dikke boomwortels gelegen, hol aan den waterkant op een
zacht en warm leger van gras 2 à 4 blinde jongen. De moeder betoont
hun veel liefde en verpleegt ze met de grootste zorgvuldigheid. In
het derde levensjaar zijn zij volwassen.

Jonge, uit het nest genomen Vischotters, die men met melk en brood
gevoed heeft, kunnen zeer tam worden. De Chineezen gebruiken een soort
van dit geslacht om voor hen Visschen te vangen; ook in Europa heeft
men meermalen Vischotters voor dit doel afgericht.

Een tamme Otter is een zeer aardig en gezellig dier. Hij leert zijn
meester spoedig kennen en volgt hem eindelijk als een trouwe Hond
op al zijn wegen. Men kan hem zoozeer aan melkspijzen en plantaardig
voedsel gewennen, dat hij deze bijna liever eet dan vleesch; dit kan
zelfs zoo ver gaan, dat hij Visschen in 't geheel niet meer aanraakt.

"Een welbekend jager," verhaalt Wood, "bezat een Otter, die
uitmuntend gedresseerd was. Als zijn naam, _Neptunus_, geroepen werd,
antwoordde hij dadelijk, en kwam op die roepstem af. Reeds in zijn
jeugd toonde hij een buitengemeen verstand, en met de jaren namen
zijn leerzaamheid en tamheid aanmerkelijk toe. Hij liep vrij rond,
en mocht naar welgevallen visschen. Soms voorzag hij geheel alleen
de keuken met de opbrengst van zijn jacht; dikwijls besteedde hij
hieraan het grootste deel van den nacht. Des morgens stond _Neptunus_
steeds op zijn post; ieder vreemdeling zag dan met verwondering dit
vreemdsoorten wezen te midden van de verschillende Staande Honden
en Windhonden, waarmede hij in de grootste vriendschap leefde. Zijn
bekwaamheid voor de jacht was zoo groot, dat zijn roem van dag tot
dag toenam, en dat de buren van den eigenaar dikwijls den wensch
uitspraken, dat hij hun het dier voor een of twee dagen zou leenen,
opdat het voor hen een aantal goede Visschen zou vangen."

De Vischotter wordt wegens de groote verwoestingen, die hij aanricht,
onophoudelijk zonder genade vervolgd. Wegens zijn sluwheid zijn vele
wijze van jagen, die men anders zou kunnen volgen, te langdurig of
onmogelijk. Het is moeielijk, een Otter op den "aanstand" (d. i. van
een schuilhoek uit) te dooden, want als hij er de lucht van krijgt,
dat een mensch in de nabijheid is, komt hij niet te voorschijn. In
den winter levert dit jachtbedrijf gunstiger uitkomsten op, vooral
als men in de nabijheid van de wakken het dier opwacht. Het meest
vangt men den Otter in een klem, dien men vóór de plaats waar hij
het water verlaat, zoo in het water legt, dat het werktuig ongeveer
5 cM. onder den waterspiegel ligt. Het wordt geheel met eendenkroos
bedekt. Als men zulk een val aanbrengen kan in een beek of sloot,
waardoor het dier gedurende het visschen gewoon is van den eenen
vijver naar den anderen te gaan, dan is de uitslag nog zekerder. De
weg, dien de Otter volgen moet, wordt dan door palen op zulk een wijze
vernauwd, dat hij over het ijzer heen loopen moet. Op grootere meren
en vijvers vervolgt men hem in lichte schuiten, en schiet op hem,
zoodra hij boven komt om adem te scheppen. De opstijgende luchtblazen
verraden den weg, dien hij onder water aflegt, en geven den jagers de
richting aan, die zij volgen moeten. In diep water kan men deze wijze
van jagen niet toepassen, omdat de doode Otter als een steen naar den
bodem zinkt, en dus verloren gaat; want, wanneer hij half verrot weer
boven komt, is zijn vel natuurlijk niet bruikbaar meer. In rivieren,
waar vele Otters wonen, kan men nog een andere wijze van jagen in
praktijk brengen. Men spant in alle stilte groote netten dwars door
de rivier, en laat den Otter opjagen door de voor dit doel afgerichte
Otterhonden. Verscheidene met geweren en spiesen gewapende personen
staan bij de netten, of gaan, zoo dit mogelijk is, met de Honden in
de rivier mede. Zij trachten het dier te schieten of te spietsen, en
dragen het daarna trotsch op de spiesen naar huis. Zoo jaagt men den
Otter vooral in Schotland, maar ook in Duitschland, waar vele jagers
zich hierdoor een grooten naam verworven hebben. De gevangen Otter
sist en blaast vreeselijk, verdedigt zich tot den laatsten ademtocht,
en is dan ook zeer gevaarlijk voor onvoorzichtige Honden, daar hij
dezen niet zelden de beenderen van de pooten stukbijt. Geoefende
Otterhonden weten trouwens dergelijke aanvallen te ontwijken, en
hebben er slag van hun wild spoedig te overmeesteren. Op 't oogenblik
van den dood laat de Otter klagende en kermende geluiden hooren.

Het ottervel wordt algemeen gebruikt voor het boorden van pelzen en
andere winterkleederen; in Zuid-Duitschland maakt men er de zoogenaamde
ottermutsen van, die in Hessen, Beieren en Zwaben door mannen en
vrouwen gedragen worden, in Noord-Duitschland vervaardigt men er
pelskragen en dergelijke bontwaren van, in China randen van mutsen;
in Kamtschatka eindelijk dient voor het inpakken van het kostbare
sabelbont het ottervel, omdat men meent dat het alle vochtigheid
tot zich trekt, en daardoor den duren inhoud haar volle waarde doet
behouden. Van de staartharen worden schilderspenseelen en van de
fijne wolharen fraaie en duurzame hoeden gemaakt.



Onze Vischotter en verscheidene van zijne verwanten komen op
sommige plaatsen tijdelijk ook wel in de zee voor; één soort van de
onderfamilie is echter geheel en al een zeebewoner. De _Zeeotter_ of
_Kalan_ (_Enhydris lutris_), vertegenwoordiger van een afzonderlijk
geslacht, vormt misschien een overgang van de Otters tot de Robben. De
kop is wel is waar nog eenigszins afgeplat, maar toch rondachtiger dan
bij de Zoetwater-Otters, de hals zeer kort en dik, de romp rolrond;
de korte, dikke, samengedrukte staart loopt wigvormig uit en is dicht
behaard. De voorpooten verschillen van die van den Rivierotter alleen
door hunne korte teenen, die door een eeltachtige, van onderen naakte
huid verbonden zijn en kleine, zwakke klauwen hebben. De achterste
ledematen echter gelijken veel op vinnen, minstens evenveel als die van
de Zeehonden, van welker achterste vinvoeten zij zich onderscheiden,
doordat de teenen trapsgewijs van binnen naar buiten langer worden. In
vele opzichten gelijken de achterpooten van den Zeeotter op die van
den Bever, hoewel zij van boven en van onderen met korte, dichte,
zijdeachtige haren bezet zijn. Het bovenhaar bestaat uit lange,
stijve, zwartbruine haren met witte spitsen, waardoor de zwartbruine
vacht van het dier wit gesprenkeld is. Bovendien zijn er uiterst fijne
wolharen. De jonge dieren hebben een lange, grove, witte of bruinachtig
grijze beharing, die de fijne bruine wol volkomen bedekt. Volwassen
Zeeotters bereiken een totale lengte van minstens 1.5 M., waarvan
ongeveer 30 cM. op den staart komen, en een gewicht van 30 à 40 KG.

Het verbreidingsgebied van den Zeeotter is beperkt tot het noordelijke
gedeelte van den Stillen Oceaan, waar het in 't noorden ongeveer
door de eilandenketen van de Aleoeten en het Bering-eiland begrensd
wordt. Langs de Amerikaansche kust gaat hij verder zuidwaarts dan
langs de Aziatische, nl. tot 28° N.B.; ook hier wordt hij echter van
jaar tot jaar zeldzamer.

De beste beschrijving van den Zeeotter is gegeven door Steller,
die in 1741 met Bering op het Bering-eiland schipbreuk leed, en
uitmuntend in de gelegenheid was om het dier waar te nemen. "De huid
van den Zeeotter," zegt Steller, "is los verbonden met het vleesch
en beweegt zich gedurende het loopen voortdurend; zijn beharing
overtreft door lengte, schoonheid en zwartheid van kleur het haar van
alle Rivierbevers zoozeer, dat deze met hem niet vergeleken kunnen
worden. De beste vellen worden in Kamtschatka met 30, te Jakoetsk
met 40, aan de Chineesche grens echter, waar zij tegen waren worden
ingeruild, met 80 à 100 roebels betaald. Het vleesch is vrij goed
eetbaar en smakelijk.

"Ook gedurende zijn leven is de Zeeotter een fraai en aardig dier;
hij is vroolijk en grappig van aard en bovendien zeer aanhalig
en verliefd. Als men hem ziet loopen, overtreft de glans van zijn
beharing die van het zwartste fluweel. Het liefst liggen deze dieren
familiesgewijs bijeen: het mannetje met het wijfje, de half volwassen
jongen en de zeer kleine zuigelingen. De liefde van de ouders voor
hunne jongen is zoo groot, dat zij zich voor hen aan het meest
klaarblijkelijke doodsgevaar blootstellen, en als zij hun ontnomen
worden, bijna als een klein kind luid beginnen te weenen. Ook trekken
zij zich dit verlies zoo sterk aan, dat zij, naar wij uit tamelijk
betrouwbare voorbeelden opmaakten, in 10 à 14 dagen zoo mager worden
als een geraamte, ziek en zwak worden, en ook van het land niet wijken
willen. Men ziet ze het geheele jaar door met jongen. Zij werpen er
slechts één en doen dit op het land. Het wordt met open oogen en met
een volledig gebit geboren. De wijfjes dragen het jong in den bek; in
de zee echter gaan zij op den rug liggen en houden het jong tusschen
de voorpooten, zooals een moeder haar kind in de armen houdt. Zij
spelen er mede, zooals een liefderijke moeder zou doen, werpen het
omhoog en vangen het als een bal op, stooten het in 't water, opdat
het zwemmen zal leeren, en nemen het, als het vermoeid geworden is,
weer bij zich en kussen het als een mensch.

"Het voedsel van den Zeeotter bestaat uit Zeekreeften,
Schelpdieren, kleine Visschen, minder dikwijls uit waterplanten
of vleesch. Ongetwijfeld zou men ze kunnen temmen, indien men zich
de kosten wilde getroosten, die aan hun overbrenging naar Rusland
verbonden zijn; waarschijnlijk zouden zij zich hier in een vijver
of rivier voortplanten. Want het zeewater is voor hun welzijn niet
volstrekt noodig; ik heb gezien, dat zij zich verscheidene dagen
achtereen op eilanden en in kleine rivieren ophielden. Nog moet ik
doen opmerken, dat wij aan dit dier veel te danken hebben, daar het
bijna 6 maanden lang ons uitsluitend voedsel is geweest, hetwelk een
heilzamen invloed heeft gehad op onze scorbutlijders.

"De bewegingen van den Zeeotter zijn buitengewoon bevallig en vlug. Zij
zwemmen uitmuntend en loopen zeer snel; men kan zich geen schooner
schouwspel voorstellen dan het zien loopen van dit dier, dat als 't
ware met zwarte, glanzige zijde bekleed is. Ook is het merkwaardig,
dat deze dieren des te vlugger, sluwer en vaardiger zijn, naarmate zij
een fraaiere vacht hebben. De geheel witte dieren, die waarschijnlijk
een zeer hoogen ouderdom bereikt hebben, zijn buitengewoon sluw en
laten zich bijna niet vangen. Bij het slapen op het land liggen zij
gekromd als Honden. Als zij uit de zee komen, schudden zij zich af en
maken zich met de voorpooten schoon als de Katten. Zij loopen zeer
vlug, maar maken vele omwegen. Als hun de weg naar zee afgesneden
wordt, zetten zij een hoogen rug als de Katten, sissen en bedreigen
den vijand met een aanval. Zoodra men hen echter een slag op den kop
geeft, vallen zij voor dood neder en bedekken de oogen met de pooten.

"In Juli of Augustus verharen de Zeeotters, hoewel in geringe mate, en
worden dan een weinig bruiner. De beste vellen zijn die, welke in de
maanden Maart, April en Mei buit gemaakt zijn; zij gaan meestal naar
China. In Kamtschatka kent men geen grooter staatsie dan een kleed,
vervaardigd van aaneengenaaide, witte Rendier-vellen en met Otterbont
afgezet. Eenige jaren geleden droeg iedereen daar nog kleederen van
Zeeottervellen; dit is echter opgehouden sedert zij zoo duur geworden
zijn; bovendien acht men thans in Kamtschatka de Hondevellen mooier,
warmer en duurzamer."

De Zeeotter is door de felle vervolging, waaraan het wegens
zijn kostbare vacht is blootgesteld, niet alleen zeer zeldzaam,
maar ook uiterst schuw geworden zoodat men hem moeielijk kan
naderen. _Pechuel-Loesche_, die 25 jaar geleden den Zeeotter waarnam
bij de (tot de Aleoeten behoorende) eilanden Amoekta en Segoeam, en
er nu en dan jacht op maakte, verhaalt, dat dit waakzame dier zich
door schepen of booten, zelfs wanneer zij bedaard voortzeilen, hoogst
zelden tot op een afstand van een geweerschot laat naderen. De niet
onmiddelijk gedoode dieren gaan in den regel verloren, wanneer men ze
niet aanhoudend vervolgen, en, zoodra zij bovenkomen, opnieuw schieten
kan. Met één enkele boot levert zulk een jacht weinig kans op succes,
want het dier kan ruim een kwartier onder water blijven, en komt dan
dikwijls op een andere plaats, dan waar het verwacht werd, weer boven.

De jacht heeft op verschillende wijzen plaats. Bij min of meer
stil weder varen de jager in hunne "bidarkas," die een lange lijn
beslaan, over de zee, tot zij een Otter bespeuren. Zoodra deze
onderduikt, vormen de schuiten een kring rondom de plaats waar het
dier verdwenen is, en kijken de jagers scherp uit. De Otter wordt, als
hij zich opnieuw vertoont, door het werpen met speren en een gillend
geschreeuw dadelijk naar de diepte teruggedreven; om deze plaats wordt
nogmaals een kring gevormd, en deze handelwijze wordt voortgezet,
totdat, de Otter, wien niet genoeg tijd gelaten is om behoorlijk te
ademen, vermoeid wordt en door den naastbijzijnden jager wordt buit
gemaakt. Zulk een jacht kan 2 à 3 uren duren, voorzoover zij niet
door een goed gemikte speer spoediger ten einde wordt gebracht. Op
deze wijze verkrijgen de jagers in 3 maanden, als het geluk hun zeer
dienstig is, misschien 40 à 50 Otters; ieder van deze dieren heeft
voor hen een waarde van minstens 120 gulden.

Enkele jagers trachten de dieren ook van het land uit te schieten;
zij ontvangen hiertoe van de handelaars uitmuntende geweren. Bij
stormachtig weder loopt de jager op de rotsen, die onder den wind
gelegen zijn, en tracht den eersten den besten Otter, die aan gindsche
zijde van de branding in stiller water te voorschijn komt, een kogel
door den kop te jagen. Het geraas van de branding, het omhoogspattende
schuim verhinderen het zoo voorzichtige dier het dreigende gevaar
te herkennen, zoodat de volhardende schutter het den eenen kogel na
den anderen kan toezenden. Wanneer hij eindelijk het dier getroffen
heeft, gaat hij geduldig zitten, om af te wachten, dat de wind
en de golven hem den kostbaren buit toevoeren. De gevaarlijkste en
meest opwindende wijze van jagen is echter het "otterslaan", daar dit
bedrijf tegenwoordig alleen kan uitgeoefend worden op plaatsen en onder
omstandigheden, die voor den jager bijna onoverkomelijke bezwaren
opleveren. Bij storm worden n.l. de Zeeotters op de afgelegene,
eenzame klippen, waar zij zich nog veilig wanen voor den mensch,
door de al hooger stijgende branding in hun rust gestoord, en zien
zij zich genoodzaakt, te midden van de rotsen hooger op te klimmen,
dan zij gewoon zijn te doen. Hoogst vermetele jagers wagen hun leven
om de dieren, die voor de branding teruggeweken zijn, op hunne hoogere
rustplaatsen te overrompelen. Als de reis naar deze klippen gunstig
afloopt, stappen zij aan de lijzijde aan land, klimmen onder den
wind naar boven en dooden met knotsslagen de dieren, die zij daar
vinden. Het gehuil van den storm, het geloei van de branding verdooft
het gedruisch, dat de jagers mogelijkerwijze maken; de regen of de
nevel verhindert de dieren het gevaar, dat hun bedreigt, bijtijds op
te merken. Op deze wijze hebben twee jagers eens in minder dan één
uur 78 Zeeotters buit gemaakt.

Als de jacht voortgezet wordt op de wijze, waarop zij tot dusver plaats
had, en er geen bepalingen worden gemaakt om haar te beperken, is het
te vreezen, dat de Zeeotter binnen een niet zeer lang tijdsverloop
uitgeroeid zal zijn, en, evenals de Zeekoe van Steller, weldra tot
de dieren zal behooren, die wij als 't ware voor onze oogen van de
aarde hebben zien verdwijnen.



Onder de dieren van een beestenspel zijn er steeds eenige, waarop de
aandacht van het kijkgrage publiek meer in 't bijzonder gevestigd wordt
door de uitlegging van den op een fooi belusten oppasser. Deze zal zich
steeds beijveren om de bedoelde dieren, de _Hyenas_ (_Hyaenidae_), voor
te stellen als ware monsters, en haar de vreeselijkste eigenschappen
toe te dichten. Moordzucht, roofgierigheid, wreedheid, bloeddorst,
arglistigheid en valschheid zijn gewoonlijk niet eens de ergste
beschuldigingen, die de man tegen de Hyenas inbrengt; hij zal er
bijvoegen, dat zij de graven openen, en de lijken verslinden, en
hierdoor een zeer gerechtvaardigd afgrijzen opwekken in de gemoederen
van alle toeschouwers, die met de levenswijze dezer dieren onbekend
zijn. Tot dusver is de wetenschap er niet in geslaagd, deze onware
voorstellingen te doen verdwijnen; ten spijt van de moeite, die
velen aangewend hebben om juistere begrippen te verbreiden, vinden de
genoemde, sinds overouden tijd opgedischte fabels ook thans nog geloof.

Er zijn weinig dieren, welker levensgeschiedenis met zooveel
wondersprookjes en verbazingwekkende overleveringen opgesierd is
geworden, als die der Hyenas. Reeds de ouden hebben de ongeloofelijkste
dingen van haar verteld. Men beweerde, dat de Honden hun stem en
hunne zinnen verloren, zoodra de schaduw van een Hyena op hen viel;
men verzekerde, dat deze afgrijselijke dieren de stem van den mensch
nabootsen, om hem tot zich te lokken, plotseling te overvallen en te
vermoorden. Het merkwaardigste van het geval is, dat deze verhalen
weerklank vonden bij alle volken, die het verbreidingsgebied van de
Hyenas bewonen. Zoo vindt men b.v. bij de Arabieren tal van sagen,
die op deze dieren betrekking hebben. Zij houden het voor zeker en
gewis, dat menschen door het eten van Hyena-hersens razend worden;
zij begraven den kop van het gedoode Roofdier, om aan boosaardige
toovenaars de gelegenheid tot het verrichten van bovennatuurlijke
bezweringen te benemen. Zij zijn er zelfs vast van overtuigd, dat
de Hyenas niets anders zijn dan vermomde toovenaars, die over dag
in menschelijke gedaante rondwandelen, maar des nachts in Hyenas
veranderen om alle rechtvaardigen te benadeelen. Mij zelf hebben zij
verscheidene malen en met aandrang den raad gegeven, niet op Hyena's
te schieten, waarbij mij griezelige verhalen werden gedaan over de
macht der op deze wijze gemaskerde helsche geesten.

Het sprookje en de overlevering zoeken steeds de voor haar passende
gestalten uit. Een dier, waarvan vele wonderbaarlijke verhalen gedaan
en geloofd worden, moet wel iets vreemdsoortigs in zijn gedaante
hebben. Dit vinden wij dan ook bij de Hyenas bevestigd. Zij gelijken
op Honden en verschillen toch in ieder detail van hen; hun uitzicht
is volstrekt niet aanlokkelijk, maar beslist terugstootend. Alle
Hyenas zijn leelijk. Enkele onderzoekers hebben ze beschouwd als
middelvormen tusschen Honden en Katten; wij kunnen ons met deze
zienswijze niet vereenigen, omdat de Hyenas een geheel bijzondere,
eigenaardige gedaante hebben. De romp is gedrongen, de hals dik,
de kop groot, de snuit krachtig en leelijk. De kromme voorpooten
zijn langer dan de achterpooten, waardoor de ruglijn een hellenden
stand verkrijgt; alle voeten zijn met vier teenen voorzien. De ooren
zijn slechts dun behaard en onedel van vorm; de oogen zijn scheef
geplaatst, fonkelen verdacht en hebben een onaangename, onvaste,
wantrouwen wekkende uitdrukking. De dikke, schijnbaar stijve hals,
de ruig behaarde staart, die niet voorbij het hielgewricht reikt, en
de langharige, losse, ruige vacht, die zich langs den rug verlengt
tot manen, die op varkensborstels gelijken, de doffe, nachtelijke
kleur der haren: dit alles draagt bij tot den onaangenamen indruk,
dien het geheele dier maakt. Bovendien zijn alle Hyenas nachtdieren,
hebben een onaangename, wanluidende krijschende stem, die werkelijk
soms op een afgrijselijk gelach gelijkt; zij zijn gulzig, vraatzuchtig,
verbreiden een onaangenamen reuk, maken geen andere dan onedele, bijna
hinkende bewegingen, en hebben ook in andere opzichten gewoonlijk
iets vreemdsoortigs in hun wezen: kortom, men kan ze onmogelijk
schoon noemen. Bij vergelijking van deze dieren met hunne verwanten
merkt men nog andere eigenaardigheden op. Uit hun gebit blijkt,
dat zij geen ander dan dierlijk voedsel gebruiken. De buitengewone
stevigheid van de lompe tanden stelt hen in staat om partij te trekken
van hetgeen andere vleescheters overgelaten hebben en de stevigste
beenderen te verbrijzelen. De snijtanden zijn zeer ontwikkeld, de
hoektanden stomp kegelvormig, de kleine kiezen onderscheiden zich
door hun sterk ingedrukte kroon, de scheurkiezen door hun massieve
ontwikkeling. Krachtige kauwspieren, groote speekselklieren, een met
hoornachtige papillen bezette tong, een wijde slokdarm en eigenaardige
klieren in de nabijheid van de aarsopening zijn verdere kenmerken
van deze dieren.

Het verbreidingsgebied van de Hyenas is zeer uitgestrekt; het
omvat--waarschijnlijk met uitzondering van de tusschen de keerkringen
gelegen landen van het westen--geheel Afrika en Zuid-Azië tot
aan den golf van Bengalen, maar niet de verder oostwaarts gelegen
landen en evenmin Ceylon. Onze dieren houden niet van geslotene en
met uitgestrekte bosschen bedekte, maar van opene, steenachtige
landschappen met gras, struiken en kleine bosschen, doch ook van
echte steppen en zelfs van woestijnen. Over dag ontmoet men ze alleen
dan, wanneer zij toevallig opgejaagd worden; de zon moet ondergegaan
zijn, voordat zij er aan denken om uit te gaan. Dan eerst verneemt
men het gehuil van de Hyenas, die ieder afzonderlijk of tot kleine
gezelschappen vereenigd rondzwerven, en op buit of op den afval van
den maaltijd van andere Roofdieren belust zijn. Zoodra de eene haar
afschuwelijk nachtgezang laat hooren, zijn de andere gewoon in te
vallen. De stem van de Gestreepte Hyena is zeer wanluidend, maar niet
zoo afkeerwekkend, als men haar wel eens heeft voorgesteld: heesche
geluiden wisselen af met hoogklinkende, krijschende met murmelende
of knorrende. Daarentegen onderscheidt zich het gehuil van de
Gevlekte soort door zijn overeenkomst met een inderdaad ijzingwekkend
gelach. Wie deze geluiden voor de eerste maal hoort, kan een lichte
huivering moeielijk onderdrukken, en de onbevooroordeelde onderzoeker
herkent hierin dadelijk een van de voornaamste redenen van het ontstaan
der verschillende sagen over onze dieren. Het is zeer waarschijnlijk,
dat de Hyenas elkander met hare nachtgezangen tot een bijeenkomst
uitnoodigen; ook schijnt het zeker te zijn, dat het gehuil in een
streek oogenblikkelijk verstomt, zoodra een der medewerkers aan dit
nachtelijk concert het een of ander te eten heeft gevonden. Zoolang de
nacht duurt, zwerven deze dieren rond en zijn voortdurend in beweging;
zij komen zelfs onbeschroomd in dorpen en steden, zonder zich aan de
Honden te storen, en keeren des morgens naar hunne schuilhoeken terug.

Bij hunne rooftochten worden de Hyenas zoowel door den reuk als door
het gehoor en het gezicht geleid. Even goed als door een gewond
dier, een kreng, het lijk van een mensch, worden deze leelijke
gasten ook aangelokt door een kudde Schapen, Geiten of Runderen,
die binnen een omheining zijn opgesloten; zij zwerven dan rondom
het dichte staketsel, waardoor zij niet kunnen heendringen. Zoodra
zij de lucht gekregen hebben van een buit, verstommen zij, en draven
nu zoo onhoorbaar mogelijk (want tot sluipen zijn zij niet in staat)
met korte tusschenpoozingen steeds naderbij; zij loeren, luisteren en
speuren telkens als zij stilstaan, en zijn ieder oogenblik bereid om
weder de vlucht te nemen. De Gevlekte soort is iets moediger dan de
Gestreepte; in verhouding tot haar grootte is zij echter nog altijd
erbarmelijk lafhartig en vreesachtig. Wanneer de Hyenas geen dood dier
kunnen vinden, stellen zij zich gewoonlijk hiervoor schadeloos door
dieren aan te vallen, die zich niet voldoende verdedigen kunnen; zij
richten daarom vooral onder de zwakste huisdieren schade aan. Maar ook
met deze beperking van haar werkzaamheid zijn de door haar veroorzaakte
nadeelen soms zeer belangrijk. Selous verloor door haar in Zuid-Afrika
twee sterke Ezels, van welke hij alleen de schedels terugzag; een
andere keer vraten zij een 's avonds door hem geschoten Leeuwin 's
nachts gedeeltelijk op. In allen gevalle wagen zij den strijd met
gezonde, levende dieren alleen dan, als zij geen zieke of afgematte
dieren en geen krengen kunnen vinden.

In sommige omstandigheden worden zij echte jachtdieren, vervolgen en
jagen des nachts Antilopen, werpen ze ter aarde, evenals de Wolven met
hun prooi doen, bijten ze in den hals, tot zij dood zijn, en vreten ze
op. Zulke jachtbedrijven moeten echter als uitzonderingen beschouwd
worden; in alle omstandigheden geven zij aan krengen de voorkeur. Om
ieder dergelijk voorwerp is weldra een groot gezelschap Hyenas aan
den disch vereenigd; haar gedrag bij zulk een gastmaal is bijna niet
te beschrijven. Haar vraatzucht grenst aan het wonderbaarlijke; zij
zijn de Gieren onder de Zoogdieren. Onder het eten vergeten zij alles,
zelfs haar gewone onverschilligheid jegens elkander; zeer dikwijls
gebeurt het, dat de dischgenooten onderling in hevigen strijd geraken;
door het heesche geschreeuw, schel gekrijsch en afschuwelijk gelach,
dat daarbij vernomen wordt, zou een bijgeloovig mensch waarlijk op
het denkbeeld komen, dat alle duivels uit de hel losgebroken en hier
bijeengekomen waren.

Hoewel de Hyenas door het verslinden van afval nuttig zijn, wordt
de schade, die zij onder het vee aanrichten, door dit geringe nut
op lange na niet vergoed; veel beter dan door haar worden de doode
dieren door de werkzaamheid van sommige Vogels en Insecten uit den
weg geruimd.--De karavanen, die door de steppen en woestijnen trekken,
worden steeds gevolgd door een of minder groot aantal Hyenas, die als
't ware vooruitzien, dat eenige twee- of viervoetige leden van deze
expedities haar ten deel zullen vallen.

Dat de Hyenas ook menschen aanvallen, wordt dikwijls beweerd en
ook betwist. Van de Gestreepte Hyena zijn geen feiten van dezen aard
bekend geworden; van de Gevlekte heeft men ze echter zoo vaak bericht,
dat ook in dit opzicht haar gevaarlijkheid boven allen twijfel
verheven is. Wel rooft zij meestal kinderen, en waagt gewoonlijk
alleen dan een strijd met volwassenen, wanneer deze ziek of afgemat
zijn, en wanneer zij slapen; in sommige gevallen overviel zij echter
weerbare mannen. In eenige streken van Afrika wordt zij daarom als
een ware landplaag beschouwd, vooral daar waar zij in groote menigte
voorkomt. Wegens de schade, die deze Roofdieren aanrichten, worden
zij door de Europeesche kolonisten en ook door inboorlingen van vele
stammen vrij geregeld vervolgd. Men schiet ze, vangt ze in strikken,
vallen en kuilen en vergiftigt ze met trychnine. Hyenas, die op zeer
jeugdigen leeftijd gevangen zijn, kunnen gemakkelijk getemd worden en
worden niet zelden zeer aanhankelijk; zij verdragen de gevangenschap
zeer goed, maar worden, op hoogeren leeftijd gekomen, dikwijls blind.

In de voorwereld waren de Hyenas over een veel grooter deel van de
aarde verbreid dan tegenwoordig; toen kwamen zij ook in Middel-Europa
veelvuldig voor, zooals uit op vele plaatsen gevonden beenderen en
uit de goed geconserveerde uitwerpselen dezer dieren ten duidelijkste
blijkt. Tegenwoordig bestaan, voor zoover men weet, nog vier soorten
van deze familie, de drie echte Hyenas en de Aardwolf, die als een
middelvorm tusschen haar en de familie der Civetkatten beschouwd
mag worden.



De _Gestippelde_ of _Gevlekte Hyena_ (_Hyaena crocuta_) onderscheidt
zich door haar krachtigen lichaamsbouw en haar gevlekte vacht van de
Gestreepte Hyena, die veel vaker naar Europa wordt overgebracht, en
van den effenkleurigen Strandwolf. Op een witachtig grijzen grond, die
nu eens wat meer, dan weer wat minder naar 't vaalgele zweemt, staan
op de zijden van den romp en op de bovenste gedeelten der ledematen
bruine vlekken. De kop is bruin, op de wangen en de kruin roodachtig,
de staart is met bruine ringen voorzien en aan de spits zwart;
de voeten zijn witachtig. Deze kleur wisselt niet onbelangrijk af:
sommige exemplaren zijn donkerder, andere lichter. De lichaamslengte
van het dier bedraagt ongeveer 1.3 M. bij een schouderhoogte van 80
cM.; volgens sommige berichten komen hier en daar ook veel grootere
exemplaren voor.

De Gevlekte Hyena bewoont het zuiden en oosten van Afrika, van
de Kaap de Goede Hoop tot op 17° N.B., en vervangt daar, waar zij
veelvuldig voorkomt, de Gestreepte Hyena bijna geheel. In Abessinië en
Oost-Soedan leven beide soorten op dezelfde plaatsen; verder zuidwaarts
echter wordt de Gevlekte soort steeds veelvuldiger en ten slotte de
eenige. In Abessinië is zij algemeen, in de gebergten komt zij tot op
4000 M. boven den zeespiegel voor. Haar levenswijze gelijkt geheel en
al op die van hare verwanten; zij wordt echter wegens hare grootte
en lichaamskracht veel meer gevreesd dan deze, en waarschijnlijk
daarom als een onheilvoorspellend, betooverd wezen beschouwd. Vele
onderzoekers verzekeren eenstemmig, dat zij werkelijk menschen aanvalt
en vooral slapende en vermoeide lieden overrompelt. Hetzelfde wordt,
volgens Rüppell, ook door de Abessiniërs beweerd.

De Gevlekte Hyena is de soort, die in de sagen in den regel bedoeld
wordt. Van alle Roofdieren heeft zij ongetwijfeld de leelijkste
en meest terugstootende gestalte; niet slechts deze, maar ook de
inborst van het dier geven een verklaring van den haat, dien men het
toedraagt. Zij is dommer, boosaardiger en ruwer dan haar Gestreepte
familiegenoot, ofschoon men haar met de zweep weldra tot op zekere
hoogte temmen kan. Naar het schijnt, wordt zij echter nimmer zoo tam
als de Gestreepte soort, want de kunstjes, die zij in beestenspellen
verricht, kunnen hiervoor niet als maatstaf dienen, en andere lieden
dan zulke rondreizende dierkundigen zullen er waarschijnlijk geen
behagen in scheppen, zich met haar bezig te houden. Zij is in het hok
al te leelijk, te lomp en te onaardig! Uren lang ligt zij op een en
dezelfde plaats als een blok hout, springt dan op, kijkt ongeloofelijk
dom om zich heen, schuurt zich aan de traliën en laat van tijd tot
tijd haar afschuwelijk gelach hooren, dat, zooals wel eens gezegd
wordt, iemand door merg en been dringt.



De _Schabrak-Hyena_ of _Strandwolf_ (_Hyaena brunnea_) onderscheidt
zich van hare verwanten vooral door de lange, ruige, naar beide zijden
afhangende manen op den rug. De kleur van het overal lange haar is
effen donkerbruin, met uitzondering van eenige weinige bruin en wit
gegolfde plaatsen aan de pooten; de kop is donker bruin en grijs,
het voorhoofd zwart met witte en roodachtig bruine sprenkeling. De
haren van de rugmanen zijn bij den wortel witachtig grijs, overigens
zwartachtig bruin van kleur. De Strandwolf is aanmerkelijk kleiner
dan de Gevlekte Hyena en wordt hoogstens zoo groot als de Gestreepte.

Dit dier bewoont Zuid-Afrika, waarschijnlijk alleen de woestijnachtige,
westelijke landstreken, en houdt zich, naar men zegt, gewoonlijk
in de nabijheid van de zee op. Naar het schijnt, wordt het overal
in veel minder groot aantal gevonden dan de Gevlekte Hyena, maar
komt in levenswijze vrij wel met deze overeen; het voedt zich dus
hoofdzakelijk met doode dieren, misschien wel met die, welke door de
zee op het strand geworpen worden.

De _Gestreepte Hyena_ (_Hyaena striata_) is het ons welbekende dier
der reizende menagerieën. Zij wordt, daar haar vaderland het dichtst
bij het onze gelegen is, en zij er overal gemeen is, het veelvuldigst
tot ons gebracht; gewoonlijk richt men haar af tot het verrichten
van de voor 't publiek zoo belangwekkende kunststukjes, die men in
de beestenspellen te zien krijgt. Daar zij zoo algemeen bekend is,
kan de beschrijving van haar uitzicht kort zijn. De vacht is ruig
en uit stijve, tamelijk lange haren samengesteld. Bij de geelachtig
witgrijze kleur steken zwarte dwarsstrepen af. De haren van de manen
hebben ook bij deze soort zwarte spitsen; het voorste deel van den
hals is niet zelden geheel zwart; de staart is soms eenkleurig, soms
gestreept. De kop is dik, de snuit betrekkelijk dun, ofschoon altijd
nog lomp van vorm; de rechtopstaande ooren zijn groot en volkomen
onbehaard. De jongen gelijken op de ouden. De gewone lichaamslengte
is 1 M., soms iets meer, soms iets minder.

Van alle Hyenas heeft de Gestreepte het grootste verbreidingsgebied;
het omvat Noord-Afrika, te beginnen bij het uiterste westen, een
groot deel van Zuid-Afrika en geheel Zuid-Azië van de Middellandsche
Zee tot aan de golf van Bengalen. Evenals alle Hyenas, houdt zij niet
van boschrijke, maar van open landschappen; zij is nergens zeldzaam,
in schaars bevolkte streken zelfs veelvuldig; zij is echter de minst
schadelijke soort en wordt daarom nergens bijzonder gevreesd. In haar
vaderland zijn gewoonlijk zooveel doode dieren, of althans beenderen,
te vinden, dat zij zelden door den honger gedwongen wordt om levende
dieren aan te vallen. Haar lafhartigheid gaat alle grenzen te buiten;
zij komt echter ook wel in de dorpen, in Egypte althans zeer dicht
erbij. Op het aas, dat wij neerlegden, om in de gelegenheid te zijn
later Gieren te schieten, kwamen des nachts in den regel Hyenas af,
die ons hierdoor lastig werden. Als wij in de open lucht uitrustten,
slopen zij dikwijls tot bij ons leger; meermalen hebben wij uit
onze rustplaats, zonder op te staan, op haar kunnen vuren. Bij een
uitstapje naar den Sinaï schoot mijn vriend Heuglin met hagel een
Gestreepte Hyena op deze wijze. Ondanks haar brutaalheid is geen
mensch bang voor haar; zij waagt het werkelijk nooit menschen, zelfs
gedurende den slaap, aan te vallen. Evenmin graaft zij lijken op,
tenzij deze slechts met een dun laagje zand of aarde bedekt zijn;
aan de griezelige daden, die in de dierententen van haar verhaald
worden, is zij dus onschuldig. Haar levenswijze gelijkt op die van
de Gevlekte Hyena; zij komt echter zelden in groote benden voor.

Weinige dagen na onze aankomt in Khartoem kochten wij twee jonge
Hyenas voor ongeveer 60 cents. De diertjes waren ten naasten bij zoo
groot als een halfwassen Dashond, met zeer zacht, fijn, donkergrijs
wolhaar bedekt, en nog zeer ongemanierd, hoewel zij een tijdlang
in het gezelschap van menschen hadden verkeerd. Wij sloten ze op
in een stal, en hier bezocht ik ze dagelijks. In 't eerst beten
zij hevig; door ze telkens daarna duchtig te kastijden, gingen wij
haar weerspannigheid te keer; drie maanden na den dag waarop wij ze
gekocht hadden, konden wij met haar spelen als met Honden, zonder
eenige mishandeling te moeten duchten. Van dag tot dag geraakten
zij meer aan mij gehecht; het deed haar buitengewoon veel genoegen,
als ik bij haar kwam. Zij gedroegen zich, toen zij meer dan half
volwassen waren, op een hoogst zonderlinge wijze. Zoodra ik in haar
stal kwam, stonden zij met een vroolijk gehuil op, sprongen bij mij
op, legden hare voorpooten op mijne beide schouders en besnuffelden
mijn gelaat. Later ben ik wel in Kaïro met deze dieren, die ieder aan
een dun touw vastzaten, door de straten gaan wandelen tot ontzetting
van alle geloovigen. Soms toonden zij mij haar gehechtheid door mij
ongenood te bezoeken. Voor vreemdelingen was het een even verrassend
als verontrustend schouwspel ons te zamen aan de theetafel te zien
zitten. Ieder van ons had een Hyena aan zijn zijde, en deze zat
schrander en bedaard op zijn achterdeel, zooals een goed opgevoede
Hond aan tafel gewoon is te doen, als hij om een brokje bedelt. Dit
deden de Hyenas ook; hare bescheidene verzoeken bestonden uit een
zeer zacht, maar bijzonder heesch klinkend gekrijsch; zij bedankten
ons, door zich op de achterpooten te verheffen en ons op de reeds
aangeduide wijze te begroeten, of althans onze handen te besnuffelen.

Zij waren hartstochtelijke liefhebsters van suiker, aten echter ook met
smaak brood, vooral als wij dit te voren in thee geweekt hadden. Wij
voedden ze gewoonlijk met het vleesch van de Paria-Honden, die wij
voor haar schoten.

Met elkander leefden mijne gevangenen in goede verstandhouding. Als
de eene langen tijd van de andere verwijderd was geweest, hadden
zij steeds groote pret, als zij weder bijeenkwamen; om kort te gaan,
zij bewezen duidelijk genoeg, dat ook Hyenas voor warme genegenheid
vatbaar zijn.



De _Aardwolf_ of _Civet-Hyena_ (_Proteles Lalandii_) vormt het tweede
geslacht van deze familie. Wat zijne uitwendige eigenschappen betreft,
gelijkt dit dier, dat nog slechts weinig bestudeerd is, in 't oog
loopend op de Gestreepte Hyena; het heeft met deze den afgeknotten
snuit, de hooge voorpooten, den naar achteren afhellenden rug, de
rugmanen en den ruigen staart gemeen; zijne ooren zijn echter grooter
en de voorpooten hebben een korten duim, evenals die der Honden.

Tot nu toe is de Civet-Hyena de eenige bekende soort van dit
geslacht. Haar totale lengte bedraagt 1.1 M., die van den staart 30
cM., De vacht heeft op bleekgelen grond zwarte zijdestrepen. De kleur
van den kop is zwart met geel doormengd; de onderdeelen hebben een
witachtig gele, de eindhelft van den staart heeft een zwarte kleur.

De Aardwolf is een bewoner van Zuid-Afrika, vooral van het westelijk
gedeelte.

Uit alle berichten, die op dit dier betrekking hebben, blijkt, dat het
een nachtelijke levenswijze heeft en zich over dag in holen verbergt,
welke op die van onzen Vos gelijken, maar uitgebreider zijn, en door
verscheidene Aardwolven tegelijk bewoond worden. De drie door Verreaux'
gezelschap gedoode exemplaren werden, met behulp van een Hond uit
één hol, hoewel niet uit denzelfden gang, naar buiten gedreven. Zij
kwamen te voorschijn met overeindstaande rugmanen, hangende ooren en
staart, en liepen zeer snel weg; de eene zocht zich in der haast weer
in den grond te verbergen door een hol te graven en toonde daarbij
een merkwaardige behendigheid. Uit het onderzoek van het hol bleek,
dat alle gangen met elkander in gemeenschap stonden en naar een groote
kamer leidden, die waarschijnlijk tijdelijk aller gemeenschappelijke
woning was geweest. De genoemde onderzoeker bericht, dat het voedsel
van deze dieren hoofdzakelijk uit lammeren bestaat, dat zij echter nu
en dan ook wel een Schaap overvallen en dooden, van deze prooi echter
hoofdzakelijk alleen den vetten staart verslinden. Om dit te doen,
hebben zij stellig geen krachtig gebit noodig. Voor 't overige is de
levenswijze van den Aardwolf volkomen onbekend.



In de vijfde familie van Roofdieren, die van de overige tamelijk
scherp onderscheiden is, vereenigen wij de _Honden_ (_Canidae_). Hun
lichaamsbouw verschilt niet zoo sterk van die der Katten, als men bij
vluchtig onderzoek zou kunnen meenen. Maar ofschoon tusschen de beide
familiën vele punten van overeenstemming aangewezen kunnen worden,
vormen zij toch door uitwendig voorkomen en inwendig maaksel, door
levenswijze en door gewoonten duidelijk twee afzonderlijke groepen. In
grootte staan zij alle bij de grootste Katten-soorten achter; zij zijn
ook niet zoo sterk en zoo gevreesd als deze typische Roofdieren. Hun
gestalte is mager, de kop klein, de snuit spits, de stompe neus steekt
vooruit, de romp, die op dunne of hooge pooten met korte voeten rust,
is in de flanken (tot aan de liesstreek) versmald, de staart is kort
en dikwijls ruig behaard. Aan de voorpooten komen meestal 5, aan de
achterpooten geregeld 4 teenen voor, die krachtige, maar steeds stomp
eindigende en niet terugtrekbare klauwen dragen. De oogen zijn groot en
voor het zien op klaarlichten dag beter geschikt dan die der Katten;
de ooren zijn meest spitser en grooter, de tepels aan de borst en den
buik talrijker. In het krachtige gebit, dat uit 36 à 48 tanden bestaat,
zijn de snijtanden (6 boven, 6 onder), vooral die van de bovenkaak,
betrekkelijk groot, de buitenste lang en bijna hoektandvormig; de
vier hoektanden zijn slank en een weinig gekromd; de kleine kiezen
(aan elken kant 3 boven, 4 onder) minder scherp getakt dan bij de
Katten, de 4 scheurkiezen goed ontwikkeld; de knobbelkiezen (2 boven,
2 onder aan elken kant), zijn vrij stompe maaltanden, die het voedsel
flink vergruizen. De kop is langwerpig, omdat de kaken zoo lang zijn;
7 halswervels, 20 rug- en lendewervels, 3 heiligbeenwervels en 18 à
22 staartwervels vormen de wervelkolom. De borstholte is omgeven door
13 paar ribben (9 paar ware en 4 paar valsche). Het sleutelbeen is
onontwikkeld gebleven, het schouderblad smal; de bekkenbeenderen zijn
krachtig. Het spijskanaal is gekenmerkt door een rondachtige maag;
de eigenlijke darm is 4- à 7-maal langer dan het lichaam.

Uit alle eigenaardigheden van de Honden blijkt, dat zij niet
uitsluitend dierlijk voedsel behoeven te gebruiken, waardoor
het besluit voor de hand ligt, dat zij ook minder moordlustig en
bloedgierig zullen zijn dan de Katten. Inderdaad verschillen zij
in dit opzicht aanmerkelijk van deze. Wat wildheid, moordlust en
bloedgierigheid betreft, staan zij onvoorwaardelijk bij de Katten
ten achter; veeleer geven alle eenige bewijzen van goedaardigheid,
zij het dan ook in zeer verschillende mate. Het gelaat van den Hond
heeft in den regel een vriendelijke uitdrukking; men ziet hierin nooit
op zulk een in 't oog loopende wijze het drieste zelfvertrouwen en
de wildheid doorstralen, die het bij den Kat ten toon spreidt.

Reeds in den voortijd waren de Honden wijd verbreid; het is boven
allen twijfel verheven, dat zij zeer vroeg op het wereldtooneel
verschenen. Tegenwoordig zijn zij over de geheele bewoonde wereld
verbreid en komen in de meeste gebieden veelvuldig voor. In eenzame,
stille gewesten en wildernissen, onverschillig of deze bergachtig zijn
dan wel vlak, in uitgestrekte donkere bosschen, op dicht begroeide
plaatsen, in steppen en woestijnen houden zij zich op. Eenige dolen
bijna voortdurend rond en blijven hoogstens zoo lang in een oord, als
zij door een nog hulpbehoevende nakomelingschap in hunne bewegingen
beperkt worden; andere graven zich holen in den grond, of maken
gebruik van holen, die door andere dieren gemaakt zijn, om hierin
voor vast verblijf te houden. Sommige soorten zijn ware nachtdieren,
andere zijn dit slechts ten deele, nog andere zijn echte vrienden van
het daglicht. Gene verbergen zich gedurende den dag in hunne holen
of in eenzame en beschutte schuilhoeken, in het struikgewas, in het
riet of in het hooge koren, tusschen onbezochte en donkere rotsen;
zij zwerven des nachts eenzaam of in troepen door hun jachtgebied,
maken daarbij in sommige gevallen tochten van verscheidene mijlen,
jagen onderweg, bezoeken intusschen zelfs groote dorpen en steden
en trekken zich bij het aanbreken van den dag in den eersten
den besten geschikten schuilhoek, dien zij vinden, terug. Andere
Honden daarentegen zijn over dag bijna even ijverig in de weer als
des nachts. Weinige leven eenzaam of bij paren; zelfs die soorten,
waarvan de mannetjes en wijfjes tijdelijk bijeen blijven, voegen zich
in sommige omstandigheden tot grootere troepen bijeen, men mag wel
aannemen, dat alle Honden zonder uitzondering gezellige dieren zijn.

Wat hun bewegingsvermogen betreft, staan de Honden maar weinig bij
de Katten achter. Hunne stompe klauwen veroorlooven hun niet te
klimmen; zij zijn genoodzaakt op den bodem te blijven; ook kunnen
zij zulke hooge en verre sprongen niet maken als de Katten: voor
't overige overtreffen zij deze eerder, dan dat zij minder bekwaam
zouden zijn. Zij kunnen uitmuntend loopen en toonen een ongeloofelijke
volharding; zonder uitzondering kunnen zij zwemmen en sommige doen
dit meesterlijk; zelfs treffen wij bij hen reeds echte waterdieren
aan; er zijn Honden, die met duidelijk merkbaar genot met de golven
spelen. Bij het gaan zetten zij, evenals de Katten; alleen de teenen op
den grond, hun gang is echter eigenaardig scheef, daar zij gewoon zijn
de pooten niet recht voor zich uit te zetten. Alle Honden hebben zeer
goed ontwikkelde zintuigen. Het gehoor is maar weinig minder scherp
dan dat van de Katten, de reukorganen daarentegen zijn verwonderlijk
fijngevoelig; ook van het gezicht kan men zeggen, dat het beter
is dan bij de Katten; want de nachtelijk levende Honden staan in
dit opzicht met de Katten gelijk, terwijl de over dag jagende hen
beslist overtreffen.

Nog veel meer munten de Honden uit door hunne geestvermogens. Zelfs
de laagst ontwikkelde soorten geven merkwaardige blijken van
list en sluwheid, die trouwens bij sommige aan den (bij andere
in zoo hooge mate voorkomenden) moed wel eenige afbreuk doen. De
hooger staande Honden echter en meer bepaaldelijk die, welke met de
menschen verkeeren, of, beter gezegd, zich met lichaam en ziel aan hen
overgegeven hebben, bewijzen dagelijks, dat hunne geestvermogens een
trap van ontwikkeling hebben bereikt, die bij geen ander dier wordt
aangetroffen. De tamme Hond en de in 't wild levende Vos handelen
met schrander overleg en voeren zorgvuldig doordachte plannen uit,
welker afloop zij met groote gewisheid van te voren schatten. Door
zijn verstand is de Hond ten nauwste met den Mensch verbonden geraakt;
hierdoor verheft hij zich boven alle overige dieren.

De Honden voeden zich hoofdzakelijk met dierlijke stoffen, vooral
met Zoogdieren en Vogels. Zij eten versch gedoode dieren niet liever
dan krengen, voor welke sommigen zelfs een duidelijke voorkeur
schijnen te hebben. Enkele verslinden ook zeer graag beenderen;
andere vinden zelfs in de vuilste uitwerpselen van het menschelijk
lichaam nog een gewenschte spijs. Bovendien eten zij Kruipende Dieren,
Amphibiën, Visschen, Schaaldieren, Insecten of honig, ooft, veld-
en tuinvruchten, ja zelfs boomknoppen, uitspruitsels, wortels, gras
en mos. Vele zijn zeer vraatzuchtig en dooden meer dieren dan zij
verslinden kunnen; de bloeddorst vertoont zich hier echter nooit in
een zoo afschrikwekkende gedaante als bij sommige Katten en Marters;
er is geen enkele Hond, die zich aan het bloed van de door hem gedoode
slachtoffers met welgevallen bedwelmt.

De vruchtbaarheid van de Honden is grooter dan die der Katten;
het aantal jongen bereikt bij hen soms de uiterste grenzen van het
voortplantingsvermogen der Zoogdieren in 't algemeen. Men kan aannemen,
dat de Honden gemiddeld 4 à 9 jongen werpen; het is echter wel eens
gebeurd (hoewel zulke gevallen tot de uitzonderingen behooren), dat
een Hond in een worp 18 en zelfs 23 jongen ter wereld bracht. Het
komt voor, dat een vader zijn kroost of dat een andere mannetjeshond
de jonge nakomelingschap van een teef met moordzuchtige bedoelingen
vervolgt en opvreet, als hij kan: vooral heeft dit plaats bij de Wolven
en Vossen, die in sommige gevallen ook hunne volwassene soortgenooten
niet sparen. Bij de meeste soorten echter worden ook de jonge dieren
dadelijk als leden van het gezelschap beschouwd. De moeder zorgt met
ware zelfverloochening voor haar kroost.

Daar verscheidene soorten van Honden in de door hen bewoonde gewesten
zeer talrijk vertegenwoordigd kunnen zijn, is de schade, die de geheele
familie dooreengenomen aanricht, vrij belangrijk; de soorten, die den
mensch benadeelen, worden daarom overal onbarmhartig vervolgd. Hier
staat tegenover, dat de kleinere soorten ons door het wegvangen van
schadelijke Knaagdieren en Insecten of door het uit den weg ruimen
van krengen en andere afval goede diensten bewijzen en ons bovendien
nog door hun vacht, hun huid en hunne tanden nuttige producten leveren.

Men kan de Honden in drie geslachten verdeelen en twee van deze weder
in kleinere groepen splitsen. Deze geslachten omvatten de _Wolven_ of
Wilde Honden met ronde pupil en korten staart (_Canis_), de _Vossen_,
met spleetvormige pupil en langen, ruigen staart (_Vulpes_) en de
_Lepelhonden_, grootoorige woestijnbewoners met een afwijkend, uit
zeer vele tanden samengesteld gebit (_Otocyon_).



Om den Huishond en zijne tallooze rassen juist te beoordeelen,
is het volstrekt noodzakelijk, zijne in 't wild levende verwanten,
de _Wolven_ (_Canis_), waaronder men zijne voorvaders moet zoeken,
te leeren kennen. Bovendien is het wenschelijk van de vrij levende
Honden tot de getemde over te gaan. Gene leeren ons, wat de Hond was,
voordat hij zich aan den mensch onderwierp; in hen zien wij nog het
oorspronkelijke, in den getemden Hond het veranderde en, gelijk men
wel zeggen mag, het vermenschelijkte dier.

In het ondergeslacht der _Eigenlijke Wolven_ (_Lupus_), vereenigen
wij alle Wolfachtige Honden (met uitzondering van den Hyena-Hond),
hoeveel verschil in uitwendig voorkomen zij ook vertoonen, voorzoover
hun gebit uit 42 tanden bestaat; zij onderscheiden zich door een
matig grooten kop met tamelijk spitsen snuit.

De _Wolf_ (_Canis lupus_, _Lupus vulgaris_), heeft ongeveer den
vorm van een grooten, hoog op de pooten geplaatsten, schralen Hond,
die den staart laat hangen in plaats van hem opgerold te dragen. Bij
nauwkeuriger vergelijking merkt men de volgende punten van verschil
op: De romp is mager, de buik ingetrokken; de pooten harmonieeren
met dezen bouw van den romp; de langharige staart hangt tot op het
hielgewricht naar beneden; de snuit is, met den dikken kop vergeleken,
gestrekt en loopt spits toe; het breede voorhoofd helt af; de oogen
zijn scheef geplaatst; de ooren staan altijd overeind. De beharing
wisselt af al naar het klimaat van de landen, die de Wolf bewoont;
zoowel de groeiwijze als de kleur van het haar verschillen. In de
noordelijke landen is het haarkleed lang, ruig en dicht; het langst
aan het onderlijf en aan de bovenste gedeelten der ledematen, ruig
aan den staart, dicht en opgericht aan den hals en aan de zijden;
in zuidelijke streken is de beharing over het algemeen korter
en ruiger. De kleur is gewoonlijk vaal grijsachtig geel met een
zwartachtige tint doormengd, die aan de onderzijde lichter, dikwijls
witachtig grijs schijnt. In den zomer zweemt de kleur meer naar rood,
in den winter is zij geelachtiger, in noordelijke landen nadert
zij meer tot wit, in zuidelijke landen is zij zwartachtiger. Het
voorhoofd is witachtig grijs, de snuit geelachtig grijs, altijd echter
met zwart gemengd, de lippen zijn witachtig, de wangen geelachtig en
soms onduidelijk zwart gestreept, de dichte wolharen zijn vaalgrijs.

Hier en daar komt een zwarte verscheidenheid van den Wolf voor, die
men evenals andere kleursafwijkingen, als eenvoudige spelingen moet
beschouwen. De Wolven in 't gebergte zijn over 't algemeen groot
en sterk, de Wolven in de vlakten aanmerkelijk kleiner en zwakker,
maar daarom volstrekt niet minder roofgierig of minder geneigd tot
den aanval. In Hongarije en Galicië onderscheidt men algemeen de
Rietwolven en de Boschwolven.

Een volwassen Wolf bereikt een lichaamslengte van 1.6 M., waarvan 45
cM. op den staart komen; de schouderhoogte bedraagt ongeveer 85 cM. Een
flink exemplaar weegt 40, soms ook wel meer, tot aan 50 KG. De Wolvin
onderscheidt zich van den Wolf door een iets zwakkeren lichaamsbouw,
een spitseren snuit en een dunneren staart.

Ook nu nog is de Wolf wijd verbreid, hoe zeer ook zijn gebied
is ingekrompen in vergelijking met vroegere tijden. Hij bewoont
tegenwoordig nog bijna geheel Europa, hoewel hij uit de volkrijkste
gedeelten van dit werelddeel verdwenen is. In Spanje komt hij in
alle gebergten en zelfs in alle eenigszins uitgebreide vlakten
geregeld voor; in Griekenland, Italië en Frankrijk is hij tamelijk
veelvuldig, in Zwitserland zeldzamer; in ons land evenals in Middel-
en Noord-Duitschland en in Groot-Britannië is hij geheel uitgeroeid;
in het oosten van Europa is hij algemeen: Hongarije en Galicië,
Kroatië, Krain, Servië, Bosnië, de Donau-vorstendommen, Polen,
Rusland, Zweden, Noorwegen en Lapland zijn de landen, waar hij
ook thans nog in noemenswaardig aantal voorkomt. Op IJsland en de
eilanden van de Middellandsche Zee schijnt hij zich nooit opgehouden
te hebben. In de Atlaslanden wordt hij wel gevonden. Bovendien
strekt zijn verbreidingsgebied zich uit over geheel Noordoost- en
Middel-Azië, door Afghanistan en Beloetsjistan tot in het stroomgebied
van den Indus, misschien tot in de bovenlanden van Pendsjab. In
Noord-Amerika heeft hij verwanten, die zoo zeer op hem gelijken,
dat men ook wel de noordelijke landen van het westelijk halfrond
binnen zijn verbreidingskring heeft getrokken, en niet alleen den
Noord-Amerikaanschen, maar ook den Mexicaanschen Wolf als ondersoorten
heeft opgevat.

De ouden waren zeer goed met den Wolf bekend. Vele Grieksche en
Romeinsche schrijvers maken melding van dit dier, eenige niet
slechts met den vollen afschuw, die Isegrim van vroegs af aan
heeft ingeboezemd, maar ook reeds met geheime vrees voor zijne
bovennatuurlijke, spookachtige eigenschappen. In de oud-Germaansche
mythologie wordt de Wolf, het dier van Wodan, eer geacht dan
verafschuwd; den laatstgenoemden indruk bracht hij eerst veel later
teweeg, toen de christelijke godsdienst het geloof van onze voorouders
verdrongen had. Toen veranderde Wodan in den "Wilden Jager" en zijne
Wolven in diens Honden. Ten slotte ontstond uit deze de als "Weerwolf"
bekende spookgestalte, die bij afwisseling als Wolf en als mensch
verscheen, en een bron van ontzetting was voor alle bijgeloovige
lieden.

Hoewel de Wolf langzamerhand meer en meer teruggedrongen wordt, is toch
de laatste dag van zijn aanwezigheid in de beschaafde Europeesche
landen naar alle waarschijnlijkheid nog niet aanstaande. In de
vorige eeuw ontbrak dit schadelijk Roofdier in geen der groote
wouden van Middel-Europa, en ook in deze eeuw werden in Duitschland,
volgens officieele opgaven, altijd nog duizenden van deze dieren
gedood. Op Pruisisch gebied werden er in 1817 nog 1080 geschoten. In
Pommeren alleen doodde men er in 1800: 118, 1801: 109, 1802: 102,
1803: 186, 1804: 112, 1805: 85, 1806: 76, 1807: 12, 1808: 37, 1809:
43 stuks. Daarna werden zij zeldzamer, maar kwamen weder in groote
menigte in het land met het uit Rusland vluchtende Fransche leger,
dat hun lijken genoeg als voedsel verschafte.

"De Wolf," zegt Van Bemmelen, "was vroeger in de meeste streken van
ons land zeer gemeen, werd in de 16e eeuw op groote drijfjachten
bij honderden gedood. Zelfs in het laatst der vorige eeuw hielden
zich in minder bewoonde, boschrijke streken, zooals te Oosterwijk en
Heeswijk in Noord-Brabant, nog steeds Wolven op. In lateren tijd werden
gedurende zeer koude winters, enkele voorwerpen in de Groesbeeksche,
Hoog-Soerensche, Gorteler en Vreebosschen enz. gedurende korteren
of langeren tijd aangetroffen, doch deze waren waarschijnlijk uit de
Ardennen over de Kleefsche bosschen afgedwaald."

De Wolf bewoont eenzame, stille landstreken en wildernissen, en wel
dichte, donkere bosschen, broekland met moerassige en droge gedeelten,
in het zuiden ook de steppen. Men vindt hem zelfs in betrekkelijk
kleine en lage, wild groeiende bosschen, op dammen in broekland en
moerassen, in rietbosschen, maïsvelden, in Spanje zelfs in koornvelden,
dikwijls in de onmiddellijke nabijheid van bijeenstaande huizen. In
dicht bevolkte gewesten vertoont hij zich slechts bij uitzondering
voor het aanbreken van de schemering, in eenzame wouden daarentegen
begint hij, evenals de Vos in dergelijke omstandigheden, reeds in de
namiddaguren zijne omzwervingen; hij sluipt rond, telkens stilstaande
om te onderzoeken of er niets te vinden is tot bevrediging van den
honger, die hem voortdurend kwelt. Gedurende de lente en den zomer
leeft hij eenzaam of in gezelschappen van twee of drie stuks; in den
winter voegen de Wolven zich bijeen tot troepen, die uit een meer
of minder groot aantal individuën bestaan, al naar de landstreek
deze vereeniging begunstigt of niet. De leden van zulk een bende
verrichten al hunne werkzaamheden gemeenschappelijk, staan elkander
bij, en roepen ingeval van nood door hun gehuil elkanders hulp in. De
tot benden vereenigde Wolven zwerven even ver rond als de afzonderlijk
levende; zij volgen de richting van gebergten, trekken door vlakten,
doorreizen, van het eene bosch in het andere overgaande, geheele
provinciën, en vertoonen zich zoodoende geheel onverwachts in gewesten,
waarin men ze gedurende geruimen tijd, misschien jaren achtereen,
niet had waargenomen. Dat hij bij zijne jacht- en zwerftochten in
een enkelen nacht een afstand van 40 à 70 KM. aflegt, is duidelijk
gebleken. Niet zelden, in den winter als er een dikke sneeuwlaag
ligt, vrij geregeld, vormen de Wolvenbenden lange rotten, doordat deze
dieren, evenals de Indianen op hun krijgspad, op korten afstand van en
achter elkander loopen, en zooveel mogelijk in elkanders spoor treden,
zoodat het zelfs voor een ervaren jager moeilijk wordt, te beslissen,
uit hoeveel individuën de bende bestaat.

