Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Broeder en Zuster
Author: Buysse, Cyriël, 1859-1932
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Broeder en Zuster" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



Broeder en Zuster

DOOR CYRIEL BUYSSE


Gepubliceerd in:

Nederlandsch Museum.
Tijdschrift
voor Letteren, Wetenschappen en Kunst,
onder redactie van

Mr. J. O. De Vigne, Profr. Paul Fredericq,
Mr. A. Prayon-Van Zuylen, W. Rogghé, Dr. Max Rooses,
Mr. C. Siffer en Profr. J. Vercoullie.


TWEEDE REEKS, DERDE JAARGANG.

I.

GENT,
Algemeene Boekhandel van AD. Hoste, Uitgever,
Veldstraat, 49.

1886.

Blz. 307 - 321.

*     *     *     *     *



Zij keek, half over het portier gebogen, door het open venstertje,
als de trein in het station aankwam. Hij stond haar af te wachten;
doch eerst herkende hij haar schier niet meer. Het was zoolang
geleden dat zij elkaar[1] gezien hadden. Hij nam haar vriendelijk bij
beide handen, terwijl zij blozend en glimlachend van den
spoorbaanwagen stapte, en kuste haar bewogen op beide hare wangen.
Zij zag er zoo goed uit, sprak hij. Hij droeg haar pakje in de hand
en leidde haar tot aan zijn rijtuig, dat naar hen stond te wachten.
Zij namen plaats nevens elkander. Dáár zaten zij nu nog bijeen, de
broeder en de zuster, na zulke lange scheiding. Eenige grijze haren
doorkruisten reeds als zilverdraadjes zijne zwarte lokken; zij kwam
slechts in den bloei des levens. Zij was ook lang en slank van
gestalte zooals hij, doch iets kleiner; zij had ook donkerbruin haar,
bruine oogen, en op haar aangezicht iets zachts en liefelijks, dat
thans onder den indruk van hare gevoelens in een weemoedvollen
glimlach scheen te versmelten. Van het verledene werd niet gesproken;
hij vroeg haar niet, waarom zij sinds tien jaren niet eens bij hem
gekomen was, niet eenmaal had geschreven; hij zei haar enkel, dat hij
zoo gelukkig was haar terug te zien en zij zoo verschoond en zoo
veranderd was, dat hij haar nimmermeer erkend zou hebben. Hij sprak
haar ook van Tante, die gestorven was, en vroeg of deze gedurende
hare ziekte veel had geleden. Een stille traan schoot langzaam in
haar oog.

"O! zooveel!" zuchtte zij. Zij bleven beiden eene wijle stilzwijgend
en lieten hunnen blik langs wederskanten van den weg over het
landschap drijven, terwijl het open rijtuig hen door de zachte
avondschemering naar hunne woning voerde. Zij dacht aan Tante, die
zij zoo bemind had en die voor haar steeds zoo goed was geweest; aan
Tante, die zij wellicht nooit zou verlaten hebben, hadde deze nog
mogen leven. En hij dacht ook aan zijne eenzame en treurige
levenswijze, en of zijne zuster het bij hem wel gewoon zou kunnen
worden. Zij kwamen met de duisternis te M... aan, het dorp waar René
woonde. Sinds den dood van vader was zij tehuis niet meer geweest.
Hij leidde haar op de kamer, die hij voor haar had doen bereiden, en
wees haar de kast en de commodes aan, waarin zij hare kleederen kon
leggen. "Hier was het steeds uw vertrek," sprak hij, "als gij kind
waart." Zij glimlachte bewogen en stak een binnendeurken open, en
terwijl een traan van zachte ontroering haar oog schielijk
verduisterde: "En hier was het de kamer van Moeder," antwoordde zij.
Zij zagen elkander met aandoening aan. Hij leidde haar door al de
plaatsen van het huis en zegde, dat zij alles volgens haren zin zou
mogen schikken. En zij bedankte hem erkentelijk en dacht, dat hij
toch goed was voor haar.

