Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Redevoeringen
Author: Conscience, Hendrik, 1812-1883
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Redevoeringen" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



HENDRIK CONSCIENCE

REDEVOERINGEN



REDEVOERING

UITGESPROKEN OP HET GRAF VAN VAN BRÉE, IN ZIJN LEVEN BESTIERDER DER
KONINKLIJKE ACADEMIE VAN ANTWERPEN (1839).


Mijne Heeren!

Het is met een ontroerd hart en met treurnis in de ziel, dat ik hier bij
den boord van het nijdige graf, eenen heiligen plicht kom vervullen;
niet alleen omdat mijne kunstgenooten, door mijne zwakke stem, hunne
laatste hulde van dankbaarheid aan den afgestorven meester willen
bewijzen; niet alleen omdat in mijnen boezem ook een kunstenaarsharte
slaat; maar het is tevens ter gedachtenis van een groot man, dien ik
achtte en beminde; en ik gevoel bij deze plechtigheid zulke diepe
droefheid als bij het eeuwig vaarwel eens vriends,--want hij, Van Brée,
heeft veel bijgedragen tot den roem van mijn vaderland.

Het is hij, wiens levenloos lichaam daar, in den eindeloozen slaap, voor
eeuwig rust, die de schitterende kunstkroon met zijne machtige hand
weder op het hoofd van België vestigde, wanneer deze haar ging
ontvallen. Ja, er was een tijdstip, en dit wel gedurende de laatste
jaren des grooten schilders Herreyns, dat wij onzen voorrang op andere
volkeren der wereld schenen te moeten verliezen. Er leefden nog wel
goede schilders; doch de verrukkende kunst van Rubens was onder ons
verzwakt; de Vlaamsche school verloor haren luister, en wellicht zouden
wij verplicht geworden zijn, van den vreemde de geheimen der kunst te
gaan afleeren.

Maar de werkzame, de krachtvolle Van Brée ontstak opnieuw het bijna
uitgedoofde vuur. Met onvermoeiden arbeid, ja met drift stortte hij zijn
eigen vernuft in jongere harten. De kennis van het verhevene schoon der
oudheid, welke hij zoo diep bezat, deelde hij mildelijk uit; en
waarlijk, hij deed meer dan men van eenen mensch verwachten mag: hij
verzuimde zijne eigene grootheid en faam, om anderen het vuur der kunst
en hare kennis in te drukken.

Ook, hoe heerlijk waren voor het vaderland de vruchten, die hij
aankweekte! Hoe groot zijn nu reeds de namen dergenen, die aan zijne
lessen de geheimen van het echte schoone verschuldigd zijn! Nauwelijks
had zijne stem eenige jaren in de zalen onzes museums weergalmd, of de
roem der Vlaamsche school spreidde zich opnieuw over alle gewesten uit,
en de vreemdeling keerde zijn gezicht weder naar Antwerpen als naar de
bron, waaruit ware kunst en diepe wetenschap te putten waren. Ja,
Italië, die classieke grond van alle beeldende kunsten, stond ons zijne
kroon af, om slechts nog met de werken zijner overledene meesters te
prijken.

Aan hem dus, aan Van Brée de eer van de Antwerpsche school in haren
vollen luister te hebben opgebeurd; aan hem de glorie van het vaderland
te hebben verheerlijkt. En daartoe heeft hij meer gedaan dan iemand in
een ander vak doen kan; want wij, klein in getal, kunnen ons niet door
het lot der wapenen boven andere volkeren verheffen; maar de kunst en
het vernuft hooren ons toe, en het is slechts door den geest, dat wij de
leermeesters van groote natiën kunnen zijn. Welke dankbaarheid zijn wij
dan niet verschuldigd aan hem, die ons den voorrang heeft behouden,
zelfs opnieuw heeft veroverd? Aan den priester, die op onze altaren die
heilige vlammen gevoed heeft, van welker gloed de grootheid en de faam
des vaderlands afhangen?

Nu heeft hij het lot van alle geschapenen ondergaan: de dood heeft hem
geraakt ... doch een man als hij sterft niet.

Het nageslacht zal in de openbare gebouwen de gewrochten zijner
behendige hand en de scheppingen van zijnen machtigen geest blijven
bewonderen, en ze als voorbeelden der strenge en grootsche kunst
bewaren. Niemand teekende met meer wetenschap der menschelijke vormen
dan hij; niemand bezat als hij de kennis der werktuigen, die in ons de
beweging gaande maken; en weinigen kunnen met hem voor de samenstelling
vergeleken worden.

Alhoewel zijn leven, als dat van alle kunstenaars, met veel bitterheid
gemengd was, had hij toch het genoegen zich gewaardeerd te zien:
onderscheidene vorsten begunstigden hem met de teekens hunner achting,
en hij werd om zijne schitterende verdiensten tot ridder en kommandeur
van verscheidene orden verheven. Zijne uitmuntende schilderijen: _Loting
van Athene_, _de Zieken genezen_, _Willem en Hembyze_ en _Rubens' dood_
zijn dáár om hem de onsterfelijkheid te verwerven.

O! wat wil ik meer eenen rechtvaardigen lof bij het stoffelijk
overblijfsel onzes grooten stadsgenoots uitspreken? Zou het noodig zijn,
den rouw en het verdriet met geweld op te wekken, in de tegenwoordigheid
van u allen, die onder zijn bestuur het eerste gevoel der kunst in uwen
boezem hebt voelen ontsteken? Voor u, die zoo dikwijls zijne stem hebt
gehoord, u met liefde onderwijzende, en die zoo menigmaal zijne, nu door
den dood bevrozene hand hebt gevoeld, die uwe nog onkundige hand
bestuurde?

En gij, die nu reeds groot in kunst zijt, gij, schilders, beeldhouwers,
op wie het vaderland zijne hoop op roem en glorie gevestigd heeft,
worden uwe harten niet met doodschen angst benepen, wanneer gij uwen
blik in die gapende aarde vallen laat, en wanneer gij denkt, dat hij,
die om u te onderwijzen, misschien zijne gezondheid gekrenkt heeft,
voor altijd, voor eeuwig aan uwe erkentenis wordt ontrukt? Heeft elke
schup aarde, welke met hollen klank op zijne doodkist nederviel, u niet
tot in het diepste uwer ziel ontroerd? Ja, bij dit laatste vaarwel
tusschen u en uwen meester, tusschen het leven en den dood, voert dit
graf uwen geest gewis naar de tijden terug, toen zijne strenge stem u in
de ooren klonk. Gij ziet hem nog in uwe verbeelding, en uw hart weent
bij die droeve heugenis aan uwen goeden meester.

Helaas! gij zult hem niet meer zien: de aarde bezit zijn lichaam, de
hemel zijne ziel....

Ik zie het, een diep gevoel van rouw en droefheid is in uwen boezem
gezonken; o, geeft eenen traan van dankbaarheid aan hem, die de
herboring der kunst onder u heeft doen ontstaan; geeft eenen traan van
liefde aan den meester, die u den weg tot de onsterfelijkheid heeft
aangewezen en de geheimen zijner ziel zoo mildelijk onder u heeft
uitgestrooid. Gevoelt gij niet, o, warme kunstenaren, dat uit dit graf
een wasem opstijgt, die u met inniger kunstgevoel vervult? Gevoelt gij
niet, dat uit uwe ontsteltenis iets groots kan geboren worden, en dat
gij op dit oogenblik met een machtiger vernuft zijt bezield? Dit gevoel
is uw grootste lof; het bezitte u lang, want het is eene edele
ontroering.

En zoo iemand onzer tot zooverre zijnen plicht vergeten kon, dat hij
ongevoelig bleve bij de droeve nagedachtenis des schilders, dan storte
hij eenen traan over den mensch; want de mensch heeft in hem als een
martelaar geleden, maanden lang met den bitteren dood geworsteld en al
de pijnen doorstaan, die ooit eenen mensch hebben gefolterd. Overweegt
hoe nijpend en hoe drukkend het voor hem moet geweest zijn, al de
krachten der ziel nog in zich te voelen gloeien, de innige vlam tot
kunstbewerking in zich nog te voelen branden, en die dorstige begeerte
niet te hebben kunnen voldoen. Verbeeldt u, wat pijn het hem moest zijn,
de glorie van België's kunst van alle zijden te hooren uitroepen, en
niet meer als te voren zijn deel te kunnen bijbrengen tot de grootmaking
des vaderlands. Gij, die een kunstenaarshart bezit, gij beseft die
foltering; o, zij was ijselijk!

Hij mocht echter gerust en tevreden zijne ziel aan God overgeven, want
van al den lof, dien onze kunstenaren in lang nog zullen verwerven, zal
hem altijd een deel toebehooren, en zijn naam zal nog lang alle
geprezene namen vergezellen.

O, Van Brée! uwe laatste oogenblikken waren pijnlijk; gij hebt veel
geleden; maar gewis heeft meer dan één profetisch gezicht uwen bitteren
doodsstrijd verzoet; gewis hebt gij den engel der toekomst bij uw
hoofdeinde zien zweven. Wellicht zal hij u een blad uit het
onvergankelijk boek der eeuwen getoond hebben, en gij zult daarop uwen
naam tusschen die van Rubens en zijne opvolgers hebben zien blinken. Ja,
gij mocht met die zoete hoop inslapen; want gelijk de Phoenix, die bij
de zon van Arabië uit zijne eigene asch heroprijst, zal uw roem na uwen
dood vergrooten, en uit dit graf zal uw naam bij de zon der
onsterfelijkheid glansrijker opstijgen. Eenmaal, ja, zal het duurzaam
koper ons een groot schilder en den beste der leermeesters wedergeven.

Ontvang dan, o zalige schim, ontvang in den schoot der Godheid het droef
en laatst vaarwel eeniger vrienden van het Vlaamsche vaderland, dat gij
hebt verheerlijkt.--Aan uwe ziel zij de eeuwige rust, aan uwe werken de
eeuwige roem!



REDEVOERING

UITGESPROKEN TER GELEGENHEID DER BENOEMING VAN DEN HEER GUSTAAF WAPPERS
TOT BESTIERDER DER KONINKLIJKE ACADEMIE VAN ANTWERPEN, DEN 31^{sten}
JANUARI 1840.


Mijn weldoener, mijn vriend! gelooft gij dat woorden mijne
zielsaandoening kunnen vertalen! Neen, een onuitdrukbaar gevoel ontroert
mij. O, ik zie aan uw voorhoofd de schitterende star, die als een licht
voor België's kunst zal schijnen;--nu omgeeft u eens de zoo lang
verdiende luister!--Ik ontwaar de vreugd in de oogen van al degenen, die
u om uwe grootheid en om uwen edelen moed beminnen ... en ik,--ik, dien
gij zoo liefderijk hebt behandeld,--wien gij uwe vriendschap zoo
onverdiend geschonken hebt,--ik zou niet tot verdwaaldheid toe van
zaligheid doordrongen zijn? Gij kent mijn hart, Gustaaf, en gij weet,
dat daarin aan uwen beminden naam een eeuwig altaar is opgericht.
Oordeel bij u zelven, of de woorden mij niet ontbreken moeten om u mijne
ontroering uit te drukken.

Maar de dankbaarheid, dit heilig gevoel, dat ik met liefde voor u
gevoed heb, dwingt mij tot spreken, hoe ontoereikend de gewone taal ook
zij....

Ik was een dwalend kind der kunst, zonder steun, zonder troost, en mijne
droefheid lag diep verborgen in mijnen boezem. Mij ontbrak grootheid en
waardeering.

Hoe edelmoedig schonkt gij mij die heilvlammen van mijn leven!--Gij hebt
mij met den naam van vriend genoemd, en die naam heeft steeds als een
troostend woord in mijn oor geklonken: het maakte mij zoo sterk, zoo
moedig! Want het scheen mij toe, dat de vriend van Gustaaf Wappers groot
genoeg was, om aan de bevechtingen van het lot te wederstaan. Ook dreef
de rampspoed en het ongeluk ongevoeld boven mijn hoofd: mijne glorie en
mijn onverderfbaar geluk bestonden en rustten in uwe edele ziel, die mij
hare hoogschatting en hare genegenheid geschonken had.

Weet gij niet, Gustaaf, in hoeverre de geest, die in mij leeft, zich aan
u verkleefd heeft, daar een woord van u, zoet of straf, de bestendige
gevoelsmeter van mijn hart was?

Gij hebt dikwijls gezien, hoe mijne oogen van vreugde blonken, wanneer
ik het opgepropt en benepen gevoel van mijnen overladen boezem in den
uwen had mogen uitstorten; en wat droefheid mij het hoofd nederboog,
wanneer het geval mij voor eenen tijd van u scheidde; want alhoewel ik
niet met uw uitstekend vernuft begaafd ben, toch heeft eene geheime
kracht, iets magnetisch, mij onweerstaanbaar tot u gedreven. Niet uit
laag belang, niet op hoop van stoffelijk voordeel, neen! maar gelijk aan
het klimmende veil, dat niet leven kan, tenzij het eenen eikeboom
omhelzen moge, heb ik, ootmoedig doch warm kunstenaar, mijn geluk en
mijn ongeluk aan de wisselingen van het lot gehecht. Hoe zaliglijk
moet ik dan ook in dit plechtig oogenblik niet ontroerd zijn, nu gij als
kunstvorst eenen troon beklimt, die met meer roem en met schooner
stralen omglansd is dan die van de koningen der aarde. Zij heerschen
over de stof, hunne macht steunt op geweld; maar gij heerscht over den
geest en over de ziel, en uwe wapens zijn de onsterfelijke werken uwer
handen.

Begrijpt gij, Gustaaf, wat hooge zending u is gegeven? Opperpriester in
den tempel der Vlaamsche kunsten, zijt gij het, die de geheimen der
glorie van het vaderland moet verkonden; uwe stem moet in het heiligdom
als een mirakel klinken, en België heeft op u de toekomst zijner
schilderschool gevestigd.

Wie kan toch die zending beter dan gij vervullen?--dan gij, die bij de
macht van het scheppende penseel ook de macht van den beseffenden geest
voegt, en die te gelijker tijd de betrekkingen der zichtbare natuur en
de bedekte aandoeningen der zielen meten kunt?

Die verheffing maakt u toch niet grooter in mijn oog; zij kan mijne
bewondering voor u niet vermeerderen,--maar zij doet u rechtvaardigheid,
en zij vervult uwen dankbaren vriend, wiens weldoener gij waart, met
streelende vreugd, omdat zijne gebeden eenen galm gevonden hebben voor
den troon van den God, die eenen straal van zijne scheppende kracht en
den geest van Rubens in uwen schedel heeft gestort.

Hoezeer, Gustaaf, moet uw eigen hart in dit oogenblik van genoegen vol
zijn, wanneer gij in het oog van uwen ouden vader eenen traan van geluk
en teederheid ziet blinken,--in het oog van hem, wiens bloed u door de
aderen stroomt en wiens grijze haren de verheerlijking van zijnen naam
en uwe grootmaking hebben mogen zien.--En de zalige ontroering uwer
liefderijke moeder, wie zou die beschrijven?--van haar, die haar kind,
de vrucht van haren schoot en het voorwerp harer bestendige
moederliefde, tot kunstvorst heeft hooren uitroepen, en die gewis, reeds
bij het hooren van dien roep, hare warme tranen op uwe wangen gesproeid
heeft.--En uw broeder, Gustaaf, die getrouwe vriend uws levens, die met
eene nooit volprezene deugd en edelheid van gemoed uwe verheffing en uwe
glorie als zijn eigen geluk, zonder achterdocht heeft bemind;--begrijpt
gij wat geestontheffing dien goeden broeder tot den hemel der
zielsverrukking opvoert.

O, ja, smaak een welverdiend geluk: verstaal uwen geest tot de
verheerlijking van uw vaderland, drijf den roem der Vlaamsche school tot
aan de palen der bekende wereld: leef lang, zeer lang, en laat eens uwen
onsterfelijken naam aan onze zonen als een erfdeel, waarop zij bij den
vreemdeling roemen mogen--en dat zij dan, na eeuwen tijds, nog met
erkentenis en hoogmoed, als eenen glorierijken roep aanheffen:

GUSTAAF WAPPERS was een Belg!



REDEVOERING

UITGESPROKEN BIJ HET BEELD VAN RUBENS, OP HET OOGENBLIK DER PLECHTIGE
ONTHULLING (1840).


Zal mijne stem zich verheffen, om u de verdiensten der scheppingen van
Rubens te ontleden? Kan ik eenen lauwer meer in zijne kroon vlechten?
Neen, tweehonderd jaren hebben zijne onsterfelijkheid bevestigd: twee
eeuwen rusten op zijn graf; doch zijn naam, zijn glorierijke naam
straalt nog gelijk de jonge zon des morgens!

Gij allen, die mij hoort, hebt meer dan eens in stille bewondering voor
zijne werken geknield; gij hebt meer dan eens met een ontroerd hart
gestaard op den goddelijken Christus, wiens hemelnatuur Rubens zoo
indrukwekkend in het menschelijk lichaam kon doen doorstralen:--en uwe
ziel heeft dikwijls, voor zijne tooverende tafereelen, deze aarde
verlaten om zich tot den hemel te verheffen. Ja, gij allen voelt de
macht van zijn penseel, gij kent de uitgestrektheid van zijn vernuft en
de breedte van zijnen geest.

Doch gij, afstammelingen van den grooten Rubens, gij zijt het niet
alleen, die zijnen naam als onsterfelijk op de historiebladen hebt
aangeteekend, niet alleen in België is het, dat zijne werken de tempels
der Christenen versieren:--overal blinken de kunstmirakelen van hem,
wiens reuzenbeeld wij tot de nakomelingen overzenden; in alle landen
wordt Rubens met eerbied en opgetogenheid als een wonder van kunst en
wetenschap genoemd.--Vraagt het aan de steden van het kunstrijk Italië,
aan Duitschland, aan Frankrijk, aan Engeland, en gij zult eenen enkelen
roep hooren opgaan, om de glorie van een Vlaamsch schilder te verkonden;
gij zult uw hart van hoogmoed en fierheid voelen opzwellen over den naam
van Belg, dien gij draagt.

Heden hebben wij der nagedachtenis van hem, die ons schoon vaderland met
eenen onvergankelijken luister overlaadde, eene schuld van dankbaarheid
en erkentenis betaald. Dit beeld, dat als eene onwrikbare rots de
stormen der eeuwen moet doorstaan, zal aan onze nakomelingen zeggen,
hoezeer het herboren Belgenland met het vuur der liefde tot de kunst
bezield was; het zal voor de toekomende geslachten getuigen, dat wij,
zonen van den onsterfelijken Rubens, zulken vader waardig waren.... Zijn
beeld worde een vuurbaak in het rijk der kunsten! Dat al degenen, die
zich iets grootsch in den schedel voelen, in welke stad het ook zij,
zich onverdeelbaar rond dit heilige gedenkteeken vereenigen:--want er is
voor ons slechts ééne school,--en dit is de Vlaamsche school. Haar
leidsman is de oude Rubens, haar meester de prachtige natuur, en haar
bewonderaar de wereld.

Wij, Belgen, zijn ootmoedig onder de volkeren, wij roemen niet veel op
de glorie van ons vaderland: wij overstroomen andere landen niet met het
verhaal der daden onzer vaderen ... en nochtans, er is op den aardbodem
geene natie die, in zoo klein getal als wij zijnde, zooveel lichtende
sterren aan den hemel der kunst gehecht heeft, geen grond, die op eene
zoo geringe uitgestrektheid zooveel doorluchtige mannen, als de
dierbare grond van België, dien wij betreden, heeft voortgebracht.

Wij hebben dit niet altijd geweten: er waren tijden dat wij, vreemde
helden roemende, de namen onzer eigene vaderen in den nacht der
vergetelheid begraven lieten;--maar heden, dat wij de oude vrijheid
hebben herwonnen, is ook in onze boezems een inniger gevoel van
eigenwaarde gedaald, en het Belgische volk is met zijnen leeuw uit eenen
langen slaap opgestaan. Heden, o gelukkige dag! hebben wij de eerste
grondzuil onzer jonge nationaliteit gevestigd, ja, de eerste vaste
grondzuil onzer toekomende verheffing.