Wegens de vele beweging die de Wolf maakt, en het groote
arbeidsvermogen door hem ontwikkeld, moet de stofwisseling bij hem zeer
snel plaats hebben, waarvoor hij een buitengewoon groote hoeveelheid
voedsel dient te gebruiken; deze gevaarlijke roover richt dan ook
overal waar hij voorkomt, een groote slachting aan onder alle voor
hem bereikbare dieren. Het liefst maakt hij jacht op huisdieren
en de groote soorten van wild, onverschillig of zij behaard dan
wel bevederd zijn; hij behelpt zich echter ook wel met de kleinste
en eet zelfs Insecten; evenmin versmaadt hij plantaardig voedsel;
hij eet, naar bericht wordt, maïs, meloenen, komkommers, augurken,
aardappels enz. De schade, die hij door zijn jacht aanricht, zou,
hoewel ook dan nog aanzienlijk, toch misschien nog te dragen zijn,
als hij zich niet door zijn onstuimigen jachtijver en onbeteugelde
bloeddorst liet vervoeren, om veel meer dieren te dooden, dan hij
voor zijn voeding noodig heeft. Juist hierdoor wordt hij tot een
plaag voor de herders en jagers, tot den hartstochtelijk gehaten
vijand van iedereen. Gedurende den zomer richt hij minder schade aan
dan in den winter. Het woud biedt hem n.l., behalve het gewone wild,
nog velerlei andere spijzen aan: Vossen, Egels, Muizen, verschillende
soorten van Vogels en Kruipende Dieren en ook plantaardige stoffen;
van de huisdieren valt hem daarom in dit jaargetijde hoogstens eenig
klein vee, dat zonder toezicht in de nabijheid van zijn verblijfplaats
graast, ten buit. Onder het wild houdt hij een verschrikkelijke
opruiming: hij verscheurt en verjaagt Elanden, Herten, Damherten,
Reeën en roeit in zijn jachtgebied bijna alle Hazen uit, maar valt
de grootere vee-soorten waarschijnlijk slechts bij uitzondering
aan. Dikwijls stelt hij zich gedurende langen tijd tevreden met de
allereenvoudigste jachtbedrijven, volgt de tochten van de Lemmingen
over een afstand van honderden wersten, en voedt zich dan uitsluitend
met deze Woelmuizen, of zoekt Hagedissen, Ringslangen en Kikvorschen en
zamelt Meikevers in. Van aas is hij een hartstochtelijk liefhebber;
daar waar hij met den Los één gebied bewoont, maakt hij op diens
slachtplaatsen den disch schoon.

Op geheel andere wijze treedt hij gedurende den herfst en den winter
op. Thans besluipt hij onverpoosd het vee in de weide en spaart zoo
min groote als kleine dieren; de weerbare Paarden, Runderen en Zwijnen
hebben alleen dan geen last van hem, als zij aaneengesloten troepen
vormen, en hij zich nog niet met zijne rotgezellen tot benden vereenigd
heeft. Als de winter aanvangt, nadert hij de dorpen en steden meer
en meer; hij komt b.v. tot aan de eerste huizen van St. Petersburg,
Moskou en andere Russische steden, dringt in de Hongaarsche en
Kroatische dorpen door, doorloopt zelfs steden van de grootte van
Agram en houdt zich in kleine vlekken en dorpen geregeld met de jacht
bezig; vooral de Honden leveren hem een zeer begeerde spijs; zij zijn
de eenige buit, die hij in de nabijheid van de dorpen gemakkelijk
kan verkrijgen. Andere gelegenheden om voedsel te verkrijgen worden
trouwens volstrekt niet ongebruikt gelaten; zonder aarzeling sluipt
hij een stal binnen, en doodt zonder genade of barmhartigheid al het
kleine vee, dat hij er vindt. Zulk een inbraak van den vermetelen
roover in de veestallen behoort echter steeds tot de zeldzaamheden,
terwijl daarentegen de bewoners van alle dorpen in de door Wolven
bewoonde gewesten iederen winter een groot aantal van hunne Honden
verliezen, op gelijke wijze als de wolvenjager iederen zomer
verscheidene van zijne trouwe helpers moet missen. Als de Wolven
zich tot benden vereenigen om te jagen, vallen zij ook Paarden en
Runderen aan, hoewel deze hun leven weten te verdedigen. In Rusland
wordt verteld, dat benden hongerige Wolven zelfs Beren te lijf gaan,
en na hevigen strijd ten slotte dooden. Veilig kan men zeggen, dat
de Wolf jacht maakt op alle levende dieren, die hij meent te kunnen
overmeesteren. Altijd en overal echter ontziet hij, zoolang hem
dit mogelijk is, den mensch. De akelige moordgeschiedenissen, die,
evenals van den Tijger, ook van den Wolf verhaald en door de fantazie
op velerlei wijzen opgesierd worden, bevatten slechts een zeer kleine
kern van waarheid. Een troep door den honger gekwelde en door woede
verblinde Wolven zal bij gelegenheid ook wel menschen, zelfs weerbare
volwassenen, aanvallen, dooden en verslinden; de gevaren, die den
mensch bedreigen in de door Wolven bewoonde landen, zijn echter niet
zoo verschrikkelijk als zij soms worden voorgesteld. Een afzonderlijk
jagende Wolf zal waarschijnlijk niet licht een aanval wagen op een
krachtigen man, al is deze slechts met een knuppel gewapend, tenzij
allerlei ongunstige omstandigheden bijeenkomen; weerlooze vrouwen en
kinderen staan ongetwijfeld meer bloot aan dit gevaar.

Uit de bovenstaande mededeelingen blijkt genoegzaam, hoe schadelijk
de Wolven zijn. Voor de nomadische volken en voor alle volken die
vee houden, zijn zij ontegenzeggelijk de ergste van alle vijanden. Er
zijn gevallen voorgekomen, dat zij de veeteelt in een gewest geheel
onmogelijk hebben gemaakt. Een enkele Wolf, die zich, volgens Kobell,
voordat hij gedood werd, 9 jaren in de omstreken van Schliersee
en Tegernsee had opgehouden, heeft volgens officieele berichten
gedurende dien tijd omstreeks 9000 Schapen en een groote hoeveelheid
wild verscheurd, zoodat de door hem veroorzaakte schade op 8 à 10000
gulden werd begroot. In Lapland heeft het woord "vrede" dezelfde
beteekenis als "geen last van de Wolven". Men kent daar slechts
één oorlog, en deze wordt met de genoemde Roofdieren gevoerd, die
de levende have van de arme nomaden van het noorden dikwijls op de
gevoeligste wijze verminderen. Ook in Spanje veroorzaken de Wolven
aanzienlijke verliezen. In Rusland vallen hun ieder jaar omstreeks
180.000 stuks groot vee en ongeveer drie maal zooveel klein vee ten
prooi; Lasarewski begroot de schade, die ieder jaar door hen onder de
huisdieren aangericht wordt, op ongeveer 15 millioen roebels, en zegt,
dat zij wel voor 50 millioen roebels bruikbaar wild dooden. Bij dit
alles komt nog, dat ook zij voor _rabies_ (hondsdolheid) vatbaar zijn,
en dan voor menschen en dieren in hooge mate gevaarlijk worden.

Het is niet te verwonderen, dat deze gevaarlijke dieren, overal waar
zij zeer talrijk zijn, niet alleen onder de menschen, maar ook onder de
dieren angst en schrik veroorzaken. De Paarden worden zeer onrustig,
wanneer zij de lucht krijgen van een Wolf; de overige huisdieren,
met uitzondering van de Honden, gaan op de vlucht, zoodra zij eenig
vermoeden krijgen van de nadering of van de aanwezigheid van den
gevreesden vijand. Voor goede Honden schijnt er echter geen grooter
genoegen te bestaan dan de Wolvenjacht, zooals trouwens de Honden
over 't algemeen zich hierdoor onderscheiden, dat zij juist aan de
gevaarlijkste jacht de voorkeur geven. Moeilijk verklaarbaar, maar
toch merkwaardig is het, dat de haat tusschen twee zoo nauw verwante
dieren als de Wolf en de Hond zoo groot kan worden.

Ook andere huisdieren weten zich tegen den Wolf te verdedigen. In
de steppen van Zuid-Rusland wonen de Wolven in door henzelf gegraven
holen, die dikwijls meer dan 2 M. diep zijn. Deze dieren sluipen in
de Russische steppen des nachts voortdurend om de kudden. Zij naderen
de paardenkudden met voorzichtigheid, trachten de alleenloopende
veulens, die zich te ver van de kudde verwijderd hebben, te verrassen,
of besluipen alleenloopende Paarden, springen hen naar den strot en
werpen ze ter aarde. Als de overige Paarden den Wolf bemerken, gaan zij
onmiddellijk op hem af en slaan, als hij stand houdt, met de hoeven
van de voorpooten op hem los; de hengsten grijpen hem ook wel met de
tanden aan. In een even onaangenamen toestand geraakt Isegrim, als
hij in de bosschen van Spanje of van Kroatië varkenskluifjes tracht
te rooven. Een alleenloopend Zwijn valt hem misschien ten buit,
een aaneengesloten kudde van eenige beteekenis heeft echter geen
last van den Wolf. Als hij het geschikte oogenblik om te vluchten,
verzuimt, wordt hij door de woedende Zwijnen onmeedoogend afgemaakt,
en daarna door hen met evenveel smaak verslonden, als waarmede hij
hen opgegeten zou hebben.

De Wolf bezit alle begaafdheden en eigenschappen van den Hond:
dezelfde kracht en volharding, dezelfde scherpte van de zintuigen
en hetzelfde verstand. Hij is echter eenzijdiger en komt ons veel
minder edel voor; de reden hiervan is ongetwijfeld deze, dat hij niet
door den mensch is opgevoed. Zijn moed is volstrekt niet geëvenredigd
aan zijn kracht. Zoolang de honger hem niet kwelt, is hij een van de
lafhartigste en vreesachtigste dieren die er bestaan. Hij vlucht dan
niet alleen voor menschen en Honden, voor een koe of een Bok, maar
ook voor een kudde Schapen, zoodra deze dieren zich aaneensluiten
en de koppen tegen hem richten. De Wolf staat in sluwheid, list,
geveinsdheid en voorzichtigheid volstrekt niet achter bij den Vos,
bezit veeleer deze eigenschappen in nog hoogere mate. In den regel
laat hij zijn gedrag afhangen van de omstandigheden, overlegt voordat
hij handelt, en weet, ook als hij in een moeielijken toestand komt,
den rechten uitweg te vinden. Zijn prooi besluipt hij met even groote
voorzichtigheid als list; als hij zelf vervolgd wordt, beweegt
hij zich even behoedzaam. De reuk, het gehoor en het gezicht zijn
alle even voortreffelijk bij hem. Men beweert, dat hij niet slechts
zorgvuldig speurt, maar ook reeds op grooten afstand de lucht krijgt
van het voorwerp dat hem belang inboezemt. Ook weet hij nauwkeurig te
bepalen, aan welk dier het spoor behoort, dat hij toevallig op zijne
zwerftochten heeft opgemerkt. Hij volgt dit dan, zonder zich om andere
sporen te bekommeren. Zijn lafhartigheid, zijn list en zijn uitstekend
waarnemingsvermogen blijken bij elke overrompeling, die hij onderneemt.

Bij de Wolven begint de bronsttijd meestal in het einde van December
en duurt tot in het midden van Januari. Na 63 of 64 dagen brengt de
Wolvin op een veilig plaatsje midden in het woud 3 à 9, gewoonlijk 4
à 6 jongen ter wereld. De jongen blijven 21 dagen blind, groeien in
't eerst langzaam, later snel, gedragen zich geheel als jonge Honden,
spelen vroolijk met elkander of plukharen soms onder luid, op grooten
afstand hoorbaar gehuil en gekef. De Wolvin behandelt ze met evenveel
liefde, als bij een goeden Huishond in dergelijke omstandigheden
wordt opgemerkt, belekt en reinigt ze, zoogt ze zeer lang, verschaft
hun rijkelijk het voedsel dat voor hun leeftijd past, is voortdurend
angstvallig bezorgd voor hun veiligheid, en zoekt hun verblijfplaats
verborgen te houden; wanneer zij reden tot bezorgdheid meent te hebben,
of wanneer er werkelijk een gevaar dreigt, draagt zij hare jongen in
den bek naar een plaats, die zij veilig acht. De ouderdom, dien deze
dieren bereiken kunnen, bedraagt vermoedelijk 12 à 15 jaren.

Vele proefnemingen hebben voldoende bewezen, dat door de paring van
een Wolf met een teef, of van een rekel met een Wolvin bastaarden
ontstaan, die vruchtbare jongen kunnen voortbrengen. Deze bastaarden
houden niet altijd het midden tusschen den Wolf en den Hond; ook
kunnen de jongen uit een nest veel van elkander verschillen. In den
regel gelijken zij meer op den Wolf dan op den Hond, ofschoon er ook
bij zijn, die meer overeenkomst met den Hond vertoonen.

Wolven, die van jongs af goed opgevoed en verstandig behandeld
zijn, worden zeer tam en geven blijken van innige gehechtheid aan
hun meester. Cuvier maakt melding van een Wolf, die als een jonge
Hond opgevoed was en in volwassen toestand door zijn meester aan
den "Jardin des Plantes" werd geschonken. "Hier toonde hij zich
gedurende eenige weken geheel troosteloos, at uiterst weinig en
was volkomen onverschillig voor zijn oppasser. Eindelijk vatte hij
eenige genegenheid op voor de menschen, die zich met hem bemoeiden;
het scheen zelfs, dat hij zijn vorigen meester vergeten had. Deze
kwam na een afwezigheid van 18 maanden te Parijs terug. De Wolf
herkende zijn stem te midden van het gedruisch, en toonde, toen men
hem losgelaten had, op een uitbundige wijze zijn blijdschap."

Allerlei middelen worden gebruikt om den Wolf te verdelgen: niet
alleen kruit en lood, maar ook het arglistig vergiftigde lokaas, de
verraderlijke strikken en vallen, de knuppel en ieder ander wapen. De
meeste Wolven worden waarschijnlijk met strychnine gedood. Als in den
winter het voedsel schaarsch begint te worden, doodt men een Schaap,
trekt het de huid af, strooit het vergif bij kleine hoeveelheden in
het vleesch, dat daartoe overal met insnijdingen wordt voorzien. Het
dus toebereide dier wordt, nadat de huid er weer overheen getrokken is,
neergelegd op een plaats, die door de Wolven bezocht wordt. Geen Wolf
eet zich zat aan een op deze wijze vergiftigd dier, omdat hij zeer
spoedig de werking van het gif ondervindt en er aan bezwijkt. Deze
handelwijze is wel de meest doeltreffende. Met voordeel maakt men
ook gebruik van valkuilen, gaten in den grond, die ongeveer 3 M. diep
en 2.5 M. wijd zijn. Zij worden bedekt met een licht dak van dunne,
buigzame takken, mos enz.; op 't midden van dit dak wordt een lokaas
vastgebonden. Opdat de Wolf geen tijd zal hebben om vooraf langdurige
nasporingen te doen, en om menschen, welke dien weg langs gaan, niet
in gevaar te brengen, wordt de kuil met een hooge schutting omgeven,
waarover ieder die op het lokaas belust is, moet heenspringen.

In volkrijke gewesten worden groote drijfjachten gehouden om de Wolven
uit te roeien. Het vinden van het spoor van een Wolf was en is het
signaal voor het op de been komen van geheele gemeenten. In de groote
houtvesterijen van Polen, Posen, Oost-Pruisen, Litauen enz. heeft
men bepaaldelijk met het oog op de Wolvenjacht breede wegen door het
bosch gehouwen en dit hierdoor in kleine vierhoeken verdeeld.

Op een geheel andere wijze jagen de bewoners van de Russische
steppen. Voor hen is het geweer bij de Wolvenjacht een bijzaak. Het
opgejaagde Roofdier wordt door jagers te Paard zoo lang vervolgd,
totdat het niet meer loopen kan, en daarna doodgeslagen.

Het grootste nut, dat de Wolf ons kan verschaffen, bestaat in zijn
huid, die als zij gedurende den winter wordt buit gemaakt, een goede
pels oplevert, die veelvuldig gebruikt wordt. De beste en grootste
vellen komen uit Skandinavië, het noorden van Rusland, Siberië en
het noorden van China, en worden met 6 à 15 gulden betaald. Bovendien
wordt in vele landen van regeeringswege nog een premie betaald voor
iederen gedooden Wolf, onverschillig of deze geschoten, doodgeslagen,
gevangen of vergiftigd werd.



Eenige met onzen Wolf verwante soorten kunnen wij hier slechts terloops
vermelden: de _Vale Wolf_ (_Canis [Lupus] occidentalis_), een groot,
maar voor den mensch niet gevaarlijk dier, dat over de geheele
noordelijke helft van Amerika verbreid is, welks kleur van vaalwit,
door vaalrood tot zwart afwisselt, en welks levenswijze in hoofdzaken
met die van den Gewonen Wolf overeenkomt, alsmede de _Jakhalswolf_
of _Aboe-el-Hossein_ der Arabieren (_Canis [Lupus] anthus_), een
kleinere verwant van onzen Isegrim, die in Noordoost-Afrika voorkomt
en reeds aan de oude Egyptenaars bekend was, zooals uit afbeeldingen
van dit dier op oude gedenkteekenen blijkt. Zijn in een spitsen snuit
eindigende kop draagt groote, breede ooren; de romp rust op hooge
pooten en is sterk gespierd; de donker vaalbruine kleur varieert
aanmerkelijk al naar de verblijfplaats. Hij voedt zich met klein
wild, aas en vruchten; soms echter maakt hij, tot benden vereenigd,
jacht op de Schapen- en Geitenkudden van de inboorlingen.



Een Wilde Hond van soortgelijken lichaamsbouw is de _Gestreepte Wolf_
_(Canis [Lupus] adustus)_, een middelvorm tusschen den Wolf en den
Jakhals. Zijn romp is langwerpig; de kop eindigt in een kegelvormig
toegespitsten snuit, welke aan dien van den Vos herinnert; de oogen
zijn scheef geplaatst; de ooren, die evenals bij den Jakhals, ver
vaneenstaan, zijn aan den top zacht afgerond; de pooten zijn in
't oog vallend lang en slank; de staart reikt tot op den bodem.

"De Gestreepte Wolf," zegt Pechuel-Loesche, die dit dier in
Neder-Guinea, vooral in Loango, zoowel in de wildernis, als getemd,
heeft nagegaan, "is grooter en staat hooger op de pooten dan onze
Vos, heeft dezelfde listige uitdrukking in 't gelaat, maar tevens
edelere en ook goedaardige trekken. Het is een buitengewoon behendig
en lenig dier, welks bewegingen men met welgevallen aanschouwt. De
inboorlingen van Loango, die den Gestreepten Wolf _Mboeloe_ noemen,
doen hem geen kwaad, hoewel hij dicht bij hunne woningen komt; ook
de Honden der dorpelingen denken er niet aan, met hem te twisten. In
alle jaargetijden laat de Mboeloe des nachts en des morgens zijn
langgerekt, schel gekef hooren; het is zoo luid en doordringend,
dat het een nieuweling misschien verschrikt zal doen opspringen,
wanneer het in de onmiddellijke nabijheid van het dorp of van het kamp
weerklinkt. De jammerlijke klaagtoonen van een Mboeloe brachten ons
eens nog te rechter tijd aan den rand van een boschje van struikgewas,
waar zulk een dier juist aan een groote Slang, aan een Python, ten
buit was gevallen, en stelden ons in staat, het door een schot hagel
te bevrijden. Eerst wist hij niet, wat hem overkwam, maar weldra liep
hij huilend weg.

"Half volwassen Gestreepte Wolven hielden wij dikwijls op ons erf. Een
van deze ontwikkelde zich tot een zeer flink dier, en werd zoo tam
en welgemanierd, dat wij hem weldra een onbeperkte vrijheid konden
toestaan. Hij liep niet slechts binnen de omrastering rond, en bezocht
de kamers, maar zwierf uren lang zoowel door onze aanplantingen,
als door de velden en heesterbosschen van de omstreken. Daar zocht
en ving hij Kevers en Sprinkhanen; die, welke opvlogen, sprong hij
spelenderwijs uit overmoed achterna; hij maakte waarschijnlijk ook
menig klein Zoogdier, menigen onvoorzichtigen Vogel buit. Ongelukkig
hield hij zich niet bezig met de jacht op Ratten, die op ons erf
een ware plaag geworden waren. Onze tamme Vogels liet hij met rust,
nadat hem eens een onbeduidende kastijding was toegediend, toen hij
op heeterdaad betrapt was bij het vangen van een Hoen. Als hij later
nogmaals begeerige oogen sloeg op een verleidelijk stukje, dan was
een zacht 'Pst!' of een verwijtend woord voldoende, om hem op het
pad der deugd te houden. Soms bleef hij den geheelen dag afwezig,
maar verscheen toch altijd 's avonds in de eetkamer om eenige brokken
in ontvangst te nemen. Wanneer men langer dan hij passend achtte,
vergat hem iets te geven, meldde hij zich aan door zijn neus tegen
ons been te duwen en ten slotte als een Hond den kop op onze knie
te leggen. Hij nam alles dankbaar aan: brood, boonen, rijst, visch,
vleesch, zelfs rauwe bananen en olienoten; hij vergruisde echter
geen andere dan dunne beenderen. Als iemand zich met hem bemoeide en
hem vriendelijk aansprak, keek hij dezen vroolijk en trouwhartig als
een Hond aan; hij kwispelstaartte echter zelden. De menschelijke stem
maakte in zulke omstandigheden op hem een indruk, soortgelijk aan die,
welke zij, naar mij gebleken is, op den Gorilla maakt; hij scheen er
letterlijk door betooverd."



De _Jakhals_ (_Canis [Lupus] aureus_) is het dier, dat door de
ouden _Thos_ en _Gulden Wolf_ werd genoemd; de "Vossen," die Simson
gebruikte om het koorn van de Filistijnen in brand te steken, zijn
waarschijnlijk Jakhalzen geweest. In 't Oosten is dit dier overal
bekend; men spreekt daar over zijne daden met hetzelfde welgevallen,
als waarmede men te onzent die van den Vos gedenkt.

De Jakhals heeft, zonder den 22 à 26 cM. langen staart, een
lichaamslengte van 65 à 80 cM. en een schouderhoogte van 45 à 50
cM.; hij is krachtig gebouwd en staat hoog op de pooten; zijn snuit
is spitser dan die van den Wolf, maar stomper dan die van den Vos;
de ruige staart hangt tot aan het hielgewricht naar beneden. De ooren
zijn kort, de lichtbruine oogen hebben een ronde pupil. Een ruige vacht
van moeielijk te beschrijven kleur, die uit middelmatig lange haren
samengesteld is, bedekt het lichaam. De grondkleur is vuil vaal of
grijsachtig geel, op den rug en aan de zijden meer naar zwart zweemend,
soms ook zwart gegolfd. Deze kleur is scherp gescheiden van die der
zijden en der ledematen, die evenals de hals en de zijden van den kop,
een vaalroode kleur hebben. Het vaalgeel van de onderzijde gaat aan de
keel en den buik in witachtig geel, aan de borst in roodachtig geel,
aan den onderhals in grijs over.

Azië moet als het vaderland van den Jakhals aangemerkt worden. Bij
Indië te beginnen is hij over het westen en noordwesten van dit
werelddeel verbreid; door Beloetsjistan, Afghanistan, Perzië, Kaukasië,
Klein-Azië, Palestina en Arabië strekt zijn verbreidingsgebied zich
uit over Noord-Afrika en ook over een deel van Europa, n.l. Turkije,
Griekenland en eenige streken van Dalmatië. In Indië en Ceylon treft
men hem overal aan, in bosschen zoowel als in open landschappen,
in vlakten en in bergstreken, in den Himalaja tot op een hoogte van
1000 M.

De Jakhals houdt door zijn levenswijze het midden tusschen den Wolf
en den Vos. Hij gelijkt meer op dezen dan op genen. Over dag blijft
hij verscholen; tegen den avond gaat hij op de jacht, huilt luid om
andere dieren van zijn soort tot zich te lokken en zwerft dan met deze
rond. Hij houdt zeer van gezelligheid, ofschoon hij ook wel onverzeld
jaagt. Misschien is hij wel de brutaalste en lastigste van alle wilde
Honden. Hij heeft niet het minste ontzag voor de woonplaatsen van den
mensch, maar dringt onbeschaamd dorpen en zelfs volkrijke steden ook
boerenerven en woningen binnen, en neemt daar weg, wat hij er van zijn
gading vindt. Door deze indringendheid wordt hij veel onaangenamer
en lastiger dan door zijn berucht nachtgezang, dat hij met een
bewonderenswaardige volharding pleegt voor te dragen. Zoodra de nacht
werkelijk aangebroken is, hoort men een veelstemmig, in de hoogste
mate jammerlijk gehuil, dat eenigszins herinnert aan dat van onzen
Hond, maar zich door een grootere afwisseling onderscheidt. Het moet
volstrekt niet aangemerkt worden als een uiting van een droefgeestige
gemoedsstemming; want de Jakhalzen huilen ook bij een overvloedig maal.

Tot den haat, die hun toegedragen wordt, geven de Jakhalzen
trouwens ook nog door andere daden aanleiding. Het geringe nut dat
zij aanbrengen, staat volstrekt niet in verhouding tot de schade,
die zij veroorzaken. Nuttig worden zij door het uit den weg ruimen
van aas en het verdelgen van allerlei ongedierte, hoofdzakelijk door
het vangen van Muizen; schadelijk zijn zij door hunne onbeschaamde
gauwdievenstreken. Zij verslinden niet alleen alles wat eetbaar is,
maar stelen bovendien nog allerlei oneetbare zaken uit huis en hof,
tent en kamer, stal en keuken; zij nemen mede wat hun aanstaat. Hunne
lust en liefhebberij voor 't stelen is misschien even groot als hun
vraatzucht. In den kippenloop spelen zij ongeveer de rol van onzen
Reintje, moorden met den bloeddorst van den Marter en rooven op even
onbeschaamde wijze als de Vos, zonder daarbij even listig te werk te
gaan. Nu en dan verstouten zij zich zelfs tot het belagen van een van
de kudde afgedwaald dier, van lammeren en jonge Geiten, vervolgen
klein wild of plunderen de boomgaarden en de wijnbergen. Naar men
zegt, hebben in Indië ook de suikerriet- en maïs-plantages door
hun vraatzucht te lijden, en richten zij ook in de koffietuinen
schade aan door groote hoeveelheden rijpe bessen te verslinden. De
zaden, de koffieboonen, werpen zij onverteerd weer uit; deze worden
ijverig opgezocht, daar zij, naar beweerd wordt, de beste koffie
opleveren. 't Is wel mogelijk, dat dit waar is, hoewel de reden van
de betere kwaliteit der koffie niet te zoeken is in de omstandigheid,
dat de boonen reeds eenmaal door het spijskanaal van het dier zijn
heengegaan, maar hierin, dat de Jakhalzen gewoon zijn de lekkerste
vruchten uit te kiezen.

Jakhalzen, die in hun prille jeugd gevangen zijn, worden weldra zeer
tam, in allen gevalle veel tammer dan Vossen. Zij worden zeer gehecht
aan hun meester en volgen hem als Honden; evenals deze laten zij zich
liefkoozen en verlangen zelfs liefkoozingen; zij komen als men ze
roept, kwispelstaarten vriendelijk als zij gestreeld worden, kortom zij
hebben eigenlijk alle zeden en gewoonten van de Huishonden. Zelf als
zij op meer gevorderden leeftijd gevangen zijn, onderwerpen zij zich
na verloop van tijd aan den mensch, hoe bijtlustig zij aanvankelijk
ook zijn.



Een welbekende Amerikaansche Wolf, de _Huilwolf_ of _Steppenwolf_,
_Prairiewolf_ of _Coyote_ (_Canis [Lupus] latrans_) doet zich voor
als een middelvorm tusschen de Wolven en de Vossen, hoewel hij
onmiskenbaar bij de Wolven behoort. Met deze komt hij door den
bouw van romp en staart alsook door de krachtige pooten overeen,
zijn spits toeloopende snuit herinnert aan dien van den Vos. Wegens
de buitengewoon goed gevulde vacht schijnt zijn krachtige romp nog
dikker, dan hij werkelijk is; de hals is kort en krachtig; de van
boven breede, aan den snuit toegespitste kop is slanker dan die van
den Wolf; het oor is tamelijk groot, van onderen breed, van boven
echter niet afgerond. Het lichtbruine oog heeft een ronde pupil. De
vacht heeft een vuil geelachtig grijze kleur.

De Prairiewolf heeft een uitgestrekt verbreidingsgebied in
de binnenlanden van Noord-Amerika; het wordt aan de oostzijde
ongeveer door den Mississippi begrensd, en strekt zich ten zuiden van
Britsch-Amerika ongeveer tot Middel-Amerika, misschien tot de landengte
van Panama uit. Vooral in de vlakten van den Missouri, in Californië
en in Columbia zijn deze dieren algemeen. De _prins_ Von Wied, aan
wien wij, nevens Audubon, de beste beschrijving van de Coyotes te
danken hebben, zegt, dat zij steeds eenzaam of paarsgewijs voorkomen
en in levenswijze met de Europeesche Wolven overeenstemmen. Zij rooven
alles wat zij machtig kunnen worden en gelijken ook door hun sluwheid
op onze Wolven en Vossen. Des nachts dringt dit dier dikwijls tot in
de Indiaansche dorpen door; in den winter ziet men het niet zelden ook
over dag ronddraven, evenals de Wolf doet, wanneer er veel sneeuw ligt
en het zeer koud is. In den bronsttijd bewoont de Prairiewolf holen,
die hij zelf gegraven heeft; hier werpt de Wolvin in April 6 à 10
jongen. Omstreeks dezen tijd hoort men in de Prairiën haar stem;
een zonderling geblaf, waarvan de slotklank eenigszins gerekt is,
en dat op het geluid van onze Vossen gelijkt.

Over het leven van dit dier in de gevangenschap kan ik op grond van
eigen ervaringen berichten geven. Ik hield gedurende geruimen tijd een
Prairiewolf, die in de kamer was opgevoed, en zich als een goedaardige
Hond gedroeg, hoewel alleen tegenover bekenden. Als hij zijne vrienden
zag, deed hij uit blijdschap luchtsprongen, kwispelstaartte en kwam
dicht bij de traliën van zijn hok om zich te laten liefkoozen. Hij
likte echter niet de hand van den persoon, die hier stond; hoogstens
rook hij er aan. Als hij alleen was, verveelde hij zich en begon
jammerlijk te huilen. Wanneer men hem echter een dier tot gezelschap
gaf, mishandelde hij dit steeds, tenzij zijn kameraad beter bijten
kon dan hij zelf.

De klaagtoonen van andere dieren hadden veel invloed op hem. Met het
gehuil van de Wolven stemde hij steeds in, hij beantwoordde zelfs het
gebrul of gebrom der Beren. Als men hem met een klagende stem toesprak,
huilde en jankte hij, evenals vele Huishonden in een dergelijk geval
doen. Ook de muziek ontlokte hem steeds luide klaagtonen; zijn huilen
was evenwel niet zeer ernstig gemeend.



Als de laagst ontwikkelde vertegenwoordiger van de Wolven op
het noordelijk halfrond beschouwt men den _Marterhond_ (_Canis
[Lupus] procyonoides, Nyctereutes viverrinus_), een eigenaardig
dier van marterachtig voorkomen, dat in de gematigde gewesten
van Oost-Azië en meer bepaaldelijk in China en Japan inheemsch
is. Het leidt een nachtelijk leven en voedt zich bij voorkeur met
Muizen en Visschen. Zijne naaste verwanten zijn volgens de nieuwste
onderzoekingen eenige Zuid-Amerikaansche Wilde Honden, van welke
wij den _Maikong_ of _Karasissi_, den _Savanna-Hond_ der kolonisten
(_Canis [Lupus] cancrivorus),_ en den Aguarachay of Braziliaanschen
"Vos" (_Canis [Lupus] vetulus_ of _Azarae_) vermelden. Het vaderland
van den laatstgenoemde is geheel Zuid-Amerika, van den Stillen tot
den Atlantischen Oceaan, van den evenaar tot aan de zuidspits van
Patagonië. Als een in 't oog vallende eigenaardigheid van dit dier
wordt medegedeeld, dat het allerlei voorwerpen, waarvan het geen
dienst kan hebben, wegsleept en verstopt. Tschudi vond in het hol van
zulk een "Zorra", zooals de Brazilianen het noemen, een stuk van een
stijgbeugel, een spoor en een mes.



Een tweede ondergeslacht van de Wolven (_Lycaon_) wordt gevormd
door een der merkwaardigste en tevens fraaist geteekende soorten:
de _Hyena-Hond_. Zijn romp is slank, maar toch krachtig gebouwd, de
kop middelmatig, eerder klein dan groot, de snuit stomp; het gehoor
en het gezicht zijn zeer ontwikkeld, de ooren hoog, breed en bijna
onbehaard; de oogen zijn groot en hebben een ronde pupil. De matig
hooge pooten, de krachtige voeten, welke zich van die der overige
Honden onderscheiden, doordat zij ook aan de voorpooten slechts vier
teenen hebben, de middelmatig lange, niet bijzonder ruige staart en
het kort- en gladharige vel, dat op een hoogst eigenaardige wijze
gekleurd is, zijn ook nog kenmerken van het ondergeslacht.

De _Hyenahond_, _Steppenhond_, _Geteekende Hond_ of _Jachthyena_
(_Canis [Lycaon] pictus_) heeft ongeveer de grootte van een middelmatig
grooten slagers-Hond, met wien hij ook in gestalte veel overeenkomst
vertoont. Hoewel hij slank en licht gebouwd is, maakt hij den indruk
van krachtig en sterk te zijn. Er zijn waarschijnlijk geen twee dieren
van deze soort te vinden met volkomen gelijke teekening: deze heeft
alleen aan den kop, en den hals een zekere bestendigheid. Wit, zwart en
okergeel zijn de hoofdkleuren. Bij den eenen heeft de witte, bij den
anderen de zwarte kleur de overhand; een van deze kan dus aangemerkt
worden als de grondkleur, waarop hetzij de lichtere of de donkerdere
vlekken scherp uitkomen. Ook de vlekken zijn onregelmatig, nu eens
kleiner, dan weer grooter, zeer verschillend van vorm en dikwijls
over het geheele lichaam verdeeld; de witte en okerkleurige zijn
echter altijd met zwart omzoomd. De snuit is tot aan de oogen zwart,
en deze kleur zet zich ook nog als lange strepen tusschen de oogen en
ooren, langs de kruin, den bovenkop en den nek voort. De ooren zijn
zwart, de oogen bruin. De staart is aan den wortel okerkleurig, in
't midden zwart, de ruige spits is wit of okergeel.

De Hyenahond bewoont Afrika; zijn verbreidingsgebied is echter nog niet
nauwkeurig bepaald. In Zuid-Afrika komt hij voor; in Oost-Afrika zag
Böhm hem zoowel ten oosten als ten zuiden van het Tanganjika-meer;
Rüppell ontmoette hem in Nubië; in het Bongo-land is hij, volgens
Schweinfurth, zeer veelvuldig; ditzelfde geldt, volgens Nachtigal,
van Kanem aan het meer Tsad.

Gordon Cumming leerde den Steppenhond in Zuid-Afrika kennen. "Deze
Honden," verhaalt hij, "jagen in benden, die soms uit een zestigtal
individuën bestaan; zij doen dit met zooveel volharding, dat zij zelfs
de grootste en sterkste Antilope afmatten en overweldigen. Voor zoover
mij bekend is, wagen zij het niet Buffels aan te vallen. Zij vervolgen
het wild, totdat het niet meer voort kan, sleuren het dan onmiddellijk
op den grond en verslinden het in weinige minuten. Voor den mensch
toonen zij minder vrees dan eenig ander Verscheurend Dier." Heuglin
noemt den Hyenahond in weerwil van zijn fraaie kleur en schoone
gestalte "een even vuil en sterk riekend als bijtlustig dier," en
zegt, dat het "zijne valschheid en arglistigheid niet verloochenen
kan"; hij verzekert, dat het, door een schot getroffen zijnde, niet
schroomt, zelf den mensch aan te vallen.

Hoe dit ook zijn moge, deze bontgekleurde roover is en blijft in
hooge mate belangwekkend. Het moet een prachtig schouwspel zijn,
deze schoone, behendige en luidruchtige dieren te zien jagen. Zij
hebben b.v. een Sabel-antilope, een groot dier, dat zich zeer goed kan
verdedigen, opgejaagd. Zij kent hare vervolgers en ijlt, terwijl zij
hare veerkrachtige pooten met de grootst mogelijke snelheid beweegt,
door de steppe. De troep stormt haar na, keffend, huilend, jankend,
en op een onbeschrijfelijke wijze luidruchtig; men zou dit geluid
een juichtoon kunnen noemen, want het klinkt als een klok. Voort
gaat de jacht; de Antilope vergeet door den grooten nood, waarin
zij verkeert, ieder ander gevaar. Zonder schroom voor de menschen,
die zij gewoonlijk met zorg ontwijkt, ijlt zij hen voorbij; de dicht
aaneengesloten Hyenahonden volgen haar op den voet. Hun gang is een
nooit vermoeiende, langgestrekte galop; de vervolging geschiedt met
overleg: als de voorste honden vermoeid zijn, nemen de achterste,
die door het afsnijden van bochten hunne krachten gespaard hebben,
de leiding op zich, en zoo lossen zij elkander af, zoolang de jacht
duurt. Eindelijk wordt het wild vermoeid; het blijft staan. In
't bewustzijn van haar kracht biedt de Antilope het hoofd aan hare
moordgierige vijanden. In groote bogen bewegen de slanke, spitse horens
zich over den bodem. Al wordt ook de een of andere vervolger gewond of
misschien doodelijk getroffen, toch ligt in den regel het wild reeds na
verloop van een minuut rochelend en met den dood worstelend ter aarde,
soms slaagt het er echter in zich nog eens te bevrijden. Dan begint
een nieuwe drijfjacht en de Jachthyenas stormen, den snuit rood van
't bloed, hun gewond slachtoffer na. Naar het schijnt, vermeerdert
hun moordlust door den dood van iedere nieuwe prooi; men zegt,
dat zij alleen de ingewanden van den buit verslinden en het overige
laten liggen. Van het spiervleesch gebruiken zij, naar het schijnt,
slechts weinig; Burchell vond een pas gedoode Elandantilope, waaraan
alleen de inhoud van de lichaamsholte ontbrak, en legde beslag op
het overschot van het wild voor eigen gebruik.

Naar het schijnt, mag men van het temmen van den Hyenahond goede
uitkomsten verwachten. Hij zou een voortreffelijke speurhond zijn;
maar, het is geen gemakkelijke taak een Roofdier met zulk een karakter
aan den wil van den mensch te onderwerpen. Schweinfurth zag in een
"seriba" in Bongo-land "een buitengewoon goed getemd exemplaar, dat
voor zijn meester zoo volgzaam was als een Hond." In het jaar 1859
vond ik tot mijn groote blijdschap een zeer goed onderhouden en bijna
volwassen Steppenhond in een beestenspel te Leipzig. Later heb ik
verscheidene van deze dieren gezien en eenige zelf in gevangenschap
gehad. Een onstuimige uitgelatenheid, een, naar het mij voorkomt,
onbedwingbare aandrang tot bijten, misschien zonder de bedoeling om
hierdoor pijn te doen, maar veeleer een uitvloeisel van het streven
om de kwikzilverachtige levendigheid van den roerigen geest door
daden te openbaren: dit is, mijns inziens, de eigenlijke aard van dit
dier. Iedere vezel trilt en komt in beweging, zoodra de Hyenahond
op de een of andere wijze geprikkeld wordt. Zijn ongeloofelijke
bedrijvigheid, die zooeven nog als overdreven vroolijkheid zich
openbaarde, vertoont zich in 't volgende oogenblik als wildheid,
bijtlust, roofzucht. "Het blaffen baat hier niet," laat Grandville
zijn Wolf zeggen, "gebeten moet er worden": als hij den Steppenhond
gekend had, zou hij hem dit woord in den mond gelegd hebben.

Sykes beschreef een Wilden Hond van Indië, den _Kolsoen_, waarin hij
den stamvader van onze Huishonden meende te erkennen. Dit dier, dat
volgens zijne opgaven een grooter overeenkomst heeft met den Windhond
dan met den Jakhals of den Wolf, behoort tot een derde ondergeslacht
(_Cyon_) van de Wolven, welks verbreidingsgebied merkwaardigerwijze
over 't geheel genomen met dat van den Tijger samenvalt. Hij heeft
ongeveer de afmetingen en lichaamsverhoudingen van een middelmatig
grooten Windhond; de beharing is overal even dicht en bestaat uit
vrij korte haren, die slechts aan den staart verlengd zijn; de kleur
wisselt af van fraai bruin- of roestrood tot bruinachtig grijs,
is aan de onderzijde lichter, donkerder daarentegen op den snuit,
de ooren, de voeten en het puntje van den staart.

De bedoelde Wilde Hond draagt in Indië de namen _Son-Ram-koetta_,
_Dsjangli_, _Kolsoen_, _Kolsa_ enz. en heet in den Himalaja _Boeansoe_
enz. (_Canis [Cyon] dukhunensis_ en _primaevus_). Hij komt voor in
den geheelen Himalaja, van het dal van den Boven-Indus en Kaschmir
oostwaarts tot Assam, in het oostelijk deel van Tibet en in alle
boschrijke districten van Voor-Indië.

Als een echte woudbewoner houdt de Kolsoen zich bij voorkeur op
in uitgestrekte, geheel met boomen begroeide landstreken, ook wel
in de dsjungels; in de noordelijke, hoog gelegen deelen van zijn
verbreidingsgebied, waar de wouden ontbreken, moet hij zich ook
weten te redden op kale en rotsachtige terreinen. Naar het schijnt,
is hij nergens talrijk, en kan niet lang in hetzelfde jachtgebied
blijven, omdat hij door zijn wijze van jagen het wild zeer onrustig
maakt en verdrijft. Voor de jacht vereenigen deze dieren zich tot
troepen, die in den regel uit 2 à 12, zelden uit 20 (volgens vroegere
berichten uit 50 à 60) individuën bestaan; hij vervolgt zijn prooi
in stilte, laat althans slechts nu en dan zijn stem hooren, die op
een angstig jammeren gelijkt en geen blaffen is. Alle onderzoekers
verklaren eenstemmig, dat hij zeer behendig jaagt. Zijn wijze van
jagen komt overeen met die van den Hyenahond. Zoodra de bende een
dier heeft opgespoord, vervolgt zij het met de grootste volharding,
of splitst zich in alle richtingen, om het ontsnappen van de prooi
te verhinderen; zelfs het snelvoetige Hert kan hun, naar men zegt,
niet ontloopen. De eigenlijke aanval heeft niet van voren plaats,
en is niet naar de keel gericht, maar naar de flanken, naar de weeke
deelen van het achterste deel van den romp, die het Roofdier door
beten, welke bliksemsnel gedurende de vervolging toegebracht worden,
weet te verscheuren, zoodat de ingewanden naar buiten treden, waarna
het slachtoffer zeer spoedig ter aarde stort.

De _Maleische Wilde Hond_ of _Adjag_ (_Canis [Cyon] rutilans_) is
kleiner en zwakker dan zijn Indische neef en draagt een geelachtig
vosrood tot donker roestrood haarkleed, dat aan de onderzijde lichter
gekleurd is. De staartspits is zwart.

De levenswijze en jachtgewoonten van den Adjag komen, naar het
schijnt, in hoofdzaak met die van den Kolsoen overeen; dat hij groote
dieren, die zich verweren kunnen, vervolgt, vinden wij niet van hem
vermeld. Zijn woonplaats is op Sumatra en Java gelegen en strekt zich,
voorzoover zij thans bekend is, van ongeveer 1000 M. hoogte uit tot
aan het zeestrand, waar hij, volgens Junghuhn, in sommige tijden een
zeer eigenaardige prooi vervolgt. "Toen ik," zegt Junghuhn, "den 14en
Mei 1846, uit het langs de kust zich uitstrekkend kreupelbosch van
den Tandjoeng-Sodong kwam en het breede zeestrand overzag tot aan
de overzijde, waar zich, de landtong Pangarok (letterlijk vertaald:
'Schildpaddenoorlog') bevindt, kon ik mij op een slagveld verplaatst
wanen. Honderden geraamten van merkwaardig groote Schildpadden lagen
overal verspreid. Eenige waren door de zon gebleekt en bestonden
slechts uit gladde beenderen, andere waren nog ten deele gevuld
met de verrottende, stinkende ingewanden, nog andere waren versch
en bloederig; alle lagen echter op den rug. Op deze plaats worden
n.l. de Schildpadden gedurende hun nachtelijke wandeling van den
zeeoever naar de duinen en van hier terug naar de zee door de Wilde
Honden aangevallen. Deze komen in troepen van 20 à 30 stuks, grijpen
de Schildpadden aan bij alle deelen van hun gepantserd lichaam die
een houvast aanbieden, rukken aan de pooten, aan den kop, aan het
achtereind, en weten door vereende krachten het dier, ondanks zijn
reusachtige grootte, om te wentelen, zoodat het op den rug komt te
liggen. Dan beginnen zij op alle plaatsen te knagen, scheuren het
buikpantser los en vergasten zich aan de ingewanden, het vleesch en
de eieren van hun slachtoffer. Vele Schildpadden ontvluchten hunne
bloedgierige vervolgers, en bereiken, terwijl zij de aan hun lichaam
rukkende Honden achter zich aansleepen, gelukkig de zee. Ook kunnen de
Honden niet altijd een reeds overmeesterde prooi rustig verslinden. In
vele nachten komt de beheerscher der wildernis, de Koningstijger, uit
het woud te voorschijn, blijft een oogenblik staan om met fonkelende
oogen het strand te overzien, sluipt dan langzaam naderbij en stort
zich eindelijk onder dof snuivend geknor met een sprong te midden
van de Honden, die naar alle zijden uiteenstuiven en in wilde haast
naar het bosch vluchten. Gedurende hun terugtocht laten zij een kort
afgebroken, eer fluitend, dan knorrend geschreeuw hooren. Zoo voeren
zij strijd met de bewoners van den Oceaan op een onbeschrijfelijk
woeste en onheilspellende plaats, die door de Javanen nooit bezocht
wordt, maar voor den reiziger, welke door de wildernis zwerft, reeds
op een afstand kenbaar wordt door de talrijke Roofvogels, die hoog
in de lucht daarboven kringen beschrijven."



De _Dingo_ of _Warragal_ (_Canis dingo_) de Wilde Hond van Australië,
werd tot voor korten tijd als een verwilderde Huishond aangemerkt,
waarmede hij werkelijk in vele opzichten overeenstemt. Deze meening
vond o. a. steun in de omstandigheid, dat de Dingo met uitzondering
van eenige Vleermuizen en op Muizen gelijkende Knaagdieren het eenige
Zoogdier van Australië is, dat niet tot de Buideldieren of Kloakdieren
behoort. Mac Coy en Nehring hebben echter fossiele overblijfselen van
den Dingo gevonden in de pliocene en diluviale lagen van Victoria en
het bewijs geleverd, dat dit dier een echte Wolf en geen verwilderde
Huishond is. Hij is aan den _Indischen Wolf_ of _landjak_ der Mahratten
(_Canis pallipes_) nauw verwant en kwam over het land, dat in een
gedeelte van het pliocene tijdvak Australië met het zuidoosten van
Azië verbond, in het thans door hem bewoonde gebied.

De Dingo bereikt ongeveer de grootte van een middelmatigen
Herdershond. Zijn gestalte is gedrongen, zijn kop groot en plomp,
stompneuzig en afgeknot, het overeindstaande oor is aan den oorsprong
breed, aan de spits afgerond, de ruige staart reikt tot voorbij den
hiel; het dier ziet er stevig gespierd uit, daar de pooten slechts een
geringe hoogte hebben. De beharing is vrij gelijkmatig. Bij de meeste
exemplaren, die ik gezien heb, heeft de onbepaald bleek geelachtig
roode kleur een meer of minder grijze, soms ook zwartachtige tint. De
kin, de keel, de onderzijde en de staart zijn gewoonlijk lichter,
terwijl de haren van de bovenzijde zich door een donkerder kleur
onderscheiden. Ofschoon de genoemde kleuren het meest voorkomen,
treft men b. v. ook zwarte Dingos aan, enkele hebben witte pooten enz.

Ook thans nog bewoont de Dingo bijna alle dichte bosschen van
Australië, de met kreupelhout begroeide ravijnen, de boschjes der
steppen en deze zelve. Hij is over het geheele vastland verbreid en
overal vrij veelvuldig. Men houdt hem voor den gevaarlijksten vijand
van 't vee en vervolgt hem op alle mogelijk wijzen.

Door zijne levenswijze en gewoonten gelijkt de Dingo meer op onzen
Vos, dan op den Wolf. Evenals gene ligt hij op onveilige plaatsen
den geheelen dag in zijn schuilhoek verborgen, en zwerft hier eerst
in de nachtelijke uren rond om jacht te maken op nagenoeg alle op
den bodem levende Australische dieren. Aan den Vos herinnert hij ook
hierdoor, dat hij slechts zelden tot groote gezelschappen vereenigd
zijne rooverijen pleegt. Gewoonlijk ziet men troepen van 5 à 6 stuks,
meestal een moeder met hare kinderen; het gebeurt echter ook wel,
dat zich vele Dingos bij één dood dier verzamelen; sommige kolonisten
beweren, dat zij bij een dergelijken maaltijd 80 à 100 van deze dieren
bijeen hebben gezien. Naar men zegt, blijven de leden van een familie
zeer trouw bij elkander; zij bewonen een eigen gebied en gaan nooit
jagen in dat van een andere bende, maar dulden ook niet, dat deze de
grenzen van hun jachtveld overschrijdt.

Voordat de kolonisten geregeld te velde trokken tegen dezen aartsvijand
van hunne kudden, verloren zij door hem een verbazend groot aantal
Schapen. Men verzekert, dat uit een enkele schapenfokkerij binnen
3 maanden niet minder dan 1200 stuks Schapen en lammeren door de
Dingo's geroofd werden. Grooter nog dan de verliezen, die een direct
gevolg zijn van den aanval van het Roofdier, is de schade die er
indirect uit voortvloeit, omdat de Schapen, zoodra hij verschijnt,
in zinneloozen angst wegrennen, zonder te weten wat zij doen, in de
wildernis loopen en dan ten prooi vallen aan andere Dingo's of van
dorst bezwijken.--Bovendien verslindt dit Roofdier allerlei soorten
van Kengoeroes en andere grooteren en kleinere, in het struikgewas
levende dieren. Hij maakt jacht op ieder in Australië inheemsch dier,
en is alleen voor den Huishond bang. De Herdershonden en Jachthonden
leven in voortdurende vijandschap met de Dingo's; deze dieren vervolgen
elkander wederkeerig met woede. Als eenige Huishonden een Dingo zien,
vallen zij op hem aan en scheuren hem aan stukken; hetzelfde lot valt
den verdwaalden Huishond ten deel, als hij onder de Dingo's geraakt.

Voor den mensch neemt de Dingo geregeld de vlucht, wanneer hiervoor nog
tijd is. Bij het vluchten openbaart hij de list en de geslepenheid van
den Vos; hij verstaat meesterlijk de kunst om van alle omstandigheden
in zijn belang gebruik te maken; wanneer echter zijne vijanden hem
dicht op de hielen zijn en hij meent hun niet meer te kunnen ontloopen,
draait hij zich in wilde woede om en verweert zich met de razernij der
vertwijfeling; ook dan echter maakt hij van elke gunstige gelegenheid
gebruik om zoo schielijk mogelijk weg te komen. Voor de taaiheid van
't leven van dit dier voert Bennett bewijzen aan, die werkelijk aan
't ongeloofelijke grenzen. Een Dingo was door zijne vijanden verrast en
zoo door hen geslagen, dat zij niet beter wisten, of al zijne beenderen
zouden wel stuk zijn, waarop zij hem lieten liggen. Nauwelijks echter
hadden de mannen zich van het schijnbaar levenlooze lichaam verwijderd,
toen zij tot hun verrassing het dier zagen opstaan, zich afschudden
en zich zoo schielijk mogelijk naar het woud begeven.--Alle mogelijke
middelen worden toegepast om den Dingo uit te roeien. De hand van een
ieder is tegen hem. Men schiet hem, vangt hem in vallen en vergiftigt
hem met strychnine. Met het geweer wordt hij slechts bij toeval gedood,
want hij is te schuw en te listig om vaak binnen schot te komen;
ook bij drijfjachten weet hij behendig zich uit de voeten te maken.

Meestal wordt deze Hond ontembaar genoemd. In gezelschap van de
inboorlingen van Australië vindt men echter nu en dan Dingos, die in
een half wilden toestand verkeeren. Vele Dingos, die in Europeesche
dierentuinen gevangen leefden, bleven wild en boosaardig, en hun
wolvenaard openbaarde zich bij iedere gelegenheid, zoodat hunne
oppassers voortdurend voor hen op hun hoede moesten zijn. Dat men
echter tot zeer verkeerde gevolgtrekkingen geraakt, wanneer men, uit
hetgeen aan één of eenige exemplaren waargenomen werd, een algemeenen
regel voor de geheele soort wil afleiden, blijkt uit de Dingo's van de
dierentuin te Breslau. Een daarvan is zoo tam geworden als een Hond,
de andere is wild gebleven; de eene heeft, wat een zeer opmerkelijk
feit is, mettertijd op de gewone wijze leeren blaffen en maakte in den
regel gebruik van deze aangeleerde spraak, b.v. wanneer een deur in
de nabijheid van zijn kooi geopend werd; de andere Dingo daarentegen
huilde met langgerekte, lachende geluiden als een Jakhals, op dezelfde
wijze geaccompagneerd door het dier, dat blaffen kon; beide voerden
dus een huil-duet op. Schlegel, aan wien ik deze mededeelingen te
danken heb, was met mij van oordeel, dat de nakomelingen van deze
Dingos hoogst waarschijnlijk zeer bruikbare helpers van den mensch
zouden kunnen opleveren.

Werkelijk is dan ook King er in geslaagd, een jongen Dingo op te voeden
en zoo af te richten, dat hij bij het hoeden van rundvee bruikbaar
bleek te zijn, en Pechuel-Loesche zag aan boord van het Engelsche
pantserschip "Defence" een mooien, krachtigen Dingo, die als een Hond
op het geheele schip rondliep, zonder ongeval de steile trappen op-
en afging en met iedereen vriendschappelijk verkeerde.



"_Door het verstand van den Hond bestaat de wereld_," leest men in
den _Vendibad_ (het "wetboek"), het oudste en echtste deel van de
_Zendavesta_, een van de oudste boeken, die men kent.

Geen enkel dier ter wereld verdient zoozeer de volle en onverdeelde
achting, de vriendschap en de liefde van den mensch als de Hond. Hij
maakte als 't ware een deel van den mensch uit, voor wiens leven
en welzijn hij onontbeerlijk is. "De Hond," zegt Cuvier, "is de
merkwaardigste, volledigste en nuttigste verovering, die de mensch
ooit gemaakt heeft. De geheele diersoort is ons eigendom geworden,
ieder lid er van behoort den mensch, zijn meester, volkomen toe,
richt zich naar diens gebruiken, kent en verdedigt diens eigendom en
blijft hem trouw tot in den dood. En deze onderworpenheid is geen
gevolg van nooddwang of vrees, maar het uitvloeisel van zuivere
liefde en gehechtheid. Door zijn vlugheid, door de buitengewone
ontwikkeling van zijn reukzin, is hij voor den mensch een machtige
bondgenoot; misschien is hij zelfs noodzakelijk voor het bestaan van
de menschelijke maatschappij. De Hond is het eenige dier, dat den
mensch over de geheele oppervlakte der aarde gevolgd heeft."

De Hond verdient wel, dat ik hem uitvoerig behandel, hoewel hij
schijnbaar algemeen bekend is, en dat ik met groote liefde en
onvermengd genoegen zijner gedachtig ben. Zoover zich het menschelijk
geslacht heeft uitgebreid, vindt men ook hem; zelfs de armzaligste,
onbeschaafdste en minst ontwikkelde volken hebben hem tot metgezel, tot
vriend, tot verdediger. Zoomin de overlevering als het wetenschappelijk
onderzoek hebben ons echter tot dusver voldoende inlichtingen verschaft
over zijne voorouders: over de afstamming van het belangrijkste van
alle huisdieren loopen de meeningen nog zeer ver uiteen. Van geen ander
dier heeft de afkomst tot zooveel vermoedens, tot zooveel hypothesen
aanleiding gegeven.

"Om," zegt Blasius, "den Huishond als _soort_ van de overige Wolven
te onderscheiden, bestaan tot dusver nog geen betere kenmerken dan
de naar links gekromde staart, welk feit reeds door Linnaeus werd
vermeld. Het lot van den Hond in de natuurlijke geschiedenis gelijkt
op dat van den mensch. Dat de Hond zich geheel heeft onderworpen en
overgegeven aan den beheerscher der aarde, is een gebeurtenis die
door de belangrijkheid van hare gevolgen eenig is in de geschiedenis
der dierenwereld. Het bestaan van den Hond is zoo innig samengeweven
met dat van den mensch, de Hond heeft zich, evenals de mensch,
aan de zoo uiterst talrijke, onderling lijnrecht tegenovergestelde
natuurwerkingen, die op het leven invloed oefenen, zoo volledig moeten
onderwerpen, om zijn meester te helpen de geheele aardoppervlakte te
veroveren en te beheerschen, dat alleen willekeurige onderstellingen
ons ten dienste staan, wanneer wij over zijn oorspronkelijken
natuurstaat (en die van den mensch) willen spreken. Dat geldt echter
alleen van zijne lichamelijke eigenschappen. Over de natuur van zijn
geest kan geen verschil van meening bestaan. De Hond is door zijn
geraamte, zijn schedel, zijn gebit een Wolf; het is evenwel niet
mogelijk, om hem naar aanleiding van de eigenaardigheden van zijn
schedel of van zijn gebit met een in 't wild levende soort van Wolf,
welke dan ook, te vereenzelvigen, en ook niet, hem van de bekende
soorten van Wolven scherp te onderscheiden. Onze Europeesche Honden
zijn wat de eigenschappen van hun schedel betreft, middelvormen
tusschen den Wolf en den Jakhals, maar zóó, dat deze eigenschappen
op de menigvuldigste wijze gekruist, vereenigd en gevarieerd zijn.

"De Amerikanen hebben Honden gehad, voordat de Europeesche Hond
door de Spanjaarden naar Amerika werd gebracht. In Mexico troffen
de Spanjaarden stomme Honden aan. A. von Humboldt bericht, dat de
Indianen van Jauja en Huanca, voordat de Inka Pachacutec hen tot de
zonnedienst bekeerde, aan de Honden goddelijke eer bewezen. Hunne
priesters bliezen op geskeletteerde Hondekoppen; schedels en mummiën
van Honden werden in de Peruaansche begraafplaatsen van den oudsten
tijd gevonden. Tschudi heeft deze schedels onderzocht, houdt ze
voor verschillend van die der Europeesche Honden, en is van oordeel,
dat zij tot een afzonderlijke soort behooren, die hij _Canis ingae_
noemt. Bovendien worden de inheemsche Honden in de Peruaansche taal
Runa-allco genoemd, om ze te onderscheiden van de Europeesche, die
verwilderd in Zuid-Amerika voorkomen. Deze Honden zijn, naar men zegt,
vooral den Europeanen vijandig gezind.

"Het is een opmerkelijk feit, dat de inheemsche soorten van Honden door
den vorm van hun schedel tot de wilden soorten van Wolven naderen,
nog opmerkelijker is het echter, dat zij door het verwilderen ook
in uitwendige eigenschappen weder op de wilde vormen beginnen te
gelijken. Dit geldt niet alleen van de kleur, maar ook van den
vorm van het dier, van de rechtopstaande, spitse ooren, de beharing
enz. Reeds Olivier vestigde er de aandacht op, dat de Honden in de
omstreken van Konstantinopel op Jakhalzen gelijken. In het zuiden en
oosten van Rusland treft men tallooze, half verwilderde, bij troepen
rondloopende Honden aan, die dikwijls door kleur, lichaamsbouw en
ooren zoo zeer op Jakhalzen gelijken, dat men er door misleid zou
kunnen worden. Wegens deze overeenkomst van het uitwendig voorkomen
is het licht te begrijpen, dat, zooals Pallas heeft opgemerkt,
de Honden met den Jakhals echt vriendschappelijk verkeeren. Het is
een bekend feit, dat er bastaarden van den Hond en den Wolf bestaan;
ook van den Hond en den Jakhals komen in de vrije natuur niet zelden
bastaarden voor. Pallas zegt zelfs, dat het bestaan van bastaarden van
den Hond en den Vos bij de Russen als een bekende zaak wordt beschouwd;
blijkbaar echter is deze opmerking niet op eigen waarneming gegrond.

"Wanneer men nu, na al deze omstandigheden te hebben nagegaan,
zich afvraagt, of _de Hond een soort, een zelfstandige en goed
gekarakteriseerde soort is, zooals de Wolf, de Jakhals en de Vos_,
dan kan men er moeielijk toe besluiten, op deze vraag een bevestigend
antwoord te geven. Bij geen enkele wilde diersoort komen zulke groote
afwijkingen in den schedel, in den geheelen lichaamsbouw, in absolute
grootte voor, als bij den Huishond. Maar ook de huisdieren, welke,
naar men veronderstellen moet, hunne soortkenmerken nog zuiver en
onvervalscht behouden hebben--die dus slechts in minder belangrijke
opzichten door temming en teeltkeus veranderd zijn, zooals het Paard,
de Ezel, het Rund, de Geit, het Zwijn--, bieden zulke tegenstellingen
niet aan. Nog minder kan men in deze groote menigvuldigheid van vormen
van Honden verscheidene soorten ontdekken. Dat van één stamsoort
van den Hond geen sprake kan zijn, zal ieder hieruit wel kunnen
afleiden. Evenmin is het waarschijnlijk, dat zulk een stamsoort tot
dusver onopgemerkt en onbekend gebleven zou zijn.

"En zoo blijft ons dus, wanneer wij bij de behandeling van dit
vraagpunt op natuur-historisch terrein willen blijven, eigenlijk
geen anderen uitweg over, dan de door Pallas uitgesproken meening te
onderschrijven: _dat de Huishond zijn ontstaan dankt aan de temming
en vermenging van de soorten van Wolven, die in verschillende landen
inheemsch zijn_. Deze stelling is natuurlijk, evenals alle andere
meeningen over deze zaak, slechts een hypothese; volledige zekerheid
zal men door onmiddellijke vergelijking van de schedels van Wolven en
Honden kunnen verkrijgen. Uit vele feiten blijkt, dat in deze zaak de
leerstellingen en meeningen van Buffon ons op een dwaalspoor zouden
brengen. De onbeperkte kruising van de Hondensoorten onderling en van
den Hond met den Wolf en den Jakhals, is met de meening van Pallas
het best in overeenstemming te brengen. Ook is het niet van belang
ontbloot, dat zij ons voor de groote verscheidenheid van vorm en
grootte der Honden--die trouwens ook bij andere dieren, n.l. bij
Hoenderen, voorkomt--een analogie verschaft in dergelijke, niet
minder groote afwijkingen, die bij de hybriden van verschillende
planten opgemerkt worden. De groote overeenstemming in vorm en
kleur, die tusschen de verwilderde Honden en den Jakhals bestaat,
en ook het samenleven en de vriendschap dezer dieren, zijn eveneens
feiten van groote beteekenis. Ook als Paarden verwilderen, worden zij
aanvankelijk meer en meer aan de wilde gelijk. Geiten, die gedurende
het grootste gedeelte van 't jaar vrij in het gebergte rondzwerven,
en welker voorouders vele geslachten her ditzelfde leven leidden,
zooals de Geiten van Dalmatië en van vele gewesten van Italië, gelijken
zeer op de Wilde Bezoar-geit; bonte Konijnen, die in de vrije natuur
aan zich zelf overgelaten worden, hebben na verloop van eenige jaren
jongen, die er als wilde Konijnen uitzien, en volkomen wild zijn."