*     *     *     *     *

Laurence had zich nimmer tot haren broeder aangetrokken gevoeld.
Dat kwam ook wel gedeeltelijk, omdat zij hem zoo weinig gekend had.
Vroeger, als nog hunne beide ouders leefden, was René bij zijnen oom
in stad gaan wonen, om aldaar de leergangen eener school te volgen.
Zij was dan nog zeer jong en aan hare kinderspelen had hij alleen in
de vacantiën bij tusschenpoozen deel genomen. Hij was teruggekeerd
naar huis omtrent den ouderdom van twintig jaren, en zij had zijne
plaats bij Oom vervangen, om zooals René ook hare opvoeding in stad
te bekomen. De jaren waren verloopen en later hadden zij elkaâr[1]
slechts in de vacantie of op sommige bijzondere dagen gezien. Hij was
ook reeds een man geworden toen zij nog een kind was.

Oom was intusschen gestorven. Eens had Laurence vernomen dat René
ging trouwen. Dit had Mama haar klagend gezegd, want zij en Papa
waren er hevig tegen, omdat het meisje zoo tenger van gezondheid was,
en de tering, zei men, reeds twee harer zusters weggenomen had. Dit
huwelijk echter was nimmer aangegaan. Het meisje was vroegtijdig,
gelijk hare zusters, aan eene vliegende tering gestorven. Over dit
alles had Laurence met haren broeder nooit gesproken, want zij
gevoelde zich te vreemd bij hem. Moeder stierf en Vader volgde kort
op haar. Laurence ging alsdan juist haar laatste jaar naar school. De
gemeenzaamheid hunner smart scheen, ditmaal ten minste, de
betrekkingen van broeder en zuster nauwer te moeten toehalen. Doch
neen; Laurence zocht haren troost bij Tante, die voor haar als eene
tweede moeder werd, en René bevond zich meer en meer afgezonderd en
alleen. Verbitterd over de verlatenheid, waarin hem zijne zuster
liet, had hij eens in eenen aanval van misnoegde droefheid op
bitsigen toon zijne spijt en ontevredenheid aan Tante uitgedrukt, in
tegenwoordigheid van Laurence. Daarop was deze weenend in Tante's
armen gevallen, en Tante had hare partij gekozen en haar verdedigd,
en gezegd dat zij bij haar mocht blijven wonen. Dit had Laurence
gedaan en sedert, alhoewel broeder en zuster niet in opene
vijandschap leefden, hadden zij elkaâr[1] nooit meer bezocht. René bleef
gansch alleen in het vaderlijk huis en zette den aanzienlijken handel
zijner ouders voort. Tante stierf--René verbande alle gramschap uit
zijn hart en, het verleden vergetend, schreef hij aan zijne zuster
eenen brief, haar vragend om bij hem te komen wonen. En Laurence had
de woning verlaten, waar zij in het stille gezelschap van hare goede
Tante zulke reine en vreedzame dagen gesleten had, en was, met een
gevoel van dankbaarheid en zelfverwijt jegens den broeder, dien zij
zoo verwaarloosd had en die haar thans nog zoo toegenegen was, het
oude vaderlijk huis terug komen bewonen.

*     *     *     *     *

Het waren dagen vol aandoening en zoete herinneringen, die eerste,
welke Laurence nu weder op de plaats, waar zij geboren was, kwam
overbrengen. Dáár sprak haar alles nog van hare kinderjaren. In de
diepte der kasten, welker inhoud zij in orde bracht, vond zij hare
oude boeken terug, van in den tijd nog dat zij bij de nonnekens
school ging. Dáár hing nog aan den muur achter de deur een oud met
verslenste bloemen versierd hoedje, welks vorm haar thans deed lachen, maar
dat naar de laatste mode was, toen zij het gedragen had. Dáár zag
zij met ontroering, toegevouwen in eene lade alleen, haar door de
jaren geel geworden wit eerste communiekleed nog liggen, door Moeder
zorgvuldig bewaard. Ook in den tuin prijkten nog, schitterend
tusschen de erwten- of saladebedden, enkele struikjes capucienen of
juffertjes in 't haar, steeds overblijfsels van deze welke zij
daar een[2] in parkjes gezaaid had; en de bijeen staande magnolias,
door hun halfronde bank omringd, aan welker voet zij zich herinnerde
een scheutje geitenblad geplant te hebben, stonden nu van de geurige
ranken dezer plant tot in hunne takken omstrengeld.

