Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De Kerels van Vlaanderen
Author: Conscience, Hendrik, 1812-1883
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De Kerels van Vlaanderen" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



HENDRIK CONSCIENCE

De Kerels van Vlaanderen


Brussel

[1883]



De Kerels van Vlaanderen



I


Op eenen herfstmorgen van het jaar 1126 weergalmden de plechtige tonen
van eenen lofzang binnen de kerk van Onze-Lieve-Vrouwe te Brugge.

Ongetwijfeld zaten onder hare breede gewelven gansche scharen
nedergeknield; want nu en dan riep het gerinkel der schellen de
geloovigen tot een inniger gebed.

Evenwel, op het doodenveld, dat den tempel omringde, heerschte de
volledigste eenzaamheid. Geen ander gerucht stoorde er de stilte dan het
aanhoudend geschreeuw eener vlucht zwarte kauwen, die daarboven, op meer
dan vierhonderd voet hoogte, de lucht met hun treurig gekras vervulden
en als een onweerswolk rondom de spits van den reusachtigen toren vlogen
en slingerden.

Aan eene groeiende rots gelijk, schoot het logge gevaarte zijne bonkige
freiten en graten ten hemel, en hief het teeken der verlossing zoo hoog
boven de stad, dat de scheepslieden, van uren en uren verre in zee, deze
baak konden herkennen....[1]

Een man trad langzaam op het kerkhof, luisterde eene wijl op de statige
galmen die in den tempel herklonken en stapte dan verder in het
kronkelend voetpad.

Hij naderde een steenen kruis,--godvruchtige gedachtenis aan eenen
dierbaren doode,--leunde met den elleboog er tegen en bleef zoo, half
glimlachend, naar de kerkdeur blikken, als wachtte hij met vurig
verlangen op iemand wiens verschijning hem gelukkig kon maken.

Deze man had wel de dertig jaar bereikt; zijne weinig verhevene gestalte
en de magerheid zijner leden deden hem echter jonger schijnen dan hij
was. Met vrij regelmatige wezenstrekken en diep zwarte oogen mocht hij
sommigen toeschijnen als niet beroofd van zekere schoonheid; maar zware
wenkbrauwen en scherpgeslotene lippen gaven zijn gelaat een zuur en
onvriendelijk voorkomen dat, bij den eersten blik, twijfel of mistrouwen
aangaande zijne inborst kon verwekken.

Zijne kleeding liet gissen dat hij tot den ridderstand behoorde; want
zijn overkolder was van fijn groen laken en de draagband, waaraan zijn
zwaard hing, glinsterde van gouden en zilveren stikwerk In diepe
gedachten was hij verslonden. Had in het eerste een glimlach van blijde
verwachting de harde plooi zijner lippen gematigd, nu toch schoot er
insgelijks eene bedroevende overweging door zijnen geest; want hij
sidderde van verborgene gramschap en sloeg met zijne vuist aan den arm
van het kruis waartegen hij leunde, als wilde hij den steen vermorzelen.

Dan was zijn aangezicht terugstootend van bitterheid en haat.... Maar nu
traden er eenige lieden uit de kerk--en de glimlach verscheen weder op
des ridders mond, terwijl hij verder het doodenveld overstapte om niet
te laten vermoeden dat hij daar wachtend had gestaan.

De godsdienstige plechtigheid moest ten einde zijn; want uit de nauwe
tempeldeur stroomde een vloed geloovigen van allen ouderdom en stand.

Al hadde ook het dragen der lange zwaarden en rijke kleederen de ridders
tusschen de menigte niet aangewezen, hunne trotsche houding en de
dienaars welke hen ootmoedig volgden waren toereikend geweest om hen en
hun huisgezin van de Poorters[2] of burgers te doen onderscheiden.

Deze laatsten, ernstig en bescheiden, droegen eenen langen kolder van
donkerkleurig laken, meest zwart of bruin, waarboven, aan eenen
gordelriem, de lederen tassche hing met een mes in eene scheede.

De lijfeigenen of dienstbare lieden,--die men nog met den akker, waarop
zij geboren waren, kon koopen en verkoopen,--waren gekleed in ongebleekt
linnen of in grof roestvervig laken, onzindelijk en slordig. Velen zelfs
gingen met armen en voeten naakt.

Geen dezer ongelukkigen hadde eenig wapen durven dragen, al ware het
slechts een schier onzichtbaar mes geweest. Het teeken hunner slavernij
bestond in de berooving van alle verdedigingsmiddel, en eene wreede
straf wachtte dengene die de onedelheid zijner afkomst poogde te
verbergen.

Reeds hadden vele geloovigen zich verwijderd, toen een bejaard ridder
met zijne dochter uit de kerk kwam en bij de ingangdeur bleef staan, om
met haar over iets te spreken.

Burgers en mindere lieden schikten zich met eerbied op eenige stappen
rondom hem en keken stil en verbaasd op de jonge maagd, wier schoonheid
elkeen met bewondering trof.

Deze ridder, Segher Wulf van Lampernisse, was weduwnaar; zijn eenig
kind, hem dierbaar als het licht zijner oogen, heette Dakerlia.

Alhoewel zij door hare opgeschotene gestalte en sterken lichaamsbouw de
andere vrouwen scheen te overheerschen, was zij echter nog zeer jong.
Dit getuigde het donzig waas op hare beroosde wangen, de zoete
schuchtere blik harer diepe bruine oogen, het koraal op haren fijnen
mond en iets onbestemds in haren gang.

Maar het geviel tevens dat zij, haastig met haren vader sprekende, meer
nadruk aan haar woord wilde geven, en dan ontschoot aan dit helder oog
eene vonk van gemoedskracht die de omstanders met verwondering trof en
deed denken dat in dit zoete maagdelijk wezen eene sterke ziel moest
wonen.

Zelfs murmelde op dit oogenblik eene oude burgersvrouw schier
onhoorbaar:

"Ho, de lieve jonkvrouw! Prachtige Kerlinne van het zuiverste bloed!"

Dakerlia droeg een onderkleed van witte gebloemde zijde met enge,
spannende mouwen; daarop een lichtblauw overkleed, waarvan de mouwen
integendeel wijd en afhangend waren. Haar golvend zwart haar was boven
haar hoofd met eenen witten sluier bedekt en te zaam gehouden door eenen
platten band van zuiver goud, die als eene kroon aan haar voorhoofd
blonk.

Haar vader drukte haar de hand en meende haar te verlaten; de
dienstmeid, door hem geroepen, naderde reeds om hare jonge meesteresse
te vergezellen toen eensklaps de man, die op het kerkhof had gestaan,
met vele buigingen tot hem kwam en onder vriendelijk glimlachen zeide:

"God geve u alle heil, mher Wulf en u, jonkver Dakerlia. Welkom, welkom!
Hoe verblijdt het mij u behouden weder te zien na zulke lange
afwezigheid!"[3]

"Zulke lange afwezigheid, mher Disdir Vos?" schertste Segher Wulf.
"Nauwelijks eene maand."

"Het schijnt zeer lang voor die u eeren ... en beminnen", antwoordde
Disdir, terwijl hij met eenen zucht de oogen op de jonkvrouw richtte.

"Ik dank u voor uwe genegenheid", zeide Segher Wulf, minzaam lachende,
"maar gij zult het mij vergeven, mijn goede Disdir, indien ik niet
langer met u kan kouten. Ik ben slechts gisterenavond van den zeekant
teruggekeerd en moet onmiddellijk bij den proost van St-Donaas eene
gewichtige boodschap gaan vervullen. Indien gij waarlijk nieuwsgierig
zijt om te weten hoe het ons op de reis is gegaan, Dakerlia kan er u
iets van zeggen, terwijl gij haar een eindweegs huiswaarts vergezelt."

"O, God, alleen met haar!" mompelde Disdir Vos binnensmonds terwijl
zijne oogen van blijdschap glinsterden.

En zich tot de jongvrouw keerende, vroeg hij met zekere aarzeling:

"Gij stemt toe, Dakerlia?"


[Illustratie: Ik verbied u mij nog ooit het woord toe te sturen!]


"Uw gezelschap is vereerend voor mij, mher Vos", stamelde zij, "maar, ik
bid u, geef deze moeite niet; mijne dienstmeid zal mij vergezellen."

Haar vader drukte Disdir de hand en verwijderde zich in de richting naar
den Dyver; Dakerlia, door hare meid gevolgd, stapte aan de zijde van
Disdir de Maria-straat in.

Eene wijl gingen zij stilzwijgend. De ridder hield de oogen zijdelings
op haar; zijne borst zwoegde en zijn blik ontvlamde, als bereidde hij
zich tot eenen harden strijd waarin hij eene pijnlijke wonde moest
bekomen.

Eensklaps zeide hij op eenen hollen toon, die van zijne overmatige
ontsteltenis getuigde:

"Dakerlia, ik ben ongelukkig; ik doorsta smarten die mij het leven
ondraaglijk maken. Reeds tweemaal heb ik u durven bekennen wat
onverwinnelijk gevoel voor u in mijnen boezem is ontstaan. Gij hebt
eerst ongevoelig den spot met mijn lijden gedreven, daarna koel en
bitter mij afgewezen. Ach, sedert dan is die vonk in mijn hart tot een
verterend vuur aangegroeid...."

"Maar bedwing u, heer", murmelde Dakerlia op strengen toon. "Spreek zoo
niet tot mij."

"Uw vader, die mij acht en mij met zijne genegenheid vereert, gaf mij er
het recht toe. Hem heb ik de hand zijner dochter gevraagd, en hij heeft
ze mij toegestaan op voorwaarde dat ik uwe toestemming verwierf.
Dakerlia, heb medelijden; blijf niet onmeedoogend mij veroordeelen!"

"Ik ben te jong nog om aan zulke dingen te denken", zeide de jonkvrouw.

"Te jong nog?" schertste Disdir. "Gave God dat het zoo ware!... Maar
versmachten wij den wreeden worm die daar binnen knaagt.... Dakerlia,
het lot heeft mij begunstigd: wij zijn alleen. Ik wil u mijne bekentenis
herhalen, al dreigde mij daarom de dood zelf. Ja, Dakerlia, ik bemin u;
niet zooals een ander man u zou kunnen beminnen, neen, meer dan het
leven, meer dan mijne plaats in het Walhalla der vaderen, meer dan
mijner ziele zaligheid...."

"Schromelijk!" zuchtte de maagd. "Wat gij zegt, heer, is eene
godslastering!"

"Eilaas, het is waar: ik ben blind, betooverd, zinneloos", ging Disdir
voort. "Wees toch genadig, Dakerlia; red mij uit deze hel van
vertwijfeling door een enkel minzaam woord! Gij zwijgt, o wreede?"

"Wat kan ik antwoorden op zulke taal?" morde de jonkvrouw met
ontevredenheid.

"Zeg mij, zeg mij, om Gods wil, dat ik mag hopen!"

"Ik zou liegen, Disdir."

"Gij zoudt liegen! Wee mij! Er is dus geene de minste vonk van
genegenheid voor mij in uw ijskoel hart?"

"Vriendschap, genegenheid kan ik u gunnen, als aan elk der bekenden
mijns vaders", antwoordde het meisje, "maar het gevoel dat gij van mij
eischt, mher Disdir, is iets dat zich niet laat gebieden, gij weet het
wel. Is uwe smart ongeveinsd, dan heb ik waarlijk medelijden met u. Meer
kan ik u niet geven."

Als geheel ontmoedigd, liet de ridder het hoofd op de borst vallen en
stapte eenige oogenblikken zwijgend voort.

Eene rilling doorliep welhaast zijne leden, en hij sprak tot de maagd op
zoeteren, doch niet min ontstelden toon:

"Dakerlia, gedurende deze vier eindelooze weken uwer afwezigheid heb ik
aan niets gedacht dan aan u alleen; mijne ziel is vervuld gebleven met
uw beeld; nacht en dag hebt gij voor mijne oogen gewaard. Ik heb
gedwaald als een verloren geest, u zoekende in de straten, in de
bosschen, in de woestijnen; en overal klonk mij in de ooren het
onverbiddelijke "neen, neen!" dat gij mij, als een gloeiend ijzer, op
het bloedend hart hebt gedrukt. Dakerlia, uw vader stemt toe in ons
huwelijk. Verwerp mij niet voor eeuwig. O, laat mij hopen! Bedrieg mij,
maar laat mij hopen!"

"Bedriegen kan ik niet; bedriegen wil ik niet", zuchtte de maagd, droef
en ongeduldig.

"Niets voor mij dan afkeer en misprijzen!" huilde Disdir op versmachten
toon. "Zelfs geene genegenheid genoeg om mij uit medelijden te
bedriegen! Welaan, het zij dan zoo! Liefde of verachting, mijne vrouw
zult gij worden, Dakerlia!"

"Ik uwe vrouw?" kreet de maagd met verontwaardiging. "Welk ridder, welk
vrijgeboren man zou eene vrouw door geweld tot een huwelijk zonder
genegenheid willen dwingen?"

"Eene liefde als de mijne is blind en kent geene wetten. Wat mij
verhindert, wat mij in den weg staat zal ik verbrijzelen!"

"En ik zal mijnen vader zeggen wat schaamtelooze taal gij tot zijn kind
durft voeren."

"Hij zelf schonk mij uwe hand."

"Gij weet wel, heer, dat dit onwaar is. Mijn vader laat mij de vrije
keus. Hij heeft niet verzuimd het u uitdrukkelijk te zeggen. Daarbij, ik
herhaal het u, ik ben veel te jong om aan zulk iets te denken."

Hij schouwde haar diep in de oogen en vroeg met ontstelde stemme:

"Dakerlia,--o, folterend vermoeden!--Dakerlia, gij bedriegt mij. Ware uw
hart vrij, gij zoudt niet zoo onmeedoogend voor mij zijn. Durf zeggen
dat gij niet reeds uwe keus hebt gedaan!"

Een hevige schaamteblos kleurde het voorhoofd der maagd. Zij voelde zich
gekwetst, aanzag Disdir met fieren blik en antwoordde:

"Wat geeft u de stoutheid om dus beschuldigend mij te ondervragen? Zijt
gij een eerlijk ridder en een Kerel? Waarom vergeet gij dan dat ik eene
vrouw ben en recht heb op uwen eerbied?"

"Nu, durf spreken!"

"Verwijder u, verlaat mij!" gebood de jonkvrouw op ontzagwekkenden toon.

"Ja, ik zal mij verwijderen!" gromde Disdir, uitzinnig van spijt. "Ik
weet wel wie het is die mij belet in uw hart de minste plaats te vinden,
omdat hij het geheel vervult. Robrecht Snelhoge, niet waar? Hij is een
Erembald, hij is machtig, rijk als een vorst; en de hoop dat gij nevens
hem zult schitteren...."

"Onbeschaamde, gij verzaakt zelfs mijne achting!" onderbrak de maagd met
gramschap. "Ga uwen weg; ik verbied u mij nog ooit het woord toe te
sturen!"

"Ach, vergiffenis, medelijden!" smeekte Disdir, die beefde onder den
vertoornden blik der maagd. "Laat mij eene vonk, eenen schemer slechts
van hoop!"

"Mijnen vader zal ik verzoeken u mijn verbod te doen eerbiedigen; en wij
zullen zien of gij den ouden krijgsman zult durven trotsen en zijn kind
blijven hoonen."

"Doemenis, doemenis!" kreet Disdir, van vertwijfeling de vuisten
wringende. "Gij veroordeelt mij tot eeuwige wanhoop?... Ah, neen, neen,
mijne vrouw zult gij worden, Dakerlia!"

En onder het uiten dezer woorden keerde hij zich om en liep met hevige
gebaren terug in de straat.

De jonkvrouw hield vol ontroering den blik nederwaarts en stapte in
gepeinzen voort. Het was haar bang om het hart en zij schudde soms het
hoofd in pijnlijken twijfel. Niet omdat de laatste woorden van mher Vos
haar verschrikten; want zij kende hem als een grootspreker wiens
overdrevene woorden en wiens bedreigingen weinig te vreezen waren; maar
hij had haar iets gezegd dat haar als eene angstwekkende veropenbaring
had getroffen.

Robrecht Snelhoge!--Disdir had deze beschuldiging ongetwijfeld op een
ijdel vermoeden gegrond; de schijn had hem bedrogen?

Als gebuurkind en vriendinne was Dakerlia, om zoo te zeggen, met
Robrechts zuster opgevoed geworden. Van hare eerste stappen in het leven
had zij Robrecht aan hare zijde gezien, en zij was allengs gewoon
geworden hem als eenen broeder te beschouwen. Ofschoon eenige jaren
ouder dan zij, had hij gedurende hare kindsheid wel dikwijls hare spelen
gedeeld. Later was hij ernstiger geworden; maar hij was toch zoo goed en
zoo minzaam voor haar gebleven dat zij dan met dankbaarheid aan hem en
aan hare kinderjaren kon denken. Ach, was het iets meer dan broederlijke
genegenheid, dit diep en innig gevoel dat hen alle drie reeds zoolang in
den band der schuldelooze vriendschap hield gesloten?

Dit waren de angstige gepeinzen der maagd, terwijl zij langzaam de
Hoogstraat instapte.

Van wederzijde dezer straat kon men drie slag van woningen bemerken. De
talrijkste waren huizen tot welker bouw men terzelfder tijd hout en
baksteenen had gebezigd. Eenigen dezer woonsteden van welhebbende
poorters waren tamelijk hoog, en de stijlen hunner enge deuren en de
omlijsten hunner rondbogige vensters waren met eenen overvloed van
gesneden beeldwerk versierd. Het benedengedeelte dezer huizen was
ingericht tot winkels of stapels van allerlei waren; men verkocht er
laken en lijnwaad, leder, huisgerief, ijzerwerk, landbouwgereedschappen
en vele andere benoodigheden des levens of voorwerpen des handels.

Daartusschen en bij groepen hier en daar te zamen geschikt, zag men ook
houten hutten zonder verdiep, zeer laag en onzindelijk, die tot
schuilplaats dienden aan onvrije of geheel arme lieden.

Verder, ten einde der straat, hieven twee ridderlijke Steenen[4] hunne
ronde of achtkantige torens in de hoogte; zij schenen door hunnen loggen
bouwtrant en door de schietgaten, die als zoovele wakende oogen over de
poortershuizen heenkeken, al wat hen omringde te bedreigen en te
overheerschen. En waarlijk, zulk sterk slot, te midden der stad zelve
opgericht, moest in dien tijd den burgers en onvrijen lieden ontzag en
vrees inboezemen voor de heerschzuchtige ridders, die met macht uit dit
arendnest konden vallen, om onrecht te plegen, doch niet vervolgd konden
worden achter muren welke de stormram zelfs onwrikbaar vond.

Van zulke versterkte Steenen stonden er velen binnen Brugge of in de
nabijheid; want reeds alsdan ontkiemden niet alleenlijk in deze stad de
Vlaamsche bedrijvigheid en de Vlaamsche koophandel; maar zij was tevens
het gewoon verblijf van den graaf van Vlaanderen, wiens hofhouding
talrijke edele landheeren uitlokte. Elk dezer machtige ridders had zich
het recht aangematigd om een dergelijk bewald en immer dreigend kasteel
te bewonen.

Dakerlia hield haren ontstelden blik gericht naar eene der beide
ridderwoningen, welker gulden weerhanen in de verte boven de hoogste
poortershuizen glinsterden.

Nu moest zij in hare overwegingen tot een besluit geraakt zijn, want zij
zag er zeer droef en neerslachtig uit; ja, zij vertraagde nog haren
gang, als hadde zij gevreesd het einde der straat te bereiken.

Daar stond nochtans de Steen haars vaders ... maar bijna recht er over
stond de Steen waar de ouderlooze Robrecht Sneloghe met zijne jonge
zuster Witta woonde.

Kon Dakerlia, na eene maandlange afwezigheid, nalaten hare trouwe
vriendin Witta te bezoeken? Onmogelijk!... maar indien Robrecht te huis
was en zijn oog haren vreesachtigen blik ontmoette? Zou zij niet beven,
schaamrood worden en den angst haars harten verraden?

Ja, nu toch zag zij klaar in hare eigene ziel. Hoe had zij het zoolang
voor zich zelve kunnen verborgen houden? Het nijdig woord van Disdir Vos
was er noodig geweest om haar die geheimenis te veropenbaren: uit hare
zusterlijke vriendschap voor Robrecht was een ander gevoel ontstaan!

Nu wist zij waarom zij, maanden reeds voor haar vertrek, eene
onweerstaanbare neiging had gevoeld om hare bezoeken bij Witta in getal
te verminderen en in duur te verkorten; waarom zij zwijgend was geworden
in Robrechts tegenwoordigheid en den blik nedersloeg als hij haar
bezag.... Ah, daarom had het beeld van Robrecht op geheel deze reis haar
vervolgd als een onverjaagbare droom!

Zij stond voor de poort van haars vaders Steen, toen zij met een treurig
knikken deze laatste gedachten bevestigde. Zij meende binnen te treden,
want de meid had reeds den ijzeren klopper laten nedervallen; maar
eensklaps ontsnapte haar een lange zucht; zij richtte het hoofd als met
fierheid op en murmelde in zich zelve:

"Waarom zou ik beschaamd zijn? Ben ik schuldig? Heb ik voor mij zelve
het zoolang kunnen verborgen houden, waarom zou mij dan de noodige
sterkte ontbreken om het voor alle anderen te verbergen? En indien
Robrecht niet vermoedt wat er in mijn hart omgaat?... Misschien is hij
niet te huis? Ik kan toch niet als eene vijandin afbreken met zijne
goede zuster. Wat kwaad heeft zij mij gedaan? Kom, ik zal moed hebben,
mij sterk houden en God bidden dat Hij mij machtig make tegen een gevoel
dat mij verschrikt...."

Zij wenkte de meid en zeide haar:

"Ga binnen, Gertrudis; ik behoef uwen dienst niet meer. Komt mijn heer
vader te huis en vraagt hij naar mij, meld hem dat ik mijne vriendin
Witta ben gaan bezoeken."

Zij richtte zich hierop tot den grooten Steen aan de overzijde der
straat en vroeg eenen dienaar, die in de halfgeopende poort stond, of
jonkver Witta Sneloghe te huis was.

Met een bevestigend antwoord leidde de huisknecht haar over den Neerhof.
Zij volgde hem schier bevend; doch toen hij haar meldde dat zijn meester
sedert den vroegen morgen reeds was uitgegaan, verlichtte haar gemoed en
zij glimlachte zelfs met blijdschap, als viele er een drukkende steen
van haar hart.

De dienaar bracht haar in eene kleine benedenzaal en schoof eenen
leunstoel vooruit.

"Jonkver Wulf", zeide hij, "mijne meesteresse is boven en ongetwijfeld
bezig aan haren opschik. Ik zal eene meid bevelen haar van uwe komst te
gaan verwittigen. Gelief dus het mij niet ten kwade te duiden indien gij
verplicht waart eene korte wijle te wachten"

Dakerlia zette zich neder en liet hare blikken, vrij en helder, rondom
deze kamer dwalen, elk voorwerp glimlachend aanziende, als begroette zij
oude, zeer oude vrienden, tusschen welke zij in reeds verre afzijnde
tijden had geleefd.

Inderdaad, het speelzieke kind, het vrije en zorgelooze meisje, dat hier
vroeger leefde, bestond niet meer; de tijd van heldere, belanglooze
vriendschap was reeds het verleden geworden....

De zaal waarin zij zich bevond was tamelijk duister, dewijl de kleine,
groenachtige vensterruiten slechts een beperkt en gematigd licht
toelieten. Aan de voeten der jonkvrouw spreidde de vloer van kleurige
baksteenen zijne gebloemde reken uit; boven haar hoofd rustte het
verdiep op eiken balken, welker kanten en steunsels versierd waren met
schoone beeldingen, schitterende van goud en allerlei prachtige verven.
Eveneens bestond hier alle huisraad uit gesneden eikenhout dat, ofschoon
donker en zwaar, de teekens droeg van geduldvollen arbeid en van
rijkdom.

In het diepe der zaal verhief zich een hooge schoorsteen van blauw
arduin, en daarboven prijkten eenige ridderlijke wapens, zooals een
krijgsdegen, een maliehemd, een harnas en een ijzeren stormhoed.

Dakerlia was opgestaan en stapte rondom de kamer, als wilde zij elk der
voorwerpen, welke er zich bevonden, van naderbij beschouwen. Misschien
gaf zij slechts toe aan de onrustigheid die haar nog beheerschte.

Zij was blijven stilstaan voor eene halfgeopende kas waarin drie of vier
boeken op een berd lagen. Met verslondenheid hield zij eene wijl de
oogen er op gevestigd. Zij keek eensklaps bespiedend naar de deur der
zaal, als iemand die aarzelt om eene laakbare daad te plegen, greep dan
de deur der kas aan en opende ze verder....

Een zucht ontsnapte haar. Daar stond, nevens de boeken, eene dooze of
zeer klein schrijn, met leder overtogen en met gulden inlegwerk gesierd,
dat ongetwijfeld een juweel of eenig ander kostbaar kleinood moest
bevatten.

Eene lange wijl staarde zij beweegloos doch met begeesterden blik op
deze dooze, legde eindelijk aarzelend de hand er op en schouwde biddend
ten hemel.

Zij murmelde zeer zacht, als vreesde zij dat haar gelispel door iemand
kon worden gehoord:

"Dit schrijn bevat het levensgeluk eener vrouw! Toen zijne moeder haar
einde voelde naderen, schonk zij hem het kostbaar juweel, en zeide tot
vaarwel:'Robrecht, sier daarmede den hals uwer bruid tot mijne
gedachtenis!' Wie? wie zal het zijn, o genadige God?"

Maar een gevoel van beschaamdheid greep haar aan; zij duwde de kas toe,
keerde terug naar den leunstoel en liet er zich op nederzakken.

Waarschijnlijk zette zij den gelukkigen droom voort, die bij de kas hare
dwalende ziel had gestreeld; want nog was haar oog helder en een blijde
glimlach bleef op hare lippen zweven ... totdat eene nog jongere maagd
dan zij in de zaal trad en, met opene armen op haar toesnelde terwijl
zij uitriep:

"Ah, God dank, God dank, daar zijt gij behouden weergekeerd, lieve
Dakerlia!"

"Goede, dierbare Witta", murmelde jonkver Wulf ontroerd, terwijl zij
Robrechts zuster omhelsde, "hoe heb ik onverpoosd aan u gedacht! Nu toch
ben ik wel gelukkig u weder te zien!"

"En ik, Dakerlia, ik was zoo bedroefd en treurig dezen morgen...."

"Treurig? Waarom, vriendinne?"

"Van gisterenavond heeft mijn broeder mij gezegd dat gij teruggekomen
waart. Hij vernam het van onzen oom, den kastelein Hacket, die u in
eenen wagen de Ezelpoort zag binnenrijden. Ik ben vandaag met de zon
opgestaan en heb lang uitgezien of gij niet kwaamt. De vermoeidheid,
niet waar? Gij hebt wat laat geslapen?"

"Maar neen, gij misgrijpt u", antwoordde Dakerlia, hare vriendin de hand
nemende. "Kom, laat ons zitten en kouten. Het is eene gansche
geschiedenis die ik u moet vertellen."

"De reden waarom gij zoo laat mij bezoekt?"

"Ja, Witta; het was eene gelofte die ik, op zee, aan Onze-Lieve-Vrouw
van Brugge heb gedaan."

"Op zee, Dakerlia? In eenen storm? Geloofd zij de Heilige Moeder, die u
heeft beschermd. Maar, lieve hemel, hoe geraaktet gij op de woeste zee?"

"Die zal ik u gaan verhalen, Witta. Luister slechts.... Toen wij te
Lampernisse op de hofstede mijner moei kwamen, was zij zoo ziek dat wij
haar onzen innigen dank betuigden omdat zij ons had laten roepen. Nadat
ik bijna twee weken nevens haar bed had gewaakt, haar had getroost en
verpleegd, werd zij eensklaps beter, en een paar dagen daarna gevoelde
zij zich reeds tot zooverre hersteld dat zij van den bedde opstond en
met mij in den hof wandelde...."

"Hoe? Uwe moei is genezen!" kreet Robrechts zuster verwonderd.

"Maar neen, Witta. Laat mij toch voortgaan. Zij scheen geheel genezen en
onze zorgen niet meer te behoeven. Te Veurne, dat schier aan Lampernisse
paalt, vernam mijn vader dat eenige kooplieden, vrije mannen en Kerels
als hij, voorgenomen hadden in gezelschap naar Witzand te reizen, eene
zeehaven in het graafschap van Boonen[5] gelegen. Dit bracht mijnen
vader op de gedachte deze gelegenheid waar te nemen om zijnen broeder te
bezoeken die niet verre van daar te Helbedinghem woont, en welken hij in
tien jaar niet meer had gezien. Het was wel dertig uren verre; maar
toch, ik, nieuwsgierig om dit gedeelte van het oude Kerlingaland te
kennen...."

"Dertig uren verre over zee? En gij hebt aanvaard?" kreet Witta
verbaasd.

"Dan nog niet, vriendin. Wij reisden over land, en kwamen na vier dagen
behouden te Witzand aan."

"Maar hebt gij niets merkwaardigs of zonderlings onderwege gezien,
Dakerlia? Vertel mij toch iets van uwe lange reis!"

"Wat zal ik u vertellen? Het land, alhoewel wat heuvelachtig, ziet er
uit als hier; de lieden zijn er Kerels van ons geslacht en spreken er
hetzelfde Dietsch als wij, Kerels van Vlaanderen[6]."

"Zij zijn dus ook vrije mannen?"

"Dat weet ik niet al te wel", gaf Dakerlia, het hoofd schuddende, ten
antwoord. "Het schijnt dat hunne voorvaders vroeger door de graven van
Gwynen en van Boonen wreedelijk zijn verdrukt geworden, en dat zij nu in
eene halve dienstbaarheid leven. Het recht tot het voeren van wapens is
hun ontroofd. Zij betalen eene schatting om eene houten kolf tot
verdediging te mogen dragen, en die verlaten zij nooit. Daarom noemt men
hen de Kolvekerels, en die onrechtvaardige schatting, de Kolvekerlij[7].
Deze menschen, wanneer de vrije Kerels uit Vlaanderen zien, klagen over
hun lot en drukken de hoop uit dat zij nog wel eens uit de
dienstbaarheid zullen opstaan. Anders zijn zij van opzicht, gestalte en
kleeding geheel gelijk aan onze Kerels die de Ambachten bewonen. Meer
weet ik u van hen niet te vertellen."

"Maar hoe geraakt gij op de zee, Dakerlia?"

"Het is gansch eenvoudig. Te Witzand lag een schip van Brugge, dat met
eene lading koren en schapevachten naar het Swin[8] zou varen. De
stuurman was een Kerel van Uitkerke die mijn vader goed kende. Hij
stelde ons voor ons onderweg te Sandeshove[9], op de Vlaamsche kust, aan
wal te zetten. Daar wij geen gezelschap hadden om over land terug te
keeren en de reis over zee korter en gemakkelijker is, besloot mijn
vader het aanbod van den stuurman te aanvaarden, indien ik toestemde. Ik
durf het wel bekennen, Witta: ik was een beetje verschrikt van de
overvaart op den grooten, wilden plas; maar de tegenwoordigheid van
eenen Walschen priester, die naar Rodenburg[10] wilde en met ons zou
varen, gaf mij moed."

"En gij deinsdet niet terug van eene zoo lange zeereis, Dakerlia?"

"Neen, vermits een priester ze zonder kommer wilde ondernemen."

"Een priester is een man; wij zijn zwakke vrouwen."

"Maar, onnoozele Witta, onderscheidt de zee?"

"Het is gelijk, Dakerlia; gij doet mij kiekenvleesch krijgen. Vertel
haastig: gij gingt op het schip?"

"Ja. Den vijfden dag na onze aankomst te Witzand, met eenen zachten,
gunstigen wind, staken wij des morgens in zee. Het was helder weder en,
ofschoon zeer verre van de kust, konden wij de zandduinen langs het
strand in de zon zien schitteren. De Walsche priester koutte met mij en
toonde mij in de verte de havens en dorpen welke hij herkende. Zoo
voeren wij voorbij eene stad die mijn vader Rembrechtsgat noemde en de
priester mij met den naam van Calaisiacum of Kales aanwees. Daar viel,
nevens ons schip, een groote vogel uit de lucht, die duikelde en met
eenen visch in den snavel opwaarts steeg. Deze vogel was een zee-arend
en had blauwe beenen. Mijn vader zeide mij ter dier gelegenheid dat de
Kerels van de zeekust, om te betuigen dat zij stoute en behendige
stuurlieden zijn, zich zelven Blauwvoeten noemen, dit wil zeggen:
arenden der zee. Daarvan komt het, Witta, dat onze vijanden alle Kerels
dien naam als een spotwoord toewerpen[11]."

"Ja, maar de Kerels noemen de Leenheeren Isegrims, dat is wolven. Het
is niet schooner...."

"Later op den dag zagen wij Mardyck en de nieuwe kerk in de duinen, die
de priester Dino-Clesia heette, dat is Duinkerke. Schoon en zacht was
het weder tot dan gebleven; ik had den ganschen dag op het dek gestaan,
uitkijkend naar de duinen, of mijnen blik badend in het kolkachtig en
onbestemd verschiet der groene zee, toen eene grauwe wolk zich aan den
gezichteinder vertoonde. Alhoewel nu en dan een zwakke weerlicht uit den
schoot der donkere streep opwalmde, begreep ik niet waarom de schipper
onmiddellijk ongerust werd en met stille stem geheimzinnige bevelen aan
zijne bootsgezellen gaf. Maar de wolk groeide al spoedig tot eenen
zwarten berg aan, schoot als een loodvervige muur voor de zon,
ontplooide zich over den ganschen hemel en dompelde ons in eene
angstwekkende duisternis. Onder voorwendsel dat het sterk zou regenen,
had men mijnen vader en mij naar beneden in de kamer van het schip doen
gaan. Daar hoorden wij weldra doffe, doch akelige donderslagen. Het
bliksemlicht was zoo hevig dat het ons scheen te willen verblinden. Tot
dan besefte ik niet dat eenig bijzonder gevaar ons bedreigde; want het
schip lag stil en rustig, dacht mij. Ik geloofde mijnen vader die poogde
mij te overtuigen dat hier geene reden bestond om ongerust te zijn, en
ik toonde mij zelfs zeer tevreden, omdat iets nieuws de eentonigheid
onzer reis ging onderbreken.... Maar, Witta lief, eenige oogenblikken
daarna zat ik nevens mijnen vader geknield, hem met de eene hand
vasthoudend om niet te vallen, en de andere in de hoogte heffende om 's
hemels bijstand af te smeeken. Een woedend orkaan was over de zee
gerezen en hief nu de golven tot bergen in de hoogte. Het schip
slingerde heen en weer, het draaide, het wentelde, het kraakte! Tweemaal
werd ik met mijnen vader tegen den wand geslagen; doch wij stonden
telkens op om nog inniger te bidden. Donder, hagel, wind huilden
daarbuiten, als ware het einde der wereld verschenen...."

"O, mijn God!" zuchtte Robrechts zuster, "ik beef! Het koude zweet staat
mij op het voorhoofd! En gij zijt niet van schrik gestorven, Dakerlia?"

"Het is dan, Witta, dat ik Onze-Lieve-Vrouwe van Brugge mijn gouden
kruis met de groene smaragden heb beloofd op te dragen, indien zij
mijnen vader en mij geliefde tegen dezen akeligen dood te beschermen.
Zij heeft mijn gebed verhoord. En ik, zoohaast dezen morgen de zon was
opgerezen, ben met mijnen vader ter kerke gegaan om er de gedane gelofte
te vervullen. Wij zijn zeer lang blijven bidden en danken ... en dit is
de reden waarom ik zoo laat tot u ben gekomen."

"Maar Dakerlia", murmelde Witta, "dit is een verbazend mirakel! Viel het
schrikkelijk onweer zoo eensklaps door de voorspraak van
Onze-Lieve-Vrouw?"

"Neen, het duurde nog lang voort; maar het verminderde allengs. Ik werd
ziek van de zeekwaal en bleef dien geheelen nacht te bedde, schrikkelijk
lijdend, doch bijna bewusteloos. Des anderen daags rees de zon weder aan
eenen blauwen hemel op, en ik was geheel genezen. De stuurman liep de
haven van Sandeshove binnen en zette ons daar aan wal. Wij, uiterst
welgemoed over onze behoudenis, trokken langs Veurne naar
Lampernisse...."

Hier werd Dakerlia's stem eensklaps dof en zij onderbrak haar verhaal.

"Welnu?" vroeg Robrechts zuster. "Wat geschiedt u? Tranen in uwe oogen?"

"Ja, Witta; wij meenden mijne goede moei gansch hersteld te vinden ...
en oordeel over onze droefheid: toen wij de hofstede binnentraden en de
armen reeds uitstaken om haar te omhelzen, toonde men ons...."

"Hemel, wat toch?"

"Haar lijk, Witta!"

Een kreet van medelijden klonk door de zaal, en de beide jonkvrouwen
bleven eene poos zwijgend. Dan zeide Witta:

"Kom, Dakerlia, troost u in de gedachte dat de Heer haar eene plaats in
zijnen schoonen hemel heeft gegund. Zij was reeds oud, ongetwijfeld, en
wij zijn allen sterfelijk."

"Het is waar, mijne goede Witta; genoeg reeds heb ik ginder geweend;
want gij zoudt niet gelooven, vriendinne, hoe treffend en hoe roerend de
lijkplechtigheden zijn onder onze Kerels der Ambachten!"

"De Kerels zijn immers Christenen als wij?" bemerkte Robrechts zuster,
"Het moet te Veurne bijna toegaan gelijk hier te Brugge."

"Neen, toch niet. Wel zijn zij Christenen; maar zij hebben nog vele
voorvaderlijke gewoonten behouden, welke wij, Kerels in de steden,
sedert lang hebben vergeten. Van den kerkelijken dienst moet ik u niet
spreken, die is inderdaad overal dezelfde. Het lijk mijner moei lag in
hare schoonste zondagskleederen uitgestrekt op eene breede tafel, met
een spinrok in den arm, even alsof zij nog leefde. Iemand zeide mij
sedert, dat men nevens het doode lichaam van eenen man een naakt zwaard
legt en de afgestorvene kinderen met speelgoed omringt....[12] Aan het
voeteneinde mijner moei stonden drie schotels, de eene met gebraden
vleesch, de andere met gortebrij, de derde met kleine koeken van
weitebloem, en daarnevens eene groote kruik met hoppebier. Met welk
inzicht zulks geschiedde, kon men mij niet goed verklaren. Oude vrouwen
schenen te gelooven dat 's menschen ziel, wanneer zij eens van het
lichaam is gescheiden, nog kan eten, en men daarom voedsel bij het lijk
moet zetten. Vindt gij die gedachte niet zonderling, Witta?"

"Het is bijgeloof, zondig bijgeloof, Dakerlia."

"Het scheen mij insgelijks zoo. Maar het is niet alles. Gedurende de
drie dagen dat mijne moei boven de aarde bleef liggen, zaten immer
twaalf vrouwen rondom het lijk te krijschen en te huilen, dat men het
wel op honderd stappen buiten de hofstede kon hooren. Deze vrouwen
woonden in de gebuurte of waren bloedverwanten of bekenden, en alle drie
uren wisselden zij elkander af. Mij kwetste dit overdreven misbaar; maar
men deed mij begrijpen dat, hoe meer en hoe heviger er werd geweend en
geklaagd, hoe grooter eere der afgestorvene werd bewezen.--Den avond
voor de begrafenis had men mij uit de doodenkamer doen gaan; maar men
riep mij een half uur daarna terug. Daar vond ik al onze bloedverwanten,
vrouwen en mannen, in grooten ernst en plechtigheid rondom de lijktafel.
Een stokoud man, met eenen langen witten baard, deed eenige zonderlinge
teekens over mijne moei en scheen iets in haar oor te prevelen; dan nam
hij de weitekoekjes, brak ze aan twee en gaf den omstanders elk een
stuk. Iedereen begon er van te eten. Mijn vader, die mijne aarzeling
bemerkte, deed mij de anderen navolgen. Ik mocht niet weigeren deel te
nemen aan deze plechtigheid, die men _het doodenmaal_ noemde. Daarna
schonk men bier uit de kanne in eenen grooten hoorn en men dronk _de
doodenminne_ in het ronde, terwijl de oude man met den witten baard
eenige druppels uit de kan rondom het lijk stortte en vreemdklinkende
woorden mompelde. Voor het laatste moesten wij tot vaarwel het lijk
eenen kus op voorhoofd en lippen drukken, en dit heet men daar de
_doodenzoene_, die alle reden tot wrok, haat of vijandschap vernietigt
welke er tusschen de afgestorvene en iemand der aanwezigen zou kunnen
bestaan."

"Maar, lieve hemel!" zuchtte Robrechts zuster, "men zou zeggen dat gij
van Heidenen spreekt! En gij hebt aan deze onchristelijke plechtigheden
deelgenomen, Dakerlia?"

"Ik moest wel, mijn vader gebood het mij. En toch, wat kwaad bestaat
daarin, Witta? Het zijn onze voorouderlijke gewoonten."

Robrechts zuster schudde afkeurend het hoofd.

"Kom, laat ons nu daarover niet twisten", hernam Dakerlia "Waren wij in
de Ambachten geboren en opgevoed, wij zouden deze gewoonten noch vreemd
noch laakbaar vinden."

"Maar, Dakerlia, een kanunnik van Poperinghem zeide mij eens dat de
Houtkerels, die in de bosschen wonen, den boozen geest aanbidden."

"Deze kanunnik heeft men bedrogen. De Kerels hebben vele vijanden die
kwaad van hen spreken; maar geloof mij, Witta, de lieden van
Kerlingaland[13] denken aan God bij al wat zij doen."

"Welnu, ga voort, Dakerlia. Was de begrafenis uwer moei prachtig?"

"Prachtig, zooals wij het verstaan, neen; maar er was groote toeloop
van volk. Het lijk, door vrouwen gedragen, was opgevolgd door wel
vijfhonderd menschen, allen met bukstwijgen of wijpalmtakken in de hand.
De wijpalm is in Kerlingaland de boom der dooden. Al de mannen hadden
lange baarden, die afhingen tot verre op de borst, en aan hunne zijde
een krom zwaard, dat zij eene schermzeis noemen[14]. Elk gehuwde Kerel
was vergezeld van zijne vrouw en kinderen. Ik zag er die er wel zeven of
acht rondom zich hadden."

"En gingen die kinderen ter begrafenis, Dakerlia?"

"Het is eene wonderlijke gewoonte, ginder, Witta. Waar het niet
volstrekt onmogelijk is, heeft de Kerel altijd zijne vrouw bij zich, en
zijne kinderen zelven verlaten hem zelden. Wat eerbied en wat
genegenheid een Kerel zijne vrouw betuigt, is bijna niet begrijpelijk.
Ook, wie ginder, buiten zake van oorlog of veete, eene vrouw durft
hinderen of hoonen, wordt, het geheele Ambacht door, als een eerlooze
veracht en gehaat. Van de begrafenis zelve zal ik u niet veel zeggen;
zij geschiedde op geheel christelijke en stichtende wijze. Maar toen wij
op de hofstede terugkeerden, begon daar een feest dat mij eerst zeer
verbaasde, doch eindelijk mij, als een vreemd schouwspel, met groote
belangstelling de oogen uit het hoofd deed kijken. Men had de groote
schuur geledigd en vele banken en tafels er in gesteld. Daar werden nu
groote ketels brij, een kalf en twee schapen gebraden en gezoden
opgediend. Al deze lieden, mannen, vrouwen, kinderen, begonnen te eten
met zulken lust dat het zonderling was om te zien. Een paar vaten lagen
in eenen hoek der schuur, en men dronk mee en bier bij herhaalde teugen,
telkens daarvan eenige druppels ten gronde stortende. Eene vrouw, die ik
naar de reden dezer vreemde gewoonte vroeg zeide mij dat men dus van den
drank een weinig ter aarde werpt voor de ziel van den afgestorvene,
welke onzichtbaar het doodenfeest bijwoont. Eene andere, integendeel,
beweerde dat men het doet als een offer om de Drollen te bevredigen."

"De Drollen, wat is dit?" mompelde Witta verrast.

"Ja, dit weet ik reeds sedert jaren", antwoordde Dakerlia. "Mijn vader
heeft mij er meer dan eens van gesproken. Vroeger tijd, toen de Kerels
nog geheel Heidenen waren, had elk zijn huisgod, wiens beeld nevens den
haard in een klein kapelleken stond; en, wat men at of dronk, men smeet
er een weinig van ten gronde om hem te vereeren. Deze huisgoden noemde
men de Drollen, en onze Kerels gelooven nu, dat deze Drollen kwade
geesten geworden zijn.--Daarvan, Witta, dat wij nog, in al onze
schoorsteenen, zulk kapelleken hebben, alhoewel wij er nu een beeldje
der heilige maagd Maria inzetten ...[15] maar ik ga voort met u te
vertellen van het feest. Eindelijk, als dit groote doodenmaal ten einde
was, haalde men een paar doedelzakken voor den dag, en al deze mannen
met hunne lange baarden, en de vrouwen en de kinderen begonnen te dansen
en te zingen, op de maat der speeltuigen, dat ik er schier blind en doof
van werd. Dit duurde zeer laat op den dag, totdat twee Kerels, door de
mee en den dans verdwaasd, "kamp! kamp!" riepen, hunne zwaarden trokken
en elkander het hoofd wilden klooven. De twist werd door vrienden
bijgelegd, en men besliste daarop dat het tijd was om huiswaarts te
keeren. Zingende en springende door veld en bosch, ging elke Kerel met
vrouw en kinderen zijnen weg; en een vierendeel uur later was het zoo
stil op de hofstede alsof er niets was geschied."

"Mij schijnt", bemerkte Witta, "dat de Kerels in de Ambachten grof en
woest moeten zijn."

"Toch niet; zij zijn zeer goed, vroolijk, trouw, dienstvaardig en
arbeidszaam; maar hunne trotschheid is iets opmerkelijks. Bij den
minsten hoon grijpen zij naar hunne schermzeis...."

De huisknecht opende de deur en meldde zijne meesteresse dat er een
schildknaap was gekomen met eene boodschap voor mher Robrecht, welke hij
slechts aan haar wilde afgeven.

Jonkver Sneloghe ging daarop ter zaal uit en liet hare vriendin alleen.
Korten tijd daarna keerde zij echter terug en zeide tot Dakerlia:

"Dit is een schildknaap van mehr Rijkaard Van Woumen, die mijnen broeder
laat weten dat hij hem heden voor den middag ten zijnent zal verwachten.
Ik denk er nu eerst aan, Dakerlia: gij hebt mij nog niet eens gevraagd
hoe het met mijnen broeder gaat."

Jonkver Wulf, door dezen onverwachten oproep verrast, murmelde eene
onduidelijke verschooning.

"Inderdaad", bevestigde Witta, "al die vervaarlijke geschiedenissen van
den storm op zee en de akelige lijkplechtigheden der Kerels beletteden u
aan Robrecht te denken."

"Neen, neen, ik wist van uwen huisschalk dat zijn meester welvarend is
en reeds dezen morgen, zeer vroeg en opgeruimd van geest, is uitgegaan."

"Opgeruimd van geest? Heeft de schalk zulks gezegd, Dakerlia?"

"Ik meen het zoo te hebben verstaan."

"Hij zal niet wel gezien hebben: mijn broeder is integendeel, sedert
meer dan drie weken, zwaarmoedig en diep treurig zelfs."

"Hij heeft verdriet? Waarom?"

"Ik weet het niet; hij verbergt het mij. Het moet een geheim, een
pijnlijk geheim zijn; want hij is ontevreden en verlegen als ik hem naar
de reden zijner afgetrokkenheid vraag.--Wel poogt hij dan mij te doen
gelooven dat niets hem bekommerd, en veinst hij opgeruimdheid; maar
evenras vervalt hij in stille mijmerij en murmelt treurige woorden in
zich zelven. Nauwelijks waart gij vertrokken, Dakerlia, of mijn broeder
werd dus droefgeestig en zwijgend; nu, sedert eenige dagen is zijn
verdriet nog aangegroeid. De reden daarvan meen ik te kunnen raden.
Verbeeld u, Dakerlia, dat onze oom, de proost van St-Donaas, en Hacket,
de kastelein, zich in het hoofd gestoken hebben mijnen broeder met
Placida Van Woumen te doen trouwen...."

"Mijn God ... trouwen ... wat zegt gij, Witta?" stamelde jonkver Wulf,
sidderend van het geweld dat zij deed om den diepen indruk dezer tijding
op haar te verbergen.

"Het zou voorwaar een eervol huwelijk zijn, Dakerlia. Mher Rijkaard Van
Woumen is een zeer geacht ridder en uiterst machtig bij den graaf."

"Maar die Placida, kent gij haar, Witta?"

"Zeker. Men roemt hare schoonheid. Wel zegt men dat zij trotsch is, doch
dat misstaat eene edelgeborene jonkvrouw niet. Daarbij, zij is eene der
rijkste erfgenamen van Vlaanderen."

"Maar, Witta, haar vader is een Isegrim; een dergenen die samenspannen
met de Tancmars, onze vijanden, en met de Leenheeren, die de Kerels der
Ambachten van hunne vrijheid hebben willen berooven."

"Mijn oom, de proost van St-Donaas, zegt, dat men hem ten onrechte zulks
ten laste legt. Hij heeft integendeel de Kerels bij den graaf
verdedigd."

"Maar, Witta, jonkver Van Woumen moest trouwen met Ghijselbrecht
Tancmar, den rusteloozen vijand der Erembalds?"

"Van dit huwelijk is er geen spraak meer."

"Het is gelijk: Placida is geene Kerlinne; het bloed der verdrukkers
vloeit in hare aderen."

Robrechts zuster, verwonderd over den scherpen toon van Dakerlia's
stemme, aanschouwde haar twijfelend.

"Gij verwondert mij", zeide zij. "Hoe zijt gij nu eensklaps zulke
onverzoenbare Kerlinne geworden? Men zou gaan vermoeden dat gij die
schuldelooze Placida eenen bijzonderen haat toedraagt."

Jonkver Wulf antwoordde niet; zij scheen vertoornd, alhoewel hare
glinsterende oogen vochtig waren en zij zichtbaar geweld deed om
opwellende tranen te bedwingen.

Zij stond op en zeide:

"Ik gevoel mij niet al te wel; ik heb pijn in het hoofd en moet rusten.
Naar huis wil ik gaan."

Witta greep haar de hand en sprak lachende:

"Kom, kom, blijf met mij. Gij veinst! Maar hoe kan toch zulk onbeduidend
nieuws u dermate ontstellen?"

"Robrecht zal ongelukkig zijn."

"Indien hij met jonkver Van Woumen trouwt?"

"Ja, zeer ongelukkig."

"Waarom?"

"Ah, Witta, gij kent haren hoogmoed niet! Zij zal hem later de eer
verwijten die zij meent hem aan te doen door hare hand hem te schenken."

"Hoe toch? mijn broeder is rijker dan zij."

"Ja, maar zij waant zich van edeler bloed dan een Kerel. Nu stemt zij
misschien toe het te vergeten; maar er zijn honderden Isegrims in haar
eigen maagschap, die later haar deze verbintenis met eenen Blauwvoet
zullen verwijten. Arme Robrecht, welk lot voor zijne fiere mannelijke
ziel!"

En bij het uiten dezer laatste woorden legde Dakerlia zich de handen
voor de oogen om de geweldige droefheid te verbergen die haar het hart
beklemde.

Witta misgreep zich over de reden dezer ontsteltenis en voelde zich
geneigd om de vrees harer vriendin te deelen. Zij sprak troostende:

"Nu, Dakerlia, dit huwelijk is nog niet gesloten. Mijn broeder heeft
niet veel lust om te trouwen."

"Heeft hij u dit gezegd?" kreet Dakerlia met eene vonk van blijdschap in
de oogen.

"Neen, duidelijk heeft hij het mij niet gezegd. Hij is ook voor deze
zaak zoo achterhoudend, zoo stilzwijgend met mij! Ik heb reeds eens
eenen geheelen nacht in stilte geweend, omdat ik meende zijn broederlijk
vertrouwen te hebben verloren. Maar, Dakerlia, indien hij verheugd was
over de pogingen die de proost van St-Donaas aanwendt om dit huwelijk
mogelijk te maken, zou dan mijn arme broeder sedert vijftien dagen in
eenzaamheid morren, het hoofd schudden en zijne vuisten wringen, als
drukte hem een pijnlijk gewicht op het hart?"

"Ach, ik begrijp het, Witta: men wil hem dwingen!"

"Gij weet, Dakerlia, dat hij niet licht te dwingen is."

"Maar indien zijn oom, de proost, het gebiedt?"

"Hij zal toch weigeren."

"Hoe weet gij dit?"

"Hij heeft het gezegd."

"U gezegd?"

"Neen, maar ik hoorde eens, op eenen laten avond dat ik voorbij mijns
broeders kamer ging, hoe hij met kracht uitriep: Nooit, nooit! Ik mag
niet, ik kan niet!... Maar hoort gij het kort en snel geblaf van onzen
wolfshond? Gij kent dit teeken: mijn broeder komt!"

Dakerlia beschouwde bevend rondom de kamer, als iemand die onbewust een
middel zoekt om aan eene gevreesde ontmoeting te ontsnappen. Zij stapte
zelfs naar de deur om heen te gaan; maar Witta hield haar terug en riep
lachend uit:

"Maar wat is dit nu, lieve hemel? Zijt gij vervaard van mijnen broeder
geworden? Hij is toch reeds in den gang; gij kunt hem niet beletten u
welkom te heeten."

Nauwelijks was Dakerlia in de zaal teruggeweken, of Robrecht Sneloghe
verscheen in de deur.

Hij was een jong ridder, rijzig van gestalte, sterk van leden, met
schoon gelaat, glinsterende donkere oogen en lange bruine haren. Zijn
degengevest was met gesteente afgezet, en zijn zwierig kleedsel met
kostbaar gouden stikwerk geboord. Konden deze teekenen van rijkdom den
eerbied der mindere lieden voor hem opwekken, zijn open doch mannelijk
aangezicht, iets in zijne uitdrukking, zacht en fier tevens, stemde
iedereen bij den eersten blik tot toeneiging voor hem.

Bij zijne intrede in de zaal onderbrak hij zijnen stap, als verraste de
tegenwoordigheid van Dakerlia hem pijnlijk. Hij schouwde haar zoo diep
in de oogen dat zij beefde onder zijnen blik; maar dan, zijne
ontsteltenis meester wordende, ging hij tot de jonkvrouw, reikte haar de
hand en zeide met eene stem, die eene uiterste moedeloosheid verried:

"Dakerlia, gij zijt terug van de reis? Wees welkom.... Ik hoopte evenwel
dat gij nog meer dan eene maand te Veurne zoudt gebleven zijn."

De jonkvrouw staarde hem verwonderd aan.

"Zulke wensch schijnt u onbegrijpelijk, niet waar, Dakerlia? Ach, er
gaat hier iets gebeuren dat mij verschrikt en doet lijden. Mijn verdriet
kan u slechts bedroeven. Ik ga trouwen, Dakerlia!"

Een smartkreet ontsnapte jonkver Wulf.

"Wat zoet en helder leven sleet ik hier tusschen eene teedere zuster en
eene zoete vriendinne!" zuchtte de jonge ridder, "Dit leven is ten einde
voor mij!"

"Maar, Robrecht, het is nog niet zeker. Gij kunt weigeren! riep Witta.
"Wie heeft het recht om u te dwingen?"

"Weigeren, zuster? Ik heb langen tijd geweigerd; er is niets aan te
doen. Wie kan mij dwingen? Menschen niet; maar mijn plicht jegens
Kerlingaland, jegens de vrijheid. Neen, neen. Mijn vonnis is geveld; en
ik zelf heb het aanvaard. Hoe dit mogelijk, hoe dit onvermijdelijk was,
zal ik u later verklaren, zuster lief. Nu heb ik geenen tijd; men wacht
op mij."

Hij hoorde hoe Dakerlia snikte; hij zag hoe glinsterende tranen van hare
vingeren ten gronde vielen. Het hart klopte hem fel bij het gezicht van
Dakerlia's medelijden mij zijne smart. Tot haar gaande, sprak hij op
diep ontroerden toon:

"Dakerlia, gij beklaagt mij, niet waar? Ik dank u, lieve vriendinne. Het
is een bitter lot zijn leven te moeten slijten met eene vrouw die men
niet bemint en vreest nimmer te zullen beminnen ... maar troost u,
waarschijnlijk bedrieg ik mij. Placida Van Woumen is schoon; er is
goedheid in haar hart. Wie weet? misschien zal ik haar de liefde kunnen
schenken die zij verdient...."

In Dakerlia's oogen, welke zij nu ontdekte, vlamde een vreemde blik. De
ridder begreep hem niet, doch deinsde er van terug en bleef vragend op
de maagd staren.

"Placida?" riep zij, "Placida zal u ongelukkig maken, arme Robrecht!"

"Hoe kunt gij het weten?"

"Mijn hart, mijn hart, dat niet kan liegen, roept het luid."

Mher Sneloghe worstelde in eene pijnlijke verlegenheid tegen zijn eigen
gemoed. Hij deed geweld op zich zelven om door woorden noch gebaren het
gevoel te verraden dat de bron was van zijn verdriet. Dakerlia zou het
in alle geval niet begrijpen, en zulke veropenbaring op dit oogenblik,
ware niet alleen nutteloos, maar zelfs voor allen schadelijk, ja,
misschien misdadig voor God!

Deze overweging deed hem besluiten de lastige, de droeve samenspraak af
te breken.

"Uw medelijden doet u dwalen, Dakerlia", zeide hij. "Jonkver Placida is
beminnenswaardig. Ik moet weder uitgaan en mij haasten. Ongetwijfeld
wacht men reeds met ongeduld op mij. Kom dezen namiddag ... of ik zal
met mijne zuster ten uwent gaan om u te verklaren wat mij tot dit
huwelijk dwingt."

Hij stapte tot eene kas, trok ze open en nam er eene dooze uit welker
deksel met gulden inlegwerk was versierd.

Dakerlia slaakte eenen angstschreeuw, sprong vooruit en rukte de doos
uit zijne handen ... maar, alsof zij besef had van de onbetamelijkheid
harer daad, gaf zij ze spoedig terug. Dan bezwijkende onder hare
geweldige ontsteltenis, liet zij zich op eenen stoel vallen en bleef
daar beschaamd en overvloedig weenend, met den blik neergeslagen zitten.

Eene hevige siddering had Robrecht aangegrepen en eene doffe angstkreet
was hem ontsnapt. Hij aanschouwde haar eene wijl verbaasd en zeide dan
op pijnlijken toon:

"Dakerlia, Dakerlia, indien gij een geheim in uw hart hebt gedragen, o,
verberg het voor eeuwig uit medelijden! Er zijn dingen die, wanneer men
ze weet, ons zoo rampzalig kunnen maken, dat wij elken verderen dag van
ons leven God om den dood zouden bidden als om de verlossing."

Jonkver Dakerlia stond op en, terwijl de tranen nog over hare wangen
rolden, sprak zij snikkend:

"Ik vertrek van hier; ik begrijp mijnen plicht, over den dorpel van
dezen Steen mag ik niet meer treden. Het geheim dat, eilaas, tegen
mijnen wil mij is ontsnapt, zal ik opsluiten in mijn lijdend hart. Wees
gelukkig, Robrecht.... O, mijn God, Placida Van Woumen uwe vrouw! Ik zou
ze zien aan uwe zijde, op de plaats die.... Zinnelooze droom die mij de
zinnen ontstelt! Vaarwel, mher Sneloghe; bekreun u niet om mij: laat mij
ziek worden, verkwijnen, sterven!"

Zij wierp zich aan den hals van Witta en riep tusschen haren koortsigen
zoen:

"Nog eens, nog eens voor de laatste maal!"

En zich uit de omhelzing losrukkende, meende zij haren stap tot de deur
te richten; maar Robrecht hield haar terug en zeide met aangejaagdheid:

"Blijf, Dakerlia, ik smeek u! Gij waant mij gevoelloos voor uwe smart?
Mijn verdriet is dieper dan het uwe. Ach, hadde ik het vroeger kunnen
gelooven! Maar alle hoop is nog niet verloren. Kerlingaland kan de
slachtoffering van ons beider geluk niet eischen. Wees getroost,
Dakerlia. Wij hebben in elkanders hart gelezen. Neen, neen, Placida Van
Woumen wordt mijne echtgenoote niet! Laat mij gaan; ons levensheil kan
afhangen van een enkel oogenblik."

Hij wierp de juweeldoos op de tafel en liep ter zaal uit.

Dakerlia staarde hem achterna; doch, alsof zij geen geloof had in zijne
voorspelling, legde zij welhaast de handen voor de oogen en begon
overvloediger nog te weenen.


VOETNOTEN:

[Voetnoot 1: De kerk van O.L.V. te Brugge was eerst eene kapel, ten jare
745 door St-Bonifacius gesticht.... Haar schoone toren, die voor baak
aan de zeevaarders dient, heeft eerst 442 voet hoogte gehad.

LANSSENS _aloude staat van Vl._, bl. 235]

[Voetnoot 2: Men noemde alsdan eene stad _eene poort_ en de burgers
_poorters_.]

[Voetnoot 3: Bij verkorting zeide men, tot aanzienlijke personen
sprekende, _mher_ voor mijnheer, _ver_ voor vrouw, _jonkver_ voor
jonkvrouw.]

[Voetnoot 4: De woningen van aanzienlijke lieden, meest uit zware
steenen gebouwd en met waaktorens voorzien, noemde men Steenen, welk
woord gelijkstaat met het Fransch _manoir, donjon, castel_.]

[Voetnoot 5: Niet verre van de Fransche stad Boulogne lag alsdan de
vermaarde zeehaven _Witsant_, dus genoemd naar het witte zand der
duinen, evenals nu het Vlaamsche zeestadje _Blankenberghe_.]

[Voetnoot 6: Dat de bevolking der kusten tot onder de muren van Boulogne
Vlaamsch sprak, bewijzen de namen der omliggende dorpen, zooals
Helbedinghem Leubringhem, Santingheveld, Pepelingen, enz.]

[Voetnoot 7: "In diebus illis fuerunt homines quidam clavati sive
clavigeri, quos vulgo _Colvekerlos_ nominatos audivimus, in terra
Ghisnensium habitantes, qui clavati sive vlavigeri a clava dicebantur
agnominati, eo quod non licebat eis aliquod genus armorum nisi clavas
tantum bajulare. Hii siquidem, quadam impropitiationis specie, ab
Hammensibus dominis quasi sub servilis conditionis jugo constricti
tenebantur."

LAMBERTI _Ardensis ecclesiae presbiteri chronicon_, uitgegeven door le
Mis Godefroy Menilglaise, Parijs. 1855, pag. 87.]

[Voetnoot 8: De wijde inham bij Sluis, vroeger de haven van Brugge,
heette men het _Swin_.]

[Voetnoot 9: Nu de haven van Nieuwpoort.]

[Voetnoot 10: Nu Ardenburg.]

[Voetnoot 11:


  In deser wijs so hadden die aren,
  Valken en de sperwaren,
  _Blauwvoeten_ ende smerlen mede
  Al vergadert daer ter stede.


Gedicht _van der Vledermuus_.

In het nabericht van den _Reinaert de Vos_, uitgegeven door J.F.
WILLEMS, pag. 384.

Bij JOHANNES LEUNIS, _Synopsis der drei Naturreiche,_ t. I, p. 81, wordt
deze vogel dus opgegeven: _Pandion Haliaetos_. L. Flussadler. Fischaar,
Entenstosser.... BLEINE BLAU.]

[Voetnoot 12: Zie over deze lijkplechtigheden: _Overblijfsels van den
Heidenschen godsdienst onzer voorvaderen_, J. HUYTENS, Messager des
sciences hist. de Gand, année 1860.]

[Voetnoot 13: "De zeekust van Vlaanderen, die de Noormannen
_Kerlingaland_ noemden." VICTOR DE RODE, _Annales du Comité flamand de
France_, t. VIII, pag. 51]

[Voetnoot 14: Scharmasax, scarmsax.]

[Voetnoot 15: Zie over de bijgeloovigheid aangaande deze _Drollen_ J.
HUYTTENS, _Messag. des sciences de gand_, 1860.

J.F. WILLEMS, in zijne uitgaaf van _Reinaert de Vos_, haalt de volgende
verzen aan uit _eene genouchelijke clute van nu noch_:

  Ic wil u belesen ende besweren
  By cocketoysen, by neckers, by maren
  Ende by den _drollen_....

]



II


In het midden der stad Brugge stond eene sterke vesting, weleer als
wijkplaats tegen de invallen der wreede Noormannen gebouwd. Men noemde
ze den Burg.

Ten zuiden en ten westen was zij ongenaakbaar gemaakt door zeer breede
grachten; ten noorden en ten oosten was zij beschut door eenen hoogen
steenen wal, met gaanderijen, schietgaten en kanteelen.

Drie bruggen en vier poorten gaven toegang tot het wijde vierkante
binnenplein, waar rondom de aanzienlijkste gebouwen der stad zich
verhieven.

Trad men van den kant der Markt, over de Hofbrug, den Burg binnen, dan
zag men schuins voor zich 's Heeren hof, een schoon paleis, met eene
overwelfde bovengang, die men de Loove noemde, en waarbinnen de graaf
van Vlaanderen, als hij te Brugge zich bevond, zijn hof hield.

Ter rechterzijde verhief zich een even groot doch min prachtig huis, dat
men den Steen heete en waarin de kastelein van Brugge, dit is de
bevelhebber en bewaarder van den Burg, zijn verblijf had.

Daarnevens, met den achtergevel naar de Markt, stond het Gijselhuis, dat
tot gevangenis diende.

De vierde zijde, ten noorden van het plein, was geheel ingenomen door
geestelijke gebouwen, zijnde ten eerste de schoone kerk van St-Donaas,
welker hooge, vierkante toren omringd was met twee breede, gekanteelde
gaanderijen, opdat men ook van daar den vijand mocht bevechten, indien
de Burg eenen aanval af te weren had[16]; dan het klooster St-Donaas met
de huizen der kanunniken en de slaapsteden en eetzalen der broeders en
eindelijk het hof der proostdij, dat door Bertulf, proost van St-Donaas
en erfkanselier van Vlaanderen, werd bewoond.

Alhoewel deze geestelijke gebouwen binnen den algemeenen wal van den
Burg waren begrepen, omringde hen nog een bijzondere muur, zeer hoog en
sterk, met torentjes en kanteelen, zoodat, indien de Burg in de handen
der vijanden mocht vallen, de kerk, het klooster en de proostdij nog
lang wederstand konden bieden.

Tusschen de grootere gebouwen van den Burg zag men, in alle
tusschenruimten, er nog andere van mindere uitgestrektheid, die tot
voorraadstapels, wapenhuizen of stallingen waren bestemd.

De Burg was dus de zetel der openbare macht in Vlaanderen. Niet slechts
omdat hij het paleis van den vorst bevatte; maar bovenal omdat de proost
van St-Donaas en de kastelein van Brugge er hun verblijf hielden.

Trouwens, deze twee ambtenaren, staande de eene aan het hoofd der
geestelijke en de andere aan het hoofd der wereldlijke overheid,
opzichtens al de vrije Ambachten afhangende van Brugge, bezaten meer
onmiddellijken invloed op dit groot gedeelte van het Westelijk
Vlaanderen dan de vorst zelf. Hunne aanzienlijke grondbezittingen en hun
persoonlijke rijkdom vermeerderden dien invloed tot zooverre, dat de
ridders van de hofhouding des graven met nijdig oog zulke buitenmatige
macht aanschouwden, meest nog omdat deze, volgens hunne meening, eenen
ondraaglijken hoon voor allen waarlijk edelgeboren man daarstelde.

Inderdaad, Bertulf, de proost van St-Donaas, en zijn broeder Hacket, de
kastelein, waren Kerels, afkomstig uit het Veurne-Ambacht, waar zij
hunne grondbezittingen hadden.

Nog meer kerels genoten in Brugge door hunnen rijkdom eenen bijzonderen
invloed. Men noemde hen de Erembalds, omdat de voornaamste onder hen
afstamden van Erembald, den eersten Kerel die het ambt van kastelein
bekwam, en daardoor in 's lands bestuur boven andere ridders zich
verhief.

Hoe dit laatste geschiedde, is gemakkelijk te begrijpen. De leenheeren
of de zoogenaamde edellieden aanzagen allen arbeid en allen handel als
onteerend. Hunne eenige inkomsten bestonden in de lasten en schattingen
welke zij hunnen lijfeigenen of dienstbaren veldbewoner opdrongen, en in
de tollen van doorvaart die zij reizigers en kooplieden afpersten.

De vrije mannen van Kerlingaland aanschouwden daarentegen den arbeid als
eenen plicht en den landbouw en den koophandel als vereerend. De gansche
scheepvaart van Vlaanderen en de visscherij, tot de Engelsche kust,
waren in hunne handen. Ontbrak er graan in het land, zij gingen het
koopen tot in Denemarken, ja, tot in de Morgenlandsche zee.

Geen wonder dus, dat mettertijd de bedrijvigste en verstandigste dezer
Kerels groote rijkdommen hadden verzameld.

Toen nu de vorsten en voorname leenheeren, om zich gemakkelijk geld aan
te schaffen, hadden begonnen de ambachten, tollen en inkomsten, waarover
zij beschikten, om zoo te zeggen, aan den meestbiedende te verkoopen,
dan zullen zulke Kerels, zooals de genaamde Erembald, niet nagelaten
hebben deze gelegenheid te benuttigen om zich tot de eerste waardigheden
van den Staat te verheffen.

Dewijl zij deze waardigheden door zulken koop wettelijk en erfelijk
bezaten, konden zij daarvan niet worden beroofd, al mochten ook de
ridders, ja de graaf zelf, met geheime spijt de verheffing dezer
machtige Brugsche Kerels aanzien.

Eene meerdere reden nog om de leenheerschap tegen de Erembalds te
verbitteren was dat zij, als de erkende hoofden en beschermers der
Kerels van de vrije Ambachten, dezen immer tegen de heerschzuchtige
aanslagen der leenheeren verdedigden; maar daarom tevens durfde de
graaf, noch zijne hovelingen, openlijk tegen de Erembalds ingaan, want
zij wisten dat de Kerels der Ambachten met eede aan hen waren verbonden
en niet zouden nalaten het leed, hun aangedaan, bloedig te wreken.

Dien dag heerschte er zekere geheimzinnige onrust of nieuwsgierigheid op
den Burg. Men zag er niet alleen kanunniken, geestelijke broeders en
vele poorters in groepen en met de hoofden te zamen staan kouten; maar
aan de deur der proostdij hielden zich een aantal boden te paard, van
welke er nu en dan een met de hem vertrouwde brieven of bevelen den Burg
verliet. Van den graaf konden de bevelen niet uitgaan, want deze was met
duizenden Vlaamsche ridders ten oorlog getrokken, om onder het Fransche
vaandel in Aquitanië te gaan strijden.

De lieden, die op het plein stonden, poogden wel uit de ruiters te
vernemen welke tijding zij voerden, doch zij konden geen voldoende
antwoord bekomen, dewijl de boden den inhoud der brieven niet kenden.

Op dit oogenblik vertoonde zich onder de voornaamste poort van den Burg
een persoon die aller aandacht tot zich trok en eene zonderlinge
beweging onder de groepen der nieuwsgierige lieden deed ontstaan.

Het was een ridder, buitengewoon hoog van gestalte en sterk van leden.
Zooals hij daar met zwaren tred en met het hoofd fier opgeheven den Burg
opstapte, had hij het voorkomen van eenen reus. De genster, die uit
zijne groote zwarte oogen lichtte, moest den aanschouwers ontzag
inboezemen; want alhoewel men vermoedde dat hij de aangekomen tijding
moest kennen, durfde niemand hem het woord toesturen, ja, men trad terug
om hem eenen onbelemmerden doorgang te bieden[17].

Een vrij man en ridder moest hij zijn; want aan zijne zijde hing een
groot, krom zwaard. Op zijne kleeding, waarin de blauwe verf heerschte,
bemerkte men echter geene de minste pracht.

"Daar is Burchard Knap, de neef van onzen proost", murmelde een
geestelijken broeder.

"Is hij niet de zoon van Lambrecht van Rodenburg, den eigen broeder van
den proost?" vroeg de poorter.

"Ja, maar hij woont meest buiten, tusschen de Kerels. Wie hem zou durven
ondervragen zou wel te weten komen wat er gaande is."

"Wel, vraag gij het hem."

"Ik zal er mij wel van wachten. Die mher Burchard is de ongenaakste en
de gramstorigste man der wereld."

"Ja, en gij vreest dat hij met eenen slag zijner reusachtige vuist u zou
kunnen verpletten?"

"Spot er niet mede; het is zooals gij zegt. Zwijgt, daar nadert die
vervloekte bullekop!"

"Welnu, ik zal hem vragen wat nieuws er is", mompelde een oude
zwaardveger. "Hij komt dikwijls in mijnen winkel; hij kent mij en zal
minzaam mij antwoorden."

Inderdaad, hij ging den ridder te gemoet en stamelde, terwijl deze met
scherpen blik van uit de hoogte op hem nederzag:

"Mher Burchard, duid mijne stoutheid niet ten kwade. Welke tijding is er
toch gekomen?"

"Weet gij het?" vroeg de ridder met eene stem die uit eenen kelder
scheen op te klimmen.

"Neen, heer."

"Ik even min. Gij verveelt mij; ga uit mijnen weg!"

Hij deed door zijnen zuren blik den verbluften zwaardveger terugdeinzen
en richtte zich, zonder meer acht op de omstanders te geven, naar de
poort der proostdij.

Hij stapte onder eenen langen zuilengang door, duwde eene deur open en
trad in eene zaal waar een twaalftal ridders rondom eene tafel zaten,
bij welke een paar groote leuningstoelen ledig stonden, als wachtte men
hier op twee voorname personen.

"Welnu, wat is er ophanden?" vroeg Burchard, nadat hij den ridders eenen
korten groet had toegestuurd.

"De graaf is terug uit Aquitanië[18]", antwoordde hem Segher Wulf. "Het
Fransche leger is te Atrecht aangekomen. Onze ridders zullen nog daar
blijven; want de koning van Frankrijk vreest eenen aanval der Engelschen
uit Normandië; maar de graaf komt overmorgen te Brugge."

Eene uitdrukking van ongenoegen trok Burchards lippen te zamen.

"Waar is de proost?" vroeg hij.

"Hij is bezig met het schrijven van eenige bevelen; hij zal aanstonds
komen."

"En de kastelein?"

"Die is met hem."

Burchard zette zich zoo zwaar neder dat de eiken stoel onder hem
kraakte, als ginge hij breken.

"Het schijnt dat de komst van onzen graaf u niet verblijdt?" bemerkte
Segher Wulf.

"De komst van den graaf is mij onverschillig" mordde Burchard.

"Waarom ziet gij er zoo ontevreden uit?"

"De Isegrims komen met hem?"

"Natuurlijk."

"En zijn duivel Tancmar insgelijks."

"Altijd even grimmig, mher Burchard?" lachte Yorg Koevoet, een der
aanwezige ridders. "Wat vreest gij van de komst des graven? Toen hij ten
oorlog trekken zou heeft hij eenen algemeenen landsvrede doen uitroepen
en ons gelast in zijne afwezigheid over de openbare rust te waken.
Hebben wij deze zending niet trouw volbracht? Gij zelf, mher Burchard,
hebt gij niet toegestemd om uwen twist met den hofraadsheer Tancmar
opgeschorst te laten tot des graven terugkeer!"

"Ja, ja, tot mijne groote schande", antwoordde Burchard gramstorig.
"Tancmar had voor den oorlog mij een gedeelte mijner gronden ontnomen.
Ik heb het hem voorloopig laten behouden, om den landsvrede niet te
breken, zooals gij zegt, mher Yorg; maar wat gebeurt er nu? Tancmar is
in het leger met zijne beide zonen en heeft intusschen het beheer zijner
goederen toevertrouwd aan zijnen neef Rambold Tancmar. Weet gij wat deze
doet om mij te hoonen en uit te dagen? Hij zaait en oogst op mijnen
grond en bouwt er eene schuur op. Het is een ware diefstal ... en ik,
Burchard Knap, dien men eenen woestaard en eenen trotschaard noemt, ik
heb het tot nu toe kunnen verkroppen als een machteloos kind! De graaf
komt overmorgen in Brugge, zegt gij? Welnu, hij zal mij doen teruggeven
wat mijn eigendom is, of bij Thors hamer[19], ik verplet al wie het mij
nog durft betwisten!"

"Mher Tancmar beweert dat de graaf zelf hem dien grond heeft
geschonken", bemerkte Matfried Wegel.

"Maar mag de graaf het eigendom van eenen vrijen man onder zijne voeten
wegschenken?"

"De listige Tancmar heeft onzen graaf bedrogen en hem doen gelooven dat
die grond der kroon toebehoort."

"Ben ik dan een lijfeigene of een slaaf", bulderde Burchard.

"Kom, kom, onze heer graaf zal de zaak onderzoeken en u recht doen",
zeide Gerwijn Eekel.

"Karel van Denemarken?" vroeg Burchard met eenen grijns van misprijzen
op de lippen, "Is dit nu een vorst die Vlaanderen betaamt? Hij kruipt
voor den koning van Frankrijk; en deze zal hem zeker niet leeren hoe men
de rechten der vrije mannen van Kerlingaland eerbiedigen moet."

"Beschuldig onzen vorst Karel niet", bemerkte Segher Wulf. "Ware hij
niet slecht geraden, hij zou in alles rechtvaardigheid plegen; maar de
valsche Isegrims, die hem omringen...."

"Dit is juist de zaak", bevestigde Willem van Wervick. "De leenheeren,
die bloedvijanden der Kerels, drijven hem onverpoosd tot onrecht aan.
Men noemt ze Isegrims, dit is wolven, en zij verdienen het wel, zij, die
niets betrachten dan het vrije volk van Vlaanderen te verslinden. Meent
gij dat zij verzadigd zijn?"

"Dat geloove de duivel indien hij zich wil laten bedriegen!" riep
Burchard. "Gij zult het zien, heeren: zoohaast de Isegrims in het land
zijn zullen zij weder hunne kuiperijen beginnen om onzen Kerels den
balfaart, het juk der slavernij op den nek te drukken![20]"

"De graaf zal het beletten", zeide Matfried.

"De graaf?" schertste Burchard. "Die huichelaar? Hij heeft het zelf
gepoogd; de oorlog alleen...."

"Zwijg, zwijg, daar is de proost!" mompelden eenige stemmen.

Bertulf, de proost van St-Donaas, die nu met zijnen broeder Hacket, den
kastelein, in de kamer verscheen, was een man van meer dan zestig jaar,
met grijze haarkroon en een ernstig en eerbiedwekkend gelaat. Ondanks
zijnen ouderdom ging hij rechtop, en het geheel zijner statige
wezenstrekken ademde niet alleen wijsheid maar tevens een diep gevoel
van eigen waarde.

Hij droeg eenen zwarten tabbaard, die hem in wijde plooien tot op de
voeten daalde en rondom hals en schouders eenig wit bont, zoodat zijne
kleeding half geestelijk en half wereldlijk scheen. Inderdaad, ofschoon
eene hooge kerkelijke waardigheid bezettende, was hij evenwel geen
priester.

Na zijnen bloedverwanten en vrienden eenen stillen groet te hebben
toegestuurd, zette hij zich nevens den kastelein in eenen der groote
leunstoelen en zeide tot de aanwezigen:

"Heeren, ik heb u de tijding mede te deelen dat onze heer graaf
overmorgen te Brugge zal aankomen. Hij zal ditmaal nog niet in
Vlaanderen blijven; want hij moet terug naar het leger te Atrecht, waar
de koning van Frankrijk eenen aanval der Engelschen uit Normandië
verwacht. Hoe het zij, het betaamt dat wij onzen vorst, na zijne lange
afwezigheid, met de verschuldigde eerbewijzen onthalen. Ik heb u doen
roepen, heeren, om uwe hulp te vragen ten einde op den dag van 's
vorsten intrede een behoorlijk getal vrije lieden uit de Ambachten naar
de stad te doen komen. Gij zult begrijpen dat zulks noodig is om te
beletten dat onze vijanden bij den graaf de Kerels beschuldigen van
onverschilligheid of oneerbiedigheid jegens hem. Onze zaken staan nu op
eenen goeden voet. Wij zijn er in gelukt gedurende des vorsten
afwezigheid Kerlingaland in eene volstrekte rust te houden. De graaf
moet over ons voldaan zijn en wij hebben dus het recht te hopen dat hij
ons tegen de booze aanslagen der Isegrims zal beschermen."

"Ja, verwacht u daaraan!" gromde Burchard. "Hij is zelf de grootste
Isegrim...."

"Mijn neef heeft altijd iets onaangenaams voor onzen heer graaf in den
mond", zeide de proost berispende. "Het zijn persoonlijke redenen waarop
wij nu geene acht dienen te slaan.... Alzoo, heeren, gelieft brieven of
boden naar uwe burchten en hofsteden te zenden, met het verzoek dat men
van daar eenige lieden naar Brugge doe komen om bij de intrede des
vorsten tegenwoordig te zijn. Laat hen begrijpen dat het voor de Kerels
een plicht is, een vaderlandsche plicht, onzen heer graaf met eerbied en
blijdschap te verwelkomen."

De aanwezige ridders toonden zich bereid om aan dit verzoek te voldoen.
Dat de graaf waarlijk ten opzichte der Kerels gunstig gestemd was,
daaraan twijfelde de meerderheid sterk; maar zij wilden in deze
onzekerheid den Isegrims geenen schijn van reden geven om hen bij den
vorst van vijandschap tegen hem te betichten.

Burchard Knap alleen riep luid dat hij zulk onthaal vanwege de Kerels
als eene laffe kuiperij aanzag. Graaf Karel van Denemarken was, volgens
zijn gevoelen, een valschaard en een geboren vijand van alle recht en
alle vrijheid zijns volks.

Terwijl de proost met bitterheid de onvoorzichtige woorden van zijnen
neef laakte, als de zaak der Kerels ten hoogst schadelijk, werd de deur
geopend en een ridder, met den helm op het hoofd en het maliehemd aan
het lijf, trad onder het uitspreken eener luide groetenis in de zaal.

"Welkom, welkom, onze vriend Isaac Van Reninghe!" riepen de ridders, van
hunne zetels opstaande om hem de hand te drukken.

"Gij komt van het leger? Hoe is het in Aquitanië vergaan? Mher
Luitprand van Rousbrugge was erg gekwetst. Is hij genezen? Zijn er vele
Vlaamsche ridders gesneuveld? Wie heeft er zich het meest onderscheiden?
Wanneer komt ons leger terug?"

Dergelijke vragen werden hem van alle kanten toegestuurd; hij antwoordde
er met zekere verstrooidheid op en scheen haast te hebben om hen van
andere dingen te spreken. Nauwelijks kon hij met zijne vrienden eenige
korte groetenissen gewisseld hebben, of hij stapte naar de deur, sloot
ze toe en, tot de tafel terugkeerende, zeide hij:

"Heeren, ik ben vermoeid van de lange vaart en vraag u oorlof om te
zitten. Ik heb ernstige berichten u mede te deelen."

Hij nam eenen stoel; en toen hij zag dat de anderen hem hierin hadden
nagevolgd en hem nieuwsgierig aanzagen, sprak hij:

"Volgens hetgene ik onderwege van eenige vrienden heb vernomen, vleit
gij u hier met de hoop dat men het ontwerp om de Kerels van hunne
vrijheid te berooven heeft laten varen. Het doet mij leed uwe gerustheid
te moeten storen; maar gij bedriegt u. De Kerels zijn integendeel
bedreigd met eene nieuwe en ergere vervolging."

Een kreet van verrassing en gramschap ontsnapte den ridderen; Burchard
Knap stampte geweldig op den vloer en gromde eene vermaledijding, maar
de proost gebood hem de stilte en vroeg aan Isaac:

"Waarop, mher Van Reninghe, vestigt gij dit vermoeden? Zijn er
bewijzen?"

"Bewijzen?" was het antwoord. "De leenheeren, de Isegrims sedert wij uit
Aquitanië wederkeerden, beroemen zich openlijk dat zij de wapens niet
zullen nederleggen voordat de Kerels den balfaart op den nek hebben en
in eeuwige slavernij zijn gedompeld."

"Verstikke mij de nachtmare!" riep Burchard. "Indien wij door onze
lankmoedigheid...."

"Zwijg, mijn neef, laat mher Isaac ten minste voortgaan", onderbrak hem
de proost. "Wat heeft deze pocherij der Isegrims te beduiden? Wij zijn
er aan gewend. Waarom zou ze ons nu verwonderen als iets nieuws?"

"Het zijn de Isegrims niet meer alleen", hernam Isaac. "De koning van
Frankrijk en de voornaamste ridders, die hem omringen, moeten zich
sedert eenigen tijd met de zaak der Kerels bezighouden; want zij spreken
er van en beslissen den twist met de Walsche spreuk: _pas de terre sans
seigneur, geen grond zonder heer_".

"Bij Loki en zijne horens! wat is dit voor eene taal?" riep Burchard.
"Is elk vrij man niet meester van den grond die hem toebehoord? De
Fransche koning? Ha, ha, de Fransche koning bemoeit zich met onze zaken?
Niet genoeg dat men ons slaven wil maken, onze dwingeland zelf zou slaaf
zijn van eenen vreemden vorst! Het is om te barsten van schaamte!"

"In dit geval blijft ons niets anders te doen dan geheel Kerlingaland te
wapen te roepen", zeide Willem Van Wervick. "De schermzeis uit de
scheede getogen voordat het te laat zij!"

"Ja, en zonder toeven al de burchten afbranden, die onze vijanden, om
onze vrijheid te bedreigen, te midden der Ambachten hebben gebouwd!"
voegde Burchard er bij. "Ik heb omtrent Eerneghem, in de bosschen,
tweehonderd Houtkerels, echte Blauwvoeten, die snakken naar den strijd."

"Heeren, ik kan u niet genoeg de voorzichtigheid aanbevelen", zeide de
proost, "u bovenal, mijn oploopende neef Burchard! Ontijdig geweld redt
geene zaak, zelfs niet de rechtvaardigste. Houd u stil; blijf bedaard,
zooals het een redelijk man betaamt."

Een somber gegrol ratelde in Burchards keel. Hij zou zulke berisping van
geenen anderen man op aarde verdragen hebben; maar de proost, die als
hoofd der Erembalds recht had om hier te gebieden, gaf geene acht op
zijne spijt.

"Vrienden", ging hij voort, "ik beken dat de berichten, ons door mher
Isaac Van Reninghe aangebracht, in schijn, ten minste, van aard zijn om
u te kwetsen en te verbitteren; maar gelieft in te zien dat wij nooit
iets anders dan zulke grootspraak vanwege de Isegrims te verwachten
hebben."

"Ja, maar het is nu veel erger dan te voren", wedersprak hem Isaac. "Er
moet eene geheime reden tot den eensklaps aangegroeiden overmoed der
leenheeren bestaan. Kondet gij het hooren, vrienden, hoe onbeschaamd de
Isegrims hunnen haat tegen de Kerels lucht geven! Zij zingen zelfs, met
de hanaps in de hand, een spotlied tegen ons. Het is zeer lang en vol
hoon. Ik heb er slechts de volgende rijmen van kunnen onthouden:

  Wij willen de Kerels doen greinsen,
  Al dravende over het velt;
  Het 's al kwaad dat si peinsen,
  Ic weetse wel bestelt,
  Men sal se slepen en hangen,
  Haar baart is al te lanc;
  Sine connens niet ontgangen;
  Sine dogen niet sonder bedwanc."

Een storm van verontwaardigingskreten borst los.

"Zoo sla mij Thors hamer, indien ik den eersten Isegrim die slechts een
woord van dit lied in mijn bijwezen durft zingen het hoofd niet kloof!"
schreeuwde Burchard boven het gerucht uit.

"Klachten genoeg, daden moeten er zijn", zeide Willem Van Wervick. "Wat
blijft ons te doen? Het is gansch eenvoudig: ons in de Ambachten begeven
en alles tot den opstand bereiden."

"Ja, en onmiddellijk Willem Van Loo, den burggraaf van Yperen, tot graaf
van Vlaanderen uitroepen", viel Burchard woedend uit, "te wapen loopen
met dien wettigen erfgenaam onzer graven aan het hoofd en Karel van
Denemarken het land uitjagen!"

"Zijt gij daar alweder met die dwaze gedachte?" schertste de kastelein
Hacket. "Is het zoo dat men beraadslaagt over de hoogste belangen? Gij
maakt gerucht en tiert. Dit zijn geene redenen."

"Dwaze gedachte?" herhaalde Burchard. "Is Wiillem Van Loo niet de
kleinzoon en erfgenaam van den graaf Robrecht De Vries, door de mannen,
terwijl Karel van Denemarken dit slechts is door de vrouwen? Haddet gij,
mijne ooms, in den oorlog tusschen beiden, Karel niet geholpen, wij
zouden nu eenen vorst hebben met Kerlenbloed in de aderen; want de
moeder van Willem was eene Kerlinne[21]."

"En haddet gij en mher Isaac en velen uwer vrienden in den oorlog voor
de Kroon u onzijdig gehouden", wedervoer Hacket, "de Kerels zouden
waarschijnlijk nu de ongunst van den graaf niet te vreezen hebben."

"Ik verzoek u bedaard te blijven, heeren", zeide de proost. "Laat mij
mher Isaac Van Reninghe vragen of hij ons met eenige zekerheid kan
bevestigen dat graaf Karel dezelfde inzichten als de Isegrims jegens ons
heeft."

"In der waarheid, ik moet bekennen", antwoordde Isaac Van Reninghe,
"dat, welke moeite ik ook aanwendde, ik desaangaande niets heb kunnen
vernemen. Maar gij weet hoe ondoorgrondelijk onze graaf is; en
daarenboven, men mistrouwt mij omdat men vermoedt dat ik een vriend der
Erembalds ben."

"Welnu", bemerkte de proost met eene zegevierende uitdrukking, "ik,
integendeel, heb daarover rechtstreeksche berichten van iemand die meer
dan anderen het vertrouwen van onzen graaf bezit en hem nooit verlaat,
namelijk den ouden Frumold, wiens geloofbaarheid wel niemand uwer zal
betwisten. Deze heeft mij geschreven dat wij alle redenen hebben om te
gelooven dat men de Kerels voortaan aangaande hunne vrijheid niet meer
zal verontrusten; en hij raadt ons aan onzen heer graaf met betuigingen
van eerbied en verkleefdheid te onthalen en hem in zijne goede stemming
ten onzen opzichte te versterken. Het is onze plicht dezen wijzen raad
te volgen. De oorlog tegen onzen wettigen vorst, indien wij er toe
gedwongen worden zal, in alle geval, een groot ongeluk zijn, dat wij
behooren te ontwijken zoolang wij kunnen. Is dit niet het gevoelen der
meerderheid dezer vergadering?"

Velen der tegenwoordig zijnde ridders knikten met het hoofd of
antwoordden bevestigend.

"Laat ons dan tot een besluit komen, heeren", hernam de proost. "Mijn
tijd is kostelijk; ik verwacht den voorschepen van Brugge. Ziet hier
mijn gevoelen. Wij moeten ons bereiden om onzen heer graaf bij zijne
intrede met de meest mogelijke eerbewijzen te verwelkomen. Diegenen
onzer die niet gehouden zijn hem af te wachten, zullen hem te gemoet
rijden...."

"Ik den graaf te gemoet rijden?" kreet Burchard. "Mij door de Isegrims
uitdagend laten bekijken? Neen, neen, ik zou een ongeluk doen!"

"Daarom juist, mijn neef, omdat gij zoo oploopend zijt en u zelven niet
kunt bedwingen, wilde ik u verzoeken dien dag te Bethferkerke te
blijven[22]."

"Ha, vrees niet: men zal mij in Brugge niet zien!"

"Tot nu toe, heeren", ging de proost voort, "hebben wij geene redenen om
den graaf als een vijand der Kerels te beschouwen. Integendeel, ik durf
de overtuiging uitdrukken dat vorst Karel een edelmoedig hart heeft en
nooit ons recht zal te kort doen, indien slechte raadslieden hem niet
valschelijk tegen de Kerels aanhitsten. Wij zullen ons nu eerbiedig en
verkleefd jegens hem toonen en zelfs, indien het geval zich voordoet, de
hoonende houding der Isegrims over het hoofd zien, om geene reden van
ontevredenheid aan den vorst te geven. Ontstaat het kwaad dat gij
vreest, wij zullen onzen plicht doen en met goed en bloed de vrijheid
van Kerlingaland verdedigen; maar niemand toch zal ons kunnen
beschuldigen dat wij zelven de oorzaak der bloedige botsing waren.... In
deze omstandigheid, heeren, verheugt het mij ten hoogste u te kunnen
melden dat ik er gelukt ben het machtige huis van Rijkaard Van Woumen
door een huwelijk aan onzen stam te verbinden. Rijkaard en de zijnen
zijn machtig bij den graaf en hunne hulp is ons meer waard dan duizend
zwaarden."

"Zoo? heeft mehr Robrecht Sneloghe dan eindelijk toegestemd?" vroeg
Matfried Wegel. "Hij scheen van dit huwelijk niet te willen hooren."

"Inderdaad", bevestigde de proost, "hij heeft wel eenigen tegenstand
geboden; maar gij weet het, onder ons is er geen die met meer edelmoed
dan mijn neef Robrecht zich bereid toont tot zelfopoffering, zoohaast
hij iets kan doen ten goede van ons geslacht en van Kerlingaland. Het
was mij genoeg hem te doen begrijpen welke gelukkige gevolgen dit
huwelijk, zoowel voor de Erembalds in het bijzonder als voor de Kerels
in het algemeen, moest hebben, om hem de eervolle verbintenis te doen
aanvaarden."

"En is Rijkaard Van Woumen met dit huwelijk tevreden?"

"Zeer tevreden."

"Een der machtigste leenheeren zich verbinden met eenen Kerel!"

"Met den rijksten en machtigsten Kerel", verbeterde Bertulf. "Wie weet
niet dat mijn neef meer vrije gronden bezit dan mher Rijkaard
leengoederen?"

"Het is gelijk, heer proost, indien dit huwelijk voltrokken wordt zult
gij iets wonders gewrocht hebben dat, inderdaad, de Kerels sterk moet
maken tegen de kuiperijen der Isegrims."

"Maar Ghijselbrecht Tancmar stond insgelijks naar de hand van jonkver
Placida", bemerkte Yorg Koevoet. "Indien zijn oom, de hofraadsheer, met
den graaf terugkomt, zou hij dit huwelijk nog wel kunnen beletten."

"Onmogelijk", antwoordde Bertulf, "heden nog, dezen morgen zelfs, zal
Placida Van Woumen de beloftegift uit Robrechts handen ontvangen. Het is
daarom dat mijn neef zich niet hier met ons bevindt."

"God zij dank, dit is eene goede tijding!" juichten al de aanwezigen.
Burchard zelf glimlachte van tevredenheid en loofde uitbundig zijnen oom
over deze zegepraal.

De proost was bezig met hun uit te leggen, hoe dit huwelijk den Kerels
in eenmaal vele invloedrijke vrienden aan het hof des graven zelven
moest verschaffen en hoe hij hoopte daardoor beter dan door eenen
verderfelijken oorlog de rechten en de vrijheid van Kerlingaland te doen
eerbiedigen. Een dienaar opende zachtjes de deur en meldde hem dat de
voorschepen van Brugge verlangde hem te spreken.

Al de ridders stonden op. Zijne aanbeveling tot voorzichtigheid
herhalende, leidde de oude Bertulf hen tot aan de deur.

Hier zeide zijn broeder Hacket in stilte tot hem:

"Maar, proost, waarom verbergt gij den toestand der zaken? Onze
berichten zijn niet zoo geruststellend als gij het voorgeeft."

"Wat wij te vreezen hebben is dat de Kerels der Ambachten in beroering
geraken. Dit zou de graaf ongunstig stemmen en de Isegrims in de hand
werken. Met zulken onvoorzichtigen woestaard als onze neef Burchard,
kunnen wij de waarheid niet gansch openbaren. De minste genster ware
genoeg om het vuur van eenen ontijdigen opstand in Kerlingaland te doen
ontvlammen. Ga zonder kommer, broeder, en gelief den deurwaarder te
zeggen dat men den voorschepen binnenlate."

De kastelein drukte hem de hand en verwijderde zich.

Een voornaam en rijk poorter, die als voorschepen of burgemeester aan
het hoofd van het stadsbestuur stond, trad in de zaal en groette den
proost, terwijl deze hem minzaam eenen zetel aanbood.

Toen beiden gezeten waren, zeide de oude Bertulf:

"Heer voorschepen, dringende bezigheden, zooals gij aanstonds zult
begrijpen, laten mij niet toe ten uwent te gaan; daarom deed ik u bidden
u ten Burg te willen begeven. Ik moet u melden dat onze heer graaf
overmorgen in Brugge komt...."

"Ik weet het reeds, heer proost", bemerkte de voorschepen.

"Gij weet het? Heeft dan de graaf u insgelijks eenen bode gestuurd?"

"Neen, maar de hofraadsheer Tancmar Van Straten bracht zelf mij de
tijding."

"De raadsheer Tancmar?" herhaalde Bertulf met zichtbare bekommerdheid.

"Ja, en tevens de hofbottelier Walter Van Lokeren."

"Zij hebben wel veel haast om in Brugge te verschijnen, heer
voorschepen."

"Inderdaad."

"Brachten zij u ook eenige bijzondere bevelen van den graaf?"

"Bevelen wel niet; maar zij raadden mij aan eene houten trede op de
markt te doen timmeren om daarop de sleutels der stad den graaf te
overhandigen alsof hij eene eerste intrede deed. De reden daarvan is dat
eenige voorname Fransche ridders onzen vorst zullen vergezellen en hij
verlangt dat zijn onthaal zoo plechtig mogelijk geschiede. Ik zie geen
beletsel om onzen heer graaf hierin te vergenoegen. Daarenboven, ik zal
de poorters uitnoodigen hunne huizen op den doortocht van den stoet met
alle mogelijke pracht te versieren."

"Ik hoor wel dat voor alles naar behooren zal gezorgd worden", sprak de
proost. "Het spijt mij u zoo verre te hebben doen komen, dewijl ik u
niets anders te zeggen of te raden had."

De voorschepen stond op.

"Alzoo de raadsheer Tancmar is in de stad?" vroeg de proost peinzend.

"Ja, maar hij keert terug op de baan naar Atrecht om den graaf te gemoet
te gaan."

"Wanneer vertrekt hij? Dezen morgen nog?"

"Neen, in den vooravond."

Bertulf schudde het hoofd.

"Verwacht gij dan een erg kwaad van Tancmars tegenwoordigheid?" vroeg de
voorschepen verwonderd.

"Zit nog een oogenblik, heer voorschepen", zeide de proost. "Wat goeds
kunnen de poorters zoowel als de Kerels van deze aanleiders der Isegrims
verwachten?"

"Niet veel goeds", antwoordde de voorschepen, het hoofd schuddende. "Zij
zijn de erfvijanden des volks in het algemeen. Verbeeld u, heer proost,
dat zij nu beweren het recht te hebben om den balfaart der
dienstbaarheid door een groot getal Brugsche poorters te doen betalen,
onder voorwendsel dat dezen voortgesproten zijn uit onvrije lieden welke
vroeger tot bezittingen der leenheeren behoorden. Onze keure, door
vorige vorsten ons verleend, stelt als wet vast dat een onvrij man, die
gedurende een jaar en eenen dag in onze stad woont zonder dat zijn heer
hem teruggevorderd hebbe, tot poorter mag aanvaard worden en van dan af
de vrijheid dezer poort geniet[23]."

"En de lieden welke de Isegrims den tol der dienstbaarheid willen doen
betalen, wonen meer dan een jaar in Brugge?"

"Vele jaren, heer proost. Van sommigen weet men zelfs niet meer wanneer
zij of hunne ouders binnen deze poort zijn komen wonen."

"Gij zult dit onrecht niet lijdzaam onderstaan, hoop ik, heer
voorschepen?"

"Wij zullen ons bij den graaf beklagen en rechtvaardigheid eischen."

"Ja, onze heer graaf zal u waarschijnlijk tegen de aanmatiging der
leenheeren beschermen. Wij moeten het hopen ... maar indien hij onzen
vijanden gelijk gaf en men u wilde dwingen?"

"Wat er zou geschieden, heer proost? Wie kan het voorzien? Wij poorters
hebben een taai geduld; maar des te meer gespaard bloed zouden wij voor
het behoud onzer rechten kunnen opofferen indien eens de boog door
overspanning brak."

Bertulf greep den voorschepen de hand.

"Wel gesproken", zeide hij. "Geduld hebben en door zachte middelen het
onheil, dat ons dreigt, pogen af te weren, zoolang het mogelijk is; maar
intusschen waken en zich bereid houden om op het uiterst oogenblik de
dwingelandij der Isegrims eenen hardnekkigen tegenstand te kunnen
bieden. Werden de poorters eerder dan de Kerels aangerand, wij zouden
allen u ter hulp vliegen; want het geldt hier het dierbaarste dat onze
vaderen ons hebben nagelaten. Hoezeer vroegere tijdsomstandigheden de
instellingen dezer landen hebben veranderd, wij zijn toch altemaal van
hetzelfde bloed: uwe voorouders en onze voorouders waren Kerels van
éénen stam."

"Het is waar, heer proost", murmelde de voorsehepen.

"De Isegrims begrijpen ons daarom in denzelfden haat", ging Bertulf
voort. "Poorters, Kerels, vrije mannen van binnen en buiten de steden,
wil men doen bukken onder eene zelfde verdrukking. Slaan wij dus immer
de handen te zaam en, waar het volk bedreigd wordt door degenen die
niets beoogen dan al wat werkt of handel drijft in slavernij te
dompelen, daar vinde het gevaar ons als broeders in dezelfde scharen!"

"Zoo zal het zijn als de worsteling ooit uitbreekt", bevestigde de
voorschepen. "Wij poorters, zijn allen uwe vrienden, gij weet het wel;
en wij zullen u helpen tegen uwe vijanden, die ook de onze zijn."

Hij reikte den proost tot vaarwel de hand.

Bertulf vergezelde hem tot bij de deur, keerde dan terug naar de tafel
en mompelde in gedachten:

"Tancmar is in de stad! Wat komt hij er doen? En indien hij iets van
het ontworpen huwelijk verneemt? Zijn zoon Ghijselbrecht heeft lang naar
de hand van jonkver Placida gestaan. Gelukkig dat op dit oogenblik de
beloftegift reeds moet aanvaard zijn en het dus geheel onwaarschijnlijk
is dat Rijkaard Van Woumen nog op eene wederzijds bevestigde verbintenis
kan terugkomen.... Maar Tancmar is zoo vol list en zoo bedrijvig!"

Hij hief het hoofd op en zag Robrecht Sneloghe die met droef en spijtig
gelaat te midden der zaal stond.

"Nu, mijn neef, wat beduidt dit treurig aangezicht?" vroeg hij
verwonderd en bekommerd. "Heeft jonkver Van Woumen uwe gift aanvaard?"

"Ik heb mij nog niet bij haar aangeboden", was het antwoord.

"Hoe, gij zijt nog niet in sher Rijkaards Steen[24] geweest?" riep de
proost met verbazing uit. "Welk noodlottig beletsel hield u terug?"

"Wees toegevend voor mij: laat mij afzien van dit huwelijk!" zeide
Robrecht.

"Onmogelijk, gij zijt zinneloos!" kreet de proost, die zich door zijne
spijt liet vervoeren.

Robrecht zou anders van niemand zulke harde woorden geduld hebben; maar
hij onderstond deemoedig den uitval van zijnen ouden oom.

"Ik bezweer u, heer oom", smeekte hij, "bij de gedachtenis mijns vaders,
dien gij zoo liefhadt, dwing mij niet tot het aangaan dezer
verbintenis!"

"Zij is noodig tot het heil van Kerlingaland. De Isegrims bedreigen onze
vrijheid."

"Welnu, oom, dat het zwaard dan onze rechter weze! Mijn bloed wil ik
geven tot den laatsten druppel; maar gij eischt mijne ziel...."

"Uwe ziel?"

"Ja, gij slachtoffert mij zonder mededoogen, ik weet niet ten gevolge
van welke diepe berekeningen. Bestrijden wij de Isegrims, maar het weze
niet door sluwe middelen. De list was altoos de toevlucht der zwakken
en der lafaards; wij zijn sterk en onversaagd."

"Waarlijk, gij doet mij twijfelen aan de vastheid uwer zinnen" morde de
proost, sidderend van verontwaardiging en ongeduld. "Waarom breekt gij
uwe belofte?"

"Ik zal ongelukkig zijn, geheel mijn leven!"

"Met Placida Van Woumen? Is zij niet schoon genoeg?"

"Schoon als eene lelie is zij, heer oom."

"En rijk en edel geboren?"

"Ik zal ze nooit kunnen beminnen. Dit huwelijk boezemt mij schrik en
afkeer in."

"Waarom toch?"

Robrecht aarzelde om de bekentenis, die hem op de lippen zweefde, uit te
spreken. Evenwel hij deed geweld op zich zelven en zeide met vaste stem:

"Omdat ik eene andere vrouw bemin."

"Gij bemint eene andere vrouw?" kreet de proost met verbaasdheid.

"Dakerlia Wulf."

"Kom, kom, dit is onmogelijk, mijn neef! Disdir Vos staat naar de hand
van jonkver Dakerlia en haar vader stemt toe in haar huwelijk met hem."

"Mher Wulf laat zijne dochter de vrije keus. Mij bemint Dakerlia."

"Gij hieldt dezen band uws harten voor mij verborgen! Gij hebt mij dus
bedrogen?"

"Eerst heden ontving ik hare bekentenis."

"En om deze liefde van eenen enkelen dag gehoor te geven wilt gij de
hoogste belangen uws vaderlands slachtofferen en mijne gelukkige
pogingen verijdelen?" gromde de proost bitter schertsend. "Het is eene
onbegrijpelijke dwaasheid. Spreken wij er niet langer van. Wilt gij niet
dat ik, door de diepste treurnis getroffen, u voor altoos mijne
vriendschap en mijne achting onttrekke, begeef u onmiddellijk naar sher
Rijkaards Steen en bied jonkver Placida uwe beloftegift aan!"

"Dus geene genade voor mij?"

"Geene. Uwe belofte moet u heilig zijn."

Robrecht bezag zijnen oom eene wijl met strakken blik, als worstelde
hij nog tegen een pijnlijk besluit. Dan zeide hij, het hoofd
verheffende:

"Gij weet, heer oom, hoe ik u sedert mijne kindsheid heb geëerbiedigd en
bemind als waart gij mijn vader. Er is eene grens aan alles. Vermits gij
onverbiddelijk blijft, welnu, laad uwe gramschap op mij: ik weiger u te
gehoorzamen. De bruidegom van Placida word ik niet!"

"Niet?"

"Nimmer, heer oom. Dakerlia Wulf zal mijne levensgezellinne zijn."

"Ha, ha, dit zullen wij zien!" riep de proost met ongeduld. "Luister
slechts op de tijding welke ik u mede te deelen heb. Overmorgen komt de
graaf in Brugge. De Leenheeren, de Isegrims, onze vijanden, beroemen
zich openlijk dat zij nu met geweld onze broederen, de Kerels der
Ambachten, den balfaart gaan opdringen. Het uur van den grooten strijd
om vrijheid of slavernij, om leven of dood nadert dus waarschijnlijk
voor het Kerlingaland."

"God zij dank", mompelde Robrecht, "dat wij eindelijk ons leven mogen
wagen voor de vrijheid!"

"Dat kan de minste Kerel", wedervoer de proost met drift. "Wie meer
heeft brenge meer ten offer, indien hij zijnen plicht getrouw wil zijn.
Daareven was ik, in deze zaal zelve, vergaderd met uwe ooms en neven en
met eenigen onzer vrienden. Allen juichten bij de aankondiging van uw
huwelijk, als bij iets dat de booze ontwerpen onzer vijanden voor altijd
kon verijdelen. Want, misken het niet, dit huwelijk moet geheel een
edelgeboren en aanzienlijk geslacht tot vrienden en verdedigers der
Kerels maken. Door aldus de verdeeldheid onder de Isegrims zelven te
brengen, breken wij hunne macht.

Rijkaard Van Woumen kan dit alles bij den graaf. Indien hij den vorst
rechtvaardigheid jegens de Kerels inboezemt, wat hebben wij te vreezen?"

Robrecht was bleek geworden en hield den blik beweegloos op zijnen
grijzen oom gevestigd.

"Volhard nu in uwe weigering", ging deze met klimmenden nadruk voort;
"maak dat de hulp van mher Rijkaard ons ontbreke en de noodlottige
botsing diensvolgens niet worde belet. De grond van Kerlingaland zal met
lijken en puinen overdekt worden, en--wie kan het weten?--misschien zal
in dit akelig bloedbad de vrijheid der Kerels, de vrijheid van ons
geslacht voor eeuwig vergaan. Na zulke ijselijke ramp zou de vloek der
overlevenden op eenen enkelen man geladen worden. Uit den afgrond der
slavernij zou men, tot in de verre toekomst zelve, den naam van eenen
trouwelooze, van eenen ondankbare vermaledijden, wien de noodige moed
ontbrak om op het altaar van den plicht het offer te brengen dat zijn
vaderland kon redden!"

Met het hoofd gebogen en als neergedrukt onder het gewicht der wreede
noodzakelijkheid, luisterde Robrecht sprakeloos op de strenge woorden
van zijnen oom.

Deze meende te voorzien dat zijn neef zich eindelijk weder zou
onderwerpen en verzachtte daarom eenigszins den toon zijner stem.

"Mijn goede Robrecht", zeide hij, "ik kan waarlijk niet begrijpen hoe
gij niet met blijdschap de hand van Jonkver Placida aanvaardt. Dit
huwelijk moet niet alleen u tot eenen hoogen trap van roem verheffen,
maar zelf gansch ons geslacht nader bij den troon brengen. Mher Wulf
daarentegen is niet rijk; hoe eerlijk en hoe achtbaar hij ook weze, de
hand zijner dochter doet u afdalen."

Eene hevige siddering doorliep Robrechts leden en een ongeduldige grijns
verkrampte zijne lippen; doch hij antwoordde niets.

Bertulf aanzag deze zure uitdrukking als het teeken van nieuwen onwil.

"Verlangt gij inderdaad, mehr Sneloghe", vroeg hij met nog meer klem,
"dat ik onze magen en vrienden doen terugroepen om hun aan te kondigen
dat gij liever nog Kerlingaland aan verdelging en slavernij ten prooi
geeft dan de hand te aanvaarden der schoonste en rijkste erfgename van
Vlaanderen? Gij aanroept de gedachtenis uws vaders? Meent gij misschien
dat zijne ziel juicht, daar hij ziet hoe zijn eenig zoon zijn geslacht
verraadt en weigert te gehoorzamen aan mij die de erfgenaam ben zijner
overheid op aarde? Gij antwoordt mij niet? Is alle gevoel van eer en
plicht eensklaps in u gestorven? Weigert gij dan de minste opoffering
voor het welzijn van Kerlingaland? Wilt gij de vermaledijding te gemoet
gaan van een gansch volk, dat door uwe zwakmoedigheid kan veroordeeld
worden tot eeuwige slavernij? Ha, ha, ware jonkver Dakerlia hier met
ons, en eischte ik van haar, tot redding onzer vrijheid, zulke
opoffering, meent gij dat zij, die eene vrouw is, zou weigeren? Is zij
geene Kerlinne?"

Robrecht stond op. Zijn gelaat droeg nog wel den stempel eener diepe
droefheid, doch in zijne oogen fonkelde eene genster van beradenheid.

"Heer oom, staak uwe bittere verwijten", zeide hij, "zij zijn
overbodig."

"Hoe meent gij het?"

"De wreede strijd is over in mij. Het kost moeite. Ik dwaalde; gij hebt
gelijk. Hoezeer ik ook hadde gewenscht dit huwelijk te kunnen ontwijken,
ik erken mijnen plicht en onderwerp mij aan de noodzakelijkheid."

"Oprecht? Ernstig?"

"In vollen ernst. Wees gerust: eer een half uur verloopen zij, zal
jonkver Placida mijne beloftegift ontvangen hebben. Zooals gij zegt,
oom, Dakerlia zal begrijpen dat de plicht jegens Kerlingaland...."

"Dank zij God, die u mijne genegenheid en achting waardig laat blijven!"
juichte de proost met onverborgene blijdschap. "Ga, mijn goede neef,
haast u; want onze vijanden zijn waakzaam."

Bij de deur hield hij mher Sneloghe met de hand terug, als schoot er een
onrustwekkend gepeins door zijnen geest, en zeide:

"Robrecht, indien gij door de zuurheid of de treurigheid uws gelaats
gingt toonen dat dit huwelijk u bedroeft? Indien gij door de koelheid
uwer woorden jonkver Placida tot eene weigering deedt besluiten of een
uitstel deedt vragen, meent gij dat gij jegens uw geslacht niet even
schuldig zoudt zijn?"

"Vrees niet, heer oom", antwoordde de jonge ridder, "mijn besluit is
genomen, rechtzinnig genomen; ik zal onderwege mijne krachten verzamelen
en, wees zeker, mij zal de moed niet ontbreken om mijnen plicht tot het
einde te volbrengen."

"Toon u ten minste een weinig lieftallig voor jonkver Placida."

"Hoofsch en minzaam moet een ridder immer met jonkvrouwen zijn. Dit kan
ik niet vergeten. Placida is schoon en bevallig. Ik zal mij aan het
denkbeeld van dit huwelijk pogen te gewennen. Hopen wij dat er later ook
liefde voor jonkver Van Woumen in mijn hart zal groeien. Wel schijnt het
mij nu moeilijk; maar de wil van eenen man, als hij eenen duren plicht
vervult, kan wonderen wrochten...."

"Zoo is het wel, mijn goede Robrecht!" riep de proost, hem juichend op
den schouder slaande. "Ga nu spoedig met mijnen groet en mijnen zegen."

Hij meende zich naar de Hof straat te richten; maar nu schoot hem
eensklaps de herinnering te binnen, dat hij de juweeldoos in zijne
woning had gelaten. Zonder beloftegift kon hij niet tot jonkver Placida
gaan.

Het hoofd met mismoed schuddende, begaf hij zich naar de Hoogstraat. Wel
vertraagde hij zijnen stap en wel scheen hij soms te willen staan; maar
het lot en de plicht dreven hem naar zijnen Steen.

Hij trad bevend in de zaal waar hij Dakerlia nog meende aan te treffen.
Zijne zuster was gansch alleen. Dit gaf hem eenige sterkmoedigheid
weder.

Terwijl Witta bij zijne eerste woorden reeds in tranen van medelijden
losborst, poogde hij haar te doen begrijpen dat zij allen met
verduldigheid zich onderwerpen moesten aan den onverbiddelijken plicht.
Hij, Robrecht, mocht nu met Dakerlia niet meer spreken. Jonkver Wulf zou
dit zelve wel erkennen. Witta zou haar gaan zeggen dat alle hoop was
verloren. Zij beloofde, op het dringend verzoek haars broeders, alles
aan te wenden wat mogelijk was om hem bij Dakerlia te verontschuldigen
en hare arme vriendin te troosten.

Mher Sneloghe stak de juweeldoos in de tasch die hem aan den gordel hing
en verliet zijnen Steen met opgehouden tranen in de oogen.

Hij stapte haastig voort tot op de Markt. Hier bleef hij staan en wreef
zich met kracht over het voorhoofd, als om de volle bewustheid van
zijnen toestand te bekomen. Na eene wijl overwogen te hebben mompelde
hij treurig in zich zelven:

"Vaarwel, vaarwel, o schoone droom die den hemel voor mijne oogen had
geopend! Een enkel uur hebt gij geduurd ... om mij de slachtoffering
bitter en schrikkelijk te maken! Het is gedaan: uwe herinnering zelve
wil ik uit mijne hersens vagen. Ach, het lot is mij wreed; maar de
plicht is eene stalen wet. Ik ben man en Kerel; geene zwakheid!"

En na het uitspreken dezer woorden, stapte hij langzaam en immer denkend
over de Markt, en verdween achter St-Christoffels-kapelle.


VOETNOTEN:

[Voetnoot 16: Deze oude toren is ingestort ten jare 1316. Zie DESPARS,
_cronycke_, enz., I, pag. 395.]

[Voetnoot 17: "Burchard, die wreede, woedende, onversaagde krijgsman,
begaafd met eene wonderlijke lichaamskracht."

GALBERTUS, uitgegeven door Guizot, _Collection des Mém. rel. à l'hist.
de Fr._, tom. VIII, pag. 314.]

[Voetnoot 18: Over dezen krijgstocht van den graaf van Vlaanderen in
Aquitanië met den koning van Frankrijk, zie SUGER, _Vie de
Louis-le-Gros_, uitgegeven door Guizot, tome VIII, pag. 132.]

[Voetnoot 19: Thor, de krijgsgod der Romeinen, werd verbeeld met eenen
zwaren hamer in de hand. Men zegt daarvan nog in Brabant, van iemand die
zeer verbaasd of verbluft is: _hij staat als van den hamer geslagen_.]

[Voetnoot 20: "De tol der dienstbaarheid, gezegd _half have_ en
_Balfaert_, ook geheeten _beste hooft_."

VICTOR DE RODE, _Ann. du Comité Fl. de Fr._, t. VIII, pag. 145.]

[Voetnoot 21: Deze Willem Van Loo, burggraaf, dit is kastelein van
Yperen, was kleinzoon van Robrecht-de-Vries door Philips; Karel van
Denemarken was dit insgelijks, doch door Adela. Men vindt den volledigen
geslachtsboom in _Vie de Charles-le-Bon par le Dr. Wagner, trad. du
Danois par un Bollandiste._]

[Voetnoot 22: Tancmar had een landgoed te Straten en Burchard eene
woning te Bethferkerke. Beide deze plaatsen lagen op het gebied der
tegenwoordige parochie St-Andries, op eene mijl van Brugge.]

[Voetnoot 23: Bij het ontstaan der steden of vrije gemeenten was een
slaaf vrij als hij ongestoord een jaar en eenen dag in de stad had
gewoond."

P. BLOMMAERT, _Aloude Gesch. der Belgen_, pag. 175.]

[Voetnoot 24: Die vorm _Sher_ of _Ser_, alsdan gebruikt, is de genitivus
van _heer_; het is alsof er stond: _des heeren Rijkaards steen_.]



III


Ten einde der Kuiperstraat verhief zich, verre boven de poortershuizen,
de achtkantige toren van sher Rijkaards Steen.

Deze aanzienlijke woning bestond uit verschillige gebouwen, rondom een
vierkante neerhof, en uit eenen tuin, waarvan de gekanteelde
omheiningsmuur met zijne schietgaten op St-Pieters voorgeborchte uitzag.
Zij was van alle zijden omringd met water, en eene ophaalbrug onderbrak
des nachts of in tijden van gevaar hare gemeenschap met de stad.

De wijde tuin was overlommerd met hooge boomen, welker gebladerte in dit
gevorderde jaargetijde zich reeds begon te sieren met de veelkleurige
tinten die den komenden winter aankondigen. Dien morgen echter stond de
zon glanzend aan den hemel, en de wind was even zoel en even verheugend
als op eenen lentedag.

Onder de boomen, rondom eene tafel, zaten drie vrouwen te arbeiden aan
zekere kostbare kleedingstukken. Eene der jongsten verwerkte zelfs
goud-en zilverdraad in een zijden boofdhulsel.

De oudste, wier haar reeds begon te vergrijzen, sloeg nu en dan eenen
blik op den arbeid harer twee gezellinnen en wees hen terecht en gaf hun
raad, als ware zij hier de meesteresse.

Evenwel, het was genoegkennelijk aan het eenvoudig linnen kleedsel dezer
vrouwen, dat zij allen dienstmeiden waren; ja, eene zilveren schaar
naast een fraai naaischrijn op de tafel en een stoel van gesneden
eikenhout met een gebloemd zitkussen konden doen vermoeden dat de ware
meesteresse onlangs was opgestaan en den tuin had verlaten.

Eene der beide jongere vrouwen moest geweend hebben; want zij hield
mismoedig het hoofd over haar werk gebogen en hare oogen waren nog
vochtig.

"Kom, Brigitta, denk niet meer aan het voorval", zeide de oudere
troostend. "Gij zijt te gevoelig; en daarbij, onze jonkvrouw heeft
gelijk: wij arme dienaars mogen ons met de zaken onzer meesters niet
bemoeien, zooals gij het soms doet."

"Het is alweder voorbij, Martha", antwoordde het treurige meisje. "Onze
jonkvrouw toont zich hard voor mij. Wat kwaad bestaat daarin dat ik mher
Robrecht Sneloghe roemde?"

"Geen, inderdaad; maar waarom spraakt gij van mehr Ghijselbrecht Tancmar
zonder den verschuldigden eerbied? Mher Ghijselbrecht is ridder; wij
zijn lijfeigene lieden,--slaven."

"Ja, ja, slaven!" herhaalde de jonge Brigitta met eenen diepen zucht.

"En omdat gij zoo stout van eenen edelgeboren man durft spreken, heeft
uwe taal jonkver Placida diep gekwetst. Zij bestrafte u met bitterheid;
gij moet het ootmoedig verdragen."

Brigitta bedwong hare stem, als vreesde zij van uit den Steen gehoord te
kunnen worden. Fluisterend zeide zij:

"Weet gij wat ik denk, Martha? Ik denk dat onze jonkvrouw liever mher
Ghijselbrecht tot bruidegom zou hebben en dat zij nu de hand van
Robrecht Sneloghe slechts aanvaardt omdat hare ouders het zoo willen;
want ziet gij niet...."

"Spreek stiller nog!" onderbrak de oude vrouw, met een gebaar van angst.
"Indien men u hoorde, ongelukkige!"

"Meent gij dat ik mij misgrijp? Wat denkt gij er over, Amelborga?"

"Ik, ik?" stamelde het andere jonge meisje. "Ik denk dat wij beter doen
met hoegenaamd niets te denken."

"Zijn wij dan geene menschen meer?" vroeg Brigitta met eene soort van
verontwaardiging in de oogen.

"Eilaas, ja", was het antwoord, "maar ik weet nog dat ik, voor drie
jaren, eens door eenige stoute woorden liet hooren dat ik zulks
geloofde. Ik zeide tot onze jonkvrouw, die mij al te ruw toesprak, dat
ik mensch en Christen was evenals zij. Weet gij welk antwoord zij mij
gaf?"

"Geen minzaam antwoord, dit is begrijpelijk."

"Zij deed mij door de schalken op den Neerhof zoo wreedelijk met roeden
geeselen, dat het bloed mij van de schouders liep."

"Wee, wee, moest mij zulken hoon geschieden", kreet Brigitta

"Gij zoudt het verdragen evenals Amelberga", bemerkte de oude vrouw.

"Maar wat zoudt gij doen, Brigitta?"

"Ik zou alle voedsel weigeren totdat de honger of de schaamte mij deed
sterven. Reeds meer dan eens heb ik er aan gedacht. Wees zeker, ik zou
zulke mishandeling niet lang overleven."

"Nu, nu, dit is al grootspraak", schertste Amelberga, "zulke taal in den
mond eener lijfeigene!"

"Ja, gij kunt het niet begrijpen", wedervoer Brigitta. "Beiden zijt gij
in slavernij geboren, op een leen dat onze heer omtrent Aalst in
Zeizers-Vlaanderen bezit; maar ik kwam ter wereld omtrent Loo, in het
Land der Kerels, en ik ben eene Kerlinne geweest."

"Wat doet het, vermits er insgelijks dienstbare Kerels zijn?"

"Die zijn er niet, Martha. Wie zijne vrijheid verliest houdt op Kerel te
zijn."

"Dan heeft waarschijnlijk uw vader zich verkocht, of de straf eener
misdaad bracht hem in slavernij", bemerkte Amelberga met eenen
twijfellach op de lippen.

"Ik vergeef u den spot, omdat gij onzer gewoonten onwetend zijt",
wedervoer Brigitta. "Vermits wij hier nu alleen zijn en vrij kunnen
kouten tusschen den arbeid, laat mij u de zaak uitleggen en gij zult
begrijpen waarom er nog eenige fierheid in mijn bloed overblijft. Mijn
vader heette Warnfried; hij woonde in Kerlingaland en was een vrij man;
als eigenaar van eene hut en van eenen akker, was hij lid van het Gilde
en had stemrecht in de vergadering van het Ambacht. Voor alle maagschap
had hij eenen neef, evenals hij. Deze neef werd de oorzaak van ons aller
ongeluk. Op een plechtig Gildenmaal te Loo, door het drinken van
hoppebier verhit, geraakte hij in twist met eenen anderen Kerel en
bracht met zijne schermzeis--dit is een zwaard--zijnen tegenstrever
eenen zoo noodlottigen slag toe dat hij er van stierf. De talrijke
bloedverwanten van den overledene zouden onzen neef en mijnen vader
gedood hebben, zooals het recht en de plicht der _Veete_ het hun
oplegden. Evenwel, zij gaven ons vrede en aanvaardden den zoen; maar het
zoengeld dat zij eischten was zoo aanzienlijk, dat alwat mijn vader en
zijn neef bezaten nauwelijks toereikend was om het te betalen[25]. Mijn
vader bleef dan zijne hut bewonen, niet meer als eigenaar, maar als
vrijlaat, zittende op een anders goed. Weinig tijds daarna, in den
Houthulst op jacht zijnde, werd hij, eilaas, door een everzwijn zoo
deerlijk gewond, dat men hem ter plaatse dood vond. Nu bleef mijne
moeder alleen met drie onmondige meisjes, zonder maagschap en zonder
eenen enkelen verdediger. Door wanhoop gedreven, reisde zij met mij en
mijne kleine zusters naar het klooster ten Nonnenbosch, bij Yperen, en
gaf zich zelve en hare kinderen tot lijfeigenen van het klooster aan de
Priorine[26]. Zoo ben ik, zonder mijn toedoen, van vrijgeborene Kerlinne
in eeuwige dienstbaarheid vervallen. Ten Nonnenbossche heeft men mij wel
behandeld en mij veel schoon werk geleerd. Mijne arme moeder, die nu bij
den Heer is, beschuldig ik insgelijks niet; maar de vrijheid, ziet gij,
is een kostbaardere schat dan het leven; en wat moeite ik er ook toe
inspanne, ik kan mij aan de dienstbaarheid niet gewennen."

Er bleef eene wijl stilte.

"Alzoo, gij zijt waarlijk vrij geweest?" murmelde Martha.

"Gij hoort het wel. Wat ik zeg is enkel waarheid. Toen onze jonkver
Placida den wensch had uitgedrukt om eene jonge huismeid te vinden die
handig was in naai- en stikwerk, heeft haar heer vader mij afgekocht van
het klooster ten Nonnenbosche, en zoo ben ik nu zijne lijfeigene
geworden."

"Maar wat kon uwe moeder anders doen?" bemerkte Amelberga. "In alle
geval zoudt gij de dienaresse van vreemden geworden zijn en uwe vrijheid
verloren hebben."

"Daarin bedriegt gij u", was het antwoord. "Zijn er onvrije menschen in
Kerlingaland, dezen wonen op de leenen der heeren. De Kerels in de
Ambachten kennen geene slaven. Hunne huisdienaars zijn ook vrije
menschen die aan denzelfden disch eten met degenen voor wie zij werken.
Men noemt ze niet dienaars of schalken, maar _gezellen_, en zij gaan en
komen en verhuren hunnen arbeid waar en aan wien zij willen. Het eenig
onderscheid bestaat daarin dat men een grondeigendom, hoe gering ook,
moet bezitten om stemrecht in de vergadering te hebben[27]. Ware ik vrij
gebleven, ik hadde gemakkelijk eenen Kerel tot bruidegom gevonden.
Indien mijn man geen stuk grond bezat, zouden wij jaren gearbeid hebben
om er een te koopen. Dan hadde ik gewoond in onze eigene hut, op onze
eigene aarde, vrij en trotsch als de edelste jonkvrouw van Vlaanderen.
Begrijpt gij dat ik de noodlottige daad mijner moeder betreur, en
moeilijk de schaamte verkrop wanneer men mij toespreekt alsof ik zelf
geen mensch was?"

"Ja, en nu begrijp ik insgelijks waarom gij zulke voorliefde voor mher
Robrecht Sneloghe toont, terwijl gij van mher Ghijselbrecht Tancmar met
weinig eerbied spreekt", zeide de oude Martha.

"Is het niet met reden?" antwoordde Brigitta. "Mher Robrecht is veel
rijker dan mher Ghijselbrecht; hij is schooner van gelaat, zachter van
gemoed en daarbij minzaam met iedereen, zelfs met ons. Hij is slechts
driemaal hier geweest en heeft telkens ons gegroet. Zou Ghijselbrecht
Tancmar zulks doen?"

"Dit is evenwel niet wat ik wil zeggen, Brigitta."

"Wat dan, Martha?"

"Het bloed spreekt in u."

"Ik begrijp u niet."

"Ik zal u dan iets zeggen, Brigitta, dat gij niet weet. Robrecht
Sneloghe is een Kerel geweest."

"Onmogelijk. Wie Kerel geboren is blijft het zoolang hij zijne vrijheid
behoudt."

"En wanneer men wil ophouden Kerel te zijn?"

"Men kan dit niet, Martha. Men is door eenen onverbreekbaren band aan
het Gilde verbonden."

"Welnu, zijn vader, vroeger kastelein van Brugge, was een Kerel, in het
Veurne-Ambacht geboren. Mher Robrecht zelf, meen ik, kwam ter wereld te
Eggewaardskapelle, waar hij nu nog vele goederen bezit."

"Dan is mher Robrecht insgelijks een Kerel!" riep Brigitta met
blijdschap uit.

"Dat hij het nog is, geloof ik zeker niet", ging Martha voort, "maar
indien gij dit alles niet wist, dan heeft wel werkelijk het bloed in u
gesproken, Brigitta."

"Inderdaad, het is wel mogelijk.... Ach, Martha, ik smeek u, beloof mij
iets! Gij kunt veel op onze jonkvrouw. Raad haar aan mij met zich te
nemen als zij, na haar huwelijk, dezen Steen verlaat. Wie weet of zij
niet in Kerlingaland zal wonen? Zoo, met mher Robrecht, met eenen Kerel
tot meester, zal ik mij gelukkig achten; de dienstbaarheid zal mij
lichter wezen en ik zal mij misschien in mijn lot.... Stil! daar is onze
jonkvrouw met mher Robrecht...."

De vrouwen stonden op en bogen ten teeken van eerbied het hoofd, doch
schouwden tersluips naar hunne naderende meesters.

Bovenal hielden zij met bewondering en nieuwsgierigheid den blik
gevestigd op een kostbaar juweel van Oostersche parelen en groene
smaragden, dat aan den hals der jonkvrouw glinsterde en, met een kruis
van vuurroode robijnen, tot op hare borst nederhing. Zij twijfelden niet
of dit moest de aanvaarde gift van haren verloofde zijn. Het huwelijk
zou dus binnen eenige weken worden gevierd!

Placida Van Woumen kon twintig jaar oud zijn. Zij was rijzig van
gestalte en hield hals en hoofd zeer rechtop. Dit gaf haar een voorkomen
van trotschheid, dat nog versterkt werd door den tragen, statigen blik
harer oogen. Het blonde haar dat, evenals bij alle ongehuwde vrouwen,
haar in lange lokken over de schouders golfde, was boven haar hoofd met
eenen gouden band bevestigd. Gansch in witte zijde was zij gekleed.

Men zou gezegd hebben dat zij insgelijks tot het aanvaarden van dit
huwelijk zekeren dwang onderging, of, ten minste, met volledige
onverschilligheid zich aan den wensch harer ouders had onderworpen; want
zij antwoordde slechts met korte bevestigende woorden op de hoofsche
gezegden van Robrecht, en haar gelaat, alhoewel het geene teekens van
ontevredenheid toonde, bleef onbewogen en koel.

Achter de jongelieden kwam Rijkaard Van Woumen met zijne echtgenoote,
Ver Aldegunda.

Eenige dienaars of schalken volgden hen met leunstoelen.

Op een teeken van mher Rijkaard verliet de oude Martha met hare beide
gezellinnen den tuin.

De leunstoelen werden onder eenen hoogen lindeboom geschikt. Elk nam
plaats, en men zettede het afgesproken gesprek voort, terwijl een oude
schalk en een jonge knaap bij de achterdeur van den Steen bleven staan
om elk bevel der meesters te ontvangen.

"Alzoo, mher Sneloghe", vroeg Placida's vader, "het is wel besloten,
niet waar, dat gij Ravenschoot tot zomerverblijf zult kiezen? Deze
burcht staat niet verre van Brugge. Het zou ons pijnlijk vallen van onze
eenige dochter door eenen grooten afstand gescheiden te blijven; maar op
zulke wijze zal het zijn alsof zij ons niet had verlaten."

"O, mijne lieve Placida", riep Ver Aldegunda uit, als wilde zij hare
dochter tot blijdschap opwekken, "Ravenschoot is zulk schoon landgoed,
dat het geroemd wordt in gansch Vlaanderen om zijne lustige boomgaarden,
waranden en tuinen! Het is tevens zeer uitgestrekt en heeft groene
weiden en wildrijke bosschen. Ik ken het wel: toen mher Robrechts moeder
en ik nog kinderen waren, heb ik dikwijls op Ravenschoot gespeeld. Wie
hadde dan kunnen denken dat mijne dochter, mijne lieve Placida, eens
daar als meesteresse den sleutelbosch zou dragen! Zijt gij niet
vroolijk daarom, Placida?"

"Ja, moeder", antwoordde de jonkvrouw. "Ik weet sedert lang dat geen
landgoed zoo schoon als Ravenschoot rondom Brugge ligt; maar wat mij
meest verheugd is toch dat ik u bijna dagelijks zal kunnen zien en
omhelzen."

"Die goede Placida!" zuchtte Ver Aldegunda ontroerd.

"Ik had een oogenblik gevreesd", zeide mher Rijkaard tot zijnen
toekomenden schoonzoon, "dat gij lust kondet hebben om van het landgoed
te Houthem uw zomerverblijf te maken. Het is wel een aanzienlijk
eigendom, maar veel minder toch dan Ravenschoot, en het ligt bij Veurne,
zoo verre van Brugge!"

Robrecht had het hoofd gebogen en scheen in gepeinzen verzonken.
Daarover verwonderd, aanschouwden Rijkaard en zijne vrouw den jongen
ridder met kommer.

Na eene korte stilte vroeg Placida's vader:

"Gij zijt zoo droomachtig, mher Sneloghe?"

Robrecht hief het hoofd op, sloeg met eenen glimlach den blik op Placida
en zeide:

"Ja, mij boezemt de Heer eene goede gedachte in. Ik meende ze verborgen
te houden tot den dag na ons huwelijk; maar dewijl jonkver Placida zoo
minzaam mijne beloftegift heeft aanvaard, voel ik mij aangedreven tot
onbescheidenheid. Volgens de overeenkomst tusschen u, mher Van Woumen,
en mijnen oom, den proost van St-Donaas, gesloten, zal ik mijner bruid
het landgoed te Houthem als morgengave[28] in vollen eigendom schenken,
niet waar?"

"Zoo is het inderdaad tusschen ons bepaald geworden."

"Welnu, ik ben overtuigd dat de heer proost en geheel mijne maagschap
mijn nieuw besluit zullen goedkeuren. Niet Houthem, maar wel het schoone
Ravenschoot zal de morgengave mijner bruid zijn. Zoo wone dan mijne
echtgenoote met mij op haar persoonlijk eigendom."

Placida's oogen glansden van ware blijdschap en van hoogmoed; hare
ouders juichten luid. Ravenschoot was inderdaad zulk uitgestrekt goed,
dat het alleen den rijkdom van een ridderlijk huisgezin kon uitmaken.

Terwijl men nog bezig was met Eobrecht om zijne vrijgevigheid te roemen
en hij betuigde dat hij, zooveel het hem mogelijk was, alles wilde
inspannen om zijne vrouw gelukkig te maken en vereerd te zien, naderde
da knaap die tot dan bij de deur had gestaan.


[Illustratie: ... Robrecht hief het hoofd op. (bladz. 64)]


"Heer", zeide hij tot Van Woumen, "er is een ridder in de zaal; hij
verlangt u te spreken."

"Ik heb nu geenen tijd", mompelde Rijkaard ontevreden. "Verzoek hem na
den middag te willen wederkeeren."

De knaap trok de schouders op, als wilde hij betuigen dat zulke
boodschap moeilijk was.

"Wie is dan deze ontijdige bezoeker?" vroeg zijn meester.

"De hofraadsheer Tancmar Van Straten", was het antwoord.

Mher Rijkaard stond met verrassing op.

"Tancmar? 's Graven raadsheer?" herhaalde hij. Zou hij waarlijk van het
leger teruggekeerd zijn? Zeker, hij brengt belangrijk nieuws.... Nu,
Aldegunda, blijf intusschen met onze jongelieden nog wat kouten. Ik keer
zoo spoedig mogelijk tot u weder."

Deze woorden sprekende, begaf hij zich naar den Steen en trad in eene
groote zaal, waar hij een reeds bejaarden ridder, die hem met bewijzen
van vriendschap te gemoet kwam, de handen hartelijk drukte.

Na de eerste grotenissen gewisseld te hebben, zeide Rijkaard:

"Zoo, zoo, mher Tancmar, gij zijt terug van den oorlog?"

"Niet voor goed, vriend Van Woumen", was het antwoord. "Ons leger blijft
nog te Atrecht; maar de graaf komt overmorgen naar Brugge."

"Onze graaf komt overmorgen te Brugge?"

"Ja. Op mijn verzoek heeft hij mij met Walter Van Lokeren afgezonden om
zijnen voornamen leenhouders de tijding zijner komst te brengen; want
hij verlangt met plecht te worden onthaald, om reden dat eenige Fransche
ridders hem zullen vergezellen, onder anderen de jonge Willem van
Normandië, 's konings gunsteling. Gij zult niet nalaten, mher Rijkaard,
onzen graaf te gemoet te gaan?"

"Zeker niet; ik zal mijnen plicht als trouw vazal met blijdschap
vervullen. Maar hoe komt het dat gij zoo onverwachts uit Frankrijk
terugkeert? Is de oorlog ten einde?"

"De vrede is gesloten."

"En zal onze heer graaf nu voor goed in Brugge blijven?"

"Nog niet. Hij zal insgelijks te Yperen eene plechtige intrede doen en
keert dan onmiddellijk weder naar het leger.... Maar zeg mij, mher Van
Woumen, ik heb in Brugge iets vernomen, zoo verrassend en zoo
ongeloofelijk, dat ik nog zou twijfelen, al verzekerdet gij zelf het
mij...."

Het gelaat van Rijkaard werd streng en mistrouwend. Hij voorzag waarover
Tancmar hem ging onderhouden.

"Aangaande mher Robrecht Sneloghe?" murmelde hij.

"Inderdaad; men zeide mij dat er spraak is van een huwelijk tusschen
uwe dochter en mher Sneloghe."

"Men heeft u niet bedrogen", wedervoer Bijkaard met fierheid, als
wapende hij zich op voorhand tegen eene waarschijnlijke aanvechting.
"Dit huwelijk is besloten."

"Besloten?" riep Tancmar.

"De beloftegift is dezen morgen aanvaard; nog eene maand en het zal
voltrokken worden."

"Ik geloof het niet, mehr Van Woumen."

"Waarom?"

"Omdat de graaf zelf desnoods het u zal afraden; en gij, vriend
Rijkaard, zoudt wel zeker zijnen raad volgen, tenzij gij voorgenomen
haddet, evenals de Kerels, juist dat te doen wat den vorst kan
mishagen."

"De graaf weet niets van het ontworpen huwelijk. Gij zijt het dus die
hem daartoe zoudt aandrijven?"

"Ik of anderen uwer vrienden, uit genegenheid voor u, in het belang uwer
dochter en voor de eer van uwen naam."

"Waarlijk, ik begrijp niet wat gij wilt zeggen", riep Rijkaard met
spijtig ongeduld. "Robrecht Sneloghe is uiterst rijk, een volmaakt
ridder, hoofsch, edelmoedig, goed van harte en door iedereen geacht en
bemind. Zijn vader, die met onzen heer graaf ter kruisvaart trok, heeft
zich in het Heilige Land door zijne dapperheid vermaard gemaakt."

"Sneloghe is een Erembald, mijn vriend."

"Welnu, wat geeft dit?"

"De Erembalds zijn Kerels."

"Meent gij dan dat ik zulks niet weet?" morde Rijkaard Van Woumen.

"Eilaas, eenen goeden vriend blindelings de oneer voor zijn geslacht
zien aanvaarden, het is pijnlijk!" zuchtte Tancmar.

"Maar welke oneer toch? Omdat Robrecht een Kerel is? Ik weet het, mher
Tancmar, gij haat de Kerels en bovenal de Erembalds. Mij verwondert het
dat gij Robrecht Sneloghe niet reeds een Blauwvoet hebt genoemd; maar
Blauwvoet, Isegrim, het zijn scheldwoorden, die niets voortbrengen dan
haat en twist. Mij is een vrije Kerel even waardig als een edelgeboren
ridder."

"Maar de Kerels kunnen niet vrij blijven", wedersprak de hofraadsheer
met nadruk. "Niets kan hen tegen de dienstbaarheid behoeden; het is
slechts eene zaak van tijd."

"Hoe meent gij het?"

"Wel ja, mijn vriend; laat ons vooronderstellen dat de Kerels, van de
barbaarsche tijden af, vrije lieden zijn geweest, zooals overigens al de
barbaren, die naar het zuiden afzakken, de Romeinen uit Gallië, dat is
uit Frankrijk, hebben verdreven. Nu toch, door verloop der eeuwen en
door de meerdere beschaving der wereld, heeft in Frankrijk, in
Duitschland, in Italië en zelfs in het grootste gedeelte van Vlaanderen
het volk zijne vrijheid verloren en zijn de dorpers, arbeiders en alle
laaggeboren lieden den heeren en edelen ondergeschikt en dienstbaar
gemaakt. Meent gij dat de Kerels, zoo weinig sterk als afzonderlijk
volk, alleen wetten en inrichtingen zouden kunnen behouden, die de
gansche ridderschap moet aanzien als eene inbreuk op de vorstelijke
macht en op de overheid die den edelgeborenen toebehoort?"

"Maar het is nu misschien sedert twee eeuwen dat de Kerels hunne
vrijheid te verdedigen hadden", bemerkte Rijkaard. "Mij dunkt, dat ze
daardoor niet zijn verzwakt."

"Inderdaad, maar nu nadert wel zeker hun einde. Tot den dag van heden
bestond onder de ridders van Frankrijk en van Vlaanderen veel
verdeeldheid. Zij hadden geen hoofd, dat hen kon leiden en gebieden. Dit
hoofd is nu de machtige en gevreesde koning van Frankrijk. Zoo, aan één
opperhoofd gehoorzamende, zal de ridderschap, door hare eendracht
alleen, elke zucht naar onafhankelijkheid verstikken, die ergens uit den
schoot van het dorpere volk mocht opstijgen; en waar nog iets van de
oude vrijheid der onedelgeborenen overblijft, daar zullen wij deze
laatste sporen der barbaarsche wetten onmeedoogend vernietigen. Het is
te zeggen dat de Kerels welhaast tot de dienstbaarheid zullen worden
gedwongen."

"En zijt gij voornemens dit doel met geweld pogen te bereiken?"

"Met list en geweld."

"Maar het is eene schandelijke valschheid!" riep Rijkaard met
verontwaardiging uit. "Gij en de andere ridders, de graaf zelf, hebt
voor uw vertrek de Kerels laten gelooven dat men hun voortaan hunne
vrijheid niet meer zou betwisten!"

"Wanneer men naar verre streken ten oorlog trekt, moet men den vrede
achter zich in het land laten", antwoordde Tancmar met eenen slimmen
glimlach.

"En nu zou onze heer graaf de Kerels bedriegen?"

"Neen; dat zulks voor alsnu ten minste zijn inzicht zij, zou ik niet
durven beweren. Maar vergeet niet dat onze heer graaf eenen heimelijken
wrok tegen de Kerels in het hart draagt, omdat vele Ambachten en zelfs
eenige Erembalds, in den oorlog voor de Kroon, Willem van Loo tegen hem
hebben geholpen. Hij wenscht daarom insgelijks de Kerels onderjukt te
zien; maar hij hoopt mettertijd en zonder bloedstorting allengs dit doel
te bereiken. Laat de Kerels iets bedrijven dat onzen graaf bijzonder
mishaagt,--wij zullen er voor zorgen,--dan zal hij onmiddellijk doen wat
de koning van Frankrijk en wat al de ridders hem raden, dit is te zeggen
de Kerels verpletten en voor altijd in dienstbaarheid slaan."