Er zijn onder ons nog wel beelden opjgericht,--maar die zijn toegewijd
aan den roem van eenen oorlogsheld.--Het is in der waarheid eene wijde
wetenschap, honderdduizend man op een slagveld te schikken; het is wel
eene groote daad, zijn vaderland van de verwoesting te redden,--en hij,
die zijne broederen van de verdrukking en de slavernij der vreemden
bevrijdt, is groot!--maar ook, aan wat rampen zijn zijne heldendaden
niet verbonden?

Een onmeetbaar bloedbad is de schouwburg, waarop die wapenfeiten
geschieden; vernieling, armoede, hongersnood zijn hare trouwe gezellen,
terwijl de zoete kunst eene onafscheidbare zuster van den vrede en van
den bloei der volken is.

Zij kost geene tranen, zij; neen, zij streelt de ziel in eene zachte
verrukking; zij scheurt den sluier der blinde natuur af, om ons hare
geheimste schoonheden te laten doorgronden, en is als eene bestendige
lofzang tot den Heer, wiens werken zij verheerlijkt; zij drijft den
geest tot het goede, en, ons in bespiegeling opheffende tot Hem, die ons
geschapen heeft, verkort zij den afstand, die den mensch van zijnen God
scheidt. De kunst is die algemeene taal, welke men zoo lang te vergeefs
gezocht heeft: het is door haar alleen, dat alle volkeren der aarde eens
begrijpen zullen, dat zij broederen en kinderen van éénen enkelen en
machtigen Vader zijn. Het is in haar, dat de luister onzes vaderlands
rust; het is op hem (Rubens), en op diegenen, welke als hij de kroon
versieren, die België tot koningin der natiën maakt.

Ho, indien nog als voorheen de roem der wapens in den moed en de
dapperheid des mans besloten lag, zouden wij gewis ten dezen dage op
dien roem ook nog aanspraak mogen maken:--dit getuigen Jeruzalem en de
Sporenslag! Doch geene dapperheid, geen moed, geen beleid zijn heden
voldoende om, in de schaal der gebeurtenissen, tegen het getal op te
wegen; maar er is iets, dat nimmer tot het getal behooren kan, iets, dat
met het bloed onzes voorgeslachts door onze aderen stroomt en dit, dit
is kunst--de kracht des geestes en het scheppend vermogen der ziel!

Gebeurde het nu nog, o landgenaoten, dat iemand met kleinachting van
België dorst spreken, wijs dan op dit reuzenbeeld, op Rubens, wiens
kunstgewrochten de wereld verstommen, en uw antwoord zal hem doen
blozen; en, indien een vreemdeling u de heldendaden zijner vaderen op
duizenderlei wijzen komt verhalen, denk niet, dat hij grooter is dan
gij; o, neen, niemand is groot boven eenen Belg!

Van Dyck! Quellyn! Jordaens! Teniers! en gij allen, doorluchtige Belgen,
staat op uit het verledene; schaart u om het beeld van uwen meester, en
geeft getuigenis der grootheid van uw vaderland!

O, ja, in mijne zielsverrukking zie ik u! Daar staat gij allen met de
onsterfelijke kroon der kunst gesierd!

O, gij, zonen van het oude België, gij, wier roem op dit oogenblik door
duizenden uwer ontroerde broederen wordt uitgeroepen, dat uwe zalige
schimmen zich in onze dankbaarheid verblijden; gij ziet het, wij
verdienden de glorie van uwe namen te hebben geërfd.--Vraagt van den
God, bij wien gij woont, dat Hij het heilig vuur der kunst altijd onder
ons late vlammen; smeekt Hem, dat de stempel, waarmede Hij het geslacht
der Belgen geteekend heeft, nimmer worde uitgevaagd; en wij zullen Hem
eeuwig danken over het kleine plekje gronds, dat Hij ons op deze aarde
heeft geschonken; o, ja, want het is het schoonste, het heerlijkste der
wereld.



REDEVOERING

UITGESPROKEN OP DE VERGADERING VAN HET TAALVERBOND, TEN STADHUIZE VAN
BRUSSEL, DEN 11^{den} FEBRUARI 1844.


Mijne Heeren!

De verzekering dat Gij mij uwe welwillende aandacht zult gelieven te
verleenen, en de hoop dat mijne woorden niet zonder nut zullen zijn,
geven mij stoutmoedigheid genoeg, om in deze vergadering tot UEd. te
durven spreken.

Ik zal niet met UEd. in diepe overweging treden; verwacht van mij noch
ingewikkelde beredeneering, noch redekundig opstel,--mijne stem moet in
uwe harten de snaar der vaderlandsliefde gaan treffen, ons ontroeren van
vreugde bij de beschouwing der vruchten van onzen arbeid, en ons moed
inboezemen tot het vervullen onzer hooge zending. Dit is mijn doel.

Mijne Heeren!

Hij, die de geschiedenis van Vlaanderen lezende, den geest der
gebeurtenissen wil doorgronden, zal met ons bevinden, dat zij niets
anders is dan het verhaal der wisselvalligheden van den strijd, die nu
sedert achthonderd jaren op onzen bodem tusschen het Vlaamsen
grondbeginsel en den Romaanschen aandrang wordt geleverd.

In dit gevecht van den onbuigbaren moed tegen het getal, heeft het bloed
gestroomd van al de helden, wier namen gij met hoogmoed uitspreekt; het
is op dit veld, dat eens De Coninck en Breydel, Jacob en Philips Van
Artevelde het zwaard ophieven tegen de Romaansche heerschzucht;--en van
al de rampspoeden, die Vlaamsch-België zoo overvloedig moest doorstaan,
zijn er weinige, die niet het kenmerk dragen der verdrukking, door een
Zuidervolk ons aangedaan. Als voorwachten der Germaansche volksstammen
hebben onze vaderen tegen de Romaansche overweldiging geworsteld met
eene ontembare hardnekkigheid en met eene wonderbare
zelfopoffering.--Maar niet altijd kon leeuwenmoed opwegen tegen getal en
arglist. Bovenal in deze laatste tijden werd Vlaamsch-België weggesleept
door Europeesche gebeurtenissen, welke het niet toelieten eenigen
invloed op zijn eigen lot uit te oefenen. Dwars door alle staatsorkanen,
gekneusd en gewond door omwentelingen, kwam het vaderlijk erfdeel tot
ons in eenen hachelijken toestand.

De vreemde heerschzucht had de openbare verbastering ten troon gevoerd;
onze moedertaal, de taal der Vlaamsche helden, werd niet alleen miskend,
maar bespot en veracht; onze luisterrijke geschiedenis was vergeten; het
uitheemsche bederf stroomde langs alle zijden over onze grenzen tot in
den schoot onzer huisgezinnen; onze godsdienstige gevoelens, onze
rechtzinnige zeden, onze nationale roem, onze taal,--alles, alles ging
verzwinden in de gulzige kolk der Fransche goochelbeschaving. Reeds ja,
reeds lag de breede hand des tijds op den naam van Vlaming, om hem uit
het wereldboek te vegen.

Het is dan, Mijne Heeren, dat eenige afstammelingen der De Conincks en
der Artevelden, eenige Vlamingen met warmer bloed, in zich de verterende
vlam der verontwaardiging voelden ontsteken. Met het hoofd gebogen en
met verkropt gemoed aanschouwden zij de verbastering hunner broederen en
de verdrukking, waaronder het Vlaamsche grondbeginsel verzonken lag. Zij
zagen hoe de gunsten en het welzijn voor de Vlamingen niet waren; hoe
twee millioen hunner werkende broeders van alle beschaving, van allen
zedelijken voortgang verstoken en als tot de onwetendheid veroordeeld
bleven: zij zagen hoe het ongeloof, de echtbreuk, de spotternij, de
arglistigheid en de zelfmoord in duizenden boeken aan hunne landgenooten
als deugden werden voorgepredikt; in hun oor klonk de lastertaal van den
vreemde, en de hoon, het voorgeslacht aangedaan, doorvlijmde hunne
harten. Zij zagen het rood der schaamte de wangen bekleuren van den
Vlaming, aan wien een uitheemsche gelukzoeker vroeg tot welk volk hij
behoorde!

Hunne hoofden zonken dieper bij het aanschouwen van zulke vernedering;
hunne tranen vloeiden in stilte over het verlies van zoovele
herinneringen, die ons weleer eene roemrijke plaats tusschen de volkeren
der wereld hadden toegeruimd.

Eensklaps, alsof God zijnen vinger op hun voorhoofd hadde geplaatst en
tot elk van hen geroepen had: "Wees machtig!" eensklaps joeg hun hart
feller, de moed en het vertrouwen vervulden hunne boezems, en zij
spraken tot elkander:

"Zie, het vaderland staat op den boord van den afgrond, de vreemde legt
de bijl aan het gebouw onzer nationale glorie;--nog een kort tijdvak, en
de namen onzer vaderen, hunne heldendaden, onze schoone geschiedenis,
onze zeden, onze taal,--alles wat wij bezitten zal verloren zijn! De
Romaan zal zijne zegeliederen aanheffen op de graven van ons
voorgeslacht, en met eenen spotlach zal hij zeggen: hier leefde eens een
volk, dat den naam van Vlaming droeg!"

En hunne stemmen versmolten in eenen roep.--Gij hebt gezegd:

"Neen, de Romaan zal zijne zegeliederen niet aanheffen op de graven
onzer vaderen; hij zal zich niet verblijden in onzen val! Nogmaals zal
de naam van Vlaming hem glanzend in het oog blinken.... Voorwaarts, de
hand aan 't werk,--met verstaalden wil en onbuigbaar geduld onze
herinneringen opgegraven, de verbastering met zweepend geweld van onzen
bodem geweerd! Voorwaarts, het Vlaamsche vaderland moet gered!"

Dank moet Hij hebben, de God die ons insprak en ons macht verleende tot
dit groote werk!--Het vaderland is gered--het is gered! Nu staat het
niet meer op den afgrond, waar wij het hebben gevonden;--het zal niet
verloren gaan!...

       *       *       *       *       *

Mijne Heeren, vergeeft mij mijne begeestering. Wanneer ik van het
Vlaamsche vaderland spreek, kan ik de ontheffing mijner ziel niet
bedwingen ... ik ben ontroerd....

       *       *       *       *       *

Weinige jaren hebben wij besteed aan het wederopbouwen onzer nationale
waardigheid. Bekent met mij, dat het overzien van het reeds afgedane
gedeelte onzer taak ons met fierheid moet vervullen. Weet gij nog, dat
men in dien tijd zeide: "Uwe taal is een onverstaanbaar gebrabbel?" En
nu,--nu zegt men: "Het Vlaamsch heeft schoone werken voortgebracht, het
is de moedertaal van meer dan de helft der Belgen; deze taal moet
geëerbiedigd en ondersteund worden, eene roemrijke toekomst licht haar
vóór in hare baan...." En deze edelmoedige woorden, door eenen waardigen
Vlaming gesproken, zijn niet met eenen spotlach begroet geweest! Zij,
die onze moedertaal niet kennen, hebben geloof gegeven aan hare
schoonheid en aan de voorzegging van haren verdediger!

In den tijd, waarvan ik spreken wil, zouden hoon en smaad hem hebben
geantwoord.--Weet gij nog, dat men ons lachend vroeg: waar zijn de
jaarboeken uwer letterkunde? waar de voortbrengselen, die bewijzen, dat
de Vlaamsche taal de aandoeningen des harten kan uitdrukken?--En nu, nu
betreurt men dat men het Vlaamsch niet kent, om onze vaderlandsche
schriften te kunnen lezen. Weet gij nog, dat de moedertaal uit alle
bestuurszaken verbannen was, en dat een Vlaamsch burger voor de minste
zaak eenen vertaler noodig had?--En nu, nu dringt de moedertaal niet
alleen in onze gemeente-en provinciebesturen; maar zij klimt zelfs met
onweerstaanbaren voortgang tot bij den troon des konings; nu houdt het
groote Duitschland eenen vreugdevollen blik op ons gevestigd, het
herkent in ons de herboren zonen van het Noorden en juicht onze pogingen
toe;--nu klimt de stem _Vlaamsch België_ van uit de hoofdstad over het
aandachtig en luisterend vaderland!

O, broederen! dit is ons werk.--Dit hebben wij gewonnen door moed en
arbeid!... En klinken er nu zegeliederen op de graven van het
voorgeslacht, het zijn liederen, die onze wedergeboorte en onze
verheffing bezingen!

Dan, Mijne Heeren, kunnen wij ons met recht verblijden over den weg,
dien wij reeds hebben afgelegd, er blijft ons nog oneindig meer te doen;
de tijd is nog niet gekomen dat wij, met hoogmoed op ons werk starende
zullen mogen zeggen: het is gedaan,--onze zending is volbracht. Daarom,
altijd met vernieuwden moed vooruit, niet geslapen, niet gerust; altijd
gearbeid, altijd strijden voor het Vlaamsche vaderland, totdat de
kroon, die wij Vlaanderen voorbereiden, door ons of door onze zonen
gevlochten zij.

Laat u door niets wederhouden, door niets afschrikken; want onze strijd
is een vreedzame strijd des geestes; ons doel is wettelijk, lofbaar en
verheven.... Inderdaad, wat willen wij? Den godsdienst, de zeden en de
taal onzer vaderen van de verbastering bevrijden; onze twee millioen
broeders uit de vernedering en uit de verdrukking redden, hun eene
waardigheid geven, die hun arbeidzaam en zwoegend leven verdient; het
erfdeel onzer voorvaderen van den val bevrijden. Is dit geene wettelijke
en lofbare strekking?

En kwam iemand u zeggen: gij doet pogingen om het land aan twee stukken
te scheuren,--gelooft hem niet. Wij beminnen de landgenooten, ons door
hoogere beschikking tot broederen gegeven; wel hebben wij geworsteld, en
nog zullen wij worstelen tegen den voorrang van het Romaansch element:
maar kan hij, die zijn vaderland bemint, de verzwakking daarvan
wenschen? Kan hij begeeren, dat twist en tweespalt de inzwelging aan den
gemeenen vijand gemakkelijk maken? Neen, de eendracht met onze Waalsche
broeders is onze macht, en zij zal het blijven, nu men ons meer
rechtvaardigheid begint te doen. Veel hebben wij reeds verkregen: het
overige zal volgen; want geene macht op aarde, hoe hoog ook gezeten, kan
de taal der daadzaken wederstaan.

Maar ik bezweer u, landgenooten, bederft onze schoone zaak niet door
partijzucht, vertraagt onze wedereisching niet door driften, die aan de
Fransche beschaving zijn ontleend.

Herinnert u steeds de leus van het voorgeslacht: godsdienst, vorst en
vaderland.--Onze voorouders bezaten een stil en zuiver geloof in de
Alvoorzienigheid: dit geloof zij in onze voortbrengselen geëerbiedigd,
het beziele onze pogingen, opdat de uitheemsche twijfelgeest verjaagd
worde.--Onze vaderen hadden eenvoudige en kuische zeden, zij braken
nooit den band des huwelijks, waren trouw aan hun woord en rechtzinnig
in hunnen handel: die zeden moeten wij voeden en verspreiden, opdat het
vreemde vergift ontworteld worde.--Geen volk op aarde heeft meer liefde
tot zijne goede vorsten getoond dan onze vaderen: die liefde, die
getrouwheid zij ook in ons, opdat de vreemde omwentelingsgeest ons
vaderland niet aandoe,--opdat onze koning zich eens in de verkleefdheid
van het Vlaamsche volk verblijde--en opdat de worm der wroeging zijnen
angel zette in het hart van hem, die ons zoo valschelijk beschuldigd
heeft.

In één woord, alwat eerbiedwaardig is, zij door ons verdedigd, alwat
deugdzaam en lofbaar is, diene als grondsteen ter opbouwing van den
Vlaamschen tempel.... Maar, met heldenmoed en met de vaderlijke
hardnekkigheid de vreedzame strijd voortgezet, onverpoosd gekampt tegen
zedenbederf, verbastering en onrechtvaardigheid; met onwrikbare
overtuiging terug gevraagd wat men ons ontnam. Geene vervolging, geen
lijden overwogen.--Vooruit, zonder omzien, altijd vooruit naar het recht
en naar het goede. Het is voor moedertaal, voor godsdienst en voor
vaderland!



REDEVOERING UITGESPROKEN TE BRUSSEL, DEN l6{den} MAART 1846, BIJ HET
GRAF VAN JOZEF DE HOY, UITSTEKEND LEERLING DER KONINKLIJKE ACADEMIE VAN
ANTWERPEN.


Mijne Heeren en Vrienden!

Van verre kwamen wij naar de hoofdstad, om hier, op het stille veld des
doods, eenen heiligen, doch droeven plicht te vervullen. Dáár, in dat
gapende graf, rust het zielloos lijk van onzen vriend en broeder....
Gisteren nog lachte zijn schoon en mannelijk gelaat ons toe; wij hoorden
nog zijne zoete stem ons met geestdrift spreken over de edele bestemming
der kunst en over de schoonheid der natuur; wij zagen nog zijne oogen
blinken met het vuur der hoop op eene roemvolle toekomst;--en nu, nu
ligt hij dáár, in den schoot der aarde, bevrozen onder den kouden zoen
des doods--verloren voor zijn vaderland, voor zijne moeder en voor ons!

Pijnlijk is de gedachte, die in onzen geest opstaat bij dit laatst en
plechtig afscheid; maar hartscheurend wordt zij, wanneer wij ons
herinneren, welke schoone loopbaan beloofd was aan hem, over wiens
ontzield lichaam de aarde zich nu voor eeuwig sluiten gaat.

Ja, God had hem mildelijk bedeeld met al de gaven des lichaams en der
ziel: hij bezat in rijke maat het edel gemoed, de begeestering en de
scheppingskracht des kunstenaars. Ook had de Academie van Antwerpen,
wier beste leerling hij was, hem al hare lauwerkronen geschonken; hij,
ingesproken door het gevoel zijner voorbestemming, had zijne gansche
jeugd toegewijd aan het doorgronden der kunstgeheimen en aan het
betrachten der natuur, wier schoonheden hij met eene soort van
aanbidding bewonderde.

Na lange jaren van gewetensvollen arbeid, blonk dan eindelijk op zijn
voorhoofd eene sprankel des vernufts; de natuur had hem een gedeelte
harer geheimen laten raden: zijne werken droegen reeds den onmiskenbaren
stempel eener latere meesterhand. Wij allen, zijne vrienden, en de
Academie, zijne kunstmoeder, hoopten op hem als op eenen nieuwen luister
voor de Vlaamsche school.--Oh, zijn leven was schoon en zuiver als een
hemel: geen mensch kon hem zien zonder hem te beminnen; want zijn hart
scheen gevormd uit de vlammen van kunstvuur, liefde en dankbaarheid.
Vriendschap bestrooide zijn pad met altijd frissche bloemen....

En dan,--wanneer alles hem toelachte op deze wereld, als de baan des
roems zich voor hem geopend had, en dat wij, zijne leeraars, zijne
makkers, zijne kunstgenooten, voor hem met liefde eene toekomende
kunstkroon vlochten,--dan, dan kwam de nijdige dood en brak dien gouden
levensdraad af! Van die toekomst, van dien arbeid, van dien roem blijft,
eilaas, niets meer op de aarde dan dit koude lijk van onzen jongen
vriend!

O, stort tranen, gij Wappers, zijn meester en beschermer! U is een
lieveling en een zoon ontrukt. Zoo verijdelde de wreede slag van het lot
uwe lessen en uwe moeite, zoo vernietigde hij uwe zoetste hoop, zoo
doodde hij het zaad des vernufts, dat gij in zijnen schedel deedt
ontkiemen. O, ween bij dit graf: uw beminde kunstzoon is niet meer!

Stort gij ook tranen, gij, zijne leermeesters, die in name der
Antwerpsche kunstmoeder hem tot de laatste rustplaats vergezelt: de
Academie verliest in hem een waardigen en altijd dankbaren telg, die met
liefde voor haren roem en voor haar welzijn waakte, en door zijne zoete
deugden veel bijbracht om de eendracht in haren schoot te doen
heerschen. O, weent gij ook bij dit graf: uw dankbare leerling is niet
meer!