René wees haar in de fabriek de nieuwe stelsels aan en de
vergrootingen die hij sinds Vaders dood had aangebracht. Dáár en in
de magazijnen arbeidden nog eenige der oude werklieden, welke zij er
steeds gekend had: "O Mejuffrouw Laurence! Wat geluk u terug te
zien! en wat zijt gij groot geworden en veranderd!" riepen zij
verwonderd uit. "En zeggen,", voegde eene oude meid er bij,
terwijl zij met verbazing hare handen samensloeg, "dat ik ze nog, och
Heere! zoo klein in mijne armen heb gedragen!"

Laurence stelde belang in alles wat zij zag, en René vond er behagen
in haar in alle plaatsen rond te leiden, om hare vreugde en
nieuwsgierigheid te zien.

"En Mietje hebt gij ook nog," sprak zij, naar de zwarte merrie
wijzend, toen zij den paardenstal binnen traden. René knikte
bevestigend en zegde, dat hij nu drie paarden hield, omdat er
zooveel te vervoeren was. Een jong katje kwam streelend tusschen
hunne beenen gedrongen. "Och, Taine!" riep het meisje vreugdig uit
en boog zich neder om het diertje te vatten. René glimlachte:
"Taine is zoolang dood," sprak hij, het katje opnemend, dat haar
ontvlucht was en het haar in de handen gevend, "maar dit is er nog
een jongsken van."

*     *     *     *     *

Laurence werd het aldra gewoon in hare nieuwe levenswijze. Dat breede
buitenleven deed haar goed, zij die zoolang in eene donkere stad
opgesloten was geweest. Die vroege wandelingen rond den tuin, in de
frissche morgenlucht, deden hare wangen roosachtiger blozen, hare
oogen levendiger blinken. Zij was niet zonder een gevoel van vrees
bij den broeder gaan wonen, dien zij bijna als eenen vreemdeling
aanzag, doch hij bewees haar zooveel goedheid en scheen zoo gansch
zijn genoegen in hare tegenwoordigheid te vinden, dat zij zich reeds
van in de eerste dagen voelde gerustgesteld.

Het waren aangename stonden, deze welke zij met hem alleen in zijne
uitspanningsuren mocht overbrengen. Dat was gewoonlijk 's avonds, na
het werk in de fabriek. Dan gingen zij, hun maal gedaan, en de
werklieden vertrokken, zich nederzetten in den tuin op eene bank,
onder het lommer van eenen boom. Dáár spraken zij vertrouwelijk van
vroegere jaren, van oude vrienden, bij het aanhooren van 't eentonige
lied des krekels in het gras, bij 't genieten van het rustig
avonduur. Somwijlen ook bleven zij sprakeloos, het oog gevestigd op
de gouden zon, die onderging tusschen de verre boomen, de gedachten
meêgesleept in't zingend geschater der heen en weêr vliegende
zwaluwen in het schemerlicht. Somwijlen nog, doch zelden, bleven zij
in huis. Dan zette Laurence zich aan het klavier, en hare hand, als
instinctmatig, opende weldra het muziekboek op de bladzijde van het
een of ander oud vergeten liedje hunner kindsheid. O zoete
herinneringen van 't verledene! Dan zong hij met ontroerde stem
't naïeve deuntje, terwijl hare vingeren, traagzaam zwevend over de
toetsen, hem zachtjes begeleidden, en dan zagen ze nog beiden, in
lang verloopen en gelukvolle dagen, hunne jeugdige makkers, hunne
vroolijke neven en nichten terug, die in vacantietijden bij hen
kwamen, en lachend en zingend, met tien dansten op 't groen pleintje
vóór de deur bij zonnenondergang, terwijl het avondklokje klepte op
den toren, terwijl de zachte stem van Moeder hen kwam roepen voor het
avondmaal. En dan zwegen zij opnieuw en zaten eenige stonden te
peinzen, elk in zijne herinneringen verdiept. Een broederlijke zoen
kwam elken avond hunne wederzijdsche genegenheid bezegelen,
vooraleer zij zich ter rust begaven.