Darwin zegt: "De redenen, waardoor verschillende schrijvers gekomen
zijn tot de onderstelling, dat onze Honden van meer dan één wilde
soort afstammen, zijn ten eerste het groote verschil, dat tusschen
onze rassen van Huishonden wordt waargenomen, en ten tweede het
feit, dat in de oudste, ons bekende historische tijden verscheidene
Hondenrassen bestonden, die zeer weinig op elkander geleken, maar
veel overeenkomst vertoonden met de tegenwoordige rassen, of zelfs
geheel gelijk waren aan deze. Zoo geeft Youatt een teekening van een
beeldhouwwerk uit de villa van Antoninus, waarop twee jonge Windhonden
voorgesteld zijn. Op een Assyrisch gedenkteeken van omstreeks 640
v. C. is een zeer groote Bullebijter afgebeeld, gelijk aan die,
welke thans nog in genoemd land ingevoerd worden. Op de Egyptische
monumenten van de 4e tot de 12e dynastiën (d.i. van ongeveer 3400
tot 2100 v. C.) zijn verscheidene Hondenrassen afgebeeld, die voor
't meerendeel aan de Windhonden verwant zijn. Een gedenkteeken uit
een later tijdperk toont ons aan een Hond met hangende ooren, die
op den Parforcehond gelijkt, maar een langeren rug en een puntiger
toeloopenden kop heeft. Er is ook een dashond bij met korte kromme
pooten, die weinig van het hedendaagsche ras verschilt. De oudste op
de Egyptische monumenten afgebeelde Hond is een der eigenaardigste:
hij gelijkt op een Windhond, maar heeft lange, spitse ooren en
een korten, omgekrulden staart. Hij is nauw verwant aan een ras,
dat ook thans nog in Noord-Afrika voorkomt, n.l. aan den Arabischen
Everhond, waarvan E. Vernon Harcourt getuigt, dat hij "een excentriek,
hiëroglyphisch dier is, zooals dat, waarmede Cheops eertijds ter jacht
ging," en dat hij "eenigszins gelijkt op den ruigharigen Schotschen
Hertenhond." In denzelfden tijd als dit overoude ras bestond er een,
dat op de thans levende Paria-honden gelijkt. Hieruit blijkt dus, dat
er reeds 4000 à 5000 jaar geleden verscheidene rassen van Honden waren,
namelijk Pariahonden, Windhonden, gewone Parforcehonden, Bullenbijters,
Wachthonden, Schoothondjes en Dashonden, die in meerdere of mindere
mate op onze hedendaagsche rassen geleken. Afdoende bewijzen, dat een
dezer Hondenrassen in alle opzichten overeenstemt met een der thans
levende, bezitten wij echter niet.

"In Europa heeft men van getemde Honden gebruik gemaakt lang vóór
den tijd, waaruit de alleroudste geschiedkundige berichten tot ons
gekomen zijn. De beenderen van een tot de Honden behoorend dier, dat
in de Deensche Kjökkenmöddingen (of ophoopingen van keukenafval) uit
de jongste afdeelingen van den steentijd (het tijdperk der steenen
werktuigen) gevonden werd, zijn waarschijnlijk afkomstig van een
Huishond. Dit oude Hondenras werd in Denemarken gedurende den bronstijd
(het tijdperk der bronzen werktuigen) vervangen door een grooter,
eenigszins verschillend slag en dit laatste gedurende de ijzerperiode
door een nog grootere verscheidenheid. In Zwitserland bestond in de
jongste afdeeling van den steentijd een tamme Hond van middelmatige
grootte, wiens schedel ongeveer evenveel afweek van dien van den
Wolf als van dien van den Jakhals, en die sommige eigenaardigheden
met onze Jachthonden en Patrijshonden gemeen had. Gedurende den
bronstijd begon men hier een grooteren Hond te gebruiken, die, naar
uit zijne kaakbeenderen blijkt, overeenkwam met een Hond, die in
hetzelfde tijdperk in Denemarken voorkwam. Schmerling vond in een hol
overblijfselen van twee Hondenrassen, die van de vorige aanmerkelijk
verschilden, doch waarvan men niet met zekerheid gewaar kan worden,
in welk tijdperk zij leefden."

"De voornaamste bewijsgrond ten gunste van de meening, dat de
verschillende rassen van Honden aan bepaalde, in 't wild levende
stammen hun ontstaan te danken hebben, is de overeenkomst, die men
in onderscheidene gewesten opmerkt tusschen de getemde Honden en de
wilde, die daar thans nog voorkomen. Het moet gezegd worden, dat het
vergelijkend onderzoek, waarop deze uitkomst gegrond is, slechts in
weinige gevallen met voldoende nauwkeurigheid verricht werd; hier
staat echter tegenover, dat er niets onwaarschijnlijks gelegen is
in de veronderstelling, dat verschillende soorten van Wilde Honden
getemd zouden zijn. In bijna alle deelen der aarde worden leden van
de familie der Honden in 't wild aangetroffen, en verscheidene van
deze soorten stemmen vrij wel overeen met de verschillende rassen
onzer Huishonden. De onbeschaafde volken zijn zeer geneigd tot
het temmen van allerlei soorten van dieren. Gezellig levende dieren
worden het gemakkelijkst door den mensch onderworpen, en verscheidene
soorten van Wilde Honden jagen in troepen. Toen de mensch in een lang
vervlogen tijd voor 't eerst in een land zich vestigde, hadden de
daar levende dieren geen aangeboren of overgeërfde vrees voor hem,
en konden daarom veel gemakkelijker getemd worden, dan thans. Toen
de Falklands-eilanden voor 't eerst door den mensch bezocht werden,
kwam de groote _Falklandsche Wolf_ (_Canis antarcticus_) onbevreesd
Byron's matrozen te gemoet, die deze uit onwetendheid voortspruitende
nieuwsgierigheid voor woestheid aanzagen, en te water gingen om hen te
ontloopen. Nog slechts kort geleden gelukte het iemand zulk een dier 's
nachts dood te steken, terwijl hij een stuk vleesch in de eene en een
mes in de andere hand hield. Op de Schildpadden- of Galopagos-eilanden
stiet ik met den loop van mijn geweer Valken van een tak af, en hield
aan andere Vogels een emmer water voor, die er op gingen zitten om te
drinken. Bovendien is het een belangrijk feit, dat verscheiden soorten
van Wilde Honden geen sterken weerzin toonen, om zich in gevangenschap
voort te planten; want juist het onvermogen om zich in den gevangen
staat voort te planten, is een der sterkste hinderpalen tegen de
temming. Ook is het noodig te weten, dat de wilden zeer gesteld zijn
op het bezit van Honden; zelfs half-getemde dieren zijn hun hoogst
nuttig. De Indianen in Noord-Amerika kruisen hunne half wilde Honden
met Wolven, waardoor zij jachtgezellen verkrijgen, die wel wilder,
maar ook moediger zijn dan de overige. De wilden van Guyana vangen de
jongen van twee soorten van Wilde Honden en gebruiken ze op de jacht,
na ze eenigermate getemd te hebben. Evenzoo handelen de inboorlingen
van Nieuw-Holland met de jongen van den Dingo. Van King vernam ik,
dat hij eens het jong van een wilden Dingo heeft afgericht om Runderen
te hoeden, en dat dit dier zeer bruikbaar bleek te zijn. Met het oog
op deze feiten, kan er geen bezwaar bestaan tegen de meening, dat de
mensch in verschillende landen verschillende soorten van Wilde Honden
getemd heeft. Terecht zou men zich er over verwonderen, indien hij
van de talrijke, voor dit doel geschikte, in verschillende landen
levende soorten, er slechts één aan zich onderworpen had.

"Vele feiten steunen de bedoelde meening: Richardson, die als een
nauwkeurig en scherpzinnig onderzoeker bekend staat, zegt, dat de
in Noord-Amerika inheemsche Vale Wolven buitengemeen gelijken op de
Huishonden der Indianen, en dat het eenige verschil schijnt te bestaan
in de meerdere grootte en spierkracht van den Wolf. "Meer dan eens,"
zegt hij, "heb ik een troep Wolven bij vergissing voor de Honden van
een bende Indianen aangezien, want zelfs het gehuil van beide dieren
bestaat zoo geheel uit dezelfde geluiden, dat ook het geoefende oor
van de Indianen somtijds het onderscheid niet opmerkt." Kane heeft
bij zijne spannen sledehonden dikwijls het schuin geplaatste oog (een
kenmerk, waaraan sommige dierkundigen groote waarde hechten), den
neerhangenden staart en den schuwen blik van den Wolf opgemerkt. In
aard verschillen de Eskimohonden weinig van Wolven; volgens Hayes,
zijn zij onvatbaar voor gehechtheid aan den mensch, en zoo woest, dat
zij, als de honger hen zeer kwelt, zelfs hun meester aanvallen. Zij
verwilderen gemakkelijk; hun verwantschap met de Wolven is zoo
groot, dat zij zich veelvuldig met hen kruisen; de Indianen nemen
jonge Wolven om het ras hunner Honden te verbeteren. Columbus vond
in West-Indië twee soorten van Honden; Fernandez beschrijft er
drie Mexicaansche. Eenige van deze inheemsche Honden waren stom,
d. w. z. zij blaften niet. Sedert Buffon's tijd is het bekend, dat
de inboorlingen van Guyana hunne Honden kruisen met een wilde soort,
waarschijnlijk met den _Maikong_ of _Karasisi_ (_Canis cancrivorus_).

"Rengger brengt bewijsgronden bij voor zijn meening, dat de
bewoners van Amerika, toen dit werelddeel voor 't eerst door
Europeanen bezocht werd, geen andere dan onbehaarde tamme Honden
kenden. Sommige Honden van dit ras, n.l. die van Paraguay kunnen ook
nu nog niet blaffen. Tschudi zegt van hen, dat zij in de Cordilleras
van de koude te lijden hebben. Deze Hond verschilt dus veel van dien,
welke Tschudi onder den naam Inkahond heeft beschreven, en waarvan hij
zegt, dat hij goed tegen de koude bestand is, en blaffen kan. Het is
onbekend, of deze twee verschillende Hondenrassen afstammelingen zijn
van inlandsche Wilde Honden. Men zou kunnen meenen, dat de mensch,
toen hij zich voor 't eerst in Amerika vestigde, van het Aziatische
vaste land Honden medebracht, die niet blaffen konden. Deze meening
is evenwel onwaarschijnlijk, omdat de alleroudste, uit Noord-Azië
afkomstige bewoners van Amerika op hun weg naar het zuiden minstens
twee Noord-Amerikaansche Wilde Honden getemd hebben, n.l. de reeds
genoemde Grijze of Vale Wolf (_Canis occidentalis_) en de Prairie-Wolf
(_Canis latrans_), welke laatste soort, volgens Richardson, volkomen
overeenstemt met den tammen Hond der Hazen-Indianen.

"Gaan wij thans tot de Oude Wereld over. Sommige Europeesche Honden
gelijken op den Wolf: dat de Herdershond van de Hongaarsche vlakten
er weinig van verschilt, blijkt o.a. uit hetgeen Paget verhaalt van
een Hongaar, die een van zijn eigen Honden voor een Wolf aanzag.

"De Europeesche Wolf verschilt een weinig van den Noord-Amerikaanschen
en wordt door vele dierkundigen voor een andere soort gehouden. De
Indische Wolf, die ook als een afzonderlijke soort beschouwd wordt,
gelijkt sprekend op de Paria-honden van sommige districten van Indië.

"De Jakhalzen stemmen zoozeer overeen met de kleine Hondenrassen,
dat Geoffroy St. Hilaire geen standvastig verschil heeft kunnen
vinden tusschen den lichaamsbouw dezer beide dieren, welker innige
verwantschap ook uit hunne levenswijze en gewoonten blijkt. Ehrenberg
is tot de overtuiging gekomen, dat de tamme Honden van Beneden-Egypte
en sommige Oud-Egyptische Honden, welker mummies hij onderzocht, van
den in dat land voorkomenden Jakhals-Wolf (_Canis lupaster_) afstammen,
en dat sommige andere uit den ouden tijd afkomstige Huishonden,
evenals de thans nog in Nubië levende, in dezelfde betrekking staan
tot den Jakhals dezer gewesten. Pallas beweert, dat de Jakhalzen en
Honden in het Oosten soms vrijwillig paren; een dergelijk feit wordt
uit Algerië bericht. De tamme Honden op de kust van Guinea zijn stom
en gelijken op Vossen. Op de oostkust van Afrika tusschen 4° en 6°
Z.B. en ongeveer tien dagreizen het binnenland in, komt, naar Erhard
mededeelt, een half-getemde Hond voor, die volgens de verzekering der
inboorlingen van een dergelijk wild dier afstamt. Lichtenstein zegt,
dat de Honden der Bosjesmannen een treffende gelijkenis vertoonen
zelfs in kleur (behalve de zwarte streep langs den rug) met den
Schabrak-Jakhals (_Canis mesomelas_) van Zuid Afrika. Layard bericht,
dat hij een Kafferhond heeft gezien, die zeer veel op een Eskimo-hond
gelijkt. In Nieuw-Holland komt de Dingo zoowel tam als wild voor.

"Wegens deze gelijkenis van de half-getemde Honden in verschillende
landen op de wilde soorten, die daar nog leven,--wegens de
gemakkelijkheid waarmede zij dikwijls met elkander gekruist kunnen
worden,--wegens de hooge waarde, die wilden zelfs aan half-getemde
dieren hechten,--en wegens de andere reeds vermelde omstandigheden,
die het temmen van Honden begunstigen, is het hoogst waarschijnlijk,
dat de Huishonden der geheele wereld afstammen van twee goed
bepaalde soorten van Wolven--de Gewone Wolf (_Canis lupus_) en de
Huilwolf (_Canis latrans_)--en van twee of drie andere minder goed
gekarakteriseerde soorten van Wolven--n.l. van de Europeesche, de
Indische en de Noord-Amerikaansche--voorts van minstens één, misschien
twee Zuid-Amerikaansche soorten van Honden, bovendien van verscheidene
soorten van Jakhalzen en misschien van één of meer uitgestorven
soorten. Sommige schrijvers kennen aan het klimaat een grooten
invloed toe op de eigenaardigheden der dieren en meenen hierdoor de
overeenkomst tusschen de tamme dieren in een streek en de inheemsche
wilde vormen te kunnen verklaren. Mij zijn echter geen feiten bekend,
die ten gunste van een zoo belangrijke werking van het klimaat spreken.

"Als wij bedenken, hoe onwaarschijnlijk het op zich zelf reeds is,
dat de mensch door de geheele wereld heen slechts één enkele soort
van een zoo ver verspreide, zoo gemakkelijk tembare en zoo nuttige
diergroep als die der Honden zou hebben getemd; als wij de zeer groote
ouderdom der verschillende rassen in 't oog houden, en vooral, als
wij ons de groote gelijkenis herinneren, zoowel in uitwendig maaksel,
als in levenswijze, tusschen de tamme Honden van verschillende landen
en de wilde soorten, welke nog diezelfde landen bewonen, spreekt de
groote meerderheid der bewijsgronden, niettegenstaande de bezwaren
die nog steeds kunnen worden aangevoerd, _beslist ten gunste van den
meervoudigen oorsprong onzer Honden_."



Tot dezelfde slotsom geraakt de bekende palaeontoloog Zittel, aan wiens
voor kort verschenen werk wij de onderstaande aanhaling ontleenen,
die op de geschiedenis van den Huishond gedurende vroegere tijdperken
betrekking heeft.

"Hoewel," zegt Zittel, "in beenderenholen dikwijls overblijfselen
van den Huishond gevonden (en onder de namen _Canis familiaris ferus,
C. ferus, C. Mikii_ beschreven) zijn, is het toch zeer te betwijfelen,
of dit dier in het eigenlijke diluviale tijdperk of zelfs in de oudste
afdeeling van den steentijd bestaan heeft. Als getemde metgezel van
den mensch komt het echter wel voor in de jongere afdeelingen van den
steentijd, n.l. in de Deensche Kjökkenmöddinger, in de Zwitsersche en
Zuid-Duitsche paalwoningen en in de Terramaren van Opper-Italië. Het
ras, waarvan op deze plaatsen overblijfselen gevonden zijn, wordt
_Turfhond_ (_Canis familiaris palustris_) genoemd, en gelijkt, volgens
Rütimeyer, door de grootte en den bouw van het geraamte het meest op
den Patrijshond. Iets grooter en krachtiger is de door een spitseren
snuit gekenmerkte _Brons-hond_ (_Canis familiaris matris optimae_),
die gedurende het brons-tijdperk over verreweg het grootste deel
van Europa verspreid was, en zijne naaste verwanten heeft in den
Herdershond, den Poedel en de groote rassen van Jachthonden. Men
onderscheidt er trouwens verscheidene rassen van." "De Turfhond
is, volgens Jeitteles en Naumann, een getemde afstammeling van den
Jakhals; zijn overeenkomst met den Huishond van de Papoeas (_Canis
hiberniae_), maakt, dat Studer de afstamming van _Canis Mikii_,
waarvan in de Moravische beenderenholen overblijfselen gevonden
zijn, waarschijnlijker acht. Volgens Anutschin vertoont de kleine
Huishond van de Lappen, Samojeden en Toengoesen een in 't oog
loopende overeenkomst met den Turfhond. Die verschillende rassen
van het brons-tijdperk zijn, volgens Studer, door teeltkeus uit den
Turfhond ontstaan. Jeitteles echter meent, dat zij uit den Indischen
Wolf (_Canis pallipes_) zijn voortgekomen. In allen gevalle is de
afstamming van de tallooze, thans levende rassen van den Huishond
van één enkelen vorm van Wilden Hond uiterst onwaarschijnlijk; eenige
rassen zijn vermoedelijk door het temmen van verschillende soorten van
Jakhalzen, Wolven en Wilde Honden verkregen, en later door kruising
en teeltkeus in allerlei opzichten gewijzigd."

De Huishond zou hiernaar in zekeren zin als een kunstproduct, als
een voortbrengsel van 's menschen bemoeiingen, beschouwd moeten worden.



Met den naam _Paria-honden_ zullen wij, in navolging van de Engelschen,
de in vele Oostersche landen voorkomende Huishonden aanduiden, die,
hoewel zij aan niemand toebehooren, toch tot op zekere hoogte van
den mensch afhankelijk zijn. De bovenstaande naam is goed gekozen,
want parias,--ellendige, verwaarloosde, uit betere kringen verstooten
dieren--zijn deze arme schepsels, in weerwil van de vrijheid om te doen
en te laten wat hun goeddunkt,--parias, die dankbaar de hand likken,
welke hun het juk der slavernij oplegt, die gelukkig schijnen te zijn,
als de mensch hen waardig acht, hem gezelschap te houden en te dienen.

Reeds in het zuiden van Europa leven de Honden in een geheel andere
verhouding tot den mensch dan hier te lande. In Turkije, Griekenland
en Zuid-Rusland zijn de omstreken van steden en dorpen bevolkt met
scharen van Honden, die geen eigenaar hebben; zij komen ook wel in
de straten, maar betreden nimmer een erf, of zouden vandaar door de
Huishonden onmiddellijk verdreven worden. Zij voeden zich hoofdzakelijk
met aas of maken bij gelegenheid ook wel voor eigen rekening jacht op
Muizen en dergelijke kleine dieren. Ook de Honden van de boeren in
't zuiden van Spanje worden thuis slechts zeer weinig gevoederd, en
zwerven des nachts heinde en ver rond om zelf voedsel te zoeken. Op
de Kanarische Eilanden is het, volgens Bolle, nog in den laatsten tijd
voorgekomen, dat enkele Honden verwilderden en onder de Schapenkudden
een aanzienlijke schade aanrichtten.

Alle Egyptische steden staan gedeeltelijk op de bouwvallen van
de steden der oudheid, en zijn dus in zekeren zin op puinhoopen
gebouwd. Echte bergen van puin omgeven voorts de meeste en de grootste
dezer steden, zooals Alexandrië en Kaïro, tot op zeer aanzienlijken
afstand. Deze bergen nu dienen gewoonlijk tot verblijfplaats aan
verwilderde Honden, die alle tot een zelfde ras behooren. Zij komen in
grootte met den Herdershond overeen, zijn plomp van gestalte, en hebben
een onaangename gezichtsuitdrukking; hun lange en tamelijk ruige staart
wordt in de meeste gevallen hangend gedragen. De kleur van hun ruige,
verwarde vacht is vuil-roodachtig bruin, en kan meer of minder naar
grijs of geel zweemen. Anders gekleurde, en wel zwarte en lichtgele
exemplaren, komen voor, maar zijn altijd tamelijk zeldzaam. Zij
leiden op de genoemde plaatsen een volkomen zelfstandig leven,
brengen er het grootste deel van den dag slapend door, en zwerven 's
nachts rond. Ieder van hen heeft zijn eigen gangen of holen en deze
zijn met een eigenaardige voorzorg aangelegd. In allen gevalle heeft
iedere Hond twee gangen, waarvan de eene naar het oosten, de andere
naar het westen geopend is; als de bergen echter zoo gericht zijn,
dat zij van weerszijden aan den noordewind blootgesteld zijn, dan
graven de dieren zich ook nog een afzonderlijk hol aan den zuidkant,
dat zij evenwel alleen dan gebruiken, wanneer zij in hun naar 't
oosten of naar 't westen gerichte hol last hebben van den kouden
wind. Des morgens tegen tienen vindt men ze geregeld in het hol,
welks opening naar 't oosten gekeerd is; zij koesteren zich daar,
na de koelte van den morgen, in de eerste stralen van de zon, om weer
warm te worden. Langzamerhand echter worden deze stralen hun te heet,
en noodzaken hen een beschaduwd plekje op te zoeken. De eene voor, de
andere na staat op, klimt over den berg heen en begeeft zich naar het
aan de westzijde gelegen hol, waarin hij zijn slaap voortzet. Wanneer
de zonnestralen des namiddags in dit hol beginnen te schijnen, gaat
de Hond weer terug naar het eerste hol, waar hij tot zonsondergang
liggen blijft.

Omstreeks dezen tijd komt er leven en beweging in de bergen. Er
vormen zich meer of minder groote groepen, ja, zelfs benden. Men hoort
blaffen, huilen, keffen, al naar de gemoedsstemming der dieren. Om een
groot kreng verzamelen zij zich altijd in groote menigte; een doode
Ezel of een gestorven Muildier wordt in een enkelen nacht door het
schrokkerige gezelschap verslonden, zoodat alleen de grootste beenderen
blijven liggen. Als zij zeer hongerig zijn, komen zij ook over dag
bij het aas, n.l. wanneer het te vreezen is, dat hunne onaangenaamste
concurrenten, de Gieren, er gebruik van zullen maken, en zij dus in
hun bedrijf benadeeld zullen worden. Broodnijd bestaat bij hen in
de hoogste mate; menigen hevigen strijd hebben zij om deze reden met
ongenoode gasten te voeren. De Gieren laten zich echter zoo gemakkelijk
niet verdrijven; van alle aaseters zijn zij het, waarvan de Honden
den moedigsten en volhardendsten tegenstand hebben te verwachten;
van hen hebben zij daarom het meest te lijden. In alle omstandigheden
is aas het hoofdbestanddeel van hun voedsel; men ziet ze echter ook
op de wijze van de Katten voor de nesten van de Renmuizen loeren, en
als Jakhalzen of Vossen den een of anderen Vogel besluipen. Wanneer er
bij geval voor hen geen kreng te vinden is, maken zij verre tochten,
komen dan ook binnen de steden en zwerven in de straten rond. Hier
worden zij geduld, omdat zij alle afval opvreten, hoewel men ze er
niet gaarne ziet; tegenwoordig zal het wel niet vaak meer gebeuren,
dat geloovige Mohammedanen hen bij uiterste wilbeschikking gedenken,
zooals vroeger placht te geschieden, en voor hun onderhoud tot op
zekere hoogte zorg dragen.

Binnen hun eigenlijk woongebied zijn de verwilderde Honden
tamelijk schuw en voorzichtig; vooral als de persoon die hen nadert,
vreemdsoortig gekleed is, wordt hij steeds door hen ontweken. Als men
een van deze dieren kwaad doet, ontstaat er een waar oproer. Uit ieder
hol kijkt een kop naar buiten, en na weinige minuten zijn de toppen
der heuvels met Honden bedekt, die onophoudelijk blaffen. Meermalen
heb ik op zulke Honden werkelijk jacht gemaakt, zoowel om ze te leeren
kennen, als om hun vleesch te gebruiken; het diende mij tot lokaas bij
't vangen van Gieren, of als voedsel voor mijne gevangene Hyenas en
Gieren. Bij deze jacht heb ik mij voldoende kunnen overtuigen, dat
de Paria-honden samenleven en elkander tegen vijanden te hulp komen;
onder andere heb ik bij die gelegenheden opgemerkt, dat zij mij reeds
na korten tijd geheel hadden leeren kennen en vreezen. In Khartoem
b.v. was het mij in 't laatst onmogelijk, zulke verwilderde Honden
met den buks te schieten, omdat zij mij niet meer op 400 pas afstand
lieten naderen.

Niet zelden vermenigvuldigen de verwilderde Honden zich ongeloofelijk
sterk en worden dan een ware plaag voor het land. Mohammed Ali liet
eens, om aan dezen overlast paal en perk te stellen, een schip vullen
met Honden, en deze in volle zee overboord werpen om de zekerheid
te hebben, dat zij zouden verdrinken. Het is zeer gelukkig, dat zij
slechts uiterst zelden gevaar loopen dol te worden; er zijn werkelijk
nagenoeg geen voorbeelden van bekend, dat iemand in deze landen door
een dollen Hond gebeten werd.

Naar men zegt, bestaat in Konstantinopel een nagenoeg gelijke
betrekking tusschen den mensch en de Honden. "Onafscheidbaar van de
straten van de hoofdstad," zegt Hackländer, "is de gedachte aan hare
nimmer ontbrekende bewoners, de Honden die geen meester hebben, en in
tallooze menigte daar gevonden worden. Gewoonlijk vormt men zich van
zaken, waarvan men dikwijls leest, een te grootsche voorstelling, en
wordt daarom later dikwijls teleurgesteld. Dit geldt echter niet van
't geen iemand van de Honden der Oostersche steden zou hebben kunnen
lezen. Hoewel alle reizigers ze een plaag voor de menschen noemen,
zijn toch de meesten bij de schildering van den last, dien deze dieren
veroorzaken, beneden de werkelijkheid gebleven. Het ras waartoe zij
behooren, is zeer eigenaardig. Wat het uitwendige betreft, komen zij
nog het meest met onze Herdershonden overeen; zij hebben echter geen
gekromden staart; ook hun haar is anders, n.l. kort en vuil geel
van kleur. Als zij lui en traag rondsluipen of in de zon liggen,
moet men erkennen, dat geen dier er zoo gemeen, ik zou haast zeggen,
zoo ploertig uitziet als dit. In alle straten, op alle pleinen wemelt
het van deze Honden; zij staan op rijen voor de huizen en wachten af,
of hun ook bij geval een brok wordt toegeworpen, of zij liggen midden
op de straat, en de Turk, die niet licht eenig levend wezen kwaad doet,
gaat hen uit den weg. Ik heb nooit gezien, dat een Muzelman een van
deze dieren geschopt of geslagen heeft. Veel eer werpt de handwerksman
hen uit zijn werkplaats de overblijfselen van zijn maal toe. Alleen de
Turksche Kaikschi en de marine-matrozen missen deze teergevoeligheid;
door hun hand verliest menige Hond in den Gouden Hoorn het leven.

"Iedere straat heeft haar eigen Honden, die haar niet verlaten, evenals
in onze groote steden de bedelaars hunne vaste standplaatsen hebben;
wee den Hond, die het waagt, een vreemd gebied te bezoeken. Dikwijls
heb ik gezien, hoe alle andere op zulk een ongelukkige aanvielen,
en hem, indien hij zich niet door een snelle vlucht wist te redden,
letterlijk aan stukken scheurden. Ik zou ze wel willen vergelijken
met de straatjeugd in beschaafde landen. Als wij in een hoek van
den bazar iets eetbaars kochten, dan volgden ons alle Honden, die
wij voorbijkwamen, en verlieten ons eerst, als wij in een andere
straat binnengingen, waar ons een andere troep Honden op dezelfde
wijze begeleidde."



Aan de beschrijving van den aard en de levenswijze onzer _Huishonden_
zullen wij de onovertreffelijke karakteristiek van deze dieren laten
voorafgaan, die door den aartsvader der dierkunde, door Linnaeus, op
de hem eigene, korte en prettige wijze gegeven is. Ik heb getracht haar
zoo nauwkeurig mogelijk te vertalen, hoewel dit geen gemakkelijke zaak
is. Sommige gedeelten zijn eigenlijk onvertaalbaar; het overige luidt
ongeveer als volgt: "Vreet vleesch, aas, melige plantaardige stoffen,
geen kruiden. Verteert beenderen, braakt na het eten van gras. Drinkt
leppend; watert zijdelings, in goed gezelschap dikwijls honderdmaal;
beruikt de aars van andere; neus vochtig, speurt uitmuntend; loopt
zijwaarts, gaat op de teenen; zweet zeer weinig, laat bij warm weer de
tong uit den bek hangen; voordat hij gaat slapen, loopt hij om zijn
slaapplaats heen; hoort gedurende den slaap vrij scherp, droomt. De
teef draagt 9 weken, werpt 4 à 8 jongen: de mannetjes gelijken op
den vader, de wijfjes op de moeder. De trouwste van alle; huisgenoot
van den mensch, kwispelstaart bij 't naderen van zijn meester,
duldt niet, dat deze geslagen wordt; loopt dezen op den weg vooruit,
aan een kruisweg ziet hij om; leerzaam, spoort verloren zaken op,
doet 's nachts de ronde, meldt de komst van naderenden, waakt bij
goederen, houdt het vee van de akkers af, houdt de Rendieren bijeen,
bewaakt Runderen en Schapen tegen wilde dieren, houdt Leeuwen tegen,
drijft het wild op, doet eenden binnen schot opvliegen, apporteert
het gedoode wild zonder er van te eten, draait in Frankrijk het
braadspit, trekt in Siberië den reiswagen, bedelt aan tafel; houdt,
als hij gestolen heeft, angstig den staart tusschen de pooten; vreet
gulzig. Te huis meester onder de zijnen; vijand van de bedelaars,
valt ongetergd onbekenden aan. Geneest wonden, jicht en kanker door
likken. Huilt, als hij muziek hoort, bijt in een toegeworpen steen;
onpasselijk en kwalijk riekend bij naderend onweer. Heeft last van den
lintworm; verbreidt de watervrees. Wordt eindelijk blind en beknabbelt
zijn eigen lichaam. De Amerikaansche Hond verleert het blaffen. De
Mohammedanen verfoeien hem; slachtoffer van de ontleedkundigen bij
onderzoekingen van den bloedsomloop etc."

Wij hebben niets anders te doen dan deze beschrijving verder uit te
breiden. Alle Huishonden komen in levenswijze en gewoonten vrijwel
overeen, zoolang zij niet door den invloed, die de zeden en gewoonten
van den mensch noodzakelijkerwijs op hen oefenen, genoodzaakt worden
hun levenswijze te veranderen.

De Honden zijn zoowel dag- als nachtdieren, en voor beide tijden even
goed uitgerust; zoowel des daags als des nachts wakker en vlug. Als
het hun toegestaan wordt, jagen zij op klaarlichten dag zoowel als
's nachts, en vereenigen zich gaarne tot groote gezelschappen. In
't algemeen is gezelligheid een grondtrek van hun karakter, en deze
heeft een zeer grooten invloed op hunne gewoonten. Zij vreten alles,
wat de mensch eet, dierlijk voedsel zoowel als plantaardig, en beide
in rauwen toestand niet minder graag dan gekookt. Bovenal houden zij
van vleesch, en wel meer nog van het eenigszins bedorvene dan van het
versche. Zij zijn hartstochtelijk verlekkerd op aas; zelfs de best
opgevoede en best verzorgde Honden verslinden gretig de uitwerpselen
van den mensch. Sommige rassen geven aan vleesch de voorkeur boven
al het andere voedsel, andere schatten het minder hoog. Van de
gekookte spijzen smaken meelspijzen, vooral wanneer zij zoet zijn,
hun het best; als zij vruchten eten, geven zij aan zoete de voorkeur
boven zuurachtige. Beenderen, goede bouillon, brood, groenten en melk
zijn het geschiktste voedsel voor een Hond; vet en te veel zout zijn
daarentegen nadeelig voor hem. Men kan hem ook uitsluitend met brood
voeden en gezond houden; steeds is het echter noodig, hem zijn voedsel
op vast bepaalde uren te geven. Geen spijs mag hem heet voorgediend
worden; altijd moet zij lauw warm zijn; het bakje, waaruit hij eet,
moet steeds zindelijk gehouden worden. Een volwassen Hond krijgt
genoeg voedsel, als hij zich éénmaal per dag behoorlijk zat eten kan,
tweemaal te voederen is echter beter; een Hond die 's avonds eten
kan, tot hij verzadigd is, zal waakzamer zijn en zich niet zoo licht
laten omkoopen, als een hongerig dier. Water drinken de Honden veel
en dikwijls; zij scheppen het met de tong op, die voor dit doel bij
wijze van een lepel gekromd wordt met eenigszins naar voren gebogen
spits; water is volstrekt noodig om ze volkomen gezond te doen blijven.

De Hond is een uitmuntend looper en zwemmer, en kan zelfs een weinig
klimmen; hij zal echter licht duizelig worden, als hij langs een
steilen afgrond gaat. Hij loopt en draaft in een eigenaardig scheeve
richting. Als hij hard loopt, kan hij groote sprongen maken; tot
plotselinge wendingen is hij echter niet in staat. Eenige Honden
houden merkwaardig veel van 't water (p. 199); verwende Honden
schuwen het echter in hooge mate. Vooral in Afrika heb ik Honden zien
klimmen. Hier klauteren zij zeer behendig bij muren en bij de niet
sterk hellende daken van huizen omhoog, en loopen als Katten volkomen
veilig langs zeer smalle terrassen (p. 190). Om te rusten gaat de Hond
op de achterpooten zitten of legt zich op de zijde of op den buik;
in 't laatstgenoemd geval richt hij de achterpooten buitenwaarts,
de voorpooten naar voren en tusschen deze legt hij den kop; zelden
strekt hij daarbij de achterpooten achterwaarts.

Alle Honden slapen graag en dikwijls, maar met tusschenpoozen; hun
slaap is zeer licht en onrustig en gaat dikwijls van droomen vergezeld,
zooals blijkt uit het kwispelstaarten, de spiersamentrekkingen, het
knorren en het zachte blaffen gedurende den slaap. Zij zijn bijzonder
sterk gesteld op zindelijkheid: de plaats, waar zij blijven moeten, en
vooral hun slaapplaats, moet altijd goed schoon gehouden worden. Zelfs
bij een zeer snelle en langdurige beweging zweeten zij weinig;
de speekselafscheiding treedt voor de zweetvorming in de plaats;
van de tong, die de Honden, als zij warm zijn, hijgend uit den bek
laten hangen, druppelt onophoudelijk speeksel af.

De zinnen van den Hond zijn scherp, maar bij de verschillende rassen
niet gelijkmatig ontwikkeld. De reuk, het gehoor en het gezicht hebben
naar het schijnt de overhand; sommige rassen onderscheiden zich van
alle overige door een fijnere ontwikkeling van het gehoor, andere
door grootere volkomenheid van den reuk. Dat zij voor smaakindrukken
gevoelig zijn, kan niet ontkend worden, hoewel deze zin zich bij
hen op een eigenaardige wijze openbaart. Van alle prikkels die hunne
zintuigen te sterk aandoen, hebben zij een afkeer. Het minst worden
zij gehinderd door sterke lichtprikkels, zeer gevoelig zijn zij echter
voor schelle en krijschende geluiden of scherpe prikkeling van het
reukorgaan. Klokgelui en muziek brengen hen aan 't huilen; als men
hun eau-de-cologne, geest van salammoniak, ether of een dergelijke
stof onder den neus houdt, geven zij zeer duidelijke bewijzen
van afschuw. Bij vele is de reuk buitengewoon sterk ontwikkeld,
en bereikt deze zin een trap van volkomenheid, waarvan wij ons in
't geheel geen denkbeeld kunnen vormen.

Met de behandeling van de geestesgaven van den Hond zou men
boekdeelen kunnen vullen; het is dus zeer moeilijk ze in 't kort
te schilderen. Het best kan ik mij vereenigen met de door Scheitlin
gegeven beschrijving van de ziel van den Hond, waaraan het volgende
citaat ontleend is: "Hoe groot het verschil ook zij, dat er in
lichamelijk opzicht tusschen de Honden bestaat, hun geest biedt
nog veel grooter verscheidenheid aan; sommige Hondenrassen zijn
volkomen ongeschikt om iets te leeren, andere leeren alles in zeer
korten tijd. Sommige zijn in 't geheel niet tembaar, terwijl andere
spoedig volkomen getemd worden; wat sommige haten, wordt door andere
zeer aangenaam gevonden. De Poedel gaat uit eigen beweging te water,
de Keeshond wil altijd thuis blijven. De Dog laat zich op den man
africhten, met den Poedel gelukt dit niet. Alleen de Jachthond heeft
een zoo fijnen speurneus; alleen de Beerhond bijt den Beer tusschen
de achterpooten; alleen de langlijvige Dashond, die, naar men zou
kunnen meenen, een paar pooten te min bezit, is zoo laag bij den grond
en heeft zulke kromme pooten, dat hij in Dassenholen kan kruipen;
hij heeft hiervoor evenveel liefhebberij als de Slagershond voor het
loopen in bogen en het nazitten van kalveren en Runderen.

De Newfoundlandsche Hond vreest den Wolf niet en is daarom uitmuntend
geschikt voor het bewaken van 't vee; ook kan hij meesterlijk graven,
zwemmen, duiken en menschen uit het water halen. Ook de Slagershond
durft den Wolf aan, is een goede veehoeder, maakt jacht op Wilde
Zwijnen en andere groote dieren; hij is verstandig en zeer gehecht
aan zijn meester, maar gaat vrijwillig nooit te water. Men gebruikt en
misbruikt hem bij drijfjachten, waardoor hij, gelijk op psychologische
gronden te voorzien was, steeds strijdlustiger wordt; vooral voor
kalveren, die hij zonder eenigen schroom overvalt, omdat zij zich
niet verweren kunnen, is hij vaak zeer gevaarlijk. Zijn bloeddorst
is in hooge mate afkeerwekkend; de verwoedheid die hij bij 't bijten
en bij het verscheuren en opvreten van overblijfselen van dieren
aan den dag legt, is een van zijne slechtste eigenschappen. Van de
Windhonden wordt gezegd, dat zij weinig verstand hebben, zich bijna
niet laten dresseeren en hun meester niet trouw zijn, bovendien
hebben zij de slechte eigenschap, dat zij zich graag door vreemden
laten liefkoozen; men kan ze echter africhten voor de jacht op Hazen
en dergelijk wild. In den naam van den Patrijshond ligt opgesloten,
waarvoor hij van nature geschikt is. Want de Hond (en ieder ander dier)
moet op de een of andere wijze te kennen geven, waartoe hij lust
heeft, voordat de mensch op het denkbeeld komt hem hiervoor af te
richten. Alleen tot tijdverdrijf, om zich zacht op den arm te laten
dragen, om met de vrouw op de sofa te liggen, bij haar op schoot te
zitten, vandaar ieder die in ongenade is, toe te brommen, steeds in de
kamer te blijven, met de vrouw uit één glas te drinken, van één bord
te eten en zich te laten kussen, hiervoor worden de Bolognezer Hondjes
en de Leeuwtjes gehouden. Van den Jachthond worden de fijne reuk, de
groote schranderheid en leerzaamheid en ook de trouwe gehechtheid aan
zijn meester geroemd. Zeer verstandig en uitstekend voor het bewaken
van 's menschen eigendom geschikt zijn de Hof- of Wachthond en de
Herdershond. De Spits of Keeshond wordt geacht een loos, leerzaam,
vroolijk en bruikbaar slag van Hond te zijn; hij wil graag bijten en
is in huis zeer waakzaam; sommige verscheidenheden gaan voor valsch
en boosaardig door. De Hond van de Poolgewesten is gekenmerkt door
onderworpenheid aan den mensch, hoewel hij zijn meester niet kent en
geen slagen vreest; hij is onverzadelijk, maar kan toch gedurende
langen tijd honger lijden. De Doggen zijn trouw, maar niet zeer
verstandig; zij zijn goede waakhonden, door hunne woestheid en moed
voor de jacht op Wilde Zwijnen, Leeuwen, Tijgers en Panters geschikt;
met ware doodsverachting pakken zij hunne gevaarlijke tegenstanders
aan, letten op iederen oogwenk, op elk woord van hun meester, laten
zich op den man africhten, bekommeren zich niet om schoten, houwen
en verscheurde ledematen en takelen ook elkander bij 't vechten
vreeselijk toe. Zij zijn zeer sterk, werpen zelfs den krachtigsten
mensch ter aarde en worgen hem, of dwingen hem, terwijl zij op hem
omspringen, op één plaats te blijven, totdat hij verlost wordt; zij
houden woedende Evers bij het oor vast, zoodat zij zich niet bewegen
kunnen. Gehoorzaam zijn zij in de hoogste mate. Zij hebben een weinig
meer verstand, dan men meent. Het laagst ontwikkeld onder de Honden
is ongetwijfeld de Mops. Hij is door geestelijke ontaarding ontstaan
en kan, zooals licht te begrijpen is, zich zelf niet tot hooger peil
verheffen. Hij begrijpt den mensch niet, terwijl deze hem niet vat.

"Op den indruk, dien de Hond maakt, hebben zijne geestesgaven een
te grooten invloed, dan dat het mogelijk zou zijn, dien indruk
door een opgestopt exemplaar of door een teekening volledig weer te
geven. Zijn ziel is ongetwijfeld zoo volkomen, als een zoogdierenziel
kan zijn. Van geen dier mag eerder dan van dit gezegd worden, dat
het om geheel menschelijk te zijn, niets anders mist dan de spraak,
geen dier vertoont ons zulk een volledige reeks van wijzigingen
van den gemoedsaard, geen dier heeft de stof geleverd voor zooveel
verhalen, welke de bewijzen leveren van zijn verstand, zijn geheugen,
zijn herinneringsvermogen, zijn oordeel, zijn fantasie, of zelfs van
zedelijke eigenschappen, zooals: trouw, gehechtheid, dankbaarheid,
waakzaamheid, liefde voor den meester, geduld bij 't omgaan met
kinderen van menschen, woede en doodelijken haat tegen de vijanden
van zijn meester; geen enkel dier wordt daarom den mensch zoo vaak ten
voorbeeld gesteld. Wat worden ons al geen staaltjes verteld van zijn
geschiktheid om iets te leeren! Hij danst, hij trommelt, hij loopt
over een koord, hij staat op schildwacht, hij bestormt en verdedigt
vestingen, hij schiet pistolen af, draait het braadspit, trekt den
wagen; hij kent de noten, de getallen, de kaarten, de letters; hij
neemt een mensch de muts van 't hoofd, brengt hem zijn pantoffels en
tracht hem als een knecht de laarzen of de schoenen uit te trekken;
hij verstaat de oogen- en gebarentaal en nog vele andere zaken."

"Ik heb Honden gekend," zegt Lenz, "die, naar het scheen, bijna
ieder woord van hun meester begrepen, op zijn bevel de deur openden
of sloten, den stoel, de tafel op de bank binnendroegen, hem den
hoed afnamen of brachten, een verstopten zakdoek of een dergelijk
voorwerp opzochten en teruggaven, den hoed van een hun aangewezen
vreemdeling door den reuk van midden uit allerlei andere hoofddeksels
te voorschijn haalden enz. Het is trouwens altijd aardig om te zien,
hoe een schrandere Hond de oogen en de ooren beweegt, als hij een bevel
van zijn meester verwacht, hoe uitgelaten van blijdschap hij is, als
hij mede mag gaan, en welk een jammerlijk gezicht hij trekt, als hij
thuis moet blijven; hoe hij verder, als hij vooruitgeloopen en aan een
kruisweg gekomen is, omkijkt, om te vernemen of hij rechts of links
moet gaan; hoe gelukkig hij is, als hij een buitengewoon verstandige
daad, hoe beschaamd daarentegen, als hij een dommen zet gedaan heeft;
hoe hij, als hij iets kwaads verricht heeft en niet zeker weet, of zijn
meester het bemerkt, liggen gaat, gaapt, doet, alsof hij half in slaap
of onbekommerd is, om iedere verdenking van zich af te wenden, maar
zich verraadt, door den angstigen blik dien hij intusschen van tijd tot
tijd op zijn meester werpt, hoe hij verder iederen huisvriend spoedig
leert kennen, onder de vreemdelingen voornamen en geringen gemakkelijk
onderscheidt, en vooral op bedelaars gebeten is enz. Aardig is het ook
om te zien, hoe een Hond, om zijn meester te believen, truffels zoekt,
waarvoor hij van nature in 't geheel geen trek gevoelt, hoe een andere
Hond zijn meester een kar helpt trekken en zich des te meer inspant,
naarmate hij ziet, dat zijn meester zich meer moeite geeft."

Uit dit alles blijkt, dat de Hondenrassen in geestelijk opzicht
onderling evenzeer verschillen, als zij in lichamelijk opzicht van
elkander afwijken. Hunne meest in 't oogloopende karaktertrekken
zijn: onwankelbare trouw en gehechtheid aan hun meester,
onvoorwaardelijke gehoorzaamheid en onderworpenheid, nauwgezette
waakzaamheid, zachtmoedigheid, zachtaardigheid in den omgang, een
dienstvaardig en vriendelijk gedrag. Bij geen enkelen Hond zijn zij
alle gelijkelijk ontwikkeld aanwezig: soms zal de eene eigenschap
meer op den voorgrond, een andere daarentegen op den achtergrond
treden. De opvoeding heeft hierop grooter invloed, dan men gewoonlijk
meent. Slechts goede menschen kunnen aan Honden eene goede opvoeding
geven. De Hond is een getrouw spiegelbeeld van zijn meester: hoe
vriendelijker, liefderijker, oplettender men hem behandelt, hoe
beter en zindelijker men hem verzorgt, hoe meer en hoe verstandiger
men zich met hem bemoeit, des te verstandiger en uitmuntender wordt
hij; juist het tegendeel heeft plaats, wanneer hij slecht behandeld
wordt. Hij schikt zich in de meest verschillende omstandigheden,
van welken aard zij ook zijn; altijd geeft hij zich met geheel zijn
ziel aan den mensch over. Deze verhevene eigenschap wordt ongelukkig
gewoonlijk niet op haar juiste waarde geschat; daarom wordt het woord
"hondsch" nog steeds in onteerenden zin gebezigd, hoewel het eigenlijk
juist het tegenovergestelde beteekent van wat men er in den regel
mede bedoelt. Door zijne veelzijdige begaafdheden neemt de Hond den
hoogsten rang in; zijn getrouwheid aan den mensch maakt hem tot diens
onontbeerlijken metgezel.

Vele eigenaardige gewoonten zijn aan bijna alle rassen gemeen. Zoo
huilen en blaffen vele bij 't zien van de maan, zonder dat men hiervoor
een reden weet aan te wijzen. Door beweging worden zij tot beweging
geprikkeld; al wat hun snel voorbijgaat, loopen zij na, onverschillig
of het menschen, dieren, wagens, kogels of steenen zijn, trachten het
te grijpen en vast te houden, zelfs wanneer zij er volkomen zeker
van zijn, dat het een voor hen geheel nutteloos voorwerp is. Tegen
sommige dieren toonen zij zich in de hoogste mate vijandig, zonder dat
hiervoor een goede reden bekend is. Zoo haten alle Honden de Katten
en de Egels; als zij een der laatstgenoemde dieren ontmoeten, scheppen
zij er als 't ware behagen in, zich zelf te kwellen door woedend in de
stekelbekleeding te bijten, ofschoon zij weten, dat dit tot geen doel
leidt, en zij er hoogstens een bebloeden neus en snuit door oploopen.

Opmerkelijk is het zeer sterke voorgevoel, dat de Hond van
weersveranderingen heeft. Hij neemt reeds van te voren maatregelen
tegen den invloed van die veranderingen, en kondigt zelfs door den
onaangenamen reuk, dien hij verbreidt, den mensch naderenden regen aan.

Gewoonlijk zijn de Honden onderling niet zeer verdraagzaam. Als
twee Honden, die elkander niet kennen, samenkomen, heeft eerst een
wederzijdsche besnuffeling plaats, daarna laten beide de tanden zien,
en beginnen met elkander te vechten, tenzij teedere gevoelens bij hen
de overhand hebben. Des te meer loopt de groote innigheid in 't oog van
de vriendschapsbanden, die soms tusschen Honden bestaan. Zulke vrienden
twisten nooit onderling, maar zoeken elkander op en helpen elkander in
nood. Ook met andere dieren gaan zij soms zulk een bondgenootschap aan;
zelfs het zeer gebruikelijke spreekwoord over de verhouding tusschen
Hond en Kat is wel eens onjuist.

De teef brengt 63 dagen na de paring op een donkere plaats 3 à
10, gewoonlijk 4 à 6, in uiterst zeldzame gevallen echter 20 of
meer jongen ter wereld, die bij de geboorte de voorste tanden reeds
hebben, maar 10 à 12 dagen lang blind blijven. De moeder bemint hare
kinderen boven alles, zoogt, behoedt, belekt, verdedigt ze, en draagt
ze niet zelden van de eene plaats naar de andere, waarbij zij ze met
de tanden bij het ruime nekvel aanpakt. Haar liefde voor haar kroost
is in één woord roerend: er zijn voorbeelden van bekend, die ons niet
alleen tot hoogachting, maar tot bewondering van dit dier nopen. Zoo
verhaalt Bechstein een geval, dat bijna ongeloofelijk schijnt: "Een
schaapherder te Waltershausen kocht geregeld in de lente schapen
op het Eichsfeld, en zijn hond (een teef) moest hem natuurlijk op
dezen 18 mijlen langen weg begeleiden. Eens wierp deze Hond, terwijl
hij zoover van huis was, jongen, ten getale van 7, zoodat de herder
zich genoodzaakt zag, hem achter te laten en alleen naar huis terug
te keeren. Maar ziet, anderhalven dag later vindt hij den Hond met
zijne zeven jongen voor zijn huisdeur. Hij had telkens over kleine
gedeelten van den weg het eene hondje na het andere voortgedragen,
en op deze wijze de 18 mijlen dertien malen achtereen afgelegd,
ondanks den toestand van uitputting en zwakte, waarin hij verkeerde."

Gewoonlijk laat men een teef slechts 2 of 3, hoogstens 4 van hare
jongen behouden, om haar niet te zeer te verzwakken. De kleintjes
hebben veel voedsel noodig, en de moeder is bijna niet in staat hun het
noodige te verschaffen. Het spreekt van zelf, dat de teef gedurende
dezen tijd bijzonder goed en krachtig gevoederd moet worden. Iedere
eigenaar van een drachtige teef moet voor haar van te voren in
een rustig hoekje, op een goed beschutte, niet te koele plaats,
een zacht leger gereed maken, en haar ook later op allerlei wijzen
bij het groot brengen van de jongen behulpzaam zijn. Zoo lang de teef
zoogt, is haar hart, naar het schijnt, voor een veel omvattende liefde
vatbaar, want zij duldt het, dat Hondjes uit een ander nest, ja zelfs
jongen van andere dieren, b. v. van Katten en Konijnen, van haar melk
gebruik maken. Ik heb dit laatste dikwijls bij Honden waargenomen,
maar merkte daarbij op, dat zoogende Katten veel vriendelijker voor
hare pleegkinderen waren dan Honden, die, hoe goedhartig zij ook zijn,
bij zulk een gelegenheid toch in den regel niet volkomen tevreden
zijn, zooals uit het rimpelen van de huid van den neus blijkt. Zij
zijn echter uitmuntende minnen van jonge Leeuwen en Tijgers.

Gewoonlijk laat men de jonge Honden zes weken lang door de ouden
zoogen. Om de Hondjes te spenen voedert men de teef een tijdlang
zeer schraal, om te maken, dat de melkafscheiding ophoudt; dan laat
zij zelf het zuigen van hare jongen niet langer toe. Nu worden de
diertjes aan licht verteerbaar voedsel gewend; men leert ze in de
eerste plaats zindelijkheid. Reeds in de 3e of 4e levensmaand wisselen
zij hunne eerste tanden; in de 6e maand bekommeren zij zich niet veel
meer om hun moeder. Als het de bedoeling is, ze op te voeden, of,
zooals men gewoonlijk zegt, af te richten, moet dit niet te lang
uitgesteld worden. De meening van ouderwetsche jagers en andere
Hondenfokkers, dat een jonge Hond, voordat hij aan het einde van
zijn eerste levensjaar gekomen is, te klein en te zwak zou zijn om
te leeren, berust op een dwaling. Adolf en Karl Müller, beiden zeer
ervaren als natuuronderzoekers en als jagers, maken een aanvang met het
dresseeren van hunne Jachthonden, zoodra deze behoorlijk loopen kunnen,
en bereiken hierdoor uitmuntende resultaten.. Hunne leerlingen worden
nooit met slagen bestraft, krijgen bijna nooit een hard, hoogstens
een ernstig woord te hooren, en worden de allervoortreffelijkste
gezellen en helpers op de jacht. Jonge Honden moeten behandeld worden
als kinderen, niet als verstokte slaven. Zonder uitzondering zijn zij
gewillig en leerzaam; zeer spoedig luisteren zij naar ieder woord van
hun opvoeder en begrijpen het; uit liefde spannen zij zich langer
en beter in, dan uit vrees. De africhters van jonge Honden, die
hun doel niet bereiken kunnen zonder stekelhalsband en hondenzweep,
zijn onhandige beulen, maar geen nadenkende opvoeders.

Reeds met het twaalfde jaar begint voor den Hond de ouderdom. Er zijn
trouwens voorbeelden van bekend, dat Honden een leeftijd van 20, ja
zelfs van 26 en van 30 jaar bereikt hebben. Dit zijn echter zeldzame
uitzonderingen. Dikwijls trouwens maakt geen ouderdomsverzwakking, maar
een der vele ziekten, waaraan de Honden, evenals andere huisdieren,
onderhevig zijn, een einde aan hun leven.

Een zeer veelvuldig voorkomende ziekte van de Honden is de door
woekerdieren veroorzaakte schurft, die niet, gelijk men vroeger
meende, een gevolg is van onvoldoende voeding en beweging of van
onzindelijkheid. Jonge Honden lijden dikwijls aan de Hondenziekte, die
een besmettelijke ontsteking van de slijmvliezen is en het veelvuldigst
voorkomt tusschen de 4de en 9de levensmaand. Waarschijnlijk sterft
meer dan de helft van de Honden in Europa aan deze ziekte of wordt
althans hierdoor zeer benadeeld. Bovendien worden zij alle gekweld
door parasieten, waarvan meer dan een dozijn soorten bekend zijn. Zij
hebben dikwijls zeer veel te lijden van Vlooien en Luizen en op
sommige plaatsen ook van Tieken. De beide eerstgenoemde soorten van
ongedierte kan men spoedig verdrijven door onder het strooleger van den
Hond een laag asch op den bodem te strooien, of het vel van het dier
met Perzisch-insectenpoeder in te wrijven. De Tieken, die den Hond
het meest pijnigen, verdrijft men door ze met een weinig brandewijn,
pekel of tabakssap te bevochtigen. Het is niet raadzaam ze met geweld
uit de huid te trekken, omdat in dit geval de kop licht in de door
't zuigorgaan veroorzaakte wonde blijft steken en deze doet etteren
of zweren.

De vreeselijkste ziekte echter is de hondsdolheid of _lyssa_,
vooral omdat hierdoor niet alleen de overige Honden en huisdieren,
maar ook de menschen in groot gevaar verkeeren. Gewoonlijk komt
deze ziekte alleen bij Honden op meer gevorderden leeftijd voor,
meestal in den zomer bij zeer groote hitte, of in den winter bij
al te felle koude. Men merkt bij den Hond, die door deze ziekte
is aangetast, in de eerste plaats op, dat hij zich anders gedraagt
dan gewoonlijk; hij wordt valsch-vriendelijk, en bromt tegen zijn
meester; voorts openbaren zich bij hem een ongewone slaperigheid
en droefgeestigheid, voortdurend zoekt hij warme plaatsen op, gaat
dikwijls naar zijn voedsel zonder te eten, drinkt gretig water,
doch altijd slechts bij kleine hoeveelheden te gelijk, en toont over
't algemeen door zijne handelingen onrust en angst. Onbedriegelijke
kenteekeningen van de ziekte zijn voorts, dat de stem van het dier
verandert, dat het blaffen in een rauw, heesch gehuil overgaat, dat
zijn eetlust vermindert, dat hij niet dan met moeite slikken kan,
dat hij kwijlt, dat de oogopslag zijn helderheid verliest, dat hij
graag en dikwijls wegloopt, oneetbare voorwerpen belekt of verslindt,
en, als de ziekte erger wordt, om zich heen hapt, en zonder aanleiding
bijt. Gedurende de ziekte komt gewoonlijk verstopping voor; de ooren
worden slap, het dier laat den staart hangen, zijn oog wordt mat,
de blik loensch. Later wordt het oog rood en ontstoken. De dolle Hond
laat zich niet meer liefkoozen, let niet meer op het bevel van zijn
meester, wordt steeds onrustiger en schuwer, zijn blik is starend of
vurig, hij laat den kop laag hangen, het aangezicht zwelt op aan de
wangen en om de oogen, de tong neemt een vuurroode kleur aan en hangt
uit den bek, die aan de zijden een taai slijm laat uitvloeien. Weldra
knort hij slechts zonder te blaffen, herkent de menschen en ten slotte
zijn eigen meester niet meer. Hoezeer hij ook van dorst versmacht, hij
kan niets meer binnenkrijgen; zelfs wanneer men hem met geweld water
in de keel giet, veroorzaakt dit bij hem ademnood en een krampachtige
samentrekking van de keelspieren. Nu begint hij het water en iedere
andere vloeistof te schuwen. Hij gaat niet meer liggen, maar sluipt
met loenschen blik en afhangenden staart onrustig rond.

Thans eerst ontwikkelt zich de ziekte hetzij in den stillen of in
den razenden vorm. Bij de stille dolheid zijn de oogen ontstoken,
maar dof en onbewegelijk, de tong wordt blauwachtig en hangt dikwijls
ver uit den bek. Een wit schuim vertoont zich in de mondhoeken; de
bek blijft altijd geopend, de onderkaak is verlamd en hangt slap naar
beneden. Met den staart tusschen de pooten en hangenden kop loopt de
Hond wankelend en onvast dikwijls mijlen ver voort en bijt naar alles
wat hem in den weg komt, vooral echter naar andere Honden. Ontmoet
hij op zijn weg een beletsel, dat hem verhindert de oorspronkelijke
richting te blijven volgen, dan waggelt hij in een kring rond, valt
dikwijls neder en hapt naar lucht.

Wanneer daarentegen de ziekte in haar razenden vorm optreedt, fonkelt
het oog, de pupil wordt wijd, de bek is open en slechts weinig met
speeksel bevochtigd; de blauwachtige tong hangt uit den mond. Reeds
in vroegere ontwikkelingstijdperken van dezen ziektevorm is de Hond
in hooge mate koppig en valsch, zelfs tegenover zijn meester; hij
hapt onwillekeurig naar Vliegen of naar alles wat in zijne nabijheid
komt, valt de Huisvogels aan en verscheurt ze, zonder ze op te eten,
lokt andere Honden tot zich en schiet dan woedend op hen toe, laat
de tanden zien, toont gezichtsvertrekkingen, jankt, lekt zich met de
ontstoken tong de lippen af en maakt er ook wel smakkende bewegingen
mede, waarbij hem dikwijls reeds vloeibaar speeksel uit den mond
druppelt. Van 't water wendt hij zich duizelig af, maar zwemt toch
nog soms door beken en plassen. Hij bijt naar al wat hem voor den
bek komt, dikwijls ook in levenlooze voorwerpen, als hij vastligt,
zelfs in zijn ketting.

De hondsdolheid was reeds bij de Grieken bekend, hoewel zij in
't zuiden van Europa veel zeldzamer voorkomt dan bij ons. Zoowel in
landen die tot den kouden, als in die, welke tot den heeten aardgordel
behooren, komt de ziekte minder dikwijls of in 't geheel niet tot
uitbarsting.

Van oudsher zijn vele middelen tegen de _lyssa_ aangeprezen; het
is echter niet uit te maken, of zij eenige uitwerking hebben gehad,
en wel voornamelijk niet, omdat men geen zekerheid kon verkrijgen,
dat het dier, waardoor de patiënt gebeten was, werkelijk aan dolheid
leed, of ten onrechte verdacht werd, dol te zijn. Het eenige radicaal
helpende middel kon slechts in het uitbranden der wonden bestaan;
dit moest echter onmiddellijk en grondig geschieden. Als dit niet
gebeurd was en het gif van de hondsdolheid zich reeds door het lichaam
verspreid had, hing het alleen af van omstandigheden, waarover de
mensch geen macht had, of de ziekte, die steeds een noodlottig einde
nam, al of niet tot uitbarsting kwam. De eerst voor korten tijd door
Pasteur ontdekte geneeswijze heeft ten doel, ook in zulke gevallen nog
redding te brengen. Zij is gegrond op het feit, dat het mogelijk is,
door inenting sommige ziekten te voorkomen, zooals b.v. de pokken
door inenting van koepokstof. Volgens de methode van Pasteur wordt
het ruggemerg van dieren, die aan hondsdolheid lijden, gedroogd, in
bouillon fijn gewreven en dit mengsel verscheidene malen achtereen
onder de huid van den patiënt ingespoten. Door het drogen is de
vergiftige werking van het bedoelde ruggemerg verzwakt, en wordt
het in een inentingsstof veranderd, die den patiënt tegen de ziekte
beschut. Sedert 1885 zijn duizenden van menschen, die gebeten waren,
op deze wijze behandeld. Vele van de behandelden waren ongetwijfeld
gebeten door dieren, die ten onrechte van dolheid verdacht werden;
er zijn echter onder hen ook een groot aantal personen geweest,
die gebeten waren door dieren, waarvan de dolheid met zekerheid
kon worden aangetoond. Van deze personen zijn eenigen in weerwil
(misschien zelfs ten gevolge) van de inenting gestorven; verreweg de
meesten echter zijn door de inenting voor een wissen dood behoed.

Een onbedriegelijk kenteeken van de gezondheid van een Hond is de koude
en vochtige neus. Als deze droog en warm is, als de oogen dof staan,
als het dier geen eetlust heeft enz., kan men er zeker van zijn,
dat het onpasselijk is. Als er in den toestand van den patiënt niet
spoedig een gunstige verandering komt, en de middelen, die door een
ervaren veearts voorgeschreven zijn, niet baten, blijft er weinig hoop
op het behoud van het dier over, want slechts weinige Honden kunnen
zware ziekten doorstaan. Verwondingen genezen schielijk en volkomen,
niet zelden zonder eenige hulp; bij inwendige ziekten echter zijn
zelfs ervaren geneeskundigen, om van kwakzalvers niet eens te spreken,
meestal spoedig ten einde raad, omdat deze ziekten een buitengewoon
snel verloop hebben.