Stort gij ook tranen, gij zijne medeleerlingen en kunstgenooten.
Beklaagt hem, gij allen, die hem hebt gekend en bemind; treurt over het
verlies van zooveel arbeid en zooveel hoop; bevochtigt met smartwater de
aarde, die hem bedekken gaat, opdat het gras boven zijn gebeente zich
voede met de teekens uwer droefheid. Ach, weent: uw goede vriend, uw
jonge kunstmakker is niet meer!

En gij, betreurde broeder, rust zacht in den schoot des vaderlands!
Misschien was uw laatste uur bitter, omdat gij van uw doodbed te
vergeefs uwe handen naar ons uitstaakt, en sterven moest verre van uwe
Antwerpsche vrienden. O, wees getroost, dierbare doode. Zie neder van
uit uw nieuw vaderland: bij uw graf staan ze allen; zie uw goeden
meester, uwe leeraren, uwe medeleerlingen, uwe kunstgenooten tranen
storten over uwe vroege opvaart,--en verblijd u nogmaals, als op aarde,
in de uitgestrektheid onzer liefde tot U!

En nu, Jozef De Hoy, lieve broeder, uw graf gaat zich sluiten; met
verbrijzeld hart moeten wij het veld verlaten, waar uw gebeente rusten
zal.... Welaan dan, zalige ziele, ontvang in den schoot der Godheid ons
laatst en smartelijk Vaarwel!



REDEVOERING

UITGESPROKEN BIJ HET GRAF VAN J.F. WILLEMS, DEN 26^{sten} JUNI 1846.


Mijne Heeren en Kunstgenooten!

Door de Antwerpsche _Maatschappij ter bevordering van Nederduitsche
Taal-en Letterkunde_ gelast, bij dit plechtig rouwfeest in haren naam
het woord te voeren, is het met een diep gevoel van treurnis en van
ontzag dat ik dezen heiligen grond betreed.

Het is dan waar: in den schoot dezer aarde slaapt Willems! Hier, onder
onze voeten, rust hij voor eeuwig!

Dat statig hoofd, woonplaats van vernuft en geestkracht, ligt ontzenuwd
en loodzwaar neergezonken op het steenen rustbed!

Stom is de tolk, wiens machtig woord in aller zielen overtuiging en moed
storten kon,--stom de vaderlandsche nachtegaal, die het begeesterd
Vlaamsch lied, als eene stem uit het roemrijk verleden, in onze harten
zoo meesterlijk herklinken deed....

Het kind, dat, nog stamelend, reeds als een toegeheiligde Nazareër, als
een voorbestemde Eliacim, van wedereisching droomde, van moedertaal en
Vlaamschen roem voorspelde;--den jeugdigen man, die het verbasterd
nakroost opriep uit den slaap der verloochening, en den vreemde
uitdaagde tot den strijd voor Vlaanderens wedergeboorte: die op zijne
breede schouders den kruisboom der algemeene dwaling laden dorst; die,
vervolgd en gebannen, in de stilte der ballingschap het vaderland eenen
onsterfelijken roem bereidde;--den ouderling, die, als een reus in
geduld en wetenschap, de aarde der verledene eeuwen opgroef en
doorwroette, om de verlorene parelen onzer letterkroon op te zoeken; die
juichend over gansch Europa de vergetene diamanten weder glinsteren
deed:--_Slag van Woeringen_! _Brabantsche Yeesten_! _Reinaart_!
stralende gesteenten, door hem geslepen en beglansd in de diepte zijner
eenzame nachten!...

Eilaas, het kind, den man, den ouderling, den dichter, den strijder, den
geleerde--het nijdige graf heeft ze verzwolgen! Van hen blijft ons niets
meer dan hun eeuwige roem en het goede, dat ze hebben gesticht.

Gentsche bodem, gewijde rustakker van Vlaamsche helden en vaderlandsche
martelaars, aan Willems ook hebt gij eene plaats ingeruimd tusschen de
gebeenten uwer roemrijke vaderen. Wij benijden u dien dierbaren schat
niet. God heeft het zoo gewild.

Willems moest in zijnen dood zoowel als in zijn leven het ware beeld des
vaderlands zelven zijn. De Antwerpsche grond droeg zijne wiege en
hoorde zijne eerste zangen, Brabant werd verheerlijkt door zijne
schoonste meesterstukken; op den grond van Vlaanderen heeft hij gezwoegd
en geleden ... in den schoot van Vlaanderen moest Willems rusten; want,
was hij ook niet een Vlaamsch held, een vaderlandsch martelaar? Zijne
onvergankelijke nagedachtenis blijve aldus een band, door God zelf
gesmeed tusschen alle gouwen, waar de Dietsche tale klinkt!

Met het vochtig oog op dit graf gericht, beseffen wij dieper wat wij
hebben verloren; wij erkennen niet alleen, dat, sedert de uitverkorene
ten hemel opklom, een glansrijk en arbeidvol tijdstip gesloten is; maar
iedereen van ons gevoelt met angst, dat het Vlaamsche leger zijn
opperhoofd verloren heeft. Inderdaad, zoolang de veldheer het volle
leven genoot, stonden de Vlaamsche strijders als een ondoordringbare
muur vóór den vijand geschaard, altijd gereed om het heiligdom der
moedertaal tegen allen hoon te verdedigen, voor alle schennis te
bewaren.... De veldheer sneuvelde, de band was verbroken!

Als verstomd door dit onverwacht verlies, zonder leidsman en middelpunt,
liepen de Vlaamsche strijders gedeeltelijk uiteen en vergaten te waken
bij het pand, dat aan hunne gemeene macht was toevertrouwd. De vijand
sloop in het kamp en strooide er de verderfelijke zaden van mistrouwen
en verdeeldheid.

Was Willems' dood dan geene harde beproeving genoeg?--Ach neen! Eene
andere schitterende star moest den hemel onzer letterkunde nog
ontvallen; Ledeganck moest ook op zijne verbrijzelde harpe het hoofd
voor eeuwig te rusten leggen; de twee straalrijkste lampen in den tempel
der Vlaamsche kunst moesten door het wreede noodlot worden uitgedoofd!

En, als wilde eene geheime macht afmeten tot hoeverre der Vlamingen
standvastigheid gaat, als wilde zij beproeven, of onze vaderlandsche
zaak tegen het geweld der losgebrokene stormen bestand is, wierp zij
oneenigheid, tweespalt en verzwakking onder ons, terwijl onze harten
nog ontsteld waren van rouw en droefheid.

God, op welk tijdstip toch! Nu het bedreigde vaderland op ons roept, als
op de uitgelezensten zijner zonen; nu de zwangere onweerswolken op onze
grenzen samendrijven, nu de vreemdeling op onzen geboortegrond zelven
werktuigen gevonden heeft, om ons te verleiden tot de verzaking onzes
voorgeslachts, onzer moedertaal, onzer zeden, onzes verleden, onzer
toekomst; nu de tijd gekomen is om onze vijftienjarige beloften te
vervullen; nu iedereen, die zijn land bemint, het oog op ons gericht
houdt, om te weten of onze gloeiende zangen geene ijdele woorden waren;
nu alles, menschen en gebeurtenissen, ons toeroept: "het uur is daar!
toont wie gij zijt!" nu zijn wij oneenig! nu strijden wij met verdeelde
krachten, als hadden wij nooit in dezelfde rangen de wapenen van woord
en geest voor 's lands eere gevoerd; nu staan wij eendrachteloos en
zonder beraad, verspreid rond het heiligdom van ons bedreigd
volkebestaan!

Wie zal de verstrooide scharen weder vereenigen en ten strijde voeren
voor moedertaal en vaderland? Wie van ons heeft door zijne ondervinding,
door zijne lange loopbaan, door zijne wetenschap, door zijn kalm vernuft
nu reeds het recht bekomen om aan de spits zijner broederen te staan?

Willems alleen bezat dit recht; hij was wel metterdaad onze wettige
vorst in het rijk der vaderlandsche letteren, vermits dit rijk dreigt in
te storten bij zijnen dood. O, Willems, Ledeganck, roemrijk
bardenpaar, nu in de hemelzaligheid vereenigd, gij ziet wellicht met
treurnis van uit den schoot der Godheid op ons neer; misschien vertroost
onze dankbare hulde uwe schimmen niet gansch over het plicht vergeten,
waarin eene onbesefbare dwaling ons gedompeld houdt.--Zoudt gij vreezen,
dat de Vlaamsche scharen, door onderling mistrouwen verzwakt, eindelijk
bezwijken zullen? Dat uw voorbeeld, uw arbeid nutteloos zal worden
gemaakt?

Ha, neen! neen, niet waar? Gij verheugt u, omdat uw oog in het goddelijk
boek der toekomst heeft mogen lezen: _Het Vlaamsche volk zal niet
vergaan_! Gij lacht ons vroolijk toe uit den Hooge, omdat gij hoopt, dat
hier, bij uwe graven, omgeven door den wasem, die uit uw heilig
overschot opstijgt, wij onze harten openen zullen voor het volle gevoel
van onzen dierbaren plicht; omdat gij hoopt, dat een straal der
broederliefde ons verlichten zal; dat wij, overwegende wat uwe
nagedachtenis van ons eischt, ons mistrouwen zullen afleggen om met
vereende krachten te doen wat gij ons hebt voorgeleerd;--om den last te
volvoeren, welken gij, betreurde barden, met uwen roem ons tot erfdeel
naliet!

O, landgenooten, kunstvrienden, die uit alle gouwen van België hier op
Arteveldes geboortegrond, bij Willems' laatste rustplaats, vergaderd
zijt, o, mocht het zoo geschieden! Mocht in deze onze plechtige hulde
aan de nagedachtenis van eenen dierbaren doode het vaderland de weldaad
der herstelde eendracht vinden!

Zijn wij niet altemaal broeders in den Vlaamschen bloede? Is het niet
dezelfde zucht, die onze harten jagen doet? Arbeiden wij niet te gader
voor Vlaanderens grootheid?

Aanschouwt dit graf! Kan er wel een schooner altaar der broederliefde
voor Vlamingen zijn? Ach, ontsteken wij daarop de gewijde vlam der
eendracht; dat het onze gevoelens van oneenigheid als een zoenoffer
ontvange en vertere!--Dan zal Willems' gebeente van blijdschap trillen
onder den kouden steen; dan zal zijne zalige schim voor 's Heeren
aanschijn juichen op die zegepraal.... En wij, wij zullen onze zonen in
bedevaart naar hier geleiden, naar het Campo-Santo, waar de Vlaamsche
helden rusten, om God te danken over de hier behaalde
overwinning;--tusschen het gras, dat nevens de heilige graven zijne
halmen opschiet, zullen wij onze kinderen doen knielen, hun spreken van
den _Vader der Dietsche dichters altegader_[1], hun den welvaartszang
van den Vlaamschen zwaan[2] leeren stamelen, en ze doen bidden voor
moedertaal en vaderland!



REDEVOERING

UITGESPROKEN OP HET GROOT MUZIEKFEEST TEN VOORDEELE DER SLACHTOFFERS VAN
DEN HONGERSNOOD IN VLAANDEREN (1847).

Mijnheeren en Mevrouwen!

Wij vieren heden het blijde feest der zedelijke wedergeboorte onzes
vaderlands. Deze zaal weergalmt van vreugdeliederen,--nog klinkt aan ons
luisterend oor het schoone gezang der verleidende vrouwenstem,--alles
ademt hier voldoening en geestdrift.

       *       *       *       *       *

Ach, de onweerstaanbare stem des gewetens en des plichts dwingt mij die
vreugde te storen. Ik moet eenen snijdenden noodkreet tusschen onze
jubeltonen mengen,--uwe gemoederen met pijn vervullen,--tranen doen
storten misschien!

Maar indien gij met ontheffing onze blijde zegeliederen aanhoordet, zult
gij toch uw hart niet sluiten voor de droeve stem onzer stervende
broeders. Gij zult mij aanmoedigen, niet waar?--Ja, want het is in naam
der heilige menschenliefde--dit schoonste kenmerk van der Belgen
geslacht--dat ik een akelig graftooneel voor uwe oogen openspreiden ga.

Vlaanderen! Vlaanderen!--Die naam, zoo vermaard, was eens het zinnebeeld
van rijkdom, van nijverheid, van kunstmin, van heldenmoed; in de gansche
wereld wekte hij de gedachte op van een uitgelezen volk, dat met het
zweet zijns aanschijns eene woestijn tot een aartsparadijs had
herschapen.--Begroet als de geboortegrond der volksvrijheid, bewonderd
als de wieg van een heldengeslacht, bemind als het tweede vaderland der
kunsten....

Vlaanderen! Vlaanderen! Nu is die naam een gebed,--eene klacht, die
oprijst uit een onmeetbaar graf--een doodsschreeuw, die vergaat op de
lippen der stervenden; een laatst vaarwel, door onze bezwijkende
broeders ons toegestuurd! Waar is nu het heldenvolk? het nijverig
geslacht, dat zich uit de zandige vlakte den schoonen lusthof van Europa
bouwde? Waar zijn de afstammelingen van De Coninck, van Artevelde, van
Van Eyck, van Stevyn?

Eilaas, het grieft mij, dat ik de bloedige wonden mijns vaderlands
ontblooten moet ... maar laat uw geest mij volgen,--ik zal u toonen,
waar ze zijn en wat ze lijden!....

       *       *       *       *       *

Hier is het koud, niet waar? Hier, in de stilte des doods, beklemt het
hart zich met afgrijzen en met schrik.--Wij zijn in het rijk des
hongersnoods.

Ziet gij ginds die halfnaakte menschenschimmen bij hoopen over de woeste
velden dwalen en zoeken, gelijk de raven doen? Ziet, hoe machteloos zij
hunne stramme leden over de sneeuw voortsleepen! Eene onuitsprekelijke
pijn doorwoelt hun ingewand, hun oog is zonder leven, de aschverf der
verkwijning ontkleurt hun aangezicht--zij hebben honger en zoeken
voedsel. Daar valt er een, die niet meer op zal staan--nog een--nog
meer! De hoopen verminderen; zij zaaien hunne lijken langs de baan;
niemand ziet om naar den gevallen broeder; want ieder voelt ook de
ijskoude hand des doods op zijnen verengden boezem drukken.--De
hongersnood geeselt die levende geraamten voort; zij bukken het hoofd
nog dieper in de wanhoop en dwalen sprakeloos verder--altijd
verder;--misschien totdat de laatste gevallen zij!...

       *       *       *       *       *

Richt uw oog voorbij gindsche boomen. Ziet gij daar niet die bewegende
grauwe vlekken op de sneeuw? Het zijn dieren, die eene prooi zoeken,
niet waar? Neen, neen, menschen zijn het: vrouwen en kinderen, die
huilend over het rapenveld kruipen en hunne ontvleesde vingeren ten
bloede krabben, om aan den bevrozen grond nog een uur levens te
ontrukken. Hier ook liggen er reeds ontzield, met het logenachtig
voedsel in de verkrampte vuist!...

       *       *       *       *       *

Dáár, voor ons, schiet een kerkje zijne blauwe torenspits ten hemel. Het
is een dorp, befaamd om de werkzame nijverheid zijner inwoners. Vóór
eenige jaren galmde in elke dezer hutten het gerucht des arbeids en het
heldere gezang der levensvreugd; gezondheid en kracht blonken als rozen
op het gelaat der kinderen; de moeder zat er weltevreden, met den lieven
zuigeling op den schoot, nevens het getouw van eenen moedigen vader,
eenen beminden echtgenoot!

Nu?--nu zwijgt er alles: men zou zeggen, dat de inwoners in eenen diepen
slaap verzonken liggen.--Dwaling, dwaling! Daarbinnen, achter die stomme
muren, zitten ook van die geraamten met wanhoop in elkanders oogen te
staren, en sprakeloos wachtend op den roep van God!

Opent eene deur--kiest toch niet--de hongersnood verschoonde hier
niemand.... Zie, dáárop zijn verbrijzeld getouw zit de Vlaamsche
arbeider; nevens hem, op wat stroo, ligt het lijk van zijn oudste
zoontje,--een ander kind omvat zijne knieën en huilt om voedsel. Wat
verder zit de moeder; zij drukt haren zuigeling tegen de borst en
bevochtigt zijne dorre lippekens met hare tranen. Arme vrouw Zij lijdt
honderdmaal, want het is de vrucht haars lichaams, die snikt en in hare
armen sterven gaat! Wee, wee, te midden van het stomme huisgezin staat
een afgrijselijk spook te lachen: de dood, die loert en wacht....

       *       *       *       *       *

Komt aan, verlaten wij dit akelig graf. Moed is er noodig tot het
volbrengen onzer droeve reis:--overal lijken, overal stervenden, overal
hongerige zwermen....

Luistert, in dit dorp galmen menschenstemmen. Ha, dáár, op eene kraam,
liggen vele stukken vleesch. God dank, hier is nooddruft, hier zal
vreugde zijn!--Ach, neen, hier ook is lijden. Ziet, hoe honderden
vrouwen en kinderen daar staan en weenen; hoe de mannen hunne boezems
met de nagels verscheuren, hoe men huilt, hoe men kruipt en in krampen
spartelt bij het gezicht van het nog bloedend voedsel. Eilaas, de
redding, het leven lacht hun spottend toe;--de ijselijkste martelpijnen
moeten ze doorstaan;--want dit vleesch is niet voor hen: het is te
koop,--men moet rijk zijn om er eene bete van te verkrijgen.... En
nochtans,--o God, hoe schrikkelijk;--het is paardenvleesch,
hondenvleesch!

       *       *       *       *       *

Maar daar stormt de brandklok! het vuur verteert eene boerenwoning. Die
ongelukkigen loopen er naartoe; want elk nieuw voorval brengt immers
eene nieuwe hoop?--Reeds klimmen de vlammen boven het dak,--het huis
stort in.... Ziet, daar loopen ze halfnaakt door het vuur en sleuren,
met juichende zegeroepen, den verkoolden romp van een dier uit den
brand. Vrouwen, kinderen, mannen werpen zich op de onverwachte prooi; ze
scheuren het zwarte vleesch van het gebeente en verslinden het met den
lach der zaligheid op den mond. Andere zwermen komen toegeloopen; men
strijdt, men vecht om een deel van het akelig voedsel.--Welhaast is het
dier verdwenen. Honderden, die te laat kwamen, blijven in vertwijfeling
op de bloedige plaats staren, waar anderen verkwikking vonden, en rukken
zich de haren uit het hoofd, omdat zij bij het wellustig feestmaal niet
mochten tegenwoordig zijn!

Och, genoeg, genoeg! Het hart scheurt bij het gezicht van zooveel
lijden. Ontvluchten wij dit afgrijselijk oord; keeren wij terug naar
streken, waar men het gevoel des doods en der verkwijning zoo niet met
de lucht inademt. Wij zullen onder eenen klaarderen hemel tranen storten
over het lot onzer broederen....

       *       *       *       *       *

Mijnheeren en mevrouwen, welke ook de gedachte zij, die Gij u tot heden
over den nood in Vlaanderen gevormd hebt, toch zult gij wellicht het
tooneel, dat ik u voorschetste, aanzien als te zeer overdreven en de
waarheid voorbijloopend. Gave God, dat dit vermoeden gegrond ware! Maar,
eilaas, het is zoo niet. Mijn woord is integendeel niet machtig genoeg,
om u het tafereel van Vlaanderens ellende in al zijne akeligheid voor
oogen te stellen.--Het is waar, dat de hongersnood het bloed van
Artevelde in de aderen zijner zonen ontsteekt en bederft; het is waar,
dat het nageslacht van De Coninck, van Breydel, van Borluut als een hoop
hongerige wolven over de velden dwaalt en het rapenloof als eene
lekkernij verslindt; het is waar, dat gansche dorpen bijna uitgestorven
zijn; het is waar, dat men hondenvleesch verkoopt; het is waar, dat
niet verre van ons, te midden van ons schoon en rijk vaderland, eene
gansche bevolking verkwijnt en in het graf zinkt!...

Wat gedaan in zulken onmeetbaren nood? Wat mag Vlaanderen nog redden?
Wie kan die nedergeslagene, die zieltogende natie krachten verleenen om
betere dagen te gemoet te zien?