René had aan Laurence gevraagd, of zij zich met zijn huisbestuur
wilde bemoeien en zij had het aanvaard. Dit was een blijk van
vertrouwen, waarover zij hem dankbaar was. In korten tijd wist zij
door hare zorgen de woning dit levendig voorkomen te geven en haren
broeder die duizende kleine genoegens te verschaffen, welke alleen
eene minzame vrouwenhand bijbrengen kan. "Laurence," vroeg hij
haar soms als zij vertrouwelijk te zamen spraken, [3]spijt het u niet
dat gij naar hier zijt gekomen?" En zij antwoordde: "O neen," en
zegde dat hij voor haar zoo goed, en zij bij hem zoo gelukkig was.
Hij glimlachte alsdan tevreden, doch herhaalde dat het leven hier
zoo eenzaam was en vroeg haar nog of zij niet zou begeeren eenige
kennissen of vriendinnen te ontvangen: "Ik zou ze uitnoodigen,"
sprak hij, "om van tijd tot tijd eenige dagen bij u te verblijven."
Maar Laurence antwoordde hem telkens dat zij weinige vrienden telde,
daar zij bij Tante ook zeer afgezonderd geleefd had. Het
eenige vermaak, welk zij buiten huis somtijds genoot, was van met
haren broeder in zijn open rijtuig in het omliggende een uitstapje
te doen, om nog eens al de oorden te bezoeken, waar zij in hare
kinderjaren geweest was.

*     *     *     *     *

René had aan Laurence gezegd dat hij eenen vriend bezat, Léon Duval
genaamd, dien hij gewoonlijk ieder jaar voor eenigen tijd bij zich
uitnoodigde, doch dat hij ditmaal van gedacht was hem voor niet
langer dan éénen dag te vragen, daar hij vreesde dat zijne
aanwezigheid haar misschien zou onaangenaam zijn. Laurence
antwoordde daar vooreerst niets op, doch meende in de woorden van
René eene verborgene spijt te ontdekken. Zij dacht ook dat het haar
niet toekwam den broeder, die voor haar zooveel deed, van een
gezelschap te berooven, waaraan hij scheen te houden, en welke ook
hare inwendige gevoelens over een dergelijk bezoek zijn mochten, bad
zij hem met oprechtheid juist te handelen voor zijnen vriend alsof
zij daar niet ware, en voegde erbij dat hij die zijn vriend was, haar
ook geenszins mishagen zou. René kon zijne vreugde niet verbergen bij
zulke goede woorden en bedankte haar erkentelijk, en zij voelde zich
ook gelukkig zijn inwendig verlangen zoowel begrepen te hebben.

Laurence was na het middagmaal op de bank onder de magnolias gaan
zitten, terwijl René aan zijne bezigheden bleef. Milan, haars
broeders jachthond, lag slaperig en lui vóór hare voeten uitgestrekt.
Zij was daar sinds eenigen tijd aan 't lezen, toen hare aandacht
verstrooid werd door een geluid van stemmen en voetstappen, welke tot
haar schenen te naderen. Zij richtte het hoofd en ontwaarde met
eenige verbazing een in het zwart gekleede jonge heer, welke, door
haren broeder vergezeld, zich wendde tot de plaats waar zij zich
bevond. Zij dacht dadelijk dat dit de vriend zou zijn, waarvan René
haar gesproken had. Laurence had haar boek gesloten en was opgestaan,
terwijl de jonge heer, zijnen hoed in beide handen houdend, met eene
hoffelijke groetenis tot haar genaderd kwam. "Mijnheer Léon Duval,
mijn beste vriend,--Laurence, mijne zuster," sprak René, de beide
jongelieden aan elkaâr[1] voorstellend. De vreemdeling boog zich
eerbiedig en het meisje groette hem met een vriendelijk welkom. Zij
zetteden zich neder onder de bloeiende boomen.

Het kwam Laurence zonderling voor, maar reeds bij den eersten
oogopslag scheen het aangezicht van den jongen heer haar niet
onbekend te zijn, al zocht zij vruchteloos in haar geheugen waar of
in welke omstandigheden zij hem wel eens gezien mocht hebben. Zijne
zeer aangename gelaatstrekken schenen een jaar of acht en twintig
aan te wijzen, terwijl de uitdrukking zijner groote blauwe oogen
tevens zacht en edelmoedig was. Alleen verrieden zijne bleeke kleur
en zijne eenigszins vooruitspringende kaakbeenderen, misschien ook
te meer zichtbaar door hun contrast met zijn zwart haar en zijne
zwarte kleeding, die tengerheid van lichaamsgestel welke men bij
dezen aantreft, die nog maar onlangs uit eene zware ziekte zijn
opgestaan.