De Hond bewijst den mensch onschatbare diensten. Hoe nuttig hij is voor
beschaafde en ontwikkelde volken, weet ieder lezer uit eigen ervaring;
de onbeschaafde of wilde volksstammen hebben hem echter misschien
nog meer noodig. Zijn vleesch wordt gegeten op de Zuidzee-eilanden,
door verscheidene Afrikaansche volken, alsmede door de Toengoesen,
Chineezen, Eskimos, de Noord-Amerikaansche Indianen enz. In China
ziet men dikwijls slagers, die met geslachte Honden beladen zijn;
zij hebben echter veel last van de vijandige gezindheid van andere,
nog vrij rondloopende Honden, die bij troepen op hen aanvallen. In
verband met dit feit moeten wij ook nog wijzen op een andere betrekking
tusschen den mensch en den Hond, die wel in staat is om bij ons een
gevoel van afschuw te wekken. Nadat Bernardin de Saint-Pierre het
denkbeeld uitgesproken heeft, dat het eten van Honden de eerste stap
zou zijn geweest tot het eten van menschen, is de volkenkunde verrijkt
geworden met vele feiten, die het hoogst waarschijnlijk maken, dat de
gewoonte om Honden te eten een voorlooper, begeleider of overblijfsel
is van het menscheneten.

Maar ook in die gewesten, waar de Hond geregeld of somtijds als voedsel
voor den mensch dient, is hij steeds zijn metgezel en helper; zelfs
den minst ontwikkelden wilde, die nog niet eens op het denkbeeld
is gekomen dit dier een eigen naam te geven, bewijst de Hond in
de keerkringsgewesten den dienst van waarschuwer, zoo niet dien
van wachter, ook helpt hij hem op de jacht. Voor den bewoner der
Poolgewesten, die zonder den Hond nagenoeg hulpeloos zou zijn, trekt
hij de slede over de ijs- en sneeuwwoestijnen van zijn vaderland,
of draagt als een lastdier op den rug de uitrusting van den jager. In
het noorden van Azië worden hondevellen tot kleedingstukken verwerkt;
in Europa maakt men er mutsen, zakken en moffen van. Van zijne pezen,
banden en beenderen wordt lijm bereid; het taaie en dunne hondenleer
komt op tweeërlei wijze gelooid in den handel: rungaar dient het tot
dansschoenen, aluingaar tot handschoenen; het haar wordt tot het vullen
van kussens gebruikt. Het vet dient tot het smeren van raderwerk enz.;
het gold vroeger als huismiddel tegen longtering. Zelfs de drek, die
"Grieksch wit" (_Album graecum_) wordt genoemd, omdat de Grieken het
voor 't eerst hebben toegepast, was een gezocht geneesmiddel. Ook in
den oorlog moesten de Honden meehelpen, niet, gelijk thans geschieden
zal, als doelmatig opgevoede waarschuwers en snelvoetige, gemakkelijk
aan 's vijands aandacht ontsnappende boden, maar om te strijden in
de gelederen der krijgslieden. Toen de Spanjaarden de landen van
de Nieuwe Wereld aan zich onderwierpen, speelden de Bloedhonden
bij hunne ondernemingen als krijgsgezellen geen geringe rol: vele
van deze dieren werden wegens hun moed en hunne roemrijke daden
even hoog geacht en geprezen als de tweevoetige helden, die deel
uitmaakten van de roofgierige benden der _Conquistadores_. Even als
alle deelnemers aan deze rooftochten en gevechten, kregen ook deze
Honden, of liever hunne meesters in hun plaats, een evenredig aandeel
van den buit. Later, zelfs nog tot in den laatsten tijd, was het de
gewoonte, ontvluchte slaven of inboorlingen, die zich aan het gezag
der Europeanen onttrokken hadden, met behulp van Bloedhonden in de
wildernis op te sporen.

Reeds sedert de vroegste tijden zijn de Honden den menschen nuttig
geweest; de wijze, waarop zij behandeld werden, en de achting, die men
voor hen had, was echter zeer ongelijk: Socrates was gewoon bij den
Hond te zweren; Alexander de Groote was over den dood van een zijner
lievelingshonden zoo bedroefd, dat hij te zijner eere een stad met
tempels liet bouwen; Homerus bezingt _Argos_, den Hond van Odysseus
op een waarlijk treffende wijze; Plinius acht de Honden zeer hoog en
verhaalt allerlei merkwaardigheden van hen. Hij verhaalt o.a., dat
de Kolophoniërs, die voortdurend oorlog voerden, met het oog hierop
groote troepen Honden onderhielden, dat de Honden altijd het eerst
aanvielen, en in geen veldslag in gebreke bleven. Toen Alexander de
Groote naar Indië trok, had de koning van Albanië hem een grooten
Hond geschonken, waarmede de veroveraar zeer ingenomen was. Hij
liet daarom Beren, Evers en dergelijke dieren bij den Hond brengen,
maar deze bleef stil liggen en wilde niet opstaan. Alexander meende,
dat de Hond lui was, en liet hem ter dood brengen. Toen de koning van
Albanië dit vernam, zond hij nog een Hond van dezelfde soort met de
boodschap, dat Alexander geen zwakke dieren tegenover den Dog moest
plaatsen, maar Leeuwen en Olifanten; hij, de Koning, had slechts twee
zulke Honden gehad; als Alexander dezen liet dooden, had hij er geen
meer over. De Macedonische vorst liet het dier daarom eerst met een
Leeuw, later met een Olifant vechten; de Hond doodde ze allebei.--De
oude Egyptenaars gebruikten de Honden op de jacht, en achtten ze zeer
hoog, zooals uit de afbeeldingen op de gedenkteekenen blijkt. Bij de
Joden daarentegen werd de Hond veracht, zooals door vele aanhalingen
uit den Bijbel aangetoond kan worden; de hedendaagsche Arabieren
zijn ongeveer van hetzelfde gevoelen. Hoog geëerd was de Hond bij de
oude Germanen. Toen de Cimbrem in het jaar 108 v. C. door de Romeinen
overwonnen waren, moesten deze eerst nog een hevigen strijd voeren met
de Honden, die de goederen bewaakten. De Kanarische eilanden ontleenen,
naar Plinus bericht, hun naam aan de Honden. In Peru werden, volgens
Von Humboldt, bij een maansverduistering de Honden zoo lang geslagen,
tot de duisternis geweken was.

Vermakelijk is het te lezen, wat de oude schrijvers van het gebruik
van den Hond voor geneeskundige doeleinden berichten. Nagenoeg al
zijne lichaamsdeelen dienden als geneesmiddelen.

Nu hebben wij den Hond in 't algemeen beschouwd; het wordt tijd,
dat wij eenige van de voornaamste rassen van dezen merkwaardigen
diervorm behandelen; natuurlijk kunnen wij alleen voor eenige van
de belangrijkste een plaats in dit werk inruimen, omdat het aantal
rassen zoo verbazend groot is: Reichenbach vermeldt er 195.



De _Windhonden_ (_Canis familiaris grajus_) zijn kenbaar aan hun
uiterst slanken, sierlijken romp, den spits toeloopenden, fijn
gebouwden kop, de dunne, hooge ledematen, en in den regel ook de
kortharigheid en gladheid van hun vel. De fijne, langwerpige snoet,
de vrij lange, smalle, met korte haren begroeide ooren, die voor de
helft overeind staan en voor 't overige omgebogen zijn, de korte en
strak gespannen lippen verschaffen den kop zijn eigenaardig, sierlijk
voorkomen, en staan tevens in nauw verband met de afwijkingen, die in
de ontwikkeling der zinnen waargenomen worden. De Windhond hoort en
ziet uitmuntend, maar heeft een zwak reukvermogen, daar de neusschelpen
zich in den spitsen snuit niet behoorlijk uitbreiden kunnen, waardoor
de reukzenuw-eindtoestellen niet over zulk een groote oppervlakte
verbreid kunnen zijn als bij andere Honden. Hoewel de romp in de
lengte gerekt is, onderscheidt de borst zich door groote breedte,
diepte en hoogte, en bevat dus de noodige ruimte voor de betrekkelijk
zeer groote longen, die, zelfs wanneer de bloedsomloop door de vlugge
beweging aanmerkelijk versneld is, in staat zijn om aan het bloed een
voldoende hoeveelheid zuurstof toe te voeren, en er het koolzuur uit
te verwijderen. In de liesstreek is de romp daarentegen buitengewoon
sterk versmald, als 't ware om aan het lichaam, dat door de krachtige
borst verzwaard wordt, het noodige evenwicht te hergeven. Denzelfden
lichaamsbouw hebben wij bij de Langarmapen en een dergelijken bij den
Gepard kunnen opmerken; wij vinden dien bij vele dieren terug: een
onbedriegelijk kenteeken van geschiktheid tot een snelle en gedurende
langen tijd voortgezette beweging. Buitengewoon fijn gebouwd zijn
de pooten van den Windhond; men ziet aan hen iedere spier en vooral
ook de sterke pezen, waarin deze spieren uitloopen. Maar ook aan den
borstwand zijn alle tusschenribspieren zichtbaar; sommige Windhonden
zien er uit, alsof hunne spieren reeds door een bekwaam ontleedkundige
waren blootgelegd. De staart is zeer dun, tamelijk lang, strekt zich
uit tot ver onder het hielgewricht, en wordt naar beneden gericht
gedragen met teruggebogen spits, of achterwaarts gestrekt en een
weinig naar boven gekromd. De fijne en gladde beharing, die in den
regel dicht aanligt, verkrijgt bij enkele rassen een grootere lengte,
en verschilt dan ook meestal door haar kleur van die der overige
rassen, waar zij fraai roodachtig geel is. Een andere kleur dan deze
treft men bij de uitnemendste Windhonden, n.l. bij die van Perzië
en van Centraal-Afrika, nagenoeg niet aan. Gevlekte Windhonden zijn
zeldzamer en in den regel zwakker dan de éénkleurige.

De gemoedsaard van den Windhond is anders dan die van de overige
Honden. Hij is een in de hoogste mate zelfzuchtig wezen; in den
regel openbaart hij geen bijzondere gehechtheid aan zijn meester,
maar laat zich door iedereen liefkoozen en toont genegenheid aan
iedereen, die vriendelijk voor hem is. Hij is tevreden, als hij een
meester heeft, die hem voortdurend aanhaalt, en toont dezen dan ook
een zekere mate van gehechtheid; zijn ontrouwe aard blijkt echter,
wanneer een ander persoon jegens hem vriendelijker is dan zijn
eigen meester. De geschiedboeken vermelden een voorbeeld van deze
trouweloosheid. Toen Eduard III van Engeland stierf, verliet zijn
Windhond hem in de stervensure, en voegde zich bij de vijanden van het
huis van Plantagenet. Er zijn echter ook onder de Windhonden enkele,
die, wat trouw en gehechtheid aan hun meester betreft, bijna niet
achterstaan bij andere Honden, hierdoor een loffelijke uitzondering
maken op den algemeenen regel, en onze ingenomenheid met hun ras
vermeerderen.

De Windhond gedraagt zich ten opzichte van andere Honden als tegenover
den mensch: hij houdt niet van hen, zij zijn hem zelfs nagenoeg
onverschillig: wanneer het echter tot vechten komt, is hij stellig de
eerste, die toebijt; hierdoor kan hij gevaarlijk worden. Want ondanks
zijn slanke, fijne gestalte is hij sterk, en zoodra het bijten begint,
trekt hij partij van zijn grootte, houdt steeds den snoet boven den
nek van zijn tegenstander, pakt dezen, zoodra hij zich verroert,
stevig beet, tracht hem op te tillen, en schudt hem heen en weer,
tot hooren en zien hem vergaan. Tegenover deze onaardige eigenschappen
staan echter vele uitmuntende hoedanigheden. Voor vele volken is hij
even onmisbaar als de Staande Hond voor den Europeeschen jager, als
de Herdershond voor den schaapherder. Veel meer dan in de noordelijke
gebruikt men hem in de zuidelijke gewesten en meer bepaaldelijk in alle
steppenlanden. De Tartaren, Perzen, bewoners van Klein-Azië, Bedoeïnen,
Kabylen, Soedaneezen, Indiërs en andere volken van Middel-Afrika en
Azië achten hem buitengewoon hoog en schatten zijn waarde dikwijls
gelijk aan die van een goed Paard. Bij de Arabische stammen van de
woestijn, of liever van de woestijnsteppen aan den rand van de Sahara,
bestaat het spreekwoord:


	"Een goede Valk, een snelle Hond, een edel Paard,
	Zijn meer dan twintig vrouwen waard,"


en de oorsprong van dit gezegde is duidelijk voor een ieder, die met
deze menschen verkeerd heeft.

Bij ons wordt de Windhond trouwens niet veel gebruikt. Het terrein moet
vlak en open zijn, en men moet te paard iedere plaats kunnen bereiken,
zal men ook te rechter tijd bij den Windhond komen, zoodra deze een
Haas gevangen heeft. Zulk een jacht levert een fraai schouwspel op. De
Haas is zoo dom niet, als hij er uitziet, en speelt den onervaren
Hond menige poets. Met razenden spoed snelt deze het wild achterna,
maakt sprongen, die werkelijk ongeloofelijk schijnen, en niet zelden
met die van de groote Kattensoorten kunnen wedijveren, d. i. van 2,
3 en 4 M. wijdte, en haalt op deze wijze den Haas spoedig in. Hij is
hem reeds op de hielen,--in 't volgende oogenblik zal hij hem zeker
grijpen--maar de Haas is plotseling zijwaarts uitgeweken en loopt
nu, wat hij kan, in tegengestelde richting; de Hond echter, die hem
regelrecht najoeg, is ver uit den koers geraakt, valt bijna op den
grond, kijkt woedend om, wordt hoe langer hoe meer vertoornd, zoekt
en ziet eindelijk den Haas, die reeds een honderd vijftig schreden
ver gekomen is. Nu gaat ook hij dien kant uit, ijlt het wild na, heeft
het opnieuw bijna gegrepen, daar maakt de Haas een tweeden zijsprong,
en het gaat den Hond als de eerste maal. Op deze wijze zou de jacht
nooit tot een einde komen, als men niet twee Honden tegelijk in 't
veld bracht, waarvan de eene den Haas vervolgt en de andere hem den
pas afsnijdt.



Terwijl de Windhonden van de noordelijke landen veel uiteenloopen,
wat lichaamsbouw en beharing aangaat, behooren die van het zuiden in
meerder of mindere mate tot één ras, waarmede de _Steppenwindhond_
ons kennis kan doen maken. Dit even edel als bevallig dier heeft
haar zoo zacht als zijde; zijn kleur is licht issabella-geel, niet
zelden naar 't witachtige zweemend, dikwijls echter tot echte reekleur
verdonkerd. Op de Egyptische gedenkteekenen vindt men dit ras onder
andere, vooral gevlekte Windhonden afgebeeld.

In het jaar 1848 bracht ik verscheidene weken in het dorp Melbesz
in Kordofan door, en was hier dikwijls in de gelegenheid om den
Centraal-Afrikaanschen Windhond te leeren kennen. De dorpsbewoners
voorzien hoofdzakelijk door veefokkerij en jacht in hun onderhoud,
hoewel zij ook graan verbouwen. Hierom houden zij alleen Herdershonden
en Windhonden, de eerste bij hunne schapenkudden, de laatste in het
dorp. Het was een genot, een wandeling door het dorp te doen; vóór
iedere deur zaten verscheidene van deze prachtige dieren, het eene
al mooier dan het andere. Zij waren waakzaam en verschilden reeds
hierdoor zeer van hunne verwanten. Zij beschermden het dorp ook tegen
de nachtelijke rooftochten van de Luipaarden en Hyenas; aan een strijd
met den Leeuw waagden zij zich echter niet. Over dag hielden zij zich
rustig; na het invallen van den nacht begonnen zij eerst recht te
leven. Men zag ze dan op alle muren klimmen; zij klauterden zelfs op
de kegelvormige stroodaken van de ronde hutten, waarschijnlijk om een
geschikt standpunt voor het uitkijken en luisteren te verkrijgen. Te
recht verwonderde ik mij over hun vaardigheid in 't klimmen.

Iedere week bracht een paar feestdagen voor onze dieren. Vroeg in den
morgen hoorde men soms in het dorp het geluid van een hoorn: het was
de oproeping tot de jacht. De mannen verzamelden zich om de Honden
en weldra trok de geheele jachtstoet in geregelde orde het dorp uit,
hetwelk een prachtig schouwspel opleverde. Zelden ging men ver, want
reeds de naastbijgelegen bosschen leverden een overvloedigen jachtbuit
op en de moeite om haar te verkrijgen was voor de mannen betrekkelijk
gering, dank zij den ijver en de behendigheid der Honden. Zoodra men
bij een met struiken aangevuld woud was aangekomen, vormde men een
wijden kring en liet de Honden los. Deze drongen in de wildernis door,
en vingen bijna al het jaagbare wild, dat zich daar bevond. Men bracht
mij Trappen, Parelhoenders, Frankolijnen, ja zelfs Steppenhoenderen,
die door de Honden gevangen waren. Een Antilope ontkwam hun nooit,
omdat telkens 4 of 6 Honden samenwerkten om haar te vervolgen.

Van de Windhonden van het westelijk gedeelte van de woestijn, deelt
generaal Daumas het volgende mede: "In de Sahara en in alle overige
door de Arabieren bewoonde landen is de Hond niets meer dan een
verwaarloosde, lastige dienaar, die men den rug toewendt, hoe nuttig
ook zijne bediening zij, onverschillig of hij de woning moet bewaken of
het vee hoeden; de Windhond alleen geniet de genegenheid, de achting,
de teedere zorgen van zijn meester. De rijken zoowel als de armen
beschouwen hem als de onafscheidelijke metgezel bij alle ridderlijke
uitspanningen, waarvan de Bedoeïnen zooveel werk maken. Men verzorgt
dezen Hond, als zijn eigen oogappel, geeft hem het meest geschikte
voedsel, laat hem bij wijze van spreken met zich uit één schotel eten
en let zorgvuldig op het zuiver houden van de rassen.

"Als de Windhond 3 of 4 maanden oud geworden is, begint men zich bezig
te houden met zijn opvoeding. De jongens laten in zijn nabijheid
Springmuizen en Renmuizen loopen en hitsen hem op dit wild aan. Na
verloop van korten tijd toont het edele dier reeds een groote en
levendige belangstelling in deze jacht, en na weinige weken heeft het
reeds zooveel ervaring opgedaan, dat het ook voor 't vangen van andere,
grootere Knaagdieren gebruikt kan worden. In de 5e of 6e levensmaand
begint men het reeds af te richten voor de Hazenjacht, waaraan veel
meer moeilijkheden verbonden zijn. Van deze klimt men op tot de jacht
op jonge Gazellen. Men nadert deze Antilopen zoo voorzichtig mogelijk,
terwijl zij aan de zijde van hun moeder rusten, vestigt de aandacht
der Honden op dit wild, spoort ze aan, tot zij ongeduldig worden, en
laat ze dan los. Na eenige oefeningen houdt de Windhond zich ook zonder
bijzondere aansporing met hartstochtelijken ijver met deze jacht bezig.

"Onder al die bedrijven is het edele dier één jaar oud geworden
en heeft bijna zijn definitieve sterkte bereikt. Toch wordt de
'Sloegoei' nog niet als de volwassen dieren voor de jacht gebruikt;
men stelt dit uit, totdat hij 15 of 16 maanden oud is. Maar na dien
tijd legt men hem een taak op, die bijna onmogelijk schijnt, en hij
volbrengt dien naar behooren. Als deze Hond nu een kudde van 30 of 40
Antilopen ziet, trilt hij van opgewondenheid en jachtlust, en kijkt
zijn meester smeekend aan. Deze neemt zijn waterzak en bevochtigt
den rug en den buik van 't dier, in de overtuiging, dat het hierdoor,
meer dan door iets anders, versterkt wordt. Eindelijk is de Windhond
vrij, hij jubelt van pleizier en snelt als een pijl uit den boog op
zijn buit af, waarvoor hij altijd het grootste en mooiste exemplaar
uitkiest. Zoodra hij een Gazelle of een andere Antilope gevangen heeft,
krijgt hij oogenblikkelijk het stuk, waarop hij recht heeft, n.l. het
vleesch aan de ribben,--ingewanden zou hij met verachting laten liggen.

"De edele Windhond jaagt met niemand anders dan met zijn meester. Zulk
een gehechtheid en de zindelijkheid van het dier verschaffen vergoeding
voor de zorgen aan zijn opvoeding besteed. Als de eigenaar na een
afwezigheid van eenige dagen terugkomt, schiet de Windhond jubelend
uit de tent te voorschijn, en wipt met een sprong op het zadel,
om den meester, wiens uitblijven hij betreurde, te liefkoozen. Dan
zegt de Arabier tot hem: "Mijn lieve vriend, houd het mij ten goede,
het was noodzakelijk dat ik u verliet; maar nu ga ik met u, want ik
heb vleesch noodig, ik ben het dadels-eten moede, en gij zult wel
zoo goed zijn, mij vleesch te verschaffen." De Hond gedraagt zich
bij al deze plichtplegingen, alsof hij woord voor woord de beteekenis
er van begrijpt. De prijs van een Sloegoei, die de grootste soorten
van Gazellen vangt, staat gelijk met dien van een Kameel; voor een
Windhond, die grootere Antilopen neervelt, betaalt men gaarne evenveel
als voor een mooi Paard."

Het sierlijkste lid van het geheele Windhonden-gezelschap is de
zoogenaamde _Italiaansche Windhond_, in vergelijking met andere
Windhonden een echte dwerg, maar een buitengewoon fraai gevormde dwerg,
bij wien alle lichaamsdeelen volkomen met elkander harmonieeren. Zijn
gewicht bedraagt zelden meer dan 3 à 5 KG., de alleruitmuntendste wegen
zelfs niet meer dan 2 KG., hoewel zij 40 cM. hoog zijn. In gestalte
en kleur stemt hij volkomen met den eigenlijken Windhond overeen.

Als een leelijke ontaarding van het Windhond-type mag men den
_Naakten Hond_ van Centraal-Afrika (_Canis familiaris africanus_)
beschouwen. Zijn romp is een weinig gerekt, slank, naar de liesstreek
sterk ingetrokken, de rug sterk gekromd, de borst smal, de hals
middelmatig lang, maar dun, de kop langwerpig en hoog, het voorhoofd
sterk gewelfd; de tamelijk lange snoet wordt naar voren smaller en
spitser; de middelmatig lange, nog al breede, spitser toeloopende
en half overeindstaande ooren zijn, evenals het overige lichaam,
onbehaard en bij de spits een weinig omgebogen; de lippen zijn kort
en strak gespannen. Andere kenmerken van dit dier zijn de hooge,
tamelijk slanke en fijne pooten, de zeer dunne, matig lange staart en
het ontbreken van den binnenteen aan de achterste ledematen. Alleen in
de nabijheid van den staart, rondom den mond en aan de pooten komen
eenige haren voor; overigens is de huid volkomen naakt; dit maakt
dezen Hond tot een leelijk dier; want ook de zwarte huidkleur, die
bij ons na verloop van eenigen tijd grijsachtig wordt en op sommige
plaatsen vleeschkleurige vlekken heeft, is niet mooi. De lengte van
het lichaam bedraagt 65, die van den staart 25, de schouderhoogte 35
cM. Behalve bij dezen op een Windhond gelijkenden vorm, treft men het
ontbreken van de beharing ook nog wel bij andere rassen van Honden aan;
alle zijn afschuwelijke beesten; niet zelden hebben zij een verkleurd
bosje haar midden op den kop. Naakte Honden komen voor in China,
Middel- en Zuid-Amerika, op Manila, de Antillen en de Bahama-eilanden.

Daar de Naakte Hond zeer teer en gevoelig voor ruw weder is, moet hij
in ons klimaat voortdurend in de kamer blijven en kan in den regel
niet lang in 't leven gehouden worden.



Een tweede groep van Honden is die der _Doggen_ (_Canis familiaris
molossus_). Van deze noemen wij in de eerste plaats den _Deenschen
Hond_, hoewel hij als een bastaard van den _Windhond_ en den
_Bullebijter_ wordt beschouwd. Hij is een groot, fraai dier van
edelen vorm met slanke pooten, gladden staart en groote, mooie oogen;
de snoet is toegespitst, maar in overeenstemming met het geheele
dier, toch nog veel forscher dan die van den Windhond. In vroegere
tijden werd hij veelvuldig gefokt en voor de Hertenjacht gebruikt;
thans treft men hem nog wel hier en daar als Huishond aan, vooral in
Engeland, waar hij een trouwe geleider is van Paarden en rijtuigen.

Een ander, eveneens verouderd ras is dat, hetwelk vroeger met den naam
_Wachthond_ of _Slagershond_ werd aangeduid (_Mâtin_ der Franschen,
welk woord volgens sommigen letterlijk "huishond" beteekent), en
waaruit zich, volgens Linnaeus, in het noorden de Deensche Hond,
in het zuiden de Hazewindhond ontwikkeld zou hebben.



Veel menigvuldiger dan de Deensche Hond ziet men bij ons een door
kruising verkregen afstammeling van dit dier, de _Duitsche Dog_, die
zich evenzeer door schoonheid als door geestesgaven onderscheidt,
en ook nog om een andere reden, zooals men het noemt, in de mode
is gekomen. Wie heeft wel niet eens van den Duitschen "_Rijkshond_"
gehoord of gelezen? De Duitsche hondenfokkers zijn er in geslaagd dit
ras, dat oorspronkelijk den naam van het stamras bleef dragen, en ook
wel _Ulmer Dog_ werd genoemd, zoozeer te ontwikkelen, dat sedert een
twaalftal jaren de vroegere benamingen vervangen zijn door den naam
_Duitsche Dog_.

De Duitsche Dog is kort en dicht behaard ook op den dun uitloopenden
en weinig gekromden staart. Zijn kleur is effen zwart, licht- of
donkergrijs, bruin- of lichtgeel; de lichtkleurige exemplaren zijn
dikwijls donkerder gestreept of, als zij licht grijs zijn, meestal met
onregelmatige, donkere vlekken geteekend; bij eenkleurige dieren komen
niet zelden witte merken op de borst en de teenen voor. De middelmatig
groote, hoog aangehechte ooren worden in den regel ingekort. Een Hond
van dit ras, van wiens begaafdheden en daden hieronder een aan Gräszner
ontleende beschrijving zal volgen, had in zijn derde levensjaar een
schouderhoogte van 94 cM., een totale lengte van 175 cM. en een gewicht
van 61 KG., bijgevolg een zeer buitengewone grootte bereikt. Onze
zegsman, rector van een school in een groote industrieele stad van
Duitschland, woonde buiten de poort op een niet geheel veilige plaats,
en achtte het daarom noodig, zich een flinken Hond aan te schaffen,
tot bescherming van zijn gezin en tot bewaking van zijn huis. "Mijn
keuze viel," verhaalt Gräszner verder, "op een Duitschen Dog van 5
maanden, wiens ouders wegens hunne grootte, schranderheid en trouw bij
de Hondenliefhebbers van den geheelen omtrek zeer gezien waren, maar
tevens ook wegens hun boosaardigheid gevreesd werden. Toen ik den Hond
in huis bracht, waren mijne huisgenooten over zijne lompe manieren en
zijn boos uitzicht niet bijzonder gesticht. Na verloop van eenige uren
legde hij zijn onbeholpenheid al een weinig af en gevoelde zich in zijn
nieuwe omgeving al eenigszins op zijn gemak. Het spreekt van zelf, dat
hij mijn bestendige geleider was op mijne dagelijksche uitstapjes. Bij
deze gelegenheden toonde hij een zoo levendigen en waakzamen aard,
als ik niet in hem gezocht had. Daar ik mij maar weinig met hem bezig
hield, verschafte hij zich zonder mijn hulp allerlei tijdverdrijf,
ging bij voorkeur met onverflauwde opmerkzaamheid al het doen en laten
van de menschen na en bemoeide zich er mede, zoodra er iets gebeurde,
dat zijns inziens niet geoorloofd was. Van geharrewar en ruzie b.v. had
hij een grooten afkeer. Wanneer twee personen met elkander in hevige
woordenwisseling geraakten, schoot hij op hen toe, zelfs wanneer zij
tamelijk ver af waren, plaatste zich brommend en de lippen optrekkend
tusschen de twistenden, en bracht teweeg, dat zij spoedig uiteengingen.

"Zijn lichaamskracht was geëvenredigd aan zijn kolossale
grootte. Spelend droeg hij b.v. een hengselkorf, die 2.5 KG. zwaar was,
geruimen tijd achtereen. Een volwassen mannetje van een Heideschaap,
die hem in 't voorbijgaan gestooten had, droeg hij, zonder hem
eenigszins te beschadigen, over twee spoorwegafsluitingen heen naar
mij toe. Een woedende, dreigend op mij losloopende os, die met een
aantal koeien naar de weide gedreven werd, hield hij zoo stevig aan
den hals vast, dat het dier luidkeels brulde van pijn en ontsteld
wegliep, toen het van zijn aanvaller bevrijd werd. De wanden van
een sterke, van nieuwe planken getimmerde verhuiskist, waarin 'Tom'
eens verstuurd zou worden, en die, naar de kastenmaker meende,
sterk genoeg zou zijn voor een Tijger, vernielde hij, voordat hij
aan het dichtbij gelegen spoorwegstation was aangekomen. Als hij op
het punt stond, toe te schieten op iets, dat zijn toorn had opgewekt,
kon zelfs de sterkste man hem niet in toom houden, maar werd als een
kind omgeworpen en voortgesleept.

"In alle huiselijke aangelegenheden toonde hij belangstelling, alsof
hij een mensch was. Wanneer iemand b.v. bedlegerig werd, bleef hij uren
lang bij 't bed van den zieke zitten, hield zijne oogen voortdurend
op diens gelaat gevestigd, en legde om zijn medelijden te toonen
zijn snuit of zijn poot zachtjes op de hand, die hem toegestoken
werd.... Als de post een pakje had gebracht van een buitenshuis
vertoevend kind, kon hij uit blijdschap nauwelijks den tijd afwachten,
waarop de inhoud werd uitgepakt; hij greep dan het eerste het beste
voorwerp, dat in het pak gezeten had en ging daarmede rond bij alle
leden van het gezin, die niet bij het uitpakken tegenwoordig waren,
om hen op deze wijze met de blijde gebeurtenis bekend te maken. Het
was dan ook geen wonder, dat hij weldra de lieveling van alle, vooral
echter van de vrouwelijke huisgenooten was geworden.

"Allervermakelijkst was zijn gedrag, als hij de kans schoon zag
om aan mijne dochters een voorwerp, dat zij bij hunne handwerkjes
noodig hadden, b.v. een paar opgevouwen kousen, een groote kluwen
wollen garen of zoo iets, heimelijk, naar hij meende te ontkapen,
en in zijn grooten bek te laten verdwijnen. Als zij dan het geroofde
voorwerp opzettelijk met in 't oogvallenden ijver zochten, had hij
zijn doel bereikt, nam een onverschillige houding aan en zette een
onnoozel gezicht, om te laten zien, dat hij van de oorzaak van de
opschudding niet het minste vermoeden had; het vermiste voorwerp
gaf hij, sluw knipoogend, eerst dan terug, als men zich direct tot
hem wendde met de vraag: '_Tom_! weet jij dan niet, waar dit of dat
gebleven is?' Als ik toevallig bij dit spel tegenwoordig was, kwam
hij, voordat men hem deze vraag gedaan had, en nadat hij zich door
een blik op de meisjes overtuigd had, dat er niet op hem gelet werd,
ongeroepen bij mij, sperde zijn bek zoo wijd open, dat ik het gezochte
voorwerp zien moest, wierp mij tersluiks een schelmschen blik toe,
die van innige verstandhouding getuigde, om dan, terwijl hij zich
omdraaide, het domme gezicht van vroeger weer aan te nemen, en naar
zijn plaats terug te keeren.

"Het zou den lezer te zeer vermoeien, wanneer ik een beschrijving
gaf van alle overige vaardigheden en talenten, die deze Hond bezat,
hoewel zij in den regel als een kenmerkende eigenschap van andere
Hondenrassen beschouwd worden; ik zal mij bepalen tot het mededeelen
van nog een staaltje van buitengewoon verstand. Eens bevond ik mij,
door mijn Hond vergezeld, in de nabijheid van het spoorwegstation, toen
er juist een personentrein binnenstoomde. Uit gewoonte keek ik naar den
voorbijsnellenden trein, om te weten of er ook een bekend gezicht aan
een der coupé-vensters te zien was. Ik bemerkte intusschen, dat _Tom_
beurtelings aandachtig naar mij en naar den trein keek, blijkbaar
in de meening, dat ik iemand verwachtte. Begeerig om te weten,
of ik zijne gedachten geraden had, riep ik hem toe: 'Ja, _Tom_! ga
er heen!' Bliksemsnel rende de Hond toen den spoorweg op en achter
den trein aan naar het station. Langs een korten omweg ging ik zoo
spoedig mogelijk ook daarheen. Ik kwam nog juist bijtijds om te zien,
hoe _Tom_ in de eerste plaats haastig alle pas aangekomen reizigers
in oogenschouw nam, daarna twee maal langs de geopende compartimenten
ging om ze te onderzoeken en ten slotte, toen hij geen bekend dierbaar
wezen daarin vond, treurig den terugtocht aannam. Sedert dien tijd
gebruiken wij den Hond als een betrouwbaren bediende voor het afhalen,
vooral als het donker was, van alle in een nauwe betrekking tot ons
huis staande reizigers, die wij verwachtten. Zoodra de bepaalde trein
aankwam, drong _Tom_ door de dichte menschenmassa heen tot aan de
waggons, begroette kwispelstaartend de verwachte gasten, vleide hun
een stuk van hun bagage af, liep hiermede fier vooruit, deed dus ook
uitmuntend dienst als baanbreker, en bracht het gezelschap langs den
kortsten weg naar ons, die niet op het perron waren."



Bij den _Bullenbijter_ is de romp ineengedrongen, dik, in de flanken
slechts weinig samengetrokken, de rug niet gekromd, de borst breed
en diep, de hals tamelijk kort en dik, de kop rondachtig, hoog, het
voorhoofd sterk gewelfd, de snoet kort, naar voren smaller wordend
en zeer sterk afgeknot. De bovenlip hangt aan weerszijden over de
onderlip heen (van voren wijken de lippen echter niet uiteen), beide
zijn voortdurend met speeksel bedekt; de vrij lange en middelmatig
breede ooren zijn afgerond en half-hangend, d. w. z. zij staan voor de
helft rechtop, terwijl de top omgebogen is en naar beneden hangt. De
krachtige pooten zijn middelmatig hoog. De staart is bij den wortel
dik, wordt naar den spits dunner, is vrij lang en reikt tot op het
hielgewricht, hij wordt zelden rechtuit of naar achteren gestrekt,
maar meestal omhoog gericht en naar voren gebogen. De kleur is òf
vaal òf bruinachtig geel, soms met een zwartachtig waas overtogen; de
snuit, de lippen en de buitenste randen der ooren zijn zwart; evenals
bij alle Honden, komen ook bij deze vele afwijkingen van kleur voor.

Vermoedelijk is de Bullenbijter uit Ierland afkomstig; daar vindt men
althans de uitnemendste rassen die er bestaan. Wegens de zwaarte
en logheid dezer dieren loopen zij niet snel en ook niet lang
achtereen. Daarentegen hebben zij een buitengewone spierkracht, veel
vastberadenheid en een ongeloofelijken moed; men zou zelfs kunnen
zeggen, dat zij, op weinige uitzonderingen na, als de moedigste van
alle dieren beschouwd kunnen worden. Wegens hun spierkracht zijn de
Bullenbijters bijzonder geschikt voor een moeilijke en gevaarlijke
jacht en voor den strijd met wilde dieren. Hunne geestesgaven zijn
niet zoo uitmuntend als die van vele andere Hondenrassen; zij staan
echter in dit opzicht niet zoo laag, als gewoonlijk aangenomen wordt;
want iedere Bullenbijter gewent zich aan den Mensen en offert zonder
aarzeling zijn leven voor hem op. Hij is uitmuntend geschikt voor het
bewaken en beschermen van het huis, en verdedigt het hem toevertrouwde
goed met een waarlijk voorbeeldeloozen moed. Als reisgezel in
gevaarlijke, eenzame gewesten is hij onbetaalbaar. Men verhaalt,
dat hij zijn meester met gevolg tegen 5 à 6 roovers verdedigd heeft,
en er zijn voorbeelden van bekend, dat hij als overwinnaar uit zulk
een ongelijken strijd te voorschijn kwam in weerwil van de tallooze
wonden, die hij ontvangen had. Hij wordt ook als wachter bij kudden
Rundvee gebruikt, en is in staat om zelfs den wildsten stier in toom
te houden, want hij is behendig genoeg om op het juiste oogenblik
zijn tegenstander met de tanden bij den bek te pakken en zich zoo
lang vast te houden, totdat de stier zich gewillig aan de overmacht
van den Hond onderwerpt. Voor den strijd met groote roofdieren,
zooals Beren, Wolven en Wilde Zwijnen, kan hij gemakkelijk afgericht
worden. Tegenover andere Honden gedraagt hij zich zeer loffelijk. Hij
zoekt slechts zelden twist, en laat zich vooral van kleine Honden veel
welgevallen. Hij is trouw en gehecht aan zijn meester, maar is voor
vreemden steeds gevaarlijk, hij moge los loopen of aan den ketting
liggen; als hij op menschen aangehitst wordt, is hij werkelijk zeer
te vreezen.

Zeer nauw verwant aan de Bullenbijters zijn de eigenlijke _Doggen_,
zeer groote en sterke dieren, met grooten, dikken, van voren recht
afgeknotten snoet, welks bovenlip, hoewel zij aan de zijden over de
onderlip heen hangt, den mond van voren niet sluit, zoodat het gebit
voortdurend zichtbaar blijft. De neus is niet zelden gespleten, de
vacht kortharig en gewoonlijk effen rood van kleur, dikwijls echter
bont. In vroegere tijden, toen het land minder veilig was dan thans,
kwamen de Doggen vrij veelvuldig voor, tegenwoordig treft men ze
alleen bij sommige hondenliefhebbers aan.

Een der grootste rassen is de _Engelsche Dog_ (_Mastiff_), die vaak
als wachthond dienst doet.

Bij ons ontmoet men het meest een ras van middelmatige grootte, dat
in dit opzicht hoogstens met een Patrijshond vergeleken kan worden,
dikwijls echter nog aanmerkelijk kleiner is. In den regel is dit dier
licht isabelkleurig; men krijgt echter ook wel eens, hoewel minder
dikwijls, donkerder gekleurde Doggen te zien.

De _Bulhond_, _Bulldog_ of _Boxer_ wordt vooral in Engeland veelvuldig
gehouden. Meer nog dan de Bullenbijter, wordt hij als een woedend,
ongenaakbaar en stompzinnig dier beschouwd; dit geldt echter niet
van alle dieren van dit ras. Hij geeft aan zijn meester bewijzen
van trouw en gehechtheid; maar alleen, als hij dezen volkomen heeft
leeren kennen, en bij ervaring weet, dat zijn lichaamskracht in alle
omstandigheden het onderspit moet delven voor de geestesgaven van den
mensch; zoolang hij dit niet weet, bestaat de mogelijkheid, dat hij
een poging doet om den mensch op soortgelijke wijze te behandelen als
de dieren. De Bulhond is buitengewoon bijtlustig en heerschzuchtig;
het is hem een waar genoegen, een ander dier dood te bijten. Tot
zijn lof moet echter opgemerkt worden, dat zijn moed nog grooter is,
dan zijn waarlijk verschrikkelijke sterkte.

Wat de Boxer eens gegrepen heeft, laat hij zoo licht niet weder
los. Men kan hem in een stok of een doek laten bijten en hem bij deze
voorwerpen optillen, op den rug werpen en andere dingen met hem doen,
zonder dat hij zijn gebit opent.

De eigenschappen van de Doggen waren reeds aan de Romeinen bekend,
en werden door hen op hoogen prijs gesteld, omdat deze dieren meer
dan alle overige Honden geschikt waren, om een hoofdrol in de bloedige
spelen van het Circus te vervullen.

Niet alle Doggen zijn aangename gezellen van den mensch. Het is wel
eens voorgekomen, dat zij hun eigen, nieuwen meester in staat van
beleg verklaarden en hem dwongen te blijven waar hij was. Het is
daarom best te begrijpen, waarom de Bulhonden tegenwoordig niet meer
zeer in den smaak vallen. Zij zijn echter niet zoo arm aan geest,
als men gewoonlijk meent; integendeel, sommige dieren van dit ras
komen in verstand den Poedel zeer nabij.



Tot de Doggen behoort ook nog een caricatuur van een Hond, men vergeve
mij de uitdrukking, n.l. de _Mops_, eigenlijk een Bullenbijter in
't klein, wiens snoet op zeer eigenaardige wijze afgeknot is en die
een kurketrekkervormig gekromden staart heeft. Zijn ineengedrongen
krachtigen lichaamsbouw en wantrouwigen, brommigen aard, doen hem
zeer veel op de Bulhonden gelijken.

De Mops, die vroeger zeer algemeen verbreid, later bijna
uitgestorven was, behoort sedert weinige jaren weder tot de geliefde
Hondenrassen. Hij wordt licht vertroeteld en bedorven, is dan nukkig
en lastig; vele menschen hebben een hekel aan hem.

Een groot ras van Bullenbijters, de _Cubaansche Bloedhonden_, werd
in vroegere tijden voor een afschuwelijk doel gebruikt. Men richtte
deze dieren af om menschen te vangen, neer te vellen, of zelfs te
dooden. Reeds bij de verovering van Mexico maakten de Spanjaarden
gebruik van dergelijke Honden in den strijd tegen, of tot het opsporen
van Indianen, en een van hen, _Beçerillo_ genaamd, is beroemd, of
liever berucht geworden. Hij muntte evenzeer door stoutmoedigheid als
door schranderheid uit. Hij bekleedde een hoogen rang onder de Honden
van het leger en kreeg daarom een dubbele portie eten. Bij den aanval
was hij gewoon zich in de dichtste drommen der Indianen te werpen,
één hunner bij den arm te vatten en hem op deze wijze als gevangene
weg te brengen. Als hij gehoorzaamde, deed de Hond hem overigens
geen kwaad, als hij echter weigerde mede te gaan, wierp het dier
hem oogenblikkelijk op den grond en beet hem dood. De Indianen die
zich onderworpen hadden, wist hij nauwkeurig te onderscheiden van de
vijanden en deed hen geen leed.

Nog in het jaar 1798 werden op Jamaika Honden van dit ras voor het
bedwingen van een slavenoproer gebruikt; toen waren het echter geen
Spanjaarden, maar Engelschen, die op deze wijze op menschen jacht
maakten.



Een andere _Dog_, die eveneens reeds aan de Romeinen bekend was,
is de _Tibetaansche_, een prachtig, groot dier, dat een werkelijk
indrukwekkend voorkomen heeft. In grootte overtreft hij alle overige
rassen, bovendien is hij schoon van gestalte en fraai van kleur. De
langharige, ruige vacht is grootendeels zwart, de snuit en de
wenkbrauwenstreek zijn geelachtig. De bruikbaarheid en gehoorzaamheid
van dit dier worden in zijn vaderland zeer geroemd; in alle dorpen
van de gebergten van Tibet doet het dienst als bewaker van het huis
en van het vee.



De _Dashonden_ (_Canis familiaris vertago_), in Engeland _Terrier_
genoemd, verschillen aanmerkelijk van de Doggen. Zij onderscheiden
zich van alle overige rassen door den hoogst eigenaardigen vorm
en andere merkwaardige eigenschappen. De lange, rolvormige, naar
onderen gekromde romp, met den naar binnen gebogen rug, die op korte,
verdraaide pooten rust, de groote kop en de groote snoet met het
degelijke gebit, de hangende ooren, de groote teenen met de scherpe
klauwen en het korte, gladde, stijve haar kenmerken hen. De pooten
zijn zeer kort, plomp en sterk; de voorste ledematen zijn naar binnen
gebogen, zoodat de handgewrichten elkander bijna aanraken, vandaar
te beginnen zijn zij echter plotseling weder naar buiten gekromd;
aan de achterpooten merkt men een iets hooger geplaatsten, met een
klauw gewapenden binnenteen op. De staartspits bereikt nagenoeg het
hielgewricht; de staart wordt hoog naar boven gericht en sterk naar
binnen gebogen, zelden recht uitgestrekt gedragen. Het haar is kort en
grof, maar glad en nog al verschillend van kleur, aan de bovenzijde
gewoonlijk zwart of bruin, van onderen roestrood, niet zelden ook
eenkleurig bruin of geelachtig, soms zelfs grijs of gevlekt. In den
regel staan een paar licht roestroode vlekken boven de beide oogen.

De afkomst van den Dashond ligt nog geheel in 't duister. Xenophon
heeft hem, naar 't schijnt, gekend; ook vindt men hem afgebeeld in
oud-Egyptische tempels. In verhouding tot zijn geringe grootte is de
Dashond een buitengewoon sterk dier, dat bovendien zeer moedig is. Op
de jacht verzot, zelfs meer dan de meeste andere Honden, zou hij voor
de vervolging van alle soorten van wild gebruikt kunnen worden, als
hij niet de onhebbelijkheid had, zich weinig of niet om het bevel van
zijn meester te bekommeren en gewoonlijk ook die van te "scheuren",
d. w. z. het buit gemaakte wild aan te vreten. Alle Dashonden hebben
een zeer fijnen speurneus en een buitengewoon fijn gehoor; moed
en verstand bezitten zij in de hoogste mate, ook zijn zij dapper en
volhardend; zij kunnen daarom voor iedere jacht gebruikt worden; zelfs
op een Wild Zwijn gaan zij onverschrokken af; zeer behendig weten zij
buiten het bereik te blijven van de tanden van dit woedende dier, dat
hen wegens hun geringe hoogte toch al niet zoo gemakkelijk pakken kan
als een grooteren Hond. Zij zijn schrander, leerzaam, trouw, vroolijk
en prettig in den omgang, waakzaam, laten zich door vreemden niet licht
tot ontrouw verleiden; ongelukkig zijn zij tevens listig en diefachtig,
en op lateren leeftijd ernstig, knorrig, bijtlustig en dikwijls valsch.

Op de jacht heeft men dikwijls heel wat moeite met hen. De Dashond
wijdt zich aan de vervolging van het wild met een ongeloofelijken
ijver en begeeft zich in de verwardste wildernissen; ook vindt hij,
geholpen door zijne voortreffelijke zintuigen, weldra een stuk wild: nu
echter vergeet hij alles. Al is hij vroeger ook nog zoo vaak gekastijd
geworden wegens zijn ongehoorzaamheid, de jager moge hem fluiten,
roepen, naar hem zoeken,--het baat alles niets: zoo lang hij het wild
voor oogen heeft of het spoor er van vervolgt, gaat hij zijn eigen
gang met een eigenzinnigheid, die bij geen ander ras van Huishonden
in deze mate voorkomt. Uren achtereen vervolgt hij den opgejaagden
Haas, uren lang woelt en graaft hij in een hol, waarin een Konijn zich
verscholen heeft, onvermoeid rent hij een Ree achterna en vergeet onder
deze bedrijven volkomen afstand en tijd. Als hij vermoeid is, gaat hij
liggen, en zet de jacht voort, als hij uitgerust is. Om deze redenen is
de Dashond gewoonlijk slechts voor één jachtbedrijf bruikbaar: n.l. om
dieren, die onder den grond wonen, uit hunne holen te verdrijven.

Dressuur heeft de Dashond niet noodig. Men tracht jongen te verkrijgen
van een recht goede teef en houde ze gedurende den zomer in een open
hok, in den winter in een warmen stal; men moet ook alles vermijden,
wat hen schroomvallig zou kunnen maken; want den moed, die hun van
nature eigen is, moet in alle omstandigheden gestaald of althans in
stand gehouden worden.



Van den bij ons zeer zeldzamen _Otterhond_, die naar zijn vaderland
_Skije-terrier_ heet, is de afkomst niet met zekerheid bekend;
volgens sommigen is hij ontstaan door kruising van een Ruigharigen
Terrier met een aan de Dashonden verwant ras, dat rechte pooten heeft,
en _Spithond_ genoemd wordt, omdat men het in Engeland en Frankrijk
voor 't draaien van 't braadspit gebruikt, en hiervoor, evenals bij
ons den Karnhond, in een tonvormig treerad laat loopen.

De Otterhond is een forsch gebouwd dier, met tamelijk langen romp,
rechte pooten, langen kop, tamelijk spitsen snoet en hangende
ooren; zijn schouderhoogte bedraagt niet zelden 60 cM. Zijn ruige,
verwarde middelmatig lange vacht is meestal licht (grijs of geel)
van kleur. Hij is zeer goed tegen temperatuurswisselingen bestand, kan
uitstekend zwemmen en duiken, en wordt daarom veel voor de otter-jacht
gebruikt. Vroeger deed dit dier ook wel bij de Hazenjacht dienst;
het heet daarom ook thans nog "_Welsh Harrier_."



De groep der _Jachthonden_ (_Canis familiaris sagax_) omvat een veel
grooter aantal rassen en vormen dan die der Dashonden; ook zijn zij
veel beter geschikt om goed afgericht te worden voor de diensten, die
men van hen verlangt; zij nemen hierdoor onbetwistbaar den hoogsten
rang in onder de Huishonden. Reeds bij ons is het aantal rassen niet
onbelangrijk; veel meer heeft men er echter in Groot-Brittannië,
waar men zich reeds sinds lang met ijver op het veredelen van
deze uitmuntende dieren toelegt. Dit doel wordt vooral door een
doelmatige keuze van de voor 't fokken gebezigde rassen bereikt;
steeds leert de ervaring, dat uitmuntende ouders voortreffelijke jongen
voortbrengen. Alle deze dieren zijn krachtig, snel ter been en door de
hooge ontwikkeling hunner zintuigen, en vooral door hun uiterst fijnen
reuk meer dan de overige Honden voor de jacht geschikt. Zij hebben
zulk een sterk speurvermogen, dat zij het spoor van het wild nog na
verloop van uren, ja zelfs van dagen, door den reuk waarnemen kunnen.

Van de hiertoe behoorende rassen willen wij de meest bekende, de
_Staande Honden_, het eerst beschouwen. Zij zijn middelmatig groot
en tamelijk forsch gebouwd; hun snoet is lang en dik, de neus soms
gespleten, het oor breed, lang en hangend (men noemt de oorlappen "het
behang"); zij zijn òf kort en gladharig, òf langharig, òf ruigharig;
hun kleur is gewoonlijk wit met bruine, zeldzamer met zwarte vlekken;
men treft echter ook geheel witte, bruine, zwarte of gele exemplaren
aan.

De namen waaronder verschillende rassen van Jachthonden hier te lande
bekend zijn, worden wel eens verwisseld, of althans door sommigen in
ruimeren zin gebruikt dan door anderen. Zoo wordt de naam _Staande
Hond_ soms beperkt tot de gladharige verscheidenheid; terwijl de
naam _Patrijshond_ meer bepaaldelijk tot aanduiding van de lang- en
ruigharige rassen dient. Beide namen worden echter ook wel gebezigd
tot aanwijzing van al deze rassen te zamen genomen. De Engelschen
zijn in dit opzicht nauwgezetter. Hun gladharige Staande Hond heet
_Pointer_: dit dier "teekent" (d. w. z. wijst den jager het wild)
door in de nabijheid van het door hem opgespoorde dier onbewegelijk
te blijven staan, het heeft den neus naar het doelwit van de jacht
gericht (_chien d'arrêt_). De langharige Engelsche staande Hond heet
_Setter_, omdat hij gewoon was te "teekenen" door te gaan zitten of
liggen bij de plaats waar het wild verborgen is (_chien couchant_);
tegenwoordig wordt hem meestal geleerd, dit op dezelfde wijze te doen
als de Pointer.

De Staande Honden zijn uitmuntende, schrandere, leerzame, volgzame
dieren, hartstochtelijke liefhebbers van de jacht op allerlei wild,
en hiervoor in den letterlijken zin van 't woord onontbeerlijk. Zij
sporen het wild op, zoowel door het nauwgezet volgen van het versche
spoor, als ook doordat zij van de dieren zelf de lucht krijgen; in
gunstige omstandigheden kunnen zij het kleine wild reeds op een afstand
van 30 en zelfs van 50 schreden door den reukzin waarnemen.--Diezel
roemt den Staanden Hond als verreweg de voortreffelijkste van alle
Jachthonden. Den hoogsten trap van volkomenheid zal dit dier echter
alleen dan bereiken, als zijn afkomst geheel zuiver is, zoodat het
van nature een uitmuntenden aanleg, en vooral een zeer scherpen
reuk bezit. Het mag niet door vreemden opgevoed zijn, maar moet,
om ieder woord, iederen wenk van den jager, wiens metgezel hij zal
worden, te leeren verstaan, geen anderen meester gekend hebben. Deze
moet alle eigenschappen van een goeden opvoeder, en wel in de eerste
plaats geduld, in hooge mate bezitten, en bovendien een uitmuntend
schutter zijn.

Diezel beschrijft de werkzaamheid van den Staanden Hond als volgt:
"Een volkomen goed afgerichte, van jongs af doelmatig geleide Hond
van 3 of 4 jaar, zal, volgens zijn natuurdrift, het wild opsporen
met een steeds naar den wind gerichten neus, en zich nu eens naar
rechts, dan weer naar links begeven. Van tijd tot tijd blijft hij even
stilstaan, en kijkt om naar zijn meester, die dan door een gebaar
de streek aanwijst, die afgezocht moet worden. Deze wenken worden
zeer nauwkeurig opgevolgd. Zoodra het dier de lucht krijgt van het
gezochte wild, wordt de beweging van den staart, die vóór dien tijd
geen oogenblik in rust was, plotseling gestaakt. De Hond verandert op
eens in een levend beeld. Dikwijls echter sluipt hij als een Kat, met
lichte schreden, dichter bij, voordat hij geheel stilstaat. Weinige
oogenblikken later wendt hij den kop naar zijn meester, om te zien,
of deze het teeken heeft opgemerkt en nadert. Wanneer de jager, door
den aard van het terrein (b.v. in een bosch of in het hooge koorn)
den Hond niet zien kan, zal deze soms voor een korte poos zijn plaats
verlaten en zijn meester opzoeken, om hem naar het gevonden wild te
geleiden. Van de vele Honden, die ik gehad en gebruikt heb, waren
echter slechts eenige zoo loos; ook waren zij dit niet reeds in den
eersten tijd, maar leerden het eerst in latere jaren."

De Hond leert alle bij de jacht vereischte handelingen door langdurige
dressuur. Waarschijnlijk is bij geen enkel dier de machtige invloed,
dien de mensch door onderricht en goede behandeling kan oefenen,
duidelijker zichtbaar dan bij den Staanden Hond. Een goed onderwezen
Jachthond is werkelijk een bewonderingwekkend dier, en een onbekwame
jager wordt door den goed gedresseerden Jachthond, die hem vergezelt,
niet zelden op duidelijk merkbare wijze berispt. Zoo heb ik een
Patrijshond gekend, _Basko_ genaamd, die alles deed, wat men van een
dier van zijn soort verlangen kan. Zijn meester was een uitmuntend
schutter, die in den regel bij twintig schoten op Vogels in de vlucht
twintig treffers had, of hoogstens éénmaal misschoot. Eens kreeg hij
bezoek van een zoon van een vriend, een jong ambtenaar, die veel beter
met de pen overweg kon, dan met het geweer, en deze vraagt verlof
een weinig te mogen jagen. De oude jager stemt toe, maar zegt tevens:
"Schiet vooral goed, anders neemt _Basko_ het u erg kwalijk!" De jacht
begint; _Basko_ krijgt weldra de lucht van een vlucht Patrijzen, en
"staat" voor hen als een marmeren beeld. Hij krijgt bevel, ze op
te jagen. De Patrijzen vliegen, het schot knalt, maar geen enkele
Vogel valt ter aarde. _Basko_ kijkt hoogst verbaasd om, en geeft
duidelijk te kennen, dat hij niet weinig uit zijn humeur is. Hij
gaat echter nogmaals mede, spoort een tweede vlucht Patrijzen op,
die er even goed afkomen als de vorige. Nu was de maat vol! De Hond
gaat dicht bij den onbekwamen jager langs, werpt hem een blik vol
van de diepste verachting toe, en snelt ijlings naar huis. Nog jaren
daarna was het den jager, wien dit overkwam, onmogelijk, den Hond,
die zoo hartstochtelijk veel van jagen hield, naar het veld mede te
nemen; de verachting voor den onbekwamen schutter was te diep in zijn
hart geworteld.

Het spreekt van zelf, dat een van aanleg goede Hond een uitmuntenden
opvoeder moet hebben, zoo er van hem iets goeds zal groeien. De
africhting is een zeer moeielijke zaak; geduld, ernst en liefde voor
het dier, zijn de hoofdvereischten. Vroeger ging men op gewelddadige
wijze te werk, met zweep en kralen-halsband; ook thans nog zijn er niet
weinige africhters, die zich van deze marteltuigen bedienen. Velen
echter handelen volgens andere, betere beginselen. Zij beschouwen
hunne leerlingen niet als slaven, maar als verstandige helpers;
zij behandelen hen naar dezen regel, en doen dit van den beginne af.



De _Speurhond_ (in Duitschland _Schweisshund_, in Schotland
_Bloodhound_ of _Talbot_ genoemd), gelijkt in grootte en gestalte
op een gladharigen Staanden Hond. Van zijn afkomst is niets zekers
bekend. De dieren, die tot dit ras behooren, zijn forsch gebouwd;
hun kleur is gewoonlijk als die van run, of wisselt af van rood tot
vaalgeel, met een zwartachtig waas aan den snoet en aan de ooren;
dikwijls hebben zij een donkere streep over den rug. De kop is breed,
weinig gewelfd; de zwarte of bijna vleeschkleurige neus is merkbaar
breeder dan bij de overige Jachthonden; de lippen van den stompen snoet
hangen breed af, en vormen in den mondhoek een sterke plooi; de breede,
afhangende ooren zijn middelmatig lang en van onderen afgerond; de
uitdrukking van het gelaat is ernstig, schrander en edel. De staart
neemt ongevoelig in dikte af tot aan de spits. Zijn stem is vol en
diep; hij slaat op een eigenaardige, gerekte wijze aan, zoodat ieder,
die hem eenmaal gehoord heeft, hem gemakkelijk weder herkent.

De Speurhond is een bijna onmisbare helper bij de jacht op grootwild:
hij moet het spoor van het dier volgen, wanneer het aangeschoten
is. Aan de lijn gehouden (als _leihond_) brengt hij bij het "nazoeken"
den jager stil door bosch en struiken naar de plaats, waar het gewonde
dier zich heeft neergelegd; als men hem los laat loopen, en hij het
wild gestorven vindt, dan slaat hij "dood" aan; als het wild nogmaals
is gaan loopen, vervolgt hij het al blaffend, tot zijn meester nadert,
en aan de jacht met een treffer een einde maakt.

In vroeger tijden werd de Speurhond door de Engelschen in hunne
oorlogen tegen Schotland, Ierland en Frankrijk gebruikt. Ook beschermde
hij zijn meester en diens huis en hof tegen de destijds veelvuldig
voorkomende roovers, en spoorde dieven op. Naar men meent, is de
Talbot de stamvader van de Pointers, Setters en Voshonden.



Bij de Parforce-jacht wordt het wild door de Honden, die in dit
geval tot koppels van 6 à 40 stuks vereenigd moeten blijven, zoo lang
nagejaagd, tot het, door vermoeienis uitgeput, staan blijft, en, niet
zelden na een verwoeden tegenstand, door de Honden gegrepen, of door
den jager, die te paard het wild volgt, afgemaakt wordt. Het wild wordt
dus "par force" (door krachtsinspanning) verkregen, en niet van uit de
verte geschoten. Voor dit doel dienen verschillende rassen van Honden,
die daarom _Parforce-honden_ of _Brakken_ (_chiens courants_) heeten.

Eén van deze, de _Schotsche Hertenhond_ (_Greyhound_, _Deerhound_),
die naar men zegt, ontstond door kruising van Bloedhond en
Windhond, en de eigenschappen van beide rassen in zich vereenigt,
onderscheidt zich door een zeer fijn speurvermogen en door buitengewone
snelheid. Tegenwoordig bezit de Engelsche koningin nog maar weinig van
deze dieren. Vroeger was dit anders. George III was een hartstochtelijk
liefhebber van de hertendrijfjacht, waaraan hij dikwijls in persoon
deel nam. Niet zelden werd met zulk een ijver gejaagd, dat van
de 100 bereden jagers, die aanvankelijk het Hert vervolgden, er
nog maar 10 of 20 over waren, als het wild door de Honden gegrepen
werd. Vliegensvlug werden ongeloofelijke afstanden afgelegd; de jacht
werd dikwijls zoo lang voortgezet, dat een groot deel van de Paarden
en zelfs vele Honden hierbij om 't leven kwamen. Tegenwoordig gaat
dit niet meer zoo, daar de meerdere bebouwing van den grond aan deze
jacht te veel hinderpalen in den weg legt.



Een veel belangrijker dier is de _Voshond_. Beroemde mannen hebben zich
meer met hem dan met andere zaken bemoeid; dikke boeken zijn over hem
geschreven, en ook nu nog stellen de Engelsche grooten dikwijls, naar
't schijnt, meer belang in hunne koppels Voshonden, dan in het lot van
geheele volken. Hij vereenigt in zich de snelheid van den Windhond,
den moed van den Bullenbijter, den fijnen neus van den Bloedhond,
de schranderheid van den Poedel, kortom alle goede eigenschappen
van de Honden. Buitengewoon zijn zijne snelheid en volharding. Een
goede koppel Honden volgt den Vos halve dagen achtereen, zonder dat
hun ijver maar eenigszins verflauwt; de Honden van den _hertog_ van
Richmond b.v. vonden, naar Bell verhaalt, 's morgens om kwart voor
acht den Vos en grepen hem eerst even vóór 6 uur 's avonds, dus na
een snellen loop van 10 uren. Verscheidene jagers moesten drie maal
van Paarden verwisselen en verscheidene van deze dieren bezweken;
van de 40 Honden waren bij het einde van de jacht nog maar 23 aanwezig.



Veel kleiner dan de 55 à 60 cM. hooge Voshond is de _Spion_
(_Stöberhund Choupille_, _Beagle_), wiens schouderhoogte slechts 35
cM. bedraagt, en die, naar men beweert, een bastaard van Voshond en
Dashond is. Hij jaagt kort onder het geweer en "teekent" voor het
wild zonder te "staan". Vroeger werden koppels van deze dieren veel
voor de drijfjacht op Hazen gebruikt, thans zijn zij zeldzaam.



Onder den naam _Zijdehonden_ (_Canis familiaris extrarius_) vat men
gewoonlijk een aantal zeer uiteenloopende Hondenrassen samen; zij
onderscheiden zich door een uit lange, zijdeachtige haren bestaande
vacht, en een middelmatig langen, vooral aan de onderzijde lang,
zijdeachtig behaarden staart, die sterk omhoog en rugwaarts gekromd
gedragen wordt. Zij heeten ook wel _Spaansche Honden_ (_Épagneul_,
_Spaniel_), welke naam, naar men beweert, aan dien van het eiland
Hispaniola (Haïti) ontleend is. Een dergelijk hondje redde aan _Prins_
Willem I voor Mons het leven. Sommige langharige rassen van Staande
Honden zijn, naar men meent, door kruising uit Honden van dit ras
verkregen.