"De Kerels verpletten?" herhaalde Rijkaard. "Het is zoo gemakkelijk
niet. Welk ijselijk bloedbad!"

"Neen, geen bloedbad, mijn vriend. Weet gij wel dat wij, Vlaamsche
ridders, met onze wapenknechten, in het Fransche leger wel tienduizend
sterk zijn[29]? Wat zouden de Kerels kunnen doen, indien eene macht van
tienduizend krijgslieden in de Ambachten verscheen, om daar al te
verpletteren wat weerstand zou durven bieden? En ware dit ontoereikend,
is geheel het Fransche leger niet daar om ons te helpen."

"Het Fransche leger zou u helpen tegen de Kerels?"

"Ja, zeker."

"Maar onze heer graaf zou het beletten."

"Nu misschien, inderdaad; maar wij kennen zoovele middelen om de Kerels
tot onvoorzichtigheid aan te drijven en den graaf tegen hen verbolgen te
maken!... Kom, kom, mijn vriend Rijkaard, het is ten einde met de
Kerels. Geen grond zonder heer. De Kerels zullen den graaf dienstbaar
gemaakt worden, en willen die vermaledijde Blauwvoeten den nek onder het
juk niet buigen, welnu, dan zal men ze vernietigen en hun land met een
min onplooibaar ras bevolken."

Rijkaard Van Woumen schouwde ten gronde en schudde kommervol het hoofd.

"Ha, ik wist wel dat gij eindelijk den afgrond zoudt erkennen waarin
gij, door onwetendheid der zaken, u en uw onnoozel kind ging storten!"
riep Tancmar zegevierend uit. "Laat ons nu vooronderstellen dat jonkver
Placida met Robrecht Sneloghe getrouwd zij, op het oogenblik dat de
Kerels tot den staat van onvrije lieden worden verlaagd. Uwe dochter zou
dus het lot van het veroordeeld geslacht moeten deelen? Gij zelf zoudt
in dezen strijd de zijde der Kerels moeten kiezen tegen den graaf en
tegen de ridders van Frankrijk en van Vlaanderen. De banden des bloeds
zouden u er toe verplichten; want gij zoudt van der Keerlen maagschap
zijn."

"Veroordeeld geslacht? De Erembalds?" mompelde Rijkaard verschrikt.
"Meent gij macht genoeg op den graaf te hebben om hem de Erembalds in de
vervolving te doen begrijpen?"

"Ik twijfel er niet aan", was het vaste antwoord. "Er is in alle
gebeurtenissen eene natuurlijke volgorde die mij het recht geeft te
denken dat de Erembalds in den val der Kerels zullen begrepen worden."

"Gij brengt mij in erge verlegenheid, mehr Tancmar."

"Maar neen, de zaak is eenvoudig. Zoek het een of ander voorwendsel om
mehr Sneloghe af te wijzen. Willen de Erembalds zich daarover wreken, ik
beloof u niet alleen de hulp van al de ridders, maar tevens de
bijzondere bescherming van den graaf. Gij zult gemakkelijk eenen even
voordeeligen bruidegom voor uwe dochter vinden ... Mijnen zoon
Ghijselbrecht, bijvoorbeeld. Hij geniet 's vorsten gunst in hooge maat."

"Ghijselbrecht, uwen zoon?" herhaalde Rijkaard met eenen schertsenden
glimlach.

"Ik weet dat gij hem niet genegen zijt", zeide Tancmar, "maar bij
bemint jonkver Placida en zij zou hem gewillig tot echtgenoot
aanvaarden."

"Is het daarom dat gij hare huwelijksbelofte met Sneloghe poogt te
verbreken?" morde Van Woumen.

"Ho, neen, spreken wij er niet meer van. Later zult gij rechtvaardiger
jegens hem worden. Nu, zeg mij, vriend Rijkaard, blijft gij waarlijk bij
uw voornemen uwe dochter in een geslacht te doen treden dat eerlang tot
den slavenstaat kan gedompeld worden?"

"Het is eene erge zaak!" zuchtte Van Woumen. "Ik wil daarover nu niets
beslissen. Er blijft nog tijds genoeg over ons er op na te denken."

"Inderdaad; maar ik ben toch zeker van uw besluit. Overmorgen zullen
velen uwer beste vrienden met den graaf in Brugge komen. Ondervraag hen;
gij zult overtuigd worden dat ik uit plichtgevoel nog veel van de
waarheid u heb verzwegen ... Nu moet ik u verlaten; mijn tijd is
kostelijk: ik heb nog veel te bezorgen. Indien gij onzen vriend Walter
Van Lokeren wenscht te zien, gij zult hem ten mijnent vinden tot verre
op den namiddag."

"Ik zal komen", murmelde Rijkaard in gedachten, "ja, ik zal komen."

Beiden verlieten de zaal en stapten over den neerhof.

Tancmar bleef eene wijl staan en zeide tot Rijkaard met teruggehouden
stem:

"Als de Kerels onderjukt zijn, worden al hunne eigendommen tot gronden
der kroon verklaard. Overweeg, mijn vriend, dat, buiten eenige leenen,
de Kerels geheel het land der Ambachten bezitten, van Grevelinghe af tot
op de eilanden in de mondingen der Schelde. Dit schoon en rijk gewest
zal dus door den graaf in leenen worden verdeeld en weggeschonken aan de
ridders die 's vorsten gunst genieten. Onze graaf bemint u zeer
uithoofde der vorige diensten welke gij hem hebt bewezen. Gij zult toch
de kans om uwe erfgoederen aanzienlijk te vergrooten niet willen
vernietigen ... Nu, vaarwel, tot dezen namiddag. Overweeg met wijsheid;
want het lot uwer eenige dochter en de eer van uw geslacht hangen van de
beslissing die gij zult nemen." Onder het uitspreken dezer woorden was
hij tot de poort genaderd. Hij drukte nu de hand van zijnen gezel en
verliet sher Rijkaards Steen.

Placida's vader keerde terug tot de zaal en liet zich daar op eenen
stoel nederzakken. Hij legde zich de hand op het voorhoofd schouwde eene
wijl denkend ten gronde en murmelde dan:

"Arme Kerels! Zij arbeiden in vertrouwen, zij bevaren de zee, zij
beploegen den grond, zij weven, zij drijven handel, zij openen zoo voor
Vlaanderen de bronnen van welvaart en rijkdom, terwijl heerschzuchtige
lieden hunnen ondergang smeden!... Tancmar is de geboren vijand der
Erembalds en, om dezer macht te breken wenscht hij de Kerels onderjukt
te zien. Maar onze graaf zal zijne kroon aan de uitvoering dezer
onrechtvaardige ontwerpen niet gaan wagen. Hij is een wijs en edelmoedig
vorst ... Evenwel, wie weet, eilaas, welke gedachten de koning hem kan
hebben ingeboezemd De Fransche ridders begrijpen niet dat geheel een
volk uit vrije mannen kan bestaan. De geest van onafhankelijkheid, dien
de Kerels tegenover elkeen, zelfs tegenover den vorst toonen behaagt
onzen graaf niet ... Zoo Tancmar mij de waarheid had gezegd? Ik ben
vader: mijn kind mag ik niet opofferen ... Maar indien Tancmar mij had
bedrogen? Droeve onzekerheid!"

Hij stond op en begaf zich met tragen stap naar den tuin, intusschen
zeer bezorgd om te weten welke houding hij nu jegens Robrecht Sneloghe
zou aannemen; maar bij geluk vond hij den jongen ridder bezig met eene
groetenis uit te spreken, om voor dien dag afscheid van zijne verloofde
te nemen. Hij meende te bemerken dat, terwijl Robrecht tot vaarwel
Placida de hand drukte, zijne dochter haren toekomenden echtgenoot eenen
blik toestuurde vol teedere minzaamheid. Dit gezicht bedroefde hem nu,
om reden dat de liefde, indien zij met zekere innigheid tusschen de
jongelieden ontstond, hem het te nemen besluit oneindig moeielijker zou
maken, in geval hij zich gedwongen zag voor het geluk van zijn kind bet
ontworpen huwelijk te breken.

Tot Robrecht naderende, zeide hij:

"Gij verlaat ons, mijn vriend? Het is waar, gij zijt reeds een paar uren
hier, en er zijn tijdingen gekomen die van elk onzer eenige werkzaamheid
eischen. Gij weet ongetwijfeld reeds dat onze heer graaf overmorgen in
Brugge komt?"

"Ja, mher Van Woumen, ik weet het", was bet antwoord. "Zooals gij zegt,
deze komst legt ons zekere plichten op die niemand onzer mag verzuimen.
Wij moeten onzen vorst eene schitterende intrede bereiden."

Op de vraag van Placida en hare moeder, gaf Rijkaard eenige uitleggingen
over het bericht dat des graven raadsheer hem had gebracht. Dan zeide
hij:

"Ik moet ten gevolge dezer tijding onmiddellijk uitgaan. Indien Robrecht
mij een eind weegs wil vergezellen?"

De jonge ridder herhaalde zijnen afscheidsgroet en volgde, zonder meer
te spreken, Rijkaard Van Woumen tot in de Naaldestraat.

Dit stilzwijgen scheen Placida's vader te hinderen. Hij vroeg dan, als
om toch iets te zeggen:

"Wat benevelt dan uwen geest, mijn vriend? Gij zijt zwaarmoedig"

"Ik zwaarmoedig?" mompelde Robrecht, uit eene diepe mijmering
opschietende. "Ho neen, heer, ik dacht aan de onverwachte terugkomst van
onzen heer graaf."

"Indien ik wel onderricht ben, dan zou inderdaad de terugkeer van onzen
vorst niet even verblijdend zijn voor al de lieden van Vlaanderen. Weet
gij iets van zekere onrustwekkende geruchten?"

En onder het uiten dezer woorden bezag hij mher Sneloghe aandachtig.

"Onrustwekkende geruchten?" herhaalde deze, in twijfel het hoofd
schuddende.

"Ah, God dank, men zal mij bedrogen hebben!" juichte Rijkaard.

"Meent gij misschien de geruchten volgens welke de Isegrims zouden
voornemens zijn de Kerels opnieuw te verontrusten en te vervolgen,
zoohaast het leger in Vlaanderen wederkeert?"

"Ja, mijn vriend."

"Mijn oom, de proost, moet er iets van weten; want hij sprak mij er van
met treurnis en spijt."

"Het zou dus waar zijn?" kreet Rijkaard. "De proost sprak er van met
treurnis? Hij vreest dus dat men er in gelukke den Kerels het juk der
dienstbaarheid op te leggen?"

"Ho, neen, dit kan een Erembald niet vreezen", wedervoer Kobrecht met
fierheid. "Niemand zal Kerlingaland onderjukken; maar mijn oom treurt
bij het gepeins dat alweder duizenden Christenen gaan sterven om hunne
bedreigde vrijheid te verdedigen."

"Zouden de Erembalds zich waarlijk de zaak der Kerels aantrekken?"

"Daaraan kunt gij niet twijfelen, heer. Wij, zonen van Erembald zijn
Kerels zoowel als de vrije lieden der Ambachten, en wij zullen tegen het
onrecht blijven worstelen ten koste van goed en bloed, al moest ook de
laatste onzer in dien strijd bezwijken."

Deze bevestiging van Tancmars voorspelling verschrikte Rijkaard. Hij
zeide dat hij naar de Zilverstraat moest gaan, drukte Robrecht ontsteld
de hand en verwijderde zich.

De jongeling zette met zekeren haast zijnen weg huiswaarts voort, door
de St-Jacobsstraat; maar na eene korte wijl begon allengs zijn stap meer
en meer te vertragen en zijn hoofd voorover te hellen, als wierd zijn
geest bezwaard door duistere gedachten.

Toen hij achter St-Christoffelskapelle kwam, bleef hij staan en keek
aarzelend in het ronde, als wist hij niet meer welken weg hij zou
inslaan om zich naar zijnen Steen te begeven.

In stede van de Markt over te gaan, keerde hij ter linkerhand, stapte
over de Kraanbrug en daalde eene nauwe straat af, totdat hij de
Spiegelrei bereikte.

Hier naderde hij den boord der vliet, staarde eene lange wijl in de
diepte van het heldere water en zette dan zijne droomachtige wandeling
voort onder de hooge olmen die de kade overlommerden.

Eindelijk liet hij zich, als afgemat van denken, op eene steenen bank
nederzakken, en bleef daar met den blik ten gronde zitten.

Zijn lot was dus beslist, afdoende en voor altijd beslist! Hij had zich
onderworpen aan de onverbiddelijke wet des plichts; hij had moed en wil
getoond en zich jegens Palcida en hare ouders op zulke wijze gedragen
dat zijn oom over hem moest tevreden zijn. In den eerste had deze
overtuiging hem verblijd en getroost: maar nu die eerste worsteling was
doorgestreden en hij zich alleen bevond met zijne gedachten, was allengs
weder het beeld van Dakerlia in zijnen geest opgestaan. Zijne droomen
schetsten hem nu voor de oogen het stil en gelukkig leven dat hij hadde
gesleten indien hij tot aan het graf had mogen vereenigd blijven met de
zoete speelgenoote zijner eerste jaren, met de teedere maagd wier beeld
zijn hart gansch had ingenomen en het nog onverwinbaar beheerschte, hoe
hij ook poogde, in het gevoel des plichts, krachten te vinden om het te
verjagen. Ach, nu hij eeuwig vaarwel aan den schoonsten droom zijner
ziel had gezegd, nu las hij met klaarheid in zijnen eigen boezem, nu kon
hij afmeten wat hij had verloren en welke schrikkelijke opoffering het
noodlot hem had afgedwongen! Zijne goede zuster Witta, de arme weeze,
welk zou voortaan haar lot zijn? Met de trotsche Placida zou zij niet
lang kunnen wonen zonder zich vernederd te gevoelen. Zij zou dus
heengaan en bij magen of vreemden eene toevlucht tegen de droeve
eenzaamheid moeten zoeken. Met Dakerlia hadde zij aan de zijde eener
zoete vriendin, eener teedere zuster geleefd. Welk huisgezin ware op de
gansche wereld gelukkiger geweest? Een hemel van genegenheid, van
vriendschap en van liefde! En nu, wat zou het zijn?... Maar er was niet
op terug te keeren. Zijn hart bloedde en stortte nog eens zijne treurnis
uit. Voor de laatste maal! Hij was man en zou zijnen plicht vervullen.
Het beeld van Dakerlia zou hij uit zijn hart rukken, zijn vorig leven
vergeten, en pogen gansch en oprecht de echtgenoote te beminnen die het
lot hem had gegeven.

Dit waren de gepeinzen van den lijdenden jongeling, daar hij onder de
boomen, op de steenen bank, gansch bewusteloos van het overige der
wereld, eenen smartelijken strijd tegen zijn eigen hart voerde.

Bij het einde dezer overweging ontsnapte hem een diepe zucht, en nog
meer helde zijn hoofd voorover onder het gewicht der smart.

Terwijl hij daar beweegloos zat, naderde van den kant der Engelsche
straat een ander ridder. Zoohaast deze mher Sneloghe herkende, bleef hij
verrast staan en beschouwde hem met oogen waarin haat en nijd schenen te
vlammen. Van dit bitter gevoel moest zijn hart overstorten; want zijne
scherpe lippen trokken bevend tot eenen grijns te zamen.

Na eene wijl dus met eene soort van booze vreugde op Robrecht te hebben
gestaard, gaf hij zijn gelaat eene treurige, doch minzame uitdrukking en
trad langzaam tot de steenen bank.

Onder het murmelen eener groetenis zette hij zich neder met eenen diepen
zucht en zeide:

"God zij dank dat Hij mij den eenigen mensch laat ontmoeten die mij kan
troosten. Robrecht, ik ben ongelukkig, diep ongelukkig O, mocht ik door
u vernemen dat alle hoop mij niet is ontnomen!"

"Wat wilt gij zeggen? Ik begrijp u niet", mompelde mher Sneloghe.

"Robrecht, wij zijn vrienden. Laat gij mij toe u iets te vragen?"

"Waarom niet? Spreek vrij, Disdir."

"Robrecht, Dakerlia is schoon, niet waar?"

"Welke vraag! Dit weet toch iedereen."

"Ik bemin haar uit al de kracht mijner ziel; zonder hare wederliefde kan
ik niet leven."

Mher Sneloghe zag hem verwonderd aan.

"En Dakerlia bemint u niet?" murmelde hij. "Het is pijnlijk inderdaad."

"Ha, zij zou zoo koel en zoo wreed niet voor mij blijven", kreet Disdir
Vos met eene nijdigheid welke hij poogde te bedwingen "maar, eilaas, zij
bemint iemand anders! Kent gij dien gelukkigen sterveling, Robrecht?"

"Kom, kom, mijn vriend Disdir", antwoordde mher Sneloghe, treurig
glimlachende, "waarom dus met linksche omwegen mij ondervragen? Wees
openhartig. Gij wilt zeggen dat ik bet beletsel ben tot uw geluk? Heeft
jonkver Dakerlia dit verklaard?"

"Ho, neen, maar ik meende het uit hare woorden te verstaan. Zij bemint u
wel zeker. Beken het mij, ik smeek u!"

"Wat daarvan zij, Disdir, het is haar geheim."

Eene zenuwtrekking schokte Disdirs leden, en een zucht ontsnapte hem.

"Dit behoefde ik u niet te vragen, Robrecht", zeide hij, "ik wist het
sedert lang. Het is eene andere vrees die mij als een venijnige worm aan
het harte knaagt. Indien gij, Robrecht, voor Dakerlia hetzelfde gevoel
koestert, ben ik veroordeeld tot levenslange hopeloosheid. Indien gij,
integendeel, haar niet bemint, dan zal ik hare koelheid jegens mij wel
overwinnen. Wees edelmoedig ik zal, indien gij het eischt, alle hoop
verzaken en mijne liefde voor jonkver Wulf in mijnen boezem versmachten;
maar zeg het mij oprecht: bemint gij Dakerlia, Robrecht?"

Zonder het zelf te weten, knikte mher Sneloghe met het hoofd.

Een somber gegrol van wanhoop ontsnapte Disdir; hij stak de hand in zijn
kleed en neep zich de borst ten bloede, terwijl een traan van afgunst of
van smart in zijne oogen blikkerde.

"Gij hebt mij niet begrepen, Disdir", zeide Robrecht, door medelijden
ontroerd.

"Aldus gij bemint haar niet?" kreet mher Vos.

"Ik heb haar inderdaad bemind ..."

"O, hemel! En nu?"

"Nu is die liefde door den plicht en door God zelf mij verboden Ik ga
trouwen-"

"Trouwen?"

"Met Placida Van Woumen. Ik kom van sher Rijkaards Steen. Jonkver
Placida heeft dezen morgen mijne beloftegift aanvaard. Binnen eene maand
zal ik haar echtgenoot zijn. Mijn oom de proost heeft dit huwelijk
bereid."

"Ha, dank, dank!" murmelde Disdir. "Gij ontlast mijn hart van een
versmachtend gewicht."

"Ik geloof inderdaad, Disdir, dat mijn huwelijk met jonkver Van Woumen
het u gemakkelijker zal maken de hand van Dakerlia te bekomen. Dit
gezegde kwetse u niet. Gij weet dat Dakerlia bijna van kindsbeen af met
mijne zuster Witta is opgevoed geworden. Geen wonder diensvolgens dat er
allengs een gevoel van wederzijdsche genegenheid in ons is ontstaan,
zonder dat wij het zelven wisten ..."

"Zonder dat gij het wist?" onderbrak Disdir met eenen glim van
blijdschap.

"Slechts dezen morgen, bij de aankondiging van mijn huwelijk ontsnapte
ons dit geheim."

"En gij hadt nooit te voren uwe liefde bekend?"

"Noch ik, noch zij. Geen woord had ooit deze geheime zucht onzer harten
verraden."

"Ach, bedriegt gij mij niet, Robrecht?"

"Wanneer heb ik iemand bedrogen? Ik ben niet verplicht u dit alles te
zeggen; maar ik gevoel te diep in mijnen eigen boezem wat gij moet
lijden. Daarom poog ik u te troosten."

"O, heb dank!" riep Disdir Vos, zijnen vriend de hand drukkende "Het is
als gaaft gij mij, met de verlorene hoop, een nieuw leven weder. Durfde
ik van uwe edelmoedige vriendschap eene weldaad afsmeeken ..."

"Spreek; wat mogelijk is zal ik gaarne doen."

"Indien gij bij jonkver Dakerha eenige goede woorden ten mijnen
voordeele wildet spreken? Naar u zal zij luisteren-"

"Onmogelijk!" antwoordde Robrecht met eenen zucht, "Gij begrijpt het,
niet waar? Als eerlijk ridder moet ik mijne toekomende echtgenoote
eerbiedigen en mijnen plicht jegens haar vervullen Tusschen jonkver
Dakerlia en mij mogen geene betrekkingen meer bestaan. Kan ik haar naar
mijnen wensch geheel ontwijken, dan zal ik haar zelfs in vele maanden
niet meer zien."

"Gij hebt gelijk, ja, gij hebt groot gelijk!" juichte Disdir.

Na eene wijl vroeg hij, alsof hij eene overweging voortzette:

"En is uw huwelijk wel zeker vastgesteld? Er is niet meer op terug te
komen?"

"Onverbrekelijk vastgesteld, vermits jonkver Van Woumen daarop mijne
beloftegift heeft ontvangen."

"En gij verzaakt Dakerlia voor immer?"

"Uwe vragen zijn stout en indringend", antwoordde Robrecht met lichte
spijtigheid. "Ware ik nog vrij, dan zeker zou ik aan geen mensch ter
wereld de hand van Dakerlia afstaan. Nu even wel kost het mij niets u te
bevredigen door u te zeggen dat ik desaangaande alle hoop heb verzaakt.
Ik wensch uiterharte dat gij gelukket; geloof mij, ik zou Dakerlia
willen getrouwd zien."

Robrecht stond op en, de hand drukkende die hem werd toegereikt zeide
hij nog met eene uiterste goedheid:

"Nu, Disdir, heb moed. Ik zal mijne zuster aanraden in uw voordeel te
pleiten, als zij jonkver Wulf gaat bezoeken. Wat mij betreft, ik herhaal
het u, met Dakerlia wil nog mag ik voortaan spreken. Nu, vaarwel, en
blijf hopen."

Hij verwijderde zich tusschen de boomen. Disdir Vos zag hem achterna
met een zuren lach op de lippen.

"Hij heeft haar bemind! Hij bemint haar nog!" morde hij binnensmonds.
"En voor hem alleen klopt haar hart ... Wreede minnenijd, die mij den
boezem verscheurt!"

Robrecht verliet welhaast de Spiegelrei en trad in de Ridderstrate, ten
einde derwelke de gulden weerhaan boven den toren van zijn Steen hem in
de oogen blonk.

Al gaande overwoog hij eerst wat Disdir hem had gezegd, doch even ras
keerden zijne gedachten op zijn eigen lot en op het verlies van alle
levenshoop voor hem zelven. Weder werd hij treurig, bovenal toen hij
voorbij sher Wulfs Steen moest en het hoofd afkeerde om het gevaar te
voorkomen van Dakerlia's blik te ontmoeten.

Toen hij zijne woning had bereikt en in de zaal trad, vond hij zijne
zuster met de handen voor de oogen zitten. Hij zag dat hare borst hijgde
en glinsterende tranen van hare vingeren rolden.

"Mijne zuster, mijne goede Witta", vroeg hij, "hoe zijt gij zoo
bedroefd? Wat is de reden uwer smart?"

"Ach, Robrecht", kreet zij, "die arme ongelukkige Dakerlia!"

"Welnu? Dakerlia? Wat is haar geschied?" morde de jongeling verschrikt.

"Ik heb haar de pijnlijke boodschap gebracht. Zij heeft nog niets gedaan
dan weenen, zij gaat te werk als eene zinnelooze. Nu ligt zij te bed.
Haar vader is niet te huis; maar de kamermeid heeft in aller haast
gezonden om den geneesheer te halen. Zij meent dat men Dakerlia zal
moeten aderlaten. Ik ben weggevlucht bij de komst van den geneesheer.
Bloed, bloed van die arme Dakerlia? Ik stierve moest ik het zien!"

Een traan wilde in des jongelings oogen opwellen; maar hij bedwong dit
teeken zijner ontroering met geweld.

"Ach, het is wel wreed, het lot dat ons allen treft!" klaagde Witta. "Nu
zal Dakerlia nooit meer in onzen Steen mogen komen. Dit is de belooning
voor hare teedere vriendschap, voor hare liefde! Eilaas, ik bezwijk van
wanhoop bij het verlies mijner goede zuster!"

"Luister, Witta", sprak Robrecht op ernstigen toon. "Het huwelijk is een
band door God geheiligd en dien wij als Christenen verplicht zijn, tot
in den grond van ons hart te eerbiedigen. Ik ga trouwen, Placida Van
Woumen wordt mijne echtgenoote. Van dit oogenblik af mag ik aan Dakerlia
niet meer denken en gij, zuster, gij moogt haren naam voor mij niet meer
uitspreken. Begrijpt gij mij, Witta?"

"Ik begrijp u, broeder", was het treurig antwoord. "Pijnlijk is de
plicht, maar toch, gij hebt gelijk. Zwijgen zal ik. Eilaas, indien die
arme ... Bloed laten! Het is schromelijk!"

"Houd u sterk, Witta", zeide Robrecht met eene stemme die door den angst
was verdoofd. "Ga naar sher Wulfs Steen, verneem wat daar geschiedt,
opdat gij ten minste van de onrust wordet verlost. Ik ga op mijne kamer;
ik heb eenzaamheid noodig. Men store mij niet, ik smeek u, zuster lief."

De smart overwon hem plotseling; hij sloeg de handen voor de oogen en
verliet met haast de zaal.


VOETNOTEN:

[Voetnoot 25: Eenen moord kon men afkoopen van de erfgenamen of naaste
bloedverwanten des vermoorden, betalende eene zekere vergoeding, welke
men het _zoengeld_ noemde.]

[Voetnoot 26: Er bestaan van dien tijd nog vele oorkonden waarbij zekere
vrije personen zich de eene of andere abdij dienstbaar maken om hare
bescherming te genieten.]

[Voetnoot 27: Bij de Germaansche stammen moest men een grondeigendom
bezitten om stemrecht in de vergaderingen te hebben. Dit eigendom noemde
men eene _were_ en den bezitter eenen _weerman_.]

[Voetnoot 28: _Morgengave_ was de gift welke de bruidegom zijne bruid
moest schenken den morgen na zijn huwelijk; het was de eigenlijke
bruidschat.]

[Voetnoot 29: Zie aangaande de Vlaamsche strijdmacht, in het Fransche
leger: SUGER, _vie de Louis V, le gros,_ in de Coll. des mémoires rel. à
l'hist. de Fr., tome VIII, pag. 126.]



IV


Karel van Denemarken, komende van Atrecht, over Rijssel en Kortrijk, had
met zijn gevolg den nacht te Thourout doorgebracht, waar hem de
gastvrijheid in het machtige klooster van St-Pieter was aangeboden
geworden.

Vele Vlaamsche ridders, waaronder ook wel eenige Erembalds of voorname
Kerels van Brugge, waren hem hier komen vervoegen en hadden hem reeds
hunne hulde bewezen.

Wat dezen hem hadden gezegd aangaande de volstrekte rust die gedurende
zijne lange afwezigheid in het Westelijk Vlaanderen had geheerscht, was
hem eene bron van voldoening, en hij toonde zich zeer minzaam met
elkeen, zelfs jegens zulke Kerels die vroeger, in den oorlog voor de
kroon, zijnen medestrever Willem Van Loo hadden geholpen.

Dien dag nog zou hij te Brugge aankomen en, volgens de hem gebrachte
berichten, er met alle mogelijke pracht en onder de oprechtste en
warmste toejuichingen des volks worden onthaald. Daar hij innig wenschte
aan de Fransche ridders, die hem vergezelden, te kunnen toonen dat hij
in zijn graafschap hoog was geëerd en algemeen bemind, stemde de
zekerheid van zulk schitterend onthaal hem gunstig. Het was met
zichtbare teekens van welgemoedheid dat hij, na een hartelijk ontbijt,
te paard steeg, om aan het hoofd van zijn gevolg den weg naar Brugge in
te slaan.

De ridders en wapenlieden, die al te zamen eene tamelijk sterke bende
vormden, hielden zich uit eerbied op eenigen afstand achter den graaf.
Deze reed alleen aan het hoofd van den stoet met Willem, den jongsten
hertog van Normandië, welke ditzelfde jaar met eene zuster der koningin
van Frankrijk was getrouwd en, als gunsteling des konings, zeer werd
vereerd en ontzien.

Beide vorsten spraken vroolijk en vertrouwelijk van allerlei dingen;
maar het onthaal dat hem te Brugge was bereid, scheen graaf Karel meest
bezig te houden, want hij keerde er telkens op terug, wanneer zijn
gezel, door eenige bemerkingen over de landstreek, hem er af had geleid.

Langen tijd hadden zij op matigen stap tusschen dichte bosschen gereden,
en slechts van verre eenige lieden gezien; maar nu kwamen zij eensklaps
in eene vlakte van bebouwde velden waar, om zoo te zeggen, de wegenissen
van Aartrijke, Ruddervoorde, Wardamme en andere dorpen te zamen liepen.

Hier bemerkten zij dat de groote baan naar Brugge aan wederzijde bezet
was door eenen grooten toevloed van hoogstaltige mannen met lange
baarden[30], en bijna even hoogstaltige vrouwen.

De hertog van Normandië, toen zij meer genaderd waren, keek met eene
bijzondere aandacht en met nieuwsgierigheid naar deze lieden, die hem
voorkwamen als een vreemd en hem nog onbekend volk.

"Het zijn de Kerels waarvan men u reeds dikwijls heeft gesproken",
zeide de graaf.

"Ha, dit zijn nu Kerels!" murmelde Willem van Normandië. "Zij hebben
waarlijk het voorkomen van halve wilden met die leelijke baarden!"

In de kleeding dezer Kerels heerschte vooral de blauwe verf[31]; ook der
vrouwen optooi was geheel blauw, behalve dat hun lijnwaden kapmanteltje
bezaaid scheen met witte bloemstippen op donkerblauwen grond. Maar wat
aan de welhebbende Kerlinnen, nu zij hun feestgewaad hadden aangetogen,
het opmerkelijkste voorkwam, was de groote hoeveelheid goud en zilver
waarmede zij waren behangen: hoofd, hals, borst, ooren, handen
glinsterden bij hen met voorwerpen van kostelijk metaal. Ja, zelfs de
vele kinderen, die hen volgden, droegen insgelijks zulke kostbare
versiersels.

Elke Kerel voerde aan zijne zijde een krom zwaard, dat hij zijne
scarmsax of schermzeis noemde, en waarvan het gevest bij sommigen met
zilveren drijfwerk was opgeluisterd.

Toen de vorsten hen gingen naderen zwaaiden de Kerels en hunne vrouwen
hoeden en handen, en deden de lucht onder eenen machtigen welkomsgroet
hergalmen. Graaf Karel scheen gevoelig aan deze hartelijke uitdrukking
hunner hulde en groette meermalen met minzaamheid onder het
voorbijrijden.

"Maar het zijn boeren, niet waar?" vroeg de hertog van Normandië
verwonderd. "Waarom dan voeren zij zwaarden, als waren zij
edelgeborenen?"

"Ja, landbouwers zijn zij", antwoordde de graaf, "maar niet zooals men
dit in Frankrijk verstaat. Deze Kerels beweren van oude tijden af vrij
te zijn, evenals de beste ridder. Eenen Kerel zonder zwaard ontmoet men
nooit. Mijne voorgangers en ik zelf hebben vele pogingen aangewend om
het recht tot het dragen van wapens hun te ontnemen; maar dewijl zij
zeer manhaftig zijn en zij dit recht als een teeken hunner vrije
geboorte aanzien, zouden zij veeleer zich tot den laatste toe laten
dooden dan hun zwaard af te leggen."

"En is het waar, heer graaf, zooals uw hofraadsheer mij zeide, dat zij
weigeren u eenige schatting te betalen?"

"Inderdaad, het betalen eener schatting aanzien zij als het teeken der
dienstbaarheid; als vrije mannen willen zij zich daar niet aan
onderwerpen; maar wanneer ik hun verzoek mij eene hoeveelheid marken
zilvers te leveren, als hun deel in de kosten van 's lands bestuur of
van den oorlog, dan beraadslagen zij onder elkander daarover en schenken
mij de gevraagde hulp uit gelden die zij te zamen brengen en hunnen
Gildenschat noemen."

"En zij zouden kunnen weigeren?"

"Zeker, dewijl zij het aanschouwen als eene vrijwillige gift."

"Men zegt dat deze Kerels niemand gehoorzamen, noch u, heer graaf, noch
uwe ambtenaars, noch hunne leenheeren."

"Zij doen mij hulde als vorst en achten zich slechts verplicht mij in
geval van oorlog met wapenen te dienen. Heeren hebben zij niet. Zij
verwerpen allen invloed eener hoogere overheid in het bestuur hunner
zaken."

"Maar uwe kasteleins hebben dan volstrekt niets te gebieden?"

"De overheid mijner kasteleins strekt, in dit gedeelte van mijn
graafschap, niet verder dan het gebied der bemuurde steden. Daar benoem
ik de schepenen; maar de Kerels, in het veld en in de opene steden,
hebben hun land in zekere kringen verdeeld. Elke kring vormt een
rechtsgebied, dat zij een _Ambacht_[32] noemen, en de bewoners van zulk
Ambacht kiezen zelven, bij meerderheid van stemmen, hunne oversten en
hunne rechters. Zij leven waarlijk in eene bijna volledige
onafhankelijkheid van de kroon, en weigeren zelfs mij rekening te geven
van hetgeen zij aangaande het bestier hunner zaken beslissen of
verrichten."

"En gij kunt zulken toestand van zaken dulden, heer graaf?" riep Willem
van Normandië, met eene verontwaardiging welke hij niet geheel kon
bedwingen. "Mher Tancmar heeft gelijk, het is eene miskenning uwer
overheid en eene bloedige vernedering voor alle ridders die gedwongen
zijn zulke grove boeren als hunne gelijken te erkennen. In welk oord der
wereld vindt men nog zulke monsterachtige inrichting?"

"Ja, ja, ik denk er dikwijls aan", mompelde de graaf, "maar de Kerels
hebben een geschreven recht dat ik, bij mijne troonsbeklimming, heb
gezworen te eerbiedigen."

"Wat doet het? Is alles op aarde niet van natuur veranderlijk? En zou
een vorst gedwongen zijn te eerbiedigen wat schadelijk is voor zijn land
of wat inbreuk doet op zijne wettige overheid?"

"Het is eene zaak van tijd, heer hertog", antwoordde de graaf zeer
bedaard. "De wetten van het zoogenaamd Kerlingaland zal ik veranderd
krijgen; het is zelfs, ik beken het, een voornaam doel van mijn streven;
maar ik wil mijn gansche graafschap niet overdekken met bloed. De zaak
is moeielijker dan gij meent. Misschien zal ik door geduld en
voorzichtigheid meer bekomen dan door geweld."

"De koning, mijn broeder, heeft u de hulp van zijn leger aangeboden. Men
kon dit trotsche gebroed in weinige dagen verpletten en voor altoos
terugwerpen in de dienstbaarheid, waar het nooit hadde mogen uit
opstaan."

"Dit is de groote vraag", mompelde graaf Karel in zich zelven. "Zijn de
Kerels van Vlaanderen wel ooit dienstbaar geweest?"

"Maar wat slag van volk is dit dan, en van waar zijn ze hier te lande
gekomen?"

"Daarover zou de oude Littra, een geleerd kanunnik van St-Donaas te
Brugge, u beter dan ik bescheid kunnen geven," antwoordde de graaf. "Hij
weet uit de oude kronieken wat er in vroegere eeuwen is geschied.
Volgens hem wonen de Kerels reeds van den tijd der Romeinen in
Vlaanderen, en zijn hetzelfde volk als de Angelsaksen, die eertijds
onder hunne aanleiders Hengist en Horsa het Britsche eiland, dat is
Engeland, veroverden."

"In uw graafschap vindt men dus volkeren van verschillig geslacht?"

"Toch niet, heer hertog: al de bewoners van Vlaanderen zijn van
Germaanschen oorsprong; en is er eenig plaatselijk verschil in hunne
spraak, zij hebben toch eene gemeene taal, welke zij Dietsch noemen en
die in al de landen langs de zee wordt gebezigd, van Denemarken af tot
op de grenzen van uw hertogdom Normandië."

"Dus zouden de Kerels van hetzelfde volk zijn als de Saksische bewoners
van Engeland?"

"Het moet zijn, hertog; want de taal, de zeden en de wetten der Kerels
hebben nog eene opmerkelijke gelijkenis met hetgeen men desaangaande in
Engeland vindt."

"Maar zijn ze dan nog zoo machtig en talrijk dat gij vreest ze tot
onderwerping te dwingen, heer graaf?"

"Machtig, ja, in zeker opzicht, vooral door hunne onverschrokkenheid en
den rijkdom van sommige geslachten. Vroeger waren het al Kerels, die
gansch het Westelijk Vlaanderen bewoonden, van de stad Boulogne af tot
Kortrijk, en zoo naar de Zeeuwsche eilanden op tot over de kust van
Holland en Friesland. Door verloop des tijds hebben vele streken reeds
zich aan de algemeene wetten van het Frankische rijk onderworpen, en
dezen noemen zelfs zich geene Kerels meer; maar de bewoners der
Vlaamsche zeekust, tot voorbij Yperen, Thourout en Brugge, hebben hunne
oorspronkelijke zeden en wetten met hardnekkigheid verdedigd en ze tot
nu toe behouden, ondanks de onophoudende pogingen van vorsten en
ridders."

"En zijn er geene edelen onder hen?"

"Neen; maar, zooals ik u zeide, hertog, onder hen heeft men zekere
voorname lieden die eenen grooten invloed op de menigte uitoefenen. Zoo
hebben wij in Brugge een Kerlengeslacht dat uitnemend rijk en machtig
is, en welks leden men de Erembalds noemt. Deze zijn zeer hoog geacht en
zoo invloedrijk, dat het waarlijk, zooals gij ten onrechte meent, een
hoon voor mij en voor mijne edelen is, door hen eene overheid te zien
uitoefenen die mij en mijnen ridders wordt ontzegd."

"Maar die schreeuwende schennis uwer kroon kan niet voortduren, heer
graaf!" kreet Willem van Normandië. "De gansche ridderschap zal u
betichten van zwakheid!"

"Ik herhaal het u", zeide de graaf, het hoofd schuddende, "die toestand
zal veranderen; maar ik moet tijd en gelegenheid afwachten om dit doel
te kunnen bereiken zonder groote bloedstorting. Ik wil mijne kroon aan
dit gevaarlijk spel niet wagen. Wat mij tot geduld aandrijft is de goede
wil dien sedert eenigen tijd de Kerels mij betoonen; ik heb de hoop dat
ik, zonder geweld, hen zal kunnen doen toestemmen in het vrijwillig
overeenbrengen hunner wetten met de algemeene wetten van Vlaanderen. De
Kerels, ziet gij, heer hertog, zijn de beste en nijverigste landbouwers,
werklieden, koophandelaars en zeevaarders die men vinden kan. Een oorlog
tegen hen zou voor langen tijd de openbare welvaart in Vlaanderen
vernietigen."

"Maar, heer graaf!" bemerkte Willem van Normandië verwonderd, "gij
spreekt zoo welwillend van deze Kerels! Uw hofraadsheer Tancmar
schilderde ze mij af als een verachtelijk ras van grove dorpers, van
moordenaars en dieven."

"Mijn hofraadsheer overdrijft. Hij haat de Kerels onzeglijk. Het
schijnt, dat het eene oude veete van zijn geslacht tegen het geslacht
der Erembalds is."

"Toch niet, heer graaf, gij misgrijpt u daarover", wedervoer Willem;
"mher Tancmar verfoeit de Kerels met recht, omdat zij uwe overheid
miskennen. Wat gij zijnen haat noemt, is niet anders dan de
verontwaardiging hem ingeboezemd door zijne eindelooze verkleefdheid aan
zijnen vorst."

"Inderdaad, Tancmar is mij zeer verkleefd, en ik ben hem er dankbaar
voor; maar ik wil mij door zijnen raad tot geene onvoorzichtigheid laten
drijven. Niet alles, wat hij over de Kerels zegt, is gegrond."

Willem van Normandië wenkte den hofraadsheer Tancmar. Deze bracht zijn
paard nevens de vorsten.

"Het schijnt, mher Tancmar", zeide hij, "dat gij de Kerels bij mij hebt
gelasterd, of ten minste hunne ondeugden zeer hebt overdreven. Uw heer
graaf meent dat een bijzonder gevoel van haat u verblindt."

"Geliefde mijn heer graaf het mij toe te laten", antwoordde de
hofraadsheer op eerbiedvollen toon, "dan zou ik durven beweren dat zijne
al te groote goedhartigheid hem verblindt. De Kerels zijn godvergetene,
woeste, schaamtelooze lieden, die de overheid van onzen vorst met
schuldige trotschheid miskennen en verachten. Ik wil het bewijzen ..."

"Nu, nu, raadsheer, laat die bewijzen achter; wij kennen ze sedert
lang", morde de vorst met zichtbare ontevredenheid. "Het lust mij heden
niet den bedroevenden kant der dingen te zien. Doe mij het vermaak voor
alsnu daarvan te zwijgen."

"Naar uw believen, heer graaf", murmelde Tancmar, het hoofd buigende,
terwijl hij den toom van zijn paard spande en daardoor het dier dwong
achteruit te blijven.

Op dit oogenblik kwam een ridder van den kant van Brugge gereden en deze
meende de vorsten, onder het uitspreken eener eerbiedvolle groetenis,
voorbij te gaan om de ridders van het gevolg te vervoegen; maar graaf
Karel reikte hem glimlachend de hand toe, vraagde hem minzaam hoe het
hem ging, en liet hem niet doorrijden dan na met hem eenige vriendelijke
woorden te hebben gewisseld.

"Een schoon jonkman, een zeer hoofsch ridder", bemerkte Willem van
Normandië.

"Hij is een Kerel", zeide de graaf.

"Ben Kerel? Onmogelijk!"

"Ja, een Erembald van Brugge; zijn naam is Robrecht Sneloghe. Zijn
vader, zaliger gedachtenis, was kastelein van Brugge en mijn bijzondere
vriend en wapenmakker, van voor den tijd dat ik tot het graafschap werd
verheven. Ik draag daarom dezen jongen ridder zekere genegenheid toe.
Men zou het niet vermoeden, heer hertog, maar deze Kerel is misschien
wel de rijkste man van geheel mijn graafschap."

Zoo over de Kerels koutende, vervorderden de beide vorsten hunnen weg.
Zij waren Zedelghem voorbij en zouden in min dan een uur de stad Brugge
bereiken ...

Zeer lang reeds, ja van in den vroegen morgen zelfs, werden zij
afgewacht door de bevolking van Brugge en der omstreken, die vroolijk en
luidruchtig over de Markt krielde waar de graaf met plechtigheid en met
vreugdebewijzen zou worden onthaald. Bovenal verdrong zich de menigte
rondom eene houten stelling die men te midden van het plein had
opgetimmerd.

Vele werklieden waren nog druk bezig aan de laatste versiering van
dezen hoogen vloer, waarop de graaf van Vlaanderen de hulde zijner
leenmannen en der stadsbestuurders zou ontvangen. Men bracht kostelijke
zetels uit den Burg, men spreidde bonte tapijten uit, men hechtte
kleurige baanders en vlaggen aan hooge stijlen.

De gevels der huizen rondom de Markt waren overdekt met groene twijgen
en met bloemen; uit vele vensters hingen roode lakens; zelfs hadden
sommige poorters voor hunne deuren looverrijke boomkens geplant en
daaraan schilden gehangen waarop de letter K, de vorstelijke kroon en de
leeuw van Vlaanderen ter eere van graaf Karel zeer dikwijls waren
herhaald.

Boven elken ridderlijken Steen, op de torenspits of op het dak, waaide
een standaard met de wapenteekens van den bewoner.

Om al deze toebereidselen van naderbij te kunnen zien, vlotte het volk
van de eene zijde der Markt naar de andere. Er heerschte voortdurend een
dof gerucht als het gebruis eener verre zee, slechts nu en dan
onderbroken door eenige luidruchtige vreugdekreten. Op aller gelaat
blonk een heldere lach, en het was zichtbaar dat de plechtige terugkomst
des graven met blijdschap werd afgewacht.

De rondstroomende menigte bestond grootendeels uit Brugsche poorters,
reeds uit de verte herkennelijk aan de zwarte of biuine verf hunner
kleederen, welke op alle boorden omzet waren met donker pelswerk. Zij
droegen het haar kort, en hun baard was geheel geschoren. Door deze
beide laatste omstandigheden onderscheidden zij zich terzelfder tijd van
de leenheeren of edelen, wier haar in lokken op de schouders daalde, en
van de Kerels uit de Ambachten, die hunne baarden lieten groeien.

Vele lijfeigenen of dienaars, zeer armelijk in ongebleekt linnen
gekleed, liepen met houten schoenen of blootsvoets. Zij hielden zich
meest stil en ingetogen bij en rondom de St-Christoffelskapelle.

De Kerels uit de naaste Ambachten hadden de uitnoodiging hunner Brugsche
beschermers in groot getal beantwoord; zij stonden in groepen verspreid
met hunne vrouwen en kinderen, en men kon ze van zeer verre herkennen
aan hunne blauwe kleeding en hunne kromme zwaarden.

Op eenige stappen van de houten stelling stond een Kerel die, alhoewel
niet bijzonder groot, om de sterkte zijner leden vele poorters
verwonderd deed opkijken. De dikke baard die hem op de borst hing begon
reeds te vergrijzen; zijn aangezicht was getaand en rimpelig als van
iemand die in zijn leven veel en zwaar heeft gewerkt.

Op elk zijner breede schouders zat een jongsken van zeven of acht jaar.
Hij had zijne kinderen dus opgeheven om hun toe te laten over de hoofden
der omstanders te zien wat de arbeiders op den verheven vloer doende
waren. Onderwijl koutte hij met zijne vrouw, die nevens hem zich hield.

"Maar Arnulf", bemerkte zij op dit oogenblik, "de graaf laat zich
zoolang wachten; zijt gij zeker dat hij voor den middag nog zal komen?"

"Gansch zeker, Strena", was het antwoord. "Gij hebt wel gezien dat de
proost en de kanunniken van St-Donaas, met de ridders en met schepenen
van Brugge, door de Steenstraat hem zijn te gemoet gegaan?"

"Het is meer dan een uur geleden, Arnulf. Moeten zij nog van zooverre
terugkeeren, dan zullen zij ongetwijfeld tot den middag en langer
uitblijven."

"Neen, gij bedriegt u, Strena: zij bevinden zich allen wachtend op het
Zand. Gij weet wel, het groote onbebouwde plein, even buiten de poort
die naar Thourout leidt? Van daar zullen zij al te zamen den graaf tot
op deze stelling geleiden."

"Laat ons dan naar het Zand gaan", zeide de vrouw. "De kinderen zouden
zoo het gezicht van gansch de feestelijkheid kunnen genieten."

"Integendeel, Strena, op zulke wijze zouden zij de bijzonderste
plechtigheid missen. Het Zand krielt waarschijnlijk van volk. Wanneer de
graaf nu de stad binnenrijdt, zullen al deze menschen hem willen volgen.
De Steenstraat is niet breed; er zullen vele paarden zijn. In dit
gedrang met kleine kinderen zich begeven ..."

Hij zweeg eensklaps, zette met eene haastige beweging de beide kinderen
ten gronde, en verhief zich op de teenen en rekte den hals om over de
menigte te kunnen heenzien.

Zijne vrouw aanschouwde hem verwonderd.

"Wat bemerkt gij zoo verrassends, Arnulf?" vroeg zij. "Komt de graaf?"

De Kerel greep zijne vrouw de hand, trok haar tot zich en, met den
vinger in eene zekere richting naar het volk wijzende, zeide hij zeer
stil:

"Strena, ziet gij, ginder verre tegen dien hoogen Steen, den man met
zwarten baard?"

"Ja, zeer wel", antwoordde zij.

"Herkent gij hem?"

"Neen, Arnulf, ik heb hem nooit ontmoet, dat ik wete."

"Is het niet Warad Valk, van Dudzeele?"

"Wat? de moordenaar uws broeders?" kreet de vrouw verschrikt. "Gij
misgrijpt u: die man is Warad niet."

"Hij is het, zeg ik u, Strena."

"Neen, neen, dit verhoede de hemel!" zuchtte de vrouw. "Zulke ontmoeting
op dezen dag? Het ware een noodlottig toeval!"

"Ongelukkig toeval, inderdaad; maar ik mag den dood van mijnen armen
broeder niet ongewroken laten."

"Wat gaat gij doen, Arnulf?" morde zij, hem angstig bij den arm
vattende.

"Gij kunt het vermoeden", antwoordde hij op somberen toon. "Plicht is
plicht; weerhoud mij niet; blijf stil en waak over de kinderen. Gebaar u
alsof gij niets had bemerkt. Heb ik mij misgrepen is die man Warad niet,
dan kom ik onmiddellijk bij u terug."

Hij drong vooruit en verdween tusschen de menigte.

De verschrikte moeder omarmde hare kinderen en sloot ze met teekens van
angstige liefde tegen hare borst. Eilaas, wat ging er geschieden?
Misschien glinsterden reeds ginder de zwaarden, misschien vloeide reeds
daar een duurbaar bloed! Zij was zoo welgemoed en zoo vroolijk aan de
hand van haren man in Brugge getreden. Hoe zou zij nu naar hare hofstede
te Moerkerke wederkeeren Als weduwe, met vaderlooze kinderen? Wie kon
het weten?

Door deze angstige gepeinzen neergedrukt had zij het hoofd gebogen en
blikte ten gronde. Zij ontwaakte echter met eenen blijden kreet uit
dezen naren droom: haar echtgenoot stond nevens haar.

"De man dien ik had gezien was verdwenen", zeide hij. "Nergens kon ik
hem nog bespeuren. Misschien was het inderdaad Warad Valk niet. Gij moet
het weten, Strena, uw gezicht is sterker dan het mijne."

"Geloof mij, Arnulf", antwoordde zij, "zeker, gij hebt u bedrogen."

"Des te beter, Strena. Ik zou niet gaarne heden wraak te plegen hebben;
maar, zage ik bij geval de moordenaar mijns broeders, ik zou wel moeten
gehoorzamen; Waarad heeft den vrede verbroken en den zoen geweigerd."

"Maar indien gij evenwel de vervulling van uwen plicht uitsteldet tot op
eenen anderen dag?"

"Onmogelijk! ik ware onteerd voor gansch mijn leven; elk vrij man zou
mij als eenen lafaard verachten, gij weet het wel, Strena. Danken wij
God dat ik mij heb misgrepen. Laat ons nu weder vroolijk met de kinderen
... Geef acht! Die beweging bij den ingang der Steenstraat! Daar komt
ongetwijfeld de stoet!... Blijf immer dicht bij mij, Strena. Komt,
kinderen, geeft mij elk eene hand. Wij zullen het dringen zooveel
mogelijk wederstaan; dan zien wij de plechtigheid van nabij."

Uit de Steenstraat stroomde allereerst een golvende volksvloed over de
Markt. Men hoorde in de verte de scherpe of zware tonen van trompen en
bazuinen tusschen de herhaalde welkomskreten der menigte hergalmen, en
welhaast vertoonde het hoofd van den stoet zich op het plein.

Vooraan ging de proost van St-Donaas met zijne kanunniken en de overige
geestelijkheid der stad. Bij tusschenpoozen zongen zij gebeden en
lofpsalmen, terwijl vele koorknapen hunne wierookvaten zwaaiden en
geurige wolken in de hoogte deden stijgen.

Hierop volgden de voorschepen en de twaalf andere schepen van Brugge,
vergezeld van een twintigtal klerken en andere bedienden.

Achter hen, tusschen twee trompers, stapte een man die een rood
fluweelen kussen droeg, waarop men de sleutels der stad voor deze
plechtige omstandigheid verguld, zag blikkeren.

Dan kwamen vijf wapenboden te paard, met lange bazuinen, en in hun
midden een ridder die den baander of standaard van Vlaanderen opgeheven
hield.

Onmiddellijk na zijne wapenboden verscheen de graaf van Vlaanderen,
gezeten op een moedig wit paard, dat bijna geheel met een dekkleed van
goudlaken was behangen.

Graaf Karel kon de veertig jaar bereikt hebben. Zijne statige
wezenstrekken droegen den stempel van strenge fierheid en wilskracht
alhoewel tevens de zachtere, ja zelfs de fijne teekening zijner lippen
liet vermoeden dat zijn hart met goedheid en vriendelijkheid moest
begaafd zijn. Dit stemde overeen met het gevoelen dat ridders en
poorters over hem hadden, aangezien zij gewoon waren te zeggen: "graaf
Karel is uiterst goed en minzaam voor wie hem bevalt, maar streng en
onverbiddelijk voor wie hem mishaagt".

Om zijne plechtige intrede op dezen dag te doen, had de vorst zijne
oorlogskleeding gedeeltelijk afgelegd. Wel zag men nog aan zijne armen
en beenen de duizenden ringen van zijn maliehemd glinsteren; maar
daarboven had hij een overkleed van rood fluweel aangetogen. Zijn gulden
helm blonk in het zonnelicht; rondom zijnen hals en op zijne borst hing
een zwaar snoer van veelkleurig gesteente, waaraan een kruis van
gewrocht goud en diamanten glinsterde. De graaf toonde dit kostbaar
kleinood gaarne in het openbaar, omdat hij de gesteenten er van gewonnen
had in Palestina tegen de Saracenen, en het hem een dierbaar aandenken
was van zijne tochten in het Heilig Land.

Aan de eene zijde van den vorst reed de jonge hertog Willem van
Normandië. Aan de andere zijde hield zich Gervaas van Praet, kamerheer
van den graaf, en geroemd als een wijs, moedig en verkleefd ridder.

Achter de vorsten kwamen Tancmar Van Straten, de raadsheer; Walter Van
Lokeren, de hofbottelier; Frumold, 's graven schrijver en rekenmeester;
Hacket, de kastelein van Brugge; Eijkaard Van Woumen, Baudewijn van
Aelst en Daniël Van Dendermonde.

De andere Fransche of Vlaamsche ridders, die den graaf op de reis hadden
vergezeld of hem nu te gemoet gekomen waren, volgden allen zonder
herkenbare schikking. Zelfs bevonden zich in dit gedeelte van den
ruiterstoet vele Kerels; en men kon ook hier bemerken dat er geene
vriendschap tusschen deze laatsten en de leenheeren bestond, want zij
reden zichtbaar van elkander gescheiden.

Nauwelijks had de menigte, die krielend de Markt overdekte, den vorst
ontwaard, of er verhief zich een algemeen gejuich dat meermaals met
vernieuwde kracht werd herhaald, naarmate de stoet over het plein
vooruitkwam. Bovenal gaf de vreugde der menigte zich lucht in machtige
galmen, toen de vorst met zijn gevolg de houten trede had beklommen en
daar het volk zijnen groet toestuurde.

Ridders, poorters, Kerels, allen wedijverden om door luid geroep, door
het zwaaien der hoeden of door het opheffen der handen hunne blijdschap
te betuigen en den graaf te verwelkomen.

Terwijl men bezig was met de menigte van de stelling te ver wijderen, om
eenige ruimte te maken, terwijl de laatste ridders afstegen en de
schalken hunne paarden op eenigen afstand wegleidden stuurde de graaf
zijnen blik over de Markt. Hij staarde met bijzondere aandacht op de
talrijke groepen der Kerels, die luidruchtiger en driftiger dan alle
anderen, hem toejuichten en dikwijls de oorzaak waren dat de volksschaar
hare blijde kreten herhaalde.

De vorst scheen tevreden; het was met eenen helderen glimlach dat hij in
stilte nu en dan een woord wisselde met Willem van Normandië, wanneer
deze hem geluk wenschte over de liefde welke het Vlaamsche volk hem
betuigde.

Op een teeken van den voorschepen hieven de trompen en bazuinen een
feestgeschal aan. De leden van den stadsraad beklommen de trede en bogen
voor den vorst, totdat hij den voorschepen de hand bood. Dan naderde de
man met het fluweelen kussen.

De voorschepen, na den graaf de sleutels der poorten te hebben
aangeboden, begon eene lange redevoering waarin hij den vorst, in naam
der stad, hulde bewees en verkleefdheid beloofde, evenwel in
eerbiedvolle woorden zijne bescherming inroepende tegen degenen die de
vrijheden of de rechten der poorters van Brugge zouden willen schenden.

De graaf gaf hem een minzaam antwoord en behandigde hem opnieuw de
sleutels die toch, zeide hij, aan niemand beter konden worden
toevertrouwd dan aan de bestuurders zijner beminde en verkleefde stad
Brugge zelve; maar aangaande de zinspeling op het eerbiedigen der
rechten en vrijheden antwoordde hij niets en deed alsof hij dit gedeelte
der redevoering niet had gehoord.

De schepenen bemerkten deze achterhoudendheid met zekere treurnis, en
zij daalden half mismoedig de trede af.

Dan verschenen de leden der geestelijkheid voor den vorst. Op de
aanspraak, hem door den proost van St-Donaas toegericht, betuigde hij
zijnen innigen wensch om in alle omstandigheden de Kerk en hare dienaars
niet alleen te beschermen maar tevens hoog te vereeren en mildelijk te
begiftigen.

Na den proost van St-Donaas, bood de abt van het klooster Ten Eeckhout
zich aan om den graaf hulde te bewijzen en zijne goedwilligheid voor dit
belangrijk gesticht in te roepen.

Graaf Karel, die het klooster Ten Eeckhout eene bijzondere gunst
toedroeg, onderhield zich lang met den abt en hij was nog bezig met
spreken toen, eensklaps, een hevig en vreemd gerucht hem kwam
onderbreken en hem met verstoorden blik deed rondkijken Wie was er
vermetel genoeg om in zijne tegenwoordigheid zulk oneerbiediglijk
geschreeuw aan te heffen of te veroorzaken?

Hij zag aan de eene zijde der Markt, niet verre van de trede, eenige
poorters verschrikt wegvluchten, terwijl daar ter plaatse vele Kerels
tot eenen hoop te zamen liepen. Twee naakte zwaarden glinsterden hem in
de oogen. Hij zag eenen man wien bloed van de wang afliep en die met
eene reuzenstem den noodkreet "haarop! haarop! hulp! hulp!" over de
Markt deed hergalmen[33].

Onmiddellijk waren eenige ridders toegesneld om de ruststoorders tot
stilte te dwingen; maar de Kerels hielden hen terug met de woorden
"kamp! kamp!" waardoor zij wilden betuigen dat daar een twist werd
beslecht waarmede niemand zich te bemoeien had.

Vooraleer de graaf, die van gramschap sidderde, eenige bevelen kon
geven, bliksemden de uitgetogen zwaarden door de lucht en een der beide
kampers viel met gekloofd hoofd ten gronde.

"Men vange den snooden moordenaar!" riep de graaf. "Men brenge hem
levend of dood voor mij! Ik wil, tot een voorbeeld, in het aanschijn des
volks kort recht doen over zulke verfoeilijke misdaad!"

Een tiental ridders sprongen te gelijk van de trede en liepen ter plaats
waar de manslag was geschied; zij meenden de hand aan den plichtige te
leggen, maar deze hield zijn bloot zwaard tot slaan gereed, roepende dat
hij den eerste die hem raken dorst voor zijne voeten zou nedervellen.
Velen der omstaande Kerels hadden insgelijks hunne zwaarden getrokken en
betuigden dat zij hunnen makker zouden verdedigen, indien iemand hem
geweld aandeed.

Hacket, de kastelein van Brugge, die nu kwam toegeloopen, herkende den
woedenden Kerel en zeide hem op spijtigen toon:

"Eilaas, Arnulf, wat hebt gij gedaan?"

"Mijnen plicht heb ik gedaan", antwoordde de andere, "Hij is de
moordenaar mijns broeders en hij heeft den zoen geweigerd. Gij, heer
kastelein, kent de wet beter dan ik[34]."

"Maar de graaf is buiten zich zelven van toorn! Onderwerp u, om grooter
kwaad te vermijden."

"De hand aan mij leggen?" kreet de Kerel, "Ik ben een vrij man en zal
mijne daad verantwoorden waar en wanneer men het moge eischen."

"De graaf wil dat gij onmiddellijk voor hem verschijnt, Arnulf. Toon u
onderdanig uit voorzichtigheid."

"Het zij zoo, kastelein; leid mij tot den graaf, maar behoed mij voor
hoon en onrecht," mompelde Arnulf, terwijl hij zijn swaard in de schede
stak en, door wel vijftig Kerels gevolgd, naar de stelling
vooruitstapte.

Hij klom alleen met den kastelein op de trede en bood zich voor den
vorst aan, wel met eene diepe buiging en ontdekten hoofde, doch fier en
beraden als ontstelde hem niet de minste vrees.

"Verwaten woestaard!" viel de vertoornde vorst uit. "Hoe durft gij dezen
plechtigen dag door zulke gruwelijke misdaad bezoedelen? Gij zult de
straf uwer boosheid ondergaan: nog heden zal de beul u op het galgeveld,
ten voorbeeld aller moordenaars en ruststoorders, aan eenen strop ten
toon hangen!"

Arnulf aanschouwde den vorst met zulke zonderlinge en diepe verwondering
in de oogen, dat deze verrast murmelde:

"Vermetele, gij gelooft het niet?"

"Waar in de wereld het recht heerscht", antwoordde de Kerel, "wordt
niemand veroordeeld zonder dat men hem tot zijne verdediging gehoord
hebbe. Verleent de heer graaf mij oorlof om te spreken?"

"Spreek", morde de vorst met ongeduld.

"Ziehier de zaak die u ten onrechte tegen mij verbolgen doet zijn, heer
graaf", begon de Kerel. "Ik had eenen broeder, een goedhartig man, door
iedereen bemind en geacht. Een zekere Warad Valk, van Dudzeele, geraakte
in twist met hem aangaande het gebruik eener schapenweide, en bracht hem
eenen doodelijken slag toe. Ik, de naaste bloedverwant, erfde, krachtens
onze wetten en onze gewoonten, niet alleen den plicht om voor zijne
weduwe en kinderen te zorgen, maar tevens om de veete te vervolgen en
wraak te nemen. In de meening dat de doodslag het gevolg van een
onvrijwillig toeval kon zijn, bood ik den moordenaar den vrede, en liet
scheidsmannen het zoengeld bepalen, dat Warad Valk ten voordeele der
weduwe mijns broeders zou te betalen hebben. Wat deed hij? Op den
zoendag verscheen hij niet voor de Keurmannen[35] en misprees aldus het
gerecht. Ondanks den vrede hoonde hij nog de arme weduwe en dreigde hare
hofstede in brand te steken. Sedert dan is hij uit het Ambacht
verdwenen. Ik ontmoette hem hier en deed mijnen plicht."

"En moest gij daarom bloed in mijne tegenwoordigheid vergieten? Eenen
afschuwelijken moord plegen?" riep de vorst, die eerder door de koele
woorden van den Kerel was verbitterd geworden dan gestild.


[Illustratie: ...viel met gekloofd hoofd ten gronde. (Bladz. 95.)]


"De wet gebood het mij" wedervoer Arnulf. "Zij heeft geene bijzondere
gevallen voorzien. Wie den gebannen vrede breekt mag overal aangevallen
en gestraft worden. Ik kon Warad Valk zonder verwittiging doodslaan, en
evenwel heb ik hem tot zelfverdediging uitgedaagd en hem ten kamp
geroepen. Hadde ik mijnen broeder niet gewroken, ik ware als lafaard
onteerd gebleven Iedereen moet mij prijzen omdat ik mijnen plicht heb
gedaan."

"Ha, dit zullen wij zien!" kreet graaf Karel, over zooveel stoutheid
verbaasd. "Kastelein, men leide dien man naar het Gijselhuis op den
Burg. Hij blijve gevangen totdat wij zijn vonnis hebben uitgesproken."

"Ik in de gevangenis?" mompelde de Kerel, met eenen ongeloovigen lach op
de lippen. "Ik ben een vrij man; ik heb geenen lust tot vluchten; ik zal
komen op de eerste dagvaarding, maar in de gevangenis wil ik niet! Geen
der Kerels die daarbeneden staan zal dulden dat men mij, schuldeloos als
ik ben, naar de gevangenis voere. Stroomt er meer bloed, God zal weten
wie het deed vergieten!"

Een honderdtal Kerels, die aan den voet der trap stonden en dit tooneel
met angst en klimmende verontwaardiging volgden, getuigden door hun
dreigend gemor dat zij waarlijk bekwaam waren om hunnen makker ook
gewelddadig ter hulp te komen, indien men onrecht jegens hem pleegde.

De dreigende houding der Kerels verbitterde den graaf nog meer; want in
tegenwoordigheid der Fransche ridders, die hunne verbaasdheid over zijne
aarzeling betuigden, was zijn toestand zeer onaangenaam en schier
belachelijk.

"Gij zult in de gevangenis!" riep hij. "Indien de kastelein van Brugge
de macht niet heeft om mijn bevel uit te doen voeren, zullen mijne
ridders of hunne wapenlieden u wel dwingen."

Arnulf, die zag dat er waarlijk eene beweging onder de ridders ontstond,
sprong een paar stappen achteruit en sloeg de vuist aan het gevest van
zijn zwaard.

"Men voere dan mijn lijk naar de gevangenis!" gromde hij, terwijl zijne
oogen zoo bloedig werden en zoo dreigend vlamden dat elkeen aarzelde om
hem te naderen.

Terwijl de kastelein Arnulf poogde te bedaren, was Robrecht Sneloghe te
midden der Kerels geloopen en verkreeg van hen door vriendelijke woorden
en gebeden dat zij zich nog stilhielden.

Arnulf wilde naar niets luisteren en weigerde zich naar de gevangenis te
laten leiden. Maar nu beklom de proost van St-Donaas de stelling,
naderde den vertoornden Kerel en zeide aan zijn oor:

"Volg den kastelein naar het Gijselhuis, Arnulf. Doet gij het niet, gij
brengt waarschijnlijk de vrijheid van gansch Kerlingaland in gevaar.
Wij zullen over u waken en zorgen dat u geschiede volgens wet en recht.
Ik smeek u, gehoorzaam den graaf ... Desnoods gebied ik het u op uwen
gilden-eed!"

"Welaan, heer vorst, ik onderwerp mij aan uwen wil", zeide de Kerel,
eensklaps met eene diepe buiging vooruittredende. "Naar de gevangenis
zal ik mij begeven met het vertrouwen dat men mij, als vrij man, in de
vierschaar zal hooren en rechters zal geven zooals het behoort."

"Rechters? Gij hebt gelijk", antwoordde de graaf met bittere scherts.
"Gij zult ze hebben. Voor den avond zult gij ter hooger vierschaar
verschijnen om uw vonnis te hooren uitspreken."

De Kerel daalde met den kastelein van de trede, omarmde eene vrouw en
twee weenende kinderen, drukte eenigen vrienden de hand en verdween uit
het gezicht der ridders tusschen de menigte, die als een rollende stroom
op zijne baan over en weder golfde. Vele Kerels volgden hem, luidop
morrend tegen het onrecht dat hem werd aangedaan; maar hij zelf zeide
dat hij zich vrijwillig naar het gevang begaf, en zoo bracht hij zijne
vrienden tot bedaren.

Graaf Karel, door het gebeurde diep ontsteld en wel bemerkende dat de
plechtigheid zijner intrede beslissend was gestoord, gaf bevel om de
paarden bij te brengen en den stoet te vormen.

Terwijl men daarmede bezig was, zat hij beweegloos, met strakke oogen,
welker scherpe blik de verbolgenheid zijns harten verried.

Even ontroerd en verontwaardigd waren de ridders. Zij durfden den graaf
in zijne stilzwijgendheid niet storen. De eenige, die niet bedroefd
scheen, was de raadsheer Tancmar Van Straten. Hij wisselde zelfs in het
verborgen eenen glimlach met den hofbottelier Walter Van Lokeren. In
zijne oogen glinsterde eene geheime blijdschap; want hij twijfelde niet
of dit voorval zou den graaf onverzoenbaar tegen de Kerels verbitteren.
De vorst weigerde nog altijd den Kerels met geweld het juk der
dienstbaarheid op te leggen; maar nu zou zijne gramschap in hunne
vernedering wraak zoeken voor den hoon hem heden aangedaan.

Toen de paarden bijgebracht waren en de kamerheer Gervaas Van Praet den
vorst had verwittigd dat alles gereed was, daalde deze met zijn gansch
gevolg van de trede.

Men steeg te paard, en de stoet begaf zich op weg over de Markt in
dezelfde schikking als bij zijne komst. Weder hergalmden de schelle
tonen van bazuinen en trompen; weder hieven de kanunniken in de
tusschenpoozingen plechtige lofzangen aan; maar de menigte, nog ontroerd
en treurig over het gebeurde, bleef koel en betuigde slechts haren
eerbied door zich, bij het voorbijrijden van den vorst, diep te buigen.
Karel zelf was nog verslonden in spijtige gepeinzen en reed over de
markt en door de Hofstraat, zonder schijnbaar acht te geven op hetgeen
rondom hem geschiedde.

Zoo kwam de stoet op den Burg.

Hier stonden voor het Gijselhuis misschien tweehonderd Kerels, waar
tusschen ook eenige vrouwen en kinderen. Zoohaast zij den graaf
bemerkten hieven zij den roep: "recht! recht!" zoo luidruchtig aan dat
het middenplein van den Burg er van hergalmde.

Dit herhaalde geschreeuw kwetste den graaf; want hij aanzag het als eene
poging om hem tot het vrijlaten van den gevangene te dwingen.

Nauwelijks was hij afgestegen, of hij wenkte den kastelein van Brugge
tot zich en vroeg met dreigenden blik:

"Zit de uitzinnige Kerel in de gevangenis?"

"Ja, heer graaf", was het antwoord, "hij zal er blijven totdat het u
gelieve hem te ontslaan."

"Ontslaan?" herhaalde de vorst, bitter spottende. "Heeft men hem in den
moordenaarskuil geketend?"

"Neen, heer".

"Waarom niet, kastelein?"

"Hij is een vrij man, heer graaf."

"Vrij man? die grove woestaard? Ah, mijn geduld is ten einde: ik wil
gehoorzaamd worden! Gij blijft verantwoordelijk voor den gevangene. Houd
u gereed om op het eerste bevel hem in mijne tegenwoordigheid te doen
voeren."

De graaf, door al de ridders van zijn hof gevolgd, trad in de groote
zaal van zijn paleis. Iedereen aanschouwde hem in stilte, want men
begreep dat hij zeer vergramd en bedroefd moest zijn. Bovenal waren de
Fransche ridders verontwaardigd over de voorbeeldelooze stoutheid der
Kerels en de oneerbiedige houding van gansch het volk, dat zich den
moordenaar veeleer gunstig dan vijandig had getoond.

Graaf Karel keerde zich tot de vergadering en zeide:

"Heeren, gij zult mijn verdriet en mijne ontsteltenis begrijpen na de
ongehoorde dingen die heden zijn voorgevallen. Niet alleenlijk ben ik
vermoeid en behoef een weinig rust; maar ik wil tevens zonder uitstel
overwegen wat mijn plicht, als graaf van Vlaanderen mij gebiedt te doen
om den schuldige te straffen en door een streng voorbeeld anderen te
beletten mijne overheid nog te miskennen. Binnen een paar uren zal ik u
aan het middagmaal wedervinden. Gelieft intusschen u niet te
verwijderen, aangezien uwe tegenwoodigheid mij noodig kan zijn.... De
leden van mijnen bijzonderen raad volgen mij!"

Hij bood zijnen arm aan Willem van Normandië, stapte door eene
zuilengang en trad in eene zaal waar eenige zetels rondom eene breede
tafel geschikt stonden. Hij nam plaats aan het hooger einde der tafel en
toonde Willem van Normandië eenen zetel nevens zich.

Hier waren nog tegenwoordig Tancmar Van Straten, Walter Van Lokeren,
Gervaas Van Praet, benevens de oude Frumold en zijn neef, rekenmeesters
en schrijvers des graven, en twee of drie andere ridders.

Toen allen gezeten waren, vroeg de vorst:

"Welnu, heeren, wat zegt gij van zulke schennis onzer overheid?"

"Verfoeilijk, snood, ongehoord; hij verdient den dood!" morden meest al
de raadsheeren.

"Ja, eenen onmiddellijken dood!" zeide Tancmar Van Straten. "Maar dit is
niet genoeg. De verwaande Kerels en hunne aanleiders de Erembalds, die
door hunne dreigende houding onzen goeden vorst nog dieper hoonen,
moeten insgelijks worden gestraft Het zal niemand der heeren ontsnapt
zijn, hoe de moordenaar hardnekkig weigerde het gebod van onzen heer
graaf te gehoorzamen en hoe een enkel woord door den proost van
St-Donaas aan zijn oor gesproken, hem gedwee maakte als een lam. Het is
dus de proost, het zijn dus de Erembalds die over de Ambachten en over
de Kerels gebieden! Zij ontrooven aan den vorst zijne wettig overheid en
maken er dan nog gebruik van om de Kerels tot hoovaardigheid en tot
opstand aan te drijven, niet alleen tegen den graaf, maar tegen al wat
edel is in Vlaanderen ..."

"Elkeen zal, op tijd en plaats, krijgen wat hij verdient", onderbrak de
graaf. "Spreken wij van den moordenaar. Onze waardigheid eischt dat hij
sterve; maar men kan hem toch niet veroordeelen zonder hem te hooren.
Wie zal zijn vonnis uitspreken?"

"Een woord van u, heer graaf, is voldoende", antwoordde Walter Van
Lokeren. "Wie zou zich tegen uw besluit durven verzetten?"

"Inderdaad", bemerkte Willem van Normandië, "mij dunkt dat er reeds te
veel is geaarzeld. Indien zulke zaak in Frankrijk ware voorgevallen, de
plichtige hinge reeds aan de galg."

"Ja, maar, heer, in Vlaanderen zijn wij nog zooverre niet", antwoordde
de graaf. "Mijn voornemen is den plichtige rechters te geven en hem in
zijne verdediging te hooren. Het vonnis kan niet twijfelachtig zijn,
aangezien ik den Kerel voor het hoogerhof der ridders wil doen
verschijnen. Zoo ten minste zal het volk mij niet kunnen beschuldigen
van willekeur of dwingelandij. Ziet gij eenige redenen, heeren, om niet
onmiddellijk het hooge hof der ridders te doen vergaderen?"

"Geene de minste", zeide Tancmar Van Straten. "Er zijn ridders genoeg in
het paleis tegenwoordig, en allen wenschen den dood des moordenaars als
een noodig voorbeeld.... Luistert, heeren, hoe die schaamtelooze
Blauwvoeten daarbuiten roepen 'recht! recht!', zonder eerbied voor den
vorst. Men geve hun dus wat zij eischen. Een bevel van u, heer graaf, en
ik zal oogenblikkelijk het hoogerhof doen vergaderen."

"Verleent de heer graaf mij oorlof om te spreken?" zeide de kamerheer,
Gervaas Van Praet. "Zeker, wat heden op de Markt voorviel is eene
wraakroepende miskenning van den eerbied dien men onzen vorst
verschuldigd is. Wij zullen later, op behoorlijken tijd en door
doelmatige middelen, het trotsche geslacht verpletten dat zich dus tegen
alle wettelijke overheid durft opwerpen. Maar wat kan ons nu het
straffen van eenen enkelen man baten? Men neme in acht dat de
beschuldigde Kerel, volgens de wetten der Ambachten, in zijn recht was
en niets gedaan heeft dan zijnen plicht."

"Daarover zal het hoogerhof der ridderen uitspraak doen", wedervoer
Tancmar met eenige bitterheid.

"Het hoogerhof der ridderen?" hernam Gervaas Van Praet. "Dit hof is
ingesteld om in zaken van edelen, ridders en vrije lieden uitspraak te
doen. De gevangen Kerel is een dorper, een landbouwer. Zult gij, door
hem voor het hooge ridderhof te brengen, zijne vrije geboorte erkennen?
Begrijpt gij niet dat zulks den hoogmoed der Kerels nog zou vermeerderen
en ons in den weg zou staan, als wij later hun deze vrijheid willen
ontkennen?"

"Het is waar, daaraan hadden wij niet gedacht", mompelde Tancmar. "Beter
ware het dat de heer graaf, door een besluit van zijnen vorstelijken
wil, den schuldigen Kerel tot de galg verwees."

"Even onvoorzichtig ware dit", wedersprak hem Gervaas Van Praet. "Wilt
gij heden nog de Kerels, die in Brugge zich bevinden, tot gewelddaden
aandrijven? Wie zal met ons zijn als wij de poorters oproepen om te
verdedigen wat zij een onrecht meenen te zijn? En indien hier bloed
vergoten werd in eenen nutteloozen strijd, zou dan niet het geheele
Kerlingaland in opstand kunnen komen? Ons leger is te Atrecht. Vergeet
niet dat, indien wij in zulk geval tot den laatste toe ons leven gaven
om den persoon van onzen welbeminden vorst te verdedigen, die opoffering
misschien niet toereikend zou zijn. En daarbij, waar bleve dan het
ontwerp om de Kerels der Ambachten tot onderwerping te dwingen zoohaast
wij het met zekerheid kunnen doen?"

"De kamerheer heeft gelijk", bemerkte de oude Frumold. "Ik ken de
poorters van Brugge: het onrecht zullen zij niet verdedigen. Zonder
hunne hulp zijn wij in de macht der Kerels."

"Het schijnt dat ik van de overheid niets dan de schaduw bezit!"
schertste de graaf spijtig. "Ja, ja, ik heb het te lang geduld: dit moet
en zal veranderen! In afwachting geloof ik dat de kamerheer gelijk
heeft. Het kwetst mij diep, dit te moeten erkennen. De Kerel blijve dus
in de gevangenis ..."

"Gelieft de heer graaf mij nog eene bemerking toe te laten?" vroeg
Gervaas Van Praet. "Indien men den Kerel in de gevangenis houdt heeft
men hetzelfde kwaad te vreezen. Volgens de wet mag niemand een vrijen
Kerel in hechtenis houden zonder toelating der Keurmans, die
onmiddellijk de zaak moeten onderzoeken,--en, willen andere begoede
Kerels borg voor hem blijven, dan mag men hem hoegenaamd niet kerkeren.
Het onrecht zou dus blijven bestaan en het aangewezen gevaar
insgelijks."

De vorst toonde zich zeer ontevreden, niet over de woorden van zijnen
kamerheer, wiens trouw en verkleefdheid hij kende, maar over zijne
onmacht als vorst en over den tergenden toestand waarin hij zich bevond.

"Ik zou dus den hoon moeten verkroppen en den moordenaar laten loopen?"
kreet hij. "Zulke vernedering!"

"Het is een ondraaglijke hoon voor al wie edel bloed in de aderen heeft!
Er moet een einde aan onze schandelijke lijdzaamheid komen!"

"Inderdaad", bevestigde Gervaas, "er moet en er zal een einde aan den
overmoed der Kerels gesteld worden; maar wie een doel beoogt aanvaarde
de middelen om het te bereiken. Ik ben van gevoelen dat men de gevangen
Kerel in vrijheid moet laten gaan. Is hij plichtig, de Keurmans van zijn
Ambacht zullen hem oordeelen."

"Maar zijt gij zinneloos, mijn goede heer Van Praet?" riep de graaf.
"Zal uwe zwakheid mij niet een voorwerp van spot maken in de oogen der
hoogmoedige Kerels zelven? is de moordenaar, volgens de wetten der
Ambachten, niet voor zijne misdaad strafbaar, hij is toch schuldig van
oneerbiedigheid jegens mijnen persoon en van openbaren opstand tegen
mijnen wil."

"Ja, heer graaf, en hij verdient den dood; maar het groote doel,
waarnaar onze plicht als ridders ons oplegt te streven, eischt dat wij
voor alsnu dit doel niet in gevaar brengen door eene afzonderlijke wraak
op eenen enkelen persoon te plegen."

De ouden Frumold, wiens woord de graaf gewoon was aan te hooren, stond
op en sprak:

"Heer vorst, ik weet een middel waardoor niet alleen uwe overheid tegen
alle schennis zal gewaarborgd blijven, maar deze droeve zaak nog ter
uwer meerdere eere zal worden geëindigd. Laat den Kerel u verschooning
en vergiffenis vragen, omdat hij op zulken dag en in uwe
tegenwoordigheid wraak pleegde, en schenk hem dan door eigene beweging
de vrijheid. Men zal deze daad onthalen als eene hulde aan het recht,
zoolang dit recht bestaat, en men zal u roemen als een grootmoedig
vorst."

Velen, over dezen wijzen vond verwonderd en verblijd, knikten
bevestigend.

"Maar zal de hardnekkige Blauwvoet zich wel voor den graaf willen
vernederen?" vroeg Tancmar. "Ik twijfel er aan. De Kerels buigen niet;
men moet ze breken."

"De heer graaf late mij toe het te beproeven", sprak de oude Frumold.
"Met goedheid kan men veel van de Kerels bekomen."

"Nu, ga, en beproef het", beval de vorst. "Mij bedroeft en verveelt die
zaak uitermate. Later zal men weten wie ik ben!"

Frumold verliet de zaal en zocht naar den kastelein Hacket. Hij vond hem
onder de Loove, met de kommervolle oogen naar het gijselhuis gericht,
waar eene gansche schaar Kerels, hetzij staande, hetzij ten gronde
zittende, afwachtte wat men in het paleis aangaande hunnen gevangen
vriend zou beslissen.

"Heer kastelein", sprak hij, "gelief mij te volgen; ik heb u iets
belangrijks mede te deelen."

Hij leidde hem eenige stappen verre op het binnenplein, hield hem dan
staan en zeide hem dat de graaf den gevangen Kerel in vrijheid zou laten
gaan op voorwaarde dat deze hem verschooning vroege, niet aangaande het
feit van den doodslag zelven, maar nopens den tijd en de plaats waarop
de wraakneming was geschied.

Alhoewel de kastelein sterk twijfelde of Arnulf, dien hij kende als een
vastberaden man zonder vrees, wel tot zulk iets kon toestemmen, beloofde
hij al het mogelijke aan te wenden om hem er toe over te halen.

Hij riep vijf of zes wapenmannen tot zich en richtte zich naar het
Gijselhuis waar hij, om de onrustige Kerels te stillen, verplicht was
hun te zeggen dat hun vriend waarschijnlijk binnen een half uur zijne
vrijheid zou terugbekomen.

Deze aankondiging werd door een algemeen gejuich van blijdschap begroet.

Om meerdere kans tot welgelukken zijner zending te hebben, verzocht de
kastelein de weenende vrouw en twee kinderen van Arnulf hem in de
gevangenis te volgen.

De oude Frumold bleef te midden van het plein staan, afwachtende wat de
uitslag van des kasteleins poging zou zijn.

Het duurde niet zeer lang of een vreugdekreet ontsnapte hem; want hij
zag den kastelein met den Kerel uit het Gijselhuis komen. De laatste
moest dus toegestemd hebben tot het afsmeeken van des graven
vergiffenis.

Al de verzamelde Kerels vergezelden hunnen makker tot voor de Loove, en
begroetten hem en moedigden hem aan totdat hij onder de poort van het
paleis verdween. Eenigen der stoutsten volgden hem zelfs tot binnen het
hof.

De kastelein verscheen met zijnen gevangene bij den ingang der raadzaal
en wachtte daar een verder bevel.

"Treed nader!" gebood de vorst.

Met eene diepe buiging doch met helderen, onbevreesden blik stapte de
Kerel vooruit.

"Men heeft ons gemeld dat gij ons vergiffenis wilt vragen en onze
grootmoedigheid afsmeeken", zeide de graaf. "Is dit waar, zoo spreek!"

"Wie schuldig is, vraagt vergiffenis", antwoordde Arnulf. "Ik heb mijnen
plicht gedaan."

"Versteende trotschaard!" gromde de vorst, van ongeduld ter tafel
slaande.

"Gelief mij te hooren, heer graaf", hernam de Kerel, even onbewogen,
"Toen ik eerst op de Markt den moordenaar mijns broeders meende te
herkennen, zeide ik tot mijne vrouw dat deze ontmoeting, op zulken dag
en in uwe tegenwoordigheid, een ongeluk zou zijn, hetwelk ik diep zou
betreuren. Het heeft mij leed gedaan, heer graaf, door het vervullen van
eenen onverbiddelijken plicht de plechtigheid uwer blijde intrede te
hebben gestoord. Het grieft mij nog en ik smeek u, aangaande deze
omstandigheid, die onafhankelijk was van mijnen wil, mij uwe
grootmoedige verschooning te gunnen."

"Het is wel", sprak de graaf, in schijn tevreden over deze ootmoedige
woorden, die hem gelegenheid gaven om uit den neteligen toestand te
geraken, "Ik schenk u vergiffenis; ga in vrijheid en in vrede!"

Onmiddellijk verhief zich een gejuich dat door gangen en zalen voortliep
en welhaast tot op het middenplein hergalmde.

Meer nog werden de Kerels met blijdschap vervuld toen Arnulf buiten kwam
en zijne vrouw en kinderen omhelsde. Een schallend triumfkreet bonsde
tegen de muren van het paleis; en de vorst kon van in de raadzaal hooren
hoe daarbuiten hem ten lof wel twintigmaal opnieuw de schreeuw: "Heil
onze vorst! Leve de graaf van Vlaanderen!" werd aangeheven.

Dit gejuich deed den proost van St-Donaas en eenigen zijner vrienden,
die met groote bekommerdheid in de proostdij den loop der zaak
afwachtten, buiten komen. Met teekens van blijdschap liep de kastelein
tot hen en vertelde hun hoe deze erge zaak gelukkig was afgeloopen.
Allen betuigden hunne tevredenheid en drukten elkaar de handen; want zij
hadden zich zelven niet ontveinsd dat de gramschap des graven de
vijanden der Kerels in de hand kon werken, ja, zij hadden zelfs gevreesd
dat zij het sein tot eene erge en noodlottige vervolging kon worden.
Hunne vrees was geheel ongegrond geweest, meenden zij; want indien de
vorst den Kerel in vrijheid liet gaan, dit was wel een bewijs dat hij
niet voornemens was de wetten van Kerlingaland te veranderen, aangezien
hij nu daartoe eene schijnbare reden had, en deze niet gebruikte.
Diensvolgens waren de kwaadvoorspellende berichten, die Isaac Van
Reninghe aangaande de vermoedelijke inzichten des graven hun had
gebracht, van allen grond ontbloot.

De kastelein noodigde hen uit om op dezen verblijdenden uitslag eener
dreigende zaak met hem eenen beker Cyperwijn te gaan ledigen.

Allen volgden hem in den Steen.


VOETNOTEN:

[Voetnoot 30: "De Kerels droegen het haar kort en den baard lang ... de
ridders droegen het haar lang en schoren hunne kin."

_Ann. du Com. fl. de Fr.,_ tome VIII, pag. 68.]

[Voetnoot 31: Zie daarover VICTOR DE RODE, pag. 147.]

[Voetnoot 32: Het woord _Ambacht_ is later te zamen getrokken tot_Ambt_
en in het Duitsch tot _Amt._ Zie J. CRIMM, _Worterbuch_ bij _Amt._

LAPPENBERG, _Geschichte von Engeland_, t. I. pag. 583, zegt: "Tot de
oudste districts-benamingen, die het Engelsche _Shire_ voorafgingen,
behoorde nog _maegthe_, een land, dat de leden van een geslacht of van
ene _maegschap_, gelijk zij in den oorlog te zamen gestreden en veroverd
hadden, ook in den vrede te zamen bezaten."

Dan zal wel het woord Ambacht niets zijn dan het oud-Saksische _maegt_,
met het samenvoegend voorzetsel _an_ of _am_, dus _Ammaegt,_ waarvan
_Ambacht_.]

[Voetnoot 33: _Harop, Harop,_ voces Belgicae quae et clamorem ob crimen
perpetram, DUCANCE, _Gloss._

"Convictus ex _dousslach et harop_ emendabit comiti III libras"

_Keure van Veurne van 1240._]

[Voetnoot 34: "Van eenen min begrijpelijken aard was de wederzijdsche
verantwoordelijkheid der leden van eene maagschap (_de mageborge,
maegburh_), dat voornamelijk de verplichting begreep tot het wreken der
moorden, de bescherming der weezen, enz."

LAPPENBERG, _Geschichte von Engeland_, vertaald door Thorpe. t. II, pag.
332.]

[Voetnoot 35: _Keurmans, Keurlieden, Keurheers_, waren bij de Kerels de
bestierders en rechters, die door _Keure_ of kiezing werden aangesteld.]



V


Dakerlia Wulf, de schoone Kerlinne, zat in haars vaders Steen, bij een
venster, met een borduurwerk op den schoot.

Wel hing nog de gulden draad aan hare vingeren, doch de naald was haar
ontglipt. Zij arbeidde niet en scheen geheel verslonden in diepe
gepeinzen. Haar gelaat was bleek en de droefheid had nevens hare wangen
eenen lichten rimpel geplooid.

Nu en dan ontsnapte haar een zucht en murmelde zij eenige afgebrokene
woorden, waartusschen de namen van Placida en Robrecht alleen met eenige
duidelijkheid waren uitgesproken; maar die namen, als stonden zij tegen
haren wil op haren mond, deden haar telkens spijtig het hoofd schudden,
en dan slechts verroerden hare leden met eene korte doch krachtige
beweging van ongeduld.

Langen tijd was zij weder in stille mijmering bedolven gebleven toen de
deur der kamer werd geopend en eene jonge maagd met uitgestrekte armen
tot haar kwam.

Zij stond op en zeide na eene blijde omhelzing:

"Ach, Witta lief, hoevele uren wacht ik reeds op u! Allerlei angstvolle
gedachten bestormen mij. Ik vreesde dat gij ziek geworden waart.
Gisteren heb ik u van den gansenen dag niet gezien, en nu is het reeds
middag!"

"Veel bezigheid ... een onverwacht geval hield mij terug, Dakerlia",
antwoordde jonkver Sneloghe, als aarzelde zij om eene klaardere
uitlegging te geven. "Maar laat ons nederzitten en spreken wij van u,
vriendinne. Hoe gaat het heden met u?"

"Wel genoeg, gij ziet het."

"Nog zoo bleek! Gij hebt alweder geweend!" bemerkte Witta verwijtend.

"Gij bedriegt u", zeide Dakerlia met eenen pijnlijken glimlach, "ik heb
niet geweend; maar droef was ik toch onuitsprekelijk. De mensch,
vriendinne, is zoo zwak in den strijd tegen zijn eigen hart!"

"Maar, Dakerlia, gij moet verduldig u onderwerpen aan het lot. Zoudt
gij dus jaren lang gaan treuren over iets dat niet te veranderen is?"

"Neen, neen, niet jaren, niet maanden. Een ongeluk dat nog moet komen
verschrikt ons en ontrooft ons allen moed; een ongeluk dat geheel en al
onwederroepelijk is volbracht, geeft ons kracht en moed terug ..."

En zij voegde daarbij op den toon der diepste wanhoop:

"Eilaas, nog drie weken, eene eeuw van smart en angst!"

Witta greep hare hand en zeide troostend:

"Kom, vriendinne, wees redelijk. Gij weet dat ik even droef ben als gij.
Het zoet en vroolijk leven dat wij sedert onze kindsheid te zamen
genoten, is voor altijd verloren. Ik zit nu alleen, immer alleen in
mijne kamer ... maar, hoe het zij, er is niets aan te doen. Wees gij
insgelijks verduldig, Dakerlia, anders zult gij u zeker ernstig ziek
maken, en hoe ongelukkig zou dan uw arme vader niet zijn, indien hij
zijn eenig kind zag verkwijnen? Eergisteren toen ik u verlaten had,
sprak hij mij over uwe onpasselijkheid met de tranen in de oogen. Hij
wilde van mij weten wat toch de reden van uw onbegrijpelijk verdriet kon
zijn; maar ik heb ze hem niet durven openbaren ..."

"Ik zelve heb ze hem geopenbaard, Witta."

"Gij hebt de reden uwer smart hem bekend?"

"Ja, geheel en zonder de minste terughouding."

"Zoo? en wat heeft hij gezegd, Dakerlia?"

"Het heeft hem verblijd; hij heeft met mijn verdriet gelachen."

"Dit kan ik niet gelooven! Uw vader bemint u te veel om bij uw lijden
ongevoelig te blijven."

"Het is te begrijpen, Witta. Hij vreesde dat eene erge ziekte mij
bedreigde en was daarom, uit liefde tot mij, zeer bekommerd; maar nu hij
weet wat mij ontstelt, is hij geheel gerust. Liefdezaken? Men sterft
daar niet van, zegt hij."

"Hij heeft gelijk, meen ik, Dakerlia."

"Ik heb hem niet tegengesproken; het hadde hem te veel leed gedaan!"
zeide jonkver Wulf op zonderlingen toon.

Robrechts zuster aanschouwde haar verschrikt en murmelde: "O, Hemel,
Dakerlia, gij, die zoo sterk zijt, gelooft gij inderdaad, dat men van
zulk verdriet kan sterven?"

Jonkver Wulf legde zich de hand op het hart, terwijl zij eenen klagenden
blik ten hemel stuurde.

"De sterkste zielen", zeide zij, "lijden het wreedelijkst, omdat zij
dieper gevoelen en niet zoo spoedig onder het gewicht der smart
ontspannen. Maar wees om mij niet bekommerd, Witta. Nog drie weken!
Wanneer dan alles onherroepelijk is volbracht, zal ik de kracht vinden
om mij in de uitspraak van het lot te getroosten."

Er heerschte eene wijl stilte. Dakerlia zag hare vriendin in de oogen en
scheen iets te vragen, doch daar zij geen antwoord bekwam, zuchtte zij:

"Kom, Witta, spreek mij toch van hem. Hoe gaat het met hem?"

"Tamelijk wel. Hij aanvaardt verduldig het lot."

"Ja, hij is man, Witta; de mannen zijn niet, als wij, slaven van het
hart. Hij heeft het gezegd: Placida is schoon; hij zal hopen haar te
beminnen en hij zal er in gelukken. De arme Dakerlia zal vergeten
worden, zooals het behoort ... en ze zal verkwijnen misschien in den
harden, nutteloozen strijd om te kunnen vergeten!"

Zij sloeg zich de handen voor het aangezicht en verborg dus de tranen
die haar in de oogen schoten.

"Gij zijt onrechtvardig, Dakerlia", morde Robrechts zuster verwijtend.
"Mijn arme broeder is treuriger nog dan gij."

"Ja, troost mij", antwoordde Dakerlia met droeve scherts. "Het is soms
edelmoedig bedrukte lieden te bedriegen. Gisteren heb ik den ganschen
dag nutteloos op u gewacht, gehoopt, gebeefd geleden; maar gij hadt
niets mij te zeggen ... en zoo zal het in de toekomst gaan. Tusschen u
en mij en uwen broeder zal het lot eenen afgrond delven; en zij die aan
de eene zijde van de kolk staan, zullen voor immer vergeten wie er aan
de andere zijde treurt en verkwijnt."

"Mijn broeder heeft mij gebeden hier van hem nooit te spreken", zeide
Witta, "en ik gevoel wel dat de plicht mij het insgelijks gebiedt: maar
uw bitter lijden, Dakerlia, uwe sombere wanhoop, die ik wel doorgrond,
dwingen mij tot zondige onbescheidenheid."

"O, spreek, spreek uit medelijden!" smeekte jonkver Wulf.

"Welnu, hoor dus wat ik u meende te verzwijgen. Mijn broeder heeft, met
vele andere ridders, onzen heer graaf uitgeleide gedaan tot Yperen, en
is daar zelfs gebleven tot des vorsten vertrek naar het leger.
Gisterenmorgen, bij zijne terugkomst, moest mijn broeder onmiddellijk
naar Placida Van Woumen gaan. Het was zijn plicht, en ik raadde hem aan
dien te vervullen. Hij was zoo ontmoedigd en zoo treurig, dat hij op
zijne kamer is gegaan en langen tijd daar in eenzaamheid bleef zitten.
Dan heeft hij eenen bode naar sher Rijkaards Steen gezonden om jonkver
Placida te melden dat hij onpasselijk was en niet kon uitgaan.
Inderdaad, hij is den ganschen dag te bed gebleven. Ik was zeer angstig
bij de gedachte dat eene erge ziekte hem bedreigde ..."

"Ziek? hij ziek? O hemel!" kreet Dakerlia met den glimlach der
blijdschap op de lippen en tevens den strakken blik der verschriktheid
in de oogen.

"Ik geloofde dat eene zware ziekte hem had overvallen", hernam Witta.
"Verre in den avond, toen hij hoorbaar sliep ging ik vol kommer nevens
zijn bed zitten, om te waken en bidden. Hij heeft gedroomd, luidop
gedroomd. Wat hij zeide verstond ik niet; maar van tijd tot tijd zweefde
uw naam Dakerlia op zijne lippen, en dan lachte hij zoo zoet in zijnen
slaap, dat mij het hart van ontroering klopte. Ook morde hij wel eens
den naam van jonkver Placida, en dan trok zijn mond tot eenen grijns van
smart te zamen en zwoegde zijne borst en stak hij de handen vooruit als
om iets te verwijderen dat hem verschrikte ..."

Dakerlia slaakte eenen blijden kreet.

"Ach, dank! dank!" zuchtte zij. "Zulke woorden alleen kunnen mijne smart
verlichten."

"Blijf bedaard, vriendinne", zeide Witta.

"Neen, laat mij dien troost genieten. Ik meende alleen, gansch alleen te
lijden, en hij, hij tevens bezwijkt onder het gewicht der treurnis!"

"Maar, Dakerlia, gij verbaast mij! Hebt gij dan nog de hoop behouden dat
Placida Van Woumen zijne echtgenoote niet zal worden?"

"Of ik nog eenige hoop heb behouden?" herhaalde jonkver Wulf met
plotselijke ontmoediging. "Eilaas, neen, vriendinne, niet de minste
hoop. Verschoon mij: mijne hersens zijn ontsteld, ik ben
zinneloos,--zinneloos genoeg om mij in de ziekte van Robrecht te
verblijden ... ik, die al mijn bloed zou geven om hem gelukkig te weten!
Moge de barmhartige God mijne schuldige ontsteltenis mij vergeven en hem
spoedig laten genezen!"

"Maar hij is niet ernstig ziek, Dakerlia."

"Ha, ik begrijp: het hart alleen doet hem wee, niet waar? Schromelijk is
die ziekte der ziel!"

"Heden is hij opgestaan en heeft mij gezegd dat hij na den middag
jonkver Placida een bezoek zal brengen. Ik hoor wel aan den treurigen
toon zijner stem dat dit bezoek hem onaangenaam is; maar hij kan het
niet uitstellen. Mher Rijkaard Van Woumen, die onzen heer graaf tot
Rijssel heeft vergezeld, moet dezen morgen teruggekeerd zijn; en gij
begrijpt wel, Dakerlia, dat Robrecht niet mag nalaten hem te gaan
begroeten. Nu zou ik moeten huiswaarts keeren; ik ben slechts gekomen om
te vernemen hoe het met u gaat."

"Gij verlaat mij reeds? Ach, Witta, dan ben ik weder zoo gansch alleen!
Blijf, ik smeek u!"

"Onmogelijk, mijn broeder staat gansch gereed om zijn bezoek bij mher
Rijkaard te brengen."

"Wat doet het? Hij zal daarom niet laten uit te gaan. Heb medelijden met
mij!"

"Ik kan niet blijven, Dakerlia. Mijn broeder wacht mij."

"O, God!" riep jonkver Wulf eensklaps met blijdschap, "het is dus
Robrecht die u tot mij gezonden heeft? Gij zeidet dat hij nooit meer van
mij spreekt ... en hij wacht om te weten hoe het met mij gaat! O,
bevestig mij in die hoop!"

"Welaan, ja, hij is bekommerd over uwe gezondheid. Laat mij nu
vertrekken: ik zal in den morgen hier wederkeeren."

"Ga, ga, spoedig!" murmelde Dakerlia, hare vriendin bij de hand tot de
deur lijdende. "Stel hem gerust; verzeker hem dat mijne gezondheid niet
in het minste is bedreigd. Dat ik droef ben en onder eene diepe smart
gebukt lig, zeg hem dit niet; hij zal het wel voelen aan zijn eigen
hart. Tot straks, tot straks!"

Jonkver Sneloghe haastte zich naar hare woning.

Toen zij binnentrad, vond zij haren broeder in de zaal zitten, met den
blik nederwaarts en zoo diep in zijne overweging bedolven dat hij het
hoofd slechts ophief toen zij voor hem stond.

"Welnu, zuster?" vroeg hij.

"Zij is veel beter, broeder; zij zal niet ziek worden."

"De goede God zij er om geloofd!" murmelde Robrecht.

Na een oogenblik stilte zeide hij, als sprake hij tot zich zelven:

"Wel gebiedt de plicht mij nimmermeer aan haar nog te denken; maar ik
ben toch mensch en heb geen steenen hart. Vreezen dat de trouwe vriendin
onzer kindsheid van treurnis kan verkwijnen, en alle medelijden in onzen
boezem moeten versmachten, het is iets dat mijne krachten te boven gaat.
Is deze zwakheid een zondig vergeten van den plicht, de hemel zal mij
vergiffenis schenken in aanzien mijner onderwerping aan zijn besluit."

Robrecht had deze woorden op zulken lijdzamen, smartelijken toon
gesproken, dat Witta de handen voor de oogen had geslagen en luidop
snikte.

"Ween niet, zuster lief", zeide hij, "er is niets aan te doen. Het lot
is wreed jegens mij; maar in het gevoel van den plicht vindt een man
eindelijk de kracht om het leven te dragen, hoe bitter het zij."

Met eenen zucht voegde hij er bij:

"Eilaas, ik waande mij zelven sterker: ik hoopte dat ik allengs mijne
vroegere gedachten geheel zou hebben overwonnen; maar mijne ziel dwaalt
immer weg in treurige droomen ... in de pijnlijke beschouwing van het
verloren geluk ..."

Hij blikte in stilte ten gronde en scheen diep neerslachtig; doch bijna
onmiddellijk hief hij het hoofd weder op en morde met treurig ongeduld:

"Ach, wat geschiedt mij? Is alle gemoedskracht mij ontvallen? Vergeet ik
dat Kerlingaland, dat de vrijheid van mijn geslacht dit offer van mij
vergt? Weg, weg, die aarzeling! De plicht is de opperste wet. Zal ik tot
eenen lafaard ontaarden? Neen, neen, gehoorzamen wij, en weze dit de
laatste klacht die mijnen boezem ontsnapt!"

Hij omhelsde zijne weenende zuster, zeide nog eenige geruststellende
woorden om haar te troosten, verliet in allerhaast zijnen Steen en
keerde om den hoek der Ridderstraat.

Onder den invloed der gepeinzen vertraagde allengs zijn stap; hij bleef
zelfs, onder de boomen der Spiegelrei, een oogenblik staan en schudde
zuchtend het hoofd, waarna hij even mijmerend weder zijnen weg
vervorderde.

Hij kon niet begrijpen hoe, ondanks zijnen vasten wil en zijne heldere
rede, eene geheimzinnige macht hem beheerschte. Wist hij niet dat dit
huwelijk hem was opgelegd als eene opoffering die de vrijheid van
Kerlingaland kon redden? Was hij niet overtuigd dat het voltrokken moest
worden en niets op aarde het nog kon beletten? Hij had die verbintenis
aanvaard en zich met goeden wil aan het onverbiddelijk lot onderworpen;
ja, hij had gehoopt dat allengs in zijn hart eenige genegenheid voor de
schoone Placida Van Woumen zou zijn ontstaan. En nu? Nu boezemde Placida
hem afschrik in, nu deed het gepeins dat hij in hare tegenwoordigheid
ging verschijnen hem sidderen! Nu liep er koude door zijne aderen,
wanneer hij in de verbeelding haar helder oog op zich gevestigd zag! En
hij gevoelde geenen haat voor haar; niets dan een onuitlegbaar gevoel
van vrees, eenen ziekelijken schrik ... Maar het mocht daarbinnen in
zijn hart gaan zooals het kon, hij moest toch uit dezen strijd opstaan
met de noodige gemoedskracht om zijnen plicht te volbrengen ...

Zoo vervuld met onverwinnelijke droefheid, doch welberaden om niets te
zeggen of te doen dat Placida of hare ouders kon kwetsen, bereikte hij
sher Rijkaards Steen.

Op zijne vraag zeide hem de schalk, die de poort opende, dat mher Van
Woumen sedert gisterenavond was teruggekeerd, maar nu daareven den Steen
had verlaten. Jonkver Placida was te huis en wachtte zelfs op mher
Robrecht, meende de schalk.

Hij leidde den jongen ridder over den neerhof en opende voor hem de deur
eener kamer, waar Placida bij het venster was gezeten met hare oude
dienstmeid Martha.

Op de tafel bemerkte hij met verwondering de dooze die zijne beloftegift
bevatte. Placida had het juweel nog onlangs in de hand genomen,
misschien had zij zich er mede versierd?

Hij keerde zijn oog van de dooze om zijne verloofde te groeten; maar de
jonkvrouw richtte op hem eenen bijzonderen strengen blik verwijtend en
zoo zonderling diep, dat Robrecht er gansch van ontstelde.

Hij boog zich voor de maagd en murmelde:

"Jonkver Van Woumen, ik bid u om verschooning. Zeker, mijn eerste plicht
en mijn eerste wensch na mijnen terugkeer van Yperen, moesten zijn u een
bezoek te brengen; maar zooals mijn bode u gemeld heeft, ik was gisteren
onpasselijk, zeer ziek zelfs."

De jonkvrouw deed hare dienstmeid een teeken dat zij de kamer zou
verlaten. Dan wendde zij zich tot haren verloofde.

"En mher Sneloghe is heden gansch genezen?" vroeg zij op eenen toon van
half verborgen spot en met eene spijtigheid die Robrecht verbaasde. Hij
aanschouwde haar zwijgend.

"Waarom mij bedriegen?" zeide zij. "Gij waart niet ziek, heer. Iemand
anders moest gij bezoeken, niet waar?"

"Ik begrijp u niet, Placida", mompelde Robrecht. "Geloof mij, ik was
gisteren zoo onpasselijk dat ik van den ganschen dag mijn bed niet kon
verlaten."

"En niemand hebt gij gezien of gesproken?"

"Niemand dan mijne zuster."

Jonkver Van Woumen schudde ongeloovig het hoofd, terwijl een vinnige
glimlach op hare lippen sidderde.

"Uw strenge blik beschuldigt mij", stamelde Robrecht. "Heb ik iets
gedaan dat u op mij kon verbitteren, het was dan onwetend; want
waarlijk, Placida, ik wensch niets meer dan al wat in mijne macht is aan
te wenden om u te behagen."

"Ah, daarin juist bestaat uwe valschheid", zeide de jonkvrouw met eene
gramschap die zij niet poogde te bedwingen.

"Mijne valschheid!" herhaalde Robrecht, wiens oog plotselijk eene
genster van verontwaardiging uitschoot.

Maar hij bedaarde even spoedig en sprak:

"Placida, een man zou mij die beschuldiging niet ongestraft toesturen;
in u evenwel eerbiedig ik niet alleen mijne verloofde, maar tevens de
vrouw. Men heeft u bedrogen, ongetwijfeld; men heeft kwaad van mij
gesproken en gij, gij hebt het geloofd! Ik had recht op meer vertrouwen
van uwentwege. Mijne valschheid! Gij acht mij valsch?"

Jonkver Van Woumen bleef eene korte wijl stilzwijgend, als raapte zij
hare stoutheid of hare gemoedskracht te zamen tot het uitvoeren van een
gewichtig besluit.

"Neen, beweer niet, heer, dat gij u oprecht jegens mij gedraagt", zeide
zij. "Hoe? gij laat mij gelooven dat ik uwe genegenheid geheel zal
bezitten? Ik aanvaard uwe hand.--Ah, dit zou men geene valschheid moge
noemen?--Wetens en willens veroordeelt gij mij om mijn treurig leven te
slijten met eenen echtgenoot wiens gedachten verre van mij zijn en die
het mij nimmer vergeven zou aan zijne zijde de plaats eener andere vrouw
te hebben ingenomen. Het is zulk lot dat gij mij wilt bereiden?"

Robrecht werd door deze onverwachte aantijging diep getroffen. Hij zag
de jonkvrouw zwijgend en met verbaasden blik aan.

"Het is dus waar! Gij bekent het!" kreet zij met eenen spotlach.

Eenen geweldigen strijd doorstond de jonge ridder. Hij voelde zich
bloedig gekwetst en worstelde tegen zijne mannelijke waardigheid die hem
aandreef om den hoon af te weren; maar dan overwoog hij hoe zijn oom en
al de zijnen hem zouden beschuldigen van lafheid of van zelfzucht,
indien hij eenige redenen gaf tot het verbreken der huwelijksbelofte.
Dan zouden de Erembalds in Rijkaard Van Woumen niet eenen machtigen
vriend, maar eenen onverzoenbaren vijand vinden, en hij, Robrecht, zou
misschien de schuld van der Keerlen verderf zijn. Deze gepeinzen sloegen
hem met droefheid en spoorden hem aan tot eindeloos geduld.

"Jonkver Placida", zeide hij zonder driftigheid, "onze ouders hebben
geoordeeld dat een huwelijk tusschen ons wenschelijk was voor het
welzijn van beide geslachten. Zij hebben onze harten niet geraadpleegd;
zij konden het niet doen, wij kenden elkander nauwelijks. Wat mij
betreft, ik heb uit plichtgevoel die verbintenis aanvaard met de hoop,
bijna met de zekerheid dat ik u zou beminnen. God heeft u begaafd met
schoonheid ..."

"Hoe kondet gij dit hopen, heer?" onderbrak Placida, "dewijl uw hart
geheel is ingenomen door hetzelfde gevoel voor eene andere vrouw?"

Robrecht, gemarteld door eene pijnlijke verlegenheid, murmelde eene
onverstaanbare terechtwijzing.

"Wie toch kon weten", schertste Placida met misprijzen op de lippen,
"dat gij u vereerd zoudt achten met de hand eener edelgeborene
jonkvrouw? Gij zijt een Kerel; een Kerlinne alleen is uwer liefde
waardig! Dakerlia wone dus op Ravenschoot! Wees zeker, heer, ik benijd
de dochter van Segher Wulf dit geluk niet!"

"O, ik smeek u", riep Robrecht met sombere ontstelde stem, "hoon jonkver
Dakerlia Wulf niet in mijne tegenwoordigheid! Laat mij bedaard blijven.
Ik zal alles verdragen, alles lijden, maar eerbiedig Dakerlia!"

"Genoeg, ik weet genoeg", wedervoer Placida. "Nu ben ik overtuigd dat
men mij de waarheid heeft gezegd. Gij zelf, heer, ontkent het niet.
Alles zij dus gedaan tusschen ons. Neem uwe beloftegift terug ..."

"Eilaas, jonkver Placida, wat doet gij?"

"Neem uwe gift terug; ik ontsla u van uwe belofte: gij zijt vrij."

"Maar wat zal uw heer vader zeggen?"

"Mijn vader weet wat ik voornemens was heden te doen. Hij betreurt mijn
besluit, doch wil mij niet dwingen."

"En hij zal ons ten vijand worden?"

"In het geheel niet. Neem uwe beloftegift terug, heer!"

"Maar berekent gij dan niet, Placida, dat mijne maagschap, dat de
Erembalds het breken dezer verbintenis als eenen bloedigen hoon zullen
beschouwen? Wat al ongelukken kunnen daaruit ontstaan!"

"Gij bedriegt u, heer. Mijn vader zal uwen oom, den proost, gaan spreken
en hem doen begrijpen dat ik alleen de schuld ben van alles; dat ik dit
huwelijk van de hand wijs, ondanks den wensch mijner ouders. Uw oom en
uwe magen zullen, meen ik, den wil eener vrouw eerbiedigen, en mijnen
vader daarom niet haten ... Neem uwe beloftegift terug, heer!"

"Eilaas, het zij zoo!" zuchtte Robrecht, de juweeldoos van de tafel
nemende.

"Alles is dus tusschen ons verbroken?" vroeg hij droef.

"Alles", was het koele antwoord.

"Onherroepelijk en voor altijd?"

"Voor altijd!"

"Blijf dus met God, jonkver Van Woumen. Hij late u gelukkig zijn, dit is
mijn oprechte wensch", murmelde Robrecht, terwijl hij de doos in zijne
tassche stak en aarzelend nog bleef staan.

"Geene hoop meer?" zuchtte hij.

"Geene. Vaarwel!"

Robrecht groette nog diep en verliet sher Rijkaards Steen.

Toen hij in de straat kwam, helde zijn hoofd voorover en hij stapte eene
lange wijl als bewusteloos voort; maar dan verhelderde allengs zijn
blik, totdat hij eensklaps het hoofd ophief en met eenen begeesterden
lach op het gelaat in zich zelven mompelde:

"Vrij? vrij? Ik heb mijnen plicht betracht, hoon en laster verdragen, de
slachtoffering verduldig aanvaard tot het uiterst einde ... en toch ben
ik vrij! Ha, dank, o God, dat gij mij dit leven van eeuwige treurnis
hebt gespaard ... Dakerlia! Dakerlia!"

En onder den invloed dezer blijde gedachten verhaastte hij zoodanig
zijnen stap dat hij weinige oogenblikken daarna de Spiegelrei bereikte.

Hier zag hij tusschen de boomen eene vrouw wier nederige kleeding eene
dienstmeid scheen aan te kondigen. Zij trad in zijne baan, als wachtte
zij hem af, liet hem nader komen, schikte zich nevens hem en vroeg met
verdoofde stem:

"Heer, herkent gij mij niet?"

"Ja, gij zijt Brigitta, de dienstmeid van jonkver Placida", mompelde
Robrecht, haar beziende.

"Ik heb u iets te zeggen, heer. Verraad mij nimmer. Wat ik doe is uit
eerbied, uit liefde tot u, en ik waag er misschien mijn leven aan ...
Mijne jonkvrouw heeft uwe beloftegift u teruggegeven niet waar? Heeft
zij u niet beschuldigd eene andere vrouw, eene Kerlinne, uwe liefde te
hebben geschonken?"

"Hoe weet gij dit? Gij waart niet tegenwoordig!" vroeg Robrecht
verwonderd.

"Dit is wat ik u wilde verklaren, heer. Gisterenavond is mijn meester
van de reis te huis gekomen. Hij heeft zich met jonkver Van Woumen in
eene kamer opgesloten om haar over iets gewichtigs te onderhouden. Ik
heb schier alles gehoord. Mher Van Woumen zeide dat gij eene andere
jonkvrouw bemint en bijna al uwen tijd in haar gezelschap slijt. Hij
noemde daarbij vele malen eenen mher Tancmar en andere ridders, die hem
te Rijssel dringend aangeraden hebben de huwelijksbelofte zijner dochter
te breken. Men besloot het te beproeven, maar dewijl mher Van Woumen de
wraak uwer bloedverwanten niet op zich wilde laden, zou men jonkver
Placida pogen over te halen om uit eigene beweging het huwelijk af te
wijzen. Daarom moest men haar tegen u verbitteren. Men deed mijne
jonkvrouw roepen en men overtuigde haar dat gij sedert lang eene zekere
Dakerlia Wulf bemint. Mijne jonkvrouw, door deze lasterlijke aantijging
bedrogen, stemde in alles toe. Gij ziet het dus wel, heer, men heeft
eenen verraderlijken aanslag tegen u gesmeed en mijne jonkvrouw
bedrogen. Alle hoop is niet verloren. Bewijs uwe onschuld: het moet u
gemakkelijk zijn; jonkver Placida zal terugkomen op haar besluit ... Nu
keer ik spoedig weder naar onzen Steen. Bedank mij niet: ik ben nu eene
slavinne, maar mijne ouders waren vrije Kerels. God geleide u, heer!"

Robrecht zag haar eene wijl denkend achterna. Dan keerde hij zich om,
vervorderde haastig zijnen weg, en zeide in zich zelven, met eenen
helderen glimlach op het gelaat:

"Ha, ha, het is te Rijssel dat men besloten heeft dit huwelijk te
beletten! Ik heb er dus geene de minste schuld aan. Mijn geweten is
onbeladen en mijn oom kan mij niets verwijten. Tancmar, altijd die
Tancmar! Hij vervolgt ons zonder verpoozing. Die bloedvijand van ons
geslacht heeft nu toch zijn doel gemist. Hij meende mij diep te honen en
doodelijk te bedroeven ... en hij maakt mij den gelukkigste der
menschen! Nu heb ik mijne vrijheid weder. Er is niet meer op terug te
komen. Geene macht op aarde kan mij nog dwingen mij voor Placida Van
Woumen te vernederen. Dakerlia, Dakerlia zal mijne levensgezellinne
zijn!"

En nog meer zijnen stap bespoedigende, bereikte hij welhaast het einde
der Ridderstrate.

Hij klopte aan de poort van zijnen Steen, ging den schalk zonder
spreken voorbij en liep tot in de zaal waar zijne zuster, voor een
kruisbeeld geknield, in een innig gebed was verslonden.

Zijne verwarde zegekreten deden haar verbaasd opspringen, en zij wilde
hem vragen wat hem dus was overkomen; maar hij sloot haar in zijne armen
en zeide:

"Witta, de Hemel is ons barmhartig! Ik trouw niet met Placida; zij zelve
heeft onze belofte verbroken en mijne gift mij doen terugnemen. Het is
onherroepelijk. Ik ben vrij, Dakerlia zal met ons wonen, zij zal mijne
bruid en uwe zuster zijn, totdat de dood ons scheide!"

Het jonge meisje, door deze tijding gansch buiten zich zelve van
gelukkige verrassing, hief de handen in de hoogte en riep uit:

"O, dank, dank, God, Gij hebt mijn gebed verhoord!"

Maar Robrecht greep haar den arm en trok haar naar de deur, terwijl hij
haastig zeide:

"Kom, kom, zuster: Dakerlia moet het weten."

Het meisje weerstond hem eensklaps.

"Dakerlia?" morde zij, "o, neen, nog niet!"

"Zij is droef, zij lijdt, Witta."

"Ja maar, die onverwachte tijding ..."

"Welnu?"

"Die onverwachte tijding zou haar kunnen ziek maken, haar kunnen doen
sterven. Zij is zoo uiterst gevoelig."

"Gij verschrikt mij! inderdaad ..."

"Laat mij alleen tot haar gaan", zeide Witta. "Ik zal het haar
voorzichtig bekend maken. Eenige woorden zijn genoeg om haar te behoeden
voor eene plotselijke ontsteltenis. Kom gij dan straks."

"Ga, ga, zuster, uw raad is wijs en goed; maar haast u toch, ik smeek
u!"

Het meisje begaf zich naar sher Wulfs Steen.

Toen zij de achterzaal binnentrad, zag zij Dakerlia met eenen witten
doek in de hand voor het venster zitten. De hopelooze had waarschijnlijk
in hare droeve eenzaamheid alweder tranen gestort.

Robrechts zuster meende tot haar te loopen en hare treurnis door eene
onmiddellijke veropenbaring van het gelukkig nieuws te verdrijven; maar
zij weerhield zich, naderde tot Dakerlia, nam haar de hand en zeide:

"Nu, ween niet meer, vriendinne ..."

"Ach, ik kan mijne smart niet bedwingen; ik zal zeker ziek worden, ik
gevoel het wel!" riep jonkver Wulf.


[Illustratie: "Aanvaard het uit mijne hand." (Bladz. 123.)]


"Ik kom om u iets te zeggen, Dakerlia ..."

"Gij hebt nooit afgunst gevoeld, Witta; de minnenijd heeft nooit u den
boezem verteerd.

O, behoede de barmhartige God u voor zulk akelig lijden! Het is eene
slang die om ons hart gekronkeld ligt en het vezel voor vezel verbijt en
verscheurt."

"Maar laat mij spreken", morde Witta, hare klacht onderbrekende. "Ik heb
eene verrassende tijding u mede te deelen. Het schijnt dat het huwelijk
mijns broeders met Placida Van Woumen eenig beletsel ontmoet."

Dakerlia zag haar als verschrikt aan en begon te sidderen.

"O, hemel, wat zegt gij?" mompelde zij schier onverstaanbaar. "Spreek,
spreek!"

"Gij zijt zoo ontsteld, vriendinne; ik zeg immers niet dat dit huwelijk
verbroken is?"

Eenen zwaren zucht slakende, riep Dakerlia klagend uit:

"Ach, Witta, Witta, waarom pijnigt gij mij zoo wreedelijk?"

Jonkver Sneloghe verkeerde in eene lastige verlegenheid. Haar broeder
ging komen; zij moest zich haasten en de groote ontstelbaarheid van
Dakerlia maakte hare taak zoo moeilijk! Tot een besluit gedwongen,
verzamelde zij haren moed en zeide:

"Dakerlia, ik heb gewichtige dingen u te openbaren: maar gij moet
bedaard blijven of ik verlaat u oogenblikkelijk ... Het is
waarschijnlijk dat de huwelijksbelofte mijns broeders zal verbroken
worden."

"Waarschijnlijk?" herhaalde Dakerlia, met eenen hoopvollen lach van
haren zetel opstaande.

"Bijna zeker."

"Ach, mocht dit geschieden, hoe zou ik God zegenen!"

"Het is geschied, Dakerlia: het huwelijk is verbroken."

Jonkver Wulf vloog hare vriendin aan den hals en lachte en stortte
tranen, als hadde deze tijding haar van blijdschap zinneloos gemaakt.

De deur werd geopend, en Robrecht trad binnen.

Een kreet ontsnapte Dakerlia; zij rukte zich los uit de armen harer
vriendin en meende met uitgestrekte handen Robrecht te gemoet te loopen;
maar een hevig schaamrood klom op haar voorhoofd en zij bleef, met
neergeslagen blik, te midden der kamer staan.

Dezelfde ontsteltenis had den jongeling getroffen; maar hij, het eerst
de bewegingen van zijn hart bedwingende, ging tot haar, nam haar de hand
en sprak op schier plechtigen toon:

"Dakerlia, mijne zuster heeft u gezegd, niet waar, dat ik verlost ben
van den dwang die mij ongelukkig maakte. De wreede beproeving, welke wij
moesten onderstaan, heeft ons toegelaten in elkanders hart te lezen. Na
zulke bekentenis hoef ik u niet te vragen, Dakerlia, of uwe ziel
dezelfde wenschen voedt als de mijne. Ik kan niet meer leven zonder u
te zien, zonder uwe stem te hooren, zonder mijn heil uit uwen zoeten
blik te putten. Vrienden als te voren kunnen wij niet meer zijn. Wij
moeten iets anders voor elkander worden. Stemt gij toe?"

Dakerlia wilde antwoorden; maar de spraak verstikte in hare keel en zij
begon overvloedig te weenen. Deze onverwachte vraag had haar zoodanig
ontsteld, dat zij wankelend tot haren zetel liep en met de handen voor
de oogen er zich op liet nedervallen. Maar de stilte die haar omringde
riep haar tot bewustzijn terug.

"Ach, Robrecht, Witta, vergeeft het mij!" kreet zij. "Er is een geluk
zoo eindeloos groot dat het ons verplettert. Komt, komt hier bij mij,
geeft mij de hand ... Laat mij ademhalen. Waarom stort de genadige God
... dus in eens over mij ... al de zaligheden van een gansch leven
uit?... Zoo, zit zoo nevens mij!"

"Bedaar toch, lieve Dakerlia", murmelde mher Sneloghe.

"Ach, hoe duister mijne hersens! Alles draait in mijn hoofd. Gij hebt
mij iets gevraagd, Robrecht. Zou ik wel begrepen hebben? Is het eene
begoocheling mijner zinnen?"

"Wilt gij mijne bruid worden?" vroeg de jonge ridder.

"Ik uwe bruid? Onmogelijk! Het is een droom!"

"Ja, ja, Dakerlia, het is de zoete droom onzer harten die zich
verwezenlijken gaat."

"Het zou waar zijn? Ik, Dakerlia, ik zou uwe echtgenoote worden? Ik zou
met u leven, u nimmer verlaten, uwe vreugde, uwe smarten deelen, nevens
uwe zijde staan tot aan het graf? Ach, ik kan aan zooveel geluk niet
gelooven!"

Robrecht nam de juweeldoos uit zijne tasch, opende ze en reikte de
jonkvrouw het kostbare halssnoer.

"Dakerlia", zeide hij, "gij weet tot welk einde mijne moeder op haar
sterfbed mij dit juweel heeft geschonken. Aanvaard het uit mijne hand."

De dwalende maagd greep het glinsterende snoer en drukte het aan hare
lippen en op haar hart, terwijl zij hijgend uitriep:

"Het is waar, het is waar, ik kan niet meer twijfelen! Hoe looft mijne
ziel, o, God! Aan mij dit pand, aan mij voor altijd!"

En Witta opnieuw in hare armen sluitende, begon zij te juichen van het
geluk dat hen allen wachtte, van de eeuwige vriendschap, van de
onverstoorbare liefde waarin zij te zamen zouden leven als in eenen
immer wolkenloozen hemel. Robrechts zuster en hij zelf voegden nu en dan
een woord bij hare verblindend schoone schildering der toekomst, maar
zij liet hun niet veel zeggen en kon geen oogenblik zwijgen, zoo zeer
gevoelde zij den dringenden nood tot uitstorting haars harten.

Robrecht stond op en zeide:

"Dakerlia, de zorg voor ons geluk dwingt mij u te verlaten. De dag zal
niet lang meer duren. Mijn oom moet weten wat er is geschied; uit mijnen
mond slechts mag hij vernemen aan wie ik nu mijne beloftegift heb
aangeboden. Vrees niet meer. Uw vader zal mijn besluit toejuichen. Ik
zal komen om mijnen plicht jegens hem te vervullen. Geene menschelijke
macht kan ons nog van elkander scheiden. Blijf met mijne goede
zuster.--Later zullen wij met meer bedaardheid doch met evenveel
blijdschap ons toekomend leven overwegen."

Hij drukte Dakerlia teederlijk de handen en terwijl de verrukte maagd
met tranende oogen zijnen naam liefdevol herhaalde, ging hij ter zaal
uit.

Hij stapte met haast door de Hoogstraat en richtte zich naar den Burg.

Hier vond hij zijne ooms Bertulf, den proost van St-Donaas, en Hacket,
den kastelein van Brugge, te zamen in eene kamer der proostdij. Zij
schenen tevreden en welgemoed.

"Ah, goeden dag, mijne lieve neef", riep Bertulf. "U zijn wij
dankbaarheid verschuldigd. Uwe opoffering heeft hare vruchten reeds
gedragen. Ik heb tijdingen van Yperen. Mher Van Woumen heeft ons bij den
graaf verdedigd en velen onzer vijanden tot zwijgen gebracht. Uw
huwelijk met de dochter van dien machtigen ridder is een onschatbaar
geluk voor ons en voor geheel Kerlingaland!"

"Mijn huwelijk? Mijn huwelijk is verbroken, heer proost", stamelde
Robrecht, die wel voorzag welken pijnlijken indruk deze tijding zou
doen.

"Verbroken? Uw huwelijk met jonkver Placida verbroken?" kreten zijne
beide ooms.

"Ja, onherroepelijk verbroken; jonkver Van Woumen zelve dwong mij tot
het terugnemen mijner beloftegift."

"Dan heeft het u aan moed of aan goeden wil gefaald", viel Bertulf
beschuldigend uit. "Ik heb het gevreesd!"

"Uwe vrees was onrechtvaardig en ongegrond, oom", wedervoer Robrecht met
stille fierheid. "Ik heb mij laten vernederen en honen met een geduld
dat aan lafheid grensde, alleenlijk om in mijn geweten de overtuiging te
hebben dat ik tot het einde mijnen plicht heb betracht, ten minste tot
zooverre de menschelijke krachten reiken. Deze overtuiging heb ik."

"Maar welke reden gaf dan mher Van Woumen tot zulk onverwacht besluit?"
vroeg de kastelein.

"Mher Rijkaard was niet tegenwoordig", antwoordde Robrecht. "Men had het
zoo geschikt dat ik mij alleen met jonkver Placida bevond. Zij brak onze
huwelijksbelofte, mij beschuldigende haar niet te beminnen en mijn hart
eene andere vrouw te hebben geschonken."

"Valsche uitvindingen onzer vijanden!" morde de oude Bertulf. "Hoe komt
het dat gij dien laster niet oogenblikkelijk hebt vernietigd?"

"Het was geen laster; ik kan niet liegen", antwoordde Robrecht. "Gij
vergeet, heer oom, dat ik u aangaande jonkver Dakerlia Wulf heb gezegd
..."

"Maar hadt gij mij niet beloofd aan deze neiging uws harten te
verzaken?"

"Inderdaad, en ik heb met oprechtheid en vasten wil deze belofte pogen
te vervullen. Sedert mijn eerste bezoek bij jonkver Placida heb ik
Dakerlia niet meer gezien; en ik wilde zelfs haren naam niet meer hooren
uitspreken. Ik had besloten mij op te offeren voor het heil van
Kerlingaland en, wat het mij ook moest kosten, ik zou de opoffering
trouw volvoerd hebben. Nu dank ik den barmhartiger God, die mij verlost
heeft van een pijnlijk leven; want, oom, men overwint zijn hart niet in
éénen dag. Integendeel, de dwang doet het sluimerend gevoel tot eene
beheerschende drift ontvlammen, evenals de wind de smeulende kolen tot
een verterenden gloed aanblaast. Ik bemin Dakerlia Wulf uit al de
krachten mijner ziel ..."

"Zwijg, zwijg", onderbrak hem de oude Bertulf met spijt, "Wilt gij dan
de vijanden van Kerlingaland de zegepraal verzekeren? Ach, ik heb dit
ongeluk gevreesd van het oogenblik af dat de arglistige Tancmar in de
stad was verschenen!"

"Nu begrijp ik", zeide de kastelein, "waarom Rambold, Tancmars neef, zoo
vol vertrouwen overal verzekerde dat Robrechts huwelijk met jonkver Van
Woumen niet zou voltrokken worden. Hij wist het dus op voorhand!"

"Daarin misgrijpt zich mijn oom, de kastelein", zeide de jonge ridder.
"Het is te Rijssel dat het verbreken van onze huwelijksbelofte werd
besloten, en het is de hofraadsheer Tancmar met de Isegrims van 's
graven gevolg, die Placida's vader er toe hebben overgehaald. Hoe het
zij, ooms, nu het lot mij de vrijheid heeft teruggeschonken, moet ik het
u verklaren: ik bemin Dakerlia Wulf, en geene andere vrouw op aarde
wordt ooit mijne bruid!"

"Maar, maar het afbreken met jonkver Placida, met het machtige huis der
Van Woumen kan niet beslissend zijn", morde de proost, spijtig het hoofd
schuddende.

"Het is beslissend en onherroepelijk", bevestigde Robrecht.

"Wij zullen mher Van Woumen gaan spreken", zeide de kastelein. "Hij zal
erkennen dat hij de speelbal is van arglistige vijanden der Kerels en
dat men hem heeft bedrogen."

"Nutteloos, nutteloos", wedervoer Robrecht. "Wat men te Rijssel heeft
besloten zal men hier niet veranderen. Daarenboven, ik weiger volstrekt
alle nieuwe poging. Er is voor den man die zich zelven eerbiedigt een
grenspaal aan het geduld en aan de vrijwillige vernedering. Men verwijt
mij in sher Rijkaards Steen dat ik een Kerel ben. Welnu, deze Kerel
buigt het hoofd niet voor trotschaards die zijn geslacht misprijzen!"

"Het wordt duister in onze toekomst!" zuchtte de proost met mismoed. "Ik
had op onze verbintenis met het machtige geslacht der Van Woumens mijne
schoonste hoop gebouwd. Tancmar zegeviert alweder over al mijne
berekeningen, over al mijne moeite! Nu zal Rijkaard Van Woumen ons zeker
een onverzoenbare vijand worden?"

"Toch niet, heer oom", antwoordde Robrecht. "Men heeft jonkver Placida
doen veinzen dat zij dit huwelijk door eigene beweging verbreekt, om ons
geene redenen tot vijandschap tegen mher Van Woumen te geven. Placida
heeft mij zelfs verzekerd dat haar vader u zal komen spreken om zich bij
u te verschoonen."

"Maar is het zoo, mijn neef, laat mij nog eene poging bij hem
beproeven."

"Neen, neen, oom, ik heb u gehoorzaamd en mijnen plicht gedaan. Nu wil
ik van dit huwelijk niet meer hooren en ik bevestig het u nog eens:
Dakerlia Wulf wordt mijne bruid!"

"Eilaas, kan het anders niet!... Wij zullen zien nochtans."

"Ik heb haar reeds mijne beloftegift aangeboden."

"Hoe? wat zegt gij? En zij heeft ze aanvaard?"

Mher Sneloghe knikte bevestigend.

"Alles, alles mislukt ons!" klaagde de oude Bertulf. "Er drijft een
onweder boven onze hoofden te zamen. Wanneer zal het losbarsten? Ik weet
het niet. Misschien is het nog af te keeren, ondanks wederwaardigheid en
tegenspoed. Voorzichtig moeten wij zijn en waakzaam als de zeeman die
zijn schip door golven en klippen in de haven hoopt te brengen. Daarom,
Robrecht, beloof mij dat gij uw voornemen om Dakerlia Wulf tot bruid te
nemen niet openbaar zult maken voordat ik mher Van Woumen heb
gesproken."

"Uwe hoop is ijdel, heer oom: ik blijf onplooibaar in mijn besluit."

"Beloof mij dat gij het evenwel nog eenige dagen zult geheimhouden."

"Daarin ben ik bereid mij volgens uwen wensch te gedragen."

De kletterende stappen van een dravend paard hergalmden tot in de zaal.

"Daar is nu onze neef Burchard!" zuchtte de proost ontevreden. "Wat zal
dien onbedwingbare woestaard ons te melden hebben?"

Hij had deze woorden niet geheel geëindigd, toen Burchard binnentrad en
zijne ooms en Robrecht met eenen glimlach groette.

De reusachtige Kerel liet zich op eenen stoel vallen en zeide vroolijk:

"Ha, ik breng goede tijding."

"Zoo! het is een wonder", mompelde de kastelein.

"Ja; ik ben te Oudenburg, te Ghistel, te Moere en in de omstreken
geweest. Gij hadt moeten zien en hooren hoe de Kerels daar om wraak
riepen en naar eenen onmiddellijken oorlog wenschten, zoohaast ik hun
had gezegd dat de Isegrims zich bereiden om hun den balfaart op te
dringen. Zij zijn moedig, onze Kerels der Ambachten; zij snakken naar
het oogenblik dat het hun toegelaten worde de burchten der Isegrims af
te branden en te verdelgen tot in den grond. Laat onze vijanden maar
komen! Al stond de graaf zelf aan hun hoofd, geen enkele zal levend
terugkeeren uit Kerlingaland!"

"En gij noemt dit eene goede tijding?" schertste de kastelein. "Beter en
wijzer ware het dat gij u stilhieldet. Wij hebben moeite genoeg om den
landsvrede in de Ambachten te doen eerbiedigen. Door uwe roekeloosheid
zult gij den graaf aandrijven om den raad onzer vijanden te volgen."

"Zoo, zoo! Meer zou het u behagen misschien dat ik u kwame zeggen: de
Kerels hebben den moed verloren en zullen als lafaards met het hoofd in
den schoot de slavernij aanvaarden? Gij gelooft dat alles met
lijdzaamheid en geduld te winnen is? Gij zult het zien. Laat den boog
maar plooien, altijd plooien, en als het oogenblik komt dat gij hem moet
gebruiken zal hij zijne laatste veerkracht verloren hebben. Wat mij
betreft, liever breken: anderen breken of zelf breken; maar niet
laffelijk buigen, als waren wij vreesachtige vrouwen! Ha, was ik
meester!"

"Gij zoudt onfeilbaar ons de ongelukken op den hals halen die wij reeds
zoolang door voorzichtigheid hebben afgeweerd", bemerkte de kastelein.
"Met wijsheid kunnen wij misschien Kerlingaland beslissend tegen de
aanslagen onzer vijanden behoeden."

"Ja, ja, mijne ooms, gij zijt de verduldigheid zelve", lachte Burchard.
"Blijft maar op den edelmoed der Isegrims hopen, en den eenen of anderen
dag zullen de Kerels ontwaken met de keten der slavernij aan de beenen.
Gij zult verwonderd staan, woedend worden misschien; maar dan zal uw
beschuldigend geweten u toeroepen: te laat! te laat!"

"Burchard heeft gelijk!" riep Robrecht Sneloghe met eene uitdrukking van
verontwaardiging. "Wij zijn te lijdzaam; men zal haast gaan denken dat
de Kerels niets dan melk in de aderen hebben!..."

"Gij ook, mijn neef!" viel de proost half spottend hem in de rede. "Hoe
laat gij u toch zoo spoedig verleiden door de grootspraak van Burchard?
Het zijn al dwaasheden die hij uitkraamt. Wij zullen wachten en
voorzichtig toezien totdat de graaf van het leger zij teruggekeerd.
Zoolang de vorst afwezig blijft, hebben wij niets te vreezen. Wij kunnen
zijne eindelijke beslissing niet vooruitzien. Zouden wij door
gewelddadigheid hem redenen geven tot wettige verbittering tegen ons?"

"Welnu, ooms, blijf bij uw gevoelen", zeide Burchard. "De toekomst zal
bewijzen wie er gelijk had."

De hand tot Robrecht reikende, sprak hij:

"Ha, mher Sneloghe, laat mij toe u geluk te wenschen over uw schitterend
huwelijk met jonkver Van Woumen."

"Mijn huwelijk is verbroken", antwoordde de jonge ridder. "Gij schudt
het hoofd en gelooft mij niet, Burchard? Placida heeft mij mijne
beloftegift teruggegeven."

"Doemenis, ik heb gedacht dat het zoo zou eindigen!" kreet Burchard met
plotselijke woede. "Waar een Tancmar omtrent kan mag een Erembald zich
aan hoon of onheil verwachten. Gij zijt het slachtoffer eener snoode
kuiperij, Robrecht. Misschien wist gij het niet; maar Ghyselbrecht
Tancmar heeft insgelijks naar de hand van jonkver Placida gestaan. Van
daar komt u deze vernedering."

"Inderdaad, het is op den raad van mher Tancmar dat de huwelijksbelofte
werd verbroken."

"Dien hatelijken Ghyselbrecht zal ik wel vinden", gromde Burchard. "Wees
zeker, hij zal sterven door mijne handen!"

"Bah, bah, het is altijd hetzelfde met u", schertste de kastelein.

"Ik zal hem vermoorden zeg ik u!" bulderde Burchard. "De tijd der wraak
zal wel eens verschijnen. Rust zal ik toch in mijn leven niet meer
vinden voordat ik den laatste dezer booze Tancmars het hoofd gekloofd
hebbe!"

"Gij spreekt als een redelooze woestaard", bemerkte de proost. "Al wat
men uit uwen mond hoort is vermoorden, verdelgen, verpletteren. Wat
recht hebben wij om over onze vijanden te klagen indien wij wreeder,
boozer en gewelddadiger zijn dan zij?

Indien gij zoo blijft voortgaan, zult gij ons groote onheilen op den
hals halen en, wat het ergste is, wij zullen ze verdiend hebben."

"Gij hoeft over het verbreken mijner huwelijksbelofte geene wraak te
zoeken", zeide Robrecht. "Is Ghyselbrecht Tancmar er de oorzaak van, ik
ben hem zeer dankbaar; want hij heeft mij eenen onschatbaren dienst
bewezen en mij gelukkig gemaakt."

Burchard zweeg eene wijl en zeide dan eensklaps, zich met de hand op het
voorhoofd slaande:

"Ik ging het vergeten; maar de nieuwe snoodheid der Tancmars doet er mij
aan denken. Het is eene zaak die mij geheel persoonlijk is en dus
niemand anders aangaat; maar ik wilde er u van spreken om u niet te
laten denken dat ik ze met inzicht u heb verzwegen."

"Wat zal het nu weder zijn?" mompelde de proost met kommer.

"Gij weet het niet", ging Burchard voort. "Sedert het laatste bezoek van
den graaf te Brugge, is Rambold Tancmar met zijnen vader den burcht te
Straten komen bewonen. Daar stak iets achter dat zich welhaast zou
openbaren. Men moest mij honen en mij tergen. Terwijl ik naar Rodenburg
was gegaan, om mijnen vader te bezoeken, is Rambold Tancmar met vele
werklieden te Bethferkerke verschenen en heeft begonnen den grond die
mij ten onrechte wordt betwist, met paalwerk te omsluiten. Mijne
gezellen wilden zich tegen die aanmatiging verzetten, maar zij werden
mishandeld en moesten onderdoen voor de overmacht, bovenal omdat ik hun
wel strengelijk had verboden zich tot geweldige twisten met Tancmars
lieden te laten verlokken. Gij weet dat ik een zoontje van mijn zuster
zaliger met mij te Bethferkerke heb. Een onnoozel kind van veertien
jaar, met Kerlenbloed in de aderen toch; want hij weerstond het langste
aan Tancmars lieden. Men heeft den kleinen Eric zoo onmenschelijk
geslagen, dat hij er van te bedde ligt."

"Laffe wreedheid!" riep Robrecht. "Ha, gij hebt het arme kind gewroken,
niet waar?"

"Hemel! en wat hebt gij gedaan?" zuchtten terzelfder tijd de proost en
de kastelein.

"Gij gelooft", antwoordde Burchard, "dat ik ginder te Straten al
degenen verpletterd heb die zich met de zaak hadden bemoeid. Ik beken
dat het gedurende een geheel uur mijn voornemen was, maar ik heb het
gelaten uit ontzag voor u, mijne ooms."

"Ah, God dank!" riep de proost. "Gij deedt mij beven van schrik."

"En gij hebt van alle wraak afgezien?" vroeg Robrecht Sneloghe
verwonderd.

"Ik heb eenvoudig Tancmars lieden verjaagd, het paalwerk omvergeworpen,
opnieuw bezit van mijn land genomen, er een twintigtal gewapende
gezellen op gesteld en Rambold Tancmar eenen bode gestuurd om hem te
zeggen dat ik voortaan mijn eigendom met geweld zal verdedigen."

"Gij hebt wel gedaan", zeide Robrecht.

"Maar dit is eene oorlogsverklaring!" riep de kastelein.

"Welnu, Rambold mag het nemen zooals hij wil: ik ben bereid."

Er heerschte eene wijl stilte. Wat Burchard had gezegd, vervulde
zichtbaar zijne beide ooms met vrees.

"Eilaas! En wat heeft Rambold Tancmar geantwoord?" vroeg Bertulf.

"Niets; ik heb van hem niets meer gehoord. Gij ziet wel, heer proost,
dat er met lankmoedigheid niets is te winnen. Eene enkele stoute daad
brengt deze in schijn zoo trotsche Isegrims tot zwijgen."

"Het is onnatuurlijk; daar moet eene list onder verborgen liggen",
bemerkte de kastelein.

"Die Tancmars zijn voor ons ongeluk geboren", morde de proost. "Zij
zoeken met eene helsche spitsvondigheid alle gelegenheden op om ons tot
ongeduld en geweld te drijven. Die gelegenheid hebben zij nu gevonden.
Gij meent dat zij ze zullen verzuimen of laten ontsnappen? Gij verlaat
uw landgoed te Bethferkerke alsof gij den terugkeer van Rambold
onmogelijk geloofdet!"

"Mijn eigendom is goed bewaard", zeide Burchard met fieren glimlach. "Ik
vrees Rambold Tancmar niet meer."

"Maar indien hij met overmacht komt? Wat is twintig man? De ondadigheid
van uwen vijand verontrust mij als de kwaadvoorspellende stilte die een
onweder voorafgaat ..."

De deur werd geopend en een huisschalk verscheen bij den ingang der
zaal met eenen zwaren korf aan de hand.

"Mher Burchard", zeide hij, "er is een bode van St-Andries gekomen met
dezen korf. Hij verzocht mij hem u onmiddellijk te behandigen. Het is
een geschenk van Mher Rambold Tancmar, heeft hij gezegd, vruchten van
een nieuwen grond, waarvan het gezicht u zal verblijden."

"Van Rambold Tancmar!" riepen allen verbaasd. "Wat mag het zijn?"

"Wij gaan het weten", morde Burchard, naar de deur stappende.

Hij bracht den korf bij de tafel en terwijl de anderen waren opgestaan
en hunne oogen op zijne handen gevestigd hielden, rukte hij de banden en
den doek van den korf.

"Appelen, schoone appelen, ik ken dit ooft, het is op mijnen grond
gegroeid", sprak Burchard schertsend.