Zouden wij de hoop gansch uit onze harten laten vervliegen en met
eenigen onzer landgenooten voor alle antwoord zeggen:--_de Dood_? Neen,
neen, gansch België heeft geroepen:--_Weldadigheid_! Weldadigheid zal
Vlaanderen steunen, totdat de morgenstond der redding de kim verlichte!

O, wat is het schoon, eene geheele bevolking, zonder onderscheid van
taal of afkomst, tegen den vreeselijken hongersnood te zien kampen, met
de heilige wapenen der menschenliefde, en der barmhartigheid! Te zien,
hoe stramme priesters den reisstok in de hand nemen, en als ware beelden
van hunnen goddelijken meester zich over het vaderland verspreiden, om
erbarming te roepen over hunne lijdende schapen! Hoe de Belgische
vrouwen,--engelen des troostes op deze aarde,--hunne betooverende stem
nog zoeter maken om de harten te treffen! Hoe het gevoel van
weldadigheid alles heeft weten te bevruchten, en tot nevens de minst
ingetogene vermaken zelfs een gebed heeft geplaatst! Hoe een
tachtigjarige grijsaard tot zijn bed toe verhoopt, om nog eenigen zijner
broeders te kunnen laven! Hoe uit alle steden, uit alle huizen, uit alle
hutten de verzamelde liefdepenningen als een regen der verkwikking over
het snakkend Vlaanderen worden gespreid!

Ach, en toch hebben al deze vereenigde krachten den schrikkelijken
hongersnood nog niet kunnen verdrijven; maar het heilig werk is
begonnen; reeds zijn er duizenden uit de armen des doods ontworsteld.
God zal welhaast zijne machtige dienaresse, de zon, ons tot strijdgenoot
verleenen; Hij zal den vruchtbaren schoot der aarde ontsluiten en het
zaad zegenen, dat de menschenliefde zelve over den akker zal hebben
gestrooid. Ja, ja, de Belgische weldadigheid zal zegepralen over de
plaag!--En dan, dan zullen wij met nog meer innigheid het vaderland
beminnen, dat aan zijne reeds zoo luisterrijke kroon nog die
allerschoonste parel des roems zal hebben gehecht; dan zullen wij weten,
dat alle Belgen broeders zijn, wanneer een zelfde band van edelmoed en
goedheid ze onafscheidbaar zal omsluiten.--En misschien--de geest der
toekomst roept het aan mijn oor--misschien zal het schoone Vlaanderen
nog eens het hoofd uit het graf verheffen, en aan den hemel der natiën
blinken als de star der nijverheid en der volkskracht!...

       *       *       *       *       *

Gij ook, die met ontroering op mijne stem hebt geluisterd, gij zult het
arme Vlaanderen niet vergeten, niet waar? Gij zult ook deel willen nemen
in den strijd tegen den hongersnood? Gij zult nog eene aalmoes geven?
Ach, om Gods wil!--gedenk dat het penningsken, dat gij wegschenkt,
misschien nog intijds zal komen om eene stervende moeder te redden van
den dood!



REDEVOERING

UITGESPROKEN BIJ HET GRAF VAN THEODOOR VAN RYSWYCK, DEN 10^{den} MEI
1849.


O, Heer! voor welk onbekend verbreken boeten wij dan, dat Uwe hand zoo
loodzwaar op ons nederzakt? Eilaas, de tijden zijn verre, dat wij in
saamgestemde tonen het heilig loflied ter eere des vaderlands deden
schallen,--dat wij, moedig en vroolijk, voor het goede streden en U
juichend dankten bij elke zegepraal op verbastering en volksbederf
behaald! Nu is alles duister en akelig op onze baan: onze vaderlandsche
feesten zijn sombere lijktochten, onze vergaderplaats het veld des
doods, onze zangen het eeuwige vaarwel, bij het graf onzer dierbaarste
broeders gesnikt....

Nog treurt het hopeloos Vlaanderen over de vroege opvaart zijner edelste
zonen, nog zwoegt het weenend om den gedenksteen op het graf van den
Gentschen zwaan[3] te rollen, nog bloedt het uit zijne dubbele wonde ...
en reeds bonst een nieuwe noodkreet uit zijne scheurende ingewanden over
het neerslachtig vaderland!

Bij een ander graf--het laatste, dat wij sidderend zagen
sluiten--durfden wij hopen, dat de storm had uitgewoed. Twee eiken
kruinen lagen ontworteld en verbrijzeld ten gronde....[4] Het offer was
volbracht? Eilaas, neen, neen! Nog ergens, in een welig oord bij de
Schelde, bloeide een frissche wilg, in de volle kracht zijner
oorspronkelijke milde natuur. Bij den minsten zucht, die zijn loover als
de snaren eener harp deed trillen, liep het volk luisterend toe, en het
bewonderde met dankbare aandacht de zoete liederen, die als
dauwdruppelen glinsterend en zoel in de harten vielen, troost en balsem
goten over het wee des vaderlands en de taal onzer moeder deden beminnen
om hare harmonische en bekoorlijke zachtheid.

Een voorbode des doods schoot nevens den frisschen boom voorbij en
zengde zijn welig gebladerte: de zingende wilg verdorde langzaam--en
stierf: kruin en stam vielen ter aarde. Niets meer, niets meer van hem
dan de onvergankelijke naklank zijner betooverende liederen....

Niet genoeg dat de _Vlaamsche Nestor_ van tusschen ons werd weggemaaid,
niet genoeg dat de wreede dood het lied in de keel des _Vlaamschen
Nachtegaals_ verworgen kwam ... ook de _Vlaamsche Bard_, de vroolijke
zanger des volks moest ons verlaten--lijden en sterven als een
martelaar.



Daar ligt hij.... Van Ryswyck! bevrozen onder den kouden zoen des doods
... en met hem zinkt voor eeuwig in den schoot der aarde zijne
wonderlier, die het ingewand des volks trillen deed.

Van Ryswyck! gij waart mijn eerste strijdgenoot. Samen trokken wij te
velde tegen de vijanden van ons geslacht; samen verhieven wij het zwaard
des woords, om den naam der voorvaderen te wreken en Vlaanderen op te
heffen uit de vernedering. Terwijl ik dorst beproeven het vroegere
heldendom ten voorbeeld onzer broederen op te roepen, stroomden van uwe
lier mannelijke en machtige zangen, die het vaderland doorklonken en mij
den boezem van hoop en vertrouwen deden zwellen. Mij suist nog in het
oor:

Verheft het hart, verheft de stem;
Het klinke uit ieders mond:
Wat lot ons dreig', wat leed ons naak,
Ten strijde voor de moederspraak,
  Op vaderlandschen grond!
Dreunt luid, der vadren taal ter eer;
Klinkt, zangen, klinkt in 't rond!
Van hier met vreemden pronk en praal
Wij zingen in der vadren taal
  Op vaderlandschen grond![5]

Van Ryswyck, diep betreurde broeder, het lot heeft ons in een
verschillend pad geleid; doch achting, liefde heeft altijd tusschen ons
voortbestaan. Onze baan voerde ons toch zoo menigmaal weder te zamen!
Hoe dikwijls hebben onze handen in de eenzaamheid in elkander
gegloeid;--hoe dikwijls ontstroomden onzen lippen woorden van
begeestering, om elkander aan te moedigen tot den nationalen strijd! Hoe
dikwijls verspraken wij elkander eene onverbrekelijke broedertrouw!

Ah, die trouw is niet verbroken geworden. Moge eenige schaduw de
vriendschap tusschen ons overneveld hebben, het hart toch bleef goed....
Ja, bij uw nog ongesloten graf zeg ik het met de diepste overtuiging:
gij hebt uwen strijdmakker blijven achten en beminnen, gelijk hij nooit
een onvriendelijk gevoel tegen u in zijnen boezem toeliet. De traan van
rouw en verdriet, die uwen ouden wapenbroeder nu bij den rand van uw
graf ontrolt, moge uwe ziel in den schoot der Godheid verheugen en u
zeggen, dat ik uw hart heb gekend en geschat....

Taalgenooten, vrienden, gij, die met mij de aarde zijner laatste
rustplaats bevochtigt en snikkend nederziet in den gapenden kuil, die
zijn stoffelijk overblijfsel verslinden gaat, uwe smart is onzeglijk,
niet waar? Het vaderland, al wie Vlaming is en Vlaanderens roem bemint,
moet weenen! inderdaad! Die zwijgende baar omsluit voor eeuwig den
goeden, minnelijken zanger, wiens voetstappen een eeuwig spoor van
troost en blijdschap nalieten, uit wiens zachte blikken de opgeruimdheid
des harten en de vriendschap straalden, wiens aanzijn vreugde en
levenslust verspreidde waar hij kwam ... hij, het ware beeld der
voorvaderlijke gulhartigheid!

Kind der natuur, begaafd met eenen milden gloed van betooverende
zielsharmonie, worstelde hij moedig tegen smart en verdriet om zijne
zending te vervullen; hij verhief zich door eigene krachten, boeide het
luisterend volk aan zijne lippen en verwierf, met eenen welverdienden
roem, den eernaam van Vlaanderens lieveling.... Misschien ging het lot
hem gunstig worden, misschien ging hij eenige rust genieten in zijn
hobbelig en pijnlijk levenspad: maar, eilaas, een ijselijk wee verbrak
de vaderlandsche harp in zijne handen, de heilige lamp der poëzie doofde
langzaam uit,--en, na onbedenkbaar lijden, legde hij, vermoeid en
afgemat, het hoofd op zijn eens zoo verleidend en zoo machtig speeltuig
neder.

Indien iets bij dit graf zijne bedrukte ouders, broeders en vrienden
troosten kunne, dan zij het de overtuiging, dat Van Ryswycks dierbare
naam zal leven, zoolang uit eenen Vlaamschen mond de Dietsche tale
klinkt. Die naam hoort toe aan de geschiedenis onzer letterkunde, door
de onschatbare parelen van ingeboren vernuft en van dichterlijke
harmonie, die in zijne werken liggen opgesloten; hij hoort toe aan onze
zonen, die de liederen van den minnelijken Vlaamschen zanger niet kunnen
vergeten.

En nu, taalgenooten, zal dit graf zelf, zal onze gemeene smart ons niet
indachtig maken, dat het nieuw en onherstelbaar verlies, waarmede het
lijdend Vlaanderen geslagen wordt, de vereeniging onzer krachten noodig
maakt tot het voltrekken van het gebouw, waaraan Van Ryswyck zoo
onverpoosd heeft gearbeid? Zullen wij ongevoelig blijven aan den roep,
dien hij, als door profetische inspraak gedreven, ons in betere tijden
toestuurde:

Broeders, komt, de wraak gebluscht
In het boos gemoed.
Komt, elkaar in vree gekust,
En voor 't kwaad geboet.

't Leven is zoo kort en broos,
Om 't door haat en nijd
Te verbittren voor altoos,
Tot ons eeuwig spijt.

Vrede, trouw en broedermin
Zij ons eenigst doel,
Met een onverzetbren zin
En een rein gevoel.

Wie bestaat, die nooit misdeed,
Vrij van vlek en blaam...?
Dus, vergeven wij het leed,
In des Heeren naam!

Ja, mocht de nagedachtenis van een en dierbaren doode onze harten
vermurwen; mocht eindelijk het treurend vaderland in onze verzoening een
gedeelte der krachten terugvinden, die het wreedste lot ons door zijne
onverbiddelijke slagen ontroofde!...

En gij, Van Ryswyck, arme vriend, betreurde broeder, slaap gerust in den
geboortegrond, dien gij hebt bemind en verdedigd; hij zij u licht en
zoet, de vaderlandsche bodem! Dat God u daarboven met Willems en met
Ledeganck vereenige, opdat gij, roemrijk drietal, bidden moget voor ons
en voor Vlaanderen.... Vaarwel, vaarwel.



REDEVOERING

OVER DE MISKENNING DER MOEDERTAAL, UITGESPROKEN OP EEN LETTERKUNDIG
FEEST, TE ANTWERPEN IN 1851.

Mijnheeren en Mevrouwen!

Het is drie jaren geleden dat ik voor de laatste maal de eer genoot tot
UEd. het mondelijk woord te sturen.

Gedurende dien tijd zijn er op den grond der Vlaamsche zaak dingen
gebeurd, die ik in het voorbijgaan aanraken wil, vooraleer tot het
onderwerp mijner rede over te gaan.

Wat ik zeggen ga, weet gij allen.

Eene arglistige vervolging heeft sedert twee jaren op de Vlaamsche zaak
gedrukt. Men heeft de verdedigers der moedertaal tegen elkander
opgehitst, de tweespalt in onze rangen geworpen en ons door mistrouwen,
door aangevuurden haat van elkander afgescheurd: eerst onze eendracht en
onze macht gebroken, en dan elken Vlaamschen strijder persoonlijk
bevochten en aangevallen, om zoo al de steunpilaren van den
vaderlandschen tempel omverre te rukken, met de hoop dat het gebouw, tot
gruis instortende, de stem van het verdrukte Vlaanderen voor eeuwig
onder zijne puinhoopen zou versmachten.

Twee jaren lang waande de vijand zich der overwinning zeker.

En nochtans, hier staan wij weder vóór u, talrijker, machtiger dan te
voren!

Wat beteekent dit? Het beteekent, dat alle grondbeginsels, die op de
waarheid berusten, in de vervolging zelve eene bron van macht en leven
vinden. Het beteekent, dat de Vlaamsche volkszaak, die wij verdedigen,
niet op personen rust, maar eene onverdelgbare waarheid is. Het
beteekent, dat zij zal vooruitgaan door de kracht alleen van haar
grondbeginsel; dat zij zal zegepralen en eens haar edel doel zal
bereiken, al spanden alle onvaderlandsche gevoelens te zamen om haar te
verstikken!...

       *       *       *       *       *

Mijnheeren en mevrouwen, ik stel mij voor, UEd. het ware doel onzer
streving nog eens voor oogen te leggen, in uw hart de vlam der
vaderlandsliefde aan te vuren en u op te roepen om met ons, volgens de
maat uwer vermogens, werkzaam te worden tot het opbouwen onzer verdrukte
broeders, tot het verdedigen der moedertaal, door God en onze vaderen
ons gegeven.

Leent mij, bid ik u, uwe welwillende aandacht. Er is een volksstam,
welks geschiedenis overvloeit van heldendaden en roemvolle feiten; een
volksstam, die gedurende eeuwen aan het hoofd der Europeesche beschaving
stond en aan de Westerwereld leeren moest, wat de woorden ontslaving,
vrijheid, burgerrecht, handel en nijverheid beteekenen; een volksstam,
die in kunsten, in wetenschappen en zelfs in oorlogsroem immer uitblonk,
en aan den hemel der toekomst schitterende starren heeft gehecht,
starren, onder welke er zijn, die men noemt: Van Eyck, Artevelde,
Rubens, De Coninck, Van Dyck, Lipsius, Teniers, Van Maerlant, Mercator,
Dodoens! Dit volk zoo moedig, zoo machtig, zoo trotsch, zoo vermaard
... dit volk waren onze vaderen.

Welk schoon erfdeel hebben zij ons nagelaten! Eigen roem, eigen recht,
eigen taal! Maar hoe hebben wij het heilig erfdeel des voorgeslachts
bewaard? Hebben wij de vaderlijke rechten ons niet laten ontnemen?

De twee derde gedeelten der bevolking van België spreken Vlaamsch; de
Vlamingen zijn dus in groote meerderheid. Zonder twijfel is hunne
moedertaal de landtaal in België; zonder twijfel overheerscht het
Vlaamsch den minderen stam? Of, zoo de Belgische natie haar bestaan op
gelijkheid en rechtvaardigheid tusschen de twee broederstammen heeft
gebouwd, dan ten minste heeft elk het volle gebruik zijner taal en
rechten behouden, en niemand ligt in België voor zijne medelandgenooten
in het stof gebukt?

Eilaas, het is eene bittere spotternij, niet waar?--Wilt gij weten, wat
er van de afstammelingen van Van Eyck, van Artevelde, van Rubens
geworden is? Wilt gij het lot van het Vlaamsche volk kennen? Komt met
mij; ik zal ze u toonen, de twee millioen broeders, die door de schuld,
door de lichtzinnige modezucht van velen onzer tot onwetendheid gedoemd
zijn; die slaaf zijn in geest en in lichaam, op den bodem van het meest
vrije land der aarde; die rondsukkelen in den nacht der duisternis en
voor eeuwig verwezen zouden blijven, om als onmondige kinderen, als
verdrukte Paria's te leven en te sterven, indien het ons aan moed en
kracht ontbrak, om tegen de vijanden van het Vlaamsche bloed manhaftig
te staan en te kampen gelijk onze vaderen deden. Ziet gij daar, in die
burgerwoning, eene vrouw bij eene wieg zitten droomen? Welke zalige hoop
streelt haar moederhart! Zij lacht de toekomst tegen en vraagt met de
oogen ten hemel: Welke is de bestemming van mijnen zoon, o God?--Zijne
bestemming, vrouw? Hij zal vreemdeling zijn in zijn eigen vaderland;
want de taal, die gij hem leert stamelen, is de taal van zijn
geboorteland niet. Gij kunt zijne verbastering niet betalen, gij kunt
hem geen Fransch doen leeren, arme moeder; daarom zal hij gedoemd
blijven tot slafelijke minderheid, deel hebben noch in het openbaar
leven, noch in de beschaving, noch in het licht des geestes; hij zal het
slachtoffer worden der lafheid zijner broederen, die gedoogen, dat het
Vlaamsche bloed, de Vlaamsche taal verstooten worden en verdrukt.

Ha, het kind is een jonge man geworden! Zijn oog schittert toch van moed
en levenslust; hij eischt zijne plaats onder de zonen des vaderlands;
hij ziet elkeen vooruitstreven in den maatschappelijken stroom; hij wil
deel hebben in het openbaar leven: wat zal hij worden? Hij is begaafd
en, mocht hij zijne moedertaal bezigen, wie zou zijne bestemming durven
bepalen? Nu? nu is hij nog niet bekwaam om korporaal, gendarme of
sleuteldrager in eene gevangenis te zijn.--Ondersta uw lot,
verstooteling: de weg der beschaving en des voorspoeds is voor iedereen
geopend; voor u alleen, Vlaming, voor u alleen gesloten!

Eindelijk, veertig jaar.... De Vlaamsche aanhoudendheid heeft zijnen
arbeid vruchtbaar gemaakt; hij is burger, hij drijft handel. De
verdrukking heeft hem niet verlaten! Nu is hij omringd van ambtenaren en
staatsbedienden, die zijne taal niet verstaan; voor klachten, vertoogen,
smeekschriften, voor alles, dat hem in aanraking brengt met de
overheden, moet hij als een verstandeloos kind de pen van eenen
zaakwaarnemer ontleenen en eene gehuurde hand betalen,--om hem te doen
gevoelen, dat hij geen vaderland heeft.

Hij wil naar recht en rede deel nemen in de openbare geestontwikkeling;
hij wil in het staatkundig volksleven treden. Die opgedrongene
onwetendheid doet hem lijden, omdat zijn hart hem zegt, dat hij ook
mensch en Belg is. Maar de openbaarheid, door de grondwet hem
gewaarborgd, is hem in eene vreemde taal ontgoocheld. Bij zijne
provincie Fransch, op het stadhuis Fransch, in alle bestuurszaken
Fransch; altijd de taal der minderheid, die den Vlaming in het stof der
vernedering drukt en hem daar, zijn leven lang, gebogen houdt als een
lid van een gevloekt geslacht, dat zelfs het recht zou verloren hebben
om verbetering naar geest en naar lichaam te wenschen.

Wilt gij den Vlaamschen burger op de bank der schande zien? Volgt mij
naar het gerechtshof. Daar zit hij ... hij is verdacht van eene misdaad
... men beschuldigt, men pleit, men getuigt, men twist. Wat hier op het
spel staat, is zijne eer, zijne onschuld, zijn leven, de gansche
toekomst van zijn huisgezin. Hij beeft en knarsetandt van woede ... hij
verstaat niets van de beschuldigingen, tegen hem ingebracht: hij woont
den strijd om zijne eer en zijn leven bij als een stomdoove martelaar!
Dan eerst gevoelt hij, welke verdrukking zijn geslacht verplet; dan
eerst breekt hem het hart van schaamte in den boezem; dan eerst
vervloekt hij den naam van Vlaming en stuurt hij door de ruimte eenen
blik van wraak tegen de bastaarden van zijnen stam, die door hunne
lafheid hem overleverden aan dit schreeuwend onrecht.