Alle Zijdehonden bewegen zich vlug en snel, maar kunnen niet lang
achtereen zich inspannen. Zij hebben een fijnen neus en een groot
verstand, zonder evenwel bijzonder leerzaam te zijn. Sommige worden
voor de jacht op klein wild, vooral Vogels, gebruikt; deze heeten
Kwartelhonden of Patrijshonden; hiervoor moeten deze dieren echter een
zeer zorgvuldige opvoeding ontvangen, daar zij van nature te driftig en
te hartstochtelijk jagen. Zelfs na een uitmuntende dressuur sidderen
zij van begeerte bij het vinden van een spoor, en zijn niet in staat
hun vreugde of hun ijver te verbergen, maar keffen en blaffen bijna
voortdurend. Om deze reden worden zij meer in de kamer gehouden, dan
voor de jacht gebruikt. Zij zijn overigens zeer moedig en behouden ook
in andere klimaten hun oorspronkelijke vermetelheid, zelfs in het heete
Indië, waar de beste uit ons klimaat afkomstige Honden weldra bedorven
zijn. Kapitein Williamson verhaalt, dat hij eens een van deze kleine,
vermetele dieren zelfs op een Tijger onverschrokken heeft zien los
gaan. Het vreeselijke Roofdier keek den kleinen keffer in 't eerst
verwonderd aan, stond daarna echter op, gehinderd door het aanhoudend
gekef van den brutalen wijsneus, en vluchtte! De verhaler voegt er bij,
dat het een onbeschrijfelijk schouwspel was, deze beide, in grootte en
kracht zoo verschillende dieren achter elkander aan te zien rennen,
de groote, vreeselijke Tijger met opgeheven staart als voorganger en
het moedige Hondje, ruzie zoekend en blaffend, achter hem aan.

De kleine Spaansche of liever Engelsche Hondjes heeten _King-Charles_,
de allerkleinste _Blenheim-Hondjes_; de eerste naam brengt in
herinnering, dat Koning Karel II van Engeland buitengewoon veel van
deze diertjes hield en er altijd eenige bij zich had. Zij onderscheiden
zich door hun donkere kleur, die trouwens dikwijls een bruinachtige
tint vertoont, de witte voorborst, het zijdeachtig zachte, lange haar
en het groote, lange "behang". De allerbeste en meest gezochte van
deze diertjes wegen niet meer dan 2,5 KG., de grootsten slechts 3,5
KG. Als kamerhondjes zijn zij zeer gewild, omdat zij er lief uitzien,
en ook vroolijk en leerzaam zijn, wanneer zij verstandig behandeld
worden. Het zijn de gezelligste dieren, die men zich voorstellen kan:
voortdurend op grappen bedacht, laten zij zich met zeer geringe moeite
tot het verrichten van aardige kunstjes africhten. Een onaangename
eigenschap van deze dieren is, dat hunne oogen altijd nat van tranen
zijn, die uit de binnenooghoek af en toe over de wangen vloeien. Ook
de _Maltezer_ en _Bolognezer Schoothondjes_ en de _Leeuwtjes_ behooren
tot dit ras.



De zooeven genoemde rassen zijn dwergen, de _Newfoundlander_ of
_Terreneuve_ is de reus onder de Zijdehonden. Hij is een kolossaal,
sterk en forsch dier met breeden, langen kop, eenigszins verdikten
snoet, middelmatig groote, hangende, ruig behaarde ooren, sterke
borst, krachtigen hals, tamelijk hooge, forsche pooten, welker
teenen door sterk ontwikkelde zwemvliezen vereenigd zijn; dichte,
lange, gekroesde of wollige, zachte, bijna zijdeachtige haren vormen
de vacht; de ruig behaarde staart is tamelijk lang. De kleur van
deze dieren is zeer verschillend. Vele zijn zwart met een heldere,
roestgele vlek boven ieder oog en roestgele vlekken aan de keel en aan
de voetgewrichten. Een weinig minder veelvuldig komen zwart en wit, of
bruin en wit gevlekte, of effen zwartbruine en witte exemplaren voor.

Met recht wordt de Newfoundlander als een van de schoonste rassen
beschouwd en zeer gezocht, want al zijne eigenschappen harmonieeren
met zijn uitwendige schoonheid en leggen getuigenis af van den goeden
stam, waartoe hij behoort. Hij is in de hoogste mate trouw en gehecht
aan zijn meester, bovendien verstandig en buitengewoon leerzaam. De
Newfoundlander is de beste van alle waterhonden; het water schijnt zijn
eigenlijk element te zijn. Hij is een hartstochtelijk liefhebber van
zwemmen en verstaat deze kunst uitnemend; hij duikt als een zeedier
en kan uren lang in het water blijven. Eens vond men een van deze
Honden in een wijde inham van de zee, op mijlen afstands van de kust;
men moest wel aannemen, dat hij vele uren lang in de zee rondgezwommen
had. Het is den Newfoundlander volkomen onverschillig op welke wijze
hij zwemmen moet; hij gaat evengoed tegen stroom en in den wind, als
voor den wind af en met den stroom mede. Zonder eenige voorafgegane
dressuur haalt hij onvermoeid ieder voorwerp uit het water, zelfs
bij de strengste koude, en brengt het aan zijn meester. De mensch kan
hem op geen wijze meer genoegen doen, dan door hem de gelegenheid te
geven, zich veel in het water op te houden. Dat zijn meester zich met
hem te water begeeft, vindt hij nog veel prettiger. De Hond schijnt
buiten zichzelf van vreugde te zijn over de ontdekking, dat de mensch,
evenals hij, met het water vertrouwd is, en geeft zich alle mogelijke
moeite om hierover zijn blijdschap aan den dag te leggen. Nu eens zwemt
hij zijn meester vooruit, dan weer achter hem aan, gaat duikend onder
hem door, alsof hij hem een eind weegs wilde dragen of ondersteunen,
kortom, hij wil in 't water voortdurend spelen. Als eindelijk zijn
meester zich vermoeid naar den oever begeeft, tracht de Hond hem tot
een nieuwen wedstrijd over te halen.

De buitengewone geschiktheid van den Newfoundlander voor de beweging
in 't water, maakt hem tot een zeer nuttig dier; zeer dikwijls
heeft hij aan verdrinkende menschen het leven gered. In plaatsen,
die in de nabijheid van diepe wateren gelegen zijn, is hij de beste
kinderoppasser, dien men zich denken kan. Men kan gerust zelfs het
kleinste kind aan zijne waakzaamheid en nauwgezetheid toevertrouwen;
men kan er zeker van zijn, dat aan het kind niet het geringste leed
zal wedervaren, zoo lang de Hond met de zorg er voor belast is. Bij
deze voortreffelijke eigenschappen moet men nog voegen zijne groote
goedaardigheid en zachtheid als ook zijn dankbaarheid voor ontvangen
weldaden; trouwens evenzeer behoudt hij de herinnering aan een
onrechtvaardige behandeling of straf, die hij ondergaan heeft; voor
lieden, die hem opzettelijk kwellen, wordt hij dikwijls gevaarlijk.



Met den Newfoundlander heeft de _St. Bernards_- of _Bernhardinerhond_
eenige overeenkomst. "De St. Bernhardshonden," zegt Tschudi, "zijn
groote, langharige, uiterst sterke dieren met korten, breeden snuit en
lang 'behang'; zij zijn buitengewoon scherpzinnig en trouw. Door vier
geslachten hebben zij zich zuiver voortgeplant; zij zijn thans niet
meer zuiver aanwezig, omdat zij bij hunne trouwe diensten door lawinen
om het leven zijn gekomen. Een ras dat weinig van het oorspronkelijke
verschilt, wordt nu gefokt, en een jong dier dikwijls zeer duur
verkocht. Het vaderland van deze edele dieren is het klooster van
den St. Bernard, dat 2472 M. boven den zeespiegel is gelegen, in den
somberen bergpas, in welks onmiddellijke nabijheid de winter 8 of 9
maanden duurt. Daar vallen alleen in den zomer groote sneeuwvlokken,
in den winter echter droge, kleine, broze ijskristallen, die zoo
fijn zijn, dat de wind ze door alle naden van deuren en vensters kan
stuwen. Vooral in de nabijheid van het klooster jaagt de wind dit
ijspoeder tot losse sneeuwwanden van 30 à 40 voet hoogte op, die paden
en afgronden bedekken en bij den geringsten schok in de diepte storten.

"De reis over dezen ouden bergpas is alleen in den zomer bij volkomen
helder weder zonder gevaar, bij stormachtig weder daarentegen en in
den winter, als de talrijke spleten en kloven door de sneeuw bedekt
zijn, is deze tocht vooral voor den hier onbekenden reiziger met
vele moeiten en gevaren verbonden. Ieder jaar eischt de berg een
zeker aantal slachtoffers. De eene valt in een spleet, de andere
wordt onder een sneeuwval bedolven, een derde wordt zoo door den
nevel omhuld, dat hij van het pad af geraakt en in de wildernis van
honger en vermoeidheid bezwijkt, een vierde wordt bevangen door den
slaap, waaruit hij niet weder ontwaakt. Zonder de echt christelijke en
zelfopofferende werkzaamheid der monniken zou de weg over den bergpas
ieder jaar slechts gedurende weinige weken of maanden begaanbaar
zijn. Sedert de achtste eeuw wijden zij zich aan de edele taak van
de verzorging en redding der reizigers. Kosteloos vinden deze in
't klooster een onderkomen. De stevige steenen gebouwen, waarin het
haardvuur nooit uitgaat, kunnen in geval van nood een paar honderd
menschen herbergen. De eigenaardigste werkzaamheid der kloosterlingen
is echter de steeds door hen verrichte veiligheidsdienst, waarbij
de wereldberoemde Honden krachtdadig medehelpen. Iederen dag gaan
twee knechten van het klooster over de gevaarlijke plaatsen van
den pas: één van de laagst gelegen herdershut van het klooster
naar het hospitium omhoog, de andere in omgekeerde richting. Bij
onweder of sneeuwafstortingen wordt hun aantal verdrievoudigd;
verscheidene geestelijken voegen zich dan bij de 'zoekers,'
die door de Honden vergezeld worden en met schoppen, staven,
draagbaren en ververschingen voorzien zijn. Ieder verdacht spoor
wordt zorgvuldig gevolgd, voortdurend klinken de signalen; op de
Honden wordt nauwkeurig gelet. Deze zijn zeer fijn gedresseerd op het
volgen van het spoor van menschen, en zwerven vrijwillig soms dagen
achtereen door alle afgronden en wegen van het gebergte. Als zij een
door de koude verstijfd mensch vinden, loopen zij langs den kortsten
weg naar het klooster terug, blaffen luid en leiden de steeds gereed
staande monniken naar den ongelukkige. Als zij een lawine ontmoeten,
onderzoeken zij, of zij niet het spoor van een mensch ontdekken,
en als hun fijne neus hun daarvan de zekerheid geeft, beginnen zij
onmiddellijk den bedolvene te ontgraven, waarbij hunne forsche klauwen
en groote lichaamskracht hun goed te pas komen. Gewoonlijk dragen zij
aan den hals een korfje met versterkende middelen of een fleschje wijn,
op den rug dikwijls wollen dekens. Het aantal menschen, die door deze
schrandere Honden gered zijn, is zeer groot; in de geschiedboeken
van het klooster wordt er nauwkeurig aanteekening van gehouden. De
beroemdste Hond van dit ras was _Barry_, een onvermoeid werkzaam dier,
dat aan meer dan 40 menschen het leven redde."

Een dichter heeft dezen Hond bezongen; Tschudi haalt dit gedicht in
zijn werk aan; ik ken echter een nog beter gedicht, hoewel het niet in
gebonden taal geschreven is, n.l. de beschrijving, die Scheitlin van
_Barry_ geeft. "De allervoortreffelijkste Hond, dien wij kennen," zegt
hij, "was niet die, welke de wachten van den Akropolis van Korinthe
deed ontwaken, ook niet de Bloedhond _Beçerillo_, die honderden van
naakte Amerikanen heeft verscheurd, niet de Hond van den scherprechter,
die op bevel van zijn meester, een beangste reiziger vergezelde en
beschermde bij zijn tocht door het uitgestrekte, duistere woud, ook
niet Dryden's '_Draak_,' die na een wenk van zijn meester, op vier
bandieten aanviel, eenige hunner doodde en zóó zijn heer het leven
redde, niet die, welke thuis berichtte, dat het kind van den molenaar
in 't water was gevallen, evenmin de Hond, die zich van den brug te
Warschau in den stroom stortte en een klein meisje aan den dood in
de golven ontrukte, ook niet Aubry's Hond, die woedend den moordenaar
van zijn meester aanviel en hem na een strijd, die in tegenwoordigheid
van den koning plaats had, verscheurde, ook niet de Hond van Benvenuto
Cellini, die den beroemden goudsmid dadelijk wekte, toen men juweelen
stelen wilde, maar _Barry_, de heilige Hond van den St. Bernard! Gij,
_Barry_, verhevenste van alle Honden, verhevenste van alle dieren! gij
waart een groote, verstandige Hond met een menschenziel, een warme ziel
voor ongelukkigen. Meer dan 40 menschen hebt gij het leven gered. Met
een korfje vol brood en zoete, versterkende lafenis aan den hals,
verliet gij het klooster, bij sneeuwjacht zoowel als bij dooiweder,
dag aan dag, om ingesneeuwde, door lawinen bedekte ongelukkigen op
te zoeken, om ze op te graven, of om, ingeval dit onmogelijk bleek,
snel naar huis te rennen, opdat de kloosterbroeders met u kwamen en
met spaden u bij 't graven hielpen. Gij waart het tegendeel van een
doodgraver, gij bracht opstanding teweeg. Zeker hebt gij, zooals een
fijngevoelig mensch dit kan, door sympathie u verstaanbaar kunnen
maken; anders zou het door u opgegraven knaapje niet op uw rug hebben
durven klimmen, om zich door u naar het gastvrije klooster te laten
dragen. Daar aangekomen, trokt gij aan de schel der heilige poort,
om aan de barmhartige broeders den dierbaren vondeling ter verzorging
over te geven. En toen de zoete last u afgenomen was, sneldet gij
dadelijk opnieuw naar buiten om uw onderzoek voort te zetten. Door
iedere naar wensch geslaagde poging nam uw ervaring toe en werdt
gij vroolijker en deelnemender. Dat is de zegen van de goede daad,
dat zij voortdurend goede gevolgen teweegbrengt!"

Ook op den St. Gotthard, den Simplon, den Grimsel, den Furka en
alle andere hospitiën worden, volgens Tschudi, uitmuntende Honden
gehouden, die een uiterst fijnen neus voor menschen hebben, dikwijls
Newfoundlanders of kruisingsproducten van deze. De hospitiumbewoners
op al deze plaatsen verzekeren, dat hunne Honden vooral in den winter
het naderen van slecht weder reeds 1 uur van te voren opmerken, en
door onrustig rondloopen op een onbedriegelijke wijze aanduiden. Zoo
beroemd als _Barry_ is geen hunner echter geworden.



Een Zijdehond is ook de algemeen bekende _Poedel_. Hem te beschrijven,
komt ons onnoodig voor, daar hij, zooveel eigenaardigheden heeft,
die ieders aandacht trekken. De ineengedrongen bouw van het lichaam
met de lange, wollige, vlokkige haren, die op vele plaatsen echte
lokken vormen en den geheelen Hond met een dicht kleed voorzien, de
lange en breede ooren onderscheiden hem van zijne verwanten. Een fraaie
Poedel moet geheel wit of geheel zwart zijn; hoogstens mag hij op zijn
overigens zuiver zwarte vacht een witte bles of een borstvlek hebben.

De Poedel verraadt zijn verwantschap met de overige Zijdehonden,
doordat hij zooveel van het water houdt. Hij zwemt goed en gaarne,
en kan ook wel voor de jacht afgericht worden. Veel beter echter
is hij geschikt om den mensch gezelschap te houden; in dit opzicht
doet hij al wat van een dier verwacht kan worden. Om zijn karakter
te schetsen, ontleen ik de woorden aan Scheitlin, een zijner warmste
vereerders. "Van alle Honden is de Poedel het best gebouwd. Hij heeft
den fraaist gevormden kop, den best gebouwden romp, de schoonste
gestalte, een volle, breede borst, goed gevormde pooten; hij is niet
hoog en niet laag, niet lang en niet kort en heeft een zeer waardig
voorkomen. Reeds door zijn lichaamsbouw is hij beter dan andere Honden
voor allerlei kunstverrichtingen geschikt. Het dansen kan hij uit
zich zelf leeren; want zijn half-menschelijke aard spoort hem aan,
zich naast zijn meester op te richten, zich op de achterpooten te
verheffen en rechtop te gaan. Spoedig genoeg wordt hij gewaar, dat hij
het zou kunnen, en hij doet het zeer dikwijls uit zich zelf, wanneer
hij wil. Zijn smaakzin is fijn; hij onderscheidt de spijzen zeer goed
en is een lekkerbek. Zijn reukzin is beroemd. Wanneer men hem van een
zoek geraakt kind een schoen of een ander kleedingstuk laat ruiken,
kan hij door het onthouden van dezen reukindruk het verloren kind
terugvinden. Hij vergist zich zoo goed als nooit: de reuk is voor hem
het beste herkenningsmiddel. Zijn algemeen gevoel is eveneens fijn;
voor lichaamssmarten is hij zeer gevoelig; hij is kleinzeerig. Zijn
gehoor is voortreffelijk. Van verre herkent hij de stem zijns meesters,
merkt verschil op in de wijze waarop deze spreekt, onderscheidt de
klokken en schellen, herkent de huisgenooten aan hun wijze van gaan
en aan het geluid hunner voetstappen. Zijn gezichtsvermogen is echter
minder ontwikkeld: hij ziet niet goed, hij herkent zijn meester door
het gezicht alleen als deze tamelijk nabij is.

"De Poedel heeft een uitmuntenden plaatszin. Hij vindt zijn huis
terug, al is hij er uren of dagen gaans van verwijderd. In de stad
of op het land loopt hij naar eigen verkiezing rond, en bezoekt,
met de zekerheid het te zullen vinden, het een of ander huis, waar
hij met zijn meester, al is het ook slechts éénmaal, geweest is,
en waar hij aangename ervaringen heeft opgedaan. Daarom kan men hem
leeren brood bij den bakker, vleesch bij den slager te halen. Zijn
tijdzin is merkwaardig ontwikkeld; hij onderscheidt den Zondag van
de overige dagen; hij kent evenals de hongerige mensch het uur van
den maaltijd; ook is hij goed op de hoogte van de dagen waarop in het
slachthuis geslacht wordt. De kleuren kent hij goed uit elkander en
onderscheidt hieraan de voorwerpen duidelijk. Zonderling is de indruk
dien de muziek op hem maakt; sommige instrumenten vallen in zijn smaak,
andere niet. Hij heeft een buitengewoon scherp waarnemingsvermogen;
daar niets hem ontgaat, is hij zeer bij de hand. Hij is een uitmuntend
opmerker; dit maakt, dat hij niet alleen de woorden, maar ook de
gezichtsuitdrukking en den blik van zijn meester uitmuntend leert
verstaan. Hij heeft een zeer sterk geheugen: jaren lang blijven hem
de vorm en de kleur van zijn meester bij; jaren lang onthoudt hij den
weg naar elke hem bekende plaats. Men noemt den Hond reeds verstandig,
omdat hij met zijn reukzin veel onderscheiden kan; veel meer aanspraak
maakt hij op dien naam wegens zijn uitmuntend geheugen, daar immers
in 't dagelijksch leven ieder kind met een goed geheugen en zelfs een
domme geleerde, d. w. z. een veelweter, voor verstandig doorgaat. Het
geheugen is de hoofdoorzaak van de leerzaamheid van den Poedel;
hierbij spelen echter ook zijn geduld, zijn goedaardigheid en zijn
gehoorzaamheid een groote rol. Hij kan leeren op de trommel slaan,
pistolen afschieten, bij ladders opklimmen, met een troep Honden een
hoogte bestormen, die door andere Honden verdedigd wordt, met zijne
kameraden komedie spelen enz. Het is bekend, dat men ook aan Paarden
en Olifanten hetzelfde of iets dergelijks kan leeren.

"Twee eigenschappen van den Poedel moeten bovendien nog genoemd
worden: zijn zucht tot nabootsing en zijn eergevoel, d. w. z. zijn
ijdelheid. Altijd kijkt hij zijn meester aan, altijd gaat hij na,
wat deze doet, altijd wil hij hem van dienst zijn. Hij is een echte
oogendienaar; evenals een kind van zijn vader, denkt de Poedel van
zijn meester: 'wat hij doet, is wel gedaan; ik moet (of mag) het ook
doen.' Als zijn meester een kegelbal aanvat, neemt hij er ook een
tusschen de pooten of wil dien met den bek grijpen en spant zich dus
noodeloos in, daar hij hierin niet slaagt. Als zijn meester met een
wetenschappelijk doel steenen verzamelt, zal ook de Poedel steenen
zoeken. Als zijn meester ergens graaft, begint ook de Poedel met de
pooten te graven. Als zijn meester aan 't venster zit, springt de
Poedel naast hem op de bank, legt beide voorpooten op het kozijn en
kijkt eveneens naar het schoone landschap. Ook hij wil een stok of
een korf dragen, omdat hij zijn meester of de keukenmeid er een ziet
medenemen. Hij draagt ze zorgvuldig, zet ze voor de menschen neer,
gaat van den een naar den ander, om te laten zien hoe knap hij is
en kwispelstaart uit tevredenheid met zichzelf. Gedurende het dragen
bekommert hij zich in het geheel niet om andere Honden; hij veracht
ze, naar 't schijnt, als deugnieten; men zou echter zeggen, dat zij
hem achting toedragen.

"De Poedel is de meest geachte (maar niet de meest gevreesde) en
ook de meest geliefde Hond, omdat hij de goedaardigste is. Kinderen
vooral houden veel van hem, omdat hij het zonder te knorren, te
bijten en ongeduldig te worden toelaat, dat zij hem op allerlei
wijzen plagen, op hem rijden, aan hem plukken. Hoe vraatzuchtig
hij ook is, toch kan men hem de brokken dikwijls weer uit den bek
halen, wat zeer weinige Honden toelaten. Den persoon, die hem eens
geschoren heeft, kent hij voor goed, en kijkt hem er op aan, waar
hij hem ontmoet. Komt deze in een volgend jaar terug om hem weder
te scheren, dan loopt hij oogenblikkelijk weg en verbergt zich; hij
wil niet geschoren worden. Zeer aardig is het te zien, hoe hij zijn
meester zoekt. Hij loopt met den kop naar beneden de straat langs,
staat stil, bedenkt zich, keert terug, blijft aan den anderen hoek
van de straat opnieuw stil staan, denkt meer na dan hij rondkijkt,
snijdt hoeken af om schielijker ergens te zijn enz. Ook is het de
moeite waard, na te gaan hoe hij doet, als hij uitgaan wil en niet
mag, hoe hij zijn meester te slim af tracht te zijn, bij hem langs
tracht te sluipen, hoe hij zich houdt, alsof hij niet weg wil gaan,
en plotseling, als men niet naar hem kijkt, de plaat poetst; hoe hij
met een meer vosachtige dan hondachtige list bij den muur een poot
optilt, alsof hij, om te maken dat men hem de deur laat uitgaan,
van plan is daar zijn behoefte te doen.

"Zonderling is het, dat de Poedel des te minder geschikt is voor
wachthond, des te minder goed op den man afgericht kan worden, naarmate
hij goedaardiger en verstandiger is. Hij houdt van alle menschen,
heeft eerbied voor hen; als men hem op een mensch wil aanhitsen,
kijkt hij eenvoudig zijn meester en diens tegenstander aan, alsof hij
denkt: "het kan toch de bedoeling van mijn meester niet zijn, dat ik
een van zijns gelijken zou aanvallen." Men zou zijn meester kunnen
dooden, zonder dat hij voor hem in de bres sprong. Steeds is hij in
de hoogste mate onderworpen aan zijn meester; hij vreest niet alleen
diens slagen, maar zelfs diens ontevredenheid, het berispende woord,
den dreigend opgeheven vinger.

"De Poedel is bijzonder gesteld op vrijheid van beweging. Hij wil
komen en gaan, zooals het hem goeddunkt. Geen enkele Hond zit graag
aan de ketting, de Poedel wel het allerminst graag; hij kent allerlei
middelen om zijn vrijheid te herkrijgen; touwen tracht hij te breken
of stuk te bijten, of de lus over zijn kop te stroopen. Hij jubelt
vaak als een mensch, als hij losgemaakt wordt, en doet soms, alsof
hij gek is van blijdschap."

Van 't geen hij alzoo bedenkt om los te komen, wordt door Giebel een
aardig geval medegedeeld: "In een groote stad, waar een hondenbelasting
geheven werd, ving de vilder, zooals meer geschiedt, alle Honden zonder
belastingpenning op, en bergde ze groot en klein, oud en jong, mooi en
leelijk, in een groot hok, waar zij zich den tijd kortten door zoo luid
mogelijk hun onverdiend leed te bejammeren. Alleen de Poedel zat stil,
schijnbaar in zijn noodlot berustend, in een hoek van de gevangenis,
en kwam er spoedig achter, hoe de deur opengedaan moest worden. De
weg tot de vrijheid was hem hierdoor aangewezen. Fluks ging hij aan
't werk, drukte met zijn poot den grendel naar beneden, opende de
deur, en op zijn voorbeeld volgde de geheele schaar van gevangenen
hem naar buiten. In stormpas en onder luid geschreeuw trokken zij
voorbij de poortwachters, die in 't geweer kwamen, de stad binnen,
en ieder keerde vergenoegd naar zijn meester terug."



De _Rattenvangers_ (de _Pintscher_ van de Duitschers), die nu aan de
beurt liggen, worden niet zelden nog bij de vorige groep gerekend;
werkelijk hebben zij (eenige hunner althans) door hun beharing en
door den vorm van snuit, ooren en staart, door hunne goedaardigheid
en trouw, vroolijkheid en speelschheid veel overeenkomst met den
Poedel, van wien zij zich echter door eigenaardigheden van den bouw
van den schedel en van andere skeletdeelen zoozeer onderscheiden, dat
zij een afzonderlijke groep behooren uit te maken. Men onderscheidt
ze in _gladharige_ en _ruigharige_. De eerstgenoemde gelijken door
hun lichaamsbouw op de Dashonden, verschillen er echter van door
de hoogere en rechte pooten en de geheel rechtopstaande of slechts
aan de spits overhangende ooren. De meeste zijn donker van kleur,
gevlekte komen zeldzamer voor. Hun lichaam is tamelijk slank, de kop
forsch, de snoet lang en recht afgeknot; de staart wordt achterwaarts
gericht met naar boven gekromde spits, of loodrecht omhoog gestoken
met naar voren gebogen spits; de pooten zijn middelmatig hoog en
recht. Gewoonlijk snijdt men deze dieren, als zij nog jong zijn,
den staart en de ooren af, waardoor zij niet mooier worden.

Alle Rattenvangers zijn uiterst schrandere, bijzonder levendige dieren,
die buitengewoon belust zijn op jagen. Het is hun grootste genoegen
Ratten, Muizen, Mollen en andere dieren die in de bovenste aardlaag
hun bedrijf uitoefenen, te vangen; met waarlijk onvermoeiden ijver
vervolgen zij hen. Als huisgenooten van den mensch zijn zij niet
onvoorwaardelijk aan te bevelen, daar zij wegens hun voortdurende
onrustigheid hun meester dikwijls meer verdriet dan genoegen
verschaffen; daarentegen zijn zij uitnemend geschikt voor menschen,
die te paard of in een rijtuig snel rijden: want de Rattenvanger
vergezelt zijn meester het liefst, wanneer hij terdege rennen en
loopen moet. Maar zelfs bij den snelsten rit weet hij altijd nog
tijd te vinden om ieder muizengat te onderzoeken en iederen Mol
bij het opwerpen van zijn aardhoopen te storen. Den neus omhoog en
tegen den wind in speurt hij naar alle zijden, en, zoodra hij eenig
geritsel hoort, gaat hij er voorzichtig en stil op af, blijft een
tijdlang onbeweeglijk staan, doet plotseling een sprong, slaat de
voorpooten in den grond en heeft in 't volgende oogenblik het in
den grond levend dier in den bek. Geheel op dezelfde wijze jaagt hij
Mollen; hij doet dit met zooveel ijver, dat hij, naar Lenz verzekert,
gedurende een niet te korte wandeling er geregeld 4 of 5 en soms wel
14 stuks vangt. De Mollen eet hij niet op, maar begraaft ze; Muizen eet
hij echter, tot hij volkomen verzadigd is, de overige werpt hij weg.

De geschiktheid van dit dier voor de Rattenvangst heeft vooral in
Engeland veel belangstelling gewekt; reeds sinds lang scheppen de
Engelschen er vermaak in, groote Rattenjachten te houden en daarbij de
behendigheid van deze Honden te doen uitkomen. Om de belangstelling in
dezen wedkamp te verhoogen, worden daarbij zeer groote sommen verwed;
hierdoor gelijkt dit volksvermaak veel op een hazardspel.



Een der vreemdsoortigste Honden wat vorm en uitzicht betreft,
is de _Kleine Ruigharige Rattenvanger_, bij ons gewoonlijk
_Smousje_ genoemd. Hij verschilt aanmerkelijk van zijn gladharigen
rasgenoot. Juist om zijn leelijkheid wordt hij door de liefhebbers
zeer gezocht en hoog geschat. Het is een vroolijk en gezellig dier,
den mensch in de hoogste mate onderworpen, vleiend en liefkoozend
jegens zijne vrienden en zeer dapper in den strijd tegen andere
Honden. Ook is hij voortreffelijk voor de Rattenjacht geschikt,
en wordt zelfs hier en daar voor de Konijnen- of Kwarteljacht gebruikt.



De laatste groep van Huishonden, die wij beschouwen willen, omvat een
aantal rassen, die den mensch zeer trouw dienen, maar meer nog dan
de overige door hem voor slavenarbeid gebruikt worden; het zijn de
_Huishonden_ in engeren zin (_Canis familiaris domesticus_.) Tot deze
groep behooren de _Herdershonden_, de _Keeshonden_, de _Wolfshonden_,
de _Honden der noordelijke volken_ (_Lappen_, _Kamtschadalen_,
_Eskimos_, _Hazen-Indianen_ enz.), de _Zigeuner-Hond_, de _Chineesche
Hond_, de _IJslandsche Hond_ enz.



De eigenlijke _Herdershond_ verschilt van alle overige Huishonden,
doordat alleen de toppen zijner ooren overhangen; ook is hij in den
regel slank gebouwd, mager, hoog op de pooten, met sterk uitkomende
pezen en spieren als een Wolf, waarbij hij trouwens in grootte
aanmerkelijk achterstaat. De langwerpige kop met den spitsen snoet, de
magere, rechte pooten, de middelmatig lange staart, die gewoonlijk een
weinig ingetrokken wordt, het dichtbehaarde, krulharige, dikwijls ruige
vel van grijs bruinachtige kleur zijn kenmerken, die tot aanvulling
van het beeld van dit dier kunnen dienen.

In den regel treedt de Herdershond reeds in zijn eerste levensjaar
als veehoeder in dienst. Mettertijd leert hij zijn arbeid volledig
verrichten. Hij is volstrekt niet onverschillig welk vee aan zijne
zorgen wordt toevertrouwd, want hij moet bij verschillende huisdieren
een verschillende gedragslijn volgen. De Hond van den koeherder moet
steeds letten op zijn meester en acht geven op diens bevelen. De
Runderen, die niet dadelijk gehoorzamen, moet hij werkelijk bijten,
want anders zijn zij niet bevreesd voor hem. Als hij de koe voor zich
uitdrijft, mag hij alleen in de achterpooten bijten, nooit in den
staart of in de zijden, en nog veel minder in de uiers. Als een koe
achteruitslaat, moet hij goed oppassen, dat hij niet geraakt wordt,
maar toch het bijten niet verzuimen; als een os of een koe zich met de
horens verweert, blijft hij, zoo hij zijn werk goed verstaat, toch nog
baas over het dier, door het bij den bek te pakken en er aan te blijven
hangen. De Spaansche herders gebruiken bij het veehoeden ook nog den
slinger en doen dit zonder hun doel te missen. Een os die eenige malen
bestraft geworden is door een steen, die de herder hem tegen den kop
werpt, mag zich wel voor den Hond in acht nemen; want deze houdt
den weerspannige goed in 't oog en beperkt zijne bewegingen reeds
na korten tijd tot een bepaalden kring. De Hond van den schaapherder
moet sterke hamels ook wel bijten, maar alleen in de achterpooten; hij
mag echter lammeren en drachtige of zoogende Schapen nooit aanpakken,
maar moet bij hen alleen maar doen, alsof hij bijten wil.

Evenals iedere Hond, is ook de Herdershond het spiegelbeeld van
zijn meester. De Spaansche Herdershond is even driftig, de Duitsche
even goedaardig als zijn baas. Als deze een wildstrooper is, zal
zijn Hond weldra den flinksten Jachthond evenaren. Zoekt de herder
zijne karige verdiensten te vermeerderen door het inzamelen van
paddestoelen en dergelijke verkoopbare producten, dan helpt de Hond
hem ze te zoeken. Moet zijn meester weerstand bieden aan twee- of
viervoetige roovers: de Hond neemt deel aan de gevechten, die hierbij
noodig zijn. Als de herder een vreedzaam leven leidt, zal ook zijn
Hond een zachtaardig wezen zijn. De beide bondgenooten komen in aard
overeen. Zij korten elkander den tijd: er zijn Herdershonden, die
als 't ware ieder woord van hun meester verstaan. Een geloofwaardig
opmerker verhaalde mij hiervan een staaltje, waarvan hij ooggetuige
was. Een schaapherder zeide tegen zijn Hond, dat hij goed op het
"raapzaad" moest letten. Het dier stond een oogenblik verlegen,
waarschijnlijk omdat hij het woord nog niet eerder had gehoord. Tarwe
en rogge, gerst en haver, weiland en bouwland waren bekende zaken voor
hem, van raapzaad had hij echter geen begrip. Na een korte overdenking
ging hij de kudde rond, onderzocht de verschillende omliggende akkers
en bleef eindelijk staan bij dien, welks voortbrengselen verschilden
van de hem bekende graansoorten: dat zou wel de raapzaadakker zijn,
en 't was werkelijk zoo!



Wat de Herdershond is voor het vee, is de _Keeshond_ (de _Spitz_
of _Pommer_ van de Duitschers) voor het huis. Klein of hoogstens
middelmatig groot, krachtig en gedrongen van gestalte, kortpootig en
langstaartig, de spitssnuitige kop uitgerust met middelmatig groote
oogen en ooren, schrander en levendig van uitzicht, dicht bekleed
met een soms grof- en langharige, soms fijn- en kortharige vacht van
zuiver witte, gele, vosroode, grijze, bij uitzondering ook zwarte
kleur, hoogstens nog met een lichte bles aan 't voorhoofd, en witte
merken aan de voeten, verschijnt hij voor ons, zoodat men hem niet
licht met een ander ras verwarren zal. Men geeft in den regel den
voorkeur aan die, welke lange, zachte, zuiver witte haren hebben.

Deze in zijn soort waarlijk uitmuntende Hond, wordt in vele streken
van Duitschland en ook van Nederland, als wachthond op boerenerven
voor het bewaken van huis en hof, of door voerlieden als bewaker van
hunne wagens gebruikt. Als metgezel van den voerman ontbreekt hij in
Duitschland nagenoeg nooit; hier heeft hij ook nog een andere rol te
vervullen; door zijn vroolijken aard verschaft hij den man bij zijn
moeielijken eentonigen arbeid, een zeer gewenschte afleiding. De
Keeshond wordt het meest geschikt geacht voor het genoemde doel,
omdat hij zich door onwankelbare trouw en gehechtheid aan zijn meester
onderscheidt, zeer opmerkzaam en wakker is, bovendien geen regen of
koude vreest, ja zelfs in huis of hof gewoonlijk het liefst zich
neervleit daar, waar de wind het hardst huilt. De Keeshonden zijn
trouwens zeer gesteld op vrijheid, en daarom niet geschikt om vast te
liggen, terwijl zij daarentegen wegens hunne trouw en onomkoopbaarheid
als losloopende waakhonden nagenoeg onmisbaar zijn.

De _Wolfshonden_, zoo genoemd naar hun voorkomen, zijn grooter en
krachtiger dan de zoo even genoemde; zij gelijken nog het meest op
de Herdershonden, welker werkkring gewoonlijk ook de hunne is.



Als voorbeeld van de Honden der bewoners van noordelijke landen,
moge de _Eskimo-hond_ dienen; deze gelijkt op de leden van de beide
laatstgenoemde rassen, en is het belangrijkste huisdier van de
onbeschaafde volken in het hooge noorden van beide werelden. Zijn
schouderhoogte bedraagt 50 à 60 cM., in sommige gewesten komen
echter forschere dieren voor. Van onzen Herdershond verschilt hij
door een meer wolfachtig voorkomen, door de overeind staande ooren,
de dikke vacht, die in den winter geheel wollig is, en de listige
gezichtsuitdrukking. Hij gedraagt zich als een half-wild dier,
hoewel hij slechts tijdelijk een zekere mate van vrijheid geniet. In
alle noordelijke gewesten van de Oude Wereld, heeft hij verwanten,
die veel op hem gelijken. Men gebruikt hem zoowel voor 't hoeden van
't vee als voor het trekken van de slede.

Een goed gevoede Eskimo-hond is werkelijk een mooi dier; ongelukkig
echter wordt hem het voedsel, wanneer hij het zichzelf niet verschaft,
door zijn meester zoo karig toegemeten, dat hij gedurende vele
maanden alleen uit vel en beenderen schijnt te bestaan. Hij staat
tot den mensch in een eigenaardige betrekking. Hij weet, dat hij
in slavenketenen ligt, en tracht deze ketenen te verbreken. Er is
iets Wolfachtigs in dit dier, zoowel in zijn lichaam als in zijn
geest. Door zijn dicht haarkleed, de overeind staande ooren, de
breedte van den bovenkop en de spitsheid van den snoet gelijkt hij
zoozeer op den Wolf der Poolgewesten, dat men beide op een afstand in
't geheel niet van elkander onderscheiden kan. De Eskimo-hond rooft en
steelt als een Wolf, maar is aan den anderen kant ook weer zoo hondsch
deemoedig, als slechts een door vrees gepijnigde slaaf kan zijn. Voor
de slede wordt gewoonlijk een tamelijk talrijke troep gespannen, die
onder de leiding van een ouderen en ervaren Hond zijn weg vervolgt;
van het besturen der slede door den mensch, zooals wij dit gewoon
zijn, kan geen sprake zijn. Iedere Hond trekt aan een afzonderlijken
lederen riem, die door een hoogst eenvoudig gareel aan hem bevestigd
is; in de Hudsonsbaai-landen worden de Honden ook wel vóór elkander
aangespannen. Soms beginnen zij gedurende de reis samen te plukharen;
het geheele gespan wordt één verwarde klomp; alle brommen, blaffen,
bijten, razen dooreen; niet eens de met kracht op hen neerkomende
zweep van den bestuurder der slede kan de orde herstellen. Eindelijk
is de verwarring zoo groot geworden, dat er aan vrije beweging
niet meer te denken valt, en nu moet de voerman de dieren wel van
elkander losmaken en opnieuw aanspannen.--Zonder deze Huisdieren
zouden de bewoners der noordelijke gewesten niet kunnen bestaan. De
Honden bewijzen hun alle mogelijke diensten. Met een vracht van 10
à 15 KG. beladen vergezellen zij hunne meesters op hunne langdurige
jachttochten. 6 à 10 van deze dieren trekken een slede met een last
van 300 à 400 KG. en doorloopen er in gunstige omstandigheden in één
dag een aanzienlijken afstand mede, naar men zegt, wel 40 of 50 KM.,
en met geringer last wel 80 KM. Als zij onderweg wild bespeuren,
loopen zij het dikwijls als razenden achterna; bovendien helpen zij
bij de jacht, houden de wacht, verdedigen hunne meesters, als deze
in gevaar verkeeren, en bewijzen nog honderd andere diensten.

De Honden zijn de eenige getemde dieren, die op Kamtschatka gevonden
worden. "Zonder deze Honden", zegt Steller, "kan iemand hier
evenmin leven als op andere plaatsen zonder Paarden en Runderen. De
Kamtschadaalsche Honden zijn verschillend van kleur: de meeste echter
zijn wit, zwart of wolfkleurig (n.l. grijs), bovendien zeer dik-
en langharig. Zij voeden zich met visch. Van de lente tot laat in
't najaar bekommert men zich volstrekt niet om hen; in dezen tijd
loopen zij overal vrij rond, loeren den geheelen dag bij de rivieren
op Visschen, die zij zeer behendig en aardig weten te vangen. Als zij
genoeg Visschen kunnen machtig worden, vreten zij er, evenals de Beren,
alleen den kop van, en laten het overige liggen. In October verzamelt
iedereen zijne Honden, en bindt ze aan de palen van de woning vast. Dan
laat men ze terdege honger lijden, om te maken, dat zij hun vet
verliezen, voor 't loopen geschikt en niet engborstig worden. Zoodra
de eerste sneeuw valt, begint hun ellende; dan hoort men ze dag en
nacht met een afschuwelijk gehuil en gejammer hun lot beklagen. In den
winter krijgen zij tweeërlei voedsel: gewoonlijk worden zij onthaald
op stinkende visch, die gedurende den zomer ingekuild werd, en in
hooge mate verzuurd is; het andere voedsel is droog en bestaat uit
verschimmelde, aan de lucht gedroogde Visschen; zij krijgen dit 's
morgens om te maken, dat zij onderweg zich behoorlijk zullen inspannen.

"Men kan zich niet genoeg verwonderen over de spierkracht van deze
dieren. Gewoonlijk worden slechts vier Honden voor iedere slede
gespannen; zij trekken drie volwassen menschen en een lading van 1
1/2 poed (24.5 KG.) behendig voort. De gewone lading voor vier Honden
is 5 à 6 poed (82 à 98 KG.). Hoewel de reis met Honden zeer moeitevol
en gevaarlijk is, en men zich er bijna nog meer bij moet inspannen,
dan wanneer men te voet gaat, zoodat men door het rijden op en het
besturen van een hondenslede zoo moede wordt als een Hond, biedt dit
middel van vervoer toch het voordeel aan, dat men over de moeielijkst
begaanbare plaatsen van het eene oord naar het andere kan komen,
en een weg kan volgen, die voor Paarden en, wegens de diepe sneeuw,
ook voor voetgangers volkomen onbruikbaar zou zijn.

"Het andere voorname nut van de Honden, waarom zij eveneens in zulk
een groot aantal gefokt en gehouden worden, is, dat men zoowel van de
afgeleefde sledehonden als van die, welke voor het trekken ongeschikt
blijken te zijn, de huiden tot tweeërlei soort van kleedingstukken
verwerkt, die het geheele land door gedragen worden en van groote
waarde zijn."



De _Vossen_ (_Vulpes_) verschillen door hun langwerpigen romp, den
langen, in een spitsen snoet uitloopenden kop, de pupil, die in den
regel langwerpig rond en een weinig scheef geplaatst is, de korte
pooten, den zeer langen, dicht en ruig behaarden staart, zoozeer van
de Wolven, dat men ze tot een afzonderlijk geslacht vereenigt. Hunne
gewoonten en bewegingen bieden bij alle overeenstemming met die der
andere Honden zooveel eigenaardigheden aan, dat zij onze aandacht
ten zeerste waardig zijn.

Onder de in ons vaderland in 't wild levende Zoogdieren staat de _Vos_
(_Vulpes vulgaris_) ongetwijfeld bovenaan. Waarschijnlijk is geen ander
dier, tenzij de Jakhals, zoo beroemd en zoo algemeen bekend als onze
vriend Reintje, het zinnebeeld van de list, geveinsdheid en valschheid,
van de lust tot het plegen van overtredingen en, om het zoo eens uit
te drukken, van de gemeene ridderlijkheid. Hem roemt het spreekwoord,
hem prijst de sage, hem verheerlijkt het gedicht; Duitschlands grootste
dichter Goethe, achtte hem een waardigen held voor zijne zangen. Of hij
zulk een roem volkomen verdient, is echter een andere vraag. "De Vos
van de sage en van de dichters," schrijft Pechuel-Loesche, "en de Vos
van de werkelijkheid, zijn twee zeer verschillende dieren. Wie dezen
geheel onbevooroordeeld nagaat, vindt bij hem niet in buitengewone
mate de veelgeprezene tegenwoordigheid van geest, schranderheid, list
en vindingrijkheid, ook niet de onovertroffene fijnheid van zinnen,
welke hem worden toegeschreven. Naar het mij voorkomt, onderscheidt
hij zich van de andere Roofdieren, en meer bepaaldelijk van de Wolven,
door geen enkele in 't oogloopende begaafdheid; hoogstens kan men
toegeven, dat dit onophoudelijk vervolgde dier zich zeer goed weet
te voegen naar de omstandigheden, hoewel hij in dit opzicht niet
bekwamer is dan andere dieren, die met behoorlijke zintuigen begaafd
zijn. Evenals zoovele van deze, de weerlooze er onder begrepen,
zullen waarschijnlijk vele oude Vossen door velerlei ervaringen een
buitengewone schranderheid verkrijgen; iedere jager, die met deze
roovers herhaaldelijk in aanraking komt, zal mij echter toestemmen, dat
er ook zeer vele niet-schrandere, ja zelfs werkelijk domme schepsels
onder zijn--en dit zijn niet alleen de onervaren jongen, maar ook
sommige oude dieren. De Vos is een vogelvrije spitsboef; hij verstaat
zijn beroep, omdat hij toch op zijn wijze aan den kost moet komen;
hij is vermetel, maar alleen als de honger hem kwelt, en wanneer hij
jongen te verzorgen heeft; ook geeft hij in moeilijke omstandigheden
geen bewijzen van tegenwoordigheid van geest of van overleg, maar
geraakt geheel van streek; hij laat zich vangen in vallen, die toch
maar recht lomp gesteld zijn, en laat zich herhaaldelijk op deze wijze
beetnemen; in 't open veld laat hij de sleden, die zich in een kring
om hem heen bewegen, binnen het bereik van een schot naderen; hij
is telkens weer opnieuw bevreesd voor onschadelijke middelen om hem
schrik aan te jagen; hij laat zich, ondanks al het geraas en geschiet
bij een drijfjacht in een bosch, toch op korten afstand van daar bij
een volgende gelegenheid omsingelen, in plaats van zich tijdig uit
de voeten te maken--om kort te gaan, dit dier, dat meedoogenloozer
vervolgd wordt dan eenige andere bewoner van bosch en veld, heeft,
in weerwil van de hiervoor ruimschoots bestaande gelegenheid, niet
geleerd, de streken van den mensch te doorzien, en zijne handelingen
dienovereenkomstig in te richten. Het schrandere Reintje van de
overlevering en de Vos in bosch en veld kunnen niet goed als een en
hetzelfde dier beschouwd worden; deze onderscheidt zich door geen
enkel sterk op den voorgrond tredend talent van andere dieren."

Reintje leeft, honderden malen geschilderd in woord en beeld,
in ieders voorstelling en is dus wel bekend. Voor hen, die minder
met de natuur vertrouwd zijn, diene de volgende beschrijving. Hij
wordt hoogstens 1.4 M. lang, waarvan omstreeks 50 cM. op den staart
komen; de schouderhoogte is 35, hoogstens 38 cM. De kop is breed,
het voorhoofd plat, de snoet, die plotseling smaller wordt, is lang
en dun. De oogen zijn scheef geplaatst; de ooren, die aan den voet
breed zijn en naar boven spitser worden, staan rechtop. De romp
schijnt wegens het dikke haarkleed dik, maar is in werkelijkheid
buitengemeen slank; toch is hij buitengewoon krachtig en voor de
meest omvangrijke bewegingen geschikt. De pooten zijn dun en kort, de
staart is lang en ruig behaard, de vacht dicht en zacht. Reintje met
zijn geheele edele familie draagt een kleed, dat uitmuntend bij zijn
rooversbedrijf past. De kleur, een vaal, grijsachtig rood, dat geheel
in overeenstemming is met de kleur van den bodem, past even goed bij
de bosschen met breedgebladerde boomen als bij die met naaldboomen, om
't even of zij hoog of laag zijn, ook is het even goed geschikt voor
de heide als voor het veld of voor een steenachtigen of rotsachtigen
bodem. Meer dan bij andere dieren schijnt bij den Vos het kleed zich
naar het land te schikken; want de Vos in zuidelijke landen vertoont
met die der noordelijke gewesten en de Vos der bergstreken met die der
vlakten een niet onbelangrijk verschil. Bij zijne in de steppe en in
de woestijn levende verwanten blijkt, zooals wij later zullen zien,
de gelijkheid van haarkleur en bodem nog duidelijker. Bij nauwkeurige
beschouwing van het kleed van onzen roover merken wij ongeveer
de volgende verdeeling van kleuren op: Aan de geheele bovenzijde
is de vacht roestrood of geelrood; het voorhoofd, de schouders en
het achterste deel van den rug tot aan den staartwortel zijn met
wit overtogen, omdat ieder haar afzonderlijk op deze plaatsen in een
witten top eindigt; de lippen, de wangen en de keel zijn wit. Een witte
streep loopt bij de pooten af; de borst en de buik zijn aschgrauw,
de flanken witachtig grijs, de voorpooten rood, de ooren evenals de
voeten zwart, de staart eindelijk is roestrood of geelachtig rood,
met een zwartachtig waas bedekt en aan de spits van dezelfde kleur of
wit. Al deze kleurschakeeringen gaan volkomen onmerkbaar in elkander
over, geen enkele steekt schel bij de overige af, en juist daardoor
komt het, dat het geheele haarkleed voor alle omstandigheden recht
goed geschikt is.

Reintje bewoont het grootste deel van de noordelijke helft van ons
halfrond. Zijn verbreidingsgebied omvat geheel Europa, Noord Afrika,
het westen en het noorden van Azië; wij mogen ook Afghanistan,
het westelijk deel van den Himalaja en Tibet er bij voegen, want de
daar voorkomende vormen zullen moeielijk van hem gescheiden kunnen
worden. Nergens ontbreekt hij geheel; in vele gewesten komt hij
veelvuldig voor. Wegens zijn alzijdigheid kan hij overal geschikte
woonplaatsen vinden, waar andere Roofdieren, uit gebrek hieraan, zich
niet kunnen ophouden; zijn list, sluwheid en behendigheid stellen
hem in staat om zich in het bezit van deze woonplaatsen te handhaven
met een volharding en hardnekkigheid, die werkelijk voorbeeldeloos
zijn. Daar de Wolf hem vijandig is, komt hij betrekkelijk zelden voor
in de eigenlijke door Wolven bewoonde gewesten; zijn aantal neemt daar
echter gewoonlijk in dezelfde mate toe, als dat der Wolven vermindert.

Zijne woonplaatsen worden altijd met de uiterste voorzichtigheid
gekozen. Het zijn diepe, gewoonlijk vertakte, in een ruime kamer
uitkomende holen in rotskloven, tusschen wortels of op andere
gunstig gelegen plaatsen. Liefst graaft hij deze holen niet zelf,
maar neemt oude verlaten holen van Dassen in bezit, of bewoont ze
gemeenschappelijk met Grimbaard, zonder zich te storen aan diens
afkeerigheid van het gezelschap van andere dieren. Alle groote
Vossenholen zijn oorspronkelijk door Dassen aangelegd. Voorzoover
hiertoe gelegenheid bestaat, graaft de Vos zijn hol aan een
berghelling, zoodat de gangen naar boven gericht zijn, zonder te
dicht onder den bodem te liggen. In volkomen vlakke streken ligt de
kamer dikwijls dicht onder de oppervlakte. In den herfst en den winter
vestigt hij, vooral in vlakke gewesten, gaarne zijn verblijf in hoopen
opeengestapeld rijshout of steenen; in sommige gevallen moet een oude
knotwilg of zelfs een ondiepe kuil te midden van de dichte struiken
als woning en als kraamkamer dienst doen. Bij plasregen, storm, koud
weder en gedurende den paartijd, ook wel in den zomer gedurende de
grootste hitte, of zoolang de moervos kleine jongen heeft, vindt men
onzen struikroover gewoonlijk in zijn hol; bij gunstig weer echter
doorloopt hij zijn jachtgebied, en gebruikt het eerste, het beste
geschikte plekje, dat hier te vinden is, als rustplaats. In vlakten,
die arm aan bosschen zijn, bijvoorbeeld in de landbouwdistricten van
Onder-Egypte, graven de Vossen slechts ten behoeve van hunne jongen
werkelijke holen, terwijl de ouden onder den zachten hemel van dit
land jaar in jaar uit in de open lucht leven.

De Vos houdt zijne rooftochten liever 's nachts dan over dag; op
stille plaatsen jaagt hij echter ook graag bij 't licht der zon. In
de lange dagen van de zomermaanden gaat hij op gedekte plaatsen van
zijn gebied dikwijls verscheidene uren vóór zonsondergang met zijne
jongen op roof uit; bij langdurige koude en als er veel sneeuw ligt,
rust hij, naar 't schijnt, alleen gedurende de morgenuren uit;
hij begint dan reeds om 10 uur voormiddags in de velden rond te
zwerven. Evenals de Hond is hij zeer op warmte gesteld. Bij fraai
weder legt hij zich op een ouden boomstam of op een steen neder om
zich in de zon te koesteren en verdroomt dan in de verkwikkelijkste
gemoedsrust menig uurtje. Daar waar hij zich veilig gevoelt, geeft
hij zich ook op weinig of niet gedekte plaatsen tamelijk zorgeloos
aan den slaap over, snorkt luid als een Hond, en slaapt zoo vast,
dat de jager, wiens aandacht door een schranderen Hond op den Vos werd
gevestigd, hem soms in dezen toestand kan verrassen en bespieden. Met
het aanbreken van de schemering of reeds in de namiddaguren begint hij
zijn rooftocht. Uiterst voorzichtig sluipt hij langzaam voort, kijkt en
speurt van tijd tot tijd en tracht voortdurend gedekt te zijn; zijne
wegen, passen of "wissels" (d.w.z. de paden, waarlangs hij het bosch
binnenkomt of verlaat) zijn daarom altijd tusschen struiken, steenen,
hoog gras en dergelijke dekkingsmiddelen gelegen. Alleen wanneer het
strikt noodig is, verlaat hij het met dicht struikgewas gevulde deel
van 't woud; hij doet dit stellig alleen daar, waar enkele struiken
en dergelijke dekkingsmiddelen voor hem als 't ware een brug vormen,
waarlangs hij een ander even gunstig gelegen deel van het woud kan
bereiken. Daarom kennen ervaren jagers de "passen" van den Vos zeer
goed, en kunnen vrij zeker vooruit bepalen, welken wissel Reintje in
de op dat tijdstip bestaande omstandigheden zal kiezen.

Hij maakt jacht op alle dieren, van de jonge Ree tot aan den Kever,
vooral echter op Muizen, die waarschijnlijk den hoofdschotel van
zijne maaltijden vormen. Hij verschoont jong noch oud, vervolgt
zeer ijverig de Hazen en Konijnen en besluipt zelfs de jongen van
Reeën en Edelherten. Hij plundert niet alleen de nesten van alle op
den bodem broedende Vogels, welker eieren en jongen hij verslindt,
maar tracht ook de oude, in 't vliegen ervaren Vogels door list te
overmeesteren en bereikt niet zelden zijn doel. Hij zwemt en waadt
door poelen en moerassen om de te midden van het water broedende
Vogels te bereiken; er zijn voorbeelden van bekend, dat hij broedende
Zwanen heeft gedood. Bovendien overvalt hij het pluimvee, en sluipt
des nachts tot op de erven van eenzaam gelegen boerderijen; als hij
een goede schuilplaats heeft, besluipt hij de tamme Vogels zelfs op
klaarlichten dag. In groote tuinen en wijngaarden komt hij stellig
veel vaker te gast, dan men gewoonlijk meent. Op beide plaatsen,
vangt hij Sprinkhanen, Meikevers en engerlingen, Regenwormen, enz.,
of zoekt zoete peren, pruimen, druiven en andere bessen. Bij de
beek slentert hij rond, om een mooie Forel of een domme Kreeft te
verschalken, aan het zeestrand vreet hij de netten van de visschers
leeg, in het bosch ledigt hij de vogelstrikken van de jagers. Zoo
komt het, dat zijn tafel bijna altijd goed voorzien is, en hij alleen
dan in nood geraakt, als zeer diepe sneeuw hem de jacht buitengewoon
bemoeilijkt. Dan behelpt hij zich met al wat eetbaar is, niet alleen
met krengen, die hij geregeld en in ieder jaargetijde opzoekt, en,
evenals vele Honden bijzonder graag schijnt te eten, maar ook met oude
verdroogde beenderen, zelfs met een stuk half vergaan leder; gaarne
bezoekt hij ook de leger- en stookplaatsen van de houthakkers om de
overblijfselen van hunne maaltijden op te zoeken. Met de gevangen prooi
speelt hij, als hij half verzadigd is, lang en op een gruwzame wijze,
voordat hij haar doodt.

Bij zijne jachttochten zorgt hij in de eerste plaats voor zijn eigen
veiligheid. Alles wat hem niet bekend is, wekt zijn argwaan en als
hij eerst wantrouwig is geworden, kunnen alleen de kwellingen van
den honger hem tot onvoorzichtige daden verleiden. In dit geval
echter toont hij een werkelijk onbeschaamde vermetelheid. Hij komt
op klaarlichten dag op het erf, haalt vandaar voor de oogen van
de bewoners een Hoen of een Gans weg en gaat met zijn buit aan den
haal. Slechts in den uitersten nood laat hij een zoo moeilijk verworven
prooi in den steek, dikwijls keert hij later weer terug om te zien,
of hij haar toch niet medenemen kan. Dezelfde driestheid toont hij
soms in omstandigheden, die een allersnelste vlucht dringend noodig
maken. Zoo pakte een Vos, die bij een drijfjacht door de Honden
achtervolgd werd en reeds twee maal de hagelkorrels rondom zich had
hooren fluiten, in vollen ren een aangeschoten Haas en droeg hem
een eind weegs voort. Een andere stond bij een drijfjacht uit het
door de jagers omsingelde veld op, roofde een gewonden Haas, beet
hem ten aanschouwen van het jachtgezelschap dood, begroef hem nog
schielijk in de sneeuw en ontvluchtte daarna midden door den kring
van drijvers en schutters. De houtvester Liebig verhaalt, dat een
Vos op het erf van een boer in Moravië kwam om Hoenderen te stelen,
met stokslagen verjaagd werd, terugkeerde, nogmaals verdreven werd,
ten derden male een poging deed, maar toen er het leven bij inschoot.

De Vos loopt snel, langen tijd achtereen en toont bij deze beweging
groote behendigheid en slimheid. Hij kan sluipen, op een onhoorbare
wijze over den bodem voortglijden, maar ook loopen, rennen en
buitengewoon groote sprongen doen. Zelfs goede Jachthonden zijn zeer
zelden in staat hem in te halen. Als hij hard loopt, is de staart bijna
in horizontale richting achterwaarts gestrekt, bij langzamer beweging
sleept hij bijna over den grond. Als hij loert, ligt hij met den buik
op den grond; om te rusten gaat hij niet zelden, evenals de Hond,
ineengerold op een zijde of zelfs op den rug liggen; zeer dikwijls
zit hij ook geheel op de wijze van de Honden op zijn achterkwartier en
slaat den ruigen staart sierlijk om zijne voorpooten. Voor het water
is hij volstrekt niet schuw, integendeel hij kan zonder moeite en
snel zwemmen; ook in 't klimmen is hij niet onervaren; soms vindt men
hem in boomen, die een voor zijn klimvermogen geschikten vorm hebben,
hoog boven den grond.

De stem van den Vos bestaat uit een kort afgebroken gekef, dat in een
sterker en hooger geluid eindigt. Volwassen Vossen "blaffen" alleen,
als er stormachtig weer op til is, bij onweders, bij felle koude en
in den paartijd; de jongen daarentegen schreeuwen en keffen telkens
als zij honger hebben of zich vervelen. Als de Vos toornig is, of in
gevaar verkeert, laat hij een woedend gesnater hooren; een smartkreet
verneemt men van hem alleen dan, als hij door een kogel getroffen is,
of wanneer een schot hagel hem een poot verbrijzeld heeft; bij iedere
andere verwonding zwijgt hij hardnekkig. In den winter, n.l. als
het sneeuwt en vriest, schreeuwt hij luid en op klagenden toon; het
meest hoort men echter zijn stem in den paartijd; men verneemt dan
van hem soms ook geluiden, die deels aan het geschreeuw van den Raaf,
deels aan dat van den Pauw herinneren.

Reintje is geen gezellig dier en verschilt ook in dit opzicht
van de Wolven. Wel treft men niet zelden verscheidene Vossen in
hetzelfde kreupelboschje en zelfs in een en hetzelfde hol aan,
in den regel echter gaat iedere Vos zijn eigen gang en bekommert
zich om de andere dieren van zijn soort slechts in zoover, als
door hem dienstig en voordeelig wordt geacht. Vriendschap voor
andere dieren kent de Vos evenmin als gezelligheid. Toch heeft men
herhaaldelijk opgemerkt, dat hij zelfs met zijn doodvijand, met den
Hond, vriendschappelijk verkeerde; dit geschiedt echter stellig alleen
bij hooge uitzondering. Ook zijn betrekking tot Grimbaard moet niet
als een vriendschappelijke verhouding opgevat worden; het is Reintje
volstrekt niet om den Das, maar alleen om diens woning te doen.

Negen weken (juister gezegd: 60 à 63 dagen) na de paring, in het
einde van April of in 't begin van Mei, werpt de moervos jongen,
welker aantal tusschen 3 en 12 afwisselt; waarschijnlijk is het meest
voorkomende aantal jongen in een nest 4 à 7. De moeder behandelt ze
met groote teederheid, verlaat hen gedurende de eerste levensdagen in
't geheel niet, later slechts gedurende korten tijd als de schemering
reeds ver gevorderd is, en is er blijkbaar steeds ijverig op bedacht
hun verblijfplaats geheim te houden.

Een maand of anderhalf na hun geboorte wagen de aardige, met roodachtig
grijze wol bekleede roofjonkers zich op een stil uur vóór het hol,
om zich door de zon te laten koesteren en om met elkander en met hun
steeds bereidwillige moeder te spelen. Deze brengt hun voedsel in
overvloed, van den eersten tijd af ook reeds levende dieren: Muizen,
Vogeltjes, Vorschen en Kevers; zij leert hare hoopvolle spruiten
de bedoelde dieren te vangen, te plagen en te verslinden. Zij is in
dezen tijd voorzichtiger dan ooit te voren, ziet in de onschuldigste
zaak reeds gevaar voor haar kroost, en brengt het bij het geringste
gedruisch in het hol terug, of sleept het, zoodra zij van de een of
andere vervolging de lucht krijgt, met den bek naar een ander hol;
zelfs wanneer zij zeer in 't nauw gebracht is, grijpt zij in haast nog
een jong, om voor zijn veiligheid te zorgen. Niet zelden gelukt het
den ervaren jager de spelende familie te bespieden. Als de jongen een
zekere grootte bereikt hebben, liggen zij bij goed weder 's morgens en
's avonds gaarne vóór den ingang van het hol, en wachten de thuiskomst
van de moeder af; als het wachten hun te lang duurt, blaffen zij, en
verraden hierdoor hun aanwezigheid. Reeds in Juli vergezellen de jonge
dieren de jagende moervos of gaan alleen op de jacht, zoeken overdag
of in de schemering een Haasje, Muisje, Vogeltje of ander diertje te
verschalken, of behelpen zich met een Kever. Tegen het einde van Juli
verlaten de jongen het hol voor goed en begeven zich met hun moeder
naar de graanvelden, die hun een rijke vangst beloven en een volkomen
veiligheid verschaffen. Na den oogst zoeken zij dicht struikgewas,
heiden en rietbosschen op, ontwikkelen zich intusschen tot volleerde
jagers en sluwe struikroovers en verlaten eindelijk in het laatst
van den herfst hun moeder om op hun eigen houtje fortuin te zoeken.