Maar eensklaps bemerkte hij iets dat hem eenen schreeuw van afgrijzen
ontrukte en de anderen deed verbleeken en beven.

Onder deze eerste laag appelen vertoonde zich een afgehakte
menschenvoet, met verkrampte teenen en nog bevlekt met bloed.

Burchard stortte de appelen ten gronde ... nog meer afgehakte yoeten
bevatte de nootlottige korf![36]

Zwijgend en als versteend staarden allen op deze teekens eener
afschuwelijke wraak.

Onderwijl gromde Burchard onverstaanbare vermaledijdingen en, alsof hij
zich zelven wilde tergen, nam hij de loodvervige roeten een voor een bij
de teenen, hief ze uit den korf en telde: één, twee, drie, vier ...

Al deze voeten waren naakt; maar nu haalde Burchard, van den grond der
mande, eenen kleineren voet op die nog een blauw schoeisel droeg.

Een akelige noodkreet bonsde door de zaal; Burchard, de harde de
sterkmoedige Kerel, liet zich op eenen zetel vallen en begon overvloedig
te weenen.

"Eric! Eric! Het kind mijner zuster!" klaagde hij. "Dood, dood! En hem
niet weder levend kunnen maken, zelfs niet in stroomen bloed!"

"Ho, het is gruwelijk!" morde Robrecht, sidderende van verontwaardiging
en toorn. "Bij zulke heuveldaad wordt de wraak een plicht. Geschiedde
wat wil, geduld is hier lafheid!"

De proost en de kastelein hadden Burchards handen gegrepen en poogden
hem te stillen en te troosten.

"Welnu, ooms, wat denkt gij?" zuchtte Burchard met heesche stem. "Nu is
al mijn moed gestorven; maar indien mij nog kracht overbleef, zoudt gij
zeggen: geef toe, wees voorzichtig, verdraag alles?"

"Neen, neen, het is te veel!" antwoordde de oude Bertulf. "Rambold
Tancmar moet zijne wreedheid boeten; maar laat u niet aldus door uwe
wettige woede tot uitzinnigheid vervoeren; in alles moet de mensch met
beradenheid te werk gaan."

Burchard bleef eene wijl hoorbaar hijgen. Dan sprong hij eensklaps
recht, dreef zijne ooms van zich weg en liep buiten de zaal.

"Mijn paard, mijn paard!" klonk het op den neerhof met zooveel kracht,
dat de andere gebouwen van den burg er van weergalmden.

De kastelein was Burchard achterna geloopen en bracht hem nu terug in de
zaal, hem smeekende zich niet zoo in het openbaar ten schouwspel te
geven. Men mocht vreezen dat, indien de misdaad bekend werd, er een
volksoploop zou geschieden en dit moest men, als een even groot ongeluk,
voorkomen.

Hem nogmaals met medelijden de hand nemende, poogde de proost hem te
doen begrijpen dat men, om der wraak zeker te zijn, eenige voorzorgen
moest nemen en niet dwaselijk mocht te werk gaan. Hij zou zijnen neef
helpen, hem de middelen bezorgen om de Tancmars te straffen. Nu was het
te laat voor heden: de avond begon reeds te vallen.

Maar Burchard hoorde niets; hij hield, met eenen lach als een
tijgergrijns op den mond, zijnen blik naar de deur ...

"Nu, Burchard, blijf moedig; wees getroost", zeide hem Robrecht
Sneloghe. "Ik zal mijne mannen van Ravenschoot halen; wij zullen te
zamen naar Straten gaan. Gij zult gewroken worden ..."

Maar Burchard, als antwoordde hij zich zelven, gromde verwardelijk:

"Neen, neen, gij zijt niet wreed genoeg; gij zoudt mijne wraak
wederhouden ... Alleen, alleen ... geene voorzichtigheid ... andere
mannen: Blauwvoeten met baarden! Ha, ik hoor ... daar is mijn paard!"

Hij liep naar den korf, raapte den kleinen voet met blauw schoeisel van
den grond op, stak hem met koortsige haast in zijne gordeltasch en ijlde
dan, door zijne verschrikte ooms gevolgd, naar buiten.

Hier sprong hij op zijn brieschend paard en drukte het de spoor door de
huid. Het dier huilde van pijn en schoot als de pijl uit den boog over
het binnenplein van den burg.

Burchards ooms hadden hem gevolgd tot buiten de proostdij; zij stonden
daar nu klagend en met de armen opgeheven, en riepen hem nog bij zijnen
naam; maar hij hoorde hen niet en verdween uit hun gezicht onder de
hofpoort.


VOETNOTEN:

[Voetnoot 36: KERVYN DE LETTENHOVE. Histoire de FL, t. I, pag. 369.]



VI


Ten zuiden en ten oosten van Brugge was het land weleer gansch overdekt
geweest met een enkel oorspronkelijk woud, slechts hier en daar
onderbroken door zandige moerassen en turfachtige poelen.

Een taaie, werkzame volkstam had voor eeuwen bezit van dien verlaten
grond genomen, vele bosschen uitgeroeid en tot vruchtbare akkers
herschapen, de lage boorden der beken van alle houtgewas gezuiverd, de
staande wateren door dijken en grachten afwatering bezorgd en zoo, door
geduld en arbeid, de woestijn gedwongen tot het voeden van talrijke
bewoners.

De reizende koopman, die het waagde in het gunstige jaargetijde deze
streken te doorloopen, keek verwonderd op, wanner hij eensklaps, in den
schoot van het bosch zelf, of langs de grasrijke boorden der beken een
ontelbaar hoornvee of groote kudden schapen ganzen en zwijnen zag
grazen.

Zoo werd de grond bebouwd tot aan den voet der eeuwenheugende wouden,
overal waar het zonnelicht eene vlakte kon beschijnen. Alles was
benuttigd: de waterloopen tot het bewegen van molens, de poelen tot het
kweeken van visch, de bosschen tot het hakken van brand- en timmerhout,
ja, de moerassen zelve tot het baggeren van derring of turf.

Het bedrijvige volk, dat deze wonderen had gewrocht, woonde niet in
dorpen; zijne huizen of hutten stonden eenzaam en als bij geval gezaaid
langs de beken of de boorden der bosschen. Enkele zelfs waren verdoken
in het diepste van het woud.

Hierom noemden de lieden van meer vlakke gewesten deze uitroeiers der
bosschen de Houtkerels[37].

Weinig in aanraking komende met de poorters der steden of met
vreemdelingen, hadden de Houtkerels meer nog dan de overige bewoners van
Kerlingaland hunne voorvaderlijke gewoonten schier onveranderd behouden.
Alhoewel zij Christenen waren en des Zondags in de naastgelegen dorp ter
misse gingen, oefenden zij nog vele gebruiken die klaarblijkend
heidensch waren, en vermengden dus, soms zonder het te weten, de
plechtigheden van den Christenen-godsdienst met de overblijfselen der
vroegere vereering van Wodan, Thor en Freya.

Dewijl zij niet gaarne in de dorpen of steden zich begaven en zeer
verspreid leefden, zouden zij, bij gebrek aan middelpunt, weinig verkeer
met elkanderen gehad hebben; maar daarin waren zij voorzien.

Al de bewoners eener beperkte streek vormden eene gemeente welke zij
_Minne_ noemden, dat is _vriendschap_[38].

In het midden dezer Minne, dikwijls bij eenen waterloop, stond een
groot huis, bewoond door eenen bierbrouwer, waarnevens eene zeer wijde
schuur was getimmerd, die men _zale_ of _zele_ heette. Hier hielden zij
hunne vergaderingen van allen aard. Men koos er, bij meerderheid van
stemmen, de Keurmans of bestierders en rechters; men beraadslaagde er
over de gemeene zaken, men bracht er zijnen jaar- of maandpenning in den
Gildenschat, men vierde er doopen, huwelijken en uitvaarten.

Voor de deur, te midden van een grasplein, stond de hooge wip, om met
hand- of kruisboog naar den gaai te schieten.

Een weinig terzijde, tusschen eene groene haag, die eenen halven kring
vormde, kon men vier zodenbanken zien. Dit was de plaats waar de
Keurmans, volgens oud Germaansch gebruik, de misdadigers veroordeelden
of boeten uitspraken tegen degenen die de wet van het Gilde of der Minne
hadden overtreden; en dewijl eene bank bij hen den naam van _scarne_
droeg, noemden zij dit rechtsbeluik _vierscarne_ of vierschaar[39].

Onder deze Houtkerels waren geene onvrije menschen; allen waren gelijk,
met dit eenige onderscheid dat men eigenaar van eenen akker moest zijn
om stemrecht in de vergaderingen te hebben. Om deze reden zelve was de
grond zeer verdeeld, en bijna ieder weerbaar man bezat er in vollen
eigendom een gedeelte lands.

Tusschen Zedelghem en Aartryke stond zulke groote brouwerij, die de naam
van Krekaarzele droeg.

Op zekeren avond waren vele Houtkerels daar vergaderd tot het vieren van
een huwelijk. De groote schuur was er geheel opgevuld met mannen van
allerlei ouderdom, met vrouwen en kinderen. Hier en daar hingen steenen
lampen, uit welker dikke lemmers, zwemmende te midden van drabbige olie,
het roet in smookige kronkels opklom. Langs de wanden liep een houten
bank, waarboven een schab of berd vooruitstak, om er de stoopen en
drinkkannen op te zetten.

Al de lieden die hier tegenwoordig waren droegen hunne beste
feestkleederen. De mannen hadden voor deze omstandigheid hunne lange
baarden zorgvuldig gewasschen, gekamd en geglimd; de vrouwen en meisjes
hadden zich vol goud en zilver gehangen.

De bruid herkende men aan haar wit gewaad, dat zacht en sneeuwig
uitloste op al het blauw dat haar omringde; daarenboven terwijl bij de
ongehuwde meisjes het haar tot op den rug nederviel, had de bruid, ten
teeken dat zij geene dochter meer was, het haar zeer gekort. Zij droeg
eene kroon van wit gebloemte; hare jonge gezellinnen hadden integendeel
hunne vlottende haren met eenen groenen krans van maagdenpalm[40]
bevestigd.

Aan de eene einde der zaal, op eene tafel, zaten drie speellieden: twee
doedelpijpers[41] en een bommelaar.

Een dans was geëindigd: men genoot een oogenblik rust. Gasten en
speellieden hijgden naar hunnen adem. Jonge gezellen liepen met groote
stoopen door de schuur en vulden alle kannen met schuimend gerstebier.
Maar nauwelijks had elk zijnen dorst door eenen teug gelescht, of de
doedelpijpers en de bommelaar begonnen een aanjagend deuntje, en gaven
dus het sein tot nieuw vermaak.

Al de aanwezigen sprongen recht, liepen bij paren te midden der zaal en
begonnen te dansen, te wiegelen en te draaien met zulke snelheid dat het
gezicht van dit driftig gewoel eenen koelen aanschouwer het hoofd
duizelig zou gemaakt hebben. Evenwel was er zekere orde in dezen woesten
dans. Bij tusschenpoozen hielden al de paren stil op eenen vasteren slag
der maat, om oogenblikkelijk weder met vernieuwde kracht dooreen te
springen en te zwieren ... Men lachte, men juichte, men zong; en zelfs
de kinderen huppelden dooreen aan het einde der schuur, even vroolijk en
even uitgelaten als hunne ouders ...

De dansers hadden tusschen al het gerucht der doedelzakken en der bommel
niet gehoord dat een dravend paard voor de deur van het huis had
stilgehouden ... maar nu klonk, eensklaps, boven het geluid der
speeltuigen en boven de galmen hunner vroolijkheid, een machtige stem
en de kwaad voorspellende roep: "Harop! Harop!" die aan elk het
voorgevoel gaf van een onverwacht gevaar.

De dans hield op; de mannen sprongen naar hunne zwaarden, die zij hier
en daar op de houten bank hadden neergelegd; de vrouwen slaakten een
angstgeschreeuw, de kinderen liepen te hoop in eenen hoek; maar allen
hielden het oog naar de deur, waar nu een hoogstaltig man zich
vertoonde. Bij zijne verschijning riep elkeen met verwondering:

"Mher Burchard Knap!"

Velen gingen naar hem toe om te vernemen waarom hij zoo onverwachts
hunne hulp eischte; maar hij deed een teeken met de hand dat hij spreken
wilde, stapte dan te midden der zaal, haalde uit zijne tasch eenen
kleinen menschenvoet waaraan nog bloed kleefde en toonde dien met eenen
pijnlijken spotlach op de lippen. Hij meende te spreken, doch de tranen
borsten hem uit de oogen.

Velen der omstanders waren bij het gezicht van den bebloeden voet
teruggeweken; doch de smart van Burchard, wiens sterkmoedigheid zij
kenden, deed hun voorgevoelen dat hem een groot ongeluk moest gebeurd
zijn. Meer tot hem naderende, ondervroegen zij hem, ongeduldig en reeds
in toorn ontvlammende.

Burchard, door eene geweldige beweging der hand, wreef de tranen uit
zijne oogen en zeide hun op heeschen toon:

"Gezellen, ik ben doodelijk in het hart getroffen. Gij kent Eric, het
schoone kind dat mij somtijds hier ter jacht vergezelde. Hoe dikwijls
heeft hij de warme melk onder uw gastvrij dak gedronken! Gij hadt hem
lief om zijne geestigheid. Ik beminde hem als mijnen zoon, niet slechts
omdat hij het kind mijner zuster zaliger was, maar bovenal omdat het
Kerlenbloed zoo zuiver door zijne aderen vloeide en er uit hem een
wondersterke man moest groeien. Eilaas, mijn arme Eric! hij is dood, dit
is zijn voet!"

"Dood!" riepen al de omstanders.

"De kleine Eric dood!" klaagden de vrouwen met opgeheven armen.

"Wie? wie?" gromden de mannen.

"De Isegrims!" antwoordde Burchard.

Gedurende eene wijle tijds zag men niets dan vuisten wringen en zwaarden
opsteken, hoorde men niets dan wraakkreten en knarsing der tanden. Maar
Burchard verhief de stem en zeide:

"Vrienden, gij hebt meer dan eens mij uwe hulp aangeboden; die hulp kom
ik nu eischen, niet alleen van u, maar van al de Houtkerels die tot onze
Gilde van Krekaarzele behooren. Dat degenen die last van vrouw of
kinderen hebben te huis blijven; jonge mannen zoek ik, en die zijn er
genoeg. Gaat nu naar huis, wekt onderwege de Kerels en zendt ze
herwaarts. Zegt hun dat zij hunne korenwannen medebrengen. De Isegrims,
die mijnen armen Eric vermoord hebben, wonen op eenen sterken burcht.
Dit nest moeten wij bestormen om er het wolvengebroed in te verpletten.
Ladders en boomen, tot beukrammen, zullen wij ginder gereed vinden.
Haast u; wie zich lust gevoelt keere hier weder. Wij gaan het noodvuur
opsteken en den hoorn blazen. Tot straks, gezellen!"

Door al de bijzijnde lieden gevolgd, stapte hij buiten de schuur. Hier
verspreidden zich de Kerels met hunne vrouwen en kinderen door
verschillige wegen. Men hoorde reeds in de bosschen den diepen,
klagenden toon van den noodhoorn hergalmen.

Burchard naderde tot de wip, die men had neergehaald. Drie of vier jonge
mannen waren bezig met aan de ijzeren stangen groote vlokken kemp te
hechten, die vroeger reeds in gesmolten harst waren gedoopt geworden.

"Nog niet vaardig, Wijgbert?" vroeg Burchard.

"Het gaat zoo spoedig niet", was het antwoord. "Om het wel te doen, moet
men wat tijd gebruiken; maar wees gerust, mher Knap; als onze Houtkerels
dit noodvuur zoo hoog in de lucht zien vlammen, zullen ze welhaast hier
zijn."

"Luister, Wijgbert", zeide Burchard, "ik bezwijk schier van
vermoeidheid; de smart heeft mij mijne krachten benomen. Ik moet wat
rusten. Verzoek onze gezellen in de schuur te gaan; doe hun te drinken
geven naar hunnen lust, en kom mij roepen wanneer zij in genoegzaam
getal te zamen zijn."

Hij richtte zich naar het huis en trad in de woonkamer, waar hij zich op
eenen stoel liet nederzakken.

Niemand bevond zich hier dan des brouwers vrouw met drie kinderen, die
bezig waren eene soort van melkpap uit eenen aarden schotel te eten.

De vrouw, die reeds bij de komst van Burchard uit zijnen mond den
wreeden dood van den jongen Eric had vernomen, wilde hem nu eenige
woorden van troost toesturen, doch daar zij zag dat hij ongaarne
antwoordde, stoorde zij hem in zijne zwaarmoedigheid niet meer.

Zij wendde zich tot hare kinderen, die gedaan hadden met eten en zeide:

"Nu, kinderen, vergeet den Drolle niet. Gij moet gaan slapen."

Een der kinderen nam eenen lepel pap en stortte dien bij druppelen ten
gronde in eenen hoek van den schoorsteen waar, op mannenhoogte, in den
muur eene kleine holte als een kapelleken was uitgespaard. Nu stond daar
een Lieve-Vrouwebeeldje, maar het was in vroeger tijd waarschijnlijk de
plaats geweest der heidensche huisgoden, want de vrouw zeide tot de
kinderen:

"Nu zal de Drolle u geen kwaad doen of uwen slaap storen. Bidt nu ook uw
avondgebed."

De kinderen maakten het teeken des kruises en prevelden zeer godvruchtig
het Vader-ons, waarna ze door hunne moeder uit de kamer werden geleid.

Toen de vrouw wederkwam, scheen Burchard een weinig van zijne
vermoeidheid hersteld.

"Vrouw Moerinck", vroeg hij, "waar is uw man?"

"Hij is met den noodhoorn uitgereden, op den weg van Eeneghem om de
Kerels te wekken", antwoordde zij. "Hij moest reeds terug zijn."

"En uw vader, de oude Balderic Wisman?"

"Ja, die loopt altijd in de bosschen, bij het minste dat er voorvalt. Ik
hoor hem hoesten, meen ik. Daar is hij."

Een zeer oud man, met eenen langen witten baard, trad binnen. Hij
naderde tot Burchard, zette zich op eenen stoel nevens hem, en zeide:

"Men heeft beelden van heiligen of van Christen-martelaars aan al onze
wijboomen gehangen, en dus de goden onzer vaderen verjaagd; maar ik weet
nog eenen boom, eenen eik, die gespaard is gebleven. Het is de boom van
Thor, den machtigen God der wraak. Ik heb hem de wreedheid en de
boosheid der Isegrims geklaagd. Hij zal u bijstaan en u de overwinning
geven."

"Gij meent het, Balderik?" mompelde Burchard met eenen glim van
ongeloof.

"Ik ben er zeker van. Wilt gij dat ik de Runen[42] voor u werpe?"

Burchard haalde de schouders op; maar de grijsaard, die ontevreden
scheen over zijn twijfel, stond op en nam eenen lijnwaden zak uit eene
kas. Hij keerde terug, schudde den zak en stortte op de tafel een zeker
getal kleine houten stokjes, in ieder derwelke een zonderling teeken was
gesneden.

"Zie, zie", riep hij, "of het lot u niet gunstig is!"

Op dit oogenblik trad de brouwer binnen. Hij was een man van ongeveer
veertig jaar, tamelijk zwaarlijvig en hooggekleurd van wangen.

"Zijt gij weder bezig, grootvader, met die oude bijgeloovigheden?"
schertste hij. "Kom, kom, doe uwe stokjes weg. Zij zullen den zwakken of
lafhartigen de zegepraal niet geven: de beste Runnen zijne sterke leden
en mannelijken moed ... Mher Burchard, ik moet u melden dat er in de
schuur wel vijftig of zestig Kerels reeds vergaderd zijn. Zij gloeien
allen van wraakzucht; want zij vertellen elkander den ongelukkigen dood
van Eric, dien iedereen hier liefhad. Elstrunc en Everslag, onze
Keurmans en uwe goede vrienden, willen u volgen en zullen u te paard
vergezellen. Hoort het gerucht. Het krielt daarbinnen van Kerels. Nu zal
het wel tijd zijn om te vertrekken, meen ik."

Burchard stond op en begaf zich naar de schuur, die gansch opgevuld was
met mannen, meest langgebaard, waartusschen evenwel ook jongelieden zich
bevonden, wier kin nauwelijks door eenige donzige haren was beschaduwd.
Het grootste getal was voorzien van eenen zwaren kruisboog, eenigen
droegen lange handbogen. Volgens de aanbeveling die hun was gedaan
geworden hadden zij hunne dorschwannen medegebracht, om zich daarvan
als van beukelaars of schilden bij de bestorming van eenen burcht te
bedienen. Allen zonder uitzondering voerden aan de linkerzijde een groot
krom zwaard, de scherpsnijdende schermzeis.

Burchard blikte in het ronde, drukte eenigen zijner bijzondere vrienden
de hand, en sprak dan met luider stemme:

"Gezellen, men heeft u gemeld, niet waar, dat ik u den noodkreet van
_Harop_ heb toegericht, opdat gij mij den dood van den armen Eric helpt
wreken. Tegen de Isegrims, der Kerlen bloedvijanden trekken wij ten
strijde. Het is Rambold, de neef van den hofraadsheer Tancmar, die niet
alleen het kind mijner zuster heeft vermoord, maar daarbij nog een
tiental vrije Kerels. Hij woont nu op den burcht te Straten, en verwacht
zich waarschijnlijk niet aan onze komst. Hoe het zij, moet er bloed
vlieten, wij zullen het geven en hier niet terugkeeren zoolang er een
steen van het vermaledijde Isegrimsnest rechtstaat."

"Wij zullen het afbranden en verdelgen tot in den grond!" kreten de
Kerels, hunne wapens in de hoogte zwaaiend.

"Welaan, gezellen", zeide Burchard, "reizen wij in stilte; pogen wij
onze vijanden te verrassen. Onverwachts, als de pletterende slag van
Thors hamer, treffe hen onze wraak!"

"Wie moeten wij sparen?" vroeg een jongeling.

"Sparen? Hebben zij een arm, onschuldig kind gespaard?"

"Niemand! niemand!" kreten de gezellen.

"Rambold Tancmar bovenal mag ons niet ontsnappen", bevestigde Burchard.
"Indien hij eenen zoon had! Maar hij heeft geene kinderen. Vooruit nu,
gezellen! vooruit naar den burcht te Straten. Het is bijna twee uren van
hier. Wij zullen niet te haastig gaan, om onze krachten tot den storm te
sparen."

De Kerels traden allen buiten de schuur, hingen de korenwannen aan
lederen riemkens op hunnen rug en schikten zich in zekere orde. Burchard
en de twee Keurmans sprongen te paard,--en de bende, wel honderd sterk,
begaf zich door de duisternis op weg.

Langen tijd liep de baan door dichte bosschen, en konden de Kerels
moeilijk te zamen blijven; maar eindelijk geraakten zij in het vlakke
veld op eene breede zandige straat.

Hier reden de twee Keurmans zonder beletsel aan Burchards zijde, en
vroegen hem eenige nauwere bijzonderheden over het gebeurde.

Hij gaf hun de volgende uitlegging:

"Mij behoort te Straten, als deelmakende van mijne moederlijke erfenis,
een boomgaard en eene paarden weide. Onze graaf, als naar gewoonte door
de Isegrims tot het vergeten van het recht der vrije Kerels aangedreven,
heeft dien grond, mijn eigendom, aan Tancmar Van Straten in leen
geschonken. Ik heb natuurlijk mij tegen zulke berooving willen verzetten
met woorden en met geweld. Maar toen de graaf naar Frankrijk ten oorlog
zou trekken, heeft hij, zooals gij weet, eenen algemeenen landsvrede
afgekondigd en mijne ooms, de proost van St-Donaas en den kastelein van
Brugge, in het bijzonder verantwoordelijk gemaakt voor het behoud van
dien vrede. Op hun verzoek heb ik toegestemd den bedoelden grond
ongebruikt te laten totdat de graaf, bij zijne terugkomst, over den
twist kon oordeelen en zijne onrechtvaardige gift herroepen. Maar de
Tancmars, die niets zoeken dan de Kerels tot geweld aan te hitsen, om ze
dus bij den graaf gehaat te maken, hebben den vrede niet geëerbiedigd en
mij dagelijks met zooveel boosheid getergd en vernederd, dat ik
eindelijk, bij die laffe verduldigheid, mij zelven begon te verachten.
Nu laatst, na vele andere uitdagingen, hadden zij mijnen grond met
paalwerk omsloten en mijne gezellen mishandeld. Ik heb het paalwerk
omverre geworpen en een twintigtal gewapende mannen op den grond gezet,
om hem te bewaken. Rambold Tancmar heeft eenige dagen zich stilgehouden,
alsof hij van alle verdere aanspraak op mijn eigendom hadde afgezien.
Maar hij is eensklaps met groote macht verschenen, heeft mijne gezellen
overrompeld,--en gekwetsten en gevangenen den rechtervoet doen afhakken,
om mij deze bloedige teekens zijner wreedheid ten geschenke te zenden
... Helsche uitvinding! Wist hij dan, de afschuwelijke moordenaar, dat
ik al mijne genegenheid, al mijne hoop op het kind mijner zuster had
verzameld? Eilaas, de lieve, zoete Eric! Hoe kan ik hem en mijne doode
gezellen wreken?"

"Wij zullen doen wat Rambold heeft gedaan", gromde een Keurman. "Hun de
voeten afsnijden en ze den hofraadsheer Tancmar toezenden, al bevond de
hatelijke Isegrim zich ook met den graaf."

"Neen, neen", zeide de andere knarsetandende, "wij zullen ze altemaal
binnen den burcht op eenen hoop leggen, ze doormengen met stroo en hout
op zulke wijze, dat ze tot pulver verteerd worden in den brandenden
gloed. De puinen van den burcht zullen nederstortend hunne asch
verstrooien of begraven, en zoo zal zelfs geene gedachtenis van die
snoode Isegrims meer overblijven."

"Maar Rambold, Rambold!" morde Burchard. "Zijnen rechtervoet moet ik
hebben: zijn oom de raadsheer wacht mijn geschenk ..."

En dus tegen de Isegrims bulderende en elkander tot eene bloedige wraak
aanmanende, geraakten zij eindelijk in de nabijheid van Bethferkerke.

Hier steeg Burchard met de Keurmans af en deed de Kerels stilhouden. De
paarden werden toevertrouwd aan gezellen, die ze door het Frinte-bosch
moesten leiden.

"Volgt mij nu, een voor een, en op zekeren afstand, vrienden", zeide
Burchard. "Weest zeer stil; en waar men u zou kunnen zien, buigt u of
stapt verborgen in het kreupelhout. Hier omtrent staan hofsteden en
hutten van Tancmars lieden. Indien men onze tegenwoordigheid op deze
baan bemerkte, zouden de wachten van den burcht onmiddellijk verwittigd
worden. Volgt mij voorzichtig en langzaam."

Door de duisternis slopen al deze mannen achter elkander voort, de
schaduw en de diepten zoekende en met de korenwannen op den rug over de
baan slingerende als eene reuzenslang, wier geelachtige schubben den
zwakken nachtelijken schemer nog herkaatsten.

Eensklaps bleven, bij het hoofd der bende, eenige gezellen verrast
staan; zij meenden eenen man tusschen het kreupelhout te hebben
bespeurd; het geritsel der bladeren bevestigde hun vermoeden.

"Vliegt de Blauwvoet?" riep een der Kerels.

Maar dewijl hij geen antwoord bekwam, spande hij zijnen boog en stuurde
eenen pijl door de heesters. Drie of vier gezellen volgden hem hierin
na. Uit den schoot van het gebladerte ging een smartkreet in de hoogte
en men hoorde de haastige stappen van iemand die vluchtte.

Burchard kwam nader en vroeg wat hen had aangedreven om te dezer plaatse
gebruik van hunne bogen te maken.

Bij de verklaring der Kerels schuddde hij het hoofd met spijt en zeide:

"Wij zijn verraden. Het was een schildwacht of bespieder. Men waakt op
den burcht!"

"De man zal niet verre loopen", bemerkte degene die het laatste schot
gelost had. "Mijn pijl is hem waarschijnlijk door de borst gegaan."

"Daarin bedriegt gij u", zeide een andere. "Hij zal waarschijnlijk
slechts aan den arm gekwetst zijn; ik ken dit: zijne klacht was een
smartkreet, maar geen doodsschreeuw. Daarenboven, gij hebt hem hooren
wegloopen, zooverre dat het gerucht zijner stappen geheel en zachtjes
uitstierf. Wie leert zulke dingen aan mij, Ivo-den-wolvenjager?"

"Laat ons zwijgen", onderbrak Burchard. "Hoe het zij, gaan wij met
voorzichtigheid en in stilte!"

Hij stapte hen vooruit en bracht hen door eenen afgelegen weg aan zijn
landgoed, dat wel geen eigenlijke burcht was, doch waarvan het voorname
gebouw eveneens met eenen hoogen muur en met eene diepe gracht was
omsloten.

Gansch alleen begaf hij zich over de brug tot bij de poort, en klopte
daar op der Kerlen wijze, dit is te zeggen twee slagen en dan, na eene
rust, nog een derden, hard en kort.

"Vliegt de Blauwvoet?" vroeg eene stem van binnen.

"Storm op zee!" antwoordde Burchard. "Doe open, Alijn, ik ben het."

De poort draaide krijschend op hare hengels en al de Kerels traden
binnen den ringmuur op den wijden neerhof.

Hier werden een paar toortsen ontstoken en alles tot den aanval tegen
den burcht van Straten in gereedheid gebracht.

Te midden van den neerhof lagen drie zeer hooge ladders nevens eenen
zwaren eiken balk, aan welks einde een ijzeren ramshoofd met dikke
banden was vastgesmeed. Een weinig verder had men vele in olie gedoopte
kempbundels en toortsen van pijnharst in eenen hoop te zamen gelegd, en
daarnevens houwelen, hamers, haken en koorden.

Burchard verdeelde zijne mannen in kleine benden en schikte ze op den
neerhof in eene soort van stoet.

Vooraan stonden vele kruisboogschutters, gansch onbeladen en gereed tot
onmiddellijke verdediging; achter dezen de dragers der drie groote
ladders, dan de twintig man op wier schouders de eiken balk rustte, en
eindelijk degenen die de koorden, houwelen en brandstoffen aanbrengen
zouden, allen nog opgevolgd door eene bende handboogschutters als
achterhoede.

Zoohaast alles vaardig was, werden de toortsen uitgedoofd en de stoet
trok in de diepste stilte door de duisternis over de brug.

Burchard leidde hen langs eenen verborgen weg door dicht geboomte, beval
nog meer stilte en bracht hen eindelijk tot bij den uitersten boord van
het bosch. Hier toonde hij hun den burcht van Straten die, op een goed
boogschot van daar, als een logge steenberg met zijne torens tegen den
donkeren hemel nog donkerder uitloste.

"Legt uwen last ter aarde, rust een weinig en verzamelt uwe krachten",
fluisterde Burchard, terwijl hij van de eene bende naar de andere ging.

Hij keerde terug tot den boord van het bosch, waar zijne vrienden de
Keurmans, met Ivo-den-wolvenjager het oog bespiedend op den burcht
hielden gericht.

"Men waakt ginder", murmelde een hunner. "Zie daar, boven den muur,
nevens de poort, die bewegende vlekken. Zijn het geene menschenhoofden?"

"Zeker", bevestigde Ivo. "Donker is de nacht, maar staal glinstert nog
in de duisternis: het zijn stormhoeden of zwaarden."

Burchard overspande een wijl zijne gezichtskracht en zeide dan:

"Ja, men waakt; men weet van onze komst. De bespieder, dien wij onderweg
met eenen pijl troffen, heeft ons verraden ... Zij zijn talrijk en pogen
zich voor ons te verbergen. Het spel zal hard zijn. Des te beter, ik zal
mijne vermoorde gezellen in ruime maat kunnen wreken. Ziehier wat wij
gaan beproeven: de twee minst zware ladders zullen wij over de gracht
tot voor de ophaalbrug leggen om de ketens te bereiken en ze te
verbrijzelen. Dan zullen wij met den stormram tegen de poort beuken en
zoo den burcht binnen dringen. Gaat nu bij onze gezellen en deelt hun
dit inzicht mede, elk voor het zijne. Zegt den ouden Lambrecht dat hij
met een tiental mannen in het bosch blijve om de gekwetsten te
verzorgen."

Een weinig later was alles gereed tot den aanval. Bij elken ladderdrager
stond een gezel die hem eene korenwan boven het hoofd moest houden.

Daar de wannen van wederzijde dus opgeheven waren, vormden deze
beschutsels boven elk ladder een voortloopend dak, waaronder dragers en
strijders tegen pijlen en steenen, ja, zelfs tegen werpvuur waren
beveiligd.

Men verliet langzaam het bosch, met de hoop dat men bij eene volledige
stilte misschien de aandacht der wakers zou ontsnappen.

Alles ging naar wensch, totdat de Kerels de gracht van den burcht zouden
naderen. Dan vertoonden zich eensklaps vele hoofden boven den hoogen
muur; de boogpezen klonken en de pijlen snorden door de lucht, terwijl
een schaterende spotlach binnen den burcht hergalmde.

"Vooruit, vooruit de ladders!" kreet Burchard. "Schutters, mikt daar
boven de poort. Geeft dien lachers spel, totdat wij hunne hoonende
vreugd in hun bloed versmachten. Vooruit, vooruit!"

Burchard aanjagend bevel was volbracht geworden. Men had de ladders over
de gracht gelegd, en was nu bezig met mokers, tangen en hefboomen op de
ketens der valbruggen te slaan en ze zoo geweldig te wringen dat het
ijzer schreeuwde en huilde als hadde het pijn gevoeld.

De beide Keurmans en Burchard stonden niet verre van daar onder twee
breede wannen, waarop des vijands pijlen nu en dan als hamerslagen
nedervielen en afbotsten.

Reeds één Kerel lag dood voor de brug en men had er drie anderen, zwaar
gewond, het bosch ingedragen, toen een der Keurmans, eene beweging
terzijde doende, zich gedeeltelijk ontblootte.

Een versmachte kreet ontsnapte hem; hij greep Burchard den arm en zeide:

"Ondersteun mij, ik ga vallen."

"Wat, wat is u geschied?" vroeg zijn gezel.

"Ik heb mijn deel ... hier een pijl, dwars door mijne borst ... het is
gedaan met mij."

"O, God!" kreet Burchard. "Gij, Elstrunc, mijn vriend, gij zoudt
sterven? Neen, neen, heb moed, geloof het niet!"

"Moed?" schertste de bezwijmende Elstrunc.

"Moed? Ben ik hier gekomen met de vrees des doods?"

Burchard greep zijnen gewonden vriend om de middel, hief hem met eene
plotselijke inspanning van krachten op zijnen schouder en liep met dien
last het bosch in waar hij hem bij de andere gekwetsten neder legde.

Hij knielde aan zijne zijde en meende hem te troosten; maar de andere,
ofschoon reeds op den boord van het graf, dacht slechts aan de
overwinning en aan de wraak, en deed Burchard begrijpen dat hij tot den
storm moest terugkeeren, wilde hij den aanval niet doen mislukken.

Inderdaad, toen Burchard uit het bosch trad zag hij dat men van boven de
poort zijne mannen niet alleen bevocht met pijlen en steenen, maar
tevens met vlammend werpvuur, en dat de Kerels, die de keten der
ophaalbrug moesten breken, schier werkeloos onder de opgeheven wannen
zich hielden verborgen.

Dit gezicht vervoerde hem in razernij en ontrukte hem eenen schreeuw die
als een leeuwengebrul over den burcht heenklonk. Hij dreef de wannen weg
van boven zijn hoofd, liep vooruit over de ladder, greep eenen grooten
ijzeren hefboom uit de hand van eenen der gezellen, stak dien met het
einde door enen schakel en begon de keten te draaien en te wringen met
zulke woestheid, dat glinsterende vonken het knarsend metaal
ontsprongen.

Een steen viel hem op den schouder en bonsde terug, als hadde hij eene
rots getroffen; eene vlok vuur zengde hem de haren, maar hij wrong immer
voort, boog zich, kronkelde zich en spande zijne leden, totdat de ketens
braken en de ophaalbrug onder het gejuich zijner gezellen nederplofte.

Een zegevierende schreeuw kondigde dit eerste voordeel aan. Nu was de
baan tot aan de poort geheel vrij en, kon men die insgelijks
verbrijzelen, dan zou niets weerstaan aan hunne woede en aan hunne
wraak.

Wel vijftig man, met den vreeselijken stormram op de armen, liepen over
de brug en beukten zoo geweldig tegen de poort, dat de holle klank van
den slag als de donder over bosch en velden hergalmde.

De eerste stoot scheen geen uitwerksel te hebben. De Kerels verwijderden
zich van de poort, namen eenen nieuwen loop en beukten met meerdere
kracht nog, maar de poort bleef onwrikbaar. Pijlen, steenen en vuur
vielen als hagel op de wannen, en troffen nu en dan eenen Kerel, die den
storm moest verlaten of door anderen in het bosch werd gedragen.

Boven den muur lachte men nog spottend, maar daar moest evenwel meer dan
één man door de pijlen van buiten zijn getroffen geworden, dewijl nu en
dan een scherpere kreet of een noodgehuil tusschen het tergend lachen
opsteeg.

De Kerels, door de moeilijkheid van den aanval verwoed geworden,
herhaalden menigmaal hunnen loop en hitsten elkander aan door een
koortsig strijdgeschreeuw. Burchard zelf had zich nu aan den stormram
gesteld; en, of zijne kracht waarlijk overmatig was, en of zijne
tegenwoordigheid de kracht zijner mannen had verdubbeld, van den eersten
stoot waartoe hij had geholpen, had de poort een rinkelend geluid
gegeven, alsof zij gedeeltelijk van hare hengsels was losgeraakt.

"Terug, terug!" riep Burchard. "Nog eene goede poging en zij stort
neder! Aan ons de overwinning!"

Toen zijne mannen met den balk op eenigen afstand van de brug onder de
opgehevene wannen veilig stonden, zeide hij hun op blijden toon:

"Haalt adem, rust een oogenblik. Werken wij met vereende kracht, het is
de laatste stoot ... Maar wat drijft daarginder langs den muur? Mannen
die zich verwijderen van de poort! Zouden zij onze wraak willen
ontvluchten? Op, op, de stormram! Vooruit, vooruit!"

Een oogenblik daarna sidderde de lucht onder eenen dubbelen dondergalm,
en de poort viel achterover ten gronde.

"Wannen weg! De zwaarden nu!" huilde Burchard, terwijl hij met zijne
gezellen als een onweerstaanbare vloed ten burcht instroomde.

Slechts gedurende eenen korten tijd boden hunne verraste vijanden
eenigen tegenstand en vloden dan weg in het gebouw of in duistere hoeken
en kanten om, ware het mogelijk, nog een uitkomen te vinden; maar de
Kerels vervolgden hen, speurden hen na en hakten alwat leven had
onmeedoogend neder.

Burchard, die slechts een doel voor oogen had, namelijk zijne wraak op
Rambold Tancmar te koelen, deed drie of vier toortsen ontsteken, en liep
op en af de verdiepen van den burcht, alles doorsnuffelende wat maar
eene schuilplaats verschaffen kon. Ook de andere gebouwen onderzocht
hij, koortsig, spijtig en met heesch keelgeluid grommend:

"Hij alleen zou mij ontsnappen! Onmogelijk. Hij is in den burcht, de
vuige moordenaar van mijnen armen Eric! Ah, ik zal hem vinden, ik moet
hem hebben!"

Maar wanneer hij alles had doorzocht, en de Kerels van moorden moede en
met bloed bedekt, hem omringden, stond hij daar, grijnzend het hoofd
schuddende en als ontmoedigd.

"Rambold ontsnapt mij!" zuchtte hij herhaalde malen.

"Hij is gevlucht met een groot gedeelte zijner mannen", zeide een Kerel.
"Ik heb aan den voet van den achtermuur eenen Isegrim doodelijk
getroffen. Die heeft mij, om zijn leven smeekend, mij verklaard dat zijn
meester langs eene ladder is afgedaald en over deze ladder den anderen
boord der gracht heeft bereikt."

"Doemenis!" kreet Burchard. "Zijn mijne gezellen gewroken, de moord van
mijnen armen Eric blijft onbetaald! Hadden wij hier dan slechts iemand
van Rambolds maagschap gevonden, iemand dien hij bemint!..."

Er naderde een Kerel die, de laatste klacht van Burchard hoorende, hem
zeide:

"Iemand van Rambolds maagschap? Wees tevreden, mher Burchard:
daarbeneden, in den kelder, ligt het lijk zijner zuster."

"Het lijk zijner zuster? Ah!" kreet Burchard, eene toorts grijpende.

Door de Kerels gevolgd, daalde hij eene steenen trap af en kwam in eenen
overwelfden gang waar inderdaad het lijk eener jonkvrouw op de zijde ten
gronde lag.

Eene wijl staarde Burchard stom en beweegloos op het doode lichaam.

"Het is Rambolds zuster", morde hij. "Nu zal ook de smart, nu zal ook
de rouw hem in het hart bijten. Eric is gewroken!"

"Zal ik haar den voet afhakken?" vroeg een Kerel, zijn zwaard tot slaan
gereedhoudende.

"Neen, neen, eene vrouw ... Ik ben voldaan, het is genoeg ", antwoordde
hij. "Men drage nu de lijken te zamen in den burcht en steke het vuur
aan al de gebouwen en op honderd plaatsen te gelijk!"

Hij stapte uit den burcht op den neerhof en bleef daar staan, met de
armen overeen gevouwen.

Schier onmiddellijk begonnen de vlammen hier en daar hunne roode tongen
te vertoonen, en het vuur liep voort en verhief zich en kronkelde
allengs om muren en torens, totdat eindelijk de burcht, aan eenen
vulkaan gelijk, den donkeren hemel verfde met eenen bloedigen gloed[43].

De Kerels juichten dit schouwspel toe, als hadden zij zich vermaakt bij
een feestelijk vreugdevuur, totdat het halfverteerde dakwerk met
ijselijk gekraak nederstortte en hun een laatst en machtiger gejubel
deed aanheffen.

"Het werk der wraak is volbracht", zeide Burchard. "Nu de gekwetsten
verzorgd, en huiswaarts gekeerd!"

Eenigen tijd daarna hoorde men der Kerlen zegelied in de verte nog
hergalmen, en eindelijk achter de bosschen geheel in de nachtelijke
stilte wegsterven ... Zij zongen:

  Doedele, bommele, romdomdom,
  Houd u recht en sie niet om!

  Gi, rudders, dwingers, maect u van cant,
  Hier sijn de Kerels van Vlanderlant!
  Gi, Isegrims, hoedt u vor den Blauvoet,
  Of gi selt voelen wat sine clau doet.
    Onse vaderen waren vri,
      En vri so bliven wi,
  So lanc een hert, dat lafheid haet,
  In enen Keerlenboesem slaet.

  Doedele, bommele, romdomdom,
  Houd u recht en sie niet om!


VOETNOTEN:

[Voetnoot 37: Men noemt heden nog, In eenige streken van Vlaanderen, de
bewoners der bosschen _Boschkerels_ of _Houtkeerlen_.

Zie J. HUYTTENS, _messager des Sc. etc. de Gand_, 1860, pp. 215 et 420.]

[Voetnoot 38: "Le mot _Commune_ (gemeente) est relativement moderne;
ceste chose s'appelait _minne_ (amitié), _gilde_, association."

V. DE RODE, _Ann. du Com. Pl. de Pr._, t. VIII, p. 96.]

[Voetnoot 39: WARNKOENIG, _Hist. de Fl., traduct. de Gheldorf_, t. II,
pag. 123.]

[Voetnoot 40: Vinca pervinca.]

[Voetnoot 41: "La cornemuse (doedelzak), instrument national des Kerls."
VICTOR DE RODE, _Ann. du Com. Fl. de Fr._, t. VIII, pag. 75.]

[Voetnoot 42: De _Runen_ waren de letterteekens van het oudste
Germaansch schrift; zij dienden later tot zoogezegde tooverij of
waarzeggerij.]

[Voetnoot 43: Zie aangaande de verdelging van Tancmars burcht, te
Straten, door Burchard, KERVYN DE LETTENHOVE, _Hist. de Fl._, I, 370.]



VII


Toen de gevluchte Rambold Van Straten te Atrecht kwam, en met groot
misbaar den graaf de verwoesting van zijnen burcht en den wreeden moord
zijner zuster en zijner dienaars klaagde, ontvlamde de vorst in eenen
onuitsprekelijken toorn.

Terwijl Rambold zijne eigene gewelddadigheden verzweeg of verbloemde,
lieten Tancmar en zijne vrienden niet na de Erembalds en de Kerels in
het algemeen van medeplichtigheid aan deze euveldaad te beschuldigen.
Zij poogden de verontwaardiging des vorsten tot het uiterste aan te
vuren en hem over te halen om onmiddellijk met een sterk gedeelte des
legers verdelgend in de vrije Ambachten te vallen. De gelegenheid was nu
gunstig, meenden zij: niemand zou de Kerels helpen of beklagen; en, kon
men ze dwingen eens voor goed den nek onder het juk der dienstbaarheid
te buigen, dan ware het voor eeuwig met dit wreed en overmoedig ras
gedaan.

Graaf Karel, alhoewel hij niet gewoon was zonder lange overweging eenig
gewichtig besluit te nemen, had hun laten denken dat hij, ditmaal ten
minste, gansch hunne woede deelde en hunnen raad zou volgen.

Maar nog denzelfden dag had de proost van St-Donaas eenen bode naar
Atrecht afgezonden met eenen langen brief waarin hij den graaf het
gebeurde verhaalde van zijnen eersten oorsprong af en Rambold Tancmar
beschuldigde den bloedigen twist te hebben begonnen door het vermoorden
van Burchards gezellen. De proost, in zijnen brief, betreurde diep wat
er voorgevallen was en drukte de vaste hoop uit dat de vorst, in zijne
wijsheid, uitspraak zou doen tusschen de beide vijanden, volgens rede en
recht, opdat verder bloedvergieten mocht worden voorkomen.

Dit schrijven deed den vorst wankelen. Ofschoon zeer trotsch van gemoed,
wist hij zich zelven genoeg te bedwingen. Daarenboven hield hij er aan
door het Vlaamsche volk als rechtvaardig te worden geacht. Ook kwam hij
allengs tot het besluit Rambold Tancmar en Burchard Knap voor het
hooger ridderhof te dagen, en dus over dit schuldig verbreken van den
landsvrede in het openbaar een plechtig en onpartijdig vonnis te doen
vellen.


[Illustratie: "Het is Rambolds zuster." (Bladz 151)]


De Tancmars toonden zich bedroefd en ontevreden over dit besluit en
klaagden dat de graaf, in zijne overdrevene zucht tot rechtvaardigheid,
weigerde tusschen den schuldige en zijn slachtoffer eenig onderscheid te
maken. Het was list en veinzerij van hunnentwege; want zij wisten dat
zij, door zulke eerbiedige tegenstreving, den vorst in zijn genomen
besluit konden bevestigen. Zij waren wel overtuigd dat een rechtbank
die, als het ridderhof, geheel uit vijanden der Erembalds en der Kerels
was samengesteld, niets anders kon doen dan Burchard veroordeelen, hij
mocht dan al zijne wraakpleging kunnen verrechtvaardigen of niet.

Daarop werden naar Brugge en naar andere steden boden gezonden, dragers
van 's graven bevelbrieven, waarbij afgekondigd werd dat, vijf dagen
later, het hooge ridderhof onder het voorzitterschap des vorsten te
Yperen zou vergaderen, om Rambold Tancmar en Burchard Knap aangaande de
gepleegde moorderijen te hooren en te vonnissen.

De gestelde dag was nu verschenen; te twee uren namiddag zou te Yperen,
in de zaal op den Burg, de vorstelijke vierschaar worden geopend.

Volgens de gewoonte van dien tijd, zouden de bloedverwanten en
bijzonderste vrienden der beschudigden dezen ter vierschaar vergezellen,
hetzij om hen desnoods voor het gerecht te verdedigen, hetzij om, door
hunne tegenwoordigheid, te betuigen dat zij de achting veler lieden
genoten of tot eene machtige maagschap behoorden.

Zoo kwam het dat op dien dag, in den morgen, de Erembalds van Brugge,
ten getalle van wel dertig, omtrent Staden, op de baan naar Yperen
voorbijreden.

Zij hadden den nacht te Thorhout doorgebracht en waren laat genoeg te
paard gestegen om niet voor het bepaald uur te Yperen aan te komen.
Bertulf, de proost van St-Donaas, had het dus goedgevonden om reden dat
hij het oploopend gemoed van Burchard vreesde, en zooveel mogelijk hem
de aanraking met zijne vijanden, de Tancmars, wilde doen vermijden.

Wel is waar dat, door de dagvaarding voor 's vorsten rechtbank, er
tusschen de belanghebbenden en hunne vrienden een plechtige vrede was
gebannen, dien men op de doodstraf moest eerbiedigen; maar Burchard had
reeds zoovele blijken van ontembaarheid en van blinde gramschap gegeven,
dat de oude Bertulf alle vertrouwen in zijnen woesten neef had verloren.

Alhoewel de proost in den grond zijns harten bekende dat Rambold Tancmar
de eerste oorzaak der betreurlijke moorderijen was geweest en Burchard
eene wettige wraak had uitgeoefend, beschuldigde hij niettemin zijnen
neef van onvoorzichtigheid en wreedheid. Zulks was insgelijks het
gevoelen van Hacket, den kastelein, en van vele andere leden van hunne
maagschap.

Waarschijnlijk hadden zij gedurende hunne reis deze meening herhaalde
malen uitgedrukt; want nu waren zij sedert een uur opnieuw daarover in
een hevig gesprek met Burchard, wier onverduldigheid zooverre ging, dat
hij den proost en al wie zijne zienswijze deelde van lafheid durfde
beschuldigen.

Door eene strenge vermaning zijner ooms gekwetst, hield Burchard zijn
paard terug en betuigde in toornige woorden het inzicht voortaan op
eenigen afstand achteruit te blijven om zulke bewijzen van
kleinhartigheid niet meer te moeten hooren.

Nauwelijks was hij eenige oogenblikken alleen, of een ander ridder
vertraagde insgelijks den stap van zijn paard totdat hij zich terzijde
van Burchard bevond. Dan zeide hij met eene stem die versomberd scheen
door een diep gevoel van verontwaardiging:

"Het is om rood te worden van schaamte, bij elk woord dat ze ginder
spreken! Ha, mher Burchard, de Erembalds, behalve gij en een paar
anderen misschien, zijn geene Kerels meer!"

"Gij hebt wel gelijk, mher Disdir Vos", antwoordde Burchard. "Het leven
in de stad, het genot van hooge ambachten heeft hen bedorven. Zij
stellen de Romaansche voorzichtigheid boven de Germaansche koenheid."

"Gave God dat zij u geleken, Burchard, dan zouden de Isegrims het niet
durven bestaan de Kerels te hoonen of te bedreigen. Ik heb hier niet
veel te zeggen, dewijl ik geen Erembald ben en slechts naar Yperen ga
uit achting, ja, uit bewondering voor u; maar gij hebt gehoord hoe ik
evenwel uw recht tegen den proost verdedigde?"

"Ja, en ik ben er u dankbaar voor, het heeft mij verheugd omtrent mij
toch eenen Kerel te vinden die zich nog den mannelijken trots der
vaderen in het harte voelt."

Disdir Vos scheen eene wijl te overwegen.

"Het is pijnlijk zulk iets te moeten denken, Burchard", zeide hij, "maar
het zou mij niet verwonderen indien sommige Erembalds u op het oogenblik
van gevaar verzaakten en verlieten, om zich aan de zijde uwer vijanden
te schikken."

"Neen, neen, dit toch niet!" kreet Burchard, "uwe vrees is overdreven."

"Gij meent het?" wedervoer Disdir Vos, die ongetwijfeld met verborgen
inzicht den gramstorigen Kerel tegen zijne magen aanhitste. "Bemerkt gij
dan niet dat er reeds zekeren uwer naaste bloedverwanten van nu af u
verlaten?"

"Wie zou dit zijn?" vroeg Burchard verwonderd.

"Waarom is mher Sneloghe niet in uw gezelschap?"

"De proost heeft mij gezegd dat hij gisteren te Brugge moest blijven om
eene gewichtige zaak af te doen; maar dat hij heden evenwel intijds te
Yperen zal aankomen."

Disdir Vos schudde het hoofd met eenen scherpen spotlach op de lippen.

"Sa, Disdir", morde Burchard, "ik meende dat gij een vriend van Robrecht
waart, en gij beticht hem van ontrouw en lafheid! Wat doet u denken dat
hij niet zal komen?"

"God gave dat ik mij bedroge! Maar ziet gij niet, Burchard, hoe Robrecht
alle moeite aanwendt om door prachtige kleeding, door overdrevene
heuschheid en door verfijnde spreekwijze zelfs aan de leenheeren te
gelijken? Hij snakt om tusschen de Isegrims als een hunner te worden
aanvaard. Zal een echte Kerel kruipen en vleien, zooals hij gedaan
heeft, om de hand eener edele jonkvrouw te bekomen?"

"Bij Loki![44] gij zijt zinneloos, Disdir, en weet niet wat ge zegt!"
viel Burchard met ongeduld uit. "Robrecht zou de Isegrims vleien en voor
hen kruipen? Wat domheid toch! Ja, hij luistert te veel naar zijn oom;
maar, wees zeker, het Kerlenhart klopt hem op de goede plaats. Waren al
de Erembalds hem gelijk, er kwame spoedig een einde aan den overmoed
onzer vijanden. Het is mher Sneloghe niet die de hand van jonkver
Placida heeft gevraagd; het is zijn oom de proost. Zijne
huwelijksbelofte met Placida is verbroken. Hij gaat trouwen met Dakerlia
Wulf. Gij moet het weten."

"Eilaas, ja, ik weet het tot mijn ongeluk!" zuchtte Disdir. "Snode spot!
Robrecht had de wreedheid zelf mij zijn huwelijk met Dakerlia aan te
kondigen, ofschoon hij wist dat zulke tijding als een moordpriem mij
door het hart moest gaan."

"Versta ik wel? Gij insgelijks bemindet jonkver Wulf?"

"Ach, meer dan mijn leven!"

"Dan beklaag ik u, mijn arme Disdir. Het bij eene vrouw op mher Sneloghe
te winnen, dit hebt gij wel zeker nooit gehoopt?"

"Doemenis, doemenis! Robrecht heeft mij snood bedrogen", klaagde Disdir
Vos met versmachte woede. "Ik maak u rechter tusschen ons beiden,
Burchard. Oordeel of ik niet het slachtoffer eener hatelijke kuiperij
mij mag noemen. Het is reeds lang dat ik jonkver Wulf bemin. Zeker, zij
hadde mijne hulde aanvaard indien Robrecht mij dit geluk niet had
benijd. In alle geval, hij heeft, toen er spraak was van zijn huwelijk
met Placida, mij verklaard dat hij beslissend van Dakerlia's hand
afzag."

"Ik geloof het wel", bemerkte Burchard. "Men trouwt niet met twee
vrouwen te gelijk."

"Neen, zoo eenvoudig was zijne verklaring niet. Hij beloofde mij zelf
ten mijnen gunste bij Dakerlia te pleiten. Nu breekt hij, als een
valschaard, zijne plechtige belofte en vernietigt mijne levenshoop voor
altijd. Ho, beken het, Burchard, het is een wraakroepend verraad."

"De minnenijd berooft den mensch van zijn verstand, ik zie het",
schertste Burchard. "Wel, wel, mijn arme Disdir, het zijn dwaasheden die
gij uitkraamt, dunkt mij. Dakerlia Wulf is geen kind meer, en ik ken
haar genoeg om te weten dat zij, minder nog dan een man misschien, in de
beschikking over haar hart zich zou laten dwingen. Bemint zij u? Dit is
de vraag ... Gij antwoordt niet? Zij bemint dus Robrecht. Gij moet hare
beslissing eerbiedigen."

"Robrecht is een veinsaard; hij heeft mij laffelijk bedrogen; ik zal mij
wreken!" riep Disdir, knarsetandend van spijt en woede.

"Gij zult u wreken? op Robrecht?" herhaalde Burchard glimlachende. "Het
is uwe zaak, maar uit vriendschap tot u kan ik niet nalaten u van twee
dingen te verwittigen. Ten eerste, Robrecht is sterker dan gij en wordt
geroemd om zijne bedrevenheid in het behandelen der wapenen. Hij zal
geenen hoon verdragen. Ten tweede, hij wordt zoo algemeen geacht en
bemind dat, indien het u gelukte hem in eenen kamp te treffen, twintig
anderen u opvolgend zouden uitdagen. Ik zelf zou naar uw bloed moeten
staan. Gij begrijpt, het is alsof gij reeds dood waart ..."

"En toch zal ik mij wreken!" gromde Disdir Vos.

"Kom, kom, gij droomt. Uwe spijt zal bedaren. Wat onzin Gij zoudt u
wreken over een ongelijk dat niemand u aandoet. Overweeg toch: wie ter
wereld die eene vrouw bemint en zich door haar bemint weet zal deze
vrouw verzaken uit toegevendheid voor eenen anderen man? Zoudt gij het
doen? Waarom verlangt gij het dan van mher Sneloghe?"

Eene stem riep nu van de andere zijde der baan Burchard eenen goeden dag
toe.

"Doemenis, daar is hij!" zuchtte Disdir Vos bevend van angst of van
toorn.

Inderdaad, Robrecht en Dakerlia's vader reden hen voorbij, om den proost
en den kastelein, die vooruit waren, hunne groetenissen te brengen. Na
eene lange wijl de oogen met nijdigen blik op Robrecht te hebben
gehouden, zeide Disdir tot Burchard:

"Gij ziet wel hoe hij u ontwijkt. Nauwelijks gunt hij u eenen korten
groet, en vervordert zijnen weg, schier zonder u te bezien."

"Neen, neen", antwoordde Burchard, "ik ken Robrecht beter ... Daar keert
hij reeds zijn paard om tot ons te komen."

Mher Sneloghe naderde inderdaad tot Burchard, drukte hem de hand en
wisselde eenige woorden met hem over het geding dat ging geopend worden.
Hij drukte de vaste hoop uit dat Rambold Tancmar zou veroordeeld worden;
want, volgens zijn gevoelen, had Burchard niets gedaan dan eene wettige
wraak uitgeoefend. Wel was deze wraak bloedig geweest, maar wreeder toch
niet dan de onmenschelijke moord door Rambold op den kleinen Eric en op
de Kerels van Bethferkerke gepleegd.

Burchard zeide, spottende, dat hij naar Yperen ging om zijne ooms deze
bevrediging te geven; maar dat hij het deed met de vaste overtuiging dat
de ridders hem zouden veroordeelen. Welke rechtvaardigheid mocht een
Kerel toch verwachten in eene vierschaar die slechts samengesteld was
uit de heetste Isegrims, en voorgezeten door Karel van Denemarken, den
huichelenden en valschen vijand der Kerels en der Erembalds?

Disdir Vos scheen in gedachten verslonden en bemoeide zich met de
samenspraak niet.

Eene nauwe brug over eenen waterloop dwong hen welhaast hunne paardcn
het eene achter het andere vooruit te laten stappen Deze omstandigheid
waarnemende, zeide Robrecht tot Disdir: "Ik wenschte wel een ogenblik
alleen met u te kunnen spreken, mher Vos. Verleen mij een kort
onderhoud, ik bid u."

"Onmiddellijk, als gij wilt", was het antwoord.

Nu kwam Burchard hen weder terzijde. Robrecht verzocht hem om
verschooning, zeggende dat hij met Disdir eene wijl achteruit zou
blijven, om met hem over iets bijzonders te kouten.

"Ik weet wel wat gij samen te verhandelen hebt", zeide Burchard
glimlachend. "Liefdezaken, uw huwelijk met Dakerlia, niet waar?"

"Hoe? Heeft mher Disdir u daarvan gesproken?"

"Ja, het schijnt dat hij wel gaarne in uwe plaats zou zijn."

"Is het zoo, dan behoef ik hem niet alleen te spreken, en gij moogt het
wel hooren, Burchard, wat ik hem te zeggen heb. Het zal kort zijn."

Hij wendde zich tot Disdir en zeide hem op kalmen, doch nadrukvollen
toon: "Mher Vos, ik heb u plechtiglijk mijn aanstaande huwelijk met
jonkver Wulf aangekondigd. Na onze woordenwisseling over deze zaak hebt
gij, in schijn ten minste, als vriend afscheid van mij genomen. Waarom
veinst gij nu te vergeten wat ik u heb gezegd?"

"Is het om dus hoonend mij te ondervragen dat gij mij alleen moest
onderhouden?" gromde Disdir. "Ik ben onbedreven in het oplossen van
raadsels."

"Welnu, ja, laat ons klaar zijn. Mher Vos, zoolang gij niet wist dat er
tusschen jonkver Wulf en mij eene huwelijksbelofte bestaat kondet gij u
vrij achten tot het aanwenden van pogingen om, ware het mogelijk, u door
Dakerlia te doen beminnen. Nu is u daartoe het recht benomen. Dakerlia
heeft mij geklaagd dat gij haar vervolgt, dat gij haar afspiedt als zij
ter kerke gaat of er van terugkeert, en dat gij, ondanks hare herhaalde
afwijzing, haar lastig valt met de betuigingen uwer liefde. Mij is het
nu een plicht geworden mijne bruid te doen eerbiedigen. Ik hoop, mher
Vos, dat deze weinige worden voldoende zullen zijn om u insgelijks uwen
plicht jegens Dakerlia en jegens mij te doen begrijpen."

"Wat wilt gij zeggen?" vroeg Disdir.

"Dat gij jonkver Dakerlia voortaan met vrede zult laten."

"Ik heb van niemand bevelen te ontvangen."

"Aldus, gij zijt voornemens voort te gaan met mijne bruid te hoonen?"

"Ik zal doen wat mij goeddunkt."

"Het zij dan zoo, vermits gij het verlangt", zeide Robrecht. "Mij spijt
het zeer eenen vriend dus toe te spreken, maar gij dwingt er mij toe.
Wordt er bloed tusschen ons gestort, het valle dan op u, mher Disdir.
Daar, aanvaard dit pand!"

En dit zeggende, bood Robrecht zijnen handschoen aan Disdir Vos. Deze
verbleekte en aanschouwde zijnen uitdager met scherpen blik.

"Gij aarzelt?" kreet Robrecht verbaasd.

Maar Burchard, die de weigering van Disdir gansch goedkeurde en hem
daarom uit de pijnlijke verlegenheid wilde redden, greep den handschoen.

"Hier is een misverstand; gij zult niet strijden!" riep hij.

"Maar weigert Disdir den aangeboden kamp? Ik moet het weten!"

"Bloed tusschen vrienden!" zuchtte mher Vos met eenen geveinsden afkeer.
"Voor een ongeluk waaraan het lot alleen schuld heeft ..."

"Kom, Robrecht, wees redelijk", viel Burchard in. "Dat Disdir droef en
spijtig is, zult gij hem daarom gaan haten? Indien Dakerlia u verstiet,
zoudt gij niet treuren?"

"Zeker, zeker", antwoordde Robrecht getroffen. "Dat Disdir belove mijne
bruid te eerbiedigen, en ik wil alles vergeten."

"Ik zal ze eerbiedigen", stamelde Disdir. "Deze verzekering hadde ik u
gewillig gegeven, hadde gij niet, op eenen kwetsenden toon van bevel,
mij ze hadt willen afdwingen. Ik ben ridder, ik ben ongelukkig, gij
behandelt mij zonder achting, zonder medelijden. Waart gij in mijne
plaats en ik in de uwe, wees zeker, ik zou beter dan gij toonen dat ik
gevoelig ben aan de wettige smart van eenen vriend."

Deze woorden, oprecht of geveinsd, hadden Disdir een pijnlijk geweld op
zich zelven gekost. Tranen glinsterden in zijne oogen; hij scheen
vernederd en beschaamd.

Mher Sneloghe, door deze teekens van diepe droefheid getroffen, reikte
hem de hand en zeide met minzaamheid in de stem:

"Nu, Disdir, het is een misverstaan, inderdaad. Laat ons vrienden
blijven. Geloof mij, had jonkver Wulf u hare genegenheid geschonken, ik
hadde hare beslissing geëerbiedigd. Evenals gij zou ik daarover getreurd
hebben; maar daarom toch zou ik u niet vijandig geworden zijn."

Zij drukten elkaar de hand. In Disdirs oogen fonkelde nog de nijd, en
zijne lippen waren scherp gesloten; maar Robrecht en Burchard meenden te
mogen denken dat deze zure uitdrukking slechts het gevolg was van het
geweld dat hij op zijn hart deed, om zoo beslissend eene lange hoop te
verzaken. Zij mistrouwden zijne oprechtheid niet en prezen hem
integendeel om zijn moedig besluit.

Robrecht verschoonde zich bij Burchard omdat hij niet langer zoo van de
anderen afgescheiden met hen kon blijven, aangezien hij
beleefdheidshalve zijne ooms en zijnen schoonvader gezelschap moest
houden. Hij dreef daarom zijn paard vooruit en begaf zich naar het hoofd
van den stoet.

Eenigen tijd daarna bereikten de Erembalds de stad Yperen.

Zij reden de Thorhoutsche poort binnen en namen hunnen intrek in de
groote afspanning de Gouden Liebaart, om eene wijl te rusten en hunne
kleederen van stof te zuiveren.

De stad Yperen, door zich zelve reeds volkrijk, had nog gansche benden
bezoekers van Veurne, Dixmude, Roesbrugge, Steenvoorde Poperinghe en
andere naastgelegene Ambachten ontvangen. Daarenboven, de gansche
hofhouding des graven, benevens een honderdtal ridders met hunne
talrijke wapenknechten, waren er dien morgen aangekomen, zoodat het in
de straten krielde van allerlei lieden, en de stad een voorkomen aanbood
alsof een leger er zich, te midden eener kermis, tot den oorlog
bereidde.

Naarmate het uur van het vorstelijk geding naderde, drong de menigte
meer en meer te zamen op het voorplein van den burg, om van de eene
zijde de Tancmars, en van de andere de Erembalds te zien voorbijgaan.
Hoezeer ook sommige Kerels of poorters lust hadden om een der beide
geslachten toe te juichen of uit te jouwen, en dus hunnen haat of hunne
genegenheid te betuigen, zij durfden het niet doen, omdat zulks door den
gebannen vrede was verboden, en de wapenlieden met uitgetogen zwaard
genoeg in machte daar stonden om de wet en des vorsten wil te doen
eerbiedigen.

Nauwelijks was het bepaalde uur verschenen of de trompers gingen rond en
daagden bij name Rambold Tancmar en Burchard Knap voor het hooger
ridderhof.

De geroepenen, door hunne bijzonderste bloedverwanten gevolgd, traden in
de groote zaal van den burg. Hun werden, elk langs eene zijde, banken
aangewezen, ten dien einde te midden der zaal gesteld.

De graaf zat op eene verhevenheid, onder eene soort van troon en achter
eene breede tafel, waar rondom de leden van het hof, de maarschalk en de
schrijvers plaats genomen hadden.

Al de leden van het hof waren vijanden der Erembalds, ten minste zij
stonden bekend als Isegrims, dit is te zeggen als zulke lieden die den
leenheeren alle macht en alle recht wilden toegekend zien, ten koste van
het recht en van de vrijheid der poorters en der Kerels.

Eenen enkelen ridder, den kastelein of burggraaf van Yperen, die nevens
den vorst zat, meende Burchard als eenen vriend en verdediger te mogen
beschouwen. Het was Willem van Loo, afstammeling der graven van
Vlaanderen, en die slechts na eenen ongelukkigen oorlog zich gedwongen
had gezien de kroon aan Karel van Denemarken af te staan. Hij alleen had
Burchard met een teeken des hoofds en eenen minzamen glimlach gegroet.
Zijne tegenwoordigheid tusschen de rechters verheugde de Erembalds,
ofschoon de proost Bertulf wel wist dat Willem van Loo eenen geheimen
wrok tegen hem had, omdat hij, in den oorlog voor de kroon, zich ten
voordeele van Karel van Denemarken had verklaard.

Nog werden de trompen aangeheven en eenige afkondigingen gedaan, waarna
de maarschalk, woordvoerder des vorsten, Rambold Tancmar als aanklager
opriep en hem vroeg waarover hij recht eischte.

Rambold verhaalde met berekende bedaardheid en geveinsde droefheid wat
er te Straten was geschied. De graaf had uit grootmoedigheid zijnen
raadsheer Tancmar eenige gronden, die de kroon toebehoorden, ter leen
geschonken. Burchard Knap had beweerd dat de graaf geen recht had om
over deze gronden te beschikken en had er zijne lieden op gesteld, om
Tancmar den eigendom er van met geweld van wapenen te betwisten.
Rambold, die door zijnen oom belast was geworden, gedurende zijne
tegenwoordigheid in het leger zijne goederen te Straten te bewaren en te
verdedigen, had zich verplicht gezien geweld tegen geweld te stellen en
Burchards lieden van den bedoelden grond te verjagen. Wat Burchard dan
had gedaan: hoe hij Tancmars lieden had neergehakt, hoe hij eene
edelgeborene maagd, eene onschuldige jonkvrouw had vermoord, hoe hij al
de lijken zijner slachtoffers en den burcht zei ven had verbrand, dit
wist iedereen. De droeve mare zijner gruwelijke gewelddaden had geheel
Vlaanderen met verontwaardiging vervuld; en uit alle burchten, uit elk
ridderlijk hart steeg eene stem op tot den troon om recht en om wraak.
Op den ijselijken dood zijner arme zuster wilde hij nu niet aandringen,
om den vorst niet pijnlijk te ontroeren en zelf niet in rouwtranen te
smelten. Hij putte sterkte en troost in de overtuiging dat de graaf
recht zou doen met al de strengheid die zulke voorbeeldelooze wreedheid
eischte.

Burchard, die met diepe aandacht de rede van zijnen vijand had
afgeluisterd, en bij elk woord had gevoeld hoe deze, door het verzwijgen
of verdraaien der omstandigheden, al de schuld hem op den hals poogde te
schuiven, wrong zijne vuisten, trappelde met de voeten en morde hoorbaar
vermaledijdingen tegen zijnen aanklager.

Bertulf en Hacket, zijne ooms, spanden alle moeite in om hem tot bedaren
te brengen; doch de stem van Rambold, die hij zoolang had moeten hooren,
was alleen toereikend geweest om zijn geduld te vernietigen en hem in
woede te doen ontvlammen.

Nu werd hij zelf opgeroepen en de maarschalk vroeg wat hij tegen
Rambolds aantijgingen in te brengen had.

Burchard trad met fierheid en zichtbaar toornig voor het hof.

"Wat die listige mensch u zegt is valsch, geheel valsch!" riep nij met
kracht. "De grond was mijn eigendom; ik heb hem geërfd van mijne moeder
zaliger. Men heeft u bedrogen, heer graaf. Haddet gij geweten dat de
weide en de boomgaard te Straten u niet toebehoorde, gij zoudt deze
goederen zeker niet weggeschonken hebben, want ook de vorst moet elks
recht eerbiedigen...."

Een afkeurend gemor, dat onder de Tancmars en zelfs onder eenige leden
der rechtbank opsteeg, onderbrak zijne rede.

Hij, daarover gekwetst, hief het hoofd met trotschheid op, stuurde
fonkelende blikken tot de bank zijner vijanden, en riep uit:

"Vleiers en valschaards zijn zij die alle mannelijke openhartigheid
terzijde stellen en hier durven beweren dat de vorst het recht bezit om
onrechtvaardig te zijn, daar de God des hemels zelf dit recht niet
heeft!"

Deze vermetele worden ontrukten al den ridders eenen kreet van
verontwaardiging; het gelaat des graven was versomberd door eene
uitdrukking van beklemden toorn.

Bertulf, de proost van St-Donaas, die het gevaar merkte, stond op en
naderde tot zijnen neef, met wien hij in stilte eenige haastige en
driftige woorden wisselde. Burchard keerde onwillig naar zijne plaats op
de bank terug. De oude Bertulf wendde zich met eene diepe buiging tot
het hof en zeide:

"Genadige heer graaf, en gij, heeren rechters, de beschuldigde gevoelt
wel dat hij, ondanks zijnen eerbied voor het hof, door ontsteltenis in
gevaar zou komen van dingen te zeggen welke hem niet zoo in het gemoed
liggen. Hij heeft mij, zijnen oom, aangesteld als zijnen woordvoerder,
en in deze hoedanigheid zal ik spreken, indien de vorst en de heeren
rechters gelieven mij aan te hooren."

Er werd over deze vraag eene wijl in stilte beraadslaagd. Vele rechters
getuigden door ontkennend schudden des hoof dat, dat zij van gedachte
waren den woordvoerder van Burchard niet te aanvaarden en deze te
dwingen zijne eigene verdediging voor te dragen. Dit was inderdaad een
onfeilbaar middel, niet alleen om hem te doen veroordeelen, maar tevens
om den graaf tot eene strenge en onmiddellijke straf pleging aan te
drijven. Maar Willem, de burggraaf van Yperen, deed den vorst begrijpen
dat men den beschuldigde de gewone middelen tot verdediging niet mocht
ontzeggen.

Men besliste dus dat men de vraag van den proost van St-Donaas zou
inwilligen.

De maarschalk stond op en riep:

"Onze genadige heer graaf en het hof stemmen er in toe den woordvoerder
van Burchard Knap te hooren. Dat hij spreke!"

"Heeren", begon Bertulf op zeer kalmen toon, "om te kunnen oordeelen wie
hier de ware plichtige is, hoeft men niet te onderzoeken wien de
boomgaard en de weide te Straten toebehoorden. Het is genoeg te weten
dat de heer graaf bevolen had dat men, tot zijnen terugkeer van den
oorlog, desaangaande alles zou laten in den toestand waarin het bij zijn
vertrek zich bevond. Wie heeft allereerst dit hoog bevel overtreden? Is
het niet Rambold Tancmar die nog onlangs dien grond met paalwerk deed
omsluiten? Heeft mijn neef iets gepleegd dat buiten zijn recht was, toen
hij de palen uitwierp en den grond in den staat herstelde waarin onze
genadige heer graaf had bevolen hem te laten?"

"Hij heeft er gewapende lieden op gezet en mijnen neef eene
oorlogsverklaring toegezonden", onderbrak de raadsheer Tancmar.

"Maar had mher Rambold niet reeds gewapenderhand de gezellen van mijnen
neef mishandeld en verjaagd?" wedervoer Bertulf. "Dan, tot dit oogenblik
was er nog niets geschied, dat de gewelddaden, die wij allen in het
diepste van ons hart betreuren, kon veroorzaken. Maar Rambold, den
landsvrede op eene bloedige wijze willende breken, is met macht van
wapenen op de gezellen van mijnen neef gevallen, heeft er een gedeelte
van vermoord, en dooden en gevangenen den rechtervoet afgehakt. Deze
voeten heeft hij in eenen korf gelegd en ze, in de proostdij te Brugge,
mijnen neef Burchard als een geschenk toegestuurd, den bode de
gruwelijke woorden in den mond leggende: 'Rambold Tancmar zendt Burchard
Knap deze vruchten van eenen nieuwen grond; hij hoopt dat het gezicht
daarvan hem zal verblijden.' In dezen korf vond mijn neef insgelijks den
voet van den zoon zijner zuster zaliger, een kind van veertien jaar, dat
hij beminde als het licht zijner oogen. Ik beroep mij op uw hart, heer
graaf, en ik spreek tot uw gemoed, heeren. Wat zoudt gij bij zulke
ijselijke wreedheid, bij zulken helschen spot hebben gedaan? Recht
geëischt bij onzen genadigen heer graaf, zult gij zeggen? Inderdaad,
maar vergeet niet dat mijn neef mensch is, en meer dan mensch zou moeten
zijn om bij zulken bloedigen hoon niet onder zijne wettige wraakzucht te
bezwijken."

"Het hof late mij toe eenige woorden tot terechtwijzing te spreken",
zeide de hofraadsheer Tancmar. "Zeker, hadde mijn neef Rambold de voeten
van mher Burchards lieden afgesneden zonder daartoe uitgedaagd te zijn
geworden, het ware eene onmenschelijke wreedheid en eene helsche spot
geweest, zooals de heer proost zegt. Maar hier valt aan te merken dat
Burchard Knap in het openbaar mijnen neef gedreigd had zulks aan zijne
lieden, ja, aan hem zelven te doen, indien iemand hunner den voet op den
betwisten grond durfde zetten."

"Wie dit gezegd heeft is een valschaard: hij liegt!" riep Burchard
rechtspringende.

Een strenge oogslag van den proost dwong hem echter weder tot stilte.

"Heeren, de wraak die mijn neef Burchard te Straten gepleegd heeft",
hernam Bertulf, "is wreed en bloedig geweest. Mij doet het pijn, ja, mij
grieft het diep dit te moeten bekennen. Maar was zij wreeder dan de
moorderij door Rambold vroeger aangericht, en welker ijselijkheid hij
zelfs niet onder den naam van wraak kan pogen te verminderen? Rambold
heeft de gezellen van mijnen neef vermoord en het kind zijner zuster van
het leven beroofd na het onmenschelijk te hebben verminkt. Burchard
heeft de lieden van Rambold vermoord, en in de woestheid der
wraakpleging heeft men Rambolds zuster insgelijks het leven benomen.
Wanneer men alleenlijk de daden beschouwt, dan zouden zij beiden even
plichtig zijn; want wat de tweede deed is de herhaling van wat de eerste
had gedaan. Evenwel, de rechters verzuimen nooit de oorzaak der dingen
te onderzoeken om te weten wie de stichter was van het kwaad en dus met
vrijen, onbelemmerden wil heeft gehandeld, niet om wraak te plegen, maar
uit enkele nijging tot vijandschap en tot wreedheid. Wie was hier de
eerste stichter van de afschuwelijke gewelddaden welke het geheele land
met ons betreurt? Uw antwoord kan niet twijfelachtig zijn, heeren
rechters. De overtuiging welke mijn neef, omdat hij niet gewoon is in
het openbaar te spreken, verkeerdelijk heeft uitgedrukt, ligt ook in
onze harten: Onze heer graaf kan niet onrechtvaardig zijn, omdat zijne
wijsheid, zijne grootmoedigheid en zijne vaderlijke bezorgdheid voor het
welzijn van zijn volk zulks onmogelijk maken. Daarom, wij berusten in
het recht onzer zaak en zien met vertrouwen een gunstig vonnis te
gemoet."

Rambold Tancmar hield daarop eene tegenrede; de proost van St-Donaas
antwoordde hem eene tweede maal; de hofraadsheer poogde nog van tijd tot
tijd door eene onderbreking zijnen neef behulpzaam te zijn; ook Burchard
riep nog twee- of driemaal dat de Tancmars wetens en willens logen; maar
al deze pleitredenen en woordenwisselingen brachten niets nieuws aan den
dag, en lieten de zaak zooals zij zich van den beginne had voorgedaan.

Op deze wijze liep het geding ten einde. De graaf en de leden van het
hof verlieten de zaal, om in een ander vertrek over het vonnis te
raadplegen.

Intusschen bleven de Tancmars en de Erembalds op hunne plaatsen zitten
en koutten met hunne vrienden, en berekenden de kansen eener gunstige
uitspraak.

Terwijl de meeste Erembalds den glimlach op de lippen hadden en luidop
spraken, fluisterden de Tancmars in stilte. De eersten, door de
welsprekendheid van Bertulfs pleitrede aangemoedigd, twijfelden niet aan
den goeden uitslag hunner zaak; de vrienden van Rambold vreesden
integendeel dat hij, als stichter en als eerste oorzaak van het kwaad,
zou worden veroordeeld. Wel hielden zij zich overtuigd dat de graaf de
Erembalds haatte en tegen de Kerels in het algemeen was verbitterd; maar
hij was zoo zonderling en zoo ondoorgrondelijk van gemoed. Daarenboven,
iedereen wist dat graaf Karel zijnen hoogmoed stelde in de faam van een
streng, doch rechvaardig vorst te zijn. Zou hij nu niet terugwijken voor
eene veroordeeling van Burchard, indien de welberekende pleitrede van
den proost hem deed vreezen dat zulke veroordeeling als een onrecht zou
worden aangezien?

Het hof bleef zeer lang in beraadslaging.

Naarmate de tijd verliep, groeide de hoop op eenen goeden uitslag onder
de Erembalds aan, omdat zij elkander moed inspraken en door allerlei
gunstige vooruitzichten Burchard poogden te bedaren.

De Tancmars, integendeel, door het gevoel van Rambolds plichtigheid
reeds in twijfel gebracht, verloren bij het gezicht der welgemoedheid
hunner vijanden bijna alle hoop.

De oude Bertulf, die de ridders als vijanden der Erembalds mistrouwde
en de mogelijkheid der veroordeeling zijns neefs in zijn gemoed erkende,
nam den tijd waar om Burchard tot het aanvaarden van het vonnis te
bereiden, hoe het ook mocht zijn. Hij deed hem begrijpen dat alle
opstand, alle oneerbiedig geschreeuw den graaf slechts kon verbitteren
en hunne zaak bederven. Hij bezwoer hem uit liefde, uit opoffering voor
zijn geslacht en voor Kerlingaland, met verduldigheid des vorsten
uitspraak aan te hooren en, al ware het slechts in schijn, zich er aan
te onderwerpen Hij verkreeg door welsprekendheid en door lang aandringen
zooveel op zijnen neef, dat deze beloofde zijnen raad te volgen.

Eindelijk verscheen weder het hof in de zaal. De graaf en de rechters
gingen tot hunne vorige plaatsen; de trompers hieven een kort geschal
aan; de jonge Frumold, als schrijver van het hof, kwam vooruit en las,
met luider stemme, terwijl de diepste stilte in de zaal heerschte, het
uitgesproken vonnis.

Dit stuk was zeer lang. Het verhaalde, tot in de minste bijzonderheden
al de feiten die zoowel door Rambold Tancmar als door Burchard Knap
waren gepleegd geworden, zonder dat men uit deze bloote beschrijving der
voorvallen kon opmaken wat het besluit van het vonnis kon zijn.

Ook luisterden de aanwezigen met overspannen aandacht en veler hart
popelde van vrees of van ongeduldige verwachting, totdat eindelijk een
zegevierende lach op de aangezichten der Tancmars verscheen en de oude
proost van St-Donaas, met eenen kreet van angst en medelijden, zijnen
neef omhelsde en hem, bij al wat hem duurbaar was, bezwoer zijne
verontwaardiging te bedwingen.

Burchard Knap was schuldig verklaard en veroordeeld; Rambold Tancmar
kwam er niet alleen gansch ongestraft van af, maar hem werd nog
daarenboven schadevergoeding toegekend!

Wel liet Burchard een versmacht gegrom hooren als van eenen getergden
leeuw, maar hij hield het hoofd gebogen en roerde zich niet, terwijl de
schrijver dus voortlas.

"Ten eerste, wij bevelen dat de burcht te Straten, ten koste van den
veroordeelden Burchard Knap, weder zal worden opgebouwd zooals hij te
voren was.

Ten tweede, wij bevelen, omdat de veroordeelde den landsvrede heeft
gebroken, dat zijn huis te Bethferkerke zal worden afgebrand en
vernietigd, hem verbiedend, op lijfstraffe, voortaan in het Ambacht van
Brugge eene woning op te richten of te hebben[45].

Ten derde, wij bevelen dat de veroordeelde Burchard Knap uit onzen Lande
van Vlaanderen blijve gebannen, gedurende den tijd van tien
achtereenvolgende jaren. Wij willen en bevelen dat hij, te beginnen van
heden met zonneondergang onze stad Yperen ontruime en voorts den grond
van ons graafschap na den derden dag, gevende al onzen ridders,
kasteleins, wapenlieden, poorters en laten recht en bevel hem aan den
lijve te gaan en hem te dooden, indien hij ooit, in miskenning van dit
ons vonnis, voor den gemelden tijd van tien jaren, binnen de palen van
ons graafschap zich durfde vertoonen."

Burchard, die tot dan, door zijne gemoedssterkte te overspannen zich had
kunnen bedwingen, sprong nu eensklaps recht en bief de dreigende vuist
tegen den graaf op, terwijl uit zijne borst onverstaanbare
vermaledijdingen opstegen: maar de proost, de kastelein, Robrecht,
Segher Wulf, Yorg Koevoet, Matfried Wezel en andere vrienden omringden
hem, biddend en smeekend, of omarmden en weerhielden hem met geweld.

Eindelijk rukten zij hem uit de zaal, terwijl de trompers de opheffing
der rechtbank verkondigden.

Hem omringende en het nieuwsgierige volk terugdrijvende, sleurden zij
hem met groote haast tot in de herberg de Gulden Liebaart, en brachten
hem hier in eene zaal waarvan zij de deuren toesloten.

Burchard, uitzinnig van woede over het schreeuwend onrecht dat, volgens
zijne meening, hem was aangedaan, bulderde van niets min dan van den
graaf en al de rechters die hem veroordeeld hadden te vermoorden en hun
de meineedige tong uit den mond te rukken.

Disdir Vos gaf hem gelijk en ging zelfs nog verder: hij was van gedachte
dat men den nacht moest afwachten en het vuur aan de vier hoeken van den
burg steken, om den graaf en de hatelijke Isegrims, die hem het onrecht
geraden hadden, te verbranden en onder de puinen van den burg te
begraven.

Alhoewel van zulke gewelddaden niet sprekende, beklaagde Robrecht
Sneloghe met ware deelneming het onrechtvaardig vonnis en drukte de
meening uit dat het waarlijk tijd was om geweld tegen geweld te stellen,
wilde men niet door de Isegrims zelven worden aangezien als lafaards,
die men zonder vrees van tegenstand mag vervolgen en verdrukken.

Segher Wulf sprak in denzelfden zin, en was zeer verbolgen over eene
veroordeeling welke hij aanschouwde als eene daad van wraakroepende
dwingelandij.

De oude Bertulf riep zijne overheid in, als hoofd der Erembalds, om zich
te doen aanhooren, en wendde al zijne welsprekendheid aan om zijnen neef
en de anderen tot eene kalme overweging van hunnen toestand te brengen.
Volgens hem had men door kuiperijen en bedrog den graaf verrast en hem
dit onbegrijpelijk vonnis doen bezegelen. Men moest de gemoederen
slechts tijd geven om een weinig te bedaren, en door onderwerping den
vorst laten gelooven dat men zijne besluiten wilde eerbiedigen. Hij,
proost van St-Donaas, zou persoonlijke pogingen bij het hof doen. De
graaf zou voor eenige dagen te Brugge komen verblijven; dan konden de
Erembalds en hunne vrienden bijna dagelijks den vorst naderen. Men mocht
de hoop voeden, men mocht bijna zeker zijn dat de graaf de
ongerechtigheid van zijn vonnis zou erkennen en het zou herroepen.

Burchard viel in nieuwe wraakreten uit, beschuldigde zijne ooms van
lafheid en riep dat hij niemands hulp noodig had om de Kerels te wapen
te doen loopen. Men zou het wel zien eer acht dagen voorbij waren, hoe
de burchten der Isegrims over geheel Kerlingaland in vuur en vlam zouden
staan, en hoe de kroon, welke de graaf slechts droeg om onrecht te
plegen, hem van het hoofd zou worden gerukt.

Maar de proost verloor zijn geduld niet en zette onverstoord zijne
bedarende rede voort. Hij deed elk begrijpen dat men niet om het kwaad
dat een enkel persoon werd aangedaan, het geheele Kerlingaland tot een
bloedbad mocht maken, niet alleenlijk omdat zulks in zich zelven eene
onrechtvaardigheid was, maar bovenal omdat de wetten der Gilden
verboden iets gewichtigs te ondernemen zonder eerst hunne
vertegenwoordigers te hebben geraadpleegd. Binnen drie weken zou te
Veurne de jaarlijksche _Hoop_ der Gilden van Kerlingaland te zamen
komen. Gunstiger omstandigheid kon zich niet voordoen. Men zou in de
Hoop kennis geven van het gebeurde en van den ergen toestand der zaken,
en dan, na rijp beraad, de afgevaardigden laten oordeelen wat de Kerels
behoorden te doen. Besliste men daar tot den opstand en tot den oorlog,
welnu de proost, de kastelein en alwie het met hem hield, zouden de
besluiten van den Hoop aanvaarden en ze helpen uitvoeren, ten koste van
goed en bloed. Burchard kon in afwachting eene schuilplaats bij zijnen
vader te Rodenburg vinden. Niemand zou hem daar durven opzoeken en veel
min vervolgen. Hij, de proost, zijn oom, zou hem nu en dan gaan bezoeken
om hem kennis van den gang der zaken te brengen.

Eindelijk door de vereenigde pogingen zijner magen en vrienden
overwonnen, of eerder vermoeid van hen tegen te spreken, scheen Burchard
eenigszins gestild en stemde er in toe, dewijl het daglicht verzwakte,
met hen Yperen te verlaten, volgens het bevel des graven.

Men hoorde de opgezadelde paarden in de straat trappelen en hinniken, en
reeds opende de proost de deur om de zaal te verlaten, toen een ridder
binnentrad en, recht tot Burchard gaande, hem met een woord van troost
de hand drukte.

"Mher Willem Van Loo, burggraaf van Yperen, wilt gij graaf van
Vlaanderen zijn?" riep Burchard.

"Ik graaf van Vlaanderen?" stamelde Willem verwonderd.

"Zijt gij niet de wettige erfgenaam onzer vorsten?" vroeg Burchard, zeer
aangejaagd en als door eene hevige blijdschap ontroerd. "Heeft niet deze
Karel van Denemarken u de kroon ontroofd?"

Willem van Yperen deed een teeken dat men de deur der zaal zou sluiten;
dan zeide hij tot Burchard:

"Mher Knap, spreek toch hier van zulke dingen niet. De graaf is in
Yperen met vele ridders en wapenlieden; hij kan met u doen wat hij wil.
Zeker, indien men het recht had geëerbiedigd, zou ik nu op den
grafelijken troon zitten en zulke ongehoorde wetsverkrachting, als wij
heden hebben bijgewoond, zou op Vlaanderens grond niet geschieden; maar
het lot heeft zich tegen mij verklaard en ik heb mij gebogen onder het
geweld der wapenen ..."

"De tijden zijn veranderd", viel Burchard ongeduldig in zijne rede. "De
maat der ongerechtigheid is vol. Wilt gij graaf van Vlaanderen zijn,
mher Willem? Zeg één woord!"

"Eilaas, wie kan mij mijn erfdeel terugschenken?" zuchtte Willem Van Loo
met een moedeloozen glimlach.

"Wie? Ik!" riep Burchard.

"Maar welke middelen meent gij te hebben?"

"Ha, dit is mijn geheim", morde Burchard, zich met de vuist op het
voorhoofd slaande.

"Kom, kom, dit zijn droomen, onmogelijke droomen", zeide Willem. "Ik ben
u dankbaar voor uwen goeden wil ten mijnen opzichte; maar, gekwetst en
verbitterd als gij nu zijt acht gij mogelijk wat geheel onmogelijk is."

De proost had reeds tusschen deze zonderlinge samenspraak eenige
bemerkingen geworpen, om te doen gevoelen hoe zinneloos en hoe
gevaarlijk zulke bedreigingen tegen den vorst waren, en hij drong weder
met kracht op het vertrek aan. De zon zou welhaast onder den
gezichteinder wegzinken, en wie kon verzekeren dat niet de eene of
andere ridder of dienaar des graven op het leven van Burchard zou
toeleggen, aangezien het gevelde vonnis zulks iedereen ten plichte
maakte?

Allen verlieten op zijnen raad de zaal en gingen buiten de herberg.

Willem van Yperen had Burchard gevolgd.

Op het oogenblik dat deze te paard zou steigen, neigde hij zich naar
mher Willem en fluisterde aan zijn oor:

"Burggraaf, wij zien elkander spoedig weder."

"Maar gij zijt gebannen!" bemerkte de andere, niet zonder
verschriktheid. "Ik mag u niet onder mijn dak onthalen."

"Als de graaf vertrokken is. Des nachts. Vrees niet. Ik heb gewichtige
zaken u mede te deelen: uw geluk en onze vrijheid hangen er van af."

En na het uitspreken dezer woorden sprong hij te paard en volgde de
andere Erembalds die reeds vooruit waren, als hadden zij groote haast om
de poort te bereiken en de stad te verlaten.


VOETNOTEN:

[Voetnoot 44: _Loki_ is de duivel der oud-Germaansche godenleer.]

[Voetnoot 45: Zie over het vonnis tegen Burchard, door den graaf te
Yperen uitgesproken, KERVYN DE LETTENHOVE, _Hist. de F._, t. #I#, 371.]



VIII


Dakerlia Wulf stond alleen in eene groote kamer van haar vaders woning,
voor eene tafel die beladen was met velerlei kostbare voorwerpen, als
gebeeldhouwde schrijnen en doozen, vergulde lampen, kristallen
drinkvaten, zilveren dischgerief, een kruisbeeld van elpenbeen; alles
zoo kunstrijk, zoo zeldzaam en zoo prachtig dat, hoe weinig plaats het
ook besloeg, men het evenwel als eenen aanzienlijken schat moest
beschouwen.

Met den glans des geluks in de oogen en den glimlach der bewondering op
de lippen, staarde Dakerlia droomend op deze tafel, nam het een of ander
voorwerp in de hand, keerde het om, bezag het langs alle zijden en hief
dan, als aangedreven door een gevoel van dankbaarheid, den blik tot God.

Het gerucht van stappen in den gang stoorde haar eindelijk in zulk
dankgebed. Een blijde kreet ontsnapte haar; met de handen uitgestrekt,
keerde zij zich naar de deur en murmelde:

"Ha, hij is daar ... mijn verloofde!"

Robrecht en zijne zuster vertoonden zich bij den ingang der kamer. Zij
waren gevolgd door eenen schalk die een zwaar kunstvoorwerp op den arm
droeg. Het geleek aan eene kerk, met vensters en torens, gansch van
glinsterend goud, en hier en daar opgeluisterd met een fonkelend
gesteente.

De schalk zette, naar aanwijzing zijns meesters, het gulden kerkje op de
tafel en verliet de kamer.

Dan eerst greep Dakerlia ontroerd den jongeling de beide handen en riep:

"Ach, Robrecht, wilt gij mij dan zinneloos maken van geluk en fierheid?
Is die wonderschoone kapelle voor mij?"

"Alweder een geschenk voor u, lieve Dakerlia,", antwoordde mher
Sneloghe.

"Hoe zal ik ooit uwe goedheid, uwe liefde kunnen erkennen?"

"Uwe tevredenheid, uwe blijdschap alleen, Dakerlia, is mij eene
voldoende belooning ... Maar ken mij toch "de verdienste van dit echt
vorstelijk geschenk niet toe. Het is eene gift van mijnen oom, den
proost. Zie, Dakerlia, de dubbele poort van het kerkje kan men openen.
Hierbinnen, op eene soort van altaar, staat een zilveren doosje. Wist
gij, lieve, wat het bevat, het geschenk zou honderdmaal meer prijs nog
in uwe oogen hebben...."

"Welnu? Een heiligdom?"

"Ja, een vingerbeen van den grooten heiligen Donaas, patroon van
Brugge."

"Dank, dank zij den heer proost! St-Donaas zal ons beschermen!"

"Gij moet de kostbare reliquiekas in uwe slaapkamer zetten", bemerkte
Witta, "dan zal de booze geest onmachtig zijn ooit uwen slaap te
storen."

"En wij zullen te zamen er voor knielen en God en zijnen dienaar
St-Donaas dagelijks loven en danken, niet waar, Robrecht?"

"Zonder twijfel, Dakerlia. In onze slaapkamer, op Ravenschoot, is eene
breede schoorsteentafel. Daarop zullen wij het zetten, nevens dit
schoone kruisbeeld, tusschen gene twee albasten vaten, die ik zal doen
vullen met geurige bloemen. Het zal zijn als een autaar, Dakerlia,
waarvan het gezicht uw godvruchtig hart immer zal verblijden."

Nadat zij dus nog eene korte wijl hunne bewondering voor het kostbaar
geschenk en hunne innige vreugde hadden uitgestort, greep de jonge
ridder zijne verloofde de hand en leidde haar tot eenen leunstoel; hij
zette zich nevens haar, schouwde haar diep in hare oogen en zuchtte met
het licht der zielsvreugde op het gelaat:

"Ha, Dakerlia, nog acht dagen, en de hemel opent zich voor ons!"

"Nog acht dagen!" herhaalde jonkver Wulf, blozend van maagdelijke
schuchterheid.

Witta, die aan hare andere zijde was gezeten, legde den arm over haren
hals, trok haar tegen haar hart en riep tusschen een zoeten kus:

"Ja, ja, nog acht dagen, dan wordt gij mij een onafscheidbare zuster!"

Toen jonkver Sneloghe haren arm van den hals harer vriendin terugtrok,
rolden twee dikke tranen, als glinsterende parelen, op Dakerlia's
wangen.

"Welk kommervol gepeins schiet u dus eensklaps door den geest?" vroeg
Robrecht verwonderd.

"Welk kommervol gepeins?" herhaalde de maagd met eenen blik, die
straalde van blijdschap. "Neen, neen, het zijn tranen van dankbaarheid.
Robrecht, ik herdenk dat ik veroordeeld was tot eeuwige treurnis; dat
ik, tot bij het graf, eene andere vrouw haar geluk moest benijden ... en
nu, zoo onverwachts zal ik uwe bruid worden; geenen enkelen dag zonder u
te zien, u te hooren ... leven in uwe zoete liefde!...Soms nog beef ik.
Ach, zooveel geluk in eens, het verschrikt mij! Indien eens, even
onverwachts, eene wolk onzen helderen hemel kwam verduisteren!"

"Neen, vrees dit niet meer, mijne lieve", zeide Robrecht, haar opnieuw
de hand nemende. "Ik weet wel wat u bekommert, maar gij hebt ongelijk.
Sedert de graaf nu weder in Brugge is, ondervinden mijne ooms dat zijn
toorn geheel is bedaard. Burchard Knap is gestraft geworden,
onrechtvaardig gestraft, zeker; maar hij heeft zich onderworpen, en deze
gehoorzaamheid van den ontembaren Kerel schijnt onzen heer graaf te
hebben verzoend. Hoe het zij, acht dagen zijn zoo ras verloopen; en,
moest er nog iets gebeuren, ons huwelijk zal gevierd zijn, voordat eenig
nieuw gevaar de Kerels kome bedreigen. Aldus, lever u gansch over aan
het geluk en laat ..."

Hij werd onderbroken door de komst van mher Segher Wulf, die, in
plechtgewaad, met het zwaard aan de zijde in de zaal verscheen.

Hij lachte de jongelieden toe en deed hun teeken dat zij zouden blijven
zitten; maar Dakerlia liep tot hem, leidde hem bij de tafel en toonde
hem met blijden hoogmoed de gulden reliquiekas, de nieuwe prachtige gift
van den proost van St-Donaas.

Na het schoone kunstwerk te hebben bewonderd, zeide mher Wulf:

"De heer graaf houdt heden open hof. Het is onze plicht hem door onze
tegenwoordigheid hulde te brengen. Zult gij niet naar den burg gaan,
Robrecht? Gij schudt het hoofd?"

"Maar, vader", bemerkte Dakerlia met eenige spijt, "Robrecht is daar
even eerst gekomen. De groote dag nadert zoo snel! Wij hebben nog van
honderden dingen te spreken en voor honderden dingen te zorgen."

"Ja, Dakerlia", morde haar vader met eenen glimlach, "gij zorgt maar al
te wel. Ik heb uw huwelijkskleed gezien bij Janne Elshout, en uw kanten
hulsel bij Aleide Stierzeel. Ik ben de rijkste man van Vlaanderen niet
en gij geene vorstin, mijn kind."

"Ik wil schoon zijn, vader!" antwoordde de maagd.

"Maar zijt gij niet schoon genoeg, mijne zoete Dakerlia?" vroeg
Robrecht. "Heeft de blanke lelie, heeft de frissche lenteroos vreemde
praal te ontleenen om bewonderd te worden en elkeen te bekoren?"

"Vleitaal spreekt gij. Ik wil schoon zijn", herhaalde de jonkvrouw.
"Schoon en prachtig opdat mijn bruidegom trotsch weze over mij! Niets is
mij kostbaar genoeg."

"Het zij zoo: vrouwenwil, Gods wil!" zeide Segher Wulf, de schouders
ophalende. "En toch, ik heb maar één kind en moet mij al eene groote
opoffering getroosten. Doe dus naar uwen lust, Dakerlia; gij zult er
mij, hoop ik, des te meer en te langer blijven om beminnen."

"Altijd, altijd even vurig, vader lief!" riep zij uit, terwijl zij hem
aan den hals vloog en hem teederlijk omhelsde.

"Alzoo, gij gaat niet mede naar den burg?" vroeg mher Wulf, zich tot
Robrecht wendende.

"Men zal mijne afwezigheid tusschen zoovele heeren niet opmerken",
antwoordde de jonge ridder. "Daarbij, de gemoederen zijn nu weder
gestild, en voor het oogenblik, ten minste, moeten wij voor niets
bezorgd zijn."

"Dit is te zeggen", wedersprak hem Segher Wulf, "dat wij daarvan niet
gansch zeker zijn. Sedert Burchard Knap werd gebannen, sedert zijn huis
te Bethferkerke werd afgebrand, verspreid men zonderlinge geruchten. Er
zijn er die beweren dat Burchard des nachts bedektelijk in de bosschen
rondreist en de Houtkerels tot eenen opstand aanvuurt. Een van 's graven
laten, die buiten Yperen woont, meent Burchard omtrent Loo in de
duisternis op een reusachtig paard te hebben ontmoet en herkend.
Burchard zou dus in geheime betrekkingen staan met Willem Van Loo? Wat
beramen zij? Onze heer graaf, wien deze samenkomsten van Willem Van Loo
met Burchard moeten bekend zijn, zal in woede ontvlammen; want Willem,
alhoewel hij zich in schijn heeft onderworpen, is hem een bloedvijand,
en de graaf weet het wel. Ach, het is eene ongelukkige verwikkeling! Men
zal aan het hof de Kerels voor het gedrag van Burchard verantwoordelijk
maken; en wie kan voorzien welke nieuwe vervolgingen er voor ons zullen
uit ontstaan?"

"Maar, mher Wulf, mijn oom, de proost, zeide mij, dat hij de vaste hoop
heeft van onzen vorst genade voor Burchard te bekomen. Hij en de
kastelein zullen dan het huis te Bethferkerke op hunne kosten doen
herbouwen. Zoo zal alles bijgelegd zijn, en Burchard zal in vrede naar
Bethferkerke wederkeeren."

"Neen, neen, mijn vriend, de toekomst is zoo helder niet als gij het
schijnt te gelooven. Wat zal de Hoop der Ambachten, die binnen veertien
dagen te Veurne vergadert, over onze zaken beslissen?... Dankt God,
mijne kinderen, dat gij dan reeds zult getrouwd zijn, anders mocht nog
wel eenig toeval uw geluk komen vertragen. Blijf dus, Robrecht; desnoods
zal ik u over uwe afwezigheid verontschuldigen. Vaarwel, tot straks!"

Segher Wulf drukte den jongelieden nog de hand, verliet zijnen Steen en
begaf zich naar den burg.

Toen hij het paleis binnentrad, vond hij in de groote plechtzaal wel een
honderdtal ridders die, bij groepen verdeeld, stonden te kouten, in
afwachting van des graven verschijning.

Hij ging eenigen tijd van den eenen hoop tot den anderen, drukte hier en
daar eenen vriend de hand, en bleef eindelijk met den proost en den
kastelein in gesprek, totdat een luidere woordenstrijd, die uit den hoek
der zaal opsteeg, zijne aandacht vestigde.

De hofraadsheer Tancmar was met zijnen oudsten zoon Ghyselbrecht uit
eene binnendeur in de zaal getreden en deze laatste had onmiddellijk tot
de nastaande ridders iets gezegd dat niet allen even goed beviel, want
Eustaas Van Steenvoorde, een Kerel en een vriend der Erembalds, had met
zekere driftigheid op zijne gezegden geantwoord.

Segher Wulf en andere ridders naderden tot de plaats waar Tancmar stond,
om de reden van dien twist te vernemen. Hier hoorde mher Wulf met
verontwaardiging dat de zoon van den hofraadsheer driftig zeide:

"Zij zullen den balfaart betalen: elk jaar eenen denier, vier deniers
bij hun huwelijk, en vier deniers bij hunnen dood of het beste hoofd ten
voordeele des graven!"

"Van wie spreekt men?" vroeg Segher Wulf zeer stil aan Eustaas Van
Steenvoorde.

Maar Ghyselbrecht, die het had gehoord, antwoordde op tergenden toon:

"Vraag niet naar bekende dingen, mher Wulf. Van de Kerels spreek ik, en
gij weet het wel."

"De Kerels zijn vrij geborene lieden; men heeft het recht niet om hun
den tol der dienstbaarheid op te leggen!" wedervoer Segher Wulf.

"Vrijgeborene lieden? De Kerels, ha, ha!" schertste Ghyselbrecht, als
hadde hij het vast inzicht om hier eenig gerucht te doen ontstaan, dat
de Erembalds bij den graaf mocht benadeelen. "Hoe zullen de Kerels hunne
vrije geboorte bewijzen?"

"Bewijst men den oorsprong van dingen die altijd hebben bestaan?"
wedervoer Segher Wulf. "De Kerels zijn de eerste bewoners dezer landen
geweest. Hunne vaderen waren trotsch op hunne nooit geschondene
vrijheid, en deze vrijheid hebben hunne zonen tot nu toe even
ongeschonden behouden."

"Men levere onzen heer graaf de oorkonden, de bewijzen daarvan!" zeide
Ghyselbrecht zegevierend. "Men kan het niet. Voordat onze vorsten, ter
verlossing van Jeruzalem, naar Palestina togen, betaalden de Kerels den
balfaart ..."

"Valsch, het is valsch!" riepen eenige stemmen.

"En gedurende de afwezigheid onzer graven en hunner leenhouders hebben
de Kerels zich eene vrijheid aangematigd die zij nooit te voren hadden
genoten."

In het hart van Segher Wulf gloeide verontwaardiging en toorn; maar hij
bedwong zijne ontsteltenis met geweld en sprak op treurigen toon:

"O, heeren, die hier tegenwoordig zijt, getuigt ten minste dat ik heb
voorspeld welke beklaaglijke onheilen zij ons arm Vlaanderen bereiden,
zij, die onzen vorst aldus het geweld en het onrecht aanraden. De
Tancmars misleiden u. Ik bezweer u, leent hun de hand niet; laadt niet
op u de schuld van Vlaanderens ondergang! De Kerels vragen van u niets
dan vrede; zij willen ongestoord werken en rijkdom scheppen voor vorst
en land. Waarom ze onrechtvaardig dwingen tot het vergieten van stroomen
bloeds voor het behoud hunner oude vrijheid?"

Eenige andere Erembalds en tevens een tiental ridders traden er
tusschen, hetzij om de bedaardheid aan te raden, hetzij om door even
driftige woorden den twist nog aan te vuren.

Het was zichtbaar dat de hofraadsheer en zijn zoon een beraamd ontwerp
uitvoerden; want Walter Van Lokeren en Raes Van Gaveren, hunne
bijzonderste vrienden, stonden lachend nevens hen en fluisterden soms
stille woorden aan hun oor, als om hen aan te moedigen, terwijl vele
ridders waakzaam hen omringden, gereed tot hunne verdediging, indien de
gehoonde Erembalds tot geweld mochten overslaan.

Segher Wulf behoefde al zijne gemoedskracht om niet in woede los te
barsten; de gedachte dat de graaf alle oogenblikken kon verschijnen,
weerhield hem evenwel.

"De Kerels zijn altijd dienstbare lieden geweest!" riep Ghyselbrecht,
"onvrijen, dorpers, slaven, en zij zijn het nog! Het moge den Erembalds
niet behagen, dat deze waarheid worde verkondigd. Het is te begrijpen,
zij zijn zelven van Kerlenbloede. En gij, mher Wulf, waarom trekt gij
hunne zaak u zoo vurig aan? Is het misschien omdat gij vreest dat men
later ook u de bewijzen uwer vrije geboorte zou kunnen vragen?"

"Het is te veel!" schreeuwde Segher Wulf boven al de kreten zijner
vrienden uit. "Mher Ghyselbrecht, gij zijt een valschaard, een
lasteraar, gij liegt! Ik daag u uit tot eenen kamp op leven of dood. De
God des hemels beslisse tusschen de Kerels en hunne vervolgers! Daar
ligt mijn handschoen: zijt gij niet zoo laf als boos, raap hem op!"

Maar Ghyselbrecht, die nu waarschijnlijk zijn verborgen doel had
bereikt, aanschouwde spotlachend zijnen getergden vijand en schudde
ontkennend het hoofd.

"Gij weigert? Gij bekent dus dat gij een lafaard zijt?" gromde Segher
Wulf.

"Deze heeren zullen oordeelen", wedervoer Ghyselbrecht zeer koel. "Het
is een ridder op schande verboden in eenen gesloten kamp te treden met
iemand die niet vrijgeboren is. De vrije geboorte van mher Segher Wulf
is mij niet bewezen, ja, ik loochen ze. Het is mij dus een onmiskenbare
plicht de uitdaging af te wijzen[46]."

Segher Wulf wrong zijne vuisten van woede, en verweet Ghyselbrecht zijne
bloohartigheid in diep kwetsende woorden, met de hoop dat hij hem dus
tot ongeduld zou drijven. Hij noemde hem schijnheilige lasteraar,
onverzadelijk van heerschzucht, vol boosheid en venijn, laf en kruipend
als eene slang.

Dit alles vermocht niets op het gemoed van Ghyselbrecht, die meer dan
eens herhaalde dat hij tegen geen onvrij man wilde kampen.

Er ontstond een groot gerucht, doordien de andere Erembalds zich bij
Segher Wulf voegden en men mocht vreezen dat eindelijk deze woordentwist
in een bloedig tooneel zou veranderen, des te meer daar de aanjagende
woorden Isegrim en Blauwvoet nu insgelijks werden uitgesproken.

Er naderde een ridder, gebouwd als een reus, die tot dan, van in eenen
hoek der zaal, alles onbewogen had aangehoord. Hij drong door den
vlottenden hoop, raapte den handschoen van den grond en sprak:

"Ik, Jakob Van Waesten, bijgenaamd de Leeuw, van edele geboorte en
ridder, ik aanvaard den handschoen en den kamp totterdood! Ik verdedig
de eer van hen die men hier Isegrims durft noemen."

Tancmar en zijne vrienden poogden Jacob de Leeuw het aanvaarden van den
kamp af te raden. Hun doel was geweest den strijd door allen edelgeboren
man te doen weigeren en dus voor het land te doen verkondigen dat men de
Erembalds als onvrije lieden aanzag. Jacob Van Waesten wilde evenwel
hunne spitsvondige redenen niet aanhooren, en behield den handschoen.
Hij meende juist met kalme woorden Segher Wulf aan te spreken om met hem
tijd en plaats voor den kamp te bepalen,--maar nu werd eene dubbele deur
opengeworpen, en de graaf verscheen in de zaal.

Al de ridders schikten zich van wederzijde langs de wanden en boden met
gebukten hoofde eenen doorgang aan den vorst, die langzaam tusschen hen
voorbij stapte en eene hoogte in het diepe der zaal beklom. Hier zette
hij zich neder onder een kostbaar verhemelte en sprak op spijtigen toon:

"Heeren, zal ik dan nimmer den voet in Brugge kunnen zetten zonder in
mijnen persoon den eerbied miskent te zien welken men den vorst
verschuldigd is? Dat grove dorpers, onbeschaafde lieden zich aan zulk
verbreken plichtig maken, dit laat zich eenigszins begrijpen; maar
ridders, mannen van edelen bloede!... Nu, welke is de reden van den
twist die tot in het diepste van ons paleis onze ooren heeft getroffen?"

"Gelieft onze genadige heer graaf mij het woord te verleenen?" vroeg
Tancmar.

"Dat onze hofraadsheer spreke!" zeide de vorst.

De listige Tancmar begon het voorgevallene te verklaren, in schijn met
rechtzinnigheid; maar hij drukte met zulke welberekende kracht op de
ontkenning van der Kerlen vrijheid en op de redenen van de weigering
zijns zoons, dat de Erembalds hem knarsetandend aanhoorden. Door de
tegenwoordigheid van den graaf bedwongen, verkropten zij echter in
stilte den hoon en de schande die hun hier werden aangedaan.

Insgelijks bekwam Segher Wulf het woord om zijne uitdaging te
verechtvaardigen, en na hem sprak Jacob de Leeuw, om den graaf te
verzoeken den kamp te willen goedkeuren en zelf tijd en plaats te
bepalen opdat het ingeroepen oordeel Gods in de tegenwoordigheid des
vorsten en der ridderen zich mocht verklaren.

Wel wilde Tancmar, immer om dezelfde reden, den graaf overhalen tot het
afwijzen en verbieden van den kamp; maar Jakob de Leeuw wedersprak hem
met veel vuur en eischte des vorsten goedkeuring, als eene genade en als
en recht.

Onderwijl staken de voornaamste Isegrims de hoofden te zamen en
fluisterden elkander geheime woorden in de ooren.

Dan veranderde Tancmar geheel van taal. Wel wilden de ridders niet als
bewezen aanvaarden dat de Erembalds vrijgeborene lieden waren; maar
dewijl Segher Wulf in hunnen naam het oordeel Gods inriep en een ridder
den handschoen had opgeraapt raadde hij den vorst dezen beslissenden
kamp toe te staan, in de hoop dat de hemel zelf, met de overwinning aan
den kampioen der waarheid te gunnen, voor altijd over het hangend
geschil zou uitspraak doen.

De Isegrims steunden zijnen raad en keurden zijne redenen goed. Zij
achtten zich verzekerd dat de reusachtige Jakob Van Waesten zijnen min
sterken tegenkamper wel ras zou dooden.

Graaf Karel had tot dan in stilte op deze woordenwisseling geluisterd.
Nu stond hij op en sprak met luider stem:

"Wij keuren goed en veroorloven dat onze leenhouder, mher Jakob Van
Waesten in het strijdperk trede tegen mher Segher Wulf Van Lampernisse,
en stellen den kamp vast op heden, te twee uren namiddag, in den _Krijt_
binnen onzen burg van Brugge. Wij gelasten den kastelein en onze overige
ambtenaars de krijtwaarders[47] te verwittigen en te zorgen voor al wat
er, volgens de gewoonten der ridderschap, tot dezen kamp behoeft.
Daarenboven, omdat wij met u in de kalmte des gemoeds over ernstige
zaken hebben te kouten, verzoeken en bevelen wij de twee kampers zich
uit ons paleis te verwijderen totdat het bepaalde uur hen ten strijde
roepe."

Segher Wulf en Jakob de Leeuw, door weinige vrienden gevolgd, verlieten
de zaal.

Bij de poort onder de Loove, drukten de proost en de kastelein hunnen
vriend mistroostig de handen; zij klaagden over de booze listigheid
hunner vijanden, die dezen twist hadden doen ontstaan om het gemoed des
graven opnieuw tegen de Kerels te ontsteken en gelegenheid te vinden om
zelfs de vrije geboorte der Erembalds te loochenen. Had Ghyselbrecht
Tancmar het gevoelen des vorsten uitgedrukt? Hadden de Erembalds zich
bedrogen over de schijnbare bevrediging des graven? Ging het
langgevreesde onweder losbreken? Zou nu hun trouwe, goede vriend Segher
Wulf niet bezwijken in zijnen vermetelen kamp tegen Jakob de Leeuw, die
om zijne reuzensterkte gansch Vlaanderen door was beroemd?

De tranen stonden den ouden Bertulf bij al deze erge vooruitzichten in
de oogen; maar Segher Wulf deed hun begrijpen dat zij binnen de zaal
zich moesten begeven om te weten wat men daar tegen de Kerels kon
zeggen. Hij zelf had rust noodig en wilde naar huis gaan, om zich tot
den kamp te bereiden.

Toen Segher Wulf den burg had verlaten en de Hoogstraat instapte,
vertraagde hij zijnen gang, als vreesde hij zijne woning te naderen; hij
bleef zelf een oogenblik staan om na te denken.

Hoe zou zijne arme Dakerlia verschrikken bij de aankondiging van eenen
strijd die haar eenen beminden vader kon ontrooven! Dit huwelijk, zoo
vurig gewenscht, zou het niet uitgesteld moeten worden, zelfs al wierd
hij slechts ernstig gekwetst? En indien dan intusschen het geduchte
onweder losbrak en de Kerels ten koste van stroomen bloeds hunne
vrijheid hadden te verdedigen, zou dan niet dit noodlottig toeval het
geluk van zijn kind voor altijd kunnen vernietigen?

Onder den druk zulker bedroevende overwegingen stapte hij langzaam
voort, zich op voorhand geweld aandoende om zijne treurigheid voor
Dakerlia te kunnen verbergen.

Ook, toen hij zijne woning had bereikt en in de zaal trad waar zijne
dochter met Robrecht en zijne zuster zich nog bevonden, speelde hem een
glimlach op de lippen, en hij beantwoordde hunnen blijden groet, alsof
niets hem bekommerde.

Maar Dakerlia staarde hem aan en zeide:

"Heer vader, gij zijt ontsteld; u is iets onaangenaams geschied."

"Iets onaangenaams? Wie heeft u dit gezegd?" mompelde Segher Wulf
verwonderd.

"Mijn hart beeft; ik zie het in den grond uwer oogen, vader."

"Welnu, ja, mijne lieve Dakerlia. Mher Tancmars zoon, de arglistige
Ghyselbrecht, durfde in tegenwoordigheid der ridderen beweren dat de
Kerels niet vrij geboren zijn en altijd slaven zijn geweest."

"Onmogelijk!" kreet Dakerlia met eene vonk van verontwaardiging in den
blik.

"Ja, het is zoo, mijn kind; en hij ging zooverre in zijnen
onbeschaamden overmoed dat hij ook den Erembalds en zelfs uwen vader
hunne vrije geboorte durfde ontloochenen."

"De booze valschaard! Was er dan geen ridder, geen Erembald daar om hem
den lasterenden mond te sluiten?"

"Gij wilt zeggen, mijn kind, dat ik onmiddellijk de eer van ons had
moeten wreken?"

"Neen, gij niet, vader", antwoordde Dakerlia, eensklaps bedarende, "gij
zijt te oud; maar hebben onze jonge ridders dan geen Kerlenbloed meer in
de aderen?"

"Ah, Dakerlia", riep Bobrecht, "wees zeker, ware ik heden ten hove
geweest, ik hadde den onbeschaamden Isegrim mijnen handschoen in het
aangezicht gesmeten!"

"Het is juist wat ik heb gedaan", zeide Segher Wulf ... "Nu, Dakerlia,
waarom verbleekt gij dus? Indien een ander ridder, zonder wraak te
eischen, ons geslacht zoo diep had laten hoonen, gij zoudt hem lafaard
noemen en hem minachten. Wees dus rechtvaardig voor uwen vader en prijs
hem, omdat hij zijnen plicht getrouw bleef."

"O, God, de wolk, de duistere wolk aan onzen schoonen hemel!" klaagde
Dakerlia met de handen opgeheven.

"En heeft Ghyselbrecht uwen handschoen opgeraapt?" vroeg Robrecht.

"Neen, de lafaard zocht een uitvlucht in de bewering dat ik, als Kerel,
geen vrij man zou zijn en hij, edel geboren, dus dezen kamp niet mag
aanvaarden."

"Ach, vader, hoe hebt gij mij doodelijk verschrikt!" zuchtte Dakerlia,
met oogen die van plotselijke blijdschap straalden. "Ghyselbrecht heeft
geweigerd? Ik voel mij genijgd om onzen boozen vijand daarvoor te
zegenen."

"Gij vreest dus uitermate mij ten kamp te zien gaan, Dakerlia? Hoe
dikwijls nochtans heb ik in mijn leven de eer van mijnen eigen naam of
de eer van ons geslacht te verdedigen gehad? God heeft mij tot nu toe
het leven laten behouden. Waarom zou Hij heden mij Zijne bescherming
onttrekken?"

Dakerlia wierp hare armen om zijnen hals en zeide, hem teederlijk
zoenende:

"Ja, ja, vader lief, gij hebt gelijk: de hemel zou, evenals vroeger,
dengenen bijstaan die het recht verdedigt. Gij hebt wel gedaan en uwen
plicht vervuld, met de lasteraars der Kerels tot zwijgen te brengen,
maar ik ben toch zoo gelukkig dat Ghyselbrecht den kamp heeft geweigerd!
Mijnen vader, mijnen goeden rader blootgesteld weten aan gevaar, aan
doodsgevaar, ach, de gedachte alleen doet mij sidderen als een riet!"

"En toch moet ik vechten, mijn kind."

"Hemel, gij moet vechten?"

"Dezen namiddag, te twee uren."

"Neen, o neen, Ghyselbrecht heeft geweigerd!"

"Ja, maar een ander ridder heeft mijnen handschoen opgeraapt en den kamp
aanvaard."

Dakerlia sloeg zich de handen voor de oogen en begon te weenen.

"Maar, mijne lieve Dakerlia, waarom zulke bittere tranen te storten?"
zeide Robrecht. "Uw heer vader zal niet strijden. Ik neem zijne plaats
in en zal kampen tegen zijnen vijand. Ik ben jong en sterk."

"Gij, Robrecht, gij vechten in den krijt!" riep Dakerlia met nog
meerdere verschriktheid.

"Ik of uw vader; een onzer moet toch den geworpen handschoen lossen."

"Zwijgt, zwijgt beiden; gij doet mij sterven van angst!"

"Wat gij mij voorstelt is onmogelijk, mher Sneloghe", zeide Segher Wulf.

Dakerlia slaakte eenen luiden gil. Haar vader vatte hare hand en sprak
troostend:

"Nu, mijn kind, ontstel u niet zoozeer over een voorval dat een ridder
elk oogenblik in zijn leven kan ontmoeten. Gij, zoo moedig en zoo fier,
zoud nu misschien gaan wenchen dat ik laffelijk den wreedsten hoon
verdrage? Ik begrijp: het geluk dat u zoo mild toelachte is bedreigd,
niet waar? Uw huwelijk ..."

De maagd legde, met eenen pijnlijken kreet, de hand op den mond haars
vaders en versmachtte dus het woord dat haar kwetste.

"Mijn huwelijk, mijn huwelijk?" morde zij. "Zie, ja, mijn geluk was te
groot, het moest gestoord worden; ik heb het voorgevoeld, ik heb het
gedroomd ... maar indien mijne smart en mijn schrik eene andere bron
hebben dan de liefde tot u, mijnen vader, dat de alziende God mij
terugwerpe voor altijd in het ijselijk verdriet dat mijnen boezem heeft
verknaagd!"

"Ik bid u, mher Wulf, laat mij voor u in het strijdperk treden", zeide
Robrecht. "Niemand kan twijfelen aan uwen moed. Gij hebt zoovele
schitterende bewijzen uwer onversaagdheid gegeven. Nu zijt gij reeds
oud. Ik ben behendig en sterk. Stem toe; laat mij de eer van Dakerlia's
vader wreken!"

"Ik dank u om uwe dienstvaardigheid, mijn vriend Sneloghe", sprak mher
Wulf. "Al wilde ik u mijne plaats overlaten, het ware onmogelijk: de
graaf zelf heeft de beide kampers bij name aangewezen. Wat zou men
denken, indien ik terugtrad, ik, die den handschoen heb geworpen? Mij
ontbreekt de mannelijke kracht nog niet, en ik zal toonen dat de oude
Wulf Van Lampernisse nog de sterkte, de behendige kamper is van vroeger
dagen. Dakerlia heeft ongelijk zich zoo diep te ontstellen. God zal mij
Belpen; Hij zal in mij het recht laten overwinnen ... Wees toch
redelijk, jonkver Witta; gij insgelijks, gij weent en snikt? Wilt gij
beiden mij allen moed ontrooven?"

"Maar wie is dan uw tegenkamper?" vroeg Robrecht.

"Gij kent hem waarschijnlijk niet", antwoordde Segher Wulf aarzelende.

"Zijn naam is?..."

"Jakob ... van Waesten, meen ik."

"Jakob? De Leeuw van Waesten! O, hemel!"

"De Leeuw, de reusachtige ridder, voor wiens blik elkeen beeft? Hij, uw
tegenkamper?" kreet Dakerlia op den toon der diepste wanhoop, "o, mijn
arme vader! Wee mij, wee mij!"

En zij verborg haar aangezicht op haars vaders hart, legde haren arm om
zijnen hals, stortte tranen op zijne borst en bleef zoo ontroosbaar
weenen en snikken, welke pogingen men ook aanwendde om eenige
verlichting in haren verschrikten geest te brengen.


VOETNOTEN:

[Voetnoot 46: Zulke weigering van een tweegevecht door eenen ridder
jegens eenen Kerel, om dezelfde reden, vindt men aangeteekend bij
GALBERTUS, _Mém. rel. à l'hist. de Fr._, t. VIII, 252.]

[Voetnoot 47: Het strijdperk noemde men _Krijt_ (Krettz).


  "Doe gingen sie uten _Crite_ keren
  Metten Crytwaerders totden Coninc."

  _Reinaert de Vos_, vers 7450 en 7451.


]



IX


De tijding, dat er dien namiddag tusschen twee ridders een kamp om leven
en dood zou worden gestreden, had zich wondersnel tot in de uiterste
hoeken der stad verspreid.

Ook reeds lang voor het gestelde uur verdrong zich de menigte niet
alleen op den burg, maar zelfs in de aanpalende straten.

Volgens het bevel des graven, had men op het binnenplein van den burg
den _krijt_ gesteld, dit is eene vierkante omheining van houten palen
met dikke koorden, die niemand mocht overschrijden en waarbinnen de kamp
moest geschieden.

Aan elk der beide uiteinden van het vierkant, langswaar de strijders
binnen het perk zouden treden, stonden vier krijtwaarders en twee
trompers of bazuinblazers.

Achter hen, binnen een insgelijks voorbehouden omtrek, hielden zich de
twee kampers nevens hun strijdpaard, in afwachting dat het sein tot den
aanval wierd gegeven.

Jakob de Leeuw stond aan den kant die naar 's graven hof zich verlengde;
Segher Wulf naar de zijde van St-Donaas.

Beiden waren omring van eenige vrienden en van schalken, om hun paard te
bedwingen en hunne wapens te dragen.

Rondom den krijt en drukkend op de koorden, ondanks de pogingen der
schildwachten, stond de volksschaar zoo dicht opeengepakt, dat men niets
zag dan eene zee van hoofden, zich nu en dan golvend bewegende onder het
machtig gedrang van andere nieuwsgierigen, die bij de poorten van den
burg vooruitwoelden om nog plaats te vinden.

Alle gebouwen, die uitzicht hadden op het strijdperk, krielden van
menschen; de vensters waren vervuld met vrouwen; het mindere volk, de
schalken en onvrijen zaten op daken en torens.

Alleen de breede gaanderij, boven de Loove van het paleis, was nog
geheel ledig. Wel stonden daar, rondom eene soort van troongestoelte,
eenige zetels voor de kamprechters; maar dezen zouden slechts
verschijnen op het bepaalde uur.

In afwachting waren de beide kampers bezig met de laatste stukken
hunner wapenrusting zich aan de leden te bevestigen.

Segher Wulf werd hierin geholpen door Robrecht Sneloghe en door Eustaas
Van Steenvoorde. Allereerst gespte men hem het harnas voor de borst,
boven zijn maliehemd van ijzeren ringen; dan den halsberg, de arm- en
bilplaten, de knieschijven en eindelijk den vergulden helm met het
neergelaten vizier, waardoor men niets kon zien dan de oogen van den
kamper.

Zoo stond hij daar nu, van hoofd tot voeten overdekt met ijzer en staal,
nevens zijn reusachtig paard, dat insgelijks op hoofd, borst en rug door
metalen platen was beschut.

Zijne strijdwapens, die een paar schildknapen achter hem gereed hielden,
bestonden in eene lange speer of lans, in een breed zwaard en in een
vierkant schild.

Volgens de wetten van den krijt moesten de kampers eerst elkander te
paard en met de speer aanvallen. Leverde deze proeve geenen beslissenden
uitslag op of werd een van beiden uit den zadel gelicht zonder doodelijk
te zijn gewond, dan zou men den kamp te voet en met het zwaard
voortzetten, totdat een hunner om genade smeekte of den geest gaf.

Reeds alsdan lag in de menschelijke natuur de onuitlegbare lust, de
hatelijke nieuwsgierigheid om bloedige, om zielverschrikkende tooneelen
bij te wonen. Men wist nu dat de strijd om leven of dood zou zijn en dat
dus een dezer moedige ridders onder de oogen der menigte ging sterven;
en evenwel heerschte er tusschen de saamgedrongene volksschaar een luid
geschater, een bruisend gemor, dat slechts van het vroolijk ongeduld der
toeschouwers getuigde.

Eensklaps veranderde dit verward gerucht in een lang gejuich, in eenen
galmenden zegekreet, waarboven de roep: "Leve de graaf! Heil graaf
Karel!" met meer kracht zich verhief.

De vorst was boven de Love van zijn paleis verschenen en had plaats
genomen onder het verhemelte van rood brocade, dat daar was opgericht.
Nevens hem stonden twee wapenboden met gevlagde bazuinen; van wederzijde
zaten de kamprechters; en verder op deze verhevene gaanderij hielden
zich de ridders van 's graven hof.

Het sein zou welhaast worden gegeven.

Segher Wulf moest dan een oogenblik van mismoed of van angst ondergaan;
want hij sloot mher Sneloghe in zijne armen en zeide hem met ontroerde
stem:

"Robrecht, mijn zoon, niemand weet wat God zal beslissen. Heden kan mijn
laatste dag zijn. Een oud krijgsman als ik vreest den dood niet; maar ik
ben vader, mij beeft het hart bij de gedachte dat mijne lieve Dakerlia
alleen op de wereld zou blijven. Ach, ik smeek u, doe mij de belofte dat
gij haar, indien ik bezwijk, uw leven lang zult blijven beminnen; dat
gij haar een trouwe echtgenoot zult zijn, een goede broeder, een
liefderijke beschermer!"

"De hemel zal het recht de overwinning gunnen", antwoordde Robrecht,
"maar, hoe het zij, mher Wulf, elke klop van mijn hart zal toegwijd
blijven aan het geluk van uw kind."

"Dit is mij genoeg: ik heb vertrouwen in uwe oprechtheid, mijn zoon.
Vergeten wij nu dat wij vader zijn om nog eens de onverschrokken
krijgsman te worden dien men vroeger roemde om zijne behendigheid. Keert
het lot der wapens tegen mij, ik sterf voor de eer van mijn geslacht en
voor de vrijheid van mijn land!"

Een eerste bazuingeschal verwittigde de kampers dat zij zich tot den
aanval moesten bereiden.

Men hield hen te paard en gaf hun de lange speer in de hand. Zij
naderden tot de koorden van den krijt.

Eene doodsche stilte heerschte tusschen de menigte.

Nu de toeschouwers de kampers op hunne paarden konden zien zitten, drong
een gevoel van medelijden in veler harten voor Segher Wulf. Hij scheen
wel sterk gebouwd; maar zijn tegenstrever geleek een reus en was een
gansch hoofd grooter dan hij.

"Heb betrouwen in Gods bescherming!" zeide Robrecht, die nevens het
paard van Segher Wulf stond. "Heb goede hoop: Dakerlia zit geknield voor
het kruisbeeld en bidt voor u."

"Ach, spreek mij niet van Dakerlia!" zuchtte mher Wulf.

"Denk veeleer aan uw kind; houd uwe welbeminde Dakerlia voor oogen",
sprak Robrecht met geestdrift. "Het zal u sterk maken en uwen moed
verdubbelen."

"Inderdaad", kreet de oude krijgsman, "voor haar moet ik overwinnen,
voor haar moet ik leven!"

De bazuinen op de Loove hergalmden eenmaal; dan nog eens ... Bij het
derde sein wierpen de krijtwaarders de koorden der twee ingangen ter
aarde ... en geen hinderpaal belette nog den aanval.

De kampers staken de lans aan hunnen zadel, dreven de spoor in de lenden
hunner dravers en renden met speer en schild vooruit, naar elkander toe.

Deze eerste schok had geen merkbaar gevolg; de beide lansen waren
afgeschampt op de schilden.

Weder hernamen de moedige ridders hunnen loop en vernieuwden zulke
pogingen nog meermaals.

De speren bonsden als hamerslagen op de schilden, het staal krijschte op
het ijzer der harnassen, de paarden huilden onder den slag der spoor,
die het bloed hun uit de zijde drukte. De menigte liet nu en dan een
goedkeurend gejuich hooren, of getuigde door een hol gemor het ongeduld,
wanneer een steek, die een der strijders scheen te moeten doorboren,
zijn doel miste.

Robrecht en de overige Erembalds begonnen meer vertrouwen in den uitslag
van het gevecht te krijgen; want het was zichtbaar dat Segher Wulf,
indien hij min sterk dan zijn vijand was, dit gebrek aan lichaamskracht
door zijne behendigheid ruimschoots vergoedde. Inderdaad, hij had al de
steken, die hem waren toegebracht geworden, afgeweerd, terwijl hij meer
dan eens zijnen tegenhanger zoo hard op het volle harnas had getroffen,
dat deze reeds tweemaal in den zadel had gewankeld.

Maar dit vertrouwen begaf hen bij den zesden loop. Het paard van Segher
Wulf viel op de knieën, en scheen ijdele pogingen in te spannen om weder
op te staan.

De toejuichingen der Isegrims weergalmden boven de Love.

Gelukkig dat Jakob de Leeuw, door den begonnen loop voortgerukt zich
niet kon omkeeren, vooraleer het paard van Segher Wulf zich had
opgericht, en deze tot het andere einde van den krijt was gereden, om
afstand voor eenen nieuwen en felleren aanval te nemen.

Weder stormden zij op elkander los. Segher Wulf trof Jakob de Leeuw zoo
geweldig voor de borst op den halsberg, dat zijne speer plooide en aan
twee stuken brak; maar mher Jakob boog zich als uitgeput over het hoofd
van zijn paard, terwijl, van den harden schok, het bloed hem uit neus en
mond vloeide.

Een bazuingeschal hergalmde. Volgens de wetten van den krijt mocht men
nu het gevecht te paard niet meer voortzetten. Men zou den kampers
eenige rust gunnen en dan het sein geven tot de beslissende worsteling
te voet en met het zwaard.

Jakob de Leeuw ging buiten het perk bij zijne vrienden, die hem den helm
afnamen, hem te drinken gaven en zijn aangezicht met frisch water van
zweet en bloed reinigden.

Deze hulp en lafenis boden de Erembalds insgelijks hunnen moedigen
vriend Segher Wulf. Zij juichten reeds over zijne waarschijnlijke
overwinning, want tot nu toe waren al de kansen hem voordeelig geweest.

Robrecht omhelsde hem met blijdschap en murmelde nog den naam van
Dakerlia aan zijn oor, in de overtuiging dat het denken aan zijn kind
hem dus behendig en machtig had gemaakt.

De oude kampioen had evenwel geene aanmoediging noodig; de strijd zelf
had hem aangevuurd en hem weder jong gemaakt. Hij scheen nu met ongeduld
naar het hervatten der worsteling te snakken, en sprak woorden die van
zijn eindeloos vertrouwen in eene beslissende zegepraal getuigden.

Ook toen het sein zich liet hooren, greep hij zijn breed zwaard in de
beide banden en sprong juichend in den krijt.

Nu begon er een akelig gevecht. De zwaarden draaiden onverpoosd door de
lucht en vormden bliksemende kringen boven de hoofden der strijders, nu
en dan als hamers nederbonzend op schild of helm of schouderplaat, met
zulke reuzenkracht, dat zij niet alleen de kampers van pijn en woede
deden huilen, maar zelfs meer dan eens het krijschend staal vurige
vonken ontlokten.

Het was hier eveneens zooveel om behendigheid als om lichaamsmacht te
doen; hij, die door eene vlugge beweging zijnen tegenstrever kon
verrassen, om hem tusschen de voegen zijner wapenrusting te treffen, zou
waarschijnlijk overwinnen.

Ook liepen de kampers rondom elkander, bleven staan, sloegen toe, weken
terzijde, weerden het vijandelijk zwaard af, bukten zich, mikten,
sprongen vooruit, staken en hakten zonder eenige verpoozing, zoodat de
toeschouwers zelven het hoofd draaide bij het gezicht zulker snelle
bewegingen en zulker reusachtige inspanning van krachten.

Het zweet moest onder den geblutsten helm van der strijders voorhoofd
stroomen; want een heete damp steeg zichtbaar uit al de voegen hunner
wapenrusting op. Menige slag had wellicht hun het vleesch onder de
ijzeren platen verpletterd of erg gekneusd. Zeker hadden zij reeds door
de ringen van hun maliehemd opene wonden ontvangen, want het bloed droop
Segher Wulf op den halsberg, en bloed vloeide mher Jakob van de vingeren
zijner ijzeren handschoen.

En evenwel gingen zij voort met immer even woedend te kampen; men hoorde
ze schelden en elkander hoonen, men hoorde ze juichen en
vermaledijden....

Er kwam echter een oogenblik dat de adem hun ontbrak en de borst hun
gloeide, als wierde zij door een vlammend vuur verteerd.

"Rust! een weinig rust!" morde Jakob de Leeuw.

"Ja, rust, een oogenblik", antwoordde mher Wulf.

En de kampers, bij gemeene overeenkomst, traden eenige stappen terug en
bleven, met opgeheven zwaard en tot onmiddellijke verdediging gereed,
daar staan hijgen, zoo geweldig en zoo snel dat men de borstplaat van
hun harnas als de tafel van een blaasbalg zag op- en neergaan.

Dit lang en wreed gevecht had de menigte met ontzag en bewondering
getroffen. Er heerschte een diepe stilte; want elkeen gevoelde dat het
einde dezer bloedige worsteilng naderde en het lot der wapenen over het
leven van een der heldhaftige strijders ging beslissen? De onzekerheid,
de twijfel deed het hart der toeschouwers angstig kloppen; de meesten
nog wenschten de zege toe aan den behendigen ridder die, ondanks zijne
mindere gestalte, tot dan met ongeloofelijke kunde en sterkmoedigheid
weerstand had kunnen bieden aan zijnen reusachtigen tegenkamper.

"Het moet eindigen tusschen ons, vermaledijde Blauwvoet!" riep Jakob de
Leeuw zijnen vijand toe.

"Welnu, dat het eindige, valsche Isegrim! Geene schilden meer!"
antwoordde hem Segher Wulf.

"Het zij zoo, geene schilden meer; elke slag bijte in het vleesch!"
kreet de Leeuw, terwijl hij, door mher Wulf hierin nagevolgd, zijnen
beukelaar verre in den krijt wegsmeet. "Zijt gij bereid, Blauwvoet?"

"Ik heb dorst naar uw bloed, Isegrim! Achteruit, tot bij de
krijtkoorde!"

"Welaan!"


[Illustratie: "Mijn vader, mijn arme vader!" kreet zij. (Bladz. 196)]


Zij weken elk tot bij den tegenovergestelden kant van het perk, hieven
hun zwaard op, mikten op hunnen vijand met vlammende oogen, berekenden
hunnen slag en riepen:

"Totterdood!"

"Totterdood!"

En zij stormden razend en huilend op elkander los. De zwaarden
bliksemden door de lucht en vielen neder met zulke ontzettende kracht,
dat de dubbele slag, hol en scherp tevens, tegen de omstaande gebouwen
hergalmde.

Een schreeuw van angst, een gehuil van afgrijzen doorliep de menigte.

Daar lagen de beide kampers doodelijk getroffen ten gronde; mher Jakobs
helm was gekloofd; zijne hersens moesten hem onder het bekkeneel zijn
verpletterd. Segher Wulf had eene breede wonde over hals en schouder;
het bloed stroomde onder zijn hoofd tot eenen rooden plas te zamen.

Een bazuingeschal verkondigde dat de kamp was gesloten.

Op dit sein liepen de magen en bekenden der kampers met de heelmeesters
binnen den krijt om hulp te brengen of om het lijk van hunnen
ongelukkigen vriend voor schennis te behoeden en het met de
verschuldigde eer van daar te doen wegvoeren. Reeds kwamen de
krijtdienaars met twee draagbaren toegeloopen.

Wat Jakob de Leeuw betreft, die had wel waarlijk den geest gegeven; want
men bespeurde zijne bloote hersens door de klove van zijnen helm.

Segher Wulf leefde nog; alhoewel zijne oogen gesloten waren en zijn
gelaat met de lijkachtige loodverf des doods was overtogen, verroerde
hij nu en dan nog krampachtig handen en voeten.

De Erembalds stonden stom en verpletterd rondom hem; eenigen hielpen den
heelmeester in het ontgespen der wapenrusting. Allen echter zagen in
deze sidderende beweging der leden van hunnen gewonden vriend niets dan
de laatste kramp der zieltoging.

Robrecht Sneloghe zat geknield bij het hoofd van Segher Wulf, den hemel
het schrikkelijk onheil klagende en zijne tranen mengende met het bloed
van den armen ridder. Ach, wat zou de liefderijke Dakerlia gebeuren? Zou
haar hart niet breken, zou zij niet sterven van rouw en smart?

Dit schromelijk gepeins ontrukte telkens den jongeling eenen nieuwen
angstschreeuw, en hij sloeg zich de handen voor de oogen als om het
spookgezicht te verjagen dat hem de ijskoude des doods door de aderen
deed vlieten.

Intusschentijd had de heelmeester, door zijne dienaars en door eenige
Erembalds geholpen, Segher Wulf van al de stukken zijner wapenrusting
ontdaan, en door een eerste verband zijne wonde zoo goed mogelijk
gesloten. Hij scheen zeer voldaan over zijnen arbeid en toonde den
omstanders met zekere fierheid dat het bloed nog slechts bij druppels
tusschen de opgelegde pleisters en doeken doorsijpelde.

Men had, op zijn bevel, een pluimenbed aangebracht en het met eenige
kussens op de draagbaar uitgespreid.

"Heeren", zeide hij tot de omstaande vrienden van Segher Wulf, "de wonde
is verschrikkelijk, inderdaad; maar alle hoop is niet volstrekt
verloren. In mijne meening is geen edel lichaamsdeel gekwetst. Wel is
het sleutelbeen verbrijzeld, maar dit kan genezen. Indien hij geen bloed
meer verliest en het vuur zich niet in de wonde zet, zouden wij hem nog
het leven kunnen behouden. Hebt aldus goeden moed, gij vooral, mher
Sneloghe, die van schrik en treurnis schijnt te willen bezwijken. Helpt
ons nu, heeren, den armen ridder zachtjes, voorzichtig, zeer voorzichtig
op de baar te leggen. De minste beweging kan zijne wonde weder openen,
het ware hem een onherroepelijk doodvonnis. Wij zullen hem naar zijnen
Steen dragen; de opene lucht doet hem kwaad."

Men gelukte er in het beweeglooze lichaam van Segher Wulf op de baar te
leggen, zonder het verband zijner wonde te hebben ontschikt; en zoo
begaf men zich, stap voor atap, naar den kant der Hoogpoort.

De Erembalds volgden treurig en met vochtige oogen, als vergezelden zij
eene lijkbaar naar het kerkhof. Robrecht Sneloghe weende, maar scheen
anders alle bewustheid te hebben verloren; want hij hield den blik ten
gronde en stapte wankelend voort, als een dronken mensch. In zijne
overtuiging was Segher Wulf dood, of de laatste levensvonk zou in hem
uitgedoofd zijn vooraleer men den Steen zou bereiken. Dakerlia! Welk
akelig oogenblik! En hoe de gedachte aan dit zielscheurend tooneel hem
ook deed terugijzen, hij mocht het niet ontwijken; hij had eenen
heiligen plicht te vervullen: Dakerlia steunen, troosten en haar sterk
maken, om zonder sterven den vervaarlijken slag te doorstaan.

Terwijl hij eenige klaarte in zijnen geest poogde op te roepen en zijne
krachten tot het vervullen der pijnlijke taak verzamelde, was de
treurige stoet dwars door de menigte in de Hoogstraat geraakt.

Eeeds zag men in de verte den toren van sher Wulfs Steen, toen voor het
hoofd van den stoet de volksschaar eensklaps vlottend bewoog, als week
zij terug voor eenen onverwachten drang.

Daar sprong eene kermende jonkvrouw met de armen in de hoogte van
tusschen de menigte ... Waarlijk had iemand de arme Dakerlia verwittigd
van het schromelijk onheil dat haar dien dag had getroffen.

Zij liep tot de draagbaar, staarde bleek en bevend op het levenloos
gelaat haars vaders, slaakte eenen grievenden noodkreet en viel zonder
gevoel achterover in de armen van Robrecht en van den proost van
St-Donaas.

Het was een oogenblik van onuitsprekelijken angst ... Het hoofd van het
arme meisje hing ontzenuwd op haren schouder; hare oogen waren gesloten,
de bleekheid des doods ontverfde haar gelaat.