René scheen zijnen vriend eene bijzondere genegenheid toe te dragen
en vroeg hem herhaaldelijk en met belangstelling of hij nu gansch
genezen was. De jonge heer antwoordde ja; doch Laurence bemerkte hoe
vaak hij hoestte en werktuiglijk ging haren blik van zijne zwarte
kleederen tot zijn met een rouwfloers overdekten hoed en zij gevoelde
zich als onvrijwillig tot sympathie en medelijden aangedreven.

René herleefde in het gezelschap van zijnen besten vriend en zijne
geliefde zuster. Hij die steeds zoo weinig van zeggen was, kon thans
uren lang met hen gemeenzaam zitten spreken, en de uitdrukking van
leed en droefheid, die sinds jaren zijn gelaat versomberde, scheen nu
ook dagelijks meer en meer te verzwinden onder den heilzamen invloed
van opbeurender gedachten: "Ik ben zoo gelukkig tusschen u beiden,"
sprak hij somtijds met aandoening. Hij was ook moediger aan het werk,
en Laurence bemerkte vaak met tranen in de oogen, hoe vaderlijk hij
zijne dienstboden behandelde en welken eerbied en genegenheid dezen
hem toedroegen. En dit zicht kwam haar nogmaals voor als een stil
verwijt over de onverschilligheid, die zij hem vroeger betoond had.
Laurence had ook den jongen heer niet ongaarne te harent, weldra
zelfs vond zij zijn gezelschap zeer aangenaam, en hij, nadat een
eerste gevoel van drukking, wellicht door de tegenwoordigheid der
jonge juffrouw veroorzaakt, bij hem over was, scheen ook met volle
geluk van de kalmte en de rust des landelijken levens te genieten.

*     *     *     *     *

Aangename stonden, vreedzame dagen waren aldus verloopen.

René zat gansch alleen in zijne kamer. Er komen uren, waarop men naar
eenzaamheid verlangt. Het was een dier kalme en heerlijke
Septemberavonden, in welke ons de zomer nog eens zijnen luister laat
bewonderen, waarvan wij het verlies weldra zullen betreuren. Het
avonduur heeft ook in zich iets poëtisch en treurigs, dat spreekt tot
het gevoel van hem die er de schoonheid van verstaat. René keek door
zijn open venster. Alles was zoo stil dat geen bladertje verroerde;
een eenzaam krekeltje zong in het gras; eene grauwe vledermuis alleen
vloog weifelend vóór hem in 't schemerlicht. Zijn oog dwaalde in de
verte. Hij zag, door de reeds uitgedunde kruinen der naaste boomen,
den geel-grijzen hemel aan de westerkim, waarop een scherpe toren en
hier en daar de hoogste populieren zich als donkere gezichtspunten
afteekenden. Hij scheen een oogenblik te luisteren; het doffe
gerucht van eenen spoortrein in de verte bromde traagzaam over het
landschap. Zijn oog vestigde zich op nadere voorwerpen. Hij zag de
laatste havergarven in stapels op een stoppelveld gelijk stille,
elkaâr[1] omhelzende gestalten tegen elkander staan. Hij zag er die
gevallen waren als smeekende geesten met gevouwen armen vóór de
voeten van andere liggen, welke, achterovergeheld gelijk
onverbiddelijke strijders, alle vergiffenis schenen te weigeren. Dit
beschouwde hij in zijne gedachten verzonken. Hij keek in zijnen
spiegel. Hij zag de vroege rimpels op zijn gelaat door het contrast
van de schaduw en het licht der laatste zonnestralen duidelijk
afgeteekend, en de witte haartjes glanzen die zijne zwarte lokken
doormengden. Hij keek opnieuw naar buiten. Zijn oog viel op Leon[4]
Duval en zijne zuster, die op de houten bank onder de schaduw der
magnolias nevens elkander zaten. Het meisje bloosde glimlachend als
bij het aanhooren van iets dat haar zeer aangenaam zijn moest; de
jonge man hield angstig zijn oog op haar gevestigd, als iemand die
een antwoord afwacht dat over zijne toekomst gaat beslissen. O! was
het eene begoocheling? In dit oogenblik werd René als door eene
tooverroede gansch het verledene vóór de oogen gebracht. In een
vluchtend visioen zag hij zich zelven daar ook nog zitten en een
welbemind wezen aan zijne zijde. Zij luisterde ontroerd naar zijne
woorden; hij spiegelde zijn hart in hare oogen; en dan zag hij in
eens iets akeligs gelijk den dood en voelde iets wreeds als eene
onmenschelijke hand welke zijn hart verscheurde. Zijn blik had zich
werktuigelijk tot den muur aan zijne bedstede gewend. Dáár hing het
portret van eene lieve, jonge vrouw, met glimlachend gelaat en
glanzende oogen. Een zucht van smart en wanhoop steeg uit zijnen
boezem, zijne kniëen knakten en zijne handen vielen krampachtig
ineengesloten op den boord van het witte ledikant neder. En door de
stille tranen, die zijn oog verduisterden, zag hij het schoone
afbeeldsel, waarop de laatste zonnegloed der roode westerkim als eene
vurige stralenkroon deed glanzen, hem voortdurend met zijnen lieven
en onveranderlijken glimlach aanstaren.