Jong gevangen Vosjes kunnen gemakkelijk grootgebracht worden, omdat
zij het gewone voedsel van jonge Honden voor lief nemen. Zij worden,
als men zich veel met hen bemoeit, weldra tam en vermaken hun verzorger
door hunne opgewektheid en vlugge bewegingen.

"Verscheidene Vossen heb ik grootgebracht," verhaalt Lenz; "van deze
was de laatste, een wijfje, de tamste, omdat ik dezen kreeg, toen hij
nog zeer jong was. Hij was juist begonnen zelf te eten, maar was toen
reeds zoo boosaardig en bijtlustig, dat hij, als hij een lekker brokje
vóór zich had, voortdurend knorde, en, hoewel niemand hem hinderde,
toch om zich heen beet in het stroo en het hout. Door vriendelijke
behandeling werd hij weldra zoo tam, dat ik hem zonder bezwaar een
pas door hem gedood Konijntje uit den bloedigen bek kon nemen en,
in plaats daarvan, mijn vinger er in kon leggen. Over 't algemeen
speelde, hij, zelfs toen hij volwassen was, buitengewoon graag met mij,
was buiten zichzelf van vreugde, als ik hem bezocht, kwispelstaartte
als een Hond en sprong huilend om mij heen. Even vriendelijk was hij
voor iederen vreemdeling; zelfs kon hij vreemdelingen op 50 passen
afstands, als zij den hoek van 't huis omgingen, dadelijk reeds van
mij onderscheiden; onder luid gehuil noodigde hij ze uit, bij hem
te komen, welke eer hij mij en mijn broeder, die hem gewoonlijk met
voedsel voorzagen, in den regel niet bewees, waarschijnlijk, omdat
hij wist, dat wij toch wel zouden komen."

Reintje wordt door de jachtliefhebbers zeer gehaat en is door hen
vogelvrij verklaard; voortdurend wordt hij vervolgd: voor hem bestaat
geen tijd van gesloten jacht. Men schiet hem, vangt hem in klemmen
(zoogenaamde zwanehalzen), vergiftigt hem, delft hem op uit zijn
veilig hol en slaat hem met een lompen knuppel dood, vervolgt hem op
drijfjachten tot hij dood neervalt, haalt hem met boren en tangen uit
den grond, kortom men tracht hem op allerlei wijzen uit te roeien. Van
het standpunt van den jager, gezien, volgens wiens meening de bosschen
en velden alleen ter wille van het wild schijnen te bestaan, mag zulk
een onverbiddelijke, bijna onmenschelijke vervolging gerechtvaardigd
heeten, van ieder ander gezichtspunt beschouwd, is zij het niet. Want
de bosschen en velden worden niet ten behoeve van de Reeën, Hazen,
Woer-, Berk- en Hazelhoenders, Patrijzen en Fazanten aangelegd, bebouwd
en onderhouden, maar zijn voor een veel belangrijker doel bestemd. Het
is daarom de plicht van allen, die zich met boschkultuur, landbouw
en veeteelt bezighouden, van bosch en veld zooveel mogelijk alles te
doen verdwijnen, wat hun opbrengst verminderen of ze op andere wijze
benadeelen kan. Nu zal toch wel niemand in vollen ernst willen beweren,
dat een der genoemde soorten van wild voor onze velden en bosschen
nuttig kan zijn: alle zonder uitzondering moeten integendeel als
schadelijke dieren beschouwd worden. Men kan de door hen veroorzaakte
schade over 't hoofd zien en vergeven, haar wegcijferen kan men niet.

Nu is echter het benadeelen van den wildstand een der geringste
werkzaamheden van den Vos: in veel hoogere mate legt hij zich toe op
en maakt hij zich verdienstelijk door het verdelgen van Muizen. Deze
buitengewoon schadelijke Knaagdieren, maken, zooals reeds gezegd is,
zijn voornaamste voedsel uit: hij vangt er niet slechts zooveel,
als hij voor zijn levensonderhoud noodig heeft, n.l. 20 à 30 stuks
bij iederen maaltijd, maar bijt er dikwijls nog verscheidene tot
tijdverdrijf dood, die hij laat liggen. Hierdoor is hij in allen
gevalle hoogst nuttig. Het is volstrekt mijn bedoeling niet, hem
vrij te pleiten van de misdrijven, waaraan hij zich schuldig maakt;
want ik weet zeer goed, dat hij geen enkel zwakker dier verschoont,
vele nuttige Vogels verslindt en hunne nesten plundert, in de
pluimveestallen als een Marter moordt en andere schanddaden pleegt;
hiervoor echter geeft hij een voldoende vergoeding door het nut, dat
hij sticht. Voor het jachtveld is hij zeer schadelijk, in de bosschen
en op de weiden en akkers brengt hij echter meer nut dan schade teweeg;
dit maakt het verklaarbaar, waarom de jager hem haat en vervolgt,
terwijl de nietjagende landbouwer voor hem in de bres springt.

De jacht op den Vos verschaft den jager een buitengewoon groot
genoegen. Gewoonlijk wordt Reintje op drijfjachten gedood, dikwijls
schiet men hem "op den aanstand", na hem door het nabootsen van het
geluid van een jongen Haas of Muis gelokt te hebben, of doodt hem
bij helderen maneschijn vóór de schiethut op een plaats waar krengen
neergelegd zijn. Wanneer hij 's winters over de besneeuwde velden
op roof uitgaat, kan men op een voor jagers zeer aanlokkelijke wijze
jacht op hem maken. Op sommige plaatsen wordt de Vos ook nog wel met
Spionnen in het bosch gejaagd, waarbij men in den regel geen gebruik
maakt van drijvers, doch eenvoudig op de beste wissels goede schutters
plaatst. De door een schot gewonde Vos laat zelden klaagtonen hooren;
soms ziet men hem echter in dit geval opmerkelijke daden verrichten:
Winckell had met een kogel den voorpoot van een Vos dicht onder het
schouderblad stuk geschoten. Bij het vluchten sloeg de nu verlamde
poot hem voortdurend tegen den kop; dit hinderde den Vos, die den kop
omdraaide, den loshangenden poot schielijk afbeet, en nu even hard
wegliep, alsof hem niets mankeerde. De Vos is trouwens merkwaardig taai
van leven. Verscheidene voorbeelden zijn er bekend, dat Vossen, die
voor dood gehouden werden, plotseling weder opsprongen en wegliepen.

Levend wordt de Vos gevangen in vallen van allerlei soort, het meest
echter in "zwanehalzen"; dit zijn ijzeren vallen met slagveeren,
die in beweging komen, zoodra het lokaas (de vangbrok) wordt
weggenomen. Reeds verscheidene dagen voordat men het ijzer op de
hiervoor bestemde plaats stelt, moet men hier lokspijs of voerbrokken
leggen en hierdoor den Vos er aan gewennen, haar te bezoeken. Eerst
wanneer hij verscheidene nachten achtereen het voer heeft aangenomen,
wordt het schoongemaakte ijzer, dat met een weinig sterk riekend
lokaas bestreken is, ter juister plaatse voor aller oogen verborgen
gesteld met versche lokbrokken er om heen en met den vangbrok er op.

De Vos heeft behalve den mensch nog tal van andere vijanden. Door
den Wolf wordt hij gevangen en opgegeten; ook de Honden hebben zulk
een hekel aan hem, dat zij gaarne jacht op hem maken, om hem te
verscheuren. Merkwaardig is het, dat drachtige en zoogende moervossen
dikwijls door de Honden gespaard of zelfs in 't geheel niet vervolgd
worden. De overige Zoogdieren kunnen Reintje niets doen: onder de
Vogels heeft hij echter verscheidene zeer gevaarlijke vijanden. De
Havik neemt zonder bezwaar jonge Vossen op, de Steenarend zelfs
volwassene, hoewel hem dit soms slecht bekomt. Tschudi maakt melding
van zulk een geval: "Een Vos die over een gletscher liep, werd door
een Steenarend gegrepen, die hem meevoerde in de lucht. Weldra echter
begon de Roofvogel vreemdsoortige bewegingen met de vleugels te maken,
daalde en kwam achter een rotspunt terecht. De persoon, die dit had
waargenomen, beklom de spits en zag tot zijn verwondering de Vos hem
pijlsnel voorbijloopen; aan den anderen kant vond hij den stervenden
Arend met opengebeten borst. Het was den Vos mogelijk geweest gedurende
zijn onvrijwillige luchtreis den hals te strekken, den roover bij den
strot te pakken en dezen door te bijten. Welgemoed hinkte hij nu heen,
maar zal waarschijnlijk wel levenslang een herinnering aan zijn snelle
luchtvaart behouden hebben." In de overige klassen van het dierenrijk
heeft de Vos geen vijanden, die voor hem gevaarlijk kunnen worden,
wel echter zulke, die hem het leven zuur maken, o. a. Vlooien. Dat
hij deze onaangename gasten verjaagt, door een bosje mos in den bek
te nemen, zich langzaam te water te begeven, zoodat achtereenvolgens
alle lichaamsdeelen met uitzondering van den kop ondergedompeld en
meteen door de Vlooien verlaten worden, die op deze wijze, wanneer
ook de kop onder water wordt gehouden, ten slotte alle in het mos
aanlanden, en te gelijk met dit weggeworpen worden, is een fabel.

Het is gebleken, dat de Vos onderhevig is aan nagenoeg alle ziekten,
waaraan de Honden kunnen lijden, ook de vreeselijkste van allen,
de hondsdolheid. Er zijn zelfs voorbeelden van bekend, dat Vossen
door deze ziekte aangetast op klaarlichten dag in dorpen doordrongen,
en hier ieder die hun in den weg kwam, beten. Volgens Noll komt de
genoemde ziekte onder de Vossen soms epidemisch voor en verbreidt
zij zich dan over een groot gebied.

Ook in het dierenrijk merkt men soms op, dat verwanten, die door
lichamelijke eigenaardigheden veel op elkander gelijken, naar den
geest in allerlei opzichten uiteenloopen. Zulk een ontaarding wordt
opgemerkt bij den _Poolvos_, die zeer veel overeenkomst met ons Reintje
vertoont, maar zich toch door levenswijze en gewoonten aanmerkelijk
van hem onderscheidt; hij is een der onnoozelste en tevens een der
indringerigste, een der domste en toch een der sluwste leden van
het Vossengeslacht.



De _Poolvos_, _IJsvos_ of _Steenvos_ (_Vulpes lagopus_) is kenbaar aan
de korte, rondachtige ooren, de korte pooten, de eeltballen onder de
teenen, die, evenals het overige lichaam, dicht behaard zijn, den zeer
ruigen, vollen staart en eindelijk aan de vreemdsoortige kleur. Hij
is aanmerkelijk kleiner dan onze Vos, ongeveer 95 cM. lang, waarvan
ruim een derde op den staart komt. In den zomer komt zijn beharing in
kleur met die van den grond of van de rotsen overeen; in den winter
is zij meestal sneeuwkleurig. Er zijn echter ook IJsvossen, die in
den winter een bruinachtig leikleurig, bruinachtig blauw of bruin
haarkleed krijgen. Deze zoogenaamde "Blauwe Vossen" moeten, evenals
de bontgevlekte IJsvossen, beschouwd worden als verscheidenheden van
den Witten Vos; deze komt het veelvuldigst voor.

De Poolvos bewoont, zooals zijn naam aanduidt, het hooge noorden,
zoowel van de Oude als van de Nieuwe Wereld, en is op de eilanden
niet zeldzamer dan op het vastland. Waarschijnlijk heeft hij zich
met het drijfijs over het geheele noordelijke gedeelte van de aarde
verbreid; men heeft althans dikwijls Poolvossen op zulke door de
natuur gevormde, in zee drijvende vlotten aangetroffen; men vond ze
als eenige vertegenwoordigers van de Zoogdierenklasse, in verrassend
groot aantal op eilanden, die ver van alle andere, door hen bewoonde
streken verwijderd zijn; men moet dus wel aannemen, dat zij te eeniger
tijd hierheen verhuisd zijn. Alleen wanneer er slecht weer ophanden
is, of op plaatsen, waar hij zich niet recht veilig gevoelt, zoekt
de Poolvos een schuilplaats in holen in het gesteente, of ook wel in
door hem zelf gegraven gangen; hij verlaat deze dan alleen 's nachts,
om op roof uit te gaan. Op alle plaatsen echter, waar hij het niet
noodig acht, zich over dag voor den mensch te verbergen, geeft hij
zich de moeite niet, zelf holen te graven, maar loert onder steenen,
struiken en andere voorwerpen, die hem een schuilplaats bieden,
op buit. Hij is geen lekkerbek, en maakt gebruik van elke soort van
dierlijk voedsel, die hij krijgen kan; het liefst maakt hij jacht
op Muizen; de Lemmingen vervolgt hij dikwijls zeer ver, als zij in
groote troepen hunne woonplaatsen in de gebergten verlaten, om zich
naar de vlakten te begeven; met hen trekt hij de rivieren en meren
over. Uit de klasse der Vogels rooft hij Sneeuwhoenderen, Pluvieren,
Strand- en Zeevogels; vooral onder hunne jongen richt hij een groote
slachting aan. Bovendien eet hij alle dieren, die door de zee op de
kust worden geworpen.

De Poolvossen worden dikwijls tot troepen vereenigd aangetroffen;
er heerscht echter geen groote eensgezindheid in deze gezelschappen;
integendeel, onder hunne leden hebben dikwijls bloedige gevechten
plaats, die voor den toeschouwer zeer belangwekkend zijn. De eene pakt
den anderen aan, werpt hem op den grond, trapt met de pooten op hem
om, en houdt hem zoo lang vast, totdat hij van oordeel is, dat hij hem
genoeg gebeten heeft. De kampioenen schreeuwen intusschen als Katten;
terwijl zij, als zij ongeduldig worden, met schelle stem huilen.

De geestesgaven van dit dier zijn volstrekt niet gering; maar
toch komen bij 't nagaan van zijne talenten de zonderlingste
tegenstrijdigheden aan 't licht, zoodat men dikwijls niet weet, hoe
deze of gene handeling beoordeeld moet worden. List, geveinsdheid,
kunstvaardigheid, in een woord verstand, werden opgemerkt bij alle
exemplaren, die men nagegaan heeft; tevens toonden zij echter een
domme brutaliteit, zooals bij geen ander dier voorkomt. Ik heb mij
hiervan persoonlijk kunnen overtuigen. Wij ontmoetten 's avonds een
van deze Vossen op het Doverfjeld in Noorwegen en schoten met de
buks _zeven maal op hem_, zonder hem te treffen. In plaats van nu
te vluchten, _volgde deze Vos ons nog wel 20 minuten lang_, zooals
een goed gedresseerde Hond zijn meester volgt; eerst daar waar het
rotsachtig gedeelte van het gebergte eindigt, acht hij het raadzaam
om te keeren. Hij liet zich door goed gemikte steenworpen evenmin
verdrijven, als hij zich aan de dicht bij hem langs fluitende kogels
had gestoord.

De uitvoerigste en tevens prettigste beschrijving van dit dier werd
reeds in de vorige eeuw door Steller gegeven: "Op Bering-eiland komen
geen andere viervoetige landdieren voor, dan de Steen- of IJsvossen,
die er zonder twijfel op het drijfijs gekomen zijn. Zij voeden zich met
hetgeen de zee op de kust werpt en hebben zich onbeschrijfelijk sterk
vermenigvuldigd. Door hunne verregaande vrijpostigheid en vermetelheid
zijn zij veel lastiger dan de Gewone Vos, die ook in geslepenheid
bij hen achterstaat. Gedurende ons rampspoedig verblijf op dit eiland
ben ik maar al te goed in de gelegenheid geweest den waren aard dezer
dieren te leeren kennen. Zoowel over dag als 's nachts drongen zij in
onze woningen door, en stalen alles wat zij maar meesleepen konden,
ook voorwerpen, die voor hen niets nut waren, zooals messen, stokken,
zakken, schoenen, mutsen enz. Op een onbegrijpelijk kunstige wijze
wisten zij een last van ettelijke poeds gewicht van onze vaten met
leeftocht af te wentelen en hieruit het vleesch te stelen, zoodat
wij aanvankelijk bijna niet konden gelooven, dat zij dezen diefstal
begaan hadden. Als wij het vel van een dier aftrokken, gebeurde het
dikwijls, dat wij 2 of 3 Vossen, onder de bedrijven door, met onze
messen doodstaken, omdat zij ons het vleesch uit de handen wilden
rukken. Als wij iets zoo goed mogelijk in den grond begraven en het
met steenen bezwaard hadden, wisten zij het niet alleen op te sporen,
maar ook, als menschen, met de schouders de steenen er af te schuiven;
gedurende dezen arbeid hielpen zij elkander zooveel mogelijk. Als wij
iets op een paal in de lucht bewaarden, dan groeven zij den grond
om den paal weg, zoodat deze omviel; soms ook klauterde een hunner
als een Aap of een Kat bij den paal op, en wierp al wat zich daarop
bevond, met ongeloofelijke behendigheid en list naar beneden. Zij
gaven acht op al ons doen en laten, en vergezelden ons, wat wij ook
deden. Als de zee een dood dier op de kust wierp, verslonden zij het
tot ons groot nadeel, eer nog een mensch er bij kon komen; als zij niet
alles dadelijk konden opeten, sleepten zij het overige bij stukken en
brokken naar het gebergte en begroeven het onder de steenen om het
voor ons te verbergen. Terwijl zij heen en weer liepen, zoo lang er
nog wat over te brengen was, stonden eenige van hen op schildwacht,
om te letten op de komst van menschen. Zoodra deze wachters iemand in
de verte zagen aankomen, begon de geheele troep gemeenschappelijk in
't zand te graven, totdat de Zeeotter of Zeebeer zoo goed in den grond
verstopt was, dat men er geen spoor meer van kon ontdekken. Des nachts,
als wij op den grond sliepen, trokken zij ons de slaapmutsen van
't hoofd, de handschoenen onder 't hoofd weg, en namen ook de huiden
van Bevers"--zoo werden in Steller's tijd de Zee-otters genoemd,--"en
andere dieren mede, die op en onder ons lagen. Als wij op den pas door
ons gedooden Bever gingen liggen, om hem tegen de dieven te beveiligen,
vraten de Vossen, onder de menschen door, het vleesch en de ingewanden
uit het dier. Wij sliepen daarom altijd met knuppels in de handen,
om hiermede, als wij door de Vossen gewekt werden, deze dieren te
kunnen slaan en verjagen."

De IJsvossen worden gejaagd gedeeltelijk om ze uit te roeien,
gedeeltelijk ter wille van hun huid, welker waarde afhangt van de
kleur. De witte zijn niet zeer gezocht, de blauwe zijn des te hooger
in prijs, naarmate zij donkerder zijn. Wanneer de bodem met een dikke
sneeuwlaag bedekt is, graven de Vossen hierin holen, waaruit zij door
de met spaden van rendier-geweien gewapende Ostjaken en Samojeden
worden opgedolven. Het dier wordt eenvoudig bij den staart gepakt en
met den kop tegen den grond geslingerd om het te dooden.

H. Elliot, die gedurende het tijdperk van 1880-90 het Bering-eiland
bezocht, en een studie heeft gemaakt van de hier levende pelsdieren
en van de wijze waarop deze gejaagd worden, verhaalt van den Poolvos
niets, wat aan de ervaringen van Steller herinnert, maar geeft van
dit dier allerlei andere berichten. Zoo vernemen wij door hem, dat
de bewoners van Attoe, het westelijkste eiland van den eilandenketen
der Aleoeten, den Blauwen Vos opzettelijk in hun vaderland ingevoerd
hebben, hem daar als het ware in vrijheid aanfokken, en veel zorg
dragen voor het zuiver houden van het ras. De Gewone Roode Poolvos was
op Attoe reeds uitgeroeid, toon de inboorlingen er de fraaie Blauwe
Vossen van de Pribylow-eilanden brachten; andere Poolvossen, welker
huiden minder waard zijn, kunnen op dit afgelegen eiland niet komen,
waarheen voor hen niet eens door het ijs een brug wordt gebouwd;
bovendien zorgen de inboorlingen er goed voor, dat het op hun eiland
voorkomende ras niet bedorven wordt. Daar er geene nadeelige kruising
kan plaats vinden, heeft het vel van de Blauwe Vossen van Attoe zijn
schoonheid onverminderd behouden, gelijk algemeen erkend wordt;
de inboorlingen brengen ieder jaar 200 à 300 van deze huiden in
den handel.

De bronsttijd van den Poolvos valt in de maanden April en
Mei. Omstreeks het midden of het einde van Juni werpt het wijfje
in een hol of in een rotsspleet 9 of 10, soms zelfs 12 jongen. Bij
voorkeur graven de moervossen hun hol boven op een berg of aan den
rand er van. Zij houden zeer veel van hunne jongen, maar juist door
het middel dat zij aanwenden om hun kroost voor gevaren te beveiligen,
verraden zij de plaats, waar het zich bevindt. Zoodra zij namelijk een
mensch, al is deze nog ver af, zien aankomen, beginnen zij te blaffen
en te keffen, waarschijnlijk om den vijand door vreesaanjaging van
hun hol verwijderd te houden.

Op de Poolvossen wordt op zeer verschillende wijzen jacht
gemaakt. Zij worden geschoten, in netten, in strikken en ook wel
in klemmen gevangen. Behalve de menschen zijn vermoedelijk ook de
IJsberen voor hen gevaarlijk; naar het schijnt, worden zij ook door
Zee-arenden vervolgd: Steller zag, dat een Zee-arend een IJsvos
met de klauwen greep, omhoog voerde en daarna liet vallen, om hem
door den val te dooden. Voor ons is alleen het vel van dit dier van
belang. Noordpoolreizigers, die in nood verkeerden, hebben ook wel
eens zijn vleesch gegeten, maar getuigen eenstemmig, dat het geen
lekkernij is.

Jong gevangen IJsvossen worden tamelijk tam en kunnen er aan
gewend worden hun meester te volgen. Bij ons zijn zij meestal zeer
prikkelbaar; zoodra men ze aanraakt, knorren zij als kwaadaardige
Honden; hunne groene, glinsterende oogen schitteren dan vurig en
valsch. Als zij met andere dieren van hun soort in één hok zijn
opgesloten, houden zij geen vrede.



Van de overige soorten van Vossen mag ik hier alleen nog maar
vermelden die, welke zich van de reeds genoemde door een bijzonder
eigenaardige levenswijze of door een in 't oog vallende kleur zeer
onderscheiden. Tot de kleine soorten van dit geslacht behoort de
_Steppenvos_, die door de Russen _Korsak_, door de Mongolen _Kirsa_
of _Kirassoe_ genoemd wordt (_Vulpes corsac_.) Hij is aanmerkelijk
kleiner dan ons Reintje, daar zijn lichaamslengte hoogstens 55 à 60
cM. bedraagt, ongerekend den 35 cM. langen staart. In gestalte en aard
gelijkt hij veel op den Gewonen Vos. De kleur van zijn dichte vacht
varieert minder dan die van den Wolf en van den Vos, maar wisselt af
met den tijd van 't jaar. Het jonge zomerhaar heeft een roodachtige
kleur, het winterhaar heeft een breeden, zilverwitten ring onder de
donkerder gekleurde spits, waardoor de kleur van het geheele dier
soms meer vaalwit is.

Het verbreidingsgebied van den Korsak strekt zich uit van de steppen
om de Kaspische Zee tot aan Mongolië; men vindt het dier echter alleen
in gewesten, die de kenmerken van steppen of woestijnen vertoonen,
nooit in bosschen en diensvolgens evenmin in gebergten. In den
regel heeft hij geen vaste woonplaats: hij graaft zelf geen holen,
maar zwerft meestal rond en rust eenvoudig onder den blooten hemel,
of maakt hoogstens van een bij toeval gevonden Bobak-hol gebruik,
misschien nadat hij het een weinig wijder heeft gemaakt. In zulke
Marmotten-holen worden, naar men zegt, dikwijls verscheidene (altijd
minstens twee) Korsaks bijeengevonden. Waarschijnlijk bestaat het
voedsel van dit dier vooral uit Alpenhazen en Woelmuizen; bovendien
maakt hij jacht op Vogels, Hagedissen en Vorschen, waarschijnlijk
ook op groote Insecten, vooral Sprinkhanen.

Wegens zijn zachte, dichte, warme en mooie winterpels wordt hij
vooral door de Kirgisen ijverig vervolgd. Men vangt hem in vallen
en strikken, die voor de uitgangen van zijn hol geplaatst worden;
ook wordt hij door rook uit zijn schuilplaats verdreven en daarna
door de Honden gegrepen. Behalve Honden hebben de Tataren ook andere
en veel gevaarlijker dieren voor de jacht op den Korsak afgericht,
n.l. Steenarenden en Edelvalken: aan deze gevleugelde roovers kan de
arme schelm natuurlijk niet ontkomen.

Ik heb den Korsak geruimen tijd achtereen in leven gehouden en ook bij
anderen dikwijls in gevangenschap gezien, maar kan geen noemenswaard
verschil tusschen zijn gedrag en dat van onzen Vos ontdekken. Hij is
een van de gelukkigste bewoners van een dierentuin, gevoelt zich in
de voor hem bestemde kooi weldra thuis, schuwt zoomin de zomerhitte
als de winterkoude, en stelt zich met dezelfde gelijkmoedigheid aan de
stralen van de zon bloot, als waarmede hij zich bij strenge vorst op
den steenen vloer van zijn kooi nedervlijt. Met zijne medegevangenen
verdraagt hij zich even goed of even slecht als de Vos.

Allerliefste Vosjes bewonen Afrika en de aangrenzende deelen van
Azië. Dwergachtige leden van de Hondenfamilie in 't algemeen en van
het Vossengeslacht in 't bijzonder, buitengewoon sierlijk gebouwd en
met een vaalgeel haarkleed bedekt, onderscheiden zij zich van hunne
verwanten vooral door de groote ooren, die bij twee hunner alle gewone
verhoudingen ver overschrijden, maar die ook bij de verwante soorten
de ooren van de andere Vossen aanmerkelijk overtreffen. Men heeft ze
_Grootoorige Vossen_ of _Feneks_ genoemd; hun gebit komt met dat van
de andere Vossen overeen.

Wanneer de verzengende zonnestralen meer en meer tot de horizontale
richting naderen en alle dieren, die over dag hun voedsel zoeken,
herleven in de koelte van den avond, denkt een meer of minder somber
gekleurde en toch zeer sierlijke schaar er aan, haar dagwerk of liever
haar nachtwerk te beginnen. Van de gruwzame Hyenas en de huilende
Jakhalzen, die omstreeks dezen tijd hongerig rondzwerven om voedsel
te zoeken, wil ik hier niet spreken, evenmin van de Woestijnlossen:
het is noodig nog een andere woestijnroover, en wel de sierlijkste
en fraaiste van alle, aan u voor te stellen. Dit is de _Fenek_ of
_Woestijnvos_ (_Vulpes zerdo_), een dier, dat nog beter zelfs dan de
Gazelle de woestijn kenmerkt. Men denke zich een vossentronie, teer
en fijn, listig, geslepen en sluw van uitdrukking als die van ons
Reintje; aan beide zijden van dit gelaat, waarin een paar ongewoon
groote oogen schitteren, steekt een oor omhoog, zoo groot, als er in
het geheele Vossengeslacht geen te vinden is, terwijl van de overige
leden der Hondenfamilie slechts één hem in dit opzicht nabij komt. Op
de buitengewoon fijne, sierlijke voetjes rust een slanke romp, die
in een dikken, langen pluimstaart eindigt. Uit het geheele voorkomen
van dit dier blijkt, dat het even vlug als behendig moet zijn; van
de uitmuntende werking zijner zintuigen geven de direct zichtbare
afdeelingen dezer organen een voorgevoel.

Als de schemering aanvangt, hoort gij soms een zacht gekrijsch, dat
moeielijk beschreven kan worden, en ziet gij, wanneer het u meeloopt,
tusschen de zandheuvels, tusschen de steenen, in de lage landen
tusschen het gras onzen Fenek voortsluipen, uiterst bedachtzaam,
uiterst voorzichtig, in alle richtingen loerend, kijkend, speurend en
luisterend. Niets ontgaat aan het waarnemingsvermogen van dezen goed
voor zijn taak berekenden roover. De Sprinkhaan ginds, die nog een
sprong doet, voor hij zich te ruste begeeft, heeft genoeg gedruisch
gemaakt, om door de groote ooren van den Fenek opgemerkt te worden;
meer door nieuwsgierigheid dan door eetlust gedreven, sluipt de
sierlijke gestalte nader om den levenmaker te dooden; de vlugge
Hagedis heeft zich verroerd, en dadelijk is de Fenek bij de hand, om
te zien, wat er te doen is. Maar zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk
uit andere dieren, n.l. uit Vogels. Wee den Woestijn-Leeuwerik,
die toevallig dicht bij het pad zit, dat de Fenek bewandelt! Hij
is verloren, wanneer hij maar even de vleugels beweegt; zijn dood
is zeker, als hij, in den droom zijn eenvoudig lied gedachtig,
een enkelen toon laat hooren! Wee ook het Woestijnhoen, want juist
deze Duif wordt door den Vos het ijverigst vervolgd! Hij behoeft er
niet veel te vangen: een enkele reeds verschaft hem een lekker maal,
genoeg voor hem en misschien ook voor zijn hongerig gezin. Gij moest
hem eens zien sluipen, als zijn fijne neus de lucht gekregen heeft
van een toom Woestijn-Hoenderen! Misschien heeft slechts één van hen
het pad gekruist, dat door den gauwdief gevolgd wordt, maar dit is
voldoende. Na een zorgvuldig onderzoek van het spoor, gaat hij met den
neus dicht langs den grond, onhoorbaar en onzichtbaar voort. De Fenek
kent de Woestijn-Hoenderen wel, en zijn oog is scherpzichtiger dan
dat van de meeste reizigers. Hij laat zich niet bedriegen door steenen
of aardhoopen, die in kleur met de gezochte prooi overeenkomen; want
zijn fijne neus en uitmuntend gehoor hebben bij het opsporen van den
buit ook hun advies uit te brengen. Hoe gering ook het gedruisch moge
zijn, dat het Woestijn-hoen voortbrengt, als het den kop in de vederen
gestoken heeft; hoe onmerkbaar de beweging ook moge schijnen, die het
bezorgde, reeds half-slapende mannetje maakt, als het de omgeving
bespiedt, hoe onbeduidend, voor ons onmerkbaar de reuk moge zijn,
die het spoor van den Vogel kenmerkt: den Fenek ontgaat dit alles
niet. Reeds is zijn overtuiging ten volle gevestigd; hij sluipt nu
naderbij, bijna op den buik kruipend, onmerkbaar voor het oog zoowel
als voor het oor. Daar, achter den laatsten struik, maakt hij halt. Hoe
gloeien zijne oogen! de ooren zijn zoover mogelijk uitgespreid en met
de opening naar voren gericht. Wat kijkt hij begeerig naar de zich
veilig wanende, sluimerende Vogels! De geheele gestalte is vol leven,
en toch is er geen beweging aan waar te nemen. De geheele ziel van den
Vos ligt in zijn aangezicht, en toch ziet dit er even onbeweeglijk
en rustig uit, als hij zelf, die met het woestijnzand een geheel
schijnt uit te maken. Op eens, één enkele sprong, door een kortstondig
gefladder gevolgd: het Woestijnhoen is bezweken. Snel vliegen de
andere op, luidruchtig kleppen hunne vleugelslagen. Besluiteloos
dwalen zij in 't nachtelijk duister rond en laten zich na korten
tijd weer op den bodem neder, misschien zonder nog recht te weten,
welke nachtelijke bezoeker hen heeft opgeschrikt.

De Fenek is de kleinste van alle Vossen. Met inbegrip van zijn staart,
welks lengte ongeveer 20 cM. bedraagt, is hij hoogstens 65 cM. lang en
wordt in de schouderstreek te nauwernood 20 cM. hoog. Zijn geheele
lichaamsbouw is buitengewoon fijn, de kop loopt zeer spits toe,
de groote oogen hebben een rondachtige pupil, die door een bruin
regenboogvlies omgeven is. Het meest vallen voorzeker de ooren
op. Zij zijn bijna zoo lang als de kop, en zijn iets meer dan half
zoo breed. Het dier krijgt hierdoor een vreemdsoortig uitzicht; het
heeft tot op zekere hoogte het air van een Vledermuis. De binnenranden
der ooren zijn wit behaard, en wel zoo, dat aan de gehooropening
twee haarbosjes zich verheffen, die zich als 't ware in een baard
voortzetten, welke den rand der oorschelp volgt tot haar spits,
maar daar korter en dunner wordt. De kleine snoet pronkt met lange,
borstelvormige snorren, die ook tot de kenmerkende eigenaardigheden van
het dier behooren. Het haarkleed is zoo zacht als zijde, en wordt,
zoodra de winter nadert, aangevuld door een zeer dicht wolhaar,
dat bij 't verharen in vlokken losgeraakt, als het dier zijn lichaam
langs takken en dergelijke voorwerpen schuurt. Men zou kunnen meenen,
dat de Fenek in zijn warm vaderland geen dichte vacht noodig heeft;
maar de kleine baas schijnt voor de koude uiterst gevoelig te zijn en
een flinke beschutting hiertegen niet te kunnen ontberen. De kleur van
de geheele bovenzijde gelijkt volkomen op die van het woestijnzand,
de onderzijde is wit, boven het oog bevindt zich een witte vlek,
daarvóór echter een donkere streep. De zeer lange pluimstaart is bijna
geheel okerkleurig, de staartspits en een vlek aan den staartwortel
zijn zwart. Bij het wijfje is de pels altijd meer stroogeel; bovendien
wordt de kleur bij toenemenden leeftijd veel lichter.

In den gevangen staat is de Fenek, vooral wanneer hij jong in
de handen van den mensch gekomen is, een uiterst beweeglijke,
hoogst vermakelijke huisgenoot. Hij wordt zeer spoedig tam en aan
zijn meester gewoon. Vele dieren van deze soort werden zoo aan den
mensch gehecht, dat zij hem volgen, naar verkiezing uit- en ingaan en
's avonds in hun hok terugkeeren. Minder vriendelijk zijn zij voor
hunne soortgenooten. Mijne gevangenen waren bovenal op warmte gesteld;
dikwijls is het gebeurd, dat zij zich aan de nog gloeiende haardasch
haar en pooten brandden, zonder hun plaats te verlaten.



Het laatste lid van het talrijke geslacht der Vossen is de _Lepelhond_
(_Otocyon megalotis_), die in Zuid-Afrika thuis behoort. Wat zijn
uitwendig voorkomen betreft, gelijkt hij op een Vos en wel het meest
op den Fenek; men heeft hem zelfs dikwijls met dezen verward. Hij
is echter aanmerkelijk grooter en hooger op de pooten; zijn snoet is
veel korter en slechts de ooren gelijken op die van den Woestijnvos
en zijn bijna even groot.

Bij voorkeur houdt hij zich op in de met struikgewas bedekte;
hooge steppen van het binnenland van Zuid-Afrika, ten noorden van de
Oranje-rivier. Over dag ligt hij, evenals andere hem verwante dieren,
goed verborgen in het dichte struikgewas of in de door Aardvarkens
uitgeholde Termieten-woningen, des nachts zwerft hij rond; soms komt
hij met waarlijk erbarmelijke klaagtoonen in de nabijheid van de
bivouak-vuren. Zijn voedsel bestaat uit kleine dieren en afval van
dierlijke stoffen, vooral echter uit Treksprinkhanen.



De _laatste familie_ van de Orde der Roofdieren is die der _Beren_
(_Ursidae_). Zij omvat, behalve de groote vormen, die wij reeds sedert
onze kinderjaren onder den naam van Beren kennen, en die wegens hun
zeer eigenaardigen lichaamsbouw gemakkelijk te onderscheiden zijn,
ook nog een aantal kleinere soorten, die in vele opzichten van de
eigenlijke Beren verschillen; zelfs worden in deze familie dieren
opgenomen, waarvan het twijfelachtig is, of zij hier wel op hun
plaats zijn.

De romp van de groote Beren is ineengedrongen, die van de kleinere
dikwijls slank, de kop langwerpig rond, middelmatig lang, met naar
voren sterk versmalde, maar gewoonlijk recht afgestompte snoet;
de hals is naar verhouding kort en dik; de ooren zijn kort en de
oogen betrekkelijk klein. De pooten zijn middelmatig lang; aan voor-
en achterpooten beide komen vijf teenen voor; de groote, gekromde
klauwen zijn niet (of alleen bij de meest afwijkende vormen een
weinig) terugtrekbaar en daardoor aan de spits dikwijls zeer sterk
afgesleten. De voetzolen, die bij 't gaan over hun geheele lengte
den bodem aanraken, zijn bijna geheel onbehaard.

Het gebit bestaat uit 36 à 43 tanden, nl. 3 snijtanden en 1 hoektand
in elke helft van iedere kaak (evenals bij alle Roofdieren), voorts,
bij de Eigenlijke Beren, aan weerszijden 6 kiezen in de bovenkaak
en 7 kiezen in de onderkaak, bij de overige leden der familie òf 6,
òf 5 kiezen in elke helft van iedere kaak. De achterste kiezen zijn,
evenals bij de overige Roofdieren, knobbelkiezen; de voorste of kleine
kiezen echter zijn voor het verwerken van dierlijk voedsel geschikt; de
scheurkies, die bij de overige leden der orde een scheiding tusschen de
beide genoemde soorten van kiezen vormt, verschilt hier niet veel van
de daarachter gelegen knobbelkiezen; deze zijn stomp en in de onderkaak
steeds langer dan breed; de kleine kiezen zijn kegelvormig en vertakt,
of hebben slechts onbeduidende, zijdelingsche spitsen. De snijtanden
zijn betrekkelijk groot en hebben dikwijls een gelobde kroon; de
hoektanden zijn forsch en meestal met kanten of lijsten voorzien.

Het schedelgedeelte van het geraamte van den kop is verlengd en
vertoont groote kammen, waaraan de krachtige voor 't sluiten van
den bek dienende slaapspieren en de niet minder forsche, den kop
terugtrekkende nekspieren ontspringen. De halswervels zijn kort en
stevig, evenals de 19 of 20 rug- en lendewervels, waarvan er 14 of
15 ieder één paar ribben dragen. Het heiligbeen bestaat uit 3 à 5,
de staart uit 7 à 34 wervels.

De tong is glad, de maag een eenvoudige buis: de dunne en dikke darm
verschillen niet veel in dikte; de blinde darm ontbreekt geheel.

De Beren bestonden reeds in het tertiaire tijdvak. Tegenwoordig
strekt hun verbreidingsgebied zich uit over geheel Europa, Azië en
Amerika en over een deel van Noodwestelijk Afrika. Zij bewonen even
goed de warmste als de koudste landen, de hooggebergten zoowel als
de door ijs geblokkeerde kusten. Bijna alle soorten houden zich op
in dichte, uitgestrekte wouden of in rotsachtige gewesten, meestal
in de eenzaamheid. Sommige geven de voorkeur aan waterrijke of
vochtige landstreken en aan de nabuurschap van rivieren, beken,
meren, moerassen en van de zee, terwijl andere meer van droge
gewesten houden. Eén enkele soort is aan de zeekust gebonden en gaat
zelden dieper landwaarts in; daarentegen onderneemt zij op drijvende
ijsschotsen, en ook over groote afstanden zwemmend, verdere reizen dan
alle andere soorten; zij doorkruist de Noordelijke IJszee en begeeft
zich van het eene werelddeel naar het andere. De zwerftochten van
alle overige Beren blijven binnen engere kringen beperkt. De meeste
leven eenzaam en houden zich alleen in den paartijd bij hun wijfje op;
eenige zijn gezellig en vereenigen zich tot troepen. Sommige graven
holen in den grond en slaan daarin hun leger op; andere zoeken een
schuilplaats in holle boomen of in rotskloven. De meeste Beren zijn
nachtdieren of halve nachtdieren, gaan na zonsondergang op roof uit
en brengen den geheelen dag slapend door in hunne schuilplaatsen.

Meer dan alle overige Roofdieren zijn de Beren, naar het schijnt,
alleseters in den volsten zin van het woord; zij kunnen zich geruimen
tijd achtereen uitsluitend met plantaardige stoffen voeden. Zij
eten niet alleen allerlei sappige vruchten, maar ook zaden, graan
in rijpen en halfrijpen toestand, wortels, sappige grassen, knoppen
van boomen, bloemkatjes enz. Gevangene Beren heeft men langen tijd
achtereen uitsluitend met haver gevoed, zonder eenige vermindering
van hun welstand op te merken. In hun jeugd ontlenen zij hun voedsel
waarschijnlijk geheel aan het plantenrijk en ook later geven de meeste
soorten de voorkeur aan plantaardig voedsel boven vleesch. Zij zijn
niet kieschkeurig en eten behalve de opgenoemde plantendeelen ook
dieren en wel Kreeften en Schelpdieren, Insekten en hunne larven,
Visschen, Vogels en hunne eieren, Zoogdieren en lijken van dieren, deze
echter alleen zoolang zij nog versch zijn en geen stank verbreiden. In
de nabijheid van menschelijke woningen richten zij schade aan; de
sterkste soorten worden tijdelijk als roovers gevaarlijk, door wanneer
de honger hen kwelt ook groote dieren aan te vallen en vooral onder
het groote vee verwoestingen aan te richten. Eenige zijn hierbij zoo
stoutmoedig, dat zij tot in de dorpen doordringen. Voor den mensch
worden zelfs de sterkste Beren in den regel alleen dan gevaarlijk,
wanneer hij hen stoort, verschrikt, wondt, of op eene andere wijze
uitdaagt.

Ten onrechte worden de bewegingen van de Beren plomp en langzaam
genoemd. De groote soorten zijn gewoonlijk niet bijzonder vlug en
behendig, maar toonen eene merkwaardige volharding; de kleine soorten
echter bewegen zich uiterst flink en snel. De Beren zetten bij het gaan
de geheele zool op den grond en verplaatsen bedachtzaam den eenen poot
na den anderen; wanneer zij echter in drift geraken, gaat hun gang
in een soort van galop over, die een vreemdsoortigen indruk maakt,
maar hun beweging zeer bespoedigt; zelfs de groote soorten wekken in
dezen toestand door hunne snelheid en behendigheid, onze verbazing. De
logst gebouwde Beren kunnen bovendien op de achterpooten staan, en in
deze houding gaan; zij kunnen zóó op een waggelende, maar toch niet
onbeholpen wijze een korten afstand doorloopen. Bijna alle leden
van deze familie kunnen vrij goed klimmen, hoewel zij, wegens hun
zwaarte, slechts in enkele gevallen deze kunst beoefenen, en haar,
de groote soorten althans, op meer gevorderden leeftijd, in 't geheel
niet meer in praktijk brengen. Sommige schuwen het water, terwijl de
overige uitmuntend zwemmen en eenige diep en lang achtereen duiken
kunnen. Den IJsbeer treft men dikwijls op een afstand van vele mijlen
van de kust in zee zwemmend aan; men is dan in de gelegenheid zijne
vlugheid en onvermoeidheid te bewonderen. Door hun groote spierkracht
zijn de Beren in staat, om zeer vermoeiende bewegingen met gemak te
verrichten, en bezwaren te overwinnen, die voor andere dieren in de
hoogste mate hinderlijk zouden zijn; bij hunne rooverijen komt deze
eigenschap hun soms zeer goed te pas; zij zien er niet tegen op,
wild en vee van de grootste soort mede te voeren.

Onder hunne zinnen neemt de reuk de belangrijkste plaats in; het
gehoor is goed, het gezicht middelmatig, de smaak niet bijzonder en
het gevoel nog minder ontwikkeld; bij sommige echter is de lange snuit,
een voor het tasten bestemd orgaan. Eenige soorten zijn verstandig en
schrander; zij laten zich eenigszins africhten, maar bereiken nimmer
een hoogen trap van geestesontwikkeling. Enkele worden zeer tam,
maar laten geen bijzondere gehechtheid aan hun meester en verzorger
blijken. Hierbij komt, dat op lateren leeftijd de wilde-beestenaard
bij hen meer en meer voor den dag komt; zij worden dan valsch en
prikkelbaar, opvliegend en boosaardig; de sterkste soorten zijn dan
gevaarlijk. De Beren geven hunne gemoedsaandoeningen te kennen door
verschillende nuanceeringen van hun in vele opzichten merkwaardige
stem, die uit een dof gebrom, gesnuif en gemurmel of uit een knorrend
en fluitend, soms ook blaffend geluid bestaat.

Alle in noordelijke gewesten levende, groote soorten van Beren zwerven
alleen gedurende den zomer rond, en trekken zich bij den aanvang van
den winter in een schuilplaats, een leger terug. Zij hebben echter
_geen echten_, _onafgebroken winterslaap_, maar verkeeren in een
half slapenden, half wakenden toestand; zoodra er iets verdachts
gebeurt, zijn zij dadelijk bij de hand. Zij verlaten echter hoogst
zelden hun winterkwartier en maken nog minder dikwijls gebruik van
voedsel. Opmerkelijk is het, dat alleen de Land-Beren den winter op de
genoemde wijze slapend doorbrengen, terwijl de IJs- of Zee-Beren zelfs
bij de strengste koude nog rondzwerven, of zich hoogstens bij een zeer
hevige sneeuwjacht te ruste begeven, en door de sneeuw zelf een woning
voor zich laten bouwen, d. w. z. zich eenvoudig laten insneeuwen.

Het drachtige wijfje zoekt een schuilplaats in een als nest ingericht
leger, en werpt hier 1 à 6 jongen, die bij de geboorte blind zijn,
en door hun moeder met de meeste zorgvuldigheid gezoogd, verzorgd,
beschermd en verdedigd worden. Zoodra zij geleerd hebben, zich
eenigszins te bewegen, wekken zij in hooge mate de belangstelling
van de toeschouwers door hunne potsierlijkheid en speelschheid.

De schade, die de Beren aanrichten, wordt ongeveer vergoed door het
nut, dat zij verschaffen, vooral, omdat vele soorten zich alleen in
weinig bevolkte streken ophouden, waar zij om die reden den mensch
niet zeer benadeelen kunnen. Van bijna alle soorten wordt het vel
gebruikt en als een uitmuntende grondstof voor pelterijen hoog
geschat. Bovendien wordt hun vleesch gegeten, terwijl ook hunne
beenderen, pezen en darmen dienst doen.



Wij verdeelen de Berenfamilie in _drie onder-familiën_, waarvan de
eerste de _Groote Beren_ (_Ursinae_) omvat, de logste vormen van de
geheele groep, met een kop, die in een langen snuit eindigt, kleine
oogen en ooren, middelmatig lange pooten, voeten met vijf teenen en
een onbehaarde zool, stompe, niet terugtrekbare klauwen, een kort
staartje en een dichte, ruige, uit haarbosjes bestaande pels. Deze
onderfamilie bevat twee geslachten: de _Eigenlijke Beren_ (_Ursus_)
en de _Lippenberen_ (_Melursus_).



Hoewel iedereen onzen _Gewonen Beer_ meent te kennen, zijn de
dierkundigen het er nog niet over eens geworden, of zij zijne
verschillende afwijkingen in één soort vereenigen of over verscheidene
soorten verdeelen moeten. Wanneer men slechts één soort aanneemt, dan
mag men niet uit het oog verliezen, dat deze, de _Landbeer_, _Bruine_,
_Gewone_ of _Aasbeer_ (_Ursus arctos_), zeer vele afwijkingen vertoont,
niet alleen wat de beharing en de kleur, maar ook wat de gestalte
en vooral den schedelvorm betreft. De over 't algemeen dichte vacht,
die rondom het aangezicht, aan den buik en achter de pooten langer is
dan aan de overige lichaamsdeelen, kan uit lange of korte, gladde of
gekroesde haren bestaan; haar kleur wisselt af door alle tinten van
zwartbruin tot donkerrood en geelbruin, of van zwartachtig grijs en
zilvergrijs tot een vale isabelkleur; de witte halsband, die bij jonge
dieren dikwijls voorkomt, blijft vaak tot op hoogen leeftijd aanwezig,
of komt dan weder, evenals in de jeugd, te voorschijn. De snuit
is meer of minder verlengd, het voorhoofd meer of minder afgeplat,
de romp soms zeer ineengedrongen, soms een weinig slanker; de pooten
zijn verschillend van lengte. Hiernaar onderscheidt men de in Europa
inheemsche vormen in twee groepen: een aantal verscheidenheden worden
samengevat onder den naam _Aasbeer_ (_Ursus arctos_); deze heeft een
door lange pooten gesteunden, verlengden romp en een langen kop met
hoog voorhoofd en langen snuit; zijn uit sluike haren samengestelde
vacht vertoont vale of grijsachtige nuances; de andere Beren vormen
de groep, die _Bruine Beer_ of _Mierenbeer_ (_Ursus formicarius_)
heet: de meer ineengedrongen romp wordt bij hen door kortere, dikkere
pooten gedragen, terwijl de breedere kop een platter voorhoofd en
een korteren snuit heeft.

De Beer kan bij 1 à 1.25 M. schouderhoogte een lengte van 2 à 2.2
M. bereiken. Zijn gewicht wisselt gewoonlijk af tusschen 150 en 250
KG., maar kan bij zeer forsche en vette exemplaren tot 350 KG. stijgen.

Indien alle vormen tot één soort vereenigd worden, dan heeft deze
een verbreidingsgebied, dat zich van Spanje tot Kamtschatka, van
Lapland en Siberië tot aan den Atlas, den Libanon en het westelijk
gedeelte van den Himalaja uitstrekt. In Europa bewoont de Landbeer
ook thans nog alle hooggebergten: de Pyreneeën, Alpen, Karpaten,
Transsylvanische Alpen, den Balkan, de Skandinavische Alpen, den
Kaukasus en den Oeral, benevens de uitloopers en een deel van de
omstreken dezer gebergten, voorts geheel Rusland, geheel Noord- en
Middel-Azië (met uitzondering van de kale steppen), Syrië, Palestina,
Perzië, Afghanistan, den Himalaja, oostwaarts tot in Nepal, in Afrika
eindelijk den Atlas. Hij komt veelvuldig voor in Rusland, Zweden
en Noorwegen, Zevenburgen, in de lage landen van het Donaugebied,
Turkije en Griekenland; hij is niet zeldzaam in Krain en Kroatië, in de
bergstreken van Spanje en Italië; hij is reeds zeer zeldzaam geworden
in Zwitserland en Tyrol, bijna geheel uitgeroeid in Frankrijk en in
de Oostenrijksch-Duitsche landen en geheel verdwenen uit Duitschland,
België, Nederland, Denemarken en Groot-Britannië. Enkele overloopers
vertoonen zich nu en dan in het Beiersche hooggebergte, in Karinthië,
Stiermarken, Moravië en misschien ook in het Bohemerwoud. Voorwaarden
voor hun verblijf zijn groote, samenhangende, moeielijk toegankelijke
of althans weinig bezochte bosschen, waar vele bessen en dergelijke
vruchten groeien. Holen onder boomwortels, in boomstammen of in rotsen,
donkere, ondoordringbare wildernissen en broeklanden met droge eilanden
verschaffen hun een schuilplaats, waar zij zich trachten te beveiligen
tegen hun aartsvijand, den mensch.

De Beer, het logste en zwaarste Roofdier van Europa, is, evenals
de meeste zijner naaste verwanten, een log en tamelijk stompzinnig
wezen. Zijne bewegingen schijnen echter onhandiger dan zij werkelijk
zijn. Hij is een telganger en beweegt dus bij 't gaan de pooten
van dezelfde zijde gelijktijdig, waardoor hij een onbeholpen,
schommelenden en slingerenden gang heeft; wanneer hij echter zijne
schreden versnelt en tot een galop overgaat, komt hij vlug vooruit
en kan met gemak een mensch inhalen; ook in andere omstandigheden
merkt men bij hem een vlugheid en behendigheid op, die men niet van
hem verwacht zou hebben. Hij kan uitmuntend zwemmen en goed klimmen;
op lateren leeftijd, als hij groot en zwaar geworden is, klimt hij
echter niet meer in de boomen, althans niet in gladde stammen zonder
takken. De geweldige spierkracht en de groote, harde klauwen komen den
Beer bij het klimmen goed te pas; zelfs bij zeer steile rotswanden kan
hij omhoogstijgen. Onder zijne zinnen munten het gehoor en de reuk uit;
het gezicht is tamelijk slecht, de smaak echter, naar het schijnt,
zeer goed ontwikkeld.

De opperhoutvester Krementz heeft onlangs zijne veeljarige ervaringen
over de Beren der Rokitno-moerassen in Rusland in een zeer leerrijk
geschrift openbaar gemaakt; hij komt er echter uitdrukkelijk tegen op,
dat al wat door hem bij deze dieren opgemerkt is, ook op de Beren
in andere gewesten toepasselijk zou zijn. "Over 't algemeen," zegt
Krementz, "kan men den Beer niet gruwzaam of bloeddorstig noemen. Als
hij bloeddorstig was, zou hij dagelijks in de gelegenheid zijn,
dit op de een of andere wijze te toonen, en dan zou met het oog op
de buitengewone spierkracht van dit dier de vraag wel overweging
verdienen, of het niet noodzakelijk ware, hem met meer ijver te
vervolgen. Mij is echter geen enkel geval ter oore gekomen, dat hij
bij een ontmoeting met den mensch dezen zou hebben aangevallen. Hij zal
integendeel in de meeste dergelijke gevallen ten spoedigste vluchten,
of in 't volle bewustzijn van zijn kracht op een wezen zoo zwak als
wij geen acht slaan, hoogstens zal hij zijn verstoordheid te kennen
geven door een schijnaanval met kort afgebroken bromgeluiden. De Beer
is veeleer goedig van aard, hoewel hij in geen geval te vertrouwen is;
vooral wil hij niet geplaagd en niet plotseling in zijn rust gestoord
worden. Onverschilligheid is een zijner kenmerkende eigenschappen. Hij
is zeer op zijn gemak gesteld. Zijn aanval verraadt een zekere
openhartigheid, een afkeer van kronkelwegen, een ridderlijkheid,
die gunstig afsteekt bij de lafhartige moordlust van den Wolf en de
arglistige valschheid van den Los. In enkele gevallen openbaart hij
zelfs een zekeren galgenhumor."

Een enkele blik op het gebit van den Beer leert ons, dat hij een
alleseter is en meer geschikt voor plantaardig dan voor dierlijk
voedsel. Het best zou hij in dit opzicht met een Zwijn vergeleken
kunnen worden: ook dit dier is al wat eetbaar is, welkom. In den
regel vormen plantaardige stoffen het voornaamste deel van zijn maal;
kleine dieren, vooral Insecten, Slakken en dergelijke dienen als
toespijs. Maanden achtereen stelt hij zich met zulk voedsel tevreden,
verzadigt zich als een Rund met de pas ontkiemde rogge of met het
malsche gras, vreet rijpend koren, knoppen, ooft, eikels, boschbessen,
paddenstoelen enz., wroet onder de bedrijven Mierennesten open,
en vergast zich op de larven en poppen, zoowel als op de volwassen
dieren, welker eigenaardige zure smaak hem welgevallig schijnt,
of hij ontdekt door den reuk een Bijennest, welks inhoud hem een
smakelijk dessert verschaft. In het zuidelijk gedeelte van Karinthië
brengt men de bijenkorven des zomers naar het gebergte, om ze, in
overeenstemming met den bloeitijd der Alpen-planten, meer of minder
hoog in de bergen te plaatsen. Soms komt een Beer uit Krain deze streek
bezoeken, en richt dan groote schade aan door de korven te vernielen
en van hun inhoud te berooven. Eenige jaren geleden trok zulk een
zwerver van den eenen bijenstal naar den anderen en vernielde meer
dan 100 korven, waarbij er 8 waren van mijn zegsman, den houtvester
Wippel. Men moet niet meenen, dat de Beer onverschillig is voor de
steken der Bijen, integendeel, hij bromt van pijn, rolt over den
grond, tracht de kwelgeesten met de pooten van zich af te strijken,
en ruimt zelfs het veld, als de Bijen het hem al te lastig maken;
hij zoekt dan een schuilplaats in het bosch of in het water, maar
keert toch vroeger of later terug, om den strijd tegen de bezitters
der zoo geliefkoosde lekkernij te hervatten.

Het is niet mogelijk den Beer in de vrije natuur op zijne dagelijksche
zwerftochten te volgen, zijn doen en laten na te gaan en te bespieden;
wanneer men hem toevallig ontmoet, of hem opwacht op plaatsen, die
geregeld door hem bezocht worden, zooals op drinkplaatsen, kan men
hem slechts gedurende korten tijd waarnemen, zoodat ook hierdoor
weinig licht verspreid wordt over de in vele opzichten nog duistere
levenswijze van den Beer. Meer leeren ons hierover de versche sporen
van het dier op den besneeuwden of berijpten grond, daarom deelen
wij hier een verslag mede van de uitkomsten, die door het nagaan van
zulke sporen verkregen zijn: "De middelmatig groote Beer verliet
vroeg in den morgen het bosch en nam zijn weg over een weiland,
keerde een stuk van een sparrenstam om, dat aan den rand der weide
lag, krabde hieronder op enkele plaatsen den grond open, en zocht er
naar Wormen, poppen en larven. De schors van den reeds voor 2 jaar
omgehouwen stam had hij op verscheidene plaatsen losgescheurd, om
uit het daaronder voorkomende poeder de vette larven van Boktorren en
dergelijke houtborende dieren op te lezen. Terwijl hij door 't bosch
verder ging, hield hij zich bezig met het blootwoelen van den met
afgevallen bladen bedekten grond, het uiteenwerpen van mierenhoopen,
het omkeeren van stukken schors en hout, die op den grond lagen,
het afvreten van boschbessen en paddestoelen. Op enkele plaatsen had
hij met de klauwen sterk in den grond gekrabd; na het uiteenwerpen
van een verschen drekhoop van een Eland, was hij op het spoor van
dit wild voortgegaan; daarna begaf hij zich naar een broekland of
moerassig gedeelte van het bosch; toen hij er 100 schreden ver in
doorgedrongen was, ging hij plotseling links af naar het bosch terug,
waaruit hij gekomen was, en deed van uit het moeras een sprong naar
verscheidene Hazelhoenderen in het bosch, zooals uit de vederen
bleek, die daar waren blijven liggen en het bewijs leverden van de
overhaaste vlucht der overrompelde dieren. Vervolgens keerde hij in
't broekland terug, begaf zich regelrecht naar het aan de overzijde
gelegen bosch, zonder onderweg iets te doen wat vermelding verdiend;
in het bosch haalde hij een ledig lijster-nest uit een hazelaar,
trachtte met klauwen en tanden de opening van een holte in een
eikenstam te verwijden, om bij den honig van een zwerm wilde Bijen
te kunnen komen, vrat boschbessen, besnuffelde den ingang van een
Dassenhol, en liet op een met gras begroeide open plaats vele sporen
van zijn heen- en weerloopen achter. Bij nader onderzoek bleek het,
dat daar veel drek lag van jonge Berkhoenderen, welker wegen hij
ijverig nagegaan had. Van hier uit trok hij door een nat, dicht
met elzen begroeid stuk broekland naar een met oude sparren bezet
terrein, liet zijn drek vallen, ontschorste het onderste deel van den
stam van een dooden spar, krabde den grond los, zette zich met zijn
achterdeel er op, terwijl hij zich op de voorpooten, naar 't scheen,
heen en weer bewoog, want de afdrukken van de klauwen waren hier in
grooten getale te zien en de grond was door het veelvuldig neerzetten
en de sterke drukking der zolen saamgeperst. Daarna richtte hij zijne
schreden naar een opene, met boekweit bezaaide plek, liep hierover
naar een laag gelegen afdeeling van het bosch, die met zacht hout en
sparren begroeid was en waar veel boomstammen lagen; terwijl hij hier
doortrok, ging hij bij voorkeur bij de boomstammen langs, kroop onder
den boven den grond uitstekenden wortel van een scheef staanden spar
door, gleed bij 't loopen over een op den grond liggenden esp uit,
en zonk met het achterste deel van 't lichaam tamelijk diep in het
moeras; ten slotte begaf hij zich naar den drogeren bodem van een
nabijgelegen, dicht met sparren bezet terrein en verdween hierin,
zonder dat zijn spoor verder nagegaan werd."

Zoolang de Beer plantaardig voedsel in overvloed kan krijgen, eet
hij niets anders; wanneer echter de nood hem dwingt, of als hij aan
dierlijk voedsel gewoon geraakt is, wordt hij dikwijls een roofdier
in de letterlijke beteekenis van het woord. Hij tracht zijn buit te
beloeren of te bekruipen; groot vee wordt, naar men zegt, door hem
nagejaagd, tot het uitgeput is; wanneer het op hooge bergen graast,
drijft hij het uiteen, en dwingt het, zich in een afgrond te storten,
waarna hij voorzichtig naar beneden klautert en zich aan het door den
val gedoode dier zat vreet. Door iedere gelukkige jacht neemt zijn
vermetelheid toe. In den Oeral wordt de Beer als de ergste vijand van
de Paarden beschouwd. Voerlieden en postrijders weigeren soms 's nachts
door een bosch te rijden, hoewel het niet zeer waarschijnlijk is, dat
de Beer Paarden voor den wagen aanvalt. In de weide grazende Paarden
zijn echter nooit veilig voor hem. Een met mij bevriende berenjager,
Von Beckmann, verhaalt mij als ooggetuige hoe het Roofdier bij den
aanval handelt. In de nabijheid van een moerassig met kreupelhout
begroeid terrein graasden verscheidene Paarden onder de oogen van den
jager, die bewegingloos in een hinderlaag lag. Op eens kwam uit het
kreupelhout een Beer te voorschijn, die langzaam sluipend de Paarden
hoe langer hoe meer naderde, totdat deze hem opmerkten en zoo snel
mogelijk op de vlucht sloegen. Met groote sprongen ging de Beer hen
achterna, haalde het eene Paard in een merkwaardig korten tijd in,
sloeg het met den eenen poot op den rug, pakte het met den anderen
van voren in 't aangezicht, wierp het op den grond en scheurde het
de borst open. Toen hij zag, dat een van de beide gevluchte dieren
lam was en niet ontsnappen kon, verliet hij de neergevelde prooi,
liep het tweede slachtoffer na, haalde het spoedig in en doodde het
eveneens. Gedurende den strijd schreeuwden de beide Paarden geweldig.

Als Meester Bruin eens stoutmoedig geworden is, gaat hij ook de
stallen bezoeken, hij tracht er de deur van open te breken, of in
het dak een opening te maken, zooals naar men zegt, in Skandinavië
meermalen geschied is. Zijn buitengewone spierkracht stelt hem in
staat om zelfs groote dieren mee te sleepen. Van de geweldige kracht
van groote Beren geeft Krementz verscheidene voorbeelden. Een Beer brak
in zijn doodstrijd houten palen van 6 à 10 cM. dikte; een andere nam
een pas door hem gegrepen en nog zieltogende koe met de voorpooten
op en droeg haar, terwijl hij op de achterpooten ging, door een
beek naar het bosch. Een bij 't vuur zittende boschwachter werd van
achteren overvallen door een zonder opzet uit zijn winterverblijfplaats
opgeschrikten Beer, "die hem door een geweldigen slag en ruk met de
voorpooten den hersenpan verbrijzelde, zoodat de man oogenblikkelijk
dood was." Een vierde Beer trok een in een kuil gestorten, levenden
Eland, wiens gewicht op 300 KG. geschat werd, naar boven en sleepte
hem een halve KM. ver door het moeras.

Hoewel Herten, Reeën en Gemzen door hunne waakzaamheid en snelle
beweging den Beer niet zelden ontkomen, jaagt deze toch in 't noorden
van Skandinavië gedurende langen tijd de Rendieren achterna. Zelfs
op Visschen maakt hij jacht; hij volgt, om ze te verschalken, den
loop der rivieren over een grooten afstand.