Op de wangen aller omstanders vloeiden tranen van deernis.

Robrecht, door smart en medelijden weggerukt, legde zijne lippen op het
bleeke voorhoofd zijner verloofde. Hem bleef slechts de kracht om in
onduidelijke woorden den hemel de wreedheid van het lot te klagen.

"Dakerlia, arme Dakerlia!" murmelde hij. "God, o God! Wee, wee!"

Op raad van den heelmeester, had de stoet zich vooruitbegeven, ten einde
aan Dakerlia, als zij tot bewustzijn zou komen, het gezicht van haren
gekwetsten vader te onttrekken.

Reeds moest de draagbaar sher Wulfs Steen bereikt hebben, vooraleer de
lieden, die men uitgezonden had, met koud water en edik terugkeerden.

Nauwelijks had men Dakerlia's voorhoofd en wangen bevochtigd, of zij
opende de oogen, staarde eene wijl als zinneloos op degenen die haar
omringden, sprong dan recht en zocht de draagbaar met den blik.

"Mijn vader, mijn arme vader!" kreet zij. "Dood, o God! En ik leef
nog!... Ik wil niet leven, ik wil hem volgen in het graf!"

En zij begon zich de borst met hare nagels te verscheuren, als hadde de
wanhoop haar waarlijk met zinsverbijstering geslagen. Intusschen
worstelde zij om los te raken uit de vriendenhanden die haar poogden te
wederhouden: naar huis wilde zij loopen om daar, op het lijk haars
vaders, te sterven, ten einde hunne zielen te zamen de reis naar de
eeuwigheid mochten aanvaarden.

Robrecht poogde haar te bedaren en sprak allerlei zoete, troostende
woorden tot haar; maar zij hoorde hem in het eerst niet.

Eindelijk scheen zij, door uitputting van krachten, zelve tot eenige
aandacht bekwaam geworden, want zij riep eensklaps uit:

"Robrecht, wat zegt gij? O, bedrieg mij niet! Mijn vader is niet dood?
Wiens lijk was het dan dat voor mijne oogen heeft gespookt? Ben ik
zinneloos? Heb ik gedroomd? Waarom liegen bij een graf?"

"Ach, uit medelijden met mij, Dakerlia lief, hoor mij aan! Uw vader
leeft; hij is wel erg gewond, maar er is nog hoop. De heelmeester zegt
dat hij kan genezen. Waarom dus vertwijfelen, alsof gij geen geloof meer
hadt in Gods goedheid?"

"Gij bedriegt mij niet, Robrecht?"

"Neen, Dakerlia. Kom nu stil aan, naar huis, en houd u sterk. Wees
zeker, uw vader kan genezen; mijne bedrukte ziel roept mij toe dat hij
zal genezen."

"Eilaas, eilaas! Kom; ik wil hem zien, hem troosten of bidden nevens
zijn doodbed!" zuchtte Dakerlia, die voelde dat hare krachten haar weder
dreigden te begeven.

Zij leunde zwaar op den arm van Robrecht en op den arm van den ouden
Bertulf. Hare stappen waren wankelend en zij liet het hoofd op de borst
hangen. Dan eerst ontstroomde haar een tranenvloed, en hijgde en snikte
zij met krampachtige bewegingen der borst.

Zonder nog een woord te spreken, zonder in schijn acht te geven op de
vertroostingen van Robrecht, liet zij zich tot in de groote zaal harer
woning leiden.

Hier drukte zij den wensch uit om haren vader te zien, maar men deed
haar begrijpen dat de heelmeesters bezig waren met hem te ontkleeden, en
daarna een nieuw vast verband op zijne wonden zouden leggen. Zij moest
geduld hebben; de kastelein Hacket zou zich naar haars vaders kamer
begeven en haar komen verwittigen zoohaast het haar zou toegelaten
worden bij hem te gaan.

Door dit beletsel in hare smart getergd, borst Dakerlia in nieuwe tranen
los. Zij zakte neder in eenen leunstoel en weende en snikte sprakeloos,
zonder acht te slaan op de troostende woorden van Robrecht die, aan hare
zijde zittende, een harer handen in de zijne hield gedrukt.

Zoo, in eene doodsche smart verslonden, bleef zij wel een half uur
beweegloos zitten, totdat eindelijk de kastelein Hacket in de zaal trad
en haar zeide:

"Jonkver Wulf, gij moogt nu tot uwen vader gaan. Voor een oogenblik
slechts. Hij is nog buiten bewustheid, maar hij geeft nu en dan
zichtbare teekens van leven. De geneesheer heeft veel hoop."

"Kom, kom, ik vlieg", kreet Dakerlia, rechtspringende.

"Zoo niet, jonkvrouw", bemerkte de kastelein, haar wederhoudende. "Ik
bid u, wees redelijk en hoor wat ik u zeg. Gij moogt bij het bed uwe
vaders niet spreken, geen enkel woord; ook niet zuchten of klagen. Het
minste gerucht kan den armen zieke schadelijk, ja, doodelijk worden."

"Ik zal stil zijn, mijnen schrik, mijn verdriet met geweld bedwingen",
murmelde het meisje.

"Welaan dan, volg mij."

Allen verlieten de zaal en traden ten einde van den gang in eene kamer
welker beide vensters op de straat uitzagen.

Hier lag Segher Wulf nog met geslotene oogen en paarse wangen op een bed
uitgestrekt.

Dakerlia, door den proost en door Robrecht bewaakt, ging bij het
hoofdeneinde van het bed en staarde in stilte op het levensloos gelaat
haars vaders. Hare lippen beefden; haar strakke blik scheen door ijzing
en door angst met beweegloosheid geslagen.

Gevoelde het hart des vaders de nabijheid van zijn kind, of was het een
bloot toeval? Althans, hij ontwaakte uit de diepe bewusteloosheid, zijne
wimpers hieven zich op, en hij keek zijne bevende dochter eerst verbaasd
en dan met eenen klaren blik van teederheid aan. Ten minste zoo dacht
Dakerlia; het scheen haar zelfs dat zijne lippen eene beweging deden,
als poogde hij haar toe te lachen.

Alhoewel Dakerlia vast besloten had het bevel der geneesheeren te
gehoorzamen, kon zij de uitzinnige blijdschap, die haar bij het gezicht
dezer onverhoopte verrijzing kwam treffen, niet wederstaan. Onder hare
ontsteltenis bezwijkende, boog zij zich over haren vader, zoende hem de
wangen, stortte eenige heete tranen op zijn voorhoofd en murmelde aan
zijn oor:

"Vader lief, vader lief, heb moed: gij zult genezen!"

Maar de heelmeester en de geneesheer grepen haar bij de armen en
trokken haar, hoe zij ook stilzwijgend worstelde, met vereende kracht
tot in de gang.

"Ongelukkige jonkvrouw", sprak de oude geneesheer verwijtend, "zoo zoudt
gij in eens uwen armen vader kunnen dooden! Zijn bloed mag niet
aangejaagd worden; het moet traag en rustig in de aderen rondvloeien,
anders zou het zijne wonde openen of ontsteken."

"Ach, laat mij tot hem wederkeeren!" zuchtte Dakerlia met saamgevoegde
handen.

"Neen, neen, gij moet in eene andere kamer gaan, achter in het gebouw,
verre van den zieke", zeide de geneesheer op strengen toon.

Maar Dakerlia, die bij dit bevel als bij een doodvonnis verschrikte,
liet zich geknield voor de voeten van den geneesheer vallen, hief de
armen tot hem op en riep:

"O, wees medelijdend met mijne smart! Vergiffenis! vergiffenis!
Verwijder mij niet van mijnen vader! Ik wil hem bewaken, hem verplegen,
nacht en dag. Ik zal zwijgen als eene stomme, mij stilhouden als eene
slapende, geenen zucht over mijne lippen laten stijgen. Zie, ik kruip
voor uw aanschijn, ik zaai mijne tranen voor uwe voeten!"

"Om Gods wil, laat zulke ijselijke smart u vermurwen, heer!" smeekte
Robrecht, die achter Dakerlia uit de kamer was gegaan. "Verstoot toch
hare bede niet!"

Door deernis getroffen, hief de geneesheer de maagd van den grond en
sprak:

"Welaan, jonkvrouw, beproeven wij het nog eens! Maar weet wel dat,
indien gij nog, al ware het slechts door een teeken, in gevaar komt van
uwen zieken vader te ontroeren, ik u onverbiddelijk uit zijne kamer zal
verwijderen, al moest men daartoe geweld gebruiken. Ik ben
verantwoordelijk en ik zal mijnen plicht vervullen."

Dakerlia ging op de punten harer voeten binnen; zij sloeg nog eenen blik
op haren vader, wiens oogen weder gesloten waren ...

Dan vatte zij Robrecht de hand, leidde hem tot in het diepe der kamer,
toonde hem sprakeloos de knielbank voor het groote kruisbeeld dat aan
den muur hing en liet zich er op nedergaan.

De jongeling zette zich nevens haar; beiden bogen het hoofd in een vurig
gebed.

Eene stilte, zoo diep en zoo volledig als de sombere ledigheid van een
gesloten graf, bleef uren en uren lang in de kamer heerschen.



X


Het weder was sedert eenige dagen regenachtig en koud geweest; maar
dezen morgen had de zon zich aan eenen zuiver-blauwen hemel verheven en
de lucht was voor het jaargetijde uitnemend zoel en verkwikkend.

In de Zuidzandstraat, omtrent St-Salvators kerk, wandelde een ridder met
langzame stappen over en weder. Hij scheen in diepe overwegingen
verslonden, want alhoewel hij meesttijds met eenen somberen, strakken
blik de oogen ten gronde hield gericht, hief hij nu en dan het hoofd op
en glimlachte, alsof eene verblijdende gedachte hem door den geest
schoot.

Van uit de Steenstraat kwam, zonder dat hij het bemerkte, een ander
ridder hem te gemoet. Deze, hem bereikt hebbende, klopte hem gemeenzaam
op den schouder en zeide:

"Nu, mijn vriend Disdir, wat benevelt toch uw gemoed zoo uitermate, dat
gij bij dage dwaalt en droomt als een slaapwandelaar?"

"Ha, wees gegroet, mher Willem Van Wervick", antwoordde Disdir. "Ik ben
ziek geweest en kom mij nu een weinig in den zonneschijn verwarmen."

"Ziek geweest, mher Vos? Daarvan zijt gij nog bleek? Men heeft u sinds
weken niet meer gezien. De koude koorts?"

"Neen pijn in het hoofd, steken aan het hart."

"Gij hebt evenwel vernomen wat er is geschied en hoe Segher Wulf in den
krijt Jakob de Leeuw het hoofd heeft gekloofd?"

"Ja, Willem, en tevens hoe Segher Wulf, doodelijk gewond, uit den kamp
werd gedragen. Hoe gaat het nu met mher Wulf, weet gij het?"

"Gisterennammiddag nog ben ik hem gaan bezoeken. Hij is zes dagen
blijven liggen zonder spreken, en schier zonder bewustheid. Nu houdt hij
veeltijds de oogen geopend en zou wel eenige stille woorden met de
bezoekers wisselen, maar de geneesheeren, die immer bij zijn bed staan,
verbieden hem alle beweging en zelfs de minste spanning des geestes."

"Arme Dakerlia, wat moet zij verdriet hebben!" zuchtte Disdir. "Zij die
haren vader zoo teederlijk bemint."

"Gij kunt het denken, mher Vos. Zij is schrikkelijk vermagerd en
vervallen. Het mag niet lang zoo voortduren, of de gevoelige jonkvrouw
wordt zelve erg ziek."

Eene lichte spotgrijns trok Disdirs lippen te zamen.

"Robrecht Sneloghe was zeker in sher Wulfs Steen, toen gij er kwaamt?"
vroeg hij.

"Inderdaad, het is niet verwonderlijk."

"En hij houdt zich veel meer bezig met Dakerlia dan met haren
ongelukkigen vader? Hij troost haar?"

"Zooals gij zegt, Disdir; toen ik in de ziekenkamer trad, hield Robrecht
eene van Dakerlia's handen en ik zag dat hem van medelijden de tranen in
de oogen stonden."

"De lafaard! Een man weenen als een meisje!" gromde Disdir Vos op
zonderling nijdigen toon.

"Lafaard? Robrecht Sneloghe een lafaard?" herhaalde Willem Van Wervick
verbaasd. "Omdat hij deernis heeft met ...?"

Maar hij werd onderbroken door het voorbijrijden van eenen grooten
wagen, die hem dwong terzijde te gaan.

Toen zij wat verder bij den kerkhofmuur stonden, zeide Disdir, die zich
intusschen had bedwongen:

"Mij vloog de overweging door den geest dat het eenen man, eenen ridder,
niet betaamt zoo weemoedig en zoo flauwhartig te zijn ... Nu zal toch
Robrechts huwelijk voor langen tijd uitgesteld moeten blijven?"

"Zeker; geneest Segher Wulf, hij zal slechts na verloop van vele
maanden het ziekbed kunnen verlaten."

"En sterft hij, dan volgt er een gansch rouwjaar."

"Dit schijnt u te verblijden?" vroeg mher Willem, hem scherp in de oogen
ziende.

Disdir Vos trok zwijgend de schouders op.

"Ik begrijp", morde zijn gezel, "gij insgelijks hebt Dakerlia bemind en
naar hare hand gestaan? Gij moet u het lot getroosten. Dakerlia zal wel
zeker Robrechts echtgenoote worden."

"Dit huwelijk is nog niet voltrokken!" gromde Disdir Vos met eene vonk
van zegevierende blijdschap in de oogen.

"Maar zijt gij zinneloos, mijn goede Disdir?" schertste Willem Van
Wervick. "Alzoo, gij meent het nog mogelijk dat Dakerlia Wulf uwe vrouw
worde?"

"Wie weet? Er loopt op een jaar zooveel water door de Reije. Laat het
oorlog worden in Vlaanderen, laat de Kerels te wapen loopen tegen den
graaf en de Isegrims ... Bij den vrede kunnen zaken en menschen groote
veranderingen ondergaan hebben."

"Ongetwijfeld, Disdir, indien het oorlog werd, maar dit is nu niet meer
waarschijnlijk. De graaf heeft het oordeel Gods aanvaard. Segher Wulf
heeft dus, door zijne overwinning, Kerlingaland voor groote
bloedstorting behoed."

"Gij meent het, mher Willem?" wedervoer Disdir Vos. "Alhoewel ik ziek
ben geweest, weet ik misschien beter dan gij wat er omgaat. Is het niet
waar dat de Isegrims van 's graven hof sedert den kamp stlizwijgend en
achterhoudend zijn geworden, en elkander geheimzinniglijk de woorden in
de ooren fluisteren, uit vrees dat een Erembald of een andere Kerel iets
verrasse van hetgeen er in 's vorsten raad gebrouwen wordt?"

Willem Van Wervick knikte bevestigend.

"Welnu, het kwaad dat men daar in het verborgen tegen de Kerels smeedt
zal onverwachts uitbreken. De proost van St-Donaas, de kastelein,
Robrecht Sneloghe en wie hunnen raad of hunne zienswijze volgen, zijn
blind. Zij willen niet zien wat er geschiedt; zij zenden boden uit om de
Kerels te doen stil blijven; al wat zij zeggen is: geduld, geduld. De
bloodaards! Zij zullen ontwaken als Kerlingaland zal verloren zijn.
Burchard Knap, ziedaar de man, die alleen misschien nog onze vrijheid
kon redden ... En zij hebben hem onrechtvaardig laten veroordeelen,
zonder iets te hebben gepoogd tot zijne verdediging of zijne wraak!"

"Gij hebt wel gelijk", bevestigde Willem, "de proost van St-Donaas is
lijdzamer dan eene vrouw. Men noemt hem wijs; maar met zulke wijsheid
loopt men recht in de slavernij. Laat ons echter niet denken dat de
Kerels ondadig zullen blijven. Nog zes dagen en de Hoop der Ambachten
vergadert te Veurne. Daar zal men over het lot van Kerlingaland
beslissen en de Erembalds zullen er niet alleen meester zijn. Ik zal er
mij bevinden als afgevaardigde van Proven, waar ik vele goederen heb."

"En ik insgelijks zal er tegenwoordig zijn, als gekozen om
Bekeghem-Ambacht te vertegenwoordigen ..."

"Zie, wie daar uit de Zuidzandstraat tot ons komt!" riep Willem. "Als
men van Loki spreekt ..."

"Robrecht Sneloghe!" mompelde Disdir Vos, met somberen haat in de stem.

Maar dewijl hij bemerkte dat Robrecht naderde om hen te groeten, bedwong
hij zijne ontsteltenis en zag mher Sneloghe stil glimlachende te gemoet.

Nadat zij eenige woorden hadden gewisseld over het zoele weder en over
den toestand van Segher Wulf, zeide Disdir Vos:

"Mag ik mher Snelogde vragen, hoe het met zijne verloofde gaat? Wat moet
toch die arme Dakerlia lijden!"

"Het is onbeschrijfelijk!" antwoordde Robrecht diep ontroerd. "Sedert
acht dagen heeft zij de kamer haars vaders nog niet willen verlaten: zij
rust des nachts bij zijn bed, met het hoofd op eene tafel; maar slapen
doet zij toch niet, want bij den minsten zucht, bij de minste beweging
haars vaders springt zij recht. Hoe een meisje de krachten kan hebben om
bij zulk leven niet van uitgeputheid te bezwijken is onbegrijpelijk. Ook
is zij, och arme, zoo bleek en zoo mager geworden van dit lange waken en
van het overvloedig weenen, dat men ze niet meer zal herkennen, de
eerste maal dat zij zal uitgaan."

"En nu is uw huwelijk onbepaald verschoven?" vroeg Disdir.

"Eilaas, daaraan denken wij niet meer", zuchtte Robrecht. "Late de goede
God Dakerlia's vader genezen! Andere wenschen voeden wij niet; anders
vragen wij niet in onze gebeden."

Er lichtte eene vonk van blijdschap in Disdirs oogen; want de treurige
woorden van Robrecht bevestigden de verborgene hoop zijns harten.

"Ik twijfel niet, of wij zullen u binnen acht dagen te Veurne zien",
zeide hij. "Houthem kiest u gewoonlijk tot zijnen vertegenwoordiger."

"Waarschijnlijk zal ik de vergadering van den Hoop niet kunnen
bijwonen", antwoordde mher Snologhe. "Het spijt mij grootelijks; maar
gij begrijpt, vrienden, de erge toestand van Segher Wulf? De arme
Dakerlia....?"

"En indien men daar tot den oorlog besluit?"

"Dan zullen wij onzen plicht doen, en goed en bloed ten beste geven voor
de vrijheid van Kerlingaland", antwoordde Robrecht. "Hopen wij evenwel
dat de wijsheid van onzen graaf dit ongeluk zal voorkomen."

"Is het waar", vroeg Willem Van Wervick, "dat gij Ghyselbrecht Tancmar
ten hove uwen handschoen in het aangezicht hebt gesmeten?"

"Het is waar", antwoordde Robrecht.

"En hij heeft den kamp tegen u geweigerd?"

"Ja, onder voorwendsel dat hij, edelgeboren man, niet mag strijden tegen
eenen Kerel, wiens vrije geboorte hem niet is bewezen."

"Welke lafheid!" gromde mher Willem.

"Lafheid niet, huichelarij en boosheid. Het is om ons tot
gewelddadigheid aan te drijven en den graaf tegen ons te verbitteren."

"En gij hebt hem uw zwaard niet in de borst gestooten?" kreet Disdir
Vos.

"De heer graaf kwam in de zaal, waar de twist gebeurde. Hij bande den
vrede tusschen ons. Ik moest gehoorzamen; maar, wat zeker is, ik zal
vroeg of laat het verdriet van Dakerlia Wulf op Ghyselbrecht wreken!"

"Ware mij den kamp geweigerd, ik sloege den valschaard dood, ondanks den
vrede!" morde Disdir Vos.

"Neen, neen, zoo niet", wedervoer Robrecht met zeker misprijzen in de
stem. "Ik zal Ghyselbrecht wel tot een kamp weten te dwingen; een
eerlijk ridder wreekt zich niet door eenen moord ... Nu, heeren,
verontschuldigt mij, dat ik uwe samenspraak heb gestoord. Vaartwel."

Mher Sneloghe vervorderde zijnen weg door de Steenstraat tot op de
Markt, waar hij vele lieden bemerkte die, om het fraaie weder te
genieten, op dit breede plein rondwandelden.

Hij meende, zonder stil te houden, naar de Hofstraat zich te richten en
door den burg te gaan om zijne woning te bereiken; maar nu ontsnapte hem
eensklaps een kreet van blijde verrassing en hij stapte haastig naar het
midden der Markt, terwijl hij in zich zelven murmelde:

"Dakerlia met mijne zuster! Wat wil dit zeggen? Zij schijnen wel te
moede!"

"Jonkvrouwen, zal ik mijne oogen gelooven?" riep hij glimlachend uit.
"Is onze heer vader genezen?"

"Ter goeder ure dat wij u ontmoeten!" zeide Dakerlia. "Nu hebben wij
eenen ridder om ons op de wandeling te geleiden. Verliezen wij geenen
tijd; stel u tusschen ons beiden en laat ons voortstappen; wij zullen al
gaande kouten. O, Robrecht, ik ben zoo gelukkig!"

"Mij dunkt het, de blijdschap straalt uit uwe oogen. Vertel mij toch wat
u dus verheugt."

"Gij zijt dezen morgen vroeg gekomen", antwoordde Dakerlia. "Mijn vader
was dan nog bezwaard van den nacht en hij scheen niet veel beter dan
gisteren; maar sedert dan is hij ontwaakt. Zijne oogen waren helder; hij
vroeg eten, voor de eerste maal zijner erge ziekte. De geneesheeren
hebben hem, alhoewel met vrees, eenige lepels hoendersoep doen
toedienen. Het deed hem zoo goed! Hij keerde als het ware tot het leven
weder en begon te spreken, wel zeer stil, maar met eene klaarheid des
geestes die, ons allen verbaasde. Hij sprak van u, Robrecht."

"Van mij, Dakerlia?"

"Ja, het is onbegrijpelijk. Hij moet gedurende al den tijd, dat hij daar
beweegloos heeft gelegen, gehoord en opgemerkt hebben wat rondom hem
geschiedde; want hij weet alles. Ach, Robrecht, haddet gij kunnen hooren
hoe hij u bemint en u dankbaar is voor uwe goede zorgen!"

"En u Dakerlia, heeft hij u niet gedankt? Gij toch hebt meer gedaan dan
men van de menschelijke krachten kan eischen."

"Ik durf het bijna niet zeggen", stamelde Dakerlia ontroerd, "Hij heeft
mij de hand op het hoofd gelegd, en zoo, met den blik ten hemel, mij
gezegend ... Spreken wij daar niet van; ik was zoodanig ontroerd dat nu,
bij herdenken zijner liefderijke woorden mij nog de tranen in de oogen
schieten."

Zij vervorderden eene wijl in stilte hunne wandeling.

"Geen wonder", zeide Witta, "dat wij zoo blijde zijn. De geneesheeren,
die tot nu toe achterhoudend bleven en ons geene hoop durfden geven,
hebben dezen morgen verklaard dat zij niet twijfelen of mher Wulf zal
genezen. Zijne wonde, die nog altijd was ontstoken, is nu gesloten."

"God zij geloofd!" riep de jonge ridder, "dit is eene gelukkige
tijding."

"De proost en de kastelein zijn gekomen; zij hebben met mher Wulf
gesproken en zij, insgelijks, zeiden ons dat wij niet meer mogen
vreezen."

"Ja, Robrecht", bevestigde Dakerlia, "en uw oom de proost heeft mijnen
vader doen begrijpen dat hij waarschijnlijk, door het vergieten van zijn
bloed, de vrijheid van Kerlingaland heeft gered, of ten minste
Vlaanderen heeft behoed voor een rampspoedigen oorlog. Dit heeft mijnen
armen vader zoo gelukkig gemaakt, dat zijne oogen van trotschheid
glinsterden."

"Maar dit alles verklaart mij niet hoe het komt dat ik u hier ontmoet",
bemerkte de jonge ridder.

"Uwe ooms zijn daar de oorzaak van", antwoordde Dakerlia. "Zij beweerden
dat ik zeker ziek zou worden, indien ik langer zoo in eene altijd
geslotene kamer bleef zitten. Het was zulk zoet weder; ik moest uitgaan
en wandelen. De geneesheeren hielpen hen. Om mijnen tegenstand te
overwinnen, zeiden uwe ooms dat zij een paar uren in mijne plaats bij
het bed mijns vaders zouden waken. Ik heb toegestemd voor een enkel uur.
Zij hadden gelijk, uwe goede ooms: de zonneschijn, nog meer dan de
blijdschap, doet mij herleven; de zoete lucht vloeit mij als een
verkwikkende balsem door de longen."

Zoo vroolijk koutende en dankbaar juichende over de onverwachte
verbetering van den toestand des zieken ridders, wandelden zij eenige
malen rondom de Markt, totdat Dakerlia, ondanks het aandringen van
Robrecht, huiswaarts wilde keeren.

Zij richtten zich dus naar de Hofstraat, maar werden eensklaps
teruggehouden door eenen hoop volks, die achter twee bazuinblazers van
den burg op de Markt kwam gestroomd.

Van alle kanten liepen nog vele menschen toe; want men herkende de
bazuinblazers als gewone wapenboden des graven, en men voorzag dat zij
een vorstelijk besluit gingen afkondigen.

Even nieuwsgierig als de anderen om te weten wat men hier ten poorters
van Brugge ging bekend maken, bleef Robrecht met zijne gezellinnen
omtrent de wapenboden staan.

De bazuinblazers hieven eenige tonen aan, en zoohaast het volk genoeg
rondom hen was verzameld, trad een klerk vooruit met een vel perkament
in de hand. Hij ontrolde het blad op zulke wijze, dat men de groote
groene zegels er van kon zien nederhangen en begon dan met luide, klare
stem aldus zijne afkondiging:

     "Wij Karel, graaf van Vlaanderen, al degenen die deze letteren
     lezen of hooren lezen, heil in Gode!

     Alzoo er in zekere gewesten van onzen lande van Vlaanderen een slag
     van lieden wonen, zich noemende Kerels, die, zonder gezeten te zijn
     op vrije erven, gezegd _Allodii_, beweren vrij te zijn in hunnen
     persoon en hunne goederen, en tot groote inbreuk op den openbaren
     vrede zich vermeten wapens te dragen, niettegenstaande het herhaald
     verbod, door onze voorgangers en door ons uitgevaardigd;

     Aangezien deze lieden, zich noemende Kerels, tot geene erkende
     leenen behooren en onder zulke zich weigeren te schikken;

     Overwegende dat dergelijke toestand slechts het gevolg eener
     onwettige aanmatiging kan zijn, strijdig met de rechten onzer kroon
     en met den vrede des graafschaps;

     Maken kond, dat wij, na rijp beraad en onderzoek van elks recht,
     hebben besloten en besluiten wat volgt:

     Ten eerste. Elk ingezetene dezer landen van Vlaanderen, die niet
     toebehoort tot een onzer leenen of tot eene abdij, of niet
     eigenaar is eener erkende vrije erve, gezegd _Allodium_, anders
     _Boekland_[48], of niet het poortersrecht in eene onzer goede
     steden geniet, zal voortaan een man onzer kroon zijn."

Tot dan had de menigte, waaronder waarschijnlijk zich geene of weinige
Kerels bevonden, stom en gapend den klerk de woorden uit den mond
geluisterd; maar nu ontstond er zulk luid gemor van verbaasdheid, dat
men de stem van den afkondiger niet meer kon hooren.

"Stil! stil!" riepen vele der omstanders, die zich misschien de zaak der
Kerels weinig aantrokken.

De klerk zette zijne lezing voort.

     "Ten tweede. Al zulke mannen der kroon zullen in handen der
     ontvangers onzer burgen en kasteleinen den tol, gezegd _balfaart_,
     betalen, dit is een denier jaarlijks, vier deniers op den dag van
     hun huwelijk en vier deniers bij hun afsterven, of anders het
     beste hoofd ter keuze des heeren.

     Ten derde. Het blijft allen dienstbaren lieden verboden, wapens te
     dragen, als daar zijn schermzeisen, zwaarden, staven, knijven,
     kolven, op lijf straffe of op boete, zooals bepaald is bij de
     besluiten der graven, onze voorgangers, en der onze."

Het overige der afkondiging bestond slechts in eenige voorschriften tot
de uitvoering van het zwaarwichtig besluit.

Met groot geschater van stemmen begonnen de poorters elkander hun
gevoelen over dit edict tegen de Kerels mede te deelen; maar dewijl de
bazuinblazers de plaats verlieten en naar de Steenstraat opgingen, om
daar en elders hunne zending te vervullen, volgden hen de meeste
aanhoorders. Andere liepen in allerijl over de Markt, om het verrassende
nieuws aan vrienden of bekenden te gaan mededeelen.

Robrecht en Dakerlia, getroffen met eenen diepen schrik, aanschouwden
elkander eene wijl zonder spreken.

"Eilaas", zuchtte Dakerlia, "daar breekt het langgevreesde onweder over
Vlaanderen los! Het bloed mijns vaders heeft nutteloos gevloeid. Arm
Kerlingaland!"

"Arm Kerlingaland?" herhaalde Robrecht. "Neen, neen, het recht zal
zegepralen! Men heeft met ons gehuicheld. Wij zijn verraden, snood
verraden. Ha, nu is alle geduld lafheid, alle toegevendheid misdaad!
Wanhoop niet van onze zaak. Meent gij dan dat de Kerels zich zullen
laten binden als kalveren op de markt? De nootkreet gaat hergalmen over
Kerlingaland. Wie overwinnen zal, dit weet God alleen; maar wij zullen
den strijd niet opgeven, al eischte de verdediging der vrijheid onzen
laatsten druppel bloed!"

"Ramp, ramp!" klaagde Witta, "wie er ook overwinne, Vlaanderen zal
overdekt worden met lijken ..."

"O, mijn God!" kreet eensklaps Dakerlia verbleekend.

"Wat geschiedt u? Wat ziet gij?" vroegen Robrecht en zijne zuster
verbaasd.

Maar Dakerlia greep haren verloofde de hand, trok hem naar de Hofstraat
en antwoordde haastig:

"Kom, kom, loopen wij naar huis. Mijn arme vader! Indien iemand hem deze
tijding bracht, het zou hem zoo diep bedroeven, hem eenen noodlottigen
slag toebrengen misschien! Kom, wij zullen verbieden dat iemand van
buiten hem nadere, wie het ook weze!"

"Maar bedwing toch uwe ontsteltenis, Dakerlia", zeide Robrecht "Uw vader
zou bemerken dat gij hem iets verbergt ..."

"Neen, neen, hij zal het niet zien; ik ben sterk, ik zal welgemoedheid
veinzen."

Inderdaad, toen zij het bed haars vaders naderde, zweefde er een stille
glimlach op haar gelaat; maar dewijl hij met de oogen gesloten lag, en
de geneesheeren haar teeken deden dat hij rustte, hield zij zich stil en
zette zich bij het hoofdeneinde op eenen stoel.

Robrecht murmelde iets aan het oor van den proost, wenkte den kastelein
met den vinger en verliet de kamer met zijne beide ooms, die,
nieuwsgierig geworden door zijne geheimzinnigheid, hem vragend aanzagen.

Hij bracht hen in eene zaal en zeide hun met de handen opgeheven:

"Schrikkelijk nieuws! Er loopt een klerk in de stad rond, die een
besluit van onsen graaf tegen de Kerels afkondigt. De Kerels zijn
voortaan dienstbaar aan de kroon, evenals waren zij in slavernij
geboren!"

De proost verbleekte; eene siddering doorliep de leden des kasteleins;
beiden bleven stom, als konden zij de onverwachte tijding niet gelooven.

"Zijt gij zeker van hetgeen gij zegt?" vroeg de oude Bertulf.

"Gansch zeker; ik heb het besluit hooren afkondigen."

"Waar?"

"Op de Markt, in tegenwoordigheid van eenen grooten hoop volks."

"En hoe luidde dit besluit?"

"Het verklaarde dat de Kerels ten onrechte zich vrij wanen; het legt hun
den balfaart der dienstbaarheid op en verbiedt hun, op lijfstraf en op
boete, eenige hoegenaamde wapens te dragen."

"Eilaas, welke onheilen dreigen Vlaanderen!" zuchtte de kastelein
Hacket. "De valsche Isegrims zegevieren!"

"Bekent het nu, mijne ooms", bemerkte Robrecht, "al ons geduld, al onze
toegevendheid heeft tot niets gediend dan om den hoogmoed onzer vijanden
aan te vuren. Het is misschien nog tijd. Geef een teeken, heer proost;
help gij er toe, heer kastelein, en morgen staat geheel Kerlingaland
onder de wapens!"

"Met zulk voorbarig besluit ware alles verloren", antwoordde Bertulf,
zich op het voorhoofd wrijvend om een klaar en diep besef van den
toestand in zijne hersens op te wekken. "Onze vijanden moeten hetzelfde
wenschen als gij, Robrecht. Zulke onvoorbereide opstand kan slechts
gedeeltelijk zijn. Vergeet hef leger niet dat te Atrecht ons bewaakt. De
opstand der Kerels, indien men verplicht wordt tot zulk uiterst middel
zijne toevlucht te nemen, mag slechts algemeen zijn, en onze
heirkrachten moeten tot eenen langen oorlog worden ingericht."

"Maar, oom lief, is de maat niet vol genoeg?" wedervoer Robrecht, met
eene verontwaardiging die hij uit ontzag voor den ouden proost poogde te
bedwingen. "De tijding van dit hoonend besluit zal de Kerels, de
Houtkerels vooral, verwoed maken."

"Inderdaad", bemerkte de kastelein, "mij zou het niet verwonderen dat
zij onmiddellijk de wapens opnamen en de burchten der leenheeren
begonnen te bestormen en af te branden."

"En ware het niet beter het sein tot den algemeenen opstand te geven?"
vroeg Robrecht. "Wees zeker, oom, uw lankmoedigheid zal het ongeluk van
Kerlingaland zijn!"

"Bedwing uwe jonge drift, mijn neef", sprak Bertulf op strengen toon.
"Met zulke overijling verderft men de beste zaak. Hebt gij dan geen
vertrouwen meer in mijne oude ondervinding?"

"Zeker, oom; maar, met uw oorlof, mij dunkt, dat krachtdadigheid en
moed, in dringende omstandigheden, meer zijn dan wijsheid."

"Ik geloof dat gij gelijk hebt, broeder", zeide de kastelein, "maar
werkeloos kunnen wij niet blijven. Wat gaan wij doen?"

"Wij moeten alle beweging in de Ambachten voorkomen", antwoordde de
proost. "De Kerels doen stil blijven totdat de Hoop over de erge zaak
beslist hebbe. Wat is zes dagen? Wil de Hoop het lot der wapens
beproeven, men zal daar de afgevaardigden van al de Ambachten onder de
hand hebben en dus, moet het zijn, met een enkel woord gansch
Kerlingaland als één man doen opstaan."

"Maar, heer oom", bemerkte Robrecht, "gij vergeet Burchard Knap, uwen
neef. Als die de mare zal vernemen!"

"Ik weet waar hij zich ophoudt: hij zal een bijzonderen brief van mij
ontvangen en in vrede blijven, ten minste tot den dag van den Hoop. Hij
heeft mij dit reeds plechtig beloofd."

"Alzoo, wij hoeven ons te bereiden tot den oorlog?" vroeg de kastelein.

"Bereiden, voorzeker", antwoordde hem zijn broeder de proost, "maar die
noodlottige worsteling is nog niet volstrekt onvermijdelijk. Wie zegt
ons dat, indien onze graaf het oor aan den raad onzer vijanden heeft
geleend, het niet alleenlijk is, omdat de oorlog in Aquitanië, en nu op
de grenzen van Normandië, hem dwingt naar middelen uit te zien om zich
eene groote hoeveelheid gelds te bezorgen? Indien de Kerels hem eene
bede toestonden van eenige duizende marken zilvers?"

"Alweder toegevendheid en gebeden?" morde Robrecht; "kunnen wij dan
niets meer dan smeeken? Gij weet, oom, hoe ik onzen graaf verkleefd
was, ondanks het onrecht dat ons werd aangedaan. Vorst Karel had mijnen
vader zaliger vereerd en bemind. Ik was hem daarvoor dankbaar. Nu moet
ik die dankbaarheid in mijn hart versmachten. Ik heb te kiezen tusschen
den oorlog tegen den graaf en de vernedering van mijn vaderland, het
verlies onzer vrijheid. De overtuiging dat onze vorst door de booze
Isegrims is misleid maakte mij die keus nog pijnlijk, ik beken het; maar
de stem van mijn geweten ..."

"Zwijg toch", onderbrak hem de proost, "Gij wordt even voorbarig en
oploopend als de woeste Burchard. Luister toch eerst naar de kalme rede.
Indien wij door zulke geldelijke opoffering het edict en de
schrikkelijke rampen afweren, die ons geslacht en ons vaderland
bedreigen, zoudt gij mij laken den raad daartoe te hebben gegeven?"

"Neen, neen, oom; maar alle hoop op rechtvaardigheid, alle hoop op vrede
is dood in mij!"

"Welnu, ik zal pogen te weten wat zulk aanbod bij den graaf vermag. In
alle geval, de Hoop te Veurne zal over de zaak beraadslagen; en wij
allen, onzen Gilden-eed getrouw, zullen ons aan zijne beslissing
onderwerpen. Laat ons nu naar de proostdij gaan, Hacket; de tijd is ons
kostelijk; wij moeten met spoed onze voorzorgen nemen om, tot de
beslissing van den Hoop, alle beroerte in de Ambachten te beletten."

In den gang zeide de proost nog:

"Wij zullen terloops Segher Wulf vaarwel wenschen; hij zal misschien
ontwaakt zijn."

Robrecht hield hen terug en deed hun begrijpen dat zij in
tegenwoordigheid des zieken van het afgekondigde besluit niet mochten
gewagen. Segher Wulf, die zich gelukkig achtte, zijn leven te hebben
gewaagd, in de gedachte dat hij door het storten van zijn bloed de
vrijheid der Kerels tegen allen nieuwen aanval had behoed, kon een
noodlottigen slag ontvangen, indien hij nu vernam dat de Isegrims zelfs
het oordeel Gods niet hadden geëerbiedigd.

Zijne ooms erkenden de gegrondheid dezer bemerkingen en beloofden den
zieke van niets te spreken.

Alzoo zij nu door de gang traden, hoorden zij eensklaps op eenigen
afstand bazuintonen hergalmen.

"O! mijn God!" kreet Robrecht verschrikt, "daar komt men nu in deze
straat het noodlottig besluit afkondigen. Mher Wulf zal het hooren. Wat
schromelijke slag!"

"De snoodaards!" morde de kastelein. "Wie weet, hebben zij de wapenboden
daartoe geen bijzonder bevel gegeven? Onverbiddelijk zijn de Tancmars in
hunnen haat."

"Maar neen, de wapenboden zijn nog verre; mher Wulf kan niets van de
afkondiging verstaan", bemerkte de proost.

"Ach, hij hoort zoo verwonderlijk scherp, en hij ligt onder het venster
bij de straat", klaagde Robrecht.

"Kom, kom, gij bekommert u ten onrechte", zeide de proost, terwijl hij
de deur der ziekenkamer opende.

Segher Wulf lag nog met geslotene oogen, en nevens hem stond Dakerlia
met angst en vervaardheid op het gelaat; want zij insgelijks had de
bazuintonen gehoord.

"Ontstel u niet zoozeer, jonkvrouw; uw vader slaapt en de bazuinblazers
zijn weg", fluisterde de proost aan haar oor.

Maar nauwelijks waren deze stille woorden zijnen mond ontglipt of de
stem van den afkondiger verhief zich onder het venster zelf.

Een pijnlijke kreet ontsnapte Dakerlia, terwijl zij de bevende handen
over haren vader uitstrekte, als poogde zij de noodlottige klanken te
onderscheppen.

De zieke opende de oogen wijd en luisterde. Hij bleef rustig; geene
plooi op zijn gelaat duidde aan dat hij verstond wat men daarbuiten zoo
luid afriep.

Reeds was de klerk zeer verre in het lezen van het besluit gevorderd, en
nog had Segher Wulf geen teeken van ontroering gegeven. De omstanders
meenden te mogen hopen, dat hij niets van het besluit zou verstaan.

Maar toen de afkondiger het tweede punt van het noodlottig edict
bereikte, werd de zieke eensklaps als door eenen geweldigen slag
getroffen: al zijne leden trokken zich krampachtig te zamen en, ofschoon
de klagende Dakerlia en de verschrikte geneesheeren hem poogden te
bedwingen, duwde hij zijne twee armen op het bed, spande al zijne
zenuwen en riep uit, terwijl hij zich met verwonderlijke kracht in de
hoogte hief:

"Slaven! De Kerels slaven! Wraak, wraak, o, mijn God!"

Eilaas! Zijn slecht geheeld sleutelbeen brak opnieuw, zijne wond
scheurde open, het bloed golfde hem over de borst en hii viel met eenen
akeligen noodkreet achterover ...

"Het is niets, geen gejammer, geen gekerm!" riep een der geneesheeren,
den proost haastige teekens doende, dat men de jonkvrouw zou
verwijderen.

Allen verstonden hem. Robrecht en zijne ooms grepen Dakerlia bij de
armen en schouders, en hoe zij ook als zinneloos worstelde, zij leidden
ze met geweld in eene ver afgelegene kamer. Daar poogde men haar te doen
gelooven dat het ongeval geene erge gevolgen zou hebben. De geneesheer
had immers zelf gezegd dat men niet mocht bekommerd zijn? Een nieuw
verband zou alles weer herstellen.

Maar Dakerlia, door eenen doodelijken schrik aangejaagd, was niet te
bedaren.

"De wreedaards, de Isegrims!" riep zij uit, terwijl men haar poogde van
de deur terug te houden. "Zij hebben hem in den kamp niet kunnen
overwinnen. Vermoorden moesten zij hem, met valschheid, met
lafhartigheid! O, mijn vader, mijn arme vader, wie zal u wreken? Wie zal
het edel bloed herkoopen, dat gij voor de vrijheid van Kerlingaland hebt
vergoten?"

"Wees gerust, Dakerlia", antwoordde Robrecht Sneloghe. "De noodhoorns
gaan galmen over Kerlingaland. Het is een oorlog om leven en dood. Ik
zal te midden des gevechts de vijanden uws vaders opzoeken en ze
treffen, zoolang mijn arm de macht heeft tot het verheffen van een
zwaard."

De maagd slaakte eenen angstkreet, legde zich de handen voor de oogen en
begon overvloedig te weenen; maar zij was zoo aangejaagd dat zij bijna
onmiddellijk weder naar den ingang der kamer sprong en zich de handen
ten bloede werkte om de geslotene deur open te rukken.

Zij viel op de knieën voor den proost en kermde en bad met saamgevoegde
handen, om tot haren vader te mogen gaan. Hij kon sterven, haar
verkrampend hart riep het luid. Mocht zij hem dan niet een laatst
vaarwel wenschen en hem de oogen sluiten? Zou hij ten hemel varen zonder
zijn kind aan zijne zijde te zien?

Eindelijk door medelijden overwonnen, zeide de proost tot haar, dat hij
den kastelein zou verzoeken naar de ziekenkamer te gaan om het oorlof
der geneesheeren af te smeeken, indien Dakerlia toestemde bedaard te
wachten op de tijding welke hij hun zou brengen.

Men opende met voorzorg de deur en Hacket begaf zich naar de kamer aan
de straat.

Hier ontvloog hem een kreet van schrik, ofschoon de geneesheer door zich
den vinger aan den mond te leggen, hem tot stilte aanmaande.

Segher Wulf lag uitgestrekt op het bed, met een kruisbeeld op de borst.
Zijn gelaat was loodvervig en toonde de doorschijnende tint der
bloedeloosheid. Witta zat ten gronde geknield en weende bitter.

De kastelein naderde met kloppend hart en aanschouwde den geneesheer.

"Niets meer dan een lijk!" murmelde deze.

"Wel zeker?"

"Hoe anders? Al zijn bloed is hem ontloopen."

"Wat akelige ramp!"

"Ja, een ijselijk voorval; maar klagen kan hier niet helpen, heer
kastelein. Gij moet tot de jonkvrouw gaan; haar eerst met halve woorden
een ongeluk doen voorgevoelen, haar dan van een groot gevaar spreken en
zoo allengs haar den dood haars vaders melden, opdat de slag haar niet
plotselijk treffe."

De kastelein verwijderde zich stilzwijgend, om de droeve zending te gaan
vervullen; maar nauwelijks was hij eenige oogenblikken weg, of men horde
in den gang eenige wanhopige klachten hergalmen.

Dakerlia stortte in de kamer en liep tot bij het bed. Een eerste blik
zeide haar alles: zij slaakte eenen machtigen schreeuw, eenen noodkreet,
die het gansche huis doorschalde, en viel gevoelloos met het hoofd op de
borst haars vaders.


VOETNOTEN:

[Voetnoot 48: Bij de Angel-Saksen noemde men het Gemeentegoed of vrij
geweide _folcland_ (ager publicus), een land, waarvan het bezit door
eene geschrevene oorkonde vanwege den vorst was toegestaan of bevestigd,
_bocland_ (geboekt land).

Zie LAPPENBERG, _Geschichte von Engeland_ t. I, pp. 578 en 579.]



XI


De dag waarop de Hoop[49] zou gehouden worden, was verschenen.

Reeds van in den vroegen morgen krielde de stad Veurne met lieden die
zich uit alle gewesten van Kerlingaland zich derwaarts hadden begeven,
en nog zag men elk oogenblik groote overdekte wagens voor de
bijzonderste herbergen stilhouden.

Niet al deze bezoekers waren geroepen, om als afgevaardigden der
Ambachten in den Hoop te zetelen. Eenigen moesten zich aanbieden voor
het beroepsgerecht of _jaarwaarhede_, anderen zouden zekere zaken
aangaande hunne betrekkingen met het Gilde vereffenen; de meesten
evenwel hadden de reis ondernomen uit enkele nieuwsgierigheid of om
vrienden of bekenden te ontmoeten.

Rondom den Kerkhofsmuur van St-Walburgis stonden kramen met eetwaren,
met fruit en lekkernijen, met landbouwgereedschap, met huisgerief en
kleederstoffen, zoodat de plaats naar die zijde geheel het voorkomen had
eener jaarmarkt of eener kermis.

Daar was groote toeloop van volk. De Kerels herkende men aan hunne lange
baarden en aan hun breed zwaard of schermzeis. Tusschen hen kon men de
Houtkerels onderscheiden aan het diepere blauw hunner kleeding en aan
hunne hoeden, waarvan de randen achter en terzijde in vorm eener klak
waren opgeslagen, terwijl de Veld- en Duinkerels breedgerande hoeden
droegen, die met eene veder van den Blauwvoet of Zeearend waren gesierd.

Men bemerkte zelfs hier en daar eenen Kolvekerel uit het graafschap
Gwynen, die gansch in kleeding en voorkomen aan de andere Kerels
geleek, tenzij dat hij tot eenig wapen eenen houten kolf of knots in de
hand of op den schouder droeg.

De poorters of burgers van Veurne hadden geenen baard, en slechts de
bijzondersten onder hen droegen een kort mes boven de lederen tassche
aan hunnen gordel. Zij lieten zich niet veel in met de Kerels, die
overigens hen met hoogmoed bejegenden en zorgvuldig vermeden over de
zaken der Ambachten in hunne tegenwoordigheid te spreken.

Inderdaad, de Kerels zagen de poorters der steden als lieden aan die
hunne onafhankelijkheid hadden verloren en van de voorvaderlijke
vrijheden niets meer bezaten dan wat de vorst hun willekeurig en uit
genade had laten behouden.

Vroeger genoten al de gedeelten van Kerlingaland dezelfde
onafhankelijkheid, en hadden geenen anderen dienstplicht jegens den
graaf dan het leveren van krijgslieden tot 's lands verdediging Zij
betaalden gewilliglijk alle tollen van doorvaart op koopwaren,
havenrechten en burggelden aan 's gravens ambtenaars, voor zooveel deze
belastingen niet als een persoonlijke hoofdtol konden worden beschouwd.
Daarenboven, in oorlogstijd of in andere gewichtige omstandigheden,
wanneer de vorst hun eene _bede_ toerichtte, verleenden zij hem
vrijwilliglijk aanzienlijke hulpgelden uit den gildeschat.

Maar voor twee eeuwen hadden de graven van Vlaanderen, om het land tegen
de invallen der Noormannen te kunnen verdedigen, met de toestemming der
Kerels zelven, verschillende steden met muren omsingeld en er een sterk
kastel of burg gebouwd, waarin een ambtenaar, door den vorst aangesteld,
als kastelein of burggraaf het bevel voerde.

Van dit oogenblik af zag de graaf het gebied van den burg als een leen
der Kroon aan, en werden de inwoners der steden zijne leenmannen, met de
uitzondering nochtans, dat hij hun zekere vrijheden liet behouden, en
deze bevestigde door eene vorstelijke vergunning. Hij gaf zulke
_gemeente_ bestierders of _schepenen_ en liet er het recht uitoefenen in
zijnen naam, onder de hooge bewaking van den kastelein.

Geheel anders was het met de Kerels buiten de bemuurde steden gesteld.
Dezen hadden nog hunne voorvaderlijke inrichtingen behouden en
bestierden zich zelven en oefenden den rechtspleging zonder de minste
tusschenkomst eener hoogere overheid. Eén of meer dorpen, onder een
gemeenschappelijk bestier, noemden zij eene _minne_, en verscheidene
zulker _minnen_ vormden een Ambacht. Schepenen hadden zij niet; hunne
bestierders, jaarlijks door hen gekozen, noemden zij Keurmans. Dezen
waren belast met het beredderen der openbare belangen van de minne, en
zetelden in de vierschaar en vonnisten, zoowel over stoffelijke gedingen
als over wetsovertredingen en misdaden.

Binnen de stad Veurne zelve, naar eenen hoek der Markt, was er nog eene
vrije plek grond, die niet aan de overheid van den kastelein was
onderworpen. Daarop hadden de machtige Kerels van Veurne-Ambacht hunne
groote Gildehalle gebouwd, om er hunne gemeene zaken te behandelen en er
de wekelijksche rechtspleging te oefenen.

Van buiten beschouwd, had deze Halle het voorkomen van een onmatig lang
en breed huis, zonder verdiep, welks eenvormige lijnen slechts
onderbroken waren door een hoog torentje, waarin twee klokken hingen van
verschillende grootte. De vensters waren zeer hoog boven den grond en
met ijzeren staven gesloten.

Nu stonden voor de ingangspoort tien of twaalf langgebaarde mannen, met
uitgetogen schermzeis, die de poorters en vreemdelingen van de Halle
hielden verwijderd.

Dit opzicht van ongastvrijheid en van verborgenheid moest doen denken
dat de Kerels, bij den bouw der Gildehalle, voor doel hadden gehad, alle
bespieding van buiten af te weren en het geheim hunner beraadslagingen
te vrijwaren tegen de nieuwsgierigheid zulker lieden, die niet door den
Gildeneed met hen waren verbonden.

Van binnen was de Halle niet zoo somber; want de vensters, die op den
neerhof uitzagen, waren zeer breed, en geen traliewerk onderschepte er
het daglicht. Hare grootste uitgestrektheid was ingenomen door eene
lange zaal, waarvan het gewelf, met zijne veelvuldige graten, op twee
rijen lage pijlers rustte, die met zonderlinge beeldsieraden waren
overdekt.

Men had nu, tot het houden van den Hoop, in deze zaal eene verhevendheid
getimmerd en er talrijke banken gezet.

Nog vele min wijde vertrekken, elk tot een bijzonder gebruik bestemd,
lagen achter de groote zaal en hadden eenen gemeenen uitgang op den
neerhof, niet verre van de plaats waar, onder de opene lucht, de vier
banken der _vierschaar_ tusschen eene ringvormige haag waren geschikt.

Tot dan hadden de Kerels rondom het kerkhof gewandeld of in groepen op
de Markt over de zaken van Kerlingaland gekout en getwist, immer
zorgende dat zij niet door de poorters werden gehoord.

In de Halle bevonden zich geene andere personen dan eenige Keurlieden en
klerken, die alles in gereedheid brachten tot den dienst waarmede elk
hunner belast was.

Nu evenwel werd op het torentje de kleinste klok geluid. Vele Kerels
traden in de Halle, en begaven zich in verschillende vertrekken, volgens
de zaken welke zij te bezorgen hadden.

In eene groote kamer zaten de ontvangers van den gildeschat met hunne
klerken. Hier kwamen opvolgend de afgevaardigden der Ambachten het geld
storten dat zij voor elk lid van het Gilde als jaarlijksche bijdrage
waren verschuldigd.

Daarnevens en van de ontvangers gescheiden, zaten de betaalders die, op
vertoon van oorkonden, door aangestelde opzichters en schatters
afgeleverd, de hulpgelden uitdeelden voor brand van huizen of vergaan
van schepen of schuiten; want de gildeschat was voor de Kerels tevens
eene kas van onderlinge verzekering.[50]

In een ander vertrek zaten de beheerders van wegenissen en van water- en
dijkwerken, die ten laste van meer dan één Ambacht moesten worden
onderhouden.

Maar de toevloed van volk was het grootst op den neerhof, in en rondom
de vierschaar.

Hier zetelden afgevaardigde Keurmans van de groote Ambachten, ondere
anderen van Veurne, Capellebrouck, Berg, Brouckburg, Hazebrouck en
Duinkerke. Te zamen vormden zij een gerechtshof, dat elken Kerel moest
aanhooren die beweerde dat hem, in zijn Ambacht, onrecht was gedaan of
recht was geweigerd. Deze vierschare, die men _jaarwaarhede_ noemde,
vonniste diensvolgens als een hof van beroep; zij was onafhankelijk van
den Hoop en zetelde verscheidene dagen.

Al deze bijzondere verrichtingen namen den ganschen morgen in, en het
was slechts ten één uur namiddag, na men den afgevaardigden den tijd had
gegund om te eten, dat de groote klok de opening van den Hoop
aankondigde.

Men had eenigen tijd te voren iedereen, wie hij ook ware, de Halle doen
ontruimen. Nu werd niemand toegelaten, tenzij na onderzoek der volmacht,
hem afgeleverd door de Keurlieden van het Ambacht, dat hem als zijnen
vertegenwoordiger had gekozen.

De groote zaal geraakte allengs vol. Elk nam plaats naar zijne geliefte,
nevens zijne vrienden of bekenden.

Hacket, de kastelein van Brugge, bevond zich daar als afgevaardigde van
het Brugsche Vrije; nevens hem, Robrecht Sneloghe, als vertegenwoordiger
van Houthem; en, meer naar achter in de zaal, Disdir Vos, Willem Van
Wervick en Ingelram Van Eessen en andere ridders, door verschillige
Ambachten afgevaardigd.

Dewijl de Hoop nog niet was geopend, en de Kerels met luider stemme hun
gevoelen uitdrukten over de zaak van den balfaart en over hetgeen men in
deze erge tijdsomstandigheden te doen had, heerschte er in de gansche
zaal een verward gerucht als van eenen ronkenden bijenzwerm ... Maar
daar verschenen nu de afgevaardigden der groote Ambachten op de
verhevenheid en, terwijl zij plaats namen in de leunstoelen, die men
daar voor hen had geschikt, zetteden al de aanwezigen zich op de banken
neder.

Het gedruisch begon echter opnieuw, totdat de Voorman of voorzitter met
eenen zwaren houten hamer zoo hard op de eiken tafel sloeg, dat de galm
als een donder door de zaal dreunde.

Elk zweeg en de diepste stilte verving het gerucht.

De Voorman of de voorzitter was een Keurman van Hazebrouck met eenen
langen sneeuwwitten baard. Hij wierp eenen tragen blik door de zaal,
klopte dan nog eens met den hamer, stond op en sprak:

"Gezellen, Gildebroeders, toen wij, uwe zaakgelastigden, voor eenige
weken ons wilden bereiden tot het houden van den Hoop, hadden wij eenige
min of meer belangrijke voorwerpen uitgekozen om aan uwe beraadslaging
te worden onderworpen. Sedert dan heeft onze heer graaf tegen de Kerels
een edict uitgevaardigd dat, moest het van kracht blijven, ons en onze
kinderen in eeuwige slavernij zou dompelen. Zoo zwaarwichtig is voor ons
deze zaak, dat ik ze alle andere doen voorafgaan. Ik hoop dat gij niet
alleen met de verontwaardiging van diepgehoonde, maar tevens met de
bedaardheid van wijze en bezadigde lieden zult onderzoeken en overwegen
wat ons te doen staat om de vrijheid van Kerlingaland te redden en
ongeschonden te behouden. En, ten einde het rechtverkrachtend besluit
van onzen heer graaf iedereen geheel bekend zij, zal ik den klerk
verzoeken het u voor te lezen."

De klerk stond op en begon de lezing van het edict. Schier bij elken
regel werd zijne stem verdoofd door het toornig gemor der vergadering;
maar wanneer iets bijzonder kwetsends in het besluit voorkwam, ontstond
uit al de hoeken der zaal een onweder van wraakkreten en
vermaledijdingen.

"Te wapen, te wapen! Sla dood de Isegrims! Stroome ons bloed voor de
vrijheid! Heden nog! Gevloekt, gevloekt de balfaart der slavernij!"
galmden de driftigsten.

"Stil! Stil! Laat af met dit woest geschreeuw: wij hooren niet!" riepen
eenige anderen.

Zoo ging de lezing van het besluit met vele onderbrekingen tot het einde
voort.

Nu nog heviger dan te voren, zou de meerderheid der aanwezigen hare
verontwaardiging en hare woede door verwarde kreten lucht geven, maar de
Voorman klopte zoo geweldig met den hamer, dat hij iedereen tot zwijgen
dwong.

Hij zeide, dat hij de diepe onsteltenis der vergadering wel begreep, en
daarom gedacht had de stilte niet streng te moeten handhaven. Nu evenwel
verzocht hij zijne gezellen hun gevoel van wettige verontwaardiging te
bedwingen, opdat de beraadslaging, die nu ging aanvangen, behoorlijk en
met eerbied voor elke gedachte kon worden voortgezet. Hij zou van nu af
geene onderbrekingen meer dulden, en niemand zou spreken dan met zijne
toelating en op beurt.

Daarop vroeg hij of een der aanwezigen het woord verlangde; doch zoovele
handen gingen terzelfder tijd in de hoogte en zoovele namen werden hem
toegeroepen dat hij niet wist wien uit te kiezen tusschen al de sprekers
die zich aanboden.

Op dit oogenblik werd de deur der zaal geopend.

Er trad een hoogstaltig man binnen, wiens fiere houding en stoute blik
ook degenen met ontzag troffen die hem niet kenden. Hij was gekleed als
een ridder en aan het gevest van zijn zwaard glinsterde eenig
edelgesteente.

Zijne verschijning deed een algemeen gemor van verbaasdheid ontstaan,
bovenal toen degenen, die hem herkenden, zijnen naam noemden.

"Burchard Knap! Hij is een banneling. Iedereen mag hem dooden! Hoe durft
hij bij kiaren dage hier verschijnen? Heeft hij recht om in den Hoop te
zitten?" vroeg men elkander.

Dit ongunstig gemompel scheen Burchard Knap te kwetsen. Met spijt in de
stem riep hij uit:

"Gezellen, is het zoo dat gij een slachtoffer der dwingelandij begroet?
Had iemand onzer gevreesd zich door de Isegrims te doen bannen,
Kerlingaland zou nu niet op den boord des afgronds staan. Elkeen mag mij
dooden. De minste schalk kan mij eenen pijl door rug en lenden drijven,
ik weet het; maar, hoe de dood mij ook bedreige, hij kan mij niet
weerhouden van hier mijnen plicht te komen vervullen. Ik ben
afgevaardigde van Rodenburg en, als zulks, zal ik in den Hoop zetelen
met evenveel recht als de beste die hier tegenwoordig is."

"Maar gij zijt gebannen!" riep eene stem.

"Wie heeft daar gesproken?" wedervoer Burchard met bedwongene gramschap.
"Dat hij rechtsta en zich toone. Ik wil weten welke vrije Kerel zich
hier aanstelt tot uitvoerder der vonnissen die onze verdrukkers tegen
zijne broeders hebben uitgesproken."

"Niemand, niemand! Leve Burchard Knap!" klonk het door de zaal.

De slag van den hamer weergalmde.

"Gezellen", zeide de Voorman, "mher Burchard Knap van Bethferkerke is
als ridder door het hooger hof der baroenen tot ballingschap verwezen.
Als Kerel kon hij slechts door de Aldermans van zijn Ambacht worden
gevonnist; als Kerel bevindt hij zich tusschen ons, niet als ridder. Wij
aanvaarden dus in hem den vertegenwoordiger van Rodenburg."

Een bijna algemeen handgeklap juichte deze verklaring toe.

Burchard, hierdoor aangemoedigd en verstout, begon weder tot de
vergadering te spreken; maar de Voorman onderbrak hem door herhaalde
hamerslagen, en verzocht hem zich neder te zetten, hem zeggende dat hij
stellig en streng hem verbood het woord te voeren voordat zijne beurt
kwam. De onverduldige Kerel moest gehoorzamen en nam grommend plaats op
de bank nevens Disdir Vos.

"Dat mher Hacket, kastelein van Brugge, spreke!" zeide de Voorman.

Hacket begon eene rede, waarin hij de vergadering aanraadde de zaak wel
en met bedaarden geest te overwegen, vooraleer eene misschien overijlde
beslissing te nemen. Het was telkens een groot ongeluk wanneer een volk
gedwongen was op te staan tegen zijnen wettigen vorst, en eene misdaad
wanneer zulken opstand gebeurde zonder dat men alle middelen had
uitgeput om hem te ontwijken. Men mocht niet vergeten dat graaf Karel in
den grond een edelmoedig vorst was. Hij had het genoeg bewezen tijdens
den laatsten hongersnood, toen hij zijnen ganschen schat had uitgeput om
de noodlijdenden te spijzen, zonder eenig onderscheid te maken tusschen
de lieden der kroonsleenen en de lieden van Kerlingaland. De kastelein
scheen te worstelen tegen een voorstel dat nog niet gedaan was. In alle
geval moest hij voorzien dat zijn neef Burchard of anderen den graaf met
hevigheid zouden beschuldigen; want hij haalde vele redenen aan, om te
bewijzen dat de Isegrims alleen schuld hadden aan de grieven der Kerels
en vorst Karel, zonder het te weten, door hen was bedrogen en misleid.
Dan schilderde hij af hoe het geheele land, indien men den oorlog moest
beginnen, met bloed en puinhoopen zou overdekt worden en alle welvaart
voor vele jaren vernietigd. Bestonden er middelen om dit onheil nog af
te keeren, het was de plicht der vergadering zulke middelen te
beproeven. Na deze voorbereiding sprak hij van de hoop die men nog moest
koesteren dat de graaf, indien men hem een aanzienlijk getal marken
zilvers uit den gildeschat toestond, het noodlottig besluit zou
intrekken. Wat was toch eene geldelijke opoffering, die in alle geval
nog het tiende gedeelte van de kosten des oorlogs niet zou bereiken? Hij
deed kennen dat de proost van St-Donaas in dien zin pogingen bij het hof
had begonnen, en hij eindigde met het voorstel, hier slechts een
voorwaardelijk besluit te nemen en de wapens niet op te vatten voordat
men zeker ware van de mislukking aller min geweldige middelen.

Deze vreedzame redevoering werd met een hevig gemor van afkeuring
begroet.

"Altijd dezelfde vrouwentaal!" riep Burchard. "Wij hebben reeds den
strop aan den nek; geeft onzen vijanden dan den tijd om ons geheel te
verworgen!"

"Onze flauwheid stort Kerlingaland in het verderf. De vrijheid eischt
bloed, geven wij ons bloed!" schreeuwde Disdir Vos, harder nog dan
Burchard, die hem daarom de handen drukte.

"De beurt is aan Alyn Van Ghistel", zeide de Voorman.

Een zeer oud man stond op. Zijne gedachten, die hij zeer onduidelijk
voordroeg, kwamen hierop uit, dat men zich wel in allerhaast ten oorlog
hoefde te bereiden, doch niet nalaten mocht het middel tot verzoening te
beproeven dat door den vorigen spreker was aangeduid.

De vergadering hoorde zijne rede met onverschilligheid aan.

"Mher Robrecht Sneloghe van Houthem mag spreken" riep de Voorman.

Robrecht begon dus zijne rede:

"Gezellen, velen uwer weten dat ik nauw vermaagdschapt ben met den
kastelein van Brugge en den proost van St-Donaas. Zij zijn mijne ooms.
Ik huldig hier in het openbaar hunne oprechte en vurige verkleefdheid
aan de belangen van Kerlingaland; maar, hoe het mij ook leed doe, in de
gewichtige zaak waarover wij beraadslagen, kan ik hun niet terzijde
blijven. Integendeel, de plicht, de diepgevoelde plicht dwingt mij
dezelfde overtuiging uit te drukken als mijn vriend Disdir Vos van
Bekeghem, en met hem te roepen: Ja, onze lankmoedigheid stort
Kerlingaland in slavernij! Niet meer gewacht, niet meer geaarzeld; de
verdediging der vrijheid eischt bloed, geven wij zonder dralen ons
bloed!"

Deze laatste woorden werden luidruchtig toegejuicht, en menige kreet van
"leve Robrecht Sneloghe!" liet zich hooren; want de jonge ridder was in
de Ambachten algemeen gekend en door iedereen bemind.

Hij hernam zijne rede:

"Neen, gezellen, laat u niet verleiden door de hoop op vrede. De
Isegrims hebben gezworen dat zij hunne kuiperijen niet zullen staken
voordat de Kerels machteloos en gedwee onder het slavenjuk gebogen
liggen. Doet opofferingen van schatten gelds, verkropt hoon en onrecht,
het kan niet helpen. Indien wij langer terugdeinzen voor eenen oorlog,
die toch niet te ontwijken is, smeden wij zelven, als dwazen en als
lafaards, de ketens die ons aan het juk der dienstbaarheid moeten
vastklinken. Daarom met voorvaderlijke trotschheid opgestaan en met het
zwaard het edict der slavernij verscheurd! Ja, ja, loopen wij te wapen,
veeleer heden dan morgen! Wie aarzelt is half verwonnen.--Wat hebben wij
te vreezen? Indien al de weerbare mannen van Kerlingaland te velde
komen, wie zou ons dwingen? Ontbreekt het ons aan geld, aan wapens of
aan moed?... Ziehier mijn voorstel, gezellen. Dat dezen nacht en morgen
overal, waar de beslissing van den Hoop bekend wordt, het noodvuur
vlamme en de noodhoorns galmen! Verkondigen wij den landstorm; bepalen
wij eene vergaderplaats, hetzij Diksmuide, Ghistel of Oudenburg;
benoemen wij in dezen Hoop zelven eenen ervaren veldheer en eenen
krijgsraad. Onmiddellijk zullen wij eene aanzienlijke macht te wapen
hebben. Met deze eerste benden zouden wij de versterkte burgen in
Kerlingaland overrompelen en, zonder ernstigen tegenstand te ontmoeten,
in bezit nemen. Tegen deze vestingen gesteund zouden wij in allerhaast
ons leger tot eenen beslissenden oorlog inrichten, van daar in
ontzaglijke drommen onze vijander te gemoet trekken en Kerlingaland en
de vrijheid wreken in het terugvinden dan nadat graaf Karel onze
vrijheid opnieuw hebbe bezworen en gewaarborgd, en wij de vaste
verzekering hebben bekomen, dat hij de Isegrims uit zijnen raad zal
verwijderen en ons een rechtvaardig vorst wil zijn. Wat gij ook over
deze voorstellen denkt, gezellen, gelooft mij, wachten, aarzelen is hier
eene lafheid en eene misdaad. Gansch Kerlingaland loope te wapen als een
enkel man, en verrassen en verbazen wij onze vijanden door plotselijke
ontwikkeling van al onze macht!"

Er volgde eene lange en donderende toejuiching; vele stemmen zelfs
schreeuwden luid dat men mher Sneloghe tot veldheer moest kiezen; maar
Robrecht beriep zich op zijne jonkheid en onervarendheid en verklaarde
dat hij deze zending niet kon of wilde aanvaarden.

Burchard Knap sprong recht en poogde te spreken; maar de Voorman ontnam
hem onmiddellijk het woord en deed hem zitten, voor reden gevende dat,
eer zijne beurt verschene, nog menig ander gezel moest worden gehoord.

Inderdaad, verscheidene afgevaardigden drukten, de eene na den andere,
hun gevoelen uit. Één of twee rieden met weinig aandringen de
voorzichtigheid aan en wilden het middel, waarvan de kastelein Hacket
gesproken had, beproefd zien; al de anderen vielen met woede tegen de
Isegrims uit, noemde alle lankmoedigheid verraad en lafhartigheid, en
stemden voor het onmiddellijk beginnen van eenen oorlog zonder genade.

Eindelijk bekwam Burchard Knap het woord. Hij stond op en zeide met eene
holle en krachtige stem, waarvan de ontzaggelijke toon alleen indruk
deed op zijne aanhoorders.

"Gezellen, ik had honderd redenen gereed, om u tot eenen onmiddellijken
oorlog te doen besluiten; maar dewijl ik zie dat het Kerlenbloed in uwe
aderen niet min kookt dan in de mijne, zal ik u van wat anders, even
gewichtig spreken. Heeft het u niet verbaasd dat men in deze vergadering
den lof komt verkondigen van Karel van Denemarken, den huichelenden
vijand der Kerels, die met zijne Isegrims in het donker onzen ondergang
beraamt, en dan eensklaps voor den dag komt met het vloekbaar edict dat
ons allen tot slavernij veroordeelt? Het spijt mij dat ik mijnen oom
Hacket moet tegenspreken; maar de vrijheid voor alles en boven alles!
Eerbied voor Karel van Denemarken? Was die vreemdeling niet van den dag
zijner troonsbeklimming ons een gezworen vijand? Wat deed hij
onmiddellijk? Hij vaardigde een edict uit dat hij den _Heerliken vrede_
noemde, waarbij hij allen onvrij geboren man op lijfstraffe verbood
wapens te dragen. Heeft hij niet jaren lang gepoogd u tot het nakomen
van dit edict te dwingen, alsof de Kerels zonder uitzondering in
slavernij waren geboren? Heeft hij niet vrijgeweiden en vrijbosschen,
die den armen lieden onzer Minnen of onzer Ambachten sedert eeuwen
toebehoorden, aan leenheeren en abdijen weggeschonken, zonder eerbied
voor ons recht van eigendom? Gelooft mij, de haat voor de Kerels, dien
men aan het hof zoo openlijk toont, ligt niet alleen in het hart der
raadsheeren van Karel van Denemarken, maar vuriger nog in zijn eigen
hart ..."

Mher Hacket en eenige anderen morden luid en riepen zelfs dat Burchard
de dingen overdreef en den graaf ten onrechte beschuldigde; maar de
overige leden der vergadering juichten den redenaar toe, en zoo ontstond
er een groot gerucht in de zaal.

De stem verheffende, overneerschte Burchard al het gedruisch en sprak:

"Ik ben in het bezit van het woord en zal het behouden totdat ik gedaan
heb!... Karel van Denemarken is ons vreemd; al zijne gedachten zijn
Romaansch. Voor hem zijn er op de wereld slechts twee soorten van
menschen mogelijk, dit is beheerders die gebieden en slaven die onder
den stok der meesterschalken in het juk loopen. Dat er vrije menschen
kunnen bestaan die ploegen, weven, handel drijven of de zee bevaren, dit
begrijpt hij niet; ja, hij ziet het als eenen bloedigen hoon aan voor
allen ridder van zoogezegde edele geboorte, dat nog anderen dan zij op
persoonlijke vrijheid zich beroemen ..."

"Gij spreekt van de Isegrims en niet van den vorst!" onderbrak Robrecht.

"Ja, wij weten waarom mher Sneloghe den graaf wil sparen", wedervoer
Burchard. "Het is ter gedachtenis van zijnen vader zaliger, die een
vriend van Karel was. Ik zie het aan als eene slecht begrepene
dankbaarheid, en herhaal hier met eene vaste overtuiging: die Karel van
Denemarken is een bedrieger, een valschaard. Hij veinsde inderdaad veel
prijs te hechten aan de faam van streng en rechtvaardig te zijn; maar,
zegt het mij: heeft hij onder dien gehuichelden schijn ooit eenen Kerel
recht laten wedervaren? Of willen wij nu het bloed bij stroomen gaan
vergieten omdat wij den graaf te danken hebben voor zijne
rechtvaardigheid? Dat de leenheeren hem prijzen en zijnen lof
uitbazuinen, wat wonder? Hij is in alles hun beschermer en dus de
natuurlijke vijand des volks ... Ja, betwist het zooveel gij wilt, mher
Sneloghe, zelfs de poorters van Brugge, die van zijne willekeur
afhangen, poogt hij te verdrukken. Gaat hij niet een groot gedeelte
hunner nu den balfaart opleggen, alhoewel zij reeds hun deel in de
lasten der poort betalen?... Wil ik u het eenige middel aanwijzen om
onze vrijheid te behouden en zelfs in de toekomst tegen alle vervolging
en alle verdrukking verzekerd te zijn? Wij moeten den graaf der Isegrims
verloochenen en ons eenen graaf kiezen die geen vijand, maar wel een
vriend der Kerels zij!"

Dit onverwacht voorstel trof de aanwezigen met verbaasdheid, en er bleef
eene wijl eene betrekkelijke stilte heerschen, alhoewel eenige leden der
vergadering met luider stemme tegen den vermetelen redenaar uitvielen.

"Ik heb niet gedaan", zeide deze, "maar ik wil toelaten dat mijne
wederstrevers nu spreken, op voorwaarde dat mij het woord teruggegeven
worde, zoohaast wij hunne opmerkingen zullen gehoord hebben."

Een algemeen handgeklap betuigde dat men dit voorstel goedkeurde.

Hierop stonden Hacket en nog twee of drie anderen beurtelings op en
deden rechtzinnige pogingen, niet om den graaf te verrechtvaardigen,
maar slechts om hem te verschoonen, als zijnde de grieven der Kerels
hoofdzakelijk te wijten aan de Isegrims, die den graaf uitsluitend
omringden en allen anderen invloed van hem hadden verwijderd.

Robrecht Sneloghe riep eene andere reden in, om het voorstel van
Burchard als ontijdig en schadelijk te doen verwerpen. Hij wees op de
beroering, welke het verloochenen van den graaf door de vrije Ambachten
in gansch Vlaanderen en zelfs tot in het hart van Frankrijk, waar Karel
van Denemarken vele vrienden telde, zou veroorzaken. Zou men dus de
Kerels blootstellen aan den haat van gansch de Westerwereld? En zouden
zij niet onfeilbaar bezwijken, indien men hun zoovele vijanden te gelijk
op den hals trok? Zij wilden hunne vrijheid en hun recht verdedigen;
maar moesten zij daarom, zelfs voor het begin van den oorlog, den graaf
van zijne kroon berooven?

Burchard antwoordde hierop, dat hij zich om de goedkeuring der Franschen
niet bekreunde, die wel genoeg te doen hadden om zich tegen de
Engelschen in Normandië te verdedigen. En wat de overige gewesten van
Vlaanderen betrof, hij poogde te bewijzen dat de gemoederen daar niet
minder ontevreden waren dan in Kerlingaland.

Wat konden de Kerels bij eene eindelijke zegepraal winnen, indien hun
grootste vijand, indien Karel van Denemarken de kroon bleef dragen?
Volgens hem moest men in dezen oorlog, wilde men een beslissend einde
aan de vervolging zien, alles op het spel zetten en den graaf dwingen
zijne kroon tegen de vrijheid der Kerels te wagen. Alle halve middelen
doemde hij als ingesproken door vreesachtigheid en lage aarzeling.

Volgens de gewoonte zulker vergaderingen werden de woorden van Burchard
het meest toegejuicht, alleenlijk omdat hij de geweldigste middelen
voorstelde.

Willem Van Wervick en Ingelram Van Eessen hadden al zijne woorden met
geestdrift toegejuicht, en nu en dan vuriger nog dan hij, hunnen haat
voor graaf Karel uitgedrukt.

Na eenige wederspraak van beider zijde, staakten Hacket en Robrecht
hunne vruchtelooze pogingen, daar de meerderheid hen met onwil aanhoorde
en luidruchtig riep dat men tot de stemming zou overgaan.

De Voorman herhaalde in een kort begrip, wat de verschillende redenaars
het gewichtigst over de hangende zaak hadden doen gelden.

Dan zeide hij:

"Gezellen, vooraleer tot de stemming over te gaan, meen ik u te mogen
herinneren dat elk onzer door zijnen gildeneed verbonden is de besluiten
van den Hoop te aanvaarden en rechtzinnig en trouw tot hunne uitvoering
mede te werken, welke ook zijne bijzondere meening over deze besluiten
zij. Wie deze verplichting niet geheel aanvaardt, dat hij opsta en het
verklare!... Niemand antwoordt, het is wel. Nu zal ik de voorstellen u,
onder vorm van vragen, toerichten. Wie de hand in de hoogte steekt
antwoordt bevestigend, wie dit niet doe, stemt tegen het voorstel ... Ik
vraag u dus ten eerste: zullen de vrije Ambachten van Kerlingaland de
wapens opvatten en oorlog voeren tegen den graaf!"

De gansche vergadering sprong recht met de handen opgeheven.

En toen de Voorman uitriep:

"De Hoop besluit eenparig tot den oorlog!" volgde er onmiddellijk een
langdurig gejuich, vermengd met blijde kreten en met woeste bedreigingen
tegen de Isegrims.

De hamerslag hergalmde driemaal.

"Nu de tweede vraag", zeide de Voorman, "Verloochenen de vrije Ambachten
Karel van Denemarken als graaf van Vlaanderen?"

Bij dit voorstel werd het noodig geoordeeld de stemmen te tellen; want
een zeker getal afgevaardigden hadden de handen niet opgestoken.

Evenwel, men bevond dat de grootste meerderheid het voorstel aanvaardde,
en de Voorman kondigde dus den uitslag af:

"De Hoop besluit dat de vrije Ambachten Karel van Denemarken niet meer
als graaf van Vlaanderen erkennen."

Weder werd deze beslissing door luid gejuich begroet.

Eenigen der aanwezigen nochtans waren droef of schrikten terug van den
gevaarlijken stap dien men hier zoo lichtvaardig waagde. Robrecht
Snelooghe schudde het hoofd in diepe overweging; op het gelaat van
Hacket stond eene zure grijns van ontevredenheid.

"Ik vraag het woord!" riep Burchard Knap.

En zoohaast de Voorman toestemmend hem had geantwoord, sprak hij:

"Gezellen, ik wensch u geluk over uwe manmoedige besluiten. Gelooft mij,
gij hebt gedaan wat Kerlingaland van zijne vrije, van zijne onversaagde
zonen mocht verwachten. Nu hebben wij geenen vorst meer. Ik raad u aan,
zonder deze zaal te verlaten, eenen anderen graaf te kiezen en uwe
stemmen op zulken persoon te richten die als opperveldheer ons ten
oorlog kan geleiden. Wij mogen geenen tijd verliezen om ons zulken
leidsman te geven. Ik zal mij verstouten iemand aan uwe keus voor te
stellen. Een afstammeling onzer wettige graven is mher Willem Van
Loo...."

"Willem Van Loo, leve Willem Van Loo!" riepen velen der aanhoorders;
maar de Voorman klopte met den hamer, en Burchard hernam:

"Laat mij voortgaan, gezellen: mher Willem Van Loo, thans burggraaf van
Yperen, is een kleinzoon van onzen beroemden graaf Robrecht De Vries. De
moeder van mher Willem was eene vrije Kerlinne; hem vloeit dus
Kerlenbloed in de aderen. Hij kent ons en heeft zijn gansch leven in ons
midden gesleten. Hij heeft reeds als veldheer groote legers aangevoerd
en is een beroemd krijgsman. Schijnt het niet dat God zelf dezen telg
van onzen ouden grafelijken stam heeft gespaard, om ons ter zegepraal te
leiden? Welaan, roepen wij mher Willem Van Loo met eenparige stemmen tot
graaf van Vlaanderen uit."

De kreten: "Leve Willem, graaf van Vlaanderen! Heil, heil onzen graaf!"
weergalmden zeer lang en zoo algemeen dat niemand het nuttig achtte de
stemming door het opsteken der handen te bevestigen.

Toen het mogelijk was zich weder te doen hooren, vroeg iemand of men
zich mocht verzekerd houden dat Willem van Loo uit de handen der Kerels
de kroon van Vlaanderen zou willen aanvaarden. Deze kroon moest nog ten
prijze van veel bloed misschien, en door zegepralen gewonnen worden. Zou
mher Willem toestemmen om deze kans te wagen?

"Twijfel er niet aan", antwoordde Burchard. "Willem Van Loo stemt toe om
zijn lot aan het lot der Kerels te verbinden; met ons zal hij overwinnen
of bezwijken ... En, wil de vergadering mij oorlof geven om deze zaal
eenige oogenblikken te verlaten, ik zal terugkeeren met mher Willem Van
Loo, en hij zelf zal u van zijne aanvaarding verzekeren."


"Hoe? Wat beduidt dit? Hij kende dus op voorhand onze beslissing?" riep
eene stem.

"Neen", wedervoer Burchard, "ik ben naar Yperen gegaan en heb hem
medegedeeld welke voorstellen ik hier wilde doen. Ten volle zeker van uw
besluit, omdat het alleen Kerlingaland kan redden, heb ik hem verzocht
mij naar Veurne te vergezellen. Zoo spaar ik u veel verlies van tijd en
langdradig gaan en komen. Heb ik onze taak daarmede niet eenen goeden
dienst bewezen?"

"Ja, ja, eenen grooten dienst!" riep men van alle kanten.

"Welnu", zeide Burchard, "de Voorman geve aan de wachten en klerken, bij
de deur der zaal en bij de poort der Halle, bevel om eenen ridder, die
tot de Hoop niet toebehoort, met mij in de zaal te laten treden,"

Hierop verliet hij de Halle.

De vergadering bleef met groot gerucht over deze haastige keus twisten
en kouten, totdat de deur weder werd geopend en mher Willem Van Loo
waarlijk in de zaal trad.

Hij werd onder het herhaald gejubel van: "Leve Willem, graaf van
Vlaanderen! Heil, heil onzen graaf!" door Burchard op de verhevenheid
geleid, waar de Voorman, met eenige woorden van hulde en gelukwensching,
hem den middelzetel aanbood.

Willem Van Loo was een ridder van meer dan gewone gestalte en
lichaamskracht. Zijn blik was trotsch en indrukwekkend, doch zijne
lippen waren dun, en rondom zijnen mond liepen twee zonderlinge rimpels,
die zijn gelaat een voorkomen van list of van achterdocht gaven.

Terwijl men nog immer voortging met hem als graaf van Vlaanderen toe te
juichen, zette Willem zich neder; en toen hij bespeurde dat de
welkomskreten verminderden, stond hij op en sprak dus tot de
vergadering:

"Vrienden van Kerlingaland, gij biedt mij de kroon van Vlaanderen aan,
die mijne voorvaderen zoo roemrijk hebben gedragen. Ik aanvaard ze uit
uwe handen, dit is te zeggen, dat wij te zamen goed en bloed gaan wagen
om ze den vreemden overweldiger te ontrukken. Elk uwer doe zijnen plicht
als vrij man en als Kerel; ik zal den mijnen doen als uw aanleider en uw
vorst. Eischt gij van mij eene belofte of eenen eed, ik zweer u dat ik
uw recht en uwe vrijheid zal eerbiedigen; maar mij insgelijks zult mij
beloven gedurende dezen oorlog mij in alles te gehoorzamen en mij
willekeurig onze krijgsverrichtingen te laten leiden, zooals ik het goed
zal vinden. Ik eisch deze belofte van u niet als vorst, maar als
legeroverste. Zonder een éénig hoofd kan men in den oorlog niets ... Nu,
belooft uwen veldheer deze gehoorzaamheid."

Al de handen gingen in de hoogte en de kreten: "Ja, ja, wij beloven
het, wij zullen u gehoorzamen!" versmolten tot een verward en
luidruchtig geraas.

Willem Van Loo moest reeds op voorhand overwogen hebben wat hij hier zou
zeggen; want hij hernam onmiddellijk het woord.


[Illustratie: Vrienden van Kerlingaland (Bladz 232.)]


"Welaan dan, gezellen", sprak hij, "ziehier mijne eerste bevelen. Zooals
gij het hebt besloten, zal gansch Kerlingaland zijne weerbare mannen te
wapen roepen en ze tot mijne beschikking stellen, opdat ik ze aanvoere
tegen den vijand. Het is niet raadzaam dat onze gewapende Kerels eenzaam
of bij kleine benden de Ambachten doorkruisen, vooraleer wij eene zekere
macht hebben verzameld. Daarom, bereidt alles metterhaast en in stilte,
opdat uwe mannen allen te gelijk zich op weg kunnen begeven in den nacht
van Maandag tot Dinsdag toekomende, dat is binnen zes dagen, op zulke
wijze dat zij bij zonsopgang ter vergaderplaats des legers verschijnen.
Deze vergaderplaats is het Wolvennestbosch boven Koyhem. Mijn ontwerp is
gemaakt; het berust op mijne lange ondervinding van den oorlog in deze
gewesten. Allereerst zullen wij in het vlakke veld ons leger goed
inrichten, met den burg van Yperen, die in mijn bezit is, tot steunpunt
en voorraadstapel. Men houde zich in de overige burgen, alsof men geheel
vreemd was aan den opstand. Wanneer ik later met ons zegevierend leger
opvolgend voor elken burg verschijn, zal het tijd genoeg zijn om van
binnen ons te helpen. Onze macht mogen wij niet verstrooien: blijven wij
overwinnaars in het open veld, dan zullen de burgen van zelf hunne
poorten voor ons openen. Dit is voor alsnu mijn ontwerp; maar deden de
voorvallen mijne gedachten desaangaande veranderen, gij zoudt allen
zonder onderzoek en zonder vertraging mijne bevelen uit te voeren
hebben. Van de macht, welke gij mij heden hebt toegekend, zal ik gebruik
maken met onverbiddelijke strengheid, en degenen die mij gehoorzaamheid
weigeren de straf der landverraders doen onderstaan. Het is noodig tot
het bereiken van ons doel. Zoolang deze oorlog duurt, is uw veldheer
alleen meester ..."

Eenig gemor liet zich hooren.

"Mishaagt u deze wet?" vroeg Willem ontevreden. "De vergadering zegge
het mij, en ik verzaak onmiddellijk de zware taak die ik had aanvaard."

"Neen, neen; leve Willem, onze graaf!" riep men met herhaald gejuich.

"Wel zoo, gezellen", zeide Willem. "Doen wij nu allen onzen plicht met
vastberadenheid en trouw ... Ik zie in de vergadering velen mijner
vrienden, wien ik te dezer gelegenheid gaarne de hand zou drukken, en
andere gezellen, met welke ik wensch kennis te maken. De Voorman hebbe
de goedheid mij tot hen te geleiden en mij hunne namen te noemen, opdat
ik ze herkenne, als wij te zamen tegenover den gemeenen vijand zullen
staan."

Na deze woorden daalde hij met den Voorman van de verhevenheid en ging
tusschen de banken, hier minzaam groetende, daar handen drukkende,
overal vriendelijke woorden sprekende en elkeen door eenige aangename
woorden gunstig stemmende. Deze verbroedering tusschen den nieuwen vorst
en de afgevaardigden der Ambachten eenigen tijd geduurd hebbende,
beklom Willem Van Loo opnieuw de trede en sprak:

"Vrienden, om redenen, welke gij licht zult begrijpen, acht ik het
noodig nu deze vergadering en zelfs de stad Veurne te verlaten In het
Wolvennest-bosch zullen wij elkander wederzien. Daar zullen wij uwe keus
met veel plecht, in tegenwoordigheid van het vergaderde leger,
afkondigen; want dan eerst zullen wij de macht hebben om haar tegen
andersdenkenden te verdedigen. Tot dan houdt alles, wat hier beslist is
geworden, zoo geheim mogelijk. In het Wolvennest zullen wij te zamen
regelen wat nog te regelen is. Hebt betrouwen in onze zaak, gezellen. Ik
heb reeds jaren lang oorlog gevoerd tegen Karel van Denemarken, en hem
bijna overwonnen, alhoewel ik mij slechts door een gering gedeelte der
Kerels geholpen zag. Nu gaat gansch Kerlingaland opstaan tot het
verdedigen zijner vrijheid. Sterk door zulke eendracht, wat zouden wij
vreezen? Wij zijn onverwinnelijk!"

"Ja, ja, onverwinnelijk! Leve Willem Van Loo, onze graaf!" riep men met
geestdrift van alle kanten.

"Ik herhaal u nog eens mijne oprechte dankbetuiging voor uw vertrouwen
in mij", zeide Willem. "Blijft in deze zaal, vrienden, en zet vreedzaam
uwe beraadslagingen voort; doch haast u, na afgedane zaken naar uwe
Ambachten weder te keeren, om daar zonder tijdverlies alles te bereiden.
Vaartwel, tot wederziens in het Wolvennest!"

Eene laatste toejuiching dreunde hem achterna, toen hij de zaal verliet.

Burchard, die hem alleen volgen zou, doch niet met hem in de straten van
Veurne wilde gezien worden, bleef nog eene wijl met Disdir Vos in stilte
kouten. Dan, naar de deur stappende, ging hij tot Robrecht Sneloghe en
zeide hem met eenen glimlach:

"De zaken zijn hier niet afgeloopen naar uwen wensch?"

"Niet gansch, inderdaad", antwoordde Robrecht. "Wat beslist is eerbiedig
ik evenwel en onderwerp er mij aan."

"En gij zult den nieuwen graaf verkleefd zijn en gehoorzamen?"

"Zeker, hij is der Kerlen vorst."

"En gij zult zijne bevelen volbrengen zonder onwil?"

"Blindelings. Het is mijn plicht. De uitspraak van den Hoop aanvaard ik
als eene onverbrekelijke wet."

"Alzoo, wij mogen u in het Wolvennest verwachten met de mannen van
Houthem?"

"En met de mannen van Ravenschoot en nog anderen: te zamen meer dan
vijfhonderd man."

"Gij zijt een eerlijk en edelmoedig ridder", zeide Burchard, hem de hand
reikende. "Ik zal u in de gunst van onzen graaf bevelen. Nu vaarwel!"

"Gij ziet wel dat gij u over Robrecht misgrijpt", murmelde hij aan het
oor van Disdir Vos, die deze samenspraak had afgeluisterd "Hij is bereid
om mher Van Loo in alles zelfs blindelings te gehoorzamen."

Disdir Vos schudde zwijgend het hoofd.

Na eenen handdruk met hem te hebben gewisseld, verliet Burchard de zaal
en haastte zich, in eene herberg aan het uiteinde der stad, Willem Van
Loo te gaan vervoegen.

Deze zat reeds te paard met vier andere ruiters, die hem als lijfwacht
hadden vergezeld. Een der ruiters hield een los paard voor Burchard Knap
gereed.

Zoohaast deze laatste opgestegen was, reed het gezelschap de stadspoort
uit en vervorderde zijnen weg op eenen goeden draf, totdat men Bulscamp
voorbij was en Wulveringhem ging naderen.

Dan vertraagde Willem den gang van zijn paard en gaf den wapenlieden
bevel om op eenigen afstand achteruit te blijven.

Hij begon in vol vertrouwen met Burchard te kouten over zijne kiezing
door den Hoop, over den oorlog en over zijne uitzichten voor de
toekomst. Dat de koning van Frankrijk zich met de zaak zou willen
bemoeien en zich in dit geval tegen de Kerels zou verklaren, dit moest
men als mogelijk aanzien; maar Willem Van Loo zou onmiddellijk boden
uitzenden om de hulp des konings van Engeland te verzoeken, en men mocht
verhopen dat er zoohaast mogelijk eene Engelsche vloot in het Swin zou
verschijnen om de Kerels te ondersteunen. De twijfel aangaande de vraag,
welk gedrag de koning van Frankrijk in dezen strijd voor de kroon van
Vlaanderen zou houden, bekommerde mher Willem evenwel zeer. Het Fransche
leger was toch zoo dicht bij de grenzen van Kerlingaland! En
daarenboven, Karel van Denemarken was door vleierij en door slaafsche
onderwerping den koning niet alleen een knecht, maar tevens een
lieveling geworden.

Ter gelegenheid dezer bedenking, stortte Burchard geheel zijnen haat
tegen Karel van Denemarken uit; hij noemde hem huichelaar, valschaard,
bedrieger en dief; ja, hij zeide dat de gelukkigste dag zijns levens die
zou zijn waarop hij zou vernemen dat die verachtelijke Karel gestorven
of gesneuveld was, en dus eindelijk zijne ziel der helle, waaraan zij
toebehoorde, had overgeleverd.

Deze taal behaagde Willem Van Loo ten uiterste; want in zijn hart lag
evenveel haat tegen graaf Karel, iets dat genoeg te begrijpen was,
aangezien hij hem kon beschuldigen de kroon van Vlaanderen hem te hebben
ontroofd.

Nadat zij dus langen tijd waren voortgegaan met gal tegen hunnen
gemeenen vijand te spuwen, zagen zij van verre twee ruiters in vollen
draf hen te gemoet komen.

Het verwonderde hen in het eerst, maar toen zij meer genaderd waren,
herkende Willem eenen der beide ruiters als zijnen dienaar.

Deze hield zijn paard voor zijnen meester staan en zeide:

"Heer burggraaf, ziehier een man die u zoekt; hij komt van Atrecht en
heeft eene haastige boodschap van mher Godevaart Van Belle voor u."

"Komt gij van het leger? En weet gij wat uwe boodschap behelst?" vroeg
mher Willem.

"Ik kom van het leger, heer", antwoordde de bode, "maar de tijding die
ik u breng is mij onbekend."

Dit zeggende, haalde hij eenen gesloten brief van onder zijn kleed, en
reikte hem mher Willem toe, die hem met zekere bekommerdheid opende.

Wat daarin te lezen stond, moest hem onaangenaam verassen, want hij
scheen te verbleeken. Hij bedwong evenwel onmiddellijk zijne
ontsteltenis en stak den brief in zijne tasch, terwijl hij tot zijnen
dienaar zeide:

"Rijdt in allerhaast terug naar Loo met den bode; geef hem eten en
drinken. Hij wachte mij daar; ik moet hem spreken."

Hij deed teeken tot zijne wapenlieden, dat zij achteruit zouden
blijven, zette zijn paard op eenen langzamen stap en sprak dan met eenen
diepen zucht tot Burchard:

"Noodlottige tijding, mijn vriend: de kroon die ik reeds op mijn hoofd
voelde, ontsnapt mij!"

"Wat wilt gij zeggen, heer graaf?" mompelde Burchard verschrikt.

"Weet gij wat dien brief mij meldt? Morgen zal er een leger ridders, met
hunne wapenlieden tweeduizend sterk, allen Isegrims, uit Atrecht
vertrekken, om de Kerels tot het eerbiedigen van het edict over den
balfaart te komen dwingen. Zij zullen onmiddellijk door talrijke benden
wapenlieden te voet worden opgevolgd; met hoe weinig spoed deze ridders
ook reizen, zullen zij in Kerlingaland verschijnen voordat ons leger
vergaderd zij."

"Maar laat ons in allerijl naar Veurne terugrijden en bevelen dat men de
mannen der Ambachten onmiddellijk tot u zende", antwoordde Burchard.
"Zoo zouden de ridders eenen krachtigen wederstand ontmoeten, en wij
zouden tijd winnen tot het verzamelen onzer heirkrachten."

"Onmogelijk. De meeste leden van den Hoop hebben Veurne reeds verlaten;
het daglicht vermindert, de avond zal welhaast vallen. En daarbij, wat
zou het helpen? Meent gij dat ik met eenige bijeengeraapte mannen de
kans zou wagen tegen tweeduizend ridders? Eilaas, de hemel is ons niet
gunstig! De Isegrims zullen metterhaast alle burgen en kasteelen
bezetten, en dan zijn onze pogingen op voorhand verijdeld. Ik ben reeds
in zulken ongelukkigen oorlog bezweken. Nu wil ik het zwaarwichtig spel
niet meer wagen, zonder eenige kans op overwinning. Wij moeten plooien
en betere tijden afwachten. Ik zal boden naar alle Ambachten sturen om
voorloopig eene lijdzame onderwerping te doen veinzen."

Burchard gromde wel in zich zelven en knarste de tanden; maar hij zeide
niets: de erge tijding vervulde hem met angst.

"De listige, booze Karel van Denemarken!" morde hij eindelijk "Dit
geheele spel van rechtsverkrachting en huichelarij was op voorhand
bestoken!"

"Ja, Karel van Denemarken is ons te slim!" zeide Willem met eenen
zucht. "Mocht hij van zijn paard storten of op eene andere wijze den
hals breken, dan waren wij van den dwingeland verlost, en de ridders
zelven zouden mij als graaf van Vlaanderen erkennen. Maar dit is eene
ijdele wensch. Het staat daarboven geschreven, dat ik nimmer den troon
mijner vaderen zal beklimmen Waarom langer worstelen tegen het
onverbiddelijk noodlot? Onderwerpen wij ons verduldig. Anders blijft mij
niet meer over ..."

Beiden zwegen eene wijl, als neergedrukt onder de overtuiging hunner
onmacht.

Eensklaps slaakte Burchard eenen zonderlingen kreet. Mher Willem zag hem
verwonderd aan.

"Indien iemand u kwam zeggen: Karel van Denemarken is dood", vroeg
Burchard met verdoofde stem, "zoudt gij den bode gunstig onthalen?"

"Ik ware bekwaam om hem op mijn hart te drukken!"

"En zoudt gij hem vragen op welke wijze Karel van Denemarken is
gestorven?"

"Wat geeft het mij, indien Vlaanderen slechts van den vreemden
overweldiger wordt verlost?"

"Hoor mij aan met aandacht, heer graaf", sprak Burchard, "en heb
vertrouwen in mij. Vraag mij niets meer, geen enkel woord; laat de
Kerels binnen zes dagen vergaderen op de aangewezene plaats, en wacht op
eene ontzettende tijding van mij. Ik hoop dat gij mij hebt begrepen? Uw
handdruk is mij daarvan een bewijs. Welnu, laat mij vertrekken; ik wil
over Beerst en Thonrout naar Aartryke. Daar moet ik zekere Houtkerels
spreken. Morgennacht ben ik in Brugge. Wederhoud mij niet, graaf, het is
nu bijna duister: alles begunstigt mij. Vaarwel!"

En zonder eenigen anderen uitleg dreef hij zijn paard in eenen aardeweg.
Willem Van Loo, ontsteld en stom, schouwde hem achterna, totdat hij
tusschen de eerste boomen van een klein bosch uit zijn gezicht verdween.


VOETNOTEN:

[Voetnoot 49: "De _Hoop_ was eene volksvergadering waar men over de
staatsbelangen der bevolking van de Vlaamsche zeegewesten
beraadslaagde."

VICTOR DE RODE. _Ann. Fl. de Fr._, t. VIII, p. 113.]

[Voetnoot 50: Dat niemand zich verstoute den eed te zweren, waarmede men
zich pleegt aan de gilden te verbinden. Welke ook de voorwaarden zijn,
dat niemand zich bij eede verplichte tot geldelijke bijdrage, aangaande
de gevallen van schipbreuk of van brand.

_Capit. Caroli Magni_ a. 779, art. XIV.]



XII


Het was reeds lang duister; in de straten der stad Brugge heerschte eene
volledige stilte.

Dakerlia, gansch in rouwgewaad, zat voor eene tafel in haren Steen. Bij
de smokige vlam der koperen lamp loste haar bleek gelaat zonderling op
haar zwart kleedsel uit. Van tijd tot tijd rolden er nog eenige tranen
op hare wangen; want ondanks de pogingen harer vriendin Witta, die
nevens haar was gezeten, ontstond het beeld haars vader immer opnieuw
voor hare oogen. Zij hoorde zijnen laatsten noodkreet in hare ooren
klinken; zij zag hem met de doodkramp op de lippen en het kruis op de
borst uitgestrekt liggen; zij zag hoe men te midden van het Mariakerkhof
zijn lijk in het graf nederliet; in haar sidderend hart hergalmde nog
het doffe gebons der aarde, door magen en vrienden als een laatste
vaarwel op de lijkbaar geworpen ...

Maar hare bedruktheid was rustig geworden en in eene lijdzame mijmerij
veranderd.

Op eene vertroosting van Witta antwoordde zij met gelatenheid:

"Lieve vriendinne, waarom toch vermoeit gij u, om mijne droeve gedachten
af te keeren? Het is vruchteloos. Zou ik nu een enkel oogenblik mijnen
armen vader kunnen vergeten? Hem, die mij zoo beminde! Toen op den
noodlottigen dag der afkondiging zijne wonde openscheurde, stuurde hij
mij nog eenen blik toe, zoo vol eindelooze liefde, zoo vol treurnis ...
En ik zou er niet aan mogen denken?"

"Daar weent gij nu alweder", zeide Witta. "Gij zijt niet redelijk,
Dakerlia. Uw vader is daarboven bij den Heer. Hij ziet ons ongetwijfeld.
Meent gij dat het zijne zalige ziel verblijden kan dat gij u ziek
maakt?"

"Eilaas, ik weet het wel, Witta, en ik zeg het mij zelve genoeg, dat
tranen dit schromelijk ongeluk niet kunnen herstellen; maar tranen
verlichten mijne smart. Mettertijd zal ik allengs wat moed
terugvinden.... Morgen, niet waar? Morgen zeer vroeg zullen wij naar het
kerkhof gaan en langer nog dan heden op zijn graf bidden?"

"Zoolang gij wilt, Dakerlia; maar spreken wij nu van andere dingen."


[Illustratie: Willem Van Loo ontsteld en stom schouwde hem achterna]


"Van wat kunnen wij spreken?"

"Van mijnen broeder."

"Ja, van Robrecht. Hij insgelijks is ontroostbaar. Zijn medelijden met
mijne smart is oneindig. Toen hij dezen namiddag hier met u was, kon hij
nauwelijks spreken, omdat ik mij door de smart liet overwinnen. Hij zou
mij willen troosten en schijnt geene rust meer te hebben ..."

"Zeker, zijn verdriet is groot; maar dit is het niet", bemerkte Witta
met verdoofde stem. "Wat hem onrustig maakt en hem aanjaagt is een
geheim, dat hem op het hart ligt."

"Een geheim?"

"Ziet gij, Dakerlia, hij is dezen nacht van Veurne wedergekeerd Toen ik
in den vroegen morgen, zonder u te wekken, dezen Steen verliet, om ten
onzent bevelen tot den huisdienst te gaan geven, vond ik mijnen broeder
reeds beneden met het hoofd in de handen en diep in gedachten verzonken.
Ik vroeg hem wat men in den Hoop te Veurne heeft verricht; maar hij gaf
mij afwijkende antwoorden. Ik ken hem, en het was mij gemakkelijk te
raden dat eene zeer gewichtige zaak hem bezighoudt ... Gij luistert
niet, Dakerlia; gij denkt weer aan droeve dingen ..."

"Ach, neen", zuchtte jonkver Wulf, "ik luister ... Welke zaak zou hem
bezighouden? Het is te vermoeden, Witta. De Hoop te Veurne heeft kennis
genomen van het edict op den balfaart. Misschien heeft men daar
besloten, zooals de kastelein Hacket het moest voorstellen, nederige
pogingen bij den graaf aan te wenden om het onrechtvaardig edict te doen
intrekken. Dit slaat Robrecht met spijt en droefheid; want zoo leidt men
de Kerels naar de eindelijke slavernij. Het is zijn gevoelen, en hij
heeft gelijk."

"Ik geloof dat gij u misgrijpt", wedervoer jonkver Sneloghe, "want toen
ik hem dezen morgen van den balfaart sprak en de Kerels beklaagde,
ontschoot eensklaps eene vonk van verontwaardiging zijnen oogen, en met
eenen spotlach op de lippen, riep hij uit: "De balfaart? Nooit, nooit!"
Hij bedwong zich even ras en ging morrend uit de kamer, alsof hij
onwillig iets van het groote geheim had laten ontsnappen ... Gij zwijgt,
Dakerlia. Begrijpt gij niet wat ik zeg? Immer dit treurig droomen!"

"Ik begrijp", antwoordde jonkver Wulf. "Ach, indien mijn goede vader nog
leefde! Hij wiens heldenmoed men roemde! Maar hij kan de vrijheid niet
meer verdedigen; hij ligt in het koude graf."

"Wees zeker, Dakerlia, het gaat oorlog worden."

"Misschien."

"Neen, twijfel er niet aan: mijn broeder heeft heden zijne beste
wapenrusting overzien, en ze op eenen wagen bedektelijk naar Ravenschoot
doen voeren. Dit beduidt toch wel iets, meent gij het niet?"

En zoo, waarschijnlijk haar eigen vermoeden overdrijvend, spande de
goede Witta alle mogelijke pogingen in om de gepeinzen harer vriendin
van den dood haars vaders af te wenden. Het gelukte haar slechts bij
poozen de aandacht van Dakerlia voor een oogenblik te vestigen, doch zij
hield niet op en zette met vindingrijken geest hare liefdetaak voort,
totdat het uur om ter rust te gaan was verschenen. Sedert het overlijden
van Segher Wulf, sliep zij in Dakerlia's woning, om hare arme vriendin
nimmer alleen aan hare treurnis overgeleverd te laten.

Zij ontstak eene kaars en zeide:

"Nu, Dakerlia, wij hebben lang genoeg gewaakt. De nachtrust versterkt
den mensch. Wij zullen boven nog wat bidden."

Maar nu werd de deur der kamer geopend, en Robrecht Sneloghe trad
binnen.

Hij ging tot zijne verloofde, drukte haar teederlijk de handen en sprak
eenige zoete troostende woorden tot haar.

Na eene wijl stilte zeide hij zeer ernstig:

"Dakerlia, en gij, mijne zuster, ik bid u, luistert met aandacht op wat
ik u ga melden. Morgen vroeg vertrek ik uit Brugge. Het is mogelijk dat
er vele dagen, dat er weken verloopen voordat gij mij wederziet."

"O, hemel, gij verlaat ons!" kreten de beide jonkvrouwen te gelijk, met
angstige verrassing.

"Blijft zonder de minste vrees", ging Kobrecht voort. "Ik heb alles
voorzien en geschikt, opdat geen gevaar in mijn afwezen u bedreige.
Trouwe, verkleefde dienaars zullen waken over uwe rust. Gebeurde er iets
in de stad of in het land, dat u om meerderen steun of om eene veiligere
schuilplaats deed wenschen, gaat naar den burg. In den Steen van mijnen
oom Hacket zijn kamers voor u en voor uwe dienstmeiden in gereedheid
gebracht. De proost van St-Donaas zal u onder zijne bescherming nemen en
u dagelijks meer dan eens bezoeken."

De beide jonkvrouwen zagen hem met verschriktheid aan.

"Het wordt dus oorlog?" vroeg Dakerlia.

"Het geheim van den Hoop moet elkeen heilig zijn, die het kent",
antwoordde Robrecht. "Poog dus niet van mij te weten waarom ik u ga
verlaten."

Dakerlia en Witta begonnen te weenen, doch zonder klagen.

"Ik begrijp en ik gevoel wel aan mijn eigen hart dat dit onverwacht
vaarwel u moet bedroeven", zeide Robrecht, "maar troosten wij ons, in de
gedachte dat ik waarschijnlijk binnen weinige dagen hier reeds terug zal
zijn. Hoe het weze, in deze erge tijden, moet elk onzer zijne rust en
zijne pogingen ten offer brengen voor de vrijheid. Aarzelen is eene
lafheid, weigeren, zelfs door eenen geheimen wensch des harten, is eene
misdaad. Ik mag dus met recht verwachten dat noch mijne verloofde, noch
mijne zuster het zullen afkeuren dat ik, als trouw lid van het Gilde,
mijnen plicht vervul. Gij zijt Kerlinnen en gij bemint uw land!"

Deze strenge woorden brachten eenen plotselijken ommekeer in het gemoed
der jonkvrouwen. Witta stortte nog eenige tranen, ofschoon zij zichtbaar
geweld deed om haren angst te bedwingen. Dakerlia hief het hoofd met
fierheid op, en terwijl een vreemde glimlach op hare lippen verscheen,
zeide zij:

"God dank, ja, wij zijn Kerlinnen, en zullen toonen dat zelfs de diepste
smart ons het niet kan doen vergeten! Ga, Robrecht, ga waar de plicht u
roept. Wij zullen bidden voor u en voor Kerlingaland en met vertrouwen
afwachten wat het lot zal beslissen ... Gij vertrekt morgen zeer vroeg!
Voor zonsopgang?"

"Neen, ik zal den klaren dag afwachten; mijn vertrek is niet zoo
haastig."

"Welnu dan, mijn vriend, waarom zoudt gij nog dezen avond afscheid van
ons nemen? Is er iets dat u belet ons morgen vaarwel te komen wenschen,
wij onderwerpen ons gereedelijk; maar anders zullen wij zeer vroeg
opstaan. Kan het zijn, gun ons nog dit geluk."

"Het zij zoo, Dakerlia", antwoordde de jonge ridder. "Blijft dus met God
tot morgen."

Door zijne verloofde gevolgd, richtte hij zich naar de deur.

Hier drukte hij nog teederlijk hare handen, neigde zijn hoofd over haren
schouder en murmelde aan haar oor:

"Wees tevreden, Dakerlia, wij gaan uwen vader wreken! Ik zal aan u
denken altoos; uw beeld zal mijne star zijn; de vijand, terwijl hij valt
onder mijn zwaard, zal terzelfdertijd uwen naam en den naam uws vaders
hooren. Houd dit geheim!"

De maagd wierp eenen diepen blik in zijne oogen en antwoordde:

"Dank, dank, mijn vriend, doe uwen plicht!"

"Goeden nacht, zuster, tot morgen."

Met deze woorden verliet hij de zaal.

Toen hij op het neerhof kwam, vroeg de schalk, die hem de poort opende,
of hij mher Sneloghe niet met licht zou vergezellen; want het was zoo
donker op de straat dat men de huizen niet kon ontwaren.

Robrecht weigerde dezen dienst; zijn Steen toch was slechts eenige
stappen verwijderd.

De schalk sloot dus de poort achter hem en stak de grendels in.

Terwijl Robrecht nu over de straat stapte en zijne woning naderde,
scheen het hem dat eene menschenschaduw langs den muur voortsloop en
naar hem toekwam. Hierover verwonderd, bleef hij staan, legde de hand
aan het gevest van zijn zwaard, liet den onbekende naderen en vroeg dan
met verdoofde stem:

"Vliegt de Blauwvoet?"

"Storm op zee!" antwoordde de schaduw zonder aarzelen.

"Mijn oom Hacket! Gij hier op dit uur?"

"Stil!" fluisterde de kastelein, "ik kwam u opzoeken in uwen Steen. Ik
heb eene boodschap u te vertrouwen."

"Het is een wonder dat ik nog niet slapen ben."

"Ik hadde bevel gegeven om u te wekken, mijn neef. Nu, doe de poort
openen."

Robrecht klopte op eene hem gewone wijze, en schier onmiddellijk kwam er
een schalk achter de poort staan.

"Zijt gij het, mher Sneloghe?" vroeg hij.

Op het bevestigend antwoord werd Robrecht met zijnen oom binnengelaten.

Beiden begaven zich in eene zaal, waar eene brandende lamp aan het
gewelf hing. De kastelein sloot de deur langs binnen, trok eenen
gezegelden brief uit zijne tasch, en dien den jongen ridder toereikende,
zeide hij:

"De proost is niet van zijn voornemen af te brengen. Nadat gij ons hadt
verlaten, is hij er weder op teruggekomen en heeft eindelijk, ondanks
mijnen raad, besloten toch eenen brief aan Willem Van Loo te schrijven.
Dien brief zult gij hem overhandigen De proost verzoekt u de boodschap
op uwe borst te verbergen; want, werd zij door 's graven lieden verrast,
onze vijanden zouden het geheim van den Hoop geheel kennen."

"Heb geene vrees: ik zal de boodschap trouw volbrengen. Mag ik weten,
oom, wat de brief behelst?"

"Gij kunt het wel vermoeden. Mijn broeder dringt bij Willem Van Loo op
alle wijzen aan, om hem de vijandelijkheden te doen uitstellen, zelfs
dan nog wanneer het Kerlenleger zal vergaderd zijn. Hij laat hem weten
dat onze graaf Karel het oor schijnt te willen leenen aan het voorstel
om hem eene aanzienlijke bede uit den Gildenschat toe te staan."

"Maar mijn oom de proost bedriegt zich!" riep Robrecht met ongeduld.
"Veinst men aan het hof van goeden wil te zijn, het is slechts om tijd
te winnen en ons in slaap te wiegen!"

"Zoo denk ik er nu insgelijks over, gij weet het, neef. Daarom evenwel
moogt gij mij niet weigeren den brief aan Willem Van Loo af te geven.
Hij kan dan nog beslissen wat hij wil."

"Inderdaad, oom. Ik zal doen wat de heer proost verlangt."

"Hij verzoekt u daarenboven zijne voorstellen bij Willem te ondersteunen
en alle mogelijke pogingen aan te wenden om hem te doen aanvaarden."

"Dit kan ik niet", zeide Robrecht ontevreden. "Ik weiger volstrekt deze
zending. Volgens mijne vaste overtuiging valt er niet meer te aarzelen.
De omstandigheden schijnen ons zeer gunstig; men moet zonder omzien er
gebruik van maken. Bij al dit omzien en dralen verliezen wij den moed en
worden de Kerels hunnen vijand ten spot. Mijn oom de proost weet wel dat
ik daarover van een geheel ander gevoelen ben dan hij."

"Doe naar uw goeddunken, neef."

"Maar zeg mij, ik bid u, kastelein, kent gij den inhoud van den brief
dien ik dragen ga?"

"Ja, ik heb hem gelezen."

"Hoe noemt de proost daarin mher Willem?"

"Hij noemt hem burggraaf."

"Maar het is gevaarlijk; met allen eerbied voor mijnen oom zou ik schier
durven zeggen dat hij zijnen gildeneed ontrouw is. De Hoop heeft te
Veurne beslist dat al de Kerels Willem Van Loo als graaf van Vlaanderen
zullen erkennen. Waarom weigert de proost hem graaf te noemen?"

"Gij weet het, Robrecht," antwoordde de kastelein, de schouders
ophalende. "Mijn broeder heeft zich, in den vorigen oorlog voor de
kroon, tegen mher Willem verklaard. Er bestaat tusschen hen, van
wederzijde, een verborgene, doch diepe wrok. Het bedroeft hem oneindig
dat men in den Hoop zulke gevaarlijke beslissing heeft genomen."

"En bedroeft het mij niet, oom? Maar de onderwerping aan de besluiten
van den Hoop is eene heilige wet, waarvoor alle Kerels, grooten en
kleinen, moeten bukken. Mher Willem, de graaf van Vlaanderen,--zoo noem
ik hem--zal, bij het lezen van den brief, verbitteren, wanneer hij zal
zien dat de proost weigert hem als graaf te erkennen."

"Ik heb er geene schuld aan, Robrecht; de proost heeft mijnen raad niet
willen volgen. Hij kan er niet toe besluiten, mher Willem nu reeds als
vorst te begroeten. Hij zal het later doen. Gij kondet de graaf
uitleggen dat de proost nog geene bijzondere tijding over de
verrichtingen van den Hoop heeft ontvangen."

"Het zij zoo, ik zal mijnen oom pogen te verontschuldigen ... Maar
indien graaf Willem den proost eenige bevelen zendt, zal hij
gehoorzamen?"

"Zonder twijfel, Robrecht. Wat mij betreft, ik verzoek u, mher Willem te
melden, dat ik alles geheimelijk in gereedheid breng om den burg van
Brugge voor de Kerels te behouden, en ik zijne bevelen afwacht om, waar
het zijn kan, ze getrouwelijk te volbrengen. Blijf nu in vrede, mijn
neef, en vergeet niet, wanneer gij in het leger zijt, ons zoo dikwijls
als het mogelijk is tijding van u te zenden. Goeden nacht en goede
reis!"

Robrecht vergezelde zijnen oom tot buiten de poort van den Steen. Dan
keerde hij terug naar de zaal, legde zijn zwaard af en zette zich neder,
met den elleboog rustend op de tafel en de oogen onvast in de ruimte
gericht.

Hij overwoog het zonderling gedrag van zijnen oom Bertulf en voorzag dat
uit den verborgen haat, dien hij en Willem Van Loo elkander toedroegen,
nog ongelukkige verwikkelingen voor de Erembalds en misschien voor
Kerlingaland konden ontstaan.

Dien dag was Disdir Vos op den burg gekomen en had lang met den proost
over de beslissingen van den Hoop gesproken. De oude Bertulf had zijne
ontevredenheid en zijnen afkeer van mher Willem niet verborgen. Indien
de nieuwe graaf door Disdir Vos of door iemand anders daarvan kennis
kreeg, zou hij dan niet de Erembalds vijandig worden? De proost, anders
zoo wijs en zoo voorzichtig, liet zich nu door een gevoel van haat
verblinden.

Terwijl mher Sneloghe daar bij de tafel zat en in verslondenheid den
gevaarlijken toestand der zaken overdacht, stonden achter St-Janskapelle
twee mannen, die in stilte doch met zekere driftigheid van hem spraken.

Nevens den muur der kapelle, was de duisternis nog dikker; geen mensch
hadde kunnen zien dat iemand zich daar bevond; evenwel hadde men ze
kunnen hooren, want zij spraken zeer stil.

"Nu, waarom wijkt gij terzijde? Waarom blijft gij staan?" vroeg de eene.

"Zeg wat gij wilt", antwoordde de andere, "zoo sla mij Thors hamer,
indien gij ons niet eene gevaarlijke dwaasheid doet begaan!"

"Maar, neen", wedervoer de eerste fluisterende. "Het is tot het bereiken
van ons doel volstrekt noodig dat Robrecht Sneloghe ons helpe."

"Hij zal weigeren."

"Geenszins."

"Hij eerbiedigt te veel zijne ooms, en dezen schrikken terug van alle
krachtdadigheid."

"Dit is grondig veranderd. Robrecht staat op tegen zijne ooms en
beschuldigt ze van lauwheid en ontrouw. Ik heb hem dezen morgen luidop
tegen den proost hooren roepen dat hij, Robrecht, voor niets meer
achteruitwijken wil en bereid is, met blinde onderwerping onzen nieuwen
graaf te gehoorzamen; ja, dat hij voor hem zonder aarzelen goed en bloed
zal ten offer brengen."

"En evenwel kan ik het niet uit mijn hoofd krijgen dat wij eene domheid
begaan."

"Gij hebt mijne redenen goedgekeurd, gij en onze vrienden. Waarom dwingt
gij mij nu ze alweder te herhalen? Wat wij gaan ondernemen belaadt ons
met eene schromelijke verantwoordelijkheid. Om te beletten dat de
proost en de kastelein zich tegen ons keeren, moeten wij mher Sneloghe
met ons doen samenspannen en samenwerken. Zoo zullen dan de hoofden der
Erembalds, uit verkleefdheid en liefde voor hem, ons allen beschermen en
verdedigen Zeg Robrecht, dat onze graaf het beveelt of verlangt, en gij
zult zien dat hij onmiddellijk zal toestemmen. Of twijfelt gij daaraan?"

"Ik weet waarlijk niet", gromde de andere, half schertsende, "waarom gij
zoo vurig en zoo onverwinnelijk aandringt om Robrecht deel aan onze
onderneming te geven. Ik zou haast gaan denken dat gij de zaak voor eene
gevaarlijke halsbrekerij aanziet, en daarom mher Sneloghe het spel wilt
doen wagen. Uit genegenheid zeker niet, gij haat hem."

"Neen, ik heb alle vijandschap afgelegd. Geene andere beweegreden drijft
mij aan dan alleenlijk de voorzorg om het gelukken onzer poging, ook na
den slag, te verzekeren."

"Welaan, het zij dan zoo. Wij zullen zien hoe hij het voorstel onthaalt.
Aanvaardt hij het, hij zal zijn woord getrouw blijven tot het einde.
Daarvan ten minste mogen wij zeker zijn. Gedragen wij ons evenwel
voorzichtig met hem. In zijnen Steen zullen wij hem het ontwerp niet te
kennen geven. Als hij Willem Van Wervick, Isaac Van Reninghe en Ingelram
Van Eessen ziet, zal hij beter gelooven dat de zaak niet roekeloos door
mij wordt gewaagd ... Kom nu, laat ons gaan, maar zwijgen wij!"

Zij stapten met looze treden de St-Jansstraat in, keerden achter den
hoek der Ridderstraat, en slopen dan voort door de onpeilbare duisternis
tot voor de poort van sher Robrechts Steen.

Een hunner liet den ijzeren klopper driemaal met zekere berekende
tusschenpoozen nedervallen.

Dewijl men daarbinnen nog waakte, kwam schier onmiddellijk een schalk
achter de poort staan.

"Wie daar?" riep hij door het kijkgat.

"Spreek stil", werd hem geantwoord. "Ga, zeg uwen meester dat vrienden
hem wenschen te spreken. Hij kome zelf om ons te herkennen."

Na eene korte wijl vroeg hem eene andere stem:

"Vliegt de Blauwvoet?"

"Storm op zee!" antwoordde een hunner. "Doe ons open, Robrecht."

"O, mijn God, Burchard!" morde iemand achter het kijkgat.

"Stil, stil, en ontsluit de poort!"

Robrecht opende metterhaast en leidde de twee ontijdige bezoekers zonder
spreken tot in de zaal, welke hij zooeven had verlaten. Hij sloot de
deur en zeide met verrassing:

"Burchard, gij hier! Vreest gij dan niet voor uw leven? Indien men u
herkende!"

Burchard antwoordde schertsend:

"Zonderlinge vraag op het oogenblik dat wij allen lijf en have voor de
vrijheid van Kerlingaland gaan wagen! Vreest mijn vriend Disdir Vos
eenen banneling in de straten van Brugge te vergezellen? De tijd is
gekomen dat elke Kerel moet spotten met den dood!"

"Het is waar", bevestigde Robrecht. "Gij hebt mij ongetwijfeld iets
bijzonders te melden, heeren; want zoo, te midden van den nacht, bezoekt
men toch zijne vrienden niet zonder gewichtige redenen."

"Ik kom vanwege den graaf van Vlaanderen tot u."

"Vanwege graaf Willem!" kreet Robrecht twijfelende.

"Vanwege den eenig wettigen graaf van Vlaanderen", herhaalde Burchard
met nadruk. "Gij weet het, of anders maak ik het u bekend, ik geniet
gansch zijne gunst en ben zijn vertrouweling. Hij heeft mij met eene
moeilijke onderneming belast. Wat ik u kom vragen, Robrecht, is of gij
bereid zijt, op mijn verzoek en ten dienste van Kerlingaland, alles te
wagen, zelfs uw leven."

"De vraag is kwetsend!" morde de jongeling.

"Hij heeft gelijk", zeide Disdir Vos. "Gaf mher Sneloghe ooit iemand
recht om aan zijne onversaagdheid te twijfelen? In deze zaak is eer en
roem te behalen. Hoe zou hij kunnen weigeren?"

"Nu, laat ons klaar zijn; de tijd is kostelijk", viel Burchard hem in de
rede. "Ziehier, Robrecht, waarom wij tot u gekomen zijn. Iemand heeft
onzen graaf Willem een ontwerp medegedeeld dat, kan het uitgevoerd
worden, de vrijheid der Kerels voor altijd moet redden en waarschijnlijk
den oorlog nog zal voorkomen. In alle geval zal het de macht onzer
vijanden eenen ontzaglijken slag toebrengen. De graaf heeft dit ontwerp
goedgekeurd en mij belast in Brugge eenige moedige ridders op te zoeken
om het uit te voeren. Het is een moeilijk waagspel, dit wil ik u niet
verbergen; er is onversaagdheid, zelfs vermetelheid toe noodig. Ik heb
gedacht, Robrecht, dat ik, naar manhaftige ridders zoekende, het recht
niet had u te vergeten."

Robrecht stapte naar eenen hoek der zaal en zeide:

"Ik trek mijn maliehemd aan; want men kan ..."

"Neen, neen, nuttelooze voorzorg", onderbrak hem Burchard; "de
onderneming is niet voor heden. Nu gaan wij slechts naar eene
vergadering van vrienden, die op u wachten om te beraadslagen over de
beste middelen tot gelukken. Daar zal men u kennis geven van het
ontwerp. Binnen een uur zijt gij hier terug."

"Welaan, ik volg u, heeren", zeide Robrecht, terwijl hij zrijn zwaard
aangordde. "Gij twijfeldet aan mijne bereidwilligheid? Is er waarlijk
eene poging, hoe vermetel ook, ten voordeele van Kerlingaland te
beproeven, ik zal u toonen dat niets mij kan doen aarzelen; integendeel,
ik ben u innig dankbaar omdat gij in zulke omstandigheid aan mij hebt
gedacht."

"De graaf weet dat gij van de onzen zult zijn. Hij zelf duidde u aan."

"Hoe is het mogelijk, Burchard? Kent hij mij?"

"Wie kent u niet onder de ridders van Kerlingaland?"

"In alle geval, ik zal bewijzen dat ik zijn vertrouwen waardig ben.
Vertrekken wij!"

Toen zij bij de poort waren en in de straat zouden stappen, fluisterde
Burchard:

"Zwijgt nu en volgt mij. Langs de St-Jansstraat mogen wij niet gaan.
Laat ons afdalen tot op de Spiegelrei: daar is de weg gansch eenzaam."

Na eenigen tijd door de duisternis te hebben voortgeslopen, kwamen zij
in de Grauwwerkersstraat voor eenen grooten Steen, waarvan de poort op
een enkel teeken van Burchard werd geopend.

Men leidde Robrecht over den neerhof tot in eene zaal, die in de diepte
van het gebouw was gelegen.

Burchard sloot de deur en stak bedektelijk den sleutel in zijne tassche.

Hier zaten rondom eene tafel drie ridders, die Robrecht kende als zeer
manhaftige Kerels, en wier ouderdom en goede faam hem een vol betrouwen
in hunne oprechtheid moesten inboezemen. Het waren Ingelram Van Eessen,
Isaac Van Reninghe en Willem Van Wervick.

Deze ridders betuigden eene groote blijdschap bij de intrede van
Robrecht; zij stonden van hunne zetels op, gingen hem te gemoet en
drukten hem de handen, met allerlei vleiende bewoordingen hem lovende
voor zijne bereidwilligheid.

Het was bovenal Isaac Van Reninghe, die meer dan anderen prijs aan de
tegenwoordigheid van mher Sneloghe scheen te hechten.

"Maar, heeren", vroeg Robrecht met eenige spijt in de stem "twijfeldet
gij aan mijnen moed?"

"In het geheel niet", antwoordde Willem Van Wervick, "maar het ontijdig
uur, de bijzondere, de ongewone aard onzer onderneming ..."

"Hoe het zij, heeren", morde Robrecht, "ik zal mij wreken over uw
mistrouwen, door u te toonen dat ik niet gierig ben op mijn bloed."

"Het is Burchard die ons wilde doen gelooven dat gij niet zoudt komen",
bemerkte Isaac.

"Mher Sneloghe is tot nu toe toe min of meer van het gevoelen zijner
ooms geweest", zeide Burchard, "die gelooven dat men Kerlingaland kan
redden met voor zijne dwingelanden te knielen en om genade te smeeken.
Heb ik mij aangaande mijnen vriend Robrecht misgrepen, het verheugt mij,
en ik wensch hem uiterharte geluk. Nooit heb ik aan zijne dapperheid
getwijfeld."

"Mij toch kan mher Sneloghe niet beschuldigen", riep Disdir Vos.
"Getuigt het, heeren, dat ik van den beginne af mij borg heb gesteld
voor zijnen moed en zijne bereidwilligheid."

"Ik dank u, Disdir", murmelde Robrecht, zonder eenig mistrouwen de hand
van zijnen geheimen bloedvijand drukkende.

"Nu, zitten wij neder, heeren", sprak Ingelram Van Eessen. "Deze
betwisting is overbodig: onze blijdschap over de tegenwoordigheid van
mher Sneloghe moet hem bewijzen hoe wij allen hem liefhebben en
eerbiedigen. Graan wij over tot de zaak welke ons hier doet vergaderen."

En toen allen gezeten waren, hernam hij:

"Is mher Sneloghe bereid om met ons de handen te zamen te leggen, als
eenen eed van getrouwheid jegens elkander, en als eene belofte dat hij
verborgen zal houden wat hij hier gaat vernemen?"

"Ik ben er toe bereid", antwoordde Robrecht. "Ziedaar mijne hand,
heeren; ik beloof u te helpen als een trouw gezel, en verbind mij tot
het geheimhouden van alwat ik hier kan vernemen."

Allen stonden op en traden in het midden der kamer, waar zij met
Robrecht de handen te zamen legden. Dit was onder de Kerels de vorm van
den duursten eed, en daardoor verbonden zij zich te gader en elk jegens
al de anderen tot het trouw vervullen der aldus bezworene beloften.

Ieder nam weder zijne plaats bij de tafel.

"Nu gaat gij alles weten, mher Sneloghe", zeide Ingelram Van Eessen. "De
verklaring der zaak eischt niet veel woorden. Tweeduizend ridders,
gevolgd door talrijke benden wapenknechten zijn uit Atrecht vertrokken
om ons het slavenjuk te komen opdwingen. Dit leger zal te Yperen zijn
voordat de Kerels der Ambachten in het Wolvennestbosch kunnen
vergaderen. Kerlingaland is dus beslissend verloren, indien wij het niet
redden door eenen stouten slag. Met goedkeuring van onzen graaf en
veldheer Willem Van Loo, gaan wij dien slag wagen. Overmorgen, in den
namiddag, geeft Karel van Denemarken eenen grooten maaltijd ter eere der
twee gezanten, die vanwege den Keizer aan zijn hof zijn gekomen.
Natuurlijk zullen de voornaamste Isegrims, de gezworene vijanden der
Kerels, aan den disch zitten. Het feestmaal zal lang duren; de dagen
zijn kort; het wordt vroeg donker. Welnu, een vijftigtal onbevreesde
Houtkerels, meer, indien het noodig is, wachten slechts een bevel van
ons, om bedektelijk in de stad te vergaderen. Wij stellen ons aan hun
hoofd, sluipen, door de duisternis begunstigd, op den burg, stormen in
de feestzaal, vallen op de Isegrims en dooden al de dischgenooten,
behalve de afgezanten des Keizers ..."

"En de graaf?" morde Robrecht ontsteld.

"Onze eerste slag is voor Karel van Denemarken; hij vooral moet sterven,
de dwingeland!"

Mher Sneloghe sprong recht; hij was bleek en scheen te beven.

"Maar het is een sluipmoord, eene afschuwelijke misdaad!" riep hij uit.
"En gij hoopt dat ik mijne handen zal doopen in het bloed van vorst
Karel? Bij verrassing? als een struikroover die nederstort op een
weerloos slachtoffer? Nooit! nooit!"

"Uw eed; gij zijt verbonden!" kreet Burchard.

"Gij hebt mij bedrogen, door listige woorden mij verleid", wedervoer
Robrecht. "Het is eene snoodheid. Ik moodenaar? Ha, nu begrijp ik uw
mistrouwen en ik roem er op! Ja, heeren, gij waart rechtvaardig jegens
mij, toen gij vreesdet dat ik zou weigeren deel te maken van zulk
gruwelijk verbond."

"Gij hebt gezworen en zijt slaaf van uwen eed!" zeide Ingelram Van
Eessen.

"Dien eed hebt gij door vuige list mij ontrukt. Ik verbreek hem. Hoe?
Gij komt mij vragen of ik bereid ben mijn leven voor de vrijheid van
Kerlingaland te wagen ... en nu eischt gij dat ik het helpe vermoorden
door de schandelijkste euveldaad?... Ja, vermoorden! De gansche wereld
zal tegen ons opstaan; de Kerels der Ambachten zelven zullen
terugschrikken; de wapens zullen hunne handen ontvallen; uit schaamte
zullen zij het hoofd buigen en moedeloos het juk aanvaarden, als eene
rechtvaardige straf der ijselijke misdaad!..."

"Gij hebt te Veurne onzen graaf Willem eene blinde gehoorzaamheid
beloofd", zeide Burchard.

"Ha, daarin bestaat vooral uw bedrog", wedervoer Robrecht met
verontwaardiging. "Gij wilt mij doen gelooven dat graaf Willem dezen
moord goedkeurt? Welnu, het is niet waar, het kan niet waar zijn! Gij
lastert hem. Hij zou u geboden hebben Karel van Denemarken te dooden?
bij verrassing? als laffe sluipmoordenaars?"

"Het vonnis is geveld, Karel moet sterven!" gromde Willem Van Wervick.

"Welnu, neen, hij zal niet sterven!" riep Robrecht met kracht. "Uw
afschuwelijk opzet wil ik beletten. Morgen vroeg reeds zal de proost van
St-Donaas weten wat hier is beraamd ... en, moest ik zelf tot graaf
Karel gaan om hem te waarschuwen, ik zou niet terugtreden voor zulke
daad!"

Isaac Van Reninghe was opgestaan en legde nu den arm over Robrechts
schouder.

"Kom, mijn vriend, bedaar toch; gij dwaalt", zeide hij. "Er is geen
ander middel meer om Kerlingaland voor eeuwige slavernij te behoeden.
Karel van Denemarken is de valschte mensch der wereld, hij verdient
honderdmaal den dood. Wees beter beraden; aanvaard de dwingende
noodzakelijkheid."

Robrecht, door eene plotselijke gemoedsomkeering ontroerd, stiet
langzaam den arm van sher Ingelram terug, aanschouwde met diepe
droefheid de andere ridders en hief de handen als eene klacht ten hemel.

"Wat? Tranen in zijne oogen!" schertste Willem Van Wervick "Hij bemint
wel vurig den dwingeland, dat de gedachte zijns aanstaanden doods hem
doet weenen[51]!"

"Ik ween, ja", antwoordde Robrecht, "van afgrijzen, van medelijden!
Mijne tranen vlieten over Kerlingaland, dat gij ten prooi gaat geven aan
de vermaledijding der gansche Christenheid; over u, die u zelven en de
Kerels gaat bevlekken met eeuwige schande ..."

Hij meende te bemerken dat Disdir Vos en Isaak Van Reninghe hem met min
onwil dan hunne gezellen aanhoorden. Dit boezemde hem eenige hoop in.
Hij trad een paar stappen vooruit en sprak biddende:

"Ach, vrienden, hoort mijnen raad aan! Gij zijt de speelbal van den
boozen geest, die u met verblindheid slaat. Karel van Denemarken eenen
koningszoon, eenen telg onzer graven, vermoorden laffelijk, bij verraad?
O, ik smeek u, doet het niet! Het is nog tijd; keert terug op uw
noodlottig besluit. Ik bezweer u, doodt toch niet zoo uitzinnig onze
vrijheid en ons vaderland!"

"IJdele woorden, wat besloten is zal uitgevoerd worden!" antwoordde
Ingelram met somberen toon. "Al haddet gij gelijk in uwe voorspelling,
Kerlingaland is toch verloren. Welnu, het verga veeleer gewroken dan
machteloos en vernederd. Noodlottige gedachte die ons deed besluiten de
hulp te vragen van iemand wien de sterkmoedigheid ontbreekt om den
reddenden slag te wagen!"

"Alles wil ik wagen, alles wil ik opofferen voor de vrijheid", sprak
Robrecht, fier het hoofd verheffende, "Met blijdschap zou ik sterven
voor Kerlingaland ... in den oorlog, tegen gewapende vijanden, als een
man, als een ridder. Maar weerlooze menschen gaan vermoorden, terwijl
zij aan tafel zijn gezeten? Het denkbeeld zulker lafheid alleen doet mij
sidderen van schaamte ... Gij blijft bij uw afschuwelijk besluit? Welnu,
worstelt dan tegen mij; ik ben uw vijand, ik zal uw verfoeilijk opzet
verijdelen! Neen, neen, gij zult ons dierbaar Kerlingaland niet met u
nederstorten in eenen afgrond van vermaledijding en schande. Hoopt niet
Karel van Denemarken te treffen: Kerels, zoo onversaagd als gij, zullen
waken rondom hem. Vaartwel, ik wil niets gemeens meer hebben met
moordenaars!"

Deze stoute taal trof al de aanhoorders met verbaasdheid. Ingelram Van
Eessen raasde als een dolzinnige, en sprak van niets min dan van
Robrecht het hoofd te klooven, om hem te beletten zijne eedgenooten te
verraden. Isaac Van Beninghe had veel moeite om hem te wederhouden van
zijn zwaard te trekken. Wat Burchard Knap betreft, wonderlijk genoeg,
die scheen te droomen en zeide niets.

Onderwijl was mher Sneloghe naar de deur der zaal gegaan en meende deze
te openen; maar hij vond ze gesloten.

Daar stond hij nu, de andere ridders met vlammende oogen en met eenen
grijns van misprijzen te bezien.

"Beloof ons ten minste dat gij ons geheim zult bewaren", zeide Isaac Van
Reninghe.

"Neen, neen", kreet Robrecht zeer aangejaagd, "integendeel, ik zal het
openbaren! Uwe namen zal ik verzwijgen; maar vorst Karel doen
verwittigen, daarvan weerhoudt mij niemand!"

"Zijt gij dan een verrader? een verborgen vijand der Kerels?" vroeg
Willem Van Wervick.

"De vijanden der Kerels zijn degenen die ons arm vaderland het brandmerk
van den sluipmoord op het voorhoofd willen drukken!"

"Maar, vermetele", bulderde Ingelram, "weet gij niet waartoe uw eed ons
recht geeft? Gij zijt in onze macht. Zoo het ons lustte in uw bloed het
geheim te versmachten dat wij u hebben toevertrouwd?"

"Wat doet mij zulke bedreiging?" wedervoer Robrecht met eenen zuren
spotlach. "Al spookte de dood voor mijne oogen, hij deed mij niet
terugwijken voor het vervullen van mijnen plicht."

"Heeren", zeide Disdir Vos, als hadde hij iets uitgevonden dat alle
moeilijkheid uit den weg kon ruimen, "ik bid u, blijft eene korte wijl
nog bedaard en laat mij toe eenige woorden alleen met mher Sneloghe te
wisselen."

Na een oogenblik wederstand te hebben geboden, gaf Robrecht toe aan zijn
dringend verzoek en volgde hem tot in eenen hoek der zaal, waar beiden
begonnen te kouten, Disdir ernstig en vleiend, Robrecht met onwil en
spijtige gebaren.

Ondertusschen staken de anderen bij de tafel, op eenen wenk van
Burchard, de hoofden bijeen en beraadslaagden geheimelijk over hetgeen
hun te doen stond; want dat mher Sneloghe zou weigeren, daarvan achtten
allen zich zeker.

Disdir Vos keerde tot zijne makkers en zeide:

"Vergeefsche moeite, heeren. Ik zelf begin te twijfelen of onze vriend
Robrecht niet zou kunnen gelijk hebben. Ware het inderdaad niet
raadzamer dat wij met gemeene toestemming van de gevaarlijke onderneming
afzagen?"

En daar hij bemerkte hoe een glimlach van misprijzen Burchards lippen
samentrok, haastte hij zich er bij te voegen:

"De verwijdering van mher Sneloghe bedroeft mij, ik beken het: maar ik
wil evenwel mijnen eed getrouw blijven."

"Welnu, heeren, opent men mij de deur, of niet?" vroeg Robrecht
dreigende. "Moet ik met mijn zwaard het slot verbrijzelen en mij door
geweld eenen vrijen weg banen?"

"Nutteloos, gansch nuttelloos, mijn vriend Sneloghe", zeide Burchard,
opstaande. "Ik heb den sleutel en zal de deur openen, niet voor u
alleen, maar voor ons allen, ongetwijfeld; en gij, Robrecht, zult des te
geruster kunnen slapen, daar gij u zult mogen beroemen ons door uwe
redenen te hebben overwonnen. Bezie mij zoo zonderling niet. Wat ik zeg,
is waarheid. Ik heb op uwe woorden diep nagedacht. Gij hebt mij
overtuigd dat zulke aanval bij verrassing, al gelukte hij ten volle,
meer kwaad dan goed aan onze zaak zou kunnen doen. Waarschijnlijk is
mher Isaac insgelijks van deze meening?"

"Inderdaad", antwoordde Isaac Van Reninghe.

"En indien mher Ingelram wil toestemmen om van de uitvoering van ons
ontwerp af te zien?"

"Alleen kan ik niets ondernemen", morde Ingelram, in schijn verstoord.

"Wat Disdir Vos betreft, die heeft reeds zijnen twijfel bekend", hernam
Burchard. "Aldus vriend Sneloghe, gij ziet het, wij laten op uwen raad
de voorgenomen poging varen. Wees gedankt, gij hebt ons teruggehouden
van eene onvoorzichtige daad. Dat Karel van Denemarken, als verdrukker
der Kerels, den dood verdient, wie zou dit durven loochenen? Maar gij
hebt gelijk, het is niet zoo dat wij zijn bloed moeten vergieten. Laat
ons nu dezen Steen verlaten, heeren, en ieder rustig zijnen weg gaan.
Het is reeds diep in den nacht."

Allen begaven zich naar de deur en verlieten de zaal.

Robrecht sprak niet. Hem verwonderde de plotselijke ommekeer in de
gemoedsstemming zijner gezellen. Lag daaronder eene list verborgen?
Zouden de eedgenooten evenwel den beraamden moord pogen te plegen? Hij
kon het beletten en zou niet nalaten dezen plicht te vervullen. Hij
behoefde slechts, zonder iemand te noemen, den kastelein Hacket te
verwittigen van het gevaar dat graaf Karel gedurende het feestmaal kon
bedreigen. Daartoe had hij tijd genoeg, en hij was zelfs niet verplicht
de nachtrust zijner ooms te gaan storen, vermits het bedoelde feestmaal
slechts overmorgen moest gehouden worden. De kastelein zou alle wegen
tot den burg doen bewaken en al de toegangen der Loove met genoegzame
macht bezetten. Indien dan de saamgezworenen op den burg traden, zouden
zij wel bemerken dat hun aanslag was bekend en op voorhand verijdeld.

Maar toen Robrecht in de straat door zijne gezellen nogmaals in schijn
rechtzinnig werd bedankt, en hij hen, na het murmelen van eenen goeden
nacht, ieder zijnen weg hoorde gaan, begon hij meer en meer te denken
dat zij waarlijk door zijne redenen waren overwonnen geworden. Alhoewel
hij nog eenigszins twijfelde, verheugde hem dit gepeins; want hij achtte
zich overtuigd dat hij in dit geval zijn land en zijn geslacht eenen
onschatbaren dienst had bewezen.

Disdir Vos, na afscheid van de anderen te hebben genomen, volgde
Robrecht en ging twee straten verre aan zijne zijde, hem vleiende en hem
prijzende over zijnen wijzen raad en over zijne standvastigheid; maar
mher Sneloghe antwoordde hem niet veel. Sedert dien avond toch was in
hem een onuitlegbaar, doch diep gevoel van afkeer tegen Disdir Vos
ontstaan. Waarom, dit wist hij niet wel; maar er groeide in zijn hart
een vermoeden van valschheid tegen Disdir.

Het was zelfs met eene soort van blijdschap dat hij bij de
St-Janskapelle afscheid nam van zijnen gezel en alleen zijnen weg
vervorderde, om over den Maalberg de Hoogstraat en zijnen steen te
bereiken.

Disdir Vos ging terug over de Kranebrug, maar nauwelijks had hij eenige
stappen in de enge Robijnstraat gedaan, of hij bleef staan en keerde
zich om; zijne gedachten veranderden echter weder en hij zette, in zich
zelven sprekende, zijnen weg voort.

"Ja, dat Burchard en de anderen weder te zamen zijn, daarvan ben ik
zeker", mompelde hij. "Zij hebben zich willen ontdoen van Robrecht en
van mij, die inderdaad nooit den minsten lust had om aan dit helsche
waagspel deel te nemen. Eilaas, ik heb mijnen slag gemist! Hij was zoo
goed berekend nochtans! Had Robrecht tot den moord des graven
toegestemd, ik hadde hem in eenen strik doen vallen, waaruit hij niet
levend zou losgeraakt zijn ... Maar wij zijn nog niet dood ... tijd
genoeg om mij te wreken ... zijn huwelijk is nog niet voltrokken ..."

Terwijl Disdir dus denkend en mijmerend voortstapte, wandelde er op den
Dyver, niet verre van de Eeckhoutstraat, een man over en weder, die met
inspanning zijner gezichtskracht door de duisternis poogde te dringen om
te zien of niemand in de verte naderde.