*     *     *     *     *

De laatste bloempjes zijn ontloken. Het zijn de lilakleurige asters
met hunne gele hartjes, die dicht bijeen op hunne slokachtige takjes
staan, gelijk de laatste zwaluwtjes die ook te zamen zitten,
vooraleer zij ons verlaten. De dagen zijn verkort en worden koel en
mistig bij ochtend en avond. De nachtrijm hangt des morgends eenen
pereldauw aan de draadjes van de spinneweb. De lucht bij dage is
rein en stil, zoo stil, dat de windmolens, die niet kunnen draaien,
hunne ontbloote zeilen als naakte geraamten onbeweegbaar over het
landschap uitsteken. De gele bladeren der boomen vallen traagzaam
neder, met een licht geruisch gelijk een weemoedigen zucht, en
kraken onder den voetstap. Het groene rapenloof vervangt de plaats
der golvende korens; de jonge haas springt er verwilderd uit en
vlucht voor de komst des jagers. De weiden zijn opnieuw bedekt met
kort en frisch groen, waarop het vee komt grazen. De jonge knapen
zamelen de droge bladeren der boomen of de dorre groes der
aardappelvelden bijeen, en maken er hun vuurken mede, waaruit men
hier en daar de blauwe rook in dunne streepjes ten hemel op ziet
stijgen. Alles schijnt te rusten; alles schijnt in stille
overpeinzing tot eene heimvolle gedaanteverwisseling over te gaan.
Het is de zomer niet meer, het is de winter nog niet, het zijn de
eerste dagen van den slapenden en weemoedigen herfst.

Léon Duval is vertrokken. René en zijne zuster hebben hem in hun
rijtuig tot aan het station vergezeld en keeren nu alleen naar hunne
woning terug. Beiden zitten stilzwijgend. Zij ondergaan dien indruk
van afzondering en spijt, welken ons de afreis van eenen goeden
vriend achterlaat.

De herfstzon is onder in het westen; de duisternis daalt rasser
over de aarde neder. De lantaarnen van het open rijtuig werpen hunne
dansende en gele stralen langs beide kanten van den steenweg en
Milan loopt hijgend achter de voeten van het paard, juist voor het
vorenwiel des rijtuigs. Hij verkeert in gestadig gevaar door het
gespan overreden te worden, maar hij heeft het aldus van jongs af
opgenomen en anders loopen wil hij niet. René laat hem begaan.