Vóór den aanvang van den winter maakt de Beer zich een rustplaats
gereed, hetzij tusschen rotsen, òf in een reeds bestaand hol, dat hij
zoo noodig verwijdt, òf in een door hem zelf gegraven hol, òf in een
hollen boom, dikwijls ook tusschen struikgewas of op een droog eiland
in het broekland of moeras. Zoodra de felle koude begint, zoekt de
Beer zijn schuilplaats op en brengt hier het koude jaargetijde in
slapenden of halfslapenden toestand door. Het tijdstip waarop de
woning betrokken wordt, hangt af van het klimaat in iedere streek en
van de weersgesteldheid in ieder jaar. Terwijl de berin zich meestal
reeds in het begin van November te ruste begeeft, zwerft de Beer,
naar ik zelf in Kroatië door het volgen van een spoor gewaar werd,
nog in het midden van December rond, om 't even, of er sneeuw ligt en
strenge koude heerscht, of niet. Volgens de verzekering van Russische
berenjagers onderzoekt hij voor het slapengaan zorgvuldig de omgeving
van zijn slaapplaats, en verwisselt deze voor een andere, wanneer hij
in verschillende richtingen sporen van menschen ontmoet. Als het midden
in den winter begint te dooien, verlaat de Beer zelfs in Rusland en
Siberië somtijds zijn leger om te drinken, en neemt dan soms tevens
voedsel op. Dat hij in Lijfland 3 à 4 maanden lang geheel onder de
sneeuw begraven ligt, in dezen tijd volstrekt geen Voedsel gebruikt
en met volkomen ledig spijskanaal gevonden wordt, is volkomen zeker.

Bij zacht weder daarentegen duurt zijn winterrust misschien slechts
weinige weken, en in een zachter klimaat denkt hij waarschijnlijk in
't geheel niet aan zulk een afzondering. Hierop wijzen de opmerkingen,
die men bij gevangen Beren gedaan heeft. Deze hebben geen winterslaap
en gedragen zich over 't algemeen in den winter nagenoeg op dezelfde
wijze als in den zomer. Zoolang het voedsel hun geregeld wordt
verschaft, eten zij bijna evenveel als gewoonlijk; in zachte winters
slapen zij weinig meer dan in den zomer.

De berin werpt gewoonlijk 2 of 3, dikwijls 1 of 4, zeer zelden echter
5 jongen. De moeder maakt in den regel voor hen een volslagen nest
gereed; meermalen heeft men echter opgemerkt, dat zij ze eenvoudig op
de sneeuw neerlegt. Als het kroost door een gevaar bedreigd wordt,
draagt de moeder het met de tanden dikwijls ver weg. Opmerkelijk is
het dat de moeder, als zij in grooten nood verkeert, hare jongen,
zoolang zij nog zeer klein en onbeholpen zijn, dikwijls snood in
den steek laat, terwijl zij ze steeds moedig verdedigt, wanneer zij
wat grooter geworden zijn. In zulke omstandigheden beschouwt zij
zich als alleenheerscheres in de streek, die zij als verblijfplaats
heeft gekozen, en beantwoordt iedere storing met een onmiddellijken
aanval. In enkele gevallen wordt zij een schrik voor allen, die haar
woongebied moeten doortrekken; het komt zelfs voor, dat zij het verkeer
geheel belemmert; hij die zonder Honden in haar nabijheid komt, loopt
gevaar, gewond of gedood te worden. Ongeveer in de vierde levensmaand
zijn de jongen zooveel gegroeid, dat zij de moeder kunnen volgen;
deze oefent hen vlijtig in 't klimmen, brengt hen op de hoogte van
de middelen om voedsel te vinden, en geeft hen onderricht in vele
den Beer noodzakelijke kundigheden.

De jonge Beren, die eindelijk door hun moeder verstooten worden,
zwerven, naar men zegt, gedurende den zomer in de nabijheid van
het oude leger rond, en gebruiken dit bij slecht weder, zoolang
zij niet verdreven worden; ook vereenigen zij zich gaarne met
andere jongen van hun soort. Een opmerking van de Russische boeren
en jagers, die door Eversmann voor 't eerst bekend werd gemaakt,
maar die nadere bevestiging vereischt, werpt een eigenaardig licht
op deze vereenigingen. Deze lieden zeggen, dat de berin hare oudere
kinderen voor het oppassen van de jongere gebruikt, en ze zoo noodig
tot deze dienstverrichting dwingt; daarom wordt zulk een tweejarige,
met de moeder en hare andere kinderen rondzwervende Beer "Pestoen",
d. w. z. kinderenoppasser, genoemd. Van een Berenfamilie, die de
Kama-rivier overgetrokken was, verhaalt Eversmann het volgende: "Toen
de moeder aan den anderen oever aangekomen was, zag zij, dat de Pestoen
haar langzaam nasloop, zonder de jongere kinderen, die nog aan den
anderen oever waren, bij den overtocht behulpzaam te zijn. Zoodra hij
binnen haar bereik is, geeft de moeder hem stilzwijgend een oorvijg,
die zijn geheugen in zoover opfrischt, dat hij terugkeert en een der
beide jongen in den bek naar den overkant brengt. De moeder ziet hem
na, terwijl hij weder teruggaat om het andere jong te halen. Toen hij
dit echter midden in de rivier laat vallen, gaat zij op hem toe en
straft hem opnieuw af, waarna hij zijn plicht doet, en de familie in
vrede verder trekt." Onder de boeren en jagers van Rusland en Siberië
wordt algemeen verhaald, dat iedere berin hare jongen door een Pestoen
laat begeleiden. Deze heeft o. a. tot taak de jongen te bewaken, die in
't dichte geboomte verborgen zijn, terwijl de oude een prooi bekruipt,
of zich verzadigt aan een gedood dier, dat zij niet meevoeren kan;
hij deelt in den winter met haar hetzelfde leger en wordt eerst dan
uit zijn dienst ontslagen en vrij gelaten, als een ander in zijn
plaats is aangesteld. Daarom ziet men soms ook wel een vierjarigen
Pestoen bij een Berenfamilie.

Jonge Beren, die een leeftijd van ongeveer 5 of 6 maanden bereikt
hebben, zijn hoogst vermakelijke dieren. Zij zijn zeer bewegelijk en
niet minder snaaksch; voortdurend voeren zij de dolste streken uit. Uit
iedere handeling blijkt hun kinderlijke aard. Zij houden bijzonder
veel van spelen, klimmen dikwijls puur en alleen uit baldadigheid in
de boomen, plukharen met elkander als levenslustige knapen, springen in
't water, loopen noodeloos en doelloos rond, en halen allerlei grappen
uit. Hun verzorger toonen zij geen bijzondere genegenheid; zij zijn
tegen iedereen even vriendelijk en maken geen onderscheid tusschen den
eenen persoon en den anderen. Hij, die hun iets te eten geeft, is hun
lieveling; wie hen op de een of andere wijze vertoornt, wordt als een
vijand beschouwd, en wanneer dit mogelijk is, ook op vijandige wijze
behandeld. Zij zijn prikkelbaar als kinderen; men kan hun genegenheid
spoedig winnen, maar ook even spoedig weer verspelen. Lomp en onhandig,
vergeetachtig, onachtzaam, sukkelachtig, onnoozel zijn zij evenals
hunne ouders; bij hen komen echter deze eigenschappen duidelijker uit.

De berenjacht behoort tot de gevaarlijke jachtbedrijven; in den
laatsten tijd worden echter de vreeswekkende verhalen, die hierover
vroeger de ronde deden, door geoefende berenjagers weersproken. Alle
leden van de Berenfamilie zijn buitengewoon bevreesd voor goede
Honden; deze moeten in allen gevalle als de beste helpers van den
jager beschouwd worden. In het zuidoosten van Europa doodt men de
Beren, wanneer zij het vetst zijn, hoofdzakelijk op drijfjachten,
zeldzamer "op den aanstand" en slechts bij uitzondering in of vóór
zijn winterleger; in Rusland daarentegen zoekt men ze juist in den
winter bij voorkeur op. Daar de Beer zich laat drijven en altijd op
dezelfde wijze "wisselt," d. w. z. dezelfde paden volgt, vooral bij
't verlaten en binnenkomen van 't bosch, kunnen ervaren jagers, die
het dier hebben nagegaan, bij drijfjachten zoowel als bij 't schieten
op den "aanstand" (d. i. van uit een hinderlaag) met vrij groote
zekerheid op een goeden uitslag rekenen, verondersteld natuurlijk dat
zij de "wissels" kennen. Koelbloedigheid en een vaste hand, goede en
beproefde wapenen zijn onontbeerlijke vereischten van een berenjager.

"De veelvuldig verbreide meening," schrijft Krementz, "dat de Beer
bij den aanval steeds op de achterpooten gaat staan en zoo zijn
tegenstander te gemoet gaat, is volkomen onjuist; in dit geval zou
men zich trouwens gemakkelijker tegen hem kunnen verweren, dan wanneer
hij op vier pooten blijft gaan. Ik heb eigenhandig 29 Beren geschoten
en heb er omstreeks 65 zien schieten; ik was er bij tegenwoordig, dat
Beren van allerlei grootte en soort een mensch aanvielen; ik zelf ben
ook meermalen door hen aangevallen; ik heb echter slechts éénmaal een
Beer en een Berin gezien, die bij den aanval overeind gingen staan,
en zóó, in opgerichte houding den tegenstander een eind weegs te
gemoet gingen. Ik wil hiermede echter volstrekt niet beweren, dat
de Beren bij den aanval nimmer deze houding aannemen, maar alleen,
dat zulke gevallen, waarvan in vele geschriften over de jacht en
in andere wetenschappelijke werken melding wordt gemaakt, uiterst
zeldzaam zijn. De aanval van den Beer geschiedt meestal plotseling
en snel; soms zoekt hij door een snelle en hevige, zijwaartsche
beweging van een voorpoot den tegenstander te slaan, soms verheft
hij zich gedurende den snellen gang plotseling op de achterpooten
in de onmiddellijke nabijheid van zijn vijand, en tracht dezen door
een hevigen stoot met de voorpooten ter aarde te werpen, soms brengt
hij hem hiermede een hevigen slag toe, die met een ruk gepaard gaat,
en bijt intusschen snel; hij houdt zich echter, wanneer menschen
en Honden in de nabijheid zijn, nooit lang bij zijn slachtoffer op,
maar kiest spoedig het hazenpad."

De Beer wordt echter niet alleen op "jachtmatige wijze," maar ook
met minder ridderlijke wapenen bevochten. Voor de Berenjacht worden
mannenmoed en mannenkracht in hooge mate vereischt. Zij die door
het roofdier schade lijden, moeten om het te dooden dikwijls tot
list hun toevlucht nemen. In Galicië en Zevenburgen legt men op
zijne "wissels" en boschpaden zware klemmen, die aan een ketting
bevestigd zijn, welke door een lang, stevig touw aan een zwaar blok
is vastgehecht. Vroeg of laat trapt de Beer op een van deze klemmen,
zijn poot wordt er door omvat; tevergeefs tracht hij zich van dit
lastig en pijnlijk aanhangsel te ontdoen of de hieraan gehechte
ketting stuk te bijten, die ten slotte aan een boom vastraakt,
waarna het dier, door nuttelooze pogingen om los te komen uitgeput,
ellendig om 't leven komt. De jager, die om den anderen dag bij de
"wissels" langs gaat, vindt den Beer door het nagaan van het spoor
van den voortgesleepten klem, van den ketting, of van het blok.

"De Aziaten," verhaalt Steller, "vereenigen vele balken, die zij op
elkander leggen, tot een gebouw, dat instort en de Beren verplettert,
zoodra deze op de voor hen gestelde vallen gaan staan. Zij graven
een kuil, bevestigen daarin een spits toeloopenden, glad gemaakten
en aan de spits in 't vuur geharden paal, die zich eenige voeten
hoog boven den bodem van den kuil verheft; de opening van den kuil
maken zij onzichtbaar, door haar met gras te bedekken. Met behulp van
een touw plaatsen zij thans een buigzaam 'schrikhout,' dat, als de
Beer met den voet op het touw trapt, losspringt en het dier zoodanig
verschrikt, dat het hard aan den loop gaat, en minder voorzichtig is
dan gewoonlijk, hierdoor in den kuil valt, zich spietst op den paal
en dus zelfmoord pleegt."

Andere zeer aardige, beschrijvingen van vangmiddelen: hoe de Beer
zichzelf aan een plank vastnagelt en als hij rechtop gaat staan zich
met de plank het uitzicht beneemt;--hoe hij in blinde drift vecht met
een blok hout, dat voor de opening van een hollen boom, waarin Wilde
Bijen hun nest gemaakt hebben, is opgehangen, of dat met een strik aan
de helling van een berg is neergelegd, welke strijd in beide gevallen
eindigt met het naar beneden storten en doodvallen van het dier;--hoe
hij met stukken hout, die men hem toereikt, terwijl hij zich in zijn
hol bevindt, zich zelf den uitgang verspert,--en andere stukjes meer,
kunnen evenmin als de bekende Tijgervangst met koolbladen en vogellijm,
ernstig opgenomen worden, voordat betrouwbare ooggetuigen er voor in
staan. In Noorwegen, Rusland, Zevenburgen en Spanje komt het soms voor,
dat geoefende, stoutmoedige jagers, door eenige Honden vergezeld,
zonder andere wapens dan lans en mes, den Beer te gemoet gaan en met
hem op leven en dood strijden.

Het voordeel, dat een gelukkige berenjacht oplevert, is niet
onbelangrijk. Voor het vleesch worden goede prijzen besteed; het
berenvet, dat geroemd wordt als middel om den haargroei te bevorderen,
wordt zeer gezocht en duur betaald. Dit vet is wit, wordt nooit hard,
en zal niet licht rans worden, als men het in gesloten potten bewaart;
de onaangename smaak, die het in verschen toestand heeft, verdwijnt
na het verhitten met uien. Het vleesch van een jongen Beer heeft een
fijnen, aangenamen smaak; de pooten van oude, vette Beren worden,
gebraden of gerookt, als een lekkernij beschouwd. De fijnproevers
houden het meest van de voeten; men moet echter eerst aan hun uitzicht
gewend zijn, omdat zij, na het verwijderen van 't haar en voor de
keuken gereed gemaakt, afkeer wekken wegens hun overeenkomst met
een bijzonder grooten menschenvoet. Ook de kop van den Beer gaat
door voor een voortreffelijk gerecht. De waarde van het vel is zeer
verschillend; het vel van kleine exemplaren brengt niet veel op;
voor dat van de grootere dieren wordt tegenwoordig, volgens Lomer,
al naar de fraaiheid van uitzicht, 36 à 150 gulden betaald.

Nog in het begin van de vorige eeuw gold het laten vechten van een
gevangen Beer met groote Honden voor een echt vorstelijk vermaak. Met
dit doel hielden sommige Duitsche vorsten er Beren op na. "August _de
Sterke_", verhaalt Von Flemming, "had er twee. Eens gebeurde het,
dat één van deze dieren uit den tuin van Augustusburg ontsnapte,
in een slagerswinkel een vierde deel van een kalf van den haak
rukte, en, toen de slagersvrouw het verjagen wilde, haar en hare
kinderen om 't leven bracht, waarna de ter hulp gesnelde menschen het
doodschoten." De voor den strijd bestemde Beer werd naar de kampplaats
gereden in een hok, dat door één ruk aan een touw van uit de verte
op zulk een wijze geopend kon worden, dat de wanden aan alle zijden
neervielen, en de gevangene in eens bevrijd was. Hierna liet men
groote, forsche Honden op hem los. Als deze den Beer vasthielden,
kon hij zonder groot bezwaar door één man afgemaakt worden. In
de Dresdener slottuin hadden in 't jaar 1630 binnen 8 dagen drie
berengevechten plaats. De beide eerste malen moesten zeven Beren met
Honden, de derde maal echter met groote Evers vechten, van welke er
vijf in den strijd bezweken; een van deze Beren had een gewicht van
400 KG. De Beren werden bovendien nog door voetzoekers getergd en met
een in 't rood gekleede pop geplaagd. Gewoonlijk werden de Beren, als
de Honden hen vasthielden, door de groote heeren eigenhandig gedood;
August _de Sterke_ was gewoon hun den kop af te houwen.

Zelfs nog in den tegenwoordigen tijd worden op sommige plaatsen zulke
kampspelen vertoond. Op het terrein voor stierengevechten te Madrid
laat men soms Beren met stieren strijden, en in Parijs werden nog in
het begin van deze eeuw Honden losgelaten tegen Beren, die aan den
ketting lagen. Kobell, die getuige was van een dergelijk schouwspel,
verhaalt, dat de Beer de op hem aanstormende Honden door slagen
met zijne kolossale pooten rechts en links neervelde en intusschen
vreeselijk bromde. Toen de Honden nog vermeteler werden, greep hij
er verscheidene achtereenvolgens aan, schoof ze onder zijn lichaam
en drukte ze dood, terwijl hij den anderen zware wonden toebracht en
ter zijde slingerde.

De Romeinen kregen hunne Beren hoofdzakelijk uit den Libanon,
maar verhalen, dat zij er ook eenige uit Noord-Afrika en Libye
hebben laten komen. Hunne mededeelingen over de levenswijze van
dit dier bevatten vele fabelen. Plinius schreef Aristoteles na,
maar voegde aan de betrekkelijk zeer juiste beschrijving van dezen
uitmuntenden Griekschen dierkundige eenige fabels toe. Oppianus geeft
een voortreffelijk verslag van de merkwaardige berenjachten der
Armeniërs aan den Tigris. Julius Capitolinus eindelijk beschrijft
de kampspelen in het circus en vermeldt daarbij, dat Gordianus _de
eerste_ op één dag 1000 Beren in het strijdperk bracht.



De naaste verwant van den Landbeer is de over geheel Noord-Amerika
verbreide _Grijze Beer_ of _Grisli-beer_, die schertsenderwijs
door de Amerikanen ook wel _Old Ephraïm_ wordt genoemd (_Ursus
cinereus_, _U. ferox_). Door lichaamsbouw en uitzicht gelijkt hij
op onzen Beer; hij is echter grooter, zwaarder, plomper en forscher
dan deze. De kleur van de vacht wisselt sterk af tot ijzergrauw en
licht roodbruin; de eerstgenoemde kleur gaat dikwijls gepaard met
een eigenaardigen zilverachtigen, de laatstgenoemde met een aan
goud herinnerenden weerschijn, veroorzaakt door de zilverwit of
geelachtig gekleurde spitsen van het bovenhaar. De Amerikaansche
jagers zijn daarom gewoon van den _Eigenlijken Grisli-beer_, den
_Bruinen Beer_ en den _Kaneelbeer_ te onderscheiden, en beschouwen
den laatstgenoemden niet alleen als den fraaisten, maar ook als
den gevaarlijksten. Zijn verbreidingsgebied omvat het westen van
Noord-Amerika, in de zuidelijke gedeelten van de Vereenigde Staten
ongeveer beginnend bij het Rotsgebergte, in de noordelijke (Dakota)
reeds van den Missouri af. Hoe verder westwaarts de streek gelegen is,
des te veelvuldiger komt hij voor, vooral in de gebergten. Zuidwaarts
komt hij nog in de hooglanden van Mexico voor; noordwaarts gaat hij
tot aan den Poolcirkel en nog verder.

De levenswijze van den Grijzen Beer komt tamelijk wel met die van den
onzen overeen; hij houdt ook, evenals deze, zijn winterrust; zijn gang
is echter meer waggelend of wiegelend, en al zijne bewegingen zijn
plomper. Naar gezegd wordt, is hij slechts gedurende zijn jeugd in
staat boomen te beklimmen, maar kan op lateren leeftijd zulke kunsten
niet meer verrichten; hier staat tegenover, dat hij met gemak zelfs
over breede rivieren zwemt. Hij is een geweldige roover en ruimschoots
sterk genoeg, om ieder schepsel in zijn vaderland te overwinnen. In
vroegere berichten wordt hij uitdrukkelijk een vreeselijk en boosaardig
dier genoemd. Volgens deze toont hij zelfs voor den mensch geen vrees,
maar valt hem zonder aarzeling aan, om 't even of hij te paard rijdt
dan wel te voet gaat, gewapend is of niet, hem beleedigde, of er niet
aan gedacht heeft, hem iets in den weg te leggen. Om al deze redenen
verwierf de jager, die overwinnaar was geweest in een strijd met Old
Ephraïm, de bewondering en hoogachting van alle mannen, die van hem
hoorden, van de blanken zoowel als van de Indianen, door wie het dooden
van dit Roofdier zonder voorbehoud als een meesterstuk van jagersmoed
geprezen wordt. Onder alle Indianenstammen verschaft het bezit van
een halsketen, die uit de klauwen en tanden van dezen Beer bestaat,
aan den drager van dit zegeteeken een hoogachting, die bij ons ter
nauwernood aan een vorst of aan een roemrijken veldheer ten deel zou
vallen. Alleen hij, die zich den bedoelden keten eigenhandig en door
eigen kracht verworven heeft, mag hem onder de Indianen dragen. Voorts
wordt bericht, dat deze kolossus, die de menschen, welke hij ziet,
vermetel aanvalt, om ze te vernietigen, dadelijk de vlucht neemt,
als hij de lucht van hen krijgt, zonder ze te zien. In even hooge
mate als hij, volgens deze berichten, schroomvallig wordt door
het waarnemen van de lucht van den mensch, vreezen alle dieren de
zijne. De huisdieren stellen zich aan, alsof zij de lucht kregen van
een Leeuw of van een Tijger, en zelfs het doode dier, ja zelfs zijn
vel, boezemt hun nog een hevigen schrik in. Enkele jagers beweren
zelfs, dat ook de overigens zoo vraatzuchtige Amerikaansche Wilde
Honden den Beer eerbiedigen en zijn lijk niet aanroeren.

Er valt niet aan te twijfelen, dat deze (en andere dergelijke)
mededeelingen gedeeltelijk onjuist, gedeeltelijk sterk overdreven
zijn. Zij werden verbreid en geloofd in een tijd, toen het "Verre
Westen" nog weinig bezocht werd, toen men voor avontuurlijke verhalen
een vreeselijk schepsel noodig had, dat geschikt was, om in de Nieuwe
Wereld een soortgelijke rol te spelen, als de meest beruchte Roofdieren
van de Oude Wereld. Toevallig voorkomende, ongunstige ervaringen
met één dier van deze soort, werden als kenschetsend voor al deze
dieren in alle omstandigheden voorgesteld, en zoo werd de Grisli een
schrikbeeld van het onbekende "Verre Westen". Wel is reeds menig mensch
door den Grijzen Beer om 't leven gebracht; maar dit kan evenzeer
van onzen Beer getuigd worden; gewonde Beren hebben zich verweerd;
overvallen Beren, vooral wijfjes, die hare jongen bedreigd achtten,
hebben waarschijnlijk ook dikwijls den mensch aangevallen, zonder
door dezen uitgetart te zijn; om al deze redenen is echter de Grijze
Beer niet verschrikkelijker dan zijn Europeesche geslachtsgenoot,
en evenmin toont hij meer moed dan deze; integendeel over 't algemeen
komt hij door zijn geheelen aard met dezen overeen.

De Grijze Beer voedt zich met plantaardige stoffen, eet zeer gaarne
vruchten, noten en wortels, doodt echter ook dieren; bovendien moet hij
zeer behendig Visschen vangen. In Alaska, waar hij zeer veelvuldig
voorkomt, ontmoet men bijna overal paden, die hij vastgetreden
heeft en geregeld volgt, hetzij aan de oevers van stroomen, of op
eenzame vlakten, in moerassen of in bergstreken; de richting en de
loop van deze paden zijn zoo verstandig gekozen, dat men het best
doet er gebruik van te maken, om langs den kortsten weg van de eene
plaats naar de andere te komen. "Aan de steile verhevenheden van de
bergachtige kust aan de westzijde van Cook's Invaart," schrijft Elliot,
"kan men soms troepen van 20 of 30 van deze plompe dieren bijeen zien,
die daar bessen en wortels zoeken. Hunne vellen hebben echter geen
groote waarde, daar zij grof, ongelijk behaard en stoppelig zijn. Daar
deze dieren bovendien zeer wild zijn, wordt er niet algemeen jacht op
gemaakt, behalve door de mannen van den Kenai-stam, die, evenals alle
jagers onder de inboorlingen, voor hen een groote achting gevoelen,
en gewoon zijn eerst een lofrede op den Beer uit te spreken, voordat
zij trachten hen te dooden. Daar de inboorlingen er niet van houden de
oorden te bezoeken, waar vulkanische werkingen plaats hebben, vormt de
omgeving van kraters, heete bronnen en dampgaten een toevluchtsoord
voor wilde dieren, vooral voor Beren, daar zij alle zeer goed weten,
dat de mensch hen daar in den regel niet komt storen."

Een jonge Grijze Beer kan gemakkelijk getemd worden, en is, evenals
onze Beer, een tijd lang een zeer gezellig en grappig dier. Zijn vel
is, ondanks de lengte en dikte van het haar, zoo fijn en sierlijk van
kleur, dat het den kleinen klant zeer goed staat. Palliser, die een
Grisli meenam naar Europa, roemt zijn gevangene zeer. Hij at, dronk en
speelde met de matrozen en vermaakte alle reizigers, zoodat de kapitein
van het schip den jager later verzekerde, dat het hem wel zou aanstaan,
als hij op iedere reis een jongen Beer kon medekrijgen. Dit dier had
een merkwaardigen vriendschapsbond gesloten met een kleine Antilope,
die zijn reisgenoot was en verdedigde haar eens op zeer ridderlijke
wijze. Toen de Antilope bij het verlaten van 't schip door de straten
werd geleid, kwam een kolossale Bullebijter op haar toeschieten en
greep haar aan, zonder zich in het minst te storen aan het geschreeuw
en de stokslagen der geleiders. Gelukkig gingen Palliser en zijn Beer
denzelfden kant uit; nauwelijks had het dier gezien wat er voorviel,
of hij rukte zich los, had in 't volgende oogenblik den vijand van
zijn vriendin bij den kraag gepakt en hem weldra zoodanig afgestraft,
dat de Hond jammerlijk huilend wegliep.

Gevangene Grislis verschillen door hun inborst en gedrag niet merkbaar
van hunne Europeesche verwanten. In den Londenschen dierentuin waren
er twee, die o. a. merkwaardig waren, doordat zij de zegeningen van de
veeartsenijkunde ondervonden. Zij werden in hun jeugd door een hevige
oogontsteking aangetast, ten gevolge waarvan zij blind werden. Men
besloot ze te genezen. Nadat men de beide patiënten van elkander
gescheiden had, deden de oppassers aan ieder een sterken halsband om
en trokken den kop van den kolossalen Beer tot dicht bij de traliën,
om hem zonder bezwaar den met chloroform bevochtigden spons onder
den neus te houden. Het anaestheticum werkte buitengewoon snel en
goed. Reeds na weinige minuten lag het reusachtige dier bewusteloos
en bewegingloos als dood in zijn kooi en de oogarts kon nu gerust
naar binnen gaan om de operatie te verrichten. Juist toen men bezig
was de kooi donker te maken, ontwaakte het dier, waggelde nog, alsof
het dronken was, heen en weer, en scheen des te onvaster van beweging
te worden, maarmate het meer en meer zijn bewustzijn herkreeg. Allengs
scheen de Beer echter te bemerken, wat er gedurende zijn doodslaap met
hem gebeurd was; toen men hem weinige dagen later weder onderzocht, was
hij zich bewust geworden van het verkrijgen van zijn gezichtsvermogen;
duidelijk merkbaar was het, dat hij het daglicht aangenaam vond, of
althans de tegenstelling begreep tusschen den voortdurenden nacht,
waarin hij vroeger verkeerde, en den klaarlichten dag, dien hij
nu waarnam.

De meest bekende Beer van Amerika, de _Baribal_, _Moeskwa_ of
_Zwarte Beer_ (_Ursus americanus_), een wijd verbreid en betrekkelijk
goedaardig dier, dat althans veel minder gevaarlijk is dan de Grijze
Beer en de Landbeer, bereikt een lengte van hoogstens 2 M. bij een
schouderhoogte van iets meer dan 1 M. Van den Landbeer onderscheidt
hij zich hoofdzakelijk door den smalleren kop, den meer puntig
toeloopenden, van het voorhoofd niet scherp gescheiden snuit, de
zeer korte zolen alsmede door de samenstelling en de kleur van zijn
vacht. Deze bestaat uit lange, stijve en gladde haren, die alleen
aan het voorhoofd en rondom den snuit kort zijn. Hun kleur is glanzig
zwart, aan beide zijden van den snuit in vaalgeel overgaande. Een vlek
van dezelfde kleur bevindt zich dikwijls ook voor de oogen. Zeldzamer
ziet men Baribals met wit gerande lippen en witte strepen op de borst
en de kruin. De jongen zijn lichtgrijs, zij krijgen in 't begin van
hun tweede levensjaar het donkere haarkleed van hunne ouders, maar
eerst later even lange haren als deze.

De Baribal is over geheel Noord-Amerika verbreid. Men heeft hem in
alle boschrijke gewesten van de oostkust tot aan de grenzen van
Kalifornië en van het hooge noorden tot in Mexico gevonden. Het
woud biedt hem alles wat hij noodig heeft; hij verandert echter van
verblijfplaats met de jaargetijden, in verband met hunne verschillende
voortbrengselen. Gedurende de lente zoekt hij gewoonlijk zijn voedsel
in de vruchtbare rivierdalen en houdt zich daarom op in de dichte
bosschen, die de oevers der stroomen en meren omzoomen; in den zomer
trekt hij zich terug in het midden van het aan vruchtboomen zoo rijke
woud; in den winter eindelijk graaft hij zich op een zooveel mogelijk
aan aller oog onttrokken plaats een geschikt leger, waarin hij met
tusschenpoozingen of ook wel langen tijd achtereen slaapt. Over dezen
"winterslaap" loopen de berichten uiteen. Eenige zeggen, dat slechts
sommige Beren zich weken lang in hun leger verbergen, terwijl de
overigen ook in den winter van de eene plaats naar de andere zwerven,
ja zelfs van de noordelijke gewesten naar de zuidelijke verhuizen;
andere meenen, dat dit alleen in zachte winters geschiedt, en dat
gedurende koudere winters alle Zwarte Beren winterslaap houden. Zooveel
althans is zeker, dat men juist in den winter dikwijls op den Baribal
jacht maakt en hem in zijn leger opzoekt.

De Baribal is, hoe dom, plomp en onhandig hij er ook uitziet, een
waakzaam, wakker, krachtig, vlug, behendig en volhardend dier. Hij
loopt zoo snel, dat een man hem niet kan inhalen; het zwemmen verstaat
hij uitmuntend en in het klimmen is hij een baas. Hij is althans
in alle lichaamsoefeningen meer ervaren dan onze Bruine Beer, met
wien hij overigens in vele opzichten overeenstemt. Niet dan hoogst
zelden valt hij den mensch aan; integendeel bij 't zien van dezen,
zijn ergsten vijand vlucht hij zoo snel mogelijk; zelfs wanneer hij
gewond is, houdt hij niet altijd stand, hoewel hij, wanneer hij geen
uitweg meer ziet, gevaarlijk kan worden.

Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit plantaardige stoffen, en wel uit
gras, bladen, half rijp en rijp graan, bessen en zeer verschillende
soorten van boomvruchten. Hij vervolgt echter ook het vee en durft,
evenals ons Bruintje, zelfs de weerbare Runderen aanvallen. Voor den
landman is hij altijd schadelijk, om 't even of hij de aanplantingen
plundert of de kudden verontrust; hem valt daarom hetzelfde lot ten
deel als aan onzen Beer: zonder verschooning wordt hij vervolgd en op
allerlei wijzen uitgeroeid, zoodra hij het waagt, zich in de nabijheid
van den mensch te vertoonen.

De jacht op den Baribal geschiedt op verschillende wijzen. Vele van
deze dieren worden in groote klemmen gevangen, de meeste echter met de
buks geschoten. Goede Honden bewijzen hierbij uitmuntende diensten,
daar zij de nabijheid van den Beer door blaffen aankondigen, of hem
nopen in een boom te vluchten, zoodat de jager tijd heeft op zijn
gemak te mikken en hem op de juiste plaats te treffen.

Zeer eigenaardig zijn vele wijzen van jagen der Indianen, nog
eigenaardiger de plechtigheden, die plaats hebben tot het bevredigen
van den geest van den Beer, zoodra hij uit het lichaam is geweken,
en die het bewijs leveren van een godsdienstige vereering van dit
dier. Alexander Henry, die de door pelsjagers bezochte gewesten
bereisde, verhaalt, hoe zijne gastheeren zich gedroegen tegenover
een zooeven door hem gedooden Beer. "Onmiddellijk na den dood van
het dier kwamen alle Indianen dicht bij het lijk staan. De 'oude
moeder,' zooals wij haar noemden, nam den kop van het dier in hare
handen, liefkoosde en kuste hem herhaaldelijk, en verzocht den Beer
duizendmaal om vergiffenis, dat men hem het leven had benomen; ook
verzekerde zij, dat het geen Indianen waren geweest, die dit deden,
maar dat stellig een Engelschman zich aan deze misdaad had schuldig
gemaakt. De lijkdienst duurde niet bijzonder lang; kort daarna werd
een aanvang gemaakt met het villen en verdeelen van den Beer. Allen
hielpen mede om de huid, het vleesch en het vet van het dier te dragen
en namen daarop den terugtocht aan. Zoodra men thuis gekomen was, werd
de berenkop versierd met zilveren armbanden en andere versierselen,
die de familie bezat. Daarna plaatste men hem op een stellage en legde
voor zijn neus een groote hoeveelheid tabak. Den volgenden morgen
werden toebereidselen voor een feest gemaakt. De hut werd schoon
gemaakt en aangeveegd, de kop van den Beer hoog geplaatst en een
nieuwe doek, die nog nooit gebruikt was, er over uitgebreid. Nadat
de pijpen gereed waren gemaakt, blies een Indiaan tabaksrook in de
neusgaten van den Beer. Hij verzocht mij, hetzelfde te doen, omdat ik,
die het dier gedood had, daardoor zeker den toorn van het dier zou
doen bedaren. Ik deed mijn best, mijn welwillenden en vriendelijken
gastheer tot de overtuiging te brengen, dat de Beer niet meer leefde;
mijne woorden vonden echter geen geloof. Ten slotte hield mijn
gastheer een rede, waarin hij den Beer trachtte te verheerlijken,
en eerst daarna begonnen wij van het Berenvleesch te smullen."

Alle Baribals die ik heb leeren kennen, onderscheidden zich door
hunne zachtmoedigheid en goedaardigheid in 't oogloopend van hunne
verwanten. Zij maken tegen hunne oppassers nooit gebruik van hun
kracht, erkennen volkomen de oppermacht van den mensch en laten zich
met groot gemak behandelen. Zij hebben althans meer vrees voor den
oppasser als deze voor hen. Zij zijn echter ook bang voor ieder ander
dier. Een kleine Olifant, die langs de hokken der door mij verzorgde
Baribals werd geleid, bracht onder hen zooveel schrik teweeg, dat zij
ijlings in den boom klommen, die in hun hok was geplaatst, alsof zij
daar beschutting wilden zoeken. Zij houden er niet van, met andere
Beren, die men bij hen brengt, te vechten; zelfs een klein, moedig
dier van hun eigen soort kan over hen de baas spelen.

Aan gevangene exemplaren kan men voortdurend opmerken, hoe gemakkelijk
en behendig de Baribals klimmen kunnen. Als zij ergens door verschrikt
worden, springen zij met één afzet ongeveer 2 M. hoog tot op de
eerste takken van een gladden eikenstam en klimmen dan zeer snel en
met vasten tred tot in den top omhoog. Eens toen de oppasser een oude
berin in haar hok wilde drijven, sprong zij over hem heen in den boom.

De stem van den Baribal gelijkt op die van den Landbeer, maar is veel
zwakker en klagender.

Door de goedgeefschheid van welwillende vrienden kunnen de Baribals
zeer verwend worden. Zij weten, dat zij gevoederd worden, en herinneren
hem, die het mocht vergeten hun iets te geven, door een klagend
gesmeek aan zijn gewoonte. Zoo geraken zij aan het bedelen gewend;
zij doen het op een wijze, waaraan niemand weerstand kan bieden;
de houdingen, die zij aannemen, als zij de armen uitstrekken, zijn
zoo potsierlijk, in hun gejammer weten zij zooveel verscheidenheid
te brengen, dat iedereen er door tot mildheid wordt bewogen.



Een van de Aziatische vertegenwoordigers van het Berengeslacht is
de _Kraag-beer_, de _Zwarte Himalaja-beer_ van de Engelsche jagers,
de _Kama_ van de Japaneezen (_Ursus torquatus_). Hij is betrekkelijk
slank van gestalte; de kop waaraan het voorhoofd en de rug van den
neus ongevoelig in elkander overgaan, eindigt in een spitsen snuit,
de ooren zijn rond en betrekkelijk groot, de pooten middelmatig lang,
de voeten kort, de teenen met korte, maar krachtige nagels gewapend. De
beharing en de kleur wisselen, naar het schijnt, tamelijk af, indien
het namelijk waar blijkt te zijn, dat de mededeelingen hierover op een
zelfde soort en niet op twee verschillende soorten betrekking hebben.

Wallich vond dezen Beer in Nepal; Siebold zegt in zijn werk over de
dierenwereld van Japan, dat de Kama niet alleen in China en Japan,
maar ook in de meeste gebergten van het vasteland en van de eilanden
van Zuid-Azië veelvuldig voorkomt. In Noord-Indië en Kaschmir bewoont
de Kraag-beer bij voorkeur dicht begroeide gedeelten van het woud in
de nabijheid van akkers en wijnbergen, in het zuidoosten van Siberië
daarentegen de hoogstammige bosschen. Hij kan uitmuntend klauteren en
klimt met gemak in de hoogste boomen; van de Birar-Toengoesen vernam
Radde, dat deze Beer zelden op den bodem komt, zich des zomers in de
kronen der boomen prieeltjes maakt door takken naar elkander toe te
buigen en dooreen te schuiven en des winters in zittende houding in
holle boomen slaapt, dat hij lafhartig en niet gevaarlijk is, omdat
hij een kleinen bek heeft, en alleen bijten kan, en niet, zooals
de Landbeer, ook scheuren. Adams kreeg geheel andere berichten; hij
verzekert, dat de Kraag-beer door de bewoners van de gebergten van
Indië zeer gevreesd wordt. Blanford zegt van hem, dat hij meer dan de
andere Beren begeerig is naar vleesch, dat hij niet alleen klein vee
en Herten, maar ook Runderen en Paarden doodt, nu en dan ook krengen
vreet, maar toch hoofdzakelijk van plantaardig voedsel leeft.

De gevangene Kraag-beren, die tegenwoordig in alle groote dierentuinen
te zien zijn, gelijken door hun gedrag het meest op den Baribal,
hebben nagenoeg dezelfde eigenaardigheden en gewoonten als deze,
staan wat hunne geestvermogens betreft nagenoeg op dezelfde hoogte
en onderscheiden zich van hem hoogstens door de sierlijkheid van
hunne bewegingen.



Van de tot dusver genoemde soorten van de Berenfamilie wijkt de
_Maleische Beer_, de _Broean_, of--zooals, volgens Von Rosenberg, de
naam eigenlijk luidt--de _Biroeang_ der Maleiers (_Ursus malayanus_)
aanmerkelijk af. Hij heeft een gerekt, maar toch plomp gebouwd
lichaam, een dikken kop met breeden snuit, kleine ooren, zeer kleine,
onnoozele oogen en naar verhouding zeer groote teenen met lange,
krachtige klauwen. Zijn lengte bedraagt tennaastenbij 1.4 M., zijn
hoogte ongeveer 70 cM. De kortharige, maar dichte vacht is glanzig
zwart, met uitzondering van de vaalgele zijden van den snuit en een
gele of althans lichte vlek op de borst, die meestal den vorm van
een hoefijzer heeft, maar soms ringvormig is.

De Biroeang bewoont Borneo, Java, Sumatra en het Maleische
schiereiland. Van zijn leven in vrijen toestand is zeer weinig
bekend. Zeker weet men echter, dat hij uitmuntend klimmen kan,
misschien beter dan alle zijne verwanten; naar men zegt, leeft
hij evenveel op de boomen als op den grond, en voedt hij zich
uitsluitend met plantaardige stoffen en Insecten, hoewel hij nu en
dan waarschijnlijk wel een Zoogdier of een Vogel buit maakt. Volgens
Marsden richt hij in de cacaoplantages op Sumatra soms groote schade
aan, en klimt hij ook in de kokospalmen om er de malsche, jonge
uitspruitsels van op te eten.

Naar het schijnt, wordt dit dier in zijn vaderland niet zelden
gevangen gehouden, omdat men dezen even snaakschen, als goedaardigen en
onschadelijken klant zelfs aan kinderen als speelkameraad geven kan, en
hem naar zijn eigen verkiezing op het erf kan laten rondloopen. _Sir_
Stamford Raffles, die een van deze Beren bezat, kon hem gerust in de
kinderkamer toelaten, en was nimmer genoodzaakt hem aan een ketting
te leggen of door slagen te bestraffen. Meer dan eens kwam hij zeer
netjes aan tafel en vroeg om wat eten. In dit geval toonde hij zich
een echten fijnproever, daar hij geen andere vruchten dan mangos
eten en niets anders dan champagne drinken wilde. Van dezen wijn
was hij een hartstochtelijk liefhebber, en als hij een tijdlang
zijn lievelingsdrank niet kreeg, verloor hij, naar het scheen,
zijn goed humeur. Maar deze uitmuntende kameraad verdiende wel
een glas wijn. Iedereen in huis hield van hem; hij gedroeg zich in
alle opzichten voorbeeldig; want hij deed zelfs het kleinste dier
geen kwaad.

Geheel anders, althans zoover mijne ervaringen reiken, is het gedrag
van den Biroeang als hij bij ons in een hok gevangen zit: hij is dom,
maar niets minder dan goedaardig, eerder koppig en valsch. Hoe goed hij
ook verzorgd wordt, toont hij zich toch maar zelden vriendschappelijk
gezind jegens zijn oppasser.



Wanneer men de zienswijze van eenige natuuronderzoekers volgt en
het tamelijk geringe verschil in gedaante en levenswijze, dat bij
onze Land-beren voorkomt, reeds voldoende acht om deze dieren tot
verschillende soorten te brengen, is het verklaarbaar, dat men
den _IJsbeer_ (_Ursus maritimus_) als vertegenwoordiger van een
zelfstandig geslacht beschouwt. De eerste zeevaarders, die van dezen
Beer melding hebben gemaakt, meenden trouwens in hem slechts een
verscheidenheid van onzen "Bruin" te ontdekken, wiens vel door het
klimaat der koude poolgewesten met de hun eigenaardige sneeuwkleur
was begiftigd; deze dwaling duurde echter niet lang, omdat men zeer
spoedig de belangrijke punten van verschil opmerkte, die tusschen de
Landberen en den IJsbeer bestaan. De laatstgenoemde onderscheidt zich
van de tot dusver genoemde soorten der familie door den meer gerekten
romp met langen hals, door de korte, forsche en krachtige pooten,
welker voeten veel langer en breeder zijn dan die der andere Beren,
en welker teenen door sterke spanvliezen bijna tot op de helft van hun
lengte met elkander verbonden zijn. Hij is verreweg de grootste van
alle Beren, want bij een schouderhoogte van 1.3 à 1.4 M. bereikt hij
een lengte van 2.5 à 2.8 M. en een gewicht van 600 KG., in bijzonder
vetten toestand zelfs 800 KG.

De romp van den IJsbeer is veel plomper, maar toch meer gerekt, de
hals aanmerkelijk dunner en langer dan bij den Gewonen Beer, de kop
langwerpig, neergedrukt, en betrekkelijk smal, het achterhoofd zeer
verlengd, het voorhoofd plat, de van achteren dikke snuit is van voren
spits; de ooren zijn klein, kort en zeer afgerond, de neusgaten verder
geopend en de muil minder diep gespleten dan bij den Landbeer. De
dikke en kromme klauwen zijn slechts middelmatig lang; de staart is
zeer kort, dik en stomp, en steekt nauwelijks buiten de vacht uit. De
lange, vlokkige, overvloedige en dichte beharing bestaat uit korte
wol en sluike, glanzige, zachte, bijna wollige bovenharen, die aan
den kop, den hals en den rug het kortst, aan 't achterdeel, de buik
en de pooten het langst zijn; ook de zolen zijn er mede bekleed. Op
de lippen en boven de oogen bevinden zich een gering aantal borstelige
haren; aan de oogleden ontbreken de wimpers. Met uitzondering van een
donkeren ring om de oogen, van den onbehaarden top van den neus, van
de randen der lippen en van de klauwen, is de IJsbeer sneeuwkleurig;
bij de jonge dieren is dit kleed zuiver zilverwit, terwijl het bij
de oudere, naar men beweert tengevolge van het tranige voedsel, een
geelachtige tint verkrijgt. Het jaargetijde oefent niet den geringsten
invloed op de kleur uit.

De IJsbeer bewoont de noordelijkste gewesten der aarde, de eigenlijke
ijsgordel van de pool, en komt alleen daar voor, waar het water
gedurende een groot deel van het jaar of aanhoudend, althans
gedeeltelijk tot ijs verstijft. Hoe ver hij zich noordwaarts begeeft,
kon tot dusver niet uitgemaakt worden; zoo ver de mensch echter in deze
ongastvrije gewesten doorgedrongen is, heeft hij hem als levenslustige
bewoner van den aan 't leven vijandigen aardgordel ontmoet, terwijl
hij in zuidelijke richting slechts bij uitzondering nog op den 55en
NB. graad waargenomen wordt. Hij is geen uitsluitend bewoner van een
der drie noordelijke werelddeelen, maar is hun gemeenschappelijk
eigendom. Door geen ander wezen bedreigd of in gevaar gebracht,
trotseert hij onbeschroomd de ijzigste koude en de vreeselijkste
beroeringen van den dampkring, waarvan wij ons bijna geen denkbeeld
kunnen vormen, zwerft door het land en doorkruist de zee nu eens over
de haar bedekkende ijsmassa's, dan weer door de onstuimige golven;
in ieder geval moet de sneeuw zelf hem een kleed, een beschutting,
een leger leveren. Aan de oostkust van 't noordelijkste deel van
Noord-Amerika, in de gewesten die de Baffins- en Hudsonsbaaien
omzoomen, in Groenland en Labrador, op Spitsbergen en andere eilanden,
is hij gemeen en zoowel op den vasten grond als op het drijfijs te
vinden, in Azië is het dubbel-eiland Nowaja-Semlja zijn hoofdzetel;
hij wordt echter ook op de Nieuw-Siberische eilandengroep en zelfs op
het vasteland aangetroffen, hoewel dit laatste alleen dan geschiedt,
als de ijsschotsen hem derwaarts voeren; zoo landt hij menigmaal
op Lapland en ook wel op IJsland aan. Dikwijls zag men IJsberen
op deze wijze te midden van het overigens ijsvrije water op grooten
afstand van de kust voortdrijven. Soms komen zij tot troepen vereenigd
voor. Scoresby bericht, dat hij eens op de kust van Groenland wel 100
IJsberen bijeenzag, waarvan er 20 gedood werden. Het onbewoonde eiland
St. Mattheus in de Beringzee, schijnt een bijzondere aantrekkelijkheid
voor hen te hebben; het wemelt er letterlijk van deze dieren. Honderden
IJsberen wonen hier ongestoord, van de geheele overige wereld
afgesloten. Ook ten noorden van de Beringstraat zijn zij veelvuldig;
waar een overvloed van voedsel te vinden is, verzamelen zij zich
dikwijls in grooten getale. "Wij zagen," schrijft Pechuel-Loesche,
"op een ijsveld een buitengewoon talrijke verzameling van Beren; het
was duidelijk, dat hiervoor een bijzondere reden bestond. Deze bleef
niet lang voor ons verborgen. Het gezwollen lijk van een Walvisch
was naar den rand van het ijsveld gedreven; de Beren hadden zich
tot een gastmaal vereenigd. Vermakelijk was het te zien, hoe deze in
't wit gekleede feestelingen, waarvan sommige zich op afschuwelijke
wijze bevuild hadden bij de stellig moeitevolle ontleding van den
vleeschberg, hun strandrecht uitoefenden. Over onze komst waren zij
volstrekt niet gesticht; zij schenen niet weinig lust te gevoelen,
om hun buit tegen de naderende boot te verdedigen. Toen echter de
stevigste voorvechter met een door kogels verbrijzelden nek ter
aarde stortte en een tweede zwaar verwond was, namen zij merkwaardig
snel de vlucht. Als een bende mokkende Wolven vormden zij op veiligen
afstand een kring om ons heen en maakten, terwijl zij onzen terugtocht
afwachtten, op plompe wijze allerlei dreigende bewegingen."

De IJsbeer is over 't geheel genomen log van beweging, maar in de
hoogste mate volhardend. Dit blijkt vooral bij 't zwemmen, in welke
kunst deze Beer meesterlijk ervaren is. De snelheid, waarmede hij zich
uren achtereen op gelijkmatige wijze, zonder bijzondere inspanning
door het water beweegt, wordt door Scoresby op 4 à 5 KM. per uur
geschat. Zijn groote massa vet komt hem bij 't zwemmen uitmuntend
te pas, daar het soortelijk gewicht van zijn lichaam hierdoor
tennaastenbij gelijk wordt aan dat van het water. Daarom kan hij
zich dagen lang in 't water ophouden; hij doorkruist onafzienbare
watervlakten en wordt dikwijls ver van 't land en van het drijfijs
in de open zee aangetroffen. Zoolang men hem niet van al te nabij
bedreigt, zal hij zich, volgens de ervaringen van Pechuel-Loesche,
steeds met het achterste deel van het lichaam het eerst te water
begeven; de behoedzame, bijna beschroomde wijze, waarop hij zich er
in laat glijden, maakt een zeer komischen indruk. Even uitmuntend
als hij zich aan de oppervlakte van het water beweegt, verstaat hij
de kunst van duiken. Men heeft opgemerkt, dat hij Zalmen uit het
water heeft gehaald, waaruit een vaardigheid in 't duiken blijkt,
die in zeer hooge mate bewondering verdient. Ook op het land is
hij volstrekt niet zoo onbeholpen en onbekwaam, als zijn gewone,
langzame en omzichtige gang zou doen vermoeden. Wanneer hij in zijn
schijnbaar plompen draf of galop vervalt, beweegt hij zich, zelfs op
het oneffene ijs en den hobbeligen bodem, met een verrassende snelheid;
hij weet daarbij met groote omzichtigheid overal den gemakkelijksten
weg te kiezen. Zijne zintuigelijke vermogens zijn buitengewoon scherp,
vooral het gezicht en de reuk. Als hij over groote ijsvelden gaat,
beklimt hij, volgens Scoresby, de ijsblokken, en ziet rond naar
buit. Doode Walvisschen of een in 't vuur geworpen stuk spek ruikt
hij op ongeloofelijk grooten afstand.

Het voedsel van den IJsbeer bestaat uit nagenoeg alle dieren, die
de zee of de onherbergzame kusten van zijn vaderland bewonen. Zijn
vreeselijke lichaamskracht, welke die van alle overige beerachtige
Roofdieren nog aanmerkelijk overtreft, en de reeds genoemde
behendigheid in 't water, maken het hem tamelijk gemakkelijk, zich
van het noodige te voorzien. Zijn liefste wild zijn de Zeehonden, en
hij is sluw en bekwaam genoeg, om deze schrandere en behendige dieren
te overmeesteren. Als hij van verre een Rob op het droge ziet liggen,
begeeft hij zich stil en onhoorbaar in de zee, zwemt tegen den wind in
naar zijn slachtoffer toe, nadert het met de grootste voorzichtigheid,
en duikt plotseling uit de zee op, in de onmiddellijke nabijheid van
het dier, dat dan reddeloos verloren is. De Robben liggen in deze
ijzige gewesten gewoonlijk dicht bij de gaten en spleten van het ijs,
waardoor zij in staat zijn zich onmiddellijk te water te begeven. Deze
openingen weet de IJsbeer, die onder de oppervlakte van de zee
voortzwemt, met groote scherpzinnigheid te bereiken; de gevreesde kop
van den verschrikkelijksten vijand der onbeholpen Zeehonden vertoont
zich plotseling, als 't ware in hun eigen huis, in den eenigen gang,
waardoor zij anders misschien hadden kunnen ontvluchten. Visschen weet
de IJsbeer buit te maken door te duiken en ze zwemmend te vervolgen,
of door ze in de met water gevulde spleten van het ijs te drijven,
en ze hier uit te halen. Landdieren overvalt hij alleen, als het
hem aan ander voedsel ontbreekt; Rendieren, IJsvossen en Vogels zijn
echter in 't geheel niet veilig voor zijne aanslagen. Osborne zag een
wijfjes-IJsbeer steenblokken omkantelen, om hare jongen van Lemmingen
te voorzien, en Brown heeft, evenals Kükenthal opgemerkt, dat hij in
grooten getale de eieren van de Eidereenden opvreet. Zelfs moeielijk
toegankelijke broedplaatsen van zeevogels worden over 't algemeen
geregeld door hem bezocht; bij het opeischen van zijn aandeel in den
overvloed van eieren en nestvogels der arctische kusten moet hij in
sommige gevallen treffende bewijzen van zijn klimkunst geven. Doode
dieren eet hij even graag als versch vleesch; men beweert, dat hij
zelfs de lijken van zijne soortgenooten niet versmaadt. In de zeeën,
die door Robben-slagers en Walvisch-vangers bezocht worden, leveren
de van huid en spek beroofde lijken van de Zeehonden en Walvisschen
hem een overvloed van voedsel, dat hij op een gemakkelijke wijze
verkrijgt. Toch is hij volstrekt niet uitsluitend vleescheter;
hij maakt daar, waar dit mogelijk is, ook gebruik van plantaardige
stoffen, vooral van bessen, gras en mos, zooals herhaaldelijk werd
opgemerkt door personen, die dikwijls IJsberen ontmoet hebben. Vele
oude dieren zijn, naar het schijnt, in den zomer op gunstig gelegen
plaatsen hoofdzakelijk, zoo niet uitsluitend planteneters; de inhoud
van de maag van gedoode exemplaren leverde hiervoor het stellig bewijs.

Naar alle waarschijnlijkheid houden de meeste IJsberen geen
winterslaap. Gedurende den geheelen winter krijgt men deze dieren
te zien en kan men jacht op hen maken. In dit jaargetijde leven zij
voortdurend in de nabijheid van het open water, dus aan de zeekust of
op het drijfijs. De drachtige wijfjes maken een uitzondering op dezen
regel; zij zoeken tegen den aanvang van den winter een schuilplaats
op en werpen hier jongen in de koudste maanden van het jaar. Kort
na de paring, die, naar gezegd wordt, in Juli plaats heeft, maakt
de berin zich een rustplaats gereed onder rotsen of overhangende
ijsblokken. Soms bepaalt zij zich tot het graven van een kuil in
de sneeuw, waarin zij zich nedervlijt; wegens de groote hoeveelheid
sneeuw, welke op deze breedten valt, is dit winterverblijf na verloop
van korten tijd met een dik en tamelijk warm sneeuwdek voorzien. De
berin heeft, eer zij zich hier terugtrok, een groote hoeveelheid vet
in haar onderhuidsbindweefsel opgehoopt; hierop teert zij gedurende
den geheelen winter; want zij verlaat haar leger niet, voordat de
lentezon tamelijk hoog aan den hemel staat. Intusschen heeft zij hare
jongen ter wereld gebracht. Veel eerder dan de jongen van den Landbeer
begeleiden deze hun moeder op hare reistochten. Zij worden door haar
zeer zorgvuldig en liefderijk verpleegd, gevoed en beschermd. Zelfs
wanneer zij reeds half of bijna geheel volwassen zijn, deelt de
moeder in alle gevaren van haar kroost; reeds gedurende hun prille
jeugd leert zij hun het bedrijf, waardoor zij later in hun onderhoud
moeten voorzien, n.l. zwemmen en Visschen vervolgen. De kleine, aardige
diertjes zijn spoedig zoowel in de eene als in de andere kunst ervaren,
maar vatten hun taak zoo gemakkelijk mogelijk op; zelfs wanneer zij
reeds tamelijk groot geworden zijn, kiezen zij onbezorgd den rug van
hun moeder als rustplaats, zoodra zij vermoeid zijn van den arbeid.

De ontdekkingsreizigers en de walvischvangers hebben roerende
voorbeelden medegedeeld van de zelfopofferende liefde van de IJsberin
voor hare jongen. "Een berin," verhaalt Scoresby, "die twee jongen
bij zich had, werd door eenige gewapende matrozen op een ijsveld
vervolgd. In den beginne scheen zij de jongen tot grooteren spoed
te willen aansporen, door vooruit te loopen en telkens om te kijken,
ook trachtte zij door eigenaardige gebaren en een bijzondere, angstige
toon van haar stem hun het gevaar mede te deelen; toen zij echter zag
dat hare vervolgers haar te na kwamen, deed zij haar best de jongen
vooruit te drijven, te schuiven en te stooten; werkelijk ontkwam zij
gelukkig met haar kroost."

De boeken vermelden vele door IJsberen veroorzaakte ongelukken;
menig Walvischvanger heeft voor de hoogst vermetele poging om
zulk een dier met onvoldoende wapens te bevechten, met zijn
leven moeten boeten. Zulke verhalen komen veelvuldig voor in
reisbeschrijvingen uit vroegeren tijd, zelden echter in die van den
laatsten tijd. Op tweeërlei wijze kan men deze soms zeer sterk in
't oog loopende tegenstrijdigheid verklaren: het kan zijn, dat men
vroeger de gevaarlijkheid van den IJsbeer zeer overschat heeft;
't is ook wel mogelijk, dat zijn grimmige aard zich langzamerhand,
misschien tengevolge van een nadere kennismaking met den mensch,
aanmerkelijk gewijzigd heeft. Hoe dit ook zij, de voorstelling,
die men indertijd van de gevaarlijkheid dezer dieren verkreeg,
door op allen toe te passen, wat bij eenigen werd opgemerkt, is
niet juist. De ervaringen van hen die in laatste tientallen van
jaren dikwijls IJsberen nagegaan en jacht op hen gemaakt hebben,
is hiermede geheel in tegenspraak. Lamont, die voor zijn genoegen, in
zijn eigen schip jachtreizen ondernam en ook het hooge noorden bezocht,
schrijft over den IJsbeer: "Ik houd hem voor het sterkste Roofdier ter
wereld; evenals alle overige wilde dieren zal hij echter, zeer zeldzame
gevallen uitgezonderd, voor den mensch geen stand houden, zoolang hij
hem ontwijken kan." Nordenskiöld vat zijn eigene ervaringen en die
van vele hem bekende walvischvangers en robbenjagers in de volgende
volzinnen samen: "Een ongewapend mensch, die een IJsbeer ontmoet, zal
hem gewoonlijk door eenige hevige bewegingen en door luid geschreeuw
kunnen verjagen; wie op de vlucht gaat, kan er zeker van zijn, het
dier weldra achter zich aan te zullen hebben. Als de Beer gewond wordt,
neemt hij altijd de vlucht. Dikwijls legt hij met den poot sneeuw op de
wonde; soms graaft hij gedurende zijn doodstrijd met de klauwen een gat
in de sneeuw om zijn kop er in te verbergen. Soms zwemt een Beer naar
het voor anker liggend vaartuig toe; wie op afgelegen plaatsen zijn
tent opslaat, vindt des morgens dikwijls in de nabijheid een Beer, die
gedurende den nacht de tent besnuffeld heeft, zonder het te wagen er
in door te dringen. Vroeger veroorzaakte het zien van een Beer schrik
bij de Noordpoolreizigers, thans echter aarzelen de zeedieren-jagers
niet, om zelfs een groote troep Beren onmiddellijk met de lans aan
te vallen. Op het geweer verlaten zij zich minder. Menigmaal hebben
zij in korten tijd verscheidene, soms wel 12 van deze dieren, met
den lans gedood. Mij is slechts één enkel geval bekend, waarin een
Noorsche jager door een Beer ernstig gewond werd."

De berichten over IJsberen in het Oosten van Groenland stemmen met de
zooeven genoemde mededeelingen overeen. "Ontmoetingen met IJsberen,"
schrijven Copeland en Payer "hebben zeer ongelijke gevolgen. Gedurende
een sledetocht komt het niet zelden voor, dat de reizigers, als zij
wegens gebrek aan tijd of andere dringende omstandigheden genoodzaakt
zijn van de jacht af te zien, een of meer IJsberen voorbijtrekken,
die zich dikwijls op een afstand van slechts weinige schreden
bevinden. Meestal verraadt de houding dezer dieren in dit geval geen
ander gevoel dan nieuwsgierigheid en verbazing. Soms ook bepalen zij
er zich toe, rondom de slede te drentelen, waarbij zij den kop steeds
daarheen gericht houden. Klentzer, een van onze matrozen, heeft echter
eens in onze winterhaven in een positie verkeerd, die even hachelijk
als komisch was. Klentzer liep ongewapend langs de hellingen van
den Germaniaberg, toen hij op een afstand van 2000 schreden van
het schip dicht achter zich een Beer opmerkte. De ongeloofelijke
snelheid van deze dieren, die iedere poging om te vluchten verijdelt,
was hem bekend; ook wist hij, dat men reeds dikwijls met goed gevolg
de aandacht van het dier van de vervolging afgeleid heeft, door van
tijd tot tijd een voorwerp te laten vallen, terwijl men intusschen
zonder zijn gang te bespoedigen, onder voordurend hulpgeroep nader
bij het schip tracht te komen. Achtereenvolgens wierp hij daarom
muts, handschoenen, stok enz. van zich, welke de Beer een voor een
vernielde. Toch stond deze eindelijk naast hem, en besnuffelde zijn
hand als een Hond. Toen nam de man, die onophoudelijk om hulp riep,
het even wanhopig als machteloos besluit, om zijn vijand, in geval
hij hem aanviel, met den riem, dien hij juist van zijn middel had
losgegespt, te worgen. Zijn luidkeels geroep om hulp werd op het
schip gehoord. Wij wapenden ons zoo schielijk mogelijk, maar het
ergste was te vreezen. Door den grooten afstand zou de Beer tijd
genoeg gehad hebben om zijn slachtoffer tien maal te verscheuren,
maar hij draalde hiermede zoolang, dat wij hem door onze nadering,
ons geroep en onze schoten op de vlucht konden drijven. Over steil
afhellende rotsmassa's holde hij terug--en was als weggeblazen."

"In het gebied van de oostkust van Spitsbergen," schrijft ons
Kükenthal, "aan den rand van een samenhangende ijsmassa, die zich
tot het Noordoostland uitstrekte, troffen wij een buitengewoon groot
aantal IJsberen aan, waarvan wij er in den loop van 6 weken 18 doodden
en 2 levend vingen."