Hij had reeds eene lange wijl gewacht, toen hij meende een gerucht van
stappen te hooren. Sluipend week hij terug tot tegen de poort van eenen
Steen, op den hoek der Eeckhoutstraat.

Iemand naderde hem.

"Vliegt de Blauwvoet?" murmelde hij.

"Storm op zee!" antwoordde eene grove stem.

Hij duwde de poort open, trad met zijnen gezel binnen en sloot ze weder.

"De vrienden zijn reeds hier", morde de eene. "Wij gingen haast vreezen
dat u een ongeval was geschied."

"Ik dwaalde van mijne baan", antwoordde de andere. "Om de Markt te
ontwijken, sloeg ik het Palmstraatje in. Daar hoorde ik stappen van
menschen. Eene wacht misschien. Ik heb eenen langen omweg gedaan.--Nu,
geenen tijd meer verloren! Leid mij tot de vrienden."

Zij traden schuins door den neerhof en gingen in eene kamer, waar eene
kleine lamp brandde.

"De schalken zouden ons kunnen afspieden", zeide degene die den andere
had ingeleid. "Ik doof het licht uit.--Spreek zeer stil![52]"

Daar zaten zij nu in eene zoo volledige duisternis dat zij elkaar niet
konden zien.

"Gelukkiglijk zijn wij van de twijfelaars verlost", murmelde er een met
verdoofde stem. "Niets kan ons nog verhinderen ons besluit uit te
voeren. Haast gemaakt dus, en geene overbodige woorden."

"Maar de zaak van het feestmaal is verloren. Wat gaan wij doen?" vroeg
iemand.

"Ik heb tijd gehad, om alles te overwegen", antwoordde de man met de
zware stem. "Ziehier mijne meening. Wij moeten ons eerste ontwerp
hervatten. Karel van Denemarken, zijt des zeker, gaat alle dagen ter
vroegmis in de bovenkerk van St-Donaas. Iedereen mag er de mis bijwonen.
Het is met deze korte dagen dan nog bijna donker. Mijn paard staat
buiten de Zandpoort. Ik zal mij haasten naar Bethferkerke. Daar heb ik
eene bende onverschrokken Houtkerels onder de hand. Komt morgen in de
vroegmis op den burg; gij zult mij en mijne mannen daar, verspreid zien
onder de beuken en tusschen de geloovigen; misschien zult gij ons niet
herkennen. Het is gelijk, ik zal het sein geven door den dwingeland te
treffen. Op den roep van 'Harop! Harop!' sluit gij alle uitgangen af.
Geen Isegrim mag ontsnappen. Aanvaardt gij het voorstel, leggen wij dan
nog eens daarop de handen te zamen[53]."

Zij zochten tastend elkander en zwoeren zwijgende den gruwelijken eed.

"Op weg nu! Verlaten wij, de eene na den andere, dezen Steen. Ik vertrek
eerst; want mij is de tijd het kostelijkst. Tot morgen, heeren; ik
betrouw op u als op mij zelven."

Hij werd door een der aanwezigen tot buiten de poort geleid en liep met
lichte doch haastige stappen vooruit in de duisternis.


VOETNOTEN:

[Voetnoot 51: "Isaac, Burchard, Willem Van Wervick, Ingelram en hunne
medeplichtigen ... riepen tot dien eed den jongen Robrecht; maar de
edele jonkman, verschrikt en tranen stortende, zeide: verre van mij het
inzicht onzen vorst te verraden! Indien gij van uw opzet niet afziet,
zal ik uw verraad den graaf openbaren."

GALBERTUS. in de _Mém rel. à l'hist. de France,_ tom. VIII, p. 258.]

[Voetnoot 52: "Binnentredende, doofden zij hunne vuren uit, opdat
degenen, die in het huis waakten, hen niet zouden herkennen."

GALBERTUS, p 259.]



XIII


De kerk van St-Donaas, binnen den burg, was een schoone, groote tempel
van Romaansche bouwstijl.

Hare middelbeuk was zeer verheven; maar van wederzijde verlengde zich
eene lage, donkere nevenbeuk, waarvan het neergedrukte welfsel op korte
pijlers rustte. Daarboven liep, rondom de geheele kerk, eene opene
gaanderij, vanwaar de geloovigen even goed als beneden de priesters aan
den autaar konden zien en de goddelijke diensten bijwonen.

De Zuidelijke zijde dezer gaanderij had men van het overige gedeelte
afgescheiden, en tot eene kapelle voor den graaf van Vlaanderen
ingericht.

Zij was versierd met een prachtig altaar en met schoone
heiligenbeelden. Een kostbaar gesnedene knielbank voor den graaf prijkte
in haar midden, bijna aan den voet des altaars. Er stonden aan beide
zijden gestoelten voor de lieden van het hof en, meer naar den gemeenen
ingang, vele rijen houten banken voor de geloovigen, die 's graven misse
wilden bijwonen; maar vooral voor de arme menschen, die gewoon waren
hier in menigte te komen, met de hoop van den vorsten aalmoezen te
genieten.

Deze verhevene kapelle, die men de opperkerk noemde, had eenen ingang
voor het volk, die met eenen engen steenen trap onder de lage beuk der
benedenkerk uitkwam; maar dicht bij het altaar was eene tweede deur,
uitsluitelijk bestemd ten gebruike des graven. Een gewelfde gang liep
van daar over de Hoogpoort naar het paleis, op zulke wijze dat vorst
Karel, uit zijne slaapkamer tredende, zich ter kerk kon begeven zonder
het plein van den burg te moeten overstappen.

De nacht was ongewoon donker geweest, ter oorzake van eenen dikken mist,
die reeds van den avond te voren als een somber baarkleed over de aarde
was nedergezakt.

Nu ging de morgenstond aanbreken; maar nog was de nevel zoo dik, dat men
nauwelijks op een paar stappen verre de voorwerpen als onduidelijke
schaduwen kon onderscheiden.

In de opperkerk van St-Donaan hadden de broeders en klerken van het
klooster een aantal waskaarsen op en nevens het altaar aangestoken, in
afwachting dat het uur der vroegmis verscheen.

Vele geloovigen,--poorters uit de naburige straten, of arme menschen,
waartusschen ook eenige vrouwen,--traden onder de donkere poort der kerk
en beklommen langzaam den steenen trap, om in 's graven kapelle de misse
te gaan hooren.

Maar wat niemand bemerkte was, dat nu en dan vele mannen met bruine
mantels en breede hoeden den steenen trap voorbijstapten om zich in de
duisternis onder de lage nevenbeuk der benedenkerk te gaan verbergen.

Eenigen dezer scheidden zich echter zonder spreken bij de groote
ingangpoort van hunne makkers en bestegen den trap. Onder het opklimmen
fluisterden zij nog elkander geheime woorden toe, doch zoohaast zij de
deur der opperkerk bereikten, hielden zij zich alsof zij elkander
geheel vreemd waren, en stapten stil en met zedige houding, ieder in
eene verschillende richting, door da geloovigen, om plaats op eene der
knielbanken te zoeken.

Zoo naderde er nu een man, die op eenen stok leunde, tot eene der
voorste banken en knielde neder tusschen twee vrouwen. Zij bezagen hem,
voor zooveel het schemerlicht der waskaarsen het hun toeliet; zijne
hooge gestalte verwonderde hen. Maar de man moest ziek of zeer oud zijn;
want hij ging diep gebogen, en dat hij noodlijdend was, kon men genoeg
bemerken aan zijnen gelapten en gescheurden mantel. Ongetwijfeld kwam
hij, evenals vele andere arme lieden, in de kapelle om deelachtig te
worden aan de aalmoezen welke de graaf gewoon was in de vroegmis uit te
deelen.

Van zulke zonderlinge arme lieden bevonden er zich nn een zeker getal in
de kapelle tusschen de geloovigen verspreid; maar alhoewel de eerste
dagschemering als een flauwe melkachtige schijn zich aan de
buitenvensters vertoonde, was het nog zoo donker in het diepe der
kapelle, dat men zelfs de lieden, nevens wie men onmiddellijk was
gezeten, niet duidelijk kon onderscheiden.

Het uur der vroegmis moest verschenen zijn; want alles was gereed op het
altaar. Een koorknaap hield zelfs de hand aan het zeel eener klok, om op
het eerste sein te kleppen; ja, in de opene deur van het sakristijn,
vertoonde zich nu en dan een priester in plechtgewaad, die als met
ongeduld naar de deur blikte, om te zien of de graaf nog niet kwam.

Ook de arme man met den gescheurden mantel scheen door ongeduld
aangejaagd; want, ofschoon hij diep voorover op zijne knielbank gebogen
lag, hief hij bij het minste gerucht het hoofd op en liet het dan weer
nederzakken, onder het slaken van een versmacht gemor. De nevenszittende
vrouwen meenden, dat hij zuchtte van verdriet, omdat degene, van wien
hij hulp voor zijnen nood verhoopte, zoolang zich liet wachten.

Maar zij bedrogen zich in hun medelijden; want in het hart, dat onder
den gescheurden mantel onstuimig klopte, woelde de vurigste haat en
gloeide de dorst naar bloed. Indien de graaf, door Robrecht Sneloghe
gewaarschuwd, of door onpasselijkheid belet, in de vroegmis niet
verscheen, dan ontsnapte hij aan de wraakzucht van zijnen vijand, en
verijdeld werd de zoo wel beraamde aanslag! Alle hoop was dan voor
Burchard verloren; want het leger van Atrecbt was misschien reeds in
Vlaanderen, en graaf Karel, door zulke macht van ridders omringd en
beschut, zou niet meer naakbaar zijn voor een balling, die in het diepe
van Kerlingaland eene schuilplaats zou moeten zoeken.

Terwijl de moordzuchtige Burchard dus in zich zelven het dreigend lot
vermaledijdde en eene klimmende hopeloosheid in zijn hart voelde zinken,
kwam er uit het sakristijn een priester, dien hij voor den hofkapelaan
herkende. Deze verdween in de deur welke toegang gaf tot het paleis.
Burchard twijfelde niet of hij wilde naar de reden van des graven
afwezigheid gaan vernemen. En inderdaad, hij misgreep zich niet; want de
priester begaf zich voor de gang naar de nachtvertrekken des vorsten. In
eene voorzaal ontmoette hij Jan Cauwenoghe, den kamerdienaar des graven,
die op zijne vraag antwoordde:

"Onze heer graaf heeft zeer slecht geslapen dezen nacht: hij gevoelt
zich niet wel en is later dan naar gewoonte opgestaan; maar nu is hij
gekleed en komt oogenblikkelijk. Er is geen belet: ga maar binnen, heer
kanunnik."

De priester klopte en opende de deur. Hij vond den graaf staande te
midden der kamer, terwijl een andere dienaar hem hielp om de kap op zijn
hoofd te schikken.

"Ik vraag u verschooning, kapelaan", zeide de vorst. "Laat ik u wachten,
het is mijne schuld niet. Nog een paar minuten."

"Maar indien Uwe Hoogheid onpasselijk is", bemerkte de priester, "ware
het beter nog wat te bedde te blijven en te rusten."

"Neen, neen, heer kanunnik, ik voel heden, meer dan andere dagen den
nood om God te bidden. Ik heb zoo slecht geslapen, den gansenen nacht
gedroomd van ijselijke dingen, koortsig geweest en gewoeld, als ware het
bed mij eene pijnbank geworden[54]. Kanunnik, gij kent de Kerels, gij;
zouden zij inderdaad bekwaam zijn om mij bij verrassing te dooden?"

"U dooden?" herhaalde de priester verschrikt. "Vreest gij dit, heer
graaf?"

"Men heeft het mij gezegd; nu heb ik herhaalde malen er van gedroomd."


[Illustratie: ...Met gekloofd hoofd op den vloer der kerk ... (Bladz.
267.)]


"Het is misschien eene waarschuwing des hemels!" zuchtte de kanunnik.
"Blijf in uwe kamer, heer vorst, de kapel is vol volk. Wie weet?"

"Is er niet dagelijks volk in de kapelle? God houdt mijn leven in Zijne
handen", zeide graaf Karel met eenen glimlach. "Heeft Hij er over
beschikt, dan kan een moordenaar mij even goed hier treffen als in de
kerk. Zou ik nalaten mijne Christelijke plichten te vervullen, omdat een
zwarte droom mijne nachtrust heeft gestoord Ik volg u, kapelaan."

Hij duwde eene andere deur open en zeide tot de ridders die daar op
zijne bevelen stonden te wachten:

"Heeren, wij zijn gereed en gaan ter misse. Gelieft ons te volgen."

Hierop trad hij met den kapelaan uit de kamer. Na hem kwamen de volgende
personen: Tancmar Van Straten, zijn geheimraadsheer; Gervaas Van Praet,
zijn opperkamerling; Walter Van Lokeren, zijn hofbottelier, met dezes
broeder Eustaas Frumold, Arnold en Ogier, zijne schrijvers en
rekenmeesters met nog vier of vijf andere hofbedienden.

Toen de graaf in de kapelle verscheen, klepte men het klokje, dat bij
het sakristijn hing.... Een onwillige kreet ontsnapte den man met den
gescheurden mantel; maar hij boog onmiddellijk het hoofd zoo diep dat,
al hadde er meer licht in de kapelle geheerscht, men toch zijne
wezenstrekken niet zou herkend hebben.

Graaf Karel knielde neder op weinig afstand van het altaar; de lieden
van zijn gevolg namen plaats in het gestoelte. De mis begon....

De priesters zongen de morgengebeden, en de vorst, zijne stem met de
hunne parende, zeide de psalmen Davids op, terwijl in het overige der
kerk de diepste stilte heerschte. Toen de misse eenigszins gevorderd was
en graaf Karel met luider stemme den _pater_ opzeide, verliet Tancmar
Van Straten het gestoelte, haalde eene zijden beurs uit zijne tasch en
legde, volgens de dagelijksche gewoonte, eene handvol deniers op het
rustbord van 's vorsten knielbank.

Dit was een teeken voor de arme lieden, die nu van tusschen de banken en
zoo stil mogelijk den graaf naderden om eene aalmoes uit zijne hand te
ontvangen.

Ook de hoogstaltige man met den gescheurden mantel stond op. Zich diep
gebogen houdende en leunende op eenen staf, als hadde hij moeite om
zijne verstijfde beenen te sleepen, stapte hij langzaam vooruit en
schikte zich tusschen andere noodlijdenden, achter des graven rug.

Eene zieke vrouw, met een kind op den arm, stak het eerste hare hand
uit, om den denier te ontvangen, dien graaf Karel haar toereikte....
Maar op dit oogenblik wierp Burchard den gescheurden mantel zich van de
schouders; een zwaard bliksemde in zijne handen, en hij sloeg het neder
met zulk wreed geweld, dat de arme graaf, zonder zelfs eene klacht te
kunnen uiten, met gekloofd hoofd op den vloer der kerk achterover
stortte ...[55]

De arme lieden vluchtten weg van het autaar en vervulden de kapelle met
den weekreet: "Wacharm! Wacharm! Wacharm!"

Maar boven dit noodgekerm heerschte de machtige stem van Burchard, die
schreeuwde:

"Harop! Harop! Leve Willem Van Loo, graaf van Vlaanderen! Heil Willem!
Heil! Heil!"

In de benedenkerk hergalmden even ras dezelfde kreten, alsof van daar
honderd verwarde stemmen het akelig moordgeroep hadden beantwoord.

Door de afschuwelijkheid zelve der ongehoorde misdaad verstomd dachten
de ridders des graven in den eerste op geene tegenweer welke zij
overigens als onmogelijk aanzagen. Zij waren terzijde gesprongen, om de
slingeringen van Burchards zwaard te ontwijken; twee of drie waren zelfs
langs de naaste deur in bet paleis gevloden om daar hulp te zoeken.

Tancmar Van Straten wilde hen volgen; maar Ingelram Van Eessen, die nu
met vijf of zes man toeschoot, gaf hem eenen wreeden zwaardslag. Met
geopenden schouder viel de hofraadsheer levenloos in zijn bloed ten
gronde[56].

De geloovigen liepen kermend naar den uitgang en verpletterden elkander
bij de nauwe deur om te ontvluchten. Velen waren reeds op den steenen
trap geraakt; maar daar ontmoetten zij de mannen van Burchard die, als
een woeste drom, de vliedenden terug naar boven dreven en achter hen met
woedend wraakgeschreeuw de kapelle binnenstormden.

In deze drukke verwarring was het onmogelijk iemand te herkennen of te
vervolgen; de moordenaars zelven werden voortgewoeld en onweerstaanbaar
tot tegen den autaar gedrongen. Dit gaf den meesten van 's graven lieden
tijd en middel om te ontkomen; doch, dewijl Ingelram Van Eessen de deur
naar het paleis hield bezet, zagen zij zich gedwongen een anderen weg te
zoeken of zich te verbergen. Dan eerst werd de uitgang naar de
benedenkerk vrij; ook bleef er, een oogenblik daarna, niemand meer in de
bovenkerk dan de moordenaars en drie of vier priesters, die bevend en
weenend op het bloedige lijk van Karel staarden, zonder het evenwel te
durven raken.

De moordenaars, vreugdedronken over hunne gemakkelijke zegepraal, deden
niets dan juichen en schreeuwen:

"Heil Willem, heil den nieuwen graaf van Vlaanderen! Heil! heil!"

Maar Burchard, door eenen schallenden klank zijner stem, gebood hun de
stilte en zeide:

"Zwijgt, mannen, ons werk is niet volvoerd. Met den graaf waren hier een
tiental vermaledijde Isegrims. Zij kunnen niet ontvlucht zijn; de
uitgangen der kapelle waren bezet; zij zijn dus verborgen. Doorzoekt
alle hoeken en kanten; en, vindt gij iemand, brengt hem hier voor mij.
Wie mij Walter Van Lokeren levert, of Gervaas Van Praet, of den
schrijver Frumold, dien geef ik drie marken zilvers!"

Zijne mannen, door het gezicht van twee lijken en van plassen bloed
aangehitst, en door de hoop op de aanzienlijke belooning verlokt,
begonnen hunne opzoekingen niet alleen in de kapelle, maar tevens in de
benedenkerk.

Walter Van Lokeren, na Tancmar de heetste vijand der Kerels, hield zich
verborgen achter het orgel. Een kerkdienaar had eenen mantel over hem
geworpen, en hij zat, op den houten vloer ineengekropen, onder dit wijde
kleedsel.

Hij hoorde hoe men zijnen naam uitriep en hem eenen ijselijken dood
toezwoer; het hart klopte hem van angst, en het koude zweet brak hem
uit. Alle hoop had hem echter niet begeven, want tot dan had geen zijner
vijanden er aan gedacht deze schuilplaats te doorzoeken.

Maar nu hoorde hij eene bende woedende mannen naderen. Welhaast beukten
zij zoo geweldig met hunne zwaarden op de orgelkas, dat elke slag als
een doodvonnis in de ooren van den armen ridder hergalmde.

Zeker dat zij hem gingen ontdekken, sprong hij op en liep dwars door
zijne vervolgers in de kapelle, met opgeheven armen tot God om hulp
roepende en zijne vijanden om levensgenade smeekende.

Burchard en Ingelram herkenden hem. Zij liepen hem achterna en huilden
als bloedzuchtige tijgers:

"Sla dood, sla dood, den snooden Isegrim!"

Walter Van Lokeren viel geknield voor den autaar, op het oogenblik dat
Burchard hem bereikte en hem met de eene hand bij het haar greep,
terwijl hij met de andere zijn zwaard ophief om hem den doodslag te
geven.

Een priester hield evenwel zijnen arm terug en smeekte, met tranen in de
oogen, om genade voor den ongelukkigen ridder; en, toen hij op het
wraakzuchtig antwoord van Burchard wel merkte dat het leven van den
hofbottelier niet te redden was, verzocht hij den moordenaar toch niet
langer aldus de kapelle met bloed te besmetten en het huis Gods te
ontheiligen.

Burchard en zijne beide eedgenooten, Ingelram en Isaac sleurden den
ridder bij het haar over den vloer der kapelle naar de uitgangdeur.

"O, mijn God, mijn God, erbarm u mijner!" kermde Walter Van Lokeren.
"Spaart mij, spaart mij!"

"Wij zullen u sparen zooals gij ons bij den graaf heb gespaard, valsche
lasteraar![57]" antwoordde hem Burchard.

Zij rukten hem van de trap, brachten hem voor de deur der kerk en hakten
daar allen te gelijk op hem, met zooveel woede, dat zijn lichaam schier
onkennelijk was, toen zij het verlieten om in de benedenkerk naar nieuwe
slachtoffers te zoeken.

Onderwijl hadden hunne mannen in de kapelle, achter den autaar de ware
schuilplaats der gevluchte ridders en hofbedienden ontdekt. Opvolgend
hadden zij uit dit donker hol, waarin men gewoon was de minst kostbare
sieraden der kerk te bergen, zeven of acht personen gerukt en ze te
midden der kapelle gesleurd, om te herkennen of er tusschen hen zich
niet een der ridders bevond voor wie Burchard de marken zilvers had
beloofd.

Deze ongelukkigen stonden daar nu bevend, met den doodsangst op het
gelaat, en schouwend op het lijk van hunnen vorst, dat nevens hen in
zijn bloed lag uitgestrekt. Zij twijfelden niet aan het wreede lot dat
hun was beschoren; de eenen knielden neder, de anderen vouwden de
handen, eenigen smeekten de priesters, die bij het sakristijn stonden,
hunne biecht te willen hooren; allen spraken met misbaar en tranen van
hunne kinderen of van hunne ouders ...

Onder hen bevonden zich Arnold en Ogier, des graven schrijvers; Bertyn
en Baldwyn, zijne kamerdienaars; Godbert, zijn schenker, en de jonge
Frumold, zijn schatbewaarder.

Deze laatste was een dergenen, voor wier levering Burchard drie marken
zilvers had beloofd; maar de moordenaars kenden hem niet. Daarom,
alhoewel zij hunne zwaarden en knijven boven de hoofden der gevangenen
zwaaiden, sloegen zij hen niet. Zij wilden op de komst hunnen aanleiders
wachten, opdat zij hun aanwezen wie van dezen hun onbekende lieden moest
vermoord of behouden worden.

Frumold, die zich op de knieën had laten vallen, sprak met luider stemme
zijne biecht, en bekwam dan ook de vergiffenis zijner zonden van eenen
priester.

Den ring van zijnen vinger trekkende, bood hij dien den geestelijke en
zuchtte:

"O, vader, ik smeek u, geef deze laatste herinnering aan mijne dochter
Aleidis! Zeg het ongelukkig kind dat ik haar zegen, dat ik daarboven God
voor haar zal bidden. Weze zij de arme ziel haars vaders gedachtig ..."

En na deze woorden deed hij vruchteloos geweld om nog te spreken: tranen
en snikken versmachtten zijne stem.

De priester, door medelijden geroerd, veinsde de ontvangene boodschap
onmiddellijk te willen volbrengen, en begaf zich naar de deur van den
trap, zonder dat iemand der moordenaars hem belette uit te gaan. Hij had
nog eenige hoop den schatmeester des graven te kunnen redden, en liep
met dat inzicht naar de proostdij, om Bertulf te gaan verwittigen en
zijne hulp in te roepen.

Al deze dingen waren geschied op minder tijd dan er noodig is om ze te
verhalen. Nog altoos heerschte er eene halve schemering in de kapelle,
alhoewel er reeds eene grijze klaarheid in de benedenkerk zich
verspreidde.

Nu kwam Burchard met zijne bloeddorstige vrienden terug in de kapelle.

Isaac Van Reninghe herkende des graven schatmeester. Hij sprong op hem
toe, rukte hem, onder het bulderen van schromelijke vermaledijdingen, de
kappe van het hoofd, greep hem bij het haar en sleepte hem over den
vloer, om hem buiten de kerk te gaan vermoorden.

Maar daar trad de proost Bertulf hem te gemoet, met den ouden Frumold,
des schatmeesters oom, die, ondanks zijne zwakheid, Isaac om de lenden
vatte en hem dwong zijn slachtoffer los te laten.

Burchard kwam toegeloopen. De proost zeide hem met tranen in de oogen:

"Neef, neef, wat hebt gij gedaan? Vreest gij dan niet dat de wrake Gods
om zulke misdaad ons geslacht verdelge als een ras van Caïn?"

"Geene laffe woorden!" riep Burchard zeer trotsch. "Willem Van Loo is
graaf van Vlaanderen. Aan hem alleen heb ik rekening mijner daden te
geven en, keurt hij goed wat ik doe, wie zou mij durven laken?"

"De dooden zijn noch door klachten noch door gebeden op te wekken",
zuchtte de oude Bertulf, "maar uit liefde tot uwen grijzen oom, spaar
het leven dezer arme lieden!"

"Frumold moet sterven!" gromde Ingelram Van Eessen.

"Ach, Isaac, mijn vriend", smeekte Frumold, "heb deernis met mij,
ontferm u mijner arme kinderkens, die op de wereld zullen blijven zonder
steun!"

"Hoe? medelijden met u?" schreeuwde Isaac Van Reninghe, spotlachend.
"Zijt gij het niet, die, meer nog dan anderen, ons bij den graaf hebt
gelasterd? Gij zult sterven, al boodt gij ons zooveel goud aan als de
kapelle kan bevatten. Kom, kom, naar de deur der kerk; ik alleen kloof u
het hoofd!"

Onderwijl had de proost nog eenige woorden met zijnen neef gewisseld.
Deze verhief de stem en, als een veldheer gebiedende, riep hij:

"Stil! Men zal hier doen wat ik beveel."

En zich tot Frumold keerende, die nog biddend op de knieën zat, vroeg
hij, in schijn meer bedaard:

"Gij hebt de sleutels van des graven schat in uw bezit?"

"Hier zijn ze", antwoordde Frumold, eenen reesel sleutels uit zijne
tasch halende.

"Er moeten verborgene schatten zijn?" mompelde Burchard.

"Ja, zulke zijn er", bevestigde Frumold, die begon te hopen dat de
tusschenkomst van den proost hem misschien nog het leven zou redden.

"Zult gij ons die verborgene schatten toonen?" vroeg hem Burchard.

"Ik zal ze u aanwijzen, zonder iets te verzwijgen."

"Welnu", zeide Burchard op eenen toon, die geene wederspraak duldde, "ik
vertrouw de sleutels aan mijnen oom, den proost, die ze zal bewaren. Wij
hebben nu geenen tijd ons daarmede lang bezig te houden. Al deze
gevangene stel ik insgelijks onder de bewaking van den proost van
St-Donaas. Hij blijft jegens ons en jegens den graaf van Vlaanderen
borg, dat geene hunner zonder mijn bevel uit de proostdij zal gaan[58]."

De gevangenen dankten en juichten; want zij waren nu aan eenen
onmiddellijken dood ontsnapt en twijfelden niet of de proost, wiens
overheid groot was, zou hen blijven beschermen, totdat de woede hunner
wreede vijanden was gekoeld. Zij volgden hunnen redder naar de trap der
kapelle.

Wel morden en gromden Burchards gezellen; maar hij zeide hun:

"Geen tegenstand! Wij moeten 's graven schat hebben. Willem Van Loo zal
hem gebruiken om den oorlog tegen onze vijanden te voeren. Wij kunnen
later even goed over het lot van Frumold en van de anderen beslissen. Nu
moeten wij het paleis gaan doorzoeken om te zien of daar geene onzer
vijanden meer te ontdekken zijn. Gervaas Van Praet is ons ontsnapt; de
beide zonen van den snooden Tancmar leven nog! Komt met haast; wij
moeten den ganschen dag arbeiden ..."

Zij liepen door de gang over de Hoogpoort en kwamen in het paleis; maar,
hoe zij zochten in kamers, in zalen en in kelders, zij vonden er geen
levend wezen.

Slechts toen zij het paleis meenden te verlaten, troffen zij in de
voorzaal, tegen het plein, den kastelein Hacket aan, met Hendrik Van
Roesbrugge, eenen ridder van 's graven hof, en Eustaas, den broeder van
den vermoorden Walter Van Lokeren.

Zoohaast zij dezen laatste bemerkten, hieven zij hunne zwaarden op, om
hem onmiddellijk neer te hakken; want hier niet op gewijden grond
zijnde, hadden zij geene reden om hun slachtoffer naar buiten te
sleuren.

Maar Hacket, die hun inzicht bespeurde, sprong voor de twee ridders,
beschutte ze met zijn lijf en riep:

"Zij zijn mijne gevangenen! Niemand raakt een haar van hun hoofd zonder
mij eerst te dooden!"

Hetzij de woede van Burchard was gekoeld, of dat hij zijnen oom niet op
eene bloedige wijze wilde wederstreven, hij gebood zijnen mannen, deze
ridders, die zich toch den Kerels niet bijzonder vijandig getoond
hadden, vooralsnu ongehinderd te laten; en hij stelde ze, evenals hij
met de anderen had gedaan, in bewaring van den proost en van den
kastelein, die voor hunne gevangenhouding verantwoordelijk zouden
blijven.

Op dit oogenblik haalden eenige gezellen van Burchard eenen ouden man
uit eene schuilplaats nevens de poort.

Deze beweerde dat hij zich niet had verborgen. Wie zou Eggard, den
grijzen deurwaarder der Loove, toch willen kwaad doen, hem, die niets
dan vrienden telde in Brugge?

Inderdaad, Burchard lachte over den vond zijner mannen en verbood dat
men den halfzinneloozen poortbewaarder eenig kwaad deed.

"Welnu, Eggard", vroeg hij, "hebt gij altoos bij de poort gestaan,
sedert dezen vroegen morgen?"

"Reeds van vier uren", was het antwoord.

"Gij hebt dan wel lieden zien vluchten, dienaars en ridders?"

"Velen."

"Ook mher Gervaas Van Praet?"

"Ja, die is in den stal op een paard gesprongen en is langs de Hoogpoort
weggereden, als hadde hij den duivel achter zich[59]."

"Zoo, zoo! En de zonen van mher Tancmar?"

"Die zijn beiden niet in het paleis geweest en slapen waarschijnlijk
nog, indien de helsche storm, die er op den burg heerscht, hen niet
heeft gewekt."

"Volgt mij, gezellen!" kreet Burchard. "De zonen van Tancmar zijn onze
grootste vijanden. Wij gaan ze verrassen. Zij moeten sterven!"

Zij liepen in allerhaast over het middelplein en door de Hofpoort.

Nu begon het klaar dag te worden. Ongetwijfeld had de schromelijke mare
zich gedeeltelijk door de stad verspreid; want er was reeds volk op de
straten, meest gemeene lieden en schalken.

Waar de woeste bende voorbijging en den zegevierenden schreeuw: "Leve
Willem Van Loo, graaf van Vlaanderen!" tot boven de huizen deed
hergalmen, juichte het volk hen toe en herhaalde hunnen roep.

Nergens een teeken van afkeuring, nergens een traan over het lot van den
vorst, die zoo ellendig onder den slag van sluipmoordenaars den dood had
gevonden.

Graaf Karel was in Brugge niet algemeen bemind, hoe milddadig hij zich
ook jegens de noodlijdenden toonde. Alhoewel de poorters van Brugge
sedert lang aan eene bijna geheele afhankelijkheid gewend waren, vloeide
hun toch Kerlenbloed in de aderen, en poogden zij met ijverzucht de
weinige vrijheden te bewaren, welke de vorige graven hun had laten
behouden. Omdat Karel van Denemarken, door de Isegrims geraden,
aangaande het bestier des lands meer zuidelijke gedachten koesterde, en
alle macht in zijnen persoon alleen scheen te willen samentrekken,
zonder acht op de bestaande vrijheden te slaan, hadden zij eenen wrok
tegen hem. Dat hij het niet oprecht met zijne onderdanen meende, daarvan
beschuldigde men hem niet; maar het was genoeg dat hij niet zelden
zijnen eigen wil in de plaats van het recht stelde, om hem de
genegenheid der poorters te ontrooven.

Hoe het zij, zeker bevonden zich tevens in de straten vele menschen, die
den moord van vorst Karel als een gruwel laakten of betreurden; maar zij
durfden het niet toonen, uit schrik voor de wreede Houtkerels, tusschen
welke zij er sommigen bemerkten wier handen gansch met bloed waren
geverfd.

Over de St-Salvatorskerk, op den hoek der Zilverstraat, stond de
prachtige steen, door het huisgezin van Tancmar bewoond.

Burchard en zijne mannen, toen zij voor dezen sterken Steen kwamen,
begonnen met hunne zwaarden op de poort te slaan en te schreeuwen dat
men zou openen; maar zij bekwamen geen antwoord, en het bleef binnen in
het huis zoo stil alsof geen levend wezen zich er had bevonden.

Geen middel was er om in den Steen te dringen. Dit onverwacht beletsel
voerde hunne woede ten top, en zij poogden hunne spijt lucht te geven
door het bulderen van allerlei vermaledijdingen.

Maar Ingelram Van Eessen bemerkte eenen balk, die wat verder voor de
deur van eenen wagenmaker ten gronde lag. Hij riep eenige mannen tot
zich en dezen keerden welhaast weder met den vreeselijken stormram op de
armen.

Achteruitgaande, liepen zij tegen de poort en beukten zoo geweldig, dat
de slag als een donder binnen den Steen hergalmde.

De poort was zeer sterk; zij weerstond aan vijf herhaalde botsingen,
zonder te breken of te bewegen; maar bij den zesden slag sprong een der
bovenste hengsels uit den muur en eene zijde der poort neigde
achterover. De aanvallers hieven zegevierende kreten aan. Nog één loop,
en de poort zou onfeilbaar nederstorten.

Men was met den stormram achteruitgeweken, om met verdubbelde kracht
tegen de poort te beuken. Burchard en zijne gezellen hieven hunne
zwaarden in de hoogte, gereed om den Steen binnen te stormen en hunne
vijanden neder te hakken ... toen eensklaps twee personen over den
achtermuur van den Steen in de Zilverstraat sprongen en met ongemeene
snelheid hun behoud in de vlucht zochten.

"Zij zijn het, Tanemars zonen! Slaat dood, slaat dood! Drie marken
zilvers voor elk!" riep Burchard, terwijl hij, door al zijne mannen
gevolgd, de vluchtelingen achternaliep.

Maar dezen waren te verre vooruit en zouden waarschijnlijk ontsnapt zijn
aan degenen die dorst hadden naar hun bloed, indien niet een onverwacht
beletsel hun den weg had versperd.

Zoo vervolgd door hunne wraakzuchtige vijanden, waren zij het
Giststraatje ingevlucht en zouden welhaast de Noordzandstraat bereiken.
Zij zagen reeds van verre de stadspoort; het open veld zou hun middel
geven om tusschen de boomen te ontsnappen ...

Maar daar sprong eensklaps een poorter, Berakin genaamd, met eene bijl
hun tegemoet, en hij zwaaide deze boven zijn hoofd om hen er mede te
treffen. Zij deinsden terug om den slag van het moordtuig te ontwijken:
doch, ziende achter zich de huilende drom hunner vijanden naderen,
sprongen zij kermend en hopeloos weder vooruit. Berakin trof een hunner
zoo wreedelijk, dat hij hem met éénen slag den rechterarm bij den
schouder afhakte.

De ongelukkige ridder viel neder en riep zijnen vliedenden broeder nog
een laatst en grievend vaarwel toe.

Eenige mannen bleven staan en verminkten het slachtoffer met wreed
vermaak, terwijl de overigen immer vooruitliepen om den tweeden ridder
niet te laten ontkomen.

Burchard wierp eenen blik op den stervende, wiens bloed uit eene breede
wonde stroomde.

"Dit is er één!" riep hij. "Het is Walter: hij heeft zijne rekening
Ghyselbrecht nu! vooruit! vooruit!"

En zijnen loop hernemende, zette hij de vervolging met nieuwe woede
voort.

Mher Ghyselbrecht had inderdaad de stadspoort bereikt en liep nu over
het groote plein, dat men het Zand noemde. Alhoewel een twintigtal
vijanden hem op de hielen waren, zou hij misschien nog den dood ontsnapt
zijn; maar op het oogenblik dat hij meende in een kreupelhout te
springen, stiet hij met den voet tegen den wortel ens booms en viel ter
aarde.

Vooraleer hij zich kon oprichten, was hij door twintig handen te gelijk
aangegrepen; en, hoe hij kermde en om genade smeekte, men sleurde hem
verder op het plein.

Daar wilde men hem oogenblikkelijk het hoofd kloven; maar degene, die
beweerde hem allereerst te hebben aangevat, stelde zich tegen dit
voornemen en dreigde de anderen met zijn zwaard. Hij had, zeide hij, de
beloofde marken zilvers verdiend en wilde den gevangene aan Burchard
Knap overleveren, die hem dan ook de toegezegde belooning niet zou
weigeren.

Terwijl zij nog daarover aan het twisten waren, kwam Burchard met de
geheele bende op het plein en naderde degenen die den ridder omringden.

"Ik, Batulf Merlaan, heb hem gevat: mij de marken zilvers!" riep hem een
gezel toe.

"Gij zult ze krijgen, wees gerust", antwoordde Burchard.

"Ha, ha, daar heb ik u in mijne klauwen, gij snoodste aller Isegrims!"
viel hij met bloedzuchtigen spotlach tegen Ghyselbrecht Tancmar uit.
"Beveel uwe ziel aan God, gij gaat sterven! Ik wil, dat men uwe
afgerukte leden rondom dit plein zaaie, zooals men met lafaards en
verraders doet!"

Ghyselbrecht kroop op de knieën voor hem en hief de bevende handen in de
hoogte, met overvloedige tranen om genade smeekende en schatten gouds
hem belovende.

"Gij zijt zinneloos!" bulderde Burchard. "U het leven schenken? U, den
boozen, den valschen, den meedoogenloozen vijand der Kerels? Wie heeft
mher Robrecht Sneloghe bij jonkver Van Woumen gelasterd en ons eenen
bloedigen hoon doen toebrengen? Ha, gij moest de bruidegom van jonkver
Placida worden? Gij gaat trouwen met den dood!"

"Genade, genade, ik verzaak de hand van Placida!"

Maar Burchard hoorde hem niet aan en ging voort:

"Wie heeft aan het hof zelfs de vrije geboorte der Erembalds durven
loochenen? Wie is daardoor de schuld geworden des doods van den edelen
Kerel Segher Wulf? Wie heeft Karel van Denemarken het edict op den
balfaart ingeboezemd? Ha, ha, ik zou u sparen? Zeg vaarwel aan het
leven: uw uur is gekomen!"

"Bij de passie onzes Heeren, heb medelijden, o, dood mij niet!" kermde
Ghyselbrecht.

"Ik zal u niet dooden", schertste Burchard, als hadde hij vermaak
gevonden in de zieltoging van zijn slachtoffer te verlengen. "Neen, ik
wil mijne handen aan uw bloed niet bevuilen; maar gij zult gaan zien of
gij iets daarbij kunt winnen."

Hij gaf den armen ridder zulken geweldigen schop in de lenden, dat hij
ter zijde viel; en dan, een teeken tot zijne mannen doende, zeide hij
hun zeer koel:

"Verplettert de slang die zoovele jaren de Kerels met haar gif heeft
bespuwd!"

Tien zwaarden vielen te gelijk op mher Ghyselbrecht die, zonder nog
eenen zucht te kunnen slaken, den geest gaf. Welhaast waren zijne
overblijfsels onkennelijk en lagen zijne leden, zooals zijn vijand het
had voorspeld, over het plein verspreid[60].

Burchard gunde zijne bende eene korte wijl rust; want, afgemat van de
drukke vervolging, hijgden vele mannen naar hunnen adem.

Hij verzamelde ze welhaast en zeide hun, dat hij onmiddellijk met hen
naar Straten wilde gaan, om daar Rambold Tancmar te verrassen in den
burcht, die nu reeds gedeeltelijk weder was opgebouwd. Van daar zou men
naar Snelleghem loopen, met de hoop er Gervaas Van Praet, des graven
kamerheer, te vinden. Men zou de burchten der ridders onderwege bezoeken
en wapens verzamelen. Er was veel te rapen, en zoo zouden zijne mannen
eene belooning vinden voor hunnen moed en hunne verkleefdheid.

Een schallend gejuich begroette zijne woorden. Met den zegevierenden
schreeuw: "Heil, heil Willem Van Loo, onzen graaf! Leve Burchard Knap!"
verliet de bende, die door bijgekomene poorters zeer was gegroeid, het
plein en verdween kort daarop in de baan naar St-Andries.


VOETNOTEN:

[Voetnoot 53: "Dus gerust in de duisternis, besloten zij hunne misdaad
den volgenden dag bij de eerste morgenschemering uit te voeren."

GALB., p. 259.]

[Voetnoot 54: GALBERTUS, p. 260.]

[Voetnoot 55: "Het Jaar 1127, den tweeden dag van Maart ... vermoordden
de verraders den graaf, terwijl hij bad en aalmoezen uitdeelde,
ootmoedig geknield voor God."

GALE., p. 266]

[Voetnoot 56: Zie GALBERTUS, p. 267]

[Voetnoot 57: "Walter, dus gevangen en zeker dat hij moest sterven,
riep: "God, hebt medelijden met mij!" en zij antwoordden hem: "wij
zullen u betalen met hetzelfde medelijden dat gij jegens ons hebt
getoond."

"Zij haatten hem uitermate; want hij was van 's graven raad, en had in
elke gelegenheid hen benadeeld en den graaf aangehitst, om de gansche
maagschap van den proost in dienstbaarheid (servage) te brengen."

GALBERTUS, pp. 271 en 270.]

[Voetnoot 58: Aangaande dit gansche tooneel en het behoud der gevangenen
door tusschenkomst van den proost Bertulf, zie GALB, pp. 272 tot 275.]

[Voetnoot 59: "Gervaas, kamerdienaar des graven, ontvlood te paard."

GALB., p. 269.]

[Voetnoot 60: Zie aangaande dezen moord der twee zonen van Tancmar.
GALB., p. 268.]



XIV


Robrecht Sneloghe lag nog te bed. De ontsteltenis zijns gemoeds,
tengevolge der afschuwelijke voorstellen van Burchard, had hem in het
midden van den nacht langen tijd belet te slapen; maar eindelijk toch,
onder de vermoeidheid bezwijkende, was hij in eenen loomen sluimer
weggezonken. Reeds begon het morgenlicht in zijne kamer te dringen, toen
hij eensklaps ontwaakte en de oogen luisterend hield geopend.

Er heerschte in de verte een onduidelijk gebruis, als de suizende
branding eener verre zee, waartusschen bijwijlen een machtiger gerucht,
even versmoord, opsteeg. In zijne zware slaperigheid kon hij zich geen
helder denkbeeld vormen van wat hij hoorde; hij meende dat het weder
stormig was geworden en dat nu en dan een rukwind zuchtend tegen de
torens der Steenen aansloeg.

Het gebruis scheen echter te vergaan. Robrecht liet zijn hoofd terzijde
op het kussen vallen en sloot de oogen.

Maar welhaast hoorde hij in de straat eenige stemmen van lieden die in
twist waren, die klaagden of elkander riepen. Dewijl zijne slaapkamer in
het diepe zijner woning was gelegen, onderscheidde hij niets dan doffe
klanken; hij zou misschien opnieuw ingesluimerd zijn, indien niet op dit
oogenblik de stappen van een snel voorbijdravend paard voor zijnen Steen
hadden hergalmd.

Alhoewel hij in zich zelven deze geruchten verklaarde door de meening
dat het eerste veroorzaakt was door lieden die naar den burg ter
vroegmis gingen, en het andere door eenen bode des graven, zooals er
dikwijls bij het aanbreken van den dag uitgezonden werden, ontstond er
niettemin een angstige twijfel in zijnen geest.

De slaap was hem beslissend ontvloden, en vermits het nu reeds licht
begon te worden, stond hij op en kleedde zich met haast. Hoe het ware,
hij had beloofd, voor zijne afreis naar Houthem, Dakerlia en zijne
zuster nog tot vaarwel de hand te gaan drukken. Zij zouden
waarschijnlijk reeds op hem wachten.

Na eene korte wijle tijds was hij gansch gekleed, daalde den trap af en
ging naar de voorzaal om daar zijn zwaard te nemen.

Nauwelijks had hij den gordelriem zich om de lenden gegespt, of Dakerlia
en Witta stormden klagend en met opgeheven handen de zaal binnen.

"Wach arme! Wach arme!" kermden zij, "God behoede Kerlingaland!"

"Wat is er geschied?" mompelde Robrecht verschrikt.

"Wee, wee, de graaf is vermoord!" kreten zij.

"De graaf vermoord? Graaf Karel?"

"Hij ligt in St-Donaas met gekloofd hoofd!"

"Wie, wie zijn de moordenaars?"

"Eilaas, het is gruwelijk! Houtkerels van Eerneghem ..."

"En Burchard Knap?"

"Ja, Burchard ... Wat schromelijk ongeluk!"

"Hemel, ik wist het!" zuchtte Robrecht met gebogen hoofde.

"Gij wist het?" herhaalde Dakerlia, eenen stap achteruitwijkende als
hadde het verdenken van Robrechts medeplichtigheid haar doen
terugschrikken.

"Neen, neen", zeide hij, het hoofd opheffende. "Ik wist dat de woeste
Burchard het voornemen van dien ijselijken moord had opgevat. Mijne
verontwaardiging, mijne bedreigingen, mijne gebeden troffen hem, en hij
verzekerde mij dat hij van den misdadigen aanslag beslissend had
afgezien. O, die ellendeling, wat al vermaledijdingen, wat al rampen
roept hij niet over Kerlingaland en over geheel Vlaanderen!"

"Onuitwischbare schande voor ons geslacht!" klaagde Dakerlia

"Ons wacht de rechtvaardige wraak des hemels!" murmelde Witta snikkende.

"Ja, ja, men zou zich den naam van Kerel schamen", gromde Robrecht met
toorn. "Ach, ik verbrijzel veel liever mijn zwaard dan het aan de zijde
van moordenaars te moeten voeren!"

En onder het uitspreken dezer woorden trok hij zijn zwaard uit de
scheede; doch, eensklaps zich bedenkende, stak hij het weder in en zeide
op droeven toon:

"Mijne ooms! ik mag ze niet verlaten; ik moet ze steunen, beschermen
misschien. Hoe zullen zij bedrukt zijn en schrikken, zij, de hoofden van
ons geslacht! Men zal hen verantwoordelijk maken, de misdaad op hen
wreken, op hen, die onschuldig zijn.... Keer terug naar huis, Dakerlia,
of blijf hier met mijne zuster. Ik moet mij haasten naar den burg. Mijne
ooms zullen zich tegen Burchards gewelddadigheid verzetten. Hij is in
zijne blinde woede bekwaam om hen te mishandelen...."

De beide jonkvrouwen, in de gedachte dat Robrechts leven kon bedreigd
zijn, wilden hem wederhouden; maar roepend dat het niet op zulk
gevaarvol oogenblik was dat hij de vervulling van zijnen plicht zou
verzaken, rukte hij zich los uit hunne armen en verliet de zaal, ondanks
hun gekerm.

In de Hoogstraat zag hij vele lieden, die met gebaren van ontsteltenis
en schrik van den kant van den burg kwamen. Onder hen bemerkte hij eenen
poorter die hem goed bekend was. Dezen staande houdende, vroeg hij:

"Nu, Thiebald, wat geschiedt er op den burg?"

"O, mher Sneloghe, het is afgrijselijk! De graaf is vermoord in de
vroegmis; zijn lijk ligt nog in zijn bloed op den vloer der kapelle!"
antwoordde de poorter.

"Ik weet het. Waart gij er tegenwoordig?"

"Ja, ik sidder er nog van in al mijne leden."

"Ik bid u, Thiebald, zeg mij in eenige woorden: hoe is dit schromelijk
ongeluk gebeurd?"

"De graaf zat geknield voor het autaar. Burchard Knap is genaderd en
heeft hem met eenen enkelen slag het hoofd gekloofd. Ingelram Van Eessen
heeft den hofraadsheer Tancmar den schouder afgehakt; Isaac Van Eeninghe
heeft den hofbottelier bij de poort der kerk vermoord...."

"IJselijk, ijselijk!" morde Robrecht, de handen met wanhoop wringende.

"Kent gij niet mher Disdir Vos?" vroeg hij.

"Zeker, heer, ik ken hem wel."

"Was hij in de kapelle met de moordenaars?"

"Neen, hij was er niet, anders hadde ik hem gezien."

"En is Burchard Knap nog op den burg?"

"Neen, hij is daareven met zijne bende Houtkerels de stad ingeloopen,
om Tancmars zonen te gaan dooden. Wee, wee ons, mher Sneloghe! de wrake
Gods gaat nederstorten op onze stad, die besmet werd met zulke
euveldaad."

Vier of vijf andere poorters waren genaderd; een hunner, die de laatste
klacht had gehoord, riep dreigend uit:

"Wat raast gij daar, Thiebald? Dat gij een bloodaard zijt, weet
iedereen. Hoe? gij beklaagt de dwingelanden? Gave God dat al de Isegrims
dus naar de helle werden gezonden; dan zou Vlaanderen van zijne booze
verdrukkers voor eeuwig zijn bevrijd!"

"Zinnelooze, gij weet niet wat gij zegt", morde Robrecht met eenen blik
van misprijzen, doch hij liet de poorters staan twisten en haastte zich
naar den burg.

Voor de poort der kerk greep hem eene ijskoude siddering aan en hij
weerhield zijnen stap, als dede iets akeligs hem twijfelen of hij wel
verder zou gaan. Daar lag een groote plas bloed, ter plaatse waar men
den hofbottelier had gemarteld.

Zijnen moed te zamen rapende, sprong Robrecht met eene breede schrede
over de gruwelijke vlek, beklom de trap en ging in de kapelle. Hier zag
hij niemand dan eenige mannen, die met bloote zwaarden bij de deur van
de gang naar het paleis op wacht schenen te staan, vijf of zes
priesters, die met diep gebogen hoofde in de gestoelten zaten te bidden,
en drie vrouwen, bij het altaar ten gronde geknield, die nevens het lijk
weenden.

Akelig en doodsch was het hier als in een graf; slechts nu en dan werd
de stilte door eenen pijnlijken snik der treurende vrouwen onderbroken.

Mher Sneloghe naderde tot het altaar en blikte lang met stommen schrik
op het lijk van vorst Karel, dat daar nog in zijn bloed lag uitgestrekt,
zooals het onder den slag van Burchards zwaard was neergestort[61].

De jonge ridder kon zijn medelijden niet bedwingen; hem borsten de
tranen uit de oogen; maar welhaast ontstond er een grijns van diepe
verontwaardiging op zijn gelaat, en hij dreef zijne tranen met geweld
terug.

Tot de priesters gaande, zeide hij hun:

"Maar, eerwaarde heeren, waarom laat men het lijk van onzen armen vorst
dus schandelijk liggen? Bewijst hem ten minste de eer die men allen
dooden schuldig is."

De priesters schenen verwonderd over deze taal.

"Ach, mher Sneloghe, wij durven niet", antwoordde de kanunnik Ludgard,
die hem een vriend was. "De moordenaars hebben gedreigd de kerk van
St-Donaas te verdelgen, indien wij het lichaam van graaf Karel eenige
eer bewijzen. Zij zwoeren bij duren eede, den eerste die zijnen dood
durft beklagen, zonder genade neder te hakken. Zij gaan wederkeeren ..."

"En toch, wij mogen geenen godsdienst oefenen, geene plechtigheden
vervullen in eenen tempel die door eenen moord ontheiligd is", bemerkte
de oude kanunnik Littra.

"Het zij zoo", antwoordde Robrecht, "maar roept eenige broeders, doet
het lijk zooveel mogelijk van bloed reinigen, legt het op eene baar en
verbergt zijn hoofd en zijne gruwelijke wonde met een linnen kleed."

"Wij zijn u dankbaar, mher Sneloghe, voor uw Christelijk medelijden",
zeide Ludgard. "Wij zullen gelukkig zijn dezen plicht jegens de
stoffelijke overblijfsels van onzen vorst te mogen vervullen; maar wie
zal den tempel en wie zal ons tegen de wraak zijner wreede moordenaars
beschermen?"

"Wie, heeren? Ik zal u behoeden, al ware het zelfs ten koste van mijn
leven. Zegt dat de proost het u heeft bevolen."

"De proost!" herhaalde de priester op eenen zonderlingen toon, die
Robrecht verbaasde en verschrikte.

"O, mijn God!" kreet hij, "spreek toch duidelijk. Wat wilt gij zeggen?
Beschuldigt gij den proost?..."

"Neen; maar hij is oom van Burchard. De ijselijke misdaad heeft hem
zoodanig ontsteld, dat hij van moed en wil is beroofd. Hij bemoeit zich
met niets meer, zegt hij. Hem ontbreekt de macht om ons te beschermen."

"Welnu, heeren, doet alles op mijn bevel, ik blijf verantwoordelijk.
Wil iemand u hinderen, men roepe mij in de proostdij; ik zal
onmiddellijk komen en verantwoorden wat ik u heb geraden."

Dit zeggende verliet hij de kapelle en ging over het middelplein van den
burg, om zijnen oom te gaan spreken.

Een huisschalk hield hem terug, onder voorwendsel dat de heer proost
bevolen had niemand tot hem toe te laten, wie het ook ware. Hij was zeer
aangedaan en bedrukt, en wilde alleen zijn.

Maar Robrecht, daarop geene acht slaande, stiet de deur eener zaal open
en verraste zijnen oom, waar hij met het hoofd op de beide handen voor
eene tafel zat. Een open zakdoek, die nevens hem lag, scheen te getuigen
dat hij tranen had gestort.

Robrecht en de proost aanschouwden elkander een oogenblik zonder
spreken.

"Oom, wat afschuwelijke misdaad!" riep mher Sneloghe.

"Ja, ja, Robrecht", zuchtte de oude Bertulf, moedeloos het hoofd
schuddende, "Het is misschien ons aller doodvonnis! Onze vijanden zullen
de kans niet laten ontsnappen, om al de Erembalds van medeplichtigheid
aan dezen moord te beschuldigen. Gansch Vlaanderen zal ons vervolgen en
ons verderf najagen als eene rechtvaardige wraak!"

"De dood is niets, oom, wanneer men onschuldig sterft", zeide Robrecht
met beklemden toorn, "maar de schande! Wij beweren ridders te zijn,
ridders en vrije mannen, en daar gedragen voorname leden van ons
geslacht zich als laffe sluipmoordenaars! Ach, het is eene vlek die in
de verre toekomst nog op onzen naam zal kleven. Weerhield de plicht
jegens u en jegens Kerlingaland mij niet, ik verzaakte van heden af
eenen naam die met wraakroepend bloed is besmeurd!"

"Weze God ons barmhartig, Robrecht, anders is deze gruweldaad de
slavernij voor de Kerels en de marteldood voor uwe ooms!"

"En waar is nu Burchard?" vroeg Robrecht.

"Men heeft mij daareven geboodschapt dat hij met zijne woeste Houtkerels
naar Straten is geloopen om Rambold Tancmar te gaan verrassen. Eilaas,
hij heeft in de stad de beide zonen van den hofraadsheer vermoord!
Zeker, zij waren ons booze, onmeedoogende vijanden; maar zoo toch
moesten wij ons niet verdedigen. Dit bloed zullen wij duur betalen...."

"Oom, vergeef mij mijne vraag", onderbrak hem Robrecht. "Hebt gij dan
niets gedaan om Burchard het moorddadig zwaard uit de handen te rukken?
Uwe overheid op hem is groot; uw gebod ..."

"Neen, wees niet wreed voor mij, mijn goede neef", antwoordde Bertulf
bijna smeekende. "Ik gevoelde mij niet wel en lag nog te bed, toen reeds
de graaf en zijne twee raadslieden van het leven waren beroofd. Ik heb
het beproefd, Burchard van verder bloedvergieten te wederhouden; maar
hij noemde mijne vermaningen laffe woorden en weigerde mij aan te
hooren. Hij handelt op bevel en met goedkeuring van Willem Van Loo, zegt
hij, en indien dit waar is, wat kunnen wij tegen den wil van dengenen
die in den Hoop tot graaf van Vlaanderen werd verheven?"

"Maar het is niet waar, het is eene snoode logen!" kreet Robrecht met
verontwaardiging. "Burchard bedriegt ons."

"Hoe kunt gij het weten, neef?" antwoordde de proost met een treurig
schokschouderen. "Kent gij den burggraaf van Yperen? Zijne ziel is diep
verbitterd; hij haat Karel van Denemarken ontzeglijk, sedert deze, in
zijne plaats, zoo hij meent, den troon van Vlaanderen beklom. De
heerschzucht, mijn zoon, maakt den mensch tot alle euveldaden bekwaam;
de geschiedenissen, oude en nieuwe, krielen van bewijzen."

"Schromelijk!" morde mher Sneloghe, "gij waant Willem Van Loo uitzinnig
of boos genoeg, om door plassen bloed, laffelijk en snood gestort, den
troon zijner vaderen te beklimmen? En hij zou eenen Erembald, hij zou
Burchard Knap deze gruwelijke misdaad bevolen hebben?"

"Ik weet het niet, neef; maar gij zelf hebt mij gezegd, dat Burchard te
Veurne zich aanstelde als een gunsteling van mher Willem en zichtbaar
zijn bijzonder vertrouwen genoot."

"Het is waar!" bevestigde Robrecht, met eenen zucht van moedeloosheid.
"En zouden wij hem nog als graaf erkennen, den valschen en wreeden
mensch, die zijn rijk met eenen eerloozen sluipmoord begint?"

"Spreek zulke onvoorzichtige woorden niet, mijn neef", bemerkte de
proost. "Wij moeten de voorvallen afwachten en zien wat ons eigen behoud
en de verdediging van Kerlingaland van ons eischen. Wij zijn gebonden
door onzen gildeneed. Vergeet dit niet."

"Waar is mijn oom Hacket?" vroeg mher Sneloghe.

"Die is in het Gijselhuis en bewaart daar den schatmeester Frumold en
andere hofbedienden des graven, die Burchard aan onze wacht heeft
toevertrouwd."

"Oom, ik heb bevolen dat men het lijk des graven wassche en het op eene
baar legge. Het volk gaat komen; dit bebloede lichaam, indien wij het
zonder eenig bewijs van eerbied op den vloer lieten liggen, zou den
poorters afgrijzen inboezemen en hun erg verdenken tegen u en den
kastelein doen opvatten. Daarenboven, men is allen dooden eerbied
verschuldigd, en Karel van Denemarken was toch voor Vlaanderen nog de
wettige graaf."

"Ik dank u voor uwe goede zorg; gij hebt wel gedaan, mijn neef ... Ik
was door dezen ijselijken moord zoo diep ontsteld, zoo verpletterd, dat
het gansch duister in mijnen geest was geworden; nu klaart mijn verstand
een weinig op. Ik ga metterhaast brieven schrijven: naar Willem Van Loo,
om hem te melden wat hier is geschied en zijne hulp in te roepen; naar
de bischoppen van Terouaen en van Noyon, om hun te bewijzen dat ik
onschuldig ben aan deze schromelijke voorvallen en hun te verzoeken de
ontheiligde kerk te komen herwijden. Ja, Robrecht, gij zult het zien, de
Isegrims zullen al de Erembalds, en mij meer dan anderen betichten van
aan dezen moord te hebben deelgenomen of hem te hebben aangeraden.
Burchard is mijn neef; met weet dat ik alleen invloed op hem bezat, en
men zal beweren dat ik zijnen arm hadde kunnen weerhouden, indien ik den
ijselijken aanslag niet had goedgekeurd. De schijn is tegen ons. Niemand
toch kan vermoeden dat eene hoogere overheid dan de mijne dezen moord
heeft bevolen."

"Ik zelf, oom, ik kan nog niet gelooven dat mher Willem Van Loo zulk
bevel heeft gegeven. Hij is toch ridder!"

"Geve God dat gij u bedrieget; anders valt de pletterende
verantwoordelijkheid geheel op ons. Laat mij nu alleen, Robrecht; ik zal
metterhaast mijne brieven voor Willem Van Loo en de bisschoppen gaan
schrijven."

"Kan ik hier niet van eenigen dienst zijn, heer oom?" vroeg Robrecht.

"Ja, zeker, van grooten dienst; ik dacht er niet aan. Hoe verward zijn
toch mijne zinnen!" antwoordde de oude Bertulf. "Ga naar de kapelle en
blijf daar waken over het lijk des graven. Ik heb reeds vijf of zes
wapenlieden er naartoe gezonden; maar zij hebben geenen overste. Ik zal
uwen oom Hacket verzoeken er u nog anderen te sturen. Welhaast zal de
gansche bevolking van Brugge te been zijn. De menigte zal uit
nieuwsgierigheid naar St-Donaas komen gestroomd. Niet alleen moet men
daar het gewoel en het gedrang beletten, maar tevens het lijk tegen
allen hoon beschermen; want de woeste gezellen van Burchard kunnen
terugkeeren, en zij zouden hun slachtoffer niet eerbiedigen.
Daarenboven, vele poorters koesterden eenen even vurigen haat tegen
graaf Karel. Er zijn ijselijkheden genoeg gepleegd. Ga, mijn neef, en
behoed ten minste het doode lichaam tegen alle schennis en tegen alle
oneerbiedigheid."

"Het is wel, oom", antwoordde Robrecht, met eenen groet. "Wees gerust;
al moest mijn bloed zich mengen met het bloed van den ongelukkigen vorst
Karel, niemand zal ongestraft zijn lichaam hoonen."

Hij verliet de proostdij en keerde terug naar de kapelle, waar zich een
twintigtal nieuwsgierigen bevonden, die in stilte op de banken geknield
zaten en, met schrik op het gelaat, naar het altaar blikten.

Het lijk lag nu op eene soort van tafel en was overdekt met een wit
linnen. Rondom deze baar brandden een zeker getal waskaarsen Men had den
vloer van bloed gereinigd en alles, wat in de kapelle door de woeling
was overhoop gesmeten geworden, weder geschikt en gezuiverd.

Door de woorden van mher Sneloghe aangemoedigd, hadden de priesters
hunne genooten en klerken verwittigd, zoodat nu bij de baar en in de
gestoelten vele geestelijken en broeders van St-Donaasklooster in stilte
zaten te bidden. Maar hun plechtgewaad hadden zij afgelegd, en de gewone
gebeden voor de dooden lazen zij niet; want dit was hun verboden door de
kerkelijke wetten, zoolang de ontheiligde tempel niet door eenen
bisschop zou herwijd zijn.

Robrecht sprak eene wijl met den kanunnik Ludgard, schikte dan de
gewapende wachten op eenigen afstand rondom de baar en beval hun niemand
het lijk te laten naderen, en al degenen die zich oneerbiedig zouden
toonen zonder eenig ontzag terug te drijven. Hij zou in de kapelle
blijven en op het minste gerucht hun terzijde komen, om hun hulp te
bieden, indien het noodig werd.

Na dus zijne onderrichtingen te hebben gegeven, trok hij eenen bidstoel
tot bij de deur van de gang naar het paleis, en zette zich daar geknield
en met gebogen hoofd neder.

Allengs kwam er meer en meer volk in de kapelle, en na een uur tijds
begon men er zoo dicht opeen te staan, dat de wachten, alhoewel zij nu
wel twaalf in getal waren, moeite hadden om de lieden te beletten
elkander tot tegen het lijk te dringen.

Daaruit ontstond verwarring, en nu en dan een hevig gemor, dat waarlijk
inbreuk maakte op den eerbied dien men deze plaats en bovenal het doode
lichaam des graven was verschuldigd.

Robrecht stond op en beval dreigend de diepste stilte. Dan stelde hij
vier gewapende mannen bij de deur, aan de trap, en legde hun ten plicht
op niemand meer toe te laten dan wanneer de kapelle door een zeker getal
bezoekers zou ontruimd zijn.

Toen hij naar zijnen bidstoel meende terug te keeren, hoorde hij eenen
poorter luidop zeggen dat Karel van Denemarken niet meer had dan wat hij
verdiende; hij noemde hem valschaard, dwingeland en huichelaar.

Robrecht zag hem met vertoornden blik aan en beval hem te zwijgen; maar
de poorter, die verblind was door zijnen haat tegen den doode, sprak
eene grove vermaledijding uit.

Robrecht deed geweld om zijne verontwaardiging te bedwingen; hij ging
tot twee zijner wachten, zeide hun eenige stille woorden en naderde
weder met hen tot den oneerbiedigen poorter.

"Wilt gij zwijgen of oogenblikkelijk deze kapelle verlaten?" vroeg hem
mher Sneloghe.

De poorter toonde zich nog onwillig.

Op een teeken van Robrecht grepen de beide wapenlieden te gelijk hem
aan en rukten hem naar de deur, ondanks zijnen tegenstand.

"Weigert hij den burg te verlaten, men voere hem naar het Gijselhuis in
den kerker!" riep Robrecht.

De rust, een oogenblik door dit voorval gestoord, was welhaast geheel
hersteld. Dit bewijs van krachtdadigheid boezemde de menigte ontzag in,
en ieder hield zich stil.


[Illustratie: En zette zich daar geknield en met gebogen hoofd neder
(Bladz. 288)]


Robrecht keerde terug naar zijnen stoel. Uren verliepen er, zonder dat
zijne tusschenkomst nog noodig werd; want, dank aan den wijzen maatregel
door hem voorgeschreven, het men slechts opvolgend een beperkt getal
nieuwsgierigen de kapelle binnentreden.

Weinig tijds voor den middag, terwijl hij in diepe verslondenheid zat te
bidden of te overwegen, werd zijn naam zeer zachtjes achter hem
uitgesproken. Hij hief het hoofd op en zag met verrassing Dakerlia en
Witta aan zijne zijde staan.

Hij sprak met hen door treurige blikken en stomme gebaren, want, om de
stilte niet te storen, durfde niemand hunner iets zeggen.

Robrecht trok twee stoelen bij, en Dakerlia en zijne zuster knielden
nevens hem met saamgevoegde handen. Tusschen het prevelend gebed der
jonkvrouwen werd nu en dan een doffe snik hoorbaar. Zij weenden over de
misdaad en over het arm slachtoffer.

Wel een half uur hadden zij daar voor de ziel van graaf Karel en voor
het bedreigde Kerlingaland gebeden, toen mher Eggard Van Ysendijke, een
vriend van Robrecht, in de kapel trad en eenige woorden aan zijn oor
fluisterde. Robrecht stond op en deed Dakerlia en zijne zuster teeken
dat zij hem zouden volgen.

Zij zwegen totdat zij buiten de kerk op het plein waren.

Hier begonnen de ontstelde jonkvrouwen, onder het storten van nieuwe
tranen, hun medelijden met het doorluchtige slachtoffer uit te storten
en hunnen afschrik van den ijselijken moord te betuigen; maar Robrecht
troostte en versterkte hen, zoo hij best kon, en deed hun begrijpen dat
zij huiswaarts moesten keeren en daar gerust op hem wachten. Hij zou hen
gaan vervoegen zoohaast hem dit mogelijk zou zijn. Nu moest hij nog op
den burg blijven, om in de kapelle over het doode lichaam te waken. Wel
had de proost hem door Eggard Van Ysendijke doen aflossen; maar het was
slechts om hem toe te laten in de proostdij metterhaast en weinig
voedsel te nuttigen. Dan moest hij weder in de kerk zijne wacht gaan
hernemen. Overigens wist hij niet met welken anderen dienst men hem zou
kunnen belasten. Zijne ooms waren, om zoo te zeggen, gansch alleen en
zonder hulp; zijn plicht gebood hem met hen te blijven zoolang zijne
tegenwoordigheid hun van eenig nut kon zijn. Tot nu toe bestond er voor
de poorters der stad geen het minste gevaar. Dakerlia en Witta konden
dus in volle gerustheid naar huis gaan, en daar onbekommerd op hem
wachten.

Zou koutende en moeite doende om hun moed in te spreken, leidde hij hen
door de Hoogpoort en bijna tot voor zijnen Steen. Hier nam hij echter
afscheid van hen en keerde terug naar den burg.

Toen hij op het plein trad, zag hij eenen ganschen stoet geladene wagens
de Hofpoort binnenrijden. Daarop lagen in groote verwarring allerlei
wapens opgehoopt: helmen, harnassen, maliehemden zwaarden, kruisbogen,
speren, en zelfs werptuigen die men in belegerde plaatsen gebruikt om
eenen stormloop af te weren. Rondom en tusschen de wagens reden vele
Houtkerels, aan hunne diepblauwe kleeding en lange baarden kennelijk.
Dat zij deze paarden in het veld of op de ridderburchten hadden geroofd
bleek genoeg daaruit dat de meeste dezer dieren ongezadeld waren en
sommige met een zeel bij de hand werden geleid. Een gansche drom
Houtkerels te voet kwamen achter de wagens aangestapt Velen hunner
droegen kostbare voorwerpen op hunne armen of op hunne schouders: gouden
lakens, rijke kleederen, ingelegde wapens, zilveren schotels, die zij
ongetwijfeld op hunnen tocht tot buit hadden gemaakt.

Bij hunne intrede binnen den burg zongen zij met verwarde galmen:

  "Gi, rudders, dwingers, maect u van cant,
  Hier zyn de Kerels van Vlaenderlant!
  Gi, Isegrim, hoed u vor den Blauwvoet
  Of gi selt voelen wat sine clau doet.
     Onse vorderen waren vri,
     En vri so bliven wi,
  So lanc een hart, dat lafheid haat,
  In eenen Kerlenboesem slaat!

  Doedele, bommele, rondomdom,
  Houd u recht en sie niet om!"

En na dezen zang deden zij den schreeuw: "Heil Willem Van Loo, graaf van
Vlaanderen! Heil, heil!" als een donder over den burg schallen, terwijl
vele poorters dien kreet met evenveel drift herhaalden.

Het pijnigde mher Sneloghe zeer diep, het lied der Kerels bij zulke
beklaaglijke gelegenheid in den mond te hooren van lieden die hij als
laffe moordenaars aanschouwde. Het scheen hem eene ontheiliging van den
vaderlandschen krijgszang; hij sidderde van verontwaardiging bij het
gepeins dat ditzelfde lied ook in den oorlog, welke er ongetwijfeld ging
ontstaan, der Kerlen scharen ten strijde zou voeren. Het was hem nu
hatelijk geworden, het zou hem voortaan ontmoedigen en beschamen,
telkens dat het in zijn oor zou hergalmen.

Daar zag hij eensklaps Disdir Vos tusschen de Houtkerels. Deze ridder
moest een hunner oversten zijn, want hij deelde zichtbaar bevelen uit
tot het ontladen der wagens en tot het bergen der wapens in de
stapelhuizen.

Disdir Vos bemerkte Robrecht en kwam tot hem.

"Hoe staat gij daar werkeloos en onverschillig, mher Sneloghe?" vroeg
hij. "Wij gaan straks om nieuwen buit naar de burchten der omstreken.
Ditmaal zullen wij allen te paard zijn. Gaat gij niet mede?"

"Ik wil niets gemeens hebben met lieden die eenen afschuwelijken
sluipmoord hebben gepleegd", antwoordde Robrecht zeer koel.

"Maar de slag is nu toch gegeven. Uwe treurnis zal den dwingeland niet
opwekken."

"Kleve de wrake Gods en de vermaledijding der wereld op degenen die het
bloed van Karel hebben vergoten! Ik, Robrecht, wil ten minste voor mijn
eigen geweten onschuldig blijven van alle medeplichtigheid aan dien
gruwel."

Mher Vos veranderde eensklaps van toon, en het was met zekere
bekommerdheid, dat hij zeide:

"Ik was niet tegenwoordig bij den moord; toen men mij de erge
gebeurtenis kwam melden, lag ik nog te bed, wees daarvan zeker."

"Ik weet het", mompelde Robrecht. "Misschien hebt gij Tancmars zonen
zien dooden?"

"Neen, neen, in mij bijzijn is er geen druppel bloed gestort. Uit enkel
nieuwsgierigheid ben ik Burchard achternagereden naar Straten. Ik heb
hem vergezeld naar Snelleghem, Lophem, Oostcamp en Assebroeck. Overal
waren de lieden gevlucht en niemand bood ons wederstand. Burchard meende
ten minste Rambold Tancmar te verrassen; het nest was ledig en de vogel
ontvlogen ... Kom straks met ons, Robrecht. Burchard handelt op bevel
van graaf Willem; hij is zijn gunsteling en hij zal den graaf laten
weten wie in deze gewichtige omstandigheid hem bewijzen van
verkleefdheid gaven."

Mher Sneloghe glimlachte met misprijzen.

"Gij begrijpt", ging Disdir met vleiend aandringen voort, "dat vele
leenen der Isegrims zullen verbeurd worden. De graaf zal deze leenen
uitdeelen aan de ridders die hem door openbare daden van moed en
opoffering hebben geholpen. Uw deel zal groot zijn, indien gij nu zonder
aarzeling u aan de zijde van Burchard schikt en niet ten onrechte laat
denken dat het u aan stoutheid faalt."

"Ik heul niet met lieden aan wier handen nog het bloed van den
sluipmoord kleeft! Op tijd en plaats, in eenen open en eerlijken oorlog,
zal ik toonen dat ik niet weiger mijn leven voor het heil van
Kerlingaland te wagen. Nu blijf ik op den burg."

Disdir Vos scheen verdrietig over het mislukken zijner poging.

"Denk toch niet, mher Sneloghe", zeide hij, "dat ik juich over den
ellendigen dood van graaf Karel; maar, al weende ik nu ook in mijn
binnenste over het bloedig voorval, wat zou het er aan helpen? Is onze
plicht niet ons te wapenen tegen onze vijanden, die op de stad Brugge en
op Kerlingaland het verlies van den graaf zullen willen wreken? Wij
kunnen ons toch niet als kalveren door de Isegrims laten doodslaan?"

"Het is waar", zuchtte Robrecht, "maar tusschen moordenaars? Nooit,
nooit!"

Disdir Vos keerde zich om met eenen korten groet; een dof gemor rolde
van zijne lippen en hij verwijderde zich, knarsetandend van geheime
spijt.

Robrecht richtte zich naar de proostdij. Een schalk leidde hem in eene
kamer en bracht hem een stuk gebraden vleesch en eene flesch wijn.

Hij begon te eten zonder veel lust, ofschoon hij wel gevoelde dat zijn
lichaam nood had tot herstelling van krachten.

Spoedig had hij met zijnen maaltijd gedaan, en meende zich weder naar de
kapelle te begeven, toen zijn oom Bertulf bij hem in de kamer trad. De
oude proost scheen minder neerslachtig; ja, eene uitdrukking als een
glimlach verhelderde zijn gelaat.

"Kom, mijn goede Robrecht", zeide hij, o wat geschied is kan niet
hersteld worden. Wij moeten het lot aanvaarden zooals het zich voordoet,
en met beradenheid de middelen verzamelen om ons tegen de wraakzucht
onzer onmeedoogende vijanden te kunnen verdedigen. Burchard is toch van
ons maagschap. Hoe schromelijk ook de daad zij, die door hem is
gepleegd geworden, wij moeten hem bijstaan."

"Ach, oom, spreek zoo niet!" zuchtte Robrecht met afgrijzen. "Burchard
is eene afschuwelijke moordenaar. Ik hem helpen? Eischt gij dat van
mij?"

"Het is een bloedplicht, mijn neef, gij weet het wel. Ik heb lang met
Burchard gesproken; hij is in de proostdij en rust nu een weinig ...
Indien het waar is, zooals hij het verzekert, dat Willem Van Loo hem
last heeft gegeven om den graaf te dooden ..."

"Dit is onmogelijk!" kreet Robrecht met driftigheid.

"Gij kent Willem niet, mijn neef. Uw edelmoedig hart begrijpt niet dat
een ridder tot zulke gruwelen kan besluiten, al moest ook de kroon van
Vlaanderen de prijs van den sluipmoord worden. Gij bedriegt u; de tijd
zal het u leeren. In alle geval, Burchard toont zich bereid om voor den
nieuwen graaf, wie hij ook weze, zijne daden te verrechtvaardigen. Laat
hem dan verantwoordelijk blijven voor den moord, en pogen wij, van onze
zijde te beletten dat onze vijanden deze gelegenheid waarnemen om het
geslacht der Erembalds te verderven en Kerlingaland in eeuwige slavernij
te dompelen."

"Ik ben bereid tot alles, heer oom", antwoordde Robrecht, "maar aan de
zijde van Burchard niet. Sedert dezen morgen is hij een wangedrocht in
mijne oogen; mijn afkeer voor hem is onuitsprekelijk"

"Dit gevoel begrijp ik, Robrecht; maar het zal verzwakken. Kom, wees
beter beraden; men moet ook zedelijke opofferingen voor zijn land kunnen
doen ... Ik heb daar straks eene bijeenkomst gehad met de schepenen van
Brugge ..."

"Ha, zij insgelijks beven van verontwaardiging en van afschuw niet
waar?"

"Inderdaad; maar als wijze mannen denken zij aan de verdediging der stad
en aan het behoud hunner vrijheden. Wij hebben gezamenlijk besloten dat
men, met den grootsten spoed de grachten zal uitdelven, waar ze door
verloop van tijd ondiep zijn geworden. De paalwerken zullen wij
herstellen, de zwakste plaatsen der omheining met aarden wallen
versterken, de torens en poorten met allerlei wapens voorzien.
Verschijnen dan de Isegrims voor de stad, wij zullen ze kunnen afweren
en terughouden totdat Willem Van Loo met het Kerlenleger hun den strijd
komt bieden. Zijn de Kerels overwinnaars, Burchard zal voor hem en zijne
ridders terechtstaan en zich volgens hun vonnis gedragen. Gij ziet wel,
mijn goede neef, dat alles nog zoo erg niet is als wij meenden."

Robrecht schudde zwijgend het hoofd, ofschoon hij innerlijk niet
ontkende dat zijn oom gelijk had, ten minste wanneer hij aanried zich
tot verdediging tegen de Isegrims te bereiden.

Daar hoorde men in de proostdij een gerucht van stappen.

"Hemel, zou hij het zijn?" kreet Robrecht als verschrikt.

"Burchard?" antwoordde de proost, "ja, ik geloof dat hij het is."

Mher Sneloghe sprong recht en zocht met de oogen eene deur om de kamer
te verlaten.

"Bij uwe liefde tot mij en tot Kerlingaland", zeide de oude Bertulf, hem
de hand grijpende, "ik bezweer u, Robrecht, toon niet zoo openlijk uwen
afkeer voor Burchard; het zou hem diep kwetsen ... en wie weet? Ach,
indien gij elkander op zulk oogenblik naar het leven moest staan, waar
bleef onze verdediging?"

"Laat mij gaan", smeekte mher Sneloghe, "ik zal het gezicht van den
moordenaar niet kunnen verdragen; nu nog niet, later; maar nimmer toch
zal ik zonder blozen...."

"Wij bedrogen ons, het is Burchard niet!" riep de proost met blijdschap.

De kanunnik Ludgard was in de kamer getreden en zeide met groote haast:

"De schalken wilden mij beletten tot u te naderen, heeren; ik heb uw
bevel niet geëerbiedigd ... Mher Sneloghe, kom toch zonder uitstel naar
de kerk! Daar zijn Houtkerels die het lijk van graaf Karel allen smaad
aandoen; zij hebben den doek er af getrokken, de lichten uitgedoofd, de
geloovigen verjaagd en ons, dienaars des Heeren, gehoond en bespot."

Robrecht sloeg, van verontwaardiging sidderend, de hand aan zijn zwaard
en, terwijl hij zich naar de deur richtte, morde hij, dat hij een einde
aan de baldadigheid der Houtkerels zou stellen, al moest hij ook dien
goddeloozen het hoofd klooven ... maar hij deinsde eensklaps terug, als
hadde een onverwacht gezicht hem met verschriktheid geslagen.

Burchard Knap vertoonde zich glimlachende in de deur. Hem hing een
zilveren jachthoorn aan de zijde.

"Wat komt kanunnik Ludgard hier van mijne Houtkerels vertellen oom?"
vroeg hij den proost, die uit voorzorg zich tusschen Robrecht en
Burchard had gesteld.

"Hij komt hulp vragen tegen uwe mannen, die in de kapelle het doode
lichaam van vorst Karel hoonen en mijne priesters smaad aandoen",
antwoordde de proost toornig. "Ik zal niet langer dulden dat de kerk van
St-Donaas zoo wraakroepend worde ontheiligd!"

"Is het anders niet?" schertste Burchard, zijnen zilveren hoorn
aangrijpende. "Gij zult gaan zien hoe mijne Houtkerels den overste
gehoorzamen, die in naam van graaf Willem over hen gebied. Hier is de
jachthoorn van den valschen Rambold Tancmaar; zij kennen dien klank."

En dit zeggende, stapte hij, door de anderen gevolgd, uit de proostdij
en deed op het plein eenige schelle tonen hergalmen.

Even ras antwoordden van alle kanten verwarde stemmen op dit geluid, en
men zag uit de stapelhuizen en uit de kerk vele Kerels en ook poorters,
die zich in hunne bende hadden geschikt, met haast naar Burchard komen
geloopen.

"Vrees nu niet meer voor uwe kerk, heer oom", zeide deze. "Ik ga weder
met mijne mannen het veld in, om wapens te verzamelen en buit te maken
op onze vijanden ... Ginder bij de kerk staat mher Sneloghe. Hij
ontwijkt mij; ik begrijp het en vergeef hem zijne teergevoeligheid; maar
zeg hem, oom, dat hij zich niet verstoute in het openbaar mij te hoonen,
of, bij Thors hamer, hij zal slaan met mij!"

"Wat? woestaard!" gromde de proost vergramd, o gij zoudt Robrecht durven
uitdagen? Mij zoudt gij moeten dooden, vooraleer ik zulken broederstrijd
toeliete!"

"Welaan, hij bedwinge zich dan! Zijne vriendschap behoef ik niet, maar
zijn misprijzen zal ik niet dulden, in geener wijze!"

"Maar wie zegt u dat Robrecht u misprijst?"

"Ik heb er een staal van gehad dezen nacht; er zijn geene scheldwoorden
die den trotsaard mij niet naar het hoofd wierp."

"Dezen nacht?" vroeg Bertulf verwonderd.

"Ik zal het u later uitleggen. Nu heb ik geenen tijd. Vaarwel, oom, tot
onzen terugkeer."

De proost ging naar de kapelle, waar hij Robrecht reeds werkzaam vond
aan het doen herstellen van wat de woeste Houtkerels hadden ontschikt.
Een nieuw linnen werd over het lijk gelegd; men ontstak nog meer
waskaarsen en nam eenige maatregels om alle verdere ontheiliging der
kapelle te voorkomen.

Toen men hiermede gedaan had, wenkte de proost zijnen neef. Beiden
gingen tot op het middelplein. Daar zeide de oude Bertulf:

"Robrecht, wij kunnen zoo niet blootgesteld blijven aan de baldadigheid
van Burchards gezellen, zonder eenige hulp om desnoods hen in bedwang te
houden. Hoevele gewapende mannen zoudt gij op uw landgoed Ravenschoot
kunnen verzamelen?"

"Onmiddellijk, oom?"

"Voor den avond."

"In zoo korten tijd? Zeker vijftig of zestig, indien niet meer."

"Het is genoeg. Wij zullen hun de wacht van den burg toevertrouwen, en
gij zult hun overste zijn. Kunt gij zonder uitstel u naar Ravenschoot
begeven?"

"Ja, ik zal naar huis gaan om een paard te nemen. Dit zal mij
gelegenheid geven om mijne zuster en jonkver Wulf over mijne afwezigheid
gerust te stellen. Ik vertrek, heer oom, en zal mij spoeden, om met al
de mannen, die ik kan vergaderen, voor het einde van den dag terug te
zijn."

Hij meende zich naar de Hoogpoort te richten; maar de proost weerhield
hem.

"Nog één woord, mijn goede neef", zeide hij, "en ik smeek u, ik bezweer
u, hoor mijnen vaderlijken raad aan! Het kan zijn, het is zelfs
waarschijnlijk dat gij in aanraking zult komen met Burchard Knap. Uit
opoffering voor uw geslacht, uit liefde voor Kerlingaland verberg uwen
afkeer voor hem. Indien gij beiden in twist geraaktet, er zou tusschen
de mannen, die ons moeten verdedigen, eene noodlottige, eene
onherstelbare verdeeldheid ontstaan. Genoeg ware dit om onze kracht te
verlammen en al onze pogingen op voorhand te verijdelen. Beloof mij,
Robrecht, dat gij geweld op u zelven zult doen om geene reden tot zulke
splitsing te geven."

"Maar ik gevoel eenen onverwinnelijken afkeer voor hem", mompelde
Robrecht.

"Hij weet het; gij hoeft het hem dus niet meer te betuigen. Ik zal hem
aanraden, in uwe tegenwoordigheid, van Karels dood niet meer te gewagen.
Zwijg gij insgelijks daarover."

"Ik zal het beproeven, oom: uw raad is wijs, ik beken het gaarne."

"Welnu, ga dan, mijn zoon, en ontvang met mijnen zegen al mijnen dank
voor uwen goeden wil."

Hij drukte nog tot vaarwel de hand van mher Sneloghe, die met haastige
stappen zich verwijderde, om de hem opgelegde boodschap te gaan
volbrengen.


VOETNOTEN:

[Voetnoot 61: "Gedurende al dien tijd liet men daar het lichaam des
graven liggen ... zoodat zijn bloedig en verlaten lijk nog in denzelfden
toestand was als op het oogenblik dat hij den doodslag ontving."

GALBERTUS, p. 277.]



XV


Reeds vier dagen waren er verloopen sedert den moord van graaf Karel,
zonder dat er eenige gewapende macht voor Brugge was verschenen om
zijnen dood te wreken.

De Erembalds wisten echter, door hun toegezonden berichten, dat de
ridders, gansch Vlaanderen door, zich bereidden om met vereende kracht
tegen Brugge op te trekken. Zij hadden zelfs van eenigen hunner heetste
vijanden, onder anderen van Tancmars neven, brieven ontvangen, waarin
men hun toezwoer dat zij allen, als medeplichtig aan den gruwelijken
moord, tot den laatste toe zouden worden uitgeroeid.

Evenwel, deze bedreigingen boezemden hun niet veel bekommerdheid in.
Vooraleer het leger der ridders zich voor Brugge kon aanbieden, zou de
stad ruimschoots voorzien zijn van alles wat er noodig was om ook de
geweldigste aanvallen zegevierend af te weren. Daarenboven, morgen was
de vastgestelde dag voor de vergadering van het Kerlenleger in het
Wolvennest-bosch. Men mocht met recht zich zeker achten dat de ridders,
hoe machtig ook, weinig tegen Brugge zouden verrichten, indien zij tot
daar konden geraken, aangezien zij spels genoeg zouden hebben om niet
door Willem Van Loo in het open veld verpletterd te worden.

Deze bloedige bedreigingen der Isegrims hadden zelfs eenen voor de
Erembalds voordeeligen invloed uitgeoefend, dewijl zij Robrecht Sneloghe
en anderen, die met hem de moordenaars verfoeiden hadden doen besluiten
dit gevoel te verbergen of te versmachten om aan niets meer te denken
dan aan zelfverdediging en aan het behoud van hun geslacht.

Het was kort na den middag. Bertulf, de proost van St-Donaas, stond op
het binnenplein van den burg en wandelde daar langzaam over en weder, in
gepeinzen starende op hetgeen rondom hem geschiedde.

Er heerschte eene koortsige bedrijvigheid op het plein. Honderden
arbeiders krielden er dooreen; men hoorde er den bevelroep der oversten,
den zang der werkers, het gekrijsch der katrollen den zweepslag der
voerlieden.

Alle oogenblikken kwamen er wagens en karren op den burg. De eene,
geladen met koren, boonen, gezouten vleesch of andere nooddruft, werden
bij verschillende stapelhuizen of kelders gelost; de andere, plooiend
onder den last van balken en berderen, van steenen en keien, voerde men
tot aan den voet der muren en torens. Hier werd hunne vracht op ladders
naarboven gedragen of bij middel van katrollen of gewerken omhoog
geheschen. Ja, men zag er harst, vet en olie in vaten aanbrengen om
desnoods zelfs door vlammend vuur den vijand af te slaan, indien ooit
den burg door hem werd aangevallen. Zooverre zelfs had men de voorzorg
gedreven, dat men nevens de Hofpoort eenen stal had ingericht om er
eenige melkgevende koeien te zetten.

Alzoo Bertulf nu het oog gericht hield op een twintigtal arbeiders die
met inspanning van krachten een zwaren balk van den grond poogden te
heffen, naderde hem een kanunnik.

"Heer proost", zeide hem deze, "wij verzoeken u naar 's graven kapelle
te willen komen. Het graf is geheel afgewerkt; alles is gereed om de
kist er in te laten nederzakken en de steenen tafel er op te leggen. Gij
hebt den wensch uitgedrukt om bij het sluiten van het graf tegenwoordig
te zijn."

"Inderdaad, heer Ludgard; ik verwachtte uw bericht dezen morgen",
antwoordde de proost, zich naar de kerk wendende. "Kom, ik volg u."

In de kapelle, ter plaatse zelve waar graaf Karel was gevallen, had men
eene diepte gedolven en er een graf gemetst, dat aan de vier zijden drie
voet boven den vloer zich verhief.

Het lijk van graaf Karel was, op verzoek van Robrecht en op bevel van
den proost, gebalsemd en in eene dubbele kist van eikenhout en lood
gesloten geworden.

Toen Bertulf met den kanunnik Ludgard in de kapelle trad, hing de kist
boven de grafstede in twee gewerken van windassen. Een tiental arbeiders
hielden zich gereed om ze te laten nederdalen. Vele priesters zonder
plechtgewaad omringden de laatste overblijfsels van den ongelukkigen
graaf.

De proost naderde tot de kist, verzekerde zich door een vluchtig
onderzoek dat zij ongeschonden was, murmelde eenige woorden binnensmonds
en deed dan een teeken tot de arbeiders.

Langzaam daalde de kist in het graf[62].

De priesters bogen het hoofd en baden ongetwijfeld; maar hunne lippen
verroerden niet, en geen het minste geprevel stoorde de doodsche stilte.

"Het is deerniswaardig en beklaaglijk", zeide kanunnik Ludgard tot den
proost, "dat wij den armen vorst zoo moeten begraven, zonder de minste
plechtigheid, als een verlaten mensch of als een dier!"

"Het is mijne schuld niet", antwoordde Bertulf met eenen zucht. "Ik
wilde dat het anders mogelijk ware; maar in eene ontheiligde kerk...."

"Hebt gij nog geene tijding van de komst des bisschops, heer proost?"

"Geene. Mijne brieven zullen onderschept zijn geworden. In alle geval,
kanunnik, men heeft in St-Pieterskapelle eene plechtige uitvaart
gezongen, en in de kerk van St-Salvator leest men nog dagelijks de
gebeden voor de dooden. Wij moeten den tijd nemen zooals hij is."

De arbeiders hadden nu de haken der gewerken aan de zeelen gehecht,
waarmede de groote steenen tafel was omringd.

Het duurde niet lang of dit deksel zonk neder op de grafstede, welke
aldus beslissend werd gesloten.

Nog eene wijl bleef de proost, op eenen stoel knielend, voor het graf
zitten, waarna hij de kanunikken eenen stillen groet toestuurde en de
kapelle verliet.

Hij daalde weder op het plein. Daar vond hij zijnen broeder Hacket.

"Welnu, kastelein", vroeg hij hem, "gaat het werk goed voort aan de
vesten? Wij moeten ons haasten; want wie weet wat er kan gebeuren?"

"Wees niet bekommerd, broeder", antwoordde de kastelein. "Het is een
wonder, met hoeveel ijver men ginder arbeidt. Van nu af zijn wij tot
verdediging gereed."

"En hoe toonen zich de poorters?"

"Ja, gij weet het wel, velen zijn onwillig en houden zich verwijderd,
uit schrik van als medeplichtig aan den moord des graven te worden
beschouwd; maar het getal dergenen, die met ons zijn, is zoo groot, dat
wij de hulp der anderen wel kunnen missen."

Bertulf schudde het hoofd.

"Zijt gij over iets bekommerd?" vroeg Hacket.

"Niet zonder reden", morde Bertulf. "Wij hebben brief op brief en bode
op bode tot Willem Van Loo gezonden; wij hebben hem gesmeekt zich aan
ons hoofd te komen stellen; hem verzekerende dat de poorterij hem hier
als graaf van Vlaanderen zou uitroepen. Geen antwoord, geen het minste
bericht van hem!"

"Maar de tijd was kort."

"Indien Willem Van Loo ons ging verraden, Hacket?"

"Ons verraden? Hoe meent gij het?"

"Indien hij ons zonder hulp liet en ons overleverde aan de wraak onzer
vijanden, om te doen gelooven dat hij geheel vreemd is aan den moord
van graaf Karel: hij is een zelfzuchtig en arglistig man."

"Gij zijt hem altijd vijandig gebleven sedert den laatsten oorlog",
bemerkte de kastelein. "Nu nog maakt uw wantrouwen u onrechtvaardig
jegens hem. Het is eerst morgen dat Willem Van Loo aan het hoofd eener
heirkracht zal staan. Wie weet of hij overmorgen niet reeds met gansch
zijn leger voor Brugge zal verschijnen?"

"Ja, ja, maar waarom geen antwoord op onze brieven?"

"Misschien zijn de wegen niet vrij. Kom, kom, Bertulf, geenen moed
verloren: de zaken staan allerbest. Wees zeker, dat de Isegrims niet
binnen Brugge zullen geraken, al bestormen zij het met al hunne macht.
Er ontbreken ons noch mannen, noch krijgsbehoeften. Wat mij betreft, ik
beken dat de moord van Karel mij gansch ter neder had geslagen; maar nu
heb ik daarover mijn besluit genomen. Vermits de Isegrims ons allen den
dood hebben toegezworen, verdedigen wij ons leven met blinde
hardnekkigheid. Ik zal toonen dat de oude Hacket nog Kerlenbloed in de
aderen heeft!"

De proost scheen een weinig gerustgesteld door de moedige woorden zijns
broeders.

"Is Burchard nog verbitterd tegen mij?" vroeg hij.

"Neen, het is gedaan. Ik heb hem doen begrijpen dat wij den verborgen
schat van graaf Karel niet anders konden bekomen, dan door het in
vrijheid stellen van den jongen Frumold, en dat wij dien schat noodig
hebben om Willem Van Loo de kosten des oorlogs te helpen dragen. Wat de
andere gevangenen betreft, aan dezen hechtte hij niet den minsten prijs,
en hij keurt het goed dat wij hun oorlof gaven om de stad te verlaten."

"En hoe gedragen Robrecht en Burchard zich jegens elkander?"

"Tot nu toe zeer wel, Bertulf", was het antwoord. "Beiden hebben mij
beloofd zich te houden alsof zij geene redenen hadden om tegen elkander
verstoord te zijn."

"Maar Burchard is zoo onvoorzichtig. Indien hij Robrecht ging kwetsen!"

"Vrees het niet, broeder; mijne voorzorgen zijn genomen. Burchard wilde
inderdaad den meester spelen en iedereen gebieden; maar ik heb hem
uitdrukkelijk doen verstaan dat, zoolang ik kastelein des graven ben,
niemand aangaande de verdediging van Brugge iets te bevelen heeft dan ik
alleen. Ik heb onder mijn opperbestier onze krachten in drie scharen
verdeeld, en Robrecht en Burchard elk aan het hoofd van eene dezer
scharen gesteld. Zoo zullen zij elkander niet dikwijls ontmoeten. De
derde schaar staat onder mher Disdir Vos...."

"Disdir Vos?" mompelde de proost. "Het schijnt dat hij, meer dan
anderen, door zijnen raad schuld heeft aan den moord, alhoewel hij, uit
list misschien, zich op het beslissend oogenblik afwezig maakte. Hebben
wij nog niet genoeg aan Burchard? Waarom eenen zijner medeplichtigen aan
het hoofd onzer mannen stellen? Het is gevaarlijk."

"Neen, broeder, gij bedriegt u. Wij zijn door het noodlot zelf gedwongen
te handelen alsof wij aan den moord in het geheel niet meer dachten.
Ieder zal later zijne zaak verantwoorden. Disdir Vos toont zich zeer
ijverig en onversaagd. Hoe schuldiger hij is, hoe hardnekkiger hij zal
strijden, om niet in handen der Isegrims te vallen. Burchard verlangde
voor Disdir een bevelhebberschap. Ik heb onze neef die voldoening
gegeven."

"Gistermorgen zijn Ingelram Van Eessen, Willem Van Wervick en Isaac Van
Reninghe met eenigen onzer mannen naar het Noord-Vrije gegaan, om daar
eene bende Kerels te verzamelen. Zijn zij nog niet terug?"

"Neen, broeder, wij verwachten ze heden avond. Mistrouwt gij hen
insgelijks?"

"Geloof mij, Hacket, ik wenschte dat zij niet meer in Brugge
terugkeerden. Hoe minder moordenaars van graaf Karel wij tusschen ons
hebben, hoe beter het zal zijn voor onze zaak."

"Gij zijt niet al te wel gestemd vandaag", zeide de kastelein met eenen
glimlach. "Kom, kom, Bertulf, houd goeden moed. Ik was hier bevelen
komen geven om paarden en karren naar de Kathelijnepoort te doen zenden.
Men wacht mij op de vesten; mijne tegenwoordigheid is daar voortdurend
noodig. Tot dezen avond!"

De kastelein richtte zijne stappen naar de Hofpoort; Bertulf trad in de
proostdij en zette zich daar in eene kamer voor eene tafel waarop eenig
schrijfgerief lag.

Hij bleef lang, met den blik in de ruimte, den toestand der zaken
overwegen. Het volledig stilzwijgen van Willem Van Loo moest inderdaad
zijnen geest bekommeren; want hij schudde soms het hoofd, terwijl hij
den naam van den nieuwen graaf morrend uitsprak.

Eindelijk had hij eene pen gegrepen, en wilde zich aan het schrijven
zetten, toen de kastelein Hacket, door twee ridders gevolgd, in de kamer
trad.

"Mijn broeder", zeide hij, de ridders voorstellende, "ziehier mher
Godschalk Tayhals en mher Baldwin Spegel, die, als gezanten van onzen
graaf Willem, u het antwoord op onze brieven brengen."

Deze aankondiging moest den proost zeer verblijden; want hij sprong
recht, ging met eenen minzamen glimlach de afgevaardigden te gemoet en
drukte hun de handen.

Na eenige woorden tot groetenis en verwelkoming met hen te hebben
gewisseld, betuigde Bertulf den wensch om hunne boodschap te kennen.

"Onze graaf Willem", sprak Godschalk Tayhals, "doet u door onzen mond
zeggen dat gij den moed niet zoudt laten zakken, en vertrouwen hebben op
zijnen bijstand. Zoohaast het hem mogelijk is, zal hij met zijn gansch
leger naar Brugge komen[63]. Al de macht, waarover hij nu kon
beschikken, heeft hij u tot hulp afgezonden. Wij hebben vierhonderd
dappere kerels met ons gebracht. Dewijl wij te paard waren, hebben wij
hen omtrent Zedelghem verlaten. Binnen iets meer dan een uur zullen ze
te Brugge aankomen."

"Ha, het is eene goede tijding!" riep Bertulf.

"Ja, heer proost", bemerkte Baldwin Spegel, "en gij moogt gelooven dat
wij de bloem der Kerels tot u hebben geleid; want deze vierhonderd man
waren reeds in het Wolvennest voor den gestelden tijd. Men is dus
verplicht te denken dat het hun aan geenen strijdlust ontbreekt.

"Dankt in onzen naam den heer graaf voor zijnen goeden bijstand", zeide
de proost. "Wij hebben wel juist geene behoefte aan strijdvaardige
mannen; maar op de poorters kunnen wij toch niet al te vast betrouwen.
Velen twijfelen of zij zich wel voor ons willen verklaren. De minste
tegenspoed zou de anderen eveneens aan het wankelen kunnen brengen. Met
Kerels zijn wij zeker dat men Brugge zal verdedigen totterdood, en de
Isegrims er niet zullen in geraken dan over puinhoopen en lijken."

"Alzoo, gij meent sterk genoeg te zijn om de stad te behouden totdat het
leger u ter hulp komt? De heer graaf richt u door mij deze vraag toe",
zeide Godschalk.

"Voor het behoud der stad stel ik mij verantwoordelijk!" riep de
kastelein.

"Wij weten, heeren, dat een leger Vlaamsche ridders en wapenlieden
Atrecht heeft verlaten en door Rijssel is getrokken. Dezen zullen
waarschijnlijk over Kortrijk en Thourout naar Brugge komen. Morgen reeds
zouden ze voor uwe wallen kunnen verschijnen. Zijt gij zeker de stad
gedurende eenige dagen te kunnen verdedigen?"

"Gedurende weken en maanden", antwoorden de proost en zijn broeder.

"Morgen eerst vergaderen de Kerels in bet Wolvennest-bosch. Een paar
dagen zal onze heer graaf bestellen aan het haastig inrichten van zijn
leger. Dan zakt hij met al onze heirkracht naar Brugge af om u te
ontzetten, indien gij inderdaad waart belegerd. Hebben wij dus goeden
moed: voor het behoud van Brugge is niets te vreezen."

De proost bood den afgevaardigden eenige ververschingen aan; maar zij
drukten den wensch uit om daarmede te wachten tot het avondmaal, dewijl
zij naar de Smedepoort zich wilden begeven, om bij de aankomst hunner
mannen tegenwoordig te zijn.

Hacket zeide dat hij hen zou vergezellen en, indien hem tijd daartoe
overbleef, de gelegenheid zou waarnemen om hun eenige der
verdedigingswerken te toonen, waaraan men nu met allen spoed de laatste
hand legde.

Bertulf zou in de proostdij blijven om te zorgen voor de slaapsteden en
het voedsel der vierhonderd Kerels, en tevens de noodige bevelen te
geven om den afgvaardigden des graven een behoorlijk avondmaal te
bereiden.

Toen de kastelein met de beide ridders aan de Ezelpoort kwam, toonde hij
hun, niet zonder fierheid, hoe honderden en honderden poorters daar aan
het arbeiden waren om balken te richten en aarde aan te voeren. Hij
leidde hen langs de vesten naar de Smedepoort. Onderweg zagen zij overal
dezelfde bedrijvigheid: hier metselde men, daar timmerde men, verder
droeg men steenen op waltorens en op vestingmuren[64].

Bij de Smedepoort ontmoetten zij Robrecht Sneloghe, die daar den arbeid
van zijne zestig Ravenschootsche Kerels bestierde. Dezen waren druk
bezig met achter een gedeelte van den muur, dat onsterk scheen, eenen
hoogen wal op te werpen, en zij brachten de aarde met kruiwagens van het
plein, dat buiten de poort was gelegen.

Juist had Hacket zijnen neef Robrecht aan de afgezanten des graven
voorgesteld, toen men in de verte een bazuingeschal hoorde hergalmen.

Daar de arbeiders niet wisten wat dit krijgsgerucht te beduiden had,
lieten zij allen hun gereedschap of hunne werktuigen staan, en klommen
op de muren om in het veld te kijken.

Alhoewel Godschalk Tayhals en zijn makker verzekerden dat de naderende
bende geene andere kon zijn dan degene welke zij tot hulp nadden
aangebracht, riep mher Sneloghe uit voorzichtigheid zijne mannen onder
de wapens.

Zoohaast echter de vierhonderd Kerels op het plein, dat men het Zand
noemde, zichtbaar werden, herkenden hen de arbeiders aan hun blauw
kleedsel en aan hunne baarden. Een lang vreugdegeroep ontstond boven de
wallen en klonk hun reeds van verre als een gulhartig welkom tegen.

De Kerels trokken de poort binnen, onder het geschal der bazuinen en
onder de aanjagende galmen van der Kerlen krijgslied. Zij werden door
hunne Brugsche vrienden met gejuich, met handgeklap en met het zwaaien
der hoeden onthaald.

Deze mannen schenen in het geheel niet vreemd aan het voeren van
oorlogswapenen; want zij gingen in geslotene gelederen en waren verdeeld
in zekere kleine benden, waarvan elke was voorafgegaan door eenen Kerel
die over haar gebood.

Aan het hoofd van allen stapte Benkin, een beroemd schutter. Hij was een
man van middelmatige gestalte, maar met zulke breede schouders en
struische leden, dat men van hem met reden zeide, dat hij sterk scheen
als een beer. Op zijnen rug hing een groote kruisboog, met eene breede
stalen lat. Zulke bogen droegen tevens de meesten zijner gezellen.

Hier en daar achter de gelederen stapten een tiental gehuwde vrouwen,
even sterk van leden en even fier van houding als mannen, die eetwaren
droegen of met eenig klein gepak waren beladen.

De kastelein en de afgezondenen des graven volgden de Kerels in de
Noordzandstraat.

Nog eenigen tijd na hunnen doortocht bleef het gejuich der arbeiders
aanhouden. Men wenschte elkander geluk over de komst van zulke schoone
bende mannen, wier trotsche houding ontzag inboezemde en wier oogen van
onversaagdheid gloeiden. Maar Robrecht en de mindere oversten
herinnerden hun dat de tijd te kostelijk was om hem aan vreugdegeroep te
verspillen. Allen hernamen weder met nieuwe drift hun werk.

Ongeveer een uur daarna kwamen eenige landlieden met snelheid over het
Zand naar de poort geloopen. Van verre riepen zij reeds uit al hunne
macht:

"Harop, harop! De vijand, de vijand!"

Robrecht ging hun te gemoet.

"Gauw, heer, te wapen!" zeiden zij hem. "De baan naar Thourout, zooverre
het gezicht reiken kan, is overdekt met ridders, met wapenlieden en met
wagens. Gansch een machtig leger!"

"Het is wel", antwoordde hun Robrecht. "Komt nu binnen de stad en maakt
geen gekerm!"

Hij deed de poort sluiten en de egge nederlaten, en vergaderde met haast
zijne mannen. Vier of vijf hunner, op wier behendigheid hij vertrouwen
kon, zond hij naar den burg, om de kastelein te verwittigen, en naar de
andere poorten, om den oversten kennis te geven van des vijands
waarschijnlijke nadering.

De werklieden wierpen hun gereedschap neder, en beklommen de wallen,
daar zich gereed houdende om den vijand, ook van verre, met pijlen of
slingersteenen te treffen.

Weinig tijds daarna zag Robrecht, die boven de poort op eenen der torens
geklommen was, ten einde van het uitgestrekte plein inderdaad eene
schaar ruiters opdagen. Vele andere scharen vertoonden zich opvolgend.
Daarna kwam een machtige drom voetvolk, en eindelijk eene reeks wagens
en karren, van welke de meeste, voor zooveel hij het onderscheiden kon,
met zakken meel en sommige met lange ladders waren beladen.

Deze krijgsmacht, die volgens zijne berekening wel tot twee of
drieduizend man kon beloopen, schikte zich gansch ten einde van het
plein en buiten bereik der schutters in eenen dichten hoop. Het dacht
Robrecht dat men zich bij de achterhoede bezig hield met de ladders van
de wagens te lossen. Was de vijand dan voornemens onmiddellijk eenen
stormloop te beproeven? Wie kon het weten? Misschien hoopte hij door
dezen onverwachten aanval de Bruggelingen te verrassen en te
overrompelen.

Robrecht liep naar beneden en zond in allerhaast nog eenigen zijner
mannen in verschillende richtingen. Hij ging op de wallen, onderzocht
alles, om zich te verzekeren dat men in alle geval gereed was om de
Isegrims duchtig te onthalen, en moedigde iedereen door eenige
vertrouwvolle woorden aan.

De kastelein Hacket, die hier bij hem kwam, verhaalde hij wat hij van
boven den toren had bemerkt. Hij drukte de overtuiging uit, dat men zich
aan eene onmiddellijke bestorming te wachten had, en, aangezien de
Isegrims waarschijnlijk de Smedepoort of de Bouverypoort zouden
aanvallen, vroeg hij of het niet raadzaam was mannen van de andere
poorten te roepen om den bedreigden kant der stad te versterken.

Maar de kastelein zeide hem, dat de vierhonderd Kerels des graven
onmiddellijk ter Smedepoort zouden komen. Deze versterking was
voldoende. Men kon niet vast weten welke de inzichten van den vijand
waren, en men mocht de verdediging der andere poorten niet ontijdig
verzwakken.

Hacket gebood beneden de muren het vuur onder de ketels te ontsteken en
met spoed pek, olie en vet aan het zieden te brengen, om daarmede den
vijand te onthalen, indien hij waarlijk tot aan den voet der wallen
dorst naderen.

Dan klom hij met Robrecht naarboven op den toren der poort en stuurde
zijn gezicht over het plein.

Wel zag hij den dikken drom der vijanden als eene zwarte wolk tegen het
verre geboomte krielen; maar zijne oogen hadden de kracht der jeugd niet
meer, om te onderscheiden wat men daar verrichtte.

"Vele ridders zijn van hunne paarden gestegen", zeide hem Robrecht. "Men
heeft al de ladders van de wagens genomen. Nu is men bezig, op vijftig
plaatsen te gelijk, met de zakken meel te lossen; het zijn kleine zakken
... want elk man loopt weg met zulke zakken op de schouders. Wat mag dit
beduiden?"

"Weet gij het niet?" kreet Hacket. "Het zijn zakjes aarde om de grachten
te vullen. Kom, kom, Robrecht! Geen twijfel meer. Wij zijn bedreigd met
eene geweldige bestorming. Beneden, beneden, en elk aangemoedigd om
zijnen plicht te doen!"

Zij daalden haastig van den toren, liepen op de wallen, kondigden den
onmiddellijken strijd aan en bezwoeren door vurige woorden hunne mannen,
bij den eersten aanval te toonen dat men poorters en vrije Kerels niet
zoo gemakkelijk over het lijf loopt als de Isegrims het schenen te
gelooven.

De vierhonderd man van graaf Willem waren intusschen op den wal gekomen.
Zij werden met de andere boogschutters, in twee of drie gelederen diep,
achter de kanteelen van den muur geschikt, om allereerst den vijand van
verre te begroeten. Degenen, die de zware steenen, de kokende olie of
het brandend pek zouden werpen, hielden zich gereed beneden den wal.

Boven den muur, nevens de Smedepoort, stond Hacket met mher Sneloghe de
bewegingen van het vijandelijk leger gadeslaande. Het oogenblik van den
aanval scheen eindelijk te naderen.

"Robrecht, ziet gij nog de ridders, die van hunne paarden gestegen
zijn?" vroeg Hacket.

"Ja, zij hebben breede beukelaars", was het antwoord. "Zij zijn het die
zullen pogen onze wallen te beklimmen. De mannen met de ladders staan
hen terzijde, niet waar?"

"Zooals gij zegt, oom; en aan de andere zijde staat een gansche hoop
mannen, waarvan elk eenen zak aarde op den schouder heeft ... Maar zie
nu! Daar treedt een dichte schaar boogschutters vooruit en verbergt het
overige des legers voor mijn gezicht!"

"Geeft acht, geeft acht, mannen, het spel gaat aan den gang!" riep de
kastelein, die zulke bestormingen ongetwijfeld meer dan eens had
bijgewoond.

En inderdaad, nauwelijks had hij deze verwittiging uitgesproken of de
bazuinen hergalmden op het plein, en een gedeelte van het vijandelijk
leger, met de schuttersbenden aan het hoofd, kwam vooruit naar de stad.

Duizenden pijlen en schichten snorden eensklaps door de lucht en kwamen
zich tegen den muur verbrijzelen of vlogen over de kanteelen. Uit de
stad antwoordde men even overvloedig; en dewijl de Bruggelingen hunne
pijlen op dichte gelederen zonder beschutting zonden, troffen meest
allen het doel. Men zag onder de vijandelijke schutters vele mannen ter
aarde storten.

Ook op de wallen werden eenige mannen achter de kanteelen door pijlen
geraakt en doodelijk aan het hoofd gewond.

Alhoewel het verlies des vijands meer en meer aangroeide naarmate hij de
vesting naderde, onderbrak hij zijnen gang niet. Men zou gezegd hebben,
dat zijne voorste gelederen onweerstaanbaar door andere scharen werden
voortgestuwd.

Eensklaps opende de schuttersbende zich in haar midden, en een donderend
krijgsgeschreeuw galmde over het plein.

Vele honderden mannen met zakken op de schouders, en achter hen eene
schaar ridders met den beukelaar aan den arm kwamen juichend
vooruitgestroomd, ondanks de pijlen, die velen hunner doodelijk troffen.

De mannen met de zakken smeten hunnen last nevens de Smedepoort in het
water, zoolang en zooveel dat de gracht op die plaats er eindelijk
gansch mede was opgevuld. Lijken en gewonden lagen er bij hoopen op den
boord des waters.

Dan, onder het aanheffen van nieuwe oorlogskreten, naderden andere
mannen den wal en stelden hunne ladders tegen den muur. De ridders
stormden vooruit en klommen op de ladders ...

Maar de Kerels hielden zich gereed om hun deze blinde vermetelheid duur
te doen boeten. Van boven wierp met groote steenen, kokende olie en
vlammend pek op de bestormers. Allen vielen opvolgend met verpletterend
hoofd of verbrande ledematen naar beneden.

Evenwel, hoe meer hunner gezellen zij zagen nederstorten, hoe heviger
zij elkander aanmoedigden om den storm niet op te geven. Zij zouden het
moordenaarsnest rooven en de snoode Blauwvoeten tot den laatste toe
vernietigen, hoeveel edel bloed daar ook voor moest opgeofferd worden.

Robrecht Sneloghe toonde eene verwonderlijke onversaagdheid. Niet alleen
stond hij immer geheel recht op den wal, zonder zich voor des vijands
pijlen te beschutten, en vuurde onophoudend den moed zijner mannen aan;
maar toen eens een zeker getal ridders er in gelukten boven den muur te
geraken, en de toestand voor de Kerels gevaarlijk scheen te worden,
sprong Robrecht met zijne dapperste gezellen toe en doodde, na eenen
heldhaftigen strijd, de aanvallers, of dreef ze van den wal in de
gracht.

Hij was zelfs aan de wang gekwetst geworden; maar hij gaf er geene acht
op, want alhoewel hem bloed in den hals liep, had hij slechts eene
ondiepe snede bekomen.

Burchard en Disdir Vos waren met een gedeelte hunner mannen komen
toegeloopen; maar hunne hulp was overbodig, dewijl er boven den wal
geene ruimte was om nog meer strijders toe te laten.

Er kwam eindelijk een oogenblik dat de vijand, door groote verliezen
uitgeput, begon te beseffen dat hij iets onmogelijks had ondernomen.
Zijn stormloop scheen te verzwakken ...

Dan klonken uit de verte eenige schelle bazuintonen. De ridders, op dit
sein, zagen van den aanval af, hieven onder eenen hagel pijlen met allen
spoed hunne gekwetste makkers van den grond en verwijderden zich van
het plein, om het grootere gedeelte van hun leger te gaan vervoegen.

Een tiental herhaalde zegekreten en hoonend schaterlachen klonken hun
van de stadswallen ten spot achterna.

Evenwel bleef de bezetting boven den muur gereed staan om eenen tweeden
aanval af te weren; want men was overtuigd dat de ridders niet zoo met
schaamte de bestorming zouden verzaken, zonder eene nieuwe poging te
beproeven. Men zag evenwel schier onmiddellijk de ridders te paard
springen en het leger zich bewegen, om het plein te verlaten.

Robrecht en de Kerels des graven wilden de poort geopend hebben om de
Isegrims achterna te zetten en ze in het open veld aan te vallen; maar
de kastelein deed hun begrijpen hoe onvoorzichtig het was, met geringe
macht den strijd te bieden aan een gansch leger ridders, wier paarden
alleen voldoende waren om vijf- of zeshonderd man te verpletten.

Na verloop van eenigen tijd, toen men verzekerd was dat de vijand zich
beslissend had verwijderd, deed de kastelein de poort openen en zond een
groot getal arbeiders naar buiten met spaden, houweelen en draagbaren,
om de dooden te begraven en de gekwetsten binnen de stad te brengen.
Anderen gelastte hij met lange haken de zakken aarde uit de vest op te
halen.

Van eenen gekwetsten ridder, dien Hacket goed kende, vernam hij de ware
macht en de inzichten des vijands. Wel met zesduizend sterk, de
wapenlieden er onder begrepen, hadden de ridders Atrecht verlaten. Hier,
voor Brugge, waren zij ongeveer drieduizend sterk, onder bevel van den
kamerheer Gervaas Van Praet. Het andere gedeelte had zich over St-Omaers
gericht om in Veurne-Ambacht te vallen. Eenige ridders hadden te
Kortrijk het voornemen opgevat eene vermetele poging te beproeven om
Brugge bij verrassing te winnen. Gervaas Van Praet had dit waagspel ten
sterkste afgekeurd, te meer daar hij besloten had Brugge slechts te
bewaken, om te beletten dat het hulp uit Kerlingaland krege, totdat de
Gentenaars met de beloofde stormtuigen zouden aankomen. Ongelukkiglijk
had mher Gervaas de drift en de strijdlust zijner ridders niet kunnen
bedwingen, en eindelijk hun toegelaten den noodlottigen stormloop te
beproeven. Nu zou mher Gervaas ongetwijfeld zijn eerste ontwerp
hervatten, dit is te zeggen, dat hij zijn leger ergens in de omstreken
van Brugge zou nederslaan om daar, zonder iets meer te ondernemen, de
komst af te wachten van de Gentsche ridders, die hem allerlei
stormtuigen moesten aanvoeren.

Het nieuws dezer eerste overwinning had zich met groote snelheid door de
stad verspreid. Vele lieden, die gedurende de bestorming zich hadden
verschuild gehouden, kwamen nu naar de wallen geloopen, om daar met de
gewapende poorters en met de Kerels over de behaalde zegepraal te
juichen, of om zich te verzekeren dat hunne bloedverwanten of vrienden
niet in den strijd gesneuveld waren.

Welhaast was de menigte bij de Smedepoort zoo groot, dat men elkander
daar verdrong, en zeker, het waren de vrouwen en de kinderen niet die
het minst uitgelaten schenen en door luidruchtig gejubel hunne
blijdschap betuigden.

De proost was insgelijks, met eenigen zijner kanunniken en met de
afgevaardigden van graaf Willem naar de plaats der bestorming gekomen.
Hij en zijne gezellen omringden Robrecht Sneloghe en overlaadden hem met
gelukwenschen over zijne onversaagdheid. Men had zijne wonde met eene
enkele kleefpleister gesloten; doch het bovenste gedeelte van zijnen
kolder was nog bevlekt met bloed. Mher Sneloghe riep lachend dat men
ongelijk had hem voor zulke onbeduidende daden te prijzen; de proost,
die hem zeer liefhad, sprak uitbundig zijnen lof.

Disdir Vos stond op een paar stappen terzijde, en luisterde met verkropt
gemoed en nijdig hart op hetgeen men rondom Robrecht zeide. Hij hield in
schijn de oogen in eene andere richting; maar een aandachtig toeschouwer
hadde wel aan den zuren grijns zijner lippen bemerkt dat elk woord van
lof hem als een pijl door den boezem boorde.

Eensklaps trof hem eene zonderlinge ontroering; hij sidderde en
verbleekte ... Daar zag hij Dakerlia en Witta door de menigte dringen,
reeds van verre de handen tot Robrecht uitsteken, en een oogenblik later
hem met kreten van blijdschap aan den hals vliegen.

Zijn hart verkrampte, terwijl hij den blik op Dakerlia hield gevestigd
en zien moest met welke onverborgene teederheid zij hem gelukwenschte en
God dankte om zijn behoud. Dakerlia, zoo op de borst van Robrecht tranen
van liefde stortende? Het deed hem sterven van minnenijd en haat. Een
somber gegrol ratelde in zijne keel; hij verwijderde zich tusschen de
menigte, en vluchtte verre van daar, om niet langer door het
zielverscheurende schouwspel te worden gemarteld.

Het behaagde den proost niet de poorters en Kerels met verwonderde
blikken te zien staren op de bewijzen van genegenheid en liefde, welke
Dakerlia en Witta niet ophielden Robrecht te geven.

"De dag loopt ten einde, mijne kinderen", zeide de oude Bertulf. "Ik zal
den kastelein Hacket verzoeken mijnen neef aan de Smedepoort gedurende
een paar uren te doen vervangen; en ik noodig u allen om met mij en de
heeren gezanten des graven het avondmaal in de proostdij te komen nemen.
Gij zult aldus tijd genoeg en eene betere gelegenheid hebben om uwe
vreugde over onze eerste zegepraal uit te storten."

Deze uitnoodiging werd dankbaar aanvaard. De proost verliet met zijn
gezelschap de plaats van den strijd en verwijderde zich door de
Noordzandstraat.

De kastelein Hacket bleef nog, om de goede uitvoering zijner bevelen te
verzekeren.

Twee uren later was de opgelegde arbeid verricht: de dooden waren
begraven, de gekwetsten naar de ziekenhuizen gevoerd, de aarde uit de
gracht opgehaald.

Men had boven de wallen sterke wachten gesteld en aan de overige mannen
toegelaten gansch gekleed in de gebouwen van den burg te gaan slapen,
ten einde bij den eersten Harop-kreet te been te zijn.

Slechts nog eene enkele maal werd de rust der wachten gestoord, en riep
men de bezetting der Smedepoort onder de wapens. Het was ter oorzake der
terugkomst van mher Ingelram Van Eessen en zijne gezellen, die naar het
Noordvrije waren gegaan om er hulp te zoeken. Zij traden in de stad aan
het hoofd van een honderdtal Kerels, en begaven zich naar den burg.

Alles werd weder stil bij de poorten en op de vesten. Het was zeer
duister en er heerschte eene diepe stilte over de stad. Slechts nu en
dan hoorde men omtrent de wallen de stappen van kleine benden hergalmen,
wanneer het uur tot het aflossen der wachten was verschenen.

Disdir Vos voerde het bevel over de vijftig Kerels die met de bewaking
der Kathelynepoort waren belast..

Terwijl zijne mannen, in de beide wachthuizen van wederzijde der poort,
zich met dobbelen vermaakten of op bossen stroo lagen te slapen, zat hij
in het oppervertrek van een der torens bij eene tafel, waarop een smokig
lampje brandde.

Met het hoofd op de hand schouwde hij denkend in de half-donkere ruimte.
Nu en dan verkrampte zijn gelaat of deed hij een gebaar van gramschap.
Het moest stormen in zijn hart, want zijne wezenstrekken bewogen
geweldig onder den slag zijner akelige gepeinzen, en niet zelden
ontsnapte hem een holle zucht.

Hij stond op, wandelde eene wijl over en weder en morde dan in zich
zelven:

"Het is gedaan: geene hoop meer! De Kerels zullen zegepralen; Willem Van
Loo zal graaf van Vlaanderen zijn; Robrecht, mijn vijand, zal de
bruidegom van Dakerlia worden ... en ik, ik zal van nijd en wanhoop mij
het hart opvreten ... Doemenis! mijn ontwerp was zoo goed berekend.
Hadde ik hem slechts tot deelneming aan den moord van graaf Karel kunnen
verleiden. Ik hadde wel gemaakt dat zijn hoofd de prijs wierde der
misdaad. Hij verdwenen, dan zou Dakerlia mijne vrouw worden. Maar wat
nu? Eilaas, eilaas, wat nu? Ach, hadde ik hem dezen namiddag kunnen
doorsteken met mijne oogen!"

Er werd op de deur geklopt en de Kerel, die onder hem over de wacht der
poort gebood, trad binnen.

"Mher Vos", zeide hij, "hebt gij niet gehoord dat er iemand buiten voor
de poort staat, die vraagt om te worden binnengelaten? Hij beweert
gewichtige tijdingen voor den kastelein te brengen."

"Wie is hij?"

"Hij zegt dat hij Lambrecht Ploegijzer heet en te Bethferkerke woont."

"Ha, ik ken hem; het is een van mher Burchards lieden. Doe uwe mannen
onder de wapens komen, Landfried; open de poort met voorzichtigheid en
geleid den bode tot mij."

Landfried ging ter kamer uit.

Eene wijl daarna keerde hij weder met eenen man, die wel in blauw linnen
gekleed was, doch geenen baard droeg.

Zoohaast Landfried zich weder had verwijderd, zeide Disdir Vos:

"Gij zijt Lambrecht Ploegijzer, een vrijlaat van Bethferkerke, niet
waar? Ik herken u. Zijt gij niet eens met mher Burchard Knap en met mij
ter jacht geweest in het Merleijtebosch, bij Bekeghem?"

"Inderdaad, heer", antwoordde de bode, "het is niet zeer lang geleden."

"Gij brengt berichten voor den kastelein. Zijn zij geheimen, Lambrecht?"

"Voor u niet, heer. Indien gij het verlangt, ben ik bereid u te zeggen
wat ik weet."

"Zeker. Gij zult mij vermaak doen", bevestigde Disdir Vos.

"Welnu, heer, ik breng slecht nieuws."

"Slecht nieuws? Voor de Kerels?"

"Voor Brugge en voor de Kerels."

"Laat hooren, Lambrecht."

"Ziehier de zaak. De Isegrims hebben mij gedwongen, met eene kar en twee
paarden hen te volgen, om gekwetsten te vervoeren. Ik heb gedurende drie
uren afgeluisterd wat er rondom mij werd gezegd, en alles wel in mijn
geheugen gedrukt. Het mislukken van den stormloop tegen Brugge heeft
noch den ridders, noch den wapenlieden den moed benomen. Integendeel,
zij lachen er mede als met een verloren waagspel zonder gewicht, en zij
spreken zonder vrees en drukken pochende de vaste overtuiging uit dat,
eer eene week verloopen zij, niet alleen Brugge in hunne macht zal zijn,
maar tevens geheel Kerlingaland voor altijd onder het juk der
dienstbaarheid zal gebukt liggen."

"Ijdele bedreigingen van verwaande lieden!" mompelde Disdir.

"Neen, neen, heer; hunne woorden deden mij beven; want, indien het waar
is wat zij als bewijzen hunner overtuiging doen gelden, dan blijft er
weinig hoop voor Brugge en voor de Kerels."

"Welke bewijzen?"

"Deze ridders zijn slechts eene zwakke voorhoede van een ontzaglijk
leger, heer. Gansch de Vlaamsche heirkracht, die te Atrecht is, zal
opvolgend naar Kerlingaland afzakken. Binnen weinige dagen, overmorgen
misschien, komen de ridders van Keizers-Vlaanderen met al de stormtuigen
die de burg van Gent zoo overvloedig bezit, en met ontellijke
wapenlieden. Men heeft tot in Holland en Friesland toe ridders gezonden,
om daar huurbenden te gaan halen. Men schat aldus, binnen zeer korten
tijd, twintigduizend man in Kerlingaland te kunnen brengen. Aan zulke
macht, door de stormtuigen van Gent geholpen, kan Brugge geene twee
dagen weerstand bieden, ten minste zoo beweren zij het met eenen grooten
schijn van reden."

"Maar gij vergeet het Kerlenleger", bemerkte Disdir Vos. "En indien men
den landstorm in Kerlingaland uitroept, zullen wij dan niet insgelijks
een even ontzaglijk leger in het veld brengen?"

De bode trok de schouders op.

"Ja, hadden wij tegen de Isegrims alleen te staan, misschien ware alle
hoop niet verloren", antwoordde hij, "maar weet gij, heer, wat ik eenen
gekwetsten ridder heb hooren zeggen? De koning van Frankrijk heeft te
Atrecht gezworen dat, indien de Vlaamsche ridders niet onmiddellijk den
moord van graaf Karel kunnen wreken, hij zelf met het geheele Fransche
leger in Vlaanderen zal vallen. Hij heeft daarbij nog zijn koninklijk
woord verpand dat de moordenaars des graven en alwie hen, van dicht of
van bij, met raad of daad hebben geholpen, zonder genade eenen
schrikkelijken dood zullen onderstaan. De Fransche vorst was vriend en
bloedverwant van graaf Karel, en hij heeft zich aangesteld als
wraakeischer over zijnen moord."

Disdir Vos zag eene wijl ten gronde.

Het hoofd weder opheffende, vroeg hij, in gedachten:

"Waar zijn nu de ridders? Weet gij het?"

"Ja, heer, mijn wagen en paarden zijn er nog De zieken liggen in de
huizen van het dorp Oostcamp; de wapenlieden legeren tegen het
Balanderbosch; de oversten bevinden zich op den burcht van mher Van
Gruuthuse."

"En gelooft gij niet dat men, zoo in den duisteren juicht, ze
gemakkelijk zou kunnen verrassen en overhoop slaan?"

"Het schijnt mij geheel onmogelijk, heer", antwoordde de bode. "Ik
verwittig u dat zij overal, tot zeer verre in het veld, sterke wachten
hebben uitgezet en op hunne hoede zijn."

"Het is wel; ik dank u. Ga nu tot den heer kastelein en draag hem uwe
boodschap."

De bode verliet de kamer met eenen groet en daalde de trappen af. Disdir
Vos luisterde eene wijl op het gerucht van zijnen stap, duwde dan de
deur toe en liet zich, onder het slaken van eenen versmachten kreet, bij
de tafel op eenen stoel vallen. Hij legde de beide handen aan het hoofd,
boog zich voorover en staarde op den vloer.

"Ja, ja, de Kerels zijn veroordeeld; zij zullen bezwijken!" morde hij.
"Wat kunnen zij tegen de ridders, tegen gansch Vlaanderen, tegen het
overmachtig Fransch leger? De koning heeft zich opgeworpen tot
wraakeischer; wie tot den moord van graaf Karel heeft geholpen, door
raad of daad, zal eenen schromelijke dood sterven. Ik insgelijks ... En
Robrecht? Hij is een Erembald. Sterven, ik? O, neen, neen, Robrecht zal
in het graf; ik moet leven!"

Langen tijd bleef hij beweegloos zitten, zonder dat zijne wezenstrekken
iets anders uitdrukten dan verbazing en diepe verslondenheid.

Allengs nochtans kwam een lach van blijdschap zijn gelaat beglanzen.

Eensklaps sprong hij op en liep naar de deur; maar hij bleef staan en
begon te beven, alsof eene plotselijke vrees hem had aangegrepen.

Zuchtend keerde hij terug naar de tafel en zonk opnieuw in gedachten
weg.

"Ik ben een lafaard! Het moet geschieden!" morde hij welhaast. "O,
Dakerlia! Dakerlia!"

En hij sloeg met het gevest van zijn zwaard driemaal op de tafel.

Onmiddellijk hoorde hij iemand den trap beklimmen. Hij bedwong zijne
ontsteltenis met geweld en gaf zijn gelaat eene ernstige of
onverschillige uitdrukking.

"Vriend Landfried", zeide hij tot den Kerel, die in de kamer verscheen,
"ik moet oogenblikkelijk tot den heer kastelein gaan, om hem van een
gewichtig ontwerp te spreken, dat door de woorden van den bode in mijnen
geest is opgestaan. Neem het bevel over de mannen, wees mijn stedehouder
en stel goede wacht bij de poort.--Vaarwel, tot straks."

Hij drukte zijnen gezel Landfried met ongewone vriendelijkheid de hand,
daalde den trap af, en ging voorbij de Mariakerk; maar instede van zich
naar den burg te richten, sloeg hij ter linkerhand de Heiliggeeststraat
in en vertraagde meer en meer zijnen gang, als iemand die in het geheel
geene haast heeft.

Zoo stapte hij voorbij St-Salvators, door het Giststraatje en door de
Meerstraat. Dan keerde hij langs andere omwegen terug naar de
Kathelijnepoort, riep Landfried buiten het wachthuis en zeide hem met
verdoofde stem:

"Landfried, mijn vriend, ik moet oogenblikkelijk de stad uit, om eene
zwaarwichtige boodschap vanwege den heer kastelein te vervullen."

"Zoo gansch alleen, heer!" mompelde zijn gezel verbaasd. "Vreest gij
niet dat de vijand ..."

"Gansch alleen. Het is geheime zending", antwoordde Disdir. "Om de
vrijheid van Kerlingaland te redden, ontziet men geene gevaren. Ik zal
terugkeeren binnen een paar uren, later misschien, in alle geval voordat
het dag worde. Let wel op dat men mij niet te lang voor de poort late
staan. Ik zal driemaal kloppen op der Kerlen wijze en zeggen "Wolf en
Vos". Dit is het woord. Deel het uwe mannen mede ... Nu, doe de egge
ophalen en open mij de poort."

Landfried gehoorzaamde, zonder nog eene bemerking te wagen. Disdir Vos
drukte hem de hand, liep over de brug en verdween in de duisternis.


VOETNOTEN:

[Voetnoot 62: De graaf werd gelegd in een graf, zoo goed gemetseld als
de tijd het had toegelaten. GALB., p. 283.]

[Voetnoot 63: Gottschalk De Thaihals kwam als bode van Yperen naar
Brugge bij den proost, en zeide: "Heil en vriendschap vanwege mijnen
heer en uwen goeden vriend Willem Van Loo, die u openbaarlijk, voor
zooveel het in zijne macht is, eenen zeer spoedigen bijstand belooft aan
u en aan de uwen."

GALB., p. 285.]

[Voetnoot 64: Zi gunden zich geene rust, den nacht doorbrengende met
waken, en den dag met arbeiden, totdat de versterkingen der stad geheel
voltrokken waren.

GALB. p. 288.]



XVI


Na den mislukten aanslag tegen Brugge waren de ridders teruggetogen naar
het dorp Oostcamp[65], waar zij, tegen het Balanderbosch steunende, zich
hadden nedergeslagen, om op de komst der Gentenaars te wachten, die hun
vele machtige stormtuigen moesten aanbrengen.

In het dorp zelf waren de meeste ridders geherbergd, en werden de
gekwetsten en zieken verpleegd. De wapenlieden lagen onder de open lucht
op den zoom van het bosch, waar zij de waak hielden over de talrijke
paarden, die men niet in het kleine dorp had kunnen stallen.

Van de lange dagreis vermoeid of van den geweddigen stormloop afgemat,
hadden allen zoo goed mogelijk eene plaats gezocht om te rusten,--en nu
sluimerden ridders en wapenlieden den eersten, loomen slaap, alhoewel
het slechts negen uren in den avond kon zijn.

Ware het niet geweest dat het gehinnik der paarden of het geroep der
schildwachten nu en dan de nachtelijke stilte kwam storen, men hadde
niet kunnen vermoeden dat daar, in de dikke duisternis, meer dan
drieduizend krijgslieden waren gelegerd.

Zoo stil en rustig was het echter niet op den burcht van Oostcamp, een
groot en schoon kasteel, door mher Halewijn Van Gruuthuse bewoond.

Deze ridder was vroeger geen Isegrim geweest; hij had integendeel zeer
dikwijls de gevaarlijke ontwerpen der Tancmars afgekeurd en zelfs de
Kerels ten hove verdedigd; maar, zooals het nu bij velen het geval was,
de moord des graven had hem met verontwaardiging vervuld, en hij
wenschte niets meer dan tot de wraakneming over de afschuwelijke
euveldaad te mogen medewerken.

Ook had hij gulhartig den oversten en voornaamste ridders de
herbergzaamheid op zijnen burcht aangeboden, en geene moeite gespaard
om hen wel en prachtig te onthalen.

Zij zaten nu in eene zaal van den burcht, rondom eene lange tafel, nog
beladen met de overblijfsels van smakelijke gerechten; want het
avondmaal was ten einde. Maar des te overvloediger werden de
kostelijkste wijnen rondgeschonken, en het klinken der bekers en het
geschater der hartelijke samenspraak vervulden de zaal met een vroolijk
en verward gebruis.

Ter rechterzijde van den gastheer zaten mher Gervaas Van Praet, de
veldheer van het ridderleger, en Raas Van Gaveren, Jan Van Nevele en
Alyn Van Bouchante, die onder hem het bevel over de scharen voerden. Ter
linkerzijde bevonden zich Gerhart Van Audenaarde, Diederik Van Ter
Beerst en Arnold Van Beveren De overige dischgenoten hadden, volgens
hunne eigen keus, nevens hunne vrienden rondom de tafel plaats genomen.

Nu de wijn het gezelschap begon te verhitten, spraken allen luidruchtig
en met opgevoerdheid van de glansrijke wapenfeiten die elk hunner wilde
bedrijven, en van de meedoogenlooze wraak welke zij op de moordenaars
van graaf Karel zouden uitoefenen. Al de Kerels waren, volgens hen,
medeplichtig aan de ijselijke misdaad; men zou ze uitroeien tot den
laatste toe, hunne hofsteden afbranden, hunne velden verwoesten en zelfs
hunne vrouwen en kinderen dooden, opdat de herinnering aan het
vermaledijd geslacht wierd vernietigd.

Waren er ook al eenige meer bedaarde ridders, zooals Gervaas Van Praet,
die zich tegen zulke algemeene verdelging der inwoners van een groot
gedeelte des lands verklaarden, allen waren het evenwel eens, dat van de
Erembalds en hunne aanhangers en vrienden geen enkele mocht gespaard
worden.

In hunne aangejaagdheid, verbonden zij zich met duren eede niet toe te
laten dat er één Erembald, op welke voorwaarden of door wien ook,
lijfsgenade werd verleend. Zoo zou het ridderschap voor immer verlost
worden van den hoon, dien men zoolang had te lijden gehad, door den
overdreven rijkdom en door den onwettigen invloed dezer trotsche Kerels.

Terwijl zij nog bezig waren met dus hunne vijanden tot eene volstrekte
vernietiging te doemen, en reeds poogden te berekenen welk gedeelte zij
van de uitgestrekte grondbezittingen der Erembalds ten leen zouden
krijgen, traden er eensklaps een tiental minstreelen of speellieden in
de zaal.

Deze minstreelen behoorden zichtbaar tot twee verschillige
gezelschappen; want elk dezer bestond uit eenen doedelpijper, eenen
schalmeier, eenen bommelaar en twee zangers.

Zulke gezelschappen volgden gewoonlijk de legers. Gedurende den rusttijd
en bij lange avondstonden vermaakten zij de ridders, die hunne kunst
zeer vrijgevig loonden.

Nu kwamen zij gewis ter goeder ure; want bij het klinken der bekers
behooren muziek en zang.

Het eerste gezelschap zong een minnelied in de Walsche of Fransche taal.
Zeer geestig waren de rijmen en trippelend en vroolijk het deuntje; maar
evenwel, zoohaast het ten einde was, ontstond van alle kanten, tusschen
de toejuichingen zelve, de roep:

"Van de Kerels! van de Kerels! Laat hooren het lied der Isegrims!"

Nu trad het tweede gezelschap vooruit. Begeleid door doedelzak en
schalmei, en bij het referein door den bommel, verhieven de beide
minstreelen de stem en zongen het volgende lied:

  Wij willen van den Kerel singen;
  Si sijn van quader aert,
  Si willen die rudders dwingen,
  Si dragen enen langen baert.
  Haer cleedren die sijn al ontnayt,
  Een hoedekin op haer hooft gecapt,
  't Caproen staet al verdrayt;
  Haer cousen en haer scoen gelapt.
  Wrongele ende wei, broot ende caes.
  Dat eet hi al den dach;
  Daerom es de Kerel so dwaes,
  Hi eets meer dan hi mach.

Deze vier laatste verzen, die als referein dikwijls met geweldige
begeleiding des bommels werden herhaald, deden de ridders in handgeklap
en schaterlachen losbarsten. Slechts na eene wijl onderbreking konden de
minstreelen hun lied dus voortzetten:

  Een groten ruggenen cant
  Es harde wel genouch;
  Dien neemt hi in sijn hant
  Als hi wil gaen ter plouch.
  Dan comt hem tot sijn wijf, de vule,
  Spinnende mit enen rocke;
  Een sleter omtrent haer mule;
  Ende gaet syn sceutele broeken.
  Wrongele ende wei, enz.

  Ter kermesse wil hi gaen;
  Hem dinct dat hi es een grave;
  Daer wil hij 't al omme slaen
  Met sinen verroesten stave.
  Dan gaet hi drincken van den wine,
  Stappans es hi versmoort;
  Dan es al die werelt sine,
  Stede, land ende poort.
  Wrongele ende wei, enz.

  Met enen Zeeuwschen knive
  Soo gaet hi deur sijn tassche.
  Hi comt tot sinen wive;
  Al vul brinct hi sine flassche.
  Dan geeft si hem vele quader vloucke.
  Als haer die Kerel genaect;
  Dan geeft hi haer van den lyscoucke,
  Dan es die pays gemaect.
  Wrongele ende wei, enz.

  Dan comt die grote cornemuse
  Ende pijpt hem turelureluut.
  Ai, hoor van desen abuse!
  Dan maact si groot geluut,
  Dan springt si al overhoop,
  Dan lacht haer lange baert;
  Si maken groot geloop.
  Gode geve hen quade vaert!
  Wrongele ende wei, enz.

  Wi willen de Kerels doen greinsen
  Al dravende over dat velt;
  Hets al quaet dat si peinsen,
  Ie weetse wel bestelt.
  Men sal se slepen ende hangen,
  Haer baert es al te lanc.
  Si ne connens niet ontgangen,
  Si ne dogen niet sonder bedwanc.
  Wrongele ende wei, enz.
  Dat eet hi al den dach;
  Hi eets meer dan hi mach[66]
  Daerom is de Kerel so dwaes,

De ridders werden in hunne luidruchtige goedkeuring en in hun spottend
lachen gestoord door de komst van eenen wapenknecht, die ongeroepen in
de zaal trad en groetende voor den veldheer kwam staan, als iemand die
eene haastige boodschap brengt.

"Nu, spreek, wat hebt gij mij te melden?" vroeg mher Gervaas Van Praet.

"Heer, een Brugsch ridder heeft zich bij de brandwacht aangeboden om in
het leger te worden toegelaten. Hij moet u onmiddellijk spreken, zegt
hij, om u iets van het grootste gewicht mede te deelen."

"Een ridder? Wie is hij?"

"Zijn naam wil hij voor ons verborgen houden. De veldheer kent hem zeer
wel, zegt hij."

"Breng hem in deze zaal."

"Alleen moet hij u spreken, heer; het is een geheim. Ik heb hem onder
bewaking mijner gezellen in eene kamer van dezen burcht geleid."

Mher Gervaas richtte eenige woorden tot zijne makkers, om hun te
verzekeren dat hij slechts eenige oogenblikken afwezig zou blijven, en
hen aan te manen hunne vroolijkheid onafgebroken voort te zetten. Dan
volgde hij den wapenknecht naar eene bijgelegene kamer van den burcht.

Nauwelijks had hij, onder den schijn der eenige lamp, die hier brandde,
den ridder beschouwd, of hij riep met verwondering uit:

"Mher Disdir Vos! Gij hier? Welke is de reden uwer komst?"

Disdir Vos gaf hem door een teeken te verstaan dat hij in
tegenwoordigheid der wapenlieden niet vrij kon spreken.

De veldheer deed de wachten buiten de kamer gaan, bood Disdir eenen
stoel aan en zeide:

"U zoo te midden van den nacht in mijn leger te zien, daaraan had ik mij
zeker nimmer verwacht, mher Vos. Zenden de Kerels of de poorters van
Brugge u tot mij? Ik verwittig u dat ik de stad op genade wil
overgegeven hebben."

"Gij misgrijpt u over het doel van mijn bezoek, mher Van Praet",
antwoordde Disdir met eenen scherpen glimlach. "De Bruggelingen noch de
Kerels zijn voornemens de stad over te geven. Integendeel, zij hebben
besloten ze tot den laatsten man te verdedigen, zelfs al kwam de koning
van Frankrijk met al zijne macht hen belegeren. Zij zijn ruimschoots
voorzien van alwat er noodig is om maanden lang tegenstand te bieden."

"Ha, ha", spotte mher Gervaas, "laat onze stormtuigen aankomen en Brugge
bezwijkt in de eerste week?"

"Maar, heer, duid het mij niet ten kwade, indien ik u de waarheid onder
de oogen leg, Morgen loopt gansch Kerlingaland te wapen en treedt Willem
Van Loo, dien de Kerels tot graaf van Vlaanderen hebben verkozen, met
een ontzaglijk leger in het veld. Wel verre van Brugge zoo gemakkelijk
te krijgen, zult gij wonderen van dapperheid moeten doen, om niet zelf
overrompeld te worden en onder de overmacht te bezwijken."

"Morgen loopt gansch Kerlingaland te wapen?" mompelde de veldheer
bekommerd. "Zijt gij daar zeker van?"

"Het is zoo sedert lang besloten, heer", antwoordde Disdir. "Wat meer
is, nu Kerlingaland door uwe tegenwoordigheid is bedreigd, zal de
landstorm verkondigd worden, en alwie slechts eenen boog of eene
schermzeis voeren kan, zal zich rondom Willem Van Loo komen scharen.
Indien gij aangevallen werdt door twintig duizend verwoede Kerels, zoudt
gij niet bezwijken, vooraleer eenige hulp u van elders kon toekomen?"

Mher Gervaas schouwde Disdir in de oogen en schudde kommervol het hoofd.