Dit is, vrienden, het lot van twee millioen onzer broeders. Hen in name
onzer roemrijke vaderen verlossen van dit akelig lot, hen terugroepen
tot het leven der ziel en des geestes, den naam en de taal onzes
voorgeslachts weder met luister opbeuren uit de schande, dit is de
schoone, de heilige taak, waaraan wij ons leven en onze vermogens hebben
toegewijd. Is deze taak niet grootsch, niet edel genoeg?

Maar beschouwen wij ons onderwerp nog langs eene andere zijde.

Eenen anderen burger is ook een kind geboren,--zoon van eenen
bevoorrechte in de Vlaamsche maatschappij. Deze zal het onderwijs in
volle maat genieten; maar wat zal hij worden? Een verdediger van zijn
geslacht? Een beschermer zijner broederen? Neen, neen, zonder het te
weten, wordt hij de roede, die zijne broeders nog dieper moet helpen ter
neder slaan. De taal, welke zijne moeder hem leerde stamelen, die vorm,
waarin zijne eerste gewaarwordingen, zijn geest, zijn oordeel, gansch
zijn wezen in hunne oorspronkelijk vruchtbare natuur gegoten werden, die
taal is ook de ambtelijke taal van zijn vaderland niet. Zes of zeven
jaren gaat hij slijten tot het aanleeren en doorgronden eener vreemde
taal, al de kostbare overblijfsels van den eigen geest, in de kindsheid
en in de jeugd vergaderd, moet hij afleeren, vergeten, verloochenen, om
zich geheel in eenen nieuwen vorm te herscheppen. Aan eene uitheemsche
beschaving moet hij nieuwe gedachten en een nieuw zedelijk bestaan gaan
afbedelen.

Wat kan er dan van de ingeborene gaven, die alleen den eigen mensch
uitmaken, overblijven in dit pleisteren afgietsel van een vreemd beeld?
Niets! Het is een ontleende man, wiens verstand en wiens gevoel als een
mozaïek van vreemdaardige stukgedachten zijn bijeengebracht. Hij zij nu
zeer geleerd, hoe hoog zal hij stijgen op de ladder der menschelijke
vermogens?

Zoo ontrooft men het Vlaamsche volk al zijne uitgekozene geesten, om er
vreemdelingen van te maken. Men neemt uit zijn midden al degenen weg,
die door God bestemd waren om hun geslacht tot voortgang op te wekken,
te leiden en voor te lichten; men veroordeelt een gansch volk tot
duisternis en tot eeuwigen stilstand.... En als Vlaanderen lijdt, als
het, door hongersnood verkankerd, om hulp smeekt, dan roept men het
wreedelijk toe: "uwe onwetendheid, het gebrek aan vooruitgang zijn de
oorzaken uwer ellende!"

Wreede spotternij! men steekt eenen ongelukkige de oogen uit: en men is
boos genoeg om hem zijne blindheid als eene misdaad te verwijten!

Gansch Europa heeft met medelijden het lot van het manhaftig Hongarije
gezien;--maar hoe zeer ook een machtige keizer na de overwinning op de
Hongaren drukken moest, toch heeft hij hun het volle gebruik hunner
moedertaal gelaten: dit laatste palladium der volken heeft hij zelfs
zijnen vijanden niet ontroofd.

Wij, wij zijn afstammelingen van Van Maerlant, van Artevelde, van Van
Eyck; wij hebben eene grondwet, die ons het vrije genot onzer moedertaal
waarborgt; wij zijn geen overwonnen volk; wij zijn de groote meerderheid
der Belgische natie ... en tot zooverre zijn wij in de kolk der
vernedering gezonken, dat wij den ongelukkigen Hongaren het genot van
het heiligste recht benijden moeten!

Wie is er dan, wien het Vlaamsche bloed door de aderen vliet, die niet
van verontwaardiging beeft bij zulke schande?

Voorwaar, de aanslag des vijands is slim berekend; hij waant ons reeds
verre gedwaald op de helling, die ons als volk in den nacht der
vergetelheid storten moet; maar zullen wij blijven slapen in de lafheid,
terwijl de naam onzer vaderen verloren gaat? Zullen wij den moed opgeven
en, met de armen op de borst gekruist, den doodsstrijd van ons geslacht
aanschouwen?... Tot wanneer? totdat de bazuin des noodlots in onze ooren
dondere: "dit is het vonnis der lafheid en der baatzucht: er is geen
Vlaamsch volk op aarde meer!?..."

Ah, ah, neen! Duizendmaal neen! Zoo goedkoop zal het bestaan van het
Vlaamsche heldenras niet geleverd worden!

Gij bedriegt u, gij, die Vlaamsch België reeds veroordeeld waant.
Heldere starren zijn opgerezen in den nacht onzer vernedering; het
Dietsche volk heeft het hoofd verheven; zijn oud bloed is aan het
bruisen gegaan; langzaam, maar onweerstaanbaar als zijne vaderen,
streeft het vooruit in de baan der wedereisching.... Gij hebt ook
gespot, toen wij na 1830 het durfden ondernemen eene Vlaamsche
letterkunde te stichten; gij hebt gespot en de jonge dichters uitgemaakt
voor zinneloozen, die het waagden, zooals gij zeidet, eene wanluidende
brabbeltaal te doen herleven.

Oh, gij kendet noch de macht van het Vlaamsche bloed noch de schoonheid
der Vlaamsche moedertaal. Slechts veertien jaar zijn er verloopen ... en
de vruchten onzer letterkunde worden vertaald, gelezen en niet zelden
bewonderd in Duitschland, in Engeland, in Italië, ja zelfs in Frankrijk!

Gij hebt gespot, en op veertien jaren hebben die arme verstootelingen,
die Vlaamsche zinneloozen gedeeltelijk iets tot stand gebracht, waaraan
grootere volken niet zelden eeuwen tijds moesten besteden.

Zoo zal het u ook gaan met de wedereisching onzer rechten: gij zult
spotten; wij, wij zullen werken, werken zonder omzien, strijden zonder
verpoozing, niet met het stoffelijk zwaard des gewelds, maar met het
machtig zwaard des woords--en zoo vooruitgaan met de langzame doch
onverwinnelijke kracht des gedulds en der overtuiging.

Was wel ooit de tijd ons gunstiger? De laatste orkanen, die over Europa
zoo verdelgend, zoo bloedig woelden, hebben den blinddoek van veler
oogen weggescheurd; men heeft dan eindelijk begrepen, dat vreemde taal
en vreemde zeden de middelen niet zijn om eene natie tot geluk, tot
roem, tot voorspoed en tot vrede op te leiden.

Niet waar, moeders, niet waar, vaders, gij weet nu, dat uit het Zuiden
de zuivere zeden niet komen? Dat de eerbaarheid uwer dochters in den
vloed der uitheemsche dag-litteratuur geene waarborgen vinden kan? Dat
uw zoon op die markt van oneer, van lichtzin en van besmettende wuftheid
zijnen geest niet veredelen kan?

Ja, gij zult uwe kinderen vreemde talen doen aanleeren, omdat de
noodzakelijkheid het eischt; maar gij zult ze toch niet vreemd maken aan
hun eigen vaderland, aan hunne moedertaal, dien schat, waarin het
tegengif van bederf en zielsverzwakking berust. Gij zult hun herinneren,
dat zij tot een deugdenrijk heldengeslacht behooren,--dat zij Vlaming
zijn.

En gij, jonge vrouwen, door God begaafd met al de schatten der
schoonheid en des gevoels, zult gij niets doen om het lot uwer broederen
te helpen verzachten? Zult gij aan den afgod der mode alles blijven
slachtofferen, tot zelfs de waardigheid van onzen naam? Gij, engelen der
menschlievendheid, zoudt gij weigeren aan een gansch volk, dat lijdt en
in de duisternis verkwijnt, lafenis en troost te helpen schenken? Zoudt
gij weigeren, uwen liefderijken geest te verheffen tot het begrijpen van
ons heilig en menschlievend doel? Neen, neen, gij zult de verbastering
uit uw hart keeren, de pogingen uwer Vlaamsche broeders aanmoedigen en
ons, in den goedkeurenden bijval onzer zusters, de zoetste belooning van
onzen arbeid laten vinden, niet waar?

En gij, letterkundigen, dichters, taalvrienden, gij allen, mijne
kunst-en strijdgenooten, o, meet zonder afschrik de zwaarte van onzen
nationalen arbeid. Apostels van het vaderlandsch geloof, zendelingen van
eene nog onbegrepene leering, moeten wij vervolging doorstaan, laster en
verdrukking lijden. Hij, die de waarheid verkondigt, neemt het looden
kruis der miskenning op de schouders ... maar is het niet in het vuur
dat het edelste metaal wordt gelouterd? Zijn het niet de hinderpalen en
de strijd zelf, die de mannelijke ziel verheffen tot het volle gevoel
harer macht? Welaan, de haat, de nijd, de tweedracht uit ons midden
weggezweept, de handen saamgeslagen, de broederkus gewisseld ... en dan
met stalen overtuiging voortgewerkt, getoond wat Vlaamsche krachten en
Vlaamsch geduld vermogen. Vooruit! God is rechtvaardig. Hij zal ons de
zege schenken....

En kunnen wij het werk niet gansch volvoeren, onzen zonen reeds van in
de wiege toegeroepen: "Kind, zoon van Artevelde, o groei haastig op tot
eenen Vlaamschen man! Uwe moedertaal wil men vernietigen, uw geslacht
wil men verdelgen; gij moet leeraar zijn in den tempel der Vlaamsche
wedereisching, leeraar en strijder voor moedertaal en vaderland!"

En zoo, vrienden, broeders, zoo blinke eens weder in de toekomst de star
van Vlaamsch België als een licht van roem, van voorspoed en van ware
vrijheid!



REDEVOERING

UITGESPROKEN TER GELEGENHEID DER MEERDERJARIGHEID VAN Z.K.H. DEN HERTOG
VAN BRABANT DEN 8^{sten} APRIL 1853.


Mijnheeren,

Uit den schoot onzer Maatschappij is de eerste oproep uitgegaan, om van
den 18den verjaardag des hertogs van Brabant een heuglijk tijdstip,
eene grootsche vaderlandsche plechtigheid te maken. Haar valt nu ook de
eer te beurt, allereerst den feesttoon aan te heffen en de komst van den
blijden dag te verkondigen.

De gezangen, die hier zoo begeesterd uit Vlaamsche borsten stroomen,
zijn het voorspel van het ontzettend zegelied, dat morgen over gansch
België losbreken zal en het luisterend Europa als een toon van hoop, van
betrouwen en van liefde moet doorklinken....

Morgen zullen millioenen menschen, armen en rijken, kinderen en
grijsaards, met kloppend hart op den vloer des tempels nederknielen;
overal, waar het teeken der verlossing boven 's Heeren woning zich
verheft, zullen de zielen in plechtige uitstorting zich vereenigen; de
wierook zal branden op de duizenden altaren van België, en met zijne
geurige walmen zal de dankbare bede van een geheel volk smeekend
opstijgen, tot vóór den troon van God, die onzen geboortegrond zoo mild
gegezend heeft.

Maar de menigte zal opstaan en het heiligdom, na volvoering van den
plicht, verlaten; zij zal in onbegrensde vreugd uitstroomen over het
land, en de lucht vervullen met zegevierende galmen. Uit de zalen der
kasteelen, uit het kamerken der werklieden, uit nederige dorpen, uit
vergeten gehuchten zullen begeesterde stemmen elkander tegenklinken....
Bazuinen zullen schallen, feestkanonnen zullen het ruim doordonderen, en
al die blijde kreten, al die geruchten zullen zich vermengen tot eenen
reusachtigen zegenzang ... en voortschallen en, immer opnieuw
begeesterd, in de hoogte klimmen, totdat in den schoot des nachts de
glans der millioenen feestlichten verdoove.... En dan zal de vermoeide
volksschaar zich ter ruste leggen, eene zalige hoop in het hart en eenen
zoeten glimlach op de lippen.... En om den mond van allen, die
insluimeren, zal een zacht liefdegebed blijven zweven, hunne zielen
zullen juichend voortmurmelen:

"O God, zegen, zegen op hen, die wij beminnen! Bescherm de schutsengelen
van België, het dankbaar land uwer genade!"

Waarom toch die onbegrijpelijke lofzangen. Waarom dat blij gewemel, dat
uitspattend geluk, die zegekreten, zoo ontzaglijk, zoo onmeetbaar
grootsch, dat het der wereld toeschijnt alsof de stemme van het Belgisch
volk inderdaad de stemme Gods ware?

Ah! Geest des twijfels, die in het Zuiden woont, de vlam der liefde is
van u weggegaan: gij kunt het niet begrijpen! Gij, wiens hoogmoed u
belet de deugd en de weldaad in eenen mensch te beminnen,--o, neen, gij
zult het niet gelooven.... Het is de manwording van een kind!...

Maar op dit edel kind rusten de weldaden, door zijnen vader aan een
dankbaar volk bewezen; in de aderen van dit kind stroomt het bloed van
Leopold; in de aderen van dit kind vliet het bloed der welbeminde
Louisa.... Hij is de eerstgeborene, de geliefde, de dierbare zoon der
wijsheid, der vrijheidsmin, der christelijke liefde, der weldadigheid.
Op zijn hoofd rust onze hoop; hij is voor ons het blijvend pand van Gods
bescherming, het troostend zinnebeeld eener gelukkige, eener roemrijke
toekomst!

De geestdrift, het gevoel der nationale fierheid ontstelt mij; de
dichter heeft in mijn hart de plaats des redenaars ingenomen. En
nochtans ik moet het bedwingen, dat vuur, dat mijnen boezem doorvlamt;
want mij is het vervullen van eenen plicht der dankbaarheid opgelegd: ik
moet met zooveel koelheid als mij nog overblijft, u de weldaden
herinneren van hem, dien wij in zijnen doorluchtigen zoon eeren en
zegenen; ik moet insgelijks blijdschap, zelfvoldoening en hoogmoed in
uwen boezem gieten en zichtbaar en tastelijk toonen, hoe in het vrije
België vorst en volk, door eendracht en liefde, de gunst des Heeren en
de bewondering van Europa hebben verdiend.

Welaan, volgt mij in deze beschouwing.

Sedert vele eeuwen had Belgenland onder vreemden dwang gezucht, of zijn
lot was vastgehecht geworden aan het lot van andere volkeren. Het recht
tot eigen ontwikkeling had het verloren.

1830 sloeg op de klok des tijds. Het Belgisch volk stond op; het streed,
het kampte om de vrijheid; het zegepraalde.... Maar nauwelijks is de
laatste triomfgalm in het ruim verzwonden, of de twistfakkel stort hare
vonken over ons uit: wanorde, mistrouwen, onzekerheid, haat en
verdeeldheid richten zich dreigend op tusschen de overwinnaars.

De volken der aarde zien met medelijden op de kleine natie neer; het
woord _Belgenland_ doet op der vreemden lippen eenen spotlach ontstaan.
Elkeen verwacht zich aan den val van het ranke gebouw, reeds zoo druk
door de gezindheden ondermijnd, vooraleer het voltrokken zij....

Maar te midden van dien hopeloozen toestand, van dat gevaar, zendt de
hemel zijn licht over het Belgisch volk; hij toont ons de star onzer
onafhankelijkheid, de star onzer macht, de star onzer toekomst....

Leopold! Leopold! roept de juichende menigte, als herkende zij in dit
enkel woord het zinnebeeld der verlossing.

Heeft zij zich bedrogen? is hier alweer de stem der Belgische natie niet
de stemme Gods geweest?

Ziet, alle gezindheden omringen den koning; zij zweren rechtzinniglijk
trouw aan vorst en vaderland. In de schaduw van den nationalen troon,
beschermd door den schepter van den wijzen koning zelven, rusten de
vrijheid der gedachten, de vrijheid des woords, de vrijheid van
vereeniging, de vrijheid van godsdienst, de vrijheid van onderwijs....

Over het gansche land hoort men de vroolijke geruchten des arbeids:
zingend doorploegt de landman den grond, die hem door vertrouwen
dierbaar wordt; de steden overdekken zich met wolken rook; de nijverheid
vervult de lucht met de zwoegende aseming van het stoomtuig, de schoot
des aardrijks wordt doorwoeld: moedige werkers dalen bij duizenden in
onafmeetbare diepten; de Belgische bodem spuwt bergen vuurstof en
metaal, de ziel des arbeids en der openbare welvaart.

De machtigsten onzer naburen staan verwonderd bij dit onverwachte
verschijnsel; zij verengen hunne grenzen, uit schrik voor België's
uitspattende nijverheid. De naam onzer vaderen, zoolang vergeten, wordt
uit onze haven, dwars door storm en golfgeklots, naar de verste
werelddeelen gevoerd; de kunsten ontwaken, zij hervinden haren ouden
luister.

Allen doen wonderwerken, om het dierbaar vaderland te verheerlijken;
allen: burgers, arbeiders, krijgslieden, kunstenaars, dichters,
geleerden, allen juichen dankbaar en roepen tot God:

"Gezegend zijt Gij, o Heer, dat Gij mij op dezen milden grond liet
geboren worden. O, neen, zoo is mijn vaderland mij niet te klein!"

Deze spoedige, deze wonderbare ontwikkeling van alle volkskrachten, van
vrijheid, van geloof, van landbouw, van nijverheid, van handel, van
kunsten, van openbaar leven--doet de vreemde natiën met verbaasdheid
vragen:

"Welk is toch het onbegrijpelijk raadselwoord dezer onverwachte
uitzetting, dezer samenwerking van een gansch volk, dezer reuzenkracht?"

Het Belgisch volk antwoordt met stillen eerbied: LEOPOLD!...

Maar het tooneel verandert: een bloedig getal verschijnt op de uurplaat
des tijds: 1848 is dáár!

Uit het Zuiden, uit het Oosten, uit het Noorden verheffen zich sombere
wolkgebergten, de zon der beschaving verduistert, de volkeren, van angst
verstomd, aanschouwen met verengden boezem den naderenden orkaan.

Het donkere gevaarte opent eensklaps zijnen zwangeren schoot.... Eén
onmeetbare donder rolt zijne vreeselijke galmen heen en weer over het
sidderend Europa.

Welke onbegrijpelijke razernij heeft het dwalend menschdom aangegrepen?
Het doorborend lood, het vepletterende ijzer vliegen huilend in de
onweersduisternis rond en breken duizenden levens; op den heiligen stoel
van Petrus zelven wet zich de moordpriem; bloed vliet bij stroomen;
vuurkolommen stijgen op; tronen storten om, koningen vluchten.... En uit
den akeligen warklomp der losgebrokene driften stijgt een vonnis in de
hoogte; ontelbare drommen roepen ten hemel:

"De koningen der aarde zullen verdwijnen in eene zee van bloed!"

       *       *       *       *       *

Maar te midden van den storm, te midden van het moordgehuil der gansche
wereld zie ik België's troon, onwrikbaar als eene rots op de liefde des
volks gebouwd.

Een koning, met het kalme licht der wijsheid op het edel voorhoofd; eene
koningin, eene heilige, die hare drie vorstelijke kinderen met angst aan
haren moederboezem drukt; want zij, de goede, de liefderijke, zij weet
dat het bliksemvuur der volkswoede uit de laagte opstijgt en bij
voorkeur de hoofden treft, die met eene kroon omgeven zijn....

Het uur is plechtig; de woeste drom uit het Zuiden bedreigt onze
grenzen, hij wil hier zijn bloedig vonnis tegen den wijzen vorst uit het
Westen volvoeren....