De IJsbeer wordt ter wille van zijn vleesch, vet en vel gejaagd, waar
men hem ook ontmoet. Men tracht hem te vangen met geweren, lansen en
vallen; sommige jagers maken ook, volgens Seemann, van de volgende
list gebruik. Zij buigen een stuk balein, dat omstreeks 10 cM. breed
en 60 cM. lang is, tot een klein bundeltje samen, omgeven het met
Zeehondenvet en laten dit bevriezen. Daarna zoeken zij den Beer op,
plagen hem door een pijlschot, werpen den vetklomp neer en vluchten. De
Beer besnuffelt het achtergelaten voorwerp, bemerkt dat het eetbaar
is, en brengt door het in te slikken zijn dood teweeg, want in de
warme maag wordt het vet week, de balein ontspant zich en verscheurt
de ingewanden. Wij willen in 't midden laten of dergelijke verdachte
stukken vet door het wantrouwige en "geplaagde" dier werkelijk in
hun geheel verzwolgen worden; maar moeten erkennen, dat de IJsberen,
als zij zich veilig achten, de meest verschillende en vreemdsoortige
voorwerpen verzwelgen. Ook houden zij er bijzonder veel van om den
voorraad, dien de Poolreizigers hier en daar in de ijswoestijnen voor
latere tijden neerleggen, te onderzoeken en zich toe te eigenen. Het
is gebleken, dat het beste middel om deze rooverijen te keer te gaan,
bestaat in het bedekken van den goederenvoorraad met zand, dat men met
water overgiet, totdat het geheel besloten is in een bevroren aardlaag
van voldoende dikte. Houten huizen worden door de Beren vernield,
steenhoopen, kisten, vaten enz. rukken zij uiteen, en verslinden de nu
voor hen toegankelijke schatten, voor zoover zij ze door hun keelgat
kunnen krijgen. Kane verhaalt, dat deze roovers, behalve vleesch
en scheepsbeschuit, ook koffie, zeildoek en de Amerikaansche vlag
opvraten, kortom den geheelen inhoud van de bergplaats met uitzondering
van de ijzeren voorwerpen. Een IJsbeer, die door de manschappen van
Mc. Cluze, gedurende een van de expedities tot redding van Franklin
gedood werd, had zijn maag volgestopt met rozijnen, pekelvleesch,
tabak en hechtpleister, welk maal hij natuurlijk alleen in een
der vernielde goederenbergplaatsen in het hooge noorden had kunnen
doen. De IJsberen ontroofden aan de Duitsche Noordpoolreizigers de
meettoestellen tot het bepalen van de basislengte en de ijssporen,
verslonden, terwijl de reizigers op een sledetocht uit waren, de
suiker en de stearinekaarsen, kauwden zelfs de kaoetsjoekflesschen en
de pakjes tabak stuk, en trokken de kurk uit de spiritusflesch; met
het onderzoek van een belangrijk dagboek waren zij gelukkig nog maar
juist begonnen, toen hunne misdrijven ontdekt en zij weggejaagd werden.

Zeer jong gevangen IJsberen kunnen getemd en ook eenigszins afgericht
worden. Zij laten toe, dat hun meester hen in hun hok bezoekt; ook
stoeien zij wel met hem; de gevangenschap bevalt hun echter volstrekt
niet. Zelfs in hun vaderland en in hun prille jeugd gevoelen zij zich
binnenshuis niet op hun gemak; men kan hun geen grooter genoegen
aandoen, dan door hun te veroorlooven, zich in de sneeuw en op het
ijs rond te wentelen. In een groote ruimte met een diep en wijd
waterbekken, zooals tegenwoordig in een goed ingerichten dierentuin
voor den IJsbeer gemaakt is, bevindt dit dier zich tamelijk wel; uren
lang speelt hij in 't water met zijne medegevangenen, of ook wel met
blokken hout, ballen enz. Op lateren leeftijd wordt hij prikkelbaar
en hartstochtelijk. Tegenover andere dieren van zijn soort is hij,
zoodra het eten in het spel komt, onverdraagzaam en slecht gehumeurd,
hoewel het tusschen twee even sterke IJsberen slechts zelden tot een
werkelijken strijd komt en zij hun toorn alleen te kennen geven door
elkander af te snauwen. Bij zeer goede verzorging is het mogelijk,
IJsberen verscheidene jaren lang in 't leven te houden.

Het vleesch en het spek van den IJsbeer worden door alle bewoners van
het hooge noorden gaarne gegeten. Ook de Europeesche jagers gebruiken
het, nadat zij het vet er uit verwijderd hebben en vinden het niet
onsmakelijk; zij beweren echter, dat het gebruik van dit vleesch
dikwijls onpasselijkheid veroorzaakt. Vooral de lever van het dier
heeft, naar men zegt, een zeer schadelijke werking, en wordt door
sommigen ronduit vergiftig genoemd.

Het vel van den IJsbeer is duurder dan dat van eenig ander lid der
Berenfamilie: al naar de grootte en de fraaiheid wordt er 120 à 300
gulden voor betaald.



De _Lippenbeer_ of _Honigbeer_, de _Slothbear_ der Engelschen, die in
Indië _Aswail_ heet (_Melursus labiatus_), wordt als vertegenwoordiger
van een afzonderlijk geslacht beschouwd, omdat hij in gestalte
en aard in 't oog loopend verschilt van de tot dusver behandelde
Eigenlijke Beren. Hij onderscheidt zich door een korten, dikken
romp, korte pooten, vrij groote voeten, welker teenen met kolossale,
sikkelvormige klauwen gewapend zijn, een verlengden snuit met stompe
spits en lippen, die ver vooruitgestoken kunnen worden; zijn lang,
vlokkig haar vormt in den nek manen en hangt ook aan de zijden ver
naar beneden. Dat dit dier een vreemden indruk maakt, blijkt o.a. uit
den naam _Beerachtige Luiaard_ (_Bradypus ursinus_), waaronder het
voor 't eerst beschreven werd. Door een schrijver werd het zelfs als
"het naamlooze dier" aangeduid. In Europa werd de Lippenbeer tegen
het einde van de vorige eeuw bekend; in het begin van deze eeuw werd
hij voor 't eerst levend naar hier gebracht.

De lengte van den Lippenbeer bedraagt, met inbegrip van het 10 à 12
cM. lange staartstompje, hoogstens 1.8 M.; de hoogte in de schoften is
dan 85 cM. Op het breede en platte voorhoofd volgt de lange, smalle,
spits toeloopende, slurfvormige snuit, die hoogst eigenaardige
eigenschappen heeft. De neusvleugels zijn buitengewoon beweeglijk,
maar worden in dit opzicht nog overtroffen door de lange, uiterst
rekbare lippen. Reeds in den rusttoestand steken zij tamelijk ver voor
de kaken uit; zij kunnen echter in sommige gevallen zoozeer verlengd,
vooruitgestoken, samengevouwen en omgeslagen worden, dat zij een soort
van buis vormen, die bijna geheel de rol van een slurf vervult. De
lange, smalle en platte, van voren afgestompte tong, helpt mede tot
het vormen en bruikbaar maken van deze buis, die het dier gebruikt niet
alleen om voorwerpen van allerlei aard te grijpen en naar zich toe te
trekken, maar ook om zich hieraan vast te zuigen. Overigens zijn aan
den kop nog op te merken de korte, stomp toegespitste, rechtopstaande
ooren en de kleine, scheef geplaatste oogen, welke eenigszins
aan varkensoogen herinneren; men ziet echter van den geheelen kop
maar zeer weinig, omdat zelfs de kort behaarde snuit grootendeels
bedekt wordt door de in 't oog loopend lange, borstelige haren van
de kruin. Ook de staart is wegens de lange beharing onzichtbaar;
terwijl de nog langere haren van den hals en den nek dichte, gekroesde,
ruige manen vormen. In het midden van den rug vormen de hier dooreen
gewarde haren gewoonlijk twee zeer groote verhevenheden, die er
uitzien, alsof het dier een bult heeft. Het geheele voorste deel van
het dier verkrijgt hierdoor een zeer wanstaltig voorkomen, dat nog
belangrijk toeneemt door den plompen, loggen romp en de korte, dikke
pooten. Zelfs de voeten zijn vreemdsoortig; de buitengewoon lange,
scherpe en gekromde klauwen maken een bijzonder eigenaardigen indruk,
waardoor men werkelijk aan den Luiaard herinnerd wordt. Ook het gebit
krijgt door het vroegtijdig uitvallen van de snijtanden een uitzicht,
dat tot vergissing aanleiding zou kunnen geven. De kleur van de grove
haren is glanzig zwart; de snuit is grijs of vuil wit van kleur, op de
borst komt een witte hoefijzervormige vlek voor. Soms hebben ook de
teenen een zeer lichte kleur. De klauwen zijn in den regel witachtig
hoornkleurig, de zolen echter zwart. De jongen onderscheiden zich
van de ouden door geringere ontwikkeling van de manen aan den kop en
de schouders, waardoor de betrekkelijk groote ooren duidelijker voor
den dag komen; hunne klauwen zijn donkerder, de snuit is tot achter
de ooren geelachtig bruin en de hoefijzervormige vlek op de borst
geelachtig wit.

De Lippenbeer bewoont geheel Voor-Indië, bijna van den voet van den
Himalaja af tot aan de zuidspits, bovendien Ceylon. Hij houdt van
heuvelachtige gewesten en dsjungels, en is, hoewel er veel jacht op
hem gemaakt wordt, ook thans nog een van de veelvuldigst voorkomende
groote dieren van Indië; in enkele gewesten is hij trouwens zoo
goed als uitgeroeid. Op Ceylon verbergt hij zich, naar Tennent
bericht, in de dichtste wouden van de heuvelachtige landschappen
aan de noordelijke en zuidoostelijke kust; op groote hoogte wordt
hij even zeldzaam aangetroffen als in de vochtige laaglanden. In het
gebied van Karetschie was hij gedurende een lang aanhoudende droogte
zoo veelvuldig, dat de vrouwen de door hen zoo geliefde baden en
wasschingen in de rivieren geheel moesten opgeven, daar zij niet
alleen op het land, maar ook in het water Beren ontmoetten; in het
water bevonden deze dieren zich zeer tegen hun zin; zij waren bij
het drinken in den stroom gevallen en konden wegens hun logheid er
niet weder uitkomen. Gedurende de heetste uren van den dag ligt onze
Beer in door de natuur gevormde of door hem zelf gegraven holen,
vooral tusschen rotsblokken aan heuvelhellingen en in ravijnen,
verborgen. Ondanks zijn dichte en donkere beharing heeft hij niet veel
last van de warmte. Gewoonlijk echter brengt de Beer de heetste uren
van den dag in de een of andere koele schuilplaats door en komt eerst
's nachts te voorschijn; toch ziet men hem ook wel in de morgen- en
avonduren. Zijne zinnen zijn, met uitzondering van den reuk, in 't
geheel niet scherp; hij hoort en ziet zoo slecht, dat het volstrekt
niet moeielijk is, hem tot op zeer korten afstand te bekruipen. Hij
klimt zeer goed in de rotsen; niet zelden laat hij zich, wanneer
hij een schot hoort, of op een andere wijze verschrikt wordt, hals
over kop van een steile helling afrollen; ditzelfde doen echter ook
andere Beren.

Het voedsel van den Lippenbeer bestaat bijna uitsluitend uit
plantaardige stoffen en kleine, vooral Ongewervelde dieren;
naar men zegt, gebruikt hij slechts nu en dan eieren en kleine
Vogels. Alle berichtgevers verzekeren echter eenstemmig, dat hij geen
grootere dieren tracht buit te maken; wel zal hij soms doode dieren
verslinden. Sanderson en Mc. Master vermelden ieder één dergelijk
geval; den eenen keer betrof het een door een schot gedood hertje,
een anderen keer een door een Tijger gedooden Os. De jongen, die in
gevangenschap grootgebracht zijn, lusten echter graag vleesch, om 't
even of het gekookt of rauw is. Verscheidene soorten van wortels en
vruchten, de sappige bloemen van den moria-boom (_Bassia latifolia_),
die voor vele dieren een lekkernij zijn, raten uit Bijennesten,
zoowel wanneer zij met honig gevuld zijn, als wanneer zij jonge
dieren bevatten, rupsen, Slakken en Mieren vormen voornamelijk
zijn voedsel; zijne lange gekromde nagels bewijzen hem zeer goede
diensten bij het zoeken en opgraven van wortels en bij het openwoelen
van Mierennesten. Hij vernielt er zelfs de stevige woningen van de
Termieten mede, en richt dan onder deze dieren een groote slachting
aan. Sanderson verhaalt ook, dat de Lippenberen in vele gewesten trouw
de boschjes van Wilde Dadelpalmen bezoekt, wanneer men er het sap
uit aftapt, om er wijn van te maken. Zij beklimmen de 6 à 8 M. hooge
stammen tot in de toppen, waar de potten hangen, waarin men het sap
opvangt, en kantelen de gevulde potten met een poot zoover om, dat
zij er den inhoud uit kunnen slurpen. Men zou hun wel eenige liters
van dit vocht willen geven, als zij bij hunne onhandige rooverijen
niet zooveel potten braken. De benadeelde inboorlingen beweren, dat
de wijnroovers het niet de moeite waard achten weer naar beneden te
klauteren, maar zich eenvoudig op den grond laten vallen, en ook,
dat zij zich maar al te vaak een duchtigen roes verschaffen.

Tennent's berichten over den aard van den Lippenbeer worden
door latere mededeelingen niet in alle opzichten bevestigd. In
Oost-Indië verhaalt men, dat hij de Zoogdieren en ook de menschen
op de wreedaardigste wijze martelt, voordat hij ze verslindt. Hij
omvat zijn buit stevig met de armen en klauwen, om hem vervolgens op
zijn gemak en onder voortdurend zuigen met de lippen lid voor lid te
verbrijzelen. Gewoonlijk ontwijkt hij de menschen die in zijn nabijheid
komen, maar zijn langzaamheid verijdelt niet zelden zijn poging om
te vluchten, en nu gaat hij uit vrees, en met het doel om zich te
verdedigen, tot den aanval over. Zijn aanval is in zulke omstandigheden
zoo gevaarlijk, dat de Singaleezen hem als een der gevaarlijkste
Roofdieren beschouwen. Sanderson schrijft: "De Lippenberen zijn voor
ongewapende menschen niet ongevaarlijk. De houthakkers en andere
menschen, die in wouden en dsjungels hun beroep uitoefenen, worden
niet zelden leelijk door hen toegetakeld. Evenals alle wilde dieren
zijn zij het gevaarlijkst, wanneer men ze onverwachts ontmoet, omdat
zij dan allicht door vrees en schrik tot den aanval genoopt worden."

De jacht op dezen Beer heeft op verschillende wijzen plaats. Men
volgt hem na, wanneer men zijn spoor ziet, dat des morgens in het
met dauw bedekte gras en in de struiken duidelijk waarneembaar is;
men gaat in hinderlaag liggen in de nabijheid van zijn schuilplaats,
en wacht hem op, als hij van zijne nachtelijke rooftochten terugkeert;
men laat ten slotte gedeelten van den dsjungel, waar men Beren heeft
gezien, of hun aanwezigheid vermoedt, door drijvers afkloppen, en
schiet de dieren, zoodra zij zich vertoonen.

Dikwijls heeft men de Lippenberen in gevangenschap kunnen waarnemen
zoowel in Indië als in Europa. In zijn vaderland trekken kunstenmakers
en dierenleiders partij van zijn leerzaamheid en richten hem, evenals
onzen Bruin, tot het verrichten van allerlei kunstjes af. Men voedert
hem met melk, brood, ooft en vleesch; de ervaring heeft geleerd,
dat hij aan brood en ooft duidelijk de voorkeur geeft boven ander
voedsel. Hij wentelt zich, als een slapende Hond ineengerold,
van de eene zijde op de andere, springt in 't rond, buitelt over
den kop, gaat op de achterpooten staan, en vertrekt zijn gezicht op
de zonderlingste wijze, als hem het een of ander stuk voedsel wordt
gegeven. Bovendien heeft hij een betrekkelijk goedaardig, vriendelijk
en oprecht uiterlijk.



Drie merkwaardige dieren van Oost-Azië vereenigen wij tot de tweede
onderfamilie van de Beren, welker leden wij _Katberen_ (_Ailurinae_)
zullen noemen. Deze vormen een overgang van de Groote Beren tot de
Civetkatten, en onderscheiden zich vooral door hunne voeten, welker
behaarde zolen en meer of minder terugtrekbare klauwen eenigszins
aan die van de Katten herinneren.--

De eerste plaats in deze onderfamilie komt toe aan de voor ruim 20
jaren door David ontdekte _Kattenpootbeer_ (_Ailuropus melanoleucus_),
daar hij als 't ware het midden houdt tusschen de Groote Beren en
de leden van het volgende geslacht. Hij is kleiner dan onze Gewone
Landbeer, van 't puntje van den staart tot aan de spits van den snuit
ongeveer 1.5 M. lang. Zijne breede zolen zijn behaard en komen niet
over hun geheele lengte met den grond in aanraking. De kop heeft
een korten snuit en is naar verhouding breeder dan bij eenig ander
Roofdier. Hij heeft een dichte, beerachtige vacht, die grootendeels
wit is; zwart van kleur zijn een ring om de oogen, de ooren, de
voorpooten tot aan de schoften, de achterpooten en de spits van
den staart.--Van de levenswijze van dit dier in den natuurstaat is
nagenoeg niets bekend. Het bewoont de ontoegankelijkste wouden van
de gebergten van Oost-Tibet.



De vertegenwoordiger van het tweede geslacht der onderfamilie,
de _Panda_ of _Roode Katbeer_ (_Ailurus fulgens_), houdt in sommige
opzichten het midden tusschen den Kattenpootbeer en de Binturong. Zijn
romp schijnt wegens de dichte en zachte vacht plomper dan hij is; de
lang behaarde kop is zeer breed en kort, de snuit eveneens; de lange
staart is slap en ruig behaard, ziet er derhalve zeer dik uit; de ooren
zijn klein en afgerond, de oogen klein; de korte pooten hebben dicht
behaarde zolen, die slechts met de voorste helft den grond aanraken,
en korte teenen met sterk gekromde klauwen. In grootte stemt de Panda
ongeveer met een forschen kater overeen. Het haarkleed is dicht en
lang, aan de bovendeelen schel en schitterend donkerrood gekleurd,
aan den rug met een licht goudgeel waas overtogen, omdat hier de
haren in gele spitsen eindigen; de onderdeelen zijn glanzig zwart,
zoo ook de pooten, met uitzondering van een donker kastanjeroode
dwarsstreep over de buiten- en voorzijde; de staart is vuurrood,
met onduidelijke, lichtere, smalle ringen.

De Panda bewoont de zuidoostelijke gedeelten van den Himalaja van
ongeveer 2000 tot 4000 M. hoogte. Van het leven van dit even fraai
gekleurde als sierlijke dier is niet veel bekend. Bij paren of
familiën komt hij in de wouden voor, beklimt de boomen en kiest de
daarin voorkomende holten of de kloven in de rotsen tot woonplaats;
hij begeeft zich echter ook veel op den bodem om voedsel te zoeken. Dit
bestaat bijna uitsluitend uit plantaardige stoffen; af en toe plundert
hij, naar men zegt, de Vogelnesten; ook eet hij Insekten.



Het laatste geslacht van de onderfamilie wordt vertegenwoordigd
door den _Binturong_ (_Arctitis binturong_). Deze is grooter dan de
Panda: zijn lengte bedraagt 1.35 à 1.5 M., waarvan bijna de helft
op den zeer langen rolstaart komt. De romp is krachtig, de kop dik,
de snuit verlengd; de pooten zijn kort en gespierd; de voeten hebben
naakte zolen, en vijf teenen, die met tamelijk stevige, een weinig
terugtrekbare klauwen gewapend zijn. Een dichte, tamelijk lang-
en ruigharige vacht bekleedt den romp en den staart; alleen aan den
snuit en de pooten is zij kortharig. De korte, afgeronde ooren zijn
met haarkwastjes voorzien. Dikke, witte snorharen aan beide zijden
van den snuit omgeven het gelaat als met een stralenkrans. De kleur
van het haar is dof zwart, aan den kop vertoont het een grijsachtige,
aan de ledematen een bruinachtige tint.

Het verbreidingsgebied van den Binturong omvat Borneo, Java,
Sumatra, het Maleische Schiereiland, Tenasserim, Arakan, Assam en
Siam. Ook van dit dier is van de levenswijze in den natuurstaat tot
dusver zeer weinig bekend. Het leidt een nachtelijk leven, houdt
zich vooral in boomen op, en is langzaam in zijne bewegingen. Het
is een alleseter, en versmaadt zoomin kleine Zoogdieren, Vogels,
Visschen, Wormen en Insekten, als vruchten en andere plantaardige
voedingsmiddelen. Daar het eenzame bosschen bewoont en verborgen
leeft, ziet men het zelden. Zijn stem bestaat, naar men zegt, uit een
luid gehuil. Hoewel de Binturong woest en kwaadaardig van natuur is,
worden exemplaren, die jong in gevangenschap geraken, schielijk tam
en zijn even zachtmoedig als speelsch.



In een derde onderfamilie vereenigen wij een aantal middelmatig groote,
tot Amerika beperkte leden van de Berenfamilie, n.l. de _Kleine Beren_
(_Procyoninae_).

Het geslacht der _Waschberen_ (_Procyon_) onderscheidt zich door de
volgende kenmerken: De bouw van den romp is gedrongen, de kop van
achteren zeer verbreed, de snuit kort; de groote oogen liggen dicht
bij elkander, de groote, afgeronde ooren zijn geheel aan de zijden
van den kop geplaatst; de pooten zijn betrekkelijk hoog en dun, de
voeten hebben onbehaarde zolen, middelmatig lange, slanke teenen en
tamelijk forsche, zijdelings samengedrukte klauwen; de staart is lang,
de beharing overvloedig, lang en sluik.



De _Gewone Waschbeer_ of _Schoep_, de _Raccoon_ der Amerikanen
(_Procyon lotor_) bereikt, bij 65 cM. romplengte en 25
cM. staartlengte, een schouderhoogte van 30 à 35 cM. De vacht is
geelachtig grijs, met zwart gemengd. Witachtig grijs is een bundel
haren in de oorstreek, die achter het oor door een bruinzwarte vlek
begrensd wordt; de zijden van den snuit en de kin hebben een gelijke
kleur. Van het voorhoofd tot aan het puntje van den neus en om het
oog strekken zich zwartbruine strepen uit; boven de oogen begint
een geelachtig witte streep, die tot naar de slapen loopt. De voeten
zijn bruinachtig geelgrijs, de lange haren van het onderbeen en van
den voorarm zijn zeer donker bruin. De grijsachtig gele staart is met
zwartbruine ringen geteekend en eindigt in een zwartbruine spits. Geen
van deze kleuren steekt sterk bij de andere af; gezamenlijk brengen
zij reeds op geringen afstand den indruk van grijs te weeg, welke
kleur even goed bij die van de boomschors als bij die van den met
versch of droog gras begroeiden bodem past.

Het vaderland van den Waschbeer is Noord-Amerika, men vindt hem hier
niet alleen in het zuiden, maar ook in het voor den pelterijhandel
zoo belangrijke noorden, van welk gebied hij althans de zuidelijkste
streken bewoont. Tegenwoordig is hij in de bewoonde gewesten wegens
de aanhoudende vervolgingen, waaraan hij blootstaat, veel zeldzamer
geworden, dan hij vroeger was; ook van hier heeft men hem echter niet
geheel kunnen verdrijven. In het binnenland, vooral in de met bosch
bedekte streken, komt hij nog in menigte voor. Het liefst houdt hij
zich op in wouden met rivieren, meren en beken. In den regel begint
hij eerst te jagen, als de schemering invalt, en brengt hij den dag
slapend door, zoolang de zon helder schijnt, rust hij in holle boomen,
of op dikke, bebladerde boomtakken; op plaatsen, waar hij in 't geheel
niet gestoord wordt, heeft hij echter geen bijzonderen jachttijd,
maar zwerft zoowel over dag als 's nachts door zijn uitgestrekt gebied.

De Waschbeer is een wakker, bevallig dier, dat door zijne
groote vlugheid en lenigheid een aangenamen indruk maakt. Als hij
onverschillig voortslentert, houdt hij den kop omlaag, kromt den rug
naar boven en sluipt in schuinsche richting tamelijk langzaam over
den weg; zoodra hij echter een ontdekking doet, die hem belangstelling
inboezemt, b.v. als hij een spoor vindt of een argeloozen buit opmerkt,
verandert zijn voorkomen geheel. Het ruige vel wordt glad, de breede
ooren worden gespitst, loerend gaat hij op de achterpooten staan,
vervolgt daarna vlug huppelend of loopend zijn weg, of klimt met
een behendigheid, die men niet van hem verwacht zou hebben, niet
alleen bij schuins geplaatste en loodrechte stammen naar boven,
maar ook over horizontale takken, zoowel langs de bovenzijde als
langs de onderzijde. Dikwijls ziet men hem als een Luiaard of
een Aap met geheel naar onderen hangend lichaam schielijk langs
horizontale takken voortloopen, en zonder te missen, sprongen doen
van den eenen tak op den anderen, waaruit een ongewone meesterschap
in 't klimmen blijkt. Ook op den grond is hij volkomen thuis, hij
weet zich door sprongen, waarbij hij alle vier pooten tegelijk op
den grond zet, zeer snel voort te bewegen. Zijn karakter heeft iets
aapachtigs. Hij is vroolijk, opgewekt, nieuwsgierig, plaagzuchtig en
belust op allerlei dolle streken, maar ook moedig als het noodig is,
en bij het bekruipen van zijn prooi listig als een Vos. Met zijne
soortgenooten leeft hij in zeer goede harmonie; zelfs als hij oud is,
speelt hij uren achtereen met andere dieren van zijn soort, in de
gevangenschap zelfs met ieder dier, dat met hem spelen wil.

De Waschbeer eet alles wat eetbaar is; toch is hij naar 't schijnt,
een fijnproever, die, als de gelegenheid zich voordoet, altijd de
beste stukken voor zichzelf weet uit te zoeken. Het plantenrijk
verschaft hem uitmuntende voedingsmiddelen: ooft van allerlei soort,
kastanjes, wilde druiven, maïs, zoolang de kolven nog week zijn; hij
zoekt echter ook de Vogels in hunne nesten op, weet listig een Hoen
of een Duif te bekruipen, verstaat meesterlijk de kunst om zelfs het
verborgenste nest op te sporen, en doet zich dan tegoed aan de eieren,
die hij verbazend behendig weet te openen en te ledigen, zonder iets
van hun inhoud verloren te laten gaan. Niet zelden dringt hij in de
tuinen en woningen door met het doel om Hoenderen te rooven en hunne
nesten te plunderen; om deze reden staat hij bij de "farmers" in geen
goeden reuk. Zelfs het water moet hem schatting betalen. Behendig
vangt hij Visschen, Kreeften en Schelpdieren; ter wille van deze
lekkernijen waagt hij zich bij ebbe dikwijls ver in de zee. De dikke
larven van sommige Kevers zijn, naar het schijnt, een waar gastmaal
voor hem; Sprinkhanen weet hij zeer behendig te vangen. Hij heeft de
eigenaardigheid zijn voedsel vooraf in het water te dompelen, en het
tusschen zijne voorpooten te wrijven, alsof hij het afwaschte. Dit
doet hij echter alleen dan, als hij niet bijzonder hongerig is; als
dit wel het geval is, laten de eischen van de maag hem waarschijnlijk
geen tijd voor de overigens zoozeer door hem geliefde, spelender wijs
verrichte bezigheid, waaraan hij zijn naam te danken heeft.

In Mei werpt het wijfje hare 4, 5 of 6 zeer kleine jongen op een
tamelijk zorgvuldig samengesteld leger in een hollen boom.

De Waschbeer wordt niet alleen wegens zijn goede pels vervolgd, maar
ook uit zuivere lust voor de jacht opgezocht en gedood. Wanneer men
alleen zijn vel verlangt, vangt men hem gemakkelijk in klemmen en
vallen van allerlei soort, die met een Visch of een stukje vleesch
als lokaas voorzien zijn. Minder eenvoudig is de jacht op dit dier. De
Amerikanen geven zich met een waren hartstocht aan dit vermaak over,
en dit wordt begrijpelijk, als men hunne jachtverhalen leest. Men
jaagt hem namelijk niet over dag, maar des nachts, met behulp van
Honden en bij fakkellicht. Als de Raccoon zijn eenzaam leger verlaten
heeft, en met zachte, onhoorbare schreden door het kreupelhout glijdt,
als het overigens in het woud zeer stil geworden is onder den invloed
van den nacht, gaan de jagers en de Honden op weg. Een goede, ervaren
Hond volgt het spoor, en de geheele troep rent den nu vluchtenden,
behendigen Beer na, die eindelijk met aapachtige snelheid in een boom
klimt, en zich hier in de donkerste gedeelten van de kroon tusschen de
takken tracht te verbergen. Beneden om den boom vormen de Honden een
kring, blaffend en huilend; boven ligt het vervolgde dier op zijn gemak
uit te rusten, gedekt door den donkeren mantel van den nacht. Daar
komen de jagers aan. De fakkels worden op een hoop geworpen, met droog
hout, harsrijke takken, pijnkegels en andere brandstoffen bedekt,
zoodat plotseling onder den boom een flink vuur ontbrandt, welks
vlammen in den omtrek een tooverachtig licht verbreiden. Nu begeeft
een in 't klimmen ervaren persoon zich in den boom, en neemt boven
in de takken de taak van de Honden over. De mensch en de aapachtige
Beer klauteren in de kroon van den boom rond, totdat eindelijk de
Raccoon zich op een heen en weer wiegelenden tak begeeft, in de hoop
een anderen boom te zullen bereiken. Zijn vervolger snelt hem na zoo
ver hij kan, en begint plotseling den tak met geweld te schudden. Het
beklagenswaardige dier moet zich nu stevig vasthouden, om niet op
den grond geslingerd te worden. Doch dit helpt hem niets. Nader
en nader komt zijn vijand, steeds moeielijker wordt het den Beer
om zich vast te houden, een misgreep, en in duizelende vaart stort
hij naar beneden. Een jubelend geblaf van de Honden begeleidt zijn
val, en wederom begint de jacht met vernieuwden ijver. Wel doet
de Waschbeer nog een- of tweemaal een poging om aan de Honden te
ontkomen, en beklimt daartoe nogmaals een boom; eindelijk echter
wordt hij de buit van zijne jachtlustige, viervoetige tegenstanders,
en blaast onder hunne beten den laatsten adem uit.

Een jong gevangen Waschbeer wordt gewoonlijk zeer spoedig en in
hooge mate tam. Door zijne gezelligheid en vroolijkheid, door de
ongedurigheid die hem eigen is, door zijn nimmer ophoudenden lust
tot beweging, als ook door zijn potsierlijk aapachtig voorkomen,
verschaft hij allen, die hem nagaan, een aangenaam tijdverdrijf. Hij
is zeer gesteld op liefkoozingen, maar toont toch nimmer een groote
gehechtheid. Tot grappen maken en spelen is hij dadelijk bereid, en
knort intusschen zachtjes van pret, evenals jonge Honden in dit geval
gewoon zijn te doen. Zijne handelingen herinneren in ieder opzicht aan
de gebaren der Apen. Altijd weet hij zich ergens mede bezig te houden;
niets van 't geen in zijn omgeving gebeurt, ontgaat hem. Bij zijne
wandelingen door huis en hof, voert hij veel kattekwaad uit. Alles
wil hij onderzoeken, overal van snoepen, in de proviandkast zoowel
als op het erf en in den tuin.

"Tot de meest in 't oog loopende eigenschappen van den Waschbeer,"
schrijft L. Beckmann, "behooren zijne grenzenlooze nieuwsgierigheid
en hebzucht, zijn eigenzinnigheid en de lust om alle hoeken en gaten
te doorsnuffelen. Een scherpe tegenstelling hiermede vormen zijne
koelbloedigheid, zelfbeheersching en humor. De voortdurende strijd
tusschen deze eigenaardigheden levert, zooals licht te begrijpen
is, dikwijls de vreemdsoortigste uitkomsten op. Zoodra hij inziet,
dat het hem onmogelijk is, zijn doel te bereiken, maakt de vurigste
nieuwsgierigheid onmiddellijk plaats voor een doffe onverschilligheid;
even plotseling wordt hardnekkige eigenzinnigheid door berusting en
handelbaarheid gevolgd. Omgekeerd gaat hij uit trage lusteloosheid
dikwijls geheel onverwachts, na een buiteling, tot de uitgelatenste
vroolijkheid over; in weerwil van al zijne zelfbeheersching en
schranderheid begaat hij soms de domste streken, zoodra slechts zijn
begeerigheid geprikkeld is."

"In de talrijke ledige uren, die iedere gevangene Waschbeer heeft,
doet hij allerlei kunstjes om de verveling te verdrijven. Soms zit
hij op zijne achterpooten in een eenzamen hoek, en is met een zeer
ernstige uitdrukking op zijn gelaat bezig, zich een stroohalm over den
neus te binden, soms speelt hij, schijnbaar in diep gepeins verzonken,
met de teenen van een zijner achterpooten of grijpt naar de heen en
weer slingerende spits van zijn langen staart. Een andere maal ligt
hij op den rug, heeft zich een grooten hoop hooi of dorre bladen op den
buik gestapeld en tracht nu deze losse massa neer te drukken door zijn
staart met de voorpooten stijf daarover heen te trekken. Als hij bij
het metselwerk kan komen, krabt hij met zijne scherpe nagels de kalk
uit de voegen, en richt in korten tijd een ongeloofelijke verwoesting
aan. Evenals Jeremia op de puinhoopen van Jerusalem, zit hij dan midden
op zijn puinhoop, kijkt met een somberen blik om zich heen, en licht,
uitgeput door den zwaren arbeid, met de voorpooten zijn halsband op.

"Na een langdurige droogte kan hij bij 't zien van een gevulde
watertobbe in geestvervoering geraken; hij doet dan alle mogelijke
moeite om er bij te komen. Als hem dit gelukt is, onderzoekt hij
vooraf voorzichtig hoe hoog het water in de tobbe staat, want alleen de
pooten dompelt hij graag in het water, om spelender wijs verschillende
voorwerpen af te wasschen; hij zelf houdt er volstrekt niet van, tot
aan den hals in 't water te staan. Als het onderzoek een bevredigende
uitkomst heeft opgeleverd, begeeft hij zich met zichtbaar welgevallen
in het natte element, en tast op den bodem rond naar het een of ander
voorwerp, dat hij zou kunnen wasschen. Een oor van een gebroken pot,
een stukje porselein, een slakkenhuis zijn gewilde zaken en worden
dadelijk onder handen genomen.

"De bedoelde Waschbeer had met een grooten Patrijshond een verbond
van vrede en vriendschap gesloten. Hij liet zich gaarne met hem
samenkoppelen en beide volgden hun meester op den voet, terwijl de
Waschbeer alleen, zelfs aan de lijn, steeds zijn eigen weg wilde
gaan. Zoodra hij 's morgens van zijn ketting bevrijd werd, sprong
hij vroolijk heen, om zijn vriend op te zoeken. Op de achterpooten
staande omvatte hij den hals van den Hond met zijne lenige voorpooten,
en vleide zijn kop zeer teeder tegen dien van zijn vriend; daarna
betastte hij dezen nieuwsgierig aan alle zijden. Het scheen, dat hij
dagelijks nieuwe schoonheden aan hem ontdekte en bewonderde. Wanneer
er bijgeval het een of ander haperde aan de gladheid van het haarkleed,
trachtte hij dit gebrek dadelijk weg te likken of te strijken.

"Met de kleine bijtlustige Dashonden bemoeide hij zich niet graag;
toch kon hij soms geen weerstand bieden aan den inval om zulk een
krompoot van boven af te omarmen. Zoodra de streek gelukt was, maakte
hij van pret een hoogen bokkesprong achteruit en hapte intusschen
in de lucht tusschen de twee uitgebreide voorpooten door naar den
geringden, heen en weer slingerenden staart.

"Kleine Zoogdieren en Vogels van iedere soort viel hij moordzuchtig
aan; het was uiterst moeielijk hem zulk een prooi te ontrukken. Muizen,
Ratten en dergelijke dieren doodde hij door een snellen beet in den
nek, en verslond ze met huid en haar, omdat hij, hoe hij ook rukte
en wreef, niet goed klaar kon komen met het afstroopen van hun vel."

Een op de jacht gedoode Waschbeer levert een niet onbelangrijk voordeel
op. Zijn vleesch wordt niet slechts door de oorspronkelijke bewoners
van Amerika en door de negers, maar ook door de blanken gegeten, en
zijn vel brengt een goeden prijs op; pelswerk van Waschberen is een
zeer gezocht artikel. Van de bovenharen maakt men goede penseelen,
van het wolhaar vilt voor hoeden, de geheele staart wordt als "boa"
gebruikt.

Een tweede soort, de _Krabben-Waschbeer_ of _Aguara_ (_Procyon
cancrivorus_), vertegenwoordigt het geslacht in Zuid-Amerika, waar
hij vooral in de landen langs de oostkust voorkomt. Hij staat een
weinig hooger op de pooten dan de Raccoon, is grijsachtig zwart
of geelachtig grijs van kleur, aan de onderzijde lichter, met een
geelachtig geringden, ruigen staart en donkerkleurig aangezicht;
boven ieder oog bevindt zich een lichte vlek.



In een natuurlijke volgorde geplaatst met hunne verwanten, komen
de _Neusberen_ (_Nasua_) in de nabijheid van de Waschberen te
staan. Zij zijn gemakkelijk herkenbaar aan hun gerekten, slanken,
bijna marterachtigen romp, met korten hals en langen, spitsen kop,
hun dicht behaarden staart, welks lengte die van het overig lichaam
evenaart en hunne korte, krachtige pooten met breede voeten en naakte
zolen. Het meest in 't oog loopende kenteeken van deze dieren is
de neus. Hij verlengt zich bij wijze van een slurf tot ver voorbij
de mondspleet en heeft scherpkantige, gezwollen randen. De ooren
zijn kort en afgerond, de heldere oogen middelmatig groot, de vijf
onderling bijna geheel vergroeide teenen zijn met lange en spitse,
maar weinig gekromde nagels gewapend. Het gebit gelijkt op dat van
den Waschbeer, de tanden zijn echter een weinig slanker.

Van de vele soorten, waarin het geslacht der Neusberen door sommige
natuuronderzoekers verdeeld werd, worden tegenwoordig slechts twee als
goed gekenmerkt beschouwd. Vroeger onderscheidde men meer soorten,
omdat deze dieren in sommige opzichten nogal uiteenloopen, en ook,
zooals Hensel overtuigend heeft aangetoond, al naar hun leeftijd in
levenswijze verschillen. _De Prins_ von Wied onderscheidde in Brazilië
twee soorten, de _gezellige_ en de _eenzame Neusbeer_. Volgens Hensel's
onderzoekingen vertoonen deze beiden vormen echter geen soortverschil;
de "eenzame" Neusberen zijn eenvoudig brommige, oude mannetjes, die
zich van de in troepen levende "gezellige" afgescheiden hebben. Anders
is het gesteld met de beide soorten, die hieronder genoemd worden.



De bekendste soort van het geslacht is de _Coati_, in Guyana _Koeassie_
genoemd, die wij meer bepaaldelijk _Neusbeer_ zullen noemen (_Nasua
rufa_), en wiens verbreidingsgebied zeer groot is, daar het zich van
de noordkust van Zuid-Amerika tot aan Paraguay uitstrekt. In 't geheel
is hij, met inbegrip van den ongeveer 45 cM. langen staart, 100 à 105
cM. lang; de schouderhoogte bedraagt 27 à 30 cM. Het dichte en tamelijk
lange, maar niet vlokkige haarkleed bestaat uit stijve, grove, glanzige
bovenharen, die zich aan den staart verlengen, en uit kort, zacht,
eenigszins gekroesd wolhaar, dat vooral op den rug en aan de zijden
dicht bijeenstaat. De grondkleur, die op den rug tusschen rood en
grijsachtig bruin afwisselt, gaat aan de onderzijde in een geelachtige
tint over; het voorhoofd en de kruin zijn geelachtig grijs, de lippen
wit, de ooren aan de achterzijde bruinachtig zwart, aan de voorzijde
grijsachtig geel. Een ronde, witte vlek komt boven ieder oog voor,
een andere aan den buitensten ooghoek; twee dikwijls ineenvloeiende
vlekken staan onder het oog; een witte streep loopt langs den wortel
van den neus naar beneden. De staart is met ringen geteekend, die
bij afwisseling bruinachtig geel en zwartachtig bruin zijn.



De _Witsnuitbeer_ (_Nasua narica_) van Middel-Amerika moet, volgens
Hensel, als een afzonderlijke soort worden beschouwd. In grootte komt
hij met den Coati overeen en ook zijn kleur herinnert over 't algemeen
aan dezen. De vacht is aan de bovenzijde meer of minder donker,
al naar de lichte kleur van de haarspitsen meer op den achtergrond
treedt of duidelijker zichtbaar wordt. Een ring om 't oog, een boven
het oog beginnende, naar het puntje van den neus gerichte streep,
de boven- en de onderzijde van het voorste deel van den snuit zijn
geelachtig wit; iets donkerder zijn de zijden van den hals en de keel;
de overige onderdeelen zijn bruinachtig, de voeten geheel bruin.

Azara, Hensel, Rengger en de _Prins_ von Wied hebben uitvoerige
beschrijvingen gegeven van het leven van den Neusbeer in vrijen
toestand.

"De Neusbeer," zegt Hensel, "is in Brazilië zoo menigvuldig, dat ik
niet minder dan 200 schedels van dit dier heb kunnen verzamelen. Door
onderlinge vergelijking van deze schedels en door het veelvuldig
nagaan van den Coati in vrijen toestand, ben ik tot de overtuiging
gekomen, dat de oude mannetjes, die men als vertegenwoordigers van een
bijzondere soort heeft beschouwd, van de overige alleen verschillen
door hun eenzame levenswijze. Op een bepaalden leeftijd verlaten
zij het gezelschap van de wijfjes, en keeren slechts in den paartijd
tot hen terug. Nooit merkt men eenzaam levende wijfjes op; wanneer
men een wijfje alleen ziet, is het misschien toevallig door de jacht
van haar bende afgeraakt; het zou ook kunnen zijn, dat deze zich wel
degelijk in de nabijheid bevindt, maar voor den jager verborgen bleef.

"De Neusberen zijn dagdieren; zij rusten des nachts, maar openbaren
van den morgen tot den avond een rustelooze bedrijvigheid. Gedurende
den dag zijn zij, naar het schijnt, onophoudelijk onderweg; zij steken
dan hun neus in elke voor hen toegankelijke ruimte. Hun voedsel bestaat
vermoedelijk uit een mengelmoes van allerlei aan het planten- en het
dierenrijk ontleende eetwaren. Gaarne bezoeken zij de plantages om
maïskolven te plukken, vooral zoolang de korrels nog week zijn."

Kleine dieren van allerlei soort vallen hun ten buit, Insekten en
hunne larven, Wormen en Slakken schijnen voor hen lekkernijen te
zijn. Als zij een Worm in den bodem, een Kever-larve in het rottende
hout opmerken, geven zij zich de grootste moeite deze prooi te
overmeesteren; zij wroeten ijverig met de voorpooten, steken van tijd
tot tijd den neus in het door hun gegraven gat, en speuren, zooals
onze Honden doen, wanneer zij op het veld de Muizen vervolgen, totdat
zij hun doel eindelijk bereikt hebben. Onder geschreeuw en gefluit,
gegraaf en gewroet, geklauter en getwist gaat de morgen voorbij;
als het heeter wordt in 't bosch, maakt de bende aanstalten om een
geschikte plaats voor een middagslaapje te vinden. Zoodra een gunstig
gelegen boom of een schaduwrijk heesterboschje gevonden is, gaat
ieder hunner zoo gemakkelijk mogelijk op een tak liggen en dut in. Des
namiddags wordt de reis voortgezet, die tegen den avond door de zorg
voor een goede slaapplaats op nieuw afgebroken wordt. Als de Coatis
een vijand bemerken, geven zij hunne metgezellen hiervan onmiddellijk
kennis door luide, fluitende geluiden en klimmen ten spoedigste in
een boom; alle overige volgen dit voorbeeld; in een oogwenk is het
geheele gezelschap over de takken van de kroon verdeeld. Als men ze
achternaklimt, of eenvoudig stoort door met een bijl hevig tegen
den stam te slaan, gaan zij verder buitenwaarts naar de spits van
den tak, springen vandaar naar beneden en nemen de vlucht. Als zij
niet gestoord worden, gaan zij met den kop naar onderen gericht van
den stam af. Zij draaien daarbij de achterpooten naar buiten en naar
achteren en klemmen zich hiermede vast aan den stam. Op de takken
begeven zij zich voorzichtig verder; sprongen, zooals de Apen doen,
b.v. van den eenen boom naar den anderen, vallen niet in hun smaak,
hoewel zij er toe in staat zijn; want in behendigheid evenaren zij
ongeveer de Apen en de Katten. Veel logger dan in de takken der boomen
zijn hunne bewegingen op den grond. Op den vlakken bodem stappen zij
en houden den staart loodrecht omhoog gericht, of maken korte sprongen;
hunne zolen komen hierbij altijd slechts voor de helft met den grond in
aanraking. Alleen als zij staan, of zich op de achterpooten verheffen,
rusten de voeten op de geheele zool. Hun beweging op den bodem schijnt
zeer onbeholpen, hoewel zij met vrij groote snelheid galoppeeren. Naar
het schijnt, zijn zij bang voor 't water, waarin zij zich alleen in
den hoogsten nood begeven; zij zijn echter voldoende ervaren in het
zwemmen om rivieren en stroomen te kunnen overtrekken.

Onder hunne zinnen neemt de reuk ongetwijfeld een eerste plaats in,
daarop volgt het gehoor, terwijl het gezicht, de smaak en het gevoel
betrekkelijk zwak zijn. Des nachts kunnen zij niet zien, over dag is
hun gezichtsvermogen niet bijzonder goed; het gevoel zetelt, naar het
schijnt, bijna uitsluitend in den slurfvormigen neus, die tevens hun
voornaamste tastwerktuig is.

Naar Rengger bericht, werpt de in vrijheid levende Neusberin in October
3 à 5 jongen in een hollen boom, in een gat van den grond, in een met
dicht struikgewas begroeide kloof of in een anderen schuilhoek. Hier
houdt zij haar kroost zoolang verborgen, totdat het haar op al hare
zwerftochten kan volgen.

Bij het teekenen van de Neusberen-familie in den Breslauer dierentuin
deed Mützel de volgende ervaringen op: "De eerste indruk, dien het
geheele gezelschap op mij maakte, was hoogst eigenaardig. In de
diepste stilte verzorgde de moeder hare jongen. Zij zat of liever
lag op het breede gedeelte van 't heiligbeen op haar strooleger; hare
uiteengespreide achterpooten waren naar voren gericht; de rug leunde
tegen den wand van 't hok; zij besnuffelde en belekte hare kinderen,
die den buik van het oude dier bedekten en ijverig zogen. Van de
moeder zag men niet anders dan het aangezicht en de voorpooten,
terwijl de vijf met ringen geteekende staarten van de jongen,
ieder uit een bruinen haarbal ontspringend, straalswijs de moeder
omkransten. Weldra echter kwam er verandering van tooneel. Mijn
tegenwoordigheid leidde de aandacht van de moeder van hare jongen
af. Nieuwsgierig stond zij van haar leger op, en trachtte haar
nakomelingschap te bewegen de tepels los te laten; deze bleven
er echter aan vastgehecht op één na; het zuigend kroost werd dus
langs den bodem meegesleept naar het traliewerk; het eene jong,
dat losgelaten had, maar nog slaapdronken voor haar uitwaggelde,
schoof zij eenvoudig op zij. Eerst na een geruimen tijd, die door de
moeder besteed werd om mij terdeeg te bekijken, ontwaakte ook in de
jongen het besef, dat er iets buitengewoons aan de hand moest zijn;
zij hielden op, de oude lastig te vallen, en maakten op hun beurt
kennis met mij, waardoor ik in staat werd gesteld, ze aan alle zijden
te beschouwen. In weerwil van hunne echt jeugdige vormen hebben zij
geheel de kleur van de volwassen dieren, juist daardoor krijgen hunne
gezichten een hoogst komieke uitdrukking. De glanzig zwarte neus,
die voortdurend in snuffelende beweging is, het lange aangezicht,
de schitterende, onschuldige, zwarte, op parels gelijkende oogen,
die nog niet door witte neus-strepen, maar door een kring van 3 of
4 lichte vlekken, met bruine gedeelten er tusschen, zijn omgeven, de
wangen, die een wit en bruin getakte teekening vertoonen, de gewelfde
kruin, met de middelmatig groote, witte ooren, die voortdurend in
beweging zijn, het beerachtig afgeronde lichaam, de lange, ruige, met
ringen geteekende, omhoog gedragen staart vormen een vreemdsoortig,
potsierlijk geheel, vooral als de dieren loopen of klimmen. Al
hunne bewegingen zijn komiek, half schroomvallig, half flink, en
boeien voortdurend de aandacht van den toeschouwer, die zich door
de buitengewoon goedaardige en argelooze gelaatsuitdrukking van deze
kleine dieren ten zeerste tot hen aangetrokken gevoelt.

"Maar ik wilde iets nieuws zien en hield daarom de moeder een Muis
voor. Vlug als de wind kwam zij er op af, beet het diertje eerst
hevig in den kop, hoewel het reeds dood was, legde het daarna voor
zich op den grond en begon, terwijl zij den buit met de voorpooten
vasthield, aan het achtereinde te eten. Dit bevreemdde mij. De
oppasser zeide mij echter, dat de Neusberen gewoonlijk hun prooi
bij het achtereinde begonnen te verslinden en niet zooals andere
dieren aan het kopeinde. Bij het tweede gerecht, een doode Rat,
vond ik deze mededeeling volkomen bevestigd. Ook de Rat kreeg een
beet in den kop, werd daarna beroken en van achteren af verslonden;
op den staart volgden de pooten, daarna het overige deel van den
romp, terwijl de kop voor 't laatst bewaard bleef. De Muis was na
weinige seconden verdwenen, het verslinden van de Rat hield echter
langer aan. Zooals te verwachten was, gaven de jongen het verlangen
te kennen om aan den maaltijd deel te nemen. De moeder liet dit echter
niet toe. Misschien achtte zij dit voedsel nog niet geschikt voor hare
kinderen, waarschijnlijk echter dacht zij alleen aan zichzelf; in allen
gevalle zij snauwde hare jongen driftig af, duwde ze naar rechts en
naar links op zijde, en smeet ze, toen zij bleven aandringen, met de
voorpooten zijwaarts en naar achteren uit den weg. De jongen waren
dadelijk weer op de been, en omringden opnieuw de smullende moeder;
zooals zij daar stonden vol belangstelling en verlangen toeziende,
den snuffelenden neus onophoudelijk in beweging, alle vijf staartjes
omhoog gericht, nu en dan op de wijze der Katten met het puntje van
den staart kleine kringen beschrijvend--vormden zij een prachtige
voorstelling van jeugdige begeerigheid. Eindelijk was het heerlijke
gerecht verslonden, op een klein stukje na; ook dit was echter
niet voor de jongen bestemd, maar werd in een voor hen onbereikbaar
gat gebracht, ongeveer 1/2 M. boven den bodem, en met den langen,
beweeglijken neus zoo goed mogelijk weggestopt. Verzadigd en zeer
prettig gestemd stapte de moeder nu naar haar leger, en strekte zich
hierop uit om rust te nemen, terwijl op den voorgrond het volgende
vermakelijke schouwspel vertoond werd.

"De moeder had bij vergissing twee stukjes van 't vel van de Rat
laten liggen, en op deze armzalige overblijfselen van den maaltijd
vielen de kleintjes met zooveel ijver en gretigheid aan, als ooit in
een dergelijk geval getoond kan worden. Er ontstond een kibbelpartij,
die mij tranen deed lachen. De vijf bonte aangezichten, de vijf wollige
lichamen, de vijf omhoog geheven staarten geraakten in elkander verward
en tuimelden over elkander heen, de clownachtige strijders liepen,
vielen en buitelden over en door elkander, rolden over den vloer,
huppelden over de lijdzame moeder heen, klommen den boom op en af,
en deden dit alles met zulk een haast, dat het de grootste moeite
kostte, een van hen voortdurend in 't oog te houden."

De blanke bewoners van Zuid-Amerika en Mexico maken hoofdzakelijk voor
hun genoegen jacht op de Neusberen. Zij begeven zich in de bosschen
met eenige Honden en laten door deze het verlangde wild opsporen. Bij
het zien van de Honden vluchten de Neusberen luid schreeuwend op
de naastbijgelegen boomen en de jagers, die hiervan door het geblaf
hunner helpers in kennis worden gesteld, zijn nu in de gelegenheid om
te toonen, dat zij goede schutters zijn. Om den Neusbeer naar beneden
te doen tuimelen, moet men hem doodelijk treffen, want de gewonde
dieren leggen zich meestal op een gaffelvormigen tak neder en kunnen
slechts met groote moeite vandaar verwijderd worden. Een enkele Hond
kan tegen een Neusbeer niet veel uitrichten. Vooral de eenzaam levende
Neusbeer weet een goed gebruik te maken van zijne scherpe tanden; als
de Hond hem op de hielen zit, draait hij zich moedig om, schreeuwt van
woede en bijt duchtig om zich heen. In ieder geval verkoopt hij zijn
leven duur genoeg en stelt niet zelden 5 of 6 Honden buiten gevecht,
voordat hij voor de overmacht bezwijkt. Zijn vleesch wordt niet alleen
door de inboorlingen, maar ook door de Europeanen gaarne gegeten.

Het is niet moeielijk een Neusbeer in gevangen staat in 't leven te
houden. Hij schikt zich in zijn lot, maar toont nimmer een bijzondere
voorliefde voor zijn oppasser, hoe tam hij ook wordt. Evenals de
Apen speelt hij met iedereen en ook met zijne huisgenooten uit
het dierenrijk, b.v. met Honden, Katten, Hoenderen en Eenden. Bij
't eten mag men hem echter volstrekt niet storen, want zelfs het
tamste exemplaar bijt naar menschen en dieren, die hem zijn voedsel
willen ontrukken. In vele opzichten toont hij een groote mate van
zelfstandigheid, ja zelfs van bandeloosheid. Hij onderwerpt zich
volstrekt niet aan den wil van den mensch, maar geraakt in drift,
als men hem tot iets dwingen wil. Niet eens door slagen kan men hem
gehoorzaamheid leeren, integendeel manmoedig verweert hij zich, en
bijt duchtig, als hij gekastijd wordt, zijn oppasser even zoo goed
als ieder ander.

Van een dier met zulk een prikkelbaren, onbuigzamen aard kan men niet
veel leerzaamheid verwachten. Het is bijna niet mogelijk den Neusbeer
ergens toe af te richten. Rengger zag er een, die op bevel van zijn
meester als een Poedel kunstjes deed en op den nagebootsten knal van
een geweer als dood op den grond viel: exemplaren die zoo leerzaam
zijn, moeten als zeldzame uitzonderingen beschouwd worden.

Als men hem vrij rondloopen laat, wordt hij in huis zeer lastig. Hij
doorwoelt alles met den neus en werpt alle voorwerpen om. Hij kan met
den neus vrij wat kracht uitoefenen en van zijne voorpooten met groote
behendigheid gebruik maken. Niets laat hij onaangeroerd. Als hij zich
van een boek meester gemaakt heeft, slaat hij alle bladen om, door
afwisselend beide voorpooten snel in beweging te brengen. Geeft men
hem een sigaar, dan ontrolt hij deze geheel door dezelfde beweging;
als hij een voorwerp ziet staan, dat zijn aandacht trekt, geeft hij
er eerst met den rechter-, daarna met de linkerpoot een slag tegen,
totdat het op den grond valt.

Zoo heel lang is het nog niet geleden, dat de eigenaar van een
menagerie in Parijs met het volste recht kon zeggen, dat hij
aan de dierkundigen een onbekend, uit Amerika afkomstig dier zou
toonen. Ongeveer terzelfder tijd, in het laatste vierde deel van
de vorige eeuw, kwam het bedoelde wezen te Londen, waar het even
sterk als te Parijs de aandacht van de natuuronderzoekers trok. Dit
raadselachtig dier was de Rolstaartbeer, die men destijds zoo goed als
in 't geheel niet kende. Eenigen hielden hem voor een Lemuride. Anderen
meenden, met het oog op zijn van het tandenstelsel der Halfapen
zeer verschillend gebit, hem bij de Civetkatten te moeten voegen,
en noemden hem Mexicaansche Wezel. Met deze veronderstelling was
het bezit van een rolstaart niet best te rijmen; terwijl ook het
gebit--dat zich vooral door de stompheid der kiezen onderscheidt,
en op het gebruik van plantaardig en dierlijk voedsel wijst--niet
veel overeenstemming vertoont met dat van de Viverren. Eindelijk
gaf men hem (met eenige andere, niet minder eigenaardige wezens)
een plaats in de familie der Beren.

De _Rolstaartbeer_, _Kinkajoe_, _Manaviri_ of _Cuchumbi_, zooals
het dier in zijn vaderland, het noorden van Brazilië, genoemd wordt
(_Cercoleptes coudivolvulus_), voltooit de reeks van overgangsvormen
van de Beren tot de Civetkatten. De zeer gerekte, maar plompe romp
staat laag op de pooten; de kop is buitengewoon kort, dik en zeer
kort van snuit; de oogen zijn middelmatig groot, de ooren klein, de
vijf teenen halverwege onderling vergroeid en met stevige klauwen
gewapend, de zolen onbehaard. De staart, welks lengte die van het
lichaam overtreft, is een even volmaakte rolstaart als die van
vele Buideldieren of van de Brulapen. In volwassen toestand is
de Rolstaartbeer 90 cM. lang, waarvan 47 cM. op den staart komen,
terwijl de schouderhoogte 17 cM. bedraagt. De zeer dichte, tamelijk
lange, een weinig gekroesde, zachte, fluweelachtig glanzige beharing
is aan de boven- en buitenzijde licht grijsachtig geel met een flauw
roodachtig waas en zwartachtig bruine golvingen, die vooral aan den
kop en in den nek duidelijk zichtbaar zijn.

Tegenwoordig weten wij, dat de Rolstaartbeer een tamelijk uitgestrekt
verbreidingsgebied heeft. Hij komt voor in het geheele noorden van
Brazilië, in Peru en verder noordwaarts tot in Mexico, zelfs nog in
het zuiden van Louisiana en in Florida. Hij leeft in de oerwouden,
vooral in de nabijheid van groote rivieren en wel op boomen. Hij
heeft een zuiver nachtelijke levenswijze; den dag brengt hij slapend
in holle boomen door, des nachts echter toont hij zich zeer levendig;
hij klimt dan buitengewoon behendig en vlug in de kronen der hooge
boomen rond, waar hij zijn voedsel zoekt. Hierbij bewijst de rolstaart
hem uitmuntende diensten. Wat vaardigheid in 't klimmen betreft, wordt
hij door slechts weinige Apen overtroffen. Al zijne bewegingen zijn
uiterst behendig en zeker. Hij kan zich met de achterpooten en met
den rolstaart aan takken en twijgen vasthouden, en zich zoo goed aan
een boom vastklemmen, dat hij met den kop benedenwaarts uit den boom
afdalen kan. Bij 't gaan laat hij de geheele zool op den grond rusten.

Allen die den gevangen Rolstaartbeer tot dusver hebben nagegaan,
verklaren eenstemmig, dat hij tegenover menschen zich zachtaardig
en goedhartig toont en zeer spoedig even gemeenzaam wordt als een
Hond, zich gaarne laat liefkoozen, de stem van zijn meester herkent
en diens gezelschap zoekt. Hij geeft zich moeite om zijn verzorger
over te halen met hem te spelen of zich met hem te bemoeien en
behoort daarom in Zuid-Amerika tot de meest geliefde huisgenooten
van de inboorlingen. Ook in den gevangen staat slaapt hij bijna den
geheelen dag. Hij bedekt daarbij zijn lichaam en vooral den kop met
den staart. Hij eet al wat men hem voorzet: brood, vleesch, ooft,
gekookte aardappelen, groenten, suiker, ingemaakte eetwaren; hij drinkt
melk, koffie, water, wijn en zelfs brandewijn, wordt door het gebruik
van alcoholische dranken beschonken en blijft dan verscheidene dagen
ziek. Nu en dan valt hij ook wel Vogels aan, doodt ze, zuigt hun het
bloed uit en laat het overige liggen. Kappler, die den Rolstaartbeer
in Guyana leerde kennen, zegt van hem: "Hij voedt zich uitsluitend
met vruchten en wordt bijzonder tam. Ik kreeg van de Indianen een jong
dier, dat volkomen vrij rondliep. Niemand wist, waar het zich over dag
ophield. Zoodra wij 's avonds aan tafel gingen zitten, kwam _Wawa_,
zooals wij hem noemden, en vermaakte ons door zijne potsierlijke
liefkoozingen, waartoe ook behoorde, dat hij mij zijn lang tongetje in
den mond, de ooren en den neus trachtte te steken. Hij at rijpe bananen
en andere vruchten. Als men het huis sloot, werd Wawa buiten de deur
gezet; deze klom dan in de broodvrucht-, kokos- of avogato-boomen,
want op den grond hield hij zich niet graag op. Ik had hem meer dan
een jaar gehad, toen hij plotseling stierf."



Een klein Roofdier, dat vroeger tot de familie der Civetkatten werd
gerekend, is, volgens latere onderzoekingen nog het naast aan de
zooeven beschrevene, Amerikaansche Kleine Beren verwant. Het is
het _Katfret_ (_Bassaris astuta_), dat, zooals reeds in 1651 door
Hernandez werd medegedeeld, bij de Mexicanen _Cacamizli_ heet. Het
volwassen mannetje bereikt een totale lengte van ongeveer 95 cM.,
waarvan twee vijfden op den staart komen. Door zijn gestalte herinnert
dit dier aan een kleinen Vos, door zijn kleur aan de Neusberen.

Volgens de berichten, die tot dusver over den Cacamizli gegeven zijn,
bewoont hij in Mexico rotskloven en verlaten gebouwen, in Texas
hoofdzakelijk holle boomen. In de stad Mexico komt hij veelvuldig
voor; Charlesworth meent zelfs, dat hij zijn leger nooit ver van
menschelijke woningen opslaat, omdat de mensch door het fokken van
Hoenderen het Roofdier in de gelegenheid stelt, zonder veel moeite
door de jacht in zijn onderhoud te voorzien.

De Cacamizli is een levendig, speelsch en wakker dier, dat door
zijne bewegingen en standen dikwijls aan het Eekhoorntje herinnert
en hieraan zijn Mexicaanschen naam "Kateekhoorn" dankt. Als het
uit zijn hol wordt opgejaagd, neemt het geheel en al de sierlijke
houding van het genoemde Knaagdier aan, door den staart over den rug
te leggen. Het kan uitmuntend klimmen; het kan echter niet met de
zekerheid en behendigheid van den Eekhoorn van tak tot tak springen,
maar loopt, wanneer het verschrikt wordt gemaakt, zoo lang mogelijk
op een tak voort en tracht dan langs een zijtak een anderen boom te
bereiken. Soms ziet men het, op de bovenzijde van een tak liggend, zich
in de zon koesteren. Het ligt dan half opgerold en zonder beweging,
alsof het sliep; bij het geringste teeken van gevaar sluipt het
echter zoo schielijk mogelijk in zijn hol, en komt daaruit eerst na
het ondergaan van de zon weer te voorschijn.

Hoewel de Cacamizli zeer schuw en eenzelvig is, kan hij vrij
gemakkelijk getemd worden; als men hem gedurende langen tijd in
een kooi gehouden heeft, kan men hem zelfs naar vrije verkiezing
binnenshuis laten rondloopen. Dikwijls wordt hij door de Mexicanen
als een schoothondje behandeld; door het vangen van Muizen en Ratten
is hij als huisdier nuttig.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Het Leven der Dieren - Deel 1, Hoofdstuk 04: De Roofdieren" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home