"Ik betwijfel den moed, ja, de onverschrokkenheid uwer ridders niet",
zeide Disdir Vos, "maar het onmogelijke kan niemand"

"Inderdaad", mompelde de veldheer in zich zelven, "het ware voorzichtig
op den weg naar Gent terug te wijken en mijn leger in veiligheid te
brengen, totdat wij met meerdere macht kunnen terugkeeren ... Ik dank u,
mher Vos, voor uw bericht ... Maar laat mij toe u iets te vragen. Gij
zijt een Blauwvoet en waart een aanhanger der Erembalds. Hoe komt het nu
dat gij hun vijandig zijt geworden?"

"Hoe? dit verwondert u, heer?" antwoordde Disdir, in schijn met
gekwetste fierheid. "Welk eerlijk hart zou de Erembalds niet haten na
den gruwelijken moord van graaf Karel?"

"Gij haat de Erembalds?"

"Diep en onverzoenbaar!"

"Hoe wilt gij dat ik geloove? Welk bewijs kunt gij mij daarvan geven?"

"Gij zult het vernemen, heer. Dit is juist het doel mijner komst. Nu
verre van Brugge trekken na den mislukten aanval, dit zal u en uwen
ridders niet behagen. Indien gij de sterke stad kondet veroveren, zelfs
zonder de hulp der Gentenaars te moeten afwachten, ware het niet voor uw
leger en bovenal voor u een wonderlijk wapenfeit, dat men zelfs in
Frankrijk zou roemen?"

"Inderdaad; maar zulke hoop is een droom", schertste mher Gervaas.

"Welnu, die droom kan ik verwezenlijken, nog dezen nacht ... Gij
twijfelt, heer? Ik stel mijn hoofd ten pande voor de waarheid mijner
woorden."

"Gij zoudt mij Brugge leveren?" kreet de veldheer verbaasd. "Nog dezen
nacht?"

"Ja, dezen nacht; en waarschijnlijk zonder veel bloedvergieten"

"Nu, ik bid u, mher Vos, laat hooren uwe middelen. O, kondet gij uwe
belofte volvoeren, ik en al de ridders, mijne gezellen, bleven u eeuwig
dankbaar voor dezen onschatbaren dienst!"

"Ik heb voorwaarden te stellen, heer." "Alwat mogelijk is, wil ik u
verspreken, mher Vos."

"Ik vraag slechts weinig. De Erembalds, als zij zullen weten dat ik
hunne vijanden in de stad heb gebracht, zullen mij pogen te lasteren; en
wie weet of ze niet zullen beweren dat ik deel heb genomen aan hun
verfoeielijk eedgenootschap tegen graaf Karel. Uw woord eisch ik, mher
Van Praet, dat gij tegen al zulke lasteraars wie ze ook zijn mogen, mij
zult verdedigen."

"Het is wel zeker toch dat gij hoegenaamd niet hebt geraden of geholpen
tot den moord des graven?" mompelde de veldheer twijfelend.

"Geheel zeker", antwoordde Disdir. "Robrecht Sneloghe heeft mij in het
eedgenootschap willen trekken ..."

"Mher Robrecht Sneloghe? Hoe is dit mogelijk?" kreet Van Praet. "De
eenige Erembald dien ik hadde willen sparen!"

"De hevigste en schuldigste is Robrecht", ging Disdir voort. Hij is het
die onder een geveinsd voorwendsel mij in de geheime vergadering bracht,
waar de moordenaars te zamen waren. Maar ik heb met verontwaardiging
hunne voorstellen verstooten, en zelfs met tranen hen bezworen hun
gruwelijk opzet te verzaken. Zij beloofden het mij, in schijn met
oprechtheid. Eilaas, en toen ik nog gerust in mijnen Steen lag te
slapen, doopten zij hunne misdadige handen in het bloed van graaf
Karel!"

"Is het zoo, geene genade voor de Erembalds; zij zullen sterven tot den
laatsten toe!" gromde de veldheer verbolgen.

"Ja, zij zijn allen schuldig", bevestigde Disdir, "en allen verdienen
den dood.--Nu, heer, geeft mij uw woord, dat gij mij tegen alle
beschuldiging van medeplichtigheid met de hatelijke Erembalds zult
verdedigen?"

"En gij zult de stad Brugge in mijne handen leveren?"

"Indien ik het niet doe, dezen nacht, zijt gij vrij jegens mij te
handelen zooals u goeddunkt[67]".

"Welaan, daar is mijne hand; ik geef u mijn plechtig woord, mher Vos."

"Nog ééne voorwaarde", zeide Disdir.

"Zoo?"

"Het heeft geen belang voor u, heer. Weet dat ik vroeger naar de hand
heb gestaan van jonkver Dakerlia, de dochter van mher Segher Wulf.
Dakerlia was mij niet ongunstig, en haar vader stemde toe in ons
huwelijk. Robrecht Sneloghe heeft mij mijn geluk benijd, en heeft zelf
de hand van Dakerlia gevraagd. Gij kent de macht der Erembalds, heer; en
het is wel onnoodig u te zeggen dat ik onmeedoogend werd geslachtofferd.
Nu is mijne voorwaarde, dat gij mij helpet om jonkver Dakerlia uit de
macht der Erembalds te verlossen, en mij toelatet, niet alleen haar te
beschermen, maar tevens jegens haar te handelen zooals ik doelmatig zal
oordeelen om hare hand te bekomen."

"Eene liefdezaak?" schertste de veldheer. "Is het anders niet? Dit heeft
geene zwarigheid in, mijn goede Disdir. Desaangaande beloof ik u alwat
gij kunt verlangen."

"Welnu dan, heer, ziehier mijn voorstel. De Kathelijnepoort is slechts
bewaakt door een vijftigtal Kerels. Deze poort, langswaar ik de stad heb
verlaten, kan ik op het uitspreken van een enkel woord doen openen,
dewijl de wacht bevel heeft mij op mijnen eersten roep binnen te laten.
Breng uw leger in stilte onder de wapenen; laat de paarden hier blijven,
leid uwe scharen door de duisternis tot op eenigen afstand van de
Kathelijnepoort. Van daar zal ik met een toereikend getal der stoutsten,
ridders of wapenlieden, vooruitgaan en de poort doen openen. Wij stormen
de stad binnen en overrompelen de wacht der poort. Op ons geschreeuw
komt gij met gansch uw leger toegeloopen. De Kerels en poorters slapen;
wie zich toont wordt verpletterd eer hij op verdediging kan denken; wij
overdekken welhaast de Markt als een dichte drom; geen tegenstand is
mogelijk, en schier zonder slag of stoot krijgt gij Brugge in uw bezit."

Er verliepen eenige oogenblikken, vooraleer Gervaas Van Praet zijn
gevoelen over dit ontwerp te kennen gaf.

"Wonder, wonder! Eenvoudig maar wel berekend!" riep hij na eene diepe
overweging. "En ik mag op u betrouwen? Het is geen strik dien gij ons
spant?"

"Hebt gij mijn leven niet in uwe handen, heer? Doe mij dooden indien gij
bevindt dat ik u verraad."

"Ik geloof dat gij oprecht zijt", zeide mber Gervaas, "maar duidt het
mij niet ten kwade dat ik, als veldheer, eenige maatregelen tegen alle
verrassing neem. Stemt gij toe dat ik u door twee trouwe en onversaagde
mannen doe bewaken?"

"Waarom niet, heer? Ben ik niet zeker van mij zelven?"


[Illustratie: Eene groote kan wijn en drie bekers op de tafel ...
(Bladz. 330.)]


"Bij het minste verraad, bij de minste poging om ons zonder oorlof te
verlaten, klooft men u het hoofd."

"Het zij zoo, ik begrijp dat gij deze voorzorg neemt."

"Des te meer dankbaarheid zal ik u bewijzen na het welgelukken onzer
poging."

"Anders vraag ik niet, heer."

"Welnu, men zal u hier wijn brengen", zeide de veldheer. "Verveel u
niet, mher Vos, terwijl ik alles ga bereiden tot onzen geheimen optocht
naar Brugge."

Met deze woorden verliet hij de kamer, bij welker deur onmiddellijk
eenige wapenlieden verschenen.

Disdir zette zich dichter bij de tafel en legde het hoofd op de handen.
Een glimlach speelde op zijne lippen; hij zegevierde! Zeker, zijn
aanslag zou gelukken. Daardoor zou hij niet alleenlijk bij de vervolging
en de wraak tegen de moordenaars van graaf Karel uitgezonderd blijven;
maar hij zou invloed en geloof genoeg bij den veldheer en zijne ridders
verkrijgen, om Robrecht Sneloghe zonder genade ter dood te doen brengen.
Dan bleef Dakerlia alleen; dan verviel zij geheel in zijne macht. En wie
weet? Misschien zou het gunstig gevoel dat zij, zooals hij meende, hem
vroeger had toegedragen, weder in haar hart ontwaken. Wat hij deed was
wel iets schromelijks, iets, dat zijn geweten hem innerlijk verweet als
een snood verraad; maar zoolang reeds verzamelde de gal der wraakzucht
zich in zijnen boezem! Robrecht Sneloghe in het verderf storten,
Dakerlia tot vrouw bekomen; voor dit dubbele geluk hadde hij zijne ziel
den booze zelven verpand.

Hij werd in zijne zoete droomerij gestoord door het gerucht van stappen
en van wapengeklingel, dat zich eensklaps door den ganschen burcht liet
vernemen. Ongetwijfeld had de veldheer zijne ridders het ontwerp
medegedeeld, en nu begaven zij zich allen naar de legerplaats, om er
zijne bevelen te gaan uitvoeren.

Nog lang bleef Disdir alleen. Eindelijk trad er een schalk in de kamer.
Deze zette eene groote kan wijn en drie bekers op de tafel en schonk in.

"Voor wie?" vroeg Disdir.

Maar vooraleer de schalk hem kon antwoorden, verschenen er twee ridders
in de deur. Dezen kwamen glimlachend tot hem, terwijl een hunner hem
zeide:

"Mher Disdir Vos, wij zijn door den veldheer belast, in afwachting dat
hij ons roepe, u gezelschap te houden. Wij nemen de vrijheid ons bij u
neder te zetten en, indien het u aangenaam is, met u eenen dronk op de
gewichtige onderneming te ledigen."

"Dit gaat u, mher Gheldorf van Stalhille", antwoordde Disdir zijnen
beker verheffende.

"Ik drink insgelijks ter eere van ..."

"Van mher Hugo Van Rolleghem, mijnen vriend en wapenmakker"

De bekers nedergezet zijnde, vroeg Gheldorf met eenigen twijfel in de
stem:

"Het zou dus inderdaad waar zijn, mher Vos, dat gij ons de stad Brugge
leveren gaat?"

"Gij zult het zien."

"Maar gij zijt een Kerel. Voor hooveel marken zilvers hebt gij uwe
broeders verkocht?"

Disdir Vos aanschouwde hem met vlammende oogen en riep uit:

"Mher Gheldolf, gij hoont mij onverdiend. Ware uw veldheer hier, ik zou
hem zeggen dat ik van mijn voorstel afzie, en nimmer zoudt gij de stad
Brugge krijgen!"

"Nu, nu, mher Vos, vergram u niet", sprak de andere onbewogen. "Men ziet
toch zelden dat iemand zijn eigen geslacht verraadt, zonder dat hij wete
tot welken prijs."

"Dit is waar", voegde Hugo Van Rolleghem er bij, "maar deze ridder heeft
gewis redenen van eenen anderen aard."

"Zooals gij zegt, heer", bevestigde Disdir. "Mijn geslacht verraad ik
niet; maar ik wil medewerken tot het wreken eener euveldaad die mij met
verontwaardiging en afgrijzen heeft vervuld."

"En zijn het de Kerels niet die onzen armen graaf hebben vermoord?"
vroeg Gheldolf.

"Neen, de Kerels niet."

"Wie dan?"

"De Erembalds."

"De proost van St-Donaas en de kastelein?"

"Ja, ja, en Burchard Knap en Robrecht Sneloghe."

"Ingelram Van Bessen en Isaac Van Reninghe, die den hofsraadsheer en den
hofbottelier zoo wreedelijk hebben neergeveld, zijn toch geene
Erembalds?"

"Neen, maar het zijn hunne vrienden. Door mher Robrecht Sneloghe zijn
zij in het vloekbaar eedgenootschap getrokken."

"Wat gij zegt! Het is schier ongeloofelijk. Wij hebben berichten van
lieden die ooggetuigen van alles waren. Mher Sneloghe was niet bij den
moord aanwezig. Hij heeft geweend over het lijk, het eere bewezen en het
verdedigd tegen schennis, zoo ten minste verklaarde ons de oude kanunnik
Littra, die hier met ons in het leger is."

"Mher Robrecht is de grootste huichelaar der wereld", antwoordde
Disdir. "Hij is de aanstoker der misdaad geweest. Zijn schijnheilig
gedrag heeft den kanunnik Littra bedrogen. Ik zal, op tijd en plaats
daarvan ontegensprekelijke bewijzen leveren."

"Op mijn riddereer!" riep Gheldolf uit, "ik had veel achting voor mher
Sneloghe; maar nu, wees zeker, indien ik hem ontmoet zal ik hem met
blijdschap het hoofd klooven!"

"Dan zult gij u mogen beroemen hem te hebben gestraft die de eerste en
ware oorzaak van des graven beklaaglijken dood was", bevestigde Disdir.

Er trad een zeer jong ridder of schildknaap in de kamer, en deze sprak
in stilte eenige woorden tot sher Gheldolf, waarna hij even ras vertrok.

"Mher Vos", zeide deze laatste, opstaande, "de veldheer verzoekt ons hem
voorbij Oostcamp op de baan naar Brugge te gaan vervoegen. Hij heeft ons
belast op u te waken en ons verantwoordelijk gemaakt voor uw behoud. Gij
zult het dus niet vreemd vinden dat wij u overal evenals uwe schaduw
vergezellen. Gelief ons nu te volgen."

Zij gingen door het dorp Oostcamp en kwamen welhaast op de groote baan
van Kortrijk naar Brugge.

Hier vonden zij het grootste gedeelte des legers, dat in dichte
gelederen geschaard, op de baan stond. Volgens het ontvangen bevel
hielden de wapenlieden zich zoo stil, dat men in de duisternis slechts
van zeer nabij hunne tegenwoordigheid kon bemerken.

Aan het hoofd dezer scharen, en wel een boogschot vooruit, hield zich
mher Gervaas Van Praet met een honderdtal mannen, door hem onder de
onversaagsten uitgekozen. Wel de helft dezer waren ridders, die gesmeekt
hadden om van de voorwacht te mogen deel maken, en evenals de
wapenlieden hunne harnassen en ijzeren wapening hadden afgelegd om geen
het minste gerucht te maken. Slechts de helm en de ijzeren handschoenen
hadden zij behouden.

Toen Disdir Vos den veldheer was genaderd en zich door hem had doen
herkennen, zeide hem deze aan het oor:

"Alles is gereed; gij gaat vooruittreden met uwe beide gezellen,
langzaam en voorzichtig. Honderd man zullen u volgen tot bij de brug
achternakruipen. Doe nu wat gij mij hebt beloofd. Gelukken wij, ik zal u
niet alleen beschermen, maar nog u doen beloonen door alles wat den
hoogmoed van eenen ridder kan streelen."

"Het is wel, men volge mij!" mompelde Disdir Vos, zich met loozen,
tragen stap vooruit begevende.

Het was zoo donker dat de beide ridders, die Disdir vergezelden, hem
zelfs van nabij niet konden zien, en hem aan wederzijde bij den arm
hielden om zijn spoor niet te verliezen.

Zij kwamen tot op de brug, zonder dat de schildwachten boven den muur
eenig gerucht hadden gehoord; maar nu klonk door de duisternis, op
dreigenden toon, de roep:

"Wie daar?"

"Storm op zee! Wolf en Vos!" antwoordde Disdir. "Open mij de poort en
haast u!"

"Te wapen, te wapen!" klonk het schier onmiddellijk achter de poort.

Disdir herkende de stem van Landfried, zijnen stedehouder, die bezig was
met zijne mannen te wekken. Deze voorzorg kon het gelukken van zijn
verraad moeielijker maken, doch het geheel beletten, daarvoor was,
meende hij, niets te vreezen.

"Zijt gij het, mher Disdir Vos?" vroeg Landfried door het kijkgat der
poort.

"Ik ben het, doe open", morde Disdir. "Waarom laat gij mij zoolang in de
duisternis staan wachten?"

"Een oogenblik, heer; ik haal de egge naarboven", antwoordde Landfried.

Ondertusschen waren de honderd man, die den eersten aanval zouden wagen,
op handen en voeten over de brug nader gekropen, en lagen nu stil en met
opgehouden adem ter aarde, op eenige stappen achter Disdir Vos en zijne
gezellen.

De poort krijschte in hare hengels ... maar nauwelijks was zij half
geopend, of de honderd mannen sprongen recht, drongen de beide deuren
onweerstaanbaar open en stormden als een vloed met groot geschreeuw en
gejuich er binnen.

Hier trokken zij hunne zwaarden en vielen op de vijftig Kerels der wacht
die, verrast en overrompeld, een oogenblik aarzelden; maar, door
Landfried aangemoedigd, schier onmiddellijk in de nauwe Mariastraat
eene onverwachte tegenweer boden, terwijl zij uit al hunne kracht om
hulp riepen en de lucht deden hergalmen onder den noodkreet: "Verraad!
verraad! Harop! harop!"

Van boven de muren kwamen in korten tijd vele Kerels toegeloopen en het
gelukte hun de Isegrims eenigen tijd terug te houden; maar dewijl deze
laatsten meester van de poort waren, vonden hunne makkers van buiten
geen beletsel om in de stad te komen.

Welhaast was het hoofd van het ridderleger de poort genaderd, en nu
drongen de Isegrims met weergalmend geschreeuw door de Mariastraat
vooruit.

Zoohaast een duizendtal ridders en wapenlieden de poort binnen waren,
kon niets meer aan hunnen drang wederstaan, en zij stormden, elkander
omverre loopende, naar de Markt.

De noodkreet der aangevallen wacht was tot in den burg gehoord geworden.
In minder dan eenen oogwenk waren al de Kerels te been; en, zonder goed
te weten welk gevaar hen bedreigde, richtten zij zich naar de plaats der
stad vanwaar de haropschreeuw in de hoogte steeg.

Reeds toen de dikke drom der Isegrims den ingang van de Oudebrugstraat
bereikte, werden zij van terzijde met woede aangevallen en boorden de
Kerels eene breede klove in hunne schaar.

Om elkander in de duisternis te kunnen herkennen, begonnen de Kerels
elkander toe te roepen met het woord: "Blauwvoet! Blauwvoet!" En, hen
daarin navolgende, riepen hunne vijanden: "Isegrim! Isegrim!"

Geene dapperheid, geen geweld kon echter het ridderleger wederhouden van
op de Markt zich te ontplooien; en daar begon dan eindelijk de
afgrijselijke menschenslachting te midden eener duisternis die niemand
toeliet vriend of vijand te onderscheiden.

Men hoorde er niets anders dan het wraakgehuil der strijders, het
noodgekerm der stervenden, het geknars der zwaarden en boven dit alles
het aanhitsend geschreeuw: "Blauwvoet! Blauwvoet! Isegrim! Isegrim!" dat
onophoudend door duizenden monden ten hemel werd geworpen, en als het
gebruis eener stormachtige zee met klimmende en dalende kracht over de
Markt heen en weder golfde. Men struikelde er over lijken, men
vertrappelde er gekwetsten, men waadde er door plassen bloed, men viel
er neder met gekloofd hoofd of doorboorde borst, zonder dat men zelfs
de schaduw zijns vijands had kunnen zien.

Wel waren er vele honderden Kerels en poorters uit den burg en van de
stadswallen komen toegeloopen; maar de Steenstraat spuwde nog immer
nieuwe gedeelten van het ridderleger op de Markt.

Niemand kon oordeelen over den gang of over de kansen van den akeligen
nachtstrijd. De eenige en onzekere maatstaf waren de oorlogskreten
"Blauwvoet! Isegrim!" maar tot nu toe galmden ze beide met evenveel
kracht en hevigheid.

De kastelein Hacket, die te midden der Kerels had gevochten, meende dan
te bemerken dat zijne mannen, onder den druk eener onweerstaanbare
overmacht, allengs achteruitweken. Door een angstig gepeins aangegrepen,
verliet hij den strijd en ging terug tot bij de Hofstraat, om over den
toestand te kunnen oordeelen. Hier bekwam hij, na eenige oogenblikken te
hebben geluisterd, de droeve overtuiging dat het krijgsgeroep der Kerels
verzwakte, terwijl integendeel het geschreeuw der Isegrims meer en meer
in kracht verdubbelde.

Hij liep achter de schaar zijner mannen en kreet daar uit al zijne
macht:

"Wijkt naar den burg! Kerels, naar den burg! Langzaam, langzaam naar den
burg!"

Men herkende zijne stem, en zijn bevel werd door vele Kerels herhaald.

Het was tijd; want op dit oogenblik boorde eene machtige bende Isegrims
van terzijde door den vijand en sneed aldus meer dan de helft der Kerels
van hunne gemeenschap met den burg af.

Aan het ontvangen bevel gehoorzamende, weken de Kerels, wien de baan nog
vrijstond, al vechtende door de Hofstraat naar den burg, en een groot
getal hunner geraakte er nog behouden binnen.

Men had even de egge neergelaten en de poort gesloten, toen de Isegrims,
onder het bulderen van vermaledijdingen en zegevierend geschreeuw, met
hunne zwaarden er begonnen op te beuken. Maar hier werden zij van boven
de poort en van boven de wallen zoo overvloedig en zoo woedend met
steenbonken, met balken, met pijlen en met allerlei werptuig onthaald,
dat elke Isegrim, die dorst naderen, even ras verpletterd nederviel[68].

Het was als lage daar voor de poort een bodemloos graf, in welks
gewapenden muil honderden ridders en wapenlieden werden verzwolgen; want
dewijl van op de Markt immer nieuwe Isegrims in de nauwe straat
vooruitdrongen, werden de voorsten onweerstaanbaar tot voor de poort
gedreven, waar zij onder den hagel steenen en pijlen onmiddellijk werden
verpletterd.

In weinige oogenblikken was de gansche brug zoodanig met hoopen dooden
overdekt, dat de opgestapelde lijken zelven een onoverstapbaar beletsel
werden om nog de poort te naderen.

Onderwijl werd de akelige strijd nog op de Markt voortgezet door de
Kerels die van de gemeenschap met den burg waren afgescheiden geworden.
Zij vochten als verwoede leeuwen en zaaiden rondom zich dood en
vernieling in de schaar hunner vijanden, zoolang totdat, hun getal
schier geheel weggesmolten zijnde, hun geene hoop meer overbleef om te
kunnen overwinnen.

Dan, op de stem van Ingelram Van Eessen, drongen zij met eene laatste
inspanning van krachten door den drom hunner vijanden en weken, altijd
strijdende, in de St-Jakobsstraat.

Zoo geraakten zij, alhoewel aanzienlijk in getal verminderd, buiten de
Ezelpoort, en vonden hun behoud in het vrije veld.

Mher Gervaas Van Praet, die den noodlottigen toestand zijner mannen voor
de poort van den burg zelf had gaan erkennen, en de duizenden pijlen der
Kerels tot op het midden der Markt door de lucht hoorde snorren, deed de
trompers blazen en riep zijn leger naar den kant der
St-Christoffelskapelle te zamen.

Hier verhief zich een zoo lange en zoo dikwijls herhaalde zegeschreeuw,
dat de veldheer in langen tijd zich door niemand kon doen verstaan of
hooren.

Eindelijk gelukte het hem zijne bevelen aan eenige oversten mede te
deelen. Men moest bezit nemen van al de huizen rondom den burg en de
uitgangen dezer vesting met sterke wachten bezetten, opdat niemand der
Kerels, die er zich bevonden, mocht ontsnappen. De overige benden, de
wapenlieden bovenal, zouden bij De Christoffelskapelle gelegerd blijven,
en niemand hoegenaamd zou zich tot slapen begeven, aangezien men niet
twijfelen kon of de Kerels van den burg zouden nog eenen uitval
beproeven.


[Illustratie: ... De egge neergelaten en de poort gesloten....]


Daarom tevens verbood hij dat iemand zich tot plunderen begave. Wel was
hij voornemens de woningen der Erembalds te laten verdelgen en hunne
goederen den wapenlieden tot buit te geven; maar daarover wilde hij,
zooals de voorzichtigheid het gebood, slechts morgen bij klaren dag
beslissen.

Nauwelijks had hij dus zijne bevelen uitgedeeld, of hij trad nevens de
kapelle in een openstaand poortershuis, waar hij licht bemerkte. Hoe hij
ook riep, niemand antwoordde hem; de bewoners, door het akelig
nachtgevecht verrast en verschrikt, waren gevlucht.

Mher Van Praet zette zich neder op eenen stoel en veegde zijn zweet af.

Daar verscheen voor hem Disdir Vos, die met eenen zegevierenden lach op
het gelaat hem vroeg:

"Welnu, veldheer, heb ik mijn woord gehouden, of niet?"

"Ja, mher Vos", antwoordde Gervaas, "het kostte evenwel veel, veel
bloed."

"Maar zooveel te meer gerucht zal deze overwinning maken, zooveel te
grooter zal de roem zijn voor u en uwe ridders, die de sterke stad
Brugge hebt gewonnen zonder hulp der Gentenaars."

"Het is waar, mher Vos; ik ben u dankbaar en zal mijne belofte jegens u
vervullen, wees des zeker."

"Ik kom u reeds iets vragen", zeide Disdir.

"Spreek stoutelijk."

"Mij zou het vermaak doen, veldheer, dat gij een twintigtal trouwe,
moedige wapenlieden onder mijn bevel steldet. De jonkvrouw, waarvan ik u
heb gesproken, Dakerlia Wulf, zou ik zoowel tegen mishandeling door uwe
wapenknechten als tegen ontvoering vanwege de Erembalds willen
behoeden."

"Doe naar uw goeddunken, mher Vos. De twintig wapenlieden zullen u
worden gegeven."

"Er is nog eene andere jonkvrouw, de eigen zuster van Robrecht Sneloghe.
Indien ik deze terzelfder tijd onder mijne bewaking nam, zou zij u
kunnen dienen als gijzelaresse. Ik zal de beide jonkvrouwen naar mijnen
Steen in de Moerstrate leiden. Zult gij gelieven bevelen te geven, opdat
iedereen dien Steen eerbiedige?"

"Onmiddellijk. Roep, bid ik u, mher Raas Van Gaveren, die in de kamer
aan de straat met eenigen zijner gezellen zich bevindt."

Toen Disdir Vos deze boodschap had vervuld en met den aangewezen ridder
was teruggekeerd, zeide de veldheer:

"Mher Van Gaveren, ik verzoek u onder uwe wapenlieden er twintig uit te
kiezen en dezen ter beschikking van onzen vriend Disdir Vos te stellen.
Zij zullen onder zijn bevel staan en hem gehoorzamen totdat zij door
anderen worden vervangen."

Disdir verliet het huis met mher Van Gaveren, die de twintig man onder
de wapens riep en hun het bevel van den veldheer mededeelde.

Zij volgden zonder spreken den nieuwen overste die hun was gegeven.

Disdir Vos leidde hen door de St-Jansstraat, om de nabijheid van den
burg te ontwijken, en bracht hen zoo voor sher Wulfs Steen.

Hier klopte hij op de poort en riep dat men zou openen. Daar hij na lang
wachten geen antwoord bekwam, klopte hij nog eens met dreigend geweld,
en meende juist terug te wijken om naar hamers of naar eenen balk uit te
zien, ten einde de poort te verbrijzelen; maar nu liet zich achter het
kijkgat eene verschrikte stem hooren, die vroeg:

"Wie zijt gij? Wat wilt gij? Er is niemand te huis."

"Ik ben Disdir Vos, en gij kent mij wel, Peter. Open onmiddellijk: ik
kom uwe jonkvrouw redden."

Een oude schalk ontsloot de poort.

"Ach, mher Disdir, wat akelige dingen gebeuren er toch? Vergaat de
wereld?" kermde hij. "God zegene u, mher Vos, die ons ter hulpe komt in
onzen nood.--Al de andere huisbedienden zijn gevlucht...."

"Zwijg. Waar is uwe meesteresse?"

"Achter, in de zaal. Zij bidt."

"Is zij alleen?"

"Jonkver Sneloghe is met haar."

"Houd u stil en blijf hier, totdat ik wederkeer."

Hij deed de twintig wapenlieden binnen de poort treden, koos er vier
uit, die hem zouden volgen, en ging met dezen over den neerhof naar de
aangewezene zaal, waar hij door het venster bemerkte dat er licht
brandde.

Bij zijne verschijning in de zaal zag hij de beide jonkvrouwen nog
geknield, maar met den angstigen blik naar de deur gekeerd.

Hem herkennende, sprongen zij met eenen noodkreet recht en vluchtten tot
in het diepe einde des vertreks.

Dit bewijs van afkeer en mistrouwen kwetste Disdir zeer diep; maar hij
bedwong zijne spijt en poogde zijn gelaat eene uitdrukking van droefheid
en tevens van vriendschap te geven.

Hij gebood den wapenlieden, die hem vergezeld hadden, op den neerhof
terug te keeren, sloot de deur der zaal, en dan tot de bevende
jonkvrouwen gaande, zeide hij:

"Hebt vertrouwen in mij, ik kom u het leven redden. Ach, de Kerels zijn
bezweken; onze vijanden, de Isegrims, hebben de stad Brugge verrast en
ingenomen. De Markt is overdekt met de lijken onzer ongelukkige
vrienden!"

"O, God, en mijn arme broeder?" kreet Witta.

"Wie kan het weten?" antwoordde Disdir op treurigen toon. "Een gedeelte
onzer mannen zijn op den burg gevlucht. Of Robrecht behouden is of dood,
dit is het geheim der duisternis."

Witta begon luid te kermen; Dakerlia stortte stille tranen.

"Gij moet mij volgen, jonkvrouwen; ik wil u in eene veilige schuilplaats
brengen."

Maar deze woorden ontrukten de wanhopige meisjes eenen nieuwen
angstkreet, en zij sprongen terzijde, als boezemde Disdir Vos hun eene
diepe vervaardheid in.

"Ik begrijp", zeide hij, "dat gij liever in dezen Steen zoudt blijven;
maar het is onmogelijk. Morgen, bij het eerste daglicht, zal men al de
woningen der Erembalds en hunner vrienden aan de plundering der woeste
wapenlieden overleveren. Wie er zich in bevindt, zal men vermoorden en
martelen. Hier blijven is u zelven veroordeelen tot den ijselijksten
dood. Beeft niet; ik zal u redden."

"O, dank, dank, mher Vos", riep Witta met opgehevene handen. "Dit zal
God u loonen in zijnen hemel!"

En zij meende tot Disdir te gaan; maar Dakerlia greep haren arm en hield
ze met koortsig geweld terug, terwijl zij haar zeide:

"Onnoozele! Het is een strik; hij komt hier met Isegrims!"

Disdir Vos trad nader en zeide, in schijn kalm en treurig:

"Dakerlia, gij zijt onrechtvaardig jegens mij; ik vergeef het u. Mijne
eenige belooning zal zijn u te hebben gered ondanks u zelve. Ja, ik kom
hier met Isegrims. Verwijt het mij niet; want daarin bestaat juist het
hoogste bewijs van opoffering dat ik u kan geven. Toen ik te midden van
het gevecht mij bevond en aan de zijde van mher Sneloghe den vijand
hopeloozen weerstand bood, bemerkte ik alras dat de Kerels zouden
bezwijken. Dan dacht ik aan u, Dakerlia; voor mijne oogen ontstond, als
een akelige droom, uwe marteling en uw vervaarlijke dood. God zelf
boezemde mij eene plotselijke gedachte in. Ik liep in de gelederen der
vijanden, huilde tegen de Kerels en veinsde hen te bevechten. Na den
slag vleide ik de Isegrims, spuwde venijn tegen onze arme broeders, en
won zoo het vertrouwen van mher Gervaas Van Praet, den veldheer. Wat zal
daarvan voor mij het gevolg zijn? Door de Kerels als een verrader
verfoeid, door de Isegrims als een lafaard veracht. Ik verlies aan dit
spel meer dan mijn leven; ik verlies er mijne faam en mijne eer aan.
Voor u alleen, Dakerlia, om u te redden, om u tegen de wreede
mishandelingen der wapenknechten en tegen eenen ijselijken dood te
behouden, heb ik deze eeuwige schande aanvaard. De veldheer, die meent
dat ik rechtzinnig mijn zwaard tegen mijn geslacht heb gekeerd, vroeg
mij welken prijs ik voor mijn verraad eischte. Weet gij wat ik hem met
saamgevoegde handen heb toegeroepen? "O, schenk mij het leven van
jonkver Wulf; anders wil ik niet, anders verlang ik niet!" Uwe oogen
vragen mij wat mij tot zulke slachtoffering van mij zelven aandrijft?
Gij weet het. Het is mijne schuld niet en ik spreek er niet van. In mijn
geweten en in mijn hart ligt mijne belooning."

Hij had deze reden op zulken toon van oprechtheid gesproken, er was
zooveel medelijden en treurnis in zijne stem, dat Dakerlia haar
mistrouwen geheel voelde vergaan. Ja, door eene plotselijke omkeering
haars gemoeds, bewonderde zij nu den man die haar tot dan eenen diepen
afkeer had ingeboezemd. Het was toch wel eene daad van ongehoorde
opoffering, zich dus der eeuwige oneer toe te wijden, om twee
ongelukkige meisjes te kunnen redden.

Dakerlia trad vooruit en reikte Disdir te hand.

"Heer, ik geloof in uwe edelmoedigheid", zeide zij. "Ik heb u miskend;
vergeef het mij. Beschik over ons lot: wij volgen u."

Disdir leidde de jonkvrouwen over den donkeren neerhof. Hier voelde
Dakerlia dat de hand van Disdir gloeide en hij hare hand koortsig
drukte. Zij poogde zachtjes zich los te rukken; maar hij hield haar vast
totdat hij de bende wapenknechten had bereikt.

"Ho, Dakerlia, Dakerlia, gij zijt ondankbaar en wreed!" gromde hij. "Ik
geef u meer dan mijn leven, en gij mistrouwt mij, als ware ik uw
vijand."

Dakerlia slaakte eenen zucht, doch antwoordde niet.

"Eerbiedigt en bewaakt deze jonkvrouwen", gebood Disdir Vos. "Men volge
mij!"

Allen verlieten den Steen en daalden door de duisternis naar de
Spiegelrei.

De oude schalk Peter, zonder er zelfs aan te denken de poort te sluiten,
ging naar de zaal, waar zijne jonge meesteresse daareven nog had
geknield. Hij liet zich op eenen stoel vallen en begon haar lot te
beklagen en overvloedige tranen te storten.

Reeds een half uur zat hij daar, schier bewusteloos in zijne droefheid
verslonden, toen hij, het gerucht van sluipende mannenstappen meenende
te hooren, het hoofd ophief.

Inderdaad, door de opene deur der zaal zag hij in de halve duisternis
menschenschaduwen bewegen en zwaarden glinsteren.

Hij liet zich op de knieën vallen en smeekte reeds om genade; maar toen
hij den ridder herkende, die tot teeken van geheim met den vinger op de
lippen tot hem kwam, sprong hij op en riep met verdoofde stem:

"Mher Sneloghe, gij hier, o, hemel! Vlucht, vlucht, de Isegrims hebben
de stad overrompeld. Zij zullen de Erembalds vermoorden. Wapenknechten
hebben het mij gezworen...."

Een tweede ridder, die met Robrecht in de zaal was getreden, legde hem
de hand op den mond en brak zijn gekerm af.

"Peter, waar is Dakerlia? Waar is mijne zuster?" vroeg Robrecht.

De schalk verhaalde hem hoe Disdir Vos met een bende Isegrims was
gekomen, en hoe dezen de beide jonkvrouwen hadden weggeleid.

Een sombere kreet van angst en afgrijzen bonsde op uit Robrechts borst.

"Waar? Waar naartoe?" riep hij.

"Ja, heer, ik weet het niet. Naar de Isegrims zeker, naar de gevangenis
misschien."

Mher Sneloghe wrong zich de vuisten en sloeg zich de borst met teekens
der diepste vertwijfeling.

"Te laat, te laat!" zuchtte hij. "Dakerlia, mijne zuster in handen van
Disdir Vos! O, mijn God, wat akelig lot hebt Gij die onnoozele
slachtoffers voorbewaard? Zij insgelijks moeten boeten voor den
gruwelijken moord? En niets, niets kunnen doen voor hunne verlossing!"

De andere ridder greep hem bij den arm en zeide:

"Robrecht, wij moeten met haast deze plaats verlaten. Het is een groot
ongeluk dat u treft; maar hier kunnen wij niets nuttigs meer
verrichten."

"Deze plaats verlaten zonder Dakerlia, zonder mijne zuster?" kermde mher
Sneloghe. "Ach, hadde de dood mij getroffen dezen nacht!"

"De vijanden kunnen komen; wij zouden bezwijken. Ons leven behoort toe
aan de verdediging van den burg; het hier langer nutteloos wagen, ware
verraad."

"Verraad, verraad?" mompelde Robrecht, terwijl hij zijnen gezel lijdzaam
volgde. "Ja, Eggard, verraad! Nu begrijp ik alles. Disdir Vos had de
wacht bij de Kathelijnepoort. Zoo had Burchard het gewild. Disdir heeft
ons verkocht en den Isegrims de poort geopend...."

"Zwijg, zwijg", mompelde zijn gezel, "stap zacht, buk neder en ga langs
de huizen."

Zij slopen met looze stappen door de duisternis, tot bij den hoek der
Hoogstraat.

Hier werden zij uit een nevensstaand huis door Isegrims bemerkt of
gehoord; want men riep hun dreigend het: "Wie daar?" toe, en
onmiddellijk snorden drie of vier pijlen boven hunne hoofden voorbij.

Zij liepen op de brug van den burg. Daar stonden voor de poort een
twintigtal Kerels op hen te wachten.

De poort werd voor hen en hunne gezellen geopend, en dan weder gesloten.

De egge daalde neder, en de diepste stilte verving het lichte gerucht,
dat hunne komst had veroorzaakt.


VOETNOTEN:

[Voetnoot 65: Eene mijl van Brugge, op de baan naar Kortryk.]

[Voetnoot 66: Dit oud lied, in 1847 ontdekt en uitgegeven, is te vinden
In de Nederlandsche Dichterhalle, van prof. Heremans, in de Nederl.
Geschiedzangen van Dr.J.Van Vloten en in Trois chants historiques, van
De Coussemaker.]

[Voetnoot 67: "Het verhaal van Galbertus (zegt de hr. KERVYN DE
LETTENHOVE, t. I, p. 389) laat toe te gelooven dat de eedgenooten werden
verraden door Disdir ... Hij hoopte daardoor te doen vergeten welk deel
hij genomen had aan de misdaad."]

[Voetnoot 68: Zie het verhaal van dit gevecht en de vlucht der Kerels op
den burg bij GALBERTUS, pp. 293 en 294.]



XVII


Des anderen daags, zoohaast het klaar dag was geworden, had de kastelein
Hacket aan alle kanten boven de muren een zeker getal schildwachten
gesteld, en dan de horens doen blazen en bevel rondgezonden, dat alwie
zich binnen den burg bevond, op het plein zou vergaderen.

Hij wilde door dezen oogenschouw het verlies afmeten dat zij in het
noodlottig nachtgevecht hadden geleden, en tevens zijne overblijvende
macht berekenen.

Daar stonden nu de Kerels en hunne oversten in gelederen geschaard, te
midden van den burg. Zij konden ten hoogste nog vierhonderd in getal
zijn. Achter hen hielden zich de tien of twaalf Kerlinnen, die met hunne
mannen binnen Brugge gekomen waren. Eene geringe bende gewapende
poorters vormde den linkervleugel.

Verder, naar den kant van het Gyselhuis, stond een groote hoop
ongewapende poorters, waartusschen insgelijks vele vrouwen. Dezen waren
op den burg gekomen als arbeiders of handelaars, om een hoog dagloon te
verdienen of door het verkoopen van drank of eetwaren winst te doen.

Voor de deur van het kloostergebouw zag men eenige kanunniken en klerken
die, ofschoon niet geroepen, buiten waren gekomen om te zien wat er op
het plein geschiedde.

Zeer verschillend was de houding van al deze lieden. De Kerels, alhoewel
hunne kleederen waren gescheurd of doorhakt en velen een verband aan
hoofd of arm droegen, zagen er moedig en trotsch uit. Het ongeluk van
dezen nacht, door het verraad van eenen valschen broeder hun berokkend,
had hen diep verbitterd en met wraakzucht vervuld; doch hun vertrouwen
in eene eindelijke zegepraal was er niet door verminderd. Zij wisten dat
op dien dag het groote Kerlenleger in het Wolvennest-bosch vergaderen
zou. Morgen reeds misschien zou graaf Willem Van Loo naar Brugge komen
afgezakt, en zouden dan vijftien- of twintigduizend Kerels eenige moeite
hebben om de Isegrims te verpletten of te verstrooien, als de rukwind
het stof?

Zoo gerust en zoo vertrouwend waren de Brugsche arbeiders, zoetelaars en
vrouwen niet. De mannen keken treurig en met den schrik op het
aangezicht naar de Kerels, in de zwakke hoop dat dezen iets ten hunnen
gunste zouden beslissen; de vrouwen weenden en hieven biddend de handen
in de hoogte, God de wreede ramp klagende die hen zoo onverwachts van
hunne kinderen had gescheiden om hen toe te wijden aan eenen
schrikkelijken dood.

Zij wisten dat men bij het aanbreken van den dag eenen bode naar den
vijand had gezonden, met den last om oorlof te verzoeken om de
onschuldige poorters en vrouwen uit den burg te laten gaan; maar,
eilaas, hij was wedergekeerd met het droevig antwoord dat de ridders al
degenen die met de moordenaars van graaf Karel zich op den burg
bevonden, als medeplichtig aan de gruwelijke misdaad beschouwden, en
zonder genade zouden dooden en martelen wie, om den burg te verlaten,
zich buiten eene poort durfde vertoonen. Zelfs hadden de ridders
geweigerd de kanunniken en leekebroeders van St-Donaas bij het vellen
van dit vonnis uit te zonderen zoolang de bisschop over hun lot niet zou
hebben beslist, dewijl men in het leger wel meende te weten dat sommige
kanunniken het met den proost van St-Donaas hielden.

Robrecht Snelooghe stond voor de gelederen zijner Ravenschootsche
Kerels. Hij liet het hoofd hangen en scheen onverschillig aan hetgeen er
rondom hem geschiedde. Dakerlia, zijne verloofde, Witta, zijne zuster,
in de macht van zijnen vijand, van den snoodaard, die zoo laf zijn
geslacht en zijn vaderland had verraden! Dit schromelijk gepeins
vervolgde hem als eene nachtmare en hield zijne geestkracht verslonden.
In zijne ooren bromde de schaamtelooze taal van Disdir Vos, daar hij
Dakerlia bedreigde en haar zijne liefde aanbood! Voor zijne oogen
spookte het tooneel van den smaad en de mishandelingen waarmede hij de
arme Witta bejegende! Dakerlia, de moedige, fiere Dakerlia zou hem
verstooten en verachten, en hij, de booze, wat zou hij doen? Was het een
voorspellend gezicht, de gemartelde lijken die in het verschiet voor
zijne blikken heendreven?

Hij was wel ongelukkig, de arme ridder. Waar bevonden zich Dakerlia en
zijne zuster? Welk was hun lot? Zou hij hen nog ooit wederzien? Deze
onzekerheid pijnigde hem verschrikkelijk, en deed zijn minnend hart
bloeden.

De andere oversten en de Kerels eerbiedigden Robrechts smart, waarvan de
bron hun bekend was; zij staarden soms ontroerd op hem en schudden
medelijdend het hoofd.

Slechts een enkele Kerel aanschouwde hem half spottend en met eenen
glimlach van misprijzen. Het was Burchard, die in zich zelven mompelde
dat het eene lafheid was over het lot van vrouwen te treuren en den moed
te laten zakken, wanneer land en vrijheid in gevaar verkeerden.

Burchard was woedend en verbitterd; een gevoel van verdriet of van nijd
ontstelde hem. In het nachtgevecht had hij meer dan de helft zijner
Houtkerels verloren, terwijl integendeel de bende van Ravenschoot bijna
geheel door het lot was gespaard geworden. Ingelram Van Eessen en zijne
gezellen, die Burchard den moord hadden helpen plegen, waren niet in den
burg. Hunne meeste mannen uit het Noord-Vrije vermiste men insgelijks.
Waren zij in den nachtelijken strijd gesneuveld, of hadden zij hun
behoud in de vlucht gevonden?

Zoo was Burchards macht veel verminderd, en zoo bekwam de invloed van
Robrecht, dien hij bedektelijk als zijnen vijand beschouwde, op de
bezetting het overwicht. Deze gedachte kwetste en vernederde hem.

Toen de oogenschouw was geëindigd en de optelling gedaan, deelde de
kastelein Hacket verschillige bevelen uit, tot het goed bewaken der
wallen en tot het versterken van zekere zwakke plaatsen van den burg.
Hij gebood dat men in allernaast twee der poorten van achter met eenen
aarden dijk zou afsluiten, opdat men, in geval van bestorming, al de
beschikbare macht tot de verdediging der andere twee poorten zou kunnen
aanwenden. Het was te vermoeden, dacht hij, dat de Isegrims, door hunne
overwinning aangemoedigd, nog dien dag eenen aanval tegen den burg
zouden wagen. Daarom moest men zooveel steenen mogelijk boven de muren
dragen, en het vuur onder de ketels met ziedende olie immer onderhouden.
Hij eindigde met elkeen tot onversaagdheid en vertrouwen aan te manen,
en gaf hun de verzekering dat morgen of overmorgen, in alle geval binnen
weinige dagen, het groote Kerlenleger hunne vijanden zou komen
verstrooien.

Dan deed hij nog eens de horens blazen en zond allen naar hunne wacht
boven de wallen, of naar den hun opgelegden arbeid.

Hij zelf begaf zich naar de proostdij om zijnen broeder Bertulf den
uitslag der optelling te gaan mededeelen.

Robrecht bleef op het plein om den arbeid zijner mannen te bestieren,
die belast waren achter de poort, die nevens des kasteleins Steen
uitgang naar de Vischmarkt gaf, eenen dijk van aarde en steenen op te
werpen.

Hij wandelde in treurige mijmerij over en weder, aan niets denkende dan
aan Dakerlia en aan zijne zuster, gaf nu en dan in verstrooidheid een
bevel aan de arbeiders, doch liet even ras weder het hoofd op de borst
zakken, om zijne pijnlijke droomen voort te zetten.

De dijk achter de Hoogpoort was bijna voltooid, toen de jonge kanunnik
Ludgard, die Robrecht een vriend was, hem naderde en op troostenden toon
zeide:

"Mher Sneloghe, ik heb van den heer proost de reden uwer droefheid
vernomen. Gij zijt wel ongelukkig, inderdaad; uw lot boezemt mij een
diep medelijden in."

"Eilaas", zuchtte Robrecht, "zoo, door eenen enkelen slag mijne zuster
en mijne bruid verliezen! alwat mij dierbaar was op aarde!"

"Maar, vriend Sneloghe, wanhopen moogt gij toch niet", murmelde Ludgard.

"O, mijn God!" kreet Robrecht, zich de hand aan het voorhoofd slaande,
"niets, niets kunnen doen tot hunne verlossing! Dakerlia in de macht van
Disdir Vos! Het hart verkrampt mij van schrik.... De snoode verrader is
tot alles bekwaam. Neen, de lafaard zou niet terugwijken voor de
gruwelijkste euveldaad.... En ik, ik weet het; ik zou mijnen laatsten
druppel bloed willen storten om haar uit zijne klauwen te redden, en,
ach, ik ben machteloos als een kind, ik kan niets, niets!"

Bij deze woorden wrong hij de vuisten zoo geweldig, dat zijne vingeren
hoorbaar kraakten; hij scheen inderdaad aan de diepste wanhoop
overgeleverd.

"Nu, Robrecht", sprak de kanunnik, "gij moogt uw ongeluk niet
overdrijven; het is door zich zelf reeds groot genoeg. Waarom denkt gij
dat Dakerlia Wulf en uwe zuster in de macht van Disdir Vos zich
bevinden?"

"Heeft hij ze niet uit hunne woning gerukt?"

"Inderdaad, de heer proost heeft het mij gezegd; maar Disdir Vos is aan
het hoofd van wapenknechten in sher Wulfs Steen gekomen. Hij handelde
dus op bevel van mher Gervaas Van Praet. Acht gij dezen ridder bekwaam
om vrouwen te laten mishandelen? Neen, niet waar? Gij kent hem genoeg om
te weten dat hij het Disdir Vos evenmin zou toelaten? Mijne meening is
dat de verrader Disdir Vos, om zich op u te wreken, Dakerlia en uwe
zuster den veldheer heeft aangewezen als kunnende hem in zekere gevallen
tot gijzelaressen verstrekken. Hij heeft de beide jonkvrouwen aan mher
Gervaas overgeleverd, en nu zitten zij waarschijnlijk ergens gevangen.
Misschien zijn zij buiten Brugge gevoerd, om u en uwe vrienden te
beletten eenige poging tot hunne verlossing te beproeven."

Robrecht had zich een oogenblik door deze troostende overwegingen laten
verleiden. Nu echter schudde hij moedeloos het hoofd.

"Ik hoop niets", zeide hij, "het ergste moet mij gebeuren."

"Hoe? Ik begrijp u niet."

"Het is de straf der gruwelijke misdaad. Zij begint met mij."

"Maar wat schuld hebt gij aan den moord des graven, Robrecht?"

"Ach, ik heb er den gansenen nacht wakende aan gedroomd", zuchtte mher
Sneloghe. "Wat schuld, Ludgard? Is de moordenaar Burchard niet van het
bloed der Erembalds, evenals ik? Is het daarom niet dat de proost, dat
de kastelein en ik gedwongen zijn hem te verdedigen? De bloedplicht
maakt ons verantwoordelijk voor zijne daden...."

"Maar, Robrecht, God, die de hoogste rechtvaardigheid is, oordeelt zoo
niet. Hij loont ieder volgens zijne werken. Binnen weinige dagen zal de
nieuwe graaf met het Kerlenleger voor Brugge verschijnen. Hij zal uwe
verloofde en uwe zuster tegen gevangene ridders uitwisselen.... Kom,
mijn vriend, heb moed!"

Een soort van spotgrijns trok Robrechts lippen te zamen.

"Moed?" schertste hij. "De wanhoop is ook moed, en zij maakt mij bekwaam
tot blinde onversaagdheid. Kome de vijand, hij bestorme den burg, ik
weet wel wie met vurige begeerte den dood zal zoeken...."

Na eene wijl stilte greep de kanunnik mher Sneloghe de hand en zeide:

"Neen, Robrecht, weersta de sombere vertwijfeling. Hare voorname bron is
de onzekerheid waarin gij u aangaande het lot uwer zuster en uwer
verloofde bevindt; ik begrijp het wel."

De jonge ridder knikte bevestigend.

"Welnu, vertrouw dan op mijne hulp, om dit lot te kennen."

"Op uwe hulp?" mompelde Robrecht verbaasd. "Hoopt gij den burg te kunnen
verlaten?"

"Luister, het is nog een geheim. Wij kunnen den proost, noch den Kerels
hier van eenig nut zijn. Wij hebben brieven aan pijlen gehecht en deze
langs verschillige zijden in de stad doen schieten. Op dezelfde wijze is
ons reeds antwoord toegekomen. De abt van het klooster te Eeckhout zal
zich tot den veldheer begeven, om voor ons oorlof te bekomen tot het
verlaten van den burg met de reliquieën en gewijde vaten. Hij kan dit
oorlof niet blijven weigeren. Zoohaast ik in de stad ben, zal ik naar de
plaats vernemen waar jonkver Wulf en uwe zuster zich bevinden, en ik zal
wel eenig middel uitvinden om er u van te berichten. Ik ken vele ridders
en bezit invloed genoeg bij mher Gervaas om de arme jonkvrouwen tegen
den verrader Disdir Vos te beschermen."

Robrecht greep de beide handen van den kanunnik en drukte ze dankbaar.
Hij glimlachte; het scheen dat deze weinige woorden hem hadden getroost
en eenen helderen straal van hoop in zijn hart hadden geworpen.

Nog gedurende eenigen tijd koutte hij meer opgeruimd met den kanunnik;
dan ziende dat zijne mannen hunnen arbeid hadden voltooid, zeide hij dat
hij op de wallen moest gaan om te zien of alles aan de zijde naar de
Markt, met welker verdediging hij was belast, tot het afweren van eenen
storm in gereedheid was.

Hij dankte nog eens den kanunnik voor zijne troostende belofte, en
beklom dan, door zijne mannen gevolgd, den hoogen vestingmuur.

Nadat hij zijne bevelen had uitgedeeld, wandelde hij achter de kanteelen
over en weder en schouwde over de Markt naar den vijand, die buiten het
bereik der pijlen in en voor de huizen zich hield.

Veel bedrijvigheid bemerkte hij niet tusschen hen; zij schenen te
rusten, en waarschijnlijk zouden zij dien dag niets ondernemen.

In dit vermoeden werd hij bevestigd door den kastelein Hacket, die hier
bij hem kwam en zeide:

"De vijand zal heden geenen aanval wagen, en misschien morgen evenmin."

"Mij dunkt insgelijks dat zij ginder gansch ondadig zijn", antwoordde
Robrecht; "maar, oom, hoe kunt gij hunne inzichten kennen?"

"Ik weet het door eenen brief dien men in den burg geschoten heeft. De
brief zegt dat de Isegrims niets zullen ondernemen voordat de Gentenaars
met de groote stormtuigen aankomen?"

"De Gentenaars?" herhaalde Robrecht, het hoofd ontevreden schuddende.
"De poorters van Gent waren onze vrienden, en zij insgelijks haatten de
Isegrims, die hunne reeds ingekorte vrijheden bedreigden. Eilaas, de
moord van graaf Karel heeft hen nu vijanden der Kerels gemaakt!"

"Toch niet; gij misgrijpt u. Geen enkel poorter zal tegen ons willen
optrekken; maar de stormtuigen behooren tot den burg van Gent, en de
kastelein dier stad heeft al de mannen der kroon tot zijne beschikking.
Dezen zijn het die de stormtuigen zullen aanvoeren. Zij kunnen zich nog
eenige dagen laten wachten; in dit geval beklaag ik hen: zij zullen hier
het groote Kerlenleger vinden en al hun stormtuig verliezen."

"Maar, oom, is het bericht dat gij hebt ontvangen geene list om onze
waakzaamheid te doen verslappen?"

"Neen; ik meen het schrift te herkennen. Het is van eenen verkleefden
vriend der Kerels. Zie, de brief is onderteekend."

Hij reikte zijnen neef een geopend stukje perkament. Deze bestaarde het
eene wijl en mompelde:

"Wat beduidt het beeld van eenen rooster, dat men onder de letter E
heeft geteekend?"

"Begrijpt gij het niet? Elfrid Rooster, den graankoopman die bij den
Maalberg woont. Van op zijn dak kan hij in den burg schieten. Hij is
poorter van Brugge, alhoewel een trouwe Kerel. Wij mogen geloof hechten
aan zijn bericht. Nu ben ik voornemens de meeste mannen naar beneden te
zenden om te gaan rusten...."

"Zie, zie!" kreet Robrecht eensklaps, "wat geschiedt ginder, bij de
St-Christoffelskapelle? Een groote toeloop van ridders en
wapenknechten!"

"Mij dunkt", murmelde de kastelein, "dat ik twee bazuinblazers bemerk."

"Inderdaad, en eenen wapenbode. Zij zullen ongetwijfeld naar den burg
komen, om ons eene boodschap te brengen."

"Zij heffen eene witte baander in de hoogte, om ons het opschorsen der
vijandelijkheden te vragen. Hijsch ten teeken van toestemming de
vredevlag in de hoogte."

Mher Sneloghe volvoerde dit bevel, keerde terug bij zijnen oom en
schouwde weder over de Markt.

"Wat mag dit beteekenen?" zeide hij. "Vijf of zes priesters achter den
wapenbode! Misschien een antwoord van den bisschop op des proosts
brieven? Nu is het wapenstilstand; wij hebben niets van den vijand te
vreezen. Ik loop haastig mijnen oom, den proost, verwittigen."

De tijding van de komst der priesters verspreidde zich onmiddellijk door
den burg, en iedereen kwam buiten op het plein; zelfs de Kerels, die op
de muren geene vaste wacht hadden, daalden naar beneden.

Welhaast werd de poort geopend en de wapenbode met zijn gevolg
binnengelaten.

De proost en de kanunniken herkenden in dengene die de aanleider der
priesters scheen, den abt van St-Pietersklooster, te Thourout. Zij
stuurden hem hunne groetenissen toe, poogden het doel zijner komst te
vernemen, en noodigden hem uit om in de proostdij te treden. Zij hadden
eerst de vaste hoop gehad dat hij gezonden was om, in naam van den
bisschop, de ontheiligde kerk te herwijden; maar zijne
kwaadvoorspellende houding en zijn stilzwijgen boezemden hun nu eenige
vrees in.

De abt, zonder iemand te hebben geantwoord, bleef op het midden van het
plein staan, en las met luider stemme eenen Latijnschen brief af,
waarbij door Simon, bisschop van Noyon, al degenen die tot den moord van
graaf Karel hadden geraden of geholpen, of de wapens hadden opgenomen om
de moordenaars te verdedigen, in den ban der heilige Kerk geslagen
werden en van de gemeenschap der Christenen afgezonderd.

Onmiddellijk daarop verhief hij de stem nog meer, opdat elk hem mocht
verstaan, en zeide in de Dietsche taal tot de omstaande menigte:

"Het zij u kond dat de bisschop Simon, van Noyon, al degenen die zich in
dezen burg ter verdediging der moordenaars van graaf Karel van
Denemarken bevinden, alsook de plaats waar de gruwelijke misdaad werd
gepleegd, met den kerkelijken banvloek slaat. Geene godsdienstige
plechtigheden mogen hier nog geschieden, noch mis gelezen, noch biecht
gehoord. Niemand heeft hier nog deel aan de verdiensten der heiligen of
aan het gebed der Christenen; en wie er sneuvelt of sterft, is gedoemd
tot het eeuwige vuur der helle[69]!"

De vrouwen en poorters, die zich tegen hunnen wil in den burg bevonden,
hieven de armen klagend in de hoogte of huilden van angst en
vervaardheid, bij het schromelijk oordeel dat de abt over hen had
uitgebliksemd.

Op de Kerels deed deze afkondiging eenen min diepen indruk. Zij zagen er
somber en verstoord uit en mompelden bittere woorden, doch luisterden
met ontzag naar des bisschops vonnis, dat zij ontvingen als eenen harden
slag, doch waaronder zij evenwel niet plooiden. De abt verklaarde dat
hij van den veldheer oorlof had bekomen om de kanunniken en andere
geestelijke lieden den burg te doen verlaten, de proost Bertulf alleen
daarvan uitgezonderd. Hij eischte als een recht dat men de kanunniken al
de gewijde vaten, kerksieraden en wat meer tot het uitoefenen van den
godsdienst behoorde, liete medenemen.

Toen de vrouwen en ongewapende poorters hoorden dat de geestelijken uit
den burg mochten gaan, vielen zij geknield neder en kropen voor des abts
voeten, zijne bescherming bij den veldheer afbiddende. Zij toch waren
tegen hunnen wil en door verrassing op den burg gesloten geworden. Zij
waren onschuldig aan alle kwaad. Men kon toch niet onrechtvaardig en
wreed genoeg zijn om hen in den banvloek te begrijpen en hen de wettige
wraak der ridders over te leveren, als hadden zij schuld aan den moord
des graven. Hunne vrouwen, hunne ouders weenden over hun lot. Zij zouden
hun leven lang den abt zegenen, indien hij bij den veldheer de
verlossing van zoovele goede, maar ongelukkige Christenen wilde
bewerken.

De abt beloofde hun eene poging ten hunnen voordeele te beproeven; en
toen hij van den proost en van de oversten der Kerels de verzekering had
bekomen dat zij het wegdragen der gewijde zaken niet zouden beletten,
verliet hij den burg met zijn gevolg.

De kanunniken en de kloosterbroeders begonnen onmiddellijk de gewijde
vaten, kruisen, kazuifels, kandelaars en al de kostbaarste kerksieraden
van de autaars en uit de sakristijnen weg te nemen, en buiten den burg
naar de St-Christoffelskapelle te dragen[70].

Boven de Hofpoort en den muur van wederzijde had de kastelein Hacket een
honderdtal Kerels gesteld, die daar met den boog geschouderd, tegen alle
verrassing van buiten moesten waken.

Op de Markt, voor den uitgang der Hofstraat, hielden zich eenige
Brugsche ridders, gesteund door eene bende wapenknechten, dermate
geschikt, dat al wie den burg verliet of er binnen wilde gaan, te midden
door deze wacht moest stappen. Diensvolgens was het onmogelijk dat een
enkele Kerel ontsnapte, aangezien de wakende ridders met al de Erembalds
persoonlijk in betrekking waren geweest, en de Kerels aan hunne lange
baarden en blauwe kleeding herkennelijk waren.

Robrecht, die op het plein stond en het gaan en komen der priesters in
gedachten gadesloeg, zag Ludgard met eene vracht autaarkleederen op de
armen uit de kerk komen. De jonge ridder herinnerde den priester door
een gebaar de belofte welke hij hem aangaande zijne zuster en zijne
verloofde had gedaan, en Ludgard bevestigde hem door het knikken des
hoofds, dat hij de aanvaarde zending met ijver en liefde zou vervullen.

Eenigen der ongewapende poorters en vrouwen waren tusschen of achter de
priesters buiten den burg geslopen; maar niet zoohaast hadden de ridders
en de wapenknechten hen bemerkt, of men had pijlen op hen gemikt,
zwaarden tegen hen opgeheven en hen onder schrikkelijke bedreigingen
terug binnen den burg gejaagd.

Intusschen deed de kastelein eenen der poorters, Jan Harinc genaamd, met
hem geheimelijk in de proostdij treden. Hij raadde hem aan den burg te
verlaten met de andere poorters, die ongetwijfeld, op verzoek van den
abt en als waarlijk onschuldig, oorlof zouden bekomen om naar huis te
gaan.

In den eerste wilde Jan Harinc daarin niet toestemmen; hij had, zeide
hij, de zijde der Kerels gekozen, en zou nu lief en leed met hen deelen,
totdat de nieuwe graaf hen kwame verlossen. Maar toen de kastelein hem
deed begrijpen dat hij buiten den burg hun grootere, ja, onschatbare
diensten kon bewijzen, waarvoor men hem na den oorlog zeer mild zou
beloonen, gaf hij eindelijk zijne toestemming.

Hierop gelastte hem de kastelein, de verrichtingen des vijands
geheimelijk te bewaken en zijne ontwerpen af te spieden. Hij moest de
berichtingen, welke hij kon verzamelen, aan den graankoopman Elfrid
Rooster overbrengen. Deze kon goed schrijven en, daar hij op den hoek
van den Maalberg woonde, was het hem gemakkelijk, zonder door den vijand
gezien te worden, pijlen met brieven tegen den hoogen muur van St-Donaas
te schieten, en van deze pijlen kon geen enkele zijn doel missen of
verloren gaan, dewijl zij onfeilbaar op het kerkhof moesten vallen.

De Bruggeling legde zijne wapens af en begaf zich tusschen de groep met
treurende poorters, die nog immer, bevend van angst, op den uitslag
wachtten der poging welke de abt had beloofd ten hunnen voordeele bij
den veldheer te beproeven.

Er kwam geene tijding; de wanhoop greep de arme poorters aan; de
vrouwen klaagden en kermden luid, als zagen zij reeds den dood voor
hunne oogen spoken.

Nog altijd gingen de priesters en kloosterbroeders, met kostbare
voorwerpen beladen, uit en in den burg. De overvoering, die nu reeds een
paar uren had geduurd, ging ten einde loopen; want reeds waren eenigen
der dragers met ledige handen uit kerk en klooster gekomen.

De vertwijfeling der onschuldige poorters vermeerderde bij de
overtuiging dat de veldheer de bede des abts had verworpen; eenige
vrouwen rukten zich de haren uit, anderen lieten zich huilende ten
gronde vallen.

Terwijl Robrecht verstrooid doch met medelijden het tooneel hunner
verschriktheid aanschouwde, trad de kanunnik Ludgard, die nog niet eens
was teruggekeerd, de Hof poort binnen en deed reeds van verre tot mher
Sneloghe een teeken, dat hij hem zou volgen.

Robrecht ging hem achterna tot op het midden van het plein.

"Welnu, kanunnik, brengt gij mij eenige tijding?" vroeg hij met
verdoofde stem, om niet door de over en weder gaande Kerels te worden
gehoord.

Ludgard knikte bevestigend.

"Gij weet waar zij zijn?"

"Ja; men heeft hen opgesloten; en men houdt hen gevangen in eene
benedenkamer van sher Disdirs Steen, in de Moerstraat."

"Hemel! zij zijn dus waarlijk in de macht van Disdir Vos!" kreet
Robrecht.

"Eilaas, ja!"

"Heeft hij hen mishandeld?"

"Ik weet het niet; zij weenen en kermen den ganschen dag."

"Zij weenen en kermen? O, de booze lafaard!"

"Misschien, Robrecht, heeft mher Vos hen evenwel niet mishandeld; hunne
wanhoop schijnt eene andere oorzaak te hebben. Zij gelooven dat gij in
het nachtgevecht gesneuveld zijt."

"Ha, de verrader! Ik begrijp kanunnik: hij heeft Dakerlia mijnen dood
aangekondigd, in de hoop dat hij haar dus zal kunnen overhalen om hem
hare hand te schenken. Maar hij kent Dakerlia niet! Gij hebt haar
gezegd, niet waar, dat ik leef en onverpoosd aan haar denk?"

"Gij misgrijpt u, Robrecht", antwoordde de kanunnik op haastigen toon.
"Ik heb uwe zuster noch jonkver Dakerlia gezien. Luister en onderbreek
mij niet; het kon voor mij gevaarlijk worden, indien men bemerkte dat ik
zoolang in geheime samenspraak met u blijf. Onmiddellijk nadat ik uit
den burg was gegaan, hield ik mij bezig met het vervullen mijner
belofte. Natuurlijk richtte ik mij naar sher Disdirs Steen. Daar woont
eene oude meid, die mijn biechtkind is. Van haar vernam ik wat ik u heb
gezegd. De jonkvrouwen kon ik niet naderen. Zij worden bewaakt door
twintig wapenknechten, die allen toegang tot hen afgesloten houden....
Nu, wat beduidt dit blij gejuich? Ha, de arme poorters mogen den burg
verlaten!"

Inderdaad, er was een wapenbode verschenen die vanwege den veldheer de
toelating had gebracht om de poorters van Brugge uit den burg te laten
gaan. Zijne afkondiging was onthaald geworden met vreugdekreten,
dankzeggingen en gejubel. Hadde hij niet het bevel medegedeeld dat de
poorters en hunne vrouwen slechts stil en met tragen stap over de brug
mochten gaan, zij zouden waarlijk door de Hoogpoort zingend en juichend
op de Markt gestroomd zijn.

Nu verlieten zij den burg bij kleine groepen en stapten langzaam
tusschen de wapenknechten en ridders door, die hen wel nauwkeurig
bekeken, doch niemand terugdreven.

De bode verklaarde in naam van mher Gervaas Van Praet, dat de
wapenstilstand ging ophouden en voortaan elkeen, wie hij ook waren, die
den burg poogde te verlaten, zou worden gedood of gehalsrecht, als
medeplichtig aan den moord des graven.

"Ik moet u in allerhaast verlaten, Robrecht", zeide de kanunnik, hem
bedektelijk de hand drukkende. "Blijf welgemoed; ik zal zooveel mogelijk
over jonkver Dakerlia en over uwe zuster waken...."

"Heb dank om uwe edelmoedige vriendschap, kanunnik; mijne droeve ziel
overlaadt u met zegeningen; mijn gansch leven blijf ik u dankbaar."

Ludgaard verwijderde zich met den wapenbode.

Achter hen werd de Hofpoort gesloten en de stormegge nedergelaten.

Robrecht legde zich de hand aan het voorhoofd en bleef lang te midden
van het plein staan, zoo diep in gedachten verslonden en zoo beweegloos
dat hij, voor degenen die hem zagen, het voorkomen had van een steenen
beeld.


VOETNOTEN:

[Voetnoot 69: De bisschop Simon sloeg met het zwaard des bans de
heiligschenners en verraders, verbood alle geloovigen hen te helpen, en
bliksemde den kerkelijken banvloek uit over al degenen die hen tot het
plegen hunner misdaad hadden geholpen.

GALB., p. 279.]

[Voetnoot 70: GALBERTUS, p. 302.]



XVIII


Het was avond. De oude Bertulf zat in eene kamer der proostdij voor eene
tafel waarop vele gouden muntstukken, eenige kostbare juweelen en zelfs
eene vorstenkroon lagen geschikt. In groote verslondenheid vergeleek de
proost deze voorwerpen met de aanteekeningen eener lijst, welke hij uit
een ijzeren koffertje had genomen; en hij schreef den uitslag van zijn
onderzoek op een blad perkament.

Ongetwijfeld was de proost bezig met den schat des graven, welke hem
door den jongen Frumold was overgeleverd, na te zien en zijne waarde te
berekenen, opdat noch graaf Willem, noch wie het ook ware, de Kerels zou
kunnen betichten daarvan het minste gedeelte te hebben achtergehouden of
vervreemd.

Sedert lang stoorde een ver gerucht hem in zijne berekening, en hij hief
dikwijls luisterende het hoofd op. Hij meende verwarde stemmen te hooren
galmen, een geraas doormengd met luidere klanken, als ware er tusschen
de Kerels der bezetting een twist opgerezen.

Telkens had hij echter zijn onderzoek hernomen en voortgezet. Nu was het
gerucht geheel vergaan; de proost laadde het geld en de juweelen in den
koffer en greep eenen gesloten zak, om den inhoud er van op de tafel uit
te storten, toen Hacket, zijn broeder, morrende en zichtbaar spijtig in
de kamer trad.

"Welnu, kastelein", vroeg Bertulf, "wat geschied daarbuiten? Ik zou
hebben gaan denken dat de Isegrims den burg hadden aangevallen...."

"Aan een erger gevaar zijn wij ontsnapt, broeder", antwoordde Hacket.

"Inderdaad, gij ziet er gansch ontsteld uit. Welk gevaar?"

"Gij weet, Bertulf, dat onze neef Robrecht het ontwerp heeft opgevat om
eenen nachtelijken uitval te wagen, in de hoop dat hij zijne zuster en
jonkvrouw Dakerlia uit des vijands macht zou kunnen verlossen."

"Ja, ja, kastelein, het is een gevaarlijk spel; maar vermits wij er
hebben in toegestemd, is er niet meer op terug te komen. Robrecht mag
niemand dwingen; slechts mannen van goeden wil mag hij tot zijne
vermetele poging medenemen. Heeft hij misschien deze voorwaarde
miskend?"

"Neen, dit is het niet. Wij hebben ongelijk gehad Burchard niet over
dien gevaarlijken uitval te raadplegen. Robrecht heeft zijn voornemen
insgelijks voor Burchard verborgen gehouden; en, toen deze laatste aan
de beweging der Ravenschootsche Kerels bemerkte dat er iets ophanden
was, en dan ook Robrechts inzicht vernam, is hij begonnen den uitval als
eene zinneloosheid te laken. Robrecht heeft zijn ontwerp verdedigd;
Burchard is woedend geworden en heeft gescholden, omdat men het behoud
van den burg wil op bet spel zetten ten gunste van twee vrouwen. Door
Robrechts trotsche tegenwerpingen aangehitst, heeft hij gespot en zich
kwetsende scherts over jonkver Wulf veroorloofd. Robrecht heeft hem dan
beschuldigd door den moord des graven de Kerels te hebben verraden en de
vrijheid des vaderlands aan zijnen persoonlijken haat tegen Karel van
Denemarken te hebben geslachtofferd. Van woord tot woord is de twist zoo
hevig geworden, dat onze beide neven hun zwaard hebben getrokken en
elkander tot een gevecht om leven of dood uitdaagden. Zij waren gereed
om waarlijk den gruwelijken broederstrijd te beginnen. Ik sprong vooruit
en sloot Burchard in mijne armen; Eggard Van IJzendijke wederhield
Robrecht. Onderwijl bedreigden de Houtkerels de mannen van Ravenschoot
en ik zag met doodelijken angst het oogenblik naderen, dat onze Kerels
elkander onderling zouden hebben vermoord. Dit gevaar zelf bracht onze
neven tot inkeer, en deed hen naar den raad en de gebeden hunner
vrienden luisteren. Het dreigend tooneel is geëindigd door eene
overeenkomst. Zoohaast de burg ontzet is, zullen onze neven in
tweegevecht gaan, totdat een hunner in het strijdperk sterve...."

"Onmogelijk, kastelein, zulke broedermoord!" riep de oude Bertulf.

"Spreek er niet meer van en wees niet bekommerd. Wij hebben tijd en
zullen pogingen aanwenden om onze neven van hun gruwelijk opzet te doen
afzien. Ik beloof u dat hun twist geene erge gevolgen zal hebben."

"Zal Robrecht evenwel den uitval wagen?"

"Zeker; hij is nu bezig met de mannen op te zoeken en te verzamelen, die
hem tot zijne gevaarvolle onderneming willen helpen. Eggard Van
IJzendijk en Yorg Koevoet zullen hem vergezellen."

"En Burchard?"

"Die is bulderend naar boven op den wal geloopen, roepende dat hij zich
met niets meer bemoeit."

De proost schudde verdrietig het hoofd, overwoog eene wijl en zeide dan:

"Hacket, ik verzoek u, ga, boodschap Robrecht dat ik hem aanstonds wil
spreken. Mij zal hij aanhooren. Uit liefde, uit eerbied tot mij zal hij
zijnen wrok tegen Burchard afleggen of ten minste verborgen houden.
Misschien is er nog middel om Robrecht den vermetelen uitval te doen
verzaken, en zoo den woesten Burchard te bevredigen. Ga, broeder, zeg
onzen neef dat ik hem hier verwacht."

Hacket verliet de kamer en stapte door de duisternis naar den overkant
van het plein, waar, tegen het Gyselhuis, een dof gerucht van verwarde
stemmen ruischte.

Hij vond Robrecht sprekende met zijnen vriend Yorg Koevoet, en deelde
hem het dringend verzoek van den proost mede.

De jonge ridder antwoordde hem met ontevredenheid:

"Ja, ik weet wat mijn oom mij zal zeggen. Ik moet bedaard zijn en de
berispingen van eenen Burchard met geduld onderstaan. Mijne lijdzaamheid
is ten einde; geen woord, geen enkel woord verdraag ik nog van hem. Hij
is de moordenaar van ons vaderland; ik veracht hem en zal mij wreken,
bloedig wreken over den minsten hoon dien hij mij nog zou durven
toebrengen!"

"Weigert gij dan aan het vriendelijk verzoek van den proost te voldoen?"

"Neen, oom, ik zal tot hem gaan.... Gij, mijne goede vrienden, Yorg en
Eggard, bereidt alles zooveel mogelijk; vergadert onze mannen en
onderricht elk van hetgeen hij te doen heeft. Gij kent mijne inzichten.
Gelooft niet dat ik mijn ontwerp kan laten varen. Indien uwe hulp mij
niet ontbreekt, zal de uitval gewaagd worden, wat mijn oom de proost ook
zegge."

Onder het uitspreken dezer woorden verwijderde hij zich met den
kastelein door de duisternis....

Dienzelfden avond en bijna op hetzelfde uur, zaten Dakerlia en Witta
nevens elkander in eene kamer van sher Disdirs Steen.

Hunne oogen waren rood van weenen; de lange treurnis moest hunne
krachten uitgeput hebben, want zij zaten daar met hangend hoofd,
beweegloos en zwijgend.

Slechts van tijd tot tijd scheen eene siddering de leden van Dakerlia te
doorloopen, wanneer de galmen van grove of dreigende stemmen meer
duidelijk haar oor troffen, doch zij liet even ras weder het hoofd
nederzakken, onder het slaken van eenen angstigen zucht.

Nevens deze kamer, in een ander vertrek, bevonden zich de wapenlieden,
die hier gesteld waren om de gevangene jonkvrouwen te bewaken. Dien dag
moesten onder hen vele Fransche krijgsknechten zich bevinden; want
Dakerlia hoorde de schetterende galmen der Walsche taal onophoudend
klinken. Misschien waren deze lieden door het gebruiken van drank
aangehitst. Zij spraken veel en lachten soms luidruchtig.

Getroffen door het gerucht van zware stappen in den gang, riep Dakerlia
bevende:

"Witta, o Witta, daar is hij!"

Zij bleven beiden angstig naar de deur kijken, totdat het gerucht in de
wachtkamer verging, en zij den intredende door zijne gezellen hoorden
verwelkomen met den roep:

"Vive Dieu, voici Raoul!"

"Maar, Dakerlia", zeide Witta na eene wijl, "waarom toont gij u zoo
bitter en zoo onverbiddelijk hard voor mher Vos? Hij heeft ons toch
gered, niet waar, en zijne eer en zijn leven voor ons gewaagd? Nu nog
verdedigt hij ons dagelijks tegen de Isegrims, die ons in een somberen
kerker willen gevangen zetten."


[Illustratie: ... zullen onze neven in tweegevecht gaan....]


"Het is mij onmogelijk, vriendinne", antwoordde Dakerlia treurig; "ik
zou hem dankbaarheid willen betoonen, maar mijn hart mistrouwt zijne
oprechtheid, en mijne ziel haat en verfoeit hem tegen mijnen wil."

"Ja, ik begrijp, Dakerlia; maar nu mijn arme broeder wel zeker dood
is...."

Zij borst in tranen los en begon luide te snikken.

Alhoewel Dakerlia bij de woorden van Witta door diepe smart werd
aangedaan, meende zij evenwel hare arme vriendin te troosten; maar nu
hief zij, eensklaps getroffen, het hoofd op en overspande hare
gehoorkracht, om de klanken op te vatten van een gesprek dat in de
wachtzaal met ongewone drift werd gehouden.

Wat vertelde toch de Fransche wapenknecht? Wat zeide hij van de _Porte
de Ste-Catherine_ en van _le chevalier de Vos_?

Verstond Dakerlia het gedeeltelijk of vermoedde zij slechts dat de
praatzieke wapenknecht ook voor haar belangrijke dingen ging openbaren?

"Stil, stil!" murmelde zij met haast aan Witta's oor. "Blijf, laat mij
luisteren!"

En met loozen stap tot het ander einde der kamer gaande, legde gij het
hoofd tegen het paneel der deur. Wat zij hoorde moest haar zeer
verrassen en ontroeren; want de uitdrukking haars gelaats veranderde
veelmalen. Nu verkrampten hare lippen van verachting of van haat, dan
glinsterden hare oogen van verwondering, dan weder glimlachte zij bitter
of deed met de handen een gebaar van gramschap.

Na eene lange wijl eindigde daarbuiten het gesprek met eenen schaterlach
en met het klinken der bekers.

Dakerlia keerde terug nevens Witta en zeide met ontstelde stemme:

"IJselijk! Wat monster! Hoe kan God zulken valschaard onder zijnen hemel
dulden! Waarom verbliksemt Hij de venijnige slange niet?"

"Wat is het? Wat hebt gij gehoord?" vroeg Witta, verschrikt door de
fonkelende oogen harer vriendin.

"Wat ik heb gehoord, Witta? Het is een gruwel. Daar sprak een
wapenknecht; hij beroemde zich, bij de inneming van Brugge een van de
eersten binnen de Kathelijnepoort te zijn gedrongen; en, om zijne
gezellen te overtuigen, dat hij er inderdaad tegenwoordig was, legde hij
uit hoe de zaak was toegegaan. Weet gij wie onze stad aan de Isegrims
heeft verkocht? wie, als een godverlaten moedermoorder, de vijanden
binnen Brugge heeft geleid? Wie? Disdir Vos!--O, het wangedrocht! Hij is
de schuld van den dood onzer arme Kerels, de schuld van Robrechts dood.
Hij kome, hij hoone mij nog door zijne laffe liefdewoorden!"

Zij sprong in vervoering recht en, terwijl zij met de oogen rondom de
kamer iets scheen te zoeken, ging zij voort:

"Ik, zwakke vrouw, ik voel mij bekwaam om het vaderland op den snooden
verrader te wreken! Ik ben eene Kerlinne; de haat maakt mij sterk....
Maar geen wapen, geen wapen! De booswicht heeft alles weggenomen; hij
vreest! Ha, hij kent mij. Mijn vader dood, mijn bruidegom dood, wat
geldt mij nog het leven!..."

Door de zenuwontsteltenis uitgeput, liet zij zich nevens Witta op den
zetel zakken en bleef hijgend allerlei onduidelijke bedreigingen tegen
Disdir Vos mompelen.

Witta greep haar de hand en zeide bevende:

"O, Dakerlia, ik smeek u, bedaar. Gij doet mij bezwijken van schrik.
Mher Vos gaat komen waarschijnlijk. Indien gij hem zijne schandelijke
daad verwijt en hem bedreigt, zal hij ons aan de Isegrims overleveren.
Wij zullen zonder bescherming aan de wacht der grove wapenknechten
overgeleverd worden. Mijn God, mijn God, dan worden wij de slachtoffers
hunner woeste baldadigheid! Dakerlia, vreest gij dit ijselijk lot niet?
Ach, het is honderdmaal schromelijker dan de marteldood! Ik bid u, ik
bezweer u, Dakerlia, bij de liefde die mijn zalige broeder u toedroeg,
bij uwe vriendschap voor mij, word kalm, bedwing uwe rechtvaardigen haat
voor den verrader.... Ho, de hemel bescherme ons, daar komt hij!"

Inderdaad, de deur werd geopend en Disdir Vos, met den helm op het hoofd
en het harnas aan de leden, trad in de kamer.

De beide jonkvrouwen, bij zijne komst met schrik geslagen, kropen
dichter bijeen; Witta verborg haar aangezicht met de handen; Dakerlia
hield eenen blik vol misprijzen op Disdir Vos gericht.

"Gij ziet het, jonkvrouwen", zeide Disdir, "ik kom gansch uitgerust tot
u. Daareven verlaat ik den veldheer, om u eene haastige, eene droeve
tijding te brengen. De raad der ridders is vergaderd geweest om over uw
lot te beslissen. Gij weet het, ik heb het u reeds gezegd, dat al onze
broeders, die levend in de handen der Isegrims vallen, als verdacht van
medeplichtigheid aan des graven moord, zonder genade ter dood worden
veroordeeld. Dezen morgen nog heeft men er wel twintig op het Zand
gemarteld en aan stukken gehakt. De krijgsraad heeft, eilaas, nu
insgelijks uitspraak over uw lot gedaan. Als zuster en als verloofde van
eenen Erembald, van eenen Kerel, die, volgens hunne meening, tot den
moord van graaf Karel heeft medegeholpen, zijt gij beiden veroordeeld om
door den beul onthoofd te worden...."

Hij zweeg en speurde na welken indruk deze schrikkelijke tijding op de
beide jonkvrouwen zou uitoefenen.

Een scherpe angstkreet ontsnapte de bevende Witta. Jonkver Wulf
aanschouwde hem integendeel met eenen tergenden twijfellach op de
lippen.

"Er is slechts één middel voor u om uw leven nog te redden", hernam
Disdir Vos. "Dat Dakerlia mijne hand aanvaarde, en de veldheer schenkt u
beiden genade. Anders wordt gij morgen, voor den middag, naar het Zand
gesleurd en zal uw hoofd, ten aanzien der menigte, van het bloedige
kapblok rollen. Nu, Dakerlia, wilt gij niets doen voor uw eigen behoud,
heb toch deernis met uwe arme vriendin. Eed haar van den ijselijken
marteldood door eene kleine opoffering. Zoolang Robrecht Sneloghe
leefde, kon ik uwe weigering begrijpen. Nu hij in het graf is gedaald,
ziet wel zeker zijne ziel uit den hemel op u neder, wachtende op uwe
beslissing. Zult gij wreed en onmenschelijk genoeg zijn om zijne zuster,
om u zelven eenen schandelijken dood toe te wijden? Gij antwoordt niets,
in uwe oogen fonkelt de spot, zinnelooze? Gelooft gij mij dan niet?"

Door haar hardnekkig stilzwijgen en door hare misprijzende uitdrukking
verbolgen, stapte Disdir dreigend tot haar, en meende haar bij den arm
te grijpen; maar zij sprong recht, stiet hem met kracht achteruit en
riep:

"U gelooven? Uit den mond van hem die de valschheid zelf is vloeit niets
dan logen. Weg van mij, raak mij niet; uwe handen besmetten! Uwe bruid?
Ik? Zeidet gij de waarheid, dan zou mijne hand de prijs van uw verraad
worden? Dakerlia Wulf zou haar leven slijten in de armen van het
wangedrocht dat onze stad Brugge aan de Isegrims heeft overgeleverd?
Neen, sterven, liever honderdmaal sterven. Achteruit, verrader, niets in
mijn hart voor u dan afkeer, misprijzen en haat!"

"Hemel, wat beteekenen uwe woorden?" gromde Disdir Vos, als verpletterd
door de openbaring der vertoornde maagd. "Gij spreekt van verraad? Gij
zegt dat ik den vijand onze stad Brugge heb overgeleverd?"

"Ja, veins, huichel de onschuld", schertste Dakerlia, "ik weet alles!
Ha, gij zijt in den nacht tot mher Gervaas gegaan, gij hebt hem de stad
verkocht, en waarschijnlijk was mijne hand in den prijs der misdaad
begrepen. Zoo, zoo, gij dwaze snoodaard, gij meendet dat ik den moord
der Kerels, dat ik den dood van Robrecht u zou betalen! Ga, roep de
beulen; ik zal sterven met eene vermaledijding tegen u op den mond. Tot
in het graf zal ik hem haten, den laffen verkooper van Kerlingaland!"

Disdir scheen te beven onder den indruk van Dakerlia's ontzagwekkende
houding en vurige woorden. Hij was eenige stappen in de kamer
teruggeweken en bulderde daar onverstaanbare bedreigingen.

Eindelijk, als hadde hij een opperst besluit genomen, zeide hij:

"Ha, het is zoo? Gij laat mij niet de minste hoop, zelfs niet in eene
verwijderde toekomst? Gij worstelt en vecht tegen mij, en gij vindt
vermaak in mij uit te dagen? Roekelooze, gij zult mij kennen! Ik keer
terug naar den veldheer; ik lever u over aan uw lot; bereid u tot den
dood; de zon van morgen zal uwe beider lijken beschijnen!"

Onder het slaken van eenen noodkreet, liet Witta zich geknield ten
gronde vallen, kroop tot voor Disdir Vos, hief hare handen smeekend tot
hem op en riep om genade.

Het scheen dat Disdir niet gewillig alle hoop, om Dakerlia nog te
overwinnen, verzaakte; want hij hief Witta met eene hand op, en zeide
haar:

"Arme jonkvrouw, hoe ontstelt u de vrees des doods! Ik heb deernis met u
en zou u willen redden. Beproef of gij uwe vriendin betere gedachten
kunt inboezemen. Ik gun u twee uren, nog twee uren tijds zal ik van den
veldheer afbidden. Dan keer ik terug. Weigert Dakerlia mijne hand, dan
wordt haar noodlottig "neen" u beider een onherroepelijk doodvonnis.
Kiest geluk en rijkdom of schavot en graf."

Hij stapte haastig ter zaal uit en sloeg de deur geweldig toe.

Witta voegde de handen te zamen en riep tusschen overvloedige tranen:

"O, Dakerlia, heb medelijden met mij! Sterven, sterven, op het schavot,
zoo jong! Ik ben vervaard, ik bezwijk van schrik. Wees niet zoo wreed!
Zie mijne tranen aan, geef mher Disdir een goed woord!"

"Ik laffelijk terugwijken voor den dood, die mij moet verlossen?" riep
Dakerlia met opgewondenheid. "Ik de bruid worden van dengene, die door
zijn snood verraad uwen armen broeder heeft vermoord; ik vriendschap
bewijzen aan den verkooper van mijn land? Nimmer, nimmer! Kome de dood;
hij zal mij opvoeren bij mijnen vader, bij mijnen bruidegom, in den
schoot van God!"

Overtuigd dat hare smeekingen niets op hare vriendin zouden vermogen,
erkennende misschien wat er wangedrochtelijks zou zijn in een huwelijk
tusschen Dakerlia en den vijand van Robrecht, sloeg Witta, met eene
grievende klacht, de armen om den hals der sterkmoedige maagd, en legde
dan snikkende het hoofd tegen hare borst....

       *       *       *       *       *

Terwijl dit tooneel tusschen Disdir Vos en de beide ongelukkige
jonkvrouwen plaats greep, was Robrecht Sneloghe bij zijnen oom, den
proost, die vele moeite inspande om hem van den ontworpen uitval te doen
afzien. Maar de jonge ridder weerstond zijne vermaningen en gebeden, en
verliet hem eindelijk met de woorden:

"Bid intusschen voor mij, oom lief. God is vergramd op ons; maar dat Hij
nog eens, eene enkele maal nog, mij Zijne bescherming gunne! Ach, hoe
zou ik Hem zegenen tot aan het graf, indien Hij mij de genade gunde, u
te mogen toeroepen: "Zege, zege, verlost is mijne arme zuster, verlost
is Dakerlia!"

Hij haastte zich over het plein. Zijn vriend Eggard Van IJsendijke zeide
hem:

"Alles is gereed; wij wachten uw bevel."

"Weet ieder wat hij te doen heeft?"

"Ja; Yorg Koevoet zal de voorhoede houden. Degenen die u niet mogen
verlaten en, in geval wij gelukken, uwe zuster en jonkvrouw Dakerlia
moeten beschutten, staan in het midden. Met de anderen zal ik u volgen
en, waar eenig gevaar u dreigt, zal ik stand houden en den vijand werk
geven, om uwe vlucht te beschermen."

"En de mannen met den beukram?"

"Zij hebben hem reeds op de schouders."

"Het is wel Eggard, beveel de stilte. Eens buiten de poort zullen wij
weinig acht op de pijlen slaan, vooruitloopen, immer vooruit over den
Maalberg en door de Wapenmakersstraat. Men volge mij zonder gerucht!"

De gansche bende, misschien wel honderd man sterk, bewoog zich door de
duisternis en stapte tot achter de Hoogpoort, die zeer langzaam en
zachtjes werd geopend.

Robrecht, die al de anderen vooraf was, gaf met verdoofde stem het sein
tot het vertrek.

Eerst slopen de Kerels, gebukt en met looze stappen, over de brug; maar
nu werden zij door de schildwachten des vijands bemerkt, en van vier of
vijf kanten tegelijk werden hun pijlen toegestuurd, terwijl de verraste
wapenknechten de lucht onder hunne noodkreten deden hergalmen.

"Vooruit, vooruit, loopt, loopt!" riep Robrecht.

De Kerels, zijn bevel gehoorzamende, smeten eenige vijanden overhoop,
die hun den weg wilden versperren, en stormden dan over den Maalberg de
Wapenmakersstraat in.

Zonder nog eenen ernstigen tegenstand te ontmoeten, geraakten zij voor
den Steen van Disdir Vos; en dewijl men weigerde hun de poort te openen,
begonnen zij onmiddellijk met den ram zoo geweldig er tegen te beuken,
dat het was alsof de gansche stad er van dreunde.

Het was geen gemakkelijk werk; de poort weerstond de herhaalde slagen en
bleef onwrikbaar, als hadde men ze van achter met eenen aarden wal
bedijkt.

Welke schrik, welk lijden verscheurden Robrechts hart! Hoe stond hem,
bij die vergeefsche krachtinspanningen, het angstzweet op het
aangezicht! Zijne poging zou mislukken; het bloed zijner moedige
gezellen zou nutteloos vergoten worden. Zijne arme zuster, zijne
ongelukkige verloofde zouden in de macht van den snooden verrader
blijven. Ja, want de noodhoorns hergalmden op de Markt. Reeds waren vele
vijanden op het gedonder der ramslagen komen toegeloopen; Eggard en Yorg
waren in eenen drukken strijd gewikkeld; pijlen snorden door de straat,
en reeds waren eenige Kerels met verbrijzelden schedel of met doorboorde
borst nedergevallen.

Robrecht stelde zelf zich aan den ram en vuurde de kracht der beukers
aan door koortsige uitroepingen; hij beloofde hun zelfs eene
aanzienlijke belooning indien zij de poort ten gronde konden werpen.

Ben zegevierende kreet, een gehuil van blijdschap ontsnapte hun: het
slot der poort was gesprongen, en hare beide deuren waren wagenwijd
opengevlogen.

Door zijne mannen gevolgd, stormde Robrecht in den Steen. Op den voorhof
stieten zij wel op de twintig wapenknechten, aan wie de wacht was
toevertrouwd, maar Robrecht, door de woeste slingeringen van zijn
zwaard, smeet er twee of drie omverre en liep, zonder nog om te zien,
naar het achtergebouw, waar hij in eene verlichte kamer de schaduw van
Disdir Vos meende te zien wemelen.

Hij beukte met eenen ontzaglijken druk van zijnen schouder de deur open
en hief zijn zwaard in de hoogte, om zijnen bloedvijand het hoofd te
klooven; maar een dubbele noodkreet klonk hem tegen, en hij zag zijne
verloofde en zijne zuster, die in eenen hoek der kamer elkander angstig
hielden omarmd.

"O, Witta, Dakerlia", riep hij, "staat op, volgt mij, ik kom u redden!"

"Dank, o hemel, hij leeft, mijn broeder leeft! Robrecht, Robrecht!"
galmden de jonkvrouwen, hem met zinnelooze blijdschap aan den hals
vliegende. "Gij leeft, Disdir heeft ons bedrogen? Welk geluk!"

"Geen woord, geen woord!" beval de jonge ridder met vurige haast, "Komt,
komt!"

En dewijl zij, door blijdschap te diep ontroerd, hem niet schenen te
begrijpen, sloeg hij zijne armen hun om het lichaam en dreef ze met
geweld naar buiten.

"Hier, hier, mijne mannen! Beschut, beschermt de vrouwen!" riep hij.

Zijn bevel werd gehoord en volvoerd. Een dertigtal Kerels omringden hem,
terwijl de anderen, door Eggard Van IJsendijke en Yorg Koevoet
aangevoerd, langs beide zijden in de straat zich verdedigden tegen eenen
dikken drom vijanden.

"Nu vooruit, vooruit naar den burg!" gebood Robrecht met eene stem die
door den toon der uiterste blijdschap was versterkt en begeesterd.

De Kerels drongen strijdend voorwaarts en poogden zich met hunne
zwaarden ter redding der jonkvrouwen eenen vrijen weg door de
toeloopende vijanden te banen. Zij vonden een hardnekkigen tegenstand en
vorderden, bij het verliezen van velen hunner gezellen, slechts
langzaam. Weder begon Robrechts hart zich met doodelijken angst te
vervullen. Zou hij nu met zijne dappere Kerels bezwijken op het
oogenblik zelf dat hij God had gedankt om Zijnen bijstand? Zouden zijne
zuster en zijne verloofde terugvallen in de macht van Disdir Vos? Hoorde
hij niet in de verte op de Markt een gebruis als van eenen nakenden
orkaan? Gingen duizenden vijanden hem bespringen?

Tot dan had hij zonder strijden over zijne zuster en Dakerlia van nabij
gewaakt; maar deze pijnlijke gedachten ontrukten hem eenen schreeuw van
wanhoop. Hij hief zijn zwaard in de hoogte, sprong vooruit aan het hoofd
zijner mannen en ontvlamde hunnen moed en hunne krachten door zijn
voorbeeld en door zijn vurig woord.

De vijanden werden teruggedreven, omvergeworpen en verstrooid.

De Kerels, zonder dat nog iets hunne vaart kon stuiten, liepen over den
Maalberg en in den burg, waarvan de poort, bij hunne komst geopend,
onmiddellijk weder werd gesloten.

De lucht hergalmde eenigen tijd van zegevierend gejuich en van
schaterend gejubel.

Robrecht zelf hief de handen ten hemel en zegende God over het
welgelukken zijner vermetele poging. Hij sprong beurtelings Yorg Koevoet
en Eggard Van IJsendijke aan den hals, drukte in de duisternis de handen
zijner moedige gezellen, dankte hen met uitgelaten blijdschap en riep,
dat hij hen allen mildelijk zou beloonen.

Dan greep hij zijne zuster en zijne verloofde bij de armen en trok hen
naar de proostdij.

"Komt, komt, bij mijne ooms!" zeide hij, "ach, hoe gelukkig zullen zij
zijn, u behouden weder te zien!"

Hij wierp de deur eener zaal open; Witta viel juichend den proost aan
den hals, en Robrecht riep met geestdrift uit:

"God heeft mij beschermd. Verlost is mijne goede zuster, verlost is onze
lieve Dakerlia"



XIX


Eenige dagen na hunne verlossing, in den vroegen morgen, zaten Dakerlia
en Witta in eene benedenzaal van des kasteleins Steen, waar Hacket hen
had geherbergd, terwijl Robrecht integendeel binnen de proostdij zijn
verblijf had.

Eggard Van IJsendijke, de jonge en dappere vriend van mher Sneloghe,
hield de jonkvrouwen gezelschap en koutte vroolijk met hen. Hij wendde
zich bij voorkeur tot Witta, die een groot vermaak in zijne samenspraak
scheen te vinden en niet naliet bij elke gelegenheid hem te loven en te
danken voor de krachtdadige hulp welke hij tot hunne redding had
geleend. Ja, zij getuigde dikwijls dat zijne edelmoedige opoffering en
zijne onversaagdheid alleen het welgelukken dezer vermetele onderneming
hadden mogelijk gemaakt.

Nu antwoordde Eggard op eene bemerking van Dakerlia:

"Ja, jonkver Wulf, het is zoo, men heeft gisteren nog op bet kerkhof van
St-Donaas eenen pijl gevonden met eenen brief waarin men ons, namens den
graaf Willem Van Loo, tot standvastigheid aanmoedigt en ons laat weten
dat het Kerlenleger welhaast naar Brugge zal komen om ons te verlossen.
Onze graaf Willem Van Loo zal zeker wat tijds behoeven om zijne
heirkracht in te richten; hij is een ervaren en voorzichtig krijgsman,
die niets onzekers wil wagen. Men handelt niet met een talrijk leger als
met eene geringe bende. Gij ziet wel dat de Gentenaars, die door de
Isegrims sedert acht dagen worden verwacht, nog niet verschenen zijn."

"En zoohaast de Gentenaars aankomen, zal men den burg bestormen?" vroeg
Robrechts zuster met eenen zucht.

"Ongetwijfeld, jonkver Sneloghe."

"Ach, en dan zal mijn broeder en dan zult gij, mher Eggard, alweder
moeten strijden!"

"Tenzij het Kerlenleger eerder dan de Gentenaars binnen Brugge trede. In
alle geval, jonkvrouwen, weest niet bekommerd: de burg is sterk, en de
Isegrims zullen er niet in geraken voor de komst van ons leger, al
moesten wij zelfs weken lang op ontzet wachten."

"En indien er nog een verrader tusschen u zich bevond?" bemerkte
Dakerlia.

"Neen, zulke wangedrochten zijn zeldzaam. In den burg tellen wij slechts
trouwe en beproefde gezellen."

Er trad eene hoogstaltige vrouw met helgekleurd aangezicht en mannelijke
trekken in de kamer. Het was eene der twee Kerlinnen, die toegestemd
hadden om de jonkvrouwen als _gezellinnen_ behulpzaam te zijn. Zoo ten
minste kenmerkten zij zelven den last dien zij hadden aanvaard; want de
woorden _dienen_ en _dienstmeid_ wilde men onder de vrije Kerels niet
kennen.

Zij legde een wit ammelaken op de tafel en schikte er eenige borden en
drinkschalen op.

"Jonkvrouwen, het ontbijt is gereed", zeide zij. "Gelieft het u dat ik
het opbrenge?"

"Ja, Elswinde", antwoordde Witta, "maar wees zoo goed mijnen broeder
door iemand te doen roepen. Hij is waarschijnlijk in de proostdij."

"Hij wandelt op den wal, boven de Hoogpoort", bemerkte Elswinde, "ik heb
hem daar straks van verre gezien."

Zij stapte ter zaal uit en keerde eene wijl daarna met eene andere vrouw
terug. Beiden droegen spijzen aan en gingen voort met de tafel tot het
ontbijt te schikken.

Mher Sneloghe kwam binnen, drukte Dakerlia met teederheid de handen en
omhelsde zijne zuster, onder het murmelen van eenen blijden morgengroet.
Nadat hij insgelijks zijnen vriend Eggard de hand had gedrukt, zette
hij zich bij de tafel nevens Dakerlia. Allen bogen het hoofd en
murmelden een dankgebed.

Op de tafel stonden kannen met warme melk en eene kom met gortebrij.

Onder het nuttigen dezer lichte morgenspijzen, zeide Robrecht tot zijnen
vriend:

"Wij hebben vanwege den graankoopman Elfrid Rooster en van anderen nog,
brieven ontvangen nopens zekere verrassende tijdingen, die gisteren in
de stad zijn aangekomen. De koning van Frankrijk heeft boden aan mher
Gervaas Van Praet en aan de schepenen van Brugge gezonden, om hun te
gebieden, zonder uitstel tot het kiezen van eenen nieuwen graaf over te
gaan. De stad Gent heeft insgelijks zulk bevel ontvangen."

"Wat beteekent dit?" riep Eggard spottend. "Meent de koning van
Frankrijk nu dat hij zich met de zaken van Vlaanderen te bemoeien
heeft?"

"Het is in den beklaaglijken moord des graven dat hij ongetwijfeld
beweert dit recht te putten", antwoordde mher Sneloghe. "Gij weet dat
hij zich als wraakeischer van graaf Karel aanstelt. Hij was zijn neef;
de bloedplicht gebied hem zijne moordenaars te vervolgen."

"Maar de schepenen en de poorters van Brugge zullen wel zeker weigeren
tot zulke keus over te gaan, op bevel of op verzoek van eenen vreemden
vorst?"

"Neen, Eggard, daarin bedriegt gij u. Binnen drie dagen zullen de
poorters op het Zand vergaderen, om eenen nieuwen graaf te kiezen."

"Ik begrijp het wel", bemerkte Dakerlia, "de schepenen en poorters
zullen voor Willem Van Loo stemmen; en zoo zal de koning van Frankrijk
in zijne verwachting teleurgesteld worden."

"Hopen wij het!" zeide Robrecht. "Er is evenwel, denk ik, eene groote
verdeeldheid over deze zaak onder de poorters. De moord des graven heeft
ons meer dan de helft der Bruggelingen vijandig gemaakt. Anderen zullen
misschien in de keus een middel zoeken, om eenen langen en verdelgenden
oorlog te voorkomen. Er zijn reeds drie vorsten die afgezanten naar
Brugge hebben gezonden om zich aan de keus der ridders en der poorters
voor te stellen. De eene is Diederik van den Elzas, de tweede is de
graaf van Henegouwen en de derde is zoon der gravin van Holland, die
allen afstammen van onze vorige graven en beweren recht te hebben tot
het erven der kroon van Vlaanderen."

"De eenige die kans heeft op het bekomen van een zeker getal stemmen is
Diederik van den Elzas", bemerkte Eggard. "Hij staat bekend als een
dapper en vrijheidlievend vorst. Indien hij gekozen werd, zou daaruit
wel eene erge verwikkeling voor onze zaak kunnen ontstaan."

"Toch niet, Eggard. Deze keus is geheel onverschillig voor ons. Wat er
ook geschiede, Willem Van Loo moet zijne kroon door veldslagen en
zegepralen winnen. Ongelukkiglijk heeft Burchard door zijne vloekbare
misdaad de eensgezindheid, welke tusschen de poorters en de Kerels
bestond, geheel vernietigd. Anders ware de zaak reeds beslist en
afgedaan. Gansch Vlaanderen hadde Willem Van Loo als graaf toegejuicht.
Hoe deze worsteling nu voor hem zal eindigen, dit weet God alleen!"

Terwijl hij deze laatste woorden uitsprak, trad Yorg Koevoet in de
kamer.

Na de jonkvrouwen minzaam te hebben gegroet, zeide hij:

"Vrienden, komt toch kijken. De Gentenaars zijn aangekomen. Van boven
den wal kan men ze zien voorbijtrekken. Zij zijn zeer talrijk. Het spel
gaat nu eens voor goed beginnen!"

Robrecht en Eggard stonden op om Yorg naar buiten te volgen. Door
nieuwsgierigheid aangedreven, betuigden de jonkvrouwen den wensch om
mede op den wal te gaan; maar Eggard en Robrecht deden hun begrijpen dat
de vijand nu en dan met pijlen schoot en het immer gevaarlijk was achter
de kanteelen te wandelen.

Zij lieten zich raden en bleven in de kamer, de ridders tot
voorzichtigheid aanmanende.

Robrecht wilde den wal aan den linkerkant der Hofpoort beklimmen; maar
Yorg Koevoet hield hem terug en zeide:

"Neen, niet langs dezen kant; daar staat Burchard. Ontwijken wij den
norschen woestaard. Nu ongeveer een half uur geleden, heb ik nog eenen
hevigen twist met hem gehad."

"Zoo? Waarover?"

"Hij was alweder bezig met u te beschuldigen, Robrecht, omdat gij
volgens hem bij den nachtelijken uitval meer dan dertig dappere gezellen
hebt opgeofferd tot eene poging die voor der Kerlen verdediging geen het
minste belang had."

Robrecht liet een gemor van gramschap hooren en deed eenen stap om tot
Burchard op te klimmen; maar Yorg Koevoet greep hem den arm en zeide
lachend:

"Kom, kom, mher Sneloghe, stoor u niet in de spijtige woorden van
Burchard. Laat hem over aan zijn lot. Hij wordt nu meestal door onze
gezellen gevlucht, en dwaalt grommend en met sombere blikken rondom de
wallen. De boete der misdaad begint reeds voor hem."

"Gij hebt gelijk, mijn vriend", sprak Robrecht, het hoofd schuddende.
"Ik moet de belofte vervullen welke ik mijnen ooms heb gedaan. Het kost
mij veel.... Kom, wij zullen nevens de proostdij op den muur gaan."

Toen zij boven achter de kanteelen stonden, hielden zij met verwondering
de oogen op de voorbijtrekkende scharen hunner nieuwe vijanden gericht.

De Gentenaars, om eene breede baan te vinden, waren van de Gentpoort
naar de Steenstraat afgedaald, en hunne eerste benden trokken nu langs
de oostelijke zijde der Markt, voorbij de St-Christoffelskapelle, de
St-Jacobsstraat in, om plaats te maken voor degenen die moesten volgen.

Aan hun hoofd reden: Segher, kastelein van Gent, hun bevelvoerder, Ivan
Van Aalst, Daniël van Dendermonde, Balder Van Deinze, Walter Van Lillers
en nog eenige andere Vlaamsche ridders.

Gedurende langen tijd zag men slechts kruisboogschutters, speerdragers
en knotsvoerders voorbijtrekken; maar dan verschenen eindelijk de
beruchte stormgewerken van den burg van Gent.

Wel zestig wagens en zware voertuigen van alle slag volgden elkander op,
en schikten zich in twee rijen langs de huizen der Markt.

Alhoewel vele stormgestellen uiteen op de wagens lagen, kon men toch de
meeste nog herkennen. Vooraan reden de Springhalen, die bij elke
ontspanning veertig of vijftig groote pijlen over de muren der
belegerde sterkte schoten; dan de Blijden, waarmede men groote steenen
en rotsblokken den vijand toezond; dan stormtorens met valbruggen, om op
de wallen der burgen over te loopen; dan een honderdtal Schildpadden of
groote beukelaars, van sterke wissen gevlochten en overdekt met
ossenleder; verder vele wagens met ladders van alle grootte: de eenen
reusachtig van gestalte en zestig voet lang, de anderen licht en door
weinige mannen draagbaar. Eindelijk volgden nog een aantal wagens,
geladen met balken, haken, mokers, bijlen, hefboomen, spaden, koorden,
katrollen en wat meer nog tot beleg eener sterke stad of burg kon
behoeven.

Deze nieuwe heirkracht kon wel tweeduizend man sterk zijn. Of onder hen
wel vele Gentsche poorters zich bevonden, dit was zeer te betwijfelen;
want het grootste gedeelte droeg vuile, gescheurde kleederen van
vreemden vorm, en geleek aan eenen zwerm landloopers of bedelaars.
Eveneens kon men benden herkennen, samengesteld uit mannen die men
tusschen de oud-Friesche bevolking van het Waasland had aangeworven en
bijeengeraapt[71].

Het was te denken dat de Gentsche poorters, die wel wisten dat de Kerels
de algemeene volkszaak van Vlaanderen tegen de dwingende heerschzucht
der leenheeren verdedigden, geweigerd hadden tegen hen op te trekken. De
kastelein van Gent beschikte over de stormtuigen en over al de mannen,
die tot leenen der kroon behoorden. Waarschijnlijk had hij ook door
groote beloften een zeker getal poorters overgehaald om hem naar Brugge
te volgen.

Hoe het zij, al deze mannen schenen door eenen hevigen strijdlust
bezield; want zij deden de Markt onder hunne zegekreten hergalmen,
terwijl zij tusschen het bulderen der grofste vermaledijdingen hunne
vuisten of hunne zwaarden dreigende naar den burg uitstaken.

Uit hun verward gejuich was te verstaan dat zij den burg opgevuld
meenden met onschatbare rijkdommen, aldaar door de Kerels verzameld; ja,
sommigen beweerden dat er kelders waren op welker vloer men de marken
zilvers met de spade kon opscheppen. Zeker, het was veel meer de
hebzucht en de begeerte naar deze schatten dan de haat tegen de Kerels
die hunnen moed ontvlamden en hen naar den strijd deden snakken.

Zoohaast zijne mannen eenigszins op de Markt geschikt waren, trad de
kastelein van Gent met eenigen der ridders, zijne gezellen, in een huis
omtrent de St-Christoffelskapelle, dat men hem aangeduid had als het
verblijf van mher Gervaas Van Praet.

Na den veldheer de hand te hebben gedrukt en eene vriendelijke groetenis
met hem te hebben gewisseld, zeide hij:

"Wij zijn wat lang achterwege gebleven, niet waar, veldheer? De banen
zijn slecht, en wij vorderden moeielijk met de zware stormtuigen. Heden
hebben wij zelfs weinig meer dan een uur gaans afgelegd. Onze paarden
hebben het lastig genoeg gehad; maar mijne mannen zijn frisch en licht,
als stonden zij eerst van hun nachtleger op. Zij hijgen naar den strijd,
en willen oogenblikkelijk alles tot eenen beslissenden stormloop
bereiden."

"Hoeveel tijds is daartoe noodig?" vroeg de veldheer.

"Drie of vier uren. Korts na den middag kunnen wij vaardig zijn."

"Welnu, mijne ridders en wapenknechten betreuren reeds vele dagen de
werkeloosheid waartoe zij zich veroordeeld zagen. Doe alles bereiden,
kastelein. Wij zullen den burg met gansch onze macht en van alle zijden
te gelijk aangrijpen. Heden zullen de moordenaars des graven levend of
dood in onze handen vallen. Ik zal met u uitgaan om te beramen waar men
best de Springhalen en Blijden kan stellen."

"Ik moet u iets zeggen, veldheer", bemerkte Segher, de kastelein, "opdat
er geen misverstaan tusschen ons rijze. Wij, ridders, die al deze benden
van woeste doch onversaagde lieden met groote haast moesten
bijeenbrengen, hebben hun beloofd dat de burg en wat hij bevat, hun ter
plundering zal worden overgelaten. Het is welbegrepen, niet waar, dat
niemand de plundering zal pogen te beletten?"

Deze vraag scheen den veldheer en bovenal den ridders van zijn
gezelschap zeer te mishagen. Mher Gervaas schudde denkend het hoofd.


[Illustratie: ... klommen zij inderdaad op de ladders....]


"Maar, heeren", riep de kastelein ontevreden, "de mannen die ons gevolgd
hebben, zijn meerendeels zelf geene Vlamingen. Wij moesten hun toch
eenig lokkend voordeel beloven. Wilt gij de plundering niet toestaan,
het is uwe zaak; zij zal evenwel geschieden; want ik geloof niet dat gij
machtig genoeg zoudt zijn om ze te beletten."

"Welnu, dat uwe mannen in den burg vrij plunderen!" zeide mher Gervaas,
"op voorwaarde dat gij, heer kastelein, hen de poorters van Brugge en
hunne eigendommen doet eerbiedigen."

Een ridder gromde verstoord:

"Maar, veldheer, indien men dus allen buit den Gentenaren toekent, wat
zal er dan voor ons en onze wapenknechten overblijven?"

"Onze wapenknechten, indien zij met de Gentenaars in den burg dringen,
zullen recht tot plunderen hebben, evenals zij. Wat ons betreft, wij
zullen in de verdeeling van der Kerlen groote landeigendommen eene
toereikende belooning vinden.... Kom nu, kastelein, en verhaasten wij
zooveel mogelijk den arbeid uwer mannen."

Toen zij op de Markt kwamen, deelden zij, na eene korte beraadslaging,
hunne bevelen uit. Eenige wagens zouden naar den Maalberg en naar de
Hoogstraat gevoerd worden; andere naar de Vischmarkt, om zoo den burg
van alle kanten met stormtuigen te omringen, en den Kerels, aangezien
hun klein getal, de verdediging onmogelijk te maken.

Niet lang daarna hoorde men, op de Markt en achter den burg, tusschen
het aanhitsend geroep der arbeiders, den fellen slag der hamers en het
snerpe geknars der schroeven, en zag men allengs de reusachtige
stormgewerken eenen herkennelijken vorm bekomen en hier en daar zich in
de hoogte verheffen. Ladders en schildpadden werden van de wagens
genomen en in verschillende richtingen rondom den burg gedragen.

In de aanpalende straten schikten de oversten hunne ridders en
wapenknechten in gelederen, gereed om vooruit te stormen en den wal te
beklimmen, zoohaast de Gentsche benden de ladders zouden hebben gerecht.

Men kon wel van verre bespeuren dat de Kerels binnen den burg, bij het
gezicht dezer ontzaglijke toebereidsels, niet ondadig bleven en als een
zwerm boven de muren over en weder krielden, met steenen en balken
sleurden, en overal achter de kanteelen lange speren en ijzeren haken en
klauwers aanbrachten, om den vijand van de ladders te smijten en den
storm af te slaan.

De zwarte rook, die op vele plaatsen boven den wal steeg, getuigde dat
het vuur onder de ketels met pek en olie reeds was ontstoken. Dat de
tegenstand hevig zou zijn, dit kon men daaruit besluiten dat zelfs een
tiental vrouwen zich achter de kanteelen vertoonden en daar, evenals de
mannen, druk aan het dragen van steenen arbeidden.

Kort na den middag was alles tot den aanval gereed.

Dan, op een bevel van den veldheer, dat door het geschal der bazuinen
werd herhaald, begonnen de Springhalen en Blijden van alle kanten
honderden groote pijlen en zware steenen over den muur in den burg te
werpen. Daarbij drongen nu insgelijks gansche scharen kruisboogschutters
vooruit, zoodat na weinig tijds, de lucht op de Markt en over den burg
door eene wolk pijlen, schichten en rotsbonken scheen verduisterd.

Al de Kerels waren van de wallen verdwenen of hielden zich achter de
kanteelen nauw verborgen. Inderdaad, geen enkel mensch kon boven den
muur van den burg van buiten zichtbaar worden of hij werd onmiddellijk
door een werptuig getroffen.

Deze geweldige beschieting werd meer dan een uur zonder verpoozing
voortgezet; en dewijl door haar het den Kerels onmogelijk was gemaakt
zich te verdedigen, konden de aanvoerders der ladders deze nader bij den
burg brengen en alles zonder beletsel tot den stormloop gereedmaken.

Eindelijk gaven de bazuinen een sein tot het staken der beschieting.

Van alle kanten, onder het aanheffen van een donderend krijgsgeroep,
werden de ladders gerecht en stormden ridders en wapenknechten vooruit
om den wal te beklimmen.

De eerste aanval zou echter door Gentsche benden gewaagd worden. Bedekt
en beschut door de schildpadden of beukelaars, klommen zij inderdaad op
de ladders. Uit het gansche leger steeg een weergalmende zegekreet in de
hoogte; want niemand twijfelde, of de burg, aldus aan de vier zijden te
gelijk besprongen, zou bij dezen eersten storm bezwijken.

Hoe vonden zij zich echter in hunne verwachting bedrogen! De Kerels
hadden nu geene pijlen van buiten meer te vreezen; want de vijand kon
niet schieten zonder zijne eigene mannen te treffen, terwijl integendeel
de bezetting van den burg nu vrij hare pijlen en schichten in zulken
dikken drom ongeharnaste menschen kon zenden, dat elk schot onfeilbaar
een slachtoffer moest nedervellen. Ook schenen de Kerels zich boven den
muur te vermenigvuldigen; alhoewel slechts gering in getal, krielden
zij op de weinige plaatsen welke de vijand rechtstreeks kon aanvallen.

De eenen trokken met de lange haken de ladders omverre, anderen rukten
de aanvallers met de krauwels in de vesten, velen goten kokend pek, olie
of vlammend vuur op den vijand, de meesten schoten met pijlen. Waar het
echter eenigen ridders of wapenknechten gelukte boven den wal te
geraken, daar hieven zich even ras twintig zwaarden in de hoogte om hen
te verpletteren.

Na een half uur dezer koortsige bestorming, lagen er reeds vele
honderden lijken of gekwetsten in de vesten of op de bruggen, en elk
oogenblik zag men er bij hoopen van de ladders nedertuimelen.

De Gentenaars huilden van woede en wraakzucht, en vernieuwden telkens
den aanval met verdubbelde kracht; de ridders, die niet minder
onversaagdheid dan deze dorpers en landloopers zouden hebben willen
toonen, sprongen met even blinden moed tegen de ladders op, doch werden
telkens afgeslagen of boven den wal aan stukken gehakt.

De zijde van den burg, die naar de Hofbrug en de Markt uitzag, was voor
de aanvallers de gevaarlijkste plaats. Daar stonden de tien of twaalf
Kerlinnen, die niet ophielden eenen vloed kokende olie op den vijand te
gieten. Ook lagen daar op de Hofbrug, tusschen halfverkoolde lijken,
vele ridders en wapenknechten met verbrande leden te spartelen en akelig
te kermen om deernis en om hulp.

Den ganschen namiddag duurde de schrikkelijke bestorming voort, nu voor
eene wijl opgeschorst, dan weder met nieuw geweld hernomen, nogmaals
onderbroken, om nieuwe werktuigen aan te voeren, doch nimmer opgegeven.

De grachten van den burg schenen opgevuld met bloed; hun water, bijna
geheel overdekt met lijken, was donkerrood geworden.

Er kwam een oogenblik dat ook de onversaagdsten de onmogelijkheid om op
zulke wijze den burg in te nemen, erkenden; en alhoewel zij van spijt
schier razend waren, gaven zij gehoor aan het bazuingeschal, dat hen uit
de bestorming riep, en weken terug op de Markt tot buiten het bereik der
pijlen.

De aanval scheen opgegeven, want geen enkel Isegrim was aan den voet
der vesting gebleven, en de ladders, meest aan brand gestoken door het
vlammend pik, stonden daar gansch verlaten.

Van op de muren zonden de Kerels zulke machtige zegeschreeuwen, zulk
donderend triomfgejubel in de hoogte, dat de galmen er van als een
rollende donder over de gansche stad herklonken.

De veldheer Gervaas Van Praet en zijne ridders waren van gevoelen dat
men voor dien dag de bestorming hoefde te staken; maar de Gentenaars,
beschaamd over hunne vruchtelooze poging of verwoed over het verlies van
den hun beloofden buit, wilden van geen terugwijken hooren. Volgens hen
moest men den houten toren, die in de Hoogstraat stond, tot bij den wal
van den burg voeren en dan, terwijl men nog eenen algemeenen aanval zou
wagen, langs de valbrug van den toren op de muren springen. De Kerels
waren vermoeid en hadden insgelijks vele mannen verloren. Aan deze
uiterste bestorming zouden zij niet kunnen weerstaan.

De ridders stemden in dezen laatsten aanval toe, en de veldheer begaf
zich met de dappersten zijner gezellen naar de Hoogstraat, om bij de
aanvoering van den toren en de beklimming van den muur langs dien kant
tegenwoordig te zijn.

Na een half uur verpoozing, gedurende welken tijd de benden opnieuw tot
den aanval werden ingericht en alles ten beste geschikt, gaf mher
Gervaas Van Praet, door het herhaald geschal der bazuinen, het sein tot
den algemeenen stormloop.

Terwijl langs alle kanten de ladders weder werden gerecht en de
aanvallers met evenveel woede doch even vruchteloos den muur poogden te
beklimmen, hadden honderden mannen zich in de Hoogstraat aan den
stormtoren gespannen of stieten met hunne schouders er tegen, om hem op
zijne rollen vooruit te stuwen.

De Kerels, die wel bemerkten wat de vijand voornemens was te beproeven,
waren intusschen niet werkeloos gebleven. Boven de Hoogpoort en er
nevens hadden zij velerlei brandstof vergaderd; en aan den rook, die
daar ter plaatse opsteeg, en aan de Kerlinnen, aan de struische, moedige
vrouwen, die met lange ijzeren lepels daar gereedstonden, konden de
Isegrims wel bespeuren met welke vreeselijke wapens men hier hen zou
onthalen.

De toren werd zoo dicht bij den burg gevoerd, dat men de valbrug op den
muur zou kunnen laten zakken.

Honderden Gentenaars en tevens eenige ridders liepen binnen in den
toren en beklommen de trappen, maar vooraleer zij de bovenste gaanderij
konden bereiken, hadden de Kerels het logge houten gevaarte zoodanig met
vlammend pik, harst en olie, met brandend stroo en met bundels vlas
overdekt, dat het was alsof een vloeibaar vuur langs zijne wanden
nederstroomde.

Door hunnen strijdlust en hunne drift aangevuurd, poogden de Gentenaars
evenwel naar boven te klimmen; zij gelukten er zelfs in de valbrug neder
te laten en vochten waarlijk eene wijl met de Kerels op de muren; maar
welhaast had het brandend pik het vuur in den toren gestoken, en nu rees
onmiddellijk de vlam tot boven zijne gaanderij.

De Gentenaars die op den muur geraakt waren konden nu geene hulp meer
bekomen en werden neergehakt; de anderen verstikten of verbrandden meest
allen binnen den toren.

Dit was de laatste poging welke de vijand tegen den burg zou wagen.
Overal afgeslagen en door het verlies van wel duizend man verzwakt, gaf
hij de bestorming eindelijk beslissend op[72].

Al de benden werden teruggeroepen tot buiten het bereik der pijlen, die
de onvermoeibare Kerels niet ophielden uit den burg te schieten, terwijl
zij de lucht met hun herhaald jubelgeschreeuw en met de galmen van hun
krijgslied vervulden. Tot aan de andere zijde der Markt klonk duidelijk
hun tergend lied, dat zij met de klanken der hoorns en met het slaan
hunner zwaarden op de schilden begeleidden:

  Gi, rudders, dwingers, maect u van cant,
  Hier syn de Kerels van Vlanderlant!
  Gi, Isegrms, hoedt u voor den Blauwvoet,
  Of gi selt voelen wat sine clau doet.
    Onze vorderen waren vri,
    En vri so bliven wi,
  So lanc een hert, dat lafheid haet,
  In eenen Kerlenboesem slaet!

  Doedele, bommele, romdomdom,
  Houd u recht en sie niet om!

Zoolang had de bestorming geduurd, dat kort na den aftocht der
aanvallers het daglicht zichtbaar begon te verzwakken.

Mher Gervaas Van Praet zond eenen wapenbode naar den burg om den Kerels
eene opschorsing der vijandelijkheden tot morgen bij zonsopgang te
verzoeken, ten einde men de gekwetsten mocht opnemen en de dooden
begraven.

Deze vraag werd ingewilligd, en de Kerels staken boven de Hofpoort de
witte vredevlag uit.

Binnen den burg had men insgelijks een zeker getal dooden en gekwetsten.
De eersten begroef men op het kleine kerkhof nevens St-Donaas; de
anderen verzorgde men in het klooster.

De avond was reeds gevallen, toen men de dooden ter aarde besteld en
alles op de wallen tot de afwering van eenen nieuwen stormloop had in
gereedheid gebracht.

Hacket, de kastelein, stelde eenige geringe wachten boven de muren, en
gaf den overigen mannen oorlof te gaan rusten in de kloostergebouwen en
in de Love, waar men groote vuren had ontstoken, aangezien er een koude
gure wind was ontstaan.

Dewijl het nu wapenstilstand was tot den volgenden morgen, konden de
mannen die de wacht niet hadden eenige rust na de vermoeienis van den
druk doorgestreden dag genieten.

In den eerste hadden de Kerels, rondom de vuren gezeten, hunne
schitterende zegepraal geroemd of den dood van velen hunner gezellen
door eenige woorden van treurnis beklaagd; maar welhaast deed de warmte
hen onder eene onweerstaanbare sluimerigheid bezwijken, en zij legden
zich langs de wanden der kamers gansch gekleed te slapen.

Alles werd doodstil op den burg.

Zelfs de schildwachten boven de wallen wankelden in hunnen stap of
zwijmelden, met gesloten oogen, achter de kanteelen voort.

Zij waren toch zoo moede van eenen ganschen dag hevig strijden; al hunne
gewrichten deden hun zeer, en de afgematheid beroofde hen schier van
gevoel en besef. Daarbuiten, op de Markt en in de straten rondom den
burg, was het even stil. Men zou gemeend hebben dat in gansch Brugge
geen enkel mensch meer waakte. Zeker, de Isegrims, na een zoo
schrikkelijk verlies, konden dien nacht niets tegen den burg meer
ondernemen. Daarenboven, het was wapenstilstand tot het rijzen der zon.

Door dergelijke overwegingen gansch gerustgesteld, sloten de
schildwachten allengs de oogen en vielen in slaap achter de kanteelen,
of daalden van den muur om zich bij de vuren te gaan warmen.

Toen het uur van middernacht naderde, was een groot gedeelte van den wal
door de schildwachten verlaten.

In de kamer van des kasteleins Steen zat Robrecht in eenen leunstoel;
hij had het hoofd achterover tegen den rug van den zetel laten vallen en
sliep met hoorbare hijgingen.

Tegen den wand der kamer, op een bed, lag Eggard Van IJsendijke
uitgestrekt. De arme ridder had in de bestorming eene ijselijke wonde
ontvangen; zijn hoofd was schier geheel bedekt met bebloede doeken, en
men zou hem dood gemeend hebben, indien niet de zwoeging zijner borst en
bijwijlen de krampachtige beweging zijner lippen hadden komen getuigen
dat hij nog leefde.

Dakerlia en Witta zaten nevens hem, met verkropt hart en tranende oogen
zijn lijden afspiedende. Robrechts zuster scheen bovenal bedrukt en
wanhopig. Zij hield eene hand van den gekwetste, en wanneer hij door de
krampachtige trekking zijner leden eenen aanval van hevige smart
verried, murmelde zij woorden van troost en medelijden aan zijn oor of
verfrischte zijne dorre lippen met eenige druppels water.

Er kwam een oogenblik, dat de ongelukkige Eggard, door de hersenpijn
aangejaagd, schrikkelijk begon te woelen en den naam van Robrecht als
eene bede tot hulp en lafenis uitsprak.

Witta, verschrikt en vreezende dat Eggards laatste stond was verschenen,
wekte haren broeder.

Mher Sneloghe rekte zich de leden, ging nog gansch verdwaasd van den
loomen slaap tot zijnen vriend en beschouwde hem eene wijl.

"Arme Eggard!" zuchtte hij, o wat moet hij lijden! Waarom roept gij mij,
zuster?"

"Ach, ik beef er nog van," antwoordde Witta. "Hij scheen te willen
sterven in eene schromelijke kramp en murmelde uwen naam, als wenschte
hij u een laatst vaarwel toe. God zij er om gezegend, nu is het weder
voorbij!"

"Gij weet wel, Dakerlia, wat de heelmeester heeft bevolen", zeide
Robrecht berispend. "Men mag omtrent den zieke niet spreken, en buiten
het bevochtigen zijner lippen, moet men beweegloos en stil hem bewaken.
Doe mijne zuster bedaard blijven. Hier is ons medelijden, hier is onze
hulp machteloos. God alleen beschikt over het leven van onzen armen
vriend. Bidden is alwat gij voor hem kunt doen. Morgen zal hij misschien
beter zijn. Wie kan het weten? Wellicht zal hij nog genezen. Hopen wij
het...."

Onder het mompelen dezer laatste woorden was hij tot zijnen zetel
wedergekeerd. Nog eene wijl bleef hij van daar met de uitdrukking der
diepste droefheid op den gekwetste staren; doch allengs zakte het hoofd
hem op den schouder, en hij sloot de oogen. Weinig tijds daarna kwam de
zwoegende hijging zijner borst getuigen dat hij opnieuw in eenen diepen
slaap was weggezonken....

Had Robrecht, hadden de Kerels binnen den burg geweten wat daarbuiten in
de stad geschiedde, zij zouden zeker zich niet zoo ongekommerd
overgeleverd hebben aan het genot der rust.

Terwijl alles sliep, waren eenigen der stoutste Gentenaars op de
gedachte gekomen, in het midden van den nacht nog eene poging tot het
innemen van den burg te beproeven. Zij zouden met twee of drie der
lichtste ladders geheimelijk en zonder hunne nadering door het minste
gerucht te verraden, naar den wal kruipen en den muur nevens de Hofpoort
beklimmen. Waren daar, volgens hun vermoeden, de schildwachten afwezig
of ingeslapen, dan zouden zij zich boven den muur stilhouden, totdat een
zeker getal hunner gezellen hen kon vervoegen. Eens sterk genoeg, zouden
zij van den wal dalen en bij middel van door hen medegebrachte
werktuigen de Hofpoort openen, om het overige hunner mannen een vrijen
doorgang te bieden.

Gelukte die list, zooals zij haar hadden berekend, dan viel de burg nog
voor den morgen in hunne macht en werden de slapende Kerels verrast en
verplet.

Toen men den veldheer Gervaas Van Praet van dit ontwerp kennis gaf,
keurde hij het af en wilde de Gentenaars beletten dus verraderlijk den
aanvaarden wapenstilstand te breken; doch de ridders zelven laakten
zijne teergevoelige eerlijkheid jegens moordenaars die in den ban der
kerk lagen.

En daar hij nog wederstand bood, verklaarden hem de oversten der
Gentenaars, dat zij en hunne mannen alleen den slag zouden wagen, de
veldheer mocht hun voornemen goedkeuren of niet.

Mher Gervaas, om de verdeeldheid niet in het leger te brengen, gaf met
onwil en spijt zijne toestemming, doch zou niet zelf deelnemen aan deze
poging.

Onmiddellijk hadden de Gentenaars in stilte begonnen hunne toebereidsels
te maken. Een uur na middernacht slopen ongeveer honderd man, tusschen
hen uitgekozen als de behendigsten en stoutsten, met slechts twee der
lichtste ladders door de duisternis over de Hofbrug.

Dewijl boven den muur geene schildwachten meer tegenwoordig waren, werd
hunne nadering niet opgemerkt....

Het was op dit oogenblik dat Robrecht Sneloghe voor de tweede maal in
zijnen zetel door den slaap was overwonnen geworden.

Reeds sluimerde hij nu weder zeer diep sedert een goed kwart uurs, toen
eensklaps de kreet "Harop! Harop!" met bijzondere haast en kracht uit
alle hoeken van den burg ontstond en hem verrast uit den slaap deed
opschieten.

Eer hij gansch was ontwaakt, hoorde hij het gedonder van zware
hamersslagen, het geklingel van wapenen, het noodgeroep der Kerels en de
zegekreten der Isegrims.

"Blijft, blijft!" zeide hij tot de verschrikte jonkvrouwen. "Wij worden
aangevallen, valsch, verraderlijk. Het zal niets zijn. Wacht op mijne
terugkomst. Houdt u stil...."

En met uitgetogen zwaard sprong hij naar buiten.

Hier vond hij zijne gezellen naar den kant der Hofpoort in eenen
schrikkelijken strijd gewikkeld. De vijand was binnen den burg!

Aan het geroep "Isegrim, Isegrim!" "Blauwvoet, Blauwvoet!" dat tot
herkenningsteeken in de duisternis van wederzijde werd aangeheven,
meende Robrecht te kunnen oordeelen dat de vijand niet overmachtig was
en door de Kerels, die nu uit al de gebouwen kwamen gestormd, wel ras
zou verplet zijn.

Onder het uitgalmen van den kreet: "Ravenschoot, Ravenschoot met mij!"
wierp hij zich vooruit en hakte links en rechts op den vijand.

Maar alhoewel het grootste getal der Gentenaars, die over den wal
geklommen waren, reeds in hun bloed lagen te spartelen en door de Kerels
werden vertreden, gelukte het den overblijvenden op dit oogenblik de
poort te openen.

Dan drong zulke machtige vloed van strijdzuchtige en plunderzieke mannen
den burg binnen, dat de Kerels, na eenen langen en hardnekkigen
wederstand, gedwongen werden te wijken, en zij stap voor stap den grond
zich voelden ontnemen[73].

Robrecht Sneloghe dacht aan Dakerlia en aan zijne zuster. Hem schoot als
een bliksem de overweging door den geest, dat zij in des kasteleins
Steen niet veilig waren en onmiddellijk in des vijands handen zouden
vallen.

Hij liep uit het gevecht, sprong in de kamer, waar de jonkvrouwen zich
bevonden, en riep:

"Gauw, gauw, volgt mij! Spoedig, of het is te laat!"

"Ach, de arme Eggard, onze beschermer, onze verlosser!" riep Witta.
"Verlaat gij hem zonder medelijden, Robrecht? Zij zullen hem ijselijk
martelen!"

Op dit oogenblik woelde de gekwetste, hief de handen in de hoogte en
murmelde op klagenden toon:

"Robrecht, Robrecht!"

Mher Sneloghe, tot in het diepste der ziel geroerd door zijnen roep,
dien hij als een gebed tot bijstand aanzag, omvatte het lichaam van
zijnen gekwetsten vriend, hief door eene geweldige krachtinspanning hem
op den schouder en liep naar de deur, terwijl hij met koortsigen klem
tot de jonkvrouwen zeide:

"Volgt mij van nabij, verlaat mij niet! In het klooster, in de proostdij
zijn wij niet veilig! Komt, komt!"

Buiten, langs den kant der Love, vond hij nog eene talrijke schaar
Kerels, die zich woedend verdedigden, alhoewel het plein schier op zijne
gansche uitgestrektheid weergalmde van den roep "Isegrim, Isegrim!"

Het gelukte Robrecht, immer door de jonkvrouwen van nabij gevolgd,
voorbij de Loove te geraken. Nog een tiental stappen, en hij zou de enge
poort van het klooster bereiken. Eens binnen de geestelijke gestichten,
dan was hij veilig; want deze gebouwen waren omvangen door eene
afzonderlijke versterking, die na het verlies van den burg nog eene
lange belegering kon doorstaan.

Reeds juichte de jonge ridder, want hij raakte schier de poort des
kloosters; maar nu werden eensklaps de nog strijdende Kerels door eenen
woedenden aanval van duizenden vijanden overrompeld en tegen den gevel
der Loove verpletterd.

Degenen, die nog vrij in hunne beweging waren, stroomden vluchtend, en
met den vijand vermengd, als een stortvloed naar het klooster, en zoo
drongen zij Robrecht met zijnen last er insgelijks binnen.

Onmiddellijk werd deze poort verbalkt en van achter met allerlei
voorwerpen versterkt en bedijkt.

Robrecht liep tot in eene der kloosterkamers en legde zijnen gekwetsten
vriend Eggard Van IJsendijke op een bed. Dan keerde hij, als uitzinnig
van schrik, terug tot achter de poort.

"Ha, God dank, Dakerlia, gij zijt gered!" kreet hij, zijne verloofde aan
den hals vliegend.

Maar even ras stuurde hij zijne blikken kommervol in het ronde.

"Dakerlia, waar, waar is mijne zuster?" vroeg hij. "Gij weent, o hemel!"

"Arme Witta, arme Witta!" zuchtte jonkver Wulf.

"Zij is niet met u!" kreet Robrecht, sidderend van schrik. "Zij is
buiten gebleven? Eilaas, eilaas!"

En hij zakte, door de wanhoop verpletterd, op eene bank neder.


VOETNOTEN:

[Voetnoot 71: "Segher, kastelein van Gent, kwam toegeloopen met al zijne
macht.... De burgers van Gent, met eenen hoop _brigands_ uit hunne
omstreken, zeer dorstig naar buit, vergaderden om in het beleg te komen,
als mannen befaamd in den oorlog en behendig tot het innemen en
verdelgen van sterke vestingen."

GALB., p. 299; zie ook KERVYN DE LETTENHOVE, I, p. 391.]

[Voetnoot 72: "Den Zaterdag bevalen de oversten eenen algemeenen
aanval.... Het gevecht duurde tot den avond, en de aanvallers, na groote
schade en verlies, verwijderden zich van de muren van den burg, beducht
voor de gevaren van den nacht."

GALBERTUS, pp. 298 en 299.]

[Voetnoot 73: Zie het verhaal dezer nachtelijke overrompeling en der
plundering van den burg bij GALBERTUS, p. 315.]



XX


De poorters van Brugge, te zamen geroepen, om bij openbare stemming
eenen nieuwen graaf te kiezen, overdekten in onderscheidene groepen of
scharen het groote plein buiten de Smedepoort dat men het Zand noemde.

In het midden dezer vlakte had men eene breede stelling getimmerd waarop
nu de schepenen der stad en de voornaamste Vlaamsche ridders met hunnen
veldheer, mher Van Praet, zich hielden, zoowel om hunne stem te geven,
als om de plechtigheid te bestieren en over de oprechtheid der kiezing
te waken.

Disdir Vos, de verrader, die sedert de nachtelijke overrompeling der
stad het bijzondere vertrouwen van den veldheer scheen te genieten,
stond nu insgelijks achter hem.

Voor de stelling waren een groot getal poorters, meest bejaard en met
zekere pracht gekleed, in eenen afzonderlijken hoop vergaderd Het waren
de hoofdmannen der wijken en der gilden of neringen, die hier kwamen
hooren wat de schepenen of ridders het volk te zeggen hadden. Zij zouden
dan tot hunne mannen gaan, die wat verder op het plein langs alle zijden
waren geschaard hun de woorden der overheden mededeelen, hunne stemmen
opnemen en den uitslag der kiezing naar de schepenen brengen.

Deze hoofdmannen spraken in afwachting zeer luid en vurig over de zaak,
die hen hier te zamen riep. Eenigen wilden de stemming geweigerd hebben,
om reden dat de koning van Frankrijk zich in geenen deele met het
bestuur van Vlaanderen te bemoeien had, en hij het was die de Brugsche
poorters niet alleen den raad, maar zelfs het bevel had gezonden tot het
kiezen van eenen nieuwen graaf.

De meesten waren van gevoelen, dat men zonder tegenwerping en in
allerhaast des konings bevel moest volbrengen, uit vreeze dat hij, beter
beraden, het nog zou kunnen intrekken. In oude tijden hadden hunne
voorouders het recht genoten tot het kiezen hunner vorsten. Nu werd dit
recht, dat eeuwen lang hun ontroofd was gebleven, hun werkelijk
teruggeschonken. Zouden zij dwaas genoeg zijn om het te verwerpen,
alleenlijk omdat zij het bekwamen door toedoen van eenen vreemden vorst?
Waarom toonden de poorters, die voornemens waren ten gunste van Willem
Van Loo te stemmen, zich zoo ontevreden? Waren zij niet even vrij in
hunne keus als de aanhangers van Diederik van den Elsas of van den
jongen graaf van Holland?

Deze en andere zulke redenen hadden de meest ontevredene hoofdmannen
eenigszins tot bedaren gebracht; evenwel bleef het gerucht der driftige
samenspraak tusschen hen voortduren, dewijl elk nu groote pogingen
inspande om de anderen tot het stemmen voor dezen of genen vorst over te
halen.

Op dit oogenblik bracht een wapenbode de bazuin aan den mond en gebood
door eenige scherpe galmen de stilte en de aandacht.

De veldheer Gervaas Van Praet trad vooruit op de stelling, met een
bezegeld perkament in de hand, en, zich tot de hoofdmannen wendende,
zeide hij:

"Ziet hier, vrienden, wat Lodewijk, de machtige koning van het Fransche
rijk, aan de ridders van Vlaanderen en aan de inwoners der goede steden
schrijft."

Hij vestigde zijne oogen op het perkament en las:

"Beminden en getrouwen, ridders en burgers van het graafschap
Vlaanderen. Het schijnt mij nu niet raadzaam u te gaan bezoeken. Ik zal
met eenigen mijner lieden tot u komen, zoohaast ik den uitslag van het
beleg van den burg van Brugge zal kennen. Want volgens mijn gevoelen zou
ik niet wijselijk handelen met mij in de handen der verraders van uw
land te gaan werpen, wel wetende dat er nog velen zijn die het lot der
belegerde moordenaars betreuren, hunne misdaden verdedigen en op alle
wijze werkzaam zijn tot hunne verlossing. Uw ongelukkig land is in
verwarring. Eeeds zijn er samenspanningen gesmeed om de grafelijke kroon
met geweld voor Willem Van Loo te bekomen; maar meest al de inwoners der
steden hebben gezworen nooit dezen Willem voor graaf te aanvaarden,
omdat hij van onedele geboorte is, dit is te zeggen, geboren van eenen
edelen vader en van eene onvrije moeder die, zoolang zij leefde, niet
heeft opgehouden schapenwol te kaarden. Ik wil en ik beveel dat de
ridders en burgers van Vlaanderen zonder uitstel vergaderen om eenen
bekwamen graaf te kiezen. Het land zou niet langer van eenen wettigen
vorst kunnen beroofd blijven, zonder blootgesteld te zijn aan grootere
gevaren dan degene waarmede het nu wordt bedreigd.

  Heil in Gode. LODEWIJK[74]

Deze brief verwekte eene korte opschudding onder de hoofdmannen. Het
waren de aanhangers van Willem Van Loo, die luidop riepen, dat de koning
zich door lasteraars had laten bedriegen. Willem was niet van onechten
bloede; zijne moeder zaliger was eene Kerlinne, en dus geene onvrij
geborene, zooals de brief het valschelijk beweerde. Al de Kerlinnen,
buiten de steden, waren zij ook edel en rijk als vorstinnen, hadden de
gewoonte en den plicht te werken; en, omdat de moeder van Willem Van Loo
schapen wol had gekaard, was zij niet min edel dan of zij haar leven in
ijdele werkeloosheid had gesleten.

Mher Gervaas Van Pract en de voorschepen daalden van de stelling
tusschen de hoofdmannen. Zij maanden hen aan, de brieven des konings te
eerbiedigen, en deden hen begrijpen dat, indien iets daarin hun niet
gegrond voorkwam, zij desniettemin vrij in hunne keus bleven en zelfs
voor Willem Van Loo konden stemmen, indien zij zulks goed vonden.

Min of meer bevredigd, gingen de hoofdmannen tot hunne gezellen om de
stemming te doen beginnen.

Men hoorde welhaast ten allen kant op het plein een groot geraas en
geroep ontstaan, naarmate de hoofdmannen aan de menigte mededeelden wat
de veldheer hun vanwege den koning had voorgelezen.

Ondertusschen begon de stemming, en deze werkzaamheid duurde zeer lang
voort.

Terwijl men er nog mede bezig was, galmden eensklaps, in de baan naar
Thourout, de klanken van eenige hoorns, als wierd de nadering van
krijgslieden aangekondigd.

Even ras zag men een twintigtal ridders te paard, door eene tamelijke
sterke bende wapenknechten gevolgd, op het plein treden en zich naar de
stelling richten. Iedereen keek met nieuwsgierigheid deze ridders
achterna; doch in de meening dat zij, evenals vele anderen, die
dagelijks in Brugge kwamen, slechts hier verschenen om deel aan het
beleg te nemen, zette men, na eene korte onderbreking, het opnemen der
stemmen weder voort.

De aangekomene ridders beklommen de stelling. Baudewijn Van Aelst, die
hun aanleider scheen, begon in stilte met mher Gervaas Van Praet en met
den voorschepen te spreken.

Ongetwijfeld deelde hij hun gewichtige dingen mede; want de veldheer
scheen spijtig en betuigde zijne ontevredenheid door bittere woorden.