Ontzaglijk schouwspel! De grijze vorst neemt zijne kroon, neemt ook de
kroon der goede koningin; deze teekenen der macht en der heerschappij
legt hij met stillen glimlach voor zijne voeten neder en spreekt tot het
luisterend volk:

"Belgen, mijne liefderijke kinderen, zijt gedankt om uwe verkleefdheid.
De tijd kan gekomen zijn, dat mijne tegenwoordigheid u blootstellen zou
aan bevechting van buiten, aan bloedige twisten van binnen. Welaan, ik
wil u bewijzen, hoezeer ik u bemin. Ik ontneem aan de doorluchtige telg
der Orléans de kroon, zoo luisterrijk gedragen; ik onterf mijne
teergeliefde kinderen ... om Belgenland, mijn dierbaar Belgenland, voor
opschudding en ramp te bewaren: de eenige belooning, die wij voor deze
opoffering vragen, is, dat God ons toelate u gelukkig te zien...."

O, vrienden, gij weet het nog, welk antwoord het dankbaar België op 's
konings rede gaf.

Het gansche land liep in Brussel voor het paleis des konings te zamen;
en toen Leopold, door herhaalde liefdekreten uitgenoodigd, zich te
midden des volks en der burgerwachten begaf, steeg een zoo ontzettend
gejuich, een zoo donderende zegeschreeuw uit den schoot der ontelbare
scharen, dat de reusachtige weergalm er van den grond der hoofdstad
daveren deed. Het volk, als van liefde en eerbied zinneloos, drong het
vorstelijk geleide uiteen.... Het wilde zijnen koning hebben, alleen,
zonder wacht, zonder verdediging.... En geene andere uitdrukking voor
zijne geestdrift meer vindende, woelde het de koets van Leopold als in
de hoogte, en voerde ze zegepralend tot voor het paleis der hertogen van
Brabant....

Daar, op het balkon, staat eene koningin, eene moeder met hare drie
edele kinderen.

Zij stort tranen van ontroering: het volk ziet het; eene langere
zegekreet, een hevig dankgejubel vliegt uit alle borsten tot haar, de
weldadige koninginne!

Over gansch Europa hangt een ratelende donder van haat en wraak, van
gekerm en noodgehuil ... over België klinkt een enkele machtige galm ...
een galm der liefde.

Het is zoo schoon, zoo grootsch, dat het herdenken er van alleen de
zenuwen ontstelt en het harte koortsig beven doet!

Om het tafereel te voltooien, zou ik uw gemoed met weedom moeten
vervullen, en tranen van rouw uit uwe oogen moeten rukken.

Ik zou u België moeten toonen, stil, zwijgend in doodschen angst, en
biddend met zulk ingehouden gemurmel, alsof de lucht des vaderlands het
gewelf van een onmeetbaar graf geworden ware..... En niet verre van het
Vlaamsche strand eene vrouw, eene moeder, eene koningin, die sterven
gaat.... Bij de noodlottige sponde den meestbeminden koning der aarde en
zijne edele kinderen, in tranen smeltend.... En haar, de stervende
engel, die bij haren laatsten snak smeekend de hand ten Oosten reikt en
uitroept:

"O, Belgen, Belgen, hebt mijne kinderen altijd lief!"

Louisa!... zalige weldoenster des vaderlands, zie neder uit den schoot
der Godheid, o, zie! hoe wij uwe kinderen beminnen. De galmen, die gij
voor den hoogsten troon hoort ruischen, zijn gebeden, triomfzangen ter
eere van uwen eerstgeborene. En niet alleen hem is onze liefde zoo innig
toegewijd; de schat onzer harten is groot genoeg, om allen, die u
dierbaar zijn, in hetzelfde zielsgevoel te omvatten. Allen zullen wij
trouw blijven; allen zullen wij eeren en beminnen.... Koning Leopold,
omdat hij door zijne wijsheid ons vaderland roemrijk heeft gemaakt
tusschen de volkeren der aarde; omdat zijne vaderlijke hand ons in de
baan van macht, van welvaart en van vrede heeft geleid; omdat hij,
koning, onzen geboortegrond het land van belofte der vrijheid heeft doen
worden.... Den hertog van Brabant, omdat hij ook door God met wijsheid
en kalme macht des geestes is begaafd; omdat hij voor onze kinderen zal
zijn, wat zijn doorluchtige vader voor ons was; omdat onze gansche
toekomst, onze hoop, ons geloof in welvaart en volksgeluk op zijn edel
hoofd berusten.... Den graaf van Vlaanderen, omdat uw doorluchtig bloed
door zijne aderen stroomt, omdat hij eenen naam voert, die ons,
Vlamingen, den roem onzer vaderen herinnert!... De lieve, de beminde
prinses Charlotta, omdat zij uw evenbeeld is; omdat in haar rein gelaat
uw glimlach leeft en uwe deugden herblinken; omdat zij als gij de
Christenkoningin der armen en der lijdenden zal zijn.

O, ja, verhevene beschermster van het land, waar uwe kinderen wonen,
onze trouw, onze liefde blijven eeuwig als het aandenken uwer deugden.

Herklinke tot voor Gods troon, schalle tot in uw zalig moederhart de
dankbare zegeroep van het Belgisch volk.

Leve Leopold!

Leven zijne doorluchtige telgen! Leve België's hoop: Leve de hertog
van Brabant!



REDEVOERING

UITGESPROKEN IN DE MAATSCHAPPIJ VOOR TAAL EN KUNST, IN DE
TEGENWOORDIGHEID DES KONINGS EN DER KONINKLIJKE FAMILIE, TER GELEGENHEID
VAN HET HUWELIJK VAN Z.K.H. DEN HERTOG VAN BRABANT MET H.K. EN K.H.
MARIA HENDRIKA VAN OOSTENRIJK.


Deze zaal heeft menigmaal gedreund onder onze vaderlandsche zegekreten:
meer dan eens hebben wij, hier vergaderd, den dierbaren naam Zijner
Majesteit, onzen goeden koning, en HH. KK. HH. zijne geliefde zonen, in
jubelende galmen ten hemel opgezonden als een gebed der vurigste
dankbaarheid. Geene enkele van al de oneindige weldaden, door God en den
koning aan België bewezen, of zij is hier met godsdienstig gevoel van
erkentelijkheid herdacht en gevierd.

Ik hoor nog in mijn ontsteld gemoed de daverende triomfzangen, die
onlangs uit deze zaal ter eere van den Kroonprins,--hoop en toekomst des
vaderlands,--in de hoogte klommen; ik hoor nog, hoe onze begeesterde
stemmen zich paarden aan het reusachtige zegelied, dat uit alle hoeken
van België opsteeg en het verbaasd Europa met verwondering sloeg.

Maar de schat van Gods goedheid was voor ons nog niet uitgeput;--en,
alsof onze liefde, onze trouw, onze vreugd zelve ons eener hoogere gunst
hadden waardig gemaakt, onze dankbare stemmen klonken nog door het ruim,
toen reeds daarboven eene nieuwe weldaad voor ons vreedzaam en gelukkig
vaderland werd bereid.

De almachtige beschermer van België wierp den oogslag zijner genade op
Europa's Oostergrens; dáár, in den keizerlijken gaard, ontlook eene
edele bloem, eene zuivere lelie, eene doorluchtige spruit, versierd met
al de gaven der jonkheid, der schoonheid en der deugd.... En God sprak
aldus zijne beslissing uit:

"Er is op aarde een troon, door Mij gebouwd op onwrikbare zuilen van
volksliefde en vorstenwijsheid; een troon, glanzend door de Majesteit
van hem, die hem bekleedt; een troon, geheiligd door de deugden eener
zalige vorstin; een troon, omringd en versierd met het edelst kroost;
een troon, voor welks voet de dankbare gebeden van een geheel volk
dagelijks te zamen stroomen en van daar opklimmen tot Mij, den God aller
natiën.... Maria Hendrika, keizerlijke leliebloem, zoo zuiver in mijn
oog, Ik wil mijn geliefd Belgenland eene weldaad schenken. Die Koning
worde u een teedere vader; de eerstgeborene zijner edele telgen worde u
een dierbare echtgenoot; dat liefderijk volk worde u een verkleefd en
dankbaar huisgezin; die troon, waarop mijne genade rust, worde eens uw
vorstelijke zetel!!..."

Luistert, dáár, achter den verren horizont, verheffen reusachtige
vreugdegalmen zich in de hoogte! De lucht schijnt er van ontsteld.... Ik
zie gansche drommen volks de dorpen verlaten, uit den schoot der aarde
opklimmen, uit zwoegende vuurkolken zich vooruitwerpen en met koortsige
blijdschap te zamen stroomen. Het zijn onze Waalsche broeders, die hunne
bergen en dalen doen daveren onder hunnen machtigen zegekreet: "Daar is
zij! Daar is zij, de keizerlijke bruid van onzen geliefden erfprins!..."

Welhaast richt het ijzeren stoomgevaarte, belast met alles, wat wij
meest beminnen op aarde, zijnen snellen loop naar het hart van België;
en, alhoewel het vooruitschiet als een pijl, uit eenen reuzenboog
ontsnapt, toch staan de bevolkingen aller steden en dorpen langs de baan
geschaard en doen den hemel hergalmen van hunnen durenden
welkomstgroet.

Oh, het is schoon, wonderbaar schoon en troostend, het schouwspel van
een geheel volk, dat zijne duizenden stemmen tot eenen enkelen
jubelkreet, tot een enkel danklied vereent. Het is schoon en edel te
zien, hoe op onzen geboortegrond alle stammen, alle standen, alle
gezindheden eenparig juichen en hunne blijde tranen vermengen, wanneer
wij God en den koning om eene nieuwe weldaad te danken hebben. Ah, het
is wel waar, dat al de Belgen slechts een enkel broederlijk huisgezin
vormen--en daarom rust de zegen des hemels zoo zichtbaar op hen, omdat
de heilige vlam der liefde toch in hunne harten blijft branden, al mocht
ook hunne strekking naar het _goede_ verschillig zijn.

En nochtans, indien het mogelijk ware, dat een gedeelte des algemeenen
vaderlands zich bijzonder gelukkig gevoelde over de doorluchtige
echtverbintenis, die men in gansch België viert, dan voorzeker zouden
wij het zijn, wij Vlamingen, frissche tak van den Germaanschen
reuzeneik, wij broederen van het edele Duitsche volk, in de taal en in
den bloede.

Ah! wij zullen de uitverkorene dochter des keizers eeren, niet waar? Wij
zullen de doorluchtige dochter Maria Theresia's beminnen, niet waar?
Beminnen zooals het hart der Belgen beminnen kan? En, mocht het nijdig
lot soms eene dreigende wolk doen ontstaan, niet waar, dan zou voor ons
het historisch _Moriamur pro Rege nostro_ ook eene waarheid worden? En
wij zouden toonen, dat het heldenbloed onzer vaderen heden nog den eed
onzer liefde bevestigen kan!...

Maar neen, hebben wij betrouwen op Gods goedheid. Hij, die ons den
wijsten koning der aarde gaf, Hij zal het land zijner genade beschermen;
Hij zal onzen geliefden erfprins en zijne keizerlijke bruid bewaren voor
de minste smart, en hun levenspad met de bloemen des geluks en des roems
bestrooien; Hij zal den graaf van Vlaanderen en de prinses Charlotte,
teerbeminden onzer zalige koningin en weldoenster Louisa, opleiden en
met zijnen zegen vergezellen; Hij zal de dagen van onzen ouden koning
vermenigvuldigen, opdat hij lang, zeer lang nog de beschermengel van
België moge zijn; opdat onze kleinzonen ook nog het geluk zouden
genieten, den grootmoedigen weldoener huns vaderlands te aanschouwen en
te danken.

O, ja, zóó zal het lot zijn van hen, die wij beminnen; want,--antwoordt
mij in uw hart,--zoo de liefde eens volks de vorsten gelukkig maken kan,
wie op aarde kan gelukkiger zijn dan Zijne Majesteit onze koning Leopold
en zijn dierbaar huisgezin?... Welaan, vrienden, geeft getuigenis van
dit gevoel! Dat onze stemmen, bezield door liefde en dankbaarheid, ten
hemel stijgen; dat onze zegegalm klinke tot voor Gods troon!

Leve de koning! Leve de hertog! Leve de koninklijke familie!



REDEVOERING

UITGESPROKEN OP HET FEEST VAN HET ST.-LUKASGILDE, DEN 21^{sten} AUGUSTUS
1854.


Mijnheeren en Mevrouwen,

Toen mij de gelegenheid aangeboden werd om in deze plechtige vergadering
het woord te voeren, kende ik de namen en de uitmuntende welsprekendheid
der redenaars, die mij moesten voorgaan. Ik begreep, dat uw geest zou
vermoeid zijn, en ik onmogelijk nog de macht kon vinden om uwe aandacht
te verdienen. Ik schrikte terug en aarzelde om den vermetelen stap te
wagen.... Maar de geest der vaderlandsliefde ontvlamde in mij; zijne
stem zeide tot mijn twijfelend gemoed: "Het is een feest ter herinnering
van 's Lands alouden roem, van Vlaanderens macht, van Vlaanderens kunst;
het wordt gevierd in een paleis, dat opgebouwd werd tot beoefening van
vreemde kunst en taal, tot verspreiding van vreemde zeden.... En gij
zoudt het Vlaamsche woord niet doen hergalmen tusschen de trotsche
wanden, die nooit anders zagen dan uitheemsche praal?--Ga, spreek daar
van eigen grootheid, beziel de geschiedenis der vaderen, toon hoe het
voorgeslacht eeuwen lang de wereld verstommen deed door wonderen van
moed, van nijverheid en van kunst.... Vrees niet; zij, tot wie gij de
stemme zult richten, zijn landgenooten, wier hart gevoelig is voor
alles, wat den geboortegrond vereeren kan. Zij zullen u aanhooren.... En
mocht u de kunst ontbreken om de reeds zoo diep geroerde snaren huns
gemoeds nog te treffen, zij zullen het u welwillend vergeven, in aanzien
van uw lofbaar doel...." Ik heb den geest geloofd, op uwe goedheid mijn
betrouwen gesteld en de taak aanvaard.... Het is nacht over de
wereld.... Na eeuwenlange heerschappij is eindelijk het trotsche Rome
gevallen. Onder de puinhoopen zijner uitgeputte grootheid heeft het
alles verpletterd en begraven. Heldhaftige doch woeste volksstammen
overstroomen het bezwijkend Europa, en doen de natiën bukken onder het
juk der dientsbaarheid. Alle licht is uitgedoofd; de geslachten, onder
het zwaard geboren, volgen elkander op zonder hoop op eene betere
toekomst. In gansch Europa niets meer dan overwinnaars en overwonnenen,
meesters en slaven, barbaarschheid en duisternis. Men is vergeten, dat
een ander lot dan slavernij de bestemming der menschheid kan zijn....

Maar het baarkleed des zedelijken doods, ofschoon als een onmeetbare
lijkdoek over de wereld verspreid, heeft niet alles overdekt. Er ligt
bij den Westelijken zeekant een klein plekje gronds, dat nog, nog
alleen! door de zon der toekomst wordt beschenen. Zijn naam is
Vlaanderen.

Terwijl het overige der wereld niets hoort dan wapengeknars en
wraakgeschreeuw, hulpgeroep en noodgehuil, hergalmt hier het blijde
gerucht van den wordenden volksarbeid. De schietspoel ratelt over het
getouw, de hamer bonst op het aanbeeld, de beitel knarst in den
steen.... Men timmert schepen, men doorklieft den ongestuimen Oceaan;
men handelt, men vaart, men reist naar verre streken, men arbeidt, men
zwoegt, men slaaft. Geene verwarring: de werkers van elk ambacht, van
elke kunst zijn aan elkander door eenen eed van getrouwheid en
wederzijdsche hulp verbonden: het _Gilde_, dat raadselwoord van onzer
vaderen grootheid, bevrucht hier den arbeid, stort burgerzin en gevoel
van eigenwaarde in elks boezem en vereenigt aller krachten tot eenen
wondermachtigen heiboom.... Hoort, na de afgedane taak hebben de
Gilden zich nedergezet bij het vroolijk broedermaal; zij bezingen
Vlaanderens onafhankelijkheid, zij juichen de toekomst tegen en zweren,
dat nimmer een dwingeland den dierbaren grond ongestraft zal bezoeken.
Zij hebben goud bij hoopen, zij hebben manhaftig bloed bij stroomen, zij
bezitten geduld, onverschrokkenheid, betrouwen in Gods hulp.... Zou wel
uit Vlaanderen de verlossing der volkeren uitgaan? Zouden wel de Gilden,
bewusteloos nog, de ontslaving der wereld voorbereiden?...

Inderdaad, daar rijst de vrijheidskreet over het sluimerend Europa. De
volkeren luisteren met verwondering op den blijden galm, doch begrijpen
hem niet.

De meesters, de overwinnaars, de verdrukkers hebben het dreigend teeken
evenwel verstaan. Sidderend van kommer en wraakzucht, roepen zij
elkander toe: "Te wapen, te wapen! naar Vlaanderen! Verdelgd moet het
nest, waar onze val wordt uitgebroeid; versmacht moet het vermetele ras,
dat droomen durft van burgermacht en burgervrijheid!"

Boden draven van het eene land naar het andere, bazuinen schallen,
keteltrommen donderen; een lange oorlogsschreeuw doorgalmt het Westelijk
Europa. De meesters loopen te zamen, zij vergaderen tot ontzettende
drommen, zij zijn zestigduizend in getal, overdekt met ijzer en
staal.... De paarden steigeren onder den slag hunner _gulden sporen_,
de bodem davert onder hunne vaart.... Zij zakken met zegevierend gejubel
naar het kleine Vlaanderen af!...

Wat vermag een zwak volk, een volk van arbeiders en burgers, tegen zulke
vreeselijke overmacht? Eilaas, het is dus beslist? de kiem der vrijheid
zal versmacht worden in het Vlaamsche bloed? de baan der menschelijke
toekomst zal voor eeuwig verbalkt worden met het zwaard der
dwingelandij?

Maar wat zie ik? Vlaanderen durft de worsteling aanvaarden?... Waarlijk!
Boven zijnen grond heerscht een zonderling gebruis als van een
zwoegenden bijenzwerm: het zijn kreten van onversaagdheid en van moed.
"Naar Kortrijk, naar Kortrijk!" galmt het; "ten strijde, ten strijde,
voor vrijheid en voor land!"

De werkhuizen, de Hallen, de panden der Gilden spuwen dappere mannen;
uit alle steden en dorpen loopen burgers en arbeiders naar Vlaanderens
moederstad, naar Brugge, waar de dekens der machtigste Gilden, waar De
Coninck en Breydel hen wachten.

Zonderling leger, wonderlijke strijders! De werktuigen, de
gereedschappen hunner nijverheid zijn hunne oorlogswapens geworden! Op
hunne vaandels prijken hamers, bijlen, truweelen, schietspoelen; geen
ijzer beschut hunne borst; hun lichaam is slechts bedekt met de gewone
kleederen des arbeids.... En toch, op het sein der dekens, op de stem
van Breydel en De Coninck trekken zij juichend naar Kortrijks veld ...
en stormen met blinden moed, als een losgebroken orkaan, tegen den
overmachtigen vijand in....

Burgers en ridders, Vlamingen en vreemden vermengen zich tot eenen
akeligen warklomp, en zwoegen en strijden, hakken en pletteren, huilen
en slaan.... De lucht siddert, de aarde beeft, de zon verduistert onder
het stof, dat uit het zwermend gevecht opstijgt; reeds heeft zij de
helft harer hemelbaan doorloopen, en nog immer kaatst haar licht terug
in stroomen vlietend bloed, nog immer ziet zij den ijselijken
menschendrom over hoopen lijken heenvlotten.... Maar het gaat eindigen:
de strijd vermindert, de meesters met de gulden sporen zijn gevallen.
Hoort, daar rijst een reusachtige zegeschreeuw over het slagveld; de
Gilden zwaaien hunne standaarden in de hoogte en doen de lucht hergalmen
onder den vaderlandschen heilkreet: Vlaanderen den leeuw! Vlaanderen den
leeuw!

De vrijheid onzes lands, de ontslaving, de toekomst der wereld zijn
gered! De Vlaamsche Gilden hebben het burgerlijk recht aan de komende
geslachten geschonken!