Laurence leunt zich achterover in het rijtuig en doet hare oogen toe
als om te rusten. De vlugge ren van het paard veroorzaakt een koelen
wind, die haar doet huiveren. Zij vouwt haar wollen halsdoek dubbel
toe op hare borst en verzinkt in gedachten. Zij droomt van de
toekomst. Zij reist op den spoortrein; de loop van het rijtuig geeft
haar zulken indruk. Hij die nevens haar zit is René niet, het is Léon
Duval. Léon is tenger van gezondheid, hij hoest, de avondkilte doet
hem kwaad, zij sluit het venstertje zorgvuldig en strikt een zijden
doek om zijnen hals. Zij vraagt hem of het beter is. Hij bedankt haar
met eenen glimlach. Weldra komen zij aan in eene groote stad door
duizenden lantaarnen verlicht. Zij stappen van den trein en trekken
door eenige straten, zij aan zijnen arm. Dáár staat een huis, niet
groot, niet hoog, niet schoon, voor iedereen gelijk aan andere die er
nevens staan, maar voor haar glanzend en schitterend van pracht, want
daar heerscht geluk, voorspoed en liefde. Dat is haar huis en daar
woont zij met Léon, want hij is haar man, zij is zijne vrouw. Hij
doet de voordeur open en zij loopt ongeduldig binnen en in een
oogenblik hangen haar twee, drie kleine knapen om den hals, die haar
"Mama, Mama!" toeroepen en haar beurtelings moeten omhelzen; en de
jonge kindermeid komt haar met een glimlachend welkom het kleinste op
de armen brengen, dat nog niet alleen kan loopen. Zij legt de
koekskens en het speelgoed, die zij heeft medegebracht, in de gretige
handjes en geeft een teederen kus aan elk geliefd gezichtje. En dan
neemt zij haar kleintje in de armen, dat een meisje is, en streelt en
kust het ook, en spreekt er kweelend tegen om het te doen lachen,
terwijl hare hand zijn hoofdje zachtjes schudt en hare vingeren twee
malsche kuiltjes in zijne blozende wangskens duwen; en dan kust zij
het en herkust het nog, en geeft het eindelijk aan de jonge meid
terug, terwijl zij haren man bekijkt met een gelaat, dat glanst van
trotschheid en geluk.

Laurence heeft hare oogen geopend. De stem van
René heeft haar eensklaps tot de wezenlijkheid teruggeroepen; het
meisje, gansch in hare zoete begoocheling verzonken, heeft zijne
woorden niet verstaan.--Hij herhaalt: "Hij schijnt mij zoo ziek,
Laurence."--"Ziek!" zegt zij nog gansch bedwelmd, als kon zij
niet begrijpen van wien hij spreken wil. "O neen," herneemt hij
nog eens, "Léon is niet goed."

Eene koude huivering doorrilde hare ledematen. Helaas! zij wist het
ook: zij had gedroomd!

*     *     *     *     *

Tien jaren
zijn verloopen. Het huis, de tuin, de fabriek, geheel de levenswijze
van René en zijne zuster zijn niet veranderd. Alleen is zijn haar nu
gansch wit geworden; alleen is hare slanke gestalte vermagerd, haar
liefelijk gelaat verbleekt. Eene uitdrukking van stille onderwerping
ligt op hunne wezenstrekken. Zij zijn beiden niet getrouwd, maar zoo
gelukkig in hun vreedzaam lot, zeggen de buitenlieden, en ze
verdienen het ook, ze zijn zoo braaf. René draagt aan zijne zuster
het teederste gevoel van broederliefde toe; zij beantwoordt zijne
genegenheid door hare minzame zorgen. Hij nochtans ziet haar soms
aan met een gevoel van spijt. Waarom, denkt hij, heeft zij den tijd
van trouwen voorbij laten gaan! Hij heeft er haar zoo dikwijls van
gesproken, maar zij heeft het stelselmatig immer van de hand
gewezen. Zij blijft liever bij hem, zegt zij. O! waarom ook zou
ze zijn treurig leven nog versomberen door hem hare eigene smart te
laten ontwaren? Zij zwijgt, maar soms in moedelooze dagen, wanneer
haar broeder weg en zij alleen tehuis is, soms dan gaat zij op
zijne kamer en sluit er zich met hare gedachten op. Daar hangen nu
twee portretten aan den wand; zelfde haar, zelfde oogen, bijna
hetzelfde gelaat, dat haar minzaam tegenlacht. Ze zijn broeder en
zuster.--Zij stierven beiden in den bloei des levens en beiden aan
dezelfde kwaal. Zij stierven op het oogenblik, dat hun het lot eene
wereld van geluk en liefde liet ontwaren. Zij hebben slechts een
korten tijd hier op aarde vertoefd en weinige smarten gekend; maar
in het leven van den broeder en de zuster, die hen beurtelings
bemind hebben en verloren, hebben zij die stille treurigheid
achtergelaten, die, evenals de grauwe wolk tusschen den helderen
hemel en de jeugdige aarde, als een melancholieken sluier tusschen
den mensch en het geluk blijft hangen.

*     *     *     *     *

Nota's:
[1] in het document komt eenmaal "elkaar" en viermaal "elkaâr" voor
[2] "een" moet waarschijnlijk "eens" zijn
[3] " ontbreekt
[4] in de rest van het document is de voornaam "Léon"





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Broeder en Zuster" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home