"Zouden wij klagen, veldheer", zeide hem Baudewijn Van Aelst, "omdat de
koning de poorters van den balfaart en van eenige andere schattingen wil
ontslaan? Hij en de nieuwe graaf, van eenen anderen kant, beloven, dat
zij al de eigendommen der Erembalds en hunner aanhangers aan de ridders
tot belooning zullen schenken. Daarin zult gij eene ruime vergoeding
vinden voor het verlies van uw recht op sommige poorters. Komt, heeren,
de zaak eischt spoed; eerbiedigen wij den wil des konings. Geef den
bazuinblazers bevel om de hoofdmannen te zamen te roepen. De stemming is
gelukkiglijk nog niet afgeloopen; anders mochten wij moeielijkheden
ontmoeten, welke het onze plicht is te voorkomen."

Eene wijl daarna stonden de geroepene hoofdmannen weder voor de stelling
en keken verwonderd op, elkander vragende wat zwaarwichtige tijding er
toch mocht gekomen zijn, daar men de kiezing opschorste om hun iets
nieuws mede te deelen.

Baudewijn Van Aelst trad vooruit en, na de stilte door eenige
bazuinklanken was bevolen geworden, zeide hij tot de hoofdmannen:
"Poorters van Brugge, ik ben tot u gezonden door den koning van
Frankrijk. Hoort, wat hij u schrijft."

Een perkament ontplooid hebbende, las hij den volgenden brief, hem bij
de lezing in het Dietsch vertalende:

"Lodewijk, de koning van Frankrijk, groet minnelijk al zijne goede
zonen, de inwoners van het graafschap Vlaanderen, en kondigt hun aan dat
hij van Atrecht is vertrokken om tot hen te komen, aan het hoofd zijner
koninklijke legers, vervuld met dapperheid en met de kracht Gods, zijne
onverwinnelijke hulp. Bedroefd omdat wij voorzagen dat de moord des
graven uw land in het verderf zou storten, hebben wij besloten onze
wraak uit te oefenen met eene onverbiddelijke strengheid en door
lijfstraffen, tot nog toe ongehoord. Wij hebben, om uw land voor
grootere onheilen te behoeden, u eenen graaf gekozen. Opdat dezen den
vrede in het graafschap zou kunnen herstellen en den verloren voorspoed
doen herbloeien, gehoorzaamt en doet wat mher Baudewijn Van Aelst, mijn
bode en uw vriend, ingevolge mijnen wil, dien hij kent, u zal raden en
gebieden[75]."

Er heerschte eene groote stilte onder de luisterende hoofdmannen Zij
hielden zwijgend de oogen op den koninklijken bode, van wien zij eene
uitlegging over de zonderlinge tijding schenen te vragen.

Baudewijn Van Aelst nam het woord en sprak:

"Hoort, poorters van Brugge, wat de koning van Frankrijk mij belast
heeft u te boodschappen. De ridders van Frankrijk en de ridders van
Vlaanderen hebben, op raad en bevel des konings, tot graaf van
Vlaanderen gekozen en verheven Willem, den jongen hertog van Normandië."

Er rees een hevig gemor en ook wel hier en daar een luid geroep van
ontevredenheid tusschen de hoofdmannen.

Ben hunner zeide zelfs verstaanbaar:

"Wat? Een Normandiër graaf van Vlaanderen? De Isegrims hebben ons weder
verraden. Het was te voorzien: zij zijn altoos de dienaars en vleiers
der vreemdelingen geweest!"

Een nieuw bazuingeschal herstelde de stilte, en Baudewijn Van Aelst
zette dus zijne rede voort:

"Wij allen, ridders, die nu tot u gekomen zijn, en vele anderen nog,
hebben Willem van Normandië tot graaf gekozen en hem als zulken eed
gezworen en hulde bewezen. Hij, tot onze belooning, heeft den ridderen
van Vlaanderen al de landen en eigendommen geschonken die tot nu toe
hebben toebehoord aan de moordenaars van graaf Karel en aan degenen die
hen aanhangen of verdedigen. De verraders zijn door den koning
veroordeeld tot den wreedsten en schandelijksten dood, en geen hunner
zal worden gespaard. Ik, in naam des konings, gebied en raad u, poorters
van Brugge, en al wie hier tegenwoordig zijn, voor uwen wettigen vorst
te aanvaarden Willem van Normandië, die door ons is gekozen en door den
koning met de grafelijke kroon is begiftigd."

Weder ontstond er luid gemor en driftig gewoel onder de hoofdmannen;
maar Baudewijn Van Aelst verhief de stem en ging voort:

"De koning en de nieuwe graaf, om den lieden van Brugge hunnen goeden
wil te betuigen, hebben besloten dat voortaan geen poorter nog eenige
persoonlijke schatting zal betalen. Alle belastingen hoegenaamd ook, of
balfaart of beste hoofd, of staande op huizen of op neringen, zijn en
blijven afgeschaft ten eeuwigen dage. Daarenboven zullen de burgers van
Vlaanderen voortaan macht en vrijheid hebben om hunne eigene wetten en
gebruiken te behouden, of ze te veranderen volgens hun goeddunken[76]."

Zulke volledige vrijmaking van alle schatting en dus ook van de teekens
der dientsbaarheid, was eene gift en eene weldaad, waaraan de poorters
zich des te minder vanwege den koning konden verwachten, daar hunne
eigene graven sedert langen tijd nooit opgehouden hadden pogingen te
doen om het volk der steden dieper en dieper in slavernij te dompelen.
Ook werd dit besluit door de meeste hoofdmannen met onverborgene vreugd
en zelfs met luid gejubel onthaald.

Er waren evenwel nog eenigen die zich ontevreden toonden en luidop
riepen dat zij in zulke beloften niet geloofden, aangezien de koning en
de graaf, die willekeurig hun dit recht toestonden, even willekeurig het
hun konden ontnemen.

Baudewijn Van Aelst, om deze laatste tegenwerpingen te versmachten
gebood nog eens de stilte en sprak:

"De koning van Frankrijk is nu op reis naar Vlaanderen, aan het hoofd
van twintigduizend uitgelezene krijgslieden. Binnen eenige dagen zal hij
zelf met den nieuwen graaf te Brugge komen, en zijne beloften u in het
openbaar bij eede bezweren. Wie zich tegen zijnen wil opwerpt en weigert
Willem van Normandië als vorst te erkennen, zal aanschouwd werden als
een aanhanger der moordenaars en dezelfde straf onderstaan, dit is te
zeggen dat hij zal worden ter dood gebracht en zijne goederen verbeurd.
Gaat nu, deelt uwen mannen mede wat de koning u door mij heeft
geboodschapt. Beveelt hun zich vreedzaam naar huis te begeven. Gij, als
overheid op hen hebbende, blijft verantwoordelijk voor de rust der stad,
die, werd ze gestoord, op uitdrukkelijk bevel des konings, door het
geweld der wapenen zou worden hersteld."

De gedane beloften van den eenen kant en de schrikkelijke bedreigingen
van den anderen hadden voor gevolg, dat de hoofdmannen stilzwijgende
zich van de stelling verwijderden, om hunnen gezellen de verrassende
tijding der benoeming van eenen nieuwen graaf te gaan mededeelen.

De ridders bleven op de stelling staan en keken in het ronde. Zij
wilden, vooraleer deze plaats te verlaten, naspeuren welke de houding
der poorters en ambachtslieden zou zijn bij het vernemen van 's konings
boodschap.

In den eersten bemerkten zij wel eenig gewoel en hoorden zij hier en
daar afkeurend gemompel; maar het duurde evenwel niet lang, of zij zagen
de poorters en ambachtslieden in scharen over het plein trekken en bij
gedeelten juichend de poort ingaan.

Dan daalden de ridders insgelijks van de stelling, om zich naar de stad
te begeven.

De veldheer, die alleen met Baudewijn Van Aelst de anderen
vooruitstapte, zeide, na eene wijl in stille overweging te zijn
verstonden gebleven, tot zijnen gezel:

"Onder ons durf ik het u wel bekennen, mher Baudewijn, 's konings
boodschap bedroeft mij diep."

"Betreurt gij den keus die wij hebben gedaan?" morde Baudewijn

"Neen; mher Willem van Normandië is een jong vorst, die de eer van het
ridderschap zal staande houden. Daarom verwondert het mij des te meer,
dat hij nu den poorters der steden eene volledige vrijheid vergunt. Weet
hij dan niet, dat onze goede graaf Karel is vermoord geworden,
alleenlijk omdat hij de ridderschap wilde verheffen en de onedele
menigte in dienstbaarheid houden? Ha, kon Karel van Denemarken uit zijn
graf opstaan, hoe zou hij klagen over de zonderlinge wijze waarop de
koning zijne gedachtenis meent te wreken!"

"Zulke overweging is insgelijks in mij opgestaan", zeide mher Baudewijn,
"en ik heb mij zelfs verstout bij den koning eenige opmerkingen in dien
zin te wagen. Hij heeft mij doen begrijpen dat men iets moet opofferen
om de poorters der steden van Vlaanderen gunstig te stemmen. Wat het
verlies betreft van den balfaart dien de ridders op vele poorters van
Brugge beweren te mogen heffen, dit zal na onderzoek tiendubbel vergoed
worden, bij middel der uitdeeling van de verbeurde rijkdommen en
grondbezittingen der Erembalds en hunner aanhangers. Daarenboven, mher
Gervaas, wat is gemakkelijker, indien de poorters een slecht gebruik van
de hun verleende rechten maken, dan hun die rechten weder te ontnemen?"

De veldheer stapte mijmerend voort.

"Maar zeg eens, mher Gervaas", vroeg Baudewijn Van Aelst, "mij heeft de
koning nog eenen anderen last opgelegd. Ik ging het haast vergeten.
Karel van Denemarken was rijk. Waar is zijn schat gebleven?"

"De Kerels hebben 's graven rekenmeester gedwongen hun dien schat ter
hand te stellen."

"En zij bezitten hem nog?"

"Zeker: vele duizenden marken zilvers en kostbare juweelen."

"De koning eischt dat die schat hem overgeleverd worde."

"Met den besten wil der wereld is het ons vooralsnu onmogelijk den
koning hierin te gehoorzamen. Hij zal moeten wachten totdat wij de
Kerels, die nog op den burg zijn, geheel hebben overwonnen."

"Wel hoe? Men heeft mij daar, op het plein, gezegd, dat gij den burg na
eene hevige bestorming hebt ingenomen!"

"Inderdaad, mher Baudewijn, maar wij krijgen hem niet geheel. De Kerels
bezetten op den burg nog de proostdij, het klooster en de kerk van
St-Donaas."

"Dit verwondert mij!" mompelde mher Baudewijn. "Indien gij zegevierend
binnen den burg kondet dringen, waarom hebt gij uwe overwinning dan niet
voortgedreven? Wat kon u daarin beletten?"

"Gij hebt gelijk", antwoordde de veldheer, "eene beklaaglijke
omstandigheid heeft ons te midden der overwinning teruggehouden Men had
den Gentenaars en onze wapenknechten beloofd hun den burg ter plundering
over te geven. Zoohaast waren wij er niet binnen, of al onze mannen, in
stede van de Kerels te vervolgen en tot het einde toe te bestrijden,
zijn in verwarring en door de gierigheid verblind, naar de veroverde
gebouwen geloopen en hebben beginnen te plunderen. Het was ons,
ridderen, niet meer mogelijk iets gedaan te krijgen van mannen, die tot
bezwijkens toe beladen waren met buitgemaakte voorwerpen. Onderwijl
hebben de Kerels zich binnen de geestelijke gestichten van den burg
opnieuw versterkt. Deze gestichten zijn omringd met wallen, gaanderijen
en torens, als eene afzonderlijke vesting."

"Maar indien gij nu opnieuw eenen algemeenen storm geboodt?"

"Onmogelijk, mher Baudewijn. Wij hebben schrikkelijke verliezen geleden.
Mijne mannen moeten rusten; de stormtuigen en ladders kunnen zonder
herstelling niet meer dienen."

"De koning heeft mij nochtans gelast u te zeggen dat gij zonder verwijl
alle mogelijke pogingen hoeft te beproeven om den schat des graven uit
de handen der moordenaars te krijgen. Hij weet, door mher Frumold
zelven, dat zij hem bezitten, en vreest dat zij hem bedektelijk naar den
zeekant zullen zenden of, vooraleer te bezwijken, hem op eene andere
wijze zullen doen verdwijnen. De koning belooft u door mij niet alleen
het kasteleinschap van Brugge, maar nog uitgestrekte leenen, indien hij
door uw toedoen 's graven schat bekomt."

"Het onmogelijke kan ik evenwel niet!" zuchtte de veldheer.

Na eenige oogenblikken de zaak bedacht te hebben, zeide mher Baudewijn:

"Die hardnekkige Blauwvoeten, wat hopen zij? Hebben zij nog niet de
minste neiging getoond om zich over te geven?"

"Zich overgeven? De Kerels? Het zijn ontembare leeuwen Zij zullen zich
tot den laatste toe op hunne wallen laten doodslaan. Van hen is er niets
te verhopen dan door geweld!"

"En indien gij hun de vrijheid aanboodt, op voorwaarde dat zij u des
graven schat geheel en volledig ter hand stellen?"

"Dit is onmogelijk; al wilde ik het doen, ik zou niet kunnen",
antwoordde mher Van Praet. "Oordeel zelf: wij, ridders, die allereerst
te wapen geloopen zijn om den dood van onzen graaf te wreken, hebben
elkander met duren eede toegezworen niet te dulden dat één der
moordenaars of hunner vrienden, in één woord, dat één der Erembalds
gespaard worde of hem genade des levens worde verleend. Allen moeten
sterven!"

"Maar, veldheer, de koning wenscht zoo vurig des graven schat te
bezitten, dat hij u zeker zou goedkeuren en mild beloonen, indien gij,
om den schat hem te kunnen leveren, deze weinige Kerels in vrijheid liet
gaan."

"Onmogelijk, ik herhaal het u, mher Baudewijn; mijne ridders zouden
tegen mij opstaan, en ik geloof zelfs niet dat de koning in persoon,
hoezeer wij hem ook eerbiedigen, machtig genoeg zou zijn om hen daarin
te doen toestemmen."

Zij waren nu tot op de Groote Markt gekomen en naderden het huis, dat de
veldheer sedert de overrompeling der stad tot zijn verblijf had gekozen.

"Ziedaar mijne woning", zeide mher Van Praet. "Gelief mij te volgen,
mher Baudewijn. Het middaguur is reeds voorbij. Gij moet vermoeid en
hongerig zijn. Wees mijn gast."

Baudewijn hield hem staan en zeide in gedachten, als hadde hij geene
acht op deze uitnoodiging geslagen:

"Er moet evenwel een middel zijn om 's graven schat uit hunne handen te
krijgen! Om den wensch des konings te volbrengen zou men hemel en aarde
willen verroeren."

"Welk middel? Ik weet er geen."

"Wij zullen er nog eens goed over nadenken, veldheer. Men heeft mij een
uwer ridders, die hier achter ons komt, aangewezen als een doortrapt en
spitsvondig man ..."

"Mher Disdir Vos?"

"Ja, geloof ik. Die weet misschien raad ... Kom, ik aanvaard uwe minzame
uitnoodiging; want waarlijk, ik gevoel eenen koortsigen eetlust na de
reis."

Door eenige andere ridders gevolgd, traden zij in de woning des
veldheers ...

Een paar uren later verliet Disdir Vos dit huis. Hij keerde welhaast
terug met eenen wapenbode en twee bazuinblazers.

Baudewijn Van Aelst, vergezeld door vijf of zes ridders, kwam hem
vervoegen; en na de veldheer hun geluk had gewenscht in hunne
onderneming, gingen zij te midden der Markt en deden de bazuinen
aanheffen en eenen witten wimpel in de hoogte steken.

De Kerels liepen te zamen boven den vestingmuur en toonden kort daarop
eene vredevlag, om te betuigen dat zij in de opschorsing der
vijandelijkheden toestemden en den bode zouden aanhooren.

Baudewijn Van Aelst, Disdir Vos en hunne gezellen begaven zich naar den
kant der Hofstraat en traden welhaast op het plein van den burg.

Hier hadden de Gentenaars, om den vijand van nabij te kunnen
bewaken,--zonder gevaar te loopen van door zijne pijlen te worden
getroffen--eenen langen dam opgeworpen, schier van manshoogte en als met
een dak tegen alle werptuigen beschut. Dus konden zij op het plein over
en weder gaan, zoo dicht bij den muur der proostdij, dat zij, door de
stem te verheffen, met de Kerels uitdagingen en scheldwoorden konden
wisselen.

De ridders gingen op raad van Disdir Vos eerst achter den dam. De
verrader zeide hun dat de Kerels valsche lieden waren en men niet
roekeloos zich aan hunne wraak mocht blootstellen.

Zijne woorden deden de ridders glimlachen. De vervaardheid van Disdir
Vos scheen hun natuurlijk, en zij erkenden in hun gemoed dat, indien de
Kerels, zelfs verraderlijkerwijze, hem eenen pijl door den boezem dreven
of hem het hoofd met eenen steen verpletterden, hij slechts zou hebben
wat hij ten minste jegens hen verdiende.

Baudewijn Van Aelst gaf den wapenbode bevel om, buiten den dam, tot aan
den voet van den muur der proostdij te naderen en daar de bazuin te
blazen. Hij volgde hem zonder vrees met twee andere ridders.

Na eene wijl verschenen de oversten der Kerels boven den muur: Bertulf
de proost, zijn broeder de kastelein, zijn neef Burchard Knap, Yorg
Koevoet en eenige anderen. Robrecht Sneloghe was niet met hen, alhoewel
men hem de komst van den wapenbode had gemeld.

De jonge ridder was sedert het verlies zijner zuster, wier lot hij niet
kende, zeer treurig en in schijn aan alles onverschillig geworden. Wel
hield hij zich gereed om, bij het eerste sein, naar de wallen te vliegen
en zijn leven te wagen; maar zoohaast zijne tegenwoordigheid niet op de
muren werd vereischt, ging hij naar de kamer waar Dakerlia den
gekwetsten Eggard verzorgde, en bleef daar uren lang over zijne zuster
spreken of bad met zijne verloofde voor de ziel van het arme meisje,
wanneer de gedachte, dat zij waarlijk dood was, zijn lijdend hart kwam
bestormen.

Toen de kastelein Hacket den ridders vroeg wat de reden hunner komst
was, riep Baudewijn Van Aelst hem toe:

"Ik spreek tot u als afgezant des konings van Frankrijk, die met een
leger van twintigduizend man op weg is om naar Brugge te komen. Mij
heeft hij belast van u de teruggaaf van 's graven schat te vragen, en
mij gemachtigd u daartoe al zulke voorwaarden aan te bieden als ik zal
goedvinden. Ontsluit eene der poorten en laat mij binnen, opdat ik met u
over mijne zending onderhandele."

De Kerels antwoordden hem van boven dat zij wel wilden aanhooren wat hij
hun te zeggen had, doch het hun volstrekt onmogelijk was eene poort te
openen, aangezien alle uitgangen zoodanig van binnen waren gebalkt en
met steenen bedamd, dat een gansche dag arbeid ontoereikend zou zijn om
zelfs den minsten toegang vrij te maken. Had 's konings bode hun iets
bijzonders te melden, zij konden niet anders dan van boven den muur hem
aanhooren.

"Het zij zoo!" riep mher Baudewijn. "Hebt gij des graven schat met u?"

"Ja, wij hebben hem hier met ons", werd hem geantwoord.

"Geheel?"

"Ongeschonden en geheel, zooals Frumold, des graven rekenmeester hem
volgens eene door hem geteekende lijst ons heeft ter hand gesteld."

"Welnu", zeide mher Baudewijn, "luistert wat ik u voorstel als
gemachtigd door den koning van Frankrijk en door den nieuwen graaf,
dien hij heeft verheven. Indien gij mij des graven schat overlevert,
zonder er iets van achter te houden, zult gij allen in vrijheid dezen
burg en de stad mogen verlaten, met de eenige verplichting u na den
oorlog voor het wettelijk gerecht aan te bieden, wanneer gij daartoe
wordt gedagvaard."

Dit voorstel verraste en verwonderde de Kerels zoodanig, dat zij
elkander een oogenblik zwijgend aanzagen. Zoohaast zij echter een klaar
denkbeeld van de zaak zich hadden gevormd, borsten eenigen in eenen
schaterlach uit, en de anderen morden eene grammoedige weigering; maar
de proost Bertulf gebood zijnen gezellen de stilte, en vroeg aan 's
konings bode:

"Sluit gij niemand uit? Zijn wij allen in uw voorstel begrepen?"

"Allen."

"En mher Burchard Knap?"

"Hij insgelijks. Wil hij het land van Vlaanderen ten eeuwigen dage
ontruimen, het staat hem vrij. Anders zal hij voor zijne daden na den
oorlog verantwoorden."

"Wij zullen uw voorstel onderzoeken en er over raadplegen; gun ons den
tijd daartoe!" riep Bertulf.

"Ik zal wachten. Overweegt dat binnen eenige dagen het Fransche leger te
Brugge komt en er voor u geen ander uitzicht overblijft dan eene
onmiddelijke nederlaag en de schrikkelijkste dood!"

Mher Baudewijn verwijderde zich met zijne gezellen achter den dam.

De Kerels, boven den muur, begonnen het voorstel van 's konings bode te
overwegen. Velen spotteden er mede als met iets belachelijks, anderen
wilden de zaak in ernst onderzocht hebben, ofschoon zij geneigd waren om
te denken dat er bedrog onder dit verrassend aanbod schuilde.

Bertulf was van een geheel ander gevoelen. Bedrog vermoedde hij in het
geheel niet; want het was volgens zijne meening onmogelijk dat de
Fransche koning, in aanzien der gansche wereld, zijn gegeven woord zou
breken. Zou deze machtige vorst, met tot zulke vuige listen zijne
toevlucht te nemen, zijnen naam van eerlijk en trouw ridder willen
schenden? Zeker, indien men eenige kans zag, om het gedeelte van den
burg, dat zij nog bezaten, tot de komst van Willem Van Loo te behouden,
dan zou hij, Bertulf, zelf het volstrekt verwerpen van alle voorstellen
aanraden; maar die kans zag hij niet. Hij had reeds bericht ontvangen
over hetgeen er dien morgen op het Zand was geschied, en hij wist voor
waar dat er inderdaad een Fransch leger van twintigduizend man op gang
was om naar Brugge te komen. Door zulke macht aangevallen zouden de
Kerels in den burg wel zeker bezwijken en tot den laatste toe worden
vermoord. Wat nut kon hunne dood op zulke wijze Kerlingaland toebrengen?
Geen het minste. Bijaldien zij integendeel den burg nu verlieten, konden
zij zich in het leger van mher Willem Van Loo begeven; en wie, zooals
hij en zijn broeder en neven, uitgestrekte landgoederen bezat, kon de
Ambachten doorloopen en overal de lieden tot den algemeenen landstorm
opwekken.

In den eerste werden zijne redenen door gemor en tegenspraak onthaald;
de gedachte, dus de proostdij en het klooster den vijand te leveren,
kwetste den hoogmoed der Kerels.

Burchard bovenal gromde en tierde; maar de proost schetste hem met
schrikkelijke kleuren den marteldood af, die hem wachtte, indien zij,
zooals het zeker was, onder den aanval van het Fransche leger bezweken.
Hij deed hem insgelijks begrijpen dat hij aan de zijde van mher Willem
Van Loo, in het open veld, zijn land en de vrijheid meer ware diensten
kon bewijzen dan besloten achter muren, die bestemd waren om onder de
aanvechting des vijands te vallen.

Eindelijk stemde Burchard Knap in alles toe, en zoo deden insgelijks de
meesten zijner gezellen.

Op dit oogenblik naderde Robrecht Sneloghe, dien de proost had doen
roepen.

Men deelde hem mede wat hier was verhandeld. Hij verwierp het voorstel
met verontwaardiging, en betuigde dat hij liever op de muren van den
burg sneuvelde dan door eene daad van zwakmoedigheid ja van lafheid den
naam der Erembalds te onteeren. Indien mher Willem Van Loo nu met het
Kerlenleger voor Brugge kwam, en vernam dat zij den vijand den burg
hadden geleverd, wat zou hij van hen zeggen?

Bertulf en Hacket vereenigden hunne pogingen om Robrecht in hun
gevoelen te doen deelen. Zij herhaalden de redenen welke zij reeds
hadden doen gelden en beriepen zich beurtelings op zijne vriendschap
voor hen, op hunne overheid en op het belang van Kerlingaland en van de
vrijheid, voor welker heil en behoud men zelfs de menschelijke eer ten
offer moest brengen.

Zooverre brachten zij het, dat Robrecht Sneloghe hun antwoordde:

"Ik ben niet machtig genoeg op mijn gemoed om het voorstel goed te
keuren en vrijwillig de schande te aanvaarden; maar, ooms, vermits gij
meent dat ik ongelijk heb, laat mij mijn gevoelen behouden en handelt
volgens uw goeddunken: ik zal mij onderwerpen, ofschoon met schaamte en
verdriet."

Dan wendden de proost en de kastelein zich weder tot andere Kerels, die
opnieuw zich onwillig toonden en tegenwerpingen maakten.

Robrecht, in gedachten naar beneden kijkende, bemerkte en herkende den
verrader Disdir Vos die, eenigszins verstout, bij eenen doorgang van den
dam een paar stappen was vooruitgetreden en spotlachend tot hem opzag.

"Ha, daar zijt gij, Disdir Vos, valsche verkooper van uw land!" riep hij
hem toe. "Gij zijt het die den raad tot het vermoorden des graven hebt
gegeven; en nu, nu gij ons in den nood ziet, nu verblijdt gij u over ons
ongeluk! Gave de hemel dat ik u kon bereiken! Ik zou u dwingen tot een
gevecht om leven en dood; en, wees zeker, ik zou haar het hoofd
verpletten, de vuige slang die ons arm Kerlingaland bezoedelt met haar
venijn. God zelf roep ik hier tot getuige, dat gij een verachtelijk
booswicht zijt; want eerst hebt gij uw vorst verraden, en nu verraadt
gij uw eigen geslacht en uw vaderland!"

Deze bloedige verwijten werden door iedereen gehoord, en vele ridders en
wapenknechten zagen Disdir Vos met eenen blik van misprijzen aan. Hij
scheen er geene acht op te slaan, en antwoordde door eenige
scheldwoorden en bespottingen, waarin hij den naam van Robrechts zuster
mengde.

Mher Sneloghe, die den zin zijner onduidelijke bedreigingen niet had
verstaan, werd door eenen hevigen angst getroffen, en kreet met de
handen opgeheven:

"Mijne zuster, mijne arme, onnoozele zuster, hij heeft ze vermoord! O,
God, rechtvaardige God, waarom verbliksemt Gij het monster niet!"

"Neen, neen, gij bedriegt u, mher Robrecht!" riep van beneden een
ridder, ongetwijfeld door een gevoel van medelijden gedreven. "Wanhoop
zoo niet: uwe zuster zit gevangen in sher Jacobs Steen; haar is niets!"

"Zij leeft, mijne zuster leeft!" galmde Robrecht, terwijl hij, door
blijdschap uitzinnig, zijnen vriend Yorg Koevoet juichend aan den hals
vloog.

De oude Bertulf had gedeeltelijk deze laatste uitroepingen gehoord. Een
heldere glimlach kwam nu eensklaps zijn gelaat verlichten, en, als hadde
hij een plotselijk voornemen opgevat, gaf hij eenen Kerel, die nevens
hem stond, bevel om den hoorn te blazen.

Toen Bandewijn Van Aelst weder aan den voet van den muur stond, riep de
proost:

"De veldheer houdt eene jonkvrouw gevangen, die Witta Sneloghe heet en
mijne nicht is. Neemt gij als voorwaarde onzer overgaaf aan dat zij
insgelijks in vrijheid zal worden gesteld?"

Mher Baudewijn begon in schijn over deze vraag met zijne ridders te
spreken. Men kon zien dat Disdir Vos met grammoedigheid zich tegen het
aanvaarden van dezen nieuwen eisch verklaarde maar waarschijnlijk liet
hij zich door des konings afgezant overreden; want deze riep tot den
proost:

"Ja, wij nemen de verbintenis aan de jonkvrouw, uwe nicht, in vrijheid
te stellen en u toe te laten ze met u uit de stad te leiden."

Robrecht drukte zijnen oom met ontroering de handen en dankte hem vurig.

Zich weder tot mher Baudewijn wendende, vroeg de proost:

"Zult gij, voordat wij dezen burg verlaten, ons een vrijgeleide ter hand
stellen, door u geteekend in naam des konings van Frankrijk en in naam
van al de ridders van Vlaanderen?"

"Levert ons des graven schat zonder achterhouding. Zoohaast wij zullen
bevonden hebben dat er niets aan ontbreekt, zal men u zulk vrijgeleide,
onderteekend en bezegeld, doen toekomen, en gij zult vrij, met al wat u
persoonlijk toebehoort, den burg en de stad mogen verlaten."

De Kerels, op bevel van den proost, brachten eenige koffers, schrijnen
en balen boven den muur, en lieten ze bij middel van touwen opvolgend
naar beneden zakken.

Wanneer dus een twintigtal zware kisten en pakken aan den voet van den
muur lagen, riep de proost Bertulf, dat daarin de geheele schat des
graven was besloten. Ten bewijze der waarheid zijner woorden liet hij
allerhaast een perkament nederzakken, waarop eene lijst, door 's graven
rekenmeester onderteekend, de voorwerpen aanwees welke hij den proost
van St-Donaas had ter hand gesteld.

"Het is wel!" riep mher Baudewijn. "Ik zal den schat naar des veldheers
woning doen dragen; wij zullen de voorwerpen met de lijst vergelijken
en, bevinden wij dat er niets achtergehouden is, dan keer ik tot u terug
met het vrijgeleide. Wacht aldus met eenig geduld; wij zullen ons
zooveel mogelijk haasten."

Robrecht daalde van den muur en liep naar de kamer, waar Dakerlia bij
het bed van den gekwetsten Eggard Van IJsendijke waakte.

"Dakerlia, o Dakerlia!" riep hij, "goed nieuws: mijne zuster leeft!"

"Lieve hemel, wat zegt gij daar! Heb ik het wel verstaan? Onze arme
Witta leeft?"

"Ja, ja, en ongedeerd."

"Daarom weze de barmhartige God eeuwig gezegend!" riep Dakerlia, met de
handen in de hoogte, "Waar is zij?"

"Zij zit gevangen in sher Jacobs Steen."

"Gevangen, eilaas!"

"Ja, maar zij gaat verlost worden, heden nog!"

"Wie bracht u dit gelukkig nieuws?"

"Dakerlia", zeide Robrecht op treurigen toon, "ik heb nog eene andere
tijding, min goed en wel pijnlijk voor mijn Kerlenhart maar het is nu
zoo beslist. Dakerlia, wij gaan straks dezen burg in vrijheid verlaten."

"Mher Yorg is hier geweest; ik weet wat men daarboven heeft verricht",
antwoordde Dakerlia met eenen zucht. "Het doet mij blozen, Robrecht.
Ach, indien morgen onze graaf Willem Van Loo zich voor Brugge met het
Kerlenleger aanbood, zou hij degenen niet veroordeelen die den vijand
dezen burg hebben overgeleverd, wanneer zij hem nog weken lang konden
verdedigen?" "Ja, gij hebt gelijk, vriendinne; maar de proost en de
kastelein hebben het zoo gewild. Gij zult naar Lampernisse of naar
Houthem vertrekken; ik zal mij in het leger te Yperen begeven." "En die
ongelukkige ridder Eggard?" vroeg Dakerlia met medelijden.

"Kan hij vervoerd worden, wij zullen hem medenemen naar Yperen. Is dit
onmogelijk, dan zal ik hier in Brugge eenen poorter zoeken die zich
verbinde hem goed te verplegen. Nu, Dakerlia, maak intusschen u gereed
voor het vertrek; mijne tegenwoordigheid kan boven op den muur noodig
zijn: ik keer terug bij mijne ooms."

Toen hij den muur had beklommen langs de zijde der Hofpoort, waar nu
zijne ooms stonden, zag hij op de Markt eene groote menigte
wapenknechten en ridders staan die, omdat de vredevlag waaide, uit
nieuwsgierigheid den burg waren genaderd of met poorters vermengd aan
het twisten en aan het kouten waren over des graven schat en over de
vrijlating der Kerels.

Wat den proost Bertulf vreemd voorkwam was, dat men, naar den kant van
St-Christoffelskapelle, eene lange schaar schutters in geslotene
gelederen zag staan, met hunne bogen op de schouders als gingen zij ten
strijd trekken.

Eindelijk hoorden de Kerels een bevel herklinken, en de boogschutters,
met mher Baudewijn Van Aelst en eenige ridders vooraan, kwamen verder op
de Markt tot op eenigen afstand van den muur der proostdij.

Een bazuingeschal kondigde aan dat des konings afgezant tol de Kerels
wilde spreken.

Misschien had men den schat des graven niet volledig bevonden en wilde
men hen daarover ondervragen.

Baudewijn Van Aelst, de stem verheffende zooveel hij kon, riep tot de
Kerels:

"Voor u geene genade, moordenaars! Gij hebt op u de eeuwige
vermaledijding der gansche Christenheid geladen; gij zult sterven tot
den laatste. Men is booswichten geene trouw verschuldigd. Wij breken dus
met recht onze belofte, en zullen u bevechten zonder rust, totdat gij
allen de straf der afschuwelijke misdaad hebt onderstaan. Niets, niets
voor u, verwatene Blauwvoeten, dan de wreedste, de schandelijkste dood!"

En de daad bij het woord voegende, gaf hij de schaar der boogschutters
bevel om hunne pijlen naar de Kerels te schieten.

Dit was evenwel slechts eene betooging, want onmiddellijk deed hij ze
verre op de Markt en tot buiten net bereik der Kerels achteruitgaan.

Hier raapte hij eenen stroohalm van den grond en brak hem aan twee
stukken. Zoo deden insgelijks de ridders en wapenknechten. Dit was een
teeken dat zij voortaan alle vriendschap, alle betrekking met de Kerels
afbraken, hun eene eeuwige vijandschap toezwoeren en zonder genade naar
hun leven zouden staan[77].

Bij het gezicht van dit snood verraad hadden de Kerels eene wijl
verbluft gestaan, als konden zij niet aan zulke verregaande valschheid
gelooven.

De proost en de kastelein schenen er door verpletterd; maar even ras was
in het hart der anderen de wraakzucht ontvlamd, en zij riepen luid dat
zij zich over dien uitslag verblijdden en hun leven duur, zeer duur aan
die trouwelooze Isegrims wilden verkoopen.

"Welaan, ooms", riep Robrecht, "nu weten wij dat wij op niets mogen
hopen dan op onze eigene kracht en moed. Het lot is geworpen: de vijand
zal hier niet binnentreden dan door plassen van zijn eigen bloed en op
der Kerlen laatste lijk!"

Bn om den Isegrims te toonen dat hunne bedreigingen hun geene vrees
inboezemden, hieven de Kerels hun strijdlied aan en deden het zoo
machtig klinken, dat het over de gansche stad weergalmde.


VOETNOTEN:

[Voetnoot 74: Deze brief bevindt zich bij GALBERTUS, p. 325 en 326.]

[Voetnoot 75: Zie den tekst van dezen brief bij GALB., p. 333.]

[Voetnoot 76: Zie deze boodschap van den koning van Frankrijk, waarbij
hij Willem van Normandië als graaf van Vlaanderen opdringt en den
poorters de aangehaalde vrijheden schenkt, bij GALBERTUS, p. 415.]

[Voetnoot 77: Maar de oversten lieten zich weinig gelegen aan de
beloften en aan de eeden welke zij den belegerden deden; want het was
slechts een middel om het geld en den schat van den graaf uit hunne
handen te krijgen." GALBERTUS. p 296]



XXI


Sedert men de Kerels had bedrogen, om hen tot afleveren van 's graven
schat over te halen, was er bijna eene gansche week verloopen, zonder
dat de Isegrims de schuilplaats hunner vijanden nog met macht hadden
bedreigd.

Zij bepaalden zich met nu en dan de Kerels door eenen geveinsden aanval
te verontrusten en de gebouwen der proostdij nauw omzet te houden, opdat
niemand er uit mocht ontsnappen.

Onderwijl maakten de Gentenaars en de ridders evenwel groote
toebereidselen om eenen nieuwen en beslissenden stormloop te wagen; want
op de Markt, onder het gezicht der Kerels zelven, bouwden zij eenen
houten toren, ladders en beukgestellen.

De kastelein Hacket had deze dagen van rust niet werkeloos laten
voorbijgaan. Integendeel, men had binnen de proostdij onophoudend
gearbeid en gezwoegd, om allerlei middelen tot verdediging in gereedheid
te brengen. Zelfs had men in het klooster twee binnenmuren uitgebroken,
om achter de kanteelen en op de gaanderijen der torens geheele hoopen
steenblokken te kunnen verzamelen.

Overal op de wallen stonden de ketels met ziedend pik en olie, bewaakt
door lieden die belast waren de vuren te onderhouden.

De dienst der schildwachten was derwijze ingericht geworden dat dag en
nacht immer de eene helft der Kerels op de wallen zich bevond en men
geene verrassing meer had te vreezen.

Aangezien de kloostergebouwen en zelfs de proostdij niet al de
voorwaarden tot eene lange verdediging aanboden, terwijl integendeel de
kerk schier oninnemelijk was, had men den meesten voorraad van
levensmiddelen en van wapenen in den tempel gedragen.

Alhoewel ze bij de inneming van den burg wel honderddertig gezellen
hadden verloren, en hun getal nu tot ongeveer tweehonderd weerbare
mannen was verminderd, hadden zij nog de hoop zich te kunnen verdedigen
totdat zij door het groote Kerlenleger wierden ontzet.

De vijand mocht nu hunne schuilplaats komen bestormen. Zij waren gereed
en wachtten hem af met koele beradenheid en vasten moed; zij zouden hem
zijne vermetelheid zoo duur doen betalen, dat, indien hij de proostdij
overweldigde, de Isegrims hunne zegepraal zelve als eene bloedige ramp
zouden beweenen ...

De namiddag was reeds ver gevorderd.

Bertulf, de proost, zijn broeder Hacket, Robrecht en de andere oversten
stonden boven de muren en keken nieuwsgierig over de Markt, als
verwachtten zij zich aan iets van dien kant.

Er was dien dag een brief op het kerkhof geschoten geworden, waarin men
den proost Bertulf verwittigde, dat een ridder zich met eenen wapenbode
zou aanbieden, om opnieuw met de Kerels aangaande de overgaaf der
proostdij en der kerk te onderhandelen. De brief eindigde met deze
woorden:

"Weigert niet dezen ridder te hooren. Hij is altijd een goed en trouw
vriend geweest. Laat hem tot u opklimmen; hij heeft u eene gewichtige
zaak te openbaren en wenscht u te redden. Zijn leven stelt hij ten pande
voor zijne oprechtheid."

Wat zouden zij nu doen? Was dit schrift niet weder bedrog en valschheid?
Een vijand binnen de proostdij laten? Misschien eenen bespieder, die
hunne middelen tot verdediging kwam afmeten of den weg zoeken om hen te
overrompelen?

Maar het kon insgelijks een oprechte vriend zijn, die hun gewichtige
tijdingen bracht, misschien vanwege mher Willem Van Loo? Men kon hem
boven den muur doen blijven; daar toch zou hij niets zien dan de
ontzaglijke toebereidsels, die men voor het afslaan van eenen stormloop
had gemaakt. Zooals nu de meeste Kerels boven den wal gereedstonden om
alle pogingen tot verrassing of verraad oogenblikkelijk te verijdelen,
mocht de komst van eenen enkelen ridder hun geene vrees inboezemen.

Zij hadden dus besloten den wensch, hun door den brief uitgedrukt in te
willigen, en zagen nu naar de woning van den veldheer uit, of de
aangekondigde ridder zich niet vertoonde.

Na eene lange wijl nog, naderde inderdaad een wapenbode; maar deze was
door vele ridders gevolgd, en de Kerels konden dienvolgens niet
herkennen wie hunner hun het bericht had toegezonden.

Toen de bode door bazuingeschal den wapenstilstand had gevraagd, en men
tot antwoord op den wal der proostdij de vredevlag had opgestoken,
traden de gezondenen op het binnenplein van den burg; een hunner naderde
meer tot den voet van den muur en riep den Kerels toe:

"Vanwege den gezant des konings, mher Baudewijn Van Aelst, kom ik tot u
om u nieuwe voorwaarden tot overgaaf der proostdij en der kerk aan te
bieden. Van hier is het mij moeilijk met u te spreken. Onze
onderhandeling kan lang en moeielijk zijn. Ware ik met u daarboven, wij
zouden beter over de hangende zaak kunnen beraadslagen. Ik vertrouw mij
op uwe eerlijkheid en zou tot u willen opklimmen. Stemt gij toe?"

"Het is Walter Van Lillers!" zeide de proost tot zijnen broeder Hacket.
"Hij was inderdaad vroeger een verkleefde vriend."

"Ja, wij stemmen toe", werd den ridder geantwoord, "maar voor u, voor u
alleen!"

Walter Van Lillers deed eene lange ladder aanbrengen; en eenige
oogenblikken daarna bereikte hij de kruin van den muur en stapte
tusschen de oversten der Kerels op den wal.

Daar zij hem omringden en hem vroegen wat hij hun te zeggen had,
betuigde hij den wensch om beneden in de proostdij te worden geleid;
maar men deed hem verstaan dat men zijne boodschap hier wilde hooren.

Walter Van Lillers, min of meer verlegen en zonderling glimlachende als
wilde hij beduiden dat hij aan zijne eigene woorden niet geloofde, zeide
hun:

"Ziehier de zaak, heeren: heeft 's konings bode geweigerd u in vrijheid
te laten gaan na de overlevering van 's graven schat, dan is het niet
door berekende trouweloosheid, zooals gij waarschijnlijk meent. Neen,
het is omdat gij zelven, volgens zijne meening, hebt gepoogd hem te
bedriegen. Er ontbraken toch kostbare voorwerpen aan dien schat, onder
anderen een drinkkelk van zeven marken gouds en een gedreven vat van
eenentwintig marken zilvers. Wilt gij deze beide voorwerpen mij ter hand
stellen, dan zal mher Baudewijn Van Aelst, zooals hij mij gelast heeft u
te beloven, de voorwaarden der overgaaf aanvaarden en vervullen."

De omstanders lieten een hevig gemor hooren en betuigden luid dat zij
geen het minste vertrouwen meer in de beloften der Isegrims hadden en in
deze boodschap niets zagen dan eene nieuwe poging tot verraad.

In stede van zich daarover verwonderd of spijtig te toonen, haalde
Walter Van Lillers twijfelend de schouders op, als wilde hij zeggen:

"Dit raakt mij niet; gelooft er van wat gij wilt."

"De voorwerpen door u aangeduid als ontbrekende, mher Walter",
antwoordde de proost, "heb ik, omdat ze tot den dienst van 's graven
kapelle werden gebezigd en dus de kerk zijn toegewijd, aan den
pastoor-deken Helias gegeven, en hij heeft ze waarschijnlijk in
St-Christoffelskapelle geborgen. Wil s' konings bode ze bezitten, hij
vrage ze den deken."

Maar Walter Van Lillers scheen weinig acht op deze uitlegging te slaan,
en poogde door velerlei gebaren en oogwenken den proost te doen verstaan
dat hij iets geheims aan hem alleen te veropenbaren had.

Eindelijk herhaalde hij zijne vraag om beneden in de proostdij te worden
geleid; men mocht hem eenen doek voor de oogen binden en hem dus
beletten iets te zien. Eenige woorden slechts wenschte hij met den
proost te verwisselen. Dan zou hij onmiddellijk naar mher Baudewijn Van
Aelst terugkeeren, en hem boodschappen wat men hem aangaande den gouden
kelk en het zilveren vat had gezegd.

Op aandringen van Bertulf stemden de anderen toe. Mher Walter werd met
eenen doek geblind en naar beneden geleid. Hier vatte de proost hem bij
de hand, bracht hem in eene kamer, nam den doek van voor zijne oogen weg
en vroeg:

"Nu, mher Walter Van Lillers, welk geheim hebt gij mij mede te deelen?"

"Luister, heer proost", zeide deze, "ik heb weinig tijds; want mijne
gezellen, indien ik lang met u bleef, zouden mij mistrouwen Ik begin met
u eenen raad te geven. Welke voorstellen tot overgaaf men u ook doe,
verwerp ze hardnekkig: zij kunnen niets zijn dan bedrog. De koning van
Frankrijk en al de ridders die in het beleg zijn, hebben gezworen dat de
Erembalds tot den laatste toe den schrikkelijksten dood zullen sterven.
Had onze veldheer niet met groote krachtdadigheid mher Baudewijn Van
Aelst belet de trouweloosheid tot het uiterste te drijven, geen uwer zou
heden nog leven. Men hadde u, na de aflevering van 's graven schat, uit
den burg laten gaan, u verraderlijk aangevat en u allen denzelfden dag
vermoord."

"Gruwelijk, gruwelijk!" zuchtte Bertulf. "Ik dank u voor uwen raad, mher
Walter. Zal men dan in deze verdorvene wereld zelfs aan het woord der
koningen niet meer mogen gelooven?"

"Ik ben van meening dat de koning van Frankrijk van dit verraad niet
weet."

"Was de goede raad, dien gij mij gegeven hebt, de eenige veropenbaring
welke gij mij wildet doen?"

"Neen, heer proost; nu ga ik u het ware doel mijner komst mededeelen.
Toen mher Baudewijn van de achterhouding der twee kostbare vaten sprak
en het verlies dezer voorwerpen betreurde, maakte ik mij sterk ze u door
een nieuw bedrog te ontrukken; en het is zoo dat ik belast werd als bode
tot u te komen. Mijn doel was u te redden, heer proost. Gij weet dat ik
altijd u veel vriendschap en eerbied heb toegedragen; van den eersten
dag des belegs ben ik er op bedacht geweest, ten minste u van den
wreeden dood te verlossen, en nu ben ik alleenlijk hier om u te vragen
of gij door mij behouden uit den burg en uit de stad wilt geleid
worden."

"Zoo in vollen dag, dwars door de Isegrims?" schertste de proost met
eenen twijfellach.

"Neen, in den nacht."

"Onmogelijk; tienmaal wierd ik ontdekt en aangevat."

"Daarin bedriegt gij u: ik ben niet alleen om u te redden. De zaak is
goed ontworpen. Wij komen te elf uren juist, onder voorwendsel van
rondom den burg te waken, met eene kleine bende Gentenaars nevens den
achtermuur van het klooster voorbij en zwaaien tot sein eene ontstoken
lantaarn over en weder. Op dit oogenblik laat gij u, bij middel van eene
koord, van den muur dalen. Wij, zonder gerucht te maken, vatten u aan en
leiden u naar de gevangenis ... dit is te zeggen buiten de Smedepoort,
die dezen nacht zal bewaakt worden door een mijner vrienden. Ik vergezel
u totdat gij geheel buiten de legerwachten zijt en niets meer hebt te
vreezen. Dan gaat gij een gedeelte van den nacht. Des anderen daags
bevindt gij u te midden der Kerels, buiten het bereik uwer vijanden. Wat
zegt gij van dit ontwerp?"

"Het is waarlijk niet slecht beraamd", antwoordde Bertulf, na eene korte
overweging. "Ik ben u uiterharte dankbaar voor dit bewijs uwer
vriendschap; doch ik kan uw voorstel niet aanvaarden Hier zal ik blijven
met mijne magen en gezellen."

"Maar er is geene hoop voor u. De koning van Frankrijk nadert met een
ontzaglijk leger. Men zal u martelen, u doen sterven in de akeligste
pijnen!"

"Eilaas!" zuchtte Bertulf, "gij zegt misschien de waarheid, mher Walter;
maar zulke vlucht ware een verraad jegens mijnen broeder en jegens mijne
neven. Liever nog deel ik hun lot en sterf met hen."

"Gij zijt verbitterd en verblind door de wanhoop", wedervoer Walter Van
Lillers met ongeduld, "Waartoe kunt gij den uwen hier nuttig zijn, gij,
die waarschijnlijk nooit de wapens hebt behandeld? Het verwonderd ons,
ridders, dat; Willem Van Loo, die toch aan het hoofd van een leger staat
en het veld houdt, u nog niet ter hulp is gekomen. Verwondert u dit
niet?"

"Inderdaad."

"Weet gij de redenen van zijn wegblijven, heer proost?"

"Neen."

"Wij evenmin; ja, wij hebben dagelijks zijne nadering verwacht en onze
voorzorgen tegen hem genomen. Indien hij u ter hulp snelde, voordat de
koning te Brugge komt, dan zou er voor u misschien nog hoop op ontzet
blijven."

"Hoe verstaat gij het, mher Walter?"

"Het is eenvoudig: Willem Van Loo weet waarschijnlijk niet dat gij reeds
een gedeelte van den burg hebt verloren. Hij meent u sterk genoeg om in
veiligheid op hem te wachten. Waart gij vrij, gij kondet tot hem gaan,
hem den waren toestand onder de oogen leggen en hem overhalen om
onmiddellijk met al zijne macht naar Brugge te komen."

"Het is waar, gij hebt gelijk", bevestigde de proost. "Ik zou over dit
gewichtig voorstel mijnen broeder en mijne neven moeten raadplegen. Gunt
gij mij den raad daartoe?"

"Ja, maar er is eene omstandigheid welke ik u niet eerder kon te kennen
geven", antwoordde sher Walter. "Ik, die vroeger u een vriend was,
handel belangeloos in deze zaak. Gij begrijpt evenwel, heer proost, dat
ik, om eene bende Gentenaars en hunne oversten tot verraad over te
halen,--want wat gij gaan doen is verraad,--om dus eenige ridders en
vele wapenknechten om te koopen, hun groote sommen gelds heb moeten
beloven."

"Groote sommen gelds?" herhaalde de proost met eenig mistrouwen.

"Ja, niet minder dan vierhonderd marken zilvers;--en, wil een tweede
persoon u vergezellen, dan nog honderd marken meer."

De oude Bertulf schrikte terug bij de gedachte van zulke aanzienlijke
hoeveelheid gelds voor zijne vrijheid te moeten betalen; maar mher
Walter deed hem begrijpen dat, in den neteligen toestand waarin de
Kerels zich bevonden, het geld niet veel prijs meer in hunne oogen kon
hebben. Wat was nu een klein gedeelte hunner ontzaglijke rijkdommen,
wanneer men, door het op te offeren, misschien de schier hopelooze zaak
van Kerlingaland nog kon redden?"

De proost kwam eindelijk met hem overeen, dat hij het voorstel zijnen
broeder en zijnen neven zou mededeelen, en, stemden zij toe, dan zouden
de Kerels langs den kant der Markt eene banier uit St-Donaastoren
steken. Dit zou voor Walter van Lillers een teeken zijn dat men zijne
voorwaarden had aanvaard en de proost zich in den nacht boven den muur
gereed zou houden om tot hem af te dalen.

Mher Walter zou 's konings gezant zeggen, in wiens handen de twee
kostbare vaten zich bevonden, en, daarover zeer tevreden, zou deze geen
hoegenaamd vermoeden van verstandhouding met de Kerels tegen hem
opvatten.

Bertulf bond Walter opnieuw den blinddoek voor de oogen en leidde hem
tot boven den muur. Zonder groetenis daalde mher Walter naar beneden. De
ladder werd weggenomen en de vredevlag ingetrokken.

Dan wenkte Bertulf zijnen broeder en eenige oversten en verzocht hun met
hem binnen de proostdij te gaan, om daar te vernemen wat de bode hem had
geopenbaard.

Toen hij hun het ontwerp had medegedeeld, vroeg hij hun gevoelen er
over.

Allen, behalve Burchard Knap, toonden zich zeer verheugd en juichten
mher Walters voorstel toe. Zij eerbiedigden en beminden den ouden
Bertulf zeer. Het was toch hier zijne plaats niet. Van welk nut kon het
hun zijn dat de proost met hen in gevaar des levens bleef verkeeren?
Neen, neen, hij moest gered worden, welke groote hoeveelheid gelds men
ook voor zijne verlossing eischte.

Daarenboven, hij zou tot Willem Van Loo gaan en hem overtuigen dat hij
onmiddellijk met het Kerlenleger naar Brugge moest komen afgezakt. Zoo
was er dan voor hen allen nog hoop op ontzet, en voor Kerlingaland nog
hoop op zegepraal.

Door deze overwegingen verblijd, juichten zij het ontwerp toe. Burchard
alleen morde en gromde, dat men elkander had toegezworen tot het einde
te zamen te blijven. Zulke nachtelijke vlucht was een bewijs van vrees,
dat de Kerels zou ontmoedigen. In alle geval, door het voorstel te
aanvaarden, beging men eene domheid; want zeker, Walter Van Lillers was
een Isegrim, en dus een bedrieger; zijn eenig doel kon slechts zijn den
proost in de handen des veldheers te leveren.

De anderen bestreden zijn gevoelen, en betuigden een volledig vertrouwen
in Walters oprechtheid. Zij wilden deze gunstige gelegenheid om Willem
Van Loo eenen invloedrijken bode te sturen, niet laten ontsnappen.

Dewijl de proost meende de geheime rede van Burchards tegenstand te
doorgronden, zeide hij:

"Nog iets heb ik vergeten u mede te deelen. Mher Walter stemt er in toe
met mij eenen tweeden persoon buiten de stad te brengen, tegen eene
belooning van honderd marken zilvers. Ik doe mijnen neef Burchard het
voorstel, mij dezen nacht te volgen; ik zal de gevraagde marken zilvers
voor hem betalen."

"Ja, ja, dit is goed!" riepen de anderen, verheugd bij de gedachte dat
zij zouden verlost worden van den somberen en woesten Burchard, van den
moordenaar des graven, wiens tegenwoordigheid in hun midden hen
bedroefde en kwetste.

Maar Burchard verwierp dit voorstel met misprijzen; en dewijl men hevig
bij hem aandrong, en hem ter dier gelegenheid de onaangename woorden
niet spaarde, liep hij scheldend en bulderend de kamer uit.

Sedert een oogenblik was Robrecht Sneloghe in eene diepe overweging
weggezonken. Nu zeide hij met eenen blijden lach op de lippen:

"Ach, mijne ooms, ach, mijne vrienden, bewijst mij eene gunst! Laat
jonkver Dakerlia Wulf dezen nacht met den heer proost den burg
verlaten!"

Deze onverwachte vraag verraste iedereen.

"De honderd marken zilvers zal ik betalen, driemaal zooveel, indien het
noodig is!" voegde Robrecht er bij.

"Eene vrouw, is dit wel mogelijk?" mompelde Hacket. "Hare witte
kleederen? Men zal ze zelfs in de duisternis herkennen ..."

"Neen, neen, in eenen zwarten mantel gewikkeld, in donkere stoffen
gekleed ... O, weigert niet! Een arm meisje zoo binnen eene belegerde
sterkte besloten, alle oogenblikken bedreigd niet alleen met den dood,
maar nog met de gruwelijkste mishandeling der zegevierende
wapenknechten! Neen, dit kan, dit mag niet langer blijven duren. Ik
smeek u, vermits de barmhartige God haar die eenige kans aanbiedt, geeft
uwe toestemming; ik zal er u eeuwig dankbaar om zijn."

Zijne ooms en de andere oversten betuigden dat, indien hij zijn ontwerp
goed en uitvoerbaar oordeelde, zij gereedelijk hunne volle toestemming
gaven en niets meer wenschten dan jonkver Dakerlia den burg te zien
verlaten, in de hoop dat de arme maagd behouden het nog vrije
Kerlingaland zou bereiken.

Mher Sneloghe verzocht zijne ooms met hem naar Dakerlia te gaan, om haar
deze goede tijding mede te deelen en desnoods haar te overtuigen dat zij
deze poging om haar te redden moest aanvaarden.

Zij vonden Dakerlia geknield en biddend tusschen de Kerlinnen die
weenden rondom het lijk van Eggard Van IJsendijke. Deze jonge ridder was
den dag te voren aan zijne wonde bezweken, en zou den anderen morgen op
het kerkhof van St-Donaas ter aarde worden besteld.

Robrechts gelaat was bij zijne intrede door zulke heldere blijdschap
verlicht, dat Dakerlia eenen kreet van verrassing slaakte en met
glinsterenden blik opsprong, als om eene gelukkige tijding te ontvangen;
maar de proost deed haar een teeken, dat zij hen in de naastgelegene
kamer zou volgen.

Hier zeide Robrecht haar met eene stem die door eene koortsige vreugde
was ontsteld:

"Dakerlia, gij gaat vrij zijn, vrij en buiten alle gevaar! Dezen nacht
zal mijn oom de proost door eenige goede, trouwe vrienden uit den burg
en uit de stad geleid worden en naar Yperen gaan. Gij moogt hem
vergezellen!"


[Illustratie: ...tot aan den voet van den muur. (Bladz. 423.)]


De jonkvrouw keek hem verwonderd aan, als verstond zij hem niet.

"Vrees niet, Dakerlia", ging hij voort, "gij zult in gezelschap van
mijnen oom het vrije Kerlingaland bereiken. Gij begeeft u naar Veurne,
naar Lampernisse, en blijft daar in veiligheid te midden uwer magen
wonen, totdat betere tijdsomstandigheden mij toelaten u te gaan
vervoegen ... Ach, u verlost weten, het verheugt mij ontzeglijk! Wees
gij ook blijde, Dakerlia!"

"Ik zou u verlaten?" mompelde de jonkvrouw met eenen lichten spotlach
op de lippen. "Verre van u gaan, u niet meer zien, duizend dooden
sterven in de onzekerheid van uw lot? O, Robrecht, gij kent Dakerlia nog
niet!"

"Hemel, weigert gij dan dit eenig middel om aan eenen bijna zekeren dood
te ontsnappen?"

"Ja, ja; ik weiger", antwoordde de maagd met vast besluit. "Waar gij
zijt, wil ik zijn: de dood zelf zal ons niet scheiden. Indien God over
uw leven had beschikt, dan wierd uw graf het mijne. Alleen ben ik nu op
de wereld met u; gij zijt mij alles en, wat er ook geschiede, Dakerlia
verlaat u niet!"

Een angstkreet ontsnapte Robrechts borst. Hij had wel eenigszins den
tegenstand zijner moedige verloofde voorzien; doch had tevens gehoopt
dien te kunnen overwinnen. Hare koele beradenheid ontnam hem deze hoop
schier geheel.

Zijn oom de proost kwam hem nu ter hulp en poogde door velerlei redenen
jonkver Wulf te doen begrijpen dat zij ongelijk had dit eenig middel tot
verlossing, dat God in Zijne goedheid haar aanbood, zoo vermetel te
weigeren. Zij kon het zich niet ontveinzen dat de Kerels, in den burg,
elk oogenblik met eene beslissende overrompeling waren bedreigd. Nu de
koning van Frankrijk met zijn leger te Brugge ging komen, zouden zij
misschien bezwijken. Dan stond hun allen niets te wachten dan een
ijselijke dood. Wat nut kon zij, door de opoffering van haar leven, het
vaderland toebrengen? Indien zij weigerde met hem den burg te verlaten,
zou zij zich voor God niet schuldig maken aan eenen roekeloozen
zelfmoord? Daarenboven, was zulke belegerde vesting wel de plaats waar
het eene jonkvrouw betaamde te blijven? Moest haar gevoel van
eerbaarheid haar niet zeggen dat bij de inneming van den burg door de
Fransche wapenknechten, een veel ijselijker gevaar dan de dood haar kon
bedreigen?

De kastelein Hacket voegde zijne pogingen bij die zijns broeders; doch
welke moeite ze beiden ook inspanden of wat ze deden gelden, jonkver
Wulf wilde naar niets luisteren en betuigde dat zij tot het einde toe
het lot van Robrecht zou deelen.

Mher Sneloghe greep haar de handen en zeide op smartelijken toon:

"Dakerlia, ik bid u, wees beter beraden! Uit liefde, uit verkleefdheid
voor mij wilt gij u opofferen; maar, dierbare, gij bedriegt u in uwen
edelmoed. Uwe tegenwoordigheid in dezen burg is mij geen troost;
integendeel, zij maakt mij diep ongelukkig."

"Ongelukkig?" herhaalde de jonkvrouw.

"Ja, Dakerlia; gij hebt het gezien, hoe ik sedert vele dagen onder
treurnis en verdriet gebogen ga; hoe de moedeloosheid mij bestormt en
dreigt geheel te overwinnen. Gij meent, dat het verlies mijnes arme
zuster de eenige oorzaak was? Neen, uwe tegenwoordigheid in deze plaats,
het lot dat u beschoren schijnt, zijn de voorname bronnen mijner smart.
Ach, ik bemin u, gij weet het, uit al de krachten mijner ziel. Moeten
vreezen, bijna zeker zijn dat gij hier eenen akeligen dood zult vinden,
uwe verlossing, uwe vrijheid in handen hebben, en ze u zien weigeren!
Begrijpt gij niet, Dakerlia, dat zulke overwegingen mij wreedelijk
martelen? Ach, wees goed, geef mij het liefdebewijs dat ik u smeekend
afbid! Volg mijnen oom en ga naar Lampernisse. O, ik bezweer u, schenk
mij dus, met de zekerheid uwer behoudenis, den verloren moed terug!"

Dakerlia schudde weigerend het hoofd.

"Gij blijft ongevoelig voor mijne bede?" zuchtte mher Sneloghe pijnlijk.

"Maar, Robrecht, en gij, heeren", zeide Dakerlia met eene verrassende
bedaardheid, "hebt gij wel waarlijk de minste hoop gevoed dat ik kon
toestemmen den burg te verlaten en mijnen verloofde een koel en
eigenzuchtig vaarwel te zeggen? Gij doet allerlei gevaren voor mijne
oogen spoken? Maar bestonden deze gevaren niet, dan slechts zou ik doen
wat gij van mij eischt. Nu wil en moet ik blijven. Hoe? Gij voorzegt mij
de komst van een Fransch leger en geweldige aanvallen des vijands?
Robrecht, dien God behoede, kan gekwetst worden. Wie zal hem verzorgen
en troosten! De Kerlinnen die daar binnen zijn? Zal ik, Dakerlia. deze
zending aan vreemde handen overlaten, en rust en vrijheid te Lampernisse
gaan zoeken, terwijl mijn verloofde hier stervend misschien ligt
uitgestrekt en om hulp en lafenis kermt? Neen, neen, wat gij vraagt is
onmogelijk. Het denkbeeld zulker lafheid alleen brengt mijne
verontwaardigde ziel in opstand, en ik bid u, ik bezweer u, heeren,
spreekt mij er niet meer van!"

Allen erkenden innerlijk dat men te vergeefs zou pogen de sterkmoedige
maagd van besluit te doen veranderen. Robrecht, die diep was bedroefd
bij de gedachte dat Dakerlia, door te weigeren, alle hoop op redding
verloor, zeide haar nog met aangejaagdheid:

"Maar, vriendinne, verschrikt het beeld van den pijnlijksten dood u
niet, er is toch iets, iets schromelijks, dat uw fier en kuisch gemoed
kan doen terugdeinzen. Vooronderstel dat de Kerels hier bezwijken en de
burg worde ingenomen. Dan zegeviert de verrader Disdir Vos, hij vat u
aan, rukt u naar zijne woning ... Ach, de booswicht is bekwaam tot de
gruwelijkste misdaad!"

Terwijl hij deze woorden sprak, was Dakerlia's blik fonkelend geworden;
ja, hare oogen vlamden, toen hij door de bedreiging van een grooter
ongeluk dan de marteldood zelf, haar met angst en vervaardheid had
geslagen.

Robrecht en zijne ooms zagen haar aan met de twijfelachtige hoop dat zij
door het denkbeeld van zulk vreeswekkend gevaar overwonnen, tot de
vlucht ging toestemmen.

"Welnu, welnu, Dakerlia?" murmelde mher Sneloghe.

"Welnu?" herhaalde zij met sombere stemme. "Disdir Vos, de verrader, de
lafaard? Ik kan terug in zijne handen vallen? Ja, ik heb er aan
gedacht...."

En zij stak langzaam de hand in hare borst en trok er eenen
glinsterenden moordpriem uit, dien zij stilzwijgend toonde.

De anderen deinsden met eenen angstkreet terug.

Het staal in de vuist wringende, zeide Dakerlia, zonder de minste drift:

"Zoolang Robrecht nevens mij staat, zal hij mij verdedigen; beschikt God
over zijn leven, dan wordt deze moordpriem mijn beschermer. Disdir Vos?
Wat kan hij tegen mij? Ik ben eene Kerlinne! Tusschen den dwingeland en
het slachtoffer graaft de dood in een oogenblik eenen onoverschrijdbaren
afgrond."

Vooraleer de anderen van hunne verbaasdheid konden bekomen, verborg zij
het wapen weder in hare borst en zeide met eenen stillen glimlach:

"Robrecht, uit liefde tot mij, wilt gij mij van hier verwijderd zien;
ik, uit liefde tot u, wil u niet verlaten. Het is dus eene worsteling
tusschen ons beiden. Wie van ons volhoudt en verwint, toont de grootste
liefde. Meent gij dat ik, in dit gevecht der ziel, u de zegepraal zal
gunnen? Verzaakt dus uwe pogingen, heeren; zij zijn volstrekt onmachtig
en nutteloos."

Robrecht greep Dakerlia's handen en drukte vurig in de zijne, terwijl
tranen uit zijne oogen rolden. Hij bewonderde de sterkmoedigheid en de
eindelooze liefde der maagd, ofschoon hare noodlottige weigering hem het
hart met droefheid en schrik vervulde. Er was echter niets aan te doen;
hij moest zich onderwerpen en alle verdere poging opgeven; want dat
Dakerlia onplooibaar zou blijven, daaraan kon hij niet meer twijfelen.

Hij trad met haar en zijne ooms in de andere kamer, waar het lijk van
mher Eggard, gansch gekleed en met een zwaard in de hand, op eene soort
van rusttafel lag uitgestrekt. Hier brandden wel waskaarsen nevens een
kruisbeeld, maar aan de voeten van den dooden stonden insgelijks kommen
met gortebrij en eene kruik bier, zoodat hier, evenals onder de Kerels
der Ambachten, terzelfder tijd Christelijke en Heidensche plechtigheden
werden geoefend.

Om eenige oogenblikken te bidden, knielde Robrecht met Dakerlia op eene
bank en boog in stilte het hoofd.

De proost verliet de kamer met zijnen broeder. Het was tijd dat hij de
noodige maatregelen name, om zijne vlucht te bereiden; want de dag begon
zichtbaar te dalen, en welhaast zou de duisternis invallen.

Opgesloten in eene zaal der proostdij, wogen en wikten zij goud en
gesteenten, om het geld, dat zij Walter Van Lillers beloofd hadden,
onder het minste gewicht bijeen te brengen. Dan overwogen zij welke
kleederen de proost zou aantrekken, opdat hij min herkennelijk ware, en
hoe hij zijne pogingen bij Willem Van Loo zou berekenen om zeker te zijn
dat hij onmiddellijk naar Brugge zou komen.

Toen zij eindelijk onderzochten welke baan hij volgen zou om zonder
ongeval het vrije Kerlingaland te bereiken, stieten zij tegen eene
groote moeielijkheid. Rondom Brugge mocht men de groote wegen niet
volgen, dewijl men daar reizende ridders of wapenknechten kon ontmoeten.
Om met eenige kans op veiligheid te kunnen reizen, moest Bertulf de
afgelegene voetpaden door velden en door bosschen volgen; maar dewijl
hij nooit te voet deze streek des lands had doorkruist, was hij met de
kleine wegenissen in het minste niet bekend.

Zeker, zonder leidsman en zoo gansch alleen, zou hij in de duisternis
verdwalen en misschien in de handen der Isegrims vallen!

In hunne verlegenheid herinnerden zij zich dat er tusschen de mannen,
welke hun door Willem Van Loo waren toegezonden geworden, een Houtkerel
zich bevond, die men den wolvenjager noemde. Deze had zijne gansche
jeugd in de velden en bosschen zwervend doorgebracht, en moest
diensvolgens beter dan iemand de afgelegene wegenissen en doorgangen
kennen. Hij was daarenboven onversaagd, verstandig en verkleefd, en kon
den proost niet alleen een leidsman zijn, maar nog desnoods hem
verdedigen tegen allen aanval.

Zij deden Ivo-den-wolvenjager roepen en gaven hem te kennen wat zij van
hem verlangden. In den eerste verraste hun voorstel den Houtkerel, die
in het geheel geenen lust gevoelde om uit den burg te vluchten, zooals
hij het noemde; maar hunne beloften en hunne smeekingen overwonnen na
lange moeite zijnen tegenstand en hij stemde toe den proost te volgen.

Toen eindelijk het uur zou naderen, riep Bertulf zijne neven en de
bijzonderste oversten te zamen, om afscheid van hen te nemen. Hij
beloofde hun dat hij rechtstreeks naar de legerplaats van Willem Van Loo
zou gaan, en door onweerstaanbare redenen, zelfs door het aanbod van
aanzienlijke hulpgelden, hem zou overhalen om onmiddellijk met gansch
zijne macht naar Brugge te komen. Hij poogde zijne magen en vrienden
vertrouwen in te boezemen, en moedigde hen aan om den burg met
hardnekkigheid te verdedigen, in de zekerheid dat een spoedig ontzet hen
allen uit hunnen gevaarlijken toestand zou komen verlossen.

Hun beurtelings de handen gedrukt hebbende, verzocht hij hun hier in de
benedenzaal der proostdij te blijven; want, indien zij hem op den muur
volgden, ter plaatse waar hij zou nederdalen, dan, ongetwijfeld, zouden
de schildwachten der Isegrims argwaan opvatten en hunne gezellen te
wapen roepen. Niemand zou met hem daarboven gaan dan zijn broeder
Hacket, zijn neef Robrecht en vier sterke Kerels, die hem en zijnen
leidsman zouden aflaten.

Na het uitspreken van een laatst vaarwel, en onder de gelukwenschen
zijner vrienden, verliet hij de gebouwen der proostdij en beklom den wal
nevens het klooster.

Hier stond hij achter de kanteelen met degenen die aangewezen waren om
tot zijne vlucht te helpen. De kastelein, Robrecht Sneloghe en
Ivo-de-wolvenjager waren insgelijks met hem.

Zij zwegen en ontweken zooveel mogelijk alle bewegingen, om niet door de
wakende schildwachten des vijands opgemerkt te worden.

Eens toch fluisterde Robrecht aan het oor van den proost:

"Ik weet niet, oom, mij ontstelt een zonderlinge schrik. Indien gij het
slachtoffer werdt van bedrog en verraad?"

"Stil, stil, gij hebt ongelijk", suisde Bertulf. "In alle geval, het lot
is nu geworpen!"

Reeds hadden zij zeer lang gewacht, en sommigen hunner begonnen te
denken dat het ontwerp door een of ander beletsel was mislukt; want het
vastgestelde uur was reeds voorbij.

Maar daar hoorden zij in de verte de zware stappen van eene bende
wapenknechten, en zelfs de galmen van verwarde stemmen. Zij bogen zich
dieper achter de kanteelen en keken bespiedend door de schietgaten,
terwijl de bende meer en meer naderde.

Eensklaps zagen zij iemand eene ontstoken lantaarn over- en
wederzwaaien. Het zwakke licht werd onmiddellijk uitgedoofd.

Op dit sein omhelsde Bertulf in stilte zijnen broeder en zijnen neef.

Allen sprongen haastig boven den wal; de proost en Ivo-de-wolvenjager
zetteden den voet in eenen strop, grepen een dik touw met beide handen
aan en daalden neder tot aan den voet van den muur.

Hier werden zij zeer ruw aangegrepen, vastgehouden en weg gerukt als
echte gevangenen. Zij begonnen te vreezen, en zouden zich zeker verraden
gewaand hebben, had niet de waarschijnlijk berekende stilte der
wapenknechten hun nog eenig vertrouwen ingeboezemd.

Walter Van Lillers, die den proost bij den schouder hield en hem
voortstuwde, fluisterde aan zijn oor:

"Laat u doen en wees stom; niet al mijne mannen zijn met ons. Een
gedeelte slechts kent geheel het ontwerp; de anderen meenen dat wij u in
eenen strik hebben gelokt. Veins evenals wij."

Omtrent de St-Janskapelle hield Walter Van Lillers zijne bende staan en
sprak:

"Wij hoeven niet zoo sterk te zijn om deze twee Kerels naar de
gevangenis te leiden. Meester Daneel, ga met tien wapenknechten terug
naar den burg, langs den kant van den Maalberg; daar zullen, zooals ik u
heb gezegd, nog andere van die vermaledijde Blauwvoeten u in de handen
vallen."

Mher Daneel moest wel van de zaak weten; want hij koos, niet zonder
geheim inzicht, onder zijne mannen er tien uit, en keerde met hen terug
in de Wapenmakersstraat.

Dan begaf mher Walter zich met zijne gevangenen op weg door afgelegene
straten, totdat zij de Smedepoort gingen naderen.

Hij deed zijne gezellen achter eenen hoek blijven staan, en zeide tot
den proost en zijnen leidsman:

"Neemt nu eene losse, onbekommerde houding; spreekt luid en gebaart u
alsof gij niet in het minste op eenig gevaar bedacht waart."

Na deze woorden stapte hij met hen naar de poort, waar de overste hem
scheen af te wachten.

"Mher Ogier", zeide hij, "ziehier twee poorters die met mij uit de stad
moeten gaan. De veldheer...."

"Ik weet het; mij zijn daarover bevelen toegekomen", onderbrak de
overste. "De stormegge is reeds opgehaald. Zie, daar opent men de poort.
Vaarwel en goede reis!"

Eenige oogenblikken daarna bevonden zij zich in het open veld. Weder had
Walter Van Lillers hun de stilte bevolen, en zij volgden hem zwijgend
gedurende schier eene halve mijl.

Hier bleef hij staan en zeide hun:

"Nu zijt gij verre buiten den kring der brandwachten. Ik ga u verlaten
en naar de stad terugkeeren. Mijne belofte heb ik gansch vervuld; geef
mij nu het geld, om mijne vrienden en de wapenknechten te betalen[78]."

Bertulf ontgespte de lederen tassche, die hem aan den gordel hing en
reikte ze aan Walter.

"Zij weegt inderdaad zwaar", mompelde deze verheugd. "Hoeveel bevat ze?"

"Vijfhonderd marken."

"In goud."

"In goud en in kostbare juweelen."

"De rekening is zeker juist."

"Er is meer in waarde, mher Walter; maar om u geen mistrouwen te laten,
beloof ik u, indien ik het leven behoud, u in betere tijden en op uwe
eerste vraag, nog vijftig marken zilvers te schenken als bewijs mijner
dankbaarheid."

"Nu dan, ik druk u de hand, heer proost, en wensch u alle geluk."

Hij verwijderde zich in de baan naar Brugge.

"Langswaar nu onze stappen gewend?" vroeg Bertulf aan zijnen leidsman.
"In dien pikdonkeren nacht kan men zelfs den weg niet zien."

"Nog twee boogschoten verder", antwoordde Ivo-de-wolvenjager, "komen wij
aan eene zandbaan die dwars door het Frinte-bosch loopt, tot aan
Aertryke toe. Daar wenden wij ons links af naar Thourout en zonder deze
stad te naderen, bereiken wij de baan naar Staden en naar Yperen....
Geef mij de hand, heer proost; want hier is eene drooge gracht die wij
overstappen moeten. Wij verlaten de groote baan."

De proost liet zich leiden. Hij drong aan de hand van Ivo in een dicht
bosch.

Daar eerst achtte hij zich in veiligheid; het was hem alsof een steen
hem van de benauwde borst viel.

"Ha, God zij geloofd!" riep hij uit. "Ik vreesde nog verraad, maar hij
was oprecht en trouw. Verlost! Verlost!"


VOETNOTEN:

[Voetnoot 78: "Bertulf, geld gegeven hebbende aan Walter, tot de som van
100 mark, liet zich af aan een touw."

GALB., p. 316.]



XXII


Den dag Na de ontsnapping van den ouden Bertulf hadden de Kerels, van op
de wallen der proostdij, eene ongemeene beweging van poorters, ridders
en wapenknechten in de stad opgemerkt. Terzelfder tijd hadden zij verre
bazuingeschal en dof gedruis gehoord, als van reizende legerbenden.

Zij meenden te mogen vermoeden dat Willem Van Loo met zijne heirkracht
de stad was genaderd, en de Isegrims buiten Brugge togen om hem te gaan
bestrijden.

Hunne dwaling desaangaande duurde echter niet lang. Zij telden vele
vrienden onder de poorters van Brugge, zelfs onder degenen die, door
Gervaas Van Praet gedwongen, nu met de Isegrims hen bestreden. Dezen,
uit eigen beweging of door Jan Haring en Elfried Rooster er toe
aangespoord, schoten hun zeer dikwijls pijlen met geheime berichten toe.

Zoo vernamen zij al spoedig dat de koning van Frankrijk en Willem van
Normandië, met de voorhoede van hun leger, te Brugge waren aangekomen,
en men poorters en ridders buiten de stadsvesten op het Zand had doen
vergaderen, om den koning en den nieuwen graaf hulde te bewijzen en
trouw te zweren[79].

Men zeide hun insgelijks dat men de bestorminng der proostdij had
uitgesteld om het Fransche leger af te wachten; maar dat men nu, binnen
weinige dagen, eenen geweldigen en waarschijnlijk beslissenden aanval
zou doen.

Deze berichten onstelden de Kerels niet zeer. Vanwege Walter Van Lillers
was hun een bericht toegekomen, waardoor men hun de verzekering had
gegeven dat de proost behouden buiten de stad was geraakt en zijne reis
naar Yperen in volle vrijheid had begonnen.

Bertulf was diensvolgens ongetwijfeld op dit oogenblik reeds in
tegenwoordigheid van Willem Van Loo, en zij mochten hopen dat het groote
Kerlenleger morgen of overmorgen voor Brugge zou verschijnen.

In alle geval, zij waren bereid om de bestorming moedig en hardnekkig af
te slaan, en dus de proostdij en de kerk tot de komst van Willem Van Loo
te behouden. Wel waren zij niet meer boven de tweehonderd man sterk;
maar dewijl de genaakbare plaatsen van den muur niet veel
uitgestrektheid hadden, waren zij talrijk genoeg om eenen voor den
vijand vreeselijken tegenstand te bieden.

Dien dag hadden zij tot den avond op de wallen gestaan, en zij hadden
gedeeltelijk zelfs den gansehen nacht gewaakt; maar de vijand had zich
niet vertoond.

Nauwelijks was echter de zon boven den gezichteinder gerezen of alles
voorzeide hun dat zij dien dag eene algemeene bestorming zouden te
doorstaan hebben.

Inderdaad, er kwam allengs eene ongewone bedrijvigheid onder den vijand.
Niet alleen trokken alle oogenblikken aanzienlijke legerbenden, meest
van Fransche wapenknechten, over de Markt voorbij, om stand te gaan
nemen op de plaatsen en in de straten rondom den burg; maar de
Gentenaars waren tevens langs alle kanten bezig met hunne stormtuigen te
stellen of ze nader bij den burg te voeren.

Een groot gedeelte van den morgen verliep aan deze ontzaglijke
toebereidsels.

De Kerels lieten intusschen niet na alles aan te brengen wat hun tot
eene hardnekkige verdediging van dienst kon zijn. Overal boven den burg
stegen zwarte rookwolken in de hoogte, als wilde men den vijand
verwittigen dat men zich gereed hield om hem met kokend pik en olie te
begroeten.

Terwijl de Kerels als eene uitdaging hun lied over de Markt deden
schallen, zagen de Fransche ridders en wapenknechten verwonderd op naar
deze handvol mannen, die zoo onbevreesd en vroolijk schenen, een
oogenblik zelfs voor hunne nederlaag en hunnen dood. Wat hun nog
onbegrijpelijker voorkwam, was de tegenwoordigheid boven de muren van
eenige hoogstaltige vrouwen, die lachend en dreigend hun onverstaanbare
scheldwoorden toeriepen.

Eensklaps vertoonde zich bij den ingang der Steenstraat eene bende
ridders te paard, allen zeer rijk gekleed en overdekt met wapenrustingen
welke blonken van zilver en van goud.

Deze ridders keerden den hoek om en reden voort langs de huizen der
Markt, buiten het bereik van der Kerlen pijlen. Zij waren eene lijfwacht
of eene voorhoede; want onmiddellijk achter hen kwam de koning van
Frankrijk, op een groot en sterk strijdpaard gezeten.

Deze vorst, Lodewijk, bijgenaamd de dikke, was inderdaad zoo zwaarlijvig
en zoo vet, dat de aanschouwers verwonderd zich afvroegen hoe zulk
wanstaltig dik mensch wel te paard kon stijgen. Evenwel, ondanks zijne
zwaarlijvigheid, zag de koning er tamelijk rap en levendig uit, en
getuigden zijne gebaren en bewegingen niet van de minste loomheid.

Nevens hem reed de nieuwe graaf Willem van Normandië, wiens jonkheid en
tengere leden hem nevens den Franschen vorst bijna als een kind deden
voorkomen.

De koning, met zijn gevolg, begaf zich in de straten rondom den burg,
onderzocht met den blik de sterkte der wallen, verzekerde zich dat alles
doelmatig was bereid, gaf hier en daar nog eenige bevelen en keerde dan
terug op de Markt.

Hier vergaderde hij de oversten der Vlaamsche en Fransche strijdmacht
rondom zich, sprak eene wijl met hen en zond ze dan terug, elk naar
zijne standplaats, om op het sein tot den algemeenen aanval te wachten.

Eindelijk werd door den koning het bevel gegeven om den stormloop te
beginnen. De bazuinen en hoorns herhaalden tot in de verre straten hun
aanhitsend geschal....

Langs alle kanten van het gedeelte van den burg, dat nog in bezit der
Kerels was, werden de ladders gerecht en klommen ridders en
wapenknechten, door hunne beukelaars beschut, naar boven.

Maar eer zij de kruin van den muur konden bereiken, waren zij of door
steenen verpletterd of door pijlen getroffen of door kokende olie
verbrand of door lange haken naar beneden geworpen. Hoevelen er ook
sneuvelden, hoe velen er met verbrijzelde of verzengde leden
nedervielen, hoe de gekwetsten en de dooden zich bij den voet van den
muur ook ophoopten, de moed en de woede der aanvallers verminderden
niet. Integendeel, de gedachte dat zoo weinig mannen weerstand konden
bieden aan twee legers, aan de bloem van Frankrijks krijgslieden,
strijdende onder de oogen des konings zelven, dreef hen tot razernij en
tot blinde strijdzucht.

Ook verdrongen zij, om de ladders te kunnen beklimmen, elkander zoo
woest en zoo vurig, dat deze groote drift zelve hun schadelijk werd. Nu
zij beneden den muur als een zwoegende zwerm krielden, konden de Kerels
geenen pijl schieten, geen steenblok werpen, geene vlammende olie
storten, of zij troffen onder den dichten hoop en maakten slachtoffers
in verbazend getal.

Na een half uur dezer geweldige bestorming lagen er honderden en
honderden dooden en gekwetsten rondom de wallen der proostdij en der
kerk.

Het leger des konings, evenmin als het leger der Vlaamsche ridders
scheen eenig voordeel te hebben behaald. Wel hadden hier en daar
verscheidene ridders de kruin van den wal bereikt, en waren onder
daverende toejuichingen hunner makkers op den muur gesprongen; maar even
ras hadden de Kerels hen neergehakt of met hamerslagen hun den schedel
gebroken en tot antwoord hunne lijken naar beneden geslingerd.

De Fransche oversten moedigden hunne mannen aan door hunne woorden en
door hun geroep, en deden hun begrijpen welke schande het zou zijn,
indien zij dezen strijd tegen eenen zoo zwakken vijand slechts eenige
oogenblikken moesten opgeven.

Immer duurde de moorddadige bestorming voort, en immer sneuvelden
ridders en wapenknechten bij hoopen onder de muren, terwijl de Kerels al
strijdend zegekreten lieten hooren of met afgebrokene galmen deze verzen
van hun lied herhaalden:

  "Gi ridders, dwingers, maect u van cant,
  Hier syn de Kerels van Vlanderlant!
  Ja, Isegrims, hoedt u voor den Blauvoet
  Of gi selt voelen wat sine clau doet!"

Misschien wel zou de Fransche vorst, in aanzien van het groote verlies,
dat zijn leger onderstond, den storm hebben doen opschorsen, om andere
middelen te bedenken; maar nu geschiedde er in den burg zelve iets dat
de verdediging voor de Kerels schier onmogelijk moest maken.

Terwijl er buiten de vesting zoo hevig werd gevochten, was een gedeelte
der Gentenaars met allerlei machtige gereedschappen in het paleis des
graven gegaan, om te beproeven of men den binnenmuur, tusschen dit
paleis en het klooster, niet zou kunnen doorboren of omverre werpen.

Zij hadden den bedoelden muur zeer onsterk bevonden, en waren er
eindelijk in gelukt daar eene wijde opening te maken, die hun eenen
vrijen ingang gaf tot het klooster en de gebouwen die nog in bezit der
Kerels waren.

Dewijl dezen boven de muren in eenen drukken strijd waren gewikkeld,
konden de Gentenaars, door een gedeelte der Fransche wapenknechtcn
gevolgd, in het klooster sluipen, zonder eenigen tegenstand te
ontmoeten.

Toen zij in genoegzaam getal door den muur gedrongen waren, vertoonden
zij zich en begonnen "zege! zege!" te roepen.

Het gezicht dezer nieuwe vijanden, binnen hunne vesting zelve, ontrukte
den Kerels eenen langen noodkreet, en velen liepen van den muur om, ware
het mogelijk, deze indringelingen te verpletten.

Zij wierpen zich als woedende leeuwen op Gentenaars en Franschen, en
dreven ze inderdaad terug tot bij den uitgebroken muur; maar dewijl de
bestormers van buiten nu op den wal geene genoegzame tegenweer meer
vonden, gelukte het den Franschen ridders in groot getal boven den muur
te geraken en de Kerels naar beneden te stuwen.

Welhaast zagen dezen zich langs alle kanten omringd door eene menigte
vijanden, wier getal zeer snel en ontzaglijk aangroeide; want nu kwamen,
zoowel van boven de wallen als door den uitgebroken muur, wolken
vijanden toegestroomd.

Nog eenigen tijd verdedigden zich de Kerels met ontplooibaren moed,
slechts de eene kamer na de andere verlatende, totdat de kastelein
Hacket wel bemerkte dat het volstrekt onmogelijk was geworden het
klooster en de proostdij te behouden.

Op zijn bevel staakten de overblijvende Kerels dit hopeloos gevecht en
weken op een gegeven teeken altezamen binnen de kerk, waarvan de groote
deur reeds van achter was bedamd.

Hier viel Dakerlia haren verloofde aan den hals en juichte en dankte
God, dat Hij hen beiden in dit schrikkelijk en rampspoedig gevecht had
behouden.

Maar Robrecht, door de overtuiging van het gevaar dat hen bedreigde,
schier gevoelloos voor hare blijdschap, maakte zich uit hare armen los
en riep tot de Kerels:

"Stopt, verbalkt, bedamt de deur ... en dan naar boven, naar boven, op
den toren!"

Zij verbalkten onmiddellijk de deur van het sakristijn, langswaar zij
binnengevlucht waren, en vulden zelfs dit laatste vertrek met steenen,
hout en aarde en met alles wat hun op dit hachelijk oogenblik onder de
hand viel.

In de kerk hadden zij eenen grooten voorraad van eetwaren en bovenal van
wapens en werptuigen. Onmiddellijk deden zij van deze laatste geheele
vrachten naar boven dragen.

Zoohaast zij zich zeker mochten achten, dat men niet meer van beneden in
den tempel kon dringen, klommen zij op naar de gaanderijen in den toren,
en begonnen van daar met nieuwe woede met pijlen te schieten en
steenbrokken te werpen, zoodat nog voortdurend velen hunner vijanden
werden doorboord of verpletterd.

Intusschen hadden de Gentenaars met hunne gehuurde hulpbenden, en op hun
voorbeeld ook vele Franschen, de bestorming verlaten om de proostdij en
het klooster uit te plunderen.

De ridders zagen, voor dien dag ten minst, geen middel om de kerk in te
nemen; want de toren was zoo hoog, dat geene der beschikbare ladders
zijne gaanderijen kon bereiken. En wat de muren der kerk betrof, deze
waren, volgens de gewoonte des tijds, gebouwd uit rotsbrokken, zoo dik
en zoo hecht, dat men ze niet dan na langen arbeid zou hebben kunnen
doorboren, zelfs dan wanneer de vijand niet door zijne werptuigen alle
nadering hadde belet.

Dewijl er nog voortdurend vele ridders en wapenknechten nutteloos werden
gedood of gekwetst, boodschapte men den koning dezen nadeeligen
toestand; en de vorst gaf daarop bevel om de bestorming te staken.

De Fransche benden verlieten de omgeving van den burg en trokken dieper
in de stad of naar de naastliggende dorpen, waar zij geherbergd waren.
Zoo deden insgelijks de Vlaamsche ridders en wapenlieden; er bleven in
en rondom den burg niet meer krijgsknechten dan er noodig geacht waren
tot het bewaken des vijands en het verdedigen der reeds ingenomene
gebouwen.

Dan konden de Kerels met eenige bedaardheid hun verlies afmeten en
voorzorgen nemen tegen eenen nieuwen aanval.

Zij bevonden dat zij ongeveer zestig man vermisten, er onder gerekend
een tiental gekwetsten, die beneden in de kerk onder eene zijbeuk lagen
en daar werden verpleegd.

Na zulke lange bestorming en zulken geweldigen strijd binnen het
klooster, mocht dit verlies als gering aangezien worden; maar voor hen
was het echter zeer groot, dewijl zij hunne macht allengs zagen
wegsmelten en geen middel bezaten om ze te vernieuwen of te herstellen.

Zij waren dus nog honderdveertig man. Alles wel berekend was dit getal
toereikend om de kerk van boven den toren nog lang te verdedigen.

In deze overtuiging moedigden zij elkander tot onversaagdheid en tot
volharding aan. Zeker, het Kerlenleger zou hun te hulp komen; hun
heldhaftige tegenstand zou hun een eeuwigen roem en hunne vijanden eene
eeuwige schaamte zijn.

Ondanks de trotsche woorden, door Robrecht, Hacket en Burchard hun
toegestuurd, lieten sommige Kerels in stomme somberheid het hoofd
hangen. Zij gevoelden wel dat hier schier geene hoop op verlossing meer
overbleef: de dood, de ijselijkste marteldood spookte voor hunne oogen.
Evenwel, na zulke angstige overweging kwam telkens hun mannelijk gemoed
in opstand tegen die opwelling der ingeborene levensliefde, en zij,
heviger nog dan de anderen, zwoeren, zonder wankelen tot den laatste toe
met het zwaard in de vuist te sterven.

Na eene lange geheime beraadslaging besloten de oversten der Kerels
hunne middelen tot verdediging te berekenen, alsof men de benedenkerk
nog kon verliezen voordat hun hulp van buiten toekwam Dienvolgens zou
men de bovenkerk, dit is te zeggen de hooge gaanderij, die vroeger den
graaf tot hofkapelle had gediend, zooveel mogelijk versterken en er
eenen toereikenden voorraad van werptuigen en van levensmiddelen
verzamelen.


[Illustratie: ...mannen van vermoeidheid in slaap gevallen. (Bladz.
437.)]


In eenen hoek der kapelle bevond zich eene zeer nauwe deur, de eenige
langswaar men tot den toren kon opklimmen en, aangezien men allerlei
middelen tot verbalking en tot bedamming dezer deur en tevens der
kapeldeur ging bijbrengen, zouden de Kerels, zelfs indien zij bij elken
aanval de nederlaag kregen, nog drie bestormingen kunnen doorstaan
vooraleer geheel te bezwijken."

Zoohaast de bevelen tot deze nieuwe werkzaamheden waren uitgedeeld,
begon mher Sneloghe te zorgen voor iets dat hem persoonlijk aan het hart
lag. Hij onderzocht de kapelle en de twee verdiepen van den toren, om
daar vertrekken of afgezonderde plaatsen te vinden, waar Dakerlia en de
vier of vijf vrouwen, die nog met de Kerels waren, konden wonen en
slapen. Deze plaatsen deed hij van beddegoed en van eenig huisraad
voorzien en daalde dan naar beneden, in gezelschap van Dakerlia, die hem
in deze toebereidsels immer was terzijde gebleven.

Wel had Robrecbt meer dan eens zijne verloofde zijn diep verdriet
betuigd, omdat zij geweigerd had met den ouden Bertulf naar Kerlingaland
te vluchten. Hem deed het niets, dat zij dus in het nauw gebracht waren
en gevaar liepen van in de handen hunner wreede vijanden te vallen; maar
dat Dakerlia, zoo jong nog, blootgesteld bleef om dit akelig lot te
moeten deelen, die gedachte knaagde hem als een wreede worm aan het hart
en liet hem geene rust.

Dakerlia betoonde slechts eenige treurnis, omdat Robrecht in al deze
bloedige gevechten kon gekwetst of gedood worden. Wat haar zelve betrof,
bet was haar een geluk en eene bron van trotschheid met hem te mogen
blijven. Moesten zij bezwijken, zij zouden te zamen opklimmen tot God,
en zoo zou de dood zelf niet machtig genoeg zijn om te scheiden wat de
liefde had vereenigd.

Hare woorden waren zoo vol geestdrift; er lag zulke ware blijdschap in
den toon harer stem, dat zij Robrecht eindelijk geheel troostte en hem
weder opvoerde tot helder vertrouwen en tot grenzenloozen moed.

Toen zij in de kerk kwamen, vonden zij den kastelein Hacket omringd van
vele Kerels, die allen te gelijk spraken om hem van iets te overtuigen
waaraan hij geen geloof wilde hechten.

Eenigen dergenen die vroeger in Brugge hadden gewoond bevestigden
namelijk dat, bij het terugwijken uit het klooster in de kerk, een
poorter met hen was binnengedrongen; dat zij, na de deur van het
sakristijn te hebben verbalkt, overal in de kerk en tot op den toren
hadden gezocht, doch den poorter niet meer hadden gevonden. Men mocht
niet twijfelen aan de waarheid hunner woorden: zij hadden den
indringeling herkend: het was niemand anders dan David Snoek, de bode
van het grauwwerkersgilde die in de gansche stad befaamd was als de
ronddrager van tijdingen en nieuwmaren.

De kastelein, alhoewel hij weinig geloof of weinig belang aan deze
beweringen hechtte, gaf bevel om nog alle schuilhoeken te doorzoeken en
den poorter, indien men hem vond, ongehinderd in zijne tegenwoordigheid
te brengen.

Hij meende zich naar den kant der kerk te richten, waar de gekwetsten
lagen; maar nu kwam een Kerel van den toren geloopen en deze riep met
luider stem en akelig kermend, dat men op den Maalberg bezig was met al
hunne gevangene broeders deerlijk te martelen en te vermoorden.

Al degenen die niet als wachten beneden moesten blijven, liepen naar
boven.

Zij zagen op de Markt, die men den Maalberg noemde en die zich tot aan
den muur van den burg uitstrekte, eenige benden wapenknechten geschikt,
en te midden dezer een vijftigtal Kerels, aan hunne lange baarden en
blauwe kleeding herkennelijk, die, met de handen op den rug gebonden,
door beulen, met uitgetogen slagzwaard, waren omringd, als om te worden
gehalsrecht.

Inderdaad, reeds drie of vier verminkte lijken lagen daar in eenen plas
bloed, en de beulen stonden nevens de anderen gereed om op het minste
teeken toe te slaan.

Nu evenwel scheen er eene opschorsing in het werk der beulen te zijn
gekomen; want reeds eene wijl hadden zij beweegloos gewacht.

Daar bracht men nu twee ridders vooruit, en men sleurde en rukte ze met
baldadig geweld dichter naar den burg, opdat de Kerels beter zouden zien
wat hier ging geschieden.

"O, hemel, Ingelram Van Eessen en Willem Van Wervick!" kreet Burchard
met angst, en voor de eerste maal, sedert den moord des graven, eenige
smart betuigende. "Mijne arme vrienden! Zulke dood!"

"Eilaas, eilaas, God is rechtvaardig!" fluisterde Dakerlia aan Robrechts
oor. "Zijne straffende hand heeft zich uitgestrekt over de moordenaars
van graaf Karel!"

Robrecht knikte bevestigend, doch slaakte eenen kreet van afgrijzen bij
het schrikkelijk schouwspel dat nu onder zijnen strakken blik aanvang
nam.

Eerst hakten de beulen Ingelram en Willem de handen af, dan doorstaken
zij hunne lichamen met honderd kleine wonden, en martelden onmenschelijk
hunne slachtoffers, totdat zij eindelijk; gansch doorkerfd nedervielen
en hunne lijken onder de voeten van honderden wapenknechten werden
vertreden en verpletterd.

De Kerels staarden van den toren in stommen angst op dit ijselijk
tooneel, en menigeen ontvielen tranen van medelijden. Burchard Knap
gromde met schorre stem en bulderde vermaledijdingen maar hij was bleek
en scheen te beven.

Een wapenbode trad vooruit naar den burg en riep uit al zijne macht tot
de Kerels:

"Ziedaar 's konings en 's graven gerechtigheid! Zoo en schrikkelijker
nog zult gij allen sterven, verwaten Blauwvoeten, die uwen wettigen
vorst hebt vermoord of den moordenaars hulp hebt gebracht. Geene genade
voor u: allen wacht zoo de schandelijkste marteldood!"

Terwijl hij deze woorden verkondigde, hadden de beulen op den Maalberg
hun bloedig werk voortgezet en waren nu bezig met den gevangenen Kerels
de handen af te houwen en het hoofd in te slaan.

Zoo zagen de Kerels, die op de gaanderijen van den toren stonden hunne
vijftig broeders, waaronder zij er velen herkenden, den een na den ander
ter dood brengen en, tot teeken van verachting met voeten trappen.

Het verstroostte hen misschien een weinig te mogen bemerken dat ten
minste geen hunner eenen enkelen kreet of eene klacht slaakte; maar bij
het gezicht van dit groot getal lijken, door de wapenknechten zelven zoo
wreedelijk vertreden, konden zij hunne tranen niet wederhouden, en allen
beweenden zuchtend en kermend het akelige lot hunner arme gezellen.

Zij bleven op den toren, totdat de lijken waren weggenomen en het
vertrek der wapenknechten hen kwam overtuigen, dat des konings wraak,
voor dien dag, bij gebrek aan slachtoffers was gestaakt.

Nog weenden velen in stilte, zelfs toen zij reeds de gaanderijen des
torens hadden verlaten en ter kerke waren afgedaald.

Hunne eigene smart onderdrukkende, deden de oversten vele moeite om het
neerslachtig gemoed hunner mannen weder op te beuren; maar welke
pogingen zij ook inspanden, van dit oogenblik af bleef onder de Kerels
eene sombere treurigheid heerschen. Velen hunner toch hadden eenen
vader, eenen broeder of eenen vriend zien martelen, en dit schouwspel
spookte als eene onverwinnelijke nachtmare voor hunne oogen. Wel
zwoeren zij daarom niet min onversaagd te zullen strijden, ja, zelfs
hunne dierbare dooden op den vijand te willen wreken; maar hun hart was
vervuld met deernis en verdriet, en hun ontsprongen tranen ondanks
hunnen wil.

Zoo kwam eindelijk de nacht. De Kerels zaten hier en daar in de kapelle
of in de benedenkerk bij groepen ten gronde, rondom eenige ontstokene
kaarsen, en schouwden met somberen blik in de donkere ruimte der kerk of
spraken treurig van hunne doode vrienden.

Mher Sneloghe en Dakerlia bevonden zich bij de gekwetsten; deze laatste
raadde en hielp de Kerlinnen in het verplegen der arme gezellen, die
door het zwaard des vijands waren getroffen geworden.

Hacket, de kastelein, hield zich in de kapelle, waar hij een weinig
poogde te rusten.

Wat Burchard Knap betreft, die zat waarschijnlijk, zooals naar gewoonte,
ergens in eenen duisteren hoek, alleen met zijn knagend geweten of in
gezelschap van eenigen zijner woeste Houtkerels.

Het kon ongeveer tien uren zijn, en ondanks hunne ontsteltenis en
droefheid waren vele mannen van vermoeidheid in slaap gevallen toen
eensklaps achter den autaar, in de benedenkerk, een geraas van stemmen
zich liet hooren, alsof daar een twist opgerezen was.

Het gerucht naderde onmiddellijk naar het midden der kerk, en vele
Kerels grepen hunne wapenen en liepen toe, om te vernemen wat er
geschiedde.

Het was David Snoek, de bode van het grauwwerkersgilde, die, door de
nachtelijke stilte uitgelokt, zijne verborgene schuilplaats had
verlaten, in de hoop dat hij door de vlucht zou kunnen ontkomen; maar
eenig gerucht door hem gemaakt, had hem verraden.

Men had hem aangegrepen en rukte hem nu vooruit, hem beschuldigende van
verraad en hem eenen onmiddellijken dood toezeggende.

De arme man, die er zeer eenvoudig uitzag, beefde in al zijne leden en
smeekte met gevouwen handen om genade.

Toen Robrecht Sneloghe hem genaderd was en hem vroeg met welk doel hij
binnen de kerk was gedrongen, stotterde David Snoek eenige verwarde
woorden, waaruit men niets kon begrijpen. Robrecht gebood den Kerels
hunne zwaarden in te steken en den man los te laten. Hij verzekerde deze
tevens dat, indien hij onschuldig was aan verraad, hem geen leed zou
gedaan worden.

Dit stelde David Snoek eenigszins gerust. Dan kwam de spraak hem weder.

"God zal u daarvoor zegenen, mher Sneloghe", zeide hij, "dat gij deernis
hebt met mij, ongelukkige. Gij weet het allen, heeren, die mij kent, dat
de arme David Snoek vroeger een goede vriend der Kerels was, en dat hij
in het schromelijk nachtgevecht nog met u tegen de Isegrims heeft
gestreden."

"Nu, bloodaard, zoovele domme woorden niet!" gromde Burchard die
genaderd was. "Zeg, wat kwaamt gij hier doen? Ons bespieden, ons
verraden?"

"Neen, neen, heeren, hoort mij aan zonder gramschap!" smeekte de
gevangene. "Hoe ik mij hier tusschen u bevind, dit weet ik, eilaas, zelf
niet wel. Toen men in de stad de mare verspreidde, dat het Fransch
leger, geholpen door de Gentenaars en door de poorters van Brugge, de
proostdij, het klooster en de Tierk ging innemen, sprak iedereen van den
rijken buit welke men daar zou vinden. Ik, die arm ben, liet mij
verleiden door de hoop dat ik in de plundering wel een of ander voorwerp
van hooge waarde zou bekomen, en zoo drong ik met de Gentenaars in het
klooster. Wat er dan geschied is, draait mij als een molen in het hoofd.
De Kerels zijn gekomen en hebben ons teruggedreven, de Franschen zijn
gekomen en hebben ons weder vooruitgestuwd, en zoo in de hoogte gewoeld,
gekneusd, gepletterd, ben ik, zonder het te weten, binnen de kerk
gestooten. En dan, schier dood van schrik, ben ik achter den altaar
gevlucht en heb mij verborgen onder eenen hoop balken, welke daar in
verwarring opeengestapeld lagen. Dit is, heeren, de loutere waarheid.
Doet nu met mij naar uwen wil; maar wees mij toch barmhartig: want, wel
verre van u te verraden, zou ik, indien het mij mogelijk was, u willen
verlossen van den schrikkelijken dood die, eilaas, u bedreigt!"

"De heer kastelein heeft bevolen den gevangene onmiddellijk in zijne
tegenwoordigheid te brengen", bemerkte een Kerel.

"Welnu, doet hem geen leed en leidt hem naarboven in de kapelle."

"In de kapelle? Ik?" riep David Snoek, eenen stap terugspringende "o,
mijn God, daar ligt het lijk van den graaf! Neen, neen, ik bid u, doodt
mij liever!"

Hij beefde zoodanig en zulke diepe verschriktheid verried de holle toon
zijner stem, dat de Kerels gansch ontsteld hem aanzagen.

"Meent gij dan dat de vervloekte Denemarker uit zijn graf zal opstaan om
u den nek te breken?" spotte Burchard Knap, tot groote ergernis zijner
gezellen.

De gevangene knikte bevestigend, terwijl hij zuchtend een kruis maakte.

"Maar wees duidelijk; wat wilt gij zeggen?" mompelden vele Kerels, door
zijne vreemde houding en eindelooze vervaardheid getroffen.

"Ach, heeren", zeide David Snoek, de handen samenvoegende, "gij weet
niet wat er in de stad geschiedt. Het is ijselijk; en sedert ik het weet
durf ik des nachts niet meer slapen. Zou ik het u durven openbaren? Zult
gij niet tegen mij vergammen?"

"Spreek, spreek!" riep men hem toe.

"Welnu, de geest van graaf Karel waart alle nachten in de stad en spookt
in de Steenen waar de ridders geherbergd zijn, niet anders roepende dan
"wraak, wraak, wraak!"

De Kerels luisterden met jagenden boezem; twee of drie slechts
beantwoordden deze openbaring met eenen spotlach.

"Om Gods wil, lacht niet, heeren", hernam de gevangene; "wat ik zeg is
enkel waarheid. Nu twee dagen geleden, is de geest van Karel bij het bed
des konings verschenen en heeft zoo lang om wraak geroepen, totdat de
koning beloofd had al degenen ter dood te brengen, die tot zijnen moord
hebben geholpen. Den nacht daarna heeft de nieuwe graaf Willem van
Normandië het spook insgelijks bij zijn bed gezien en gehoord, en
dezelfde belofte gedaan Daarom heeft men heden u zoo geweldig bestormd,
en daarom ook heeft men heden de gevangene Kerels zoo onmenschelijk
gemarteld. De geest van graaf Karel heeft zelf die marteling der Kerels
van den nieuwen graaf geëischt."

Toen hij dus zijne veropenbaring had geëindigd en door schijnbare
feiten bevestigd, sprak er niemand meer: al deze harde, moedige Kerels,
die weinig vatbaar waren voor vrees, zoolang het slechts stoffelijke
gevaren gold, beefden nu bij de bedreiging der wraak van een
ontstoffelijk wezen, aan welks verschijning hunne bijgeloovigheid hun
niet toeliet te twijfelen.

Dat de onverzoende of onbevredigde geesten van vermoorde menschen op
aarde konden rondwaren, om wraak op hunne moordenaars te eischen, dit
was zoowel volgens de Christelijke als volgens de Heidensche begrippen
onbetwistbaar.

Het verhaal van David Snoek kon waar zijn, ja, het moest waar zijn,
dachten zij, aangezien men bij het lijk van graaf Karel de vormen der
verzoening niet had in acht genomen, en zelfs de Christelijke
plechtigheden niet had vervuld.

Na lang met klimmenden angst en benauwdheid deze erge zaak te hebben
overwogen, kwamen de meesten tot het besluit zich met den geest van
graaf Karel te verzoenen, om hem de vervolging tegen hen te doen staken.
Zij zouden dus, op het uur van middernacht dat nu aanstaande was, de
Heidensche plechtigheden vieren die men Dôdsiras noemde.

Daar Robrecht Sneloghe en eenige anderen zich tegen dit opzet
verklaarden en beweerden dat het beter was, volgens de gebruiken der
Kerk den nacht in gebeden voor de ziel van den doode door te brengen,
besliste men, dat elkeen te dier gelegenheid zou handelen volgens zijn
geloof en volgens de inspraak van zijn geweten. David Snoek zou bij de
gekwetsten blijven en aan hunne verzorging helpen tot morgen. Vond men
een middel om hem aan een touw af te laten, en wilde hij het wagen, men
zou hem oorlof geven om zich te redden.

Op het uur van middernacht bood de kapelle een vreemd schouwspel aan. De
gansche beuk was verlicht met een zeker getal smokende lampen, die langs
de muren waren opgehangen. Rondom de steenen tafel der grafstede, waarin
het lijk van graaf Karel rustte, brandden vele kaarsen van geel was, die
men evenwel zoo had geschikt dat het benedeneinde der tafel, die zeer
lang en breed was, gansch vrij bleef. Aan het boveneinde stond een
kruisbeeld en een vat met wijwater, waarin een droge palmtak rustte. Uit
een koperen bekken walmden wierookgeuren op.

Langs deze opperzijden hielden zich de kastelein Hacket, Robrecht
Sneloghe, Yorg Koevoet, Dakerlia Wulf en vele Kerels.

Zij zaten met gebogen hoofd en gevouwen handen nevens het graf geknield
en baden in stilte, geen hoegenaamd deel nemende aan de Heidensche
plechtigheden, welke men aan het nedereinde der grafstede ging vieren.

Hier hielden zich Burchard met de grootere helft der andere Kerels, die
meer vertrouwen schenen te hebben in de Heidensche gebruiken dan in de
Christelijke gebeden.

Toen alles gereed was, brachten zij op de graftafel vele schotels met
spijzen: brood, koud vleesch, gedroogde visschen en gortebrij, en
stelden daarnevens eenige flesschen wijn en kruiken bier. Burchard Knap,
hier het ambt van priester of wichelaar vervullende, sprak eenige
woorden, die het inzicht der tegenwoordigen deden kennen, en noodigde
dan bij name de ziel van graaf Karel uit om het _doodenmaal_ bij te
wonen, dat ter harer eere werd gevierd.

Hierop brak hij het brood, en gaf elken zijner makkers een stuk. Allen
begonnen te eten, en van alwat zij nuttigden, legden zij een brok of
eenen lepel vol op den steen der grafstede.

Robrecht Sneloghe, van zijnen kant, doopte den palmtak in het wijwater,
en besprengde daarmede het oppereinde der tafel, met Dakerlia, zooveel
het hun mogelijk was, daarbij de gewone gebeden der Kerk murmelende.

Het doodenmaal geëindigd zijne, schonk Burchard eerst bier in eenen
grooten hoorn, stortte daarvan een gedeelte op het graf en liet dan den
hoorn tusschen zijne mannen rondgaan, die elk opvolgend vooraleer de
lippen aan het vocht te brengen, luidop zeiden:

"Met dit hoppebier drink ik de _doodenminne_ ter eere van Karel van
Denemarken."

Deze plechtigheid werd ten tweeden male herhaald met den wijn. Ook
zegende Robrecht ten tweeden male de grafstede met wijwater.

Ten laatste boog Burchard Knap zich over het graf en, terwijl hij den
steen met de lippen raakte, zeide hij:

"Ik kus den _doodenzoen_ ter eere van Karel van Denemarken. Weze aldus
zijne schimme bevredigd, en verzake zij jegens mij aan vijandschap en
aan wraak!"

Al zijne mannen kwamen beurtelings, onder het uitspreken derzelfde
woorden, dus eenen kus op de steenen tafel nederleggen.

Ondertusschen besprengde Robrecht het graf voor de derde maal, schudde
het bekken met wierook rondom de tafel en murmelde op plechtigen toon:

"Requiescat in pace!"

De Christelijke doodendienst en de Heidensche Dôdsisas waren beide ten
einde[80].

Men doofde de lichten uit, en, alsof de Kerels door deze plechtigheden
van hunnen angst verlost en gansch gerust van gemoed waren geworden, zij
gingen naar beneden om eene rustplaats te zoeken, of legden zich zelfs
rondom de grafstede neder.

Een uur later waren zij allen ingeslapen, en hoorde men niets meer in de
kerk dan den eentonigen stap der schildwachten of eene stille klacht der
gekwetsten.


VOETNOTEN:

[Voetnoot 79: Den Dinsdag 5 April, _aqua sapientia_, kwamen de koning en
de nieuwe graaf Willem te Brugge.

GALB., p. 336]

[Voetnoot 80: Allen waren afgemat, en terwijl de eenen de _dadsisa_ op
het graf van Karel vierden, hadden anderen, die de kracht van het bloed
der martelaars niet meer loochenden, eene toorts ter eere van Karel
ontstoken. KERVYN DE LETTENHOVE, I, 410.

Over de beteekenis van dit woord _dadsisa_ raadpleegde ik mijnen
geleerden vriend prof. J. F. J. Heremans. Zijn brief daarover aan mij
geschreven schijnt mij belangrijk genoeg om hier te worden medegedeeld.

"Waarde vriend. Het woord, waarover gij verleden Zondag inlichtingen
vroegt, luidt _dad-sisas,_ niet _dadsisa_. Het komt voor in het
_Indiculus superstitionem et paganiarum_ (uit de achtste eeuw): _de
sacrilegio super defunctos, id est dâd-sisâs._ Dit _dâd_, dat gewoonlijk
in het Saksisch _dôd_ wordt geschreven, is stellig ons _dood_, en
_sisas_ is de nominatief meervoud van _sisu._ Maar wat beteekent _sisu?_
J. Grim vermoedt _kuil, graf._ Anderen verklaren het door _treurzang_.
Er bestaat in het oud-Hoogduitsch een woord _sisesang_, dat ook de
beteekenis heeft van _treurzang, doodenzang_. Ook de Angel-Saksen kenden
dit woord, dat ik zou verkiezen boven dódsisu, waarvan het laatste deel
toch steeds een raadsel blijft. Wil men J. Grimm gelooven, dan is
_dâdsisu_ hetzelfde als _doodenkuil_ en komt het begrip van zang in die
samenstelling niet voor. In _sisesang_ is dit begrip stellig
voorhanden." Gent, 26 Januari 1870, J.W. HEREMANS.]



XXIII


De Kerels verwachten zich des anderen daags aan het voortzetten der
bestorming; ook stonden zij bij de eerste morgenschemering reeds
strijdvaardig, om de aanvallen des vijands met onverzwakten moed af te
weren of hem ten minste elken stap voorwaarts duur te doen betalen.

Maar dien dag, en insgelijks de twee volgende dagen, werden zij niets
anders verontrust dan door pijlen, welke de wapenknechten nu en dan naar
den toren schoten, en die de schildwachten der Kerels verplichtten zich
achter de kanteelen verborgen te houden.

Zij hadden door eenen hun toegeschoten brief de reden van deze
opschorsing der aanvallen tegen de kerk vernomen. De koning van
Frankrijk, wien waarschijnlijk was bericht geworden dat het Kerlenleger
Brugge naderde, was met het grootste gedeelte zijner heirkracht in de
richting naar Yperen getogen, om Willem Van Loo op te zoeken en hem den
veldslag aan te bieden.

Het heil van Kerlingaland en de redding der belegerden hingen dus af van
het lot eener enkele worsteling! Bleef Willem Van Loo in dezen eersten
schok der beide legers overwinnaar, dan zou niets meer aan de dappere en
verbitterde Kerels kunnen wederstaan; zij zouden de Franschen dwingen
Vlaanderen te verlaten en zouden dan onmiddellijk zegevierend naar
Brugge komen afgezakt, de Isegrims verpletten of verstrooien en hunne
broeders verlossen, die zoolang reeds schier zonder hoop, doch met
onplooibaren heldenmoed zich tegen twee legers hadden verdedigd.

Het bericht van des konings veldtocht in Kerlingaland had hun eenig
vertrouwen teruggeschonken. Dewijl men hun tevens had laten weten dat de
Isegrims waarschijnlijk gedurende de afwezigheid des konings geenen
ernstigen aanval tegen hen zouden beproeven, was hun de tijd gegund om
te rusten, ten einde weder krachten te verzamelen tot latere
worstelingen; maar zij lieten integendeel geen oogenblik voorbijgaan
zonder aan het scheppen van nieuwe verdedigingsmiddelen te arbeiden.

In de vrees dat de Isegrims misschien zouden pogen de vensters der kerk
te beklimmen, bouwden zij achter elk venster eene poort van stelling,
waarop een tiental mannen de wacht konden houden, niet alleen om de
bewegingen des vijands te bewaken en zijne inzichten af te spieden, maar
tevens om den wapenknechten door het schieten van pijlen alle nadering
te beletten.

Onder de vensters, op den vloer der kerk, legden zij vele balken, waarin
puntige houten, stalen pennen, zwaarden en moordpriemen bevestigd waren,
zoodat deze altezamen, als een gebosch van dreigende lansen, in de
hoogte staken en onfeilbaar elken ridder of wapenknecht, die door het
venster in de kerk wilde dalen, moesten doorboren.

De buitenpoort des tempels was zeer zwaar. Om echter te beletten dat ze
door den beukram wierd ingeworpen, vulden de Kerels het nauwe
voorportaal tusschen de twee deuren geheel met steenen en met alle zware
voorwerpen, welke in hun bereik waren; ja, zij braken met dit inzicht in
den tempel zelven zekere binnenmuren uit, waarvan zij tevens de minst
zware steenblokken in de kapelle en op den toren droegen, om ook van
daar den vijand te kunnen treffen.

Zij hadden, zonder ernstig te zijn gestoord geworden, aan deze
toebereidsels drie of vier dagen besteed, toen zij in den nacht van den
vijfden dag verontrust werden door een dof en verwijderd gerucht, als
het gebons van zware mokers en den scherpen slag van den hamer op
ijzeren keggen.

Dit gerucht vernamen zij op de hoogte der kapelle, in de richting van
den gang, langs waar graaf Karel gewoon was geweest van zijn paleis ter
kerk te komen.

Het scheen hun duidelijk dat men ergens, langs den kant van het
klooster, bezig was met pogingen te doen om eenen muur te doorboren en
zoo op de gaanderij der opperkerk hen aan te vallen.

De kastelein Hacket en Robrecht Sneloghe deden al hunne beschikbare
mannen in de kapelle te zamen komen; en, terwijl zij immer de doffe
galmen van den geheimzinnigen arbeid des vijands afluisterden, hielden
zij zich gereed om hem duchtig te onthalen, indien hij er werkelijk in
gelukte eene opening in den muur te maken.

Den ganschen nacht hoorden zij den slag der hamers. Het werk der
Isegrims moest evenwel zwaar en moeielijk zijn en scheen weinig te
vorderen; want het gerucht bleef even verwijderd en onduidelijk tot den
morgen, en hield dan geheel op.

De Kerels meenden zelfs te mogen gelooven dat de vijand zijne poging had
opgegeven, en zij waren gereed, nu de eerste dag-klaarte zich vertoonde,
om beneden in de kerk hunnen arbeid tot verdediging te gaan hernemen,
toen een schildwacht van den toren daalde en hun kwam boodschappen dat
zwarte rookwolken tot hen opklommen en zij vreesden dat de vijand de
kerk aan brand gestoken had.

De oversten der Kerels liepen op de torengaanderij, en keken bekommerd
naar beneden.

Was het slaan der hamers eene list geweest om hunne aandacht af te
keeren, terwijl men langs eenen anderen kant de middelen tot eenen
aanval bereidde? Waarschijnlijk, want zij zagen nu dat men, gedurende
den nacht, voor de buitendeur der kerk, met dikke balken een soort van
dak had getimmerd, waarop de zwaarste steenbonken onmachtig afbotsten.
Daaronder hielden zich vele vijanden ongetwijfeld? Maar wat deden ze in
deze schuilplaats? En wat beduidde de rookwolk die kronkelend van daar
langs den toren opsteeg? De morgenschemering en de mistige lucht
beletteden de Kerels duidelijk te onderscheiden welk nieuw gevaar hen
bedreigde.

Bij zijn vertrek had de koning van Frankrijk den veldheer Gervaas Van
Praet gelast de belegering voort te zetten, en de vaste hoop uitgedrukt
dat, eer eene week verloopen ware, alles te Brugge zou gedaan zijn en de
Vlamingen hem in Kerlingaland zouden komen vervoegen, indien de oorlog
daar niet met eenen enkelen slag wierd beslist en gesloten.

Na zijne mannen eenige dagen te hebben laten rusten en den nieuwen
aanval rijpelijk te hebben berekend, had de veldheer de noodige bevelen
gegeven om de kerk van St-Donaas te bestormen en kost wat kost in te
nemen.

Terwijl een gedeelte der Gentenaars zouden arbeiden, om dwars door
eenige muren de opperste gaanderij des tempels te bereiken, zou een
ander gedeelte, door de wapenknechten en ridders ondersteund beproeven
of men de groote buitenpoort niet bij middel van vuur zou kunnen
vernietigen, en dus eenen vrijen doorgang bekomen om de Kerels in de
kerk zelve aan te tasten.

Om dit te bewerkstelligen, hadden zij in de duisternis de poort der kerk
met eene dikke laag vet en teer bedekt, en pik en harst en hout tot
eenen hoop er voor te zamen gedragen.

Intusschen hadden zij hunne mannen in al de omliggende gebouwen
vergaderd en hun de noodige bevelen gegeven, om op het eerste sein de
kerk binnen te stormen.

Nu de dag ging aanbreken, hadden zij het vuur aan de licht ontbrandbare
stoffen gestoken, en smeten nog immer, van uit hunne sterke
schuilplaats, olie en pik in den gloed, om de verterende vlammen te
voeden.

Wel wierpen de Kerels van boven onophoudelijk zware steenbonken brandend
stroo en kokende olie op het dak; maar de dikke balken waaruit het was
samengesteld, en de versche ossenhuiden waarmede men het overdekt had,
verijdelden al hunne pogingen.

Intusschen verslond het vuur de deur wel langzaam doch voortdurend en de
vlammen knaagden zoo onweerstaanbaar in het eikenhout, dat het, na een
uur tijds, gansch verkoold bij brokken nederviel, en de steenen en de
aarde ontdekte, waarmede de Kerels het voorportaal hadden opgevuld.

Deze dam, geenen steun meer hebbende, rolde gedeeltelijk naar beneden;
en het overige was in korten tijd geheel weggeruimd door eene bende
Gentenaars, welke men tot dit einde had doen naderen.

Dan bracht men in het voorportaal eenen draagbaren beukram, en begon
daarmede zoo hevig tegen de binnendeur in te loopen, dat de gansche kerk
er van dreunde.

Dewijl het hout dezer deur niet dik was, kon zij niet lang aan het
geweldig bonzen wederstaan en viel welhaast verbrijzeld neder.

De Gentenaars, die in het voorportaal stonden, zonden eenen schallenden
zegekreet in de hoogte en sprongen de kerk in; maar het gejuich was van
korten duur. Daar stonden een honderdtal Kerels gereed om hen te
onthalen, en nauwelijks hadden deze roekelooze Gentenaars hun zwaard
kunnen verheffen, of zij lagen allen met gekloofd hoofd of afgehakte
leden op den vloer.

Nu galmden de bazuinen op het plein van den burg, en een zwerm vijanden
liep uit al de omliggende gebouwen naar de kerk om de Kerels te
verpletten. Zij vervulden de lucht met vroolijk krijgsgeschreeuw, en
meenden als een onweerstaanbare vloed de kerk binnen te stormen; maar,
hoe zij ook elkander verdrongen en vooruitstuwden, zij werden in hunne
woeste vaart gestuit door den hardnekkigen tegenstand der Kerels, die
als een ondoordring-bare muur den nauwen ingang afsloten en alles
nederhakten wat hen naderde.

Na eene wijl lag het voorportaal vol lijken, en vloeide het bloed in
beken onder de voeten der aanvallers.

Zij, die nog op het plein zich bevonden en poogden vooruit te dringen,
wisten niet hoevelen hunner makkers in deze enge plaats reeds het leven
hadden verloren. Zij juichten, hitsten elkander aan en deden niets dan
roepen:

"Vooruit! Vooruit! Zege! Zege!"

Hun onweerstaanbaar gedrang had dan eindelijk voor gevolg dat de Kerels,
hoe schrikkelijk zij ook onder de Isegrims hakten, voor den druk der
aanvallers moesten wijken en dus gedwongen werden hunnen vijand den
vrijen doorgang te bieden.

Zij hadden alles voorzien en de kansen hunner verdediging sedert lang
berekend. Nu deinsden zij door eene eenparige beweging als op een geheim
bevel, tot onder de zijbeuk der kerk, met den rug tegen de deur van den
nauwen trap, langswaar men tot de kapelle opklom. Zij zouden dus dezen
weg naar de opperkerk zoolang mogelijk verdedigen en, moesten zij den
strijd opgeven, langs daar de gaanderij bereiken, waar zij nieuwe
middelen tot wederstand moesten vinden.

Ridders en wapenknechten waren nu, onder het aanheffen van triumfkreten
en wraakgeroep, den tempel binnengestroomd; en wie plaats kon vinden om
de Kerels te naderen, had hen met woede aangevallen.

Het ging er lijf om lijf; men zag hier en daar zelfs Kerels en
Isegrims, door het gedrang belet hun zwaard te nemen, elkander
aangrijpen en, ten gronde rollende, ijselijke pogingen doen om hunnen
vijand te versmachten, totdat ze beiden werden verpletterd of doorboord.

Dewijl de Kerels in eenen dichten hoop stonden en van alle kanten eene
heldhaftige tegenweer boden, was het den aanvallers niet mogelijk hunne
gelederen te breken. Nog een ander en even groot voordeel had voor hen
deze wijze van strijden; want zoo beletteden zij het grootste gedeelte
der Isegrims werkelijk aan de worsteling deel te nemen.

Dit schromelijk gevecht in de kerk duurde bijna een half uur voort, met
immer klimmende woede en wreedheid. De vloer des tempels lag bezaaid met
honderden lijken, en de strijdenden plasten hier en daar tot aan de
knoesels in het gestorte bloed[81].

Bij dezen onverwachten tegenstand en bij het gezicht van zulk verlies
aan dooden en gekwetsten, huilden ridders en wapenknechten van razernij
en wraakzucht, en drongen telkens met nieuwe drift elkander naar den
hardnekkigen vijand vooruit.

Hoe de Kerels ook de Isegrims bij hoopen nedervelden, zij zelven zagen
insgelijks velen hunner gezellen onder de slagen des vijands bezwijken,
en hun getal was eindelijk zoozeer verminderd dat men niet kon twijfelen
of zij zouden welhaast geheel worden verpletterd.

Op een bevel van den kastelein Hacket weken zij langzaam en even moedig
strijdend naar den trap der gaanderij, sprongen allen te gelijk naar
boven en wierpen de trapdeur toe.

Terwijl eenigen hunner, die men op voorhand had aangewezen, den ganschen
trap opvulden en verstopten met daartoe gereedgelegde steenen en zakken
aarde, liepen de anderen naar de kapelle.

Hier op de verhevene gaanderij staande, begonnen zij in den dichten
drom hunner vijanden zoodanig met steenbonken te werpen, met pijlen te
schieten en met kokende olie, die de Kerlinnen hadden bereid, in het
ronde te gieten, dat de Isegrims binnen eene korte wijle tijds meer
hunner makkers zagen vallen dan zij er gedurende de lange en bloedige
worsteling hadden verloren. De plaats was voor hen niet langer te
behouden, wilden zij zich niet nutteloos aan eene geheele verdelging
blootstellen.

Een bazuingalm riep hen terug onder de tegenoverstaande zijbeuk der
kerk, waar de werptuigen hunner vijanden hen niet konden bereiken.

Intusschen bleven de Kerels boven de gaanderij waakzaam om alwie zich
langs dien kant der kerk dorst wagen neer te schieten of te
verpletteren; maar de Isegrims hielden zich schuil onder de zijbeuk en
schenen daar onder elkander over iets te raadplegen.

Dakerlia kwam met uitgestrekte armen tot Robrecht geloopen en juichte
over zijne behoudenis; maar een grievende angstschreeuw ontvloog de
ontstelde jonkvrouw, toen haar verloofde, stom en met eenen traan in de
oogen, den vinger naar de benedenkerk richtte en daar op een lijk wees
dat met verpletterd hoofd ten gronde lag uitgestrekt.

"Wee, wee, Yorg Koevoet!" zuchtte Dakerlia. "Hij heeft Kerlingaland, hij
heeft onze vrijheid zijne heldenbloed gegeven! De goede God weze zijne
arme ziel genadig!"

Robrecht durfde nauwelijks in de kapelle rondzien; want zeker, vele
vrienden vermisten zij, en de berekening van hun verlies zou hen met
eene eindelooze droefheid slaan. De kastelein was aan het hoofd gekwetst
en verzekerde nu glimlachend zijnen makkers dat zijne wonde slechts
oppervlakkig en niet erg was.

Eensklaps traden van onder de zijbeuk een bazuinblazer en een wapenbode
vooruit. Deze laatste stelde den Kerels eenen wapenstilstand tot den
avond voor, om de gekwetsten te kunnen oprapen en de dooden buiten de
kerk te voeren. Hij beloofde hun, in naam van sher Baudewijn Van Aelst,
die als overste hier gebood, dat men, zoolang de dag duurde, geene de
minste daad van vijandelijkheid tegen hen zou plegen.

De Kerels gaven hunne toestemming, op voorwaarde dat slechts eenige
wapenknechten vrij door de kerk zouden mogen gaan om de lijken weg te
nemen. Al de anderen zouden onder de zijbeuk blijven of, wilden zij de
kerk verlaten, nevens den muur naar de poort stappen. Wie langs de
zijde, waarboven de kapelle was, zich waagde, zou oogenblikkelijk van
boven worden nedergeschoten of met steenen verpletterd.

Deze overeenkomst aldus gesloten en aanvaard zijnde, begonnen de
Isegrims hun werk, en voerden dooden en gekwetsten buiten den tempel.

Zich in het geheel niet op de beloften hunner vijanden betrouwende,
hielden de Kerels nauwe wacht op hun gaan en komen en bleven den
ganschen dag gereed om allen aanval af te slaan, intusschen immer
werkzaam om op de gaanderij allerlei werptuig bijeen te dragen.

Toen de avond was gevallen, zaten zij bijna allen te zamen in de
kapelle, waar eenige lampen brandden, of lagen hier en daar, in hoeken
of op banken, worstelende tegen den slaaplust en denkend aan den
noodlottigen strijd van dien rampspoedigen dag.

Zij hadden hunne overblijvende mannen geteld. Eilaas, meer dan de helft
hunner trouwe makkers hadden den dood in de bloedige worsteling
gevonden! Van de vijfhonderd Kerels en poorters die met hen de
verdediging van den burg hadden begonnen, leefden er nog zeventig!

De kastelein Hacket was zeer bleek ten gevolge van het bloed dat hij had
verloren, en scheen afgemat en mismoedig.

Burchard Knap zat met het hoofd op de handen in eenen halfduisteren hoek
en bulderde schrikkelijke vermaledijdingen tegen Willem Van Loo en tegen
de Kerels, die hun niet ter hulp kwamen, maar bovenal tegen Disdir Vos,
den verrader, zonder wiens hulp de vijand nooit binnen Brugge zou
geraakt zijn. Hij zwoer bij duren eede dat, indien hij ooit zijne
vrijheid terugbekwam, hij geene rust zou genieten voordat hij Disdir Vos
het valsche hart uit den boezem hadde gerukt.

Terwijl hij dus in zich zelven morde en gromde, wierp hij sombere
blikken in het ronde, als waande hij in zijne makkers zelven vijanden te
zien. En waarlijk, daarin bedroog hij zich niet geheel; want buiten
eenige Houtkerels beschouwden allen hem in hun gemoed als de oorzaak der
ongelukken die hen zelven en Kerlingaland bedreigden.

Robrecht Sneloghe alleen poogde door zijne woorden den Kerels nog
vertrouwen op redding in te boezemen. De veldslag tusschen den koning
van Frankrijk en Willem Van Loo moest nu geleverd zijn of ging geleverd
worden. Niet van hunne verdediging te dezer plaatse hing hun lot af;
maar van dien beslissenden strijd in het open veld. Alle uren konden zij
de zegepraal van het groote Kerlenleger vernemen, en die zegepraal moest
ook het einde zijn van hunne gevaren en van hun lijden.

Zoo bleven degenen, die niet onder de vermoeidheid en onder den
slapensnood bezweken, elkander troosten en aanmoedigen tot diep in den
nacht.

Dan hoorden zij eensklaps eene stem die van buiten de gaanderij tot hen
scheen te komen en op versmachten toon hun toeriep:

"Storm op zee! Stil, stil, ik ben een vriend, een Blauwvoet!"

Robrecht deed zijnen makkers een teeken dat zij beweegloos zouden
blijven.

Hij zag een menschenhoofd boven de gaanderij opdagen.

"Hemel!" mompelde hij, "bedriegen mij mijne oogen? Ivo-de-wolvenjager!
Zonder baard? Gekleed als een wapenknecht?..."

Ivo legde zich den vinger op den mond en stapte over de leuning der
gaanderij.

Terwijl de Kerels hem met verbaasdheid bezagen, trok hij met dezelfde
geheimzinnige stilte eene lichte ladder in de hoogte en legde ze ten
gronde.

Dan liet hij zich op eene bank nedervallen en zeide op treurigen toon:

"Vrienden, laat mij ademscheppen.... Ik heb mij als een wapenknecht
verkleed en vele gevaren getrotst om tot u te komen. Ach, mijne arme
gezellen, ik vervul eenen droeven plicht.... Ik ben een ongeluksbode....
De oude Bertulf de proost is dood...."

"Dood! De proost van St-Donaas?" kreten allen te gelijk door eenen
plotselijken angst aangegrepen.

"Ja, dood; gemarteld, ijselijk gemarteld!"

Degenen die in de verre hoeken zaten, naderden den bode; men wekte zelfs
de slapenden, en allen omringden Ivo-den-wolvenjager en overlaadden hem
met vragen. Hacket stortte tranen over zijnen ongelukkigen broeder,
Robrecht beweende zijnen oom; bleek en met kloppend hart hielden zij de
oogen gericht op Ivo-den-wolvenjager, die zijne verklaring aanving en ze
met eenige onderbrekingen dus voortzette:

"Wij zijn door Walter Van Lillers behouden buiten de stad geleid, en
ondernamen met moed en met vertrouwen onze lange reis door de
nachtelijke duisternis. De oude proost, die niet gewoon was te voet te
gaan en elk oogenblik struikelde, bezeerde zich dikwijls en begon al
spoedig van vermoeidheid te klagen. Wij mochten echter niet rusten;
want, bereikten wij voor den morgenstond het leger der Kerels niet, dan
liepen wij groot gevaar van in handen der Fransche krijgsknechten te
vallen. Ik ondersteunde den heer proost zooveel ik kon, ja, droeg hem,
om zoo te zeggen, gedurende de twee laatste uren, want zijne voeten
waren gewond en bloedend.... Toen de eerste dagschemering zich aan den
hemel begon te vertoonen, verlieten wij de baan omtrent Roozebeke, en
traden op eene hofstede waar een goed vriend van mij woont. Zeker, de
man zou naar het leger zich begeven hebben; hij is een onversaagde
Kerel, een verkleefde Blauwvoet, die vurig wenschte zijn bloed voor de
verdediging onzer vrijheid te mogen vergieten; maar zijne vrouw en
kinderen zouden op de hofstede zijn. Daar zou de heer proost kunnen
rusten en eenig voedsel tot versterking gebruiken. Tot mijne groote
verwondering vond ik den Kerel te huis. Toen ik hem zeide dat mijn oude
gezel niemand anders was dan de proost van St-Donaas te Brugge, deinsde
de Kerel met eene grijns van gramschap en misprijzen terug en mompelde:
"Een Erembald, een moordenaar, een verrader van Kerlingaland!"--Door
goede woorden wekte ik zijn medelijden op en bracht hem tot bedaren.
Terwijl de proost, door dit slecht onthaal mismoedig, wat brood en melk
poogde te nuttigen, vernam ik over den toestand der zaken in
Kerlingaland zeer bedroevende dingen. De tijding van den moord des
graven heeft de tweespalt tusschen de Ambachten gezaaid, waarvan velen
geweigerd hebben te wapen te komen, om de verantwoordelijkheid der
misdaad zelfs niet in schijn te aanvaarden. Men beschuldigt algemeen de
Erembalds van Brugge onze vrijheid en Kerlingaland te hebben verraden;
want door den moord hebben zij de beslissingen, die in den Hoop te
Veurne genomen waren, onuitvoerbaar gemaakt en op voorhand
verijdeld.--Het zijn de woorden van mijnen vriend.--In de Ambachten
zelve, die hunne mannen ter beschikking van Willem Van Loo hebben
gesteld, zijn vele Kerels te huis gebleven; en zij, die opgetrokken zijn
en zich in het leger bevinden, vermaledijden niet min de Erembalds als
de oorzaak van 's lands ongeluk."

"Door elkeen gehaat, door de gansche wereld vervloekt als laffe
moordenaars!" zuchtte Robrecht.

"Ga voort, laat al dien praat van bloode lieden achter en zeg ons wat
mijnen oom den proost is geschied!" gromde Burchard Knap met beklemde
woede.

De anderen, zeer ontsteld en nieuwsgierig om het einde dezer verklaring
te hooren, luisterden in stilte.

Ivo-de-wolvenjager hernam:

"De woorden van mijnen vriend deden ons twijfelen aan den goeden uitslag
onzer zending. Er was echter niet te aarzelen, en alhoewel de arme heer
proost schier niet meer kon gaan, wilde hij toch de pijnlijke reis
voortzetten.--Wij geraakten, met overspanning onzer krachten, eindelijk
in den morgen te Zonnebeke. De heer proost kon niet verder en viel daar
in eene herberg bijna machteloos op eene banke neder. Al de paarden,
karren en voertuigen der omstreken waren in het leger, dat binnen en
rondom Yperen zich bevond. Ik besloot dan alleen naar deze stad te gaan,
om mher Willem de komst van den proost bekend te maken en hem te
verzoeken mij een rijtuig te doen geven om hem naar Yperen te doen
voeren. Ik volbracht mijne boodschap. Een wagen, door een twintigtal
Kerels, met eenen overste vergezeld, volgden mij naar Zonnebeke.--Daar
vielen de Kerels op mij en ontrukten mij mijn zwaard. Terwijl men mij
vasthield om mij alle beweging onmogelijk te maken, greep men, onder het
bulderen van allerlei smaadwoorden, den ouden proost aan, bond hem de
armen op den rug en smeet hem barschelijk op den wagen. De zweep werd op
de paarden gelegd, en wij vertrokken naar Yperen. Mij had men insgelijks
gebonden; maar de overste, die mij goed kende, zeide mij dat men mij van
niets beschuldigde. Indien ik mijn woord wilde geven dat ik mij zou
stilhouden en niet pogen te ontvluchten, zou men mij zonder banden den
gevangen proost laten vergezellen. Ik aanvaardde.--Toen wij Yperen
gingen naderen, vonden wij, zelfs buiten de stad, eene menigte poorters
en Kerels, die nevens de baan op ons schenen te wachten. Ach, hoe zal ik
het u zeggen, wat den armen proost daar en tot op de Markt van Yperen
wedervoer? Eerst overlaadde men hem met vermaledijdingen en riep men
onophoudelijk, zoo luid en zoo woedend, dat het over de velden
hergalmde: "Ter dood, ter dood, de laffe moordenaar! Versmoort hem in
het slijk, den verrader van Kerlingaland!"--Bij de poort der stad rukte
de razende menigte den proost van den wagen en dwong hem te voet te
gaan. Dan begon men hem met modder en met steenen te werpen ..."

Een gemor van ijzing en angst vervulde de kapelle; de kastelein Hacket,
door het akelig lot zijns broeders verpletterd, had het hoofd gebogen en
de handen voor de oogen gelegd. Robrecht en Dakerlia hielden hunne
strakke blikken op Burchard gevestigd en schenen hem te verwijten dat
hij de schuld was van Bertulfs ongeluk.

Zoo ontsteld en aangegrepen door het verhaal van Ivo, hoorden de Kerels
niet dat de doffe hamerslagen, naar de zijde van het klooster, weder
waren hervat. Misschien meenden zij het gevaar dezer poging niet nabij
genoeg, om er nu eene bijzondere acht op te slaan.

De wolvenjager ging voort:

"De proost, alhoewel ziek en uitgeput, stapte met opgeheven hoofd
tusschen den razenden volkshoop; hij had, zooveel zijne banden het hem
toelieten, de handen samengevoegd en scheen te bidden. Wij kwamen te
midden der Markt, en vonden daar Willem Van Loo met de oversten der
Kerels. Mher Willem verweet den proost met hevige gramschap, dat hij tot
den moord van graaf Karel had geholpen, en door deze afschuwelijke daad
der Kerlen macht had gebroken. De proost beschuldigde integendeel mher
Willem en beweerde dat hij zelf aan zijnen neef Burchard bevel had
gegeven om Karel van Denemarken te dooden. Mher Willem loochende en
zwoer dat hij niets er van had geweten; maar dewijl de proost zijn
gezegde staan hield en de waarheid er van poogde te bewijzen, werd mher
Willem zoo woedend, dat hij luidop bevel gaf om den ouden proost ter
dood te brengen ... Mocht ik hier mijne openbaring eindigen! Mijn hart
beeft en mij spookt nog het ijselijk schouwspel voor de oogen ... Op een
kruis genageld, met ijzeren tangen verscheurd, door de menigte met
modder overdekt, gehoond, bespot, vermaledijd, de oogen tot God en voor
zijne beulen biddend ... zoo is de oude proost van St-Donaas
gestorven[82] ."

Ivo-de-wolvenjager borst in tranen. Er bleef gedurende eene wijl eene
doodsche stilte heerschen, zoo diep waren allen onder schrik en
droefheid neergedrukt.

"Ach, Burchard, ongelukkige, wat hebt gij gedaan!" riep de kastelein.
"Gij zijt niet alleen de schuld van mijns broeders gruwelijken dood,
maar tevens van het verderf uws vaderlands! Geheel uw geslacht zal
vernietigd worden tot straf uwer misdaad. Waarom zeidet zij ons dat mher
Willem u had bevolen den graaf te dooden?"

"Willem Van Loo is een snoodaard; hij liegt!" schreeuwde Burchard. "Hij
was de eerste wien het ontwerp werd bekend gemaakt, en hij heeft het
goedgekeurd. Is hij nu valsch genoeg om het pak zich van de schouders te
schudden, ik veracht hem als een lafaard die hij is. Men beticht mij de
zaak van Kerlingaland te hebben verdorven? Het is belachelijk! Neen, wie
onze vijand heeft vermoord, wie ons machteloos ten prooi der Isegrims
heeft geleverd, is niemand dan de proost Bertulf zelf ..."

"O, mijn God, dat gaat te verre! Zijnen armen oom, zijn slachtoffer
hoonen tot in het graf!" galmde Robrecht, de verkrampte vuist tot
Burchard vooruitstekende.

"Ha, ik vrees uwe bedreigingen niet!" zeide deze. "Het zijn de
toegevingen, de aarzelingen, de vreesachtigheid, de traagheid van den
proost, die de zaak van Kerlingaland hebben verloren."

"Neen", kreet Robrecht, "gij alleen hebt ons verraden; gij alleen hebt
onze vrijheid en ons vaderland vermoord. Indien de gansche wereld ons
vermaledijdt, dan is het omdat gij uwe misdadige handen in het bloed van
graaf Karel hebt gedoopt. Ha, ha, zeg wat gij wilt, maar op uw graf
kleeft nog na vele eeuwen Vlaanderens onuitwischbare vloek!... Laffe,
valsche moordenaar!"

Burchard had zijn zwaard opgeheven en riep bulderend dat hij mher
Sneloghe het hoofd wilde klooven. Robrecht, niet min door woede
ontsteld, wilde insgelijks met uitgetogen wapen naar Burchard springen.
Beiden, door hunne verschrikte gezellen met geweld wederhouden,
worstelden om elkander te kunnen naderen. Maar op dit oogenblik hoorden
zij achter den autaar der kapelle een bonzend gerucht als van eenen hoop
nederrollende steenen, en onmiddellijk daarop den korten toon van eenen
hoorn, die door de donkere kerk weergalmde.

"Harop, harop! De vijand, de vijand!" schreeuwden de Kerels, terwijl
zij, alles vergetend, naar den autaar vooruitsprongen om hun leven te
verdedigen.

Hier begon alweder eene bloedige worsteling. De Gentenaars waren door
den uitgebroken muur in groot getal binnen de kapel gedrongen, en onder
een luid krijgsgeschreeuw vielen zij de verraste Kerels met groote woede
aan. Zij bekochten echter hunne vermetelheid zeer duur: want de eersten
werden onmiddellijk neergehakt en degenen die na hen in de nauwe opening
zich vertoonden smaakten den dood vooraleer zij den voet op den vloer
der kapelle konden zetten.

Gewis, de Kerels zouden het hier zeer lang volgehouden hebben en
misschien des vijands poging geheel verijdeld; want, daar de Gentenaars
door eene lange gang moesten komen om tot hen te naderen, was het hun
gemakkelijk ze allen opvolgend te verpletten Maar terwijl zij door dit
gevecht naar de andere zijde der kapel waren gelokt, kwamen de ridders
en wapenknechten in de kerk met lichte ladders toegeloopen, en beklommen
zonder eenig beletsel te ontmoeten de gaanderij.

Onder het aanheffen van zegevierend krijgsgeschreeuw vielen zij in
groote menigte de Kerels van achter op het lijf; en dezen, dus geheel
ingesloten, moesten onfeilbaar in korten tijd bezwijken. Nog eene wijl
hielden zij het vol en weerden zich met leeuwenmoed, den vloer bezaaiend
met de verminkte lichamen hunner vijanden en met hunne eigene lijken,
totdat de overblijvenden, hun klein getal bemerkende, alle hoop opgaven,
immer strijdend naar eenen kleinen trap weken en hun heil op den toren
zochten[83].