En nu, Vlaanderen, uitverkoren land, nu gij uwer bestemming en uwer
macht bewust zijt, nu met vertrouwen vooruit in de baan der ontwikkeling
en der volksgrootheid. Pheniciërs der nieuwe beschaving, doet uwe
werkhallen daveren onder de geruchten des arbeids, doorklieft de
wereldzee, voert de voortbrengsels uwer nijverheid naar de onbekendste
gewesten, maakt alle volkeren u schatplichtig en doet het goud over uwen
bodem stroomen. Voorloopers van den grooten Columbus, gaat, onderneemt
de stoutste reizen, ontdekt de Azorische eilanden en plant het Vlaamsche
vaandel te midden van den Amerikaanschen Oceaan. Zendt uwe stoute
Gildebroeders, uwe kundige ambachtslieden naar Frankrijk, naar
Duitschland, naar Engeland. Dat zij daar den volkeren leeren, hoe men
den arbeid der samenspanning bevrucht; dat zij daar de gronden leggen
van lateren rijkdom, van vrijheid en van burgermacht.... En zijt even
groot op het gebied der kunst: geeft der wereld schilders als de
gebroeders Van Eyk, als Van der Weyden, als Memlinck; schenkt haar
dichters als Van Maerlant, Van Heelu, Van Velthem, Van Boendale: streeft
alle natiën vooruit in beschaving, in arbeid en in kunst!

Roemrijk Vlaanderen, gij hebt uwe benijders niet gansch verplet; het
groote ridderland, dat u beloert, is vruchtbaar en rijk aan dappere
mannen; honderdmaal nog zal het Vlaamsche bloed voor de vrijheid
vlieten.... Maar indien het gevaar u dreigt, indien de roem of het
volksbestaan van Vlaanderen in de weegschaal wordt gelegd, dan zal uit
den schoot uwer sterkmoedige Gilden wel een man ontstaan, die als een
reus de wereld tot eerbied voor uwe onafhankelijkheid en voor uwen naam
zal dwingen. Dan zal uit uwen grond het ontzaglijk beeld van Jacob van
Artevelde oprijzen. Gesteund door de Gilden, machtig door kunde, door
verstand, door onversaagdheid, zal hij--burger, arbeidsman, deken der
Gentsche Gilden--de koningen om zijn raad en om Vlaanderens vriendschap
doen smeeken.... Gruwelijk! Een dolk, door vreemden nijd gewet, zal den
roemrijksten uwer zonen dooden, den grootsten burger der middeleeuwen
aan de bewondering Europa's ontrooven. Dan zal voor u het tijdvak der
beproeving zich openen; uw kroost zal zonder plooien voor het vaderland
alles doorstaan, tot zelfs den schrikkelijksten hongerdood; gij zult
helden op helden telen. Philips Van Artevelde, Jan Hyoens, Pieter Van
den Bossche, Frans Ackerman, zonen uwer Gilden, zullen nog uwe vijanden
doen verbleeken en de vrijheid steunen, waar zij wankelend wil
nederstorten in eene zee van bloed....

Tevergeefs!--O, manmoedige maagd van Vlaanderen, gij hebt voor de
wereld gestreden, gij moet voor de wereld boeten.... Verteerd door
hongersnood, uitgeput van krachten, verbijsterd van het onophoudend
kampen, ligt gij machteloos, kwijnend, stervend.... En toch, uwe
ingewanden sidderen in den pijnlijksten barensnood. Wat zal de vrucht
uws lichaams zijn? Uit u kan slechts ontstaan wat grootsch en ontzaglijk
is.

Ah, gij hebt u willen wreken? Uw zoon is een held, gelijk er slechts op
de uiteinden der eeuwen soms een enkele verschijnt. Zijn hoofd voert
menige vorstenkroon; hij heerscht over Vlaanderen, over de Nederlanden,
over Spanje, over Duitschland, over het Roomsche rijk. Hij drukt de
volkeren neder onder zijnen machtigen arm; hij zegeviert over de
Franschen en neemt hunnen ridderlijken koning gevangen; hij trekt naar
het Oosten en drijft de woeste Turken uit Europa; hij vaart naar Afrika,
verdelgt het rooversnest der Saracenen en verlost 22,000 Christenen
aller natiën uit de gruwelijkste slavernij.... Zijn roem vervult de
wereld, zijne heldendaden verstommen de menschheid.... En die
oorlogsreus, o Vlaanderen, dat wonder van macht, van staatsbeleid, die
Alexander der Christeneeuwen, die keizer der keizers, die koning der
koningen, hij is uw zoon: een Vlaming, een Gentenaar, keizer Karel! Oh,
gij bleeft groot, zelfs in de wraak, in de dwaling: eens baardet gij de
vrijheid der volkeren, nu hebt gij de opperheerschappij der vorsten
gebaard ... en bij uwe verkwijning zelve beslistet gij nog over de
toekomst der wereld.

       *       *       *       *       *

De tijden zijn veranderd. Gedurende eene gansche eeuw heeft de geest
des oorlogs over de aarde gewoed; de natiën hebben zich uitgeput in
eenen rusteloozen kamp; eene nieuwe godsdienstleer heeft zich over
zekere gedeelten van Europa verspreid; brandstapels hebben geblaakt,
galgen en schavotten hebben opgericht gestaan.... Eindelijk, uit de
afgematheid ontstaat de vrede; het hijgend Europa zal adem scheppen,
rust genieten.... Maar de Vlaamsche volksgrootheid is versmacht in
bloed. Brugge, de rijke wereldstad, treurt op de puinhoopen zijner
welvaart. Geene kunstenaars, geene dichters meer om zijnen roem te
vieren.... Vlaanderen zwijgt en weent....

Zou de bestemming van der Leeuwen vaderland vervuld zijn? Zou de zon des
roems hem nooit meer beschijnen, den Dietschen stam, die eens zoo
glanzend aan het hoofd der volkeren stond? Eilaas, zou hij gedoemd zijn
om te kwijnen en onvermeld het zwakke leven te dragen, totdat de
vreemdeling den vergeten naam van het vervallen geslacht uit het boek
der natiën wegvage?

O, neen! de geschiedenis van het Vlaamsche volk kan zoo niet breken!

Ziet, daar in eene andere streek van den Dietschen grond rijst eene
prachtige stad. Haar binnenste zucht en bruist van de geruchten des
arbeids, duizenden schepen gaan en keeren op haren breeden vloed; hare
oevers hergalmen van het blijde zeemanslied. Een hemelhooge toren, als
een reusachtig kantwerk gebeiteld, verheft zich uit haren schoot....
Alles verkondt, dat de kunst, de nijverheid, de koophandel--eenige nog
mogelijke bronnen van 's volks verheffing--hier hunnen zetel hebben
gevestigd. Antwerpen, redster van der vaderen naam, frissche, schoone,
struische dochter van Vlaanderen, erfgename van den Vlaamschen roem, ik
groet u! Met ontzag, met eerbiedige liefde stap ik uwe muren binnen....

Welk schouwspel! Uwe straten zijn vervuld met leden van alle landen, van
alle talen, van alle spraken. Is het de koophandel alleen, die den
vreemdeling dus in menigte binnen uwe trotsche wallen roept? Maar velen
spreken van kunst, van wetenschap, van poëzie? Zij stroomen naar uwe
tempels, knielen in godsdienstige bewondering neder voor de
meesterstukken, door uwe zonen gewrocht, en roepen in geestdrift uit:
"Roem en eerbied zij den Vlaamschen stam! Hij heeft eens Europa verbaasd
door wonderen van onverschrokkenheid en van moed, nu verstomt hij de
wereld door wonderen van kunst. Welk mag toch het raadselwoord van de
altijd herlevende kracht dezes volks zijn?"

Dit raadselwoord, o wandelaar, het omringt u! Die honderd altaren, wier
pracht, wier rijkdom uwe zinnen treft en uwen geest ontroert, zeggen zij
u niet, wie ze heeft gesticht, wie ze door kunst zoo glansrijk heeft
versierd? Voeren zij niet tot wapen dezelfde teekens, die weleer op
Vlaanderens onverwinnelijke vaandels prijkten? Hamers, tangen, scharen,
bijlen? De Gilden waren het raadselwoord van vroegere volksmacht, de
Gilden zijn ook het raadselwoord van lateren kunstroem.

Kom met mij; ik zal u toonen waar het heilig vuur der kunst zijne
bezielende stralen uitschiet.--Daar, vóór ons, verheft zich een prachtig
gebouw; zijn voorgevel is overdekt met zwierig beeldwerk, en boven zijne
ingangspoort glanst in gulden letters het opschrift: _St.-Lucasgilde_.

Treden wij binnen, werp eenen blik in deze wijde zaal. Welke
levendigheid, welke vlijt, welke lust in het beoefenen der kunsten! Hier
ziet gij Vlaanderens schilders elkander leeren, hoe men scheppen en
tooveren kan met kleur en verf; daar hoort gij den beitel in het marmer
knarsen, om een onbezield blok tot het goddelijk beeld des Zaligmakers
te hervormen; ginds zweven de harmonische noten der toonkunst, verder
zingen dichters in vaderlandsche taal, terzijde, in den stillen hoek,
zitten vier wijzen te schrijven; zij groeten elkander met de namen van
Ortelius, Mercator, Plantyn, Kiliaen; in het verschiet arbeiden drukkers
en verlichters van boeken, plaatsnijders, versierders van allerlei
stoffen.... Het is het Gilde in al zijne macht; de samenspanning van
alle krachten tot één doel: het verheffen van den Vlaamschen naam door
de kunst.

Te midden dezer heilige schaar staat een zetel: hij is nederig, overdekt
met kalfsleder, slechts versierd met eenige koperen nagels.... maar
rondom hem schittert een breede lichtkrans van roem en grootschheid.
Eens rustte de godvruchtige, de gevoelvolle Quinten Massys in dien
stoel; nu vervult de wereldberoemde Rubens hem met de Majesteit zijner
wonderbare kunst.

En zoo zal uit dezen tempel, uit den schoot van het St.-Lucasgilde eene
reeks doorluchtige mannen opstaan, wier werken den naam van het Vlaamsch
geslacht immer verjongd, immer vernieuwd over de wereld zullen doen
galmen. Het zal de bakermat worden van Van Dyck, van De Vos, van
Seghers, van Quillyn, van Boeyermans, van Jordaens, van Teniers en van
honderd anderen, wier faam de wereldberoemdheid van den grooten Rubens
zelven niet zal doen vergeten.

En dan, na eeuwen roem en kunstmacht, zal Vlaanderens zonne weer
verbleeken. Een tempeest van toomelooze driften zal in het Zuiden
opstaan; eenen orkaan gelijk, zal een woedend volk zijne vernielzuchtige
drommen over ons vaderland spuwen. Bevlekt met bloed, vergezeld van
roof, van brand en moord, zal de vreemdeling ook zijne hand aan den
stoel van Rubens slaan; den laatsten deken, den keurigen schilder
Ommeganck uit dien zetel rukken en Vlaanderens kunstmacht breken door
dit nijdig vonnis: "Het gilde van St.-Lucas zij vernietigd...."

En, eilaas, het is zoo geschied.... Nu zijn de volkeren eene andere baan
ingestapt: men heeft den bijzonderen persoon met zijne eigenbaat in de
plaats der verzamelde volkskrachten gesteld. Gunne God het menschdom de
macht om ook in dezen weg hefboomen tot ware grootheid te vinden.

Wij evenwel, wij Belgen, wij Vlamingen, wij juichen de toekomst tegen,
omdat de vrijheid weder over Vlaanderens bodem gloort, omdat de kunst,
de moedertaal, de handel, de nijverheid op onzen grond mildelijk
herbloeien; omdat wij nog het oude, krachtige bloed der vaderen door
onze harten voelen bruisen.--Dat dit feest van het St.-Lucasgilde, deze
vierhonderdjarige herinnering aan ons luisterrijk verleden ons den
boezem doe zwellen van vertrouwen in onze bestemming, van hoogmoed over
de edelheid van het bloed, waaruit wij gesproten zijn. Zweren wij in
onze zielen, dat wij het kostbaar erfdeel zullen bewaren; sturen wij
dwars door de eeuwen heen eenen dankbaren heilroep tot onze
vaderen;--dat onze stem deze vreemde wanden doe sidderen, bij de macht
van der Vlamingen zegekreet:

Vlaanderen den Leeuw! Vlaanderen den Leeuw!

       *       *       *       *       *

AANSPRAAK

TOT DE BEKROONDEN IN DEN WEDSTRIJD TUSSCHEN DE LEERLINGEN VAN 'S LANDS
SCHOLEN (1854).

Het feestgedruisch doorklinkt deze zalen; ik zie blijdschap en
geestdrift op ieders gelaat. Hebben wij weder eene worsteling doorstaan?
heeft het Vlaamsche vaderland misschien eene overwinning behaald? Roemen
wij eene nieuwe zegepraal?

Inderdaad.... En de strijd, hoe vreedzaam ook van aard, was
veelbeduidend, indrukwekkend: het gansche land hield er met angst het
oog op gericht; want ieder wist of ieder gevoelde, dat men hier
beslissen ging, of wel het bloed der Vlaamsche Belgen nog zuiver genoeg
in zijne bronnen was, om op de toekomst van een onverbasterd nageslacht
te mogen hopen. Het Staatsbestuur zou jaarlijks de jongelingschap
oproepen, om in eenen prijskamp naar den lauwer van leerzucht en van
vroegtijdige ontwikkeling te komen dingen; voor onze broeders, die zich
van de Fransche taal bedienen, had zulke prijskamp geene andere
beteekenis dan die van eenen wedstrijd over de leerstelsels in de
scholen; meer waarde moest hij voor ons ook niet verkrijgen.

Maar de vijanden van ons volksbestaan zagen al spoedig, dat hierin een
middel te vinden was om de Vlaamsche beweging eenen bloedigen slag te
slaan, haar te verrassen en haar met schaamte te overladen.

Men zou in den prijskamp de Vlaamsche taal op den achtergrond schuiven,
hinderpalen van allen aard haar in den weg stellen, verklaren, dat de
wedstrijd in het Fransch verplichtend was; maar dat niemand gehouden
was, zelfs niet de Vlaamsche scholen, om deel te nemen in den Vlaamschen
prijskamp.

Wat moest daar nu het gevolg van zijn?

De onderwijzers weten wel, hoe zij de vijanden van onzen ouden volksaard
kunnen believen: het wordt hun niet verborgen. Daarom, velen
verwaarloozen het onderwijs der moedertaal. Zoo zouden dan de
onderwijzers hunne leerlingen in het Fransch doen kampen, niet in het
Vlaamsch; de wedstrijd in het Vlaamsch zou bij gebrek aan mededingers
onderblijven, en men zou het Vlaamsche volk met den boozen lach der
zegepralende slimheid toegeroepen hebben:

Verdwaalden, wat roemt gij op eigen zeden, eigen aard en eigen taal?
Geeft op den zinneloozen strijd, het lot van Vlaanderen is beslist,
overwonnen en vernietigd is de oude heldenstam; geene hoop meer voor u:
het bloed der Artevelden is verbasterd tot in zijnen oorsprong; want
ziet, de jongelingschap, de kinderen zelven verachten hunne moedertaal!

En zoo is het werkelijk geschied, en zoo heeft men inderdaad over onze
nederlaag gejuicht....

Maar de vijand bedroog zich; te vroeg roemde hij op den uitslag van list
en bedrog. Zoo verre toch is Vlaanderen nog niet gezonken, dat het koel
kon blijven bij dat onrecht, bij dien hoon.

Brussel herinnerde zich, dat het de oude hoofdstad van het Vlaamsche
Brabant is. Uit haren schoot klonk de oproep tot tegenstand over België.
Zij wilde beproeven, of men met de Vlaamsche volkskrachten alleen de
list der vijanden niet zou kunnen verijdelen, of de vaderlandsliefde van
eenige onderwijzers tegen de lage streelzucht van velen niet zou
opwegen; of de noodkreet, over Vlaanderen klinkend, geenen weergalm zou
vinden in de harten van het jong geslacht; of het waar is, dat de
laatste kroost onzer roemrijke vaderen, of de kinderen van Vlaanderen
zelven hunnen volksaard en hunne moedertaal verachten.

Stoutmoedige poging, twijfelachtige proef! Want onbekend was ons die
grond, en zoovele hinderpalen waren er te overwinnen! Weinige dagen
bleven beschikbaar. En wie kan zeggen of alles zou gelukken? Er werd
eene onmiddellijke samenwerking van ouders, onderwijzers jongelingen en
kinderen, van alle vrienden der moedertaal vereischt ... en, ontbrak er
iets van dit alles, zoo mislukte de poging onfeilbaar--en eene dubbele
schande hadde onze heilige zaak getroffen, en de vijand hadde met
schijnbaar recht over den val van ons geslacht gejuicht!

Ook, met welke vrees, met welken angst volgden wij de galmen van den
hulproep, die uit Brussel opgestegen was. Zou hij onbeantwoord blijven?

Maar wat grootsch, wat schoon vertoog! Uit alle streken van onzen
miskenden geboortegrond klinken eensklaps zoete, doch innig bezielde
stemmen ons tegen:

"Hier zijn wij, zonen van Vlaanderen! Gij roept ons ten strijde voor de
moedertaal: welaan, al wat wij bezitten, moed, leerzucht, vlijt, al de
wapens, die onzen jaren gegund zijn, stellen wij ten dienste van het
vaderland. Naar Brussel, naar Brussel, ten strijde voor het Vlaamsche
volksbestaan, ten strijde voor der vaderen roem en naam!"

Ziet gij uit alle gewesten van België, uit groote steden, uit kleine
dorpen die gelooven elk van zijnen kant ter bedevaart trekken; ziet gij
die jonge helden, met het oog fonkelend van hoop en moed, ter hoofdstad
gaan als pelgrims die, met overtuiging in de borst en vertrouwen in het
hart, eenen heiligen plicht vervullen gaan? Geene overheid heeft hen
geroepen, geene macht heeft hen gedwongen, geene bedreiging hun de baan
gewezen. Wat hen leidt is het edelste gevoel, het besef dat zij, hoe
jong ook, toch Vlamingen zijn en hun vaderland niet mogen laten
vernederen.

Zij heeft gestreden, zij heeft moedig en zegerijk gestreden, de gewijde
schaar, de voorwacht van Vlaanderens toekomst.

De zegepraal is den vijand ontroofd, het vaderland juicht; wat zijne
schande worden kon, is de bron geworden van eer en roem.

Nu is het uit met die list ... en ieder zal weten, dat, zoo het
onderwijs der moedertaal in de scholen wordt verwaarloosd, het de schuld
van het Vlaamsche volk, het de schuld van Vlaanderens zonen niet is!

En gij, jongelingen, echte telgen van het heldengeslacht, waaruit wij
gesproten zijn, gevoelt gij niet hoe schoon het is, voor het vaderland
te strijden? Is uw jonge boezem niet verbreed, is geen helder licht in
uwen geest gedaald, heeft een ongekend gevoel uwe ziel niet verheven tot
het beseffen eener grootsche mannentaak?

Voorwaar, uwe jonge ziel is ontroerd, daar gij in de toekomst de
glinsterende star aanblikt, die eensklaps voor uw oog is opgerezen; ja,
het is zoo, gij zijt tot eene hoogere zending geroepen; wij, uwe
voorgangers, wij worden allengskens oud; de dood zal ons treffen op het
oogenblik, dat gij in de volle kracht des levens zult bloeien. Zouden
het vaderland dan mannen ontbreken om het te verdedigen, zouden het
dichters ontbreken om zijnen lof te zingen en der vaderen daden te
roemen? O, neen, gij uitverkorenen tusschen het jonge geslacht, gij zult
het heilig werk der wedereisching voortzetten en doen, wat wij hebben,
gedaan. Ja, ja, miskent het nimmer, gij en uwe strijdgezellen moet u
bereiden tot het volbrengen uwer edele zending: strijders voor het
vaderland, verkondigers der wedereisching onzer rechten moet gij worden.
God wil het; Hij heeft u daartoe met zijnen machtigen vinger geteekend
en uwen jongen geest de noodige gaven ingestort. Oh, wij beproefde
mannen in die worsteling, afgesloofde soldaten van het Vlaamsche leger,
wij vereeren u, wij danken u voor hetgeen gij hebt gedaan; uw voorbeeld
heeft ons nog meer moed gegeven: wij weten nu dat het werk, waaraan wij
ons leven hebben toegewijd, tegen den aanval des vijands ook na onzen
dood met onversaagdheid zal worden verdedigd, met vlijt en moed zal
worden voortgezet. Wij danken u, ouders en onderwijzers der jonge
helden, dat gij hun toeliet het vaderland dit hoog bewijs van
verkleefdheid te geven: aan u zijn wij grootendeels die zegepraal
verschuldigd.