Dewijl zij ook de mogelijkheid zulker vlucht hadden berekend, en op
voorhand de middelen tot redding hadden bereid, was de toegang naarboven
in een oogenblik verbalkt en de enge trap met steenbonken opgevuld.


[Illustratie: "Ha, ik vrees uwe bedreiging niet!" (Bladz. 453.)]


Toen zij op de gaanderij van den toren kwamen en elkander met wanhoop
riepen, bevonden zij dat zij slechts nog veertig in getal waren;
zevenendertig man en drie vrouwen!

De kastelein Hacket was niet meer met hen!


VOETNOTEN:

[Voetnoot 81: "In de kerk vocht men met de hevigste vurigheid, en bij
den toren was er zulke groote bloedstorting en menschenslachting, dat ik
het niet zou kunnen beschrijven, noch het getal uitdrukken dergenen die
werden gedood of gewond."

GALB., p. 380.]

[Voetnoot 82: Zie het verhaal van Bertulfs schrikkelijke folteringen en
dood, op bevel van Willem Van Loo, bij GALBERTUS, p. 341.]

[Voetnoot 83: Volgens GALBERTUS (p. 353) werden de Kerels den 14 April,
na een bloedig gevecht, uit de opperkerk op den toren gedreven.]



XXIV


Er gloeide in Robrechts hart een diepe haat tegen den moordenaar
Burchard, die, wel zeker de oorzaak van al hunne ongelukken zijnde,
echter boos genoeg was geweest om de schuld op zijnen armen oom Bertulf
te leggen en hem zelfs na zijnen ijselijken marteldood nog te hoonen.

Van zijnen kant, was Burchard zoo verbolgen dat hij geenen blik op mher
Sneloghe of op Dakerlia kon werpen, of hij sidderde van woede en
wraakzucht.

Zij hadden op den toren nog hevige verwijten en uitdagingen gewisseld;
maar de krachtdadige tusschenkomst hunner gezellen en de zekerheid dat
zij bij het eerste morgenlicht weder zouden worden aangevallen, brachten
hen, in schijn ten minste, tot bedaren.

Te zamen konden zij evenwel niet blijven; want bij het minste woord
zouden zij elkander aan het lijf willen, en dan werden de Kerels
blootgesteld aan het gevaar van elkander in eenen gruwelijken
broederstrijd te vernielen.

Het verlies van den kastelein liet de Kerels zonder opperhoofd. Wie zou
nu over hen gebieden? Robrecht? Burchard? Geen van beiden zou de bevelen
van den anderen aanvaarden. Ja, zij konden elkander niet meer naderen
zonder in gramschap te ontvlammen.

Toen de dag reeds lang was aangebroken en men geene beweging onder de
vijanden opmerkte, brachten de algemene vermoeidheid en de nood tot
rusten, als van zelf de oplossing van het lastig raadsel.

Op den toren der kerk waren twee gaanderijen. De laagste was groot en
breed; de opperste, die wel vijftig voet boven de eerste was verheven,
had eenen minderen omvang. Zoo was insgelijks het binnenste van den
toren in twee verdiepen gedeeld, welke ruimte genoeg aanboden om zoo
weinig menschen tot woning te verstrekken.

Burchard, met een twaalftal Houtkerels, die uit plichtgevoel hem nog
bijbleven, klom naarboven en nam bezit van de opperste gaanderij. Hij
zou tot de verdediging medewerken zonder echter iemands bevel te
erkennen.

Opmerkelijk was het,--en Burchard bevond het nu met spijt en
schrik,---dat van al de Houtkerels die op den morgen van den moord met
hem in de kerk geslopen waren, geen enkele meer op den toren was. Allen
waren gesneuveld of gevangen.

De overige mannen bleven met Robrecht op de groote gaanderij waar zij,
binnen den toren, in allernaast met planken en tapijten eene soort van
kamer timmerden, om den drie vrouwen eene behoorlijke slaapstede te
bezorgen.

Na langs de vier zijden des torens schildwachten te hebben gezet, met
den last bij den minsten schijn van aanval hen door den Harop-kreet te
wekken, gingen de overige Kerels binnen den toren en legden, zoo zij
best konden, zich hier of daar ter rust.

Van de hoogte waarop zij stonden zagen de schildwachten over de gansche
stad heen en niets van alwat op de Markt, op den Maalberg of in de
naastbijgelegene straten gebeurde, kon hunne aandacht ontsnappen.

Wel bespeurden zij dien ganschen morgen eene groote beweging van
poorters en wapenknechten in de stad; maar dezen volgden allen de
richting naar St-Salvators, alsof zij daar eenen plechtigen kerkdienst
gingen bijwonen.

Een weinig voor elf uur werd hun de reden dier beweging verklaard

Uit de kerk stroomde alsdan een groote toevloed van lieden, die de
Steenstraat geheel overdekte en langzaam naar de Markt vooruitkwam. Hij
was samengesteld uit ridders, poorters en wapenknechten klaarblijkend
niet op vijandelijkheden bedacht, aangezien zij met elkander waren
vermengd en nu pogingen deden om zich in eenen stoet te schikken.

Na eene wijl traden uit de kerk een groot getal priesters, diakens en
zangers, met vanen, standaarden en wierookvaten. Dezen stelden zich aan
het hoofd van den stoet en gaven, door het aanheffen van een treurigen
lijkzang, het sein tot den optocht.

In den eerste wisten de schildwachten op den toren niet wat deze
plechtigheid te beduiden had; maar toen de zingende priesters met hun
gevolg over de Markt kwamen en de Hofstraat insloegen, twijfelden zij
niet meer, of hun doel moest zijn het lijk van Karel van Denemarken uit
St-Donaas weg te halen en het op niet ontwijde aarde en in eene betere
grafstede te leggen.

Zij wekten hunne gezellen en zeiden hun wat er geschiedde, en hoe
duizenden menschen in den burg gingen treden; maar dewijl de Kerels
uiterst vermoeid en slaperig waren, wilden de meesten hunne rust niet
laten, om naar iets te gaan kijken dat hun als geen gevaar aanbiedende,
geheel onverschillig was.

Robrecht, met vier of vijf zijner gezellen, kwam op de gaanderij en
schouwde neder op den stoet die nu binnen den burg trad en, zonder der
Kerlen pijlen of hunne steenen te vreezen, tot aan den voet van den
toren zei ven vooruitstapte, om in de kerk te gaan. Mher Sneloghe
begreep dat de priesters vertrouwen genoeg in der Kerlen godvruchtigheid
hadden gehad om te denken dat zij deze lijkplechtigheid niet door het
plegen van vijandelijkheden zouden storen. Hij gebood zijne mannen hunne
bogen neder te leggen om in stilte te aanschouwen wat daarbeneden
geschiedde.

De stoet bleef weinigen tijd in de ontheiligde kerk.

Eerst traden de priesters, zingend en in wolken wierook gehuld, er uit.
Achter hen kwamen eenige ridders met eene lijkbaar waarop, onder een
zwart kleed met zilveren kronen, de doodkist, die het lichaam van graaf
Karel bevatte, werd gedragen.

Al de poorters volgden met ontdekten hoofde. Velen weenden zichtbaar, en
het klagen en jammeren der vrouwen klom, als een beschuldigend gebruis,
tot op de gaanderij waar de Kerels zich bevonden.

Tot alsdan was alles stil en vreedzaam toegegaan; maar nu werden er
eensklaps door de Houtkerels der bovenste gaanderij eenige pijlen onder
den dichten stoet geschoten, en drie of vier poorters vielen gewond
neder.

Dan rees er een lange en schallende wraakkreet onder de menigte op, en
terwijl velen der tegenwoordig zijnde lieden den burg afvloden, staken
de anderen de gebalde vuisten dreigend tegen de Kerels op en stuurde hun
de schrikkelijkste vermaledijdingen toe.

Aangezien het voorste gedeelte van den stoet reeds in de Hofstraat was
getreden en buiten het bereik der Kerels zich bevond, stoorde deze
vijandelijke aanval de plechtigheid niet ernstigerwijze.

Eenige oogenblikken daarna hadden al de poorters het plein van den burg
verlaten en, ofschoon nog immer van verre de Kerels bedreigende, volgden
zij de priesters naar de St-Christoffelskapelle waar men, in afwachting
van 's konings terugkomst, het lijk des graven zou nederzetten.

Het geschreeuw en gedruisch der vluchtende menigte had al de Kerels op
de gaanderij gelokt.

Robrecht, ten uiterste verbitterd over den aanval door de Houtkerels
tegen den lijkstoet gepleegd, meende naarboven te loopen om Burchard
rekening over deze nuttelooze baldadigheid te vragen maar zijne gezellen
en Dakerlia wederhielden hem door hunne gebeden ...

In den namiddag stond Robrecht met Dakerlia op de gaanderij. Hij poogde
zijnen mannen nog eenige hoop in te boezemen. Het Kerlenleger kon in den
eersten veldslag tegen den koning van Frankrijk de overwinning behalen.
Dan werden zij verlost; en vermits zij allen hunne onschuld aan den
moord des graven konden bewijzen, zouden zij hunne vrijheid bekomen en
ongehinderd naar Kerlingaland mogen terugkeeren.

Terwijl hij nog sprekende was, werd hij in zijne rede onderbroken door
eenen Kerel die over de Markt wees en zeide:

"Ziet, ziet, ginder ten einde der Markt! Men gaat ons aanvallen! Vele
benden wapenknechten, boogschutters ..."

Inderdaad, uit de St-Jacobsstraat kwam op dit oogenblik, met ontrolde
banieren en klinkende bazuinen, eene talrijke schaar krijgslieden over
de Markt en richtte zich naar den burg.

Op Robrechts bevel werd in allerhaast het vuur onder de ketels met olie
ontstoken en steenen naar den Zuiderkant des torens in hoopen
bijeengedragen.

De wapenknechten traden op het middenplein van den burg, en terwijl zij
zich daar langs de Loove en het Gijselhuis in een vierkant schikten,
stapte uit hun midden een bazuinblazer met eenen wapenbode vooruit. Deze
riep den Kerels toe dat hun een wapenstilstand tot het einde van den
dag werd voorgesteld, opdat zij zouden kunnen aanhooren wat de veldheer
door zijne zaakgelastigden hun wilde zeggen.

Ten teeken van toestemming hingen de Kerels eene witte vlag buiten de
gaanderij. Den wapenbode aansprekende, vroegen zij hem wat hij hun
vanwege den veldheer te melden had; maar hij gaf hun te kennen dat zij
een weinig op de boodschap moesten wachten.

Over dit antwoord verwonderd, keken de Kerels met overspannen
nieuwsgierigheid naar den kant der Markt, waar des veldheers woning
stond. Wat ging men hun voorstellen? De vrijheid? de gevangenis? den
dood? Hadden de Kerels over het Fransche leger gezegepraald?

Eensklaps werd hunne aandacht opgewekt door eenen verwarden volksdrom,
die van uit de Steenstraat over de Markt kwam gevloeid en eenige
wapenknechten scheen te omringen.

"Wat mag dit zonderling gewoel toch beduiden?" morde Robrecht.

"Eilaas!" zuchtte Dakerlia, de handen klagende opheffende, "de Isegrims,
over de bloedige storing der lijkplecht verbitterd, komen zich wreken."

"Die wanordelijke volkshoop?" vroeg Robrecht verwonderd.

"Akelig, akelig! Zij zullen hier, onder onze oogen, iemand martelen!"

"Wie zou het zijn, meent gij?"

"Gave God, Robrecht, dat mijne vrees ongegrond ware. Arme Hacket!"

"Mijn oom, zij zouden mijnen armen oom onder ons gezicht vermoorden?
Kom, Dakerlia, zulk schouwspel is te gruwelijk; ik zou het niet kunnen
zien; treden wij binnen den toren."

En dit zeggende, verliet hij de gaanderij met zijne verloofde; maar
nauwelijks had hij eenige stappen gedaan, of een Kerel kwam hem
achternageloopen en riep hem toe:

"Mher Sneloghe, gij bedriegt u: het is onze kastelein Hacket niet, dien
zij naar hier brengen. Neen, het is eene vrouw ..."

Robrecht en Dakerlia slaakten terzelfder tijd eenen grievenden
noodkreet.

"Eene vrouw? O, hemel, eene vrouw!"

Meer zeiden zij niet: hun vervaarde blik en de ontsteltenis huns gelaats
toonden genoeg dat zij door eene schrikwekkende gedachte waren
aangegrepen.

Zij liepen terug naar de gaanderij en poogden, door het overspannen
hunner gezichtskracht, te herkennen of de Kerel hun de waarheid had
gezegd; doch nu de menigte zich verdrong om de Hof straat in te
stroomen, was het hun onmogelijk iets te onderscheiden.

Welhaast bereikte deze verwarde stoet de Hofpoort en trad op het
middelplein van den burg.

Dakerlia vloog haren verloofde met eenen angstschreeuw aan den hals.

"Arme Robrecht!" zuchtte zij. "Wee, wee ons, het is Witta, de goede
Witta! Gruwelijk, Disdir Vos, de valsche verrader, stoot haar voort en
mishandelt haar!"

"Mijne zuster? Zij ook, zij zou boeten voor de misdaad! O, neen, mijn
God, laat mij sterven; maar behoed een arm, onschuldig kind!"

Witta Sneloghe stapte tusschen een twintigtal wapenknechten die haar nu
en dan barschelijk bij den schouder namen of haar voortstuwden. Disdir
Vos was niet meer met haar; ongetwijfeld had hij zich achter den dam of
onder het kerkportaal verscholen in de gegronde vrees dat zijne
tegenwoordigheid sommige Kerels kon aandrijven om hem eenen pijl door
het lichaam te schieten.

Van zoohaast Witta op den burg was verschenen, had zij oogen en handen
tot haren broeder en tot Dakerlia opgeheven, als wilde zij haar
schrikkelijk lot hun klagen of hunne hulp afsmeeken. Tranen rolden de
ongelukkige maagd over de wangen.

Het was Robrecht zoo bang om het hart, dat hij sidderend naar beneden
schouwde en geene andere klacht deed hooren dan een heesch en somber
keelgeluid.

Dakerlia, door zijnen angst en zijn lijden verschrikt, overwon hare
eigene smart, om hem te steunen en te troosten. Zij zeide hem dat alle
hoop niet was verloren. Misschien vreesden zij ten onrechte een ijselijk
ongeluk. Zij kenden immers de inzichten des vijands niet ...

Maar nu trad een wapenbode dichter bij den toren en riep hun toe:

"In name van mher Gervaas Van Praet, veldheer der Vlaamsche heirkracht,
spreek ik tot u. Hoort, wat hij u meldt. Geeft u over in zijne handen,
opdat hij over het lot van elk uwer beschikke naar zijnen wil. Een half
uur gunt hij u om tot deze overgaaf te besluiten. Indien gij voor het
verloop van dien tijd u niet in zijne genade hebt overgegeven, zal, tot
een voorbeeld en tot wraak over den moord van graaf Karel, deze
jonkvrouw, Witta Sneloghe, zuster van een der moordenaars, onder uwe
oogen door den beul het hoofd worden afgeslagen. Ziet aldus wat u te
doen staat; wij wachten uw antwoord."

Robrecht slaakte eenen schreeuw en beefde in al zijne ledematen; hij was
schier ijlhoofdig en kon zijnen blik niet afwenden van zijne arme
zuster, die biddend en smeekend immer de handen tot hem ophief.

Dakerlia, door bedruktheid en schrik overstelpt, had de handen voor de
oogen geslagen en weende bitter.

De eindeloosheid van het ongeluk dat hem bedreigde en de akeligheid van
zijnen toestand deden Robrecht een uiterst geweld inspannen om zijne
smart te bedwingen. Er was geen tijd te verliezen; wat doodelijke angst
hem ook folterde, hij was man en moest zelfs te midden der gruwelijkste
gevaren sterkmoedig blijven.

Zich tot zijne gezellen keerende, zeide hij haastig:

"Vrienden, wat gaan wij doen? Weigeren wij ons over te geven, dan
vermoordt men mijne zuster,--onnoozel kind, zoet en argloos als een
lam!--Geven wij ons over zonder voorwaarden, zooals men het eischt, dan
dreigt ons een onvermijdelijke dood. Wat gedaan? O, hemel, geeft mij
raad! Wat gedaan?"

De Kerels zwegen of morden binnensmonds. Het was klaarblijkend dat zij
geenen lust gevoelden om zich weerloos in de handen hunner wreede
vijanden te leveren; evenwel, uit medelijden voor den hachelijken
toestand van hunnen overste, drukten zij hunne weigering niet door
woorden uit.

"Ach, nog eene zwakke hoop!" kreet Robrecht, "misschien zullen onze
vijanden niet onverbiddelijk zijn en ons de voorwaarden toestaan die
mijn oom Hacket hun vroeger heeft uitgedrukt. Wat voordeel brengt het
toch Kerlingaland toe, dat wij nog eenige dagen op dezen toren blijven?
Sterven,--indien dit lot ons door God is voorbeschikt,--sterven moeten
wij allen. Waarom mijne zuster, waarom een onnoozel kind nutteloos
geslachtofferd? Laat mij het beproeven: wil men ons beloven ons
onmiddellijk te dooden en ons toe te laten onze onschuld aan den moord
te bewijzen, dan, vrienden, ik smeek u, geven wij ons over! Mijne arme
zuster zal gered zijn en wij, misschien, zullen worden gespaard ..."

Burchard Knap die, om beter te hooren wat des veldheers bode zeide op de
groote gaanderij was gekomen, viel Robrecht hier met eenen spotlach in
de rede, en riep:

"Zinnelooze woorden! Ziet gij niet dat de Isegrims deze nieuwe list
uitgevonden hebben om ons in handen te krijgen en ons te martelen,
zooals zij onze ongelukkige broeders hebben gemarteld? Al wat zij zeggen
is bedrog en valschheid. Zoohaast gij beneden zijt zal men u doodslaan
en uwe lijken met voeten treden. Wat mij betreft, ik geef mij niet over.
Moet ik sterven, het zij dan met met zwaard in de vuist!"

"Maar, maar, om Gods wille, Burchard", smeekte mher Sneloghe, "beneem
mij dit laatste middel niet! Veroordeel mijne rampzalige zuster niet tot
eenen gruwelijken dood!"

"Te veel reeds hebben vrouwen onze verdediging gehinderd", gromde
Burchard. "Voor het behoud van het leven uwer zuster zoudt gij het leven
van al deze dappere mannen gaan opofferen? Het is belachelijk!"

Robrecht meende tegen den barschen Burchard met woede uit te vallen;
maar nu galmde hem van beneden eenen angstkreet in de ooren, die hem
naar den boord der gaanderij deed springen. Hij zag de arme Wtta
tusschen ridders en wapenknechten ten gronde geknield, terwijl een beul
met uitgetogen zwaard nevens haar gereed stond om op het eerste sein
haar het hoofd af te slaan.

Bevend als een riet en schier zinneloos van verschriktheid, deed
Robrecht een teeken dat hij wilde spreken. De wapenbode naderde en mher
Sneloghe gaf hem te kennen dat de Kerels er in toestemden den toren te
verlaten en zich in des veldheers handen over te geven op voorwaarde dat
men hen allen in de gevangenis zou leiden en men hen door een
gerechtshof zou doen oordeelen, opdat elk hunner gestraft wierde in de
maat zijner schuldigheid.

De wapenbode keerde terug naar de ridders die onder elkander met zekere
hevigheid over deze voorstellen begonnen te raadplegen.

Intusschen was Disdir Vos, door den gang der onderhandelingen verstout,
uit zijne schuilplaats getreden en stond nu nevens de geknielde Witta,
waar hij met eenen ridder, die de overste der wapenknechten scheen,
begon te spreken.

Burchard bemerkte den verrader van op den toren. Hij nam, zonder iets te
zeggen, den boog uit de handen van eenen zijner mannen, legde er eenen
pijl op en mikte ...

Met eenen angstigen gil sprong Dakerlia naar hem toe en wilde hem den
boog uit de handen rukken, terwijl zij riep:

"Houd op, laat af, uw pijl is een doodvonnis voor de ongelukkige Witta!"

Maar hij, met eenen enkelen zwaai zijner linkerhand, wierp de smeekende
maagd zoo geweldig achteruit dat zij tegen den kerkmuur viel.

De pijl snorde door de lucht en trof in eene schuinsche richting Disdir
Vos op de schouderplaat; maar hier schampte hij af, verhief zich weder
en doorboorde den hals van den overste der wapenknechten. Deze, zich
doodelijk gekwetst voelende, begon te wankelen doch had nog, terwijl hij
ineenzakte, de kracht om te roepen:

"Sla toe! Sla toe!"

De beul, op dit bevel, slingerde zijn bliksemend zwaard door de lucht
... en het hoofd der arme Witta rolde ten gronde ...

Een lange angstschreeuw, een akelige noodkreet weergalmde terzelfder
tijd op het plein en op den toren.

Robrecht Sneloghe, als hadde het gezicht van het bloedend lijk zijner
zuster hem met versteendheid en verbijstering geslagen, lag beweegloos
over de gaanderij en hield den strakken blik naar beneden. Hij sprak
geen woord, en welke pogingen de weenende Dakerlia ook inspande om hem
uit den afgrond zijner smarf op te heffen, hij antwoordde haar niet.

Eensklaps toch scheen de bewustheid van wat er was geschied in hem
terug te keeren. Hij sprong achteruit, trok zij'n zwaard en riep tot
Burchard, terwijl vele Kerels, die zijn inzicht begrepen, hem wilden
weerhouden:

"Moordenaar van den graaf, moordenaar van Bertulf, moordenaar mijner
zuster, moordenaar van Kerlingaland, uw bloed moet ik hebben! Weze mijn
arm de uitvoerder van Gods wraak! Het hoofd zal ik u klooven, vervloekte
duivel, geboren tot ramp en schand van uw geslacht!"

Hij was zoodanig door woede vervoerd, dat hij eenigen zijner gezellen
overhoop smeet, zelfs Dakerlia met geweld terugdreef en bulderend
vooruit liep naar Burchard die, met het zwaard in de vuist en eenen
spotlach op de lippen, hem verwachtte.

Nog immer poogden hunne gezellen hen van elkander verwijderd te houden;
maar Robrecht riep op eenen toon, die geene wederspraak meer toeliet:

"Kamp! Kamp! Wilt gij mij niet dwingen een moordenaar te worden, laat
mij strijden tegen het wangedrocht! Achteruit, achteruit! Hij verdedige
zich, of ik vel hem, onmensen die hij is, voor mijne voeten neder!"

Door den kreet "kamp! kamp!" welken de beide vijanden terzelfder tijd
aanhieven, zagen de Kerels zich gedwongen hen in vrijheid elkander te
laten bevechten.

Stervende van schrik en hare onmacht voelende, was Dakerlia op beide
knieën nedergezonken en hield nu de handen ten hemel en bad God om
bescherming.

De zwaarden slingerden door de lucht en vielen nu en dan bonzend of
knarsend op pantser of op helm. De uiterste woede zelve der strijders
maakte hunne slagen onzeker. Na eene korte wijl echter bekwam mher
Sneloghe zulken harden slag op den schouder dat hij er onder bukte en
met eene knie ten gronde zonk. Een gil van doodelijken angst ontsnapte
Dakerlia, die haren verloofde reeds dood waande; maar vooraleer Burchard
opnieuw zijn zwaard kon verheffen, was Robrecht opgesprongen en
achteruitgeweken.

Onder het bulderen van sombere wraakkreten, liep hij weder tegen zijnen
vijand in en trof hem zoo geweldig terzijde onder zijnen helm dat hij
hem den hals half doorhakte.

Eene onduidbare vermaledijding bonsde op uit Burchards borst; het bloed
ontsprong hem in eenen dikken straal, en hij viel zonder beweging
achterover.

De Houtkerels naderden hunnen overste om zijnen helm te ontgespen en hem
hulp te brengen; maar zijne wijde wonde en de doodverf op zijn gelaat
lieten hun slechts weinig hoop--Burchard Knap had het leven verloren, en
zijne ziel was opgeklommen tot God, om daar te verantwoorden over
hetgeen hij op de wereld had gedaan.

In den eerste had Robrecht met eenen glim van voldoening op zijnen
gevallen vijand gestaard, doch na een kort oogenblik keerde het gevoel
eener akelige zekerheid in hem terug, en hij sprong met eenen scherpen
kreet naar de gaanderij.

Over de leuning gebogen, schouwde hij naar beneden ... Hij zag hoe men
het bloedig lijk zijner zuster van den grond ophief om het elders te
voeren, en hoe een wapenknecht het afgehakte hoofd bij de haren hield en
het zoo de arme doode achternadroeg ...

Dit gezicht doorboorde hem het hart als een moordpriem. Hij viel
ontzenuwd en vertwijfelend op de leuning der gaanderij, en begon te
weenen en te snikken als een kind:

"Dood, dood, mijne arme Witta!... Onschuldig en rein als een offerlam!
God, o, God, Gij hebt ons vermaledijd!... maar waarom mijne arme
zuster?... Wee, wee; mocht ik sterven!..."

En overvloediger nog stroomden hem de tranen langs de wangen

Dakerlia, niet min ontsteld en door droefheid verpletterd, poogde
evenwel hem nog te troosten. Hij scheen haar niet te hooren en bleef in
stomme hopeloosheid verslonden, totdat zij eindelijk, als laatste
toevlucht, zijne mannelijke fierheid aanriep en hem deed begrijpen dat
het gezicht zijner tranen de Kerels verschrikte en hun den moed geheel
zou benemen.

Hetzij de storm zijner smart een weinig was bedaard of dat hij eenige
schaamte gevoelde over zijne weekhartigheid, hij luisterde naar de
liefderijke vermaningen van Dakerlia, stond op, vatte haar de hand en
stapte met haar in den toren, om daar in eenzaamheid zijne tranen te
verbergen en zonder stoornis den dood zijner zuster te betreuren.

Onderwijl waren de meeste Kerels bij het lijk van Burchard gebleven, en
hadden hem helm en harnas ontgespt en hem de hand op het hart gehouden,
om zich te verzekeren dat geen spoor van leven meer in hem overbleef.

Dan zeide Ivo-de-wolvenjager tot hen:

"Hij is dood, gansch dood!--Hij is het die graaf Karel heeft vermoord.
Geen onzer heeft werkelijk deel aan deze misdaad genomen. De gezellen,
die Burchard tot den noodlottigen slag hebben geholpen, zijn allen
gesneuveld. De Isegrims wilden ons martelen alleenlijk omdat mher
Burchard zich met ons bevond. Laat ons nu den wapenbode den dood van den
moordenaar melden; en wellicht zullen de Isegrims ons dan gunstige
voorwaarden tot onze overgaaf toestaan."

Eenigen morden tegen dit voorstel; maar de meesten keurden het goed.

Ivo-de-wolvenjager stapte naar den zuiderkant der gaanderij en riep uit
al zijne macht tot de ridders:

"Heeren, onder ons allen bleef nog slechts één man die schuldig was aan
des graven moord, namelijk Burchard Knap. Ik maak u kond dat hij niet
meer leeft; Robrecht Sneloghe heeft hem daareven in eenen kamp gedood!"

Een gemompel van verbaasdheid of van twijfel ontstond tusschen de
ridders.

"Wij willen ons in uwe handen overgeven", zeide Ivo, "op de voorwaarden
welke daar straks door mher Sneloghe, onzen overste, u zijn bekend
gemaakt. Wij zijn niet plichtig en zullen onze onschuld voor de rechters
bewijzen."

"Het is eene list! Gij poogt ons te bedriegen! De moordenaar van graaf
Karel is niet dood!" riep men verwardelijk van alle kanten hem toe.

"Welnu, heeren, gij zult overtuigd worden van de waarheid mijner
woorden", riep Ivo. "Wij gaan het lijk van Burchard tot u aflaten. Doe
het bezichtigen door ridders die Burchard in zijn leven hebben gekend.
Beraadslaagt dan over bet besluit dat gij ten onzen opzichte wilt nemen.
Wij wachten uw antwoord met vertrouwen."

Hij trad terug op de gaanderij en haalde een lang touw, zooals er vele
in de nabijheid gereed lagen. Door zijne makkers geholpen, bond hij het
einde aan Burchards lijk en droeg dit op den boord der ganderij.

"Geeft acht, heeren", riep hij, "daar daalt het doode lichaam van
Burchard Knap tot u af!"

En onder het uitspreken dezer verwittiging, lieten zij hunnen last tot
op het plein van den burg nederzakken, en wierpen zelfs het touw naar
beneden.

Onmiddellijk stroomde eene menigte ridders, poorters en wapenknechten
naar den voet des torens om eenen blik te werpen op het lijk van den
booswicht, wiens misdadige handen graaf Karel voor Gods altaar het hoofd
hadden gekloofd.

Langen tijd heerschte daar een verward gewoel en gedrang en tevens een
schaterend gedruisch, waaruit men niets duidelijks hoorde opgaan dan de
kreten:

"Hij is het! Ik ken hem. Hij is het niet! Zij willen ons bedriegen. Het
is een Kerel die hem gelijkt. Zeker, het is de barsche, de wreede
Burchard wel![84]"

Maar wat ook het gevoelen was, dat hier de bovenhand behield, niet lang
bleef de menigte zoo twisten. Welhaast begonnen poorters en
wapenknechten hunnen haat en hunne wraakzucht op het lijk te koelen. Zij
doorstaken het eerst met honderd wonden, en traden het met de voeten,
totdat eene machtige stem zich verhief en uitriep:

"Naar het galgeveld, de moordenaar! Op het rad het kreng! Naar de galg
het monster, naar de galg! naar de galg!"

En op zijn voorbeeld grepen eene menigte lieden het touw aan, sleepten
juichend en schreeuwend het lijk over het plein, stroomden als een
rollende vloed er mede door de Hof straat en verdwenen achter den hoek
der Markt.

Er kwam dan weder eene betrekkelijke stilte op den burg.

Ivo-de-wolvenjager zag van boven de gaanderij dat de oversten der
Isegrims onder elkander beraadslaagden, en hij twijfelde niet of zij
waren bezig met de voorstellen der Kerels te overwegen.

Na eenigen tijd te hebben gewacht, riep hij:

"Welnu, heeren, wat is uw besluit? Geeft ons een antwoord?"

De ridders gingen uiteen. Velen hunner schreeuwden tot de Kerels:

"Sterven, sterven! voor u allen niets dan de dood!"

Onmiddellijk klonken eenige bazuintonen en galmde de stem van mher
Gervaas bevelend over het plein.

De duizenden wapenknechten spanden hunne bogen en een oogenblik daarna
vlogen zoovele pijlen naar den toren, dat de lucht als door eene wolk
werd verduisterd.

Dewijl de Kerels het inzicht des vijands hadden bemerkt, konden zij zich
intijds achter de kanteelen der gaanderij verbergen, en zoo kwam het dat
buiten eenen Kerel, die eene wonde aan de wang bekwam, niemand hunner
werd getroffen.

Zij hielden zich reeds lang op deze wijze schuil, en de vijand ging nog
immer voort met schieten, zonder dat de Kerels er op bedacht waren
eenige tegenweer te bieden.

Dan trad Robrecht Sneloghe op de gaanderij. Hij scheen kalm en er
fonkelde eene genster van trotschheid in zijne oogen, alhoewel zijn
aangezicht nog de sporen van gestorte tranen toonde.

Hij wierp eenen blik over het plein en riep dan met eene bittere grijns
op de lippen tot zijne gezellen:

"Op, Kerels! Zijn wij waarlijk veroordeeld tot den dood, sterven wij ten
minste gewroken! Welke gunstige gelegenheid! Eisenen wij van deze wreede
beulen den prijs van den akeligen dood mijner zuster, den prijs van
onzer broederen bloed! Haastig, pijlen, steenen, kokende olie! Zij zijn
onverbiddelijk voor ons: geene genade meer voor hen!"

En het voorbeeld bij het woord voegende, slingerde hij eenen zwaren
steen naar beneden en verpletterde eenen ridder het hoofd.

Zijne mannen sprongen allen te gelijk recht en schoten pijlen en smeten
steenen met razende woede en overspannen kracht. De vrouwen zelven
kwamen vooruit en sproeiden, met groote ijzeren lepels, vlammend pik en
olie over het plein.

In min dan eenige oogenblikken lagen er vele poorters, wapenknechten en
ridders met verpletterd hoofd, verbrande leden of doorboorde borst ten
gronde.

De veldheer Gervaas Van Praet, die zich niet op zulke moorddadige
tegenweer had verwacht, schrikte bij de gedachte dat hij hier nutteloos
een aanzienlijk getal mannen zou verliezen. Hij deed de bazuin aanheffen
en den aftocht blazen.

De wapenknechten liepen te zamen en weken schier in wanorde door de
Hofstraat.

Eene wijl daarna was het op den burg zoo stil als ware er niets
geschied.


VOETNOTEN:

[Voetnoot 84: "De belegerden kondigden ... den dood van Burchard aan,
roepende dat een twist tusschen hem en den jongen Robrecht was
opgerezen, en deze hem had nedergeveld en met zijn zwaard doorstoken."
GALB., p. 551.]



XXV


Er waren vijf of zes dagen verloopen sedert den dood van Witta en van
Burchard Knap, zonder dat de Kerels op den toren eenige tijding van
buiten hadden vernomen.

De Isegrims hadden bemerkt dat er uit een huis op den hoek van den
Maalberg pijlen met brieven naar de Kerels werden geschoten Zij hadden
daarop den graankoopman Elfrid Rooster, als plichtig aan verstandhouding
met den vijand, uit zijne woning gerukt en in de gevangenis gezet.
Tevens hadden zij rondom de kerk en den burg de schildwachten verdubbeld
en doen afkondigen dat elk poorter, wapenknecht of ridder die tot de
Kerels sprak of hun eenig bericht toestuurde, de straf der landverraders
zou onderstaan.

Van dan af bleven de Kerels geheel zonder kennis van hetgeen er in de
stad of elders geschiedde.

Het verwonderde hun dat men reeds bijna gedurende eene gansche week hen
met rust had gelaten en geenen nieuwen aanval tegen hen had beproefd.
Misschien had men besloten hen van honger op den toren te laten
sterven? Dit was geheel onwaarschijnlijk. Wel bezaten de Kerels nog
eenigen voorraad aan levensbehoeften maar zij voorzagen dat deze
welhaast ontoereikend zou worden en zij hun dagelijksch voedsel moesten
verminderen, wilden zij niet door gebrek gedwongen worden zich in de
handen hunner vijanden over te leveren.

Intusschen poogden zij allerlei middelen tot de hardnekkigste
verdediging bijeen te dragen. Zelfs braken zij steenen en balken uit den
toren, om daarmede bij eenen ernstigen aanval den vijand duchtig te
treffen.

Dat de Franschen of de Isegrims langs de trap eene bestorming zouden
wagen, dit was niet te gelooven. Inderdaad, deze toegang, die als eene
kreukel binnen den toren naar de hoogte draaide, was zoo nauw dat geene
twee menschen te gelijk hem konden beklimmen Kwamen er vijanden langs
daar, dan zou het den Kerels gemakkelijk zijn ze een voor een te dooden,
naarmate hunne hoofden opvolgend uit de trapval opdaagden.

Evenwel, om tegen alle verrassing te zijn beveiligd, hadden da Kerels
den mond van de trap, waar deze zich op de gaanderij opende, met balken
en zware steenen overdekt en beladen.

Robrecht Sneloghe had nog meer dan eens, wanneer hij zich alleen binnen
den toren bevond, tranen gestort over het beklaaglijk einde zijner
zuster en ongetwijfeld tevens over het schrikkelijk lot dat zijne
verloofde te wachten stond. Maar hetzij de krachtige woorden van
Dakerlia hem moed inboezemden, of dat de onvermijdelijkheid van den dood
zelven hem tegen den rampspoed deed opstaan, hij ademde niets meer dan
wraak en hield zijne gezellen geen ander doel meer voor oogen dan hun
leven duur te verkoopen en dus de Isegrims te dwingen zelfs bij hunne
zegepraal nog de onversaagdheid en de onplooibaarheid der Kerels te
bewonderen.

Weinigen onder hen behielden nog eene zwakke hoop op verlossing Wat zou
de uitslag zijn van den eersten strijd tusschen het Fransche leger en
der Kerlen heirkracht? Wel scheen Willem Van Loo de Erembalds te haten;
maar indien hij overwinnaar bleef, zou toch de vijand Brugge verlaten,
en zij zouden zonder eenig beletsel van den toren komen en in vrijheid
naar huis gaan.

In den morgen van den zesden dag trad de veldheer Gervaas Van Praet
zelf met eenigen zijner voornaamste ridders op den burg, en deed den
Kerels door eenen wapenbode hunne overgaaf afeischen, hen bedreigende
met den schromelijksten marteldood indien zij nog langer weigerig
bleven.

De Kerels herhaalden hunne vorige voorstellen, maar wilden van geene
overgaaf op genade hooren.

Het verbitterde den veldheer ten hoogste zich dus onmachtig tegen eene
handvol mannen te gevoelen; ja, het vernederde hem te moeten denken dat
zij den toren wellicht zouden behouden tot den terugkeer des konings van
Frankrijk, die ongetwijfeld daarover zeer ontevreden zou zijn.

Zijne ridders spoorden hem aan om, in schijn ten minste, de voorwaarden
der Kerels aan te nemen; maar dezen eischten een vrijgeleide door den
veldheer onderteekend en bezegeld, en Gervaas Van Praet was te eerlijk
ridder om dus een verraad te plegen dat als eene eeuwige vlek, meende
hij, op zijnen naam zou kleven.

Terwijl hij nog daarover met zijne ridders in beraadslaging was, kwam
een overste van de Markt geloopen en zeide hem dat er een bode met eenen
brief van 's konings wege was gekomen met zeer haastig nieuws. Deze bode
wachtte hem in zijne woning.

Hij voegde er met luider stemme bij:

"Verheugt u, heeren, de koning heeft de Kerels overwonnen! Yperen is
bezweken en Willem Van Loo is in 's konings macht!"

Een groot gejuich ontstond onder de ridders; en dewijl zij den veldheer
zich zagen verwijderen, liepen zij insgelijks van den burg om de blijde
tijding overal te gaan verspreiden.

De veldheer vond des konings bode in zijne woning. Zeer nieuwsgierig,
opende hij den brief dien hij hem had gebracht. Dit schrijven behelsde
in slechts weinige woorden de aankondiging der nederlaag van Willem Van
Loo, maar meldde tevens dat de ridder Pierre de Bohain, drager des
briefs, hem verdere bijzonderheden zou doen kennen.

"Aldus, uw heer koning heeft de Kerels verwonnen? God zij dank! Ik
vreesde dat het zoo gemakkelijk niet zou gaan", zeide Gervaas Van Praet.
"Het is te Yperen dat de slag werd geleverd?"

"Ja, veldheer, te Yperen", antwoordde de bode, "maar dat het eene
gemakkelijke zaak was, daarin bedriegt gij u. Die Kerels zijn eene soort
van reuzen of van duivels: zij strijden als dolle leeuwen, en laten zich
liever tot den laatste toe doodslaan dan eenen voet te wijken.
Gelukkiglijk waren zij niet talrijk, en daarenboven, zij werden verraden
door hunne eigene landslieden."

"Verraden? Ik bid u, heer Van Bohain, heb de goedheid en vertel mij toch
hoe de gansche zaak is toegegaan."

"Het is mijne zending dit te doen, veldheer. Luister dan; ik zal pogen
kort en duidelijk te zijn. Wij waren met den koning en den graaf van
Vlaanderen opgetrokken naar het land der Kerels. Slechts omtrent een
open vlek, dat men Staden noemt, vonden wij eerst een duizendtal
vijanden, en tastten hen onmiddellijk aan met al onze macht. Het is
onbegrijpelijk welken hardnekkigen tegenstand deze lieden ons boden. Wij
moesten elk huis van Staden elke plooi des gronds, elke gracht, eiken
boom stormenderhand innemen. Het bloedig gevecht duurde tot den avond,
en het eindigde slechts toen ook de laatste dezer wilde Kerels was
verpletterd. Wij bleven daar den volgenden dag, om onze dooden te
begraven en onze gekwetsten te verzorgen; want, veldheer, wij hadden
zulke groote verliezen geleden, dat de koning een oogenblik aarzelde om
zijn leger verder te leiden in eene onbekende streek, door zulke
sterkmoedige en strijdbare lieden bewoond.--Hier kwam ons het bericht
toe dat de valsche graaf Willem Van Loo, met een weinig machtig leger,
zich voor Yperen had nedergeslagen, en voornemens was deze stad tegen
den koning te verdedigen. Het bevel tot den optocht werd ons
gegeven.--Voor Yperen hadden wij een even lang en hardnekkig gevecht te
leveren en de avondduisternis kwam zelfs ons dwingen den veldslag te
onderbreken, met de zekerheid dat de akelige bloedstorting des anderen
daags bij het opgaan der zon met meer woede nog zou beginnen."

"Die onplooibare Kerels!" zuchtte Gervaas. "Het zijn manhaftige lieden,
heer ridder, en zij zouden een beter lot verdienen, indien zij niet wars
waren van alle overheid en van allen dwang. Eilaas, waarom willen zij
zich niet onderwerpen! Nu moeten wij ze vernietigen, het sterkste en
dapperste volksras van Vlaanderen!... En den dag daarna hebt gij de
Kerels beslissend overwonnen?"

"Vooraleer ik mijn verhaal voortzet, is het noodig dat ik u iets
zegge", antwoordde de ridder Van Bohain. "Gij moet weten dat binnen
Yperen meer dan de helft der poorters, sedert den moord van graaf Karel,
vijanden der Kerels geworden zijn; want alhoewel Willem Van Loo en zijne
gezellen beweren van dezen aanslag niet te hebben geweten, blijven de
poorters denken dat Willem Van Loo en andere machtige lieden van het
land de Kerels tot den moord hebben geraden of geholpen.--Wij waren dus
in de nabijheid van Yperen gelegerd, ons voorbereidende tot den strijd
van morgen, toen eenige burgers geheimelijk tot ons kwamen en den koning
aanboden eene poort der stad en den burg in onze macht te leveren. Zij
zouden, terwijl wij de Kerels aanvielen, de wapens opnemen en dezen van
achter aanvallen, onderwijl eene poort openen en den burg, waar zij de
wacht hielden, aan de Fransche krijgsknechten overleveren.--Ofschoon wij
niet veel vertrouwen in deze lieden hadden, aanvaardden wij hunne
voorstellen. De zaken gebeurden echter zooals zij ons hadden
beloofd.--Bij de eerste morgenschemering werd de strijd hervat, en wel
gedurende twee uren met veel woede voortgezet; maar dan wierpen de
gewapende poorters zich langs achter op de Kerels; en dezen, dus van
alle kanten ingesloten en bevochten, en daarenboven afgesneden van hun
steunpunt, den burg, verzwakten allengs en bezweken eindelijk geheel, in
onze handen slechts een vijftigtal gevangenen latende, waaronder de
valsche graaf zich bevond.[85]"

"Willem Van Loo is waarlijk 's konings krijgsgevangene!"

"Ja, veldheer, gij zult hem ongetwijfeld heden nog zien."

"Voert men hem dan naar Brugge?"

"De koning komt naar Brugge met een klein gedeelte des legers. Uw graaf
Willem van Normandië zal met de meeste macht door het land der Kerels
trekken; want het schijnt dat Willem Van Loo reeds vele sterke steden
en burchten had ingenomen. Zijn onze berichten echt, dan bezetten de
Kerels Veurne, Vormezeele, Cassel, Arien, Berghe, Bodenburg en andere
vestingen nog; maar, nu hun hoofdleger is verpletterd, kunnen zij echter
geenen ernstigen tegenstand meer bieden. Het schijnt daarenboven dat er
veel verdeeldheid onder hen heerscht en zij elkander den moord van graaf
Karel verwijten."

"Maar, heer Van Bohain, indien de koning u heeft gezonden om mij zijne
komst te boodschappen, verlangt hij wellicht als overwinnaar met
plechtigheid te worden ingehaald. Ik moet daartoe in allernaast bevelen
geven en de schepenen en de geestelijkheid verwittigen."

"Neen, veldheer, dit wenscht onze koning niet. Het zal voldoende zijn,
het nieuws zijner overwinning door de stad te verkondigen Hij heeft
liever, aangezien de oorlog nog niet is geëindigd dat men het volk de
vrije uitboezeming zijner hulde en zijner blijdschap late. Wilt gij,
veldheer, met een twintigtal uwer voornaamste ridders den koning te
gemoet rijden, het zal hem genoegen doen. Geef mij nu oorlof om u te
verlaten; ik keer terug op de baan naar Yperen."

"Eenige oogenblikken!" riep Gervaas Van Praet. "Ik haast mij de noodige
bevelen te geven en mijne ridders te doen verwittigen; dan vertrek ik
met u. Gelief mij nu te volgen, heer Van Bohain; ik vraag u slechts een
klein half uur."

"Hot zij zoo, ik zal mij gelukkig achten, in uw vereerend gezelschap te
reizen", antwoordde 's konings bode, terwijl hij met den veldheer de
zaal verliet.

Het nieuws van des konings overwinning en van zijnen terugkeer te Brugge
verspreidde zich met wonderlijke snelheid door de stad. Welhaast zagen
de Kerels van boven den toren hoe vele poorters, gewapend en ongewapend,
zelfs vrouwen en kinderen, van alle kanten zich naar de Steenstraat en
naar de St-Amandsstraat spoedden, ongetwijfeld om op het Zand eene of
andere plechtigheid te gaan bijwonen.

Alhoewel men uit de nevenstraten nu en dan zonderlinge teekens tot de
Kerels deed, en door de handen in de hoogte te heffen hen scheen te
beklagen of hun te willen berichten dat een groot ongeluk hen
bedreigde, verstonden zij echter niet wat men hun wilde zeggen.

In de verwachting van eenen mogelijken aanval, maakten zij hunne
werptuigen gereed en ontstaken het vuur onder de ketels met pik en olie.

Er verliep een goed gedeelte van den dag zonder dat zij werden
verontrust; ja, het was zelfs zoo stil in de stad en in den burg
geworden, alsof poorters en Isegrims meest allen buiten de vesting waren
gegaan.

Slechts toen het ongeveer twee uren na middag was, hoorden zij in de
verte een hevig bazuingeschal en daartusschen een galmend gejuich dat,
onduidelijk nog, met korte onderbrekingen over de stad weergalmde.

Dit gerucht groeide aan en naderde immer, totdat de volksvloed uit welke
schoot het opklom, zich bij den ingang der Steenstraat en op de Markt
vertoonde.

Wat dit gewoel en deze luidruchtige verwelkomingen te beduiden hadden,
konden de Kerels niet raden. Wel zagen zij eindelijk den koning van
Frankrijk, op een wit paard gezeten, van eenen prachtigen ridderstoet
omringd en door de wapenknechten en een gedeelte des volks toegejuicht;
wel bemerkten zij achter den koning eenen open wagen, waarop een ridder,
dien men hoonde en met vuisten dreigde, gebonden lag; maar de stoet, die
aan de overzijde der Markt voorbijtrok, was nog te zeer verwijdert om
hun toe te laten duidelijk te zien wat er geschiedde.

Het was hun klaarblijkend dat de toejuichingen op des konings baan
werden aangeheven door wapenknechten, schalken en mindere lieden,
waartusschen slechts weinige poorters zich bevonden. De groote
meerderheid der welhebbende of der neringdoende Bruggelingen hield zich
stil langs de huizen, en bepaalde hare betuiging bij eenen eerbiedigen
groet.

Maar telkens wanneer de koning eenige stappen voorbij was, ontstond er
onder deze poorters een afkeurend gemor, en velen waren zelfs stout
genoeg om openlijk door uitroepingen of door gebaren hunne gramschap en
hunne verontwaardiging te betuigen.

De oorzaak dezer ontevredenheid wae, dat Rambold Tancmar en andere
neven of magen van den hofraadsheer, die met graaf Karel was vermoord
geworden, den koning volgden. Tot nu toe had geen hunner binnen Brugge
zich durven vertoonen; maar sedert de nederlaag van het Kerlenleger
vreesden zij niets meer, en tergden nu zelfs de verbitterde poorters
door spottende blikken en hoogmoedig lachen.

Zoo trok de stoet, bij den klank van bazuinen en trompers, nevens de
St-Christoffelskapelle voorbij, en begaf zich naar den Maalberg, alsof
des konings doel ware geweest de Kerels van boven den toren zijnen
zegevierenden intocht te doen aanschouwen.

Op den Maalberg hield de stoet stil, en men voerde, met een bepaald
inzicht ongetwijfeld, den open wagen zoo dicht mogelijk naar den toren.

De ridder, die op den wagen gebonden lag, woelde zich om en wrong zijne
leden, als wierd hij door de stuiptrekking eener vurige woede geschokt.
Zoo geraakte hij half opgericht en schreeuwde met eene machtige stem tot
de Kerels:

"Moordenaars, vuige, laffe moordenaars, gij hebt Kerlingaland en mij in
het verderf gestort! Wees vermaledijd!"

Dan herkenden de Kerels in den gevangen ridder Willem Van Loo, dien zij
te Veurne in de Hoop tot graaf van Vlaanderen hadden gekozen.

Hij lag gebonden op eenen wagen en werd in eenen zegevierenden optocht,
ter eere des konings van Frankrijk, rondgevoerd! Het Kerlenleger was dus
overwonnen; niet alleen was alle hoop op behoudenis des levens hun
ontnomen, maar zelfs hun vaderland was verloren!

Deze overtuiging trof hen met zulken diepen angst, dat zij in den eerste
geene acht op des ridders woorden gaven; maar dewijl hij zijne
beschuldiging meer dan eens herhaalde, ontvlamden zij in toorn en riepen
hem toe:

"De lafaard, de verrader zijt gij, valsche ridder, die den moord des
graven hebt bevolen, en dan den onschuldigen proost van St-Donaas hebt
doen martelen en ons zonder hulp hebt gelaten, om de wereld te doen
gelooven dat gij vreemd waart aan de misdaad! Ja, de gruwelijke moord,
door Burchard Knap gepleegd, is de oorzaak van Gods toorn tegen ons
geslacht; maar gij, gij hebt den wreeden arm van Burchard bestierd ...
Wees vermaledijd, valschaard, vermaledijd tot in den dood!"

Misschien verstond Willem Van Loo de bittere verwijten niet welke de
Kerels hem toestuurden; want zij spraken verscheidene te gelijk, en
daarenboven was reeds de wagen omgewend geworden en voerde men hem nu
verder het plein op, om hem buiten het bereik van der Kerlen pijlen te
stellen.

Intusschen had de koning zijn gevolg van ridders en wapenknechten den
ruststand bevolen, en was zelf van paard gestegen, om van zoo dichtbij
als mogelijk de kerk en den toren te bezichtigen.

Hij deed nu eenige stappen vooruit met den veldheer der Isegrims en met
Baudewijn Van Aelst, die zich gereed hielden om hem desnoods de
uitleggingen te geven, welke hij zou kunnen verlangen.

Eene wijl bleef de koning in stilte naar den toren blikken. Dan, zich
tot Gervaas Van Praet wendende, vroeg hij:

"Men heeft mij daar straks gezegd dat zij nog wel met hun honderd
daarboven zijn? Zij schijnen mij zoo talrijk niet!"

"Uwe gissing is gegrond, heer koning", antwoordde de veldheer "zij
kunnen, volgens de nauwste berekening, niet meer boven de vijftig sterk
zijn. Maar wanneer onze mannen, om hen te verontrusten, eenen aanval
veinzen, weren zij zich zoo hardnekkig en zoo krachtig, dat men
inderdaad wel zou denken dat zij nog met honderden te zamen zijn."

"En zij dooden u vele mannen?"

"Ja, heer koning, zij deden ons aanzienlijke verliezen onderstaan Daarom
hebben wij, sedert eenige dagen, van alle vijandelijkheid tegen hen
afgezien, totdat wij uwe hooge bevelen mochten ontvangen."

"Het zijn dus verwoede, zinnelooze lieden, die Kerels? Wat hopen zij?"

Mher Gervaas haalde twijfelend de schouders op.

"Maar, veldheer", zeide de koning, op eenigszins strengen toon, "het is
u mogelijk geweest de kerk en de kapelle stormenderhand te winnen.
Waarom hebt gij niets tegen den toren beproefd? Mij dunkt het
gemakkelijk deze handvol uitgeputte mannen met geweld van daarboven af
te rukken."


[Illustratie: "Moordenaars, vuige, laffe moordenaars!" (Bladz. 479.)]


"Veroorlove mij de heer koning hem eenige uitleggingen over den toestand
der zaken te geven", antwoordde de veldheer. "Men kan de gaanderij van
den toren niet bereiken dan langs eenen wenteltrap die zoo nauw is dat
men haar man voor man moet beklimmen. De heer koning begrijpt dat bij
eenen aanval langs dezen weg de Kerels den tijd zouden hebben om
duizenden ridders en wapenknechten opvolgend het hoofd te klooven of den
hals af te snijden ... Beter dunkt het mij onze vijanden daarboven van
honger en gebrek te laten bezwijken, dan nutteloos zoovele dierbare
menschenlevens op te offeren."

"Maar zij willen zich overgeven", bemerkte Baudewijn Van Aalst.

"Ja, op voorwaarde dat men hun het leven laat behouden", antwoordde de
veldheer.

"Welnu, waarom aanvaardt gij dit niet?" vroeg de koning; "gij hebt mij
daar straks gezegd dat de moordenaar des graven dood is en men zijn lijk
door de straten heeft gesleurd totdat het ontkennelijk geworden was."

"Maar, heer koning, wij, ridders van Vlaanderen, hebben gezworen dat
geen enkele Erembald,--dit is het geslacht waaraan de moordenaar
toebehoort,--genade des levens zou bekomen. Daarenboven op den toren
bevinden zich nog Erembalds; onder anderen de rijkste en machtigste
Kerel, Robrecht Sneloghe. Gelieve de heer koning zich te herinneren dat
onze nieuwe graaf Willem van Normandië beloofd heeft de groote
grondbezittingen van dezen Kerel tot belooning aan de Vlaamsche ridders
uit te deelen. Werd Robrecht Sneloghe gespaard, de vervulling van des
graven belofte wierd onmogelijk. Daarenboven, deze jonge ridder Robrecht
is onder de Kerels zeer geacht en bemind; hij zou onfeilbaar door hen
tot opperhoofd worden gekozen; en nauwelijks zou onze graaf Willem bezit
van den troon genomen hebben, of een nieuwe en misschien gevaarlijkere
opstand zou hem bedreigen."

"Ware het mijne zaak", zeide Baudewijn Van Aelst, "ik zou er spoedig
mede gedaan hebben!"

"Door welk middel?" vroeg de koning.

"Het is door de goddelijke en menschelijke wetten toegelaten verraders
te verraden. Men aanvaarde hunne voorstellen ... en zoohaast ze beneden
komen, vatte men de schelmen aan en brenge ze ter dood!"

"Aan zulk bedrog weiger ik deel te nemen", morde de veldheer "Men zal
van mij niet verhalen dat ik, aan het hoofd van een machtig leger
staande, vijftig ellendige vijanden door list en valschheid heb verrast
en doen vermoorden!"

"Gij hebt gelijk zoo teergevoelig op uwe krijgseer te zijn", viel de
koning met ongeduld uit, "maar het is eene even groote schande voor u,
veldheer, en voor mij, koning van Frankrijk, dat wij met twee legers
voor dezen toren staan en gedurende dagen en weken onmachtig zouden
blijven om vijftig ellendige vijanden, zooals gij hen noemt, in handen
te krijgen."

De veldheer boog het hoofd en zweeg.

"Indien wij het klooster en de kerk in brand deden steken?" mompelde de
vorst. "De dolle Kerels zouden zich overgeven of door het vuur worden
vernield?"

"O, heer koning, denk daar niet aan!" zeide Gervaas Van Praet, schier
smeekende. "De Bruggelingen zouden hun bloed vergieten om den oudsten
tempel hunner stad te verdedigen of zijne verdelging te wreken. Ook de
geestelijkheid van Vlaanderen zou dit verlies als een schrikkelijk
onheil beklagen."

"Maar, veldheer, ik wil niet dat de Kerels nog langer van daarboven mij
en mijne ridders blijven hoonen! Er moet een middel zijn om een einde
aan hunne trotschheid te stellen. Al moest ik den toren omverre werpen,
zij zullen er af voordat de week verloopen zij! Mijne gewerkmeesters en
mijngravers zijn ongelukkiglijk in het leger met Willem van Normandië.
Zonder dit toeval ..."

"Dat de heer koning zich daarom niet bedroeve", zeide Baudewijn Van
Aelst. "Onder de lieden van Gent zijn behendige gewerkmeesters, een
onder anderen, meester Arnold, die om zijne spitsvondigheid befaamd is
door geheel Vlaanderen en tot in Duitschland toe."

De koning wendde zich om en deed een teeken tot de oversten die op zijn
bevel stonden te wachten.

Eene groote beweging liet zich oogenblikkelijk tusschen de ridders en
wapenknechten opmerken. Ieder steeg te paard of schikte zich in zijn
gelid.

Insgelijks naar zijn paard stappende, vroeg de koning aan mher Van
Praet:

"Veldheer, heeft men nu eene betere herberg voor mij doen bereiden?"

"Ja, heer koning", was het antwoord, "De schepenen hebben eene woning
als een paleis in gereedheid gebracht. Zij is niet verre van de Markt
gelegen en men noemt ze sher Gherwijns Steen."

"Het is wel, veldheer; heb de goedheid te bevelen dat men dezen namiddag
den Gentschen gewerkmeester Arnold tot mij leide. Ik wil met hem
spreken."

Onder het uiten dezer laatste woorden was hij te paard gestegen. Hij
gaf nog een sein met de hand; de bazuinen werden aangeheven, de stoet
bewoog zich en zakte den Maalberg af.

De Kerels keken hem zwijgend achterna, totdat hij voorbij de
St-Janskapelle uit hun gezicht verdween.

Dan begonnen zij onder elkander over de waarschijnlijke nederlaag van
het leger der Kerels en over de gevangenneming van Willem Van Loo te
kouten. Hun lot was schrikkelijk, geene de minste hoop bleef hun over.
Had God waarlijk hen vervloekt en tot eenen ijselijken dood gedoemd, om
voor den moord des graven te boeten? Volgens de wetten en gebruiken der
Kerels waren alle magen en vrienden van eenen moordenaar mede
verantwoordelijk voor de misdaad. Zij vroegen in zich zelven, waarom het
daarboven in den hemel met insgelijks zoo zou zijn. Ja, er was niet aan
het hoogere vonnis te ontsnappen; zij zouden sterven tot den laatste
toe!

In den eerste versomberde deze mistroostige overweging hunne gemoederen;
maar welhaast stonden zij weder met nieuwe hardnekkigheid uit de
hopeloosheid op en maanden elkander aan om geen het minste teeken van
zwakheid te geven en als onversaagde mannen te volharden, tot onder het
zwaard des vijands zelven, opdat hun dood getuigenis gave van der Kerlen
onverwinbaren heldenmoed.

Daar hoorden zij onverwachts weder bazuingeschal hergalmen, en zagen van
den kant der Markt een tiental ridders en eene bende wapenknechten door
de Hofstraat den burg naderen. De standaard, die men voor de
bazuinblazers hield opgeheven, verklaarde hun wie deze lieden waren.

Inderdaad, de standaard droeg de wapenteekens der Tancmars, Eet
geslachtszinnebeeld van de bloedvijanden der Erembalds!

Wat kwamen deze booze vervolgers der Kerels op den burg doen? Ha, indien
zij tot onder het bereik der pijlen durfden naderen, met welke vreugd
zouden Robrecht en zijne gezellen de vernedering van Kerlingaland op hen
wreken!

Maar de Tancmars keerden ter rechterzijde en gingen achter den
opgeworpen dam tot bij de Hoogpoort. Hier traden zij met hunne
wapenknechten in de gebouwen van het klooster.

Vele poorters hadden hen tot daar gevolgd, onder het uitspreken van
afkeurende woorden en zelfs met dreigende gebaren; maar de Tancmars,
zich door 's konings bescherming sterk wanende, hadden nu en dan de
verbitterde poorters door de wapenknechten doen terugdrijven, zonder
eenige acht op hunne vijandige houding te slaan.

Terwijl de volkshoop steeds voor het klooster aangroeide en men elkander
tegen Rambold aanhitste, als zijnde hij de oorzaak van des graven
beklaaglijken dood, werd eensklaps de standaard der Tancmars uit het
bovenste venster van den gevel der proostdij gestoken.

Dan begrepen de poorters en tevens de Kerels boven op den toren wat er
geschiedde: de Tancmars namen bezit van de proostdij als van hunnen
eigendom. Had de koning hun dit toegelaten of was het enkel eene daad
van zwetserij en overmoed?

De Kerels toonden de gebalde vuisten en deden de lucht onder hunne
verontwaardigingskreten weergalmen; de poorters morden en schreeuwden,
en wierpen de Tancmars scheldwoorden toe.

Dan verscheen Rambold Tancmar voor de deur des kloosters en gebood
zijnen wapenlieden deze grove, vermetele lieden met geweld uiteen te
drijven.

Het volk week morrend achteruit. Ben enkel poorter weigerde eenen voet
te verzetten, en kwetste zelfs een der wapenknechten met zijn mes. Hij
werd doorstoken en viel neder in zijn bloed.

Toen de andere poorters dit zagen, vloden zij allen met groot gekerm van
den burg en liepen op de Markt en door de straten, met de handen in de
hoogte, schreeuwende:

"Wacharm! Wacharm! De Tancmars zijn in de proostdij! Zij hebben den
beenhouwer Han Bout vermoord! Harop, harop!"

Op dit oogenblik keerden juist de Bruggelingen, die des konings stoet
gevolgd hadden, naar hunne woningen terug; de straten krielden van volk,
dat eveneens als de vluchtelingen van den burg: "Wee! Wee! Wacharm!
Harop! Harop! Harop!" begon te roepen.

Zoo weergalmde onmiddellijk de gansche stad van den honderdmaal
herhaalden noodkreet, en weinig tijds daarna stroomden van alle kanten
gewapende poorters en ambachtslieden te zamen op de Markt, rondom de
standaarden der neringen en der gilden.

Men zou gezegd hebben dat deze lieden elkander lang op voorhand verstaan
hadden, om op dezen dag allen te gelijk onder de wapens te komen. Het
was echter niet zoo. Hun haat tegen de Tancmars was alleen de oorzaak
dezer eensgezindheid. Zoolang de Kerels machtig waren en konden laten
hopen dat zij zich zelven zouden verdedigen, hadden de meeste poorters
het inwendig goedgekeurd, dat men tegen hen wraak name over des graven
moord; maar nu de Kerels voor goed waren bezweken, gevoelden de poorters
dat zij voortaan hunne vrijheden alleen en zonder hulp tegen de
dwingelandij en de verdrukking der leenheeren zouden te verdedigen
hebben en waarschijnlijk in deze ongelijke worsteling zouden bezwijken.
Zij waren door het gevoel van dit gevaar verbitterd. Tegen den koning en
tegen het ridderleger konden zij niets. De Tancmars, welken zij reeds
sedert jaren eenen diepen haat hadden toegedragen, boden zich nu van
zelven tot doel hunner gramschap aan.

Nauwelijks waren zij op de Markt ten getalle van eenige honderden te
zamen, of zij liepen naar den burg en bestormden daar de deur van het
klooster, en schoten de wapenknechten neder, evenals in eenen waren
oorlog.

De Kerels, van boven de toren, zagen niet alleen dit gevecht, maar
bemerkten nog met groote vreugde hoe uit al de straten der stad een
ontelbare vloed gewapende poorters naar den burg kwam gestroomd. In de
meening dat het Brugsche volk, tegen de Franschen en tegen de Isegrims
in opstand was gekomen, om hen te verlossen, moedigden zij de
strijdenden aan en riepen zelfs de poorters bij hunnen naam, hen met
vurige woorden tegen de Tancmars en tegen de wapenknechten ophitsende.

Eensklaps verscheen de veldheer Gervaas Van Praet met eenige Vlaamsche
ridders op den burg. Zonder acht te slaan op het gevaar, wierp hij zich
met zijne gezellen voor de poort van het klooster en bezwoer, schier met
tranen in de oogen, de poorters deze bloedige worsteling te staken. Wat
was de oorzaak dezer beroerte? Wat eischten zij? Men zou hun bevrediging
geven.

Door de woede van den strijd verhit, wilden de poorters in den eerste op
zijne stem niet luisteren, en dreigden zelfs den veldheer en zijne
ridders te doorsteken, indien hij de booze en verfoeilijke Tancmars
tegen hunne woede wilde beschermen; maar eindelijk loch bedaarde het
gewoel en geschreeuw een weinig, en dan traden eenige oversten der
neringen vooruit, om den veldheer de eischen der poorters te doen
begrijpen.

"Mher Van Praet", zeide een hunner, nog zeer door toorn ontsteld, "de
Tancmars zijn de schuld van des graven ellendigen dood en van al de
ongelukken die ons arm Vlaanderen daarom bedreigen. Zij hebben
onophoudelijk den vorst aangeraden den Kerels en tevens den poorters der
steden hunne vrijheden te ontnemen. Wanneer alles rustig was, en wij den
vorst over onzen vrede en onzen voorspoed zegenden, dan waren de
Tancmars nacht en dag er op bedacht om door listen en lagen de
Erembalds, de Kerels en de poorters te verbitteren, en zoo 's lands rust
te storen. Zij hebben den graaf verleid tot onrecht en verdrukking en
zij zijn dus de ware moordenaars van onzen armen vorst ..."

"Wat wilt gij van hen?" vroeg de veldheer verschrikt, "gij eischt toch
hun leven niet?"

"Ja, ja, hun leven!" kreet de menigte.

"Maar het is onmogelijk, vrienden", zeide de veldheer treurig. "Gij
dwaalt. Vergeet niet dat de koning van Frankrijk te Brugge is, en dat ik
een machtig leger tot mijne beschikking heb. Wilt gij mij dan dwingen u
allen te vermoorden? Ach, ik bid u, bedaart en weest redelijk!"

"Neen, neen, veldheer", hernam de overste, die eerst gesproken had, "het
leven van deze booze vijanden des volks eischen wij niet. Zij zijn met
uitdagenden overmoed in Brugge verschenen, hebben bezit der proostdij
genomen en eenen poorter doen doorsteken ..."

"Een wapenknecht, die zich verdedigde; het is een ongeluk!" mompelde
Gervaas.

"Inderdaad; maar wij willen niet vernederd of getergd worden door
degenen die de schuld zijn van des graven dood. Wij eischen dat de
Tancmars oogenblikkenlijk niet alleen den burg, maar onze stad verlaten.
En geeft men ons niet zonder uitstel deze bevrediging dan geschiede wat
kan, zij geraken niet levend uit onze handen!"

De veldheer verzocht den poorters eene wijl zijn antwoord te wachten, en
trad in het klooster.

Toen hij terugkwam, zeide hij tot den overste:

"Ik zal de Tancmars gebieden de stad Brugge te verlaten. Stemt gij toe
om hun met hunne wapenknechten eenen vrijen doorgang te bieden?"

"Wij stemmen toe", was het antwoord.

"Maar zult gij hen niet volgen?"

"Tot bij de stadspoort, ja."

"En niet er buiten?"

"Neen, niet daarbuiten."

"Gaat dan achteruit en laat ons den weg vrij!"

De oversten der neringen en gilden dreven hunne mannen terug en spanden
al hunne pogingen in, om hen tot bedaren te brengen. Meer dan de
verwijdering, om zoo te zeggen de ballingschap der Tancmars konden zij
nu niet eischen. Was hier noch bedrog noch list in het spel, en schonk
men de poorterij deze bevrediging, dan moesten zij zich stilhouden en
geene reden geven tot nuttelooze bloedstorting.[86]

De Tancmars, beschaamd en verschrikt, kwamen uit het klooster en
schikten zich elk tusschen twee ridders, om tegen de woede des volks
beveiligd te zijn.

Men leidde hen over de Markt, in de richting der Bouverypoort.

Wel werden zij onderwege nog met scheldwoorden en dreigende gebaren
bejegend, maar toen het volk hen ter poort had zien uitstappen, en van
op de vestingen hen eene wijl had achternagekeken ging elkeen juichend
en bevredigd naar huis.


VOETNOTEN:

[Voetnoot 85: "De koning en de graaf belegerden Yperen. Een hardnekkig
gevecht had plaats tusschen de beide legers ... Booze inwoners van
Yperen, hebbende een verbond met den koning gesloten, brachten hem en
zijn ontelbaar leger in de stad ... Willem, niet wetende dat hij
verraden was, kwam toegeloopen. De koning en de graaf maakten hem
krijgsgevangen." GALBERTUS, p. 377.]

[Voetnoot 86: Zie het verhaal dezer volksberoerte en de uitdrijving der
Tancmars, bij GALBERTDS, p. 322.]



XXVI


De koning van Frankrijk was lang met den Gentschen gewerkmeester Arnold
in samenspraak gebleven, en had met hem overwogen welke middelen men zou
kunnen uitdenken om de Kerels, die nog op den toren waren, levend of
dood in handen te krijgen, zonder tot dit einde een al te groot getal
zijner ridders en wapenknechten te moeten opofferen.

De uitslag dezer beraadslaging was, dat er geen ander middel bestond dan
de toren te doen vallen, of ten minste de Kerels met dien val tot
zooverre te dreigen dat zij, in de zekerheid van onder de puinen te
worden verpletterd, zich in de genade des konings overgaven.

Men zou den voet van den toren ondermijnen, en daartoe eenen ontzaglijk
zwaren beukram bouwen. Om de arbeiders en wapenknechten tegen de steenen
en pijlen der Kerels te beschutten, kon men het groote werktuig binnen
in het klooster stellen, daar, waar de refter van achter tegen den toren
raakte. Dus onder dak staande, zouden degenen, die den beukram moesten
bewegen of bestieren, geheel buiten bereik des vijands blijven, en men
zou geene of zeer weinige mannen verliezen.

Dit ontwerp bekwam des konings goedkeuring. Hij gelastte meester Arnold
een groot getal timmerlieden en smeden aan het werk te stellen, opdat de
ram binnen eenige dagen vaardig ware. Bleven de Kerels weigeren zich op
genade over te geven, welnu, de toren zou dan nederstorten en deze
hardnekkige, verstokte lieden onder zijne puinen begraven!

Meester Arnold had na weinige dagen de balken en gebinten van zijn
gestel in gereedheid gebracht, en deed ze stuk voor stuk in het klooster
dragen.

Toen eindelijk de reusachtige balk met het ijzeren ramshoofd werd
aangevoerd, bemerkten de Kerels, ofschoon nog onduidelijk, wat de vijand
voornemens was tegen hen te beproeven. Dat men den toren wilde doen
vallen, of dat die val mogelijk ware, zulke gedachte was zoo
buitengewoon en zoo ongegrond, meenden zij, dat ze eenen glimlach op
hunne lippen verwekte. Wat was dan het doel hunner vijanden? Zouden zij
op zekere hoogte in den toren een gat boren, om de trap te bereiken en
dus tot hen op te klimmen? Maar deze vooronderstelling was even
onwaarschijnlijk.

In deze onzekerheid moedigden zij elkander aan om voor niets te
zwichten. Zij hadden het nu reeds zoolang volgehouden, twee machtige
legers getrotst en hunne vijanden beschaamd; het was toch oneindig
schooner en heerlijker tot den laatste toe vrij en met het zwaard in de
vuist te bezwijken, dan gemarteld en door de Isegrims vertreden en
bespot, te moeten sterven.

Alhoewel zij slechts weinige pijlen nog bezaten en reeds groote holten
in den toren hadden gebroken, om zich werptuigen te verschaffen poogden
zij elken vijand, die onder hun bereik kwam, met steenen of schichten te
treffen.

Dagelijks sneuvelden er dus eenige Franschen en Vlamingen, ridders en
wapenknechten. Dit verlies vergramde den koning uitermate en vuurde
dusdanig zijn ongeduld aan dat hij bij dag zijn intrek in de Loove nam
en niet zelden binnen het klooster ging om de arbeiders tot vlijt en
haast aan te drijven.

Nu was hij weder met eenige ridders in het klooster getreden, omdat men
hem de voltooiing van den grooten beukram was komen aankondigen. Met
genoegen beschouwde hij het ontzaglijk gestel, dat waarschijnlijk in
weinig tijd de Kerels tot overgaaf zou dwingen of door den akeligsten
dood een einde aan hunnen onbeschaamden trots zou maken.

De refter van het klooster was bijna hoog als de beuk eener kerk. Daar
hing nu, in evenwicht tusschen eene timmering van opgaande balken, een
zware eikeboom, nauwelijks van zijne schors ontbloot en vooraan met een
ijzeren ramshoofd beslagen.

Aan het achterst einde waren vele zelen gehecht en aan elk dezer zelen
stonden vele arbeiders en wapenknechten. Om te beuken, moesten deze
lieden achteruitloopen, den balk hoog uit zijn evenwicht trekken en dan,
op een sein of een woord, allen te gelijk de zelen loslaten. Dan schoot
de balk, om zijn evenwicht te zoeken, vooruit tegen den torenmuur en
verbrijzelde de steenen en schokte het gebouw tot in zijne grondvesten.

Toen alles gereed was, gaf de koning zelf het eerste sein. Wel was de
schok geweldig en sprong het vuur uit den verstaalden ramskop; maar de
brokkelingen, welke hij van den muur deed vallen, waren zoo weinig
aanzienlijk, dat de koning met ongeduld en mismoed het hoofd schudde.
Nog drie of vier schokken deed hij in zijne tegenwoordigheid beproeven,
met even geringen uitslag.

Dan betuigde hij zijne ontevredenheid aan meester Arnold; maar deze,
door zijne eerbiedige uitleggingen, deed den vorst begrijpen dat de
steen van den toren uitnemend hard was en daarom de ram, ondanks zijne
zwaarte, bij elken afzonderlijken slag zoo weinig uitwerksel had. Het
was evenwel slechts eene zaak van tijd, en hij kon de verzekering geven,
dat na twee of drie dagen arbeids, de toren zou ten gronde liggen,
indien de Kerels zich niet vroeger in 's konings genade overgaven.

De vorst verwijderde zich half tevreden over deze verklaring, en meester
Arnold zette met ijver het begonnen werk voort; ja, om zijne mannen moed
in te boezemen, deed hij hun wijn bij volle kannen schenken, en zong
onder den arbeid een zeker lied, waarvan de maat de bewegingen der
beukers eenstemmig regelde. Gansch door het dak van den refter beschut
en door den wijn aangejaagd zongen zij welhaast allen te samen en waren
vroolijk als op eene kermis.

Evenwel in den namiddag werd hunne vreugde eensklaps op eene bloedige
wijze gestoord ... Een geweldige slag en een schrikkelijk gekraak liet
zich hooren, en er viel een zwaar voorwerp, als een rotsbonk, door het
dak en door het welfsel.

Toen de verschrikte arbeiders door de stofwolk konden heenzien bevonden
zij dat drie hunner makkers verpletterd dood lagen en vier of vijf met
gebroken leden om hulp kermden.

Terwijl men naderde, om de dooden en gekwetsten op te rapen, viel weder
zulk voorwerp met ijselijk gebons op het dak, doch ditmaal weerstond het
welfsel, en het voorwerp rolde neder op een keukendak, dat onder den
slag instortte en een tiental wapenknechten verpletterde of verwondde.

Er rees een algemeen noodgeroep in het klooster op, en al de ridders en
wapenknechten, die zich daar of in de Loove bevonden, grepen naar hunne
wapens en liepen dooreen, als waanden zij zich door eenen machtigen
vijand verrast of bedreigd.

Na eene wijl kwam de veldheer Gervaas Van Praet in het klooster, om te
vernemen wat er geschiedde. Hij vond meester Arnold, met de armen
overeen en als verbaasd nederziende op een groot brok metaal, dat ten
gronde lag.

Op des veldheer ondervraging, zeide Arnold:

"Het zijn ware duivels daarboven, mher Van Praet. Daar hebben zij nu met
mokers eene klok uit den toren aan twee stukken geslagen en deze als
dondersteenen ons op het lijf geworpen! Zie het gat daar in het welfsel!
Hoe zij zulke bonken metaal over de gaanderij kunnen porren, dit weet
God![87]"

"En wat gaat gij nu beginnen?"

"Ha, veldheer, het voorzichtigste is ons werk voor heden te laten
steken, en gedurende den nacht naar middelen uit te zien om het dak met
balken te sluiten."

"Het is om schaamrood van te worden!" mompelde de veldheer "Vijftig man
die ons blijven tergen en ons zooveel spels leveren als een groot leger!
De koning zal wel ontevreden zijn, meester Arnold, indien hij verneemt
dat gij het beuken wilt staken."

"Wat mij betreft, ik ben bereid om het werk voort te zetten, veldheer;
maar de heer koning heeft mij bevolen de mannen zoo weinig mogelijk in
gevaar te brengen."

Er kwam een overste geloopen, en deze riep op verstoorden toon tot
Arnold:

"Welnu, meester, waarom staakt gij het werk? Ga voort, ga poort, kost
wat kost, de koning wil het zoo! Men zal u nog meer wapenknechten
zenden: de ram moet beuken, nacht en dag![88]"

"'s Konings wil zal geschieden", antwoordde meester Arnold.

Hij verliet de ridders, vergaderde de arbeiders en zeide hun hoe zij
den ram wat zijdelings zouden trekken, om niet onder de opening van het
dak te staan.

Eene wijl daarna waren zij weder aan het werk, en beukte de ram opnieuw
met korte tusschenpoozen tegen den toren.

Waarschijnlijk hadden de Kerels geene klokken meer om naar beneden te
werpen, of waren deze te zwaar om te worden verbrijzeld of verplet.
Althans er verliepen ten minste twee uren zonder dat de beukers door
iets werden gestoord of bedreigd.

Wel was iemand hun komen zeggen dat men boven op de gaanderij van den
toren veel rook zag opgaan en vuren zag vlammen; maar dewijl men niet
raden kon wat de vijand daarmede in den zin had, onderbrak men het werk
van den ram daarom niet.

Buiten het klooster was men min gerust. De ridders die in de Love waren,
en zelfs de koning zagen met zekere bekommerheid naar den toren en
vroegen elkander wat toch die razende en onuitputtelijke Kerels nu weder
aan het uitvinden waren om hunnen beslissenden val te vertragen.

De zaak was echter zeer eenvoudig. Toen de Kerels, na het werpen der
klok, den ram zijn werk hoorde hervatten, begrepen zij dat zij door dit
middel het dak, dat de Isegrims voor hunne pijlen beschutte en aan hun
gezicht onttrok, niet zouden kunnen verbrijzelen. Na eenige overweging
waren zij dan op de gedachte gekomen eene poging te doen om dit dak door
het vuur te vernietigen.

Zij brachten daartoe al het was, al het vet en zelfs de weinige boter
die hun overbleef te zamen. De zelen der klokken hakten zij aan stukken
en ontwonden en openden ze; lijnwaad, zakken en zeildoeken werden
bijgehaald.

Dan begonnen zij met hout, dat zij uit den toren braken, vuren te stoken
en de vette stoffen in ketels te smelten. Hierin doopten zij al de
bijgebrachte brandstoffen en legden ze terzijde, totdat alles klaar zou
zijn.

Het waren deze vuren en al deze bewegingen die de ridders en den koning
door het voorgevoel van eenig groot gevaar bekommerden.

Nu waren de Kerels gereed tot het uitvoeren van hun ontwerp.

Allen te gelijk hieven zij de ingevette brandstoffen boven de vuren,
lieten ze goed vlammen en wierpen ze dan naar beneden op het dak van het
klooster, in zulke hoeveelheid, dat ze daar in hoopen op elkander vielen
en een groot gedeelte van het dak met golvende vlammen overdekten.

Dan begrepen de ridders ten volle het inzicht en het doel hunner
hardnekkige vijanden: zij wilden al de geestelijke gebouwen door den
brand vernielen en dus de beukers en de wapenknechten van alle
beschutting berooven.

Een groot geroep rees op; de bevelen klonken verward door elkander, en
de oversten der Isegrims en der Franschen poogden hunnen mannen het
gevoel in te drukken dat men, ondanks alle gevaar, moest pogen den brand
te blusschen, wilde men niet den ganschen burg in asch te zien vergaan.

De wapenknechten, evenals hadden zij op het slagveld tegen den vijand te
strijden, liepen in menigte naar boven met al wat water kon bevatten, en
sprongen door de zoldervensters op de daken.

Maar de Kerels, die zulks wel hadden voorzien, wierpen zoo duchtig met
steenen en schoten zoo onophoudend met hunne laatste pijlen, dat een
groot getal wapenknechten doorboord of verpletterd werden en onder het
slaken van doodskreten nedervielen in het vuur zelf dat zij wilden
blusschen.

De wind blies tamelijk sterk en hitste de vlammen aan[89].

Dank aan wanhopige pogingen en ten prijze van vele menschenlevens
gelukten de wapenknechten er in den brand boven den refter uit te
dooven; maar op hetzelfde oogenblik sloegen de vlammen met nieuw geweld
uit het dak van een ander gedeelte des kloosters ...

Dit geschiedde nog herhaalde malen. Toen men eindelijk den brand geheel
meester was geworden, lagen verscheidene daken neergevallen; maar de
Kerels hadden evenwel hun voornaam doel gemist, aangezien het dak boven
den beukram, dat men allereerst had gebluscht, was behouden gebleven.

De koning van Frankrijk had dit gansche schouwspel, van uit een venster
der Love, met diepe verbittering gevolgd. Hoe werd hij nu tegen de
Kerels verbolgen, toen hij onder zijne oogen zoovele gekwetsten zag
wegdragen, alsof men tegen een vijandelijk leger had slag geleverd! Hij
zwoer zich op die uitzinnige Kerels wreedelijk te wreken. Geen enkele
zou het schromelijkste lot ontsnappen: allen zouden den marteldood
sterven!

Toen hij de Loove tegen den avond verliet, herhaalde hij nog deze
onmeedoogende veroordeeling tot groote vreugd der Isegrims, die aldus de
verzekering kregen dat al de grondbezittingen, zoowel van Robrecht
Sneloghe als van de andere Erembalds, hun tot belooning zouden worden
uitgedeeld.

Den ganschen nacht bleven de Franschen en de Isegrims werkzaam om de
geledene schade zooveel mogelijk te herstellen en nieuwe gevaren van
dien aard te voorkomen. Het dak van den refter werd overdekt met versche
of natgemaakte ossenhuiden, en hier en daar van binnen met balkwerk
versterkt. Nog werden vele mannen door de steenen of de pijlen der
Kerels getroffen; maar het was een waar gevecht, en niemand meende het
te mogen ontwijken.

Reeds des anderen daags in den vroegen morgen begon de ram zijn werk
opnieuw.

Nog poogden de Kerels hunne vijanden door het werpen van zware steenen
of van brandstoffen te verontrusten; maar alles botste op de vochtige
ossenhuiden af, of verteerde zonder eenig uitwerksel. Eindelijk, na alle
mogelijke middelen te hebben beproefd erkenden zij hunne onmacht en
staakten hunne pogingen. Buiten vier of vijf, die de wacht hielden, om
nog de ridders en de wapenknechten te treffen, die zich roekeloos onder
hun bereik waagden, bleven de Kerels van dan af gansch ondadig. Zij
legden zich hier en daar binnen ten toren ter ruste of luisterden in
sombere stilzwijgendheid op de holle slagen van den beukram, of keken
mijmerend in de verte over burg en stad naar het betreurde Kerlingaland,
als waanden zij nog dat van daar verlossing kon komen.

Den derden dag moest het werk der beukers reeds verre gevorderd zijn,
want bij elken stoot van den ram beefde de toren nu op zijne
grondvesten; schouwde men in de hoogte, dan zag men op zulk oogenblik
hoe het kruis en de haan op de torenspits over en weder waggelden.

Nu begonnen de Kerels te vermoeden wat hunner vijanden inzicht was. De
schrikkelijke gedachte, dat men den toren kon doen nederstorten, om hen
allen onder de puinen te verpletteren, ontstelde hen in den eerste; maar
zij twijfelden nog aan de mogelijkheid van zulk ontwerp; en moest het
zich verwezenlijken, welnu, zij waren bereid om dezen gruwelijken dood
zonder klagen te aanvaarden. Allen te zamen sterven, was in hunnen
hachelijken toestand nog een geluk.

Toen de avond van dien dag zichtbaar begon te dalen, werden zij door den
vijand zelven uit hunne onzekerheid getrokken. Een wapenbode stuurde
hun, in name des konings van Frankrijk, het woord toe. Hij zeide hun,
met vele bedreigingen, dat de ram reeds bijna de helft van des torens
voet had uitgebeukt, en dit gebouw welhaast in gruis zou nederstorten.
Al de Kerels zouden onder zijne puinen worden begraven. Wilden zij zich
op genade des konings overgeven, men zou hen beneden laten komen;
weigerden zij, de beukram zou onmeedoogend zijn werk voltrekken. Men
gunde hun een vierendeel uurs.

Op dit voorstel antwoordden de Kerels met koele fierheid, dat zij
volstrekt weigerden zich over te geven, tenzij de koning en de ridders
hun de reeds meermaals uitgedrukte voorwaarden toestonden. Weigerde men
dit voorstel, het was een bewijs dat men voornemens was, zonder vonnis
hen te dooden, en in dit geval stierven zij nog liever als vrije Kerels
onder de puinen van den toren.

De wapenbode sprak in naam des konings eene vermaledijding en een
doodvonnis tegen hen uit, en keerde dan terug naar de Loove.

Onmiddellijk daarop begon men in het klooster met nieuwe kracht te
beuken, tot verre in den avond. Dan echter werd het werk der vernieling
gestaakt, ongetwijfeld omdat men vreesde den toren onverwachts te zien
instorten, en men wilde vermijden dat zulks gedurende den nacht
geschiedde.

Ondanks de ijselijkheid van het lot dat hen dreigde, begaven de Kerels
zich ter rust; en dewijl nu het bonzen van den beukram hen niet stoorde,
sliepen er velen zeer vast tot in den morgen van den volgenden dag.


[Illustratie: ...het hoofd op de leuning der gaanderij gelegd. (Bladz.
497.)]


De zon was reeds sedert een goed uur boven de kim gerezen, toen Robrecht
ontwaakte. Hij voelde zijnen geest verzwaard door den langen, loomen
slaap, en stapte naar buiten, om op de gaanderij eene verfrissching voor
zijn neergedrukt gemoed te zoeken.

Daar zag hij eensklaps aan den zuiderkant des torens Dakerlia op eene
houten bank in het stralend morgenlicht zitten. De maagd had het hoofd
op de leuning der gaanderij gelegd en hield de oogen gesloten. Was zij
onder de koesterende warmte der zon ingesluimerd of mijmerde zij in
vergetelheid van het verloren geluk en van den akeligen dood die haar
jong leven ging verslinden?

Mher Sneloghe naderde tot op twee stappen van haar, bleef daar staan,
vouwde de armen over de borst en staarde zuchtend op zijne verloofde.

Welke eindelooze wereld van gedachten en herinneringen stormde hem op
dit oogenblik door de hersens! Alwat hij had gedroomd, gehoopt,
gevreesd, geleden, warrelde als een spokig gezicht hem voor de oogen.
Wat was toch de mensch in de handen Gods? Zandkorrel dien het lot mede
voert, evenals de wind een vlokje stof! Hij, Robrecht, was de rijkste
ridder van geheel West-Vlaanderen geweest, hij had toebehoord aan een
vrij land en een edel geslacht. Hij was schoon en sterk geweest als man,
geacht en bemind als mensch. Hij had eene zuster gehad, zoet, eenvoudig
en lieftallig als eene duive. Zijne ziel had eene zuivere, beminnende
ziel ontmoet; de huwelijkszegen moest hen onafscheidbaar vereenigen en
hun leven tot een paradijs van liefde en zoet genot herscheppen ...
Eenige sombere dagen slechts waren voorbij--en van dit alles bestond
niets,--niets meer! Kerlingaland was bezweken, de vrijheid, het erfdeel
der edele voorvaderen, verloren! Hij, die de gelukkige bruidegom der
aangebeden maagd moest worden, ging den dood vinden onder de puinen van
St-Donaastoren ... Van de Erembalds zou zelf in 's lands geschiedenis
niets overblijven dan eene gevloekte gedachtenis! en dit alles tot boete
eener afschuwelijke misdaad, waaraan zij vreemd gebleven waren,--tot
betaling der bloedschuld van den moordenaar Burchard Knap!

Eene wijl bleef nog de blik des jongelings strak en dof, als ware de
denkingskracht in hem opgeschorst geweest.

Allengs nochtans vormde zich op zijne lippen een onduidelijke glimlach,
en hij hield de oogen met eene soort van treurige bewondering op het
gelaat van Dakerlia gevestigd.

Zij was toch zoo schoon en zoo ontzagwekkend, zijne verloofde, die daar
op den rand van den waggelenden toren lag te slapen als een onnoozel
kind dat sluimerd op de kruin van eenen vulkaan.

Waren Robrecht en zijne gezellen bleek, vermagerd, gekwetst, vuil en
gescheurd, Dakerlia had geheel het voorkomen der gezondheid van den
zielevrede en der zindelijkheid behouden. Iedereen toch had gewedijverd
om haar tegen de ongemakken van hunnen schrikkelijken toestand te
behoeden; en, hoe zij ook wederstand had geboden, haar voedsel toch was
niet verminderd geworden, en zelfs had men veel van het kostbare
drinkwater opgeofferd, om de Kerlinnen toe te laten, haar met al de
zorgen der netheid te omringen.

Dakerlia's wangen hadden nog iets van hunnen vorigen blos behouden, haar
aangezicht was zuiver en frisch gebleven. Haar zoo op de leuning der
gaanderij onder het zonnelicht ziende rusten, zou men gewaand hebben
eene teeder gekleurde roze te beschouwen, die even door een storm uit
het dal was gerukt geworden en boven op eene naakte rots gevoerd.

Robrechts hart popelde van bewondering en liefde, terwijl hij, van het
gevoel der wezenlijkheid verdwaald, den blik op het zoet gelaat zijner
verloofde hield gevestigd; maar eindelijk toch ontviel hem de
tooversluier der begoocheling, en welhaast sidderde hij onder den slag
van bedroevende gepeinzen.

Zij ook, zij, Dakerlia, ging eenen akeligen dood sterven! Van die
schoonheid, van dat jong leven, van al die hoop op geluk zou niets
overblijven dan ... dan een verpletterd en verminkt lichaam ...
ijselijk, gruwelijk!

Tranen schoten den ontroerden ridder in de oogen; maar hij bedwong deze
teekens der smart met geweld, en zette zich in stilte nevens zijne
verloofde.

Dakerlia ontwaakte en opende de oogen; zij aanschouwde Robrecht eene
wijl met eene soort van onbewustheid en glimlachte dan helder, als stond
er eene verheugende herinnering in haren geest op.

"Gij lacht, Dakerlia?" murmelde de jonge ridder verbaasd, "Uwe sterke
ziel is dus boven alle vrees verheven?"

"Wat schoon, wat heerlijk gezicht!" riep de maagd met begeestering uit.
"Robrecht, ik heb mijn vader en uwe zuster jfezien ... gezien en omhelsd
en gesproken!"

"Een droom, lieve, eene begoocheling ..."

"Neen, neen, meer dan dat; eene inspraak van God, een troost in ons
lijden, eene voorspelling van toekomende dingen!"

Robrecht haalde mismoedig de schouders op en zeide met eenen zucht:

"Luister, luister, hoe de ram daarbeneden beukt; voel, Dakerlia, hoe de
toren siddert. Ziedaar, arme vriendinne, de droeve wezenlijkheid!"

"Gij gelooft mij niet?" sprak de maagd, met een gelaat dat van vreugde
straalde, "Ik heb den toren reeds zien vallen ... Zoo zat ik hier bij
den rand der gaanderij: de ram beukte geweldiger nog dan nu, de toren
waggelde op zijne grondvesten en ging nederstorten. Ik was vervaard en
hief de handen biddend ten hemel. Een Engel verscheen aan mijne zijde.
"Vrees niet, Dakerlia," zeide hij; "voor wie ongelukkig is of onrecht
lijdt, is de dood eene verlossing, een nieuw en beter leven." De goede
geest gaf mij moed en versterkte mij tegen den hachelijken stond. Daar
viel de toren met ijselijk gekraak; maar terwijl ik met de puinen naar
beneden stortte, greep de engel mij in zijne armen en vloog met mij naar
den hemel. In eene zaal, die verblindend glansde van goud en licht,
kwamen mijn vader en uwe zuster juichend mij te gemoet geloopen en
omhelsden mij met uitstorting eener onzeglijke blijdschap. Tranen van
geluk ontrolden onzen oogen bij dit vroolijk wederzien. Onze vrienden
Eggard Van IJsendijke, Yorg Koevoet, uw oude oom, de proost, en nog
velen van de dappere gezellen die gesneuveld zijn, kwamen mij omringen
en drukten mij de handen. Eene treurnis slechts benevelde onze vreugd;
allen riepen wij: "Waar is Robrecht? Waar blijft de edele Robrecht?" Ha,
er ging tusschen ons een schallende jubelkreet op. Daar kwaamt gij! Wij
liepen met uitgestrekte handen u toe en sloten u in de armen ... Dan
overstroomde ons eensklaps een stralend licht, en uit den schoot van
dien gloed sprak de stemme Gods zelve tot ons: "Robrecht, Dakerlia,
zielen die op aarde hebt bemind en geleden, weest vereenigd en gelukkig
tot het einde der eeuwen!" En dan, Robrecht, dan ben ik ontwaakt en heb
u nevens mij zien zitten. Het is een droom; ja, ja, een droom; maar hij
zal waarheid worden. Daarboven zullen wij eeuwig te zamen leven, met
mijnen vader, met uwe zuster, in Gods aanschijn!"

De jonge ridder had zich door de begeesterde taal van Dakerlia tot
begoocheling laten verleiden, en ook op zijne lippen was een zoete
glimlach verschenen; maar zoohaast zij ophield van spreken, keerde hij
tot het gevoel der wezenlijkheid terug en schudde met treurigheid het
hoofd.

"Die schoone voorspelling kan u niet verblijden?" murmelde de maagd.
"Zoudt gij den dood vreezen, Robrecht?"

"Voor mij niet, gij weet het wel", antwoordde hij. "Maar u te zien
sterven, Dakerlia, u, zoo jong, zoo onschuldig, zoo schoon! Eilaas, het
is eene ijselijke gedachte!"

"Vermits ik dit lot zonder beven aanvaard ..."

"Er is nog één middel, Dakerlia; en onze arme gezellen zouden, uit
liefde tot mij en tot u, er in toestemmen."

"Alweder het voorstel dat ik reeds tienmaal heb verstooten?"

"Inderdaad, lieve; maar ik smeek u, aanvaard het, uit medelijden met
mijne smart! Indien ik u gered mocht weten, ik stierve met een gevoel
van geluk, en ik zegende dan den dood als eene weldaad. Laat mij doen:
ik zal den koning onze overgaaf op zijne genade voorstellen, indien hij
zijn vorstelijk woord wil verpanden dat men u in volle vrijheid naar
Kerlingaland zal laten vertrekken."

"Nimmer, nimmer! Ik weiger ..."

"Dakerlia!"

"Met u wil ik leven en sterven. Mijn droom zal waarheid blijven."

"Wees niet onmeedoogend; uwe weigering maakt mij den dood tot eenen
galbeker."

"Ha, Robrecht, hoe is het mogelijk!" kreet het meisje met
verontwaardiging. "Gij wilt dat ik op aarde blijve na uw vertrek? Bemint
gij mij? Waarom dan wenscht gij dat ik blootgesteld worde aan de
vervolgingen van den verrader Disdir Vos? En wierd ik het slachtoffer
zijner boosheid, hoe zou uwe ziel zich beschuldigen de oorzaak te zijn
geweest mijner onzaligheid en mijner schande! Ik ben eene Kerlinne:
zuiver zal ik voor God verschijnen; ik wil het recht behouden mijnen
vader, uwe zuster en u zelven daarboven in de armen te drukken ..."

Tot dan hadden de Kerels, die zich op de gaanderij bevonden, volgens
hunne gewoonte de samenspraak van hunnen overste met jonkver Wulf
geërbiedigd, en waren zij aan de andere zijden van den toren gebleven;
maar nu kwam Ivo-de-Wolvenjager nader en zeide:

"Mher Sneloghe, indien ik mij niet bedrieg, gaat daar beneden iets
gewichtigs gebeuren. In de Hofstraat komen een groot getal voorname
poorters. Zij begeven zich in stoet naar den burg, ongetwijfeld om den
koning te spreken. Wat hun inzicht is kunnen wij niet raden; maar zij
doen verstaan dat zij over ons gaan handelen."

Op dit oogenblik bereikten de poorters het middelplein van den burg, en
Robrecht hoefde slechts het hoofd over de leuning der, gaanderij te
buigen, om op den stoet neder te zien. Hem werden insgelijks teekens
gedaan, doch hij kon er geene andere beduidenis aan toekennen, dan dat
men waarschijnlijk eene laatste poging bij den koning wilde wagen om
levensgenade te bekomen voor de arme Kerels, die andere door den val van
den toren ellendig zouden worden verpletterd.

Inderdaad, hij misgreep zich niet. De schepenen der stad, vergezeld van
wel veertig oversten der gilden en neringen, boden zich op dit oogenblik
voor de poort der Loove aan en verzochten den koning te mogen spreken.

In de tegenwoordigheid des vorsten toegelaten en over de reden hunner
komst ondervraagd, zeide de voorschepen:

"Heer koning, de droeve mare dat men den toren van St-Donaas gaat doen
vallen heeft onze poorters zeer ontroerd. Op hun aandringen komen wij
uwe goedheid afsmeeken en, voor uwe voeten neergebogen, u bidden dit
oudste kerkelijk gebouw onzer stad te willen sparen. Valt deze logge
toren, dan zal hij niet alleen de kerk en de proostdij verpletteren,
maar nog daarenboven zonder twijfel vele menschen dooden."

"Wij begrijpen wel, heeren, dat gij liever den toren zoudt gespaard
zien", antwoordde de vorst. "Maar gij hoopt zeker niet 'dat wij, koning
van Frankrijk, ongestraft onze macht zullen laten hoonen, of van hier
zouden kunnen vertrekken zonder die slechte, hardnekkige lieden tot
overgaaf te hebben gedwongen? Te lang heeft dit belachelijk spel
geduurd; en, vermits er geen ander middel is om die razende Kerels te
doen bezwijken, zal de toren vallen!"

"Gelieve de heer koning mij oorlof te geven om eene overweging ootmoedig
hem te onderwerpen", hernam de voorschepen. "Het getal der Kerels op den
toren is niet vijftig; wij meenen ons overtuigd te kunnen houden, dat
zij niet boven de dertig sterk meer kunnen zijn. Deze arme lieden zijn
in den oorlog gewikkeld geworden ten gevolge van eenen gruwelijken moord
waaraan geen hunner persoonlijk schuldig was."

"En Robrecht Sneloghe dan?" riep Disdir Vos, die met den veldheer
Grervaas en met andere ridders achter den koning stond.

"De koning late mij toe het te zeggen", antwoordde de voorschepen "mher
Robrecht Sneloghe heeft door al zijne daden bewezen dat hij vreemd is
gebleven aan de misdaad en deze dieper betreurt dan wie het zij; ja, hij
heeft in het openbaar tranen van deernis en rouw op het lijk van graaf
Karel gestort en het met gevaar des levens tegen schennis verdedigd. Is
hij het niet die den moordenaar heeft gedood[90]?

Van allen die bekend zijn als hebbende deel aan de misdaad genomen, is
geen enkele meer op den toren; zij zijn gesneuveld, gemarteld of
gevlucht ... O, machtige koning van Frankrijk, kan de onmiddellijke dood
dezer ellendige lieden eenigen luister voegen bij den glans van uwen
roem? Zeker, de moord van onzen graaf is een afschuwelijke aanslag;
maar, heer koning, in uw grootmoedig hart kan het gevoel der wraak
slechts toegang vinden, voor zooveel het nuttig of geheel rechtvaardig
zij...."

"Hoe?" morde de vorst verwonderd. "Onze wraak tegen deze overmoedige
lieden zou niet rechtvaardig zijn? Hebben zij niet genoeg onzer ridders
en wapenknechten gedood of gekwetst?"

"Inderdaad, heer koning, en het is wel te betreuren; maar indien uw
edelmoedig hart het wilde aanzien als enkelijk geschied tot hunne
verdediging ..."

"Sa, begrijp ik het wel", viel de koning half vergramd uit, "dan zoudt
gij vermetel genoeg zijn om te wenschen en te verwachten dat wij genade
schenken aan deze lieden die ten minste vrienden en handlangers der
moordenaars zijn?"

"Neen, heer koning, genade niet; maar wij durven u smeeken hun de
voorwaarden toe te staan welke zij op hunne overgaaf stellen. Zij
willen zich in de gevangenis begeven en onderwerpen zich op voorhand aan
de straf welke de rechters, na hen gehoord te hebben, over elk hunner
zullen uitspreken. Zij vragen geene genade, zij eischen slechts
rechtvaardigheid. Zeker, grootmoedige vorst, zij zijn in dezen oorlog
uwe vijanden; hun lot is in uwe handen, en, wat gij ook over hen gelieve
te beslissen, elkeen moet met eerbied zich onderwerpen aan uwen wil.
Maar, hebben zij geen recht op uwe genadigheid, wees dan toch den
poorters dezer goede stad Brugge goedgunstig en doe, op hun gebed, wat
gij den Kerels zoudt weigeren. Wij smeeken op de knieën uwe koninklijke
grootmoedigheid af! Spaar, spaar den toren en den tempel van onzen
grooten heiligen Donaas!"

Bij deze laatste aanroeping zonken al de schepenen en poorters geknield
ten gronde en bleven zoo, met neergeslagen blik, voor den koning
gebogen.

De vorst scheen gevoelig aan hunne hulde en aan hunne bede. Hij keerde
zich tot de ridders, waarschijnlijk om hen te raadplegen over de
beslissing welke hij geneigd was te nemen. De Isegrims morden hevig;
hunne gebaren konden laten gissen dat zij den koning poogden over te
halen tot het volstrekt verwerpen van het verzoek der poorters.

Wat ook de indruk dezer korte samenspraak op des vorsten gemoed ware
geweest, hij wendde zich weder tot de schepenen en zeide op minzamen
toon:

"Staat op, heeren. Wat gij van ons vraagt is moeilijk toe te staan. De
Kerels sparen? Zouden dan al onze mannen, die zij gedood hebben,
ongewroken moeten blijven? Evenwel, wij zouden indien het ons mogelijk
ware den toren te behouden, ons gelukkig achten, deze gelegenheid te
vinden om den goeden lieden der stad Brugge een hoog bewijs onzer
bijzondere welwillendheid te geven. Gaat tot uwe mannen, stelt ze gerust
en zegt hun dat wij het werk van den beukram zullen doen opschorsen,
totdat wij met rijp beraad hebben overwogen wat ons mogelijk is, ten
believe der poorters dezer goede stad Brugge te doen. Hebt vertrouwen ik
hoop dat wij den toren van St-Donaas zullen kunnen behouden."

Onder het uiten van dankzeggingen en met blij gemoed, verlieten de
schepenen en hun gevolg de Loove.

Het middelplein van den burg krielde van volk, zelfs tot aan den voet
van den toren; want ieder wist dat de Kerels, sedert den dood van
Burchard Knap, nooit meer op ongewapende poorters schoten.

De schepenen deelden aan de menigte de goede woorden des konings mede.
Dit bericht ontlokte het volk een schallend gejuich en, terwijl menige
kreet van "Leve de koning!" in de hoogte steeg, poogden eenige stoutere
lieden met de Kerels te spreken en hun door sterk roepen te doen
verstaan dat er nog groote hoop op verlossing voor hen was.

Maar nu traden eenige wapenknechten op het plein en dreigden de poorters
met gevangenis indien zij, tot de Kerels sprekende, het gebod des
konings overtraden.

Het duurde zeer lang eer men iets nieuws vernam. De toevloed der menigte
groeide immer aan, en met ongeduld wachtte een ieder op het besluit des
konings.

Eindelijk liep een blij gemor door het volk, dat zich opende om eenen
wapenbode en eenen bazuinblazer door te laten.

De bode, nadat men de aandacht der Kerels door een kort geschal had
opgewekt, riep hun toe:

"Op de bede der poorters van deze goede stad Brugge en om den toren van
St-Donaas te sparen, vergunt onze heer, de koning van Frankrijk, u de
voorwaarden op welke gij aangeboden hebt u over te geven. Gij zult in de
gevangenis geleid worden en daar afwachten totdat rechters over uw lot
uitspraak hebben gedaan. Laat mij weten of gij deze gunst aanvaardt: ik
wacht uw antwoord."

Na eene wijl onder elkander te hebben geraadpleegd, riepen de
Kerels[91]:

"Wij aanvaarden met vertrouwen in 's konings woord!"

"Komt dan beneden!" zeide de bode. "Men zal den uitgang van den trap
vrijmaken en u in de kerk uwe wapens afnemen!"

"Het zij zoo!" antwoordden de Kerels.

Een lang gejubel klonk over het plein, en herhaalde malen weergalmden er
kreten ter eere van den Franschen vorst.

Ongetwijfeld hadden de Kerels nog druk te arbeiden om zich eenen
doorgang te banen tusschen al de hindernissen waarmede zij tot hunne
verdediging de torentrap hadden versperd.

Schier een uur verliep er, vooraleer een dof gebruis en een koortsig
gewoel onder de menigte aankondigden dat de Kerels gingen verschijnen.

Inderdaad, uit de kerkpoort trad nu eene sterke wacht van wapenknechten;
daarachter stapten de Kerels, ten getalle van slechts zevenentwintig man
en drie vrouwen.--Zij waren sedert meer dan veertig dagen in den burg
opgesloten gebleven, en hadden daarvan zestien dagen op den toren
doorgebracht! Gedurende deze lange tijdruimte hadden zij met
onplooibaren heldenmoed zich verdedigd tegen twee legers en tegen al de
befaamde stormtuigen van den burg van Gent!

Ook was het wel aan hun ellendig opzicht te zien wat zij hadden
doorstaan en geleden. Allen waren geel en mager, met ingevallen wangen
en weggezonken oogen. Velen droegen op aangezicht en handen de roode
litteekens van slecht geslotene wonden; hunne kleederen waren vuil en
hingen aan flarden. Ware het niet hunne trotsche houding geweest, hadde
niet uit hun somber oog nog de vonk der onplooibare trotschheid
ontschoten, men zou voorzeker gewaand hebben eene bende verhongerde
bedelaars te zien.

Dakerlia alleen, met hare rijzige gestalte, hare bekoorlijke
wezenstrekken en reine, nette kleeding scheen eene koningin tusschen
eenen hoop noodlijdenden. Zij stapte aan Robrechts zijde en verbaasde
elkeen door den stillen, zoeten glimlach en door den glans van fierheid
die haar schoon gelaat verlichtte.

Ridders en wapenknechten boden als met eerbied eenen vrijen doorgang aan
deze heldhaftige vijanden, en bekeken hen zonder een enkel hoonend woord
te laten hooren of door eenig zegevierend gebaar hen in hun ongeluk te
bespotten.

Menig poorter, terwijl de arme Kerels hen voorbijgingen, wischte zich
eenen traan van medelijden en bewondering uit de oogen.

Verre hoefden de gevangenen niet te gaan: het Gyselhuis, in welks kerker
men ze ging opsluiten, stond op den burg, schuins over de proostdij.

Toen de Kerels binnen in het Gyselhuis gekomen waren, gebood de overste
der wachten, dat men de mannen in den grooten kerker ter rechterzijde,
en de vrouwen in de cellen ter linkerzijde zou opsluiten.

Een angstschreeuw ontsnapte terzelfdertijd aan Dakerlia en Robrecht en,
als vreesden zij dat dit afscheid eeuwig zou zijn, sprongen hun beiden
de tranen uit de oogen.

Dakerlia hief met een plechtig gebaar den vinger ten hemel, wees dus aan
haren verloofde de baak der hoop en riep:

"Robrecht, Robrecht, er is een beter leven. Vaarwel, tot wederziens
daarboven ... mijn vader, Witta!"

"Vaarwel, dat God u bescherme!" murmelde de jonge ridder, schier
bezwijkende van smart.

De wapenknechten grepen de Kerels en de vrouwen bij de armen en leidden
ze naar de kerkers die hun waren toegekend.


VOETNOTEN:

[Voetnoot 87: "Zij sloegen de klokken aan stukken om daarmede hunne
vijanden te verpletten." GALB., p. 319.]

[Voetnoot 88: "In zijne gramschap gebood de koning den toren spoedig
omverre te doen storten ... Onmiddellijk begonnen zij met ijzeren
werktuigen den toren van onderen uit te breken." GALB., p. 370.]

[Voetnoot 89: "Zij wierpen kolen, gedoopt in pik, in was en in boter.
Deze kolen, zich hechtende aan de daken, deden vlammen ontstaan, welke
de wind aanblies, en die, zich uitbreidende, het dak naar alle kanten
verslonden." GALB., p. 354.]

[Voetnoot 90: Den Maandag, 18 April, wierpen onze burgers zich weder
geknield voor den koning neder, en smeekten om genade voor Robrecht.
GALB., p. 370.]

[Voetnoot 91: "De koning verleende aan de belegerden, volgens hunne
vraag, oorlof om van den toren te komen, dewijl het voordeeliger was dat
zij zich zelven overgaven zonder de belegeraars aan de gevaren der
Instorting bloot te stellen."

GALB., p. 371.

"Zij kwamen dus uit de kerk ten getalle van zevenentwintig."

GALB., p. 371.

Volgens Galbertus werd de stad Brugge bij verraad ingenomen den 9en
Maart, en gaven de Kerels zich over den 19en April. Het beleg had
dienvolgens tweeënveertig dagen geduurd]



XXVII.


Dakerlia zat gevangen in het Gyselhuis op den burg. Een enkel verheven
venstertje liet in haren engen kerker eenen flauwen lichtstraal
nederdalen, en men moest zijne oogen aan den twijfelachtigen schemer,
die er heerschte, gewend hebben, vooraleer er de voorwerpen duidelijk te
kunnen onderscheiden.

Ongetwijfeld wilden de vorsten of de ridders, die over het lot der jonge
Kerlinne beschikten, haar niet met de uiterste strengheid behandelen;
misschien was er iemand die haar geheimelijk beschermde, want in haren
kerker stonden een paar stoelen en eene tafel en, in den duisteren hoek,
verre van het licht, had men eene soort van bed geschikt, om haar eene
gemakkelijke rustplaats te bezorgen.

Het was de vierde dag, nadat de Kerels van den toren waren gedaald en
zich in de handen hunner vijanden hadden overgegeven op voorwaarde dat
men hen door eene wettelijke rechtbank zou doen onderhooren en
vonnissen.

Dakerlia zat op haren stoel nevens de tafel en, met het hoofd op de hand
rustende, schouwde zij droomend in de ruimte.

De bewegingen haars gelaats getuigden dat velerlei gedachten haar door
den geest stroomden. Nu zweefde er een glimlach op hare lippen, dan liep
er eene angstige siddering haar door de leden of bevochtigde een traan
haar oog; dan weder hief zij den blik ten hemel en vouwde de handen tot
een gebed.

Wie haar dus gezien hadde, zou geraden hebben dat haar hart over en
weder vlotte tusschen hoop, schrik en medelijden. Waren de rechters
onpartijdige lieden,--mijmerde zij in zich zelve,--dan zouden zij
Robrecht wel eene straf opleggen, omdat hij, ter vervulling van eenen
onverbiddelijken bloedplicht, den moordenaar Burchard had helpen
verdedigen; zij zouden misschien zijne goederen verbeurd verklaren, om
de gierigheid en den haat der Isegrims te bevredigen; maar zijne dood
zouden zij niet eischen, en hem in vrijheid laten gaan of hem uit het
graafschap bannen. Was de rijkdom wel noodig tot hun geluk? Hoe arm
Robrecht mocht worden en waar hij zich ook bevonde, zij zou zijne
echtgenoote zijn en haar leven toewijden aan het verzachten, aan het
verhelderen van zijn lot. Misschien zou zij hem dan den geleden
rampspoed kunnen doen vergeten, misschien waren hun door den
barmhartigen God nog schoone, vreedzame dagen voorbewaard?

Bij zulke gepeinzen rees er een stille glimlach op hare lippen en
ontschoot eene vonk van vertrouwen aan hare vochtige oogen; maar weldra
versomberde eene kommervolle overweging haren geest. Zouden de
valschhartige Isegrims, in hunnen onverbiddelijken wrok, de rechtbank
niet doen samenstellen uit vijanden der Kerels? Eilaas, dan zou een
doodvonnis den armen Robrecht treffen, en het zwaard des beuls zou dit
edel en dierbaar hoofd van het bloedige kapblok doen rollen!

Schrikkelijke gedachte, die Dakerlia deed ijzen en haar eenen angstkreet
ontrukte ... Evenwel, haar beweegbaar en sterk gemoed kwam onmiddellijk
in opstand tegen de wanhoop; en dan bief zij de oogen ten hemel, als om
de plaats te zoeken waar hare ziel welhaast met de ziel van Robrecht en
met andere dierbare zielen zou vereenigd zijn.

Zij bedwong op dit oogenblik hare ontsteltenis, en eene uitdrukking van
blijde verwachting beglansde haar gelaat. Het gerucht van sleutels en
zware stappen in den gang kondigde haar aan dat Reinbert, de
gevangenbewaarder, haar met het morgeneten tijding van Robrecht ging
brengen.

Reinbert, die nu de deur des kerkers opende en met eene kruik en een
weitebroodje in de hand binnentrad, was een reeds bejaarde man, wiens
gelaat niet van gevoeligheid getuigde; maar hij had vroeger in den
oorlog onder het bevel van mher Wulf gestaan, en herinnerde zich met
erkentenis den heldenmoed en de goedheid van zijnen overste. Daarom
behandelde hij nu zijne dochter in het ongeluk met eerbied en
genegenheid, en verschafte haar, niet zonder gevaar voor zich zelven,
wat haar lot in deze treurige plaats kon verzachten.

"Jonkver Wulf", zeide hij bij zijne intrede, "ik heb hier warme melk en
van het fijnste brood dat er in Brugge te vinden is. Dezen middag zal ik
..."

Maar Dakerlia, door haar ongeduld aangejaagd, onderbrak zijne
vriendelijke rede:

"Dank, dank; God zegene u, Reinbert, voor uwe goedhartigheid! Hebt gij
heden reeds mher Sneloghe gezien?"

"Ik heb hem gezien, jonkvrouw."

"En hoe vaart hij?"

"Wel, tamelijk wel."

"Gij zegt het zoo twijfelachtig! Treurt hij?"

"Ja en neen, jonkvrouw. Als hij tot zijne gezellen spreekt, glanzen
zijne oogen van mannelijke trotschheid, en hij boezemt allen de
verachting des doods in, met eene onweerstaanbare welsprekendheid
Sterven op zulke wijze dat men den onplooibaren heldenmoed der Kerels
tot den einde toe bewondere, schijnt zijn eenige droom en zijn eenig
doel; maar zoohaast hij het woord tot mij richt, wordt hij droefgeestig,
en niet zelden schieten hem dan tranen in de oogen."

"Waarom toch? Zegt gij hem bedroevende dingen, Reinbert?"

"Neen, jonkvrouw; maar mij spreekt hij immer van u, van u alleen. Uw
tegenwoordig lot, het lot dat u nog te wachten staat, verschrikt hem. De
tranen, welke hij met zooveel geweld op zich zelven poogt te bedwingen,
zijn tranen van medelijden en van liefde."

Dakerlia zweeg eene wijl; een zucht ontsnapte haar en hare oogen
glinsterden van ontroering.

"Maar, Reinbert", vroeg zij in gedachten, "gelooft dan mher Sneloghe,
gelooven de andere Kerels dat men de doodstraf tegen hen zal
uitspreken?"

"Zij schijnen inderdaad weinig hoop op het behoud des levens te
koesteren", antwoordde de gevangenbewaarder, "en zij hebben wel reden,
dunkt mij, om zich vanwege hunne vijanden aan het ergste lot te
verwachten. Arme Kerels, hunne onzekerheid zal niet lang meer duren!"

Door deze koele bevesting harer vrees verschrikt, hief Dakerlia de
handen in de hoogte en riep kermend uit:

"Genade, genade voor hem, almachtige God! Hij is onschuldig. Ach, wreek
den gruwelijken moord niet op hem. Laat hem leven, ik zegen Uwen
heiligen naam tot mijnen laatsten snik!"

"Jonkver Wulf, vertwijfel zoo niet", zeide de gevangenbewaarder "Hoor
mij aan, ik bid u. Worden de andere Kerels ter dood veroordeeld, men zal
naar alle waarschijnlijkheid mher Sneloghe het leven sparen."

"Gij wilt mij troosten en poogt mij te bedriegen, uit goedheid des
harten!" murmelde Dakerlia ongeloovig.

"Neen, jonkvrouw, ik heb u reeds gezegd dat de schepenen en voorname
poorters niet ophouden bij den koning allerlei pogingen aan te wenden om
genade voor mher Sneloghe te bekomen. Gisterenavond heb ik hier, in de
groote zaal van het Gyselhuis, twee ridders,--mher Gervaas Van Praet,
die nu kastelein van Brugge is geworden, en een Fransch overste van 's
konings raad over deze zaak hooren spreken en twisten. Uit hunne
woorden kon ik verstaan dat de koning geneigd is om mher Sneloghe in
genade te ontvangen, en hij het reeds zou hebben gedaan, indien de
Isegrims hem tot nu toe niet hadden wederhouden. Wie zal hier overwinnen
de poorters of de Isegrims?"

"De rechtvaardigheid of de haat?" mompelde Dakerlia.

"Men zal het waarschijnlijk heden nog weten, jonkvrouw."

"Heden?"

"Het gerucht loopt dat dezen morgen een gerechtshof van daartoe door den
koning aangewezen ridders in de Loove zal vergaderen om de Kerels te
vonnissen. Het is zeker dat er iets gewichtigs gaat geschieden: de burg
is sedert een paar uren vol wapenknechten en eene menigte ridders hebben
zich in de Loove begeven Zelfs de Markt is overdekt met Fransche benden,
die gisteren met den nieuwen graaf uit Kerlingaland zijn teruggekeerd
..."

"Ons arm Kerlingaland is gansch onderjukt!" zuchtte de maagd.

"Dit kon men wel voorzien, jonkvrouw. Zoo aangevallen door de
krijgsknechten van gansch Vlaanderen en van het groote Frankrijk ..."

"Ja, ja, en van God verlaten tot boete eener afschuwelijke misdaad ..."

"Kon Kerlingaland slechts zijnen heldenmoed betoonen en dan bezwijken
... Maar, wat mher Sneloghe betreft, jonkvrouw, hebt gij alle redenen om
te hopen. Hij zal ongetwijfeld voor het gerechtshof der ridders zijne
onschuld bewijzen, en de koning, door de smeekingen der poorters tot
mildheid gestemd, zal hem genade schenken. Wie kan het weten? Misschien
zult gij nog met Sneloghe vreedzame en gelukkige dagen slijten ...
Vaarwel, jonkver Wulf; verneem ik iets gewichtigs, ik zal pogen een
oogenblik te vinden om het u te komen zeggen."

Onder het uitspreken der vurigste dankbetuigingen vergezelde Dakerlia
hem tot bij de deur.

Toen deze weder gesloten was, bleef de maagd langen tijd te midden van
den kerker staan, en overwoog wat de gevangenbewaarder haar had gezegd.
Zij kwam door hare gepeinzen tot het besluit dat er inderdaad nog veel
hoop op eenen gunstigen uitslag bestond; haar gemoed was verlicht.

Zij ging tot de tafel, schonk de melk in eene kleine kom en begon van
het brood te eten ...

Daar hoorde zij weder den sleutel in de deur steken. Zij stond met
blijdschap op en trad eenige stappen vooruit, in de verwachting dat
Reinbert terugkeerde, om haar eenig belangrijk nieuws van Robrecht te
brengen.

Toen de deur werd geopend, ontsnapte haar een kreet van verschriktheid,
en zij deinsde met eene uitdrukking van afkeer terug naar de tafel, waar
zij zich op den stoel liet nederzakken.

Disdir Vos stond voor haar.

Op een teeken van hem ging de gevangenbewaarder uit den kerker.

Haar met eenen bitteren grimlach in de oogen starende, zeide Disdir Vos:

"Ik kom tot u uit edelmoed, uit medelijden; en gij, Dakerlia, ik zie het
wel, gij haat hem altijd even vurig, den mensch, die, door loutere
liefde tot u vervoerd, zich in gevaar bracht zijn leven en zijne eer te
verliezen."

"Verrader, verkooper van Kerlingaland!" morde de maagd. "Voltrek uw
verfoeilijk werk: doe hem sterven, den Kerel, wiens edelheid, wiens
trouw aan land en vrijheid uwe lage ziel moeten beschamen!"

"Het is hij, het is Robrecht, niet waar", wedervoer Disdir Vos met
spottende koelheid, "die mij dus bij u heeft beschuldigd? Niets kon
Kerlingaland van den val behoeden. De ware oorzaak dezer ramp is de
langwijligheid, de lijdzame traagheid van den proost Bertulf, van den
kastelein Hacket, van Robrecht Sneloghe en van alwie met hem den Kerels
hebben belet tegen de Isegrims en tegen den graaf het geweld der wapenen
in te roepen, toen het nog tijd was."

"Valsch, valsch!" kreet Dakerlia verontwaardigd. "De ware oorzaak is de
moord van graaf Karel, afschuwelijke misdaad, waartoe gij, door uwen
raad, hebt geholpen, en die ons God en de gansche wereld tot vijanden
heeft gemaakt!"

"Ik ben niet gekomen om daarover te twisten", zeide Disdir, zich op
eenen stoel nederzettende. "Mijn tijd is kort; hoor met aandacht,
jonkver Wulf, wat ik u te melden heb ... De ridders, door den koning
benoemd om mher Sneloghe en zijne gezellen te vonnissen, gaan in de
Loove vergaderen. Het is slechts veinzerij, om in schijn ten minste te
voldoen aan de voorwaarde door de Kerels op hunne overgaaf gesteld. Men
zal zelfs zich niet gewaardigen de Kerels te onderhooren. Allen zullen
worden veroordeeld tot den schrikkelijksten marteldood. Gij schijnt mij
niet te gelooven?"

"Ware het zoo, welnu, zij zouden sterven zonder beven!" antwoordde
Dakerlia. "Maar zulk vonnis is niet zeker; gij zoudt nog kunnen bedrogen
worden in uwen onverbiddelijken haat. Indien de koning van Frankrijk
genade wil schenken aan Robrecht?"

"De koning van Frankrijk?"

"Ja, de koning."

"Aldus, men heeft u hier veropenbaard wat er in de Loove geschiedt?"
mompelde Disdir Vos, het hoofd schuddende. "Gij streelt u met eene
ijdele hoop, Dakerlia. Wel schijnt de koning geneigd om toe te geven aan
de smeekingen der schepenen; maar de veldheer, Gervaas Van Praet, in
naam van al ds Vlaamsche ridders, eischt den dood van mher Sneloghe, en
de koning zelf heeft betuigd dat hij zonder hunne toestemming geenen
enkelen Kerel het leven zal laten behouden. Hij is daartoe door zijnen
eigen eed verbonden. Robrecht zal dus sterven in de wreedste
martelpijnen, en zijn lijk zal onder de voeten der wapenknechten worden
vertreden ..."

"Mijn God, mijn God, zulk akelig lijden, zulke vernedering in den dood!"
kreet de maagd terugschrikkende. "Ach, kan niets, niets het gruwelijk
noodlot dan verbidden?"

"Ja, Dakerlia, gij alleen op aarde kunt Robrecht nog het leven redden."

"Ik, o hemel!"

"Hem redden en hem de vrijheid terugschenken."

"Eilaas, gij bedriegt mij door eene valsche hoop; gij wilt mij
verrassen!" zuchtte de maagd, terwijl zij, gansch ontmoedigd, het hoofd
op de borst liet vallen.

"Ziet gij, Dakerlia", sprak Disdir Vos, "ik heb den veldheer Gervaas Van
Praet groote diensten bewezen. Hij is mij nog daarvoor eene uitstekende
belooning schuldig. Vraag ik van hem, als kwijtschelding zijner belofte
jegens mij, levensgenade voor mher Sneloghe, dan zal hij zonder twijfel
mij mijne bede toestaan en den koning de goedwilligheid jegens Robrecht
aanraden. Zoudt gij mij dankbaar zijn, indien ik, alle andere gunsten
verzakende, de verlossing van Robrecht Sneloghe als het eenige loon
mijner zelfopoffering eischte?"

Dakerlia stond op en trad eenen stap vooruit; zij zag Disdir aan met
eenen smeekenden glimlach, die vriendschap of erkentenis scheen te
ademen.

Hij, door dien eersten straal van mogelijke genegenheid tot hem verrast
en ontroerd, greep Dakerlia's hand; maar als hadde deze aanraking haar
door een gevoel van afschuw tot bewustheid van haren toestand
teruggeroepen, de jonkvrouw ontrukte hem sidderend hare hand.

"Gij blijft onverbiddelijk voor mij!" gromde Disdir gekwetst. "Het zij
dan zoo, vergiet gij zelve het bloed van Robrecht uit haat tegen mij. Ik
vertrek en ga het woord uitspreken dat hem een doodvonnis moet zijn. Nog
een uur en zijn trillend lijk zal op het Zand, verminkt en verpletterd,
door de wapenknechten met voeten worden getreden ..."

Hij meende den kerker te verlaten; maar Dakerlia liep tot hem en
weerhield hem, terwijl zij bevend kermde:

"Disdir, Disdir, ach, wees barmhartig! Genade, genade voor hem!"

"Genade voor hem?" morde mher Vos, zich omkeerende. "Gij alleen,
Dakerlia, kunt hem het leven nog redden; een enkel woord van u is
daartoe genoeg."

"Een enkel woord? Welk woord?" stamelde de maagd met angstig
vooruitzicht.

"Zeg, dat gij na het vertrek van Robrecht,--want indien men hem het
leven spaart, zal hij zeker gebannen worden,--zeg, dat gij toestemt mij
tot echtgenoot te aanvaarden."

Een doffe schreeuw van afgrijzen ontsprong uit Dakerlia's benauwde
borst, en zij deinsde wankelend naar de tafel, waar zij met de hand
eenen steun zocht.

"Ik eisch niet", ging Disdir voort, "dat dit huwelijk in de eerste
maand voltrokken worde. Ik wil u den tijd gunnen om u aan de gedachte
van dit nieuw lot te gewennen. Beloof mij slechts op dit oogenblik, dat
gij aan uwe liefde voor mher Sneloghe verzaakt en laat mij de hoop dat
ik u ten altaar zal mogen leiden, zoohaast de herinnering aan uwe
tegenwoordige beproevingen genoeg zal verzwakt zijn, om in uw hart
plaats voor een ander gevoel te maken. Gij ziet het, ik ben toegevend
tot het uiterste; maar langer kan ik in dezen kerker niet blijven. Neem
een besluit: van dit opperst ja of neen hangt het leven van Robrecht af.
Zult gij mijne vrouw worden of niet?"

Dakerlia staarde hem aan met eenen zuren spotlach en met oogen die
eensklaps van heldhaftige trotschheid blonken.

"Gij antwoordt niet?" vroeg bij. "Gij veroordeelt dus Robrecht tot den
schandelijksten marteldood?"

"Uwe vrouw?" antwoordde de maagd. "Ik, Dakerlia Wulf, ik, eene Kerlinne,
uwe vrouw? Nooit, nooit! Doe ons allen sterven. God zal mij daarboven
met Robrecht, mijnen bruidegom, voor eeuwig vereenigen. Ha, gij meent
mij vatbaar voor vrees? Neen, neen, onze onplooibare standvastigheid tot
op het kapblok zal onze vijanden nog verbazen en de verraders van
Kerlingaland beschamen!"

"Gij bedriegt u in uwe zinnelooze hoop, jonkvrouw", schertste Disdir,
wiens hart met woede en spijt was vervuld. "Men heeft mij reeds uwe
genade toegestaan; noch gij noch de andere gevangene Kerlinnen zult
sterven. Gij moet leven, leven om mijne vrouw te worden!"

"Nooit, nooit!"

"Gij blijft in mijne macht; worstel zooveel gij wilt tegen een
onvermijdelijk noodlot, gij zult het onderstaan, met goeden wil of tegen
dank, ik heb het gezworen en ik herhaal u dien eed. Vaarwel, Dakerlia;
het bloed van mher Sneloghe valle terug op haar die weigert hem door een
enkel goed woord te redden. Ziet gij mij hier terug, het zal zijn om u
den dood van Robrecht aan te kondigen."

Hij stapte uit den kerker, en zelfs toen de deur was gesloten, hoorde
hij nog het woord "nooit! nooit!" hem achternaklinken.

Eene uitdrukking van haat en gramschap deed zijne scherpe lippen beven
en, terwijl hij over het plein van den burg stapte, mompelde hij sombere
bedreigingen tegen Robrecht en zelfs tegen Dakerlia.

Voor de poort der Loove trok Disdir Vos zijn zwaard en meende zich als
overste aan het hoofd van een gedeelte der wacht te stellen; maar zijn
plaatsvervanger zeide hem dat het gerechtshof reeds sedert eenigen tijd
was vergaderd en de koning zelf daar zooeven mher Gerhard Van Audenaarde
met eenige wapenknechten had gezonden om den gevangen Robrecht Sneloghe
voor de rechtbank te brengen.

Deze tijding bekommerde Disdir. Zou men de Kerels onderhooren? Was de
koning voornemens Robrecht genade te schenken en hoopte hij, in de
woorden van den jongen ridder het middel te vinden om aan de smeekingen
der poorters toe te geven? In alle geval, er moest in de besluiten der
ridders eene verandering gekomen zijn. Indien men Robrecht Sneloghe ging
sparen!

Disdir stak zijn zwaard in, gaf het bevel aan zijnen plaatsvervanger
over en trad binnen de Loove.

In de groote zaal, waar het gerechtshof zetelde, was een gedeelte
voorbehouden om den ridders toe te laten het uitspreken van het vonnis
bij te wonen.

Het was Disdir Vos gemakkelijk tot tegen de balie door te dringen; maar
hier dwong de tegenwoordigheid des konings hem tot eerbied en tot
stilte; en, hoe hij het ook vurig wenschte, hij kon den veldheer Gervaas
Van Praet, die tusschen de rechters zetelde, niet naderen, en moest zich
vergenoegen met hem, door herhaalde wenken en door gebaren, tot
onverbiddelijke strengheid aan te drijven.

In het diepe der zaal, onder een kostbaar verhemelte van roode zijde,
zat de koning van Frankrijk, Lodewijk de Dikke; nevens hem, aan de eene
zijde, Willem van Normandië, de nieuwe graaf, door hem benoemd, en aan
de andere Gervaas Van Praet, die om zijne uitstekende diensten tot de
waardigheid van kastelein van Brugge was verheven geworden.

Van wederkanten des troons zaten de rechters. Tusschen hen kon men de
heetste Isegrims, die onverbiddelijkste vijanden der Kerels; ja zelfs
Rambold Tancmar die, door den koning geroepen, in Brugge was
teruggekeerd.

Van zulke rechters was zeker geen onpartijdig vonnis voor de Kerels te
verwachten; tenzij nochtans in geval de wil des konings, stellig
uitgedrukt, hen tot toegevendheid had overgehaald; want zij waren den
Franschen vorst genoeg onderworpen om, zelfs tegen dank, een in schijn
zachtmoedig oordeel uit te brengen.

Op dit oogenblik doorliep eene siddering de leden van Disdir Vos. Zijne
herhaalde wenken en gebaren had mher Gervaas Van Praet nu door een
droevig schokschouderen beantwoord, als wilde hij beduiden dat de zaak
eene ongunstige wending had genomen, maar dat hij zich onmachtig
gevoelde om den wensch des konings langer te weder streven.

Disdir meende door nieuwe teekens zijne afkeuring te betuigen en den
veldheer tot krachtdadigheid aan te manen; maar nu werd er eene zijdeur
geopend, en Robrecht Sneloghe, door eenige wapenknechten geleid,
verscheen te midden der zaal.

Elkeen aanschouwde in stilte den jongen ridder, wiens gescheurde
kleederen en uitgeholde wangen getuigden van alwat hij had geleden
gedurende het beleg der kerk en des torens.

Hij hield het hoofd rechtop en aanschouwde den koning en de ridders met
eenen rustigen blik die, alhoewel trotsch en ontzagwekkend, toch niet
van zekere zachte verduldigheid was beroofd.

Een ridder, die nevens den graaf van Vlaanderen was gezeten en hier het
ambt van maarschalk vervulde, begon op een teeken des konings den
beschuldigde dus te ondervragen:

"Uw naam is Robrecht Sneloghe?"

De jonge ridder knikte bevestigend.

"Gij zijt een Kerel?"

"Ja, ik ben een Kerel!" antwoordde Robrecht, de stem met fierheid
verheffende.

"En gij beweert een vrij man te zijn?"

"Onze voorvaderen waren vrijgeboren lieden, en evenals zij komen hunne
zonen vrij ter wereld."

"Gij hoort toe aan het maagschap der Erembalds?"

"De proost van St-Donaas was mijn oom."

"Een Erembald, Burchard Knap, heeft den gruwelijksten moord gepleegd op
den wettigen graaf van Vlaanderen, Karel van Denemarken?"

"Het is waar."

"Gij zijt beschuldigd, ten minste door uwen raad tot de ijselijke
misdaad te hebben geholpen."

"Wie tegen mij getuigt is een valschaard", antwoordde Robrecht. "Ik
eerbiedigde graaf Karel als eenen vriend mijns vaders zaliger, en had
nooit de hoop verloren dat hij den Kerels rechtvaardigheid zou laten
wedervaren. Bij zijnen dood heb ik tranen van rouw en medelijden
gestort, en ik heb niet opgehouden mijnen afschuw voor zijne moordenaars
te betuigen."

"Gij hebt integendeel den moordenaar tegen de Vlaamsche ridders en zelfs
tegen den koning van Frankrijk verdedigd."

"Inderdaad; maar het is voor de Kerels een bloedplicht, hunne magen bij
te staan en tegen alle geweld te verdedigen, zoolang niet eene
wettelijke vierschaar over het verbreken heeft gevonnist."

"Dit is alles wat gij tot uwe verdediging hebt in te brengen?"

"Anders niet dan dat ik onschuldig ben aan den moord van graaf Karel en
zelfs ten prijze van al mijn bloed de afschuwelijke misdaad, die den val
van mijn vaderland heeft veroorzaakt, hadde willen beletten."

De maarschalk zag op naar den koning om hem te berichten dat de
ondervraging was geëindigd en zijne bevelen in te roepen.

Na eenige woorden met den graaf en met Gervaas Van Praet te hebben
gewisseld, verhief de Fransche vorst de stem en richtte zich tot
Robrecht Sneloghe.

"Gij hebt tienmaal den dood verdiend", zeide hij. "Te Veurne naamt gij
als aanleider een werkelijk deel aan eene samenspanning tot opstand
tegen uwen wettigen graaf; in dezen burg hebt gij weken lang den
moordenaar en zijne aanhangers verdedigd, en gij zijt meer dan anderen
de schuld dat er zooveel kostbaar bloed is moeten vergoten worden, om
wraak te nemen over den dood van graaf Karel. Gaven wij slechts gehoor
aan onzen plicht, wij zouden u onmiddellijk tot den pijnlijksten dood
moeten veroordeelen; maar de gebeden en smeekingen der goede lieden van
Brugge doen ons tot zachtmoedigheid jegens u overhellen. Wij zijn bereid
u het leven te schenken, op voorwaarde dat gij hier in het openbaar
erkennet dat de Kerels geene vrijgeboren lieden zijn, en gij verklaret
in alle geval, voor u en uw geslacht de vrijheid te verzaken[92]".

Een stille glimlach bewoog Robrechts lippen.

"Ik mij dienstbaar erkennen? Het juk der slavernij voor mij en mijn
geslacht aanvaarden? Onmogelijk, heer koning, liever twintigmaal den
dood dan zulke vernedering, dan zulke schande. Mijne voorvaderen zien
uit den hemel op mij neder; zij zullen daar niet te blozen hebben over
de lafhartigheid van hunnen zoon."

"Zinnelooze!" riep de koning, over zulke koele hardnekkigheid verbaasd,
"gij wilt mij dus dwingen u in de handen der beulen te leveren?"

Robrecht zweeg.

"Spreek een goed woord; de koning wenscht u het leven te sparen", zeide
hem Willem van Normandië.

"De koning kan mij niet redden", antwoordde Robrecht. "Er is eene
hoogere macht dan de zijne."

"Waarom? Wat wilt gij zeggen?" vroeg de graaf met verwondering.

"Omdat God zelf heeft beslist dat ik en mijne dappere gezellen moeten
sterven tot boete voor de snoode misdaad van Burchard Knap. Na onzen
dood zal de Heer des hemels misschien verzoend worden en zijne wrekende
hand oplichten van Kerlingaland."

"Kerlingaland heeft zijne vrijheid beslissend verloren en zal nimmer
opstaan uit de dienstbaarheid!" morde Rambold Tancmar, met eenen
zegevierenden spotlach.

Robrecht hief eensklaps het hoofd op en, terwijl zijne oogen van
ontroering glansden, sprak hij met luider stemme:

"Menschen kunnen bezwijken, een volk kan neergedrukt worden voor eenigen
tijd;--wij Kerels hebben dit lot reeds dikwijls onderstaan,--maar wat
niet kan versmacht worden, wat niet kan sterven, is de vrijheid. Wat gij
ook aanwendet om die ingeboren zucht der bewoners van Vlaanderen uit te
roeien, zij zal immer, als een onuitdoofbaar vuur opnieuw ontvlammen en
eindelijk hare vijanden verslinden. Uit het bloed der martelaars zelven
zal de verlossing opdagen, en eens zullen de zonen van het volk, dat gij
nu met voeten treedt, u dwingen tot eerbied voor zijn aangeboren recht
... Doet met mij naar uwen wil, ik ben bereid!"

Vooraleer hij deze laatste woorden had kunnen uitspreken, waren van alle
kanten wraakkreten tegen hem opgegaan, en de meeste ridders riepen
woedend:

"Ter dood, ter dood, de onbeschaamde!"

Maar de koning, door een teeken zijner hand, legde hun de stilte op en
zeide:

"Heeren, mij behoort het na beraadslaging der rechtbank over het lot van
den beschuldigde te beslissen. Men voere hem terug naar de gevangenis!"

Mher Sneloghe werd ter zaal uitgeleid en door de wapenknechten in den
grooten kerker gebracht, waar de andere Kerels, sedert zijn vertrek,
niet zonder angstige nieuwsgierigheid zich vroegen wat toch zijn
wedervaren voor het gerechtshof zou zijn.

Hij verhaalde hun hoe de koning van Frankrijk hem de genade des levens
had aangeboden, op de enkele voorwaarde dat hij de Kerels als in
dienstbaarheid geboren erkende, en verklaarde voor zijn geslacht alle
aanspraak op vrijheid te verzaken.

"Het is dus de dood ... de onvermijdelijke dood!" mompelden zijne
gezellen.

De meesten schenen bij deze schrikkelijke overtuiging geenszins
ontsteld. Slechts eenigen, die ongetwijfeld eene vrouw of kinderen of
andere geliefde wezens zouden achterlaten, bogen het hoofd en zonken weg
in eene sombere mijmering.

Het bleek evenwel schier onmiddellijk dat geen hunner, ware het zelfs om
meer dan één dierbaar leven te redden, zich bekwaam gevoelde tot het
aanvaarden der eeuwige slavernij. Werden zij voor de rechtbank geroepen,
zij zouden den koning en den Isegrims hetzelfde koel en trotsch antwoord
geven, dat zij uit den mond van mher Sneloghe hadden bekomen. Zij
wisten wel dat dit waarschijnlijk hun doodvonnis zou zijn; maar, zooals
Robrecht het zeide, hun bloed moest vlieten als een boetoffer, om den
vertoornden God met Kerlingaland te verzoenen.

[Illustratie: Robrecht hief eensklaps het hoofd op ... (Bladz. 519.)]

Zij besloten, als ware Kerels, onverschrokken en met eenen glim van
misprijzen op de lippen, alles te onderstaan, zelfs de wreedste
martelingen. Niemand hunner zou de minste klacht slaken, noch eenige
acht op de scheldwoorden of verwijten hunner vijanden slaan. Ja, zij
verbonden zich jegens elkander door eene plechtige belofte, in het uur
des doods zich gansch gevoelloos te toonen en geen enkel woord te
spreken, ten einde de verdrukkers van Kerlingaland door hunne koele
hardnekkigheid te beschamen. Zij zouden zelfs niet hoorbaar bidden, en
slechts op het laatste oogenblik hunne ziel in den grond des harten Gods
bevelen, voor hem getuigende, dat zij wilden sterven als zoenoffers
voor het heil en de vrijheid van Kerlingaland.

Met ongeduld wachtten zij nu dat men hen voor de rechtbank riepe; maar
wel een gansch uur ging er voorbij zonder dat zij iemand zagen
verschijnen.

Robrecht Sneloghe stapte met aangejaagdheid over en weder, om de wreede
ontroering zijns harten meester te blijven. Dakerlia zweefde voor zijne
oogen; zijne lippen murmelden een treurig en pijnlijk vaarwel. Hij zou
haar wellicht niet meer zien op aarde! Maar bij zulk gepeins voelde hij
dat er tranen in zijne oogen wilden opwellen, en hij sprak eene vuriger
taal nog tot zijne makkers, opdat de invloed zijner eigene woorden zijne
treurende ziele de macht leende om niet onder het gewicht der smart te
bezwijken.

De kerker werd eindelijk geopend, en een overste, door wapenknechten
vergezeld, riep bij name Ivo-den-wolvenjager en Benkin-den-schutter op,
om hem voor de rechtbank te volgen.

Men drukte den geroepenen de handen en herinnerde hun de gedane belofte
tot onplooibaren moed.

Ivo en Benkin volgden de wapenknechten, wel besloten den koning en den
Isegrims door hunne manhaftige taal te toonen dat tusschen den dood en
de slavernij een Kerel niet in zijne keus kon aarzelen.

Buiten het Gyselhuis gekomen, vonden zij daar nog andere wapenknechten,
aan wier hoofd Disdir Vos als overste zich bevond. Zij werden te midden
der wacht gesteld en over het plein geleid.

Hun scheen het zonderling dat de poorten van den burg gesloten waren en
men geenen enkelen poorter bemerkte. Bijna gansch het plein was overdekt
met gewapende benden.

Wat ging hier geschieden? Zou men, nog denzelfden dag en binnen den burg
hen ter dood brengen? Alles kondigde het hun aan. Deze gedachte deed hen
zwijgen en, zelfs toen Disdir Vos met barschheid Ivo-den-wolvenjager
voortstuwde, sprak deze geen woord, ofschoon hij den verkooper van
Kerlingaland kende en zijn hart van spijt en verontwaardiging
overstroomde.

Men bracht de twee gevangenen in de kerk van St-Donaas; zij meenden,
zooals het in dien tijd nog geschiedde, dat de koning en de ridders in
den tempel zouden vergaderd zijn; maar nauwelijks waren zij onder de
poort doorgetreden, of op een sein van Disdir Vos grepen een tiental
wapenknechten hen aan en bonden hun de handen op den rug.

Daar traden van onder de zijbeuk vier ongewapende mannen, wier
opgestroopte mouwen en gespierde armen getuigden dat zij gereed waren
tot het volvoeren van een werk dat lastig kon zijn en geweld vorderen.
Waren zij de beulen, die de Kerels moesten martelen?

Inderdaad, degene die onder hen de meester scheen, vatte
Ivo-den-wolvenjager bij den schouder en duwde hem naar de trap van den
toren, terwijl hij zeide:

"Makkers, alle tegenstand is nutteloos; gij zijt veroordeeld tot den
dood en moet sterven."

Een scherpe glimlach van misprijzen was het eenige antwoord der Kerels,
en zij volgden hunne beulen op de trap zonder den minsten onwil te
toonen.

Toen zij de groote gaanderij hadden bereikt, leidde men hen tegen de
leuning naar den kant die over de opene achterplaats van het klooster
uitzag.

"Beveelt uwe ziel aan God", morde de beul, "en haast u!"

Hij wees naar beneden en zeide:

"Ziedaar voor u de weg der eeuwigheid!"

Men zou dus de arme Kerels van den toren naar beneden werpen en zij
zouden daar op de vloersteenen, met hoofd en leden verbrijzeld, een
akelig einde vinden!

Wel doorliep eene ijskoude siddering de aders der gevangenen, toen zij
den blik nederstuurden in den afgrond die hen aangrijnsde als een
hongerig graf; maar zij bedwongen