Gij ook, zonen van Vlaanderen, gij moet uwen ouders, uwen meesters
dankbaar zijn. Blijft hunne vreugde op aarde: bemint en eert ze
gedurende hunnen ganschen levensloop, niet omdat God u uit hen liet
geboren worden, maar ook omdat zij in uwen boezem het heilig gevoel der
vaderlandsliefde hebben gestort, dat u in de kinderjaren reeds heeft
veredeld en uwe gansche toekomst veredelen moet.

Gij hebt te Brussel den zichtbaren prijs uwer vlijt en uwer liefde tot
de moedertaal ontvangen. Wij ook, wij willen u in naam uwer geboortestad
een zichtbaar teeken onzer vereering schenken. Het is slechts eene
vergankelijke lauwerkroon; maar zij is het beeld van den roem, dien het
vaderland u voorbewaart, het zinnebeeld van den wensch, dat het geluk
uwe pogingen blijve vergezellen, het zinnebeeld van de zending des
dichters, des kunstenaars die u schijnt voorbestemd.

Aanvaart dit eereloover, u geschonken door uwe medeburgers; maar geheugt
terzelfder tijd dat een Belg, een Vlaming, een man in zijnen eigen
boezem het schoonste loon zijner daden vindt; dat wie strijder en
lijder wil zijn voor onze heilige zaak, zijne macht en zijn loon moet
putten in de overtuiging, dat hij zijne plichten kwijt jegens
volksbestaan, jegens moedertaal en jegens vaderland!



REDEVOERING

UITGESPROKEN BIJ HET GRAF VAN EUG. ZETTERNAM DEN l3^{den} OCTOBER 1855.


Wie onzer zou aan de droeve mare kunnen gelooven, indien de dood zelf
niet in ons midden stond als een onverbiddelijke getuige dat Vlaanderen,
onze moeder, alweder in een harer dapperste zonen werd
getroffen?--Gisteren, ofschoon op het ziekbed uitgestrekt, sprak hij nog
zoo liefdevol van het Vlaamsche volk, zoo hoopvol van toekomst, zoo
moedig van strijd en rechtsherstelling.... Nu, nu ligt Zetternam daar,
koud en zielloos, in den wreeden kuil; en onze broederlijke tranen
drenken de aarde, die als de nacht der eeuwigheid over hem nederzakken
gaat!

Moge God hem hierboven voor al zijn lijden en voor zijnen vroegen dood
beloonen; want, vrienden, op aarde groeiden voor hem niets anders dan
distels en doornen: zijn leven was een rustelooze strijd, eene
verterende inspanning van krachten tegen de vijanden der moedertaal,
tegen de kwale, die zijn lichaam ondermijnde, tegen de armoede, die
onverjaagbaar bij zijne bedsponde huisde en hem zonder verpoozing den
bitteren galbeker voor de lippen hield.

Nederige zoon van ditzelfde volk, voor wiens verdediging hij is
gevallen, stond hij als arbeider op eene ladder, toen een straal van het
vuur der kunst hem onbewust in den schedel zonk, toen iets in zijn
binnenste hem toeriep: "Wees kunstenaar, leef door den geest, verhef het
wapen des woords ten voordeele van uw lijdend vaderland!"

Zijne hersens ontgloeiden, in zijne ziel ontkiemde de hoop op eene
betere toekomst. De jonge werkman, nadat hij aan de stoffelijken arbeid
had gestaan, zoolang de zon aan den hemel scheen, keerde mijmerend
huiswaarts, liet zijn bed onaangeroerd en schiep in de nachtelijke
stilte zijn eerste boek. Het werd toegejuicht, want het bevatte de
aankondiging van een schilderachtig en sterk gespierd vernuft.

Weinig tijds daarna werd hij tot den krijgsdienst gedwongen--de bloedwet
spaart den zoon van den nederigen werkman niet;--maar het lastige, het
verstrooide leven der Kazernen doofde in den jongen soldaat de eens
ontvlamde begeestering niet uit; zijne vurige werkdadigheid vond nog
tijd en plaats tot nieuwen arbeid, wanneer alle anderen hunne vermoeide
leden ter ruste legden.

In de kazerne te Dendermonde, bij een klein en verborgen lichtje,
schreef Zetternam een werk, om mede te dingen in den prijskamp, door _de
Taal is gansch het Volk_ uitgeschreven.

Toen in het paleis der hoogeschool van Gent eene talrijke menigte
vergaderd was, om de prijsuitreiking der Vlaamsche moedermaatschappij
bij te wonen, daalde de lauwerkroon op het hoofd van eenen korporaal
des legers; en de naam van Zetternam, door duizend monden uitgegalmd,
klonk als een liefderijke gelukwensch door de gewelven van den
prachtigen tempel der wetenschap....

Eindelijk, tot het burgerlijk leven wedergekeerd, hernam hij met zijn
ambacht van huisschilder ook de taak van verdediger des volks en der
moedertaal.

Slechts tien jaren heeft God hem gegund,--en nochtans, wanneer wij
herdenken wat hij op dien korten tijd heeft gedaan, en welken arbeid hij
op het veld der letterkunde heeft geleverd, dan schijnt het ons
onmogelijk, dat de krachten van één mensch tot zulke taak toereikend
waren.

Zetternam vraagt aan zijn ambacht, aan het zweet des arbeids het
schaarsche onderhoud voor zijn huisgezin; des daags werkt hij voor een
nederig loon en gaat gebogen onder zorgen en verdriet;--maar des avonds,
des nachts roept zijn zwak lichaam te vergeefs om rust; de geest
heerscht en gebiedt.... Hij schrijft zijne _Margaretha_, zijn _Bernhart
De Laet_, zijn _Luchtervelde_, zijne _Arme Bedelares_, zijne _Kimrische
Diluvie;_ hij verdedigt het Vlaamsche volk in talrijke bundels en
vlugschriften; hij is medewerker veler dagbladen en schrijft in het
_Taalverbond_, in de _Broedermin_, in de _Gazette van Gent_, in de
_Vlaamsche School_; hij geeft zijnen ambachtsgenooten een leerboek der
Huisschildering; hij wreekt de Vlaamsche kunst in een stout gewrocht;
hij deelt in de werkzaamheden van het Midden-Comiteit; hij onderhoudt
briefwisselingen met honderden maatschappijen en taalminnaars van gansch
Vlaamsch België;--is er gevaar of moet er iets gewichtigs tot stand
gebracht worden, hij doorloopt de steden en dorpen van Vlaanderen en
gaat de liefde tot de vaderlandsche zaak en de verontwaardiging over het
onrecht aanvuren, waar deze gevoelens dreigen te verkoelen....

Zulke rustelooze, zulke vurige, zulke arbeidzame ziel hoefde in een
stalen lichaam te wonen, anders moest zij onfeilbaar haar stoffelijk
omkleedsel verbrijzelen of verteren. Eilaas, de vriend, wiens
vroegtijdig afsterven wij betreuren, was niet met lichamelijke sterkte
of met de krachten der gezondheid begiftigd....

Er kwam een dag, een noodlottig uur, dat de arme Zetternam onder het
gewicht zijner opoffering, zijner vaderlandsliefde en zijner huiselijke
zorgen het moedig hoofd moest plooien--en, geknakt, op het ziekbed
nederviel.

De machtige springveer, zoolang tot Vlaanderens verdediging overspannen,
was gebroken;--en wat van de vurigheid zijns geestes nog overbleef,
verteerde met bliksemsnellen spoed zijn reeds uitgeput lichaam.

Zijne vrienden hebben gedurende zijne korte doch pijnlijke ziekte bij
zijne bedsponde gewaakt en hem pogen te troosten over een lot, zoo
ijselijk, dat het geenen troost meer toeliet. Hij, de goede, de
edelmoedige Vlaming, hij sprak van het Dietsche vaderland, van 's volks
gekrenkte rechten, van heeteren strijd, van meer arbeid, indien God hem
nog eens de gezondheid wederschonk. Wij beproefden het zijnen moed te
steunen tot het verduldig dragen van zijn lijden,--en hij, den
naderenden dood vergetend, poogde ons den boezem met moed en met geloof
in Vlaanderens bestemming te vervullen.

Dan toch, vrienden, glinsterden wel eens zijne oogen van stille tranen
en liep zijn vaderhart van weedom over. Hij, die met zulke onbuigbare
sterkmoedigheid zijn kruis op aarde had gedragen, kon misschien
ongeroerd den blik in het graf slaan, dat voor hem gaapte; maar
daarnevens toonde zijn geest hem zijne drie ongelukkige kinderkens en
zijne echtgenoote, omsloten in de armen van het wreede spook, dat men
_Ellende_ noemt.... Niet lang echter bleef de zieke Zetternam in die
ijselijke treurnis bedolven; telkens verlichtte een straal der hoop
zijnen kwijnenden blik, en nog plooiden zijne dorre lippen zich tot
eenen zoeten glimlach, als zag hij in het verschiet dingen, die hem
zeiden, dat hij getroost en in vrede het hoofd in de eeuwige rust mocht
nederleggen.

Herdacht hij wellicht de diensten, door hem aan het vaderland bewezen?
Herinnerde hij zich de namen zijner vrienden uit Vlaanderen en Brabant?
Sloot hij de oogen met de overtuiging, dat het Vlaamsche volk de weduwe
en de weezen van den armen Zetternam niet hulpeloos in de wereld zou
laten dwalen?

Het moet zijn; want de laatste verstaanbare klanken, die nog uit zijne
borst opklommen, waren een zucht van vrede en vertrouwen. Als grepe hij
zijn gansche leven in een enkel woord te zamen, suisde hij stervend nog:
"_Moed, ik heb moed_!..."

O, broeders, gij, die uit alle streken van Vlaamsch België tot hier
gekomen zijt om uwe tranen op het graf van den betreurden strijder te
plengen, keert terug naar uwe gouwen, spreekt uwe vrienden van
Zetternams kinderen en maakt, dat toch de laatste hoop zijner ziele geen
ijdele droom zij geweest!

Hij, de schrijver, de werkman, de vader, heeft op aarde meer dan zijnen
plicht gedaan: doen wij ook onzen plicht jegens hem!

En gij, Zetternam, arm slachtoffer, martelaar van uw geloof in
Vlaanderens toekomst, rust zacht in den grond, dien gij tegen vreemde
verbastering hebt verdedigd. Uwe ziele worde opgenomen in den schoot der
Godheid. Leef daar het eeuwige leven, tusschen de dierbare schimmen, die
u in den strijd en in den dood zijn voorgegaan: tusschen Willems, Van
Ryswyck, Ledeganck, Delecourt!

Betreurde broeder, in naam van het Vlaamsche volk, in naam van de
Vlaamsche kunst, vaarwel!...



AANSPRAAK

BIJ DE UITDEELING DER PRIJZEN AAN DE BEKROONDEN IN DEN WEDSTRIJD
TUSSCHEN 'S RIJKS LAGERE SCHOLEN TE KORTRYK DEN 20^{sten} JULI 1857.


Mijnheeren! Het is met een gevoel van blijde ontroering, dat ik heden
deze nederige doch in mijne oogen zeer gewichtige plechtigheid bijwoon.
Als vaderlandsminnaar en als vriend des volks, zie ik het lager
onderwijs aan voor de hoogste weldaad van ons maatschappelijk leven,
voor den machtigsten hefboom tot beschaving en tot zedelijke verbetering
van den mensch.

In ons land bevinden zich gedurig in de lagere scholen meer dan tien
leerlingen op elke honderd inwoners. Men mag dus zeggen, dat de gansche
natie door het lager onderwijs gaat als door eenen vorm, waarin iedereen
wordt bereid om als Belg, als burger en als Christen de zending en de
plichten te vervullen, die hem volgens zijne krachten en bestemming in
de maatschappij zijn opgelegd. Want, men bedriege zich niet, de vruchten
der lagere scholen zijn niet bepaald tot het eigenlijk onderwijs alleen:
hun voornaamst en meest weldadig uitwerksel is de _opvoeding_, is de
vorming van het hart en de veredeling van den geest.

Is het niet in de lagere school dat men den kinderen des volks
allereerst een klaar denkbeeld geeft van de plichten jegens God en
jegens den medemensch? Is het dáár niet, dat men hun met bewondering en
eerbied verhaalt van de groote daden onzer vaderen, en hun liefde tot
den geboortegrond inboezemt? Is het dáár niet, dat men hun de deugd om
haar zelve leert beminnen, en hen bekwaam maakt tot dien edelmoed en die
opoffering, zonder welke de menschelijke samenleving eene onmogelijkheid
worden zou? Ja, het lager onderwijs is de milde bron van godsvrucht, van
vaderlandsliefde en van burgerdeugd.

Welke toekomst ware den volken van Europa beschoren, indien een goed
ingericht lager onderwijs niet elk aankomend lid der maatschappij
opnieuw tegen dwaling en onvoldoenbare begeerten wapende door het innig
gevoel van den plicht? Het is de overtuiging der oneindige gewichtigheid
van het lager onderwijs, die vóór eenige jaren den beroemden Lord
Brougham in de Engelsche Kamer deed uitroepen: "_Voortaan zal niet meer
het kanon, maar wel de onderwijzer over het lot der wereld beslissen_!"
Zooveel durven wij niet hopen; maar toch zijn wij van meening, dat in de
zedelijke orde de samenleving zal zijn wat het lager onderwijs haar
heeft gemaakt. En onder dit oogpunt mogen wij, Belgen, ons verblijden:
staat ons land nevens de grootste en wijste natiën ten opzichte der
uitbreiding van het volksonderwijs, het is misschien wel het eerste van
alle ten opzichte van den zuiveren echt beschavenden geest, die het
lager onderwijs bij ons bezielt.

Onze koning, de welbeminde vader des volks, en met hem onze
staatslieden, onze provinciale en gemeentelijke overheden hebben wel
begrepen, dat de hechtste band, dien men rond onze jonge nationaliteit
kon slaan, de band van een doelmatig en overvloedig lager onderwijs
moest zijn. Wat dankbaarheid zijn wij hun niet verschuldigd, wanneer wij
overdenken, dat de kosten van allen aard voor het lager onderwijs
jaarlijks 4 1/2 millioen franken bedragen, en dat op dien voet, sedert
1830, België aan de opvoeding des volks meer dan honderd millioen heeft
besteed!

Men moge de gebreken der tegenwoordige samenleving met bitterheid
gispen; men moge het goede vergeten om in het kwade te kunnen wanhopen,
het is schoon toch, tot lof van onzen tijd en van ons land in het
algemeen te kunnen zeggen, dat niemand in België van het brood der ziel,
van het licht des geestes moet onterfd blijven, dan alleen door zijne of
zijner ouderen schuld! Dat niemand, zelfs het kind des bedelaars niet,
de middelen ontzegd worden, om de begaafdheden, die God hem heeft
geschonken, te ontwikkelen en te doen gelden, en aldus in het Belgisch
huisgezin de plaats in te nemen, waartoe zijne zedelijke waarde hem
recht kan geven!

Gij, leerlingen, wien ik in naam des staatsbestuurs den prijs der vlijt
en der werkzaamheid ga uitdeelen, gij zijt een slagend bewijs van de
waarheid mijner gezegden. De meesten uwer behooren voorzeker tot de
arbeidende burgerij, sommigen ook tot den nederigsten volksstand. De
zegepraal, die gij nu hebt behaald, doet mij denken, dat de
Voorzienigheid u heeft begaafd met eene bijzondere verstandelijke
vatbaarheid; zij laat mij hopen, dat gij zult getrouw volharden in
leerzucht en in vlijt, dat gij zult getrouw blijven aan de gevoelens van
deugd en vaderlandsliefde, welke de lagere school u in den boezem heeft
gestort. Indien het zoo is, dan zult gij u onderscheiden in de
samenleving, u nuttig maken, u doen beminnen en eeren in uwen stand. En
wie weet, wat gij zult worden, gij, die bij uitstek moedig schijnt en
begaafd? Wie kan zeggen, of niet sommigen onder u hun vaderland zullen
vereeren en eene luisterrijke loopbaan bewandelen?

Dit hangt af van den wil Gods en van uwe eigene volharding: maar hoe het
zij, en welke uw stand in de samenleving ook worde, zonen des volks, gij
zult het altijd blijven beminnen dit vaderland, dat u zoo edelmoedig de
middelen schonk, om uwen geest te veredelen, uwe natuur te louteren en u
waardig te maken van een beter lot op aarde. In uw gevoel van
dankbaarheid zult gij den doorluchtigen weldoener van België, den
koning, begrijpen; uwe erkentenis zal zich uitstrekken tot de
staatslieden, die onze schoone nationaliteit hebben gesticht of
gehandhaafd, tot de provinciale en gemeentelijke overheden, die
voortdurend en met vaderlijke zorg de bron voeden, waaraan gij hebt
geput. Aldus zult gij waardige burgers worden, nuttige menschen, en
vooral verkleefde vrienden van de vrije instellingen, die België
tusschen de staten van Europa tot een benijdenswaardig land hebben
gemaakt.

Het is mij een plicht, te dezer gelegenheid eenige woorden te zeggen tot
lof dier ootmoedige maar edelhartige mannen, die zich aan het onderwijs
van de kinderen des volks hebben toegewijd;--die dikwijls ongekend en
schier onbeloond, gedurende eenen ganschen levensloop zich opofferen,
zonder rust of verpoozing, om de vaderlijke inzichten van het
staatsbestuur te verwezenlijken.

Al wat ik tot lof der lagere scholen heb gezegd, is ook op u
toepasselijk, heeren onderwijzers. Het is uw hart, dat er de jonge
harten vormt; het is uw geest, die er de kinderlijke verstanden
ontwikkelt; het is uwe liefde tot het goede, tot het schoone, tot het
edele, die als eene weldadige sprankel, van uit uwen boezem in de
gemoederen der leerlingen overgaat. En wie de overtuiging uitdrukt, dat
het lager onderwijs een der schoonste eeretitels des vaderlands is, die
zegt terzelfder tijd, in welke ruime mate de openbare dankbaarheid u
toekomt.

Het is waar, gij zijt niet naar verdiensten beloond; maar deze toestand
is een dier overblijfsels van vroegere tijden, waarvan de samenleving
zich slechts langzaam kan ontdoen. Reeds hebt gij kunnen bemerken, dat
er sedert vele jaren pogingen worden aangewend, om uw lot meer in
verband te brengen met de hooge diensten, die gij bewijst; en, gij kunt
het niet miskennen, onder dit opzicht is reeds veel gedaan. Zijt er van
verzekerd, opdat het u sterk make tot het vervullen uwer moeilijke
plichten; het staatsbestuur is doordrongen van al de gewichtigheid uwer
zending en zal nimmer ophouden naar de verbetering van den
onderwijzersstand te streven.

Zijn er nog menschen, die uw edel beroep niet ten volle begrijpen en het
niet naar recht en rede hoogachten, het mistrooste u niet: alwie
overweegt, alwie het vaderland en het volk met klaarheid in den geest
bemint, denkt slechts met bewondering en eerbied aan het goede, dat gij
sticht, en aan de belangelooze opoffering, die gij toont. Gaat voort en
arbeidt met dezelfde vlijt op den akker der toekomst; leert den kinderen
de deugd hoogschatten, het vaderland beminnen en God vreezen; en,
weigert de tijd u voor alsnu nog het rechtmatig loon uwer lastige taak,
zoekt sterkte en troost in de overtuiging, dat gij op aarde tusschen de
edelste en nuttigste burgers gerekend wordt en dat gij de weldoeners van
het menschdom zijt.

EINDE.

FOOTNOTES:

[Footnote 1: Van Maerlants eernaam, hier op Willems toegepast.]

[Footnote 2: Ledegancks _Trilogie_.]

[Footnote 3: Ledeganck.]

[Footnote 4: Willems en Ledeganck.]

[Footnote 5: Van Ryswyck, _Rederijkerslied_, 1836.]





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Redevoeringen" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home